ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

tgt;b 33ijbelsche geschiedenis.

ocr page 6
ocr page 7

^ 7 5' ^

'9

DE

GE

a a n h i n d eRen uei-li a a I d

hooi;

S. ULFKRS,

bibliotheek der

rijksuniversiteit

Utrecht

COLL TH0MAAS8E

Predikant te Rotterdam.

Geïllustreerd met amstreeks 20 0 FRA-iLIE PLATE IT.

'vn#?

h.^v -/

. ' * j.

H

n-

/y

'iü-

ROTTERDAM - D. BOLLE.

Z

ocr page 8

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

.Cv' •

I

j

.

\

|

'

1404 9898

STOOMOnUKKKKI.I, I). VAN Sl IS' ZOON. — KlJ l'TEl'.DA M.

ocr page 9

DE SCHEPPING.

heen hebben, die blij zijn, dat zij er zijn,quot; dacht God. En daarom schiep Hij rondom zich de engelen, schitterende wezens, zooals wij nooit gezien hebben. En de eene engel was schooner en sterker dan de andere. En God maakte, dat zij een heerlijke woonplaats hadden; waar Hij woonde, daar woonden de engelen ook. Do hemel, zoo heet die woonplaats.

Daar is veel gebeurd toen in dien hemel, wat wij niet weten, met die engelen. Zullen wij hot later niet hooren, als wij er ook mogen komen?

Dat was heel in den beginne.

Maar God wilde nog meer schepselen hebben, die blijde zouden zijn, dat zij er waren. Het heelal was ook zoo groot en ruim. Toen dacht God: „Ik

P^ens, — en dat is zeer lang geleden, — toen was God alleen, heel alleen. En God wilde niet alleen zijn. „Tic wil schepselen om mij

ocr page 10

2 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

4

zal do aarde scheppen, en daar zal Ik ook wezens op zetten.quot; En wat God dacht, dat deed Hij dadelijk. En zoo kwam deze aarde tot stand.

Maar toen deze aarde pas geschapen werd, was zij niet schoon. Hot was overal vreeselijk duister. Hot was or zeer woest; en het was er ledig. En het water, dat liep overal overheen, alsof er eon ontzaglijke overstrooming uver alles heengegaan was. Zooals een woeste zwarte zee er uitziet bij nacht, zoo zag het er uit. En zuuals wanneer men uver een afgrond heen in de diepte kijkt, zuo donker was het, geheimzinnig en bang.

Ook dat was heel in den beginne; en niemand weet, hoe lang dat geweest is.

Maar toen kwam de tijd aan, dat het anders ging worden. Gud dacht; „Ik zal die aarde schoon maken, zuuals de hemel ook schoon is. Daar moet licht wezen in die duisternis!quot; En wat God zeido, dat geschiedde in eens. Daar was licht. , Dagquot; noemde Gud dat licht. En toen na eonigon tijd dat licht weer wegging, en de duisternis weer aankwam, uok voor eenigen tijd, toen noemde Hij die duisternis „nacht.quot; Dat ging om beurten. „Dat licht is goed,quot; zeide God. En Hij was als een, die er zich om verheugde. Dat is de eerste dag geweest.

En toen ging God voort. „Die wateren moeten weg,quot; zeide Hij. En de zee ging uitdampen. De dampen stegen naar boven; altijd meer dampen. De lucht werd er vol van. En zij stegen al hooger, tegen den blauwen hemel aan. Groote wolken waren hot geworden. En daar dreven zij, zooals wij zo nog zien. „Die wolken zijn goed,quot; zeide God. En Hij verheugde zich als een, die dacht, hoe zij later water zouden geven, als de aarde dorst had. En hoewel al hot blauw van de lucht verdween, en hoewel het was, alsof een damp en mist de aarde ingehuld had, God wist wol, dat er een dag komen zou, waarop Hij die vele wolken scheuren zou. Dat is de tweede dag geweest.

En alweder ging God voort. „Nu moet het land komen,quot; zeide God. En dat was ontzaglijk, wat toen gebeurde. Van uit die watoren doken de bergen op. Zij verhieven zich, hooger en hooger, alsof er wat onder was, dat ze opstuwde. En het water, dat vloeide naar de diepte, langs de zijden dier bergen, langs de rotsen, schuimend, naar hot lagere land, nog verder, waar de

ocr page 11

DE SCHEPPING.

aarde heelemaal het diepste was. Daar kwam de zee. Zulk een afstrooming is er nooit meer gezien, zoo geweldig. — En waar het land gekomen was, liet God het gras groeien, en de heesters, en de grootere planten, en de forsche boomen, duizend soorten van planten. Zij kwamen, iedere soort bijzonder. Dat was een schoon gezicht, al de velden groen, en de toppen der hergen daarboven uit, en de donkere zee, getemd, in de verte. God zag het, en Hij zeide: „De zee is goed, en het land is goed, en de planten zijn goed.quot; En Hij was blijde, als een, die de aarde schoon vindt. Dat is de derde dag geweest.

En alweder ging God voort. „Nu zal ik de wolken scheuren,quot; dacht God. En ziet, de mist en damp trokken hooger op; daar kwam wind in die grijze donkere wolken. Zij dreven, zij dreven, en scheurden uit één: — daar was de zon! Voor het eerst vielen haar stralen op planten, land en zee; waren er ooit zooveel kleuren gezien! Zelfs de wrolken, die nu wegdreven, waren schoon; wit waren zij, met goud om de randen. — En evenzoo, toen de nacht inviel, — zonder wolken, — ziet; daar was de maan, en daar waren de sterren! Voor het eerst vielen haar zachte glansen op planten, land en zee. „Zeker,quot; zeide God, „Ik heb niet gewild, dat het altijd licht, of altijd duister zijn zou; daarom heb Ik ze geschapen; de dag is voor de zon, en de nacht is voor de sterren en de maan.quot; En God vond zo zelf schoon. „De zon is goed,quot; zeide Hij, „en de maan en de sterren zijn ook goed.quot; En Hij verblijdde zich, als. een, die zijn werk goed heeft gemaakt. Dat is de vierde dag geweest.

En alweder ging God voort. God sprak tot de zee. En de zee bracht visschen voort; kleine visschen, die bij de overhangende rots in stil helder water zacht heen en wTeer zwommen, zilverachtig, als het licht op hun schubben viel; en groote wal visschen, die naar de diepten zwommen, ver in de zee, waar de stormen waren, die zij niet vreesden. — En God sprak tot de lucht. En alsof zij losgelaten werden uit Gods machtige hand, zoo vlogen de vogels, blijde, om vrij te zijn. En met machtige vleugels sloegen zij de lucht, de adelaars, alsof zij naar de zon toe wilden. En de witte meeuwen zetten koers naar de zee; daar wilden zij wezen, waar de helm groeide op de duinen. En de zangvogels vlogen waar de bloemen waren; voor het eerst was er zang op de wereld. „De vogels

3

ocr page 12

4 BIJBELSCpE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zijn goed, en de visschen zijn ook goed,quot; zeide God. En Hij was blijde, als een, die andere schepselen ook blijtle ziet. Dat is de vijfde dag geweest.

En nog eens ging God scheppen. „Nog meer dieren moeten er komen,quot; dacht God. En zooals God dacht, zoo kwamen zij, de duizend soorten; dieren, klein, laag, en kruipend over den grond; koeien en schapen voor de vlakke weiden; konijnen voor de holen in de bergen; kameelen voor de zandwoestijnen; olifanten en leeuwen voor de groote bosschen; overal; dat maakte de aarde veel vroolijker. „De dieren zijn allen goed,quot; zeide GJod; en Zijn oogen gingen uver al het geschapene, met blijdscliap; zooals iemand blij zijn oogen laat gaan over al hot werk, dat hij verricht heeft zonder iets te vergeten. En toen, in het toppunt van Zijn blijdschap, toon zeide God: „Nu is het oogenblik gekomen, dat wij den mensch zullen maken!quot; En daar schiep Hij hen, twee menschen, een man en een vrouw. En toen zij daar stonden, die twee, hand in hand, rechtop, met het hoofd naar den hemel, toen waren zij schooner dan iets, dat er op de aarde gezien kon worden. Zelfs de engelen, zegt men, zelfs de engelen in den hemel waren verbaasd over die schoonheid. En God zelf was zeer blijde, dat Hij hen geschapen had. „Die menschen zijn goed,quot; zeide Hij. En toen sprak Hij zeer vriendelijk tegen hen. „Al die dieren, en al die vogels, en al die visschen zijn van u,quot; zeide God, „deze geheele aarde geef Ik u; woont hier, dit is voor u; koning van de aarde zijt gij.quot; Dat is de zesde dag geweest.

En toen de zevende dag aanbrak, maakte God een feest in den hemel. Want al Zijn werk was gedaan; en het was alles volmaakt. En Hij rustte; Hij hield op met scheppen; niemand heeft ook ooit meer gehoord, dat God iets nog geschapen heeft. En daar was een groote blijdschap in den hemel.

Vandaar, dat de zevende dag nog altijd een feestdag is, een blijde dag, waarop niemand werkt. En op eiken zevenden dag denken wij er dan aan, aan het volbrachte, groote scheppingswerk; en wij zeggen dan: „Heere! Gij zijt het, 'die den hemel en de aarde gemaakt hebt.quot;

ocr page 13

/■

DE EERSTE MENSCHEN.

4004 v. dhr.

ö mensch wilde scheppen, nam Hij aarde, van de aarde waar wij op loopen. En toen Hij daar met één woord van Zijn macht er den vorm aan gegeven had, en daar de mensch vorm nederlag, toen dacht God: „Hier zal Ik nu van mij-zei ven, van mijn eigen Geest in geven.quot; En wat God dacht, deed Hij. Dat wezen ging leven, stond overeind. En de ziel, die in hem was, was niet als de ziel der dieren: die ziel was als een ziel Gods. En God kon zeggen: „Dat is nu een van mijn geslacht.quot; En dat is gebleven tot op dezen dag; een mensch is een wezen, dat aan de aarde verwant is door zijn lichaam, en aan God verwant is door zijn geest. Adam heette de eerste man. Sommigen willen zeggen, dat Adam „aardenzoonquot; heteekent; maar niemand weet precies wat die naam beteekent.

Om nu den tweeden mensch te scheppen, - zie, dat had God op gelijke wijze kunnen doen. Maar Hij wilde dat anders. Neen, het moest niet kunnen gebeuren, dat de eerste mensch tegen den tweeden mensch zou kunnen zeggen: „Wat heb ik met u te doen?quot; Het moest zoo zijn, dat de eene mensch altijd van den anderen mensch zou moeten denken: „Daar is geen afstand tusschen ons, wij zijn eigenlijk dezelfde, wij zijn één.quot; En daarom deed God aldus: Hij liet een diepen slaap op Adam vallen. En toen hij daar neerlag en sliep, nam God een zijner ribben, uit zijn zijde, en bouwde die ribbe tot een vrouw. En toen Adam wakker werd, en daar voor zich de schoonste vrouw zag, die ooit een man gezien heeft, zoolang de wereld bestaat, toen stak hij feijn armen tot haar uit, en riep hij: „Gij zijt van mij!quot; En die vrouw wist het ook, dat zij van hem was; zij was uit hem genomen; en hij had haar vanzelf lief, zooals iemand zichzelven liefheeft. Eva heette die eerste vrouw. Dat beteekent: „uit wie al de levenden gekomen zijn.quot;

Zoo zijn Adam en Eva door God geschapen.

0q eerste twee meiischen waren door Gotl niet tegelijk geschapen. Zóó was liet geschied:

Toen God al de planten en dieren geschapen had, en Hij nu den

ocr page 14

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Nooit hebben menschen schooner gewoond dan die twee.

Jn Axië lag een land, en dat heette Eden. „Lustlandquot; beteekent die naam; en wel, een lustland, dat niet bergachtig is, maar tnsschen de bergen ligt, en zelf vlak is, zooals een steppe vlak is. Daar vloeiden vier rivieren door dat land, waarvan de Euphraat en de Tiger (Hiddekel) de bekendste zijn; die vloeien nog. En bij een dier rivieren lag. hun woonplaats, die God hun aangewezen had. Het Paradijs heette die woonplaats, d.w. z. „een park, met wallen omgeven.quot;

Was het land Eden al zoo schoon, dat het „Lustlandquot; genaamd werd, het Paradijs was het schoonste gedeelte van dat land. Nimmer was er lieflijker plek op de aarde. Onder de schaduw der palmen zaten zij neder, de eerste menschen. Langs de frissche oevers der rivier wandelden zij. Boven hen was de lucht blauw; en de wind, die door den hof woei, was zacht, alsof God aankwam, zacht en vriendelijk. Zij aten van de vrucht der boomen; zij dronken van het heldere water aan den kant van den stroom. En waar de een was, daar was de andere ook; zij konden van elkander niet scheiden. En dat zij naakt waren, zij vonden het niet vreemd; zij dachten er niet om, zooals kinderen. Alles was ook zoo nieuw. Zelfs de dieren waren niet schuw, maar kwamen tot hen, tot vlak bij hen, en lieten zich streelen. Dan gaven zij die uieren namen; en zooals zij hen- genoemd hebben, zoo zijn zij latei-genoemd gebleven. Ook werkten zij in dien hof, iets van landbouw; maar zwaar was dat werk niet. Op den eenen dag, en op den anderen dag, te allen dage was het een leven van onschuld, van blij zijn, van liefhebben, zooals later nooit meer een man en een vrouw gekend hebben, en dat in een lustoord, waar de menschen later den naam aan ontleenden, als zij eens wilden zeggen, hoe schoon de hemel is. Zoo was het eerste leven der eerste menschen.

Maar dat is niet zoo gebleven.

Daar groeide in dien hof een boom: de „boom des levens.quot; Daar aten zij van zooals van alle andere boomen; de vrucht er van hield hen jong; en zoo bleven zij door die vrucht schoon en sterk; daar stak de kracht der onsterfelijkheid in.

Maar daar groeide in dien hof nog een andere boom. — Zie, daar mochten

6

ocr page 15
ocr page 16
ocr page 17

DE EERSTE MENSCHEN.

zij niet van eten. Dat had God verboden. Geen mensch weet, wat dat voor een boom is geweekt. Dat was een boom, als zij daarvan aten, dan zouden zij het kwaad leeren kennen. Tot nu toe hadden zij niets anders dan het goede gekend; maar dan, — wee! dan zouden zij ook het kwade kennen en het onderscheid zien tusschen die twee. Daarom heeft die boom den naam gekregen van den „boom der kennis des goeds en des kwaads.quot; God waarschuwde hen, en zeide, dat zij dat niet moesten doen. „Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven;quot; zoo zeide Hij. En zij begrepen God zeer goed. Zij aten daar ook niet van, en waren gehoorzaam. „Wij zullen het niet doen,quot; zeiden zij.

Toch is het geschied.

Eens, toen Eva langs den boom voorbij kwam, en er naar opzag, toen zag zij een slang rond de takken. Zij vreesde do slang niet, en bleef staan. Ook was, zij niet verwonderd, dat de slang sprak. Van geen enkel wonder zou zij verwonderd geweest zijn, in dat Paradijs. „Moogt gij van dezen boom niet eten? Heeft God dat gezegd?quot; zoo sprak die slang. „Zeker mag ik van dezen boom niet eten,quot; antwoordde zij; „God heeft dat verboden, en als ik het doe, dan moet ik den dood sterven; ik weet zeer goed, dat ik het niet mag,quot; en haar groote oogen zagen rustig die slang aan, als de oogen van een, die geen kwaad wil, en zelfs geen kwaad kent. „Ik weet wel zeker, dat gij niet sterven zult, als gij het doet,quot; sprak die slang; „maar weet gij, wat u dan wel geschieden zal? Wijs zult gij worden; alles zult gij weten; zoo wijs als God zult gij worden; en omdat God niet hebben wil, dat gij Hem gelijk wordt, daarom heeft Hij het maar verboden.quot; — „]s het daarom?quot; dacht Eva; „is het daarom?quot; en haar oogen dwaalden af van de slang naar de vruchten, die aan den boom hingen; en die oogen zagen er naar, evenals de oogen van een kind naar vruchten zien. „Zal ik dan toch niet sterven?quot; dacht zij; „en die vruchten zien zoo schoon, en zij voelen zoo sappig; zij zijn eigenlijk de schoonste vruchten van den hof!quot; En haar hand was reeds uitgestoken; en de vrucht was reeds geplukt; en de korte weg van de hand tot den mond was reeds afgelegd; zij at. Het hart sloeg haar, toen zij het deed, „Hier, Adam! proef eens!quot; zeide zij haastig. En hoewel haar het hart nog sterker sloeg, terwijl zij dit zeide, zij zeide het toch; en een smeek end

9

ocr page 18

10 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

aangezicht zag tot Adam op, alsof zij hem daarbij zeide; „O! laat mij niet alleen in mijn zonde, ik kan niet alleen zijn!quot; En Adam at ook.

Toen merkten zij voorgoed, dat die boom een boom der kennis des goeds en des kwaads was; want zij voelden voor het eerst in hun leven, wat kwaad was.

Zij voelden pijn, pijn bij het hart, zooals alle menschen dat nog voelen, wanneer zij Gods wet overtreden. En die pijn was met angst vermengd, angst alsof er nu iets heel vreeselijks zou gebeuren. Eva bergde zich in Adam's armen, in dien angst; en Adam wist, dat zijn armen haar toch niet konden beschermen.

Ook voelden zij haat, haat tegen die slang, als zij haar aanzagen. Zoo iets als haat hadden zij nog nooit gevoeld; maar nu voelden zij het, en zij voelden, dat dat zeer bitter was. En de gedachte kwam vragend bij. hen op; „Wie is die slang? Want dat is geen slang zooals de andere?quot; Aroor het eerst kwam het besef in hen, dat er een onzichtbare geest was, die boos was, en hun vijandig gezind was; en zij vreesden.

Ook voelden zij. dat zij naakt waren. Zij schaamden zich. En als het niet al te ongelukkig ware geweest, zij zouden zich ieder een verschillenden kant uit gewend hebben, en van elkander weg gevloden zijn. Zij plukten bladeren, van den vijgeboom, die daar dichtbij stond, en zij bedekten zich. Zij hadden elkander wel willen verlaten, zoo schaamden zij zich; maar dat kon toch niet! „Ik kan niet alleen zijn!quot; riep Eva.

Zij wisten op eens, wat kwaad is. En bet kwade kwam op hen aan, in zoovele gevoelens, in zoovele gedachten, in zoovele vreezen, dat zij vloden, vloden van den boom, uit het zonlicht uit, naar waar het bosch het dichtste was, en waar de schaduw het donkerste was, en waar de bladertakken om hen heenhingen, zwaar en dik. Wee! als God nu kwam! Dat hart sloeg, en het wilde niet stil zijn. Wee! als God nu kwam! Hoor, de wind was in de boomen! zij schrikten van den wind! Hoor, de wind woei door den hof, al sterker, en sterker; de takken sloegen tegen de takken van de andere boomen! Zij schrikten van den wind!

En daar kwam een stem uit den wind: „Waar zijt gij?quot; En als twee

ocr page 19

DE EERSTE MENSCHEN.

schuldige kinderen, wier hart stil staat van angst, — die zich wel zouden willen verbergen, maar die tegelijk dat ook niet durven, kwamen zij uit hun schuilhoek naar voren; bevende, alsof de grond onder hun voeten zou verzinken. En Eva hield de hand van Adam vast, en stond ter zijde achter hem. Adam voelde, dat hij moest antwoorden, ook voor haar, en dit sprak hij:

„Ik hoorde Uw stem in den hof; en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborgde ik mij.quot;

„Hoe!quot; antwoordde God, „wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, -van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?quot;

Toen zeide Adam: „De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven; en ik heb gegeten.quot;

Daar wendde God zich tot Eva, en het was vreeselijk om die vraag te hooren: „ Wat is dit, dat gij gedaan hebt?quot; Zij had wel gewild, dat Adam voor haar verder mocht spreken, maar zij moest zelve antwoorden; en beschaamd, zooals nooit een vrouw beschaamd is geweest, riep zij: „O! ik ben bedrogen geweest; die slang heeft mij bedrogen; en toen heb ik gegeten!quot;

Daar was een verschrikkelijke toorn, die opkwam in God, toen Hij zag naar waar de glinsterende slang hing in de takken des booms. God vloekte de slang, zoodat zij van de takken viel op den grond, alsof een bliksem haar getroffen had. „Blijf in dat stof kruipen, al de dagen uws levens!quot; zeide God; en de slang schuifelde weg, met haar bek in het stof. „Gij, Satan!quot; zoo toornde God verder, want God wist, welke de hooze macht was, die achter die verleiding gezeten had, „gij, Satan! wildet gij de menschen u tot vrienden maken? Vijanden zullen zij van u zijn, Ik zal het maken! Haten zullen zij u, zooals gij hen haat! Ik zal het maken, op mijn dag! En één Mensch zal er nog eens geboren worden, die zal u den kop vermorzelen! En al zult gij hem nog een pijn des doods aandoen met uw gif, die Mensch zal u toch vernietigen, Satan!quot;

En toen, alsof er een vreeselijke droefheid zich in Gods toorn kwam mengen, sprak Hij tot Eva, dat haar straf zou wezen voortaan om pijn en smarten te lijden zooals de vrouwen nog lijden; en tot Adam, dat hij dit

11

ocr page 20

r

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Paradijs zou moeten verlaten; en dat hij daarbuiten doornen en distelen zou vinden; en dat hij geen brood of eten zou hebben, dan wat hij met de grootste moeite zou verkrijgen met zwaar werk , want dat er nu door zijn schuld een vloek over de boomen was gekomen. en over de dieren, en over de geheele aarde. Ook voelden de beide menschen, al begrepen zij het nog niet geheel goed, dat de dood hen daar vinden zou buiten het Paradijs, op die groote steppe, die zich daar uitbreidde. En toen God het alles gezegd had, en hun beval: „Nu, weg uit dit oord! een Paradijs vindt gij op aarde nimmer meer!quot; toen ging die man, alsof zijn hart dood was in hem; en Eva ging weenende, aan zijn hand, alsof zij bezwijken zou; naar den uitgang, en verder, al verder.

Daar kwamen wolken, donkere, zware; en zij dreven over hun hoofd, laag bij den grond. En de winden ontwaakten uit allo hoeken, en gierden over de heuvels, tegen de lustboomen aan. En de takken sloegen tegen elkander, zooals in den herfst, als de storm de vruchten op den grond doet vallen. En de adders schuifelden sissend over het gras. En de donder daverde boven het lustoord, dat als een donkere nevel achter hen ging liggen. Toen zij omzagen, blonk tegen dien donkeren achtergrond, ter plaatse waar de ingang was van het Paradijs, de geweldige gedaante van een engel. Hij was witter dan de bliksem. En een zwaard hield hij omlaag. Het was een vreeselijk gezicht. Die beide menschen wisten, dat zij nimmer meer een voet op dien grond zouden zetten.

En zij liepen voort, zooals twee menschen, voor wie de wereld open lag, en voor wie het hetzelfde was, waar zij gingen wonen.

12

Die straffen van God zijn gebleven tot op dezen dag. Daar is geen Paradijs meer; het is verwoest; niemand heeft ooit later de plaats kunnen terugvinden. De vrouwen op aarde hebben nog altijd veel smarten. De mannen moeten het brood verdienen en zoeken, als tusschen de doornen en distelen in. En de dood, de dood is ook gekomen en gebleven. Zij zouden anders zacht, vriendelijk en schoon de aarde hebben verlaten, de menschen; en zij zouden in den hemel zijn opgenomen, met wolken tot een wagen; maar nu was dat scheiden van de aarde een pijn, een verteren, een afzichtelijk iets geworden, om over te sidderen, en van te gruwen. Dat is de dood.

En als er geen belofte geweest was, - zooals God gesproken had in zijn

ocr page 21

kaïn en abel.

woorden tegen den Satan — liet zon niet te dragen zijn geweest, zulke straffen; en het zou boter geweest zijn, dat do geheele schepping maar weer tot het niet was wedergekeerd. Nu ging ton minste de belofte mede, met die twee vluchtende menschen; en zij blonk hun toe, zooals aan den horizon een streep licht den dwalonden toeblinkl, die daar gaan over de nachtelijke heide.

KAÏN EN ABEL.

oen Adam en Eva uit het Paradijs verjaagd waren, zijn zij in het ^ landsohap Udon blijven wonen. Waarom zouden zij nog verder de SU wereld in dwalen? Hot was al erg genoeg. Het werd waar, wat God G gezegd had; Adam moest in het zweet zijns aanschijns zijn brood zoeken. En voor Eva zou de straf ook in vervulling treden. Zij hadden het gevoel, dat ballingen hebben, die in hun eigenlijke vaderland niet meer wonen, en die in hun nieuwe land niet thuis zijn.

Hier in hun nieuwe woonplaats kregen zij voor het eerst kinderen. En Eva was na haar vele droefheid en smarten blijde, toen zij een kind kreeg, zooals de moeders nog blijde zijn, als het kind geboren is; dat was haar een groote troost; en in haar vreugde riep zij: „Door Gods hulp heb ik een man verkregen!quot; De ouders waren er wel verwonderd over, toen hun een kind geboren was. Het was ook de eerste maal, dat een kind in de wereld kwam. Daarom noemden zij het kind Kaïn; dat beteekent: „iemand, die ook tot het leven inkomt.quot; Daarna kregen zij nog een zoon: Abel noemden zij dezen. Die naam beteekent eenvoudig: „zoon.quot; En. toen kregen zij nog meer kinderen, zonen en dochters.

Om in hun levensonderhoud te voorzien, moesten ook de kinderen, toen zij grooter werden, aan het werk mededoen. De hoornen, die zij vonden, gaven niet genoeg vrucht. En zij begonnen daarom te planten en te zaaien. Dat gaf voedsel, soms wat meer, soms wat minder. En daarom, dat zij op de gedachte kwamen, om do dieren, die zich het best daartoe leenden, bij zich te

13

ocr page 22

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

houden; er de melk van te drinken, hun vleesch te eten, en met hun vellen zicli te kleeden. Dat waren in de eerste plaats de schapen. Kaïn nu was het liefst op den akker bezig; hij werd landbouwer. Maar Abel zocht zijn werk het liefst bij de kudde; hij werd schaapherder. Zoo vond dat eerste gezin met moeite en veel zorg hun levensonderhoud. De vloek der zonde was over de aarde, over de dieren en over de planten gekomen. Zij waren nog blijde, dat zij met hard werken hun voedsel konden vinden. En als in het eene jaar de aarde eens overvloedig vrucht voortbracht, en als in het andere jaar de kudde eens sterk zich vermenigvuldigde, dan waren zij dankbaar voor dien zegen. Zij voelden, dat God dan goed was over hen, en barmhartig. De gedachte kwam bij hen op: „Hoe zullen wij op de eene of andere wijze God daar onzen dank voor toonen?quot; Uit die gedachte ontstonden de offers. De otters dagteekenen reeds uit de eerste tijden der menschheid.

Zie, — zij zochten een verhooging van aarde, of een groeten steen; daar legden zij droog hout op, dat goed kon branden. En daar op dat hout legden zij dan vruchten van den landbouw, of een van de schapen. Van het beste namen zij, want aan God mochten zij toch niet van het slechtste aanbieden, dat voelden zij. En dan staken zij het hout in brand, zoodat wat daarop lag, geheel verbrandde, en in rook en vlammen opging. Zij stonden er dan omheen, met het hoofd naar den hemel opziende, en met de handen naar boven uitgebreid, terwijl zij hardop tot God riepen, en zeiden dat zij dankbaar waren, en dat zij daarom dit gaven als een bewijs van hun dank. Zoo brachten zij hun gaven aan God; en dat is duizenden jaren in gebruik gebleven. Zulk een verhooging vaa aarde heet een altaar. De gave, die zij verbrandden, heet een offer.

Nu had Kaïn voor zichzelven een altaar uitgekozen; en zoo had Abel gedaan. En Kaïn offerde voor zich van de vruchten van zijn akker; Abel otterde van de eerstgeborenen van zijn kudde. De verschillende otters van beiden hadden even goed kunnen zijn, en Gode even aangenaam. Maar daar was iets aan de zijde van Kaïn, waardoor God van zijn offer niet weten wilde. Het hart van Kaïn was niet recht. Van zijn broeder Abel hield hij niet veel; en God kan toch geen offer aannemen van iemand, die niet van zijn broeder houdt? Dat is nog zoo; God kan geen gebed aanhooren van iemand, die zijn broeder haat.

14

ocr page 23

kaïn en abel.

Maar bovendien was Kaïn niet werkelijk dankbaar; want hij stelde zich maar zoo aan; dat bleek daaruit, dat hij niet van het beste zijns lands ten offer bracht; Abel had wel van het beste zijner kudde gebracht. En nu kan God toch geen offer aannemen van iemand, die in zijn dankbaarheid zich maar aanstelt? God heeft het ouk duidelijk aan hem laten merken; denkelijk zal God het hem hebben gezegd.

Boos werd Kaïn hierover, geweldig boos; zooals iemand boos wordt, aan wien men eens zijn eigen slechte hart bloot legt. En dagen lang was hij boos. Zijn hart was grimmig tegen God, en tegen Abel, en tegen iedereen. Hij liep alleen, en sprak niet gaarne meer tegen de anderen. Zijn gelaat vermagerde; en er blonk een leelijk zwart licht uit zijn oogen. Hij otterde ook niet meer. Hij was vreeselijk ongelukkig.

„Kaïn!quot; zoo zeide God toen tot hem, — want God had hem toch lief en kon hem niet zoo alleen laten dwalen, — „Kain! is dat goed, dat uw hart zoo boos is? Waarom zijt gij het? Die boosheid staat op geheel uw gelaat; en gij zijt er krank van! Moet dat zoo blijven. Kaïn?quot; En God sprak vriendelijk met hem. Ja, God zeide hem nog meer, en waarschuwde hem dringend: „Verzoen u toch met uw broeder! En als gij komt om te otteren, kom dan met een waar hart! Dan wil Jk uw otter wel hebben. Als gij wèl doet, dan zal Ik u weer verhoogen. Maar als gij niet wèl doet. Kaïn! de zonde ligt aan de deur; laat de Satan niet over u heerschen; gij moet over hem heerschen.quot; Gods waarschuwing was zeer vriendelijk; en Kaïn voelde het wel, dat de zonde evenals een kwade hond is, die buiten de deur ligt, om te bijten, als iemand uit de deur naar buiten gaat.

Toch werd het niet beter met hem. Zijn oogen stonden steeds duisterder; en in zijn hart werd het geheel zwart. En hij twistte met Abel, als hij hem tegenkwam; ja, hij twistte met hem meermalen. Totdat hij eens, toen zij elkander weer tegenkwamen in het veld, en de boosheid hem weer aanzette, zijn broeder aangreep en sloeg. Hij was de sterkere. En geheel buiten zichzelven, wierp hij hem op den grond; met een stok wondde hij hem het hoofd, en nog eens, en altijd door. Daar kwam bloed uit die wonden, en op de aarde lag dat bloed; de aarde zoog het in en de bloemen daaromheen waren rood van

15

ocr page 24

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de vlekken. Toen hij eindelijk opstond van zijn broeder te slaan, was de grimmigheid nog niet van hem geweken, en hij ging heen, terwijl hij omzag; want als Abel opgestaan was Van den grond, hij zou hem nog eens geslagen hebben. Berouw voelde hij geheel niet, al begon een angst over hem te komen, bij de gedachte, dat Abel niet opgestaan was, en daar nog neerlag in zijn bloed, tusschen de bloemen.

In dien dag,, tegen den avond, loen Abel niet thuis kwam, en de ouders het niet hoorden van Kaïn, waar of Abel bleef; en toen zij uitgingen, Adam en Eva, naar het veld, om hem te zoeken; en toen zij hem vonden, in zijn bloed, en de moeder haar zoon liefkoosde, en bij den naam riep, en over hem weende, terwijl zij niet wist, waarom hij niet antwoordde, — toen beseften die ouders voor het eerst, met een duisteren schrik, wat dat was, waar God van gesproken had, toen Hij zeide, dat de dood op aarde komen zou: dit was de dood. Wee! de vloek der zonde werd al erger en erger! Die ouders konden nooit meer vroolijk zijn! In tie taal der latere inenschen kreeg het woord „Abelquot; de beteekenis van; „damp, vergankelijkheidquot;; zoo kort vonden zij, dat zijn kort leven was geweest.

Vreeselijk is Kaïn door God gestraft! God ging tot hem, op zijn akker, waar hij bezig was, zooals een mensch meteen hard en onverschillig hart bezig is. „Waar is Abel, uw broeder?quot; zoo vroeg hem de Heere. Kaïn zag niet op; hij zou een toornigen God gezien hebben. „Weet ik, waar Abel is?quot; antwoordde hij, en hij was brutaal in zijn antwoorden; „moet ik op hem passen?quot; Maar hij moest opzien; want, zooals hij wel eens geschrokken was van den donder, als het on weder hem overviel, zoo schrok hij van den donder in Gods stem, toen God tot hem zeide; „Wat hebt gij gedaan? Daar ginds ligt het bloed van uw broeder op den grond; Ik heb het gezien; en dat bloed roept om wraak! Vervloekt zijt gij. Kaïn!quot; En het was, als weerkaatste die donder in Kaïn's eigen hart, zoo sloeg hem toen het geweten, toen God verder zeide; „Voort, van hier! deze grond, waar. het bloed van uw broeder opgevallen is, wil niet hebben, dat gij hier staat; nergens wil de aarde het meer hebben, dat gij ergens op staat; die aarde vloekt u; ook als gij haar zoudt willen bebouwen.

16

ocr page 25
ocr page 26
ocr page 27

LAMECH EN ZIJN ZONEN. 19

zou zij liever tot een woestijn worden onder uw voeten, dan vrucht u te geven! Vlucht, en zwerf; gij zult nergens rust meer vinden! Van hier!quot;

En het was als een schreeuw, dien Kaïn uitstootte van angst, toen hij zeide; „Wee, die misdaad, en die straf zijn grooter, dan ik dragen kan! Moet ik dan sterven? Want al wie mij vindt, zal zeggen; „Dat is Kaïn!quot; en zij zullen mij dooden, om het te wreken, wat ik gedaan heb aan Abel!quot;

Toen gaf God een gebod, dat niemand het aan hem wreken mocht; en God zeide het ook aan al de broeders, aan de andere zonen van Adam, dat als iemand het wagen mocht, Kaïn te dooden, God het zevenmaal zou wreken op zulk een! Eén moord was al te veel! Daar moesten niet meerdere moorden uit voortkomen! En opdat ieder er aan denken zou, stelde God een uitwendig teeken aan Kaïn; dat teeken was er op eens, aan zijn gelaat; en het was vreeselijk om aan te zien; die het zagen, keerden zich van hem af; zooals wij nog doen, als wij het gezicht van een moordenaar aanzien, en er bij gruwen.

En voor dat de avond daalde, ging Kaïn van daar. Hij droeg niets met zich, dan de gereedschappen van zijn akker; die had hij op den schouder. En zijn vader en zijn moeder zeiden hem geen vaarwel. En zijn broeders en zusters groetten hem niet. Zoo als iemand, die uitgestooten wordt, zoo ging hij heen. En niemand ging met hem, dan ééne zuster,' die hem trouw bleef, en weenendo naast hem schreed. En waar hij zijn voeten zette, daar werd de aarde onder hem tot een woestijn. De aarde wilde niet groeien, waar hij ging. Oostwaarts trok hij, naar het land Nod; dat beteekent; „het land der vlucht.quot;

LAMECH EN ZIJN ZONEN.

'feK^a. den dood van Abel leefde Adam nog menig jaar, en God uaf r ^

^1' lieni nlt;)g ve'e kinderen. Een er van noemde hij Seth; want, zeide hij: „God heeft mij dezen zoon in de plaats van Abel gegeven.quot; Seth V0 beteekent namelijk „plaatsvervangerquot;. De rouw in zijn hart over den dood van Abel is hem zeker nooit uit zijn hart gegaan; zulks bleek uit deze

ocr page 28

BTJBELSCHE G-ESCHIEDENTS VOOR KINDEREN.

naamgeving. Maar toen hij negenhonderd en dertig jaren oud was geworden, stierf hij; en zijn lichaam keerde tot het stof weder, waaruit liet geschapen was.

Negenhonderd en dertig jaren was zeker een zeer lange tijd voor een mensch, maar God vergunde in die dagen aan de menschen om veel langer te leven dan nu. Zoo weten wij, dat een dier menschen uit dien tijd, Methusalem, negenhonderd negen en zestig jaren oud geworden is. Wij hebben nooit van iemand op de wereld gehoord, die ouder is geworden dan hij. Spoedig echter verkortte God den leeftijd der menschen, omdat hun boosheid en hun zonde zoo veel erger werden, en honderd en twintig jaren werd de uiterste grens. Van den vader van dezen Methusalem weten wij nog iets bijzonders. Henoch heette hij, en hij was godvruchtiger dan al de anderen uit zijn tijd. En het was daarom, dat Grod hem niet den gewonen dood Het sterven, dien al de andere menschen sedert do zonde in het Paradijs hadden moeten sterven. Want toen Henoch driehonderd vijf en zestig jaren oud was, nam God hem tot zich, zonder dat hij den dood behoefde te smaken. Al de menschen in die dagen waren er ten hoogste over verwonderd; maar sommigen begrepen toen zeer goed, hoe de menschen na hun volbrachten leeftijd van de aarde zouden hebben mogen weggaan, als de zonde niet gekomen was. Zij voelden toen, dat de dood niet op de wereld had behoeven te zijn, als er geen zonde geweest was. Ook werden zij echter, en dat verblijdde hen, daardoor versterkt in hun geloof, dat de godsdienstige menschen na hun dood bleven leven, en bij God in den hemel mochten komen. Dat was hun een groote troost.

Een ander merkwaardig man uil die dagen was Lamech. Hij was uit het booze geslacht van Kaïn. Deze Lamech was de eerste, die twee vrouwen nam; iets wat God nooit gewild heeft, maar wat later veel menschen hem nagedaan hebben, zoo dat het zelfs een gewoonte werd, alsof het wèl mocht. Die Lamech was geen goed man. — Drie zonen had bij.

De eerste was Jabal. Doordat hij duizenden van schapen had, met vele herders, en het landschap, waar hij woonde, geen gras genoeg leverde op den duur voor zijn kudden, trok hij verder, en van daar weer verder. Zonder vaste woonplaats leefde hij met zijn herders in tenten, altijd van de eene steppe naar

20

ocr page 29

de andere trekkende. Dat trekkend leven beviel hem zeer goed; ook werd hij zoodoende tot een machtig man. Later volgden meer menschen zijn voorbeeld; en zoo ontstonden die rondtrekkende, zoogenaamd Nomadische volksstammen, gelijk er nog in Azië zijn. Omdat hij de eerste is geweest, die zulk een leven geleid heeft, wordt hij de aartsvader der Nomadische volken genoemd. „Iemand zonder vaste woonplaats,quot; beteekent ook zijn naam.

De tweede zoon van Lamech was Jubal. Deze zou de uitvinder van de toonkunst kunnen genoemd worden. De eerste ruwe muziekinstrumenten wist hij kunstiger te maken dan iemand anders; en men was verbaasd over de klanken, die hij met zijn fluiten, hoorns en snareninstrumenten wist voort te brengen. Men kwam gaarne naar hem luisteren, des avonds als de hitte des daags over was, en het werk gedaan was; en de herders bij hun kudden leerden ook spoedig zijn kunst, en speelden op hun tluit of harp voor de jonge vrouwen, die dan aan het dansen gingen. Hij was echter de eerste; en omdat

ocr page 30

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hij de eerste is geweest, wordt hij de vader der toonkunstenaars genoemd. .,Hoornquot; beteekent ook zijn naam.

De derde zoon van Lamech was Tnbalkaïn. Deze was niet minder vernuftig dan zijn broeder. Hij was reeds dikwijls bezig geweest om de landbouwwerktuigen en de wapens te verbeteren; deze waren toen nog van steen; men wist nog niet beter. Hij merkte op zekeren dag, dat ijzer in het vuur gloeiend werd, en de gedachte was in eens rijp in zijn hootd, dat hij zoo dat harde metaal vervormen kon. Hij werd aldus de uitvinder van het smeden. En het eerste voorwerp, dat hij van het metaal maakte, was een groot breed mes, een zwaard. Hij toonde het zijn vader Lamech, die er bij was komen staan. De oude man nam het zwaard in de handen, voelde hue scherp het was, scherpsnijdender dan een van de andere steenen wapens, die zij hadden; hij hiel' het hoog in de lucht, zwaaide er mede rondom zijn hoofd, sprong een wilden krijgsdans, riep zijn vrouwen er bij, en begon te zingen, zooals een woest bloeddorstig man in den oorlog zingt. En wat hij zong was een lied op het zwaard! „Wie durft tegen mij te komen?quot; zoo zong hij; „laat een jongeling mij eens een wond slaan, ik sla hem dood; laat een man met zijn knots mij een buil slaan, ik sla hem dood; God zeide, dat wie Kaïn kwaad zou doen, zevenmaal gestraft zou worden; maar ik zeg, dat wie mij te lijf komt, zeventigmaal zevenmaal zal gestraft worden!quot; En de grijsaard sprong zingende rond als een woestaard, tot hij uitgeput was. De menschen vonden de uitvinding schoon; en zij kwamen van alle kanten, om aan Tnbalkaïn wapenen te vragen, die hij voor ben smeedde. Daar werd in die dagen reeds veel gevochten. Ook leerden zij van hem die kunst; en daar waren weldra vele smeden; maar hij was de eerste. En omdat hij de eerste was, werd hij de vader der smeden genoemd. „Speersmidquot; beteekent ook zijn naam.

Dat het eerste werktuig van den eersten smid een zwaard is geweest! Dat het eerste lied van den eersten dichter eeu krijgslied is geweest! De zonde nam de overhand over de aarde!

22

ocr page 31

DE ZONDVLOED.

■ilitH v. Chr.

zonde nam de overhand over de aarde.

Daar waren ook reeds vele menschen. Zij hadden zich overal heen verspreid. Op de gebergten woonden menschen. in de dalen woonden menschen | daar waren zelfs reeds steden gesticht, liln op de steppen werden heinde en ver de tenten gezien der veeherders. Van gestalte waren zij groot, zooals de reuzen groot zijn, en zeer sterk; zoodat, waar zij kwamen te wonen, de wilde dieren uitgeroeid werden; ook werden zij zeer oud. En de vrouwen waren bovenmate schoon. Men vertelde later, dat het halve goden waren; zoo groot, zoo sterk, zoo schoon waren de menschen.

Maar slecht waren die menschen ook, ongehoord slecht. Die de sterksten waren, verdrukten de anderen, en deden met hen wat zij wilden. Zij namen de zwakkeren af, wat zij van hen begeerden; dat was niet eens geheim stelen, maar een openbaar rooven. En als de zwakkeren zich wilden verzetten, sloegen zij hen dood; hun angstkreten en hun doodschreeuw stegen op naar den hemel, en God hoorde het; dat was nog nooit zoo erg geweest.

De schoone vrouwen waren niet beter dan de mannen. Want zij waren zeer ijdel; zij droegen geen eenvoudige kleederen, en zij schaamden zich zoo weinig; ook gingen zij het liefst onder do groene boomen, om daar te dansen met slechte mannen; en ook daar schaamden die vrouwen zich nooit; en zij lachten hardop, als er eens een zeide, dat het onbetamelijk was. En als zij veel gedanst hadden, gingen zij sterke dranken drinken onder de groene boomen; zij gingen niet naar huis, al was het reeds lang donker. En zij spraken daar over allerlei slechte dingen. God hoorde het; dat was nog nooit zoo erg geweest.

En wat even erg was als deze dingen: ,zij werden onverschillig omtrent God. Zij hadden geen berouw, als zij iemand doodsloegen; zij hadden geen berouw, als zij de zwakken beroofden; zij hadden geen berouw, als zij schaamteloos waren; ja zij verhieven er zich zelfs op, en dachten, dat God toch niets tegen hen doen kon; dan spotten zij, en lachten

li

km

•oill

ii.

IM

|114

it

? it

3 i

ï vm

ocr page 32

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zij; en wat zij luide tegen God zeiden, terwijl zij naar don hemel riepen, dat waren zeer schandelijke woorden. God hoorde het; dat was nog nooit zoo erg geweest.

De zonde nam de overhand over de aarde.

Heel alleen, als een rechtvaardig man, stond Noach tusschen al die booze menschen.

Deze man vreesde God. Het was niet aangenaam voor hem, dat hij zuu alleen stond; maar hij dacht toch bij zichzelven: „Ik wil zoo niet doen, zooals die anderen!quot; Hij had een vrouw, en drie zonen. Sein, Cham en Japhet. En hij zeide tot zijn huisgenooten, dat zij allen ook oprecht en vroom moesten wezen. Ook had hij een altaar; en daarop otterde hij gedurig aan God; dat was het eenigste altaar in het gansche land. En zonder vrees voor de andere menschen liet hij het overal blijken, waar hij maar kon, dat hij wèl God wilde eeren, wat zij er ook van dachten. Ja, openlijk sprak hij er over, 's avonds, als de menschen bij elkander kwamen bij de poort van de stad, of onder de groene boomen. Dan was hij een prediker, krachtig en groot. Want hij voelde, dat zulk schandelijk leven op den duur niet gaan kon, en dat God wel eens een oordeel moest zenden. En zulks zeide hij aan de menschen. Hij was er zeer verdrietig over, dat het zoo was, en nog verdrietiger dat al zijn spreken niets gat; want tie menschen bleven, die zij waren. Noach bekommerde er zich over, wat daar toch van worden moest. Hij had liever, dat het oordeel niet kwam, en dat de menschen zich bekeerden!

De zonde nam de overhand over de aarde.

Hoe vreeselijk hebben tie menschen uit dat tijdperk gemerkt, dat het einde der zonde altijd een oordeel is! Zie, dat oordeel ging komen!

„Noach!quot; zeide God op zekeren dag tot hem, „Ik zal die menschen verdelgen; Ik zal komen, en Ik weet, hoe Ik hen verdelgen zal, hen en al de dieren der aarde; te zamen zullen zij omkomen, ik zal de wateren gebieden, dat zij over de aarde komen, zooals het geweest is in den beginne, tot boven de bergen; en zij zullen vergaan in die wateren, dat zij er niet meer zijn! Neen,

21

ocr page 33

DE ZONDVLOED.

Noach! u zal Ik niet verdelgen; gij zijt een man, oprecht en vroom; met u zal Ik mijn verbond oprichten; gij zult leven, vrees niet! Ik weet, hoe ik u behouden zal!quot; En toen sprak God verder met hem, en onderwees hem, hoe hij een ark moest bouwen, en hue the ark de behoudenis zou zijn voor hem en zijn huisgezin. Dit troostte Noach, al was hij bedroefd over de andere menschen, die sterven moesten.

Zooals God hem gezegd had, maakte hij de ark. Dit was een groot vierkant schip, driehonderd el lang, vijttig el breed en dertig el hoog. Drie verdiepingen kwamen er in, en kamers, en een venster, en een groote deur op de zijde. En goed waterdicht was de ark, van alle kanten. Dat het schip zoo groot werd, was omdat God gezegd had, dat Hij van alle diersoorten één paar wilde behouden. Het werd dus een geweldig groot schip. Lange jaren duurde dat werk; sommigen zeggen, dat hij er honderd jaren voor heeft noodig gehad; maar dat weet toch niemand nauwkeurig. Wel weten wij, dat Noach, als hij rustte van het werk, nog ijveriger predikte dan voorheen, en het allen menschen, die naar zijn zonderlingerr arbeid kwamen zien, bekend maakte, dat die groote overstrooming zou komen; waarbij hij hun dringend aanraadde, zich toch nog te bekeeren. Als antwoord kreeg hij booze woorden, en spot. Hij verbaasde zich over de hardheid der menschen, en hij moest God gelijk geven, dat God eindelijk eens straf ging geven. En hij werkte geduldig voort tut de ark af was.

Noach was toen zeshonderd jaren oud geworden; en het was in het jaar 1656 na de schepping van Adam.

Toen was het, dat God tot hem zeide: „Noach! ga nu in de ark, gij en uw gansche huis! want nu is de tijd van het oordeel gekomen! De watervloed zal weldra beginnen!quot; En hoewel de zon helder scheen, en de hemel blauw was, en er zelfs geen wulk gezien werd, Noach geloofde, dat het nu geschieden zou. En hij maakte zich gereed, um zijn huis te verlaten en scheep te gaan. Met zijn vrouw, zijn drie zonen, en de drie vrouwen zijner zonen, verliet hij alles wat hij had, en zij richtten hun schreden naar de ark.

Toen is ook dat wonderbare geschied, dat de dieren aankwamen, alsof onzichtbare herders hen dreven; twee aan twee kwamen zij, van elke soort een paar. Meer kwamen er niet, maar minder ook niet. Telkens meer soorten.

25

ocr page 34

26 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

daar ontbrak er niet één. Noach was er niet over verbaasd, want hij wist het; God had het hem van te voren gezegd. En hij liep tusschen al die dieren door, zelfs tusschen de wilde dieren, zonder vrees, evenals Adam eens in het Paradijs gedaan had. Van de schapen, geiten, koeien, duiven en nog eenige dieren had hij reeds zeven paar in de ark gebracht; dat waren de dieren, welker vleesch zij gewoon waren geweest te eten en te offeren. Reine dieren noemde men deze; de andere dieren, welker vleesch men niet gewoon was te eten of te offeren, werden onreine dieren genoemd. En toen zij allen in de ark waren, en de kinderen van Noach in de ark waren, en zijn vrouw binnengegaan was, toen ging hij zelf ook binnen. En God sloot de deur achter hem dicht. Zeker had God hem nog een laatste wojord gezegd bij die deur, dat hij niels moest vreezen, dat Hij aan hem gedenken zou. Noach was vol moed. Van boven uit het venster kon hij zien, wat of er geschieden ging.

En dat was vreeselijk wat hij zag. Daar kwam het water. Van onderen uit den grond kwam liet water. De grond opende zich, en elke opening was het middelpunt van een draaikolk. De beken liepen over. De groote rivieren stroomden niet meer benedenwaarts, maar stonden stil, maar zwollen aan, en stegen, totdat zij terug begonnen te stroomen tusschen diezelfde bergen, waar zij tusschen door waren gekomen, alsof die wateren naar hun oorsprong terugwilden. De ^ee verbrak haar grenzen, liep tegen het land op, sprong schuimend tegen de bergen op, golfde over de dalen heen, en zij was woest, zooals zij woest was geweest op den eersten dag van de schepping. God had de wateren weer losgelaten. En Noach sidderde bij wat hij zag. Waar de draaikolk was zag hij de boomen aan den rand ontworteld overhellen en vallen, zware boomen, eeuwen oud; en zij dreven in den draaikolk medegesleurd. Waai- de beken overliepen zag hij de schapen en de lammeren drijvend omkomen. Waar de rivieren wild terugstroomden zag hij huizen vernielen, akkers verwoesten, menschen meegesleurd, tusschen wilde dieren in. En waar de woeste zee aankwam, daar zag hij zelfs de rotsen omlaag storten. Het was al één water, schuimend, draaiend, geweldig en woest. Dat steeg alsof het de toppen der bergen straks onder wilde hebben.

Boven de ark was de blauwe hemel niet blauw meer. Zwart was de

ocr page 35
ocr page 36
ocr page 37

DE ZONDVLOED. 20

hemel geworden van wolken en winden. De bliksemen schoten tusschen die duisternissen door. En de donder in de lucht was als de stem eens vreeselijken Gods. Daar viel de regen van den hemel, zooals uit opengezette sluizen het water breekt. Daar kwam ook de duisternis aan over liet gansche land, om het nog vreeselijker te maken. En van uit het venster der ark kon Noach niet meer zien. Hij voelde, dat in die duisternis de wereld verging. Hij beefde; en als hij niet geweten had, wat God hem nog gezegd had bij de deur van de ark, iiij zou gemeend hebben met die wereld toen te vergaan. Hij voelde ook, dat de ark een schok kreeg, en zich bewoog, en zich ophief. Dat was de wilde stroom, die daaronder kwam, en het schip ophief. De ark dreef op de wateren. Hij aanbad.

Veertig dagen was die regen over de aarde. En honderd vijftig dagen dreef de ark na dien, herwaarts en derwaarts. Als Noach toen uit het venster zag, was het hem, als dreef hij op de groote zee. Daar was geen berg te zien, ook geen top van een berg. Tot vijftien ellen boven den hoogsten berg was het water gestegen. Hij had niet gedacht, dat hij zoolang in de ark zou moeten drijven. Hoe lang zou het nog duren?

Dat was een zeer lange tijd. Noach had wel eens gedachten, heel diep in zijn hart, die hij niet uitsprak; want hij voelde, dat hij niet aan de hulp van God mocht twijfelen. Maar het waren nu toch reeds honderd en negentig dagen! Daar kwam bij, dat toen ten einde van die honderd en negentig dagen een groote wind zich begon te verheffen. Een droge stormwind woei over de watervlakte. Hij kwam aanzetten over de zee, en kwam togen de ark aan, zooals nog op zee de wind tegen een schip aankomt. De ark ging geheel overzij voor een oogenblik. Toen alweder een windstoot; en nog meer, altijd door. Het groote gevaarte wankelde, en draaide, en kantelde bijkans; als het niet zoo sterk gebouwd was, zouden de gulven, die er tegen aan braken, er stukken uit geslagen hebben; maar het schip was zeer sterk, en stond altijd weer recht.

Die droge storm duurde vele, vele dagen, en Noach kon niet berekenen, waar die storm hen wel had doen verzeilen. Hij ging naar het venster, en wilde uitzien, mismoedig, wat of er met dien stormwind nog worden zou. Hij zag uit, en stond verbaasd. Boven aan den hemel waren de wolken gescheurd,

ocr page 38

BIJBELSCHE G-ESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hij kon het wit van den dag zien achter de donkerheid van de wolken; ja, daar brak de zon weer door; die zon had hij in maanden niet gezien. Dat had die storm gedaan. En bij dat eerste licht zag hij uit, en ziet, hij zag boven het water in de verte de toppen der bergen reeds uitsteken. De wateren waren dus dalende; dat had de stormwind gedaan, die de wateren opdroogde; en hij zegende den wind, dien hij eerst zoo had gevreesd, Noach loofde God met verbaasde dankbaarheid; want hij zag, dat God aan bom weer gedacht had.

En de wateren daalden nog meer; want do ark dreef nu rond tusschen bergen, die overal uitstaken. Noach berekende, dat weldra zijn schip zou moeten stranden, tegen een van die bergen; en nimmer was eenig zeeman zoo blijde, bij de gedachte, dat zijn schip zou moeten stranden. Nog een dag, en nog een dag, en daar kwam een schok, een stoot, een trilling over het gansche schip, het zat vast, onbeweeglijk vast. Hot water liep weg rondom en van onder het schip, — de ark was op het droge.

Waar waren zij op do groote aarde? Zij konden hot niet weten. De bergen waren onkenbaar van de groote verwoesting. Gansche bosschen, dio rondgedreven hadden met de stormon, lagen gestrand, opeengestapeld tegen de toppen en tegen de zijden van de bergen. Zij konden niet weten waar zij waren. Later hebben zij gemerkt, dat het op den berg Ararat was, waar do ark was gestrand.

„Nu zal de aarde wellicht weder geheel droog zijn, en weer bewoonbaar!quot; dacht Noach, toen er weer vele, vele dagen verloopen waren; want hij verlangde sterk om uit de ark te komen. „Ik zal het eens beproeven,quot; zeide hij tot zijn zonen. „Wij zullen een vogel laten vliegen, die kan hot ons zeggen.quot; En iiij liet een raaf vrij uit het venster. „Als zij terugkomt, dan weten wij, dat de aarde nog niet bewoonbaar is,quot; zon overlegde hij. En de raaf vloog, zooals een vogel vliegt, die blijde is vrijgelaten te worden. Zij vloog ver heen, kwam terug in groote kringen door de lucht, en ging weer ver heen; zij zagen haar op het laatst niet weder. „Is do aarde nu dus bewoonbaar?quot; vroeg Noach. En de gedachte viel hem plotseling in, dat hij niet verstandig had gehandeld met een vogel uit te zenden, die van aas, van dood gedierte leeft. „Die raaf komt niet terug,quot; zeide hij, „zij zal op de bergen en op het water dood gedierte in menigte nog vinden.quot;

30

ocr page 39

DE ZONDVLOED. 31

„Wij moeten het anders doenquot;, sprak hij daarna, „wij moeten een vogel uitzenden, die van zaad leeft; die kan het ons zeggen, of de aarde daar beneden weer groeit en bewoonbaar is.quot; En toen deed hij verstandiger. Een duif liet hij vliegen uit het venster der ark. Zij klapte met de vlerken, zooals de duiven doen, wanneer zij vroolijk zijn, en schoot toen uit, ver, ver naar den horizon. Zij bleef den geheelen dag uit, en werd niet gezien. Maar tegen den avond was zij weerom, vliegende rondom de ark, alsof zij maar liefst binnen weer was. En Noacli stak zijn'hand uit. Do duif kwam er op zitten, en was gaarne weer binnen, waar zij voeder vond. Noach zag aan het eten van de duif, dat zij den geheelen dag geen voeder gehad had. „Zij heeft nergens wat gevonden; de aarde is zeker nog niet droog; en daar groeit zeker ook nog niets;quot; sprak hij. En hij begreep, dat hij geduld moest hebben.

Het was zeven dagen later, toen hij weder de duif uitliet. En het was wederom tegen den avond, dat zij terugkeerde; in den bek had zij een afgebroken blad van een boom. Noach toonde het blad aan zijn kinderen. „De olijfboomen zijn reeds aan het groeien,quot; zeiden deze; want zij herkenden het blad als een blad van den olijf. „Toch groeit er nog geen zaad,quot; sprak Noach, „anders zou de vogel niet teruggekomen zijn; de honger heeft hem teruggedreven.quot; En hij begreep, dat hij geduld moest hebben.

En het waren weer zeven dagen later, toen zij weer de duif uit lieten vliegen. Tegen den avond zagen zij uit; maar geen duif kwam terug, ook de volgende dagen was zij niet terug. „Er groeit weer zaad,quot; zeiden zij tot elkander; en als zij elkander aanzagen was het zooals menschen, die voelden, dat de bevrijding uit de gevangenis nabij was.

En zoo was het ook.

Daar was God aan de deur der ark, en, zooals Hij de deur dichtgedaan had, zoo deed Hij nu de deur open. „Gaat uit,quot; zeide de Heere.

En de menschen gingen eerst uit; en toen de dieren. Het was weer zooals bij de Schepping. De adelaars vlogen de zon te gemoet; de meeuwen zochten het zeestrand; de zangvogels zetten zich op de takken van het bosch. De kameelen gingen waar de woestijn was. De wilde dieren sprongen in het bosch.

ocr page 40

82 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

waar de boomen liet dichtste stonden. Maar do huisdieren gingen grazen, dicht

bij de menschen blijvende.

Noach zag het aan, verbaasd. „Wij zijn de eenige menschen, die overgebleven zijn,quot; sprak hij, „zij zijn allen dood, de goddeloozen!quot; En hij was ontroerd bij de gedachte aan al, wat geschied was. Een vol jaar lang hadden zij in de ark doorgebracht. Daar kwam een gevoel in hem op, dat hij wat doen moest, of wat zeggen moest, om aan G-od zijn dankbaarheid te toonen. „Laat ons otteren,quot; sprak hij, bevende van blijdschap, zooals iemand, die aan den dood is ontsnapt op de groote wateren, en die weer vasten grond onder de voeten heeft. En zij maakten een altaar, en zij namen van de reine dieren, en die verbrandden zij boven op het altaar, terwijl zij er om heen stonden. En die acht menschen strekten hun handen naar den hemel, en Noach sprak eerst; en toen spraken zij alle acht, luide, tegen God, en loofden Hem.

En ziet, God antwoordde uit den hemel: „Noach! met u richt Ik een verbond op! Ik zal goed voor u zijn, .zooals Ik geweest ben. En Ik zal goed zijn voor de menschen, die nu geboren zullen worden. Ik zal nooit meer zóó de aarde straffen, gelijk Ik nu gedaan heb. Voor u is de geheele aarde. Maallaat er geen bloed meer vergoten worden, zooals er vroeger vergoten is. Ik zal u zegenen, en al uw volk.quot; Dat was zeer vriendelijk wat God tot die

menschen sprak.

En het geschiedde terwijl Hij sprak, en zij opzagen naar de wolken, van waar de stem kwam, dat, ziet! tegen die wolken een regenboog zich vormde, evenals tegenwoordig nog altijd de regenboog zich vormt, als de zon schijnt tegen den neervallenden regen. Dat was schoon wat zij zagen, cn zij hadden het meermalen gezien. „Zoo dikwijls als Ik dezen boog in de wolken zien zal,quot; riep God, „zal Ik gedenken, dat Ik een verbond met u gemaakt hob, en dat Ik beloofd heb u wel te doen; Ik zal het niet vergeten!quot; Zij verbaasden zich niet, die menschen, dit te hooren. Want na al wat zij beleefd hadden, konden zij best gelooven, dat God ook voortaan hen zegenen zou.

En zij verblijdden zich bovenmate.

Zoo is het gekomen, dat elk vroom man, die dit weet, als hij den

ocr page 41

DE TORENBOUW TE BABEL.

33

, !'

i

13

regenboog ziet schitteren, bij zichzelven zegt; „Zie, nu gedenkt G-od er weder aan, dat Hij beloofd heeft vriendelijk en goed te zijn jegens de aarde!quot; Sedert dien dag is de regenboog, die er al dikwijls geweest was, voor het eerst als een teeken aangezien van Gods goedheid. Daar is ook nooit meer een zondvloed geweest; en wij vreezen niet, dat er nog ooit een meer komen zal.

--o-^^o-

DE TORENBOUW TE BABEL.

! $■;

Ij

lil W f

gelijk Adam de eerste stamvader geweest is van bet menschelijk geslacht, zoo is Noacb de tweede stamvader geweest. Want van hem stammen nu de menschen verder af. Noacb beleefde het nog, dat zijn kinderen en kleinkinderen als een talrijk geslacht om hem heen woonden. Want na den zondvloed leefde hij nog driehonderd en vijftig jaren. In het geheel leefde hij dus negenhonderd en vijftig jaren.

Tegelijk met de vermeerdering van zijn geslacht zag hij echter ook, dat de zonde zelve met den zondvloed niet uitgeroeid was, maar in het menschelijk hart mede was gedragen, en nu zich weder voortplantte van geslacht op geslacht. Dat smartte hem zeer. De rechtvaardige man had bet gaarne anders gezien. Maar hij kon het niet keeren. Zijn eenige t roost was daarom, om levend en stervend uit te zien naar dien beloofden Verlosser, waarvan God in het Paradijs gesproken bad. En hijzelf sprak die verwachting menigmaal int, zoodat tlie verwachting door zijn toedoen van het eerste menschengeslaiht overging op het tweede menschengeslacht. Die vroom was onder die menschen, zeidc bet dikwijls zuchtend; „Wanneer zal nu toch eens die groote Verlosser komen, die de zonde overwinnen zal, en die maken zal, dat alle zonde en smart uit de wereld zal weggaan?quot; Zij dachten niet, dat dat nog vele, vele eeuwen duren zou; want zij wisten niet, zooals God het wist, wanneer de ware tijd daarvoor aangebroken zou zijn. Toch waren die vrome lieden maar zeldzaam. De meesten gingen weldra den ouden weg weder op, zooals de menschen gedaan hadden vóór den zondvloed.

3

1;

ocr page 42

Nu geschiedde het, dat, terwijl de inenschen al talrijker werden, zij zich oostwaarts heen wendden, en hij den Ëuphraat een schoone vlakte vonden om er in te wonen. Sinear heette die vlakte. Dat is het latere Bahylonie. Het was een schoon gezicht, die duizenden tenten met de daarbij grazende kudden, op die uitgebreide grasvlakten, met bosch en stroom daartusschen. Dat was een goede plaats om zich te vestigen. En zij deden hei-

Die schoone vlakte moesten zij echter als het ware voet voor voet veroveren op de talrijke wilde dieren, die er voorkwamen. Zoo menigvuldig hadden zij deze nog nergens gezien; en de menschen vreesden voor hen; ja, eiken dag hadden zij zoodanige verliezen aan menschen en vee te betreuren, dat zij die schoone plaats, als volmaakt onveilig, wellicht zelfs zouden moeten verlaten.

Gelukkig voor hen was er één man onder hen, zoo sterk en onverschrokken, dat hij zeide: „Vreest niet! ik zal u tegen de leeuwen beschermen, en ik zal hen dooden!quot; Nu was er ook niet één man, zooals hij. Geheel alleen, met zijn knots gewapend, ging hij de leeuwen te gemoet. Het gebeurde niet, dat zij hem

ocr page 43

DE TORENBOUW TE BA BEL. 35

verscheurden. Altijd overwon hij, met zijn geweldige sterkte, en met zijn knots. En olken dag doodde hij er, van alle wild gedierte, dat hij maar tegenkwam. De huid van den schoonsten leeuw, dien hij gedood had, droeg hij om de schouders. En dat was een schoon gezicht om dien held te zien, groot, sterk, met de leeuwenhuid om de schouders, en met de geweldige knots in do handen. Hij verdreef al het wild gedierte, en de menschen waren hem er zeer dankbaar voor, zoodat hij weldra als het hoofd van den stam werd aangezien. Nimrod werd hij toen genoemd. „Iemand, die opstaat om te strijden,quot; he-teekent die naam zoo zegt men. Een weldoener der menschen was hij.

Het was evenwel zeer jammer, dat hij toen trotsch en aanmatigend werd. Hij begon zich gezag aan te matigen; eischte dat iedereen deed, wat hij wilde; en lid zich door de menschen dienen. De dankbaarheid en de vrees tier menschen maakten, dat niemand ei' zich tegen verzette. Het schijnt, dat-hij toen een bende gewapenden om zich heen heelt verzameld, en in zijn lust tot vechten zelfs begonnen is tegen de naburige stammen strooptochten te houden en kleine oorlogen te voeren. Zijn stam was evenwel zeer met hem ingenomen, en eikende hem als een koning, al was hij een geweldenaar. Hij bouwde vooi zichzelven een steenen huis, zooals de menschen nog niet gezien hadden; en daarin voelde hij zich zoo sterk tegen allo vijanden, dat hij zich als e(gt;n God zoo machtig dacht. Zijn krijgslieden bouwden ook alzoo voor /ichzelven steenen huizen daaromheen: en om al die huizen heen bouwden zij weer een sterken muur, wijd van omvang, en dik, ledereen verbaasde zich over wat die Nimrod deed. Zoo ontstond daar de eerste stad, Nimrod's stad, bij den stroom. Later breidde hij zijn rijk uit, noordwaarts, waar Assyriö ligt, en ook daar bouwde hij een stad, Ninive. Hij stierf als een groot vorst.

Ontegenzeglijk was die eerste stad. aan den Euphraal, gegrondvest op roof, op bloedstorting en geweldenarij. Daar kon geen zegen Clods op rusten. Maar die hoogmoedige lieden bekommerden zich daar niet om. In hun trotschheid zagen zij hun stad aan, en zeiden zij: „Nu moeten wij hier nog een toren bouwen; dat zal onze stad nog veel schooner maken!quot; En zij namen zich voor om dien toren zoo hoog te maken, dat hij ver boven de wolken zou uitsteken. Zelfs lachten zij uitdagend, bij de gedachte, dat zij wel lust zouden hebben daar boven op dien toren tegen

ocr page 44

BIJBELSCHE CtESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

God on de hemelingen te vechten Dat was een groot werk, dat zij ondernamen, maar zij deinsden voor niets meer terug. En de zwakkeren werden geslagen, als zij niet aan den toren wilden werken. Die geweldenaars deden wat zij wilden. Al hooger en hooger rees die toren, op een breed voetstuk; en de trotsche lach dier menschen klonk al dichter en dichter tegen de wolken aan „Als hij klaar is,quot; zoo spraken zij, „dan kan geen God en geen mensch tegen ons aan; dan zijn wij de sterksten, en wij blijven hier bij elkander wonen, onoverwinlijk!quot;

Toen zag God uit den hemel hun werk aan, zooals Hij het aangezien had van af dat zij er aan begonnen waren. „Willen zij den toren zoo hoog maken als mijn hemel, - Ik zal dien toren zoo hoog niet laten worden! Willen zij in die siad bij elkander blijven wonen om sterk te zijn en nog meer geweld te plegen. Ik zal hen uit die stad verdrijven!quot; zoo sprak de Heere. En God lachte ook; zooals iemand lacht, die weet, dat hij de sterkere is, en die de anderen nietig zwak vindt. En bij het aanzien van hun zwakke nietigheid wilde Hij die menschen niet dooden; Hij wilde geen bliksem afzenden tegen dien toren; Hij wilde geen aardbeving gebieden om dien toren te doen wankelen, zoodat hij inviel boven de bouwlieden. Neen, God liet den twist los tusschen die menschen een twist als tusschen hoogmoedige menschen, die elkander schelden. Een misverstand, een spraakverwarring, een oneenigheid, een ware twist, — hoogopslaande vlammen van tweedracht, een strijd, — en daar gingen zij heen uit de poort der stad, de ontevredenen, naar het oosten; zij wilden niet verder bouwen! En daar gingen zij heen uit de poort der stad, andere ontevredenen, naar het zuiden ; zij wilden niet verder meer bouwen ! En daar weken die trotsche geweldenaars uit elkander; elke hoop zijn eigen richting in, naar het noorden of naar het westen! Daar bouwde niemand meer; en wat zij medenamen uit hun groote stad, dat was grimmige haat van de eene bende tegen de andere bende. Zooals twee twistenden uit elkander gaan, en een iegelijk op zijn heuvel zich nog omkeeren, en de vuist tegen elkander verheffen uit de verte, met lasteringen, zoo gingen zij uit elkander. Eenzaam, door weinigen bewaard, bleef de stad achter. Die in den hemel woont had gelachen; en zijn lach wTas een ruïne over der menschen trotsche werk.

36

ocr page 45

DE ROEPING VAN ABRAHAM. 37

Omdat God daar de spraak verward had, daarom noemde men later Nimrod's stad; Babel. „Spraakverwarringquot; beteekent dat. Die stad is eeuwen later nog weer eens een groote stad geworden; maar een zegen voor de menschen is er van die plaats nooit uitgegaan.

Op dezen dag vindt men dicht bij den stroom nog een heuvel van zand-steenen, eenzaam staande tusschen enkele bouwvallen en woestijnzand; „Nimrod's torenquot; noemen daar de menschen dien heuvel nog.

Die heuvel, bestaande, zooals men nog duidelijk zien kan, uit een reusachtig voetstuk, met een toren van zeven verdiepingen, en van tweehonderd vijf en uertig voet hoogte, was menschenwerk. Die ruïne is wat eenmaal de toren van Babel was, zegt men. Maar niemand weet het.

DE ROEPING VAN ABRAHAM.

joQn er meer dan tweehonderd jaren na den zondvloed verloopen waren,

P. . 1 waren er op de aarde weder vele menschen. Zij verspreidden zich overal heen, en woonden waar zij zulks geschikt achtten.

De menschen, die zich langs de twee groote rivieren Euphraat en Tiger nedergezet hadden, en ook daar steeds grooter werden in aantal en in rijkdom, heetten de Chaldeön. Heel ver in het zuiden, tegen de rivier Euphraat, lag een hunner steden, Ur. Ook de landstreek, um de stad heen, heette Ur. De menschen begonnen daar reeds handel te drijven. Op kameelen brachten zij hun waren ver heen, in ruil tegen andere waren, die zij met winst terugbrachten. Die geen handelaars waren, waren veeherders, die hun duizenden schapen en andere huisdieren over de steppen verspreid lieten grazen. En die heel rijk waren, waren handelaars en veeherders tegelijk; slaven en knechten hielden zij in menigte. Als kleine koningen heerschten zij. En herdersvorsten worden zij genoemd.

De Chaldeön in Ur waren den dienst van God nog niet geheel vergeten. Maar daar was langzamerhand een afgoderij ontstaan, die iioe langer hoe meer

ocr page 46

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

zich uitbreidde over hot geheele land tnsschen de twee rivieren. Men was begonnen om de maan en de sterren te aanbidden. ,,Sinquot; noemde men de godheid van de maan. „Zooals Sin het wil, zoo gebeurt het,quot; zeiden de menschen; „die regelt ons levenslot; laat ons daarom tot Sin bidden, dat hij ons geluk zendt.quot; Ook had men in huis en in de tenten kleine afgodsbeelden, zeer leelijk van steen of hout gemaakt; Teraiim noemde men ze; en als de menschen die Teraiim in huis hadden, of bij zich droegen, dan waren zij zeer gerust, en meenden zij zich beveiligd te voelen tegen allerlei rampen.

Nu leefde daar in Ur een aanzienlijk man, Therah geheeten, een man van veel vee, veel tenten, veel herders en veel knechten. Hij was als de anderen, en diende den god Sin, en zijn Teraiim; hij was niet beter dan de overige Chaldeën. Om de een of andere reden verliet hij zijn woonplaats. Of er geen grazige weiden genoeg waren voor zijn kudden; dan wel omdat hij oneenigheid en twist kreeg met andere herdersvorsten in zijn buurt, — om de een of andere reden verliet hij zijn geboorteplaats. Met zijn twee zonen Abram en Nahur en zijn kleinzoon Lot, met zijn geheele have brak hij op, noordwaarts, langs de rivier, weken en maanden lang; totdat hij in Haran kwam, en zich daar nederzette. „Dit land is goed,quot; zeide Therah; „hier zullen wij blijven.quot;

Haran lag in het noordwesten van het land der twee rivieren; en dit werd de nieuwe woonplaats van Therah's geslacht; het werd hun een nieuw vaderland. Weinig dacht Therah of zijn zoon Nahor er aan, dat niet Sin, maar de eenige God van hemel en aarde in Zijn raad hen zoo ver uit Ur der Chaldeën gevoerd had, naar dit nieuwe land, en dat God nog verdere oogmerken had, die Hij volvoeren wilde. Hoe zouden zij, die als de andere Chaldeën waren, er anders over gedacht hebben? Hoe zouden zij het geweten hebben? Daar was er één onder die twee zonen, die het weldra geheel en voorgoed weten zou.

„Abram!quot; zoo sprak God tot hem in Haran, „gij moet nog verder; hier moet gij niet blijven. Ga uit dit land, en verlaat uw vader, en uw betrekkingen en uw vrienden. Ik ben het, die li uit Ur heb doen wegtrekken, en die u verder zal doen trekken.quot; Abram was verbaasd, maar blijde, daar hij nu zekerlijk wist, wie de ware God was, waar hij dikwijls over gedacht had. „Ziet,quot; sprak

38

ocr page 47

DE ROEPING VAN ABRAHAM.

God verder, „Ik wil u brengen naar een ver land; gij weet nog niet wat dat land is, maar Ik zal het n wijzen. En daar wil Ik u tot een groot volk maken; en uit u en uw volk zal een zegen uitgaan voor alle geslachten der aarde, zooals Ik nug nooit een zegen gegeven heb. Ga, en vrees niets; Ik zal zegenen, die u zegent, en Ik zal vloeken, die 11 vloekt.quot;

Abram dacht vele dagen na over den zin van deze wonderbare woorden, en hij begreep nog niet geheel en al wat God met hem voorhad. Doch één ding was hem helder: God wilde hem tot een groot volk maken, en door dat volk de wereld zegenen. „Dan moet ik ook gaan en hier niet blijven!quot; besloet hij. Hij sprak er over met zijn vrouw, Saraï; en daarna met zijn vader en zijn broeder. En hoe ook bij dat onderhoud de bezwaren van een verdere reize op den voorgrond gesteld werden, zijn besluit werd steeds vaster. „Ik zal gehoorzamen,quot; sprak hij. En toen kon niemand hem meer daarvan afbrengen.

Hij nam afscheid van zijn vader, dien hij later nooit meer weerom zag, en die na dien nog zestig jaren leefde. Hij nam afscheid van zijn broeder Nahor, en van al zijn vrienden. En toen de zon opging, zette de stoet zich in beweging: Abram, en Saraï, en Lot, zijn neef, die medeging, en al de herders, met al de kameelen en runderen en schapen; een groot heir. Vooraan gingen, op kameelen en op paarden gezeten, gewapende mannen; en achteraan gingen gewapende mannen; dat was tot bescherming op de reis; en zij waren noodig. De lieden van Haran zagen den grootschen uittocht, en juichten Abram een hartelijk vaarwel toe. Abram's hart was vol van weemoed; want zijn vrienden hadden gevraagd: „Waar reist gij heen, Abram?quot; en hij had geantwoord: „Ik weet het niet, maar westwaarts moet ik.quot; En toch zette hij zijn aangezicht, zooals een beslist man zijn aangezicht zet, wanneer hij bij zichzelven denkt: „Ik weet, wat ik wil.quot; En tusschen zijn lippen zeide hij: „God wil het; ik zal gehoorzamen.quot;

p|| 1 n

■ .r 'f iy

39

'I 'l:

%

if ; t Ir

c

i#

3st'

É Viir'' i

H'

ocr page 48

AANKOMST IN KANAAN.

1921 v. Chr.

gyamp;estwanrts, westwaarts trokken zij, langzaam, om het kleine vee; ^ en langzaam, om tie hitte. Overal langs den weg gingen de stofwolken op, van de hoeven der dieren. Rotsachtige woestijnen kwamen zij door, en onafzienbare heiden. Stroomen moesten zij doortrekken, zonder brug. En de gewapende knechten schoten menigmaal toe, met het zwaard in de hand, tegen de rooverbenden. Abram zelf was dan altijd vooraan; want hij was een geweldig krijger en een strijdbaarheid. Dat duurde maanden, die tocht.

De laatste rivier, die zij overtrokken, was de Jordaan; en toen wisten zij, dat zij in Kanaan waren. Zij waren blijde, toen zij de tenten konden opslaan te midden van groene grasweiden, met bebouwde heuvelen rondom, onder de schaduw van groote booinen. Groote steden zagen zij nu in de dalen, die zij doortrokken; en de inenschen, niet wie zij spraken, hadden een vreemde taal. Dit was een schoon land; hier was de tocht veel vroolijker. En toen zij eindelijk bij Sichem zich legerden, om rust te hebben voor zich en voor het vee, voor eenige dagen, toen verscheen God aan Abram, en sprak Hij dit blijde woord tot Hem: „Abram, dit is nu het land, dat Ik aan u en aan uw nakomelingen geven zal!quot; Hij begreep, dat hij nu niet verder behoefde; hij zag rond, en sloeg zijn oogen op al het schoone rondom, en hij aanbad. „Is.het dit schoone land, dat ik als eigendom van God ontvang?quot; riep hij. En hij stelde een grooten steen rechtop, liet al zijn mannen en vrouwen daarbij komen, otterde een dei-reine dieren op dien steen, en ten aanhoore van zijn gansche volk verklaarde hij, dat hij nimmer een anderen God zou dienen, dan die hen heel uit Ur hierheen had gevoerd, en die hun dit nieuwe vaderland gegeven had.

De naburige volkstammen en hun vorsten waren nieuwsgierig om te weten, wie deze herdersvorst was, die zioh midden onder hen gevestigd had. Gezanten gingen heen en weer. Vriendschap werd aangeknoopt. En weldra zag Abram zich door die vorsten om zijn rijkdom en macht geëerd. „Een vorst Gods,quot; zoo noemden zij hem, toen de boozen hem hadden leeren vreezen

ocr page 49

LOT TNquot; SODOM.

41

om zijn kracht, en toen de goeden hem hadden leeren achten uni zijn deugden En omdat hij van verre gekomen was als een vreemdeling, noemden zij hem ook den Hebreër, d. w. z. „iemand, die van over de rivier gekomen is.quot; Dien naam hebben zijn nakomelingen tot op dezen dag behouden. Onder de vorsten der nabuurschap waren er drie, die Abram's beste vrienden werden: Aner, Eskol en Mamre. Die bezaten ieder een eigen stad, en het land rondom die stad. Met hen sloot Abram een aanvallend en verdedigend verbond; dat was in die dagen wel noodig.

Abram was, toen hij in dit nieuwe vaderland zich vestigde, omstreeks vijf en zeventig jaar; en Saraï was tien jaar jonger, een zeer schoone vrouw, zooals de vorsten nog niet hadden gezien. Hij had nu vrede en rust; en als hij 's avonds voor zijn tent zat, en Gods goedheid overdacht, zeide hij: „Nu zal God mij ook nog een zoon geven.quot; Want een zoon had hij nog niet. „En ook zal ik nu tot een grooten zegen worden door mijn nakomelingschap voor alle volken, als de wereld van haar zonde eens verlost wordt door een uit mijn geslacht!quot; Iets van de Paradijsbelofte zweefde hem voor den geest. En hij verheugde zich als iemand, die blijde is gehoorzaam te zijn geweest.

-----

LOT IN SODOM.

ot, de neef van Abram, die met hem de gansche reis medegemaakt en zich eveneens hier nedergezet had, was ook een rijk man. Ook hij had veel schapen, runderen en tenten; en zijn herders waren niet weinigen. Eigenlijk was daardoor het land te klein voor twee zulke mannen, als Abram en zijn neef Lot. Hun kudden waren te talrijk voor de weiden, waar zij konden grazen; en niet zelden twistten de herders dan; die herders wilden ieder de gekozen weide voor hun schapen hebben. Abram en Lot maanden hun knechten tot vrede, maar altijd braken die twisten opnieuw uit; en dat werd steeds heftiger; ook begon Lot tegen

ocr page 50

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zijn oom te .spreken, dat zijn herders toch niet behoefden te wijken vour die zijns ooms; en zijn taal was niet eerbiedig meer. Dit verdroot Abram. Waarom moest er moeite tnsschen hen zijn?

„Kom niet mij, gindschen berg op!quot; zeide liij. En beiden gingen, waar de toppen het hoogste waren. Zij zagen van daar neder op de valleien, en op hun kudden; en zij zagen verder op nog meerdere valleien. „Zie,quot; zoo sprak Abram, „waarom zouden wij toch twisten, en waarom zouden onze herders twisten? Wij zijn immers broeders. Zie hoe groot dat land is. Laat ons van elkander gaan. Zoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan; en kiest gij de rechterhand, zoo zal ik ter linkerhand gaan. Zouden wij niet vrede kunnen houden?quot;

En Lot zag voor zich uit, naar de vlakten. Dat was alles groen van gras en kruid; ver. ver heen kon hij zien; en de Mssche beken vloeiden er tusschen door; en als een glinsterende streep kronkelde zich het breede water van de Jordaan tot heel ver naar de bergen in het zuiden. De huizen der menschen lagen als witte plekken over dat land heen gestrooid. In de verte kon hij dorpen en steden onderscheiden. „Ik wil daarheen!quot; zeide hij, terwijl hij zijn oom niet durfde aanzien; en hij zeide het als iemand, die begeerig was om voor zich het beste te hebben. Het speet Abram, dat zijn neef niet meerder voelde, hoe edelmoedig hij geweest was, met aan hem de keus te laten. Maar hij zeide het hem niet, goedmoedig en tevreden in alles. En toen die beide mannen den berg afgingen, toen scheidden zij in vrede van elkander.

Lot ging naar het zuidoosten, de schoone vlakten in. En zijn herders juichten als menschen, die eindelijk recht hadden verkregen; terwijl de herders van Abram stil waren als knechten, die niet tegen den wil van hun meester mochten handelen; zij togen met Abram westwaarts, en zij zeiden tot elkander, dat hun heer te goed was; zij zouden niet toegegeven hebben. Waar Abram heenging, naar Hebron, was de grond schraal en heuvelachtig; daar waren de bronnen weinige; en zwaar eikenbosch liet weinig plaats over voor weide. Maar Abram kwam er dichter bij zijn vrienden wonen, bij Aner, Eskol en Mamre. Die eikenbosschen waren op het gebied van zijn vriend Mamre. „Het gansche land is toch voor u, Abram!quot; zeide God hem daar; „en uw nakome-

42

ocr page 51

LOT IN SODOM. 48

lingen zullen hier wonen, en niemand aiidurs.quot; De herders wisten niet, hue hij zoo vroolijk kon zijn, terwijl hij offerde op het nieuwe altaar, dat iiij er oprichtte.

üe begeerlijkheid van Lot had hem, al meer zuidwaarts, langs de Doodo Zee, die er toen al was, gebracht in een land, schoon ais Eden, waar het Paradijs lag; maar tegelijk in een land, goddeloos zooals weinig andere. De menschen waren er uitermate boos, zooals Lol het nog niet had gezien; hij had nooit gedacht, dat menschen zoo slecht konden zijn. Dit viel hem tegen; want hij, al had hij zich ditmaal door begeerlijkheid laten verleiden, was toch een rechtvaardig man, die zijn God diende en beleed onder de nieuwe menschen, waar hij was komen te wonen. Daar waren vele steden in dat dal, ten zuiden van do Doode Zee, en over elke stad heerschte een koning, zooals dat toen in het geheele land KanaSn placht te zijn. Sodom, Gomorra, Adama, Zeboïm en Zoar heetten die steden; en hij vestigde zich in Sodom. Het werd hoe langer hoe meer een kwelling voor hem om de zonde zijner stad aan te zien; maar hij had zelf zijn woonplaats gekozen. „Het is mijn eigen verkiezing geweest!quot; zoo moest hij telkens zeggen, met de gedachte, dat God hem hier niet op zegenen zou.

Het eerste, wat hem overkwam, was dat hij in een oorlog gewikkeld werd. Bera, de koning van Sodom, die met zijn andere vier koningen schatplichtig was aan Kedor-Laomer, een koning der Elamieten, een volk, ver in het oosten van Babylonië, was opgehouden zijn jaarlijkse,he schatting te betalen. Twaalf jaren had Bera met zijn vier nevenkoningen dit gedaan, maar nu, in het dertiende jaar, weigerde hij dit langer te doen. In verbond met drie andere koningen kwam Kedor-haomer hierop met geweld zijn schatting zelf halen. Dat gat een geweldigen strijd in het schoone dal, vier koningen tegen vijf, waarbij Lot zijn bondgenoot Bera natuurlijk moest bijstaan. De overwinning was aan de zijde van Kedor-Laomer, die tie vijf koningen vluchtend voor zich uitdreet in de moerassen van hot lage dal, waar hij een vreeselijke slachting onder hen aanrichtte, en velen gevangen nam. Steden en dorpen plunderend, en een rijken buit aan vee en gevangenen met zich voerende, trok hij noordwaarts, en zoo verder naar zijn land. Het was alsof een wervelwind de schoone vlakten geteisterd had. Onder de gevangenen behoorden ook Lot, zijn vrouw en zijn

ocr page 52

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

twee dochters.. Hij wist, dat zij nu als slaven zouden gebruikt worden of verkocht. En hij leed meer dan ooit onder de gedachte: „Waarom ben ik toch begeerlijk geweest, toen Abram mij liet kiezen?quot;

Het gerucht van dezen krijg en van den uitslag daarvan, bereikte ook Abram, doch eerst, toen alles voorbij was; want zoo snel was alles geschied. De grimmigheid van een held ontwaakte in zijn hart. Zou hij zijn broeders nu niet verlossen? „Wapent u!quot; zoo riep hij tot zijn knechten; en hij zond boden tot zijn bondgenooten, Aner, Eskol en Mamre, dat het nu de tijd was om vriendschap te bewijzen, die antwoordden door zeiven te komen met hun mannen.

Noordoostelijk snelden zij; zoo snel hadden die helden nog nimmer gereden. Aan de verwoeste steden, en aan de doode lichamen langs den weg, zagen zij duidelijk welke richting zij moesten inslaan. Zij hielden zich niet op, want de toorn zette hen altijd aan. Toen zij tot Dan gereden waren, zagen zij bij het licht van de ondergaande zon de legertenten der Elamieten. Van drie zijden vielen zij straks over die slapende benden heen, en hun zwaard maaide, zooals de dood maait. Tegen die kracht konden de vijanden niet aan, èh zij vluchtten, vluchtten den weg op naar het noorden. Abram vervolgde hen tot Damaskus toe; hij kon niet ophouden, zijn grimmigheid liet niet af, tot het gansche leger der vijanden verstrooid was, gelijk kaf verstrooid wordt door den wind. Nimmer kwam Kedor-Laomer terug; hij vreesde zijn leven lang om ooit meer hot flikkerende zwaard van „den vorst Godsquot; te ontmoeten. En toen Abram terugreed van Damaskus, denzelfden weg langs, toen zag hij ook aan de gedooden langs den weg, dat die vijand uit Elam nimmer meer zou opdagen. De volken en tic koningen, door wier land hij reed, kwamen hem te gemoet, en eerden hem als een held zonder gelijke. Maar zij wisten niet, dat een droevige gedachte in zijn hart loefde: „Waarom heb ik geen zoon, die •naast mij had kunnen strijden? Het zou zoo schoon zijn een dapper jongeling te zien in den kamp, en te zeggen: dat is mijn zoon.quot;

Lot werd verlost; zijn have werd hem teruggegeven; en Lot keerde weder naar zijn vlakten in Sodom, waar geen zegen hem nog was toegekomen. Hij vestigde er zich als voorheen, en gerust was hij niet, of niet nog meer rampen op hem wachtten.

44

ocr page 53
ocr page 54
ocr page 55

LOT TN SODOM. 47

Onder de koningen, die Abram mot eere te gemoet trokken, was 00k Bera, de ongelukkige koning van Sodom. Hij ontving uit Abram's handen zijn gansche have terug, en al zijn volk, dat gevangen was medegevoerd. Bera voelde, dat volgens oorlogsrecht dat alles eigenlijk nu Abram toekwam; hij dankte hem ootmoedig, en zeido: „Houd ten minste het vee, en het goud en zilvei voor u ;■ ik ben 11 reeds dankbaar, dat ik mijn menschen terug bob.quot; Maar Abram wilde niets hebben, en gaf hem alles. „Die heiden mocht latei-eens zeggen. ik heb Abram rijk gemaakt!quot; zoo dacht Abram bij zichzelven. Alleen liet deel van den buit, dat aan zijn drie trouwe bondgenooten toekwam, aan Aner, Eskol en Mamre, dat zorgde Abram, dat zij kregen.

Een ander koning, die Abram met eere te gemoel trok, was Mekhizedok, die te Jeuizalem beerschte. Onder zijn volk en bij de naburige volken had hij den bijnaam gekregen van „den vrome.quot; Want bij was een van de weinige koningen in Kanaan, die niet aan de afgoderij deden; bij diende den eenigen God, als Abram; en als priester deed hij zelf dienst bij de openbare feesten. Het was Abram een vreugde ook dezen te zien aankomen. Zijn soldaten waren t'i ook blijde om; want Melohizedek had brood en wijn voor de vermoeide en hongerige krijgers medegebracht, dat hij onder hen liet uitdeelen. „Hij is een waai piiester, zeido Abram; en voor hem boog hij zich gaarne, zooals men voor een priester eerbiedig is. Melohizedek zegende hem, en Abram was zooi-blijde om diens priesterlijken zegen. Hij gaf hem daarom rijke geschenken, zooals men aan een priester geschenken geeft, en zooals later altijd gewoonte geworden is, zelfs tot het tiende deel toe van iemands jaarlijksdie inkomsten.

Hij keerde met eere overladen tot zijn tenten weder te Hebron. Maar in zijn hart klaagde altijd een stem, die niemand hoorde: „Waarom heb ik toch geen zoon?quot; En als hij zijn vrouw aanzag, wist hij, dat zij hetzelfde dacht.

-o-Qamp;o-

ocr page 56

GELOOF EN GELOOFSBEPROEVINC

hem troostendacht God. En daarom ging God hem ook troosten, zooals een vriend, die voelt, dat het zijn vriendenplicht is.

Het was tegen den avond, toen Abram in de deur van zijn tent stond, dat de Heer hem verscheen in een gezicht. „Waarom treurt gij, Abram? Tk zegen u immers in alles, en is er iemand, dien ik zoo zegen als u?quot; zoo sprak God. „Ach, Heere!quot; antwoordde hij, en hij antwoordde als een, die blijde is zijn klacht tegen iemand te kunnen uiten, „ach, Heere! wat geeft mij al mijn goed en mijn rijkdom, dewijl ik toch geen zoon heb? Zal ik niet alles moeten nalaten aan mijn knecht Eliëzer, den slaaf, dien ik uit Damaskus gekocht heb, en dien ik reeds over al mijn goed gesteld heb?quot; En hij klaagde verder: „Gij hadt het mij toch beloofd, Heere! dat ik nakomelingen zou hebben, en dat door een mijner nakomelingen iie aarde gezegend zou worden? En nu, ik ben reeds een oud man: zal het nog ooit geschieden?quot; God was niet toornig over de mismoedigheid van Abram. Hij was immers ook gekomen om hem te troosten. „Houd goeden moed, Abram!quot; zoo sprak Hij nu, en die woorden vielen in Abram's hart, zooals de zachte woorden van een moedor in het hart van een weenend kind vallen; „Eliëzer zal uw erfgenaam niet zijn; maar een eigen zoon zal uw goed hebben na u. Zoudt gij niet kunnen blijven gelooven, wat ik u beloofd heb, zooals gij het in den beginne geloofd hebt?quot;

En de Heere nam Abram bij de hand, zooals een sterke de hand neemt van een, die zwak is; en hij leidde hem, van de deur der tent, van onder de eikeboomen, naar waar de plek open was, en waar zij konden uitzien naaiden hemel. „Zie op naar den hémel, Abram! en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt,quot; zoo sprak de Heere. En verbaasd zag hij op, terwijl de hand des Heeren naar de blinkende sterren wees. „Zoo zal ook uw volk zijn, ontelbaar groot. Gelooft gij nu weer?quot; Abram viel neder, en terwijl hij ter aarde

ipjf bram was in deze dagen zeer droevig, om die reden. En de eer van alle naburige vorsten kon hem niet troosten. „Ik alleen kan

m._

ocr page 57

GELOOF EN GELOOPSBEPROEVING.

lag-, stamelde hij: „Ik geloof, Heere!quot; En in de oogen Gods was dit gehoorzaam gelooven van Abram beter dan al zijn andere deugden.

Toen hij opstond van de aarde, lang nadat het gezicht voor hem verdwenen was, en hij binnenkwam in zijn tent, zag Saraï het aan zijn aangezicht, dat God met hem gesproken had. Zoo blijde had hij in dagen niet gezien. „Wij zullen toch een zoon hebben,quot; zeide hij, „God heeft het mij alweder gezegd.quot; Maar Saraï werd niet blijde; zij wist niet wat zij er van denken zou; haar droefheid was te bitter, dan dat die genezen kon zonder beschaming.

Daar gingen na dezen vele jaren voorbij. En de dag brak aan, waarop Abram zeggen kon: „Het zijn nu welhaast vijf en twintig jaren, dat ik als een Hebreër hier woon.quot; Hij was nu negen en negentig jaar geworden.

Het was hem zeer vreemd, als hij in zijn leven terugzag. Stond hij bij een terugblik verbaasd over Gods weldaden over hem, hij stond eveneens verbaasd over dat ééne, dat God hem een nakomelingschap beloofd had, maar dat hij en zijn vrouw Saraï zelfs nog geen zoon hadden gekregen. Hoe dikwijls had God het hem gezegd, — hij wist het alles nog zeer goed; maaide laatste maal, dat die belofte tot hem was gekomen, was nu toch ook reeds weer zoo vele jaren geleden. Hij vond het niet vreemd meer, dat zijn vrouw het niet geloofde; zijn eigen geloof was binnen in hem gaan sluimeren; hij glimlachte soms bij de gedachte, dat twee zulke oude menschen als hij en zijn vrouw nog kinderen zouden krijgen; en zijn vrouw lachte ook, zooals iemand lacht, die een denkbeeld dwaas begint te vinden. Zeker, God zou het nog wel kunnen doen gebeuren. Hij was de Almachtige, maar .... en hij maakte een gevolgtrekking, die hij niet durfde uitspreken. En als hij daar op eenigen afstand dien jongen aanzag, die met den boog schoot, en dat reeds zoo goed als de beste boogschutter deed, dan dacht hij: „Aan dien jongen zal ik mijn ganschen rijkdom als een erfenis maar achterlaten.quot;

Ismaël heette die jongen, en Hagar heette de moeder; zij was een slavin, en van haar had Abram dien zoon gekregen. Volgens de zeden van dien tijd had hij haar als een tweede vrouw bij zich genomen, opdat hij ten minste een erfgenaam zou hebben, en zijn goed niet aan vreemden behoefde te geven. Er

4

49

ocr page 58

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

bleek hieruit, dat zijn geloof in de belofte van God in den loop dier jaren bijna verstorven was. De vervulling duurde ook zoo lang.

Het gebeurde echter omstreeks dezen tijd, dat God hem tweemaal, kort na elkander verscheen; als God het niet gedaan had, hij zon wellicht gansch opgehouden hebben to gelooven. Wonderlijke dingen zeide God hem bij dien eersten keer; „Ik ben God, de Almachtigo, wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.quot; En Abram had gevoeld, alsof' de Heere gezegd had: „Blijf toch, die gij altijd geweest zijt; blijf gelooven, en word niet als de andere menschen in dit land.quot; En hij had zich geschaamd. En God had hem daarop nog eens en uitdrukkelijk gezegd, dat Hij hem dit gansche land geven zou; dat de zoon, die geboren zou worden, Izaak moest genaamd worden; en dat hij voortaan niet meer Abram maar Abraham moest heeten, en dat zijn vrouws naam ook niet meer Saraï moest zijn, maar Sara. Hij stond weer verbaasd, en dacht over deze dingen na; want Abram, dat beteekende: „verheven vaderquot;; en Abraham: „vader der volkenquot;; dus daar lag het toch weer in, dat hij een groote nakomelingschap zou hebben. Eu Saraï beteekende: „de koninklijkequot;; en Sara: „Koninginquot;; dus zij zou niet maar alleen de gelijkheid van een koningin hebben, maar werkelijk koningin zijn over volken; daar lag het dus ook weer in. Neen, hij stond verbaasd, en zijn geloof kwam weder zooals in het begin.

De tweede maal, dat God hem in dat jaar verscheen, was kort daarop. Eu dat was nog wonderlijker, dat nam zijn laatsten twijfel geheel weg.

Het was op den middag. De zon stond hoog aan den hemel, en de dag werd heet. Maar onder den eikeboom, waar de tent stond, was het koel. En Abraham zat in de opening van zijn tent. Alleen die slaaf was werkte op dit uur van den dag.

Daar kwamen drie mannen den weg op, vorstelijk van gedaante, als de gedaante der engelen. Onwillekeurig stond Abraham op; gastvrij en mild, ging hij de drie mannen te gemoet, en hij noodigde hen bij hem te komen. Waren het goden of menschen? Hij wist het niet, doch merkte het later. „Gaat mijn tent niet voorbij, maar komt onder deze boomen; rust totdat de zon niet heet

50

ocr page 59

GELOOF EN GELOOPSBEPROEVING. 51

meer is; mijn knechten zuilen water dragen om uw voeten te verfrisschen; en een maaltijd zal u gereedgemaakt worden.quot; En hij vroeg het, alsof hij het zich een eere zou rekenen, wanneer zij het deden. En dat deden die mannen.

Zij kwamen onder de hoornen, zij leiden zich neder op zachte bedden, en voor hun aangezicht kwam do maaltijd; verscli brood, daar juist door de huisvrouw zelve toebereid; vleesch van het beste kalf, door Abraham, zeiven uit de kudde uitgezocht; en boter on melk. En Abraham diende; hij stond bij den boom, zooals een gastheer, die knecht wil zijn van zijn gasten. En hij sprak met hen, zooals men met gasten spreekt, die men aangenaam wil zijn onder den maaltijd; maar hij vroeg niet wie zij waren, al vermoedde hij het een weinig; dat vroeg een wellevend man aan zijn gasten niet; hij hoedde zich, hel hun te vragen. Maar hij merkte het op eens, toen de drie mannen wilden opstaan om afscheid te nemen, en toen zij, naar de wijze dier dagen, hem een wensch, een zegen tot dank toespraken.

Dat was wonder; zij wenschten hem niet: „vrede op zijn wegquot;; zij wenschten hem niet: „nog een lang levenquot;; zij wenschten hem niet: „rijkdom en eerequot;; zooals dat bij een afscheid gezegd werd. Maar een luinner sprak tot hem: „Uw hoogste wensch zal nu weldra vervuld worden; ik weet, wat het eenige is, dat gij wenscht; eer dat een jaar voorhij is, zult gij een zoon hebben, den zoon, die u belootd is. Ik zal het doen.quot; Abraham zweeg stil, als iemand, die op eens wist, wie zijn gast daar was geweest, en die zich schaamde, dat zijn vrouw daar ongeloovig gelachen had achter de deur van de tent, en die zich schaamde, dal zij zich niet gedragen had, zooals men zich behoort te gedragen tegen zijn gasten. Maar zijn hart sprong op van blijdschap; hij geloofde, en zeide het latei' tot Sara: „Dat was de Heere! hebl gij dat niet geweten?quot;

ocr page 60

SODOMS VERWOESTING.

18 SI 7 v Clir.

irxj^^oouls men zijn gast uitgeleide doet, zoo deed Abraham die drie mannen uitgeleide, den weg op naar Sodom, want derwaarts richtten zij hun aangezicht. Zij spraken over Sodom, het goddelooze land; en Abraham

5/#

C- vreesde te denken, wat de Heere daar ging doen; tot zegen kon het niet zijn; want kon de Heere God met zegen de goddeloozen bezoeken op dien weg? Zijn hart vreesde, maar hij vroeg niet, wat de Heere ging doen in Sodom; hij wist wat welbetamelijk was; en hij wandelde mede tot aan het punt waar hij omkeeren zou.

Daar was het, dat de tleere scheidend sprak: „Ik zal het voor u met-verbergen, Abraham, wat ik te Sodom ga doen; zou Ik voor u iets verbergen?quot; En die man gevoelde, dat dit een eere was, zooals God alleen Zijn hoogste uitverkorenen aandeed. „Zie, Ik heb de zonde van Sodom aangezien, en Ik heb dat geroep gehoord, dat daar opklimt dag en nacht uit dat goddelooze land; de tijd mijner lankmoedigheid is voorbij; die menschen zullen verdorven worden;

ben Ik niet de rechtvaardige?quot; En Abraham beefde, toen hij dat hoorde, en toen hij

«

zag, dat hij te recht gevreesd had; want hij dacht aan Lot, zijn neef, en diens gezin.

Toen was het, dat hij, die onder de menschen als de dappere bekend stond, na die vrees een moed in zich voelde opkomen, zooals bij nog nimmer moed gevoeld had. „Ga nog niet heen, Heere!quot; sprak hij; en zijn hand strekte hij uit, als om den Heere tegen te houden, als God verder had willen gaan. God had welbehagen in een man, die zoo als een held ging voor Hem staan, „Laat mij eerst tot U spreken, Heere! Die stad zult gij niet verderven! Zijn daar niet rechtvaardigen en onrechtvaardigen dooreen? Vijftig rechtvaardigen zijn er toch wel, en moeten die sterven met de goddeloozen? Rechter zijt gij, o Heere! En zou de rechter der gansche aarde geen recht doen?quot; Daar sprak bijna toorn uit zijn stem.

„Zoo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zoo zal ik het gansche land sparen om hunnentwil,quot; antwoordde de Heere, en Abraham zag dat des Heeren aangezicht droevig stond; ook klonken die woorden als van iemand, die leed had. Abraham schaamde zich, dat hij zoo heftig

ocr page 61

SODOMS VERWOESTING.

gesproken had, en met een ootmoed, /-ooals hij straks niet gehad had, vroeg hij biddend: „En als daar aan die vijftig nu vijf ontbreken, moet voor die vijf het land vergaan?quot; En hij zag hoopvol op, maar schrikte van des Heeren woord: „Ik zal hen niet verderven, als ik er vijf en veertig rechtvaardigen vind.quot;

En Abraham greep moed, en zeide: „Misschien zijn er toch wel veertig rechtvaardigen?quot; God zeide: „Ik zal het niet doen om der veertigen wil.quot; En Abraham hield aan: „Misschien zullen er toch wel dertig gevonden worden?quot; God zeide: „Ik zal het niet doen, zoo Ik er dertig zal vinden.quot; Abraham schaamde zich, dat hij den moed had om nog eens te spreken, maar hij zeide toch: „Misschien zullen er twintig gevonden worden!quot; God zeide: „Ik zal hen niet verderven om der twintigen wil.quot; En nog eenmaal sprak hij door zijn schaamte heen: „Heere! vergeef het, maar ik zal zwijgen, als ik nog dat eene gevraagd heb: misschien zullen er toch wel tien rechtvaardigen gevonden worden?quot; En het was als een schrik op zijn ziel, toen hij God bedroefd zag, zooals hij nog nooit een mensch bedroefd had gezien, en toen God antwoordde: „Ik zal hen niet verderven om der tienen wil.quot;

God ging weg. Abraham keerde naar zijn tent weerom, maar hij scheurde zijn kleed, en weeklaagde luid, zoodat zijn knechten het hoorden. Hoe God geklaagd heeft, en hoe God smartelijk gezien heeft, dat heeft niemand gezien noch gehoord.

Den volgenden morgen, eer dat de zon op was, stond Abraham op dien zelfden heuvel; en hij wachtte, en zag uit naar de zijde van Sodom en Gomorra; toen de zon oprees, ziet, daar ging een rook van dat land op als de rook van een oven.

Wat was geschied? In dien zelfden avond waren twee engelen tot Lot gekomen, die te Sodom woonde; dat waren de twee, die met den Heere bij Abraham geweest waren. En zij hadden tot Lot gezegd: „Wij zijn hier gekomen om de plaats te verderven, omdat het goddelooze geroep der mannen tot God opgeklommen is; God heeft ons gezonden. En nu, haast u, vlucht met degenen die van uw huis zijn.quot; En Lot kon niet twijfelen, aan wat zij zeiden. Zij waren tegelijk vreeselijk en toch schoon om aan te zien.

Zijn vrouw en zijn twee dochters beval hij zich gereed te maken tot de

53

ocr page 62

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

vlucht; tot zijn schoonzonen ging hij niet haast, tot de twee mannen, die met zijn dochters huwen zouden; en hij wilde hen mede hebben op de vlucht; maarzij lachten hem uit, als een, van wien zij niet konden begrijpen, hoe hij plotseling zoo krankzinnig geworden was. En thuis gekomen, zocht hij zijn kostbaarste dingen bijeen, hij en zijn vrouw en zijn dochters; hij kon van zijn schatten niet scheiden, iiij die zoo begeerlijk was. En de nacht ging voorbij, en nog waren zij bezig. Hij zou getalmd hebben, tot het te laat was; zijn hart brak bij de gedachte, dat hij zooveel en zooveel niet kon medevoeren. En als de engelen hem niet gedwongen hadden de deur uit te gaan, door hem bij de hand te nemen en naar buiten te brengen, hem en zijn huisgenooten, zij zouden bij hun schatten gebleven zijn; zij konden er niet van scheiden. Zij gingen; doch waar hun schat was, bleef hun hart.

Zij gingen, van de engelen gedreven, naar het oosten. Eerst toen /ij ver van de stad verwijderd waren, verlieten de engelen hen, maar nog met deze dreigende woorden: „Voort, staat niet stil om om te zien, en rust niet eer gij op gindsche bergen zijt; stilstaan kost u het leven.quot;

Toen begon het verderf over Sodom.

De aarde beefde, als van een inwendige beroering. Huizen en steden wankelden en vielen over de bewoners. De bodem zonk ineen, op sommige plaatsen meer dan honderd meters. Daar ging een schreeuw op uit het gansche land; maar tic donder uit de aarde was sterker dan de schreeuw der mensehen en dieren. Zie, daar opende zich de hemel, en de hemel zond zijn bliksemen neer als stukken vuur. En als uit een vreeselijken mond braakte de hemel vuur op vuur. Dat viel omlaag, op den ontvlambaren asphaltbodein, die branden ging als olie, op duizend plaatsen. In brand stonden de huizen; in brand de bossehen; in brand de bodem zelf'. De donder van den hemel antwoordde tegen den donder onder in de aarde. Daar was niemand meer, die leefde. De rook ging op als de rook een.s ovens over het gansche land; dat was de rook dien Abraham gezien had, van waar hij uitzag. De schoone vlakte, die er uitzag als Eden, lag verwoest. De Heere had het gedaan.

Straks bluschte de Doode Zee al die brandende hoopen; uit zijn oevers getreden, vloeide die zee zuidwaarts, over het lage land, dat van

54

ocr page 63

SODOMS VERWOESTING.

de aardbeving nog lager gezonken was. Woest stroomden de wateren over het dal, zoutrotsen afbrekende, medesleurende; en de wateren zwollen tot een nieuw meer. Langs de kanten van het meer werden de zoutbrokken opgestuwd tot geheele dijken, en stapelden zij zich op, zooals de winterrivieren de ijs-schotsen op elkaar schuiven over het land. En straks was, wat eertijds de vlakte van Sodom was, uok een deel geworden van de Doode Zee. Niemand heeft ooit zelfs de puinen dier steden meer gezien. Zoo roeit God zelfs de gedachtenis der goddeloozen uit.

Toen Lot heenvluchtte, en niet stil stond, om zijns levens wil, toen bleef toch zijn vrouw achter. Waar haar schat was, daar was haar hart. Zij bleef staan, zij talmde, zij zag altijd terug, zij wilde niet voort. Totdat straks do wateren haar plotseling afgesloten hadden; en zij de handen tot Lot uitstrekte, maar niet meer gered kon worden. Op een heuvel stond zij, maar de wateren omringden haar, en die wateren rezen. Straks schoven de zoutschotsen krakend en splinterend tegen den heuvel aan; straks tegen haar aan; straks over haar heen. Daaronder lag de doode vrouw. De menschen bij Zoar, die later bij het dalen des waters dien zoutheuvel zagen, die steil in de lucht zich verhief, wisten het dat de doode vrouw daaronder begraven lag als onder een vreeselijk monument. De plaats kreeg een naam naar haar, en „Lots vrouw,quot; zoo noemden zij die zoutpilaar.

Arme Lot, die deze vlakten voor zich gekozen had in zijn begeerlijkheid! Daar in die vlakte lag alles begraven, wat hij had, toen hij die vlakte koos: daar lag zijn vrouw, daar lagen in de diepten zijn tenten, zijn vee, zijn knechten! Was er iemand zoo arm als hij? In de stad Zoar ging hij binnen als een bedelaar; buiten Zoar ging hij weldra wonen, met zijn twee dochters, in een spelonk. Daar stierf hij, arm, verlaten, in een hol, hij die eens een koning onder de herders was.

Zijn twee dochters waren daar zeer veracht, en kregen ieder een zoon, Moab en Amnion, die de stamvaders werden van twee groote volken, de Moabieten en de Ammonieten; en als een schande bleef het lang up die volken rusten, af te stammen van twee zulke verachte vrouwen, die daar geleefd hadden als zondige bedelvrouwen in een spelonk.

ocr page 64

HAGAR EN ISMAEL.

naam, die „lachenquot; beteekent, voor de ouders een gedurige herinnering aan hun kieingeloot', toen zij gelachen hadden bij wat hun bijna onmogelijk toescheen, — zij waren toch blijde, die ouders. „Ik ben beschaamd,quot; dacht Abraham, „en God is waar geweest in Zijn woorden; nu zal ik toch tot een groot volk worden.quot; Abraham vernederde zich; maar God vond dat de vele jaren van zijn geloot' meerder waren geweest, dan zijn oogenblikken van kieingeloot'; en God had hem zeer lief. God zegende dat huis.

Ook Sara was beschaamd, zoo blijde als zij was; en ook zij geloofde nu, dat God door haar nakomelingschap de wereld een grooten zegen geven zou. Toch kon zij het niet verdragen, dat andere menschen soms lachend vroegen: „Heeft die oude vrouw nog een zoon gekregen?quot; Zij strafte dan de menschen, die zoo durfden spreken, en zij hief dan het hoofd nog trotscher op dan een vorstin.

Allerminst kon zij zulke gedachten of woorden verdragen van Hagar, de slavin; haar kon zij niet lijden; vooral als deze ook trotsch deed, en zeide: „Ik heb ook een zoon, en mijn zoon is reeds grooter; en hij is even goed een zoon van Abraham als de uwe!quot; — „Gij zijt toch maar een slavin,quot; antwoordde Sara dan, „en Ismaël is maar een slavinnekind.quot; Dat gaf booze woorden tusschen die beiden, en de haat werd grooter eiken dag.

Inderdaad was Ismaël reeds een knaap van zestien jaren, toen Izaak drie jaren was; en Ismaël was sterk en schoon; ook begreep hij reeds, dat hij geen slaaf was als de andore slaven; hij was Abrahams zoon; en hij stond aan de zijde zijner moeder, wanneer er twist was tusschen de beide vrouwen; en hij sprak dan mede, en verachtte Izailk, en spotte over den kleinen knaap.

Toen was het, dat het Sara te veel werd; en toornende, zooals een vorstin toornt, sprak zij tot Abraham: „Jaag deze slavin weg, dat ik haar

■en jaar later, toen Abraham honderd jaar oud was, kreeg hij een zoon. Izailk werd de zoon genoemd, zuoals God had gezegd. En was die

ocr page 65

HA GAR EN ISMAËL.

niet meer zie; en jaag uok dien knaap weg, dien slaaf; gij hebt maar één zoon, Abraham, dien God u gegeven heeft; en voor Izaak is alles wat gij hebt; geen Ismaël zal de erfenis met hem deelen.quot; En zooals zij toen sprak, had Abraham haar nog nimmer gezien. Hij zweeg bijna tegen die vrouw, zooals zij daar voor hem stond; ook voelde hij dat hij verkeerd gedaan had, met uok Hagar zich tut een vronw te nemen. Maar kwaad leken haar woorden hem toch tue, en er was upkumende tourn in zijn woorden, toen hij haar antwoordde, dat zij zuu iels onbillijks niet van hem eischen moest. Was Ismaël ook niet zijn zoun? Daar was geen vrede in dat gezin, dagen lang, en hij weigerde haar den zin te doen.

Ware God niet gekumen, um hem den weg vuur te schrijven, dien hij hierin gaan muest, hij had nimmer aan den eisch van zijn vrouw gehoor gegeven. „Doe, wat Sara u vraagt; uok Ismaöl zal ik tot een gruot vulk maken;quot; zeide ile Heere; en Abraham ging met een bloedend hart zijn offer brengen.

Toen was het, dat hij den volgenden morgen vroeg opstond, en met Hagar sprak, in haar tent, woorden, die geen ander gehuord heeft. Maar toen zij naar buiten kwamen, had zij haar jungen aan de hand, en zeide zij: „Ik zal gaan, mijn heer, nug in dezen oogenblik.quot; Nimmer toonde een slavin meer liefde voor haar meester, dan toen Hagar die woorden sprak met een brekend hart.

Een brood kreeg zij mede, en een flesch water; zij had die op den schouder; en toen zij tusschen de andere maagden en knechten heenschreed, de kudden voorbij, al verder, den weg op naar het zuiden, van niemand aangesproken, toen was zij als een, voor wie het hetzelfde was, waai' op de wereld haar weg haar bracht. Waar ging zij heen? Zij wist het niet; wat kummerde het haar? Waarom ging zij van den weg af, de heide op? Zij wist het niet. Waarom ging zij, waar de plaats woest word, en waar de schaduw niet meer was? Zij wist het niet. Waarom ging zij, waar de rutsen dor stonden, en waar nog verder het zand zich uitstrekte, heet en wit van de zon, die hoog stond? Zij wist het niet. Daar was geen bezinning meer in die vrouw; totdat een klaaglijke stem van den jongen aan haar zijde um water riep. Was haar kruik reeds ledig? Hij moest maar stil zijn, de jongen; moeder zou om water zoeken. Zij

57

ocr page 66

58

waren in de woestijn, de woestijn van Berseba. Zij zou hem haar tranen en haar bloed kunnen geven, de moeder; maar water was daar niet.

Zij liep heen en kwam weder, zulks vele malen. Wee, die jongen, die ging sterven! Onder een van de struiken legde zij het kind neder; zij kon het aangezicht, de oogen en de lippen niet zien van een, die van den dorst sterft. En op een afstand, zoover als men met den boog kan schieten, zette zij zich neder. Toen hief zij haar stem up en weende Die 'stem verstierf in de breede eindelooze heote woestijn. Daar was niemand om te antwoorden. Niemand, — dan God. „Hagar!quot; zoo riep een stem uit den hemel; en zij zag op; nimmer zagen schreiende oogen verschrikter op. „Hagar! vrees niet, uw jongen zal leven, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.quot; Straks wees de Heere haar een waterbron, en in stervende lippen goot zij koel water, dat druppelde uit desteenen.

Van dien dag af was zij zeer sterk, zooals een moeder is, die hot wezen wil. En zij leidde haar jongen zuidwaarts in een ver land, in Paran. God was met hen. En Ismaél werd een boogschutter zooals niemand in dat land; een vorst

ocr page 67

MORfA.

onder de helden van Paran werd hij. Zijn kinderen en kindskinderen droegen roem op hun stamvader; Ismaëlieten werden zij genoemd, en nog later, tot op dezen dag, zijn zij Arabieren genoemd. Zij wonen nog, waar maar de woestijn is; en in hun tenten vertellen de vaders het nog aan hun kinderen, wie tie schoone Hagar was en de moedige IsmaOl.

—---o-^^o--

MORIA.

#

fefo1-^0011 [sinaël weS wa-s, en Abraham wist, dat hij hem niet wederzien sa zou, wist hij ook, dat Izailk, zijn eenige zoon, de man wezen zou, \$p) waaruit de groote nakomelingschap geboren zou worden, die God hem C beloofd had. Zijn zorg voor den knaap was daarom groot. Als die knaap eens stierf, maar, hij kon het niet denken; Gods belofte stond te vast; en aan die belofte hield hij zich, waar hij ook zwierf. Want hij was weer zwervende geworden met zijn kudden; Hebron had hij verlaten; een tijdlang had hij als vreemdeling in der Filistijnen land gewoond; en nu stonden zijn tenten weder te Berseba; dat was gansch in hel zuiden van Kanaan, waar het land woest wordt, zoover als tot Egypte toe.

Als die knaap eens stierf, — zou hij dan nog gelooven, dat hij toch tot een groot volk zou worden, en dat door dat volk de wereld gezegend zou worden? Ziet, God kwam op die proef hem stellen.

„Abraham!quot; zeide de Heere, „neem uw zoon, dien eenigen, dien gij hebt, Izailk, dien gij lief hebt; ga met hem naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer, op een der bergen, dien Ik u wijzen zal.quot;

En de Heere verdween in het gezicht; Abraham stond alleen.

Ot hij opzag naar den hemel, zijn oude oogen zagen niets meer; of hij wachtte naai meerdere woorden, zijn ooren hoorden niets meer. Hij stond verplet, en blind voor het grootste raadsel zijns levens.

Hij had menigmalen in zijn leven den Heere geofferd; overal stonden nog

ocr page 68

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de altaren, die hij opgericht luid in dat land zijner vreemdelingschap; en vele waren de besten zijner kudden geweest, die hij geslacht had en verjuand up die altaren; moest hij nu zijn zoon slachten en branden, zooals hij zijn schapen geslacht en gebrand had? Zijn ziel sidderde um den menschenmoord, dien hij doen moest.

Hij at niet dien dag; en hij sliep niet in dien nacht. „Ismaël heb ik weggezonden! Moot ik Izaak ook wegbrengen?quot; En hij riep tot den Heere. Doch de Heere antwoordde niet. Als hij luisterde in zijn angst, hoorde hij niets dan den naklank van de stem, die het offer gevraagd had. Zooals iemand, van wien zijn God is weggegaan, zoo stond hij alleen; zijn ziel zeide hem, dat God niet antwoorden zou.

Hij ging de tent uit naar buiten, en zag op naar den hemel. „Hoe zal ik een nakomelingschap hebben, talrijk als die sterren, als mijn eenige moetsterven?quot; En hij wierp zicli neder op den grond. Ook van de sterren kwam geen antwoord.

Hij voelde, dat hij kiezen moest, tusschen zijn God en zijn zoon; een van beiden moest hij verliezen, de keus kon hij niet ontgaan. Maar dat kiezen was voor hem meer bitter dan do dood. Nimmer stond iemand in dikker duisternis, dan hij in dat raadsel. De druppelen zweels vloeiden van zijn aangezicht, op den grond. En zoo lag hij, de lange uren van tien tragen nacht.

Eerst toen de sterren tegen den morgen begonnen te verbleeken, eerst toen wist hij wat hij doen zou. „Ik zal gehoorzamen,quot; sprak hij, evenals op den dag, toen hij uit Haran vertrokken was; en hij zeide het als een, die zijn hart in zich voelde versterven. Hij voelde in zijn hart, alsof God hem jui verder dien dag alles zou kunnen vragen, en hij zou^ het doen. Daar was wanhoop in dat willen, en in die beslissing. Maar straks ging die wanhoop er af, toen de gedachte bij hem opkwam: „God kan mij toch nog uit. deze steenen kinderen verwekken!quot; Toen zeide hij nog eens: „ik zal gehoorzamen,quot; en dat was het zeggen als van een vroom man, die zich nederig aan God overgeett.

Hij stond in dien morgen vroeg op; hij zadelde een van de ezels; met zijn eigen handen deed bij hot. Hij wekte twee van zijn knechten, waar zij sliepen; zelf kwam hij in hun tent. Hij kloofde hout voor het brandoffer; met zijn eigen handen deed hij het. Ook Izaak riep hij. En toen hij het teeken gaf

60

ocr page 69
ocr page 70
ocr page 71

MORTA. 63

van afreizen, vroegen zij niet: waarom? of: waarheen? Zij schroomden hem te vragen. Dat aangezicht stond niet, om iets aan te vragen. Hij wees met zijn staf den weg; zij gingen zwijgend vóór. Zij begrepen alleen, dat het een heilig groot offer was, waartoe hij de aanstalten had gemaakt; doch dat hij geen offer had uitgekozen onder de dieren, dat begrepen zij niet; zij durfden het evenwel niet zeggen, noch vragen. Zij gingen zwijgend den zwijgenden grijsaard vooruit, den weg op naar het land van Moria.

Drie dagen gingen zij. Toen hief Abraham zijn oogen lt;1]), en hij zag de plaats van verre. Tot de jongens zeide hij: „Blijft gij hier, met den ezel; wacht tot wij wederkeeren.quot; Tot Izailk zeide hij, dat hij moest medegaan. Wat hij zeide of deed, was alles zon vroeselijk beslist.

Hij nam het brandhout van den ezel af, en laadde het op lza;lks schouders. Zijn lippen en oogen stonden als van een, die weet wat hij doen wil, en waar niemand hem van afbrengen zal.

De jongen schreed aan zijn zijde, naar boven, den berg op; hij kon niet helpen vroolijk te zijn. Hij ging gaarne mede, wanneer zijn vader offerde op oude ot nieuwe altaren. Hij was ook vroom, zoo jong als hij was, en had God lief.

„Wat zullen wij offeren, vader?quot; zoo praatte hij; „hout hebben wij. maar wat moeten wij offeren, vader?quot; En het waren vroolijke oogen, die opzagen naar den grijsaard. „De Heere zal voorzien, mijn zoon!quot; waren de korte woorden, die uit saam geknepen lippen kwamen; hij kon bet hier aan dien vroolijken jongen nog niet zeggen, dat hij straks sterven moest door vaders eigen handen.

Daar boven op den top zochten zij een grooten steen, en het bont legden zij daarop. En daar was het, dat Abraham aan Izailk zeide, wat God van hem verlangd had.

Een korte schrik, een hevige schrik bij den knaap; maar toen . . . .„Heeft God dat gezegd, vader! dan moeten wij het doen!quot; en de oogen van den jongen zagen nog beslister dan die van zijn vader; „hier zijn mijn handen, bind ze maar, vader!quot; De vader was toon meer trotsch op zijn zoon, dan hij ooit was geweest en hij voelde, alsof hij naast hem zou willen gaan liggen, als straks het hout brandde.

Die jongen klaagde niet; die jongen jammerde niet; hij was dapper, als zijn vader; en om die dapperheid had zijn vader hem lief, meer dan ooit.

ocr page 72

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Gebonden werd hij; op het hont lag hij. Brandende takken lagen reeds ter zijde, om straks het hout op het altaar te ontsteken. Het breede mes maakte de vader los van zijn zijde, het mes, waar bij zooveel offerdieren mede gedood had. Hij trad toe naar den jongen, die tegen hem lachte in zijn moed....

Maar als een donderslag klonk Gods stem van den hemel; „Abraham, Abraham! strek uw hand niet uit tegen den jongen, en doe hem niets; want nu weet Ik, dat gij godvreezend zijl, en dat gij zelfs uw eenigen zoon mij niet zondt onthouden hebben!quot; Hij beefde. Met het mes behoefde bij het bloed van zijn jongen niet te storten; met het mes sneed hij de touwen door aan handen en voeten; en izailk stond op zijn voeten.

De vader kon niet ophouden hem te kussen, en dacht aan zijn dapperheid meer dan hij dacht aan zijn eigen dapperheid.

Daar kwamen woorden van dank van Abrahams lippen, terwijl hij stond met zijn handen naar den hemel, en bij voelde als iemand, die nu toch wel gaarne iets had om te offeren. Hij zag rond: in het hout, in de struiken lag een ram, met de hoorns verward. „Daar is een offer, vader,quot; juichte de jongen, en met zijn handen bracht Abraham het tegenstrevend dier bij de hoorns naar het altaar. Straks vloeide dat bloed; straks stegen de vlammen hoog op, en twee menschen spraken luide woorden van lof tegen den eenigen God van hemel en aarde.

„Ik zweer bij mijzelven,quot; was des Heeren antwoord, „dat Ik u grootelijks zegenen zal; uw zaad zal zijn als de sterren aan den hemel, en als het zand aan den oever van de zee; en door uw volk zal de aarde gezegend worden.quot;

Nimmer keerden twee menschen blijder huiswaarts. Afdalende zagen zij het vergezicht van een schoon land aan hun voeten. „Dat land krijgen wij, vader!quot; zeide de zoon. Maar de oogen van den grijsaard zagen als in een nog verder vergezicht; hij zag zijn nakomelingschap in dat land, een groote menigte, en onder hen den Man uit zijn geslacht, die de wereld van zonde verlossen zou.

Doch weinig dacht bij, dat wat hij niet had behoeven te doen. God later zelf eens werkelijk zou doen, op een dezer bergen; en hoe God Zijn eengeboren Zoon werkelijk zou offeren, wat Hij van Abraham slechts als een proef had geëischt.

64

ocr page 73

MACHPELA.

a dezen was Abraham weer trekkende met zijn vee, en hij vestigde zich weer te Hebron. Daar was hij gaarne; de lieden in dat land waren

W/# hem zeer wel genegen; hij spande er zijn tent weer bij de groote eiken.

Pk*

Aldaar stierf Sara, honderd zeven en twintig jaren oud. (1859 v. Chr.) Abraham klaagde en beweende haar, als een, die gedacht aan den tijd toen zij jong en schoon was geweest, zooals geen andere vrouw, en die hem trouw was geweest op al zijn omzwervingen. Ook dacht hij, dat hij weldra zelf tot-haar gaan zou in het eeuwige land.

Al de menschen in Hebron voelden eerbied voor den man, die zoo in rouw gedompeld werd.

Toen hij veel geweend had, stond hij op van het aangezicht van zijn doode, en hij zeide: „Nu zullen wij haar begraven.quot; Hij sprak met de zonen van Heth, aan welke zonen bijna al de grond daar toebehoorde, de heuvels en de dalen. „Ik ben altijd een vreemdeling onder u geweest,quot; zoo zeide hij, „en ik heb zelf geen voet gronds, waar ik mijn doode begraven kan; zoo geeft mij een stuk gronds, tot een erf begrafenis, waar ik, en mijn zoon, en mijn kindskinderen na ons, ook begraven kunnen worden.quot; — „Gij zijt een vorst, evenals wij,quot; zoo antwoordden de zonen van Heth; „kies onder onze graven; kies de beste er van; wij zullen het u niet weren; en wilt gij uw doode in een onzer eigen graven bijzetten, het zal ons zijn, alsof' gij ons eere wilt aandoen.quot; Toen Abraham zag hoo goed die mannen met hem spraken, zeide hij: „Dan wil ik de spelonk hebben, die Efron heeft, aan het einde, van zijn akker, tegen den heuvel; het volle geld wil ik daarvoor geven; ik wil die spelonk niet als een gave hebben.quot;

Tegen den avond ging hij naar de poort van de stad. Daar kwamen 's avonds altijd de mannen bij elkander, als het werk gedaan was; en daar hielden zij gesprek over al het nieuws van den dag; daar kwamen zij gaarne, de mannen; de jongen waren er altijd, en de ouderen eveneens, die spraken daar recht. Abraham wist, dat Efron daar zou zijn.

5

ocr page 74

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Efruü zag hem aankomen, en liep hem te gemoet; hij wist reeds wat Abraham kwam vragen. „Dien akker geef ik u,quot; zeicle hij, „ook de spelonk geef ik n, zonder geld; hier zijn al deze mannen in de poort getuigen, dat die -akker van u is voortaan; begraaf uw doode, heer!quot; En Efron sprak eerbiedig, zooals men eerbiedig spreekt tegen iemand, die in den ronw is; en al de mannen in de poort 'keurden het goed, zooals Efron sprak. Abraham was getroffen over tie eer, die al de menschen hem aandeden in zijn rouw; maar hij wilde dien akker niet voor niet hebben.

Daar was geen strijd over den prijs van den akker; vierhonderd sikkelen vroeg Efron, en vierhonderd sikkelen betaalde Abraham; hij woog dat zilver af, terwijl al de lieden in de poort toezagen. Zij waren allen getuigen van den handel, en voortaan was die akker Abrahams eigendom.

Toen hij in zijn tent met l/ailk over den koop sprak, zeide hij: „Ik wilde dien akker niet ten geschenke hebben van Efron. God heeft gezegd: Aan n en aan uw zaad zal Ik dit land geven. En God zal mij dit land geven, en niet Efron zal het doen, Izailk!quot; En Izaak vond, dat zijn vader goed sprak.

Daar, in die spelonk, brachten zij Sara, de doode. Die spelonk was groot en breed; en achter de eerste spelonk was nog een tweede, dieper in; daar legden zij Sara. „Als ik gestorven zal zijn, Izailk, breng mij dan ook hier; naast haar zal ik liggen, die ik heb liefgehad,quot; zoo zeide hij.

Toen de twee mannen weder buiten de spelonk kwamen, bogen al de mannen des lands voor hen; zij waren als twee vorsten. Maar het aangezicht

van Abraham was als van een, die nimmer meer vroolijk worden zou.

66

----

REBEKK A.

aham was oud, en hij wenschte wel te sterven; maar als hij Izatlk aanzag, dan dacht hij: „Mijn zoon heeft zich nog geen vrouw ge-

nomen; en eer ik sterf, zou ik hem gehuwd willen zien; ik zou rustiger ten grave dalen, als ik wist, dat Izatlk kinderen had; dan zou ik nog.

ocr page 75

REBEKKA.

eer dat ik mijn oogen sloot, liet begin zien van het groote volk, dat God mij beloold heeft.quot; Hij dacht hier vele dagen over, en hij besloot naar de wijze des lands voor zijn zoon een vrouw te zoeken.

Hij riep zijn knecht Eliëzer, den getrouwe, bij zich in de tent; en hij besprak die zaak met hem, zooals men een zaak niet met een slaaf, maar met een vriend bespreekt. Die twee mannen hadden bijna hun gansche leven aan elkanders zijde gestaan.

„Ik wil niet,quot; zoo zeide Abraham, „dat Izaak zich een vrouw neemt uit de dochteren van dit land; mijn nakomelingschap en de inwoners van dit land, zij moeten niet tot één volk zich versmelten; neen, als vreemdelingen zullen wij, ik en mijn zoon, en diens zonen, afgezonderd, hier wonen, totdat God ons dit land geeft; geen menschen, maar God zal het ons geven. Ik wil, dat Izaak zich een vrouw neemt uit Haran, van waar wij uitgetrokken zijn; woonde daar niet Nahor, en zijn daar niet zijn kinderen en kindskinderen; en zijn zij niet van mijn geslacht, vorsten onder de herders bij de twee rivieren?quot; — „Haran is ver van hier,quot; antwoordde Eliözer, „maar niet te ver voor liet doel; al uw knechten zouden verheugd zijn om deze zaak; want uw knechten zijn als die wel een vorst hebben, maar geen vorstin; daar is niemand in Sara's plaats.quot; — „Eliezer!quot; zeide Abraham, „wien zoude ik deze taak anders opdragen dan u? Ga gij naar Haran; gij zijt wel oud, maar ik heb niemand getrouwer dan u.quot; De oude knecht vond dat hij jong en sterk was; die reize kon hij best maken; ook zou hij voorzichtig handelen; zijn heer moest geen ander zonden; die eere begeerde hij, zoo hij eere mocht hebben. En aldus besloten die twee mannen.

Zou Eliëzer niet slagen in zijn zending, zou Abraham wellicht sterven voor dat Izaak ging trouwen, — altijd zou de knecht er voor zorgen met al zijn invloed, dat geen Kanailnietische vrouw ooit de vrouw van Izailk werd. Dit zwoer hij toen, met een duren eed; en het stelde Abraham zeer gerust. En daarna maakte de oude knecht zich op, om te reizen; en hij deed het met het aangezicht van een jong man, die sterk is, en met God alles wil wagen.

Tien kemelen nam hij mede, en knechten. zooals het den afgezant van een hoog heer betaamde te reizen, Geschenken, kostbare en zeldzame, had hij

07

ocr page 76

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

ook bij zich. De menschen, die hem zagen reizen, wisten, aan zijn kleeding, aan zijn houding, aan zijn gevolg, dat hij een groot dienaar van een groot heer moest zijn. Naar hot oosten reisden zij, naar het land van de twee rivieren, naar Haran.

Het was tegen den avond, toen zij de stad, waar het geslacht van Nahor woonde, naderden.

Buiten de stad, waar de put was, hielden zij halt. Zij ontgordden de kemelen, en deden ze nederliggen; dat deden zij gaarne, do moede dieren; hier was water, en schaduw van hooge palmen. De reizigers konden duidelijk van hier de verschillende gebouwen der stad tegen do hoogte zien liggen; wit waren zij, en zij staken hel af tegen het groen van de heuvels. Van de woningen, langs de voetpaden, zagen zij de jonge vrouwen afdalen, met de groote kruiken op het hoofd, hierheen, naar den put; zij zagen dat gaarne; zij waren hier weei in een bewoond land, en dat was anders dan het reizen in de woestijn, die achter hen lag.

„Een van die jonge vrouwen, die daar afdalen, kan wel de vrouw zijn uit Nahors geslacht, die ik zoek,quot; dacht Eliëzer; „welk van die huizen zou Nahors huis zijn?quot; En terwijl hij bij den put zat, gingen zijn oogen naar de heuvels vóór hem. „Hoe zal ik weten, welke vrouw ik kiezen moet voor den zoon van mijn heer?quot; Hij voelde, dat nu het zwaarste deel van zijn taak eerst begon. Van de vrouw, die hij medebracht, kon het geluk ol het ongeluk afhangen van Abrahams huis; hij wist dat er vele slechte vrouwen in de wereld waren, en dat een vrouw een huis voorgoed gelukkig of ongelukkig kan maken. De angst der verantwoordelijkheid kwam over hem. „O God! hoe zal ik het weten, wie ik nemen moet voor mijn heer?quot; zoo sprak hij; en hij boog zich neder op den grond, met het aangezicht ter aarde, evenals iemand die bidt, en het moeilijk heeft.

De kameeldrijvers waren bezig met het ontladen der dieren, en maakten aanstalten om tenten te spannen voor het nachtleger. De kemelen schreeuwden, schreeuwden; zij waren ongeduldig en wilden water.

„O God!quot; zoo bad Eliëzer, „hoe zal ik het weten? Mocht ik een teeken

68

ocr page 77
ocr page 78
ocr page 79

REBEKKA.

hebben van U! Mocht Gij mij de vrouw aanwijzen; zog' Gij het, Heero! wie het zijn zal!quot; En hij lag bewegingloos, zooals iemand die het moeilijk heeft in zijn bidden. „O God! als het mocht: zou dit dan hot teelden mogen wezen: ik zal straks tot een van die vrouwen zeggen: Geef mij te drinken! En als zij mij antwoorden zal; Zeker, en ik zal ook voor uw komelen putten, — zou ik dan door dit antwoord mogen weten, dat zij de vrouw is, die Gij voor Izaak hebt toegewezen?quot; Hij stond op van dat bidden, als een, die dacht: „Nu zal ik zien, wat God doen zal.quot;

Daar kwam een vrouw, jong, zooals degenen, die het aangezicht van een kind hebben, maar dio de gestalte hebben der groote vrouwen. Dat aangezicht was schoon, zooals die man er maar eens een gezien had, liet aangezicht van Sara, toen die nog jong was in Haran. Zij ging naar den put, vulde haar kruik, wilde gaan, zonder woorden, zooals de welopgevoede vrouwen doen, die niet overal stilstaan om te praten.

De man ging tot haar, — bijna bevend, om het teeken, dat hij aan God gevraagd had. „Geef mij te drinken, bid ik u,quot; zoo sprak hij. „Gaarne,quot; zoo antwoordde zij: de groote kruik daalde van haar schouder; zij liet de kruik neder op haar hand, en hij dronk. „Zal ik ook voor uw kemelen putten, zij hebben dorst,quot; zeido zij; en zij goot de kruik ledig in den drinkbak en weer vulde zij de kruik, opnieuw, vele malen, die uitgietende voor de dieren; zij stond er tusschen, zonder vrees.

En die man stond verplet; hij kon geen woord spreken; dit was het teeken, dat hij aan God had gevraagd. Hij kon zijn oogen niet afhouden van de gestalte in het witte kleed, schoon als de zachte hemel, wanneer de dageraad opgaat. „Zou ik zoo spoedig de vrouw gevonden hebben, die ik zoek voor mijn heer?quot; zoo dacht hij. En hij dankte haar eerbiedig, alsof zij reeds zijn meesteres was; hij wist nauwelijks waarom hij het zoo eerbiedig deed; en hij sprak toen, en hoorde, dat zij do dochter van Bethnel was, Nahors zoon. Toen hij dat vernam, wist hij, dat zijn God hem gebracht had, waar hij wezen moest; en het hart des ouden mans was blijde, evenals het in dagen en jaren niet was geweest.

„Span uw kemelen niet uit,quot; zeide zij vriendelijk, „ginds waar wij wonen.

71

ocr page 80

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

tegen dien heuvel, kunt gij beter vernachten; allen zijn wij hier gastvrij tegen vreemdelingen; ook voor uw kemelen is plaats, daar is stroo en voeder voor de dieren; ik zal heengaan, en mijn broeder zeggen, dat gij komt.quot;

En de oude man wist niet, waarom luj het zoo koninklijk deed; maar hij gaf haar geschenken, een vorstin waardig, een voorhoofdsiersel en twee armringen; die waren van zuiver goud, en kunstig, zooals de beste kunstenaars die maken. En zij lachte blijde om het geschenk, — toen was zij als een kind, in dat lachen. En zij ging heen, met de kruik op haar schouder, — toen was zij als een vrouw, groot en sterk; want die kruik scheen haar niet te wegen.

Die man zag haar na, die een vorstin geleek, en een vrouw geleek, en een kind geleek. Hij stond ontzet; en boog zich ter aarde, en aanbad zijn God, die het teeken verhoord had.

Rebekka, zoo heette dat schoone quot;meisje. Zij verhaalde te huis aan haar moeder van dien vreemdeling bij de bron, en toonde de vorstelijke geschenken. „Ik zal gaan,quot; zoo zeide haar broeder, Laban, toen hij de begeerlijke geschenken gezien had, „en ik zal dien vreemdeling hier bij ons nooden; wij weten niet wie hij is, maar hij is zekerlijk een groot heer.quot; En niet veel tijds daarna werd Eliëzer in het huis ontvangen, waar God hem had heengeleid.

De kemelen werden ontladen, en men gaf hun stroo en voeder. De reizigers werden binnengeleid, en water werd gebracht om de voeten te verfrisschen. Toen werd de maaltijd aangericht; de spijzen waren goed en de dranken van het beste, dat Laban had. Maar Eliëzer wilde niet aanvangen met eten. „Neen,quot; zeide hij, „ik zal niet eten, voordat ik u zal gezegd hebben, wat ik te spreken heb.quot; En toen verhaalde hij voor de ooren van zijn verbaasden gastheer, dat hij een slaaf was; dat hij bij Abraham diende; dat hij voor den zoon van zijn heer een vrouw ging zoeken; dat hij daarvoor deze reis had gemaakt. En hij verhaalde van zijn wedervaren bij de bron, buiten de poort; van het teeken, dat hij van God begeerd en verkregen had. .,En nu dan,quot; zoo besloot hij, „geef Rebekka aan Izadk ter vrouw, hij is een vorstelijk man, en God heeft hier kennelijk gesproken.quot; — „Deze zaak is van den Heere,quot; zoo antwoordde Laban, „wij kunnen niet daartegen spreken.quot; En het einde van het gesprek was, dat Rebekka dien avond door haar moeder en broeder

72

ocr page 81

REBEKKA.

beloofd werd als een vrouw voor Tzaak. Rijke geschenken gaf Eliëzer toen aan die lieden, zooals zij ze gaarne hadden; zilveren kleinoodiön en kostbare kleederen.

Dat was zeer veel, en zij zagen, dat zijn heer zeer rijk moest zijn, en een vorst in zijn land.

Toen eerst nam Eliëzer van de spijzen, en het werd een feest in dat huis den ganschen nacht.

Den volgenden dag wilde Eliëzer reeds vertrekken. De gastheer kon er niets tegen doen; de oude man had haast, zooals een, die weet dat hij oud is, en die zijn werk wil afgedaan hebben, eer het te laat mocht zijn. „God heeft mij de reis in alles zoo voorspoedig gemaakt,quot; zeide hij; „zou ik dan talmen en den tijd rekken?quot; Ook Rebekka was bereid om dadelijk te gaan. Deswege prees Eliëzer haai- nog meer in zijn hart, dan hij reeds gedaan had. En nog dienzelfden dag keerden zij weder, met het aangezicht naar het westen. Op den kemel zat Rebekka, met haar voedster, die mede ging. Eliëzer reed voor haar uit; zijn oog ging over de vlakte, en hij gordde zijn zwaard vaster, als een, die zegt: ..God helpe mij, dat ik dezen kostbaren schat veilig tehuis brenge.quot; Zoo verliet Rebekka huis en volk, om te gaan naaiden man, dien God haar gegeven had.

Daar tehuis, te Hebron, wachtte Izalt;lk de wederkomst af van zijn knecht, van Eliëzer. Daar waren nu vele weken voorbijgegaan sedert de afreis. Zouden zij nu nog niet weer kunnen zijn?

Tegen den avond ging hij naar het veld; niet om naar de herders te zien, en niet om bevelen te geven aan de knechten. Hij ging den weg op, waar de heuvel was, die tegen het oosten zag. Daar wachtte hij, totdat de oogen niet meer zien konden in de verte, waar het duister werd. Ook de volgende avonden was hij op het veld, waar hij kon uitzien naar het oosten. Kwamen zij nog niet?

En wederom ging hij, en hij stond, waar hij de vorige avonden gestaan had; en hij zag toe, en ziet, — de kemelen kwamen! Straks waren zij bij hem; straks sprong een gesluierde gestalte van den kemel af; die trad naar hem toe, knielde voor hem, en legde beide haar handen in de zijne, zooals iemand die zich aan een ander geeft. Izaak wist, dat die zijn vrouw was.

73

ocr page 82

74

A;in zijn hand bracht hij haar, naar de tent, die-van Sara geweest was. Daar trok hij den sluier van haar hoofd weg, wat zij niet weerde, en zag hij

haar gelaat..... hij deinsde terug, dat was als de schoonheid der engelen;

zulk een vrouw zag hij nimmer. Maar hij trad weder tot haar, en zeide; „Ik zal u liefhebhen, en gij zult vorstin zijn over al mijn volk.quot;

.Dien dag, en den dag daaropvolgende, als Eliözer en Abraham met elkander spraken, deed Eliözer, alsof hij geen dank verdiend had. „God heeft mijn weg voorspoedig gemaakt,quot; zeide de dienaar, „en deze vrouw is van den Heere gezonden.quot;

------

Na dezen leefde Abraham nog vijf en dertig jaar. Hij was honderd vijf en zeventig jaar toen hij stierf (1821 v. C.) Hij wenschte niet meer te leven, want hij had nog gezien de zonen van zijn zoon, twee knapen, opgroeiende en sterk, — het

ocr page 83

IZAAK's HUISGEZIN. 75

begin van zijn groot volk. In de spelonk van Machpela, waar Sara begraven was, werd ook hij gebracht.

Ook Ismaël was gekomen van verre, van het zuiden. En hij was gekomen met een bende, vorstelijk: en machtig, met blinkende wapenen. Hij wilde den vader eeren, dien hij liefhad, al had deze hem eens weggezonden; daar was geen wrok in zijn hart, ook niet tegen Izaak.

En toen die twee broeders, Ismaël en Izailk, uit de spelonk naar buiten traden, zagen de inwoners des lands aan die twee, dat zij vrienden waren.

0^9X^-0

IZAAK's HUISGEZIN.

zaak woonde na zijns vaders dood bij den put Lachai-Roi; dat was in 't Zuiderland. Als een recht Nomadisch vorst bleef hij echter niet lang op zijn plaats; hij ging westwaarts in het land der Filistijnen wonen, te Gerar. Daar werd hij zoo rijk, en zoo machtig, dat de Filistijnen hem vroegen heen te gaan. ,Hij verreisde, en kwam na veel zwervens te Berseba; daar bleef hij lange re 11 tijd.

Toen hij twintig jaren gehuwd was, werden hem twee zonen geboren; dat was nog, toen hij bij den put Lachai-Roi woonde. Die zonen waren tweelingen, maar Ezau was toch de oudste; de jongste van de twee heette Jakob. Reeds voor hun geboorte had God door een. voorspelling aan de ouders te kennen gegeven, dat niet de oudste maar de jongste de grootste,en tie voornaamste van- de twee worden zon. Nn was dit zeer vreemd in de oogen der ouders. Want volgens de beschouwing dier dagen was. de oudste zoon altijd vanzelf de voornaamste der zonen. De oudste- was ,het altijd, die den, vader in zijn rang en macht opvolgde; de. oudste kreeg altijd „bij de erfenis, een dubbel deel; en het geslacht werd eigenlijk geacht door den oudste voortgeplant te worden. Izailk en Rebekka konden dus, volgens de wijze, dier dagen, niet anders denken, of Ezau, de oudste der tweelingen, moest door zijn eerstgeboorterecht de voor-

ocr page 84

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

naamste en de grootste van beiden worden. Maar dit was de goddelijke voorspelling hun juist anders komen zeggen. „Vreemd!quot; zeiden zij, „maar wij zullen zien, hoe het uitkomt.quot;

De twee knapen groeiden naast elkander op, maar toonden reeds spoedig dat hun geaardheid al even verschillend was als hun uiterlijk. Ezau was een jongeling geworden, groot, sterk, ruw, en over zijn gansche lichaam zwaar behaard, wat in de oude tijden als een groot bewijs van kracht gold. Jakob was in lichaamsbouw de mindere, niet behaard als zijn broeder, wat in de oude lijden als een bewijs van zwakheid aangezien werd. Als nu de ouders de beide jongelingen aanzagen, zeide Izailk bij zichzelven: „Zal de meerdere den mindere dienen? Hoe kan het? Want Ezau is toch de sterkste, en hij wordt toch herdersvorst na mij, in mijn plaats?quot; De vader hield namelijk van dezen jongen het meest. Maar Rebekka zeide: „God heeft het toch gezegd, en zoo zal het wel komen.quot; En zij verheugde er zich heimelijk om, want de moeder hield meer van Jakob. Hij was ingetogen, bedaard, van een kalme levenswijze, en was gaarne bij de herders; zelf hoedde hij een der kudden; en het was hem niet te gering om het werk der minste schaapherders te doen; de aard der vaderen was in hem; zoo was het gansche geslacht van Therah geweest, van de dagen af, toen het nog in Ur der Chaldeën woonde. Die aard zat in Ezau niet; alsof hij uit een ander geslacht was, uit een geslacht van krijgslieden, zoo w7as zijn aard. Die jongeling ging het liefst ter jacht; at gaarne het vleesch van het wild, dat hij schoot, waar de nomaden een verachting voor hadden; en vond er een roem in om te kunnen zeggen, dat hij leeuwen en beren bevocht in het woud. Het was aan hem te zien, dat hij een vorst van krijgslieden zou worden, meer dan een vorst onder de herders. De liefde tusschen de twee broeders was, bij zoo uiteenloopenden aard, niet groot. „Als Ezau toch een krijgsheld wil worden,quot; zoo zeide Jakob, „dan is hij hier onder ons niet op zijn plaats; en dan ben ik toch beter geschikt om mijn vader hier op te volgen onder de herders.quot; Maar Ezau vond, als zij beiden er over spraken, dat hij zeer wel zijns vaders opvolger kon zijn en het hoofd van een bende tegelijk. Altijd sprak Jakob er weer over, en bood hij zijn broeder zelfs meermalen aan, om dat eerstgeboorterecht van hem te koopen; dan kon Ezau zich veel meer en geheel aan zijn lust toegeven, en

76

ocr page 85

IZAAK's HUISGEZIN.

zich den levensloop kiezen, dien zijn hart wenschte. „Gij deugt toch niet« voor dit herdersleven,quot; zoo zeide hij. „Voor het herdersleven deug ik niet; en om mijn eerstgeboorterecht geef ik ook niet,quot; lachte Ezau; „maar waarom zoudt gij het hebben? Wiit gij boven mij staan?quot; Alzoo wilde Ezau zelfs van een koop niets weten.

Op zekeren dag, toen Jakob bij zijn schapen was, kwam Ezau uit het bosch het veld over, waar de kudde weidde. Hij was weder op de jacht geweest, en was zeer vermoeid, en hongerig. Hij kwam bij Jakob, wierp zich op den grond, en zag hoe deze bezig was om zich zijn maaltijd te bereiden. Op een vuur hing een pot over, met linzenmoes; de herders waren zeer eenvoudig in hun leefwijze. Voor den hongerigen jager was ditmaal die eenvoudige spijze goed genoeg: hij stierf haast van den honger; uitgeput was hij, ter dood toe. „Geef mij ook wat van uw maaltijd,quot; zeide hij; en zijn oogen waren naar de spijze gekeerd. „Ik heb u meermalen gesproken over het koopen van uw eerstgeboorterecht,quot; antwoordde Jakob, „wanneer zult gij het mij verkoopen? Doe dat nu, en ik zal u van deze spijze geven.quot; De oogen van Jakob zagen, zooals de oogen van een listig mensch zien. „Gij spreekt mij altijd over deze zaak,quot; zeide Ezau, „laat dat; en geef mij te eten; ziet gij niet, dat ik sterf van den honger? Ik heb heden nog niets gegeten; ik ben uitgeput, en het is nog vele mijlen van hier naar mijns vaders tente; ik zou het niet kunnen loopen; moet ik dan hier sterven?quot; En Jakobs gelaat stond als van iemand, die het wel wilde, dat zijn broeder, de eerstgeborene, daar stierf. „Ik geef u van mijn maaltijd niet, tenzij gij doet, wat ik van u gevraagd heb,quot; zeide hij; en hij zette zich neder, als wilde hij wachten op dat sterven. Toen was het, dat bij de onverschilligheid, die Ezau altijd voor zijn eerstgeboorterecht gevoeld had, ook nog de schrik voor den dood kwam. „Wat geef ik eigenlijk ook om dat recht!quot; riep hij; „geef mij te eten!quot; — „Zweer mij dan eerst, dat gij er afstand van doet,quot; sprak Jakob, en nimmer was zijn ziel zoo boos geweest, zooals hij op dit oogenblik zijn broeder haatte. Ezau zwoer; en bij dien eed, deed hij afstand van zijn recht als oudste. Toen gaf Jakob hem brood, en van dat linzenmoes. Ezau stond op, nadat hij gegeten en gedronken had, en ging heen; maar in zijn hart lachte hij als een lichtzinnige, die dacht: „Wij zullen toch nog eens

77

ocr page 86

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zien, lioe het uitkomt; vader /al liet toch niet hooren; dien durft Jakob het niette vertellen, en ik zal het ook niet zeggen.quot; Toen Jakob het dien avond aan zijn moeder verhaalde, waar niemand bij was, bestrafte zij hem niet, zooals zij had moeten doen; zij prees hem, en ze iele met veel beteekenis: „God heeft gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.quot; Maar zij zeide het als een, die toch wist, dat Gods weg niet gaan kon door list en bedrog, en dat op zulk handelen geen zegen kon rusten. Niemand durfde het aan Izaiik zeggen; die bleef Ezau aanzien als den toekomstigen opvolger en herdersvorst na hem , eu als den stamvader van het volk, dat God beloofd had.

Ezau was na dezen nog onverschilliger; hij huwde met twee heidensche vrouwen uit dat land, Kanaanietische vrouwen, die do afgoden dienden. Hij vond dat niet erg; zelf diende hij niet eens den God zijns vaders. Die vrouwen waren uit het aanzienlijk geslacht van Heth, waar Abraham de spelonk van Machpela van gekocht had. Ezau toonde daarmede, dat hij met de heidenen van dat land zich geheel vereenigen wilde, en dat hij er niet om gaf tot een afzonderlijk groot volk te worden, waarvan God tot Abraham en Izaiik gesproken had. Hij werd als een der heidenen, en brak zoo voorgoed met God. Dat was kwaad, zelfs in de oogen van zijn vader; maar Izaak hield te veel van hem, om hem er veel van te zeggen. AVat de moeder betreft, die begon haar oudsten zoon daar bijna om te haten. Dat was geen gelukkig gezin meer, daar te Berseba; daar was zonde bij al de leden van dat gezin.

Toen Izaak voelde, dat hij Oud en zwak was geworden, dacht hij er over, om nog tijdens zijn leven zijn zoon Ezau in zijn plaats aan te stellen. Ook was hij blind geworden; hij kon liet bestuur over zijn groot dienstvolk zelf niet meer uitoefenen. „Ik zal mij van die zorg ontslaan,quot; dacht hij, „en Ezau moet nu maar optreden als opperste van mijn stamvolk.quot; Op zekeren dag liet hij Ezau bij zich in de tent komen, en hij gaf hem zijn voornemen te kennen. „Na den maaltijd, mijn zoon; 'dan zal ik het doen. Ga nu eerst nog eens heen, en jaag mij nog eens een goed stuk wildbraad. Zooals ik gaarne eet; en dan zal ik u mijn zegen geven; gij zult vorst zijn.quot; Ezau sprong naar buiten, nam zijn pijlkoker, en ging den weg op naar hot bosch; met een boozen lach om den mond zeide hij: „Heden zal Jakob Weten, dat niet hij, maar ik

78

ocr page 87

IZAAK's HUISGEZIN.

79

de meerdere ben.quot; Weinig dacht hij, dat zijn moeder aan do deur der tent geluisterd had, en dat zij het wel verijdelen zou met al haar macht. „Dat zal nimmer gebeuren,quot; zeide zij, met opwellende bitterheid in het hart;'en zij was in de stemming om op dien dag dingen te doen, zooals een boos mensch in staat is dingen te doen, die gevloekt zijn. Straks ging die oude vrouw, alleen, van geen dienstmaagd vergezeld, den weg van het veld op, waar do kudde was. Daar vond zij Jakob, met de schapen. Zij zette zich naast hem, op den steen, on verhaalde hem alles. Dat was als een raad der goddeloozen, welken die twee hielden. „Ik weet, wat wij doen moeten;quot; alzoo sprak zij, „en gij, mijn zoon, gij znlt heden doen, wat uw moeder gebiedt; op dezen dag eisch ik gehoorzaamheid.quot; En toen deelde zij hem haar voornemen mede. Als Jakob twee van de goede geitenbokjes slachtte, dan zou zij zo toebereiden, smakelijk, zooals zijn vader dat gaarne had; dan zou hij ze zijn vader voordienen, alsof hij Ezau was; zijn blinde vader zon het niet merken; en dan zou zijn vader hem zegenen, in plaats van Ezau. Jakob verschrikte. Zoo had hij zijn moeder nog nimmer gezien; die oude vrouw zag hem aan, alsof hij moest doen, wat zij zeide. Toch deinsde hij er voor terug. „Het zal niet gaan, moeder,quot; zoo sprak hij; „vader zal het merken; Ezau is een harig man, en ik niet; en als hij het merkte, dat ik hem bedroog, bij zou mij vloeken inplaats van zegenen.quot; Maar die vrouw werd toornig. „Uw vloek zij op mij, mijn zoon;quot; zoo sprak zij; „gehoorzaam! ga, en haal de geitenbokjes.quot; En hij gehoorzaamde, zooals oen slecht man gehoorzaamt aan een slechte vrouw. Toen do spijze gereed was, bracht die moeder Ezau's kleedoren, en zij gebood Jakob om ze aan te trokken; mot haar eigen handen hielp zij hem daarbij. De vellen van de geitonbokjes deed zij aan zijn hals en over zijn handen; mot haar eigen handen hielp zij hom daarbij. Zij deed niets ten halve; dien zij op dien dag bedriegen wilde, wilde zij volmaakt bedriegen. Toen. was het, dat Jakob binnenkwam bij zijn blinden vader, on hem do smakelijke spijzen voordiende. De oude man kon niet zien, wie er binnengekomen was, en vroeg: „Wie zijt gij, mijn zoon?quot; Jakob beefde, als een slecht man; maar hij voelde, dat hij, eens zoover, moest doorgaan; en hij voelde tegelijk, dat zijn moedor achter de deur van de tent stond, en alles hoorde; en hij besloot te

ocr page 88

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

80

liegen, te liegen zooveel het moest. „Tk ben Ezan, uw eerstgeborene,quot; sprak hij; „ik heb gedaan zooals gij gesproken hebt; sta nu op, vader! en eet van het wildbraad; gij zoudt mij heden uw zegen geven, en mij in uw plaats aanstellen.quot; — „Gij zijt spoedig terug, mijn zoon! Anders blijft gij altijd langer op de jacht; ik verwachtte u eerst tegen den avond; hoe zijt gij zoo spoedig weerom?quot; — „God was mij gunstig,quot; loog de zoon; „God zond het wild mij te gemoet.quot; Daar was iets, dat de oude man zonderling vond in dit alles, en wat hij niet vertrouwde. „Kom hier dicht bij mij, mijn zoon! Laat mij voelen of gij Ezau zijt, ik kan het niet zien!quot; Toen kwam Jakob gansch dicht naast hem staan, en de vader strekte zijn handen naar hem uit. „Uw stem is als Jakobs stem, maar uw handen zijn als Ezau's handen.quot;. Daarom vroeg hij het hem nog eens: „Zijt gij mijn zoon Ezau zelf?quot; — „Zeker ben ik dat,quot; loog Jakob; en het was vreeselijk, zoo beslist als hij loog, nu hij eenmaal op den weg was. Toen kon de oude vader het niet langer wantrouwen; de spijzen liet hij voor zich zetten, en hij at, en hij dronk; het was wijn, dien hij dronk, dat was hij niet gewoon; die herders leefden zoo sober; Rebekka had dien wijn beschikt. En daarna, toen hij verzadigd was, zeide hij: „Nu zal ik u mijn zegen geven, en u in mijn plaats stellen; kom hier voor mij, en kus mij, mijn zoon!quot; De blinde, wiens wantrouwen nog niet geheel geweken was, wilde nog met zijn reuk het onderscheiden, wie daar voor hem stond. Die bedrieger kuste zijn vader, en deze rook aan de kleederen, dat het Ezau moest zijn. Zelden was aan weerskanten een kus minder het teeken der lietde. Jakob knielde. Daar strekte de grijsaard zijn handen over hem uit, en de woorden, die uit zijn mond kwamen, waren woorden van zegen en voorspelling. Hij sprak tot hem, dat hij rijk zou worden door Gods zegen; dat hij machtig zou worden, machtig boven zijn broeder; hij sprak tot hem, dat Gods beloften, aan Abraham en aan hem gedaan, zouden overgaan op hem, den zoon, en dat hij tot een groot volk zou worden, tot een zegen voor de wereld; en dat hij, als zijns vaders eerstgeborene, zijn zetel zou hebben na hem. „Vervloekt moet hij zijn, die u vloekt; en zoo wie u zegent, zij gezegend!quot; Zoo waren de laatste woorden van den grijsaard. Jakob ging uit naar zijn moeder; zij gingen samen in haar tent. „De meerdere zal den mindere dienen, heeft God gezegd,quot; dus sprak zij; maar die twee zaten

ocr page 89
ocr page 90
ocr page 91

IZAAK's HUISGEZIN.

daar samen, zooals boosdoeners, wien het hart slaat van vreeze voor een oordeel.

Het geschiedde toen Jakob maar even uit zijns vaders tent zich verwijderd had, dat Ezau terug kwam van zijn jacht. Ook hij maakte zijn smakelijke spijzen gereed, en bracht ze binnen. En ook hij sprak tot den grijsaard: „Sta nu op, vader! hier ben ik, en hier is het wildbraad!quot; Daar was schrik in de beweging, waarmede de oude man zich oprichtte, met zijn blinde oogen voor zich uitstaarde, en vroeg: „Wie zijt gij?quot; En daar was verbazing in Ezau's stem, toen hij antwoordde: „Ik ben uw eerstgeborene, Ezau.quot; Maar de schrik van den blinde was als een ontzetting, toen hij uitriep: „En wie is hij dan, die daarstraks bij mij geweest is en die mij een wildbraad gebracht heeft, en dien ik reeds gezegend heb, een zegen, dien ik niet kan terugnemen?quot; In een oogwenk begreep Ezau alles; hij strekte de handen naar den hemel, en hij schreeuwde een schreeuw, zoo luide en bitter, zoo woest en wraakzuchtig, zooals hij nog nooit een schreeuw gegeven had, wanneer hij in grimmigheid met leeuwen en beren worstelde in het woud. „Zegen ook mij, ook mij, mijn vader!quot; dus riep hij; „zeg, dat ik zijn gelijke zal zijn, naast hem; ik ben ook een vorst; zeg, dat ik niet de mindere behoef te wezen; ik kan het niet dragen!quot; En nog meer sprak hij; en hij voer bitterlijk uit over zijn broeder, den bedrieger; als hij hier was, hij zou hem geslagen hebben, zooals men een schurk slaat. „Hebt gij voor mij geen zegen meer, vader? En kunt gij niet iets zeggen, iets doen, waardoor ik in mijn rang en in mijn eer tegenover hem hersteld word?quot; Versohrikt over de smart zijns zoons, sprak Izailk: „Ik heb het niet willens gedaan, mijn zoon! Uw broeder heeft mij bedrogen, ik ben blind; maar het is eenmaal geschied, ik heb hem tot heer over u en over onzen stam gesteld; dat kan niet meer veranderd!quot; En het was vreeselijk om aan te hooren, wat Ezau toen jammerde en bitter weende; dat waren als de klachten van een jongeling, die te laat berouw heeft over onherstelbare lichtzinnigheid en zonde. De oude, die dien zoon liefhad, en met hem leed, begon hem te troosten. En hij sprak met hem over de toekomst. Hij, die in de toekomst zag, hij kon het hein zeggen: hij zou wel de mindere zijn, maar de tijden zouden komen, dat hij sterker zou zijn en grooter; ook hij zou rijk zijn en machtig, zooals de vorsten; op zijn

83

ocr page 92

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zwaard zou hij leven, en de vijanden zouden voor hem sidderen; zijn geslacht zou een groot volk zijn, en dapperheid en krijgsroem zou hun deel zijn. Die woorden vertroostten Ezau, hij stond op van zijn knieën; hij weende niet meer. En toen hij naar buiten ging, zeide hij: „Moge die tijd komen, dat mijn geslacht het geslacht van mijn broeder met het zwaard verdrukt!quot; In zijn hart kwam de gedachte op om Jakob te dooden; hij haatte hem meer dan hij immer hem gehaat had. „Ik zal mij aan hem wreken, en hij zal sterven; maar ik zal wachten tot mijn vader niet meer is.quot; En die gedachte ging met liem, waar hij was, zooals de Booze achter iemand gaat, zonder hem te verlaten.

Toen het Rebekka ter oore kwam, wat Ezau van zins was, liet zij Jakob bij zich komen, en zeide zij het hem. „Ik ben bezorgd om uw leven, want uw broeder is in staat het te doen; het beste is, dat gij onze tenten verlaat voor een tijd; ik zal zeer eenzaam zijn, als ik u niet hier heb, maar het is voor uw welzijn; ik heb er over nagedacht; ga naar Haran, waar mijn broeder woont; dat is ver van hier, daar zult gij veilig wezen; en als dooiden tijd de toorn van uw broeder geweken is, dan zal ik u tijding zenden, en gij zult weder tot mij komen, mijn zoon!quot; Ook zeide zij hem, dat zij Izailk zou weten over te halen, dat hij hem vergunning gaf voor de lange afwezigheid. Het was daarom, dat zij bij Izailk zulks ging voorbereiden. Zij deed dit door bij hem te klagen over de heidensche vrouwen van Ezau. „Ik heb verdriet van die vrouwen,quot; zoo zeide zij tot haar man, „zij wonen hier onder ons, in onze tenten, maar zij zijn anders, dan de vrouwen van ons geslacht moesten wezen. Had Ezau ze maar nimmer genomen, en waren die heidensche vrouwen maar uit ons midden weg! Zij zijn mij een verdriet, en ons tot schande eiken dag!quot; Dit was iets waar Izaak het met haar over eens was. De beide oude lieden zaten klagend bij elkander; maar Izaflk was te zwak van aard om er iets tegen te doen. „Als Jakob nu ook aldus ging doen?quot; zoo sprak de vrouw verder, „en als hij nu ook heidensche vrouwen uit dit land nam? Zou onze smart dan niet eerst volkomen zijn? Wat zal ons daarvoor behoeden? Ik zou niet meer begeeren te leven, als het zoo kwam.quot; En toen sprak zij hem, van Jakob naar Haran te zenden, opdat hij zich daar een vrouw zou weten te kiezen.

84

ocr page 93

JAKOB IN BALLINGSCHAP.

hun geslacht waardig. Izailk dacht toen terug aan den dag, toen hij zijn eigen jonge en schoone vrouw van daar gekregen had. „Het is goed,quot; zeide hij eerlang; en weldra deelde hij het aan Jakob zelf mede, als een bevel, wat tusschen moeder en zoon reeds afgesproken wTas.

Toen de dag van afreize daar was, was er een smart in het hart dier moeder, zooals zij nimmer gevoeld had. Zoo had zij nog nooit geweend. Maar zij troostte zichzelve en Jakob met te zeggen: „Ik zal u wederzien, en ik zal ii tijding zenden, wanneer gij moet wederkomen.quot; De oude Izailk was buiten de tent gekomon, en hij strekte zijn handen over den zoon uit, en zegende hem: „Clod make u tot een groot volk; God geve u eenmaal dit land, gelijk Hij ons en onze nakomelingen beloofd heeft; en als eenmaal uw nakomelingschap hier in deze landen woont als in een eigen erve, dat dan door hen de aarde dien zegen moge ontvangen, waarvan God gesproken heeft.quot; En de oude man zeide het als een, die dacht: „Dezen zoon zie ik niet weder.quot; Toen nam Jakob zijn stat in

de hand, en hij ging deniweg op van het oosten, naar Haran.

---

JAKOB IN BALLINGSCHAP.

■1758 tol my v. dir.

Ü liep tusschen de honderden tenten door, waar al de knechten en vrouwen woonden, die zijn vader toebehoorden, De menschen groetten ■hem, maar zijn groet was niet vroolijk. „Al die menschen en die tenten 1 behooren mij toe,quot; zoo dacht hij; „maar ik kon ze evengoed niet hebben, want als een vluchteling ga ik van hier.quot; Hij kwam waar de schapen graasden, en hij liep tusschen de dieren door; daar waren er duizenden. „Al die schapen behooren mij toe,quot; zoo dacht hij; „maar ik moet ze achterlaten; Ezau zal ze zich toeëigenen.quot; Hij kwam, waar de heuvel was aan het eind van de vlakte; hij zag van daar om: de tenten zag hij, de menschen, al de kudden verspreid over het veld. „Dat alles kon het mijne zijn,quot; zoo dacht hij; „hun vorst ben ik; door de zegening mijns vaders ben ik het. En zie, als een banneling moet ik

85

ocr page 94

80 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

weg; en die lieden weten het niet eens, dat ik een banneling ben.quot; Daar ontsnapte een schreeuw van zijn lippen, als de schreeuw van een, die door eigen schuld alles verliest, wat hij heeft. In zijn hart kwam het gevoel boven, dat hij een leugenaar was, een bedrieger, een dief, hij, die een vorst kon wezen, ook in de deugd. In zijn hart kwam het gevoel boven, dat de armste slaaf in die tenten eerlijker en beter man was dan hij. Hij verachtte zichzelven; wee! was er een mensch, zoo slecht als hij? Hij wendde zich om, en ging den heuvel af, als een man, die het gevoelt verdiend te hebben, dat hij een banneling is. Als hij had kunnen weenen, hij zou gewild hebben, dat hij weende. Maar zijn oogen waren droog, zooals de oogen droog zijn van een, die niet meer hopen kan goed te zijn. Nimmer ging een rijk zoon het vaderlijk huis uit en het vaderlijk erf af, zoo gebroken, en zoo zonder hoop. Hij verwenschte den dag, dat hij een hand uitgestrekt bad naar het recht van den eerstgeborene.

Hij hield niet op te loopen, totdat het avond was. De zon was onder, en het was duister op de plaats waar hij was. Dat was een woestenij rondom hem. De woningen der monschen had hij reeds lang achter zich. Hier zou hij te midden van wild gedierte moeten vernachten. De vermoeidheid van lichaam en ziel was over al zijn leden. Hij nam van de steenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw van een dier steenen, en strekte zich uit. Boven zijn hoofd schenen de eindelooze sterren; hij zag ze, en sliep in. Was er ooit een vorstenzoon, die aldus nederlag, verloren in zichzelven?

„Ik zal hem niet laten vergaan,quot; dacht God in den hemel; „Ik zal hem behouden, en een rechtvaardig man van hem maken; die gebroken zijn van hart, zal Ik genezen.quot; En God beschikte hem daarom een droom.

In zijn slaap zag Jakob den troon van God; dat was een glansrijk licht. En vele waren de trappen van dien troon; die trappen reikten tot aan de aarde, zoo hoog was die troon. En gansch beneden, onder bij de laagste trede, daar lag hij in het stof, een arm menschenkind. En langs die trappen daalden de engelen af naar de aarde, zooals boden, die bevelen van een vorst gaan uitvoeren. En andere engelen klommen op, zooals boden, die de bevelen op de aarde gedaan hadden. Dat waren zeer lichte gestalten; hun kleederen waren zeer wit, zooals zonnelicht. En hij sloeg de oogen op, naar hooger, naar den troon. En zie.

ocr page 95

87

daar stond God, zooals iemand, die van Zijn troon is opgerezen. En die God sprak tot hem, die daar beneden in liet stof lag: „Ik ben de Heere, de God van uw vader Abraham, en de God van Izaak; het land, waar gij op ligt te slapen, zal Ik u geven, en aan uw nakomelingen. En Ik zal u tot een groot volk maken, en door uw nakomelingschap zal Ik de gansche wereld zegenen. Vrees niet, en heb goeden moed; Ik ben met u, en Ik zal u behoeden in het land, waar gij heen trekt; en Ik zal u wederbrengen in dit land; Ik zal u niet verlaten.quot;

Toen Jakob wakker werd, was het hem, alsof hij aan den ingang des hemels, aan de poort van het Paradijs gelegen had. „Hier is Gods huis, en dit is de poort des hemels!quot; riep hij, „en ik heb het niet geweten.quot; Hij vreesde. Hij nam den steen, die zijn hoofdpeluw geweest was, stelde dien overeind op de andere steenen, en goot olie daar boven op. Als hij een offer gehad had, zou hij, zooals zijn vader zoo dikwijls gedaan had, een brandoffer daar aangestoken hebben. Hij vreesde. „Ik dacht niet, dat Gocl mij nog kon liefhebben,quot; sprak hij; „ik dacht, dat

ocr page 96

88 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Hij zoo iemand als mij aan zijn lot zon overlaten.quot; En met de dankbaarheid voor zulke genade kwam do moed in den balling weer boven. Hij zag naar waar do zon opging, hij kreeg moed dien weg te gaan. „Ik zal een ander man worden,quot; sprak hij; „zooals ik was, wil ik niet meer zijn.quot; En hij beloofde een gelofte: „Wanneer God met mij zal geweest zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reis, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en kleederen om aan te trekken; en ik in vrede naar mijns vaders huis zal wedergekeerd zijn, dan zal ik God dienen, en op deze zelfde plaats zal ik een altaar oprichten, en mijn offer zal wezen het tiende van al wat ik bezit.' En hij zeide het, als iemand die wist wat hij zeide.

En toen hij straks zijn staf opnam, en naar het land van de kinderen van het oosten ging, toen ging hij als een wedergeboren man. Dat was een andere Jakob. Die plaats heette sedert bij Jakob en bij al zijn nakomelingen Bethel, „Huis Godsquot; wil dat zeggen.

- 0-^)^-0- -

IN HARAN.

.^oen hij vele, vele dagen gereisd had, kwam hij in Haran. Dat was een reis van gevaren en moeiten geweest, zooals hij nog nooit {ÖJy gevaren en moeiten gehad had. Maar dat alles had hem goed gedaan;

■féc.

het hielp hem om een flink man te worden. Elk gevaar, dat hij te boven kwam, deed hem zeggen: „God is met mij; Hij beeft mij toch nog hef; en ik zal een braaf man zien te worden.quot;

Het was in den namiddag, dat hij, aan het einde zijner reize, nederzat bij een put. Hij rustte, en wachtte daar, om straks verder te gaan, als een , die dacht: „Dat zullen mijn laatste schreden zijn, en dan ben ik bij Laban , mijn oom.quot; Daar kwamen herders aan, met hun kudden schapen; die schapen hadden heinde en verre gegraasd, en nu werden zij hierheen verzameld om gedrenkt te worden. Toch gaven die herders hun dieren nog niet te drinken; daar mossten nog meerdere kudden straks komen; eerst als die er waren, gaven zij

ocr page 97

TN HARAN.

ze allen gelijk te drinken; dat waren zij zoo gewoon. En den grooten steen, die op den put lag, en hem toedekte, lieten zij daarom nog zoo liggen.

Jakob ging een gesprek aan met die herders. „Van waar zijt gij, mijn broeders?quot; — „Wij zijn van Haran,quot; antwoordden zij. — „Kent gij ook Laban, uit Nahor's geslacht?quot; — „Zeker kennen wij hem; hij woont hier midden onder ons.quot; — „Is het wel met hem?quot; — „Het is wel met hem; zie daar is Rachel, zijn dochter, ginds, die daar met de schapen komt.quot; En Jakob sprak nog meer met hen; hij vroeg hun, waarom zij de dorstige schapen niet lieten drinken; dan konden zij nog vertier aan het grazen, het was nog lang geen avond; — waarop zij hein antwoordden, dat de herders gewoon waren om altijd op elkander te wachten, en dat zij gewoon waren dat dan gelijk te doen. Zij zagen het hem aan, dat hij verstand had van het herdersvak; maar hij dacht van hen, dat zij de zaken van hun meesters niet zoo behartigden, gelijk wel kon. „Mijn herders heb ik het beter geleerd,quot; dacht Jakob.

Onderwijl kwam Rachel aan met haar kudde, een herderin, jong en schoon; en ook zij wilde zich nederzetten om te wachten op de herders, die nog komen moesten. Jakob trad naar haar toe. „Gij behoeft niet te wachten,quot; zeide hij: „ik zal uw schapen drenken, laat mij dat werk voor n doen.quot; Zij zag op naar dezen vreemdeling, niet groote, schoone oogen; zij' was verbaasd; zoo vriendelijk was nog nooit een van de andere herders voor haai1 geweest. Met sterke handen greep Jakob den grooten steen aan, die op den put lag, en hij wentelde dien weg. Do herders zagen het aan; zij wisten niet, dat een man zoo sterk kon zijn. En met zijn eigen handen putte Jakob bet water, dat hij uitgoot in de drinkbakken, waar hij Rachel's schapen bij liet. Verwonderd zag de jonge herderin toe, en zij had hem wel willen vragen, wie hij was, die vreemdeling, en waarom hij dit voor haar deed; maar zij vroeg het hem niet. Toen hij zijn arbeid verricht had, kwam hij bij haar, en hij zeide het haar uit zichzelven. „Ik kom van verre,quot; zeide hij, „en in het land waar ik woon, doen wij mannen het werk voor de vrouwen, als wij kunnen.quot; En daar kwamen tranen in de oogen van den sterken man, toen hij aan zijns vaders huis dacht; ook tranen van blijdschap daarbij, dat hij eindelijk weer eens onder eigen volk zou zijn. „De herders hebben mij gezegd wie gij zijt; en ik zal u zeggen, wie ik ben. Uws vaders

89

ocr page 98

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zuster is mijn moeder; gij hebt er tehuis wel van hooren verhalen,, hoe uws vaders zuster in Kamiiln van Izaak de vrouw is geworden; ik ben hun zoon Jakob; en ik heb de groote reis naar hier gemaakt om mijn maagschap te bezoeken; blijde ben ik u te zien, mijn zuster.quot; En hij kuste haar, zooals iemand die lang onder vreemdelingen gewoond heeft, en die thuis komt, en zijn zuster Aveerom ziet. Verbaasd was die jonge vrouw, en haastig liep zij naar huis; daar verhaalde zij alles haar vader. En het Avas niet lang daarna, dat Laban zelf aankwam, bij den put, waar Jakob zat, en hem medenam als gast in zijn eigen rijk huis. Daar vergat Jakob, in dat gezin, bij den weelderigen maaltijd en onder lange gesprekken, de moeiten der reize. En als hij Rachel aanzag, dacht hij, dat hij hier wel blijven wilde. Hij bleef er ook, van dag tot dag, tot een volle maand toe.

Wat hem echter verbaasde, was, dat in dat huis de afgoden gediend werden. In dat huis was een altaar, en op dat altaar stonden twee of drie kleine afgodsbeelden, Terafim, zooals in al de huizen van dat land aangebeden werden. Eiken dag werden door Laban kleine offers voor die beelden neergezet. Die lieden geloofden, dat die Terafim hen in allo rampen konden behoeden; zij baden tot die afgoden. „Dat had ik niet gedacht,quot; zeide Jakob, „dat hier in mijn moeders huis de afgoden gediend werden; deze menschen zijn niet beter dan de menschen in Kanaan.quot; Maar hij dacht aan zichzelven, dat hij zelf met het leven, dat achter hem lag, ook niet veel beter was; „ik moet zelf ook nog een vroom man worden,quot; zeide hij, „en beproeven zal ik het.quot;

Ten einde van die maand spraken Jakob en Laban met elkander; Laban wilde gaarne hebben, dat zijn neet voor langer, of voorgoed bij hem bleef; want hij had een bekwaam herder aan Jakob, zooals geen der anderen Avas. Jakob had tegen een langer verblijf geheel niet; integendeel; hij had van zijn moeder nog geen tijding gekregen over Ezau's toorn, en hij wist wel, dat die tijding vooreerst nog niet komen zou. Dus spraken de beide mannen af, dat Jakob blijven zou. „Ik avü geen loon hebben voor mijn Averk,quot; had deze gezegd; „ik ben eens rijken mans zoon; maar geef mij Rachel, uw dochter, tot belooning, en ik zal dankbaar zijn.quot; Dit Avas Laban geheel naar den zin; hij

90

ocr page 99
ocr page 100
ocr page 101

TN HA RAN.

had er aldus een goedkoopen knecht aan; ook werden zij het eens, dat Jakob zoo zeven jaren in dien dienst blijven zou, en ten einde daarvan zuil Rachel zijn vrouw worden. Dat was zeer lang, maar Laban wilde het zoo hebben; hij was een hebzuchtig man, en gebruikte alle menschen in zijn voordeel, als hij maar kon. Jakob vond het meer dan een langen tijd; maar hij had het voor Rachel over, en zoo werd hij voorgoed als een der herders van zijn oom aangesteld. Hij was nu meer op de verre steppen dan in huis; nacht en dag was hij er, bij de kudden. Maar de zeven jaren gingen hem voorbij als enkele dagen, umdat hij Rachel liefhad. Weinig rekende hij er up, dat andere menschen even bedrieglijk en leugenachtig konden zijn, zooals hij zelf vroeger geweest was.

Ziet, toen de zeven jaren om waren, bedroog Laban hem. „Rachel kunt gij niet krijgen,quot; zeide hij; „haar oudere zuster. Lea, die geef ik ii.;' En Jakob was teleurgesteld; hij was toornig in zijn ziel; maar hij kon er niets tegen doen; ook gedacht hij, hoe dit wel verdiend was; want had hij zelf niet zijn eigen vader bedrogen? „Dan zal ik opnieuw zeven jaren bij u als herder blijven,quot; zeide hij, want hij was vast besloten om alle hinderpalen te overwinnen. Het was dan ook eerst na deze nieuwe zeven jaren, dat Rachel zijn vrouw werd. Toen was hij blijde en gelukkig, zooals hij in zijn gansche leven nog niet blijde geweest was; en hij vond dat Rachel die veertien jaren arbeids dubbel waard was geweest.

Nog altijd had hij geen tijding van zijn moeder gehad, met bericht over Ezau; hij voelde dat hij nog niet terugkeeren kon naar zijns vaders huis. Dikwijls dacht hij: „Ik word wel gestraft voor mijn zonden van vroeger; nooit had ik vermoed, dat ik zoolang balling zou zijn.quot; Maar als hij dit dacht, zeide hij ook altijd bij zichzelven: Ik heb het verdiend; moge God mij helpen, ik zal voortaan een eerlijk man zijn, en een braaf man.quot; En hij werd het ook.

Zoo werd zijn verblijf bij Laban van jaar tot jaar langer. Hij diende er nu voor loon. En God zegende hem. Hij kreeg zelf schapen, en die groeiden aan tot geheele kudden. Ook moest hij daarom vele knechten houden, die met hun gezinnen in tenten woonden rondom zijn tent. De menschen in Haran zagen het met verbazing aan, hoe groot en rijk hij werd; daar was niemand in dat land, die zoo voorspoedig werd. Ook had hij elf zonen en één dochter

98

ocr page 102

94 BIJBELSCHE G-ESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

gekregen. „Het is zijn God, die dien vreemdeling zoo zegent,quot; zeiden de menschen. Velen waren zelfs afgunstig op hem; en daaronder behoorden ook Laban zelf en zijn zonen; als zij met Jakob spraken, dan stond hun aangezicht niet meer zoo vriendelijk als vroeger; en daar vielen dan wel eens booze woorden uit hun mond, als zou Jakob zich heimelijk verrijken ten hunnen koste. Dit begon hem zeer te verdrieten; en als hij met Lea en Rachel er over sprak, dan zeide hij, dat hij wel wilde, dat hij weer in Kanailn was. „Kon ik van hier weg,quot; zoo sprak iüj, „het zou veel beter zijn; want uw vader en uw broeders hebben kwaad tegen mij in den zin.quot; Dagelijks hield hem die gedachte bezig; maar hij durfde toch ook niet naar Kanailn terug, om zijn eigen broeder Ezau, dien hij vreesde. Ware God hem niet in een van die dagen verschenen, hij zou niet geweten hebben, wat te doen.

De Heere verscheen hem en zeide tot hem: „Keer weder naar het land uwer vaderen; en Ik zal met u zijn.quot; Hij was er blijde om, dat God dit zeide; want nu wist hij wat hij doen moest. Met Lea en Rachel sprak hij er over, en zij waren het met hem eens, om hun vertrek niet uit te stellen, maar zoo spoedig mogelijk te volvoeren.quot; Weldra gingen zij ook.

Laban was niet zijn zonen ver van huis gegaan naar de kudden, die zij hadden; het was de tijd, dat de schapen geschoren werden; en daar waren zij altijd bij tegenwoordig; dat was een werk van vele dagen. „Nu is het de tijd, dat wij vertrekken moeten,quot; zeide Jakob; want hij wilde in alle stilte, zonder nieuwe twisten, vertrekken. Zijn eigen kudden werden bij elkander gedreven; zijn knechten braken de tenten op; de kameelen werden gezadeld; en weldra trok Jakob uit Haran, hij, en zijn vrouwen en zijn kinderen, op kameelen gezeten. Rachel was op hot laatste oogenblik nog even in haars vaders huis binnengegaan, en daar van hot altaar, terwijl niemand het zag, had zij de Terafim genomen, en bij zich gestoken. „Die zullen ons behoeden op de reize,quot; dacht zij, „nu ben ik veel geruster.quot; Maar toen zij weer buiten gekomen was en op haar kemel steeg, sloeg haar hef hart, want zij bedacht wat haar vader wel zeggen zou, als hij het merkte. Zij vertelde het niemand, ook niet aan Jakob; zij wist wel, dat hij het zeker afgekeurd zou hebben. Had hij het ook geweten, hij zou haar toornig bestraft hebben , èn om den diefstal, èn om haar bijgeloovigheid.

ocr page 103

met al het vee, met die schapen, met die ezels, met die runderen, met die kameelen, goed over de rivier te komen. En verder moesten zij woestijnen door, en nog verder de bergen over. Maar Jakob deinsde voor niets terug. Hij dacht er aan, hoe zijn grootvader ook eens zuo deze ltd o reis gemaakt had. Ook dacht hij er aan, dat God hem dit geboden had, en er bij gezegd had: „Ik zal met u zijn.quot;

Zoo waren zij reeds drie dagen langzaam voorttrekkende, toen het aan Laban geboodschapt werd, dat Jakob in alle stilte met al zijn have weggereisd was. Woedend was Laban over dit geheime vertrek; en evenzoo waren zijn zonen gestemd. „Wij zullen hem achterna jagen en hem weerom halen,quot; zeiden zij. En zij zadelden de snelste kameelen, die zij hadden, en zij deden het zwaard aan hun zijde; ook bevolen zij hun knechten, om op te zitten en mede te gaan. Zoo joegen zij Jakob achterna. „Wij zullen dien dief dwingen om de kudden weerom te brengen,quot; zeiden zij onder het rennen; „het zijn onze kudden, die hij medegenomen heeft; en als hij niet wil, dan zullen wij hem wel tot rede brengen.quot; En terwijl zij dit zeiden, voelden zij naar hun zwaarden, en zagen hun aangezichten grimmig als van boosdoeners. In den laatsten nacht echter, voor dat zij hem inhaalden, zeide God in den droom tot Laban: „Ik weet, dat gij kwaad wilt tegen Jakob; maar wacht u, dat gij het doet!quot; En Laban was bevreesd geworden, zooals nimmer in zijn leven.

Toen den volgenden dag de ontmoeting plaats had, zeide Laban het ook aan Jakob: „Ik was gekomen met mijn zonen, om u en mijn kudden terug-te voeren, met geweld, zoo het moest; en grooten lust heb ik daartoe; want heimelijk hebt gij alles weggevoerd; maar uw God is mij hedennacht in den droom verschenen; en Hij heeft mij gedreigd , indien ik zelfs maar een kwaad

LABAN ACHTERVOLGT JAKOB.

ocr page 104

BfJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

woord tegen u sprak.quot; — .,Gij weet ook wel,quot; zeide Jakob, ,,dat niets van dit alles het uwe is; het is alles eerlijk het mijne, al dit vee; gij en uw zonen moeten dat niet meer zeggen, dat ik dat gestolen heb, of ik zou hen ....!quot; En Jakob zag die mannen aan, alsof hij ook lust had met het zwaard naar die leugenaars te slaan. „Maar als gij en uw volk zulke eerlijke lieden zijt,quot; zoo sprak Laban uit de hoogte, „waarom hebt gij dan mijn Teraflm gestolen?quot; En Laban lachte bitter, zooals iemand, die anderen veracht. De toorn kwam op in Jakob; heftig sprak hij, ook uit de hoogte: „Zoekt in al onze tenten, en onder al ons huisraad, en als er een dief onder ons is, hij zal sterven.quot; Had Jakob geweten, dat Rachel, de vrouw, die hij liefhad, ze gestolen had, — wat zou hij gezegd hebben?

Die mannen, Laban en zijn zonen, zij gingen aan het zoeken, van tent tot tent, en zij zochten zelfs onder het huisraad; alles keerden zij om; en zij deden het al lachende, met de gedachte: „Straks vinden wij ze, en zoowaar, bij wien wij ze vinden, sterven zal hij!quot; Zij zochten ook in de tent van Rachel, en zij sidderde, want zij had ze verborgen onder het zadel, waar zij op zat; maar Laban vergat onder dat zadel te zoeken. Beschaamd kwamen die mannen straks weer bij Jakob. „Wij hebben ze niet gevonden,quot; moesten zij zeggen.

Toen was het, dat Jakob in zijn toorn tegen hen losbarstte: „En hebt gijlieden tegen mij gezegd, dat wij dieven zijn? Slaan moest ik u, u en uw zonen! Gijlieden hebt altijd het mijne begeerd, dat weet gij wel! Twintig jaren ben ik bij li geweest; bedrogen hebt gij mij, menigmalen; maar ik heb altijd mijn plicht als herder bij u gedaan, zooals geen ander, zooals die zonen van u, die daar! niet eens gedaan hebben!quot; En nog meer sprak Jakob in de hittigheid van zijn toorn.

Die mannen begrepen wel, dat Jakob een held was, zooals zij niet gedacht hadden, en dat hij gereed was om te strijden, als zij wilden. Laban besloot om den twist niet voort te zetten. „Als uw vrouwen niet mijn eigen dochters waren, ik zou met de scherpte des zwaards onder u slaan,quot; zeide Laban; „maar ik zal toegeven, opdat de menschen niet zeggen zullen in Haran: die man heeft zijn eigen kinderen en kindskinderen verslagen.quot; En hij stelde

ocr page 105

97

Jakob vrede voor. Dat was Jakob naar den zin; en zoo keerde de toorn van dip inaiinm af en week de verbittering.

Zij sloten een verbond; en zij deden liet aldus. Een menigte steenen, groote steenen, zooals daar vele lagen op dat gebergte, brachten zij te zanien, tot een hoop. En één steen, grooter en langer dan de andere, stelden zij daarboven. recht overeind. Daar hielpen alle knechten toe mede, want die steenen waren reusachtig groot en zwaar. En daar nevens dien steenhoop zetten Jakob en Laban en diens zonen zich neder; en van hun brood, dat zij hadden, gaven zij elkander een stuk, dat zij aten, als een teeken van vrede. „Wij eten elkanders brood,quot; zoo zeiden zij, „wij zijn dus voortaan vrienden en bondge-nooten.quot; En toen zwoeren zij een eed: deze steen zou 'een grenssteen tusschen hen zijn; westwaarts er van zou Jakob blijven en oostwaarts er van zou Laban blijven; die steenhoop zou tot een getuigenis er van zijn; aldus zwoeren zij. En toen goten zij olie over dien steen. „Nu is die plaats heilig,quot; zeiden zij, „en het is een zondig man, die ooit die steenen verzet of omverhaalt.quot; Toen

ocr page 106

98 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

dat verbond gesloten was, stonden zij op, en maakte Jakob oen grooten maaltijd. Veel schapen werden er dien namiddag geslacht. En het feest duurde tot in den nacht. Den volgenden morgen vertrok Laban en zijn volk in vrede; hij kuste zijn kinderen en kleinkinderen, en wenschte hun niets dan goeds. Die vrede was beter dan de strijd zou geweest zijn.

Die steenhoop kreeg van toen af den naam Mizpa; dat wil zeggen: „de wachttoren.quot; En het land daaromheen kreeg van toen af den naam Gilead; dat wil zeggen: „heuvel der getuigenis.quot; Dat land ligt oostwaarts van de Jordaan

en heeft altijd dien naam behouden.

$

-----

ONTMOETING MET EZAU.

-a dezen trok Jakob in vrede verder.

Maar zijn ziel vreesde voor een nieuw gevaar. Hij was nu niet verre van het land, waar zijn broeder Ezau was gaan wonen; dat was '3 Edom. Zijn weg leidde daarlangs; dat land lag zuidelijk van zijn weg. Hoe zou zijn broeder gezind zijn? dacht hij; zou zijn broeder nog altijd van wraak bezield zijn? Hij wist het niet. „Ik zal het weten,quot; zoo zeide hij bij zichzelven; „ik zal boden zenden, en hom van mijn tehuiskomst bericht geven, en hem vrede voorstellen.quot; En alzoo deed hij.

Maar de boden kwamen weder, en verhaalden, dat hun ontvangst bij Ezau niet vriendelijk geweest was, en dat Ezau zelfs met een bende van vierhonderd man tegen hem optrok. Toen werd Jakob zeer bang, want tegen zulk een bende krijgers kon hij niet strijden. Als zijn God hem nu niet hielp, dan was hij verloren. Nimfner in zijn leven bad hij zooveel en zoo vurig als in deze dagen. Hij voelde het ook, dat als hij door Ezau nu gedood werd, met zijn vrouwen, kinderen en knechten, zulks niets anders zou zijn dan een rechtvaardig oordeel Gods over al zijn vroegere bedrog en leugen; hij voelde zooals een mensch, die dicht bij de plaats van zijn zonde gebracht wordt, en die op

ocr page 107

ONTMOETING MET EZAU. 99

die plaats op eens al de vreeselijkheid van zijn schuld in zich voelt oprijzen. Als God niet gezegd had: „Ik zal met u zijn,quot; hij zou nu niet geweten hebben, wat te denken. „In elk geval moet ik mijn broeder het leed vergoeden, dat ik hem aangedaan heb,quot; zoo dacht hij; „ik zal het rijkelijk vergoeden, en mijn broeder zal dan zien, dat ik niet meer de hebzuchtige ben van vroeger.quot; En hij besloot dit voornemen dadelijk uit te voeren.

Een kudde van meer dan vierhonderd schapen en geiten zonderde hij af; en hij zond ze door zijn knechten vooruit als een geschenk aan Ezau; dat was een rijk geschenk. Maar hij vond dit nog geen boete genoeg voor zijn schuld. Een andere kudde van dertig kameelen met even zooveel jonge kameelen zonderde hij af; daarbij vijftig runderen, en dertig ezels; ook die zond hij vooruit door zijn knechten. Dat was een vorstelijk geschenk. „Ik heb Ezau ook een groot leed aangedaan,quot; dacht hij, „met weinig kan ik het niet goedmaken.quot; En die goede nederige man dacht slechts aan zijn eigen schuld, en gansch niet aan zijns broeders eigen schuld in die oude zaak. „Of mijn broeder het zal willen aannemen?quot; vroeg hij zichzelven af; hij kon er geen antwoord op vinden. Van zijn boden hoorde hij telkens, dat Ezau al nader kwam.

Het was in den avond, voorafgaande aan den dag, waarop Ezau hem bereiken zou, dat Jakob in zijn onzekerheid en in zijn angst, meer dan op de voorgaande dagen, niet wist, wat hij denken moest. Hij was bij de rivier de Jabbok gekomen.

Daar was een veer; en daar liet hij zich overzetten met zijn gezin en zijn volk. Zij sloegen de tenten op, en gingen slapen; misschien sliepen die vrouwen en die kinderen voor het laatst. Jakob zelf kon niet slapen. Hij ging zijn tent uit, onrustig, en kwam weer bij de rivier. De sterren schenen boven zijn hoofd, maar hot was daar duister van de overhangende boomen aan den kant van het water. Bij dat water knielde hij neder, met het aangezicht op den grond, in den nacht, vele, vele uren, totdat de nacht bijna verliep. Wat was het, wat hij daar plotseling hoorde? Hij zag op; een man kwam, van waaide struiken waren! „Dat is reeds een van Ezau's verspieders!quot; riep hij. En hij sprong op. Zonder nadenken trok hij zijn zwaard, en ging hij op hem in.

Maar die andere man was sterk, en wrong hem het zwaard uit de handen.

ocr page 108

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Toen worstelden die twee gestalten een doodelijke worsteling in de duisternis van den nacht. Zij waren beiden sterk; dat duurde een langen tijd. In het oosten kleurde reeds een grijs licht de heuvelen, die hoog waren. En bij dat licht zag Jakob zijn vijand; dat was het gelaat van een engel; en het gelaat van dien engel was als het aangezicht Gods.

Toen omknelde die held den engel nog vaster. „Ik laat u niet los, tenzij gij mij zegent!quot; riep hij. En die engel zegende hem. „Voortaan zult gij niet meer Jakob heeten, maar Israël!quot; zeide deze. En Jakob wist plotseling met wien hij gestreden had. Jakob, dat was zijn oude naam, die hem zijn leven lang een schande en een kwelling geweest was; „bedriegerquot; beteekent die naam. Israël, zoo zou van dezen dag af zijn nieuwe naam zijn, van God hem gegeven; „een strijdheld Godsquot; beteekende deze nieuwe naam. Die engel verdween uit zijn gezicht.

Toen Jakob straks tot zichzelven kwam uit zijn verrukking, — wat was het toen geweest — een droom, een gezicht, of werkelijkheid? Hij dacht het laatste, doch wist het niet zeker; en hij stond op van zijn bidden. „Ik dacht tegen een vijand te strijden,quot; zeide hij later, „en zie, het was mijn God, die om te zegenen tot mij kwam: ik heb het niet geweten.quot;

Die plaats, bij het Veer van de Jabbok, kreeg sedert bij de latere menschen den naam „Pniël;quot; dat beteekent; „Gods aangezicht;quot; want, zeiden zij: „daar heeft Jakob God gezien van aangezicht tot aangezicht;quot; en, zeiden zij daarbij: „dat is het ware bidden, strijden met God, totdat Hij verhoord heeft.quot;

Ziet, het was op den morgen na dien nacht, — toen kwamen Ezau en de vierhonderd man met hem.

Jakob vreesde niet meer, zooals hij gisteren en eergisteren gevreesd had. Hij betrouwde op zijn God, die hem verschenen was. En toch, toen die krijgshelden daar van den heuvel afkwamen, op hun paarden, met hun blinkende wapenrusting, glanzende in de morgenzon, — toen had Jakob al zijn moed noodig. Zou het leven zijn of dood, wat deze morgen hem bracht?

Hij boog zich voor Ezau, als een, die hot afwacht. Hoe stond hij verbaasd! Die broeder sprong van zijn paard af, snelde naar hem toe, sloeg zijn armen

100

ocr page 109

ONTMOETING MET EZAU. 101

om zijn hals, en kuste hem : en die man weende, zuuals een man weent, van blijdschap, als hij terugziet, dien hij liefheeft. Ook Jakob weende; hij wist nu, dat hij niet behoefde te sterven, noch zijn vruuw, noch zijn kinderen.

Achtereenvolgens traden toen die vrouwen met haar kinderen toe, en zij bogen voor Ezau. Ezau stond verbaasd, toen hij ook al de knechten zag en de dienstmaagden van Jakob; en toen hij ook al zijn vee zag; hij dacht niet, dat zijn broeder zulk een rijk man geworden was, sedert den dag, dat hij van huis had moeten weggaan, met niets dan een staf bij zich.

Hij sprak nog van de geschenken, die hij onderweg ontmoet had; „die wil ik niet hebben, mijn broeder; ik ben een rijk man zooals gij, en heb menigte van vee.quot; Maar Jakob hield toch aan, en Ezau weigerde niet meer om ze aan te nemen. Die twee broeders deden als twee vorsten, die groot waren. De oude schuld werd vergeten; daar was weer vriendschap, zooals er nooit was geweest.

Zij bleven dien dag bij elkander; en daarna trok Ezau weder terug zuidwaarts naar zijn land, naar Edom. En Jakob reisde ook verder.

Hij kwam bij de Jordaan, en trok die over. Dit was Kanaan; hij was blijde, dat alles zoo wel gegaan was.

Bij Sichem legerde hij zich een tijdlang; daar hield hij rust. En daar, in zijn dankbaarheid, richtte hij een altaar up, voor dien God, die met hem geweest was al de jaren van zijn ballingschap.

Rachel had op de reize hem verteld van de Terafim haars vaders, en van het gevaar, dat zij toen geloopen had ; en hij was toornig geweest, tegen haar. Ook had Jakob gemerkt, dat vele zijner dienstknechten nog zulke afgoden hadden. „Geeft ze allen hier,quot; zeide hij, „voortaan wil ik, dat niemand onzer ze meer aanbidt; daar is maar één God, de God van mijn vader Izaak, en van Abraham; de God, die mij geholpen heeft.quot; En zijn bevel, dat hij gaf, was zeer streng; iedereen merkte, dat men niet moest tegenstreven. Daar, onder den grooten eikebuom, die bij Sichem is, daar begroef hij al die afgodsbeelden. „Wij zullen een heilig vulk zijn,quot; zeide hij.

En toen trok hij op van daar naar Bethel; dat was de plaats, waar hij den droom gehad had, en waar hij die plechtige belofte had gedaan; hij was

ocr page 110

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

het niet vergeten. Daar richtte hij liet altaar op, dat hij beloofd had, en vernieuwde hij zijn verbond met God, en vernieuwde God het verbond met hem; God zou hem tot een groot volk maken; dit gansche land zou God hem en zijn nakomelingschap geven; en door zijn volk zou de gansche aarde gezegend worden. Dit waren blijde oogenblikken in zijn leven, zooals hij nog nooit gekend had; hij had het gevoel van een bekeerd man, die de zonden van zijn jeugd afgelegd heeft, en een vriend van God geworden is.

Van daar trok hij op naar Mamre; en daar zag hij zijn ouden vader Izailk terug. Zijn moeder was niet meer. Blijdschap en smart mengden zich in zijn gevoel; maar de smart was veel grooter, want dit was nog daarbij gekomen, dat onderweg, op dezen laat sten afstand, zijn vrouw Rachel gestorven was; daar langs den weg, op een akker, had hij haar moeten begraven, bij Bethlehem. Nog heden ten dage wijst men daar haar graf. Toch was hij als een, die na twintig jaren van ballingschap weer in zijn eigen huis op zijn eigen erve gekomen was.

Niet lang daarna stierf ook Iza;ik, honderd tachtig jaren oud; hij werd begraven in de spelonk van Machpela. (1710 v. C.) Ezau en Jakob waren samen bij die begrafenis als twee broeders, die vrienden waren van elkander; dat zijn zij ook altijd gebleven. Ezau bleef daarna voorgoed in Edom wonen, en werd tot een geslacht van vorsten; de Edomieten zijn zij genoemd. Maar Jakob bleet in Kanaan; hij kwam in zijns vaders plaats; hij was als de eerstgeborene; do mindere was de meerdere geworden.

-----0^5.^-0-----------

JOZEF VERKOCHT.

1728 v. Chr.

sJlfvi ak0b had twaalf zonen.

' Daar waren er twee onder, van wie hij het meeste hield; dat

waren Jozef en Benjamin; deze twee waren kinderen van Rachel. Nu was het niet aangenaam voor de andere zonen, dat hun vader meer van die twee hield; en zij zeiden dat dikwijls onder elkander. Als zij

102

ocr page 111

103

zulks wol eons aan hun vader lieten merken, dan werd hij toornig; zij voelden, dat dit bij hun vader niet te veranderen was. Dat was niet goed in dat gezin. Benjamin was nog to klein om er iets van te begrijpen; maar Jozef begreep het heel goed; en hij begon er zich wat op te laten voorstaan. Hij verhief zich, en deed trotsch tegen de broeders; zij hielden daarom niet van hem; on dat werd er op den duur niet beter op. Het was ook niet goed van Jakob, dat hij Jozef bij liet werk spaarde, terwijl de andere broeders gansch niet gespaard werden; en dat hij Jozef in schoone kleederen liet rondloopen, als iemand die niet behoeft te werken. Die schoone mantel, dien Jozef droeg, herinnerde het dien broeders telkens, met welk een onderscheid hun vader Jozef liefhad. „Zal hij een vorst zijn, en zullen wij zijn dienstknechten misschien wezen?quot; zoo spraken zij; „dat zal niet geschieden!quot; Ook werden zij bitter tegen hem, omdat Jozel altijd alles, wat de broeders soms kwaad deden, aan hun vader ging vertellen; hij bracht alios over. Dat werd haat, wat de broeders tegen hem begonnen te voelen.

ocr page 112

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Op zekeren nacht had Juzef een droum. Hij vertelde dien aan zijn broeders. „Wij waren samen op het korenveld; en wij waren aan het opbinden van schooven; en tuen kwamen uw schouven van alle zijden aan, naar de plaats waar mijn schoutquot; rechtop stond, en zij bogen zich allen voor de mijne, en vielen er voor ter aarde.quot; Do broeders zagen elkander aan. „Zeker,quot; zeide Jozef, „die droum beteekent duidelijk, dat ik de meeste ben, en dat gij allen u nug eens vuor mij zult nederbuigen.quot; Jakob vond dien droom schoon en goed; maar de broeders haatten Jozef des te meer. „Hij wordt met den dag trotscher, die knaap,quot; zoo zeiden zij.

Niet lang daarna had Jozef nog een anderen droom. Hij vertelde ook dien aan zijn broeders. „In mijn droom kwamen de zon, de maan en elf sterren, en zij bogen zich voor mij neder; ook weet ik, wat die droom beduidt; ik zal de meeste zijn van u allen; mijn vader en mijn moeder en mijn elf broeders zullen zich allen voor mij nederbuigen.quot; De broeders konden zijn trots niet meer verdragen; en zelfs Jakob vond het te veel; hij zeide er iets van aan zijn zoon; maar hij bleef hem toch liefhebben, zooals ouders soms een verwend kind liefhebben. De opvoeding, die Jozef kreeg, was niet van de beste; en daarom dat God hem zou opvoeden, hem, dien God werkelijk tut iets groots bestemd had. Jozef was omtrent dezen tijd zeventien jaar oud gewerden.

Het gebeurde in dat jaar, dat de broeders met hun kudden ver noordwaarts waren getrokken, om weide te vinden. Zij zwierven, naar oude gewoonte, overal, waar goed gras was. Zoo waren zij bij Sichem gekomen; dat was een heel eind van huis.

Jakob had in vele dagen geen tijding van hengehad; hij was nieuwsgierig om te weten, hoe het met zijn herders en zijn kudden stond. „Juzel, ga gij heen,quot; zoo sprak hij, „zoek uw broeders op, en breng mij lijding weerom.quot; En Jozef ging. Hij vond hen niet bij Sichem; want zij waren weer verder getrokken; maar hij deed navraag, en vond hen eindelijk in Dothan; daar waren zij met de kudden.

Die broeders, — zij zagen hem aankomen van verre. „Ziet, daar komt meester droomer aan,quot; zoo begonnen zij reeds te spotten. Zij vroegen het zich-

104

ocr page 113
ocr page 114
ocr page 115

JOZEF VERKOCHT.

zeiven af, wat hij hier kwam doen. De haat kwam in hun hart op, toen zij hem zagen; Jozef had den schoonen mantel aan. „Wij moesten den knaap dooden,quot; zeiden zij; „hij heeft ons lang genoeg getergd met zijn verwaandheid; als wij het deden, en als wij hem dan in oen van die kuilen hier wierpen, — niemand zou het ooit weten; en wij hadden geen ergernis meer! Aan onzen vader konden wij zeggen, dat hij onder weg door een wild dier is verscheurd.quot; En zooals zij spraken, besloten zij.

Daar was er maar één onder, en dat was Ruben, die het niet goed vond, en die voor den broedermoord terugdeinsde. „Ik moet hem zien te redden,quot; dacht hij; en hij wilde het met list beproeven, want hij zag wel, hoe die mannen grimmig waren. „Mijn broeders,quot; zoo sprak hij, „laat ons toch geen moord begaan; werpt hem in een dezer kuilen, en laat hem vanzelf sterven; ik wil zijn bloed aan mijn handen niet hebben.quot; „Ja, dat is boter,quot; zeiden die mannen; en zij lachten in hun boosheid. „Als zij het doen,quot; zoo dacht Ruben, „dan haal ik in dezen nacht hem heimelijk er uit, en laat hem ontkomen.quot;

Toen Jozef, die niets kwaads vermoedde, naderbij kwam, en hen grootte, spotten zij tegen hem, en grepen zij hem aan. Dat waren vele sterke mannen tegen één zwak jongeling. Zij zagen de benauwdheid zijner ziel, waarmede hij om genade bad; maar zij hoorden niet. „Wij willen zien, of uw droomen uitkomen!quot; riepen zij. En zij trokken hem zijn schoonen mantel uit; en zij sleepten hem naar een kuil; en daar wierpen zij hem in. Dat hij niet stierf van den val, was een wonder. En toen keerden zij terug tot hun schapen. Het was middag; en als menschen die niets kwaads gedaan hadden, zeiden zij: „Het is tijd om ons middagmaal te houden; komt, wij gaan eten.quot; Daar bij de schapen zaten zij, en aten zij hun brood, lachende, terwijl hun broeder in den kuil dacht te sterven. Zij lachten en aten, maar als menschen, die daarmede een gewetensangst moesten zoeken te verbergen. Hun brood had hun wel eens zoeter gesmaakt.

Daar dicht bij, waar zij zaten, liop do groote weg, welken de kooplieden en reizigers altijd gebruikten; die weg ging noordwaarts tot in Syriö; en zuidwaarts ging die weg door Kanailn gansch naar Egypte. Daar kwamen van

107

ocr page 116

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

het noorden menschen aan in de verte; zij zaten op hooge kameelen, en droegen andere kleeding, dan de menschen in Kanailn. Ook liepen sommigen naast de kameelen; dat waren de knechten en slaven. .,Dat zijn handelaars, die van zeer verre komen,quot; zeiden de broeders; „en hun kameelen zijn weibeladen.quot; Toen die menschen dichter bij kwamen, merkten zij aan de kleeding, dat het kooplieden waren uit Midian bij Egypte, en dat zij kostbare specerijen, en balsem, en myrrhe vervoerden. „Die moeten nog zeer verre gaan, voordat zij hun bestemming bereikt hebben,quot; zeiden zij. Toen zeide Juda: „Mijn broeders, het ware toch beter, dat wij Jozef als slaaf medegaven met die karavaan, dan dat wij hem van honger en dorst lieten sterven in den kuil. Laten wij hem verkoopen; wij hebben dan den angst niet, dat wij unzen broeder vermoord hebben; en up deze wijze zijn wij hem evenzeei; kwijt.quot; Die raad van Juda docht den broeders goed; dat was alsof hun geweten er door verlicht werd.

Toen trokken zij Jozef uit den kuil weder op, en straks was hij aan die kooplieden als slaaf verkocht. Die broeders verdeelden de twintig stukken zilvers. onder elkander, die zij als prijs voor hun broeder hadden verkregen. In de verte zagen zij Jozef nog; hij schreeuwde luid, maar een Ismaëliet sloeg hem, van zijn kemel af, opdat hij stil zou zijn. „Dat is anders, dan zijn droomen hot hem hebben verteld,quot; zeiden zij.

Uit Dothan keerden die mannen naar hun quot;vader terug. Den schoonen mantel van Jozef hadden zij medegenomen; zij hadden hem in het bloed van een bok gedoopt, zoudat die mantel vol bloedvlekken was. „Zie,quot; zoo zeiden zij tot hun vader, „onderweg hebben wij dezen mantel gevonden; is dat niet Jozefs mantel? En hoe is hij zoo vol bloed?quot; En zij» zeiden hét, terwijl hun aangezichten ontsteld stonden. Jakob nam den mantel in zijn handen, en met een schreeuw zeide hij: „Ach! mijn zoon Jozef! door een wild dier is hij verscheurd geworden!quot; — „Dat is, wat wij ook gelooven,quot; zeiden de broeders; en ook zij maakten misbaar.

Jakob scheurde zijn kleed, dat hij aanhad; zoo deden eertijds de menschen, die in den rouw gingen, en die van droefheid overweldigd werden. En in dat gescheurde kleed bleet hij vele dagen, zooals iemand, die in zijn droefheid geen lust heeft om aan zijn kleeding te denken. Men kon tot hem niet spreken; die

I OS

ocr page 117
ocr page 118
ocr page 119

JOZEF IN DE GEVANGENIS. Ill

man gaf geen antwoord. „Wij moeten beproeven hem te troosten,quot; zeiden zijn zonen, „want vader zal sterven van zijn smart.quot; En zij spraken tot hem. Maar hij weigerde om zich te laten troosten. „Laat mij sterven!quot; zeide hij, en hij was als een, die verlangt om bij zijn dooden zoon te zijn in het graf. De zonen zagen hem niet vroolijk moer; en als zij hem aanzagen, verschrikten zij; want hij was als een oud en zwak man geworden.

Die broeders hadden geen rust meer; want hun hart sloeg altijd zooals van menschen, die een oordeel te gemoet gaan.

--o-®lt;É5~o--

JOZEF IN DE GEVANGENIS.

slaaf wenJ Jnzef naai' Egypte gevoerd, en daar verkocht. Hij - vA werd hot eigendom van Potifar, een aanzienlijk man aan het hof van ^en Egyptischen koning, die Farao genaamd werd.

^ Deze Potifar was voor Jozef een goed en vriendelijk meester, en

verhief hem weldra boven de andere slaven in zijn huis; maar Jozef bleef niettemin een slaaf; en hij gedacht telkens met groot verdriet, hoe hij eigenlijk een zoon van een herdersvorst was, die rijk en vrij kon zijn, als zijn broeders hem dit niet aangedaan hadden. Hij voelde zich zeer vernederd, en dacht bijwijlen: „Misschien, dat God mij deze vernedering laat ondergaan, omdat ik zoo trotsch ben geweest.quot; Zijn toestand maakte hem inderdaad ootmoediger. ,,lk heb nu geen reden meer om trotsch te wezen,quot; zeide hij, „en moge God mij van die zonde afhelpen; ik wil een goed man worden.quot;

Potifar hield veel van hem. Maar op een beschuldiging van zijn vrouw werd hij eens zoo vertoornd, dat hij Jozef niet eens meer zien wilde, en hem onverwijld naar de gevangenis liet brengen. De eigenaars van slaven mochten dit, zonder eenig onderzoek, altijd met hun slaven doen. „Ik weet, dat ik onschuldig ben,quot; zeide Jozef tot de mannen, die hem naar de gevangenis voerden; maar het woord van een slaaf werd toch niet geloofd. En toen tie deur der

ocr page 120

112 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

gevangenis zicli aclitev hem sloot, wist Jozef, dat, naar Egyptisch gebruik, hij weldra weer die gevangenis zou verlaten, maar niet anders dan om gevonuisd en gedood te worden. Zoo donker als dat gebouw was, waar hij in gebracht werd, onder den grond, zoo donker was ook zijn toekomst. Hij weende lot hij geen tranen meer had. „Misschien, dat ik weldra ook veroordeeld word om mijn leven lang in de mijnen ol in de marmergroeven te werken,quot; dacht Jozef. Maar weinig dacht hij, dat de God van zijn vader over hem waakte, en grnoltjre dingen met hem voorhad.

De overste van hot gevangenhuis, die den jongen slaaf opgemerkt had, en zag, dat hij geen hoosdoener was zooals de andere boosdoeners, die altijd bij hem gebracht werden, hield hem bij zich; .lozef werd niet veroordeeld, zooals de andere gevangenen; en weldra was hij zijn nieuwen heer zoo nuttig, dat hij al het werk voor hem deed; een opzichter in de gevangenis werd hij; maar wat zijn vrijheid betrof, was hij een gevangene als een ander. „Zal ik in dit vreeselijke huis moeten blijven' tut dat ik stert?quot; vroeg hij zich in die dagen menigmaal af; en zijn hoogmoed week toen gansch van hem. Zijn smart dreef hem tot zijn God, die de nederigen lief heelt.

Vele gevangenen zag Jozef van dag tot dag inkomen, en weder uitgaan, de meesten ten doode. Zoo kwamen op zekeren dag twee mannen als gevangenen binnen, die, zooals hij weldra vernam, tot de aanzienlijkste hovelingen des konings behoorden. Zij werden aan zijn bijzonder opzicht toevertrouwd, want binnen enkele dagen zou het vonnis over hen geveld worden. De een was de schenker des konings, de ander was de bakker des konings. En van het misdrijf, waar zij van beschuldigd werden, moest een hunner de schuldige zijn; doch het was nog onzeker, wie de schuldige, en wie de onschuldige was van de twee; daarom waren zij beiden voorloopig hier in bewaring gesteld. Jozef kwam eiken morgen bij hen, als hij de gevangenis rondging, en hij hoorde dan telkens beidei- betuiging van onschuld. „Ik ben ook onschuldig in dit huis gekomen,quot; zeide Jozef dan.

Op een van die morgens, dat Jozef weder binnenkwam, zag hij, dat zij beiden zeer mistroostig zagen, meer dau op de vorige dagen. Hij trachtte hun moed in te spreken, en vroeg hun naar de oorzaak. „Wij zijn zeer ver-

ocr page 121

JOZEF IN DE GEVANGENIS.

slagen,quot; zeiden zij, ,.want wij hebben beiden gedroomd, en dat heeft zeker zijn beteekenis.quot; „Laat mij uw droom hoeren,quot; zeide Jozef, „wellicht kan ik u de beteekenis er van zeggen.quot;

En toen verhaalde eerst de opperste der schenkers, hoe het hem in den droom geweest was, als stond hij bij een wijnstok; daar waren drie ranken aan, met rijpe trossen; en die trossen had hij uitgeperst in een beker, dien hij in de hand had, en dat was Parao's beker. „Heb goeden moed,quot; zeide Jozef toen, „die droom wil zeggen, dat gij binnen drie dagen weer Farao's schenker zult zijn.quot; Die man antwoordde hem, dat hij wilde, dat zulks waar mocht zijn. „Gij zult het zien,quot; zeide Jozef; „en als gij weer aan het hof zult zijn, zooals vroeger, ach! gedenk dan aan mij, dat gij een goed woord doet bij Farao, dat ik ontslagen word uit de gevangenis; want ik ben hier ook onschuldig in gekomen.quot;

En toen verhaalde de opperste der bakkers hem, dat hij een soortgelijken droom had gehad. „Ik droomde, dat ik weer een vrij man was, en over straat ging; de manden met brood droeg ik op mijn hoofd, zooals de bakkers die op hun hoofd dragen; en terwijl ik alzoo liep, kwamen de vogels, en aten het brood, dat in de mand was boven mijn hoofd. Heeft mijn droom ook niet zulk een goede beteekenis?quot; Jozef zag hem aan, zooals men een slecht man aanziet. «Gij zijt het, die de misdaad tegen Farao gepleegd hebt, zeg ik u! gij zijt de schuldige!quot; riep .lozef; „uw droom beteekent, dat gij binnen drie dagen zult gehangen worden, en dat de vogelen des hemels boven uw hoofd zullen komen vliegen om uw vleesch te eten.quot; En Jozef sloot den kerker nog zorgvuldiger dan in de vorige dagen.

Binnen drie dagen werd werkelijk op des konings bevel de schenker vrijgelaten, en in zijn ambt hersteld en de bakker gehangen, Aan de deur, die Jozef den schenker ontsloot, herinnerde hij hem nog aan zijn belofte. Maar toen die hoveling weer aan het hof was, gedacht hij niet aan Jozef; hij vergat hem twee volle jaren lang. „God gaal een harden weg mei mij,quot; zeide Jozef, „maar ik heb het wel verdiend.quot; Dt' vernedering en de smart maakten een vroom man van hem. Dat was de opvoeding, die God dien jongeling gaf, in de plaats van de opvoeding, die Jakob hem gegeven had.

118

ocr page 122

JOZEF ONDERKONING

1715 v. Chi'.

et was ten einde van die twee jaren, dat de Egyptische koning in

lat v

quot;Wff eenzelfden nacht twee droumen droomde.

JL

De eerste droom was deze: De koning stond aan den oever van den * Nijl, en uit die rivier zag hij zeven koeien opkomen, die naar den kant kwamen; zulke schoone dieren had-hij nog nimmer gezien. Maar na deze koeien kwamen zeven andere, ook uit de rivier; zulke magere dieren had hij ook nimmer gezien. En die magere koeien kwamen naar de vette, en verslonden ze, en toeh was het aan haar niet te zien, dat zij de vette verslonden luidden; zij waren even mager gebleven. De koning stond verbaasd van het gezicht.

De tweede droom was deze: De koning zag uit over het akkerveld; en terwijl hij daar stond, rezen er zeven korenhalmen op uit den grond; zij groeiden, terwijl hij het zag; en boven op die halmen rijpten vuile korenaren, dik en groot, zooals hij nimmer had gezien. Maar daarna rezen er zeven halmen uit den grond; die waren mager en dun, en in de aar hoven aan den halm was geen korrel: de oostenwind verzengde ze, en maakte ze dor. En die magere korenaren gingen naar de vette korenaren, en verslonden ze. De koning stond verbaasd van het gezicht.

Toen Farao den volgenden morgen zijn droomen aan het hof vertelde, was er niemand, die ze den koning verklaren kon. Hij was zeer verslagen. „Die droomen hebben een. beteeken is,quot; zeide hij. Zelfs de wijzen, en de priesters, die bedreven waren in geheimzinnige tooverkunsten, konden er niets van maken. Bijna werd de koning toornig op hen, dat zij de beteekenis er niet van konden zeggen. Toen gedacht plotseling die opperste der schenkers aan Jozef. „Ik weet, o koning! een man, die het zeggen kan,quot; riep hij. En hij verhaalde aan Farao, wat er tusschen Jozef en hem in de gevangenis was geschied. „Laat dien man komen,quot; beval de koning.

En straks kwam Jozef uit die gevangenis naar boven. Zijn voeten stonden weer op de aarde, en zijn oogen zagen de zon; zij konden het licht bijna niet dragen. Gewasschen werd hij; zijn haar werd gesneden; en schoone kleeren kreeg hij aan. Zoo kwam hij voor Farao's troon.

ocr page 123
ocr page 124
ocr page 125

JOZEF ONDERKONING.

De koning sprak vriendelijk tegen den slaaf; hij verhaalde hem, waarom hij hem had laten komen. „Gij kunt droomen uitleggen,quot; zeide hij, „welnu, gij wijze! zeg mij, wat mijn droomen beduiden.quot; — „Ik heb geen wijsheid,quot; zeide Jozef, „maar mijn God zal door mijn mond goede dingen tot u zeggen.quot; Alle oude trots was van Jozef geweken; hij was nederig, en die nederigheid maakte den schoonen jongeling nog schooner. „Zie, o koning! dien eersten droom heeft God u doen droomen. Daar zullen zeven jaren van overvloed komen, zooals Égypteland nog nimmer heeft gekend; maar na dien zullen er zeven Jaren van honger volgen, waarin al die eerste overvloed zal verteerd worden. Dien tweeden droom heeft God u ook doen droomen; on hij heeft dezelfde beteekenis. En dat gij in eenzelfden nacht twee droomen hebt gedroomd van dezelfde beteekenis, dat wil zeggen, dat God zekerlijk zal doen komen, wat Hij besloten heeft.quot; Daar was verbazing en ontroering op het aangezicht van den koning en van al zijn hovelingen. „Deze jongeling is wijzer dan gij allen,quot; riep de koning. Maar Jozef voer voort: „En nu, o Farao! laat uw opzichters koren verzamelen in die eerste zeven jaren, die nu komen zullen: en laat een bekwaam man over hen staan, en red uw volk van den honger, als hij komt!quot; Al die mannen voelden, dat een geest Gods door dien jongen man sprak. Zij prezen hem, die er niet hoogmoedig door werd.

farao deed hem tot voor den troon komen; zijn ring deed hij aan Jozefs hand, en zijn eigen gouden keten deed hij hem om den hals. „Gij zijl de redder mijns volks,quot; sprak hij; .,en gij zult de man zijn, dien ik over al mijn knechten stel; alleen dezen troon zal ik hooger zijn dan gij.quot; En het was op dien dag, dat de koning Jox;ef aanstelde in tegenwoordigheid van zijn gansche hof tot oppersten regent van Égypteland. En toen Jozef koninklijke kleederen had aangekregen, en straks buiten op de straten rondreed in Farao's eigen koninklijken wagen, toen knielden de menschen op straat, als hij langs reed, zooals zij voor den koning knielden, en zij riepen luide den naam, dien Farao hem gegeven had: „Redder des volks, heil u!quot; Het hart van Jozef, terwijl hij rondreed, was als het hart van een kind; ootmoedig en klein. Zoo was de opvoeding Gods geweest met den man, dien Hij groot wilde maken. Die opvoeding had dertien jaren geduurd. Jozef was nu dertig jaren oud.

117

ocr page 126

Zooals de koning gedroomd had, en zooals Jozef het uitgelegd had, zoo geschiedde het ook. Daar kwamen zeven jaren van overvloed, zoodat de akkers koren gaven, xooals de Egyptenaars nooit hadden gezien; daar was oneindig meer koren dan zij noodig hadden. De regent Jozef beval, dat al het overbodige koren in schuren moest bewaard worden. Hij deed bij dit alles, en ook in andere dingen, /,00 wijs, dat als de menschen voor staatszaken bij den koning kwamen, deze altijd zeide: „Ca heen, en vraag het aan Jozef;quot; en zooals Jozef dan sprak, zoo moest het geschieden. Daar was geen man in Egypteland zoo wijs, zoo goed, en zoo machtig als hij; en alleen de koning stond hooger dan hij. Hij hnwde met een dochter van een der vorsten uit dat land; Asnatli heette die vrouw; en twee zonen kreeg hij: Efraïin en Manasse. God was met hem in alles. Dikwijls dacht hij in dezen tijd aan zijn vader en aan zijn broeders in Kanaan; hij was niet boos meer op zijn broeders; hij vergaf het hun alles.

Toen de zeven jaren van overvloed voorbij waren, en de Egyptenaars in het jaar, dat toen kwam, hun koren hadden gezaaid als gewoonlijk, kwam het

ocr page 127

119

wel op; maar de oostenwind verzengde al de aren op al de akkers; dun stonden zij en mager, zooals de Egyptenaars het nooit hadden gezien. Daar kwam geen oogst, toon het de tijd was. En al zoo geschiedde het ook in do jaren, die volgden. Do lieden stonden verbaasd, „Alles komt. uit, zooals Jozef gezegd hoeft ,quot; zeiden de menschen.

Uit al de oorden dos lands kwamen dr klachten in bij den koning over den honger, dien zij loden. „Gaaf tot Jozef'/' zeido farao. En Jozef hielp hen. Zoolang als de hongersnood duurde, zeven jaren, hielp hij het volk. Hij verkocht hun het koren des konings, daf zij betaalden met hun geld en met hun vee. Daar stierf er niet één van den honger. „Redder des volks,quot; zoo riepen de menschen hem toe, overal waar hij heenreed in zijn koninklijken wagen.

Ook in andere landen was or hongersnood; maar do Egyptenaars hadden brood. Daarom kwamen ook do lieden uit andere landen tot Jozef; en hij

verkocht hun koren, zooveel als zij behoefden.

------

ocr page 128

HET WEDERZIEN.

ii was ook in Kanailn dé honger zeer groot. Daar woonden Jakob en zijn zonen; en zij wisten niet, wat er van Jozef geworden was; Jakob dacht dat iiij dood was. Daar kwam gebrek aan brood, en zelfs de rijken in dat land waren als de armen; zij hadden niet te eten. Ook in de tenten van den rijken Jakob en zijn zonen trad het gebrek binnen; hun vrouwen en kinderen vroegen om brood; maar de mannen konden het niet geven. En die broeders zagen elkander aan, alsof hun oogen zeiden: „Waai' zullen wij het krijgen?quot; Toen zeide Jakob: „Waarom ziet gij elkander zoo aan? Wij hebben immers gehoord, dat er in Egypte brood is! Reist daarheen, gij mannen! en koopt koren, wij hebben zilver genoeg; waarom zouden wij sterven?quot; Daarom besloten de broeders om de reize te doen; Benjamin, den jongsten, lieten zij tehuis; hun vader wilde het niet, dat hij medeging; hij vreesde, dat eenig gevaar hem mocht overkomen. Zoo reisden die tien mannen dan af; en met nog vele andere menschen, die hetzelfde doel hadden, kwamen zij in Egypte. Jakob bleef alleen achter met Benjamin; hij was als een man, die dacht, dat geen enkele beproeving hem meer gespaard zou blijven.

Toen die broeders voor den regent kwamen, en vroegen om ook koren te mogen koopen, herkende Jozef hen dadelijk. Zij herkenden hem niet; die vorst was te schitterend, dan dat zij in hem hun broeder zouden gezien hebben. Jozef deed, alsof hij hen niet kende; ja! hij deed zelfs hard tegen hen. „Ik geloof niet dat gij komt om koren te koopen; vijandelijke verspieders zijt gij!quot; zoo riep hij, als een toornig man; „hebt gijlieden kwaad in den zin tegen dit land en tegen dit volk? Van waar zijt gij?quot; — „Neen, wij zijn geen verspieders,quot; antwoordden zij; „wij zijn eerlijke lieden; wij komen uit Kanaan; en wij kunnen u wel zeggen, wie wij zijn; wij zijn allen zonen van één man; ook hebben wij nog een broeder, den jongsten, die is tehuis gebleven bij onzen ouden vader; een andere broeder, dien wij ook nog hadden, is dood.quot; Weinig dachten zij, dat hij het was, die met hen sprak. „Ik zal spoedig weten, of

ocr page 129

DE ZONEN VAN JAKOB VUUK JÜZlii'.

ocr page 130
ocr page 131

HET WEDERZIEN.

gijlieden de waarheid spreekt,quot; zoo zeide Jozef; en zijn oogen zagen dreigend. En hij liet hen in de gevangenis zetten, drie dagen.

Toen liet hij hen wederom voor zich komen. ,,Green verspieders zijt gij, zegt gij? Welnu, ik zal de waarheid weten; keert weder naar uw land, en brengt dien jongsten broeder hier, van wien gij gesproken hebt; dan kan ik zien, of gij waarheid gesproken hebt; maar een van u zal hier als gijzelaar achterblijven; komt gij niet weder, dan zal hij sterven.quot; Toen zagen die broeders op elkander, met vreeze. „Wee! dit is Gods oordeel over ons, omdat wij Jozef verkocht hebben! Nu zal de straf des Heeren over ons komen, om het kwaad dat wij gedaan hebben!quot; zoo zeiden zij. „ik heb het u toen wel gezegd,quot; zeide Ruben, „maar gijlieden wildet naar mij niet hooren.quot; En zij weeklaagden in den angst hunner ziel; zij dachten niet, dat die vorst hun taal kende, en alles verstond; hij had de taal der Egyptenaren gesproken tegen hen. Toen Jozef hen altlus hoorde, voelde hij, dat de tranen in zijn oogen kwamen; hij had medelijden met die mannen; en hij ging in een vertrek daarnaast; daar weende hij langen tijd. Toen hij weer binnen kwam, stond zijn aangezicht weer streng. Hij koos Simeon uit, liet hem voor hun oogen binden, en naar de gevangenis terugbrengen. „Gijlieden kunt gaan,quot; sprak hij. En die broeders gingen, met gebogen hoofden.

Aan zijn dienaar gaf Jozef last, dat die mannen het koren mochten hebben; het geld, dat zij er voor betaalden, moest weer aan hen teruggegeven worden; zij mochten het koren voor niets hebben; het geld moest boven in de zakken met koren gelegd worden, zoodat zij het terug konden vinden, als zij op de thuisreis de zakken openden.

Verslagen trokken de broeders af. Zij liepen naast hun ezels, totdat de avond kwam; toen rustten zij in een herberg.

Een hunner deed zijn zak open om koren te nemen voor hun avondmaaltijd; maar hij verschrikte; zijn geld lag op het koren, boven in den zak. Allen deden hun zakken open; en zij verschrikten evenzeer. „Wee ons! nu zal die vorst ook nog zeggen, dat wij het geld gestolen hebben!quot; zoo klaagden zij; „God wil ons straffen.quot; En hun verdere reis naar' huis

123

ocr page 132

124

was geen reis meer, zij geleek een haastige vlucht. Zoo kwamen zij in Kanailn.

Daar vertelden zij hun ouden vader alles, wat hun geschied was. Die oude man weende, alsof hij nimmer meer eindigen kon. Zijn zonen trachtten hem te troosten: „Als wij met Benjamin teruggaan, dan zal Simeon vrijgelaten worden, vader! En hij zal weer bij u terugkeeren.quot; Maar Jakob antwoordde: „Benjamin zal nooit met u gaan! Jozef is er niet meer; Simeon heb ik verloren; moet ik nog van al mijn zonen beroofd worden? Alles is tegen mij!quot; En die broeders durfden er met hun vader niet meer over spreken. „Wij moeten Simeon in de gevangenis laten,quot; zeiden zij tegen elkander; en zij vonden dit niet recht, en morden er over. Maar hun vader bleef onverzettelijk. Dat huisgezin was als een huisgezin, waar de dood en de rouw waren binnengekomen; en als een huisgezin, waar een oordeel Gods over hing. '

Toen de hongersnood echter bleef aanhouden, en het koren, dat zij uit Egypte hadden medegebracht, opgegeten was, dwong de nood Jakob tot wat liij zoo onverbiddelijk geweigerd had.

ocr page 133

HET WEDERZIEN.

„Gaat wederom naar Egypte, mijn zonen,quot; zeide hij; „wij kunnen toch niet sterven.quot; Jiula sprak in naam van zijn broeders, toen hij zeide, dat zij bereid waren om te gaan, maar dat zij de reis niet zouden doen zonder Benjamin. „Die koning heeft ons gezegd, dat wij zonder Benjamin het niet wagen moesten voor hem te verschijnen; wij hebben u dat al gezegd, vader!quot; — „Maar wat deedt gij bij dien koning ook te spreken van Benjamin?quot; morde de oude man. „Wij hebben het niet zonder noodzaak aan dien koning verteld, vader! Hij hoorde ons uit, en wij moesten alles zeggen; konden wij het dan helpen?quot; En die oude man jammerde als een, die niet wist, wat hij doen moest. „Hoor naar mij, vader!quot; zoo sprak Juda toen; „geef ons Benjamin mede, en ik zal burg vuor hem zijn met mijn leven; ik zweer, dat niemand hem leed zal doen, dan nadat ik eerst mijn leven vour hem zal gesteld hebben; tenzij dat ik sterf, ik zal hein veilig huiswaarts brengen.quot;

Toen gaf eindelijk die oude vader toe; en toen hij toegaf, was liet voor zijn gevoel, als otterde hij zijn Benjamin op aan den nood van den honger.

Met kostelijke geschenken, om het hart van den harden regent vriendelijk te stemmen, met dubbel geld, um ook nog het vorige koren te betalen, reisden die mannen toen ten tweeden male naar Egypte. Zou kwamen zij wederom in Jozefs stad.

Daar werden zij dadelijk naar Jozefs eigen paleis gebracht; de vorstzon tegen den middag hier met hen spreken: zoo lang muesten zij wachten. „Waarom worden wij naar zijn paleis gebracht?quot; zoo vroegen zij elkander; „is het om ons daar gevangen te doen nemen, en om ons tot slaven te maken?quot; Zij vreesden; en tot den man, die over Jozefs huis gesteld was, spraken zij hun vrees uit; en zij vertelden hem, dat zij eerlijke mannen waren, en geenszins verspieders, waar Jozef hen voor aanzag; ook toonden zij hem, dat zij dubbel geld medegebracht hadden. „Vrees! niet, dat mijn heer u iets onrechtvaardigs zal aandoen; in dit huis vreezeii wij God!quot; zeide dio oude knecht; „hebt ook goeden moed, want mijn heer heeft nu gezien, dat gij geen verspieders zijt; hij zal vriendelijk zijn; ook zult gij met hem aan zijn maaltijd zitten.quot; Daarna werd Simeon tot hen binnengebracht; dit was vour hen allen geen geringe blijdschap; zij vernamen, dat hij in hun afwezigheid zeer vriendelijk was behandeld.

Toen Jozef tegen den middag binnenkwam, was lijn aangezicht jegens

125

ocr page 134

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hen waarlijk ook zeev vriendelijk. Zij bogen zich voor hem ter aarde, gelijk voor een koning betamelijk was; en Jozef dacht aan zijn ouden droom, den droom van de elf korenschooven. Zij boden hem de geschenken aan, die hun oude vader had medegezonden. En hij vroeg vriendelijk: „Is het wel met uw vader? Leeft hij nog?quot; Ook sprak hij Benjamin in het bijzonder aan; „God zij u genadig, mijn zoon!quot; zeide hij tot hem. Die broeders wisten niet hoe zij het hadden; zij konden nauwelijks geloovén, dat deze milde heer dezelfde gestrenge vorst was van de vorige reize. Aan zijn maaltijd zaten zij aan, en van zijn kostbare spijzen aten zij; en van zijn kostbaren wijn dronken zij. Die heer was goed, zooals zij nimmer een vorst gezien hadden. Tegen.Benjamin was hij nog vriendelijker dan tegen de anderen; zij vroegen het zich in stilte af, waarom dat zoo was. En toen eindelijk die vorst opstond en de tafel verliet, toen nam hij afscheid van hen met een zegen; van Benjamin konden zijn oogen zich niet losmaken. Nimmer gingen, den volgenden morgen, menschen vroolijker op reis naar huis, dan die mannen.

Waarom had Jozef zich nog niet aan zijn broeders bekend gemaakt; en waarom wachtte hij daarmede, hij, die zijn tranen niet bedwingen kon, als hij hen aanzag, en als zij van hun vader vertelden? „Ik zal mij aan hen bekend maken,quot; zeide hij tot zichzelven, „maar ik wil eerst weten, of zij betere mannen zijn geworden, dan zij vroeger waren; ook wil ik weten, of zij elkander meer liefhebben, dan zij eertijds mij gedaan hebben; ik zal hen op de proef stellen.quot; Daarom zeide hij heimelijk aan zijn hofmeester, dat hij zijn zilveren beker moest verbergen in den korenzak van den jongsten dier mannen.

Toen nu de broeders dien morgen zoo vroolijk hun weg reisden, reisde op Jozefs bevel die hofmeester hen achterop; zij waren nog niet verre. ,,Wat is dit, dat gijlieden tegen mijn heer gedaan hebt? Hebt gijlieden goed met kwaad vergolden?quot; dus sprak hij hen aan, en hij deed het toornig; „hebt gijlieden aan zijn tafel van zijn spijzen gegeten, en van zijn wijn gedronken, en heeft een uwer den zilveren beker mijns heeren gestolen?quot; En hij schold tegen die mannen. Dat was geen vrees meer, waarmede die mannen hem antwoordden; maar dat was billijke ergernis, waarmede zij tegen hem over gingen staan. „Zijn wij dieven?quot; zeiden zij; „hebben wij niet zelfs het geld wedergebracht, dat wij in

126

ocr page 135

HET WEDERZIEN.

onze zakken gevonden hebben? Bij wien van ons gij den beker vindt, dat hij sterve; en ons allen moogt gij tot slaven maken bovendien.quot; En tegelijk namen zij hun zakken reeds van de ezels af, en begonnen zij ze open te maken, op den grond. Van den oudsten at' begon die hofmeester hun zakken te doorzoeken; zij zagen naar hem als mannen, die gekrenkt waren in hun eer; maar in Benjamin's zak vond hij den zilveren beker. Zij stonden verslagen. „Benjamin is onschuldig,quot; zoo zeiden zij dadelijk; „wij weten het; maar Gods hand is over ons tot een oordeel.quot; En gewillig, als lieden die het oordeel Gods willen dragen, gingen zij terug met den man, die hen gehaald had; zij spraken niet vele woorden.

Met gebogen hoofd traden zij binnen voor Jozef. Daar zat die vorst op zijn troon, en zijn aangezicht was weer hard, als de eerste maal; het was vreeselijk, zooals hij sprak: „Wat is dit, dat gij gedaan hebt? Meendet gij, dat een man als ik u niet uitvinden zou?quot; — „Wij zijn allen onschuldig,quot; zoo antwoordden zij; en dat zeiden zij beslist, zooals eerlijke mannen dat zeggen; „maar God bezoekt aan ons een zonde, die wij eertijds eens hebben begaan; en God is rechtvaardig; wij zullen buigen onder Zijn hand; zie hier zijn wij, maak ons tot slaven.quot; — „Meent gij, dat ik niet rechtvaardig z;)l zijn?quot; sprak Jozef; „gij zijt niet allen schuldig; de jongste is de schuldige en hem zal ik straffen; slaaf zal hij zijn; gijlieden, gaat heen in vrede naar uw vader!quot; Toen trad Juda naar voren, en wat hij ging zeggen, was zooals een edel man iets zegt: „Hoor naar mij, mijn heer! laat onzen jongsten broeder vrij, en neem mij als slaaf in zijn plaats; — ik ben een man, die te huis vrouw en kinderen heb, en zij zullen zeer bedroefd zijn, en ik zal ook nooit meer vroolijk zijn, maar neem mij als slaaf in zijn plaats; laat hem huiswaarts keeren ; als hij niet thuis kwam, onze vader zou het niet overleven, hij zou zekerlijk sterven, zoo bemint hij dezen jongeling!quot; En nog meer, en lang sprak Juda, zooals een die een pleitrede houdt; hij stond dicht voor den troon van Jozef, en zijn oogen waren schijnend, en hij hield zijn handen reeds uitgestrekt, alsof hij wilde zeggen: „Hier, bind ze maar!quot; Jozef kon duidelijk zien, dat die man zijn broeders en zijn ouden vader zeer liefhad; hij kon het aan de andere broeders ook zien; dat waren niet meer dezelfde booze mannen van vroeger; zij stonden daar allen, alsof een ieder zich wel voor den ander had willen opofferen.

127

ocr page 136

128 BIJBELSCHE CtESCHIEDENIS VOOR KINDEREN. ,

Toen kon Jozef hei niet langer uithouden; hij gebood zijn hovelingen, allen, tun het verleek Ie verlaten: en /.ie li/,el ven niet langer machtig, riep hij uit: „Ik ben Jozef, leeft mijn vader nug?quot; Hij hief zijn handen omhoog, en weende zoo luide, dat de Egyptenaren daar buiten het hoorden. Als verplet stonden die broeders. ..Is dat Jozef? En is hij zoo machtig geworden? Nu zal hij zich zeker aan ons wreken!quot; De angst van een oud zondig geweten viel alweer over hen. Zij durfden bijna niet opzien. „Nadert toch tot mij!quot; riep Jozef; en hij stond op van zijn troon, en trad op Benjamin toe, en omhelsde hem. Die twee weenden, toen zij aan elkanders hals lagen. En Jozef kuste al zijn broeders. Toen waren zij gerustgesteld; en zij zagen, dat hij hun alles vergeven had, wat zij vroeger hadden gedaan. Ja, toen hij verder met hen sprak, zeide hij het hun, dat hot in Gods weg alles zoo had moeten zijn, want dat, als zij hem nie( verkocht hadden, zij allen nu in den hongersnood zeker hadden moeten omkomen. En dat Jozef dat zoo beschouwde, dat deed de vroulijkheid in het hart der broeders volkomen terugkeeren. Zij stonden verwonderd over ('Jods wegen met de menscben en met de volken. Op dien dag was er een grout, feest ten huizo van Jozef; en het gerucht van dit wederzien ging door de gansche stad; tot in het paleis van Farao sprak men er van; en die koning verheugde er zich over, om Jozefs wil.

--o-35gt;®-o--

NAAR COSEN.

1705 v. Chr.

Yamp; ozef hield zijn broeders niet lang bij zich. Den volgenden morgen ' zond hij hen terug naar Kanaan. „Gaat, en brengt uw vader hier,quot; zeide bij: „en brengt hier ook uw vrouwen en uw kinderen, en al uw vee, en al wat gij hebt; ik zal u hier een stuk lands geven, groot en schoon; en hier zult gij wonen.quot; Hu hij zond zijn broeders met haast weg, ais iemand, die dacht, dat het wel eens te laat,kon zijn, en dat die oude man wel eens sterven kon, voor dat bij hem kon terugzien. Farao, die alles goed vond, wat Jozef deed, had ook dit goed gevonden.

ocr page 137
ocr page 138
ocr page 139

NAAR GOSEN. 131

Eu xuu reisden dan die broeders haastig af. Zij hadden wagens iiHMlt gekre^en, updat huil vruiiwen en kinderen gemakkelijk zunden knnneii vi'rvuerd wniiieii. Zij haddon kuren medegekregen. ook geschenken; ieder een wisselkleed; en zij hadden daarbij met schaamte gedacht aan den mantel, dien zij eens aan -lozet hadden afgenomen; Benjamin echter had vijf wisselkleederen gekregen en driehonderd stukken zilver. Zij reisden als aanzienlijke lieden van het hof: zoo had Jozef hen uitgerust.

Updat hun vader de tijding zoo spoedig mogelijk weten zuu, hadden zij een voor uitgezonden. Hij kwam tot Jakob, en zeide het hem: „Uw zoon Jozet leeft nog; en hij is regeerder van gansch Egypteland!quot; Maar loon Jakob het hoorde, had hij zijn huofd geschud; hij kon het niet gelooven; en hij was hilicr geweest bij de gedachte, dat het niet aardig was op die wijze een ouden man te misleiden. Toen evenwel spoedig daarna de zonen kwamen, met wagens, en vele ezels, zwaar beladen; en toen de oude man uit zijn leut gehaald werd, en hij de wagens zag, des konings wagens; toen geloofde hij, mei ontroering. „Hef is genoeg! liep hij, „mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve.quot; En als iemand, die oud is, en die bang is, dat hij sterven zal, eer hij zijn zoon weerom ziet, talmde hij niet niet af te reizen. Hij ging den volgenden dag.

Zijn zonen met hun.vrouwen en kinderen gingen mede; die zaten in de wagens; al het vee ging mede met de knechten; dat was een groote optocht. De lieden des lands zagen het, en vonden het een gevaarlijke onderneming, met al dat vee die reis te maken; want die weg ging door de woestijn, dat wisten zij toch wel. Maar Jakob wist van geen hinderpalen; hij was beslist als een jong man; hij wilde zijn zoon Jozef weerom zien; ook was God hem verschenen, en God had zijn voornemen goedgekeurd. Jakob was gerust; want God had gezegd: „Ga naar Egypte, tot een groot volk zult gij daar worden, en Ik zal uw volk later weer in dit land brengen.quot;

Toen Jozef hoorde van Juda, die op een snellen kemel vooruit gereisd was, dat zijn vader de reis aangevangen had, spande hij zijn wagen aan, en reed hij hem te gemoet. In het land Gosen, — dat in het noorden van Egypte ligt, waar veel weiland en veel goed water is, — daar had de ontmoeting

ocr page 140

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

plaats. Jozef sprong van zijn wagen, liep naar zijn vader, viel hem om den hals, en weende lang; ook die onde man weende. De Egyptische krijgslieden van Jozef, die daarbij stonden, «waren verbaasd over de liefde van die twee mannen, en zij zagen eerbiedig. „0 mijn zoon Jozef!quot; zoo riep Jakob uit, „nu ik u gezien heb, dat gij nog leeft, nu heb ik geen wensch meer om te leven; nu kan ik sterven!quot; En hij zou het niets erg gevonden hebben, als hij daar in die blijde ontmoeting in de armen van zijn zoon den geest had moeten geven.

Jozef nam hem mede in zijn wagen naar zijn paleis, in de stad waarbij woonde; maar het vee, en het volk, dat hleof in Closen, Daar in die breede vlakten van voedzaam gras, mot stroomend water, daar spanden zij hun tenten, en daar vonden zij een nieuwe woonplaats. Dit was het land, dat Farao hun gaf, en dat God hun beschikt had, totdat zij later weder naar Kanailn zouden terugkeeren. Jakob zag hen allen, zijn kinderen en kindskinderen, zeventig in getal, bij elkander in Egypte; en het werd hem gemakkelijker om te gelooven, dat de belofte aan Abraham nu langzamerhand in vervulling ging komen: dit was het begin van een groot volk, dat de aarde tot een zegen zou worden.

Hij was nu honderd en dertig jaren oud. Nog zeventien jaren leefde hij in Egypte, door Farao geëerd; hij had niet gedacht, dat zijn laatste levensjaren zoo goed en gelukkig zouden zijn. Hij had geen wensch meer, dan alleen dat hij het nog had mogen zien, dat die Verlosser gekomen was, die nog grooter zou zijn dan Josief, en die de aarde van zonde verlossen zou, en die over de gansche aarde regeeren zou.

Toen hij zijn einde voelde naderen, zond hij om Jozef. Deze kwam met zijn twee zoons: Efraïm en Manasse. De grijsaard zegende hen, en voorspelde hun, dat zij machtig en groot zouden worden, maar dat de jongste de machtigste zou zijn. En toen hij stervende lag, stonden al zijn twaalf zonen rondom hem; zij knielden voor zijn bed, de oudste eerst, en daarna de Jongere. Hij zegende hen allen, en voorspelde de toekomst van hun geslacht, als zij in het land Kanailn zouden teruggekeerd zijn. Die oude oogen zagen in een verre toekomst; hij zag hun nakomelingen reeds daar wonen, in de dalen tusschen de bergen, met hun vee, rijk en groot; en de

132

ocr page 141
ocr page 142
ocr page 143

NAAR GOSEN. 135

ziel van dien stervende was als de ziel van een blij man. Ook zag hij, dat machtige koningen hen wijs zouden besturen; uit het geslacht van zijn zoon Juda zouden die koningen voortkomen; ja uit datzelfde geslacht zou ook die groote koning, de Verlosser, voortkomen; hij zag het alles met heldere oogen, en voorzegde dat aan zijn zonen. En toen stierf hij, in zijn laatste oogenblikken als het ware de handen uitstrekkende naar den Messias, die komen zou. Omdat Juda dezen bijzonderen zegen gehad had, beschouwden de broeders hem als den voornaamste onder hen. Hij werd bet hoofd van den stam.

De begrafenis van Jakob was zeer plechtig en liusterrijk. Zijn lichaam werd gebalsemd, zooals de koningen van Egypte werden gebalsemd. Het gansche land was zeventig dagen in rouw, zooals wanneer er do koning gestorven was. Dit deden de Egyptenaren Ier wille van Jozef, dien zij eerden. „Het is zijn vader, zoo zeiden zij. Eil toen werd hel lichaam gebracht naar Kanailn: de prinsen van het hof gingen mede, alzoo ook al de voornaanisfcn van hef land. Gewapende mannen gingen voorop, en gewapende mannen sloten den stoet; hun getal was duizenden en duizenden. Zulk een eere had Farao nog nooit aan iemand van zijn onderdanen laten bewijzen. De landen, waar de stoet doortrok, bewezen mede eere; de inwoners stnnden verbaasd, en vroegen, welke koning daar ten grave werd gebracht, Kn toen zij in Kanaan waren gekomen, werd het lijk bijgelegd in de spelonk van Maebpela, waar Abraham lag, en fzailk, en waar Sara lag en Rebekka, en Lea. Daar wilde Jakob begraven zijn: dat luid hij zeil nog voor zijn sterven gezegd. (iigt;S(.i v. ('.)

In Egypte teruggekomen, keerden de broeders weder naar hun gezinnen in üosen; hun geslacht werd daar zeer falrijk. Zij wisten, dat zij daar maar tijdelijk zouden zijn, en er slechts als vreemdelingen zouden verkeeren, totdat God opZijn lijd bun volk naar Kanaan terugvoeren zon. Kanaan, dat zagen zij aan als hun eigenlijke vaderland, dat God hun heloofd bad. Kn zoo dachten ook hun kinderen en kindskinderen, die in Goseu geboren werden.

Jozef keerde naar het hof terug. Hij was zeer goed voor zijn broeders in Gosen, en vergold het groote kwaad, dat zij hem gedaan hadden, met zeer veel goed. Wel hadden de broeders nog gemeend, dat bij. nu Jakob dood was.

ocr page 144

130

zich nog aan hen wreken zon; de angst zat dien mannen nog altijd in het hart. Maar Jozef had hen gerustgesteld. „Gijlieden wèl hebt kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft liet ten goede gedacht; vreest toch niet meer, mijn broeders; want God heeft dat alles zoo geleid, om ons volk in het leven te behouden,quot; zoo had hij gesproken. En zijn broeders hadden hem nu lief, zooals zij hem vroeger gehaat hadden.

Toen Jozef honderd en tien jaren ond was, stierf hij. (1034 v. C.) Zijn laatste wensch, dien hij uitsprak voor zijn kinderen, was deze: „Als ons volk op Gods tijd wederkeert naar KanaJln, laat ook mijn lijk dan medegenomen worden; in dien grond wil ik begraven zijn.quot; Zijn kinderen zwoeren, dat zij het hun kinderen zeggen zouden, en die weer aan hun kinderen, en dat het geschieden zou. Ook zijn lijk werd gebalsemd, en in een grafkelder in Egypte nedergezet, totdat het van daar zou opgenomen worden bij den grooten terugtocht.

ocr page 145
ocr page 146
ocr page 147

DE GEBOORTE VAN MOZES.

1571 v. Glir.

'aar gingen sedert liun komst ongeveer honderd en dertig jaren voorbij, dat de Israëlieten met rust in Gosen woonden: want Israëlieten zoo werd nu de nakomelingschap van Jakob genaamd, naar den nieuwen naam Israël, dien hij van God gekregen had. Zij waren aangegroeid tot een volk van zeshonderd duizend mannen, behalve de vrouwen en kinderen, onder welk getal ook hun dienstvolk medegerekend is. Zij waren daar zeer voorspoedig in Gosen. liet kon reeds gezegd worden, dat God Zijn belofte waar had gemaakt: tot een groot volk was Abraham geworden. Alleen die andere belofte, dat het land Kanaan hun eigendom zou worden, daar was nog niets van uitgekomen. De Israëlieten in Gosen zeiden het telkens aan hun kinderen, dat zij in Gosen niet zouden blijven; en dat God hun wel eens gebieden zou, om weer van daar weg te trekken. „Dit is op den duur onze woonplaats niet,quot; zeiden zij.

Nu regeerde er omstreeks dezen tijd weereen koning, die ook L,1arao genoemd werd: maar deze was niel zoo vriendelijk als die Farao, die geleefd had tijdens Jozef, Deze Farao zag, evenals de andere Egyptenaren, met afgunst den voorspoed van de Israëlieten aan. „Zij worden veel te talrijk,quot; zeiden de Egyptenaren. En de koning vreesde, dal als op een goeden dag zijn vijanden eens kwamen, om een inval in zijn land te doen, de Israëlieten dan die vijanden wel eens helpen konden; en dat zij zeiven wel eens tegen hem konden opstaan, en uil zijn land trekken. „Dat moet nooit gebeuren,quot; sprak farao: „wij moeten hen hier houden, en hen als onze knechten gebruiken.quot; En zoo begon hij, zonder er recht toe te hebben, hen ook werkelijk te dwingen als zijn knechten werkzaam te zijn.

Alle mannen moesten werk voor hem doen. Hij was juist bezig, twee groote, sterke vestingen te bouwen. Pit hom en Ratlmses; daar wilde hij al zijn voorraad wapenen, koren, en verdere schatten bewaren, welke hij in tijd van oorlog kon noodig hebben: zulke vestingen werden schatsteden genoemd. En voor deze vestingen liet hij de Israëlieten dp steenen maken. Zij werden er niet voor betaald: maar moesten dal doen, alsof zij .slaven waren.

ocr page 148

140 BIJBELSCHE CtESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

Ook werden zij geslagen, als zij niet genoeg werkten. Hierover morden de Israëlieten, maar zij hadden geen hoorder voor hun klacht, dan God alleen; die hoorde het.

Vervolgens gaf Farao een bevel, dat al de kinderen, die geboren werden, als het jongens waren, moesten gedood worden; in de rivier moesten zij verdronken worden; alleen de meisjes mochten blijven leven. Toen de Israëlieten dit hoorden, en toen de vaders en de moeders hun kleine jongens voor hun oogen zagen gedood worden in de rivier, van dag tot dag, toen ging er een geklaag op in geheel Gosen; zij schreeuwden met een bitteren schreeuw over deze wreede verdrukking; maar Farao lachte, zooals een slecht man lacht; daar was niemand, die naar hun klacht hoorde, dan God alleen; die hoorde het. En God dacht: „ik zal hen wel verlossen.quot;

Nu waren er twee menschen in Gosen, die ook een zoon kregen, en wier zoon dus ook gedood moest worden. Amram en Jochebed heetten die twee menschen. „Moet dit kind ook gedood worden?quot; zoo spraken zij tegen elkander; „deze jongen is te schoon!quot; En inderdaad hadden zij nog nooit zulk een schoon kind gezien. „Laten wij hem verbergen,quot; zeiden zij, „misschien kunnen wij hem zoo in het leven houden; wij loopen wel groot gevaar, dat wij zeiven moeten sterven, als de Egyptenaars het merken; maar wij zullen het toch beproeven.quot; En die vader en die moeder lieten het aan niemand merken, dat zij dat kleine kind hadden.

Drie maanden ging dit goed; maar toen durfden zij het toch niet langer te doen. „Als een dezer dagen de Egyptenaars ons huis komen doorzoeken, dan vinden zij het kind toch, en dan dooden zij het, en ons daarbij. Maar het kind in het water werpen, dat kunnen wij niet; wij zullen het aan den kant neerleggen,quot; zoo spraken zij in het geheim.

Daarom dat de moeder tegen den morgenstond het kind in een mand legde, en naar de rivier bracht; de Nijl, zoo heette die rivier. Daar legde zij het neder aan den oever, waar de biezen groeiden. En daarna ging zij huiswaarts, bedroefd als een moeder, die een kind begraven heeft, en nog erger. De zuster van den kleinen knaap, Mirjam geheeten, die ook medegegaan was, kon echter niet naar huis gaan. Op eenigen afstand van de plek bleef zij staan zien, wat

ocr page 149

MOZES GEVONDEN.

ocr page 150
ocr page 151

DE GEBOORTE VAN MOZES. 148

of or van haar kleinen brueder /,1111 worden. Ifaar (hi^cii kon zij niet afhouden van de biezen, waar het: mandje was neergelegd.

Terwijl zij daar stond kwam de dochter van Farao met haar jonkvrouwen

naar de rivier om Ie baden. Zij zag de mand in de biczen, en nieuwsgierig

beval zij een van die vrouwen, om de mand te halen. Verbaasd zagen zij,

dat het een knaap was, die daarin lag. De knaap weende, zooals een kind

weent, dat honger heelt en bij zijn moeder wil zijn, „Dat is een van de kinderen

der Israëlieten,quot; sprak zij; „hoe vreeselijk, dat al die kinderen /00 gedood

moeten worden.quot; En haar hart was vervuld met medelijden; en dat te meer,

toen zij zag, hoe schoon de jongen was. „Ik wil dat kind houden,quot; zeide zij;

„ik heb het gevonden, en het is dus voor mij; ik zal het opvoeden.quot; Maar het

kind weende van den honger, en die vrouwen stonden verslagen wat er mede

te doen. Toen was Mirjam naderbij gekomen, en zij hoorde die vrouwen

daarover spreken. „Nu moei ik niet bevreesd zijn,quot; dacht zij; en zij sprak de

koningsdochter aan. „Ik weet wel iemand, die voor dat kind zorgen kan, tot

het wat grooter is, en bij u komen kan.quot; Nooit liepen haar voeten sneller, dan

toen zij heenging om haar eigen moeder te halen. Die moeder kwam, en nam

het kind in haar armen, dat stil werd, zooals een kind stil is bij zijn moeder;

maar zij vreesde te laten merken, dat het haar kind was. „Houd dit kind tot

het wat grooter geworden is; ik zal u een goed loon daarvoor geven; maar dan

moet ik het terughebben, want het is van mij, ik heb het gevonden;quot; zoo zeide

de koningsdochter tot haar. Daar was dien dag blijdschap in het gezin van

t

Am ram en Jochebed, zooals zij het dien morgen niet hadden gedacht. En nog minder dachten zij, dat die knaap nog eenmaal in Gods weg de verlosser van ;djn verdrukt volk worden zou.

Toen het kind groot genoeg was, kwam het bij de koningsdochter aan huis; zij gaf hem een opvoeding, zooals de prinsen in Egypte een opvoeding kregen. Mozes, zoo noemde zij hem; dat wil eigenlijk zeggen: „uit (het water) gehaald.quot; Maar in de ooren van allen, die dien naam hoorden, klonk het, alsof de beteekenis er van was: „vondeling.quot;

ocr page 152

NAAR Ml Dl AN.

uv^oen Mozes groot geworden was, wist hij, dat hij geen Egyptenaar was al was hij geheel als de Egyptenaars opgevoed; hij wist dat hij (My een Israëliet was, en dat die verdrukte menschen in Gosen zijn broeders ^ en zijn volk waren. „Ik leef hier weelderig aan het hof,quot; zoo dacht hij dikwijls, „en mijn arm volk lijdt verdrukking.quot; Hij kon dat niet goed dragen, want hij was' een braaf man; en zijn hart was bij zijn volk. Meermalen ging hij ook naar Gosen; en als hij de verdrukking zag, zeide hij met toorn: „Kon ik mijn volk eens verlossen!quot; Dikwijls dacht hij er over na, wat hij daarvoor zou kunnen doen.

Eens, terwijl hij weer in Gosen was, zag hij op het veld, hoe een Egyptenaar bezig was een Israëliet te slaan. „Dat zal die man niet doen, terwijl ik het verhinderen kan,quot; zoo sprak hij. De toorn maakte zich van hem meester; hij haatte dien Egyptenaar. Daar was niemand anders op het veld; hij trad naar hem toe, eu bracht hem een slag aan, zoo dat die man dood bleef waar hij was. „Als de koning het hoort,quot; zoo dacht Mozes daarna, „dan moet ik zelf sterven; moge het niet bekend worden, wat ik gedaan heb.quot; Daarom begroef hij het lijk daar in het zand.

Den volgenden dag, terwijl hij over het veld ging, zag hij wederom twee menschen, die elkander sloegen. „Dat is wederom een Egyptenaar, die een Israëliet mishandelt,quot; zoo dacht hij; en hij ging er heen. Maar dit waren twee lieden van zijn eigen volk. „Moet gijlieden met elkander twisten,quot; zoo riep hij; „is hét niet genoeg, dat de Egyptenaars u slaan, dat gij ook nog elkander slaat?quot; En hij kwam daartusschen, en poogde hen te scheiden met zijn sterken arm. Een van die twee werd boos op Mozes, omdat hij dit deed; en in zijn boos hart sprak hij: „Wilt gij mij misschien ook dooden, zooals gij gisteren dien Egyptenaar gedood hebt?quot; Mozes verschrikte, want hij merkte dat die zaak ruchtbaar geworden was. En inderdaad was de doodslag ook Farao reeds ter oore gekomen. Mozes vreesde; hij wist wat hem te wachten stond, ook al was des konings eigen dochter zijn hooge beschermvrouw. Hij dacht niet lang na; op dienzeltden dag vluchtte hij, waar hij zich veilig achtte.

ocr page 153

NAAR MJDJAN.

Oostwaarts ging hij, vele, vele dagen. Eerst toen hij in het land Midian was, ver, oostwaarts van tie Schell'/ee, die hem van Egypte scheidde, voelde hij zich gerust. Maar waar was hij nu gekomen?

Midian was grootendeels een woestijnland, met groote zandvlakten, en met rotsachtige bergen, waarvan in het zuiden de Sinaï de hoogste was. Üe bewoners leefden daar bijna armelijk op de plekken, waar de grond eenigszins geschikt was voor veeteelt; ook dreven de rijksten onder hen eenigen handel met karavanen. Hier was Mozes nu gekomen, bij den Sinaï. Hij wist niet, waarmede bij zijn brood verdienen zon.

Zoo was hij, al verder gaande, op een zekeren dag bij een put gekomen. Terwijl hij daar zat, waren eenige herderinnen gekomen, om haar schapen te drenken. Zij vulden de drinkbakken, en waren hiermede reeds gereed, toen andere herders met hun kudden daarbij kwamen, en die vrouwen verdreven. „Wij zullen onze schapen eerst drenken,quot; riepen zij. En die vrouwen konden tegen die ruwe mannen niets doen, die hun lange herdersstaven verhieven, om haar daarmede te slaan. Mozes zag het, en de toorn kwam in hem op; hij was een zeer sterk man; en zonder bedenken stelde hij zich, alleen, tegenover die mannen; hij sloeg hen, zoo dat zij niet weder tegen hem op durfden komen, en hij zeide toen tegen de herderinnen: „Ziedaar, drenkt gij nu eerst uw schapen; die mannen zullen niets meer durven, ik blijf hier bij staan.quot; Daar waren die vrouwen hem zeer dankbaar voor; want zoo hadden die herders reeds zoovele malen met haar gedaan. Toen straks die vrouwen en ook die herders weggegaan waren, zat Mozes alleen bij den put; hij voelde zich zeer verlaten, en wist niet, waar hij ergens in de wereld zou wonen; hij gevoelde zich als een banneling, en dacht terug naar het weelderig hof van Egypte, en aan zijn volk in Gosen.

Die herderinnen waren zeven dochters van den priester in dat land;

Jethro heette die priester; hij was geen heidensch priester, maar kende en

diende God, zooveel hij wist. Toen zijn dochters dien avond met het

vee zooveel vroeger thuiskwamen dan op de andere dagen, verbaasde hij zich

daarover. Die dochters vertelden hem toen, dat daar bij den put een vreemdeling

gezeten had, die haar geholpen had tegen de herders, en die zeer vriendelijk tegen

haar geweest was; zij konden niet zeggen, wie hij was, maar hij scheen uit

Egypte te komen. „Gij hadt uit dank hem hier moeten nooden,quot; zeide Jethro,

10

145

ocr page 154

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

„waarom hebt gij dat niet gedaan?quot; Toen gingen twee van die dochters heen, en noodigden Mozes om gast te zijn in haars vaders huis. En deze banneling was blijde, dat hij weer in een huis kon slapen, hij die in de bergen op den grond had geslapen; en hij was blijde weer goed brood te mogen eten bij vriendelijke mensehen, hij die gebrek had geleden op de reis.

Hij bleet vele dagen bij Jethro: ja hij verlengde zijn verblijf bij dien priester, en bleef er voor goed. Met een van die doehters huwde hij toen; zij heette Zippora.

DE ROEPING VAN MOZES.

teat was het leven, dat hij hier leidde, anders dan het leven, dat hij in Egypte had geleid! Hij was nu herder geworden, hij die een ns was aan Farao's hof. Des morgens dreef hij de kudden den Sinaï ^ op, of waar maar wat gras groeide; het was er niet veel. En des avonds dreef hij de kudden weer huiswaarts. Dat was allen dag hetzelfde werk, vele, vele jaren. En als hij daarboven bij de schapen zat, dan waren zijn gedachten altijd in Egypte, en in Closen. „Ik heb het nu veel armer dan bij de koningsdochter, die mij als haar zoon behandelde,quot; zoo dacht hij, „maar ik zou toch niet willen ruilen; ik zou van die Egyptenaars geen geschenken geen brood meer kunnen aannemen, die verdrukkers van mijn volk!quot; En zijn ziel werd bitter, als hij dacht aan de wreedheid dier mensclien, zooals hij het met eigen oogen gezien had. „Kon ik mijn volk maar verlossen!quot; zoo peinsde hij eiken dag; „maar ik kan er niets voor doen; ik ben maar een arme herder in Midian.quot;

Op het laatst gaf hij die gedachte ook geheel op. „Als God ons volk verlossen wil, zal Hij het zeker later wel doen, op Zijn tijd; maar ik zal wel sterven, hier in dit vreemde land, voor dat God het doen zal.quot; Hij werd ook reeds langzamerhand een oud man; hoewel hij nog zeer sterk was. Hij werd reeds tachtig jaren.

Weinig dacht hij, dat juist hij de geroepene zou zijn, om dat groote werk te doen.

146

ocr page 155

DE ROEPING VAN MOZES. 147

Hij had op zekeren dag zijn kudde geleid up den berg Sinaï.

Terwijl hij bij de schapen nederzat, zag hij tegenover zich, waar de braamstruiken tegen de rots aangroeiden, een hel licht. Die planten stonden in lichtelaaien brand, zoo scheen het; maar hij zag duidelijk de stengels en de bladeren, in dat licht; en zij verbrandden niet. „Dat begrijp ik niet,quot; zoo sprak hij; „ik moet weten, wat dat is.quot; En tegelijk stond hij op, en ging hij er heen. Maar hij had nog slechts weinige schreden gedaan, ol een stem kwam uit dat schitterende licht: „Mozes, Mozes!quot; - ,,Hie ben ik!quot; antwoordde hij. „Nader niet!quot; riep die stem, .,en toon eerbied! Want Ik ben de God van uw volk, de God van Abraham, Izatlk en Jakob.quot; Toen verschrikte Mozes, want hij wist eensklaps, wie hem daar verscheen; en hij sloeg de handen voor de oogen, en wierp zich neder op den grond, voorwaarts ter aarde. Wat hij toen hoorde, was bijna te vreeselijk voor hem om te hooren, hoewel hij er tegelijk blijde over was.

„Zie,quot; zoo sprak God, „Ik heb zeer goed gezien, hoe mijn volk verdrukt wordt in Gosen; Ik heb al hun gekerm gehoord. Nu is de tijd gekomen, om mijn arme volk te verlossen, en om het terug te voeren naar Kan aan, dat Ik hun beloofd heb; nu ga Ik hun dat land geven, dat goede land. Gij, Mozes, zult dat groote werk doen; u roep lllt; tot die taak. Ga naar Farao, en zeg hem, dat mijn volk gaan moet!quot; Mozes hief verschrikt zijn aangezicht op. „Dat kan ik niet doen,quot; riep hij, reeds eer dat hij wist wat hij zeide, „wie ben ik dat ik met zulk bevel voor den koning zuil komen? Ik ben maar een arme herder!quot; — „Vrees niet,quot; antwoordde God, .,Ik zal met n zijn, en het zal u zeker gelukken.quot; En God sprak dit zeer vriendelijk.

Doch zoo weinig moed had Mozes tot die'grootc taak, dat hij vol vreeze velerlei tegenwerpingen maakte. „Als ik tot mijn volk met deze tijding kom, zullen zij het in twijfel trekken, dat ik waarlijk gezonden ben,quot; zoo sprak hij, „en zij zullen vragen: wie is die God, die u verschenen is, en hoe heet Hij?quot; — „Zeg hun dan,quot; zoo antwoordde God, „dat mijn naam Jehova is. „Ik zal zijn, die ik zijn zal, beteekent die naam. En Mozes begraep, dat God hiermede bedoelde, dat Zijn volk dat wel ervaren zou, wie Mij was, als zij zien zouden, hoe trouw Hij was.

Maar Mozes sprak toch verder tegen: „Ach neen, Heere! zij zullen mij

ocr page 156

148 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

tuch niet gelouven, en zij zullen zeggen dat ik een leugenaar ben,quot; — „Neen,quot; antwoordde God, en Zijn stem was nog altoos vriendelijk; „Ik zal maken dat zij u gelooven; Ik zal u macht geven, wonderen voor hun oogen te doen. Zie, dien stat, dien gij in de hand hebt, werp dien up den grond.quot; Muzes gehoorzaamde, maar verschrikte hevig, toen die staf op den grond plotseling veranderde In een kronkelende slang; hij vlood voor de slang, die op hem afkwam. „Grijp haar bij den staart,quot; beval de Heere. En toen Mozes het waagde en het deed, toen was plotseling die slang geen slang meer, maar een herdersstaf, zooals voorheen. „Als gij dit teeken in Egypte doet voor de oogen der menschen, zullen zij zien, dat hooger macht u gezonden heeft,quot; sprak God; „en opdat zij niet aan u twijfelen zullen, zult gij een tweede teeken doen. Steek uw hand in uw boezem!quot; Mozes gehoorzaamde; maar toen hij zijn hand uittrok, was zij melaatsch, wit, en met de zweren eener vreeselijke krankheid bedekt, waarvan hij wist, dat hij aan sterven moest. Zijn ontsteltenis was vreeselijk. Maar God zeide: „Steek mi uw hand nog eens in uw boezem.quot; En toen hij het deed, en haar uithaalde, was zij weer genezen, gezond gelijk de andere hand. „Zoo zal Ik u leeren wonderen te doen; ja nog meer wonderen zal Ik u leeren te doen, nog grooter dan deze. Vreest gij nu nog?quot; En nog altijd sprak God vriendelijk.

Maar Mozes vreesde nog om te gaan, en sprak weer tegen: „Heere! ik kan niet goed spreken tegen de menschen, dat heb ik nooit gekend; weet Gij dat niet, Heere?quot; — „Kan Ik u dan niet leeren te spreken, evenals Ik u wonderen kan leeren te doen?quot; zoo was do wedervraag van God. Toen wist Mozes niets meer tegen te werpen; maar, onwillig, sprak hij nu zijn hart rond uit; „Ik heb er geen lust in; zend een ander, o God!quot; Wat God toen antwoordde, was niet meer vriendelijk gezegd, maar in toorn; „Zult gij niet gaan, als Ik het u beveel?quot; En daar was iets in die stem, wat Mozes deed beven. Hij zweeg, als iemand, die zag te vei' gegaan te zijn; en in die vreeze neigde zich zijn onwillig hart.

„Ga nu,quot; zeide de Heere, „en om u tegemoet te komen in uw zwakheid, zal Ik u toestaan, dat uw broeder Aaron medegaat; met u tweeën zult gij naar den koning gaan.quot; Deze Ailrou was een oudere broeder van hem, die

ocr page 157

MOZES VOOR FARAO. 149

geboren was, eer dat die Farao dat wreeds bevel uitgevaardigd liad van den kindermoord. Toen God dit zeide, was Mozes eenigszins gerustgesteld; want Ai'lron kon zeer goed spreken, dat wist hij. Ook zeide God tot zijn verdere geruststelling, dat die Farao dood was, en dat men in Egypte om zijn doodslag van den Egyptenaar niet meer dacht; daar was nu een andere Farao op den troon, „(ia in vrede!quot; was des Heeren laatste woord tot hem.

Toen verdween dat gansche gezicht voor hem; en hij zag, dat hij bij de schapen was, die rustig graasden. Ook zag hij de braamstruiken, die tegen de rots aan groeiden; zij stonden, zooals zij gestaan hadden.

Toen Mozes dien avond aan zijn schoonvader Jethro alles verhaalde, en deze hem vroeg, wat hij doen zou, antwoordde Mozes beslist: „Ik zal gaan!quot; Den volgenden dag ging hij reeds; en zijn vrouw, en de zonen, die hij had, nam hij eerst mede. Maar weldra zond hij hen terug naar Jethro. „Het is beter, dat zij bij u blijven,quot; zeide hij; „waar ik heenga, is er te veel gevaar.quot; Hij ging als een jong man, die sterk is.

-oJp)lt;3--o

MOZES VOOR FARAO.

'lyMS^Arön kwam hem reeds te gonioet onderweg. Kn met hun heidon

30 kwamen zij in Gosen.

ff» rtoar verhaalden zij aan hun verdrukte broederen, wat God gozesd

^rsav

v had, en wat God doen ging. Die meii'schen geloofden hen: dat was als een verademing in hun leed, wal zij hoorden: eu sedert lang zagen hini aangezichten voor hel eerst weer eens hoopvol en vroolijk. „Onze God heeft ons toch niet vergeten,quot; zeiden zij, „en Hij zal ons verlossen.quot;

Daarna gingen Mozes en Aaron naar Farao. Zij wisten, dat zij hun leven in gevaar gingen stellen, door dien machtigen koning de boodschap Gods over te gaan brengen. Maar zij, de twee dappere mannen, schrikten er niet voor terug. Zij zeiden de boodschap Gods. in den naam van Jehova, den God der Israëlieten, spraken zij tot Farao.

ocr page 158

150

Deze man spotte met ben. „Ik ken geen goden, dan mijn eigen gitden,quot; zoo sprak hij lachend; „wie is die God, waar gij van spreekt? Denkt gij, dat ik uw volk zal laten trekken? Ik zal u wat zeggen, gij twee mannen, gij, Mozes en Aaron: gij zijt bezig met uw dwaze woorden de Israëlieten van bet werk af te trekken; kwaad zou u dat kunnen bekomen! Gaat heen, en gaat zeiven aan uw arbeid!quot; En de laatste woorden bad de koning dreigend gesproken.

In zijn toorn gaf bij bevel, dat bet werk der Israëlieten verzwaard moest worden. Dat geschiedde. Het werk, dat de Israëlieten tot nu toe hadden moeten doen, was bet leveren van een bepaald getal steenen eiken dag, welke steenen voor de muren van des kimlngs steden moesten gebrnikt worden. Die steenen werden van klei gemaakt: de zachte klei werd eerst met gebakt stroo in een molen vermengd, daarna met de band tot steenen gevormd, en vervolgens in de zon gedroogd. Het stroo werd bun eerst door Farao gegeven: maar nu beval de koning, dat bet stroo bun niet meer gegeven znu worden; dat zij er zeiven voor moesten zorgen; en dat toch door ben hetzelfde getal steenen geleverd

ocr page 159

^___^

ocr page 160
ocr page 161

MOZES VOOR FARAO. 153

moest worden eiken dag. Zij moesten dat stroo nu op de velden zoeken, of koopen. Tijd en geld kostte het hun, nu meer dan vroeger. „Zij loopen leeg, schijnt het,quot; zoo had Farao gespot; „want die Mozes wilde met hen in de woestijn een feest gaan vieren voor lum God! Laat hen wat. meer werken!quot; En zoo was de harde dienst der Israëlieten nog meei verzwaanl. Ook werden zij nog meer geslagen, omdat zij het werk bijna niet gedaan konden krijgen.

Toen schreeuwde het volk tegen Mozes en Aaron in de bitterheid van hun gemoed. „Gij hebt schuld, dat ons werk verzwaard is,quot; zoo riepen zij; „God moge u beiden straften!quot; En vele andere bittere woorden spraken zij heftig tegen de beide mannen; zij wenschten, dat Mozes zich nooit met hen ingelaten had. Maar God zeide tot Mozes: „Wees niet vervaard; want nu zult gij zien, wat Ik dien Farao doen zal; Ik zal mijn volk uit dit land voeren, met mijn machtige band.quot; Dit troostte Mozes; want het waren voor hem zeer moeielijke dagen; zijn eigen volk verachtte en verstootte hem; hoe hij ook sprak tot de Israëlieten van de komende verlossing, zij hoorden naar hem niet eens.

Voor de tweede maal gingen toen de beide moedige mannen naar Farao. Zij kwamen met dezelfde vraag. Ook dacht Mozes: „Nu zal ik de teekenen doen, waarvan de Heere gesproken heeft.quot; Hij wierp zijn herdersstaf op den grond voor Farao, en die staf werd tot een slang. Farao ontstelde. Maar zijn eigen toovenaars spraken: „Wees niet ontsteld, o koning! Dat hij dat doen kan, is geen teeken, dat zijn God hem gezonden heeft; zie, wij kunnen dat ook.quot; En lachende wierpen zij bun eigen staven op den grond; inderdaad werden deze ook tot slangen. Hun spotten ging echter over tot verbazing, toen de staf van Mozes de andere staven verslond. „Ik geloof, dat Mozes grooter toovenaar is dan gij,quot; was echter alles, wat de koning lachende tot zijn lieden zeide. En met die vernedering, van voor een toovenaar aangezien te worden, die geleerd had onbegrijpelijke kunsten te maken, werd Mozes weggezonden. „Hij zal zien, dat het geen kunsten zijn, die ik doe,quot; dacht Mozes echter;, „en hij zal zien, dat God deze dingen door mijn hand doet!quot; En weldra zon Farao het ook zien.

ocr page 162

DE PLAGEN EN DE UITTOCHT.

1491 v. C.

r^r^roote en zware plagen zond God toen over Egypte, zon zwaar als de Egyp-Mpjrtenaars nog niet ondervonden hadden. Al het water in het land werd verdorven; als bloéd, zoo rood was het; en de menschen wisten niet ^ wat zij drinken moesten. Kikvorsehen kwamen er op uit den grnoten stroom, steeds meer, zoodat het akkerland en de straten in de steden ei' mede bedekt lagen, en zelfs de woonhuizen er vol van waren. Muggen zonder getal zwermden door de lucht; als wolken streken zij neer; men kon er zich niet tegen verdedigen: daar stierven veel menschen van haar beet. Vliegen, groote vliegen kwamen na de muggen: haar getal was niet minder: en daar stierven nog meer menschen aan de vliegen, dan er aan de muggen gestorven waren. Een vreeselijke ziekte tastte al de runderen, de kameelen, de ezels en de schapen aan, zoodat er bijna geen dieren overbleven. De dieren, die van deze krankheid gespaard bleven, stierven weg door booze zweren, die op hun huid uitbraken. Ook stierven er veel menschen aan die zweren. Vreeselijke onweders, waar hagel en bliksem verdervend uit neervielen, verwoestten de velden, de steden en do schapen. Sprinkhanen kwamen opzetten uit de woestijn, streken neder op weilanden, akkers en hoornen, zoodat er geen groen blad of kruid meer gezien werd. Een duisternis, die drie dagen lang aanhield, bracht een vreeze over al de inwoners, alsof de wereld ging vergaan.

De eene plaag na de andere was gekomen; en elke plaag als een duidelijk teeken van Gods straf aan Farao en zijn volk; want de Israëlieten in Gosen waren er verschoond van gebleven. Toch had Farao er zich onder verhard. Had hij al onder de plagen telkens gezegd: „Gaat heen, gij Israëlieten! want wij vergaan door uw God!quot; telkens trok hij zijn woord terug, als de plaag ovei was. En steeds grimmiger werd hij. En bij de negende plaag had hij in zijn woede zelfs aan Mozes gezegd, hem niet weder onder de oogen te komen op strafte des doods. En Mozes was toen ook heengegaan voorgoed. „Het zal zoo zijn, koning! mijn aangezicht zult gij niet weer zien: ik heb voor het laatst tot u gesproken.quot; En hij zeide het als een, die wist, dat die koning nu verloren was.

ocr page 163
ocr page 164
ocr page 165

Mozes verliet cle stad des konings, om er niet weder te keeren. Naar Grosen ging hij, waar zijn broeders waren. Deze verachtten hem niet meer, maar geloofden hem nu in alles; want zij hadden denegen plagen gezien; Mozes was nu als een heer over hen; al wat hij zeide, zouden zij nu gehoorzaam gedaan hebben.

Met een blijde boodschap kwam Mozes tut hen: „Nog vier dagen, dan zult gij allen dit land der verdrukking verlaten; God heeft het gezegd.quot; ledereen geluofde het; en iedereen zeide het verder tut zijn naaste. Dat was als een kreet van overwinning in gansch Gusen. „Inden vierden nacht,quot; zeide Muzes, „zal Oud de laatste plaag zenden; al de eerstgeburenen in Egypte zal Hij duoden; en als de Egyp-tenaren dat zien zullen, zullen zij u allen vragen, um te gaan, mijn brueders: en gij zult gaan.quot; Daar was untzetting bij de Israëlieten, tuen zij hoorden duur welk vreeselijk middel Gud de Egyptenaars dwingen zuu; maar hun hart juichte, um de vrijheid, de vrijheid, die God nu geven zou. „En nu,quot; zuu sprak Mozes verder, ,,huurt naar wat ik u gebieden zal. Neemt een lam vuur elk huisgezin,

ocr page 166

158 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

en slacht liet. Het bloed zult gij in een bekken doen; eu van dat bloed zult gij strijken op de deurposten van uw huizen. Duet dat; want als in dien nacht de engel des doods zal rundgaan, om in al de huizen de eerstgeborenen te dooden, dan zal die engel niet binnengaan in de huizen, waar het bloed aan de deurposten gestreken is; hij zal daar voorbijgaan!quot; En de Israëlieten hoorden het met vreeze en verwondering. „Ook zult gij in dien nacht.' zoo sprak Mozes, „dat geslachte lam eten, met ongezuurd broud, staande rondom uw ia lel, en met den staf in de hand, als gereed staande om weg te reizen; want als de inurgen aankumi, zal uw aiivize beginnen.quot; Die Israelieten goluolden nu alles, wat Muzes zeido, en zij deden het alles.

Tuen die vierde nacht aanbrak, was het lam geslacht, was het bloed aan de deurposten gestreken, en stonden do kinderen Israels rondom hun tafel, etende van dat lam en van bel ongezuurde broud. En daarbuiten ging de engel des doods hun huizen vuorbij; maar in alle buizen der Egyptonaren sliert de uiidste zuon. Dat was zoo in de huizen van do rijken, en in de huizen van de armen; dal was zoo in de gevangenissen; dat was zoo zei Cs in het koninklijk paleis, want de kroonprins was ook duod. Hel geschiedde alles in één nacht. En toen de rouwklage opging uit de Imizen, en uit de huizen daarnaast. Ja overal uit het gansebe land, toen was er nog nooit zulk oen i'ouwklage geweest. „Dat is, omdat wij de Israelieten niet hebben laten gaan,quot; riepen overal de menschen, en zij' riepen het met schrik.

Farao zeil, in zijn smart en in zijn iiitterheid, draalde niet, maar gaf in dienzeltden nacht nog een bevel, dat de Israëlieten gaan mochten. Daar was maar één roep van het gansche volk: „Gaat toch, gaat, opdat wij allen niet nog sterven!quot;

En ziet. toen kwamen de Israëlieten uit hun buizen, vroolijk, als die de vrijheid te gemoel gingen. Den slat' hadden zij in de band, en het reiskleed hadden zij aan. Hun vee maakten zij los uit de stallen; en hun vee dreven zij bij elkander op het weiland. Zij juichten, toen zij het deden.

En toen zij optrokken, sloten zich verder bij elk nieuw huis en bij elk nieuw dorp de andere Israëlieten bij hen aan, al verder. Die schare werd steeds grooter. De kudden eveneens. En toen de laatste Israëliet zich aangesloten had,

ocr page 167
ocr page 168

—.....—

.

.

.

ocr page 169

DOOR DE SCHELFZEE. 161

toen stond daar op de grenzen van Gosen een volk, een volk van zeshonderd duizend mannen, met hun vrouwen, en met hun kinderen, en met hun vee; een volk van ongeveer drie millioen menschen, de vrouwen en kinderen daarbij gerekend. Daar ging een kreet op, een juichen, een lof; de «laven waren geen slaven meer; de verdrukker was machteluus gemaakt; en de duizenden prezen God, die Zijn volk had verlost.

Tut een gedachtenis aan dezen uittocht hebben de Israëlieten later, tot up dezen dag, jaarlijks een feest gevierd. Pasdien genuemd. .,Vuurbijgaan,quot; beteekent dat woord; en het leest is zoo genoemd, omdal Gods engel in dien vreeselijken nacht hun huizen i'uoihijiiiii'/.

-3® ÏC---

v^it Go»en trokken de Israëlieten zuidoostwaarts. Zij wilden nu naar 5 Kanaan, het schoone land, dat God hun beloofd had. De kortste weg

DOOR DE SCHELFZEE.

zou geweest zijn noordoostwaarts. Maar zij hadden zeiven niet te kiezen; het was God, die hun den langeren weg aanwees; en de vrome menschen onder hen dachten; „Daar zal de Heere wel Zijn goede redenen voor hebben.quot; Het was een heerlijke gedachte voor hen, om te weten, dat hun weg door de groote woestijnen en door de vreemde landen, die zij moesten doortrekken, hun door God zeiven aangewezen werd; dat was zeer troostrijk en veilig. „Wij behoeven niets bang te zijn,quot; zeiden de ouderen tegen de jongeren, „want God gaat met ons.quot; God wees hun den weg ook zeer duidelijk: want voor het leger van de Israëlieten uit bewoog zich een hooge wolk, die van de aarde tot den hemel reikte; die wolk hadden zij slechts te volgen. En 's nachts was die wolk een vurige wolk, alsof van binnen een vreeselijk vuur brandde; dat was zeer schoon, en verschrikkelijk te gelijk om aan te zien. „God is het, die voor ons uitgaat,quot; zoo spraken die Israëlieten, „en opdat wij Hem zeiven niet zien zullen, omhult Hij zich met die wolk; wij zouden het ook niet kunnen verdragen om Hem aan te zien.quot;

ii

ocr page 170

I(i2 131.1 BELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Het doode lichaam van Jozef hadden /.ij niet vergeten mede te nemen; dat droegen zij mede, hot was gebalsemd. Zij hadden er om gedacht, hoe Jozef bij zijn leven er om gevraagd had, om in Kan aan later begraven te mogen zijn. En daarom droegen zij het nu mede.

Zoo reisden zij, al loopende, schrede voor schrede, hun heerlijke bestemming te gemoet. Het ging in de richting van de Schelfzee.

Farao had berouw, dat hij de Israëlieten had laten gaan. „Ik had het niet moeten toestaan,quot; zeide hij. En te meer zeide hij dit, toen hij vernam, dat zij zuidoostwaarts getrokken waren. „Zij weten den weg niet eens,quot; zoo lachte hij in zijn boosheid. Hij gaf bevel om met een groot leger hen achterna te jagen, en weerom te brengen. Zelf ging hij aan het hoofd van zijn leger mede.

Niet lang duurde het, of hij had de trekkende Israëlieten ingehaald; te Pihagiroth, bij de zee, was het. En het was tegen den avond. Een schreeuw ging up uit het leger der Israëlieten, toen zij Farao zagen naderen. „Moeten wij allen omkomen?quot; riepen zij; „wij zijn ingesloten tusschen de zee en onze vijanden!quot; En zij schulden tegen Mozes. Maar hun Gud was met hen. Op Gods bevel inuest Mozes zijn staf over do zee uitstrekken; en wonder! hun oogeti konden het niet golooven: droog liep de zee, een pad,- een droog pad in het midden voor lum voet overlatende. Kn over het droge gingen zij door. Zij waren als menschen, die wel wilden juichen, maar het niet durfden uit vreeze, voor tie hooge wateren aan tie zijde.

Farao was woedend als een, die zich zijn prooi zag ontsnappen. „Achter hen aan!quot; beval hij. En ook het Egyptische leger bewoog zich voorwaarts, op het droge tusschen de wateren.

De wolkkolom had zich reeds bij het begin aanstonds tusschen de twee legers ingesteld. En nn, midden in de zee, bliksemde en donderde die donkere wolk plotseling tegen de Egyptenaars. Een afgrijselijke verwarring volgde. Paarden en wagens stieten tegen elkander, en de ruiters raakten onder den voet. Maar niet lang tijd hadden zij om te beproeven de verwarring te herstellen, want aan den anderen oever waren de Israëlieten reeds behouden opgeklommen; en daar op de rots stond Mozes, die op Gods bevel zijn stat weder over de zee uitstrekte; en ziet; daar stortten de opgetaste wateren zich weder op

ocr page 171

hun oude plaats, boven over de Egypte naars heen! En straks vloeide die zee weder, zooals zij altijd had gevloeid! Waar waren de Egyptenaren?

De zon ging juist achter de bergen in het Oosten op en scheen over den breeden plas met witte stralen tegen schuimende golven. Telkens met die golven dreven er lijken aan het strand; de Israëlieten zagen de Egyptenaars dood aan den oever liggen. „De Heero is groot,quot; zeiden zij, „en Mozes is Zijn profeet; wij zullen Mozes niet meer ongehoorzaam zijn, maar alles doen, wat hij zegt.quot; Op dien dag was er geen einde aan den lof, dien God ontving. Mirjam en de maagden gingen voor in reien, met instrumenten, en zingende. En al het volk, in den optocht, achter haar aan, juichten, zoodat het gebruis van de golven tegen het strand niet gehoord werd.

o-^lt;sg-o*

ocr page 172

DOOR DE WOESTIJN

„Moeten wij door deze wildernis?quot; zoo spraken zij; „hier vinden wij geen eten en geen drinken; steenen en zand, dat is het eenige dat wij zien.quot; Maar zij troostten zich; want achter die wildernis, zuo dachten zij, zou het beloofde land liggen; zij wisten trouwens, dat die reis weken duren moest, en niet gemakkelijk zijn zou. „Als wij het einddoel maar bereiken, vergoedt dat ons alle moeite,quot; zoo spraken zij; en zij verdroegen gaarne allen last.

Toch begon hun de moed te ontzinken, toen zij die woestijn van Sur een dagreis waren ingetrokken, en nog een dagreis, en zij geen water aantroffen. De ongerustheid lag op aller aangezicht. Eerst op den derden dag, al verder de woestijn ingaande, troffen ze boomen, gras en waterplassen. Vol vreugde liepen zij op het water toe, en dronken zij het langbegeerde nat. Maar met teleurstelling sprongen zij overeind, waar zij knielende gedronken hadden; en met bittere verachting spuwden zij het water weer uit den mond. „Dat water is bitter,quot; zoo klaagden zij, „niemand kan het drinken.quot; En zij liepen waar Mozes stond. „Gij hebt ons hier gebracht,quot; zoo schreeuwden zij tegen hem, „wat hebt gij om onzen dorst te lesschen?quot; Eu vele waren de booze woorden, die zij nog meer zeiden.

Die geduldige man verweet die menschen niets; maar tot God ging hij bidden om hulp voor dat arme volk. En toen hij gebeden had, wist hij het, wat hij doen moest; want God had het hem gezegd. „Volgt mij,quot; zuo sprak hij tot de schreeuwende schare, terwijl hij naar den bitteren waterplas toeliep; „ziet, dit hout zal ik in het water werpen, en hot zal zoet zijn, goed om te drinken; God heelt het gezegd!quot; En terwijl hij het zeide, wierp hij het hout, dat God hem aangewezen had, verre van zich in het water. „Drinkt nu!quot; riep hij.

En sommige menschen beproefden, verbaasd, om het te drinken. „Het is zoet!quot; riepen zij. En van verbazing bevangen, kwamen allen toeloopen, en

^V^roolijk reisden' de Israëlieten verder. Nu ging liet naar Kanailn; en

geloovig volgden /ij den weg, dien de wulkkoluin hun wees. Die weg ging van de Schollzee at, de woestijn in, de wuestijn van Sur.

ocr page 173

DOOR DE WOESTIJN. 105

dronken zij tot verzadiging toe. Ook de laatste, die kwam, had water genoeg; en daar was nog water over, goed, schoon, zoet water.

Igt;ilt;' l'laats in de woestijn van Sur noemden zij latei-, van dien dag af, Mara. „Bitterquot; beteekent dat woord.

Met moed reisden zij van daar weer verder. De zon was zeer heet hoven hun hoofd. Maar des te grooter was hmi hlijdschap, toen zij in een dal kwamen, waar boomen groeiden, en waterhronnen waren. Klim heette dat dal. Zij sloegen er hun tenten op, en rustten daar gaarne. Zoo aangenaam, als hier hij de bronnen, en onder de zware palmboomen, hadden zij hel op hun reis nog niet gehad.

Maar de wolkkolom hief zich weer op, na eenige dagen van rust voor hen, en gaf weer het teeken voor de verdere reize. Zij volgden, en kwamen toen in een nieuwe woestijn, de woestijn van Sin,

„Alweder een woestijn?quot; zoo riep het volk, „zal daar dan geen einde aan komen'? En zij zeiden het als menschen, die niet wisten, dat er nog vele andere en grootere woestijnen zouden komen, waar zij ook nog zouden door moeten. „A\ ij hebben tot nu toe nog eten gehad,quot; zoo zeiden zij daarbij, „maar de tijd zal spoedig daar zijn, dat wij geen eten meer hebben zullen.quot; En inderdaad was het voedsel, dat zij uit Egypte medegenomen hadden, reeds grootendeels verbruikt. Brood en meel hadden zij niet meer; die drie millioen menschen hadden het spoedig verteerd; en ook van het vee, dat zij medegevoerd hadden, hadden zij reeds veel geslacht.

Daar in die woestijn Sin begon de honger hen te kwellen. Zij zagen rond naar al de zijden van de woestijn, maar daar was geen voedsel te vinden. „Wat moeten wij doen. zoo spraken zij tegen Mozes en Aflron; „onze kleine kinderen gaan reeds bezwijken: waarom hebt gij ons hier gebracht? Gij wildet ons hier zeker laten sterven, van den honger! Waren wij maar in Egypte gebleven, daar hadden wij eten! ' En de woorden, die de menschen tegen Mozes en Aaron spraken, waren wederom als van zeer booze en ongeloovige menschen, die geen vertrouwen hadden in hun machtigen God.

„Zult gij dan nooit gelooven?quot; zoo sprak Mozes; „zou de Heere u

ocr page 174

IC,ft BIJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

vergeten?quot; En het was op Gods bevel, die geduld had met Zijn zondig volk, dat Mozes hun aanzeide, dat zij dienzelfden avond vleesch, en den volgenden morgen brood zouden hebben.

Het klonk bijna om ni^t te gelooven. Maar tnen de avond kwam, ziet, toen kwamen er zwermen vogels over de woestijn gevlogen, kwakkelen gebeeten, en die de grootte badden van' duiven. Zij streken neer tusschen de tenten, en tusschen de menschen, en in zoo groot getal, dat de grond er van bedekt was. Zij stonden weer verbaasd, de menschen, en aten vleesch tot verzadigens toe. „Zult gij nu nog vreezen?quot; sprak Mozes. De menschen gingen slapen, en dachten: „Hoe zal God ons nu morgen vroeg het brood geven?quot;

En ziet, toen zij den volgenden morgen vroeg opstonden, en uit bun tenten naar buiten liepen, — toen zagen zij de gansclie woestijn bedekt met iets, dat op witten dauw geleek. Evenals wanneer in den winter de bagel gevallen is, zoo lag de grond bedekt van een klein, rond, wit ding. Zij wisten niet wat het was. „Dit is bet brood, dat God u geelt,quot; sprak Mozes; „verzamelt bet, en eet het!quot; En de menschen gaarden het bijeen met de hand, en proefden het. Dat was van goeden smaak, zoet, als zoet brood. En de mannen, en vrouwen, en kinderen aten zooveel zij wilden; zij konden het rauw eten, of gekookt of gebraden, de smaak was altijd goed; en ook voedzaam was het. Zij zagen elkander aan met verbazing. „Niemand uwer behoeft nu meer bevreesd te zijn,quot; sprak Mozes, „God zal n dit brood geven eiken morgen; gelooft in uw God!quot; Manna, zoo noemden zij voortaan dat brood; „Wat is dat?quot; beteekent dat woord.

Nu had Mozes hun van te voren geboden, dat ieder van dat manna, dat op het veld lag, slechts óóii gomer (twee liter) mocht verzamelen; dat zou genoeg zijn, één gomer voor eiken dag; wat zij meer er van zouden verzamelen, zon toch bederven; langer dan een dag kon dat manna niet goed blijven.

Toen de Israëlieten dien morgen echter aan het vergaderen waren, waren er verscheidenen, die bij zichzelven dachten: „Ik zal toch meer er van ver* zamelen, zooveel als ik maar kan; als er morgen eens geen manna viel, dan behoef ik nog geen gebrek te hebben.quot; En zooals zij dachten deden zij. In hun ongeloof bewaarden zij er van, groote hoeveelheden tot den volgenden dag.

ocr page 175

167

Docli toen zij dien volgendén dag er van wilden eten, zagen zij, dat het bedorven was; de wurmen kropen er in rond, en de renk er van was ondraaglijk, zoodat zij liet mot afkeer wegwierpen. Ook stonden die menschen beschaamd op hetzelfde oogenblik; want de woestijn lag weer vol van versch manna. Toen Mozes dit van die menschen merkte, was hij toornig; en hij was terecht toornig. Zullen die menschen dan nooit in God gelnoven?quot; sprak hij. En znoals hij toen tot hen sprak, niet meer mol zachtheid, maar in hoftigon loorn, zoo hadden die menschen hem nog niet gezien. Zij vreesden voor hem, en sclmlon weg achter de anderen, on achter hun tenten. Mozes verontrustte zich over dat volk: „Dat kan nimmer goed gaan,quot; zoo dacht hij: „zij leeren niet, en blijven ongeloovig, zooals zij zijn; hoelang God dit wel verdragon zal?quot;

Wat echter merk waardig was, was dit, dat np Gods bevel do menschen des Vrijdagmorgens een dubbel dool or van mochten verzamelen: want op Zaterdagmorgen, wanneer het de sabbat was, viel er geen manna, omdat er op sabbat geen arbeid mocht verricht worden. En ziet, het manna, dat op

ocr page 176

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Vrijdag vergaderd was, bedierf niet, maar bleef goed om te eten, den heelen Zaterdag over.

In alles konden die menschen zien, dat het Gods hand was, die zoo voor hen zorgde; niemand kon zeggen, dat het alles zon vanzelf kwam. Nooit hadden zij gehoord, dat ooit met eenig ander volk op de wereld zoo iets geschied was. Zij hadden eiken morgen brood; gerustgesteld reisden zij verder, die nhllioenen, verder de woestijn in, — de woestijn, die steeds eenzamer en woester werd.

Zij kwamen aan een breed dal. Ter rechterzijde en ter linkerzijde verhieven zich heuvelen; déze waren van steen; en in de verte voor hen uit zagen zij hooge bergen, de bergen van den Sinaï. Rafidim, zoo heette dit dal, waar zij zich in bevonden: en dat woord beteekent ook: „een breed dalquot;.

Die menschen wilden, dat zij hier niet gekomen waren. Want waar of zij heen zagen, daar was geen water. Dat hadden zij niet gedacht. De mannen liepen naar de rotsen, aan de zijden van het dal, om te zien, of er ook ergens een straal water afliep als een beek; maar zij vonden zelfs geen bron, en geen holte waar iets van water in was. „Geef mij toch te drinken,quot; riepen de kleine kinderen. En de moeders, die zelf dorst leden, zagen naar tie mannen. Maai' niémand kon antwoorden op den kreet der kinderen. De zon, die hoog aan den hemel stond en recht in het dal inscheen, deed het zand onder hun voeten als vuur branden; die hitte vermeerderde de kwelling van den dorst elk uur. „Wij kunnen niet verder loopen!quot; riepen sommigen, en zij vielen neder, en bleven liggen waar zij waren; „hier zullen wij sterven!quot; zoo schreeuwden zij met angst. Anderen gingen in hun verbittering naar Mozes. ,,Gij hebt ons opzettelijk hierheen gevoerd, om ons door dorst te laten sterven!quot; zoo spraken zij: „gij, verleider! maar voor dat wij sterven, zullen wij u eerst dooden!quot; En zij vloekten hem, terwijl zij steenen opraapten, en voor hem gingen staan, om met die steenen hem dood te werpen.

In zijn angst riep Mozes tot God, want het waren niet veel oogenblikken meer, of zij zouden hem verinoord hebben. En die God, die hem altijd geholpen had, hielp hem ook nu. De Heere sprak tot hem, en wat hij van den Heere gehoord had, zeide hij aanstonds tot die menschen, die zijn leven bedreigden:

168

ocr page 177
ocr page 178
ocr page 179

DOOR DE WOESTIJN.

„Komt, en volgt mij! waar die liooge rots is; daar is water, water voor u allen!quot; En die menschen stonden verbaasd; de steenon vielen hun uit de hand, en zij volgden onwillekeurig die machtige gestalte, die hun voorging.

Daar, waar die hooge rots was, ging hij staan, met zijn staf in de hand. „Daar is geen water!quot; barstte het volk in nieuwe woede uit; „wilt gij ons nog eens misleiden?quot; Maar zonder antwoord strekte hij zijn hand uit; en met de staf, die in zijn hand was sloeg hij de groote rots, terwijl hij uitriep, zóó dat allen het hooren konden: „Splijt, rots! en gij steen, geef water! De Heere heeft het gezegd!quot; En daar zagen die duizenden verbaasde oogen, hoe die rots in tweeën spleet, van beneden naar boven; en hoe daar plotseling eon stroom van wit glinsterend water voortsprong uit de opening, zooals een rivier, die gebonden is geweest, maar losgelaten wordt.

Eén kreet, wild als van dieren, — en toen stortte dat volk zich op het nat; zij dronken, als die niet uitscheiden konden. Ook do kinderen, en het vee kregen water; en die stroom vloeide nog altijd door, ver door het dal, waarde grond laag was. Toen die mannen gedronken hadden, durfden zij naar Mozes niet zien; want zij waren beschaamd; zij dachten aan de steenen, waarmede zij hem hadden willen dooden. „Wanneer zult gij weer uw God in verzoeking brengen om u te verderven?quot; zoo riep Mozes; en die mannen verscholen zich achter hun tenten.

Van dien tijd af noemden zij dat dal niet meer Rafidim, maar Massa; „verzoekingquot; beteekent dat woord.

Niet lang daarna trokken de Israëlieten uit Rafidim; zij verlangden weg te komen uit dat vreeselijke dal, waar zij bijna omgekomen waren. De wolkkolom wees hun den weg naar het hooge gebergte voor hen uit, het gebergte van den Sinaï.

In deze streken was Mozes wel bekend; want hier had hij veertig jaren als geitenhoeder van zijn schoonvader Jethro doorgebracht. Deze, Jethro, had reeds van den aantocht der Israëlieten gehoord. „Ik zal heengaan, en Mozes te gemoet komen,quot; zeide hij. En hij nam zijn dochter Zippora, Mozes' vrouw, met haar beide zonen, Gersom en Eliëzer, met zich. „Mozes zal blijde zijn ulieden terug te zien,quot; zoo sprak hij tot hen.

171

ocr page 180

Dat was een vronlijk wederzien. Zij knsien elkander, en vrne^en elkander naar hun welstand, In de tent van Mozes gingen /.ij iiinnen: en daar verhaalde hij hun alles, wat er geschied was, sedert hij op Gods bevel hen verlaten had, Daar verheugde Jethro zich bovenmate over; en die priester ging heen, en otterde offeranden op dienzelfden avond te midden van al het volk. Hij loofde God, daar allen het hoorden.

Hij bleef eenigen tijd bij zijn schoonzoon als een gast: en toen hij heenging, liet hij Mozes' vrouw en zonen bij hem achter. „Hij is een vroom man, en een wijs man,quot; zoo zeiden de Israëlieten, toen hij vertrokken was, om weer te gaan wonen, waar hij gewoond had, in het gebergte, als een godvruchtig getuige te midden van een heidensch volk.

Daarna trokken de kinderen Israels weer verder, en zij kwamen bij den berg Sinaï.

ocr page 181

DE WETGEVING.

I ttIO v. Clir.

^Aaar zij zich nu legerden, was ook alweer een woestijn, de woestijn lvo^ van Sinaï. J)e tenten werden gespannen, en vóór hen zagen zij een huugen berg, zooals zij nog niet gezien hadden. Reusachtige blokken van steen, opgestapeld tut zoo huOg als de lil au we heinel was, zou scheen hun die berg toe.

„Het is op deze plaats, dat Ik tut al het volk spreken wil,quot; zoo zeide de Heere tot Muzes; ..dit vulk, dat Ik uitverkuren heb uil al de vulken, en dal mijn volk zal zijn, zal Ik zeggen, wat mijn wet zal zijn; Ik wil hiér tot hen afkomen, opdat zij allen mij hooren, en een ieder van hen mijn wel wete. Op den derden dag zal Ik het duen.quot;

Da-a ruin, dat Muzes al de menschen beval zich te heiligen deze drie dagen; hun kleederen moesten gewassohen worden; en ieder moest zich hoeden zonde te doen. (Juk mocht niemand dien berg beklimmen ; up een atstand muesten zij ei vandaan blijven: die liet beprueven wilde, uni een voet up dien berg te zetten, zuu zeker geduod wurden. Zuoals Muzes zeide, deden de menschen. Daar kwam nu vreeze uver hen; en die berg werd vuur hen als een heilige berg, waar geen gewuun zundig inensch dicht bij mucht kumen. „Wat zal Gud doen, en wat zal Hij spreken?quot; vroegen zij elkander met bange verwachting.

Tuen de derde dag aanbrak, huui'den zij boven up den berg geweldige donderslagen, zuuals zij nimmer gehuurd liadden. Een wolk, gruut en duister, daalde neder van den blauwen hemel, en ging hangen rundum den tup des bergs, zuudat die tup geheel ingelmld was, en niet kon gezien wurden. Van uit die wolk schoten de bliksemen naar alle zijden; du donder hield niet op; en die gansche berg beefde. „Dat is de Heere!. die op den berg nederkomt!quot; zeide Mozes. En al het volk was verschrikt. Toen klonk te midden van de donderslagen het geluid van een sterke bazuin; men kon dit hooren tot ver, ver heen in do woestijn. „Dat is Gods engel, die Zijn komst uitroept,quot; spraken de menschen stil; en als zij elkander aanzagen, was een heilige vrees in ieders ougen. „Komt, volgt mij!quot; gebuud Muzes, „laat uns, zuuals het betamelijk is, den Heere te gemoet gaan.quot; En

ocr page 182

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

al die menschen, de mannen, vrouwen en kinderen, bewogen zich voort, ackter Mozes aan, naar den berg toe, als menschen, die liever verre waren gebleven, maar die toch moesten, uit eerbied. Aan den voet des bergs stonden zij stil; /ij durfden bijna niet ademhalen; en hun oogen durfden bijna niet opzien; maar als zij opzagen, zagen zij dat de berg rookte, als de rook: van een oven; ook zagen zij, dat de berg als in vlammen stond, vanwege de bliksemen.

Toen was het, dat de Heere God deze tien geboden sprak voor Zijn volk:

Ik ben de Heeio uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

Gij zult u geen gesneden beeld, noch eenige gelijkenis maken van heigeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de-wateren onder de Jiarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Jk, de Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en het vierde lid dergenen, die mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden dergenea, die mij liefhebben, en mijn geboden onderhouden.

Gy zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdeliyk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zün naam ijdellijk gebruikt.

Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods; dan zult gij geen werk 4ioen, gy, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de lleerc den sabbatdag en heiligde hem.

Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in hot land, dat u de Heere uw God geeft.

Gij zult niet doodslaan.

Gy zult niet echtbreken.

Gij zult niet stelen.

Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uw naaste.

Gij zult niet begeeren uws naasten huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezd, noch iets, dat uws naasten is.

Z»ju vreeselijk was het geluid, dat do menschen geliourd hadden, dat zij niet hadden durven blijven staan, waar zij stonden. Zij waren gevloden van den voet des bergs af, naar hun tenten terug. En zij zeiden tot llozes: „Wij kunnen het niet verdragen, dat de Heere tot ons spreekt; ga gij heen, en spreek gij voor ons tot God, en hoor gij voor ons, wat de Heere te zeggen heeft; wij

174

ocr page 183

AFGODERIJ.

sterven bijna.quot; Toen ging Mozes op, naar Gods bevel, den berg op, tot waar daarboven de donkerheid was, en tot waar de bliksemen waren. De raenschen zagen het, en zij verbaasden zich. „Deze Muzes is zeer groot,quot; zeiden zij, „hoe kan iemand het verdragen met God te spreken?quot;

En daarboven op den berg, daar gaf God aan Mozes nog veel andere geboden voor Zijn volk. In een boek schreef Mozes zo later op; en hot verschrikte volk zeide, dat zij die geboden zouden gehoorzamen. Toch was er bij dien schrik tegelijk een hooge blijdschap bij die menschen; want zij wisten nu, dat die God werkelijk hun God was, en dat zij werkelijk Zijn volk waren. „Allo vólken hebben hun wetten van menschen ontvangen,quot; zoo zeiden zij, „maar wij hebben onze wet van God zeiven ontvangen; uit Zijn mond hebben wij het gehoord. Zoo heeft God aan geen ander volk gedaan!quot;

175

en, zoodat zij ze niet meer vergeten konden, maar altijd bij zich

urten tijd hierna moest Mozes op Gods bevel weder den berg op. De Heere wilde aan Zijn volk die wet der tien geboden geschreven

konden hebben. Jozua ging met hem. Maar toen zij zoover op den berg

kwamen, waar tie wolk hing, mocht Jozua niet verder; Mozes ging alleen den berg hooger op, tot waar de wolk hem inhukle. Daar was hij alleen met zijn God; en God sprak daar met hem, van mond tot mond, zooals een man met zijn vriend spreekt. Van beneden uit het dal zagen de Israëlieten de heerlijkheid des Heeren, die wolk, die brandde als een vuur, en toch tegelijk een wolk was met donkerheden. „Is er ooit een man geweest als Mozes?quot; vroegen zij; „hij is daar bij God, en spreekt met Gód; ieder ander zou sterven!quot; En zij verbaasden zich aldoor, en wachtten, welke nieuwe dingen God door Moz'S hun nu zeggen zou.

Maar Mozes kwam dien dag niet beneden. Dat verwonderde hun. Ook den volgenden dag kwam Mozes niet terug. En vele dagen gingen zoo voorbij.

ocr page 184

176

Toen werd het volk ongeduldig, eu uuk angstig. :,Mozes is zeker dood!quot; zeiden zij; „zou die vreeselijke God, die Mozes geduud heelt, ook ons niet gaan dunden? Hij is te vreeselijk om lv dienen. Ouk kunnen wij Hein nooit zien! Laat ons een God hebben, dien wij zien kunnen!quot; Daarom gingen zij tot Aaron die na Mozes de tweede in rang was onder de Isravlielun. Zij vertelden hem hun vrees, en zeiden: „Maak ons een God, dien wij zien kunnen, zooals de heidenen hun goden zien kunnen!quot; Eu hoewel Aaron wist, dat hij verkeerd deed, gat' hij tue. Van het goud, dat de mannen en vrouwen droegen, en dat zij hem gaven, maakte hij een gouden kalt'; en toen liet gereed was, werd het beeld op een bepaalden dag ingewijd met otters, met aanbidding en met dansen.

Het was juist op dien dag, dat Mozes va'n den berg terugkwam; veertig dagen was hij daar boven bij God geweest, en de tien gein (den, die God reeds mondeling aan Zijn volk gegeven had, had Hij hem nu op twee sleenen tatelen geschreven medegegeven•; Muzes droeg ze in zijn handen. Verbaasd was hij over wat hij merkte, terwijl hij aldaalde, en in de vlakte neerzag op de dan-

ocr page 185
ocr page 186
ocr page 187

WETTEN. 179

sonde schare rondom het afgodsbeeld. Toorn kwam in liem op over zulk een schandelijk volk! In zijn toorn wierp hij de twee steenen tafelen stuk, als niet de gedachte: „Deze heerlijke wet zal dat volk niet hebben! Zij zijn haar niet waard!quot; En in het leger tier Israëlieten gekomen verbrijzelde en verbrandde hij het gouden kalf; ja tot gruis liet hij het vermalen, en in het water liet hij dat gruis werpen, dat hij die mensehen beval om te drinken. Ook drie duizend van die afgodendienaars liet hij dooden. En eerst toen liet hij af van verdere straf. „Hun bloed is het bloed, dat wij Clod als een schuldoffer aanbieden,quot; zeide Mozes; „moge de Heere dit volk zijn zonde vergeven!quot; Daar kwam een groote schrik in het leger, schrik met berouw, terwijl zij weenden over hun dooden.

En het gansche volk was in die dagen als menschen, die zich verloren gevoelden onder hun zonde. Mozes wist, dat een volk, dat zich vernedert, genade kan krijgen van Clod. En die genade kwam. Niet vele dagen daarna, en op bet gedurig gebed van Mozes, die als middelaar voor zijn volk optrad, vergaf' God weer alles aan dat volk, zooals Hij in Zijn barmhartigheid ook de vorige zonden vergeven had.

Maar dat volk wist het voor eens en voor goed, dat de eeuwige God van hemel en aarde niet wilde gediend zijn in een vorm of in een beefd, met handen gemaakt.

--o^gt;lt;§-o--

WETTEN.

-)e Heere was niet toornig op Mozes, dat hij de twee steenen tafelen verbroken had. Integendeel; God gaf hem, toen hij nog eens op den Tg klom, twee nieuwe steenen tafelen, waar de tien geboden op ■schreven stonden. Daar was Mozes zeer blijde over; en deze twee bracht hij tot het volk beneden in het dal. De lieden leerden allen die tien geboden van buiten; en binnen korten tijd kende het geheele volk ze; iedereen wist toen, altijd, hoe hij te handelen had; ook voelden zij, dat, als een ieder daarnaar leefde, zij een gelukkig volk zouden zijn. De twee steenen tafelen waren van het eerste oogenblik af in de oogen der Israëlieten de heiligste voorwerpen, die zij bedenken konden. Zij durfden ze bijna niet aanraken.

ocr page 188

180

Als het geen at'guderij geweest was, /uiideii zij er voor geknield hebben; maar zij wisten dat liet niet mocht; en zoo deden zij het ook niet. Toch beschouwden zij ze als Inm grootsten, heiligsten schat, en zij zouden

liever alles verloren hebben, dan die twee steenen.

Op Gods bevel maakten zij een kist, waarin de twee steenen konden bewaard blijven, en waarin zij ze verder door de woestijn gemakkelijk konden meedragen. Die kist was van hout, maar van buiten en van binnen met goud overtrokken, zoodat men het hout geheel niet zien kon. Ook het deksel was van goud; en twee gouden cherubim of engelen stonden bovenop dat deksel, met het aangezicht naar beneden gericht, alsof zij in de kist wilden zien. In deze gouden kist nu werden de twee steenon tafelen bewaard, en altijd meegedragen. Ook werd er een kruik met manna in bewaard, tot gedachtenis aan de wijze, waarop God de Israëlieten in de woestijn gevoéd had. Deze gouden

kist werd nu met zijn inhoud, het heiligste voorwerp, dat de Israëlieten hadden;

„Ark des verbondsquot; werd zij genoemd.

ocr page 189
ocr page 190
ocr page 191

WETTEN. 183

Maar behalve die tien geboden op de twee steenen gaf de Heere nog vele andere wetten aan Zijn volk. Mozes leerde het hun alles, zoon Is God liet aan hem zeide.

Daar moest onder de Israëlieten een deel menschon afgezonderd worden, die niet zooals de andere menschen zich bepaald aan het werk des dagelijkschen levens moesten overgeven, zooals aan akkerwerk, veeteelt of koophandel; maar die bepaald van geslacht tot geslacht zich meer aan de geestelijke dingen moesten wijden; die den dienst van God moesten waarnemen, alsof zij dien tegelijk voor de andere menschen waarnamen; en die bovendien zich meer met de wetenschappen moesten bezighouden, en de andere menschen moesten onderwijs geven. Een heilig geslacht, onder dat volk Gods. Tot die hooge taak riep God den stain van Levi, de Levieten genoemd. Dat was een hooge eer voor die Levieten. En de andere Israëlieten beschouwden hen daarom ook als bijzondere menschen, als veel heiliger dan zijzelven waren.

Onder die Levieten nu waren er weder menschen, die hooger in rang zouden staan dan de gewone Levieten. Dal waren de priesters. Deze zouden meer in het bijzonder den dienst van God waarnemen; schuldoffers brengen op het altaar, als de menschen gezondigd hadden, en alzoo verzoening vragen voor die menschen bij God; of dankoffers brengen op het altaar, als God hen beweldadigd had; ook voor die menschen dagelijks bidden. Iedereen voelde, dat die priesters zeer heilige menschen moesten zijn; en zij werden daarom nog meer geëerd dan de gewone Levieten. „Zij bidden en offeren dagelijks voor ons,quot; zoo zeiden de menschen, „dus wij mogen hnn wel bijzondere achting toedragen. En opdat iedereen het dadelijk zou kunnen zien, wie een priester was, droegen zij een bijzondere kleeding; ook de Levieten hadden een bijzondere kleeding, maar die der priesters was veel schooner.

En onder die priesters was er weer óón, die de voornaamste was: die werd de hoogepriester genoemd. Zijn kleeding was weer veel fraaier dan die van de overige priesters. Als hij aankwam, dan kon iedereen het aanstonds zien, dat hij de hoogepriester was. Want hij droeg een hoofddeksel, waar van voren een blinkende gouden plaat aan bevestigd was, waar deze woorden op gegraveerd stonden: „De heiligheid des Heeren.quot; Op eiken schouder droeg hij een grooten

ocr page 192

BIJBELSOHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

kostbaren sardonixsteen, en daar waren de twaalf namen van de twaalf stammen Israels op gegraveerd. En voor op de borst tegen zijn kostbare kleeding droeg hij een lap, waar twaalf groote edelsteenen van verschillende soort op schitterden, waarop ook weder de twaalf namen der twaalf stammen op te lezen waren. En aan den zoom van zijn mantel van hemelsblauwe kleur droeg hij schelletjes van goud, zoodat iedereen hem hooren kon, als hij aankwam. Zooals die hooge-priester geëerd werd door de menschen, zoo werd er niemand geëerd. Hij was als een middelaar tusschen God en menschen.

En nu werd er verder bepaald, dat Aaron de eerste hoogepriester zou zijn; en als hij gestorven was, zou zijn oudste zoon hoogepriester zijn; en na dezen weer diens oudste zoon, en zoo vervolgens. Priesters zouden zijn de jongere zoons van Aaron, en zijn verdere geslacht. En de overigen uit den stam van Levi waren dan de gewone Levieten. Zoo wilde God het hebben.

Maar behalve deze instelling van het priesterschap onder de Israëlieten, gaf God nog weder vele andere wetten en instellingen.

Zoo maakten zij een draagbaren tempel, waarin zij God zouden kunnen dienen. Zij konden in de woestijn natuurlijk geen vasten tempel bouwen, die voorgoed ergens stond; want zij trokken immers altijd verder, naar het beloofde land. En daarom, dat zij een draagbaren, gemakkelijk te verplaatsen tempel maakten. Deze was dus vanzelf niet groot, maar toch geschikt genoeg, om daar den dienst uit te oefenen, zooals de Heere het van hen hebben wilde. Dat tempeltje was, wat de zijwanden betreft, van planken gemaakt, die met goud overtrokken waren. Het kon dus gemakkelijk uit elkander genomen, verder gedragen, en elders weer in elkaar gezet worden. Een dak was er niet op; er werden slechts gordijnen over heen gelegd; dat was het dak. En één prachtig, kostbaar gordijn hing er midden in het kleine gebouw, zoodat het daardoor in twee kamers gescheiden werd. De voorste kamer was de grootste, en heette: „het Heilige.quot; De achterste kamer was kleiner, en heette: „het Heilige der Heiligen.quot; Dat gordijn heette: „het Voorhangselquot;; en het geheele gebouw werd „de Tabernakelquot; genoemd. Ook deze Tabernakel werd voor hen een zeör heilig voorwerp; zoo heilig, dat in het Heilige geen gewoon mensch mocht binnenkomen;

184

ocr page 193

HET OPZETTEN VAU DEN TABERNAKEL.

ocr page 194
ocr page 195

WETTEN. ] 87

alleen de priesters mochten daar komen; en in het Heilige der Heiligen mocht alleen de hoogepriester éénmaal in het jaar binnenkomen. Voor hot gevoel dei' Israëlieten was het, alsof daarbinnen God woonde, hoewel /ij wel wisten, dat hun groote God niet in een tempel woonde, met handen gemaakt; maar voor him gevoel was het toch zoo,

In het Heilige der Heiligen werd nu de Ark des verbonds geplaatst; die kreeg daar zijn vaste plaats. In het Heilige werd een gouden lamp met zeven armen neergezet; ook een gouden tafel, waar altijd twaalf broeden op lagen, elke week twaalf versche brooden. „Toonbroodenquot; heetten zij, omdat de menschen met die brooden toonen wilden, zooals men dat met een offer toont, dat zij God dankbaar waren voor liet dagelijksche brood, dat zij kregen. „Moge de Heere ons altijd zoo verzorgen,quot; dachten zij daarbij. Die brooden mochten, als zij zeven dagen daar gelegen hadden, door de priesters gegeten werden: maar een gewoon mensch mocht, ze niel eten. Hovend ion was er in het Heilige nog een voorwerp, namelijk een klein gouden a 11 aar; dal was om reukwerk op te branden; en als de zoete geur van hel reukoffer zich door het Heilige verspreidde, en naar boven steeg, dan zeiden de menschen: „Ziel, zoo stijgen onze gebeden ook naar God omhoog, en gaarne heeft God het, dat wij Hem bidden.quot; Het „reukofferaltaar,quot; zoo werd het genoemd.

Buiten den Tabernakel nu was er een groote daaromheen afgepaalde ruimte, waar ieder Israëliet binnen komen mocht, als hij zijn offeranden bracht. De „Voorhof' heette die ruimte. Daar stonden de priesters gewoonlijk, en daar stonden de Levieten, allen in hun bijzondere kleeding; en daar stroomde hot volk samen, des morgens en des avonds, om Itij hel offeren tegenwoordig te zijn. Een groot altaar stond daartoe in dien Voorhof, dal van koper was: daar werden de dieren op geofferd, en alles wat als offer Itesfemd was om verbrand te worden. Hot „koperen brandofferaltaarquot; werd het genoemd. En daar dichlbij stond een eveneens groot koperen bekken, waar de priesters hun handen en hun gereedschappen in waschten, als deze bij het offeren met bloed bevlekt waren geworden. Als de dienst gedaan was, dan breidde de priester zijn handen uit over de menschen en zegende hij hen, en dan liet hij hen huiswaarts gaan.

ocr page 196

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Hot duurde eenigen tijd, voordat de Israëlieten geheel op de hoogte waren van al deze instellingen en plechtigheden en wetten; en voordat zij wisten, hoe zij in alles handelen moesten. Maar langzamerhand leerden de priesters hun alles; en toen begrepen zij ook, wat de beteekenis en do bedoeling was van dezen merkwaardigen dienst. Daar waren er onder, die het zeer goed begrepen. „Als wij daar een schuldoffer brengen, en het daar geslacht en verbrand wordt, dan wil dat zeggen, dat wij eigenlijk zeiven daar geslacht en verbrand moesten worden, omdat wij zulke zondaars zijn,quot; zoo zeiden zij. „Ja,quot; zeiden anderen, „en dan is het tegelijk een vraag van ons aan God, of Hij ons allo zonde vergeven wil.quot; En die den offerdienst geheel begrepen, zeiden; „Zooals dat lam daar bij wijze van oen beeld onze zonde wegneemt, zon zal eenmaal, gelijk God beloofd heeft, de groote Verlosser ons van alle zonde geheel bevrijden.quot; En zoo wekte die gansche offerdienst bij dat volk de begeerte op naar dien beloofden Verlosser. Toch waren er ook velen, die daar niets van begrepen, al stonden zij met hun offers in den Voorhof, Dat volk was soms zoo eigengerechtig, dat zij dachten: „Wat brengen wij God toch veel offers; wij zijn waarlijk brave menschen, en God moet ons wel zeer hoog achten.quot; Bij hen deed de offerdienst juist een tegenovergestelde verkeerde werking. Zoo waren er twee soorten van menschen onder de Israëlieten; sommigen, die door dien dienst eigengerechtig werden; en anderen, die door dien dienst hoe langer hoe ootmoediger werden, en op den Verlosser hoopten; en deze laatsten waren het ware volk van God, zoo zeide de Heere.

De twee mannen, die den Tabernakel met behulp van hun knechten gemaakt hebben, met al de voorwerpen, die daarin waren, heetten Bezaleöl en Aholiab. Zij kregen vanwege hun bekwaamheid en kunst een groote achting bij het volk. En toen alles gereed stond, en hot gansche gebouw door Mozes geheiligd en ingewijd was, toen kwam de wolkkolom van haar plaats, die voor aan het leger der Israëlieten geweest was, naar den Tabernakel toe, en legerde zich op die tent. „De Heere heeft nu duidelijk getoond, dat Hij zich dezen tempel tot een woonplaats gekozen heeft,quot; zeiden de mensehen. En zoo verblijd waren zij over dit alles, dat de oversten des volks op dien dag offeranden brachten van runderen en schapen, en van goud en zilver.

De vreugde over dezen nieuwen eeredienst was bij het volk algemeen; en

188

ocr page 197

189

velen, in hun blijdschap, waren tegelijk beschaamd, umdat /gt;ij dachten: „Ziet, dezen ganschen dienst was God bezig up den berg aan Mozes te geven, terwijl wij om het gouden kalf dansten; wij hebben het niet verdiend.quot;

Nog andere wetten gaf de Heere door Mozes aan Zijn volk.

Zoo werden er vaste feestdagen ingesteld. De eerste feestdag was de wekelijksche feestdag, die op den zevenden dag viel, op Zaterdag. „Sabbatquot; werd hij genoemd; en „rustdagquot; beteekent dat woord. De Heere wilde, dat de mensdien niet altijd door zouden werken. Voor hot lichaam was het goed, dat het zijn behoorlijke rust kreeg; en vour de ziel was het goed, dat er op zulk een dag nog eens aan wat anders gedacht werd dan aan de aardsche dingen. Üok zagen die inon.sehen, die knechten en slaven waren, hier duidelijk uit, dat God hiermede zorgde, dat hun heeren hen niet te veel door ovennatigen arbeid verdrukken mochten. Die Sabbat duurde van Vrijdagavond, als de zon onderging, tot Zaterdagavond, als de zon onderging.

Een andere feestdag, die éénmaal in het jaar gevierd werd, was het Paaschfeest. Zeven dagen duurde dat feest; dan werd de uittocht uit Egypte

ocr page 198

herdacht. Aan den avond gingen zij dan, evenals in dien vreeselijken nacht, weder runduin hun tafel staan, zouals zij tuen uok gestaan hadden. Dan aten zij. evenals tuen, eveneens van een gebraden lam, dat daartue geslacht was; terwijl zij ongezuurd bruutl daarbij nuttigden, met een bittere saus; en terwijl zij met een teug wijn God luol'den en prezen, vuur de veiiussing uit Egypte. De vaders vertelden liet dan aan de kinderen, hue Gud dat tuen gedaan had, updat het jonger geslacht die wonderen Guds nuuit vergeten zuu. Overigens werden de zeven dagen met dank en vruulijkheid verder gevierd. Weinig dachten de- Israëlieten er tuen aan, dat als eenmaal de gruute Verlusser zun gekomen zijn, die aan de vaderen belooid was, Hij eveneens als een lam zou geslacht worden, en dat Zijn blued de uorzaak zun zijn, dat de dood en het uurdeel aan de menschen zouden voorhijyaan.

Een andere heilige dag, die uuk éénmaal in het jaar gevierd werd, was de Gruute Verzuendag. Deze was de meest heilige dag van het gansche jaar. Van zonsondergang tot zonsondergang werd dan gevast; niemand mocht iets

ocr page 199
ocr page 200
ocr page 201

WETTEN.

eten; want het was een boetedag. Aan den morgen, terwijl de gansche vergadering van het volk in den Voorhof en buiten den Voorhof stond, ging de hoogepriester, niet in zijn sohoone kleeding, maar in een eenvoudig wit gewaad, een offerande doen voor zijn eigen zonden en voor de zonden van het geheele volk. Een stier en een ram werden daartoe geslacht, en geofferd, terwijl de hoogepriester met een bekken vol bloed in de hand overal bloeddrnppelen sprenkelde in het Heilige, in het Heilige der Heiligen, nok op het deksel van de Ark des verhonds en daarna ook in den Voorhof. Zoo weid de gansche Tabernakel gereinigd van de zonden, die aan dat heiligdom mochten kleven door de overtredingen, die de hoogepriester en de priesters en de Levieten en de andere menschen in dat Jaar mochten gedaan hebben. Bovendien werden er twee hokken voor de vergadering geslacht; het lot werd geworpen, en op den bok, waar het lot op viel, legde de hoogepriester zijn band, terwijl hij sprak: „Op n leg ik al de zonden des volks.quot; Deze bok werd dan de woestijn ingebracht, en in de wildernis gejaagd, ver, vei' van de menschen weg. „Zóó zijn nn onze zonden ook van ons weggenomen, en ver, ver van ons weggedaan door Clods genade,quot; zeide dan het volk. De andere bok werd dan geofferd, waarna het gansche volk dien dag verder in stilte en heilige gebeden en overdenkingen doorbracht. Die wijs was onder de Israëlieten begreep, dat die geheele plechtige handeling een l»eteekenis had, die zeer vertroostend was. „Zoo zal eenmaal de groole Verlosser, wanneer Mij komt, ook verzoening doen voor alle zonde, en Hij zal eerst onze ware Hoogepriester zijn,quot; zoo spraken zij; en zij verlangden wel eens, dat die groote Verlosser maar spoedig komen mocht.

Een andere leesttijd, dien God door JVlozes instelde, was het zoogenaamde „Sabbatjaar.quot; Telkens het zevende Jaar was een jaar, waarin alle veldarbeid stilstond: gedurende het gansche Jaar werd geen akker geploegd, geen veld bezaaid, geen weiland gemaaid; op de wijnbergen werden geen druiven gesneden om er wijn van te maken: en in de olijlgaarden werden de olijven niet ingezameld. Wat er opgroeide op het veld was voor iedereen, die het nemen wilde. Wat er aan de ranken kwam in de wijngaarden, en wat er groeide aan de olijven, was voor iedereen, die het nemen wilde. Het land rustte dan uit, en dat was goed voor het land. En voor de armen was het ook goed: want die hadden daardoor een overvloed,

13

193

ocr page 202

194

die lien dankbaar stemde veor de wijze wetten, die hun God gegeven liad. „Wij hebben een goeden God,quot; zeiden zij. „zie eens, hoe Hij voor ons zorgt.quot; Dat was hel Sabbatjaar.

Maar eens in de zeven maal zeven jaar, d. K in elk vijftigste jaar, dan was het een nog grooter feesttijd. Dat werd bet „Jubeljaarquot; genoemd. Dan kwam alle eigendom, dat door achteruitgang of armoede verkocht of verpand was, vanzelf weer terug in handen van de vorige eigenaars. Het kon immers voorkomen, dat iemand wegens armoede zijn huis, zijn akker en zijn wijnberg verkoöpen moest; dat was zeer treurig; maar in het Jubeljaar, dan moest het hem alles door den kooper weer teruggegeven worden, en was bij weer eigenaar, zooals te voren; dat was zeer troostrijk. Zoo kwam bet, dat er nooit te veel armen kwamen; en zoo kwam het, dat geld en goed over het geheele volk vrij algemeen gelijk verdeeld bleef; zoo waren er nooit menschen, die al te rijk, en nooit menschen, die al te arm waren. Het kon ook gebeuren, dat iemand, die arm was geworden, zichzelven of zijn vrouw en kinderen als slaaf

ocr page 203

D

W EH W C

H

Q M

O

ocr page 204
ocr page 205

WETTEN. 197

mill een ander verkudil: wanl de slavernij was toen in zwnug', Mnar in lid Jubeljaar moest iedereen vveei' vrijgelaten werden, zueals te voren. En zoo kwam het, dat er een tamelijke gelijkheid onder de Israëlieten gehandhaafd bleef, en de eene stand door een anderen stand niet verdrukt kun worden oj) den duur. Het was een heerlijk gezicht, wanneer do eerste dag van het Jubeljaar begon, en als dan up dien morgen door het gansehe land de ba/uin geblazen werd, want overal werd dan de bazuin geblazen, om dan de slaven te zien, die juichten om hun vrijheid, uii om dan de arme gezinnen te zien, die weer naar hun oude ert terugkeerden, en hel oude huis intrukken.

Zoo was du instelling van het Sabbatjaar en de instelling van het Jubeljaar. Maar vanzelf, dat nog niet in deze woestijnen, en eerst later in het Beloofde Land deze instelling van kracht werd. Allen vonden deze wet van God zeer goed en heerlijk. „Zoo komt er misschien nug eens een tijd, waarin de geheele wereld van armoede en zorg is vrijgemaakt, en waarin allen gelukkig zijn zullen,quot; zoo spraken zij; en die dieper inzicht in de dingen hadden, voegden er aan toe: „Dat zal wel zijn, als de groote Verlosser komt!quot; BiU zij verlangden reeds naar dien tijd, wanneer het altijd Jubeljaar zou zijn.

Nog meerdere en vele waren de wetten, die de Heere aan Mozes gat boven op den berg, op den Sinaï. Maar al die wetten te zamen, zij konden gemakkelijk in twee kleine geboden te zamen gevat en begrepen worden: „Hei) trod lief boven alles, en uw naaste als uzeiven.quot; En als Mozes beneden kwam, wanneer hij op den berg geweest was, dan glinsterde zijn aangezicht. „Dat komt, omdat hij bij God geweest is, en met God gesproken heeft,quot; zeiden de menschen; en zij konden hern niet goed aanzien; zijn aangezicht glinsterde als het aangezicht van een engel. Daarom hing hij een sluier over zijn gelaat, totdat zijn gelaat weer was als van een gewoon mensch.

Wat daar bij den Sinai gehemd was, hebben de Israëlieten nooit vergeten. „Daar hebben wij gezien, dat God ons als Zijn volk heeft uitverkoren,quot; zeiden zij; en zij zeidon het als menschen, die het hoogste geluk gevonden hadden.

ocr page 206

KIBROTH THAAVA.

een langdurig veriili.jt bij dien gedenk waardige n berg gat Gud aan Ti^f' ,jt, israC'lielfii liet teeken van vertrek. De wolkkolom, die zoo lang op den tabernakel gerust had, hief zich op, en het volk wist, dat de

' ^

tijd van verder reizen weer gekomen was.

Eer dat zij echter optrokken, werd nog eerst het gansche volk geteld. De eene stam na den anderen stam kwam voor Mozes en Aaron; en hoofd voor hoofd werden zij geteld, namelijk de mannen alleen. Het bleek toen dat, zonder den stam van Levi, htm getal (508..mU was. Het getal der Levieten was 22.273. Had men de vrouwen en kinderen medegeteld, het geheele getal van het gansche volk zon omstreeks drie nhlliocn geweest zijn.

Van Sinaï ging het noordwaarts. Die menschen waren nog geen drie dagen, de woestijn ingegaan, of de rei zo verdroot hun reeds. ,, Alweer een woestijn, altijd een woestijn!quot; zoo spraken zij, ..zal het dan nooit ophouden? Wanneer komen wij toch in Kan aan?quot; Bij de eene booze gedachte voegde zich de andere. Men begon vergelijkingen te maken tnsschen het leven, zooals zij het nu hadden, en het leven zeoals zij hel in Lgyple gehad hadden. „Hebben wij het nu wel beter dan toen?quot; zoo klaagden zij; ,,in Egypte hadden wij ten minste beter voedsel; daar aten wij visch bij ons brood, die visch hadden wij om niet; ook hadden wij daar komkommers, en pompcienen, en uien en zooveel meer; maar hier, wat hebben wij hier anders dan altijd datzelfde manna? Is het niet vervelend,

altijd dat eentonige brood?quot;

Mozes hoorde het, en hij begreep niet hoe dat volk weer zoo spoedig tegen God murniureeren kon; die menschen hadden nog pas voor weinige dagen de wonderen van Sinaï gezien. En Mozes voelde, dat God met ingehouden toorn tot hem sprak, toen God zeide: „V\ il dit volk vleesch? Welaan, ik zal vleesch geven; en niet één dag, of vijf dagen, of tien of twintig dagen, maar een geheele maand zal ik hun vleesch geven, tot zij hot niet meer willen.quot; Mozes voelde, dat de Heere hier een gave zou gaan geven, met een straf vereenigd, die weer zwaar zou neerkomen op het booze volk. Hij wachtte met verbazing af, wat God doen zou, en met vrees tegelijk.

ocr page 207
ocr page 208
ocr page 209

KT BROTH Til A A VA.

Daiir kwam et-n wind up van den kaiil, waar do zcf was; en mei dien wind werden wederom een menigte kwakkelen medegevoerd, zooals God nog eens vroeger gedaan had. Die trekvogels, van hun verre gewone jaarlijksche reis liierlum gekomen, waren zoo imu'de, dat zij legen den harden wind niet opkonden, maar door dien wind medegevoerd werden: zij waren/00 moede, dat zij uit de lucht neerstreken, op den grond, en geen kracht hadden om te ontvluchten. Zoo groot was dat getal, dat naar welke zijde de Israëlieten uitzagen, zij den grond er mede bedekt zagen, zoover zij zien konden. Alsof zij uitgehongerd waren, stortten die menschen zich op die vogels, en zij aten van hun vette vleesch, alsof zij niet konden verzadigd worden. Ook verzamelden zij er van, die zij in de zon droogden, om ook de volgende dagen er genoeg van te hebben.

Maar na die gave kwam Gods slrat. Die menschen hadden nauwelijks de vogels gegrepen, en hel vleeseh or van rauw in den mond gestoken, of een ziekte hrak uit, een ziekte, die hinneii weinige dagen duizenden van hen ten grave sleepte. Toon kwam er een groote rouw in het leger. Do dooden werden in het woestijnzand begraven; en zooveel graven verhieven zich daar toen, dat die plaats een reusachtig kerkhof geleek. Sedert noemden zij die plek Kibroth-Thailva. „Lustgravenquot; beteekent die naam. Zij waren blijde die plek weer te verlaten, en verder te reizen.

201

En zoo togen zij verder, van dag tot dag, zooals tie wolk en de vuurkolom hun dat aanwees; altijd noordwaarts, vele, vele dagen; door het zand, over de steonen, onder een heete zon; dan eens de zegeningen huns Gods ervarende, en dan weder Zijn bestraflingen, maar altijd meer Zijn zegeningen. Als zij uittekenden, hoelang hot reeds geleden was, dat zij uit Egypte gegaan waren, dan zeiden zij: „liet is nu al bijna twee jaren, dal wij op reis zijn.quot; — „Wij moeten nu toch niet ver meer van Kanaan af zijn,quot; zoo zeiden de mannen tegen de vrouwen en de kinderen. En inderdaad was het ook zoo. Het leger stond dicht bij de grenzen van het Beloolde Land. Daar kwam blijdschap bij het gansche volk, dat het lange trekken door de woestijn zeel moede was.

----------0-^x^-0-

ocr page 210

BIJ DE GRENZEN.

i daar waren nu tie Israëlieten gelegerd. Voordat zij het Beloofde Land introkken, om het in bezit te nemen, zonden zij op Gods bevel ver-6 spieders uit, om het land te verkennen. Deze mannen moesten dat land ingaan, en doorwandelen, om te zien wat voor een land het was; om te zien of de steden sterk waren% en ot de menschen veel en sterk waren, en langs welken weg het aan te raden zou zijn om dat land binnen te vallen. Dit was voor die mannen geen gemakkelijk, maar een zeer gevaarlijk werk; want het kou licht geschieden, dat zij door de bewoners als vijanden gevangen genomen zouden worden, en ter dood gebracht. Evenwel waren zij er gaarne toe bereid. Twaalf mannen werden daartoe gekozen, uit eiken stam één; en dappere mannen waren het; Jozua was een van hen.

Getrouw aan hun taak, volbrachten zij hun werk. Voorzichtig, om geen achterdocht te wekken, en tegelijk moedig, liepen zij noordwaarts het land Kanaan in, en verder door de velden, en door de steden en dorpen, tot Hebron toe. Zij waren verbaasd over alles, wat zij zagen, en over de schoonheid des lands. Zij kwamen tot in het dal van Eskol, en konden niet genoeg zien naar den rijkdom der weelderige natuur. Daar strekten tegen de bergen de wijngaarden zich uit; zij proefden en aten van de zoete druiven, en hadden nooit zulke trossen gezien. Een groote rank sneden zij daar af, vol druiven; die wilden zij medeneinen, om aan hun volk te toonen; en over een stok, tusschen twee man droegen zij die. In de dalen zagen zij akkers met graan, en zij aten weder eens gewoon brood; dat hadden zij in lang niet gedaan; wat stonden die akkers welig! Uveral zagen zij tusschen de boo men de heerlijkste vruchtboomen, en zij aten van de rijpe vijgen, en van de granaatappelen; ook namen zij er van mede, om aan hun volk te toonen. En bloemen, bloemen groeiden er overal, in prachtige kleuren, vooral, waar de beekjes tusschen de akkers door vloeiden, met helder water over gladde steenen. Dat was toch alles anders dan de vreeselijke woestijn!

D

^ Jegen de zuidelijke grenzen van Kanaan lag de woestijn Paran; en

ocr page 211

Wat zij echter tegelijk zagen, dat was, dat de steden zeer sterk waren, met dikke inureh; zij begrepen wol, dat zij niet gemakkelijk in te nemen zouden zijn. Ook de mensehen waren een sterk geslacht, reuzen van gedaante, en wel gewapend; die Kanaanietcn geleken allen up helden, die den strijd liefhadden. Sommigen van de verspieders zeiden: „Wij zullen dat land nooit kunnen veroveren.quot; Maar anderen van hen zeiden: „Waarom niet, als de Heere met ons is?quot;

Zoo, met een dubbele gewaarwording, keerden de1 verspieders tot hun volk terug. Zij waren veertig dagen weg geweest, en hadden menig gevaar geloopen, maar kwamen veilig behouden bij het leger der Israëlieten terug. Uit honderden monden klonk hun een hartelijk welkom toe. „Verhaalt ons,quot; riepen allen tegelijk, „verhaalt ons, hoe het land is, dat wij krijgen!quot; En die verspieders verhaalden hun alles; eerst van de heerlijkheid van het land, dat als van melk en honing overvloeide. Die naar hen luisterden, konden hun ongeduld bijna niet bedwingen; zij zouden dienzelfden dag wel dat land hebben willen binnen-

ocr page 212

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

trokken, voural toon /ij de vrucliteii /:igen, die medegchrarlil. waren. Maar daarna verhaal den die verspieders Inin van de sterke steden en de reuzen die zij gezien hadden : dat was als werd hun de hlijdsdiap plotseling geheel weggenomen.

Kalei), een van de twaall' verspieders, zag den indruk dien dit verhaal op hel volk maakte, en sprak het volk moed in. „Dat land zullen wij toch hebben,quot; zeide hij, „God is immers met ons!quot; En van dat gevoelen was ouk Jozua, de dappere. Maar de tien andere verspieders spraken in een anderen geest. „Neen,quot; zeiden zij, „dat zal nouit gaan, dat volk is Ie sterk,quot; en zij verhaalden weer van de groote steden en van de reuzen; „wij waren er sprinkhanen bij,quot; zeiden zij. Wat de tien zeiden was van grooteren invloed up het volk, dan wat de twee zeiden.

Toen ging er een stem van vrees ui» bij het volk, een stem van teleurstelling, van boosheid, van verontwaardiging, van wrok. „Waar is Mozes, en waar is Aiiron?quot; riepen zij, „zij hebben ons misleid!quot; En zij drongen op Mozes en Aaron aan, die dicht bij den Tabernakel stonden. „Zegt, hadt gij ons niet in Egypte kunnen laten?quot; zoo schreeuwden zij, „hebt gij ons daarvoor hier gebracht, opdat wij hier door het zwaard van die reuzen zonden vallen, wij en onze vrouwen en onze kinderen? Heeft God dat met ons voor gehad? Wij laten ons niet langer misleiden; naar Egypte willen wij terug, hoort gij?quot;

Mozes verschrikte bij het aanhooren van zoo zondige woorden. „Wee!quot; dacht hij, „als de Heere deze woorden boort, en die booze menschen gaat straffen! Wee hun!quot; En als een goed man zeide hij tot Aaron, den hoogepriester: „Kom, laat ons aanstonds voor dit dwaze volk bidden, eer God in Zijn toorn het mocht verteren!quot; En hij en Aiiron, zij wierpen zich op den grond, met het aangezicht, ter aarde, en baden om vergitfenis voor die groote zonde van hun volk. Ook Jozua en Kaleb, die twee goede verspietiers, zij voelden, dat het volk bezig was zijn eigen verderf uit te spreken. Zij sprongen midden onder de menschen; 5?ij bestraften hen; zij waarschuwden hen; zij wezen hen op de dwaasheid van hier bij het einddoel hunner wenschen nu plotseling te willen terugkeeren; zij wezen hen op de machtige hulp Gods.

Maar niets hielp. Noch hun goedheid, noch hun dreigen baatte iets bij dat opgewonden volk; het schreeuwde nog luider; het schreeuwde nog boozer;

l'OI

ocr page 213
ocr page 214
ocr page 215

BT.T DE GRENZEN. 207

en de brutaal,sten onder hen drongen reeds naar voren, naar waar Jozua en Kaleb stonden, en namen reeds steenen van den grond op, om hen te

steenigeri--toen plotseling als een donderslag de stem Gods in den Tabernakel

gehoord werd tot Mozes. „O Mozes! tenzij gij daar gebeden hadt. Ik zon dit volk verdelgd hebben!quot; zoo sprak de Heere tot hem, die als een middelaar weer gepleit had om genade voor die dwaze lieden, en die op zijn voorbede nu verhooring ging vinden; ,,o Mozes! omdat gij om vergeving voor hen gebeden hebt, Ik vergeef het hun! ga heen, en zeg het tot dat volk; maar zeg hun tegelijk, dat Ik een straf' op hen leggen zal naar hun eigen woorden. Zie, terug wilde dat volk, naar Egypte terug: zeg hun, dat zij nu ook terug zullen op den weg, dien zij gekomen zijn, en dat zij dit beloofde land nu ook niet binnen zullen komen in der eeuwigheid! Al die mannen, die daar zoo geroepen hebben, die twintig jaren oud zijn en daarboven, zeg het hun, dat zij zullen sterven in de woestijn, hi dat Ik dit land niet eerder tot een erfenis voor hun kinderen geven zal, dan wanneer de laatste van hen zal gestorven zijn! Alleen Jozua en Kaleb, die twee, die goed van mij gesproken hebben, zullen in het land binnenkomen! Eerst als het omzwerven door de woestijn, die nn hun woonplaats zal zijn, veertig jaren zal geduurd hebben, eerst dan zal Ik het jonge geslacht, als een nieuw volk, in mijn land binnenbrengen. Zeg het hun; en nu, terug naar de Schelfzee!quot;

Het volk had de woorden Gods tot Mozes niet verstaan, en Mozes moest, van den grond opstaande, ze hun bekend maken. Maar toen Mozes ze gezegd had, en nauwelijks uitgesproken had, toen vielen die tien verspieders, die slecht gesproken hadden van God, dood neder door een plaag des Heeren getroffen. Het volk beefde, om wat het zag, en was ontsteld om wat het hoorde. Zij vloden terug naar hun tenten, en dien ganschen avond, en dien ganschen nacht treurden zij, als menschen, die spijt hadden een overgroote dwaasheid begaan te hebben. Waar de menschen bij hoopen bleven staan praten, zeiden zij, dat Jozua en Kaleb toch eigenlijk gelijk hadden gehad, en dat een terugreis door de woestijn het ergste was, wat hun overkomen kon: neen, dan zouden zij morgen toch liever maar den strijd tegen de reuzen beginnen, en het land binnengaan.

Toen do zon oprees, gingen zij tot Mozes. „Wij hebben berouw, dat wij

ocr page 216

208 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

tegen den Heere gezondigd hebben,quot; spraken zij; „wij zijn nu bereid des Heeren wil te doen, en het land binnen te trekken; zie, wij hebben onze wapens bij ons, wij gaan ten strijde!quot; — „Is dat des Heeren wil, dat gij dat land binnentrekt?quot; vroeg Mozes; „des Heeren wil is, dat gij de woestijn ingaat terug naar de Schelfzee; heb ik het u niet gezegd?quot; En Mozes bestrafte hen, omdat zij valsch en huichelachtig den schijn aannamen des Heeren wil te willen doen. „Wij gaan toch!quot; zoo riepen zij, en zij zwaaiden met hun zwaarden. ,,Ik zal niet met u mede gaan,quot; riep Mozes, „en de Ark des verbonds zal ook niet met u mede gaan! Van dezen tocht zult gij geen voordeel hebben.quot;

Dat volk trok inderdaad eigenzinnig de bergen in, daar vóór hen, Kanaan binnen, zoo zij dachten, om het te veroveren. Maar voor de avond inviel, waren zij vluchtende terug. De Kaïii'lanieten en de Amalekieten in die bergen hadden hen zoo wel ontvangen, dat zij met bebloede koppen terugkwamen.' Veel dooden hadden zij achtergelaten: en in dien avond, voor hun tenten hun wonden verbindende, beklaagden zij zich te laat den wil Gods niet gedaan te hebben.

Den anderen dag verhiel' zich de wolkkolom, en wees hun den weg zuidwaarts, weer naar de woestijn terug. Al het volk volgde. Daar was groote mismoedigheid onder al die menschen. Als de kinderen, in hun onwetendheid, het aan hun ouders vroegen; „Maar waarom gaan wij nu weer naar die vreeselijke woestijn terug?quot; schaamden de ouders zich om het aan hunkinderen te zeggen, dat het door hun dwaze eigen schuld was. Met gebogen hoofd, met langzamen gang, schreden zij zuidwaarts. Die mannen wisten, dat zij, wat vroeger of later, in die woestijnen ergens hun graf zouden vinden.

-----0-^(^-0- ----

DE RONDZWERVINC.

y -

00 mismoedig als zij nu door de woestijn trokken, en rondzwierven, zonder bepaald doel, van dag tot dag, en van maand tot maand, zoo mismoedig waren zij nog niet geweest. Zij hadden geen doel meer, met h\' hun trekken, alleen Gods doel werd vreeselijk vervuld. Als er iemand

ocr page 217
ocr page 218
ocr page 219

DE RONDZWERVING. 211

stierf, ergens op de reis, en vuur iiem een gral' gegraven werd, dan zeiden de andere mannen: „Zoo /allien wij ook ergens hier begraven worden; het Beloofde Land zien wij niinnier. Wij mannen, moeten allen /uu sterven, en hier begraven worden, voordat onze jongelingen het Beloofde Land als een erfenis krijgen!quot; En in dio mismoedigheid zwiert het volk weer verder.

Op hun druevigeii lucht verder rundzwerveinlc, kwamen de Israëlieten in de woestijn Zin, en daar legerden zij zich te Kades. Daar stierf ook Mirjam, de zuster van Wuzes, en daar werd zij hegrnven. JVIuzes was zeer bedroefd om den duud van haar, die eens, luen hij nog een klein jongske was, niet zulk een zusterlijke truuw ij ij het biezen kistje gewaakt had, dat tusschen het riet lag, totdat de kunings(!u(;hter kwam.

Daar iu de wuestijn Zin was er wederojn geen water voor het volk. Het was \\eei evenals die eerste maal te Massa, toen allen dachten, dat zij zouden sterven van den dorst. Vreeset ijk stond weer het volk tegen Mozes op. Waren wij maar gestorven,quot; zeiden zij, „toen de anderen van ons stierven: want nu moeten wij toch omkomen! Wij hebben het u al zou dikwijls gezegd, en wij zeggen het nog: waarom hebt gij ons niet in Egypte gelaten? Is dit nu het mooie land, dat gij ons voorgespiegeld hebt? Is er hier koren; groeien er hier vijgen en wij nth ui ven en granaatappelen? Zeg, hebt gij getugen tegen ons, gij verleider?quot;

Zooals altijd, Mozes ging weder met zijn zorg tot God, en bad weer; en zooals altijd, de Heere hielp hem. „Gaat evenals de vorige maal naar de steenrots,quot; zeide God, „en spreekt tegen die rots, gij en Aaron; Ik zal water geven.quot;

Al de menschen riep Mozes bij de rots bijeen; en in zijn toorn bestrafte hij hen. „Hebt gij nog geen vertrouwen in mij, en in Aaron?quot; zoo riep hij; „zulten wij water voor u uit deze steen ruts laten uitvloeien? Ziet, wat wij immers kunnen!quot; En in zijn verontwaardiging was het vuur zijn gevoel, alsof de menschen met hun woorden meer tegen hem en tegen Aaron dan tegen God gezondigd hadden. En in het gevoel van eigen macht, niet in het gevoel van Gods kracht, stond hij hoog bij tie rots, en sloeg hij die met zijn staf twee maten.

Water sprong er uit de rots, en dorstige monden dronken er gretig van.

ocr page 220

212 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

„Die Mozes is groot, en Aaron is groot!quot; riepen de menschen, en zij gaven aan die twee menschen de eer van het wonder; daar waren er niet veel, die er aan dachten, dat God de eer van het wonder moest hebben. Ach! die groote Mozes, liier had zijn toorn hem verleid om in eigen kracht te grout van zichzelven te denken! „Zijl gij grout, o Mozes?quot; zeide daarom de Heere daarna tot hem: „gij hebt in nzelven geloofd en niet in mij; evenwel heb Ik n niet willen beschamen, terwille van den dorst van het arme volk, en Ik heb water gegeven. Toch hebt gij mij zoo mijn eer geroofd; gij heb! mij niet geheiligd voor de oogen des volks. Daarom, zie, ook gij en Aaron zult het Beloofde Land niet binnengaan. Sterven zult ook gij beiden, in de woestijn. Uw straf is dat!quot;

Dat was als een donderslag in de ooren van Mozes; maar hij voelde, dat hij gezondigd had, en dat de straf rechtvaardig was. Vele dagen liep hij, met de smart in zijn hart, en met de smart op het gelaat. Geen glinstering, evenals bij den berg Sinaï, lag op dat aangezicht, maar een schaduw van verslagenheid, evenals bij een mau, die berouw heeft en boete-wil doen voor zijn kwaad. Bij al die droevige en sombere menschen, die hun tocht rondzwervende voortzetten, waren nu ook die twee mannen, Mozes en Aaron, somber en droevig. Toch wenschte die edele man zijn dood niet. „Mocht ik nog zoolang leven,quot; dacht hij, „totdat ik ten minste mijn taak vervuld heb, en dit volk weer op Gods tijd bij de grenzen van het land gebracht heb.quot; Die plaats, waar het water uit de rots gekomen was, noemden zij sedert dien dag Meriba. „Twistwaterquot; beteekent dat woord. Die naam was hun een herinnering aan hun zonde, omdat zij daar met God getwist hadden.

En daar ging de droevige tocht weer verder. Zij kwamen bij den berg Hor; deze lag op de grenzen van het land der Edomieten. Hier werd door God aan Aaron bekend gemaakt, dat zijn tijd van sterven gekomen was.

Op Gods bevel gingen hij, en Mozes, en Eleazar den berg op. Eleazar was de zoon van Aaron. Boven op den berg deed Aaron zijn hoogepriesterlijke kleeding af, en Eleazar deed die hoogepriesterlijke kleeding aan. En daar stierf Aaron, en werd hij door de twee mannen begraven. Toen die twee weder van den berg afkwamen, en hut volk Eleazar zag, met de hoogepriesterlijke klèeding

ocr page 221
ocr page 222
ocr page 223

DE RONDZWERVING-. 215

zijns vaders aan, wisten al de mensclion, dal deze man in zijns vaders plaats hoogepriester geworden was; en nieniand weigerde hein als zoodanig de eer te geven, die hem toekwam. Daar was groote rouw hij hot volk over Aaron's dood, dertig dagen. En Mozos was meer bedroefd dan een van hen; want hij gedacht, hoe trouw Adron, op één enkelen keer na, altijd aan zijn zijde gestaan had in zijn moeilijke taak, van het begin af.

Daai stieiven van dag tot dag steeds menschen, de ouden: en iedereen van hen wist het bij zichzelven, dat de dood in de woestijn hun straf was voor hun ongeloovigheid, toen zij „hij de grenzenquot; gestaan hadden.

En altijd ging de sombere tocht weer verder. Zuidwaarts ging het nu, naar de Koode Zee terug, alsof zij naar Egypte terugkeerden.

Het verdriet des volks kreeg weer de overhand. Alweer kwam de klacht over de lippen, de oude klacht: „Waarom zijn wij toch uit Egypte gegaan?quot; Zij konden zich niet bedwingen. En een nieuw boos woord kwam daarbij: „Onze ziel walgt van dit zeer lirlite brood. Het manna begon hun te vervelen; zelfs Gods weldaad werd hun een aanstoot: en bitter waren de ontevreden gemoederen.

Een vreeselijke straf volgde. Slangen kwamen overal lussdien de steenen en tusschen de rotsen uit. En die slangen waren vergiftig in baar beet: dat

vergif was even scherp als de giftige woorden, die van I.....' tong gekomen

waren. En die slangen verschenen in zoo groote menigte, dat men ze niet ontwijken kon: zij waren overal. En de mannen, vrouwen en kinderen stierven, kermende op den grond. De vrees dreef de menschen op, maar zij wisten niet waarheen te vluchten. Hun eenige toevhicht was tot Mozes, en zij riepen: „Wij hebben gezondigd; bid voor ons, dat God die slangen wegneemt!quot; En Mozes had weer voor die menschen. De Heere was, als altijd, weer genadig.

Op Gods bevel maakte Mo/es een slang, zooals die, welke over den grond kropen; van koper maakte bij haar. Op een hoogen stang bevestigde hij haar; en die stang plantte hij in de aarde. Van alle zijden in bet leger kon men de koperen slang zien, hoog in de lucht, „Al wie gebeten is,quot; zoo riep Mozes, „zie op naar deze koperen slang; God heeft gezegd, dat wie opziet.

ocr page 224

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

genezen zal!quot; En daar waren er die het woord van God geloofden, en zij zagen op in hun smarten, naar de koperen slang; en hun geloof werd niet beschaamd, zij werden genezen. Alleen wie niet geloofde in het woord, dat God gesproken had, zag niet op en stierf in zijn smarten. Zoo werd het geloof een redmiddel Gods tegen de vergiftige slangen.

Weinigen van hen konden denken, dat later, als de Verlosser zou gekomen zijn, Hij ook eens aan een kruis zou verhoogd worden, en dat, die in Hem geloofde, ook door het geloof zou verlost worden van de krankheid der zonde.

Alzoo, met zulke gebeurtenissen, ging de reis van jaar tot jaar. Het waren reeds tien, twintig, dertig jaren, dat zij zoo rondzwierven; het werden reeds bijna veertig jaren. Kn langzamerhand waren zij gestorven, de mannen die twintig jaren oud en daarboven geweest waren, toen zij „bij de grenzenquot; gestaan hadden. Die woestijnen waren een reusachtig kerkhof geworden; en als de Israëlieten, in hun zwerven, weer eens op dezelfde plaats kwamen, waar zij al eens of meermalen geweest waren, dan zagen zij de graven, waar bun dooden lagen. Zoo was er een oud geslacht voorbij gegaan, en een nieuw geslacht opgekomen.

De tijd naderde, dat zij het Beloofde Land weer zouden mogen naderen, en in bezit nemen. Daarom wees de wolkkolom eindelijk den weg naar bet noorden, en nog noordelijker, een weinig naar het oosten. Zij wisten toen, dat het Beloofde hand nu reeds links van hen lag. Als de wolkkolom nu eens links mocht wijzen? En waarlijk, zie, daar ging de wolkkolom links; dat was westwaarts! Dat was naar Kanaü,n! Sombere oogen zagen weer blijden en op de van weer en wind verweerde donkere aangezichten blonk weer de glans der hoop! Zij voelden: bet einde der omzwerving ging komen!

Van bel oosten ditmaal kwamen zij Kanatln nabij.

Maar voordat dit ging geschieden, maakte God aan Mozes bekend, dat zijn einde nu ging naderen. Mozes wist het, dat hij het land Kanaan niet mocht binnengaan : hij bad altijd met berouw aan zijn zonde bij Meriba gedacht.

210

ocr page 225

MOZES NEEMT AFSCHEID VAN ZIJN VRIENDEN AAN DEN VOET VAN NEBO.

ocr page 226
ocr page 227

219

Op (Inds lifvrl voi-p,';i(l('r(l(i hij al liet vnlk. Zij w.ircn lofii liij den berg NoIk», die in lid l.-uid Ins, «lat nan do MoaliiHcn lielioord had. Vonr al hct vcMy.aini'ldc vnlk slcldn liij .Ihzum in /.ijn plaats aan, en sprak hij .loziia loc. Daar was in lii'l sansclic ji^cr niemand, die lo^en dii' kens (ipkwani: wanl zij ccrdcii en hi'iiiindcn allen den dapperen lield^. die mi reeds in nieiiisen slrijd ^vlnnnd had, welk een \vijs, en x'room en iiinedi^ man liij was. Daarna sprak Mn/,es hel fi'ansehe volk aan mei een lan^e redi1, waarltij hij hel vermaande met krachtige wonrden, nm aan (lod ^ntrnnw te Mijven en Zijn seluiden na te kmnen. „Amen!quot; zon riep het gansr.he volk telkens daar tusschen in: waarmede zij eendrae|iti°; te kennon wilden geven, dat zij zouden doen, zooals liij ium Zeide.

Beneden aan den berg Nebo nam hij een laatste afsrlieid van zijn trouwste vrienden; en toen toog hij, met zijn staf in de hand, alleen den berg op. De mannen heneden zagen hem na, dien grijsaard, tot zij hem niet meer zien konden, en konden niet gelooven, dat zij hem voor het laatst gezien hadden.

ocr page 228

220 BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

Daar boven zag Mozes, op den top van den berg, Pisgah, in een heerlijk vergezicht, naar alle zijden het.sclioone Beloofde Land, dat God nu aan Zijn volk ging geven. Hij zag het; hij zag het, zonder het binnen te gaan. En toen stierf hij. (1451 v. C.)

Niemand van de mannen zijns volks heeft hem wedergezien. Ook vonden zij nergens zijn lijk, noch zijn graf. „God heeft hem begraven,quot; zeiden daarom de Israëlieten later.

Zij droegen grooten rouw over hem, dertig dagen. Hij was honderd twintig jaren oud geworden; maar hoewel hij zoo oud was, zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan. Zij beweenden hem als iemand, van wien /.ij wisten, dat zij zonder hem nooit den tocht door de woestijn hadden kunnen maken, en die nooit meer zijns gelijke zou hebben.

IN K A N A A N.

1450 v. C.

den dood van Mozes, kreeg .lozua van God aanwijzing om, de Jordaan over, het Beloofde Land binnen Ie trekken. Hij liet alle nan zich gereedmaken, opdat over drie dagen de tocht beginnen kon. Iedereen was verlangend om den voet te zetten in het land, waar Abraham, [zaak en Jakob, hun eerste vaders, gewoond hadden.

Die drie dagen gebruikte .lozua bovendien om berichten in te winnen aangaande den besten weg, dien zij aan de andere zijde van de Jordaan zouden kunnen inslaan, en aangaande de eerste stad, waar /.ij voor zouden komen te staan. Jericho was die stad. Daartoe zond hij twee verspieders uit, die moedig de gevaarvolle taak op zich namen, en die zeiden geen vrees te kennen.

Die twee verspieders kwamen in de vijandige stad Jericho, en alsof zij gewone burgers van die' stad waren, wandelden zij de straten door, en de muren langs, onderwijl ongemerkt alles nauwkeurig opnemende, wat dienstig kon zijn, als Jozua de stad kwam belegeren. Toen de avond inviel.

ocr page 229
ocr page 230
ocr page 231

IN K ANA AN. 223

zocliten en vonden zij herlierg l»ij (jt!n vrouw, die Rachab heette, en daar wilden zij slapen.

Tuch was linn gang duur de stad niet unupgeinerkt gebleven. Aan den koning van Jericho was geboodschapt geworden: „Daar zijn twee spionnen van de Israëlieten in de stad gekomen, en in het huis van Rachab, daar slapen zij.quot; Daarom, dat dienzelfden avond krijgsknechten van den koning aan de dotir dier vrouw klopten om dc beide verspieders gevangen te nemen. De vrouw zag hef gevaar van de beide mannen, en wist dat zij morgen sterven moesten. Van barmhartiglieid bewogen verborgde zij hen op het dak van haar huis. Dat dak was, even als van alle Oosterse he huizen, plat; en daar, onder wat vlas, dat er lag, verborgde zij hen. Dat had zij met haast gedaan. Eerst toen stond zij de krijgsknechten te woord: „Zeker zijn zij hier bij mij geweest, die twee vreemde mannen, maai vooi het uui, waarop altijd onze stadspoort gesloten wordt, zijn zij weer heengegaan; lang zijn zij dus nog niet weg, gij zult hen gemakkelijk kunnen achterhalen.quot; En door de list van die vrouw misleid, haastten die krijgsknechten zich weg, de stadspoort uit, den weg op, die naar de Jordaan, en naar Jozua's leger leidde.

Toen het geheel donker was geworden, klom Rachab naar het dak, waaide twee mannon waren. „Vlucht nu,quot; zoo zeide zij, „maar langs een anderen weg, den andoren kant uit, opdat die krijgsknechten, wanneer zij straks terugkomen, u niet untmooten. Hier is een touw; van uit mijn venster daalt gij op eens buiten den stadsinuui. De twee verspieders stonden verbaasd over die vrouw. „Ik heb u het leven gered,quot; zeide zij verder, „maar red nu mijn leven ook, als gijlieden terugkomt om deze stad in te nemen. Want ik weet, dat uw (rod, die machtiger is dan allo goden, deze stad en dit gansche land iu uw bezit zal geven. Dat weten wij hier allen, en een groote vrees is over ons. Daarom zweert mij, dat gij mijn leven zult sparen.quot; Dat zwoeren de twee vei spiedei s met blijdschap. „Maar opdat al onze w ape n broede i 's weten zullen, welk huis hot uwe is,quot; zoo spraken zij, „moet gij tegen dien dag ditzelfde koord, waarmede gij ons aflaat, buiten uw venster hangen, dan zal u en uw huis geen leed geschieden.quot; Het was een rood koord.

Toen daalden zij af, dankbaar aan die vrouw, die zoo hun leven gered

ocr page 232

had. Langs een grootën umwog duur de liergeu kwamen zij eindelijk behuuden in het leger van Jozua terug. Alles verhaalden zij, en tegen iedereen zeiden zij: ,,Wij nemen die stad en dat land zeker in, want die menschen vreezen ons!quot; Dat Verhuogde zeer den moed der Israëlieten.

Den volgenden dag brak het leger up.

Om Kanaftn binnen te komen, muesten zij de groote rivier de Jordaan uver. De struum was zeer gezwellen. Hoe zuuden zij er door? In aller oogen kon men de vraag lezen, maar niemand wist het antwoord op de vraag. Voor sterke mannen zuu het een waagstuk geweest zijn door die gezwollen wateren te zwemmen, — hoe zuuden hun vruuwen en kinderen door die diepte heenkumen? Niemand wist het; zij waren als menschen, die in den blinde liepen, op Gods bevel.

Voor den stroom gekomen beval Jozua, — en het was de Heere, die hem gezegd had alzoo te doen, — dat de priesters voorop moesten gaan, met de Ark des verbonds in hun midden.- Zij moesten op het water tueluupen.

ocr page 233
ocr page 234
ocr page 235

IN KANAAN. -227

alsot or g'een water was. Do Heero zou een wonder doen. En al liet volk moest up een afstand hen volgen.

Daar gingen de priostors, niet do Ark dos vorhonds op hnn schouders. Hun geloof was gewekt. Daar zetten zij den voet in hot water, — en het water week voor hen uit, die voeten gingen op het droge. Al verder gingen zij tot in het midden van de rivier; die wateren woken; on toen zij daar stand hielden, mot tie Ark des vorhonds, toen stonden tor rechterzijde de wateren op oen hoop, als door een onzichtbare macht getemd en weerhouden om verder te vlooien; en aan de linkerzijde liepen zij af, zoodat ver heen de droge bedding werd gezion.

ben gejuich ging op van hot volk; en daar kwamen zij, do mannen en vrouwen en kinderen, en zij trokkon over, langs de priesters, die do Ark hielden.

Eerst toen de laatste over was, en toen ook nog op Jozua's bevel een gedenkteeken was opgerii ht van twaalf groote steenon midden in do rivier, en een zeilde gedenkteeken aan den nevor, opdat latere geslachton nimmer zouden vergeten, waar God dit groote wonder bad gedaan, — eerst toen kwamen ook de priesters mot do Ark uit het midden van do rivier naar den oever; en toen braken do getemde wateren los met donderend goweld over do bedding dio droog was; en straks schuiniden die wateren weder over bun ouden weg, zooals zij van de schepping at hadden gedaan. „Jozua is groot!quot; riepen aan de overzijde gekomen alle menschen; „hij is aan Mozes gelijk!quot; En zij oorden en gehoorzaamden hom zooals zij Mozes gedaan haddon.

Hot goruchl van hot optrokkond leger dor Israölioten ging Voor bon nil: al de inwoners dos lauds vreesden; van zulke wonderen hadden zij nimmer gehoord.

Daar aan de overzijde van de rivier, bij een plaats, die Gilgal heette, legerden de Israëlieten zich. Zij stonden eindelijk in Kanaan.

Zij wilden niet verder trekken, voordat zij aan God de eere gegeven hadden, die Hem toekwam; Hij had Zijn belofte vervuld. Zij vierden er het Paaschfeest, dat feest ter gedachtenis aan den uittocht uit Egypte, en zij verhaalden aan hun kinderen van dien laatston nacht in dat land der verdrukking.

ocr page 236

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Ook aten zij hier voor hel eerst van het koren van Kanaan, goed koren; en /.ij aten het met blijdschap als menschen, die dachten: „Zulk goed koren houwen wij hier /elven weldra op onze eigen akkers.quot; Op dien dag hield het manna op: dat manna, dat de Heere veertig jaren gegeven had, was nu niet meer noodig.

En toen ging het tegen Jericho.

Zij kwamen voor een gesloten stad. De inwoners hadden de poorten gesloten, en de muren bemand. Die poorten waren sterk, en die muren waren dik. „Wij zullen ons verdedigen,quot; hadden zij gezegd, „en wij geven i us niet over!quot;

Inderdaad, toen Jozua de stad, die voor hem lag, in oogenschouw nam, toen dacht hij: ..Hoe zal ik met een volk zonder belegeringswerktuigen zulk een stad veroveren?quot; Had die dappere man geen geloof gehad, en geen vertrouwen op zijn God, hij zou het niet geweten hebben. „Ik zal u zeggen, wat gij doen moet,quot; zelde tie Heere tot hem; en zooals God zeide, deed hij, al was het wonderlijk in de oogen van allen, die het hoorden.

Hij beval zijn volk op den eersten dag om de stad om te loopen. Voorop gingen de zwaargewapenden: daarop volgden zeven priesters, die op bazuinen bliezen; daarna andere priesters, die de Ark des verbonds droegen; en daarachter het gansche leger in een langen optocht. Toen op die wijze de stad eenmaal omgetrokken was, op den eersten dag, liet Jozua een ieder weer naar zijn tenten keeren. ,,Moet op die wijze onze stad veroverd worden?quot; dacht menigeen der bewoners, die toezagen op de wallen. En hun hart, dat eerst zoo vol schrik geweest was, kreeg moed.

Op den tweeden dag liet Jozua hetzelfde doen: dat liet hij zes dagen lang doen. Het was zeer vreemd in de oogen der bewoners van de stad, die niet alleen quot;moediger werden, maar langzamerhand in hun moed de Israëlieten begonnen te bespotten, en uitdagend op de wallen gingen staan. „Ik doe, wat God gezegd heeft,quot; zeide Jozua tot zijn mannen, „en laat ons gelooven, wat God gezegd heeft; zoo zullen de muren van Jericho vallen!quot; Zijn mannen geloofden ook, op zijn voorbeeld.

Op den zevenden dag trokken zij alzoo niet één, maar zeven malen de

228

ocr page 237

stad rond. „Heden zal Gud ons doze stad geven,quot; /,eide .lozua; „spaart niemand in de stad; alleen Raclial» en die in haar huis zijn, mogvn levend Mij ven; dat uuk niemand zich iets van den rout' toeëigene; verbrand moet het alles worden; het goud en hel zilver alleen zullen voor God en Zijn Tabernakel zijn!quot;

Stil en zwijgend, evenals bij al de vorige malen, ging de tocht rondom de stad; niemand sprak een woord. Maar toen de stad voor de laatste maal omgetrokken was, toen, up een teeken van -lozna, barslle het volk plotseling in een kreet van overwinning los, geloovende: „Nu is de stad ons!quot; En op dat geloot', dat door den Heen1 niet beschaamd werd, zagen zij werkelijk de muren en de torens op de muren eensklaps wankelen, kantelen en neerstorten. Niets weerhield hen meer. Met het zwaard in de hand klommen zij over de muren van alle zijden de stad in. Een strijd van man tegen man volgde hi de straten. Een brand steeg op. En toen de avond viel, was van de gansche sterke stad niets meer over dan een rookende puinhoop. Alleen de vrouw Rachab, en het gezin haars vaders, die waren levend gebleven.

ocr page 238

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

„Dat die stad een puinhoop blijve!quot; riep Jozua, ..en dat nooit iemand haar opbouwe!quot; En hij riep den vloek des Heeren in over dengene, die het uoil zou durven doen.

Duur het geluof zijn de muren van Jerichu gevallen.

Een tweede stad, waar Ju/aia tegen optrok, was Aï.

Verspieders, die naar Aï uitgezonden waren, brachten de tijding mede, dat het niet eens nuodig was, dat het geheele leger tegen haar optrok: een kleine afdeeling van drie duizend man zou genoeg zijn om de stad te onderwerpen. De bende van drie. duizend man trok tegen Aï op, — maar deerlijk geslagen kwamen de mannen terug; dooden hadden zij achtergelaten.

Algeineene verslagenheid was er bij de Israëlieten. Hoe? Was dat, wat God beloofd had aan Zijn volk? En zou straks op die eerste nederlaag een tweede volgen, en meerdere? Het diepst bedroefd was Jozua, al was zijn oude moed nog dezelfde. Hij boog zich voor God. „Hoe zou Ik uw volk kunnen zegenen?quot; antwoordde de Heere; „daar is een zonde gedaan door een uwer; daar is een roof geschied in Jericho, waar Ik verboden had, dat iemand iets van den buit zon nemen. Laat eerst die roover gestraft zijn, en alzoo de zonde weggedaan zijn, en Ik zal weer zegen geven en voorspoed op uw wapenen.quot;

Toen Jozua dit bekend maakte, en algemeene verontwaardiging bij het volk zich lucht gaf, en de dief zich toch niet te kennen gaf, werd op Gods bevel het lot geworpen; de Heere zou hem aanwijzen.

Het lot viel op een man, Achan geheeten. „Hij is de diet!quot; sprak het volk, en zij weken van hem terug als van iemand, waar zij niet dicht bij wilden staan. „Belijd uw zonde,quot; zeide Jozua tot hem, „en zeg, wat gij gedaan hebt!quot; Toen beleed die man alles: hij verhaalde, hoe bij de verovering van Jericho, hij heimelijk lust had gekregen iets van den buit voor zich te nemen; een kostbaar kleed, tweehonderd sikkelen zilver en een gouden sieraad van groote waarde had hij genomen en in zijn tent onder de aarde verborgen. Mannen, die Jozua naar de tent zond, vonden er den schat en brachten hem mede. „Gij dwaas!quot; zeide Jozua, „moest om uwentwil het gansche volk Gods onder een vloek rusten? Sterven zult gij!quot; En buiten de legerplaats werd hij gebracht;

230

ocr page 239

DK INNEMING VAN AÏ.

ocr page 240
ocr page 241

TN KANAAN. . 233

daar werd hij, met gansch zijn gezin en met zijn have gesteenigd. Ook zijn gestolen schat werd Iegelijk met hem under den steenhuop bedolven.

Die steenhoop, groot en hoog, als een vreeselijk gedenkteeken, wees het nog lange jaren aan, van geslacht tot geslacht, wat in Israël het lot en de straf zouden zijn van ieder, die* als dief een vloek over het volk bracht. Het dal van Achur, zou nuenule men sedert die plaats. „Berueringquot; beteekent die naam, umdal Achan een beroering over Guds volk had gebracht.

Nadat alzuu de zonde uit het leger was weggenomen, truk Juzua nogmaals tegen de stad Aï u]gt;. Toen werd de stad genomen, en verbrand, en gelijk Jericho tot een puinhoop gemaakt.

De schrik kwam over al du bewuners des lands; de Kanaanioten vluden overal voor het volk, waaraan God hun land gegeven had. Stad voor stad, land vuur land, — de dappere Juzua veroverde het alles.

Te midden van zijn veroveringen Mj den berg Ebal gekumen, richtte Jozua een altaar up. Alle man was van lof vervuld over den vuorspoed, dien de Heere up hun wapenen verleend had. DankulTers uderden zij daar aan Gud, en blijde dankoffers waren het.

Daar hielden zij eenige dagen rust van hun strijden. En die rustdagen gebruikte Juzua, om aan het gansche volk nug eens al de wetten vuur te lezen, die de Heere duur Muzes hun gegeven had. De eene lielft des vulks-stond beneden tegen den voet van den berg Ebal; de andere helft stund beneden tegen den vuet van den berg Gerizim, een anderen berg daar vlak bij.

Zuo hoorden zij al de wuurden der wet; en allen namen zicli vuur, zich getrouw aan die wetten te huilden. Daar was vreugde om die wet te doen.

De Kanaanieten, de inwoners des lands, wisten niet wat te doen tegen het sterke vulk Guds, dat hun steden en hun akkers kwam nemen. Zij konden er niet tegen strijden.

Daarum was er een volksstam, die in zijn nood de list te baat nam. Dat was de volksstam der Gibeunieten. Deze wuunden in en rondom de stad Gibeon. Om niet hetzelfde lot te ondergaan, dat de andere menschen reeds getroffen

ocr page 242

had, zundcn zij gozanteji lot -luzua. Duzu gezanteji trukkun uudc kleedereii aan; de schoenen, die zij aanbonden, waren versleten schoenen; de zakken, waarin zij him levensmiddelen beigden, waren oud en gelapt; het brood, dat zij daarin deden, was droog en heschiinineld; en hnn wijn was verznnrd.

In deze verniomming kwamen zij tot Jozua. „Wij zijn hooge gezanten van een groot volk uit een ver land,quot; spraken zij tot hem, „en wij zijn gekomen om een verbond met u te sluiten. „ Uw kleedingen nw uiterlijk duiden het niet aan,quot; zoo zeide Jozua, „hooge gezanten reizen niet zoo armoedig. Wie zijt gij?quot; - „Wij zijn toch wat wij zeggen,quot; antwoordden die geslepen mannen; „ons volk, dat zeer ver woont, had gehoord van uw groote daden, en van de geweldige niaeht, die uw God heeft; wij hebben alles gehoord, wat uw God voor u in Egypte gedaan heeft, en in de woestijn, en hier in dit land. Met zulk een volk willen wij een verbond hebben, zeiden al do lieden in ons land; en daarom zonden zij ons. Geloof, wat wij u zeggen. Zie, dit brood was versch, toen wij afreisden, nu is liet beschimmeld; deze zakken waren toen nieuw, nu

ocr page 243

IN KAN A AN.

zijn zij bijna vergaan; onze schoenen en onze kleederen waren toen sterk en kostbaar, maar op de lange reis zijn zij versleten.quot;

De vleiende t'ii de uvertuigendc woorden dier mannen bevielen aan Jozua; en zonder zijn God te raadplegen, dien hij anders altijd raadpleegde, maakte Inj een v'erbund met die gezanten, um in vrede en oorlog altijd elkanders bondgenooten te zijn. Zoo togen die mannen heen; en in hnn stad wedergekeerd, lachten daar de mensrhen over hnn list, die zoo wèl was gehikt.

Drie dagen later, terwijl .lozua voortging met het land te onderwerpen, sloeg hij het beleg voor die stad, voor Clibeon. Verbaasd zagen de Israëlieten oj), toen uit de poorten dier stad dezelfde listige gezanten hun te gemoet trokken met de betuiging; „Maar gij zult ons toch niet slaan? Wij hebben immers een verbond met u gesloten?quot; Toen zagen zij, dat zij bedrogen waren. Zij konden er niets tegen doen; het gesloten verbond wilden zij niet verbreken.

Nochtans, om het bedrog, dat gepleegd was, zeide .Jozua, en hij zeide het met toorn, — „Vervloekt is uw bedrog, gij mannen van Giheon! Aan uw leven zullen wij niet komen, en leven zult gij! Maar slaven zult gij ons wezen!quot; Toch waren zij tevreden, dat zij ten minste zichzelven en hun vrouwen en hun kinderen het leven gered hadden. Slaven werden zij ook, bij het volk Israels; het minste werk, dat er was, kregen zij te doen; tot houthakken in het bosch werden zij gebruikt, en als waterdragers werden zij in dienst genomen. Dat bleef zoo, van geslacht tot geslacht.

Gibeon, dat zich aldus onderworpen had, was geen kleine stad; het was een der groote steden in Kana:ln. De andere steden in het land vreesden daarom, dat hun lot nu ook vast stond. Daarom verbonden de voornaamste koningen in die steden zich tot gemeenschappelijk verweer. Zij begrepen, dat zij niet wachten moesten tot Jozua hen één voor één onderwierp.

Zoo kwamen vijf verschillende koningen met hun verbonden legers gemeenschappelijk tegen Jozua op. Hun namen waren: Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem; Hoham, koning van Hebron; Piram, koning van Jarmuth; Jafia, koning van Lachis; en Debir, koning van Eglon.

Bij Gibeon had de veldslag plaats. God had Jozua te voren bemoedigd.

ocr page 244

236 BfJBELSCITE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

„Niemand zal vuur uw aangezicht bestaan,quot; Iiad Gud gezegd. En die gelootsheld was tul den aanval overgegaan. Een schitterende uvenvinning was de uitslag. Het gansche leger der vijanden vhu htte: . maar ook du vlucht gaf hun-geen baat. Want steenen deed Gud van den hemel regenen, zoodat er meer stierven van de hagelsteenen dan van het zwaard der Israëlieten.

Tut in den laten namiddag duurde de slachting. „Het is jammer, dat i straks de avuiul kuml ,quot; sprak Juxua; „want de ilnislurnis zal hun de ontvluchting gemakkelijk maken; ach! dum'de de dag langer, daar /• ui er niet ('('n ontkomen!quot; Hij zag over de Itergen de maan reeds upkumen huven Ajalun. .. Maawaarum zuu de dag niet langer duren,quot; zuo dacht hij, ..is er dan een zaak te wonderlijk voor God?quot; En al zijn geloot in God te /amen nemende, sprak hij, te midden van het s:rijdgewoel, terwijl hij zijn hand naar den hemel hiel': .,Zon, sta slil te Gileoii: en gij maan. Mijt' daar en sta slil te Ajalun!quot; En ziet, de zon stond slil aan den hemel; zij neigde niet naar hei westen ten ondergang; en de maan kwam niet verder up, maar hleel waar zij was, huven Ajalun. Een vullen dag langer duurde die dag. Nooit was zulks gezien, dat (lt;ud al zuu den weiisch van een meiisch vervulde. Du Israelieten juichlcn, en de vervulgtng hegun nji nieuw. Tuen de zuu eindelijk weikulijk underging, was ver up de vlakten en in de hergen geen vijand meer uver. Zulk een veldslag hadden de Israëlieten nug niet gele\erd.

Midden under de vervulging hadden de \ ijf koningen zicli weten te verbergen in een spelunk. De Israëlieten zagen het: en op Jozua's bevel hadden zij groute steenuil vuur de spelunk gewenteld; zij hadden geen tijd om zich daar up te huilden: zij hadden hen daar tuch gevangen. Eerst na hut einde van den slag upenden zij de spelunk, en brachten zij du vijl gevangen kuningen naar buiten. Zij bogen vuur Juzua, met liet aangezicht up de aarde. In die hunding neergebugeii, beval Juzua, dat zijn oversten hun den vuet up den nek zuiiden zetten. .,Alzuo zal Oud al onze vijanden aan u undei'Weipen,quot; sprak Juzua tut zijn uversten. Daarna liet hij de kuningen duuden, en tegen den avond hun lijken weer in de spelunk werpen. De steenen werden er weder vuur gewenteld; en nog lange jaren wezen de vaderen het aan hun kinderen, waar de gratplaats was der vijf koningen.

ocr page 245
ocr page 246
ocr page 247

IN KAN A AN.

JOZUA \'Kl!tgt;KEI,T HUT I.AND.

Nit dion licslissctuliMi velds],-in; hij Giltoon w.is do vcrdoro vtM'ovoring vmii hot ganscho land niol zwaar moor. Alio stodon ondoiwimiion /.idi, van hot zuiden tot hot noorden. En niet lang duurde het meer, of de veldtocht was geöindigd. Kanailn was hun eigendom geworden. De Israëlieten dachten or aan, hoe God alle hel often, die Hij gedaan liad, eindelijk vervuld had; en hoe dit de dag was, waar Abraham en I/aak en Jakob naar uiige/,ion hadden.

Tot de verdeeling van hel land gingen zij over. In twaalf deelen werd het land verdeeld, en elke stam kreeg zijn deel. Jozua verdeelde rechtvaardig: zij waren tevreden. In plaats van het geslacht van Jozef kregen de geslachten van zijn twee zonen, Efraïm en Manasse, ieder een provincie. Het geslacht van Levi kreeg geen provineie. Het kreeg, over het geheele land verspreid, acht en veertig steden. Zoo kwamen de Levieten verspreid onder het geheele volk te wonen. En dat was wijs. Priesters moeten niet te /amen in een hoek des lands, maar tusschen de inenschen in wonen, opdat zij het volk overal kunnen voorlichten en bijstaan in hun geestelijke

280

ocr page 248

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

nooden. Omdat zij al zoo echter naar evenredigheid in grondeigendom minder bedeeld werden dan de andere stammen, moesten alle andere menschen op Gods bevel aan de Levieten hun tienden opbrengen, dat is, het tiende deel van hun jaarlijksche inkomsten. Zoo was ook die schikking billijk: en allen waren tevreden.

En toen eindelijk al de Israëlieten uit elkander gingen, onder hartelijk vaarwel, toen richtte zich ieder gezin naar do erve, die de Heore hun beschikt had. En ieder kreeg een stuk lands, en bouwde er zijn woning. Schoon was het land; vruchtbaar waren de akkers, welig de weilanden; de beken, langs bloemrijke zoomen, vloeiden daar tusschen door; en heuvelen, met bosschen overgroeid, strekten zich uit achter de dalen. En tegen den avond, als de kudden schapen en runderen zich gelegerd hadden: tegen den-avond, als ieder Israëliet voor zijn huis zat onder zijn vijgeboom, of onder de afhangende wijnrank, — dan welde de dank op in hun hart, en spraken zij: „De Heere is getrouw: Hij heeft geen woord gebroken; Hij heeft alles gestand gedaan. Welgelukzalig is Uw volk, o Heere!quot;

Eens in het jaar vierden zij, zooals God reeds bij den Sinaï geboden had, maar wat zij hier eerst konden doen, een vroolijk feest, het Loofhuttenfeest. Dan op dat feest, waarbij zij buiten op het weiland hutten bouwden van groene takken en bloemen, en waarbij zij in het open veld aan lange tafels weelderige maaltijden hielden, en waarbij zij tegen deir avond met zang en dans zich vermaakten, — dan op dat vroolijk feest herdachten zij, hoe zij vroeger in de woestijn in him ongeriefelijke tenten hadden moeten wonen, en hoe God hun nu eeu huis. een erve en een overvloed van alles gegeven had. Dat volk kon niet dankbaar genoeg zijn; de offers werden mild gebracht, en de gedachte was altijd bij hen: „Zoo heeft God aan geen ander volk gedaan,quot;

Kort voor zijn dood riep Jozna het gansche volk nog eens te zamen bij den eik te Sichem; dal was op dezelfde plek, waar zij een altaar opgericht hadden, tusschen den berg Ebal en den berg Gerizim, In een lange redevoering wees de grijsaard zijn volk op de weldaden, die God hun bewezen had, van Egypte af tot hiertoe. Met klimmende kracht in zijn woorden wees hij hen op de macht van hun God, en op de unmacht der heidense he afgoden. En aan

240

ocr page 249
ocr page 250
ocr page 251

RICHTERS. 24 P,

het oindc van zijn rodevoering stolde hij hun de kens, vrien /.ij nn dienen wildon: de afgoden der heidensche volken, die /ij overwonnen hadden, ot' hun God, die de machtige en getrouwe was. „Wat mij betreft,quot; riep hij nit, ,,ik en mijn huis, wij hebhen geko/en, wij zullen den Ibnv dicniMi!quot; Toen was het een stem van vele duizenden, die tusscheu de twee hergen weerklonk: „Wij verkie/en den Heere, om Hem te dienen, en geen ander!quot; Met offeranden vernieuwden /ij toen hun verhond met God. Jo/ua was blijde, op zijn enden dag, om te weten, dat het volk standvastig was in zijn trouw aan den Koore.

Daar te Siehem werd ook eenigen tijd later hot lichaam van Jozef hegraven. Op de lange rond/werving door de woestijn hadden de Israëlieten het altijd medegedragen. Hier legden /ij het in een spelonk, terzelfder plaats ongeveer, waar .lo/el eens dooi' /ijn broeders verkoeld was aan de Midiaiiietische kooplieden, driehonderd jaren geleden.

Niet lang daarna stierf .lo/na honderd tien jaren oud (1448 v. en hij werd begraven op zijn erfdeel, dat hij gekregen had hij de verdeeling des lands. lOeiiwen lang /eiden de mensehen nog van hem, dat zij niet wisten, wat steiker was geweest: de kracht van zijn arm, of zijn geloof: maar de god-vnichtigen heslisten vooi' het laatste.

------o-?c)lt;é^o - ■

RICHTERS.

i.üu—lour, v. e.iir.

$ ^

'len dood van .lo/na /etten de Israëlieten de verovering van Kanaan voort, voor /onverre die nog niet geheel voltooid was. .Roeit al de

heidensche stammen uit,quot; had .lozna hun nog gezegd, „opdat /ij n later niet Vquot;' tot hun afgoderij verleiden.quot; Maar de Israëlieten deden het niet, en lieten

verscheidene heidensche stammen tusschen hen in bestaan, en stelden /ieh tevreden met him onderwerping. De/(gt; ongehoor/aamheid aan Gods wil berokkende een schade en een ellende, waaraan in vele eeuwen geen einde kwam. Want werkelijk verleidden die overgebleven Kanaanieten hen tot afgoderij.

ocr page 252

BTJBELSGHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Deze hadden een afgod, Baill geheeten, dien zij aanbaden, in de gedaante van een man, uit steen of hout gemaakt. Evenzoo vereerden zij Astaroth, een beeld in de gedaante van een vrouw, ook uit steen of hout gemaakt. De Israëlieten gingen ook die beelden maken, en plaatsten altaren er voor, en offerden aan die beelden. Voorts huwden zij onderling niet die heidensche menschen; en als het zoo doorgegaan was, zou het weldra niet meer te merken zijn geweest, wie heidenen, en wie Israëlieten waren.

Zoo zou het groote doel gefaald hebben, dat God met Zijn volk voorhad; want het groote doei was immers, zooals God het reeds aan Abraham uitgesproken had, dat dit volk tot een zegen zou zijn voor al de geslachten dei-aarde. Daarom dat de Heere hen van den schandelijken afgodendienst moest terugbrengen: en de Heere deed dit door vreeselijke straffen, omdat zij naar Zijn zachte woorden niet luisteren wilden. De omliggende volken brnebt de Heere over hen; en als die vijanden kwamen, en Zijn volk tot onderwerping, vernedering en armoede gebrachr was, dan was dit hel harde middel, waardoor Zijn volk weder tot Zijn dienst terugkeerde. Dan gaf de Heere weer verlossing; groote mannen verwekte Hij dan, die het volk van de vijanden bevrijdden, en richtersquot; genoemd werden.

244

Zoo ging het driehonderd jaren lang, waarin Israel toonde een afvallig volk te zijn, zoodat het wel scheen, dat God het slechtste volk verkoren had voor Zijn hoogste doel. Vijftien richters hebben in dien tijd over de Israëlieten geregeerd. Een der voornaamste richters was Gideon; en zijn geschiedenis is de volgende.

a een tijdperk van rust, onder den vorigen richter Barak verkregen, een tijdperk, waarin het volk Gods zich weder aan afgoderij was

GIDEON.

(1 '221 v. Clir.)

gaan overgeven, en waardoor het zich weder een straf ging op den V- hals halen, zond God de Midianieten tot een tuchtiging op hen af.

ocr page 253
ocr page 254
ocr page 255

GIDEON.

Deze Midianieten kwamen uit het zuiden met groote benden, sterk gewapend. Zij veroverden de steden, brandden en plunderden, en verjoegen de Israëlieten overal heen; deze trokken zich terug in onbevvuunde streken, verbergden zich in hulen en spclonkeMi, en eerst als de Midianieten afgetrokken waren, kwamen zij voor den dag, om hun akkers te bestellen. Doch tegen den tijd, dat de akkers weder kuren gedragen hadden, en dat koren in de sehuren geburgen was, kwamen die vijanden up nieuw terug, en begon de plundering evenals de vorige malen. Het volk werd zeer arm en inaehteloos; maar de verdrukking bracht hen tot hun God terug. Zij kregen berouw, en riepen oili genade en hulp tot God. Die hulp kwam.

In den stam van Manasse lag het dorp Ofra. Daar leefde een landbouwer,-■loas geheeten. Hij was een niet onaanzienlijk man. Deze had op zijn erf een altaar voor den afgod Baal staan, met een haag daaromheen, op welke plek hij en ook de andere dorpsgenooten hun schandelijke offeranden geregeld brachten; zij waren daar niet beter dan elders. Hij had een zoon, Gideon genaamd; en hoewel deze in zijn hart die afgoderij afkeurde, hij vond zich niet bekwaam om er veel tegen te doen.

Op zekeren dag was Gideon bezig onder den grooten eik, die voor zijns vaders woning stond, tarwe te dorschen. „Als ik die tarwe gedorscht heb, zullen wij haar ergens quot;verbergen, opdat als de Midianieten in dit jaar terugkomen, zij haar niet vinden,quot; zoo dacht hij. Aldus dorschendc, verscheen hem een engel des Heeren, die vriendelijk met hem sprak, en die hem opdroeg om zijn volk van de Midianieten te verlossen. Daar was rnoed en kracht genoeg in den jongen man, maar hij achtte zich (laar weinig bekwaam toe. „Begin met eerst hier uw eigen huis van afgoderij te zuiveren, en de Heere zal met u zijn,quot; sprak de engel.

Toen de verschijning weg was, dacht bij: „Ik zal het doen, en gehoorzamen.quot; In dienzelfden nacht riep hij eenige zijner knechten, en te zamen hieuwen zij het altaar in stukken, het altaar van Baal, dat, op zijns vaders erf stond; ook de groene haag, die daar omheen stond, hieuwen zij om. „Wij willen die afgoderij hier niet meer hebben,quot; zeide hij tot zijn knechten. Een nieuw altaar richtte hij op, en op dat nieuwe altaar brandde hij een offer, een

247

ocr page 256

BUBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

van de jonge milderen uit den stal. „Dit utter w voor den eenigen waren God, den God onzer vaderen,quot; sprak hij.

Toen den volgenden dag de dorpelingen naar gewoonte hun offer kwamen brengen aan hun afgod, vonden zij alles vernield, met een nieuw altaar daar dicht bij. Verbaasd hoorden zij, dat de jonge Gideon dit gedaan had; en daarover toornig, wilden zij hem douden. Had zijn vader Joas niet op listige wijze hem het leven gered, zij zouden het gedaan hebben. „Laat de machtige Baal toch voor zichzelven opkomen;quot; zoo riep hij, die ten slotte bleek zijn zoon toch nog liever te hebben dan zijn afgod; „mijn zoon zal zeker gedood worden, maar laat dat aan Baül zeiven over; denkt gij dat Baal dat zelf niet kan?quot; De dorpelingen weken van Gideon af, en lieten hem over aan de wraak van hun afgod. Maar toen de wraak niet kwam, twijfelden zij zeiven aan de macht van hun god; hun oogen gingen open, on Gideon werd een held in hun oogen, omdat hij zoo iets tegen Baal had durven doen. „Jerubaalquot; noemden zij hem toen; dat beteekent: „iemand die tegen Baill heeft duiven twisten.quot;

Toen nu de Midianieten in dat jaar naar gewoonte terug kwamen, legerden zij zich in de vallei van Jizreöl. Gideon, in de kracht van een man, die Gods wil wilde doen, riep alle man te wapen. Hij liet tie bazuin blazen, van berg tot berg, en op dat geluid kwamen de Israëlieten overal van daan, bemoedigd, dat er een man was, die zich aan hun hoofd wilde stellen, en die daartoe door God geroepen was. Hij kreeg een leger achter zich.

Toch was de gedachte, die hij van zichzelven had, klein; hij was immers maar eens landbouwers zoon; en hij wilde gaarne zekerheid hebben, dat God hem toch werkelijk tot een overwinning geroepen had. „Ach, Heere!quot; zoo sprak hij, „ik zou wel gaarne een toeken hebben, dat Gij mij werkelijk helpen zult!quot; En daartoe legde hij een schapenvacht uit zijn tent buiten onder den blooten hemel. „Als er van nacht dauw zal vallen op mijn schapenvacht, en geen dauw op het veld rondom, dan zal dat een teeken zijn, dat God mij helpen zal,quot; zoo dacht hij; en hij bad, of God het doen wilde. Den volgenden morgen lag er nergens dauw op de aarde, maar het wollen vlies was wel vol dauw; het was zoo nat, dat hij het uitwringen kon. Dat was dus do verhooring van zijn gebed. Toch liep hij den ganschen dag als iemand, die nog niet zeker van zijn zaak was.

248

ocr page 257

24lt;J

„Hoero!quot; zuo IjiuI hij dien avond, „mijn geloof is zoo zwak; ach! wil nog een teeken geven, en vergeef het mij, dat ik zulks vraag!quot; Hij bracht zijn schapenvacht weder buiten. „Als nu van nacht de dauw overal up het veld neer valt, eu mijn vlies droog blijft, dan zal ik na dit tweede teeken niet meer twijfelen,quot; zeide hij. En de Heere was vriendelijk genoeg, om met zijn kleingeloof rekening te houden. Den volgenden morgen was al het veld nat van den dauw, en alleen het vlies was droog gebleven. Toen, in zijn vreugde en in zijn nieuwen moed, blies hij de bazuin, en riep hij: „Wij gaan strijden, God is met ons!quot;

En voorwaarts bewoog zich zijn leger naar Jizreël.

Inderdaad wilde de Heere aan de Israëlieten de overwinning geven. Maar Hij wilde het zoo doen, dat de menschen zei ven later zouden moeten zeggen: „God, on niet wij zeiven, heeft de overwinning ons gegeven!quot; Daartoe wilde God niet met een groot leger, maar slechts met een kleine bende de Midianieten verslaan; ook wilde Hij zien, of Gideon nu werkelijk zooveel geloof had, dat hij gelooven kon, dat God dat doen kon. Het leger van Gideon was twee en

ocr page 258

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

dertig duizend man sterk. ..Dat is te veel,quot; zeide de Heere tut Gideon, „daar zijn veel bloodaards onder; die zijn niet nuudig!quot; En Gideun gaf verlot aan allen, üiu bang waren vuur do vijanden, um Imiswaarts te keeren. Van het leger gingen er twee en twintig duizend Imiswaarts, die zeiden, dat het tuch een dwaasheid was, om met zoo weinigen te vechten tegen een leger, dat bijna ontelbaar was. Maar Gideon gelooide, dat de 1 Jee re inol een getal van tien duizend hem even goed de overwinning kon geven.

God verheugde zich, dat die man zooveel gelout in Hem stelde; maar God beproefde hem nog eens. „Het getal is nog te groot;quot; zeide de Heere; en Hij zeide hem, wie er nog meer af moesten. Op him inarsch namelijk kwamen de vermoeide soldaten durstig bij een boek. „Gij moogt drinken,quot; zeide Gideon ; en zij stortten zich naar de beek. Sommigen schepten met de helmen, anderen met hun drinkkruiken, anderen met do hand ; nog anderen wierpen zich voorover op den grond, en liggende, met hun mond op het water, dronken zij, zooals dieren drinken. Tot al die eersten zeide Gideon, dat zij ook huiswaarts mochten keeren; zij waren er niet rouwig om, en gingen, blijkbaar blijde; want zij waren np bun marscb nu reeds dii ht bij do vijanden gekomen. En aan de laatsten, namelijk, die zonder Ie scheppen, zoo mei hun mond uit de beek gedronken hadden, zeide Gideon, dal .God dour hun klein getal de vijanden verslaan wilde. „Gij gelooft toch, dat do Heere dat kan?quot; vrueg hij hun. En die weinige overgebleven mannen zagen vroolijk on moedig, en zeiden, dat zij dat zeker geloofden. Dat was inderdaad geloof, on moed. Want do kleine bende, die daar stond, was nu maar driehonderd man sterk, „in den naam des Hoeren dan!quot; riep Gideon; en voorwaarts ging dat huopke, naar -lizreël.

Tegen dien avond zagen zij het vijandelijke leger voor zich; de Midianioten waren zou talrijk, dat zij de tienduizenden niet tellen konden; do kameolen, ile hooge dieren , zagen zij bij de tenten boven hot gewemel lutstokon. Menig hart onder de driehonderd klopte, maar niet van vrees; zij geloofden en hadden moed.

Toen de nacht ingevallen was, en de Midianieten in en om hun tenten gingen slapen, ging Gideon, van slechts één man vergezeld, op Gods bevel, het vijandelijke kamp in. „Ga,quot; had de Heere gezegd, „want Ik wil u nog

250

ocr page 259

GIDEON 251

eens de verzekering geven, dat gij het winnen zult.quot; En tnsschen de wachtposten duur sloop hij, niet zijn .knecht; en tusM hen de slapende soldaten door: als zij hem gezien hadden, hij zou een kind des duuds geweest zijn. Achter een van de tenten stilstaande, huurde hij, hue daarbinnen een soldaat, dit' wakker geworden was uit zijn slaap, tegen zijn makker zeide: „Huur nu toch eens, wat een wonderlijken druum ik gehad heb. Ik druunule, dat een gerstebruud van den berg hier dichtbij afrulde, en tegen onze tent aankwam, en de heele tent het understboven wierp. Is dat geen vreemde droom?quot; — ..Dat beduidt niet veel goeds,quot; zeide de ander, ,,die droom beteekent wat; en die droom beteekent, dat zuu ouk Gideon van tien berg af up uns aan zal komen, en ons vermengen zal.quot; Gideon zelf, die achter de tent stond, en dit hoorde, wist nn waarom Clod hem in dat vijandelijk kam]) had laten bimieugaan. Hij was versterkt in het gevoel der aanstaande overwinning, en keerde onbemerkt tusschen de sla|ende menschen naar zijn bende terug. „De lieere heelt hen in onze hand gegeven,quot; zeide bij; en hij vertelde hun van dien druum. Die kleine bende had wel willen juichen; maar zij hielden zich in, om de slapende vijanden niet wakker te maken.

In stilte verdeelden zij zich in drie huupen, elk van hunderd man. Een iedei nam een bazuin in de eene hand, en een fakkel in de andere hand, waarvan zij echter het licht nog bedekten door een kruik, die zij als een deksel daarover hielden. Zou naderden zij in alle stilte van drie zijden het slapende kamp. Op een gegeven teeken braken zij allen de kruiken in stuk, zoodat de hel opflikkerende lakkels een ruoden gloed verspreidden. Tegelijk zetten zij de bazuinen voor den mond en bliezen zij, zooals de hoornblazers blazen, die het leger voorop gaan. „Het zwaard des Heeren en van Gideon!quot; schreeuwden zij. De Midianieten ontwaakten, en stunden verschrikt. „Indien dat slechts de bazuinblazers zijn, hoe gruut zal dan het leger zijn, dat achter hen kumt?quot; zoo riepen zij. En een schrik voer in die lieden. Vluchtend, en in de duisternis tegen elkander vechtende, lieten zij alles achter. Dat was een vreeselijke verwarring. Naar het oosten, naar de Jordaan vluchtten zij, van waar zij gekomen waren. En toen trokken de driehonderd hun zwaard, en tot ver, ver over de Jordaan vervolgden zij hen. De dooden lagen bij duizenden op den weg; en

ocr page 260

252 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

slechts een klein getal bereikte liun land. Toen de zon opging, en Gideon zijn zwaard afwischte, zeido hij: „Dit heeft de Heere gedaan!quot;

Na den veldslag wilden de Israëlieten hem koning maken; maar hij wilde dat niet. „God is uw koning!quot; zeide hij. En hij keerde naar zijn akker in Ot'ra terug, en werd weder landbouwer. Doch hij bestuurde het volk, want hij was nu in groot aanzien; en hij was een goed richter, veertig jaren lang. De Midianieten kwamen vooreerst niet terug.

Later ging het volk Israels zich toch weder aan afgoderij overgeven, en Gideon zelf was daar niet vrij van. Vreemd! hoe kon die man dat doen, die zóó geloofd had?

-O-QQ-C--

SIMSON.

fgt;r hadden na Gideon weer eenige richters geregeerd, na wie de Israëlieten weer van den dienst van God waren afvallig geworden; daarom gaf God ijn volk toen over in de handen der Filistijnen. Dat volk woonde westelijk 3gen de zee, en vereerde een afgod, Dagon geheeten; dat was een god, waarvan zij zeiden, dat hij machtig was, beide ter zee en te land. Daarom dat zij, wanneer zij een beeld van hem maakten, om het in hun tempels te plaatsen, dat beeld de gedaante gaven van een man, wiens lichaam beneden in een vischstaart uitliep. Die Filistijnen kwamen en verdrukten Israël veertig jaar. Het was weder als in de dagen van ouds. De richter, door wien God nu heil verschafte, was Simson.gt;r hadden na Gideon weer eenige richters geregeerd, na wie de Israëlieten weer van den dienst van God waren afvallig geworden; daarom gaf God ijn volk toen over in de handen der Filistijnen. Dat volk woonde westelijk 3gen de zee, en vereerde een afgod, Dagon geheeten; dat was een god, waarvan zij zeiden, dat hij machtig was, beide ter zee en te land. Daarom dat zij, wanneer zij een beeld van hem maakten, om het in hun tempels te plaatsen, dat beeld de gedaante gaven van een man, wiens lichaam beneden in een vischstaart uitliep. Die Filistijnen kwamen en verdrukten Israël veertig jaar. Het was weder als in de dagen van ouds. De richter, door wien God nu heil verschafte, was Simson.

Hij was een jonge knaap, de zoon van Manoah, die te Zora woonde, niet ver van het land der Filistijnen. Door zijn ouders was .hij als „Nazireërquot; opgevoed. „Aan God gewijd,quot; beteekent dat woord. ^\ls zoodanig was door zijn ouders de gelofte gedaan, dat er geen scheermes op zijn hoofd zou komen, en dat hij nooit wijn of sterkedrank zou drinken, en dat hij nooit iets onreins zou eten. Toen Simson zoo oud was, dat hij die gelofte zijner ouders begrijpen kon, zeide hij: „Ik zal houden, wat mijn ouders beloofd hebben; ik wil wel een Nazireër zijn.quot; Deze knaap, die zich, onder zulke uitwendige teekenen, aan God gewijd had, werd een man, zoo sterk, als er weinigen zijn geweest. God

ocr page 261

SfMSON DEN LEEUW VERSLAANDE.

ocr page 262
ocr page 263

SIMRONquot;. 255

maakto hom stork, on nam hom ook dio storkto niot dn do] ijk nf, toon liij lator toonde niet erg to weten, wat hot eigenlijk beteekende, aan God gewijd to zijn. Hij was op den duur geen man naar Gods hart; maar God gebruikto hem om de I' i I ist ij non afhnndc to doon, zonals God ook wol ocns 0011 letuiw gebinikt hooft om do hooien te straflen.

Hij was nog oen jongeling, toen hij, tegen Gods gohod on tegen don /.in zijner ouders, lust kreeg, om met een vrouw te trouwen, die een Filistijnseho was, en die te Timnath woonde. „Zij is een nunsjo uit het land onzer vijanden, en zij is oen hoidonsoho,quot; zoidm zijn ouders. Maar Simson di'oef zijn zin door. Zijn ouders gingen toon met hom mode naar Timnath, om daar mot do ouders van hot meisje te sproken, of Simson haar tot vrouw mocht hohhon. Onderweg, terwijl Simson, van don weg af, oen zijpad was ingeslagen, kwam plotseling oen leeuw hem te gemoot, met vrooselijk gohnd. De jongeling lachte, als een die geen vrees kont, en van de vreosolijko worsteling, die daarop volgde, stond hij woldra op met oen grimmig blijden schreeuw. Do leeuw lag dood aan zijn voeten; Simson had hem den muil opengescheurd, alsof hij oen klein bokje was geweest. Op don grooton weg bij zijn ouders teruggekomen, verhaalde hij hun niets van zijn eerste heldendaad.

Te Timnath gekomen werd er mot do ouders van het Kilistijusche meisje gespiokon, de tiouwdag werd vastgesteld; over eenigen tijd moesten zij terugkomen, dan zou de bruiloft zijn. Zoo gingen de drie naar Zora, huiswaarts.

Toon de trouwdag aanbrak, ging Simson mot zijn ouders denzelfden weg weder op, naar Timnath. „Ik wil toch wel eens welen, wat er van mijn leeuw geworden is,quot; dacht de jongeling; en hij ging naar de plek, waar hij hem verslagen had. Daar zag hij het geraamte van don leeuw liggen: maar een bijenzwerm had zich daarin genesteld: die bijen vlogen in en uit. Hij nam van don honig, on at er van; de honig was goed en zoel. „Vreemd,quot; zoo kulde hij bij zichzolven, „wie zou ooit gedacht hebben, dat die griimnige leeuw mij nog iets zoo zoets zou geleverd hebben!quot; Daarna kwam bij weder bij zijn ouders op den weg, en al zoo te Timnath.

Daar was dien avond bruiloft, en vele waren de gasten. Het ging er

ocr page 264

250

luidruchtig toe. Zeven dagen zouden de feesten duren. Velerlei was het, waarmede de menschen zich dien avond vermaakten. „Ik zal een raadsel opgeven,quot; zoo sprak de Jongeling, die zich vroolijk maakte over de Filistijnsche Jongens, met wie hij even gaarne gevochten als gegeten had. „Als gijlieden mijn raadsel raden kunt, geet ik u ieder een stel kleeren: een onderkleed en een mantel,quot; zoo sprak hij; „maar als gij het niet raden kunt, geeft gij mij ieder een onderkleed en een mantel.quot; Daar was veel gelach, en de jongelingen namen de weddenschap aan. Daar waren dertig jongelingen. „Hoort dan mijn raadsel,quot; sprak hij: „spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke; zegt mij nu, wat is dat?quot; En hij dacht aan den leeuw, dien hij verslagen had. Te vergeefs trachtten de jongelingen het raadsel te raden; tot op den laatsten dag van de bruiloft wisten zij het nog niet. „Ik wist het wel, dat ik de weddenschap zou winnen,quot; sprak hij lachend. Maar toen overreedden die jongelingen Simsons vrouw, en deze kreeg vleiend van Simson de geschiedenis van den leeuw te weten. En toen de gasten dien avond samenzaten.

ocr page 265

SIMSON. 257

spraken die jongelingen, terwijl zij Simson uitlachten: „Simson! weten wij uw raadsel niet? Hoor maar; wat is zoeter dan honig, en wat is sterker dan een leeuw?quot; En Simson merkte, dat zijn vrouw de geschiedenis van den leeuw aan hen had oververteld. Hij werd zoo toornig, dat hij opstond aan de tafel en uitriep: „Uw kleederen zult gij helihen, gij Filistijnen! maar die vrouw, die mij verraden heeft, wil ik als inijn vrouw niet meer hehhen!quot; Kn voor zijn toorn gingen de gasten op zijde, terwijl hij naar hulton schreed, in den duisteren nacht.

Hij dwaalde dien nacht rond, op het veld, bitter in zijn gemoed; en den volgenden morgen kwam hij in een dorp dor filistijnen , waar een feest was, en waar veel menschen rondliepen in feestelijke kleederen. Hij kreeg er twist, de grimmige man, en sloeg er velen dood. Van de mannen, die hij dood geslagen had, trok hij de kleederen uit, zoovele als hij or noodig had, terwijl hij de lijken liet liggen. Die kleederen hiacht hij naar. Timnath, aan de jongelingen, tegen wie hij de weddenschap verloren had. Maar die vrouw wilde hij niet meer hebben; en hij ging terng naar Zora, naar zijn vader en moeder.

Eenigen tijd later echter was zijn boosheid bekoeld, en ging hij terng naar Timnath, tot de ouders van zijn vrouw, die hij verlaten had. „Ik heb spijt,quot; zoo sprak hij, ..dat ik haar verlaten heb; hier ben ik terng, en ik wil mijn vrouw weerom hebben, en mede naar huis nemen.quot; — „Gij wildet mijn dochter niet meer hebben,quot; zoo sprak de vader, „en sedert is zij met epn ander getrouwd.quot; Toen werd Simson grimmiger dan te voren, en hij riep: „Nu is het mijn schuld niet, als ik die Filistijnen kwaad doe!quot;

In zijn wraak ging hij heen, en ving hij driehonderd vossen, die hij bij tweeön aan elkander bond, staart aan staart. Aan de vastgebonden staarten van elke twee vossen bond hij een brandende fakkel; en aldns liet hij ze loopen. 11ij lachte als een boos niensch, toen hij die vossen zag loopen, en overal in de korenvelden zag verdwijnen. Het koren stond geel en rijp te veld. Hier ging een akker aan het branden, ginds een akker, overal. De korenakkers tastten brandende de wijngaarden aan, en de olijfgaarden. De hofsteden daartusschen gingen vlammend op. Daar ging een rook op van het gansche land. Simson zag het, en hij was vroolijk, zooals een man vroolijk is, die zich wreekt.

De Filistijnen zeiden, dat Simson dat gedaan had, omdat die vader zijn

ocr page 266

BTJBELSOHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

dochter aan eon ander gegeven had; /.ij gaven dien vader de schuld, en wreekten zich op hem, door hem en zijn dochter in hun eigen huis te verbranden.

Voor Simson was dit weer aanleiding om de Filistijnen te dooden, waar en zooveel hij er maar vond. Hij werd hekend als een held, en allen vreesden hem. Maar hij was geen held naar Gods hart. Ware vroolijkheid en geluk kende hij niet. In zijn somberheid trok hij zich terug boven op een rots, Etarn. En daar in een hol van die rots, woonde hij, eenzaam, van zijn eigen volk zelfs verwijderd; zooals een leeuw eenzaam woont, die alleen uitgaat als de honger hem drijft.

Op zokeron dag kwamen drie duizend lieden van zijn eigen' volk bij hem, een geheele bende.

Verbaasd kwam de reus uil zijn hol, en vroeg hij hun, wat of hen hier bracht. „Dat zullen wij n zeggen,quot; zeiden zijn landslieden; „de Filistijnen zijn verwoestend in ons land gevallen, en zij zeggen, dat zij weer zullen aftrekken, als wij eerst levend of dood n uitleveren. Nu zijn wij hier om u gevangen te nemen, en u uit te leveren; want het is beter, dat gij alleen sterft, dan wij allen te zamen, door -de Filistijnen. Geef n dus over, ol wij gebruiken geweld.quot; Die held werd grimmig bij do gedachte aan het verraad, dat zijn landslieden aan hem wilden plegen. Hij voelde, dat hij, alléén, die geheele bende uit elkander kon slaan. Maar hij bedwong zich, door edelmoedige grootheid bevangen, en dacht; „Willen zij mij aan de? vijanden overleveren, die ellendelingcu, - ik zal hen nog weldoen, en hen van die vijanden verlossen.quot; „Hier,quot; zeide hij, „bindt mij, en geeft mij aan uw vijanden over; maar gij moet mij levend uitleveren.quot; De Israëlieten waren blijde, er zoo gemakkelijk met hem af te komen, zonder vechten; en zij bonden hem en brachten hem zoo levend naar het leger der Filistijnen, te Lerhi. Daar gaven zij hem over als den prijs, waar zij den vrede mede kochten.

Er ging een schreeuw op van blijdschap bij die Filistijnen, toen zij den reus gebonden midden onder hen hadden. Zij gingen rondom hem heen staan, bewonderden hem wegens zijn lichaamsbouw, en bespotten hem met den kreet: „Ha! nu zijt gij toch onze gevangene!quot; Maar plotseling rukte hij zijn gebonden handen met één ruk uit elkander, zoodat de touwen braken als draden; van den grond

258

ocr page 267

SIMSON.

raapte hij op wat hij er zag liggen, iets van een ezelsgeraamte, dat er lag, het kaakbeen; en voordat de Filistijnen goed wisten wat hun oogen zagen, lagen er reeds dooden. Elke slag van Shnson was een doode niet verbrijzelden schedel. Dat werd een vechten van allen tegen één. Zij drongen, zij trokken hun zwaarden; maar die reus versloeg ieder, die te dicht hij hem kwam; hij verweerde zich, viel zelfs aan. Dat duurde uren; nren waarhij de duizenden verheten Filistijnen met stijgende woede op hem aanvielen, maar gedood werden, bij honderden. Daar was geen vechten tegen dien man, en straks zochten die lieden de vlucht. Alléén bleef Simson achter, als overwinnaar. Hij lachte, en zijn lach klonk de vluchtelingen na als de hoon van een man, die de sterkste was geweest.

In maanden was Simson niet zoo vroolijk geweest. Mij zag rond zich. „Ik wil toch weten, hoeveel ik er gedood heh,quot; dacht hij; „want het schijnen niet weinigen.quot; Hij liep rond op het veld, hen tellende en lachende; hij telde er duizend, en telde niet verder. En vroolijk ging hij van daar, zingende, zooals hij in lang niet gedaan had, zingende dit lied: „Met een ezelskinnebakken heb ik één hoop, twee hoopen, met oen ezelskinnebakken heb ik duizend man verslagen.quot; Eerst toen, toen hij nog niet vele schreden gedaan had, eerst toen voelde hij, hoe de strijd hein dorstig had gemaakt. Zijn tong kleefde aan zijn gehemelte, en droog schuim lag hem op den mond. Hij liep en zocht water; maar daar was geen water. Hij liep verder, maar hij voelde, dat hij niet verder meer kon. Uitgeput wierp hij zich onder een rots; daar was nergens water. Dat was de dood door den dorst, die hem naderde. „Heere!quot; riep hij in stervensangst, „moet ik hier sterven van den dorst, ik, door wieu Gij uw vijanden verslagen hebt?quot; En plotseling spleet de rots, waar hij tegen aan lag; oen straal water schoot voort, langs hem heen; en de stervende reus strekte zijn hand uit, en dronk. Zijn God had zijn leven gered.

Straks ging hij weder verder, naar Ktam. De leeuw zocht weder zijn hol. Maar hij bleef er niet. Want de Israëlieten kwamen, en maakten hem tot hun aanvoerder in verdere gevechten. Hij werd hun richter, twintig jaar.

Zoo zeer was hij zich bewust van zijn kracht, dat hij dikwijls zonder eenig geleide in des vijands land zich waagde.

ocr page 268

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Zoo was hij eens te Gaza gekomen, een der steden van de Filistijnen. Ergens in die stad vond hij een nachtleger, en hij sliep er zoo gerust, alsof hij onder vrienden en hondgenooten sliep. De bewoners van Gaza hadden echter gemerkt, dat hij in de stad was. De poorten sloten zij: en tot elkander zeiden zij: „Nu is hij zichzelven in onze stad gevangen komen geven; als de dag-aanbreekt, dan zullen wij hem dooden.quot; Maar te middernacht werd hij wakker, en wilde hij zijn reis vervolgen.

De stad willende uitgaan, vond hij de poorten gesloten. Zonder lang nadenken evenwel greep hij de breede, zware deuren aan; de twee zijposten, waar zij aan vast waren, trok hij tegelijk uit den grond; en met dien last liep hij, alsof hij niets torste, den berg op tot dicht bij Hebron. Daar eerst wierp hij ze op den grond.

Die lieden van Gaza hebben hun poorten nimmer weder gehad. Bij Hebron durfden zij ze niet halen.

Zoo sterk Simson evenwel was, door de sterkte, die God hem gaf, — hij was toch geen richter naar Gods hart. Hoe ouder hij werd, te minder vroom werd hij; en zijn zeden werden slechter; en de tijd naderde, waarop God zelf hem loslaten zou, en de kracht hem ontnemen zou, die Hij hem gegeven had.

In der Filistijnen land vloeit er een heek, tnsschen lietlijke bergen, door vruchtbare dalen naar zee, De Sorek, heet die beek.

Daar woonde een schoone jonge vrouw, Delila. En Simson, die op zijn omzwervingen haar hier had leeren kennen, had besloten haar tot zijn vrouw te nemen, en bij haar te gaan wonen, aan de beek. Daar was het, dat hij zijn richterambt geheel vergat. In der Filistijnen land wonende, met de Filistijnen vermaagschapt, was hij vrienden met hen geworden.. Wat verhinderde hem om ook nog met zijn nieuwe vrienden der Filistijnen god, Dagon, te aanbidden? Die vrouw verleidde hem tot alles; Simson was ver heen op zijn slechten weg; en weinig vermoedde hij, dat zijn nieuwe vrienden valsch waren, zooals de goddeloozen valsch zijn; en dat die vrouw zijn ondergang zou zijn.

De vorsten der Filistijnen waren op de gedachte gekomen, dat nu wellicht de goede gelegenheid gekomen was, om dien ouden vijand, nu hij er

200

ocr page 269

SIMSON.

het minst op bedacht was, in hun handen te krijgen. „Lever hem over in onze handen,quot; zou spraken die vorsten heimelijk tot Delila, „zie te weten, wat het geheim van zijn kracht is; en als het n lukt, up de eene ut' andere wijze, hem gevangen in onze handen te geven, dan zullen wij u een luon geven, zuuals wij nog nimmer iemand gaven; wij, vorsten, geven n dan ieder duizend en hunderd zilverlingen.quot; — „Die man doet alles, wat ik zeg,quot; lachte de schoone vruuw, „ik zal het te weten kumcn, waai- zijn kracht in ligt, en ik zal het n zeggen.quot; Zou schoon als die vrouw was, daar lag toch iets van den Booze in haar oogen.

Van dien dag af begon zij Simson met vleiende woorden te vragen naai' het geheim van zijn kracht. „Dat zeg ik haar nimmer,quot; dacht de sterke man; „dat is mijzelven in haar macht geven; ik ben nug nuuit in iemands macht geweest; die vrouw zal het niet weten.quot;

Maar tuen zij het hem van dag tot dag vroeg, zeide hij schertsend tegen haar: „Ik ben wel sterk, maar als ik met zeven sterke buogpezen gebonden was, dan zou ik gevangen wezen.quot; - „Laat mij het eens beproeven,quot; lachte zij. En de sterke man liet zich binden; zij waren beiden zeer vroolijk. Maar tuen zij het gedaan had, riep zij plotseling, met'een schrik op het gelaat: „Daar kumen de Filistijnen, Simsun!quot; terwijl zij naar de deur wees. Met één ruk verbrak hij de pezen, en hij stelde zich reeds om te vechten. Maar zij lachte luidkeels, en zeide plagend, dat zij hem slechts op de proef had willen stellen. Evenwel had die sluwe vruuw werkelijk in een achterkamer eenige Filistijnen heimelijk verborgen; en indien het gebleken was, dat hij zich van zijn banden niet had kunnen losmaken, zuu zij die mannen geroepen hebben, en Simson zuu verloren geweest zijn. Dat was een gevaarlijk spel, dat de reus met zich liet spelen.

Weldra begon Delila weder van dag tot dag hem naar het geheim van zijn kracht te vragen. „Ik meet haar maar wat zeggen,quot; dacht Simsun. En hij zeide haar, dat zeven dikke, nieuwe tuuwen um zijn armen nooit duur hem verbroken zuuden kunnen worden. En hetzelfde spel speelden die twee menschen toen als de vurige maal. „Neon,quot; zeide Delila daarna, „gij misleidt mij, en gij hebt mij niet lief, anders zoudt gij het mij wel zeggen.quot; En zij deed, alsof zij boos was, en zij weende. Dat vond Simson niet aangenaam, en om haar tevreden

261

ocr page 270

202 BIJBELSCHE GESCHlEDENiS VOOR KINDEREN.

te stellen, zeide hij eindelijk: „Zie, ik kan overwonnen worden, wanneer ik met mijn hoofd en hals tegen een paal gebonden ben; wanneer men mijn lange haar achter mij om om een paal vastvlocht, dan /011 ik weerloos zijn, en ieder zon met mij kunnen doen wat hij wilde.quot;' Werkelijk had hij zeer zwaar en lang haar; want naar zijn Nazireërsgelofte was er nooit een scheermes op zijn hoofd geweest. Toen nam Delila op zekeren dag de proef er van. Heimelijk had zij weder mannen in de achterkamer verborgen. En toen hij nederlag, slapende, vlocht zij zijn lange haren om den paal vast, die dichtbij het hoofdkussen stond; dat was de paal, waar zij evenals de vrouwen in dien tijd haar weefgetouw aan hing. Zij zag hem nederliggen, met zijn hoofd-vast-gekluisterd, op den grond. ,,Nn is hij waarlijk weerloos,quot; zeide zij; „ik zal het nog eens beproeven.quot; Zij stootte hem wakker, en riep met geveinsden schrik: „Daar komen de Filistijnen, Simson!quot; — „Waar?quot; rieji de held; en in één oogwenk stond hij overeind, gereed om te vechten. Hij had, opspringende, den paal geheel uit den grond gerukt, die aan zijn haren hing, alsof er een stroohalm aan hing. Toen weende die valsche vrouw van dag tot dag, en klaagde aldoor, dat hij haar niet liefhad, omdat hij haar zijn geheim niet wilde zeggen.

Dat werd hem ten laatste te veel; en door de tranen van de schoone vrouw gevangen, besloot hij voor zijn rust het haar te zeggen. „Zie,quot; zoo sprak hij, die zeer wel wist, van waar zijn kracht kwam, „ik ben een Nazireër; ik heb een gelofte gedaan, om nooit wijn of sterkedrank te drinken, nooit iets onreins te eten, en nooit op mijn hoofd een scheermes te laten komen. Breek ik mijn gelofte, dan sterkt mijn God mij niet meer, en mijn reuzenkracht is geweken. Maar, zeg het niemand, Delila!quot; En hij zeide het zeer ernstig, als iemand, die voelde, dat hij het haar niet had moeten zeggen. Toen wist die goddelooze vrouw, zij zag het aan hem, — dat hij haar ditmaal de waarheid gezegd had.

Vol vreugde liep zij naar de vorsten, en vroeg zij nog eens om een bende soldaten, die zij in de achterkamer verborgde. En toen zij Simson op haar schoot had doen inslapen, riep zij stil Oen man, die hem de lange lokken afsneed in zijn slaap. „Komt!quot; riep zij toen hardop tot de mannen, die te voorschijn traden met zwaarden en touwen. Verschrikt sprong de reus overeind;

ocr page 271

met ontzetting voelde hij, dat zijn haren waren weggesneden en dat zijn gelut'te gebroken was. „Gij hebt mij verraden!quot; schreeuwde hij tegen Delila: en grimmig wilde hij zijn vijanden nog verslaan. Maar zij waren sterker, en in het gevoel, dat zijn God hem eindelijk verlaten had, liet hij zieh binden; hij kon er niets meer tegen doen.

In langen tijd waren de Filistijnen met een overwinning niet zou blijde geweest als nu. Delila kreeg haar loon, liet loon van verraad. En Simson werd naar de gevangenis gebracht, te Gaza, in dezelfde stad, waarvan hij de poorten eens had weggedragen op zijn sterke schouders naar Hebron. Daar werden hem zijn beide oogen uitgestoken: en blind, terwijl hem het bloed uit de oogholten liep, moest hij malen in een molen, het werk van den ininsten slaaf verriehlend.

Daar in de gevangenis had hij do spijt, die te laat komt; de spijt over zijn zondig leven, dat zulk een groot en heerlijk leven had kunnen zijn. Vele dagen gingen voorbij, en hij liep allen dag in den molen. Zijn geest was bitter

ocr page 272

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

over zichzelven; en al had hij berouw, hij voelde hot, aan zijn blinde oogen, dat er geen herstelling meer mugelijk was, ouk al voelde hij, dat zijn haren weder groeiden en langer werden.

Het was toen in die dagen, dat er oen groot feest was bij de Filistijnen. Zij wilden hun god Dagon een dankoffer brengen, omdat hij hun vijand Simson in hun hand had gegeven. Daar waren duizenden in den tempel van Dagon tegenwoordig, ook van de aan/.ienlijksten en vorsten des lands. En de priesters brachten met zangen hun offers.

Simson zelf werd binnengeleid in den tempel, opdat iedereen den reus eens zou kunnen zien; een kleine jongen had hem, den blinde, bij de hand, en bracht hem midden in het ruim van den tempel. Daar was geen eind aan het blijde gejuich der toeschouwers, die daar hun ouden vijand bedwongen zagen, blind en afhankelijk van een kleinen jongen, die hem leiden moest. „Laat nog eens zien, hoe sterk hij is,quot; riepen do menschen van alle zijdon; en de reus moest daar voor aller oogen nog eens proeven afleggen van do kracht, die er nog iti hem overgebleven was. De sterke kunsten, die hij uitvoerde, vermaakten zijn vijanden. Maar zijn ziel werd grimmig onder deze vernedering. „Ben ik hier om kunsten te vertoonen voor die heidenen? Is het zoover met mij gekomen?quot; dacht hij bitter; „o mocht ik hen nog eens slaan zooals van ouds!quot; En een gedachte rees op in zijn ziel. „Breng mij hij den pilaar, die hier midden in den tempel staat,quot; zeide hij tot den kleinen jongen; „laat mij daartegen uitrusten.quot; Hij deed, alsof hij moede was, toen hij zijn arm sloeg om dien pilaar; maar hij voelde, of hij hem niet zou kunnen omwerpen of uitrukken; tiaar stond nog een pilaar dicht bij; en op die twee rustte het dak. „Hij is moede, de reus!quot; klonk het boenend gelach van alle gaanderijen, „hij kan niet meer!quot; En vele waren de spottende woorden.

Maar eensklaps klonk Simson's geweldige stem boven hen allen uit, zooals het gebrul van een leeuw boven stemmen van menschen. „O God!quot; zoo riep hij, „sterk mij nog eens één keer, opdat ik mij voor mijn oogen wreke aan deze Filistijnen!quot; En zijn armen slaande om de twee pilaren, en zich bnigonde met kracht, rukte hij aan de twee kolommen, en gaf hij een schreeuw: „Mijn ziel sterve met de Filistijnen!quot; Daal? bogen de pilaren; daar wankelde het dak; daar kwam

264

ocr page 273

RUTH.

het omlaag. Een geschreeuw uit duizenden monden, — en Dagon's tempel lag in puin boven do verbrijzelde lichamen der Filistijnen.

Te midden van zijn vijanden lag ook Simsun dood. De douden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan diejiij in zijn leven gedood had. (1133 v. Chr.)

Onder degenen, die in de volgende dagen tussc.hon de pninhoopen de lijken hunner betrekkingen zochten, waren uuk Öiinson's broeders. Zij vonden zijn lijk, het lijk van den reus. En zij namen het mede, klagend en somber. En in zijns vaders Manoach's graf, daar begroeven zij hem. Dicht bij Zora lag dat graf.

n de dagen der richters strafte God Zijn atvallig volk niet alleen door de vijandelijke volken over hen te laten komen; maar ook door andere

RUTH.

11 (Hl v. Chr.

ddelen, zooals krankheden en hongersnooden.

Het was ongeveer in de dagen van Simson, toon God ook weder een vreeselijken hongersnood zond. Daar was geen regen gevallen; hij was uitgebleven op den bepaalden tijd; en het gevolg was geweest, dat vooral in het zuiden, in Juda, de velden dor waren, het graan niet opschoot, eu er tegen den tijd van den oogst niets te oogsten viel. Met gebrek kwam de deur der armen binnen, en het gebrek klopte ook aan bij do woningen van anders voorname en rijke lieden. Menigeen, die anders overvloed had, zwierf rond, bedelende om brood, dat weinigen hem geven konden. En daar waren er, die hun land uittrokken, naar hot land der vijanden, waar wel brood was.

Zoo was ook een zeker man, Elimelech, uitgetrokken. Hij woonde te Bethlehem, met zijn vrouw Naomi. Maar ook zij waren in hun armoede ver heen gekomen; en ook zij gingen weg, naar het land Moab, oostelijk, waar zij gehoord hadden, dat de regen wel op zijn geregelde tijden gevallen was, en waar wel overvloed was. Met hun twee zonen, Machlon en Chiljon, kwamen

265

ocr page 274

26(5 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zij onder de Moabieten wonen, en God gaf hun daar werk en brood; zij konden er leven.

Toen stierf daar Eliinelech, en zijn weduwe bleet achter, door haar twee zonen getroost. Zij waren er nu geruimen tijd geweest, en dachten er niet over om naar hun vaderland terug te keeren; de Moabieten waren niet onvriendelijk tegen hen. Ja, zelfs trouwden er die twee zonen, Machlun en Chiljon, met twee meisjes uit dat land. Orpa heette de eene vrouw, Ruth de andere. Deze nu waren wel heidensdie vrouwen, die met hun volk den afgod Kamoos aanbaden; maar het waren toch brave vrouwen, die ook goed waren jegens haar schoonmoeder, Naomi; en die haar dikwijls troostten, als zij dacht aan haar man, dien zij verloren had; en als zij dacht aan haar vaderland, waar zij-nu zoover vandaan was. Ook merkten die twee vrouwen weldra, door den omgang met Naomi, dat het toch beter was den Heere, den God tier Israëlieten, te dienen, dan hun afgod Kamoos. Vooral Ruth hoorde haar schoonmoeder gaarne spreken over de machtige daden, die God met Zijn volk gedaan had; en zij voelde, dat zij ook in dien God moest gelooven.

Niet lang echter waren zij gehuwd, ot' Machlon en Chiljon stierven, kort na elkander. Dat was een nieuwe slag voor de moeder; zij werd ontroostbaar; en de dochters konden haar moeilijk meer opbeuren. Zij werd van dag-tot dag verdrietiger, voelde zich alleen en verlaten in dat vreemde land, en kreeg heimwee naar haar volk en naar haar dorp, naar Bethlehem.

Zij kon het ten langen leste niet meer dragen, en sprak er over met haar schoondochters, met Orpa en Ruth. „Ik heb gehoord,quot; zeide zij, „dat God weder barmhartig is over mijn volk, en dat de regen weder gevallen is, en dat er weder koren staat op de akkers; nu wil ik terug.quot; — „Dan gaan wij met u,quot; antwoordden die twee schoondochters zonder lang bedenken, „want wij behooren nu bij elkander; is het niet, moeder? Verbaasd stond Naomi over zooveel liefde van haar schoondochters; en de afreize was spoedig aanvaard. Veel was er niet achter te laten, veel was er niet mede te nemen; een bundelken, met het allernoodigste, was alles wat die arme vrouwen droegen.

Zoo waren zij reeds een eind voortgegaan op den weg, die naar Juda leidde, westelijk, toen Naomi staan bleef, en tot haar schoondochters sprak;

ocr page 275

RUTH.

•„Mijn kinderen, gij moest niet medegaan met mij; gij hebt mij lang genoeg liefgehad, zoo hebben niet velen mij bemind; ook zijt gij goed geweest voor mijn zonen, uw mannen. Blijtt nu echter bij uw volk; God zal n weldoen voor alles, wat gij aan ons gedaan hebt.quot; Doch nauwelijks had Naomi deze woorden geuit, of die twee dochters grepen haarband, en spraken hartstochtelijk: „Neen, moeder! daar moet gij niet over spreken; wij blijven trouw bij u; gij wilt toch wel, dat wij bij u blijven?quot; En terwijl zij het zeiden, waren daar tranen in haar oogen.

„Neen, mijn kinderen,quot; zoo sprak Naomi, „het is toch beter voor u, dat gij hier blijft. Waarom moet gij in Juda gaan wonen, waar gij vreemdelingen zijt, en waar niemand u kent, en waar een andere God gediend wordt dan de uwe? blijft hier, waar gij uw betrekkingen en vrienden hebt. Waarom moet gij de moeilijke en gevaarvolle reis doen, die ik ga doen? Blijft, hier is liet veiliger voor u. Ben ik niet een oude vrouw, en kan ik niet spoedig sterven, en zoudt gij dan niet alleen staan in een ver en vreemd land? Blijft, hier hebt gij steun in uw verwanten.quot; En met nog meer redenen bewoog zij haar dochters om haar alleen te laten trekken; die moeder had haar kinderen zeer lief.

Toen weifelde Orpa. Zij zag de moeilijke toekomst, en dacht aan het gemakkelijker leven in eigen land. Zij weende, zij sprak woorden van smart, zij kuste Naomi, hartstochtelijk; maar — zij keerde naar haar volk eu naar haar goden terug.

Ruth was onherroepelijk beslist gebleven. „Geef mij uw bundelken, moeder!quot; zoo sprak zij, terwijl zij voortschreed, „ik zal het voor u dragen. Dacht gij, dat ik van u af kon? Ik zal u zeggen, waarom ik met u medega. Ik heb u te lief, moeder; ik kan u die moeilijke reis niet alleen laten doen; al de gevaren wil ik met u doelen. Waar gij zul! heengaan, zal ik ook heengaan; waai' gij zult vernachten, zal ik ook vernachten; en waar gij zult sterven, zal ik ook sterven, en daar wil ik begraven ziju. En ik zal u nog iets zeggen, waarom ik met u medega, moeder! Ik wil onzen god Kamoos niet meer dienen; nooit, nimmer meer die afgoderij! Mijn oogen ziju geopend, en ik heb voor goed besloten: uw God zal mijn God zijn, en uw volk mijn volk!quot; Nimmer had Naomi zulke woorden van trouw en nieuw geloof gehoord. Zij kuste haar

ocr page 276

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Ruth; en hand in hand gingen die twee vrouwen luen het pad duur de velden af, naar het westen.

Straks lag Muab achter haar in het waas van iets, dat voorbij is. En zij zochten den weg naar hun oud en nieuw vaderland.

Haar weg ging over bergen en door dalen. Haar weg ging door beken en door stroomen. Haar weg ging aan den rand van steenwoestijnen, zonder water. Haar weg ging door het land van vriend en vijand heen. Maar haar Clod was niet haar. Na vele dagen kwamen zij te Bethlehem. Bij arme heden vonden zij een gastvrij dak,

„Is dat niet Naomi?quot; riepen de lieden verbaasd, die haar herkenden, en haar zagen in het weduwkleed; „is Naumi weergekeerd?quot; — „Ach!quot;'antwoordde zij, „noemt mij niet meer Naomi, maar Mara; want gij weet niet, wat bittere smarten ik heb geleden.quot; Do lieden, tegen wie zij dit sprak, begrepen haai'; want Naomi was een woord, dat in hun taal „de gevierdequot; beteekende; en Mara was een woord, dat in hun taal „bitterheidquot; beteekende. Ook verhaalde zij hun, al wat'haar wedervaren was; en de nunischen waren verbaasd uk t medelijden. Haar droeve geschiedenis ging rund door al de woningen van het dorp.

Het was in de dagen van den gersteoogst. De landlieden waren druk op het veld, en vroolijk. God had weder koren gegeven. Zij waren juist aan het maaien begonnen. Akkers na akkers stonden dik en geel van wuivende halmen. De mannen sloegen scherpe sikkels in het koren, en bonden de garven samen, onder blij gezang', van veld tot veld. En de vrouwen te huis maalden het koren, en kneedden en bakten het eerste brood. God had weer overvloed gegeven.

Ruth, de arme Ruth, was naar de velden gegaan. Achter de maaiers was zij gaan loepen; de aren, die bleven liggen, et uit de garven vielen, raapte zij op, in haar kleed. Thuis sloeg zij de aren uit, en maalde zij de korrels lijn. Kin ook zij en haar moeder hadden brood. Zoo leefde zij, een dag,, twee dagen, meer dagen.

Nu geschiedde het, dat het veld, waarop zij dit had gedaan, het veld van Boaz was, een der rijkste lieden uit het dorp, ook nog een bloedverwant

268

ocr page 277
ocr page 278
ocr page 279

RUTH. 271

van Naomi. Eons kwam Boaz op het veld, om naar het werk van de maaiers te zien. „Wie is die jonge vrouw, die daar do aren leest?quot; vroeg hij, toen zijn oog op Ruth viel, die haar kleed vol aren had. „Weet gij het niet?quot; antwoordden de maaiers; „dat is Ruth, de Moabietische vrouw, die met haar schoonmoeder Naomi is medegeknmen.quot; En zij vertelden Boaz haar geschiedenis. Toen trad hij naar die jonge vrouw toe, en hij zag, dat zij schoon was; en vriendelijk sprak hij: „Ik heb gehoord, wie gij zijt, en al wat gij aan uw schoonmoeder gedaan hebt; God zal u daarvoor zegenen, mijn kind! Raap vrij .al de aren hier op, zij zijn alle voor u!quot; En aan de maaiers gaf die goede man bevel, dat zij veel aren moesten laten liggen, opdat die vrouw veel had. Dien avond kwam Ruth thuis, niet koren, zooveel als zij bijna niet had kunnen dragen. Verbaasd zag haar moeder op; en Ruth verhaalde die moeder alles, van den goeden heer, en van de vriendelijke woorden, die hij gesproken had.

Dat ging zoo vele dagen, totdat de gersteoogst gedaan was, en de akkers leeg stonden. „God heeft voor ons gezorgd,quot; zeide Naomi, „en Hij zal verder zorgen. Die twee vrouwen werden vroolijk, zooals zij in lang niet vroolijk waren geweest.

En inderdaad zorgde God verder, zooals de Moabietische het niet had gedroomd. Want ten einde van den gersteoogst kwam Boaz, en hij sprak met de moeder, en met de schoone Ruth. En eer dat de knechten, niet vele weken later, weder naar het land gingen met ploegen en eggen, was er bruiloft in het rijke huis van dien heer. Ruth werd Boaz' vrouw. En al de lieden uit het dorp kwamen bij Naomi, met blijde gezichten. .,God heeft u gezegend!quot; riepen zij, „in de dochter, die met u is medegekomen uit het vreemde land!quot; Maar Naomi zeide: „Zij is geen vreemde onder Gods volk; want onze God was haar God, reeds eer dat zij hier kwam.quot;

Later kregen Boaz en Ruth een zoon, die Obed genaamd werd. Deze Obed werd de vader van Isaï, die de vader van David geworden is.

ocr page 280

ELI EN SAMUËL.

al de menschen waren in de dagen van Boaz /00 vroom en TVjquot; goed als die menschen if Bethlehem. De afgoderij heersrhte overal in Israel, en die den Heere dienden waren verre in de minderheid. ^ Hot kwaad, de goddeloosheid, de onverschilligheid waren zelfs doorgedrongen in gezinnen, waar zulks allerminst mocht verwacht worden, namelijk in de gezinnen der priesters, die toch immers het volk moesten voorgaan in al het goede. Zoo was het zelfs in het huisgezin van den hoogepriester. Eli heette de hoogepriester, die na den dood van Simson, de voornaamste man was in het rijk. Deze man woonde te Silo, want daar stond toen ter tijd de Tabernakel; en de Tabernakel was daar geweest vanaf den dag, dat Joznahem daar opgezet had na den woestijntocht. Silo lag een weinig zuidwaarts van Sichem.

Eli, de hoogepriester, was een richter, die niet met de kracht, waarmede God hem geroepen had, het land bestuurde. Hij was te zwak, te toegeeflijk tegen het booze volk. Iedereen deed wat recht was in zijn oogen, en Eli deed er niets, deed er niet veel tegen; en dit was te erger geworden, naarmate hij ouder was geworden. Die grijze hoogepriester werd niet bemind, maar niet gevreesd ook.

Zijn eigen twee zonen, Hofni en Pinehas, hoewel priesters in den Tabernakel, behoorden onder de goddelooste lieden uit de bunrt. Zij stonden altijd te praten met allerlei slecht volk aan de deur van den Tabernakel, en spotten en vloekten daar zonder schaamte; zoodat vrome menschen zeiden; „Ik ga niet meer op om in den Tabernakel te offeren; het staat daar altijd vol van slechte mannen en vrouwen.quot; En als er nog eens een vroom man kwam, die toch zijn offer aan God wilde brengen, naar de wet van God, dan zeiden die twee goddeluoze priesters spottend: „Geef maar hier uw lam of uw rund, wij gnllen het wel eten!quot; En zoo bleven hoe langer hoe meer de menschen daar weg; Hofni en Pinehas maakten alzoo, dat de dienst van God geheel in verval raakte.

En Eli, — die weeke man. hij deed er niets tegen: hij bestrafte zijn

ocr page 281

ELI m SAMUEL. 273

koulis nauwelijks; hot eenigo, wat hij zoidc, was: „Zou duet men niet in Israël, mijn üonen!quot; Dat was zoor verkeerd van Eli; on hij k^n aan /ij11 geweten wel voelen, dat God dal wel eens aan hem slralTen zon. Toch maakte hij zich onder dat gevoel niet eens erg ongerust.

Onder de weinige menschen, die toch nug vulhielden om den Tahernakel geregeld met hun ufïers te bezuoken, waren er twee vrome ineiischen. die o)» het gebergte wounden, het gebergte van Elraïin, te Karna. De man heeMc Klkana, en was uit het geslacht der Levieten; en de vrouw Haniia. Mik jaar kwamen zij naar Silo, en daar brachten zij hun ulTer; dat deden zij getrouw. Die man had zijn vrouw zeer liet, en was altijd zeer goed jegens haar. Maar toch voelde zij zich niet gelukkig, want zij had geen kinderen; en zij dacht altijd: „Zou God mij nu nuuit een zoon geven? Ik zou zoo gaarne een zuun hebben.quot;

Toen zij weder eens uit hun gebergte naar Silo gekomen waren, met hun ufïer, bleef Hanna alleen achter, in don Vuurhof van den Tabernakel. Zij was weder erg bedroefd, en op haar knieën wierp zij zich; daar stuitte zij haar gansche hart voor God uit, in een stil en lang gebed. De hoogepriester Eli, die in den Voorhof zat, en het aanzag, verwonderde zich uver wat die vrouw deed. Want zij bad niet hardop, zooals al tie menschen gewoon waren in dat land te doen, maar alleen haar lippen bewogen zich. Dat had Eli nooit gezien; zoo ongewoon was dat. „Die vrouw doet vreemd,quot; dacht hij; en hardop zeide hij, the tegenover een vrouw wel moed genoeg scheen te hebben: „Gij zijt zeker dronken! moet gij hier dronken in den Tabernakel komen? Ik zou van hiei gaan, vrouw! schaam u! Toen richtte Hanna zich op, en hem aanziende, zeide zij: „Dat ben ik niet, heer! Neen, maar ik ben zoo bedroefd; ik heb iets, dat mij ongelukkig maakt; en nu heb ik dat aan Gud geklaagd, in de stilte van mijn hart; wat wilde ik, dat God mijn gebed eens verhoorde!quot; Eli had spijt, toen hij deze woorden huurde, dat hij haar zoo verkeerd beoordeeld had; en in de goedigheid van zijn weeko hart, zeide hij, om good te maken wat hij eerst had gezegd: „Ga heen in vrede! Gud zal uw gebed verhooren!quot; Die man wist niet, dat hij onwetend de waarheid sprak.

Want na verloop van dagen kreeg zij werkelijk een zoon (1155 v. C.) De ouders waren verbaasd, en verblijd buven mate. Dit was de verhooring van het gebed.

is

ocr page 282

274 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Daarom noemden zij het kind: Samuel. „De van God gebedenequot; beteekent die naam. „Dezen zoon, dien ik van God gekregen heb, zal ik aan God toewijden,quot; zeide Hanna; „nis hij wat ouder geworden is, zal ik hem aan God teruggeven, en ik zal hem naar den Tabernakel brengen, opdat hij daar de priesters mag dienen.quot; Die vrouw was tevreden als haar zoon eens een dienstknecht mocht worden in het heiligdom; daar knecht te zijn, achtte zij in haar vroomheid reeds een hoog ambt. En Elkana vond alles goed, wat zijn vrouw zeide of deed.

Zoo kwam Samuel, toen hij wat ouder geworden was, reeds vroeg in den Tabernakel. Eli nam den knaap weldra onder de Levieten op, wat hij doen mocht; want Samuel was uit het geslacht der Levieten. Hot was voor de moeder een groot offer, dat zij bracht, om haar zoon uit huis te laten gaan, en zij weende wel bij het afscheid; maar zij deed het uit dank aan God, die haar gebed had verhoord. Zij kwam hem elk jaar eens bezoeken; en dat was haar altijd een blijde dag.

In den Tabernakel was Samuel nu dienstknecht geworden, en droeg hij de kleeding der Levieten, een linnen lijfrok; en hij was niet te hoogmoedig om het minste werk te doen, en de geringste der Levieten te zijn. Hij werd ook bemind, bij God en menschen beide. Eli, de hoogepriester, hield eveneens veel van hein. Zulk een flink en vroom Leviet was er er niet onder al de jongelingen.

Deze Samuel was door God tot iets groots bestemd; en daartoe ging God hem roepen.

Op een zekeren avond, tegen het begin van den nacht, toen Eli zich reeds ter ruste had begeven, en Samuel zich in een nevenvertrek had neder-gelegd om te slapen, hoorde hij zich bij zijn naam roepen. „Dat is de hoogepriester, die mij roept,quot; dacht hij; en hij sprong op, en ging tot hem in de andere kamer; „hier ben ik,quot; sprak hij, „wat moet ik nog voor u doen?quot; — „Ik heb n niet geroepen, mijn zoon!quot; antwoordde de grijsaard; „ga slapen.quot;

Niet lang daarna echter, hoorde Samuel zich weder bij den naam roepen. Wederom sprong hij op, en kwam hij voor den hoogepriester; maar tot zijn bevreemding hoorde hij van dezen wederom, dat hij hem niet geroepen had.

Nauwelijks had hij zich weder nedergelegd om in te slapen, of ten derden

ocr page 283

HANNA BIDDENDE IN DEN TEMPEE.

ocr page 284
ocr page 285

277

male hoorde hij zich hij don naam roopcn. Verbaasd xag- Eli op, toon Samuol wodor voor zijn h^gei'.stodo kwam. „Dit is mi do dorde maal,quot; sprak Eli tot hom; wol licht is hot (lod, dio hit n sprokon wil, jongeling! Daarom, als gij weer die stem hoort, antwoord dan dit: Spreek, Heeie! want Uw knecht hoort.quot; En Sam nol ging naar zijn vertrek terug met een gevoel, waar vrees en hlijdschap in was.

Inderdaad hoorde hij daar, voorde vierde maal, roepen: „Samuel, Samuel!quot; en zonder dralen antwoordde hij: „Spreek, ITeere! want Uw knecht hoort.quot; En tot zijn verbazing hoorde hij toen, hoe God iets aanzeide, dat gebeuren zou. De TIeere verkondigde hom, dat. wat Mij roods eenmaal vroeger aan Eli had bekend gemaakt, nu weldra geschieden zou: oin de ongerechtigheid van zijn twee zonen, en om de weekheid, waarmede hij alles had toegelaten, zoodat de dienst van God te schande was geworden, zou God Eli en zijn beide zonen op één dag laten sterven: iedereen in Israel zou er zich over ontzetten.

Samuel kon dien nacht bijna niet meer slapen : en toen de morgenstond kwam, was hij blijde, dat het dag werd, Hij wierp de deuren open van den

ocr page 286

BIJBELSOHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Tabernakel, oin het daglicht binnen te laten, onderwijl bij zich zei ven overleggende, met vrees, of hij het aan Eli te kennen moest geven ot niet. Reeds wilde hij aan zijn gewone werk gaan, toen Eli hem riep. Hij haastte zich naar den hoogepriester, waar deze te bed lag, die hem vroeg: „Wat heeft God tot u gesproken, mijn zoon? Verberg het niet voor mij, want ik weet, dat God ii verschenen is!quot; Samnel voelde, dat hij het hem alles moest zeggen, en hij kondigde zijn ouden meester aan al het vreeselijke oordeel, dat over zijn huis komen zou; en Samuel zeide het als een, die wel wilde, dat het anders was.

In plaats van ter dood toe verschrikt te zijn, nam de ongelukkige grijsaard de aanzegging van zijn oordeel zeer onaandoenlijk op. „Als God het over mij besloten heeft, kan ik er niets aan doen,quot; zeide hij. „en dan moet het toch komen.quot; De jongeling begreep niet, hoe zijn meester zoo zijn kon, maar hielp hem even eerbiedig als altijd om op te staan.

Het werd echter aan iedereen bekend, dat God aan Samuel verschenen was; en dewijl dit in geen tijden aan iemand geschied was, zeiden de menschen, dat hij van God aangewezen was om een groot profeet te worden. Inderdaad verscheen God hem na dien nog meerdere malen; hij ging op vele plaatsen van het land in Gods naam tot de menschen spreken, en hun gebieden de afgoderij te laten. Men kende hem spoedig van het noorden tot het zuiden; velen gehoorzaamden hem, en de boozen vreesden hem. Zoo werd hij groot door Gods gunst.

Niet lang daarna vielen de Filistijnen in het land. „Ziedaar het oordeel, dat ik tot de goddeloozen gesproken heb,quot; dacht Samuel, „waarom hebben zij niet geluisterd?quot;

Te Afek hadden de Filistijnen zich gelegerd; en het leger der Israëlieten lag tegenover hen. In een eerste treffen, dat er plaats vond, lieten de Israëlieten reeds vier duizend dooden liggen. Dat gat groote verslagenheid bij hen.

„Maar waarom nemen wij de Ark des verbonds ook niet bij ons?quot; zeiden sommigen; „als wij die Ark bij ons hebben in den strijd, dan hebben wij onzen God bij ons, en dan overwinnen wij zeker.quot; Daarom dat zij naar Silo gingen, en aan Eli vroegen, om de Ark te mogen medenemen uit den Tabernakel. Het was een bijgeloovige gedachte van hen; want zij begrepen niet,

278

ocr page 287

ELT EN SAMUEL.

dat liet nog niet hetzelfde was, de Ark of Godzei ven met zich te hebben. De oude Eli begreep dit wel; maar hij durfde niet tegenspreken of weigeren; en zoo brachten zijn beide zoons Hofni en Pinehas de Ark mede naar het leger te Afek. De oude Eli vreesde, want hij voelde, dat dit niet goed zou gaan.

Toen de Ark, die gouden kist met de twee engelen daarboven, en met de heilige voorwerpen daarin, in het leger aankwam, juichten de Israëlieten; zij kregen moed om een tweeden slag te beginnen. De Filistijnen, die het gejuich en de oorzaak er van vernamen, waren, even bijgeloovig, een oogenblik ontsteld; maar weldra zeiden zij: „Wij dienen heden wel eens zoo dapper te vechten als anders; want anders worden wij geslagen, nu zij hun God bij zich hebben.quot; Toen duurde het niet lang, of de twee legers streden een vreeselijken strijd.

Onderwijl zat Eli te Silo in groote angsten. Zou de veldslag door zijn volk gewonnen of verloren worden? Zou de Ark des verbonds, die hij medegegeven had, hier in den Tabernakel teruggebracht worden? Als dat grootste heiligdom zijns volks eens in handen der vijanden viel? In zijn vrees was hij zijn huis uitgegaan, en op een stoel had hij zich laten neerzetten, buiten, aan den kant van den weg. Een ieder, die voorbijkwam, vroeg hij, of er nog geen bericht was van den slag. Vele malen vroeg hij het vergeefs. Hij vreesde. Tegen den laten namiddag zat hij daar nog.

Toen kwam er een man den weg naar de stad af, wien men het aanzien kon, dat hij snel en lang geloopen had. Zijn kleederen waren gescheurd, en er was asch op zijn hoofd. „Verloren, verloren!quot; riep hij, reeds eer hij de poorten inkwam. Op alle straten weerklonken de kreten van smart en schrik.

Straks werd die vluchteling voor Eli gebracht. „Wij hebben den slag-verloren, en ons leger is gevlucht naar alle zijden,quot; sprak die man; en zonder ophouden voegde hij er aan toe; „Uw twee zonen Hofni en Pinehas zijn ook gedood; en de Ark is in de handen der Filistijnen gevallen.quot; Van schrik sloeg Eli de handen samen boven zijn hoofd, en een luide weeklacht wilde uit zijn mond, toen hij plotseling achterover van zijn stoel afviel, op den grond kwam, en zijn hals brak.

279

ocr page 288

BI-TBELSOHE GESCHIRDENIS VOOR KINDER RN.

Zoo stierven do hoogepriestei- en zijn beide zonen op één dag; (1110 v. C.) dat was wat Samuel in Gods naam hem had voorzegd.

Veertig Jaren was Eii richter geweest; Samuel werd richter in zijn plaats; doze was een betere.

Na de overwinning van den veldslag bij Afek hadden de Filistijnen de Ark des verbonds met gejuich medegenomen. Voor het gevoel dier bijgeloovige heidenen was het, alsof zij den God van Israël zeiven hadden gevangen genomen. Zij lieten er zich niet weinig op voorstaan, en zeiden: „Onze god Dagon is toch grooter god dan die der Israëlieten.quot; Daarom dat zij de Ark brachten in den tempel van hun god Dagon, welke tempel te Asdod stond.

Daar stelden zij' de Ark tegenover het beeld van den afgod, terwijl zij dachten: „Daar staat de overwonnen God als gevangene on vernederde voor zijn overwinnaar.quot; Toon do lieden van Asdod den volgenden morgen echter in den tempel kwamen, zagen zij tot hun verbazing en ontsteltenis, dat het beeld van Dagon van zijn standplaats was afgevallen, en mot het gelaat op den grond lag voor do Ark. Zij wisten niet, hoe dit kon gekomen zijn, en schuddon bedenkelijk hot hoofd; maar zij namen hot beeld en stelden het weder op zijn plaats.

Op den tweeden morgen zagen zij, verschrikt, het beeld weder op den grond gevallen; maar het hoofd van het beeld lag van don romp gescheiden, alsof een scherp zwaard hol had afgehouwen; ook de beide handen waren afgehouwen, die lagen bij do deur op don drempel. Daar kwam oen ontzetting over do menscbon in Asdod, le moer, dewijl er dien dag oen zware ziekte onder hen uitbrak. „Dat heeft do God van Israël gedaan,quot; riepen zij, „wij willen do Ark hier niet houden.quot;

En zij brachten do Ark naar Gath, oen andere hoofdplaaIs in hun land. Maar f»ok daar brak oen ziekte uit.

Toen werd de Ark naar Ekron gebracht. Maar de inwoners van Ekron wilden haar evenmin hebben, vreezende, dat zij ook zouden moeten sterven. Waar moest de Ark blijven?

De priesters en waarzeggei's werden geraadpleegd, wat te doen. „Ziet,quot; zoo spraken deze, „wij weten niet, of het door dien God van Israël is, dat die

280

ocr page 289

DK VAL VAN DAGON.

ocr page 290
ocr page 291

ELI EN SAMUEL.

krankheden en plagen over ons komen; maar wij kunnen liet wel te weten komen. Laat ons een nieuwen wagen nemen, en daar de Ark op zetten; en laat ons daar twee koeien voorspannen, die jonge kalveren hebben. Die kalveren moeten wij dan, als de koeien voorgespannen zijn, van haar wegnemen en naar den stal terugbrengen. En laat ons dan zien, wat die koeien doen. Gaan zij ook terug met den wagen achter zich, naar den stal, waar haar kalveren zijn, dan weten wij, dat die God van israöl niets beteekent, en dat onze krankheden door een toeval gekomen zijn. Maaiquot; gaan de koeien, met den wagen achter zich, niet naar den stal, en den weg op naar het land van Israël, weet dan voorgoed, dat het die God is, die ons de krankheden gezonden heeft.quot;

Zooais de waarzeggers zeiden, zoo deden de Filistijnen. En ziet: als van een onzichtbaren engel Gods geleid, gingen de koeien den weg op naar het land van Israöl. Zij wilden wel terug naar den stal; maar alsof zij onzichtbaar geslagen werden, zoo loeiden zij. en zij moesten, onwillig, naar Israöl. Toen lieten de Filistijnen, verbaasd, den wagen gaan. waarheen de dieren hem trokken. Zij waren eigenlijk blijde, dat de Ark nn weg was.

De koeien brachten de Ark alzoo tot aan het dorp Beth-Senies. De menschen, die daar juist op hun akkers bezig waren met den tarweoogst, zagen het, liepen toe, met verbazing, en daar was geen einde aan hun blijdschap, evenals aan de blijdschap van alle Israëlieten, toen zij begrepen, op welk een wonderbare wijze God zelf hun de Ark des verbonds weder teruggegeven had.

Te Kirjath-Jearim werd voorloopig de Ark nedergezet, in het huis van Abinadab; maar zij bleef daar jaren langer, dan men gedacht had.

Samuel was als richter zeer gelukkig, want God zegende hem in alles.

Na den dood van Eli was hij weder te Rama gaan wonen, in het huis zijns vaders. Daar bouwde hij een altaar, en de menschen uit Israël kwamen in zijn dagen bij hem, te Rama, om te offeren. Hij wekte het volk op om van alle afgoden afstand te doen.

Op een groote volksvergadering, die hij bijeengeroepen had te Mizpa, sprak hij zoo moedig en krachtig, dat zijn volk berouw kreeg van de oude

283

ocr page 292

284 BT.TRELSCHE CtESCHTEDENTS VOOE KINDEREN.

zonden, on de monschen luide en eenparig om vergiften is baden, en beloofden, alleen God weer te dienen. Samuel offerde daar, en zoo hernieuwden zij allen

hun verbond niet God.

Nu hadden ook de Filistijnen gehoord, dat er te Mizpa zulk een groote volksvergadering gehouden werd. „Die Israëlieten zijn zeker weder bezig om zich tegen ons te wapenen;quot; zeiden zij, „en willen zij weder tegen ons opstaan?quot; Zonder lang dralen wilden zij dit voorkomen, en weldra kwamen zij met een groot leger de Israëlieten op hun volksvergadering overvallen. Maar God hielp Zijn volk, dat daar juist boetvaardig weder het verbond met Hem vernieuwd had. En onder een vreeselijk onweder en onder een geweldigen donder viel de bliksem zoo herhaald uit de lucht, alsof al het hemelvuur tegen de Filistijnen losgelaten was. Duizenden van hen werden gedood en de overgeblevenen vluchtten. De Israëlieten vervolgden hen, en sloegen er nog velen dood. Ter gedachtenis aan die wonderbare hulp richtte Samuel daar een grooten stoen op; en zij gaven dien gedenksteen een naam; Eben-haëzer. „De steen der hulpequot; beteekent die naam. Lange jaren heeft die steen daar gestaan.

Sedert werd onder Samuël de oorlog tegen de Filistijnen voortgezet, en met zoovele overwinningen, dat het volk merkte, dat het goed was om den Heere te vreezen, beter dan om Hem te verlaten. Zoolang Samuel richter was, vreesden de Filistijnen, en hieven /.ij ver weg; en Samuel had een

'%J|0^oen Samnel oud begon te worden, liet hij zich in zijn richterambt w bijstaan door zijn twee zonen. Maar deze waren geen mannen zooals

ang leven.

o-^O)(É£O

SAUL KONING.

1095 v. Clir.

hun vader. Als zij rechtspreken moesten, dan gaven zij altijd aan die 6 partij gelijk, die hun het meeste geld gaf. Zij waren hebzuchtig, en verrijkten zich door van hun macht misbruik te maken.

Het volk merkte zeer goed het onderscheid tusschen deze mannen en hun vader; en velen spraken; „Moeten de zonen van Samuel richter worden na

ocr page 293

SAUL KONING. 285

hour.' Dat /uilen wij /oker niet toestaan.quot; Uaarutii dat do uudstun \'aii Israël naar Samuel gingon to Rama, on hem dit /-oidon. Zij hoklaagden zidi uver zijn zonen, en zeiden, dat zij in hot vervolg maar liever een koning begeerden. Samuel verschrikte u|) dit woord. „Ja,quot; zeiden zij, „een koning, zooals alie volken bobben! Alleen wij, wij hebben geen koning: waarom moet dat? Het is toeli voel beter, om evenals elk ander volk een koning te hebben.quot;

Niet alleen schrik, maar ook toorn was er bij Samuol, toon hij dit zuo beslist van dio heden hoorde. „Bon ik dan geen goed richter, dat zij mij verwerpen, en mi reeds bij mijn loven naar een ander omzien?quot; Kn in zijn mismoedigheid hierover, klaagde hij het aan (iod. „Neemt gij het uw volk kwalijk, dat zij u verworpen?quot; antwoordde hom deHoero; „zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, want Ik ben immers altijd hun koning geweest, niet gij, o Samuel!quot; En de vrome grijsaard begreep nu eerst goed, dat alleen God recht had over deze zaak toornig te zijn tegen het volk, en niet hij. En des te meer stond hij verbaasd over de zachtmoedigheid Gods, toen God hem zeide: „Doe maar naar den zin des volks, als zij volharden met hun wensch!quot; — „God is lankmoediger dan ik,quot; dacht hij mot schaamte.

En toen ging hij tot de lieden, die op zijn antwoord wachtten. Lang sprak hij, en geduldig, over hun dwaasheid om een koning te bogeeren. Was God niet hun koning? En moesten zij Hom nu verwerpen? Ook maakte hij hun duidelijk, dat een koningschap hun duur zou te staan komen; oen koning zou oen lijfwacht moeten hebben, en hun zonen zouden daarvoor gonoinon worden; oen koning zou een paleis moeten liobbon, en zij zouden hot voor hem moeten bouwen^ een koning zou een kostbare horhonding er op na moeten houden, en zij zouden hot moeten bekostigen; een koning zou een doel moeten hebben van do opbrengst hunnoi akkois en liumiei wijngaarden, on oon doel van huil vee; oen koning zou hun belastingen opleggen, en zij zouden het moolen opbrengen. Zou dat voordeelig voor hen zijn? „Ziet maar op mij,quot; riep hij uit, „ik, uw richter, heb u nooit iets gekost; heb ik ooit iets van hot uwe begeerd ot' genomen?quot;

Doch hot volk, dat voor hom stond, bloot bij zijn boshut, hoewel het boni moest toegeven, dat hot alles zoo was, gelijk hij zeide. En als menschon, die eenmaal hun zin wilden hebben, riepen zij slechtsi „Een koning, een

ocr page 294

28() B1JBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

koning!quot; Toen zeide Samuel niets meer, dan dit; „Daar zult gij berouw over hebben!quot; En bedroefd over hun eigenzinnigheid, sprak hij met hen af, dat hij een groote volksvergadering zou bijeenroepen te Mizpa, en dat daar dan eerlijk door het lot beslist zou worden, wie de koning zou zijn.

.,Wie zal liet zijn?quot; dachten allen; en onder de voornaamsten was er menigeen, die dacht: „Misschien, dat ik. het word. Maar God had zich reeds een koning verkoren.

Daar leefde te Gibea, in het land van den stam van Benjamin, een man, die Kis heette. Hij was een aanzienlijk landbouwer, en was in de vorige oorlogen welbekend geworden door zijn dapperheid en moed.

Deze Kis, die op zijn land zijn vee had grazen, was op zekeren dag eenige ezelinnen kwijt geraakt. Hij miste ze niet gaarne, en daarom zeide hij tot zijn zoon Saul, dat hij ze moest gaan zoeken. Deze zoon van hem, Saul, was een jongeling, grooJt en sterk, en schoon van aangezicht. Gaarne nam hij de taak op zich, en met een knecht ging hij de bergen in.

Maar op het gebergte vonden zij de dieren niet; aan den anderen kant daalden zij af, in het dal; maar ook daar waren de dieren niet. Verder heen gingen zij, overal zoekende; ja, geheel tot bij de stad Rama gingen zij. Dat duurde verscheidene dagen. En ten laatste zeide Saul: „Wij moesten terug-keeren; want mijn vader zal wellicht door ons uitblijven meer bekommerd worden om ons dan over de ezelinnen.quot; - „Wij kunnen nog één poging wagen om ze te vinden,quot; antwoordde de knecht; „hier in de stad Rama woont de profeet, Samuel; laat ons het hem vragen; die profeet kan het ons wellicht zeggen.quot; En alzoo gingen zij den weg op naar de stad.

Zij kwamen meisjes tegen, die uit de stad den heuvel al kwamen, met kannen op het hoofd, om water te gaan putten. Op hun vraag naar den profeet, antwoordden die meisjes: „Hij is juist weder in de stad teruggekomen, en gij zult hem kunnen vinden; maar dan moogt gij u wel haasten; want straks gaat hij uit, om een offer te doen op gindsche hoogte, waar het altaar staat; en daarna is er een groote maaltijd voor de voornaamsten der stad.quot; En Saul en zijn knecht gingen haastig de stad binnen.

ocr page 295

Midden in do stad, op het plein gekomen, zagen zij eenige lieden aankomen; Saul trad op hen toe, en vroeg aan een hunner, een grijsaard: „Wil mij toch zeggen, waai' is hier het huis van den profeet?quot; „Die profeet ben ik zelf, jongeling!quot; antwoordde Samuel; want hij was die grijsaard. En nog meer verbaasd zag San! op, toen Samuel daarbij voegde: „Ik weet, wat gij komt vragen; maar verontrust 11 niet langer, uw ezelinnen zijn gevonden. En wat zijn eenige ezelinnen voor u, die alles heb lx; n zult wat in het land begeerlijk is?quot; Saul verschrikte, want hij dacht plotseling door dit woord aan het koningschap, dat spoedig door het lot aan een der Israëlieten zou toegewezen worden. „Gaal met mij mede,quot; zoo zeide Samuel, „gij beiden zult heden mijn gast zijn.quot; Dat de profeet zoo wonderlijk togen Saul deed en sprak, was omdat God het hem alles een dag van te voren had geopenbaard.

Na het otter op de hoogte, verzamelden al de genoodigdem zich aan den feestelijken ottermaaltijd; en ook hier handelde Samuel wonderlijk met Saul; want hij wees hem de eereplaats aan tafel, en behandelde hem met zulk een

ocr page 296

288 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

onderscheiding, dat de gasten verbaasd zagen. ..Zon die landbonwer inissciiien de kuning worden, dal de pruteel hem zulk een eer aandoet?quot; was liet vermoeden, dat hij lien oprees, dat zij later uitspraken, en dat als een snel geiHirld verder verhield werd. Ook na den maaltijd was de profeet vriendelijk tegen den jongeling; hij nam liem mede naar zijn intis, en herbergde hem daar in dien nacht. En den volgenden morgen, toen Said vertrok, deed hij hem ze U's uitgeleide, ver huiten de stad, den weg op.

Weinig bevroedde Saul, waarom de proleet dat deed. Want onderweg liet Samuel hem stilstaan, op een eenzame plek, en hel hij den knecht voornit-loopen, totdat deze uit hun gezicht was. Toen zij beiden alleen waren, zeide Samuel; ..Kniel hier neder, mijn zoon.quot; En wat hij toen deed, deed het hart in Saul bijna stilstaan van schrik en verrassing. Samuel haalde een kruikje onder zijn mantel te voorschijn, met kost bare zalfolie. Die olie goot hij op het hoofd van den knielenden jongeling, en deze woorden sprak hij daarbij; ,.In den naam van God roep ik en zalf ik n tot koning over Israël. God zal Zijn geest over u geven. Vrees niet, en wees moedig!quot;

Toen Saul alleen zijn weg verder vervolgde, wist hij niet, wat hij denken moest. Hij had ezelinnen gezocht, en een koningschap gevonden.

Te luns gekomen, merkte hij, dat het gerucht van de onderscheiding, waarmede de profeet hem behandeld had aan den maaltijd, hier ook reeds vernomen was. Want zijn oom nam hem ter zijde, en vroeg hem; „Zeg mij toch eens, wat heeft de profeet u wei gezegdVquot; Maar Saul hield zich onnoozel, en antwoordde den nieuwsgierigen oom niets anders dan dit; „Hij heeft gezegd, dat de ezelinnen reeds terecht waren, oom!quot; Hij vertelde hel aan niemand; dat hij tol koning gezalfd was; en hij ging weder naar het laud, en deed akkerwerk als altijd.

De groote dag van de volksvergadering te Mizpa was aangebroken.

Niemand van hel gansche volk, die komen kon, had verzuimd te komen. Zoo talrijk wa^s zelden een volksvergadering geweest.

Toen Samuel een lange redevoering gehouden had, en een offer geslacht had, liet hij een begin maken met het loten. Eerst werd er geloot, om

ocr page 297
ocr page 298
ocr page 299

BAUL VERWORPEN.

te weten, onder welken van de twaalf stammen de koning zijn zou. Met lot viel op den stam van Benjamin. Toen werd er geloot, onder welk geslacht van de geslachten van Benjamin de koning zijn zon. Het lot viel op liet geslacht van Matri. Toen werd er geloot, onder welk gezin van de gezinnen, waar het geslacht van Matri uit bestond, de koning zijn zou. Het lut viel op het gezin van Kis. Nog eenmaal werd er geloot tusschen de mannen uit liet gezin van Kis; en het lot viel op — Saul.

„Waar is hij?quot; riepen al de menschen, die in spanning alles aangezien hadden; „waar is Saul?quot; /ij wilden hun gekozen koning zien. Toen vonden zij hem, waar hij zich verborgen had achter de wagens en achter het gereedschap; want hij was verlegen geworden, de landbouwerszoon, En toen hij bij Samuel gebracht werd, en hij naast hem stond, konden allen hem zien, sterk en schoon, en een hoofd groot er dan alle anderen. „Leve de koning!quot; zoo barstte het gejubel los van een gansch volk, dat eindelijk zijn zin had, en een koning gekregen had. En Samuel sprak voor de menschen de wetten uit, volgens welke de nieuwe koning nu het land regeeren /ou, en schreef ze in een boek. De menschen vonden die wetten goed, en gingen blij huiswaarts.

Alleen een troep ontevredenen, die zeiven koning hadden willen zijn, spraken luide: „Moet die boer koning zijn? Wij erkennen hem niet!quot; Saul echter deed verstandig, en hield zich, alsof hij het niet hoorde.

SAUL VERWORPEN.

f^pe regeering van Saul was in het begin schitterend. Hij begon oorlogen tegen al de vijanden van zijn rijk, den eenen na den anderen. De Moabieten versloeg hij; de Ammonieten had hij reeds verslagen; aan de koningen van Edom en van Zoba, en van de Filistijnen ontnam hij groote deelen van hun rijk. En Israël voelde zich gelukkig en veilig onder den schepter van zijn heldhaftigen en edel moedigen koning. Hij had ook geweldige •strijders onder zich, waar Jonathan zijn zoon, en Abner zijn neef tusschen^pe regeering van Saul was in het begin schitterend. Hij begon oorlogen tegen al de vijanden van zijn rijk, den eenen na den anderen. De Moabieten versloeg hij; de Ammonieten had hij reeds verslagen; aan de koningen van Edom en van Zoba, en van de Filistijnen ontnam hij groote deelen van hun rijk. En Israël voelde zich gelukkig en veilig onder den schepter van zijn heldhaftigen en edel moedigen koning. Hij had ook geweldige •strijders onder zich, waar Jonathan zijn zoon, en Abner zijn neef tusschen

ocr page 300

292 BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

uitblonken. Ook Samuel stond den koning trouw ter zijde; daar was geen strijd en geen veldslag tegen eenigen vijand, of Samuel, de grijze profeet, was ook tegenwoordig, en offerde en bad altijd eerst, voordat de veldslag begon.

Toch had de koning één trek in zijn karakter, die voor hem de oorzaak Werd van veel verdriet en vernedering; en dat was zijn eigenzinnigheid. Weldra kwam daar ook hoogmoed bij, en meer ondeugden. Nimmer blijft een zonde alleen. En oorzaak werden deze zonden van zijn vernedering en val.

Zoo was hij eens in een oorlog gewikkeld met de Filistijnen, die onverzoenlijke vijanden van zijn volk. Deze waren met zulk een sterk leger in Israël gevallen, dat de Israëlieten allen moed verloren, hun steden en dorpen verlieten, voor hen uit vlnchtten, en zich verbergden, waar zij maar konden. Zij verborgden zich in de spelonken, in de doornbosschen, in de steenklippen en in de putten.

Samuel sprak Saul moed in, en deze Irok met een leger de Filistijnen te gemoet, om zijn volk te verlossen. „Ga vooruit met uw leger,quot; zeide Samuel, „ik zal ook komen binnen zeven dagen: en ik zal offeren en bidden, en gij znlt overwinnen.quot;

Toen Samuel echter zeven dagen lang uitbleef, en Saul met zijn leger werkeloos lag, en ook zelfs van zijn soldaten velen uit de gelederen begonnen weg te loopen, vreesde Saul dat met langer dralen zijn bende geheel ver-loopen zou. Daarom dat hij op den zevenden dag zeide: „Ik zal zelf offeren, en dan tot den aanval overgaan.quot; Hij wist, dat hij zelf niet een offer ontsteken mocht, en dat zulks alleen het werk van een priester mocht zijn. Toch deed hij het, en voor de gelederen ontstak hij np een altaar een brandoffer.

Juist bad hij hiermede gedaan, en wilde hij tot den aanval overgaan, toen Samuel verscheen. „Hebt gij zelf het offer ontstoken, en het werk van een priester u aangematigd?quot; vroeg Samuel hem verwijtend: „God zal er u voor straffen, koning! Als gij gestorven znlt zijn, zal niet uw zoon uw opvolger zijn, maar een ander, dien God daartoe verkiezen zal!quot; Dit was voor Saul een vreeselijke boodschap. Hij was ter neêr geslagen, te meer daar Samuel weder heenging, zooals hij gekomen was.

De bende van Saul was verloopen tot zeshonderd man; en toch viel die

ocr page 301

SAUL VERWORPEN. 293

dappere man eenige dagen later het groote Filistijnsche leger aan, achter Michmas; en vooral door den moed van zijn zoon Jonathan was het, dat een schitterende overwinning dien strijd bekroonde.

Saul zag hierin, dat God hem niet verlaten wilde, en had spijt van zijn ongehoorzaamheid; want hij was een edel man, die berouw kon hebben. „Ik zal niet weder eigenzinnig zijn,quot; dacht hij, „moge God mij vergeven hebben!quot; En hij streed tegen zijn eigenzinnigheid, hoewel het hem zeer moeilijk viel die eigenschap te bestrijden. Ook voelde hij zich voor het eerst ongelukkig bij de gedachte, dat een ander, en niet zijn eigen zuon koning zou worden na hem.

Bij een andere gelegenheid was het echter weder, dat hij zijn eigen zin en niet Gods wil deed.

Samuel had hem in den naam van God opgedragen om den oorlog tegen de Amalekieten te beginnen. „Spaar niemand,quot; zoo had hij gezegd, „en root niets, zelfs van het vee niets; want dit is geen oorlog om u te verrijken, maar een oorlog, waarbij God de Amalekieten straffen wil om al hun zonde die zij gedaan hebben.quot; — „Ik zal het doen,quot; sprak Saul; en hij zeide het als een held, die blijde is uver den aanstaanden strijd.

Hij verzamelde een machtig leger, en viel in het land der Amalekieten, en joeg hen voor zich uit tot aan de grenzen van Egypte. In het gevoel van zijn overwinning dacht hij echter bij zichzelven: ,,Het is toch jammer, om al het vee dier menschen te dooden; ik zal hun ossen en schapen toch mede-nemen.quot; Ook den koning der Amalekieten, Agag geheeten, die als gevangene in zijn macht was gevallen, doodde hij niet, maar schonk hij het leven. Hij deed het uit edelmoedigheid; maar hij vergat, dat er een edelmoedigheid is, die recht tegenover den bepaalden wil van God kan staan. Zoo keerde hij weder met eer en buit, uit een oorlog, waar hij geen buit had mogen maken.

Samuel was den weerkeerenden koning te gemoet gegaan; en toen zij elkander ontmoetten, begroette Saul hem met een vroolijken groet: „Gezegend zijt gij den Heere! Wat God bevolen heeft heb ik gedaan! Amalek is vernietigd!quot; Maar Samuel zag droevig, en antwoordde: „Hebt gij gedaan, wat God u bevolen heeft? Spaar niets, en roof niets, heeft de Heere gezegd. En

ocr page 302

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

wat. hoor ik daarginds dan een geluid als van schapen en ossen? Hebt gij dan niet alles gedood, o Saul?quot; — „Wel zeker,quot; zeide deze, „wij hebben alles gedood, menschen en dieren; alleen Agag, den koning, heb ik gespaard; en die koeien en schapen, dat zijn de beste, die hebben wij ouk gespaard om als dankoffer te geven aan God.quot; -- „Meent gij, dat God Offeranden wil aannemen uit de hand van mensehen, die Zijn wil niet doen?quot; riep Samuel; „gehoorzamen is beter dan offers brengen!quot; En in toorn uitbarstende, hield hij den koning een strafrede, waarvan het slot was, dat hij hem in den naam van God zeggen moest, dat hij geen koning meer zijn zou, en dat God hem verworpen had.

Saul, die nog nooit gevreesd had voor een zwaard van vijanden, stond verplet voor de gedaante van den dreigenden profeet. En te meer sidderde hij, toen hij zag, hoe de grijsaard den gevangen koning Agag voor zich brengen liet, en hem in stukken hieuw. Samuel ging heen, in zijn toorn, naar Kama, waar hij woonde; en hij zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe. Voor Samuel was het, alsof Saul geen koning meer was. Maar in zijn hart was Samuel zeer bedroefd om Saul; hij had van den koning altijd zeer veel gehouden; en hij had hem nog lief, zooals men een zoon lief heeft.

En de koning zelf, — liij voelde zich nog meer ongelukkig, dan hij zich ooit gevoeld had; evenals een mensch, die weet, dat hij op een ongehoorzamen weg is. „Wat moet ik doen?quot; dacht hij; „moet ik nu van mijn troon afstijgen, een ander daarop plaats laten nemen, en als een boeteling gaan leven, weer in het oude huis, dat mijns vaders was? Wellicht ware dit het beste, en Gode aangenaam!quot; Maar dan dacht hij weder: „Neen, neen! ik kan mijn koningschap niet varen laten; ik heb mijn rijk sterk gemaakt en bloeiend, zooals het nu is; van mijn kroon scheid ik nimmer; koning blijf ik!quot;

Die strijd had er lang plaats in zijn hart; maar altijd besliste hij voor het laatste. En zijn trouwe dappere volgelingen, die hem liefhadden, zeiden het hom ook: „Gij blijft koning! Wij dienen nooit een anderen, welken God ook geven wil!quot;

--

294

ocr page 303

DAVID GEZALFD.

1003 v. C.

reeds een anderen koning in Sauls plaats zich verkoren. aW^uel-' dus sprak God, „treurt gij nog altijd om Saul, die zich tegen rdSfi' mij verheft? Ik heb mij een anderen koning verkozen, die mijn wil zal doen!quot; En op Gods bevel ging de profeet naar Bethlehem; en hij droeg een kruikje met kostbare zalfolie bij zich. Hij had liever gehad, dat (Jod Saul in genade weder aangenomen had; maar hij gehoorzaamde als een, die wist, dat wat God deed, goed was.

Daar te Bethlehem woonde oen man, Isaï gehoeten, die een kleinzoon was van Boaz en Ruth, de Moabietische.

Op de pachthoeve van Isaï gekomen, riep Samuel diens gezin bij elkander tot het doen van een offer. Dat had hij meer gedaan op vele pachthoeven, als hij rondging als richter, om de menschen op to wekken om God te dienen en getrouw te zijn.

Na de plechtigheid, terwijl hij weder binnen in huis was gezeten, deelde hij Isaï het doel van zijn komst mode, die verbaasd was, zooals hij in zijn leven nimmer verbaasd was geweest. Samuel liet de zonen van Isaï één voor één binnen komen. De oudste, Eliab, kwam eerst binnen. „Deze is de man, dien God hebben wil, dat ik 'tot koning zalf,quot; dacht Samuel. Maar God zeide hem in zijn hart: „Neen, let niet op zijn kracht en edele gedaante; hij is het niet.quot; Toen kwam de tweede, Abinadab; maar God zeide hem eveneens: „Ook deze is het niet. /00 kwamen achtereenvolgens zeven zonen binnen; maar altijd was dezelfde stom des Heeren in hem: „Dezen heb ik niet verkoren.quot;

„Hebt gij niet meer zonen?quot; vroeg hij aan Isaï; want hij wist toch, dat de Heere hem gezegd had, dat een van de zonen van Isaï het zijn moest. Zeker was er ook nog een, de jongste, David, die op het veld gebruikt werd om de schapen te hoeden.

Hij werd gehaald, de schaapherder. En toen hij binnenkwam, was het een schoon jongeling, die voor den profeet kwam staan. „Sta op,quot; zeide de stem Gods in Samuel, „zalf hem, want deze is het.quot; En de grijze priester deed den

ocr page 304

jongeling vuur hem knielen, en terwijl zijn vader en zijn broeders daarumheen stonden, guut hij de /allulie uver liem uit, en sprak hij; „In den naam des Heeren, gij zult kuning zijn uver Israël.quot;

Al die mannen stonden ontzet, want dat luul niemand van hen kunnen denken. En aan den maaltijd, die daarop volgde, en waarhij Samuel aanzat, spraken zij over deze wonderlijke zaak. Toch namen zij zich allen voor om er geen ruchtbaarheid aan te geven, en het geheim te houden. „Als Saul het hoort, zou hij in zijn toorn ons wel allen kunnen laten dooden,quot; zeiden zij. En voorloopig hoorde niemand er iets van.

Samuel ging naar Rama terug; en David, de schoone jongeling, hij ging weer naar zijn schapen op het veld. ,,Als. God mij tot een koning wil hebben, zal Hij het mij maken ook; en ik zal wachten, tot het Gods tijd is;quot; zou dacht hij.

Hij was een vruom jongeling, en zijn gedachten, wanneer hij bij de schapen neerzat, op het eenzame veld, waren gaarne bij God.

ocr page 305

EEN HELDENFEIT. 297

Ook zong hij dan luide, zoo dat het ver heen kon gehoord worden; zijn stem was schoon, en de liederen, die hij zong, dichtte iiij zelf, de verzen en de zangwijzen, beide; met een harp begeleidde hij dan zijn zang, want hij had dat geleerd, en vaardig bespeelde bij de harp. „Ik wil God liefhebben,quot; zoo zeide hij dikwijls beslist, „en ik zal Mem zingen met mijn liederen!quot;

Daaihij was hij een moedige knaap, die geen vrees kende up de eenzame woeste bergstreken, waar hij zijn schapen bracht. Eens dat een beer den berg afdaalde, en een schaap wilde grijpen, ging hij den beer Ie genieet, en worstelde hij met hem, totdat de beer dood lag aan zijn voeten. En eens, dal een leeuw brullende uit het woud sprong, en een van zijn kudde greep, ging hij op den leeuw af, dien hij versloeg, zoodat zijn schaap gered werd. Met pijl en buog kon hij schieten; en met een slinger kon hij een steen zoo wegslingeren, dat hij de arenden in hun snelle vlucht doodelijk raakte, wanneer zij neerschoten, om een der lamineren te rooven.

Zulk een moedig en dapper jongeling, die tegelijk vroom was, was er geen in gansch Bethlehem.

J)at was de knaap, dien God zich verkoren had tot den toekomstigen koning in Sauls plaats.

^et was niet lang daarna, dat deze jongeling in het gansche land bekend werd.

EEN HELDENFEIT.

Daar was weder een oorlog uitgebroken met de Filistijnen, en Saul met zijn leger stond tegen het leger dor Filistijnen over, met een breed dal tusschen hen in. De oude moed en dapperheid was nog wel bij Saul; die zouden nooit van hem wijken; maar hij wist toch niet, of hij de overwinning zou behalen; want hij wist, dat hij een ongehoorzaam koning was, en niet meer in Gods wegen wandelde, en dat God hem verlaten had. Dit maakte den ongelukkigen man weifelend, en hij oogonblikken zwak. Zoo durfde hij hier het leger der Filistijnen niet aanvallen, die uittartend tegen hem over stonden.

ocr page 306

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Daar was ondef die Filistijnen een man, Goliath geheeten, die olken dag, geheel alleen, uit hun gelederen naar voren trad, tot midden in de vallei, die de twee legers scheidde, eu die dan met hoonende woorden iedereen uitdaagde, om tegen hem te vechten. Daar was niemand onder de Israëlieten, die het durfde; want deze Goliath was een reus, die meer dan de helft grooter was dan een gewoon man. Hij droeg een koperen helm, en zulk een sterk dik pantser, dat het gewicht hiervan alleen meer dan tachtig kilo was. Zijn speer had een ijzeren punt, welke punt alleen tien kilo woog; de schacht van de speer was als een boom. Het was een vernedering voor de Israëlieten dien reus hen te hooren uitdagen, zonder dat iemand den strijd mot hem aandurfde; te meer, Jaar hij eiken dag tot dicht bij hun gelederen kwam, geheel alleen, en hen uitlachte, en hun God zelfs lasterlijk bespotte. Saul, die vroeger nooit gevreesd had, werd van dag tot dag steeds meer weifelend, en hij wist niet, of hij aanvallen, of zich terugtrekken zou.

Nu dienden in het leger van Saul ook de drie oudste broeders van David; zij waren ook mede opgeroepen ten strijde. En de oude vader, Isaï, was vele dagen bekommerd geweest over die drie zonen, ut zij nog leefden, ot reeds gesneuveld waren; hij had in lang niets van hen gehoord. „David!quot; zou sprak daarom de oude man, „ga naar het leger van den koning, en zie, hoe het met uw broeders is; en kom het mij zeggen; ik ben bekommerd om hen.quot; En de moedige jongeling, die dit een aangename boodschap vond, ging heen, en kwam in het leger, bij zijn broeders. Deze geloofden het niet, dat hun vader hem gezonden had. „Wij kennen u wel,quot; zeiden zij, „gij zijt heimelijk weggeloopen van huis, om ook te komen vechten.quot; Maar David verzekerde hun, dat het was, zooals hij zeide; doch dat hij gaarne bij den strijd zou zijn, daarin hadden de broeders hem zeker niet verkeerd beoordeeld.

Dien dag nu trad de reus Goliath weder naar voren, en de jonge David hoorde ook zijn uitdaging en zijn lasterlijke woorden tegen den God, dien hij lief had. „Is er hier niemand, die dien reus dat spotten verleert?quot; dacht hij; en overluid zeide hij: „O mocht ik met hem vechten!quot; Hij zeide dat vele malen, zoodat allen het hoorden, en ouk Saul het ter oore kwam.

Deze liet hem voor zieh brengen, en toen hij den schoenen jongeling zag.

298

ocr page 307

EEN HELDENFEIT.

sprak hij: „Wilt gij tegen dien reus vechten? Het zou jannnèr van u zijn. Wacht nog eenige jaren, en daar zal een goed krijgsman van u groeien.quot; Maar David smeekte hem, en zeide: „ik heb wel een leeuw en een beer verslagen. En ook vertrouw ik op God, die mij helpen zal!quot; Saul zag hem aan, en bewonderde den jongen man, die zoo gelukkig was, van nog wel op God te kunnen vertrouwen, wat hij niet meer kon. „Ga dan,quot; zeide hij, „en moge God met u zijn!quot; En de koning zeide het als iemand, die dacht, dat als hij vroom gebleven was, hij ook nog alles zou gedurfd hebben. „Die jongeling moet een pantser hebben, en een helm, en een zwaard,quot; zeide hij tot zijn oversten, die bij hem stonden: „zoo in zijn herderskiel kan hij toch niet gaan; geef hom mijn wapenrusting.quot;

En David kreeg het sterke pantser aan van Saul, en zijn helm en zijn zwaard. Maar hij had nog nooit zoo iets gedragen; en hij kon zich er niet eens in bewegen. „Ik zal zonder dat gaan,quot; zeide hij lachende, en hij deed het alles af. Die geoefende krijgsknechten verbaasden zich; en Jonathan, de dappere, bewonderde den moed van dien jongeling. „Hij beschaamt mij,quot; sprak Jonathan, en hij had zelf nu bijna wel willen gaan om tegen den reus te strijden.

Toen ging David heen, waar de beek was, die daar dichtbij vloeide; en uit die beek zocht hij vijf gladde ronde steenen uit; hij koos ze met zorg; en die deed hij in de herderstasch, die om zijn schouders hing. En met zijn staf in zijn linkerhand, en zijn slinger in de rechterhand, zonder eenig ander wapen, trad hij uit de gelederen, naar voren, de vallei in, waar de reus stond. Aller oogen zagen hem na. En vooraan stond Jonathan, die dacht: „Als die jongeling in gevaar komt, ik sta hem bij!quot; En zijn zwaard stond gereed in zijn hand.

Nimmer vloekte die reus zoo in zijn leven, als toon hij daar een herdersjongen tegen hem over zag afkomen. Hij vond het vernederend voor zich, om tegen een zoo jongen knaap te strijden, die niet eens een krijgsman was. „Ben ik dan een hond,quot; riep hij, „dat iemand met een stok tegen mij afkomt?quot; En in zijn grimmigheid lasterde hij de Israëlieten en hun God, zooals hij nog niet gedaan had. David sprak niet veel, die rustige held; maar, zoo dat allen het hooren konden, riep hij: „Die God, dien gij gehoond heb, zal u heden in mijn hand geven! Sterven zult gij, gij Eilistijn!quot;

ocr page 308

BIJBELSCHE CtESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

En daar naderden de twee kampvechters naar elkander toe. Maar eer dat Groliath zclts met zijn spies had kunnen werpen, had David een steen uit zijn slinger weggeslingerd, zuoals zijn sterke arm dat alleen doen kon. Suizend vloog dé steen door de lucht; en zoo juist had die jonge herder geslingerd, dat hij met den steen hem raakte, waar hij hem rakeïi wilde. De steen trut' zijn vuurhuord, en verhrijzeide daar het heen, en zonk lot in het hoofd, tot in zijn hersenen weg. Voorover viol Goliath up den grond, in een uugenhlik een lijk. En liet was onder het donderend gejuich van het geheele Israëlietisehe leger,. dat Davul naar den duuden reus toesnelde met groote sprongen; dat hij daar diens eigen zwaard uit de srheede trok, en met één houw hem het hoofd afhieuw, dat hij triomfantelijk tenighraeht naar zijn gelederen.

., Voorwaarts!quot; klonk zonder dralen hel luide bevel van Saul. Jonathan was reeds vooruitgesneld met zijn bliksemend zwaard in de hand. Al de benden volgden. En met zulk een onweerstaanbaar geweld stortte het leger zich op de verschrikte Filistijnen, dat deze straks, overwonnen, heeuyluchtten waar zij konden.

Te midden van liet strijdgewoel zag men, waar het gevecht het heetste was, een jongeling met een schoon, lachend gelaat, zonder pantser, zonder helm, in een herderskiel; onkwetsbaar; terwijl hij zwaaide en trof met een zwaard, zooals er geen tweede was, hot zwaard van «Goliath. En toen de avond kwam, en het leger van Saul zich weder verzamelde, toen was er slechts één naam op aller lippen: David.

Saul liet hem voor zich komen. „Gij moet niet weder naar uw schapen, schoone knaap!quot; zoo sprak de koning; „gij blijft bij mij, zulke helden heb ik noodig!quot; En Jonathan sprak: „Wij moeten twee vrienden worden.quot; Het zwaard van Goliath had David gaarne voor zich behouden; maar het werd als een zegeteeken in den Tabernakel gehangen, en daar bewaard. Duch Jonathan gat aan David zijn zwaard, dat hij altijd gebruikt had; en zijn heug, en zijn spies, en zijn pantser. Zulk een geschenk gaf in die dagen nooit iemand, dan alleen aan zijn trouwsten vriend; en David wist toen, dat Jonathan hem een vriend zou zijn in nood en in dood. Twee zulke dappere en vrome helden waren er niet in het gansche leger.

800

ocr page 309
ocr page 310
ocr page 311

DAVID OVERSTE.

•^vaul stelde David aan als overste van een bende; en de jonge overste streed altijd zoo dapper in meerdere veldslagen, dat hij altijd als overwinnaar thuis kwam. De koning kon dan nooit nalaten te denken:

..Was ik maar aan God getrouw gebleven, ik 55011 nu nog oen held zijn,

zooals David er oen is!

Een zwaarmoedige, sombere gedachto kwam over hem : „Die David wordt oen man, met wieu God is; en ik word steeds meer een man, die door God verlaten wordt.quot; Dio gedachte kon hij nooit meer van zich afzetten. Zijn somberheid werd bij dagen zoo groot, dat zijn hovelingen in stilte tegen elkander tluisterden, dat een booze geest hom kwelde.

Daar was geen middel voor, dan dat in zulke oogenblikken een goed zanger voor den koning kwam spelen 011 zingen; dat wekte hem op uit zijn zwaarmoedigheid, en dan was hij voor dagen weer wat beter. David, die veel van den ongelukkigen koning hield, nam na de maaltijden dikwijls zijn harp tor hand, en voor het hof zong en speelde hij dan, zoodat de hovelingen zeiden, dat zij niet wisten wat hij beter kon, zingen of vechten. San! hoorde hom zoo gaarne; dat was altijd een verademing voor hem.

Eens echter, toen de koning weder in een oorlog een overwinning behaald had, waarbij zich de jonge overste, David, weder zeer onderscheiden had, kwamen bij zijn zegerijke thuiskomst de menschen hem feestelijk inhalen. De vrouwen met bloemen gesierd, on mot bekkens in do hand, liepen juichend naast de blijde soldaten. „Saul heeft zijn duizondon verslagen, maar David zijn tienduizenden!quot; zongen die vrouwen. De koning hoorde het gezang, evenals al de anderen. „Geven zij aan David meer oor dan aan mij ?quot; riep hij grimmig; „moet die jonge man misschien ook nog koning worden in mijn plaats?quot; En de gedachte kwam in hem op, dat deze de man zeker zijn zou, dien God in zijn plaats zou verkiezen. „Dat nimmer!quot; zeide hij in zichzelven; „al moest ik ook den ganschen toorn Gods op mij laden, aan dien herdersknaap sta ik mijn koningschap nooit af!quot; Hij voelde, dat hij op den slechten weg weer verder kwam, van stap tot stap; maar hij kon, alsof hij onder een booze macht was, er niets tegen doen. Hij begon David te haten.

ocr page 312

804

Dien ganschen dag, en ook den volgenden dag was hij somber en grimmig, zoodat de hovelingen hem vreesden. En David, die den ongelukkigen koning liefhad, nam de harp op, en speelde weder en zong, gelijk hij wist, dat Saul gaarne hoorde. Maar te midden van het spel, geen weerstand meer kunnende bieden aan zijn bonzen geest, greep Saul de spies en wierp hij die naar David, met zulk een krarht, dat indien David zich niet terzijde gewend had, de spies door zijn lichaam hoen hem aan den wand zou genageld hebben. Nochtans droeg David den koning daar geen kwaad hart nog om toe; hij had diep medelijden met hem, en was, zoo de koning het wenschte, weder bereid om altijd op de harp voor hem te spelen. Evenwel was hij blijde, dat de koning hem nieuwe veldtochten opdroeg, en hem zou een tijdlang van het hot verwijderde.

Zoo was David weer ten oorlog tegen de Filistijnen. „Indien dè Filistijnen hem dooden,quot; dacht Saul. ..het zon mij welkom zijn.quot; En listig, zooals een boos man listig is, liet hij David een boodschap aanzeggen, dat als hij honderd Filistijnen sloeg, hij hem zijn dochter Michal ter vrouw zou geven.

ocr page 313

.'Pka 11

4,:

20

ocr page 314
ocr page 315

DAVIT) OVERSTE. 807

„Voordat hij honderd Filistijnen kan slaan, zullen zij hom wel verslagen hebben,quot; dacht de koning; en daar was voor een oogenblik een lach op zijn somber aangezicht. David sloeg bij zijn volgenden tocht niet honderd, maar tweehonderd Filistijnen. En Miehal, de dochter des konings, werd al zoo zijn vrouw. God was altijd met hem, en in alles. Saul zag het met verbittering en vrees. Toch hield hij zich voorloopig meer in, want David was nu zijn schuonzooii, en het gansche volk droeg hem op de handen. /00 kwam David weer aan liet hof terug.

Des konings zwaarmoedigheid werd echter met den dag toch erger; hij had vlagen, die reeds aan krankzinnigheid deden denken. Eén gedachte nam altijd zijn denken in: „Die David zal mijn koningschap van mij nemen!quot; Die gedachte kwelde hem bij dag en bij nacht. De vijandschap des konings tegen den held werd zoo openhaar, zoo gevaarlijk, dat David, zooals zijn vrienden hem (luisterend zeiden, aan het hof niet veilig meer was. Maar dan lachte de held. „God is mijn schild,quot; zeide hij vroolijk, „en ik zal den koning trouw dienen, ook al haat hij mij.quot; Toen Saul zelfs weder in een wilde vlaag van waanzin met de spies naar David wierp, terwijl hij met de harp voor don koning speelde en zong, kwam het in David nog niet op, om aan de nabijheid van zijn koning zich te onttrekken. „Mijn leven is wel niet meer veilig aan het hof; mijn vrienden hebben gelijk;quot; zeide hij, „maar morgen of overmorgen, dan zal de koning weder in een betere stemming zijn, en spijt hebben; ik moet bij hein blijven, en hem helpen, zooveel ik kan.quot; Hij ging, om voordien dag den toorn des konings te ontwijken, naar zijn huis toe, verhaalde zijn vrouw Michal alles, en kwam ook dien dag verder niet aan het hof. Maar in dien zelfden nacht merkte Michal, dat soldaten des konings voor het huis de wacht hielden, en zij begreep, welk gevaar David den volgenden morgen zou loopen. Zij wekte hem, overreedde hem, en liet hem door een venster aan de achterzijde met een touw ontvluchten. Toen Saul den volgenden dag bemerkte, dat Michal David had laten ontkomen, was hij woedend op zijn dochter, en wilde hij haar laten dooden; maar zij redde zich, door te zeggen, dat David met oen zwaard in de hand haar gedwongen had hem in do vlucht behulpzaam te zijn.

David wist uit dit alles, dat hij nu niet langer beproeven moest, om bij Saul te blijven. En hij vluchtte verder naar Rama, waar Samuel was. Deze

ocr page 316

308 BTJBELSCHE GESGITTEDENTS VOOR KINDEREN.

troostte hem, en zeide: „God zal u toch koning maken, als het Zijn tijd is, mijn zoon !quot; Zoo gingen er verscheidene dagen voorbij, waarin David niet wist, wat hij doen moest. Hij hoopte, dat Saul's booze gedachten weder wijken mochten, maar hij kon het niet wel gelooven. Toch wilde hij de zekerheid hiervan hebben „Ik zal Jonathan zien te spreken,quot; zeide hij, „die zal mij alles zeggen.quot; En toen hij Jonathan in het geheim gesproken had, wist hij, dat hij het in het geheel niet meer beproeven moest, om aan het hol' terug te keeren. Jonathan was zeer bekommerd om David, zijn vriend.

Daar schoot hem niets over dan in de woestijnen een schuilplaats te zoeken. En hij vond voorloopig een veilig oord in de spelonk van Adullam.

Daar bleef hij niet lang alleen; want zijn broeders en het gansche huis zijns vaders kwamen hier bij hem. Saul was namelijk, toen hij zijn woede aan David zei ven niet meer kon koelen, begonnen die woede tegen de vrienden van David te keeren. En David's broeders en ouders wachtten niet af, totdat zij hetzelfde lot ondergaan' zouden als anderen reeds ondergaan hadden. Zoo kwamen zij, eu voegden zij zich bij David, in de woestijn, waar zij veiliger waren dan op hun hofstede te Bethlehem.

Nog meerdere menschen voegden zich daar bij hem, al waren het niet van de beste. Mannen, die een slecht leven achter zich hadden, die om hun schulden achtervolgd werden, of ook wel een moord begaan hadden, en die liever geen van allen in handen van het gerecht wilden vallen, — velen van dit soort zochten toevlucht bij David, en boden zich bij hem aan. Het was alzoo, dat David langzamerhand een bende van zeshonderd man bij zich kreeg, die, al waren zij niet van het beste slag, weldra door hem onder strenge tucht gewend werden aan een eerlijk soldatenleven.

Mot die bende deed hij op ongelijke tijden invallen in het land dor Filistijnen, de vijanden van zijn land. Van den roof en van den buit, die zij daar ophaalden, leefden zij dan weken lang in hun spelonken in de rotsachtige woestijnen, welke spelonken niemand zoo goed kende als zij. „Des Heeren weg met mij is niet gemak-kelijk,quot; dacht David; „ik ben door Hem tot koning geroepen, en hier leef ik van mijn volk verstoeten, en van Saul vervolgd, een balling in eigen land.quot; Toch troostte hij

ocr page 317

h l é' quot;

■

ocr page 318
ocr page 319

DAVID OVERSTE.

zich, want hij hield zich aan God vast; en dikwijls zong hij, terwijl liij op de harp speelde voor zijn krijgers in de spelonk, van Gods trouw, die hem niet verlaten zou, en die eenmaal zijn ballingschap zou doen eindigen.

Zoo leefde hij een bijna woest leven als hoofd van een dappere bende, soms in de spelonken, soms in de diepe wouden, soms boven op de bijna ontoegankelijke klippen der steenrotsen in de woestijn.

Toen het aan Saul bekend werd, waar David zich ophield, zocht Saul hem zelfs in de woestijnen. Met een leger trok hij herhaaldelijk tegen David op; maar deze wist hem altijd te ontwijken, omdat hij het bloed van de mannen zijns volks niet noodeloos wilde vergieten. Hij was een edel man.

Eens was Saul met een leger van drie duizend man hom weer komen zoeken. David was toen in Engodi; en om weder een gevecht te ontwijken, had hij zich met zijn mannen verscholen in een diepe spelonk. Niet ver van de spelonk had de koning met zijn soldaten zich gelegerd. Het was tegen den middag, en de zon was heet in de woestijn; de soldaten waren in hun tenten gaan liggen. Saul zelf' had een koele plek voor zich gewenscht en gevonden; en wol in den mond van dezelfde spelonk, waar David en zijn mannen dieper in verscholen waren; de koning was daar rustig in slaap gevallen.

„Nu heeft God onzen vijand in onze hand gegeven,quot; fluisterden de mannen van David; „nu zullen wij hem slaan; met één slag van het zwaard zal hij dood zijn!quot; Maar David ging vóór hen staan, en weerhield hen, dreigend met zijn zwaard te zullen doorsteken, die een hand naar den koningdurfde uitsteken. „God heeft hem tot een koning gezalfd, eu niemand uwer zal hein kwaad doen, die een gezalfde Gods is.quot; Die mannen morden, maar gehoorzaamden hun heer, en lagen weer stil. Toen ging David, zonder geruisch, tot waar hij bij den slapenden koning kwam. Zonder den koning aan te raken, sneed hij een slip van diens mantel af; en daarna, terwijl zijn hart hoorbaar klopte, ging hij weer geruischloos terug naar zijn mannen, diep in de spelonk.

Toen do koning eenigen tijd later van zijn rust wakker werd, en opstond, en de spelonk uitging naar buiten, en naar de tenten schreed van zijn soldaten, — toen vermande David zich, en trad ook hij naar buiten; en hij stond op de

81 1

ocr page 320

rots in het volle licht van de zon. .Mijn heer koning!quot; riep hij, met een sterke stem, zoodat het gehuurd werd tot bij de tenten. Toen Saul omzag, verbaasde hij zich; dat was David, dien hij zocht. Vuordat de grimmigheid bij den kuning kon opkomen, riep David: „Ach! mijn koning! waarom vervolgt gij mij zoo, en staat gij mij naar het leven? Heb ik uoit u kwaad gedaan? Heden had ik u kwaad kunnen doen, indien ik gewild had. Gij hebt geslapen in mijn spelunk, koning! En gij hadt reeds doud kunnen zijn dooiquot; het zwaard mijner mannen. Zie toch, van uw mantel is een slip afgesneden, en die slip heb ik hier in mijn hand. Waarom haat gij mij, vader? Ik heb u immers altijd liefgehad, vader!quot; En David sprak niet verder;, want de koning kwam naar hem toe, ontdaan en bleek, ids een, die ziet, dat hij aan den dood is ontsnapt.

Door zulk een edelmoedigheid als van David tot in het diepst van zijn verschrikte ziel geroerd, naderde hij, en viel hij hem om den hals, hem dien hij had zoeken te dooden; en hij weende daar, zooals iemand, die diep spijt heeft

ocr page 321

DAVID OVERSTE. 313

over zijn zonde, en die zich schaamt over een booze daad, die hij heeft willen doen. Dat was de goede geest, die weer in den koning boven kwam.

Die mannen scheidden, terwijl de koning beloofde David geen verder kwaad meer te /Allien doen. Met luger met den kuning truk af, over de woestijn naar huis. Maar David bleef, — waar hij was, in Engedi.

De betere stemming, waarin Saul door de grootmoedigheid van David gebracht was, duurde niet lang. Hij bad altijd menschen, die hem aanhitsten tegen David, en als zijn booze stemming weer over hem kwam, dan was hij zirhzelven geen meester meer. Zoo was hij, niet lang na de gebeurtenis in Engedi,. toch weer met een leger er op uit om David te zoeken en te dooden. Als David toen gewild had, had hij in de rotswoestijnen met zijn dappere bende het tienmaal sterkere leger van Saul in hinderlagen kunnen vernietigen; maar David wilde niet, dat als hij later koning was, iemand van zijn volk zou kunnen zeggen: „Hij heeft toch het bloed onzer mannen vergoten.quot;

Saul had zich met zijn soldaten op den heuvel van Hachila gelegerd; die heuvel lag aan den rand der woestijn; en David wist door zijn verspieders altijd nauwkeurig, waar Saul ging en waar Saul was.

Het was tegen den nacht; en de soldaten waren in hun tenten gegaan, en sliepen. „Ik zal heden nacht zelf uit verspieden gaan,quot; zeide David; „wie van u gaat met mij?quot; Een dapper man, Abisaï geheeten, zeide: „Ik zal met u gaan, ik vrees niets!quot; Daar waren velen bij die bende, die niets vreesden, en ook wel hadden willen medegaan; maar Abisaï mocht mede op het gevaarlijke werk.

Toen de twee helden tot vlak bij het leger van Saul gekomen waren, stonden zij verbaasd. Zorgeloos, alsof David en zijn bende nog mijlen verder in de woestijn was, sliep alles, tot de schildwachten toe. Ook al de krijgsoversten sliepen. „Dat zou bij mijn bende nimmer gebeuren,quot; dacht David; en tot Abisaï zeide hij: „Wij gaan hun legerkamp in!quot; Deze volgde met het zwaard in de hand.

Zoo gingen zij voorzichtig tusschen de slapende schildwachten door, langs de tenten tot in het midden van het kamp. Daar waren de wagens in een kring opgesteld; en binnen dien kring stond de tent van Saul gespannen. De twee

ocr page 322

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOUR KINDEREN.

helden kloiuincn over de wagens. Over den slapenden krijgsoverste Abner stapten zij heen, en daar stonden zij met het zwaard in de hand in de tent voor den slapenden koning. Toen tluisterde Abisaï David in de ooren; „Laat mij hem slaan; met één slag ligt zijn hoofd voor uw voetèn!quot; Maar David hield zijn hand tegen. „Bedenk, dat hij een gezalfde is; zoudt gij n een vloek op den hals willen halen?quot; En David liet den koning rustig slapen, maar hij nam de spies van Saul weg, die bij zijn hoofdeinde stond, on zijn watertlesch die naast hem lag. Ongemerkt, zonder dat iemand wakker geworden was, namen zij den terugtocht aan, en veilig kwamen die moedige mannen bij de bende terug. De morgen was aan het grauwen.

Tegenover het legerkamp op een heuvel ging David staan. Hij riep hot leger wakker. Abner! Abner!quot; zoo riep hij, „moet gij slapen, als gij over uw koning de wacht moet houden? Waar is de krijgstucht in uw leger? Den dood hadt gij verdiend, die zoo slecht voor uw koning zorgt. Een van mijn mannen is in des konings tent geweest, en uw koning had reeds dood kunnen zijn. Zie maar, waar is des konings spies en zijn watertlesch?quot; En terwijl David dit zeide, hield hij ze omhoog in zijn opgeheven handen. Daar kwam een schrik over de mannen van Saul, en over den koning zeiven. Hij sidderde. „Ben ik weder in zijn hand geweest, en heeft hij voor de tweede maal mijn loven gespaard?quot; dacht Saul. Op dien morgen verzoende hij zich weder met David, door diens edelmoedigheid getroffen. Hij bood David weder vrede en vriendschap aan.

En de twee mannen scheidden. Saul ging huiswaarts, somber in zijn ge-daehtcn: „God is met hem, en hij krijgt het koningschap; en God heeft mij verlaten; waarom heb ik ook des 1 loeren geboden niet gehouden?quot;

David ging ook heen zonder vreugde. „Morgen is Saul toch weder onder dun invloed van zijn kwaden geest, en zal hij mij toch zoeken te dooden,quot; dacht hij; „het is beter, dat ik het land maar verlaat, anders komt het toch tot een strijd, waarbij het bloed moet vloeien.quot;

En hij brak op met zijn bende van zeshonderd man, en ging op marsch, dagen lang, tot hij kwam in het land der Filistijnen. Daar bood hij zich aan bij Achis, den koning van Gath. Deze nam den balling gaarne in zijn dienst.

314

ocr page 323

SAULS DOOD. 81ö

en gaf hem do stad Ziklag om in te wonen, en gebruikte hem om in het zuiden van zijn rijk zich tegen zijn vijanden van die zijde te beschermen.

Menig dappere daad deed David met zijn helden in dien tijd. Onoverwinnelijk waren die heiden; en Aciiis stelde hen op hoogen prijs.

Daar wachtte David, totdat (iods tijd voor hem om koning te worden zou gekomen zijn. Dio tijd was eindelijk niet verre meer.

o~amp;lt;§ro-

SAUL'S DOOD.

10.quot;).-» V. (Uil.

^pe profeet Samuel was in dien tijd van David's omzwervingen gestorven.

Aan den grooten rouw nam het gansche land deel; die rouw duurde vele dagen; want de profeet was groot geweest in de oogen van het geheele volk. Te Kama, in zijn eigen stad, werd hij begraven.

Toen Saul in die dagen aan hem dacht, was het met een gevoel van groote smart. „Ach! had ik naar den profeet geluisterd, en ware ik aan God gehoorzaam gebleven!quot; En wat zijn smart verschrikkelijk maakte was dit, dat hij voelde, dat hij in zijn ongehoorzaamheid te ver gegaan was, en dat hij niet meer terug kun op den goeden weg. In het gevoel van zijn verlatenheid was hij nu een ongelukkig man geworden, zooals niemand in zijn koninkrijk. In zijn vrees meende hij, dat iedereen kwaad tegen hem wilde; die vrees maakte hem bijgeloovig, en elk onbeduidend ding of voorval werd in zijn oogen een voor-teeken van de vreeselijkste aanstaande gebeurtenissen. Daarom dat hij ook do toovenaars en waarzeggers, die in hot land waren, vreesde. „Ik wil hen niet zien,quot; zoo had hij geroepen; en hij had zelfs een gebod gegeven, dat zij allen uit zijn rijk moesten weggejaagd worden; die bleef en gevonden werd, werd ter dood gebracht. De toovenaars en waarzeggers verdwenen ook; maar den koning bracht het toch geen rust aan. Zijn einde was niet ver meer.

Saul was in een nieuwen oorlog met de Filistijnen gewikkeld. Bij de heuvels van Gilboa stonden de twee legers tegen elkander over.

ocr page 324

316 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

De altijd dappere koning vreesde den strijd niet; maar een vreeselijke angst was altijd bij hein: „God heeft mij verlaten; en als ik dien God aanroep, Hij antwoordi mij niet !quot; Dal unlit'ilspdlunde gevoel was hi'in vreeselijkcr dan alle zwaarden des vijands te /.amen.

Toen de veldoversten in den murgen zijn tent binnenkwamen, en vroegen, wat dien dag geschieden moest, antwoordde de koning kort en beslist; „Aanvallen!quot; Bij zidmdven dacht hij: „Als ik sterven moet, dat ik dan sterve; de dood is mij beter dan het leven.quot;

Spoedig daarop vereenigden zich de twee legers in een worsteling. Waaide strijd het heetst was, stond Saul, en zijn vreeselijk zwaard maaide er velen; de dooden lagen om hem heen. Hij scheen onkwetsbaar, en lachte weer zooals toen hij nog jong was. Maar de Filistijnen wonnen het op alle punten. Jonathan, Saul's dappere zoon, was gevallen als een held. De andere zonen des konings vielen als helden. Zijn mannen vielen aan alle zijden. Ginds vluchtte men reeds.

De koning stond bijna alleen meer, vooraan; daar was weldra niemand meer bij hem, dan zijn wapendrager. Hij liad zijn .zonen zien vallen. „Zoo zal David dan toch koning zijn,quot; riep hij uit; ,,en ik heb het niet kunnen verhinderen?quot; En een wanhoop kwam over hem, zooals hij nimmer gevoeld had.

Hij zag een bende Filistijnen op hem afkomen, die met den boog schoten; de pijlen vielen als hagel op zijn harnas, „Zouden die honden de eer willen hebben um te kunnen zeggen, dat zij mij gedood hebben?quot; riep hij; „hier, mijn wapendrager, dood gij mij, opdat ik de schande niet hebbe, van door die boogschutters geveld te worden; snel, snel, mijn wapendrager; zie, zij komen!quot; Maar toen die wapendrager weigerde, richte Saul zelf de punt van zijn

vreeselijk zwaard zich naar de borst, en voorovervallende gaf hij een juichkreet

»

tegen de vijanden, die te laat kwamen. Zijn wapendrager had evenzoo gedaan.

Tegen den avond waren do Israëlieten allen gevloden; op de heuvelen van Gilboa lagen de duizenden lijken. Zulk een overwinning hadden de Filistijnen nog nimmer behaald.

Toen zij den volgenden dag de lijken gingen plunderen, vonden zij ook de lijken van Saul en zijn zonen. Van Saul's lijk sloegen zij het hoofd af, en het lichaam hingen zij buiten aan den muur van een stad, Beth-San. Ook de

ocr page 325
ocr page 326
ocr page 327

DAVID KONING.

lichamen van Saul's zonen hingen zij daar. Gvooter schande kon Israël niet aangedaan worden.

Daar waren vele menschen in het land, die diepen rouw droegen om Saul's dood; want hij was voor zeer velen altijd grootmoedig geweest, en oen koning, die zich bemind had weten te maken, trots zijn ondeugden.

O-QQ-O-

DAVID KONING.

\

rfy yijdens den veldslag op de heuvelen van Gilboa was David met zijn

bende te Ziklag, in het zuiden van der Filistijnen land. „Hoe zal de

(JPquot; ooi log atloopen?quot; dacht hij: en zijn gedachten waren bij Saul en .

...

C Spoedig zou hij het hooren.

Er kwam een man tot hem, die haastig scheen goloopen te hebben. In zijn hand had hij de kroon en de gouden armringen van Saul. Hij zeide niet, dat hij bij het plunderen der lijken ze van Saul's lichaam genomen had, die lijkenbe-roover! Maar bij verhaalde David van den slag, en hoe al de helden gevallen waren, ook Jonathan; en hij verhaalde, hoe hijzelf met eigen hand Saul gedood had op diens eigen verlangen; en Saul's kroon en armringen bood hij nu David aan, die nu koning moest zijn in Saul's plaats. Dat alles verhaalde die man, alsot hij David een grooteu dienst had gedaan, met zijn vijand Saul te verslaan; en alsof hij daar nu een grooto belooning voor zou vorkrijgen.

Toen David dat hoorde, kwam de grimmigheid boven bij hem. „Hoe! hebt gij uw hand durven slaan aan iemand, die van God gezalfd was?quot; riep hij; en hij liet een van zijn krijgers toetreden, die den man met het zwaard doorstak, zoodat hij op do plaats dood bleef, en het loon van zijn leugen ontving.

David was zeer bedroefd dien dag; hij scheurde zijn kleederen, zooals de menschen deden, die in den rouw gingen. Hij at-niet, dien ganschen dag. Hij riep om Jonathan, zijn vriend, en hij wenschte, dat hij naast hem in den slag

ocr page 328

320

had gestreden om met hem te sterven. Zijn mannen zagen zijn droefheid, en zij stonden zwijgend, als menschen, die de smart eerbiedigden. Toen, naar de wijze der helden in die dagen, nam David zijn harp, en een treurlied hief hij aan, een treurlied, zoo schoon en klaaglijk, als zijn mannen nog nimmer hadden gehoord. Vele, vele dagen dmirde die smart; want David had Saul nimmer gehaat; en Jonathan had hij lief gehad als zijn ziel.

Niet lang daarna trok David met zijn trouwe bende uit' Ziklag naar zijn land terug. Hot was naar Clods wil, dat hij dit deed.

Te Hebron, in den stam van Juda gelegen, kwamen de voornaamste burgers hem te gemoot, en eerbiedig smeekend, zeiden zij hom, dat zij nu wilden, dat hij koning over hen werd. Gods dag wTas gekomen; en weldra werd hij daar als koning gekroond.

Wel was er nog een groot deel van liet land, dat aan Saul's geslacht trouw bleef, en David niet als koning wilde erkennen. Want daar leefde nog

ocr page 329
ocr page 330

■ ,

(■ ■

ocr page 331

DAVID KONING.

een zoon van Saul, Isboseth; en de krijgsoverste Abner liiekl met het leger zich bij Isboseth. Maar onderlinge twisten scheidden die twee van elkander; Isboseth viel door de handen van sluipmoordenaars; Abner werd ook gedood op verraderlijke wijze; — en toen kwam het gansche Tsraölietische volk tot David; zij wilden geen koning hebben dan hem!

Zijn zetel verlegde hij toen van Hebron naar Jeruzalem; hij moest die stad nog eerst veroveren van de Jebusieten; maar hij kreeg haar; hij bouwde op haar heuvels een sterken burcht, den Davidsburcht; en sedert werd die stad de hoofdstad van zijn groot en machtig rijk.

God, die getrouw was, had Zijn woord waar gemaakt: de herdersknaap van Bethlehem was koning geworden, in Saul's plaats. En God zegende hem, ook als koning. Want hij verloste zijn land van do Filistijnen, zoodat deze vernietigd werden; hij sloeg ook de Moabieten, zoodat zij schatplichtig werden; en evenzoo deed hij met de Syriërs in het noorden. Davids naam, en de naam van zijn veldheer Joab, een van do zeshonderd, werden bekend en beroemd tot ver, ver bij de vreemde volken in het oosten en in het zuiden, zoodat allen hem eerden of vreesden. En zijn volk kreeg welvaart en bloei, zooals het nog niet had gekend.

Maar Davids hart bleef nederig; hij zeide, dat hij alles alleen aan de goedertierenheid van zijn God had te danken.

Te Jeruzalem bouwde hij zich een prachtig paleis, zooals aan een koning betaamde om in te wonen. De werklieden, die hij daartoe gebruikte, kreeg hij uit Tyrus, een stad, die in Phoeniciö ligt. Hiram, die daar koning was, en een vriend van David was, zond hem die werklieden; en zij waren bekwamer dan de werklieden in Israël. Zoo werd David's paleis schooner dan eejiig ander gebouw in het gansche land-.

Ook vatte do koning het plan op, om de Ark des verbonds naar Jeruzalem te brengen; hij wilde zijn stad tot het middelpunt van den godsdienst zijns volks maken. „Waar de Ark is, zal ook de zegen Gods zijn,quot; dacht hij. Daarom dat hij do Ark liet halen van Kirjath-Jearim, waar zij in het huis van Abinadab gestaan had, sedert dat zij van de Filistijnen was teruggebracht.

328

ocr page 332

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

Toen de Ark dicht bij Jeruzalem kwam, ging David haar te gemoet, en feestelijk werd zij binnengehaald. David zelf met al de menschen liep voor de Ark uit, vroolijk huppelende, en lofzingende, blij en ootmoedig, alsof hij vergat dat hij een koning was. Zoo kwam de Ark te Jeruzalem te staan.

Het gevolg hiervan was, dat ook de hoogepriester en vele priesters en Levieten in de hoofdstad kwamen wonen; dat was juist, wat de koning wilde; het verhoogde het aanzien van zijn stad. Hij deed alles wat in zijn vermogen was, om den uiterlijken dienst hij do Ark luisterrijk en schitterend te maken. Vaste zangers, die geoefend waren, en ook mannen, die allerlei muziekinstrumenten konden bespelen, stelde hij aan, om op feestdagen de liederente zingen en te begeleiden, die God moesten verheerlijken. Zelf maakte de koiing verscheidene van die liederen, die later „psalmenquot; zijn genoemd, en die onder de schoonste dichtstukken behooren, welke ooit menschen gemaakt hebben. Ware hij niet door een profeet op Gods bevel verhinderd, hij zou uok nog een prachtigen tempel gebouwd hebben. Toch trof hij al de voorbereidselen daartoe, en bracht hij de benoodigdheden bijeen; zoodat zijn zoon later slechts den bouw had te volvoeren.

Zoo deed de koning wat hij kon, om aan zijn volk te laten gevoelen, dat hij beslist wilde, dat een iegelijk vroom en godvreezend moest zijn. God zegende hem om dat alles bovenmate.

Het was jammer, dat deze edele-, dappere en vrome koning zich eens tot een zonde heeft laten vervoeren, waarvan niemand zou gezegd hebben, dat hij er toe in staat was.

David had zijn veldheer Joab gezonden in het land der Ammonieten, om de stad Rabba te belegeren en aan zijn rijk toe te voegen. Onder de oversten, die onder Joab daar te velde waren, was ook een zekere Uria, een dapper en trouw held. Deze Uria had een schoone vrouw, Bathseba geheeten; en terwijl hij ten oorlog ging, had hij zijn vrouw te Jeruzalem in zijn huis achtergelaten. Toen David eens deze vrouw zag, wilde hij haar tot zijn eigen vrouw hebben; hij wist, dat zij de vrouw van zijn trouwen overste Uria was; maar dit weerhield hem niet. Daarom dat hij plannen smeedde, om op de een of andere wijze

324

ocr page 333

DE LIEFELIJKE ZANGERS VAN ISRAËL.

ocr page 334
ocr page 335

DAVID KONING,

dien Uria te doen dooden; dan stond niets hem meer in den weg, om haar tot vrouw te nemen. In deze schuldige begeerte vond hij maar al te spoedig het schandelijke middel.

Hij liet Uria van het veld van oorlog terugkomen, en ontbood hem bij zich in het paleis. „Ik heb hier een brief aan Joab,quot; zeide David tot hem, „dien moet gij hem overhandigen; ga en breng hem!quot; Tn dien brief stond geschreven, dat Joab Uria moest zien te laten dooden; Joab moest hem vooraan stellen bij de belegering van de stad, waar de strijd het gevaarlijkste was; daar moest Joab dan zijn soldaten plotseling laten terugtrekken, zuodat Uria alleen kwam te staan tegenover do vijanden; en op die wijze zou hij wel verslagen worden. Dien brief moest Uria zelf overbrengen; de dappere krijger wist niet, dat zijn koning zoo verraderlijk met hem handelde; had men het hem gezegd, hij zou het nimmer hebben geloofd. Die brief bevatte zijn doodvonnis, en hij bracht hem over aan Joab, hij, de niets kwaads vermoedende.

Zooals David aan Joab beval, deed hij. Uria werd verslagen voor de muren van Rabba. En David, die de tijding hiervan vernam, nam kort daarna de schoone Bathseba, en maakte haar koningin. Die vrouw zelve wist het niet, en niemand wist het, hoe schandelijk David Uria had laten omkomen; alleen Joab wist het.

Ook God wist. het. „Ga naar David,quot; zoo sprak de Heere tot Zijn profeet, Nathan, „en bestraf' hem voor deze zaak!quot; En do Heere openbaarde aan Nathan de gansche schandelijke geschiedenis. Deze profeet dacht niet; „De koning kan mij wel om mijn stoutmoedigheid laten dooden, als ik hem bestraf.quot; Maar hij dacht eenvoudig als een getrouw dienstknecht van God; „Ik zal het doen.quot; En hij ging, en kwam waar David op zijn troon zat in het paleis.

David kende Nathan zeer wel, en ontving hem vriendelijk. „Spreek,quot; zeide hij, „hebt gij een zaak, ik zal die aanhoorem'

Toen begon de wijze profeet, — alsof hij een klacht had over een dei-burgers van de stad; „Er waren twee mannen, heer! de een was een rijk man, en de andere was een arm man. De rijke man had zeer vele schapen en runderen. Maar de arme man had niets anders dan één klein lam; dat had hij gekocht, en hij was er zeer blijde mede; en zijn kinderen speelden er mede; als zij aan

327

ocr page 336

BUBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de tafel zaten, en aten, dan stond het lain ook bij de tafel, en zij gaven het, van wat zij hadden. Nu kreeg do rijke man op zekeren dag onverwachts een gast; en toen hij voor zijn gast een maaltijd liet gereed maken, slachtte hij niet een van zijn eigen vele schapen, maar hij ging en nam met geweld dat ééne lam van den armen man af; en dat slachtte hij, en zette hij zijn gast voor.quot;

„Wie is die man?quot; riep David uit; en een vreeselijke toorn kwam op in zijn verontwaardigd hart, zoodat zijn oogen vonken schoten; „die man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods! Ik zal hem laten sterven! Zeg mij, wie is die man?quot; Toen richtte Nathan zich op in zijn volle lengte, en met zijn oogen den koning stoutmoedig aanziende, en zijn hand naar hem uitstrekkende, zeide hij: „Gij zijt die man, o koning!quot;

Een donderslag uit den hemel had den koning niet kunnen laten verschrikken zooals dat woord van den proleet. „Zeker, gij zijt die man,quot; zoo voer hij voort; „gij, koning, hebt alles wat uw hart begeert; en moest gij Uria zijn vrouw ontnemen, die tegenover u als een arm man is? En moest gij daarvoor hem-zelven ook nog laten dooden, voor de poorten van Rabba, door het zwaard uwer vijanden? De Heere heeft heeft het geweten; en Zijn straf zal op u zijn; het zwaard zal van uw huis niet wijken! En ook het kind, dat geboren zal worden, zal sterven!quot; Nimmer zeide een profeet aan een machtigen koning zoo moedig en zoo hard zijn woord. David deed hem niets, en liet hem gaan.

De koning vreesde zooals hij nog nooit gevreesd had. Hij ging in zijn binnenkamer, en was niet vroolijk meer. Zijn gansche zonde, in haar vreeselijke schandelijkheid, stond voor hem bij dag en bij nacht. „O God! tegen U heb ik gezondigd!quot; riep hij, waar zijn hovelingen het hoorden. Deze waren verwonderd, en hielden zich stil; zij spraken niet, en vreesden het te doen. Alleen zagen zij, dat de koning gedreven werd door vreeselijke angsten; dat hij de spijzen niet nam; dat hij op den grond lag te weenen, met hot aangezicht ter aarde; zooals zij hem nimmer hadden gezien. Alleen wanneer de koning er niet bij was, spraken zij fluisterend : „Hij heeft gewis een groote zonde bedreven, en nu heeft hij berouw!quot; Eerst later vernamen zij, wat die zonde was; en hoewel zij verschrikten, dat hun goede koning zoo groot een kwaad had kunnen doen, zoo zeiden zij toch, dat zijn berouw even groot was geweest.

328

ocr page 337
ocr page 338
ocr page 339

DE OPSTAND VAN ABSALOM.

Een kind, dal geboren werd, stierf ook naar des Heeren woord. „God is recht!quot; zeiden de menschen; en David zeide het ook; en had hij gekund, hij had die zonde wel ongedaan willen maken.

o^amp;QrO-

DE OPSTAND VAN ABSALOM.

I()2:{ v. Ghr.

S^pavid kreeg nog meer smart; en het was een andere smart, dan die hij geleden had in de oude dagen, toen Saul hem vervolgde. Toen was het geen lijden door eigen schuld; en zijn geweten had hem toen niet te heschnldigen. Nu kwam het alles door eigen zonde. Ook kwam er nu een smart, die hem aangedaan werd door dio hom het naaste was; — door een eigen zoon.

David had een zoon, die Absalom heette; deze was uit een vroeger huwelijk;

en David beminde hem zeer. Hij was een schoon jongeling; zoo schoon was

er niemand onder de jongelingen in Israël; zijn haar was lang en dik, zooals

het haar van een vrouw; en zijn .kleeding was altijd van het kostbaarste. In de

stad Jeruzalem leefde hij, zooals een prins leeft, die veel tijd, geld, en jonge

vrienden heeft. Iedereen kende daar den vroolijken jongeling, van wien iedereen

dacht: „Die wordt na David zeker onze koning.quot;

f

Nu had Absalom eens aan een gastmaal, door zijn knechten, zijn broeder Amnon laten dooden; hij had er oorzaak voor gehad, want Anmon was een slecht man, en had hem groote schande aangedaan. En daarom, dat Absalom uit vrees voor zijns'vaders toorn, hot land uit gevlucht was, naar den koning van Gesur, waar hij als vrijwillig balling drie jaar aan het hof leefde. David treurde om zijn zoon Absalom, die in den vreemde was; toch moest hij rechtvaardig zijn, ook tegen zijn eigen zoon, hij, die altijd elke andere misdaad in zijn koninkrijk gestreng strafte; en daarom, dat hij zijn zoon Absalom niet naar Jeruzalem durfde terugroepen, voor dat zijn volk daarom vroeg. En zoo bleef Absalom te Gesur; en David treurde om hem hoe langer hoe meer.

331

ocr page 340

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Dit merkte Joab, zijn veldheer; en Joab dacht: „Nu is wellicht de tijd gekomen, om Absalom terug te roepen, wij moeten toch onzen kroonprins terug hebben.quot; Om dit van den koning gedaan te krijgen, ging Joab wijs en voorzichtig te werk. Hij kende een wijze vrouw, die te Thekoa woonde, en die droeg hij op in naam des volks bij den koning te smeeken om terugroeping van den kroonprins, van Absalom. Dat deed die vrouw op een eenige wijze.

Zij kwam bij den koning als een vrouw, die een klacht had. „Ik ben een weduwvrouw,quot; zoo klaagde zij tegen David, „want mijn man is gestorven. Nu had ik twee zonen, die met elkander twist kregen in het veld, waarbij mijn eene zoon den anderen doodsloeg; en zoo heb ik nog maar één zoon. Nu willen mijn naastbestaanden mijn eenigen zoon, die een moordenaar is, volgens recht ook dooden, heer koning! En ik weet wel, dat dit recht is; maar dan heb ik geen enkelen zoon meer, ik, arme weduwe! Mag er geen genade zijn, heer koning! dat mijn eenige overgebleven zoon blijft leven?quot; En zij vroeg het smeekend.

David kreeg medelijden met de vrouw, en sprak: „Ga naar uw huis zonder vrees; ik zal gebieden, dat uw eenige zoon blijft leven; ik geef genade voor hem!quot;

Toen stond die vrouw op, en ootmoedig maar beslist sprak zij: „O koning, uw volk Israël had twee prinsen, Amnon en Absalom; den eenen prins, Amnon, verloren wij, omdat de ander hem doodsloeg. En nu heeft uw volk nog maar één prins, Absalom. Ik weet wel, dat het recht is, dat Absalom sterft om zijn misdaad; maar kan er geen genade zijn voor Absalom, dat hij leve? Neem uw volk dien éénige niet af, maar roep hem terug, o heer!quot; En David stond ontsteld op de woorden der wijze vrouw. Hij liet haar gaan, en tot Joab zeide hij, dat hij Absalom mocht terughalen; en zoo kwam de kroonprins weder terug in Jeruzalem.

De prins ging weder wonen in zijn huis; maar toch wilde David den doodslager niet zien en hem niet in zijn paleis ontvangen. Zij leefden beiden in dezelfde stad, maar aan het hof mocht Absalom niet komen. Al de menschen moesten zeggen, dat David even streng was tegen zijn eigen zoon als tegen ieder ander in zijn koninkrijk.

332

ocr page 341
ocr page 342
ocr page 343

DE OPSTAND VAN ABSALOM.

Zoo bleef Absalom twee jaren in de stad, zonder zijn vader te ontmoeten.

Meermalen liet hij aan Joab vragen, die alles bij den koning vermocht, um goed van hem bij zijn vader te spreken, opdat zijn vader zich weder met hem verzoenen zou. Maar Joab wilde zelfs bij Absalom niet komen; telkens weigerde hij zelfs maar met hem te spreken. „Hoe zal ik dien on willigen Joab hier bij mij krijgen?quot; dacht Absalom; „als ik hem maar eens spreken mocht, ik zon hem wel overhalen om een goed woord bij mijn vader te doen.quot; En hij vond oen middel.

Tot zijn dienstknechten zeide hij: „Ziet gij ginds mijn akkers liggen tegen die heuvelen? Die akkers daarnaast zijn van Joab. Gaat heen, en steekt zijn korenvelden in brand!quot; Die dienstknechten deden het. En toen Joab, vergrimd, vernam, wie het gedaan had, kwam hij woedend bij Absalom binnengeloopen, en riep hij: „Waarom hebt gij uw dienstknechten mijn koren met vuur laten verbranden?quot; — „Gij wildet nooit bij mij komen,quot; antwoordde Absalom kalm glimlachend, „en nu zijt gij gekomen; uw koren zal ik n dubbel wedervergelden. Maar wil toch tot mijn vader spreken, dat hij mij alles vergeve.quot; En met vele woorden drong hij bij Joab daarop aan, die eindelijk niet kon laten om het te beloven.

Dienvolgens, op de voorspraak van Joab, liet David zich verbidden.

Absalom mocht komen; hij boog zich voor David op de knieën, en David zeide: „Ik vergeef' u alles, mijn zoon, mijn zoon!quot; En hij kuste hem, zooals een vader een zoon kust, die berouw heeft, en den goeden weg in wil.

Toch was dit laatste niet wat Absalom wilde. Want mocht hij al schoon zijn, zooals er geen man schoon was in Israël, zijn hart was niet goed.

Hij had het weelderige leven lief, en was trotsch, zooals weinig anderen. „Ik ben de kroonprins,quot; dacht hij, „waarom zou ik niet voornaam doen?quot; En hij schafte zich koninklijke wagens en paarden aan; en als hij door de stad reed, liet hij een bende van vijftig man altijd voor zich uit gaan. Bovendien was hij eerzuchtig, en hij verlangde dikwijls om zelf reeds koning te zijn. „Ben ik dat eenmaal, dan zal ik groote daden doen, en roemrijke oorlogen voeren, zoodat mijn naam in de geheele wereld bekend wordt,quot; zoo dacht hij. Deze slechte

335

ocr page 344

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

eigenschappen bedwong hij in zich niet; maar hij gaf er meer en meer aan toe; en de gedachte kwam hij hem op, dat hij maar niet wachten moest met koning te worden totdat zijn vader dood was; als hij zijn vader eens dwong afstand te doen, dan kon hij nu reeds koning zijn.

Om dat oogmerk te bereiken, ging hij beproeven de vriendschap van liet volk te gewinnen. Hij stelde zich zeer vriendschappelijk aan tegen de menschen op straat, groette hen minzaam, en sprak hen aan. Daar waren velen, die er gevoelig voor waren, en hem overal prezen. Op de dagen, dat David iedereen voor zijn troon ontving, die met een klacht of een twistzaak kwam, stond hij buiten aan de poort van het paleis. Dan sprak hij met die menschen, en vroeg hij: „Heeft mijn vader u gelijk gegeven?quot; En als zij dan zeiden: „Neen, hij heeft onze tegenpartij gelijk gegeven,quot; dan sprak hij: „Als ik koning was, ik zou u wel golijk gegeven hebben; dat doet mijn vader niet goed!quot; En vele menschen gingen naar huis niet de gedachte: „Was Absalom maar koning! Hij is beter dan zijn strenge vader!quot;

Zoo zette hij de volksgunst om, berekend en slim. En het duurde niet zoo langen tijd, of hij had een grooten aanhang binnen en buiten de stad; maar het waren allemaal slechte lieden, die hem aanhingen.

Toen hij meende, dat de tijd gunstig was, hield hij een groote volksvergadering te Hebron. Het kostte hem niet veel moeite, om zich daar tot koning te laten uitroepen; en met die mannen toog hij oogenblikkelijk naar Jeruzalem, om zijn vader tot den afstand van den troon te dwingen.

Zoo onverwachts, en zoo snel was dit alles in zijn werk gegaan, dat hij met zijn leger reeds voor de open poorten der stad stond, voordat David iets van de samenzwering wist. Er schoot den koning niets over, dan haastig achter zijn paleis te ontvluchten, de oostpoort van de stad uit te gaan, de beek Kedron over te trekken, en alzoo zich te bergen. Alleen zijn trouwe lijfwacht met Joab trok met hem mede.

Nimmer had de koning in zijn leven een schande beleefd, zooals hij dien dag beleefde. Dat zijn eigen zoon Absalom het was, die hem zulks aandeed, — hij kon het niet vatten! Hij ging, al weenende; en zijn mantel had hij over het hoofd getrokken, zooals iemand, die de schande op zijn aangezicht verbergt;

336

ocr page 345

DAVID TREKT OVEIt DE BEEK KEDRON.

en blootsvoets ging hij, zooals iemand, die met boete in ballingschap gaat. De goede menschen, die het zagen, waren verontwaardigd over Absalom; maar zij konden er niets tegen doen.

Op dien dag, terwijl David vluchtte, zat Absalom op den troon te Jeruzalem, en hij lachte en was vroolijk met zijn mannen.

David vluchtte oostwaarts, de beek Kedron over.

Er waren vele oude en dappere vrienden, die zich bij hom aansloten, en

die beslist zijn ongeluk wilden doelen. „Liever mot David in ballingschap, dan

onder Absalom, den tiran,quot; zeiden zij. En de koning was aangedaan onder de

trouw dier vrienden. Maar daar waren ook anderen, die den vluchtenden koning

bespotten; dat waren booze lieden, dio dachten; „Nu kunnen wij het hoofd

opsteken; hij kan ons toch niets meer doen.quot;

Zoo kwam ook een zekere Simei David te gemoet; hij was uit het geslacht

van Saul, en had den koning reeds lang gehaat. Hij liep op eenigen afstand ter

22

ocr page 346

BTJBELSCHE GES.CHTEDENTS VOOR KINDEREN.

zijde, met David mede, en lachte, en spotte met den koning; en bij wijlen vloekte hij hem met de schandelijkste vloeken. David hoorde het, maar antwoordde niets. Abisaï, een zijner helden, werd grimmig van verontwaardiging. „Zal die hond nog langer voortgaan met mijn koning te vloeken?quot; sprak hij; ,,mag ik heengaan, heer? Ik zal met mijn zwaard tegen zijn mond slaan, dat zijn hoofd op de aarde ligt!quot; — „Neen, laat hem!quot; zeide David; „als God wil dat ik deze vernedering onderga, waarom zou ik haar dan niet ondergaan?quot; Maar dit antwoord bevredigde zijn grimmige mannen niet; zij beten zich op de tanden, om zich te bedwingen; want hun zwaard was reeds ter helfte uit de scheede tegen Simei. Deze lachte toen nog luider, en spotte om hun lafheid; hij kwam tot vlak bij den koning loopen, en stoof met stof, zoodat de koning en zijn mannen moesten ter zijde gaan. Had David zijn mannen niet zoo onder bedwang gehad. Simei zou het niet lang gedaan hebben. Ten laatste bleef hij achter, nog altijd vloekende, en van uit de verte wierp hij nog met steenen.

„Ik wil zelf mijn recht niet zoeken,quot; dacht David; „God zal het doen.quot; En alzoo toog hij verder, de Jordaan over, steeds oostwaarts.

In dien tusschentijd had Absalom feest gevierd met zijn goddeloozen. Daarna sprak hij echter: „Ik moet een leger verzamelen, en mijn vader achtervolgen; anders komt hij wellicht terug met zijn bondgenooten, en dan zou de strijd voor mij te zwaar zijn, en ik zou geen koning blijven.quot; Daarom dat hij met een talrijk leger ook de Jordaan overtrok, en zijn vader achterhaalde,

David's kleine bende was wel allengs aangegroeid door steeds meerdere trouwe vrienden, die zich bij hem voegden; maar Absalom's leger was verreweg talrijker. Bij Mahanaïm kwamen do beide legers tegenover elkander, dicht bij Ephraïm's woud.

David had eerst zelf aan het hoofd van zijn bende zich willen stellen, als van ouds, om zijn koninkrijk te herwinnen, met zijn zwaard weder in de hand. Maar Joab had hem weerhouden. „Wij zullen het voor u doen,quot; had deze gezegd. En zoo bleef David achter in de stad, in Mahanaïm. Maar terwijl zijn bende uittrok, stond hij in de poort, en zoo dat alle krijgers het hooren

338

ocr page 347
ocr page 348
ocr page 349

DE OPSTAND VAN ABSALOM. 341

konden, riep hij hun toe: „Laat niemand Absalom dooden, spaart mijn zoun in den slag! ^spaart hem, hij is mijn zoon!quot;

Het was een vreeselijke slag, van weinigen tegen velen; maar Joab en zijn helden waren als beren, van jongen beroofd; en eer de middag kwam, waren de lieden van Absalom geslagen; twintig duizend lagen dood op het veld en in het bosch. Die nog leefden vluchtten naar alle zijden.

Ook Absalom was gevlucht. Hij had een muilezel bestegen, om sneller weg te komen; en zoo snel hij jagen kon, reed hij het dichte bosch in. In zijn vaart omziende, of de vervolgers ook dicht bij hem kwamen, reed hij met het hoofd in de dichte, laag hangende takken van een eikeboom, zoodat hij met den hals tusschen twee sterke takken bekneld raakte, terwijl zijn muil onder hem doorreed. Zoo hing hij onmachtig tusschen hemel en aarde, en zoo vond hem kort daarna een der vervolgers. Snel liep deze terug; hij gaf het Joab te kennen. „Waarom hebt gij hem dan niet doodgeslagen? Zou ik u niet tien zilverlingen gegeven hebben?quot; riep Joab. „En al gaaft gij mij tien duizend zilverlingen, meendet gij, dat ik het dan nog gedaan zou hebben?quot; sprak de ander; „heeft David niet geboden, dat niemand hem dooden mocht?quot; Joab sprak niet meer tegen dien man, maar heensnellende naai- do plaats, waar Absalom hing, nam hij drie pijlen in de hand, en stak die in het hart van den koningszoon.

Door zijn krijgers liet hij het lijk afhalen, en in een kuil werpen in het woud. ,-,Die verrader zal geen eerlijk graf hebben,quot; riep Joab grimmig. En hij liet groote steenen werpen op het lijk, dat op de bladeren lag. Een hooge steenhoop werd het. „Deze steenhoop zal de gedachtenis zijn van den man, die zich een naam heeft willen maken!quot; riep Joab; „dat allen, die deze steenen zien, hem vloeken!quot;

En nog toornig in zijn hart op den man, die het koninkrijk van zijn heer in gevaar had gebracht, keerde hij weder van den slag. Joab ging tot David. „De koning mag mij dooden, als hij wil, omdat ik voor het eerst ongehoorzaam ben geweest in mijn langen dienst; maar ik zou het morgen ten tweeden male kunnen doen!quot; zoo dacht hij, terwijl hij onbeschroomd op David toetrad.

ocr page 350

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Maar David dacht minder om Joab, die het gedaan had, dan om Absalom, die dood was. Hij had alles reeds gehoord. En weenende, alsof zijn weenen nimmer ophouden zon, riep hij klagelijk: „Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn Absalom! Ach, dat ik voor u gestorven ware! mijn zoon, mijn zoon!quot; De menschen stonden zwijgend om hun koning, cn durfden niet spreken; ook gingen zij heen, uit zijn nabijheid, steelsgewijze, do een voor, de ander na.

Die koning was niet te troosten. En het waren slechts weinigen, die het begrepen, dat een vader een slechten zoon zoo nog kon liefhebben.

Op zijn terugtocht naar Jeruzalem was de koning nog niet blijde. Vele oude vrienden kwamen hem begroeten. Ook velen, die met Absalom geheuld hadden, kwamen om vergiffenis smeeken.

Onder deze was Simei, die den koning met steenen geworpen en gevloekt had. Simei kwam tot David, waar deze juist de Jordaan zou oversteken. Daar

342

ocr page 351

1)E OPSTAND VAN ABSALOM.

viel hij voor den koning op de knieën, en bad om genade. Abisaï, die eens reeds gevraagd had om hem te mogen dooden, vroeg het nu weer. „Geef dien hond geen genade, heer!quot; riep hij. Maar David sprak tot den man, die op zijn knieën lag: „Gij zult niet sterven.quot; En voor de tweede maal redde de edele koning het leven van een man, die hem gevloekt had.

Gansch Jeruzalem haalde David met feestelijke vreugde weer binnen.

Hij zat weer op zijn troon als voorheen. „God heeft mij mijn koninkrijk ten tweeden male gegeven,quot; sprak David. Maar in zijn hart klonk altijd nog die toon: „Mijn zuun Absalom, ach! mijn zuon Absalom!quot;

Na Absalom's dood was do eenheid van het groote Israëlietische rijk voor goed gevestigd. De partij van ontevredenen, die zich rondom hem geschaard had, was opgelost. De overgeblevenen van de oude partij van Saul waren ook zeer weinigen meer. Gansch Israël, van het noorden tot het zuiden, voelde zich één volk, onder één koning; zoo eendrachtig was het nog nooit geweest. Dat was het groote doel en werk van Joab geweest.

In zijn laatste jaren hield David zich bezig um nog de laatste voorbereidingen te treffen voor den bouw van den tempel, dien hij zoo gaarne zelf had gebouwd, maar dien zijn zoon na hem zou bouwen. Goud, zilver, hout en steenen liet hij bijeenbrengen. Ook wees hij de plaats aan, waar die tempel moest komen te staan. Waar de hoeve van Arauna was, daar moest tie tempel verrijzen. Op een heuvel was dat, en die heuvel heette Moria.

David verheugde zich in dien arbeid, die den naam van zijn zoon roemrijk en groot zou maken, van zijn zoun, die een koning des vredes zou zijn. Maar in zijn hart dacht hij dan aan dien anderen Koning, die nog eens geboren zou worden uit zijn stam, en die de menschen van zonden verlossen zou. En daarover verheugde hij zich nog voel meer. In zijn „psalmen,quot; zijn liederen bij de harp, had hij dien Koning reeds dikwijls bezongen; maar in de uren van berouw over zijn zonden had hij het meest naar dien Koning verlangd.

En als hij offerde, was hij als iemand, die zelfs zijn schepter en zijn kroon

ocr page 352

bijbelsche geschiedenis voor kinderen.

op het altaar neerlegde voor God, alsof hij «Me: „Ik ben niet waardig een kioon te dragen; maar de groote Gezalfde, die uit mijn geslacht zal voort-komen, diens troon zal staan tot in eeuwigheid.quot;

De koning stierf, toen hij zeventig jaren oud was geworden. (1015 v. 0).

Veertig jaren was hij koning geweest. En hij werd begraven in zijn stad

Toen de groote koning ontsliep, kon men van hem zeggen, dat God hem

bijna alles had gegeven, wat zijn ziel kon wenschen. Maar één diepe zielewensch

was onvervuld gebleven: hij had zoo gaarne den dag gezien, waarin de oude

belofte Gods vervuld was, van den Verlosser, die komen zou. Hij ging ter

ruste, zooals al zijn vaderen, die geloofd hadden in de groote belofte, maar de vervulling niet hadden gezien.

844

ocr page 353

SALOMO

1015—975 v. Chr.

-e opvolger van David was Salomo. Zijn moeder was Bathseba, de schoone vrouw, waarmede David getrouwd was, toen hij Uria had laten

Daar was nog een ander zoon van David, die ook koning had willen

worden, Adonia; maar David had den troon aan Salomo beloofd. En hoewel Adonia nog beproefd had, om met behulp van zijn vrienden de koninklijke macht in handen te krijgen, David zorgde nog dat Salomo openlijk als koning uitgeroepen, en door het volk gehuldigd werd. Dat was een schitterende intocht, dien de jonge koning door de stad hield, en toen durfde Adonia niets meer doen; hij was zelfs bevreesd voor zijn leven; en Salomo was voorgoed koning.

Hij was een vroom jongeling, en dacht aanstonds bij het aanvaarden van de regeering: „Ik wil God vreezen, evenals mijn vader gedaan heeft.quot; Voor zijn geheele volk toonde hij openlijk, wat hij voornemens was. „Als ik een goed voorbeeld geef, gelijk mijn plicht is, dan zal mijn volk mij volgen,quot; dacht hij.

Daarom dat hij een groote volksvergadering te Gibeon samenriep, en ten aanzien van zijn onderdanen offeranden aan God bracht, in zoo groot aantal, dat iedereen zich verbaasde; allen spoorde hij aan, om, evenals hij zelf, in den dienst van God getrouw te zijn. Hoe oprecht evenwel zijn voornemen was, hij voelde toch, dat hij nog zeer jong was, en dat de regeering van zulk een groot volk een moeilijke taak was. Hij had op dien dag zijn onderdanen wel beslist en moedig toegesproken, maar hij had niet kunnen nalaten in de stilte van zijn hart te denken: „Hoe zal ik ooit met wijsheid hen regeeren? Had ik maar meer wijsheid, zooals mijn vader had!quot;

Het was onder die zorglijke gedachten, die den ganschen dag bij hem waren geweest, dat hij 's avonds op zijn legerstede insliep. Een wonderbaren droom had hij toen. God verscheen hem in den droom; en dit wonderlijke was het, wat de Heere hem toesprak: „Salomo! begeer van mij, iets dat gij wilt; wat wilt gij, dat Ik u geven zal?quot; En in den droom antwoordde de jonge koning, volgens dezelfde gedachten, die den geheelen dag hem vervuld hadden: ,,0 Heere! als Gij

ocr page 354

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

mij iets geven wilt in Uw goedheid, geef mij dan wijsheid om mijn volk te richten; want ik bon nog zoo jong, Heere!quot; En de vrome jongeling dacht er niet om, om iets anders te begeeren, zooals andere jonge koningen misschien begeerlijk zouden gevonden hebben; zoo was hij den geheelen dag van dezen wensch vervuld geweest. Hoe stond hij verbaasd, toen God hem in den droom aldus toesprak: „Zie, gelijk gij begeert, zal Ik doen; een wijs en een verstandig hart zal Ik u geven, zooals aan niemand anders gegeven is. En meer dan dat zal Ik u geven. Rijkdom, wat gij ook van mij hadt kunnen vragen, hebt gij niet gevraagd. Macht over de vijanden, en een lang leven, wat gij ook van mij hadt kunnen vragen, hebt gij evenmin gevraagd. Daarom, omdat gij het beste, wijsheid, gekozen hebt, zoo zal Ik u ook nog rijkdom, macht en een lang leven bovendien geven. Wandel in mijn wegen, o koning! en wees getrouw, zoo zal Ik u dat alles schenken, zooals Ik het nog aan niemand geschonken heb.quot;

Toen Salomo wakker werd van zijn droom, speet het hem, dat dit schoone gezicht slechts een droom was. „Maar die droom is toch waar,quot; zoo zeide hij, „en ik weet, dat hij zal uitkomen; ik zal in Gods wegen wandelen, dan wordt hij zeker vervuld.quot; Hij twijfelde er geen oogenblik aan.

Zoo keerde hij van de groote volksvergadering, van Gibeon, naar Jeruzalem terug. En toen hij daar op zijn troon zat, en geboden gaf, en rechtsprak, gelijk de koningen doen, zeide al het volk: ..Onze jonge koning wil in de voetstappen van zijn vader wandelen; hij is vroom en wijs; daar behoeven wij niet aan te twijfelen.quot;

Het duurde niet lang, of meer dan één wijze rechtspraak wekte ieders bewondering, en ging van mond tot mond.

Zoo kwamen op zekeren dag twee vrouwen tot den koning, met een klacht. „Ach, mijn heer!quot; zoo sprak de eene vrouw, „deze vrouw en ik wonen samen in een huis; nu kregen wij ieder een kind, on wij waren daar zeer blijde mede. Maar in den nacht stierf het kind van die vroüw; en voor dat het dag werd, terwijl ik sliep, nam zij mijn kind weg van mij; en wat zij bovendien deed: haar doode kind legde zij naast mij; zoo verwisselde zij de kinderen. En toen ik 's morgens wakker werd, o koning! toen zag ik het: dat was

346

ocr page 355
ocr page 356
ocr page 357

SALOMO. 349

mijn kind niet, dat dood naast mij lag; zij had liet mijne in haar armen; en zij wilde het mij niet teruggeven. Nu ben ik tot u gekomen; ach, zeg haar, dat zij mij mijn kind teruggeeft, o heer! Dat zij daar heeft, dat is het mijnelquot; Maar die andere vrouw viel haar in de rede, boos en hard sprekende: ,,Neen, dit is mijn kind; het doode is van haar; geloof haar niet, koning! zij is een bedriegster!quot; Zoo streden de twee vrouwen voor den troon van Salomo.

Kalm hoorde de wijze vorst haar aan. En dewijl er geen getuigen bij te halen waren, die zeggen konden, hoe de zaak werkelijk was, omdat in dat huis geen andere menschen woonden dan die twee vrouwen alleen, zoo sprak de vorst met een ernstig gezicht tot een van de dienaren: „Haal een zwaard, neem het levende kind, en geef ieder van die vrouwen de helft van het kind!quot;

Toen de dienaar werkelijk het kind nam, en zijn zwaard ophief om het in tweeën te deelen, en de koning goedkeurend er naar zag, toen riep de eerste vrouw plotseling in haar moederangst, terwijl zij wilde opstaan om den man tegen te houden: „O dood mijn kind niet, houd op! geef het dan liever aan haar!quot; En de andere vrouw had tegelijk geroepen: „Doorsnijd het, zij zal het tenminste evenmin hebben als ik!quot;

Een wenk van den koning, — en de dienaar hield zijn zwaard in. „Geef het kind aan die eerste vrouw, die is de moeder,quot; sprak zijn wijze mond. En terwijl de booze vrouw met haar doode kind beschaamd heenvluchtte, en de ware moeder haar levende kind in de armen nam en liefkoosde, en den koning met tranen dankte, zagen al die hovelingen bewonderend op naar hun jongen vorst, die zoo groote wijsheid in rechtszaken van God gekregen had.

Zoo waren al de rechtspraken van Salomo op de dagen, als hij rechtszitting hield op zijn troon; en do verdrukten kwamen gaarne, hij vond hun recht uit.

Behalve in gerichtszaken en goede staatswetten bleek zijn wijsheid in vele geschriften, die hij opstelde. Hij had de gave om lange en verstandige gedachten samen te kunnen vatten in korte en puntige gezegden, die gemakkelijk en vanzelf onthouden konden worden, en die „spreukenquot; worden genoemd. Drie duizend zoodanige spreuken van verschillenden inhoud schroef hij op, waarvan

ocr page 358

er verscheidene zijn bewaard gebleven in een verzameling, die later gemaakt werd.

Ook was hij een onderzoeker en kenner . der natuur; en over de plantkunde en de dierkunde schreef hij twee groote boeken; deze zijn echter verloren gegaan.

En bij dat alles was de vrome koning, evenals zijn vader, een dichter; duizend en vijf liederen heeft hij gedicht; doch ook deze zijn verloren geraakt; de menschen in lateren tijd hadden groote spijt, dat die boeken en liederen niet beter bewaard waren gebleven. Iedereen in zijn tijd was verbaasd over zijn wijsheid in alle dingen. En daar waren velen in den lande, die God dankten voor zulk een wijzen koning in David's plaats.

Wat Salomo in zijn droom gedroomd had, dat God hem bovendien geven zou behalve wijsheid, dat werd ook in werkelijkheid zijn deel. Macht kreeg hij. Hij had het wel niet begeerd; maar God gaf het hem. Van Syrië tot Egypte strekte zijn rijk zich uit: en van Mesopotamië westwaarts tot aan de zee. Zoo

ocr page 359
ocr page 360
ocr page 361

SALOMO. 853

groot en sterk was het rijk nog niet geweest. En de onderworpen volken konden niet opstaan; daar was te veel vrees. En de omringende andere volken zochten vriendschap en vrede. Zoo was het, al do dagen van Salomo; hij was een vredevorst.

En aldus kreeg hij ook rijkdom. Hij had het wel niet begeerd, maar God gaf het hem. Die prachtige paleizen, die hij zich liet bouwen! Die weelde aan het hol in zijn koningsstad! Zoo hadden zelfs Oostersche vorsten het nooit gezien! En ook al zijn onderdanen deelden in dien voorspoed en rijkdom van zijn regeering; de landbouw en de veeteelt ontwikkelden zich, zooals nimmer te voren;

de handel te land strekte zich uit tot ver in het noorden en oosten; en de

*

scheepvaart bracht in hun zeehaven Elath, aan de Roode Zee, zelfs van Indiö onnoemelijke schatten aan; goud en zilver werden bijna geacht als steenen, die langs den weg liggen. Al het volk prees zich gelukkig onder dien koning.

Toen alzoo Salomo en zijn volk zich verheugen mochten in een bloei en in een welvaart, zooals Israël nog nooit gekend had, besloot hij uitvoering te geven aan het voornemen, dat zijn vader reeds opgevat had. „Nu moet ik voor God een tempel bouwen, en die moet schooner worden dan alle paleizen te zamen,quot; zelde hij. En wat hij toen ging doen, dat deed hij koninklijk.

Aan Hiram, den koning van Phoeniciö, die altijd een vriend zijns vaders geweest was, verzocht hij om hem bij den tempelbouw behulpzaam te zijn; want hij wist, dat de Phoeniciërs betere bouwmeesters waren dan zijn eigen Israëlieten; de menschen aldaar waren bekend om hun bekwaamheid in timmerwerk, in metselwerk, en in de fijnere kunst van het smeden van ijzer, zilver en goud. Zoo kreeg hij voor zijn tempel de bekwaamste lieden uit Hiram's rijk.

Do groote steenen, die hij noodig had, liet hij uit de bergen uithouwen en naar Jeruzalem brengen. Maar het hout, dat in Israël groeide, was in zijn oogen niet schoon genoeg; daarom liet hij dat uit Phoeniciö komen. Daar op den Libanon groeiden de groote on schoone cederboomen, en die kocht hij van Hiram; hij liet ze omhakken, en met vlotten over zee naar het zuiden brengen, waar zij weer aan land gebracht en naar Jeruzalem vervoerd werden.

Geen moeite en geen kosten liet de koning sparen; want een tempel

ocr page 362

voor God moest van het beste gemaakt worden, dat maar te krijgen was. En zoo verrees up het veld van Arauna, de plaats op den heuvel Moria, welke David na die vreeselijke pest daartoe reeds bestemd had, langzamerhand het schitterende gebouw.

De tempel werd gebouwd naar het voorbeeld van den Tabernakel. Evenals de Tabernakel had hij twee afdeelingen, het Heilige en het Heilige der Heiligen. Maar in plaats van één Voorhof, kwamen er hier meerdere voorhoven, en bijgebouwen, zoodat het te zamen een schoon geheel vormde, boven op den heuvel. De groote zuiver gehouwen steenen van buiten; het cederhout van binnen; mot zooveel goud belegd, dat hot in de zalen bijna den schijn had, alsof de wanden geheel van goud waren; de versieringen, de twee reuzen-kolommen vooraan; — alles toonde het, dat millioenen guldens niet een te hooge prijs werden geacht om voor den Heere een woning te geven in de koningsstad. Evengelijke heilige voorwerpen als in den Tabernakel stonden, werden ook in

354 BIJBELSCHE GESCHTEDENIS VOOR KINDEREN.

ocr page 363

den tempel gesteld. In een der voorhoven: een brandofteraltaar en een wasch-bekken; maar beide voorwerpen schitterend en groot. In het Heilige: een reukofferaltaar, en een tafel der toonbrooden, en een kandelaar: maar ook weder veel grooter en schooner dan in den Tabernakel gestaan hadden. Alleen in het Heilige der Heiligen kwam geen nieuw voorwerp; daar moest dezelfde oude heilige Ark des verbonds in komen, die de Israëlieten uit do woestijn medegenomen hadden.

Zeven lange jaren werden er besteed, om den tempel op te zetten, hoewel duizenden werklieden met ijver dag aan dag gewerkt hadden. Maar toon hij eenmaal klaar stond, en de menschen het gebouw op Moria boven de gansche stad zagen uitsteken, toen moest iedereen zeggen, zoowel de inwoners als de vreemdelingen, dat Salomo zich hiermede een naam gemaakt had, welke zou voortleven zoolang als do wereld duurde. Maar Salomo zelf, die een nederig man was, zeide: „Ik heb den tempel niet gebouwd om mijzelven een naam te maken, maar om Gods naam to verheerlijken.quot; En alle menschen prezen den koning nog meer om die nederigheid.

ocr page 364

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Toen al het werk gedaan was, besloot de koning om het gebouw tot zijn dienst plechtig in te wijden. Hij riep al de voorn aamsten • des lands te Jeruzalem te zamen. En iedereen, die wilde, mocht mede komen. Nimmer waren zoovele welkome gasten vriendelijk en feestelijk in de stad geherbergd. Allen kwamen met heerlijkheid en pracht. Op den dag, die daartoe gesteld was, liet de koning allereerst de Ark des verbonds halen, en in plechtigen optocht naar haar plaats brengen in het Heilige der Heiligen. Dat deden de priesters en de Levieten; en de koning zelf en de aanzienlijken liepen mede in den optocht. Toen werden offeranden gebracht op hot nieuwe altaar, zoovele, als nimmer geofferd waren geweest. Daarna hield de koning voor het gansche volk een lange toespraak, en met een schoon gebed droeg hij ten slotte den tempel aan Go'd op. Met vuur uit den hemel antwoordde God op het gebed van Salomo; de offers op hot altaar werden er door aangestoken en geheel verteerd. En toen wist iedereen, dat God den tempel als een welgevallige gave uit de handen van het volk aangenomen had. De koning en al zijn volk waren daar zeer blijde om, en het feest der inwijding ging tof uitbundig gejuich en vroolijkheid over.

Het was een heerlijke gedachte voor koning en volk, om te weten, dat God nog altijd hetzelfde verbond met hen had, dat Hij vroeger met hun stamvaders, met Abraham, Izailk en Jakob had gehad.

Het was natuurlijk, dat vele vreemde vorsten, die met Salomo een verbond van vrede en vriendschap gesloten hadden, hem te Jeruzalem kwamen bezoeken. Tot bij zeer verre volken was het gerucht van zijn roem en zijn luister doorgedrongen; en dikwijls werden binnen de muren zijner stad de hoogste gasten uit den vreemde koninklijk ontvangen, waarbij aan de weelderigste feesten geen einde kwam.

Zoo kwam op zekeren dag ook een vorstin met haar gevolg, zoo groot en schitterend als de stad binnen haar muren zelden gezien had. Zij was een koningin van het land Scjieba, dat in het zuidwesten van Arable lag. Haar volk was beroemd om zijn handel en zijn rijkdom en om de pracht van zijn hoofdstad Mariaba.

In haar land had zij gehoord van de grootheid van Salomo, en van zijn

350

ocr page 365
ocr page 366
ocr page 367

SALOMO.

wijsheid, en van zijn kennis van den alleen waven God. En daarom was zij gekomen. Zij zeide liet aan Salomo; en zelve een wijze vrouw zijnde, deed zij hem vele vragen over de dingen, die zij weten wilde. Vriendelijk gaf hij antwoord op al haar vragen; (gt;11 in de vele dagen, die zij bij hem was, onderwees hij haar in al de kennis, waar haar verstandig hart zich naar uitstrekte. En toen zij dat alles hoorde, 011 daarbij zag al de weelde van zijn paleis en van zijn hofhonding en van zijn krijgslieden, en in zijn tempel kwam en in al de andere schoone gebouwen, die hij gemaakt had, toen was zij meer dan verbaasd; het was haar, alsof haar hart bezweek van verbijstering; en alsof zij wel voor hem had willen knielen, sprak /.ij: ..Ik en mijn volk zijn niets bij u en uw volk: zooals uw God 11 heeft groot gemaakt, zon heeft Hij niemand groot gemaakt; veel had ik reeds gehoord in mijn ver land, maar de helft was mij niet aangezegd.quot;

Na vele dagen scheidden zij; maar eerst gaven zij' elkander rijke geschenken, zooals koningen doen. En toen keerde zij weder naar Scheba, alsof zij naar een klein en arm koninkrijk terugkeerde.

Bij al de pracht en rijkdom, die Salomo zocht, was ook dit, dat hij meer dan één vrouw nam. Dat behoorde zoo iiij de weelde van een groot hof; zud dacht men algemeen in die dagen. Al de groote koningen in de Oostersche landen deden zoo, om aan hun onderdanen te laten merken, hoeveel grooter zij waren dan hun burgers; Salomo wist het, dat zij aan andere hoven zoo deden. Daarom dat hij het insgelijks deed.

Onder de vrouwen, die hij huwde, was ook een Egyptische prinses, en menig .andere heidensclie vrouw. Verscheidene daarvan kregen elk een paleis ter bewoning; en hoezeer dit ook Salomo's schittering in de oogen van velen verhoogde, goed was het niet; en zegen bracht hot hem niet. Want die heidensclie vrouwen bleven haai- afgoden aanbidden, en de koning ging het niet tegen. Hoe ouder hij werd, des te toegeeflijker werd hij daarin; zelfs ging hij zoover, dat bij ter wille dier vrouwen tempels voor haar afgoden liet bouwen, en offers gaf aan die afgoden. Hoe kon hij het doen! Maar zijn hart was niet meer zooals het geweest was, toen hij nog jong was.

350

ocr page 368

3GO BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Zooals de zonde bij een mensch ongemerkt komt, maar daarna hoe langer hoe sterker komt, totdat de zonde dien mensch geheel beheerscht, zoo had de zonde bij Salomo gedaan. En had God geen medelijden met hem gehad, en in dat medelijden een vreeselijke straf over hem uitgesproken, hij zou op zijn ouden dag in zijn zonden gebleven en gestorven zijn. „Zie,quot; zoo sprak de Heere tot hem, en de Heere sprak het toornig, „omdat gij de afgoden nagewandeld hebt, zal ik een knecht uit dit land nemen, en hem uw koninkrijk geven, dewijl uw knecht beter is dan gij; als gij gestorven zult zijn, zal ik uw zoon slechts een klein deel van het rijk laten; maar dien knecht zal ik verbetten tot koning over het grootste deel!quot; En inderdaad hoorde Salomo, dat een profeet kort daarop een zekeren Jerobeam in den naam van God tot koning geroepen had.

Dat was aldus geschied. Jerobeam was een welbekend man in hot land en aan het hof. Hij was een dapper held, die reeds veel van zich had doen spreken, ook om zijn voorzichtige wijsheid, en die daarom door Salomo tot landvoogd aangesteld was in meer noordelijke gewesten. Eens nu, dat Jerobeam weder bij den koning geweest was, en Jeruzalem uitging om naar zijn gewest weder te koeren, kwam hem buiten de poort een profeet te gemoet, die hem staande hield. Zij kenden elkander. Met een zinnebeeldige handeling, zooals de profeten meer gewoon waren, nam Ahia den nieuwen mantel, dien Jerobeam droeg, hem van de schouders, en verscheurde hij dien in twaalf stukken. En voordat Jerobeam van zijn verbazing bekomen kon, sprak hij hem aldus toe: „Neem tien stukken daarvan voor u; want aldus zegt de Heere: Tien stammen van het koninkrijk van Salomo zullen voor ti zijn; gij zijt de koning, die na Salomo daarover regeeren zult.quot; De toorn van Jerobeam over het verscheuren van zijn nieuwen mantel ging over in een verbaasde blijdschap; en in die blijdschap toog hij zijns weegs. Toen Salomo het hoorde, was hij over het oordeel Gods zoo weinig berouwvol, en zoo vergrimd op Jerobeam, dat hij hem zocht te dooden; maar Jerobeam vluchtte het land uit, en vond schuilplaats bij den koning van Egypte.

Salomo's laatste regeeringsjaren waren op die wijze niet vroolijk meer; hij werd somber en kreeg genoeg van zijn weelde. Latere menschen zeiden, dat hij in die somberheid al zijn rijkdom, macht en wetenschap verachtte;

ocr page 369

SCHEURING VAN HET GROOTE RIJK. 861

dat hij toon wedor zijn God zocht, en /cijn vrede weer vond; en dat hij het iedereen in zijn omgeving toeriep: „Vrees God en houd Zijn geboden; want God zal ieder werk in het gericht brengen, niet al wat verborgen is, liet zij goed, het zij kwaad.quot; En de goede menschen onder zijn volk verhaalden latei', dat hij toch nog als een ootmoedig zondaar voor God gestorven was. Veertig jaren was hij koning geweest.

Waren er in de dagen van Salomo, en vooral bij het begin zijner regeering, enkelen geweest, die gedacht hadden; „Deze is gewis de van God beloofde Koning, de groote Verlosser, van wien tot de vaderen gesproken is,quot; — later, en tegen het einde zijner regeering, merkten zij, dat zij in hun verwachting gedwaald hadden. Salomo kon de beloofde Koning niet zijn. Hun vurig verlangen had hen verkeerd doen hopen. Dat waren de werkelijke vromen, die zoo gedacht hadden. En in hun teleurstelling bedroefd, zagen zij uit in de toekomst, met de vraag op de lippen: „Wanneer zal God nu toch dien grooten Verlosser zenden?quot; Doch het waren er niet velen, die zoo dachten, en uitdagen in de toekomst.

-o-^jKé^-o-

SCHEURING VAN HET GROOTE RIJK.

V. Gin'.

--''oen Salomo gestorven was, kwam Jerobeam uit Egypte terug. Deze

^ Jerobeam was de man, aan wien Ahia, de profeet, het gezegd had,

^ dat niet Salomo's zoon, maar hij tot koning van het grootste deel des •. i

^ rijks zou uitgeroepen worden. De dood van den koning was hem geboodschapt en zijn vrienden hadden hem daarbij gezegd, dat het nu zijn tijd was om koning te worden. Jerobeam kwam ook aanstonds, want hij wist, dat hij de van God geroepen vorst was, om over een groot deel van het rijk te regeeren. Hij kwam nog juist bijtijds, om tegenwoordig te zijn bij de kroning van den zoon van Salomo, die meende, dat hij het gansche koninkrijk verkrijgen zou. Deze zoon van Salomo heette Rehabeam.

Een groote volksvergadering had Rehabeam te Sichem samengeroepen.

ocr page 370

362 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Want aldaar was het, in het midden des lands, dat hij voor de oogen des ganschen volks als koning in zijns vaders plaats zich wilde laten kronen, om daarop zijn feestelijken intocht in Jeruzalem te houden.

De menschen, die ter volksvergadering waren opgekomen, waren talrijker dan ooit, uit alle deelen des lands. Want daar broeide iets; het halve land, zoo niet het geheele land, wist van de Godsspraak, dat tot straf voor Sa lomo's afgoderij een deel van het land aan Jerobeam als nieuwen koning zou gegeven worden. Bovendien waren er zeer vele ontevredenen, die, hoe schitterend de regeering van Salomo ook geweest was, toch de belastingen te drukkend gevonden hadden, die Salomo geheven had om de onkosten van zijn hofhouding te bestrijden. Zoo stonden dus reeds van te voren de zaken voor Rehabeam in die volksvergadering niet gunstig.

Inderdaad kwamen de hoofden des volks met Jerobeam in hun midden voor den zetel, waar Rehabeam zat, en spraken zij hem aldus aan: „Het is heden de tijd, dat gij in uws vaders plaals n de kroon zult opzetten van ons groote rijk. En nu is het ook in ons hart, om u als onzen heer te erkennen, zooals wij uw vader erkend hebben. Maar één verzoek hebben wij: Beloof ons, dat gij de belastingen minder drukkend zult maken, dan zij geweest zijn. Wij hebben die belastingen aan uw vader niet geweigerd, hoe zwaar zij ook waren; want hij heeft ons volk groot gemaakt. Maar wij kunnen ze niet langer opbrengen; wij zouden ten onder gaan. Dit verzoeken wij u dus, maar wij verzoeken het u beslist. Geeft gij aan onzen wensch geen gehoor, dan kiezen wij een anderen koning, en gij zult onze koning niet zijn. Wij verzekeren u dit als vastberaden mannen.quot;

Zoovelen waren het, in wier naam deze hoofden spraken, dat Rehabeam veilig achtte, niet aanstonds hierop te antwoorden. Hij zag de groote menigte der ontevredenen, en eenigszins bevreesd geworden, sprak hij, dat hij binnen drie dagen zijn antwoord op dezen eisch geven zou. De mannen namen er genoegen mede, zooals mannen dio denken: „Wij zetten toch onzen zin door.quot; Dien dag ging de kroning niet door.

Dezen tusschentijd gebruikte Rehabeam om zijn vrienden te raadplegen. Dat waren allereerst de grijze trouwe vrienden en dienaars van zijn vader.

ocr page 371
ocr page 372
ocr page 373

SCHEURING VAN HET GROÜTE RIJK.

Deze mannen, die reeds zoo menige opkomende ontevredenheid des volks vroeger hadden bijgewoond en neergezet, spraken verstandig met hem, en zeiden: „Zeker moet gij aan den eisch dier lieden toegeven; als zij zien, dat gij een goed koning wordt, zullen zij later toch bereidwillig genoeg zijn om do belastingen op te brengen, die gij hun dan nog genoeg opleggen kunt; begin ten minste uw regeering met zachtmoedigheid.quot;

Deze raad strookte weinig met den trotschon geest van den jongen vorst, die het een vernedering scheen te vinden, om toegeeflijk te zijn. En hij werd in zijn trotschheid gesterkt door zijn eigen jonge vrienden, onberaden jongelingen, die hem dezen raad gaven; „Een groot en machtig vorst moet niet toegeven, en door zijn volk geregeerd worden, maar moet zelf heerschen. Als gij een man zijt, dan staat gij die rebellen te woord, zoo dat zij sidderen op hun voeten. Vraagt gij het ons, wat gij antwoorden moet, zeg dan dit: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen; en heeft mijn vader u met geeselen gekastijd, ik zal u met schorpioenen kastijden.quot; En terwijl zij dit zeiden, lachten die jonge vrienden, als menschen, die een geestigheid gezegd hebben in eigen meening. Ook Rehabeam lachte, want hij begreep de beteekenis van die woorden. „Zeker,quot; zeide hij, „gij weet goeden raad te geven: de belastingen nog zwaarder maken dan mijn vader, — ik zal het hun zeggen; en als zij niet betalen willen, hen nog erger laten geeselen, dan mijn vader het heeft laten doen, - ik zal het hun zeggen.quot;

En toen de derde dag kwam, en Rehabeam voor de volksvergadering stond, sprak hij het volk zoo hooghartig, trotsch en uitdagend toe, zooals alleen een onverstandig vorst doen kan, die slechte raadgevers gehad heeft; en zijn uittartende rede besloot hij met dezelfde scherpe woorden, die zijn vrienden hem in den mond gegeven hadden.

Hoe weinig rekende hij met tie vastberadenheid dier mannen, die op het einde van zijn redevoering, hem eenvoudig den rug toekeerden, zich naar het volk richtten, en het toeriepen: „Naar huis, mannen! hier hebben wij niets te doen; voor ons is hier geen koning! naar huis!quot; En hoe verkeerd beoordeelde hij in zijn hooghartigheid die kalm aftrekkende lieden, toen hij Adoram met zijn gewapenden achter hen aan zond! Adoram was de schatmeester, die

365

ocr page 374

366

gewoon was de belastingen bij het volk te innen. „Adorain zal hen wel tot rede brengen,quot; dacht de koning. Hoe vergiste hij zich! Want het volk keerde zich om; en zooals de zee opkomt, zoo kwamen zij aan, over Adoram, dien zij met steenen steenigden; en dichter aan, naar den koning en zijn hof, een aanbruisende storm!

Rehabeam en zijn jonge dappere vrienden, — zij waren reeds op een wagen geklommen, en daar vloden zij; zij reden, en hielden niet op voordat zij veilig waren binnen de muren van Jeruzalem.

Die dag kostte aan Rehabeam het grootste deel van zijn koninkrijk. Tien stammen vielen af, en kozen Jerobeam tot hun koning. En hij, Salomo's zoon, hield twee stammen, die hem trouw bleven, de stammen Juda en Benjamin. Die stammen lagen in het zuiden; voortaan heetten zij; het koninkrijk van Juda. Het groote noordelijke deel onder Jerobeam heette voortaan: het koninkrijk Israël. Zoo was het groote rijk van David en Salomo in twee deelen gesplitst.

Die het goed begrepen, zeiden, dat dit een oordeel van God was over Zijn volk, dat het begin zou zijn van nog meerdere oordeelen.

ocr page 375

ACHAB EN ELIA

Jorobeam kwamen er eenige koningen over het rijk van Israël, van wie de een den ander overtrof in goddeloosheid en afgoderij; V en welke koningen toch niet slechter waren dan hun volk; zij stonden Y^-' aan elkander gelijk.

Koe was het mogelijk, dat Gods volk zich zoo vergeten kon! Waren er niet altijd onder geweest, die aan den Heere, den God hunner vaderen, trouw waren gebleven, het volk der tien stammen zou niet te onderscheiden zijn geweest van andere heidensdie volken. Niemand zou gezegd hebben, dat het een volk Gods was, dat eens de heerlijkste beloften en de meest volmaakte wet ontvangen had. De beloften werden vergeten, ook de belofte aangaande den komenden Verlosser; en de wet van Mozes, — men dacht er niet aan. De koning regeerde, en deed wat hij wilde. Evenals in den tijd der richters kwamen er weder overal altaren en afgodsbeelden van Baal en van Astaroth, en van nog andere afgoden; en de afgodische priesters leidden de onwetenden nog verder den zondigen weg op, en voeren er wel bij. Had God niet tusschenbeiden, ja telkens, profeten gezonden, die al predikende het land rondtrokken van plaats tot plaats, en die met krachtige taal en met krachtige daden het dwaze volk weer in de rechte paden stuurden, volk en vorst zouden toen reeds rijp ton ondergang zijn geweest. Do Heere had Zijn zondig volk nog lief, en was lankmoedig. „Ik zal mijn volk niet verderven, maar behouden, zoolang het kan,quot; dacht de Heere. En Zijn profeten zeiden en toonden dat op alle manier.

De zesde koning na Jerobeam over het rijk der tien stammen was Achab. (877 — 850 v. C.) De hoofdstad van het rijk was toen Samaria, en daar woonde Achab met zijn vrouw Izebel. Zoo mogelijk, overtroffen deze beiden de vorige vorsten en vorstinnen nog in slechtheid. Wat zij doen konden om de priesters in de Baillstempels te begunstigen, en om de afgoderij te doen bloeien, dat deden zij. Voor de oogen van alle menschen had het den schijn, dat niemand

ocr page 376

308 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

in het rijk meer aan den God der vaderen dacht. De tijd voor de oordeelen Gods was weder rijp. En zij kwamen, de oordeelen!

Van het noorden des lands verspreidde zich het gerucht, dat in het stadje Thisbe een man opgestaan was, die, zooals de menschen het nog nooit gehoord hadden, oen prediking hield, die tegen den heerschenden Basisdienst gericht was. Elia heette die man; „voor wien Jehova God is,quot; heteekent die naam. Van stad tot stad zuidwaarts trekkende, door het Overjordaansche, ging do roep van zijn prediking hem reeds vooruit. „Doet boete, want do oordeelen komen!quot; riep hij overal. En zijn taal, zoowel als zijn uiterlijk, maakten een indruk, dien de boozo menschen in lang niet gewoon waren geweest. Alle sierlijkheid van kleeding afleggende, in tegenstelling van de weelderige menschen zijns tijds, had hij tot een kleed genomen niets anders dan een kemelsharen ruwen mantel; zooals iemand die zelf boete bedrijft en allo sierlijkheid van zich aflegt. En zoo snel was zijn tocht door de steden geweest, dat hij plotseling en onverwachts reeds in de straten van de hoofdstad Samaria gezien werd, voor men het gedacht had. Waar des konings paleis was, daar schreed hij heen; en waar des konings troon was, daar ging hij staan, hij, de forsche man met ongeschoren haar en baard in het ruwe kleed te midden van de weelderige mannen en vrouwen van het hof. „Zoo waarachtig als de Heere leeft,quot; zoo riep hij daar voor de ooren der verbaasde hovelingen den koning en de koningin toe, „het oordeel Gods is gekomen! Daar zal geen regen of dauw van den hemel komen op de aarde, tenzij naar mijn woord!quot; En zoo vreeslijk en dreigend was de rede, die hij daar sprak, van de zonde van het hof en van de zonde van het volk, en van den toorn Gods, en van de droogte en hongersnood, die komen zouden, en die niet wijken zouden, voor en aleer hij het weder zeggen zou, — dat niemand van het verbijsterde hof de hand aan hem durfde slaan, die daar in de kracht stond van zijn God. Eerst toen hij heengegaan was, en de straten der stad was uitgegaan, week de schrik van het koninklijk hof; en week de schrik voor een toorn, die zich lucht gaf van alle zijden, gemengd met een verachting voor den profeet, dien men niet gelooven wilde, zooals men meent een dwaas niet te moeten gelooven.

ocr page 377

ACHAB EN ELIA.

Doch de droogte kwam, — zooals Gods protect het had gezegd. Dc dauw bleef uit des nachts, zoodat het veld droog was aan den morgen. En toen de regentijd aankwam, was de lucht blauw; daar kwamen geen wolken. Het koren, dat in den grond was gelegd, schoot niet op. De heesters verdorden. Wijnbergen en olijfgaarden verschroeiden van de zonnestralen. De boomen in het woud lieten de bladeren vallen, en de takken stonden naakt. De grond werd als steen; en het stof dwarrelde up langs alle wegen. Beken droogden op; bronnen welden niet meer; groote rivieren kun men doorwaden ter plaatse waar van te voren de stroom wild bruiste en die]) was. De schapen en runderen liepen waar de weilanden waren; maar daar was geen gras. De hinden en de dieren des wouds liepen waar zij gewoon waren des morgens hun dorst te lesschen, maar zagen verwonderd, en wisten niet waar zij water moesten vinden. En de menschen bewaarden het water, dat zij in de putten hadden, voorzichtig. Ouk hun kuren van het vorige jaar, dat zij nog hadden, aten zij zuinig. Zij berekenden, hoe weinig zij eiken dag moesten nemen van hun water en van hun koren, en zij berekenden hoelang het nug duren kon met hun voorraad, eer de dag zuu komen, dat zij moesten sterven met hun kinderen van den dorst en van den honger. Het gansche Israël, dat land, anders overvloeiende van melk en honig, dat paradijsland, was een woestijn geworden. Op alle bergen en in alle dalen waren de bloemen dood. Het kwam altemaal, van maand tot maand, al erger en erger, zooals de profeet van Thisbe had gezegd.

„Waar is de Thisbiet?quot; riep de koning in zijn gramschap; „waar is hij? Want, bij mijn goden, hij zal sterven!quot; En zijn boden zond hij uit, om Elia te zoeken. Zij gingen, die boden, om hem overal te zoeken, in de steden en in de dorpen, van het gansche rijk. Maar zij konden nergens hem vinden. Ook wist niemand te zeggen, waar hij gebleven was; niemand had ergens hem gezien. Zoo plotseling als hij gekomen was, was hij verdwenen. „Waar is Elia?quot; raasde de grimmige koning, en Izébel zette hem aan; „goud en zilver zal ik hem geven, die mij zegt, waar hij is!quot; En zelfs in de landschappen van naburige vorsten liet hij ernstig navraag doen. Maar daar was nergens een Godsman geweest, met een kemelsharen kleed, en met den gordel om de

24

369

ocr page 378

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

lendenen. Do koning werd steeds harder onder het oordeel Gods, dat hem zacht had moeten stemmen, en dat hem en zijn volk tot bekeering en tot boete had moeten brengen.

Elia was, — waar zijn God hem gebracht had, om hem voor de woede des boozen konings te bewaren..

Daar vloeide een beek in hot land des konings tnsschen hooge rotsen en wouden door; de beek Krith heette zij; en haar wateren gingen oostwaarts naar.de Jordaan toe. Daar, waar die beek was, daar was Elia. Benedon inliet smalle dal, dat ais oen rotsspleet was, en waar do hoornen groeiden waar zij maar konden, en waar het heldere water in een enge bedding door vloeide, daar woonde hij, zooals de kluizenaars woonden. Hij hoorde er des nachts de wilde dieren, en boven in de takken der hoornen zag hij de raven zitten. Hier was hij veilig, en hier zocht hem niemand; want in deze onherbergzame streek kon niemand wonen. De koning, noch iemand van zijn volk zou gedacht hebben, dat God hier Zijn profeet had verborgen.

Van het water van do klare beek dronk Elia, dat was zijn drank. En zijn voedsel, dat zond hem God door wonderbare boden. Want des morgens kwamen de raven gevlogen; en brood hadden zij in den bek, en vleesch; en dat legden zij neder op do rots dichtbij; en dan vlogen zij weer heen, ver heen, zooals de raven doen, als zij hun voedsel gaan zoeken. Zoo deden die vogels ook des avonds, oer zij gingen slapen op de takken in de hooge hoornen. Hierover verwonderde Elia zich, maar hij dacht met dankbaarheid aari God, die zoo goed voor Zijn profeet zorgde in deze woestenij, terwijl zooveel andere menschen gebrek leden in don vreeselijken hongersnood.

Zoo gingen vele, vele dagen voorbij. Maar Elia zag, van dag tot dag, hoe het water van de beek door do droogte al lager en lager werd; en hoe op zekeren dag de beek geheel verdroogd was. „Hoe zal God nu voor mij zorgen?quot; vroeg hij; maar hij was niet erg bekommerd; want hij vertrouwde op zijn Heer. Toon sprak God tot hom: „Vrees niet, mijn dienstknecht! Ga van hier, en ga naar Zarfath; daar is een weduwvrouw, woon bij haar in; en Ik zal voor u beiden zorgen, dat gij geen gebrek hebt!quot; En hij stond op, en zag nog

370

ocr page 379

371

eens naar de rotsen en naar de buoinen; hij zag nog eens naar de raven, en hij keerde zich noordwaarts, en trok heen.

Zoo kwam iiij naar Zartath.

Zarfath was een stad in Phoeniciö en lag iian de zee, de Middeilandsche Zoe, en was toon ter tijd een plaats, waai- veel schepen aanlegden om den handel. De bewoners van die stad verstonden de kunst om glas te maken, waar zij sierlijke voorwerpen van vervaardigden; om die kunst waren zij beroemd; „smeltovensquot; beteekent ook die naam Zartath.

Hier wist Elia, dat hij veilig zou wezen; want hij was hier in een vreemd land, ver van Achab's stad.

Toen hij de poort van de stad naderde, zag hij onder tie boomen een vrouw, een arme vrouw, die de dorre takken op den grond bijeenraapte, enden bos op haar rug nam eu huiswaarts wilde keeren. „Dat is de weduwvrouw, bij wie gij zult wonen,quot; sprak God in zijn hart; en de Heere onderwees hem, hoe hij spreken moest.

ocr page 380

372 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

„Vrouw!quot; zuo riep hij tut haar, .,haal mij tuch wat water, dat ik drinke!quot; Gewillig legde de arme vruuw haar bundel hunt op den grond, en gewillig ging zij heen om voor dezen vreemdeling water te halen. „Maar breng mij ook een stuk brood mede, want ik heb honger,quot; zoo riep hij haar achterna. Toen keerde die vrouw zich om, en hem aanziende, zeide zij: „Zoowaar als uw God leeft, dat kan ik u niet geven; want ik heb niets meer dan een handvol meels en een weinig olie thuis; en ik ga mijn laatste brood bakken; daarvuur zucht ik hier dit hunt; en als mijn zoon en ik het gegeten hebben, dan hebben wij niets meer; dan moeten wij sterven; de hunger is zwaar in dit land; weet gij dat niet, vreemdeling?quot; Verbaasd hoorde Elia, dat deze vrouw, hoewel een heidensche van geslacht, zijn God kende en eerde. „Gij dient Baill niet, zooals de inenschen van uw volk, merk ik,quot; zoo sprak hij blijde; „welnu, mijn God, de God Israels, zal voor u en voor mij zorgen; ga heen, bereid uw laatste brood, breng mij te eten; en liet meel in uw vat zal niet minder worden, en de ulie in do tlesch evenmin; geloof het, en doe, zooals de Heere door mij zegt!quot;

Die vrouw geloofde. Zij ging heen met haar bundel hout op den rug; zij kneedde het meel met de olie, gelijk men in ouden tijd brood pleegde te bakken; en toen de profeet, en zij, en haar zoon het gegeten hadden, — wonder! toen waren het meel in haar vat en de olie in de flesch niet verminderd!

Bij haar kwam de Godsman inwonen, in haar nederige huis; maar zij hadden geen gebrek, al de dagen van den hongersnood; vele menschen kwamen om van den honger, en rijken zelfs liepen te bedelen om brood; maar zij hadden geen zurg; hun God zorgde voor hen. Zoo woonde Elia te Zarfath, in der heidenen land, aan do zee.

•0-33X^-0

ocr page 381

E LI A OP KARMEL

was nu reeds in het derde Jaar, dat de droogte aanhield, en de menschen wisten niet, wat er van hen worden moest. Maar God

^gevoelde medelijden met het arme, zondige volk; en daarom dacht God; „Ik zal een einde maken aan deze straf, en weder regen geven.quot; De Heere sprak tot Elia hierover, en onderwees hem, wat hij verder te doen had. Dat was zeer groot en wonderlijk, wat de profeet in Gods naam toen ging doen.

Elia vertrok uit Zarfath, en kwam weer in het land Israël, niet bedekt, maar openlijk; iedereen mocht hem zien en het aan Achah hoodschappen, zoo men wilde; hij ging zelf naar Achah.

Toen hij dicht bij Samaria gekomen was, ontmoette hij een van het hnf van Achah. Deze man heette Ohadja, en was de voornaamste der menschen aan het hof. Ohadja zat op een wagen, en was op last des konings uitgegaan om in het land hooi of gras te zoeken voor de paarden des konings: want zelfs Achah kon nauwelijks voeder voor zijn dieren verkrijgen. Elia kende hem zeer wel; want Ohadja was een vroom man, die geen afgoden diende; ook had hij gedurende den hongersnood honderd vijftig andere vrome mannen in spelonken verborgen en gered voor des konings toorn, die alle vrome dienstknechten van God overal had laten ombrengen, waar hij hen maar had kunnen vinden; en in die spelonken had Ohadja die mannen in het geheim weten te verzorgen met voedsel en drank.

Toen Ohadja Elia zag, verschrikte hij hevig. „Hoe kunt gij hier openlijk op den weg u vertuonen,'quot; riep hij uit; „weet gij dan niet, hoe de koning u overal heeft laten zoeken om u te dooden?quot; „Ik weet dat zeer wel,quot; antwoordde de profeet, „maar ik moet naar den koning: God heeft mij gezonden; ga het hem aanzeggen.quot; En hoewel Ohadja niet gewillig was om het te doen en bevreesd was voor het leven van Elia, — hij gehoorzaamde en ging.

Weldra kwam op deze tijding Achab zelf. Nauwelijks had de koning den profeet gezien, of in zijn toorn riep hij uit; „Zie ik u eindelijk, gij ellendelim

Ö?

ocr page 382

874 Bil BEliSCHE OrESCHTEDENIS VOOR KINDEREN.

die dezo gruote ranip over ons land gebracht hebt?quot; En hij wilde nog meer zeggen. Maar Elia viel hem in de rede, en riep: ,,Doze ramp bob ik niet over ons volk gebracht, maar dat hebt gij zelf gedaan, met uw verderfelijke afgoderij! Waarom hebt gij de Baflls gediend, en waarom hebt gij de wegen van God verlaten? Zijt gij een koning, en moet gij aldus aan uw volk een voorbeeld geven?quot; En vele woorden meer waren het, die de onverschrokken profeet den koning in het aangezicht sprak; alsof de vreeselijke God zelf voor don koning stond, zoo sprak hij; en Achab was verschrikt geworden, als iemand, die denkt, dat hij nog meer oordeelen zal komen te hooren. „Maar nu, hoor mij nu, o koning!quot; zoo sprak Elia ten laatste milder, „ik ben gekomen met een goede boodschap. Bekeer u, en God zal weer regen geven! Want Hij wil barmhartig zijn! Breng al uw bedrieglijke priesters samen op Kannel, oj) don borg; en breng al hot volk daar te zamen; daar zal ik toonen, wie de ware,eenigo God is, en er zal regen komen!quot; En zoo blijde was de verschrikte koning over dezen uil slag van Klia's woorden, dat hij er gansch niet om dacht, om hom gevangen te nomen, maar alles beloofde, wat hij vroeg.

Weldra ging dan ook do boodschap van den koning door het gansche land, dat al de priesters van Bail) on al het volk te zamen moesten komen op Karmol, op don borg. Allon waren nieuwsgierig naar wat daar gebeuren zou, en zoo talrijk was or zelden een volksvergadering geweest. Aanzienlijken en geringen, zij waren er allen. „Elia zal daar toonen, dat zijn God de ware is, en dat Baal geen god is!quot; dit gerucht ging door al hot volk.

Op een plaats, waar alle menschen hem zien konden, ging Elia staan; en zijn stem verhoffondo, zoodat allen hem hooren kondon, sprak hij do menigte in een lange redevoering aan, waarbij hij zijn koning on zijn volk aanklaagde van de onzinnigste afgoderij, en van de schandolijkste ondankbaarheid jegens God. Zoo onverschrokken en stoutmoedig hadden die menschen nog nooit iemand hooren spreken; zij werden allen stil, en luisterden; en menigeen sloeg het hart. Zij vreesden voor den man in het haren kleed. „O mijn volk!quot; riep hij aan het einde van zijn rede, „hoelang hinkt gij- op twee gedachten? Is de Hoere God, volg Hem na; maar is Baal de ware God, volg hom na! Weet gij niet, en kunt gij niet weten, wie de ware God is? Ik zal het u toonen. Ziet, daar

ocr page 383

ELI A OP KA KM KL.

staan zij, uw priesters, de priesters van Baill, die u bedrogen hebben, mijn volk! Ik daag hen hier uit, hen allen te zamen; zij zijn vierhonderd en vijftig; en ik sta hier alleen als profeet van den Heere! Laat ons toonen, zij of ik, wiens God de ware is! Laat hen een var nemen, en ik zal ook een var nemen. Laat hen dien var op een altaar leggen, en ik zal ook mijn var op mijn altaar leggen. Laat hen aan hun god Baal bidden om vuur van den hemel te laten vallen op hun offer; en ik zal ook mijn God bidden om vuur van don hemel te laten vallen op mijn offer. En die God, die het doen kan, die Zijn vuur nederzendt, die is de ware God. Is de raad, dien ik spreek, goed, o mijn volk?quot;

Toen was het eerst zacht, als het spreken van den een tegen den ander, en daarna luider en luider, als het geroep van allen, dat al de menigte antwoordde: „Het woord, dat gij spreekt, is goed, o Thisbiet! Zoo zullen wij weten, welke God de ware en de eenige is!quot;

Nu waren daar twee altaren: hot eene was van de Baaispriesters. Zij slachtten een var, en legden dien op het hout boven op dat altaar. Die bedrieglijke priesters hadden niet veel moed, noch zelfvertrouwen in hun zaak; want zij wisten zeiven wel, dat zij altijd maar bedriegers waren geweest. Maar het was nu eenmaal zoo: zij moesten doen, wat Elia gezegd had; de koningen het volk wilden dat zoo. En zij begonnen te bidden, in hun prevelende gebeden, zooals zij gewoon waren te bidden; ook zongen zij hun zangen, zooals zij gewoon waren; dat klonk schoon, en het gezicht dier vierhonderd en vijftig biddende mannen was indrukwekkend. Maar Baill antwoordde niet, noch op hun zangen, noch op hun gebeden. Dat duurde een uur, dat duurde langer; maar daar kwam geen vuur van den hemel. Zij begonnen hun heilige dansen, en gingen zich opwinden; maai1 ook dat hielp niet. Dat duurde van den morgen tot den middag. Het volk begon hun zaak te wantrouwen. „Gij bidt niet luid genoeg,quot; zoo riep Elia spottend, zoo dat allen hot hooren konden, „waarom schreeuwt gij niet sterker? Uw god hoort het niet; misschien zit hij in diepe gepeinzen; misschien is hij met iets bezig, dat hij niet op u let; misschien is hij op een verre reis, en is het daarom, dat hij u niet antwoordt; neen! misschien slaapt uw god, schreeuwt hem wakker, gij priesters! maakt uw slapenden god wakker!quot; En in hun wanhoop, in hun woede, in hun opwinding, gingen die

ocr page 384

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINBEREN.

priesters luider en luider roepen; zij schreeuwden naar den hemel; zij dansten een wilden dans; zij sprongen tegen het altaar op; zij sneden zich met messen; zij staken zich met priemen; als mannen, die van razernij bevangen waren, zoo deden zij; en het was een vreeselijk gezicht, die mannen, die uit vele wonden bloedden. Maar daar was geen antwoord van hun machteloozen god. De middag was reeds lang voorbij.

Toen ging Elia bij zijn altaar staan, en hij riep het ongeduldige volk toe: ,.Nadert hier tot mij!quot; De gansche menigte kwam naar hem toe. Het altaar, waar hij bij stond, was een oud altaar, dat vroeger aan God was toegewijd geweest, maar dat verbroken en vervallen was. Hij herstelde eerst dat oude altaar, terwijl allen het zagen; twaalf steenen, voor eiken stam van Gods volk één steen, zette hij daar op elkander; en daarna groef hij den grond daaromheen uit, zoodat een Ureede groeve rondom het altaar liep. Daarna legde hij het hout op het altaar: iedereen kon zien, dat hij geen vuur heimelijk daaronder legde; en den var legde hij boven op het hout. ,,Giet water boven dat alles uit!quot; riep hij. En de mannen kwamen behulpzaam, en begoten het offer en het hout en het altaar met water. „Giet nog meer water daarover uit!quot; riep hij. En de menschen deden het nog eens. „Nog meer!quot; riep hij ten derden male; en toen droop alles van het water; ook de. groeve was volgeloopen van water. Iedereen wist toen zeker, dat er geen vuur was bijgelegd.

Toen strekte Elia zijn handen naar den hemel, en luide bad hij zijn gebed: „Heere, God van Abraham, l/.ailk en Israel! laat het heden bekend worden, dat Gij God zijt in Israël, en dat ik Uw knecht ben! Antwoord mij, Heere! antwoord mij, opdat dit volk wete, dat zij gezondigd hebben met van U at te wijken!quot; En eer dat hij langer behoefde te bidden, viel hemelvuur uit de lucht, zoo sterk en zoo geweldig, dat het offer, het hout en het gansche altaar in een vlam stonden, waar de menschen voor terugdeinsden; in een oogenblik was alles tot asch verteerd; niets dan de steenen stonden daar nog; zelfs het water in de groeve was verdwenen.

Een schrik, een ontzetting kwam over het gansche volk; zij vielen op hun aangezicht; en een stem van vele duizenden riep, zoo dat de lucht er van vervuld werd: „De Heere is God, de Heere is God!quot;

370

ocr page 385
ocr page 386
ocr page 387

ELI A OP HOREB.

In lieiligtüi toorn Avendde El ia zich toen tot de Baalspriesters, en op hen wijzende, riep hij hot volk toe; „Grijpt die profeten van Bail], en laat niemand ontkomen!quot;

In dien namiddag werden al die bedrieglijke priesters beneden aan den berg, bij de beek Kison, gedood; daar ontkwam er niet een.

En toen het volk zich tegen den avond verspreidde, en huiswaarts ging, toen zeide iedereen: „Daar is geen man in Israël, zooals Elia; en wij zijn zondaars geweest, dat wij God verlaten hebben!quot; Ook ging het volk blijde huiswaarts; want Elia had gezegd, dat de straf Gods voorbij zou zijn, en dat eindelijk de regen komen zou. Toch duurde dat gevoel van berouw niet lang; de koning en dat volk gingen spoedig den ouden weg weer op.

Ook Elia stond op, en ging heen. Hij ging den berg af, en eer hij beneden was, was de hemel zwart van winden en wolken. Straks viel de regen, en dat beteekende het einde, het einde van den hongersnood.

In Israël was er geen man, die niet vroolijk zag op zijn veld; en daar waren er ook bij, die weer aan God dachten, en dankten.

ELIA OP HOREB.

'I^A'hab, de koning, was van Karmol wedergekeerd naar Jizreël, waar hij een paleis had, en waar zijn vrouw Izébel vertoefde. Daar

verhaalde hij alles aan Izébel, wat door den profeet gedaan was. „Heeft '

hij mijn priesters laten dooden?quot; riep de koningin uit; „mijn goden mogen mij laten sterven, als ik hen niet wreek; morgen, eer dat de dag om is, zal Elia dood zijn, zooals mijn priesters dood zijn!quot; En zij zeide het in haar wraakzucht als een, die doen zou, wat zij zeide.

Toen aan Elia, die ook te Jizreël gekomen was, dit geboodschapt werd, meende hij daar niet te moeten blijven; want hij kende do goddeloosheid dier

ocr page 388

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

vrouw, dat zij nog slechter was dan haar man; en hij vluchtte in haast de stad uit. Hij wist, evenals de vorige maal, dat hij in het gansche land des konings niet veilig zou zijn, en zuidwaarts trok hij naar het koninkrijk van Juda. Ook daar achtte hij zich niet veilig, vreezende door den koning van Juda uitgeleverd te zullen worden; en nog zuidelijker ging hij, tot hij bij Berseba kwam. Daar begon de woestijn, welke hij wist dat tot Arabiö zich uitstrekte; en die woestijn wilde hij door, nog verder, naar Arabiö of naar Egypte.

Toen hij do woestijn een dagreis ingetrokken was, en vermoeid was, en nergens een plaats zag waar hij zijn intrek kon nemen, of uitrusten kon, wierp hij zich neder onder een struik, zooals daar in die wildernis meerdere tusschen de rotsen groeiden, een hooge, geelbloeiende bremstruik.

Vermoeid was hij, en hongerig was hij; maar hij had noch hoofdpeluw noch voedsel; en hij wist niet, wat er van hem worden zou. Hij was zeer neerslachtig. Hij wist wel, dat zijn God hem voedsel kon geven evenals bij de beek Krith; maar wat hielp het hem, dat hij bleef leven? De koning, noch het volk luisterde naar zijn waarschuwingen; de afgoderij bleef bestaan; ook zijn schitterende daden hielpen niets. En tot loon voor zijn werken was hij een vluchteling, een, boven wiens hoofd een zwaard hing, en die als een balling naar een ver land moest, om daar te leven en te zwerven onder vreemden; zou de dood nu niet beter zijn? „O Heere! ik heb lang genoeg geleefd! Evenals vroegere profeten, ben ik onnut; het volk hoort niet naar ons! Mag ik sterven, mijn God?quot; zoo sprak hij. In zijn neerslachtigheid sliep hij in.

Plotseling schrikte hij wakker; een engel stond naast hem, en had hem aangestooten. „Sta op, en eet,quot; zeide deze tot hem; maar hij zag den engel niet meer, die was verdwenen. Aan zijn hoofdeinde zag hij een brood, dat in heete asch van een nog smeulend vuur was gebakken, en een llesch water. Dat had die engel gedaan en gebracht. „Ik wist wel, dat mijn God voor mij zorgen zou,quot; dacht Elia, en hij zag op naar de sterren, die in den nacht boven zijn hoofd schenen; hij at en dronk, en ging wederom slapen.

Maar voor de tweede maal schrikte hij wakker; daar had wederom een engel hem aangestooten, en tegen hem gesproken: „Sta op, en eet! want de weg zou anders te lang voor u vallen.quot; En ook nu zag hij den engel niet meer.

380

ocr page 389

ELTA OP HOREB. 381

toen hij wakker was; ducli de spijze en den drank zag hij; en hij at en dronk.

Het was morgenstond, en de zon ging op over de bergen. Hij was geheel verfrischt, en als een nieuw krachtig mensch ging hij de woestijn in, en verder. Hij was blijde over de zorg Gods; maar in het diepste van zijn ziel was toch de neerslachtigheid niet geweken.

Zoo kwam hij na veertig dagen bij den berg Horeb. Deze berg was het noordelijk deel van dat gebergte, waarvan Sinaï het zuidelijk deel was, en lag in Midian.

Hoever was hij voor zijn koning Achab gevloden! Hij zocht er een hol, in de rotsen van het eenzaam gebergte; en daar ging hij wonen, zooals een kluizenaar woont, ver van de menschen. De gedachte wTas hem niet vreemd: „Hier zal ik leven, en sterven!quot; en hij voelde zich zeer ongelukkig. Maar God had andere voornemens met hem.

Op een zekeren dag, terwijl Elia in zijn neerslachtigheid neerzat in zijn donkere spelonk, alleen en verlaten en vergeten voor zijn gevoel, hoorde hij plotseling een stem: „Wat doet gij hier, zoover van uw volk, Elia?quot; Hij zag op, doch zag niets; zijn spelonk was donker, als te voren. Toch wist hij van wien die stem was; en hij antwoordde, terwijl hij eerbiedig opstond, en neerviel op den grond: „O Heere! ik heb zoo voor II gearbeid en geijverd onder mijn volk, maar het is vruchteloos geweest! Zij hebben toch Uw verbond verlaten; zij hebben Uw altaren afgebroken; zij hebben Uw trouwe profeten gedood; en ik ben de eenige, die overgebleven ben; doch ook mij zoeken zij tedooden!quot; — „Ga naar buiten,quot; antwoordde de stem, „en sta daar op de rots; daar zal Ik met u spreken.quot; En de profeet ging buiten staan, op de rots, waar hij kon uitzien naar beneden in de diepe vallei, en recht voor zich uit, waar de steenwoestijn zich uitbreidde, zoover zijn oog zien kon. „Wat zal do Heere tot mij spreken?quot; dacht hij; en hij wachtte.

Niet lang wachtte hij, of daar kwam van de woestijn een stormwind aan, en voer langs hem voorbij; die het zand hoog opvoerde in de lucht; die van de rotsen stukken afscheurde; en die de steenen van hun plaats verzette,

ocr page 390

882 BT.TBELSCME GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

als werden zij voortgeworpen. „Dat is God, die aankomt,quot; dacht Elia. Maar geen stem kwam uit den stormwind. En hij bleef eerbiedig wachten.

Toen voelde hij plotseling, hoe do grond onder hem beefde; de gansche rots beefde. Hij zag de rotsen voor zich uit zich bewegen, zicli verheffen en weer dalen; de heuvelen wankelden, en helden over, en stelden zich weer recht; — een aardbeving, waarbij alle steenrotsen kraakten en de gansche berg dreunde. Hij sidderde. „Dat is God, die aankomt, en Zijn voeten op de bergen zet!quot; dacht hij. Maar daar kwam geen stem; do aardbeving ging voorbij; nog was de Heere niet verschenen; hij bleef eerbiedig wachten.

Toen zag bij plotseling een bliksem schieten uit donkere wolken, die eensklaps zich vormden boven den afgrond un boven den berg. Een donder weergalmde van rotswand tot rotswand. En op den bliksem volgde een andere bliksem, en een andere donderslag. Duizend bliksems schoten en troffen de rotsen, knetterend, stukken er van afbrekend, en in de diepte slingerend; de donder rolde van afgrond tot afgrond. Hij kon het niet aanzien, hij kon het niet aanhooren, Elia. Ontzet was hij in zijn spelonk gevlucht. „Ik kan tegen dien vreeselijken God niet spreken,quot; stamelde hij; on hij bergde zich daar, waar zijn spelonk het diepste was; luisterend, luisterend, totdat de donderslagen stil hielden, en het weer stil was daarbuiten. In al die teekenen was geen God hem nog verschenen.

Maar eindelijk hoorde hij builen een zachten wind, zooals een wind waait, wanneer het on weder voorbijgetrokken is; neen zachter, hij hoorde het suizen als van een stillen wind, zooals dos avonds, als de avondwind zich te slapen logt, onder kruid, en blad, en bloem. „Dat is de Heere!quot; dacht Elia, als een, die het begreep, dat zijn God wel vreeselijk is, maar toch liever zacht is en lankmoedig tegen de zondaars. „Ik heb God miskend,quot; sprak hij, als een, die ontwaakt uit zijn onkunde; en hij sprong op, en omwond zijn aangezicht met zijn mantel, en trad buiten, eerbiedig, als een, die voor zijn God verschijnt. En daar was de Heere!

„Wat doet. gij hier, Elia?quot; zoo klonk Zijn stem, als de stem vaneen, die ver wij tingen zachtkens uitspreekt. „O Heere!quot; zoo was het antwoord van den profeet; en zijn antwoord was niet meer murmureerend, maar als van een

ocr page 391

ELTSA'S ROEPING.

weenend kind, dat zijn nood klaagt aan een moeder, die huurt; .,0 Heere! mijn leven is onnut geweest; mijn volk heeft niet naar mijn woorden gehoord; ik heb te vergeefs gearbeid; Uw profeten zijn allen gedood; en ik ben de eenige nog slechts, die U dient!quot; — „Vrees niet, mijn dienstknecht,quot; sprak God; „zie, Achab, uw vervolger, zal sterven; g;i, en zeg, dat een ander zijn koninkrijk zal nemen. Ga, en zeg aan Elisa, den zoon van Safat, dat hij uw taak overneme, als profeet, wanneer gij er niet meer zijn zult; mijn profeten zullen eenmaal overwinnen. Ga, en keer weder tot uw arbeid; gij staat geenszins alleen, mijn dienstknecht! Want weet, dat er nog zeven duizend in Israöl overgebleven zijn, die de knieën voor Baal niet gebogen hebben, en die nog nimmer zijn beeld hebben gekust. Zijt sterk, Elia!quot;

Met (lie stem verdween uuk de zachte wind. Elia zag nit en hoorde; maar tie avund was gekomen over do eenzame woestijn; geen geluid stoorde de stilte van den dalenden nacht. „O! dat ik mijn God miskend heb!quot; zuchtte hij; „ik meende, dat grootere straften en vreeselijke woorden mijn volk moesten bekeeren; maar ik heb het geleerd: niet door kracht of geweld, maar door de zachtheid van des Heeren geest moet het komen. Ik zal niet meer mismoedig zijn; en ik zal niet meer begeeren te sterven. Leven wil ik en Gods taak doen onder de menschen!quot;

Straks ging hij, niet zijn spelonk in om te slapen, maar tien berg af; en straks schreed zijn lange forsche gestalte, met den haren mantel omkleed, de eenzame woestijn door, bij het sterrenlicht, dat buven hem scheen, den weg oi) naar zijn land, den weg, dien hij kende. Dat was de weg van zijn plicht.

—. ---- ----

EL IS A'S ROEPING.

ia vreesde niet meer, om zijn land binnen te gaan. Hij vreesde den kuning niet meer, noch de koningin. Hij had een moed gekregen, die hem nooit meer begaf. Zoo kwam hij in Israöl terug.

Hij ging naar Abelmehola; dat was de plaats waar Elisa moest

383

ocr page 392

BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEKEN.

wonen, van wien God hem gezegd had, dat hij hem tot zijn medehelper en opvolger moest roepen. Abehnehola lag in den stam Issaschar, niet ver van de Jordaan.

Dicht bij de plaats gekomen, zag Elia in de verte de woning van Elisa's vader, Safat. Al het land daaromheen, weelderig land, was het eigendom van Satat; want hij was een rijk man, zooals er niet velen waren in de rijke Jordaanvallei. Elia zag, hoe op die velden de knechten van Safat bezig waren te ploegen, met sterke ossen voor de ploegen; twaalf knechten zag hij op éénen akker bezig. En die daar ook achter een ploeg liep, dat was de zoon des rijken landheers zelf, dat was Elisa.

Van den landweg af, over de akkers, naar hem toe, liep Elia. Die twee mannen kenden elkander; en Elisa hield de ossen in, en wachtte bij zijn dieren, om den grooten profeet te begroeten, die daar aankwam. Maar daar was geen groet van den oudere tegen den jongere; wonderlijk was zijn doen.

Bij Elisa gekomen, nam hij zijn mantel, die om zijn schouders hing; en zonder spreken hing hij hem Elisa om de schouders, den profetenmantel; en de jonge landman stond plotseling daar, in de kleeding der profeten van God, als een der profeten.

De ziel des jongen mans ontroerde. „Wil God hebben, dat ik Zijn profeet word, en dat ik al mijn goed verlaat?quot; dacht hij. En niet minder snel kon de roeping zijn geweest, dan het besluit was, dat hij nam. „Mijn vader!quot; riep hij Elia na, die verder was gegaan, „ik volg u, ik heb u verstaan!quot; En de oude profeet stond stil, en keerde zich om. „Ik volg uw roeping,quot; sprak Elia, „maallaat mij mijn vader en mijn moeder vaarwel zeggen; ik zal met u gaan.quot;

En eer dat die dag voorbijgegaan was, had de jonge man afscheid genomen van de menschen in zijn huis, en van zijn knechten. Al wat hij had, hij deed er afstand van; aan zijn knechten gaf hij geschenken en een maaltijd. De ossen, waarmede hij geploegd had, slachtte hij voor dien maaltijd; en met het hout van zijn ploeg had hij het vuur gestookt, waar die runderen op toebereid werden. .„Nooit zal hij landbouwer meer zijn,quot; zeiden die knechten, „hij had anders zijn ploeg niet verbrand.quot;

En toen hij, dien avond, verder trok, achter Elia, zooals een dienaar zijn

384

ocr page 393

385

heer volgt, toen had hij voorgoed van een rijk loven afscheid genomen, om als een arm man zich geheel en beslist te gaan wijden aan den dienst, waar God hem toe geroepen had.

Als een knecht diende hij Elia. Hij ging naast hem of achter liom, op allen weg, dien Elia ging. Hij diende hem aan tafel, en goot water op zijn handen, zooals de knechten deden, wanneer do hoeren zonden eten. Hij bereidde het leger voor zijn meester, waar hij slapen gingquot;. En door al de steden en dorpen, waar de meester predikende doorging, volgde hij hem, als een ootmoedig man, die weet, dat geen ware grootheid vorkregen wordt, dan waar het ware dienen vooraf is gegaan.

ocr page 394

DE WIJNGAARD VAN NABOTH.

^'V7 Hij kwam aan liet einde van den tuin, en zag verder uit over de

C schoone vallei tegen tie schoone bergen dicht hij, waar de wijngaarden

tegen aangelegd waren. Die daar het dichtste bij lag, was de wijnberg van Naboth, zijn buurman; zacht glooiende tot aan zijn tuin toe liep die bezitting van Naboth; en do koning kon tusschen de boumen onder aan den berg het huis zien van zijn buurman. „Als ik dien wijngaard bij mijn tuin kon trekken,quot; dacht de koning, „dan zou ik mijn tuin zeer kunnen verfraaien; ik zou dan uit vreemde landen de sierlijkste planten laten komen, die daar in de zon tegen den berg aan wel zouden willen groeien.quot; En met dat plan in zijn gedachten, ontbood hij zijn buurman Naboth.

„Verkoop mij uw wijngaard,quot; zeide hij, „ik zal u hem tegen veel geld betalen, of u een anderen, een beteren wijngaard daarvoor in de plaats geven.quot; — „Ik zal hem zeker niet verkoopen,quot; antwoordde Naboth; „mijn vader heeft op dat erf gewoond, en zijn vader, en mijn gansche geslacht heeft altijd op dat erf gewoond; vraag een anderen dienst van mij, o koning! en ik zal het doen!quot;

Gramstorig liet de koning hem weggaan; hij was niet gewoon, dat iemand hem iets weigerde. En zoozeer was hij hierdoor ontstemd en gemelijk geworden, dat hij met niemand van zijn hof zelfs een woord sprak; ja, hij gaf zoo toe aan zijn stemming, dat hij niet eens eten wilde, zich naar bed begaf, en zijn aangezicht naar den muur keerde; hij wilde niemand zien. Zoo deed de machtige koning, die zijn zin niet kon krijgen; en de hovelingen vreesden hem iets te vragen.

Tzébel, zijn vrouw, kwam bij hem. „Wat is er?quot; vroeg zij; „wat hindert u zoo, dat gij zelfs niet eten wilt?quot; En toen verhaalde hij haar liet heele geval, zooals een verwend kind pruilend verhaalt, dat het zijn zin niet krijgen kan. Met verachting zag die trotsche vrouw op hem neer. „Zijt gij een koning?quot; sprak zij; „en zijt gij een man? Waarvoor hebt gij de macht in handen in dit land, dat gij niet eens doen kunt, wat gij wilt? Sta op, en zet uw verdriet

'Je Jizreël, waar Achab een paleis had, wandelde hij op zekeren dag ^ dour den lusthof, die zijn paleis omringde.

ocr page 395

DE WIJNGAARD VAN NABOTH. 387

uit uw hoofd; ik zal maken, dat gij den wijngaard hebt!quot; En de slechte vrouw, die voor geen booze aanslagen terugdeinsde, ging het vertrek uit. ,,lk weet zeer goed, hoe ik dien Naboth nog heden zijn wijngaard ontnemen zal,quot; sprak zij bij zichzelve. En zonder verwijl schreef zij een brief aan eenige priesters en aanzienlijken, die in de stad Jizreël woonden, en die zij kende, in welken brief zij hun schreef, hoe zij te handelen hadden; een snooden brief'.

Deze mannen, die gaarne in eere waren bij de booze koningin, draalden niet te handelen, zooals zij geschreven had. Dienzelfden middag werd door de priesters te Jizreël het volk van de stad samengeroepen in den Baillstempel. Met veel misbaar deelde de hoogepriester mede, dat de godheid zeer vertoornd was, en allerlei teekenen van misnoegen gegeven had. De oorzaak van dien toom der godheid wisten zij, de priesters, nog niet; maar zooveel scheen zeker, dat iemand in de stad een groote zonde begaan had tegen Baal, waar niemand van wist. Daarom dat zij, do priesters, besloten hadden een algemeen vasten te verordenen; zij hoopten, dat al de burgers hun best zouden doen om den schuldige op te sporen en de godheid te verzoenen. Zoo sprak de hoogepriester. Onder de saamgekomen menigte was ook Naboth, die opzettelijk daar geroepen was, wellicht, omdat hij niet de gewoonte had in den Baillstempel te komen. Nauwelijks had de hoogepriester uitgesproken, of twee mannen uit het volk, die in het geheim waren ingewijd, riepen plotseling: „Wij weten wde de schuldige is; Naboth is het! Wij hebben het zeiven gehoord, hoe hij Baal en den koning heeft gelasterd!quot; In geveinsde verontwaardiging riepen de priesters en de vrienden der koningin: „Is Naboth het? Dan moet hij sterven!quot; En niet vele oogenblikken later was de onschuldige naar buiten gesleurd en gesteenigd, In dienzelfden oogenblik ging er een bode naar de koningin, die haar aanzeide: „Zooals gij het bevolen hebt, is alles geschied!quot;

Nog dienzelfden middag kon Izébel aan Achab op zijn bed zeggen: „Naboth is dood, en de wijngaard is voor u.quot; Verblijd en verbaasd over de doortastendheid en de list zijner vrouw, sprong hij op; en als oen verhard man, die geen gewetenswroegingen meer kent over zijn misdaden, ging hij aanstonds vroolijk zijn hof door, naar den wijngaard van Naboth, die daarnaast lag. „Zóó zal ik de paden leggen, en zóó zal ik de perken laten maken,quot; dacht hij, die om den moord niet eens meer dacht.

ocr page 396

388 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Ook den volgenden morgen liep Achab daar in den wijngaard, bezig met zijn plannen. Maar als van schrik kromp hij plotseling ineen, toen hij daar eensklaps op het pad de huoge, vreeselijko gestalte zag van Ella, den man in het haren kleed. „De Heere heeft mij gezonden,quot; sprak Elia; en zijn stem was als die een oordeel komt aanzeggen; „hebt gij Naboth vennoord, om zijn wijngaard? Vervloekt zijt gij van (lod, gij moordenaar! Om al de zonden, die gij gedaan hebt, zal deze straf over u komen; sterven zult gij, en de honden zullen uw bloed lekken! Sterven zal ook Izébel, en van de honden zal zij verscheurd worden! En uw ganse he geslacht, het zal uitgeroeid worden, gij guddelooze!quot; En zooals hij gekomen was, zonder verder woord, ging de profeet heen.

De koning ging niet verder den hof door, maar huiswaarts; en dagen lang was hij verslagen over het oordeel, dat over hem uitgesproken was; maar weldra was hij weer de verharde koning, die hij altijd geweest was; en zijn vrouw was, zoo mogelijk, nog meer verhard. Een buoze vrouw, zooals zij, was er niet in gansch Israël.

Maar het oordeel kwam.

---

HET OORDEEL OVER ACHAB EN IZÉBEL.

Jaar kwam oorlog tusschen het rijk van Israel en de Syriörs.

Voordat Achab in den veldslag zich persoonlijk in dén strijd ng mengen, had hij zich van kleederen veranderd. Zijn schoon minklijk gewaad legde hij af, en hij trok gewone kieederen aan, zooals een gewoon krijgsman die draagt; en het harnas, dat hij daarover droeg, was ditmaal ook een gewoonquot; harnas. Want hij had gehoord, dat de Syriërs van hun veldheeren bevel hadden gekregen, om vooral den koning te vangen. „In deze kleeding kunnen zij mij niet kennen,*' zeide Achab, „zoo zullen zij mij tevergeefs in het strijdgewoel zoeken.quot;

Op zijn strijdwagen staande, terwijl zijn wagenmenner de paarden stuurde, waar de vijand in gelederen bijeenstond, deed Achab zijn lang zwaard op menig

ocr page 397

HET OORDEEL OVER ACHAB EN 1 ZÉ BEL. 389

hoofd neerkomen ten doocle. Mij was vroolijk in den strijd, hij de gedachte, dat geen dor vijanden in hem don koning herkendo.

Toch was Gods dag voor hem gekomen. Eou pijl, /ooals er duizenden pijlen door de Syriörs op goed geluk tegen do Israëlieten werden afgeschoten, trof Achab tusschen de gespen van zijn pantser, en drong hem diep in de zijde. „Ik ben gewond!quot; riep Achab tegen zijn wagenmenner; „keer om, en breng mij terug buiten den strijd!quot; En de wagenmenner keerde de paarden. Maar door het hevig strijdgewoel kon de menner zijn wagen niet spoedig door het gedrang heenbrengen; zij werden zeer lang opgehouden; en toen de wagen eindelijk in de legerplaats terugkwam, was de hul]) der geneesmeesters te laai: de koning lag dood in zijn wagen, en de bodem van den wagen dreef van zijn bloed.

De veldslag was verloren; het leger keerde luiiswaarts: het lijk werd naar Samaria overgebracht en begraven.

De strijdwagen werd door de dienstkuechten bij den vijver gebracht, om schoongewasschen te worden. Terwijl hij daar stond, kwamen honden, die in den wagen sprongen, en het bloed lekten, dat op den bodem lag. Toen de knechten bij tien wagen terugkwamen, verjoegen zij de honden: en met afgrijzen verhaalden zij later, wat de honden gedaan hadden; met afgrijzen, want in die dagen werd zoo iets als een onteering en een vloek in Israël aangemerkt; het was de grootste schande, die men aan iemands nagedachtenis kon aandoen, door zijn lijk of zijn bloed aan de honden te geven.

Velen, die het woord van Elia wisten, zeiden ook: „Dat heeft God gedaan, en des profeten woord is uitgekomen!quot;

Maar ook het andere woord van Elia zou vervuld worden. Aliazia, de zoon en opvolger van Achab, stierf aan een krankheid. Jomm, een andere zoon van Achab, werd koning in zijn plaats. Maar een zijner veldheeren, die door God tot koning geroepen was. Jelui, stelde zich aan het hoofd van zijn leger, en werd door het gansche leger als koning uitgeroepen. Deze Jelui was het, die Gods oordeelen over het huis van Achab zou volvoeren.

Aan het hoofd van zijn ruiterij, reed Jelui naar Jizreël, waar het

ocr page 398

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

koninklijk paleis Wcas, en waar de koning Joram en zijn moeder Izébel zich bevonden. Van uit de vensters van het paleis zagen moeder en zoon hem in de verte met zijn bende aanrijden. Daar kon niemand zoo snel rijden als Jehu met zijn ruiters; aan het snel rijden wisten moeder en zoon, dat hij het was; en zij vreesden niets goeds. „Ik zal hem te gemoet rijden,quot; zeide Joram; en hij spande zijn wagen aan. Bij hem gekomen, riep hij hem toe: „Komt gij met vrede, Jehu?quot; — „Wat, vrede!quot; riep Jehu, terwijl hij zijn zwaard trok, „hoe kan het land vrede hebben, zoolang uw booze moeder en gij het land beroeren met uw zonden?quot; Joram begreep op eens alles, keerde zijn wagen om en vluchtte; maar een pijl van Jehu trof hem, door den rug heen in het hart. Het lijk van Joram namen zij op van den grond, en zij wierpen het op den akker, die naast den weg lag; dat was de akker van Naboth. En toen zij het deden, dachten Jelui en zijn mannen aan de profetie van Elia.

Toen Jehu en zijn ruiters voor de groote poort van het koninklijk paleis hun paarden inhielden, zagen zij voor het venster, dat boven de poort was, Izébel staan; zij had haar prachtigste kleederen aangetrokken, en zich de oogleden geblanket, en zich liet . haar zeer sierlijk opgemaakt, en haar kroon opgezet. „Die oproermaker zal weten, dat ik koningin ben,quot; dacht zij; en trotsch stond zij, als iemand, die weet, dat zij indruk kan maken met haar koninklijke houding. „Zijtgij koningsmoorder geworden, oproermaker?quot; zoo sprak zij uit de hoogte hem toe; en nog meerdere woorden wilde zij hem zeggen. Maar Jehu riep naar de hovelingen, die achter haar stonden: „Zijt gij vóór mij, of tegen mij?quot; En eenige van die hovelingen gaven achter den rug der koningin heimelijk teekenen, dat zij de partij van Jehu kozen. „Werpt haar dan uit het venster naar beneden!quot; riep Jehu. En van haar eigen hovelingen aangegrepen, en buiten geworpen, viel do oude koningin dood met het hoofd op de steenen van het plein, zoodat het bloed tegen den muur spatte. Over haar lijk heen reden Jehu en zijn ruiters toen de poort door, het binnenplein op, waar zij afstegen, en het paleis binnendrongen. De koningin lag vertrapt door de hoeven van de paarden.

Jehu en zijn mannen gingen aanzitten in de zaal, en aten en dronken als nieuwe beheerschers in het paleis.

Na den maaltijd dacht Jehu aan het lijk, dat nog op straat lag. ;,Gaat

35)0

ocr page 399

391

heen, en geeft haar een begrafenis!quot; zeide hij tot eenige dienaars; „want zij is toch een koningsdochter geweest!quot; En dat was ook zoo; zij was een Phoenicische prinses geweest. Verschrikt kwamen echter de dienaars terug. „Zij is door de honden verscheurd en verslonden!quot; riepen zij; „niets dan haar bekkeneel ligt daar meer!quot; — „Dat is Gods straf over haar!quot; riep Jelui; „dat is, wat Elia heeft gesproken in den wijngaard van Naboth!quot;

In liet land droeg niemand rouw over de koningin; liet was alsof de rust en de vrede weerkeerden, toen zij er niet meer was.

Kort daarop werd het gelieele geslacht van Achab door Jelui uitgeroeid. Ook al de Baaispriesters uit het geheele land werden door hem gedood; en hun tempel te Samaria, tot den grond toe liet hij hem afbreken. En Jehu was koning, en zijn geslacht na hem.

ocr page 400

ELIA'S HEMELVAART

■ r wr\ et was nog onder de regeering van den koning Joram, dat ook Elia iS\|( het aardsche tooneol verliet. Hoe anders is het einde der vromen dan ^-fde dood der goddeloozen!

Elia wist, dat het einde van zijn aardsche leven gekomen was; God had het hem vooruit gezegd, ook hoe en waar hij uit dit leven scheiden zou. Hot was daarom, dat hij te Oilgal afscheid nam van den kring vrienden en aanhangers, die hij daar had. Evenzoo deed hij te Bethel en te Jericho. Vijftig mannen begeleidden hem, toen hij van Jericho zich oostwaarts naar de Jordaan begaf, en zij waren gaarne verder met hem gegaan; maar Elia liet zijn vrienden daar achter, en ging alleen naar tien oever der rivier toe, van niemand meer vergezeld dan van Elisa, zijn trouwsten dienaar en vriend. Toch bleven die vijftig mannen nog lang op die plek staan en zagen hen na; en wat zij zagen, was wonderlijk. Bij de Jordaan gekomen, nam Elia zijn mantel; met dien mantel sloeg hij het water, en ziet, een droog pad kwam er midden door de rivier, zoodat de beide profeten er droogvoets door gingen. Verbaasd hadden de vijftig mannen het aanschouwd, en zij besloten daar te wachten, tot de beide mannen of Elisa alleen zou terugkeeren.

Aan den anderen oever gingen de beide profeten een eind verder. Boven hun hoofd scheen de zon; maar in de verte trok een onweder samen. De bladeren van boom en kruid hingen stil, zooals zij stil hangen, voordat het onweder losbreekt. Niet vele woorden spraken zij, als menschen, die alles van elkander weten.

Toch verbrak Elia liet zwijgen onder hun stillen gang. „Begeer iets van mij,quot; zoo zeide hij, „ik zou nog gaarne iets voor u doen; hebt gij geen wensch, dien ik nog vervullen kan?quot; — „Mijn vader!quot; zoo antwoordde Elisa, „ik heb reeds lang een wensch: in uw plaats zal ik profeet worden, heeft God gezegd: ol mocht dan ook uw geest, of een weinig van uw geest in mij zijn; ik zou een profeet willen zijn zooals gij!quot; En Elia dacht er aan, hoe deze trouwe dienaar eens te Abelmehola al zijn rijke bezittingen verlaten had op zijn roeping; hij had hem gaarne dezen wensch vervuld. „Maar hoe kan ik u mijn geest

vtl

ocr page 401
ocr page 402
ocr page 403

ELTA'S HEMELVAART.

geven?quot; vroeg hij; „hoe kan ik u groot maken, waar God alleen u groot kan maken?quot; En zij liepen zwijgende voort. „Zie,quot; zoo zeide Elia eindelijk, „ik kan den geest Gods u niet geven; maar gij zult zelf weten, of God u dien geest geven zal; als ik straks weggenomen word, wat geen menschelijke oogen zien kunnen, en als uw oogen het toch zien zullen, — weet dan, dat ook gij genade hebben zult om groote dingen te doen voor God en Zijn volk; laat dat het teeken zijn, of uw wensch door God is verhoord!quot;

Nog niet lang had Elia dit woord gezegd, of het onweder, dat van de verte reeds boven hun hoofd gekomen was, brak los, en bliksemen hulden de twee mannen in als tusschen een vuur. Plotseling was het, als ging al het hemelvuur tegelijk tusschen de twee mannen door; Elia was van de zijde van Elisa weggenomen. En voor zich uit, in de lucht zag hij, Elisa, een gezicht; vurige paarden en een vurigen wagen, en opdien wagen, Elia! Een gezicht, dat geen gewoon menschelijke oogen hadden kunnen zien. „Mijn vader, mijn vader!quot; liep hij uit, „ik zie het, ik zie het! ik zie een wagen en paarden!quot; En hij wist bij dit gezicht, als bij' een teeken, dat een geest, even groot als in Elia, ook in hem zou zijn voortaan.

Verblijd over dit teeken was hij, maar meer bedroefd over het heengaan van zijn meester; en zooals een, die in rouw gaat, scheurde hij zijn kleederen, terwijl hij weende. Hij lette niet op het onweder, dat voort woedde; hij merkte niet op den bliksem, die tegen de rotsen schoot; hij nam den profetenmantel van Elia, dien hij op den grond zag liggen; en hij keerde weder naar de Jordaan, als een die in een andere wereld leeft.

Zoo stond hij met zijn voeten voor het water van de rivier; hij kwam tot zichzelven. „Heb ik den geest van Elia,quot; riep hij, „dat de wateren dan een droog pad voor mij geven!quot; En met Ella's mantel sloeg hij het water, zooals zijn meester daarstraks gedaan had; en op de droge bedding liep hij over aan de andere zijde.

De vrienden van Elia, die daar gestaan hadden, liepen Elisa te gemoet; zij hadden het aanschouwd; zij begroetten hem eerbiedig!ijk. en bogen zich voor hem. „Gods geest rust nu op hem!quot; zeiden zij.

De oogen van allen in het land, die God dienden, waren voortaan op hem. De tijd van zijn dienen was voorbij; nu kwam de tijd van zijn groot zijn.

395

ocr page 404

BTJBELSCHE C4ESCHTEDENTS VOCE KINDER EX.

ELIS A.

Hisa was eon man, tot \vion vclo nionsr.hcn van alle zijden met Inin klachten kwamen, als zij in nood waren, zooals men lot een profeet komt met zijn klacht. Koningen raadpleegden hem, om geholpen te worden; en ook de armen vroegen hem om te komen in hun huls, als zij zijn hulp behoefden. Hij was zachtmoedig jegens de ellendigen, rechtvaardig togen de bonzen. En het gansche land trok hij door, naar der profeten wijze, om te prediken van stad tot stad, en om het volk te sturen in de rechte wegen des Heeren.

Eens kwam tot hem een vrouw, weenende, en haar klacht doende. „Gij hebt mijn man gekend,quot; sprak zij, „maar sedert gij den vorigen keer in onze stad waart, is hij gestorven. En nu ben ik in grooten nood gekomen. Mijn twee kinderen en ik zijn arm achtergebleven; en het is mijns mans schuld niet

390

ocr page 405

ELISA. 397

geweest, dat hij in armoede ons achterliet; want gij weet, dat hij den Heere vreesde, en braaf was voor allo menschen; maar de vele tegenslagen hebben ons arm gemaakt. Ook zijn wij aldus in schulden gekomen. Nu heeft onze schuldheer geen lankmoedigheid méér, en lieden is hij gekomen om mijn beide zonen weg to nomen, en als knechten bij zich te houden. Als ik hem heden niet voldoen kan, moeten mijn zunon naar hem; kunt gij mij niet helpen, heer?quot; Dat was naar do wetten dos lands, dat die schuldheer zoo deed; dat wist Elisa; die man had hot recht op zijn hand. Maar in zijn medelijden, deed de Geest Gods hem spreken, want hij sprak: „Wal zal ik voor u doen? Ik ben arm, zooals gij; al hot mijne heb ik reeds lang weggegeven. Maar zeg mij, wat bezit gij nog? En wat hebt gij nog in uw huis?quot; — .,Ach!quot; antwoordde zij, ,,ik heb ■niets meer, zelfs geen brood on geen meel meer; niets heb ik in huis, dan alleen nog een kruik met olie.quot; — „Welnu,quot; sprak de Godsman, „ga heen naar uw huis; vraag aan uW buren hun ledige kruiken en vaten, zoovele als gij er kunt krijgen; maak er niet weinige te hebben. Sluit dan uw deur; laat niemand in huis zijn dan gij alleen met uw zonen. En giet dan uit uw kruik in al die ledige vaten, en zet weg wat vol is. De Heere zal u helpen!quot; En verbaasd ging die vrouw naar haar woning.

Zooals Elisa gezegd had, deed zij. Uit haar kruik met olie goot zij in de ledige vaten, die zij van haar buren had geleend; en haar zonen zagen verwonderd, dat de stroom van olie niet ophield, maar altijd doorvloeide. Het oene vat na het andere zetten die jongens vol op zijde. „Geeft, mij nog een vat aan,quot; sprak zij tot hen. Maar: „Er is geen vat meer,quot; zoo moesten zij éindelijk zeggen. Toen hield haar kruik op met vloeien. En verbaasde, dankbare harten zagen in die arme woning op tot God, die door deze rijke gave de kinderen voor do weduwe behouden had. Van do olie betaalden zij den schuld-heer; en van het overige hadden zij genoeg om lang, lang van to leven.

Tot in landen ver over de grenzen word do naam van Elisa bekend als van iemand, die kranken genas, zooveel hij maar mocht.

In Syriö, dat tegen het noordoosten van Israël lag, — een land, dat-dikwijls Oorlogen met Israël gehad had, — was er in die dagen ook een man

ocr page 406

398

krank, die onder het volk, bij het leger, en bij zijn koning in zeer hoog aanzien stond. Naaman heette die man, en hij was krijgsoverste. Als krijgsoverste had hij menigen veldslag geleverd, en de koning had in zijn leger weinig dappere en bekwame veldheeren, zooals Naftman er een was. Maar hij was krank geworden, melaatsch; en hij en zijn koning en allen, die hem liefhadden, wisten, dat deze vreeselijke krankheid hem vroeger of later een ellendigen dood moest doen sterven. Raad was er niet voor; priesters en geneesmeesters hadden voor die kwaal geen middel.

Nu was er in het huis van Naaman onder de dienstmaagden een slavin, die in een krijgstocht tegen Israel vroeger geroofd was, en die tegen haar meesteres, Nailmans vrouw, op zekeren dag zeide: „Ik weet wel, hoe mijn meester zou kunnen gezond worden; in mijn land Israël woont een profeet te Samaria, die al zooveel kranken genezen heeft; wilde mijn meester daarheen reizen, die profeet is goed, en zou hem wel zijn melaatschheid afnemen.quot; Spoedig was deze raad aan den kranken krijgsoverste medegedeeld; weldra had hij van zijn

_____;__

k

...........

ocr page 407
ocr page 408

■ ... ii . . . . . :

ocr page 409

EL ISA.

koning verluf om do reis te maken, en oer or vele dagen verstreken waren, was Naaman met eon groot en aanzienlijk gevolg to Samaria aangekomen.

De koning van Syriö had hem een brief medegegeven aan den koning van Israël, waarin hij alles geschreven had van Naaman's krankheid, en waarin hij hem mededeelde, dat hij hom gezonden had, opdat hij in Israël van zijn inelaatschheid genezen mocht worden. Toon de koning van Israël dezen brief gelezen had, was hij zoor ontstemd. „Kan ik dooden levend maken?quot; riep hij uit; „ben ik dan een God? Wat denkt de koning van Syrië? Ik weet, wat hier achter steekt; hij zoekt een reden, om een nieuwen oorlog met mij to beginnen! Dat is het!quot; En in zijn ontstemming was hij bevreesd bovendien; want hij had liever geen oorlog tegen de Syriërs.

Toen het gerucht hiervan door de stad ging, hoorde ook Elisa in zijn huis van des kowings bezorgdheid. Hij zond een bode tot zijn koning, en het hem zeggen: „Wees niet bezorgd! Zend dien kranke tot mij, en hij zal weten, dat er een proleet in Israël is!quot; En weldra stond Naaman met zijn groot gevolg voor do deur van den profeet. Hij wilde met Elisa spreken.

Zonder evenwel den aanzienlijken man in zijn huis te ontvangen, of zich zelfs te vertoonen, liet Elisa door zijn knecht aan Naaman buiten do deur deze woorden aanzeggen: ,,Ga heen, wasch u zevenmaal in de Jordaan, en gij zult van uw inelaatschheid verlost zijn!quot; Dat was niet, wat Naaman gedacht had. Hoe? Hij werd niet eens persoonlijk door den profeet ontvangen? Hij moest buiten de deur blijven staan? Een knecht sprak maar tot hem? Het hart van den grooten man voelde zich vernederd. De toorn rees in hem op. „Is dat een profeet?quot; riep bij; „ik dacht, dat hij met plechtig gebaar voor mij zou staan, en dat hij den naam van zijn God zou aanroepen, en dat hij met zijn hand over mijn kranke leden zou strijken, en dat hij mij aldus zou genezen.quot; Hij werd bitter, als iemand, dio reeds veel middelen beproefd heeft om beter te worden, en wien geen middel gebaat heeft. „En moet ik mij in die Jordaan wasschen? Had ik niet evengoed mij kunnen baden in de Abana en in de Earpar, de rivieren van mijn land? Zijn die niet beter, en moest ik daarvoor deze reis maken?quot; Met grimmigheid beval hij zijn wagenmenner om om te koeren;

en straks wendde zich tie gansche stoet, den weg op naar Damaskus, naar huis.

26

401

ocr page 410

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Daar was verslagenheid bij de knechten van NaRman, want zij hielden van hun heer, die altijd goed voor hen was geweest. „Ach!quot; spraken zij op hun terugweg tot hem, „zie, daar ligt de Jordaan voor ons, en wij moeten er over trekken: zoudt gij het niet willen beproeven? Doe, wat de profeet u heeft gezegd; als hij u wat groots geëischt. had, gij zoudt het gedaan hebben; nu hij u zulk een geringe zaak gevraagd heeft, wilt gij het niet doen.quot; En met vriendelijken drang wisten die knechten hem te overreden. Toen deed hij het. Zeven malen baadde hij zich in de Jordaan, en genezen van zijn vreeselijke krankheid was hij, zooals hij niet had durven denken.

In zijn blijdschap en dankbaarheid keerde hij terug naar Samaria. „Ik wil naar mijn land niet terug, voordat ik den profeet mijn dank betuigd heb,quot; sprak hij; „zijn God heeft mij het leven gered; en daar is geen andere God dan Hij!quot; En met dat gevoel bood hij Elisa vroolijk geschenken, rijke geschenken, rijker dan een koning zou gegeven hebben. Maar Elisa wilde goud noch zilver hebben, noch prachtige kleederen; hoezeer Nailinan ook aanhield. En zoo scheidden die twee mannen, de een, blijde, dat hij van den dood gered was; de ander, blijde, dat hij weer in Gods kracht weldadigheid had mogen doen. Naaman ging naar Syrië terug als een, die den waren God had leeren kennen, en die van zijn oude afgoden afstand had gedaan.

Terwijl de twee mannen zoo met elkander gesproken hadden, had Gehazi daarbij gestaan; Gehazi, de dienaar van Elisa. Zijn oogen hadden geglinsterd van begeerte, toen hij het goud, het zilver, en de schoone gewaden gezien had, die Naaman aan zijn meester had aangeboden. „Dwaas, van mijn meester! om het te weigeren!quot; sprak hij in zichzelven; „maar ik weet wel, wat ik doen zal!quot; En in stilte zadelde hij zijn ezel, en reed hij den weg op, Naaman acht:rna. „Mijn heer,quot; zoo sprak hij tot hem, toen hij hem ingehaald had, „ik kom tot u met een boodschap van mijn meester. Daar straks heeft mijn meester twee gasten gekregen, arme lieden van het land; het zijn vrome mannen, maar zij zijn nooddruftig. Nu smeekt mijn meester u om toch nog een talent zilvers te mogen hebben, en een stel kleederen voor ieder van hen. Gij hadt hem toch zooveel meer willen geven, dat hij geweigerd heeft.quot; —„Blijde ben ik,quot; zoo antwoordde de overste, „dat ik nog iets in mijn dank geven mag.quot; En hij

402

ocr page 411

ELTSA.

gaf den dienaar hot dubbele van wat hij vroeg aan zilver. Zoo keerde do bedrieglijke knechtquot;weder, met gedachten, hoe hij nu een welvarend man was geworden op één dag, en hoe hij het geld besteden zou om een hofstede te koopen, met een wijngaard daarbij, en hoe hij paarden en runderen en knechten zou houden; en hoe hij zijn dienst nu zou opzeggen bij zijn meester. In een huis onderweg, waar hij de menschen van kende, gaf hij zijn schatten in bewaring.

„Waar zijt gij geweest, Gehazi?quot; vroeg dienzelfden namiddag hem de profeet. „Nergens,quot; loog die knecht met een aangezicht, dat strak stond, als het gelaat van een, die reeds vele malen gelogen heeft. „Nergens?quot; vroeg Eli sa; „ben ik in den geest niet met u medegegaan, Naaman achterna, en heb ik niet gezien en gehoord, al wat gij gedaan hebt? En weet ik niet, welke overleggingen gij gehad hebt over den akker en den wijngaard, die gij koopen wildet met oneerlijk verkregen zilver?quot; Verpletterd stond Gehazi voor zijn meester; verschrikt over den profeet, die zelfs zijn geheimste gedachten wist. Geen woord wist hij te zeggen. „Ga heen! uit mijn dienst!quot; sprak Elisa; „en de melaatschheid, die van Naaman geweken l-, zal u aankleven!quot; Die knecht verbleekte; maar die bleekheid was niet van iemand, die ontsteld is; het was do witheid, die over een tnensch komt, die melaatsch wordt. Hij ging heen met een krankheid ten doode aan zijn lichaam.

Toen de koning Jehu gestorven was (816 v. Chr.), volgde zijn zoon Joahaz hom in Israël op. Deze was zeer ongelukkig in zijn oorlogen tegen de Syriörs; God hielp hem niet, dan éénmaal; en toen daalde de macht des rijks zeer.

Na Joahaz werd Joas koning, zijn zoon. Elisa was toen reeds een oud man geworden; en hij was krank; hij wist, dat hij niet lang meer leven zou. Ook deze Joas had weder oorlog met de Syriörs. Daar kon nooit vrede zijn tusschen die twee rijken; en de Israëlieten waren weder verreweg de zwakste.

In zijn radeloosheid wendde de koning Joas zich tot den profeet. „Misschien kan hij mij hulp en raad geven,quot; dacht hij; en hij ging, waar de oude profeet woonde. Hij vond Elisa op zijn bed; want de kranke man kon niet opstaan om den koning te ontvangen. Joas zette zich bij hem neder, en verhaalde de oorzaak van zijn komst; hoe zijn kuninkrijk in verval was-, hoe de Syriörs

108

ocr page 412

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

steeds machtiger werden; hoe hij weder in een oorlog niet hen gewikkeld was; hoe het leger verzwakt was; hoe reeds onder zijn vader het leger zelfs ingekrompen was tot vijftig ruiters, tien strijdwagens en tien duizend voetknechten! Wat moest hij beginnen? „Mijn vader, mijn vader!quot; riep hij ten slotte, „waar zijn de wagenen Israels en de ruiteren gebleven?quot; Zeer mismoedig was de koning.

Uit medelijden met den toestand des rijks, sprak Elisa toen, op zinnebeeldige wijze, zooals de profeten dikwijls gewoon waren op zinnebeeldige wijze te spreken of te handelen. „Neem een boog en pijlen!quot; zeide hij tot Joas. En de koning deen alzoo. „Doe het venster, open, dat aan de oostzijde is, en schiet!quot; zeide Elisa. En Joas schoot een pijl af uit het venster naar het oosten toe. „Laat alzoo uw pijlen schieten naar iiet oosten, waar Syrië ligt,quot; sprak de profeet; „en Clod zal met u zijn; gij zult hen verslaan!quot; En in die zinnebeeldige wijze voortvarende, zeide Elisa: „Neem uw pijlen, en sla er mede op den grond!quot; Zoo deed do koning; tot drie malen sloeg hij met de pijlen op den grond. Met opkomenden toorn riep Elisa: „Gij wist, wat dit beduidde; waarom hebt gij maar drie malen den grond geslagen ? Hadt toch vijf of zes malen den grond met uw pijlen geslagen! Gij zoudt vijf of zes malen de Syriörs in uw veldslagen overwonnen hebben!quot; En in dien toorn liet Elisa Joas gaan.

Die koning overwon de Syriörs ook herhaaldelijk; maar hij bracht hen niet ten onder. Zijn rijk kwam weer tot eenigen bloei; maar zwakker werd het toch; doorgaand zwakker; het was niet meer het Israël van voorheen. En daar kwamen reeds profeten, die zeiden, dat God het rijk ten ondergang veroordeeld had.

Aan do krankheid, waar Elisa toon aan lag, stierf hij. En daar waren vele vromen in Israël, die er aan dachten, hoe hij altijd als een machtig profeet hun kranken genezen had, en hen geholpen had in allen nood. Ook zeiden zij, dat als hij er niet geweest was met zijn machtige prediking, de dienst van God wellicht zou uitgestorven zijn in hun land; en dat daar alle menschen afgodendienaars zouden geworden zijn. Deze vromen droegen grooten rouw om zijn heengaan.

404

ocr page 413
ocr page 414
ocr page 415

ONDERGANG VAN HET RIJK DER TIEN STAMMEN.

722 v. Clir.

^et einde van het rijk van Israël was ook niet verre meer.

Onder den zoon van Joas, Jeroboam genaamd, kwam het rijk we' weer töt eenige macht, maar het was slechts om weder lager te 5quot;» zinken. Een profeet, Amos genaamd, die onder Jeroboam leefde, voorspelde hem en zijn volk den ondergang. Hij was een ossenherder uit Thekoa, dat in Jiula lag. En hoewol hij nooit geleerd had. God onderwees hem om zoo krachtig te spreken, dat de menschen in het land er verwonderd over stonden. Toch hoorden zij niet naar hem; en zij verzochten hem om hen met rust te laten, en liever maar in zijn eigen land te gaan profeteeren. Het hart der menschen in Israël was zoo verhard, dat zij geen profeet zelfs meer wilden hooren.

Slechte koningen volgden elkander op: Zacharia, Sallum, Menahem, Pekahia, Pekah en Hosea. Deze was de laatste koning over Israöl.

Terwijl hij regeerde, kwam de Assyrische koning Salmanezer met een groote heirmacht; en Hosea kon slechts koning blijven, op voorwaarde dat hij aan de Assyriörs een Jaarlijksche schatting opbrac ht, wat hij ook deed. Maar toen Hosea die schatting niet meer wilde opbrengen, en bij zichzelven dacht: „Ik zal een verbond maken met de Egyptenaars; die zullen mij helpen!quot; toen kwam Salmanezer met een nog groöter leger in het land terug. Hosea werd gevangen genomen, Samaria belegerd en ingenomen, en het grootste deel der Israëlieten weggevoerd naar het land van Salmanezer. „Als ik de Israëlieten in hun land laat wonen,quot; dacht Salmanezer, „dan kunnen zij weldra wellicht weeleen opstand beginnen; maar neem ik hen mede, en verstrooi ik hen over mijn land, dan is hun kracht voorgoed gebroken.quot; Zoo dachten en deden de overwinnende koningen meer in den ouden tijd.

En aldus kwam het, dat de tien stammen voor een groot deel werden weggevoerd en verstrooid in een vreemd land. Dit was een straf Gods over hen, zooals nog nooit een strat over hen gekomen was. Dat was als een

ocr page 416

BDBFiLSCHE GESCHIEDEN!S VOOR KINDEREN.

volkomen vernietiging. Zij vei'dwenen als volk. En nooit heeft later iemand meer gehoord, wat er verder van hen geworden is. Zoo roeit de Heere zelfs de gedachtenis van een zondig volk nit.

Tweehonderd vier en vijftig jaren had het rijk van Israöl of van de tien stammen bestaan; en negentien koningen hadden er in dien tijd over geregeerd.

Het deel volks, dat door Salmanezer niet medegevoerd, en achtergelaten was, was zoo klein, dat het scheen alsof het land uitgestorven was. Daarom dat de koning menschen uit zijn rijk er heenzond om het te bewonen. Dat waren heidenen. En die heidenen vereenigdon en vermengden zich met de achtergebleven Israëlieten. Dat word een nieuw volk; en Samaritanen werden zij later genoemd. De Israelieten uit het rijk der twee stammen wilden hen niet als zuivere Israëlieten en als broeders erkennen. Hoewol de Samaritanen den ouden God van Israël gingen dienen, hun godsdienst week toch in sommige dingen af van den godsdienst in het rijk der twee stammen; en deze zeiden van de Samaritanen, dat zij toch heidenen waren; en zij verachtten hen nog meer, dan /ij ooit de heidenen veracht hadden.

KONINGEN UIT HET RIJK VAN

quot; Vquot; rijk van Jucla onder goede en onder slechte koningen dan eens gezegend eu dan eens minder gezegend geweest. Zooals koning en volk verdienden, zoo deed God met hen: maar zijn barmhartigheid was toch altijd grooter.

Onder Rehabeam, Asa, Josafat, was het rijk sterk en groot. Maar onder Jorain, Athalia, Amazia verviel het rijk, en werd het schatplichtig aan vreemde vorsten.

Onder Jotham, die van 750—785 v. Chr. regeerde, herstelde het aanzien van de twee stammen zich weder; want de Heere zegende dezen vromen

408

ocr page 417

KONINGEN UTT HET RIJK VAN .lUDA. 409

koning. Het was weer een weelde en overvloed, zooals liet in de dagen van Salomo geweest was. Maar was de koning vroom, zijn volk zelf was het niet: dat ging van weelde zijn God vergeten, en zich aan vele zonden overgeven. Do Heere wilde Zijn volk niet verderven, maar liever behouden, en daarom zond Hij een profeet, die een der grootste is geweest, welke van God gezonden zijn. Jesaja heette die profeet-

Met een ontzaglijke hoeteprediking trad hij op, in de hoofdslad en in de andere steden. „Een os kent zijn meester, en een ezel kent de krib zijns heeren,quot; riep hij uit; „maar Israël kent zijn Heere niet, hoewel hH alle weldadigheid van Hem heeft ontvangen! Wee, wee liet zondige volk!quot; Met een taal, zoo krachtig en zoo schoon als de wereld zelden, vernomen had, verweet hij het volk zijn dienst van de afgoden, die zij zeiven gemaakt hadden uit stukken hout niet eigen hand; en verweet hij hun al hun andere, vele, vreeselijke zonden. Waarvoor kwamen zij nog naar den tempel om nfl'eranden te brengen, als zij daarna naar hun afgoden gingen om daar te offeren? God zou zoo hun offers niet willen aannemen, noch hun gebeden willen hooren! Als zij zich zouden willen hekeeren, dan zou de Heere hen weder willen vergeven, en Zijn oordeelen inhouden!

Doch ook de schoonste en krachtigste taal vermocht niet de lieden in Tnda te veranderen. Zijn stem was als de stem van iemand, die in de woestijn predikt: niemand hoorde. De verhardheid van het volk werd slechts te erger, in al de steden, en in al de dorpen, waar Jesaja doortrok.

Toen was het, dat God aan Jesaja niet meer een hoeteprediking opdroeg, maar een bepaalde prediking van oordeelen, die komen zouden. God gat hem in de toekomst te zien : en al wat hij zag, dat in de toekomst gebeuren zou, dat maakte hij aan zijn volk bekend. Dat waren vreeselijke oordeelen, die hij aankondigde. „Van verre landen zal God machtige volken roepen,quot; zoo profeteerde hij, „en zij zullen komen met scherpe spiesen en pijlen: zij zullen sterk zijn als verscheurende leeuwen, en niemand zal nlieden uit hun klauwen redden. Zij zullen u gevankelijk wegvoeren, naar een ver en vreemd land; daar zult gij in ballingschap leven, en uw land hier zal eenzaam en verlaten zijn; de doornen de braamstruik zullen hier groeien op alle akkers. Kn Jeruzalem en uw tempel.

ocr page 418

zij zullen verwoest liggen.quot; Al deze oordeelen kondigde hij het volk aan; want God liet hein dat alles in de toekomst zien, zooals een ander dingen ziet. die om hem heen gebeuren.

Ja, in nog veel verdere toekomsten liet God hem zien. Hij profeteerde, dat God Zijn verbannen volk weer zou terugbrengen in hun land, en dat zij dan weei- hun stad en hun tempel zouden mogen herbouwen; want God zou Zijn volk blijven liefhebben; al zou ook een moeder haar zuigeling kunnen vergeten, God zou hen niet: vergeten. En opdat de zonde hen niet weer slecht zou maken, en zij aldus weer aan nieuwe oordeelen zouden moeten onderworpen worden, daarom zou God hun den Verlosser zenden, den van ouds Beloofde, en die zou hun. harten anders maken, zoo dat zij vanzelf God zouden liefhebben. Van dien Verlosser sprak Jesaja dikwijls; en de menschen, die begonnen waren om die heerlijke belofte te vergeten, begonnen zich die belofte weer te herinneren, en naar de vervulling er van te verlangen. „Als die tijd komt, quot;riep Jesaja, „dan zal de zonde vergeven zijn, en weggedaan worden; dan zal de mensch zijn God

ocr page 419
ocr page 420
ocr page 421

KONINGEN UIT HET RUK VAN JUDA.

dankbaar liefhebben; dan zal het recht gedaan worden; want die Verlosser zal eun koning zijn, die machtig en rechtvaardig zal regeeren; en niemand zal meer kwaad doen. Dan zal de wolf met hot lam verkeeren, en do luipaard bij don geitenhok nederliggen; on het kalf en de jonge leeuw on het *nind zullen te zamen weiden; en een klein jonkske zal ze drijven. Niomand zal dan meer leed doen up do gansche aarde!quot;

Toch waren het niet velen, die blijde waren uver Jesaja's woorden. Het grootste deel des volks, dat weinig gegeven had om zijn boetoprediking, en om zijn aankondiging van naderende uurdoelen, gaf even weinig um zijn Mossias-prediking. En die onverschillige slechtheid des volks werd nog erger, toon de goede koning Jotham stierf, en zijn goddolooze zoon Achaz aan de regeering kwam. Daar zijn er geweest, die gezegd hebben, dat Achaz don groeten profeet Jesaja heeft laten duuden, duur hem levend in stukken te laten zagen. Maar dat weet niemand nauwkeurig.

Zouals Achaz waren er weinige koningen slecht geweest in het land. Overal in het land richtte hij weer altaren en afgudsboelden op, up de bergen en in do dalen onder de boonion. Zelfs menschonuffers werden er in die dagen gebracht, en de kuning gat zelf hot voorbeeld door ouk zijn eigen kinderen te ufteron aan do afguden. Vuor den tompol van God te Jeruzalem had hij weinig eerbied; want hot goud en het zilver nam hij daaruit weg om vreemde vursten um te kuupen; het altaar van Gud liet hij er uit weg halen, en uuk de' andere heilige vuurworpon liet hij in stukkon slaan. Daarna liet hij de deur buiten aan het gobuuw dichtmaken, updat niomand moer in den tempel zou opgaan om den Heere te dienon. Zijn volk verzette er zich niet tegen; kuning en vulk waren beidon aan elkander gelijk. Jesaja's prediking was tegen hen vergoefsch geweest. Zegen had de goddolooze kuning niet ; want de Syriers kwamen en plunderden zijn stad en zijn rijk. Te midden van zijn zondig loven stierf Achaz.

Hiskia, zijn zuon, werd koning na hem. (714 v. Chr.)-Deze was oen man naar Gods hart; hij deed, wat goed was. Nauwelijks aan de regeering gekomen, was zijn eerste daad den gesloten tempel te openen. Do priesters en de Levieten,

418

ocr page 422

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

die door zijn vader weggezonden waven, riep hij terug; en hij beval hun om den tempel binnen te gaan, en van alle afgodische dingen te reinigen. „Wij willen Ofod hier weer dienen,quot; zeide hij. Allerlei afgoderijen vonden die priesters en de Levieten daarbinnen; ook een heidensch altaar, dat Achaz daar nog had opgericht; zij brachten het alles naar buiten, en wierpen het inde beek Kedron. Ook een groote koperen slang vonden zij er, aan een hoogen staak bevestigd. Dat was de koperen slang, die Mozes eens in de woestijn had laten maken; en die sedert door de Israëlieten als een gedachtenis trouw bewaard was. In tijden van afgoderij waren de Israëlieten zelfs ook deze slang gaan aanbidden; en men had er meerdere gemaakt; „nehustanquot; werden zij genoemd; en dit slangenbeeld werd vooral aangebeden door menschen, die van een krankheid wilden genezen zijn. Hiskia was vertoornd, dat ook in den tempel zelfs dit slangenbeeld vereerd was geworden, en hij liet het eveneens verbrijzelen. Zestien dagen hadden de priesters en de Levieten noodig om den tempel te zuiveren; toen was de tempel weer eenigszins zooals hij te voren was. Daarna wijdde Hiskia den tempel opnieuw in met een groot feest, met offers, en met zangen; iedereen in Israël voelde, dat een nieuwe tijd begon. Ook beval de koning, dat het Paaschfeest weelmoest gevierd worden; dat was in jaren niet meer geschied. Boden gingen rond door het gansche rijk, om het den menschen aan te zeggen; en bij duizenden kwamen de menschen naar Jeruzalem om het te doen; de ouden van dagen konden het zich niet herinneren, wanneer het Paaschfeest het laatst gevierd was. In alle straten van Jeruzalem, en in het gansche land werden de vele afgodsbeelden vernietigd. Daar was vreugde over bij allen, die God liefhadden. God zegende Zijn volk om deze omkeering; de akkers en de wijngaarden brachten zooveel op, als zij nooit gedragen hadden.

Te midden van deze hervorming brak er plotseling een oorlog uit. Sanherib, de koning van Assyrië, was met een leger aangerukt tot dicht bij de muren van Jeruzalem. Boden, die hij vooruit gezonden had, hadden aan Hiskia een brief van hem overgereikt, waarin hij dit geschreven had; „Geloof niet, dat uw God u en uw stad uit mijn hand redden zal; ik heb alle goden van alle natiën, waar ik tegen gekrijgd heb, overwonnen!quot; De boden, die den brief overreikten, hadden een houding, alsof zij zeiven koningen waren, die meteen lageren man

414

ocr page 423
ocr page 424
ocr page 425

417

spraken. Nu vreesdequot; Hiskia terecht voor Sanherib, want diens leger was talrijk als het zand van de zee; en vele volken waren inderdaad door dezen machtigen man overwonnen en vernietigd. „Daar is geen andere hulp voor mij dan bij God,quot; dacht Hiskia; „ik ga in Zijn tempel Hem bidden.quot; Terwijl hij zijn paleis uitging, zag hij op de straat zijn lieden staan met bedrukte aangezichten. „Laat ons niet vreezen, en op God ons betrouwen zetten,quot; sprak hij tot die lieden. In den tempel gekomen, bad hij God, in een boetkleed, ootmoedig en lang; den brief van Sanherib had hij voor zich op den grond uitgespreid. „O God!quot; dus bad hij, „beschaam de booze woorden van dezen brief!quot; Daar waren meer vrome mannen in de stad, die aldus baden. Jesaja, de profeet, leefde toen nog; hij was reeds een oud man. In den naam van God liet hij den koning aanzeggen: „Uw gebed zal de Heere verhoeren; de koning van Assyrië zal in tie stad niet inkomen, noch een pijl daarin schieten; geen wal zal bij er tegen opwerpen. Langs den weg, dien hij gekomen is, zal hij weer aftrekken. De Heere zal Jeruzalem verlossen.quot; Vroolijk werd Hiskia over deze boodschap; maar dienzelfden avond zag

27

ocr page 426

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hij, hoe het ontelbare leger van Sanherib zich rondom Jeruzalem begon op te stellen; de vijand was gekomen. Met vrees, en met vertrouwen op God tegelijk, bracht de koning en zijn volk den nacht door. Hadden zij geweten, wat er dien nacht daar buiten voorviel, niemand zou meer vrees hebben gehad. Don volgenden morgen zagen zij het: honderd vijf en tachtig duizend man lagen dood op het veld en in hun tenten; die nog leefden, zagen zij opbreken en aftrekken; tegen den middag was er geen vijand meer te zien. Dat had de Heere gedaan, die Zijn engel des doods had gezonden, en die vijanden in één nacht vernield had. Op dien dag was de tempel vol van menschen, die kwamen en gingen, om den Heere te prijzen voor zoo wonderbare verlossing; en Hiskia was midden onder hen, vroolijk, dat hij in zijn geloof niet had gewankeld. Sanherib zelf werd niet vele dagen daarna, toen hij in zijn hoofdstad Ninivé was teruggekeerd, in een samenzwering gedood: hij was bezig in den tempel van zijn afgod Nisroch tot dien afgod te bidden, toen twee van zijn eigen zoons hem van achteren met het zwaard dood staken. Voor de Assyriers behoefde Hiskia nietmeer te vreezen.

Negen en twintig jaren was hij koning; toen stierf hij (680 v. C.).

--—--------—

ONDERGANG VAN HET RIJK DER TWEE

STAMMEN.

588 v. Chr.

Jy^f^^^nder de op Hiskia volgende koningen werd het een treurige toestand. En onder de laatste vier koningen kwam het einde des rijks. Eerst waren de Egyptenaars gekomen, en zij waren meester in het land. Joahaz werd door hen, in ketenen gebonden, naar Egypte gevoerd, waar hij bleef totdat hij stierf. Eljakim, zijn opvolger, moest den Egyptenaars een groote jaarlijksche schatting in geld opbrengen. En daarna vervielen de Israëlieten onder do heerschappij van een volk, dat voor goed een einde maakte aan het rijk der twee stammen. Dat volk was het volk, waarvan Jesaja en andere profeten na hem gesproken hadden, de Babyloniörs. Onder deze profeten was na Jesaja de grootste: Jeremia.

418

ocr page 427
ocr page 428
ocr page 429

ONDERGANG VAN HET RIJK DER TWEE STAMMEN. 421

Jeremia was een man, die van het begin van zijn optreden af aan liet volk van Juda reeds bekend gemaakt bad, dat de Babyloniërs zouden komen. Zonder vrees voor koning of volk sprak hij op de straten of in den tempel, dat die Babyloniërs hun stad zouden komen innemen, en verwoesten, en dat koning en volk zouden weggevoerd worden naar Babel, en dat zij daar zeventig jaren in ballingschap zouden moeten verkeeren. Op velerlei manier maakte hij dit bekend; ook door zinnebeeldige handelingen, naar der profeten wijze.

Eens had hij de oudsten der stad samengeroepen in het dal van Hinnom, dat dicht bij Jeruzalem lag, en waar zoo dikwijls de inenschenoffers gebraclit waren geworden op het altaar, dat daar stond. Voor de oogen der oudsten aldaar nam Jeremia een kruik, en wierp hij die in stukken tegen den grond. „Zoo zal de Heere ook deze stad in duizend stukken verbreken,quot; riep hij; en voor die oudsten hield hij daarna een redevoering, waarin hij hen bezwoer om toch nog tot God zich te bekeeren.

Bij een andere gelegenheid had hij door een schrijver, Baruch, al zijn vooispellingen te boek laten stellen, en het boek door Baruch in den tempel openlijk laten voorlezen. De koning, die er van hoorde, liet het boek bij zich brengen; bij het vuur zittende, las hij hot; maar verachtelijk sneed hij het boek in stukken, en het eene stuk na het andere wierp hij in het vuur. Noch koning, noch volk stoorde zich aan de vreeselijke voorspellingen van Jeremia.

Onder den opvolger van Eljakim, Jojakim namelijk, kwamen werkelijk de Babyloniërs, en Jojakim werd met zijn vrouwen, zijn moeder, zijn kinderen, en met velen van zijn volk naar Babel weggevoerd. Nebukadnezar (605 — 562 v. Chr.) was toen koning over de Babyloniërs, en hij was de machtigste koning, die er in dien tijd leefde; in alle oorlogen was hij steeds overwinnaar. Hij stelde Zedekia tot koning over Juda aan. Maar omdat Zedekia ontrouw was aan Nebukadnezar, kwam deze ten tweeden male naar Jeruzalem, en sloot hij de stad met een machtig leger in. De burgers van de stad waren zoo vertoornd geweest over Jeremia, omdat zijn voorspellingen uitkwamen, dat zij hom in de gevangenis gesloten hadden. In zijn angst liet Zedekia hem in het geheim uit den kerker halen, om hem te vragen, of God misschien nog iets goeds voor hem beschikt had. „Neen,quot; antwoordde Jeremia, „niets goeds heeft God meer voor u; gij zult in de hand van Nebukadnezar vallen!quot; en hij zeide het als

ocr page 430

een, ilie geen vrees kent. Zodokia liet hem weder naar den kerker brengen. Achttien m:iandon duurde de belegering van de stad, maar toen nam Nebnkadnezar baar in. Zedekia werd gevangen genomen; zijn twee zonen werden voor zijn oogen gedood; zijn oogen werden bem tom uitgestoken; en daarna werd bij, in ketenen gebonden, naar Babyion gebrarbt. Daar stierf hij, in de gevangenis. Veledoizenden van Joden werden ook ditmaal weder naar Babyion gevoerd, evenals de eerste maal onder Jojakim. Jeruzalem en de tempel, zij lagen vernield, in vlammen opgegaan.

Jeremia liep klagend door de straten van de verwoeste stad, als iemand, die nog meer leed dan zijn volk; en als iemand, die wel wilde, dat zijn \ooispellingen nooit hadden behoeven uit te komen. 1 fij troostte de arhteigeblevenen met de zekerheid, dat na zeventig jaren de weggevoerden zonden mogen terugkeeren; dat alsdan God een nieuw verbond met Zijn volk zou oprichten; en dat ook de tijd naderde, dat de Messias, de van God gezonden koning komen zou, die de aarde van zonde verlossen zou. Zoo was ook bij een der profeten, die bij bet volk bet verlangen wakker riep en levendig hield naar den beloofden-Verlosser.

ocr page 431

Dc weinige achtergeblevenen in het land van Jnda voelden er z:ch niet veilig', en vreesden nog, dat Nebukadnezar ten derden male zou. terugkomen om het land te plunderen. Zij weken uit naar Egypte, tegen de waarschuwing van Jeremia; en zij dwungen hem zelfs mede te gaan. Jn Egypte zetten zij zich neder. Daar bleef de trouwe profeet Gods woorden onder hen prediken; en naar een oud verhaal werd hij daar dour hen gesteenigd. Doch dit weet niemand zeker. Zijn graf wordt heden ten dage daar nog aangewezen, te Kaïro.

Juda was een verwoest land geworden, Jeruzalem een verlaten stad. Dit was het einde van het rijk der twee stammen. Drie honderd acht en tachtig jaien had het bestaan; en negentien koningen en één koningin hadden in dien tijd er over geregeerd, waarvan slechts vijl den lleere hadden gediend. Gods volk, dat eens Kana;in uit Zijn handen als erlenis gekregen had, was nu weer daaruit weggevoerd; en dat kleine overblijfsel, bij de rivieren van Babel klaagde het in zijn ballingschap; maai- als een, wiens klacht en wiens berouw te laat komen; het oordeel was gekomen naar der profeten woord.

i

ocr page 432

IN BABEL.

^V'an wat eens Clods groote volk was, woonde het overblijfsel nu in

Babylon, in de stad, en buiten de stad, waar het maar een plaats kon vinden om te wonen. De Babyloniërs verachtten hen; en om aan de verachting te ontkomen, zochten zij schuilplaats in de achterbuurten

der stad ot in de velden. Armoede was hun deel, en de mannen werden knechten bij hun trotsche overheerschers. Het was een bitter brood, dat zij aten met tranen. Als zij 's avonds samenkwamen aan den Euphraat, den groeten stroom, dan zagen zij over het breede water westwaarts, waar de zon onderging; en zij wisten, dat daar hun land lag. Zij gedachten aan Jeruzalem, en zij weenden. Zij gedachten aan hun weiden, hun akkers en hun wijngaarden, en zij weenden. De Baby Ion ifirs in de stad, die tegen den avond boven op de platte daken van hun paleizen zaten en zich verlustigden in de koelte van den komenden nacht, zagen in de verte bij den stroom de groepen Joodsdie mannen en vrouwen, en zij hoorden hun geklaag. Zelfs als de nacht gevallen was, zaten die mannen en vrouwen nog bij den stroom. En die vroom waren onder hen, versterkten de anderen met de profetie .van .1 erom ia, die gezegd had, dat deze ballingschap maar tijdelijk zuu zijn, en niet langer dan zeventig jaren zou duren. Maar dan weenden'de ouden van dagen nog meer, en zij zeiden: „Ach! dan zullen onze oogen ons Kanaan nimmer wederzien! En onze lichamen zullen hier begraven liggen in dezen vreemden grond!quot; Daar was weinig troost voor die bedroefden. En den volgenden avond stonden zij weder bij den grooten stroom, en zij zagen uit over hot water naar het westen, waar hun land lag.

Had God niet een profeet hun gegeven in die dagen, Ezechiël, een man aan Jesaja en Jeremia gelijk, dat volk was ondergegaan in zijn smart en in zijn wanhoop. Die man hield den moed levendig in de zwakke schare; en ook zijn woord was: „Woest sterk! De Heere zal u wederbrongen in uw land!quot;

Waren vele mannen en vrouwen als knechten en maagden onder de inwoners van Babel verdeeld, ook de koning Nebukadnezar had onder de Israëlieten zich eenige dienaren uitgekozen. Het streelde zijn machtigen trots om juist

ocr page 433

425

de gevangen prinsen als zijn knerhten te gebruiken. Zoo deden de koningen meer; en aangenaam vonden zij het om te denken: „Allen, die hier in mijn paleis het dienstwerk verrichten, zijn zonen en dochters van koningen, die wij overwonnen hebben.quot;

Zoo waren vier Joodsche jonge mannen van hoogen bloede in het paleis van Nebukadnezar des konings eigen knechten geworden; Daniël, Hananja, Misael en Azarja heetten zij. Zij muntten weldra boven de andere hovelingen uit door wijsheid en door trouw aan hun meester; en de koning, die een scherp oog had, merkte het, en verblijdde zich daarover: dikwijls raadpleegde hij hen, zooals hij zijn raadsheeren raadpleegde; en de inenschen aan het hof merkten het zeer wel op, dat die vier mannen in zeer hooge gunst stonden bij den geweldigen vorst.

Vooral Daniël genoot die gunst, en vanwege zijn wijsheid word hij door Nebukadnezar hooger geschat dan zijn priesters en geleerden, die hij aan zijn hof onderhield. De heidensche koning had namelijk evenals andere heidensche koningen een schare mannen in dienst, die toovenaars en sterrewichelaars waren.

ocr page 434

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

liiii lil

426

en die voorgaven uit de sterren de toekomst te kunnen voorspellen en door geheime verstandhouding' met de goden meer te weten dan andere menschen wisten. Bij deze rnanneu werd ook Daniël gerekend; maar hij wist, dat hij zijn wijsheid van God had, en van niemand anders; want hij was een vroom jongeling, die God oprecht vreesde; en zoo waren ook zijn drie vrienden.

Eens had de koning een droom gedroomd, en ontstemd was de koning-opgestaan. Hij wist den droom niet meer, maar het gevoel had hij er uit. overgehouden, dat hem wel eens iets kwaads overkomen kon; en naar de algemeene gedachte dier dagen, dat alle droomen een waarzeggende beteekenis hebben, was hij des te moer verslagen, dat hij den droom vergeten was. „Laat mijn toove-naars en waarzeggers komen,quot; beval de vorst. En zij kwamen. „Zegt mij, welken droom ik gedroomd heb,quot; zoo sprak hij, „gij zijt wijzen, en kunt mij dat zeggen quot; Verbaasd zagen de toovenaars en de waarzeggers elkander aan. „Neen, heer!quot; zoo antwoordden zij ontsteld, „dat is boven ons vermogen, dat kan niemand; wel kunnén wij de droomen uitleggen, en u de toekomst daaruit voorspellen.quot; De toorn rees op bij den koning. „Zegt gij, dat gij met de goden in verstandhouding staat, en kunt gij dat niet? Dan hebt gij mij altijd voorgelogen! Bij mijn goden! gij zult zeggen, welken droom ik gehad heb, of gij zult allen gedood worden!quot; En verschrikt gingen die wijzen heen uit des kOnings paleis.

Omdat Daniël bij cle wijzen ingedeeld was, hing dit lot ook hem boven het hoofd. Hij riep zijn drie vrienden bij zich, en zeide tot hen: „Ach, bidt -God met mij, opdat ik gered worde, en niet sterve met die heidenen!quot; En die vier jongelingen baden lang en ernstig in hun binnenkamer. De Heere hoorde dat gebed, en in dienzelfden nacht openbaarde God aan Daniël alles betreffende den droom.

Des anderen daags liet hij zich voor den koning brengen, en de koning was blijde hem te zien, want hij hield veel van henn „Kunt gij mij bekend maken, wat ik gedroomd heb?quot; vroeg hij hem vriendelijk. „Neen, heer!quot; antwoordde Daniël, „ik weet uit mijzelven niets, maar mijn God heeft het mij te kennen gegeven.quot; En toen verhaalde hij aan Nebukadnezar den droom, dien hij vergeten was. „Een beeld zaagt gij, o koning! groot en schoon, en tegelijk vreeselijk om aan te zien. Het hoofd van dit beeld was van goud; de borst en

i-

m

mm

lil

11

iïi iyi

lil ■

Élli i ; tit 1 i

li

km Ja*

■......■i n ii 'i

ocr page 435

m BABEL

de armen waren van zilver; de buik en de dijen waren van koper; zijn beenen van ijzer; en zijn voeten half ijzer, half leem. En toen zaagt gij, dat van den berg dicht bij een rotssteen losviel, zonder dat een menschelijke hand dien steen losgemaakt liad; en die steen viel langs den berg naar beneden in het dal tegen het groote beeld; en in stukken, vermorzeld lag het groote beeld over den grond. En tegelijk begon die steen zich uit te zetten en grooter te worden, steeds meer, altijd door, zoodat ten laatste voor uw oogen die steen tot een berg geworden was, grooter dan alle bergen der aarde.quot; En zonder te wachten ging Daniël voort: „Dit is uw droom geweest, o heer! En zijn beteekenis is deze: Uw koninkrijk is als dat gouden hoold; maar na het uwe zal een ander koninkrijk komen, minder dan het uwe, zooals zilver minder is dan goud; en daarna weer een ander koninkrijk, dat ook weer minder is, zooals koper minder is dan zilver; en daarna.nog twee andere koninkrijken na elkander. Maar dan zal God een koninkrijk verwekken, dat het grootste van allo zal worden, die er ooit op aarde hebben bestaan; het zal alle andere overwinnen, en zelf nooit overwonnen worden, maar in eeuwigheid bestaan.quot; En zooals Daniël dat zeide, stond hij daar in de houding van een profeet, die ver in de toekomst zag, en die met zijn oogen het koninkrijk zag van den beloofden Verlosser, die komen zou.

Nebudkadnezar was verbaasd, en hij had geen woord kunnen zeggen; want het was waar; dat was de droom, dien hij gehad had; en hij voelde, dat ook de uitlegging waar was. Maar nu stond hij op, en hij riep het uit, terwijl allen het hooren konden: „Uw God is de ware God, en daar is geen ander!quot; En van dien dag af was Daniël de eerste in het rijk; allen stonden onder hem; alleen de koning stond hooger dan hij. Zoo verhoogde hem de vorst Nebukadnezar.

Van de toovenaars en waarzeggers werd niemand gedood; Daniël had hun het leven gered; toch waren er onder hen, die afgnnstig waren op hem, wegens de gunst, waarin hij bij den koning was komen te staan.

Hananja, Misaël en Azarja, de drie vrienden van Daniël, waren eveneens tot hooge ambten verheven; landvoogden waren zij geworden in het land van Babel; en ook op hen waren vele voornamen in het rijk afgunstig geworden;

427

ocr page 436

428 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hun nijd was zoo groot, dat zij op een gelegenheid wachtten om deze drie landvoogden uit 's konings gunst te verdringen. En die gelegenheid kwam.

Nebukadn^zar had een beeld van zich laten maken; van goud was dat beeld; en hij had het laten oprichten buiten de stad, in het dal Dura. In zijn trots was hij er toe gekomen, om zich afgodische eer te laten bewijzen; dat deden meer machtige koningen in den ouden tijd. Door Daniël had hij wel kennis gekregen van den eenigen, waren God van hemel en aarde; maar hij kwam er niet toe dien God te aanbidden; in zijn trots dacht bij: „Ik, die alle vorsten overwonnen heb, ik ben voortaan de god der aarde!quot; En zijn vleiende hovelingen versterkten hem in die gedachte. Vandaar, dat hij dat beeld van zichzelven bad laten maken, en met een groote feestelijkheid het wilde inwijden als den nieuwen god, die in zijn land moest aangebeden worden; die het beeld niet zouden willen aanbidden, zouden in een gloeienden oven geworpen en verbrand worden.

Op den dag der inwijding, die met veel pracht en praal gehouden werd, kwam dan ook de gansche bevolking van Babel; en het koningsbeeld werd als een afgod aangebeden en mot offers geëerd; alleen onder de Joden waren er geweest, die aan deze heidensche aanbidding niet mede hadden willen doen, en die weggebleven waren; en onder deze Joden waren do drie vrome landvoogden, Hananja, Misaël en Azarja. De andere heidensche landvoogden, die op hen naijverig waren, vonden nu een gelegenheid om hen uit des konings gunst te dringen. Zij zeiden het Nebukadnezar aan, zich verheugende, dat die mannen nu de straf des ovens moesten ondergaan. De koning kon het nauwelijks gelooven, en liet zijn drie landvoogden voor zich roepen. „Is het waar, wat deze van u zeggen?quot; vroeg hij hun. „Ja, lieer!quot; zoo antwoordden zij; „wij hebben nog nooit voor eenig beeld geknield!quot; Dat speet den vorst; want hij had gaarne die trouwe mannen gespaard; ja, hij beproefde nog hen te sparen. „Gaat heen,quot; zeide hij, „en doet nog wat ik geboden heb; knielt en aanbidt gelijk al de anderen!quot; Doch vastbesloten zeiden die drie helden: „Wij willen liever sterven; werpt ons in den oven, heer! Voor afgoden knielen wij nimmer!quot; Toen werden Hananja, Misaël en Azarja gegrepen, gebonden, en buiten de stad naar den vuuroven gebracht.

ocr page 437
ocr page 438
ocr page 439

TN BABEL.

De oven was zoo gloeiend gestookt, dat de mannen, die 'hen daarin wierpen, zeiven van de uitslaande vlammen aangegrepen en verbrand werden. De koning en zijn gansche hof, ook de andere landvoogden, waren er bij tegenwoordig en zagen het aan, op een afstand. Door de breede poort des ovens konden zij naar binnen zien. „Zij verbranden niet!quot; riepen de hovelingen vol verbazing. „Hebt gij niet drie mannen in den oven geworpen? Wie is dan die vierde?quot; riep Nebukadnezar. En allen zagen, hoe de drie mannen in het midden des vuurs stonden, ongedeerd, met het aangezicht van helden; en hoe een vierde daarbij stond, die de gedaante had van een engel uit den hemel. De vreeselijke vlammen lekten aan hun kleederen en aan hun gelaat, maar deden hun geen kwaad. „Komt uit!quot; riep de verschrikte koning. En de drie mannen kwamen door de poort des ovens naar buiten voor den koning: daar was geen haar aan hen verzengd. Zóó had Gods engel hen bewaard te midden van het vreeselijke vuur.

Nebukadnezar herstelde hen in hun liooge ambt, en gaf een bevel, dat niemand de Joden mocht hinderlijk zijn in de uitoefening van hun godsdienst. In het rijk was niemand zoo groot als Daniel en zijn drie vrienden, en dat duurde zoolang als Nebukadnezar leefde.

Toen de groote koning gestorven was, en twee andere koningen, Evihnerodach en Nabonetus, na een korte regeering eveneens gestorven waren, volgde Belsazar hem op.

Een ander machtig wereld veroveraar, Cyrus, was in het zuidoosten, in Perzie, opgestaan, en was met een machtig leger tegen de Baby)oniers opgekomen. Belsazar's vader, Nabonetus, was tegen Cyrus opgetrokken, maar geslagen en gevangen genomen. Belsazar zelf, de kroonprins, was in Babel achtergebleven, en moest weldra zijn stad tegen de Perzen verdedigen, die er het beleg voor sloegen. De jonge vorst bekommerde zich niet om do belegeraars, verzekerd zijnde van de onneembaarheid van zijn stad, het groote Babel; en des avonds aan zijn feestgelagen was hij even vroolijk als stonden er geen Perzen voor do muren. Arele maanden, ja tot bijna een vol jaar duurde zoo de belegering.

481

ocr page 440

BTJRRLSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

Op een avond was er weder een groot feest in het paleis. Daar waren meer dan duizend genoodigden; ook de aanzienlijke vrouwen uit de stad waren op dat feest. Daar was veel luidruchtige vroolijkheid onder den maaltijd; en veel kostelijken wijn dronk men uit kostbare bekers. „Laat de bekers hier brengen, die Nebukadnezar uit Jeruzalem gebracht heeft!quot; riep de jonge vorst Belsazar. En de dienaren haalden en brachten de heilige bekers en schenkkannen, die de priesters in Israel in hun tempel gebruikt hadden bij den offerdienst des Heeren. „Hebben die Joodsche priesters die bekers voor hun God gebruikt,quot; riep Belsazar, „onze goden zijn toch sterker geweest, want wij hebben hen overwonnenI Komt, laten wij onze goden prijzen uit die bekers; vult ze, en drinkt !quot; En terwijl die bekers rondgingen en geledigd werden, spotte de koning met zijn hof luide en lachend over den God van Israël, den zwakken God.

Doch te midden van het feestgewoel zag men plotseling boven tegen den muur van de zaal een menschelijke hand, als de zichtbare hand vaneen onzichtbaar wezen; en die hand schreet letters tegen den muur, brandende letters.

De koning zag het; zijn helden zagen het; de vrouwen zagen het; en het waren allen ontstelde aangezichten, die er naar zagen. Zij verbleekten, als met een schrik* des doods. En stilte was er tot in de uiterste hoeken van de zaal. De koning, half opgerezen, beefde op zijn voeten. „Haalt de toovenaars en de waarzeggers!quot; riep hij eindelijk met een stem van groote benauwdheid. Maar toen zij kwamen, konden ook zij die vreeselijke teekenen niet aanzien, noch zeggen, wat beteekenis dat wonder had. „Laat Daniel komen,quot; kwam de koningin Belsazar influisteren, „als iemand het kan zeggen, dan is hij het.quot; En straks was Daniel ontboden, die binnenkwam zooals een profeet binnenkomt met een streng gelaat in een liuis van zondige vreugde.

Belsazar kende hem niet; ook had zijn vader hem niet gekend; want deze goddeloozen hadden naar hem niet omgezien, zooals Nebukadnezar gedaan had. „Zijt gij die Daniël, die droomen en teekenen kunt uitleggen?quot; vroeg de koning hem; „o! zeg mij dan, wat die teekenen beduiden! Met purper zal ik u bekleeden, en mijn keten zult gij om den hals hebben, als gij het mij zegt!quot; Als een groot man stond Daniël, waar allen hem zien konden; en met luide stem sprak hij: „Houd uw gave voor uzelven, en geef uw versieringen aan een

432

ocr page 441

438

ander; ik wil /e niet, o koning! Maar wat die vlammende letteren beduiden, zal ik ii evenwel zeggen, gij goddeloozo! Zie, woorden Gods zijn het , die daar staan; deze woorden: mme, mene, takel, upharxin. Mene beduidt geteld-, dat wil zeggen, dat de dagen van uw koninkrijk zijn geteld. Tekel beteekent gewogen-, dat wil zeggen, dat gij gewogen zijt, maar te licht zijt bevonden. Upharsin beteekent, dat uw koninkrijk aan de Perzen zal gegeven worden!quot;

Als een donderslag viel dat woord van den Godsprofeet in die feestvreugde. Schrik, ontzetting, angsten. En te midden van dat alles het woord van den koning, die Daniël zich ten vriend wilde maken, en beval, dat hij geëerd zou worden boven allen.

Maar mocht de koning berouw gaan gevoelen, het kwam te laat.

In dienzelfden nacht braken de Perzen in de stad; de slachting begon; hot bloed vloeide. Ook Belsazar's lijk lag op de straat. Daar was geen Babylonisch koninkrijk meer; het was aan de Perzen gegeven. (538 v. Chr.)

Cyrus was nn de groote koning der aarde, de overwinnaar der volken.

28

ocr page 442

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

En hem behoorde nu de groote stad Babyion. Toch wordt volgens den Bijbel nog een zekere Darlus als koning genoemd, tusschen Belsazar en Cyrus in. Wie dezo Darius is, weet niemand met zekerheid. Evenwel, wie hij ook zij, en welke koning onder dien naam Darius bedoeld moge wezen, Daniël was ook weder bij hem in aanzien, zooals hij geweest was onder Nebukadnezar. Hij was de eerste in het rijk na den koning; en honderd en twintig stadhouders, die over de honderd en twintig provinciën gesteld waren, waarin het rijk verdeeld was, waren hem verantwoording schuldig van al wat zij deden of heten.

. De afgunst, die de honderd en twintig stadhouders Daniël toedroegen, deed hen naar een middel omzien, om Daniël in ongenade te doen vallen. Zij wisten daartoe van den koning te verkrijgen, dat hij een wet uitvaardigde, waarbij niemand in het land gedurende dertig dagen oen verzoek of een gebed mocht doen aan een god of aan een mensch, behalve aan den koning. „Gij zijt onze god,quot; zeiden die vleiende landvoogden, „laat do menschcn tot u bidden!quot; En zij wisten wel, dat Daniël zulks niet duen zou, en alleen tol zijn God zon bidden; zoo zouden zij hem dan kunnen verklagen, en iüj zou ophouden opperste landvoogd te zijn boven hen. Ook wisten zij van Darius te verkrijgen, dat in de wet uitgedrukt stond, dat al wie dit gebod overtrad, gestraft zou worden, met in den leeuwenkuil geworpen te worden, dien de koning in zijn lusthof had. Toen de koning die wet met zijn handschrift onderteekend had, wisten zij, dat die wet niet herroepen kon worden; want de koningen der Meden en Perzen waren niet gewoon een wet te herroepen, die zij eens uitgevaardigd lubdden. Wat zij eens geschreven hadden, dat stond geschreven, zeiden die trotsche vorsten.

Daniël 'vernam, welke wet Darius had gegeven; en hij voelde, dat nu zijn leven in gevaar kwam. Ilij was gewoon drie malen eiken dag lot God te bidden; en hij deed dal altijd voor het open venster, dat boven uit zijn huis uitzag naar het westen, waar Jeruzalem lag. „Ik zal het blijven doen, gelijk ik het altijd gedaan heb,quot; zeide hij bij zichzelven; „de koning moge mij er voor dooden, ik bid tot geen ander dan tot mijn God!quot; En gelijk hij dacht, zoo deed hij.

Door de listige landvoogden hierover bij Darius aangeklaagd, werd hij

434

ocr page 443
ocr page 444
ocr page 445

IN BABEL.

voor den koning geroepen. Het speet Darius zeer, dat Daniöl aangeklaagd was, want hij had Daniël lief, zooals een koning een trouw vriend lief' heeft. Hij sprak met de landvoogden, om hen te bewegen hun aanklacht in te trekken; maar zij beriepen zich op do geschrevene en onderteekende wet; en Darius moest bedroefd van ziel toegeven; die wet mocht niet gebroken worden. „Moge die God, dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen verlossen!quot; zeide Darius tot zijn trouwen vriend; en toen werd hij weggeleid, en in den kuil voor de leeuwen afgelaten. Een steen word voor de opening van de spelonk gelegd; met des knnings ring werd de steen verzegeld; en Darins ging huiswaarts als een, die voelde, dat hij zic-h door oen dwaze wet van zijn trouwsten vriend had beroofd. In dien avond at hij niet; on niemand van de hovelingen durfde met den koning spreken; en in dien nacht sliep liij niet; toen de dag aanbrak, had nog geen slaap zijn oogen gesloten.

Hij stond met het licht op, en van zijn hovelingen gevolgd, ging hij zijn hof door, tot waar de leeuwenkuil was. Den steen liet hij wegnemen, en met droeve stem riep hij omlaag: „Daniël, Daniël! heeft uw God u voor de leeuwen kunnen beschermen?quot; Van uit de diepte der spelonk kwam het antwoord terug: „O koning! de leeuwen hebben mij niets kwaads gedaan; een engel van mijn God heeft hen getemd, en zij liggen naast mij. O koning! wat voor misdaad heb ik toch tegen u bedreven?quot; Verbaasd hoorde Darius de stem, terwijl tegelijkertijd een gebrul opsteeg uit de diepte van de leeuwen, die de menschen hoorden aan den ingang der spelonk. „Hij leeft!quot; riep de koning vroolijk; „haalt hem op!quot; En weinige oogenblikken later stond Daniël voor hem; geen tand noch klauw had hem gedeerd.

Darius was blijde, dat hij zijn trouwsten dienaar en vriend terug had. Maar in zijn toorn over de stadhouders, die hem de dwaze wet hadden laten teekenen, beval hij, dat zij nu in den leeuwenkuil moesten geworpen worden. Terwijl zij in den kuil gelaten werden, sprongen de leeuwen tegen hen op, zoodat zij hen reeds grepen, eer zij op den grond kwamen. En een nieuwe wet gaf de koning daarna, deze wet: dat ieder in zijn rijk den God der Joden wol mocht eeren, en dat niemand van zijn onderdanen den Joden eenig kwaad mocht doen.

437

ocr page 446

BIJBELSCHE GESCHT EDENIS VOOR KINDEREN.

Na dezen leefde Daniël, totdat hij een oud man was. Hij was een groot profeet in het midden zijns volks. En de ballingen aan Babel's wateren waren door hem in hun verdrukking zeer getroost en versterkt geweest, al zijn dagen.

Bij Susan, in Zuid-Perzië, wijst men tegenwoordig nog zijn graf.

------------

DE TERUGKEER.

gy-, yrus, de Perzische koning, die Nabonetus en Belsazar overwonnen, en het groote Babylonische rijk ingenomen had, was een vriendelijk man voor de Joden. Hij gaf hun verlof Babel te verlaten, en naar hun land terug te keeren. Dat was moor, dan de Joden hadden durven verwachten. Het was alsof zij droomden. Wol hadden zij, naar de voorzeggingen hunner profeten, het kunnen weten en berekenen, dat nu de jaren hunner ballingschap ten einde zonden zijn. Maar toch, het was alsof zij droomden; en Cyrus was in hun dankbare oogen bijna als een godheid. Met blijdschap ging het gerucht door al de naburige steden en dorpen, waar zij verspreid woonden; en weldra verzamelden zij zich, onder Zerubbabel, een prins uit het koninklijk geslacht van Juda, en trokken zij met luid en vroolijk gezang den broeden stroom over, welke zoo dikwijls hun klaagliederen gehoord had; en westwaarts ging het naar Jeruzalem.

Het was een groote menigte, die daar wegtrok met Zerubbabel aan het hoofd; twee en veertig duizend driehonderd en zestig, behalve de knechten en dienstmaagden, die zij hadden. Niet al de Joden uit Babel trokken mede; daar waren er, die verkozen achter te blijven, on die do nieuwe woonplaats waren gaan stellen boven het oude vaderland; en hun getal was niet zeer klein. Zij hadden zich aan den handel gewijd, en waren er rijk geworden; zij bleven waar hun bezittingen waren.

Zij, dio naar Jeruzalem weerkeerden, hadden van Cyrus medegekregen al de gouden heilige voorwerpen, welke Nebukadnezar vroeger uit den tempel geroofd had; dat zij deze terugkregen, was hun een groote blijdschap. Ook had

488

ocr page 447
ocr page 448
ocr page 449

DE TERUGKEER. 441

Cyrus hun welwillend bescherming op de reis toegezegd, welke belofte hij hield. En zoo kwamen zij veilig en door God wel bewaard in hun oude vaderland terug. Toen zij Jeruzalem zagen juichten zij; maar hun juichen werd vermengd met weenen, omdat zij zagen, hoe de stad verwoest lag. Sedert Nebukadnezar de stad had laten verwoesten, was elke ruïne blijven liggen, zooals zij lag.

Op de aanmoediging van Zerubbabel begonnen zij weldra aan den herbouw. Het eerste, wat zij deden, was het oude verbroken altaar op de tempelplaats weder op te richten; toen konden zij eiken dag weer hun offer den Hcero brengen; want zij hadden zich vast voorgenomen om nu voortaan den Hecre getrouw te zijn. De straf, die over hen gegaan was, lag hun nog versch in de gedachtenis. En het tweede, dat zij deden, was den tempel zei ven te gaan horstellen. Toen de eerste steenon gesteld waren voor het londament, juichten de priesters, de Levieten en al het volk met groot gejuich; en die dag was een feestdag. Maai- de ouden van dagen, die zich den ouden tempel herinnerdon. voor hij verwoest was, konden niet medejuichen; zij weenden.

Het gerucht van don terugkeer der Joden in Juda had zich weldra verspreid tot zelfs in het noorden van het land, waar vroeger het rijk der tien stammen geweest was. Het volk, dat daar nu woonde, de Samaritanen, hoorde het met blijdschap, lil groote scharen kwamen zij naar Jeruzalem. „Wij zijn van hetzelfde volk als gij,quot; zoo spraken zij; „laat ons weer één volk zijn; wij zijn gekomen om broederschap te sluiten, en u aan het bouwen van uw tempel te helpen; dat zal dan ons aller tempel zijn!quot; Maar Zerubbabel en zijn mannen antwoordden hun: „Wij zijn niet hetzelfde volk als gij; gij zijt heidenen; zijt gij niet kinderen van heidenen en Israëlieten, een gemengd volk? Wij zullen ons niet vereenigen met u; Gods volk blijven wij! Ook zult gij aan het bouwen van onzen tempel niet medearbeiden!quot; Dit woord vertoornde de Samaritanen zoozeer, dat zij teruggingen naar Samaria, en van dien tijd af de verbitterdste vijanden der Joden werden. Die vijandschap erfde over van geslacht op geslacht, en duurde zoolang als het Samaritaansche volk on de Joodsche natie bestaan hebben.

Op aanstoken der Samaritanen verbood de opvolger van Cyrus, Artaxorxes genaamd, den verderen bouw des tempels. En eerst onder diens opvolger, Darius,

ocr page 450

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

mocht met den bouw worden voortgegaan. Toen werkten de Joden met nieuwen moed en volharding voort; twee profeten, Haggaï en Zacharia, vuurden hen met hun godsspraken daarbij aan; en eindelijk in het zesde jaar van Darius' koningschap zagen zij hun volharding bekroond. Daar stond de tweede tempel, de herbouwde. En hoewel allen wisten, dat deze tempel van Zerubbabel niet zoo schoon en heerlijk was als die van Salomo, men was toch recht blijde den Heere weer een heiligdom te hebben mogen oprichten. Met groote feesten en met vele offers werd ook deze tempel ingewijd; daar loofden de kinderen der gevangenis den Clod hunner bevrijding.

Na den tempel werden ook de muren der stad hersteld. Het was Nehemia, die dezen arbeid ter harte nam. En al had de gansche arbeid sedert Zerubbabel er aan begon totdat Nehemia hem voleindigde, meer dan negentig lange jaren geduurd, de stad Jeruzalem stond nu toch weer daar in oude kracht en in ouden luister.

God had Zijn volk weer aangenomen.

...... —-o-^(c£-o— ---

HET BOEK JOB.

J^^j^e'1 ijk God Zijn arme volk in en na do ballingschap troostte en leerde ^fdoor profeten, zoo troostte en leerde Hij in dien tijd Zijn volk ook door 81:11 l'i-ivers* 1)aar waren verscheidene mannen, die de schoone geschiedenissen uit den ouden tijd toen gingen te boek stellen: en zij deden dat met bepaalde bedoelingen, namelijk om hun volk te leeren en te troosten in hun verdrukking.

Zoo ontstonden er ook twee boeken, benevens vele andere boeken, die opzettelijk ten doel hadden om de Joden te leeren, boe zij hun verdrukkingen moesten beschouwen, en hoe zij zich daaronder te gedragen hadden.

Het eerste was het boek Job; en de geschiedenis van dat boek is een der schoonste geschiedenissen uit het Oude Verbond. De schrijver er van was een groot dichter; en toen hij dan ook ging verhalen, wat hij verhalen

442

ocr page 451
ocr page 452
ocr page 453

HET BOEK JOB.

wilde, toen deed hij het in den vorm van een schitterend gedicht. Hij behoort onder de grootste dichters van de wereld; en het is jammer, dat niemand zijn naam weet. De inhoud van zijn groot gedicht, dat iiij gemaakt heeft, is de volgende.

Daar was in den ouden tijd een man, die Job heette. Hij woonde in het land Uz, een land dat tusschen het land dei' Edumieten en Arabië in lag, dus ver oostelijk van Kanaan. Het was in den tijd dor herdersvursten; en ook Job was een herdersvorst.

Daar waren niet veel zulke rijke mannen als hij. Zijn .schapen weidden op uitgestrekte grasvlakten, van kloeke herders bewaakt; en het getal dier schapen was zeven duizend. Zijn akkers brachten weelderig koren voort; en zoo groot waren die akkers, dat in den tijd van het ploegen hij vijfhonderd juk ossen daarvoor noodig had; ook had hij even zooveel ossen noodig in den oogsttijd, om het graan naar de schuren te rijden. Het was een schoon gezicht op de weilanden die runderen en die schapen te zien grazen, met ezels en ezelinnen daartusschen; het getal van deze laatste was vijfhonderd. Daarbij dreef Job een grooten handel; de wol van zijn schapen, zijn koren, en nog andere dingen liet hij ver heen brengen naar andere landen; dat ging op1 kanieelen, in grooto karavanen; het getal van zijn kameelen was drio duizend; en als die karavanen weerkwamen uit die verre landen, dan voerden zij kostbare vreemde waren in ruil terug. De herders bij de schapen, de arbeiders op de akkers, de gewapende en ongewapende dienstknechten bij do karavanen, — zij waren vele duizenden; en zij woonden met hun vrouwen en kinderen in dorpen rondom het huis van Job verspreid, in huizen en in tenten. Daar waren weinig zulke rijke herdersvorsten, zooals hij. Als hij voor zijn huis stond, en uitzag naar alle zijden, kon hij zeggen: „Al wat mijn oogen zien, tot zeer ver, dat is het mijne.quot;

Hij had zeven zonen, en drie dochters. Zij woonden niet meer bij hem, maar waren reeds gehuwd, en woonden elk in zijn huis, op zichzelven, te midden van hun dienstvolk, evenals Job woonde; want ook die zonen waren herders-

445

ocr page 454

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

vorsten. Dikwijls hadden die zonen en dochters feesten; en die gaven zij om beurten; dat waren schitterende maaltijden. Na die feesten bracht Job altijd offers aan God; hij liet dan zijn kinderen bij zich komen, en met hen te zamen vroeg hij God bij die offers om vergeving voor wat or zondigs bij die feesten wellicht mocht voorgevallen zijn. Want hij was een zeer vroom man, Job; die God diende mot een waar hart; en die ook jegens alle menschen rechtvaardig was en goed. Hij was voor zijn vroomheid en goedheid in het gansche land Uz bekend, en tot zelfs in het land der Edomieten, waar hij vrienden had.

Zoo leefde hij in voorspoed als een man, die blijde is, dat hij God dient.

Nn geschiedde het eens, terwijl er weder een feest was bij den oudsten zoon, dat Job en zijn vrouw te huls waren, rustig en gelukkig, als menschen, die hun zegen overdenken. Het hart van dien man was dankbaar bij de gedachte aan alles wat God hem gedaan had.

Daar zagen zij in de verte op den weg een man aankomen, die liep zoo snel hij loepen kun; hij was met zweet en stof bedekt; en toen hij bij Job gekomen was, sprak hij als iemand die iets vreeselijks te zeggen heeft: „O heer! wij waren bezig op uw akkers te ploegen; en toen kwamen de Sabeörs roovende en moordende een inval doen in onze dorpen; en zij hebben alles geroofd; al onze mannen zijn daar gedood; ik ben de eenige die ontkomen is; al uw land en al uw dorpen liggen daar verwoest!quot;

Verschrikt had Job dien bode aangehoord; en hij had nog geen woorden kunnen vinden, om hem verder te ondervragen, toen een tweede man voor hem stond, ook daar juist aangekomen, die met angst op het gelaat zeide: „Ik kom van uw schapen, heer! Op de vlakte graasden zij, en uw herders waakten; maar een onweder brak los, zooals er geen on weder geweest is; en de bliksem heeft uw schapen gedood, met de herders; en die niet omkwamen van den bliksem, kwamen om van den regen, dit; bij een wolkbreuk het land overstroomde. Ik ben de eenige van uw herders, die het ontkomen is!quot;

Nog was deze man bezig zijn verhaal te doen, toen reeds een derde bode daar stond, ook daar juist aangekomen, die aanving: „Iets vreeselijks, heer! Uw karavanen keerden huiswaarts, en de kemelen droegen groote schatten

446

ocr page 455
ocr page 456
ocr page 457

HET BOEK JOB.

mede; maar de Chaldeën overvielen ons in de woestijn; unze mannen zijn doodgeslagen, en al uw kemelen en goederen hebben die roevers genomen; ik ben de eenige van uw mannen, die heb kunnen ontvluchten!quot;

En nog kwam een vierde bode aangeloopen, die nauwelijks zijn woord durfde zeggen: „Wees sterk, heer! want wat ik kom zeggen, is te vreeselijk! Ik kom van het feest uwer kinderen; het was ten huize van uw oudsten zoon; zij waren vruolijk en zaten aan den maaltijd; toen kwam er een wervelwind van over de woestijn, — ik zag het, ik stond buiten, — en die wind greep het huis aan, al draaiend; en het huis viel ineen; zij zijn allen dood, uw kinderen, met de knechten en maagden; ik alleen ben levend gebleven om het u te komen zeggen!quot;

Verpletterd van den slag, van den eenen slag na den anderen, zat Job op zijn zetel. Hij kon geen woord zeggen, en kon die boden niets vragen. Als iemand, die den schijn heeft niet meer te denken, zag hij voor zich heen; en zoo zat hij lang. Maar toen hij opstond, toen had hij in die oogen-blikken veel en diep gedacht; hij scheen tot een besluit gekomen; want hij zag zijn vrouw aan, en zeide, terwijl hij haar steunde en binnen in huis leidde: „De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen; de naam des Heeren zij geloofd!quot; En al weende die sterke man, hij weende stil, als iemand, die zegt: „Ik zal tegen God niet murmureeren; ik weet niet waarom God mij dit zendt; maar ik zal toch niet murmureeren!quot; In zijn binnenkamer boog hij zich neder; en hij was in zijn tegenspoed even vroom als hij in zijn voorspoed was geweest.

In den hemel verheugde God zich over de gehoorzaamheid van Job; want God wist, dat de Satan al deze beproevingen over Job had gebracht om hem van God afvallig te maken; en God wist, dat de Satan nog zwaardere beproevingen zou zenden, om zoo het mogelijk ware, dien godvruchtigen man tot opstand tegen God te verleiden, en daarin slecht te maken, zooals andere menschen slecht zijn.

Het was niet lang daarna, dat Job door eeil vreeselijke krankheid werd aangetast, een krankheid aan de melaatschheid gelijk. Wonden en zweren had hij over zijn gansche lichaam, en het was alsof zijn vel door gewormte verteerd werd. Zijn kracht week van hem; zijn vleesch vermagerde; en die hem aanzagen

449

ocr page 458

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

„Ik weet het,quot; antwoordde Job, „dat God de boo/en straft; maar hoe is dan dit? Want ik ben niet goddelous geweest noch onrechtvaardig; noch in het openbaar noch in het verborgen. Wat hebt gij gezegd? dat ik in het verborgen mijn arbeiders hun loon iieb verkort? Dat ik de weduwen in het geheim haar brood hel) onthouden? En dat ik weezen hun erfgoed listig heb ontvreemd? Goede vertroosters zijt gij mij! Waarom zijt gij toch gekomen? Ik heb u niet geroepen. O dat ik sterven mocht! Want ik weet niet, waarom, waarom God mij deze bezoekingen zendt? Zie, ik getuig het hier voor n, dat ik ook in het verborgene mijn God heb geëerd, en dat ik onschuldig ben, waarvan gij mij beschuldigt. Ik heb altijd de ellendigen bevrijd, als zij tot mij riepen, en de weezen, en die geen helper hadden. Het hart der weduwen heb ik vroulijk doen zingen door mijn gaven. Den blinden was ik tot oogen, en den kreupele was ik tot voeten. Ik was den nooddruttige een vader. Den verdrukten was ik een wreker. En recht en gerechtigheid heb ik gehandhaafd met mijn macht in mijn gansche land!quot; En Job weende als een, die niet weet, waarom de straffen Gods nederkomen.

Zoo spraken de vrienden en Job vele dagen; want zij gingen niet heen, en bleven bij hem, dewijl zij hem altijd liefgehad hadden. Doch hun woorden namen geen einde, en de woorden van Job evenmin. Zij hielden vol, dat God geen onschuldige zou straffen; en Job hield vast aan zijn onschuld. Ook toen een vierde vriend kwam, Elihu, bleef het alzoo; hoewel Elihu billijker sprak dan de andere drie. Die menschen te zamen, zij konden het raadsel niet ontraden: hoe een rechtvaardige onder Gods eerlijk bestuur tot tegenspoed kon komen? Hun woorden werden heftiger, en de toorn sprak dikwijls uit hun rede. Ook Job was ongeduldig en toornde; en zijn gedurige wensch was, dat God een einde aan zijn rampzalig leven mocht maken. Dat duurde vele dagen.

Hadden zij allen geweten, dat de Satan bezig was geweest onder dat alles om Job ongeloovig en afvallig te maken; en hadden zij geweten, dat God aan den Satan zulks had toegelaten om Job te beproeven, — zij zouden anders gesproken hebben, en zij zouden het groote raadsel hebben verstaan. Maar uu waren hun oogen blind, tot God het hun kwam zeggen.

452

ocr page 459
ocr page 460
ocr page 461

HET BOEK JOB.

Terwijl zij bezig waren met hun redenen, op een dier dagen, kwam er een on weder opzetten. Zij achtten daar niet op, en bleven redetwisten. Maar het onweder was weldra boven hun hoofd gekomen, en de lucht was zwart van wolken.

Daar schoot plotseling de bliksem uit die wolken, en de donder volgde; en meerdere kwamen, geweldige donderslagen. Die mannen stonden verschrikt; hun woorden hielden op.

En te midden van dat onweder kwam het woord van God; dat was Gods stem, die sprak; en Zijn stem was machtiger dan de donderslagen. In woorden, als welke die mannen verplet deden staan, sprak God over zichzelven; over Zijn grootheid. Zijn almacht, en Zijn voorzienigheid, „Ben Ik het niet, die de dingen geschapen heb, en ben Ik het niet, die de menschen en dieren onderhoud, naar mijn macht en naar mijn wijsheid? En weet mijn wijsheid niet, hoe Ik het doen moet? Wie is de mensch, dat hij over mijn doen oordoelen zou? En weet een mensch welke weg beter is dan mijn weg?quot; Elk woord was als een donderslag; en al die mannen voelden, dat het hun niet betaamd had Gods wegen te beoordeelen; zij voelden het met verschrikking.

Job boog zich neder, en hij beleed zijn schuld: „Heere! had ik gezwegen, en ware ik stil geweest, als een die wacht, het ware beter geweest! Ik zal mijn mond niet weder open doen, en nooit meer Uw daden beoordeelen!quot; En wat schoon was in Job, was dit, dat hij zijn vrienden niet beschuldigde, die hem tot al die woorden verleid hadden met hun beschuldigingen.

Maar God wist het van die vrienden, en daarom toornde Hij tegen die drie mannen, Elifaz, Sofar en Bildad. Maar haastig liet Job offers brengen voor die drie vrienden, want hij had hen toch lief; en God vergaf het hun, dat zij zoo dwaaslijk hadden gesproken.

Al die mannen wisten toen op eens, dat de rampen in eens menschen leven niet altijd teekenen zijn van Gods straf; maar dat rampen wel eens beproevingen kunnen wezen, waarbij God zien wil, of Zijn dienstknechten getrouw zijn en getrouw blijven. Toen wisten zij het antwoord op do groote vraag, waarover zij gesproken hadden; hot raadsel was geen raadsel meer. En te zamen aanbaden zij God in ootmoedigheid, in plaats van God te beoordeelen, als die wisten, dat aanbidden beter is dan beoordeelen.

455

ocr page 462

BTJBELSCHE GESOHTEDENTS VOOR KINDEREN.

Na dien dag wendde God de beproeving- van Job. Hij werd genezen van zijn krankheid. Zijn voorspoed kwam terug. Al zijn broeders, zusters en vrienden kwamen tot bem om met hem blijde te zijn; geschenken brachten zij mede; en er was een feest van vele dagen in zijn huis. God zegende hem meer, dan Hij hem te voren gezegend had. Hij kreeg weer schapen, en ossen, en ezels, en kemelen, van alles tweemaal zooveel. Ook zonen en dochteren, zooals hij te voren gehad had.

En in dien voorspoed leefde hij, totdat hij een oud man was. Honderd en veertig jaren was hij, toen hij stierf.

Dit was de inhoud van het schoone boek, dat de groote dichter maakte, wiens naam niemand meer weet. Volgens sommigen moet Job geleefd hebben ten tijde van Abraham; en zijn geschiedenis was in het Oosten wel bekend, en leefde van mond tot mond voort, zooals een geschiedenis, die nooit beschreven is. Maar toen de groote dichter in zijn verzen die geschiedenis aldus beschreef, toen was dat boek voor de Joden een groote troost en een wijze les. In hun ballingschap te Babel, en in hun latere rampen wisten zij toen, dat zij aan Gods voorzienigheid niet moesten twijfelen; en dat zij ootmoedig stil moesten zijn onder al de wonderlijke en ook onder de onbegrijpelijke daden van God.

In Hauran, niet ver van de plaats waar Job heeft gewoond, wordt heden ten dage nog het graf van Job getoond; en de menschen, die daar wonen, zeggen, dat het bepaald het graf van Job is; maar met zekerheid kan niemand het zeggen.

-o-^^-o-----

HET BOEK JONA.

^5en tweede boek, dat met een bepaalde bedoeling geschreven werd in den tijd na de ballingschap, was het boek Jona.

Bij de verdrukte Joden was meermalen de vraag opgekomen, waarom God toch do heidensche volken niet veel zwaarder strafte dan hen? Zij,

450

ocr page 463

i: ,■••quot; i ii/iyrii 1'1

ocr page 464
ocr page 465

HET BOEK JON A.

de Joden, waren Gods volk; en voor hun misdrijven werden zij ontzaglijk gestraft; maar de heidenen waren veel slechter; waarom werden nn die heidensche volken niet veel zwaarder door God bezocht?

En de vraag deed zich voel sterker voor, toen Cyrus Babylon veroverd had, en de stad niet verwoestte, maar spaarde. Cyrus had die goddelooze stad moeten verwoesten; en God had dat oordeel over de stad moeten doen komen; dat zou billijk en recht geweest zijn! Zuo dachten veel Joden in die dagen.

Een wijs Israëliet, die wist hoe zijn volk over deze dingen dacht, meende op die vraag een antwoord te moeten geven, en hun te moeten leeren, hoe zij over die zaak moesten denken. De gedachte des volks scheen hem niet recht. Veel schooner leek het hem, dat God in Zijn lankmoedigheid de heidenen spaarde, dan als Hij hen verdierf, En het was deze gedachte, die hij duidelijk maakte in de geschiedenis van Jona, welke geschiedenis door overlevering aan zijn volk niet onbekend was, als de geschiedenis van een profeet, die geleefd had in het rijk der tien stammen, onder koning Jerobeam den Tweede. (800 v. Chr.) De naam van dezen wijzen schrijver is vergeten geworden; niemand kan zeggen, hoe hij geheeten heeft. De inhoud van het boek Jona is de volgende.

Toen Jona profeet was, kwam eens Gods bevel tot hem om naar Ninivé te gaan, en daar tegen die menschen te prediken.

Ninivé was de hoofdstad van Assyriö, een land, dat in het noorden lag-van het gebied der twee rivieren Euphraat en Tigris, De menschen, die daar woonden, waren heidenen, en een zondig geslacht. Jerobeam de Tweede had oprlog met hen gevoerd, en een roemvollen oorlog; maar de Assyriërs waren een machtig volk, en een nog voor de toekomst te vreezen vijandig volk. De Israëlieten haatten hen met een erfelijken haat. En tot hun hoofdstad Ninivé werd Jona nu door God gezonden, met de opdracht daar te prediken; bekeering moest hij die heidenen aanzeggen, en zoo zij zich niet bekeerden, oordeelen

459

ocr page 466

BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

Tegen deze opdracht kwam het vaderlandslievend hart van Jona in verzet. Hoe! Moesten ook de heidenen zich bekeeren? Zij waren immers een verworpen volk? Zij waren immers vijanden van Israël? En als zij zich werkelijk eens bekeerden door zijn prediking? Dan zon God genadig zijn, en hen laten bestaan? Neen, verwoesten moest God die stad; nooit sparen! „Dat de vijanden van Israel vergaan mogen!quot; zoo dacht hij in zijn hart. En ontevreden over deze opdracht van God, rijpte de ongehoorzame gedachte in zijn hart: „Ik ga niet naar Ninivé! Ik zal hen tot bekeering niet aansporen!quot; En in plaats van oostwaarts ging hij westwaarts, den anderen kant op dan den kant, dien God hem wees.

Hij had geen gerust hart onder zijn ongehoorzaamheid; want hij wist, dat hij ongehoorzaam was. En in die ongerustheid ging hij verder en verder westwaarts, totdat hij niet verder kon; daar was de zeo, de groote zee. Toen ging hij de zee langs zuidwaarts, tot hij bij een stad kwam, Joppe.

Daar zag hij de schepen op de reede liggen, schepen, die van verre kwamen, en die weer ver heen gingen. De vreemde zeelieden zag hij aan den kant; en in zijn bang gevoel, dat hij aan Gods wil ongehoorzaam was, besloot hij met een dier schepen weg te reizen, het land uit; het was hem hetzelfde waarheen. Met den kapitein van een dier schepen werd hij het eens, dat die hem medenemen zou; hij betaalde de vracht; en weldra was de voor God vluchtende profeet aan boord van een schip, dat afvoer, en dat koers zette naar Tarsis of Tartessus, dat in Spanje lag.

Nog niet vele dagen in zee, beliep het schip een vreeselijken storm. De lieden aan boord waren veel stormen gewoon, maar. deze was erger dan de meest bevaren schipper onder hen ooit had beleefd; het schip dacht te breken van de golven; het zeil woei aan flarden, de mast stond op vallen. Dio mannen, die anders niet vreesden, vreesden nu. „Moeten wij vergaan?quot; riepen zij in hun angsten; en door den nood gedreven riepen zij tot hun goden om hulp. Heidenen waren zij, matrozen uit verschillende landen; en zij baden, een ieder tot zijn god, zooals zij nog nooit gebeden hadden. Daar kwam een lek in het schip, en het water steeg in het ruim; zij vreesden te zinken; en zij wierpen do lading over boord, om het schip drijvende te houden. Maar het hielp niet;

460

ocr page 467

HET BOEK JON A.

ook het bidden hielp niet; nieuwe rukwinden stormden aan, en duwden het schip omver, omlaag; straks zou het over zijn; dat voelden zelfs de moedigste mannen.

In zijn hut, beneden, lag Jona te slapen, als een, die van lange dagen angst overmand, eindelijk slaapt. De oppersc-hipper kwam tot hem, stootte hem aan, en riep: „Slaapt gij, terwijl wij vergaan? Sta op, en naar boven!quot; Ook zeide hij tot Jona: „Hoe kunt gij slapen? Het ware beter te bidden, zooals wij allen doen! Kunt gij ook niet bidden tot uw God?quot;

Weldra was Jona op het dek, en zag hij het gevaar; maar bidden kon hij niet tot zijn Gud, hij, die zijn God ontvlucht was. „De goden zijn vertoornd,quot; riepen de matrozen; „een onzer heeft zeker tegen de goden een misdrijf begaan, en daarom zoeken zij ons verderf; wie zou onder ons de misdadiger zijn?quot; En zij dachten dit naar de gewone bijgeloovige denkwijze dier dagen, niet wetende, dat zij ditmaal juist oordeelden. „Laat ons loten!quot; spraken zij; ..en wij zullen dan weten, wie het is, op wien de goden vertoornd zijn!quot; En zoo wierpen zij het lot; en het lot viel op Jona, die voelde, dat het lot hem zou aanwijzen. ..Gij zijt de misdadiger,quot; spraken de mannen, „zeg, wat gij gedaan hebt?quot; Toen verhaalde Jona hun ronduit, alles, wat zijn misdrijf was tegen God. „Hoe hebt gij het gebod van uw God kunnen verachten!quot; spraken zij; en de profeet moest de berisping verdragen van heidenen, die ver beneden hem stonden; Jona voelde de vernedering en de schande; hij wenschte, dat hij dood was. „Werpt mij in het water,quot; zeide hij, „want mijn God zoekt mij, ik zal Zijn straf dragen; en gijlieden, die onschuldig zijt, gij zult gered zijn!quot; En hij zeide het als een die voelde, dat hij de gerechtigheid Gods toch niet ontloopen kon, en die moede was van het ontloopen.

Dat wilden die matrozen evenwel niet doen, want zij hadden een edelmoedig hart. „Neen,quot; zeiden zij, „dan zullen wij liever nog beproeven om den storm te tarten; wij dooden u niet!quot; En zij bogen zich over de riemen, en roeiden met macht, om het schip onder wal te brengen.

Maar met onstuimiger woede kwam de storm weer aanzetten als verbolgen goden, die hun offer begeeren; . . . die mannen gevoelden, dat zij moesten doen, wat zij niet wilden, en weinige oogenblikken later grepen zij Jona, die niet

461

ocr page 468

462 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

tegenstond, en wierpen zij hem in de golven als in de openstaande kaken van den zeegod. Hij zonk weg in de diepte, en de zee werd toen stil, alsof'er nooit een storm was geweest. „De toornige God heeft zijn offer en is verzoend,quot; zeiden de zeelieden; en zij zeilden verder naar Tartessus in Spanje, waar hun koers heen was,

In de diepten neergezonken werd Jona door een groeten visch verzwolgen; drie dagen bleef' iiij in het ingewand van den visch; en toen de derde dag voorbij was, spuwde de visch hem weer uit, en hij lag up het droge, aan het strand van de zee.

Verbaasd zooals nooit een mensch verbaasd was geweest stond hij daar, en in zijn hart zeide hij: „Mijn God heeft mijn dood niet gewild; Hij heeft mij, ongehoorzame, gered; ik zal Zijn wil niet ongehoorzaam meer zijn.quot; En hij liep van het strand af, het land in, de bergen op. Verwonderd merkte hij toen, dat hij weer in zijn eigen land was, in Israël.

God had hem wedergebracht, waar hij te voren was.

Toen kwam God voor de tweede maal tot Jona met het bevel: „Ga naar Ninivé, en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek!quot; En ditmaal gehoorzaamde Jona, door de ondervinding geleerd. Hij maakte zich op, en kwam te Ninivé, bij de Assyriërs.

Ninivé was een groote stad, een koninklijke stad. Drie dagreizen in omtrek was zij, zoo grout was die stad; en vol paleizen en tempels en lusthoven, had zij in aanzien en macht baars gelijke niet up de aarde in die dagen. In de straten en up de pleinen trad Jona op tegen die zondige heidensche bewoners. De armen hoorden hom, en de aanzienlijken hoorden hem; overal werd hij gezien, de man in het haren kleed des profeten. En zijn prediking was: „Nog veertig dagen, en Ninivé zal verwoest worden!quot; Geweldig was zijn taal; want hij sprak als iemand, die zeker wist, dat God doen kon, wat hij zeide; ook sprak hij deze prediking nu gaarne, want hij wenschte niets liever dan den ondergang der Assyriërs; zoo haatte hij dio vijanden van Israël.

De uitslag van zijn prediking was verwonderlijker, dan Jona zelf gedacht of gehoopt had: die heidenen geloofden in zijn prediking, en^zij bekeerden zich

ocr page 469

HET BOEK JONA.

tot God! Zij riepen een algemeen vasten uit; en zij deden hun weelderige kleederen van zich, en trokken boetekleederen aan; zoo zag men hen allen loopen in de stad; en niemand hield in die dagen een feest. Daar was een algemeene vrees onder het volk. Zelfs de koning, als hij de menschen aan het hof ontving, zat niet op zijn troon, maar ontving hen staande, als iemand, die zegt: „Ik ben niet waardig up een troon te zitten.quot; Ook had hij zijn purperen mantel afgedaan; en hij zelf liep ook in een boetekleed. Het was op zijn bevel, dat een algemeen vasten gehouden werd, dagen lang. „Wie weet!quot; zoo liet de koning zeggen, „misschien zal God genadig over ons zijn, als Hij ziet, dat wij boete doen en ons bekeeren!quot;

Uit den hemel zag God, al wat de menschen van Ninivé deden, en hun berouw was aangenaam in Zijn oogen. Hij was genadig over die boetvaardigen; en Hij trok Zijn gedreigde straf in. Ninivé werd gespaard; de stad werd niet verwoest. Deswege was er groote blijdschap en dankbaarheid in de stad, na den veertigsten dag. „God heeft onze gebeden verhoord!quot; zeiden de menschen.

Maar Jona was er niet blijde over. Hij was geërgerd, dat die vijanden van Israël gespaard werden; zij moesten omkomen, zoo hoorde het! En in zijn ergernis klaagde hij tot God; „Zie, Heere! nu worden die heidenen, die vijanden van Uw volk, gespaard! Dacht ik het niet, toen Gij de eerste maal tot mij kwaamt? En had ik geen gelijk, toen ik wegvluchtte naar Tarsis? Ik had hier nooit moeten komen, en deze stad zou vergaan zijn, zooals alle vijanden van Israël moeten vergaan!quot; — „Is het billijk, wat gij zegt?quot; antwoordde God hem; „en is uw toorn terecht?quot; Maar Jona lette niet op de woorden van God; zoo vol was hij van zijn eigen gedachten. En met de laatste hoop in zijn hart, dat God misschien toch nog de stad zou. verwoesten, ging hij weg, de straten uit, naar buiten de stad, waar een berg was. Daar klom hij op, en boven op den berg zette hij zich neder, om af te wachten, en te zien, of Ninivé toch niet zou verwoest worden.

Onder een weinig vooruitstekende rots zat hij; doch de zon scheen heet, den gansehen middag; en de hitte was den man ondraaglijk. Tot zijn verbazing zag. hij, hoe door een wonder voor de rots een boom opschoot, met breede bladeren, die zich boven zijn hoofd uitbreidden, en hem schaduw gaven. Dat

463

ocr page 470

464 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

verkwikte den man. „God is goed!quot; dacht hij, „is goed voor mij, Zijn profeet!quot; En de hoop werd sterker in hem, dat God mi toch ook nog zijn zin zou doen en die stad zou verwoesten. Zoo wachtte hij dien dag; en zoo wachtte hij dien nacht. Maar toen den volgenden morgen de zon oprees, bleek de boom door een wurm gestoken,, en de breede bladeren gingen slap hangen, en hingen straks reeds gansch verdord. Do zon stak Jona; de hitte kwelde hem; aamachtig lag hij neder bij de rots, uitziende naar de stad, die maar niet werd verwoest en nog daar lag in al haar schoonheid. „O mocht ik sterven!quot; klaagde de profeet bitter van hart.

Toen verscheen God aan Jona. „Zoudt gij willen, dat de wonderboom was blijven leven, Jona?quot; zoo sprak de Heere. „Zeker zou ik dat willen!quot; antwoordde de toornige man. „Jona!quot; sprak God, „zulk een nietigen boom zoudt gij willen sparen uit eigenbelang, zou Ik dan niet die groote stad Ninivé sparen, een stad, waar meer dan honderd twintig duizend kleine kinderen in zijn, en had Ik die dan alle moeten verdelgen?quot;

Die man zweeg; maar wat hij toen wist, was dit, dat God, evenals bij Zijn eigen volk Israël, ook bij de heidenen liever Zijn barmhartigheid toonde dan Zijn straffende gerechtigheid; en dat een godvruchtig man niet den dood der zondaren moest wenschen, maar hun behoudenis.

Dit is de inhoud van het boek Jona. En toen de Joden na de ballingschap en in die volgende jaren, waarin veel rampen over hen kwamen, dit schoone boek lazen, zoo vol van wijze lessen, toen wisten zij, dat het goed was geweest, dat God door Cyrus het groote Babyion niet had laten verwoesten; en zij wisten, dat het goed was, dat God lankmoedig was ook over de heidenen, evenals Hij lankmoedig was over Israel. En die vroom was onder de Joden wenschte den heidenen geen kwaad, maar genade.

Toch waren het er niet velen onder de Joden, die naar de les van dit boek dachten en oordeelden; zij haatten de heidenen, en bleven hen verachten,

zooals booze menschon vijanden verachten en haten.

---—-

ocr page 471

ESTHER.

jL^oen na de ballingschap niet alle Joden naar Jeruzalem terugkeerden, R maar velen verkozen in Babel achter te blijven, verspreidden die achtergeblevenen zich langzamerhand ook buiten het rijk, overal heen, C waar hun handel hen bracht. In vele steden zetten zij zich neder; overal ontstonden Joodsche volkplantingen. Cyrus, de Perzische koning, begunstigde dit; want hij was hun vriendelijk gezind. Ook onder zijn opvolger Cambyzes, en na dezen onder Darius den Eerste, groeiden die volkplantingen in aantal en in rijkdom. Maar de ijver en de voorspoed der Joden wekten niet weinig den nijd der Perzen en der andere heidenen. En het was onder den opvolger van Darius, Xerxes, dat het volk der Joden deswege bijna met een geheelen ondergang bedreigd werd. Die merkwaardige gebeurtenis is de volgende.

Xerxes, of Ahasveros, zooals hij in den Bijbel genoemd wordt, was, na Darius den Eerste, koning van Perzië geworden (485—465 v. Chr.) Hij had.in zijn uitgebreid koninkrijk meer dan één hoofdstad. Een daarvan was Susan, waar Xerxes den winter placht door te brengen. Zijn paleis aldaar was zeer prachtig. Van marmer waren de gaanderijen rondom het paleis; en tusschen de marmeren pilaren hingen witte, groene en hemelsblauwe gordijnen, die met zilveren ringen aan die pilaren bevestigd waren. De bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porphiersteen en marmer en albast en andere kostbare steenen, kunstig naast elkander gelegd. Het gereedschap aan tafel was ook van goud; en daar was geen beker aan den anderen gelijk; zij waren allen verschillend van vorm. Het leven aan 's konings hof was in alles zeer weelderig.

Bij gelegenheid van een groot en luisterrijk feest had Ahasveros eens zijn vrouw, de koningin Vasthi, verstoeten. In een luim had hij het gedaan; want Vasthi was een vrouw, den besten koning waardig; maar de Oostersche vorsten waren gewoon om te doen wat zij wilden, zonder iemand rekenschap te geven. Toen Ahasveros in Vasthi's plaats een andere vrouw wilde verheffen, zeide hij, dat deze de schoonste vrouw van het land moest zijn. En zoo werd

30

ocr page 472

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Esther, die onder al de vrouwen de schoonste was, tot koningin gekozen en verheven.

Esther was een wees, die, toen zij alleen op de wereld achterbleef, door haar oom Mordechai bij zich in huis genomen was. Hij had haar opgevoed en was voor haar een vader. Mordechai was van het volk der Joden, en een rijk man. Hij had, evenals andere Joden in de ballingschap, voorspoed gehad, maar evenals zij tegelijk den haat en de afgunst der Perzen verkregen. En daarom, dat toen Esther door den koning tot vrouw gekozen was, Mordechai haar zeide, het aan niemand te zeggen, dat zij een Jodin was. Als de koning het vernam, zou hij in staat zijn haar oogenblikkelijk weer te verstoeten, zooals hij Vasthi verstoeten had! Esther begreep het; en zij hield haar geheim voor zich; ook vernam niemand, dat Mordechai haar oom was.

Nu was er in die dagen aan het hof een man, Hainan geheeten, die bij den koning Ahasveros in hooge gunst stond, en die eiken dag nog in die gunst steeg. Hij kreeg zooveel invloed, dat de koning bijna geen zaak deed zonder hem; in alles werd Haman geraadpleegd; en wat hij wilde, kreeg hij van den koning gedaan. Do eer, die hij daarvoor bij de andere menschen aan het hot genoot, was een eer, zooals men die aan een onderkoning bewijst. Als hij de deur van het paleis uitging, boog iedereen zich voor hem ter aarde; en zoo deden ook de menschen op de straat, als Haman huiswaarts liep of reed. Die eer ontving hij gaarne, want hij was een trotsch man; bij den dag werd zijn hoogmoed grooter. En al waren er aan het hof, die zijn hoogmoed ondraaglijk vonden, zij bogen toch voor hem; hij was do gunsteling des konings; en zij vreesden hem.

Daar was er slechts één, die nimmer vrees voor hem voelde; dat was Mordechai, de Jood. Als hij aan do deur stond, en Haman het paleis uitging, dan boog hij zich nooit ter aarde; hij hield niet van den trotschen Haman; ook wilde hij als goed Israëliet zich niet ter aarde buigen voor een heiden; dat verbood hem zijn godsdienst. En zoo was hij de eenige, die recht stond bij de deur, als iemand zonder vrees.

Haman ergerde zich eiken dag aan hot gedrag van Mordechai. „Wil deze Jood niet voor mij buigen, zooals iedereen doet?quot; dacht Haman; „ik zal hem

466

ocr page 473

ESTHER.

straffen, en sterven zal hij!quot; Maar in zijn hoogmoed dacht hij daarna: „Hij is mij eigenlijk te verachtelijk en te gering, dan dat ik hem zou laten dooden! Ik weet wat ik doen zal: niet hem alleen, maar zijn gansche geslacht, dat geheele volk der Joden zal ik laten ombrengen; zij zullen weten wie heer is in Perzië!quot; En in zijn haat cn gekrenkten trots rijpte dat plan eiken dag vaster.

Van dien dag af sprak Haman bij don koning steeds kwaad van de Joden. Hij verhaalde van den rijkdom, dien de Joden steeds meer verkregen ten koste van de Perzen. Hij verhaalde, dat de Joden eigen wetten er op nahielden, terwijl zij des konings wetten verachtten; en dat er velen in het land waren, die het gaarne zouden zien, als al de Joden verbannen of uitgeroeid werden. Het zou een voordeel voor de schatkist wezen van tien duizend talenten (45,000,000 gulden), indien zij gedood werden en hun geld aan den koning kwam. En veel meer waren de woorden, die Haman alzoo tot den koning sprak. Ahasveros luisterde naar zijn gunsteling, zooals hij in alles naar hem luisterde. „Doe met die Joden zooals gij wilt,quot; sprak hij tot hem, „ziehier mijn zegelring! En wat het geld betreft, ik heb liet niet noodig, behoud het voor u!quot;

Dat was bijna meer dan de listige Haman gedacht had. in zijn vreugde riep hij de schrijvers des konings bij zich; en aanstonds liet hij hen een wet opstellen, waarbij bepaald werd, dat in het gansche rijk op den dertienden dag van de twaalfde maand (Adar) alle Joden moesten gedood en uitgeroeid worden. Met des konings zegelring, dien hij gekregen had, zegelde hij al de afschriften van die wet, opdat niemand der stadhouders, die over de provinciën gesteld waren, aan des konings wil mocht twijfelen; en weldra ging die wet door de Perzische post naar alle einden van het rijk. „Dat zal mijn wraak zijn over Mordechai,quot; dacht Haman; „ook kan de koning zijn wet nimmer meer intrekken, zoo bij eens berouw mocht hebben; want zij is met zijn ring gezegeld!quot; En hij verheugde zich, zooals een boos mensch zich verheugt.

Alsol hij niets bijzonders gedaan had, ging hij weer ten paleize, en hij zat bij den koning aan den maaltijd, vroolijk en schertsend. De koning en hij, zij aten en dronken, en waren dronken. Maar in de stad Susan en daar buiten, waren vele menschen verbaasd en ontzet; en do Joden waren ten doode verschrikt.

ocr page 474

468 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Daar ging een geklaag onder hen op, als van menschen, die weten, dat zij sterven moeten, en die weten, op welken dag de moord komen zal.

Toen ook Mordechai vernam, welke wet Haman in des konings naam had uitgevaardigd, scheurde hij zijn kleederen, en liep hij door de straten der stad, luid klagende, zoo dal de menschen voor hem op zijde gingen on hem nazagen. Naar het paleis, waar de koningin Esther woonde, liep hij; en hij had gaarne haarzelve gesproken, om haar alles mede te deelen. Maar hij wist, dat naaide Perzische zeden geen man daar toegang mocht hebben, noch, dat zij tot hem naar buiten mocht komen. .,En toch moet zij het weten, daoht hij, „zij is de eenige, die ons volk redden kan! Weldra was hij in do gelegenheid om door een vertrouwde van Esther haar alles te doen weten. Ook liot hij haar er hij zeggen, dat zij een middel moest vinden om haar arm volk \aii den ondcigang te bewaren. Het antwoord, dat hij kreeg, was dit: „Laat mijn volk voor mij bidden met vasten; ik zal ook bidden en vasten. Dan zal ik mot den koning spreken. Als mijn volk sterven moet, wil ik ook sterven. Ik zal met Israöl sterven of leven!quot; Over dat heldhaftige antwoord verblijdde zich Mordechai, al was zijn hoop gering.

Drie dagen later deed Esther een daad, zoo moedig als nooit een leizische

koningin gedaan had.

Alleen, van geen vrouw vergezeld, ging zij de poort van haar paleis uit, naar het paleis des konings. De menschen zagen het, en stonden verbaasd. Ongeroepen verscheen zij in de zaal, waar de koning op den troon zat. Verschrikt zagen de hovelingen haar binnentreden. „Die vrouw heeft haar huis verlaten; weet zij niet, dat zij daar de doodstraf mede verdient?quot; zoo dachten zij. Esther wist het zeer wel; zij wist zeer wel, hoe naar de Perzische zeden geen vrouw haar huis mocht verlaten om onder mannen te verschijnen; hoe dit voor onbetamelijk werd geacht; en hoe om zulk een daad elk man het recht had zijn vrouw te dooden zonder verantwoording; en zij wist zeer wel, dat des konings vrouw dit minder mocht doen dan een andere. „Laat de koning mij er om dooden,quot; dacht zij,' „maar ik moet, ik moet hem spreken!quot; En fier, als een, die zich bewust is een moedige daad te doen, schreed zij door de rijen hovelingen,

ocr page 475

ESTHER VOOR DEN KONING.

ocr page 476
ocr page 477

ESTHER.

tot waar de troon des konings was; daar deed zij den sluier van haar aangezicht af, en boog zij zich voor hem neder, zooals een, die een bede komt vragen.

Verbaasd als de anderen, had eerst de koning haar binnenkomen gezien; met opkomenden toorn had hij toen aan haar overtreding gedacht; en woorden van een doodvonnis welden reeds op zijn lippen toen Esther den sluier terugsloeg, en hij het aangezicht zag van die vrouw, zoo schoon, zooals in zijn gansche koninkrijk geen vrouw schoon was. Weg week de toorn van zijn aangezicht; en overwonnen door de schoonheid, bewonderend neerziende op de gestalte, die voor hem gebogen lag als een smeekeling, vergaf bij haar de overtreding, en genadig reikte bij haar zijn schepter toe, dien zij opstaande kuste. „Wat is u, Esther?quot; zoo sprak hij zacht; „en waarom zijt gij gekomen op gevaar al', dat gij sterven moest? Zeg mij uw bede; al vroegt gij mij ook de helft van mijn koninkrijk, ik zou het u geven!quot; — „Heer!quot; antwoordde zij, „kom beden bij mij op den maaltijd, en laat Haman met li komen, en ik zal het u zeggen!quot; En straks ging zij heen, als een, die haar wensch zag vervuld.

Dien middag zaten Ahasveros en Haman aan den maaltijd bij Esther. En ook daar vroeg de koning, welke de bede van baar was, waar zij haar leven om gewaagd bad. „Kom morgen weder met Haman aan mijn maaltijd;quot; sprak zij; „doe mij nog eenmaal die gunst; en dan zal ik u mijn bede zeggen.quot; Dat stond de koning baar toe, nieuwsgierig wat haar wensch wel zijn mocht.

Toen Haman het vrouwenpaleis uitging, trotsch zooals hij nog niet was geweest om deze eer, die nog nooit een gunsteling in Perzië van eenige koningin had genoten, stond Mordechaï buiten, bij de poort, rechtop, onder al de mannen, die bogen -en ter aarde vielen. Grimmig werd Haman, maar hij bedwong zich. Te huis verhaalde hij zijn vrienden, en Zeres, zijn huisvrouw, van de eer, op dezen dag hem overkomen; en ook boe hij den volgenden dag die eer zou hebben. „Doch al mijn eer wordt bedorven door de verachting van dien eenen man, van Mordechaï, die altijd daar staat aan de poort van bet paleis!quot; riep hij grimmig. Daar troostten zijn vrouw en zijn vrienden hem over. „Gij zijt de machtigste man aan bet hof,quot; spraken zij; „zeg den koning, dat die man Mordechaï gehangen moet worden! Wat gij wilt, dat geschiedt!quot; En zij gaven hem den raad, om de galg reeds te doen opstellen, bier voor zijn buis. Die raad

471

ocr page 478

BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

docht Haman goed, en stemde hem weer vroolijk. Den volgenden morgen stond reeds de galg gereed, voor Mordechai bestemd.

Het was, In dienzelfden nacht, tegen den morgen, dat de koning op zijn legerstede lag, en dat hij niet meer slapen kon. „Laat een van de schrijvers komen,quot; beval de koning, „en dat hij mij voorleze!quot; De groote vorsten in den ouden tijd hadden altijd een of meer schrijvers, die steeds hen vergezelden, en die alles beschreven in een boek, wat de vorsten deden, en wat zij spraken; en bij wijlen, als zij wilden weten, wat die schrijvers van hen hadden geschreven , lieten zij zich hun eigen geschiedenissen voorlezen.

De geroepen schrijver kwam bij den koning, die op het bed lag; en hij las hem voor, hoe eens twee dienaars aan het hof een samenzwering tegen Ahasveros gepleegd hadden; hoe de koning bijna het slachtoffer daarvan geworden was; maar hoe een man, met name Mordechai, de samenzwering bij tijds had ontdekt, en des konings leven gered had. „Welke belooning heeft Mordechai daarvoor gehad?quot; vroeg Ahasveros. „Geen belooning!quot; antwoordde de schrijver. En zoo antwoordden ook de andere dienaars in de slaapkamer. De koning was beschaamd, dat hij zoo groote daad van Mordechai onbeloond had gelaten. „Wie is er in de voorzaal?quot; vroeg hij, „laat een mijner oversten komen.quot; — „Haman is reeds daar,quot; antwoordden de dienaars. En weldra werd Haman binnengeleid, die gekomen was om over Mordechai en de galg te spreken.

„Haman!quot; sprak de koning, „daar is een man, wien ik een groote eer wil aandoen; raad mij, wat zal ik dien man doen?quot; — „Wie is die man anders dan ik?quot; dacht Haman. En overluid zei de hij; „Geef dien man uw koningsmantel om; zet hem uw kroon op; doe hem op uw paard door de de straten rijden; laat een van uw voornaamste vorsten dat paard bij den teugel leiden; en laat hem, het paard leidende, do menschen toeroepen: knielt voor den gunsteling des konings!quot; — „Die raad is goed, Haman!quot; zeide Ahasveros; „ga heen, en laat zulks geschieden aan Mordechai, dien ik nog niet beloond heb, toen hij mijn leven redde; en gij, houd gij het paard bij den teugel.quot;

Met verbeten teleurstelling en woede ging Haman heen; en in dier morgen

472

ocr page 479

473

reed Mordechai door de straten van Susan, met des konings mantel om, met des konings kroon op, op des konings eigen paard; en Maman liep er naast, met den teugel in de hand. roepende'; „Knielt voor des konings gunsteling!quot;

Met het gevoel van iemand, die in booze voorteekenen gelooft, ging Hainan naar zijn huis terug, en van daar naar Esther's paleis, tot den maaltijd. Hij voelde, dat deze eer do schande niet kon goedmaken, die hij dien morgen reeds had ondergaan.

Na den maaltijd zeide Ahasveros: „En nu zeg mij, o Esther! wat is toch uw bede? Ik zal haar vervullen, ook al vroegt gij mij de helft van mijn koninkrijk!quot; Toen stond die schoone vrouw op, en voor Ahasveros neervallende, riep zij: „Ik smeek u om mijn leven, o koning! Daar is een man, die mij ter dood wil laten brengen met al mijn volk! 0 spaar mij met mijn volk Israël!quot; Vergrimd opspringende aan de tafel, riep de koning; „Wie is de man, die de hand tegen u durft uitsteken?quot; — „Die booze man is Haman!quot;

ocr page 480

474

klaagde Esther. Zooals de koning toen grimmig was, was hij nog nimmer grimmig geweest; hij kon bijna niet spreken. Haman zelf was neergevallen voor Esther, bleek als een doode. „Sleept hem weg!quot; riep de woedende koning, „laat hem ter dood brengen!quot;

En eer de middag voorbij was, hing Haman zelf aan de galg voor zijn huis, die hij voor Mordechaï had laten oprichten, vijftig ellen hoog.

Esther had haar volk Israël het leven gered, door aan den koning te openbaren, dat zij een Israëlietische was. De wet, die Haman met des konings zegelring had gezegeld en uitgevaardigd, mocht naar der Perzen zeden niet. worden ingetrokken; zij moest uitgevoerd worden. Maar een nieuwe wet werd uitgevaardigd, ook met des konings zegelring gezegeld, waarbij aan de Joden vergund werd zich op dien dag met het zwaard te verdedigen. Daarover was vreugde bij al do Joden in het land. Deze wet werd voorgelezen in alle steden van Perzië; en toen die dag daar was, de dertiende van de maand Adar, toen werden geen Joden gedood, maar wel de haters der Joden, de

ocr page 481

HOSANNA.

vrienden en aanhangers van Haman. Mordechaï werd verheven; gunsteling van Ahasveros werd hij; de tweede in het rijk. En Esther, de schoone, /ij was en bleef sedert de aangebedene van haar volk.

Sedert hielden de Joden dien dertienden van Adar een jaarlijksch feest,

ter herdenking aan die verlossing. Purimfeest wordt dat feest genoemd.

---------------------------—

HOSANNA!

%

et ^oc^en' (1'e 'n Jl,da woonden, was het na Ezra en Nehemia nict voorsPoedig gegaan.

Aan allerlei zonden gaven zij zich weer over, alsof zij door de ^ straf Gods gedurende de ballingschap niets geleerd hadden. De geboden Gods hielden zij niet. Wel hielden zij langzamerhand voorgoed op om afgoden te dienen; de afgodendienst stierf uit; maar zij hadden nu noch goden noch God; zij deden alsof er geen God was. Bij tijden leefde het oude geloof op, en was de dienst des Heeren weer in eere; en daar bleef altijd een kern onder het volk over, waar Zijn geboden gehouden werden, en waar Zijn beloften dierbaar waren. Maar zij waren weinigen.

Evenals op hun vroegere afgoderij rustte ook op hun ongodsdienstigheid geen zegen. Na Nehemia bleven zij honderd jaren aan de Perzen onderworpen. Daarna kwamen zij onder de heerschappij der Macedoniörs, wier koning Alexander do Groote was; negen jaren. Toen kwamen zij onder de Egyptische koningen; honderd jaren. En daarna overheerschten de Syriörs hen weder, dertig jaren. Wel verkregen zij daarna weer een tijdlang hun onafhankelijkheid terug onder de dappere Makkabeön. Maar in het jaar (gt;3 v. Chr. kwamen de Romeinen onder Pompejus. Jeruzalem werd genomen; de tempel werd geplunderd; de muren werden omvergehaald; en van dien tijd af bleven zij aan de Romeinen onderworpen, die Herodes tot hun koning aanstelden (87 — 4 v. Chr.). Een onafhankelijk volk zijn zij sedert nimmer meer geweest.

Deze Herodes, de Groote bijgenaamd, was een gruwzaam koning, die met

475

ocr page 482

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Avreede hand regeerde, en voor vele moorden niet terugdeinsde. Om het volk, dat hij zeer verbitterd had, weer voor zich in te nemen, liet hij den tempel, die geheel vervallen was, weder opbouwen; negen en een half jaar waren daartoe noodig; en deze tempel was inderdaad een schoon en kostbaar bouwwerk. Op het einde van de regeering van dezen wreeden vorst was het, dat de Christus geboren werd; waarom wij zeggen, dat de Christelijke tijdrekening vier jaren te laat begonnen is.

Het Joodsche volk verkeerde in die laatste eeuwen in een zeer treurigen toestand. Oorlogen zonder einde hadden steden, dorpen, akkers en wijngaarden verwoest, zoodat voor den ouden rijkdom een groote armoede was in de plaats gekomen. Zware belastingen drukten het volk, en het was moeilijk voor de menschen om hun belastingen te betalen bij de mannen, die daartoe door de Romeinen aangesteld waren, en die tollenaars genoemd werden. In de voornaamste steden waren Romeinsdie bezettingen gelegd; en deze soldaten met hun hoofdmannen hielden het volk in toom. Die Romeinen konden doen wat zij wilden.

Ook was er in al die eeuwen geen profeet gekomen, in den naam des Heeren, om het volk te leeren en te troosten. Hun priesters waren hun leidslieden, maar blinde leidslieden, die zeiven geen licht hadden. Wel hadden de Joden, sedert de ballingschap, in de meeste hunner steden en dorpen gebouwen opgericht, waar zij op den Sabbat samenkwamen, wat zij vroeger nooit hadden gehad, en welke gebouwen synagogen genoemd werden. Wel werd daar in de Heilige Boeken ijverig gelezen. Maar die in de synagogen voorgingen waren gansch andere menschen dan de profeten geweest waren. Rabbi's werden die voorgangers genoemd; en „meesterquot; beteekent dat woord. In de wetten van Mozes en in de Schriften waren zij zeer geleerd, en daarom werden zij wetgeleerden en schriftgeleerden genaamd. Doch de prediking dier voorgangers in de synagogen was niet wat de profeten geleerd hadden.

Daar waren twee soorten van Rabbi's. De eene soort werd Farizeën genaamd. Zij predikten in de synagogen, dat op het vlijtigste de wetten en inzettingen moesten waargenomen worden; geregeld vasten, handen wasschen voor en na tafel, geregelde gebeden, en veel andere kleine dingen waren noodzakelijk om

476

ocr page 483

HOSANNA.

■n

477

de zaligheid te beërven; de grootere dingen, waarachtige bekeering des harten tot God en overgave des harten aan God, predikten zij niet. Zei ven waren zij /eer hoogmoedig en onwedergeboren; en als zij door de straten liepen in hun lange gewaden, aan welker zoomen zij veel vrome woorden kunstig met zijde hadden laten inwerken, dan hielden zij er van om door do menschen eerbiedig gegroet, en als heiligen aangezien te worden. Op de hoekon der straten deden zij daarom lange gebeden, opdat de menschen het zien zouden, hoe vroom zij waren. Schijnheilig waren zij, en ootmoedig zondebewustzijn kwam evenmin in hun prediking als in hun hart ooit voor.

De andere soort van Rabbi's werd de Sadduceën genoemd. Zij predikten in de synagogen, dat al de verhalen uit de oude geschiedenis van hun volk niet zou gelooid moesten worden zooals zij daar geschreven stonden; engelen waren er nooit geweest; en zij verzwakten bij hun hoorders het geloof in een eeuwig voortbestaan. Hun praktische leer was: „Laat ons maar eten en drinken, want morgen sterven wij, en dan is alles voorbij!quot;

Ploe kon het goed gaan met een volk, waarvan de voorgangers en leidslieden zoodanigen waren? Arm Israël! dat eens Gods uitverkoren volk was, — de heerlijkheid was geweken! Die waarlijk God nog aanbaden in geest en in waarheid, klaagden in huizen en in synagogen om de diepte van hun val; en hun oogen zagen uit, smeekend tot den God van Abraham, of Hij nu toch den Messias wilde zenden, den beloofden grooten Verlosser!

Israël was als een riet, dat van het onweder geknakt was, en dat straks door de volgende hagelslagen geheel verbroken ter aarde zou liggen. Israël was als een lamp, waarvan de vlam wakkelend op het uitdooven stond, en die straks geheel uitgebluscht zou worden. Arm volk! waar was uw God, dei-vaderen God? Moest dat het einde zijn van een groot volk?

Indien er ooit een tijd was, dat de komst van den Messias gewenscht was en noodig, dan was die tijd er nu!

gt;

■ ■■'' '■ i I ,

Ma

1#

I

■

I

1

1

I

jJEI .

I

. I

M «liM

L

I I

I

Hosanna! Hij was er, hij was er! Hosanna!

--0-^(^0

1 I ll

ocr page 484
ocr page 485

et IJiHuwH Testament.

ocr page 486
ocr page 487

DE GEBOORTE VAN JOHANNES.

i^y erwijl Herodes de Groote koning was, leefde er in Judea in het gebergte een priester, Zacharias genaamd. Zijn vrouw heette Elisabetli.

Kamp;JJ Zij waren beiden oud. en stonden bij liet volk bekend als rechtvaardige, O godvruchtige menschen. Zij hadden gaarne kinderen gehad, maar hadden er nooit een gekregen; en dat had hun altijd zeer gespeten. Vroeger hadden zij dikwijls om een zoon gebeden; maar God had dat gebed nooit verhoord; en nu baden zij er niet meer om; zij waren oud.

Hoewel zij in het gebergte woonden, kwamen zij op vaste tijden naar Jeruzalem, omdat Zacharias dan den dienst in den tempel moest waarnemen. De priesters waren namelijk nog, evenals in den tijd van David, in klassen verdeeld; daar waren vier en twintig zulke afdeelingen; en elke afdeeling moest dan op haar beurt gedurende den haar gestelden tijd den dienst in den tempel waarnemen; die, waartoe Zacharias behoorde, heette de afdeeling van Abia. Na den verrichtten diensttijd kon elk priester weer naar zijn stad of dorp terugkeeren, totdat zijn beurt hem weer naar Jeruzalem riep.

Nu was Zacharias volgens zijn voorgeschreven taak op een dier dagen

des morgens in den tempel gegaan, om reukwerk te offeren op het gouden

reukofferaltaar; dat stond binnen, in het Heilige. Terwijl de waardige grijsaard

hiermede bezig was, alleen in het vertrek, stond er plotseling een engel naast

het altaar. Hij zag de blinkende gestalte, en was zeer verschrikt. Vrees niet,

Zacharias,quot; zoo sprak die engel tot hem met duidelijke woorden, en zijn

woorden waren vriendelijk, „ik kom van God, en heb goede boodschap voor u;

waar gij vroeger om gebeden hebt, dat zal God u nu geven; een zoon zult

gij hebben. En als hij zal geboren zijn, moet gij hem Johannes noemen!quot;

Verbaasd zag de oude man naar waar die engel stond; en zijn verbazing klom,

toen die engel verder sprak: „Daar zullen velen in Israël blijde zijn over de

geboorte van uw zoon; want hij zal een groot man zijn onder Gods volk.

Voed hem op als een Nazireör; laat hem nooit wijn noch sterken drank drinken;

hij zal een profeet des Heeren zijn. llij zal hot volk bekeeren; als Elia zal hij

ai

ocr page 488

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zijn; en na uw zoon zal do Messias komen!quot; Dat was te veel, wat die engel hem zeide; hij kon het niet geluoven. „Ik: ben reeds zoo oud,quot; stamelde hij, „hoe kan dat waar zijn?quot; en de woorden waren reeds zijn mond uit, voor hij er goed over gedacht had. „Ik ben Gabriel,quot; antwoordde de engel; en hij sprak als iemand, die verontwaardigd is met droefheid, omdat men zijn woorden niet geloott; „ik ben Gabriel, die voor Gods aangezicht sta in den hemel; gelooft gij nu, wat ik u boodschap in den naam van mijn Heer? Omdat gij niet geloofd heb, zie! gij zult stom zijn van dit oogenblik af totdat mijn woorden zullen vervuld zijn!quot; En plotseling verdween de engel. Zacharias zag naaide plaats, waar hij gestaan had, maar zag niets meer.

Hij ging naar buiten. Daar buiten in den Voorhof stonden de menschen, die gewoon waren op dat nur den tempel te bezoeken, om daar hun gebeden te doen, en dan huiswaarts te gaan met den zegen ties priesters. Zij hadden zich reeds verwonderd, waarom de priester zoolang daar binnen in het Heilige geweest was; maar nog meer verwonderden zij zich, toen zij merkten, dat zijn tong verlamd was, dat hij niet spreken kon, en dat een ander priester den zegen over hen moest uitsproken. Zij spraken er over, en vroegen elkander, wat of dat zijn zou, en wat of er met Zacharias zou gebeurd zijn. Maar niemand wist het; en het meest waarschijnlijk vonden zij dit: dat hij een verschijning daar binnen gehad had. Vol wonderlijke gevoelens ging de schare huiswaarts.

Ook Zacharias ging huiswaarts, naar zijn vrouw Elisabeth; en weldra wist die verbaasde vrouw alles, haar stommen man beklagende, maar ziph tegelijk verblijdende met hem, dat hun gebed uit vroeger dagen verhoord stond te worden, en dat hun zoon de groots voorlooper zou worden van den grooten Messias, Nadat Zacharias zijn vastgestelden tijd als priester te Jeruzalem weer uitgediend had, en een andere afdeeling priesters weer aan de beurt gekomen was, ging hij met Elisabeth weer naar hun stad terug, waar zij woonden, in het gebergte

van Juda.

\

Inderdaad kregen zij daar een zoon. Iedereen was er verbaasd over; want dat had niemand gedacht.

Op den achtsten dag na de geboorte van hot kind, kwamen de betrekkingen

482

ocr page 489

DE G-EBOORTE VAN JOHANNES.

en vrienden, gelijk gewoonte was, om het kind aan Gud toe te wijden, en het een naam te geven. Terwijl zij met elkander hierover spraken, waren zij het allen eens, dat het kind naar zijn vader, en Zacharias moest genoemd worden. Maar de moeder verzette zich hiertegen, en zeide: „Neen, mijn zoon zal Johannes heeten!quot; — „Maar niemand under uw betrekkingen heeft dien naam,quot; antwoordden zij haar; en zij vonden het vreemd, dat de moeder aan het kind een naam wilde geven, die in hun geslacht ongewoon was. Stil en stom had Zacharias daarbij gezeten. De familieleden richtten zich tot hem, en vroegen hem: „Hoe wilt gij, dat uw zoon zal genoemd worden?quot; Hij wenkte, dat men hem een schrijftafeltje zou aanreiken; en daar schreef hij dit op: „Johannes zal zijn naam zijn.quot; Verbaasd zagen die mannen en vrouwen elkander aan; maar nog meer verbaasd werden zij, toen Zacharias op dat oogenblik plotseling zijn spraak terugkreeg, en voor aller ooren te spreken begon. Van Clods Geest bezield sprak hij woorden van lof en prijs aan den Heere, voor de gunst hem bewezen van een zoon te mogen hebben, die een profeet zou worden, een verkondiger van de komst van den Messias. En zoo schoon waren zijn woorden, dat zij als een lofzang klonken in de ooren van allen, die het hoorden.

Toen hoorden die menschen ook de geschiedenis van den engel, die hem verschenen was; en zij konden toen zeer wel begrijpen, waarom de ouders het kind Johannes wilden genoemd hebben. Zij verhaalden het in de volgende dagen aan al de menschen in de naburige dorpen, en daar waren velen blijde over. „God denkt weer aan ons,quot; zeiden zij; „daar breekt een nieuwe tijd aan; zou waarlijk de Messias nu spoedig komen?quot; En zij durfden nauwelijks gelooven, wat zij zoo hoopten.

483

Die knaap, Johannes, groeide op in de eenzaamheid, in het gebergte; als een Nazireër werd hij opgevoed; en God zegende hem. Hij was veel in de wildernis, waar de stille woestijn zich uitstrekte. En die hem kenden, hielden hun oogen op hem geslagen, vol groote verwachting.

lt;V-^5)(C£-0-

ocr page 490

DE GEBOORTE VAN JEZUS.

xj3 n het noorden des lands, waar de provincie Galilea lag, was er een klein dorp, Nazareth, Het was zoo onaanzienlijk, dat het aanleiding-tot een spreekwoord gegeven had; „Kan er uit Nazareth iets goeds komen?quot; De geheele provincie Galilea stond bekend als een land, waar de beschaving nog niet doorgedrongen was; zij lag ook aan het uiterste des rijks, zoover van de hoofdstad Jeruzalem; en de bewoners waren er grootendeels landbouwers en herders, die daar nog leefden naar echt aartsvaderlijke zeden. Rondom het meer, dat in het midden der provincie lag, woonden wat visschers; de zee van Galilea heette dat meer; ook werd het naar de steden, die er omheen lagen, wel het meer van Tiberias, of van Kapernaüm, of van Genezareth genoemd, In het dorp Nazareth leefde er een jonge vrouw, Maria genaamd. Zij stamde nog af van koning David, maar niemand zou het gedacht hebben, zoo arm was zij. Haar geslacht behoorde in Juda thuis; Elisabeth, de vrouw van Zacharias, was ook haar nicht; maar niemand weet, hoe haar ouders of voorouders reden hebben gevonden om Juda te verlaten, en zich in Nazareth te vestigen; ook weet niemand, hoe dat geslacht er zoo arm geworden was, Maria was onder de arme menschen van haar dorp onder de armsten; zij was zeer nederig, en dacht niet groot van zichzelve, uok al wist zij, dat zij van het koninklijk geslacht was.

Het was tot haar, dat God denzelfden ongel zond, die aan Zacharias verschenen was. Plotseling stond Gabriël voor haar, in zijn hemelsche gestalte, „Wees gegroet!quot; sprak hij, „daar is onder de vrouwen niemand, die zoo hoog gezegend zal zijn als gij!quot; Wonderbaar waren die woorden; Maria hoorde ze, en stond ontsteld, „Waarom zal ik meer gezegend zijn dan eenige andere vrouw?quot; dacht zij; „ik, die zoo arm ben, en niet beter dan een ander?quot; De ontroering stond op haar aangezicht. „Vrees niet, Maria!quot; zeide de engel; „zie, God zal u een zoon geven; Jezus zal zijn naam zijn; niemand op de aarde zal zoo groot zijn als hij; want Gods Zoon zal hij wezen; koning zal hij wezen in eeuwigheid!quot; Toen Maria dit hoorde, ontroerde zij nog meer, want zij begreep, dat die zoon, waar de engel van sprak, de Messias zou wezen. Ontroerd,

ocr page 491

DE GEBOORTE VAN JEZUS.

verschrikt, en blijde tegelijk over zoo groote genade, die haar tot de grootste der vrouwen zou maken, sprak zij stamelend: „Plet is goed, heer! ik wil de moeder van den Messias wel zijn!quot; Eu toen zij haar oogen weer opsloeg, stond de engel er niet meer. Zij stond op; maar wat zij gehoord had, verhaalde zij aan niemand van de vrouwen in Nazareth. „Ik zal zien, wat God doet!quot; dacht zij; en zij geloofde, ootmoedig en blijde.

In datzelfde jaar huwde zij met een man uit Nazareth, die Jozef heette. Ook Jozef was uit het koninklijke geslacht van David; maar hij was, als Maria, zeer arm; hij was een timmerman in het dorp. Toen Jozef het hoorde, wat de ongel aan Maria had voorzegd, was ook hij zeer blijde; hij had ook reeds lang naar de komst van den Messias verlangd; evenwol had hij het altijd anders gedacht; zooals bijna alle menschen van zijn volk had hij gedacht, dat de Messias onder de voornaamsten en aanzienlijksten van het land zou geboren worden, of dat hij als een held uit den hemel zou nederdalen. Toch geloofde hij, wat deengel had gezegd.

Hoewel de Joden een eigen koning hadden, Ilerodes den Groote, zoo waren zij toch met hun koning, hoewel niet in naam, dan toch in werkelijkheid aan de Romeinen onderworpen. Een groot en machtig volk waren de Romeinen; zij hadden zeer dappere legers onder bekwame aanvoerders, en zoo hadden zij bijna al de landen der toen bekende wereld veroverd en schatplichtig gemaakt. Hun hoofdstad was Rome; en zij werden geregeerd door keizers. In do dagen van Jozef en Maria was Augustus keizer, een man-, die beroemd is geweest door zijn grootheid, goedheid en macht.

Deze Augustus had over de landen in de omgeving van Syrië een nieuwe schatting uitgeschreven. „Laten de inwoners van Syrië en ook van Judea mij schatting betalen,quot; had hij gezegd. En daarom, dat aan de Joden een bevel gegeven werd,' dat iedereen naar de plaats moest gaan, waar zijn geslacht thuis behoorde, om daar zijn naam te doen opschrijven. Zoo zou geslacht bij geslacht opgeschreven worden; zoo zou men hot gezamenlijk getal kunnen weten van de bewoners van het land; en zoo zou de schatting van elk geslacht in het bijzonder kunnen worden geïnd. De Joden gehoorzaamden aan dit bevel van hun keizer, al was

485

ocr page 492

486 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

IVet met wrevel en weldra trokken duizenden van hen van hun tegenwoordige woonplaats naar de voormalige woonplaats van hun geslacht, om hun namen te doen opschrijven.

Zoo ging ook Jozef uit Nazareth naar Bethlehem; en zijn vrouw Maria ging met hem. Naar Bethlehem moesten zij, omdat zij van David afstamden, en David's geslacht in Bethlehem gewoond had. Het. was een lange reis; en zij waren vermoeid van de reis, toen zij tegon den avond Bethlehem bei eikten. Het kleine dorp was vol menschen, vreemdelingen, die ook gekomen waren om hun namen te doen opschrijven, en die in de herberg of bij bekenden reeds hun intrek genomen hadden. Waar moesten Jozef en Maria een onderkomen vinden? Zij zagen elkander aan, maar zij wisten het niet. Daar was nergens meer plaats; ook de herberg was vol; en de nacht viel reeds in. Die twee arme menschen, — in den stal zijn zij toen gegaan; en op een bed van stroo is Maria toen gaan liggen. Aan de zijden stonden de ezels, waar de andere rijkere reizigers de reis mede hadden gedaan.

In dien nacht werd het kind geboren, waar de engel van gesproken had, en dat Jezüs zou heeten. Daar waren geen kleederen om het kind aan te trekken; en in doeken werd het zoolang gewikkeld. „Later zal ik kleeren er voor maken,quot; dacht de moeder. Daar was geen wieg om het kind in te leggen; en in de kribbe, waar de dieren uit gegeten hadden, werd het voorshands gelegd op stroo. „Later zal ik het kind een bed geven, zooals andere kinderen hebben,quot; dacht tie moeder. Was er ooit een kind zoo arm geboren? Toch was die moeder blij, zooals moeders blij zijn, wanneer er een kind is geboren; en als zij het kind aanzag, met lachen, dacht zij aan wat do engel haar had gezegd. „Mijn kind, de beloofde Verlosser!quot; sprak zij zacht, met stralende oogen. Was er ooit een moeder meer blij met haar kind? En als zij het kuste, dan

kuste zij het als een, die weet, dat haar zoon zal groot zijn onder de menschen.

*

In veel latere dagen, toen Jezus groot geworden, en door velen als de Messias erkend was, verbaasden de menschen zich, dat God in Zijn wonderlijke wegen door Augustus de volksbeschrijving beschikt had, want die beschrijving was oorzaak geworden, dat Bethlehem de geboorteplaats was geworden van den Messias; en ziet! dat was door de profeten gezegd!

ocr page 493

IN DKN STAL.

ocr page 494
ocr page 495

DE GEBOORTE VAN JEZUS.

In dienzelfden nacht waren daarbuiten op het veld herders, die de nachtwacht hielden over hun kudden. Overdag graasden de schapen op de heuvelen bij Bethlehem; maar tegen den avond werden zij door de herders bijeengedreven, en naar de ommuurde ruimte gebracht, waar geheele kudden bij elkander konden liggen; zulk een ommuurde ruimte werd de schaapskooi genoemd. Daar brachten de herders hun schapen, opdat zij veilig konden wezen; de lammeren konden daar door wild gedierte niet verscheurd, en de schapen konden daar door dieven niet zoo gemakkelijk geroofd worden; daar waakten zij voor, de herders, den ganschen langen nacht. En als de dag aanbrak, dan lieten zij de schapen weer uit; elk schaap kende de stem van zijn herder, en volgde hem; en over dag had elk herder zijn eigen kudde bijeen: maar 's nachts waren alle kudden bij elkander.

Terwijl die mannen daar over hun dieren de nachtwacht hielden, zagen zij zich eensklaps door een schitterend licht ingehuld. Overal over de heuvelen was het duistere nacht; maar waar zij stonden was het licht; en voor dat zij tijd hadden elkander verbaasd te vragen, hoe dat licht hier kwam, wisten zij het; want zij zagen in dat licht, vlak voor zich, een engel, een hemelsche gedaante. Vluchten wilden zij, die herders, in hun schrik! Maar reeds sprak de engel: „Vreest niet;quot; en zijn stem was zeer vriendelijk; „ziet! ik verkondig u iets, waarover gij blijde zult zijn, gij en al het volk. In dezen nacht is de Messias geboren, die zoo lang verwacht is, en die de menschen zal zalig maken. Wilt gij hem zien? G-aat dan naar den stal; daar ligt een kind, in doeken gewonden, in de kribbe; dat kind is het!quot;

En nog hadden die herders nauwelijks die woorden begrepen, of plotseling zagen zij bij dien eenen engel vele andere engelen, een gansch groote menigte; de gansche vallei van Bethlehem was vol engelen, met blijde gezichten. En zingen, deden zij, zingen; een groot, lang lied, zooals die herders het nog nooit hadden gehoord; wat klonk dat blij over dorp en veld! Zij konden niet genoeg luisteren, de mannen; ook verstonden zij de woorden zeer wel: ,,Eere zij God in de hoogste hemelen! Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!quot; Zij wisten later niet, hoelang het geduurd had, want zij voelden geen tijd; maar eindelijk, toen zij weder tot zichzelven kwamen, stonden zij

489

ocr page 496

490 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

in het duister; het licht was weg; de gedaanten waren weg; wat zij zagen was de muur van de schaapskooi, waren de schapen, en waren de donkere heuvelen in de verte. Ook de zang was verdwenen; het was zeer stil over de

vallei van Bethlehem.

Die mannen konden nauwelijks tot elkander spreken, terwijl zij elkander

aanzagen. Eindelijk zeiden zij: „Laat ons naar het dorp gaan, en het kind gaan

zien!quot; Zij sloten de poort van de schaapskooi goed vast, en liepen met haast,

te blijde, om alles goed te begrijpen; het was bijna te veel, zij konden alles

niet vatten. Maar toen zij in den stal kwamen, en daar de moeder Maria op

het stroo zagen liggen, en een klein kind zagen liggen op het stroo in een

kribbe, in doeken gewikkeld, toen riepen zij: „Dat kind is het! En met

eerbied naderend, zooals men voor God nadert, knielden zij neder voor de

kribbe, en met hun gelaat op den grond, aanbaden zij het kind. „Messias!

meiden zij met stamelende lippen. Zij hadden het ook altijd anders gedacht,

die herders; zij hadden ook gedacht, dat de Messias in een groot paleis zou

geboren worden, of uit den hemel zou nederdalen als een held; en zij hadden

niet gedacht, dat Hij zoo zou geboren worden als de armste der kinderen huns

volks. Maar zij geloofden, zij geloofden.

Maria wist eerst niet, wat die herders deden, en hoe zij alles wisten, wat zij en Jozef daar alleen wisten. Maar toen die herders van de engelen vertelden, toen begreep zij het; en met een gezicht, zoo blijde als nooit een moedergezicht is geweest, dacht zij diep in haar hart: „Nu weet ik wel zeker, dat mijn kind de Messias is, ook al ligt het daar arm op het stroo in een kribbe!quot;

Toen die herders den volgenden dag aan alle menschen van de engelen verhaalden en van het kind, kwam er een ontroering over de menschen, met blijdschap; als de ontroering van menschen, die zeggen: „Eindelijk, eindelijk is Hij gekomen, onze Verlosser! ' Maar velen konden niet laten te denken. „Wij

dachten, dat Hij op andere wijze zou gekomen zijn; dit is zulk een arm kind!quot;

---------- —---

ocr page 497

VOORSTELLING IN DEN TEMPEL

N^-^gaan, en om dan dien jongen zoon den Heere voor te stellen, zooals 5 ^ men liet uitdrukte. Dan ging de moeder met haar kind in de armen naar

den Voorhof; de vader met haar. Waren zij rijk, dan namen zij een lam mede voor den priester; waren zij arm, dan een paar duiven. Bij het altaar, voor den priester gingen zij dan staan, die blijden, en zij toonden hein het kind, alsof' zij liet den Heere God toonden. En de vader sprak dan daarbij woorden van dankbaarheid uit; de moeder eveneens; terwijl het meegebrachte offer tegelijk werd aangeboden. En de priester, in de wijding van zijn ambt, als hij eerst die ouders wel toegesproken had, over hun verplichtingen jegens dat kind. om het op te voeden in de vreeze des Heeren, de priester leide het dan de handen op, zegenend; en hij liet hen gaan, de ouders, die huiswaarts schreden door de straten der stad, zoo vroolijk. zoo rijk, en aangestaard en nagezien door de voorbijgangers, die allen hun toeriepen: „Vrede zij u!quot; Dat was een lieflijke gewoonte in Israël, dat voorstellen aan den Heere, van den eersteling, op den veertigsten dag.

Ook Maria en Jozef gingen, toen het kind veertig dagen oud was, met hun kind van Bethlehem naar Jeruzalem, naar den tempel. Zij hadden een paar jonge duiven bij zich, om als offer aan den priester aan te bieden; en de andere menschen, die in den Voorhof waren, zeiden bij zichzelven: „Dat zijn wel arme mensehen!quot; En zoo dacht ook de priester, die het offer aannam en het kind zegende; weinig dacht die priester, dat het de Messias was, wien hij onbewust de handen oplegde.

Maar wist de priester het niet, daar was een ander, die hét wist, een grijsaard, die daar juist ook den Voorhof binnengekomen was. Simeon heette die man, en hij was bij de vromen in Jeruzalem wel bekend; hij was een godvruchtig man, en zelden was er een Israëliet geweest, die vuriger naar do komst van den Verlosser verlangd had dan hij. In dat vurig verlangen had

et was een gewoonte in Israël om, als er een eersteling geboren was in een gezin, na het herstel van de moeder naar den tempel op te

ocr page 498

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

God hem eens getroost, door hem te zeggen, dat hij niet sterven zou voor dat zijn verlangen vervuld was.

Toen hij den Voorhof binnenkwam, zeide Gods stem binnen in hem; „Daar is de Messias, dat kind!quot; En verbaasd over die stem, verrukt, trad hij op Maria toe, en nam het kind uit haar armen in zijn oude armen. Wat hij zijn leven lang verlangd had, zagen zijn oogen. Opgetogen riep hij uit; „Is dit kind de geboren Verlosser? O Heere! laat mij nu dan sterven! Ik heb mijn wensch!quot; En voor de ooren van allen, die daar stonden, gingen zijn woorden over in een lied der blijdschap en der zegening, dat hij uitsprak. Toen hij hot kind aan de moeder teruggaf, zag hij haar aan, die blijde Maria; en als een profeet, die in de toekomst ziet, zeide hij haar; „O vrouw, die nu zoo blijde zijt; eenmaal zal er een zwaard u door de ziele gaan; en velen zullen in uw zoon niet gelóoven; maar velen zullen door Hem behouden worden!quot; Het waren wonderlijke woorden, die de moeder niet begreep, dan eerst vele jaren later.

Tot de verbazing der ouders was er nog een daarbij komen staan, een

492

ocr page 499

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.

oude vrouw van vier en tachtig jaren, Anna geheeten, dio ook wel bekend was bij de vromen in de stad; en ook Anna bevestigde de woorden van Simeon, in blijde verrukking. De armoede en de geringheid van het kind en de ouders hadden die beide oude lieden niet verhinderd in Jezus den gekomen Messias te zien; zij geloofden. Maria stond aldoor verbaasd over al de getuigenissen, die zij over haar zoon reeds gehoord had; en zij had haar zoon lief als een, die dacht: „Deze is mijn kind, maar hij zal mijn Zaligmaker tegelijk zijn!quot;

Hoewel alzoo door velen hot gerucht verbreid werd, dat de Messias geboren was, zoo was er toch geen algemeene blijdschap in do stad en op het land. De meesten geloofden het niet. „Dat kind is te arm,quot; zeiden zij. „en die ouders te onaanzienlijk.quot; Weldra sprak niemand er meer van; en was men het kind en zijn ouders vergeten. Alle mensdien hadden de komst van den Christus ook zoo anders verwacht, en bleven het ook anders verwachten.

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.

' et' W:lS eenigen daarna, dat zeer ver in het oosten, in het land

T der Chaldeën, waar de stad Babylon lag, eenige Magiërs een ster 4* JL

aan den hemel zagen schijnen, zooals zij nog nooit hadden waargenomen. ^ Magiërs waren menschen, die door de anderen in hun land voor wijzen werden aangezien; zij kenden de sterren en haar omloop aan den hemel, en zeiden aan de menschen, dat ieder levenslot vooruit uit den loop der sterren te berekenen was; geluk of ongeluk voor een mensch, het was in de sterren te lezen voor wie wijs was; en zij, tie Magiërs, gaven voor die wijsheid van de goden verkregen te hebben. Menigeen, en vooral de aanzienlijken, raadpleegden dan ook gedurig de Magiërs, en gaven hun dan voor hun raad veel geld en geschenken. Daar waren veel bedriegers onder die Magiërs; maar daar waren er ook onder, die werkelijk geloofden in hun kunst.

Het waren eenigen van hen, die, in zekeren nacht op het dak van hun huis weer bezig zijnde met het naspeuren der sterren, een ster waarnamen,

493

ocr page 500

494 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

die alle andere sterren aan den hemel in schittering overtrof. Verbaasd zagen zij op; want zij kenden alle sterren, maar deze kenden zij niet; zij hadden haar nog nimmer gezien. ..Deze schijnt voor het eerst,quot; zeiden zij en naar hun gewone wijze van denken maakten zij de gevolgtrekking, dat er ook ergens op de aarde een mensch moest geboren zijn, die evenzeer alle andere menschen in glans overtreffen zou gelijk deze ster de andere sterren overtrof. Deze lieden geloutden werkelijk in hun kunst; en hoewel bijgeloovige heidenen, waren zij toch geen bedriegers. „Wij moeten weten, waar die jonge vorst geboren is,quot; spraken zij onder elkander; en terwijl zij opzagen naar den hemel, namen zij waar, dat die ster zich voortbewoog. „Zou het kind daar zijn, waaide ster zich heen beweegt?quot; vroegen zij. En eer er vele nachten voorbijgegaan waren, waarin zij de wonderbare ster telkens hadden gadegeslagen, waren zij bij zichzelven overtuigd geworden van hun meening, en waren zij besloten om den loop der ster westwaarts te volgen, en te zien of zij den jonggeboren vorst konden vinden; zij wilden hem begroeten en huldigen. „Misschien zijn wij de eersten, die hem zijn grootheid komen aanzeggen,quot; dachten zij.

Weldra waren zij op reis, op hun kameelen snel rijdend, met alles, wat zij voor een lange reis noodig hadden, bij zich; want geen arme lieden waren zij. Zelfs hadden zij kostbare geschenken medegenomen, zooals men koningen pleegt te geven, goud, wierook en mirre. „Bij zulk een groot vorst, die de grootste van alle vorsten worden zal, mogen wij zonder geschenken van hulde niet naderen,quot; spraken zij.

Den weg volgend, dien bij nacht de ster hun wees, kwamen zij voorwaarts, westwaarts, tot waar de stad Jeruzalem lag. „Hier is het,quot; zeiden zij met blijdschap; want zij merkten, dat de ster stil stond boven hun hoofd, ongeveer bijna boven de stad. „Zou het een Joodsche vorst zijn, die de grootste koning-der aarde worden zal?quot; dachten zij met verwondering; „maar het moet toch zoo zijn, want die ster bedriegt niet!quot; Met deze gedachten reden zij de stad binnen, aangestaard door de menschen in de poort, die nieuwsgierig waren te weten, wie deze vreemdelingen waren.

„Zegt ons, waar is de geboren koning der Joden?quot; zoo vroegen zij weldra; „is het ginds, waar dat schoone paleis is?quot; en zij wezen, op hun

ocr page 501

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN. 495 Swll

V

kemels zittend, naar het nieuwe paleis, dat Heiodes zich had laten bun wen.

Verwonderd zagen de burgers hen aan. „Hier is geen jonge koning geboren,quot;

antwoordden zij; „wie heeft onware tijding u gebracht? Zijt gij gezanten van verre?quot; — „Wij zijn Magiërs,quot; spraken de vreemdelingen; „in uw land is een

illllil

koning geboren, die de grootste der koningen zal worden; wij hebben het iiliH

in de sterren gelezen; en wij zijn gekomen om hem te aanbidden.quot; Toch waren zij teleurgesteld, de mannen; want daar was niemand in de stad, die hun zeggen kon, wat zij begeerden te weten; dat bleet' zoo, den ganschen langen dag; en zij waren als menschen, die vreesden, dat hun kunst hier had gefaald.

Evenwel was de gansche stad in beroering gekomen. „Hebt gij gehoord,

wat die vreemde Magiërs hebben gezegd?quot; zoo vroegen de burgers elkander;

„zou de Messias zijn geboren, en weten wij het niet?quot; — „Mocht het waar zijn!quot; zeiden anderen; .,ach! dat de verlossing kwame!quot; Den ganschen dag spraken de burgers met de gekomen vreemdelingen; en deze moesten hun

verhaal vele malen verhalen. Hun enkel woord was voldoende geweest om al

i

die Israëlietische harten te ontsteken in brandend verlangen naar den Messias, zooals veel profeten het niet hadden kunnen doen.

Ook Herodes in zijn paleis had het gehoord, dat die wijzen waren gekomen met hun vreemde vraag. „Indien het eens waar was?quot; dacht de booze koning; „en indien mijn zonen dezen troon eens moesten afstaan aan dien Messias, die

■

komen zal?quot; Die oude man vloekte bij de gedachte, indien het eens alzoo gebeuren mocht; en hij sidderde tegelijk. „Laat de schriftgeleerden komen, en de priesters!quot; riep hij. En weldra kwamen zij, die geroepen waren. „Ik weet, dat de Messias komen zal,quot; sprak Herodes, „maar hebben onze profeten ook gezegd, waar die Messias zal geboren worden?quot; en hij sprak het als een, die beefde en die toornde tegelijk. Die vraag konden de schriftgeleerden hem wel beantwoorden. „Te Bethlehem zal Hij geboren worden, o heer!quot; dus zeiden zij; en zij verhaalden hem, hoe dat vast stond naar der profeten woord; de woorden, waarmede Micha het had voorzegd, toonden zij hem in de boekrol, onweder-sprekelijk. En straks, toen zij heengegaan waren, de schriftgeleerden, mompelde de koning, als een, die in woede ontstoken was: „Hij zal sterven, die jonge

ocr page 502

496 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Messias, ook al moesten velen met hem sterven; mijn geslacht, en geen ander, zal zitten op den troon van Jeruzalem!quot;

In dienzelfden avond liet hij heimelijk de Magiërs roepen; en hij was vriendelijk jegens hen, zooals hij met hen sprak. „Ik weet, dat gij wijzen zijt,quot; zeide hij, „en dat de goden u dingen openbaren, die zij geen andere menschen te kennen geven. Ik heb voor u vernomen, waar het is, dat de jonge koning moet geboren zijn; dat is te Bethlehem. O gaat toch, gij wijze mannen, en zoekt het kind aldaar! En wanneer het kind gevonden is, komt het mij zeggen. Want ook ik wil dan den jongen grooten koning eeren met geschenken, hem hulde doen, zooals hem voegt.quot; En vele waren de vleiende vriendelijke woorden, die Herodes met hen sprak. Dat stemde de wijzen dankbaar, en heengaande beloofden zij den koning om te doen, wat hij hun had gevraagd. Weinig wisten zij, wat die moordenaar, die reeds zoo velen had vermoord, in zijn gedachten voor hen had verborgen.

Toen het nacht was, en de Magiërs de stadspoort uitgingen, den weg op naar Bethlehem, tot waar de arme woningen waren, zagen zij de blinkende ster fonkelend boven zich. „Die koning heeft ons goed gewezen!quot; spraken zij. En straks, in een dier woningen binnengegaan, knielden zij neder voor het kind Jezus. „G-evonden, gevonden!quot; riepen zij; en die eenvoudige mannen brachten hun geschenken voor, en boden ze eerbiedig aan de moeder aan, als hun hulde voor het kind, dat eenmaal de aarde regeeren zou. Goud, wierook en mirre gaven zij, terwijl zij verhaal deden van de ster en van hun reize. Zij waren als menschen, die voor onduidelijk gevoelde zielsbehoeften hier eindelijk vertroostend bevrediging hadden gevonden; en weinig bevroedden zij, dat niet hun sterren, maar dat de God des hemels zelf hun harten en hun schreden geleid had naar dit kind, um de eersten te zijn der heidenen, die Jezus als koning zouden begroeten; die heidenen geloofden. En straks kenden zij betere openbaring, dan die van hun sterren; straks ontvingen zij van God zeiven een openbaring, van don nieuwen God, wiens kennis zij medenamen naar hun verreland.

Zij keerden weder, maar niet over Jeruzalem, niet na Herodes gezien te hebben; want in die openbaring had God hun gezegd, welke moord dat kind Jezus door Herodes bedreigde. Zij keerden weder langs een anderen weg; blijde.

ocr page 503

DE WIJZEN UIT HET OOSTEN.

als die den grootsten schat huns levens gevonden hadden; maar tegelijk verwonderd zich afvragend, wat volk toch dat Jodenvolk was, dat het zelf niets wist van zijn schat.

„Waar zijn de Magiërs?quot; vroeg Herodes den volgenden dag, en den dag daarna; „zijn zij nog niet wedergekomen?quot; En hij vroeg het, totdat hij hoorde, dat zij reeds afgereisd waren ver weg, naar hun land. „En zijn zij mij niet komen zeggen, welk kind liet is?quot; riep hij. Zelden was de koning zoo toornig geweest, zooals hij nu toornig was. „Sterven moet dat kind, al moeten ook alle kinderen met hem sterven!quot; De hovelingen sidderden, toen zij het aangezicht van den gevreesden wreedaard aanzagen. „Snel!quot; riep hij, „soldaten naar Bethlehem! Dat alle kinderen daar met het zwaard gedood worden!quot;

En eer die dag voorbij was, waren in het kleine dorp alle kinderen, die jonger waren dan twee jaren, door de soldaten des konings omgebracht; met het zwaard geslagen, lagen zij op de straten in him bloed, of in de huizen op den grond, of op den schoot van zinnelooze moeders.

In de vallei, waarin 'Bethlehem lag, steeg het geschrei op, en het geklaag, en het gekrijt van vrouwen en mannen, die voor hun oogen dien dag hun kinderen hadden zien slachten, niet wetende, dat die onnoozele kinderen de eerste onbewuste martelaars waren voor dien Jezus, voor wien nog zoo veel martelaars hun leven zouden laten.

Tn dien nacht, zoo verhaalden latere menschen, was een bleeke vrouw gezien, in een lang wit gewaad, die klagende door de donkore velden had geloopen, roepende om haar kinderen; dat was Rachel geweest, die uit haar graf daar dicht bij was opgestaan; en velen hadden haar kermen gehoord. „Mijn kinderen! mijn kinderen!quot; zoo had zij geroepen; maar tegen den morgenstond hadden de lieden voor haar graf gestaan, doch zij hadden niet kunnen merken, dat de steen er af was geweest.

Toen Herodes hoorde, dat zijn bevel was uitgevoerd, was hij gerust, de booze koning; en hij lachte, zooals een slecht man lacht: „Geen Messias, maar mijn geslacht zal op den troon zitten van Jeruzalem!quot;

Weinig dacht hij, dat juist dat eene kind niet bij de vermoorde kinderen

32

41)7

ocr page 504

498

was. Jozef, dour den engel des Moeren in den dwxnn gewaarschuwd, was te voren reeds nit Bethlehem vertrekken, en niet Maria en het kind Jezus gevlucht.

Zij waren reeds op weg, op weg naar Egypte, ver buiten Herodes' macht.

--------

DE TWAALFJARIGE JEZUS IN DEN TEMPEL.

quot;^nfe^^iet lang na den kindermoord te Bethlehem stierf Hcrodes. Zijn groot quot; rijk werd in drieën verdeeld onder zijn drie zonen. Het zuidelijkste

deel, Judea on Samaria, kwam onder Archelaüs, die echter in het jaar 14 na Chr. door de Romeinen afgezet werd. Judea werd toen bij Syrië ingelijfd, on als een Romoinsche provincie bestuurd door een stadhouder, Cyreneüs. Philippus, de tweede zoon, kreeg de landen ten oosten van de zee van Tiberias,

ocr page 505

DE TWAA.LFJAlUGrE JEZÜS IN DEN TEMPEL. 499

En de derde zuoii, Herodes Antipas, werd koning- over Galilea en het üverjor-daansche of Perea. Deze regeerde tot het jaar 39 na Christus.

Toen Horodes do Groote gestorven was, keerden Jozef en Maria met het kind Jezus uit Egypte terug. Een engel Gods had het Jozef gezegd, dat hij niet meer behoefde te vreezen om terug te keeren, want dat Jierodes dood was. En bij zijn terugkomst vestigde Jozef zich weer te Nazareth, in hot noorden, in Galilea, waar Herodes Antipas koning was. Daar te Nazareth leefde het gezin in stilte on eenvoud, onopgemerkt. Wie dacht nog, wie wist nog van de ontroering, die door do wonderbare dingen bij Jezus' geboorte te Jeruzalem en te Bethlehem gewekt was? Jozef was tinnnerman, Maria een gewone vrouw zooals de andere vrouwen, on Jezus groeide te midden van de broeders, die ook in het ge^yn geboren werden, op, zonder dat iemand te Nazareth lots bijzonders aan den knaap opmerkte. Het arme, eenvoudige gezin was daar bekend zooals elk ander gezin daar hekend was. Zoo werd Jezus twaalf jaren oud.

Nu was het in Isnuquot;! de gewoonte, dat kinderen beneden de twaalf jaren beschouwd werden als menschen, die de heilige wetten nog niet in allen deele konden kennen en nakomen. Met het twaalfde jaar echter werden zij geacht de godsdienstige wetten en instellingen wel te kennen, en den leeftijd der getrouwe wetsbetrachting te zijn ingetreden. Voor hun twaalfde jaar behoefden zij bijvoorbeeld nog niet de gewone jaarlijksche reis naar den tempel te Jeruzalem mode te maken; maar na hun twaalfde jaar moesten zij mede naar de viering der groote feesten in de hoofdstad, zooals de godsdienstige wet voorschreef. Dat was voor de kinderen voor het eerst altijd een genot en een vreugde, als waar zij reeds lang en gaarne naar vooruitgezien hadden.

Zoo kwam het, dat Jezus, toen hij twaalf jaren oud geworden was, door Jozef en Maria medegenomen word, toon zij naar gewoonte de reis naar Jeruzalem maakten om daar het Paaschfeest te vieren. De oogon van den knaap zagen voor hef eerst de schoonheid van zijn land: de rivier Kison, waar zij doortrokken, de vlakte van Jizreöl, de olijfbosschen van Manasso, de wijngaarden tegen de heuvelen, de golvende akkers met rijp koren, al zuidwaarts; en eindelijk, met den karavaan van feestgangers, waar zij zich bij

ocr page 506

500 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

aangesloten hadden, al zingende, de muren en de poorten van Jeruzalem, de heilige stad, waar zij, met de liederen op de lippen, binnentrokken. De oogen van den knaap zagen blijde verbaasd de bonte menigte van honderdduizenden vreemdelingen in de straten, die met de in hun oogen gelukkige burgers dei-stad, opgingen naar waar de tempel stond. Hij zag de offers, hij hoorde de liederen, hij stond mede aan aan de heilige tafel van het Pascha, en zat mede aan aan de feestelijke maaltijden der vrienden. En onder alles ging de eerbiedige ziel van den knaap op in de aanbidding van den grooten Clod, die de God Israels was. Het waren dagen, die niet moesten eindigen.

Toen het feest over was, en de gezelschappen zich weer aaneensloten tot karavanen, die de verschillende poorten der stad uittrokken, gingen ook Jozef en Maria op den hun bepaalden dag heen, bij de menschen die noordwaarts reisden. Het was een lange stoet, mannen, vrouwen en kinderen; sommigen op ezels.of kameelen, de meesten te voet. En er was druk gesprek bij allen, over wat zij in de verloopen dagen hadden gezien en gehoord; ook klonken de liederen daar tusschen door.

Jozef en Maria hadden Jezus niet naast zich loepen; die was zeker vooruit, bij de andere knapen; en zij waren niet ongerust over hem. Zoo liepen zij den ganschen dag. Maar toen zij tegen den avond hem nog niet hadden opgemerkt, en de karavaan stil hield, en men het nachtleger begon op te slaan, verwonderden zij zich er over, waar hij was; en de ongerustheid begon bij hen op te komen Zij zochten hem bij de anderen, maar vonden hem nergens; en de nacht viel in. Waar was hij? De angst maakte zich meester van hun hart. En zij, die vermoeid waren van den langen dagmarsch, zij scheidden zich van hun gezelschap, en liepen den langen weg terug, roepende, in hun vrees, dat hij, van het reisgezelschap afgegaan zijnde, in een der bergen verdwaald kon zijn.

Zoo kwamen zij de poorten van Jeruzalem weer binnen. „Hebt gij onzen zoon niet gezien? Wij missen hem!quot; was hot angstige woord, dat zij aan elkeen vroegen, op de straten, en in de huizen waar zij binnengingen; het moederhart bezweek bijna van vrees. Maar zij kregen nergens antwoord op hun vragen. En weer was een dag voorbijgegaan.

Op den derden dag zochten zij verder, en kwamen zij ook bij den tempel.

ocr page 507

DE TWAALFJARIGE JEZUS IN DEN TEMPEL. 501

In den Voorhof gingen zij, en plotseling, stil stonden zij van ontroering; daar was hij, Jezus! Te midden van leeraars stond hij, de knaap. Zij zaten om hem heen, de schriftgeleerden en de priesters, en zij spraken met hem, mei onmiskenbare belangstelling. Vragen deden zij hem, die hij beantwoordde; en vragen deed hij hun, die idj beantwoordden; en die mannen zagen elkander aan, verb.aasd over de wijsheid die hij zoo onbevangen sprak.

Maria, de moeder, zag hen nauwelijks; zij zag alleen haar zoon. „Mijn kind!quot; riep zij; en naar hem toesnellende, omving zij hem in haar armen, kussende, als eene, die haar verloren zoon teruggevonden heeft. „Kind!quot; sprak zij tusschen haar tranen door, „hoe hebt gij ons dat kunnen aandoen? Hoe hebt gij achter kunnen blijven? Wij hebben u zoo met angst gezocht!quot; En zij kuste hem, terwijl zij dit zeide. „Waarom hebt gij mij gezocht?quot; antwoordde Jezus; „kondt gij dan niet weten, waar ik was? Wist gij niet, dat ik zijn moest in de dingen mijns Vaders?quot; En hij zeide dit vriendelijk zacht, terwijl l'ij zijn armen sloeg om zijn moeders hals. Het was, alsof hij haar in de ooren tluisterde: „Moeder! in ons ieven zal ik nog zooveel moeten doen, wat God van mij hebben wil, en dat u nog grootere smart zal kosten, arme moeder!quot; Maar niemand van de menschen, die daarbij waren, begreep zijn woord. Alleen Maria begreep er iets van. „Wie heeft hem gezegd, dat God zijn vader is?quot; dacht zij. En zij dacht er lang over na, zonder er met iemand over te spreken.

Na dezen reisden zij af, naar huis, naar Nazareth. En Jezus begon het handwerk van Jozef te leeren; hij was in de werkplaats, en hielp daar; ook ging hij mede naar buiten, als er werk was in de huizen van het dorp, of op het land. Ai de menschen leerden hem kennen, don jongeling, en een ieder moest getuigen, dat hij wijs was en goed, zooals geen ander jongeling in het dorp. Zoo arbeidde Jezus tot hij omstreeks dertig jaren begon te worden.

o-^cfo

ocr page 508

DOOP VAN JEZUS.

.-jaii het uiidden des lands, noordelijk van Judea, was omstreeks den VMir tijd, dat Jezus dertig jaren was geworden, een weinig vroeger, eenige maanden van te voren, een proleet opgestaan, wiens naam in eens op aller lippen zweefde, en in het gansche land met ontzag genoemd werd. Die profeet was Johannes, do zoon van Zacharias en Elizabeth.

Ook Johannes was dertig jaren oud geworden. 11 ij had zijn jeugd doorgebracht in een strenge leefwijze, gelijk de Nazireörs deden. Het stond hem tegen om in de• stad Jeruzalem het zondige leven der menschen te zien; hij bekommerde zich om zijn volk; en de vraag drong zich altijd aan hem op: „Wat moet er van mijn volk worden, en wat zal het einde zijn?quot; Met scherpen blik zag do Jonge man de zondige gebreken van zijn volk, de verkeerde richting der Farizeën en Sadducoën; en het werd hem bang om bet hart. Het dreet hem in de eenzaamheid, waar geen menschen waren, dagen lang, in liet gebergte; en van daar zelfs naar do woestijn, oostelijk van de Jordaan; en de gedachte bij hem was altijd: „Moet Israel ten onder gaan? Ach, mocht de Heere het wenden!quot; Op menig woeste plek lag hij uitgestrekt, met zijn aangezicht ter aarde, biddende. Menigen nacht bracht hij wakende door in gebeden; menigen dag in vasten. Om voedsel bekommerde hij zich niet; wat hij in de woestijn vond, was hem goed genoeg voor spijze: sprinkhanen, en wilde honig uit de spleten in de rotsen. Eén groote gedachte hield hem bevangen: „Als het zondige volk nog eens tot bekeering kwam, en behouden werd!quot; Zoo gingen maanden en jaren voorbij; de woestijnman was aldus dertig Jaren geworden.

Maar niet door in do woestijn te zuchten en ledig te zijn kon hij zijn volk redden; dat voelde hij. Arbeiden moest hij, en prediken, zooals de oude profeten gedaan hadden; dat kon wellicht redding geven; dat voelde hij. En weldra was de stille treurende inensch veranderd in een werkzamen predikenden profeet. In het gewaad der oude profeten stond hij daar, oen lederen gordel om de lenden, zonder verder onderkleed, met een ruwen harigon mantel om; on hij predikte in die woestijn tot de menschen, die hij er vond, een troep

ocr page 509

DOOP VAN JEZUS.

kluizenaars, een soort inounikon, die Esseörs gonoeind werden, en die daar ook zich van de wereld teruggetrokken hadden.

Weldra ging de roep van hem uit, ook buiten de woestijn; en eer er vele weken voorbijgegaan waren, was er een woord door het gansche land gegaan inet ontroering: „Daar ginds in do woestijn, bij Bethabara, Ij ij de Jordaan, staat een profeet; en groote dingen zegt hij van zijn God tot ons volk!quot; De menschen gingen hem zien; de mensdien kwamen hem hooren; en van de vorste hoeken van het land, uit steden en dorpen, kwam do stroom, van goeden en boozen, van rijken en armen. Nimmer was de stilte dier woestijn zoo afgebroken geweest door het geluid van zoovele menschen. Daar was in die dagen maar één naam, dit' op aller lippen zweefde; die naam was: Johannes.

Wat de menschen trok, dat was niet alleen hot geweldige in de taal van Johannes; maar dat was veel meer de inhoud van zijn prediking. „Weet gij, dat nu de tijd is aangebroken, waarin de Messias zal verschijnen?quot; zoo sprak hij tot allen, die hem dag aan dag kwamen hooren; „do Heere heeft liet mij geopenbaard; de tijd is er; straks zult gij hem zien, den grooten koning, en alle volken zal hij aan zich onderwerpen!quot; Dit was het in zijn prediking, wat allo menschen aantrok.

De menschen ontroerden; want zij wenschten niets liever; kwam die koning maar, zij zouden zich achter hem scharen; zij zouden de vaan des opstands ontplooien; zij zouden de Romeinen verjagen; en de heerlijke oude tijd van David zou terugkeeren! De menschen wenschten dat het waar was, wat Johannes predikte;'en zij zeiden het hem, met stralende oogen.

„Welnu,quot; antwoordde Johannes, „bereidt n dan ook voor op zijn komst; laat hem een welbehagen aan u- hebben, als hij komt; zorgt dat uw harten rein zijn, en legt alle zonde af; doet boete, doet boete; bekeert u, mijn volk!quot; Mn zooals de profeet dan voortging met zijn boeteprediking, dat was ontzaglijk om te hooren; over al lum zonden sprak hij, alsof hij elk van die menschen en hun gelieimste daden kende. Zij begonnen luid te klagen, met hooggeheven handen; zij scheurden hun kleederen; zij wierpen zich op don grond en weenden, met het gelaat op de aarde. Dat was een algemeeno boete, on met luide stemmen riepen zij: „Wij willen niet meer

503

ocr page 510

BIJB15LSCHE GESCHIP]DENIS VOOR KINDEREN.

zondigen, wij willen reine harten hebben, opdat de Messias welgevallen aan ons hebbe, als Hij komt! Vergeef, Heere! onze zonden!quot; Nimmer was in de woestijn ut in de steden zuo iets gezien; en dat kwam alles door de ontroerende gedachte: „Straks verschijnt de Messias, de lang beloofde held!quot;

Het waren er eiken dag steeds meerderen, die zich in oprechtheid bekeerden, en die met reine harlen den Messias wilden ontvangen, als hij kwam. En die alzoo zich bekeerden, die werden door Johannes naar de Jordaan gebracht, en daar gedoopt. In het water daalden zij af, en zij reinigden zich daar met geheele onderdompeling; en als zij na plechtige woorden van Johannes weer uit het water opklommen, dan voelden zij zich als menschen, voor wie die reiniging een bijzonder toeken geworden was, „Zooals mijn lichaam rein is, zoo is nu ook mijn ziel rein, en ik zal mijn ziel rein houden,quot; zoo zeiden zij; „wij zijn gedoopt, en wij, gedoopten, znllen de eersten zijn om ons bij den Messias aan te sluiten, als hij komt. Hosanna!quot; Zij zeiden het met vreugde en geestdrift. Het was om deze handeling, dat Johannes den bijnaam van „den üooperquot; heeft gekregen.

In de ontroering en in het ongeduld van veler harten, vroeg men Johannes dagelijks: „Wanneer zal het nu zijn? Duurt het nog lang?quot; Maar Johannes wist het niet. „God heeft het mij nog niet geopenbaard, wanneer het zijn zal, maar het zal in dezen tijd zijn!quot; riep hij; en opnieuw ging hij dan voort met die eene groote gedachte, die zijn gansche hart vervulde: om zijn volk als een rein volk aan den Messias te kunnen voorstellen.

Met verbazing kwam voor hem de dag en het oogenblik, waarop hij den Messias zien zou, anders dan hijzelf had verwacht. Het was namelijk in een der volgende dagen, dat God in een openbaring hem dit had te kennen gegeven: „Op wien gij den Geest Gods zult zien nederdalen, die is de Messias.quot; — ,,Hoe?quot; dacht Johannes, „de Messias is er dus reeds? Hij leeft reeds onder ons volk? En hij houdt zich onder ons verborgen?quot; Hij kon het niet recht begrijpen, want hij had zich, evenals allen, de komst van den Messias anders voorgesteld; zooals een engel van den hemel daalt, zoo had hij het gedacht. Maar hij hield zich vast aan wat God hem gezegd had: „Op wien gij den Geest Gods zult zien nederdalen, die is de Messias.quot;

Hij geloofde, en wachtte eiken dag op het teeken.

504

ocr page 511

DOOP VAN JEZUS.

Zoo kwam op zekeren dag ook Jezus tot hem.

Jezus was gekomen van Nazareth; Hij had afscheid genomen van zijn moeder en van Jozef; en Hij had gezegd, dat Hij niet* spoedig weerkeeren zou. En van Nazareth was Hij gekomen hier bij de Jordaan, zooals zoovelen, om Johannes te zien en te hooren, en om van hem gedoopt te worden.

Beide mannen kenden elkander ongeveer; van hun eigen ouders had de een over den ander hooren spreken. Dacht Johannes het, dat Jezus de Messias was, door alles wat hij van zijn ouders van diens wondervolle geboorte en van de teekenen daarbij gehoord had? Hij had het wel eens gedacht, maar was er niet zeker van geweest; zijn voorstelling van een Messias was zulk een andere geweest; ook had God hem niets hiervan geopenbaard; Johannes wachtte, totdat hij het kenteeken zou zien; in elk geval, door al wat hij wist van zijn ouders, achtte hij Jezus hoog, hooger dan zichzelven; zooals de eene profeet den anderen profeet grooter acht.

Toen Jezus hem dan ook vroeg om gedoopt te worden, evenals de

anderen, verzette Johannes zich daartegen. „Neen,quot; sprak hij, „gij zijt grooter

%

dan ik; veeleer zou het voegen dat ik door u gedoopt werd!quot; Maar Jezus hield aan, en Johannes gaf toe; en beiden begaven zich in het water. Maar toen Johannes Hem gedoopt had, zie, plotseling, daar kwam het teeken; hij zag het: hij zag den hemel zich openen, hij zag den Geest Gods nederdalen, zwevend dalen, zooals een duif zwevend daalt; en wat hij zag, — op het hoofd van JezUs zag hij het zich vestigen. „Deze is dus de Messias?quot; dacht hij, verbaasd in de diepte van zijn ziel; „deze, deze?quot; Maar voor hij tijd had over de gewisheid van het teeken te denken, hoorde hij een stem in den hemel roepen, een stepi: „Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in wien Ik mijn welbehagen heb!quot; — de stem Gods! En Johannes, die reeds van te voren zich minder geacht had dan Jezus, hij had nu wel Hem voor de voeten willen neervallen; hij zou zich nu niet eens waardig hebben geacht hem de schoenen aan de voeten te binden.

Hij geloofde, wat hij nu wist; hij geloofde, ook al had hij zich den Messias en zijn komst anders gedacht. Dat was groot in den Dooper.

--------C^Kg-O-----

505

ocr page 512

DE EERSTE VOLGELINGEN.

De prediking van Johannes was vanzelf veranderd, sedert hij het gezicht gezien had lgt;ij den doop van Jezus. Nu riep hij niet meer: „De Messias zal komen!quot; maar hij riep: „De Messias is er!quot; en hij riep het als een blij man. Zoo opgewekt, zoo vroolijk hadden zijn volgelingen hem nooit hooren prediken, als in deze dagen.

Hij had namelijk volgelingen gekregen, mannen, die niet weder naar hun huis terugkeerden, als zij hom eenige malen gehoord hadden; maar die bij hem bleven van dag tot dag, en die voornemens waren voorloopig bij hem te blijven; discipelen ot' leerlingen werden zij genoemd. Het was vooral tot deze discipelen, dat Johannes zich uitliet over den Messias. „Gij kunt niet beter doen, dan mij verlaten, om zijn discipelen te worden,quot; zoo zeide iiij tot hen; „ik zal er niet geërgerd door zijn, als gij ophoudt mijn discipelen te zijn, en als gij de zijne wordt; zoo moet het juist zijn: Hij moet meerder worden, en ik moet minder worden!quot; Dat was gruot in Johannes; hij had zijn geheele plaats in het hart des volks wel gaarne aan Jezus willen afstaan.

Wel bevreemdde het hem, dat Jezus daar gewoon weder onder zijn toehoorders stond, en dat Jezus nog niet begon met de groote dingen te prediken en te doen, waarvoor hij gekomen was: maar hij zweeg over zijn bevreemding als een ootmoedig man, en dacht bij zichzelven: „Ik zal wachten, wachten; Jezus zal zijn tijd wel kennen om te beginnen!quot; Wat hij deed, was voorloopig zijn discipelen aan te sporen discipelen van Jezus te worden.

Zeer spoedig waren er dan ook twee, die op aanwijzing van Johannes zich bij Jezus gingen aansluiten : Andreas en Johannes heetten die twee, waar weldra nog een derde zich bij voegde, namelijk de broeder van Andreas, Simon geheeten. liet waren visscherslieden uit Bethsaïda, een dorp aan het meer van Genezareth, die zoo door den Dooper waren aangetrokken geweest, dat zij weken lang bij hem gebleven waren. Nu» gingen zij over tot Jezus; ook zij geloofden, dat Hij de Messias was, hoe weinig ook zijn uiterlijke omstandigheden

ocr page 513

DE EERSTE VOLGELINGEN.

het aanduidden; zij geluotdon; en van deze eerste drie aanhangers vergezeld, ging Jezus naar liet nourdon, naar Galilea.

Johannes de Dooper zag Hem heengaan, vul verwachting, als met de gedachte: „Nu zal Jezus daar weldra door wonderen en woorden toonen, dat Hij de Messias is!quot; Zelf ging de Dooper ook weldra naar een andere plaats van werkzaamheid, naar Enon, bij Salim; — daar was het dat hij verder ging prediken en doopen.

Toen Jezus noordwaarts ging, naai- Galilea, van zijn eerste drie vrienden vergezeld, nam Hij ook nog een zekeren 1'hilippus mede, die ook uit Hethsaïda afkomstig was. „Volg mij!quot; zeide Jezus. En Philippus volgde. Ook deze was discipel bij den Dooper geweest, en sloot zich bij Jezus aan.

Zuo blijde was Philippus, dat hij den Messias gevonden had, dat hij er niet van zwijgen kon. Een vriend had hij, Nathanaöl geheeten, en deze was een vroom man, die ook altijd gezegd had: „Ach! kwam de tijd maar spoedig dat de Messias verscheen!quot; Tot dezen Nathanaöl ging Philippus, en in zijn blijdschap zeide hij hem: „Weet gij het, de Messias is gekomen! Ik heb hem gezien en gesproken. Jezus is het, uit Nazareth!quot; — „Neen,quot; antwoordde Nathanaöl, „dat kan niet zijn. Uit Nazareth, zegt gij? Van daar kan de Messias niet komen; dat hebben do profeten anders gezegd. Kan uit Nazareth iets goeds komen?quot; En hij zeide het als een, die wel wist, dat Nazareth een arm dorp was, waar slechts onbeschaafde lieden woonden. „Maar kom dan zelf, en zie, of het niet is, zooals ik u zeg!quot; sprak Philippus.

Met weinig geloof in de woorden van-zijn vriend, ging Nathanaöl toch mede, en toen hij Jezus zag, een mensch als ieder ander, toen geloofde hij nog minder. Ook hij had, evenals alle monschen, zich den Messias in zijn komst gansch anders voorgesteld.

„Ziedaar eon Israëliet, in wlen geen bedrog is!quot; zeide Jezus van hem, toen hij vlak voor Hem stond. „Hoe weet gij dat?quot; sprak Nathanaöl, „gij kent mij niet eens!quot; „Weet ik niet, wat in uw hart is? Zag ik u niet, toen gij onder den vijgeboom waart, en wat gij daar deedt, eer Philippus u riep?quot; antwoordde Jezus;» En met het gelaat eener grootste verbazing zag Nathanaöl

507

ocr page 514

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Hem aan; want niemand kon hem gezien hebben, toen hij in zijn stille afzondering onder een vijgeboom geknield had, en daar gebeden had; was Jezus dan iemand, die alles zien kun, ook wat in het hart des menschen was? „Deze is de alwetende,quot; dacht Nathanaël, „hij moet de Messias wel zijn!quot; En in zijn verbazing staarde hij Jezus aan; hij geloofde, en in zijn gelooven riep hij uit: „Rabbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Messias, die koning over ons worden zult!quot;

Van dat oogenblik af besloot ook hij een volgeling van Jezus te worden. En terwijl Jezus met hem en de anderen zijn weg vervolgde, zeide hij tot hem: „Gij zijt verbaasd geweest, omdat ik u alwetend toescheen; gij zult nog grooter dingen zien dan deze!quot; Dat wekte zeer de belangstelling der volgelingen, en spande hun verwachting nog hooger; zij verlangden reeds in Galilea te zijn om „die groote dingen te zien.quot;

Zoo liepen zij drie dagen.

HET EERSTE WONDER.

^'P den derden dag kwamen zij te Kana. Dit was de stad, waar Nathanaël woonde.

Kana was het doel hunner reize niet; zij wilden verder; maar

daar was bruiloft op het dorp; en Jezus' moeder was ook op de bruiloft. Nazareth lag er niet ver vandaan; en die menschen, zij kenden elkander. Vanzelf, naar de welwillende gastvrijheid dier dagen, dat ook Jezus, toen Hij in het dorp verscheen, op de bruiloft genood werd. Ook zijn volgelingen kwamen met Hem binnen.

Het waren geen rijke lieden, die bruiloft hielden; en men kwam wijn te kort, toen het feest aan den gang was. Het arme gezin was zeer verlegen met het geval; wat zouden de gasten later zeggen van zulk een ontvangst? En de gasten, die de verlegenheid merkten van hun gastheer, waren met hem begaan; zij voelden, wat hij moest denken. Het was voor allen zeer pijnlijk.

„Zij hebben geen wijn,quot; zeide Maria zacht tot Jezus; en met haar oogen

508

ocr page 515
ocr page 516
ocr page 517

MET EERSTE WONDER.

zeide zij: „Kunt gij hen niet helpen, mijn zoun?quot; Als zij haar hart uitgesproken had, zou zij hem dit daarbij gezegd liebben: „Mijn zoon! nu hebt gij eens een goede gelegenheid, om te toonen wie gij zijt. Geef eens een teeken, doe een wonder! Ik heb, als uw moeder, reeds dertig jaren lang geloofd, dat gij de Messias zult wezen; maar gij hebt mijn verwachting nog altijd niet vervuld. Ik ben uw moeder, dus mag ik bet u wel eens zeggen, dat het tijd wordt met het te toonen. Wanneer zult gij beginnen? Waarom talmt gij nog?quot; Alsof Maria dit ook werkelijk uitgesproken had, zoo antwoordde haar Jezus: „Vrouw! wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.quot; Alsof hij haar wilde zeggen: „Als de dag daar is, dat ik het toonen moet, dat ik de Messias ben, dan zal ik het toonen; maar moeder! het zal zoo iels anders wezen dan Sij denkt.quot; En Jezus dacht daarbij aan het groote lijden, dat Hij voelde dat ('(Mis wel zijn deel zou zijn. Maria kon Hem niet geheel begrijpen, en had uit liet korte antwoord opgemaakt, dat Hij het niet dadelijk doen zon, maar straks; ook kon zij de gedachte, die zij eenmaal opgevat had, niet in eens laten varen. „Hij zal toch een wonder doen,quot; dacht zij; en tot de dienaars zeide zij daarom: „Als Hij u wat zegt om te doen, doet het!quot;

Achter de banken, waarop de gasten gezeten waren, tegen den muur, stonden er zes steenen watervaten. Zij stonden er met het oog op de gebruiken, bij de Joden in zwang, voor het waschen der handen en der schotels en drinkbekers, het wasschen voor en na tafel. Aan die gebruiken hielden de Joden zich streng. En op sabbat in de synagogen zeiden de Rabbi's zoo ongeveer, dat van die gebruiken hun zaligheid afhing.

„Vult die vaten met water,quot; sprak Jezus tot de dienaars. Daar gingen meer dan tweehonderd liter water in die vaten. Omdat de moeder van Jezus aan de dienaars gezegd had, dat zij Hem moesten gehoorzamen, als Hij wat zeide, deden zij het; en zij vulden ze tot boven toe, al begrepen zij niet, waar liet voor diende. Nauwelijks waren zij er mede gereed, of Jezus sprak tot hen: „Schept nu, en draagt het tot den hofmeester!quot; Hij zat stil op zijn plaats; Hij lichtte de hand niet eens op, en wendde het hoofd misschien niet eens daarheen; zonder ophef of vertoon had Hij gesproken; maar in datzelfde oogenblik was het water in wijn veranderd! In wijn!

ocr page 518

512 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

En de dienaars droegen het, van tafel tot tafel, een overvloed, zooals die armen zelden in dat huis bij elkander hadden gezien. De drinkkannen stonden weer gevuld op tafel. Blijde tongen genoten weer de rijke gave. De gesprekken gingen weer los. De pijnlijke verlegenheid was weer voorbij. „O gij gastheer!quot; zeide vroolijk de hofmeester, „gij doet anders dan andere menschen! Die bewar m den slechtsten wijn altijd voor het laatst, maar gij hebt den besten wijn voor het laatst bewaard!quot; Die man wist het nog niet van de dienaars, wat dezen wel wisten. Maar weldra, toen de gesprekken weer gingen vloeien, toef fluisterde men het van mond tot mond: „Daar is een wonder geschied; water goten de dienaars in de vaten, maar wijn schepten zij daaruit!quot; En de oogen van allen zagen verwonderd op Jezus. „Hij heeft het gedaan!quot; zeiden zij.

Onder de blijdste menschen, die blijde waren, waren die vijf volgelingen van Jezus, die zich pas voor drie dagen bij Hem aangesloten hadden. „Wij zijn Hem niet ten onrechte gevolgd,quot; dachten zij; „Jezus is wel zeker de Messias; en wij zullen weldra nog grootere dingen zien dan deze.quot; En zij geloofden nog meer in Hem, dan zij reeds gedaan hadden.

Dat was het eerste wonder, dat Jezus gedaan had: hun verwachting was terecht; weldra zagen zij meerdere en grootere wonderen.

TE JERUZALEM.

föj^an Kana ging Jezus met zijn vijf volgelingen naar Kapernaüm,öj^an Kana ging Jezus met zijn vijf volgelingen naar Kapernaüm,

C

dat aan het meer lag.

Spoedig daarop was het Paaschfeest; en toen Jezus zich opmaakte om naar Jeruzalem te gaan, gelijk de gewoonte was, verheugden zijn volgelingen zich zeer daarover. „Daar te Jeruzalem zal Hij zich openlijk als den Messias te kennen geven,quot; zeiden zij tegen elkander; „dan begint de heerlijke tijd!quot; En inderdaad trad Jezus te Jeruzalem openlijk op, maar het was eenigszins anders, dan zij het verwacht hadden.

ocr page 519

TE JERUZALEM.

Het was zeer vol op het Paaschfeest in de hoofdstad. Zooals andere malen waren er duizenden vreemdelingen gekomen, — Joden, die in andere landen woonden, maar nu hierheen gekomen waren om geboden in den tempel te doen en offeranden te brengen. Opgewekt en vroolijk was het feest, en zulks vooral ter plaatse waar die bonte menigte samenkwam, namelijk in den Voorhof van den tempel. Daar vonden vroolijke begroetingen plaats, van men-schen die elkander in lang niet gezien hadden. Daar zag men hij het brandofferaltaar de priesters staan, bezig met het offeren, en bezig met het aannemen en ontvangen der offers, die de feestgangers hun aanboden. Daar zag men sommigen staande, anderen geknield, of geheel ter aarde gebogen, gebeden opzeggen, luide en verstaanbaar; gebeden, waar somtijds een klaagtoon tusschen vernomen werd, waarom God de verlossing voor Zijn volk nog niet zond.

Te midden van dat alles werden door veehandelaars uit de stad aan de bezoekers ossen, schapen en duiven te koop aangeboden; dat was gemakkelijk voor wie van verre kwamen; zij behoefden een'os of een schaap, dat zij wilden offeren, niet van huis mede te voeren, maar konden een os of een schaap hier koopen, en zoo in eens aan den priester als hun offer aanbieden; en zoo mengde zich tusschen de gebeden van anderen het geroep der veehandelaars en de stemmen dergenen, die bezig waren met loven en bieden. Ook stonden daar andere handelaars achter hun tafels, die de bezoekers den dienst deden om hun vreemd geld in te wisselen voor hier gangbare munt, en die daar voordeelige zaken mede deden. Elk bezoeker namelijk moest als offergave minstens een halven sikkel geven: en gemakkelijk was het voor hen om hier de gelegenheid te hebben voor omwisseling van geld.

Over het geheel genomen was hei: een vreemd gezicht, in dien Voorhof offeraars, priesters, veehandelaars en geldwisselaars door elkander te zien, elk aan zijn taak, alles op luidruchtige wijze. Maar de Joden waren het gewend; dat was sedert jaar en dag reeds zoo; al waren er altijd enkelen, die zich aan het schouwspel ergerden.

Toen Jezus met zijn volgelingen den Voorhof binnenkwam, zagen zijn oogen wat Hij er in de vorige jaren ook gezien had, dien koophandel. Hij was altijd onder de stille bezoekers geweest; maar nu, in zijn bewustzijn van de

33

513

ocr page 520

BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

Messias te wezen, nu behoefde Hij niet stil te zijn tegen de luid roepende zonden zijns volks. Was dat Gods tempel? Was dat het huis zijns Vaders? De ergernis rees op in zijn ziel; opkomende toorn lichtte uit zijn oogen. „Ik zal den tempel reinigen,quot; riep Mij; „voort van hier, gij kooplieden! Dit is het huis mijns Vaders, en niet een huis van koophandel!quot; En van'de touwen nemende, die de veedrijvers hadden, voegde Hij eenige dier touwen tot een geesel bijeen in zijn hand, zijn opgeheven hand; en roepende in zijn toorn, dreef Hij de kooplieden den Voorhof uit, terwijl Hij de1 tafels der wisselaars omstootte, zoodat tie sikkels overal heen rolden. En niet eer hield Hij dj» met zijn roepen en zijn slaan, dan toen Hij den laatsten os en het laatste schaap had uitgedreven achter hun scheldende eigenaars.

Verbaasd hadden allen in den Voorhof het aangezien; daar was niemand tusschenbeide gekomen. Dat was een daad, zoo stout als nauwelijks de grootste profeet zou durven bestaan: en de stoutmoedigheid was het, die hen allen als verplet had doen staan; ook had iedereen gevoeld, dat het recht was, wat Jezus deed: eenigermate had iedereen de slagen der geesels als op zijn eigen schouders voelen neerkomen.

Eerst toen alles geschied was, eerst toen begonnen de priesters te spreken en te morren. „Wie heeft hier in den tempel te bevelen?quot; spraken zij; „wie heeft u het recht gegeven om hier zoo op te treden, en wie zijt gij? Als gij soms een profeet zijt, die recht hebt om zoo te handelen, bewijs het dan dat gij een profeet zijt, en toon dan oen wonder!quot; „Breekt dezen tempel af, en in drie dagen zal ik hem weder oprichten!quot; antwoordde Jezus; en bij zich-zelven dacht Jezus aan zijn lichaam, dat eens zou gedood worden door die priesters, en dat in drie dagen weer uit het graf verrijzen zou; en hoe zijn opstanding uit de dooden het teeken zou zijn dat Hij werkelijk een profeet, ja meer dan dat was, de Messias namelijk. De menschen in den Voorhof begrepen Hem niet; toch was er zulk een heilige schrik over de priesters, dat niemand Hem iets durfde doen. Zelfs waren er, die hardop zeiden: „Het is goed geweest, wat Hij gedaan heeft!quot; en die Hem openlijk lof gaven. Ook waren er, die dachten: „Dat is nu juist een daad geweest, zooals de Messias ook zou doen, als hij komt; zou die Jezus misschien de Messias zijn?quot;

514

ocr page 521
ocr page 522
ocr page 523

TE JERUZALEM.

Daar werd in de gansche stad over gesproken: en iedereen wilde den Galileër zien. Iedereen kon Hem ook zien; want sedert Irad Hij eiken dag in den Voorhof op, predikende. Zijn prediking was als die van Johannes den Dooper: „Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen!quot; En niet vele dagen verliepen er. of daar waren op het feest verscheideneii, die zeiden: „Hij is zelt de Messias!quot; en die daar blijde over waren. Zij geloofden in Hem.

Te meer geloofden die menschen in Hem, omdat Jezus toen in die dagen in de stad verscheidene wonderen deed, aan kranken en ongelukkigen, die Hij genas of hielp; door welke wonderen zijn naam nog meer door de stad ging. „Ware hij niet zoo arm, en uit Galilea afkomstig, hij zou een groot profeet kunnen geacht worden,quot; zeiden zelfs degenen, die Hem wantrouwden; „maar nu weien wij niet eens, waar wij hem voor te houden hebben!quot; Degenen, die Hem wantrouwden, waren de aanzienlijken, de priesters, de rabbi's of voorgangers in de synagogen, en de leden van den Kaad.

Onder deze leden van den Raad was er echter een, die bij zichzelven dacht: „Ik kan niet beter doen, dan persoon 1 ij 1\. eens tot Jezus te gaan, en met hem te spreken; dan weet ik in eens, wie hij is, en of hij de Messias is.quot; Deze man heette Nikodemus.

Hij was een beschaafd man. en een geleerd man : behalve dat hij in den Raad zat, was hij ook leeraar in een van de synagogen; en sommigen hebben gezegd, dat hij toen een van de drie rijkste mannen in Jeruzalem was. Toen Nikodemus besloot, om naar Jezus te gaan, schaamde bij er zich echter tegelijk over. „Wat zullen de andere leeraars en leden van den Kaad er van zeggen, als zij het hooren?quot; zoo overlegde hij bij zichzelven. Daarom, dat hij zijn plan eerst ten uitvoer bracht, toen het reeds donker was, en de nacht reeds ingevallen was. „Niemand heeft .mij gelukkig gezien,quot; dacht hij, toen hij de deur inkwam ten huize waar Jezus zich bevond.

Vriendelijk en beleefd begon hij met Jezus aan te spreken: „Rabbi, gij zijt een leeraar van God gezonden; want niemand kan zulke wonderen doen

ocr page 524

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

als gij in deze dagen gedaan hebt; gaarne wilde ik eens met u spreken.quot; En toen gingen zij zitten, de beide mannen. Zij begonnen te spreken over hoe het zijn zou, als de Messias eens gekomen zou zijn; en hoe dan een nieuw koninkrijk zou opgericht worden, een heerlijk koninkrijk, dat zijn zou als was de hemel op aarde gedaald; het koninkrijk Gods, of het koninkrijk der hemelen, gelijk daarom het Messiasrijk werd genoemd. — „Het is er al,quot; zeide Jezus, „maar weinigen zien het; alleen die wedergeboren worden, die kunnen het zien.quot; Hier verbaasde Nikodeinus zich over; ook begreep hij niet alles, wat Jezus zeide. „Is de Messias er dan reeds?quot; vroeg hij; en bij zichzelven dacht hij: „Nu kan ik uit het antwoord merken, of Jezus zelf' de Messias is.quot;— „Zeker is de Messias er reeds,quot; antwoordde Jezus, „maar een andere dan zooals gijlieden hem n voorstelt. Weet gij waaraan gij den Messias kennen zult? Hieraan: die eens, zooals door Mozes de slang in de woestijn verhoogd is, ook zoo zal worden verhoogd, aan een hout gehecht voor de oogen van hot gansche volk, die is de Messias. Onthoud dit en gedenk er aan, als gij liet gebeuren ziet.quot;

Nog lang spraken die beide mannen in den nacht, maar toen Nikodemus naar huis ging, toen voelde hij het: „Ik mag er niet aan twijfelen, Jezus is de Messias. Ook zal ik nu zien of bet uitkomt: als Hij aan een hout verhoogd wordt en sterft voor zijn volk, dan is Hij het; dat is het teeken.quot; Drie jaren later, toen Jezus werkelijk aan een kruis stierf, dacht Nicodemus er ook om, en hij zeide: „Dit is het teeken.quot; Toen geloofde ook hij, voorgoed.

-----0-3^0-

518

IN GALILEA.

hVa het Paaschfeest, toen al de feestgangers uit Jeruzalem vertrokken waren, vertrok ook Jezus met zijn volgelingen van daar. „Ik moet jk elders met mijn prediking komen,quot; dacht Hij, „en van stad tot :,ad zal ik gaan, en van dorp tot dorp, opdat allen het vernemen, dat het Messiasrijk, het koninkrijk der hemelen, gekomen is.quot; En daarom wendde Hij zich noordwaarts. In het land der Samaritanen kwam Hij.

ocr page 525

IN GALILEA.

Na twee dagen, onder de Samaritanen te Sichom doorgebracht, ging Jezus verder noordwaarts, tot Hij in Clalilea kwam. Daar werd Hij, al predikende, door liet volk met blijdschap ontvangen. Velen van hen hadden Hem up het Paaschfeest te Jeruzalem gezien en gehoord; en hel gerucht van zijn woorden en daden was Hem alzoo reeds vooruitgesneld. Ook' duur nieuwe wonderen under zijn vulk in het noorden werd zijn naam bij den dag steeds gruoter. Hij was daar niet op een vaste plek, maar steeds reizende van du eene stad naar de andere. Zoo was Hij te Kana gekomen, de stad van Nathanaël, waar Hij zijn eerste wonder verricht had.

Terwijl Hij daar was, kwam een koninklijk hoveling uit Kapernaüm tot Hem. Deze man bekleedde een voornaam ambt aan het hof van Herodes Antipas, die over Galilea en Samaria regeerde. Die hoveling had een zoon krank liggen in zijn huis; en geen hulp ot raad meer vindende bij zijn geneesmeesters, had hij bij zichzelven gedacht: „Ik ga naar den profeet, waar iedereen heengaat; wellicht helpt hij ook mij.quot; En aldus denkende, had hij de reis gemaakt van Kapernaüm naar Kana.

„Ach, Heere!quot; zoo smeekte hij Jezus, ..kom mede naar Kapernaüm; mijn zoon ligt zoo krank; kom hem genezen; want anders is ei- geen raad, dan sterft hij; help Heere!quot; Daar waren vele menschen tegenwoordig, terwijl de hoveling dit Jezus vroeg; en onder elkander zeiden zij reeds: „Ziedaar, Hij zal weer een wonder doen; Hij zal doen wat die hoveling van Hem vraagt; en wij, wij gaan mede naar Kapernaüm, want dat willen wij ook zien.quot; Zij waren er reeds opgetogen over. Daarom kon Jezus niet nalaten te zeggen: „Ik wilde, dat gijlieden in mij gelooven kondet, ook al deed ik geen enkel wonder! Is het om de wonderen alleen, dat gij mij volgt en vereert?quot; De hoveling luisterde weinig naar wat de menschen en Jezus zeiden; hij dacht slechts aan zijn stervend kind; en bevreesd, dat door het talmen Jezus' komst wellicht te laat zou zijn, riep hij: „Ach, Heere! kom toch mede, eer mijn kind sterft!quot; — „Ga heen, uw zoon leeft!quot; was het antwoord, dat Jezus hem gaf; en uit den blik, waarmede Jezus dien man aanzag, wist hij, dat het waar was, wat de Heere zeide.

Verbaasd spoedde hij zich heen, naar zijn stad; en nog eer hij zijn huis

519

ocr page 526

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

bereikt had te Kapentaüni, kwamen reeds eenige dienaars hem op den weg te gemoet met vroolijk gelaat, die iiem zeiden: „Wees niet langer bezorgd, heer! nw zoon is gezond!quot; - „WHimeer is hij beter geworden?quot; vroeg de gelukkige vader. En uit het antwoord, dat hij vernam: „Gisteren, in den namiddag verliet hem de koorts,quot; wist die blijde hoveling, dat zulks juist geschied was op hetzelfde uur, waarop Jezus met hem gesproken had. Van dien dag af gelooide ook die hoveling, met al zijn Imisgenooten, in Jezus. „Hij is zeer zeker de Messias,quot; zeiden zij.

De menschen in Kapernanm en te Kana, toen zij alles hoorden, verbaasden -zich steeds meer. „Zelfs op zoo grooten afstand geneest Hij de ziekten,quot; zeiden zij; „Hij behoeft er niet eens bij te zijn; als Hij maar wil, geschiedt het reeds!quot;

Zoo werd Jezus overal door zijn volk in Galilea met bewondering begroet en geëerd. Op zijn tocht door de steden kwam Hij ook te Nazareth, zijn vaderstad, waar alle menschen Hem van jongs at gekend hadden. Wat Hem hier geschiedde, was in schrille tegenspraak met de ontvangst in al de andere steden.

Jezus ging er heen, waarschijnlijk zonder zijn volgelingen; niemand kan het met zekerheid zeggen, maar het is waarschijnlijk, dat Hij hun gevraagd heeft. Hem op dezen tocht alleen te laten; de vijf volgelingen waren ten minste niet bij Hem, en waren tijdelijk dan ook heengegaan, een ieder naar zijn stad; die visschers waren onder hen, waren weder ter vischvangst gegaan, tot hun oud bedrijf.

Het was op een Sabbat. Do menschen waren naar de synagoge opgegaan, en Jezus was mede opgegaan in dat gebouw, waar Hij menig jaar een toehoorder was geweest aan de voeten der rabbi's. Daar werd volgens gewoonte een gedeelte gelezen uit de wet ot de eerste vijf boeken van Mozes. Daarna moest er een gedeelte uit de boeken dor profeten gelezen worden. Deze waren op lange stukken perkament geschreven, die opgerold konden worden, waarom men in die dagen van een boekrol sprak.

Op het oogenblik, dat de lezing uit de profeten moest beginnen, stond Jezus op, waar Hij zat. Hij wilde dien morgen die lezing doen, en nam daarom

520

ocr page 527

IN GrALILEA.

uit de hand van den koster de boekrol aan, die deze aan een van de rabbi's had willen toereiken. Het waren de profetieën van Jesaja, die Jezus in de hand kreeg; en de rol uitslaande, vond Jezus het gedeelte, dat Hij voorlezen moest. Dit las hij voor: „De geest des Heeren is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft, om een blijde boodsdiap te brengen aan de zacht moedigen; Hij beeft mij gezonden um te verbinden de gebrukenen van harte, om den gevangenen vrijheid uil Ie roepen, en den gebundenen opening der gevangenis, om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren!quot; De rol teruggevende aan den dienaar, begon Jezus te spreken naar aanleiding van deze woorden; en aller oogvn waren met belangstelling op Hem geslagen. Hij begon met zijn hoorders te zeggen, dat de tijd nu eindelijk gekomen was, dat deze profetie vervuld zou worden. I bidden de mensehen lang gewacht, gedurende eeuwen, op den grooten Verlosser, nu behoefde niemand meer te wachten, de Messias was er. De heerlijke lijd was eindelijk gekomen; de bedroefden zouden blij worden; de verdrukten zouden bevrijd, de gevangenen losgelaten worden; de zonden zouden vergeven worden, en God zuu Zijn arme volk weer helpen en gelukkig maken. Dat waren allemaal woorden van heerlijken troost, die Hij tot zijn inedeburgers van Nazareth sprak; hun aangezichten zagen blijde, en zij konden zich niet inhouden met uitroepen van vreugde.

„Gave de Heere, dat het waar mocht worden, wat gij zegt, Rabbi!quot; zoo zeiden zij tot Jezus; en meer zulke woorden spraken zij. Ook stond iedereen verbaasd, want zij zeiden tegen elkander: „Hoe heeft Hij geleerd zoo te spreken? Is Hij niet de zoon van Jozef? En is Hij niet een timmerman geweest, hierin onze stad?quot; Zij prezen Hem allen, want het was zeer liefelijk geweest, wat Hij gezegd had.

Weldra ging Jezus echter verder met zijn prediking. Indien zij nu zoo blijde daarover waren, dat de heerlijke tijd van den Messias gekomen was, dan moesten zij zich nn ook bekeeren, en van hun booze werken afstand doen, opdat de Messias zien mocht, dat zij vrome menschen waren en reine harten hadden. Anders zou de Messias hen wel eens voorbij kunnen gaan, en geen welgevallen aan hen kunnen hebben. En streng vermanend, dringend ernstig zeide Jezus hun deze woorden. Dit gedeelte van zijn rede was niet zoo liefelijk

521

ocr page 528

522 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

als wat Hij eerst gezegd had: en daar waren er onder zijn hoorders, die zich begonnen te ergeren. ..De Messias zal ons niet voorbijgaan,quot; riepen zij. „Zeker!quot; riep Jezus, „evenals Elia eens de weduwen in Israël voorbijging, en alleen de weduwe te Zarfath aan brood hielp; en evenals Elisa eens alleen dien heiden Nail man van zijn melaatsehheid genas, en geen enkelen melaatsche uit Israel!quot; Dit was te veel voor de trotsche harten der rabbi's, die daar ook in de synagoge zaten. Toorn rees op hun aangezicht; hun oogen fonkelden. ..Deze timmerman behoeft ons deze dingen niet te zeggen,quot; riepen zij; ,.werpt hem de synagoge uit!quot; En meer woorden van woede waren het, die zij riepen. Zij- sloegen de handen aan Hem, zij sleepten Hem de synagoge uit, op straat.

„Naar de steilte met hem!quot; zoo schreeuwden zij; en over straat, naar buiten de stad, waar een steile afgrond was, daar sleurden zij Hem heen, om Hem daar van boven neder te werpen en in de diepte te verpletteren. AI de menschen schoten hun huizen uit; het gedrang was groot op de straten; en ware het niet, dat Jezus te midden van het gedrang had weten te ontkomen, vluchtende, de stad uit. Hij zou op dien dag reeds zijn dood hebben gevonden, en verpletterd hebben gelegen in den atgrond, door de burgers van zijn eigen stad. In dien dag had Jezus weer gevoeld, wat de verzoeking van Satan in de woestijn was geweest, om namelijk een wonder te doen ten eigen behoeve, en zijn tegenstanders te vernietigen met één woord; maar ook hier weerstond Hij de verzoeking; Hij was niet gekomen om te verderven, maar om te behouden. Hij vluchtte, en zijn vlucht was naar Kapernaüm,

Ook dit verhaal van zijn wedervaren te Nazareth raakte bekend in de andere steden van Galilea; en velen, die hot hoorden, zeiden: „Neen, nu zien wij het duidelijk. Hij is toch niet de Messias, anders zouden zij Hem dat niet hebben kunnen doen!quot;

Kapernaüm werd nu zijn woonplaats, voor zoover Hij gezegd kon worden een woonplaats te hebben.

Op een dier dagen was Jezus aan het strand bij het meer. Weer kwamen de menschen; weer stroomden de scharen. Vlak bij, aan den kant, lagen de kleine schepen, de schepen der visschers; en zij spoelden hun netten. Het waren

ocr page 529

523

niet enkel schepen van visschors uit Kapernaiiin; uok van andere plaatsen van het meer lagen hier schepen, zooals uit Bethsaïda; onder de vissehers van daar waren ook Johannes en Jakobus, met hun vader Zebedeüs.

Opdat Jezus de vele menschen te beter mocht toespreken, ging Hij op het schip van Simon staan en vroeg Hij hem om een weinig van den wal al' te gaan liggen. Dat deed Simon; en voor de ooren der luisterende visschers in hun schepen, en der menschen op het strand, predikte Jezus, gezeten op het schip van Simon.

Toen Hij geëindigd had en de menschen liet heengaan, sprak Hij tot Simon: „Steek nu af naar de zee, waar zij diep is; en werp daar uw netten uit, om te vangen.quot; „Meester,quot; antwoordde Simon, „wij zijn tien ganschen nacht aan het werk geweest en wij hebben niets gevangen. Zouden wij dan nu midden op den dag iets vangen?quot; Maar aanstonds bedacht hij zich, en gehoorzaam zeide hij: „Omdat gij het evenwel zegt, zoo zal ik het doen.quot; En toen hij geroeid had naar waar het meer diep was, wierp hij daar de netten uit.

I

1

ocr page 530

BrJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Niet lang had hij gewacht, of hij zag, dat hij de netten reeds moest ophalen. Hij deed het; maar zij waren niet sterk genoeg, hij en zijn mannen die in het schip waren, zoo vol was het net; ook scheurde het van den last. Haastig wenkte hij naar don oever, naar de andere schepen, om hulp; en weldra lag het scheepje van Johannes en Jakobus langszij; en toen zij de visch in de beide schepen ingehaald hadden, waren deze zoo beladen, dat zij moesten oppassen niet te zinken.

Het hart van Simon werd klein bij het gezicht van dien zegen. „Dien rijkdom ben ik niet waardig,quot; dacht hij. Ook werd zijn hart vol vreeze. „Die Jezus, die alwetend is en in de diepte de plaats weet, waar de visschen zijn, kent ook de diepte van mijn zondig hart on de duisternissen daarin.quot; „O Heere!quot; riep hij uit, terwijl hij aan Jezus' voeten neerviel, „ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch!quot; En wat hij er mede wilde te kennen geven, was dit: „O Heere! bemoei u niet langer met mij, want ik ben er te slecht voor; ik ben een tijdlang reeds uw volgeling geweest, maar ik ben het niet waard; daar is niemand zoo zondig als ik!quot; Ook de andere visschers waren ontroerd en ontsteld. Maar vriendelijk was het woord van Jezus, waarmede Hij Simon oprichtte: ..Sta op, Simon! vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen!quot; En in de woorden, die Jezus verder sprak, begrepen Simon en die drie anderen, dat Jezus hen van dezen dag af verhiel tot zijn discipelen, of leerlingen.

Dit-achtten zij een groote eer. En toen zij aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles wat zij hadden, en volgden zij Jezus. „Overal waar Hij gaat, zullen wij ook gaan,quot; zeiden zij. Van dien dag af weken zij niet meer van zijn zijde.

De vrienden waren discipelen geworden.

Kort daarop riep Jezus nog iemand tot het discipelschap.

Onder de goddeloozo tollenaars was er een, die gedurig bij de predikingen van Jezus te Kapernaüm tegenwoordig was geweest en die reeds meermalen met Hem gesproken had. Levi heette hij; en hij was niet zooals de andere tollenaars of ontvangers bij de belasting.

Toen Jezus op zekeren dag zijn huis voorbijging en hem bezig zag met zijn dagelijksche werk, het innen^ der belasting, die de menschen daar bij hem

524

ocr page 531
ocr page 532
ocr page 533

TN Cl AT J LEA,

brachten, sprak Jezus tot hem: „Volg mij, Levi!quot; Hij begreep zeer goed wat Jezus bedoelde. „Moet ik ook zijn discipel worden?quot; dacht hij, „en wat moet ik dan doen met mijn betrekking, met mijn geld en met mijn goederen?quot; Want hij was een bemiddeld man, Levi. Doch hij dacht er niet lang over na; want hij had bij zichzelven reeds meer er over gedacht; en omniddellijk sprak hij ook, als iemand die er blijde over is: ,,Het is goed, Heere! ik volg u !quot; Aanstonds stond hij ook op; hij sloot het tolhuis; ging haar den overste der tollenaars, die boven hem gesteld was; gaf'hein kennis van zijn besluit, dat hij zijn betrekking neerlegde, zijn winstgevende betrekking; en in dienzelfden middag ontving hij Jezus in zijn huis ter maaltijd, in zijn huis, dat hij dien dag voor het laatst het zijne zou noemen.

Bij dien maaltijd had hij ook zijn vrienden, de andere ontvangers van de belasting genoodigd, en hij zeide het aan iedereen, dat hij voortaan als discipel -Jezus ging volgen. Die wilde, mocht dien middag binnen komen, en mede aanzitten ter maaltijd; iedereen was welkom; en zoo zaten er van de armste en slechtste menschen uit Kapornaüm dien middag rondom Jezus in dat huis. Aan de deur stonden de rabbi's, die ook aangeloopen kwamen, om alles te zien en te hooren, maar die niet binnen wilden komen, omdat zij het met hun hooge heiligheid niet bestaanbaar vonden om bij zulk slecht gezelschap neer te gaan zitten. „Ziet gij wel,quot; zeiden zij hardop tegen Levi en tegen de andere discipelen, „ziet gij wel, dat Jezus toch niet de Messias is? De Messias zou niet met zulk slecht volk samen zitten. En deze Jezus eet en drinkt met de tollenaars en zondaars!quot; — „Is dat niet goed?quot; antwoordde Jezus hun, die buiten bij de deur stonden: „die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen, maar om zondaars tot bekeering te roepen!quot; Daar konden de vijandige rabbi's niets op antwoorden.

Na den maaltijd deed Levi een gronte daad. Hij gaf alles weg, wat hij had. Zijn huis gaf hij weg, zijn geld gaf hij weg, zijn goederen gaf hij weg. Zijn dienaars gaf hij de vrijheid, met groote geschenken. „Ik word nu discipel van Jezus,quot; riep hij vroolijk; en dat weggeven, was als hel weggeven van iemand, die dacht: „Ziedaar, met mijn oude leven breek ik geheel!quot;

ocr page 534

528 BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

In dien namiddag ging Levi aohtev Jezus het huis uit, arm, zooals Jezus. Hij had alles verlaten. Maar weinig menschen in Kapernaüm waren zoo blijde in de ziel als hij, toen hij dat gedaan had. In de stad had iedereen zijn mond vol van het geval: en iedereen had er zijn verschillend oordeel over.

Het was niet lang daarna dat Jezus nog meer discipelen riep. Twaalf kreeg Hij er. Dit zijn hnn namen: Simon, die van Jezns den bijnaam Petrus kreeg, dat „rotsquot; beteekent; Andreas, zijn broeder; Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs; Philippus en NathanaC'1, die later Bartholomeüs genoemd werd; Thomas en Levi, die later Mattheüs genoemd werd; nog een Jakobus, een zoon van Alfetts; Judas of Thaddeüs: Simon, de Kananieter, zoogenoemd, omdat hij van Ka na geboortig was; en Judas 1 ska riot, zoo genoemd, omdat hij van een dorp Kariot afkomstig was.

Wat Levi zeggen kon, konden zij allen zeggen: zij hadden alles verlaten wat zij hadden: arm, niets bezittend waren zij Jezus gevolgd; en zij hadden bet allen met blijdschap gedaan. „Wij zijn zeker, dat Hij de Messias is,' hadden zij gezegd; „en weldra zal Hij koning zijn, zooals de profeten hebben gezegd; dan zal ons loon niet uitblijven in dat nieuwe koninkrijk!quot; Daar waren er onder hen, die dachten: „Orh, al kregen wij ei nimmer een loon voor, wij zouden Hem toch volgen, zon lief hebben wij Hem!quot;

Jezus zelf was zeer blijde met zijn twaalf discipelen, ook al wist Hij,

dat zij niet allen Hem even lief hadden.

---

DE LEER VAN JEZUS.

Je leer, waarmede Jezus optrad, en die Hij verkondigde in al de plaatsen waar Hij kwam, was een andere, dan die do Joden in die dagen gewoon waren te hooren van hun rabbi's. Zijn leer klonk in aller oorcn als iets nieuws, hoewel de ware vromen, die de Schriften goed kenden, moesten getuigen, dat Hij toch eigenlijk geheel hetzelfde leerde

ocr page 535

DE LEER VAN JEZUS.

als de Wet en de proleten geleerd hadden. Dat zijn leer voor velen iets nieuws scheen, was, omdat de rabbi's afgeweken waren van de Wet en van de profeten.

Hij leerde, dat God een Vader der menschen is, die de menschen altijd liefgehad had, ook in Zijn kastijdingen, en die dat zou blijven doen. De menschen waren de kinderen van dien Vader, en moesten Hem daarom wederliefhebben; ook moesten zij, omdat zij kinderen van één Vader waren, elkander allen als broeders en zusters beschouwen; en zij moesten niemand hiervan bniten-slniten, ook de boozen niet, ook de heidenen niet.

Hij leerde, dat zijn Vader nu bezig was op deze booze wereld een nieuw rijk te stichten. Om dat te doen, was Hij, .lozus, door zijn Vader gezonden. Dat nieuwe rijk was hetzelfde, waarvan de profeten gesproken hadden; het Messiasrijk hadden velen het genoemd, maar Hij noemde het liever ,.het koninkrijk der hemelen;quot; want als het er was, zou het wezen, also! de hemel op aarde was nedergedaald. Wie zouden er toe behooren, tot dat nieuwe rijk, dat Hij in zijns Vaders naam kwam stichten? Dat zouden de armen van geest zijn, de eenvoudigen, die zich niet verbeeldden, dat zij wijs waren. Dat zouden wezen de treurigen, die bedroefd waren om hun nooden en om hun zonden; en niet die lachende menschen, die door iedereen als de gelukkigen werden aangezien. Dat zouden wezen de zachtmoodigen; en niet de verdrukkers en de geweldenaars. Dat zouden wezen die gaarne rechtvaardig en heilig waren. Dat zouden wezen de barmhartigen. Dat- zouden wezen de reinen van hart. Dat zouden wezen de vreedzamen, en die vervolgd werden om der gerechtigheid wil! Deze allen, en niet de anderen, die geheel hieraan tegenovergesteld waren, zouden de burgers zijn van dat nieuwe koninkrijk der hemelen. Deze waren de ware gelukkigen; deze waren de zaligen!

Als Jezus deze dingen zeide, dan voelden de menschen, dat dit iets geheel anders was, dan de rabbi's leerden; en dit vonden zij zeer troostrijk; alleen die hoogmoedig waren, of die geweldenaars ot onreinen waren, vonden zulke woorden niet goed; die ergerden zich. Ook de rabbi's ergerden zich: want zij voelden, dat zij altijd iets anders geleerd hadden.

Jezus leerde, dat de menschen, die zich nu tot dat nieuwe koninkrijk wilden vereenigen, het zout der aarde moesten wezen, en het licht der wereld;

3i

529

ocr page 536

btjbelsöhë geschiedenis voor kindehen.

dat wil /.eggen: zij muesten het voorbeeld geven, opdat de anderen mochten volgen. Zij moesten het voorbeeld van liefde geven; zij moesten hun naaste 'Mo liefhebben, dat zij zelfs de slechten niet gingen schelden; dat zij zelfs gingen liefhebben, die hun vijanden waren; dat zij gingen zegenon, die hen vervloekten; dat zij gingen bidden voor die hen geweld aandeden of vervolgden.

Jezus leerde, dat de mensdien, die zich tot dat nieuwe koninkrijk wilden vereenigen, altijd de waarheid moesten spreken; hun ja moest ja zijn, en hun neen moest neen zijn; zweren en vloeken, dat mocht niet, dat was niet rein.

Ook moesten zij barmhartig zijn; doch niet openlijk moesten zij hun weldaden doen; in stilte weldoen, zoo behoorde het; de rechterhand moest niet eens weten wat de linkerhand deed.

Voorts moesten zij in hun gebeden ook eenvoudig zijn; de heidenen gebruikten lange woorden; maar dat behoefden zij niet te doen; want de Vader wist wat zij van noode hadden, eer zij Hem er om baden. — Vasten, dat mochten zij, als zij wilden; maar het behoefde niet; doch deden zij het, dan moesten zij een opgewekt gelaat er bij toonen; want zij moesten het niet doen met de-gedachte, dat de menschen hen dan voor heiligen zouden houden.

Jezus leerde, dat de menschen, die zich tot dat nieuwe koninkrijk wilden voreenigen, in tegenstelling van anderen niet moesten zoeken rijk te woulen, met de gedachte, dat zulks het grootste geluk der wereld is. Beter was, om zich rijkdommen in den hemel te vergaderen. Zij moesten in hun dagelijksche behoeften en nooden niet bezorgd wezen, en op hun Vader vertrouwen; die zou zorgen. „Daarom zeg ik u: zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult: is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding? Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt nochtans dezelve: gaat gij dezelve niet zeer veel te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?'En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des volks, hoe zij wassen: zij arbeiden niet, en spinnen niet. En ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van dezen. Indien nu God het gras des voids, dat heden is, en morgen

ocr page 537

DE LEER VAN JEZUS.

in den oven geworpen wurdt, alzuu bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleeden, gij kleingeloovigen? Daarom /ijl niet bezorgd, zeggende: wat zullen wij eten? of wat zullen wij drinken? of waarmede zullen wij ons kleeden? Want al deze dingen zoeken de Heidenen; want uw hemelsche Vader weet, dat gij al deze behoeft. Maar zoekt eerst liet koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen: want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijns zelfs kwaad.quot;

Jezus leerde, dat de menschen, die zich tot dat nieuwe koninkrijk wilden vereenigen, een ander niet moesten veroordeelen. Die dat deden, waren als de man, die een splinter uit het oog van zijn broeder wilde verwijderen, terwijl hij zelf niet wist, een balk in eigen oog Ie hebben. „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt,quot; zeide hij.

Jezus leerde, dat zij, als zij baden, gelooven moesten in de verhooring van hun gebed. „Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk, die bidt. die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden. Of wat mensch is er onder u, zoo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem eenen steen zal geven? En zoo hij hem om een visch zou bidden, die hem een slang zal geven?quot;

En nog veel meer leerde Jezus aan zijn volgelingen en discipelen, hoe zij zich te gedragen hadden. Elkander liefhebben, en God boven alles liefhebben, daar kwam het altijd op neer. En die alzoo deed, die zou in waarheid tot zijn nieuwe koninkrijk behooren. „Een quot;iegelijk,quot; zoo zeide hij, „die deze mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft; en er is een slagregen neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond. En een iegelijk, die deze mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft; en de slagregen is nedergevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en bet is gevallen, en zijn val was groot.quot;

531

ocr page 538

Zoo was de leer van Jezus. Overal predikte hij dit. En eens, toen Hij in de omstreken van het meer van Genezareth was, en vele, vele menschen bij Hem kwamen, om Hem te hooren, zeide Hij hun deze leer in een lange redevoering, stuk voor stuk. Dat was de schoonste rede, die ooit op de wereld is uitgesproken En omdat Hij toen met de menschen op een berg stond, terwijl Hij dat uitsprak, is die redevoering „de Bergredequot; genoemd.

Later, toen Jezus vond, dat zijn volgelingen en discipelen er ontwikkeld genoeg voor waren, leerde Hij hun ook nog, van dag tot dag duidelijker, dat Hij geen wereldsch koninkrijk ging stichten, dat Hij als Messias geen aardsch koning ging worden; en dat zij dat niet moesten verwachten. Integendeel, Hij leerde hun, van dag tot dag duidelijker, dat Hij, de Messias, moest sterven aan een kruis; en dat juist door dat sterven, de verzoening voor de zonden zou geschieden, waarvan de profeten gesproken hadden. Het koninkrijk dor hemelen op aarde zou bestaan uit menschen, die geloofden, dat Hij door zijn dood vergiffenis voor hen verkregen had.

ocr page 539

WONDEREN TE KAPERNAUM EN TE NA1N.

Zoo schoon als zijn discipelen de Bergrede gevonden hadden, zoo verkeerd vonden zij deze latere leer. „Neen.quot; zeiden zij onder elkander, „Hij moet niet sterven, maar koning worden.quot; Toch hadden zij Hom te /eer lief, dan dat zij iets niet hadden willen gelooven, als Hij het gezegd had.

WONDEREN TE KAPERNAUM EN TE NAIN

v uuderlingen der Joodsche synagoge door het volk heendrongen, en Jezus aanspraken. „Heere!quot; zeiden zij, „hier in de stad is een Romeinsch hoofdman, die een knecht heeft, dien hij zeer lief heeft. Die knecht is zeer krank, en ligt op sterven. En nu komen wij u vragen, in zijn naam, ot gij wilt komen, om zijn knecht gezond te maken; hij zou zijn knecht niet gaarne verliezen.quot; Zooals zij spraken, spraken zij zeer meewarig en dringend.

Die Romeinsche officier, voor wien zij dit verzoek deden, was in de stad Kapernaüm zeer wel bekend. Hij lag daar met zijn bezetting soldaten, om de Joden, als zij soms opstand wildon plegen, in bedwang te houden. Maar hij was een goed en vriendelijk man, die, hoewel Romein, zich bij de Joden bemind had weten te maken. (Jok had hij, door den omgang met de Joden, ingezien, dat tie heidensche afgodendienst zijner vaderen een dwaasheid was; en hij had daarom zich bij den godsdienst der Joden reeds aangesloten ; hij was zeer blijde, dat hij den eenigen God van hemel en aarde door hen had leeren kennen; en in zijn dankbaarheid had hij hen in staat gesteld door zijn geldelijke bijdrage, om een tweede, nieuwe synagoge te bouwen. Daarom, dat toen de ouderlingen, die zijn verzoek in zijn naam kwamen overbrengen, daar bijvoegden: „Heere! die hoofdman is het wel waard, dat Gij doet, wat-hij vraagt!quot;

„Ik zal met u gaan,quot; zoo antwoordde Jezus hun, „zeker zal ik naar zijn huis gaan.quot; En aanstonds richtte Hij zijn schreden naar het huis van den

533

jaarna ging Jezus verder, met de scharen nog altijd achter Hem, naar Kapernaüm terug.

Zij waren lot bij de poorten der stad gekomen, toen eenige

ocr page 540

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

huüfdman, waar deze woonde. „Hij komt, hij komt!quot; zoo kwamen eenige mannen haastig den hoofdman boodschappen. „Dat is meer, dan ik waardig ben,quot; sprak de nederige man. En aanstonds zond hij eenige vrienden tot Jezns, met de volgende boodschap: ,,Heere! zoudt gij zelf tot mijn hnis willen inkomen? Dat is meer eer, dan ik waard ben; want wie ben ik, die maar een heiden geweest ben! Ik ben zelf niet eens waard, om persoonlijk tegen u te spreken; daarom ben ik zelf niet gekomen, en heb do anderen gezonden om tegen u te spreken; die zijn beter dan ik! O Heere! zeg het maar met een woord, en mijn knecht zal genezen zijn!quot; En wat de hoofdman door zijn viienden daarbij liet zeggen, was zeer schoon. „Zie,quot; liet hij hun daarbij zeggen, „als gij het maar met een woord wilt zeggen, dan geschiedt het reeds. Wanneer ik tegen mijn minderen zeg: „Gaat!quot; dan gaan zij; en als ik zeg: „Komt!quot; dan komen zij. Mijn soldaten gehoorzamen mij. Zoo gehoorzamen do krankheden u immers ook. Zeg maar een woord: „Ga!quot; en de krankheid zal gehoorzamen, en weggaan!quot;

„Hoort gij dat?quot; vroeg Jezus aan de schare, terwijl Hij zich tot hen keerde; „hoort gij dat, welk een geloof die man in mij heeft? Zulk een groot geloof, zeg ik n, heb ik zelfs bij u, o gij kinderen van Israöl! niet gevonden!quot; Eer de vrienden van den hoofdman teruggekeerd waren, was de dienstknecht gezond.

De menschen verwonderden zich wederom zeer over de macht van Jezus, die van uit de verte iemand gezond kon maken, zonder zelfs bij den kranke persoonlijk tegenwoordig te zijn. Maar daar waren er toch onder die menschen, die geërgerd waren, dat Jezus dien heiden geprezen had boven hen, die toch het uitverkoren volk Gods waren; en zij droegen Hem om dit woord geen goed hart toe.

Lang was Jezus in Kapernaüm en zijn omstreken geweest; en Hij wilde weer tot ongelukkigen ook in andere streken van het land. Zoo ging Hij dan in een der volgende dagen zijn stad verlaten, en liep Hij, van zijn discipelen vergezeld, zuidwaarts. Zij -kwamen den berg Thabor voorbij, en naderden zuidelijk van daar, het stadje Naïn. De reize ging dooi' een streek lands welke schoon was om te aanschouwen.

534

ocr page 541

WONDEREN TE KAPERNAUM EN TE NAIN.

Juist toen Hij de poort van Naïn wilde binnengaan, kwam uit die poort een begrafenisstoet. Dat waren menschen met bedroefde aangezichten; en sommigen van hen liepen luid klagende. In het midden van hen gingen de mannen, die de baar droegen, waar de doode op lag. En daar achter ging een vrouw, ter neer gebogen, gebroken van hart. Dat was de moeder van den doode; en die doode was een jongeling, haar eenige zoon. Haar man was reeds vroeger gestorven; zij was weduwe; en dat zij nu zoo alleen op de wereld achterbleef, zonder man en zonder kinderen, dat was wat de menschen zoo meewarig maakte. Bijna iedereen uit het stadje was mede-geloopen; want allen kenden de vrouw wel, en eerden haar om haar braafheid, en waren begaan met haar smart.

Eerbiedig voor dien stoet waren Jezus, en zijn discipelen, en de anderen, die bij Hem waren, op zijde gegaan. Maar toen de mannen met de baar buiten de poort waren gekomen, en Jezus hen zag, met die verlaten, stil weenende vrouw daarachter, toen kwam het diepe medelijden bij Hem boven; Hij werd met ontferming bewogen. „Ween niet!quot; zeide Hij tot de vrouw, terwijl Hij vooruitschreed. Hij raakte de baar aan; en de dragers begrepen zijn gebaar; zij stonden stil. En het kleed oplichtende, waaronder de doode lag, zag Hij den doode. „Jongeling! ik zeg u, sta op!quot; zoo riep Hij. En plotseling opende de gestorvene de oogen; hij zag rond, en richtte zich overeind, om ten slotte zijn oogen te vestigen op Jezus, die voor hem stond. Je/aiw reikte hem de hand, hielp hem opstaan, en, aan zijn hand, gaf Hij hem aan de moeder terug, aan de moeder, die den rouwsluier terugsloeg, haar levenden zoon kuste, en straks dankbaar aan Jezus' voeten lag.

De menschen er om heen durfden eerst bijna geen woord zeggen; daar was iets als vrees over hen gekomen; schrik stond op hun aangezicht. „Wie is deze, dat zelfs de dood Hem gehoorzaam is?quot; dachten zij. Maar straks week die vrees voor verrukking, voor luidruchtig gejuich, toen zij weder de poort ingingen, de straten van Naïn door. „Een groot profeet is onder ons opgestaan,quot; zoo riepen zij, „en Clod denkt weer aan ons, zooals in oude tijden!quot; En eer er vele dagen voorbijgegaan waren, was het gerucht van dit wonder gegaan door het gansche land.

585

ocr page 542

DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER

dien tijd, dat Jezus bezig was geweest met prediken en wonderen doen, was ook Johannes de Dooper bezig geweest in zijn arbeid, getrouw en ijverig in zijn taak. Maar het was hem niet gegaan zooals V hij gedacht had.

Hij was in den laatsten tijd bezig geweest aan de overzijde der Jordaan, in Perea, in het land dus, dat een deel was van het rijk van Herodes Antipas. Hij had ook daar alles vernomen, wat Jezus deed, en hij verblijdde zich over die groote daden; hij was niet teleurgesteld, want alles wat Jezus deed, was juist zooals hij het van den Messias verwacht had. Door zijn discipelen en door andere menschen, die tot hem kwamen, bleef hij gedurig op de hoogte van Jezus' schitterenden arbeid. Maar het bevreemdde hem toch, dat Jezus zulk een stillen arbeid verrichtte, en dat Jezus niet openlijk zich aan het hoofd van de bevolking plaatste, om door haar zich als den Messias te laten uitroepen, zich te Jeruzalem te laten kronen, en het nieuwe zichtbare koninkrijk te vestigen, dat alle andere koninkrijken door een wonderdaad zou overwinnen en vernietigen. Had Jezus dat gedaan, in eens, en voor aller oogen zichtbaar, Johannes zou het goedgekeurd hebben; maar nu bevreemdde het hem, dat Jezus zulks gansch niet deed. Toch verzweeg hij zijn gedachten hierover, als een nederig man. „Wellicht is het Jezus' tijd nog niet om dat te doen,quot; zoo dacht hij; en hij wachtte met geduld, zooals een getrouw dienaar wacht, die weet, dat zijn meester wijs is en groot. Onderwijl predikte hij, en doopte hij; in zijn arbeid vertraagde hij niet.

Het was in dezen tijd ongeveer, dat Herodes Antipas een daad deed, die door de meesten zijner onderdanen streng gegispt en afgekeurd werd. Hij deed vele dingen, die slecht waren; maar wat hij nu deed, ergerde bijna allen. Hij verstootte zijn eigen vrouw, die de dochter van een aanzienlijk Arabisch vorst was, Aretas. En hij deed zulks om een andere vrouw te nemen. Deze andere vrouw, Herodias geheeten, was de vrouw van Herodes' broeder; die dus haar man verliet om de vrouw van Herodes te kunnen worden.

ocr page 543

DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER.

„Wij weten niet, wit) quot;slechter is, Herodes of Herodias,quot; zeiden de menschen met afschuw; maar niemand zeide het hardop; want allen vreesden den koning en de wreede koningin.

Daar was er slechts één, die niet vreesde het luide te zeggen; en dat was de onverschrokken Johannes. Toen het hem ter ooren kwam, ging hij waar hij den koning en de koningin vintien kon; dat was in Machaerus, een plaats in het zuiden, op de grens van Perea; daar had de koning een groot slot, en dat was op sommige tijden des jaars zijn residentie. Daar sprak Johannes openlijk als een streng profeet tegen Herodes en Herodias, over hun gruwelijke daad. ..liet is u niet geoorloofd, o koning, om do vrouw van uw broeder te nemen; maak uw zonde goed, en zend haar terug naar haar man!quot; zoo zeide hij; en met vele woorden meer bestrafte hij Herodes en die vrouw. Herodias was over deze bestraffing zoo toornig, dat zij den Dooper dadelijk wilde laten ombrengen; maar Herodes verzette zich tegen den wensch van zijn vrouw. „Dat kan ik niet doen,quot; zeide hij; „Johannes heeft een grooten aanhang onder het volk, en zij eeren hem allen als een groot profeet. Als ik het doe, dan zou een oproer komen en ik zou zelf niet veilig wezen.quot; Toch liet hy Johannes onmiddellijk gevangen nemen, en hem in den kerker van zijn kasteel Machaervjs opsluiten. Zuo dikwijls evenwel zijn vrouw hem aanhitste, om Johannes te dooden, verzette hij zich beslist daartegen, hij, die anders alles deed, wat die vrouw van hem verlangde.

Zoo was de groote profeet een gevangen man geworden, en was de arbeid plotseling geöindigd, dien God hem had te doen gegeven. Hij werd in zijn gevangenis zeer mismoedig; niet om het lot, dat hem overkomen was; want daar treurde hij niet over; hij zou morgen weer hetzelfde gedaan hebben tegenover Herodes en zijn vrouw. Maar daar was een andere reden voor zijn mismoedigheid. Hij dacht weer aan Jezus; en de oude vraag kwam weer in hem op: „Waarom treedt Jezus niet openlijk op als de Messias? En waarom overwint Hij de booze koningen niet, en waarom laat Hij zich nog niet als koning uitroepen?quot; Die gedachte was bij hem, dag en nacht, in den kerker. Zelfs kwam in zijn mismoedigheid de gedachte bij hem op: „Als Jezus toch werkelijk de Messias is, dan is het nu toch wel de tijd voor Hem, om zijn

537

ocr page 544

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

strijd tegen de koningen te beginnen, want ik, zijn profeet, lig hier in den kerker gevangen, als een die weldra sterven moet, als Hij mij niet redt!quot; Ook sprak hij in zijn mismoedigheid ten slotte nog dit: „Zou Jezus wel de Messias zijn?quot; En die twijfel was het, die hem in zijn kerker de grootste kwelling was. Dien twijfel kon hij niet langer dragen, na velo dagen, en hij besloot een eind aan dien twijfel te maken.

Op zekeren dag, toen hij in zijn gevangenis door twee van zijn trouwste discipelen bezocht werd, sprak hij voor hen uit, wat hij nog nooit voor iemand uitgesproken had. „Gaat naar Jezus,quot; zeide hij, „en vraagt het Hem, in mijn naam, of' Hij de Messias is, of niet!quot; En die discipelen, die bekommerd waren om hun meester, gingen op weg, en kwamen tot Jezus; zij vonden Hem te Naïn, waar Hij nog was.

Zij vonden Hem op de straat, te midden van vele menschen, terwijl Hij bezig was vele kranken te genezen, die van alle kanten kwamen aanzetten.

„Heere!quot; zoo spraken de twee mannen, „wij komen van Machaerus, waar Johannes gevangen zit; en dit is het wat hij u laat vragen: „Zijt gij de Messias, die komen zou, of is het een ander, op wien wij wachten moeten?quot; Jezus begreep uit die eene vraag den gansehen gemoedstoestand van Johannes. Hij vond er Johannes niet te minder om, dat hij een oogenblik aan Hem getwijfeld had; en Hij had deernis met zijn zielestrijd; Hij ging hem helpen om te overwinnen. .,Of ik de Messias ben?quot; zoo antwoordde Jezus; „zegt aan Johannes, dat hij weten kan, of ik liet ben; verhaalt hem eenvoudig, wat gij hier op de straat ziet gebeuren; verhaalt hem, dat de blinden ziende worden; dat de kreupelen wandelen; dat de melaatschen gereinigd worden; dat de dooven hooren; dat de dooden opgewekt worden; en dat aan de armen het Evangelie gepredikt wordt. Als gij dit aan Johannes verhaalt, zooals uw oogen hot hier gezien hebben, dan zal hij weten of ik de Messias ben!quot; En een oogenblik later voegde Jezus er dit nog aan toe: „Zegt hem ook nog dit: Zalig is hij, die er zich niet aan ergert, als hij ziet, dat ik anders ben, dan hij verwacht!quot; Met die woorden liét Jezus de twee mannen gaan.

Na hun vertrek nam Hij uit die gebeurtenis aanleiding om tot de menschen over ■•J-ohannes te spreken, en verklaarde Hij voor aller ooren, dat van al de

538

ocr page 545

DOOD VAN JOHANNES DEN DOOPER.

profeten uit den ouden tijd tot op dien dag Johannes de grootste was. Jc/ais had hem zeer lief, en nooit heett Jezus een mensch zoo geprezen.

Toen de twee mannen tot den Douper in de gevangenis teruggekeerd waren, en hem alles hadden gezegd, wat zij zeggen moesten, dacht Johannes: „Jezus is dus toch de Messias, ook al is hij het anders, dan ik heb gedacht. Neen, ik zal er mij niet aan ergeren, al is de Heere anders, dan ik dacht!quot; En toen kwam de vrede, en de blijdschap in zijn ziel terug. Die gevangene was niet ongelukkig meer; hij geloofde in Jezus, sterker dan ooit.

539

Het was niet lang daarna, dat die groote profeet stierf; en zijn dood was aldus.

Op het kasteel te Machaerus was er leest. Herodes was jarig. En boven den kerker, in de groote ruime zaal, zaten de gasten van den jarigen koning-om den vroolijken maaltijd. Zooals de gewoonte was bij rijke en aanzienlijke lieden, kwamen onder het gastmaal fluitspeelsters en danseressen in de zaal, om hot feestgenot der vroolijke menschen te verhoogen. Die ditmaal met de fluitspeelsters binnenkwam, was geen gewone danseres, maar was, tot verbazing des konings en der gasten, des konings eigen dochter, Salome. Salome was uit zijn huwelijk mot zijn eerste vrouw geboren; en het meisje was schoon van aanzien. Zoo bevallig danste zij tot 's konings vermaak, en zoo behaagde dit hem, dat hij in zijn verrukking uitriep: Vraag een belooning van mij, mijn kind! Vraag, al was het de helft mijns koninkrijks, ik zal hot u geven; ik zweer het!quot; En luide lachte de vorst; hij wist niet, dat Horodias, de wreode, van te voren aan Salomo gezegd had, hoe te handelen; had hij het geweten, hij had niet gelachen. Want aanstonds antwoordde hot glimlachende meisje: „Cleef mij het hoofd van Johannes den Duoper op oen schotel!quot; En het klonk vreesolijk, die woorden te hooren uit zoo lachenden, schoonen mond. Op eens begreep Herodes, dat zijn vrouw dit alles zoo overlegd had, togen wier wonsch om Johannes to doodon hij zich altijd verzet had. Zijn aangezicht stond plotseling somber, en hij verbleekte. Maar omdat hij ten aanhoore der gasten liet met een eed had gezegd, achtte hij zich genoodzaakt om te geven wat zij vroeg. Een wenk aan een dienaar, — en straks werd door dien dienaar op een

SÜK

ocr page 546

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

schotel het bloedende hoofd binnengebracht van Johannes, Gods grootsten profeet. Dat meisje nam den schotel in handen, en droeg het hoofd naar haar moeder. Toen het avond was kwamen Johannes' discipelen, en vergunning verkregen hebbende, namen zij het lichaam van hun meester mede, om het te begraven.

Herodias was blijde in haar wraak; maar Herodes had geen rust meer. Altijd zag hij dat bloedende hoofd voor zich. .,016 profeet zal toch weer uit zijn graf opstaan!quot; zoo riep hij menigmaal; „en dan zal hij mij komen dooden!quot; En toen hij up zekeren dag hoorde van Jezus, die zulke groote wonderen deed, wat hij met ontsteltenis vernam, toen riep hij: „Daar is Johannes terug! Wee mij!quot; Hij meende dat Jezus de uit het graf verrezen Johannes was.

Toen Jezus hoorde, dat Johannes onthoofd was, — het hoorde van de discipelen, die het Hem waren komen zeggen, — ging Jezus alleen, naar een woeste plaats; en Hij treurde over Johannes als iemand die zijn trouwsten en

onbaatzuchtigsten vriend had verloren.

------

540

TWEE SCHULDENAARS.

oor dat Jezus uit Naïn vertrok, was daar echter nog iets gebeurd, dat in die stad, en weldra ook daarbuiten, groote opspraak verwekte. Daar woonde in die stad een aanzienlijk rabbi, Simon geheeten, ^ die tot de Farizeën behoorde. Wat Jezus te Naïn gedaan had, had zooveel opmerkzaamheid getrokken, dat ook de rabbi's bij zichzelven gingen vragen: „Wie is toch deze man, die zoo groote wonderen .doet?quot; Toch waren zij te voorzichtig om zich uit te spreken, wat zij over Jezus dachten. Simon was als de andere rabbi's. „Wij moeten ons nog maar niet te veel met hem inlaten,quot; zeiden die voorzichtige mannen; „wij konden later wel eens spijt hebben, dat wij ons met hem hadden bemoeid; wij zijn lieden van stand, die zooveel hooger staan dan dat volk, waar die Jezus zich altijd onder beweegt; neen, laten wij op een afstand blijven.quot; En zoo namen zij een teruggetrokken houding

ocr page 547
ocr page 548
ocr page 549

TWEE SCHULDENAARS. 543

aan. Toch dreef de nieuwsgierigheid ook hun, om wat meer van dien Jezus te weten; ook zij wilden zekerheid hebben omtrent de vraag of Jezus de Messias was of niet. En het was aan deze omstandigheid te danken, dat Jezus daar te Naïn van Simon een uitnoodiging kreeg, om bij hem ter maaltijd te komen.

Simon, die ook zijn vrienden had uitgenoodigd, had zich met hen voorgenomen, om tegen Jezus niet al te vriendelijk te zijn. „Wij kunnen hem ten eten vragen en ons toch op een afstand houden,quot; hadden zij gezegd. En zoo kwam het, dat toen Jezus op het bepaalde uur ten huizo van Simon verscheen, zij hem met eenige koude hooghartigheid ontvingen, en dat hem, misschien maar met een handgebaar, een plaats werd gewezen, waar hij aan tafel kon gaan zitten. J.)e gastheer had hem niet eens vriendelijk gegroet, hem geen kus gegeven, zooals de gewoonte was. Hij had zijn dienaar niet eens gelast, voordat de tafel begon, om Jezus een bekken met frisch water aan te bieden, om handen en voeten te verfrisschen. Dat was niet zooals beleefde menschen hun gasten ontvingen ; maar Jezus was er niet boos over, hoewel hij het voelde. Hij zat neder, waar zijn plaats was en at, en sprak vriendelijk met de aanzienlijke mannen, die met velerlei vragen hem uithoorden.

Het was onder dien maaltijd, wellicht tegen het einde van dien maaltijd, dat plotseling een vrouw binnenkwam, zooals die aanzienlijke mannen liever niet in hun huis hadden zien binnenkomen. Het was een bekende vrouw, van wie iedereen in de stad wist, dat zij een groote zondares was, en van wie met schande gesproken werd; een Farizeër zou op straat voor haar uitgeweken zijn, naar den anderen kant van de straat, om niet te dicht in haar nabijheid zelfs maar geweest te zijn.

„Wat doet die vrouw hier in mijn huis?quot; dacht Simon reeds met opkomenden toorn; en zijn eerste gedachte was om door zijn dienaars haar te laten verwijderen. Maar die vrouw, eerst rondziende in den kring dei-gasten, was reeds naar Jezus gegaan, waar hij zat; en in tranen uitbarstende, terwijl zij op haar knieën viel, omhelsde zij de voeten van Jezus, zooals iemand doet, die groot kwaad gedaan heeft, en die daarvoor om vergeving smeekt. Haar tranen vielen op de voeten van Jezus,

ocr page 550

BtJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

welke zij kusto; en ziende, hoe haar tranen die voeten nat maakten, schaamde zij zich tegelijk, en wischte zij die tranen van die voeten at'; met haar loshangend hoofdhaar deed zij dat, als iémand, die maar het eerste ter hand neemt wat zij vindt; terwijl haar lippen stamelden om vergiffenis, en om redding van een zondig leven. In de hand had zij een kostbare albasten kruik met olie, toen zij binnengekomen was; en die olie goot zij, alsof het geen prijs was, over Jezus' voeten uit, als een, die bij zichzelven denkt: „Ik ben het niet waard, dat ik zijn hoofd zalf; ik zal zijn voeten zalven.quot; In alles deed zij, als iemand, die vreeselijke spijt had van een vorig zondig leven, en die bij zichzelven dacht: „Die Jezus is de Messias; Hij kan mij alles vergeven.quot;

Met hooghartige afkeuring had de gastheer het tooneel aanschouwd; en hij was nog meer over Jezus geërgerd dan over die vrouw. ,,Schaamt die Jezus zich niet, om zich zoo door een vrouw te laten aanraken?quot; dacht hij; „Hij schijnt niet eens te weten, wat voor een vrouw zij is; als Hij een profeet was, zou Hij het wel Weten; neen, nu zie ik duidelijk, dat Hij niet eens een profeet is; dat ik nog een oogenblik heb kunnen denken, dat Hij wellicht de Messias was!quot; En in 2ijn hart verachtte hij Jezus; en zooals hij dacht, zoo dachten de andere aanzienlijke gasten aan tafel; hun gebaren, hun blikken, toonden duidelijk wat zij dachten.

„Simon,quot; zeide Jezus toen op eens tegen zijn gastheer, „ik heb u wat te zeggen.quot; — „Zeg het,quot; antwoordde de ander hooghartig. „Een zeker schuldheer had twee schuldenaars,quot; sprak Jezus; „de een was hem schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig. En toen zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg mij nu, Simon, wie van deze twee zal hem het meest liefhebben?quot; — „Wel,quot; antwoordde Simon, „mij dunkt, dat wien het meest kwijtgescholden is hem het meest zal liefhebben.quot; — „Zeker,quot; zeide Jezus; en terwijl Hij op de vrouw aan zijn voeten wees, sprak Hij tot Simon dit: „Ziet gij deze vrouw? Toen ik uw huis binnenkwam, hebt gij mij door den dienaar geen water laten aanreiken, tot verfrissching van handen en voeten ; gij vondt dat tegenover mij niet noodig; maar deze vrouw heeft mijn voeten met tranen nat gemaakt. Gij hebt mij bij het binnenkomen niet gegroet.

544

ocr page 551

TWEE SCHULDENAARS.

geen kus mij gegeven; gij vondt dat tegenover mij niet noodig; maar deze vrouw heeft zelfs mijn voeten gekust, (lij hebt mij bij liet binnenkomen geen olie aangeboden tot zalving van mijn hoofd; gij vondt dat tegenover mij niet noodig; maar deze vrouw heeft zelfs mijn voeten met zalf gezalfd. Weet gij, hoe dat komt, dat verschil tusschen u en deze vrouw, Simon ?quot;

En Jezus behoefde dat hem niet te zeggen; want zijn gastheer voelde, dat hij de schuldenaar was, wien vijftig penningen kwijtgescholden waren; en dat die vrouw de schuldenaar was, wien vijfhonderd penningen kwijtgescholden waren. En hoewel Jezus het hem niet behoefde te zeggen, wat hij reeds voelde, toch zeide Jezus het hardop, zoodat iedereen het hooren kon: „Het verschil van uw gedrag en het gedrag van deze vrouw komt hieruit voort, dat wien weinig zonden vergeven zijn, weinig liefheeft; gij hebt dat daarjuist zelf gezegd, Simon!quot;

Zonder verder antwoord af te wachten, richtte Jezus zich tot de vrouw aan zijn voeten, en het was met de genade als van God zeiven, waarmede Hij haar dit toesprak: „Uw zonden zijn u vergeven; Ik geef u, wat gij vraagt!quot; Een gemor steeg op bij de gasten: „Dat mag hij niet, de zonden vergeven! Dat mag God alleen zeggen!quot; mompelden zij. Maar Jezus hoorde niet naar hen; met diezelfde goddelijke macht en goedheid reikte Hij the vrouw de hand, terwijl Hij dit zeide: „Sta op; uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!quot;

Ook die vrouw hoorde niet naar het gemor der gasten; zij hoorde maar naar dat woord van genade, dat in haar ziel indrong. Zooals zij heenging, zou ging een mensch weg, die blijde is, vergiftenis verkregen te hebben. Van dion dag af was zij een andere vrouw.

Jezus echter merkte uit dit voorval, wat Hij reeds meermalen bespeurd had, dat de rabbi's niet vriendelijker er op werden. Toch ging Hij voort met alle ongelukkigen te helpen, en met de prediking van het koninkrijk dor hemelen.

ocr page 552

GELIJKENISSEN.

v,fls Jezus predikte, dan zeide Hij gaarne, wat Hij te zeggen had, in den vorm van gelijkenissen. Gelijkenissen waren korte verhalen, die Jezus onder het siireken bedacht; door die verhalen begrepen zijn v hoorders Hem dikwijls beter, en onthielden zij ook beter de les, die Jezus wilde, dat zij ter harte zonden nemen.

'Toen Jezus eens aan zijn discipelen wilde leeren, hoe bet kwam, dat -niet iedereen in zijn prediking geloofde, vertelde Jlij hun de gelijkenis van den zaaier. „Ziet,quot; zeide Hij, „een zaaier ging uit om te zaaien. En als hij zaaide, viel een deel van het zaad op den weg; en de vogels kwamen en aten het op. En een ander deel van het zaad viel op steenachtige plaatsen, waar er niet veel aarde lag; dat zaad ging terstond op, umdat de aarde daar niet diep lag; maar toen de zon opging, verbrandde het, omdat het geen wortel had, en het verdorde. En een ander deel van het zaad viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten het. En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. Wie ooren heeft om te booren, die hooreiquot; Do discipelen begrepen zeer goed, dat als bet zaad niet overal opkwam, dit niet aan het goede zaad lag, maar aan den grond, die niet overal even goed was. Zoo begrepen zij ook, toen Jezus hun die gelijkenis nader verklaarde, dat het niet do schuld van Jezus was, als de menschen niet allen zijn prediking geloofden, maar dat het aan de menschen zeiven lag, omdat bet hart bij allen niet even goed was.

Toen Jezus eens aan zijn discipelen wilde leeren, dat bij het hemelsch koninkrijk, dat Hij op aarde ging stichten, zich altijd menschen zouden aansluiten, die er eigenlijk niet bij behoorden, vertelde Hij bun do gelijkenis van het onkruid onder de tarwe. „Ziet,quot; zeide Hij, „bet koninkrijk der hemelen is gelijk oen mensch, die goed zaad zaaide in zijn akker. En toen de menschen sliepen, kwam zijn vijand; die zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg. Toen nu het kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. En de dienstknechten van dien heer gingen en

ocr page 553

GELIJKENISSEN.

zeiden tot hem: „Heer, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? hoe komt dan daar dat onkruid?quot; Hij zeide tot hen: „Een vijandig menscii heeft dat gedaan.quot; De dienstknechten zeiden tot hein: „Wilt gij, dat wij heengaan, en dat onkruid uittrekken?quot; Maar hij zeide: „Neen, want gij zoudt met het uittrekken van het onkruid wellicht tegelijk de tarwe uittrekken; dat-zou schade zijn. Laat ze beiden te zarnen opwassen, tot de oogsttijd daar is; en in den oogsttijd, dan zal ik tot de maaiers zeggen: vergadert eerst het onkruid, en bindt het in bossen, om het te verbranden; maai brengt de tarwe te zamen in mijn schuur.quot; De discipelen begrepen na deze gelijkenis zeer goed, dat bij het hemelsche rijk op aarde, dat Jezus ging stichten, er nienschen genoeg zich zouden aansluiten, die er eigenlijk niet bij behoorden; dat zou do Satan wel'maken. Maar zij begrepen tegelijk, dat Jezus dat zou toelaten, een langen, langen tijd; totdat do groote oordeelsdag kwam; dan zou Hij de boozen van de goeden voorgoed scheiden.

En met hetzelfde doel vertelde Hij hun do gelijkenis van het vischnet: „Het koninkrijk der hemelen is gelijk een net, geworpen in do zee, dat allerlei soorten van visschen opvangt. Eerst wanneer het vol geworden is, trekken de visschers het op aan den oever; dan, nedergezeten, zoeken zij de goede visschen uit, die zij in hun vaten doen; maar de slechte visschen werpen zij weg.quot;

Toen Jezus hun eens wilde loeren, hoe zijn koninkrijk zich zou uitbreiden over alle landen der wereld, zoodat het van een klein begin zich zou ontwikkelen tot een groot rijk, vertelde Hij hun de gelijkenis van het mosterdzaad: „Het koninkrijk der hemelen is gelijk het mosterdzaad, dat een mensch nam, en in zijn akker zaaide; dat wel het minste is onder al de zaden; maar dat, wanneer het opgewassen is, het grootste van de moeskruiden wordt; het wordt een boom, alzoo dat de vogels des hemels komen en nestelen in zijn takken!quot;

Toen Hij zijn discipelen wilde leeren, dat zijn leer, die Hij predikte, alles in de wereld gelukkiger en beter en aangenamer zou maken, vertelde hij hun de gelijkenis van het zuurdeeg. „Het is er mode, als met het zuurdeeg, dat een vrouw nam, en in het meel deed, waar zij een brood van wilde bakken. Dat zuurdeeg doortrok al de deelen van het meel, zoodat het rees, en een smakelijk brood werd, wat het anders niet zon zijn geweest.quot;

•quot;)47

ocr page 554

BIJBELSCHE CtESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Toen Hij zijn discipelen wilde leeren, dat do menschen alles, alles er voor over moesten hebben, om ook de zaligheid te mogen verkrijgen, die liet koninkrijk der hemelen zou aanbrengen, vertelde Hij hun de gelijkenis van den schat in den akker: ,,Het koninkrijk der hemelen is gelijk een schat, in den akker verborgen; een mensch vond dien, en verborgde hem; en van blijdschap daarover ging hij heen, en verkocht hij al wat hij had; en hij kocht dien akker.quot; Eu met hetzelfde doel vertelde Hij hun de gelijkenis van den koopman in paarlen: ,,Het koninkrijk der hemelen is gelijk een koopman, die schoone paarlen zoekt; die, toen hij een paarl van groote waarde gevonden had, heenging, en alles verkocht wat hij had, en toen die paarl kocht.quot;

Deze gelijkenissen, als zij ze eens gehoord hadden, konden de discipelen niet meer vergeten. Ook begrepen zij de lessen, die Jezus hun wilde geven, er veel beter door. Zij hoorden ze gaarne; op die wijze hadden de rabbi's in de synagogen hun nooit kunnen prediken.

Later gaf Jezus nog meerdere, zeer veel gelijkenissen. De schoonste van alle, de gelijkenis die geen verklaring behoeft, is die van; „De verbrni zoon.quot; Zij luidt aldus:

„Een zeker mensch had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot den vader: „Vader! geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt.quot; En hij deelde hun het goed. En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een vergelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk. En als hij het alles verteerd had, werd er een groote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden. En hij ging

heen, eu voegde zich bij een van de burgers van dat land; en die zond hem

*

op zijn land, om de zwijnen te weiden. En hij begeerde zijn honger te stillen met den draf, dien de zwijnen aten; maar niemand gaf hem dien. En tot zich-zelven gekomen zijnde, zeide hij: „Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger! Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel, en voor u; en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.quot; En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd deze met

548

ocr page 555

GELIJKENISSEN. 549

innerlijke ontferming bewogen; on toeloopende viel hij hom om den hals, en kuste hij hom. En de zoon zoide tot hem: „Vader! ik hel) gezondigd tegen den hemel, en voor n, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.quot; Maar de vader /eide tot zijn dienstknechten: „Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten; 011 brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vroolijk zijn. Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden, en hij was verloren, en is gevonden!quot; En zij begonnen vroolijk te zijn. En zijn oudste zoon was in het veld, en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei; en tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde hij, wat dat mocht zijn? Eu deze zeide tot hem: „Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond wederontvangen heeft.quot; Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem. Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: „Zie, ik dien u nu zoo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vroolijk zijn. Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed doorgebracht heeft, zoo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.quot; En hij zeide tot hem: „Kind! gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is het uwe. Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn ; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.quot;

--o-3»lt;^-o--

DE STORM OP ZEE.

^sii een dier dagen, toen Jezus den ganschen dag gepredikt had, en

-rsak

genezingen verricht had, was het, dat tegen den avond, toen de menschen nog altijd om Hein heen stonden, alsof zij niet van Hem weg konden, Jezus tegen zijn discipelen zeide: „Komt, laat ons overvaren naar de andere zijde van het meer.quot; Zij stonden namelijk aan het strand. En Jezus dacht bij zichzelven , dat dit wellicht de eenige wijze was om de menschen

ocr page 556

550 BIJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

naar hun huizen te doen wederkeeren; die menschen vergaten soms alles om Jezus; en het speet hun, dat Hij zich aldus weer aan hen ging onttrekken.

Een van die menschen, een rabbi, die zag, hoe de discipelen een schip gereed maakten om daarmede weg te zeilen, kwam daarom tot Jezus, en zeide: „Gaat gij weg, Heere? Ik zou altijd wel bij u willen blijven. Zie, ik ga met u, en ik zal u volgen, waar gij ook heengaat!quot; — „Zoudt gij?quot; antwoordde Jezus, gereed om in het schip te stijgen; „weet gij wel, welk een leven van armoede ik leid? En weet gij welk een zwerver ik ben? De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels hebben nesten; maar ik, de zoon des menschen, heb geen plaats, waar ik mijn hoofd kan nederleggen; waar heb ik rust?quot; En Hij steeg in het schip.

Die schriftgeleerde stond aan het strand, en bleef daar staan, terwijl Jezus en zijn discipelen heenvoeren, en het schip weldra onzichtbaar was in den nacht, die daalde over het meer.

Vermoeid viel Jezus in slaap op het schip, vermoeid van den werkzamen dag; die mannen bleven wakker, en hielpen met riemen den zwakken gang van hun boot, die geen wind had in het zeil. En te meer bleven zij wakker, toen zij straks zagen, dat er wolken aankwamen van over de bergen, en dat de sterren van die wolken bedekt werden. Die bevaren visschers geweest waren onder die mannen, kenden dat; dat was storm, die aankwam; maar zij vreesden niet; zooveel stormen hadden zij hier op dit meer al doorgemaakt; zij heten Jezus rustig slapen. Straks kwam die storm ook. Onstuimig verhief zich de zee. Alsof de onzichtbare wind een booze macht was, die het schip wilde doen kantelen, zoo kwam hij er tegen aan. Alsof die golven booze machten waren, die in de duisternis van den nacht de riemen braken, en het schip omlaag-trokken, en de planken verbrijzelden, zoo sloegen zij er tegen aan. Zij zonken, zoo vreesden die mannen, die eerst geen vrees hadden gehad! Zij zonken! nog één stoot, nog één golf, en reeds opende de diepte haar kaken! „Heere! behoed ons, wij vergaan!quot; was eensklaps de angstkreet, waarmede zij den slapenden Jezus wekten. Die mannen, zij hadden in hun leven nog nooit zoo gevreesd.

Op zijn bank half opgerezen, zag Jezus den storm, zooals iemand, die

ocr page 557

DE HEERE bTlLÏ DEN STOKM.

ocr page 558
ocr page 559

LEGIO.

uoliter den duistureu storm nog andere duistere maohtou ziet, en die machten kent. „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen?quot; sprak Hij tot zijn mannen. Overeind gesprongen, als iemand, die zich heer voelt over die machten, en over haar bevelen kan, sprak Hij bevelende woorden naar die duisternis toe. En alsof het duivelen waren, die loeiende terugvloden met vrees, zoo vlood de wind terug, naar de plaats van waar hij gekomen was; en alsof het duivelen waren, die hun rug en nek bogen voor den voet van Jezus, zoo bogen zich de golven vlak, onder het schip, waar Jezus was. Daar kwam een groote stilte. En van de verbaasde discipelen kwam deze kreet der verrassing over de lippen: „Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!quot;

Straks zetten zij voet aan land, aan de overzijde van het meer, welk land hun oogen nimmer meer gedacht hadden te zullen aanschouwen. Voor hun gevoel was het, toen Jezus den oever betrad, alsof God zelf daar don oever betrad, God zelf in menschelijke gedaante.

LEGIO.

)e streek, waar zij nu gekomen waren, was het land der Gadarenen; oostelijk van het meer van Genezareth lag het. Jezus richtte zijn weg naar de stad Gadara. „Ook daar zal ik prediken, en mijn wonderen van genezing doen,quot; dacht Hij met vroolijke blijdschap; Hij verheugde zich om der menschen wil, die Hij ging weldoen.

De weg liep tusschen rotsen door, waar men vele spelonken had uitgehouwen om de dooden daar te begraven; sommige dier spelonken waren met groote steenen gesloten; andere waren open, en lagen ongebruikt, met overblijfselen van steenen kisten.

Jezus en zijn discipelen waren nog niet ver gegaan, toen plotseling in de verte, uit een dier graven een man uitkwam, naakt en vuil, die woest en wild op hen afkwam. Alsof hij de mannon wilde verscheuren met handen en tanden, zoo kwam hij aanrennen. Hot was oen vreeselijk gezicht. Maar eensklaps

ocr page 560

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Jezus ziende, cn Hem aanstarende, hield hij zijn loop in, en staakte hij zijn geschreeuw. Het was alsof' hij wankelde; en voorover op den grond vallende, op zijn kniefin, kroop hij, pijnlijke geluiden uitstootende, tot voor Jezus'voeten, waar hij, de woestaard, geknield bleef', zooals een tijger getemd ligt voor de voeten van den temmer.

De discipelen verbaasden zich. Deze man had vroeger in de stad Gadara gewoond; maar in vlagen van woestheid, die over hem kwamen, was hij gevaarlijk geworden voor de menschen om hem heen. Daarom had men hem meermalen gebonden; maar de ketenen had hij in bovenmenschelijke kracht in stukken getrokken, en de boeien had hij verbrijzeld; en ten slotte was hij de stad uitgeloopen, en was hij hier in een dier graven gaan wonen als een dier in een hol. Kleederen droeg hij niet meer; hij had in zijn woestheid ze zich van het lijf' gescheurd. Niemand kon langs dien weg voorbijgaan; want hij viel op iedereen aan, en wondde en doodde wien hij kon, als een verscheurend dier. En als hij niemand had om aan te vallen, dan keerde hij zijn woestheid tegen zichzelven; dan sloeg hij zichzelven, met de steenen, die hij vond. Dat was een booze geest, die in hem was gaan wonen, zeiden de inwoners van Gadara; en niemand durfde hem wat doen, uit vreeze. Getemd, door Jezus' hoogere macht, lag hij nu aan zijn voeten.

„Gij onreine geest, ga uit van den mensch!quot; sprak Jezus,, die hem

v

genezen wilde. Maar alsof de booze geest, die in dien man was, hem niet wilde verlaten, en van zijn prooi niet wilde scheiden, sprak hij tegenstrevend, dooi- den mond van zijn man: „Wat heb ik met u te maken, Jezus, gij Zoon des allerhoogsten Gods? Ik bezweer u, dat gij mij niet pijnigt!quot; En de discipelen begrepen, dat die booze geest bang was om door Jezus teruggezonden te worden naar de hel, de plaats der pijn, waar hij thuis hoorde. „Hoe is uw naam?quot; vroeg Jezus hem. „Mijn naam is: Duizend!quot; riep hij. En voor de discipelen was het eerst niet duidelijk, of dit het antwoord van den boezen geest was, dan of het het antwoord van den krankzinnigen man zeiven was. Uit de klanken, die de bezetene uitstootte, begrepen zij echter weldra, dat de booze geest smeekte, om niet naar de hel teruggezonden te worden, maar om ergens hier in dit land een woonplaats te mogen behouden; ja, uit die woorden maakten zij

554

ocr page 561

LEGIO.

op, dat niet één, maar vele booze geesten in den ongelukkige schenen te wonen.

Daar dicht bij, tegen een berg aan, weidde een groote kudde zwijnen. „Zend ons in die zwijnen; laat ons in die zwijnen mogen varen!quot; riepen de geesten door den mond des mans. „Gaat!quot; riep Jezus. En wat de discipelen toen zagen, was, wat hun verbazing te boven ging. De zwijnen op dien berg waren plotseling een woeste kudde geworden. Elkander bijtende, en wild, stoven zij, zonder door de herders tegengehouden te kunnen worden, naar den zeekant toe, waar de kust steil was; en het eene zwijn na het andere, allen, stortten zij zich van de steilte af in de diepte, verpletterd op de uitstekende rotspunten.

De bezetene zelf zat aan Jezus' voeten; zijn oogen zagen helder en kalm als de oogen van een verstandig mensch; de woestheid, eerst getemd, was nu geweken. Kleeren vroeg hij, en kreeg hij; want hij schaamde zich over zijn naaktheid.

De herders der zwijnen waren ontsteld en verschrikt naar de stad ge-loopen; en daar verhaalden zij alles. En de menschen uit de stad liepen uit, gansche scharen. „Dat is Jezus,quot; riepen zij, „die aan de overzijde van het meer zooveel wonderen gedaan heeft; is hij ook hier gekomen ?quot; — „Maar waartoe is hij ook tot ons gekomen?quot; riepen anderen; „het eerste wat hij doet, is ons van onze zwijnen berooven; daar waren er meer dan twee duizend!quot; En de stemming der Gadarenen was deswege niet vriendelijk. Toch vreesden zij voor Jezus; want zij zagen den genezene bij Jezus, gezond en wel bij zijn verstand. En zonder harde woorden tot Jezus te durven spreken, en toch uit vrees voor meerder verlies, baden zij Jezus, of hij maar weer wilde heengaan uit hun land, en of hij hen maar wilde laten zooals zij waren.

Jezus deed, wat zij vroegen; maar toen Hij heenging, weer naar het schip, toen was Hij bedroefd als een die dacht: „Zij werpen mij uit; en ik was nog wel gekomen om al hun ellendigen te helpen!quot; De discipelen waren zeer verontwaardigd over de Gadarenen, die hun zwijnen liever hadden dan den Messias; zij konden het niet begrijpen, zij, die alles hadden verlaten voor den Messias.

5;quot;) 5

ocr page 562

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Tot aan het schip tüü volgde de genezene Jezus; un daar smeekte hij: „Heere! laat mij bij u mogen blijven; ik ga met u!quot; Maar Jezus zag hem vriendelijk aan, en zeide tot hem: „Neen! gij kunt iets beters doen. Ga naar uw huis en naar de uwen; en boodschap hun wat groote dingen de Heere aan u gedaan heeft!quot; Bedroefd ging die man terug, maar blijde en moedig verkondigde hij overal in zijn land do grootheid van Jezus.

o^amp;Qr0------

HET DOCHTERTJE VAN JAÏRUS

C eener synagoge was iemand, die op sabbat de godsdienstoefening te leiden had; hij was het, die dan aan een der gemeenteleden verzocht het gebed te doen; die dan aan anderen verzocht uit de Schrift voor te lezen; en die dan weer aan anderen verzocht om naar aanleiding van het gelezene te prediken; op hem rustte de zorg dat niets de godsdienstoefening verstoorde; ook was de instandhouding van het gebouw aan hem opgedragen. Jaïrus was iemand, die in de synagoge, waar hij overste was, Jezus dikwijls gevraagd had om te lezen en te prediken. Hij kende Jezus zeer goed, en geloofde in Hem.

Tijdens Jezus' afwezigheid was zijn eenig kind, een dochter van twaalf jaren, zeer krank geworden. Het smartte hem vreeselijk, dat Jezus afwezig was; hij zou Hem anders om hulp zijn gaan smeeken voor zijn krank kind. Wat moest hij nu doen? Zijn kind ging sterven. Die vader was radeloos. Het was juist op den morgen van den dag, waarop zijn kind stervende was, dat hij van het volk hoorde, dat Jezus weer in de stad teruggekomen was. „Is Jezus teruggekomen?quot; dacht Jaïrus; „dan is het nog niet te laat.quot; En hij dacht het met hoop, waar angst bij gemengd was.

Geen oogenblik draalde hij. Uit het rouwhuis snelde hij de straten door,

55()

Kapernaüm teruggekeerd, werd Jezus weer opgewacht door menschen, A die zijn hulp behoefden.

'/ Daar was een overste der synagoge, Jaïrus genaamd. De overste

ocr page 563

HET DOCHTERTJE VAN JAÏRUS.

tot waar hij Jezus vond; en voor zijn voeten neervallende, smeekte hij: „Kom toch, Heere! naar mijn huis! Mijn dochter is stervende; o! kom, en leg uw hand op haar, en zij zal behouden blijven! Kuin toch, Heere!quot; Het verblijdde Jezus, dat die man zulk een groot geloof in Hem stelde; en aanstonds volgde Jezus met zijn discipelen hem naar zijn huis; dat geloof zou Hij niet teleurstellen.

Onderweg liepen al de menschen op straat met Hem mede; dat was een groot gedrang. Tusschen die menschen door drong een vrouw tot vlak achter Jezus; het was een groote moeite voor haar om zoover te komen, maar zij kwam er; en haar hand uitstrekkende, raakte zij den zoom zijns kleeds aan. Zij was een kranke, die twaalf jaar aan bloedverlies geleden had, en van niemand had kunnen genezen worden, en die zeer zwak en uitgeteerd er uitzag; al wat zij had, had zij in die jaren langzamerhand aan haar vele geneesmeesters moeten betalen; nu was zij arm. „ik kan Hem bier onder die vele menschen niet spreken,quot; had zij gedacht; „ik kan misschien niet eens bij Hem komen, maar als ik slechts den zoom van zijn kleed aanraak, dan zal ik wel genezen zijn!quot; En zoo had zij gedaan; en plotseling was zij genezen; zij voelde bet in eens.

„Wie is het, die mijn kleed aangeraakt beeft?quot; vroeg Jezus, zich omkeerende; want Hij voelde, dat er kracht van Hem uitgegaan was. „Maar Heere!quot; antwoordden de discipelen, ..iedereen dringt hier immers tegen ons op; hoe kunt gij vragen, wie u beeft aangeraakt?quot;

Bevende kwam echter die vrouw naar voren, en bevreesd, voor Hem nedervallende, zeide zij: „Ik heb u aangeraakt; ik heb het toch wel mogen doen?quot; — „Zijt goedsmoeds, dochter!quot; sprak Jezus, zeer vriendelijk, „uw geloof juist heeft u behouden!quot;

Terstond na dit oponthoud, wilde Hij weer verder met Jaïrus naar diens woning; maar zij hadden nog geen schrede gedaan, of eenige mannen traden naar Jaïrus toe, die van zijn huis kwamen; en met meewarige aapgezichten, alsof zij vreesden het hem bekend te maken, zeiden zij: „Uw dochter is gestorven; doe den Meester geen verdere moeite meer aan!quot; Jezus zag, dat

ocr page 564

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Jaïrus van den slag bijna bezweek, als een, die dacht: „Zou is het dan toch te laat! Ach ware Hij eerder gekomen!quot; — „Vrees niet, Jaïrns! geloot' alleenlijk!quot; sprak Jezus snel; en het richtte den bezwijkenden man overeind.

Zoo kwamen zij aan het huis. Daar wilden vele menschen mede naar binnen; maar Jezus keerde zich om aan de deur, en Hij hield hen tegen; zelfs zijn discipelen zeide Hij buiten te blijven; alleen Petrus en Jakobus en Johannes nam Hij mede naar binnen.

In het voorhuis waren vele mannen en vrouwen, betrekkingen van Jaïrus, aanwezig; zij maakten groot misbaar, luid klagende en weenende'; daarbuiten had men het kunnen hooren. „Wat maakt gij beroerte?quot; sprak Jezus, toen Hij hen zag; ,.en wat weent gijlieden? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt!quot; En Hij dacht aan wat Hij aanstonds zou gaan doen, waardoor die dood een korte slaap zou schijnen. Maar die menschen begrepen Hem niet, en zij belachten Hem. Ook deze menschen beval Jezus heen te gaan, en zij gingen, hoewel onwillig; zij gingen met ingehouden toorn.

Toen was het dat Jezus met den vader en de moeder in het binnenvertrek ging; ook die drie discipelen mochten mede. Daar lag het doode kind. Het was alles snel en kort, wat Jezus deed. Hij trad naar het bed waar het kind lag. Hij vatte het bij de hand; en deze woorden sprak hij: „Dochter! sta op!quot; En plotseling gingen de oogen van het kind op, groote oogen; het richtte zich op, zag rond, naar vader en moeder, strekte do handen naar hen uit, en daar, daar lag het aan moeders hart, levend, uit de dooden herrezen! Het kind kon opstaan uit bed, want het was ook niet krank meer; en het at brood, wat Jezus gezegd had, dat'aan het kind moest gegeven worden.

Zeker was die dood een korte slaap geweest! Beschaamd stonden de klagers; maar wie niet beschaamd was, was Jaïrus, die geloofd had ook in het uiterste!

558

ocr page 565

UITZENDING DER TWAALVEN.

ort na deze gebeurtenis, wederom eens door een groote schare menschen omringd zijnde, overzag Jezus hen met een diepe ge-ehte van weemoed. Het was buiten op het veld. En ginds op de heuvelen zag Hij nog andere menschen, die zich ook hierheen bewogen naar liet punt, waar Hij stond; van alle zijden daagden zij op; en daar waren er, die van zeer verre steden en dorpen gekomen waren.

„Zij komen allen tot mij,quot; dacht Jezus; .,daargiiicls, waar zij wonen, is ook niemand, die hen helpt; en zij hebben zoovele nooden, de ongelukkigen!quot; Hij werd met ontferming bewogen. Zij waren vermoeid en verstrooid, als schapen die geen herder hebben. „Waarom helpen hun priesters hen ook niet, met raad en met troost?quot; dacht Jezus; „hun leeraars konden hen toch troosten met de belofte en de hoop, dat de Messias kumen zal, zooals zij in hun Schriften toch lezen? Kon ik bij hen allen tegelijk zijn, zij behoefden niet tot mij te komen, die vermoeiden!quot; J)e deernis met die armen was groot in zijn ziel. „Ach!quot; zeide Hij tot zijn discipelen, „ziet gij die scharen? De oogst is groyt, maar de arbeiders zijn weinige. Hoeveel meer menschen zouden er gelukkig kunnen wezen, waren ei' meerderen, die hun het geluk kwamen brengen, en hun den weg gingen wijzen! Bidt toch den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstoote!quot;

Toen rijpte een plan in zijn gedachten. „Ik weet, wat ik doen zal, opdat zij tot mij zulke verre reizen niet behoeven te doen,quot; sprak Hij bij zichzelven. En Hij riep zijn twaalf discipelen tot zich ter zijde, waar zij alleen stonden.

„Gij ziet, hoe die menschen van verre zijn gekomen,quot; zeide Jezus; „laat mij u uitzenden, gij mannen! Waarom zoudt Gij niet in hun steden hen gaan helpen met raad en met troost? Gaat heen, overal heen, en vervult die verslagene harten met hoop; zegt hun, dat do wanhoop hun zielen niet vervullen moet, dat zij hun lijden nog wat dragen moeten, want dat het niet lang meer zal zijn; zegt hun, dat het koninkrijk Gods nabij is gekomen! En doet gij, mijn discipelen! alzoo het werk, dat hun priesters en hun leeraars niet doen! En

ocr page 566

560 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

/iet gij hun kranken, die zij van zooverre tot mij gebracht hebben? Geneest gij hen, in allo plaatsen waar gij komt! Geneest do kranken, reinigt de inelaatschen, wekt do dooden op, en werpt de duivelen uit. Ik geef u de macht! Gaat!quot;

En nog veel meer zeide Jezus hun; ook hoe zij de reize moesten doen, twee aan tAvee; en hoe zij handelen moesten in plaatsen, waar men hen niet zou willen ontvangen.

En toen zij heengingen, die mannen, twee aan twee, in verschillende richting, gehoorzaam aan zijn woord, en geloovende in de macht, die Hij hun gegeven had, toen verblijdde zich Jezus als een, die zijn groot oogstveld aanziet, en denkt: ,,lk heb gelukkig arbeiders gevonden, die het werk kunnen doen.quot;

Vele, vele dagen bleven de discipelen weg. Maar toen zij eindelijk bij Jezus wederkeerden, vol vreugde over het werk dat zij in al de steden hadden mogen doen, waarbij zij in Jezus' macht grootere dingen hadden mogen verrichten dan zij zeiven verwacht hadden, toen verheugde Jezus zich nog meer. En Hij dacht aan den tijd, als Hij niet meer op de aarde zijn zou, wanneer die mannen als apostelen in alle hemelsrichtingen zouden uitgaan, om tot in nog andere verre lauden de blijde boodschap te brengen van verlossing uit alle ellende.

BETHESDA.

JL et was in den tijd, dat de discipelen van Jezus nog op hun rondreis waren, dat Jezus alleen zijn werk voortzette, en naar het zuiden, naar Jeruzalem kwam.

Het was feest in de stad; zeer waarschijnlijk was het het Purimfeest, dat de Joden gewoon waren te houden tot herdenking aan do groote redding door de koningin Esther in Perzio. In de stad was de woelige drukte overal, gelijk dat op het Purimfeest pleegde te zijn, zeer groot. Die opgewondenheid der scharen ontvluchtte Jezus; en Hij wist waar Hij die ontvluchten zou.

ocr page 567

BETHESDA. 561

Daar was een plaats buiten de Schaapspoort, waar op dat leest zeker weinige vroolijke mensclien aan dachten; dat was: het ziokenhnis, dat daar lag, en dat „Bethesdaquot; genoemd werd. „Huis van barmhartigheidquot; heleekent die naam. „Daarheen zal ik mij begeven,quot; dacht Jezus, en Hij deed het. Hij, die eens gezegd had: „Gezonden hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn!quot;

Het was er niet druk, buiten de Schaapspoort; iedereen was in de stad; maar in het ziekenhuis, Bethesda, waren er toch velen gekomen, die hun kranken wilden bezoeken. Het huis bestond uit vijl'zalen, die om een vijver heen gebouwd waren. Het water in dien vijver kwam uit den grond op, maar niet zooals bij gewone welbronnen, regelmatig en altijddoor. Neen, slechts op bepaalde tijden borrelde het water uit den grond op, en dan met groote kracht, zoodat de vijver in beroering kwam, en tot aan den rand volliep. Daarna zakte langzamerhand het water weer lager en al lager, zoodat de vijver scheen leeg te loopen. Maar den volgenden dag, en zoo telkens op vaste tijden, begon de borreling opnieuw. Dat was een verschijnsel, zooals heden ten dage nog meerdere bronnen op de wereld te zien geven. Maar dewijl de Joden het verschijnsel niet konden verklaren, zeiden zij, dat op zekere tijden een onzichtbare engel van den hemel daalde, die dan het water in beroering bracht. Het water in Bethesda was geneeskrachtig; maar alleen, als de opborreling pas geschied was; was het water maar kort aan de buitenlucht blootgesteld geweest, dan was het niet geneeskrachtig meer, en was het als ander water. Daarom, dat na de opboireling-de kranken, die in het gesticht waren, zich altijd haastten, om in het water te komen; voor velen was or geen bijkomen aan.

Jezus zag den vijver; en Hij zag de zalen, waarde vele kranken in lagen, op hun bedden, of eigenlijk matten, uitgestrekt. Zoo kwam Hij ook bij een kranke, die reeds sedert eenigen tijd hier opgenomen was, en die hier genezing was komen zoeken voor een verlamming, waar hij reeds acht en dertig jaren aan geleden had; Jezus sprak met hem, en hoorde van hem zijn lijdensgeschiedenis. Het medelijden, zooals altijd, kwam in Hem boven. „Wilt gij gezond worden?quot; vroeg Hij hem. „Heere!quot; antwoordde de kranke, „ik heb niet veel kans daarop; want ik heb niemand, die mij naar den vijver toedraagt, als het water beroerd

36

ocr page 568

562 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINBEREN.

wordt; en'als ik, met de weinige krachten, die ik heb, aangekropen kom, dan zijn anderen mij altijd reeds voor; ik kom altijd te laat!quot; En zooals hij sprak, sprak hij als iemand, die klaagde, en die niet veel hoop had. „Sta op,quot; zeide Jezus, „neem uw bed op, en wandel!quot;

En die kranke wist niet recht wat hij hoorde ot wat het was; maar, — bij sprong op, en was gezond, en sterk in zijn lichaam, zooals de andere menschen, op eens! Woorden van dank wilde hij stamelen; maar Jezus was reeds onder de andere menschen verdwenen; en hij ging heen, met zijn mat, die hij haastig opgerold had, de zaal uit, bet buis uit, de straat op, naar zijnquot; huis. Dat had hij nooit gedacht, dat nog eens een andere macht dan de kracht des waters hem daar in Betbesda zou genezen hebben. Zooals bij de straten doorliep, vroolijk, — zoo liepen er in Jeruzalem weinige vroolijke menschen op dat Purimfeest.

De menschen zagen hem loopen. „Wat doet gij?quot; vroegen zij; „weet gij niet, dat het sabbat is, en dat niemand op den sabbat eenig werk doen mag? En loopt gij met uw bed?quot; De menschen ergerden zich aan hem, want het was inderdaad sabbat. „Kan ik bet helpen!quot; antwoordde hij, „als hij, die mij gezond gemaakt beeft, bet mij toch gezegd heeft!quot; En hij vertelde aan de omstanders wat met hem gebeurd was. „Wie is het, die u gezond gemaakt heeft?quot; vroegen zij hem, nieuwsgierig. „Ik weet bet niet,quot; antwoordde de genezene, „want toen bij mij. gezond gemaakt had, ging hij dadelijk van mij been onder de andere menschen, die er waren; hij was zoo spoedig weg!quot; De Joden konden hem niets meer zeggen, en lieten hem gaan, en hij was blijde van de vragers ontslagen te zijn.

Toen Jezus hem kort daarna weer aantrof', in den tempel, sprak Hij hem aan. „Zie,quot; zeide Jezus, „gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede!quot; Daar hoorde do man van anderen, wie bet was, die hem aansprak, en toen wist bij, dat het Jezus was. En aanstonds ging hij heen, en aan degenen, die hem op straat berispt hadden, zeide bij: „Ik weet nu wie bet is, die mij genezen beeft; het is Jezus!quot; — „Wij dachten het wel,quot; zeiden die mannen, „en bet is schande van Jezus; eert Hij den sabbat ook al niet?quot; Do genezene verwonderde zich, dat die mannen zoo over Jezus dachten; hij dacht

ocr page 569

DE SPIJZIGING DER VIJF DUIZEND.

er zuo anders over; maar hij /weeg en zeide niets, in zijn bescheidenheid tegenover die voorname lieden; dat waren rabbi's.

Die rabbi's waren toornig op Jezus; zij konden het niet verdragen, dat Hij zooveel teekenen deed, en dat het volk Hem meer begon te eeren dan hen. Dit zeiden zij vanzelf niet zoo, dat de menschen het hooren konden. Maar luide zeiden zij, dat Jezus geen goed mensch was, want dat Hij anders den sabbat niet schenden zuu. En in hun grimmigheid namen zij zich zelfs voor, om, als zij konden, te eeniger tijd Hem te dooden. De vijandschap der rabbi's werd gaandeweg grooter. Toch vreesde Jezus hen niet; want Hij bewoog zich vrij in Jeruzalem, en leerde openlijk, ook in het openbaar de rabbi's berispende.

Na eenigen tijd ging Hij weer naar het noorden, naar Galilea. En hier was het, dat de uitgezonden twaalf discipelen zich weder bij Hem voegden. En hier was het, dat ook de tijding tot Hem kwam door de discipelen van Johannes den Dooper, dat hun meester onthoofd was.

Jezus was hier liever dan in Jeruzalem. Men geloofde hier in Hem. Toch voelde Hij het nu sterker dan ooit to voren, dat ook zijn weg eindigen zou met een gewelddadigen dood. En met die gedachten vervuld ging Hij heen naar eenzame stroken, naar de overzijde van het meer van Genezareth.

• /•'•if i,'

--O-®®-0—

DE SPIJZIGING DER VIJF DUIZEND.

'aar Bethsaïda ging Jezus met zijn discipelen. Deze plaats, niet te verwarren met de andere stad van dienzelfden naam, lag aan den noordoostelijken oever van het meer; doch niet bij het stadje zelf landden zij; neen, een weinig zuidwaarts er van, waar het eenzaam was, en waar een vlak land zich uitspreidde met lage heuvelen, die afdaalden naar het strand, behalve waai' de zee tegen de rotsen aanspoelde. Om dezen tijd des jaars' zag de vlakte lieflijk groen van jong gras, maar op andere tijden des jaars was er het land dor en heideachtig.

563

ocr page 570

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Tot verbazing dor discipelen was er op die eenzame piek, waar het schip aanlandde, een grootc schare menschen, die do komst van Jezus reeds afwachtten. Het gerucht van Jezus' komst was reeds vooruitgegaan, en had die menschen hier gebracht; velen waren het meer noordelijk omgeloopen, naar deze plek; niemand had tegen den afstand naar deze eenzaamheid opgezien, Met hun kranken waren zij gekomen, zelfs van zeer verre; en nog elk oogenblik kwamen er meerdere menschen de schare vergrooten; men kon hen in de verte op de vlakte zien naderen. Dit was niet de rust en de eenzaamheid, die Jezus met zijn discipelen gezocht had. Maar Hij verblijdde zich er toch oVer, en Hij predikte dien dag niet vreugde; ook genas Hij vroolijk al de kranken, die zij tot Hem brachten. Dat duurde den ganschen dag.

Toen het avond werd, had niemand dier menschen er om gedacht om huiswaarts te keeren; zij konden niet heengaan van Jezus; elk nieuw wonder kluisterde hen daar aan die plaats; en hot waren vele wonderen van genezing, die op dien dag geschiedden; ook had Jezus er nog niet mede gedaan: daar kwamen nog steeds meer kranken.

„Straks valt de nacht in,quot; zeiden de discipelen, „en wat moeten al die menschen dan hier? Wij zullen het Jezus zeggen!quot; Want ook Jezus scheen onder zijn arbeid er niet aan te denken, dat de dag bijna voorbij was. „Heere!quot; zeiden zij, „het is hoog tijd om de scharen van u te laten; zend ze weg; zij kunnen hier dezen nacht toch niet blijven; deze plaats is woest; daar zijn vrouwen en kinderen bij. Ook hebben zij geen eten meer; wat zij bij zich hadden, hebben zij gebruikt. Laat hen heengaan; in de naburige vlekken kunnen zij ten minste spijze koopen.quot; Alsof die naburige vlekken zoo dichtbij waren! En alsof zij allen menschen waren, die geld hadden, om brood te koopen!

„Kunt gij hun niet te eten geven?quot; zeide Jezus. „Hoe kan Hij dat vragen?quot; dachten die mannen; en luide zeiden zij Hem: „Wij hebben niets dan vijf brooden en twee visschen.quot; En geen tijd hadden zij om meer woorden daaraan toe te voegen; want reeds antwoordde Jezus: „Brengt ze mij hier!quot; Zij brachten ze, die mannen; en verbaasd vroegen zij zichzelven af, wat hun meester nu voornemens was,

Met luide stem beval Jezus al de menschen om te gaan zitten; en zij

564

ocr page 571
ocr page 572
ocr page 573

DE SPIJZIGING DER VIJF DUIZEND.

zetten zich op het gras. Toen, staande, terwijl ieder Hem zien kon, nam Hij een der brooden; opziende naar den hemel, zegende Hij het brood; en het daarna in stukken brekende, gaf Hij de stukken aan zijn discipelen over, met de woorden; „Reikt dat verder aan de menschen!quot; Van dat brood, en van de andere brooden, brak Hij aldoor strikken af; het hield niet op. Hij kon aldoor geven aan de discipelen, en die konden aldoor uitreiken, aan de verdere menschen. Het brood verminderde niet in Jezus' hand. Evenals met het brood, had Hij ook met de twee visschen gedaan; Hij gaf visschen voort uit zijn hand; zij vermeerderden in getal. De menschen gingen staan op hun plaatsen, om het te aanschouwen; en allen zagen het met hun eigen oogen. Daar ging een kreet op van verrassing. Zoo iets was nimmer gezien. Dat duurde een ganschen tijd; maar toen Jezus ophield met brood breken, hadden ook de achterste menschen spijze gehad, overvloedig; zij waren allen verzadigd. Reeds gaarden op Jezus' bevel, de discipelen het overbodige brood bijeen, zorgzaam om het niet verloren te laten gaan. In manden deden zij het, en zoo droegen zij hot tot waar Jezus stond; twaalf volle manden gaarden zij op met brokken.

Het was niet te zeggen, wie meer verbaasd waren, de discipelen of de verzadigde menschen ; want, die daar gegeten hadden waren ongeveer vijf duizend mannen, de vrouwen en kinderen niet medegerekend. Aan de toejuichingen des volks kwam geen einde; en onder de twaalven waren er, die met blijdschap dachten, dat dit wel een geschikt oogenblik kon zijn, om Jezus als koning uit te roepen; en zij zouden bereid zijn geweest, die twaalf mannen, om het eerst met zulk een kreet te beginnen, en de scharen in dien kreet te laten volgen, als Jezus hot niet voorkomen had. „Gaat dadelijk in het schip, en zeilt over naar de andere zijde terug; ik zal weldra weder bij u zijn!quot; zeide Hij hun; „terwijl gij heengaat, zal ik de scharen van mij laten!quot; Onwillig gehoorzaam verlieten de discipelen de plek, waar zij gaarne waren gebleven; en zij gingen als menschen, die het niet begrepen, waarom Jezus talmde met als koning op te treden onder zijn volk.

Terwijl zij wegzeilden, deed Jezus de scharen uiteengaan; er waren er, die zijn handen kusten en zijn voeten kusten, vooral van de genezenen. Straks verspreidden zij zich over de vlakte, en over de heuvelen. Jezus kon

567

ocr page 574

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

hou zien, nog in do verto, waar zij zich huiswaarts spoedden, van de gouden stralen dor ondergaande zon beschenen.

Toen ging ook Hij heen; en waar Hij heen ging, dat was naar een berg, dicht bij het meerstrand. De nacht viel in, toen Hij den berg besteeg. In de stilte van den nacht knielde Hij daar neder, vele uren. Was het een nacht der verzoeking, dien Hij daar doorstreed met bange gebeden ? Dat heeft niemand ooit geweten.

HET WANDELEN OP DE ZEE.

^indolijk stond Jezus op van het bidden, van het lange bidden. De nacht was voor een groot gedeelte voorbij. Het was tusschen drie

en zes uur.

Had Hij niet gemerkt, onder zijn bidden, dat er een storm was opgestoken, die woest huilde tusschen de bergkloven? Nu Hij van zijn knieën opstond, hoorde Hij het; en Hij zag uit naar de zee. Hij hoorde beneden de golven breken op hel strand, en wild aandruischen tegen waar de rotsen stonden. Zooveel Hij in de duisternis zien kon, zag Hij het witte schuim op de watervlakte. En op die wilde woeste zee waren zijn discipelen, in dezen storm? Zoover als waar het schip was, konden van daar Hij stond, de oogen van een mensch niet zien, door do duisternis. Maar zij waren in nood, die mannen! Hij wist het! „Ik moet gaan, en bij hen zijn,quot; dacht Jezus; „zij moeten niet alleen zijn in hun angst!quot;

En weldra klom Hij den berg af, en begaf Hij zich naar het strand, waar de witte golven sloegen tot voor zijn voeten. „Zij zijn ginds!quot; zeide Hij bij zichzelven, terwijl Hij het hoofd ophief, zooals iemand het hoofd richt, die dooide duisternis in de verte wil zien. En zooals iemand, die van een gedachte vervuld is, en niet er om denkt, waar hij den voet zet in zijn gaan, zoo zette Hij zijn voet op het schuimende water, naar het midden van de zee. Wonder! die wateren droegen Hem, zij droegen Hem! Vast schreed Hij voort, vooruit-

508

ocr page 575

ziende naar waar het scliip moest zijn. De diepten verzwolgen Hem niet; de golven sloegen niet tegen Hem aan; de winden gierden niet tegen zijn kleed. Van stap tot stap, als een lichtende gestalte boven de donkere wateren, naderde Hij waar Hij zijn hulp wilde brengen. Daar, zie, daar was het schip! Als een donker iets dook het op uit de donkerheid.

Een schreeuw ging er op uit het schip, toen de mannen do gestalte op het water zagen, die daarover liep als over een pad. Verbijstering, schrik deed hen schreeuwen, als die den dood nu wisser achtten dan daarstraks. En boven den wind en het golfgebruis hoorde Jezus dezen kreet: „Een spook! wee ons! wee ons!quot; — „Ik ben het!quot; riep de helper, „houdt goeden moed! Ik ben het, vreest niet!quot; En hij naderde, zoodat die mannen zijn gestalte duidelijker konden zien, de schoone gestalte van Jezus. „Het is de Heere!quot; riepen de stemmen verbaasd; en het klonk als vreugdegejuich, waar de angst voor geweken was; en daar waren er, die zoo blijde waren, dat zij naar Hem toegesneld zouden zijn, ware het land geweest, wat de zee was.

ocr page 576

BTJBELSOHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Een man, hartstochtelijk als Petrus, kon niet wachten tot zijn Heer bij hem was. „Sta mij toe, Heere! dat ik tot u kom!quot; riep hij, alsof hij reeds buiten hot schip wilde springen. „Kom!quot; antwoordde Jezus. En reeds was de sprong gewaagd. Die man, ook hij, wandelde op hot water, met groote sprongen naar Jezus toe. Dat was slechts voor een oogenblik. Het hartstochtelijk geloof van een opwinding was niet de kracht, die do elementen overwint. Zie, daar kwamen zij op hem aan, de zwarte baren; daar welfden zij zich boven zijn hoofd, om schuimende neer te storten, en den overmoedige te verzwelgen. „Heere! behoud mij!quot; was zijn laatste kreet. Maar, neen, de blinkende gestalte stond reeds naast hem; de sterke hand had zijn hand reeds gevat. En straks stond hij. Petrus, weer op het schip, met Jezus naast zich, die zijn geloof niet beschaamd had, ook al was het een geloof, dat schipbreuk had geleden.

Toen Jezus maar een voet op het schip had gezet, ging ook het schip als op gladde watoren. De storm ging liggen. En aanbiddend riepen de angstige stemmen van daarstraks: „Waarlijk, gij zijt Gods Zoon!quot;

Toen hot morgen was, lag het schip rustig aan den wal, aan de zijde

van het land van Genezareth, in de stralen van een opgaande zon, een milde zon.

-:---

TEGENSTAND.

-«J'egenovor de dwepende opgewondenheid des volks, begonnen zich echter meer on meer de afkoer en de geheime diepliggende haat der rabbi's te openbaren. Hadden zij in het begin gezegd: „Wij zullen het afwachten, en zien, wat Jezus doet en wat Hij is!quot; nu begonnen zij langzamerhand van hun lijdelijke terughouding over te gaan in een feitelijken tegenstand.

Jezus was niet, dien zij verwacht hadden. Had Hij zich bij hen aangesloten, had Hij hen geëerd voor al het volk, had Hij met hen beraadslaagd, hoe zij te zamon tegen de Romeinen zouden handelen, om die vijanden te verdrijven, — de rabbi's zouden goed van Hem gesproken hebben. Maar nu Jezus niets van dat alles deed en het volk zelfs waarschuwde tegen do leer

570

ocr page 577

TEGENSTAND. 571

der Farizeön en der Saduceön, nu zeiden die mannen: „Met is tijd, dat wij het niet langer lijdelijk aanzien; wij moeten Hem openlijk tegenstaan; wij hebben ook nog invloed op het volk, zoo goed als Hij; en dien invloed zullen wij gebruiken!quot; Daar kwam veel naijver bij, want die rabbi's konden het niet verdragen, dat het volk Jezus zoo aanhing, en meer eerde dan hen. „ Wij zijn toch de eigenlijke leeraars des volks,quot; zeiden zij, „en wie is die Jezus, en waar is Hij vandaan?quot;

Het gelukte hun somwijlen en op sommige plaatsen om door kwaadspreken het volk op hun zijde te krijgen, het volk, dat zoo licht beweeglijk en veranderlijk was. Openlijk raadden zij de menschen aan, om met Jezus niet te doen te hebben; en als zij zulks dan zeiden met veel schijn van vroomheid en heiligheid, dan konden ook niet weinige menschen het nalaten om te denken; „Als onze vrome leeraars het toch zeggen, dan zal het wel zoo zijn; die Jezus is zeker niet goed; en wij zullen ons niet meer met Hem inlaten.quot;

Jezus voelde dien bedekten en dien openlijken tegenstand der rabbi's zeer goed, en dat speet Hem zeer, vooral ter wille van het volk zelf. Hij was er zeer bedroefd om. „Hoe zal ik |dit volk gelukkig maken, als het volk zelfhef niet wil, en zich van mij afkeert?quot; zoo dacht Jezus.

Ook de eigen discipelen van Jezus konden niet nalaten om op te merken, dat Jezus in veel dingen anders dacht en deed, dan hun leeraars het hun altijd hadden geleerd. Dat gaf dan ook in hun hart altijd een strijd, waarbij zij eerst niet goed wisten, wat zij denken moesten, maar waarbij die trouwe mannen toch altijd eindigden met aan Jezus gelijk te geven, en nog meer in Hem te gelooven dan van te voren.

Zoo hadden zij opgemerkt, dat Jezus ook in het bidden anders was dan de Farizeën en de andere menschen. De Farizeën waren gewoon lange gebeden te doen, en deden dat in het openbaar; zelfs op de hoeken der straten deden zij het, waar iedereen het zien kon. „Dat doen zij slechts, om van de menschen gezien te worden,quot; zeide Jezus daarvan; en dat was ook zoo, want die Farizeën deden het om in een groeten reuk van heiligheid te komen. De Farizeën baden altijd dezelfde gebeden, die zij van buiten geleerd hadden, en die zij, op hun

ocr page 578

572 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

beurt, weer aan hun leerlingen van buiten leerden. Zoo had ook Johannes de Dooper aan zijn discipelen gebeden van buiten geleerd. Jezus had dat nooit gedaan. Dit bevreemdde zijn discipelen.

Daarom, dat zij op zekeren dag, toen zij Jezus op een eenzame plaats zagen bidden, tot Hem kwamen, en zeiden; „Heere! leer ons ook gebeden, zooals Johannes zijn discipelen ook geleerd heeft!quot; Toen was het, dat Jezus hun dat gebed leerde, dat later „Hot onze Vaderquot; genoemd is. Het luidde aldus: „Onze Vader, die in de hemelen zijt! Uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde. Geef ons eiken dag ons dagelijksch brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.quot;

Toen de discipelen dit gebed hoorden, en wat Jezus hun daarbij zeide, namelijk hoe zij geloovig moesten bidden, als menschen, die vertrouwden, dat God doen zou, wat zij vroegen, toen begrepen zij, dat zulk bidden toch beter was dan het bidden met de lippen, waar het hart niet bij is, zooals de Farizeön deden.

Op een anderen dag hadden de Farizeën weer gelegenheid gevonden, om Jezus verdacht te maken in do oogen van het volk.

Het was op een sabbat, dat Jezus door de velden liep. Het pad liep tusschen de korenvelden door, die rijp stonden, en weldra door de maaiers zouden afgemaaid worden. Goudgeel bogen zich de aren onder het gewicht der korrels. Dewijl de discipelen honger hadden, pinkten zij, al gaande, aren af; zij wreven die aren tusschen do handen, zoodat de korrels daaruit gingen; en die etende, stilden zij op die wijze eenigszins hun honger.

De Farizeön hadden het gezien; en aanstonds lieten zij niet na om tot Jezus te zeggen: „Zie, uw discipelen doen, wat niet mag op den sabbat.quot; En bij zichzelven dachten zij: „Wij zullen zien, wat Hij er nu van zegt.quot;

„Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft,quot; antwoordde Jezus, „toen hij honger had? Hoe hij in het huis Gods gegaan is, en de toonbrooden

ocr page 579

573

gegeten heeft, die hij niet eten mocht, maar die de priesters alleen mogen eten? En hebt gij niet. gelezen in do Wet, dat de priesters zeiven den sabbat ontheiligen in den tempel, op tie sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn? En ik zeg u, dat een, meerder dan de tempel, hier is. De Zoon des nienschon is een heer ook van den sabbat.quot; Hiorinede bedoelde Jezus ziohzelven, en zulks begrepen de Farizeën zeer wel. En hoewel zij er weder niets tegen konden zeggen, dachten zij in hun verkropte boosheid wederom: „De menschen hebben het toch weer kunnen merken, dat wij Jezus niet goed achten, en Hem geenszins voor den Messias houden.quot;

Zij hadden gaarne zwaardere beschuldigingen tegen Jezus gevonden; maar zij konden tegen Hein, die nooit zonde deed, niets anders vindon; daarom dat zij altijd met de beschuldiging van sabbatschennis tegen Hem optraden. Jezus ging evenwel voort met op den sabbat goed te doen, evenzeer als op de andere dagen; en op dienzeltden middag genas Hij nog een man, die een verlamde hand had, in de synagoge, waar de rabbi's bij tegenwoordig waren.

ocr page 580

574 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Dsis was het, dat de rabbi's hoe langer hoe beslister tegen Jezus optraden. Zij konden hun vijandschap niet meer verbergen, en wilden die niet meer verbergen. Vooral als Jezus, gelijk Hij meermalen deed, hen in het openbaar beschuldigde van huichelarij, konden zij in hun woede zich niet eens meer inhouden; dan zouden zij wel de handen aan Hem hebben willen slaan. En wat zij vroeger al eens gezegd hadden, zeiden zij tegen elkander dan woei. „Hij moet sterven! Op de eene of andere wijze moeten wij Hem zien te dooden!quot; Zoo groot werd de haat der leeraars, der menschen, die de leidslieden des volks moesten zijn.

Jezus was daar altijd zeer bedroefd over. Hij bekommerde zich over het volk. Wat moest er toch zoo van het volk worden? Hij bekommerde zich niet over zichzelven. Hij wist, dat die vijandschap nog erger zou worden, en dat het Hem op een zekeren dag aan het kruis zou brengen. Hij was, wat Hemzelven betrof, op alles bereid; en Hij vreesde den dood niet. Met stille vreugde dacht Hij zelfs somtijds, dat juist zijn dood de menschen nog meer verlossen kon dan zijn leven het deed. Was hij niet in de wereld gekomen, om juist door zijn dood voor alle zonde der menschen vergiffenis te verkrijgen?

Maar het was nu de tijd nog niet om te sterven; en daarom ontweek Jezus tijdelijk de vijandschap dor rabbi's. Hij ging het land uit. Naar PhoeniciC

ging Hij. Dat was ver weg, in der heidenen land.

--

DE PHOEIMICISCHE VROUW.

'q weg naar Phoenicië ging noord westwaarts, en dan noordelijk. Tot voorbij Tyrus, een der hoofdsteden van dat land, aan de zee, ging Jezus; Hij wilde niet zoo spoedig in zijn eigen land terug zijn.

Daar woonden ook in Phoenicië veel Joden verspreid; en de discipelen vonden het daarom niet vreemd, dat Jezus ook naar dit land ging; de Joden, die daar onder de heidenen verspreid leefden, waren in hun oogen als verloren schapen van het huis Israels; en die verloren schapen moesten toch ook door

ocr page 581

DE PHOEN1CISCHE VROUW.

den Herder worden bezocht. Dat Jezus zich daar met de heidenen zou inlaten, dat geloofden zij niet; volgens hun voorstelling zou immers de Messias alleen voor de Joden komen, en niet voor do heidenen; de rabbi's hadden hun altijd geleerd, dat de heidenen met de honden gelijk stonden, en verachtelijk waren zooals de honden. Als een vreemdeling kwam Jezus niet in dat land; want het gerucht van zijn optreden was ook tot daar doorgedrongen; men had er van zijn wonderen gehoord. Ook daar liepen de scharen Hem na.

Het was daar in de nabijheid van Tyrus, dat op een dier dagen een vrouw tot Jezus kwam, die zeer bedroefd was. Zij was een heidenscho, wier ouders vroeger' in Griekenland gewoond hadden, en die nu hier gehuwd was. Weenend verhaalde zij Jezus, dat zij van Hem gehoord had; en dat zij te huis een dochter had krank liggen, die van den duivel bezeten was; zoo vreeselijk krank was haar kind; en smeekend voor zijn voeten neervallende, smeekte zij Hem, om toch te komen en haar dochter gezond te maken. Jezus zag niet meer op haar neer, toon zij alles gezegd had, maar liep door, zooals iemand doet, wien die smart niet aangaat. Maar die vrouw liep Hem na, nog meer weenende, en roepende om ontferming. Jezus echter antwoordde haar niet één woord.

De discipelen begrepen, dat hun meester dit deed, omdat zij een heidensche vrouw was. „De Messias is ook voor de heidenen niet,quot; zeiden zij bij zich-zelven. Maar zij hadden toch medelijden met die vrouw; en ook bleef zij hen naloopen en naroepen; straks zou het geval misschien nog een volksoploop veroorzaken. „Heere,quot; zeiden zij daarom, „help deze vrouw maar, en doe wat zij vraagt; zij loopt ons zoo na!quot; „Voor de heidenen ben ik immers niet gezonden,quot; antwoordde hun Jezus, „ik ben immers alleen gezonden voor de verloren schapen van het huis Israels!quot; En in hun hart gaven de discipelen Jezus gelijk. „Daar is niets tegen te zeggen,quot; dachten zij.

Maar door dit oponthoud was de vrouw weer bij Jezus gekomen; en weer lag zij aan zijn voeten, met den kreet: „Heere! help mij!quot; Toen was het, dat Jezus zijn eerste woord tot haar sprak; en dat woord scheen niet vriendelijk: „Ik mag toch het brood der kinderen niet nemen, en het aan de honden geven!quot; Dat woord begreep die vrouw zeer goed; de „kinderenquot;, dat warén de Joden:

575

ocr page 582

576 B1JBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

en de „hondenquot;, dat waren de heidenen. „Ja,quot; zoo dacht zij, „de weldaden van Jezus zijn ook alleen voor zijn eigen volk, en niet voor ons, dat is zoo.quot; „Maar,quot; zeide zij hardop, „och Heere! ook de honden krijgen toch wel eens van de brokjes, die van de tafel op den grond vallen, en die brokjes worden hun toch wel gegund!quot; En Jezus voelde, dat zij er mede wilde zeggen, dat Hij toch wel één klein wonder mocht doen buiten zijn volk, onder de heidenen. „O vrouw!quot; antwoordde Hij, „groot is uw geloot.quot; En zooals Hij dit sprak, sprak Hij het op eens zeer vriendelijk, met een gelaat, waarop de goedheid lag uitgespreid.

Het was een proef geweest, waarop Hij haar gesteld had; in zijn hart was Hij geen oogenblik onvriendelijk tegen haar geweest. Maar zooals Hij gedaan had, had Hij alleen gedaan, om haar en vooral zijn discipelen wat te leeren, namelijk, dat de Messias evengoed een Heiland \uoi tie heidenen zou zijn ids voor de Joden. Want onmiddellijk voegde Hij ei* aan toe. „leiwille \an het woord, dat gij gesproken hebt, ga heen! U geschiede, gelijk gij wilt.quot; Toen die vrouw met een dankbaar woord opstond, en haastig huiswaaits ging, ^nd zij werkelijk, dat het was, zooals Jezus gezegd had; haar kind lag genezen op het bed, en kon opstaan, gezond van hoofd zooals andere kinderen.

De discipelen, zonder dat Jezus hun verder een woord gezegd had, hadden het alweder .begrepen, evenals bij de Jakobsbron bij Sichem, dat de Messias een Heiland zou zijn voor alle volken, en niet voor de Joden alleen. Zij verwonderden zich daar op nieuw over; en hoewel zij de les begrepen hadden, bleven zij toch hun eigen gedachten daarover houden; op dat punt konden zij hun eigen oude begrippen zoo spoedig niet laten varen; dat kwam eerst veel latei.

Van daar omreisde Jezus nog verder het land van Tyrus en Sidon; en eerst na vele dagen kwam Hij langs de noordelijke bergen van Galilea, langs den Libanon en den Hermon aan de oostelijke zijde van het meer van Genezareth in zijn land terug. Zijn volk was weer blijde, dat Hij terug was; en van alle zijden kwam men met de kranken weer tot Hem.

Het was ook daar, in diezelfde deelen des lands, dat Jezus, op een der

ocr page 583

OP DEN BERG DER VERHEERLIJKING.

volgende dagen, toen er weder zoovele menschen bij Hem waren, voor de tweede maal de scharen spijzigde, op dezelfde wonderlijke wijze als Hij de eerste maal gedaan had. Met zeven brooden en met eenige weinige vischjes gaf Hij te eten, zoo dat allen genoeg hadden, en er zelfs nog zeven manden met brokken overbleven. Omtrent vier duizend menschen waren het, die Hij ditmaal beweldadigde.

Die Heiland hield nooit op de menschen te zegenen, ook al moest Hij deuken, dat velen Hem alleen volgden om brood.

Ook ditmaal ging Hij, na de spijziging, aanstonds weg van de scharen; Hij voer over, en kwam aan de westzijde van het meer, bij Magdala. En niet lang was Hij daar geweest, of weder voer Hij terug naar de oostelijke zijde, waar Hij bij Hethsaïda aan land ging.

OP DEN BERG DER VERHEERLIJKING.

^enigen tijd later beklom Jezus met drie zijner discipelen een hoogen berg.

*r\t

Sommigen zeggen, dat het de berg Thabor is geweest, die zuidwestelijk van het meer van Genezareth ligt; maar anderen zeggen, dat het een der toppen van den berg Hermon was, dicht bij Cesarea; en dit laatste is waarschijnlijker.

,,Blijft gijlieden hier wachten, tot wij terug zijn; ik ga bidden,quot; sprak Jezus; en tot Jakobus, Petrus en Johannes had Hij gezegd, dat zij drieën met Hem mede mochten, den berg op. Zij waren bet van Jezus gewoon, dat Hij dikwijls de eenzaamheid van een bergtop zocht om te bidden; en gehoorzaam bleven de negen beneden; en gehoorzaam klommen de drie mede op. Op een afstand zetten de drie eerbiedig zich neder, toen Jezus zijn gebed begon. Maar zij vielen spoedig in slaap; want zij waren vermoeid van de reize en van de hitte van den dag.

Reeds lang had Jezus gebeden, toen de mannen ontwaakten, en voor hun verbaasde oogen iets wonderlijks zagen. Zij zagen, hoe de gedaante van Jezus

ocr page 584

voor hun oogen verandei'de. Alsof van uit zijn binnenste het licht naar buiten straalde, zoo stond Jezus in een helder wit licht, dat niet van buiten om Hem heengekomen was als een vreemd licht, maar dat van Homzei ven was als een eigen licht. Zijn aangezicht was blinkend, zooals hot aangezicht der hemelingen blinkend is; en zelfs zijn kleederen schitterden wit af.

De drie mannen vielen terug bij dit gezicht; maar hun vrees was niet groot, zoo schoon vonden zij de verschijning; en weldra, in plaats van verschrikt heen te ijlen, konden zij er niet genoeg naar zien. Voor hun gedachte moest dat de gedaante van Jezus geweest zijn, toen Hij nog in den hemel was, voordat Hij op aarde was gekomen.

Maar nog meer steeg hun verrukking, toen zij plotseling naast Jezus twee andere gedaanten zagen, -eveneens in een hemelsch licht. Dat was Mozes, de een; en dat was Elia, de ander. Zij hadden nooit gedacht, dat zij zoo iets schoons konden zien. En toen zij toehoorden, wat die twee met Jezus spraken, verstonden zij het: zij spraken over wat Jezus zou gaan doen, als Hij te

ocr page 585

OP DEN BERG DER VERHEERLIJKING.

Jeruzalem weerkwam; en de drie discipelen hoorden, dat zij over zijn sterven spraken, dat daar geschieden moest.

Zij hadden geen tijd om op dat oogenhlik na te denken over den inhoud van het gesprek, dat zij aanhoorden, welks inhoud anders was dan zij zich altijd voorgesteld hadden. Hun oogen werden meer geboeid dan hun ooren. De verschijning' was zoo schoon. En zoo zeer speet het hun, toen zij zagen, hoe Mozes en Ella gingen afscheid nemen van .lezns, dat Petrus niet laten kon moed te grijpen en uit te roepen: „Heere! laat Mozes en El ia hier blijven; laat hen niet heengaan!quot; Hij wist nauwelijks wat hij gezegd had; zoo was hem het woord van de lippen gekomen, zonder nadenken.

Doch reeds zagen zij, dat een doorzichtige wolk neerdaalde op den berg en do drie hemelsche* gedaanten inhulde. Straks biel de wolk zich op, terwijl Jezus alleen achterbleef, staande op den grond, en terwijl Gods stem uit de wolk dit aan de discipelen toeriep: „Deze is mijn geliefde Zoon; hoort Hem!quot; Toen de wolk weg was, en zij naar Jezus zagen, was er geen licht meer, dat uit Hem naar buiten scheen; Hij was, zooals Hij altijd was; on zijn gedaante was weer als do gedaante van alle menschcn.

„Zegt niemand wat gij gezien hebt,quot; zoo sprak Jezus hen aan; „eerst later, als ik van de dooden ben opgestaan, eerst later moogt gij hot zeggen!quot; En op dien dag dachten de drie discipelen veel daarover na, wat dat was: „van de dooden opstaan,quot; Zij begrepen het niet recht. Maar wat zij. wel begrepen hadden was dit: dat Jezus meer was dan Mozes on Elia, dat Hij Gods Zoon was; en dat Hij als Gods Zoon reeds in den hemel geleefd had, eer Hij op aarde kwam. Zij gevoelden meer dan ooit, dat zij Hem aanbidden moesten.

579

Over die verschijning zwegen zij, zooals Jezns hnn bevolen had.

---o-i

ocr page 586

Inderdaad kwam ook het voornemen bij Hem op, om nui het Loofhuttenfeest Jeruzalem te bezoeken; on zulks te meer, omdat Hij met het laatste Paaschfeest er niet was geweest. Do menschen in Gal ilea maakten reeds hun toebereidselen voor den tocht; en zoo deden ook de broeders van Jezus. In een groote karavaan vereenigden zij zich, volgens gewoonte; en hot was met veel blijdschap, dat zij de aanstalten maakten; want zulk een blij vroolijk feest was er niet in het gansche jaar. „Gij gaat zeker met ons?quot; vroegen de broeders van Jezus Hem; en met eenigszins scherpe woorden voegden zij er aan toe, dat als Hij nu toch werkelijk de Messias was. Hij daar te Jeruzalem de boste gelegenheid had om het te toonen, en zijn koninkrijk te beginnen; want ook zijn eigen broeders geloofden niet in Hem. Op hun vraag antwoordde Jezus ontkennend; Hij was voornemens op eigen gelegenheid te gaan, zich niet bij de karavaan aan te sluiten; en bij zich/,elven dacht Hij, hoe die broeders cn alle menschen het eenmaal zien zouden, welk een andere Messias Hij was, dan zij dachten.

Zoo ging dan de groote karavaan vooruit; en Jezus volgde niet lang daarna, met zijn discipelen, den kortsten weg kiezende, door Samaria.

Toen tie reis van Jezus on zijn discipelen naar Jeruzalem bijna ten einde

was, waren zij tijdig genoeg voor het beoogde Loofhuttenfeest. Daarom

«

maakten zij geen haast, toen hun weg door het kleine dorp Belhaniö leidde; zij bleven daar een dag; daar woonden goede vrienden van Jezus. Het dorp lag vijftien stadiën of drie kwartier gaans van Jeruzalem; en de menschen, die Jezus daar kende, en die Hij zeer lief had, waren Martha en Maria, twee zusters, en Lazarus, haar broeder. Zij waren bemiddelde lieden, en gaarne ontvingen zij Hem met zijn discipelen.

MARIA EN MARTHA.

4.

ocr page 587

Veel arbeid had Martha, in wier huis de ontvangst plaats had. om voor al die mannen don maaltijd te bereiden. Ijverig was zij bezig, met de dienstmaagden, om alles daartoe in gereedheid te brengen; en met eigen handen droeg zij brood binnen, met andere spijzen, die zij blijde was met een gul hart haar gasten te kunnen voorzetten.

Maria, haar zuster, zat onderwijl bij Jezus, in de kamer, aan zijn voeten. Zij dacht niet aan den maaltijd, waar Martha zooveel werk mede had; met Jezus sprak zij, blijde, als iemand die Hem in lang niet gezien had; begeerig. als iemand die weet, dat Hij woorden des eeuwigen levens had. Had Jezus met haar gesproken totdat de avond daalde, /.ij zou bet niet gemerkt hebben, dat die avond kwam en dat de dag voorbij was.

Martha zag het, eiken keer, dat zij het vertrek binnenkwam met nieuwe spijzen; en niet nalaten kon zij het, om eindelijk te zoggen: „Zie, Heere! al dien tijd laat Maria mij het werk alleen doen; zij kon mij toch helpen om te dienen! Zij zit maar bij u. Kondt gij het haar niet zeggen, dat zij mij

ocr page 588

BTJBELSCRE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

bijstaat?quot; — „Martha, Martha,quot; zoo antwoordde Jezus haar, „gij bekommert en ontrust u over vele dingen; maar één ding is noodig! Doch Maria heeft het goede deel uitverkoren, dat van haai- niet weggenomen zal worden.quot;

Vreemd zag zij op, die gemeend had, dat Maria een berisping zou ontvangen hebben; en hoewel slechts voor een oogenblik in haar gevoel gekrenkt , door Hem, dien zij lief bad boven allen, en dien zij hier bezig was geweest te dienen met alles wat zij had, gevoelde zij het, dat er nog een beter liefdebewijs was dan zij betoonde; en straks zat ook zij aan Jezus' voeten, luisterende naar woorden, die ook haar ziel behoefde ten eeuwigen leven. En toen Jezus neerzag op do beide zusters, zooals zij toen zaten, wist Hij niet, wie Hem meer lief had, en wie Hij meer lief had.

Daar was in het gansche land geen huis, waar Hij liever verkeerde; dit was Hem als een plaats der rust, tusschen al zijn strijd.

- o-^C*-0------

OP HET LOOFHUTTENFEEST TE

JERUZALEM.

^^nderwijl was in de hoofdstad het Loofhuttenfeest begonnen.

j; Het kon niet anders, of velen in de stad, van de burgers en van

do vreemdelingen, die vroeger Jezus' groote daden gezien hadden, vroegen het zichzelven en anderen af: „Zou Jezus ook op het feest komen?quot; In hun nieuwsgierigheid of in hun belangstelling wenschten zij het. Er werd veel over Jezus gesproken, in alle kringen. „Hij is goed,quot; zeiden sommigen; en anderen zeiden: „Neen, Hij verleidt de scharen; en het zal met ons volk niet goed loopen, als men Hem volgt!quot; Toch durfde niemand vrijuit zijn meening ten gunste van Hem zeggen; want de rabbi's en tie priesters in Jeruzalem waren Jezus niet vriendelijk gezind; dat wist men; en die ingewijd waren, wisten, dat de rabbi's het niet ontzien zouden, als hun eigenbelang het eischte, om het op Jezus' leven aan te leggen.

Een teleurstelling was het, dat Jezus nergens gezien werd op den eersten

ocr page 589

583

dag. Ook den tweeden dag werd Hij nergens gezien. Maar op den derden dag, — daar was Hij! Daar stond Hij, plotseling, voor aller oogen, op de trappen van den tempel! En al zaten de priesters achter Hem in hooge gestoelten, en al waren er onder do scharen, die op der priesteren voorbeeld en aanhitsing zijn vijanden konden geacht worden, — Hij leerde, Hij leerde, onverschrokken, zooals Hij eens onverschrokken was geweest, toen Hij met een geescl do handelaars van diezelfde plaats had verdreven! Woorden des eeuwigen levens sprak Hij, voor degenen die verloren gingen. O! als Jeruzalem, de stad des grooten konings, zicli nog wilde laten behouden! En woorden van bestraffing sprak Hij, geweldig en streng, tegen degenen, die de Schriften kenden, maar de Schriften niet deden. Zoo teeder tegen de verlorenen, en zoo met majesteit toornig tegen de onboet-vaardigen, — zoo had nog geen proleet in Jeruzalem ooit geleerd!

Eiken dag stond Jezus toen daar, soms van de scharen toegejuicht, en dan weer van de scharen gescholden. En hoewel er waren, onder de beogen, die tandenknersend Hem aanhoorden; en hoewel er waren, onder het volk, die.

ocr page 590

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

ja, waarlijk! door de priesters waren omgekocht tegen moorden aar,sluon, om bij elke welkome gelegenheid bij een oploop hem den dolk in den rug te steken, — Hij leerde! En daar was niemand, dio een hand naar Hem durfde uitsteken! „is deze het niet, dien zij zoeken te dooden?quot; vroegen in stilte met verbazing zich af, die er van wisten; „hoe leert Hij dan vrij uit?quot; Maar Jezus, als men Hom naar de bron van zijn moed had gevraagd, zou geantwoord hebben: „Mijn me, dat ik sterven moot, is nog niet gekomen!quot;

De gisting onder het volk werd mot eiken dag grooter. Liet men niet maaltijd en dans, om liever naar Jezus te hooren? „Hij is. Hij is de Messias!quot; werd er reeds gemompeld. En niet onderdrukt werd het meer gezegd, trots Farizeön en priesters. Nog weinige dagen, nog één dag, — en de indruk, die van Hem uitging, zou ontoombaar de scharen, van do priesters af, naar Jezus toe hebben gebracht. Stond Hij daar niet in den tempel, als de Heer des tempels? En traden zelfs de heiligste verrichtingen der priesters niet als schaduwen terug nis Hij daar stond, als met een eeuwig licht om de gestalte? „Laat het uit zijn!quot; spraken de priesters in hun geheime vergadering; „dat Hij toch sterve!quot; En hun gehoorzame dienaars gaven zij last, om Hem niet meer te ontzien; elke moord was hun goed! Zoo brak de laatste dag des feestes aan.

Het was op dien laatsten dag, dat, evenals op de vorige dagen was geschied, een merkwaardige plechtigheid het feest opluisterde. Een van do priesters ging met een gouden kruik van den tempel uit, door de schare heen, de straten af, naar de bron Siloam, vulde daar de kruik met water, en droeg dat terug, weer door de scharen heen in den Voorhof, waar zijn binnenkomen met klank van trompetten en bazuinen door de andere priesters verwelkomd werd. Een andere priester nam de kruik van hem over met de woorden uit Jesaja's profetie: „Met vreugde scheppen wij water uit de fonteinen des heils;quot; en luide werd dit woord door al het volk met juichen herhaald. Offerwijn goot die priester dan bij het water in tie kruik; en terwijl alle Levieten zongen bij den klank hunner muziekinstrumenten, goot die priester de gouden kruik ledig in een zilveren schaal, die tegen het altaar stond; uit die schaal vloeide het wijnwater weer in den grond, zooals men zeide, door oen onderaardsche geleiding ver weg heen, naar de beek Kedron. Onder deze handeling kwam aan het

584

ocr page 591

OP TIET LOOFHUTTENFEEST TE JERUZALEM.

gejuich des volles geen einde. „Zooals hier van uit den tempel dit water onder den grond heenvloeit, verder naar do velden van Kanaan, zoo ontspringt hier in don tempel de bron der geestelijke zegeningen, die zich verspreiden over gansch ons volk!quot; zoo riepen de menschen, die do boteekenis van deze plechtigheid verstonden.

Maar nauwelijks was het gejuich eenigszins bedaard, of daar stond Jezus weer voor aller oogen, hoog opgericht, met de hand wenkende, als om te spreken. „Zoo iemand dorst, die kome tot mij, en drinke!quot; zoo riep Hij, zoodat allen het verstaan konden. En in woorden, zooals Israels volk nooit had gehoord, gaf Hij het hun te kennen, dat do bron der geestelijke zegeningen niet van die priesters, maar uit Hem, uit Jezus ontsprong. Die naar de gerechtigheid dorstten, voelden, dat het zoo was. Wat Hij zoide, dat troostte het hart, meer dan wat ooit de priesters hadden gezegd of gedaan. En evenals bij de vorige dagen, zoo was het ook nu weer: do plechtigste handelingen dei-priesters traden op den achtergrond als schaduwbeelden voor wat Jezus zelt was in zijn heerlijke en goddelijke gestalte.

Toen straks de scharen heengingen en zich verspreidden, was het, alsof er een G-od voor hen gesproken had. Maar de priesters trokken zich terug met woede in het hart; dat hart scheen hun te bersten; en in de plaats waar zij vergaderden, gaven zij zich lucht in woorden, die boosheid en nijd hun uitpersten. „Waar zijn onze dienaars,, die wij uitgezonden hebben?quot; riepen zij. En de dienaars kwamen binnen. „Waarom hebt gij Hem niet gevangen genomen?quot; schreeuwden zij hun toe; „waarom hebt gij Hem niet gedood? Hadden wij het u niet bevolen?quot; Verlegen stonden de dienaars voor hun heeren. „Wij hadden u gaarne gehoorzaamd,quot; antwoordden zij, „maar wij konden niet; nooit sprak iemand, zooals deze mensch!quot; — „Vervloekt is dat volk!quot; riepen de rabbi's en priesters dooreen, terwijl zij hun dienaars de deur uitwezen.

In diezelfde vergadering beraadslaagden zij verder, wat zij doen moesten, en hoe zij het aanleggen moesten, om Jezus ter dood te brengen. Daar was maar één zwakke stem in die vergadering, die zich ten gunste van Jezus verhief; dat was de stem van Nikodemus, van dien man, die eens des nachts tot Jezus was gekomen. „Wordt hier die Jezus door ulieden roods des doods

585

ocr page 592

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

schuldig geoordeeld, zonder dat gij Hem vóór u ter verantwoording hebt laten komen? Is dat volgens de wet?quot; Jezus redden wilde die man. Maar de anderen overschreeuwden hem. „Behoort gij ook onder zijn aanhangers?quot; En zij lachten grijnzend vegen hem, met veel woorden van spot. Van die vergadering gingen de priesters naar huis als mannen, die ten einde raad waren, en die niet wisten, hoe zij hun doel zouden kunnen bereiken. Zelden hadden do in de oogen des volks zuo vrome mannen het Loofhuttenfeest gevierd en geëindigd met zulk een verkropte woede in het hart.

In de gedachte des volks was het Loofhuttenfeest voor Jezus een overwinningsfeest geweest. Zijn naam zweefde op aller lippen; en er waren velen die zijn naam met zegening noemden, omdat zij de bron gevonden hadden, waar het ware geestelijke leven ontsprong. Toch waren er weer vele anderen, die op de hand der priesters waren, en die Jezus beschouwden als een verleider, met wien zij zich niet moesten inlaten; en deze waren de meesten. Maar Jezus, de overwinnaar, ging heen van het feest, met de gedachte in het hart: „Niet lang meer, bij een ander feest, dan val ik, dan val ik als offer van het volk! Maar dat die dag kome! Daarvoor ben ik in de wereld gekomen!quot;

Dienzelfden nacht bracht Jezus door op den Olijfberg. Maar den volgenden dag stond Hij weer in den tempel. De feestgangers waren reeds grootendeels vertrokken; maar de burgers der stad verdrongen zich opnieuw in groote menigte rondom Jezus; en die burgers waren het, die voornamelijk zijn vijanden waren.

Hij leerde weer, evenals in de vorige dagen. „Ik ben het licht der wereld; die mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben,quot; zoo begon Hij, en de verdere woorden zijner rede waren evenals op do vorige dagen, zooals de menschen ze nooit hadden gehoord.

„Wij moeten Hem niet door laten spreken,quot; dachten de rabbi's; „wij moeten Hem tegenspreken, zoo, dat de menschen niet meer in Hem gelooven.quot; En dat deden zij. Veel slechte dingen zeiden zij tegen Hem, waar de menschen het hoorden; en toon zij niet tegen Hem redetwisten konden, omdat Hij hen altijd overtuigde, begonnen zij Hem te schelden; ten slotte riepen zij overluid:

ocr page 593

„KICK ABUAHAM WAS, 13EN IK.quot;

ocr page 594
ocr page 595

DE BLINDGEBORENE.

„Iedereen kan nu toch wel houron, dat hij bezeten is!quot; En tegen Jezus riepen xij: „Gij hebt den duivel!quot;

Doch ook na deze beschuldiging ging Jezus voort; en Hij liet het aan de menschen merken, wie Hij was; dat Hij reeds eerder in den hemel gewoond had bij God, die zijn Vader was; en dat Hij er geweest was, van eeuwigheid tot eeuwigheid. „Eer Abraham was, ben ik!quot; riep Hij. En toen de Joden niet meer tegen Hem schelden konden, toen — namen zij steenen op, en wilden zij beginnen naar Hem te werpen. Maar Jezus ging heen, den tempel uit, de straten door, achtervolgd door een schare, waarvan sommigen Hem te lijf wilden, en anderen Hem beschermden.

De rabbi's waren tevreden, als menschen, die hun smaad van den vorigen dag gewroken hadden. „Hij zal hier in den tempel niet weerkomen,quot; zoo lachten zij; „wij blijven daar meester.quot; En in hun denkbeeldige overwinning moedig geworden zijnde, vergaderden zij, en namen zij een besluit, dat zij algemeen in tie stad bekend maakten, namelijk; dat niemand in Jezus gelooven mocht, en dat zoo iemand het waagde om Hem toch voor den Messias te houden, zij zulk een in den ban zonden doen.

---0-?o)lt;^~0--

DE BLINDGEBORENE.

|ï^fe)^iettegenstaande het gebeurde bleef Jezus toch te Jeruzalem. Ver-- xT scheidene dagen bleef Hij prediken waar Hij kon, binnen on buiten W./gp de stad. Hij had die menschen lief, die zijn vijanden waren.

Op den sabbat, die volgde, liep Jezus met zijn discipelen over de straat, toen zij een blinde zagen, die daar zat, en die de voorbijgangers om een aalmoes vroeg. Die blinde was voor de burgers dier buurt een bekende figuur; hij had daar altijd gezeten, en hij was blind geweest van zijn geboorte af.

„Meester,quot; zoo vroegen de discipelen aan Jezus, „hoe komt het, dat deze man blind is? Zijn zijn ouders groote zondaars geweest, en heeft God die ouders daarmede gestraft, dat Hij hun kind blind heeft laten geboren worden?

ocr page 596

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Of is die blinde zelf zulk een groot zondaar, dat God hem daarom reeds van te voren de blindheid als een straf heeft gezonden?quot; De discipelen waren namelijk van de meening, dat God nooit anders een krankheid over de menschen zond, dan wanneer die menschen die krankheid bepaald als een straf verdiend hadden. „Neen!quot; antwoordde Jezus, „deze blindheid is over dien man niet gekomen als een straf voor eigen zonden, noch als een straf voor de zonden van zijn ouders; maar God doet zulks wel eens, om Zijn naam er door te verheerlijken!quot;

Dit begrepen die mannen niet; maar dadelijk zouden zij het begrijpen. Want zij zagen Jezus naar dien blinde toegaan, tot vlak bij hem. Zij zagen Jezus daar op de aarde spuwen, en slijk uit dat speeksel maken; zij zagen Jezus dat slijk op de oogen des blinden strijken; en zij hoorden Hem zeggen: „Ga nu heen, en wasch u, in het badwater Siloam.quot; En weg ging die blinde, door welwillende handen geleid. Toen hij, die het bevel van Jezus opvolgde, niet lang daarna terugkwam, behoefde niemand hem meer aan de hand te leiden, — hij was ziende geworden, na de wassching in het badwater Siloam. Jezus was in die straat niet meer, maar was met de discipelen verder gegaan; en die blinde vond zijn weldoener niet; wat hem. speet, want hij had Jezus gaarne gedankt, omdat Hij hem het gezicht teruggegeven had.

De gansche straat was verbaasd; de menschen kwamen de huizen uitloopen, om hem te zien. „is hij liet wel?quot; vroegen zij elkander. „Zeker, ik ben dezelfde man, die hier altijd gezeten heeft,quot; riep hij vroolijk. „En wie heeft u dan de oogen geopend? vroegen zij verder. ..Dat heeft Jezus gedaan,quot; riep hij; en hij verhaalde hun, hoe het geschied was. „Heeft Jezus het gedaan?quot; zeiden de menschen; „en de rabbi's hebben gezegd, dat Jezus slecht is, en dat niemand zich met Hem moot inlaten? Hoe kan dat? Komt, wij gaan het aan de rabbi's vragen!quot; En de ziende moest mede naar de rabbi's, of hij al wilde of niet; want hij had het liever niet gewild, omdat hij wist, dat der abbi's vijanden waren van die zijn weldoener was.

Daar voor de Farizeën moest hij het alles verhalen, hoe het gegaan was met zijn oogen; en hij zag, hoe die mannen toen onderling aan het twisten gingen. „Die Jezus heeft dat weer op den sabbat gedaan,quot; riepen sommigen

590

ocr page 597
ocr page 598
ocr page 599

DE BLINDGEBORENE,

van hen: „dat kan toch geen vroom man zijn, die op sabbat werkt! Slecht is Hij!quot; Doch anderen onder die b'arizeën xeidon: „Maar als Hij slecht is, hoe kan Hij dan aan iemand do oogen openen? Dat kan toch alleen, die van God die macht krijgt!quot; De rabbi's waren zeer verdeeld; en dit wonder bracht hen in groote verlegenheid; zij hadden immers pas het besluit bekend gemaakt, dat niemand in Jezus gelooven mocht. In hun verlegenheid en tweedracht vroegen zij het aan den ziende: „Gij, wat zegt gij, dat Jezus voor een mensch is? Wat denkt gij er van?quot; - „Voor een profeet houd ik hem!quot; antwoordde deze. „Wat! deze man zou blind geweest zijn?quot; zeide plotseling een der rabbi's; „bedrog is het! Gelooft liet niet, broeders! Afspraak is hot tusschen Jezus en hem!quot; En blijde waren die mannen, dat zij in hun verlegenheid deze uitvlucht gevonden hadden. „Welzeker!quot; liepen zij, „bedrog is het van u en van Jezus, van beiden! Uw ouders zullen wij eens roepen. Wij zullen die bedriegerij wel aan hot licht brengen.quot;

Straks stonden de beide ouders van den blindgeborene voor de rabbi's, bevende, uit vrees dat deze zaak hen in moeite kon brengen. „Is deze man uw zoon?quot; vroegen de rabbi's. „Zeker is hij onze zoon,quot; antwoordden zij. „En was hij een blinde? — „Hij was blind van zijn geboorte af.quot; - Hoe ziet hij dan weer?quot; - „Hoe hij nu zien kan, dat weten wij niet; en wie zijn oogen geopend heeft, weten wij ook niet; maar vraagt hem dat zeiven, hij is oud genoeg om te antwoorden; dus kan hij het zelf zeggen.quot; Dit zeiden die ouders, omdat zij niet gaarne verder wilden ondervraagd zijn, en omdat zij niet gaarne zouden willen zeggen wat zij over Jezus dachten. „Anders doen de rabbi's ons wellicht nog in den ban,quot; zoo was hun geheime vrees.

Voor de tweede maal werd nu do ziende voor de vergadering geroepen. „Kom, zeg niet dat Jezus u genezen heeft,quot; zoo spraken de rabbi's schijnbaar vriendelijk; „Jezus is een groot zondaar; zeg, dat God u genezen heeft, dan geeft gij God de eer, en zoo behoort hot!quot; — „Of Hij een zondaar is, weet ik niet,quot; zeide de ziende; „maar één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.quot; „Maar vertel ons dan nog eens: hoe is het gebeurd?quot; Dat verdroot den ziende, dat zij altijd maar weer beproefden om hem tot andere gedachten over Jezus te brengen; neen, daar was hij zijn weldoener te dankbaar voor! Hij vond die

38

ocr page 600

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

menschen valsch. En bitter werd liij; en in zijn bitterheid antwoordde hij; „Moet ik het alweer vertellen? Ik heb het n al verteld. Wilt gijlieden misschien zijn discipelen worden?quot; Dat scherpe woord deed de heeren opspringen van toorn. Zij kwamen tot vlak voor hem staan. „Durft gij ons dat te zeggen?quot; riepen zij; „gij zijt een discipel van hem, en gij weet welk besluit wij uitgevaardigd hebben? Zeg, zeg spoedig, dat gij Jezus voor een slecht mensch houdt, of wij doen u in den ban!quot; Zij dreigden hem. Toen kwam met de dankbaarheid de moed boven bij den ziende. „Neen, dat zeg ik nimmer!quot; riep hij; „nog ncoit is het gehoord, dat iemand de oogen aan een blindgeborene beeft geopend; als Jezus niet door God zei ven gezonden was. Hij zou dat wonder niet hebben kunnen doen!quot; De woede der rabbi's kende na dit antwoord geen grenzen meer; zij wierpen hem uit de zaal; en aan de gansche gemeente werd op dienzelfden dag een besluit van hen bekend gemaakt, dat de blindgeborene in den ban was gedaan.

Ongelukkig in zijn hart, zwierf de man dien dag door de stad. „Nu word ik van alle menschen uitgestooten,quot; dacht hij; „niemand zal zich met mij mogen bemoeien; in de synagogen mag ik niet meer komen; allen zullen mij aanzien als een man, op wiens hoofd de vloek der rabbi's rust!quot; Hij was zeer bedroefd, en wist niet waar hij in zijn zwerven heen zou gaan. Zóó vond hem Jezus; want Jezus had hem gezocht, als met de gedachte; „Wanneer al de menschen hem uitstooten, dan moet ik bij hem zijn.quot; De oogen van den blindgeborene klaarden op, toen zij Jezus voor het eerst aanschouwden, en toen hij hoorde, dat die man zijn weldoener was; ook medelijdend had Jezus hem aangesproken, terwijl de discipelen en nog andere menschen om hem heen waren komen staan, onder welke menschen ook alweer eenige Parizeën waren. „Gelooft gij in den Zoon Gods?quot; vroeg Jezus hem. „Zeg mij, wie Hij is, Heere! opdat ik in Hem moge gelooven,quot; antwoordde de man. „Gij hebt Hem reeds gezien, en die met u spreekt, die is het,quot; sprak Jezus. Toen viel die man voor Jezus' voeten neder, hij aanbad Hem, en hij riep: „Ik geloof, Heere!quot; En die man durfde te doen, wat alle rabbi's hadden verboden.

Terwijl Jezus zich tot de omstanders richtte, sprak Hij deze woorden: „Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat zij, die niet zien, zien

594

ocr page 601

595

mogen, en opdat /,ij, die zien, blind worden!quot; — „Zijn wij dan misschien de menschen, die gij blind noemt.?quot; vroegen grimmig de Farizeën, die daarbij stonden. Jezus zeide tot hen: „Indien gij blind waart, zoudt gij geen zonde hebben; maar nu gij zegt: Wij zien, — zoo blijft uw zonde!quot;

Die mannen begrepen ITem zeer goed, en haatten Jezus nog meer; maar Hij liet hun geen tijd om verder te spreken1; want zonder dralen sprak Hij zelf door, hen bestraffende, dat zij zulke slechte volksleiders waren; en in den vorm van een gelijkenis bestrafte Hij hen: „Voorwaar, voorwaar zeg ik ulieden: die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en een moordenaar. Maar die de deur ingaat, is een herder der schapen. Dezen doet de deurwachter open, en de schapen hooren zijn %stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit. En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen heen, en de schapen volgen hem, dewijl zij zijn stem kennen. Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, dewijl zij de stem van den vreemde niet kennen.quot;

ocr page 602

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Eu na eenige oogenblikken wachtons, ging Jezus verder met deze gelijkenis: „Ik ben de goede herder; de goede holder steil zijn leven voor de schapen. Maar de hnurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen. En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen. Ik ben de goede herder; en ik ken de mijnen, en word van de mijnen gekend.quot;

Ook deze gelijkenis vergaten de discipelen nimmer. Toen zij haar gehoord hadden zeiden zij bij zichzelven: „De rabbi's zijn zeker de hnnrlingen; zij zijn geen goede herders; Jezus wil ons tegen hen waarschuwen.quot; En in veel Interen tijd, toen Jezus werkelijk voor de zonden der menschen zijn leven gegeven had, en zij ann deze gelijkenis terugdachten, toen zeiden zij: „Wel mocht Hij het zeggen: Ik ben de goede herder! Want dat heeft Hij bewezen!quot;

-----o-gx^-o

DE ONVRUCHTBARE VIJGEBOOM.

i et smart verliet Jezus Jeruzalem na de laatste ervaringen. Dnar waren er wel, die in Hem geloofden; maar evenals den eersten keer, is ook ditmaal de tegenstand der rabbi's zoo groot geweest, dat y alleen manr een zeer klein deel hem nnnhing. Hij bekommerde zich over het volk, dnt daar in de oude koningsstad aan zulke blinde leidslieden was overgegeven. En met di(! gedachten was het, dat Hij weer noordwaarts ging, terug naar Galilen.

Op zijn rondreis aldaar, van plaats tot plaats, kwamen er eenigen bij Hem, met ontsteltenis op bet gelaat. „Hebt gij het reeds gehoord, Heere?quot; zoo spraken zij; „daar is weer een gruwel gebeurd! Dat heeft Pilatus gedann!quot; En met afgrijzen verhaalden zij aan Jezus, wat er geschied was.

Deze Pilatus, van wien zij spraken, was de regeerende landvoogd in Judea, en woonde te Jeruzalem. Hij was door de Romeinen als zoodanig aangesteld (26 n. Chr. — 36 n. Chr.) en had zich door zijn wreedheid en onverzettelijkheid

596

ocr page 603

DE ONVRUCHTBARE VIJGKHOOM.

reeds zeei' geluiat gemaakt l)ij de verdruktu .loden. Vele malen had hij Joden in het openbaar laten ombrengen of eenvoudig door zijn soldaten laton afmaken.

Wat de ontstelde mannen nu aan Jezus verhaalden was deze gruwel, dat eenige Galileörs in den Voorhof van den tempel te Jeruzalem bezig waren geweest met offeren; en dat toen op bevel van Pilatus de soldaten in den Voorhof gekomen waren, en dat deze de offeraars gruwelijk vermoord hadden naast het altaar, zoodat het bloed der offeraars en het blued der geslachte offers dooreen over den grond had gestroomd.

De ontzetting waarmede het verhaal aangehoord werd, ging gepaard met kreten van haat en toorn tegen de overheerschende Romeinen. „Hoe heeft onze God het kunnen toelaten!quot; riepen zij.

Maar eonigen onder hen, die het aanhoorden, en die de anderen tot bedaren wilden brengen, zeiden, als op bezadigden toon: „Die Galileörs zijn zeker groote zondaars geweest, van wie God geen offer wilde hebben; en daarom heeft God hen laten dooden; dat is zeker een straf geweest van God, voor hun geheime misdaden.quot;

Dit alles had Jezus zwijgende aangehoord; en het was na deze woorden eerst, dat Hij zich in het gesprek mengde: „Meent gij, dat die Galileörs grooter zondaars zijn geweest dan alle andere Galileörs? Meent gij dat, omdat zij een straf gehad hebben, en gijlieden niet? Ik zeg u van neen! Slechter dan gij waren zij niet! Indien gij u niet bekeert, zult fgt;ij desgelijks vergaan!quot; En zijn hoorders een voorval herinnerende, hoe onlangs een toren te Jeruzalem ingestort was, zoodat achttien menschen daaronder verbrijzeld waren, vroeg Hij verder: „Meent gij wellicht ook. dat die achttien zondiger menschen waren dan alle andere menschen in Jeruzalem, omdat dat hun overkomen is? Ik zeg u van neen! en indien gij u niet bekeert, zult gij allen insgelijks vergaan!quot;

Verwonderd zagen de lieden Jezus aan. „Hoe?quot; dachten zij in stilte, „als wij even groote zondaars zijn als die anderen, waarom vergaan wij dan niet? Neen, dat zegt Jezus niet goed! God heeft redenen, waarom Hij die anderen een straf toezendt, en ons niet! Wij zijn toch beter!quot;

En alsof zij hun gedachten overluid hadden uitgesproken, zoo antwoordde Jezus hun daarop; met een gelijkenis gaf Hij hun dit antwoord: „Een zeker man

ocr page 604

598

had een vijgeboom, die in zijn wijngaard stond. En lilj kwam, en zocht vrucht aan den vijgeboom, maar vond zo niet. Daarom zeido hij tot, den wijngaardenier: ,,Zie, ik kom nu drie jaren reeds naar dozen boom zien, en vrucht er aan zoeken, en ik vind ze niet; houw den boom om, want waarom zon hij nutteloos hier de plaats innemen?quot; Doch de wijngaardenier antwoordde; „lieer! laat hem ook nog dit jaar staan; beproef het nog éénmaal! Ik zal den grond om den boom losgraven, en mest er om heen leggen. Ala hij dan vrucht voortbrengt, laat hem dan staan; maar doet hij het dan nog niet, welnu, houw hem dan om!quot;

Jezus zeide niets meer, toen Hij deze gelijkenis verteld had. Maar die menschen begrepen Hem, want zij hadden het antwoord op hun stille gedachten gehad. „Als God ons nog niet laat omkomen zooals die anderen, dan is het omdat God het nog eens een jaar met ons beproeven wil; het is Zijn lankmoedigheid!quot; Met deze gedachten gingen zij heen.

---------

ocr page 605
ocr page 606
ocr page 607

TAFELGESPREKKEN.

n zijn zwerven kwam Jezus van Galilea weer zuidwaarts, maar aan de oostzijde van de Jordaan, in Peren of het Overjordaansche.

Daar kwam er een tot Hem met de vraag: „Heere! zijn tiet veel nschen, of zijn liet weinig mensclien, die zalig worden?quot; Medelijdend zag Jezus hem aan, alsof Hij bij zichzelven dacht: ,.Wat hoeft deze man eraan, om dat te weten?quot; En in dat medelijden sprak Hij hem waarschuwend tue: „Strijd zelf om in te gaan door de enge poort, want velen zullen zoeken om in te gaan, en zullen niet kunnen; namelijk als het te laat is!quot;

Te midden van de vele menschen, die telkens tot Jezus naderden, kwamen daar ook eenige moeders met haar kinderen. Zij drongen door de anderen heen om dicht bij Jezus in de voorste rijen te komen; het waren vroolijke, lachende, gezonde kinderen, die zij op den arm droegen, of aan de hand hielden. „Wat wilt gij toch?quot; riepen de discipelen die moeders toe; „uw kinderen zijn niet krank!quot; — „Neen,quot; antwoordden de moeders; „maar als uw Heer hen wilde aanraken en zegenen, zou dat voor onze kinderen een geluk en een eer zijn hun leven lang.quot; — „G-aat heen!quot; riepen de discipelen; zij vonden den wensch dier vrouwen zeer dwaas; en verachtelijk dreven zij haar terug.

Maar Jezus had het gezien Hij nam het zijn discipelen zeer kwalijk. Woorden van bestrafting sprak Hij hun toe, zooals Hij niet dikwijls gedaan had; en aan het einde dier woorden zeide Hij: „Laat do kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het koninkrijk Gods! Voorwaar zeg ik u: zoo wie het koninkrijk Gods niet ontvangt als eon kindeken, die zal er geenszins ingaan!quot;

Toen kwamen de moeders blijde, in haar komen niet meer verhinderd. En Jezus nam die kindoren, omving hen mot zijn armen, legde hun de handen op, en zegende hen.

Het is van dien tijd af, dat vele moeders en vaders nog altijd denken: „Het grootste geluk, en de grootste eer, die onze kinderen op aarde kunnen verkrijgen, is, dat Jezus hen zegent; en gelukkig, dat Jezus het doen wil!quot;

ocr page 608

002 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Het was ook daar in oen van die steden, dat Jezus op een sabbat bij een voornaam Farizeër in li nis genoodigd werd, om aan den maaltijd deel te nemen. Daar waren meerdere rabbi's tegenwoordig. „Dit is een goede gelegenheid,quot; dachten zij; „wij zullen hem waarnemen.quot;

Terwijl zij aan den maaltijd zaten, word een mensch binnengebracht, die lijdende was aan waterzucht; die man smeekte Jezus om hem te genezen, „Mag dat wel op sabbat?quot; vroeg Jezus aan de rabbi's, die niet Hem aan tafel zaten. Maar niemand antwoordde Hem op die vraag. En zonder zich om hun stille gedachten te bekommeren, sprak Jezus tot don kranke, en genas Hij hem.

Toen was het, dat Jezus, die zeer wel wist hoe alkeurend de rabbi's over zijn daad oordeelden, hun op die gedachten antwoordde: „Waarom zou ik het niet op sabbat doen? Als gij een os of een ezel hadt, die in een put viel, zoudt gij zelfs uw os of uw ezel niet uit den put halen, al was het op sabbat?quot;

Daar moesten zij weder op zwijgen.

Bij het gaan zitten aan den maaltijd had Jezus gemerkt, dat de rabbi's zeer begeerig waren geweest, om de voornaamste plaatsen in Ie nemen, als mensehen, die dachten: „Laat bet lagere volk ginds beneden in het vertrek een plaats vinden; wij zitten hier bovenaan, dicht bij den gastheer.quot; Een goede gelegenheid was dit voor Jezus om hen ook op hun eergierigheid te wijzen.

„Wanneer gij van iemand op een bruiloft genood wordt,quot; zoo sprak Hij, „zet u dan niet op de eerste zitplaats, want het kan wezen, dat er nog iemand genoodigd is, voornamer dan gij. Dan zou de gastheer bij u moeten komen, en zeggen: „Maakt plaats voor dezen.quot; En beschaamd zoudt gij moeten opstaan, om een lager plaats te kiezen. Neen, wanneer gij genood zijt, ga dan heen en zet u op de laagste plaats, opdat uw gastheer, als hij dat ziet, tegen u zeggen mag: „Vriend! ga toch hooger zitten!quot; Dat zal u een eer zijn in de oogen van allen, die met u aanzitten!quot;

En de rabbi's aanziende, voegde Jezus deze woorden er aan toe: „Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zich vernedert, die zal verhoogd worden!quot;

ocr page 609

TAFELGESPREKKEN.

Nog meer sprak Jezus aan tafel bij den Parizeör, die Hem genoodlgd had.

Die Parizcön, en vooral de Sadduceön liioidcn dikwijls maaltijden onder elkander; en zij zorgden cr dan voor om altijd onder voornaam gezelschap te blijven; met menschen van lageren stand verkeerden zij niet; zij zonden er zich vernederd door achten. Daarom was het, dat Jezus zeide: „Wanneer gij een middagmaal of avondmaal houdt, noodigt dan niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw betrekkingen, noch uw rijke buren; opdat zij niet te eeniger tijd u weerom noodigen, en gij op die wijze weer beloond wordt. Maar wanneer gij een maaltijd houdt, noodigt dan de armen, verminkten, kreupelen en blinden. Dan eerst zult gij blijdschap hebben van uw daad, omdat die menschen niets hebben om het u te vergelden; dat zal u vergolden worden in het eeuwige leven.quot; — „Als de Messias komt,quot; zeide een der gasten, „dan zal Hij ook maaltijden houden, groote en koninklijke maaltijden en feesten ; en wie dan het voorrecht hebben zal om daar genoodigd te zijn, die zal een gelukkig man zijn!quot; — „Ja,quot; zeide Jezus, „als hij de uitnoodiging niet van de hand zal wijzen.quot; — „De uitnoodiging bij den Messias van de hand wijzen? Wie zal zoo dwaas zijn?quot; vroegen de gasten verwonderd.

Op die verwondering antwoordde Jezus met een gelijkenis: „Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodigde er velen. Toen de avond daar was, zond hij nog zijn dienstknecht, om aan de genoodigden te zeggen: „Komt, want alle dingen zijn gereed.quot; Maar zij begonnen zich eendrachtig te verontschuldigen. De eerste zeide tot den dienstknecht: „Ik heb een akker gekocht, en ik moet dien gaan bezien; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.quot; Een ander zeide: „Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga ze voor den ploeg spannen dm ze te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.quot; En een ander zeide: „Ik heb een vrouw getrouwd, daarom kan ik niet komen.quot; Al die verontschuldigingen bracht de dienstknecht getrouw over, toen hij bij zijn heer terugkwam. Toornig werd die heer, toen hij het vernam, en in dien toorn zeide hij tot zijn dienstknecht: „Ga haastig rond in de straten en achterbuurten der stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in!quot; Dat deed de dienstknecht, zooals zijn heer wilde; en toen hij het gedaan had, zeide hij: „Heer! het is geschied zooals gij bevolen hebt, en nog is er plaats!quot; Toen beval

ocr page 610

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

die heer: „Ga clan naai' buiten de stad, en die gij maar vindt up de wegen onder de heggen , dwing hen om hier binnen te komen ; want vol moet mijn huis worden !quot;

En nadat Jezus bij dit verhaal hier even stil gehouden had, ging Hij weer voort met deze slotwoorden: „Want ik zeg u, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.quot; En door deze slotwoorden, waardoor Jezus het aan de gasten liet voelen, dat Hij dezelfde persoon was als die heer uit tie gelijkenis, begrepen zij, dat Jezus zichzelven hier als den Messias te kennen gaf. Maar ook begrepen zij, dat het waar was, wat Hij straks gezegd had, dat namelijk velen het heil, dat de Messias hun bieden zou, niet aannemen zouden. In hun hart voelden die gasten, dat zij die dwazen waren, ook al hadden zij uitgeroepen: „Gelukkig is do man, die op de feesten van den Messias genoodigd zal worden, als Hij komt!quot;

Toen de maaltijd bij den voornamen Farizeör, waar deze tafelgesprekken gevoerd waren, geëindigd was, gingen allen uit elkander, een iegelijk zijns weegs. Maar Jezus werd door dien Farizeör niet meer genoodigd.

OPWEKKING VAN LAZARUS.

erwijl Jezus met zijn discipelen hier in het Overjordaansche, in Perea, verkeerde, kwam plotseling een bericht tot hem uit Bethaniö, dat

t/J zeer droevig was. Een bode kwam van daar, door Maria en Martha gezonden; en dit was het bericht, dat hij in haar naam Jezus bracht: „Heere! zie, dien gij liet' hebt, is krank!quot; Met verslagen aangezicht verhaalde die bode, dat Lazarus, de broeder van Maria en Martha, plotseling zeer krank was geworden, en dat men het ergste vreesde. Do zusters hadden niet gewild, dat Jezus er onbekend mede gebleven was, omdat zij wisten, hoeveel Jezus van Lazarus hield; en daarom, dat zij Hem nu er mede in kennis lieten stellen.

De discipelen, die daarbij stonden, en het verhaal mode aanhoorden, zagen, dat Jezus er van ontroerde, zooals iemand ontroert, die in gedachten zijn liefsten vriend reeds op sterven ziet liggen; en zij zagen, hoe Jezus aan een inwondigon

604

ocr page 611

OPWEKKING VAN LAZARUS.

strijd ten proui was, die hovig maar kort was; want reeds hief Mij het hoofd weer op, zooals iemand, die een heslnit bij zichzelven heeft genomen, en iets als overwinning straalde uil zijn oogen, toen hij sprak: „Deze krankheid is niet ten doode, maar zal tot verheerlijking van God zijn; ook de Zoon van God zal er door verheerlijkt worden.quot; Do discipelen begrepen alleen het eerste, dat Lazarus' krankheid niet op den dood zou uitloopen; en daar verblijdden zij zich over; maar dat laatste begrepen zij pas eenigo dagen later.

Twee dagen bleef Jezus nog in die plaats; toen scheen zijn hart hem toch naar Bethanië te trekken. „Laat ons weer naar Judea gaan,quot; zeide Hij tot de discipelen. „Rabbi!quot; antwoordden deze, „wildot gij dat doen? Hoe kunt gij u dat voornemen? Weet gij niet moor dat, de laatste maal dat gij er waart, men u heeft willen steeuigen?quot; En zij ontraadden het Jezus, zoo sterk als zij konden; niet gaarne zouden zij zijn leven weder in gevaar zien. Maar Jezus zeide; „Zijn er niet twaalf uren in don dag? Indien iemand in den dag wandelt, dan stoot hij zich niet, omdat hij hot licht dezer wereld ziet. Maar indien iemand in den nacht wandelt, dan stoot hij zich, omdat het licht in hem niot is.quot; En wat de discipelen hiervan op dat oogenblik begrepen, was alleen dit, dat Jezus voor het gevaar niet vreesde, omdat zijn tijd nog niet gekomen was. Na eenigo oogenblik ken sprak Jezus: „Weet gij, waarom ik naar Judea wil? Lazarus, onze vriend, slaapt; ik ga heen om hem uit den slaap op te wekken.quot; „Slaapt Lazarus? antwoordden die mannen; „dat is een goed teoken, Heere! dan zal hij gezond worden; dan behoeft gij zeker niot naar die plaats des gevaars heen te gaan.quot; Nog altijd hoopten zij, dat Jezus zich van zijn voornemen zou laten afbrengen; maarzij hadden Hom niot begrepen, want Hij had niet gesproken van den gewonen slaap, maar van den slaap des doods. Daarom zeide Jezus het hun met duidelijker woorden: „Lazarus is gestorven! En ik ben blijde om uwentwil, dat ik daar niet geweest ben, opdat gij in mij gelooven moogt! Komt, laat ons gaan!quot; En toen de discipelen zagen, dat Jezus voor geen gevaar vreesde, als het gold om zijn vriend van den dood op te wekken, zooals uit zijn,woorden bleek, verzetten zij zich niet meer. Thomas riep uit: „Als de Meester het toch wil, laat ons Hem trouw blijven, en laat ons ook gaan; dan sterven wij te zamen!quot; En Jezus had Thomas zeer lief om dat woord.

ocr page 612

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Zoo verlieten zij dan Perea, en liepen zij twee dagen, totdat zij het dorp Bethaniö zagen liggen.

Daar in het huis van de beide gezusters was het zeer droevig; want Lazarus was werkelijk gestorven; en hij was reeds begraven; vier dagen geleden was hij reeds begraven. Het huis vol liefde en zonneschijn was een rouwhuis geworden. De twee zusters zaten daar neder, zooals menschen nederzitten, die tegen den dood gestreden hebben, en die hem toch het liefste hebben moeten afstaan, wat zij bezitten. Wat haar de droefheid nog grooter gemaakt had, was, dat Jezus niet gekomen was, hoewel zij Hem hadden laten roepen; dat hadden zij niet kunnen begrijpen. Ook was het niet uitgekomen, zooals Hij door den bode haar had laten zeggen, dat die krankheid niet ten doode zou zijn. Vele menschen uit het dorp zaten achter bij haar in het huis, om haar te troosten, wat altijd beel vriendelijk is van de menschen, maar wat zoo dikwijls zoo weinig helpt. Zoo bleven de beide vrouwen weenen; dat was reeds vier dagen.

Eenige lieden uit het dorp, die in de verte Jezus met zijn discipelen van de heuvelen hadden zien afdalen, den weg naar het dorp toe, kwamen haastig het huis binnen, en riepen het de zustors toe: „Daar ginds komt Jezus, eindelijk!quot;

Haastig stond Martha op, zooals men opstaat voor iemand, dien men langverwacht heelt; den weg snelde zij op, en weldra stond zij voor Jezus, weenende, en met woorden op do lippen, die zij niet kon terughouden; „Heere! waart gij hier geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn; maar ook nu weetik, dat al wat gij van God begeeren zult. God u dat geven zal!quot; Die weenende vrouw liet Hem de diepte van de droefheid van haar hart zien; het was alsof zij gezegd had: ,.Gij zijt eigenlijk de oorzaak van onze smart, door uw wegblijven; maar als gij wilt kunt gij die smart nu ook nog wegnemen.quot; En een oogenblik dacht zij er aan, dat Jezus Lazarus wel uit den dood kon opwekken. „Uw broeder zal weder opstaan,quot; sprak Jezus, om de opgekomen hoop in haar te versterken. Maar het was maar voor een oogenblik bij haar geweest; zooals een opwelling overgaat, zoo ging het bij haar over, om door een andere opwelling gevolgd te worden: „Neen, het kan toch niet; want waarom zou Jezus het voor ons doen?quot; En overluid antwoordde zij ook: „Ach ja, Heere! Lazarus zal wel opstaan, dat weet ik, later, bij de opstanding ten laatsten

600

ocr page 613
ocr page 614
ocr page 615

OPWEKKING VAN LAZARUS.

dage!quot; Medelijden had Jezus met die vrouw, die zou geslingerd werd in haar smart; en in dat medelijden sprak Jlij, als iemand, die bereid is al zijn goddelijke almacht haar ten dienste te stellen: „Ik ben de opstanding en het leven; die in mij gelouft zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?quot; — „Ja, Heere!quot; sprak zij, „ik heb geloofd, dat gij zijt de Christus, de Zoon Guds, die in de wereld komen zou!quot; En uit die woorden sprak de opgewekte hoop weer, de hoop, dat Jezus het wonder doen kon. Snel keerde zij zich om, en keerde zij terug. „Dat moet ik Maria zeggen,quot; zeide zij bij zichzelve.

Maria was in huis gebleven. „De Heere is aanstonds hier, en ik zal Hem hier afwachten,quot; had zij gedacht; en het was haar, als zag zij er tegen up, om Hem te ontmoeten. Maar toen Martha haar heimelijk in do ouren kwam zeggen, met iets van stralende hoop in haar oogen: „De Meester is daar, en Hij roept u!quot; toen stond zij op, en ging ook zij naar buiten, den weg up waar Jezus was. De Joden, die in huis waren, en haar zagen heengaan, en niet wisten waarom, zeiden tegen elkander: „Zij gaat zeker naar het graf, om daar haar droefheid uit te weenen; zij moet niet alleen gaan; laat ons medegaan!quot; En up een afstand volgden zij haar. Toen zij bij Jezus kwam, viel zij voor zijn voeten neer, en dezelfde kreet, die Martha bij het wederzien ontsnapt was, kwam ook haar van de lippen, terwijl zij geknield lag: „Heere! indien gij hier geweest waart, zou mijn brueder niet gestorven zijn!quot; Wat weende die vrouw! Aan haar snikken kwam geen einde. Daar ontroerde Jezus van. Bijna kun Hij niet spreken; Hij moest zich uverwinnen. „Waar hebt gij hem gelegd?quot; vroeg Hij aan de omstanders. „Heere! kom hierheen, wij zullen het n wijzen!quot; antwoordden zij. Allen bewogen zich naar waar het graf was.

Zij kwamen up een plaats, waar in de rots een spelonk uitgehouwen was, welke spelonk met een grootcn steen bij den ingang was gesloten. Daar in de spelonk hadden zij bazar us gelogd. Toen zagen de menschen wat zij nog nuuit van Jezus gezien hadden. Mij weende. „Zie, Hij weent!quot; zeiden zij zacht en eerbiedig tegen elkander; en tluisterend voegden zij ei' aan tue: „Zie, hue lief Hij hem had! Kun Hij, die de oogen des blinden geopend heeft, niet gemaakt hebben, dat deze niet gestorven ware?quot; Maar zooals een, die zichzelven

39

009

ocr page 616

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

overwint, hief Jezus zijn gebogen hoofd weer op; Hij Irad naar het graf toe, en met besliste stem zoide Hij tot eenige mannen: „Neemt dien steen weg!quot;

„Heere! laat het niet doen!quot; riep plotseling Martha, die naar voren trad; „hij ligt daar reeds vier dagen!quot; En zij gruwde er van, als zij er aan dacht, hoe het lijk er nu moest uitzien. Waar was op eens weer haar geloof! „Heb ik u niet gezegd,quot; sprak Jezus, „dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?quot; Toen deden de mannen wat Jezus wilde; de steen werd weggenomen; en men kon naar binnen zien in de spelonk, waar de duisternis worstelde met het daglicht, dat binnen viel.

Jezus hief de oogon naar-den hemel, en bad: „Vader! ik dank u, dat gij mij gehoord hebt. Doch ik wist, dat gij mij altijd hoordet; maar ter wille van de schare, die rondom staat, heb ik dat gezegd, opdat zij zouden gelooven, dat gij mij gezonden hebt.quot; Toen Jezus dit gebeden had, zag Hij naar de duisternis in de spelonk, en zijn hand uitstrekkende, riep Hij met groote stem: „Lazarus, kom uit!quot;

En wat de omstanders toen zagen, dat was wat zij bijna niet durfden zien: in de halve duisternis van do spelonk zagen zij een witte gestalte zich oprichten, het hoofd omwenden naar het daglicht, toon opstaan en naar buiten komen: dat was Lazarus! lovend! met do grafdoeken nog aan het lichaam en aan het hoofd!

Een kreet van verbazing, van allen die daarbij stonden; schrik met blijdschap vermengd! Doch Jezus sprak: „Ziet toch, hoe die grafdoeken hem hinderlijk zijn; helpt hem, om or van los te komen!quot; Toen schoten zij toe, Maria en Martha hot eerst. Zij vreesden de verschijning niet meer; dat was hun eigen, hun werkelijke broeder, uit de doodon verrezen!

Straks was het rouwhuis geen rouwhuis meer. Toen Jezus daar binnen kwam, met allen die volgden, was het voor die menschen alsof de Vorst des levens daar door do deur binnenging; en Martha dacht juichend: „Het is zooals Hij gezegd heeft: Hij is de opstanding en het leven; die in Hem gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven!quot;

---0-^)^-0----

010

ocr page 617

VERGADERING VAN DEN RAAD.

daar bekend werd.

f^|S •^|S •

„Is Hij weer in onze nabijheid?quot; zeiden deze; „wij meenden, dat

Hij sedert het Loothuttenfeest niet meer den moed zou gehad hebben zich hier opnieuw te vertoonen! En is Hij weer hier?quot; En te meer waren de priesters en de rabbi's geërgerd, omdat zij merkten, dat het wonder, te Bethaniö geschied, de gansche bevolking van Jeruzalem ten gunste van Jezus had gestemd, en op zijn hand had gebracht. „Waar moet dat heen?quot; vroegen zij elkander; „dat moeten wij keeren met al onze macht, en door wat middel ook.quot;

Op een vergadering bespraken zij met elkander deze zaak. „Als wij dien Jezus zoo laten begaan,quot; zoo oordeelden zij, „dan zal de opwinding van het volk hoe langer hoe grooter worden; morgen roepen zij dien Jezus als Messias uit; tot oproer slaan zij dan over; tot een strijd met do Romeinen komt het; en verloren zijn wij dan allen, het volk, en wij tegelijk. Wat moeten wij er toch togen doen? Zoo kan hot niet langer!quot;

Zeer verdeeld waren de meeningon der heeren in dien Raad; en tot niets scheen de beraadslaging te zullen leidon, tot eindelijk do voorzitter dier vergadering te spreken begon. Kajafas heette die man, en hij was hoogepriester voor dat jaar. „Zult gijlieden nu nog langer hier bezig zijn?quot; riep hij; „geen vorstand hebt gijlieden! En begrip hebt gij evenmin! Gansch eenvoudig is deze zaak, waar gij zoo lang over spreekt. Sterven moot Hij, zeg ik; en dan is het op eenmaal uit met die beweging onder hot volk. Begrijpt gij niet, dat hot beter is, dat één mensch sterft voor het volk, dan dat hot gansche volk verloren gaat?quot; En zoozeer was zijn woord van invloed op do mannen van dien Raad, dat zij het besluit namen, om Jezus te laten gevangen nemen en te dooden.

Tot nu toe was de moord op Jezus onkel eon voornemen en een verlangen geweest van die mannen; maar nu was hot oen in de volle vergadering genomen besluit; men was een groot eind verder gekomen; de teerling was geworpen,

blijde echter als de menschen te Bethanir; waren, zoo boos waren

't''

Priesters en de rabbi's te Jeruzalem, toen het pas verrichte wonder

ocr page 618

BIJ BELSCHE GESCHTEDENIS VOOR KINDEREN.

dat voelden zij allen. „Op eon van deze dagen is Hij gevangen,quot; zeiden /ij, „en dan staat zijn dood vast.quot;

Toen zij uit elkander gingen, dacht geen enkele van hen, dat wat Kajafas gesproken had: „Het is beter dat één mensch sterft voor het volk, dan dat het gansche volk verloren gaat!quot; hetzelfde was, wat Jezus reeds lang in zijn ziel gesproken had. Zoo weinig kenden zij dien Heer, die immers juist daarvoor in de wereld gekomen was!

Toch was het Jezus' tijd nog niet om te sterven; en daarom ontweek Jezus nog voorloopig de nabijheid van Jeruzalem; naar Ephraïm ging Hij; dat lag in Benjamin, bij de woestijn Beth-aven. Eenzaam en stil was het daar; en van den heuvel dicht bij het dorp kon men in de verte de Doode Zee zien liggen.

Hier was de laatste rustplaats van Jezus; en hier bereidde Hij zich voor om naar Jeruzalem tot het Paaschfeest op te gaan, als wanneer Hij wist, dat het tijd zou zijn, en dat Hij sterven zou: één vuor allen.

o-^cjxg-o--

DE GELIJKENIS VAIM DE PONDEN.

ang was de rust in Ephraïm niet; want reeds naderde het Paaschfeest. Zij konden dagelijks de karavanen zien voorbijtrekken, die

van het noorden kwamen, en langs het dorp zuidwaarts gingen, naar Jeruzalem; dat waren de feestgangers uit Galilea, en ook uit Porea.

Bij een dier karavanen sloten Jezus en zijn discipelen zich aan; dat waren bijna allen lieden, die zij kenden, betrekkingen en vrienden uit den omtrek van het meer van Genezareth.

Voor verscheidene van die menschen was het een vroolijk wederzien, en een vroolijke verdere tocht. Maar Jezus was van zijn doodsgedachten vervuld; Hij nam zijn discipelen ter zijde, terwijl zij voortliepen; en tot hen zeide Hij: „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem. Daar zal de Zoon des menschen aan de overpriesters en do schriftgeleerden overgegeven worden; en zij zullen Hem ter

612

ocr page 619

DE GELIJKENIS VAN J)E PONDEN.

dood voruordeelen, en Hem aan de heidenen overleveren. En zij zullen Hem bespotten, on Hem geeselen, en Hem bespuwen, on Hem dooden. En ton derden dage zal ITij weder opstaan.quot; Evenals bij vroegere malen vond Jezus weinig instemming bij zijn discipelen, als Hij hierover sprak; tocli wilde Hij, dat zij het later zouden kunnen weten, dat Hij liet hun vooruit gezegd had. „Dan kunnen zij zien, dat ik uit eigen vrijen wil mij in den dood gegeven heb,quot; dacht Hij bij zichzelven. Evenals meermalen hadden zij echter ook nu hun eigen gedachten hierover; zij zagen niet droevig, want in hun hart spraken zij: „Wel neen! veel meer kans is er, dat Hij als koning ditmaal wordt uitgeroepen, sedert Hij dat wonder gedaan heeft in Bethaniö, aan Lazarus!quot; En gaarne mengden do discipelen zich onder de andere menschen van de karavaan, mot wie zij stil konden spreken over dezelfde verwachtingen.

Weldra bereikte de karavaan de stad Jericho, waar zij oen nacht bleven.

Toen de feestgangers den volgenden morgen van Jericho opbraken en verder reisden naar Jeruzalem onder vroolijke liederen, omdat nu hol einddoel dor reis bereikt was, merkte Jezus zeer wel, dat die menschen vervuld waren van de gedachte, dat Hij daar zijn koninkrijk zou gaan stichten, en als don Messias zich zou laten uitroepen. „Wij zullen Hem trouw bijstaan,quot; zeiden zij onder elkander. Die gedac hte bleef maar in hun hart, wat Jezus vroeger er ook van gezegd had. „Wat zullen deze menschen zeggen, als ik binnen weinige dagen van de aarde zal weggaan, en als ik na mijn dood tot mijn Vader in do hemelen wederkeer?quot; dacht Jezus; „ik moet hen aan die gedachte gewennen; maar ik zal hun tegelijk openbaren, dat ik niet voor altijd wegblijf, maar dat ik zal terugkomen op de aarde; dat mogen zij wol weten; dat zal hun tegen dien tijd een groote troost zijn.quot;

En om hun deze gedachte te geven, verhaalde Jezus hun deze gelijkenis: „Een zeker wolgeboren man ging een reis maken naar een vergelegen land, om daar voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, on dan weder te keeren. Voor zijn vertrek riep hij zijn tien dienstknechten; hij gaf hun ieder een som golds, een pond, en sprak tot hen: „Handelt met dat geld, en zoekt winst voor mij te maken, totdat ik terugkom.quot; Daarna reisde hij af. De burgers van zijn land, die hom nooit anders dan als hun gelijke gekend haddon, dachten

ocr page 620

bij zichzelven: „Zal bij, die niet meer is dan onze medeburger, elders koning worden, en dan als koning tot ons terugkeeren, en meer zijn dan wij?quot; Zij haatten bom, en zonden hem gezanten na, met dezo woorden: „Weet dit, dat als gij terugkomt, wij u niet als koning willen hebben, ook al hoeft oen ander volk u koning gemaakt!quot; De tijd ging voorbij, en op zekeren dag kwam die beer als koning terug. Hij liet zijn tien dienstknechten voor zich komen, aan wie bij het geld gegeven had, en vroeg hun verantwoording at, hoeveel zij er ieder mede gewonnen hadden. De eerste kwam en zeide: „Heer! ik heb tien ponden met uw pond gewonnen.quot;—„Wel, gij goede en trouwe dienstknecht,quot; sprak de koning, „dewijl gij in zoo kleine zaak zijt getrouw geweest, heb macht over tien steden.quot; En als landvoogd stelde hij hem aan. De tweede kwam en zeide: „Heer! ik heb vijf pond met uw pond gewonnen.quot; Ook dezen prees hij; en bij stelde hem tot landvoogd aan over vijt steden. Maar daar was er een onder die dienstknechten, die deze verantwoording aflegde: „Heer! hier is uw pond terug! Ik heb het al dien

ocr page 621

a D

03 U =

(S S N

03 05

n cr

§3

S-'o S;W

03

3

ft «

3

c:

a

• o tr^

P c

ET ™

b-S:

tii re

^ 3 5 g. gs

S N ss. ™

S £ lt;5 u

3 Ë.g ® 2-

a g. d.

Oa t-

ngt; n)

ft N 5

3l|. c: ^r?-

CO.0 ^ 3 ^

r-»- lt;T) Bi gt;-♦■ -1

3 2quot; -CL^

3 aS ü o- ^

quot;quot;quot;■ re Orf «1

°Squot;a.

st rt ■-»

srS 0

Q. 3 quot;O

05


ocr page 622

ZALVING TE BETHANIË.

tijd goed bewaard, en er geen handel mode gedaan; want ik vreesde u, omdat ik weet, dat gij een streng mensch zijt; beter liet werkeloos te laten liggen, dan het te verliezen, dacht ik!quot; „Gij booze dionstknedit!quot; sprak de koning, „naar uw eigen woorden zal ik n oordeelen; gij wist dat ik een streng mensch ben; waarom hebt gij mijn geld dan niet in de bank gezet? Ik zou nu rente hebben gehad!quot; En tot de anderen zich koerende, zeide hij hun; „Neemt hem dat pond af, en geeft het aan hem, die de tien ponden heeft!quot;

Hier vielen de menschen, die Jezns de gelijkenis hoorden vertellen. Hem in de rede; met verbazing zeiden zij: „Heere! maar die man heeft reeds zooveel! hij heeft al tien ponden!quot;

Maar met diepe beteekenis antwoordde hun Jezus: „Zeker moet dat zoo; want ik zeg u, dat aan een iegelijk die heeft, zal gegeven worden; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.quot; En in eens voortgaande met de gelijkenis, die Hij nog niet ten einde verteld had, liet Hij dien koning nog dit zeggen: „En deze mijn vijanden, die niet gewild hebben, dat ik koning over hen zou zijn, — brengt hen hier, en slaat hen voor mij dood!quot;

015

Door dit slot klonk het voor de hoorders van Jezus, alsof Hij dezelfde was als die koning uit de gelijkenis; en dat was het ook, wat Hij wilde. Daar waren er onder die zijn bedoeling begrepen hadden: „Hij gaat van de aarde weg, en komt eerst later terug als koning en als Messias!quot; Maar bij zichzelven zeiden zij toch: „Neen, nn, nu moet Hij koning worden! niet later! Straks, als wij in Jeruzalem komen, moet het wezen!quot;

Jeruzalem. Velen dor feestgangers reisden in eens dooi' naai

het dorp achter met zijn discipelen. Het

ZALVING TE BETHANIË

al verder trekkende in Bethaniö, roods

was nog zes dagen voor net l'ascha; en hier in Dethaniö woonden zijn beste vrienden, Lazarus en diens beide zusters. Daar nam Jezus zijn intrek.

ocr page 623

016 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

Eun maaltijd werd Mem bereid; blijde waren die menschen om Jezus weer in hun liuis te hebben ; zij hadden alles er voor over, om het Jezus en zijn discipelen aangenaam te maken. Het beste wat zij hadden gaven zij: zouden zij ook niet, voor Hem, die Lazarus in het leven teruggeroepen had? Al wat zij deden, en aan Jezus gaven, scheen Martha nog Ie weinig toe. „Kon ik meer doen, meer doen!quot; zoo dacht zij.

In gedachten verzonken zat Maria neder; aan baar gingen de spijzen voorbij; zij at niet, en dronk niet; ook dacht zij er niet aan, evenals het vorige maal, om haar zuster Martha in bet dienen te helpen. Weemoedig lag een sombere schaduw op haar schoon aangezicht, telkens als zij naar Jezus heenzag; zij alleen was niet v rooi ijk onder al die blijde menschen. Waarom was zij zoo droevig, en zoo stil, Maria?

Ach, in haar gedachten zag zij vooruit, en was zij om Jezus bekommerd, zooals de liefde bekommerd is. „Nog weinig dagen,quot; zoo dacht zij, — en wat dacht zij anders dan al die andore menschen! „dan zal ik die stem niet meer hooren, en dan zal ik dat aangezicht nimmer wederzien! Nog weinig dagen, dan zal Hij sterven, mijn Jezus! Dan zal Hij, boewei Hij moediger en dapperder is dan eenige man, ten onder gaan, voor de overmacht bezwijken, en sterven; te Jeruzalem sterven! Hij wil het zelf, die edele! En Hij zal er zich niet tegen verzetten! Wee mij, hoe zal ik het dragen!quot; En zij stond op van de tafel, als eene, die haar opkomende tranen gaat verbergen. Zij was de eenige van alle menschen in Israël, die geloofde, dat Jezus ging sterven, en dat Hij geen koning worden zou.

In haar smart vond zij Hem toch groot; edel vond ze Hem, zooals geen ander man edel is; en als Jezus het baar gevraagd had: „Maria, moet ik sterven of koning worden?quot; dan zou zij, al was het weenendc, gezegd hebben: „Gij moet sterven, Heere! want zoo zijt gij veel grooter!quot; Wat die vrouw deed, was: zich vereenzelvigen met Jezus, en met zijn groote tloel. Zoo had nog niemand gedaan in Israël.

En ziet, het was in dat gevoel, dat zij ging waar zij een albasten flesch met kostbaren nardusbalsem had bewaard. Zij nam dien balsem; en met die kruik in haar hand, in de kamer terugkeerende, rechtop en sterk, en met

ocr page 624

ZALVING TE BETH AN 1Ë.

kalme waardigheid op hel gelaat, trad zij op Jezus toe. Over zijn huold gout zij den balsem uit en over zijn voeten, statig als een profetes; en als zij woorden had gesproken, zonden het deze woorden zijn geweest: „U, dien ik liefheb, sta ik af aan het gruote doel, dat gij hebt; sterf', Heere! wees sterk en blijf sterk; met dezen balsem wijd ik u ten doode!quot; Maar plotseling, als echte vrouw, weer bevangen van den weemoed over het aanstaande scheiden, welden de tranen weer op, en neervallende aan zijn voeten, weende zij als een, wier hart gebroken is bij het offer, dat zij afstond; terwijl zij beschaamd de tranen van Jezus' voeten afwischte met het hoofdhaar, dat over die voeten heenhing.

Verbaasd waren de gasten opgestaan van hun zitplaatsen, om te zien. wat deze vrouw deed. Begrijpen, begrijpen deden zij het niet. Wat zij zagen, was alleen dit; dat kostbare balsem zoo verkwistend verspild werd. „Waarom,quot; zoo sprak Judas overluid, „waarom is deze balsem niet liever verkocht geworden, om met het geld de armen wel te doen? Dat ware toch beter geweest! Wel driehonderd penningen is hij waard!quot; (130 gulden). Slechte Judas! die waarlijk de armen niet liefhad, maar die heimelijk in zijn hart dacht: ..Had zij ons dat geld gegeven, voor onze gemeenschappelijke kas! Ik zou wel middelen gevonden hebben, om mij persoonlijk er wat van toe te eigenen!quot; Want hij was de beursdrager der discipelen, en hij had al meermalen geld uit die gemeenschappelijke beurs zich toegeëigend. Hij was een dief!

„Bekommert gij n zoo over de armen?quot; antwoordde Jezus; „de armen hebt gij altijd met u, en kunt gij altijd wol doen; maar ik zal welhaast niet meer bij u zijn! Waarom valt gij dan deze vrouw hard, die dit gedaan heeft als een voorbereiding voor mijn begrafenis?quot; De boosheid kwam in het hart van Judas, meer nog dan daarstraks. „Altijd spreekt Hij over zijn dood!quot; dus dacht hij; „geen koning wil Hij dus worden? Dan weet ik, wat ik te doen heb!quot; En woest en wild sprak deze gedachte uit zijn donkere oogen; dat -waren oogen als van iemand, die bereid was het slechtste te gaan doen.

Maar Maria stond op van do voeten van Jezus als een, die gerechtvaardigd was voor de anderen en die begrepen was door Jezus. Zij weende niet meer,

(i 1 7

ocr page 625

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

den weg stonden; ieder had zwaaiende den tak in zijn hand, en onder liet luide, vroolijke geroep van „Hosanna, Hosanna!quot; trok. de stoet verder, met Jezus in hun midden, den Olijfberg op, die hen nog van de stad scheidde. Als een „Leve de Koning!quot; klonk dat geroep: „Gezegend is Hij, die komt in den naam des Heeren!quot; Snol en vurig klopte het hart dier menschen, die de vrijheid van hun vaderland begeerden, en op dezen dag die vrijheid dachten te zien aanlichten; en in daverende jubelkreten barstten zij los, toen zij, weinige schreden verder, bij een wending van den weg gekomen, plotseling de koningsstad, Jeruzalem, voor zich zagen liggen, met de stralen der vroolijke morgenzon overgoten.

Een oogenblik hielden zij stand; maar straks waren zij reeds den berg afgedaald, naar de stad toe. Het was alsof hun voeten vleugelen hadden. En ziet: ook uit de poort van de stad stroomde een schare van duizenden Jezus te gemoet. Ook zij riepen: „Hosanna!quot; (Jok zij namen takken van de boomen; ook zij spreidden hun kleederen op den weg. Zoo van zijn volk omstuwd trok Jezus de poort binnen, de straten door, zooals een koning te midden van zijn onderdanen zijn stad binnentrekt.

Niets kon de menschen tegenhouden in hun hulde. Of de Farizeön al aan den kant van den weg stonden, en mot minachting afkeurende gebaren maakten; ot andere Farizeön Jezus al toeriepen: „Hoort gij niet wat die menschen roepen? Moet er oproer komen? Zeg toch, dat zij den mond houden!quot; het volk gaf er niet om; en Jezus zelf antwoordde dien rabbi's: „Ik zeg u, als deze zwegen, dan zouden de steenen zelfs roepen!quot; alsof Hij zeide: „Ben ik dan niet de Messias? Waarom zou mijn volk mij niet ontvangen?quot;

Hoe blijde Jezus zelf evenwel was over de huldiging, het was Hem toch een droefheid, om daar te denken, dat de beweegredenen des volks niet waren, zooals Hij gaarne gehad had. „Zij vergissen zich in mij, die arme lieden!quot; zoo dacht Jezus telkens; „ik zal hun toonen welk een Messias ik ben!quot; En Hij ging een daad doen, die de menschen de oogen moest openen. Naar den tempel richtte Hij zijn weg. Daar in den Voorhof ging Hij binnen. Stonden daar weer niet de keepers en de verkoopers, die Hij reeds eens daaruit gedreven had? Dreven zij daar niet weer handel op de heilige plaats, die lieden, die ossen en schapen en duiven verkochten, die lieden, die daar met hun tafeltjes stonden

022

ocr page 626

„HOSANNA, HOSANNA!quot; 023

waar het wisselgeld op lag? Hadden de rabbi's hot maar weer toegelaten, en was de ontheiliging van den tempel Gods weer in vollen gang, zoo als het geweest was? Hier was een taak voor den waren Messias; hier zou iedereen kunnen zien, waar de ware Messias voor op aarde gekomen was: om de wereld te bekeeren, niet om de wereld in een bloedigen oorlog te zetten. En evenals de vorige maal dreef Jezus in heilige geestdrift de koopers en verkoopers uit den tempel, onder den roep: „Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt! Van hier! van hier! gij ontwijders!quot;

Dat was niet wat het opgewonden volk had verwacht. Die Jezus eischte maar altijd door, en ook nu weer: bekeering, reinheid en een heilig leven! Neen, dat werkte teleurstellend. Andere dingen wilde het volk van zijn Messias: oorlog, overwinning, een weelderig leven, goud en maaltijden! Zooals de menschen het niet hadden gedacht, zóó kwam nu het beeld van den Messias voor hen te staan; en zóó wilden zij Hem niet hebben! „Laat Hem varen!quot; zoo zeiden sommigen; „Hij is niet zooals wij dachten!quot; — „Naar huis!quot; riepen anderen; „met Hem komen wij niet verder!quot; De opgewondenheid week; de menigte verspreidde zich; teleurgestelde aangezichten zagen overal elkander aan. En de rabbi's, — zij lachten als menschen, die dachten: „Zie, wij hebben geen hand er naar behoeven uit te steken; die Jezus heeft zelf zijn zaak bedorven; eer wij twee dagen verder zijn, is de lieele volksbeweging verloopen; wij behouden onze macht!quot;

Daar waren er op dien dag en op de volgende dagen velen in de stad, die dachten: „Hoe jammer toch! Wij dachten dat Jezus het woord van den opstand zou spreken; en Hij heeft dat ééne woord niet gesproken!quot;

En Jezus zelf, toen Hij in dien avond naar Bethanië terugkeerde, denzelfden 'weg, veel stiller dan Hij op dien morgen dien weggekomen was, — Jezus dacht, dat Hij wel zou kunnen weenen over zulk een volk, dat een Messias verwachtte, maar niet eens wist w7elk een Messias van God beloofd was. „Eer het vele dagen verder is, zal ik toonen,quot; zoo dacht Jezus, „dat de ware Messias er een is, die aan het kruis sterft, om do zonden der wereld te verzoenen.quot;

o~amp;@rO

ocr page 627

om in zijn liefde tot de menschen hun te zeggen, wat tot hun heil noodig was.

Waar kon Hij zijn volk beter bereiken dan daar in den tempel, waar iedereen kwam? Daar kwamen de rijken, en daar kwamen do armen. Hij zag daar het volk samenstroomon, tot den ouden dienst, tot het gebed, tot het otter, en ook om hun gaven te brengen voor het onderhoud des tempels. Hij zag er de rijken hun gaven in de offerkist werpen. En hij zag hoe de armen dat deden. Zie, daar kwam ook een arme vrouw aan, die weduwe was. Men kon het zien aan haar kleed, en aan haar gelaat; daar stond smart op geschreven en zorg. Ook zij wierp iets in de offerkist; het waren maar twee kleine penningen; en zij deed hot als iemand, die bij zichzelvon dacht: „Ach, had ik meer, ik zou meer geven!quot; Stil ging zij weer heen. „Ziet gij deze vrouw?quot; zoo sprak Jezus tot zijn discipelen; „voorwaar zeg ik u, zij hoeft meer in de offerkist geworpen, dan al de anderen. Want die anderen hebben van hun overvloed daarin geworpen. Maar zij heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganschen leeftocht.quot; Hoe had Hij de armen en de ellendigen lief, en hoe gaarne had Hij allen onder dat volk geholpen, als zij maar gewild hadden.

De rabbi's waren daar altijd ook, in hun hooge waardigheid, en in hun voorname kleeding; redetwisten zochten zij met Jezus, om het volk nog meer van Hem te vervreemden, en om openlijk het iedereen te laten voelen, dat men Jezus voor den Messias niet moest houden. Jezus wist zeer goed, wat hun bedoelingen waren; ook dat zij in die twistgesprekken aan Hem zulke woorden trachtten te ontlokken, waardoor zij Hem zouden kunnen aanklagen en ter dood veroordeelen. Nochtans vreesde Jezus hen gansch niet; en zóó sprak Hij altijd, dat iedereen voelde, dat Hij recht had. Dit verbitterde evenwel de

LAATSTE REDEVOERINGEN.

ocr page 628
ocr page 629
ocr page 630

I. AATSTE li EDE VOER INGEN.

rabbi's des te meer; zoodat zij eiken avond vergadering hielden om te beraadslagen, wat zij doen nloesten om Jezus onschadelijk to maken.

Bij wijlen was Jezus zeer bedroefd over de houding van zijn volk; en dan sprak Hij weeuend, woorden als deze: „Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn; hoe menigmaal heb ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild!quot; Op andere oogenblikken gevoelde Hij toorn over de schriftgeleerden en Farizeën, die toch do verantwoordelijke leidslieden des volks waren, en die dat anno volk misleidden; en dan was zijn redevoering in den tempel van het begin tot het eind een ontzaglijk „wee!quot; dat Hij over die mannen uitriep; een zoo verschrikkelijke strafrede, dat de menschen zich verbaasden, hoe Hij haar durfde uitspreken!

Meestal droegen zijn redevoeringen in die laatste dagen het karakter van een laatste waarschuwing, waarbij Hij tusschen de menschen instond als een profeet, die hun een vreeselijke toekomst voorspelde; een toekomst binnen een niet al te verren tijd, als wanneer het volk door de Komeinen geheel vernietigd zou worden; als wanneer de stad Jeruzalem en zelfs deze heilige tempel tot een puinhoop zouden worden; en als wanneer de rechtvaardige straf (iuds over hen komen zou, zooals die straf nog nooit was gekomen.

Eens, op een van die dagen, vatte Jezus al dezo gedachten samen in een gelijkenis, die Hij uitsprak en die do Joden zeer wel verstonden. „Hoort een gelijkenis!quot; zoo sprak Jezus. „Daar was een heer des huizes, die een wijngaard plantte; een muur metselde hij daaromheen; een wijnpersbak liet hij daarin maken; een toren liet hij daar ook in bouwen; daar ontbrak niets aan dien wijngaard; en toen verhuurde hij hem aan eenige landlieden. Daarna ging die heer op reis buitenslands. Toen nu tie tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten, zijn deel van den oogst te ontvangen. Maar die landlieden grepen die dienstknechten; den een sloegen zij, den ander doodden zij; en den derden steenigden zij. Toen zond de heer wederom dienstknechten, meer in getal dan de eerste; maar de landlieden deden hun desgelijks. Ten laatste zond die heer zijn zoon tot hen; „wantquot;, zeide hij, „zij zullen mijn zoon ontzien!quot; Maar de landlieden, die den zoon zagen

ocr page 631

628 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

aankomen, zeiden onder elkander: „Deze is de erfgenaam; laat ons hem dooden, en zijn erfenis vour ons behouden!quot; En zij grepen hem, en wierpen hom uit, buiten den wijngaard, en doodden hem.quot;

„Wat zal,quot; zoo vroeg Jezus na dit verhaal aan zijn toehoorders, „wat zal die heer des wijngaards, als hij van de reis wederkomt, aan deze landlieden doen?quot; — „Hij zal de kwaden een kwaden dood aandoen!quot; zoo antwoordden verscheidene stemmen; „en hij zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op tijd zullen geven!quot; — „Zeker!quot; zeide Jezus, „daarom zeg ik ulieden, dat hot koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en aan een volk gegeven, dat wol zijn vruchten voortbrengt. En wat dien zoon betreft, die door do landlieden verworpen en gedood is, God zal hem weer levend maken, on een heer en erfgenaam van den wijngaard zal hij toch zijn.quot;

Toon do menschen over deze gelijkenis onder elkander spraken, zeiden zij: „Mot die landlieden bedoelt Jezus ons; wij zijn die slechten, die God niet geven wat Hem toekomt; wij dooden Gods profeten. Jawel, wij begrijpen het zeer goed. Maar heeft Jezus daar gezegd, dat wij ook nog den Zoon Gods zullen dooden? Daar bedoelt Hij (.Ion Messias mede! Zeker zullen wij den Messias niet dooden, als Hij komt. Hoe kan Jezus zoo iets zeggen? Dat is te dwaas! Wij zullen wel anders met den Messias handelen!quot; En de menschen werden verbitterd over deze gelijkenis; vooral de rabbi's. Ook spraken zij verder onder elkander: „En wat heeft Jezus gezegd: dat God don Messias weer zal levend maken, als wij Hem gedood hebben? Altemaal dwaasheid, die gansche gelijkenis! Ook dwaasheid, dat God ons land van ons wegnemen zal om het aan anderen te geven! Daar geschiedt niets van!quot; En de ergernis bij de rabbi's was zoo groot, dat zij onder elkander zeiden: „Komt, waarom wachten wij nog langer om Hem gevangen te nomen? Nu wordt het toch tijd, dat wij Hem dooden?quot; Zij begrepen niet, de rabbi's, dat zij met zulke woorden juist bezig waren om te toonen, dat zij wol degelijk de landlieden uit de gelijkenis waren!

Toen Jezus al zijn redevoeringen geëindigd had, hadden de discipelen dit er van begrepen: „Als Jezus nu gaat sterven, dan komt Hij later terug; en als

ocr page 632
ocr page 633
ocr page 634

JÜDAS.

Hij terugkomt, dan begint eerst de groote heerlijke tijd, dat Hij zal koning zijn, en dat Hij regeeren zal als oen Messias!quot; Zij gevoelden, dat Jezus zijn sterven eerst noodzakelijk achtte. Toch konden zij zich met de gedachte aan dat sterven niet verzoenen; dat kon er wol af, volgens hun raeening.

En de andere menschen, het volk en de rabbi's, hadden dit er van begrepen: „Deze Jezus, die zich voor den Messias uitgeeft, is hot niet. Want Hij veroordeelt ons, wat de ware Messias niet doen zou; Hij kondigt ons do verwerping aan, en een vreeselijke toekomst; do verwoesting van onze stad en van onzen tempel voorspelt Hij ons; den ondergang van ons rijk voorspelt Hij ons. Den toorn Gods zegt Hij ons aan! Neon, Hij is do Messias niet! Nu weten wij hot!quot; En de gevolgtrekking, die zij hieruit maakten, was deze; „Het staat nu vast! Hij moet sterven! Weg met Hem!quot;

Inderdaad was do (.lood van Jezus dichter bij dan iemand vermoedde.

Het was Donderdag geworden; on don volgenden dag zou het reeds wezen. Zijn ure was eindelijk gekomen. En Jezus zelf was de eenige die het wist.

^ygy^at was er dan reeds geschied?

Op een dezer dagen, in deze laatste week, was Judas, de

JUDAS

man van Karioth, naar de overpriesters gegaan. Dio discipel had zich naar de mannen begeven, van wien hij wist, dat zij de grootste vijanden van Jezus waren. En wat hem daarheen gedreven had, was een vreeselijk iets. Hij was Jezus beginnen te haten, zooals hij nooit iemand gehaat had.

Waarom was hij zoo veranderd, hij die toch ook eens alles verlaten had om Jezus te volgen? Als Judas van die verandering zich rekenschap gaf, dan wist hij zeer wel de oorzaken daarvan. „Heb ik Hem niet al deze jaren gevolgd,quot; zoo dacht hij bij zichzelven, „omdat ik meende, dat Hij als de Messias eens koning zou worden? En zie nu, daar komt niets van; dat wil Hij niet! Hij wil sterven, zooals Hij telkens zegt; daar ben ik Hem toch niet voor gevolgd!

631

ocr page 635

BIJBELSCHE GESCHIEDENTS VOOR KINDEREN.

Jk had gedacht, dat Hij mijn volk zou vrijmaken van de vijanden, maar Hij denkt er niet aan. Ik had gedacht, dat Hij ons groot en machtig en rijk zou maken, maar Hij wil er niet van weten. Ik had gedacht, dat Hij, als Hij koning geworden was, ons, zijn trouwe discipelen, verheffen zou tot de hoogste eereambten in den nieuwen staat; maar iets gansch anders zal ons lot zijn; nooit worden wij landvoogden, nooit worden wij heerschers; arm en door iedereen bespot zullen wij straks, een ieder naar zijn eigen dorp, kunnen terug-keeren; de gansche wereld zal om ons lachen als om dwazen, die een krankzinnigen dweper gevolgd zijn even krankzinnig als Hij! O! dat ik ooit mij bij Hem aangesloten heb! Vervloekte dag, toen ik discipel bij Hein werd!quot;

Zoo was de haat bij Judas boven gekomen, geboren uit teleurstelling van gekoesterde aardsche verwachtingen. ,.En wij hebben Hem zoo dikwijls aangezet,quot; zoo had Judas verder gedacht, „om toch de gelegenheid aan te grijpen, en zich tot koning te laten uitroepen! De gelegenheid was er zoo dikwijls, en was zoo gunstig telkens! Het geheele volk wilde het! Alleen Hij wilde niet! Dezer dagen nog, toen al het volk Hem inhaalde en Hosanna riep! Eén woord had Hij slechts te zeggen gehad, maar Hij zeide dat woord niet! Wel sprak Hij altijd woorden van bekeering, boete, heilig leven en zooveel andere woorden! Wat geven mij die woorden? Zij hebben mij niet rijk gemaakt, en niet groot gemaakt!quot;

Judas vloekte bijna bij zichzelven, als hij zoo dacht; vooral als hij tegelijk dan de beurs opende, die hij droeg, de gemeenschappelijke beurs zijner medediscipelen, en als hij dan de weinige penningen telde en overtelde, die zich daarin bevonden. Vele ware do booze gedachten, die dan in zijn ziel opkwamen; en hij beet zich op de lippen, en hij kneep de vuisten samen; en wraak! wraak! druischte hem door de ziel. Hij kon Jezus niet meer aanzien, - dien heilige, — dien haatte hij, zooals hij nooit iemand gehaat had.

Het was in die stemming, dat hij, van den Satan aangezet, en zichzelven niet langer kunnende bedwingen, naar de overpriesters ging. In het geheim ging hij, van niemand gezien.

Op hun vergadering, in den laten avond, in Kajafas' huis, liet hij zich aanmelden. Verbaasd zagen die mannen hem binnenkomen, hem, die als discipel

632

ocr page 636

HET LAATSTE AVONDMAAL.

van Jezus bekend was. „Wat voert hem hier?quot; zoo dachten die mannen. Kort zeide Judas het hun: „Wat zult gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren?quot; Nog meer verbaasd waren die priesters. Hoe? Een van Jezus' eigen discipelen kwam zich aanbieden om het plan te helpen volvoeren, waar zij zoolang over beraadslaagd hadden? Wat was ei' daar dan in den discipelkring geschied? Listige oogen zagen elkander aan, en een verborgen glimlach speelde om ieders mond. Judas moest het hun alles vertellen. Een boozen triomf vierde hun aller donkere ziel. Straks spraken zij over het middel, waarmede Judas zijn doel zou bereiken. Als zij hem maar een bende gaven van eenige gewapende mannen, dan zou hij het wel weten, zeide Judas. Straks spraken zij over de som, die Judas begeerde als loon. Voor dertig zilverlingen (vijf en veertig gulden) werden zij het eens.

En toen na die bespreking die discipel de zilverlingen reeds in handen ontving, en weer buitengelaten was, buiten de poort van des hoogepriesters paleis, en heenging in den duisteren nacht naar waar hij Jezus kon vinden, — om nog eeuige dagen als eeu veinzaard te verkeeren met Hem, dien hij verraden had, — toen lachten de priesters overluid een boozen lach, en sprongen zij van hun zetels op, met den kreet: „Die dwaas zal het doen! Niet lang meer leeft

Jezus!quot; Dat was een zegekreet als uit de hel.

--

HET LAATSTE AVONDMAAL.

fbsoo brak de dag van het Paaschfeest aan, waarop het Pascha moest gegeten worden. Dat was de maaltijd, die in ieder Israëlietisch gezin moest gehouden worden volgens overoud gebruik, en waarbij men danbsoo brak de dag van het Paaschfeest aan, waarop het Pascha moest gegeten worden. Dat was de maaltijd, die in ieder Israëlietisch gezin moest gehouden worden volgens overoud gebruik, en waarbij men dan

■te'#'

C terugdacht aan den uittocht der voorvaderen uit Egypte, onder Mozes.

„Waar,quot; zoo vroegen daarom de discipelen aan Jezus op dien Donderdagmorgen, te Be than iö, waar zij overnacht hadden, „waar wilt gij, Heere, dat wij heden avond met elkander het Pascha zullen eten?quot; In de stad, in Jeruzalem, zou het moeten zijn; dat wisten die mannen; maai- waar ergens in die stad.

033

ocr page 637

BTJBELSGHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

of bij welken vriend van Jezus in de stad? Vragend zagen hun oogen den Meester aan. Ook Judas zag zijn Meester aan. „Als ik het nu reeds hoor, waar Hij hedenavond den maaltijd zal houden, dan kan ik dezen middag reeds de overpriesters waarschuwen, en Jezus daar aan den maaltijd overvallen en gevangen nemen,quot; zoo dacht hij; en hij luisterde scherp. Maar hij werd teleurgesteld. „Gaat naar de stad,quot; zoo antwoordde Jezus tot twee van hen, tot Petrus en Johannes; „en zoodra gij de poort zijt binnengekomen, zult gij een man zien, die van de bron terugkeert en een kruik water draagt; volgt dien man; en in hot huis, waar hij binnengaat, moet ook gij binnengaan. Spreekt daar mot den huisheer, en brengt hom deze boodschap van mij: De Meester laat u vragen: waar is de eetzaal, waar ik hot Pascha met mijn discipelen eten zal? Dan zal hij u een gmote gereedgemaakte opperzaal wijzen. Bereidt ons daar het Pascha!quot;

Verwonderd zagen de discipelen op, dal Jezus hun niet in eens den naam noemde van hun vriend, waar zij dien avond zouden mogen samenkomen. Maar die twee mannen gehoorzaamden en gingen hoen. Weinig dachten zij, dat door dit antwoord aan Judas de gelegenheid ontnomen werd, om door de vol voering van zijn vreeselijk voornemen hun laatste samenzijn aan den maaltijd met Jezus gewelddadig te storen. Die avond zou nog aan Jezus toebehooren; geen vijand, maar Hij zelf bepaalde1 don dag en de ure zijns doods.

Toon Petrus en Johannes in do stad kwamen, vonden zij alles, zooals Jezus het gezegd had; en zij bereidden het Pascha; voor brood zorgden zij, en voor het lam, en voor wijn, en voor de bittere saus, gelijk gebruikelijk was.

Alles was gereed, toen tegen den avond Jezus met de andere discipelen volgde, en voor hot laatst den weg aflegde van Bethaniö naar Jeruzalem.

In de opperzaal gekomen, deden zij aan de deur van de bestoven voeten de sandalen af, naar Oostersch gebruik wenschondo de voeten te verfrisschen, terwijl zij zich reeds neerzetten op de zetels of rustbanken bij de tafel. Daar was aanstonds eenigo strijd onder dio mannen, welke plaats ieder mocht innemen. Ieder wilde do voornaamste plaats hebben naast Jezus. Waren zij dan weer de oude les vergeten? Hoe konden zij toch zoo doen? Zij dachten er niet

634

ocr page 638

HET LAATSTE AVONDMAAL.

aan, wat Jo^us eens gezegd had, wie wel do meeste zou zijn in het koninkrijk der hemelen. Maar eindelijk zaten zij toch; en naast Jezus zat Johannes, een eind verder Petrus, dichtbij of op den zetel tegenover Jezus; Judas, van wien geen der discipelen iets vermoedde. Hoe kon die verrader daar zitten? Maar hij zat er, als een die veinsde nog een vriend, nog oen discipel van Jezus te zijn.

Nu moest de dienaar komen met waschbekken en doek, om hun de voeten te verfrisschcn. Maar waar was een dienaar voor die mannen, die geen .dienaar ooit gehad hadden? Zelf moest een hunner de dienaar hier zijn! En weer kwam de strijd boven, wie van hen de minste moest wezen; niemand van hen wilde do dienaar hier zijn; daar was twist onder die mannen, wie dat werk moest doen, dat zij een vernedering achtten.

Dat deed Jezus leed, toen Hij het zag; maar mot dat geduld, dat Hij zoolang reeds geoefend had in de opvoeding zijner leerlingen, en zacht en vriendelijk, zooals Hij altijd jegens hen was geweest, ging Hij het hun nog eens zeggen en toon en, hoe dat moest onder hen. Zwijgend stond Hij op van de plaats, waar Hij reeds gezeten was; zijn mantel deed Hij af, en een linnen doek nemende, deed Hij dien zich om het middel; het waschbekken nam Hij in de hand; en aldus in de gedaante en in de kleeding van een slaal stond daar de Meester voor zijn leerlingen.

Diep schaamden zich sommigen dier mannen, toen Jezus zóó naar hen toekwam, en bij hen neerknielde, en hun de voeten begon te wasschen, en af te drogen, met den linnen doek, waarmede Hij zich omgord had. Zij wenschten, dat zij het welven gedaan hadden, en wisten in hun verlegenheid niet, hoe zij zich houden moesten.

Maar zoo dachten niet allen; want toen Jezus kwam, waar Simon Petrus zat, sprong deze overeind; hij vond het van Jezus niet goed, dat Hij zich zoo vernederde; een meester moest zijn plaats kennen, en zich niet zoo aanstellen. Met bestraffing in den toon van zijn stem riep hij uit: „Heere! zult Gij mij de voeten wasschen?quot; — „Gij weet do beteekenis van mijn daad niet,quot; sprak Jezus vriendelijk; „als gij het later begrepen hebt, zult gij anders oordeelen; laat mij begaan, Simon!quot; Maar hij volhardde bij zijn gedachte, en nog sterker dan daarstraks, riep hij uit: „Neen, Heere! Gij zult mijn voeten niet wasschen in der eeuwigheid!quot; Het was niet zijn nederigheid, die tegen Jezus' daad

035

ocr page 639

verzet aanteekende; maar het was zijn hoogmoed; want daar was iets in hem, dat hem zeide: „Als Jezus wellicht wil, dat wij later ook ons zoo nederig voor elkander moeten aanstellen, dan wil ik het niet!quot; Daarom dat Jezus, die hem ganscii doorzag, dit antwoordde: „Indien ik u niet wasch, dan hebt gij geen deel aan mij!quot; Dit klonk hem, die het zeer wel begreep, in de ooren, alsof Jezus ronduit gezegd had: „Als gij niet voornemens zijt om later ook nederig te zijn, dan behooren wij niet bij elkander, Simon!quot; En hij schrikte van dat scherpe woord. „Alles liever dan geen discipel van Jezus te zijn,quot; dacht hij snel; „ik behoor Hem toe, geheel en al!quot; En in die edele gedachte, waarbij hij zijn hoogmoed overwon, riep hij uit: „Heere, dan niet alleen de voeten, maar ook de handen en het hoofd!quot; Maar Jezus antwoordde: „Die gewasschen is, heeft niet van noode dan alleen de voeten te wasschen, maar is geheel rein; eu gijlieden zijt rein, maar niet allen!quot; Want Jezus wist, wie Hem verraden zou.

Toen liet Petrus Jezus begaan, en ook voor hem knielde de Heere neder.

ocr page 640

11

HET LAATSTE AVONDMAAL. 637

met het waschbekken; en voor Petrus' gevoel was het, alsof hij door deze handeling verbonden werd aan Jezus, zooals hij nog nooit aan Hem verbonden

was geweest. „Ik: moet Hem volgen in de nederigheid niet alleen, maar in alles, wat Hij ooit van mij eisehen zal,quot; dacht hij.

Na allen de voeten gewasschen te hebben, deed Jezus zijn mantel weer aan, en zette Hij zich op zijn plaats; en de discipelen overziende, zeide Hij: „Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb'? Gij noemt mij Meester en Heer; en terecht doet gij het; want dat ben ik. Indien dan ik, de Heer en do Meester, u de voeten gewasschen heb, zoo zijt gij ook schuldig elkander de voeten te wasschen. Want ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gelijk ik u gedaan

n

heb, gij ook doet. Voorwaar, voorwaar zeg ik u: een dienstknecht is niet meer dan zijn heer, noch een gezant meer dan die hem gezonden heeft. Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij ze doet.quot;

91

Dooi' deze gebeurtenis waren de discipelen niet vroolijk gestemd. In zulk

lill

een stemming waren zij nog nimmer een Paaschmaaltijd begonnen.

Nog te meer werd hun stemming somber, toen Jezus als gastheer den maaltijd opende met deze woorden; „Ik heb zeer verlangd dit Pascha met u te eten, voordat mijn lijden begint; want ik zeg u, dat dit de laatste maal zal

■ 'V* ['

zijn, dat ik met u eet en dat ik met u drink. Wanneer ik weer met u eet en drink, dan zal het koninkrijk Gods gekomen zijn, en mijn lijden voorbij zijn.quot;

Zij aten van hot gebraden lam, zij aten van het ongezuurde brood, dat zij in

'

de bittere saus doopten; en aan de verlossing uit Egypte moesten zij daarbij denken; maar hun gedachten waren meer bij het tegenwoordige; hun hart was vol van de gebeurtenissen der laatste dagen, en vol van de laatste redevoeringen,

die Jezus gesproken had; en van het woord, dat Jezus juist gezegd had. Als zij den beker lieten rondgaan, en ieder daarbij een woord van lof moest spreken aan God over de verlossing uit Egypte, dan kon dat woord hun nauwelijks uit het hart; daar was op dat oogenblik geen lof in hun hart.

slfeitn

ja

■rt si

üylli i

l

Waren Jezus' eigen gedachten ook niet veel meer bij het tegenwoordige, dan

bij die oude geschiedenis uit tijden lang geleden?

Maar in een schrik ging die somberheid over, in een schrik, toen Jezus,

_

-

ocr page 641

BIJBELSCIIE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

over zijn aanstaanden dood doorsprekende, hun zeide, terwijl allen zagen hoe Hij aan een hevige ontroering ten prooi was: „Ach! dat het nog wel een van ulieden is, die mij aan mijn vijanden verraden zal!quot; — „Wie zal dat doen, Heere?quot; riepen verscheidene stemmen tegelijk; zij konden het niet verdragen, dat ook maar één oogenblik zulk oen vrecselijke verdenking op hen rustte; en ontzet, verontwaardigd en bedroefd, vroegen zij: „Ben ik liet, ben ik het, Heere?quot; Ook Judas riep het, en zijn verontwaardiging was als die van do anderen. Nog in dezelfde ontroering doorsprekende, zeide Jezus: „Ik ga wel heen, gelijk van mij geschreven is; het gebeurt niet buiten den raad Gods om! Mar wee dien mensch, door wien ik ven-aden word! Het zou voor dien mensch beter zijn, als hij nooit geboren was geweest!quot;

Johannes, die naast Jezus zat, werd uit de verte door Petrus gewenkt, alsof hij hem zeide: „Gij, vraag gij het aan Jezus, wie het is; u zal Hij het wel zeggen!quot; En meer bedroefd, dan hij ooit in zijn leven geweest was, was Johannes reeds aan de borst van Jezus gevallen, en bijna snikkende, vroeg hij hot: „Heere! zeg toch: wie is hot?quot; Het hoofd buigende over den geliefdon discipel, die aan zijn borst lag, zeide Jezus hom zacht, zoo dat do andoren het niet hooren konden, dan alleen Judas, die over Hom zat: „Aan wien ik dit stuk broods geven zal, die is hel!quot; En tegelijk gaf' Hij het stuk broods over aan Judas, den man van Karioth. „Hij weet dat ik do verrader ben!quot; was de schreeuw der woede, diep in Judas' hart; „Hij weet het! Nu moot ik ook niet langer dralen.quot; En met een boosheid, zooals alleen de Satan iemand boos kan maken, stond hij op; maar zich bedwingende, zoodat niemand iets op zijn gelaat kon lezen, ging hij hoen naar do deur. „Wat gij doet, doe hot haastig!quot; zeide Jezus hem nog. En toon stond Judas reeds buiten, in don nacht, den nacht, die niet zoo donker was als de nacht in zijn verloren ziel.

Niemand van de discipelen had hot stille gesprek tusschon Johannes en Jezus gehoord; en niemand begreep dan ook, waarom Judas heenging. Die mannen dachten, dat hij heenging, om nog eenigo inkoopen te doen in do stad, die zij voor hot feest konden noodig hebben; Judas was immers, hun beursdrager. Voor Jezus was hot heengaan van Judas als een verademing. Hij was nu alleen met de mannon, die Hom liefhadden.

638

ocr page 642

HET LAATSTE AVONDMAAL.

Het brood cn de wijn hadden onaangeroerd gestaan, gedurende die ontroerende oogenblikken. Wie had onder zulk een tooneel daar ook een hand naar kunnen uitstrekken? Maar nu was het Jezus zult, die do hand uitstrekte naar een der hrooden.

Hij brak het brood in stukken, reikte de stukken over, moedigde zijn vrienden aan om te eten, en zeide: „Neemt, eet, dat is mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt!quot; Verbaasd zagen de mannen op; zij begrepen Hem niet; en evenmin toen Jezus daaraan toevoegde: „Doet dat tot mijn gedachtenis.quot; Stil en nadenkend aten zij do stukken, diu rondgegeven werden.

Evenzoo nam Jezus den beker met wijn; Hij gaf hem rond, moedigde hen aan om to drinken, en sprak: „Drinkt allen daaruit! deze beker is hot nieuwe testament in mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.quot; Ook dit begrepen zij weinig; maar stil cn nadenkend dronken zij, en gaven zij den beker aan elkander over. Gehoorzaam deden die mannen ook het onbegrepene, als menschen die dachten: „Wij willen alles wel doen wat Hij zegt, want wij hebben Hom lief!quot;

Het was eerst later, toon Jezus werkelijk gestorven was, dat zij de ontzaglijke beteekonis van deze daad van Jezus geheel begrepen. Die menschen immers konden van den volgenden dag af, hun ganscho leven lang, nooit meer aan hun maaltijd zitten en brood eten, of zij dachten, terwijl zij hot brood braken: „Zoo heeft Jezus ook zijn lichaam voor ons laten verbroken.quot; En nooit konden zij moer aan hun maaltijd den wijn drinken, of zij dachten: „Zoo hoeft Jezus ook zijn bloed voor ons vergoten.quot; Elke dagelijkscho maaltijd werd hun een herinnering aan het lijden en sterven van Jezus. „Dat is het, wat Jezus gewild heeft; nu begrijpen wij hot,quot; zeiden zij toen tot elkander; „Hij wilde, dat wij altijd aan Hem zouden denken, en Hem nooit zouden vergeten; daarom dat Hij hot brood gemaakt heeft tot oen zinnebeeld van zijn lichaam, en den wijn gemaakt heeft tot een zinnebeeld van zijn bloed! O, hoe kunnen wij Hem nu ooit meer vergeten! Eiken dag moeten wij vanzelf nu aan Hem denkon!quot;

Zoo is het gekomen, dat ieder Christen, die zijn Heere liefheeft, geen brood kan eten, of hij denkt nog aan Hem; en geen wijn kan drinken, of zijn gedachten zijn bij Jezus.

Gaf ooit iemand, bij de gedachte: „Ik wil bobben, dat zij altijd aan mij denken!quot; zoo wijs oen instelling?

639

ocr page 643

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

De stemming onder de discipelen in de opperzaal was al droeviger geworden, ook door wat zij toch eenigszins wel hadden kunnen begrijpen van deze instelling des avondmaals. Zij voelden het aan alles, wat Jezus sprak of deed, dat dit de laatste maal was, dat zij samenzaten. Zij waren zeer ter neer geslagen, ook omdat het nu toch werkelijk allen schijn er van kreeg, dat hun verwachtingen teleurgesteld zouden worden; koning zou Jezus niet worden; sterven ging Hij.

Daarom, dat Jezus, die meer om hen dacht dan om zichzelven, hen te troosten begon; Hij kon zijn trouwe vrienden niet bedroefd zien. „Uw hart worde niet ontroerd,quot; sprak Hij; „gij gelooft in God, gelooft ook in mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anders zou ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om n plaats te bereiden. En als ik zal heengegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, dan kom ik weder tot u, en zal u tot mij nemen, opdat gij ook zijn rnoogt, waar ik ben.quot; Dit gaf dien mannen eenigen troost; want deze woorden openden hun ten minste een uitzicht in de toekomst. „Als Jezus gestorven is,quot; zoo dachten zij, ..dan zullen wij gelukkig maar een tijdlang verlaten zijn; want dan zal Hij terugkomen, zooals Hij reeds meer ons gezegd heeft.quot; En voor hun gedachten rees weer het vergezicht op van het groote Messiasrijk, dat Hij dan toch bij zijn wederkomst oprichten zou; altijd bleven zij nog vasthouden, dat Jezus een aardsch koninkrijk zou stichten. „Dat komt dus in elk geval,quot; meenden zij, „ook al komt het wat later, en al komt het eerst bij zijn wederkomst na zijn dood!quot;

Ook troostte Jezus hen over zijn afscheid door hun een belofte te doen, de belofte des Heiligen Geestes. „Ik zeg u de waarheid,quot; dus sprak Hij, „het is u nut, dat ik wegga; want indien ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen; maar indien ik heenga, zoo zal ik hem tot u zenden.quot; En wie die Trooster zijn zou, en wat hij doen zou, dat zeide Jezus hun: „Die Trooster, de Heilige Geest, dien de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u indachtig maken, en die zal u alles leeren wat ik u gezegd heb. Ook zal hij de wereld bekeeren, en de zondaars overtuigen; en hij zal maken, dat zij in mij gaan gelooven, die nu nog niet in mij willen gelooven.quot; Ook deze woorden openden aan de discipelen een heerlijk uitzicht in de toekomst. Wat blijder

640

ocr page 644

HET LAATSTE AVONDMAAL.

zagen hun aangezichten; want zij dachten: „Al verwerpen de menschen Jezus nu als den Messias, later zullen zij Hem toch aannemen, en in Hem gelooven. Het koninkrijk komt toch; al is het dan niet nu, dan wat later.quot; Werkelijk werden zij veel getrooster over het aanstaande sterven van hun Heer, al spraken hun harten toch, dat zij met al hun macht het niet zouden toelaten, dat iemand de hand aan Jezus sloeg. Hun geheime hoop was en hleof altijd, dat het zoover niet komen zou.

Vriendelijk en zacht vermaande Jezus hen nog, om als Hij weg was, elkander te blijven liefhebben, om trouw aan elkander te blijven, on om in die wederzijdsche liefde te toonen, dat zij Hem liefhadden; ook om alles te doen, wat Hij hun in al die jaren geleerd en geboden had. „Wie mijn geboden heeft, en ze bewaart, die is het, die mij liefheeft,quot; zeide Hij; „dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad.quot;

En toen Jezus nog vele andere woorden van afscheid gesproken had, en hen gezegend had, toen stond Hij op, on bad Hij in een lang en vurig gebed voor die discipelen, of God hen altijd wilde bewaren in hun geloof, en hen trouw wilde maken in de belijdenis van hun geloof. Voor de discipelen was het, alsof Jezus daar stond in de gedaante van een hoogepriester, die voor zijn volk bad; en hot „Hoogepriesterlijk Gebedquot; is dat gebed daarom ook altijd genoemd.

Daarna, terwijl allen stonden rondom den disch, zongen zij gemeenschappelijk een psalm, een lofpsalm. Ver heen klonken de forsche tonen van den mannenzang, de open vensters uit, over de straat, in de donkere stilte van den middernacht.

Toen verlieten zij do opperzaal. Jezus vooruit, die mannen naast en achter Hem, zoo gingen zij de straten door, de poort uit, in de richting van den Olijfberg.

-o-èdgro--—

641

41

ocr page 645

\0 \

GETHSÉMANÉ

ö het ook zeide, de discipelen konden het maar niet aannemen. „Wij zouden het toch niet toelaten,quot; dachten zij, „en wij zouden Hem toch verdedigen, als iemand Hem durfde aanvallen.quot; En Petrus voelde onwillekeurig naar zijn zwaard, dat hij aan de heup droeg; terwijl hij met de oogen den donkeren weg voor hem uit doorvorschte, als iemand die voor den vijand niet vreesde, zoo hij mocht aankomen.

Jezus kende de gedachten zijner vrienden evenzeer als Hij de toekomst kende. „Clansch anders dan gij meent, zult gij in dezen zelfden nacht u nog allen aan mij ergeren,quot; sprak Hij; en verbaasd zagen de discipelen op. „Zooals het in de Schriften voorspeld is, zoo zal het geschieden: Ik zal den herder slaan, en de schapen dei' kudde zullen verstrooid worden. Gij zult u voor mij schamen, en het niet goedkeuren wat ik ga doen; dat zult gij eerst' begrijpen, als ik van den dood ben opgestaan, en als gij mij zult weerom zien in Galilea.quot; Met heftigheid antwoordde Petrus: ,,A1 ergerden zij zich ook allen aan u, ik zou mij nooit aan u ergeren!quot; Maar met droefheid in zijn stem antwoordde Jezus hem: „Voorwaar zeg ik u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan zal gekraaid hebben, mij driemaal zult verloochend hebben.quot; — „Al moest ik ook met u sterven, zoo zou ik u geenszins verloochenen!quot; was het dappere wederwoord van den man, die naar het gevest van zijn zwaard greep, maar die zijn eigen zwak hart niet kende.

Al de andere discipelen vielen hem bij, en betuigden hartstochtelijk hetzelfde. Maar Jezus liep zwijgend verder, als een, die wist, dat de uitkomst helaas zijn woorden zou rechtvaardigen. Zoo kwamen zij aan de beek Kedron.

Zij gingen die over, en traden in een olijvenhof, Gethsémané genaamd. Stil was het hier, en donker, nog donkerder dan daar straks op den open weg, door de schaduwen die do olijvenbosch jes onder zich wierpen van het helder

£»((€^•gt;6 poort uitgegaan, daalden zij naar do beek Kedron af, beneden in ^HuJT het smalle dal, dat Jeruzalem van den 011,1 fberg scheidde.

Onderweg sprak Jezus wederom van zijn duod. Hoe dikwijls Hij

ocr page 646

GETHSEMANE.

1

Él

643

sterrenlicht. Geen geluid werd hier gehoord; zells de bladeren ritselden niet; ook de nachtwind was reeds gaan slapen. „Hier gaan wij den nacht doorbrengen, op den grond, zooals wij meermalen gedaan hebben,quot; dachten de discipelen. En zij bedrogen zich niet. „Legt u hier neder,quot; zeide Jezus tot hen; „ik ga bidden, daar dieper in den hof.quot; Zij waren dat gewoon, dat Jezus soms zijn nachten doorbracht met bidden. Eu de mannen leiden zich neder, gewillig, en gaarne bereid om te slapen. Het was reeds ver na middernacht.

Alleen Petrus, Johannes en Jakobus deden het niet. Jezus wilde, dat zij met Hem gingen, dieper in den hof; en hoe vermoeid zij ook waren, niet gaarne zouden zij het verzoek van hun meester geweigerd hebben. Daar, verder achter in den olijvenhof, daar hield Jezus stand; en zijn drie meest geliefde discipelen aansprekende, zeide Hij hun: „Mijn ziel is bedroefd tot den dood toe; o! bidt, bidt voor uzelf en voor mij!quot; Zelf ging Jezus verder, zijn drie discipelen daar achterlatende, die gehoorzaam en gewillig deden wat Jezus verlangde, en die voor Hem gingen bidden; want zij hadden gezien, dat Hij in groote ontroering was.

Toen Jezus alleen was, zoover van zijn drie vrienden gescheiden, als men met een steen werpen kon, hief Hij zijn handen naar den hemel om te bidden. Maar een angst kwam over Hem, als de angst van iemand, die weet, dat nu de ure van zijn dood is aangebroken. Hij kon niet staande blijven op zijn voeten; Hij viel neer op zijn knieön, met het aangezicht ter aarde; zijn gevouwen handen strekte Hij voor zich uit; en deze angstkreet kwam Hem van de lippen: „Mijn Vader! indien hel mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan!quot;

Die Heer gruwde voor den dood van do hand der zondige menschen-kinderen en wenschte, dat het anders kon. Kon Hij sterven door de hand van God, dat ware Hem goed; maar dat Hij, zooals Hij wist, moest sterven dooide hand van zondaren, van boosdoeners. Hij gruwde er van. Do menschen-wereld redden door zijn dood; voor de menschenwereld verzoeningen vergiffenis verwerven, door als een offer in hun plaats te sterven; Hij wilde het wel; maar dat goddeloozen Hem den dood moesten aandoen. Hij gruwde er van. O! kon het anders! „Laat mij in de hand van God vallen, en laat mij niet in

frislliS It'

■

m

11 ■

liil

ii

m

li ui

ocr page 647

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de handen van de mensehen vallen!quot; Altijd door klonk de angstkreet binnen in zijn ziel: „Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van mij voorbijgaan!quot;

En Hij worstelde met God, in dat stof; en zijn tranen, uit brandende oogen geperst, mengden zich met dat stof; en zijn gansche lichaam was met zweet bedekt; en bloed waren die zweetdruppels! Totdat in dien strijd een oogenblik van ontspanning kwam en Hij zich nog dieper boog, en stamelde, als een, die zichzelven wel overwinnen wilde: „Maar Vader! niet gelijk ik wil, maar gelijk Gij wilt!quot;

Doch straks kwam die angst dadelijk weer, altijd weer! En niet wetende, wat Hij doen moest, stond Hij op, en ging Hij naar de drie discipelen, waar Hij hen gelaten had. „Mot hen zal ik spreken, met hen samen zal ik bidden,quot; dacht Hij; „zij kunnen mij sterken!quot; Maar ach! slapende vond Hij die mannen! Eén woord uit hun mond, een woord als dit: „Heere! erbarm u over onze zonden, en geef u gewillig als een offer voor ons!quot; zou een noodkreet der arme zondaarswereld zijn geweest tot zijn liefdevolle Heilandsziel; en die kreet zon voldoende geweest zijn om Hem te sterken, en Hem te doen zeggen: „Het is goed! ik hoor u! ik zal het doen, wat het mij ook koste!quot; Maar de zondige menschenwereld sliep, sliep, als gaf zij er niet om, dat iemand haar kwam verlossen. Wee! dat maakte zijn strijd wTeer zwaarder; dat was de teleurstelling als de teleurstelling dergenen, wier offer niet gewaardeerd wordt! En Hij raakte de slapende mannen aan; en het was in die teleurstelling, dat Hij heengebogen over de mannen, die zich den slaap uit de oogen wreven, zeide: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken? En laat gij mij zoo alleen in mijn strijd? Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar liet vleesch is zwak!quot; Die mannen richtten zich op, als beschaamd, en begonnen weder te bidden; gewillig, maar als die liever weer hadden geslapen.

Straks was Jezus weer alleen, teruggekeerd naar zijn eenzame plek; straks bad Hij weer, zijn oude vraag; straks kwam Hij weer bij zijn weer slapende discipelen; twee malen, drie malen; — zóó ging die nacht voorbij in langzame vreeselijke uren.

Maar toen Hij ten laatste opstond van de aarde, als een, die uitgebeden

044

ocr page 648

DE GEVANGENN EM 1NCI.

en uitgestreden had, toen was er nog maar één klank over in zijn ziel; „Niet mijn wil, Vader! maar uw wil geschiede!quot; Die Heer was beslist, en wilde wel lijden, zooals Hij altijd gewild had. Dg zondaars mochten komen, en Hem nemen; Hij wilde den ganschen beker des lijdens drinken tot den bodem toe. Nimmer was iemand meer beslist om zich ten doode te geven, dan Hij, in dien oogenblik, die dood mocht komen in welken vorm ook.

En toen Hij voor de derde maal bij de slapende discipelen weerkeerde, en zij door zijn naderkomen wakker werden, toen zagen bun verbaasde oogen geen strijd moer op dat aangezicht, maar den vasten wil als van een, die reeds gewijd is, en als van een, die reeds overwonnen bad. Hij had de hulp van hun gebed niet meer noodig; Hij gunde hun de korte oogenblikken van slaap nu, die de nacht hun nog kon schenken. „Slaapt maar, en rust nog maar!quot; sprak Hij vriendelijk. Maar plotseling, door iets, dat Hij ginds verder in den hof' zag, van gedachten veranderd, sprak Hij: „Neen, staat op! Ziet! de ure is nabijgekomen, en de Zoon dos menschon wordt overgeleverd in de handen der zondaren. Staat op! laat ons gaan; ziet! hij is nabij, die mij verraadt!quot;

Wat Jezus daar verder in don hof gezien had, en wat de drie mannen nu ook zagen, was het licht van fakkels, van fakkels, die zich voortbewogen tusschen de olijvenboschjes, naar hier, naar de plaats waar Jezus was. Straks hoorden zij voetstappen, en het geluid van zwaarden, en het gefluister van stemmen; en daar zagen zij op hen toetreden een bende, met zwaarden en stokken gewapend. Dat was Judas.

DE GEVANGENNEMING.

,udas was na het verlaten van do opperzaal aanstonds naar de ^ overpriesters gegaan. „Nu is het de tijd!quot; had bij daar gezegd; „geeft mij een bende!quot; En zij haddon hom een bende gegeven; en hierheen, naar Gethsémané, waar hij wist, dat hij Jezus wel vinden zou, was hij gekomen. „Maar wie is het, dien wij grijpen moeten?quot; hadden

645

ocr page 649

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

onderweg die gewapende dienaars hem nog gevraagd; „want heeft Jezus niet altijd discipelen bij zich? Wij zouden den verkeerde kunnen grijpen!quot; En hij had met hen afgesproken, dat hij Jezus een kus zou geven, zooals hij als discipel altijd had gedaan, als hij Hem groette; zij konden dan zeker zijn, wien van de mannen zij moesten grijpen; en die mannen vonden, üat dat een zeker teeken was. Zoo was Judas hier gekomen, even beslist in zijn boosheid als Jezus beslist was in zijn vrijwilligheid om te sterven.

Hij trad op Jezus toe, met de gewone woorden: „Wees gegroet. Rabbi!quot; en hij omhelsde Hein, en kuste Hem. Zoo had hij Hem altijd gegroet. „Judas! verraadt gij den Messias met een kus?quot; vroeg Jezus; en groote oogen vol medelijden zagen hem aan, als vroegen die oogen; „Zoudt gij niet nu op dit oogenblik nog berouw krijgen, en behouden worden? Moet gij dan verloren gaan. Judas?quot;

De gewapende mannen wisten nu, door dat teeken, wien zij grijpen moesten; maar zij hadden den moed niet; bij het licht hunner fakkels hadden zij het gelaat van Jezus gezien; dat was geen man om gevangen te nemen; dat was niet het gelaat eens boosdoeners. „Hier ben ik, neemt mij,quot; sprak Jezus; „ik ben het, dien gij zoekt; maar laat dezen heengaan!quot; En bij dit laatste woord wees Jezus op zijn discipelen. Toen traden de mannen vooruit, al weken zij eerst weer terug, en zij leiden de handen aan Jezus.

Maar plotseling plaatste zich een discipel voor Jezus, met een wToesten schreeuw; een zwaard flikkerde bij den glans der fakkels, en kletterend viel dat zwaard op den helm neer van een der dienaars, van Malchus. De slag schampte af, op den helm, en het zwaard kwam langs het hoofd op de schouderplaat neer van Malchus; alleen het oor was afgehouwen. Petrus was die man, die voor Jezus zich geplaatst had. Een nog woester schreeuw brulde Petrus; en weer was zijn zwaard hoog in de lucht; dat zou een doode zijn op wien die slag neerkwam! Maar reeds had Jezus de hand op zijn arm gelegd. „Steek uw zwaard in de scheede. Petrus!quot; sprak Hij, en zijn woord was met een macht, als toen Hij eens in den nacht den storm liet liggen; „die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan. Of meent gij, dat ik mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal mij meer dan twaalf legioenen engelenjjijzetten ? Hoe zouden

G46

ocr page 650

HKT VERRAAD VAN JUDAS.

ocr page 651
ocr page 652

VOOR DEN HOOGEPRIESTER.

anders de Scliriftën vervuld worden, die zeggen, dat het alzoo moet geschieden?quot; Zich naar den grond buigende, raapte Jezus liet afgehouwen oor op; naar zijn plaats aan het hoofd van Malchus bracht Hij het terug; en Hij heelde het, een wonder der genezing doende aan hem, die Hem gevangen kwam nemen.

Als was die arm van Petrus verlamd, zoo hing hij neer; en als had hij zelf van een der dienaars een zwaardslag gehad, zoo trad hij wankelend terug. Ook andere discipelen, die Jezus hadden willen verdedigen, traden terug. Zij ergerden zich aan Hem, dat Hij zoo gewillig zich ging overgeven; zij zouden het niet gedaan hebben; Jakobus en Johannes zouden liever den bliksem van den hemel hebben laten afdalen, op het hoofd dier ellendelingen. Zij ergerden zich; want zij zagen, dat Jezus aan zijn vijanden de handen toestrekte; zij zagen, hoe zij Hem de handen begonnen te binden, op den rug begonnen te binden; zij ergerden zich, zij traden eenige schreden terug, in de duisternis buiten het licht dei-fakkels; en in die ergernis vloden zij als mannen, die bitter dachten: „Wij kunnen er niets aan doen! Hij wil het zelf! Het is zijn eigen schuld!quot;

En Jezus, — Hij werd door Judas als een gevangene weggeleid, den hof uit, de Kedron over, de poort van Jeruzalem binnen, naar de overpriesters. In Jezus' ziel was maar één klank meer: „Ik wil het, o Vader! zooals Gij het ook wilt!quot;

--------o-2§gt;lt;É£-O --

649

VOOR DEN HOOGEPRIESTER.

Aanstonds werden boden in de stad rondgezonden naar de andere priesters en rabbi's, om samen te komen in het huis van Kajafas; daar zou de vergadering gehouden worden. En in korten tijd waren de leden van den

ocr page 653

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Joodschen Raad bijeen, vol vreugde over de verrassende tijding, die hen, althans sommigen hunner, uit den slaap hierheen had gebracht. Ook Jezus werd gebonden overgebracht van Annas' huis naar de zaal in Kajafas' woning.

Als een misdadiger werd Hij binnengeleid; en voor zich zag Hij in een breeden kring de zeventig leden van den raad, met Kajafas op zijn hoogen zetel in het midden; daar stond Hij als een lam, onder de wolven. Deftig en eerwaardig hielden zich die mannen, als die hier niet wilden laten blijken, hoe blijde zij waren; uit de hoogte zagen zij op Jezus neer, als die hier niet wilden laten blijken, dat zij Hem ooit vroeger hadden gezien; maar niet lang konden zij deze houding aannemen.

Het ondervragen begon. Kajafas deed de vragen; hij vroeg Jezus naar zijn leer, en naar de discipelen, die Hij had. „Ik zal het kort en gemakkelijk laten uitkomen,quot; dacht Kajafas, „dat zijn groote misdaad deze is, dat Hij den godsdienst der vaderen veracht, en met een nieuwe leer is opgetreden. Hij zal dat hier zelf zeggen, en dan kan iedereen hooren dat Hij een verachter van God is; en dat zal ieder genoeg zijn om Hem ter dood te kunnen veroordeelen.quot; Daarom dat hij Jezus vroeg naar zijn leer.

Zonder schroom antwoordde Jezus; „Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de synagogen en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen te zamen komen; maar in het verborgen heb ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij mij? Ondervraag diegenen, die het gehoord hebben; zie zij weten wat ik gezegd heb.quot;

Verlegen stond voor een oogenblik door dit antwoord de hoogepriester; hij voelde, dat Jezus begreep, dat hij vroeg naar wat hem welbekend was; hij voelde ook, dat Jezus hem te kennen gaf, dat in een rechtsgeding geen zaak zonder getuigen mocht behandeld worden. Maar een der dienaren redde Kajafas uit de verlegenheid; dat was de dienaar, die achter Jezus als bewaker stond. „Antwoordt gij alzoo den hoogepriester?quot; schreeuwde de dienaar; en tegelijk sloeg hij Jezus met een hevigen slag op het gelaat; hij deed het om den hoogepriester te toonen, welk een goed dienaar hij van hem was, Daar was niemand onder die rechters, die het hem verbood, hoewel allen wisten, dat een beschuldigde niet mocht geslagen worden. Zachtmoedig sprak Jezus tegen

050

ocr page 654
ocr page 655
ocr page 656

VOOR DEN HOOGEPRIESTER.

dien man: „Indien ik verkeerd gesproken heb, overtuig mij dan van het verkeerde; maar indien ik goed gesproken heb, waarom slaat gij mij dan?quot; Nimmer zag die man oogen, die hem aanzagen met meer vergevensgezindheid dan deze oogen van Jezus,

„Wij moeten getuigen hebben, die wij tegen Jezus kunnen laten optreden,quot; fluisterde Kajafas aan een der andere leden toe; want hij had gevoeld, wat Jezus hem had gezegd. En Aveldra werden er getuigen van buiten gezocht en gehaald; daar waren er nog meer zooals die dienaar, die gaarne in gunst stonden bij de overpriesters; en zij kwamen. Maar alles, wat zij tegen Jezus inbrachten, was zoo verward, en streed zoo tegen elkander, dat zelfs de raadsleden voelden, dat op grond van hun getuigenis Jezus niet kon veroordeeld worden.

Alleen op het laatst kwamen er twee getuigen, die beiden bijna hetzelfde zeiden. „Wij hebben Hem hooren zeggen,quot; zoo spraken zij: „ik zal dezen tempel die met handen gemaakt is, afbreken; en in drie dagen een anderen tempel, zonder handen gemaakt, opbouwen!quot; Zij wilden er mede zeggen, dat Jezus eens in een zijner redevoeringen verachtelijk van den heiligen tempel had gesproken; en dat Hij dus hun heiligen godsdienst gesmaad had. „Antwoordt gij niets,quot; vroeg Kajafas scherp; „wat getuigen deze tegen u?quot; Maar hier gaf Jezus geen antwoord op. Hij had die woorden nooit zoo gezegd. Zeer wel wist Hij, dat Hij eens gezegd had met woorden, die bijna evenzoo klonken, dat als men zijn lichaam doodde, zijn lichaam in drie dagen weer levend zou worden. Maar zóó was die beschuldiging valsch; waarom zou Hij antwoorden?

Daar was veel tijd verstreken onder het spreken der getuigen, en men was niets verder gekomen. Duurde het den hoogepriester niet te lang, die toch, op welke wijze ook, reeds tot den dood van Jezus besloten was? „Zwijgt stil, gij getuigen,quot; riep hij ongeduldig uit, „ik zal Hem vragen.quot; En tot Jezus zich wendende, vroeg hij zoo welberekend de vraag, op welks antwoord hij wist dat hij niet tevergeefs zou rekenen: „Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt, of gij de Christus zijt, de Zoon van God?quot; — „Dat ben ik!quot; sprak Jezus zonder dralen; en Hij zeide het als een, die blijde was, en die nimmer iets anders zou willen wezen, al wist Hij dat dit antwoord Hem het leven ging kosten; en met een majesteit als van God zeiven voegde Hij er

653

ocr page 657

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

aan tue: „Tk zeg ulieden, van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand Gods, en komende op de wolken des hemels!quot;

Zooals een huichelaar doet, die zich verontwaardigd aanstelt, en die zich bedroefd aanstelt tegelijk, over do boosheid der menschen, zoo deed Kajafas. Met een droevig gebaar greep hij zijn kleed aan voor op de borst, en scheurde hij het uiteen; en verontwaardigd riep iiij uit: „Hij heelt God gelasterd! Hoort gij allen het? Hij noemt zich Gods Zoon!quot; Maar niet lang zijn huichelarij kunnende voortzetten, klonk het bijna als ingehouden blijdschap, toen hij er bij riep: „Wat hebben wij nu nog getuigen van noode? Gij hebt allen zijn godslastering gehoord. Wat dunkt ulieden?quot;

En uit den mond der vele rechters klonk het oordeel eenparig onmiddellijk: „Hij is des doods schuldig; Hij is des doods schuldig!quot; terwijl zij opstonden, vol verachting, niet eens meer dien Jezus aanziende, voor wien zij zoo dikwijls hadden geheeld.

Straks werd Jezus weggeleid, naar buiten; door de dienaars, die Hem omringden, die Hem sloegen, mishandelden, bespotten! Maar Hij ging als een, die zelf zijn weg had gekozen, sterk als een gehoorzame aan God.

-o-^lt;s£-o---

DE VERLOOCHENING.

t_,)erwijl hot verhoor in do zaal plaats vond, stond een van Jezus' discipelen op de binnenplaats van Kajafas' huis. Die zaal kwam lit op de binnenplaats, en kon als één met die binnenplaats gerekend 'C' worden; slechts een rij zuilen scheidde haar daarvan; men kon daar alles zien en hooren wat in de zaal geschiedde, evenals omgekeerd. Op dat plein waren do dienaars samen van Kajafas, met soldaten, een ruwe bende. Dienstmaagden van den hoogepriester liepen tusschen hen door, met spijs en drank; dat had hij beschikt. En omdat hot daar koud was, zonder dak boven hun hoold, in den nacht, hadden die mannen een vuur gemaakt; daar stonden, of zaten, of lagen zij om heen. Do discipel van Jezus, die bij hen stond, was Petrus._,)erwijl hot verhoor in do zaal plaats vond, stond een van Jezus' discipelen op de binnenplaats van Kajafas' huis. Die zaal kwam lit op de binnenplaats, en kon als één met die binnenplaats gerekend 'C' worden; slechts een rij zuilen scheidde haar daarvan; men kon daar alles zien en hooren wat in de zaal geschiedde, evenals omgekeerd. Op dat plein waren do dienaars samen van Kajafas, met soldaten, een ruwe bende. Dienstmaagden van den hoogepriester liepen tusschen hen door, met spijs en drank; dat had hij beschikt. En omdat hot daar koud was, zonder dak boven hun hoold, in den nacht, hadden die mannen een vuur gemaakt; daar stonden, of zaten, of lagen zij om heen. Do discipel van Jezus, die bij hen stond, was Petrus.

654

ocr page 658

DE VERLOOCHENING.

Hoe was hij hier gekomen ?

Hij had na zijn vlucht uit G-ethsemane, in de bitterheid van zijn ergernis over Jezus, voor een oogenblik gedacht, evenals de anderen: „Laat Hem! Het is zijn eigen schuld, dat Hij gevangen genomen is!quot; Maar hij had niet lang zoo kunnen oordeelen over zijn Heer, dien hij liethad, zooals hij nooit iemand had liefgehad; zijn ziel kon zonder zijn Heer niet meer zijn; de wereld was plotseling ledig geworden voor zijn voelen; hij stond eenzaam. „Waar is mijn Heer?quot; had zijn hart gevraagd. En hij was besloten het te weten. De donkere straten was hij door gegaan, naar des hoogepriesters huis. Hier moest zijn meester zijn! Hij had buiten do poort het rumoer van soldaten gehoord, op de binnenplaats. Zou hij binnengaan? Hij wilde wel. Maar als zij hem daar herkenden? En als hij dan, als discipel, ook gevangen genomen werd, en sterven moest? Eén oogenblik had hij gedraald; maar de liefde was sterker dan do vrees; hij moest, hij moest binnen, en weten, wat zij met zijn Heer gingen doen! En zoo was hij gekomen, en stond hij bij het vuur tusschen de anderen in, altijd ziende, als hij het onopgemerkt kon doen, naar de zaal, waar de rechters zaten, en waar zijn Meester was.

Spotten deden zij, die soldaten, die daar bij hem stonden, spotten met Jezus; evenals de dienstmaagden, die telkens daar bij kwamen, met spijze of drank. Maar Petrus hoorde hen nauwelijks; zijn gedachten waren bij zijn meester. Tot hij plotseling opschrikte, daar een dienstmaagd, die hem aanzag, en nog eens aanzag, hem herkende, en uitriep, terwijl zij naar hem wees: „Hij is ook een van zijn discipelen!quot; Al de soldaten zagen hem aan. „Ik ken Hem niet eens; hoe zegt gij zoo iets?quot; was het antwoord, dat iiij gaf voor hij het wist. Dat was de schrik, die hem deed liegen; de schrik waar de vrees op volgde, de vrees, die in één oogenblik zijn hart vol maakte, zoo vol, dat er voor iets anders geen plaats meer was. Hij zou wel met één sprong hebben weg gewild, van het vuur naar de poort; maar hij durfde niet; zij zagen zoo naar hem; en bibberend van iets anders dan van de-koude, strekte hij zijn handen naar het vuur.

Maar weer kwan een dienstmaagd, en weer wees ook deze hem aan, met den roep: „Dat is ook een van die Jezus volgden!quot; Wee! nu was hij

655

ocr page 659

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

verloren! En harder dan daarstraks deed de angst hem weer liegen: ,,Ik ken Hern niet, ik ken Hem niet! Ik ben geen volger van Hem!quot;

Ook met hem begonnen zij reeds te spotten, de lachende soldaten; en weldra schaarden zij zich om hem heen; en van dezen klonk het hem toe: „Gij zijt wel een discipel!quot; en van een ander klonk liet hem toe: „Heb ik n niet in den hof met Hem gezien?quot; en van nog anderen klonk het hem toe: „Aan uw taal kunnen wij hooren, dat gij ook uit Galilea zijt!quot; En wat Petrus deed, was dit: in zijn angst schreeuwde hij boven hen uit, dat het niet waar was, dat hij nooit Jezus had gekend; en hij vloekte daarbij, hij vloekte eenmaal, twee malen, telkens door, zooals hij, de ruwe visscher, vroeger nooit op het meer van Genezareth had gevloekt, toen hij den Christus nog niet kende!

En nog wilde hij meer zeggen, toen plotseling tusschen al het rumoer uit het gekraai van een haan werd gehoord, en Petrus verstomde. „Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenen!quot; had Jezus hem den vorigen avond gezegd. Zooals in den nacht de bliksem schiet langs den hemel, zoo viel dat woord in zijn hart, en verlichtte het plotseling al de duisternis van zijn zonde. Hij zag up, snel, naar waar Jezus stond. Die Heer had zijn hoofd omgewend, en — zag hem aan. Hij kon het niet dragen, die oogen van zijn Heer niet verdragen. En met één sprong was hij weg, tusschen de mannen door, naar de poort, naar buiten.

Daar buiten de poort van des hoogepriesters huis viel hij neer, de groote forsche man; met het gelaat lag hij in het stof. En hij weende; hij weende: „Wee mij! ik heb mijn Heer verloochend!quot;

-o-Zamp;Qr0--

VOOR DEN LANDVOOGD.

joen de- Joodsche raad Jezus ter dood veroordeeld had, hadden zij wel gaarne gewild, dat zij nu ook aanstonds Hem maar hadden mogen dooden. Maar zij hadden de macht niet om het te doen; als de Joden een vrij volk geweest waren, en als de Romeinen niet do heerschers

G56

ocr page 660

geweest waren in hun land, clan zou de Joodsche Raad de hoogste macht in het land geweest zijn, en dan zouden zij Jezus ook aanstonds hebben kunnen ter dood laten brengen. Nu moesten zij het eerst vragen aan don Romeinschen landvoogd, en van hem de toestemming daartoe verzoeken. Pilatus was die landvoogd. Daarom dat de overpriesters zich met Jezus, die gebonden was, naar het paleis van den landvoogd begaven.

Hot was nog zeer vroeg in den morgen; de zon was eerst juist opgegaan. En vreemd zag Pilatus daarom op, dat reeds zoo vroeg do aanzienlijke mannen van den raad voor zijn huis op straat stonden, met een gevangene. Ook vele menschen uit do stad, die medegeloopen waren in nieuwsgierigheid of belangstelling, vulden het plein; daar was veel opwinding onder de schare.

Do gebonden Jezus werd de trappen van het paleis opgebracht, tot waar

Pilatus stond; maar de overpriesters bleven buiten op het plein staan; zij

gingen het paleis niet binnen; een heiden was Pilatus; en op dien dag vooral,

den dag van het Pascha, zouden zij het een groote zonde geacht hebben een

42

ocr page 661

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

voer in het huis van een heiden te zetten; want zij waren vrome mannen, de leden van den raad. „Hier is een man,quot; zoo schreeuwden zij, „dien wij tot u gebracht hebben, o landvoogd! omdat hij een oproermaker is! Laat hem ter dood brengen! Want hij heeft het volk tot opstand aangezet; hij heeft do menschen aangespoord om geen schatting aan den Romeinschen keizer te betalen; en hij heeft zich koning willen maken! Wij willen geen opstand, maar vrede! Laat hem ter dood brengen, lieer!quot;

Verbaasd zag Pilatus-op, toen hij dit hoorde. „Zijt gij een koning?quot; vroeg hij Jezus verwonderd. „Een koning ben ik,quot; antwoordde Jezus hem; „maar mijn koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat ik in handen dier Joden niet gevallen zon zijn; maar mijn koninkrijk is niet van deze wereld.quot; Nog meer sprak Pilatus met Jezus; en al wat hij uit zijn mond vernam was zoo vreemd voor hem, zoo groot, en zoo heilig, als hij nooit had gehoord. „Deze man kan geen boosdoener zijn,quot; dacht hij, „een boosdoener is anders;quot; en hij begon belang in Jezus te stellen, zooals hij anders voor gevangenen niet had; want hij was een onverschillig man, en een wreed man, die landvoogd, zooals de Joden wel wisten. „Ik zal hem zeker niet laten dooden,quot; dacht hij; en overluid riep hij het den overpriesters toe: .,lk heb met hem gesproken, maar ik vind geen schuld in hem!quot;

Maar het was een geweldig rumoer, waarmede de overpriesters hem antwoordden: „Hij is wel schuldig! Hij heeft oproer gepredikt van Galilea af tot hier, overal waar hij gekomen is!quot;

Op het gezicht van de opgewondenheid der schare daar vóór hem, kwam het slechte gevoel van onverschilligheid weer boven bij Pilatus. „Waarvoor zal ik mij toch moeite maken voor dien gevangene?quot; dacht hij, „moet ik om zijnentwil mij die menschen nog meer tot vijanden maken, dan zij reeds zijn?quot; En hij weifelde wat hij doen moest. Welkom was het hem daarom, dat hij hoorde, dat Jezus uit Galilea was. Was Jezus uit Galilea afkomstig, dan behoefde hij geen recht over Hem te spreken; dat moest dan de koning van Galilea doen. Herodes Antipas; en die koning was juist in de stad. Blijde was Pilatus dezen uitweg gevonden te hebben. En zonder dralen zond hij Jezus door soldaten begeleid naar Herodes, mot iemand die alles aan Herodes uitlegde.

658

ocr page 662

VOOR DEN LANDVOOGD.

Vreemd zag Herodes op. „Zoo vriendelijk is Pilatus nimmer voor mij geweest, dat hij zoo zuiver mijn rechten erkent; die Romein is beter dan ik meende!quot; dacht Herodes; want heiden hadden altijd twisten met elkander gehad, en waren vijanden; hij wist ook niet, dat Pilatus het niet zou gedaan hebben, als hij niet van Jezus ontsiagen had willen zijn.

De koning liet Jezus voor zich komen. Blijde was Herodes om Hem te zien.

Was dat die profeet, van wien hij zooveel had gehoord, en voor wien hij zoo

$

dikwijls had gebeefd, bij de gedachte, dat Hij de weer levend geworden Johannes de Dooper was? Nu vreesde hij Hem niet meer; want gebonden stond Jezus voor hem. „Doe eens een wonder hier voor mijn oogen!quot; zoo vroeg Herodes; „ik heb van uw vele wonderen gehoord.quot; En in zijn hart dacht hij, dat hij dien morgen goed genoeg zou zijn om Jezus vrij te spreken en los te laten; hij was in goede luim.

Maar Jezus gaf hem geen antwoord.

Meer dingen vroeg Herodes Hem, maar Jezus gaf hem geen antwoord.

Toen verachtte de koning Hem; en in zijn verachting ging hij Hem bespotten. Hij had in Rome gezien, hoe de menschen, die naar hooge eero-ambten dongen, daar in een wit kleed liepen. „Trekt Jezus ook een wit kleed aan!quot; riep hij lachend; „want hij heeft ook naar een hoog eereambt gedongen; hij wilde immers koning worden!quot; En al de hovelingen juichten den koning toe, die zoo iets geestigs bedacht had; zij deden het ook aanstonds, en lachten om den Heer in het witte kleed. „En brengt hem zoo terug bij den landvoogd!quot; beval de koning; „die Romein zal het ook begrijpen, waarom ik hem dat witte kleed heb omgehangen!quot;

Zoo werd Jezus bij Pilatus teruggebracht, die den spot zeer wel begreep, maar er niet om lachte; want hij wilde, dat Herodes Jezus gehouden had, en zelf recht gesproken had.

Wat moest hij nu doen, Pilatus?

Zooals zelden in zijn leven, gevoelde hij iets voor dezen gevangene; hoe meer hij Hem aanzag, hoe meer hij voelde: „Deze man is beter dan ik ben; ook is hij beter dan alle menschen, die ik gezien heb. Ik moet hem vrij laten.quot;

659

ocr page 663

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

En hij beproefde het ook weer, tegenover de priesters, daar vóór hem op het plein. „Deze mensch hoeft niets onbehoorlijks gedaan,quot; riep hij nit; „ook Herodes heeft niet gevonden, dat iiij des doods schuldig is; ik zal hem vrijspreken!quot;

Maar dat waren bijna kreten van woede, waarmede de schare hem antwoordde: ..Neen, hij moet sterven!quot; Ook de andere menschen op het plein waren door de priesters opgehitst. Duidelijk zag de landvoogd, dat die beschuldigers fel besloten waren om hun wensch door te drijven. Wat moest hij doen, Pilatus?

Daar viel hem een list in. Hij was gewoon op het Paaschfeest altijd een. der gevangen misdadigers los te laten en de vrijheid te hergeven; dat had hij elk jaar gedaan als een soort gunst, die hij den Joden wilde bewijzen. Van die gewoonte wilde hij nu gebruik maken. „Gij weet,quot; riep hij, „dat ik alle jaren gewoon ben een uwer gevangenen vrij te laten ; welnu, dat zal ik ook heden doen; en dien ik vrijlaat, dat is Jezus!quot; — „Neen!quot; antwoordden depriesters, „wij mogen kiezen, welke van de gevangenen zal vrijgelaten worden; wij mogen kiezen; laat Barabhas los!quot; Deze Barabbas was iemand, die eenigen tijd van te voren wegens een moord in de gevangenis geplaatst was. Al het volk schreeuwde de priesters na: „Laat Barabbas los!quot; Dat speet Pilatus meer dan hij zeggen kon.

Het was op dit oogenblik, dat iemand uit het huis van den landvoogd hem heimelijk een boodschap bracht: „Uw vrouw laat u zeggen, dat zij daarjuist wakker is geworden uit zware droomen. Zij droomde, dat gij een onschuldige veroordeeld hadt, en dat daardoor groote rampen over u gekomen waren, over u en over haar; het waren vreeselijke droomen-, en nu laat zij u zeggen: heb niets te doen met dezen onschuldige, en laat hem vrij! Zij smeekt het u!quot;

Bijgeloovige benauwdheid kwam over den landvoogd. Tot de Joden wendde hij zich; en het was met een zekeren angst, dat hij hun toeriep: „Maar wat wilt gij dan toch, dat ik met Jezus moet doen? Hij heeft geen kwaad gedaan!quot;

„Laat hem gekruisigd worden!quot; was de kreet die losbarstte; want de priesters hadden weer de schare aangehitst; „laat hem gektuisigd woiden!

Zij hielden niet op te roepen.

Nog eenmaal beproefde Pilatus het. „Ik zal het niet doen!quot; riep hij. Maar

060

ocr page 664

VOOR DEN LANDVOOGD.

toen was or eon stem van uit de priesters, die luide hem toeriep: „Als gij hem loslaat, wat zal de keizer dan zeggen ? Zal de keizer, uw heer, dan niet zeggen, dat gij de oproermakers laat leven, en dat gijzelt met de oproermakers gemeene zaak maakt? Wij zullen het hem melden! En gij zult des keizers gunst verliezen; en geen landvoogd zult gij meer zijn!quot; „Alles liever dan dat!quot; dacht Pilatus; en er was geen oogenblik meer toe noodig om hem tot een besluit te brengen. „Het zij zoo!quot; riep hij uit; „ik geef toe; maar op u kome de schuld!quot; En een bekken met water liet hij komen; voor aller oogen waschte hij zijn handen. „Ik wasch mijn handen in onschuld!quot; riep hij; „gijlieden moogt toezien!quot; — „Het is goed!quot; schreeuwden zij allen; „zijn bloed kome over ons en onze kinderen!quot;

En Pilatus ging heen, aan een zijner dienaren den last gevende, om Jezus te laten kruisigen.

Van voor de oogen des volks werd Jezus weggevoerd naar do binnenplaats, waar de soldaten waren.

Naar Romeinsch gebruik werd een, die tot don kruisdood veroordeeld was, eerst gegeeseld; en de soldaten wisten, dat zij het Jezus mochten doen, dat zij alles met hem mochten doen wat zij wilden. Lachende ontvingen zij Hem. Ruw grepen zij Hem aan, en trokken zij Hem de kleederen van het lichaam. Met de handen werd Jezus aan een lagen paal vastgebonden, zoodat Hij in gebogen houding stond. En toen vielen op den ontblooten rug de geeselslagen neer van de geesels door sterke armen gezwaaid. Elke slag was vijf zes striemen; en elke striem was eeu lange wonde in de opengereten huid. Bloed stroomde er, bloed langs den rug; en bloed kleefde er aan de geesels der lachende soldaten. Dat Jezus niet bezweek! En dat Hij zoo sterk was! Want daar kwam geen klaagtoon van zijn lippen! Nimmer zagen die ruwe soldaten sterker man!

Toen de geeseling geschied was, moesten aan Jezus zijn kleederen weer aangedaan worden. „Zijn dat kleeren,quot; riep spottend een der mannen, „zijn dat kleeren, die aan een koning passen?quot; — „Wij zullen hem beter op een koning laten gelijken!quot; riep een ander; en hij ging heen naar de plaats, waar de

6(51

ocr page 665

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

soldaten hun kleeren hingen; en hij zocht daar een mantel uit, die een purperen kleur had; dat was de kleur, die de koningen en keizers droegen. „Ziet hier,quot; riep hij vroolijk, „dezen mantel moet hij om hebben; is hij nu niet werkelijk een koning?quot; Lachen, deden al de soldaten, om den inval. „Maar dan moet daar een kroon bij!quot; riep een ander; en hij wist, hoe hij hem een kroon zou verschaffen. Met zijn zwaard sloeg hij takken af van een boom, die daar op de binnenplaats stond; dat was een doornenboom; die takken strengelde hij ineen tot een doornenkrans; en ruw dien doornenkrans Jezus op het hoofd drukkende, riep hij: „Is dat geen kroon? Nu is hij nog veel meer een koning!quot; En luide oogstte hij bijval der spottende mannen; dat elke doorn van die kroon een wond maakte aan het edel hoofd, en dat uit elke wond bloed droop aan het voorhoofd en over de haren, en over de oogen, en over gansch het gelaat, dat deerde dien mannen niet. „Daar, houd vast!quot; riep er nog een; en hij gaf Jezus een riet in de handen; „dat is uw schepter, koning! Nu ontbreekt hem niets meer!quot; Buigende vielen de soldaten op hun knieën, zooals aan het hof de hovelingen knielen voor hun heer; en schaterende bewezen zij Jezus eer, onder duizend woorden van spot.

Van Jezus' lippen kwam geen klacht; en voor wie nog een hart had, en het aanzag, was het, om medelijden mede te hebben. Pilatus, Pilatus zag het ook aan. En alsof hem een gedachte inviel, riep hij plotseling: „Houdt op, en brengt hem hier! Wellicht,quot; zoo dacht hij eensklaps, „als ik dezen Jezus alzoo aan het volk vertoon, dat zij bewogen zullen worden, en niet langer op zijn dood zullen aandringen; hij is onschuldig; nog deze ééne poging moet ik wagen!quot; Gehoorzaam brachten de soldaten Jezus bij Pilatus; en deze, - hij nam Hem met zich, bracht Hem naar voren, naar den voorkant van het paleis, waar al de menschen stonden op het plein. En Jezus toonende, zoo dat allen Hem konden zien, riep hij uit; „Ziet den mensch!quot;

En allen zagen het bloedende hoofd onder de doornenkroon, en de gestalte in den spotmantel, met het riet in de hand.

Daar was één oogenblik van stilte, als van overweldigd gevoel. Maar waar Pilatus mede gerekend had, dat namelijk dit deerniswaardige schouwspel iiet volk tot andere gedachten ten gunste van Jezus zou stemmen, — dat kwam

0)62

ocr page 666

DE KRUISIGING.

plotseling gansch anders. Nog luider en woester dan zij reeds gedaan hadden, schreeuwden de priesters en het volk: „Kruis liem, kruis hem!quot; En ook deze laatste poging van Pilatus, — zij faalde. Hij trok zich terug in zijn paleis; met het.bittere gevoel, dat hij had moeten toegeven aan den wil van priesters, die hij anders verachtte, en die hij nu meer dan ooit haatte, en tegelijk met het bijgeloovig, maar ditmaal ware gevoel, dat rampen op zijn huis zouden neerkomen om dit vonnis. Weinig dacht hij, dat van dien dag af zijn naam voor alle eeuwen gebrandmerkt zou zijn, als de naam eens zwakken, en schandelijk onrechtvaardigen reeliters.

Jezus werd bij de soldaten teruggebracht; zijn eigen kleederen trokken zij Hem weer aan. En toen was het oogenblik gekomen, dat zij Hem gingen

wegbrengen, wegbrengen naar de gerichtsplaats.

-------------

DE KRUISIGING.

Joor de geopende poorten van het buis van Pilatus trad Jezus naar buiten, met het kruis op den rug, het kruis, daar Hij straks aan hangen zou; zelf moest Hij het dragen. Nog twee andere mannen, die een moord begaan hadden, en die dezelfde straf moesten ondergaan, traden tegelijkertijd met Jezus de poort uit; ook elk hun kruis dragende. De soldaten met hun hoofdman hadden de drie kruiselingen in hun midden genomen; zoo kwamen zij van uit de binnenplaats naar buiten op het plein.

Daar ging een schreeuw op van grimmige vroolijkheid bij het volk; maar de schare week terug, en maakte plaats, bevreesd voor de speren der soldaten; de straten waren bijna te nauw voor den doortocht. Onder het getier des volks, dat aangroeide in getalen bij elke straat, die men doortrok, kwam de stoet bij de poort; want buiten de poort was de gerichtsplaats. Hier was het gedrang het ergst.

Een eind verder buiten de poort viel Jezus het kruisdragen te zwaar; Hij kon het niet meer sleepen; Hij had al zooveel geleden, in Gethsémané, en in

668

ocr page 667

664 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Kajafas' huis, en in het Rechthuis. Hij wankelde, Hij viel, — en Hij lag neer op de knieën, met het zware kruis op Hem. Reeds wilde een der soldaten Hem met een stoot van den stompen kant van zijn speer noodzaken om op te staan, en voort te gaan. Maar van medelijden bevangen, hield do hoofdman hem tegen met een gebaar van zijn hand; en een man aanwijzende, die daar juist hun te gemoet van zijn akker kwam, sprak hij tot de soldaten; „Laat die man het kruis dragen!quot; En of die akkerman wilde of niet, hij moest het doen; zijn akkergereedsehap gaf hij over aan een ander, en hot kruis opnemende droeg hij het met de vernedering tegelijk. Simon van Gyrene heette die man; zijn naam is nooit vergeten. En zoo ging de stoet weer verder.

Het gezicht van Jezus, die uitgeput neergezonken was, had bij sommigen deernis verwekt. Ook waren het allen geen vijanden van Jezus, die medegeloopen waren. Daar waren vrouwen bij, die wecnende liepen, en schande spraken over wat men Hem aandeed; niet allen waren vergeten de wonderen van barmhartigheid, die Jezus het volk had bewezen. „Weent niet over mij,quot; zoo sprak Jezus de vrouwen toe; „maar weent over uzelven en over uw kinderen.quot; En kracht vond Hij, — Hij, die bijna geen kracht meer had, om voortschrijdende dat volk voor het laatst toe te spreken, en liet op zijn vreeselijke toekomst te wijzen, tot het laatst een profeet, die zijn volk liefhad. De soldaten verhinderden Hem liet spreken niet; Jezus kon het ongehinderd zeggen. Daar waren nog maar weinige schreden, en zijn mond zou spoedig genoeg gesloten zijn; zie, — daar was reeds do gerichtsplaatsl

Golgotha, zoo heette die plaats; en „hoofdschedelplaatsquot; beteekent die naam.

Een afschuwelijk oord, Hoe velen waren hier vroeger reeds ter dood gebracht, ook gekruisigd! Hoofdschedels, menschenbeenderen, door de zon geblaakt, lagen er verspreid op den grond. Zie, vlogen daar de roofvogels niet weg, op de nadering der menschen; en zetten zij zich niet neder, ginds, verre, op een uitstekende rotspunt, of op de takken van een eenzamen boom, als om te wachten, tot de menschen weer weg zouden zijn, en zij weer konden terugkeeren?

Vol van menschen werd de plaats, vol van de schreeuwende, lachende,

ocr page 668

*

065

DE KRUISIGING.

spottende Joden. Alleen in het midden hielden de soldaten een ruimte open; die te veel aandrong, werd met de speren teruggestooten; dat gaf dan onder de Joden onderling een hevig getwist met veel schelden.

Daar in het midden werden de kruisen in den grond gestoken; alles ging snel, dat waren de soldaten gewoon. De kleederen werden aan de drie gevangenen uitgetrokken; op een hoop werden die kleedoren hij elkander gelegd.

Naakt werden de boosdoeners altijd gekruisigd; dat was het schandelijke, dat aan de straf verbonden was. Iedereen kon aan Jezus toen ook zien de wonden aan den rug, de vreeselijke striemen, waar het bloed nog afliep. De menschen staken de hoofden op en vooruit, om het te kunnen zien.

De menschen, die vooraan stonden, zagen ook, hoe de soldaten aan de veroordeelden een beker wijn voorhielden, waar zij mirre ingemengd hadden. De mirre maakte don wijn zeer bedwelmend; en die er van dronk kwam voor eenigen tijd buiten kennis; gaarne dronken de twee moordenaars er van, al wisten zij, dat zij straks door de pijnen toch weer tot hun kennis zouden komen; van de eerste pijnen zouden zij dan toch geen gevoel hebben. Maar Jezus weigerde Tien drank, toen Hij hem even geproefd had ; ware het water geweest. Hij zou gaarne een teug hebben gehad; maar dezen drank, — neen, - met volle kennis, met al zijn gevoel wilde Hij zijn lijden voelen. Wie van al het volk begreep het, dat het schuldoffer der wereld met volkomen bewustzijn schuldoffer wilde zijn? „Hij wil den wijn niet!quot; zeiden de soldaten kort; en zonder aarzelen hadden zij Jezus reeds opgeheven, en tegen het kruis aangebracht; nog een kort oogenblik, en daar klonken reeds de hamerslagen, waarmede de groote nagelen Hem door de handen en voeten werden geslagen, terwijl de aangezichten van al de duizenden op dat ééne punt gericht stonden, op de gedaante van Jezus.

Daar hing Hij, met de uitgestrekte handen, waar het bloed uitvloeide, voor aller oog! „Vader! vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen!quot; bad die Heer!

Dat was als een gebrul van de dieren des wouds, wat er opsteeg uit de monden dor Joden. En dat was als het opzetten van de zee, zooals het volk opdrong naar voren, om betei* het gezicht te hebben.

ocr page 669

6fi0 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Gansch vooraan kwamen de Rabbi's. Tot dicht bij het kruis gingen zij; hun vuisten verhieven zij tegen Jezus; scheldwoorden schreeuwden zij; en zij spuwden tegen Hem, tegen zijn naakte lichaam. „Ha! laat hem zichzelven nu eens verlossen als hij kan!quot; spotten de priesters. „Laat hem nu van het kruis afkomen, als hij macht heeft!quot; spotten andere priesters; „als hij dat doen kan, dan zullen wij gelooven, dat hij de Messias is!quot; En nog veel meer waren de woorden die zij lachende spraken, alsof zij meenden wat zij zeiden; terwijl het volk zijn priesters toejuichte, en hun voorbeeld volgde.

Maar straks ging de lach der priesters in booze bitterheid over, toen zij boven het hoofd van Jezus door de soldaten een plankje zagen vastgespijkerd, waar deze woorden op geschreven stonden: Jezus de Nazarener, de koning der Joden. Verwenschingen en vloeken spraken zij uit. „Dat is hij niet!quot; riepen zij; „hij is onze koning niet!quot; En zij begrepen, dat Pilatus dat opschrift er boven had laten zetten, om met hen den spot te drijven; alsof die landvoogd dit had willen zeggen: „Ziet gij, gij Joden? Dit doe ik aan uw koning! Ik zou uzelven nog veel meer kunnen aandoen, zooals ik u veracht!quot; De woede was op het aangezicht der priesters. Naar den landvoogd ijlden zij terug, naar zijn huis, in de stad. „Neem dat opschrift weg!quot; spraken zij dreigend; „hij is onze koning niet! Schrijf, dat hij het heeft willen wezen!quot; Maar verachtelijk kalm wees die groote heer hen van zich. „Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven!quot; was al wat hij zeide. En teruggekomen op Golgotha, was alles wat die priesters in hun machteloosheid doen konden, dit, dat zij hun woede te meer koelden aan Jezus, met dubbelen spot en grimmigen hoon.

De soldaten zaten onderwijl neder, bij. het kruis; zij waren bezig de kleederen der gekruisigden onder elkander te verdeelen; die kwamen hun toe, volgens gewoonte. Ook de kleederen van Jezus verdeelden zij; en om den schoonen mantel des Heeren, dien zij niet wilden scheuren, lootten zij; zij dobbelden, onder het kruis.

Ook de eene moordenaar, die ter zijde van Jezus gekruist was, en die weer bij kennis was gekomen na de verdooving van den wijn, spotte mede; wellicht deed hij het om zijn eigen pijn te vergeten, zooals een verhard mensch

ocr page 670

DÉ KRUISIGING.

ocr page 671
ocr page 672

DE KRUISIGING. 6G9

somwijlen doet. „Ja, doe dat!quot; riep hij, „verlos u zelven, en ons tegelijk!quot; En do lach, die om zijn mond was, was als de lach van iemand, die op hetzelfde oogenblik door zijn pijn weer overweldigd wordt.

Daar was niemand onder al die menschen, die voor Jezus een woord ten gunste durfde spreken; indien er ook al waren, zij durfden toch niet om de priesters, voor wier ongenade zij vreesden.

Eén man, één man was er maar onder al die duizenden, die het voor Jezus durfde opnemen, die geen vrees had voor de priesters of voor het razende volk: dat was de moordenaar, die aan de andere zijde van Jezus was gekruisigd. „Hoe durft gij,quot; zoo sprak hij tot den anderen boosdoener, „hoe durft gij Hem smaden? Hij is onschuldig; wij hangen als die het verdiend hebben; maar hoe kunt gij Hem bespotten? Hij heeft niets onbehoorlijks gedaan!quot; Zich tot Jezus wendende, zooveel als hij ten minste zijn hoofd zijwaarts kon buigen om Jezus aan te zien, zeide hij: „Heere! gedenk mijner, als gij in uw koninkrijk zijt gekomen!quot;

li

' . 1

lil Willi

11 1

En Jezus, zonder dralen, gaf hem bot antwoord: „Heden zult gij met mij in het Paradijs zijn!quot;

De lach, die op het aangezicht van dien man kwam, was als de lach van iemand, die denkt de hel binnen te gaan en ziet, het is de hemel!

Langzaam en traag gingen de uren voorbij voor de gekruisigden. Daar waren al menschen, die genoeg hadden van hot vreeselijke gezicht, en die huiswaarts keerden. Ook van de priesters waren er reeds heengegaan; zi) hadden geen woorden meer voor hun haat, en waren uitgeput in hun spot. En menschen, die eerst in de achterste rijen hadden gestaan, kregen ruimte om meer naar voren te komen.

Hilti

Onder de menschen, die nu naar voren kwamen, waren ook eenige vrienden van Jezus. Wie waren dat, die tot gansch dicht bij het kruis kwamen? Dat was Johannes, do geliefde discipel van Jezus; en de vrouw, die hij met zijn arm ondersteunde, en die bijna bezweek van smart en tranen, dat was Jezus' moeder, Maria. Hoe had zij moed en kracht om hier te zijn? „Ik wil, ik wil!quot; had zij gezegd; „ik schaam mij niet, dat Hij mijn zoon is;

,

ik vind Hem groot, en wil Hem moed inspreken, mijn zoon!quot; En de soldaten,

ocr page 673

BIJBELSCHE GESCHTEDENIS VOOR KINDEREN.

die anders de menschen op een afstand van het kruis hadden gehouden, lieten haar begaan, en weerden haar niet. „Het is zijn moeder,quot; zeiden zij.

Tot vlak voor het kruis kwam zij; maar daar viel zij neer; haar armen waren om den kruispaal; aan Jezus' voeten lag zij; als een zwaard was haar door de ziel gegaan. Nog twee vrouwen kwamen weenende; de een was Maria Magdalena. Een gemompel van deernis ging op van alle zijden, over die moeder.

Ook Jezus, aan het kruis, had haar gezien. En meer om haar lot dan om het zijne dacht Hij. „Wie zal voor haar zórgen, als ik weg ben van de aarde?quot; zoo waren zijn gedachten. En Johannes ook ziende, wist Hij het eensklaps. „Vrouw, zie uw zoon!quot; zoo sprak Hij zijn moeder aan. En tot Johannes, terwijl Hij hem aanzag, zeide Hij: „Zie, uw moeder!quot;

Dat begreep die discipel. En straks zijn eigen smart overwinnende, ging Johannes naar waar die moeder lag; haar armen maakte hij zacht los van het kruis; sterk tilde hij haar recht; en haar ondersteunende bracht hij haar weg, tusschen de scharen door, naar de stad terug. Van die ure af zorgde hij voor Jezus' moeder; dien laatsten wil van zijn Heer had hij begrepen; Jezus' moeder was zijn moeder voortaan.

Langzaam en traag gingen do uren voorbij voor de gekruisigden.

De zon steeg al hooger; en brandend beet vielen haar stralen op hun hoofd; als straks de middag kwam, en de zon recht boven hen kwam te staan, zou hun ongedekt hoofd dat dan kunnen verdragen? Dat zou krankzinnigheid geven in één oogenblik; begeerlijk wellicht voor de lijders, die in hun waanzin dan hun pijnen niet zouden voelen; maar riiet begeerlijk voor Hem, die bewust alle smart wilde lijden; een offer, dat voor de zonden der wereld gebracht werd, moest toch een volmaakt olfer zijn, geen krankzinnig offer!

En zie — daar aan den hemel gleed een schaduw voor de zon, langzaam en zeker, die blinkende zon verkleinende, overdekkende; en daar over de aarde gleed een schaduw, over bergen, heuvelen en akkers, al vei'der, over Golgotha, over de stad, tot ver heen. Zwart en zwarter werd die schaduw; weg was de zon! En in plaats van de gloeiend witte stralen van het hemelvuur breidde de duisternis zich uit over land en volk.

670

ocr page 674

DE KRUISIGING.

Een zonsverduistering, als deksel boven het ongedekte hoofd van den Heere, die zijn bewustzijn wilde houden tot den dood! Een zonsverduistering, die voor de menschen, die niet wisten wat het was, een schrik was; die voor de booze gewetens een ontzetting en een angst was, als een oordeel Gods, dat komen ging als straf voor hun afgrijselijke daad!

Zij traden terug, de menschen; zij keerden zich om, de menschen; en zij vluchtten, zij vluchtten naar de stad terug, zich slaande op de borst, de handen voor het gelaat, als die wisten, dat zij een groot kwaad hadden gedaan! Alleen de weinige vrienden van Jezus bleven; hun liefde was grooter dan de vrees. En ook alleen de soldaten bleven, met hun hoofdman; zij zouden aan het bevel van hun landvoogd om daar te blijven, totdat alles gedaan was, hebben gehoorzaamd, ook al was de wereld onder hun voeten, en de hemel boven hun hoofd vergaan.

Langzaam en traag gingen de uren voorbij voor de gekruisigden. Het ging reeds bijna zes uren duren, dat zij daar hingen; hot was bij drie uur in den middag. De duisternis hield steeds aan. De pijn, die de Heer had, werd steeds heviger.

Dat was pijn aan het hoofd, van de wonden door de doornenkroun, waar het bloed uit droop, over het voorhoofd, over de oogen, over den mond. Dat was pijn aan de handen en voeten, waar de nagelen wonden hadden gemaakt, waar het bloed uit vloeide, druppelend naar den grond. Dat was pijn aan den rug, waar uit de striemen van de opengereten huid het bloed uitvloeide, langs het hout van den kruispaal naar de aarde aan den voet van het kruis. Dat was pijn in de aderen, waar het bloed doorging, als van de hevigste koorts gejaagd. Dat was pijn in den mond en in de keel, waar de tong kleefde aan het verhemelte. Dat was pijn, pijn over het gansche lichaam, dat het niet dragen kon zoo lang in een onnatuurlijke houding te hangen. Elke spierbundel was een bundel van pijn.

Van de aarde kwam geen hulp; van den hemel kwam geen verlossing. Van de aarde kwam geen deernis; van den hemel kwam geen medelijden. „Wij hebben geen plaats voor zulk een,quot; riep de aarde, en de hemel zweeg, zweeg, alsof er geen engelen waren, en alsof er geen Vader was. Verlaten, eenzaam

671

ocr page 675

072 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

tusschen hemel en aarde hing do Heer, de Heer van beide. Was iemand ooit zoo verstooten?

„Mijn God! mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten?quot; riep die Hoer.

Maar daar kwam geen antwoord, zelfs niet van dien God. En die kreet, als een schreeuw ver heen gehoord tot aan de muren der stad, stierf weg, zonder wederwoord, zonder stem, zonder donderslag van den hemel. Dat was het zwaarste van des Heeren lijden; zonder God te zijn, zooals de zondaar zonder God is, de zondaar in wiens plaats Hij als offer zich stelde.

Straks hief de Heer het neergezonken hoofd weer op, als een die het beproeft, maar het niet goed kan; en als riep Hij nu tot wie hij ook was die Hem maar helpen wilde, zoo riep Hij klagende; „Mij dorst!quot; — „Laat ons Hem helpen!quot; zeiden de soldaten. En een rietstok namen zij, en een spons met zuren wijn bevestigden zij aan dien stok; dien slaken zij Hem toe, tegen zijn lippen. Begeerig proefden die lippen van den edik; dat was verfrissching, verfrissching voor een oogenblik! Maar een oogenblik, dat lang genoeg was, om den Heer het gevoel van een held te geven, die terugzag op de daad, die hij overwinnend verricht had. „Hot is volbracht! zoo klonk ook als een \ictoiie

het van zijn lippen.

En toen, als met een laatste inspanning hot hoofd opheffende, om den blik hemelwaarts te slaan naar waar zijn eeuwige woning en waar zijn troon was geweest, toen riep Hij: „Vader! in uw handen beveel ik mijn geest! Toen zonk dat hoofd neer op de borst; — het richtte zich niet meer op.

De Heer des levens was gestorven.

-o-amp;@-o-

DE BEGRAFENIS.

wonderlijke teekenen gingen met den dood des Heeren gepaard.

Op hetzelfde oogenblik, dat Hij den geest gaf, voelden de menschen de aarde onder zich beven. De grond golfde onder hun voeten. De steenrotsen spleten. De graven in de rotsen, de spelonken.

ocr page 676

DE BEGRAFENIS.

openden zich; de dooden in hun witte gewaden worden gezien, gezien met schrik. De huizen wankelden in de stad. En in den tempel hing het voorhangsel van boven tot beneden gescheurd.

Een angst, als van een oordeel, deed de menschen ontzet staan, en heenvlieden waar zij zich verbergen konden. In vele gemoederen kwam het gevoel boven als van een vreeselijk berouw; met vrees in de oogen zagen de menschen elkander aan; en in hun angst spraken zij: „Wee! wij hebben een onschuldige gedood! Wat zal oas nu geschieden?quot; En onder het kruis riep een stem: „Waarlijk, deze was G-ods Zoon!quot; Dat was de stem van den hoofdman geweest.

Straks kwam de zon weer door, en week de duisternis, die drie uren geduurd had; dat was voor de bange gemoederen als een verademing. Die de verhardsten waren, schaamden zich, dat zij een oogenblik door hun vrees zich hadden laten medesleepen; zij lachten om zichzelven, en begrepen niet waarom zij zich onder die teekenen hadden bang gemaakt.

Zoo dachten ook do priesters. Met hun oude koelbloedigheid zeiden zij tot elkander: „Het is goed, dat wij eindelijk ons voornemen hebben ton uitvoer gebracht; en uitnemend is het ons gelukt; nimmer zal die Nazarener ons meer schaden; onze macht over het volk staat weer vast, zooals het nog niet geweest is!quot; En die mannen 'Verheugden zich over hun dagwerk; zij gingen huiswaarts, om zich voor den Paaschsabbat voor to bereiden. De dag bogon ook ten einde te loopen; als straks om zes uur de zon onderging, zou die heilige sabbat beginnen; zij waren voornemens dien sabbat als vrome menschen heilig te vieren.

Voor zij echter zich in hun huizen terugtrokken, herinnerden zij Pilatus er aan, dat volgens hun godsdienstige wet op den sabbat geen dooden onbegraven boven don grond mochten liggen; en zij verzochten hem, of daarom do drie gekruisigden reeds voor zonsondergang van het kruis mochten weggenomen worden. Dit stond Pilatus hun toe. En aan een hoofdman gaf hij bevel don eersten hoofdman af te lossen, en er voor te zorgen.

Toen de tweede hoofdman met zijn bende op Golgotha gekomen was, en

den eersten hoofdman vervangen had, begonnen zij aanstonds het bevel

van den landvoogd uit te voeren. Zij zagen, dat, gelijk zij verwacht hadden,

43

073

ocr page 677

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de gekruisigden nog leefden. Voor dat zij hen van het kruis afnamen, moesten zij hen derhalve nog eerst dooden. Dat deden zij dan ook, en zij deden het op een bij de Romeinen afschuwelijke gebruikelijke wijze. Met een zwaar ijzer sloegen zij verscheidene malen tegen het lichaam van den eenen moordenaar, zoodat inwendig overal in het lichaam de beenderen gebroken werden. Zoo deden zij ook bij den anderen moordenaar. Die twee stierven snel onder de vreeselijke slagen.

Bij Jezus deden zij dat niet, want zij zagen wel, dat Hij reeds gestorven was. Toch wilde een der soldaten zekerheid hebben, of Jezus wel werkelijk gestorven was. Daarom stak hij met de speer, die hij in de hand droeg. Hem in de zijde; maar geen teeken van leven gaf de Heer; en bloed en water vloeide er uit de wond. Toen wisten zij zeker, dat de Heer niet meer leefde. En zij wilden beginnen de drie lijken van de kruisen af te nemen.

Volgens gewoonte deden zij dat aldus; de voeten rukten zij los van de spijkers, en evenzoo de handen, zoodat het lichaam op den grond viel. En de lijken begroeven zij dan haastig in een kuil, dien zij daar groeven; of zij sleepten ze een eind verder naar de plaats in het dal Hinnom, waar eiken dag al het vuil van de stad werd heengebracht. Zoo deden de soldaten met de lijken der twee moordenaars; en zoo hadden zij ook willen doen met het lichaam van Jezus.

Maar verbaasd zagen zij op, toen twee aanzienlijke mannen, van eenige vrouwen gevolgd, hen naderden, en hen aanspraken, en zeiden, dat zij van den landvoogd vergunning hadden verkregen om zeiven het lichaam van Jezus te begraven; en gaarne lieten de soldaten dat werk over aan de twee mannen; het was geen werk, dat zij gaarne deden.

Die twee mannen waren Jozef van Arimathea, en Nikodemus.

Onder de weinige vrienden des Heeren, die op dien dag op Golgotha aanwezig geweest waren, en die het lijden mede aangezien hadden, waren ook deze twee mannen geweest. Zij hadden zich niet geschaamd het openlijk te toonen, dat zij tot Jezus' vrienden behoorden. Zij werden onder de aanzienlijkste lieden der stad gerekend; beiden waren lid van den Joodschen Raad; en in den laatsten

074

ocr page 678

DE BEGRAFENIS.

tijd hadden zij meermalen in den Raad hun stem verheven ten gunste van Jezus; en moedig was hun daad geweest, al had het niet gebaat.

Zwijgend hadden die beide mannen op dien dag voor het kruis gestaan, bedroefd, dat zij Hem niet hadden kunnen redden. En zij hadden ook gezien, hoe Hij gestorven was. „Wij moeten den Heer niet door de soldaten laten begraven,quot; hadden zij eerbiedig gesproken; „wij moeten dat zeiven doen.quot; En zij hadden hot als menschen gezegd, die dachten: „Al de andere leden van den Raad mogen er over oordeelen zooals zij willen!quot;

Daarom dat zij naar Pilatus gegaan waren, en hem do gunst gevraagd hadden, om het lichaam van Jezus te mogen hebben; zij wilden het zeiven begraven. Vreemd had de landvoogd opgezien. Dit waren twee aanzienlijke lieden uit de stad, en die begeerden het lijk van iemand, die zoo verachtelijk was gekruisigd? Maar hij had het hun toch dadelijk toegestaan, toen hij vernomen had, dat Jezus reeds gestorven was.

En Jozef en Nikodemus, zij hadden zich gehaast, om op Golgotha terug te zijn, voordat de soldaten op hun ruwe wijze den Heere reeds van het kruis zouden afgehaald hebben. Zoo waren zij hier gekomen; en juist intijds was het geweest-

Zwijgend en stil deden Jozef en Nikodemus hun werk.

Met hun eigen handen namen zij het lichaam des Hoeren van het kruis af; voorzichtig deden zij het, als vreesden zij, dat de spijkers de wonden aan voeten en handen opnieuw konden doen bloeden, en als vreesden zij den Heere nog pijn te kunnen doen. Eerbiedig deden zij het, als vonden zij hun handen onwaardig dat heilig lichaam aan te raken. Zacht legden zij het lichaam neer op den grond, op fijn linnen, dat zij medegebracht hadden; dat sloegen zij om het lichaam heen. En toen hieven zij het op, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteinde. En die twee rijke mannen, die nimmer in hun weelderig leven zulk een last hadden gedragen, zij droegen den last zeiven, schrede voor schrede, langzaam, behoedzaam, de gerichtsplaats af, naar waar zij Hem brengen wilden. Achter hen volgden do weenende vrouwen. Zoo werd de Heere ten grave gedragen.

675

ocr page 679

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Niet ver van daar was de hof van Jozef. Hij had daar in een rots een nieuw graf laten uithouwen, voor zich en voor de zijnen, om daarin gelegxl te worden, als zij zouden gestorven zijn. Weinig had hij gedacht, toen hij het had laten doen, dat de Christus de eerste zou zijn, die daarin zon gebracht worden. In die spelonk legden zij den Heere, in de donkere spelonk. Zacht dekten zij het

•v

aangezicht met den hoofddoek. En de vrouwen werend, diè nietamp;scheiden wilden, grepen zij met hun handen den grooten steen, waarmede zy d%\ingang van de spelonk gingen sluiten; dat zware werk deden die rijke mann^pelVien, en het was moeilijk; maar zij stelden den steen, zooals hij staan moest. ' w

En toen, — toen ging die kleine schare, die weenende vrouwen, en di mannen met gebogen hoofd, door de paden van den hof, onder de hangend takken, heen, een ieder naar zijn huis. Het werd reeds donker. De zon waJP reeds achter de bergen. De sabbat zou beginnen, r

In de stad was het reeds bekend geworden, dat Jezus niet op de gewone wijze door de soldaten, maar door zijn vrienden was begraven.

„Hoe?quot; zeiden de rabbi's tegen elkander; „deze Jezus heeft bij zijn leven gezegd, dat hij uit den dood weer zal opstaan, en levend worden! Als nu zijn vrienden hem morgen weer elders begraven, dan zullen zij morgen zeggen; „Ziet, het graf is ledig! Hij is opgestaan, zooals hij gezegd heeft!quot; Dat moeten wij verhinderen; wij zullen er voor zorgen.quot;

Daarom waren zij naar den landvoogd gegaan, en zij hadden hem gevraagd: „Heer! zet een wacht voor het graf!quot; Maar Pilatus had gezegd: „Gij hebt zeiven een wacht; doet wat gij wilt!quot; En hij had het gezegd als een, die grimmig was, omdat hij nog altijd van die zaak moest hooren.

Zeiven kwamen daarom de rabbi's met eenige soldaten in den hof van Jozef. Zij vonden er het graf. Een koord spanden zij over den steen aan den ingang van het graf; de uiteinden van het koord bevestigden zij aan de rots, aan weerskanten van den steen; en met hun zegel bevestigden zij daar het koord aan de rots. Als listige mannen deden zij het werk; en als die een vreugde haddon over hun list, bevalen zij hun dienaars, om goed de wacht te houden, en te zorgen, dat niemand het lijk kwam stelen. Toen gingen ook de

670

ocr page 680

DE OPSTANDING.

rabbi's heen uit den hof, gerust, en niet gerust. „Die Jezus moest eens werkelijk opstaan? Of de discipelen moesten eens het lijk stelen?quot; zoo dachten zij. Hoe weinig vermoedden zij, dat onder al de vrienden des Heeren er niet één was, die aan des Heeren opstanding geloofde! Die discipelen, in hun droefheid, waren als menschen, die met een gebroken hart zeiden: „Wij hebben alles verloren! Onzen Meester zien wij nimmer weer!quot;

In de stad, in Jeruzalem, zat Jsraöl in vroolijke zalen bij helder brandende lampen. In den hof van Jozef was het donker en stil. Alleen de voetstappen der wakende soldaten, en bij wijlen hun stemmen, werden er gehoord.

o-lt;qgt;lt;gHgt;------

DE OPSTANDING.

y^ie was er op de gansche wereld, die, terwijl Jezus dood in het graf lag, er aan dacht dat deze Jezus het groote offer was, dat voor de zonden der wereld gebracht was? Wie dacht er aan, dat door dat sterven nu de schuld der aarde geboet was, en dat God in dat oogen-blik bij zichzelven zeide: „Nu moet Ik alle zonde don menschen vergeven; en gaarne schenk Ik hun nu die vergiffenis, voor alle eeuwen?quot; Wie dacht er aan, dat Jezus de van uit het Paradijs beloofde Verlosser was, die de slang den kop vermorzeld had, terwijl Hij stierf?

Daar was niemand, die er aan dacht, of die het geloofde. Zelfs de vrienden, zelfs de discipelen van Jezus geloofden hot niet. „Hij is nu dood,quot; zeiden zij; „nu is het duidelijk, dat Hij dus de beloofde Verlosser niet is; hoe jammer is het; want Hij was anders juist iemand om het te wezen!quot; En die discipelen en vrienden waren niet alleen bedroefd, omdat zij hun Vriend kwijt waren, maar nog veel meer, omdat nu aan al hun verwachtingen van een Messias en van een Messiasrijk de bodem was ingeslagen. Zij begrepen er nog niets van, dat juist hot sterven van Jezus hun werkelijke verlossing was. Vreemd! De profeten hadden het toch gezegd: dat do Messias sterven zou, om bij God vergiffenis te verwerven voor zijn volk; — en nu de Messias het gedaan had.

(577

ocr page 681

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

begrepen zijn beste vrienden die daad van zelfopoffering niet eens! Vreemd! Maar — die tijd zou komen; en die tijd was dichter bij, dan de vrienden zei ven wisten!

Het was op den derden dag van Jezus' dood, op zondagmorgen, zeer vroeg, terwijl het eerst even begon te lichten, dat er in den bof. waar Jezus begraven was, iets geschiedde, wat weldra de gansche stad in opschudding zou brengen.

De soldaten, die door de priesters bij het graf van Jezus gesteld waren, zaten naast de spelonk, blijde dat de nacht weer ongeveer voorbij was, en blijde, dat zij nu weldra door een andere wacht zouden afgelost worden, toen plotseling van den hemel een schitterende engel afkwam, met de snelheid, waarmede de bliksem van den hemel afdaalt. Plotseling stond de gedaante voor hen, als een vuur, zoodat hun oogen door de verschijning verblind werden. De aarde dreunde als bij een aardbeving, toen die engel, neerkomende, zijn voeten daarop zette. Als van den dood verschrikt sprongen de soldaten op, en vielen zij op den grond; zij dachten, dat zij niet meer leefden. Vol angst zagen zij op, maar ziende, dat de engel geen kwaad tegen hen in den zin had, en ziende, hoe hij naar de spelonk toesclneed, en den grooten steen aanvatte, en dien afwentelde, zonder zich met hen in te laten, sprongen zij weer overeind; en vluchtende wat zij vluchten konden, ijlden zij den hof uit, naar de stad terug; nimmer omziende, als vreesden zij nog, dat die engel hen nakomen zou, en dat hij ben dooden zou.

Het was in dien oogenblik, dat geschied is, wat geen menschelijke oogen gezien hebben: dat Jezus, de gestorven Jezus, weer levend werd, en opstond van de plaats waar Hij gelegen had, en naar buiten schreed, in het volle daglicht, als een die den dood overwonnen had, terwijl de engel eerbiedig ter zijde ging, zooals een dienstknecht ter zijde gaat voor zijn heer. Als menschelijke ooren hot hadden kunnen hooren, zou men gehoord hebben hoe er blijdschap was in den hemel bij de engelen Gods, dat Jezus weer levend was, en opgestaan was uit de dooden.

De menschen, die later het feit der opstanding begrepen, zeiden vol verwondering; „Nu kunnen wij zien, dat God het offer, dat Zijn Zoon voor de zonden der wereld gebracht heeft, heeft aangenomen! Want was het offer Hem

678

ocr page 682

VERSCHIJNING- AAN DE VROUWEN.

niet welbehaaglijk geweest, Hij zou Jezus in den dood gelaten hebben!quot; En die dit begrepen, waren er zeer blijde om; want zij waren nu voorgoed verzekerd, dat hun zonden door Christus' dood verzoend en vergeven waren.

De gevluchte soldaten waren in de stad aanstonds naar de priesters gegaan, om melding te maken van al wat er bij hot graf geschied was. Toen zij van den engel verhaalden, die den steen afgewenteld had, zeiden de priesters bij zichzelven: „Komt liet nu toch, zooals Jezus gezegd heeft, dat hij op den derden dag uit de dooden zou opstaan? Wee ons! nu zal iedereen zien, dat wij slecht geweest zijn met hem gedood te hebben!quot; En do priesters stonden in groote verlegenheid. Maar weldra wisten zij weer raad, in hun booze hart. Zij gaven aan de soldaten geld, en zeiden: „Wij geven u nu dit geld, dat is voor u; maar vertelt nu overal in de stad rond, dat gijlieden bij het graf geslapen hebt, en dat toen onder den slaap de discipelen van Jezus stil gekomen zijn en het lijk hebben weggestolen, om het elders te begraven!quot; Ter wille van het geld, dat zij kregen, beloofden de soldaten om deze leugen te verspreiden; en zoo geschiedde het, dat toen op dien dag de eerste mare van Jezus' opstanding door de stad ging, aanstonds vele menschen zeiden; „Hoe slecht zijn toch die discipelen! Zij zijn even slecht als hun meester geweest is! Om 's nachts het lijk ergens anders te verbergen, en dan te gaan zeggen: zie maar het ledige graf; Jezus is opgestaan!quot;

De menschen in de stad begonnen ook dc discipelen voor schandelijke bedriegers te houden; hoe weinig wisten de menschen, dat de discipelen het zeiven niet geloofden, dat Jezus opgestaan was.

079

—---o^®-o-----

VERSCHIJNING AAN DE VROUWEN.

ien zelfden zondagmorgen, toen bijna iedereen in de stad nog sliep, en toen nog niemand iets wist van het gebeurde, waren eenige vrouwen naar het graf gegaan in Jozefs hof. Een van die vrouwen was Maria Magdalena, do twee anderen waren Maria, de

ocr page 683

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

moeder van Jakobus, en Salome. Zij wilden den geliefden doode nog eens zien, dat aangezicht nog eens aanschouwen, en daar aan haar tranen nog eens den vrijen loop laten. Ook hadden zij specerijen medegenomen, om het lijk daarmede te balsemen; op den vrijdagavond had dat niet meer kunnen geschieden; want het was toen te laat er voor geworden, de sabbat was ingetreden; maar nu, na den sabbat, zou het haar eerste daad van liefde en vereering zijn. „Maar,quot; zoo vroegen zij elkander af, „wie zal ons den zwaren steen afwentelen van den ingang der spelonk?quot; 'Zij wisten, dat zij zeiven dat niet konden doen; en terwijl zij voortliepen, waren zij bezorgd er over, hoe dat moest gebeuren.

Zoo kwamen zij aan het graf, bij de spelonk. Maar ontsteld, verschrikt, stonden zij plotseling stil; want wat haar oogen zagen, was dit: dat het graf reeds open was, en dat de groote steen afgewenteld ter zijde lag op den grond. Magdalena vluchtte, als ten doode verschrikt, naar de stad terug. Maar de andere vrouwen gingen de spelonk in, zagen er in rond, zoekende met de oogen. Waar was hun doode? Was Hij weggenomen? Het lichaam was er niet. Wie hadden het gedaan? Vrienden of vijanden? Haastig tradon zij naar buiten. Maar een kreet ontsnapte aan haar lippen; op den afgewentelden steen zat een engel, en die engel was vreeselijk om te aanschouwen, al was hij tegelijk schoon; want zijn voorkomen was als de bliksem; menschelijke oogen konden het bijna niet dragen om dat aangezicht te aanschouwen; en zijn kleed was wit gelijk sneeuw. De kreet, die op de lippen der vrouwen was, verstomde; zóó was de verschijning van dien engel. En reeds sprak hij; „Vreest niet! want ik weet dat gij Jezus den gekruisigde zoekt. Hij is hier niet meer; Hij is opgewekt uit de dooden. Heeft Hij dat niet gezegd? Gaat, en zegt het aan de discipelen, opdat zij het ook weten!quot;

In haar ontroering nauwelijks wetende of zij bedroefd of blijde zouden zijn, gingen ook deze vrouwen heen, terug naar de stad, als hadden zij vleugelen aan de voeten. Nimmer stonden menschen zoo ontsteld in hun leven, zooals die vrouwen ontsteld waren.

Nog waren zij evenwel den hof niet uit, of plotseling stond Jezus zelf vóórhaar, midden op den weg. Zij zouden geschreeuwd hebben in haar schrik, op het

680

ocr page 684

VERSCHIJNING AAN MAGDALENA.

gezicht van een doodgewaande, die eensklaps levend voor haar stond, was zijn gedaante niet schoon geweest, zooals zij Hem nog nimmer gezien hadden, en was zijn aangezicht niet vriendelijk geweest, zooals zij het altijd gekend hadden, en had Hij haar niet toegesproken, zooals zij liet zoo dikwijls gehoord hadden. „Weest gegroet!quot; spraken zijn lippen, alsof zij een zegen uitspraken.,Zij snelden op Jezns toe, die vrouwen; zij vielen voor Hem op de knieën; zij omvatten zijn voeten; zij aanbaden. En gaarne hadden zij gewild, dat de verschijning langer had geduurd; maar verdwenen was Hij weer uit haar oogen. Zoo snel was alles gebeurd. Alleen hadden zij deze woorden nog van Hem gehoord: „Gaat heen, en boodschapt mijn broeders, dat zij mij ook zien zullen!quot;

Opgewonden in haar blijdschap ijlden zij naar de stad, en verhaalden zij alles aan de discipelen. Maar deze, — zij geloofden het niet; medelijdend zagen zij de vrouwen aan. „De droefheid heeft die vrouwen van het verstand beroofd!quot; zeiden zij; „nu weten die vrouwen niet eens meer wat zij zeggen of doen!quot;

Toch waren zij ontroerd door de tijding. „Indien het toch eens waar was!quot; zoo sprak een stem diep in hun hart; zij beefden bij de gedachte, als menschen die wel wilden dat het toch waar was. En twee mannen. Jakobus en Petrus, gingen heen, zoo snol hun voeten loepen konden. Ledig was het graf; dat zagen zij nu zei ven. Maar waar was Jezus? Nimmer waren harten zoo ontroerd.

VERSCHIJNING AAN MAGDALENA.

[«aria Magdalena was niet meer bij de vrouwen geweest, toen Jezus aan die vrouwen verscheen. Ontsteld immers, op het gezicht van het ledige graf, was zij teruggesneld naar de stad; en zij was het ^•v geweest, die aan Jakobus en Petrus do tijding gebracht had. Maar toen was zij weer terug geijld, terug naar de plek waar haar verlangen haar weer heenbracht.

Toen zij weer aan het graf kwam, waren de andere vrouwen er niet meer; deze waren reeds huiswaarts gesneld. Alleen kwam Magdalena naar de spelonk

681

ocr page 685

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

toegeschreden. De tranen vloeiden haar over het gelaat, want dit was nu toch bij haar smart bijgekomen, dat nu zelfs ook het lijk weg was, en dat zij nu niet eens meer zijn aangezicht voor het laatst zien mocht, zooals zij gehoopt had; ook wist zij niet, of vrienden of vijanden het hadden gedaan. Zij trad voor de opening van het graf; en wezenloos staarde zij naar binnen.

Twee engelen waren daar; een zat aan het hoofdeinde, een aan hot voeteinde van de plaats waar Jezus gelegen had. Zij verschrikte niet van de engelen; zij zag niet verbaasd; zij wist nauwelijks wat zij zag; zij dacht maar aan één zaak: „Waar is toch mijn Heer?quot; — „Vrouw! waarom weent gij?quot; vroegen de engelen meewarig. Zij stond niet verwonderd, dat engelen met haar spraken; en alsof zij gewone menschen waren, zoo antwoordde zij hun: „Zij hebben mijn Heer weggenomen, en ik weet niet waar zij Hom gelegd hebben!quot; En klagend was haar stem. Als een die dacht: „Ook hier is geen troost voor mij!quot; zoo keerde zij zich om, terwijl nieuwe tranen haar oogen verduisterden.

Weer stond een gedaante voor haar. Maar zij zag niet naar dien mensch op; gebogen als een die het hoofd niet oprichten kan van smart, staarde zij voor zich op den grond; ja zij wendde het hoofd van hem af, als wilde zij niet dat haar tranen zouden gezien worden. „Vrouw! waarom weent gij? Wien zoekt gij?quot; vroeg ook deze, die voor haar stond, vol medelijden. „Het is zeker de hovenier,quot; dacht zij; en hardop sprak zij zonder hem aan te zien: „Heer! zoo gij Hem op een andere plaats hebt weggebracht, zeg mij dan toch: waar?quot; — „Maria!quot; was hot eenige wat die gedaante voor haar antwoordde. Die stem, die klank, — zij kende die! Als iemand die plotseling wakker wordt, zag zij op.....dat was Jezus!

„O mijn Meester!quot; riep zij uit. En in dat ééne woord waren verrassingen blijdschap, zooals nimmer in één woord waren uitgedrukt geweest. Aan zijn voeten lag zij; zijn knieön wilde zij omvatten; maar vriendelijk wees Hij haar af, met de woorden: „Raak mij niet aan!quot; terwijl Hij die handeling tegelijk verzachtte met de volgende woorden: „Ik ben nog niet opgevaren tot mijn Vader; ik blijf nog bij ulieden, een tijdlang,quot; Zij wist plotseling dat men Hem niet mocht aanraken, zooals een zondig mensch een God niet mag aanroeren; en nog meer werd zij in dat gevoel versterkt, door wat de Heere

682

ocr page 686

DE EMMAÜSGANGERS.

haar verder zeide: „Ga heen tot mijn broeders, en zeg hun, dat ik opvaar tot mijn Vader en tot hun Vader, tot mijn God en tot hun God!quot; Terwijl zij Hem aanzag, zag zij Hem niet meer; Hij was plotseling uit haar gezicht verdwenen.

„Hij leeft dus!quot; juichte het in haar ziel, terwijl zij opsprong; „Hij leeft dus!quot; En straks verhaalden blijde lippen en glinsterende oogen aan de steeds meer verwonderde discipelen, dat ook zij den Heere levend gezien had. Die mannen, — zij wisten niet meer, wat zij moesten denken.

DE EMMAÜSGANGERS.

dienzelfden namiddag wandelden twee mannen de poort van uzalem uit, den weg op naar Emmaus, een dorp dat op twee half uur afstand van daar lag.

Het waren twee mannen, die vrienden van Jezus geweest waren; een van hen heette Kleopas. Hun gedachten waren vul van de dingen die er in -de laatste dagen gebeurd waren, en vooral over het bericht, dat de vrouwen verspreid hadden; en hun gesprek, terwijl zij voortliepen, ging over die dingen.

Zij hadden reeds een heel eind van den weg afgelegd, toen iemand, die hun achterop kwam, hen inhaalde, zich bij hen voegde, en aanstonds een gesprek met hen aanknoopte. „Ik zag dat gij in een druk gesprek met elkander gewikkeld waart,quot; zoo begon hij; „waarover spraakt gij? En waarom ziet gij beiden zoo bedroefd?quot;

Het was Kleopas, die antwoordde: „Gij zijt zeker een vreemdeling, dat gij niet weet wat er in deze dagen te Jeruzalem gebeurd is. De geheele stad is er vol van. Weet gij dan van niets?quot; — „Wat bedoelt gij?quot; vroeg de vreemdeling. — „Wel, weet gij niet, wat er gebeurd is met Jezus van Nazareth? Iedereen weet het. Hij was zulk een groot profeet, als er nooit is geweest; en wij dachten allen dat Hij de Messias was; zoo groot was Hij in woorden en werken. Wat waren wij allen blijde, bij de gedachte.

083

ocr page 687

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

dat eindelijk de Messias gekomen was! Maar onze overpriesters, die Hem haatten, hebben Hem ter dood veroordeeld, en hebben Hem laten kruisigen. Wij begrijpen niet, hoe zij het hebben kunnen doen! Wij hadden Hem zoo lief! Maar wat ons nu zoo smartelijk aandoet, is dit: dat die Jezus dus niet de Messias geweest is, en dat wij ons bedrogen hebben! Want een Messias zou niet hebben kunnen sterven door zijn vijanden; Hij zou zeker allen overwonnen hebben. Voelt gij nu, hoe wij zoo bedroefd kunnen zijn?quot; Zoo verhaalden de twee mannen alles aan den vreemdeling; en zoo klaagden zij hem de oorzaak van hun droefheid.

Zwijgend liep die vreemdeling naast hen.

„Maar,quot; zoo gingen de twee mannen openhartig verder, „nu weten wij geheel niet meer, wat wij denken moeten. Want heden morgen gingen eenige vrouwen naar zijn graf, en zij hebben het graf ledig gevonden. Niemand weet, waar zijn lichaam gebleven is. Bovendien verhaalden die vrouwen ons, dat twee engelen haar verschenen zijn, en dat die engelen zouden gezegd hebben, dat Jezus niet meer dood is, en dat Hij opgestaan is. Wij kunnen bijna niet denken, dat het mogelijk is, hoewel wij blijde zouden zijn als het waar was.quot; Terwijl zij dit verhaalden, zagen zij als menschen, die bedroefd waren, en die geslingerd werden tusschen hopen en vreezen.

„Waarom zon het niet mogelijk kunnen zijn, wat de vrouwen gezegd hebben?quot; zoo begon nu de vreemdeling; „als gij de profetieën kent, en weet wat de profeten van ouds gezegd hebben, dan zou u dat niet onmogelijk toeschijnen! Waarom gelooft gij de profetieën zoo moeilijk?quot; En de vreemdeling zeide hun dit, met een toon, alsof zij wel een berisping verdiend hadden om hun traag geloof en weinige kennis van de oude profetieën. Verbaasd zagen de twee mannen op. „Zeker hebben de profeten dat alles voorspeld!quot; hervatte de vreemdeling. En al voortwandelende, verklaarde Hij hun, hoe de profeten hot alles vooruit gezegd hadden, dat als de Messias kwam. Hij sterven zou, en dat eerst na dat sterven de heerlijkheid van den Messias komen zou; en dat dus die Jezus van Nazareth, juist omdat Hij gekruisigd was, het bewijs had van de ware Messias te zijn.

Kleopas en zijn vriend, die de woorden der oude profeten wel kenden, gevoelden, dat die vreemdeling waarheid sprak, en blijde werden zij er onder;

684

ocr page 688

DE EMMAÜSGANGERS.

hun oude hoop herleefde weer; en bij zichzelven zeiden zij: „Die vreemdeling weet niet, hoe blijde Hij ons maakt met zijn woorden!quot;

Zoo waren zij, al loopende, bij het dorp gekomen, bij Emmaus. De lange weg had hun toegeschenen zeer kort te zijn. Zij hielden stil voor een huis, waar zij wilden binnengaan. „Gaat gij verder?quot; zoo vroegen zij aan den vreemdeling, die afscheid van hen wilde nemen, en die zijn weg scheen te willen vervolgen; „dat moest gij niet doen! Blijf bij ons, en ga mede naar binnen; daar is hier plaats ook voor u, om te overnachten; zie maar, de avond is gedaald: de zon zal weldra onder zijn!quot; En vriendelijk drongen zij hem; en weldra was hij als gast mede binnengegaan in hun huis, en zat hij met hen aan den avonddisch, die hun bereid werd.

Alsof de vreemdeling hier geen gast, maar de gastheer was, zoo nam hij het brood in de handen; zoo sprak hij er den zegen over uit, en zoo brak hij het in stukken, terwijl hij de stukken rondgaf. Verbaasd zagen zij op. Hoe? Wat was dat? Alsof hun iets van de oogen afviel, zoo zagen hun oogen op eens. En wat zij zagen, dat was. . . Jezus zeiven, Jozns, die daar voor hen zat aan de tatel, en hun het brood gaf. Zij sprongen op; — maar op hetzelfde oogenblik was Hij verdwenen; en zijn plaats stond ledig aan de tafel.

„Dacht ik het niet, onderweg!quot; riepen beiden tegelijk, „dat het de Heere was? Voelde ik hot niet aan mijn hart?quot; En die twee mannen staarden elkander in het gelaat, als twee blijden, die nu nog maar één spijt hadden, namelijk dat het jammer was, dat de Heere verdwenen was juist in het oogenblik, dat zij Hem herkend hadden. „Hij leeft dus!quot; riepen zij opgetogen; „en wij hebben ons dus toch niet bedrogen: Jezus van Nazareth is de Messias!quot; En zonder dralen gingen zij, als menschen die maar door één gedachte bezield waren, het huis weer uit, den weg op, naar Jeruzalem terug, om het aan de andere vrienden te verhalen, dat zij den Heere gezien hadden, en dat Hij leefde.

Daarbuiten op den weg ging het reeds donker worden; en de weg was lang naar de stad. Maar hun voeten waren niet moede; alsof die voeten geschoeid waren met vleugelen, zoo liepen zij; en in hun hart was het licht, helder licht.

-o-^jX^-o---

685

ocr page 689

VERSCHIJNING AAN DE TIEN DISCIPELEN.

de stad gekomen verhaalden de twee Emmaüsgangers het aan iedereen, dien zij ontmoetten, van de vrienden des Heeren, wat hun gebeurd was. De vrienden antwoordden: „Ook Petrus heeft ons verteld, dat hij den Heere gezien heeft!quot; Bij zichzelven zeiden de vrienden; „Nu wordt het hoe langer hoe waarschijnlijker, dat het toch waar is, dat Jezus uit den dood is opgestaan; maar wij kunnen het toch nog moeilijk gelooven!quot; Het feit was te wonderlijk in hun oogen; bijna iedereen zeide: „Ik moet Hem eerst zelf zien, voor ik het geloof.quot;

Zoo zaten op dienzelfden laten avond tien discipelen van Jezus bij elkander; het waren de elven zonder Thomas. Zij dachten niet over slapen, al was het reeds zeer laat; hoe konden zij slapen! Hun hart was te vol over alles van wat zij dien dag hadden gehoord; en hoewel zij hun avondmaaltijd, die op tafel stond, reeds lang hadden genuttigd, zij dachten er niet over om uit elkander te gaan.

De deur van het vertrek, waar zij zaten, was gesloten, en wel gegrendeld, uit vrees voor de Joden. Do discipelen achtten zich namelijk in de stad niet goed veilig. „Do Joden hebben onzen Heer gekruisigd,quot; zoo spraken zij; „wie weet, of zij heden of morgen ook ons niet gevangen nemen, en ter dood laten brengen?quot; Zij dachten er aan, hoe Jezus eens gezegd had: „Een discipel is niet meer dan zijn heer!quot;

Terwijl zij zoo bij elkander zaten, stond plotseling Jezus in hun midden. Hij was niet door de deur binnengekomen; maar plotseling zagen zij Hem, eensklaps, voor zich, in zijn schoone heerlijke gedaante,#met de handen wijd uitgebreid, terwijl van zijn vriendelijken mond deze woorden afkwamen: „Vrede, zij ulieden!quot;

Zij verschrikten zoo hevig, dat zij geen woord konden uiten, en van hun plaats zich niet bewegen konden; met bleek gelaat, mot wijd open oogen staarden zij Hem aan. Een enkele, die tot zijn bezinning het eerst terugkwam, fluisterde met vreeze het zijn naaste in het oor: „Hot is een geest!quot; En die

ocr page 690

VERSCHIJNING AAN DE TIEN DISCIPELEN.

mannen hadden wel terug willen deinzen, zooals bijgeloovige menschen voor een geest terugdeinzen, als zij zich hadden durven bewegen.

Vriendelijk sprak Jezus: „Waarom fdjt gijlieden zoo ontroerd? Meent gij, dat ik een geest ben? Tast mij aan; een geest heeft geen vleesch en been, gelijk gij ziet, dat ik heb. Ik lien het zelf, uw Heer! Ziet maar mijn handen en voeten!quot; En de discipelen kondon aan die handen en voeten de teekens zien, van de nagelen, die men bij de kruisiging door die handen en voeten heengedreven had. Maar zij konden het van blijdschap nog niet gelooven.

De Heere was niet toornig om hun ongeloof; maar even vriendelijk als daarjuist, sprak Hij, om hen te overtuigen: „Hebt gij hier iets om te eten?quot; En Hij zette zich aan de tafel, zooals Hij vroeger zoo dikwijls onder hen had gezeten aan de tafel; en Hij at voor hun oogen van wat daar nog van den maaltijd overig was, een stuk van een gebraden visch, en honigraat.

Langzaam, langzaam bekwamen do discipelen van hun verwondering; zij geloofden; en wat zij toen spraken, en wat zij toen doden, het was al van blijdschap en van innige liefde. Alle vrees was geweken. Die mannon aanbaden. ;,Heb ik liet u niet gezegd, dat ik van den dood zou opstaan?quot; vroeg Jezus bun toen; „altijd heb ik u er op gewezen, dat in de psalmen en in de profetieën het van mij geschreven stond, dat ik lijden moest, en dat ik sterven moest, en dat ik weer opgewekt zou worden. Nu ziet gij, dat het alles is gebeurd!quot; In hun hart voelden de discipelen, dat zij nooit meer twijfelen mochten, of Jezus wel de ware beloofde Verlosser was; dat was nu meer dan ooit duidelijk, en volkomen bewezen; zij schaamden zich, dat zij er ooit aan getwijfeld hadden.

Nog vele dingen sprak Jezus tot hen in dien avond; maar één ding vooral trof hen mot diepe ontroering, dat namelijk de Heere hun een bevel gaf, om nu predikers te gaan worden in zijn plaats, en dat zij aan alle volken moesten gaan verkondigen bekeering en vergeving van zonden, van de stad Jeruzalem te beginnen.

Toen de Heere in dien avond uit hun oogen verdween, even plotseling als Hij gekomen was, waren die mannon niet bedroefd meer, niet bevreesd meer, zooals zij dien ganschen zondag geweest waren; maar moedig en blijde zagen zij de toekomst in. „Hij leeft,quot; zeiden zij vroolijk, „en wij hebben ons

687

ocr page 691

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

toch niet bedrogen, Hij is de Messias! God .heeft het nu zelf getoond, door Hem van de dooden op te wekken!quot;

Het is sedert dien zondag geweest, dat alle Christenen, als het zondag is, gedenken aan de opstanding van den Heere, en dat die dag een feestdag-voor hen is, telkens als zij er maar aan denken.

--o-iamp;Qr0--

few»n die gansche week verscheen Jezus niet meer aan de verblijde ' vrienden. Maar op den volgenden zondag zagen hun oogen Hem weder.

VERSCHIJNING AAN DE ELF DISCIPELEN.

Die verschijning was aldus.

Op den vorigen zondag was Thomas niet tegenwoordig geweest bij de verschijning des Heeren aan zijn discipelen. Wellicht was het door zijn diepe neerslachtigheid geweest, dat hij zich van de andere broeders had afgezonderd. Zooals iemand, die in zijn smart zegt: „Laat mij alleen zijn!quot; 200 had hij alle anderen ontweken op eenzame plaatsen.

De discipelen hadden diep medelijden met zijn smart, want hij had ook zijn Heer zeer liefgehad; en zij hadden beproefd hem op te beuren, en weer in hun kring op te nemen, wat eerst bij hem afstuitte, maar wat toch langzamerhand een weinig gelukte; hij was weer bij hen in hun gezelschap, en sprak ook weer met hen. Toch scheen hij ontroostbaar. Ook toen de tien vrienden hem betuigden, dat hij niet meer behoefde te treuren, omdat hun Heer leefde, dewijl zij Hem gezien hadden, — ook toen bleef hij ontroostbaar; dat kon hij niet gelooven. Zij moesten zich vergist hebben, zoo meende hij; dat kon niet wezen. „Al zag ik Hem zelf,quot; zoo antwoordde hij hun altijd, „dan zou ik mijn eigen oogen nog niet eens gelooven. Eerst als ik de teekenen zie in zijn handen, en die met mijn vinger betast, en eerst als ik het teeken zie van de wond in zijn zijde, en die met mijn hand betast, eerst dan wellicht zou ik het ook gelooven. Maar het kan immers niet!quot; De discipelen wisten niet, wat zij met den neerslachtigen man doen moesten; toch waren zij blijde, dat hij

688

ocr page 692

VERSCHf.TNTNG AAN DE ELF DISCIPELEN.

zich ten minste weer bij hen voegde; want zij hielden allen veel van den trouwen Thomas.

Zoo zaten zij dan op dozen tweeden zondag wederom bij elkander, terwijl Thomas ook in hun midden was. Zie, daar was plotseling de Heere weer in hun midden, evenals de vorige maal, heerlijk en schoon, met uitgebreide handen, en met dezen zegengroet: „Vrede zij nlieden!quot;

Zonder de anderen verder toe te spreken, richtte de Heere zich aanstonds tot Thomas. „Thomas!quot; zoo sprak Hij, „kom hier bij mij. Zie mijn handen, en voel of de litteekens der nagels hier in zijn. En voel aan mijn zijde, of daar het litteeken is van de speerwond! Wees niet ongeloovig, maar geloovig!quot; Verbaasd zag Thomas op. Wie had het Jezus gezegd, dat hij die woorden tot zijn medediscipelen gezegd had? Die Heer was alwetend! Beschaamd was hij over zijn ongeloovige woorden, meer beschaamd dan hij zeggen kon. En met spijt, dat hij zoo ongeloovig geweest was, zonk hij neder, voor de voeten van Jezus, en stamelde hij: „Mijn Heer en mijn God!quot; Vriendelijk richtte de Heere hem op, terwijl Hij deze woorden tot hem zeide: „Nu gij mij gezien hebt, Thomas! gelooft gij! Zalig zijn zij, die niet gezien hebben en toch gelooven!quot;

Lang nadat Jezus weer verdwenen was, kun Thomas, door zijn gansche leven heen, die woorden niet meer vergeten, dat dat te hooger geloof was, naarmate men minder aanschouwde. En de latere Christenen, die nooit den Heere gezien hadden, en toch in Hem geloolden, waren blijde bij zichzelven onder de gedachte: „De Heere heelt ons zalig gesproken, omdat wij zoo doen.quot;

VERSCHIJNING AAN HET MEER VAN

TIBERIAS.

Onderscheidene dagen gingen voorbij —, dat de discipelen te Jeruzalem bleven, zonder een nieuwe verschijning van hun Heer te hebben. Zij herinnerden zich, dat Jezus aan de vrouwen gezegd had den ^ discipelen te boodschappen om naar Galilea te gaan, en dat zij Hem

089

ocr page 693

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

daar zien zouden. Daarom, dat zij nu naar hun eigen provincie terugkeerden bij het meer van Tiberias, en daar afwachtten, wat gebeuren zou.

In ledigheid daar in hun huis neer te zitten, was niet iets voor die mannen. Ook dreef de behoefte aan brood hen wellicht tot arbeid. En Petrus zeide daarom op zekeren avond tot de andere mannen, die bij hem waren: „Ik ga weer visschen, zooals ik vroeger gedaan heb.quot; — „Dan gaan wij mede!quot; zeiden de anderen. En zoo geschiedde het, dat tegen het invallen van den nacht een zevental der discipelen het meer opvoeren, de netten uitwierpen, en beproefden of zij iets vangen konden, Zij deden den ganschen nacht hun werk, maar niets, niets vingen zij. Dat was een teleurstelling, die zij vroeger meer hadden ondervonden.

Toen de morgen begon aan te breken, zagen zij, terwijl zij op een afstand van tweehonderd el langs de kust heenvoeren, een man aan het strand staan. De nevels trokken op over het water, en werden door den morgenwind reeds verdeeld en weggedreven; maar zij konden de gedaante van den man toch nog niet duidelijk onderscheiden. „Kinderen!quot; zoo riep die man over het water tot hen, „hebt gijlieden niets voor uw maaltijd gevangen?quot; — „Neen!quot; riepen de visschers terug. „Werpt het net dan aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vangen!quot; was het antwoord van den wal. En de mannen, die door dit wonderlijke woord iets gingen bevroeden, terwijl zij zich iets dergelijks uit de vroegere dagen herinnerden, gehoorzaamden, als die bij zichzelven dachten: „Zou dat onze Heer niet zijn?quot;

Nauwelijks waren de netten ter rechterzijde uitgeworpen, of zij zagen, dat zij ze niet langer in het water behoefden te laten; zij liepen vol van visschen. „Dat is zeer zeker de Heere!quot; sprak Johannes tot Petrus; en daar was geen onder de zeven mannen, die er aan twijfelde. Zoo blijde was Petrus er over, dat hij den Heere weerom zag, dat hij geen oogenblik langer kon wachten met Hom te ontmoeten. Hij sprong van het schip af in zee, en zwemmende bereikte hij weldra het strand.

De andere discipelen hadden wellicht wel hetzelfde willen doen; maar zij dachten aan hun vangst; zij roeiden het schip naar den wal, het net achter zich aansleepende, en alle krachten hadden zij noodig om het net mede te krijgen;

690

ocr page 694

VERSCHIJNING AAN HET MEER VAN TIBERIAS.

zoo zwaar en vol was het net. Maar toen ook zij aan land gesprongen waren en het schip vastgelegd hadden, lieten ook zij de vangst liggen, zooals zij lag en liepen zij tot waar Jezus stond. Blijde en vol eerbied begroetten zij Hem.

Daar stond hun Heer, schoon, en vriendelijk zooals altijd. Een kolenvuur zagen zij dichtbij op den grond branden; en viseh en brood lag daarop. „Haalt van uw visch, die gij gevangen hebt,quot; zeide Jezus; „wat hier op het vuur ligt is niet genoeg voor ons allen.quot; En toen Petrus, van de anderen geholpen, nu het net aan land optrok, en de visschen uitzocht, stonden zij nog meer verbaasd, dan zij reeds geweest waren; want zij telden niet minder dan honderd drie en vijftig groote visschen. „Dat het net niet gescheurd is!quot; zeiden zij, terwijl zij elkander aanzagen.

Dicht bij het vuur gingen die mannen zitten, met Jezus. Van de visch aten zij, en van het brood aten zij; zooals zij vroeger meermalen met Jezus gedaan hadden. Maar zij durfden bijna niet spreken, en niets vragen. Hoewel de vraag in hun hart was: „Heere! waarvoor verschijnt gij heden aan ons?quot; zoo spraken zij die vraag toch niet uit; onbetamelijk vonden zij het, om nieuwsgierigheid te toonen. Zij wachtten tot Hij sprak; en weldra sprak Hij; het was tot Petrus, dat Hij zich richtte.

„Simon, zoon van Jona,quot; zeide Hij, „hebt gij mij lief, meer dan deze andere discipelen mij liefhebben?quot; Eensklaps dacht Petrus er aan, dat hij eens gezegd had, dat hij den Heere meer lief had dan de discipelen Hem liefhadden, want dat hij, al verlieten zij Hem allen. Hem toch niet verlaten zou; en hij dacht er met schrik aan, want hij wist wat hij dien nacht daarna gedaan had. En het was met dien schrik, dat hij antwoordde: „Ja, Heere! gij weet dat ik u liefheb!quot; — „Weid dan mijn lammeren,quot; zeide Jezus.

Na een oogenblik zwijgens vroeg de Heere het hem weer: „Simon, zoon van Jona! hebt gij mij lief?quot; En Petrus' antwoord was wederom als van een, die zichzelven veel te beschuldigen had: „Ja, Heere! gij weet, dat ik u liefheb.quot;-.,Hoed dan mijn schapen,quot; zeide Jezus.

Zwijgend zaten al de mannen rondom. En het was voor de derde maal, dat Jezus het hem vroeg: ;,Simon, zoon van Jona! hebt gij mij lief?quot; Toen was het, dat Petrus opsprong, de tranen zich in de oogen voelde opkomen, en bij

691

ocr page 695

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEKEN.

zichzelven dacht: „O Heere! wel heb ik het verdiend, dat mij dat drie malen vraagt; drie malen heb ik u ook verloochend!quot; Hij had wel willen weenen op dat oogenblik, en aan Jezus' voeten zich willen nederwerpen. Met moeite, zooals een, die bijna niet spreken kan van snikken, antwoordde hij: „Heere! gij weet alle dingen; gij weet dat ik u liefheb!quot; En hij zeide het als een, die wist, dat hij den schijn tegen zich had, maar als die tegelijk een beroep deed op de alwetendheid van zijn Heer. „Weid dan mijn schapen!quot; sprak Jezus toen uok vuor de derde maal.

Toen wisten, niet alleen Petrus, maar ouk de andere discipelen, dat Jezus-het hem vergeven had, dat hij Hem verloochend had; en zij wisten het tegelijk, door dat herhaald uitgesproken: „Hoed mijn schapen!quot; dat Petrus door Jezus weer als discipel was aangenomen, en in het apostelschap was hersteld. Daar waren zij allen blijde om; want zij hielden allen veel van den eerlijken sterken Petrus. Petrus zelt' dacht in zijn hart: „Heere! nu gij mij vergeeft, zult gij het zien: nimmermeer verloochen ik u; trouw zal ik u wezen tot den dood!quot; En alsof Jezus zijn gedachten beantwoordde, zoo sprak Hij tot hem: „Gij zult de gelegenheid hebben om voortaan die trouw te toonen; want voorwaar zeg ik u: toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet gij, waar gij wildet; maar wanneer gij oud zult geworden zijn, dan zult gij de handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en u brengen waar gij niet wilt!quot; En onder dat woord 'verblijdde zich die discipel, als bij de gedachte: „Goed, ik wil wel martelaar voor Jezus worden; alles heb ik nu voor Hem over! Ik zal Hem niet meer teleurstellen!quot;

Nog meer spraken die mannen met hun Heer, daar aan het strand op dien morgen. Maar toen Jezus weer plotseling uit hun midden verdwenen was, en zij hun netten en hun visch opbergden in het schip en terugzeilden naar hun stad, toen leefde deze gedachte in hun hart: „Dit is voor het laatst, dat wij visschen gevangen hebben; wij gaan nu visschers van menschen worden.quot;

In hun stad aangekomen, namen zij afscheid van al hun vrienden, en gingen zij samen op reis naar Jeruzalem. Daar zou hun arbeid beginnen, dat wisten zij.

--0-^(^0 .......

692

ocr page 696
ocr page 697

-

_

ocr page 698

den weg opging naar Bethanio, den weg, dien zij zoo dikwijls met Hem gegaan waren. Zij waren er niet meer verwonderd over, dat Hij luin verscheen, en dat Hij daar midden onder hen medeliep. Waar zouden die mannen nog verwonderd over moeten wezen?

Vele dingen sprak Jezus daar met hen op dien weg, zooals iemand die wist, dat het voor het laatst was, dat zij Hem zagen; zij voelden dat Hij ging scheiden, maar konden het zich niet goed voorstellen wat dat zijn zou, zonder Hem. Zijn laatste bevelen gaf Hij hun daar. Voorloopig moesten zij te Jeruzalem blijven. Want binnen niet vele dagen, dan zou Hij hun den Heiligen Geest zenden, dien Hij hun beloofd had. Vóór dien tijd moesten zij nog niet met prediken beginnen; maar eerst dan, als de Heilige Geest over hen uitgestort zou zijn, eerst dan moesten zij aanvangen met de verkondiging van zijn Evangelie; en dat Evangelie moesten zij dan brengen tot alle mensehen, zoover als er maar menschen op de wereld woonden; en die zij dan in het Evangelie onderwezen hadden moesten zij ook doopen, doopen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. Dat waren altemaal duidelijke woorden voor hen; die bevelen verstonden zij; en zij beloofden ze te volbrengen.

Zoo sprekende waren de discipelen met hun Heer don Olijfberg opgegaan; zij stonden nu op den top des bergs, ver van de menschen in de groote stad Jeruzalem, welke stad ginds op den anderen berg tegen hen over lag. Als mannen, die dachten: „Wat zal er nu geschieden?quot; zoo stonden zij daar rondom Jezus. En niet lang zouden zij wachten om het te weten.

Hen aanziende met dat zachte vorstelijke gelaat, dat zij nimmermeer zouden vergeten, sprak Jezus deze woorden tot hen: „En nu, vreest niet! Ik

DE HEMELVAART.

ocr page 699

ben met n tot aan de voleindiging der wereld!quot; Tegelijk breidde Hij zijn handen zegenend over hen uit; en reeds zagen zij, terwijl Hij hen zegende, dat zijn voeten niet meer op de aarde stonden, dat Hij zich boven hen verhief, dat Hij steeg, hooger, den hemel te gemoet, — totdat een wolk zich om Hem hulde en zij begrepen, dat zij Hem voor het laatst hadden gezien. Him oogen hadden wel een blik in den hemel willen hebben; maar wat zij zagen aan den hemel, was niets dan de witte wolk, die daar dreef langs de blauwe lucht.

Nog staarden zij opwaarts, toen plotseling twee engelen naast hen stonden, in schitterend witte kleeding, „Wat ziet gijlieden naar den hemel?quot; zoo spraken de schoone gestalten; „zijt gij bedroefd, omdat uw Heer van 11 is weggegaan? Hij zal weder terugkomen! Verblijdt u!quot; Maar straks waren ook de engelen weer plotseling verdwenen. En wat de discipelen zagen, was niets dan de gewone wereld, die zij altijd zagen: boven hen, de blauwe lucht; vóór hen aan de overzijde van het dal, Jeruzalem; en hier vlak bij hen de boomen en de steenen van den Olijfberg.

ocr page 700

DE HEMELVAART.

Zooals menschen, die tot zichzelven komen, zoo gevoelden zij zich; en zooals menschen, die de onzienlijke wereld schooner vinden dan de zienlijke wereld. Zij zouden wel bedroefd willen zijn; maar denkende aan de woorden der twee engelen, die hun nog in de ooren klonken, vertroostten zij zich, als bij de gedachte: „Hij zal weerom komen, en wij hebben Hem niet voor het laatst gezien!quot; Ook zeiden zij tot elkander, terwijl zij den berg afdaalden, naaide stad terug: „Dit is het, wat Hij ons altijd heeft voorzegd, maar wat wij nimmer hadden begrepen!quot; Zij begrepen, dat Hij nu weer bij zijn Vader in de hemelen was, en dat Hij daar weer op den troon des Vaders ging zitten, aan Zijn rechterhand, om weer te regeeren over den hemel en de aarde. Voor zichzelven hadden zij hun Heer gaarne hier gehouden; maar voor Hem zeiven, waren zij blijde, dat Hij weer in den hemel was, van waar Hij gekomen was.

Niet bedroefd meer, maar blijde waren die mannen, toen zij de poort van de stad weer Intraden; en zij hadden het moedig aangezicht als van mannen, die dachten: „Nu gaan wij de wereld overwinnen!quot;

Sedert dien dag is het, dat ieder Christen, als men hem vraagt: „Waar is Jezus, uw Heer?quot; met blijdschap antwoordt: „Hij is in den hemel, op den troon van God, aan Zijn rechterhand.quot; Terwijl de Christen dan tegelijk bij zichzelven denkt: „Maar Hij zal toch nog eons terugkomen, zooals beloofd is! Wanneer zal dat toch zijn? Kwam Hij maar!quot;

DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN

GEEST.

ien dagen waren voorbijgegaan sedert de hemelvaart van Jezus; en in dien tijd waren de discipelen steeds bij elkander gebleven, lachtig aan de belofte, die de Heere hun gedaan had, eer Hij van hen 6 scheidde. „Hij heeft gezegd,quot; zoo spraken zij onder elkander, „dat het niet vele dagen zijn zouden: dus zal het nu spoedig geschieden, dat de Heilige

697

ocr page 701

Geest over ons zal uitgestort worden.quot; Zij waren er blijde om, dat het reeds zoo spoedig geschieden zou; want zij verlangden om met prediken te beginnen. Ook hadden zij in dien tijd in de plaats van Judas eeft ander gekozen. „Wij moeten weer met ons twaalven zijn;quot; hadden zij gezegd; en een zekere Matthias, die hun allen wel bekend was als een der trouwste vrienden van Jezus, werd in hun kring als de twaalfde aangenomen.

Toen die tiende dag aanbrak, was het voor de Joden een groot feest, het Pinksterfeest. Het was een oogstfeest; veel menschen kwamen dan van buiten in de stad, om de eerstelingen van hun oogst in den tempel aan God als offers aan te bieden, uit dankbaarheid, dat God hun arbeid op het land weer gezegend liad. Uit het geheele land stroomden de menschen dan naar Jeruzalem met hun gaven; ja, zelfs uit andere landen, waar maar Joden woonden, kwamen er, in groote getalen. Dat was altijd een vroolijk wederzien in de gastvrije huizen; en een blij feest was het dan ook altijd voor het volk.

Het was in den morgen. Een groote schare was naar den tempel gestroomd;

ocr page 702

DE UITSTORTING VAN DEN HEILIGEN GEEST.

de Voorhof was vol menschen; en ook in de nabijheid van den tempel waren pleinen en straten gevuld. Veel vreemdelingen merkte men daar op; Joden, uit alle oorden der wereld, die de reis hierheen gemaakt hadden, en die samen met de burgers van de stad den tempeldienst gingen bijwonen.

In een der bijgebouwen van den tempel, dat op het plein uitkwam, waren ook de discipelen samengekomen; eenigszins afgezonderd van de andere Joden. Hun hart was vol van gedachten, bij het aanschouwen dier groote schare. „Hoe weinig weten die menschen,quot; zoo dachten zij, „dat de Messias, waar zij zoo naar verlangen, reeds gekomen is! En wat zouden zij gelukkig zijn, als zij, zooals wij, ook konden gelooven in Jezus.quot; Eendrachtig zaten zij samen, de discipelen, terwijl hun gebed opklom tot God in den hemel.

Terwijl zij zoo biddende waren, hoorden zij plotseling een geluid, als het .geluid van een stormwind. Daar buiten op het plein was het slil in de lucht; blauw was die lucht; en holder scheen de zon aan een stillen hemel. Maar in het vertrek, waar zij zaten, daar was het geluid van den stormwind. Van waar was die wind? En hoe kwam het, dat die sterke wind alleen hier was? Ook de menschen op het plein hoorden het geluid, en kwamen verwonderd toeloopen.

En te meer waren die menschen verwonderd, toen zij in dat vertrek ook vlammen vuurs zagen, die zich bewogen, en die, zich voortbewegende, eindelijk stilstonden boven de hoofden der discipelen, zoodat die mannen daar zaten, elk met een vlam vuurs op het hoofd, zonder dat die vlam hun haren zelfs maar verzengde. Dat was wonderlijk.

En steeds meer menschen kwamen, en verdrongen zich op het plein voor de open deuren van de zaal waar de discipelen zaten. Kreten van verbazing uitten zij tegen de discipelen, in al de verschillende talen, die zij, de vreemdelingen, spraken, terwijl, — nog grooter wonder, — de discipelen hun antwoordden en met hen spreken gingen, ook in de verschillende talen, waarin zij toegesproken werden. Vanwaar kenden de discipelen op eens al die talen, en wie had ze hun geleerd? Aan de verbazing der menschen kwam geen einde; en het gedrang der nieuwsgierigen werd steeds grooter; ook zeide ieder het zijne daarvan, luide, terwijl toch niemand verklaren kon, wat deze dingen beteekenden.

Onder de menschen, die luide hun opmerkingen er over maakten, waren

ocr page 703

BTJBELSCHE GESCHTEDENTS VOOR KINDEREN.

ook eenige spotters, die riepen: „Komt, laat u met die mannen niet in! Gelooft niet, dat hier bijzondere teekenen van God geschieden! Zij hebben wijn gedronken, die mannen; en zij zijn dronken! Vandaar die vreemde woorden, die zij spreken! Gelooft niets van wat zij zeggen!quot; Vijandige menschen waren die spotters, die wel wisten, dat deze mannen discipelen van Jezus waren, en die niet wilden, dat die discipelen aanhang onder het volk zouden krijgen, met de leer aangaande Jezus, die zij reeds bezig waren daar in dien oogenblik aan iedereen in diens eigen taal te verkondigen.

Bijna verontwaardigd over die vijandschap, vol geestdrift, kwam Petrus naar voren. Stilte verzocht hij, terwijl hij wenkte met de hand. En met een luide stem beginnende te spreken, zoodat ook de achterste rijen op het plein hem konden verstaan, zeide hij: „Dit is geen dronkenschap, mannen broeders!-zooals die spotters daar zeggen; want het is eerst de derde ure van den dag! Maar ik zal u zeggen wat het is, en wat hier van God geschiedt! Heeft God niet in den ouden tijd beloofd door Zijn profeten, dat de dag komen zou, waarop Hij Zijn Heiligen Geest zou uitstorten, niet maar op enkele profeten, maar op al de kinderen zijns volks? Gij weet, dat God dat beloofd heeft! Welnu, die dag is gekomen. Wat hier geschiedt, is dit: den Heiligen Geest heeft God hier over ons uitgestort; en op iedereen van u, die wil, zal God ook Zijn Geest uitstorten!quot;

Verbaasd over de woorden van Petrus, waren de menschen stil geworden op het plein; aandachtig luisterden zij, toen hij zijn hand ophief, en voortvoer: „O mijn broeders! gij allen weet, wat kort geleden in deze stad is geschied; hoe Jezus van Nazareth hier onder ons leefde en wonderen deed, zooals niemand ooit heeft gedaan; hoe velen onder ons hoopten en zeiden: ziedaar de Messias! En gij allen weet, hoe Hij gedood is geworden aan het kruis als een misdadiger; en hoe het gansche volk toen gezegd heeft; Hij kan de Messias niet geweest zijn, want ziet. Hij is gestorven! Welaan, zoo zeggen wij u: Hij is toch de van ouds beloofde Verlosser. God heeft het Ons zelf getoond; want God heeft Hem opgewekt! quot;Wij getuigen het u! Wij hebben Hem levend gezien! Daar is zonde over dit volk, over dit volk, dat den Verlosser gedood heeft, die van God beloofd en van God gezonden was!quot;

700

ocr page 704

petrusquot; prediking op het pinksterfeest.

ocr page 705
ocr page 706

i

HET WONDER BIJ DE SCHOONE POORT. 703

Veel en lang sprak Petrus, de moedige, die geen vrees meer kende. En toen hij ophield, was er geen spotter meer, die nog lachende woorden durfde spreken. Neen, angst was er gekomen in de gemoederen dier duizenden, die daar stonden. „Wee! wij hebben onzen Messias gekruisigd!quot; riepen sommige stemmen. En zij sloegen zich op de borst, in hun schuldgevoel, evenals op dien vrijdag, toen zij van het kruis wedergekeerd waren naar de stad. „Wat moeten wij doen?quot; riepen zij; „hoe kunnen wij onze zonde ongedaan maken?quot; — „Bekeert u,quot; riep Petrus; „gelooft ook dat Jezus waarlijk uw Verlosser is, zooals wij het gelooven; God wil ook die zonde vergeven, gelijk Hij alle zonde nu vergeven heeft door het offer dat de Christus aan het kruis heeft gebracht! Bekeert u, en wordt ook geloovig!quot; En dringend sprak hij weer tot de schare, vol van den Heiligen Geest; terwijl ook de andere apostelen, die zich onder de schare mengden, hun getuigenis bij het zijne voegden.

„Wij voegen ons bij u!quot; riepen sommige stemmen; „wij gelooven ook!quot; En steeds meerdere stemmen gingen het roepen. Velen hieven handen ten hemel, en riepen luide om vergiffenis; velen knielden neder, en aanbaden in den geest den Heere, dien zij hadden helpen kruisigen.

En toen de middag voorbijging, en eindelijk de menschen het plein gingen verlaten, naar huis, toen waren er onder die schare bijna slechts weinigen, die niet heengingen als wedergeboren nieuwe menschen, die den Heere nu liefhadden, zooals zij Hem eerst hadden gehaat. Ook de apostelen gingen toen huns weegs, de stad in, moedig en sterk, als die het weer voelden; „Wij gaan de wereld overwinnen! Voor Jezus is de wereld!quot;

In alle huizen werd er dien dag gesproken over wat er op het tempelplein was geschied. Het gansche volk, de burgers en de vreemdelingen, — zij waren ontroerd. En in den Raad der priesters, waar de bitterste vijanden van Jezus zaten, staken de priesters de hoofden bijeen, en zagen zij elkander ontrust aan. „Wat zal hiervan worden?quot; zoo zeiden zij; „dit is nog slechts de eerste dag, dat de discipelen van den Nazarener begonnen zijn met hun prediking; wat zal het morgen zijn, en de volgende dagen, als zij met hun prediking doorgaan?quot; Voor hun gevoel was het, als wankelden de priesterzetels, waarop zij zaten.

Het getal der menschen, die op dien Pinksterdag tot het geloof in Jezus

ocr page 707

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

bekeerd waren, was drie duizend. Zij werden duur de apustelen geduopt; en

vanzelf werd tuen de doop een onderscheidingsteeken tusschen de menschen die %

in Jezus geluufden, en die niet in Hem geloufden. Die drie duizend menschen vurmden de eerste Christelijke gemeente, die er op aarde geweest is. En het Pinksterfeest werd in latere jaren voor hen vanzelf niet meer een oogstfeest, maar een feest, waarbij zij gedachten aan de uitstorting des Heiligen Geestes, en waarbij ieder Christen dacht: „Mocht uok ik zooals die apostelen zijn, vol zijn van den Heiligen Geest!quot;

------o^lt;^o -----

HET WONDER BIJ DE SCHOONE POORT.

^^^^g^feeinige dagen later ging Petrus met Johannes tegen den namiddag op het gewone uur, dat in den tempel het gebed placht te ge-vT Or' schieden, naar den tempel. Vele menschen gingen de poort door, die ^ naar den Voorhof leidde. Dat was een zeer prachtige poort, die bij het volk den bijnaam had gekregen van „de Schoone Poort.quot; Daar zat een man, die kreupel was van zijn geboorte af, en die aan de tempelgangers een aalmoes vroeg. Een goede plaats was het om te bedelen; en eiken dag liet hij zich hierheen brengen dour zijn verwanten; hij leefde van de gaven, die hij zoo kreeg. Toen Petrus en Johannes de poort wilden doorgaan, vroeg de arme ook hun om een aalmoes. .,Zie ons aan!quot; antwoordde Petrus hem; „goud ot zilver heb ik niet! Wij kunnen het u niet geven!quot; En teleurgesteld trok de arme zijn hand reeds terug. Doch reeds sprak Petrus verder: „Maar wat ik heb, zal ik ii geven! In den naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta up en wandel!quot; En nauwelijks was dit wourd uitgesproken, uf duur meer dan menschelijke kracht genezen, sprung de lamme plotseling overeind, rechtop zijn beenen. Hij wist nauwelijks wat hem geschied was, zoo snel was liet gegaan; maar in zijn blijdschap sprong hij, en juichte hij. Het eerste wat hij deed, was mede den tempel naar binnen gaan, met de andere menschen, tusschen Petrus en Johannes in. Zijn mond stond niet stil van lof en dank aan God,

704

ocr page 708

die hem genezen had; hij riep het luide in den Voorhof, zoodat allen het hoorden. Verwonderd kwamen al de menschen om de drie mannen heen staan ; iedereen had den kreupele al lang gekend; en was hij nu genezen ? Hoe was het gekomen? Wie had dat gedaan? Aller oogen waren op de twee apostelen.

„Gij mannen!quot; zoo sprak Petrus tot de schare, „wat ziet gij ons zoo aan? Meent gij, dat wij in onze eigen kracht dit wonder hebben gedaan? Neen! In den naam van Jezus hebben wij tot dezen man gesproken! En het is Jezus Christus geweest, die hem genezen heeft, zoodat hij nu gezond hier voor u staat!quot; En zonder dralen nam de apostel de gelegenheid te baat om aan de schare wederom te prediken, dat zij allen in Christus moesten gelooven, en ook discipelen van Hem moesten worden. Lang was hij hiermede bezig, en vurig waren zijn woorden. Maar nog eer hij alles gezegd had, wat hij aan de menschen wilde zeggen, kwamen daar van de andere zijde van den Voorhof de priesters aangeschreden, deftig en eerwaardig in hun sierlijke kleederen. Eerbiedig gingen de menschen op zijde; want trotsch en vertoornd stonden de aangezichten dier

45

ocr page 709

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

priesters. Luide verhieven /,ij hun stemmen, en gaven zij hun ontevredenheid te kennen, dat hier iemand in den naam van Jezus durfde prediken, en zeggen, dat Jezus uit de dooden was opgestaan. Was die Jezus niet een godslasteraar geweest? En hadden zij, de priesters, Hem niet terecht ter dood laten brengen? Dwaze menschen waren het, die deze twee apostelen wilden gelooven! En zonder dralen gaven zij aan do tempeldienaars bevel om de twee mannen gevangen te nemen; aan dat prediken zouden zij wel spoedig een einde maken. Zonder verzet gaven de twee mannen zich over; en niet vele oogenblikken later werden zij weggeleid, aan de handen gebonden, terwijl een booze lach op het aangezicht der priesters stond. Onder de menschen waren er velen, die het schande vonden van hun priesters, zou met twee goede mannen te handelen; maar zij durfden het niet luide te zeggen.

Den ganschen nacht bleven Petrus en Johannes gevangen, en den volgenden dag eerst werden zij door de priesters vrijgelaten. Hadden deze gedurfd, zij zouden de twee apostelen gedood hebben. Maar um den aanhang, dien zij reeds onder het volk hadden, waagden zij het niet. Toch dreigden zij hen, de zwaarste straften op hen te zullen toepassen, als zij weer met hun prediking voortgingen; en de twee apostelen voelden, dat die booze mannen in staat waren hun dreiging Ie volvoeren. Maar mot een moed, zooals de priesters nog nimmer van menschen gezien hadden, antwoordden de beide mannen: „Wij zullen God meer gehoorzamen dan u!quot; Toen zij weder do straat opgingen, den weg op naar hun huis, gingen zij als menschen, die bereid wtiren om eiken dood te ondergaan, dien zij om het Evangelie zouden moeten ondergaan. Die Petrus vreesde niemand meer.

In de vergaderingen der Christenen werden er in die dagen vele gebeden opgezonden, of' God toch Zijn jonge gemeente wilde beschermen; want allen voelden, dat de vervolging aanstaande was.

706

ocr page 710

ANANIAS EN SAFFIRA.

b^ooals die eerste Christenen in de gemeente te Jeruzalem elkander r liefhadden, zoo hebben zelden menschen elkander liefgehad. „Wij zijn allen broeders en zusters van elkander,quot; zoo zeiden zij, „en Christus is ons Hoofd.quot; Zij voelden, dat, gelijk Christus hen had liefgehad tot in den dood, zij nu ook evenzeer schuldig waren elkander lief te hebben. Zulks toonden zij door in eendracht en in vrede met elkander te leven. Die vroeger in twist met elkander geleefd hadden, zeiden nu: „God heeft in Christus ons al onze zonde vergeven, laten wij nu ook elkander vergeven!quot; en zij reikten elkander de hand, en gingen voortaan als broeders met elkander om. Ook toonden zij hun onderlinge liefde door elkander te helpen in alle nooden en moeiten. De rijken zeiden tot de armen: „Hebt gij geen brood? wij hebben overvloed!quot; en zij gaven van het hunne zoo rijkelijk, dat de armen verbaasd stonden; de liefde van Christus dreef de rijken daartoe. Zij noodigden de arme broeders in hun huis, ontvingen hen aan hun tafel, en deden dat van dag tot dag; zoo dat de armen moesten zeggen: „Nu kunnen wij zien, dat wij waarlijk als broeders en zusters door hen beschouwd worden!quot; Ja, zelfs waren er rijken, die het geld, dat zij hadden, met de armen deelden. „Wij willen niet rijker zijn dan gij,quot; zoo spraken zij. Ook verkochten zij hun akkers, en het geld, dat zij bij den verkoop daarvoor kregen, brachten zij bij de apostelen, terwijl zij zeiden: „Ziet, dat brengen wij u; verdeelt gijlieden dat aan do armere broeders; nu zijn wij niet meer dan zij!quot; En dat deden zij met blijdschap. Zoo deed ook een Leviet, Barnabas geheeten. Dank wilden do rijken daar niet voor hebben; zij deden het uit dankbaarheid aan Christus. Toch konden zij niet verhinderen eere daarvoor te ontvangen; want de armeren prezen hen daarvoor in de gemeente.

Do Joden in Jeruzalem, die deze dingen hoorden en zagen, begonnen den Christenen hierom groote achting toe te dragen. „De leer van Jezus is toch goed!quot; zoo zeiden zij; „ziet maar hoe de Christenen onder elkander leven!quot; En het werd oorzaak, dat nog meerdere Joden van dag tot dag zich bij de gemeente der Christenen aansloten, in Christus gingen gelooven, en zich ook heten

ocr page 711

BIJBELSCHE CtESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

doopen. Zoo klom het getal van de leden dier eerste gemeente tot vijf' duizend. God zegende Zijn volk des Nieuwen Verbonds.

Toch waren het niet allen eerlijke lieden, die zich bij de gemeente aansloten. Enkelen deden het uit winstbejag, of om een zekere eer te erlangen, of om andere redenen. Had de Heere niet voor Zijn gemeente gewaakt, er zou veel kaf onder het koren zijn gekomen, en de gemeente zou er schade onder geleden hebben. Zou waren er twee menschen, die ook Christenen geworden waren, en zich hadden laten doopen. Ananias heette do een; en de andere was zijn vrouw Safflra. Zij zagen de eer, die de armere broeders aan de rijkeren toedroegen, als deze hun geld en goed wegschonken. Gaarne hadden ook zij zulk een eer, en hot zou hen gevleid hebben ook in de gemeente hoog aangezien te zijn. Maar hun geld wegschenken, dat was hun een te groote opoffering. „Wat zullen wij doen?quot; zeiden zij tot elkander; hun gierigheid was even gioot als hun eerzucht. Ten laatste besloten zij tot het volgende. Zij verkochten hun land, dat zij hadden, verborgden een deel van het geld, dat zij er voor gekregen hadden, en het overige bracht Ananias naar de apostelen. „Ik ben met mijn vrouw overeengekomen om ook te doen zooals de andere rijke broeders; wij hebben alles verkocht, en geven u hier al het geld voor de armen.quot; Het was de Heere, die aan Petrus in dien oogenblik alles openbaarde, wat er in het hart van tien schijnheiligen man omging. „Ananias!quot; zoo sprak Petrus, „waarom hebt gij u door den Satan laten verleiden tot deze schijnheilige daad? En waarom liegt gij? Daar is niemand, die u bevolen heeft uw geld aan de armen te geven. Wat wij doen, doen wij vrijwillig. Hadt liet alles gehouden! Dat mocht gij immers? Waarom neemt gij den schijn aan van alles te geven, terwijl gij een deel van het geld verborgen hebt? Gij liegt niet tegen de menschen, maar gij liegt tegen God!quot; Verstomd stond die man; hij wankelde, hij viel, en toen eenige mannen toeschoten, om hem van den grond op te helpen, zagen zij, dat zij een doode in de armen droegen. „God heelt hem geoordeeld!quot; spraken zij met vreeze. Die mannen droegen hem weg naar de plaats, waar hij begraven werd.

Drie uren daarna kwam ook zijn vrouw Safflra tot de apostelen. Zij wist niet, waar haar man al dien tijd gebleven was; zij had nog niets gehoord

708

ocr page 712

VERVOLGING.

van de zaak. „Zeg mij,quot; zoo sprak Petrus, „hebt gij het land voor xooveel verkocht, als ik hier van uw man heb ontvangen?quot; — „Zeker!quot; zeide zij; en ook zij loog. „Hoe hebt gij met uw man kunnen besluiten om deze leugen tegenover God te doen? Wist gij niet, dat God daarover toornen zou? Ziet, de mannen, die Ananias dood van hier hebben weggedragen, staan buiten aan de deur om ook u uit te dragen!quot; En plotseling viel ook zij dood voor zijn voeten. Ook haar droegen de mannen uit; en zij werd begraven bij haar man.

De menschen hoorden het dien dag; en daar kwam een groote vrees over allen. „Hun eerzucht bracht hen tot schijnheiligheid,quot; zoo spraken de menschen; en zij beefden, als menschen, die dachten: „Laten wij toch rein zijn van alle zonde; want de Heere wil de zonde in Zijn gemeente niet hebben!quot; En het gevolg was, dat zij, die niet in waarheid zich wilden bekeeren, bij de gemeente zich niet aansloten; die bleven daarbuiten.

VERVOLGING

W)K-*^teeds grooter werd de gemeente van Jezus; altijd meer Joden gingen er over tot de Christenen. Wat hiertoe medewerkte, was vooral ook de wonderbare genezing van honderden kranken, die tot de Apostelen i) gebracht werden, en die door hou genezen werden, in den naam van Jezus; zoodat van al het omliggende land de menschen toestroomden met steeds meer kranken.

De rabbi's konden het niet langer aanzien. „Wat heeft het ons geholpen,quot; dus spraken zij onder elkander, „dat wij Jezus hebben gedood? Nu loopen de scharen zijn discipelen na! En gaat het zoo voort, dan staan wij rabbi's weldra alleen, en loopt nog het gansche volk tot. het nieuwe geloof over.quot; En wat zij den Heer gedaan hadden, gingen zij ook den discipelen nu doen. De vervolging, die gedreigd had, ging losbarsten.

De apostelen werden gevangen genomen. Hoewel zij in dienzelfden nacht door een engel Gods, die de deur der gevangenis opende, bevrijd werden.

709

ocr page 713

710 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

zoodat zij den volgenden morgen weer vrij en openlijk in den tempel stonden en predikten; hoewel een ieder in Jeruzalem dus zien kon, dat God hen bijstond en beschermde, en rechtvaardigde, — zoo werkte dit bij de rabbi's slechts uit, dat zij des te meer verbitterd werden, en zich verhardden. Nogmaals namen zij de apostelen gevangen. Weer geboden zij hun om de prediking na te laten; en als om het hun te toonen, dat zij van zins waren nog zwaardere straffen toe te passen, lieten zij hen geeselen. Met vreeselijke dreigingen zonden zij hen toen heen. Maar die dappere mannen verblijdden zich, dat zij waardig waren geacht om smaadheid en smarten te lijden voor den naam van hun Heer. Zij gingen toch voort met hun prediking in den tempel en in de huizen; en de gemeente breidde zich aldoor uit.

Omdat de gemeente steeds grooter werd, en zich vooral van de armen velen bij haar voegden, konden de apostelen zeiven door hun velerlei arbeid niet meer goed den tijd vinden om voor de nooden dei- armen te zorgen. Daarom dat zij besloten om mannen aan te stellen, die zich geheel aan den nood der armen wijden konden. Zeven mannen werden daarvoor uitgekozen, die goed ter naam bekend stonden; en hun werd nu in het bijzonder opgedragen om de weduwen, de weezen, de kranken op te zoeken, en te zorgen, dat zij aan geen ding gebrek leden. Armverzorgers of diakenen werden zij genoemd.

Vreemd zag de wereld biervan op; zoo iets was op de gansche wereld nog nooit gebeurd. Deze nieuwe instelling trok ieders aandacht. Maar de menschen, die buiten de gemeente stonden, moesten het toch erkennen: „Daar is veel liefde onder de Christenen; ziet slechts, hoe zij voor hun weduwen, hun weezen, en voor hun armen zorgen!quot;

Een dezer eerste diakenen heette Stefanus. Hij was een man vol van geloof, en moed, en wijsheid. Ook hij deed vele wonderen onder het volk. Hij beperkte in zijn arbeid zich niet alleen tot hot bezoeken der kranken; maar predikte ook waar en wanneer hij maar kon. Zonder vrees ging hij in de synagogen der Joden, om daar in hun samenkomsten het Evangelie te verkondigen. Wel spraken daar de rabbi's hem dan tegen; en openbare twistgesprekken gaf dat; maar als de menschen van de synagoge naar huis gingen.

ocr page 714
ocr page 715
ocr page 716

VERVOLGING.

zeiden zij, dat Stefanus recht gesproken had, en dat de rabbi's ongelijk hadden. Dit verbitterde de rabbi's nog meer.

Bij een oploop, waarbij zij slechte menschen hadden omgekocht en opgehitst, wisten zij Stefanus gevangen te nemen. En weldra stond Stefanus voor den Joodschen raad, beschuldigd van lasterlijke en goddelooze leeringen.

Het was een schoon gezicht, dien jongen Christen daar te zien tegenover al die oudere eerwaardige leeraars en priesters der Joden; en om hem daar zich te zien verantwoorden met een moed en een welsprekendheid, zooals die rabbi's zelden gehoord hadden. Menschen, die er bij tegenwoordig waren geweest, zeiden later, dat zijn aangezicht toen geweest was als het aangezicht eens engels. Al sprekende werd zijn verantwoording een Evangelieprediking; al sprekende werd zijn Evangelieprediking een beschuldiging tegen zijn rechters, dat zij de tegenstanders van God en van Zijn woord waren. Steeds vuriger werd zijn rede; de woorden stroomden; en elk woord was een wond in de booze harten zijner rechters. Zij konden het niet meer honden; de toorn kwam in hun oogen; zij balden de vuisten; zij sprongen op van hun zetels. En zij kwamen naar hem toe, en sloegen hem, en grepen hem, en sleurden hein ter raadszaal uit, naar buiten, onder het geschreeuw: „Sterven moet hij! Steenigt hem!quot; Het was een schandelijk gezicht, die oude, die vele priesters zich te zien vergeten in hun woede, - tegenover dien eenen jongeling, die niet weerom-sloeg, maar die daar stond, met het gezicht eens engels, met een lach op het gelaat, als een, die blijde was om voor zijn Heer smaadheid temogen lijden. In zijn blijde verrukking staarde hij omhoog, met glinsterende oogen. „Ik zie de hemelen geopend!quot; riep hij; „ik zie Jezus, aan de rechterhand van God op den troon! Zie, daar staat Jezus op van zijn troon; Hij komt mij te gemoet! Hij wil tegen mij spreken!quot; Maar een slag voor zijn mond belette hem meer te zeggen.

Men bracht hem de straten door, de poort van de stad uit. Daar buiten op het veld, onder een toeloop van een groote schare menschen, werd hij gesteenigd. In den kring van zijn verbitterde vijanden stond hij. Groote steenen slingerden zij hem tegen het hoofd, tegen dé borst, van alle zijden. Die held klaagde niet. Rechtop, sterk, met het aangezicht naar den hemel, verdroeg hij alle smart, en alle wonden. Het bloed liep hem over de oogen en over het

713

ocr page 717

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

gelaat. Maar straks wankelde hij, en viel hij. „Heere Jezus, ontvang mijn geest!quot; riep hij uit. Steeds vielen de steenen over hem heen. Nog eenmaal richtte hij zich overeind op de knieën, met zijn laatste kracht. „Heere! reken hun deze zonde niet toe!quot; was zijn laatste gebed. Toen troffen hem de steenen, dat hij stierf. Een verbrijzeld hoofd, verbrijzelde ledematen, een misvormd lichaam, lag daar neder. Maar een sterke, heilige heldenziel steeg opwaarts, en werd verwelkomd in den hemel door Jezus, die opgestaan was van zijn troon om hem, Stefanus, te begroeten, den eersten martelaar voor Jezus.

De vervolging was gekomen. „Wie van ons zal morgen moeten sterven?quot; vroegen de Christenen elkander; maar zij vroegen het, niet als vreesachtigen,

maar als helden, die bereid waren.

----

DE BEKEERING VAN PAULUS.

jn de dagen, die op den dood van Stefanus volgden, werden op last van den Joodschen Raad nog meer menschen gevangen genomen, mannen en vrouwen. De Raad was besloten het jonge Christendom uit te roeien, en voor geen maatregelen terug te schrikken. Velen werden gegeeseld; velen werden -gesteenigd; en ware de gemeente in dien druk door haar Heer niet gesterkt, de vervolging /.ou haar vernietigd hebben. Verscheidene Christenen ontvluchtten het gevaar des doods; zij gingen de stad uit, en verstrooiden zich naar Samaria, of waar zij zidi maar veilig achtten. Onder degenen, die bleven, en alle gevaar trotseerden, waren de apostelen. „Wij mogen niet wijken,quot; zeiden zij; „wij moeten de schapen hoeden, die aan ons hier zijn toevertrouwd.quot;

Het was evenwel juist door de vervolging, dat het Christendom zich nog meer uitbreidde. Want overal, waar de uit Jeruzalem gevluchte Christenen zich vestigden, ontstonden op hun prediking weer nieuwe gemeenten. Zoo te Samaria; en tot in het noorden des lands had men weldra de Christelijke gemeenten. De Joodsche Raad zag met steeds grooter grimmigheid, dat het getal Christenen aldoor grooter werd, niettegenstaande de vervolging.

714

ocr page 718

DE BEKEERING VAN PAULUS.

Een der felste vijanden van het Christendom was een zekere Saulus.

Hij was geboortig uit Tarsen, een stad in Klein-Azië; woonde nu te Jeruzalem, en bereidde zich hier op een der scholen voor tot het ambt van rabbi. Hij was nog een jong man, leerde ijverig, en verwierf zich deswege den lof zijner leeraren; en te meer verwierf hij zich dien lof door zijn vurige gehechtheid aan den ouden Joodschen godsdienst, en zijn even vurigen haat tegen het Christendom, en tegen al wat nieuw was.

Hij kon niet anders denken, of Jezus was een bedrieger geweest, die met nieuwe goddelooze leeringen was opgetreden, en die den schijn had aangenomen van de Messias te zijn, en die daarom te recht den dood had ondergaan. Hij kon niet anders denken, of die apostelen waren eveneens bedriegers en goddelooze menschen, die den ouden godsdienst der vaderen verwoestten, en die de domme scharen verleidden dooi' hun prediking. En vurig als hij was, gaf hij openlijk dien rabbi's gelijk, dat zij do Christenen vervolgden; ja, in zijn ijver ging hij zelf heen, en drong hij in de huizen, waar hij wist dat Christenen woonden, en sleepte hij mannen en vrouwen on kinderen voor den Raad. Als zij tot de gevangenis of tot den dood veroordeeld werden, verblijdde hij zich als een die wenschte, dat alle Christenen dat lot mochten ondergaan. Zoo had hij zich ook over den dood van Stefanus verblijd, terwijl hij er bij gestaan en het aangezien had. De leeraars hadden geen ijveriger discipel, geen vuriger aanhanger, geen getrouwer handlanger; de rabbi's prezen den jongen man zeer.

Wel kwam het dikwijls in den jongen man op, dat hij niet recht deed, zooals hij deed; maar dan stelde hij zijn kloppend geweten gerust met de gedachte: „Ik ijver toch voor don dienst van God!quot; En in zijn gevoel meende hij zelfs ook werkelijk een aan God welgevallige daad te doen met de Christenen uit te roeien. Wanneer hij alzoo tegen zijn geweten inging, was hij als de ossen voor den wagen, die onwillig achteruitslaan, als zij den wagen niet trekken willen, maar die dan juist door dat achteruitslaan zich de verzenen verwonden tegen de prikkels, de ijzeren punten vóór aan den wagen; hoe meer de ossen achteruitslaan, hoe meer zij zich de verzenen verwonden! Hoe meer Saulus tegen zijn geweten inging, hoe meer hij zich ongelukkig gevoelde! Met al zijn ijver voor den ouden dienst der Joden, was er in gansch Jeruzalem geen man, rampzaliger in zijn gevoel dan hij!

715

ocr page 719

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Toen hij op zijn hartstochtelijke wijze bijna de gansche Christelijke gemeente te Jeruzalem uiteengejaagd had, en hoorde, dat de verstrooide Christenen overal elders nieuwe gemeenten gingen stichten, kwam de gedachte in hem op, om hen ook daar op te zoeken, en evenzoo te vernietigen. Te Damaskus, had hij vernomen, bloeide er een nieuwe gemeente op, die toenam in aantal en kracht. En naar den hoogeprioster ging Saulus, met verzoek om ook daar te mogen doen wat hij in Jeruzalem gedaan had. Gaarne gaf hem de hoogepriester die toestemming, terwijl hij hem prees; en brieven van aanbeveling gaf hij hem mede aan de Joden te Damaskus om hem behulpzaam te zijn in het godgevallig werk, dat hij er voornemens was te doen. En weldra was Saulus, met de mannen die hij medekreeg, op reis, op den weg naar Damaskus.

Hij was niet ver meer van het doel van zijn reis; reeds zag hij in de verte de stad voor zich liggen, - toen plotseling midden op den weg een licht, dat van den hemel daalde, hem omscheen. „Een verschijning Gods!quot; dacht de jonge man; „een verschijning Gods, die ik waardig gekeurd word om mijn ijver!quot; En aanbiddend viel hij neder, in bevende verwachting. Maar hoe teleurstellend, en hoe vreeselijk was de schrik, toen uit dat hemelsche licht deze stem hem toeklonk: ..Saul, Saul! wat vervolgt gij mij?quot; — „Wie zijt gij, Heere?quot; vroeg hij, die teleurgesteld was. „Ik ben Jezus, dien gij vervolgt!quot; was het antwoord; en het woord, dat er bij kwam, was dit: „Het is u hard om de verzenen tegen de prikkels te slaan!quot; liet licht, dat toen plotseling voor zijn ziel opging, was heller dan het licht, dat hem daarbuiten omscheen. In een oogwenk stond de vraag voor zijn geest: „Is Jezus, dien ik veracht en gehaat heb, dan geen misleider geweest? En is Hij nu die schitterende gestalte, die in dat hemelsche licht voor mij staat?quot; En in een oogwenk stond ook die andere vraag voor zijn geest: „Dus heb ik gedwaald, gedwaald in mijn ijver? En dus heb ik al die moorden tegen rechtvaardigen bedreven, die beter zijn dan ik?quot; Hij boog zich nog dieper met het aangezicht in het stof van den weg, als een, die voor het eerst al de schuld van zijn zonde gevoelt. En uitroepende in zijn smart, zonder dat hij het aangezicht durfde opheffen, was het als de stem eens radeloozen, die toen klonk: „Wat moet ik doen? Wat wilt gij, dat ik doen zal, o Heere?quot; —

710

ocr page 720

IL

71'

I Éi

'Ui'

„Ga in de stad, en aldaar zal u gezegd worden, wat gij doen zult!quot; was al de aanwijzing, die hij ontving. En plotseling was ook het gezicht verdwenen. De vreeselijke vervolger had zijn Heer gezien.

Toen hij opstond, was hij blind, Sanlus. Hij kon bijna op zijn voeten niet staan. De mannen, die met hem reisden, kwamen toe, grepen hem bij de hand, en leidden hem, zooals men een blinde leidt. Die mannen hadden wel een stem gehoord, maar geen gestalte in liet licht gezien. Zij vroegen, verbaasd, aan Sanlus, wat het geweest was, en wat hem overkomen was; maar hij gaf geen antwoord. Als een gebroken man werd hij de stad binnengeleid. In het huis van een zekeren Judas werd hij gebracht; in een der vertrekken werd hij nedergezet. Men bracht spijze; maar de blinde wilde niet eten. Kn toen de nacht kwam, wilde hij niet slapen. Ook den volgenden dag weigerde hij spijze; het was drie dagen dat hij niet at, en niet dronk. Zwijgend zat die blinde, met niemand een gesprek begeerende, aan de hevigsle wroegingen ten prooi; soms opstaande, soms op de knieën neervallende, biddende, zonder dat iemand wist, wat hij bad.

i h

ii

4 li

ocr page 721

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Op don derden dag, zie, tuen kwam er een man bij hem binnen, een oud, eerwaardig man, die naast hem ging staan, waar hij zat. „Saul, broeder!quot; zoo sprak deze man tot hom, „de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, die u verschenen is op den weg; Hij heeft mij gezonden, opdat gij wederziende, en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.quot; Eer Saulus kon nadenken over de woorden, die deze man tot hem sprak, was hot hem plotseling als vielen er schillen van zijn uogen, en — iiij zag, hij zag! Do man, dien hij voor zich zag, was een van de Christenen in Damaskus, die hij had willen dooden. Ananias heette dio man, die eerst, toen de Heere hem in een gezicht gezegd had zich tot Saulus te begeven, gevreesd had om het te doen, maar die niet meer gevreesd had, toen de Heere hem gezegd had: „Zie, hij zal een apostel van mij zijn!quot; Ananias deelde het Saulus mede, dat Christus hem riep om een prediker van het Evangelie te zijn onder alle heidenen, en dat hij als apostel veel lijden zou voor den naam van Jezus.

Van dien dag at was Paulus geen Jood meer, maar een Christen. Hij werd gedoopt. Do vervolger was een discipel van Jezus geworden; en die discipel zou een apostel zijn.

------

^^oewel er in die dagen vele Romeinen in Palestina woonden, zoo waren er nog geen andoren dan alleen Joden tot het Christendom

DE EERSTELING UIT DE HEIDENEN.

overgegaan. De apostelen hadden zich in hun prediking ook tot niemand anders gericht, dan tot de Joden. Het zou hun niet in de gedachte gekomen zijn, om het Evangelie ook aan de heidenen te verkondigen; zij dachten dat het Evangelie alleen voor Gods uitverkoren volk Israel was. De tijd kwam echter, dat zij het beter leerden begrijpen.

Te Cesarea, een stad aan de zee, lag oen Romeinsche bezetting. Do Romeinen hadden in vele steden soldaten gelegd, om het land in rust te houden,

718

ocr page 722

DE EERSTELING UIT DE HEIDENEN.

en een mogelijken opstand der Joden te verhinderen. De hoofdman, die te Cesarea over de soldaten het bevel voerde, was een zekere Cornelius.

Vole krijgstochten had hij vroeger medegemaakt in veel deelen van de wereld, overal waar zijn keizer hem heengezonden had; en zoo was hij hier met zijn bende, ver van zijn vaderland, door zijn keizer geplaatst, onder de bij de andere volken zoo verachte Joden. Cornelius was, zooals alle Romeinen, heiden. Maar hier in het Joodsche land had hij geleerd, dat zijn afgoderij dwaasheid was, en had hij geleerd om den eenigen waren God te aanbidden. Daar was hij den Joden zeer dankbaar voor; hij verachtte dat volk niet meer, waar hij zijn godskennis nu aan te danken had; en hij deed dat volk wel, zooveel hij kon. De vroegere heiden was een vroom man geworden; hij bad veel, en hij gaf veel aalmoezen, zooveel hij maar helpen kon. Naar den trant der Joodsche leeraars, die het hem geleerd hadden, dacht hij: „Ik zal veel goede werken doen, dan zal ik zeker zalig worden!quot; Geheel gelukkig was hij echter niet bij die gedachte; want altijd moest hij daarbij denken: „Maar hoe zal ik nog ooit kunnen zalig worden? Want de werken, die ik doe, zijn niet goed!quot; In zijn ootmoed bad hij dan des te meer, om vrede voor zijn hart; en zijn gebeden waren niet te vergeefsch.

Op zekeren dag kreeg hij een gezicht: een engel kwam van den hemel tot hem af, die tot hem sprak: „Cornelius! uw gebeden en uw aalmoezen heeft God gehoord en gezien; God is het niet vergeten. Hij zal u verhoeren. Zend daarom mannen naar de stad Joppe tot Petrus, en laat hem bij u komen. Deze Petrus ligt te huis bij een zekeren Simon, een lederbereider, die zijn huis bij de zee heeft. Petrus zal u zeggen, wat gij voor uw zaligheid doen moet!quot; En toen was die engel verdwenen.

Blijder boodschap had Cornelius niet kunnen vernemen. Twee van zijn dienaars, met nog een zijner soldaten, van wien hij wist, dat ook hij een vroom man was, riep hij aanstonds bij zich; en nog dienzelfden avond gingen die mannen op reis om Petrus te halen. Den volgenden dag bereikten zij Joppe.

Terzelfder tijd, dat die mannen de stad naderden, was Petrus tegen den middag het dak opgeklommen Van het huis waar hij tijdelijk was, om daar op

719

ocr page 723

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

het dak te bidden. Dikwijls kon men tegen den middag de vrome Israëlieten op het dak hunner huizen zien, bezig in het gebed. Ook Petrus had zich aan die gewoonte gehouden. Beneden in het huis was men bezig het middagmaal te bereiden; en welkom was dit aan Petrus, want hij had honger.

Terwijl hij wachtte, kreeg hij een gezicht. Hij zag den hemel geopend, en een groot laken zag hij afdalen, dat aan de vier uiteinden vastgehouden werd; tot op de aarde werd het laken afgelaten. Toen zag hij daarin allerlei dieren, wilde dieren, kruipende dieren en vogels; terwijl een stem van den hemel hem toeriep: „Sta op, Petrus! slacht en eet!quot; Het waren juist de dieren, die de Joden nooit gewoon waren te offeren en te eten, en die zij onreine dieren noemden. Aanstonds antwoordde hij dan ook: „Neen, Heere! dat zal ik niet doen! Want ik heb nooit iets gegeten, dat niet mocht! Onreine dieren zijn dit!quot; Maar nauwelijks had hij dit gezegd, of de stem van den hemel liep terug: „Wat God rein verklaart, zult gij niet meer onrein achten!quot; Tot driemalen toe sprak die stem dezelfde woorden; maar ook tot drie malen toe antwoordde Petrus met zijn weigering. Toen zag hij hoe het laken weder opgetrokken werd naar den hemel. En het gezicht was verdwenen. Petrus kwam tot zichzelven, en hij vond zichzelven biddende, op de knieën, zooals hij te voren geweest was.

„Waarvoor heb ik dit gezicht gehad?quot; zoo peinsde hij; „wil God mij er iets mede te kennen geven?quot; Plij wist niet wat of hij er van denken moest. Maar het zou hem weldra duidelijk worden. Want op hetzelfde oogenblik stonden de drie mannen van Cornelius voor de poort, waar zij aanklopten, en zeiden dat zij Petrus wenschten te spreken. Weldra verhaalden zij hem, waartoe zij gekomen waren.

„Hoe?quot; dacht Petrus, „word ik door een heiden geroepen, om hem het Evangelie te komen prediken? En heeft een engel Gods hem dat zeiven aangezegd?quot; Hij stond verlegen met hot geval. „Ik meende,quot; zoo zeide hij bij zichzelven, „dat het Evangelie alleen voor do Joden was; de Joden zijn Gods uitverkoren volk; en zijn de heidenen niet onreine menschen, die bij God verworpen zijn, en voor wie de zaligheid niet is?quot; Hij wilde deze gedachten reeds voor de drie mannen uitspreken, toen hem plotseling dat woord inviel:

720

ocr page 724

DE EERSTELING UIT DE HEIDENEN.

„Wat. Gud rein verklaar!, zult gij niet meer onrein achten!quot; — „Ik liegrijp dat gezicht, dat ik gehad heb,quot; riep hij uit; ,,de Heere heeft mij er mede willen leeren, dat ik de unreine heidenen niet meer verwerpelijk mag achten, en dat ook zij deel mogen hebben aan de zaligheid in Christus!quot; En blijde was Petrus bij die gedachte. Vroolijk ging hij met de drie mannen naar Cesarea op reis, naar den heiden, naar Cornelius.

De hoofdman had in zijn huis zijn betrekkingen en zijn voornaamste vrienden genoodigd; zijn huis was vol. „Komt!quot; zoo had hij hun gezegd, „heden zal ons allen gepredikt worden, wat wij doen moeten urn zalig te worden!quot; En hij was blijde, dat zij allen gekomen waren.

Toen Petrus binnenkwam, trad hij hem te gemoet, en viel hij voor hem op de knieën ter aarde. Maar Petrus zeide: „Sta op, ik ben een mensch zooals gij, en niet meer!quot; In het gesprek, dat volgde, verhaalde de hoofdman zijn gezicht, dat hij gehad had; en nog meer werd de apostel nu overtuigd, dat ook de heidenen door God geroepen waren om zalig te worden. Met blijdschap verkondigde hij den aanwezigen het Evangelie: dat Christus dooi' zijn sterven voor hun aller zonden verzoening en vergiffenis verworven had.

Opgetogen waren die heidenen, dat niet meer alleen de Joden, maai' ook zij nu konden zalig worden; dankbaar, zooals mensehen, die het niet hadden gedacht. En in hun verrukking looiden en prezen zij God luide, terwijl de Heilige Geest hun harten vervulde. Op dienzelfden dag werden die heidenen gedoopt; zij waren de eerstelingen van de ontelbaren, die later komen zouden, en die, nog meerder dan de Joden, Christus' groote Kerk op de aarde zouden vormen.

De Christenen te Jeruzalem verwonderden er zich eerst over, dat ook heidenen tot de gemeente waren toegetreden. Maar toen Petrus hun alles verhaald had, waren ook zij verblijd. „Onze Christus is een Zaligmaker niet alleen der Joden, maar der gansche wereld!quot; riepen zij met vreugde; „en onze godsdienst zal wereldgodsdienst worden!quot;

--o-JoXg-o------

721

40

ocr page 725

HET EVANGELIE IIM KLEIN-AZIE EN IN

GRIEKENLAND.

Sftr$y*en van de grootste en voornaamste gemeenten der Christenen was te /6|n^V Antiochië. Jn Syrië lag deze stad, noordwaarts van Damaskus. Cloede voorgangers had die gemeente, onder welke voorgangers ook Saul us was, de vroegere vervolger der Christenen.

Na zijn bekeering was hij te Jeruzalem geweest en elders, overal getuigende, en bijna overal door de Joden vervolgd, die hem nu verachtten en doodelijk haatten; zoo was hij te Antiochië gekomen; en de Christelijke gemeente aldaar had niet het minst aan hem haar opkomst en haar bloei te danken.

Wat. Ananias eens aan hem gezegd had, namelijk, dat Christus hem tot een apostel onder de heidenen geroepen had, was hem altijd in de gedachten gebleven; en zoo besloot hij, toen de gemeente te Antiochië goed verzorgd was, om ook van daar te gaan, verder door steden en dorpen te trekken, zoo ver als zijn voeten hem dragen wilden, en overal het Evangelie te brengen. Hij spral? over dat voornemen met de andere broeders te Antiochië; God bevestigde dat voornemen in zijn hart; en weldra ving hij zijn groote zendingsreis aan, door Barnabas, een der andere voorgangers, vergezeld. Moedig en vol hoop gingen de beide mannen op weg, onbevreesd voor de gevaren, die hen wachtten.

Saulus, — of gelijk zijn naam in het Grieksch luidt: Paulus, — kwam met zijn metgezel in Klein-Azië. In alle steden, waar zij kwamen, wendden zij zich altijd eerst tot do Joden, om dezen voor Christus te gewinnen. Maar meestal werden zij door de Joden afgewezen, uit de synagogen geworpen, of zelfs erger mishandeld. Het deed Paulus en Barnabas veel leed, dat de Joden zich niet wilden laten bekeeren. Eerst als zij door de Joden werden afgewezen, wondden zij zich met hun prediking tot de heidenen. Deze hoorden gaarne het Evangelie, namen het aan, en lieten zich doopen.

Zoo ontstonden er overal in Klein-Azië nieuwe Christelijke gemeenten; maar bijna al deze gemeenten bestonden uit Christenen, die van te voren heidenen waren geweest. De Joden werden het Christendom hoe langer hoe vijandiger.

ocr page 726

Toen Paulus van zijn reis terugkeerde naar Antioclüö, van waai' hij uitgegaan was, verblijdden de i)roeders zich daar zeer over den uitslag van zijn reis. Zij prezen en dankten God voor de uitbreiding van het Christendom onder de heidenen in Klein-Azië, en eerden Paulus als een groot apostel en als een heldhaftig martelaar.

Maar Paulus bleef er zeer nederig onder. „Ik ben maar de minste der apostelen,quot; zeide hij; „ik ben een vervolger der gemeente geweest!quot; Hij kon dat nooit vergeten, en dacht in zijn ootmoed, dat al wat hij goeds kon doen tot uitbreiding van de gemeente nooit het kwaad evenaren zou, dat hij haar door zijn vroegere vervolgingen berokkend had.

Op een tweede zendingsreis, die hij ondernam, werd hij vergezeld door een zekeren Silas, en dooi' een jongeling, Timotheüs genaamd. Deze jongeling-was iemand, die reeds als knaap de Heilige Schriften gelezen en onderzocht had, en die een beslist en moedig Christen geworden was. Paulus hield veel van hem; als zijn zoon, zoo beschouwde hij hem.

ocr page 727

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Op cle/.e tweede zendingsreis bezocht Paulus ;il do vorige gemeenten, die hij gesticht had; en hij verblijdde zich, dat zij in zijn afwezigheid zoo toegenomen waren in aantal en in bloei. Daarom strekte hij nu zijn reis nog verder int, tot waar Klein-Aziö in het westen door de zee begrensd wordt. Dat was in het stadje Troas.

Hij had daar gedurende de laatste dagen in de naburige steden beproetd door zijn prediking de menschen voor Christus te winnen; maar, het was vreemd, al zijn arbeid was daar vruchteloos geweest. Alsof de zegen van zijn Heer hem verlaten had, zoo was hij geloopen van dorp tot dorp, maar het had niets uitgewerkt. Hij was zeer ontmoedigd, toon hij te Troas kwam. Wat moést hij doen? Hij liep. met zijn reisgenooten daar te Troas langs de zee; hij sprak met hen, over wat zij nu moesten aanvangen; maar als de avond viel over de zee, was zijn toekomst voor hem even donker als de zee, die zich daar voor hen uitstrekte. Moesten zij terugkeeren, weer naar Antiochiö?

Het was in een dier nachten, dat Paulus een droom had. In den droom was het hem, als stond hij weer aan het strand, bij de zee, en als zag hij uit naar de verte. Zie, hij zag het strand aan de andere zijde van de zee: rotsen, heuvels, bosschen; hij zag het duidelijk. En aan dat strand zag hij een man in de kleeding van dat land; smartelijk was het aangezicht van dien man; zijn handen hield hij uitgestrekt naar de zijde, waar Paulus zich bevond, als een, die dringend smeekt in zijn smart; en van zijn lippen kwam deze kreet: „Kom over, en help ons!quot; Den volgenden morgen wist Paulus, waar hij heen moest. „Wij gaan de zee over, en verder!quot; zeide hij tot zijn metgezellen; „de heiden wereld ginds heeft ons geroepen!quot;

En weinige dagen later waren zij in dat land over zee; Macedonië heette dat land. De groote heidenapostel stond met zijn voeten in Europa; en hij kwam er tien kreet der heidenwereld beantwoorden, die hem geroepen had met dat; „Kom over, en help ons!

De eerste stad, waar hij aankwam, was Pilippi.

Hier had hij aanstonds zegen op zijn prediking; binnen weinige dagen kende de geheele stad hem, zoo hadden alle menschen gezocht hem te hooren. Op de straat was hij van nieuwsgierigen genoeg omringd, telkens als hij overweg ging.

724

ocr page 728

Q

W N W

t', W H

s

O

C/3

fx5 Ö

W

H

H

O

s

i

ocr page 729

I

ocr page 730

HET EVANGELIE IN KLEIN-AZIË EN IN GRIEKENLAND. 727

Zoo volgde hem ook een krankzinnige vrouw, die aldoor uitriep; „Deze menschen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg dei-zaligheid verkondigen!quot; Verscheidene dagen deed zij dit, overal en altijd waar zij den apostel en zijn metgezellen maar aantrof. Wellicht was het een woord uit de prediking van Paul us, dat de krankzinnige had opgevangen, en dat zij nu altijd herhaalde. Op een woord van Paulus, wien dit zeer hinderde, en die toch diep medelijden met haar had, — op één woord van Paulus, in den naam van Jezus Christus gesproken, — werd de vrouw plotseling genezen, en was zij verstandig zooals de andere menschen.

Nu was deze vrouw een slavin. Haar meesters, wien zij toebehoorde, hadden naar de wijze van dien tijd van haar krankzinnigheid voordeel getrokken, door haar als waarzegster te gebruiken. Als de bijgeloovige menschen, die meenden dat men de toekomst wel te weten kon krijgen, bij do meesters dier slavin kwamen om hen over hun toekomst te raadplegen, dan werden tic krankzinnige woorden, die de vrouw uitstootte, uitgeduid ten gunste of ten ongunste des ondervragers. Men veronderstelde, dat een geest uit den hemel in zulke personen was komen wonen, en dat de woorden die zulke personen spraken, eigenlijk door dien geest gesproken werden. Daar dit raadplegen dei-krankzinnige waarzegster altijd voor geld ging, trokken haar meesters groot voordeel door haar.

Nu haar krankzinnigheid door de wonderlijke genezing in den naam van Christus geweken was, hielden ook haar krankzinnige woorden op; zij sprak als ieder ander; en zelve was zij verbaasd, als de menschen haar de toekomst vroegen. „Zij kan niet meer waarzeggenzeiden de bijgeloovige menschen; en zij gingen naar een ander. Hierdoor waren nu de meesters dier slavin al hun gewin voortaan kwijt.

Zij waren in woede ontstoken tegen Paulus, die de oorzaak hiervan was. Zij grepen hem en Silas, sleepten hen naar de overheid der stad en beschuldigden hen daar van ongeoorloofde zeden en van oproer. Zonder onderzoek liet de overheid de twee vreemdelingen daarvoor geeselen, en in de gevangenis werpen.

De geeseling was vreeselijk geweest; vele slagen had men den beiden mannen toegebracht op den ontblooten rug; want men had hen daartoe van

ocr page 731

728 BTJBELSCEïE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

te voren de kleedeivn van het lijf genikt. Uit vele striemen vloeide het bloed hun over den rug. En zoo werden zij in de gevangenis opgesloten, in den binnensten kerker, met de voeten in het blok. „Zorgt wM, dat die beide boosdoeners niet ontsnappen,quot; zoo had de overheid tot den cipier gezegd; „morgen zullen wij verder over hen beschikken!quot;

Hoewel Paulus en Silas de pijn der wonden zeer hevig gevoelden; hoewel zij zich niet bewegen konden, doordat hun voeten in liet blok gesloten waren; hoewel zij de vrees moesten hebben van den volgenden dag nog erger mishandeld of ter dood veroordeeld te zullen worden, — zoo waren zij toch niet mismoedig; blijde waren zij nog, dat zij voor den naam' van Christus verdrukking mochten lijden. En te middernacht zongen zij zelfs, zongen zij zelfs lofzangen aan God, die luide weerklonken tusschen de wanden van hun kerker. De andere gevangenen waren verbaasd over twee zulke mannen, en luisterden naar hun liederen.

Het was reeds eenigen tijd voorbij middernacht, toen plotseling een aardbeving de muren en de fondamenten der gevangenis deed wankelen, alsof het gebouw zou instorten. De deuren sloegen open, en van de gevangenen raakten de ketenen los, waarmede zij aan den muur waren gebonden geweest.

Verschrikt was ook de cipier uit zijn slaap ontwaakt. Nog meer verschrikt zag hij, dat de deuren wijd open stonden; hij meende, dat de gevangenen reeds bezig waren om te ontvluchten. „Wee mij!quot; zoo was zijn eerste gedachte; „nu moet ik morgen zelf sterven, omdat mijn gevangenen ontvlucht zijn!quot; En liever zelf de handen aan zich slaande, dan den volgenden dag met schande ter dood gebracht te moeten worden, trok hij zijn zwaard uit de scheede, en richtte hij de punt er van zich op de borst, — toen plotseling Paulus hem toeriep: „Doe uzelven geen kwaad! Want wij zijn allen hier!quot;

Verbaasd hield de cipier zijn hand in; om licht riep hij tot zijn dienaar; en toen deze het licht gebracht had, zag de verwonderde man, dat geen der gevangenen ontsnapt was, zooals Paulus terecht gezegd had. Hij sloot de deuren; hij legde de gevangenen weer vast; en hij kwam bij Paulus, die hem van den zelfmoord gered had, en wist niet, hoe dankbaar iiij hem zijn zou.

In zijn dankbaarheid bracht hij Paulus en Silas in zijn eigen woning;

ocr page 732

HET EVANGELIE IN KLEIN-AZIË EN IN GRIEKENLAND.

met zijn eigen handen waschte hij hun de wonden aan hun rug, en reinigde hij die wonden van hot bloed, dat er aan kleefde. In zijn dankbaarheid zette hij hun spijze voor, van het beste dat hij had. En eer dat die nacht om was, had Paul us ook hem met den Christus bekend gemaakt, was ook hij een geloovige geworden, en was ook hij gedoopt met al de leden van zijn huisgezin.

Wat er in dien nacht gebeurd was, werd den volgenden morgen vroeg reeds ter kennis van de overheid gebracht-. Goedgunstiger over Paul us en Silas gestemd, zoido daarom de overheid tot den cipier: „Laat die mannen los, en geef hun de vrijheid weder!quot; Blijde bracht deze de tijding tot Paulus en Silas. „Hoe?quot; zeide Paulus, „is het op die wijze, dat zij het recht handhaven, en zich van ons ontslaan? Eerst hebben die hoofdmannen ons onverhoord en onrechtvaardig laten geeselen, en nu zenden zij ons weg, zonder in de oogen van de andere burgers der stad onzen goeden naam te herstellen? Ga, en zeg dien hoofdmannen, dat wij Romeinen zijn, en dat zij een ding gedaan hebben, waarvoor zij ter verantwoording zouden kunnen geroepen worden! Zeg hun, dat zij zeiven hier komen, en voor do oogen van de gansche stad ons verontschuldiging aanbieden!quot;

Ontsteld zagen de hoofdmannen bij deze tijding op. „Zijn zij Romeinen? En wij dachten, dat zij maar Joden waren?quot; Zij wisten, dat niemand, die een Romein was, de vernedering van de geeselstraf mocht ondergaan; en zij waren hier dus hun bevoegdheid te buiten gegaan! Zij vreesden, dat Paulus hen daarvoor bij den landvoogd zou kunnen aanklagen. En in die vrees kwamen zij; ootmoedig boden zij verontschuldigingen aan; openlijk voor de oogen der andere burgers begeleidden zij de twee mannen de straten door. En het was eerst na die herstelling van eer en goeden naam, dat Paulus met Silas de stad verliet, om weer verder in andere steden zijn prediking voort te zetten.

Al reizende, kwam Paulus te Athene.

Athene was de hoofdstad van Macedonië. Rijk waren de burgers van die stad, als vorsten; ook waren zij geleerd in al de wetenschappen dier dagen, zoodat voorname jongelieden uit andere landen daar kwamen om er zich dnor

729

ocr page 733

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

de geleerden te laten onderwijzen; de Atheners werden geacht de fijnstbeschaafde menschen van dien tijd te zijn. Toch waren zij heidenen; want nog nooit was iemand het hun komen zeggen, dat er maar één God is. De weinige Joden, die er woonden, waren in de oogen der Atheners te verachte menschen, dat dat deze hen zouden hebben willen gelooven.

Met het stof van den langen weg op zijn voeten, kwam Paulus de stad binnen. Hij liep de schoone straten door, zooals een vreemdeling doet, die met verwondering zijn opmerkzaamheid aan alles schenkt. Hij zag de vorstelijke woonhuizen, de prachtige openbare gebouwen, de schoone kleeding der mannen en vrouwen op de straat; hij zag de geleerden met hun leerlingen, de aanzienlijke jongelingen; en hij zag ook de tempels, de vele tempels, zoo schoon als hij ze nergens gezien had, met de priesters, die allen wijzen geleken. „De burgers dezer stad zijn xeer godsdienstig op hun wijze,quot; zoo zeide hij bij zichzelven; .,hoevele rijke tempels hebben zij voor hun goden opgericht, voor eiken god een bijzonderen tempel!quot; En hij dacht reeds, hoe blijde hij zou zijn, als hij hun den eemgen waren God mocht prediken. Al voortwandelende had hij ook een altaar opgemerkt, waar deze woorden op te lezen stonden: „Aan den onbekenden God!quot; „Hoe?quot; dacht hij, „alle goden, die zij reeds kennen, aanbidden zij; en aanbidden zij ook zelfs in hun vroomheid een god, dien zij nog niet kennen, maar waarvan zij het bestaan bevroeden?quot; Zulk een verregaande vroomheid had hij nog nergens opgemerkt. Toch zag hij tegelijk, dat de burgers dier stad in hun wandel en in hun gedrag daarentegen zeer weinig vroom waren; de zeden waren daar zeer slecht; dit had hij ook trouwens reeds vroeger gehoord. Hij brandde van begeerte om voor die menschen te prediken.

Hij bezocht in de eerste dagen de Joden in de synagoge, en predikte hun eerst het Evangelie; maar weldra richtte hij zich tot de heidensche Atheners zei ven.

Hij had opgemerkt, dat hot de gewoonte der Atheners was om allen dag samen te komen op de markt, op hel groote plein, waar zij dan, onder de koele zuilenrijen wandelende of op de marmeren banken gezeten, hun uren doorbrachten in gesprek over al het nieuws van den dag; daar kwamen de menschen gaarne, want zij hielden van gesprek en waren nieuwsgierig van

730

ocr page 734
ocr page 735
ocr page 736

HET EVANGELIE IN KLEIN-AZ1Ë EN IN GRIEKENLAND.

aard. Daar mengde hij zich onder dc inenschen, en sprak hij met iedereen, die hem hooren wilde, over den nieuwen godsdienst, dien hij er brengen wilde; en vanzelf wilden zij hem hooren, zij waren nieuwsgierig van aard.

Hij trok de opmerkzaamheid genoeg; want ieder zag, dat hij een vreemdeling-was. Hij trok ook de opmerkzaamheid der geleerden, die daar met hun leerlingen rondliepen; en die hem ook, tot meerder onderwijs van hun leerlingen, zijn geloof lieten uiteenzetten, en dan spitsvindig hem bestreden. Sommigen, die met hem daar in het openbaar redetwistten, en van hem overtuigd werden, keerden zich wrevelig van hem af, en zeiden: „Hij is oen dwaas! Hij verhaalt ons fabelen!quot; Want Paulus had hun ook van de opstanding der dooden gesproken. Maar anderen, wier nieuwsgierigheid nog meer geprikkeld was, verzochten hem een toespraak tot allen te houden, opdat ook de achtersten hem zouden kunnen verstaan. En daartoe brachten zij hem op een heuvel dichtbij, den heuvel Areopagus genaamd, met een groot plein rondom een gebouw van dien naam.

Staande op de trappen van dat gebouw, hield Paulus daar een rede tot de duizenden, die daar samengestroomd waren, een rede, zoo welsprekend, zoo schoon, zoo nieuw, als de Atheners van hun welsprekende wijzen nog nimmer hadden gehoord.

„O Atheners!quot; zoo begon hij, „vrome menschen zijt gij; want ik heb uw vele tempels bezichtigd! Zelfs de goden, die gij nog niet kent, wilt gij dienen! Want door uw straten gaande, heb ik een altaar gezien, waar gij deze woorden op gebeiteld hebt; Aan den onbekenden God. Welaan, wilt gij in uw godsdienstigheid zelfs een God dienen, dien gij niet kent, ik ken Hem, en ik zal u dien God prediken!quot; En voortgaande maakte hij de verzamelde menigte den dienst van den eenigen waren God bekend, zooals de Atheners het nog nimmer hadden vernomen. Lang sprak hij, en vurig, zooals hij zelden gedaan had, als een, die brandend begeerde deze groote stad voor Christus te winnen. Maar toen hij opgehouden had, en het volk zich weer verstrooide, gingen de meesten lachend naar huis, druk met elkander sprekende, met harten zooals toen zij gekomen waren, nieuwsgierig naar weder ander nieuws, dat hun belangstelling kon gaande maken.

73H

ocr page 737

BTJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Zeei' enkelen geloofden, onder welke een rechter, Dyonisius.

Eenigszins ontmoedigd, en bezorgd over de toekomst van xulk een groote stad, verliet Paulus na eenigen tijd Athene, om weer elders te arbeiden. Toch ontstond ook daar een gemeente. Zonder vrucht liet zijn Heer hem nergens.

Te Corinthe kwam hij, een stad aan Athene gelijk in rijkdom, geleerdheid en slechte zeden. Hier bleef Paulus een jaar en zes maanden, met het gevolg, dat hij een groote gemeente om zich verzamelde.

Te Efeze kwam hij, op zijn terugreis, in-Klein-Azië. Ook daar stichtte hij een gemeente. Waar hij maar kwam, stichtte hij een gemeente; en aan dé lange reeks van gemeenten in Griekenland en Klein-Aziö kou men zien langs welken weg Paulus zijn reis genomen had.

Was er ooit een prediker zoo gezegend?

---

TE EFEZE.

f^VV^CP een derde zendingsreis, die hij later ondernam, bezocht hij de steden weer, waar hij de vorige maal geweest was; en hij kon zich overal verblijden, dat het Christendom zich zoozeer uitgebreid had, al zag hij tegelijk, dat overal ook de vijandschap der Joden en der heidenen zich sterkei' gingen uitspreken.

Dit ondervond hij, toen hij op deze reis ook Efeze weer bezocht. De heidenen dier stad aanbaden een godheid. Diana genoemd. In den grooten schoenen tempel, dicht bij de stad, stond het beeld van deze godheid, een schoone vrouw; en de vele priesters van dezen tempel ergerden zich met den dag steeds meer, dat de bezoekers en de offers hier steeds minder werden. Geslagen vijanden van de Christenen waren deze priesters. Ouk andere menschen in de stad begonnen tegen de Christenen hoe langer hoe vijandiger te worden; dat waren de zilversmeden. Deze namelijk verdienden veel geld door het maken van zilveren Diana-beeldjes, en van zilveren tempeltjes, die volkomen op den grooten tempel geleken, en welke de heidenen gaarne kochten en in hun

734

ocr page 738
ocr page 739
ocr page 740

TE EFEZE. 737

huizen plaatsten. Maar toen liet Clnistendoin zich uitbreidde in du stad, waren het er niet velen meer, die zulke beeldjes kochten. Deze zilversmeden leden daardoor een groot verlies.

Een van hun, Demetrius, wist op een volksvergadering /djn vakgenooten en andere samengekomen lieden zoo aan te hitsen tot openbare vijandschap tegen de Christenen, dat zij in optocht door de stad trokken, en oproer verwekten, en overal de Christenen met plundering en dood bedreigden, onder den kreet: „Groot is de Diana dei- Efeziürs!quot; Ook Paulus en zijn reisgenooten liepen geen klein gevaar. En het zou niet te overzien zijn geweest, wat onheil uit dit oproer voor de Christenen zou voortgesproten zijn, had niet de stads-schrijver op verstandige wijze het oproer weten te bedwingen. De Heere spaarde Zijn jonge gemeenten nog voor zware verdrukking; dat zou eerst later komen.

Voor Paulus zelf was de ontwakende vijandschap der Joden en der heidenen slechts een prikkel te meer, om voort te gaan met zijn werk; niets hield hem tegen. Later kon hij zelf eens zeggen, gelijk hij in een brie! aan zijn Corinthische gemeente schreef: „Van de Joden heb ik veertig slagen min één, vijfmaal ontvangen; drie malen ben ik met roeden gegeeseld; eens ben ik gesteenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; èen ganschen nachten dag heb ik in de diepte doorgebracht. Gevaren heb ik doorstaan op rivieren, onder de roovers, van de Joden, van de heidenen; gevaren heb ik doorstaan in de stad, in de woestijn, op de zee. Honger heb ik geleden, hitte en koude heb ik geleden, armoede en gebrek menigmaal; en in de gevangenis ben ik dikwijls geweest!quot;

Maar Paulus zeide dit alles als een, die er niet over klaagde, en als een, die nog veel meer zou willen lijden, als hij do menschen er maar mede redden kon. „Draagt elkanders lasten,quot; zoo was een zijner spreuken. En gaarne had bij den last zelfs der zonde van zijn medeschepselen gedragen. Die man zou voor zijn Evangelie zelfs wel hebben willen sterven.

En die tijd kwam ook.

--------

47

ocr page 741

738

en zelfs naar Spanje; geen weg zou hem te ver zijn geweest. Maar het kwam anders.

De Christenen in Klein-Aziö hadden eenige gelden verzameld voor de arme broeders in Jeruzalem, en Paul us zelf, die in Jeruzalem wenschte te zijn, zou die gelden overbrengen. Reeds van den aanvang at gevoelde hij, dat te Jeruzalem hem een gevaar van de Joden zou dreigen, zooals hij nog niet geloopen had. Een stem zeide hem. in zijn binnenste, dat hij daar den dood te gemoet ging. In elke gemeente, waar hij doorreisde, nam hij afscheid als een, die daar nimmer zou wederkeeren. Groote droefheid was er daarom bij al zijn gemeenten.

PAULUS GEVANGEN.

ocr page 742
ocr page 743
ocr page 744

PAULUS GEVANGEN.

Van alle zijden kwamen de Christenen aan, om hem nog eens voor het laatst de hand te drukken met dankbaarheid, die zij niet uit konden spreken. Zij weenden, zoo dat het Paulus te voel werd. „Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt?quot; zoo sprak hij. Ik hen bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam van den Heere Jezus!quot; Mn die dappere man ging, waar hij wist, dat het gevaar hem wachtte.

Zoo kwam hij te Jeruzalem. Blijde waren daar do broeders, toen zij den grooton heiden-apostel in hun midden hadden. Zooals in de dagen toen hij jong was, ging hij naar den tempel, en hij dankte en loofde God in den tempel, voor alles wat God door hem had willen werken.

Terwijl hij op zekeren dag wederom in den tempel was, werd hij er dooide Joden onder een groot geschreeuw overvallen. „Helpt!quot; riepen zij elkander toe; „grijpt hem! Deze is de man, die overal den nieuwen godsdienst brengt, en do Joden afvallig maakt! Hij heeft ook onzen tempel ontheiligd!quot; Het geval was, dat zij hem in de stad hadden zien loopen met een Christen, die een heiden geweest was; en nu meenden zij, dat hij dien heiden ook in den tempel gebracht had. Volgens do Joodsche begrippen was daardoor de tempel ontheiligd; want geen heiden mocht zijn voet over den drempel van den tempel zetten. Paulus had dien man niet in den tempel gebracht; maar zij schreeuwden het toch, en vonden er een schoone aanleiding in om hom nu gevangen te kunnen nemen. Het volk liep te zamen; men sloeg de handen aan Paulus; en onder rumoer en slagen word hij buiten hot gebouw gesleept. Het voornemen was om hem maar aanstonds buiten do stad te steenigen, zooals zij Stefanus gedaan hebben.

Het oproer was zoo groot, dat do Romeinsöhe bezetting van de stad onder de wapenen kwam, en naar do plaats van het oproer heensnolde. Daar zag de hoofdman der bende, hoe zij bozig waren Paulus te slaan; en aanstonds deed hij de menschen uit elkander jagen, terwijl hij Paulus gevangen nam, en in de legerplaats liet brengen. Het volk was woedend, dat op die wijze hun prooi hun ontsnapte; zij drongen aan, en zij riepen: „Weg met hem!quot; Zij wierpen het stof

741

ocr page 745

742

in de lucht; zij zouden hem hebben willen verscheuren. Maar hij kwam in veiligheid binnen de legerplaats.

„Deze moet wel een zeer slecht mensch zijn, dat de gansche stad zoo vergrimd op hem is,quot; dacht de hoofdman; en hij liet door zijn soldaten Paulus geeselen en op de pijnbank leggen, en met riemen uitrekken, om op die wijze van Paulus te weten te komen, wat zijn misdaad was. „Is het u geoorloofd om iemand, die een Romein is, te geeselen, en dat nog wel, zonder hem verhoord te hebben?quot; riep Paulus te midden van zijn pijnen den hoofdman toe. Deze verschrikte; want hij meende, dat Paulus een Jood was; en hij wist dat de wet verbood om iemand, die een Romein was, te geeselen. Aanstonds hield men met de pijniging op. En de overste der bezetting besloot, nu hij wist, dat Paulus een Romeinsch burger was, om de zaak geregeld en volgens de wet te onderzoeken, en daarna te oordeelen.

Daartoe liet de overste den Joodschen Raad voor zich komen, en het was in hun tegenwoordigheid, dat aan Paulus de gelegenheid gegeven werd om zich te

ocr page 746
ocr page 747
ocr page 748

PAULUS GEVANGEN.

verantwoorden. Nadat Paulus gesproken had, riepen sommige raadsleden: „Wij vinden geen schuld in dezen inensch!quot; Maar andere raadsleden voeren heftig uit, dat hij een goddelooze was, die den dood verdiende. En zoo groot werd hun tweedracht, dat zij handgemeen werden, terwijl sommigen onder het rumoer tegelijk Paulus aanvielen.

De overste maakte een eind aan deze vergadering, liet de plaats door zijn soldaten ontruimen, en weer werd Paulus naar de legerplaats gebracht. De overste was niet veel wijzer geworden; maar dat Paulus een boosdoener was, die een groote misdaad gedaan had, geloofde hij niet meer. „Het zijn slechts twisten over hun godsdienst!quot; zoo zeide hij; en hij verachtte de Joden.

In dien nacht, terwijl Paulus nederlag in zijn gevangenis, stond er een engel naast hem. „Vrees niet, Paulus!quot; zeide deengel; „zooals gij te Jeruzalem getuigd hebt, zoo zult gij ook nog eens te Rome getuigen!quot; Daardoor wist de apostel, dat hij hier niet sterven zou; en hij was er zeer door getroost.

De Joden waren woedend omdat Paulus buiten hun bereik was binnen de legerplaats der Romeinsche bezetting. Eenigen hunner, die de heftigste vijanden van Paulus waren, hielden heimelijk een samenzwering om Paulus om het leven te brengen, het deed er niet toe op welke wijze. „Wij zullen niet eten of drinken, voordat wij hem omgebracht hebben!quot; zeiden zij; en zij zwoeren het met een duren eed. Maar de samenzwering werd ontdekt door een neef van Paulus, die het plan aan den overste mededeelde. Deze liet daarom, toen de nacht ingevallen was, Paulus heimelijk door een gewapende macht wegbrengen, buiten de stad, naar Cesarea. En op die wijze achtte hij Paulus' leven veiliger, terwijl daardoor tegelijk de rust in zijn eigen stad terugkeerde.

Te Cesarea werd Paulus door zijn geleide bij den stadhouder gebracht. Felix heette de stadhouder. Deze liet hem aanstonds in de gevangenis brengen.

Bij een verhoor, dat Paulus daar onderging in tegenwoordigheid van de Joodsche priesters, die uit Jeruzalem overgekomen waren, om van Felix zijn dood te eischen, verdedigde Paulus zich alzoo, dat de stadhouder geenszins redenen vond, om aan den eisch der priesters te voldoen; onverrichter zake keerden deze naar Jeruzalem terug.

745

ocr page 749

740

Toch liiekl Felix hem gevangen. „Wellicht dat zijn vrienden mij geld komen bieden voor zijn loslating,quot; zoo dacht, hij; „waarom zon ik niet een goede som gelds aan hem verdienen?quot; Hij beval, dat Paulus good behandeld moest worden, en dat zijn vrienden altijd vrijen toegang tot de gevangenis mochten hebben. Dikwijls liet hij hem zelfs voor zich komen, om met hem te spreken. Maar hij had niet gaarne, dat de apostel hem over zijn bekeering sprak.

De vrienden van Paulus echter betaalden geen losgeld yoor hem; en zoo bleef hij daar twee jaren in de gevangenis. Het was zeer hard voor don apostel om te denken, dat hij die twee jaren wellicht nuttiger had kunnen besteden, in den dienst zijner gemeenten. Maar bij verheugde zich toch telkens als hij er aan dacht, dat, al was hij zelf gebonden, het Evangelie toch niet gebonden was.

Toen -de twee jaren voorbij waren, werd Felix door een anderen stadhouder vervangen. Festus kwam in zijn plaats; en deze had nu te beslissen wat er met den gevangen apostel gedaan moest worden.

ï ■

ocr page 750
ocr page 751
ocr page 752

PAUL US Cr INVANGEN.

Nauwelijks was Festus aan de regeering gekomen, of de vijandige Joden begeerden ook van den nieuwen stadhouder Paulus' dood.

Het verdroot liem urn nog langer in handen van de stadhouders te zijn, die zoo omkoopbaar bleken te zijn zooals hij hen had leeren kennen. Ook vreesde hij, dat Festus hem naar Jeruzalem terug zou brengen, gelijk deze hem reeds voorgesteld had; dat zou zeker op de een of andere wijze op zijn dood uitloopen. „Ware het niet beter,quot; zoo dacht hij, „dat ik in Rome door den keizer zeiven geoordeeld werd? In Rome zou er misschien recht voor mij te vinden zijn!quot; Hij wist, dat hij, als Romeinsch burger, het recht had om te eischen, dat zijn zaak door niemand minder dan door den keizer zeiven beslecht werd. En zijn lange gevangenschap moede, zeide hij het ook op zekeren dag tot den stadhouder. „Ik beroep mij op den keizer!quot; zoo riep hij onder het verhoor.

Festus was niet rouwig, dat, door dit beroep op den keizer, hij eensklaps bevrijd was van een uitspraak, die hem in groote moeilijkheden had kunnen brengen. „Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan!quot; zoo zeide hij. En Paulus werd naar zijn gevangenis teruggebracht, totdat er een gelegenheid zou zijn om hem naar Rome te voeren.

Juist in deze dagen kreeg de stadhouder Festus een vorstelijk bezoek. Koning Agrippa, uit Galilea, was tot hem overgekomen, met Bernice, zijn gemalin.

Bij een der gesprekken, die zij hielden over de staatkundige en godsdienstige belangen hunner gewesten, en waarbij ook de opkomst en de bloei van het jonge Christendom aangeroerd werden, zeide Festus; „Ik heb zulk een man in de gevangenis; reeds onder mijn voorganger zat hij gevangen; hij is een der voornaamsten van die sekte.quot; En de stadhouder verhaalde den koning de geschiedenis van Paulus. „Gaarne zou ik zelf dien man wel willen hooren!quot; sprak Agrippa. En Festus, die gaarne deed wat zijn gast een genoegen kon zijn, antwoordde hem aanstonds: „Morgen zult gij hem hooren!quot;

Den volgenden morgen was er een groote bijeenkomst in het rechthuis van den stadhouder. Vele genoodigden waren daar samengekomen. Daar waren de voornaamsten van de stad; daar waren de voornaamsten uit het leger en van het hof, de oversten over duizend en de hovelingen. En daar kwamen ook ten

741)

ocr page 753

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

laatste de stadhouder Festas, en zijn gasten, Agrippa de koning, en Bernice de koningin. Aanzienlijker gezelschap uit het gansche land kon er niet bijeen zijn. Allen waren in hun schitterendste kleederen, ter wille van den koning; en deze zelf en zijn gemalin blonken boven allen uit.

Toen allen gezeten waren, werd Paulus binnengebracht, de man, die reeds langer dan twee jaren in den kerker gehouden was; de ketenen waren aan zijn handen; en twee krijgsknechten hielden de uiteinden dier ketenen.

„Zie, o koning Agrippa,quot; zoo sprak Festus, „den man, van wien ik u gesproken heb.quot; — „Gij moogt spreken,quot; zeide de koning tot Panlus.

Zijn handen uitstrekkende, waar de ketenen aan hingen, begon Paulns aldus; „Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij mag verantwoorden tegenover u; want gij kent de gewoonten, de zeden, en ook den godsdienst der Joden. Hoor mij lankmoedig aan , bid ik u.quot; Paulus verhaalde daar zijn levensgeschiedenis: hoe hij eerst een Jood was geweest, tot in de kleinste bijzonderheden getrouw aan de inzettingen der Rabbi's; hoe hij toen een vervolger was geweest van de Christenen; hoe hij op dien nimmer te vergeten dag-de verschijning van den Christus gehad had; en hoe bij daarna zelf een Christen en een prediker geworden was. „Hierom is het nu,quot; zoo ging hij voort, „dat ik door de Joden vervolgd en overgeleverd ben; hierom, dat ik den Christus predik; dat ik allerwegen verkondig, dat de menschen, de Joden en heidenen beiden zich bekeeren moeten; en dat ik allerwegen zeg, dat er zaligheid en eeuwig leven is voor allen, in dien gezegenden Heiland, die gekruist is en die opgestaan is uit de dooden!quot;

Onwillekeurig was de zelfverdediging van den apostel een Evangelieverkondiging geworden. Daar stond voor de oogen dier koninklijke schare niet meer een man, die een misdadiger had geschenen; niet meer een man, die behoefte en gelegenheid had om zich vrij te pleiten; maar voor hun oogen stond een man, die hooger stond dan zij allen, die een profeet was, groot, heilig en vol liefde voor hun zielen; en die daar woorden sprak in een welsprekende taal, zooals zij nimmer hadden vernomen.

Ontsteld, verbaasd was die vergadering. „Gij raast, Paulus!quot; riep Festus, de stadhouder; „uw groote geleerdheid brengt u tot razernij!quot; — „Ik raas niet.

750

ocr page 754
ocr page 755
ocr page 756

NAAR ROME. 753

o machtige Festas,quot; antwoordde Paul us, „maar do waarheid spreek ik, gelijk Agrippa do koning hier weet. Hebben de profeten het niet alles voorzegd, wat ik van den Christus u verkondigd heb?quot; En hier richtte de apostel zich tot den koning: „Gij kent de profeten! Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet, dat gij hen gelooft!quot;

En reeds wilde Paulus uit de profetieën gaan aanwijzen, dat Jezus,de beloofde Messias moest zijn, om den koning van do waarheid zijnor woorden te overtuigen, — toon het niet meer noodig was. Getroffen, overweldigd, riep Agrippa uit: „Gij beweegt mij bijna oen Christen te worden!quot; En zonder te dralen antwoordde Paulus, terwijl hij zijn geketende handen uitstrekte: „Ik wenschte wel van God, dat gij het wordt, o koning! en dat niet alleen gij, maar allen die mij hierhooren, werden zooals ik ben. uitgenomen deze banden!quot;

Ontroerd stond de koning op; hij ging hoon; hij wilde do macht van den redenaar niet langer over zich voelen. Ook de koningin stond op; ook Eestus. „Dat is geen misdadiger!quot; zeiden zij zacht tegen elkander. En de koning zeide tot bostus: „Had hij zich maar niet op don keizer beroepen! Hij zou heden losgelaten kunnen worden!quot;

Straks gingen al do aanzienlijke mannen na do vorsten de zaal uit. En Paulus — werd naar zijn gevangenis teruggebracht.

NAAR ROME.

(laS brak aan, waarop Paulus naar Rome zou geleid worden. Hij werd overgeleverd in handen van een hoofdman over honderd, Julius. IDeze bracht hem op een schip, en daar werd hij met nog vele andere misdadigers opgesloten en vastgeketend in hot ruim. Julius zelf en zijn soldaten gingen mede; deze zouden de gevangenen begeleiden tot in Rome.

De zeilen werden gehoschen; de riemen werden uitgestoken; en het groote schip zette koers naar het noordon. In hot land, dat achter hem lag, het land zijner vaderen, zou Paulus zijn voeten nimmer meer zetten.

48

ocr page 757

BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

Langs de kust, zeilde het schip. Langs Sidon kwamen zij. Voorbij Cyprus ging hét; langs Ciliciö, het geboorteland van Paulus; langs Pamphylië. Te Myra verlieten /-ij het schip, om in een ander schip over te gaan; en weer ging het de groote zee op, langzaam, langzaam vorderend. Hoe ver was het nog van Rome?

Aangenaam was het Paulus, dat de hoofdman vriendelijk voor hem was; hij werd beter behandeld dan do andere gevangenen.

Zoo kwamen zij bij Creta, het eiland. De wintertijd kwam aan, do tijd, dat de regens vielen, en de stormen heerschten. Er werd overleg gepleegd tusschen den schipper en den hoofdman, of het geraden zou zijn, om vorder te zeilen, dan of' men hier het anker zou uitwerpen, en wachten tot do wintertijd voorbij zou zijn. ,,Zeilt niet verder, en overwintert hier,quot; zeide Paulus hun; „ik zie, dat anders schip on lading verloren zullen gaan, zoo niet ook ons leven!quot; Maar schipper en hoofdman oordeelden anders, en zeilden verder, om aan de westzijde van het eiland een haven te zoeken, waar zij konden overwinteren. Dat werd bijna hun aller ondergang.

Want toen zij nog niet lang gevaren hadden, kwam er een stormwind op, die het schip zoo slingerde, dat het niet meer te besturen was; het schip dreef heen, waar de storm hot heendreef. De boot, die zij hadden, werd bijna weggeslagen; ongaarne hadden zij haar verloren, want zij was altijd nog een laatste hulpmiddel, als het schip vergaan mocht. Ondiepten kwamen zij langs, en bijna wierp de storm hen op de rotsbanken; zij ontkwamen het nauwelijks dat zij daar strandden un verbrijzeld werden. Drie dagen woedde reeds de storm; zij wisten niet meer waar zij waren. De golven sloegen in het schip, dfit vol water liep. Om voor zinken zich te bewaren, werd wat gemist kon worden buiten boord geworpen. Maar het baatte niet. Hevige golven sloegen steeds aan, en braken verschansing en masten. Sterke rukwinden duwden het schip dieper' omlaag, zoo dat het zich steeds langzamer slechts ophief. Zij moesten vergaan; zij voelden het allen; en toen kwam do wanhoop.

Paulus sprak den mannen moed in. „Eet toch,quot; zeide hij, „gij hebt in langen tijd niets gegeten; sterkt u! En woest goedsmoeds! Het schip zal wel vergaan, maar niemand van ons zal er het leven bij verliezen. Ik weet het;

754

ocr page 758

PAUIiUS* VEKANTWOOHDINÖ VOOR DEN KONING AQHIPPA. .

ocr page 759
ocr page 760

NAAR ROME.

een engel heeft het mij heden nacht gezegd!quot; Alzno kwam de moed weer bij de mannen boven, en week weer de wanhoop.

Veertien dagen en nachten hadden zij alzoo reeds omgedreven, een spel van winden en golven. De schipper kon niet met zekerheid zeggen waar zij waren; want in al dien tijd hadden zij zon noch sterren gezien; maar bij dacht, dat zij ergens in de Adriatische Zee omzwierven. Waar waren zij toch?

Het was in dien nacht, dat do matrozen door Je duisternis heen in de verte eenig land meenden te zien. Een vreugdekreet steeg er op uit het schip, maar tegel ij'• een angstkreet, want de storm droef het vaartuig met groote vaart naar het eiland toe, zonder dat de schepelingen .uuur konden houden. Straks moesten zij togen do rotsen nerpletteru worden.

Zij wierpen het uieplood uit; twintig vademen peilden zij. Een eind verder wierpen zij weder het dieplood uit, — vijftien vadem n! Snel wierpen zij het anker uit, eer zij op de ondiepten mochten komen; maar het anker hield niet! Nog drie ankers wierpen zij uit, en eindelijk! het schip lag vast. Het geva-ir om verbrijzeld te werden op de verburen riffen vu voorioopig geweken; de ankers hielden.

IVIaar de aanrollende golven braken hot schip bijna, eiken keer als zij er over heen viuen. Het was een uur na middernacht; de lieden wenschten, dat het dag was.

De zeelieden wisten, dat her, schi] op zijn pukors het in den storm niet kon houden. Heimelijk spraken zij uf, om lift jckip te verlaten; in de boot was ruimte voor hen; de soldaten en gevangenen moesten maar omkomen. En den schijn aannemende, alsof zij uit het voorschip nog meer rnkers wilden uitbrengen, gingen zij de boot te water laten. Nog weinige oogenblikken, en de matrozen zouden zijn afgevaren, en bet schip zou aan de onbevaren soldaten zijn overgelaten. Maar Paulus merkte het, en zeide het aan den hoofdman, en snel beval deze den soldaten om de touwen va,ii de boot af te kappen; weldra dreef de boot weg; de matrozen zagen het, en moesten op het schip blijven, terwijl zij vloekten legen de soldaten.

Tegen den morgen sprak Paulus den mannen weer moed in, hij wekte hen op om te eten, wat zij in hun wanhoop hadden gelaten; en hij zeide hun.

757

ocr page 761

758 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

dat niemand sterven zou. Dit vuurde den geest onder do bemanning weer eenigszins aan. Zij lichtten de ankers; wierpen de lading, die uit kostbaar koren bestond, in zee; hesdien weer oon zeil, maakten een hulproer, en beproefden om ergens op het eiland, dat voor hen lag, een veilige plaats te vinden.

Maar te vergeefs! Ook de storm wakkerde weer aan; en liever dan te zinken in diep water, wilden zij het schip dan maar aan land zetten. Zij wendden het roer naar de kust; en daar ging het met de volle vaart van den storm de riften te gemoet. Een stoot, een schok, een rilling over bet gansche schip, -en onbeweeglijk lag het vast, op een rots geschoven, die onder water zich uitstrekte. Wee! dit was nog erger! Want hier, in de branding, vielen de golven zóó geweldig op het achterschip, dat het vaartuig weldra in tweeön brak, en het achterschip in de diepte wegzonk.

Nog even te voren hadden de soldaten den hoofdman gevraagd: „Zullen wij nu tie gevangenen maar dooden? Anders ontkomen er nog wellicht!quot; Maar Julius, die Paul us wilde sparen, had geantwoord: „Maakt hun boeien los! Ontkomen zij, dan ontkomen zij!quot;

Toen het schip brak, redde ieder zich, zooals hij zich kon redden. Sommigen zwemmende, anderen zich aan balken of planken vasthoudende, beproefden zij het land te krijgen. En beter, dan iemand het had kunnen denken, slaagde de poging. Straks stonden allen op het land; daar was er niet óón verdronken. Tweehonderd zes en zeventig mannen, zeelieden, soldaten en gevangenen, leefden, uit do afgronden gered.

Waar waren zij? Zij, wisten het niet. Zij liepen het land in. Bouwgronden zagen zij, en woningen. Weldra kwamen de bewoners van het eiland hun te hulp, met spijze en drank; vriendelijk waren die heden. En de geredden vernamen dat dit eiland Milete heette; toen wisten zij waar zij waren. Hoe ver waren zij door den storm voortgedreven!

Een groot vuur maakten zij aan, om zich te drogen en te verwarmen; ook Pan lus raapte takken op, en wierp die op het vuur. Maar juist, terwijl hij een hoop takken op het vuur wierp, kronkelde een adder uit die takken

ocr page 762
ocr page 763
ocr page 764

zich los, on wond zij zich om den arm van Pmilus, terwijl zij hem aan de hand boet. „Die wond is doodclijk!quot; zeidon tie lieden van hot eiland, als zij de beet zagen; want zij konden de slang, en wisten dat /ij vergiftig was. „Nu moet hij door de slang sterven, nadat hij uit den storm gered is!quot; zeiden zij vervolgens; „hij is zeker een groot misdadiger, die de goden vertoornd heeft; zie maar, hoe de goden hem toch weten te straffen!quot; Maar verbaasd zagen zij, dat do arm van Paulus niet opzwol; het slangenvenijn deerde hem niet. En dien zij eerst als een misdadiger aangezien hadden, zagen zij nu als een god aan. Te meer dachten zij het, toen hij hun kranken genas in de volgende dagen.

Drie maanden bloven de schipbreukolingon op Milote, in welken tijd Paulus het Evangelie daar predikte.

Met een schip, dat „Castor en Polluxquot; heette, zeilden zij eindelijk af, — naar Italië. Zonder gevaren kwamen zij eindelijk aan wal, te Puteoli. En weldra stond Paulus in de keizerstad, — in Rome.

Gaarne had Julius Paulus vrijgelaten; maar naar de bevelen, die hij

ocr page 765

762 BIJBELSCHE GESCHIEDENIS VOOR KINDEREN.

gekregen had, leverde hij hem daar over; en Paulus bleef nu gevangene, totdat de keizer zijn zaak zou gehoord en behandeld hebben. Lang duurde dit, zeer lang. De keizer nam geen kennis van zijn klacht. Doch de apostel had gelegenheid om te prediken tot ieder, die bij hom kwam, en hij mocht ook de broeders bezoeken in hun huizen. Zelfs in zijn boeien was die gevangene de wereld meer nuttig, dan de vrijen in hun vrijheid.

Eindelijk, in liet jaar 04 na Christus, kwam er een bevel van den keizer voor Paulus. En dat bevel was, dat hij sterven moest. Nero heette die keizer. Op de gerechtsplaats werd do groote apostel onthoofd, terwijl andere Christenen uit Rome op bevel des keizers tegelijk werden verbrand en gekruisigd. „Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin!quot; zoo had Paulus eens gezegd; en hij had den dood niet gevreesd, hij, die altijd de opstanding uit de doodon had gepredikt.

BESLUIT.

^iwamp;^»0k cle an^ere apostelen hadden in die jaren gepredikt. Jeruzalem was het middelpunt, van waar de stralen der nieuwe zon de donkere wereld beschenen; maar ook oostwaarts en noordwaarts en zuidwaarts

gingen die apostelen, zoover als hun voeten hen brachten, en zoolang

hun leven hun tijd gaf. Overal werd deze prediking gehoord: dat God do menschen lief heeft, dat Christus vergiffenis en verzoening voor de wereld heelt aangebracht, en dat wie wil kan zalig worden. Gemeenten ontstonden in alle landen waar zij kwamen. De oude zondige wereld stond op niet nieuw jong leven. De naam van Jezus kwam op aller lippen. Het koninkrijk der hemelen was gekomen.

Het koninkrijk der hemelen was gekomen. Maar do apostelen wisten, dat het nog meer zou komen, dat het zich nog verder zou uitbreiden, en dat het eindelijk de geheele aarde zou omvatten. Met blijdschap zagen zij vooruit in de verre toekomst, als menschen die wisten, dat door Christus' macht de geheele

ocr page 766

763

aarde eens bevrijd zou zijn van alle zonde, en van alle smart, al zmi het eerst na veel strijd geschieden, en wellicht nog- vele eenwen duren. Met geestdrift geloofden zij het, en met geestdrift spraken zij het uit, dat dat een tijd zou wezen, waarvan de mensdien eenmaal zouden kunnen zeggen: „Ziet, de aarde is nieuw geworden, en zelfs de hemel is nieuw geworden.quot;

Vandaar, dat ieder, die een Christen is, het ook nog gelooft, dat de geheele aarde eens het eigendom van Jezus zijn zal, en dat, evenals aan het begin van de wereldgeschiedenis, zoo ook aan het einde der wereldgeschiedenis de aarde weer een paradijs zal zijn, waar Christus voor de zielen zijn zal als een rivier van het water des levens, en waar allen zullen instemmen in den zang: „De lof, en de .heerlijkheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte, zij onzen God in alle eeuwigheid, Amen.quot;

o ■amp;lt;$■lt;gt;

ocr page 767
ocr page 768

INHOUD.

HET OUDE TESTAMENT.

Bladzijde. | Bladzijde.

De Schepping ....

1-

4

Mozes voor Farao .....

149-

153

De eerste inenschen . . .

5 —

13

De plagen on de uittocht . .

154-

161

Kaïn en Abel......

13-

19

Door de Schelfzee.....

161-

168

Liimech en zijn zonen . .

19-

22

Door do woestijn.....

164-

172

De zondvloed......

23-

33

Do wetgeving.......

173-

175

Do torenbouw to Babel . .

33-

37

Afgoderij........

175-

179

De roeping van Abraham .

37 —

39

Wetten.........

179-

197

Aankomst in Kanaan. . .

40-

41

Kibroth —Tliai'iva.....

198-

201

Lot in Sodom.....

41-

47

Bij de grenzen......

202 -

208

Geloof en geloofsbeproeving.

48-

51

De rondzwerving.....

208-

220

55

In Kanaan........

220-

243

Hagar en Ismaël ....

56 —

59

Richters........

243 -

244

Moria........

59-

64

244-

252

Machpola.......

65 -

66

Simson.........

252 -

265

Rebekka .......

66 —

75

-271

Izailk's huisgezin ....

75 —

85

Eli on Samuël......

272-

284

Jakob in ballingschap . . .

85 —

88

Saul koning .......

284-

-291

In Haran.......

88 -

94

Saul verworpen......

291-

-294

Laban achtervolgt Jakob. .

95 -

98

David gezalfd.......

295-

297

Ontmoeting met Ezan. . .

98-

102

Een heldenfeit......

297-

-300

Jozef verkocht .....

102-

111

David overste......

303-

-315

Jozef in de gevangenis . .

111-

113

Saul's dood.......

315-

-319

Jozef onderkoning ....

114-

119

David koning.......

319-

-331

Het wederzien.....

120-

128

De opstand van Absalom . .

331 -

-344

Naar Gosen......

128-

136

Salomo.........

345-

-861

Do geboorte van Mozos . .

139-

143

Scheuring van het groote rijk .

361-

-366

Naar Midian......

144-

146

Achab en Elia......

367-

-372

De roeping van Mozes . .

. 146-

149

Elia op Karmel ......

373-

-379

ocr page 769

INHOUD.

Bladzijde.

Elia op Horeb............379-383

Elisa's roeping............383-385

De wijngaard van Nabotli , . 386-888 Het oordeel over Achab en

Izébel................388-391

Elia's hemelvaart..........392-896

Elisa....................396 404

Ondergang van het rijk der tien

stammen..............407 — 408

Bladzijde.

Koningen uit het rijk van Juda 408-418 Ondergang van het rijk der twee

stammen.......418-428

In Ba bel........424 — 438

De terugkeer.......4,S8 —442

Het boek Job.......4t2-456

Het boek Jona........ 4r,6 —464

Esther..................465-475

Hosanna!........4^5^477


HET NIEUWE TESTAMENT.

De geboorte van Johannes . .

Blad/.yde.

481-488

De spijziging der vijf duizend .

Bladzijde.

563-568

De geboorte van Jezus . . .

484-

-490

Het wandelen op do zee . .

568 —

-570

Voorstelling in den tempel. .

491-

498

Tegenstand .......

570-

574

De wijzen uit het Oosten . .

498-

498

De Phoenicische vrouw . . .

574-

-577

De twaalfjarige Jezus in den

Op den berg der verheerlijking

577-

579

tempel.......

498-

501

Maria en Martha.....

580 —

582

Doop van Jezus......

502-

505

Op het Loofhuttenfeest te

De eerste volgelingen ....

506 —

508

Jeruzalem......

582 -

589

Hei eerste wonder.....

508-

510

De blindgeborene.....

596

Te Jeruzalem.......

518

De onvruchtbare vijgeboom. .

596 —

598

In Galilea........

528

Tafelgesprekken......

601

604

De leer van Jezus .....

528-

583

Opwekking van Lazarus. . .

604 -

610

Wonderen te Kapernaüm en

Vergadering van den Raad . .

611-

612

te Naïn.......

533-

585

De gelijkenis van de ponden .

612-

615

Dood van Johannes den Dooper

536 —

540

Zalving te Bethaniö . . . .

615-

618

Twee schuldenaars.....

540-

545

„Hosanna! Hosanna!quot; . . .

618-

623

Gelijkenissen.......

546 —

549

Laatste redevoeringen . . .

624-

631

De storm op zee.....

549-

553

631-

633

Legio.........

553-

556

Het laatste avondmaal . . .

638 -

641

Het dochtertje van Jaïrus . .

556-

558

Gethsémané.......

642-

645

Uitzending der twaalven. . .

559 —

560

De gevangenneming ....

645 —

649

Bethesda .........

560 —

563

Voor den hoogepriester . . .

649-

654

ocr page 770

INHOUD.

Bladzijde.

De verloooiiening.....654—656

Voor den luidvoigd .... 656 — 668

De kmiijigitig............663-672

De begrafenis......672 677

De opstmidhig............677-679

Verschijning aan de vrouwen . h79-681 Verschijning aan Magdalena . 681-6X8 De Emmaüsgangers .... (538 685 Verschijning aan de. Lien discipelen ..............686 — 6^8

Verschijning aan de elf d's-

cipelon..............688-689

Verschijning aan liet meer van

Tiberias..............689-692

Bladzijde.

De hemelvaart......i)!»5 —607

De uitstorting van den Heiligen

Geest................697 -704

I Iet wonder bij de Schoone Poort 704 - 706

Ananias en Saffira, . . . 707_7()i)

Vervolging................709-714

Dc h^keeriiig van Pauius . . 711 — 718

De enj-üteling uit de hoiiionen . 7is —721 lint Evangelie in ''lein-vzië en

in Griekenland .... 722 — 7:14

'ic Efeze................734 — 737

Pauius gevang «n..........788-758

Naar puome..............758 — 762

Desluit..................762 —7(i8


ocr page 771
ocr page 772
ocr page 773

Jmk

ocr page 774