ocr page 1
ocr page 2

\ gt;; \ -

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5
ocr page 6
ocr page 7
ocr page 8
ocr page 9

-X

• • v •'TBBBPTquot;*v. ■ y\:r- '■ ; r^r. ■'| 'ATv.• 7%-quot;

JJLi

Li

BIJ DE BEOEFENING VAN DE

t .

X,

Ém

KENNIS DEK NAÏüüB,

TEN DIIO.N'STIO VAN

ONDERWIJZERS m AANKOMENDE ONDERWIJZERS.

TWEEDE DEEL, — TWEEDE DRUK.

NATUURKUNDE,

DOOR

Dquot;. J. J. LE ROY.

TE GKONINfiEN BIJ J. B. WOLTERS, 189ü.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1743 7454

ocr page 10

Willst die Welt du khir erschauen , Hchaue ci-st, Aviis vor dir liegt.

Wie aus Stollen und aus Ivriiftcn Sieh ein Uau zasammcnfügt.

Lasz die Starrheit des Geword'ncn Kiiuden, was belebcnd treibt;

In dem Wechsel der Erscheinung Ahne das, was ewig blcibt.

Aus de/rt Dünkel eig'iu'ii Meinens Nie enlkeimt die frisehe Saat, lm Naclideiiken nnr erschwingt sieh Mensehengeist zur Schöpfertliat.

J. V. VON Sl'IIBl'l'EL.

STOOMIJRI KKEIIIJ TAN .7, R. WOLTERS.

ocr page 11

VOORREDE VOOR HES TWEEDEN DRUK.

De herste dnik dezer Hondleiding heeft zijn ontstaan te danken gehad aan het imtiotiej ean nu wijlen De. m. salverua, destijds Inspecteur van het Middelhaar en vroeger van het Lager Onderwijs. Uit den aard zijner betrekking hekend geraakt met de behoeften van het onderwijs en van de onderwijzers en overtvit/d van de noodzakelijkheid van natuurkundig onderwijs, ook op de lagere scholen, besloot hij een leiddraad, te ontwerpen, die m aan de school en aan den onderwijzer goede diensten zou kunnen bewijzen. Het 'plan kwam tol uitvoering, en onder medewerking van den Heer Pr. h. wefers bettink en van den ondergeteekende zag hel werk het licht

De ontvangst, aan den gemeenschappenj ken arbeid der schrijvers te beurt gevallen, deed den Uitgever de hoop koesteren, dat eene nieuwe uitgave — waarbij rekening zou gehouden worden met de opgedane ervaring en onderscheidene gewaardeerde, wenken der gebruikers — geen nutteloos werk zou zijn. Daar echter de Heer Dr. wefers bettink zich nan de verdere medewerking onttrok, moest in diens plaats voorzien worden; en zoo ontstond de schikking, waarin ik, niet zonder aarzeling en alleen op dringend verlangen van 'en Uitgever, getreden ben, waarhij de bewerking van hef geheele hoek aan mij werd toevertrouwd.

De aard van het werk wordt voldoende omschreven in het „woord voorafquot;, waarmede Dr. salverda den eersten druk bij de gebruikers heeft ingeleid:

„In meer dan 'een opzicht wijkt hel van zijns gelijken af. —

lF?e er „stelselmatigequot; overzichten in zoeken mocht, zal zich teleurgesteld vinden. Naar volledigheid is in deze richting niet gestreefd. Wel klinkt het deftig, indien men op een acle-examen — om slechts een voorbeeld le noemen — de Orden der Insecten kan hooren opzeggen, des noods met een paar, op gelijke wijze van Indien gtleerde kenmerken erbij; maar de teleurstelling is hitier, indien dan nader blijkt, dal Bij noch Koolvlinder om er wederom maar een paar te noemen — immer van nabij hekeken zijn.

Om dit laatste om het zien door eigen oogen, om eigen verwerking van hetgeen zoo waargenomen wordt, is het te doen. Daartoe op te wekken, daarbij — zooveel noodig en nuttig — den weg te wijzen, is hel hoofddoel van dit boek.

Daarom verzoek ik dringend, dat de gebruiker, in zijn eigen belang, de

ocr page 12

(jeleymheid tot gecstesgymnnstiek — „Kmft-übungquot; zou salzmann zeggen — niet versmade, die daarin, zoowel in den tekst als in de bijgevoegde vragen en opgaven, aangeboden wordt.

Hem, die hij de eerste inzage van het hoek den indruk krijgen mocht, dat ik te veel heh gegeven, antivoord ik: hel is daarmee als met eene verzameling vraagstukken en oefeningen, die het niemand in hel hoofd komen zal, alle te onthouden, maar van welker bewerking vaardigheid in het oplossen — d. i. in ons geval vaardigheid in de zoo noodige, maar ook zoo moeilijke kanst van waarnemen en, als van zelve, ook bekendheid met de. hoofdzaken van het vak, waartoe de eischen van elk in billijkheid en met zaakkennis afgenomen examen zich steeds zullen bepalen, — de vrucht is.quot;

Ook bi/ mijne bewerking der Natuurkunde heb ik het verkrijgen van degelijke kennis op den voorgrond gesteld. Xu is de Mechanica de onontbeerlijke grondslag voor grondige natuurkundige kennis. Daarom - m omdat ik dit gedeelte, naast de leer der warmte-verschijnselen, voor de Lagere school van het meeste belang acht — heh ik aan haar de grootste plaats toegekend.

Dat velen de waarde van kennis der natuur voor de school nog laag aanslaan, in hekend. Laten zij, die zoo oordeelen, eerst goed kennw maken met het vak; wellicht brengt deze kennismaking hen in eene andere stemming. Die het weten kunnen, zijn het er over eens, dat de kennis der natuur een opvoedingsmiddel is van hooge waarde, zoowel voor de zedelijke als voor de praclische ontwikkeling onzer jongens en meisjes.

„Maar van dit alles ' — zegt huxlev — ^neemt uw oud, gestereotypeerd opvoedingsstelsel geen notitie. Natuurkennis, de methode daarvan, de vraagstukken, de moeilijkheder. daarvan, zal ook de armste jongen gedurig op zijn levensweg ontmoeten; en niettemin voeden wij hem zóu op, dat hij bij zijne intrede in de maatschappij in dit alles even onwetend is als op den dag, waarop hij werd geboren. De heden-daagschc wereld is vol gelrokken kanonnen, en wij laten onze kinderen in den strijd des levens gaan, gewapend met schild en zwaard als een kampvechter uit de dagen der Romeinen.

tHet nageslacht zal schande van ons spreken, indien wij aan dezen betreurens-waardigen staat van zaken niet een einde doen komen. Neen! indien wijzelven nog slechts twintig jaren leven, krijgen wij hel met ons eigen geweten te kwaad.

,Ik ben innig overtuigd, dat de eenige weg tot verbetering deze is, dat de beginselen der natuurwetenschap worden gemaakt tot een integreerend deel van het Volksonderwijs.

LE KOY.

.Maar U, als onderwijzers, moet ik op het hart drukken, dat boekenwijsheid alléén in natuurwetenschap waan is, en bedrog; — wat gij onderwijst, moet gij eerst weten — oj' gij zondt kwakzalvers moeten willen zijn; en werkelijke natuurkennis beduidt persoonlijke bekendheid met de feiten, mogen ze veel zijn of weinig.quot;

Devextek, Aug. 1890.

ocr page 13

1 N H O U I).

Blz.

INLEIDING....................3_(}

LEER JlEM KRACHTEN. BEWEGING EN EVENWICHT.

VASTE LICHAMEN...............7_|40

VLOEISTOFFEN................H Q_1 ;}2

CA SS EN..................132—161

LEER DEK WARMTEVEHSGIUJNSELEN........... 104—224

LEER DER LICHTVERSCHIJNSELEN............ 224_250

LEER DER ELECTR1SCHE VERSCHIJNSELEN.......... 250_284

LEER DER GELUIDVERSCHIJNSELEN............285_290

ANTWOORDEN...................201_204

ocr page 14

... . ■ , , ■;.'.

■ iK

ocr page 15

II.

N A T U U R K U N D K.

ocr page 16
ocr page 17

I N L E I D I N G,

1. Onze zinsgewaarwordingen zyn de grondslagen van onze natuurkennis.

Het ligt in den aard van den mensch, zijne gewaarwordingen toe te schrijven aan dingen, welker bestaan onafhankelijk is van zijne zinnen, van zijn verstand, van zjjne Rede, onafhankelijk van zyn persoonlijk (subjectief) bewustzijn. Dat onafhankelijk van onszelven (objectief) bestaande duiden wij aan als de „stoffelijke wereldquot; of kortweg als de stof of materie.

Terwijl w(j aldus onze gewaarwordingen toeschrijven aan de stoffelijke wereld, zeggen wij, dat deze laatste door ons wordt waargenomen.

2, De indrukken, die wij aan een zelfden invloed der stoffelijke wereld toeschrijven, nemen in ons bewustzijn verschillende vormen aan, al naar het eene of het andere zintuig er door wordt aangedaan.

Dit reeds brengt ons op de gedachte, dat do vormen, onder welke het bestaande tot ons bewustzijn komt, ons wel leeren, wat de stoffelijke wereld voor ons (subjectief) is, hoe zy ons toeschijnt; doch niet, wat en hoe zij „objectiefquot; is, d. i. onafhankelijk van ons gewaarwordingsvermogen.

Het geheel der vormen, onder welke de stoffelijke wereld zich aan ons openbaart, noemen wij de natuur.

15. Gaan wy den oorsprong van dat woord „natuurquot; na, dan vinden wy liet

verwant met een ander, waarin liet begrip worden of ontstaan ligt opge-

i*

ocr page 18

4

sloten. En inderdaad is de natuur het gewordene, en dat gewordene liet wordende tevens, liet woord is kenschetsend voor het begrip, dat er mede wordt aangeduid; want aan de duurzaamheid, het altijd blijvende, eenor onafhankelijk van ons bestaande „stofquot; paart zich de veranderlijkheid der gedaante, waaronder wij ze in ons bewustzijn opnemen. Die veranderlijkheid bestaat in eene opeenvolging van vormen, en deze opeenvolging is de moeder van het begrip Tyd.

4. üe waarneming leert ons echter niet alleen het op verschillende, tijdstippen na elkander, maar ook het gelijktijdig naast elkander bestaande kennen. Dat naast elkander zijn voert ons tot het begrip Ruimte.

Stof, Ruimte en Tijd zijn de drie Grondbegrippen, die den geheelen inhoud der natuurkennis samenstellen.

5. Wanneer wij de veranderingen in de stoffelijke wereld, anders gezegd hare verschijnselen, waarnemen, dan staan wij nog slechts op den eersten trap der natuurkennis. Daarnaast toch openbaart zich bij elk denkend wezen eene als ingewortelde behoefte, tusschen die voorwerpen onzer waarneming eene onderlinge afhankelijkheid aan te nemen, —aan de verschijnselen oorzaken toe te kennen. Wij stellen ons immers niet tevreden niet de vraag: ,Wat gebeurt er; welke veranderingen of verschijnselen hebben er plaats?quot;; maar wij vragen verder: „Hoe komt het, dat die verschijnselen plaats hebben; waardoor ontstaan zij Vquot; Die vraag doet ieder op zijne wijze; doch bij allen uit zich in die vraag dezelfde onweerstaanbare drang naar het verborgene, het eeuwige heimwee der menschelyke Rede naar de kennis van het onbekende.

lt;). Hoe eenvoudig ons het begrip van oorzaak en gevolg bij oppervlakkige beschouwing wellicht moge schijnen, hij nader inzien blijkt in de wijze van opvatting eene onrustbarende spraakverwarring te bestaan. Dit gaat zelfs zoover, dat het woord „oorzaakquot; hij Aristoteles in 48, bij Plato in (54 verschillende beteekenissen zou voorkomen! Wel schijnt het dus, ter voorkoming van misverstand geraden, zich eenigermate rekenschap te geven van de beteekenis, die wij hebben te hechten aan onze vragen naar de „oorzakenquot; der verschijnselen.

7. De Grieksche geest vond bevrediging door mm de onbezielde stof, door middel der persoonsverbeelding, ziel en leven bij te zetten; en, zooals Schiller zegt:

ocr page 19

5

,Wiiiir thans, naar de wyzen onzer dagen,

Dood, een vuurbol wentelt daar omhoog,

Mende Helios zijn gouden wagen

Oodlijk statig langs den hemelboog.quot; ')

Di' verpersoonlijkte natuur werd eéne grootschc mythe en de schepping in hare volheid des levens was voedsel, zoowel voor het dichterlyk gestemd gemoed als voor de naar waarheid dorstende Rede,

„Toen ge o Dichtkunst nog uw too ver plooien

Troostend om de kille waarheid bield.

Wist ge leven door 't heelal te strooien.

En 't ontzielde voelde zich bezield.quot; ')

S. De hedendaagsche opvatting der natuur, in hare tweeledige gedaante van oorzaak en gevolg, onderscheidt eveneens, doch op andere wijze, werking en gewrocht, /ij beschouwt tie gewrochte, of veroorzaakte natuur, die het voorwerp is onzer onmiddellijke waarneming, als liet geheel der vormen, waaronder het bestaande zich aan ons voordoet, — onbestendig, steeds veranderend, eindig van duur; en de werkende of veroorzakende natuur als den eeuwig werkzamen samenhang van bet bestaande, het verband van alle dingen, — een verband, nergens verbroken, oneindig van duur.

Dien samenhang, dat verband te leeren kennen, in de wijze hoe de verschijnselen onverbrekelijk samengekoppeld zijn, moet luit streven wezen der natuurwetenschap. Zoo blijft zij ervaringswetenschap, en de vraag naar de oor-zakelijkbeid lost zich op in de vraag naar de voorwaarden, aan welker vervulling het optreden van een verschijnsel noodzakelijk gebonden is.

De natuur wordt aldus voor ons een, zoowel in de Ruimte als in den Tijd, aaneengeschakeld geheel, waarin toeval buitengesloten, noodzakelijkheid wet is.

Aansluitende bij de drie grondbegrippen van Stof, Ruimte en Tijd, vatten wij die wet der noodzakelijkheid, volgens welke de voorwerpen onzer waarneming, de verschijnselen, samenhangen, in de volgende drie Grondstellingen samen:

1) Uit «ene van vneudenhiind afkomstige vertolking vim „Die Göttcr Griechenlandsquot;.

ocr page 20

rn- iy ■■ - ■

(

(jrRONDSTELLINö DEB /kI.KSTANDIGIIKIH UF DER DUUKZAAMIIEID.

Aan de voorwerpen onzer waarneming ligt, hij alle afwisseling en veranderlijkheid, iels op zich zelf staands, iels ubjectiefs, len grondslag, dat oneindig is en noch vermeerdert, noch vermindert.

II.

GEONDSTKLLINO V^N HET NAAST ELKANDER ZJJN, OF DEK (IEMEENSCMAl'.

Alle gelijktijdig, iiatsist elkander, dus in de Hui 111(0 beslaande voorwerpen onzer waarneming vormen een samenhangend geheel, in zoover zij een wederkeerigen invloed op elkander oejenen.

III.

ÖBONDSTELLIN» VAN HET NA ELKANDER ZIJN, OF VAN DEN TOEREIKENDEN (I ROND.

De 1111 elkander bestaande, de in den Tijd elkander opvolgende voorwerpen onzer waarneming zijn zoodanig saamverbonden, dal elke verandering met noodzakelijkheid, volgens een bepaalden, zekeren regel, op het vooraj'gaande volgt.

De „éénheidquot; en liet „verbandquot; der natuur, waarnaar de onderzoeker vorscht, berust op deze drie Grondstellingen. Het vinden, het aaiiwyzen van dat verband heet „de natuur of de verschijnselen verklarenquot;.

ocr page 21

1). De wetenschap ontleent hare grondbejrrippen aan het «lagelgksch leven. Wat (ichter hier de voorstelling aan helderheid te wenschen overlaat, wordt daar tot grootere helderheid gebracht, en wat in het dagelijksch spraakgebruik aan onbepaaldheid lijden mocht, ontvangt in de wetenschap meer bepaaldheid.

Aamnerkiny. Men kun van eene zaak cene voldoende voorstelling hebben om haar van andere zaken te onderscheiden (met een aan de Logica ontleenden term, heldere voorstelling geheeten), zonder zich nog rekenschap te kunnen geven van de bestanddeclen, waaruit zij bestaat (duidelijke of bepaalde voorstelling).

Een van die eenvoudige begrippen, die uit het dagelijksch leven in de wetenschap zijn overgegaan, is het begrip Beweging.

Tegenover het begrip beweging stelt het dagelijksch spraakgebruik het begrip rust. Wij dienen intusschen wel in het oog te houden, dat beide begrippen slechts eene betrekkelijke beteekenis bezitten.

Om te beoordeelen of' een lichaam al dan niet in beweging is, hebben wij punten van vergelijking noodig. Een passagier, die in de kajuit eener stoomboot dood op zijn gemak zijne sigaar zit te rooken, beweegt zich niet, wanneer hij alleen let op de voorwerpen zijner naaste omgeving: de wanden en de meubels der kajuit. Zoodra hij echter de voorwerpen aan tien oever, boomen en huizen, tot punten van vergelijking kiest, beweegt hij zich wél. Hij maakt dan deel uit van de boot en beweegt zich met deze „ten opzichte van den oeverquot;. Doch zelfs wanneer de boot stil lag, zou hij gezegd kunnen worden zich te bewegen, lettende op de zon of de andere lichamen des hemels.

Wanneer wij dus willen handelen over de beweging van een lichaam (of van een punt), moeten wij. om verwarring te voorkomen, vooraf bepalen, welke onze punten van vergelijking zijn. Die, onderling in rust verkeerende, punten van vergelijking vormen dan eene zoogenoemde omgeving of een stekel, ten opzichte waarvan de beweging van het beschouwde lichaam of punt beoordeeld wordt.

Vo Istrekte rust kennen wij niet.

10. Het begrip Beweging sluit de begrippen van Ruimte en Tijd in zich.

De doorloopen plaatsen liggen naast elkander in de Ruimte; en elk punt van het lichaam beschrijft bij zijne beweging eene hju.

Bepaling. De lijn, die een punt van een lichaam bij zijne beweging ten opzichte van zekere omgeving doorloopt, heet de baan van dit punt. Is de baan eene rechte lyn, dan heeft men met eene rechtlijnige; is zy eene kromme lijn, dan heeft men met eene kromlijnige beweging te doen.

ocr page 22

8

A a n in. Wanneer het bij de besehouwing eener beweging van een lichaam onnuodig is, de

plaats van het eene lichaamsdeel te onderscheiden van die, welke een ander deel inneemt,

dan kan het geheele lichaam als een enkel stoffelijk pant beschoinvd worden.

Met het begrip eener lijn, evenzoo van eene doorloopen baan, verlnmlen wij het begrip Richtiny.

Bhtalino. De Rich line/ der beweging in een bepaald punt van de baan wordt, in 't algemeen, voorgesteld door de raaklijn in dat punt aan de baan.

In het bijzondere geval, dat de baan rechtlijnig i«, vallen de raaklijn en de baan te zamen.

Wanneer de lijn ad in fig. 1 de baan is, die een punt bij zijne beweging doorloopt, dan stellen de als pijlen geteekende raaklijnen /', /*', /'quot; en respectievelijk de richting der beweging voor in de punten a, /*, c en d.

De opeenvolgende punten der baan worden na elkander in den Tijd doorloopen.

Bepaling. Het in zeker tijdsverloop afgelegde gedeelte van de baan heet de daarin doorloopen wecjlenqtc of' kortaf wcy.

Daar een tijdsverloop, en evenzoo eene wcglengte, grooter of kleiner kan zijn, ontwikkelt zich uit de beschouwing van den doorloopen weg ten opzichte van het tijdsverloop het begrip Snelh c id.

Ook deze beide begrippen, richting en snelheid, hebben in het dagelijkscli spraakgebruik het burgerrecht; zij hebben echter in de natuurkundige leer dei-beweging eene scherper omschreven beteekenis.

11. De lijn cd) in fig. 1 kan doorloopen worden van a naar d, achtereen

volgens over de punten h en c; en ook van Flt5' '' d naar a over de punten c en h. Men zegt

/' dan, dat in het laatste geval de beweging in

^ tegengestelden zin plaats heeft als in het

eerste. Heeft de beweging plaats van n over h en c naar rf, dan wijst men den zin der quot;■/ jgt;quot; ':,ewe^nS in opeenvolgende punten a,

x ft, c en rf aan door de raaklijnen van pijl

spitsen te voorzien, in voege als in fig. 1 geschied is. De tegengestelde zin wordt aangewezen door de spits in tegengestelden stand te teekenen.

A aquot; in. In plants van „richting on zin der beweijiny in nquot; is men ook wel gewoon te zeggen „richting en zin der snelheid in aquot;.

12. Lengte en Tijdsverloop zijn beide Grootheden. Zij kunnen namelijk door middel van getallen als hoeveelheden worden voorgesteld.

De natuurkundige verkrijgt die getallen door meting.

De hoeveelheid eener grootheid door meting bepalen bestaat in het onderzoek, hoeveel malen in de gegeven grootheid eene andere van dezelfde soort

ocr page 23

O

begrepen is, \velllt;(' laatste grootheid dan den iniam draagt van mant ut' eenheid van hdcvealheid.

Alt;i urn. Wanneer een getnl een in zeker tijdsverloop iifgelegden weg moet voorstellen, kan ook de ~iii, waarin de beweging heeft plaats gehad, in het gelul worden uitgedrukt, door aan het getal de algebraïsche beteekeuis van positief of negatief toe te kennen. Is Ij (fig. 1) het uitgangspunt der beweging en stellen wij den van dit punt uit afgolegden weg bc door oen positief getal voor, dan wordt de in tegengestelden zin afgelegde weg lm door een negatief getal voorgesteld.

lij. Als Eenheid van Tijdsverloop zou men het tijdsverloop kunnen aannemen tusschen twee opeenvolgende doorgangen eener zelfde ster door het Zuiden, d. i. het tijdsverloop, waarin de aarde eene aswenteling volbrengt.

Bij het aannemen van deze éénheid gaat men uit van de onderstelling, dat alle geheele aswentelingen in onderling gelijke tijdsverloopen plaats hebben; evenzoo dat alle onderling gelijke gedeelten eener aswenteling in onderling gelijke tijdsverloopen geschieden.

liet genoemde tijdsverloop heet een sterredag. Het tijdsverloop tusschen twee opeenvolgende doorgangen der zon door het Zuiden heet een zonnedag.

Zijn de sterredagen onderling gelijk, dan zijn de zonnedagen het niet. Wil men dus een zonnedag als Éénheid van Tijdsverloop aannemen, dan moet hiervoor een gemiddelde uit de verschillende zonnedagen van een jaar, een zoogenoemde middelbare zonnedag') gekozen worden.

Aanm. De bewering, „dat alle geheele aswentelingen in onderling gelijke tijdsverloopen phuits hebben, enz.v, wordt in het voorgaande eene onderstelling genoemd. Dit eiseht wellicht eenige toelichting, al ware quot;'t alleen om er den lezer niet „over hecn,, te doen lezen. Allen zijn het met elkaar eens, die tijdsverloopen in de praktijk als gelijk te beschouwen; de wijze waarop deze manier van handelen gerechtvaardigd wordt, voldoet echter niet altijd aan de eischen der logica.

„Men tracht op de eene of andere manier te bewijzen dat de aarde een eenparige beweging om haar as heeft. En in zulk een bewijs ligt altijd een cirkelredeneering verscholen, zoolang men het meten van den tijd aan de draaiing der aarde om haar as wil ontleenen.

„Laat ik de aandacht er op vestigen, dat men nooit door redeneering een feit ot' het bestaan van een verschijnsel kan bewijzen. Dergelijke bewijzen kunnen alleen geleverd worden door waarneming en proefneming: door redeneering kan men slechts aantoonen dat het verschijnsel al of niet in overeenstemming is met gestelde hypothesen ....

.... „Onze tegenwoordige wijze van tijdmeten vindt haar rechtvaardiging alleen in de goede uitkomsten, welke zij ons bij het opbouwen der wetenschap oplevert. Zoodra aangetoond kan worden, dat een tijdmeting op anderen grondslag het mogelijk maakt een grooter aantal verschijnselen eenvoudig te verklaren, zoo moet men de vroegere tijdmeting haten varen.quot;quot;1)

Dr. V. A. Julius,

I-1-. Als Eenheid van Lengte werd in het laatst der vorige eeuw aangenomen de lengte tusschen de middelpunten van de eindvlakken eener te Parijs in het Staats-Archief bewaarde staaf van platina, bij de temperatuur van 0° C.

1

De belangstellende en in wiskunde bedreven lezer, die later in deze zaak — en in de grondslagen der Natuurkunde in quot;quot;t algemeen dieper mocht willen doordringen, leze de zeer belangrijke „Beschouwingen over de grondslagen der Natuurkundev, door Dr. I'. A. Julius, waai-aan het aangehaalde ontleend is.

ocr page 24

10

Deze stiiiif' is bekend nis de , Meter der Archievenquot; (Mètre des Archives).

Aanvi. Meter, min welks ontwerping en uitvoering de grootste wis- en werktnig-

kumligen van hnn tijd hadden samengewerkt, werd — te gelijk met een cylinder van platina:

het standaard-Kilogram — den 4 Messidor van het jaar VU der Fransehe Republiek

(22 Juni 1790) door de „Commissie voor de maten en gewiehtenquot;11 aan het vergaderde Wetgevend

Liehaam vertoond en vervolgens met plechtigheid naar het Staats-Archief overgebracht.

15. Een fjetiil, dat de uitkomst eener meting is, kan uit den aard der zaak slechts tot op zekere hoogte .juist zijn. Voor een goed gebruik van deze „onnauwkeurigequot; of „benaderdequot; getallen is het dus van belang do grenzen te kennen, tusschen welke hunne mogelijke fout gelegen is.

Reeds de maat zelve, die voor de meting gebezigd wordt, bevat eene fout, daar zij eene copie is van eene standaard-maat en dus niet gezegd kan worden van deze minder dan het kleinst denkbare bedrag te verschillen.

Op grond van het voorgaande kan aan twee door meting verkregen getallen niet met zekerheid volstrekte gelijkheid worden toegekend. Zulke getallen worden gelijk genoemd, waaneer hun verschil binnen de grenzen der mogelijke waarnemingsfout gelegen is.

lil. Ni uir verschijnselen van beweging behoeven wij niet te zoeken. Geven wij nu acht op de wijze, hoe een lichaam, of een punt, zich in den Tijd ten opzichte van eene bepaalde omgeving beweegt, dan blijkt, dat in 't algemeen in onderling gelijke tijdsverloopen, onderling ongelijke wegen worden afgelegd.

Bepaling. 1° Eene beweging, waarbij in onderling gelijke tijdsverloopen onderling ongelijke wegen doorloopen worden, heet veranderlijk. 2° Eene beweging, waarbij in onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein ook genomen, onderling gelijke wegen worden doorloopen, heet eenparig.

17. Wij komen nu terug op het in ^ 10 ingevoerde begrip Snelheid.

In liet dagelijksch leven beoordeelen wij de snelheid naar het tijdsverloop, waarin eene zekere weg, — of, omgekeerd, naar den weg, die in zeker tijdsverloop wordt afgelegd. In de natuurkunde doen wij niet anders.

Wij beginnen met het eenvoudigste geval: eene eenparige beweging.

Bepaling. 1° Is het tijdsverloop, waarin een even groote weg wordt afgelegd, bij de eene eenparige beweging gelijk aan dat bij eene andere, of' is de in een even groot tijdsverloop doorloopen weg bij de eene eenparige beweging gelijk aan die bij eene andere, dan heet beider snelheid onderling gelijk.

2quot; Is het tijdsverloop, waarin bij eenparige beweging, onderling gelijke wegen worden afgelegd, in het eene geval «-maal zoo klein als in het andere, — of

is de weg, die in een even groot tijdsverloop wordt afgelegd, in het eene geval, m-maal zoo groot als in het andere,

dan heet de snelheid in het eerste geval ra-maal zoo groot als in het andere geval.

Als Eenheid van snelheid, neemt men die snelheid aan, waarmede in de éénheid van tijdsverloop de éénheid van weglengte wordt afgelegd.

ocr page 25

11

Volgens liet voorgaamle is eene ééuparige beweging ile snelheid ,standvastigquot;. (Kr. Wuuroin?)

is. Hij eene eenparige beweging worde in l éénheden van tijdsverloop een weg van « lengte-éénheden afgelegd. In do éénheid van tijdsverloop wordt dan een weg van ^ lengte-éénheden afgelegd.

Volgens de voorgaande Bepaling (3quot;) is de „snelheidquot; gelijk aan I, wanneer in een „tijdsverloopquot;, gelijk aan 1, eene weglengte, gelijk aan 1, wordt doorloopen, volgens (2°) zal de snelheid in het bovengestelde geval J maal zoo groot zijn;

ii. i. gelijk aan ^ éénheden van snelheid.

Het aantal éénheden van snelheid is dus gelijk aan het aantal lengteéénheden van den weg, die in de éénheid van tijdsverloop wordt doorloopen; of, het aantal éénheden van snelheid door v voorstellende:

s

V ~ t

A nu in. 1° lit liet voorgaande laat zich verklaren, hoe men aan de „Hepalingquot; gekomen is, volgens welke de „8nelheic^, de .^vegquot;' zon zijn, die in de eenheid van tijdsverloop wordt afgelegd. Dat deze Bepaling onjnist is, zal duidelijk zijn, wanneer men bedenkt, dat de begrippen „snelheid'quot; en „weg'quot; eenvoudige grondbegrippen zijn, die bniten elkanders spheer vallen. Eene snelheid is geen weg, zoo min als een weg eene snelheid is. De gewraakte Bepaling zon alleen als verkorte uitdrukking te verdedigen zijn, ware het niet, dat door die zueht naar kortheid eene hinderlijke begripsverwarring in de hand werd gewerkt.

2° Dat in de Leerboeken der Natnnr- en Werktuigkunde volgens ond gebruik de grootheden snelheid, weg en tijdsverloop respectievelijk door de letters v, s en t worden voorgesteld, vindt zijne verklaring hierin, dat zij de beginletters zijn der Latijnsche woorden vel oei tas (= snelheid), spatin m (= weglengte) en tempns (= tijd).

Volgens § 12 kan, in de vergelijking v = , s een negatief getal zijn, wanneer b.v. in fig. 1 de beweging langs de lijn ad in tegengestelden „zinquot; plaats heeft als de pijlen aanwijzen. Het gegeven quotient, en daarmede de er door voorgesteUe melhrid, kan dus eveneens eene negatieve waarde verkrijgen.

V r. Welke soort van afhankelijkheid bestaat er bij eene eenparige beweging

r tusschen de in zeker tijdsverloop doorloopen weg en dat tijdsverloop?

2° tusschen den in een zeker tijdsverloop doorloopen weg en de snelheid?

3° tusschen het tijdsverloop, waarin een zekere weg doorloopen wordt en de snelheid?

II). H^j eene veranderlijke beweging is de snelheid niet „standvastigquot; en kan zy zelfs op elk volgend oogenblik eene andere worden. Wanneer wij dus hier van de snelheid gedurende een zeker tijdsverloop spreken, kan slechts eene gemiddelde snelheid bedoeld worden.

Bepaling. Gemiddelde snelheid eener veranderlijke beweging „gedurende een zeker tijdsverloopquot;, zoo noemt men de snelheid, waarmede het betrokken lichaam zich eenparig zou moeten bewegen om in een even groot tijdsverloop een even groeten weg af te leggen.

Legt een punt, by eenparige beweging, in een tijdsverloop van t éénheden een weg van 8 lengte-éénheden af, dan bedraagt, volgens S 18, zijne snelheid éénheden.

1

ocr page 26

Had hetzelfde punt dezen weff in een even groot tijdsverloop afgelegd b\j eene vernndcrlijkc, beweging, dan zou dit bedrag van ^ éénheden, volgens de vorige Bepaling, zijne „gemiddelde snelheidquot; gedurende het beschouwde tijdsverloop heeten.

20. De snelheid in een bepaald punt van de baan kan zoowel ten opzichte van hare grootte als van hare richting voorgesteld worden door eene rechte lijn, wanneer men deze namelijk eene lengte geeft, waarin eene vooraf aangenomen lengte-éénheid evenveel raaien begrepen is, als de éénheid van snelheid in de daar ter plaatse bestaande snelheid begrepen is.

ïJl. Langs het vlak eener tafel (P) — vgl. fig. 2 — beweegt zich een plankje (^), over welks oppervlak zich een punt [K), bijv. een knikker, beweegt.

(lesteld dat de beweging van R ten opzichte van de omgeving eveneens de beweging van Q ten opzichte van de tweede omgeving I' bekend is, dan kan ook de beweging van R ten opzichte van deze tweede omgeving I' gevonden worden.

Wij willen dit nagaan voor het bijzondere en eenvoudige geval, (fat

1° R in zeker tijdsverloop zich met eene eenparige, rechtlijnige beweging over het plankje (2 van A naar H verplaatst;

2° de verschillende punten der omgeving (J (het plankje) in hetzelfde

tij ds ve r 1 oo p zich met eene

eenparige, rechtlijnige beweging, langs onderling evenwijdige banen van den stand Q in den stand Q3 verplaatsen, fn hetzelfde tijdsverloop, waarin R op het plankje Q van A in B komt, is het punt B van het plankje in D

gekomen, en heeft dus R zich op de tafel /' van A naar D verplaatst.

N.H. Wij laten voorloopig in ''t midden, ut' de verplaatsing van A naar I) langs de reehte

lijn AD of Ismgs eene andere lijn geschied is.

A en IJ zijn de beide eindpunten der diagonaal AD van het parallelogram ABDC. De zijden AB en AC stellen de wegen voor, die in een zelfde tijdsverloop respectievelijk worden afgelegd door li op het plankje (} en door een punt A van het plankje op de tafel P.

I-V 2.

Q,

lt;*3

igt; .

ocr page 27

If!

Onderzoeken wij nu, of de verplaatsing, welke 7? op de tafel ondergaan heeft van A naar 1), al dan niet langs de diagonaal AI) heeft plaats gehad.

Stellen wij het tijdsverloop, waarin (J in den stand komt gelijk aan ^ van dat, waarin het in komt, en '/\j /gt;' in dat tijdsverloop in een punt E gekomen, waarvan wij nog niet, weten, of het al dan niet op de diagonaal AI)

gelegen is. Dan is: AC' = ^ X AG en CE = ' X CD' = ' X CD.

n n n

Hieruit volgt, dat in de AA ACE en ACD:

AC' ; AC = CE : CD.

Bovendien zijn de door bovengenoemde zijden ingesloten hoeken ACE en ACD onderling gelijk, daar CE // CD {Vr. AViuu-om?). Volgens eene meetkundige eigenschap (Kr. Welke?) vinden wij dus:

A ACE ~ A ACD,

waarin ligt opgesloten: L C AE = L CAD.

Deze hoeken kunnen niet anders gelijk zijn, dan wanneer AE en AD samenvallen.

Daar n een willekeurig gekozen getal voorstelde, geldt het gevondene voor elk tijdsverloop na het begin der beweging, zoodat R in eene rechtlijnige beweging ten opzichte van de tafel P verkeert.

Daar bovendien AE : AD =: AC : AC = I : n, is de beweging van H langs de diagonaal AD eene eenparige beweging.

Het punt R van het vorige geval bezat eene beweging ten opzichte van Q. terwijl de punten van Q eene beweging ten opzichte van I' hadden, waaruit eene bepaalde beweging van R ten opzichte van P voortvloeide. Deze laatste beweging heet de rcsulleerende, ook wel samengestelde beweging, terwijl de beide eerste de samenstellende bewegingen genoemd worden.

22, In het voorgaande hebben wij de eerste uit de laatste afgeleid, of, zooals het heet samengesteld.

Omgekeerd kan nu ook eene resulteerende beweging in twee andere o n I-I)nnden worden, d. i. kunnen twee bewegingen gezocht worden, waarvan de gegeven beweging de samengestelde is. Dit laatste komt dan neêr op bet con-strueeren van een parallelogram, bijv. ABDC, waarvan de diagonaal AD gegeven is.

Dit parallelogram draagt den naam van het parallelogram der bewegingen.

Vr. Op hoeveel «ijzen kun, ten gevolge van twee rechtlijnige, eenparige bewegingen, een

punt K van A in D komen ?

M. a. \v.; Op hoeveel wijzen kan de gegeven beweging in twee samenstellende bewegingen

ontbonden worden.

Vr. Op hoeveel wijzen kunnen de beide bewegingen 1° die van li van A naar 15, 2quot; die

van A van A nuar C, tot eene resulteerende beweging samengesteld worden?

ïi!{. In het geval van fig. 2 zij de snelheid, waarmede R /.ich ten opzichte van (J beweegt, gelijk aan r,; de snelheid, waarmede A zich ten opzichte van P beweegt, gelijk aan r2; de snelheid, waarmede R zich ten opzichte van P beweegt, gelijk aan v3. Men heeft dan:

t'j : v2 : v3 — AH : AC : AD,

ocr page 28

14

zoodat, wanneer de „samenstellendequot; snelheden bekend /.ijn, de „samengesteldequot; of resulteerende snelheid gevonden kan worden. Het parallelogram ABCD wordt in deze beteekenis het parallelogram der snelheden genoemd.

Opgaven. 1. Eenc schijf, welker omtrek 5 M is, maakt 18 omwentelingen in I minmit. Met welke „gemiddelde snelheidquot; beweejjt zich een punt van den omtrek ?

N.B. In deze en volgende opgaven moet de centimeter als eenheid van lengte on de sccundc als éénheid van tijdsverloop aangenomen worden.

2. Langs de zijden van een driehoek, 6, 8 en 15 cM lang, beweegt zich een punt respectievelijk met eene snelheid van -t éénheden langs de eenc, van 2 x éénheden langs de tweede en van 3 x éénheden langs de derde zijde. In 3 secunden is de geheele omtrek doorloopen.

Hoe groot is de snelheid, waarmede elke zijde wordt doorloopen? Hoe groot is de gemiddelde snelheid, waarmede de omtrek doorloopen wordt?

3. Het plankje Q, van lig. 2 verplaatse zich over do tafel P van links naar rechts, in de richting van zijn langsten rand, met eene snelheid van 40 éénheden. Het punt li verplaatse zich onderwijl tusschen A en het naastliggende hoekpunt van den korten rand van het plankje, heen en weer, met eenc snelheid van 30 éénheden.

Construeer den weg, dien li, bij zijne heen- en weergangen over het plankje, ten opzichte van de tafel doorloopt; eii bereken, hoe vaak de korte rand, als R dien 3 maal heeft afgelegd , in den op de tafel doorloopen weg begrepen is.

4. Eene stoomboot beweegt zich stroomafwaarts in de richting van den stroom, met eene gemiddelde snelheid van n éénheden, licreken do grootte en construeer de richting der go-middelde snelheid, waarmede een bal zich ten opzichte van den (met de stroomiichting evenwijdig loopenden) oever verplaatst, tils hij dwars over het dek rolt met eenc gemiddelde snelheid van b éénheden.

5. De bij stil weder loodrecht op den bodem vallende rogendruppels schijnen, uit een spoorwegrijtuig gezien, schuins neder te vallen, wanneer do trein in beweging is. De dooide rechthoekige ruit zichtbare weg van een druppel snijdt oen driehoek van de ruit, welks horizontale en verticale rechthookszijdon respectievelijk fio cM en ri7 eM lang zijn; terwijl do waggon zich met eene snelheid van 1400 éénheden voortbeweegt. Hoe groot is de snelheid der nedervallende regendruppels, wanneer meu hunne bewoging, evenals die van hot rijtuig, gedurende don korten tijd der waarnoming, als ééuparig beschouwt?

24. Kent men van eene veranderlijke beweging slechts de „gemiddelde snelheidquot; gedurende een zeker tijdsverloop, dan kent men nog slechts onvolledig de wyze, waarop de beweging heeft plaats gehad; want in de eerste helft van het beschouwde tijdsverloop kan de afgelegde weg zeer goed een andere geweest z\jn dan in de tweede helft.

Nu zal de veranderlijke beweging van een punt beter en vollediger «ekend worden, naarmate de gemiddelde snelheid voor kortere opeenvolgende tijdsver-loopen wordt aangegeven; en zoo komen wij tot het invoeren eener waarde, waaraan een wiskundige den naam van grenswaarde of limiet geeft.

De grenswaarde of limiet, die wij in het geval van veranderlijke beweging invoeren, is de limiet, waartoe de bovengenoemde uitdrukking ^ nadert, wanneer t tot 0 nadert. Men schrijft dit aldus:

s

him. ^ , voor Lim. t — 0.

Bepaling. De yrensivnarde of limiet der „gemiddelde snelheidquot; gedurende een klein tijdsverloop, dat tot 0 nadert, heet de „snelheid op het tydstipquot;, dat aan dit kleine tijdsverloop onmiddellijk voorafgaat.

ocr page 29

15

26. Wij willen nu een bijzonder geval van eene veranderlijke beweging' {Opg. Geel'do Hcpaling van zulk eene beweging.) aan een onderzoek onderwerpen, het geval namelyk, dat de sedert het begin der beweging doorloopen weg evenredig is aan de tweede macht van het tijdsverloop, waarin hy wordt afgelegd.

De weg, die in de eerste éénheid van tijdsverloop sedert het begin dér beweging wordt doorloopen, z\i byv. gelijk aan s, éénheden, en in t éénheden van tijdsverloop na het begin gelijk aan s,lt;2, onverschillig welke waarde t moge

hebben: s = Sj#2...........(1)

Groeit dan het tijdsverloop met eene zekere hoeveelheid, byv. van 0 éénheden, aan, dan ondergaat ook de afgelegde weg eene zekere aangroeiing, bijv. van a éénheden, zoodat de vergelijking (1) overgaat in:

s (T = s, (lt; 0)1,

waaruit volgt:

o- rr s, (lt; O)1 — S, t* — 2sllt;0.

De gemiddelde snelheid, gedurende het tijdsverloop van 0 éénheden is dan: fj s.O1 2.S|lt;0

X = -0quot;^quot; = *.0 2V.......(2)

Door nu 9 tot 0 te doen naderen, verkrijgen wij de „grenswaardequot; of „limietquot; der „gemiddelde snelheidquot; gedurende een zeer klein tijdsverloop, dat op een tijdstip, t éénheden na het begin der beweging, aanvangt.

Deze grenswaarde hebben wij genoemd: de „snelheid op dat tijdstipquot;, nl. / éénheden na het begin der beweging.

Stellen wij deze snelheid voor door vt, dan volgt uit (2):

vt — Lim. (st6 28(0, voor Lim, 0 = 0.

Deze Limiet is 28^, welke waarde bereikt wordt, wanneer 0 in 0 overgaat:

Ve = 2s1i...........(3)

Bij eene beweging als de bedoelde, is dus de „snelheid op een zeker tijdstipquot; evenredig aan het, sedert het begin der beweging, daaraan voorafgegane tijdsverloop.

Aaum. Van de vergelijkingen (1) cn (3) is de eene het noodzakelijk uitvloeisel van de andere. In het bovenstaande is (3) nit (1) afgeleid. Even goed kan (1) uit (3) worden afgeleid. (O/*/. Beproef dit te doen).

2(i. Hij de beschouwde beweging was de „snelheid op verschillende tijdstippenquot;, volgens vergelijking (3), de volgende:

by het begin der beweging = 0,

na 1 éénheid van tijdsverloop = 2s,.......(4)

, 2 éénheden „ „ = 4«,,

„3 „ „ „ — 6«,, enz.

Hieruit blijkt, dat de snelheid in opeenvolgende, onderling gelijke tydsver-ioopen telkens met een gelyk bedrag vermeerdert.

Bkpauno. Eene beweging, welker snelheid in opeenvolgende, onderling gelijke tydsverloopen, hoe klein ook genomen, met onderling gelijke hoeveelheden toeneemt, heet eenparig versneld.

ocr page 30

I(i

Brengen wij lt;le voorgaande Bepaling over op de vergelijkingen (1), (3) en (4), dan geraken wij tot de volgende eigenschappen:

P Bij eene eenparig versnelde hewecjiny zonder be yin snelheid is de of zeker tijdstip sedert hel h eg in der heiveginy doorloopen weg evenredig tian de tweede macht van het tusschen deze heide tijdstippen gelegen tijdsverloop.

2° Bij eene eenparig v er snelde beweging zonder h eginsnelheid is de „snelheid op een zeker tijdstip'''' evenredig aan het tusschen dit tijdstip en het begin der beweging gelegen tij dsv er loop.

3° Bij eene eenparig v er snelde bew eging zonder b eginsnelheid is het aantal éénheden der „snelheid na de éénheid van tijdsverloopquot; het dribbel van het aantal éénheden der weglengte, op dat tijdstip, sedert het begin der beweging afgelegd.

27, Vermeerdering van snelheid wordt in het gewone spraakgebruik aangeduid door het woord Versnelling.

Wij nemen ook dezen naam in de wetenschap over en geven aan het begrip, dat er door wordt voorgesteld, eene nauwkeuriger omschrijving.

Bepaling. 1° By eene eenparig versnelde beweging wordt de „versnellingquot; n-maal zoo groot genoemd, wanneer eene gelijke vermeerdering der snelheid plaats heeft in een w-maal zoo klein tijdsverloop, of wanneer in een gelijk tijdsverloop de vermeerdering der snelheid w-maal zoo groot is.

2° Éénheid, van versnelling is de versnelling, waardoor, in de éénheid van tijdsverloop, de snelheid met eene éénheid toeneemt. 3° De Richting der versnelling, bij eene rechtlijnige eenparig versnelde beweging, noemt men de richting, volgens welke het lichaam zich in den zin der beweging verplaatst.

Volgens de voorgaande Bepaling heeft de „versnellingquot; (a) der in 25 en 20 beschouwde „eenparig versneldequot; beweging de standvastige waarde van 2.'!, éénheden:

O = 2«!...........(5)

N.B. Tot hot voorstellen van do waarde der „ver8nelling,,, bezigt men de letter a, als

beginletter van het Latijnsehe woord acceleratie (= versnelling).

Bij eene „eenparig versneldequot; beweging zonder beginsnelheid worden dus de „snelheid na de eerste éénheid van tijdsverloopquot; (v,) en de „versnellingquot; (quot;) door een gelijk getal éénheden voorgesteld:

n — ...........(6)

28. In § 21 zijn twee „eenparigequot; bewegingen tot eene enkele resulteerende beweging samengesteld. Het zal nu niet moeilijk vallen hetzelfde te doen met twee „eenparig versneldequot; bewegingen. Wij bedienen ons daartoe weder van fig. 2 en stellen ons voor, dat het punt li zich over het plankje (} verplaatst met eene eenparig versnelde beweging langs de lijn AB, terwijl het plankje zich over de tafel P verplaatst met eene eenparig versnelde beweging in de richting

ocr page 31

17

AO. De irelieele redenoeriiig, die op biz. 12 vonr het geval der eenparige beweging gegeven is, kan nu herhaald worden, alleen met dit onderscheid, dat nu de doorloopen wegen AC' en AC, evenzoo CE en CD, zich verhouden als de tweede machten van de tijdsverloopeu, waarin /ij worden afgelegd, dus als 1 : ?i2.

De uitkomst is, dat ook nu de resulteerende beweging plaats heeft langs de diagonaal AD van het parallelogram AliDC, en dat zij, evenals elk der samenstellende bewegingen, eene „eenparig versneldequot; beweging is.

Stelden in fig. 2 AC en 150 de wegen voor, die hij de samenstellende bewegingen respectievelijk in de eerste éénheid van tijdsverloop werden afgelegd, dan is AD de weg, dien het punt li in dat tijdsverloop ten opzichte van de tafel 1' aflegt en dan zouden, volgens vergelijking (5) de respectieve „versnellingenquot; dier bewegingen zich eveneens verhouden als AC : AH : Al), zoodat uit de gegeven samenstellende versnellingen de resulteerende versnelling kan gevonden worden.

In deze beteekenis heet het parallelogram ABDO het parallelogram der versnellingen.

20. Wij willen nu eene „eenparig versneldequot; beweging beschouwen van een zeker tijdstip af, waarop het bewegende punt of lichaam reeds eene zekere snelheid bezit, die wij de heginsnelheid willen noemen. Deze „beginsnelheidquot; op een zeker tijdstip zij = v, terwijl de snelheid op een tijdstip, t éénheden van tijdsverloop later (cimUnelheid) — vi zij. De in dat tijdsverloop ondergane vermeerdering der snelheid bedraagt dan vi — v éénheden, d. i. per éénheid van tijdsverloop

(7)

Vi — v

Uit deze vergelijking volgt:

Vt = V ■ dt,

waarin a weder de „versnellingquot; voorstelt.

Is de ,heginsnelheidquot; eener eenparig versnelde beweging op zeker tijdstip = ?;, de „versnellingquot; = «, dan is l éénheden van tijdsverloop later de „eindsnelheidquot;: vt = v ut. In geval de beschouwde eenparig versnelde beweging eenvoudig de voortzetting ware van eene voorafbestaande, welker snelheid, onder den invloed van dezelfde versnelling a van 0 tot v was aangegroeid, dan zou deze snelheid v bereikt z\ju ^ éénheden van tijdsverloop na het begin der beweging.

éénheden van tijds-

verloop na het begin der beweging bereikt zijn.

v ,, 1

In een tijdsverloop van éénheden bedraagt de afgelegde weg ,, a

CL u

salvkkda on i.K iiov, Naluurheuuis, 11. 2dc druk.

ocr page 32

18

De in de beschouwde t éénheden werkelijk afgelegde weg (s) bedraagt dus: ^ 2vat aV _ ^ wa,iruit volgt;

2« 2a

.s = h- aP.........(8)

N.B. De vergelijkingen (7) („vergelijking dor verkregen snelheidquot;) en (8) („vergelijking dnr dourloopen wegenquot;) zijn de beide grond-vergelijkingen der „eenparig versneldequot; beweging. De «enu is een noodzakelijk uitvloeisel van de andere. In bet bovenstaande is (8) uit (7) alge-leid; even goed kan (7) nit (8) worden afgeleid. (Oyjr/, Heproef dat).

;{0. Bet'Aling. 1° Eene beweging, welker snelheid in opeenvolgende onderling gelijke tijdsverloopen, hoe klein ook genomen, met onderling gelijke bedragen vermindert, heet eenparig vertraagd. 2° De „vertragingquot; in een zeker tijilsverloop wordt bij zulk eene beweging evenredig gesteld aan de vermindering der snelheid, of, bij gelijke vermindering der snelheid, omgekeerd evenredig aan het tijdsverloop, waarin zij heeft plaats gehad. 3U Éénheid van vertraging is zoodanige vertraging, waardoor de snelheid in de éénheid van tijdsverloop met eene éénheid afneemt.

4U De Richting der vertraging bij eene rechtlijnige eenparig vertraagde beweging wordt aangewezen door de lijn, volgens welke het lichaam zich beweegt, in tegengestelden „zinquot; van deze beweging.

;{i. Is bij eene „eenparig vertraagdequot; beweging de snelheid op een zeker tijdstip (beginsnelheid) = v, en een tijdsverloop van t éénheden later = vi, dan is de in dat tijdsverloop ondergane vermindering van snelheid = v — vi, d. i. per

éénheid van tijdsverloop: ^~ - éénheden, zoodat (volgens bovenstaande Bepaling 2° en ;?0) de vertraging # = ' ^ ' éénheden, waaruit volgt:

Vt = v — wt,..........00

Stellen wij de „beginsnelheidquot; op zeker tijdstip voor door v, de vertraging in de éénheid van tijdsverloop door x, dan vinden wij voor den weg (*), die in een tijdsverloop van t éénheden na het genoemde tijdstip wordt afgelegd:

s = vt — .........

Deze vergelijking (10) laat zich als volgt afleiden:

Wij stellen ons het tijdsverloop van t éénheden in 10 onderling gelijke deelen verdeeld voor, gedurende elk van welke de beweging eenparig blijft; terwijl de snelheid bij het begin van elk nieuw tiende-deel met een sprong verandert en dan de waarde krijgt, die zij hebben zou, wanneer .le beweging van 't begin af eenparig vergheld ware geweest.

/1 \ 1 In de 1ste i ^ n is dan de snelheid = de weg = '» gt;' ^

1 / 1 \ 1 , , v 2de „ „ „ „ , cc X jo 'y ;

ocr page 33

li»

in de 3fle ^ is dan de snelheid = irx ^ lt;; de weg^^v — ar X ^ ^ ^ i\

quot; » 0(1(; quot; » « » =»- , » = (w — a: x —■ lt;) lt;;

» » 10lle - » quot; - «X]0 lt;; , , = - x x ^ t \ i.

De geheele doorloopen weg (s) is dan de som v.ui 10 termen eener rekenkundige reeks, dus:

9

quot; quot;-*x io 7 ïö '=

2 xjo *'• = lt;quot;- 2 2x

Was liet gegeven tijdsverloop, in plaats van in 10, in 100 onderling gelijke deelen verdeeld, dan wus de snelheid nog wel met sprongen veranderd, doch de overeenkomst met eene werkelijk eenparig versnelde beweging grooter geworden. Voor den afgelegden weg zou dan gevonden zijn:

1 , l „ , .

s — vt — ^ ^ 2 X lÖÖ^^1S eene wn,lir,'e' 'li0'1quot;

ter bij vt — ^ xf gelegen dan de vorige.

Daar wij de verdeeling van het tijdsverloop t in onze gedachten zoover kunnen voortzetten als wij willen, kunnen wij de overeenkomst der onderstelde beweging met eene eenparig versnelde zoo groot maken en daarmede het verschil tnsschen den afgelegden weg s en de waarde vt—zoo klein maken, als wij verlangen, zoodat wij, voor het geval dat de beweging werkelijk eene eenparig versnelde is, kunnen stellen:

s =: vt — il'i^t'.

Ojjff. Beproef, uitgaande van de vergelijking vi = n at, volgens dezelfde redeneering

aan te toonen, dat bij eene eenparig versnelde beweging s — itt '/tOl-.

'{'i. Voordat wij van de „vergelijkingen der bewegingenquot; afstappen, willen wij die der doorloopen wegen en der snelheden van eene eenparig veranderlijke beweging nog eens uit een bijzonder oogpunt beschouwen en onderling vergelijken.

In de vergelijkingen (8) en (10)

« = ?)lt; ili!ali en s = vt — il2xt-vinden wij dezelfde termen; alleen het teeken van den tweeden term verschilt.

Wilden wij aan de uitdrukking vt, op zich zelve beschouwd, eene beteekenis toekennen, dan zou zij beschouwd kunnen worden als de weg, die bij eene „eenparigequot; beweging, met eene snelheid van v éénheden, in t éénheden van tijdsverloop wordt afgelegd.

En wilden wij aan de uitdrukking 'j^at' of 'l^xtquot; eene beteekenis toekennen, dan zou zij beschouwd kunnen worden als de weg, die bij eene „eenparig versneldequot; beweging zonder beginsnelheid, met eene versnelling van n (of a?) éénheden, in t éénheden van tijdsverloop wordt afgelegd.

De door de geheele uitdrukking voorgestelde weg is dan dezelfde als die eener

2*

ocr page 34

• • ' : • • '• - r-y ■'.............

'20

resulteeremle beweging, ontstaan doordien liet bewegende punt deelgenomen heeft aan twee samenstellende bewegingen, eene „eenparigequot; en eene „eenparig versneldequot;, beide bewegingen in het eerste geval in gelijken, in het tweede geval in tegengestelden zin gericht, zooals door het negatieve teeken (vlt;rh 121 wordt uitgedrukt.

In dien zin opgevat, kan de „vertragingquot; cc in vergelijking (10) als eene negatieve „versnellingquot; worden beschouwd en door de letter a worden voorgesteld.

Beproef nu zelf in de vergelijkingen (7) en (9): v/ = igt; -h nl en iv = » — xt, liet

tweede lid terng te brengen tot de uitdmkking ecner resulteerende snelheid van twee sninen-

stellende snelheden.

i{'{. In de voorgaande paragrafen hebben wij van de groote groep van verschijnselen, die onder het begrip beweging vallen, eenige bepaalde gevallen iu onze gedachten geconstrueerd, deze in 't bijzonder in hunne verhouding tot Ruimte en Tijd beschouwd en hen zoodanig in hunne bestanddeelen ontleed, dat zij tot hoeveelheden werden teruggebracht. Tusschen deze hoeveelheden bestond een zeker verband van wiskundige afhankelijkheid, zoodat het in den vorm eener „vergelijkingquot; kon worden uitgedrukt.

Het in eene vergelijking uitgedrukte verband, m. a. w. de in eene vergelijking uitgedrukte onderlinge afhankelijkheid tusschen de hoeveelheden, die de ontleding van een verschijnsel oplevert, noemt men eene wet van dat verschijnsel. Zoo kunnen de in het voorgaande ontwikkelde „vergelijkingen der bewegingenquot; de ivettcn der eenparige en der eenparig veranderlijke beweging genoemd worden.

Wij willen nu nagaan, of de werkelijke wereld der verschijnselen voorbeelden oplevert van de voorgaande, in onze gedachte gestelde, bijzondere gevallen van beweging.

Wordt een steen nabij het oppervlak der aarde uit de hand losgelaten, dan neemt hij eene beweging aan ten opzichte van de, door de punten der aardoppervlakte gevormde, omgeving. De steen nadert dan namelijk het oppervlak der aarde, aan welk algemeen bekend bewegingsverschijnsel men den naam van vallen geeft.

Met een ijzeren kogel gebeurt hetzelfde. Een luchtballon, die losgelaten wordt, beweegt zich echter naar boven.

De ruimte, te midden waarvan de genoemde voorwerpen zich bewegen, ia niet ledig, maar gevuld met lucht. Nu bestaan er werktuigen, waarmede men uit eene afgesloten ruimte de lucht, zoo niet geheel, dan toch bijna geheel kan verwijderen. Wordt de luchtballon in zulk eene zoogenoemd „luchtledigequot; ruimte losgelaten, dan stügt hij niet, maar valt evenals de steen en de ijzeren kogel.

Er is geen voorbeeld bekend van een lichaam, dat, in eene luchtledige ruimte losgelaten zijnde, omhoog stijgt.

:S5. Slaan wij acht op den vorm der baan, die de punten van een in de lucht vallend voorwerp doorloopen, dan brengt reeds eene oppervlakkige waarneming aanzienlijke verschillen aan het licht, al naar men b|jv. een watje of

ocr page 35

21

een muntsfcnk laut Viillen. In 't algenieen zal de hiuin kromlijnig zijn; doch liet valt niet te miskennen, dat zij, in het geval van het muntstuk meer tot de rechte lijn nadert dan bij het watje.

In de luchtledige ruimte vallen deze verschillen weg en valt de baan met eene rechte lijn samen.

Ook wanneer wij het vallen van het watje en van het muntstuk vergelijken ten opzichte van het tydsverloop, waarin eene zekere valhoogte wordt doorloo-pen, neemt men een aanzienlijk verschil waar. In het geval van het watje is dit tijdsverloop aanzienlijk grooter dan bij het muntstuk. Doch ook dit verschil verdwijnt, wanneer de valbeweging in de luchtledige ruimte geschiedt: eene voor beide gelijke valhoogte wordt dan in een zelfde tijdsverloop afgelegd.

Terwyl dus de waarneming van het vallen in de lucht oogenschijnlijk vele onregelmatigheden oplevert, verdwijnen deze, zoodra wij het verschijnsel onder eenvoudiger omstandigheden, nl. in de luchtledige ruimte, aan een onderzoek onderwerpen.

Vr. In welke drio üpzicliten hebben wij zoogenoemde onregelmatigheden waargenomen?

Wat in het dagelyksch spraakgebruik verstaan wordt onder de uitdrukking, dat het eene lichaam zwaarder is dan het andere, moge voor 't oogenblik als voldoende bekend ondersteld worden.

Een stuk kurk is bij geleken kubieken inhoud, m. a. w. bij gelijk volumen, zwaarder dan een stuk lood. Vallen beide in de lucht, dan nadert, indien ook beider vorm gelijk is, de beweging van het stuk lood meer tot de beweging in de luchtledige ruimte dan die van het stuk kurk. Dat de vorm niet onverschillig is, blykt hieruit, dat de beweging van het stuk lood, wanneer dit den vorm van een kogel heeft, meer tot de beweging in de luchtledige ruimte zal naderen, dan wanneer het, bij gelijk volumen, den vorm van eene plaat heeft.

Het onderzoek heeft geleerd, dat, wanneer het vallende lichaam een zwaar voorwerp is, met een betrekkelijk klein oppervlak, de beweging in de lucht zeer weinig verschilt van die in eene luchtledige ruimte, althans wanneer de valhoogte tot slechts een paar Meters beperkt blijft.

Zulk een zwaar voorwerp is het metalen cylindertje van het in fig. 3 afgebeelde toestelletje, dat den naam van „pasloodquot; of „schietloodquot; draagt. I Iet cylindertje is opgehangen aan een buigzamen draad, die van boven onbeweeglijk aan een standaard bevestigd is. De gespannen draad geeft de richting aan, volgens welke de punten van het cylindertje zich onder het vallen bewegen. Aan deze richting geeft men den naam van „de verticaal (d. i. ,topquot;]ijn, daar zij naar het boven ons hoofd gelegen „toppuntquot; of Zenith des Hemels gericht is) van de plaats van waarneming.

Vergelijkt men de hoeken, die de gespannen draad maakt met twee willekeurig gekozen lijnen op het platte oppervlak eener stilstaande vloeistof, bijv. water of kwik, dan blijken deze hoeken onderling gel\jk te zijn. De verticaal staat, m. a. w loodrecht op dat vlak.

Men overtuigt zich hiervan gemakkelijk door de proef met het paslood boven water of kwik te nemen. (vgl. fig. 3).

Hoe ook de stand van den waarnemer ten opzichte van den boven de vloei-

ocr page 36

• • ■

stof liiiiilt;f(!ndeii (Inuul /.ij, liet spiegelbeeld vim den gespiuiuen draad valt steeds in het verlengde van den draad zelven, daar beide kunnen bedekt worden door een draad vau een tweede paslood, dat de waarnemer tusschen liet eersteen zijn oog houdt.

Nu wordt in de leer van het licht bewezen, dat het spiegelbeeld eener rechte lijn, bij eiken stand van den waarnemer, alleen dan in het verlengde der l\jn zal vallen, wanneer deze loodrecht staat op het spiegelend oppervlak.

Een oppervlak, waarop de verticaal loodrecht staat, heet, in verband met het voorgaande, waterpas of, daar het evenwydig is aan bet vlak van den horizon der plaats, horizontaal.

!f7. In het voorgaande ligt, volgens § 33, eene wet opgesloten, daar wij tusschen zekere grootheden, nl. de beschouwde hoeken, eene bepaalde standvastige betrekking, namelijk die van gelijkheid, hebben aangewezen. De ,metingquot; zelve is de „proefondervindelijkequot; bewijsvoering.

EERSTE WET VAN DEN „VEIJENquot; VAI;. ')

Elh lichaam valt volgens eene rechte lijn, loodrecht op het oppervlak eener -stilstaande vloeistof.

Terwijl eene kleine hoeveelheid water een plat eene groote uitgestrektheid, zooals den Oceaan, gebogen en wel ten naaste bij bolvormig, blijkens metingen, die de bepaling van den vorm der aarde ten doel hebben.

Dat een klein wateroppervlak zich als een phit vlak voordoet, ligt aan de onvolmaaktheid onzer herkenningsmiddelen, daar de aardstraal zooveel (luizende malen grooter is dan de afmetingen van het beschouwde oppervlak, dat de geringe kromming van het laatste door geen meetwerktuig kan worden aangetoond.

Daar de verticalen der verschillende plaatsen op aarde elkander wel niet volkomen, maar toch ongeveer in het middelpunt der aarde snijden — wij zullen later hierop nader terugkomen — wordt de „Eerste Wet van den vrijen valquot; alleen bij wijze van benadering in den volgenden vorm gebracht:

Elk lichaam valt volgens eene rechte lijn, die, voldoende verlengd, door het middelpunt der aarde gaat.

Fig. 3.

Cs V)quot;

rJ

u

oppervlak heeft, is dat van

!{8. Eene andere betrekking van gelykheid hebben wij in t; 35 reeds aangeduid, ten opzichte van het tijdsverloop, waarin verschillende lichamen eene zekere valhoogte doorloopen. Zij is de zoogenoemde

ocr page 37

23

TWEEDE WET VAN DEN -VRIJEN VAL.

Hij (iclijkc valhooyte is hel lijdsverloop tusschen hel begin en hel einde van den vlt;il voor alle lichamen yeiijk.

Om te omlerzoeken in welk verlmml de viiltijd en de duariu doorloopen

weg tot elkander staan, kan men

zicli bedienen van den in fig. 4 afge-beelden toestel van Morin, die op het volgende l)egin.sel berust.

Stellen wij ons voor, dat een ge-wieht vrij valle langs een verticaal, met een stuk papier bedekt vlak. Aan het gewicht zij eene schrijfstift bevestigd, welker punt tegen hot papier drukt en er eene lyn op teekent. Is het papier onbeweeglijk, dan zal deze lijn eene rechte, verticale lijn zijn. Wordt echter aan het papier eene horizontaal gerichte, eenparige beweging medegedeeld, dan zal eene naar beneden loopende kromme lijn van bepaalden vorm geteekend worden.

Gesteld dat op het papier (vgl. lig. 5), op onderling gelijke afstanden van 1 cM., verticale lijnen getrokken zijn, die in onderling gelijke tijds-1

secunde langs de

100

schrijfstift gaan. Stellen wij ons verder voor, dat ile verticaal 0 voorbij de schrijfstift gaat, op het oogenblik dat het lichaam begint te vallen. De schrijfstift zal dan '/ton sec. later de verticaal 1 treffen; nog '/on sec- later no. 2, enz. De punten, waarin de opvolgende verticalen getroffen worden, zijn respectievelijk A, B, (', D, E, enz. Meet men nu de respectieve afstanden Ml), (je, Dd,, Ec, van deze punten tot de horizontale lijn .ry, dan leert men de, in de opvolgende tijdsverloopen van '^nn sec'lt; afgelegde wegen kennen. Wordt de proef niet den toestel van Morin genomen, dan vindt men, dat de genoemde afstanden, d. i. de doorloopen wegen, evenredig zijn aan de tweede machten der sedert het begin der beweging voorafgegane tijdsverloopen.

De horizontale verschuiving van het papier wordt in dezen toestel verkregen door het om een cylinder te wikkelen, die eene eenparige beweging heeft om eene verticale as. Het gewicht S levert de beweegkracht, die den cylinder aan-

ocr page 38

24

. ■gt;

vunkelyk eene versnelde beweging geei't. Do gelijktijdig hiemiede, doch in sterkere mate, aangroeiende weêrstand der lucht tegen de eveneens in beweging

gebrachte molen wiekjes P, P' regelt na een zekeren tijd de beweging zoodanig, dat zij eenparig wordt.

\V

Eerst dan is het tijdstip daar om met de proef te beginnen, Het vallende voorwerp wordt bij een kleinen omvang zeer zwaar gemaakt, zoodat bij de gegeven valhoogte, de val niet merkbaar van den „vryenquot; val, in eene luchtledige ruimte, verschilt.

De toestel van Morin levert dus de proefondervinde-lyke uitkomst, die vervat is in de

DERDE WET VAN DEN „VRIJENquot; VAL.

De weg, dien een vallend lichaam op zeker tijdstip na het begin van zijn val heeft doorloop en, is evenredig aan de tweede macht van het tussehen beide tijdstippen gelegen tijdsverloop.

40. Brengen wij het voorgaande in verband met §§ 25 en 26, dan is de vrije val een voorbeeld van eene eenparig versnelde beweging.

Een noodzakelyk uitvloeisel van de laatstgenoemde „Wetquot; is dus de volgende

VIERDE WET VAN DEN „VRIJENquot; VAL.

De snelheid van een vallend lichaam, op zeker tijdstip na het begin van zijn val, is evenredig aan het tussehen heide tijdstippen gelegen tijdsverloop.

41. Daar de valbeweging eene eenparig versnelde beweging is, moet, volgens § 27, de „snelheidquot; van een vallend lichaam „aan het einde der eerste secundequot; van zijn val eens zooveel eenheden bevatten als de in die eerste secunde doorloopen „wegquot;, en evenveel éénheden als de „versnellingquot; bedraagt.

Nauwkeurige meting heeft geleerd, dat de „versnellingquot; van een vrij vallend lichaam op verschillende plaatsen op aarde verschillend is en dat zy, de secunde als éénheid van tijdsverloop en den centimeter als éénheid van lengte aannemende, te Amsterdam 981,3 éénheden bedraagt.

N.B. De versnelling van den vrijen val wordt aangeduid dour hot teeken 7, de beginletter van het woord fjravitns (=. zwaarte):

f/ — 981,8.

Vr. Hoeveel bedraagt de door een vrij vallend lichaam in de eerste seeunde van zijn val afgelegde weg?

Vr. Door welk getal zal de versnelling van den vrijen val worden voorgesteld, wanneer Gij in Uw stelsel van eenheden den eM vervangt door den M. ?

Vr. Hoe verhouden zieh de door een vrij vallend lichaam in opeenvolgende secunden doorloopen wegen ?

43. Voorloopig zij hier medegedeeld, dat, terwijl wij in den „vrijenquot; val van een lichaam een voorbeeld hebben van eene eenparig versnelde beweging, het stijgen van een verticaal omhoog geworpen lichaam, wanneer wij weder den tegenstand der lucht buiten rekening laten, een voorbeeld eener

Fig. 5. f) o d_

B

C

n

2

E

1

ocr page 39

eenpiirig vertraagde beweging is, voldoende aan de in 5? 31 gegeven vergelijking s = vl — De „vertragingquot; dezer beweging bedraagt evenveel een-heden als de „versnellingquot; van den vryen val, zoodat x — g, terwijl vdebeginsnel-heid voorstelt, waarmede het stijgende lichaam zijne beweging naar boven begint.

])e wetten van tien vrijen val schijnen ons thans zeer eenvoudig. Voordat echter de proefneming op het vraagstuk was toegepast, vormde men zich omtrent het verschijnsel van het vallen zeer setieeve voorstellingen. De tijdgenooten van Galilei droegen bijv. nog do van Arisloteles ul'-komstige leer voor, dat oen tienmaal zoo zwaar lichaam in een zelfde tijdsverloop een tienmaal zoo grooten weg doorliep. Galilei had de goede gedachte het vraagstuk aan de beslissing van het experiment te onderworpen en bewees door het laten vallen van voorwerpen van den scheeven toren van Pisa, ten aansehouwe van zijne collegaVhoogleeraren aan de universiteit aldaar, dat men tot dien tijd in grove dwaling verkeerd bad. De ontdekking der „Galileïsche valwettenquot; had plaats omstreeks 1590.

Opgaven. I. Hoi groot is de versnelling, wanneer een voorwerp, 20 secunden na het begin zijner eenparig versnelde beweging, een weg van 2400 M heeft afgelegd?

2. Een lichaam heelt 8 secunden na het begin zijner eenparig versnelde beweging eene snelheid van 2000 e'euheden. Hoe groot is de weg, dien het iu deze 8 sec. heeft afgelegd?

.3. Hoe lang heeft de „vrijequot; val van een lichaam geduurd, wanneer het eene hoogte van 78,4 M heeft doorloopen en met welke snelheid eindigt het? (lt;/ .= »80).

4. Een „vrijquot; vallend lichaam heeft in een zeker punt A zijner baan eene snelheid van 4!I0Ü, in een lager gelegen punt li eene vnn 7840 eenheden. Hoe ver liggen de beide punten van elkander? (7 = 980). \

T). Een lichaam begint met eene snelheid van 5000 eenheden zijne eenparig vertraagde beweging, waarvan de vertraging 1000 e'e'nhcden bedraagt. Hoe gruot is zijne snelheid na 4 secunden en welken weg heeft het in dit tijdsverloop afgelegd ?

6. Een voorwerp wordt verticaal omhoog geworpen met eene beginsnelheid van 2940 eenheden. Hoe lang blijft het stijgen? Hue hoog stijgt het? Hoeveel tijd gebruikt het om weer terug te vallen ? (V; = 980).

4!{. In de voorgaande paragrafen hebben wij ons beziggehouden niet bewegingsverschijnselen. Daarmede niet tevreden, trachten wij die verschijnselen tot hunne oorzaken terug te brengen en vragen, waaraan wij ze hebben too te schrijven. Die pogingen om de verschijnselen tot hunne oorzaken terug te brengen, nemen wij eiken dag, dikwijls in zeer naïeve vermen, in het gewone leven waar, waar men uitgaat van de stelling: „dat niets van zelf gebeurtquot;. Die pogingen ontmoeten wij ook in de natuurwetenschap van de vroegste tyden af. „Voor den natuurkundige,quot; zeide Ckcro '), „is er niets verschrikkeiijkers dan de bewering, dat er iets zon gebeuren zonder oorzaak.quot;

Op welk standpunt staat nu te dezen opzichte de hedendaagsche wetenschap? Bij onze ontleding van het begrip „bewegingquot; hebben wij eene ontwikkeling gegeven van de begrippen „snelheidquot;, „richtingquot; en „zinquot;. Zijn de „snelheidquot;, de „richting' en de „zinquot; eener beweging op een gegeven tijdstip bekend, dan weten wij van die beweging alles, wat w^j er op dat tijdstip van weten kunnen. In dat geval wordt gezegd, dat wij den toestand der hewcyiny op het gegeven tijdstip kennen.

Verandering van don „toestand der bewegingquot; beteekent dan verandering van snelheid of van riciiting, één van beide of in verbinding met elkaar.

1) 10(j—4;! v. C.

ocr page 40

26

Zulk etiti(3 , venuuleriiig vau toestaadquot; wordt in de hodeudiiagsche bewegingsleer toegeschreven iian oen invloed, door een of' meer andere stofileelen op het bewegende stotdeel uitgeoefend, een denkbeeld, in zijn meest algemeeneu vorm uitgeilrukt in de zoogenoemde Grondstelling der Gemeenschap, die in de Inleiding vermeld is.

Ondervindt een stoffel ij k punt zoodanigen invloed, dan drukt men dat uit door te zeggen, dat er „eene kracht op dat punt werktquot;.

De werking eener kracht onderstelt dus minstens twee stofileelen: één, dat den invloed ondervindt, en één, van 't wolk de invloed uitgaat.

Wij kunnen nu hot boven uitgesproken beginsel in don volgenden vorm breugon:

Grondbeginsel der Traag uk id of der Inertie.

Indien er verandering in den toestand der beweging van een punt /ilaal* heeft, 'tzij in Richting of in Snelheid, dan werkt er cene kracht op dat punt.

A nu ui. Do «•«tenschn]i heult liet woord „krachtquot; aan de dagolijkselie laai ontleend en de spicr„krachtquot; van het menschelijk lichaam als een beeld aangenomen, waavondei' de wei'k-dadige oorzaken der bewegingsverschijnselen worden voorgesteld.

Zegt men in het dagelijksch loven, dat een voorwerp in beweging is geraakt door do spierkrachtquot; bijv. van den arm, dan ligt in de samenstelling van dit woord opgesloten, dat do invloed, dien het voorwerp ondervindt (m. a. w. de kracht, die er op werkt) wordt toegeschreven aan een ander voorwerp, in dit geval de spieren van don arm. 1 it hetgeen vooraf is gegaan, blijkt, dat men in de natnnrknnde dezelfde beschouwingswijze volgt. Vraagt men, waarom men deze beschouwing en geen andore volgt, dan luidt het antwoord; omdat tot heden onze redonoeringeu alleen langs dezen weg bruikbare uitkomsten opleveren, — uitkomsten, die met de werkelijkheid in overeenstemming zijn.

Dat eene andere beschouwingswijze onmogelijk zou zijn, is daarmede geenszins bewezen.

44. In do stelling, die in het zoogenoemde Beginsel der Traagheid ligt uit-godrnkt, hebben wy te doen met een „hypothetisch oordoelquot;, d. i. een oordeel, dat aan eene zekere voorwaarde gebonden is. Zulke oordeelen zijn TJ uit tie „Stellingenquot; der Meetkunde voldoende bekend.

Maken wij, met verandering van den bevestigenden zin in een ontkennenden, de voorwaarde tot het afhankelijk gestelde en bet tegendeel van het afhankelijk gestelde tot voorwaarde, dan ontstaat door deze zoogenoemde contrapositie of „tegenstellingquot; de nieuwe Stelling:

Indien er op een stoffelijk punt geen kracht iccrkt, dan zal er geen verandering in den toestand zijno beweging, 'tzij ten opzichte van Richting of van Snelheid, plaats hebben.

Is de eerste Stelling waar, dan moet de tweede óók waar zijn.

Beredeneer waarom.

4rgt;. Uit onze tweede stelling kan nogmaals eene nieuwe stelling ontstaan door zoogenoemde conversie, of „omkeeringquot; — U uit de Wiskunde genoegzaam bekend —, waarbij het afhankelijk gestelde tot voorwaarde en de voorwaarde bet afhankelijk gestelde wordt:

Indien er in den toestand der beweging van een stoffelijk punt, 'tzij ten opzichte van Richting of van Snelheid, geen verandering plaats heeft, dan werkt er op dat pant geen kracht.

ocr page 41

27

l)(! Wiuirheiil van dit BoiMgeke(jnl()quot;' lilt;rt in de wanrlieid der voorpriiiinde stolliiiff niet noodzakelijk opgesloten.

Aanrn, De waarlioid, uitgedrukt in de stelling; „Indien twee parullelogi'ammen gelijke buses en gelijke hoogten hebben, dun hebben zij gelijke oppervlakkenslnit volstrekt niet de wuurlioid in zich vim hot oingekeerde: „Indien van twee piirallelognnnmen de oppervlakken gelijk zijn, dan hebben zij gelijke bases en gelijke hoogten.quot;

Wij staan dus voor de vraag, of de laatstgenoemde stelling al dan niet waarheid inhoudt.

Voor zoover in de oudheid het begrip „krachtquot; ontwikkeld was, ging men van liet denkbeeld uit, dat ook een voorwerp, dat in den toestand van eene eenparige beweging was, onder een zekeren invloed verkeerde, in. a. w., dat er eene kracht op werkte: het voorwerp veranderde van plaats —zoo redeneerde men —, dus moest daarvoor eene oorzaak aanwezig zijn. 15ij hen, als bij ons. werd de toestandsverandering aan eene oorzaak toegeschreven; doch terwijl wij onder toestandsverandering alleen verandering in Snelheid en in Richting begrijpen, voegden zij daarbij nog verandering van Plaats. De Ouden handelden van hun standpunt in 't minst niet ongerijmd. Eerst van achteren (achteraf) kan blijken, dat onze nieuwere beschouwing de voorkeur verdient, omdat de uit haar afgeleide gevolgtrekkingen beter in overeenstemming zijn met de uitkomsten der waarneming. De Italiaansche wijsgeer Galilei gaf tot die nieuwere beschouwingswijze den eersten aanstoot; onze landgenoot ('Irrisliaan heeft

haar het eerst nauwkeurig geformuleerd.

De vraag naar de waarheid onzer stelling blijft intusschen óók bij de nieuwere beschouwingswijze van kracht en het, alweder door latere uitkomsten gerechtvaardigde, antwoord luidt, dat de stelling waarheid kan, doch niet noodzakelijk behoeft te behelzen, daar het denkbaar is. dat hot bewegende punt onder twee ol meer invloeden (krachten) staat, die elkanders uitwerksel te niet doen. Daarom wijzigen wij de stelling aldus;

Indien in den Thewegings toestandquot; v(in een stoffelijk punt, ' t z Ij ten opzichte der Richting of der Snelheid, geen verandering plaats heeft,

dan is het also! er geen kracht op dat punt werkt;

of:

dnn blijkt dal er eene kracht op dat punt werkt.

Evenzoo:

Indien een stoffelijk punt in den toestand ran rust verkeert, d.an blijkt niet dat er (dan is het alsof er geen) kracht op dat punt w e r k t.

•tO. Om aan te duiden, dut er twee of meer krachten op een punt werken, die elkanders werking opheffen, bezigt men de uitdrukking, dat deze krachten „met elkander evenwicht maken ; en dat het punt onder haar invloed in den „toestand van evenwichtquot; verkeert.

J-7. Evenals aan de beweging zelve worden ook aan eene kracht de eigenschappen van Richting en ffaegrootheid toegekend.

ocr page 42

28

Hki'M.inh. 1quot; De „Richting eener kniclitquot; is ile riditinp der versnelling of der vertraging, die aan liare werking moet worden toegeschreven. 2quot; Wanneer, bij eene niet eenparige rechtlijnige beweging, de versnellingen of vertragingen in onderling gelyke tydsverloopen, hoe klein ook genomen, onderling gelijk zijn, dan heet de „Grootte der krachtquot; niet te veranderen.

By verandering der versnelling of vertraging wordt, onder overigens gelijke omstandigheden, de Grootte (k'r kracht evenredig aan de versnelling of vertraging gesteld.

Volgens het in deze Bepaling aangenomen spraakgebruik kan dus eene rechtlijnige, eenparig versnelde (of vertraagde) beweging beschouwd worden als het uitwerksel eener, ten opzichte van Richting en Grootte standvastige kracht.

8. Uit het voorgaande volgt, dat eene kracht, evenals eene „snelheidquot; en eene „versnellingquot;, naar richting en grootte door eene lijn kan worden voorgesteld. Het eene uiteinde van zulk eene lijn stelt het punt voor, dat den invloed der kracht ondervindt: „aangrijpingspuntquot;; de richting der lijn is tevens de richting der kracht en de lengte der lijn kan eene voorstelling van de grootte der kracht geven, wanneer gegeven is, welke lengte aan de éénheid van kracht beantwoordt.

Zoolang wij ons in de voorgaande paragrafen bezighielden met de bewegingsverschijnselen, voelden wij vasten grond onder de voeten. Met het ontwerpen van eene leer der hrachten hebben w\j ons op het gebied der onderstellingen of hypothesen begeven. Willen deze meer zijn dan het wilde spel dei-verbeelding en op den naam van wetenschappelijke hypothesen aanspraak maken, dan moeten zij een geordend geheel vormen, zoodanig, dat, door wiskundige redeneering, gevolgtrekkingen uit haar kunnen worden afgeleid, die in overeenstemming z\jn met hetgeen de waarneming ons leert. Slaagt men er in, aldus eene min of meer omvattende groep van verschijnselen langs den weg der redeneering uit haar af te leiden, dan vormt het uitgedachte stelsel van hypothesen met zyne logische gevolgtrekkingen eene zoogenoemde Theorie van die verschijnselen.

Het gedeelte der Natuurkunde, dat zich het ontwerpen van zoodanige theorieën ten doel stelt, draagt den naam van mathematische Natuurkunde; terwijl de ex perimenteele of „proefondervindelijkequot; Natuurkunde langs den weg van waarneming en proefneming tot algemeene wetten en uitkomsten tracht op te klimmen.

A a ii in. Alen late zich door den nmim „mathcmatischev, natuurkunde niet verleiden tot de gun sell verkeerde meening, alsof de mathesis of wiskunde alleen dezen tak der natuurkunde tot instrument diende; de experimenteele natuurkunde eiseht van hare beoefenaars niet meer, maar ook niet minder wiskundige kennis dan de zoogenoemd mathematische.

50. Onder de theorieën in de natuurkundige wetenschap is de Theorie der bewegingsverschijnselen, ook wel Theoretische Meclumica geheeten, de best ontwikkelde.

ocr page 43

20

Het uitgangspunt der Theoretische Mechanica is het Grondhrginsel der Traagheid, in den boven ontwikkelden zin, dien Huygens er aan gegeven heelt.

Eene tweede hypothetische Grondstelling, eveneens door onzen Huygens, op liet voetspoor van Galilei's onderzoekingen geformuleerd, is liet zoogenoemde

Grondbeginsel van de Onafhankelijkheid oer Uit we uks el en.

De beweging, die een ■punt, waarop eene of meer krachten werken, aanneemt, is de „samengesteldequot; van lu de beweging die het (mogelijkerwijze) reeds bezit en 2° de hcweging(en), die het zou aannemen ten gevolge van elk der w er ken de krachten, indien elk van deze op het in rust ver keer ende p u n t werkte.

Wy willen dit grondbeginsel nader toelichten en splitsen het daartoe in twee onderdeelen.

I'1 Het punt O (lig. 6) hebbe op een zeker tijdstip eene „eenparigequot; beweging

in de richting van den pijl OX, terwijl op datzelfde oogenblik eene kracht op het punt begint te werken, die, indien zij alleen op het in rust verkeerende punt werkte, er eene „eenparig versneldequot; beweging aan zou mededee-len volgens de lijn OY, zoodanig dat in opvolgende onderling gelijket\jdsverloopen(lt;) respectievelijk de wegen O/y,, //,//.,, zouden worden afgelegd. Indien Oa?, = xlx.i — de wegen zijn, die by de onderstelde eenparige beweging zouden worden afgelegd in dezelfde tijdsverloo-pen (lt;), waarin bij de pasgenoemde eenparig versnelde beweging respectievelijk de wegen O)/,, VxUi 1 IJi.'h worden afgelegd, dan vinden wij de beweging van liet punt door de beide bewe-

gingen volgens de figuur samen te stellen tot de beweging langs de kromme lijn OZ, waarvan Oï, , z^z.,, ziz3 achtereenvolgens elk in een tijdsverloop t worden afgelegd.

2° Indien, als invloed van twee punten P en Q (fig. 7), respectievelijk twee krachten werken op een punt A, dan is het uitwerksel gelijk aan dat eener kracht R, die, naar richting en grootte, wordt voorgesteld door de diagonaa l AD van het parallelogram, welks om de diagonaal liggende zijden AB en AC' respectievelijk de krachten P en Q voorstellen, die van de gelijknamige punten uitgaan.

Deze Stelling is hekend als de Stelling van het Parallelogram van krachten.

De twee krachten P en ^ heeten de composanten; de kracht K de resultante. De krachten I' en Q heeten te zijn „samengesteldquot; tot de kracht R.

51. Twee composanten kunnen slechts op eene wijze tot eene resultante worden samengesteld.

Omgekeerd echter kan eene zelfde resultante het resultaat zyn van een onbeperkt aantal stelsels van composanten.

O[Kj. Miiiik dit met uenc tockoiiing tliiklclijk.

ocr page 44

32

Fig. 8.

r

M

lï

De iiiiuwkeiiriijt) kennis dezer planetenbanen zijn wij verscliuldigd aan de onvermoeide nasporingen en berekeningen van Johann Keppler '). Aanvankelijk wijdde deze meer byzonder zijne aandacht aan de baan der planeet Mars, die Inj in een in 1009 verschenen werk als een lastigeu vijand voorstelt, niet wien de sterrekundigen veel te stellen hebben gehad. „De voortreffelijke veldheer Ti/cho de Brahe') heeft er echter,quot; zegt liij, „gedurende twintig jaren zyne nachten aan besteed, om al de krijgslisten van dien tegenstander af te loeren, en Ity heeft mij zijne aanteekeningen nagelaten, zoodat het mij daarmede en met de hulp van de loopbaan onzer Aarde eindelijk gelukt is, hem op zijne kromme wegen te volgen.quot; „Mocht iemand,quot; zegt hij ook nog, „by het lezen van mijne ingewikkelde berekeningen [er zijn er onder, die tien folio-bladzijden beslaan| over verveling klagen, laat hij dan in de eerste plaats medelijden met mij hebben , daar ik ze zekerheidshalve althans zeventig maal heb herhaald, terwijl hij ze maar éénmaal behoeft door te lezen.quot;

In dit boek ontwikkelt Keppler de naar hem genoemde

EERSTE WET VAN KEPPLER.

De haan, die, eene planeet doorloopt, is eene cllipfi, Jn het eene brandpunt der ellips bevindt zich de zon;

en de

TWEEDE WET VAN KEPPLER.

De va er straal, die. de planeet met het middelpunt der zon verbindt, beschrijft bij de beioeging der planeet in onder liny (jelijle tijdsverloopen onderling gelijke oppervlakken.

In 1(518 vond hij nog de

DERDE WET VAN KEPPLER.

De tweede machten der omloopstijden van verschillende planeten o vi de zon staan tot elkander als de derde mach ten van de gr o o te assen har er loopbanen.

N.B. In fij^. 8 vindt Gij eoiic ('lli|is vooigesteld, die (iij op de volgende wijze ontstnim

knnt denken. Denk 1' in elk der punten A en 1{ een ponnetje en om deze beide een dnuid

geslagen, welks beide einden aaneengeknoopt zijn. Als nu de dmnd door middel vtin eene selnijl'-stift gespannen wordt, zoodat hij een driehoek wordt, waarvan de punten A en B en de punt der stil't de hoekpunten zijn, en de laatstgenoemde wordt over het vluk van het papier in 't rond bewogen, zóó dat de draad gespannen blijft, dan ontstaat de gesloten kromme lijn, die in lig. 8 is afgebeeld cn die den naam van ellips draagt. Re punten A en 1! heeten de brandjjunlen, de rechte lijn AG tnssehen een brandpunt en een punt van den omtrek een merstrnal; de lijn CD de (jroote-, KI1' de kleine as der ellips.

1) Geb. den 27 Dee. 1571 te Magstadt, nabij Weil, in Wiirtemberg; gest. Ifi30 te Hegensburg. In zijne meerendeels in het Latijn geschreven werken, schrijft liij zich Joannes Keyderus.

2) Deenseh sterrekundige (geb. I.'i4G, gest. 1COI), die ecu schat van voor zijn tijd nauwkeurige waarnemingen verrichtte up de beroemde, door hem zelven gebouwde sterrenwacht ITranienburg, in do Sont.

ocr page 45

33

De Tweede Wet van Kepjder zegt nu, dat, indien do planeet in een zeker tijdsverloop van 0 in 11 komt, on in oen even groot tijdsverloop van 11 in 1, de oppervlakken der fignren (IAII en IIAI eveneens onderling gelijk zijn.

Nog dient hier, om onjuiste voorstellingen te voorkomen, te worden bijgevoegd, dat de elliptisclie banen, die de planeten bescbrijven, geenszins zoo uitgerekt zijn als die der figuur. Inderdaad zijn zij, in de juiste verhoudingen goteekend, te imuwernood van cirkels to onderscheiden. Zoo staan bijv. de kortste on de langste afstand tusschen de aarde en de zon (AC en AD) tot elkaar als 59 : 61.

'gt; . Passen wij nu op de planeten-beweging het in den zin van Hiiygens ontwikkelde Grondbeginsel der Traagheid toe, dan moet eene planeet, dewijl hare beweging „kromlijnigquot; en ,veranderlijkquot; is, voortdurend onderworpen /.ijn aan de werking eener kracht, d. i. aan den invloed van een of meer andere stoffelijke punten, waardoor de richting en de grootte harer snelheid aanhoudend gewijzigd worden.

De richting van de snelheid der planeet in hei punt A van hare baan (fig. (J) wordt voorgesteld door de raaklijn AC; hare snelheid in A zij zoodanig, dat zij

in zeker tijdsverloop t in 0 zou komen, indien, van het oogenblik af dat zij in A is, haar bewegingstoestand niet meer veranderde, m. a. w. indien er van dat oogenblik af geen kracht meer op werkte. Stellen wij, dat echter in werkelijkheid de planeet in / \ \ datzelfde tijdsverloop l in het punt B van

y hare baan kome. De lijn ('H noemen wij

• i nu de af wijkhui, die de planeet in het tijdsverloop t ondergaan heeft, ten gevolge van den op haar uitgeoefenden invloed. Nu leert eene op Keppler's Tweede Wet toegepaste wiskundige beschouwing, dat de richting der lijn CB, die de „afwijkingquot; voorstelt, meer en meer nadert tot eene zekere grens richting, voorgesteld door de lijn A/, die de planeet met het middelpunt der zon verbindt, wanneer men het beschouwde tijdsverloop tot 0 laat naderen. Men drukt dit uit door te zeggen, dat de „richting van de afwijkingquot; eener planeet in een zeker punt (A) van hare baan wordt voorgesteld door de verbindingslijn van dit punt met het middelpunt der zon (AZ), Het denkbeeld ligt nu voor de hand, de „afwijkingquot; toe te schrijven aan een invloed, eene „krachtquot;, die van de zon (Z) uitgaat, en die steeds gericht is volgens de lijn, die planeet en middelpunt der zon verbindt, in den zin van A naar Z.

Deze gedachte rijpte het eerst in den geest van den grooten Engelschen wijsgeer Isaac Newton, die, aldus voortbouwende op de door Galilei en Huygcn* gelegde grondslagen, aan de leer der krachten eene toepassing gaf, in grootsch-hei;i alle andere overtreffende.

igt;i). Volgens de voorgaande beschouwing is de planeet met de zon als 't ware door een onzichtbaren hand verbonden, waaraan, van de zon uit, getrokken wordt; vandaar de beeldspraak, dat de zon eene aantrekking op de planeet uitoefent. Uit Keppler's Wetten wordt, door middel van hef instrument der Wiskunde, de richting dezer aantrekkende kracht afgeleid.

SAI.VKIIDA en t.i; nov. Natuurkennis, II. 2e druk.

ocr page 46

34

Beschouwt men iilzoo de ,afwijkingquot; der planeet, in een klein tot nnl naderend tijdsverloop nadat zij in A is, als den weg, die in dat tijdsverloop onder den invloed eener standvastige, door de zon uitgeoefende aantrekkingskracht doorloo-pen is, dan is deze weg met eene „eenparig versneldequot; beweging doorloopen. De versnelling dezer beweging nadert, by het kleiner nemen van het beschouwde tijdsverloop tot eene grenswaarde, die de „versnelling der afwijking in het punt A der baanquot; geheeten wordt.

Daar volgens de beschouwingswijze van Huygens de „grootte eener krachtquot; naar de door haar veroorzaakte „versnellingquot; beoordeeld moet worden, komt het dus aan op het vergelijken van de „versnelling der afwijkingquot; in verschillende punten der baan, indien men wil beoordeelen, of de door de zon op de planeet uitgeoefende aantrekkingskracht in alle punten van de baan even groot is. De oplossing van het vraagstuk l eeft geleerd, dat

de door de zon op de planeet uitgeoejende aantrekkingskracht omgekeerd evenredig is aan de tweede macht, va.n den afstand tus-schen de planeet en het middelpunt der zon.

56. Wij kunnen het voorgaande aldus samenvatten:

Uit de tivee gegevens, dat een voorwerp 1° eene elliptische haan doorloopt, en

2° haar zoodanig doorloopt, dat het door een voers traal (die het bewegende iioonoerp met een der brandpunten verhindt) beschreven oppervlak evenredig is aan het daaraan bestede tijdsverloop,

vloeit met noodzak el ij k heid vo o r t :

1quot; dat het voorwerp onderworpen is nan de werking eener kracht, die naar het genoemde brandpunt gericht is,

2° dat deze kracht omgekeerd evenredig is aan de tweede macht van den afstand, tusschen voorwerp en brandpunt.

Aan Newton komt de eer toe, deze gevolgtrekking het eerst gemaakt en met wiskundige bewijzen gestaafd te hebben.

Aanm. Newton leverde tevens het wiskundige betoog, dat, wanneer men omgekeerd onderstelde, dat op een eenmaal in bewoging vorkeerend voorwerp eene kraeht werkte -standvastig van het voorwerp naar een zelfde vast punt gericht en veranderende omgekeerd evenredig aan de tweede macht van den afstand 'tusschen dit vaste punt en het voorwerp —, de door het voorwerp doorloopen baan noodzakelijk eene kegelsnede moet zijn, in welker „brandpunt'quot; zich het vaste punt bevindt.

De ellips is eene der drie bestaande „kegelsneden'quot; en wel die, welke ontstaat, wanneer de platte doorsnede van den kegel rondom door den kegel „man ter' gaat.

N.B. De cirkel is hiervan slechts een bijzonder geval, ontstaande wanneer de doorsnede loodrecht op de as des kegels staat.

57. Evenals de planeten zich bewegen ten opzichte van de zon, zoo bewegen zich de vier zoogenoemde wachters, satellieten of manen van Jupiter ten opzichte van dezen. Newton leidde uit de waarnemingen af, dat ook zij zich bewegen, alsof zij door de planeet werden aangetrokken met eene kracht, omgekeerd evenredig aan de tweede macht van den afstand tusschen de maan en het middelpunt der planeet. Hetzelfde geldt voor de manen der overige planeten, ook voor de maan onzer Aarde.

ocr page 47

35

Nadenkende over het verschijnsel van de gewone „valquot;beweging, vroeg Newton zich af, of de kracht, die dit algemeen bekende verschijnsel veroorzaakt, ook dezelfde kracht zou kunnen zijn, die aan de Maan hare baan rondom de Aarde voorschrijft.

De „versnellingquot; der valbeweging aan het oppervlak der aarde, ten opzichte V(in de door het 'middelpunt dev cinrde cu de vnslc stevrcn (/evorinde oouyevviyj, kan bepaald worden. Ts nu de kracht, die de, op 60 aardstralen van het middelpunt der Aarde verwijderde. Maan in hare baan houdt, dezelfde als die, welke het vallen van een voorwerp teweegbrengt, doch omgekeerd evenredig aan de tweede macht van den afstand tot het middelpunt der Aarde, dan moet die kracht dus 3600 maal zoo klein zijn als aan het oppervlak der Aarde en de „versnellingquot; moet op dien afstand eveneens 3600 maal zoo klein zijn. inderdaad vertegenwoordigt dit 3(500 maal zoo kleine bedrag de aan den invloed der Aarde toegeschreven „versnellingquot; van de „afwijkingquot; der Maan, ten opzichte van de straks genoemde, door het middelpunt der Aarde en de vaste sterren gevormde omgeving.

Aatnn. Men letto wel, dut in het voorgiuuule de beide bewegingen, welker „vorsnellingen'quot; vergeleken werden, beschouwd moesten worden ten opzichte van de-el/de punten van vergelijking, m. ii. w. van eenc zelfde omgeving. Het is de omgeving (A), die gevormd wordt door liet middelpunt der Aarde en de vaste sterren. De punten van vergelijking, m. a. w. de omgeving (15), tequot; opziehte van welke men gewoon is de beweging van een vallend voorwerp te beoordeelen, wordt gevormd door de punten der anrdoji/iervlakle. De laatstgenoemde omgeving 15 beweegt zieb eeliter ten opzichte van de omgeving A (in 24 uren beschrijft elk punt der aardoppervlakte ten opzichte van de omgeving A een cirkel (dagelijksche „aswente-liug ), en dat maakt, dat de beweging van een vallend voorwerp, dus ook zijne „versnel-lingquot;, ten opzichte van 1! eeue andere is dan ten opzichte van A.

Is ten opzichte van B de beweging van een voorwerp en hare „versnellingquot; (= g) bekend, en is de beweging van 15 ten opziehte van A bekend, dan kan ook de beweging en hare „versnelling (i= G; ten opzichte van de omgeving A uit de genoemde gegevens worden afgeleid.

58. De door den invloed der aarde veroorzaakte „afwijkingquot; der maan kan dus als een „vallenquot; van de maan naar de aarde beschouwd worden. Evenzoo kan de door de zon veroorzaakte „afwijkingquot; der planeten als een vallen naar de zon beschouwd worden.

Is, ten opzichte van de door het middelpunt der aarde en de vaste sterren gevormde omgeving, de „versnellingquot; van een vallend lichaam, op den afstand van 1 aardstraal van het middelpunt der aarde gelijk aan G, dan is zy in 't al-

gemeen op een afstand van n aardstralen gelijk aan —V

rr

Is de „versnellingquot; van de „afwijkingquot; (val) der lichamen, b\jv. der planeten, naar de Zon hieraan gelijk? Newton onderwierp, in eenigszins anderen vorm, ook deze vraag aan een onderzoek, volgens hetwelk de door de zon aan een voorwerp medegedeelde „versnellingquot; a maal ') zoo groot is als die, welke de aarde op denzelfden afstand er aan zou mededeelen.

I) In de opvolgende uitgaven van Neivluns hoofdwerk („Wiskundige Grondslagen der Natuurlijke Wijsbegeertequot;) worden aan a verschillende waarden toegekend, overeenkomstig de mate van nauwkeurigheid, die de metingen van het tijdstip bereikt hadden. In de eerste uitgave (Londen, 1087) vind ik n =; 28700, in eeue Amsterdamsche uitgave van 1723; n — 227r)l2.

3*

ocr page 48

36

Do (gt;[) een voorwerp uitgeoefende iiiintrekking hangt ilns, 1)1 ykens liet voor-gaamle, van nog iets anders at'dan van zijn afstand tot liet aantrekkende voorwerp. Dat andere zocht Newton in het aantrekkende voorwerp zelf', zooals hlykt uit zyne omschrijving van het verschijnsel, dat namelijk de hoeveelheid stof der zon u maal zoo groot is als de hoeveelheid stof der narde. De uitdrukking „hoeveelheid stofquot; is tegenwoordig verdrongen door het woord massa.

Volgens uitkomsten van den nieuweren tyd is de massa der Zon ongeveer 322500 maal die der Aarde.

N.B. Men vcnvarrc het begrip ninssn niet met (j rooi Ie (volumen). De Zon is bijv. 1280000

mmil zoo „grootquot; als de; Aarde.

De uitspraak, dat de massa van een voorwerp A w-manl zoo groot is als die van een voorwerp B, is, volgens de voorgaande ontwikkeling, niets anders dan een andere vorm voor de uitdrukking, dat een zelfde in beweging verkeerend voorwerp of stoffelijk punt onder den invloed van A eene „afwijkingquot; zon ondervinden, welker ,versnellingquot; n-maal zoo groot is als veroorzaakt zou worden door het op denzelfden afstand geplaatste voorwerp B.

Bki'alino. 1quot; De ma*sa van elk lichaam in 't by zonder is eene, van plaats en tyd onafhankelijke, onveranderlijke grootheid. 2U De massa van een stoffelijk punt A is, bij een gegeven afstand, evenredig aan de „versnellingquot; der „afwijkingquot;, die een stoffelijk punt onder zijn invloed zou ondervinden in de richting van de lijn, die A met Q verbindt.

Daar volgens de Bepaling van § 47, (3U) de „versnellingquot; van B in de richting 15A evenredig is aan de in die richting op B werkende „krachtquot;, ligt in het onder 2quot; gestelde opgesloten, dat de aantrekkende kracht, die op een geueven afstand op een stoffelijk punt (i werkt, onder den invloed van een stoffelijk punt A, evenredig is aan de massa van A.

Toen gebleken was, dat de aantrekkingskracht der Aarde, die een steen doet vallen, ook op de maan werkte, moest Newton wel tot de gevolgtrekking komen, dat de aarde dan ook eene aantrekking zal uitoefenen op alle lichamen in de ruimte, en wel meer of minder naar gelang van hun afstand van haar middelpunt; en dat dus ook de zon niet aan dien invloed kan ontkomen. De aarde moest dus niet alleen naar de zon „afwijkenquot; (vallen), maar de zon moest ook naar de aarde „afwijkenquot;. De „versnellingquot; van de „afwijkingquot; der zon naar de aarde is echter zooveel malen kleiner dan de „versnellingquot; van de „afwijkingquot; der aarde naar de zon, dat de eerste zelfs langen tijd aan de waarneming ontsnapte. Latere waarneming heeft echter aan 't licht gebracht, dat inderdaad beide lichamen, zoowel de zon als de planeet, eene ellips beschrijven om een gemeenschappelijk brandpunt, dat nog binnen het lichaam der zon gelegen is. L)e door beide hemellichamen beschreven ellipsen hebben denzelfden vorm; doch hare assen verschillen evenzeer als de afstanden van het gemeenschappelijk brandpunt tot de middelpunten van zon en aarde.

„Toen men er zoo hevig over twistte, of het de zon dan wel de aarde was, die stilstond, hadden dus beide partijen ongelijk.quot;

ocr page 49

37

Door deze beschouwingen geraakte Newton tot de onderstelling, dat elke twee lichamen ot'stoffelijke punten, waar ook in de ruimte geplaatst, de neiging bezitten om elkander te mideren, alsof zij elkander wederkeerig „aantrokkenquot;.

Deze door de aarde op de voorwerpen uitgeoefende aantrekking is dan de oorzaak, diit wij de voorwerpen zwaar noemen. Zij is, volgens Newton, slechts een byzonder geval van eene algemeen werkende kracht, die tusschen elke twee stofdeelen werkzaam is en daarom nlgemeene (Kintreklcincislrdchl geheeten wordt. De voorgaande beschouwingen kunnen samengevat worden in het volgende

O KOND BEGINSEL DHK ALÖHMEENU AANTREKKING.

Twee. s to ff elij kc p u.nten A an li verkrjgen onder lt; l kander s invloed elk eene versnelde heweginc/ voli/ens de lijn, die hen met elk-andcr verbindt, li naar A en A naar li.

Op een zelfde tijdstip zijn beider vertineliiuf/en onu/ekeerd, evenredig aan hunne massa's,

d. i. indien de massa van A M-iiiiiid zoo groot is als die van I?, dan verkrijgt H eene versnelling, die n-niaal zoo groot is als die van A;

terwijl op twee verschillende tijdstippen elks versnelling in H hij-zonder omgekeerd evenredig is aan de tweedr macht van den afstand, waarop het zich van het andere he vin dl.

Ojkj. llorhaal nog eens du twee vroeger behandelde „Grondbeginselsquot;.

(50. De massa's, die in het voorgaande met elkander zijn vergeleken, waren de massa s van hemellichamen. Op deze is de geheele afleiding van het begrip massa gegrond. Later zullen wij zien, dat wij voor het vergelijken van de massa's van aardsche voorwerpen niet de door haar veroorzaakte versnellingen van een ander lichaam meten, eenvoudig omdat dit practisch onuitvoerbaar zou zijn; maar dat wij haar kunnen vergelijken niet behulp van een instrument, dat U bekend is onder den naam van balans.

Als Eenheid van massa kan dienen de cylinder van platina, die met den standaard-Meter te Parijs bewaard wordt en den naam draagt van Kilogram.

01. In de Bepaling van Jj 47, is onder 3° de Grootte eener op een stottelijk punt werkende Kracht onder overigens gelijke omstandigheden evenredig gesteld aan de versnelling of vertraging.

Aan welke beschouwing hebben wij ons nu te houden, indien in het geval van twee bewegende punten A en B, welker versnelling of vertraging dezelfde is, de „overige omstandighedenquot; in zoover ongelijk zijn, dat A eene «-maal zoo groote massa bezit als B? De uitkomst heeft geleerd, dat de leer der krachten tot juiste gevolgtrekkingen leidt, als men zich houdt aan de voorstelling, dat het mededeelen van eene zelfde versnelling aan eene n-maal grootere massa eene n-maal grootere kracht vereischt.

Bepaling. De bij eene zelfde versnelling of vertraging op een punt werkende kracht is evenredig aan zijne massa.

\'r. Op elk vim twee punten A en B, welker tnnssii's onderling gelijk zijn, werkt eene standviistige kracht, ten gevolge wiiarvim A eene versnelling van n, I! eene versnelling van h verkrijgt. Hoe verhouden zich de krachten?

ocr page 50

38

Vr. Op olk vim twee punten A en 15, welker miissii's respectievelijk gelijk zijn nan in, en »i,, werkt eene standvastige kracht, ten gevolge waarvan beide punten eene zelfde versnelling van n verkrijgen. Hoe verhouden zich de krachten tot elkander?

Vr. Op elk van twee punten, A en B, welker massa's respectievelijk gelijk zijn aan m, en «ij, werkt eene standvastige kracht, ten gevolge waarvan A ccne versnelling van n, 15 eene van b verkrijgt. In welke verhouding staan do klachten tot elkander?

Als Eenheid van kracht kan nu de kracht aangenomen worden, die aan do Eenheid van massa do Eenheid van versnelling mededeelt.

(»2. Als de kracht, die aan de Eenheid van ,massaquot; de Eenheid van „versnellingquot; mededeelt, gelijk is aan 1, dan is de kracht V, die aan eene massa van m éénheden eene versnelling van n éénheden mededeelt (volgens de Bepi). van hlz. 28, 3° en blz. 37) gelijk aan ma:

V = ma.

03. In § 58 is medegedeeld, dat de massa der Zon 322500 maal zoo groot is als die der Aarde. De „versnellingquot; der „afwijkingquot;, die de Zon aan de Aarde mededeelt, is dan ook 322500 maal zoo groot als die, welke de Aarde aan de Zon mededeelt. De op de Zon werkende kracht, die aan deze 322500 maal zoo groote massa eene 322500 maal zoo kleine versnelling mededeelt, is dus gelijk aan de o]) de Aarde werkende kracht, die aan déze 322500 maal zoo kléine massa eene 322500 maal zoo gróóte versnelling mededeelt.

In 't algemeen volgt dus uit de combinatie der in ^01 gegeven Bepaling met het in ^ 59 gestelde Grondbeginsel, dat de kracht, die wegens den invloed van een punt A op een punt B werkt, van gelijke grootte en tegengestelde richting is als de kracht, die tegelijkertijd onder den invloed van B op A werkt. Newton drukte deze Stelling uit in de volgende bewoordingen:

Elke Actie (werking eener kracht) (jaat gepaard met eene tegengesteld gerichte en even groote Reactio (weder- of terugwerking).

Opqavcu. 1. Hoe hoog zal oen verticaal omhoog gcschotcn kogel stijgen, wanneer hij met eene snelheid van 3920 de tromp van het geweer verlaat? cj = 980.

N.H. Hier on in de volgende Opgaven worden alle weerstanden buiten rekening gelaten.

2. Een afgeschoten kogel, die verticaal omhoog geschoten wordt, stijgt 78,4 M. Met welke beginsnelheid heeft hij het geweer verlaten ?

3. In een pnnt grijpen twee krachten P en Q aan, elk 60 groot, terwijl de lijnen, volgens welke zij gericht zijn, een hoek van GO0 met elkander maken. Welken hoek maakt de richting hunner resultante li met die van elke composante en hoe groot is de resultante?

4. Een kogel, verticaal omhoog geschoten, stijgt tot eene hoogte van 51,5 M boven den beganen grond, waar de tromp van het geweer 1,5 M. boven is.

Tot welke hoogte zal hij stijgen, wanneer de hoek, dien de loop van het geweer met den horizontalen bodem maakt (—de ,,ele\atie^hoek) G0o is?

Wanneer de kogel weder in het horizontale vlak van de tromp teruggekeerd is, hoe ver is hij dan van de tromp af (m. a. w. hoe groot is zijne „schootsverheid,,)?

Na hoe groot tijdsverloop is de kogel weder tot het horizontale vlak der tromp teruggekeerd?

5. Hoe groot is de standvastige kracht, die een lichaam van 500 eenheden van massa, in 5 eenheden van tijdsverloop een weg van 100 lengte-eenheden doet doorloopen?

6. Eene standvastige kracht deelt aan een lichaam van 10 KG. eene „versnellingquot;quot;' mede van 20. Welke versnelling zal diezelfde kracht mededeelen aan een lichaam van 4 K.G.?

ocr page 51

7. Ecne kracht P deelt min oen lichaam van 20 KG. cene versnelling mede van 25; eene kracht (l aan een lichaam van 15 KG. eene versnelling van 50. Hoe verhouden zich de beide krachten ?

8. Als een kogel van 25 (J. hot geweer verlaat mot eene snelheid van 30000, welke snelheid wordt dan aan het geweer modegedoeld, wanneer zijne massa 4 KG. bedraagt?

GALILEO GALILEI.

„Groote mannen zijn zij, dio nienwe denkbeelden ontwikkeld en dwalingen uitgeroeid hebben. Zij zeiven hebben het gezag hunner voorgangers niet geëerbiedigd en zij eischen niet, dat men jegens hen anders handde. Als wij nu, op onze beurt, ons niet aan hun gezag onderwerpen, komen wij daarom volstrekt niet in tegenspraak met den eerbied en de bewondering, welke wij koesteren voor de groote mannen , die onze voorgangers waren.,,, Cl. Bernard.

Na in liet voorgaande de grondslagen, waarop wij moeten voortbouwen, gelegd te hebben, willen wij eenige oogenblikken stilstaan en achter ons zien.

Wij verplaatsen ons naar het Italië der 15de en Hide eeuw, toenmaals het brandpunt der geheele beschaafde wereld. Een nieuw tijdperk in de geschiedenis der beschaving was aangebroken; een tijdperk van vernieuwd leven, van hervorming en wedergeboorte. Lung had de menschelijke geest aan banden gelegen, totdat hij, machtiger geworden dan zijne kluisters, de vleugelen uitsloeg en in nieuwe scheppingen der kunst zijne vrijmaking verkondigde.

Italië, het land der renaissance bij uitnemendheid, doorleefde deze wedergeboorte niet enkel op het gebied der kunst, maar ook op dat van het wijsgeerig denken. Het was de terugkeer tot de Natuur, de eenige bron, waaruit op den duur bezieling geput kan worden, zoowel door den kunstenaar als door den wijsgeer, die vorscht naar het verband der dingen.

Het vast geloof aan de onfeilbaarheid der vaderen begon te wankelen, toen eenmaal de wysgeerige twijfel in den geest der onderzoekers ontwaakt was. Die twijfel drong hen tot zien uit eigen oogen en tot het scheppen der experimen-teele of proefondervindelijke methode, die het gezag der menschen onderwerpt aan het gezag van het experiment en aan het gezag der natuurwetten.

De kiemen van het vernieuwde leven waren allerwegen aanwezig en wachtten slechts oi) den bevruchtenden invloed eener krachtige persoonlijkheid om tot ontwikkeling te geraken. Zoo ooit, dan was er nu behoefte aan de groote mannen, die hun stempel hebben gedrukt op Italië's gouden eeuw van kunsten en wetenschappen.

„Op een en denzelfden gedenkwaardigen dag, dat een der schitterendste sterren aan den hemel der kunst onderging, verrees eene andere ster boven den gezichteinder, die met niet minder glans haar licht over de wereld zou verspreiden.quot; Het was namelyk op deu 18den Februari 1564, dat te Rome Michel

ocr page 52

40

Angela Bmnaroüi dt* oogen sloot en Galileo Galilei tu Pisa liet eerste levenslicht iuiuschouwde.

Galilei's, vader, Vincenzo Galilei, was een Klorentijnscli edelman, die, toen Galileo geboren werd, tijdelyk verblijf hield te Pisa. 11 ijk gezegend met stoffelijke middelen was Vincenzo niet; doch een meer dan gewone aanleg en een onafhankelijke geest waren de kostelijke schatten, die Galileo van zijn vader ten erfdeel ontving.

De gelukkige wijze, waarop de zoon zijn voortreffelijken aanleg ontwikkelde, was beslissend voor zijne toekomst; zijn vader bestemde hem voor de studie der geneeskunde, in die dagen de meest winstgevende der wetenschappen. Den 5den November 1581 begon Galileo zijne studiën aan de Hoogeschool te Pisa. Meer dan door de studie der Geneeskunde, voelde hij zich echter aangetrokken dooide Wis- en Natuurkunde, waaraan hij weldra al zijne krachten wijdde.

De natuurkundige wetenschap van die dagen zag er, vergeleken bij tie tegenwoordige, zeer vreemd uit; minder nog om haar inhoud dan om de methode, die bij hare beoefening gevolgd werd.

Drie eeuwen vóór onze jaartelling had de Grieksche wijsgeer Aristoteles van Stagira (384—322 v. C.), de beroemdste van Pinto's leerlingen, aan de wetenschappen dier dagen een vasten vorm gegeven en in talrijke geschriften een geordend, stelselmatig overzicht ontworpen van de menschelijke kennis van zijn tijd. Achttien eeuwen later leverden diezelfde geschriften aan de beroemdste Hoogescholen de stof voor het onderwijs in de wetenschap der natuur. Het scheen, alsof buiten Aristoteles geen waarheid bestond en of al, wat met hem in strijd kwam, onwaar en uit den Booze was.

Het duurde niet lang, of de onafhankelijke geest van den jongen edelman kwam in verzet tegen dat halsstarrig vasthouden aan een verouderd standpunt, tegen dien eeredienst der doode letter. De banier van het zelfstandig onderzoek werd ontplooid en menige voor onaantastbare waarheid gehouden stelling van den grooten Stugiriet werd aangevallen en verworpen.

Dat maakte den toorn gaande der vertegenwoordigers van het oude, die meenden, tegen zulke „neuswijsheidquot; luide hunne waarschuwende stem te moeten verheffen en niet schenen te bevroeden,

„Dut twee werelden botsten door beider nabijheid,

Dat bet stramme behoud met vooruitgang hier slaags was,

Dat hun roehlend geluid was de domper der vrijheid

Eu de stem van den jongling het krieken eens daags was.quot; ')

Reeds spoedig zou Galilei dun ook ondervinden, dat de rechten der traditie niet straffeloos geschonden worden. Toen namelijk zijn vader zich tot Ferdinand, (irootlicrtog van Toscane, wendde om voor zijn veelbelovenden zoon eene der bestaande studiebeurzen te vragen, wisten tegenstanders te bewerken, dat het verzoek werd afgeslagen. Dat mankte, dat Galilei, na een vierjarig verblijf te l'isa, naar liet ouderlijke imis te Florence terugkeerde, zonder zijne akade-mische studiën voltooid te hebben. Mij zette echter zijne studiën met zoo goed gevolg voort, dat hij weldra de aandacht trok van verscheidene tijdgenooten van

1) l'it „Klokkotoimirquot;' van JJcn Oude win den Bern.

ocr page 53

41

iiaiini, waaronder de Markies del Manie, die hem „den Arcliimedes van zijn tijdquot; noemde. Wat meer zegt, del Monlc wist te bewerken, dat (Inlilci in 1589 naar l'isa terugkeerde, niet als student, maar als Hoogleeraar in de Wiskunde, op een jaarlijksch inkomen van (Jü kronen, zegge 180 gulden. Zijne benoeming was eene voorloopige voor den tyd van drie jaar.

Gedurende dit tweede verblijf te Pisa, deed Galilei van den scheeven toren zijne proeven over den val der lichamen en bewees proefondervindelijk de naar hem genoemde Galileïsche rnbvetten, die in strijd waren met de leer van Arislo-tele*, dat de door den val verkregen snelheid van een lichaam afhankelijk zou zijn van zijn gewicht.

Aristoteles zou voor Galilei's bewijzen het hoofd gebogen hebben; de apostelen van den grooten man, wier autoriteitsgeloof onvereenigbaar was met elke vrije gedachte, niet alzoo. Met scheele blikken en erbarmelijke drogredenen werden de koene onderzoekingen van den jeugdigen ambtsbroeder door Pisa's geleerden bejegend, en ijverig werd gezocht naar eene gelegenheid, om den gevaarlijken nieuwlichter het veld te doen ruimen. Galilei liet het zoover niet komen; ziende, dat zyne positie onhoudbaar was, nam hij, vóórdat zijne driejaren ten einde waren, zyn ontslag en ging ten tweeden male naar Florence terug.

Weder op voorspraak van del Monte, trok de vrijmachtige, onafhankelijke Republiek Venetië zich zijner aan, en den 7den December 1502 aanvaardde Galilei het Hoogleeraarsambt aan de Hoogeschool te Padua. Hier leeraarde hij vrijelijk z\jne nieuwe denkbeelden over de beweging in 't algemeen en de door hem ontdekte wetten der valbeweging en der slingerbeweging in 't bijzonder. Hier kon hij ook in vrijheid de volle werkzaamheid van zijn machtig genie ontwikkelen, zoodat zijn roem zich heinde en ver verbreidde.

Vooral nadat Galilei bericht gekregen had van de Hollandsche uitvinding der verrekykers en hij er in geslaagd was een voor sterrekundige doeleinden ge-schikten kijker samen te stellen, volgde de eene belangrijke ontdekking op de andere, belangrijk, omdat er nieuwe denkbeelden aan verbonden waren, de kiemen eener nieuwe wetenschap.

„Feiten zijn op zich zeiven noch groot, noch klein. Eene groote ontdekking is elk feit, dat bij zyne verschijning in de wetenschap heldere denkbeelden met zich brengt, welker licht tal van nevelen verdrijft en nieuwe wegen wijst. Een groot ontdekker is dus hij, die door zijne ontdekkingen aan nieuwe en vruchtbare denkbeelden het aanzijn geeft.quot; ') Zulk een ontdekker was Galilei, die met zijne opzienbarende ontdekkingen oude altaren afbrak en nieuwe opbouwde.

De oppervlakte der maan bleek bergen te bezitten; de melkweg loste zich op in sterren; meer dan 501) nieuwe sterren werden alleen in het sterrenbeeld Orion ontdekt; de Plejaden (het Zevengesternte) zagen haar 7-tal tot liG aangegroeid; de planeten werden in het gezichtsveld van den kijker schijven, terwijl de vaste sterren stippen bleven; Jupiter bleek vergezeld te worden door vier trawanten (manen), die door den ontdekker, zijn vorstel ij ken vriend Cosmus /I van Toscane ter eere, de Mediceïsche sterren geheeten werden.

Dat alles schudde niet alleen de heerscheude leer, als zou er aan het uit-

I) Claude Bernard.

ocr page 54

42

spansel niets nieuws meer te ontdekken zijn, op hare grondvesten, maar bevestigde Galilei in zijne reeds vroeger door hem aan Keppler medegedeelde overtuiging, dat het wereldstelsel van Coppemicus het ware was. De behoudsmannen van die dagen schenen echter liever met Aristoleles te dwalen dan met Galilei de waarheid in de oogen te zien. Onder de dragers der wetenschap waren er zelfs, die hardnekkig weigerden, ook maar door een telescoop te kyken, omdat

zij van te voren vast overtuigd waren, met dit werktuig geen verschijnselen te kunnen waarnemen, waarvan Ari* to teles in al zijne geschriften geen woord gerept had. Anderen maakten de tegenwerping, dat het waargenomene gezichtsbedrog was, voortvloeiende uit den aard van de inrichting der kijkers.

Naar aanleiding van al dien tegenstand schreef Galilei aan zijn vriend Keppler: ,Bekommeren wij ons niet om den smaad van den grooten hoop; want ook giganten, laat staan pygmaeën, strijden tegen Jupiter vergeefs. Jupiter staat aan den hemel, hoe ook de sycophanten hem aanblaffen. ... Wat te doen? Zullen wij het met Demócritus of met Heraclitus houden? Ik houd het voor het beste, mijn Keppler, dat wij om de buitengewone domheid van het gepeupel lachen. Wat zegt gy wel van de eerste philosophen dezer faculteit, aan wie ik duizendmaal mijne ontdekkingen heb willen toonen; doch die, met de trage halsstar-

ocr page 55

43

riirlieid eener verzadigde slang, noch planeten, noch maan, noch kijker ooit hebben willen zien?

.... Deze soort van menschen gelooven. dat wijsbegeerte een boek is, zoo iets als de Aeneïde of de Odyssee, en dat men do waarheid niet in de wereldruimte, niet in de natuur moet zoeken, maar (ik gebruik hunne eigen woorden) in de vergelijking der teksten! Wat zoudt gij luidkeels gelachen hebben, wanneer gij gehoord hadt, wat de eerste philosooph der faculteit te Pisa, in tegenwoordigheid van den Groothertog, zoo al tegen mij in 't midden bracht, toen hij zich inspande om, nu eens met logische bewijsgronden, dan weer met magische bezweringen, de nieuwe planeten van den hemel weg te disputeerenquot;....

Tn spijt van alle tegenkanting steeg de roem van Galilei zoo hoog, dat zijne gehoorzalen te Padua de toehoorders niet konden bevatten. Uit verschillende landen kwamen studenten zijne lessen volgen en verscheidene vorstelijke personen schaarden zich onder zijne leerlingen.

Die waardeering had hare schaduwzijde; want zij veroorzaakte eene overlading met ambtsbezigheden, die den natuurvorscher, meer dan hem lief was, hinderde in de voortzetting zijner studiën.

Zoo werd het verlangen gewekt naar een rustiger werkkring en werden wenschen geuit, aan welke Cosmus 11 van Toscane een willig oor leende. Den 12den Juli 1G10 werd het besluit geteekend, waarbij Galilei benoemd werd tot eersten philosooph en eersten wiskunstenaar van den Groothertog en van de Hoogeschool te Pisa, op een jaarlijksch inkomen van 1000 Flerentijnsche kronen, en zonder eenige verplichting om èf te Pisa te wonen, öf voordrachten te houden.

Aldus verliet Galilei de Hoogeschool, aan welke hij, 18 jaren geleden, toen zyn verblijf te Pisa onmogelijk was geworden, vriendelijk ontvangen en ondersteund was, — verliet verscheidene edele vrienden en trok naar de Toscaansche residentie aan tie bekoorlijke oevers der Arno, waar hem, weliswaar, aanvankelijk veel eer bewezen werd, doch waar later haat, ijverzucht, bekrompenheid, afgunst en dweperij in zusterlijke eendracht aan zijn verderf arbeidden.

Galilei achtte het voor de verspreiding zijner denkbeelden zeer wenschel\jk, de hooge geestelijkheid te Rome, door eigen aanschouwing, nader bekend te maken met zijne ontdekkingen. Met dit doel vinden wij hem in 1011 in de eeuwige stad, waar hij aan kardinalen en geleerden de door zijne kijkers waar te nemen verschijnselen liet zien. Eene commissie van vier geleerden, daartoe door den kardinaal Bellarmin uitgenoodigd, verklaarde, dat „de nieuwe sterrenkundige ontdekkingen van een voortretfelyk wiskunstenaar,quot; — merkwaardig genoeg, wordt de naam van Galilei niet genoemd — ,die zij zoo lang ontkend, ja, waarmede zij zelfs den spot gedreven hadden, gebleken waren juist te zijn.quot;

De Kardinaal del Monte schreef aan Cosmus II: „GalileVs ontdekkingen zijn aan alle geleerden dezer stad gebleken even gegrond en waar als bewonderenswaardig te zijn. Leefden wü nog in de oude Romeinsche republiek, dan geloof ik zeker, dat men hem eene eerezuil op het Kapitool zou opgericht hebben.quot;

Galilei's wetenschappelijke triomf scheen volkomen te zijn. Het is echter opmerkenswaard, dat, te midden van dien luisterrijken bijval, zijn naam het eerst genoemd wordt in de stukken der congregatie van het Heilig Officium.

ocr page 56

44

Het was een memorandum om na te zien, of' in zeker proces Cremnnini, een IToogleeraar te l'adua, Gnlilci ook genociml werd. De bedoeling der vraag list in 't duister; doch in verband met latere gebeurtenissen is het vermoeden niet gewaagd, dat reeds toen de Inquisitie haar man in 't oog hield.

(in li lei, door zooveel bijval bemoedigd, ging intusschen op den ingeslagen weg voort en waagde het eindelijk zelfs, zich openlijk als een voorstander der Ooppernicaansche leer van de dubbele beweging der aarde te verklaren. En ook l.'ierin vond bij bijval, zelfs in de kringen der hoogste geestelijkheid, die, zoolang de Bijbel buiten den str\jd bleef, het wetenschappelijk onderzoek in geenen deele zoo vijandig gezind was, als wel eens, ten onrechte, gemeend wordt. ') Toen bij echter de onvoorzichtigheid beging, in een open brief aan zijn vriend en leerling Cnstelli ook uit den bijbel en uit de kerkvaders te bewijzen, dat de leer van de dubbele beweging der aarde gerechtvaardigd was, barstte'het onweder los. De strafpredikatie van den Dominicaan Cnccini in de kerk S. Maria Novella te Florence, naar aanleiding van Hand. 1: 11: „Gij Galiléscle mannen! wat staat tjij, en ziet op naar den hemel?quot; was het sein tot den aanval. Dit geschiedde op den 4den Advent 1()14.

De storm groeide aan, zelfs onrustbarend genoeg om Gnlilci te doen besluiten, in December 1615 weder naar Rome te gaan, zich hier te verantwoorden en zijne vijanden te verslaan. De ontvangst, die den beroemden geleerde ten deel viel, mocht weder schitterend genoemd worden. Men stelde er eene eer in hem te hooren, en in de aanzienlijkste kringen hield hij voordrachten over den bouw van het heelal, die zijn roem nog deden stijgen.

Zijne vijanden, en onder hen in de eerste plaats vele leden van de invloedrijke orde der Jezuieten, rustten echter niet en de Inquisitie werkte in stilte aan zijn val. Met welk gevolg zij werkte, doet het volgende document zien, gedateerd van den 2r)sten Februari 1616:

„De zeer doorluchtige heer Kardinaal Mellinus heeft den Eerwaarden heer Assessor en Commissaris van het Heilig Officium kennis gegeven, dat — gehoord het oordeel der Paters over de beweringen van Galilei, in 't bijzonder deze, dat de zon bet middelpunt der wereld is en zich niet van hare plaats beweegt; dat echter de aarde, en wel ook nog dagelijks, zich beweegt — zijne Heiligheid aan den zeer Doorluchtigen heer Kardinaal Bellnrmin bevolen heeft, den genoemden heer Gnlilci voor zich te roepen en hem te vermanen, die meening te laten varen; in geval hij mocht weigeren te gehoorzamen, moest de Pater Commissaris, in tegenwoordigheid van notaris en getuigen hem hot bevel mededeelen, dat bij zich geheel en al moest onthouden, eene zoodanige leer en meening te onderwijzen, te verdedigen of te bespreken; wanneer hij zich daar niet bij nederlegde, dan moest hij gekerkerd worden.quot;

De in dit document genoemde vermaning was reeds voldoende: Galilei onderwierp zich aan de vermaning van den Kardinaal. Daarna werd hem hei, besluit medegedeeld van do Congregatie van den Index 1), waarbij

1

Index lihrorum j/rohihitorum, d. i. lijst van verboden boeken, waarvan de lezing, wegens daarin vervatte kettersche beschouwingen, van wege de kerk verboden is.

ocr page 57

45

liet werk Vim Gojijicrnicuii over de bewegingen der hemellichiimen niet verboden, niaar alleen geschorst werd, tot tijd en wijle daarin de noodige „verbeteringenquot; zouden zijn aangebracht.

Die verbeteringen — aangebracht door den Kardinaal Gaetani — betroffen plaatsen, waar eene poging gedaan werd om overeenstemming tusschen het nieuwe stelsel en den bijbel aan te wij/,en.

Eene volkomen zegepraal hadden Pater Caccini en zijn aanhang dus niet behaald; want de Heilige Congregatie verklaarde de nieuwe leer niet voor strijdig met het geloof en kettersch, maar had alleen uitgemaakt, dat zij niet met de Heilige Schrift overeenstemde en dus alleen ingang mocht vinden als nuttige wiskundige hypothese, weshalve zij alleen die boeken verbood, waarin beweerd werd, dat de leer van Coppernicus niet in tegenspraak was met den Bijbel.

De door Galilei betoonde volgzaamheid tegenover de kerk vond bare belooning in eene geschreven verklaring, dat hij van Home scheidde met een goeden naam, en dat den geleerde ook niet het minste te verwijten was. Hü keerde naar Toscane terug en sleet de eerstvolgende jaren op de villa Segni buiten Florence. Zestien jaren later zou h\j zich ten tweeden male voor de rechtbank des geloofs te verantwoorden hebben.

In 1629 had h\j namelijk een werk voltooid, dat den storm weder in alle heftigheid boven zyn hoofd deed losbarsten.

Galilei was in 1024 den nieuwen Paus Urbanm VIII, zijn voormaligen vriend Kardinaal Barberini, persoonlijk zijne gelukwenschen gaan aanbieden. Met hooge onderscheiding werd hij ontvangen en met gunstbewijzen overladen; en, hoewel hy er niet in slaagde het besluit van 1010 te doen intrekken, kreey hy den indruk, dat het met de handhaving er van niet zoo nauw genomen zou worden. Dat gaf hem moed tot het schrijven van zijn „Dialoog over de heide helangrijksle wereldstelsels, dal van Ptolonieus en van Cojiperninusquot;.

Twee oude vrienden en leerlingen van Galilei, Salvia li en Sagredo, leenden hunne namen aah twee der drie samensprekers, Salviali is de leeraar, die inzicht geeft in de leer van Coppernieus; Sagredo is de geletterde leek, een verstandig, onpartijdig man, die zich wil onderrichten. De vertegenwoordiger van het stelsel van I'tolomeus, en tevens de drager der Aristotelische denkbeelden, draagt den minder vleienden naam van Simplieius. Hoewel de bespreking der zaak aan het slot tot geen afdoend resultaat leidt, is het overwicht van de redeneeringen van den Coppernicaan over die van Simplicius duidelijk genoeg.

Galilei wist in 1630 iu Rome zelf, onder eenige voorwaarden, toestemming voor het afdrukken te verkrijgen. De toestemming gold Rome; doch wegens onvoorziene omstandigheden werd het werk, mede met toestemming der autoriteiten, in Florence gedrukt, waar het in het begin van 1032 in het licht verscheen.

Nog in den herfst van hetzelfde jaar kwam daarop uit Rome een bevel, gedateerd van den Isten October 1032, dat Galilei nog in den loop der maand te Rome moest verschijnen.

Nauwelijks hersteld van eene zware oogziekte, die maanden geduurd had, ook overigens lichamelijk lijdende, hoog op jaren, moest Galilei nu, midden door de pest, die iu Italië woedde en zeer strenge quarantaine-maatregelen

ocr page 58

46

noodzakelijk maakte, naar Rome reizen om rekenschap af te leggen voor de toenmaals meest gevreesde rechtbank. De doctoren verzochten uitstel, wat hun, niet zonder moeite, verleend werd tot het volgende voorjaar. Den 13den Februari 1633 kwam hij, hoewel nog zwak, behouden te Rome aan, werd door den Toscaanschen gezant Niccolini hartelijk ontvangen en in diens gezantschapshótel gehuisvest.

De grijze geleerde onderging den 12den April 1633 het eerste verhoor voor de rechtbank der IiKpiisitie. De tegen hem ingebrachte aanklacht luidde, dat hij zich schuldig gemaakt had aan overtreding van het in 1(516 ontvangen bevel, volgens 'twelk hij over de Coppernicaansche leer niet mocht redetwisten, haar zelfs ook niet bespreken mocht.

De beschuldigde trok de juistheid der aanklacht in twijfel en trachtte aan te toonen, dat hem alleen verboden was aan de Coppernicaansche leer vast te houden en haar te verdedigen. Het mocht niet baten: hot archief van het ITeilig Officium bevatte het geschreven protocol van den 26sten Februari 1616, waarin duidelijk te lezen stond, dat ook het bespreken der dwaalleer aan (lalilei verboden was.

Indien het waar is, dat ditzelfde protocol een vervalscht en ondergeschoven stuk was — zooals in den nieuwsten tijd meer dan waarschijnlijk is gemaakt —, dan maakte dit de zaak voor den beschuldigde voorzeker niet beter. (lalilei deed echter al wat in zijn vermogen was om zijne rechters gunstig te stemmen en wist hen zoover voor zich te winnen, dat hem niet de gewone gevangenis, maar eene goede, uit drie kamers bestaande woning bij den fiscaal van het Heilig Officium als verblijf werd aangewezen.

Gemis aan beweging in de vrije lucht en de spanning, waarin de oude man verkeerde, zullen wel de oorzaak geweest zijn, dat hij opnieuw ziek werd. Zoodra hij zich voldoende hersteld gevoelde, verzocht bij zelf, voor z^jne rechters eene verklaring te mogen afleggen. Dit werd hem toegestaan, en den 20sten April verscheen h\j voor de tweede maal voor zijne rechters. Het doet pijnlijk aan. den beroemden geleerde hier de vernederende verklaring te hooren afleggen, dat hij diep berouw had over hetgeen h\j gedaan had, ter bezegeling waarvan hij voorstelde een aanhangsel aan zijn werk toe te voegen, waarin hij de „ten gunste der valsche en verdoemde Coppernicaansche meening aangevoerde gronden krachtig zou weerleggenquot;.

Na zooveel deemoed en onderworpenheid ontving by verlof in het gezantschapshótel terug te koeren.

Den 20sten Juni verscheen Galilei voor de laatste maal en werd. onder bedreiging van pijniging opnieuw naar zijne waarachtige overtuiging gevraagd. Nogmaals moest de groote man zich in het stof vernederen en, zijne wetenschappelijke overtuiging verloochenende, in diepen ootmoed de genade z\jner rechters inroepen.

De uitspraak had plaats den 22sten .luni 1633.

In de kerk van het Dominicanen-klooster St. Maria sopra la Minerva werd den beschuldigde, ten overstaan van zijne rechters en eene groote vergadering van kardinalen en prelaten, zijn vonnis voorgelezen. Het slot luidde aldus: „zoo bevelen wij, dat de ,Dialoog van Galileo Galilei bij openbare verordening ver-

ocr page 59

47

boden worde; U echter veroordeelen wij tot de fonneele gevangenis hij dit Heilig Officium, voor een door ons te bepalen tijd, en w[j leggen n de heilzame boete op, in de drie volgende jaren, eenmaal per week de zeven boetpsalmen op te '/eggen, ons voorbehoudende de genoemde straften en boeten te verminderen, te wijzigen, geheel of gedeeltelijk op te heften.quot;

Eerbiedig nedergeknield, werd daarop door den grijsaard een plechtig afzwe-ringsformuller, voor al de aanwezigen, uitgesproken en onderteekend.

Zoo werd de man, die een menschenleven had gewijd aan de bevordering der waarheid, vernederd voor de wereld, vernederd voor zich zeiven.

De geschiedenis der wetenschap wijst hare mannen aan, die niet geschroomd hebben als bloedgetuigen voor de waarheid, die zij verkondigden, op te treden. Tot de zoodanigen behoorde Galilei niet. Eene martelaarskroon heeft hij nooit begeerd; toch heeft hij foltering genoeg doorstaan, de foltering van een vrijen geest door de boeien van den geloofsdwang.

De wetenschap heeft bij zijne toegevendheid gewonnen. Had toch Galilei zijne overtuiging met zijn dood bezegeld, dan ware de wereld geen erfgenaam geworden van zyn onsterfclijken „Dialoog over twee nieuwe wetenschappenquot;.

Na de plechtigheid der afzwering werd Galilei in het gebouw van het Heilig Officium teruggebracht, en nu achtte Paus Urhanus VUT het oogenblik gekomen , het woord genade over hem uit te spreken. 11 ij kwam niet in de gevangenis der Inquisitie, maar werd gehuisvest in eene villa nab\j Rome, waar hy eene beperkte vrijheid genoot. Nog in December 1633 werd zijne gevangenschap te Rome veranderd in eene gevangenschap op de liefelijk gelegen villa Arcetri nabij Florence. '

Hier arbeidde Galilei aan het werk, dat alleen reeds zijn naam onsterfelijk gemaakt zou hebben, namelijk zijn bovengenoemden Dialoog, die, zooals de schrijver in de Voorrede zegt, „eene volkomen nieuwe wetenschap behandelt over een onderwerp, dat zoo oud is als de wereld, de beweging namelijk, waarover de wijsgeer en vele dikke boeken hebben geschreven, doch waarvan do belangrijkste bijzonderheden hun onbekend zijn geblevenquot;.

fn dit boek worden de grondslagen van eene nieuwe leer der beweging ontwikkeld, zooals die tot op onzen tijd door de natuurkundigen wordt voorgedragen.

Het werk werd te Amsterdam bij de Klzeviers tor perse gelegd en was in 1038 afgedrukt. Kort te voren was Galilei weder door eene oogaandoening aangetast, die ten gevolge had, dat hij zijne laatste levensdagen in blindheid moest slijten. Eindelijk was ook voor hem het uur van sclieiden daar. Het donker zijner laatste dagen werd eenigszins verhelderd door zijne twee geliefde leerlingen Viriani en Torricelli, die hun grooten meester trouw bleven tot het einde. In tegenwoordigheid van deze getrouwen ontsliep liij den 8sten Januari 1642, zijne zaak aan het wereldgericht ter beslissing overlatende.

Wat Galilei gewenscht had, te rusten bij zijne vaderen in de oude familiegroeve der kerk Santa Croce, werd niet vereenigbaar geacht met den eerbied, aan de kerk verschuldigd. Zonder luister, in allen eenvoud, werd zijn gebeente in eene bijkapel bijgezet.

De eer der kerk was gered, het verzet gefnuikt en de triomf der geestelijke rechters scheen volkomen.

ocr page 60

— ^ • r- ^ , , . . . , , r ; ......... .... . . . — v .. ( , . . - . •

48

„Docli eens zon de tong vim hot nakroost hen richten,

Niet eeuwig de zwakke verwonneling zwichten En 't eedle, geplet door verdrukkende macht,

Werd haast door 't geweten der toekomst herdacht.quot; ')

Bij Gnlilei, als bij Coppernicus, wits liet eiitdi» van het leven de aanvang der onsterfelijkheid; beiden hebben voortgestreden ook na hun dood, en hunne zegepraal is volkomen geweest.

In 1737 werden de overblijfselen van den grooten man, met grooten luister en onder deelneming van eene talrijke schaar van Italie's geleerden, in de kerk Santé Or.ice zelve, het Pantheon van Toscane's groote mannen, bijgezet. Een kostbaar inausolenni nam hem op, waartoe de noodige gelden voor een groot deel nagelaten waren door Viviani, „den laatsten leerling van Galileiquot;, zooals onder vele zijner naamteekeningen te lezen staat. En in 1835 waren ook de boeken, waarin de dubbele beweging der aarde geleerd werd, van den Index der verboden boeken verdwenen.

Wonderlijke speling van het lot! Het sterfjaar van Galilei was het geboortejaar vati Isaac Newton, wiens geniale gevolgtrekkingen uit de Ooppernicaansche leer den grondslag vormden der wiskundige sterrenkunde, de schitterendste overwinning van den menschelijken geest op het uitgestrekte veld van het natuuronderzoek.

0 H RI S T1 A A N H U Y GEN S.

„Groote mannen zijn fakkels, die van afstand tot afstand lichten om den gang der wetcnsclnip te leiden.quot; Clnude Dermrd.

Chrwtiaan Huygrns werd geboren te 's Gravenhage, den 14den April 1020. 1 1

Zoo ooit van iemand kon gezegd worden, dat de omstandigheden hem gunstig waren, dan was het van hem. Hij zag het levenslicht in de vrije Republiek der vereenigde Gewesten, waar Descartes in hetzelfde jaar 1G29 een veilig tehuis kwam zoeken; in de Republiek, die reeds langer dan eene halve eeuw streed voor vrijheid van denken en die ook aan een Galilei en een Deseartes toestond hunne gedachten vrijelijk aan de drukpers toe te vertrouwen. Daarbij was hij de kleinzoon en naamdrager van een anderen Chris liaan, die als secretaris van Prins Willem 1 de Republiek gediend had en de zoon van Constantijn, den ge-vierden dichter en secretaris van drie stadhouders: Frederik Hendrik, Willem II en Willem ///; eindelijk de een weinig jongere broeder van een anderen Constantijn, die zijn vader opvolgde als secretaris van Willem III.

Christiaan Huygens handhaafde met eer de traditiën van zijn doorluchtig geslacht, dat den naam van Nederland op het gebied van staatsmanskunst, van letteren en wetenschap zoo schitterend ophield. Christiaan Huygens neemt echter in zijn geslacht van staatslieden eene geheel bijzondere plaats in. Staatkunde is nooit

1) 1 ii: un Msol on S('lliJ)l)eek'gt;, duur Dm Oude vnn dwi licrq.

ocr page 61

49

in zijn smaak gevallen; hij had er zelfs een afkeer van. „Daar ik my weinig aangetrokken gevoel tot, dat politiek gezeur, queule eanzoni politieke, zooals Pater Paolo het noemde, en ik er weinig mede op heb,quot; zoo schreef hij in 1693 aan aan Leibnitz, „houd ik mij buiten aanraking met alles was haar betreft, en het doet mij zelfs pijnlijk aan, dat een geest als de uwe er tijd aan besteedt.quot;

Onze Huygem gevoelde zich meer aangetrokken tot de studie der wis- en natuurkunde, waarvoor hij reeds vroeg grooten aanleg toonde. In 1644 gaf zijn vader hem een leermeester in de wiskunde en hij maakte het zoo goed, dat de vader in zijn dagboek opteekende: „hij begon de mathematique te leeren met zonderling succes: niet alleen alles ligt begrijpende en onthoudende, maar zelfs dagelijks allerhande konstige dingen inventeerende, tot een iegelijks verwon-deringe.quot;

In 1645 werd Huygens student in de Hechten nan de Leidsche Hoogeschool, vanwaar hij in het volgende jaar vertrok naar de door Frederik Flendrik gestichte Doorluchtige School te Breda, waarvan zijn vader een der Curatoren was. Waarschijnlijk heeft hij hier onder de leiding van den Hoogleeraar Van Schooien meer tgd trewijd aan wiskundige onderzoekingen dan aan de rechtsgeleerde studie, waarvoor hij bestemd was. Op 17-jarigen leeftijd schreef hij hier reeds eene verhandeling over de wet, volgens welke de door een vallend lichaam doorloopen weg verandert met den tijd. Descartes laat zich over dit geschrift in een zijner brieven aldus uit: „Eenigen tijd geleden zond de hoogleeraar Van Schooien mij een geschritt van den tweeden zoon van den Heer van Ziiylichem, betreffende eene wiskundige oplossing, waarnaar hij gezocht had; en hoewel hij niet geheel en al geslaagd was, had hij de zaak toch op zoodanige w ij ze aangevat, dat dit my de zekerheid geeft, dat hij in deze wetenschap eenmaal zal uitblinken.quot;

In 1649 1 teerde de twintigjarige Hu/jyens naar 's Gravenhage terug en maakte nog in hetzelfde jaar eene gezantschapsreis naar Holstein en Denemarken mede. Het was de eerste en de laatste maal, dat bij in staatkundige betrekking werkzaam was. Van nu af wydde hij zich geheel aan zijne geliefkoosde studie der Wis- en Werktuigkunde, Natuur- en Sterrenkunde.

Te midden van zijne wiskundige onderzoekingen legde Huygens zich toe op het slijpen van glazen voor verrekijkers en hij bracht het hierin tot eene groote hoogte. Met behulp van zulk een door hemzelven gemaakten kijker deed bij in 1655 eene soortgelijke ontdekking als Galilei, toen deze in 1610 de trawanten van Jupiter vond.

Huygens deelde zij tie vondst aan de geleerde wereld mede in den vorm van het letterraadsel:

Admovcrc oculis distantia sidera, nostris vvvvvvv cce rr h n h q x, dat hij nog in hetzelfde jaar, door omzetting der letters, aldus oploste:

Saturno luna sua eircumdueitur sexdecim diebus hom quatuor, d. i. Saturnus heett eene maan, die in zestien dagen en vier uren om hem rondloopt. Het was, naar haar afstand van de planeten, de (ide van de acht manen van Saturnus, die wij tegenwoordig kennen.

Weldra zou deze sterrenkundige ontdekking door eene nieuwe, merkwaardiger ontdekking gevolgd worden.

(!(dilei had in 1610 door zijn telescoop waargenomen, dat de planeet Saturnus

salvekda on le Roy, Natuurkennis, 11. 2e druk. 4

ocr page 62

50

zich als eene driedeelige ster voordeed, een schijfje met nog een lichaampje aan weerszijden, naar hy meende door eene kleine tusschenruimte van de planeet gescheiden. Die lichaampjes verdwenen en kwamen weer terug. Gdlilci deelde zijne ontdekking mede in den vorm van het letterraadsel:

S m ais mr mi Imepoeta levnipvnemvg ttnvir as, waarvan de oplossing is:

Allissimum Planetam tergeminum observavi, d. i. ik heb de verst verwijderde ') planeet als drievoudig waargenomen.

De verklaring van het verschijnsel werd het eerst gevonden door Huygens, die haar in 1C5G, eveneens in den vorm van het onderstaande letterraadsel, mededeelde:

aaaaaaa ccccc d eecee g h iiiiiii Uil mm nnnnnnnnn oooo pp q rr s ttllt uuuuu, waarvan hij nog in hetzelfde jaar de volgende oplossing gaf:

IJ Men kende toen, bclmlve de Aarde, nog slechts vijl' planeten, in volgorde naar hare afstanden van de zou: Mcrcurius, Venus, Mars, Jupiter on Saturnus.

ocr page 63

51

Annulo cingitur, tenui, plano, nusquam cohaerente, ad eclipticam inclinato, tl. i.: zij in omgeven van een dunnen, platten ring, (Zie er nergens mede samenhangt en eene helling op dc aardbaan heeft.

Na een kort intermezzo van rechtsgeleerde studie, ten einde in Frankrijk den graad van Doctor in de rechten te verwerven, bracht hy de wereld opnieuw in verbazing door de toepassing van den slinger op de uurwerken, een denkbeeld, waarmede Galilei zich gedurende zijne blindheid in zijne laatste levensjaren reeds had bezig gehouden en dat nu door Huygens, onafhankelijk van Galilei, tot uitvoering werd gebracht. Toen Galilei de eigenschappen van den slinger had ontdekt, lag liet voor de hand dezen als tijdmeter te gebruiken. Galilei deed dat ook en zijn voorbeeld werd door alle astronomen gevolgd. Doch een slinger houdt na korter of langer tijd op met schommelen; men moest hem derhalve telkens opnieuw in beweging brengen en men deed dit met de hand. Bij eenigszins langdurige sterrenkundige waarnemingen was zelfs een bijzonder persoon daarmede belast. Nu was men er reeds vóór Huygens op bedacht geweest, deze taak aan eene werktuiglijke inrichting op te dragen en Galilei meende zelfs de zaak opgelost te hebben. Hij bood in Maart 163(5 zijn geheim aan onze Staten-Generaal aan en werd daarvoor by voorbaat met eene gouden keten vereerd. Toch had de zaak geen goed gevolg en het bleef aan Huygens voorbehouden eene practisch bruikbare oplossing van liet vraagstuk te geven. Door zijne vinding werden de bestaande onregelmatig loopende, onbruikbare klokken in regelmatig loopende, bruikbare werktuigen veranderd. In December 1(556 kwam het eerste model van zijne slinger-uurwerken gereed en in 161)8 werd in den toren te Scheveningen bet gebrekkige toren-uurwerk voor 'teerst door een slingeruurwerk vervangen. Nog in hetzelfde jaar voorzag de Haagsche klokkenmaker Samuel Cosier ook den Dom te Utrecht van een slinger-uurwerk „voor 350 gulden, vrije reis- en verblijfkosten en eene „vereeringquot; aan zijne huisvrouwquot;. Eerlang waren ook al de zalen van het paleis van Lode wijk XIV van slingeruurwerken voorzien.

Het klassieke, eerst in 1673 verschenen werk: „het Slinger-uurwerkquot;, dat aan Lodewijk XIV werd opgedragen, bevat de wiskundige grondbeginselen, waarop de inrichting van het slinger-uurwerk berust en bevat de voortzetting van Galilei's beschouwingen over de leer der beweging en de grondslagen van eene leer der krachten.

Daar liet begrip „krachtquot; zich nog niet zuiver had ontwikkeld, had Galilei zich tot de studie der eenparig versnelde beweging, zuiver uit het oogpunt van bewegingsverschijnsel, moeten bepalen. IIü Kwam niet op het denkbeeld, in de op elk lichaam uitgeoefende aantrekking, of wat men in liet gewone leven het gewicht van het lichaam noemt, de kracht te zien, die er voortdurend, zoowel in den toestand van rust als van beweging, op werkt.

Huygens was de eerste, die eene rechtlijnige, eenparig versnelde beweging als het uitwerksel beschouwde eener naar richting en grootte standvastige kracht; en hij kwam daartoe door liet door hem gestelde „Grondbeginsel van dc onafhankelijkheid der uitwerkselenquot; (vgl. blz. 2!)) Hij hem betrof dit Grondbeginsel evenwel nog niet de onafhankelijkheid der uitwerkselen van twee krachten, maar alleen de onafhankelijkheid van liet uitwerksel der op een lichaam

ocr page 64

52

uitgeoefende aantrekking (gewicht) van de eenparige beweging, die liet moge-lykerwijze reeds heeft.

Tn 1660 vinden wij Hayijens weder in Parijs, te midden van een kring van uitstekende geleerden, en in 161)1 ging hij van hier naar Londen, waar hij werd opgenomen in den kring der geleerden, die deel uitmaakten van de in het vorige jaar opgerichte Koninklijke Maatschappij van. Wetenschappen {Royal Society), waarvan hij in 16G3 medelid werd.

„Op het laatst van 1665 ontving Hwjycm eene uitnoodiging, die ten gevolge had, dat hij voor verscheidene jaren zijn vaderland verliet en zich voor goed te Parijs vestigde.

,Reeds sedert 1638 bestond er te Parijs een gezelschap tot gemeenschappelijke beoefening der wis- en natuurkundige wetenschappen. In 1665, na den vrede der Pyreneeën, besloot Colbert, de groote minister van een koning, dien zijne vleiers „den grootenquot; noemden, kunsten en wetenschappen aan te moedigen en te bevorderen, en hij stelde daartoe in de eerste plaats aan Lodewijk XIV voor, de voornaamste geleerden, die de wis- en natuurkundige wetenschappen beoefenden, in één lichaam te vereenigen. In het volgende jaar. 1660, kwam dit lichaam tot stand, aanvankelijk zonder bijzonderen naam, slechts aangeduid met dien van Vassemhlce qui se tient a la BihUothcque du Roy (de vergadering, die in de Bibliotheek van den koning gehouden wordt), weldra echter onderscheiden als VAcademie royale des sciences de Paris (de koninklijke akademie van wetenschappen te Parijs). De nog levende wiskundige leden van het zoo even genoemde gezelschap vormden de eerste kern der Akademie. Er werden aanvankeiyk zeven leden benoemd, en een dier eerste leden was onze Huygens, voor wien Colbert vertrekken in de Koninklijke Bibliotheek ter bewoning beschikbaar stelde.

„Dat Huygens de uitnoodiging ontving om deel te nemen aan het nieuw opgerichte wetenschappelijke lichaam, kan niet verwonderen. Er was op dit oogenblik niemand in Europa, die op het gebied der wis- en natuurkundige wetenschappen eene grootere beroemdheid had dan hij. Galilei en Descartes hadden het tooneel hunner werkzaamheid verlaten, de ster van Newton begon pas boven den horizon te rijzen; de 20-jarige Leibnitz verliet juist de hooge-school. Tusschen de namen van die groote mannen, elk op zich zelf de vertegenwoordiger van den toestand der beschaving en verlichting der natie, waartoe hij behoorde, plaatst zich de naam van den Nederlander Christiaan Huygens, toen in de volle kracht van den mannelijken leeftijd, den facile princeps (onbetwist de eerste) onder z\jne tijdgenooten, dien een zijner toekomstige medeleden Vincomparable (den onvergelijkelijkequot;) noemde.quot; ')

In 1674 deed eene nieuwe nuttige uitvinding van Huygens hare intrede in de wereld, als 't ware eene aanvulling van zijne uitvinding der slinger-uurwerken. De horlogemaker Thuret te Parijs, maakte namelijk op zijne aanwijzing het eerste horloge, welks regelmatige gang verzekerd werd door eene aan eene spiraalveer verbonden „onrustquot;, eene inrichting, die tot in onzen tijd gehandhaafd is gebleven.

1) Prof. 1'. Uniting.

ocr page 65

Tn 1(181 keerde Haygcns naar zijn vaderland terug en bracht het overige gedeelte van zijn leven door op Hofwijek

Ziekte en zwaarmoedigheid, waarschijnlijk het gevolg van te groote inspanning en overspanning, waren de aanleiding tot zijn vertrek uit Parijs, misschien versterkt door het beginnen van de vervolgingen tegen de Protestanten. Huygens was althans sterk anti-katholiek in zijne godsdienstige gevoelens, en toen in l()85 het Edict van Nantes werd herroepen, verbrak hij alle betrekkingen met Frankrijk, ook met zijne oude medeleden der akademie van wetenschappen. Na dien t\jd hield hij alleen met de Koninklijke Maatschappij te Londen briefwisseling en zond van zijne stukken in de Verhandelingen van het Engelscbe genootschap niet eens overdrukken naar Parijs.

In 1680 bezocht hij nogmaals Engeland niet het doel Newton te ontmoeten, wiens klassiek werk kort te voren in t licht verschenen was. Beide mannen koesterden de grootste bewondering voor elkanders genie. Huygens werd door Newton bij voorkeur ,summus Hugeniusquot;: de verheven Huygens genoemd, en door hem „voor den welsprekendsten schrijver onder de nieuwere wiskunstenaars en voor den nitnemendsten navolger der Griekenquot; gehouden.

De verheven Huygens had in eene zaak den niet minder verheven Newton tot mededinger. Beiden hadden namelijk eene wiskundige theorie der lichtverschijnselen ontworpen en waren daarbij van geheel verschillende grondbeginselen uitgegaan. Hoewel de verklaringen van Huygens vollediger waren dan die van Newton, was het gezag van dezen zoo groot, dat niemand aan de juistheid van zijne uitspraken scheen te durven twijfelen, daar het anders onverklaarbaar is, dat de theorie van Huygens niet met groote ingenomenheid door de natuurkundigen van zijn tijd ontvangen werd.

„Men kan zich nog begrijpen,quot; zegt Poggendorff, „dat Newton en zijne tijdgenooten de verdiensten van Huygens op dit punt miskend hebben. Maar wat zich moeilijk laat begrijpen, is, dat het latere geslacht deze onbillijkheid heeft voortgezet, dat er gedurende meer dan eene eeuw niemand gevonden is, die zich de moeite gegeven heeft, de theorie van Huygens door en door te be-studeeren en met die van Newton te vergelijken. Dat is eene vlek in de geschiedenis der Natuurkunde en een schitterend bewijs van den noodlottigen invloed, dien een groote geest kan uitoefenen op de geslachten, die na hem komen, wanneer zijn „gezagquot; zoover gaat, dat het alle onpartijdig onderzoek in den weg staat.quot;

Ongeveer in denzelfden tijd, dat Hum/ens'1 Theorie van het licht ontstond, hield hij zich ook bezig met zijne verhandeling over de oorzaak der zwaarte, waarin voor 't eerst gewag wordt gemaakt van de afplatting der aarde aan de polen. Waarnemingen aan slingers op verschillende punten der aarde luidden geleerd, dat dezelfde slinger niet overal op dezelfde wijze slingerde, dat bijv. een slinger aan den evenaar langzamer slingerde dan op hoogeren breedtegraad. Huygens kon deze verschijnselen verklaren door onder meer aan te nemen, dat de verticaal niet overal naar het middelpunt der aarde gericht is, een gevolg van iets, dat wel eene paradox geleek, dat namelijk de Aarde geen bol was en dat hare meridianen ellipsen waren met den afgeplatten kant aan de polen. Door berekening leidde hij af, dat de verhouding van tien straal der aarde naar den

ocr page 66

54

578 '

eveiiiuir en dien naar lt;le pool wiis. In de eerste helft der 18de eeuw

577

werd door reclitstreeksche jgraadinetiugenquot; bewezen, dat het door Hnygens ontwikkelde denkbeeld der alplatting juist was en dat deze iiojjr aanzienlijk grooter was dan Hui/yens uit zijne berekeningen had afgeleid.

, Den '24sten Mei 1(394 schreef Hnygens aan Leibnitz, dat liij wederom ongesteld was geweest en sedert dien tijd een onregelmatigen en tusschenpoozenden pols had. Echter ging hij nog steeds met zijne werkzaamheden voort. Doch allengs begreep hy, dat hij zich tot den dood moest voorbereiden, en hij schreel eigenhandig een uitvoerig testament. Vier maanden later, den Bsten Juji 1695, ontsliep hij.quot;

Onderscheidene vaderlandsche geleerden, waaronder vooral de Leidsche Hoogleeraar 's Gravesande, hebben zorg gedragen, dat hetgeen Hnygens gewerkt heeft, voor het nageslacht bewaard bleef, terwijl nog in onze dagen door de „Hollandsche Maatschappij van Wetenschappenquot; te Haarlem eene uitgave van de ,Volledige Werken van Christiaan Hnygensquot; wordt voorbereid, waarvan dit jaar (1888) het prachtig uitgevoerde Eerste Deel, Briefwisseling bevattende, verschenen is. „In die werken,quot; zegt zijn levensbeschrijver Prof. llarting, ,weerspiegelt zich zyn geest. Het is die van een groot man, wiens naam met eerbied, in éénen adem met dien van Galilei en van Newton, zal genoemd worden, zoolang de natuurwetenschap zelve in eere gehouden wordt.quot;

18 A AC NEWTON.

„Oroote mannen zijn min ot' meer kinderen van linn tijd en kunnen slechts op bepaalde tijden verschijnen, in dien zin, dat er eene noodzakelijke en logische volgorde bestaat in de opeenvolging der wetenschappelijke ontdekkingen.,, Claude Bernard.

Galilei's sterfjaar, 1642, was het geboortejaar van Newton.

Isaac Newton werd geboren te Woolsthorpe in Lincolnshire en verloor reeds kort na zijne geboorte zijn vader. Toen zijne moeder hertrouwde, werd hij op 3-jarigen leeftijd aan de zorgen zijner grootmoeder toevertrouwd, die hem eerst naar de dorpsschool en, toen hij 12 jaar oud was, naar Grantham zond om Lat\jn te leeren. Hier was hij, zooals hij zelf vertelt, in den beginne zeer onoplettend en een der laatsten van zijne klasse. Dat duurde, totdat een zijner medescholieren, de eerste van de klasse, hem op een goeden dag een pak slaag had toegediend, voor hem de aanleiding tot eene wraakoefening, waarbij hij zich zelf de plaats van zijn vijand veroverde.

Toen nu Newloris moeder opnieuw weduwe werd, kwam zij te Woolsthorpe terug en nam haar oudsten zoon tot zich om haar in hare zaken behulpzaam te zijn. Zij ervoer echter spoedig, dat Tsanc meer aanleg bezat voor studie en overpeinzing dan voor het koopen en verkoopen van granen en groenten.

ocr page 67

Op raad van oen oom werd Newton nu naar Cambridge gezonden, waar hij zich in korten tijd door zijne groote bekwaamheden in wiskundige zaken onderscheidde, en waar hij reeds in 16t)9 benoemd werd tot opvolger van zijn leermeester Barrow als Hoogleeraar in de Wiskunde. Spoedig deed h\j zich als een uitstekend leermeester kennen, die nieuwe banen opende en door zijne voor zyne leerlingen bestemde „Algemeene Rekenkundequot; zijn naam vestigde.

Op natuurkundig gebied wijdde Newton zijne aandacht aan de verschijnselen van het licht. Hij ontdekte de ontleding van het witte zonlicht door middel van een prisma en gat eene verklaring van de verschillende kleuren der door hetzelfde zonlicht beschenen voorwerpen.

Het hoofdwerk van Newton, dat het meest tot zijn roem heeft bijgedragen en hem onsterfelijk heeft gemaakt, is echter het werk over de „Wiskundige Grondslagen der natuurlijke wijsbegeertequot;. Door dit werk wordt de op waarneming gegrondveste leer van Coppcrnicus het noodzakelijk uitvloeisel eener wiskundige theorie van het wereldstelsel.

De lezing van Huygens' verhandeling over ,het slingeruurwerkquot; bracht Newton

op het denkbeeld de beweging der maan aan de berekening te

onderwerpen, ten einde de kracht, waardoor de afwijking der maan van hare baan wordt veroorzaakt, te vergelijken met de kracht, die de aarde op de maan zou uitoefenen, indien z\] zich aan de oppervlakte der aarde bevond* Uit deze vergelijking wilde Newton

van den afstand tusschen de maan en het middelpunt der aarde, waaruit dan zou volgen, dat de zwaarte, d. i. de kracht, die een voorwerp aan het oppervlak der aarde doet vallen, dezelfde kracht is als die, welke aan de maan hare baan voorschrijft.

Isaac newton. De uitkomst van Newton's be

rekening was, dat de zwaartekracht, indien zij omgekeerd evenredig aan het vierkant van den afstand veranderde, op den afstand der maan een zesde meer was dan de kracht, die de maan in hare baan hield.

Het verschil was zoo groot, dat Newton voorloopig zijn denkbeeld liet varen, als zouden de kracht, die aan de maan hare baan voorschrijft, en de kracht, die een steen op aarde doet vallen, identiek zyn. Zoo stonden de zaken in 1670.

In 1(582 werden door Picard de uitkomsten van nieuwe metingen medegedeeld,

ocr page 68

volgens welke de straal der aarde ^ grooter was dan tot dusver was aangenomen.

Newton kwam nu op zijn oude denkbeeld terug, herhaalde zijne berekeningen en — de overeenstemming was volkomen.

De vreugde over deze schoone zegepraal, zoo lang en zoo geduldig verbeid, bracht, naar men zegt, den schrijver der ,Grondbeginselenquot; in zulk een zenuwachtig gespannen toestand, dat hij niet in staat was, zijne berekeningen te veriftëeren en de zorg daarvan aan een vriend moest toevertrouwen.

„Toen eens een vriend aan Newton vroeg, hoe hij tot zulke enorme resultaten en tot zoo vele resultaten gekomen was, antwoordde hij: „ik houd mijn onderwerp steeds voor den geest en ik wachtquot; — het is of een kind spreekt — „tot de eerste schemeringen, die langzaam en by gedeelten komen opdagen, zich veranderen in volle en volkomene helderheid.quot;

„Newton wachtte.

„En aan Bentley schreef hij: „dat, zoo hij iets goeds geleverd had, dit het gevolg was van arbeiden en van een langzaam denken.quot;

„Het is bekend, dat hij soms dagen in eenzaamheid verkeerde, en dan eten en drinken en slapen en alles vergat.quot; ')

Den 26 April ll386 werd het handschrift der „Wiskundige Grondslagenquot; aan de Koninklijke Maatschappij van Wetenschappen aangeboden. In 11587 verscheen het in druk.

De geestdrift, die dit boek bij de geleerden wekte, was algemeen. Die geestdrift gaf nog jaren daarna aan Voltaire (1694—1778) de volgende regels in de pen:

„Gü Geesten, lichtend met het vuur des Allerhoogsten,

Vertrouwden, die Zijn raad uit eigen mond moogt oogsten,

Bekent g\j, die Zijn troon met uwe vleuglen dekt.

Dat Newton's grootheid niet der englen afgunst wekt?quot; 1)

Het klassieke werk der „Wiskundige Grondslagenquot; bracht den schrijver niet enkel roem, maar ook stoffelijk voordeel aan. In 1688 werd hij verkozen tot vertegenwoordiger der Hoogeschool in het Parlement, eene waardigheid, die hij tot 1705 bekleedde, in al welken tijd men zegt, dat hij slechts éénmaal gesproken heeft, namelijk — om den pedel te verzoeken een raam te sluiten. Eene zekere verlegenheid, die hem altijd eigen is geweest, schijnt hem voor het publieke leven minder geschikt gemaakt te hebben.

Tn 1695 werd hij Inspecteur, in 1699 Directeur der Munt. In deze laatste betrekking genoot hij een jaarlijksch inkomen van 15000 gulden, dezelfde man, die in 1672, bij zijne benoeming tot lid van de Koninklijke Societeit te Londen, zich genoodzaakt zag vrijstelling te vragen van de wekelijksche contributie van één shilling, zegge 60 cents, die ieder lid te betalen had.

1

De van vriendonhand afkomstige vertaling der volgende verzen:

„Confidents du Trbs-Ilaut, substances utornelles, Qui brulez de ses feux, qui eouvrez de vos ailes Le tröne on votre maitre est assis parmi vous, Parlez! du grand Newton n'etiez-vous point jaloux ?v,

ocr page 69

57

Newton stierl den 20 Maart 1727. Hij wml bijgezet te luidilen van Engeland's groote mannen in de oude Westminster-Abdij. In 17:51 richtte zyne familie hem een prachtig mausoleum op, in welks opschrift van hem getuigd wordt, „dat de stervelingen zich geluk mogen wenschen, dut zulk een sieraad van het men-schelijk geslacht geleefd heeft.quot;

Newton zelf achtte hetgeen hij bekend gemaakt had luttel, vergeleken bij het vele, dat nog te kennen overbleef. Hij zeide, „dat hij niet meer dan een kind was, bezig met op liet strand steentjes in te zamelen, terwijl de onmetelijke oceaan der waarheid nog ondoorzocht zich voor hem uitstrekte.quot;

Anuni. Van de drie Gruiidstellingen der Inleiding (blz. 0) drukt de Eerste de verliondin^ uit van de stay tot de verschijnselen-, de Tweede de verhouding ol' het verband der (jelijktijdiif bestaande rerschijnselen; de Derde de \'erhonding ol' het verband der (nwnrohicnde verschijnselen. Dat verband der verschijnselen, dat bepaald zijn van het eene door het andere, dat invloed hebben van het eene op het andere verschijnsel kunnen wij ons niet denken zonder de tus-schenkomst van iets, wat wij kracht noemen.

Volgens de in het bovenstaande gegeven ontwikkeling van eene leer der krachten, beschouwen wij een lichaam niet alleen als eene grootheid of uitgebreidheid de zuiver wiskundige of mathematische beschouwing), en als iets, dat zich kan bewegen de mechanische beschouwing), maar ook als den zetel van krachten. Dat begrip kracht valt echter buiten den kring der zinnelijke aanschouwing, die wel de uitwerkselen der kracht, doch niet de kracht zelve kent. Eene als het ware tastbare voorstelling van eene kracht, zooals de wiskunde die van de lichaamsuitgebreidheid en de mechanica van de bewegingen des lichaams geeft, kan ni?t gevormd worden. ..Terwijl alzoo de kracht de oorsprong der mechanische wereld of, zooals Leibnitz zich vaak uitdrukt, de ^fons mechanismiquot;quot; oorsprong van het mechanisme is, blijft deze oorsprong voor het oog verborgen, dat alleen do zinnelijk waarneembare dingen aanschouwt. Hoe ver ik ook de stof tut in hare kleinste deeltjes onder-zoeke, nergens vind ik binnen den kring der zichtbare wereld het punt, waar ik tegenover de kracht zelve kom te staan, zoodat ik zeggen kan: hier is do oorsprong der verschijnselen, hier is kracht! waar ik de kracht even aanschouwelijk waarneem als den cirkel, of de slingerbeweging. Het begrip kracht is dus een verstandsbegrip, dat de natuurkunde vordert, doch niet bewijzen kan; zoodat de natuurkunde moet verklaren: ik ben hulpeloos, wanneer ik het begrip kracht niet ter verklaring mag gebruiken, doch ik kan op mijne wijze niet aantoo-nen, dat zij bestaat en nog minder, waarin zij bes;taat.v, l)

Het begrip Kracht valt dus buiten de spheer der ervarinij, die ons alleen leert dat iets is, doch niet dat het met noodwendigheid zoo zijn moet. Het is dus een begrip van zuiver verstandelijken oorsprong en als zoodanig een uitvloeisel van het louter loqisch (Jrondbeginsel, dat de behoefte uitdrukt van den menschelijken geest om zijne voorstellingen met noodzakelijkheid uit andere voorstellingen of begrippen te doen voortvloeien. Aan dit Grondheginsel, waarop onze redeneerimjen steunen, heeft Leibnitz den naam gegeven van het „Grondbeginsel der genoegzame reden'quot; of „van den toereikenden grond'''', onder welken naam de Derde Grondstelling in de Inleiding blz. G) is opgenomen. Ik heb dezen naam verkozen boven dien van het „Grondbeginsel van Oorzaak en Gcwrochf, omdat ik meen, dat in de hedendaagsche Natuurkunde minder gezocht wordt naar datgene, waardoor de objectieve werkelijkheid van eenig ding met noodzakelijkheid afhangt van een ander hiervan verschillend ding, dan wel naar de voorstelling, uit welke met noodwendigheid eene andere gegeven voorstelling voortvloeit. Terwijl toch, in de wereld van hetgeen werkelijk onafhankelijk van onszelven is of bestaat, de wijze van ontstaan van het eene uit het ander wordt aangeduid onder de benaming van oorzaak en gewrocht, wordt in de wereld der gedachten die wijze van ontstaan of voortbrenging aangeduid als reden of grond en gevolg.

I) Kuno Fiseher.

ocr page 70

58

(»4. Ren stuk koper kan in kleinere doelen verdeeld worden. Ret/,elfde kan gezegd worden van elk ander voorwerp, onverschillig uit welke zelfstandigheid het mag bestaan, lioe ver kan die verdeeling worden voortgezet?

In de hedendaagsche natuurkunde gaat men uit van het denkbeeld, dat er,

niet a Urm in de praktijk, maar ook in beginsel, voor elke zelfstandigheid, waaruit de lichamen bestaan, eene grens is, buiten welke de verdeeling niet zon kunnen worden voortgezet. Volgens deze voorstelling is dus niet elke willekeurig kleine hoeveelheid van eene zelfstandigheid bestaanbaar, maar is er voor elk een kleinste deeltje, welks bestaan nog mogelyk is.

Het kleinste bestaanbare deeltje eener zelfstandigheid heet eene molecule1).

Do sclieikunde leert, dat vele zelfstandigheden samengesteld zijn, dat wil zeggen uit bestand-declen bestaan , die als zoodanig onherkenbaar zijn en eerst door kunstbewerkingen „geseheiden1quot;'

en daardoor herkenbaar gemaakt kunnen worden. Zulk eene samengestelde zelfstandigheid is bijv.

vermiljoen, welks bestanddeelen : kwik en zwavel volkomen onherkenbaar zij!». Maakt men ze door „scheiding0 wel herkenbaar, dan houdt daarentegen het vermiljoen op vermiljoen te zijn. liet kleinste deeltje, m. a. w. de „molecule,^ vermiljoen bestaat dus zelf weer uit deeltjes van onderling verschillende zelfstandigheden. De kleinste in eenige molecule voorkomende hoeveelheid van zulk een bestanddeel, dat zelf niet meer in onderling verschillende stoffen splitsbaar is, heet een atoom ').

Men stelt zich verder voor, dat de moleculen door tusschenrnimten gescheiden zijn, die voor vergrooting en verkleining vatbaar zijn. ,

Eveneens stelt men zich voor, dat de atomen in de molecule gescheiden zijn door voor vergrooting en verkleining vatbare tusschenrnimten. Daardoor wordt dus het volumen eener molecule als veranderlijk voorgesteld: doch deze verandering wordt als zeer klein beschouwd, vergeleken bij de verandering, die het volumen van het lichaam kan ondergaan door de vergrooting of verkleining van de tusschenrnimten tnsschen de moleculen.

Tn het vervolg zal het volumen eener molecule als onveranderlijk aangenomen worden en zullen de moleculen beschouwd worden als stoffelijke punten, op welke krachten werken.

(i.j. De uit de ervaring blykende eigenschappen van de nitzetbaarheid en de samendrukbaarheid der lichamen wordt, volgens het voorgaande,

verklaard uit eene vergrooting en uit eene verkleining der tusschen de moleculen aanwezige tusschenruimten.

Het onderstelde bestaan dier tusschenruimten (poriën) maakt den inhoud uit van de hypothetische eigenschap van de zoogenoemde poreusheid der lichamen.

lt;i(). Newton's Grondbeginsel der „algemeene aantrekkingquot; is niet toereikend tot het verklaren van verschijnselen, die het gevolg zijn van krachten, werkende tusschen stoffelijke punten, die, zooals de moleculen van een lichaam, op zeer kleine afstanden van elkaar liggen.

Op hoedanige wijze in dit geval de werking der kracht van den afstand afhangt, is niet uitgemaakt. Alleen houdt men vast aan het Beginsel, dat de Actie gelijk is aan de Reactie en aan het Beginsel van het Parallelogram van Krachten, terwijl men aanneemt, dat de tusschen de moleculen werkzame gt;

1

Afolécula is liet verkleinwoord van het Latijnsche woord moles, dat „klomp',, beteekent.

ocr page 71

krachten aantreklcemle kracliten /ijii, behalve bij zoogenoemde aanraking, bijv. bij de ,botsingquot; van twee lichamen (of punten), in welk geval de aantrekkende krachten in afstootende krachten overgaan.

(gt;7. Elk lichaam kan volgens het voorgaande beschouwd worden als een ,stelselquot; van bij elkander behoorende stoil'elijke punten. Beschouwt men eene groep van lichamen als een bij elkander behoorend geheel, dan heeft men evenzoo oen „stelselquot; van lichamen. Huygens is de eerste geweest, die in zijne wiskundige beschouwingen een lichaam als een stelsel in bovengenoemden zin behandelde.

Elke kracht werkt tusschen twee lichamen ol gedeelten van lichamen. He-schouwt men een enkel lichaam ol' een ,stelselquot; van lichamen, dan worden de krachten, werkende tusschen lichamen, die wél en lichamen, die niet tot dit ,stelselquot; behooren, uitwendige krachten genoemd; terwijl de krachten, die tusschen de verschillende deelen van het stelsel zelf werken, inwendige krachten heeten.

lt;gt;S. Wanneer de stoffelijke punten van een lichaam onder den invloed der ,inwendigequot; krachten in evenwicht zijn, zal dit evenwicht verbroken worden, zoodra op een of meer dier punten eene „uitwendigequot; kracht begint te werken. De afstanden tusschen de stoffelijke punten onderling, dus ook de afmetingen van het lichaam, worden daardoor gewijzigd. Door de verandering der afstanden tusschen de punten van het lichaam verandert mede de wederkeerige invloed, dien deze op elkander uitoefenen; — een en ander zoo lang, totdat het nieuwe stelsel van „inwendigequot; krachten evenwicht maakt met de aangewende „uitwendigequot; kracht.

De nieuwe evenwichtsstancl der stoffelijke punten wordt onmiddellijk weder verstoord, wanneer de „uitwendigequot; kracht ophoudt te werken; en de oorspronkelijke afstanden tusschen de stoffelijke punten onderling, dus ook de oorspronkelijke afmetingen van het lichaam, worden hersteld.

De gezamenlijke invloed der „inwendigequot; krachten, die aan een lichaam zijm' oorspronkelijke afmetingen hergeeft, nadat de storende „uitwendigequot; kracht heeft opgehouden te werken, heet de veerkracht of elasticiteit.

Daarom dragen de „inwendigequot; krachten, die in een lichaam werkzaam zijn, ook wel den naam van elastische reacties.

A num. Ken lichmim herneemt iilleon dun volkomen zijne vorige afmetingen, wanneer de verandering zijner afmetingen eene zekere grens, de elnsticiteiisgrens, niet heeft overschreden. Deze grens is bij het eene lichaam eerder bereikt dan bij het nndere, zoodat men minder cn meer veerkrachtige lichamen onderscheidt.

N.B. Het is lang gebruikelijk geweest, de uilzei haar/ieid, de samendrukhaarhckl, de poreusheid, de veerkracht als zoogenoemde algemeen e eigenschappen der lichamen aan te duiden.

(gt;'.gt;. Hoewel de onderlinge verplaatsingen der stoffelijke punten van een lichaam, onder den invloed eener zelfde „uitwendigequot; kracht, bij het eene lichaam grooter, bij het andere kleiner zijn, zijn zij in do meeste gevallen uiterst klein, zoo klein, dat zij in onze beschouwingen over den bewogingstoestand der betrokken lichu-men zonder nadeel verwaarloosd mogen worden. Een lichaam, bij hetwelk de

ocr page 72

60

iifstiiiuUni tusschen zij no moleculen volstrekt on verarulerluk waren, zou een /.oogenoeuid absoluut vast lichaam zijn.

In ile eerstvolgende zullen wij de te beschouwen lichamen als zoodanig behaudeleu.

Het stoffelijk punt van een lichaam, waarop eene uitwendige kracht werkt, iieet het nangrijpingspunt dezer kracht.

70. Uit het in § 59 (hlz. 37) medegedeelde Derde Grondbeginsel der Theoretische Mechanica kan worden afgeleid — de afleiding zelve behoort hier niet tehuis —, dut in den bewegingstoestand van een lichaam, als een geheel beschouwd, niets verandert, tvnnneer twee onderling gelijke krachten in twee verschillende punten van een lichaam aangrijpen, werkende volgens dezelfde rechte lijn, doch in tegengestelden zin.

Wanneer bijv. op het in tig. 10 voorgestelde lichaam eene uitwendige kracht

P werkt, aangrijpende in A, en eene uitwendige kracht P', aangrijpende in B, terwijl l' = P , dan maken beide krachten met elkander evenwicht.

Kig. iü.

X

A

P'.

tquot;' 1 A'! n)/;. Wns het liclmiim vervormbaar, diiu zouden de gegeven krachten, al is 't geen bcwc-___________—quot; gingseffect van het geheele lieliaum, toch dit uitwerksel hebben, dat het lichaam vervormd werd.

71. Gesteld dat op het in Hg. 10 voorgestelde lichaam drie onderling gelijke krachten werken: P, P en P'. De krachten P' en Pquot; maken, volgens § 52, met elkander evenwicht, zoodat het uitwerksel der drie krachten gelijk is aan dat van P, wanneer deze alleen werkt.

Doch ook de krachten P en P' maken, volgens § 70, met elkander evenwicht, zoodat, uit dit oogpunt beschouwd, het uitwerksel der drie krachten ook gelijk is aan dat van Pquot;, wanneer déze alleen werkt.

Hieruit volgt, dat het uitwerksel van P, aangrijpende in A, gelijk is aan dat der aan haar gelijke kracht Pquot;. aangrijpende in 13, wat wij aldus kunnen uitdrukken:

Het aangrijpingspunt eener op een lichaam werkende kracht kan verplaatst worden op de lijn, volgens welke de kracht, gericht is, zonder iets in hel uitwerksel te veranderen.

72. Op het punt A van een lichaam (vgl. tig. 11) werkt de uitwendige kracht P, volgens de lijn AP, van A naar P; op een ander punt B werkt de uitwendige kracht Q, volgens de lijn lin, van B naar Q. De lijnen AP en BQ liggen in hetzelfde platte vlak en snijden elkander in het binnen het lichaam gelegen punt C.

Volgens § 71 kunnen wij, zonder in het bewegings-uitwerksel iets te veranderen, de kracht P vervangen door de aan haar gelijke en volgens dezelfde lijn gerichte kracht p, aangrijpende in C; de kracht Q door de aan haar gelijke en volgens dezelfde lijn gerichte kracht q, eveneens aangrijpende in C.

Volgens § 50 worden tie krachten p en q samengesteld tot de resultante II. Wij kunnen dus, zonder in den bewegingstoestand van het lichaam iets te

ocr page 73

()1

1 en Q ook vervangen door eene enkele kracht R, aangrijpende in C, of' in een willekeurig punt van de lijn CR.

De uitkomst verandert niet, wanneer het snijpunt 0 van CP en CQ buiten het lichaam gelegen is.

73. In het geval van fig. 11 is de kracht R, aangrypende in C het resultaat van de werking der krachten p en f/; zij heeft dus aanspraak op den naam van resultante der krachten p en '/.

Werken, in plaats van de krachten p en 7, de krachten 1' en Q, dan bljjft wel de/jewegnwqrstoestand van het lichaam onveranderd, doch er treden door liet verplaatsen der aangrijpingspunten andere inwendige krachten in het spel, en het resultaat van P en Q is in sommige opzichten een ander dan dat van ]gt; en 7. Daarom duiden w^j de betrekking van de kracht R tot de krachten 1' en Q met een afzonderlijken naam aan, en noemen R niet de „resultantequot;, maar de congerente van P en Q, eene kracht, die, alleen wat de beweging van hel lichaam betreft, de krachten P en Q vervangen kan.

A11 n in. In de meeste leer- en handboeken wordt ook de hier als coiKjc.rcnie aangednide

kracht met den naam van ),reslIltante,, aangeduid.

74. Wij willen nu het geval beschouwen, dat twee evenwijdig en in den-zelfden zin gerichte krachten P en (i (vgl. fig. VJi) op een lichaam werken.

De krachten P en Q worden naar richting en grootte voorgesteld door de lijnen ac en bil.

Laten wij voorts in de punten a en h respectievelijk de onderling gelijke, volgens dezelfde lijn, doch in tegengestelden zin werkende krachten S en S

aangrijpen, dan zal hierdoor in den bewegingstoesland van het lichaam niets veranderen.

Het stelsel der vier krachten 1', Q, S en S' heelt dus, ten opzichte van de beweging, hetzelfde uitwerksel als het stelsel der twee krachten P en (i.

Wanneer de kracht S naar grootte en richting wordt voorgesteld door de lijn ae, worden de beide in het punt a aangrijpende krachten l' en S „samengesteldquot; tot de resultante V, naar grootte en richting voorgesteld door de lijn ah. Zoo worden de krachten (i en S', respectievelijk voorgesteld door de lijnen Ixl en bf, samengesteld tot de resultante W, voorgesteld door de lijn bg.

Alweder zonder iets in den bewegingstoestand te veranderen, kan de kracht V vervangen worden door eene, die in het punt k aangrijpt, voorgesteld door

veranderen, de krachten Fin. II.

ocr page 74

62

de lijn rnk, mits mk = ah; en de kracht W door eene, die in ^aangrijpt, voorgesteld door de lijn kq, mits kq — bg.

De kracht V, aangrijpende in k, kan, zonder iets in den bewegingstoestand te veranderen, vervangen worden door de twee in k aangrijpende krachten: T, voorgesteld door kl (= en // ne) en X, voorgesteld door kn (= en / ac). Zoo kan ook de in k aangrijpende kracht W vervangen worden door de twee in k aangrijpende krachten: T, voorgesteld door kp en // hf) en V, voorgesteld door ko {= en / bd).

Daar kl — kp, is de resultante der krachten T en T' gelijk aan 0, zoodat ten slotte de krachten X en Y, beide aangrijpende in k en naar grootte en richting respectievelijk gelijk aan P en Q, ten opzichte van de beweging van het lichaam hetzelfde uitwerken als de krachten P en Q. aangrijpende in a en b.

De resultante van de krachten X en Y is gelijk aan hare som en werkt in denzelfden zin volgens dezelfde lijn.

Zij kan, zonder iets in den bewegingstoestand te veranderen, vervangen worden door eene aan haar gelijke en in denzelfden zin gerichte kracht II, aangrijpende in het op de lijn kr gelegen punt r.

De in het punt r aangrijpende kracht R is dus de „congerentequot; van do in a en h aangrijpende krachten P en Q. Uit de figuur blijkt:

R = P Q.

De congercnte van twee evenwijdig en in demelfden zin gerichte krachten is gelijk aan hare som; zij is evenwijdig aan deze en in gelijken zin gericht.

Wij willen nu onderzoeken, hoe het punt r op de verbindingslijn van a en h, ten opzichte van laatstgenoemde aangrijpingspunten, is gelegen.

Uit de gelijkvonuigheid der driehoeken kmn en kar volgt:

mn: ar — kn : kr,

of daar mn = oq,

oq: ar — kn: kr'..........(1).

Uit de gelijkvormigheid der driehoeken koq en krh volgt;

oq :rh — ko:kr..........(2).

De buitentermen van (1) en (2) gelijk zijnde, vormen beider binnentermen de evenredigheid

rb: ar — kn : ko,

waaruit; rö: ar = P : Q.

De afstanden der aangrijpingspunten a en h van twee evenwijdig en in gelijken zin gerichte krachten tot het, oji hunne verbindingslijn gelegen, aangrijpingspunt der congercnte, zijn omgekeerd evenredig aan de in de eerstgenoemde punten a en h aangrijpende krachten.

75. Zijn de krachten P en Q (vgl. fig. 13), respectievelijk in de punten a en b aangrijpende, onderling evenwijdig doch in tegengestelden zin gericht, dan is de congerente 11 evenwijdig aan en in den zin van de grootste der beide krachten P en Q gericht en gelijk aan haar verschil;

R — P — Q, voor P gt; Q.

Ten opzichte van de ligging van het op de verbindingslijn der punten a en /gt; gelegen aangrijpingspunt r der congerente geldt hetzelfde als in het vorige geval;

hr; ar — P ; tj.

ocr page 75

63

Bewijs: Denken wij ons eene kracht R', aangrijpende in r, evenwijdig en in

denzelfden zin gericht als Q, en zoodanig van grootte, dat a het aangrijpingspunt zij harer congerente {— R' lt;i). Wij vinden dan, volgens § 74:

ha : ar = R : Q . . . . (R De werking dezer congerente, dus ook de wei-kim/ der heide krachten R en (i, wordt opgeheven door eene kracht P R Q, aangrijpende in a en in tegengestelden zin gericht als de genoemde congerente.

Er is dus evenwicht onder de gezamenlijke werking van R', 1' en Dan kan ook van P en gezegd worden, dat zij te zamen de werking van R opheffen. Dat doet óók eene kracht R, die gelijk is aan R, in hetzelfde punt r aangrijpt, doch tegengesteld gericht is; zoodat ile invloed van R gelijk is aan dien van P en (i. Bijgevolg is R de congerente van P en Q.

Uit R = R en P — R' 4- Q of R = P — (i,

volgt: R-P—Q.

R' = P — lt; j zijnde, volgt uit (1):

ha : ar = (l1 — (i): (.t),

waaruit: {ba ar): (P — (J (j) = ar ; lt; gt;,

dus: hr: ar = i': Q,

wat te bewyzen was.

7(i. Uit het voorgaande volgt, dat een stelsel van twee gelijke, onderling evenwijdig en tegengesteld gerichte krachten geen congerente heeft, d. i. niet door eene enkele kracht kan vervangen worden.

Aan een stelsel van twee zoodanige krachten geeft men den naam van koppel.

Een koppel doet het lichaam, waarop het werkt, om zich zelf draaien, zonder er eene voortgaande beweging aan te geven. Het draaien houdt slechts op, zoodra, ten gevolge van deze beweging, de richting der beide krachten samenvalt met die van de verbindingslijn harer beide aangrijpings-

l4 punten, in welk geval de beide

krachten elkanders werking opheffen.

77. In fig. 14 zijn a en h de aangrijpingspunten van het koppel van krachten Pi en Pu. Tn den bewegingstoestand van het lichaam zal niets veranderen, wanneer er nog eenige krachten op werken, die elkanders werking opheffen, bijv. de krachten Pm, Piv, Pv en Pvi, ieder gelijk aan Pi, evenwijdig gericht met Pi en twee aan twee tegengesteld gericht; terwijl de afstand a'b

ocr page 76

lU

harer aangrypiagspunten gelyk zij aan ah. Pi en Piv kuimen vervangen worden door hare congerente Pi (—2 Pi), aangrijpende in c, liet midden van nh. Zoo kunnen ook Pu en Pv: vervangen worden door hare congerente Ru 2 Pi), eveneens aangrijpende in c, het midden van hei. liet geheel is nu teruggebracht tot de werking der krachten lli, Rn, Pv en Pm, van welke ili en Rn elkanders werking opheffen. Er blijft dus nog over het koppel van krachten Pv en Pm, welks werking gelyk is aan die van het koppel Pr en Pn.

Ken koppel van krachten kan evenwijdig aan zichzelf verschoven morden, zonder dat de he wegingstoestand van het lichaam, waarop het werkt, zal veranderen.

78. In de voorgaande beschouwingen hebben wij ons de lijnen, volgens welke de krachten werkten, in een plat vlak voorgesteld. Wij willen ons nu voorstellen, dat op een lichaam (vgl. fig. 15) twee krachten, P en Q, werken, Fig, |S aangrijpende in A en li en gericht volgens

l*A niet in hetzelfde platte vlak gelegen l\jnen. Zij

I Al' bijv. AP in het vlak, achter het vlak

/ van het papier gelegen. Wij laten nu in B

/ ' ~~f- ,, nog twee andere krachten, Pi en Pu, aangry-

j \ pen, onderling en aan P gelijk, onderling

j \ tegengesteld gericht en evenwijdig aan P ge-

71 hl-—___-\___gt; r'c^^ Daar Pi en Pu elkanders werking op-

M J 11 heffen, verandert hierdoor in den bewegings-

\ / \ y toestand van het lichaam niets. Het uitwerksel

x van el1 'i dus gelijk aan dat van P, Q,

\ Pi en Pu. De krachten P en Pu vormen te

^ q zanien een „koppelquot;; de beide in B aangrij-

fn* pende krachten Q en Pi hebben eene resultante

1{., gelegen in het vlak door BQ en BPi, Het uitwerksel der twee in verschillende vlakken werkende krachten F en is dus gelijk aan de gezamenlijke werking van een koppel (P en Pu) en eene kracht (11). Het eerste geeft aan het lichaam eene om zichzelf draaiende, de laatste eene voortgaande beweging. Wij zouden, verder gaande, het aantal werkende krachten van twee tot drie en meer kunnen uitbreiden. Het onderzoek der verschillende gevallen, die hierbij kunnen voorkomen, behoort tot de Theoretische Mechanica. Eene der uitkomsten van dat onderzoek is deze:

Wanneer een stelsel van uitwendige krachten op een lichaam werkt, kunnen zich, wanneer wij alleen letten op den bewegingstoestand van het lichaam in zijn geheel, drie gevallen voordoen:

1°. Alle uitwendige krachten kunnen vervangen worden door eene congerente kracht;

2°. Alle uitwendige krachten kunnen vervangen worden door één conge-rent koppel;

3°. Alle uitwendige krachten kunnen vervangen worden door ééne kracht en één koppel.

7!). Op de punten a en h van een lichaam (vgl. lig. 1(1) werken respectievelijk de onderling evenwijdig en in gelijken zin gerichte krachten P en welker congerente It aangrijpt in c.

ocr page 77

■ . IW,. —■

65

Wü hebben uu volgens § 74:

be : ac = P : Q..........(1).

Wanneer in dezelfde punten a en b respectievelijk de onderling evenwijdig en in gelijken zin gerichte krachten P en lt; gt;' aangrijpen, dan zal het op de verbindingslijn van a en h gelegen aangrijpingspunt lt;■' van de congerente dezer krachten bepaald worden door de evenredigheid:

be : ac ~ \y : Q'.....(2).

Is in de vergelijkingen (1) en (2)

p __ p- en Q _ Q'^

dan volgt hieruit, dat de punten c en c een en hetzelfde punt der lijn nb zijn.

De lijn, volgen» welke de congerente van twee onderling evenwijdig en in gelijken zin op een lichaam werkende krachten gericht is, hlijfl door een zelfde punt gaan, wanneer deze krachten, onderling evenwijdig gericht blijvende en zonder van grootte oj aangrijpingspunten te veranderen, tc zamen eene gelijke verandering van richting ten opzichte van de punten van het lichaam ondergaan.

liet in de voorgaande stelling bedoelde punt (r) draagt den naam van middelpunt van evenwijdige krachten.

13e in het voorgaande voor twee krachten ontwikkelde stelling kan bewezen worden ook te gelden voor een stelsel van meer dan twee, in een plat vlak werkende, onderling evenwijdig en in gelijken zin gerichte, krachten.

Evenzoo kan bewezen worden, dat ook een willekeurig aantal onderling evenwijdig gerichte krachten in de ruimte een „middelpuntquot; hebben.

-SO. Elk stoffelijk punt, dat vrij en aan zichzelf overgelaten is, neemt, volgens de Wetten van den «vrijen valquot;, eene verticaal naar heneden gerichte, eenparig versnelde beweging aan, waarvan de «versnellingquot; (g) eene voor verschillende plaatsen op aarde verschillende, doch voor elke in quot;t bijzonder standvastige grootheid is (vgl. § 41, blz. 24). Is de massa van zulk een punt gelijk aan m éénheden, dan beweegt het zich, ten opzichte van de door de punten der aardoppervlakte gevormde omgeving, onder den invloed eener kracht van mg éénheden (vgl. § (32, blz. 38).

, Deze kracht, een gevolg van de door de aarde uitgeoefende „aantrekkingskrachtquot;, draagt den naam van zwaartekracht.

Aanm. Men lette er wel op, dat hier onderscheid wordt gemsiakt tusschen de nnntrek-hingskracht der aarde en de zwaartekracht.

0/)(j. Herlees de Aanm. van blz. 35.

De aaritrekkingskracht der aarde veroorzaakt de „versnelling''quot;' van het stoffelijk punt ten opzichte van de omgeving A (middelpunt der aarde en vaste sterren);

de zwaartekracht is de oorzaak der „versnelling',, van het pnnt ten opzichte van de omgeving H (punten der aardoppervlakte).

Elk der stoffelijke punten, waaruit een lichaam bestaat, zou, indien het vrij en aan zichzelf overgelaten ware, met eene voor alle dezelfde ,versnellingquot;, eene verticaal naar beneden gerichte, eenparig versnelde beweging aannemen. Het salvebda en i.K Rov, Natuurkennis, II. 2di! druk. 5

■•r-^r-.rr'—— IVT, ■;■ '■- —rr~ ---.T- —

ocr page 78

66

lichaam is dus ouderworpen aan de werking van een stelsel onderling evenwijdig en in denzelfden zin (verticaal naar beneden) gerichte krachten.

De congerente van al deze krachten is gelijk aan hare som en heet het Gewicht van het lichaam.

81. Eene verandering'in den stand van het lichaam heeft, indien de overige omstandigheden dezelfde blijven, geen verandering ten gevolge in de grootte, de aangrijpingspunten of de volstrekte richting der samenstellende krachten; alleen de richting dezer laatste ten op/ichte van de punten van het lichaam verandert, en wel voor alle evenveel in denzelfden zin. De congerente der ,zwaartekrachtquot; (Gewicht) blijft dus, volgens § 79, in eiken stand van het lichaam door een zelfde punt, het „middelpunt van evenwijdige krachtenquot;, gaan.

In het geval, dat de op een lichaam werkende, onderling evenwijdig en in gelijken zin gerichte krachten, de samenstellende krachten van het „gewichtquot; zijn, draagt het „middelpunt dezer evenwijdige krachtenquot; den naam van zwaartepunt.

Indien de „massa'squot; der punten van een lichaam respectievelijk gelijk zijn aan m,, m-i, rni, enz., dan is de op elk van hen werkende „zwaartekrachtquot; respectievelijk gelijk aan mxg, , enz. De congerente van al deze krachten of het „Gewichtquot; (— P) van het lichaam is dan gelijk aan

vi{q m^g m^g, enz. = (m, -t- - - wi3, enz.) g,

of, indien de totale massa van het lichaam

m, - • m3, enz. — m,

jP = mg.

N.B. V(ondas) = Gewicht.

Annm. Volgons bovenstaande vergelijking is het Gewicht van een lichaam samengesteld even-

redig aan zijne massa en de door de zwaartekracht veroorzaakte versnelling.

Wij kunnen nu voortaan bij onze beschouwingen over de werking der „zwaartekrachtquot; het groot aantal op de verschillende deelen van een lichaam werkende krachten, zonder in den bewegingstoestand van het lichaam in zijn geheel verandering te brengen, vervangen denken door eéne enkele kracht: het Gewicht, verticaal naar beneden gericht en aangrijpende in het „zwaartepuntquot; van het lichaam.

82. Onderstellen w\j een lichaam, dat uit n onderling gelijke, op onderling gelijke afstanden en in eene rechte lijn gelegen stoffelijke punten bestaat. Op dit lichaam werkt de zwaartekracht, d. i. een stelsel van n onderling gelijke, evenwijdig en in denzelfden zin gerichte krachten. Het „middelpunt van evenwijdige krachtenquot;, m. a. w. het „zwaartepuntquot;, moet samenvallen met het midden der lyn.

Opg. Beredeneer dat.

8!{. Onderstellen wij nu een lichaam, dat weder uit onderling gelyke en op onderling gelijke afstanden gelegen punten bestaat (homogeen lichaam)en laten de punten nu het platte oppervlak van een driehoek vormen. Het zwaartepunt van dezen driehoek moet samenvallen met het snijpunt der lynen, die de hoekpunten met het midden der overstaande zijden verbinden („ zwaartelijnenquot;).

Bewijs: Wij kunnen den driehoek beschouwen als te bestaan uit rechtlijnige

ocr page 79

(37

-s-v.v ^ .■ ^..■■■.quot;/»N'' ■■quot;*'.quot;

rijen vsiu punten (DE, F(t, enz.), evenwydi^ aan eenc der zijden, t^iv. AB.

Elke dezer lijnen heeft, volgens § 82, haar zwaartepunt in het midden der lijn, zoodat hierdoor het stelsel der in de verschillende punten van den driehoek aangrijpende krachten teruggebracht kan worden tot een stelsel van „congerentequot; krachten aangrijpende in de genoemde, alle in de lijn ('O gelegen, zwaartepunten (O = het midden van Ali).

Dit laatste stelsel van evenwijdige krachten heeft weder zijne congerente (het Gewiclit van den driehoek), aangrijpende in het „middelpuntquot; dezer krachten, lt;1. i. het zwaartepunt van den driehoek, dat noodzakelijk ergens op de lijn (!0 moet gelegen zijn.

Den driehoek beschouwende als te bestaan uit zware lijnen, evenwijdig aan de zijde A( , kan op dezelldc wijze betoogd worden, dat het zwaartepunt van den driehoek ook gelegen moet zgn op de lijn AP (P - het midden van BC), zoodat liet zwaartepunt van den driehoek samenvalt met liet snijpunt Z der beide lijnen GO en AP.

I r. Wat loert de Meetkunde omtrent de verhouding tusselien ZO en CO?

Het zwaartepunt van een cirkel valt samen met zijn middelpunt.

84. Op soortgelijke wijze kan ook het zwaartepunt eener homogene driezijdige pyrainide ABOT (fig. 18) bepaald worden. Daartoe wordt de pyramide beschouwd als te bestaan uit driehoekige lagen van stoffelijke punten of zware driehoeken (ABC, DEK) evenwijdig aan een der zijvlakken, bijv. ABO. Het zwaartepunt van A ABC valt samen met het punt G van de lijn Alv (GK = J AK en K = het midden van BC); dat van A DEI1 valt samen met het punt N (NE — J DL en L = het midden van EP). De Meetkunde leert, dat Nquot;, evenals de zwaartepunten van de overige driehoeken van ABCT, gelegen is in de lijn TG.

Het zwaartepu n t der pyramide moet dus gelegen zijn in de lijn TG.

Wordt de pyramide beschouwd als te bestaan uit zware driehoeken evenwijdig aan BOT, dan wordt op dezelfde wijs beredeneerd, dat het zwaartepunt der pyramide gelegen moet zijn in de lyn AM (Mlv = | TK en K = het midden van BC). De Meetkunde leert, dat de beide lijnen TG en AM elkander snijden in het punt Z, zoodanig dat ZG = { TG.

Niet alleen voor de beschouwde driezijdige, maar voor elke pyramide, geldt de in 't voorgaande gevonden uitkomst: '■waariepunt eener pyramide is gelegen op de lijn, die hel „zwaartepuntquot;

.....

_

ocr page 80

68

der basis viel den top der pyramide vereeniyt, en wel op één vierde van die lijn, van de basis a f gerekend.

Hetzelfde geldt ook voor een kegel.

Het zwaartepunt van een homogenen cylinder valt samen met het midden van de cylinderas.

Het zwaartepunt van een homogeen parallelopipedum valt samen met het midden der verbindingslijn van de snijpunten der diagonalen in grond- en bovenvlak.

A num. Niet altijd valt hot „nwaai'topuntquot; van een licliamn met een der punten vim het

lichaam samen. Van een homogenen, overal even dikken ring valt bijv. het „zwaartepnntquot;

samen met het middelpunt van den ring.

85. De werking der zwaartekracht op een lichaam kan door de werking van eene of meer andere krachten opgeheven worden. Er is dan evenwicht. In dat geval is de congerente der tegenwerkende krachten noodzakelijk: verticaal naar boven gericht, gelijk aan het Gewicht en grijpt aan in het „zwaartepuntquot; of in een punt, dat in de verticaal van het zwaartepunt is gelegen (vgl. ij 70).

Die„tegenwerkende krachten wekt men op, wanneer men bijv. het lichaam , ondersteuntquot;.

8lt;». Een stottelijk punt, dat alleen aan den invloed der zwaartekracht onderworpen is, verkeert op een horizontaal weerstandbiedend oppervlak in den toestand van evenwicht. Het loodrecht op het ondersteuningsvlak gerichte „Gewichtquot; wordt opgeheven door eene in hetzelfde punt aangrijpende, loodrecht op hetzelfde vlak, doch naar boven, gerichte kracht: de congerente der „reactiequot;-krachten van het ondersteuningsvlak.

Beweegt zich een stoffelijk punt langs een horizontaal vlak, dan onderstelt deze beweging de werking öf eener in dit vlak gerichte kracht, of van eene ten opzichte van dit vlak schuin gerichte kracht, omdat deze vervangen gedacht kan worden door (ontbonden kan worden in) twee andere krachten, waarvan de eene in het vlak, de andere loodrecht ten opzichte van het vlak gericht is, welke laatste door de reactiekrachten van het vlak werkeloos gemaakt wordt.

87. Ook een lichaam kan in evenwicht zijn, door slechts e'en zijner punten te „ondersteunenquot; en zoodoende als het ware vast te leggen. Dit is byv. het

geval met het in fig. 1!) voorgestelde lichaam, waarvan de punt der spits toe-loopende stift het „vaste puntquot; is, het aangrijpingspunt der van het ondersteuningsvlak uitgaande weerstandbiedende „reactie'-kracht, die de zwaartekracht tegenwerkt en haar uitwerksel opheft. Dat aangrijpingspunt moet, om het evenwicht mogelijk te maken, 1° gelegen zijn in de richting van het „Gewichtquot; (m. a. w. in de verticaal van het zwaartepunt), 2° gelyk aan bot Gewicht van het lichaam, doch in tegengestelden zin gericht zijn. De werking eener kracht wordt opgeheven, wanneer zich ergens in hare richting een vast punt bevindt.

ocr page 81

no

Van een lichaam kunnen door ondersteuning ook twee of meer, in eene rechte lijn gelegen punten „vasfgelegd zijn, zoodat men nu in plaats vim een steunpunt eene steun I ij 11 of steun as heeft; bijv. wanneer het lichaam gesteund wordt door eene prismatische stift, waarvan eene der ribben tot steanlijn dient.

In het eerste geval is er evenwicht, wanneer het „zwaartepuntquot; gelegen is in de verticaal van het „vaste puntquot;; in het tweede geval, wanneer het zwaartepunt gelegen is in het verticale vlak, dat door de „vaste asquot; gaat.

HS. li ij een als boven ondersteund lichaam, dat overigens aan den invloed van geen andere kracht dan de zwaartekracht onderworpen is, kunnen zich drie verschillende gevallen van evenwicht voordoen.

l)

Fig. 20.

Het zwaartepunt kan namelijk

1° in de verticaal (verticaal vlak), die door het vaste punt (vaste as) gaat en wel

beneden het vaste punt, dus zoo laag mogelijk gelegen zijn (fig. 20): (.:/ \ 2° in de verticaal (verticaal vlak),

door het vaste punt (vaste as) gaande, en wel boven het vaste punt, dus zoo hoog mogelijk gelegen zijn (fig- 21);

3° met het vaste punt (vaste as) samenvallen (fig. 22).

Wanneer door ondersteuning in een punt of eene as één of meer der punten van een lichaam zijn „vasfgelegd, dan is wel de voortgaande beweging van het lichaam onmogelijk gemaakt: doch blijft nog eene draaiende beweging mogelijk, waarbij de overige punten van het lichaam kromlijnige banen om het vaste punt of de vaste as beschrijven.

ocr page 82

70

Wordt nu het, liehiuim een weinig uit zijn evenwichtsstand gebracht, en (iiiarna zonder snelheid aan zichzelf overgelaten, dan zal het in het eerste en tweede geval inderdaad eene beweging aannemen,

want het in S' aangrijpende ,Gewichtquot; kan nu vervangen gedacht worden door twee krachten, waarvan de eene naar het vaste punt (as) gericht is en dus wordt opgeheven, en de andere loodrecht op de vorige gericht is, d. i. raaklijn aan boog SS' in het punt S', zijnde de richting der beweging op het oogenblik, dat S' zijne draaiing begint.

In liet eerste geval zal nu het lichaam naar zijn vorigen evenwichtsstand terugkeeren en het naar boven verplaatste zwaartepunt wordt weder naar beneden terugverplaatst; in het tweede geval zal bet lichaam den evenwichtsstand van het vorige geval aannemen,

want daar het zwaartepunt zoo boog mogelijk gelegen was, heeft de verplaatsing het doen dalen, in welke daling het volharden zal, totdat het den laagst mogelijken stand heeft ingenomen.

In het derde geval zal het lichaam geene beweging aannemen en ook in zijn nieuwen stand in evenwicht blijven.

Daarom heet het evenwicht in het eerste geval vast (= stabiel); in bet tweede geval wankelbaar (= labiel); in het derde geval onverschillig

(= indijj'erent).

ILt dalen van het „zwaartepuntquot; is een kenmerk tan alle door de zwaartekracht veroorzaakte bewegingen,

8J). liet voorgaande geeft eene methode aan de hand voor de practische

bepaling van het zwaartepunt eens li-chaams. Zij bijv. te bepalen het zwaartepunt van het in lig. 23 voorgestelde plankje. Het wordt in het punt a aan een draad opgehangen. Zoodra het plankje in evenwicht hangt, bevindt zich het zwaartepunt in de verticaal (ac), waarin het op-hangpunt gelegen is. Daarna wordt het in het punt h opgehangen en zoodra het in evenAvicht is, zal het zwaartepunt weêr gelegen zijn in de verticaal (hd) van het ophangpunt. Het snijpunt van beide lijnen ac en hd is het gezochte zwaartepunt.

f \

t)0. De waarneming leert, dat lichamen van den vorm van een recht prisma (of een rechten cylinder), met hun grondvlak op een horizontaal oppervlak staande, onder den invloed der zwaartekracht steeds in evenwicht verkeeren.

Het op een horizontaal vlak QK in rust (evenwicht) staand rechthoekig paral-lelopipedum (balk) DH (fig. 24) is een voorbeeld van zulk een lichaam, waarvan verscheidene niet in eene rechte lijn gelegen punten (de punten van het grondvlak ABCD) in aanraking zijn met het horizontale vlak QE. Zij het parallelopi-pedum homogeen, dan valt het zwaartepunt 'A samen met het midden der lyn EF. liet lichaam in de richting der pijlen latende draaien, om de ribbe AB als

ocr page 83

1 ■ : • - 7^7. 11 ^ -^77—- .....................

71

,vaste asquot;, rijst liet zwaartepunt aanvankelijk en heeft, wanneer liet in Z (in het verticale vlak tier as Ali) gekomen is, zijne grootste hoogte boven ijlt bereikt. Het lichaam verkeert in dezen stand in labiel evenwicht. Wordt de draaiing in denzelfden zin nog verder voortgezet, dan daalt het zwaartepunt weder.

Wordt het lichaam zonder snelheid aan zichzelf overgelaten, vóórdat 'Ji

zoo hoog mogelijk gelegen is,

.• i'

dan doet de congerente der zwaartekracht (P) het zwaartepunt weder dalen, wat alleen mogelijk is door eeno terugkanteling in den ouden stand.

Wordt het lichaam zonder snelheid aan zichzelf overgelaten, nadat Z zoo hoog mogelijk gelegen was, terwijl het dus reeds weder aan het ily' dalen was, dan gaat het voort met dalen en het lichaam kantelt om.

In het eerste geval viel het voetpunt der verticaal aan den binnenkant, in het tweede geval aan den buitenkant van A15.

Ook AD, CD en HG kunnen als vaste assen dienst doen en voor elk van deze geldt dezelfde beschouwing.

Omkantelen doet het lichaam dus alleen dan, wanneer het voetpunt der verticaal van het zwaartepunt buiten het grondvlak A BCD valt.

De Theoretische Mechanica leert, dat het voorgaande een bijzonder geval is van de algemeene stelling;

Een lichaam kantelt om, ivanneer de verticaal van zijn „zwaartepuntquot; buiten zijn ,steunvlakquot; valt.

N.15. Onder steun vlak verstaat men in het voorgaande den grootst mogelijken veellioeli met enkel uitspringende hoeken, die door de rechtlijnige verbinding der buitenste steunpunten gevormd kan worden.

Rust bijv. eene tafel op drie pooten, die elk in een punt eindigen, dan is het „steunvl^lk',, der tafel dc driehoek, die door de verbinding der genoemde punten ontstaat.

91- Het parallelopipedum van fig. 21 had den grens-stand tusschen terug-kantelen en omkantelen bereikt, wanneer de lijn ZM (loodrecht op de as A15) den hoek ZMZ doorloopen had. Hij eene lagere ligging van het zwaartepunt Z wordt deze hoek grooter, zoodat het lichaam dan eene grootere kanteling kan ondergaan, alvorens geheel om te kantelen.

By het samenstellen van lichamen, aan welker omkantelen gevaar is verbonden, is het dus raadzaam het zwaartepunt zoo laag mogelijk te doen liggen.

ocr page 84

7-2

Dat ook bij een groot steunvlak de kanteling van een lichaam langer dan bij een klein steunvlak kan voortgezet worden, vóórdat de verticaal van het zwaartepunt buiten dit vlak valt, dus vóórdat het lichaam omkantelt, is gemakkelijk in te zien.

Wij komen spoedig hierop nader terug.

Hij sommige lichamen, die op een horizontaal vlak liggen, heeft de kanteling geen staging olquot; daling van het zwaartepunt ten gevolge. In dat geval verkeeren bijv. een homogene bol en een op zijn zijvlak liggende homogene kegel.

Ojjf/. Toon aan, dut bij kanteling van den kegel zijn zwaartepunt even hoog boven het

horizontale vlak blijft.

Zulke lichamen verkeeren dus eveneens in onverschillig (= indifferent) evenwicht.

Htaat in 't algemeen een lichaam in rust (d. i. in evenwicht) op een horizontaal vlak, dan zijn er punten van dat lichaam met punten van het ondersteu-ningsvlak (steunpunten) in aanraking. Van deze laatste gaan dus krachten uit, die in de ondersteunde punten van het lichaam aangrijpen en eene congerente hebben, die de werking der zwaartekracht op het lichaam opheft. De richting dezer congerente moet weder samenvallen met die der zwaartekracht, aan haar gelijk en in tegengestelden zin gericht zijn.

Volgens het Grondbeginsel, dat elke Actie gelegen is aan eene even groote Reaetie, moeten in het gegeven voorbeeld in de steunpunten van het ondersteunings vlak krachten aangrijpen, die van de daarmede in aanraking zijnde punten van het lichaam uitgaan, en welker verticaal naar beneden gerichte congerente eveneens aangrijpt in een punt der verticaal van het zwaartepunt en gelijk is aan het Gewicht van het lichaam. Deze congerente vormt de door het lichaam op het ondersteuningsvlak uitgeoefende „drnkking,\

Het voorgaande is een bijzonder geval van de algemeene stelling:

Alle op een ondersteund lichaam werkende krachten, welker congerente

1° binnen het steunvlak valt en

2° loodrecht op het steunvlak gericht is, worden door de reactie-krachten

van het steunvlak opgeheven.

Is aan de eerste voorwaarde niet

O'

voldaan, dan „kanteltquot; het lichaam en is aan de tweede niet voldaan, dan „glydtquot;' het langs het steunvlak; want de kracht P (vgl. fig. 25) kan ontbonden worden in eene kracht R (ZC J_ DE), die opgeheven wordt door de reactie van het steunvlak, en eene kracht Q {ZB ll DE), die het lichaam in hare richting langs het steunvlak doet glijden.

94. Zij DF (hg. 25) de gemeenschappelijke doorsnede van het vlak van het papier en een horizontaal vlak, dan is DE die van het vlak van het papier en een zoogenoemd hellend vlak. Is DE de lengte (/) dan heet EF de hoogte (h) van het -hellend vlakquot;.

ocr page 85

73

Op hei hellend vlak zij een lichaam geplaatst, welks zwaartepunt in Z ligt. i)e verticiial naar beneden gerichte kracht 1* /.ij het (rewicht van het lichaam.

1' kan vervangen gedacht worden door twee krachten:

Tl, werkende volgens ZC DE, dus opgeheven door de reactiekrachten van het steunvlak, en

werkende volgens ZB//DE, die dus het lichaam langs het hellend vlak naar beneden doet glijden.

Door toepassing van het parallelogram van krachten AOZH wordt gevonden:

P:Q:R = ZA:ZB:ZO.

Vergelijking van AA ZAB en EDF geelt:

ZA : ZB = El): EP, of P : Q = l : h.

Waaruit: P.

Om het afglijden te beletten met behulp van eenc kracht evenwijdig aan DE gericht, moet deze dus gelijk aan Q doch in tegengestelden zin gericht zijn, zoodat, indien geen andere krachten in het spel zijn, een lichaam, welks Gewicht = 1', op het hellend vlak in evenwicht gehouden wordt door eene

kracht = P.

95. Volgens ^ 87 wordt de werking van eene kracht op een lichaam opgeheven, wanneer zich een vnst jmnt van het lichaam bevindt in (Je lijn, volgens welke de kracht gericht is.

Is er een vast punt aanwezig, buiten de lijn gelegen, volgens welke de op het lichaam werkende kracht gericht is, dan wordt eene beweging van het aangrijpingspunt der kracht opgewekt, die als een begin van draaiing van het

lichaam beschouwd kan worden. welke draaiing in de in fig. 2G voorgestelde gevallen positief, in de gevallen van fig. 27 negatief zal zijn.

N.B. Positief heet de draaiing, wanneer zij geschiedt in den zin van de beweging dei-wijzers over de wijzerplaat; negatief, wanneer zij in tegengestelden zin geschiedt.

Stellen wij, dat op het punt h (fig, 28) de krachten 1' en Q werken, welker resultante wordt voorgesteld door R. Trekken wij uit een willekeurig punt a der resultante de lijnen ae (// Q) en af (,// 1'), dan stellen de lijnen bc, bf en ba, naar richting en betrekkelijke grootte, respectievelijk de krachten P, Qen B voor:

P : («ij: li: ~ bc: bf: ba. =: nf: ae: ba.

ocr page 86

74

Trekken w\j voorts uit n de lijn ac loodrecht op P en ad loodrecht op (i, dan volgt nit de figuur: A ace^ A ndf,

waaruit: af: ae — ad: ac of I': (,) = ad : ac.

Hij gevolg: 1' v oczzQ X ad.

Hel aantal kracldsccnhcdcn een er up een punt h werkende kracht F, vermeny/-

vuldigd mei het aantal lengte-écnJieden eener uit een zeker punt a op de richting der kracht getrokken loodlijn ac, geeft een gelijk product ah het aantal krachIh-cénheden eener (iji het punt b werkende kracht Q, vermenigvuldigd met het aantal lengte-éénheden der uit het punt a o]i de richting dezer kracht getrokken loodlijn ad, wanneer het punt a zich bevindt in de richting der resultante It van de krachten P en ij.

De voorgaande stelling blijft geldig ook wanneer het punt a gelegen is op het verlengde van ah, buiten den hoek chd.

Ojtf). Toon dat aan.

Ligt het punt a (tig. 20) buiten dc richting der resultante, dan zijn de twee (in de vorige stelling genoemde) producten onderling ongelijk.

Om dit te bewijzen, behoeven wij eene „Hulpstellingquot;, die wij vooraf willen afleiden:

Gesteld dat in het punt h (fig. 2!gt;) de twee krachten 1' en Q aangrijpen, die K tut resultante hebben.

Zij de kracht S = U, doch in tegengestelden zin gericht; dan heft zij de werking van H, dus eveneens de werking van 1' en Q op, zoodat de drie krachten S, 1' en Q evenwicht maken. Dan kan ook gezegd worden, dat 1' de werking van S en Q opheft. Zij voorts de kracht T = 1', doch in tegengestelden zin gericht; dan kan T beschouwd worden als de resultante van S en Q.

Het punt a ligt in dc richting der resultante T, terwijl de lijnen nc en nlt;t respectievelijk lood-l-'ig 30. recht staan op S en Q. Volgens de stelling der vorige § is nu ;

S X ac r= Q X ad.

Bij gevolg: lv X tc = Q x nel.

Met behulp van deze „Hulpstellingquot; bewijzen wij de nan het begin der ^ gegeven stelling aldus:

In het punt b grijpen de krachten P en Q aan, die do kracht li tot resultante hebben. P wordt ontbonden in

'I (lt; Q) 011 in tegengestelden zin van ij werkende, en p gericht volgens de verbindingslijn van b en het buiten de richting der resultante li gelegen punt a.

Volgens onze Hulpstelling hebben wij:

\' y ac — q y ad.........(1).

ÏMi,

ocr page 87

75

Iv is de resultante van P en Q of van /lt;, f/ en (J. Daar */ en Q in tefjen-gestelden zin gericlit zijn, kunnen zij vervanjjen worden door eene resultante Q '1) werkende in den zin van Q. II kan dan beschouwd worden als de resultante van de twee krachten p en — (/.

Passen wij op deze drie krachten opnieuw de Hulpstelling toe, dan vinden wij: I?, y ae~ (Q — q) X ad — x nd~ q X ad,

en in verband met (1):

li y ac — ii X ad - P X ac of I' x ac —f- li x ae — x ad zoodat: Q y ad gt; P x ac,

wat te bewijzen was.

De stelling geldt ook wanneer het punt a niet tusschen, maar buiten de beenen van L IV;Q ligt.

Oprj- Tuon dat aan.

97. Omgekeerd volgt uit de gelijkheid der genoemde producten, dat liet punt a in de resultante; uit de gegeven ongelijkheid der producten, dat liet punt a buiten de resultante moet liggen.

Opt]. Toon dat aan.

518. De werking van de resultante U, of, wat op hetzelfde neerkomt, de invloed der composanten P en Q kan worden opgeheven door de aanwezigheid van een „vastquot; punt, gelegen op de lijn, volgens welke li werkt. Denken wü ons dus het bovengenoemde punt a „vast'quot;, dan kan de kracht li geene beweging veroorzaken. Nu trachten de kracht P en de kracht Q, bij aanwezigheid van het „vastequot; punt a, elk voor zich, zonder medewerking der andere, aan het lichaam een begin van draaiing mede te deelen, de eerste in negatieven, de tweede iu positieven zin. De aanwezigheid van het vaste punt helt beider werking op, zoodat de krachten P en Q gezegd kunnen worden evenwicht te maken met de krachten, die door den invloed van het vaste punt of de vaste as op het lichaam werken.

Daar nu het punt «, volgens bovenstaande, op de resultante zal liggen, wanneer voldaan is aan de vergelijking 1' X ac = X ad, kunnen wij ook zeggen, dat twee krachten P en Q, die, in een zelfde punt eens lichaams aangrijpende, elke voor zich daaraan eene draaiende beweging, in onderling tegengestelden zin, zouden mededeelen, het lichaam in evenwicht houden, zoodra voldaan is aan de voorwaarde P y ac — X ad, waarin I' en (j de in krachtséénheden uitgedrukte krachten, ac en ad de iu lengte-éénheden uitgedrukte loodlijnen voorstellen, uit het vaste punt of draaipunt op de richting dier krachten neergelaten.

Grjjpen (ie krachten P en Q in twee verschillende punten van het lichaam aan, terwijl de l\jnen, volgens welke zij gericht zijn, in een plat vlak liggen, dan geldt, volgens § 72, dezelfde uitkomst.

In het geval van fig. 28, waarin op het beschouwde lichaam twee krachten, P en Q, werken, terwijl zich op de lijn der congerente li een „vastquot; punt a bevindt, om hetwelk het lichaam kan draaien, hebben wij de evenwichts-voorwaarde uitgedrukt gevonden door de vergelijking

P y ac — Q X ad.

ocr page 88

76

X P

. (1). x P.

Q

Wil de kracht (,) liet lichaam doen omkantelen, dan moet dus il

Hieruit hlijkt, dat de invloed vim elke dezer krachten P en Q, die zich in tiet beschouwde kcviiI slechts in eene draaiende beweging van het lichaam kan openbaren, afhankelijk is van twee factoren: van de grootte der kracht en van den afstand van het beschouwde vaste punt tot de lijn, volgens welke de kracht gericht is.

Wij nemen hieruit aanleiding om dezen van twee factoren athankelijken invloed als een afzonderlijk begrip in te voeren, onder den naam van moment der kracht „ten opzichte van zeker puntquot;.

Bepaling. 1° Het moment eener kracht (P) ten opzichte van een zeker punt («) wordt samengesteld evenredig gesteld met de grootte dier kracht (I1) en den afstand (nc) van het genoemde punt (n) tot de Hjn (/)P), volgens welke de kracht gericht is.

2° Eenheid van moment noemt men het moment van de éénheid van kracht ten opzichte van een punt, dat op de éénheid van lengte van de lijn, volgons welke de kracht gericht is, verwijderd is.

3° Het „moment eener kracht ten opzichte van een puntquot; heet positief, wanneer de Kracht aan haar aangrijpingspunt eene beweging tracht te geven, die een begin van „positieve draaiingquot; van het lichaam is; negatief, wanneer genoemde beweging een begin van .negatieve draaiingquot; is.

lTit het voorgaande volgt, dat de in Ofi ontwikkelde stelling ook aldus kan worden uitgedrukt:

Di algehraiftchi' .sow der ■momenten van luwe kraehlen, 1' en Q. ten opzichte van nn zelfde, in de richting hnrer eongerentc li gelegen, punt a, ix gelijk 0.

1()0. Wij komen nu terug op het in S 90 beschouwde parallelopipedum.

Zij Z (vgl. tig. 31) het zwaartepunt, Q eene daarin aangrijpende, horizontaal

gerichte kracht, P het daarin aangrijpende verticaal gerichte Gewicht van het lichaam.

[)e kracht Q tracht eene draaiing te bewerken om de as AM, in den zin van den bijgevoegden pijl; de kracht P q eene draaiing in tegengestelden zin. Onder de werking der beide krachten zal er evenwicht zijn, wanneer voldaan is aan de vergelijking;

P y MF = Q y MN (MF_LP en MN 1. Q), waaruit;

MF MN

MF

MN

ocr page 89

77

Wordt KZ (= MN) door verlaffinir van het zwaartepunt/ kleiner, dan wordt MF

arooter, en daarmede wordt in ver eel. (I) ook grooter.

MN '

Hoe. layer hel zwaartepunt lif/t, /loc yrooter de kracht moet zijn om hel lichaam te doen omkantelen.

Wordt MF grooter, door aan het lichaam een grooter stennvlak te gsven,

MF

dan wordt ook grooter, en daarmede wordt in verg. (!) ook weder Q grooter.

Hoe grooter hel stennvlak van hel lichaam is, hoe grooter de kracht Q moet zijn om het te, doen omkantelen.

Naarmate nu de kracht Q grooter moet zijn om het lichaam te doen omkantelen, wordt het lichaam gezegd vaster te slaan, of m. a. w. eene (jrootere ■t t a h i l i t e i t te hezitten.

Ken lichaam staal des te raster (hezit eene des te grootere slahili teil), naarmate zijn ^zwaartepuntquot; lager ligt en zijn „sleunvlakquot; grooter is.

Ojjfiaveii. 1. Hoeveel knichtséenlieden is de kracht lv groot, die evenwielit maakt met twee evenwijdig en in dcnzelfden zin gerichte krachten 1' en Q, welker respectieve aangrij-pingspnnton A en B 28 cM. van elkaar verwijderd zijn, wanneer P= 15 on = 20 eenheden /an kracht? Hoe ver ligt het aangrijpingspunt van K van dat van P?

2. Hoe groot is de kracht U, die evenwicht maakt met twee evenwijdig en in tegengestelden zin gerichte krachten 1' en Q, welker respectieve aangrijpingspunten A en li 20 cM. van olkaar verwijderd zijn, wanneer V = i8 en Q — 27 krachtse'enheden? Hoe ver ligt het aangrijpingspunt van U ((') van 15?

.*{. Construeer het zwaartepunt van den omtrek eens driehoeks, welks zijden zich verhouden als 2:3:4.

4. Aan de uiteinden van een stok van 2 KG. hangen twee lichamen, respectievelijk van 8 KG. en 10 KG. Indien de stok 18 dM. lang en overal even dik is, waar moet hij dan door den schouder ondersteund worden om in evenwicht te zijn?

5. Waar ligt het zwaartepunt van een homogenen halven cirkel?

6. Ken lichaam van 1000 eenheden van massa ligt op een plat vlak, dat met een horizontaal vlak een hoek van 30' maakt. Hoe groot moet de evenwijdig aan de helling gerichte kracht zijn, die belet, dat het lichaam naar beneden glijdt? ƒ/ = 1)80.

N. H. Helling en lichaam worden volkomen glad ondersteld en ook alle overige weerstanden verwaarloosd.

7. Op een hellend vlak, welks hoogst gelegen uiteinde 30 lengte-eenheden boven den grond ligt, en dat 50 lengte-eenheden lang is, ligt een lichaam van 100 eenheden van massa. Hoe groot moet de evenwijdig aan de helling van het vlak gerichte kracht zijn, om met de zwaartekracht evenwicht te maken. Hoe groot is de drukking, die het lichaam op het vlak uitoefent ?

8. Een hellend vlak, dat 21,6 M. lang is, maakt een hoek van 30° met een horizontaal vlak. Onder den invloed der zwaartekracht glijdt een lichaam in 3 sec. van het hoogst gelegen naar het laagst gelegen punt van dit Vlak. Hoeveel bedraagt zijne versnelling? Welke is in dit geval de waarde van // ?

9. Een kubus wordt op een hellend vlak geplaatst met de laagst gelegen ribbe loodrecht op de richting van de helling. Wanneer nu het afglijden verhinderd wordt, welke is dan de grootste helling, die men aan het hellend vlak kan geven, zonder dat de kubus omkantelt?

ocr page 90

78

„De beste methode is het hooicl en de ervaring des onderwijzers.^

Alvorens verder te gaan, een enkel woord over de omzetting van het in dit boek voorgedragen stukje wetenschap in leerstof voor de school.

De begeerte naar schoolonderwijs in kennis der natnnr is van oudere dagteekening dan van heden of gisteren, Comenius1), de verdienstelijke opvoedkundige en onderwijskundige, wiens

geschriften nog heden ten dage met vrucht door den onderwijzer gelezen worden, drong reeds sterk aan op natuurkundig onderwijs, ook aan jonge kinderen. Dat zijne roepstem zoo lang onverhoord is gebleven, is een gevolg van onkunde; doch óók en vooral van dat taaie, trage, uit zeer erschillende beweegredenen voortspruitende, en dikwerf tot fanatisme overslaande, vasthouden aan den ouden sleur, waarmede de grootste mannen te kampen hebben gehad bij de verspreiding van de meest tastbare, doch nieuwe, waarheden.

Misschien is er nog iets, dat de invoering van natuurkundig onderwijs lang heeft tegengehouden. het is namelijk, dat het veel ver^t van en in den onderwijzer. Wil deze zijn eenvoudig natuurkundig onderwijs met vrucht geven en zijne eenvoudige leerstof goed behcerschen, dan behoort zijne kennis, meer dan in de meeste andere vakken van onderwijs, ver boven die eenvoudige leerstof te staan. Om bij de leerlingen heldere voorstellingen te kunnen wekken, moet de onderwijzer in het bezit zijn van duidelijke, bepaalde, voorstellingen (vgl. blz. 7), wat hij slechts kan bereiken door zijne stof tot op zekere hoogte wetenschappelijk te verwerken.

liet, niet eens zeldzame, verwijt, als zou wetenschappelijkheid, dat is het bezit van degelijke, goed geordende kennis, het geven van een elementair, eenvoudig onderwijs in den weg staan, is eene zoo evidente ongerijmdheid, dat het met een beleefd stilzwijgen kan worden beantwoord. Schrijver is bij het opstellen dezer Handleiding van het tegengestelde beginsel uitgegaan. Ik weet, dat velen mijne in de voorgaande §§ gevolgde wijze van behandeling het tegendeel van gemakkelijk zullen vinden; doch ik weet óók, dat geen gezonde natuurkennis bestaanbaar is zonder een juist inzicht in de voornaamste waarheden der Mechanica. Zij is de hoeksteen van het geheele gebouw der natuurwetenschap; terwijl de geestes-gymnastiek , die aan hare beoefening verbonden is, het denkvermogen staalt en den blik verruimt.

Uw onderwijs in de school moet echter aansluiten aan de in het kind aanwezige begrippen en voorstellingen; dat onderwijs moet in de eerste plaats aanschouwelijk en daardoor bevattelijk zijn.

„Uw onderwijs zij aan schouw el ijk'quot;. Dat predikte ook Comenius. En behartigenswaard is, wat hij er aan toevoegt; „Men oefene eerst de zinnen, dan het geheugen, daarna liet verstand. Voorts leere men niet alleen begrijpen, maar ook wat begrepen is in woorden uit te spreken.,,

Stof, Huimte en Tijd zijn in het voorgaande voorgesteld als de drie Grondbegrippen van alle natuurkennis. De kiemen dezer noodzakelijke Grondbegrippen zijn reeds vroegtijdig in den geest van het kind ontwikkeld. Het kind weet immers concrete „voorwerpeirquot;' te onderscheiden. Het onderscheidt ook verschil van „afmetingquot;, waarvan het duidelijk blijk geeft, door, reeds vroeg, het grootste stuk van iets dat hem aanstaat, zichzelf toe te eigenen. Voorts heeft het kind ook begrip van „tijdsverloopquot;quot;, in zoover het den kortoren of langeren duur van het een of ander met de maat van zijn geduld of ongeduld afmeet.

Door zijn eigen bewegingsvermogen, gevoegd bij de aanschouwing van hetgeen rondom hem gebeurt, zijn voorts de begrippen van „stilstaanquot; en niet-stilstaan, van „plaatsquot;1'' en „verandering van plaatsquot;quot;, reeds vroegtijdig ontwikkeld.

De begrippen „snelheid'quot; en „richtingquot;quot; volgen spoedig. Het kind zal IT zeggen, dat van twee voorwerpen het eene dezen, het andere „dien kant uitgingquot;quot;: dat het eene „gauwquot;quot; of „hardquot;quot;, het andere „zachtjesquot;quot; of „langzaam'quot; ging.

Zelfs van de begrippen „versnelling'quot; en „vertragingquot;'quot;' zijn de kiemen reeds vroegtijdig voor-

1

Geb. 1502 te Ivomnn bij Briinn; gest. 1071 te Amsterdam.

ocr page 91

79

handen. Het kind weet 11 mede te deelen, dat zijn tol eerst „hardquot;, dan langzamer en langzamer gaat en eindelijk met draaien ophoudt.

De telkens terugkeerende vraag „Waarom van het kind en „Hoe komt dit of dat?quot; wijst op het bestaan van een begrip van oorzakelijkheid, zij liet ook in hoogst naieven vorm. Langzamerhand raakt ook het kind zich bewust, dat het gebeuren van het een of ander afhankelijk is van een samengaan met bepaalde omstandigheden. Al hoort men uit den mond van den knaap ook de verzekering, dat een door hem aangericht onheil „vanzelf zoo gekomen isquot;, in zijn binnenste vindt hij het eene „vanzelfquot; sprekende zaak, dat een kopje niet „vanzelfquot; breekt.

Lichaamsoefening, van welken aard ook, bewust of onbewust, wekt bij het kind het bewustzijn op van „krachtquot;, en spelende en stoeiende leert het in de uitwerkselen van een duw of een stoot een maatstaf kennen, waarnaar hij zijne meerdere of mindere „sterktequot; ot' „krachtquot; beoordeelt.

Het kind brengt dus bij zijne komst op school een zeker budget mede; en het is voor lr van groot belang, TT met den inhoud van dat budget vertrouwd te maken.

Het kind heeft zijne eigen terminologie. „Snelheidquot; en „bewegingquot; zijn voor velen onbekende woorden; iets „gaatquot; „hardquot; of „gauw11 of met „va^rtquot;. De onderwijzer gebruike bij zijn spreken diezelfde kinderlijke uitdrukkingen en gewenne de leerlingen langzamerhand aan het bezigen van andere termen naast die, welke tot dusver zijn eigendom waren.

En wat het naar zijn aard afgetrokken begrip „krachtquot; betreft, de onderwijzer verpersoonlijke slechts dit begrip en stelle er een persoon met spierkracht voor in de plaats.

Dit alles zijn algemeene opmerkingen.

De groote vraag is echter, hoe de leerstof te verdeelen en op welke wijze haar tc behandelen. Er zullen ook hier vele wegen zijn, die naar Rome leiden, en „Eines schickt sich nicht für Allequot;. „De beste methode is het hoofd en de ervaring des onderwijzers.quot; Als leerstof mogen de volgende onderwerpen ter bespreking worden aanbevolen.

Werking der zwaartekracht: Het vallen van verschillende voorwerpen, als een muntstuk en een stukje papier. Een stukje papier valt met den kant of met het plat naar beneden gekeerd. Een stukje papier wordt hoven op een muntstuk gelegd en het laatste in horizontalen stand losgelaten, zoo dat n u beide voorwerpen te ge 1 ij k den grond bereiken. Vallende regendruppels en s n ee u w-vlokken. Houten rollen onder aan de schoo 1 kaarten orn de kaart tc spannen. Schietlood en waterpas, liet stro om en van water naar beneden.

N.Ii. De begrippen verticaal en horizontaal — ook zoo noodig, zelfs bij elementair teekenonderwijs — kunnen reeds vroeg ontwikkeld worden en mogen om de veelvuldige toepassing ook gerust bij hun naam genoemd worden.

Evenwicht onder de werkinrj der zwaartekracht: Balance eren van een stok op den vinger. Een liniaal aan een spijker. Eene flesch op zijn bodem en het onderste boven geplaatst. Voetstuk ken van lampen. Eene trapleer. De stand van den mensch en van de viervoetige dieren. Stelten loop en. Waggelende gang van ganzen en eenden. Pyramid en van Egypte. Eene tafel op drie en op vier poo-ten. Een hoog geladen wagen. Een wagen met ver van eens taande wielen.

N.H. Wil men hierbij met name van het zwaartepunt spreken, dan vermijde men zorgvuldig elke poging, om eene eenigszins wetenschappelijke definitie te geven; men houde zich zuiver aan eene aan de praktijk ontleende omschrijving.

Parallelogram van krachten, waarvan de naam gerustelijk achterwege kan blijven, doch waarvan de volgende toepassingen kunnen besproken worden:

T w e e personen a a n e e n z e I I'd e v o o r w e r p t r e k k e n d e o f d u w e n d e, e v (; n „h a r dquot; of de een „harderquot; dun de ander. Het schuin neder vallen der regendruppels bij wind. Een wagen op rails gaat langzamer vooruit, naarmate er in schuinere richting aan getrokken wordt. De wind in de zeilen van een schip en tegen een vlieger.

Beqinsel der Traagheid: Een hardrijder op schaatsen rijdt nog een eind zijn

ocr page 92

80

doel voorbij. Een trein in volle vaart kan niet plotseling stoppen. Water vloeit over den rand der kom, als deze plotseling op zijde wordt getrokken. Met seh nd den van appels van den boom. liet spatten van inkt nit de pen. Het springen uit een wagen onder het rijden.

101. Elk lichaam, dat, onder den invloed der zwaartekracht, om eene horizontale as kan draaien, heet een slim/er.

Een koperen kogeltje, opgehangen aan een zeer lichten, huigzamen draad, welks boveneinde onbeweeglijk bevestigd is, vormt een zeer eenvoudig voorbeeld van een slinger (draadslinger).

Ligt het zwaartepunt in de verticaal, die door liet „ophangpnntquot; ƒ gaat (vgl. fig. 32), dan verkeert onze slinger in den toestand van stabiel evenwicht. Uit dezen even wichtsstand, fc, gebracht, en daarna zonder snelheid aan zichzelven overgelaten, stelt het kogeltje zich in beweging en tracht zjjn eersten stand te hernemen. De proel leert intusschen, dat het kogeltje, van a in r teruggekomen, hier niet tot stilstand komt, maar zijne beweging voortzet, om, na tot h gestegen te /\jn, opnieuw terug te vallen, daarna nogmaals te stijgen tot in of nabij a, enz. Ware er geen tegenstandbiedende lucht, noch eenige andere weerstand-luedende kracht werkzaam, dan zou deze heen- en weergaande beweging,

eenmaal onder den invloed der zwaartekracht begonnen, geen einde nemen. In de werkelijkheid is er echter altijd eene, zij 't ook kleine, weerstand-biedende kracht werkzaam, ten gevolge waarvan de doorloopen wegen gaandeweg kleiner worden en het kogeltje eindelyk in zijn eersten evenwichtsstand fc tot rust komt.

Bepaling. 1° De overgang van den eenen uitersten stand («) in den anderen (h), 'tzy heen-of' weergang, heet eene slingering. 2° Het tijdsverloop, waarin eene slingering volbracht wordt, heet de slin-gertijd.

3° De lyn, die het zwaartepunt met het ophangpunt verbindt (of de loodlijn uit het zwaartepunt op de „asquot; van draaiing), doorloopt gedurende elke slingering een hoek, die den naam van amplitude der slingering of slingerwijdte draagt.

102. Wü laten onzen slinger slingeren, door hem een weinig uit zijn evenwichtsstand te brengen en daarna zonder snelheid aan zichzelven over te laten. Daarbij zorgen wij slechts, dat de „slingerwijdtequot; binnen een zeker klein bedrag, bijv. 3 beperkt blijft.

Met behulp van een uurwerk wordt nu bepaald, hoeveel „slingeringenquot; in een zeker tijdsverloop, bijv. van 1 minuut, plaats hebben. Aan lief einde daarvan zal de „slingerwijdtequot; zijn afgenomen en men bepaalt nu nog eens, hoeveel

ocr page 93

81

slingeringen van deze kleinere en nog steeds kleiner wordende „slingerwijdtequot; in 1 minuut plaats hebben. Hoe vaak men de proef ook herhaalt, eene vergelijking van de beide verkregen waarden geeft als benaderde uitkomst, dat aan een gelijk tijdsverloop altijd een gelijk aantal slingeringen beantwoordt, zoodat de amplitude of sliugerwijdte hierop van geen invloed is.

EERSTE SLINGKliWKT.

Zoo lang de „slingerwijdtequot; heneden een zeker klein bedrag hlijfl, is de „«linger tijdquot;, onder overigens gelijke o m s I a n d i. g hilt;l t; n, vnn hare grootte onafhankelijk.

IO:{. Vervangt men het kleine koperen kogeltje door een van eene andere zelfstandigheid, bijv. lood, ijzer, ivoor, terwijl de lengte van den draad onveranderd blijft, dan zal men waarnemen, dat de slingertijd voor al deze slingers gelijk is.

Hetzelfde geldt van alle slingers van eiken wil leken rigen vorm, mits zij slechts meetkundig gelijk en gelijkvormig zijn.

TWEEDE SLINGERWIT.

De slingeringen ran homogene slingers, die meetkundig gelijk en gelijkvormig zijn, doch uit verschillende hestanddeelen beslaan, bezitten, onder overigens gelijke omstandigheden, gelijken nHuif e r t ij d.

104. De voorgaande door proefneming gevonden slingerwetten, die op eiken slinger van toepassing zijn, kunnen ook wiskundig worden afgeleid uit de beginselen, die wij aan de leer der krachten ten grondslag hebben gelegd, lüj deze wiskundige oplossing van het vraagstuk gaat men, van het eenvoudige tot het meer samengestelde opklimmende, als eenvoudigst geval van een draadslinger uit, welks kogeltje uit een enkel stofdeel bestaat, waarop de zwaartekracht werkt, terwijl de invloed dezer laatste op de deelen van den draad verwaarloosd wordt.

Men stelt zich dus een denkbeeldigen slinger voor, die in de Natuurkunde inderdaad den naam van idealen (ook van ma thema tischen en van enkelvoudigen) slinger draagt, van welks deelen slechts het onderste stoffelijke punt den invloed der zwaartekracht ondervindt; een slinger dus, bestaande uit één enkel stoffelijk deel, waarop de zwaartekracht werkt, hangende aan een volkomen buigzamen, onrekbaren draad zonder gewicht.

Elke andere slinger, die in de werkelijkheid gebruikt wordt, heet een phy-sische of samengestelde slinger.

Hepalino. Bij een enkelvoudigen slinger verstaat men onder slingerlengte den afstand tusschen het ,zwarequot; stoffelijke punt en het ophangpuni (of de ophang-as).

Van zulk een denkbeeldigen slinger is volgens de wiskundige afleiding de slingertijd, voor alle kleine amplituden, slechts van twee factoren afhankelijk, namelijk van de slingerlengte en van de versnellhig onder dm invloed der zwaartekracht, volgens de vergelijking;

l

salveuda c.n i.e uov, Natuurkennis, II. 2de druk. 6

ocr page 94

82

waarin I den slingertyd voorstelt, tt de bekende verhouding tusschen omtrek en middellijn eens cirkels, l de slingerlengte en (j de versnelling, die het stoftelijk punt zou verkregen, wanneer het op de plaats, waar het slingert, vrij viel.

De afleiding zelve dezer vergelijking laten wy hier achterwege.

105. De slinger, die in een uurwerk dienst doet, is eeu samengestelde slinger. Wiinneer de zwaartekracht slechts op één enkel van zijne stoffelijke punten werkte, byv. op een punt met het midden der staaf samenvallende, dan zou zijn slingertyd, volgens de vergelijking van § 104, bepaald zijn, door den afstand van dit punt tot het ophangpunt. Werkte echter de zwaartekracht enkel en alleen op een hooger gelegen punt, dan zou, door de vermindering der „lengtequot;(/), de slingertijd kleiner, en werkte zij eenig en alleen op een lager gelegen punt, dan zou de slingertijd grooter zijn. Nu werkt echter de zwaartekracht op alle drie punten te gelijk, terwijl geen van deze de andere kan voorbijsnellen of er bij kan achterblijven, en het gevolg zal zijn, dat de beweging van het eerstgenoemde punt door het hooger gelegene versneld en door het lager gelegene vertraagd zal worden. In 't algemeen: de beweging van elk punt van een samen-gestelden slinger wordt versneld door de aanwezigheid der hooger gelegen punten en vertraagd door de aanwezigheid der lager gelegen punten. Het is dus begrijpelijk, dat er onder de vele boven en onder elkaar gelegen stoffelijke punten van een samengestelden slinger altijd één bepaald punt zal zijn, dat door de bovengelegen punten evenveel versneld als het door de ondergelegen punten vertraagd wordt, en waarvan dus de beweging zoodanig is, als ware het, los van alle overige punten, door een draad zonder gewicht met het ophangpunt verhonden. De afstand van dit punt tot het ophangpunt is dus de lengte van den enkelvoudigen slinger, die zijne slingeringen in denzelfden tijd volbrengt als de beschouwde samengestelde slinger.

Het bovenbedoelde punt van den samengestelden slinger draagt den naam van middel-punt van slingering of' slingerpunl.

Eene as, door het „slingerpuntquot; gaande en evenwijdig aan de ophangas, draagt den naam van slingeras.

Het „slingerpuntquot; van een samengestelden slinger heeft eene merkwaardige eigenschap. Draait men den slinger het onderste boven, hem ophangende aan de slingeras, dan wordt het ophangpunt (ophangas) van zoo even „slingerpuntquot; (slingeras), m. a. w, de „slingertijdquot; is in den nieuwen stand onveranderd gebleven.

Een voor dit doel ingerichte slinger heet reversie-slinger (reversie — omkeering).

Verstaat men nu onder „lengte van den samengestelden slingerquot; den afstand tusschen „ophangquot;- en „slingerpuntquot; (d. i. de lengte van den enkelvoudigen slinger met gelijken slingertijd), dan geldt de voor den enkelvoudigen slinger

gevonden vergelijking ook voor den samengestelden.

DERDE SLINOERWKT.

De „slingertijdquot; is evenredig aan den vierkantswortel uit de „s liny er leng t e'\

VIERDE SIiINÖERWET.

De slingertijd is omgekeerd, evenredig aan den vierkantswortel

ocr page 95

B3

uit de door de zwaartekracht veroorzaakte versnelling op de plaats van waarneming.

urn. Nu men eenmaal van de geldigheid der „slingerformulequot; /, — ti K '

verzekerd is, kan zij omgekeerd dienst doen om, met, belmlp van een slinger, de waarde van g te bepalen.

Lost men nl. 7 uit de gegeven vergelijking op, dan vindt men:

7t2 l

Langs dezen weg is voor g gevonden,

te Amsterdam 981,2 te Parijs 980,9.

107. Volgens het Newton'sche Grondbeginsel der „algemeene aantrekkingquot; (1)1/.. 157) is de wederkeerig uitgeoefende „aantrekkingskrachtquot;, tusschen de Aarde en een voorwerp er buiten, samengesteld evenredig aan beider massa's en omgekeerd evenredig aan de tweede macht van den afstand tusschen dat voorwerp en het middelpunt der Aarde.

De door de Aarde op een slingerend punt uitgeoefende „aantrekkingskrachtquot; moet dienvolgens van de pool naar den evenaar afnemen; daar, wegens de afplatting der Aarde, plaatsen in de nabijheid der pool dichterbij het middelpunt gelegen zijn dan plaatsen aan den evenaar. Dienovereenkomstig zou de „slinger-tijdquot; van denzelfden slinger van de pool naar den evenaar moeten toenemen. Inderdaad hebben de slingerwaarnemingen geleerd, dat dit het geval is.

Toch stemt de door middel va7i den slinger waargenomen verandering van g niet overeen met de berekende, welke, zonder meer, de Newtmische hypothese op grond van de verandering in den middelpuntsafstand doet verwachten; en het verschil is te groot, dan dat men het aan de onnauwkeurigheid der waarnemingen zou kunnen toeschreven.

De reden hiervan is, dat de waargenomen en de berekende versnelling teu opzichte van verschillende punten van vergelijking, m. a. w. van eene verschillende „omgevingquot;, gelden: de waargenomen versnelling ten opzichte vim de punten der aardoppervlakte; de berekende ten opzichte van het middelpunt der Aarde en de vaste sterren. Had nu slechts de door de aardoppervlakte gevormde omgeving geen beweging ten opzichte van die andere omgeving, dan kwam de zaak op hetzelfde neêr; terwijl nü de uitkomst der waarneming en die der berekening, om onderling vergelijkbaar te zijn, vooraf tot eene zelfde omgeving herleid moeten worden. Zoodra men dit doet, wordt de overeenstemming tusschen waarneming en berekening volkomen.

Opg. Herlees de Aanmerking bij § 57, bi/-. 35.

108. Onder de belangrijke vraagstukken der Mechanica behoort het volgende:

Ten opzichte van eene zekere „omgevingquot; A werkt eene kracht op een punt, dal deel uitmaakt van eene tweede „omgeving'''' li.

De „omgevingquot; li bezit ten opzichte van de „omgevingquot; A eene eenparige, draaiende beweging om zekere as.

Wordt gevraagd: Welke kracht werkt ten opzichte van d( „omgevingquot; li op het gegeven punt ?

fi*

ocr page 96

84

De oplossing van ilit vraagstuk die wij hier achterwege laten leidt tot de volgende uitkomst:

Voeg b\j de gegeven kracht eene op hetzelfde punt werkende tweede kracht, die volgens de loodlijn uit dit punt op de omwentelingsas en van deze naar liet punt toe gericht is, en die gelijk is aan éénheden, waarin m, v en r

respectieveUjk voorstellen het aantal éénheden der massa en der snelheid van

het gegeven punt en van zvjn afstand tot de omwentelingsas; —alles beschouwd

ten opzichte van de .omgevingquot; B.

Terwijl het aldus geoorloofd is, zich de zaken zóó voor te stellen, alsof er

twee krachten op het punt werkten, vergete men niet, dat de ingevoerde kracht 2

van vquot;, éénheden niet werkelijk bestaat en slechts een hulpmiddel, eene soort

r

van kunstgreep is, om de uitkomst der herleiding van de eene omgeving tot de andere op eenvoudige wyze voor te stellen.

Bkpamno. Met is aan de in het voorgaande genoemde denkbeeldige kracht

van m' éénheden, dat men den naam van „middelpuntvlie-

r

den dequot; kracht geeft.

109. De „omgevingquot; A der vorige S worde gevormd door het middelpunt der Aarde en de vaste sterren; de „omgevingquot; B door de punten der aardoppervlakte.

Op een punt aan de oppervlakte der Aarde werke, ten opzichte van A, de door de Aarde uitgeoefende aantrekkingskracht, die eene „versnellingquot; veroorzaakt gelijk aan G.

Het beschouwde punt deelt in de beweging van B ten opzichte van A en doorloopt met eene eenparige beweging, in een tijdsverloop van 24 uren, een cirkel.

Welke zal nu de versnelling (;/) zyn, veroorzaakt door de kracht, die op het beschouwde punt werkt ten opzichte van B?

Bevindt zich het punt aan den Evenaar — vgl. fig. —, dan vindt men volgens S 108, indien m /ijne massa, v zijne snelheid ten opzichte van h en r y- den straal der Aarde voorstelt:

__r, mv* . m

mg — mAj —

r

want de middelpuntvliedende kracht (KA) is volgens dezelfde lijn doch in tegengestelden zin gericht als de aantrekkingskracht (KM), j 'A'\) de omwentelingsduur gelijk aan l

éénheden, dan is de snelheid

2nr ..

v ~ , waaruit:

L

_47rJr

?• ~ ï' '

Deze waarde in (I) overbrengende:

4 T:'lmr ï1

47:i/'

t1

grootte der kracht voorstelt, werkende op de éénheid van massa.

waaruit:

waarin het eerste lid tevens de

mg — ///(J

ocr page 97

Do door (j voorgestelde „versnellingquot; is die, welke wij in de voorgaande §§ beschouwd hebben als liet resultaat der zioaartckracht.

Do (in lig. -33) op het punt 0 werkende zwaartekracht (CD) is dus de resultante

van de aantrekkingskracht (CM) en de middelpuntvliedende kracht (Cl'1).

47r2r

De versnelling ^ der middelpuntvliedende kracht kan berekend worden, wanneer bekend is;

2rtr — 4000.000.000 cM. (omtrek der Aarde);

lt; — 24 X 60 X 60 secunden sterretijd — 8G164 secunden middelbare tyd.

, 47: V 2 Ti. 4000.000.000

Wy hebben dan (1 = =3,368.

Aan den evenaar werken de „aantrekkingskrachtquot; en de „middeipuntviieilonde krachtquot; volgens dezelfde richting en in tegengestelden zin en dus wordt '! op 0° breedte met dit volle bedrag verminderd:

(7n = 6 — 3,368.

Do waarneming leert, dat gn — 978,07, zoodat, daar 3,368=: i x 1)78,07 is,

de middelpuntvliedende kracht aan den evenaar ' , = .i, van do zwaartekracht,

289 17*

ilus ook zeer ten naaste bij van do aantrekkingskracht is. Hieruit kan men het gevolg trekken, dat, indien de aswenteling der Aarde 17 maal zoo snel geschiedde, de zwaartekracht aan den evenaar ongeveer gelijk 0 zon zijn.

Aan de pool is de middelpuntvliedende kracht = 0, en bij gevolg (j — G.

V r. Waarom?

Op andere breedtegraden is de waarde van g grooter, naarmate de plaats van waarnoming op hoogeren breedtegraad ligt.

Daar tie „zwaartekrachtquot; de resultante is van de „aantrekkingskrachtquot; en de , middelpuntvliodende krachtquot;, gaat tusschen den evenaar en de polen de lijn volgons welke zij gericht is (d. i, do verticaal eener plaats) niet door het middelpunt der aarde, daar op al deze plaatsen de middelpuntvliedende en de aantrekkingskracht niet volgens dezelfde lijn gericht z\jn. De hoek, dien do verticaal maakt met de lijn

naar het middelpunt der aarde bedraagt op 45° breedte 11' 46'.

/ij in lig. 34 s op 45° breedte gelegen, SM' de verticaal der plaats,M het middelpunt der Antde, dun is i MsM'(5)= ll'-Hiquot;.

Daar de verticaal (.sM') loodrecht gericht is op de oppervlakte eener stilstaande vloeistof, kan do vorm dor wentelende aarde ook geen zuivere bolvorm zijn, zooals mogelijk ware indien de aarde stilstond. Wel is niet de geheele Aarde eeno vloeibare massa; maar vooreerst is het de vraag of er niet oen tijd geweest is, dat zij in vloeibaren toestand verkeerde, en ten andere is ook een vast lichaam niet volstrekt onvervormbaar te noemen. Zoo kan dus do Aarde, juist ten gevolge van hare aswenteling, hare van den bolvorm aiwij-kende gedaante hebben verkregen, waarbij zij dan noodzakelijk van pool tot pool eon weinig moest worden afgeplat. Ook deze afplatting (in ligunr 'M duidelijkheidshalve

ocr page 98

80

ecliter de

Nu

is

zeer uvoidreven voorgesteld) doet de waarde van G en daarmede die van ;/, van den evenaar naar de pool eene kleine vermimieriiig ondergaan.

110. Zooals U reeds bekend is, heeft Huj/gens den slinger toegepast op de uurwerken,

In vele uurwerken wordt het raderwerk in beweging gebracht door een vallend lichaam, het ..gewichtquot; namelijk, dat aan eene, om eene horizontale as gewonden, snaar of ketting hangt. Door de valbeweging van het „gewichtquot; wordt de genoemde as rondgedraaid, en daardoor het geheele raderwerk in beweging gebracht.

beweging van een vallend voorwerp eene , versneldequot; beweging en by gevolg zou ook liet geheele raderwerk gaandeweg sneller gaan loopen, indien zijn gang niet geregeld werd door de beweging van het gewicht telkens af te breken, zoodat het zijne valbeweging ook telkens weer van voren af aan moet beginnen. Deze regeling wordt door den slinger bewerkt.

liet rad R (vgl. tig. :55), nchakelrnd geheeten, is bevestigd aan de horizontale as, die door het vallende gewicht in de richting van den pijl wordt rondgedraaid, liet ^gewichtquot; zelf is, eenvoudigheidshalve, weggelaten. Hoven het schakelrad bevindt zich een zoogenoemd nnker, vin, heen en weer draaiende om de as o, waaraan ook de vork AH is bevestigd, die zich met den slinger mede heen en weer moet bewegen.

Beweegt zich nu de slinger, bijv. naar links, dan deelt het anker in die beweging, en de „bekquot; of „palquot; n grijpt een tand van het schakelrad, zoodat zijne beweging wordt opgehouden en dus ook de valbeweging van het gewicht gestuit wordt. De slinger beweegt zich echter weer naar rechts, waardoor de tand wordt losgelaten, liet gewicht hervat nu zijne valbeweging en het rad draait, doch om een oogenblik later door den pal m van het anker opnieuw in zijne beweging gestuit te worden.

Zoo gaat het heen en weer, en alles is zoo ingericht, dat bij iederen heen- en weergang van den slinger slechts één tand van het schakelrad verplaatst wordt. Heeft het rad 30 tanden, dan zal een aan de as van het rad bevestigde wijzer in 60 slingeringen een geheelen cirkelomtrek doorloopen.

Daar de shngertijd voor alle slingeringen gelijk is, moet de verplaatsing dei-tanden regelmatig geschieden, zoodat de beweging van den slinger inderdaad den gang van het uurwerk regelt.

Ten gevolge van verschillende weerstanden zou de slinger na korter of langer tyd tot rust komen, indien niet de tand, telkens wanneer hy voorbij den schuinen kant van den ankerpal glijdt, hieraan een klein stootje gaf, waardoor de vorige snelheid hersteld wordt.

ocr page 99

87

Eene inrichting, als hierboven beschreven is, dnuigt den naam van échappement.

111. De leer der krachten vindt eene belangrijke toepassing in de werktuigen.

Tot de eenvoudigste werktuigen behoort de hefboom.

Een hefboom is elke staaf, die om een vast punt (vaste as) kan draaien. Hij het gebruik van den hefboom wordt eene beweging van het eene lichaam, door zyne tusschenkomst, op een ander lichaam overgebracht.

Gewoonlijk werken dus by het gebruik van den hefboom, behalve zyn Gewicht en de door het steunpunt (steunas) uitgeoefende tegendrukking, nog twee andere krachten op dit lichaam, waarvan de eene dient, om aan het werktuig, en zoodoende aan een ander lichaam, de verlangde beweging mede te deelen; terwijl de andere kracht deze beweging tegenwerkt. Aan de eerste geeft men den naam van Mctchl, aan de laatste dien van Last.

Mnchipunt, zoo heet het aangrijpingspunt van de „machtquot;; Inslpvnl dat van den „lastquot;; steunpunt (steunns) het vaste punt, waarom de hefboom kan draaien.

Wy willen hier alleen onderzoeken, aan welke voorwaarde moet voldaan zijn, willen „Machtquot; en „Lastquot; den hefboom in evenwicht houden. Daarbij onder-Fig. 36, stellen wij, dat de hefboom aan geen buiging

A, onderhevig is, en wij laten het Gewicht van

den hefboom buiten rekening.

Indien de lijnen, volgens welke Macht en Last gericht zijn, in een zelfde plat vlak gelegen zijn, dan moet (vgl. lig. :!6) voor het bestaan van het evenwicht, volgens §98, voldaan zijn aan de vergelijking M X si =: L X sa,

waaruit onmiddellijk volgt:

M : L = sa : sh.

Wij willen in 't vervolg de loodlijnen *h en sa respectievelijk tie „hefbooms-armenquot; van de Macht en van den Last noemen.

De hefboom is onder de gestelde voorwaarden dus in evenwicht:

wanneer Macht en Last omgekeerd evenredig zijn aan de „armenquot;' waaraan zij werken.

11«. Een werktuig van zeer uitgestrekt gebruik, waarin de hefboom eeue toepassing vindt, is de balans (vgl. fig. :57).

De hefboom draagt in het geval van de balans den naam van juk.

Het juk kan draaien om eene horizontale as.

De aangrijpingspunten van Macht en Last zijn hier de ophangpunten lt;/ en b der schalen; zij liggen met het punt c der horizontale as in eene rechte lijn en wel zoodanig dat ac = bc.

Voorts is het juk zoo gemaakt, dat de verbindingslijn der ophangpunten ab horizontaal gericht is, wanneer het juk, onder den invloed der zwaartekracht aan zichzelf overgelaten, den toestand van stabiel evenwicht heeft aangenomen. Het zwaartepunt z ligt dan in eene door de steunas gaande verticaal, en wel onder de as.

ocr page 100

88

De horizontale stand van nh wordt aangewezen door het samenvallen van de

alsdan verticaal gerichte naald met het nulpunt van den graadboog.

N.B. Hij de moeste Avinkclbalunsen Mordt de horizontale stand aange-uezen, doordien dan de boven op het juk bevestigde naald (de „toiig'quot;) in het „hui8je,, staat.

Laat men in dezen stand in de beide ophangpunten a en h twee onderling gelijke, verticaal naar beneden gerichte krachten 1' aangrijpen, dan blijft de balans in ^ haar toestand van stabiel even-

quot; wicht volharden en de horizontale

De lijn toch, volgens welke de congerente werkt, gaat door het midden van do lijn ab, welk midden c een vast punt is, dat de werking dor kracht opheft.

Laat men echter in de punten a en h twee onderling ongelijke, verticaal naar beneden gerichte krachten P en Q (= I' ylt;) aangrijpen, dan verandert tic stand van het juk.

Wij denken de kracht Q vervangen door de krachten P en p.

De l\jn, volgens welke de congerente der beide krachten P werkt, zal weder door het vaste punt c gaan en de werking dezer kracht worden opgeheven. Er blijven dus nog twee krachten over, die aan het juk eene beweging trachten mede te deelen, nl. het Gewicht G van het juk, dat in z aangrijpt, en de kracht /gt;, die in h aangrijpt. De lijn, volgens welke de congerente C dezer twee krachten werkt, snijdt de lijn bz, bijv. in d, zoodat ditmaal geen vast punt op deze lijn gevonden wordt en de congerente C aan het juk eene draaiende beweging in positieven zin moet mededeelen.

De balans komt in een nieuwen evenwichtsstand tot rust, iii welken het aangrijpingspunt d in de door het steunpunt c gaande verticaal komt te liggen, zoodat ah een hoek maakt met het horizontale vlak.

Aan dezen hoek geeft men den naam van .doorslagquot;.

N.ll. Naarmate deze „doorslagquot; (hoek), voor een zelfde overgewicht aan het eene ophang-punt grooter is, heet de balans ^eKoelirjerquot;.

De „gevoeligheidquot; wordt uitgedrukt in eene breuk, waarvan de noemer het draagvermogen, d. i. de grootste belasting voorstelt, die aan elke schaal mag gegeven worden, en de teller hel kleinste overwicht, dat bij de maximum-belasting der schalen nog een zichtbaren doorslag.

0,005

bijv. van '/s geeft. Kene gevoeligheid van

beteekent dus eene gevoeligheid, waarbij ecu overgewicht van 5 milligram, bij eene maximumbelasting van 1000 Gram nog een merkbaren doorslag geeft.

n:{. Pij het gebruik van de balans als meetwerktuig worden de verticaal naar beneden gerichte krachten der vorige § vertegenwoordigd door de „Gewichtenquot; van twee lichamen, die in do ophangpunten aangrijpen. Blijft, bij belasting van de beide ophangpunten, de naald op hot nulpunt staan, dus de

ocr page 101

80

Igu ah haar horizontalen .stand hamlhaven, dan oordeelt men, dat de „Gewichtenquot; der beide aanhangende lichamen onderling gelijk zijn; neemt ile lijn tilj, en ilu.s ook de naald, een anderen stand aan, dan oordeelt men, dat de heide Gewichten onderling ongelijk zijn.

Mc.t (lc balans beoordeelt men. of op eene zelfde /i laats op aarde de r, Gewichtenquot; van twee lichamen onderling gelijk of onqelijk zijn.

Gesteld, dat de halans heeft aangetoond, dat te I'arijs het (iewichtvan zeker lichaam gelijk is aan dat van den koperen cylinder, waaraan men den naam van Kilogram geeft, dan zal de balans aantoonen, dat ook te Amsterdam de Gewichten van die twee zelfde lichamen onderling gelijk zijn. Dat echter ellss Gewicht in 't bijzonder, d. i. de congerente der daarop werkende zwaartekracht, te Amsterdam een ander is dan te Parijs, daarvan leert de balans niets.

Gelijkheid van Gewicht op eene zelfde plaats op aarde sluit in zich (jelijkhcid aan massa, volgens de wijze, waarop wij dit begrip ontwikkeld hebben.

Aangezien nu de „massaquot; van een lichaam eene van tijd en plaats onafhan-kelyke, onveranderlijke grootheid is, kan de „massaquot; van een lichaam, niet behulp van de balans, gemeten worden door te bepalen, hoeveel aangenomen eenheden van massa evenveel luegen (gelijk „Gewichtquot; hebben) als de massa van het genoemde lichaam.

Heeft men op deze wijze de „massaquot;, in éénheden uitgedrukt, gevonden, dan vindt men het „Gewichtquot;, in éénheden van kracht uitgedrukt, door, volgens de formule P — mg, het eerste getal niet de waarde, die g op de plaats van waarneming heeft, te vermenigvuldigen.

De kennis van de juiste waarde van het Gewicht, als congerente der zwaartekracht, kan voor wetenschappelijke vraagstukken van groot belang zijn. In den

ocr page 102

ito

handel Viin het dagelijksch leven echter, komt het alleen aan op kennis van de massa. Men heet te koopen bij liet gewicht; doch in werkelijkheid koopt men — en te recht — bij de massa.

Het eerste woord wordt in het dagelijksch leven voor het laatste gebezigd.

N.B. Den invloed, dien de lucht bij het „wegenv', d. i. bij het zoeken der massa van een lichaam, uitoefent, bespreken wij later.

Aanm. 'Pot de rechtstreeksche meting van het „Ge■^vi(•ht,,, (dat volgens onze beschouwingen eene „krachV isj zou men zich van een veer-dynamometer (— krachtmeter) kunnen bedienen, waarvan wij voorbeelden kennen in de zoogenoemde „tamilv•scale,, en in den brielVoger van den in fig. 39 voorgestelden vorm. Daarbij worden nl. gelijke uitrekkingen van de veer aan de werking van gelijke krachten toegeschreven. Daar echter zulk een werktuig of grof van maaksel en daardoor weinig gevoelig is, of, indien het fijn bewerkt is, zijne aanwijzingen vegens de gewijzigde veerkracht mettertijd verandert, kan men er zich niet van bedienen in al die gevallen , waar het op groote nauwkeurigheid aankomt.

Indien in den handel inderdaad bij het „Gewicht'''' gekocht en verkocht werd, en de „dynamo-Ineter'l, de balans vervangen had, dan behoorden de prijzen op verschillende plaatsen omgekeerd evenredig te zijn aan de grootte der zwaartekracht, of aan de waarde van lt;7. Bij een zelfde prijzen-tarief toch zou men zich op die wijze belangrijk kunnen bevoordeelen — of bcnadeelen.

Gesteld bijv., dat men te Lima in Peru bij het „gewicht'quot; 1000 kilogram goud koopt, tegen /quot; 1760 het kilogram. Naar Amsterdam overgebracht, zou deze hoeveelheid goud naar het „gewiclitquot; 981,24

1000 X — 1002,97 kilogram bedragen (de waarde van g te Lima 978,34, te Amsterdam

981,24 bedragende). Dus zou men, door te Amsterdam tegen denzelfden prijs te verkoopen, reeds een door niets gewettigd voordeel van ca 2,97 K.G. goud, d. i. van ca f 5227 genieten.

Vr. Waarom is, voor de gewone wijze van wegen, de balans onbruikbaar, 1° wan-nee • haar zwaartepunt boven het steunpunt ligt; 2° wanneer de armen van het juk niet even lang; 3° wanneer zij niet even zwaar zijn?

Vr. Hoe verklaart Gij, met behulp van fig. 37, dat de gevoeligheid der balans grootcr is, naarmate de armen van het juk 1° langer; 2° naarmate zij lichter zijn; 3° naarmate het zwaartepunt dichter onder het steunpunt ligt? (Vgl. ook de Aanm. aan het slot van § 112).

Aan7n. In het dagelijksch leven wordt, om aan te duiden, dat het juk horizontaal staat en de „gewogen'''' massa's dus gelijk zijn, veelal gezegd, dat de balans „in evenwicht'quot; is. Dat deze uitdrukking onjuist is, zal uit het voorgaande voldoende duidelijk zijn. Ook in schuinen stand kan de balans „in cvemvirhf zijn; alleen zijn dan de beide massa's niet onderling gelijk.

114. De onderlinge aantrekking van twee lichamen is, volgens het iVctoion'sche (Grondbeginsel, afhankelijk van hun onderlingen afstand. Dit op de Aarde toegepast, moet de door haar op een lichaam uitgeoefende „aantrekkingskrachtquot;, dus ook (j, minder zijn naarmate het zich op grootere hoogte boven hare oppervlakte bevindt. Dat dit inderdaad het geval is, werd door von Jolly te Miinchen door middel van eene zeer gevoelige balans rechtstreeks aangetoond. Hij plaatste de balans (vgl. fig. 40) op eene tafel, 5', M. boven den vloer van het laboratorium. In den bodem der balanskast en in de tafel waren onder de schalen openingen, waardoor draden staken, van boven aan de schalen bevestigd en aan bun ondereinde zelve schalen dragende. De afstand tusschen de bovenste en do onderste schalen bedroeg 5,29 M.

Nn werd eerst op elke der bovenste schalen een lichaam (gewicht) geplaatst, zoodanig dat het juk den horizontalen evenwichtsstand innam. Vervolgens werd een der beide gewichten van de bovenste in do daaronder hangende schaal

ocr page 103

91

overgebracht, wat ten gevolge had, dat het Juk naar den kant van laatstgenoeuide

schaal ging overhellen, waaruit bykt, dat de werking der zwaartekracht was toegenomen.

Uit de waarnemingen werd afgeleid, dat van een Kilogram het „Gewichtquot; met het Gewicht van 1,5099 mG. verminderde, wanneer het 5,29 M. hooger geplaatst werd.

De herekening volgens de wet der algemeene aantrekking geeft, wanneer de straal der Aarde voor München gelijk aan 6365722 M. genomen wordt, eene vermindering gelijk aan het „Gewichtquot; van 1,662 mG.

Ojjff. Voer deze borekcning uit.

115. Ook met eene onnauwkeurige, doch gevoelige balans kan de massa van een voorwerp met groote juistheid bepaald worden, liet voorwerp (A) wordt daartoe op de eene schaal gelegd en op de andere schaal plaatst men zooveel „ballastquot; (= tarra) (B), bijv. zand of iets anders, totdat liet juk den horizontalen even-wichtsstand heelt aangenomen. Daarna wordt A vervangen door voorwerpen ((!), waarvan de massa bekend is, door gewichten namelijk, totdat de vorige evenwichts-stand hersteld is. Alsdan zal de totale massa van C gelijk zijn aan de gezochte massa van het voorwerp A.

Deze wijze van „wegingquot;, omslachtiger dan de gewone, heet de „methode der dubbele wegingquot;, ook wel de methode van Borda.

Aanm. Voor «egingen, waarbij het op zeer grooto nauwkeurigheid aankomt, maakt men altijd gebruik van do methode der ..dubbele wegingquot;, hetzij van de bovengenoemde „ballastquot;-oi tarra-methode van Sorda of, nog liever, van de door Simon Stevin aangegeven methode der „omleggingquot;. Bij deze laatste methode wordt het te wegen voorwerp op de gew one wijze eerst iu de eene, daarna in de andere schaal gewogen. Indien dan de gevonden massa's respeetievelijk gelijk zijn aan a en aan li, dan zal de werkelijke massa gelijk zijn aan nh.

Opg. Toon dit nader aan.

Illt;gt;. Na het in de vorige behandelde overzicht van de voornaamste waarheden der Mechanica, ten opzichte van de vaste lichamen, willen wij nader terugkomen op het in 5? 12, blz. 8, gezegde over meten en maten, waardoor de getalwaarden verkregen worden, die in het voorgaande herhaaldelijk aan wiskundige bewerkingen onderworpen werden.

Volgens § 12 bestaat het meten van eene grootheid in het onderzoek, hoeveel malen eene andere grootheid van dezelfde soort, als éénheid genomen, in de eerste begrepen is. De uitkomst der meting is dus een getal, dat de numerieke waarde of getalwaarde der gemeten grootheid genoemd kan worden.

Voor het bepalen der numerieke waarde van grootheden rara vtrscMMmt/c soor£, heeft men dus „éénhedenquot; of maten, gelijk het óók heet, van verschillende soort noodig.

A

ocr page 104

92

Zoo iiioüI de ócnheitl ol „maatquot;, waarmede de iiumeriuke waarde van het oppervlak, l)\iv. eens rechthoeks, bepaald wordt, zelve ook een zeker oppervlak /.ijii; en de maat, waarmede de numerieke waarde van de lengte eener l\jii bepaald wordt, moet zelve eene zekere lengte zijn.

Tot maat voor het meten van oppervlakken hebben op verschillende tyiien en verschillende plaatsen oppervlakken van verschillende grootte gediend. Voorbeelden zijn: een Amsterdamschemorc/en, een Blooitch (lemct, een Drcnt.sch muddc, enz.

Evenzoo hebben zeer uiteenloopende lengten tot maten voor liet meten van lengten gediend. Voorbeelden zijn: de Amstcrdamschc el, de Gooische roede, de Maslenhroelesche schacht, enz.

117. De Meetkunde leert, dat het oppervlak van een Rechthoek samengesteld evenredig is aan zijne ,beidequot; zijden. Indien dus een Rechthoek van éene (Ionische roede lang en éene Gooische roede breed gelijk is aan 0,00152 Amsler-damsche morgen, dan zal een Rechthoek van a Gooische roeden lang en h Gooische roeden breed gelijk zijn aan 0,00152 X quot;ft Amsterdamsche morgen.

Terwijl dus de „numerieke waardenquot; van de zijden des Rechthoeks, gemelcn in Gooische roeden, respectievelijk gelijk z\jn aan a en /gt;, zal de „numerieke waardequot; van het oppervlak des Rechthoeks, gemeten in Amsterdnmschc morgen, gelijk zijn aan 0,00152 X of', dit oppervlak, in Amsterdamsche morgen gemeten, voorstellende door de numerieke waarde r;

r = 0,00152 X lt;dgt;.

118. Het eerste lid van de vergelüking der vorige § bevat één getal, r, voorstellende de „numerieke waardequot; van een oppervlak.

liet tweede lid bevat drie getallen, waarvan twee (« en h) de „numerieke waardequot; eener lengte voorstellen, terwijl het derde (0,00152) een coëfficiënt is.

De grootheden, welker numerieke waarden in de beide leden worden voorgesteld, zijn dus van verschillende soort; en toch bestaat er tusschen deze grootheden van verschilleiide soort (het oppervlak eens rechthoeks en zijne zijden) eene zekere betrekking, die door bovenstaande algebraïsche vergelijking ol' „formulequot; vertolkt wordt.

De éénheid, oi maat, die voor het meten van het oppervlak gebezigd werd, is de Amsterdamsche morgen; die welke voor bet meten der lengten gebruikt werd, de Gooische roede.

Tusschen deze twee soorten van éénheden of malen hesiaal hoegenaamd geen nntnurlijk verband.

Wij hadden echter éénheden of maten kunnen bezigen, tusschen welke, hoewel van verschillende soort, wél een zeker verband, eene zekere afhankelijkheid, bestaat.

Wij hadden bijv. tot maas, waarmede het oppervlak gemeten wordt, het oppervlak van een Rechthoek van 1 Gooische roede lang en 1 Gooische roede breed kunnen bezigen, m. a. w. eene vierkante Gooische roede, liet getal r van het eerste lid onzer vergelijking zou dan de „numerieke waardequot; van het oppervlak, in vierkante Gooische roeden uitgedrukt, voorstellen, en de vergelijking zou worden :

r ~ ah.

Wij zien, dat de algebraïsche vergelijking, die het verband van afhankelijk-

ocr page 105

on

lieid tiissclien het oppervlak des liee.litlioeks en zijne zijden uitdrukt, nu eon-voudiger is geworden: de coefficient der vorige vergelijking is er uit verdwenen ; liij is namelijk gelijk aan 1 geworden.

119. Evenals in de Meetkunde, vinden wij in de Natuurkunde betrekkingen tusschen grootheden van verschillende soort.

Zoo zyn bijv. eene snelheid, eene weglcnyle, en een tijdsverloop grootheden van zeer verschillende soort, tusschen welke niettemin in sommige gevallen eene zekere betrekking kun bestaan. In het geval toch van eene eenparige beweging is de snelheid evenredig aan den afgelegden weg en omgekeerd evenredig aan liet tijdsverloop, waarin de weg is afgelegd.

Willen wij nu dit verband in eene vergelijking uitdrukken, dan kunnen wij, bij bet vaststellen van de numerieke waarde der verschillende grootheden, twee wegen inslaan:

wij kunnen de éénheden of maten, waarin de numerieke waarde van de verschillend geaarde grootheden wordt uitgedrukt, zoodanig kiezen, dat er tusschen ben hoegenaamd geen natuurlijk verband bestaat, of

wij kunnen ze zoodanig kiezen, dat er tusschen haar eene zekere aflianke-I ijk beid bestaat.

lgt;e laatste weg verdient de voorkeur; want de vergelijking wordt er, door bet wegvallen van anders onvermijdelijke coëfficiënten, eenvoudiger door.

Gesteld dat bij eene eenparige beweging een weg van % cM. in 8 secunden wordt algelegd en dat de „numerieke waardequot; van de snelheid eener eenparige beweging, met welke in I secunde 1 l'arijsche voet wordt afgelegd, gelijk zij aan 1, dan zal de snelheid (/') in het gegeven geval, daar 1 l^irijscbe voet - :ü,rgt; cM., worden uitgedrukt door de vergelijking:

1 v„ 96 32,5 X 8 '

of in 't algemeen, de numerieke waarde van den algelegden weg s en die van bet tijdsverloop — l zijnde:

V ~ 32,5 X t quot;

Wordt echter voor de snelheid, welker „numerieke waardequot; — I , de.snelheid aangenomen van eene eenparige beweging, waarbij in I sec. een weg van I ri\I. wordt afgelegd, dan verandert de vergelijking van zoo even in:

s

V— .

t

Men stelsel van éénheden of maten, die zoodanig gekozen zijn. dat in de belangrijkste vergelijkingen of formules de boven aangeduide coëfficiënten gelijk aan 1 worden, heet eeu stelsel van absolute (volstrekte) éénbeden of maten.

120. Een bekend voorbeeld van een absoluut maatstelsel is hef metrieke stelsel, zoo genoemd omdat de verschillend geaarde maten voor lengten, oppervlakken, inhouden en zelfs massa's alle gegrond zijn op de éénheid van lengte, den Meter.

Tallei/mnd deed in ITi'd aan de Assemblée constituante het voorstel tot het invoeren van één stelsel van „maten en gewichtenquot;. Daarop volgde eene uitnoo-

ocr page 106

04

dicing aan cle r Academic van wetenschappenquot; te Parijs om zicli met liet ontwerpen daarvan te belasten en nog in hetzelfde jaar werd door dit geleerde lichaam uitgemaakt, dat de decimale of tiendeelige indeeling de doelmatigste was.

In 1701 werd van de drie éénheden, die als grondslag voor het stelsel in aanmerking konden komen (de lengte van de secunde-slinger op 45° breedte, een kwadrant ol vierde gedeelte van den omtrek des evenaars en een kwadrant van een meridiaan) het kwadrant van een meridiaan boven de andere verkozen. Dienovereenkomstig werd nog in hetzelfde jaar door de Nationale Vergadering besloten.

Van 1702—1708 had de meting plaats van den meridiaanboog tusschen Duinkerken en Montjony bij Barcelona. Deze boog strekt zich ter weerszijden van den 45sten breedtegraad uit, waardoor de onnauwkeurig bekende afplatting der aarde slechts een geringen invloed op het resultaat kon hebben.

Na afloop van ai deze voorbereidende werkzaamheden noodigde de Kranscbe regeering in 1708 de bevriende mogendheden uit om deskundigen naar l'arys af te vaardigen, aan wier oordeel het tot stand gebrachte werk der commissie zou onderworpen worden. De Bataafsche Republiek vaardigde af den Hoogleeraar aan het Amsterdamsche Athenaeum J. H. van Swindeti en //. Aeneae, een bekend leeraar der wiskunde uit die dagen, later Inspecteur voor de uitvoering der nieuwe wet op de maten en gewichten.

, Van Swinden was voor de Pransche leden der commissie een oud bekende, al hadden zy hem nooit aanschouwd. Eene bekroonde prijsvraag, zijne vele onderzoekingen op natuurkundig en meteorologisch gebied, die meerendeels in Kransche tijdschriften waren bekend gemaakt, hadden hem reeds den bijnaam van ,1e savant Hollandaisquot; bezorgd. Zyn persoonlijke omgang schijnt dien goeden dunk verhoogd te hebben, terwijl ook zijn uitgebreide kennis hoogetijk werd gewaardeerd; dit getuigt althans de belangrijke rol, welke hij in de genoemde commissie vervulde.

,Hier kwam vooral ook zijne kennis van de Pransche taal en de gemakkelijkheid, waarmede hy zich daarin schriftelijk en mondeling uitdrukte, uitnemend te pas. Aan de gewichtigste beraadslagingen en onderzoekingen nam hjj deel. Ook de hollandsche nauwkeurigheid kwam hierbij op toevallige wijze tegenover fransche zorgeloosheid aan het licht. Want toen men na afloop van de zittingen der commissie een proces-verbaal van het verhandelde in de verschillende bijeenkomsten wilde samenstellen, bleek, dat men verzuimd had hiertoe de noodige aanteekeningen te houden. Gelukkig redde Van Swinden de commissie uit hare verlegenheid; voor zich zeiven had hij gedurende elke zitting eenige aanteekeningen gemaakt, en met gretigheid werden deze nu gebruikt om het verlangde verslag saam te stellen en op deze wijze het verzuimde te herstellen. Toen de commissie met haar arbeid gereed was, werd Van Swinden tot algemeen rapporteur benoemd; als zoodanig bracht hij eerst verslag uit aan het Instituut van kunsten en wetenschappen, later ook aan het Wetgevend Lichaam. Deze verslagen werden door de Franschen, die in dit opzicht anders waarlijk niet gemakkelijk oordeelen, ,un modèle de la perfection dans l'art d'expliquer leurs travaux, de les faire comprendre méme aux personnes qui n'ont point spéciale-ment cultivé les sciencesquot; — genoemd. Zoo nam hij aan al de werkzaamheden

ocr page 107

on

der commissie een ijverig deel. Met Delamhre en Legendre hield liij zich bezig met het berekenen der driehoeken, waartoe de noodige gegevens door den eerstgenoemde bij zijne groote graadmeting over geheel Frankrijk waren geleverd; met zyn ouden mededinger ') Coulomb nam hij de noodige proeven voor het vaststellen van het Kilogramme; kortom aan elke atdeeling van liet veel omvattend onderzoek werd door hem een werkzaam aandeel genomen. In betrekkelijk korten tijd werd deze groote arbeid voltooid; want reeds in het volgend jaar is het eindverslag uitgebracht, ingevolge waarvan het nieuwe stelsel werd gevestigd,quot; '-)

„Vereerd met de vriendschap en het vertrouwen van al, wat in l'Vankrijk door wetenschap uitstekend was, hooggeschat door allen, die hem ontmoet hadden, keerde Van Swinden, overladen met eer en lol', in 1790 in het Vaderland terug.''

Drie jaren later verscheen van de hand van Van Swinden de „Verhandeling over volmaakte maaten en gewigtenquot;1), waarin een voortreffelijk overzicht van het geheele stelsel, zijne historische ontwikkeling en de voorbereidende werkzaamheden tot de vaststelling zijner „basisquot; gegeven wordt.

Die basis ontving den naam van Mèlre [Meier), welks lengte bepaald werd

op iqqqqqqqquot; gedeelte van het kwadrant van den gemeten meridiaan.

Er werd nu van den Meter een standaard-Meter van platina gemaakt, die, tegelijk met een standaard-Kilogram van platina, den 4 Messidor van het jaar Vil der Fransche republiek (22 Juni 1799) door de Oommissie voor de maten en gewichten, met den beroemden Laplace aan het hoofd, aan het vergaderde Wetgevend Lichaam vertoond en vervolgens door haar in liet Staats-Archief nedergelegd werd. Daarnaar dragen deze beide „Standaardsquot; (étalons) den naam van Mrlre den Archives en Kilogramme des Archives.

Het „Gewichtquot; dat dit cylindervormig Kilogram, in eene luchtledige ruimte, te l'arijs, bezit, werd als de éénheid van gewicht aangenomen.

„13e afgevaardigden kregen ieder voor hunne Regeering mede een (onvernist) geelkoperen kilogram en een ijzeren meter, beide met den stempel der Oommissie van Maten en Gewichten voorzien. Maar ook ieder der afgevaardigden ontving een kilogram, en een meter, voor zich.

„Den 20 Augustus 1799 werden Meter en Kilogram aan het Uitvoerend Bewind der Bataafsche Republiek overgegeven. De omstandigheden hielden echter nog geruimen tijd de invoering van het nieuwe stelsel van maten en gewichten tegen. Eerst na de troonsbeklimming van koning Willem I werd, in IHIC), de wet afgekondigd (Stbl. No. 84), waarbij uiterlijk met 1 Januari 1820 over de geheele uitgestrektheid van het Rijk het Nieuwe Stelsel van Maten en Gewichten werd ingevoerd. Verder werden bij Besluit van 29 Maart 1817 (Stbl. No, 15) de „namenquot; vastgesteld „der nieuwe maten en gewigten en van derzelver veelvouden en onderdedenquot; en werden, bij artikel I van het Besluit van ti

1

In 2 deelen. Amsterdam 1802,

ocr page 108

9G

Maart 1819 (Stbl. No. 8), ,tot eerste algemeene standaards of prototypeu van de Nederlandsche Maten en Gewigten aangenomen de door de Bataafsclie gedeputeerden aangebodene en sedert onder de 1ste Klasse van het Koninklijk Neder-landsch Institnut berustende ijzeren mètre en koperen kilogramme.quot;

„ Deze standaards hebben gediend om de secundaire standaards te vervaardigen ten behoeve van het IJkwezen, den Waarborg enz., welke secundaire standaards door al de provinciën des Rijks verspreid z\ju geworden.quot; ')

Do „Mètre ties Archivesquot; is cene stunt' van 1 Al. Uiiig, 25 mM. breed en 4 mM. dik. De sil'stand tnssehen de beide eindvlakken dezer staaf, bij eene temperatuur van 0C C., vertegenwoordigt de als nieuwe éénheid aangenomen lengte.

Zulk eene standaard-mnat, waarvan de lengte tusschen de eindvlakken begrepen is (e'talon ii bonts) is niet zeer geschikt om tot vergelijking met kopieën gebruikt te worden, daar de eindvlakken bij elke vergelijking door het hiertoe dienende werktuig worden aangeraakt en aldus kunnen afslijten. Daarom heeft men de voorkeur gegeven aan eeu étalon a traits, d. i, een standaard, op welken de lengte der éénheid tusschen twee dicht bij de uiteinden gegraveerde streepjes begrepen is. Wordt deze gebruikt om gemaakte kopieën mede te vergelijken, dan heeft de vergelijking door middel van vergrootglazen zoodanig plaats, dat eene aanraking van den standaard vermeden wordt.

Door cene internationale commissie voor de Maten cn Gewichten, in 1872 te Parijs vergaderd, werd dan ook besloten een nieuwen standaard van den Meter te doen maken, en wel met streepjes; terwijl bovendien, daar platina gebleken was te zacht te zijn, als metaal, waarvan de standaard gemaakt zou worden, eene legeering werd aangenomen, bestaande uit % platina en Ui % iridium.

„M en had namelijk eene zelfstandigheid noodig, welker samenstelling en moleculaire bouw zoo min mogelijk onderhevig waren aan verandering ten opzichte van vorm en afmetingen , onder den invloed van lucht, water, vuur of scheikundige stotfen of wel van mechanische krachten. Zij moest hard eu veerkrachtig en toch niet moeilijk te bewerken zijn. Tevens moest zij volkomen homogeen zijn, zoodat al de standaards, wat hun materieel betrof, zoo na mogelijk aan elkaar gelijk waren. Bovendien was het wenschelijk, dat de door temperatuur-veranderingen veroorzaakte wijzigingen zoo klein mogelijk zouden zijn.

„Platina, dat onder de zuivere motalen het best voor het doel geschikt was, had het nadeel van te zacht te zijn. Met cene zekere hoeveelheid iridium versmolten, voldeed liet echter aan al de gestelde vereischten voor een standaard-meter en -kilogram. Platina-iridium is uiterst hard en onbuigzaam en bezit eene groote veerkracht, zoowel als cohaesie, of weerstandsvermogen tegen

breken. Daarbij is het met diamant gemakkelijk te bekrassen, eu is het gebleken, dat strepen, op g

een afstand van mM. van elkaar, met behulp van een mikroskoop er in gekrast, volkomen

regelmatig zijn, zelfs bij eene vergrooting van 300 tot 600 maal.quot;

Daar voorts de oude standaard, wegens zijne geringe dikte, al te buigzaam was, werd een

nieuwe vorm gekozen, die aan dit gebrek in veel mindere mate leed. Volgens de onderzoekingen van 'J'resca biedt eene staaf van den vorm van lig. 41 den grootstcn weerstand aan buiging, waarom deze vorm voor den nieuwen standaard werd aangenomen. Fig. 41 geeft de doorsnede van dezen étalon a traits op de natuurlijke grootte. Zijne lengte bedraagt 102 cM. en elk streepje is op 1 cM. afstand van het uiteinde aangebracht, zoodanig dat hun onderlinge afstand bij eene temperatuur van 0° (,'. zoo na mogelijk gelijk is aan de lengte

van den Mètre des Archives. De streepjes zijn ingesneden op de met nh aangeduide oppervlakte.

Tegelijkertijd werd ook van het Kilogram een nieuwe platina-iridium standaard gemaakt.

1) Dr. ./. A. C. Oudemans, in: „Verslagen eu Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeliug Natuurkunde, 3de Reeks, Deel 111, I8S7.

ocr page 109

97

In 187.r) teekenden de vertegenwoordigers van zeventien verschillende landen; Frankrijk, Dnitschland, Oostenrijk en Hongarije, Zwitserland, België, Denemarken, Zweden en Noorwegen, Spanje, Portugal, Italië, Turkije, Rusland, de Vereenigde Staten, Brazilië, de Argcntijnsehe liepubliek, l'eru en Venezuela, te 1 Jarijs eene overeenkomst om op gemeenschappelijke kosten een „Internationaal bureau voor maten en gewiehtenquot; op te richten als eene blijvende internationale stichting voor verschillende met de maten en gewichten in verband staande wetenschappelijke onderzoekingen en tot bevordering van het invoeren van hot metrieke stelsel, dat daarna op de hoogte van St. Cloud bij Parijs tot stand is gekomen. De gouvernementen van drie eveneens vertegenwoordigde landen; Groot-Brittanje, Nederland en Griekenland, weigerden deelneming. Zij wilden namelijk alleen in de kosten bijdragen, indien het doel van de stichting beperkt bloei'tot hot veriCieeren van de nieuwe standaards en de zorgen voor de gemaakte prototypen. Het gebouw bestaat uit verscheidene lokalen voor waarneming, welker wanden hol zijn en door het inpompen van water op verschillende temperaturen onder en boven 0' gebracht kunnen worden, terwijl het daglicht slechts door eene opening van boven kan binnentreden. Daarnaast bevindt zich een natuurkundig laboratorium om de noodige met het onderworp in verband staande onderzoekingen te verrichten.

121. Ook in de Natuurkunde is, vooral na de groote vlucht, die de ontwikkeling van de leer der electriciteit in de laatste jaren heeft genomen, de behoefte aan een absoluut-maatstelsel gebleken, lieeds in 18(31 werd door de „British Associationquot;, om in deze behoefte te voorzien, een stelsel van éénheden voorgesteld, dat in 1881 op het internationaal congres voor electriciteit te Parijs nogmaals een onderwerp van bespreking is geweest en toen in hoofdzaak dooide voornaamste vertegenwoordigers der wetenschap uit alle deelen der wereld is aangenomen.

In overeenstemming met de grondgedachte, dat Stof, Ruimte en Tyd den geheelen inhoud der Natuurkunde en ids het ware hare drie grondbegrippen uitmaken, is aan elk dezer begrippen eene éénheid ontleend voor het meten van grootheden, die respectievelijk binnen den kring vim een dezer begrippen vallen.

Zoo zijn er dan drie Grondcénheden aangenomen, waaruit de éénheden voor de iindere in de Natuurkunde voorkomende grootheden kunnen worden afgeleid.

fn onze voorgaande beschouwingen hebben wjj bij voorbeeld reeds de éénheid van kracht afgeleid uit de eenheid van massa en de éénheid van versnelling; de laatstgenoemde éénheid uit de éénheid van tijdsverloop en de éénheid van snelheid; terwijl wij ten slotte deze laatste hebben afgeleid uit de éénheid van tijdsverloop en de éénheid van lengte.

Wij hebben dus in het voorgaande reeds eene keuze gedaan omtrent den aard der grootheden, die wij als grondéénheden wenschen te gebruiken. Deze zyn namelijk eene Eenheid van Lengte, eene Eenheid van Tijdsverloop en eene Eenheid van Massa.

De door het congres van 1881 aangenomen éénheden, waaraan ook wij ons in het vervolg zullen houden, zijn de volgende:

1. Cteond-iSénheduh.

1. Éénheid van Lengte.

De ('enlvmelcr, d. i. het 100ste gedeelte der lengte van Archivesquot; hij de temperatuur van 0°.

SAi.VKitiiA en i.k uov, Naluurkeiiuis, II. 2e druk.

den „Mètre des

7

ocr page 110

08

2. Eenheid Viin Tydsverloop.

De Senundn, dat is , ' - — van den gemiddelden zoiinedau'.

24 x 60 X (50

3. Eénlieid van Massa.

Het drain, dat is het 1000ste gedeelte der massa van het „Kilogranmie des Archivesquot;.

IT. Afgeleide éiSnhephn.

Eenheid van Snelheid.

1)(gt; Tachoon, dat is de snelheid van een punt, dat niet eenparige beweging in de éénheid van tijdsverloop (1 sec.) de éénheid van weglengte (1 cM.) aflegt.

Éénheid van Versnelling (Vertraging).

De Taclml (bradist), dat is de versnelling (vertraging) van een punt met eenparig versnelde (vertraagde) beweging, welks snelheid in de éénheid van tydsverloop (1 sec.) met de éénheid van snelheid vermeerdert (vermindert).

Éénheid van Kracht.

De Dyne, dat is de kracht, die aan een lichaam, dat de éénheid van massa (1 G.) bezit, de éénheid van versnelling mededeelt.

De voor andere grootheden ingevoerde éénheden zullen in het volgende, Inj de bijzondere beschouwing dier grootheden, worden medegedeeld.

Daar het beschreven stelsel van éénheden den Centimeter, liet Gram en de Secunde tot grondslag heelt, is het bekend als het Centimeter-Grani-Öecnnde-stelsel of C.G.S.-stelsel.

Het kan voorkomen, dat eene afgeleide O.G.S.-éénheid voor de praktijk veel te klein of te groot is. In zulk een geval leidt men uit de (J.G.S.-éénheid eene secundaire of hulp-éénheid af, door haar met 10quot; te vermenigvuldigen of door 10quot; te deelen, waarbij dan de exponent n naar de behoefte geregeld wordt, terwijl deze tweede éénheid door een afzonderlijken naam wordt aangeduid.

N.15. De in liet voorgaande aangenomen éénheid van kracht (cfy/Hc) is op een bewcginfjs-Q^nci gegrond en draagt den naam van dynamische eenheid van kracht.

In liet dagelijkseh leven wordt de grootte eener kracht veelal uitgedrukt in „Kilogrammel^^ Met „eene kracht van 1 Kilogram,, wordt dan eene kracht bedoeld, gelijk aan het „Gewicht,, van 1 Kilogram of de kracht, waarmede de Aarde een Kilogram aantrekt. Om deze zoogenoemde statische eenheid te herleiden tot de dynamische van het C.G.S.-stelsel bedenke men, dat l* — nu/, zoodat „eene kracht van 1 Kilogram eene kracht voorstelt van 1000 (j dynes, en in 't algemeen „eene kracht van a Gram'quot; gelijk is aan eene kracht van ar/ dynes.

122. Is de massa van een lichaam over het geheele lichaam gelijkmatig verdeeld, d. i. hebben onderling gelijke volumen-deelen van het lichaam ook onderling gelijke massa's, dan heet zulk een lichaam homogeen.

Wanneer van twee homogene lichamen, die onderling gelyke volumina hebben, de massa van het eene grooter is dan die van het andere, dan heet het eerste eene grootere dichtheid te bezitten dan het laatste.

ocr page 111

99

Bkpalinu. 1° Is l)ij gelyk volumen de massa van een lichaam n-maal zoo groot als die van een ander, dan heet de dichtheid van het eerste n-maal zoo groot als die van het laatste; is by gelyke massa het volumen van het eerste n-maal zoo klein, dan heet eveneens de dichtheid van het eerste n-maal zoo groot.

2quot; De Éénheid van dichtheid is de dichtheid, waarbij in de éénheid van volumen (1 cM.8) de éénheid van massa (1 G.) gelijkmatig verdeeld is.

Wanneer d de dichtheid, m de massa, v het volumen van een lichaam voorstellen, elk in éénheden van hunne soort uitgedrukt („numerieke waardequot;), dan volgt uit de gegeven Bepaling:

d(ensitas) — .

v

By niet homogene lichamen zou in de voorgaande vergelijking d do „(/emid-delde dichtheidquot; voorstellen.

123. Indien het standaard-Kilogram (Kilogramme des Archives) volkomen aan de bedoeling der ontwerpers beantwoordde, moest de massa van dezen cylinder van platina gelijk zijn aan die van I dM.3 zuiver water by 4° C., dat is de temperatuur, bij welke water zijne grootste dichtheid bezit. Bij de bewerking werd echter eene toenmaals moeilijk te vermijden fout gemaakt, ten gevolge waarvan de massa van het standaard-Kilogram in werkelijkheid een weinig

minder is dan de bedoelde. Bij gevolg is de massa van ^ dM.3 of van de

C.G.S.-volumen-éénheid water iets meer dan die van ^qqq KG., d. i. de O.G.S.-éénheid van massa.

Volgens nauwkeurige metingen van den nieuweren tijd bedraagt de massa van 1 cM.3 zuiver water by 4° C. 1,000013 Gram.

Bepaling. De soortelijke massa eener stof noemt men de massa van eene volumen-éénheid (1 cM.3) dier stof.

Is de gemiddelde dichtheid van een „lichaamquot; gelijk aan a, dan is volgens

de vergelijking van S 122: a — . Het quotient van het tweede lid stelt tevens

v

voor, hoeveel massa-éénheden de éénheid van volumen (1 cM.3) bevat, m. a. w. (volgens voorgaande Bepaling) de „soortelijke massaquot; van de „stofquot;, uit welke het lichaam bestaat. Hieruit volgt, dat de numerieke waarde der „gemiddelde dichtheidquot; van een „lichaamquot; gelijk is aan die van de „soortelijke massaquot; der „stofquot;, waaruit zulk een lichaam bestaat.

De „soortelijke massaquot; van water bij eene temperatuur van 4° (1. bedraagt dus 1,000013 Gram.

134. Een lichaam A, welks massa = via, beweegt zich langs eene rechte lijn met eene snelheid Va.

Ken tweede lichaam B, welks massa — nu, beweegt zich in denzelfden zin langs dezelfde lijn met eene snelheid ■— vi (gt; ?•„).

B zal A inhalen on van het oogenblik al, dat er aanraking tusschen de beide lichamen plaats heeft, zal de snelheid van A vermeerderen, die van B

ocr page 112

100

-

ver mi n il er e n. Uit de versnelling, die de beweging van A ondervindt, blijkt, dat op A, onder den invloed van B, eene kracht werkt; eveneens uit de vertraging, die de beweging van B ondervindt, dat op B eene kracht werkt, onder den invloed van A. Daarbij komt, dat de vorm van beide Hchame.'i wordt gewijzigd.

Het boven beschreven verschijnsel bestempelt men met den naam van botsing.

A a 7i ?n. /Ijn de op A on op 15 werkende kruehten (drukkingen) gericht volgens de lijn, die de zAvaartepunten van beide lichamen verbindt (= centrale botsing), dan wordt alleen in do voortgaande beweging wijziging gebracht, tenvijl anders bovendien eene drauiendo beweging zal worden opgewekt. Alleen het geval van centrale botsing willen wij in het volgende beschouwen.

Volgens het „Beginsel van Actie en Keactiequot; is de Kracht (—]gt;), die op zeker tjjdstip onder den invloed van 15 op A werkt, gelijk aan die, welke op dat tijdstip onder den invloed van B op A werkt. De eerste bewerke op dat tijdstip eene versnelling der beweging van A—a; de tweede eene vertraging der beweging van 15 ~ 6.

Volgens Jj t)2 is dan:

ji — 'in„ii en ■p — mib, waaruit:

ninn — nuh, en

a: h — mh: m,,...........(1)

Al verandert nu ook met elk volgend tijdstip de aan A en B respectievelijk medegedeelde versnelling en vertraging en dus de op A en Igt; werkende kracht, zoo blijft toch de in vergelijking (1) uitgedrukte betrekking geldig gedurende het geheele tijdsverloop, dat de botsing duurt.

De op zeker tijdstip na hel begin der hotsiny veroorzaakte ver meer deriny der meiheid. van A en vermindering der meiheid. van II zijn dus mmiekeerd evenredig aan de massa?* van A en li.

Is dus op een zeker tijdstip gedurende de botsing de snelheid van A aangegroeid tot v'„, die van B verminderd tot v'/,, dan geldt de volgende betrekking:

{v',i — v»): (w — v't) = vu : m,,.......(2)

Wij willen nu twee gevallen onderzoeken:

1° het geval, dat de botsende lichamen beide volkomen onveerkrachtig zijn; 2quot; het geval, dat de botsende lichamen beide volkomen veerkrachtig zijn. lü De met de botsing gepaard gaande vormverandering gaat zoo lang voort, totdat beide lichamen dezelfde snelheid verkregen hebben; met deze gemeenschappelijke snelheid gaan zij dan samen als één geheel verder, zonder dat door het herstellen van den oorspronkelyken vorm nieuwe krachten in het spel komen. Zij de gemeenschappelijke eindsnelheid rz w, dan verandert de in vergelijking (2) aangegeven betrekking in de volgende:

(vab — v,,): {vi — Vat,) = mj : w„; waaruit:

{vnh — v,)mu — [vh — v,,/,) mi, waaruit na herleiding volgt:

Vurn» vmh /.gt;\

Val — ...........

Vh, Hib

2° in het geval, dat beide liehanien volkomen veerkrachtig zi,jn, knnneii wij

ocr page 113

101

twee perioden luinneineii: do eerste, fredureude welke heider vorm gewijzigd wordt; de tweede, gedurende welke beider vorm volkomen hersteld wordt.

Ann het einde der eerste periode is beider gemeenschappeljjke snelheid gegeven door de bovenstaande vergelijking (:{).

Gedurende de tweede periode hebben de veranderingen van vorm en van snelheid op dezelfde wijze, doch in tegengestelden zin, plaats als gedurende de eerste periode; zoodat de op verschillende tijdstippen der tweede periode op de lichamen werkende krachten en de veroorzaakte versnelling van A en vertraging van H gelijk zijn aan die van de overeenkomstig gelegen tijdstippen der eerste periode.

lu de tweede periode, als in de eerste, wint A dan aan snelheid Vui — t',, en verliest B aan snelheid vt — Vat.

De eindsnelheid van A {=.r) wordt dus 2v„6 — tv,, » » » B (=//) „ B 2 v„i — vt.

I )oor substitutie van de in vergelijking (3) gevonden waarde van v„t, vindt men:

Vam/, 2 vmi - ■ Vami, ., x

« = -----; ..............(4)

m„ mb

mm 2 ItlaVa. - VlaVb

en '/ ~ - -------------- ot

ma mtj

V '

mm 2 maVn vt via -\- mh | ^ mh_

ma

Is y\ een lichaam, welks massa zeer groot is ten opzichte van die van B, terwijl het bovendien vast-, dus stilstaat, dan wordt in vergel. (5) m,, r- co en Va — 0, waardoor de vergelijking verandert in:

mhVh Vb n

ij ~ — ot

co y ~\- mh

oo

y = — vb, hetgeen beteekent, dat het lichaam M, na de botsing, eene beweging aanneemt, in tegengestelden zin gericht als de beweging, die het vóór de botsing had, doch met dezelfde snelheid.

I 125. In hot dagclijksch leven zijn tal van ,,^verktuigen,, in gebruik, die of niets anders dun herboomen zijn, of waarvan de hefboom een belangrijk bestanddeel uitmaakt.

In de balans hebt Gij een hefboom leeren kennen, welks ,,steunI)unt,, tussehen „macllt',,- en „lastp^lnt,,, in ligt. /00 is het ook bij eene schaar, welk werktuig niets anders is dan eene verbinding van twee hefboomen met een gemeenselnippelijk steunpunt; terwijl het lastpunt ergens in het „blad^ en het machtpunt in het „oogv, der schaar gelegen is.

Hij an dole hefboomen ligt eeliter het lastpunt, en bij nog andere het maehtpiint, tussehen de beide andere punten in. Naar deze onderlinge ligging der drie genoemde punten worden de hefboomen respectievelijk „van de 1ste, 2de en 3de soorf genoemd.

Liggen, zooals bij hefboomen van de 1ste soort, de aangrijpingspunten der krachten aan weerszijden van het steunpunt, dan spreekt men ook van een tweearmigen hefboom; liggen zij, zooals bij hefboomen van de 2de en 3de soort aan denzelfden kant van het steunpunt, dan spreekt men van een eenarmigen hefboom.

Vr. Tot welke soort van hefboomen rekent (lij een roeiriem, den trapper van naaimachine of draaibank, een apothekers-h a k m e s, een koevoet, een kruiwagen, een

II o t e n k r a k e r, eene suiker tang?

ocr page 114

102

Een hcfbuuni van de Isle soort, die, zouuls de Iwlims do ll li s t e r (vgl. fig. 42).

De „lust'1quot; I', wiuii'van de imissn bepaald moet wunlen ,

C = E , F -

(U

n

J*

, als wei'g'weiiilüig gobmikt wordt, is

werkt hier aan een korten , altijd even langen „armquot;. Het eene en altijd hetzelfde gewicht Q echter (looper o.quot; luo])-gewieht) kan langs 1$C verschoven worden en dus werkt liet vermogen aan een „armquot; van veranderlijke lengte. Al naar men het loopgewicht Q aan een langercn of korteren arm laat werken zal het met een grooteren of kleineren last evenwicht kunnen maken. Is I5C behoorlijk verdeeld, dan kan dus met een enkel gewicht de massa van verschillende lasten bepaald worden.

12«. Een undor wecgwcrktuig, dat door con samenstel van drie herboomen gevormd wordt, is de b r u g ba 1 a n s, die Gij onder meer aan alle spoorwegstations in gebruik ziet (vgl. fig. 4.3;. De 3 herboomen der brngbalans zijn;

1° öc', met het steunpunt K.

De krachten, die hem in evenwicht houden, zijn: a. de kracht C, aangrijpende in /1 en afkomstig van het aunliangendc gewicht, die den het boom een begin van negatieve draaiing mededeelt; 6. de krachten E, aangrijpende in 6' en F, aangrijpende in c' en beide afkomstig van den last A, die den hefboom een begin van positieve draaiing mededoelen.

Uc arm 6K van C zij gelijk l

1''ig4 ,:l- „ „ 6'K „ £ „ „ n

11 1? ' l^ 11 tn

Er zat evenwicht zijn, indien voldaan is aan de vergelijking: C X i = E X n F X m, of

, quot;l

l ' '1'

2° hn, met het steunpunt a.

Het is die hefboom, die dienst --/i «•' A

duct als brug, waarop de „last' geplaatst wordt.

Dc krachten, die dezen hefboom in evenwicht houden, zijn; n. de kracht A, aangrijpende in het punt x waar bn gesneden wordt door de verticaal uit het zwaartepunt (richting der congcrente) van den „lastquot;, welke kracht den hefboom een begin van negatieve draaiing mededeelt, en b. de kracht E', aangrijpende in b en afkomstig van C, die den hefboom een begin van positieve draaiing mededeelt.

De arm .ra van A zij gelijk 11quot;

„ „ bn „ E .. „ »i .

Er zal evenwicht zijn, indien voldaan is aan de vergelijking;

E' X mquot; — A X »quot; of

E' = A ..............(2)

m

Het steunpunt a van dezen hefboom maakt deel uit van den derden hefboom cd.

Dc door A op de brug uitgeoefende drukking wordt over de beide steunpunten n en 6 zoodanig verdeeld, dat, indien wij de op a dus ook op a' uitgeoefende drukking door D voorstellen;

ocr page 115

103

iJ : (A — 1)) — {l)a — .ra) : .ra ut'

1): (A — I)) = (inquot; — nquot;) : nquot;9 ... mquot; — nquot;

waaruit s D = A , ..............(3)

m v 7

fl0 cd, iruit hot stcunpmit d.

Do laachten, die dozen horboom in cvenwiclit houden, zijn: n. dt; liraoht l), aangrijpouclo in a üii afkomstig van A, die; don liofboom con begin van nogatiovo draaiing mododoolt, on h. de kracht K, aangrijpende hi c on afkomstig van C', dio den hefboom een begin van positieve draaiing mededeelt.

1)(! arm n'd van 1) zij gelijk

1' ii » 'w.

Er zal ovcmviL'lit zijn, indien voldaan is aan de vergolijking:

F' x m' = I) X n' of

F' = D .............(4)

m

waaruit, door (3) in (4) over te brengen:

n' viquot; — nquot;

F' = A r X ...........(5)

m m

J)aar do ondorling onbeweeglijk verbonden aangrijpingspunten h eu //, respootiovolijk van do onderling tegengesteld gcriehte kraehten K' en IC, in ovemvielit gedacht worden, moeten deze kracliten onderling gelijk zijn:

Om dezelfde reden hebben wij

F = F'.

Brengen wij jm in onze vergelijking (1) de in (2) en (5) gevonden waarden over, dan ontstaat de vergelijking:

. urn' mquot; — nquot; . nnquot;

(J = A /T X -f-A 7/-#, of

m L m m l

A \ urn'(mquot; — nf,s\ ,1

^ = 7/7 ........, nn .........' t) j

m l L in J

Nn is de brugbalans zoodanig gemaakt, dat

c'K ; //K = rd : n'd, of

m : u = m': h',

7/2 H

waaruit: — ..............(7)

m' n' • • ■ ........\ j

AVurdt (7) in («i) uvergebraeht, dan ontstaat, na herleiding, de vergelijking:

A /..............

Voorts is het werktuig zoodanig gemaakt, dat //IC = ' ^lv of n — ' /,

10 10

zoodat liet voor de weging gebezigde gewicht sleehts van do massa van den te wegen last

behoeft te bezitten. Om deze reden wordt de brngbalans ook wel decimaal balans genoemd.

Uit do vergelijking ''R) is de waarde ?/', d. i. de arm van den last op de brug geheel verdwenen, waaruit blijkt, dat deze geen invloed heeft op de betrekking tusschen de Maoht (J en den Last A. Jic.t is dus onrerschillig, waar ergens de last ujt de brurj geplaatst worde.

Ten slotte zij nog opgemerkt, dat de in het voorgaande gegeven vergelijking c'K : l/K cd: n'd oen belangrijk voordeel voor het gebruik der brngbalans medebrengt.

Zij de verhouding ,A a.

O K

Daalt b' dan een mM., zoo daalt c a mM. In dat geval zal ook h een mM. en c a niM. dalen. I'it het laatste A-olgt, dut a', dus ook a, weder slechts een mM. zal dalen. De punten der brug h en a dalen dus beide evenveel. 1 it de aangenomen gelijkheid van verhoudingen volgt dus, dat alle punten der brug evenveel dalen of rijzon en deze dus bij hare beweging aan ziehzelve evenwijdig blijft.

ocr page 116

104

137. In lig. 41 is ccne cirkel rondo schijf voorgesteld, die om eene door haar middelpunt gaande as kan draaien, en aan den beugel E kan opgehangen worden. Zulk eene schijl' draagt den naam van katrol. In den rand der schijf bevindt zich eene gleuf,

waarin een touw of eene ketting kan worden opgenomen.

Is de katrol aan haar beugel opgehangen, zooals in lig.

45, dan zullen de krachten A en /gt;, die aan de beide einden van het toinv werken, elkanders werking opheffen,

wanneer zij onderling gelijk zijn, daar de schijf niets anders is dan eene tweearmigc hefboom, waarvan de lastarm gelijk is aan den machtarm.

Vr. In welk verband staan de hefboomsarmen der katrol tot den cirkelomtrek der schijf?

Wordt de katrol juist andersom opgehangen (lig. 4()), zoodat de haak van haar beugel dient om een

dat de eene helft op het bevestigingspunt, de andere helft op de hand werkt.

In het eerste geval heet de katrol, daar zij alleen draaien en niet op en neer bewegen kan, eene vaste katrol; in het tweede geval eene losse katrol. In het tweede geval maakt de katrol zelve deel uit van den last.

Bij eene vaste katrol is er evenwicht, wanneer de Macht gelijk is aan den Last.

Bij eene losse katrol is er evenwicht, wanneer de Macht gelijk is aan de hel/t van den Last.

Fig. 47 wijst aan , hoe de hand van lig. 46 vervangen kan worden door het losse touw over de vaste katrol A te slaan en met een gewicht te belasten.

In lig. 48 is een zoogenoemde takel voorgesteld, dat is in dit geval een samenstel van drie vaste (13) en drie losse (^i) katrollen.

Tusschen onder- en bovenblok zijn G touwen gespannen. Indien nu de ,^^11^'' /gt; gelijk is aan '/« Vlin den „Lastquot; 7, zal er evenwicht zijn-

In het algemeen:

Bij een takel is er evenwicht, wanneet de ^Machf zooveel maal kleiner is dan de „LasC als het aantal tusschen hoven- en onder blok gespannen touwen bedraagt.

Opg. Toon dit aan.

last aan op te hangen , terwijl het eene einde van het touw aan een onbeweeglijk bevestigingspunt is vastgemaakt, dan wordt het „Gewichtv, van last en katrol over de beide touwen gelijkelijk verdeeld, zoo-

ocr page 117

105

I as. In lig. 10 is een windas voorgesteld, beslaande uit een rad, una man de kracht l), en eene spil, waaraan de kracht ii werkt.

De toestel zal in evenwicht zijn, wanneer voldaan is aan de voorwaarde:

Dc vincht I' (in de last (i zijn omgekeerd eveurediij aan dc middellijnen ran rad en sjiil.

op ij. Beredeneer dit.

Fig. 49. Fig. 50.

Staat de spil van het windas overeind, dan heeft men een kaapstander (vgl. lig. 50).

Bij samengestelde werktuigen en machinerieën dient dikwijls de beweging van een rad om aan een ander eveneens eene ronddraaiende beweging te geven. Zijn de beide raderen op eenigen afstand van elkander gelegen, dan verbindt men ze dooier een touw om heen te slaan, waarvan de einden aan elkaar gelascht zijn („touw zonder eindquot;) of door middel van een riem zonder eind, „drijfriem1'' geheeten.

Liggen de raderen dicht bijeen, dan bedient men zich voor hetzelfde doel van getande raderen, waarvan de tanden van het eene rad in de tusschen de tanden gelegen insnijdingen van het andere rad grijpen, en omgekeerd. Daartoe hebben tanden en insnijdingen van beide in elkaar grijpende raderen dezelfde afmetingen en zijn zij op dezelfde; afstanden van elkaar gelegen, zoodat het aantal

tanden of insnijdingen van twee zulke raderen evenredig is aan hunne otntrekken (of middellijnen, of stralen). Dc wijdte der insnijding wordt een weinig grooter genomen dan de breedte van een tand en de tanden voorts zoo geregeld,

dat, als er twee elkander juist in het midden aanraken, de aanraking van het vorige paar juist ophoudt en die van het volgende paar juist begint.

Wil men bij het gebruik van tandraderen, dat het tweede rad eene veel snellere ronddraaiende beweging zal aannemen dan het eerste, dan laat men dc tanden van het eerste niet regelrecht in

ocr page 118

T

loo

die. vjiii hot tweede grijpen, mutir in de tanden van een aan zijne as bevestigd kleiner rad, dat den naam van „rundsoP1 draagt.

Voorbeelden van '/ulke raderen mot ,,rondsel.sv, vindt men in elk horloge (vgl. lig. 51).

Onderstelt men den straal van een der twee in elkander grijpende raderen oneindig groot, m. a. w. gaat de getande cirkelomtrek van het eene rad in eene getande rechte lijn over, dan wordt de ronddraaiende beweging van dit tweede rad eene rechtlijnige, heen en weergaande beweging. Zulk eene getande staaf heet heugel, en wordt o. a. toegepast in de zoogenoemde dominekracUt (vgl. lig. 52).

Met het opsporen der even wichtsvoor waarden bij deze .samengestelde werktuigen behoeven wij ons niet bezig te houden# Ook het hellend vlak (()/gt;ƒ/. Herlees § 93, blz. 72) vindt in eenige bekende werktuigen zijne toepassing.

Zoo kan bijv. eene wig beschouwd word ei als een samenstel van twee hellende vlakken, die de bases naar elkaar gekeerd hebben; terwijl eene schroef opgevat kan worden als een hellend vlak, dat om een cylinder gewonden is.]

129. Volyens § 44 zou een op een horizontaal vlak geplaatst lichaam, eenmaal in beweging zijnde, ook in beweging blijven, indien het aan den invloed van geen enkele kracht onderworpen was. Had dus een paard aan een wagen eenmaal eene zekere snelheid medegedeeld, dan zou de wagen, zonder dat het paard nog langer behoefde te trekken, met de eenmaal verkregen snelheid blijven voortgaan — indien er namelijk geen andere krachton in het spel waren. Nu weten wij, dat de wagen niet „uit zich zelfquot; met de eenmaal verkregen snelheid blijft voortgaan, zoodra het paard ophoudt te trekken, waaruit dan, in verband met onze leer der krachten, moet volgen, dat er gedurende de beweging van den wagen eene kracht optreedt, die zijne beweging tegenwerkt. Heeft de beweging over een horizontaal vlak plaats, dan moet de tegenwerkende kracht noodzakelijk of horizontaal en in tegengestelden zin als de beweging zelve gericht zijn, öf z\j moet de horizontale „ontbondenequot; der opgewekte kracht zijn.

Dat er nu zulk eene, de beweging tegenwerkende, kracht wordt opgewekt, waardoor het paard den wagen moet blijven trekken, waardoor een voortge-schoven lichaam weer tot rust komt, waardoor een boek op het hellend vlak van een lessenaar blijft liggen, — dat alles moet toegeschreven worden aan de oneffenheden van het steunvlak en van de oppervlakte van het lichaam.

De hoogten en laagten van steunvlak en lichaamsoppervlak sluiten eenigszins in elkaar, zoodat er bij voortduring eenige kracht moet aangewend worden om liet lichaam over die kleine hellende vlakjes te trekken, of de hoogten te verschuiven, om te buigen of af te scheuren. Steunvlak en lichaamsoppervlak bieden dus in dit opzicht een zekeren weerstand tegen de beweging, die in de Natuurkunde met den naam van Wrijving wordt aangeduid.

Fig. 54.

_

ocr page 119

107

Om de „wrijviiiirquot; te vormiiuloren wordon do clkiimlor luiniaki'inlc oppervlakken „gesmeerdquot;, waarhij de diepten worden aangevuld. Smeermiddelen /.ijn: vet, (die, potlood, zeep, water.

I.'{0. Ligt een blok zandsteen plat op den grond, dan is het, veel moeilijker voort te bewegen dan wanneer het op twee houten rollen ligt.

Zoo zou men ook een wagen zonder wielen alleen met groote krachtsinspanning kunnen voortbewegen.

Houdt men het wiel van een wagen door een remschoen tegen, zoodat liet niet meer kan draaien maar alleen glijden, dan vermindert de snelheid van beweging terstond.

Op grond hiervan onderscheidt men twee soorten van wrijving: eene slepende en eene rollende wrijving, van welke de laatste, wanneer de overige omstandigheden gelijk zijn, verreweg geringer is dan de eerste.

131. De grootte der wrijving, d. i. der aan de beweging tegengesteld gerichte, weerstandbiedende kracht, hancjl af van den aard der elkander aanreikende lichamen en van de gesteldheid hunner oppervlakken.

De wrijving verschilt bijv. al naar metaal op metaal, hout op metaal of hout op hout glijdt; en in het laatste geval maakt het weer verschil, of de vezels der beide houtstukken aan elkander evenwijdig of onderling loodrecht gericht zijn.

In 't algemeen is de wrijving tusschen gelijksoortige lichamen grooter dan tusschen ongelijksoortige, wat zich aldus laat verklaren, dat in het laatste geval de onetfenheden, die bij lichamen van verschillenden aard verschillen, minder goed in elkander passen.

Hoe „zwaarderquot; het op een steunvlak gelegen lichaam is, hoe dieper de hoogten en laagten in elkander zullen sluiten en hoe grooter dientengevolge de wrijving zal zijn.

De wrijvings-weerstand is evenredig aan de drukking, die de lichamen legen elkander uitoefenen.

Stellen wij nu de door een lichaam loodrecht op zijn steunvlak uitgeoefende drukking („normalequot; drukking) voor door eene kracht P, de wrij vings-weerstand door eene kracht I'1, dan bestaat er, zoolang de overige omstandigheden gelijk blijven, tusschen deze beide grootheden eene standvastige verhouding:

,/i ]lgt;

i 1 — ƒ

Aan deze verhouding geeft men den naam van w r ij v i n gs-coëff'i ei en t.

lt;gt;/gt;ƒ/. 1. Hoe groot moet de horizontmil gerichte kracht zijn, dit' de beweging van een lichaam van 100 K.G. gaunde houdt op een horizontaal oppervlak, indien de wrij vin gs-coëfficiënt (ƒ) = 0,32?

2. Voor een spoorweg is de wrijvings-coëfticient = Hoe groot is dan de horizontaal

gerichte kracht, die de beweging van een trein van 300 000 K.G. tegenwerkt?

De kennis der wrijvings-eoëfficienten is van veel belang voor de mannen van de praktijk, die zich dan ook van tafels bedienen, waarin de talrijke bepalingen van den wrijvings-coëfficient van verschillende lichamen vereenigd zijn.

is een lichaam eenmaal in beweging, dan is de wry vings-weerstand aanmerkelijk geringer dan wanneer het lichaam uit den toestand van rust in dien van

ocr page 120

beweging' overgaat. Vandaar dat men onderscheid maakt tussclien eene wry ving der „rustquot; en eene wrijving der „bewegingquot;, en de tafels dikwijls twee „wryvings-coefficientenquot; geven: een grootsten, die beantwoordt aan tie „wrijving der rnstquot; en een kleinsten, die beantwoordt aan de snelste beweging, by welke de wrijving is gemeten.

Ondergaat de „snelheidquot; der beweging geen groote veranderingen, dan kan als bij benadering juist gesteld worden: De snelheid heeft geen invloed op de (/rootte vnn den wrijvings-weerstand.

Bij aanzienlijke vermeerdering der snelheid echter neemt de wryvings-weerstand merkbaar af.

Na het voorgaande wordt het ook begrijpelijk, dat de wrijvings-weerstand aangroeit met het aantal aanrakingspunten der over elkander wrijvende oppervlakken.

Plaatst men daarentegen een en hetzelfde lichaam, bijv. een blok zandsteen, eerst op den smallen, daarna op den breeden kant, dan blijft de wrijving even groot. In het eerste geval is namelijk het aantal aanrakingspunten wel kleiner, doch de last, die op elk aanrakingspunt drukt, ook evenredig grooter dan in het tweede geval.

Het voorgaande geldt intusschen alleen onder deze voorwaarde, dat het lichaam niet op een scherpen kant geplaatst wordt, zoodat deze in den bodem zinkt en daardoor eene wryving aan de zijvlakken ontstaat. Hierin ligt bijv. tie ondoelmatigheid van smalle wielen op een weeken bodem.

Opa. I. Wanneer een blok met een zijner zijvlukken in aanraking is met een verticalen wand, en de \\ rijvings-coëfticient gelijk aan 0 is, dan zal geen loodrecht op den wand gerichte drukking tegen het blok in staat zijn te beletten, dat het valt. Verklaar waarom.

2. Wanneer in het voorgaande geval de coefficient van de „wrijving der riistv' gelijk 0,6 is, en het blok heeft eene massa van 10 K.G., hoe groot moet dan de tegen het blok uitgeoefende drukking zijn om het in ,^118^'' te honden?

132. Zyn de elkaar aanrakende oppervlakken van twee lichamen zeer „gladquot;, bijv. doordien zij fijn gepolijst zyn, dan kan eene andere soort van tegenstand tegen de beweging worden opgewekt, ontstaande uit de „aantrekkende krachtquot;, die zich in vele gevallen openbaart tusschen de deeltjes van twee verschillende lichamen, wanneer zij zich op uiterst kleinen afstand van elkaar bevinden. Plaatst men bijv. twee goed gepolijste stukken spiegelglas op elkaar, dan laten zy zich niet zonder eenige moeite vaneenscheiden.

Aan de aantrekkingskracht, die zich tusschen de in elkanders onmiddellijke nabijheid zijnde deeltjes van verschillende lichamen openbaart, geeft men den naam van adhaesie.

Op de „adhaesiequot; berust het schryven met krijt, potlood en inkt; liet plakken, lijmen en soldeeren.

Kr. Welke adhaesie is sterker, die tusschen krijt en bord of die tusschen potlood en papierï

133. Den onderlingen samenhang der deeltjes van een zelfde lichaam verklaart men, zooals reeds vroeger is medegedeeld, uit de werking eener tusschen de deeltjes uitgeoefende aantrekkende kracht. Is de samenhang verbroken en houdt men de deelen eenvoudig tegen elkaar, dan hechten zy zich niet weder aaneen. Maakt men echter de gescheiden deelen van het lichaam

ocr page 121

109

vooraf door verwarming week en drukt men ze krachtig tegen elkander, dan kan de samenhang weder hersteld worden. Voorbeelden zijn: het aaneenhechten van de stukken eener gebroken pyp lak; het „wellenquot; van ijzer; liet verbinden van twee stukken lood, alleen door drukking.

Aan de aantrekkingskracht, die den samenhang der deeltjes van een zelfde lichaam bewerkt, geeft men in de Natuurkunde den naam van cohaesie.

Oplt;/. 1. Kene 1,5 M. lange, cylindervormige staal' vsin 1 KG. wordt op 3 dM. afstand van hot eene uiteinde ondersteund door eene horizontale as, loodrecht gericht op de meetkundige as der staaf. Hoe groot is de massa, die, aan hot kortste uiteinde der staaf opgehangen, de meetkundige as dor staaf horizontaal gericht doet blijven?

2. Een voorwerp wordt gewogen mot behulp van eene ongelijkarmige balans. Weegt men het in schaal A, terwijl het „gewichtv, zich in schaal 15 bevindt, dan hoeft dit laatste, bij horizontalen even wichtsstand van liet juk, eene massa van 2'),824 O. Weegt men het voorwerp in schaal 15, terwijl hot ,^0^^011^'' zich in schaal A bevindt, dan hooft dit eene massa van 25,878 O. Wat is do ware massa van het voorworp?

De spil van oen kaapstander hoeft eene middellijn van 4 dM. Hoe groot moet de macht zijn, die aan do handspaak op 12 dM. van de as der spil aangrijpt, om evenwicht te maken met oen last van 400 KG.? (zonder wrijving).

4. Hoe lang is de secunde-slinger, wanneer de door do zwaartekraclit veroorzaakte versnelling gelijk is aan 980,62?

5. Hoe verhouden zich de waarden van (j voor twee; plaatsen, waar dezelfde slinger respectievelijk a en b slingeringen per minuut maakt?

0. Hoeveel zal een secunde-slinger, die te Amsterdam nauwkeurig gaat, aan den evenanr in 24 uren achterloopon ?

Aan don evenaar g = 078,103.

7. Zij de hoek, dien hot hellend vlak mot hot horizontale vlak maakt, gelijk 30 en daarbij do grootste hoek, waarbij een zeker voorwerp niet naar beneden glijdt. Hoe groot is de wrijvings-coëfficiont (/)?

8. Wanneer een jongen en een man, die anderhalf nuud zoo sterk is als de jongen, aan een 2'/., M. langen stok oen last moeten dragen en wel zoo, dat naar evenredigheid van beider krachten evenveel gevergd wordt, waar moet do last dan opgehangen worden?

Voor Uwe school kunnen de volgende onderwerpen in aanmerking komen om met de leerlingen besproken te worden.

Hefboom: Breekijzer. Spade. Pompzwengel. Notenkraker. Nijptang. Schaar. Tang. Kruiwagen. Wipplank. Roeispaan. Deurklink.

Boor. Stemsleutel. Draaier van een slijpsteen ol draaiorgel. Koffiemolen. Katrol. Takel. Windas. Kaapstander.

Hellend vlak: Ladder. Trap. Opril van een lt;1 ij k. Balken, waarlangs kisten en vaten op- en afgeladen worden.

Wig om hout te splijten. Spie. Ploegschaar. Snede van den beitel. Kurkentrekker, die als schroefvormig gewonden wig gemakkelijk in de kurk dringt en b\i het omhoogtrekken, wegens de w r ij v i n g, de kurk mede neemt.

Wrijving: Loopen op ijs en loepen op een grintweg. Het strooien van zand of asch als het „gladquot; is. liet beklimmen van eene hoogte, onmogelijk zonder wrijving. Uem toestel len. liet vastzitten van spijkers. Wielen aan de wagens.

ocr page 122

no

Cohaesie: Hard. Week. Broos. Taai. Rekbaar. Plet baar. Smeedbaar. Huig baar.

Adhaesie: Plakken. Lijmen. Metselen. Schrijven met krijt en 1)0tlood. Aan bet glas hangende waterdruppels.

Slinger: Toepassing op het uurwerk. Door het verschuiven der scbyf wonlt de gang gewyzigd.

1H4. Üe lichamen, waarmede wij ons in het voorgaande bezig gehouden hebben, hadden alle een eigen vorm, onafhankelijk van de omgeving.

Wij hebben bij de meeste onzer beschouwingen, die hen tot onderwerp hadden, ondersteld, dat de onderlinge afstanden hunner deeltjes steeds onveranderd bleven.

Aan zulke lichamen geeft men den naam van vaste lichamen.

Een vast lichaam, van welks deeltjes de onderlinge afstanden steeds onveranderd blijven, is een denkbeeldig lichaam. Ook van een stuk ijzer kan, zooals wy weten, de vorm gewijzigd worden.

Bovendien zijn alle zoogenoemd vaste lichamen samendrukbaar.

Eene hoeveelheid water — tenzij eene zeer kleine hoeveelheid als bijv. een regendruppel — heeft geen eigen vorm, onafhankelijk van de omgeving. Wil zij één samenhangend geheel vormen, dan moet zij in een vat bijeengehouden worden. Dan vormt dit water een lichaam, dat begrensd wordt, vooreerst door een bovenst, zoogenoemd vrij oppervlak: voor het grootste gedeelte een plat en wel horizontaal gericht vlak, dat met de lucht in aanraking is; en overigens door een oppervlak, welks vorm bepaald wordt door de wanden van bet vat, waarmede het in aanraking is.

Dat het vrije oppervlak van water een horizontaal vlak is, d. i. loodrecht op de verticaal staat, is reeds in ij 36 proefondervindelijk aangetoond. Hier moge er nog bijgevoegd worden, dat ook dan, wanneer de vorm van het vat zoodanig is, dat men evengoed van twee onderling gemeenschap hebbende (communicee-rende) vaten kan spreken, de gescheiden deelen van het vrye oppervlak in een zelfde horizontaal vlak gelegen zijn.

Fig. 55.

Tn van hoven open en met hetzelfde water g e v n l d e huizen, die van onderen met elkander in verhinding staan, onverschillig of hare wijdte gelijk of ongelijk is, staal het wei ter overal even hoog.

ocr page 123

Ill

Dit vindt bij het „nivelleerenquot; of waterpassen zijne toepassing in het zoogenoemde „fleschjes-waterpiisquot; (vgl. fig. 55). Het snijpunt der heide deellijnen van C ligt met de oppervlakken van A en B in eene horizontale lijn ef.

Lichamen zooals water noemt men vloeistof-lichamen.

Eene in alle opzichten juiste omschrijving of' bepaling van het begrip „vloeistofquot; is niet zoo gemakkelijk als de algemeene bekendheid van het begrip zon doen vermoeden. Ook zonder ons echter te verdiepen in de moeilijkheden, die hier aan wetenschappelijke gestrengheid verbonden zijn, kunnen wij ons, zonder gevaar voor misverstand, beroepen op de alledaagsche voorstelling, die men aan het begrip vloeistof verbindt.

135. Kost de v o r m-verandering van een vast lichaam meer of minder groote krachtsinspanning, dit is bij eene vloeistof zoo weinig het geval, dat wij bij onze volgende beschouwingen den weerstand van een vloeibaar lichaam tegen verandering van vorm, hij gelijk blijvend volumen, kunnen verwaarloozen, zonder met de uitkomsten der waarneming in tegenspraak te komen.

Anders is het, wanneer daarbij het volumen kleiner wordt. Langen tijd zijn de natuurkundigen in het onzekere geweest, of water al dan niet samendrukbaar zou zyn. Dat omtrent dit punt zoo lang twijfel mogelijk was, is hieraan toe te schrijven, dat met zeer groote krachtsinspanning slechts eene uiterst geringe vermeerdering van volumen kan teweeggebracht worden. Tegenwoordig bestaan er toestellen, waarmede de samendrukbaarheid van water onwederlegbaar bewezen wordt.

Houdt de uitwendige kracht op met werken, dan herneemt het samengedrukte water zijn oorspronkelijk volumen.

]Vater is volkomen veer krachtig.

De vloeistoffen, die het onderwerp der volgende SS zullen uitmaken, zijn denkbeeldige vloeistoffen, in zoover wij den door haar geboden weerstand tegen verandering van vorm gelijk nul stellen.

De eene vloeistof nadert dezen idealen toestand meer dan de andere, water bijv. meer dan stroop; en dus zullen de uitkomsten der waarneming beter overeenstemmen met de uitkomsten der beschouwingen, waaraan de genoemde onderstelling ten grondslag ligt, naarmate de gebezigde vloeistof minder van de gestelde voorwaarde afwijkt.

Terwijl wij nu onderstellen, dat de vloeistofdeelen langs elkander glijden, zonder weerstand te ondervinden, hoede men zich voor de misvatting, alsof ook by het vaneenscheiden dezer deelen geen weerstand zou moeten overwonnen worden. Integendeel vertegenwoordigen de inwendige krachten, die zich tegen eene scheiding, eene verwijdering der deelen van elkander, verzetten, een vrij aanzienlijk bedrag, zij het ook minder dan bij een stuk ijzer of' andere „vastequot; lichamen.

I!{7. Een lampeglas A (vgl. fig. 56) met glad afgeslepen onderrand, kan door eene vlakke schijf B afgesloten worden; terwijl men door een in zijn midden bevestigden draad kan beletten, dat zij van het glas afvalt. Dompelt men het door de schijf' afgesloten glas onder water, dan kan men den draad

ocr page 124

loslate»; de schijf blij ft, tegen liet glas aangedrukt, en wel onverschillig in welken stand men dit houde.

Deze waarneming leert,, dat onder den invloed van de vloeistof, die met de

schijl in aanraking is, tegen de oppervlakte der schijt' krachten werken, die den invloed der op haar werkende zwaartekracht neutraliseeren.

De congerente van de, onder den invloed der vloeistofdeeltjes, op een wand of gedeelte van een wand uitgeoefende krachten, noemt men de daarop uitgeoefende drukking.

i;{8. Daar eene „drukkingquot; eene kracht is, wordt zij gemeton met de éénheid van kracht, de dyne van het C.G.S.-stelsel.

In het dagelijksch leven wordt eene drukking veelal uitgedrukt in Kilogrammen, die gemakkelijk tot dynes te herleiden z\jn, wannéér wij bedenken (vgl. de Aanm. van § 121), dat, volgens de vergelijking V~my, de drukking van een Kilogram heteekent; eene kracht van 1000 X 981 dynes.

Bki'Ai.ing. De „drukkingquot; op een plat vlak heet gelijkmatig, wanneer de drukkingen, die op onderling gelijke oppervlakte-deelen, hoe klein ook genomen, worden uitgeoefend, onderling gelijk zijn, zoowel ten opzichte van grootte als van richting.

Is de numerieke waarde van het gedrukte oppervlak — .s1, van de daarop uitgeoefende drukking — P, en is de drukking gelijkmatig, dan is de numerieke

P

waarde (/)) der op de éénheid van oppervlakte uitgeoefende drukking :

s

1'

IJuPAMNfj. Is de drukking niet gelijkmatig, dan noemt men de waarde

ft

van de vorige vergelijking de gemiddelde drukking per finheid van oppervlakte.

F

De waarde als „gemiddelde drukkingquot; hangt af van de grootte en de

plaats van het beschouwde gedeelte van het oppervlak, waarop de drukking wordt uitgeoefend.

189. Wanneer s de numerieke waarde (het aantal oppervlakte-éénheden) voorstelt van een klein om een punt A gelegen gedeelte van een platten wand,

en men laat het binnen de gesloten lijn gelegen oppervlak, te gelyk met haar

|gt;

omtrek, tot 0 naderen, dan kan aangetoond worden, dat de waarde tot

ocr page 125

113

eeue bepaalde grenswaarde of' limiet nadert. Wordt deze grenswaarde voorgesteld Fig. 57. door p, dan is:

p z= Li in. ' , voor Lim. ,s = ü.

s

, Kleine, tot nul naderende deelen heeten in de wis-

j kunde elementen, en zoo noemen wij het kleine om liet punt A gelegen oppervlakte-deel een oppervlakte-element.

Bepai.ing. De grenswaarde (p) van de „gemiddelde

drukkingquot; ^ ^ per éénheid van oppervlakte, op het beschouwde

oppervlakte-element uitgeoefend, heet de dr ut king per éénheid van oppervlakte in het punt A.

140. In § 137 is proefondervindelijk gebleken, dat de met de glasplaat in aanraking zijnde vloeistof inderdaad eeue drukking uitoefent. Van den oorsprong dezer drukking geeft men zich aldus rekenschap:

De vloeistof is volkomen veerkrachtig. Zoodra nu een gedeelte van een vloeistof-lichaam samengedrukt wordt, wordt het evenwicht der inwendige krachten verbroken en er komen nieuwe inwendige krachten in liet spel, welker uiting Gij vroeger als werking der „veerkrachtquot; hebt leeren kennen. De door het saamgedrukte vloeistof-gedeelte ontwikkelde veerkracht tracht niet alleen het lichaam, waarvan de samendrukking uitgaat, af te stoeten, maar drukt op zijne beurt, terwijl het zijn vorig volumen tracht te hernemen, de aangrenzende vloeistof-gedeelten samen; deze drukken op hunne beurt weer daaraan grenzende gedeelten samen en zoo wonlt de sarnendrnkkiny door de geh.eele vloeistof-mami voortgeplant.

De saamgedrukte, doch overigens in evenwicht verkeerende vloeistof is voor een gedeelte in aanraking met de wanden van een vat, en daar ook deze vloeistof-gedeelten hun volumen trachten te hernemen of m. a. w. veerkracht ontwikkelen, trachten zij het wandgedeelte, waarmede zy in aanraking zijn, af te stooten, en deze op den wand uitgeoefende kracht is de door dezen ondervonden drukking.

Nu oefent eeue vloeistof in gewone omstandigheden altijd drukkingen uit, al ware het alleen hierdoor, dat de onder den invloed der zwaartekracht staande vloeistoflagen de daaronder gelegen lagen samendrukken.

Aanm. liet, bovenste „vrijequot; vloeistol-ojipcivlak ondervindt ultijd eenc drukking vim do duinpkringslucht, zooals later nader zal worden aangetoond. Ook deze bewerkt reeds op zicli zelve eene samoïidrukking van het vloeistot-liehaiini.

Het Beginsel van de voortplanting der drukkingen in eene vloeistof-massa, afkomstig van Pascal, kan beschouwd worden als de grondslag van de even-wichtsleer der vloeistoffen. Op eene nauwkeuriger omschrijving van het Beginsel komen wij weldra terug.

141. Minnen in een vloeistof-lichaam, welks doelen in evenwicht zijn,

kunnen wij ons een rondom begrensd gedeelte denken, dat te midden van liet

overige gedeelte, volgens de onderstelling, in evenwicht is. Op de deeltjes van

dit rondom ingesloten vloeistof-gedeelte werken in- en uitwendige krachten. Met

de inwendige bedoelen wij dan den invloed, dien de stoffelijke punten van de salvehda en lis uov, Natuurkewiis, 11. 2e druk. s

ocr page 126

114

ingesloten vloeistof op elkander uitoefenen (veerkracht of elusticiteit); met de uitwendige, 1° de werking der zwaartekracht op hare deeltjes, 2° de drukkingen, die de oppervlakte van het beschouwde ingesloten gedeelte der vloeistof ondervindt van de omringende stoffelijke punten.

Dat de ouder 2'' genoemde drukkingen loodrecht {normaal, gelijk men ook zegt) gericht moeten z\jii op de oppervlakte-elementen, waarop zij werken, volgt hieruit, dat, wanneer zulk eene drukking schuin gericht was, zij eene in het oppervlakte-element gelegen onthondene zou hebben, die de beweeglijke vloeistof-deelen aan de oppervlakte van het element zou doen voortglijden, — hetgeen strijdt tegen de onderstelling van bestaand evenwicht.

Eene wiskundige beschouwing, waarvan hier alleen de uitkomst moge medegedeeld worden, leert, dat er voor eene volkomen, d. i. denkbeeldige vloeistof, in den zin van § 136, eene bepaalde betrekking bestaat tusschen de drukkingen per éénheid van oppervlakte, in twee punten der oppervlakte van het ingesloten gedeelte uitgeoefend. Daar wij dit gedeelte naar willekeur kunnen begrenzen, kunnen wij dus de betrekking bepalen tusschen de drukkingen per éénheid vim oppervlakte in twee willekeurige punten van een in evenwicht verkeerend vloeistof-lichaam.

De bedoelde betrekking is uitgedrukt in de volgende

GRONDSTELLING.

In een vloeintof-lichaam, welks deeltjes in evenwicht zijn, neemt de in een zeker punt per éénheid van oppervlakte uitgeoefende drukking met de diepte toe; en het verschil der drukkingen per éénheid van oppervlakte, in twee punten van zulk een vloeistof-lichaam, is gelijk a.an het ^Gewichtquot; van een rechten cylinder dezer vloeistof, die de éénheid van oppervlakte tot grondvlak en den verticalen afstand tusschen de twee beschouwde pnnten tot hoogte heeft.

De richting der vloeistof-drukking op een zeker oppervlakte-element valt samen met de loodlijn op dat oppervlak.

Deze Grondstelling geldt ook ten opzichte van de drukking, die de vloeistofdeeltjes in twee verschillende punten op den wand van het vat uitoefenen.

Deze stelling mag terecht de Grondstelling van de Evenwichtsleer der vloeistoffen heeten, omdat uit haar verscheidene andere stellingen kunnen worden afgeleid.

14-2. Beschouwen wij nu de punten a en h van het in fig. 58 rondom inge-j'ig, rl8_ sloten gedeelte van het vloeistoflichaam, dan wijzen

de pijltjes de richting aan van de in elk dezer punten uitgeoefende drukking (loodrecht op de door het punt. getrokken raaklijn).

De verticale afstand cd der punten a en ft hebbe eene numerieke waarde gelijk aan h; die der in a per éénheid van oppervlakte uitgeoefende drukking zij gelijk aan p, die in h gelijk aan p'. De soortelijke massa der vloeisli)! zij gelijk aan m. Dan wordt de genoemde Grondstelling aldus in beeld gebracht:

p'}p; p'—p — hmg.........(1)

ocr page 127

115

Stellen wij de numerieke waarde van tie oppervlakte der onderling gelijke elementen, binnen welke de punten lt;i en h gelegen zijn, gelijk aan «, en vermenigvuldigen wij hiermede de beide leden van vergelijking (1), dan vinden wij

1gt;H — pa — nhmg.

Het verschil der druklingm, op twee onderling gelijke oppervlakte-elementen erner in evenwicht zijnde vloeistof uitgeoefend, is gelijk aan het „Gewichtquot; van een rechten cylinder dezer vloeistof, welks ba*U gelijk is aan het oppervlakte-element en welk* hoogte gelijk is aan den verticalen afstand tn.sschcn heide elementen.

Zooals reeds is aangeduid, liggen in de Grondstelling der vorige S verscheidene gevolgtrekkingen opgesloten, waarvan eenige op eenvoudige w\js aan de waarneming en liet experiment getoetst kunnen worden.

1° Draait in fig. HS het oppervlakte-element in a om dit punt, dan verandert wel de ridding (loodrecht op het element), maar niet de grootte der drukking.

De grootte der op een oppervlakte-element uitgeoefende drukking is onafhankelijk van hare richting.

Zoo leert bijv. de proef met het lampeglas (vgl. fijr. 5G), dat het onverschillig is, ot het glas recht of schuin gehouden wordt.

'2° Zijn twee onderling gelijke oppervlakte-elementen binnen een in evenwicht verkeerend vloeistof-lichaam in eene zelfde horizontale laag gelegen, dan is hun verticale afstand gelijk aan 0 en dus ook het verschil in drukking gelijk aan 0.

Twee onderling gelijke oppervlakte-elementen, die in een in evenwicht verkeerend vloeistof-lichaam in een zelfde horizontaal vlak gelegen zijn, ondervind en onderling (lelijke dr a kk ing en.

Omgekeerd moeten twee onderling gelijke oppervlakte-elementen in een zelfde horizontaal vlak gelegen zijn, wanneer zij onderling gelijke drukkingen ondervinden.

In ilit geval toch moet ps — jgt;'« en bij gevolg shmg — 0 zijn, wat alleen dan mogelijk is, wanneer h — 0.

3U Daar alle onderlinlt;r gelijke oppervlakte-elementen, die in een zelfde horizontaal vlak gelegen zijn, onderling gelijke drukkingen ondervinden, is de drukking door de deelen van een in evenwicht verkeerend vloeistof-lichaam op een in haar gelegen horizontaal vlak uitgeoefend, „gelijkmatigquot; (vgl. de Bep. van § 138), m. a. w.:

In een horizontaal vlak is de drukking evenredig aan de grootte van het gedrukte oppervlak.

Denkeu wij ons de geheele ruimte van het rondom gesloten vat van fig. 59 lüg. 59. door een vloeistof-lichaam ingenomen. Op drie plaat-

| sen zij een gedeelte van den wand verplaatsbaar,

A^\_» namelijk in A , B en C, waar de afsluiting door

zoogenoemde zuigers bewerkt is. Op elk dezer zuigers | worde, door middel van gewichten, eene drukking

-.....................uitgeoefend, zoodanig, dat de deelen van het vloei-

stof-lichaam in evenwicht zijn.

____________Zij de oppervlakte van A gelijk aan a, de daarop

uitgeoefende drukking /),• de oppervlakte van ƒ?gelijk aan b, de daarop uitgeoefende drukking gelijk aan p. Zijn de vloeistofdeelen in

8*

ocr page 128

evenwicht, dan oefenen deze dus tegen de ondervlakte van j1 eveneens eene drukking uit, gelyk aan p, en tegen B eene gelijk aan p'.

Liggen beide oppervlakken, A en B, in een zeilde horizontaal vlak, dan moet, terwijl de vloeistofdeelen in evenwicht zyn, de uitgeoefende drukking evenredig zyn aan de grootte van het gedrukte oppervlak:

p : p' — a : h.

De vau buiten op de zuigers A en B uitgeoefende drukkingen, moeten dus, om met elkander evenwicht te maken, eveneens evenredig z\jn aan de oppervlakten der zuigers, waarop zij werken.

De drukking, door de in evenwicht zijnde vloeistof-deelen tegen de oppervlakte-éénheid van den zuiger C uitgeoefend, zal grooler zijn dan by de zuigers A en B; en het verschil zal, volgens onze Grondstelling, gelyk zijn aan het „Gewichtquot; van een rechten cylinder dezer vloeistof, die de oppervlakte-éénheid tot grondvlak en den verticalen afstand tusschen beide zuiger-oppervlakken tot hoogte heeft.

Ts dit verschil (het Gewicht van zulk een vloeistof-cylinder) zeer klein ten opzichte van de geheele uitgeoefende drukking, dan kan het zonder groote fout verwaarloosd worden, en dan wordt met de genoemde beperking waar, wat reeds in de 17de eeuw door Pascal proefondervindelijk werd aangetoond en naar hem den naam draagt van de

WET VAN l'ASCATi.

„Indien een vat, dat vol water en aan alle zijden gesloten is, twee openingen heeft, waarvan de eene honderd maal zoo groot is als de andere en die elk door een volkom en passenden zuiger zijn gesloten, dan zal één man, die tegen den kleinen zuiger drukt, gelijk staan met de kracht van honderd mannen, die tegen den honderdmaal zoo grooten zuiger drukken, en hij zal de kracht van negen en negentig van hen over winnen. Welke grootte-verhouding er tusschen deze openingen hesta, indien de krachten, die op deze zuigers ia er ken, zich verhouden als de oppervlakten der openingen, zullen zij met elkander evenwicht maken.quot;')

4° hi S 142 hebben wy in de vergelyking

p's — ps ~ shmg

uitgedrukt, hoe groot het verschil is der drukkingen, die uitgeoefend worden op twee onderling gelijke oppervlakte-elementen van een vloeistof-lichaam, welks deelen in evenwicht zyn; terwijl wij in Gevolg 2quot; van deze ^ gevonden hebben, dat in zulk een vloeistof-lichaam de drukking in eene horizontale laag evenredig is aan het gedrukte oppervlak. IJrengen wij deze stellingen met elkander in verband, dan moet het verschil der drukkingen, uitgeoefend op den platten, horizontalen bodem van een vat en op eene even groote oppervlakte van het vrye oppervlak van het vloeistof-lichaam, gelijk zijn aan het Gewicht van een rechten cylinder dezer vloeistof, die den bodem van het vat tot grondvlak en den verticalen afstand tusschen bodem en vrij vloeistof-oppervlak tot hoogte heeft.

1) Pascal. Traite de fequilibrc des liqueurs. Puris 1063.

ocr page 129

117

De totale drukking, die de bodem ondervindt, is dun gelijk aan liet zooeven genoemde Gewicht, vermeerderd met de drukking der dampkringslucht op eene oppervlakte van het vrije oppervlak, even groot als die des bodems.

De door de vloeistofdeelen op den bodem van het vat uitgeoefende drukking is dus onutlmnkelyk van de volstrekte hoeveelheid vloeistof', eene uitspraak, die eenigszins wonderspreukig klinkt en daardoor bekend staat als de

IIYDHOSTATISCIIE ') PARADOX.

Dc (Irukkiny op den bodem hdrnjt alleen af van de grootte van hel h o d cm o pperv lak en de hoogte van den vloeixto (spiegel er hoven.

In fig. (30 kunnen de glazen 15 en C, in de plaats van het glas A, op hetzelfde door een drievoet gesteunde onderstuk D geplaatst worden, waarvan de

losse bodem door middel van een draad tegen den onderrand van het glas gedrukt wordt. Wordt er water in het glas gegoten, dan zal, zoodra het eene bepaalde hoogte bereikt heeft, de bodem worden neergedrukt eu het water wegvloeien. De waterhoogte, waarbij dit geschiedt, is dezelfde, onverschillig welk van de drie glazen A, B en C men bezigt, zoodat de drukking op den bodem gelijk is, zoodra slechts, als in het beschouwde geval, liet bodemoppervlak en de hoogte van den waterspiegel boven den bodem gelijk zijn.

5° Beschouwen wij van een vloeistof-lichaam , welks deelen in evenwicht zijn, een rondom ingesloten gedeelte van willekeurigen vorm. Dit gedeelte is onderworpen 1° aan de werking der zwaartekracht, welker congerente zijn Gewicht is, en 2° aan de drukkingen, die de omringende vloeistof-deelen op de verschillende elementen van hare oppervlakte uitoefenen. Daar er evenwicht is, moeten de onder 2° genoemde drukkingen eene congerente hebben, gelijk aan het Gewicht, doch tegengesteld gericht. Zij moet dus eene verticale, van beneden naar boven gerichte kracht zijn, aangrijpende ergens in de verticaal van het zwaartepunt en gelijk aan het Gewicht van het beschouwde ingesloten gedeelte der vloeistof. Wanneer wij ons nu dit gedeelte vloeistof vervangen denken door een voorwerp van welken aard ook, dat volkomen denzelfden vorm bezit en denzelfden stand inneemt, dan zullen de drukkingen, door de vloeistofdeelen op zijne oppervlakte uitgeoefend, dezelfde blijven en bijgevolg dezelfde congerente behouden.

Uit deze door Simon Stevin gevonden beschouwing volgt de reeds door Archimedes proefondervindelijk gevonden en naar hom genoemde

1) Hydrostatica — Leer vim het cvcnwicht der vloeistoffen.

ocr page 130

118

WET VAN AlUMIlMHDIiS.

I)i drukkitif/eti, welke de de cl en van een vlo eiutoj-lichdam op de oppervlakte-elemenlen ran een daarin ondergedompeld lichaam uil-oefenen, hebben eene verticaal naar hoven gerichte congerente, die gelijk is nan het Gewicht der door het lichaam verplaatste vloeistof en in de verticaal van het zwaartepunt der verplaatste vloeistof a an g rij p t.

AdJiin. Wordt de verplaatste vloeistof uls homogeen beschouwd, clan valt haar „zwaartepuntquot;', samen met het zwaartepunt van liet meetkundig liohaam, dat naar grootte on vorm er aan gelijk is, dus ook naar grootte en vorm gelijk is aan het ondergedompelde lichaam.

Aan deze congerente geeft men den naam van stuwkracht.

Proeibmlervindelijk kan ile wet van Archimedes aldus bewezen worden, met behulp van de zoogenoemde „hydrostatische balansquot;.

Aan het eene ophangpunt eener balans (vgl. tig. 61) zijn een cylindervormig emmertje en een massief metalen cylindertje opgehangen, welk laatste zoo nauwkeurig mogelijk denzelfden kubieken inhoud als het emmertje bezit. De aan het andere ophangpunt hangende belasting wordt zoodanig geregeld, dat het juk den horizontalen evenwichtsstand aanneemt, zoodat de door de zwaartekracht veroorzaakte Gewichten van beide belastingen gelijk zijn.

Daarna plaatst men onder het massieve cylindertje een glas, met vloeistof gevuld, en wel zoodanig, dat . het cylindertje, b\j horizontalen stand van het juk, geheel ondergedompeld is. Wordt nu, volgens de wet van Archimedes, eene zoogenoemde „stwwquot;kracht op het cylindertje uitgeoefend, dan kan de horizontale stand van het juk alleen gehandhaafd blijven door aan het ophangpunt 0 eene nieuwe belasting toe te voegen, die gelijk is aan de opgewekte stuwkracht. Inderdaad moet daartoe het emmertje volkomen gevuld worden ^ met dezelfde vloeistof als die, waarin de onderdompeling plaats heeft, zoodat de opgewekte stuwkracht, zooals de wet van Archimedes ook aangeeft, gelijk blijkt te zijn aan het Gewicht van een volumen vloeistof, even groot als het volumen van het ondergedompelde lichaam, m. a. w. gelijk aan het volumen der door dit lichaam verplaatste vloeistof.

Aanm. De wet van Archimedes wordt wel eens aldus geformuleerd: Een onderf/edomj/eUI lichaam ondergaat een Gewichtsverlies f dat cjelijk is aan het Gewicht ran het verplaatste water.

Dat deze uitdrukking alleen kortheidshalve, bij wijze van spreken, kan worden toegelaten, is duidelijk, wanneer men bedenkt, dat er van een Gewichtsverlies bij onderdompeling nooit sprake kan zijn. De werking der zwaartekracht op een voorwerp, waarvan het Gewicht de congerente is, is toch te eenenmale onafhankelijk van het al of niet ondergedompeld zijn van dat voorwerp.

l-t-l-. De communiceerende vaten van fig. (52 bevatten twee verschillende vloeistoffen, bijv. water en kwik, welker scheidingsvlak wordt aangewezen door

ocr page 131

119

de horizontale Hjn CD. De gelieele vloeistof-massa verkeert iu den toestand van j,. , evenwicht. De kwiklaag AH ii^t in hetzelfde iiorizontale

vlak als de kwiklaag CD, Dus is de drukking (jgt;) op de éénheid van oppervlakte in AH gelijk aan die [p) in CD. Zy voorts de soortelijke massa van het kwik gelijk aan m, die van water gelijk aan m', de hoogte HII =. h, de hoogte CF = h'. Dan is p — hmlt;/ en p — limy. Hieruit volgt hmy — li mg of

hm — Km,

waaruit h: li — m : m.

De hoogten der heide vloeistofIcolommm hoven het horizontale sclwidingnvlak verhouden zich omgekeerd al-s hare soortelijke mansa's,

145. V an de in § 143 vernielde Wet van Pascal werd door den Engelschen ingenieur Hramah eene belangrijke toepassing gemaakt in de naar hem genoemde hydraulische pers.

De hydraulische pers bestaat in hoofdzaak uit twee communiceerende buizen van zeer verschillende middellijn, die elk door een zuiger zyn afgesloten, waarvan dus de eene een veel grooter oppervlak bezit dan de andere. De toestel is geheel met water gevuld.

Wanneer nu de eene zuiger h in buis B (vgl. fig. 63) een 4 maal zoo groot oppervlak bezit als de zuiger a in de buis A en de kleine zuiger ontvangt eene benedenwaarts gerichte drukking van d dynes, dan zal deze drukking, volgens het beginsel van Pascal, door het geheele vloeistof-lichaam met onveranderde

sterkte worden voortgeplant, en elk opper-vlaktedeel van h, dat even groot is als het oppervlak van a, zal eene bovenwaarts gerichte drukking van d dynes ondervinden. Wil er nu evenwicht bestaan, dan moet dus op den zuiger /lt; eene naar beneden gerichte drukking van 4 X dynes worden uitgeoefend. Bedraagt de op den zuiger h naar beneden uitgeoefende drukking een weinig minder, dan zal deze zuiger aan de tegen zijne ondervlakte uitgeoefende kracht gehoorzamen en stijgen.

Zoo geeft dan deze inrichting een middel aan de hand om met eene kleine kracht eene aanzienlijke kracht te overwinnen.

in fig. ()4 vindt (i\j eene in bijzonderheden uitgewerkte schets eener hydraulische pers, die gebruikt kan worden om verschillende zaken, o. a. hooi, tusschen de metalen plaat C van de perskolf H en liet ijzeren bovenstuk D samen te persen.

rk' beide commmucoerenrle buizen zijn de cylinders Cr en A, Do cylinder (! slant met zijn ondereinde in oen met water govnlden bak MM: dour hot nauwe boveneinde steekt oen goed sluitende cylindorvormige massieve zuiger, (lonijielnar geheeten. De „dompelaar*quot; kan met behulp van den hefboom IIK op en neer bewogen worden. Door een zijkanaal e staat (/ in verbinding

ocr page 132

120

quot; ----: gt; n —

met Jen .^K'iVcylincler A, in welken, tussehen een lederen ring dd, een cylindervormige metalen /.niger /i, yiersiu//geheeton, zicli op en neer kan bewegen.

Wordt di' dompelaar (/lt;) omhoog bewogen, dan wordt de ruimte in 0' grootor en, evenals bij

Fig. ()4,

eene gewone pomp, wordt mi, zooals men liet wel uitdrukt, water uit den vergaarbak .1/ in de pompbuis Cl opgezogen. Deze is daartoe, evenals de pompbuis eener gewone kcukenpom]), van onderen bij G van eene „hartklepquot; voorzien, die wel het water van buiten naar binnen, doch niet omgekeerd toelaat. Wordt nu de dompelaar b weer naar beneden bewogen, dan slnit zieh de „hartklepquot;, zoodat het water geen anderen uitweg heeft dan het zijkanaal e, waarlangs het in den persoylinder A komt. Daar deze eehter vol water is, kan eene nieuwe hoeveelheid alleen dan worden opgenomen, wanneer de perskolf zieh naar boven beweegt, wat dan ook, ten gevolge van do in Cr' uitgeoefende drukking, geschiedt.

Hij de volgende opwaartsche beweging van 4, zou het water, door de drukking van B, weer naar G terugstroomen, indien dit niet belet werd door eene afsluiting bij ü, die zoodanig is ingericht, dat zij het water wel van G naar A, doch niet in omgekeerde richting laat stroomen. Bij elke volgende benedenwaartsche beweging van den dompelaar wordt dus eene nieuwe hoeveelheid water in A geperst, zoodat deze telkens een weinig hooger rijst en zoodoende de tusschen C en D geplaatste voorwerpen samenperst.

Om te voorkomen, dat de pers schade lijdt door de samenpersing te ver te willen voortzetten, is eene veiligheidsklep m aangebracht, zijnde een kegelvormige afsluiter, die door het water kan worden opgelicht en die neergedrukt wordt door het Gewicht y/, werkende aan den hefboom nr.

14(). Volgens het Beginsel van de voortplanting der drukking in alle richtingen oefent eene vloeistof niet iilleen drukking uit tegen den bodem, maar ook tegen de zijwanden van het vat, waarin zij zich bevindt.

I it het in 1H medegedeelde volgt, dat de zijwaartsche drukking

in eenig punt van den wand grooter is, naarmate dit punt lager onder den vloeistof-spiegel ligt.

ocr page 133

121

Door eune wiskuiulige berekening — die liier niet op hare plaats zou zijn — leert men de grootte dezer zij waar tsche drukking op een bepaald gedeelte vun den wand uitgeoefend, kennen. Zoo biykt b\jv., dat de congerente der druk-kingen, uitgeoefend tegen een vlak gedeelte van den zijwand, gelijk is aan bet Gewicht van eene vloeistofzuil, welker grondvlak gelijk is aan bet beschouwde gedeelte van den zijwand en welker hoogte gelijk is aan den afstand tussclien den vloeistofspiegel en het zwaartepunt van het gedrukte gedeelte, natuurlijk weder vermeerderd met de door tie dampkringslucht uitgeoefende drukking.

Hoe dus de stand van den beschouwden vlakken wand moge zijn, de totale drukking, die hij ondervindt, wordt berekend, door dien wand horizontaal geplaatst te denken, op de hoogte van zijn zwaartepunt.

Het aangrijpingspunt dezer congerente ligt echter lager dan het bovengenoemde zwaartepunt en draagt den naam van „middelpunt van drukkingquot; of pers p u n t.

Fr. Op welke hoogte zal nu bij eene uit atzonderlijke duigen bestaande tob met het meeste voordeel de onderste hoepel gelegd vorden?

Afgezien van de luchtdrukking is, voor welk vat ook, de congerente van alle drukkingen, door eene vloeistof uitgeoefend op de gezamenlijke wanden (zijwanden en bodem) van het vat, dat haar inhoudt, eene verticaal van boven naar beneden gerichte kracht, die gelijk is aan het Gewicht der ge-lieele vloeistof-massa.

1.117« Daar de gezamenlijke zijwaartsche drukkingen eener vloeistof tegen den wand vun liet vat eene verticaal geriehte congerente hebben, ztilleti zij nimmer tot eene zijwaartsche verplaut-sing van het ^at uunleiding kunnen geven. ordt echter een gedeelte van den zijwand w eggenomen en daarmede een gedeelte der bestaande drukkingen opgeheven, dan is de bestaande evenwichtstoestand verstoord en de congerente der drukkingen, die op het tegenovergelegen gedeelte, van den wand worden uitgeoefend, deelt aan het vat eene zijwaartsche beweging mede.

Indien bijv. het oylindervovmige met water gevulde vat van tig. 6.5 aan draden D is opgehangen p.. r „j, en de cylinderas is verticaal (of het pennetje C horizontaal) gericht,

zoolang de afvloeipijp li gesloten is, dan zal het vat een schuinen D stand aannemen. zoodra de pijp geopend wordt en het water cr vrij

• , uitstroomt. Het ondereinde A verplaatst zich dan namelijk niuir links,

in tegenovergestelden zin waarin het water uitstroomt.

Stond hetzelfde vat op eene in een bak met water drijvende kurk, dan zou alles in rust blijven, zoolang de pijp I! gesloten was, terwijl het openen der pijp ten gevolge zon hebben, dat de kurk met het vat zich in beweging stelden in tegengestelden zin van de uitstrooining van het water.

1-1-S. Op de eene schaal eener balans staat een vat met water (vgl. tig. 66); het juk der balans heeft den horizontalen evenwichts-stand. Aan een urm van den naast de balans staanden standaard S is een massieve cylinder P bevestigd, die in het water kan ondergedompeld worden. Dientengevolge stijgt hot water in hot vat van a tot h en de drukking op den bodem van het vat, dus ook op de schaal, wordt grooter. Het gevolg is, dat de schaal daalt.

Stond echter de standaard óók op de schaal, met deze dus een samenhangend geheel vormend, dan zou de door het water op den cylinder uitgeoefende stuwkracht, eveneens door de schaal worden ondervonden en daar deze verticaal naar boven gerichte stuwkracht gelijk is aan de ver-

ocr page 134

122

meerdering tier verticiiiil nuiir beneden geriehte budenidrnkking, zou de sclma! lliuir stand blijven liandlniven, onverschilUg oi'de eyliiïder ondergedompeld was of niet.

0juj. Toon aan, dat de opgewekte stuwkracht gelijk is aan de vermeerdering der bodem-

drnkking.

Volgens liet Beginsel van Actie en Reactie zullen van oen ondergedompeld lichaam krachten uitgaan , werkende op de omringende vloeistof, gelijk aan de krachten, die, van de vloeistof uitgaande, op het lichaam werken , — doch in tegengestelden zin gericht. Terwijl dus op een lichasim do „8tu^vknlcht',, werkt als do verticaal naar boven gerichte congerento dor door de vloeistof op hot lichaam uitgeoefende drukking, zal hot lichaam op de vloeistof eono tegondrukking uitoefenen, welker congerente gelijk aan do „stuw-^1011^'', doch verticaal naar benoden go-richt is.

De onderdompeling van don cylinder veroorzaakt dus drukkingen op de vloeistof, welker aan do stuwkracht gelijk zijnde congerente verticaal naar beneden is gericht en dus de schaal doet dalen.]

149. 1° Wanneer de op een ondergedompeld lichaam uitgeoefende „stuw-knichtquot; gelijk is aan liet Gewicht van het lichaam, dan bestaat demogelijkheid, dat het (vgl. § 52) te midden van het vloeistof-lichaam in rust blijft.

2° Ts het Gewicht van het lichaam grooter dan de er op uitgeoefende stuwkracht, dan beweegt het zich in den zin der grootste kracht: het valt namelijk, of, zooals het in dit geval heet, liet zinkt.

3quot; Is het Gewicht van het lichaam kleiner dan de er op uitgeoefende stuwkracht, dan stijgt het omhoog.

In het laatste geval komt het lichaam in een nieuwen even wichtsstand tot rust, waarbij een gedeelte van het lichaam boven de vloeistof aitsteekt. Laten wij den invloed der lucht op het schijnbare Gewicht van het boven de vloeistof uitstekende gedeelte buiten beschouwing, dan is in dezen evenwichtsstand het Gewicht der verplaatste vloeistof (= de stuwkracht) weder gelijk aan het Gewicht van het geheele lichaam. Het lichaam heet nu in den evenwichtsstand te drijven.

In het eerste der drie bovenstaande gevallen (zwevend lichaam) is de „gemiddelde dichtheidquot; van het lichaam gelijk aan—, in het tweede geval is zij groo-ter —, in het derde geval kleiner dan de dichtheid van het vloeistof-lichaam.

Oj'(]. Zet dit nader uiteen.

De op een lichaam uitgeoefende stuwkracht grijpt aan in de verticaal van het zwaartepunt van het meetkundig lichaam van dezelfde afmetingen, vorm en stand; het Gewicht grijpt aan in het werkelijke zwaartepunt van het lichaam zelf. Is nu het lichaam homogeen, dan vallen beide zwaartepunten samen en het ondergedompelde lichaam kan , wanneer zijn Gewicht gelijk is aan de stuwkracht, in eiken stand in rust verkeeren. Is het lichaam echter niet homogeen, dan behoeven de beide üwaartepunten niet samen te vallen en het lichaam zal te midden van de vloeistof slechts

Men kan de zaak ook aldus voorstellen; Fig. 66.

ocr page 135

12:?

in dien stand in rust (evenwicht) verkeeren, wusirbij de beide zwaurtcpuiiten in dezelfde verticaal gelegen zijn.

150. Zij te bepalen de „soortelijke massaquot; (a) — vgl. ij 12.5, hl/,. 99 — van de stot, waaruit zeker vast lichaam A bestaat.

Daar a = mquot;,...........(1)

Va

indien via en tv, respectievelijk de numerieke waarden van de massa en het volumen van A voorstellen, zoo behoeven slechts deze waarden proetondervin-delijk bepaald te worden om tot de beantwoording der gestelde vraag te geraken.

Nu kan m„ regelrecht door ,wegingquot; met de balans bepaald worden; terwijl Ou langs een omweg en met behulp van de hydrostatische balans gevonden kan worden. Daartoe worde A onder aan tie schaal gehangen en de andere schaal zoodanig belast, dat het juk den horizontalen evenwichtsstand aanneemt.

Daarna worde A in water ondergedompeld en in de overeenkomstige schaal zooveel gewicht bijgevoegd, dat de horizontale evenwichtsstand van het juk gehandhaafd blijft. De massa van het bijgevoegde gewicht z\j gelijk aan m.

Het Gewicht van de massa tri is dan gelijk aan de door het water uitge-oeteude stuwkracht, die op haar beurt gelijk is aan het Gewicht van het verplaatste water. Daar dit laatste een volumen (va) heeft gelijk aan dat van A, is «le stuwkracht gelijk aan Vamu-y {rriw rr de soortelijke massa van het water), zoodat wy hebben;

mij r: vm„-(j, waaruit

igt;quot;= ............(2)

niw

nu:

Door substitutie in (1) krijgen wij

_ m„ _ m„

m' m ïfllü

Daar de temperatuur van het water van invloed is op zijne soortelijke massa (viw), moet zij bij dit proefondervindelyk onderzoek nauwkeurig worden bepaald.

Volgens de nauwkeurigste bepalingen van de soortelijke massa van water bij verschillende temperaturen, beantwoordt aan eene

temperatuur van de soortelijke massa

0° ............ 0,999884

1° ............ 0,999941

2° ............ 0,999982

2,85°............ 1,000000

3° ............1,00(1004

4° ............ 1,000013

5° ............ 1,000003

5,15°............ 1,000000

!30 ............ 0,999983

7' ............ 0,99994(3

10° ............ 0,999760

20° ............ 0,998272

50° ............ 0,98821

100° ............ 0,95866.

ocr page 136

124

De numerieke waarde van de „dichtheidquot; eener water-massa is, volgens § 123, hieraan gelijk.

N.H. IIoc de soortelijke massa (dichtheid) van water bepaald wordt, zal later nader uiteengezet worden.

151. Zij te bepalen de „soortelijke massaquot; van eene vloeistof, bijv. van olie. Wü bezigen daartoe weder de balans, als hydrostatische balans ingericht,

en hangen onder de eene schaal een willekeurig zwaar voorwerp, bijv. eene met kwik bezwaarde glazen peer, waarvan het volumen = v. De andere schaal wordt zoodanig belast, dat het juk den horizontalen evenwichtsstand aanneemt. Het voorwerp worde nu in water ondergedompeld en de belasting van de schaal er boven zoodanig vermeerderd, dat de horizontale evenwichtsstand van het juk gehandhaald blijft. Indien de belasting met eene massa gelijk aan m' vermeerderd is, dan is de numerieke waarde der opgewekte stuwkracht — m'ff, volgens tie wet van Archimedes, tevens de numerieke waarde van het Gewicht van het verplaatste volumen (r) water. Zij de „soortelijke massaquot; van het gebezigde water dan is het Grewicht van v volumen-éénheden water gelijk aan rm,

zoodat wij hebben:

rm „■(/ — mg...........(1)

Daarna worde het aan de schaal hangende voorwerp in de gegeven olie ondergedompeld , in welk geval de belasting der schaal mquot; éénheden van massa meer moet bedragen dan zonder indompeling, om den horizontalen evenwichtsstand van het juk te handhaven. De opgewekte stuwkracht is dus in dit geval = mg, weder tevens de waarde van liet Gewicht der verplaatste vloeistof, ditmaal een volumen (tgt;) olie. Zij de „soortelijke massaquot; der olie = mo, dan is het Gewicht van n volumen-éénheden olie gelijk aan »»(„lt;/, zoodat wij hebben;

vmag — mg...........(2)

De beide leden van vergelijking (2) deelende door de overeenkomstige leden van (I), vinden wij:

w0 _ui'

mw m '

.. m'

waaruit: w0 — , imgt;.

m

152. Behalve van de „soortelijke massaquot; eener stot en de „dichtheidquot; van een lichaam, spreekt men ook nog van het soortelijk gewicht van een lichaam.

Bki'aung. 1° Het volstrekte (= absolute) soortelijk Gewicht van een lichaam is het gemiddelde Gewicht van de éénheid van volumen van dit lichaam.

2° Het betrekkelijke soortelijk Gewicht (liever „soortelijk gewichts-he trek kingquot;) van een lichaam is het getal dat aanwijst, hoeveel maal het Gewicht van een zeker volumen zuiver water bij 4° begrepen is in het Gewicht van een even groot volumen van het lichaam, op dezelfde plaats; m. a. w. (daar P = mg): hoeveel maal de massa van een zeker volumen zuiver water

ocr page 137

125

by 4° begrepen is in de massa van een even groot volumen van liet lichaam.

OfKj. Toon ami, dat hot absolute soortelijk Gewicht van een lichaam samengesteld evenredig is aan nijne „dichtheidquot; en aan de waaide van lt;/ op de plaats van waarneming.

Het absoluut soortelijk Gewicht van eene water-massa is te Amsterdam

1,000013 X 981,3 dynes.

Vr. Hoe beredeneert fïij dit?

Is de soortelijke massa van het lood, waiiruit een lichaam bestaat, gelijk* aan a, dan is het „betrekkelijke soortelijk gewicht.quot; van dit lichaam gelijk aan

quot; X 1,000013quot;

Kr. Hoe beredeneert Gij dit?

Vr. Wat is de reden, dat de numerieke waarde van de „soortelijke massuquot; niet volkomen gelijk is aan liet „betrekkelijk soortelijk gewiebt'quot;?

I.irgt;»t* Er bestaan drijvende toestelletjes, waarmede eene wel niet zeer nauwkeurige, maar voor vele doeleinden van bet dagelijkseh leven voldoende bepaling van de „soortelijke massJ^, eener stof kan geschieden. Men noemt deze toestelletjes areometers.

De areometer van Nicholson (vgl. lig. G7), voor het bepalen van de „soortelijke massaquot;quot; van vaste stoffen, is een holle koperen cylinder C, van onder en van boven in een spitsen kegel uitloopende; voorts van onder voorzien van een bakje 1) en van boven van eene stift 15, die een sehaaltje A draagt. Op de stift B is ter hoogte van 15 een streepje gevijld.

Wil men nu de „soortelijke massaquot;, bijv. van lood, bepalen, dan plaatst men een stukje lood boven op liet schaaltje en voegt er zooveel belasting bij, dat de areometer tot aan de streep bij H in het water gedompeld is.

Hot stukje lood wordt weggenomen en in zijne plaats eene belasting van a Gram gelegd, zoodanig dat de areometer veder tot het streepje in de vloeistof is gedompeld. Dan is de massa van het stukje loud eveneens gelijk aan a Gram De belasting van n Gram wordt nu van het schaaltje afgenomen; het stukje lood onder in het bakje geplaatst en aan het schaaltje eene belasting van /gt; Gram toegevoegd , zoodanig dat de areometer weder tot het streepje ingedompeld is.

liet Gewicht van deze b Gram is nu gelijk aan de „stuwkraehtquot;, gelijk aan het Gewicht van het door het stukje, lood verplaatste water, welks massa dus eveneens h Gram bedraagt.

liet stukje lood heeft eene massa van n Gram; een even groot volumen water eene massa van lgt; Gram. De soortelijke massa van het lood is dus gelijk aan

n n . bram.

h

154. De areometer van Fahrenheit, voor de bepaling van de „soortelijke massav' eener vloeistof, is niets anders dan een gewijzigde areometer van Nicholson : in plaats van een koperen is hot een glazen toestelletje en het metalen bakje of mandje is vervangen door een met kwik bezwaard peervormig stuk glas, waardoor aan het toestelletje de stabiele evenwichtsstand verzekerd wordt.

Wil men mot dozen areometer do „soortelijke massaquot;' bijv. van olie bepalen, dan moot men beginnen met do massa van den areometer zeiven te kennen. Deze zij gelijk aan a Gram.

Om den areometer tot aan hot streepje in water te doen zinken, moot op het schaaltje eene belasting van in Gram gelogd worden, liet Gewicht van don areometer en de genoemde belasting te zamen bedraagt dus (a -i- m)(j dynes. Dit Gewieht is gelijk aan de door het water ontwikkelde stuwkracht, dus gelijk aan het Gewieht van het door den areometer verplaatste water.

ocr page 138

121)

Dompelt men daarnii don areoraeter in de olie, dan zal de belasting van m Gram door cene andere van » Gram moeten vervangen worden om te maken, dat hij weder lot het streepje is ingedompeld, liet Gewicht der verplaatste olie bedraagt dan (a tijij dynes.

De massa van liet verplaatste water bedroog a in Gram, die van een even groot volumen

olie ri -)■ u Gram; de „soortelijke massaquot; der olie is dus gelijk aan quot; quot; Gram.

n gt;n

155. Bij de areometers van yicholson en van Fahrenheit worden de massa's van twee gelijke volumina gemeten en hieruit de gezochte „soortelijke massaquot; afgeleid. Zulke areometers worden daarom areometers van standvastig volumen genoemd.

Doelmatiger in het gebruik is een areometer naast welks cylindriscli bovengedeelte eene sehaal-verdecling is geplaatst, die vohiraina aanwijst en wel zoodanig, dat, wanneer het gedeelte van den areometer onder de streep, waarbij 100 staat, 100 maal een zeker volumen groot is, het gedeelte onder de streep, waarbij 12') staat, 125 maal dat volumen groot is.

Het cijfer 100 wijst de plaats aan, tot waar de areometer in zuiver water inzinkt. Het Gewicht van 100 maal een zeker volumen (gelijk aan de door het water uitgeoefende „stuwkrachtquot;) is dus gelijk aan liet Gewicht van den gelieelen areometer.

Wanneer nu de areometer in eene andere vloeistof bijv. tot 125 inzinkt, dan is het Gewicht van 125 maal hetzelfde volumen van deze vloeistof eveneens gelijk aan het Gewicht van den areometer, lilj gevolg is het Gewicht van 125 volnmeu-deelen dezer vloeistof gelijk aan dat van 100 van deze volumen-deelen water; dus ook de massa van 125 volumen-deelen der vloeistof gelijk aan de massa van 100 dezer volumen-deelen water. Bij gelijke massa's van twee hoeveelheden vloeistof zijn deze soortelijke massaquot;s omgekeerd evenredig aan hare volumina. Hieruit volgt;

Soort, massa van vloeistof A ; Soort, massa van water =100; 125

.... 100 Soort, massa van vloeistof A ~

125

Dmir het gebruik van deze areometers berust op de verplaatsing van gelijke massa's, waarvan dus ook de Gewichten gelijk zijn, geeft men er den uanm aan van areometers van standvastig Gewicht.

In het hierboven beschreven voorbeeld van zulk ecu areometer werd het verplaatste volumen gemeten, om welke reden de aldus ingerichte areometers ook den naam van volumeters dragen.

I5lt;gt;. In liet dugclijksch leven maakt men nu en dan van areometers gebruik, niet zoozeer om de soortelijke massa van eene stof of de dichtheid van oen lichaam to loeren kennen, dan wel om, in geval de vloeistof een mengsol van verschillende bestanddeelen is, over de deugdolijkheid der samenstelling een oordeel te kunnen vellen. Daar do samenstellende doelen van hot mengsel in don regol eene vorschillonde soortelijke massa bozitten, heeft toch hot procentisch aandeel van elk dier bcstunddeolon invloed op de soortelijke massa van het mengsel. Zulke veelvuldig voorkomende mengsels zijn molk en iilcoholische vloeistoffen als jenever en brandewijn, voor welker booordeeling do als melkwegers en alcolometers bekende aroometers dienst doen.

lo7. De soortelijke massa bij 0° is van

Platina (gesmeed) . . .

. . 21,359

Bergkristal.....

. . . 2,690

Id. (gegoten) .

. . 19,500

Keukenzout ....

. . . 2,078

Goud (gesmeed) . . . .

. . 19,362

ld. (gegoten) . . . .

Kurk.......

. . . 0,240

Lood (gegoten) ....

. . 11,352

Ivoper (gegoten). . . .

. . 8,946

Sterk zwavelzuur . .

. . . 1,8-13

Geelkoper (gegoten) . .

. . 8,390

Zoutzuur.....

. . . 1,278

Uzer (gesmeed) . . . .

. . 8,314

Olijfolie......

ld. (gegoten) . . . .

. . 7,207

A bsolute (d. i. water vrije)

ilcohol 0,792

Zink (gegoten) . . . .

. . 6,862

Zwavel-aether....

. . . 0,736

Zwavel.......

. . 2,033

ocr page 139

127

158. Bevindt, zich ergens in den wand (zijwand of bodem) van een met vloeistof' gevuld vat eene kleine opening, dan stroomt de vloeistof er uit, de opening verlatende met eene snelheid („uitstroomingssnelheidquot;), die ^rooter is naarmate de uitstroomingsopening lager onder den vloeistofspiegel ligt.

Het onderzoek van Tonicelli — waarvan hier alleen de uitkomst moge medegedeeld worden — naar de uitstroomingssnelheid, leidde tot de volgende

WET VAN TOHRICKU,!.

De uitxtr o o mitig x snelheid is y el ijk min lt;1 c snelheid, die een vrij vallend, lichaam verkregen zou hehhen op het tijdstip, dut het sedert het begin zijner beweging eene ral hoog te had d nor loopen gelijk aan den verticalen afstand tussrhen de ui tst r onmin g sop ening en den waterspiegel.

In deze wet ligt opgesloten, dat de uitstroomingssnelheid alleen van den verticalen afgt;tand der opening onder den waterspiegel en niet van den aard der vloeistof afhangt.

In vergelijking gebracht en de „uitstroomingssnelheidquot; voorstellende door r, krijgen wy dus:

r= K 2gh,

waarin g de door de zwaartekracht veroorzaakte ,versnellingquot; en h den verticalen afstand tusschen uitstroomingsopening en vloeistofspiegel voorstelt.

Wanneer van de buis van fig. 68 het korte been B eene voldoende lengte bezat, zouden — vgl. § 1^4 — de beide vloeistofspiegels in een zelfde horizontaal vlak gelegen zijn. Was de vloeistofspiegel in het rechter been bij A gelegen, dan zou hij in het linker been zich op de hoogte van A bevinden. Nu het been I! zooveel korter is, wordt zijne opening eene uitstroomingsopening en volgens de wet van Torricelli zou de in dit geval verticaal naar boven uitstroomende 68. straal zich tot de hoogte van den vloeistofspiegel A moeten

verheffen. Dit geschiedt echter niet en wel in de eerste quot;li1 plaats omdat de wet van Torricelli alleen dan geldig is, IJ-A wanneer de afmeting der opening slechts klein is ten opzichte van ile afmetingen van het vat, terwijl in ons geval de doorsnede der opening gelijk is aan de geheele doorsnede der buis zelve.

Doch ook, wanneer wij de uitstroomingsopening klein maken, door het glazen been af te sluiten met eene doorboorde kurk, zal de straal, hoewel nu hooger reikende, niet ten volle de hoogte van den vloeistofspiegel in A bereiken, wat verklaard wordt door den weerstand der lucht en den belemmerenden invloed der terugvallende vloeistofdeeltjes, dien de opstijgende waterdeeltjes hebben te overwinnen.

Op het in fig. 08 uitgedrukte beginsel van het opspuiten van een waterstraal, berust de inrichting van sommige fonteinen, bestaande uit twee communiceerende vaten: een kort been met eene nauwe opening uitmondende boven een bekken, en een lang been, dat in een op een zolder ol eene andere verhevenheid geplaatsten vergaarbak met water uitloopt.

ocr page 140

128

159. De deeltjes (moleculen) eener vloeistof, zoowel als die van een vast lichaam, worden ondersteld een wederkeerigen invloed op elkander uit te oefenen, die in eene aantrekkende werking bestaat. Door deze onderstelde aantrekkingskrachten, de zoogenoemde cohaesie, wordt de meerdere of mindere samenhang tussclien de deeltjes onderling verklaard. De aldus onderstelde, tusschen de moleculen werkzame («moleculairequot;) aantrekkingskracht werkt slechts op zeer kleine afstanden. Uit proefnemingen is langs wiskundigen weg afgeleid, dat deze

werking zich niet verder zou uitstrekken dan over een afstand van ca. -oqq qqqquot;

K t ^

of cM. Worde de numerieke waarde van dezen afstand voorgesteld door d,

dan zyn de deeltjes, waarvan eene gegeven molecule A de moleculaire aantrekking ondervindt, gelegen binnen het oppervlak van een bol, waarvan de molecule m het middelpunt inneemt en welks straal gelijk is aan lt;1. Men noemt dezen bol de spheer (= bol) van aantrekking ten opzichte van rn. Tevens is hü de «spheer van aantrekkingquot; binnen welke de molecule m zelve hare werking om de omringende uitoefent.

Ligt de «spheer van werkingquot; geheel binnen het vloeistof-lichaam, zooals ten opzichte van de molecule m in Hg. 69 het geval is, dan liggen de aantrekkende deeltjes der homogene vloeistof volkomen symmetriek rondom m en tegenover elke kracht op deze in één zin uitgeoefend, staat eene gelijke in dezelfde richting, doch tegengestelden zin werkende kracht, zoodat alle op m werkende moleculaire krachten met elkander evenwicht maken en eene resultante gelijk aan 0 hebben.

Anders is het gesteld met eene molecule m', die op een afstand, kleiner dan de straal der spheer van aantrekking, van den vloeistofspiegel ligt, zoodat de

spheer niet geheel met vloeistof ge-

15 vuld is. Alleen die krachten maken nu met elkander evenwicht, welke uitgaan van punten gelegen binnen het tusschen ah en cd begrepen gedeelte der spheer, indien namelijk het segment eed gelijk is aan het ontbre-

kende segment boven den vloeistofspiegel. De aantrekkingskrachten, die van de binnen het segment eed gelegen punten uitgaan, hebben echter eene loodrecht op den spiegel gerichte resultante, waardoor m' naar beneden getrokken wordt.

In het geval, dat de molecule mquot; in de oppervlakte van den vloeistofspiegel ligt, zal deze resultante hare grootst mogelijke waarde bereikt hebben

TJit het voorgaande blijkt, dat alle moleculen van de vloeistoflaag, tusschen het vrye vloeistof-oppervlak en een hieraan evenwydig en op een afstand lt;1 (straal der spheer van werking) er onder (naar binnen) gelegen vlak, onder den invloed staan eener loodrecht op de oppervlakte gerichte kracht, die haar naar binnen trekt.

Deze laag zal dus op de er door omhulde vloeistof, als ware zij een gespannen veerkrachtig vlies, rondom (ook daar waar de vloeistof door den wand van een vat begrensd wordt) eene binnenwaarts gerichte drukking uitoefenen, waaraan men den naam van oppervlakte-spanning goeft.

ocr page 141

12!)

Is liet vrije vloeistot-oppervlak, in stede van plat, een bol oppervlak (vgl-tig. 70), dan is het gedeelte der aantrekkingsspheer ede, welker moleculaire aantrekking niet wordt o])gelieven, grooter dan wanneer de oppervlakte nh j'i 7Ü plat ware (een raakvlak aan liet

hoogste punt). Hij gevolg is de „op-'■ quot; - pervlakte-sjianningquot; van een bol

oppervlak grooter dan die van een plat oppervlak.

By een hol oppervlak daarentegen is het gedeelte ede van de

aantrekkingsspheer, welker moleculaire aantrekking niet wordt opgeheven, kleiner dan wanneer het oppervlak plat ware.

Hoe kleiner de krominingsstraal der oppervlakte (ih is, m. a. w. hoe sterker de kromming is, hoe grooter het werkzame deel cdc der aantrekkingsspheer zal uitvallen, wanneer het oppervlak bol, en hoe kleiner het zal uitvallen, wanneer het oppervlak hol is.

Dc „oppervlakte-spanning is du# bij een hol oppervlak yrouter, bij een hol oppervlak kleiner, naarmate de krommingsstraal van dit oppervlak kleiner is.

Is de invloed van andere krachten buitengesloten, dan moet de drukking van dit als 't ware veerkrachtige, gespannen omhulsel teweegbrengen, dat de vloeistofmassa een vorm aanneemt, waarbij haar oppervlak zoo klein mogelijk is. Deze vorm is de bolvorm.

Eene vloeistof-massa, onttrokken aan de werking der zwaartekracht, bijv. door haar te brengen te midden van een vloeistof-mengsel van dezelfde soortelijke massa als z\j zelve, zal dus, tengevolge van de „oppervlakte-spanningquot;, den bolvorm aannemen.

Uij eiken anderen vorm dan den bolvorm is de kromming op de eene plaats eene andere dan op eene andere plaats, zoodat de oppervlakte-spanning eerst dan overal gelyk zal zjjn, de vloeibare kern van rondom even sterk gedrukt zal worden, wanneer de vorm-verandering in den bolvorm haar einde heeft bereikt.

H)0. Trekt men eene glasstaaf, na indompeling in water, uit de vloeistof terug, dan bl;jft er een weinig water, wellicht een druppel, aan kleven. Dc adhaesie tusschen de glas- en de waterdeeltjes overtreft dus de cohaesie tusschen de waterdeeltjes onderling.

Ojjff. Herlees §§ 132, 133, blz. 108.

Had men de glasstaaf in kwik gedompeld, dan ware er geen vloeistof aan bl\jven kleven. De cohaesie tusschen de kwikdeeltjes onderling overtreft dus de adhaesie tusschen de glas- en de kwikdeeltjes.

Wü willen voor een paar gevallen nagaan, welken invloed de adhaesie heelt op het aan een vasten wand grenzende gedeelte van een vloeistof-oppervlak.

In fig. 71 zij CD het verticale grensvlak van een vasten wand; AI5 het horizontale vrije oppervlak eener vloeistof.

Het vloeistofdeeltje A staat onder den invloed van de moleculaire aantrekking 1quot; der nabüzünde vloeistofdeeltjes, 2° der nabij/,ijnde deeltjes van den vasten wand. De spheer der door de vloeistof uitgeoefende aantrekking is slechts voor

SALYEiiDA on LE itov, Ntiluurkcwiis, li. 2de druk. y

ocr page 142

130

een vierde gedeelte niet vloeistof gevuld, zoodat de resultante der hierdoor op A uitgeoefende aantrekking gericht is volgens de lijn Al', in den zin van A naar 1'. (De lijn Al' deelt den rechten hoek BAD midden door). Stellen wy deze

loor den vasten wand uitgeoefende drnkking z\jn twee kwadranten met vaste stof gevuld, in elk van welke de aantrekkingskrachten kunnen worden samengesteld tot eene resultante Q, gericht volgens de lijn AQ, in den zin van A naar Q. (De lijn AQ deelt weder den rechten hoek midden door). Elke kracht J1 Q heeft eene verticale ontbondene, de eene gericht volgens AC, in den zin van A naar C, de andere volgens AD, in den zin van A naar D, en eene horizontale ontbondene, gericht volgens AF, in den zin van A naar F, Elke dezer ontbondenen is gel\jk ' aan J Ci \/ 2.

Ojilt;i, Toon dit aan (X.Igt;. De rechte hoeken worden door midden jredceld).

De beide verticale ontbondenen heffen elkanders werking op (Kr. Waarom?); de beide horizontale ontbondenen worden samengesteld tot eene resultante, gelijk aan hare som, dus gelijk aan Ql/ 2, en gericht volgens AF, in den zin van A naar F.

De resultante F heeft eveneens eene verticale en eene horizontale ontbondene, de eerste gericht volgens AD, in den zin van A naar D; de laatste gericht volgens AB in den zin van A naar B en beide gelijk aan J I5 K 2.

De moleculaire krachten zijn hiermede teruggebraclit tot eene kracht gelijk aan Q|/2, gericht volgens AF,

eene kracht gelijk aan i P 1/ 2, gericht volgens AB,

eene kracht gelijk aan iPl/2, gericht volgens AD.

1quot; in het geval dat Q 1/2 = J F K 2, is het dus alsof het vloeistofdeeltje A, behalve aan zijn Gewicht vermeerderd met de luchtdrukking, nog onderworpen was aan eene eveneens verticaal naar beneden gerichte kracht { P V 2.

Bij den horizontalen stand van het vrije vloeistof-oppervlak blijft nu het vloeistofdeeltje A op zijne plaats, daar de ondervonden drukking, of aantrekking naar binnen, loodrecht op het oppervlak gericht is.

resultante voor door 1'. Van de spheer der Fig. 71.

'

c

V

X

\

\

•;. 'V

/,/.• V lt;

D ______

2° In het geval dat Q ^ 2 gt; \ P I/ 2, blijft nog eene

kracht bestaan, gelijk aan Q 2 — J P 2, gericht volgens AF, in den zin van A naar P.

Deze wordt met de verticaal gerichte kracht J P V 2 samengesteld tot eene resultante, die ditmaal . — - schuin gericht is en wel volgens eene lijn van A door den vasten wand verloopende. Het vloeistof-deeltje A kan nu niet zijn stand behouden; liet stelt

zich in beweging eu andere volgen, — een en ander

ocr page 143

181

zooliiUjLf totdat een nieuwe even wichtsstand bereikt is, wiuirbij liet vrije oppervlak loodrecht gericht is op de schuin gerichte resultante R (vgl. fig. 72) van alle er op werkende krachten. De vloeistof klimt dus een eindje tegen den vasten wand op en het in de onmiddelUjke nabijheid zijnde gedeelte van het oppervlak is niet plat maar hol.

3° lu het geval dat Q K 2 ( J PK 2, zal de eind-resultante R (vgl. lig. 74)

eveneens schuin gericht 7,\jn, doch nu van A uit door de vloeistof' heen gericht zijn. Het vloeistofdeeltje A kan nu evenmin als in het vorige geval zijn stand behouden; doch opdat nu het aan den wand grenzende vloeistofoppervlak loodrecht gericht zij op R,

moet de vloeistof hier een weinig naar beneden hellen en een bol oppervlak vormen.

Het ouder 2quot; beschouwde geval verklaart het verschijnsel, dat water (vgl. figg. 72 en 73) met een hol oppervlak tegen een glaswand omhoog staat; het onder 3° beschouwde geval verklaart het verschijnsel, dat kwik in de nabijheid van een glaswand met een bol oppervlak naar beneden helt (vgl. figg. 74 en 75).

l()l. Plaatst men eene glazen buis in water, en is de middellyn der buis slechts klein genoeg, dan zal het oppervlak van het water, dat binnen in de buis rondom tegen den wand omhoog staat, een hol oppervlak vormen. Op zeer kleinen afstand buiten de buis is het vloeistof'oppervlak plat. beschouwen wij nu de horizontale vloeistoflaag, die onder dit platte oppervlak gelegen is, op een afstand gelijk aan den straal van de spheer der moleculaire aantrekking, dan ondervindt een zeker oppervlakte-element buiten de buis van de door een plat oppervlak begrensde bovenlaag eene grootere moleculaire (cohaesie-)drukking dan een oppervlakte-element binnen de buis ondervindt van de door een hol oppervlak begrensde bovenlaag. Er heeft daardoor eene evenwichtsverstoring in de vloeistof plaats, wanneer namelijk de vrye oppervlakken in en buiten de buis even hoog mochten gelegen zijn en het evenwicht kan alleen hersteld worden door eene stijging van het water in de buis, totdat het tekort dat hier bestaat aan moleculaire drukking gedekt is door het gewicht der vloeistof-kolom, die den verticalen afstand tusschen de beide spiegels (binnen en buiten de buis) tot hoogte heeft.

Ojifi. Geef nu zoll' uone verklaring van het verschijnsel, dat, wanneer de nauwe buis in kwik gestoken wordt, het kwik in de huis met een hol oppervlak lager staaf dan het kwik-buiten de buis.

Buizen, die voldoende nauw zijn om de bovengenoemde verschijnselen te vertooneu heeten haarhuizen ol' capillaire buizen; de verschijnselen zelve noemt men capillaire verschijnselen {cnpilla — haar).

Oprjnven. 1. Een vat heeft don vorm van een rcehthoekig parallclopipedum (balk), waarvan de drie ongelijke ribben gelijk ziju aan 0,75 M., 0,5 M. en 0,0 M. Hel vat is met water gevuld. Hoe groot is de drukking, die op den bodem en op elk der zijwanden wordt uitgeoefend ?

N.Ii. Hier en in de volgende Opgaven wordl de „soortelijke massaquot; van water gelijk I G. ondersteld.

I

9*

ocr page 144

132

2. Dicht bij den bodem bevindt zicli in den zijwand van een vut eene opening, die dooi eene kurk van 2 eM.2 oppervlakte is afgesloten. Hoe groot is de tegen deze stop uitgeoefende drukking, indien de waterspiegel zich fl dM. boven bet middelpunt der sto]) bevindt?

Hoe groot zou de drukking zijn, indien het vat met olie gevuld was, welker soortelijke massa = 0,85 G.

3. Hoe groot is de stuwkracht, waarmede eeu in water ondergedompeld stuk dennenhout van 3 dM.3 omhoog gedreven wordt? Soortelijke massa van dennenhout = (),G O.

Hoe groot zou de stuwkracht zijn, indien het ondergedompeld was in olie mei eene soortelijke massa van 0,85 O.?

4. Ken stuk lood, met de balans gewogen, weegt 8 dynes. Hoe groot zou het door de balans aangegeven Gewicht zijn, indien het voorwerp bij de weging in water ondergedompeld was?

5. Een drijvend lichaam, welks volumen 36 cM.;i bedraagt, steekt voor '/a Vil11 lt;1'' volumen boven het water uit. Hereken het Gewicht van dit lichaam (g = 981,3).

fi. Welk gedeelte van het volumen van een stuk ijs steekt boven water uit ? (soortelijke massa van ijs = 0,92 G.).

7. Tot hoe diep zal eene regelmatige pyramido, die I M. hoog is, in olie inzinken, wanneer haar top, eu hoe diep, wanneer hare basis naar boven is gekeerd?

Soortelijke massa der pyramide = 0,75 G. Soortelijke massa der olie = 0,95 G.

8. In water drijft een kurken kubus van 55,2 G., die van onderen een loodeu kubus draagt, met ribben van 2 cM. De kurk steekt voor % van haar volumen boven het water uit. Bereken de soortelijke massa der kurk.

De soortelijke massa van lood = 11,35 G.

9. Met behulp van een areometer van Nicholson moet de soortelijke massa van een diamant bepaald worden. De diamant is op het schaaltje geplaatst en zooveel belasting er bij gevoegd, dat de areometer tot het streepje is ingezonken. Na verwijdering van den diamant moet 1,2 0. in zijne plaats gelegd worden om te maken, dat de areometer tot het streepje ingedompeld blijft. Deze worden ook weer verwijderd, de diamant onder in het mandje geplaatst en 0,34 Gram in liet schaaltje gelegd opdat de areometer nog tot het streepje ingedompeld blijve. liereken hieruit de „soortelijke massaquot; van diamant.

10. Ken volumeter voor zware vloeistoffen is in eene zekere vloeistof ingedompeld tot de streep waarbij het cijfer 80 geplaatst is. Wat is de „soortelijke massaquot; dezer vloeistof?

In de school kunt Gij met Uwe leerlingen de volgende onderwerpen bespreken.

Stand van hel op/iervlaki Horizontale stand van een v 1 oe i s t o f-oppe r v 1 a k. Sc h n i n e stand van een water-oppervlak, als de wind er tegen blaast.

Communiceerende vaten: Thee- en koffiekannen. Waterleidingen. Springbronnen. Vloek tofdrukkimj: Waterdruk tegen sluisdeuren en dijken. Glooiing der dijken aan den waterkant. Hydraulische of waterpers. Lek van een schip, waardoor het water met kracht naar binnen geperst wordt,

Wel van Archimedes: In het water kan men een groot er en lust dragen dan er buiten. Olie drijft op water. Duikers bezwaren zich met gewichten. Zwemgordels. Us drijft op water. 1.1 zer zinkt in water. Melkweger.

Adlmesie en capillaire verschijnselen: Schilderen. Vergulden. Lakken. Spiegels worden gefoelicd. De olie trekt in de lampekous. De inkt in de pen. Vloeipapier. „Gelijmdquot; papier. Vochtige muren. Klemmende deuren.

162. Eene van een stevigen bodem voorziene cylindrische buis van dik glas wordt van boven afgesloten door een nauwsluitenden zuiger, die zich niet weinig wrijving in de buis kan bewegen. Toch ondervindt de hand b\j het indrukken van den zuiger een weerstand, die grooter wordt naarmate men den zuiger verder in de buis drukt. Eindolyk, nog vóórdat deze den bodem der buis bereikt

ocr page 145

133

lieeft, is de weerstand zoo groot geworden, dat hij met onze spierkracht evenwicht maakt.

Deze waurneming brengt ons tot liet besluit, dat de schijnbaar ledige holte der buis een stoffelyk iets bevat, van welks deeltjes de tegeu-drukking op den zuiger uitgaat.

Het kan gebeuren, dat, onder de poging om den Kiiiger tot den bodem te doen naderen, de wand der buis op eene ot andere minder stevige plaats bezwijkt, onverschillig waar de zwakke plaats gelegen moge zijn.

Hieruit bljjkt, ibxt het ingesloten lichaam niet idleen op de ondervlakte van den zuiger, maar op elk ander gedeelte van den wand der buis eene drukking uitoefent, waaruit volgt, dat het tie geheele ruimte van de buis vult. De vorm en het volumen van dat lichaam zijn dan gelijk aan die van het vat, waarin het zich bevindt,

Eene verkleining van het volumen van het ingesloten lichaam heeft, volgens het voorgaande, ten gevolge, dat de daardoor uitgeoefende drukking op de wanden van het vat toeneemt. Wordt daarna de uitwendige drukking op den zuiger weder verminderd, dan wijkt de zuiger terug en neemt een nieuwen evenwichtsstand aan, waaruit volgt, dat eene volgende vergrooting van het volumen van het ingesloten lichaam eene vermindering van de daardoor uitgeoefende drukking ten gevolge heeft. Houdt de hand op met drukken, dan heeft de zuiger zijn oorspronkelijken staml en het ingesloten lichaam zijn oorspronkelijk volumen hernomen.

Het hier beschouwde lichaam heeft — zooals nog nader zal blijken — andere eigenschappen dan de vroeger behandelde vaste lichamen en vloeistoffen. Wij noemen het een gasvormig lichaam.

Het gasvormig lichaam, dat het voorwerp van onze proefneming uitmaakte, bestond uit lucht, die, vóór de afsluiting van de buis, deel uitmaakte van den dampkring.

Wij weten dus nu van de stof zooveel, dat z\j in drie verschillende toestanden: den vasten, den vloeibaren en den gasvormigen kan voorkomen. Aan deze toestanden geeft men den naam van a ggr e g ati e-toestanden, dat zooveel als j/roepemngw-toestanden beteekent, omdat men — zooals later nader uiteengezet zal worden — het verschil tusschen deze toestanden toeschrijft aan eene verschillende groepeering, en een verschillend gedrag, der samenstellende deelen: de moleculen.

!()!{. Is uit de vorige proef gebleken, dat het in de buis opgesloten gasvormig lichaam eene drukking tegen den wand uitoefent, die toeneemt, naarmate z\jn volumen weder grooter wordt, — w^j willen nu onderzoeken, of dat lichaam niet reeds eene drukking op den wand van het vat uitoefent, nog vóórdat de hand op den zuiger drukt en aldus het volumen van het lichaam verkleint.

Wij gebruiken daartoe, in plaats van eene buis met stevigen wand, een vat met slappen wand, bijv. eene dierlijke blaas. Zulk eene blaas kan lucht bevatten

Fig, 70.

T

*

ocr page 146

134

en toch ingedeukt zijn, \viiiirb\j de vnuig rijst, of in zulk een geval het ingesloten gasvormig lichaam wel eene drukltiug tegen den buigzamen wand uitoefent ?

De ingedeukte blaas wordt, goed afgesloten, zoodat er niets uit of in kan, op de plaat eener luchtpomp geplaatst en vervolgens met eene glazen stolp overdekt ')

Wij hebben nu met twee ingesloten gasvormige lichamen te doen, een (A) binnen de blaas en een (li), om deze heen, binnen de stolp besloten.

Oefent nu het gasvormig lichaam (A) in de blaas eene drukking uit tegen den binnenwand der blaas, dan moeten wij wel aannemen, dat het haar omringende gasvormig lichaam (B) eene even groote drukking tegen haar buitenwand uitoefent, daar de blaas in den toestand van evenwicht verkeert.

De gebezigde luchtpomp is zoodanig ingericht, dat de ruimte, waarin zich het gasvormig lichaam IJ bevindt, vergroot kan worden, zonder dat er iets in of uit gaat.

Vergrooten wij nu die ruimte door een enkelen zuigerslag, dan zien wij de blaas onmiddellijk zwellen.

Met ile onderstelling, dat het gasvormig lichaam A geen drukking uitoefende tegen den wand tier ingedrukte blaas, zou het moeilijk zijn, van het verschijnsel rekenschap te geven. Nemen wij echter het bestaan eener drukking aan en houden wij daarbij vast aan het uit de proef van § 162 afgeleide beginsel, dat de door een ingesloten gasvormig lichaam uitgeoefende drukking grooter wordt, wanneer zijn volumen afneemt en omgekeerd kleiner, wanneer zijn volumen grooter wordt, dan ligt eene redelijke en eenvoudige verklaring voor de hand.

Wij hebben dan nog slechts aan te nemen, dat het gasvormig lichaam 1? zich over de aangeboden grootere ruimte verbreidt, zoodat zijn volumen gel ij k blijft aan dat der beschikbare ruimte van het vat.

De blaas was in evenwicht onder de beide drukkingen der gasvormige lichamen A en B, respectievelijk tegen den binnen- en den buitenwand uitgeoefend. Vergrooting van het volumen van B doet de drukking tegen den buitenwand verminderen en het evenwicht is verbroken; de drukking tegen den binnenwand iieeft nu de overhand en de blaast zwelt. Het zwellen der blaas sluit in zich, dat het volumen van het lichaam A grooter en de daardoor uitgeoefende drukking tegen den binnenwand der blaas gaandeweg kleiner wordt. De laatstgenoemde drukking nadert dus meer en meer tot die op den buitenwand en er ontstaat een nieuwe toestand van evenwicht.

De voorgaande beschouwing is in overeenstemming met alles, wat waarneming en proefneming ons van de gasvormige lichamen leeren. Daarom gaan wij bij onze volgende beschouwingen uit van de Grondstelling:

Een in een vat opgesloten gasvormig lichaam vult steeds de gc-heelt' beschikbare ruimte cn oefent te allen tijde op alle punten van den vaat wand eene drukking u it.

hJ-l. De drukking, die een gasvormig lichaam tegen den wand van een vat uitoefent, werd vroeger vergeleken met de werking eener «gespannenquot; veer,

1) Wanneer men deze proef doet, wordt de onderrand der stolp altijd met wat kaarsvet of reuzel aangestreken om de afsluiting, zooals het heet, „liiclitdichtquot; (— hermetisch) te maken.

ocr page 147

135

ouder welker invloed een voorwerp, dat hare „ontspanningquot; belet, eene drukking ondervindt.

Hoewel de natuurkmuligen deze voorstelling van tie oorzaak der drukking door eene andere — waarover later meer vervangen hebben, is toch de vroeger er voor gebezigde uitdrukking „.spanningquot; bewaard gebleven.

Wanneer wij nu in het volgende het begrip spanning als eene „grootheidquot; invoeren, zullen wij ons daarbij houden aan de

Ukpalinu. 1° De spanning van een gasvormig lichaam is evenredig aan de op de éénheid van oppervlakte uitgeoefende drukking.

2° Een gasvormig lichaam bezit de „éénheid van spanningquot;, ais het op do éénheid van oppervlakte (l cM.2) van een vlakken wand de éénheid van drukking (1 dyne) uitoefent.

Is de numerieke waarde der op I cM.2 uitgeoefende drukking gelijk aan lt;i, dan is die der spanning dus eveneens gelijk aan a.

105. Onder de gasvormige lichamen is er één — het grootste, dat wij op aarde kennen —, dat, zonder in een vat opgesloten te zijn, toch bijeen blyft. Dit lichaam is de dampkring der aarde. Dat dit gasvormig lichaam zich hierin van alle andere gasvormige lichamen — die uit den aard der zaak van betrekkelijk kleine afmetingen zijn — onderscheidt, laat zich verklaren uit de werking dor zwaartekracht, aan welker invloed de gasdeeltjes zoo goed als alle andore stofdeeltjes onderworpen zijn.

Hij de proef met de zwellende blaas van § 1(33 ziet men, zoolang de pomp nog niet gewerkt heeft, door het eenvoudig afsluiten of oplichten van de stolp geeu de minste verandering ontstaan in den evenwichtstoestand der blaas.

Wij maken hieruit de gevolgtrekking, dat de „spanningquot; van het afgesloten gasvormig lichaam gelijk is aan die der vrije buitenlucht op het tijdstip, dat deze er van werd afgesloten.

De grootte der door den dampkring op eene gegeven oppervlakte uitgeoefende drukking bepaalt men op de volgende wijs.

Eene aan haar eene einde gesloten glazen buis van ongeveer 1 M. lang wordt geheel met kwik gevuld. Daarna wordt de opening met den vinger afgesloten en de buis omgekeerd; terwijl het met den vinger gesloten einde onder het, in een afzonderlijk bakje aanwezige, kwik gedompeld wordt. Neemt men nu den vinger weg, dan daalt het kwik in de buis een paar decimeters en blijft op eene hoogte van ongeveer 7(} cM. (soms iets meer, soms iets minder) boven den kwikspiegel van het bakje staan (vgl. fig. 77).

Daar het kwik in de buis en dat in het bakje één samenhangend vloeistof-lichaam is, dat in den toestand van evenwicht verkeert, moeten onderling gelijke oppervlakte-doelen, die in dezelfde horizontale laag cd

Kig. 77.

ocr page 148

136

gelegen zijn, umlerling gelijke drukkiugen oiiilervindeu. B^j de gevolgde wijze van vulling kan zicli geen lucht boven den kwikspiegel a in de buis bevinden; deze oppervlakte ondervindt dus ook geen luchtdrukking, en de drukking, op eene oppervlakte-éénheid tier laag b in de buis uitgeoefend, is gelyk aan het gewicht van een rechten cylinder kwik, die de éénheid van oppervlakte tot grondvlak heeft en den verticalen afstand der lijgen n en h tot hoogte. De drukking, door den dampkring uitgeoefend op eene oppervlakte-éénheid van dezelfde horizontale laag cd in het bakje, is hieraan gelijk.

Aan een toestel als het hierboven beschrevene, waarmede de drukking des dampkrings genieten kan worden, geett men den naam van banmeler,

i)e verticale afstand, die er tusschen de beide kwikspiegeis d en b zou zyn, indien het kwik in de buis eene temperatuur van 0° C. had, heet de barometerstand ot barometer,hoogtequot;.

Aanm, Daar barotnoterbuizou vrij nauwe buizen zijn, en het vrije kwikoppervlak in de buis dun ook zeer duidelijk gebogen is, moet aan den waargenomen barometerstand nog eene „correetioquot; worden aangebracht, wegens eapillairc werking. Het kwik in de buis staat namelijk, volgens § IC1 , een weinig lager dan het staan zou, indien zijn vrije oppervlak plat ware, zoodiit, om het wezenlijke uitwerksel der luelitdrukking bij do bestaande temperatuur te kennen, deze „neerdrukking van den kwikspiegoP1 in de buis bij de waargenomen hoogte moet worden opgeteld.

De neerdrukking hangt af van de wijdte der barometerbuis en van den „pijlquot; van het gebogen kwikoppervlak, d. i. de vertieale afstand tusschen zijn hoogste punt en hot horizontale vlak van den cirkel, dio hot zuiver cylindrische gedeelte dor kwikzuil van boven begrenst. Daa • echter bot meten van den pijl uitermate moeilijk is, is de, volgens daarvoor ingerichte tabellen aangebrachte, „correctiequot; veelal zoor onzeker. Daarom moeten de barometers, die voor zeer nauwkeurige waarnemingen dienen , zoo wijd zijn, dat do „noerdrnkkingquot; van don kwikspiegel onbeduidend klein wordt.

JSovendien moet, om de barometerwaarnemingen van verschillende plaatsen op aarde onderling vergelijkbaar te maken, nog eono andere correctie worden aangebracht, dio noodzakelijk is wegens de verschillende waarde van op verschillende breedtegraden on hoogten boven de zee. Do kwikzuil, die met de drukking der buitenlucht evenwicht maakt, zal toch ouder overigens gelijke omstandigheden korter zijn, naarmate de waarde van g grootor is.

liij do vergelijking van op verschillende plaatsen gedane barometer-waarnemingen herleidt men daarom de „b, irometerstandeir'' tot hot bedrag dut zij zouden bezitten, indien de waarnemingen, onder overigens gelijke omstandigheden op eene en dezelfde plaats verricht waren. Voor deze plaats op aarde heeft men aangenomen de breedte van 45° en eene hoogte boven het oppervlak der zee gelijk aan 0. Nog eene andere aan te brengen correctie (waarover later) wordt noodzakelijk gemaakt door de verschillende temperatuur, die het kwik kan bezitten.

!lt;gt;lt;gt;. Een toestel, ingericht volgens het in tig. 59 uitgedrukte beginsel, en dat kan dienen voor het proefondervindelijk bewijs der Wet van Pascal, kan, in plaats van met eene vloeistof, met een gasvormig lichaam gevuld worden. Herhaalt men dan de in de wet aangeduide proef, terwijl, om den invloed der zwaartekracht builen rekening te kunnen laten, eene aanzienlijke drukking wordt aangewend, dan leert, de uitkomst het volgende:

Alle onderling gelijke deden der loand-npperrlakte ondervinden onderling gelijke drukkingen.

Zijn nu de drukkingen per éénheid van oppervlakte in alle punten van den

ocr page 149

187

wand vim oen vat onderling gelgk, dun is, volgens eene wiskundige beschouwing, de congerente dezer drukkingen gelijk iian 0.

1lt;gt;7. Onderzoeken wij nu, ot' de congerente der op de verschillende doelen van den wand uitgeoefende drukkingen óók gelijk nul is, wanneer de invloed der zwaartekracht op het gasvormig lichaam in het vat geenszins buiten rekening gelaten mag worden.

Een met lucht gevulde glazen ballon wordt aan de eene schaal eener balans gehangen en de andere schaal zoodanig belast, dat het juk den horizontalen evenwichtsstand aanneemt. De ballon wordt daarna afgenomen on de lucht zooveel mogelijk met behulp van de luchtpomp er uic verwijderd.

Hangt men den ballon daarna weder op zijne vorige plaats, dan herneemt het juk niet den horizontalen evenwichtsstand van zoo oven, maar hot ophang-punt van den ballon rijst, waaruit gemakkelijk wordt afgeleid, dat de congerente dor op den binnenwand van den ballon werkende drukkingen kleiner is geworden.

Deze congerente kon dus te voren niet gelijk aan 0 zijn, waaruit volgt:

Onder lt;1 a werking der zwaartekracht is lt;}lt;■ drukking, die een in een vat opyealo ten gasvormig lichaam op den binnenwand »I toefent, niet in alle punten even groot.

De verklaring hiervan berust op de hedendaagsche voorstolling van den aard der gassen — waarvan later nog het een en ander zal medegedeeld worden -, en deze verklaring sluit in zich, dat in de lager gelogen lagen van het gasvormig lichaam de uitgeoefende drukking, en evenzoo zijne dichtheid, grootor is dan in de hoogore lagen; terwijl de congerente van al de drukkingen tegen den binnenwand eene verticaal naar beneden gerichte kracht is, gelijk aan hot Gewicht van het gasvormig lichaam.

108. Volgens het aan het slot van § 1(17 medegedeelde, moet, naar do hedendaagsche voorstelling omtrent den aard dor gasvormige lichamen, de spanning van zulk een lichaam in de lager gelegen lagen grootor zijn dan in de hooger gelegene. Dit wordt ook voor het grootste gasvormig lichaam, dat wij kennen, den dampkring namelijk, door de barometer-waarneming bevestigd:

Met het stijgen in den dampkring vermindert de ^barometerstandquot;.

Toch is, ook op eene en dezelfde plaats, de ,barometerstandquot; op verschillende tijdstippen verschillend. Een barometerstand van 76 cM. wordt normale barometerstand genoemd.

169. Het was Viviani, „de laatste leerling van (lalihiquot;, gelijk hij gaarne zich placht te noemen (vgl. hl/,. 48), ilie, op aanwijzing van Torrieelli, in 1(143 voor 't eerst de hierboven aangeduide proef deed en dus den eersten barometer maakte.

Met die proef was hot Torrieelli te doen om het geloof van die dagen te bestrijden, als zou do natuur een „afkeer van het ledigquot; hebben. Volgons zijne overtuiging bestond dat ledig inderdaad, bijv. in de zuigbuis eener pomp tusschen den waterspiegel en den zuiger, zoodra de waterkolom eene hoogte van ongeveer 10 M. had bereikt. De ervaring had toch geleerd, dat het water met geen mogelijkheid tot eene grootore hoogte kon worden opgevoerd.

ocr page 150

138

Waren zijm; inzichten juist, dim moest, volgens zyne redeneering, hetzelfde verschynsel zich voordoen hij hot gebruik van kwik, met dit verschil, dat de grootst mogelijke hoogte der kwikkolom hoven den spiegel der omringende vloeistof zocAveel maal zoo klein moest zijn als die eener waterkolom onder gelijke omstandigheden, als de soortelijke massa van water begrepen was in die van kwik. Zijne meening werd door de proef van Viviani bevestigd, en de ruimte hoven den kwikspiegel in de barometerbuis te zijner herinnering de ,ruimte van Torricelliquot; genoemd.

Aan de verklaring van Torricelli, die de oorzaak in de door de buitenlucht uitgeoefende drukking zocht, schonk in Frankrijk de wijsgeer Pascal zijn bijval. Om haar nader aan de waarneming te toetsen, verzocht Pascal zijn zwager Périer te Ciermont-Ferrand, de proef van Viviani voor hem te herhalen op den top van den Puy-de-Döme, een berg van ongeveer 500 toises (ca. 075 M.) hoog. Was de verklaring juist, dan moest, zoo redeneerde Pascal, de kwikkolom in de harometerbuis op deze hoogte minder hoog zijn dan omlaag in de vlakte. De proefneming had in 1648 plaats en Périer vond, dat inderdaad de kwikkolom op den top van den berg 3 duim 11,, lijn (bijna 81, cM.) lager was dan aan den voet. Pascal zelf herhaalde de proef op den ongeveer 25 toises (ca. 48 M.) hoogen toren Saint-Jacques-la-Boucherie te Parijs en vond toen eene vermindering van de hoogte der kwikkolom van 2 lijnen (ca. 4l/2 niM.).

170. Eene luchtdrukking per éénheid van oppervlakte, waaraan een barometerstand van 76 cM. (de „normalequot;) beantwoordt, werd vóór de invoering van het C.G.S.-stelsel als éénheid van luchtdrukking aangenomen onder den naam van eene (lampkringsdrukkiny oi kortweg eene atmospheer.

Berekenen wij de grootte dezer drukking in dynes op de éénheid van oppervlakte: 1 cM.2 (de éénheden van het O.G.G.-stelsel), dan vinden wij hiervoor, daar de soortelijke massa van kwik 13,596 Gram bedraagt, eene waarde van 76 X 13,596 x 981 = 1013812,488 dynes.

Daar dit getal, als een gevolg van de kleinheid der aangenomen éénheden, voor de praktijk te ongemakkelijk is, neemt men in het geval van luchtdrukking eene hulp-éénheid in het C.G.S.-stelsel aan (vgl. § 121), die gelijk is aan 106 der gebezigde éénheden. Nu beantwoordt aan eene luchtdrukking van 10quot; dynes per cM.2 een barometerstand van 74,978 cM. (in een rond getal 75 cM.). Ook aan déze hulp-éénheid van het C.G.S.-stelsel geven wij den naam van atmospheer, zoodat aan eene „atmospheerquot; van het nieuwe stelsel een barometerstand beantwoordt van ongeveer 1 cM. minder dan die volgens het oudere stelsel.

Daar de „spanningenquot; van twee gasvormige lichamen evenredig zijn aan de hoogten der kwikzuilen, welker drukking er evenwicht mede maakt, is het gebruik geworden eene spanning in deze kwikhoogte uit te drukken.

De onjuiste, doch kortheidshalve gebezigde, uitdrukking: „een luchtdrukking van 76 cM. kwikquot;, heteekent dus eenvoudig: eene luchtdrukking of spanning, waaraan een kwik-barometerstand van 76 cM. beantwoordt.

171. De barometer van den bovenbeschreven vorm heet „bakquot;-barometer.

Ueheel op hetzelfde beginsel berustende, doch eenvoudiger van samenstelling,

js de „hevelquot;-barometer (vgl. fig. 78).

ocr page 151

13!)

liet lange been der U-vonnig gelxjgen buis is gesloten, het korte been open. De vulling lieeft weder zoodanig plants gehad, dat boven den kwikspiegel a in liet lange been geen lucht kon binnendringen; de buitenlucht is met den kwikspiegel h in het korte been in aanraking. De verticale afstand tusschen de beide kwikspiegels lt;i en h is weder de „barometerstandquot;.

Een b\jzoiidero vorm van hevel-barometer is de wij zer-barometer (vgl. fig. 70). Op het kwik van liet open been rust een dravertje, dat in de veranderingen van den stand des kwikspiegels deelt. De op- en neergaande beweging van het drijvertje wordt, door middel van een met een tegenwichtje bezwaard koord, op een radje overgebracht, aan welks spil een wijzer bevestigd is. De wijzerplaat bevat de aanwijzing van de „barometerstandenquot;, die aan de verschillende standen des wijzers beantwoorden.

N.li. In de liguur is do achlomjde vim dozen burometei' afgebeeld. 172. Df iar, blijkens de voorgaande waarnemingen, de span-dampkring, evenals van elk ander gasvormig lichaam, in eene lager gelegen laag grooter is dan in eene hooger gelegene, zullen de verschillende punten van het oppervlak eens lichaams eene grootere drukking van den

dampkring ondervinden, naarmate zij lager lig^eii. Dit maakt, dat de congerente van al deze tegen de oppervlakte uitgeoefende drukkingen eene ver-ticaal naar hoven gerichte kracht moet zijn, i/dljl aan het Gewicht van het door 'laf lichaam verplaatste volumen lucht.

Fig. 78.

.....

ning van den

Al is nu, bij een lichaam van betrekkelijk kleine afmetingen, het verschil in drukking in de verschillende punten der oppervlakte ook zoo gering, dat de .barometerstandquot; er niets van verraadt, de congerente dezer drukkingen is groot genoeg om haar invloed op eene zelfs niet zeer gevoelige balans te doen gelden. Op grond hiervan werd er in 55 113 (bl. DO) op gewezen, dat de lucht invloed heeft op de massa-bepaling door middel van de balans. De gevonden massa is namelijk grooter of kleiner dan de werkelijke, naarmate het volumen van het gewogen lichaam kleiner of grooter is dan het volumen der gebruikte gewichten.

Om het bestaan der opwaartsche drukking in de lucht, met behulp van de balans, proefondervindelijk aan te toonen, hangt men aan het eene ophangpunt van het juk (vgl. fig. 80) een stukje lood (A), aan het andere een lichaam van veel grootere afmetingen, bijv. een kleinen glazen ballon (B), en men regelt het zoo, dat het juk by de genoemde belastingen den horizontalen even wichtsstand

ocr page 152

140

aanneemt. De congerente der in liet eene ophangpunt aangrijpende krachten is j.'ig. so. dan gelijk aan die der in het andere aangrijpende

krachten.

Wordt nu de belaste balans onder de stolp eener luchtpomp geplaatst, van welke de buitenlucht volkomen is afgesloten, en verwijdert men zooveel mogelijk de afgesloten lucht, dan ziet men het juk onmiddellijk een anderen evenwichtsstand aannemen, waarbij het met den glazen ballon belaste einde lager staat dan het andere, zoodat nu de congerente der hierop werkende krachten grooter is dan die van het andere einde.

Dat deze uitkomst geheel in overeenstemming is met de stelling, dat een lichalt;m can de htdlcnluehl eene opwaartuche drukking wdervindt, die gelijk is aan hel Gewicht van het verplaatste volumen lucht, blijkt uit de volgende beschouwing.

De massa van liet stuk lood A zij m/, zijn volumen vt; die van den glazen ballon respectievelijk m.j en v,,; de soortquot;lijke massa der lucht zij aanvankelijk s; later, na aanwending der luchtpomp

Van de gegeven numerieke waarden is v,, gt; vi en o- gt; s'.

De op het lood werkende krachten zyn: het verticaal benedenwaarts gerichte Gewicht van het lood (= P/) en de verticaal bovenwaarts gerichte congerente der luchtdrukkingen (= Q/); zoodat de congerente der op het correspondeerende ophangpunt der balans werkende krachten (= R/) gelijk is aan P/ — Q/.

Zoo vinden wij voor het andere ophangpunt de kracht R,/ — l)i,/-—Q;/t waarin l',, liet Gewicht van den glazen ballon en Q,, de bovenwaarts gerichte congerente der door lt;lit voorwerp van de lucht ondervonden drukkingen voorstelt.

Bij het begin der proefneming is, blijkens den horizontalen evenwichtsstand van het juk:

^ = R,, of Pi — Qi = P,, — Qg.......(1)

Daar P; = mig dynes, Q/ = nsg dynes,

P.,, = m„g , Q.,, = Vr/sg,

verandert de vergelijking (1) in:

m ig — visg = mug —v^sg.........(2)

Na verwijdering van een gedeelte der lucht, verandert het eerste lid van vergelijking (2) in m/g — c/sg en vermeerdert dus met nsg — vis'g of mg (s — s') dynes.

Het tweede lid wordt m./g — v,,sg en vermeerdert dus met v^sg — Vysg of r„g (s — s') dynes. Daar *•,/) «/, bedraagt de vermeerdering van liet tweede lid meer dan die van het eerste en blijven dus de beide op het juk werkende congerenten niet gelijk, zoodat het juk naar den kant der grootste (ballon-kant) moet doorslaan.

De Wet van Archimedes geldt even goed. voor in gassen als voor in vloeistoffen ondergedompelde lichamen.

Is tie door d« lucht op cwi licliiuvm uitgeoel'cnde opwaartsche drukking grooter dan zijn Gewicht, dan stijgt het in de lucht omhoog. Hierop berust de inrichting der luchthallons.

De luchtballons worden gevuld met eene gassoort, gewoonlijk het brandbare stcenkolcn-gus onzer gasfabrieken, welker soortelijke massa kleiner is dan die der dampkringslucht. Zoo is de soortelijke massii van steenkolengas ongeveer 0,6.1 van die der gewone lucht, onder gelijke omstandigheden.

ocr page 153

UI

Is de massa vim l M.3 gas, waarmede de ballon gevuld wordt = »«#/; de massa van 1 M.x van de onringende dampkringslucht = ///,/; de kubieke inhoud des ballons .= r M.a; dan is de opwaartsche drukking, die het gas van den ballon te midden der dampkringslucht ondervindt, gelijk aan —vmdff of (jn,/ — mtl)u(j,

Is nu de massa van het omhulsel, den eigenlijken ballon zelf, gelijk aan ;/lt;//, dan is de totale opwaartsche drukking, die dc ballon ondervindt ot' de „Stijgkracht (S) van den bailonv,:

S = (//lt;,/ — md)v(l — ww/.

Vr. Waarom wordt de ballon bij de vulling, niet geheel gevuld, zoodat hij gespannen staat?

174-. Reeds herluialdelijk hebben wij de stelling toegepast, dat de spanning van een gasvormig lichaam kleiner wordt, wanneer zijn volumen toeneemt; en omgekeerd grooter, wanneer het volumen afneemt, zonder nog nagespoord te hebben, of deze betrekking van afhankelijkheid tussehen beide grootheden in een wiskundigen vorm kan uitgedrukt worden.

Om dit laatste te onderzoeken, gebruiken wy eene U-vormige buis (vjrl. (ig. 81) met ongelijke beenen, waarvan het korte been gesloten en liet liuiffe open is. In het open been wordt kwik gegoten en het ingieten zoo geregeld, dat de kwikspiegels in de beide beenen in een zelfde horizontaal vlak oo komen te liggen. Boven den kwikspiegel van het korte been bevindt zich nu eene rondom afgesloten hoeveelheid lucht of ander gas; boven den anderen spiegel de vrye buitenlucht. Is de vloeistof in evenwicht, dan worden op onderling gelijke oppervlakte-deelen der beide, in dezelfde horizontale laag gelegen, spiegels onderling gelijke drukkingen uitgeoefend, waaruit volgt, dat de spanning van

Fig. 81.

y

h

het tussehen o en c ingesloten gasvormig lichaam gelijk is aan die des dampkrings in zijne benedenste lagen. Eene tijdens de proef gedane barometer-waarneming leert den hiermede overeen-komenden „barometerstandquot;, bijv. van 75 cM., kennen.

Men giet nu in het open been kwik bij, totdat het volumen van het ingesloten gasvormig lichaam tot de helft van zijn volumen van zoo even is teruggebracht, wat op eene langs de buis gemaakte schaalverdeeling kan worden afgelezen.

Het kwik in het gesloten been is nu bijv. gestegen tot in (/, dat in het open been tot (j. Is de vloeistof nu weder in evenwicht, dan moeten op onderling gelijke oppervlakte-deelen derzelfde horizontale laag (Jd, zoowel in het open als iu het gesloten been, weder onderling gelijke drukkingen worden J* uitgeoefend. In het open been is deze drukking gel ij k aan het Gewicht van een rechten cylinder kwik, die tot grondvlak heeft o het gegeven oppervlakte-deel en tot hoogte den verticalen afstand dg der beide kwikspiegels, vermeerderd met de boven op dezen cylinder uitgeoefende dampkringsdrukking, zooals deze uit den „barometerstandquot; kan worden afgeleid.

Indien deze laatste 75 cM. bedraagt, dan zal de aflezing van den verticalen afstand dg der kwikspiegels een zelfde bedrag van 75 cM. leeren kennen, zoodat de geheele op d uitgeoefende drukking vertegenwoordigd zou worden door eene kwikkolom van 2 X 75 cM. hoogte. Daar de door het afgesloten gasvormig lichaam op den spiegel uitgeoefende drukking hieraan gelijk is, vinden wij dus.

ocr page 154

142

dat aan een 2-maal zoo klein volumen viin dit. lieliaatn eene 2-maal zoo groote dnikkiuy of eene 2-maal zoo groote „spanningquot; beantwoordt.

Gaat men, door liet bijgieten van kwik, voort niet het gasvormig lichaam in liet korte been samen te persen, totdat bijv. de kwikspiegel in e staat en liet volumen ' :l van het oorspronkelvjk volumen is geworden, dan zal de aflezing van tien verticalen afstand der beide kwikspiegels leeren, dat de „spanningquot; van het samengeperste lichaam 3-maal zoo groot is geworden, in het algemeen: dat z^jne „spanningquot; omgekeerd evenredig is aan zijn volumen.

Om te onderzoeken, wat er gebeurt, by drukkingen van minder dan eene „atmospheerquot; kan men volgenderwys te werk gaan.

Eene ijzeren, van onderen gesloten, verticaal geplaatste geweerloop M (vgl.

fig. 82) wordt zoover met kwik gevuld, dat de kwik-spiegel by B in den op de loop bevestigden glazen trechter staat. Eene barometerbuis wordt eveneens met kwik gevuld, op eene hoogte van 5 tot 7 cM. na, die met lucht gevuld blijft. Zy wordt omgekeerd, bij wijze van een barometer, in den buisvormigen kwikbak geplaatst, waarna het gasvormig lichaam zich in het bovenste gedeelte der buis bevindt. De barometerbuis wordt zoo diep naar beneden gedrukt, dat haar kwik-spiegel met dien van bet omringende kwik in hetzelfde horizontale vlak liggen. De „spanningquot; van het afgesloten gasvormig lichaam is dan gelyk aan die der buitenlucht, byv. h cM. „kwikquot;.

Kr. Waarom?

De hoogte der luchtkolom wordt gemeten en bijv. gelijk gevonden aan n cM.

Daarna wordt de barometerbuis omhoog getrokken, hetgeen gepaard gaat met eene stijging van het kwik. Zy de verticale afstand der beide kwikspiegels gelijk aan b cM., dan is de door de buitenlucht uitgeoefende drukking gelijk aan de drukking van het afgesloten gasvormig lichaam vermeerderd met de drukking eener kwikzuil van h cM. hoogte. De hoogte der afgesloten luehtzuil is nu gelijk aan n — h cM. en hare spanning gelyk aan h — h cM. „kwikquot;-drukking.

Indien nu de volumina der beide luchtzuilen evenredig zyn aan hare hoogten, dan levert de proef de volgende uitkomst op:

n : (a — b) — (h — b); h , of,

de aan de hoogten h — h en b beantwoordende volumina respectievelijk door V' en V voorstellende:

a:{a-b) = Y:Y,

zoodat ook nu de „spanningquot; van liet afgesloten gasvormig lichaam evenredig is aan zijn volumen.

By de hierboven beschreven proeven dient de voorzorg in acht genomen te worden, dat de temperatuur by de verschillende aflezingen eene gelijke zy, en

ocr page 155

148

dat de duur der proef kort genoeg zij om ^een stoornis te ondervindeti van eene merkbare verandering in den „barometerstandquot;.

Op grond der genoemde proeven formuleerden de Engelsciie natuurkundige Hoyle en, iets later, de Franschman MarioUe de naar lien genoemde

WEÏ VAN BOYLE (of Van MARlOTTn).

Dc spanning van een zelfde gasvormig lichaam is, onder ovcri-g e n s g e l ij k e o m s I a n d i g heden, o m g ekee r d e v en re d i g a an z ij n v o l n m ev.

Daar volgens deze wet de spanning van een gasvormig; lichaam evenveel maal zoo groot als het volumen zoo klein wordt, moet het product van de numerieke waarden dezer heide grootheden een standvastig getal zijn. Stellen wij het volumen voor door V, de spanning door P, de standvastige waarde van het product door c, dan kan de wet van Boy Ir, ook worden voorgesteld in den vorm der vergelijking; PV = c.

175. Daar volgens § 122 de „gemiddelde dichtheidquot; van een lichaam evenredig is aan zyne massa en omgekeerd evenredig aan zijn volumen (d = j, zoo

is, onder overigens gelijke omstandigheden, de „spanning' van een gasvormig lichaam ook evenredig aan zijne „gemiddelde dichtheidquot;. Daarentegen is, by gelijke spanning en overigens gelijke omstandigheden, de muss a ran een gasvormig lichaam evenredig aan zijn volumen.

170. Meer nauwkeurige onderzoekingen van lateren tyd hebben geleerd, dat de Wet van Boyle slechts binnen zekere perken geldig is.

Neemt men de proef met gewone lucht, dan wordt, ook wanneer de grootst mogelijke nauwkeurigheid betracht wordt, slechts eene zeer kleine afwijking van tie Wet van Boyle waargenomen. Hetzelfde geldt van zuurstof, stikstof en waterstof.

De afwijking van de Wet van Boyle, die het waterstofgas vertoont, bestaat hierin, dat bij verkleining van het volumen de spanning te allen tijde iets grnoter wordt dan de Wet aangeeft. Bij de overige gassen heeft in den regel juist eene afwijking in tegengestelden zin plaats. Tntusschen hebben hierby de temperatuur van het gas gedurende de proefneming en de grootte der spanning invloed, zoowel op de mate als op den zin der afwijking van de als regel gegeven wet.

177. Een toestel, dut dient um de „spanningquot; van een gasvormig lirhimm te bepalen, heet een manometer.

Annm. Wanneer het gasvormig lichaam, welks spanning bepaald wordt, dc dampkring

onzer Aarde is, heet de manometer — zooals reeds gebleken is — een harotneier.

Onder de gebruikelijke manometers kan genoemd worden de verkorte barometer, zijnde een hevel-barometer, welks gesloten been 20 a 25 cM. lang is. liet open been wordt verbonden met dc ruimte, die het gas bevat, welks spanning bepaald moet worden. Zoodra het kwik het gesloten been niet geheel meer vult, wordt de spanning gemeten door liet hoogte-verschil der beide kwikspicgels.

Vr. Voor welke spanningen is deze manometer alleen brnikbuar?

Vervolgens heeft men de open manometers, bestaande uit eene U-vormige, aan beide einden open buis (vgl. lig. S.'i), gevuld met kwik ol' met eene andere vloeistof, op welke in bet eene mot den gashouder verbonden been het gas drukt, welks spanning bepaald moet worden,

ocr page 156

114

terwijl er in liet andere been du buitenlucht i)|i drukt, om welke reden deze toestellen ook mano-meters met vrije luohtdrukking genoemd worden. Het hoogte-verschil der beide kwikspiegels,

vermeerderd met den „barometerstand,,,, van het oogenblik, geeft de spanning van het gasvormig lichaam aan.

I r. Waarom vermeerderd met den barometerstand:

Vr. Wat kan de reden zijn, dat deze manometers, om de spanning van het lichtgas te meten, met water gevuld worden?

De lucht man om eter (vgl. fig. 84) is een bak-barometer, welks Torricelirsche ruimte met droge lucht gevuld is. Door middel van de buis A wordt de ijzeren bak li in verbinding gesteld met de ruimte, die het gas bevat, welks spanning men moet bepalen. Al naar het gas meer of minder op het kwik van den bak drukt, wordt er meer of minder kwik in de barometerbuis (' omhooggeperst en de boven het kwik aanwezige lucht meer of minder samengeperst, rit de veranderingen van het volumen dezer luchtzuil, kan,

overeenkomstig de Wet van Boyle, de spanning van deze lucht, en zoodoende de spanning van het te onderzoeken gasvormig lichaam worden afgeleid.

De lucht-manometer dient voor het meten van groote spanningen.

178. Een werktuig, dat in het voorgaande reeds eenige malen is aangehaald en welks werking eene toepassing is van de Wet van Boyk, is de luchtpomp.

Het doel eener luchtpomp is de spanning van een rondom afgesïoten gasvormig lichaam te verkleinen. Om dit doel te bereiken is eene inrichting uitgedacht, waardoor de ruimte, die het gasvormig lichaam bevat, kan vergroot worden, zonder dat de buitenlucht kan toetreden. Het gasvormig lichaam, zich over de grootere ruimte verbreidende, verkrygt eene kleinere spanning, waarna het deel der ruimte, waarmede de oorspronkelijke ruimte vermeerderd is, van deze luchtdicht wordt afgesloten. Dan wordt de oorspronkelijke ruimte, binnen welke de spanning reeds verminderd is, nogmaals op dezelfde wijs vergroot en dus de spanning opnieuw verminderd, welke bewerking men zich, in beginsel, tot in bet oneindige voortgezet kan denken. De spanning der lucht zou daarbij steeds kleiner, doch nooit gelyk nul worden.

In de practische toepassing van het beginsel stuit men echter op bezwaren, die de vermindering der spanning beneden eene zekere minimum-grens onmogelijk maken.

Fig. 85 maakt duidelijk, hoe het in het voorgaande aangeduide beginsel, waarop de luchtpomp berust, verwezenlijkt kan worden.

A is eene buis, waarin een luchtdicht sluitende zuiger G op en neer bewogen kan worden. De zuiger is doorboord en van eene sluiting, een zoogenoemd ventiel, voorzien, waardoor wel lucht van onder den zuiger er boven, maarniet omgekeerd lucht van boven den zuiger er onder kan geraken. De bodem der zuigerbuis of pompbuis bevat eveneens eene opening met een „ventielquot; F, dat in denzelfden zin werkt als het vorige. Aan de pompbuis is eene verbindingshuis verbonden, welker andere einde in de opening der vlak geslepen plaat C sluit.

ocr page 157

145

boven welke plaat, door middel van eene stolp E, een gedeelte van de buitenlucht kan worden afgesloten.

. Wordt de zuiger omhoog getrokken, dan wordt liet volumen der tusschen ' 8r', de beide ventielen G en F

aanwezige lucht grooter en hare spanning wordt dienovereenkomstig kleiner, ten slotte kleiner dan de spanning der lucht van stolp en ver-bindingsbuis (tot aan de onderzijde van ventiel F), welke laatste ruimte wij den ontvanger willen noemen. Het ventiel F wordt dan openge-drukt en er stroomt lucht uit den ontvanger in de pompbuis, totdat in beide ruimten de spanning gelijk is. De spanning der lucht in den ontvanger is dientengevolge verminderd.

Bii het nederdalen vim den zuiger wordt het luchtvolumen tusschen de beide ventielen verminderd en, dientengevolge, de spanning vermeerderd, totdat zy, grooter geworden dan de spanning der buitenluclit, het ventiel G opendrukt en lucht naar buiten laat ontsnappen, een en ander zonder dat de spanning van de lucht des ontvangers, wegens de afsluiting bij F, weer tot haar vorig bedrag kan hersteld worden.

Het volumen van den ontvanger hehbe eene numerieke waarde = v0, het volumen der pompbuis tusschen de beide ventielen, bij den hoogsten zuigerstand, — n.-de spanning der lucht van beide, gelijk aan die der buitenlucht, = h.

Na den Isten zuigerslag groeit het volumen «0 aan tot r0 v, en de spanning der daarin bevatte lucht verandert van h in /1 quot;

Na den 2den zuigerslag heelt weder vn tot v0 -H v~ plaats gehad en (Ie spanning der lucht is dus, in plaats van

V0 Ve

dezelfde volumen-vermeerdering van

, geworden: h

'n Ve

V:

Na den nden zuigerslag zou de spanning eene numerieke waarde verkregen

111 / 11 \ H

hebben van h

Volgens deze algebraïsche voorstelling zou men, hoewel de spanning nooit, gelijk ,icin (I kan worden, tot in het oneindige met het verkleinen der spanning kunnen voortgaan. In de werkelijkheid kan men de spanning echter slechts tot eene zekere grens verminderen, waarna alle verdere pogingen vruchteloos zijn.

Dit is het gevolg hiervan, dat de ruimte tusschen de beide ventielen (1 eu F, hoe laag de zuiger ook worde neergedrukt, nooit gelijk 0 kan worden, zoodat hier altijd eene kleine hoeveelheid lucht in aanwezig blijft, die bij den laagsten stand des zuigers dezelfde spanning als de buitenlucht bezit. Men noemt deze ruimte daarom de schadelijke ruimte der luchtpomp.

Zij het volumen der „schadelijke rnimtequot; gelijk aan 1 v,, dan zal de spanning

'i'o '0 %

oUU

10

Salverda on le Rov, Natuurkennis, 11. 2tlc druk.

ocr page 158

146

1

h.

der hierin aanwezige lucht, l)ij geheel opgehaaldeu zuiger, gelijk zijn aan Nu zal de lucht uit ilen ontvanger alleen dan kunnen toevloeien, wanneer hare spanning grooter is dan die der lucht aan de andere z\jde van het ventiel 1.

Eeue spanning van J h zal dus de grens zyn, die niet overschreden kan oUU

worden. Heeft de lucht van den ontvanger eenmaal deze spanning bereikt, dan opent het ventiel K zich niet meer.

Bovendien zijn de ventielen onderworpen aan den invloed der zwaartekracht, welker invloed in de voorgaande beschouwing verwaarloosd is. De spanning der lucht in de pompbuis moet dus nog zooveel grooter zyu dan die der buitenlucht, dat de invloed der zwaartekracht op het zuigerventiel overwonnen wordt.

Plaatst men onder de stolp der luchtpomp een verkorten barometer ah (vgl. § 177) als manometer, dan zal de verticale afstand tusschen de beide kwikspie-gels de in den ontvanger bestaande spanning aanwijzen. Daar deze nooit geljjk nul kan worden, kan ook deze verticale afstand nooit tot nul verminderen.

17». Onze gewone huispomp is niets anders dun eene luchtpomp, die voor een bepaald duel is ingericht. Zij bestaat uit eene pomphuis d (vgl. fig. 8G), waarin een zuiger op en neer bewogen kan worden. De zuiger bevat eene opening, afgesloten door een ventiel (zuiger^klep^i, dat zich opent, wanneer de drukking van onderen, en dat zich sluit, wanneer de drukking van boven het grootst is. Onder aan de pompbuis is de „zuigbuis,,, n verbonden. De bovenste opening dezer zuig-buis is eveneens door een ventiel („hartklep'11) gesloten, dat zich op de zelfde wijze opent en sluit als het zuiger-ventiel. De zuigbuis staat met haar ondereinde in water.

N.H. Om te verhinderen, dat er zand of een of ander vast voorwerp in de zuigbuis binnendringt, is zij van onderen van eene soort van roostertje voorzien.

Onderstellen wij, dat de zuiger zijn laagst mogelijken stand hebbe en dat de zuigbuis met lucht gevuld zij van dezelfde spanning als de buitenlucht. Wordt de zuiger omhoog getrokken, dan blijft de zuigerklep gesloten en de hartklep opent zich, daar de drukking van de lucht in de zuigbuis onder de klep de overhand krijgt boven de door volumen-vermeerdering afgenomen drukking boven de klep. De lucht der zuigbuis wordt dus ook over de pompbuis verdeeld. Dit maakt, dat nu ook de spanning van de lucht der zuigbuis vermindert, zoodat, daar de spanning der buitenlucht nu de overhand heeft, de waterspiegels in en buiten de zuigbuis niet in eenzelfde horizontaal vlak kunnen blijven. Het verbroken evenwicht der vloeistof wordt hersteld, doordien het water in de zuigbuis zoo hoog boven den waterspiegel daarbuiten stijgt, dat de drukking der waterkolom van deze hoogte op de e'enhcid van oppervlakte gelijk is aan het verschil der drukkingen door de buitenlucht en door de lucht der zuigbuis op de eenheid van oppervlakte uitgeoefend.

Wanneer de zuiger zijn hoogsten stand bereikt heelt, sluit zich de „hartklepquot; door haar Gewicht, en wanneer nu de zuiger weer gaat dalen, perst hij de lucht der pompbuis samen, totdat zij eene voldoende spanning bezit um de „zuigerklepv, op te lichten en te ontsnappen.

Hij eene herhaalde stijging des zuigers stijgt het water verder in de zuigbuis omhoog en dringt weldra zelfs, door de „hartklep , in de pompbuis binnen.

Wanneer nu de zuiger weer daalt, opent zich de zuigerklep om het water door te laten, dat, eenmaal boven don zuiger zijnde, bij het stijgen van dezen mede wordt opgeheven en door den „pompbekv, / wegvloeit.

\

ocr page 159

147

Vr. I Toe hoog zou bij eene ideale imicliting der pomp (geen .schadelijke ruimte enz.) het water boven den spiegel in den vergaarbak kunnen worden opgevoerd?

180. De in de vorige § beschreven pump Wiis cone „7,uigquot;pomp.

ten ander voorbeeld van eene pomp is de zuig- en perspomp. Deze verschilt van de vorige hierin, dat de zuiger a (vgl. lig. 87) niet doorboord is en dat de afvoerbuis of pomp bek, in phi;its van boven, onder aan de pompbuis is aangehecht. De binnernvaartsche opening c dezer pijp is door een ventiel gesloten, dat zich van binnen naar buiten opent.

De pompbuis wordt up dezelfde wijs met water gevuld als in liet vorige geval. Het ventiel r. blijft namelijk bij de opwaartsche beweging van don zuiger gesloten, daar de door de buitenlucht er tegen uitgeoefende drukking alsdan grooter is dan de drukking, die bet van de andere zijde van do lucht der pumpbuis ondervindt.

Is eenmaal het water in do pompbuis binnengedrongen en beweegt zich nu de zuiger naar beneden, dan wordt het water, dat wegens de hartklep niet imar beneden terug kan vloeien, in de afvoerbuis geperst en er uit gespoten.

181. Hij de in de vorige § beschreven zuig- en perspomp wordt dc uitgespoten straal, telkens gedurende do opwaartsche beweging des zuigers, afgebroken. Een aanhoudende, onafgebroken straal wordt op de volgende wijs verkregen.

In don toestel van lig. 88 is .1/ dc rondom afgesloten vergaarbak van het water, dat door de middelste der drie buizen , die door den bovenop geplaatsten bak D heenreikt, uitgespoten wordt. Hot uitspuiten van het water wordt veroorzaakt door de verhoogde spanning dor boven hot water aanwezige lucht. Om de verhoogde spanning op te wekken wordt deze lucht, die door de buis A in gemeenschap staat met de luebt vau hot onderste vat N, samengeperst en wel door middel van eene waterkolom, die langs de buis B van don bovensten bak ü in bet onderste vat N ge-bracht wordt. Eene dergelijke inrichting heet eene „fontein vau Heron'quot;.

De belangrijkste toepassing der „fontein van Ileron'quot; is do brand-s p u i t.

Do zoogenoemde wind ketel (a) is het overeenkomstige deel van de vereenigdo vaten M en A der //«run's fontein. Aan weêrskanten van dezen bevindt zich eene „zuig- en perspompquot;, die het water uit den grooten bak of de spuitkust A op„zuigtquot; en het vervolgens in den windketel „perstquot;. Zoodoende wordt de lucht iu de ruimte n van den windketel samengeperst en hare spanning vergroot, zoodat het in de pijp h wordt geperst en door eene aan i/ te verbinden „slangquot; wordt uitgespoten. De zuigers worden door middel vau den hefboom MA zoodanig in beweging gebracht, dat do eene rijst als de andere daalt.

f182. Wordt de in lig. 9ü afgebeelde buis, een zoogenoemde „stock-hevelquot; der wijnkoopers, in eene vloeistof gedompeld en, na de bovenste opening n met den vinger afgesloten te hebben, er weer uitgenomen,

dan zal een klein gedeelte der vloeistof er uitstroomon, doch het grootste gedeelte blijft in de buis. Bij bet afsluiten met den vinger is dc spanning der lucht tusschen a en A gelijk aan die der buitenlucht, zoodat het onderste vloeistolhiagje bij c de hierdoor veroorzaakte drukking, vermeerderd met die der bovenliggende vloeistoflagon, heeft te verduren. Door het uitvloeien van eene zekere hoeveelheid vloeistof wordt het volumen dor tusschen A eu a aanwezige

10*

ocr page 160

148

lucht grootci- on hure simnniii^ kleiner. Is liet verschil liisschen hare spanning en die der buitenlucht gelijk aan de drukking der vloeistulV.nil In de buis, dim houdt de up c uitgeoelende op-

wnartsche' tegendrukking der buitenlucht de vloeistolmassa in cveiiwicht.

183. Ken hevel is in 't algemeen cene U-voimig gebogen buis met ongelijke beenon, die gebruikt wordt om eene vloeistof uit een hooger in een lager gelegen vat over te brengen.

Pc hevel wordt, na geheel met vloeistof gevuld te zijn, met/.ijn korte been in het vat met vloeistof geplaatst, waarna deze uit het lange been bij D uitstroomt, zoolang de vloeistof-spiegel bij C niet onder de opening van het korte been gedaald is. De verklaring is deze;

Pc in het punt C op den vloeistofspiegel van het vat door de buitenlucht uitgeoefende beueden-waartsche drukking wordt in „kwik drukkingquot; aangegeven door den op dat tijdsti]) bcstaanden barometerstand h. In het punt A eener doorsnede van de dwarse verbindingsbuis, noM. boven den genoemden vloeistof-spiegel gelegen (AD — a) is dientengevolge de naar véchts gerichte drukking, /

indien de vloeistof kwik is, gelijk aan een „kwik-drukkingquot; van /i — a.

De in het punt D (op een afstand van h cM. onder A gelogen) bovenwaarts gerichte drukking der lucht is weder gelijk aan eene „kwik-drukking'quot; van h, en de, dientengevolge naar )luks gerichte/•'xf drukking in het punt A gelijk aan eene „kwik-drukking'quot; van h — h.

Daar hgt; n, moet h — ngt;h — b. Een in A gelegen vloeistofdeeltje verplaatst zich dus naar yinihts en daar de drukking in C blijft voort- /- *quot;

bestaan, wordt zijne plaats onmiddellijk door een ander ingenomen,

zoodat de vloeistofmassa een samenhangend geheel blijlt en de uitvloeiing met een onafgebroken straal geschiedt.

Voorwaarde voor de uitvloeiing is dus: li — agt;h — lgt;, of 6 gt; rt,

zoodat do uitstrooming niet kan geschieden, wanneer de opening bij D hooger mocht liggen dan de vloeistofspiegel van C.

Vr. Is het korte heen ook aan eene bepaalde lengte gebonden?

■01

'■j 184. Volledigheidshalve moge hier nog worden medegedeeld,

dat er, behalve de 1' bekende vloeistof-barometers, ook barometers zonder vloeistof in gebruik zijn, welker werking op de veerkracht van metaal berust.

De barometer van Vidie of „aneroïde-barometer'quot; bestaat uit eene ronde, platte metalen doos (vgl. lig. 92), welker bovenvlak door eene dunne gegolfde plaat gevormd wordt, die van boven gezien dc diepten en hoogten als gelijkmiddelpuntige cirkels vertoont. Dc in de doos aanwezige

Fig. 91.

ocr page 161

140

lucht is met behulp van de luchtpomp zooveel mogelijk verdund , zoodut de drukking der buitenlucht ver de overhand heeft en het dunne, buigzame bovenvlak tot een ingedeukt of hul staand

een om een rolletje gewonden kettinkje, d(

afzonderlijk veertje doet de kettingspil weer terugdraaien,

vermindert.

Op de wijzerplaat zijn de „barometerstandenquot; aangegeven van den wijzer beantwoorden en die door vergelijking met aangebracht.

Kon andere „meUialbaromctorquot; is die van liounlou (vgl. tig. 93). liet liool'dhestanddeol van dezen

is eene cirkelvormig gebogen dnmvandige metalen buis, aan beide einden gesloten, nadut de lucht cr binnen zooveel mogelijk verdund is. Do dwarse doorsnede der buis is elliptisch '). Wordt nu de spanning der buitenlucht grooter, dan wordt de buis platter, doordien de grooto as der ellips langer en do kleine as korter wordt, waarvan het gevolg i.s, dut de kromming der buis sterker wordt, zoodat de einden C en D dichter bij elkander komen. Bij hot verminderen van de spanning der buitenlucht hoeft het omgekeerde plaats. Do bewegingen dezer beide einden worden door middel van de hefboompjes en F op hot staafje O overgebracht, dat om eene spil ./ draait, die tevens het getande rad U in hare beweging doet doelen. Dit rad brengt zijne beweging weer over op het rad K, welks spil do drager is van den wijzer.

De indeeling dor wijzerplaat geschiedt als bij den vorigen.

Daar de veerkracht van een metaal onder verschillende invloeden verandert, kunnen do metaal-barometers als wetenschappelijke meetwerktuigen de vergelijking met de kwik-barometers in do verte niet doorstaan. Zij mogen, om hot gerieflijke en vaak sierlijke van hun vorm, voor huiselijk gebruik voldoende bruikbaar zijn, voor wetenschappelijke doeleinden zijn zij te eenonmale ongeschikt.

oppervlak maakt. Het middelpunt der bovenplaat ligt het laagst, doch ondergaat kleine veranderingen in stand, tegelijk met de veranderingen, die in de spanning der buitenlucht plaats hebben. Eene aan het middelpunt bevestigde stift is met haar andere einde verbonden aan eene dunne, veerende, omgebogen metaalplaat /iC, die de beweging weer overbrengt op de hefboompjes DK en uur, welk laatste, dour middel van spil ronddraait, waaraan een wijzer verbonden is. Ken nneer het trekken aan het kettinkje

die aan de verschillende standen L'n anderen barometer er op zijn

Ook de vloeistof-manometers, in den algemeonen zin van 't woord, zijn in vele gevallen door metaal-manometers vervangen. Een gebruikelijke vorm, afgebeeld in fig. (,)4, is de metaal-manometer van Bourdon, die, evenals diens barometer, uit oone gebogen buis met elliptische dwarse doorsnede bestaat. liet eene einde is hier open en kan verbonden worden met de ruimte.

1) Dus niet, zooals de liguur aanwijst.

ocr page 162

150

clio liet gus bovut, wiiurvan do spanning moet bopiiuld worden, liet gesloten einde doet hier dienst

als wijzer, die zich langs een verdeelden buog beweegt, ''' '' wiiurup de spanning in „atmospherenquot; kun worden

^ al'gelezun.]

Oj)(javcii. I. Aan de „spanningquot;quot; der lucht onder een zuiger beantwoordt een kwikmano-meterstand van 40 cM., terwijl de „barometerstaiKrquot;1 oj) dit oogenblik 75 cM. bedraagt. Hoe groute kracht moet aangewend worden (wrijving buiten rekening gelaten) om den zuiger, die een oppervlak van 40 eM.2 bezit, in evenwicht te houden?

2. Hoe hoog zou de „barometerstand'quot; zijn indien de 76 cM. hooge kwikzuil door alcohol vervangen werd, welks soortelijke massa = 0,79 G.?

3. Hoe groot zal de „spanning,, van een gasvormig lichaam zijn, na van een volumen van 12 dM.3 tot een van 5 dM.3 te zijn samengeperst, indien aanvankelijk aan zijne spanning een kwik-manometerstand van 60 cM. beantwoordde?

4. Een gasvormig lichaam, dat door een zonder wrijving beweegbaren zuiger van de buitenlucht is afgesloten, bezit bij een „barometerstancr'' van 74 cM. een volumen van 40cM.3; hoe groot zal het volumen zijn bij een barometerstand van 78 cM.?

5. In zekere ruimte bevindt zich eene gasmassa van 100 Gram. De spanning is gelijk aan «. lïoe groot wordt de spanning, indien in dezelfde ruimte de aanwezige massa met eene nieuwe massa van 50 G. vermeerderd wordt?

Hoe groot is dan de op l eM.2 uitgeoefende drukking?

Welke kwik-manometerstand beantwoordt aan deze spanning?

G. In een manometer met vrije luchtdrukking bedraagt de verticale afstand der kwikspie-gels 56 cM. Hoe groot is de drukking, die uitgeoefend wordt door het met het eene been in gemeenscha)) staande gasvormig lichaam, indien aan de drukking der buitenlucht op het kwik van het andere been een barometerstand van 78 cM. beantwoordt?

7. De ware massa van een voorwerp bedraagt 564 Gram. Gewogen in lucht van 0° C. vindt men voor zijne massa 503,369 G. Welke is op dat oogenblik de barometerstand?

De soortelijke massa van het voorwerp = 1,2 (J.; de massa van 1 Liter lucht bij 0° C. en 7(5 cM. barometerstand = 1.294 G.

8. Een ballon, die in gespannen toestand een inhoud van 100 M.n heeft, wordt bij 0° C. en 76 cM. barometerstand voor 3/j gedeelte met lichtgas gevuld. De ballon stijgt omhoog niet eene stijgkracht van 3500 x (/ dynes.

1° Hoe groot is de massa van den ledigen ballon?

2° Tot hoe lang blijft de stijgkracht onveranderd en waarom?

3° Welke is de barometerstand op de plaats, waar de ballon zich bevindt op het oogenblik, dat de stijgkracht begint te verminderen?

4° Welke is de barometerstand, wanneer de ballon ophoudt te stijgen?

De massa van 1 L. lichtgas — 0,675 G. De massa van l L. lucht — 1,294 G.

Alles te berekenen voor de vaste temperatuur van 0°.

Voor de school: Heeft de onderwijzer, wanneer hij de verschijnselen der gasvormige lichamen wil bespreken, daarbij ook eene luchtpomp noodig? De vraag is dikwijls voorgekomen en zij is door erkend bekwame schoolmannen wellicht even dikwijls in ontkennenden als in bevestigenden zin beantwoord. Veel hangt ook hierin weder van den onderwijzer af. De een kan met weinig hulpmiddelen veel, de ander met de beste hulpmiddelen niets uitrichten. En terwijl de luchtpomp in de hand van den een tot eene leerrijke, ontwikkelende les aanleiding zal geven,

ocr page 163

151

zal zij in de hand van ccn ander een goochcl-apparaat worden, dat met verbazing wordt aangegaapt en den kinderlijken geest verwart in plaats van opbouwt. Wat mij betreft, ik ben van oordeel, dat in de lagere seliool uiterst spaarzaam met eigenlijk gezegde instrumenten moet gewerkt worden. Proefnemingen zijn daar niet op hare plaats. De geest van het kind is niet voldoende voorbereid om de beteekenis en de bewijskraeht van het experiment te leeren gevoelen. Daartoe kan de lagere school alleen voorbereiden door de aandacht te vestigen op gewone, alledaagschc en natuurlijke verschijnselen en met behulp hiervan het waarnemings- en het redeneervermogen als het ware op te voeden en te seherpen. Wil men onder proeven eene eenvoudige nabootsing op kleine schaal van zulke bekende verschijnselen verstaan, dan zijn zij volkomen op hare plaats. En daartoe zijn zoo goed als geen eigenlijk gezegde physische instrumenten noodig.

Overigens wijs ik hier nogmaals op de uitspraak van Oken: ,.l)e beste methode is het hoofd en de ervaring des onderwijzers.v,

De volgende onderwerpen kunnen besproken worden.

Spanniiuj van een f/asvormiff lichaam: Luchtkussen (e 1 a s t i c k e bal met lucht gevuld). Een glas omgekeerd in water kan niet geheel met water gevuld worden. Duikerklok. l'ro pp en seh ie ter. Blaasbuis. Bij het vullen van eene flesch door een trechter mag deze niet rondom vast tegen den hals der fleseh aansluiten.

Drukking der buitenlucht en Wet van Boi/le: E en glas vol w a ter, van boven d o o r e e n

stuk papier afgesloten, kan omgekeerd worden. Een vingerhoed kan aan de lippen worden vastgezogen. TT it een vol vat loopt niets door de kraan weg, wanneer het „spongatquot; niet open is.

Zuigen. Kook en. Drinken. Adem hul en. Blaasbalg. Hevel. Waterpompen. Brandspuit. Glazenspnit. Vo-gelglaasjes en inktkokers van den vorm van fig. 95. B a r o m e t e r.

IS5. Aan den Franschen scheikundige Berthollet ') zijn wij de belangrijke proefneming verscliuldigd, die iiier kortelijk vermeld moge worden.

Twee ballons van denzelfden inhoud en die met eene kraan afgesloten konden worden (vgl. fig. 96), werden de een met waterstofgas, de ander met koolzuurgas gevuld, zoodanig dat de spanning dezer gassen gelijk was aan die der buitenlucht. De beide ballons werden boven elkander geschroefd, zoodat hun beider ruimten, indien de kranen geopend waren, met elkander in gemeenschap stonden.

De ballons werden geplaatst in de kelders van het Observatorium, die zoo diep gelegen zijn, dat de temperatuur er zoo goed als geen veranderingen ondergaat en dat de trillingen van den bodem er onmerkbaar zijn. De ballon met waterstofgas werd boven, die met koolzuurgas onder geplaatst. Niettegenstaande het groote verschil in dichtheid dezer beide gassen (de dichtheid van koolzuur is, onder overigens gelijke omstandigheden, 22 maal zoo groot als die van waterstof) en hoewel de ballons volmaakt rustig stonden, vond Berthollet, nadat de kranen eenige uren geopend waren geweest, dat

1quot; het gasvormig lichaam, dat nu eiken ballon vulde, dezelfde spanning als bij het begin der proef behouden had; terwijl toch

IJ 1748—1822.

ocr page 164

2° eerie vevmeti}ji ug van de beide gassen had plaats gehad en wel eene gelijkmatige, zoodat in eiken ballon een even groot percent waterstot en een even groot percent koolzuur gevonden werd.

Wanneer wij in het geval van een gasmengsel ouder de spanning van een der ondereen gemengde gassen de spanning verstaan, die het bezitten zou, indien het voor zich alleen bij dezelfde temperatuur de aanwezige ruimte vulde, dan is de proef van Berthollet eene bevestiging van de volgende

WET DER GASMENGSELS.

De totale spanning van een mengsel van verschillende (jassen, die geen scheikundige werking op elkander uitoefenen, is gelijk aan de som van de spanningen van elk dezer gassen;

want, indien Vw = het volumen van den waterstof-ballon, vt — dat van den koolzuurballon, h = de aanvankelijke spanning, tevens die der buitenlucht, dan zal volgens deze Wet de waterstof-spanning a, wanneer dit gas zich over het volumen Vw vt verdeeld heeft, gelijk zijn aan h:

Via W

Vw i

a — ------h,

Vw -f- Vb

De koolzuur-spanniug h, wanneer dit gas zich over het volumen vw vt verdeeld heeft, zal gelijk zijn aan —----------h:

Vw ~1quot; Vfr

h = —Hi— h.

Vw -h V]c

De totale spanning zou dan moeten gelijk /.ijti aan a h — ———h -|---— h.

Vin -|quot; Vk Vw -fquot; 'Vk

I 1 Vw j . Vk 2 7

of daar --------•— h -\-----h — h,

Vto 4quot; Vk Vw Vk

ffl lgt; = h,

wat in overeenstemming is met de uitkomst der proef van Berthollet.

18(gt;. Het voor de hand liggende vermoeden, dat de spanning van de eene gassoort in den eenen ballon het binnendringen van de andere gassoort uit den anderen ballon zou verhinderen, wordt door de proef van Berthollet volkomen weerlegd. Van elk gas gaat in de andere ruimte zooveel over, als geschieden zou, indien deze ruimte geheel ledig ware, zoodat in zooverre het eene gas het andere niet stoort. Toch is het eene gas in dit opzicht eene stoornis voor het andere, dat de overgang een veel langer tijdsverloop in beslag neemt dan wanneer het gas in eene ledige ruimte kon stroomen. Ook de zwaartekracht kan 'tzij vertragend of versnellend werken. Zoo laat zich verklaren, dat, als voorbijgaande toestand, het mengsel soms niet gelijkmatig is. Zoo kan bijv. het zware koolzuur als eene vloeistof van het eene vat in liet andere gegoten worden, terwijl het in kelders, waar wijn ligt te gisten, dikwijls geruinien tijd de onderste ruimte vult.

Dit dóórdringen van de eene ruimte in de andere, deze verspreiding van een gas, draagt den naam van diffundeer en (zelfst. n.w.: diffusie).

„De ons omringende luchtzee gedraagt zich tegenover alle plaatselijke gas-ontwikkelingen als eene onbegrensde diffusie-ruimte, in welker benedenste gedeelte

ocr page 165

153

slechts kleine, voorbijgiuuide wijzigiiigen in het gasmengsel phuits vinden. Bcr-zelius heelt als gemiddelde sauienstelling der lucht ten opzichte van volumen, massa en aandeel in den barometerstand van de verschillende bestanddeelen de volgende cijfers aangegeven:

Vol. op 100 Massa op 100 Kwik-druk op 76 cM.

Stikstof 78,999 75,55 574,180

Zuurstof 21,000 23,32 177,232

wfT I ».™i quot;•7Ö0

Waterdamp 1 0,10 7,828

De beide laatstgenoemde bestanddeelen zijn veranderlijk en afhankelijk van ,)aaigetijde, weersgesteldheid, plaatselijke gesteldheid enz.; de beide eerstgeiioeindc bezitten, zoover lt;le waarnemingen reiken, eene merkwaardig standvastige verhouding. In alle streken der aarde, van de heete tot de gematigde luchtstreek, boven de zee en boven het vasteland, bij de aardoppervlakte tot op de door Gay-Lusac bereikte hoogte van 7000 M., heeft men, met geringe afwijkingen, de verhouding van 79 stikstof tot 21 zuurstof gevonden. Toch is de dampkringslucht geen scheikundige verbinding, maar een in een oneindig lang tijdsverloop door diffusie tot stand gekomen gelijkmatig mengsel van de oorspronkelijke hoeveelheden zuurstof en stikstof.quot;

N.B. Het ventilceren flucliten) Uwer kamers door de ramen open te zetten, berust dus op rU; gtisrliffusie.

(Jok wanneer de beide gassen door een poreus tusschenschot, bijv. eene plaat gips, gescheiden zjjn, heeft de diffusie, door de fijne tusschenrnimteu van den wand heen, plaats. De vermenging wordt er door verlangzaamd, doch is ten slotte volkomen.

N.B. Ten gevolge van de diffusie door poreuze wanden, heeft er — gelukkij,' voor ons— oeno natuurlijke ventilatie plaats door onze muren van baksteen of zandsteen. Pettcnkofer te Münohen, aan wien wij te dezen opzichte hoogst belangrijke onderzoekingen te danken hebben, bevond, dat in eene kamer, waarvan hij alle reten en openingen van deuren eu ramen zorgvuldig had afgesloten, in een uur tijds door de muren alleen 55 M.3 versehe lueht binnenstroomde en evenveel verontreinigde lucht afgevoerd werd.

Vr. Welk groot nadeel hebben in dit opzicht vochtige muren?

1H7. Met alleen tusschen gassen, maar ook tusschen vloeistoffen heeft in vele gevallen diffusie plaats.

Spiritus (wijngeest) heeft eene kleinere dichtheid dan water en kan dus, als olie, op water drijven. Terstond echter begint een gedeelte van den spiritus in liet water en een gedeelte van het water in den spiritus te diffundeeren, totdat er een gelijkmatig mengsel ontstaan is. Eu ook hier blijft de diffusie, hoewel verlangzaamd, bestaan, wanneer de beide vloeistoffen door een poreuzen wand gescheiden zijn. Wordt bjjv. eene glazen buis met een stuk varkensblaas of perkamentpapier afgesloten en met eene oplossing van kopervitriool (koper-sulfaat is de scheikundige naam) gevuld, en brengt men dan de blaas met water in aanraking, dan zal liet water door de blaas in het kopervitriool diffundeeren, merkbaar aan het stijgen van den vloeistof-spiegel in de buis; terwijl omgekeerd

ocr page 166

154

koper-vitriool in het water diffimdeert, merkbaar aan lt;lc blauwe kleur, die liet water langKamerhaiul aanneemt.

Vloeistof-diffusie door een poreuzen wand heen wordt ook met den afzonderlijken naam van osmose aangeduid.

Hij osmose heeft de aard van het tnsschenschot wel, bij gas-diffusie geen invloed op den gang van het proces.

N.15. Duur do diffnsie-vorsehynselcn in do collen on tussohoii do celion onderling van hot

liolmara van dier en plant eeno grooto rol spelen, belioorcn zij tot de zeer bolangrijke onderworpen der Natuurkunde.

188. Wordt eene hoeveelheid gas in de tegenwoordigheid van eene vloeistof gebracht, dan zal een gedeelte van het gas in de vloeistof verdwijnen. De vloeistof heeft dan gas opgelost, of gelyk men ook zegt opgeslorpt (= geabsorbeerd). Wordt de ruimte boven de vloeistof met behulp van de luchtpomp zooveel mogelijk ledig gemaakt, dan staat de vloeistof het opgenomen gas weder af. Ook door de vloeistof te verhitten, liefst te koken, wordt het gas in den vorm van gas,belletjesquot; weder uitgedreven.

De hoeveelheid gas, die in eene vloeistof geabsorbeerd kan worden, is niet onbeperkt; zij heeft eene grens, die bepaald wordt door den aard van het gas, den aard der vloeistof, door de uitwendige drukking en door tie temperatuur. Proefnemingen hebben geleerd dat, na geeindigde absorptie, tusschen de hoeveelheid opgenomen gas en de op de vloeistof uitgeoefende drukking een zeker verband bestaat, uitgedrukt in tie volgende

WET VAN HENRY.

Dt massa van het yeahsorheerdc gas is evenredig aan de spanning van het hoven de vloeistof aanwezige gelijksoortige gas.

WET VAN HENRY-IJ ALTON ').

Zijn er verscheidene gassen hoven de vloeistof aanwezig, dan wordt elk der gassen van het mengsel geabsorbeerd, alsof het voor zich alleen aanwezig ware.

Komt dus eene vloeistof, ilie met zeker gas ,verzadigdquot; is, in eene omgeving, waarin ditzelfde gas wel aanwezig is, doch eene kleinere spanning bezit dan onder welke de absorptie heeft plaats gehad — al is de totale spanning des dampkrings ook nog zoo groot —, dan zal tie vloeistof een gedeelte van het geabsorbeerde loslaten, totdat het overblijvende gedeelte aan de nieuwe spanning beantwoordt. Daarom verliest Selzer-water, wanneer het aan de gewone lucht wordt blootgesteld, bijna al zijn koolzuurgas, dat er in zijne natuurlijke omgeving, onder eene drukking van 3a4 „atmospherenquot;, in geabsorbeerd was. Kunstmatige, schuimende dranken worden bereid door in de boven de vloeistof aanwezige afgesloten ruimte saamgeperst koolzuur te ontwikkelen, dat dan onder zijn eigen druk geabsorbeerd wordt. Hij het openen van het vat ontwekt het weer,

1; Dalton, oen Engelseh natuur- en scheikundige (IT6G—18-14), die zich in 't bijzonder met verschillondo op de gassen betrekking hebbende onderzoekingen heeit bezig gehouden en die zijn naam gegeven heeft aan een hem eigen gozichtsgcbrok fDaltonisme), eene bepaalde soort van kleurenblindheid.

ocr page 167

155

T.-fsp* 7 ■

1

doordien de kool'/uurdriikkiiifr lies diuiipkriiigs chin aanzienlek minder is dan die van het nojuf tussclien vloeistot'spiegel en atsluiting aanwezige koolzuur.

Komt de vloeistof met een luchtledig in aanraking, dan laat zij de gelieele lioeveelheid geabsorbeerd gas los.

Wat den invloed der temperatuur betreft, zoo heeft men gevonden, dat in het algemeen:

De hoeveelheid yedh*oi'beenl (/au vermindert, indien de tem-pernt»iir quot;lijnt en yelijk aan 0 wordt, not/ vóórdat de rloeixtoj onder de f/ewone dampkrine/xdrukkinxj kookt.

189. Het onderzoek heeft geleerd, dat in een volumen water gelijk aan v, eene hoeveelheid stikstof kan geabsorbeerd worden, waarvan het volumen, bij eene spanning gelijk aan die der in de dampkringslucht aanwezige stikstof, gelijk is aan 0,0203 v; en eene hoeveelheid zuurstof, waarvan het volumen, bij eene spanning gelijk aan die der in den dampkring aanwezige zuurstof, gelijk is aan 0,0411 v, een en ander bij de temperatuur van 0° C.

1c de totale spanning van den dampkring gelijk aan h, dan is de partiëele

70

(gedeeltelijke) spanning der stikstof gelijk aan ' h, die der zuurstof gelijk

oj 10U

»quot; -00 h.

Vr. Wiiaiom? (vgl. §§ 185, I8üj.

)Vij willen nu de bovengenoemde voor verschillende spanningen geldige volumina stikstof en zuurstof herleiden tot voor eene zelfde spimning//geldige voliunimi.

Is het volumen stikstof bij eene spanning van ^ h, gelijk aan 0,0203 y,

dan zal haar volumen a, bij eene spanning van h', uitgedrukt worden door de vergelijking: 7o

0,0203

tl =-------I

en is het volumen zuurstof bij eene spanning van h gelijk aan 0,0411 v,

dan zal haar volumen h bij eene spanning van h' uitgedrukt worden door de vergelijking: 0]

^^^Xfoo7'

h'

De verhouding der onder gelijke omstandigheden gemeten volumina stikstof en zuurstof, die door water uit den dampkring geabsorbeerd zijn. wordt dus uitgedrukt door de vergelijking:

a __ itji, h _ 0.0203 X 79

' quot;00411,X ^ J

ol in percenten van de gezamenlijke hoeveelheid uitgedrukt:

a _65

h ~~ 35 quot;

welke verhouding in de gewone lucht gelijk is aan .

ocr page 168

156

De in het water geabsorbeerde lucht bevat dus naar verhouding meer zuurstof dan die des dauipkrings, eene oinstandiglieid, die aan de in het water levende dieren zeer ten ^oede komt.

Vr. In welk opzicht?

„De wetenschiip wint in aanzien, zij verzoent ons meer met onze mcnschelijke natuur, naarmate wij haar imuwkenrig'or gadeslaan, en in de wetenschappelijke huishouding haror beoefenaars kan, zonder zwarigheid, elkeen worden toegelaten, want zij is leerzaam door haren rijkdom in goede voorbeelden, zij is opwekkend en verhetlend, wijl zij den mensch in zijne edelste bedrijven doet bespieden.quot; Kaiser.

„Hearcka!quot; was de uitroep van Archimedes, toen hij tien sleutel gevonden had lot het moeilijke probleem, dat zijn bloedverwant Hiero, koning van Syracuse, hem ter oplossing had gegeven. Hiero had namelijk eene gouden kroon laten maken; doch twijfelende, of de vervaardiger niet een gedeelte van het hem toevertrouwde goud door zilver had vervangen, droeg hij aan Archimedes op, de zaak te onderzoeken.

Scheikunde bestond toen niet, en dus moest het vraagstuk langs natuurkundigen weg worden opgelost. De moeilijkheid scheen onoverkomelijk; doch een zeer gewoon verschijnsel, tal van malen onopgemerkt voorbijgegaan, en op een gelukkig oogenblik zich aan de aandacht van het genie opdringende, wees den weg.

Het eenvoudige feit, dat, bij indompeling van een voorwerp in een met water geheel gevuld vat, eene hoeveelheid water over den rand vloeit van even groot volumen als het voorwerp zelf, dat feit was het uitgangspunt voor de beantwoording der vraag.

,Terwijl Archimedes in het bad daalde,quot; zoo verhaalt de liomeinsche bouwmeester Vitniviiis '), „liep er water uit weg. Toen Archimedes de verklaring van dit verschijnsel gevonden had, bleef hij niet langer in het bad, maar sprong verheugd er uit, en geheel naakt naar zijne woning loopende, riep hij luide, dat hij gevonden had, wat hij zocht. Want onder het loopen riep hij herhaaldelijk: ,Heurèka, Heurèka!quot; (Ik heb het gevonden).

,Inderdaad deed hij, ten gevolge van zijne ontdekking, naar men zegt, twee massa's, eene van goud en de andere van zilver, vervaardigen, elk juist evenveel wegende als de kroon. Toen vulde hij een vat geheel met water en dompelde er de zilvermassa in, zoodat er eene hoeveelheid water wegliep van evenveel kubieken inhoud als het ingedompelde lichaam. Hij nam daarna het zilver weg, waardoor het oppervlak van liet water daalde en vulde daarna het vat weder met eene nieuwe hoeveelheid water aan. Hij vond op deze wijze, welke massa aan zilver overeenkwam met eene bepaalde maat water.

„Daarna dompelde hij de goudmassa in het vat met water, en na ze weer verwijderd en het vat opnieuw aangevuld te hebben, vond hij, dat er niet

1) Leefde onder Caesar en Augustus.

ocr page 169

157

zooveel water als bij het, zilver was weggeloopen, maar zooveel minder als, l)\j elijke massa, eene hoeveelheid goud minder ruimte beslaat dan eene hoeveelheid zilver. Toen eindelek, na het vat opnieuw aangevuld te hebben, de kroon er in gedompeld werd, vond h^j, dat er nu meer water uitliep dan b\j de hoeveelheid goud van gelijke massa. Uit die meerdere hoeveelheid berekende hij de hoeveelheid zilver, die in de kroon met het gouil gemengd was en bracht dus den diefstal van den vervaardiger aan het licht.quot;

Wat er nu van dit verhaal en van het later gevleugeld geworden Heurrka aan moge zgn, zooveel is zeker, dat Archimede» in zijne verhandeling „Over de lichamen, die door eene vloeistof gedragen wordenquot; eene evenwichtsleer der vloeistoffen heeft ontwikkeld, die hem volkomen in staat stelde het door Hiïro gestelde vraagstuk op te lossen. Het is in deze verhandeling, dat de naar hem genoemde Wet van Archimedes in eenigszins anderen vorm, dan waarin zij in het voorgaande is geformuleerd, het eerst wordt aangetroffen.

Archimede* leefde in de derde eeuw vóór onze jaartelling (287—212). In zyne jeugd vertoefde hij te Alexandrië, het brandpunt der wetenschappelijke wereld, en volgde er de lessen van den wiskunstenaar Euclide*1), die na meer dan twintig eeuwen nog roemvol in zijne werken voortleeft.

Dat de leerling den grooten meester waardig was, bewijzende talrijke werken van zijne hand, die bijna alle voor ons zijn bewaard gebleven, en waarin eenig en alleen de eigen onderzoekingen en ontdekkingen van den schrijver worden medegedeeld. Al deze werken, met uitzondering van het bovengenoemde over de vloeistoffen, handelen over wiskundige onderwerpen, onder welke eene berekening van de verhouding tusschen den omtrek en de middellijn des cirkels. Deze „verhouding van Airhimede*\ in de gewone leerboeken als 22; 7 aangegeven, wordt in zyne „Verhandeling over het meten van den cirkelquot; aldus omschreven: „De omtrek van een cirkel is gelijk aan het drievoud van zijne middellijn vermeerderd met een gedeelte van zijne middellijn, dat kleiner is dan

van deze middellijn en grooter dan van deze zelfde middellijn.quot;

Na een leven van toewijding aan de wetenschap, eindigde de wijsgeer met het dienstbaar maken van die wetenschap aan de redding van zijn land.

Het machtige Rome had tot den ondergang van Syracuse besloten en Appiu* en Marcellm werden afgezonden om de bevelen van den Senaat ten uitvoer te leggen.

Archimedes bestuurde de verdediging der stad en wel met zoo goed gevolg, dat het leger van Marcellnu drie jaar lang getrotseerd werd. Toch was het hem niet gegund zijn vaderland te redden; eindelijk gelukte het den Romeinen de stad bij verrassing te nemen. Te midden van het onheil was Arrhimede* zoodanig verdiept in het onderzoek van een meetkundig vraagstuk, dat hij van het gebeurde niet eens kennis droeg. Een soldaat drong by hem binnen en de groote wiskunstenaar stierf in het jaar 212 door het zwaard van den vijand.

Marcellns was edelmoedig genoeg, zijn diep leedwezen over dit uiteinde van een groot man niet te verhelen. Zijne betrekkingen werden met onderscheiding behandeld en de doode werd met eerbewijzen ter aarde besteld.

1

Omstreeks 315—25».

ocr page 170

ir.8

In zyne „Verhandeling over ilen Bol en «len Cylinderquot; had Archimede* aangetoond, dat zoowel de inhoud als het totale oppervlak van een cylinder gelijk is aan anderhalfmaal den inhoud eu het oppervlak van den even hoogen hol, om welken hij beschreven is. Archimede* schatte deze meetkundige eigenschap zoo hoog, dat hij als grafmonument een in een cylinder beschreven bol verlangde. Marcelliix voldeed aan dit verlangen en toen Cicero, anderhalve eeuw daarna, quaestor of schatmeester van Sicilië was, vond hij op zijne nasporingen het gedenkteeken, onder struikgewas verborgen, terug.

Wij springen nu een tijdperk van eenige eeuwen over, eene periode van stilstand en achteruitgang, die aan de natuurwetenschap niets anders heeft nagelaten dan de ernstige les, dat autoriteitsgeloof en woordenstrijd de wetenschap doodt, doch dat nieuw leven gewekt wordt door het zelfstandig en onbevangen onderzoek der natuur zelve, die geene mysteriën heeft voor wie haar ernstig en op de rechte wijze ondervragen.

De herleving der natuurwetenschap dagteekent van het einde der zestiende eeuw, en de zeventiende eeuw is rijk aan mannen, die talent aan ijver paarden om aan haar opbouw te werken. Onder lien behooren Torricelli, Viviani, Pascal, Boyle en Mariotte, wier namen door de in de voorgaande paragrafen vermelde ontdekkingen aan de vergetelheid onttrokken zijn.

EvanyeliMa Torricelli werd in 1()08 te Faenza geboren. Na het onderwijs aan het Jtzuicten-college zijner geboorteplaats genoten te hebben, vertrok hij in 1028 naar Home, waar iiij onder anderen de lessen van Caxtelli volgde, den leerling en vriend van Galilei. Torricelli won in hooge mate de achting van zijn leermeester, die niet naliet hem met den beroemden Galilei in betrekking te brengen. Eene verhandeling van Torricelli, een onderwerp uit de leer der zwaartekracht betreffende, door Caxtelli aan Galilei toegezonden, trok zelfs zoozeer de opmerkzaamheid van den grijsaard, dat deze de begeerte uitdrukte den jeugdigen geleerde bij zich te hebben. Eerst in 1041 kon aan dien wensch gevolg gegeven worden, en zoo heeft Torricelli slechts gedurende drie maanden het voorrecht gehad van het bij-.'.ijn van Galilei te genieten. Hij en Galilei's leerling Viviani waren tegenwoordig b\j het sterfbed van den geliefden meester en aan Torricelli was het voorrecht beschoren, zich de zorg te zien toevertrouwd voor de nagelaten papieren van den meester, terwijl de Groothertog hem tot diens opvolger benoemde aan den leerstoel voor wiskunde te Florence.

Eerst in 1644 werden de door Torricelli geschreven verhandelingen aan den druk toevertrouwd, in welke ook de uiteenzetting voorkomt der naar hem genoemde „Wet van Torricelliquot;.

Volgens het in den tekst medegedeelde, was het op aanwijzing van Torricelli, dat Viviani den eersten barometer samenstelde. Naar luid van het geschiedverhaal was de aanleiding daartoe nog bij het leven van Galilei gegeven door eene put-graving te Florence, bij welke men er niet in kon slagen, het water hooger dan 82 voet op te pompen.

Dat de ledige ruimte der pompbuis zich met water vulde, scheen, wegens de alledaagschheid van het feit, niet meer dan natuurlijk, terwijl de redenvragende geest tevredengesteld werd met de phrase, dat de natuur een afkeer van het ledig had.

ocr page 171

150

De pompwerkers van Florence zfigen lt;le natuur haar iitkeer verlooclienen en de raad van Galilei werd ingewonnen tot opheldering van het geval. Deze maakte zich van de zaak af door te zeggen, dat alles zijne grenzen had en dat de natuur haar „horror vacuiquot;, haar afkeer van het ledig, slechts tot 32 voet uitstrekte.

Torricelli, vermoedende, dat het gewicht der luchtmassa, die op de buitenste oppervlakte van het water rust, als het ware het tegenwicht was, waardoor liet water in de pompbuis omhoog gehouden werd, kwam op het denkbeeld de proef' met eene andere vloeistof, die dichter was dan water, te herhalen. Was zijn vermoeden juist, dan moest het hoogte-verschil tusschen de beide vloeistofspiegels kleiner z\jn en wel des te kleiner, naarmate het verschil in dichtheid der beide vloeistoffen grooter was. Viviani bracht het denkbeeld in 1648 ten uitvoer en bezigde daartoe eene met kwik gevulde buis; de verwachting van Tnrricclli werd bewaarheid en de eerste barometer was vervaardigd.

Onder de groote mannen van dien tijd, die onmiddellyk hun bijval schonken aan de nieuwe leer, behoorde niemand minder dan de in vele wetenschappen bedreven wijsgeer Renè Descartes '). Het voorbeeld van Descartes bracht ook zijn ondanks zijne jeugd reeds beroemden landgenoot Pascal, die aanvankelijk tegen TorricelliH leer gekant was, tot beter inzicht. Nog in 1647 had Pasral den .horror vacuiquot; als eene natuurlijke oorzaak erkend en uit den begrensden afkeer van het ledig de bij z\jne proeven met verschillende vloeistoffen verkregen uitkomsten willen afleiden. De by val, door Descartes aan Torricelli s verklaring geschonken, bracht hem er toe, zich door nadere proefnemingen van de juistheid dezer gissing te verzekeren. Descartes had hem voorgesteld, een barometer boven op een berg te brengen en had hem verzekerd, dat het kwik er merkbaar lager zou staan dan beneden in de vlakte, omdat de op het kwik drukkende lucht-kolom op den berg korter was dan beneden. Alvorens deze proef uit te voeren, bedacht Pascal zelf' eene andere. Dicht bij het boveneinde eener van boven met eene kurk gesloten barometerbuis, bevestigde hij eene U-vorniige buis, waarvan het eene been met de Torricelli'ache ruimte der barometerbuis in gemeenschap stond, terwijl het andere been hermetisch gesloten was. De U-vormige buis was evenals de barometerbuis met kwik gevuld en wel zoodanig, dat het kwik in beide beenen even hoog stond. Werd nu de kurk van de barometerbuis afgenomen, dan daalde de spiegel van het hierin aanwezige kwik tot de hoogte van den kwikspiegel van het bakje; terwijl het kwik der U-vormige buis in het gesloten been evenveel steeg, als het in de barometerbuis gedaald was. Door deze uitkomst reeds voor Torricelli gewonnen, werd Pa^al m zyne nieuwe overtuiging nader versterkt, toen zijne proeven met den barometer op verschillende hoogte in zijn eigen huis, en daarna op den toren Saint-Jacques-la-Boucherie te Parijs, in den door Descartes voorspelden zin uitvielen.

Blaise Pasral werd den 9 Juni 1G23 te Clermont-Kerrand in Auvergne geboren. Zijn vader, Eticnne Pasral, was er Eerste President van de „Cour des aidesquot;, en was daarbij, wat voor de toekomst van den zoon meer beslissend was, een man, uiterst bedreven in de wis- en natuurkundige wetenschappen. De vader,

I) Descartes ol' Carlcsius, gob. to Liihiivc (Toiimine) in 1590, gest. in Zweden in 1050.

ocr page 172

160

ziende met welk een schitterenden iuinleg zijii zoon bedeeld was, besloot zich zelf geheel aan de opvoeding van zijn kind te wijden, en legde daartoe zelfs zyn ambt neder, „meenende dat hjj met het vormen van een groot man zijn land een grooteren dienst bewees dan door het bekleeden van eene openbare betrekkingquot;. De woonplaats Clermont werd verwisseld voor Parys en hier, in onmiddellijke aanraking met de beroemdste mannen van dien tijd, verdeelde Etienne Pascal zijn tijd tusschen de opvoeding van zijn zoon en de beoefening zijner geliefkoosde wetenschap.

Eerst op zijn 12de jaar ving Blaise aan met de stelselmatige beoefening der talen; want zijn vader was van oordeel, „dat het geen nut kon hebben, het hoofd

van een kind te overladen met woorden , waaraan het nog geen andere dan eene valsche of onvolledige beteekenis kon vastknoopenquot;. De exacte wetenschappen , voor welke de knaap eene soort van instinct toonde te bezitten, werden voor nog later uitgesteld. Eli enne had ondervonden, met welk eene onweerstaanbare macht deze wetenschappen zich van den geest meester maken en welk een onaangenaam gevoel het is, als men gewaar wordt, hoe onzeker, by haar vergeleken, alle andere wetenschap is; zoodat h\i vreesde, dat, indien z\jn zoon er zich al te vroeg aan wijdde, hij daardoor ongeschikt zou worden voor de studie der oude talen, welker grondige kennis toen als noodzakelijk beschouwd werd. Alle boeken over meetkunde werden den knaap zorgvuldig onthouden, en juist deze stelselmatige afsluiting wekte waarschijnlijk des te sterker de begeerte om in het heilige der heiligen door te dringen. „Dit maakte, dat Blaise van de wetenschap zijns vaders niet veel meer kende dan den naam en de soort van hartstocht, die zijn vader en de geleerden onder wie by was opgevoed, voor haar koesterden. Zyn vader, nu en dan aan zyn aandrang toegevende, had hem eenige algemeene begrippen gegeven; doch behield zich voor er hem meer van te leeren, wanneer hy zulks waardig zou zijn.'quot;1) Het weinige wat hy van zyn vader had opgevangen, was den knaap echter genoeg om verder zyn eigen weg te zoeken, en toen deze door zyn vader eens verrast werd, terwijl hij bezig was met het teekenen eener figuur, waarin de zooveelste stelling van Kttelide* lag opgesloten, toen verzette Etienne Pn*cnl zich niet langer, maar ontsloot voor zyn zoon de poort tot den tempel der wiskunde. De vorderingen, die Blam maakte, waren zoo groot, dat vier ,jaren later de löjarige jongeling

1

Lofrede op Pascal door Condoiret.

ocr page 173

Kil

eene Verhandeling over de kegelsneden schreef, welke Dcxc.artes al te voortreffelijk vond om uit zulk een jeugdig hoofd afkomstig te zijn, en waarmede nog omstreeks Ki7(3 Leibnitz zoozeer was ingenomen, dat liij den raad gaf haar door den druk algemeen bekend te maken.

Op lOjarigen leeftijd maakte Pascal zich beroemd door de uitvinding der rekenmachine, waardoor de gewone rekenkundige lioofdhewerkingen, als optellen, aftrekken en vermenigvuldigen, door het werktuig worden uitgevoerd en daardoor onafhankelijk gemaakt van onoplettendheid of vergissing, de bron van zooveel cijferfouten.

Omstreeks denzelfden tijd begon het lichamelijk lijden, dat hem gedurende twintig jaren gekweld heeft en hem op •i'Jjarigen leeftijd ten grave sleepte. Toch bleef zijne liefde voor de wetenschap nog een tijdlang onverflauwd voortbestaan en deed hij verscheidene wiskundige onderzoekingen het licht zien benevens zijne „Verhandeling over het evenwicht der vloeistoffenquot;, waarmede hij den grondslag legde eener wetenschappelijke Hydrostatica. „Deze onderzoekingen over de vloeistoffen waren de laatste pogingen van dit genie, aan wien de natuur slechts organen had onthouden, die aan zijne krachten geëvenredigd waren. Door zijn lichaamslijden onophoudelijk genoodzaakt aan zichzelven te denken, was het bestudeeren van den mensch van toen af de eenige studie, waaraan zijn geest, door zwaarmoedigheid overmeesterd, zich kon wijden. Deze sombere stemming van zijn geest nam nog toe tengevolge van een bijzonder toeval. Op een rijtoer, zooals toen gebruikelijk was, met de vier en zonder koetsier, wilde het toeval, dat het voorspan op den „pont de Neuillyquot;, die niet van eene leuning voorzien was, naar beneden stortte, liet rijtuig was op het punt van in de Seine medegesleept te worden; doch gelukkig braken de strengen en Pascal was gered.quot; ') Van nu af' geen troost meer vindende in de wetenschap en zich zelf geen rust kunnende verschaffen, vestigde hij zijne hoop op den godsdienst en wierp zich in de armen van het .lansenisme, een van de twee aanzienlijke partijen, waarin toen de kerk in Frankryk verdeeld was. Zijne godsdienstige over-peinzingen gaven hem de „Pensees sur rhonunequot; in de pen, terwijl hij in zijne „Lettres provincialesquot;, een satirisch strijdschrift tegen de orde tier Jezuieten, eene pennevrucht leverde, die hem eene blijvende plaats verzekerde in de letterkunde van zijn land.

De laatste maanden van zijn leven waren maanden van smartelijk lijden; doch door de kracht zijner geloofsovertuiging doorstond hij zijne beproeving met volkomen onderworpenheid.

Hij stierf' den li) Augustus 1062, in den leeftijd van ?)9 jaar.

190. „Het is minder wonderbaar dan het schijnt, dat, terwijl de kleinste deeltjes der lichamen in hmoegmg zijn, het geheel in volkomen rust schijnt te verkeeren, behalve wanneer aan het lichaam in zijn geheel eene beweging wordt medegedeeld. Immers, de kleinste deeltjes der lichamen liggen ver buiten het

1) Condorcet.

SALVERDA Cll LK UOV , NdlUUrkoUiis, II. 2(, druk.

ocr page 174

102

bereik onzer /.innen: weshalve, daar zij zelve niet waarneembaar z\jn, ook hunne bewegingen aan het oog onttrokken moeten zijn. Dit te eer, daar dikwijls van lichamen, die wél te onderscheiden z\jn, de beweging verborgen is, ten gevolge van den verren afstand, waarop zij zich bevinden. Zoo bewegen zich dikwijls op een heuvel de witgevachte schapen langzaam voort, het malsche voeder at-scherende, aangelokt door de kruiden, waaraan de versche dauw nog parelt; terwyl verzadigde lammeren hun spel drijven en liefkoozeml met elkander stoeien; toch geven al deze voorwerpen ons in de verte slechts een verwarden indruk en vertoonen zich als eene beweginglooze witte vlek tegen het groen des heuvels.

,Elders komen talrijke legioenen met den stormpas de vlakte bezetten, hun oorlogsspel spelende. Weerlichten schieten hemelwaarts en de geheele aarde rondom schittert van het staal; de grond dreunt onder den zwaren tred der mannen, en de bergen, door hun geschreeuw getroffen, weerkaatsen het rumoer naar het hemelgewelf; de ruiters rennen in het rond en doorvliegen de vlakte, die davert onder de zware massa; — en niettegenstaande dat is er eene plaats boven op het gebergte, vanwaar dat alles onbeweeglijk en niets meer dan een flikkerlicht in de vlakte schijnt.quot; ')

In deze dichterlijke taal en onder deze beelden leeraarde een wijsgeer der Oudheid zijne eigen en zijns voorgangers1) inzichten omtrent den aard dei-stoffelijke dingen.

Negentien eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, die het schouwspel opleverden van een volkomen verval, een eeuwenlangen stilstand, doch eindelijk van een verjongd leven der natuurwetenschap. Vooral de laatste eeuw is rijk aan treffende ontdekkingen en vruchtbare hypothesen, onder welke laatste die aangaande de samenstelling en den inwemligen bouw der lichamen eene voorname plaats bekleedt.

Deze hypothese van den nieuweren tijd onderstelt niet alleen, dat — zooals in het voorgaande reeds aangeduid is — elk lichaam uit kleine deeltjes (moleculen) bestaat, die door tusschenruimten (poriën) gescheiden zijn; maar bovendien, dat deze moleculen alle ten opzichte van elkander in beweging zijn.

Het denkbeeld der Oudheid is in den nieuweren tijd herleefd en oud-( Jrieksche wijsbegeerte leent ons het doeltreffend beeld tot verduidelijking van de moderne beschouwingswijze omtrent den aard der stof.

101. Terwijl wij van de moleculaire beweging geen spoor waarnemen door tusschenkomst van den gezichtszin, wordt zij ondersteld zich te openbaren aan onzen r/cw)c£szin door die groep gewaarwordingen, welke ons de voorwerpen heet, warm, lauw, koel en koud doet noemen.

Tusschen al deze begrippen, van „heetquot; tot „koudquot;, bestaat enkel en alleen een onderscheid van meer of minder; zij zijn slechts „gradenquot;, dat wil zeggen „trappenquot;, van een zelfde grondbegrip.

De hypothese, die den grondslag van de hedendaagsche theorie der warmte-verschijnselen uitmaakt, kan in de volgende woorden worden samengevat:

1

l)c Grieksche wijsgeer Kpicmus, geb. bij Athene in 342 v. Cquot;.; gest. 270.

ocr page 175

10:!

Jan de. door onzen gevoelszin opgewi'.kle voorslelliny van den war miegraad een» lichaam» beantwoordt in het lichaam zelf eene beweging van zijne, voor onzen gezichtszin niet waarneembare, 'moleculen.

De gewaar 10 or ding van het „warmerquot; worden wordt opgewekt door het gr o o ter worden, die van het „ko uder\ d. i. „■minder warmquot;, worden door hel kleiner worden van de snelheid der moleculaire bewe-g i n g e n.

„I)« onmiddcllijkd oorziiuk van het vorscliijn.sc.'l dei' wiumto is eene beweging, en de quot;ctt,.!!

van Imre voortplanting zijn volkomen dezelfde als die van de voortplanting der beweging.quot;

(J/iiinjjhv'/ ütnyi, 1812).

In de natuurkundige kuustspniak wordt de toestand van een lichaam, ten opzichte van zijn meer of' minder warm zijn (van zijn warmtegraad) aangeduid door het woord temperatuur.

Voelen „welke temperatuurquot; een lichaam heett, wil eenvoudig zeggen: voelen „hoe warmquot; dat lichaam is.

1 usschen de uitersten van „heetquot; en „koudquot; liggen, behalve de reeds genoemde, een onbepaald aantal tusschentoestanden ot' tus.schentemperaturen, die een lichaam bij zijn overgang van den eenefi toestand in den anderen doorloopt.

i»:{. wy willen nu, ons op ons gevoed verlatende, eene eenvoudige proef doen mot behulp van een vat, dat met eene zekere hoeveelheid, bijv. 1 Kilogram, water gevuld is, en van een koperen kogel van ongeveer gelijke massa. De warmtegraad van het water wordt zoodanig geregeld, dat wij geen oogenblik aarzelen, dien als „koudquot; te bestempelen; terwijl het gevoel ons den kogel, eveneens zonder eenigen twijfel, „lieetquot; doet noemen.

De „heetequot; kogel wordt in liet „koudequot; water ondergedompeld en daarna alles eenigen tijd aan zichzelf' overgelaten. Wanneer w\i daarna nogmaals den warmtegraad van het water en van den kogel op het gevoel af beoordeelen, dan blijkt, dat de kogel minder warm, het water daarentegen warmer is dan te voren.

Herhaalt men de proef met verschillende zelfstandigheden, dan komt men tot de gevolgtrekking:

Wanneer tw ee lichamen van verschillende temp er a, tuur met el k-ander in innige aanraking komen, wordt hel warmere lichaam minder warm, en hel minder warme lichaam warmer; — mils geen der heide lichamen gedurende de proef nem ing van aggregatie-locsland verandere.

De laatste toevoeging is noodzakelijk; want wij zullen later het geval leeren kennen, dat, bij innige aanraking van twee lichamen van verschillende temperatuur, het eene minder warm kan worden, zonder dat het andere warmer wordt, namelijk wanneer dit laatste, onder den invloed van het eerste, in een anderen aggregatie-toestand overgaat.

m. Tot nog toe hebben wij ons, bij de beoordeeling van de temperatuur van een lichaam op ons gevoel verlaten. Dat het gevoel echter slechts binnen zekere grenzen een betrouwbare gids is, blijkt reeds uit het feit, dat iemand, uit eene zeer warme omgeving komende, de kamer, die hij binnentreedt, koud

11*

ocr page 176

164

zal noemen, terwijl een ander, op hetzelfde oogenblik binnentredende, doch uit eene zeer koude omgeving komende, haar warm zal noemen.

Voor wetenschappelijke doeleinden is het daarom geraden, naar eene methode uit te zien, die het middel aan de hand geeft, om, buiten het gevoel om, de temperatuur van een lichaam te beoordeelen.

Daartoe zien wij uit naar eene of andere eigenschap (toestand), die bij verandering tier temperatuur (warmtetoestand) van een lichaam, voortdurend mede verandert. Zulk eene eigenschap is het volumen der lichamen, dat, onder overigens gelijke omstandigheden, inderdaad verandert, zoodra hunne temperatuur veranderingen ondergaat.

195

Een koperen bal, die, zoolang hij koud is,.juist door een koperen ring kan glijden (vgl. fig. 97), blijft op den ring liggen, wanneer hij vooraf in eene vlam door en door heet is geworden. Is de bal daarna weder voldoende afgekoeld, dan valt hij ook weder door den ring heen.

Deze eenvoudige proef leert, dat het volumen van den bal bij verwarming grooter en bij afkoeling kleiner wordt ')•

Ook een meer nauwkeurig onderzoek dan het bovengenoemde bevestigt de verkregen uitkomst, niet alleen ten opzichte van een koperen voorwerp, maar evenzeer voor verreweg de meeste andere vaste lichamen.

Het is regel, dut hel vol ionen vu.n een rust lichaam hij verwarming grooter en hij afkoe-l i n g k I e i n e r w or rl t.

Aan m. G om-o las tick (.= caoutchouc) quot;ijkt. vim dezen regel af, daar het bij verwarming inkrimpt en bij afkoeling weder uitzet. ^ ^

(Dit verschijnsel wordt tot een verschijnsel van door de verwarming gewijzigde elasticiteit teruggebracht).

196. Een glazen ballon, waaraan eene nauwe buis verbonden is (vgl. fig. 08), wordt met kwik gevuld. Is het glas warmer dan het kwik, waarmede het in innige aanraking is, dan zal (overeenkomstig g 19:lt;) het minder warme kwik warmer worden.

Door verwarming van het glas, dat den in 195 genoemden regel volgt, krijgt de ballon een grooter volumen. Zoo lang nu het volumen van het kwik niet verandert, zal dit dus in de buis moeten dalen. In het eerste oogenblik van de verwarming des ballons geschiedt dit inderdaad; doch weldra begint het kwik weder in de buis te stijgen en bereikt, bij voortgezette verwarming van den ballon, gaandeweg een hooger peil, hooger dan te voren.

Het warmer worden van het kwik — gevolg van de innige aanraking met den wanneren ballon - is dus gepaard gegaan met eene ver-

1) Ook de ring wordt door de aanraking van den wanneren kogel warmer en wijder.

ocr page 177

inn

meerdering vim zijn volumen, die de toemiine van liet volumen des ballons overtreft.

Wat met liet kwik plaatsheeft, gebeurt met verreweg de meeste vloeistoffen.

Hel is regel, dat hel volumen Tan een vloeibaar lichaam hij verwarming (/rooier en hij afkoeling kleiner wordt.

Een glazen ballon met nauwe buis (vgl. lig. 09) is met lucht gevuld Fig. on. en deze door een kwikdruppel in de buis van de buiten

lucht afgesloten.

Evenals in liet vorige geval ziet men, bij verwarming van den ballon, de lucht in de buis eene grootere ruimte innemen, wat door de verplaatsing van den kwikdruppel wordt aangewezen.

Daar de op de ingesloten lucht uitgeoefende drukking gedurende de proefneming standvastig blijft, kunnen wij, als in de vorige §, de gevolgtrekking maken, dat, onder overigens onveranderde omstandigheden, het volumen der afgesloten lucht bij verwarming grooter wordt.

Met a 11 e gassen, zonder uitzondering, geeft de proefneming dezelfde uitkomst.

Het volumen van een cjasvormig lichaam wordt hij verwarming grooter en bij afkoeling kleiner.

15KS. Wij willen nu de in 193—197 verkregen uitkomsten dienstbaar maken aan eeno methode om, buiten het gevoel om, de temperatuur van een lichaam te beoordeelen. Daartoe gaan wij uit van de volgende stellingen:

1quot; Aan elke temperatuur van een lichaam beantwoordt een hc-paald volumen, dat — behoudens enkele uitzonderingen — grooter is, naarmate het lichaam warmer i«; — en omgekeerd:

Aan elk volumen van een lichaam beanlwoordl, onder overigens gelijke omstandigheden, eene bepaalde temperatuur, en wel zóó dat hel lichaam, wanneer zijn volumen toeneemt, warmer wordt.

2° Zijn livee lichamen van verschillende temperatuur met elkander in innige aanraking, dan wordt, wanneer de aggregatie-lo es land niet verandert, het warmere minder warm en hel minder warme warmer, zoodal — behoudens enkele uitzonderingen — het volumen van hel eerste af-, dat run het tweede toeneemt; — en omgekeerd:

Wanneer van twee lichamen, die met elkander in innige aanraking zijn, het vohtmeh van het eene kleiner en dat van hel andere grooter wordt, dan tras, onder overigens gelijke omstandigheden en behoudens enkele uitzonderingen, hel eerste het warmere en het tweede het minder warme.

Het aangenomen wetenschappelijk spraakgebruik volgende, luidt de laatste stelling aldus:

Wanneer van hvee licit amen A en B, die met elkander in innige aanraking zijn, A een grooter en li een kleiner volumen krijgt, dan had li aanvankelijk eene hoagere temperaluttr dan A.

In het geval, dat er in geen van beide lichamen verandering van volumen ontstaat, trekt men het besluit, dat zij onderling gelijke temperatuur hebben.

ocr page 178

lljlj

IJMgt;. Wanneer lt;le innige luiiiraking van twee lichamen (A en H) in geen van beide verandering van volumen teweegbrengt, evenmin de aanraking van een dezer lichamen (A) met een derde (C), dan leert de ervaring, dat de onderlinge iiiinraking van het tweede en derde (B en C) ook in deze lichamen geen verandering van volumen ten gevolge zal hebben:

Lichamen, die elk in het bijzonder eenc temperatuur hebben gelijk aan die van een derde lichdam, hebben ook onderling gelijke temper at u r e n.

Aanm. Men waehto zich wol voor do logische lont, rlo/.o aan tlo ervaring ontloondc natuurkundige stclliii}; to idontificeoren met do wiskundige stolling; „Indien twee grootlieden elk in 't bijzonder aan oene dorde gelijk zijn, dan zijn zij ook onderling gelijk.quot;

200, Eene glazen buis, waaraan een bol geblazen is, wordt gedeeltelijk met kwik gevuld en de glazen buis van boven dicht geblazen. Om het kwik in /yne uitzetting zoo min mogelijk te belemmeren, worden de noodige voorzorgen genomen, dat zich boven het kwik in de buis eene ledige ruimte bevindt.

Van dezen toestel kan men zich bedienen om de temperaturen van twee lichamen met elkander te vergelijken, d. i. te onderzoeken, of beide al dan niet eene onderling gelijke temperatuur hebben, en, in het laatste geval, welk van beide de hoogste temperatuur heeft.

Flet voorwerp neemt namelijk na korter of langer tijd de temperatuur aan van de omgeving, waarmede het in aanraking is. Dit zal (volgens § 198quot;) het geval zijn, zoodra het volumen van het kwik standvastig is geworden.

Brengt men het daarna in aanraking met eene andere omgeving, van welke het, na korter of langer tijd, eveneens de temperatuur aanneemt, en blijkt daarbij, uit de gelijkheid tier volumina, dat de temperatuur van het voorwerp gelijk is aan die in de vorige omgeving, dan trekken wij volgens § 190 het besluit, dat ook de temperaturen van beide omgevingen onderling gelijk zijn.

Een toestel als het boven beschrevene, dienende tot vergelijking van temperaturen, heet een thermometer; de vergelijking of meting zelve heet ther-m o m e tri e.

De thermometrie berust dus op de volgende, reeds bekende, beginselen: 1° Het volumen van een lichaam (thermometer) beantwoordt, onder overigens gelijke omstandigheden, aan eene bepaalde temperatuur:

2° Een lichaam (thermometer) neemt na korter of langer tijdsverloop de temperatuur aan van de omgeving, waarmede het in innige aanraking is.

3quot; De temperaturen van twee lichamen, die elk in 't bijzonder gelijk zijn aan die van een derde lichaam (thermometer), zijn ook onderling gelijk.

De in het voorgaande voorgestelde thermometer was een kwik-thermometer. In beginsel kan men echter, in plaats van kwik, bijna elke andere vloeistof, of bijna elk vast lichaam en elk gasvormig lichaam bezigen.

De praktijk leert intusschen, dat de eene zelfstandigheid groote voordeden aanbiedt boven de andere, zoodat de keus eener „thermonietrischequot; zelfstandigheid van groot belang is.

Eene veel gebruikte thermometrische zelfstandigheid is kwik, dat op de boven beschreven wijs in een glazen vat wordt opgesloten.

ocr page 179

• - ■ ■ - ' ----- f -Tir -v rwx'.quot; • . «rr

167

Voor zeer luge temperaturen kan riien met goed gevolg gebruik maken vim (gekleurden) alcohol.

-01. Daar het niet voldoende is, dat wij met één bepaalden thermometer de temperaturen van verschillende lichamen kunnen beoordeelen, maar ook een oordeel moeten kunnen vellen over de uitkomsten, die andere waarnemers met huime thermometers verkregen hebben, moeten wij een middel bedenken om de verseiiillende thermometers onderling vergel ijl;baar te maken.

Dat middel wordt ons aan de hand gedtian door de omstandigheid, dat er eenige verschijnselen zijn, welker bestaan aan eene vaste, altijd dezelfde temperatuur gebonden is. Zulk een verschijnsel is bijv. het smelten van ijs onder de gewone dampkringsdrukking.

Hoe vaak wij ook een zelfden kwik- ol anderen vloeistof-thermometer in smeltend ijs dompelen, de vloeistof zal na ecnigen tijd steeds op onveranderlijk eene zelfde hoogte in de buis blijven staan, waaruit wij het besluit trekken, dat de temperatuur van smeltend ijs, onder de gewone drukking, steeds dezelfde (standvastig) is. Dit geldt van eiken thermometer in het hijzonder, zoodat op de genoemde hoogte bij elk van hen slechts een streepje behoeft geplaatst te worden om hen, ten opzichte van de temperatuur van smeltend ijs, onderling vergelijkbaar te maken.

Elke streep op de thermometerbuis, die liet volumen eener thermometrische zelfstandigheid doet kennen, dat aan de standvastige temperatuur, waarbij een bepaald verschijnsel plaats heeft, beantwoordt, heet een „vast puntquot;.

Het denkbeeld van eene thermometer-schaal met verdeelde buis, waarop een „vast' punt, kook- of smeltpunt, was aangegeven, is, blijkens een brief aan sir h'. Moray, d.d. 2 Januari 1665, afkomstig van onzen Chris liaan Hvi/gem.

Het , vaste puntquot;, dat aan de temperatuur van smeltend ijs (onder de gewone drukking) beantwoordt, heet het vriespunt.

Op deze wijze zou men op de thermometerbuis een groot aantal vaste punten kunnen aanbrengen. Zoo bediende Newton zich bijv. van een thermometer, die van 6 vaste punten voorzien was, waaronder liet zoogenoemde kookpunt (in 1686), d. i. het vaste punt, dat aan liet volumen iler thermometrische zelfstandigheid beantwoordt bij de standvastige temperatuur van kokend water (onder de normale dampkringsdrukking), of, juister nog, van den damp van kokend water.

Van de beide vaste punten vriespunt en kookpunt, en van geene andere, bediende zich Fahrenheit toen hij, in 1711, de eerste thermometers maakte, die, hoewel van zeer verschillende afmetingen, onderling vergelijkbaar waren.

De afstand tusschen de beide vaste punten op de thermometerbuis werd door hem in 180 gelijke deelen verdeeld en bij het vriespunt Jö, bij het kookpunt 212 geschreven. De afstand tusschen twee opeenvolgende streepjes wordt een graad genoemd.

Aanm. Ken tliermomuUn'-.,graadquot; wordt, ovenals liet gelijknamige, doch geheel verschillende begrip der meetkunde, aangeduid door het toeken 0, Kcne temperatuar van 32° (=; :i'gt; graden) beteekont na: de temperatuur, bij welke do vloeistolspiegel in de lliermometcrbuis samenvalt mot do deelstreep, waurbij .32 gesclireven staat.

De temperatuur van 0' (het zoogenoemde „nulpuntquot;) van Fahrenheit was de

ocr page 180

168

laagste temperatuur, die hij verkrijgen kon, door een „koudmakend mengselquot; van salmiak en fijn verdeeld ijs.

De Pransche natuurkundige Reaumur bracht, in I7:i0, eene andere thermo-1 in zwang, daar hij den afstand tussclien de beide genoemde vaste punten in 80 gelijke deelen verdeelde, bij het vriespunt 0 eu bij het kookpunt 80 schreef.

De Zweedsche natuurkundige Celsius eindelijk stelde in 1742 de honderddeelige schaalverdeeling voor, doch niet 100 bij het vriespunt en 0 bij het kookpunt. Zijn voorstel vond geen bijval, en de 100-deelige naar Celsius genoemde schaal werd eerst aangenomen, toen Strom er haar in 1750 nogmaals met omgekeerde benamingen voorstelde. Tegenwoordig worden, bij wetenschappelijk onderzoek en in wetenschappelijke werken, alle temperatuur-opgaven in Celsius-graden uitgedrukt.

Volgens het voorgaande is:

32° F. = 0° R. — 0° C.; 212° F. = 80° E. = 100° C.

Opq. Zoek de formules, met behulp van welke oe eene „selulu^,, tut de andere herleid kan worden.

202. Op de buizen van twee thermometers, die verschillende vloeistoffen hevattrn, zijn de twee vaste punten, vries- en kookpunt, aangewezen en de afstand daartusschen bij beide thermometers in een zelfde aantal gelijke deelen verdeeld.

Zoo dikwijls nu de temperatuur van eene omgeving door den eenen thermometer als 0° C. of als 100° C. wordt aangewezen, zal ook de andere thermometer deze temperaturen aanwijzen. Doch wanneer de eene thermometer eene daartusschen liggende tenipe-van 40°, aanwijst, is het volstrekt niet gezegd, dat de andere thermometer in dezelfde omgeving nauwkeurig dezelfde temperatuur zal aanwijzen.

fn het algemeen zullen twee met verschillende vloeistoffen gevulde thermometers in hunne aanwijzingen, niet overeenstemmen, behalve aan de vante punten.

20!{. Daar van een met vloeistof gevulden thermometer niet alleen de vloeistof, maar ook het glas in de uitzetting en inkrimping deelt, en daar er verschillende soorten van ghis bestaan, kan het, na het voorgaande, geen bevreemding wekken, dat ook de kwik-thermometers onderling, behalve aan de vaste punten, niet volkomen vergelijkbaar zijn. Voor onderzoekingen, waarbij bet niet op groote nauwkeurigheid aankomt, mogen /.ij voldoende zijn om de uitkomsten van verschillende onderzoekers, met verschillende thermometers verkregen, te vergelijken, — voor sommige van de nauwkeurigste onderzoekingen van onzen tijd zijn zij niet voldoende.

Daarbij komt nog, dat zelfs de vaste punten in vele gevallen geen zekerheid opleveren. Thermometers, die met tie meeste zorg gemaakt zijn, leveren namelijk bet verschijnsel op, dat na eenigen tijd het kwik in smeltend ijs hooger blijft staan dan 0°. Wordt het onderzoek van maand tot maand voortgezet, dan neemt men waar, dat het vriespunt zich telkens een weinig naar boven verplaatst heeft. Eerst na twee of drie jaar houdt hot verschijnsel op. Deze zoogenoemde „ver-

nieter-„scnaai Fig. 100.

THERMOMETER

FAIIIl'

T T

CKI.S'

1 1

- 40

1 95 -j

- 35

CC

• 30

771

- 25

«8-

- 20

50-

10

M-

0

. 10

0.

. 20

i

Ï

ratuur, bijv.

ocr page 181

169

plaatsing van liet nulpuntquot; vindt zijne oorzaak in het glas, welks deeltjes door de sterke verhitting en daarop gevolgde snelle afkoeling, waaraan het by de vervaardiging van den thermometer blootgesteld is, in een gedwongen toestand geraken, die eerst van lieverlede, onder vermindering van den inhoud der buis, gewijzigd wordt eu in een meer standvastigen evenwichtstoestand overgaat.

204. Een en ander heeft geleid tot de samenstelling van den lucht-thermometer, die in onderzoekingen, waarbij liet op groote nauwkeurigheid aankomt, als „nauwkeurigheids(precisie-)-instrinnentquot; dienst doet en waarvan vorm en inrichting door elk onderzoek in 't bijzonder bepaald worden.

Alleen eene uiteenzetting van het beginsel, waarop dit werktuig berust, moge hier eene plaats vinden.

Het kwik is in den lucht-thermometer vervangen door lucht. De volumen-verandering van deze zou, als in het geval van kwik, kunnen dienen tot aanwijzing der temperatuur. Men volgt echter een anderen weg, door het volumen standvastig te houden, wat eene verandering in „spanningquot; ten gevolge moet hebben. Zou bijv. eene zekere temperatuursverhooging, bij vrije uitzetting en dus onveranderde spanning der lucht, ten gevolge hebben, dat het volumen a-maal zoo groot werd, dan zal, wanneer deze uitzetting verhinderd wordt, zoodat het volumen standvastig blijft, de spanning, volgens de wet van Boyle. a-maal zoo groot worden. De verandering in spanning leidt dus tot de kennis van de veranderingen in volumen en deze tot die van de temperatuur.

Ook bij den lucht-thermometer bestaat de schadelijke invloed van het glazen omhulsel. Deze is hier echter veel geringer dan bij den kwik-thermometer en zelfs niet waarneembaar, daar verschillende lucht-thermometers met een omhulsel van verschillende glassoort gelijke temperatuur-aanwijzingen geven. Ook wanneer de lucht-thermometer met een ander gas dan lucht gevuld wordt, indien het slechts, evenals de lucht, ongeveer de wet van Boyle volgt, stemmen de aanwijzingen onderling overeen.

Daarom neemt men als ,onderling gelijke temperatuur-verschillenquot; liever zoodanige aan, die met „onderling gelijke spanning-veranderingenquot; van een güsvormig lichaam met constant volumen gepaard gaan, dan zulke, die samengaan met „onderling gelijke veranderingen van volumenquot; van eene of andere vloeistof, bijv. kwik.

In het beoordeelen van onderling gelijke temperatuur-verschillen ligt altijd iets willekeurigs. De willekeur is echter grooter, wanneer wij aan het kwik alleen eene „regelmatigequot;, aan alle andere lichamen eene „onregelmatigequot; uitzetting toekennen, dan wanneer wij althans aan alle gassen eene regelmatige, aan de overige lichamen eene onregelmatige uitzetting toekennen.

Een temperatuur-verschil van een graad, aangewezen door den lucht-thermometer, wordt dus voorgesteld door van de volumen-vermeerdering tusschen de vaste punten vries- en kookpunt.

[Do eerste thermometer, die, volgens Vivinni, in IMW door Galilei gemaakt werd, was een lueht-thermometer ongeveer van den vorm van het in lig. 101 afgebeelde toestel. De eerste vloeistofthermometer van den hedendangsehen vorm werd vervaardigd door Galilei s vriend, den Groothertog

ocr page 182

ITD

Ferdinand II van Toscitlie, «Ho /.ijnc thcrmumuter-buis waarsehijnlijlc met alcohol \ aide. Ilet geliruik van kwik werd omstreeks 1('i88(J) aanbevolen door den Engelschen natuarknndige Halle;/.

Sommigen noemen dea Hollander Cornells Urehhel van Alkmaar als uitvinder van den thermometer. De thermometers, die deze in het begin der 10de eetnv in omloop bracht, waren eveneens Incht-thermometers vim den vorm der bijstaande figuur. J

205. Het is niet genoeg, dat men weet, dat het volumen van een voorwerp hij verandering van temperatuur grooter of kleiner wordt; voor vele theoretische en practische doeleinden is het hoven-dien noodig, het hedrag der vermeerdering of vermindering te kennen.

Het volumen van een lichaam kunnen wij ons in onderling gelijke deelen, bijv. éénheden van volumen, verdeeld denken. Al deze deelen ondergaan, hij temperatuur-verhooging van het lichaam, onderling gelijke vermeen leringen van volumen; zoodat het voldoende is, de volumen-vermeerdering ot vermindering der éénheid te kennen om die van het geheele lichaam te weten te komen.

S

Is namelijk Vn het volumen van een lichaam bü 0°, \i dat bij liiiiiiiiiiiii'^iL de vermeerdering van de éénheid van volumen, wanneer de

„Thennometra temperatuur van deze van 0° tot 1° stijgt, dan vindt men:

Helgiea sive = V0 (1 - - fit).

1)rebbelii |)e temperatuurverhooging bedraagt in bovenstaande vergeHjking

l graden. Deelt men ile volumen-vermeerdering der volumen-éénheid (lt;/.) door dit getal, dan vindt men als gemiddelde vermeerdering per graad j . Aan deze hoeveelheid geeft men den naam van gemiddelden culriekcn aitzcttinffscóejficient tusschen 0° en t0.

Volgens nauwkeurige metingen van den Franschen natuurkundige Regnnult, heljben tie in het volgende lijstje opgenomen gassen de daarachter vernielde .gemiddeld'quot; uit/.ettingscoefficientenquot; tusschen 0° en 100°, wanneer z\i aan eene drukking van ,76 cM. kwikquot; onderworpen zijn.

Dampkringslucht....... 0,0036706

Waterstof......... 0,0036613

Kooloxyde......... 0,0036688

Kooldioxyde (koolzuur)..... 0,0037099

Zwaveligznnr........ 0,0039028.

Naarmate de gassen zich langer volgens de wet van Boyle gedragen, zijn de

coëfficiënten kleiner. Voor die gassen, welke het langst de wet van Haj/le volgen,

1

zij

273'

ijn de coëfficiënten ongeveer onderling gelijk, en wel gelijk aan

Een der eerste waarnemers, die zich met eene eenigszins nauwkeurige meting der uitzetting bezig hield, Gcu/-ÏAtssnc, meende, dat alle gassen volkomen denzelfden uitzettings-coëfficent hadden. Later is de onjuistheid dezer meening gebleken, zoodat wij tegenwoordig alleen bij wijze van benadering spreken van de

WET VAN' GAY-LDSSAC (of Valt ('HARLEs).

f), (jassen h eh he n tusschen ')0 cn 100° den (j eviidde.ld.cn uitzel-, , I

tings-coefjicienl van

I) Fig. 101. Uollandsche ol' DrebbelVhe thermometer.

l-ig. Mil.

ocr page 183

171

Gay-Lumic wus ook van mooiiing, diit de drukking, onder welki* liet gns stond, vim geen invloed was op de nit/.etting. Ook hiervan heelt Regnaull de oiijnistlicid aangetoond, gelijk blijkt uit de volgende opgave van de gemiddelde uitzetthigs-coeffieienten tusschen 0° en 100°, bij eene drukking van ,2 v 7t) cM. kwikquot;.

Dampkringslucht.......0,00;?t5944

Waterstof......... 0,0036010

Kooldioxyde (koolzuur)..... 0,0038455.

WKT VAN IIEGNAU1,T,

Dc uitzellingscoefficient der gassen neemt toe met de drukking, ondc r w eIke z ij s tann.

20«. De gemiddelde cubieke uitzettings-coëfficienten der vaste lichamen verschillen onderling veel meer dan die der gassen; terwijl /ij alle eene veel kleinere waarde hebben.

Een paar opgaven voor verschillende zelfstandigheden mogen dit toelichten.

OKMIDDliLDE CUHIKKK UlTZKTTINuS('ORl-|''lClKNÏ TUSSCHKN 0' eil 100\

Wit glas, in buizen..........0,00002648

Groen glas, in buizen .... 0,00002299

Kristal van Choisy-le-Roi . . 0,00002144 tot 0,00002442

Uzer......................0,000037

Koper....... . . 0,000052

deel koper..................0,000056

Zink......................0,000088

Lood......................0,000089.

207. Wordt de verlenging der lengte-éénheid b\j een vast lichaam, wanneer zijne temperatuur van O1 tot tquot; sty^t, voorgesteld door h, de geheele lengte by 0 door L0, die bij f door Li, dan bestaat tussschen deze grootheden de volgende betrekking:

Li = Lo (I 4- h).........(1)

Deelen wij h door 1, dan verkrijgen wij de gemiddelde waarde van de verlenging, die de lengte-éénheid per graad ondergaat, tusschen 0° en f. Deze gemiddelde waarde heet de gemiddelde lineaire intzetlingseriéffieient tusschen 0° en 1°. Stellen wij dezen voor door /, dan verandert de vergelijking (I) door substitutie in:

li/ — L0 (1 -f- l/).

ftJOS. Lichamen, welks (looien don kristulvorm bezitten, zotten in don regel in verschillende lichtingen op verschillende \vijzo tiit. Zolts komt hot voor, dat zij bij verwarming in edne richting uitzetten en in eene andere loodrecht hierop gerichte afmeting inkrimpen. In zulke gevallen kun men drie onderling lojdrechte richtingen aanwijzen, voor welke dc lineaire uitzettings-coctticicnt respectievelijk eene grootste, eene kleinste en eene middelste waarde bezit. De cnbieke nitzettings-coëfficiënt van zulk een lichaam is gelijk aan de som der drie genoemde lineaire nitzettings-coëfficienton, gelijk nit het volgende kan blijken:

Het lichaam zij een parallelupipedum (bulk;, welks drie ongelijke hoofdaimotingen (bij 0° respectievelijk gelijk aan «, li en c) samenvallen met do drie hoofdrichtingen, volgens welke de lineaite iiitzcttings-eoëfficient zijne grootste, kleinste on middelste waarde heeft (respectievelijk gelijk aan , Aj en

ocr page 184

172

Voor het volumen van liet lichaam bij O' (V0) en voor dut bij l' vinden wij dan:

V0 — abc..............(I)

yi — o -f-/|/)/gt;(i -H (i ^sO»

of, indien de eubieke uitzettings-eoëtHeieiu gelijk is aan k,

V() (1 -t- kt) — rt (l 4- i (l - - /2^) c O -f- l^t)........(2)

Door deeling der vergelijkingen (1) en (2), vindt men:

1 -f- — (1 -f- /,0(1 ■ kt){\ /30gt;

waaruit: 1 -f- Aj' — 1 H- (/, -f- /0 quot;t- /;t) t -f-

■waaruit: A; = (/, /j H~ /3^ ■ • (/,/2 ^1^3 ^2^3 ^2....... (^)

Aangezien de in den eersten term van het tweede lid aanwezige waarnemingsfout reeds grooter is dan de fout, die men begaat door den tweeden term van dit lid te verwaarloozen, kan dit laatste zonder nadeel geschieden, zoodat hierdoor de vergelijking (3) overgaat in:

amp; = /, -f- /2-1-/3.

Is* de lineaire uitzetting in verschillende richtingen dezelfde, zooals bijv. in ^t algemeen bij metaien het geval is, dan is de eubieke imzettings-cocfficient het drievoud van den line-airen, gelijk uit het volgende blijkt.

Do ribbe van een cubus zij bij 0° gelijk aan 1 , dan vinden wij voor zijn volumen bij 0° en dat bij 1° respectievelijk:

Vo= 1

yC = vrt (1 4- kt) =(14 /03, Of

(1 -4- A:0 = l -f 3lt 4- 3/2/2 4- /3/:{,

zoodat k = 3/ 4- 3/2/ 4 /8f'-.

Daar weder de in den eersten term van het tweede lid aanwezige waarnemingsfout aanzienlijk grooter is dan de fout, die men maakt door de beide volgende termen te verwaarloozen, kan dit laatste zonder nadeel geschieden, zoodat men vindt:

k = 31.

De uitkomst der door reehtstreeksche proefondervindelijke bepaling gevonden lineaire en eubieke uitzettings-coërticienten van verschillende lichamen bevestigt de in het voorgaande door berekening verkregen uitkomst.]

20}). De «gemiddelde eubieke uitzettings-coëfficientquot; van vloeistoffen is grooter dan die der vaste lichamen, kleiner dan die der gassen.

Voor den „gemiddelden uitzettings-coëffieientquot; van kwik is gevonden tus-schen O1 en

100°........... 0,00018153

200°........... 0,00018405

:?00o........... 0,00018658,

in welke opgave graden van den luchttherniometer zijn bedoeld.

210. In § 196 is als „regelquot; vermeld, dat het volumen van een vloeibaar lichaam bi^j verwarming grooter en bij afkoeling kleiner wordt. Op dezen regel maakt water, althans gedeeltelijk, eene uitzondering.

In liet algemeen is, volgens nauwkeurige waarnemingen, de uitzetting van het water bij verschillende temperaturen zeer onregelmatig. De grootste onregelmatigheid is echter deze, dat water bij verwarming van 0° tot 4° inkrimpt en bij verwarming van 4° tot eene hoogere temperatuur uitzet. Dit maakt, dat de „soortelijke massaquot; van water het grootst is bij eene temperatuur van zeer ten naaste bij 4°, zooals ook door de volgende proef bevestigd wordt.

Door den wand van een vat worden op verschillende hoogte twee thermometers gestoken, welker bollen midden in liet vat reiken. Op ongeveer een derde der hoogte van boven af bevindt zich om liet vat een ringvormige bak, die met

ocr page 185

178

een koiulimihenil mengsel, bijv, van fijngestooten ijs en keukenzout, gevuld wordt. Vult men nu liet vut met water, welks temperatuur ongeveer 0° is, dan zal men waarnemen, dat de onderste thermometer eene snelle daling van temperatuur

aanwijst, terwijl aan den bovensten geen verandering wordt waargenomen. Eerst nadat de onderste thermometer 4° aanwijst, keeren de rollen om en blijft deze op dezelfde hoogte, terwijl nu de bovenste snel begint te dalen, zelfs tot op het vries-punt.

Dit verschijnsel kan niet anders dan zoo verklaard worden, dat de wateringen, die door hetkoudmakend mengsel omringd worden, door de daling harer temperatuur gaandeweg eene grootere dichtheid verkrijgen en dientengevolge zinken, totdat zij eene temperatuur van 4° bereikt hebben; terwijl daarna de dichtheid dier lagen weder afneemt en weldra kleiner is geworden dan die der bovenste lagen, zoodat zij naar boven stijgen en nu eene daling in den bovensten thermometer bewerken. Bij gevolg beantwoordt de grootste soortelyke massa van water aan eene temperatuur van 4°.

De soortelijke massa van water bij verschillende temperaturen is reeds in t; 150 medegedeeld.

211. Ook van kwik is de „soortelijke massaquot; afhankelijk van de temperatuur, waaruit volgt, dat ook de drukking eener kwikkolom van eene gegeven hoogte van de temperatuur afhankelijk is. De hoogte der kwikzuil by lt;0, die aan de spanning van het beschouwde gasvormig lichaam beantwoordt, moet daarom herleid worden tot de hoogte, die zij zou hebben bij eene zekere daarvoor aangenomen temperatuur, voor welke men overeengekomen is, de temperatuur van 0° te nemen (correctie der barometer-aflezing, die in § 165 is aangeduid).

Daar de hoogte der kwikkolom van 0° met 0,00018153 toeneemt, wanneer de temperatuur 1° stijgt, kan men om de „kwikhoogte op 0° te herleidenquot;

de volgende formule toepassen:

; — ^

0 ~ 1 4- 00018153 t'

wanneer ha de „kwikhoogtequot; by 0° en h die bij t° voorstelt.

V). llue komt Gij aan deze tormule?

21». Denk ü een verticaal geplaatsten cylinder (vgl. fig. 103), welks temperatuur aanmerkelijk hooger is dan die der omgeving. De in den cylinder aanwezige lucht krijgt dan eveneens eene hoogere temperatuur dan de lucht er buiten. Het Gewicht eener door de warmte verijlde luchtkolom van de éénheid van doorsnede tusschen a en h is dan kleiner dan het Gewicht der niet verwarmde luchtkolom van gelijke doorsnede tusschen a en h'. Zij de in a op de éénheid van oppervlakte uitgeoefende drukking des dampkrings gelijk aan /t, dan is zij ook in a' gelijk aan //. Zij voorts liet Gewicht der luchtkolom algt; van

ocr page 186

174

de éénheid van doorsnede Relyk aan p, dat van de kolom ah van de éénheid van doorsnede gelijk aan p (gt; yi); dan is de per éénheid van oppervlakte uil-Fin- 103. geoefende beuedenwaartsche drukking in !gt; gelijk aan h - • v, en // a' a gelijk aan h p' (gt; h p).

De luchtlaag It in den cylinder ontvangt j oppervlakte eene benedenwaartsche drukking

van li voortgeplante, bovenwaartsche drukking van // // (gt; h -f ]i). Het gevolg is, dat de verwarmde luchtkolom omhoog stijgt, terwijl onder aan den cylinder de minder warme lucht van rondom toe zal stroomen in den cylinder, en de warme cylinder-lucht bij a naar alle kanten zich buiten den cylinder zal verspreiden.

Denken wij ons voor den cylinder een schoorsteen, en het „trekkenquot; van den schoorsteen is verklaard.

Daar de gang van con slingcruimvcrk afhankulijk is van de slingcr-# # lengte en deze weder van de temperatuur, zal de regelmatige gang door verande-^ ^ ringen in de temperatuur stoornis ondervinden. Om deze reden is men er op bedacht geweest door eene ot' andere inrichting den invloed der temperatuur zooveel mogelijk onsclmdelijk te maken, hetgeen verwerkelijkt is in de zoogenoemde compensatie-slingers.

Ken veel gebruikte vorm van compensatie-slinger is de in lig. 104 voorgestelde „rooster^-slinger, in welken de met de schijf li bezwaarde koperen staaf bevestigd is aan het dw arss'.uk cd, rustende

op twee zinkstaven, die zelve weer bevestigd zijn aan het dwarststuk /(/, waarop het koperen raam faljtf steunt, dat op zijne beurt in A is opgehangen. Stijgt de temperatuur, dan doet do uitzetting van het koper de slingerschijf dalen en maakt dus den slinger langer; terwijl de uitzetting van het zink haar doet rijzen en den slinger korter maakt. Zoo wordt de verlenging eenerzijds geheel of gedeeltelijk door de verkorting anderzijds „gccom-penseerd■,, ( - goedgemaakt).

Stellen wij den gemiddelden lineairen uitzettingscoëllicient van koper voor door k, dien van zink door z\ de lengte der koperen staaf S, door U-, die van S2 door die van Z door Is.

De totale verlenging van den slinger, alleen ten gevolge van de uitzetting van het koper van 0° tot tu, bedraagt dan

Ikkt - l'kkt;

terwijl de verkorting des slingers, ten gevolge van de uitzetting van het zink Iszl bedraagt.

Om nu den slinger oj) dezelfde lengte te houden, behoeft dus slechts voldaan te worden aan de vergelijking:

Ikkt -f- l'kkt ■=■ Izzt, of Ik - ■ l'k z

U ~ h.........(l)

Daar zoowel Ik als l'k gt; Iz, zoo is de teller van het eerste lid dezer vergelijking meer dan 2-maal zoo groot als de noemer. Bij gevolg zou voor volledige compensatie ook : meer dan 2-maal zoo groot als k moeten zijn. Dit is niet het geval, daar

k =. 0,000018 en z - 0,000030,

zoodat bij de aangegeven samenstelling het doel niet volkomen met koper en zink bereikt kan worden, doch wel met staal en zink, daar van staal de uitzettings-coëfticient gelijk is aan

0,000014.

nu per éénheid van van h p en eene,

Wil men toch een coinpensatie-slinger uit koper en zink vervaardigen, dan zou men nóg eene

Fig. 104.

ocr page 187

i7r,

stiinf kopor en ocne stimf zink in rlcn rooster mooton brengon en daiirdoor do bovenstaande in vergelijking (I) nitgednikte voonvaurdc terugbiengen tot de volgende:

h a ■ lquot;k _ r

'U i'i ~ k'

Wimrin lquot;k de lengte der ingclaschte staal' koper, /'; die der ingelaschte staaf zink voorstelt.

2li. Wo'dt eone ijzeren staalquot; ijzer van 0° tot bijv. 40 verwarmd, dan bedraagt bare verlenging 0,000012 x 40 = 0,00048 van bare lengte bij 0°.

Heno ijzeren staaf kan ook verlengd worden door er aan te trekken, bijv. door er een last aan te bangen. Om nu aan eone ijzeren staaf door trekking eveneens eeno verlenging van 0,00048 mede Ie dooien, zon or, bij ocne doorsnede van I eM.2, het Gewicht eenor aanhangende massa van Sfi4 K(i. op moeten werken.

Wilde men, bij de genoemde tomperatmirsverhooging van 40°, elk(! verlenging dor staaf beletten, dan zou hiertoe cene even grootc kracht (= het Gewicht van 804 KO.) moeten aangewend worden, als noodig zou zijn om aan do staaf dezelfde uitrekHng te geven, die haar anders dooide verwarming zou worden modedeeld. Hij ccne doorsnede der staaf van I dMzon deze kracht gelijk zijn aan hot Gewicht van 80100 KG.

Omgekeerd zal cene even groote kracht op de staaf moeten werken om te beletten, dat zij bij afkoeling van 40° tot 0° korter worde.

Hieruit blijkt, hoe verbazend groote krachtsontwikkeling gepaard gaat met bet inkrimpen van heoto metalen staven, van welke omstandigheid o. a. partij is getrokken tot hot rechtzetten van scheef gezakte muren. In liet „Conservatoire dos arts et metiers'quot; te Parijs waren do muren, onder eene al te zware belasting uitgeweken. Door nu do tegenover elkaar gelegen muren met staven zoo te verbinden, dat zij zich bij verwarming vrij konden uitzetten, vervolgons de staven vast to zetten en te laten inkrimpen, werden do muren weder behoorlijk in haar rechten stand getrokken. ]

215. Volgens 191 gaan de hetlendaagsche natuurkundigen vjui de onderstelling uit, dat de moleculen van een lichaam in beweging zijn en dat de gewaarwording van het „warmerquot; worden van een lichaam wordt opgewekt door veranderingen in den bewegingstoestund de/.er moleculen.

Wij willen nu in eene nadere ontwikkeling van deze onderstelling treden.

Elke molecule van een vast lichaam verkeert onder zoodanigen invloed van de naasthijzijnde moleculen, dat zij, hoewel in beweging, daarbij aan eene bepaalde jrrens gebonden is. Wellicht heeft zij eene rechtlijnige, heen- en weêrgaande (slinger-) beweging; in elk geval beweegt zij zich in 't algemeen in eene gesloten baan (waarvan de rechte lijn slechts een bijzonder geval is) en kan zich slechts tot op zekere grens van een binnen die baan gelegen punt verwijderen.

Naarmate nu de moleculen bet middelpunt, waarom zij schommelen, met eene grootere snelheid passeeren, en dus de beweging zich over een grooteren afstand uitstrekt, stijgt de temperatuur; tegelijkertijd krijgt het lichaam, doordien de steeds verder uitwekende moleculen elkander uiteendringen, een grooter volumen.

Bij voortgaande stijging der temperatuur, dat is bij voortgaande aangroeiing van de snelheid, waarmede het middelpunt der baan gepasseerd wordt, ontstaat eindelijk de mogelijkheid, dat de moleculen niet meer door de aantrekking der naasthijzijnde moleculen gedwongen zouden worden binnen eene zekere grens te blijven. Overschrijdt eene molecule aldus eene zekere grens, waardoor zij buiten de eerst bestaande aantrekkingsspheer der omringende moleculen geraakt, dan komt zij aanstonds weer in een kring van andere moleculen, welker aantrekking

ocr page 188

17(i

zich doet gevoelen, ol zij komt onder den invloed van een waad of van de deeltjes der buitenlucht, die haar verhindert naar alle kanten weg te vliegen.

Is de temperatuur van een lichaam zoodanig gestegen, dat zijne moleculen in den bovenbeschreven toestand van dooreen woeling geraken, dan heei't er verandering van „aggregatie-toestandquot; plaats en het , vastequot; lichaam wordt „vloeibaarquot;. Aan deze verandering van aggregatie-toestand geeft men den naam van smelting.

Onder de nabij de oppervlakte der vloeistof (ook van liet vaste lichaam) gelegen moleculen kunnen er zijn, die, bij hare bovenwaartsche beweging aan de oppervlakte gekomen, geen luchtdeeltjes of andere belemmering ontmoeten en zich dan rechtlijnig voortbewogen, totdat zij tegen een wand of tegen andere deeltjes botsen en dan teruggeworpen worden. Ook de losgeraakte vloei-stofdeeltjes zelve kunnen op elkander stooten en dan een oogenblik eene kleine vloeistofmassa vormen, die zich onmiddellijk als zelfstandig lichaam gedraagt en eveneens moleculen van de oppervlakte loslaat. Bevindt zich boven het vrije vloeistof-oppervlak eene luchtledige ruimte, zoodat van dezen kant geen tegenstand geboden wordt, dan wordt het genoemde verschijnsel zeer bespoedigd en de ledige ruimte wordt gevuld met een lichaam, welks deeltjes zich in de meest verschillende richtingen rechtlijnig bewegen. Het is juist deze eigenschap, die het kenmerk van een „gasvormigquot; lichaam uitmaakt.

Het vloeistof-lichaam, of althans een gedeelte er van, is dan van aggregatie-toestand veranderd: het is van vloeibaar „gasvormigquot; geworden. Aan deze verandering van aggregatie-toestand geeft men den naam van dump vorming.

Vermeerdering van de snelheid der moleculaire beweging kan dus in tweeërlei vorm worden waargenomen: Stijging der temperatuur en verandering van agg regatie-toestan (1.

Aamn. De anclheid van de rechtlijnige beweging der gasmoleculen moet, volgens tlieu-retisehe beschouwingen, voor verschillende gassen verschillend, doch voor alle zeer groot zijn; bijv. bij 0Ü voor zuurstof = 46100, voor stikstof — 40200, voor waterstof = 184400, zoodat eene waterstof-molecule, die door niets in hare beweging belemmerd werd, in 1 secunde een weg van 1844 M. zou afleggen.

De onderstelling, volgens welke de moleculen van een gasvormig lichaam in rechtlijnige beweging verkeeren, geeft eene mechanische verklaring van de dour een gasvormig lichaam tegen een wand uitgeoefende drukking en van dc wet van Boijle aan dc hand. Volgens haar wordt de door het gas op een wand uitgeoefende drukking veroorzaakt door de botsing der tegen den wand stootende gasmoleculen. Wordt nu de ruimte, waarin zich het gasvormig lichaam bevindt, vergroot, dan moeten de moleculen van wand tot wand langere wegen doorloopen , zoodat het aantal botsingen in een zelfde tijdsverloop en daarmede de op den wand uitgeoefende drukking moet verminderen.

Neemt men aan, dat de aantrekking, die de gasmoleculen op elkander uitoefenen, gelijk nul is en dat het volumen der gezamenlijke moleculen zoo klein is ten opzichte van het volumen van het beschouwde gasvormig lichaam, dat het verwaarloosd mag worden, dan kan theoretisch, als algemeen geldige wet, de in de formule PV C (vgl. § 174) uitgedrukte Wet van /?o»//c worden afgeleid.

Ken gas, van welks moleculen het volumen gelijk nul is, terwijl bovendien de aantrekking tussehen de moleculen onderling gelijk nul is, bestaat in werkelijkheid niet en wordt daarom een ideaal gas genoemd.

Daar nu de onderlinge aantrekking der gasmoleculen des te grooter zal zijn, naarmate het gas zich dichter bij den vloeibaren aggregatie toestand bevindt, bijv. naarmate het meer is samengeperst.

ocr page 189

177

en daar tevens, naarmate liet meer is samengeperst en dus het volumen van liet lichaam kleiner is, ook het volumen der moleculen minder mag verwaarloosd worden, zoo zullen de afwijkingen van de Wet van Bot/Ie, die een gas (vgl. § 17G) vertoont, grooter worden, naarmate het meer is samengeperst, en voor verschillende gassen grooter worden, naarmate zij gemakkelijker in vloeistoffen kunnen veranderd worden.

Worden het volumen der moleculen en de onderlinge aantrekking der moleculen in rekening gebracht, dan kan de theorie ook van de afwijkingen van de Wet van Bojjle rekenschap geven. Zoo is de Amsterdamsche Hoogleeraar Van der Waals er in geslaagd, ook deze afwijkingen uit eene theoretisch wiskundige beschouwing van het vraagstuk af te leiden. De gevonden betrekking tusschen het volumen en de spanning van een gasvormig lichaam, in de volgende formule uitgedrukt, is bekend als de

wet van van dek waals.

(P I,) (V-6) = Cgt;

waarin a een standvastig getal voorstelt, afhankelijk vau de aantrekking tusschen de gasmoleculen onderling, en b een standvastig getal, afhankelijk van het volumen der moleculen.

Reytmult, die zijne proeven voortzette tot eene drukking van 27 atmospheren, vond, dat in de vergelijking J'V = C, bij toenemende drukking, C voor alle gassen, behalve voor waterstof, kleiner werd. Amagat zette de proeven van lietjnaalt voort tot eene drukking van 430 atmospheren en verkreeg als resultaat, dat bij het toenemen der drukking (' eene minimum (kleinst mogelijke)-waarde krijgt, doch dat daarna, wanneer de drukking nóg grooter wordt, de waarde van C gaandeweg grooter wordt, gelijk dit met waterstof reeds bij eene drukking van l atmospheer plaats heeft. De minimumwaarde van C hangt intusschen niet alleen van de drukking, maar ook van de temperatuur af.

an. Niet alleen de moleculen, de kleinste deeltjes van een lichaam, die nog de eigenschappen van het lichaam zelf bezitten, maar ook de eene molecule samenstellende atomen worden in beweging geducht. Nu heeft, volgens de nieuwere warmte-leer, het verwarmen van een lichaam niet alleen ten gevolge, dat de bewegings-snelheid zijner moleculen toeneemt, zoodat zij zelfs als gas-moleculen in alle richtingen uiteen kunnen vliegen, — maar ook dat de bewegings-snelheid der atomen in de molecule grooter wordt, zoodat ook hun onderlinge samenhang losser wordt en de molecule ten slotte zelfs in hare bcstanddeelen gesplitst kan worden. Zulk eene splitsing der molecule in hare bcstanddeelen is eene scheikundige ontleding; door haar wordt de gegeven zelfstandigheid in andere zelfstandigheden met dikwijls geheel andere eigenschappen ontleed. Eene scheikundige ontleding, die, als de zooeven geschetste, zuiver het uitvloeisel is van de temperatuur der zelfstandigheid (niet elke scheikundige ontleding komt langs dezen weg tot stand), heet eene dissociatie.

Wordt een lichaam verwarmd, zoodat de bewegings-snelheid van moleculen en atomen grooter wordt, dan kan men moeilijk aannemen, dat de vermeerdering van de snelheid der atomen in alle moleculen gelijken tred zal houden. De snelheid, die vereischt wordt om eene splitsing of scheikundige ontleding der molecule te bewerken, zal in de eene molecule een weinig eerder bereikt zijn dan in eene andere; zoodat de „dissociatie'quot; reeds begint, wanneer de temperatuur van het lichaam in zijn geheel, die dus eene gemiddelde temperatuur is, nog beneden de eigenlijke ontledingstemperatuur gelegen is. Niet alle moleculen hetlen dus gelijktijdig hare atomen-a.ssociatie op; de dissociatie begint met sommige onder haar en schrijdt allengs voort, totdat de geheele massa ontleed is, altijd onder deze voorwaarde; dat de ontstane ontledingsproducten gestadig verwijderd worden. Geschiedt dit laatste niet, dan zullen nu en dan de vaneengescheiden bcstanddeelen eeuer molecule elkander ontmoeten met zoodanige snelheid en richting van beweging, dat eene Aereeniging tot de oorspronkelijke molecule tot stand komt. De kansen van zulk een samentreffen worden grooter, naarmate de hoeveelheid ontledingsproducten grooter wordt, totdat ten slotte het aantal in een zeker tijdsverloop ontstane herecnigingen tot de oorspronkelijke moleculen gelijk is geworden aan het aantal splijtingen van de moleculen der dissocieerende zelfstandigheid. Schijnbaar heeft dan de ontleding opgehouden; in werkelijkheid gaat zij voort en is de toestand die van dissociatie-e ven w ich t. Wordt in den toestand van dissociatie-evenwicht een gedeelte salvekda en i-E Kov, JS/nluurkeituis, ii. 2de druk. 12

—

ocr page 190

I7H

van ei*n der ontledings-productcn verwijderd, dan neemt het aantal gedissocieerde moleeulen toe; wordt daarentegen een dier producten in overmaat toegevoerd, dan neemt liet aantal gedissocieerde moleculen af.

De temperatuur, waarbij dissociatie begint, is voor verschillende zelfstandigheden uiterst verschillend. |

218. In 55 198 is deze stellirifr uitgesprolien; „wiinneer twee lichamen, A en 15, zonder van a,ggrep;atie-toestand te veranderen, met elkander in innige aanraking zijn, wordt het warmere lichaam A minder warm en het minder warme B warmer.quot;

In verband met §^191 en 215 hebben w^j den gang van zaken by dit verschijnsel zoo op te vatten, dat de in sneller beweging verkeerende moleculen van A aan de moleculen van 15, welker bewegings-snelheid kleiner is, door botsing eene grootere snelheid mededeelen, ten gevolge waarvan hare eigen snelheid vermindert, en dat er een toestand van evenwicht bereikt wordt, zoodra beider snelheid dezelfde geworden is, d. i. zoodra beide lichamen eene onderling gelijke temperatuur hebben.

Fn het eene lichaam B bestaat dus eene aanwinst van snelheid, in het andere dientengevolge een verlies van snelheid.

Ook vóórdat men zich de temperatuursverschillen voorstelde als uitingen van een verschillenden moleculairen bewegingstoestand, nam men aan, dat bij elke temigt;eratuursvereffening tusschen twee in innige aanraking verkeerende lichamen het eene een verlies leed van het een of ander, waardoor de temperatuur daalde; terwijl het andere eene aanwinst kreeg van datzelfde een of ander, waardoor de temperatuur steeg. Dat onbekende een of ander, waarvan in een lichaam meer of minder kpn zijn en ten gevolge waarvan het ons warmer of minder warm toescheen, noemde men warmte.

De voorstellingen zijn sedert veranderd, doch de naam is behouden gebleven. Men zegt dus nog — uit het voorgaande is duidelijk in welke beteekenis -—:

Een lichaam, welks temperatuur daalt, verliest „warmtequot;; een lichaam, welks temperatuur stijgt, ontvangt „warmtequot;.

219. Een lichaam, dat in bet geheel geen „warmtequot; bezit, zou dus, volgens de nieuwe voorstellingswijze, een lichaam zijn, welks deeltjes in 't geheel geene beweging bezitten. Zulk een lichaam zou men volstrekt (absoluut) „koudquot; kunnen noemen.

Theoretische beschouwingen leiden tot de uitkomst, dat dit plaats zou hebben bij een thermometerstand van 273° onder het vriespunt {— 27.?50). Deze denkbeeldige thermometerstand wordt het „absolute nulpuntquot; genoemd, en eene temperatuur, uitgedrukt in graden, die van het absolute nulpunt af geteld zijn, heet de absolute temperatuur. Deze wordt in vergelijkingen voorgesteld door T; de gewoon gerekende temperatuur door t:

T = lt; 273.

220. Terwijl aldus het begrip „warmtequot; als eene, voor vermeerdering en vermindering vatbare, grootheid werd ingevoerd, was men op middelen bedacht om „hoeveelhedenquot; warmte te meten.

Bki-amng. Wanneer aan elk van twee lichamen, die zoo na mogelijk in alle opzichten aan elkander gelijk genoemd kunnen worden, eene hoe-

ocr page 191

179

veelheid warmte wordt toegevoerd, en het uitwerksel daarvan is voor beide gelijk, dan worden de beide genoemde wannte-hoeveel-heden onderling gelijk genoemd.

Volgens de voorgaande Bepaling wordt de hoeveelheid warmte, die noodig is om n X n Oram water van l' tot 1° te verwarmen, ais «-maal zoo groot beschouwd als de hoeveelheid warmte, die noodig is om a Oram water van f tot 1'° te verwarmen.

De hoeveelheid warmte, die aan een lichaam moet toegevoerd worden om zijne temperatuur van t0 tot t'0 te doen stijgen, wordt gelijk gesteld aan die, welke het lichaam, onder overigens gelijke omstandigheden, moet verliezen om zijne temperatuur van t'° tot t° te doen dalen.

Bkpalinü. Eenheid van warmte-hoeveelheiil is de hoeveelheid warmte, die aan 1 O. water moet worden toegevoerd, om deze massa van 0° tot 1° te verwarmen.

Aan deze éénheid geelt men den naam van calorie.

N.H. Voor groote hoeveelheden bezigt men als hulp-éénheid de hoeveelheid warmte, die aan I KO. water moet worden toegevoerd om de temperatuur van 0° tot 1° te doen stijgen. Aan deze geeft men den naam van groote calorie.

Een toestel, dat dient om hoeveelheden warmte te nieten, heet een calorimeter; de meting zelve heet calorimetrie.

221. Eene hoeveelheid koud water van de temperatuur l° wordt goed door-eengemengd met eene tweede hoeveelheid heet water van de temperatuur t'0 De massa's der beide hoeveelheden zyn onderling gelijk.

De noodige voorzorgen worden genomen, dat het mengsel geen warmte naar buiten kan verliezen, noch van buiten opnemen.

De temperatuur van het koude water zal stijgen, die van het warme water dalen, totdat de verschillende deelen van het mengsel eene onderling gelijke temperatuur verkregen hebben. De thermometer wijst dan als eindtemperatunr l-\-10

2 aan, d. i. het gemiddelde der beide aanvangs-temperaturen.

De temperatuur van het warme water is gedaald van 1'° tot ' ^ ' , d. i. eene __f *J

daling van 0 graden en heett daarbij eene hoeveelheid warmte, bijv. van a calorieën verloren, die aan het koude water zijn toegevoerd en gediend hebben om de temperatuur van dit water te doen stijgen van 1° tot 1 eene stijging van t 9 1 graden. Het warmte-verlies bij eene temperatuur-daling van 1 graden, tusschen lt; en 2 ' s^ail^ ^''lijk met de hoeveelheid warmte, die toegevoerd wordt bij eene temperatuur-stijging van ' 9 'graden, tusschen 1 en t'°.

Hieruit volgt, dat dezelfde hoeveelheid warmte, die van eene zekere massa

tf ~ / ƒ' ■ 10

water do temperatuur —«raden kan doen stijgen tusschen f en quot;T , haar

ocr page 192

180

■f

en ('0. Hetzelfde

een even groot getal graden zal doen stygeu tussclien 0

geldt ook van andere licliamen dan water.

De nauwkeurigste metingen hebben omtrent dit punt echter geleerd, dat de hoeveelheid warmte, die noodig is om 1 (iniin water van 0° tot 1° te verwarmen, niet volkomen gelijk is aan die, welke men behoett om 1 Gram water in 't algemeen van 1° tot lt; 4- 1° te verwarmen. Het verschil is echter zoo gering, dat men voor de meeste doeleinden nauwkeurig genoeg is, wanneer men stelt:

De hoeveelheid warmte, die noodig is om de temperatuur van 1 Gram ivater 1° te doen stijgen, welke ook de aanvangs-temperatuur zij, bedraagt 1 calorie.

222. In een vat bevindt zich eene hoeveelheid water, waarvan de massa m Gram en de temperatuur t° bedraagt. In dit water wordt een lichaam ondergedompeld, welks massa m' G. en welks temperatuur t'0 (/' gt; t) bedraagt. De temperatuur van het water stygt, die van het andere lichaam daalt, totdat beide eene zelfde eindtemperatuur van 0° verkregen hebben. De temperatuur van het water is nu 0—t0 gestegen, die van het andere lichaam — 9° gedaald, liet water heeft daarbü eene hoeveelheid warmte van m (0—t) calorieën opgenomen, het andere lichaam eene hoeveelheid van cm (t'—9) calorieën verloren, wanneer c het aantal calorieën voorstelt, dat noodig is om aan de massa van 1 Gram van dit lichaam eene temperatuursverhooging van 1° mede te deelen.

Daar m (9 — t) — cm' {t' — 9),

kan uit deze vergelijking c worden opgelost.

Neemt men met verschillende zelfstandigheden de proef, dan worden voor c ook verschillende waarden gevonden.

Het aantal calorieën, dat noodig is om aan 1 Gram eener zelfstandigheid eene temperatuursverhooging van 1° mede te deelen, heet de specifieke (soortelijke) warmte dezer zelfstandigheid.

Daar echter uit nauwkeurige metingen blijkt, dat, evenals bij water zoo voor vele andere zelfstandigheden, deze hoeveelheid warmte bij eene verwarming van 0° tot 10° niet volkomen gelijk is aan die bij eene verwarming van bijv. 80° tot 90°, is het volgende eene nauwkeuriger

Bepaling. Het aantal calorieën, noodig om de temperatuur van 1 G. eener zelfstandigheid van 1° tot 1'° te doen stijgen, gedeeld door t' — t, geeft een getal, dat de gemiddelde soortelijke warmte tussclien t° en t'° genoemd wordt.

Voor de „gemiddelde soortelijke warmtequot; van water en kwik tussclien 0° en 100° is gevonden:

Water. Kwik .

Gasvormig

Vast

Vloeibaar

(onder standvastigo drukking)

0,504

1,000

0,48

0,032

0,034

—

Voor gassen is de „gemiddelde soortelijke warmtequot; tussclien verschillende

ocr page 193

181

temperatuurgrenzen dezelfde. Zij bedraagt, volgens metingen van Keynaull, wanneer liet ga.s onder standvastige, doch overijiens onverschillig welke drukking staat, voor

Koolzuur . Zuurstof

Lucht . .

Stikstof . .

Waterstof .

De ,soortelijke warmtequot; vsni water is grooter dan die van alle overiire zell-standigheden, die te dezen opzichte onderzocht zijn, wanneer wij de waterstof uitzonderen. Ten gevolge van deze groote soortelijke warmte vervult het water in de natuur eene belangrijke rol.

Wanneer men in aanmerking neemt, dat de warmte, die I KG. water verliest, wanneer zijne temperatuur 1° daalt, voldoende is om ongeveer 4,2 K(J. lucht r in temperatuur te doen stijgen, of dat de warmte, die 1 dM.3 water als het 1° afkoelt, verliest, voldoende is om 770 X 4,2 dM.3 = 3234 dM.3 lucht 1° warmer te maken '), dan is het duidelijk, dat de oceaan een grooten invloed op het klimaat moet uitoefenen. „De zomerwarmte wordt in den oceaan opgelegd en gedurende den winter langzaam afgegeven. Dit is ééne reden, waarom een eilanden-klimaat geen uitersten oplevert. De zomer van een eiland kan nooit de brandende hitte van een vastelands-zomer bereiken en de winter niet zoo gestreng zijn als die van de vastelanden. De winter is op IJsland in den regel zachter dan in Lombardije.quot; (Tyndall).

Ook de Golfstroom heeft hieraan zijn invloed op het klimaat van Noordwestelijk Europa te danken.

22;t. De verwarming van een gasvormig lichaam kan onder zoodanige omstandigheden plaats hebben, dat het zich vrijelijk kan uitzetten, terwijl zijne spanning onveranderd blijft. De „gemiddelde soortelijke warmtequot;, onder deze omstandigheden bepaald, is de gem. s. w. van het gas hij standvastige drukking.

Gedurende de verwarming van het gasvormig lichaam kan er ook voor gezorgd worden, dat het niet kan uitzetten, zoodat zijn volumen standvastig blijtt, doch zijne spanning toeneemt. De onder deze omstandigheden bepaalde gemiddelde soortelijke warmte heet de „gein. s. w. van het gas hij standvastig volumenquot;.

De g. s. w. bij standvastige drukking is grooter dan die bij stand-v a s tig volume n.

. 0,21G2

. 0,2175

. 0,2375

. 0,2438

. 3,4090.

Zij de eerste gelijk c, de tweede gelijk c calorieën, dan is voor ljucht. Zuurstof', Stikstof, Waterstof, Kooloxyde gevonden:

0 = 1,41.

c

224-. Wü willen hier een nieuw begrip invoeren, dat niet ons onderwerp van de warmte-verschijnselen in zeer nauw verband staat,

In ^ 43 is er op gewezen, hoe het aan een ieder bekende, alledaagsche begrip „spierkrachtquot; zich in de wetenschap tot het scherper omschreven natuurkundig begrip „krachtquot; ontwikkeld beeft.

1) De „dichtheidquot; van water is 770 maal die van lucht.

ocr page 194

182

Een under allediiagseh begrip, dat met „.spierkriichtquot; in nauw verband staat, is het begrip „arbeidquot;.

Spierkracht wordt aangewend om lasten, /.oowel ons eigen lichaam als andere, te verplaatsen of ook om weerstand te bieden tegen pogingen van buiten om onszelven te verplaatsen. In die gevallen zegt men, dat er „arbeidquot; verricht is.

De natuurkundigen hebben gctriicbt, evenals bet begrip kracht, ook het begrip arbeid in hun wetenschappelijk stelsel van verklaring dor verschijnselen over le nemen, een denkbeeld, dat niet den gelukkigsten uitslag bekroond is geworden.

In hoofdzaak getrouw blijvende aan de alledaagsche beteekenis van het begrip arbeid, moet zijne wetenschappelijke beteekenis voorat' duidelijk worden aige-bakeud en omschreven.

VVy beginnen dus met van liet natuurkundig begrip „mechanische arbeidquot; ol' kortweg arbeid eens voor al de „Bepalingquot; (definitie) vast te stellen.

Stellen wij ons voor, dat een stoffelijk punt A (vgl. fig. 105) zich van A naar yig. lor)i 2? verplaatst heeft en dat, terwijl dit geschiedde,

eene naar richting en grootte standvastige kracht P op dit punt gewerkt hoeft — onver

schillig welke andere krachten er mogelijkerwijs tevens op gewerkt hebben —, dan erkent men , dat in elk geval deze kracht J' in het gebeurde

A*------------V ziju aandeel heeft gehad: men zegt nl., „dat

lgt; de kracht P arbeid heeft verrichtquot;.

De grootte van dezen arbeid wordt, hij definitie, beoordeeld naar tU (/rootte der kracht P en naar de grootte der projectie AC van den afgelegden weg Ali op de lijn AP, die de richting der kracht P voorstelt.

Bepalin». Wanneer een punt zich van A naar li verplaatst heeft, terwijl er eene naar richting en grootte standvastige kracht P op werkte, dan stelt men den door haar verrichten arbeid evenredig aan de grootte dezer kracht en aan de grootte der projectie van den afgelegden weg op de lijn, die de richting der kracht voorstelt.

Annin. l)t» in de vorige Bepaling genoemde projectie wordt ook wel genoemd: „de weg,

dien het asmgrijpingspunt der kracht in de richting dezer kracht a^^egt,^

hni'amng. Kénheid van arbeid is de arbeid, die verricht wordt door de éénheid van kracht (dyne), welker aangrijpingspunt zich de éénheid van lengte (1 cM.) in de richting dezer kracht verplaatst.

Aan de „Éénheid van arbeidquot; geeft men den naam van Ergoon.

In plaats van deze O.G.S.-éénheid nam men vroeger, onder den naam van Kilogrammeter (KGM.), als éénheid den arbeid aan, die verricht wordt door eene kracht, gelijk aan het „Gewichtquot; van 1 KG. en waarvan het aangrijpingspunt zich 1 M. „in de richting van de krachtquot; verplaatst. Daar P— mg, is de arbeid van I KGM. = 100 y mg — 100 X 1000 X 980,96 Ergonen.

Wanneer men in het C.G.S.-stelsel voor groote hoeveelheden arbeid eene hulp-éénheid („groote Ergoonquot;) aanneemt van 10l! ergonen, dan heeft men hierin eene éénheid, die weinig van den ouden Kilogrammeter verschilt.

ocr page 195

183

Heelt tie verphiatsing Vitn het aari^rijpnijTspuiit volgens de riclitiiijr dor kraclit tevens [daals in den zin dezer richting, dan licet de verrichte arbeid positief; heelt /.y in tegengestelden zin plaats, dan heet de arbeid ncgdtief.

5225. Een voorbeeld moge het voorgaande nader opbelderen. Fn een stoffelijk punt, dat vry valt, hebben wij een voorbeeld van een punt, dat zicli volgens eene rechte lijn verplaatst. Terwijl het valt, werkt op het punt eene naar richting en grootte standvastige kracht: de zwaartekracht, welker richting in dit geval samenvalt niet die der beweging.

Zij de doorloopen weg a cM., de massa van het punt m (I., de door de zwaartekracht veroorzaakte versnelling g éénheden van versnelling, dan is de grootte der kracht my dynes en de door haar verrichte arbeid (W) — am;/ ergonen. Deze arbeid is positief', daar het aangrijpingspunt in denzelfden zin ver-plaatst wordt, volgens welken de kracht werkt.

Beschouwen wij nu het geval, dat een stoffelijk punt zich verticaal naar boven beweegt, dan hebben wij weder eene verplaatsing volgens eene rechte lijn en wel dezelfde lijn, volgens welke eene naar richting en grootte standvastige kracht, de zwaartekracht, op het punt werkt. De zin, waarin nu de kracht werkt, is echter tegengesteld aan dien der verplaatsing. De door de zwaartekracht verrichte arbeid is in dit geval negatief.

Zij de door het aangrijpingspunt in de richting der kracht doorloopen weg weder a cM., de massa van het punt m G., de door de zwaartekracht veroorzaakte versnelling g éénheden van versnelling, dan is nu:

W — — amg ergonen.

ïen opzichte van de beschouwde verplaatsing werd door den in het eerste voorbeeld verrichten positieven arbeid de heweging bevorderd; door den in het tweede voorbeeld verrichten, negatieven arbeid tegen de beweging weerstand geboden.

Wanneer, in het door fig. 105 voorgestelde geval, de verplaatsing van het punt A van A naar B, in plaats van langs de rechte lijn AB, langs de tusschen A en B getrokken kromme lijn geschied was, zou de door de kracht I' verrichte arbeid gelijk zijn aan dien van het vorige geval.

liet bewijs voor deze laatste bewering laten wij hier achterwege.

Wanneer gedurende de verplaatsing van het punt de richting of de grootte der kracht verandert, dan vindt men den verrichten arbeid door te bepalen, welke arbeid telkens verricht wordt in een tijdsverloop, gedurende hetwelk de richting of' de grootte der kracht als standvastig beschouwd kan worden. De totale arbeid is dan de algebraïsche som dezer gedeeltelijke hoeveelheden.

Werken op verschillende punten van een lichaam uitwendige krachten, dan kan bewezen worden, dat de. arbeid, door de congerente dezer krachten verricht, gelijk is aan de algebraïsche som der hoeveelheden arbeid, door de verschillende uitwendige krachten respectievelijk op de verschillende punten van het lichaam verricht.

327. Wij komen terug op het tweede in ij 225 genoemde voorbeeld.

Wij hadden daarbij te doen met een stoffelijk punt, dat ten opzichte van eene zekere omgeving (de punten der aarde) in zoodanige omstandigheden geplaatst was, dat eene zekere kracht (zijn „Gewichtquot;) er een negatieven, dus als weerstand optredenden, arbeid op kon verrichten.

ocr page 196

184

Wanneer een punt zich, ten opzichte van zekere omgeving, in zoodanige omstandigheden bevindt, dat er door eene of andere kracht negatieve arbeid op verricht kan worden, zegt men, dal het arhetduvermogen bezit ten opzichte van de genoemde omgeving.

Onderstellen wy, dat een stoffelijk punt, van eene plaats 1* uit, in liet luchtledig verticaal naar boven worde geworpen, dan verkrijgt liet eene „eenparig vertraagde bewegingquot;, welker vertraging eene even groote numerieke waarde heeft als de «versnellingquot; bij den vrijen val.

In de respectieve numerieke waarden uitgedrukt, zij de massa van'het punt»?; zijne beginsnelheid v; het tijdsverloop, na 'twelk het stijgen ophoudt, l; terwijl de onder den invloed der zwaartekracht ontstane vertraging gelijk is aan g.

De weg (/i), dien het punt in deze t éénheden van tijdsverloop aflegt, is volgens § 31:

h = vl— £ g1*..........(!)

Voor de eindsnelheid (vi) der eenparig vertraagde beweging, na dit tijdsverloop, vinden wij volgens § 31:

vi = v — gt,

en daar in ons toeval na dit tijdsverloop % 0:

v — ƒ/£—(), waaruit:

t=v-.

g

Deze waarde van t in (1) overbrengende, vinden wij:

= «f............(2)

ï'.t

Zoolang het punt stijgt, verkeert het ten opzichte van zijne omgeving in zoodanige omstandigheden, dat eene zekere kracht (zijn „Gewichtquot;) er een negatieven arbeid op kan verrichten. Daar het (xewicht gelijk aan mg, en de weg, dien het aangrijpingspunt volgens de richting dezer kracht doorloopt, gelijk aan h is, vinden wij voor de hoeveelheid verrichten negatieven arbeid (W):

W = — mgh.

Brengen wij in deze vergelijking de in (2) gevonden waarde van A over, da7i verandert zij in:

w — — mï'2 _ 2 '

Wij hebben hier het maximum (grootst moge lij ke)-hedrag van den negatieven arbeid, dien het punt, als het in P is, ten opzichte van zijne omgeving, door de beschouwde kracht op zich kan laten verrichten.

Naar deze maximum-waarde, die de negatieve arbeid kan bereiken, wordt

het arbeidsvermogen, bij definitie, beoordeeld: het wordt er aan evenredig gesteld.

Bepaling. Éénheid van arbeidsvermogen van een punt is die hoeveelheid arbeidsvermogen, krachtens hetwelk het punt de negatieve „éénheid van arbeidquot; (ergoon'l op zich kan laten verrichten.

Aan de éénheid van arbeidsvermogen geven wij den naam van e r g i s t.

ocr page 197

185

In ons voorbeeld bedroeg dus liet arbeidsvermogen viiu liet beschouwde punt met eene massa gelijk aan m, toen liet in 1* met eene beginsnelheid gelijk aan v begon te stygen;

enp-ilm.

Over liet rad van den in fig. 106 afgebeelden toestel (de zoogenoemde ,machine van Atwoodquot;) is eeu zyden koord geslagen, welks uiteinden met twee

koperen gewichten rn en n belast zijn, die onderling gelijke massa's bezitten, en dus elkander in evenwicht houden (IV. Wuarom?). Wordt een der gewichten n met een extrakoperen staafje bezwaard, dan nemen beide gewichten eene eenparig versnelde beweging aan.

Wordt het koperen staatje onderweg opgevangen op den langs een verdeelden stijl verstelbaren ring, die het gewicht ongehinderd doorlaat, dan nemen de beide gewichten van hier al' eene eenparige beweging aan, welker snelheid gelgk is aan de snelheid van de voorafgegane eenparig versnelde beweging, op het tijdstip dat het staafje werd 0|igevangen.

Wij willen nu eenvoudigheidshalve de gewichten als stoffelijke punten behandelen.

Gedurende de beschouwde eenparige beweging werkt op het punt n eene verticaal naar beneden gerichte kracht P' (= het „Gewichtquot;' van het punt n). Op m werkt eveneens eene verticaal naar beneden gerichte kracht P (— P'), en dientengevolge op n eene verticaal naar boven gerichte kracht P (= P').

De op n werkende krachten P en P' heffen wederkeerig elkanders invloed op, en zoolang beide blijven werken, volhardt het punt in zijne eenparige beweging. Gedurende deze beweging verricht de naar boven gerichte kracht P negatieven arbeid en zal dit blijven doen, zoolang de kracht P' blijft werken, d. i. totdat het bewegende punt de aarde bereikt heeft.

Het beschouwde stoffelijk punt (??,) bezit dus ook in dit geval arheidavermogen; doch de „omstandighedenquot;, die het nu mogelijk maken. dat eene zekere kracht P er een negatieven arbeid op kan verrichten, zijn andere dan in het geval der vorige §. Daar kon door de op het punt werkende kracht P negatieve arbeid verricht worden, tengevolge van de bestaande snelheid der beweging.

In het laatstgestelde geval echter is het verrichten van negatieven arbeid op

■mir 2

ocr page 198

lt; . • ' . •• ' ' • . ' ,* .1. •!' ' I i', \ •• • .....• ■ ■ quot; ^ 71

186

het punt n niogelyk gemaakt, niet doonlien het eene zekere snelheid bezit, maar doordien het eene zoodanige plaats in do ruimte inneemt, dat eene tweede kracht (in dit geval de zwaartekracht) zich kan doen gelden (in dit geval dewijl het beschouwde punt n zich op eenigen afstand boven de aarde bevindt).

Naar aanleiding van deze tweeërlei Bomstandighedenquot;, waarvan het bezit van „arbeidsvermogenquot; afhankelijk is, onderscheidt men respectievelijk nrhcids-vermof/cn van beweging {— acluc.de Hncrgie) en arbeidsvermogen van plaat* (— poleaticele Energie).

SSJJ). Een punt kan in zoodanige omstandigheden verkeeren, dat het tegelijkertijd arbeidsvermogen van „plaatsquot; en van „bewegingquot; bezit.

Denken wij ons ergens in de ruimte, boven de oppervlakte der aarde, een stoffelijk punt, dan bezit dit daar ter plaatse arbeidsvermogen van plaats, daar zijn stand, op zekeren afstand boven de aardoppervlakte, toelaat, dat het eene verplaatsing (naar beneden) ondergaat, in de richting en den zin van eene zekere kracht, nl. zijn „Gewichtquot;, die er op werkt, ten gevolge waarvan eene andere kracht er negatieven arbeid op kan verrichten.

Daarbij kan intusschen dat punt op de beschouwde plaats eene zekere snelheid bezitten, krachtens welke het dan arbeidsvermogen van beweging zou hebben.

Zij A het punt in de ruimte, waar het beschouwde stoffelyk punt zich op een zeker tijdstip bevindt; m zijne massa; g de door de zwaartekracht veroorzaakte versnelling; v zijne benedenwaarts gerichte snelheid in A.

r 1(). Het arbeidsvermogen van beweging van het punt bedraagt

lë' • mv2

,( dus in A, volgens § 227, ergisten:

A. v. «. = ■

Indien de kracht P (r= mg) eene benedenwaartsche verplaatsing van x éénheden toelaat, alvorens op te houden met werken, dan zou eene tweede, aan P gelijke, doch in tegengestelden zin werkende kracht een negatieven arbeid van — Pa: ergonen op het punt kunnen verrichten, zoodat dit in A een arbeidsvermogen van plaats van Pa; ergisten zou bezitten;

A. V. I', = Pa;.

Zij het punt t éénheden van tijdsverloop later in B gekomen, zoodat onder den invloed der kracht P nu nog slechts eene benedenwaartsche verplaatsing van x — h éénheden mogelijk is (AB — /;). De negatieve arbeid, die nü door de andere kracht verricht kan worden, is hiermede teruggebracht tot een bedrag van — P (x—h) ergonen; en het arbeidsvermogen van plaats van het punt is in B verminderd tot P {x — lï) ergisten:

a: v. r. = i' (x — h).

Het punt heelt dus bij zijne verplaatsing van A naar B aan „arbeidsvermogen van plaatsquot; verloren:

a — a' ~ Vx — P (x — h) — P/), =: mgh......(1)

Gedurende de beweging van A naar B is de snelheid der beweging veranderd. In B is zij, volgens § 29, geworden vi = v tg, waaruit;

t = V' quot;quot;quot; quot;...........(2)

V

ocr page 199

187

Den doorloopen wojr AB gelijk k stellende, vinden wij, volgens S 29:

h ~ vl f ' lt;jl'2.

in deze vergelijking de in (2) gevonden waarde van l, invoerende, vinden wij:

, in — v , 1 (vi — vY

li — v 7 .. , waaruit:

2 1 'I'

ll — '' ' , waaruit:

2lt;/

vi — V (v2 2(//i).

Het arbeitlsvermogen van beweging in H is dus geworden:

^ ij - mvr _ »/ (r1 2(/h)

2 2

Het punt heelt dan gedurende zijne verplaatsing van A naar U aan ,arbeidsvermogen van bewegingquot; yewonnen:

. / • m (v- 2(ih) mv2 ,

A — A ~ — 9 — tixjn.

Deze winxl aan „arbeidsvermogen van bewegingquot; is gelijk aan het in (1) gevonden verlies aan „arbeidsvermogen van plaatsquot;.

De lolale som van arbeidsvermogen is dus gedurende de beschouwde beweging van het stoffelijk punt, ten opzichte van de omgeving der aarde, standvastig gebleven.

Bij de in het laatste voorbeeld beschouwde verplaatsing van een punt van A naar B werd door de kracht P positieve arbeid verricht, tot een bedrag van Ph — mgh, zoodat de numerieke waarde van het verloren arbeidsvermogen van plaats gelijk is aan de numerieke waarde van den door P verrichten positieven arbeid.

Wquot;ij hebben in het voorgaande een stoffelijk punt beschouwd ten opzichte van eene zekere omgeving, nl. de aarde. Ten opzichte van deze omgeving is het gezamenlijke „arbeidsvermogenquot; (=r Energie) van het stoffelijk punt gebleken eene standvastige waarde te bezitten, terwijl de waarden der samenstellende hoeveelheden A. v. H. en A. v. /*. veranderlijk zyn.

Het voorgaande is een bijzonder geval van de volgende tot nog toe in alle gevallen bevestigd gevonden

WET VAN HET BEHOUD VAN ARBEIDSVERMOGEN.

Bij de verschijnselen, die zich voordoen in een stelsel van punten, zijn mij steeds in staat eene omgeving aan te wijzen, ten opzichte van welke de som van de hoeveelheid ^Arbeidsvermogen va,n beweging'''' en de hoeveelheid. ^Arbeidsvermogen van plaats''1 standvastig is.

Annm. Voor hut, begrip Arheidsitermcxjcu in zijno vorscliillcndo vormen zijn bij de schrijvers over flit onderwerp verschillende mimen in gebruik. De naam Kucnjie is afkomstig van den Engelsehen geleerde Dr. Youmj (1773 1829).

De J'Jucn/ic van een stelsel van verschillende lichamen, waarop onder elkanders invloed kluchten werken, welker grootte van den onderling stand dezer lichamen afhangt, is vooreen gedeelte toe te schrijven aan hnnne standplaats ten opzichte van elkander, vooreen ander gedeelte nau hunne beweging, liet gedeelte, dat aan hunne standplaats moet toegeschreven worden, is in

ocr page 200

188

het voorgiuindc- „Arboidsverinogen van phuitsquot; genoemd. Dit A. v. P. — Poteniieele Energie (Jiajikiiie) — Statische Energie {Thomson) — Sum der Sjjauniiuioi {IJehnholtz).

Het gedeelte, dat aan hunne beweging is tue te schrijven, is in het voorgaande ais „Arbeidsvermogen van be^vegingv, aangeduid. Dit A. v. 15. = Actucele Energie (Jiankine) — Kinetische Energie (l'homson).

JJiM). Stelleu wy ons een hollen cylinder voor, die mei lucht gevuld is, atgesloten door een goetl sluitenden zuiger, die zich zonder wrijving in den cylinder beweegt.

Wordt liet ingesloten gasvormig liciuuun verwannd, terwijl het zich vrijelijiv kan uitzetten, waardoor de zuiger omhoog gedreven wordt, dan zal, volgens § 223, de door het gas opgenomen hoeveelheid warmte grooter z\jn dan wanneer, onder overigens gelijke omstandigheden, de uitzetting door het vastzetten van den zuiger verhinderd werd.

Wanneer de zuiger stygt, verricht de verticaal binnenwaarts gerichte damp-kringsdrukking, die op zyn bovenvlak werkt, een negatieven arbeid, zoodat het gasvormig lichaam eene zekere hoeveelheid arbeid ver mogen bezit, die het bij verhinderde uitzetting niet heeft. Het verkrijgen van dit arbeidsvermogen heeft eene zekere hoeveelheid warmte gekost; en nu rijst de vraag, of er wellicht eene meer dun toevallige betrekking bestaat tusschen deze hoeveelheid verbruikte warmte en het daardoor verkregen arbeidsvermogen.

Nauwkeurig proefondervindelijk onderzoek heeft aan het licht gebracht, dat er tusschen beide grootheden inderdaad eene innige betrekking bestaat. Het heeft geleerd, dat het verbruik van eene zekere hoeveelheid warmte eene bepaalde hoeveelheid arbeidsvermogen kan doen ontstaan en dat, omgekeerd, het verdwijnen van eene zekere hoeveelheid arbeidsvermogen met de ontwikkeling van eene bepaalde hoeveelheid warmte gepaard kan gaan.

De afstand van den zuiger tot den bodem des cylinders zij gelijk aan 1 cM.; de oppervlakte des zuigers gelijk aan 1 cM.1: dan is het volumen der onder den zuiger aanwezige lucht gelijk aan 1 cM.3. De temperatuur dezer lucht zij 0°.

Gesteld, dat de cylinder zoolang verwarmd wordt, totdat het volumen der daarin bevatte lucht verdubbeld is, dan bezit het gasvormig lichaam arbeidsvermogen; want terwijl op de punten van den zuiger eene drukking werd uitgeoefend, gesteld van 1 O.G.S.„atmospheerquot; d. i. 10° dynes per cM.2, hebben deze punten zich 1 cM. in tegengestelden zin verplaatst, en heeft dus de damp-kringsdrukking negatieven arbeid verricht. Deze negatieve arbeid beeft eene waarde van — 10quot; (ergonen), zoodat de waarde van het door het gasvormig lichaam verkregen arbeidsvermogen gelijk is aan 10quot; (ergisten).

Om dit uitwerksel te bereiken is eene zekere boeveelheid warmte verbruikt geworden, door welke 1° de temperatuur van het gasvormig lichaam van 0° tot 1° gestegen is, 2° eene hoeveelheid arbeidsvermogen van 10quot; ergisten ontstaan is.

Als uitzettingscoëfficient van de ingesloten lucht aannemende, wordt de

daar in liet gestelde geval V; ~ 2V0,

ocr page 201

• •••■ 1 • •••quot;. ••• , • ' • . ' •• ' ■■ v . '

180

'2V — V

-'Ml--- ' 0

273 1 1

1 t, waaruit:

t - 273°.

Het gasvormig lichaam moest dus, om zijn volumen te verdubbelen, van 0° tot 273° verwarmd worden. Het aantal daartoe benoodigde calorieën, is gelijk aan 0,0012759 X 0,2375 X 273 = 0,0824, waarin 0,0012759 de soortelijke massa van lucht bij 0° en 1 O.G.S.-atmosph. drukking en 0,2375 de soortelijke warmte van lucht hij standvastige drukking voorstelt.

Deze 0,0824 calorieën hebben dus gediend om de temperatuur van 0° tot 273° te verhoogen en een arbeidsvermogen van 10quot; ergisten te doen ontstaan.

i3!ijlt de zuiger onbeweeglijk, terwijl de daaronder aanwezige lucht van 0° tot 273° verwarmd wordt, dan bedraagt het aantal benoodigde calorieën

ft.082lt;38 _ 0gt;0584. d,iar vo]gens i? 223: c. = 1,41.

1.41 ' c

Het aantal calorieën, dat nu minder noodig is, bedraagt:

0,0824 — 0,0584 = 0,0240.

|)i'ze 0,0240 calorieën hebben dus in het eerste geval hut arbeidsvermogen van 10quot; ergisten doen ontstaan, zoodat aan elke calorie een arbeidsvermogen I Oquot;

van = 41600000 ergisten beantwoordt.

0,0240

Warmte is ren vorm van Arheidsvet'm(Hjen ol lïncvyie.

Eene hoeveelheid war mie van 1 calorie heeft gelijke waarde als een mechanisch arbeid sv er mogen van 41(500000 ergisten.

Aan deze waarde geeft men den naam van mechanisch aequi-valenl der w ar ml e-c én hei d.

Drukt men den arbeid uit in , Kilogranimetersquot; (§ 224) en de hoeveelheid warmte in „groote calorieënquot; (§ 220), dan is het .mechanisch aequiva-lentquot; iler warmte-éénheid gelijk aan 424.

Wanneer een in beweging zijnde wagen, waarin verscheidene voorwerpen verspreid zyn, plotseling zijne beweging staakt, dan zullen de er in aanwezige voorwerpen van de betrekkelijke rust, waarin zij verkeerden, plotseling in beweging geraken en dooreengeworpen worden. De beweging van de massa in haar geheel is dan veranderd in eene beweging van de haar samenstellende deelen. Zoo stelt men zich in de ,mechanische wannte-theoriequot; ook den gang van zaken voor, wanneer een voorwerp ten gevolge van een stoot warmer wordt. Wanneer byv. een metalen kogel van eene aanzienlijke hoogte valt of met groote snelheid uit een werptuig geworpen wordt en dan plotseling in z\jne vaart gestuit wordt, dan zal hij eene zeer merkbare temperutuurs-verhooging ondergaan. De zichtbare beweging van den kogel heelt zich dan omgezet in eene onzichtbare beweging van zyne moleculen.

In het algemeen wordt het mechanisch arbeidsvermogen, dat bü vijlen, hameren, boren, botsen verbruikt wordt, omgezet in warmte. Zoo wordt ook het door onze hand vertegenwoordigde arbeidsvermogen, wanneer wij met een zuiger

waaruit:

ocr page 202

190

de lucht, van een cylinder samenpersen (fi^. 108), in warmte omgezet, ilio eene fig kis Z0(gt; ^rrt()^e teinperatuurs-verhooging dezer lucht kan bewerken, dat een iu den cylinder aanwezig stukje zwam wordt aangestoken. Sa? Omgekeerd kan zicii ook warmte in mechanisch arbeidsver-

'[/ mogen omzetten, wat hij voorbeeld geschiedt, wanneer de samen

geperste lucht in de zooeven vernielde proef den zuiger weer omhoog drukt en daarbij afkoelt.

Eu dat het stoomwerktuig niets. anders dan eene toepassing van hetzelfde beginsel is, zullen wij weldra zien.

i||gt; De methode der in het voorgaande uitgevoerde theoretische be

rekening van het mechanisch warmte-aeqiiivalent werd door Jalim Robert Mayer in 1842 aangeduid aan het slot van eene kleine verhandeling, getiteld: ,Opmerkingen over de krachten der leven-looze natuurquot;. De door Poggendorf uitgegeven en naar hem genoemde , Annalenquot; waren toen het hooid-orgaan, waardoor de wetenschappelijke ontdekkingen der natuurkundigen haar weg in de geleerde wereld vonden. Ook Mayer bood zijne verhandeling ter plaatsing aan en Poggendorf scheen den inhoud zoo ongerijmd te vinden, dat hij er niets mede te doen wilde hebben. Liebig, van Oiessen, dacht er anders over en zoo vond de verworpelinge een gastvrij onderkomen in de „Annalen der Chemiequot; van den beroemden scheikundige.

Mayer, den 25 November 1814 te Heilbronn geboren, studeerde te Tiibingen in de geneeskunde. In 1840 was hij scheepsdokter op een Hollandsch koopvaardijschip, dat naar Batavia op reis was. „Aan het eind van de reis werd het scheepsvolk door eene ontstekingachtige longaandoening aangetast. Mayer deed eene aderlating en het afgetapte bloed was zoo helder rood, dat hij op het eerste gezicht den indruk kreeg, dat hij eene arterie (slagader) in plaats van eene vene (ader) getroffen had. Dit bracht hem tot nadenken over de betrekking tnsschen de uitwendige temperatuur en de oxydatie-processen in het menschelijk lichaam; en zijne verklaring was, dat in een warm klimaat minder „brandstofquot; in het lichaam verteerd werd en zoodoende het bloed aan minder verandering onderhevig was dan in een koud klimaat. Hij onderwierp nu de geheele physiologische theorie der ademhaling aan eene nauwgezette overdenking en rustte niet, vóórdat hij een nieuw licht had geworpen op de met de ademhalingsprocessen gepaard gaande scheikundige processen en het verband tusschen de door deze processen veroorzaakte warmte-ontwikkeling en den door het levende lichaam verrichten uitwendigen mechanischen arbeid.quot;

Van Batavia teruggekeerd (1841), besprak hij zijn onderwerp op zekeren dag met zijn vriend Kümlin, aan dezen, toen hen eene met vier dampende paarden bespannen diligence voorbijreed, de vraag voorleggende: „Wat is, naar uwe meening, het natuurkundig uitwerksel van de spierkracht dezer paarden?quot; Kümlin antwoordde, geen ander uitwerksel te kennen dan dit, dat de massa van de paarden en van het voertuig en zyn inhoud eeue zekere verplaatsing in de ruimte had ondergaan, die zonder het aanwenden der gebezigde kracht achterwege zou zijn gebleven. „Maar,quot; zeide Mayer, „onderstel eens, dat zij tot halfweg

ocr page 203

191

voorttrekken en iliin uaar fteilbronn terugrijden — wat is dan het natuurkundig uitwerksel ? , waarop Ri'u/ilin antwoordde, dat er dan twee verplaatsingen in de ruimte zouden ontstaan zijn, waarvan de eerste door de tweede geneutraliseerd

zou zijn. Doch Maycr hervatte, dat hij dit geen natuurkundig uitwerksel kon noemen. «Het is volkomen onverschillig,quot; zoo redeneerde hij, „of de reizigers te Heil-bronn of te Oehringen worden atgezet, — of er ten slotte verplaatsing heeft plaats gehad ol niet. De verplaatsing van het voertuig is de beweegreden en het bijkomende verschijnsel van den arbeid der paarden, doch niet z\jn natuurkundig uitwerksel. Het warm worden der paarden, de versnelde oxydatie of verbranding in hun binnenste, de bij de wrijving opgewekte warmte van de slepende wielen, die hunne sporen in den vorm van blauwe strepen op den weg hebben achtergelaten, de warmte der assen — dat alles zijn meer dan toevallige .omstandigheden. Integendeel, de beweging der paarden en hun mechanische arbeid zijn vervormd tot deze warmte-verschijnselen, — vervormd, wat meer zegt, volgens eene standvastige grootte-verhouding.quot; De ontdekking en formuleering van deze standvastige betrekking tusschen arbeid en warmte beschouwde Mayer als het belangrijkste gedeelte van het probleem, dat hij zich gesteld had. Omtrent de juistheid van het beginsel koesterde hij toen niet den minsten twijfel. En spoedig daarna, in 1841, schreef hij de bovengenoemde verhandeling, die, onder Liebig's patronaat, hare intrede in de wereld deed.

Zoo werd Mayer de grondlegger van de thans algemeen aangenomen leer van het behoud van arbeidsvermogen, uitgestrekt over alle natuurkundige verschijnselen: de moleculaire bewegingen en de molaire ') bewegingen der stof' onder één gezichtspunt vereenigende.

„En wat was Mayer's belooning gedurende zijn leven ? Wat voor erkenning viel hem ten deel ? Het antwoord is treurig genoeg. Thomas Young1) was in Engeland belachelijk gemaakt door Brougham; Georg Ohm :') was in het llerlijnsch Jaarboek voor wetenschappelijke critiek voorgesteld als het slachtoffer van een ongeneeslijken waan; Mayer werd op gelijke wijze door zijne stadgenooten belachelijIe

1

1773 —1829. 3; 1 787-—1854.

ocr page 204

192

gemaakt en was in de „ Allgemeine Zeitungquot; aan de publieke bespotting overgeleverd geworden. Eene zekere gave om zich aan zijn onderwerp vast te klampen, was de grondslag van Mayer's roem; het werd ook de oorsprong van zijn ongeluk. Het gevoel van onbillijk bejegend te worden, dat hem aanhoudend vervolgde, kon hij niet van zich afzetten. „Een van beiden,quot; zeide hij, ,öl mijne geheele methode van denken is eene anomalie en verkeerd, en dan zou een gekkenhuis mijne plaats zijn, of ik word voor de ontdekking van belangrijke waarheden met minachting en spot beloond.quot; Aan eene van beide gevolgtrekkingen was niet te ontkomen, en de eene was al even ontmoedigend als de andere. Hij verloor zun slaap, kreeg eene hersenziekte en in een aanval van ijlende koorts, den 20 Mei 1850, stond hij onverwachts van zijn bed op en sprong uit een raam, dertig voet hoog, op straat. Hjj was vreeselijk gekneusd, doch niet dood, en vóórdat het jaar ten einde was, was hij in staat zijne diepzinnige verhandeling over „het mechanisch warmte-aequivalentquot; te schrijven. Het hart van den onderzoeker in hem was evenwel gebroken en hij keerde tot zijne geneeskundige praktijk terug. Hoewel hij later nog eenige kleine stukken in het licht gaf, leggen deze weinig getuigenis af van het wonderbare genie, dat de acht eerste jaren zijner wetenschappelijke loopbaan kenmerkte.

„Ik ontmoette Mayer te Zurich in 1864. Zijn leven, zeide hij mij toen, had eene nieuwe wending genomen. De spot zijner stadgenooten was voorbij, en met eerbiedige erkenning werd hü overal bejegend, waar hem vroeger hoongelach had tegingeklonken. Later werd by in zijn eigen land in den adelstand verheven en ontving hy uit den vreemde vele blijken van hooge onderscheiding.

,11 ij stierf den 21 Maart 1878.

„Eene groote menigte woonde de begrafenis bij; uitstekende geleerden hielden welsprekende en sympathetische toespraken; en de overheidspersonen van Heil-bronn haalden hunne vlaggen halverstok, toen hij in de groeve neerdaalde.quot; ')

Het door Mayer uitgewerkte denkbeeld, dat er eene zekere betrekking bestaat tusschen warmte en mechanischen arbeid, had, vóór hem, reeds meer dan één onderzoeker voor den geest gezweefd. Onder zijne tijdgenooten waren, gelijktijdig met hem, nóg twee mannen, onafhankelijk van elkander en zonder zelfs elkander te kennen, bezig om, elk op zijne wijze, het denkbeeld aan den toets der proefneming te onderwerpen. Het waren de ingenieur Colding te Kopenhagen en Dr. Joule (gest. 1889) te Manchester. Üe talrijke, meesterlijk uitgevoerde proefnemingen van Joule hebben krachtig bijgedragen om de nieuwe beschouwing algemeen ingang te doen vinden en verzekerden Joule eene eerste plaats onder de beoefenaars der experimenteele wetenschap.

„Mayer dacht zijne theorie uit, en door zijne verheven gaven des geestes, waarvan in de geschiedenis der wetenschap slechts weinig voorbeelden zijn, wist hij op te klimmen tot hare meest grootsche toepassingen; Joule werkte zijne theorie uit en gai haar de vastheid eener experimenteele waarheid. Getrouw aan de neigingen van zijn land tot bespiegeling, maakte Mayer groote en gewichtige gevolgtrekkingen uit geringe gegevens, waarby het scheppend genie de beperkt-

1) John Tipidall.

ocr page 205

193

.. II. ----v-.

lieid der gegevens goedmnakte; terwijl de'JEngelschmaii, boven alles, naar eeue deugdelijke vaststelling der feiten streelde.quot; (Ti/ndall).

'l'erwül Mayer theoretisch door berekening opspoorde, hoeveel me-chanisch arbeidsvermogen in de plaats trad van eeue zekere hoeveelheid als zoodanig verdwenen warmte, leidde Joule uit zijne proefnemingen af, hoeveel warmte ontstond uit de opoffering van eeue zekere hoeveelheid mechanisch arbeidsvermogen. Hy leidde zijne cijfers af uit de hoeveelheid ontwikkelde warmte eenerzijds en uit den mechanischen arbeid anderzijds, die aangewend moest

worden om den weerstand te overwinnen, veroorzaakt door eeue opzettelijk opgewekte wrijving, welke wrijving juist de oorsprong der ontwikkelde warmte was. Hy wekte de wrijving op 1quot; tusschen water en koperen platen, die er in ronddraaiden, 2quot; tusschen kwik en ijzeren platen, 3° tusschen gietyzer en gietijzer. De uitkomsten van al deze onderzoekingen stemden merkwaardig goed met elkander overeen. Op grond van de verkregen cijfers, stelde Joule zelf het mechanisch aequivalent der warmte-e'énheid gelijk aan 772,55 En-gelsche éénheden (foot-pounds), d. i. gelijk aan 41600000 G.O.S.-éénheden (ergisten),

8ALVBKUA en LE Kov, Nnluurhewiisgt; 11. 2(i druk. l.'j

ocr page 206

104

(1. i. gelijk iin.il 424 Kilogrammeters, eene uitkomst, die weiier merkwaardig-naby overeenstemt met de, volgens Mmjcrs methode, theoretiseii berekende waarde.

De in het voorgaande ontwikkelde, door Mayer ontdekte en door Joule proei-ondervindelyk bevestigd gevonden, waarheid is bekend als de

kebste wet der mechanische wabmte-theokih.

Wanneer gelijke hoeveelheden mechanische arbeid op eene of andere wijze, uitsluitend door middel van eene warmtebron, in het leven geroepen worden, of als zij omgekeerd uitsluitend in warmte-w er kin gen verloren gaan, dan zijn altijd respectievelijk gelijke hoeveelheden warmte verdwenen of ontwikkeld geworden.

.Onmiddellijk na de drie namen van Mayer, Golding en Joule behoort de naam van Helmholtz genoemd te worden, zoowel omdat deze in 1847, in zijne verhandeling „Over bet behoud van arbeidsvermogenquot;, de leer der nieuwe denkbeelden in een lichaam vereenigd beeft als om zyne vruchtbare en belangrijke toepassingen der leer op verschillende electrische verschijnselen.quot; (Verdet). Helmholtz w:ib de eerste, die aldus aantoonde, dat de door Mayer ontdekte wet voor verschijnselen van allerlei soort geldig was. ilij ontwikkelde het denkbeeld, dat elke verandering van een bewegingsverschijnsel, van welken aard ook, met het ontstaan van eene aequivalente (gelijkwaardige) beweging van eene of andere soort, of van verschillende soorten te gelijk, gepaard moest gaan, waarbij tl11» het bij de verandering der eerste beweging verbruikte arbeidsvermogen tot een zelfde bedrag weer te voorschijn kwam in één of meer nieuwe vormen te zamen.

232. Vele vaste lichamen gaan bij voldoende verwarming van den vasten in den vloeibaren aggregatie-toestand over. Hef is deze overgang, die, zooals reeds in ij 215 is aangeduid, den naam van smelting draagt. Bij sommige lichamen, zooals zegellak, glas en ijzer, geschiedt de overgang trapsgewijs, zoodat het begin van het eigenlijke vloeibaar worden moeilijk is aan te wijzen, in zoover zij beginnen met week te worden, voorts weeker en weeker en ten slotte volkomen vloeibaar worden, liü andere lichamen, zooals ijs en tin, heeft de overgang der verschillende gedeelten van het lichaam van duidelijk vast tot duidelijk vloeibaar plotseling plaats.

Wanneer men onder het smelten van een lichaam de ontstane vloeistof en het nog overige vaste gedeelte van het lichaam goed dooreen roert, dan blijft de daarin geplaatste thermometer onveranderlijk dezelfde temperatuur aanwijzen, totdat de smelting geheel geëindigd is.

wet der smelting.

Van eene zelfde zelfstandigheid is de gedurende het smeltingsproces standvastig blijvende temperatuur altijd dezelfde, mits de op de zelfstandigheid uitgeoefende drukking eveneens dezelfde zij.

ocr page 207

lor.

Aan de in de vorige Wet bedoelde temperatuur geeft ineu den naam van smeltpunt.

Smeltpunt van eenige zelfstandigheden.

Kwik............—39,5°

Water..... ..... o

Phosphorus..........44^

Swivel...........11^5

Kamfer...........175

Tin............235

IJzer........................1500 (bij benadering).

De omgekeerde overgang van den vorigen is die van den vloeibaren in den vasten toestand. Men geelt hieraan den naam van slollintj.

Evenals gedurende bet smelten, blijft ook gedurende liet stollen de temperatuur van het mengsel van vloeibare en vaste zelfstandigheid standvastig, totdat liet stollings-proces geheel geëindigd is.

De atollinffg-temperatuur een er zelfstandigheid is gelijk aan haar smeltpunt.

Het smeltpunt van een mengsel van verschillende stoffen is niet het gemiddelde van de smeltpunten der samenstellende deelen. Zoo heeft bijv. een zeker mengsel van tin, lood en bismuth, welke metalen elk voor zich eeu smeltpunt hoven 100° hebben, een smeltpunt heneden 100°.

2'i'i. Zoolang de aggregatie-toestand van een vast lichaam niet verandert, heeft toevoer van warmte eene verhooging van zyne temperatuur ten gevolge. Zoodra echter het smeltpunt bereikt is, blijft bij voortgaanden toevoer van warmte de temperatuur voorloopig standvastig; doch neemt het smeltings-proces een aanvang.

Bkpalinck De hoeveelheid warmte, noodig om 1 Gr. eener stof, zonder dat de temperatuur verandert, van den vasten in den vloeibaren aggregatie-toestand te doen overgaan, heet de smeltingswarmte dezer stof.

\an de op dit punt onderzochte stoffen heeft water de grootste smeltings-warmte.

Sine 1 tings war m te va 11 eenige stoffen.

Water................70,25 calorieën.

Azijnzuur.......41,00

Zink.........28,13

Zilver........21,07

Zwavel........9,36 ,

Lood.........5,37

Kwik.........2,83

De hoeveelheid warmte, die 1 G. eener stof bij baar oyergang van den vloeibaren in den vasten toestand, zonder dat de temperatuur verandert, afgeeft aan de omgeving, is gelijk aan hare sineltingswarmte.

13*

ocr page 208

196

A ii ii m. Dti muizienlijku hoeveelheid der nan do omgeving onttrokken smeltingswurmte van ijs mankt het begrijpelijk, dat hot smelten van groote ijsbergen een mmmerkelijkcii invloed op het klimaat kan oefenen.

Sommige vaste stoffen, bijv. keukenzout en suiker, kunnen vloeibaar gemaakt worden door ze met eene ol' andere vloeistof, bijv. water te vermengen. In dit geval draagt het aannnemen van den vloeibaren vorm den naam van oplossing. Ook door het oplossen, bijv. van zout in water, wordt warmte aan het mengsel onttrokken, zoodat zijne temperatuur daalt.

234-. Het smelten, en evenzoo het stollen, van een licliaam gaat met verandering van volumen gepaard.

Bij sommige, en wel de meeste, zelfstandigheden heeft het lichaam in den vloeibaren toestand een grooter volumen (dus eene kleinere dichtheid) dan in den vasten toestand bij dezelfde temperatuur. Bij eenige andere zelfstandigheden daarentegen, zooals water en ijzer, is liet juist omgekeerd.

235. Het smeltpunt eener zelfstandigheid kan onder den invloed der op haar uitgeoefende drukking gewijzigd worden, welke wyziging intusschen onmerkbaar is bij de ook onder gewone omstandigheden plaats hebbende veranderingen van drukking.

De invloed wordt omschreven in de volgende, naar haar ontdekker genoemde

WET VAN THOMSON.

Het smeltpunt van lichamen, welker volumen door smelting tor-neemt, wordt door vermeerdering der op hen uitgeoefende drukking verhoogd; dat van lichamen, welker volumen door smelting afneemt, wordt door dezelfde oorzaak verlaagd.

Terwijl üs onder de drukking van „76 cM. kwikquot; bö 0° smelt, wordt het smeltpunt onder eene drukking van 8,1 X 76 cM. tot — 0,007°, onder eene drukking van 16,8 X 76 cM. tot —0,128° verlaagd. Door middel eener drukking, die op 13000 atmospheren geschat werd, is het gelukt, hel smeltpunt van ijs zelfs tot —20° te doen dalen.

2;{(). Wanneer wij een glas water slechts lang genoeg aan zichzelf overlaten, dan zal de hoeveelheid water gaandeweg verminderen en het glas ten slotte volkomen ledig raken. Het water is dan in den gasvormigen toestand overgegaan en het gevormde gas heeft zich met de lucht des dampkrings vermengd.

Niet alleen vloeibaar water, maar ook vast ijs, gaat, zonder vooraf vloeibaar te worden, in den gasvormigen toestand over, gelijk bijv. blijkt, wanneer de wasch, die stijf op den droogzolder hangt (van wege de tusschen de mazen van het weefsel verspreide ijsdeeltjes), bij vriezend weer toch sla]) en droog wordt. Zoo kan ook sneeuw van de straat verdwenen, zonder vooraf door invallenden dooi gesmolten te zijn.

De aangeduide overgang in den gasvormigen aggregatie-toestand geschiedt bij elke temperatuur, althans by elke temperatuur, boven zekere — in 't geval van water ijs laag gelegen— grens, welke wij voor 't oogenblik niet nauwkeurig kunnen bepalen.

Water is dus eene zelfstandigheid, die, bij alle, onder gewone omstandigheden voorkomende, temperaturen, zoowel in den vloeibaren of vasten als in den gasvormigen toestand voorkomt.

ocr page 209

107

Diiiiriiiiiist kennen w^j vele zelfstandigheden, die onder gewone omstandigheden nooit anders dan giisvorinig zijn en eerst bij aanzienlijk gewijzigde temperatuur of drukking den vloeibaren toestand aannemen.

Het dagelijksch spraakgebruik, door de natuurkundigen overgenomen, noemt de gasvormige zelfstandigheid in het laatste geval gas en in het eerste geval d a in p.

Daar ook onder „gewone omstandighedenquot; de temperatuur tussehen betrekkelijk wijde grenzen afwisselt en het begrip „gewone omstandighedenquot; dus eenigszins rekbaar is, wordt door bovengenoemde onderscheiding geen wetenschappelijke scheiding tussehen „gassenquot; en „dampenquot; gemaakt.

Het overgaan van den vasten of vloeibaren in den gasvormigen aggregatie-toestand hebben wij in § 215 aangeduid onder den naam van dampvorminy.

Terwijl men eene bepaalde temperatuur (smeltpunt) kan aanwijzen, waarbij onder gewone omstandigheden een vast lichaam vloeibaar wordt, — voor den overgang van den vasten of vloeibaren in den gasvormigen toestand, bestaat, bl\jkens liet voorgaande, zulk eene vaste temperatuur niet.

W7. De d ampvorming ging in de in de vorige § beschouwde gevallen van de vrye lichaams-oppervlakte uit. Wij willen aan deze wijze van damp-vorming den naam van verdamping geven.

Hiertegenover staat eene andere w^jze van dampvorming, waarby de damp op elke diepte van de vloeistof ontstaat en vervolgens in den vorm van „bellenquot; omhoog st\jgt. Aan deze laatste wijze van dampvorming geeft men den naam van koken.

Plaatst men een thermometer in de vloeistof, dan leert deze, dat het koken eener vloeistof, onder overigens gelijke omstandigheden, standvastig bij eene zelfde temperatuur plaats heeft, waaraan men den naam van kookpunt geeft. Doet men eene vergelijkende proef met verschillende vloeistoffen, dan is de uitkomst:

Verschillende vloeistoffen koken elk in het hijzonder hij eene standvastige, doch onderling verschillende temperatuur.

Water kookt, onder de normale barometerdrukking, bij 100°.

2!{8. Zoolang de vloeistof nog niet kookt, heeft hare verwarming verhooging barer temperatuur ten gevolge. Kookt de vloeistof eenmaal en gaat men voort met verwarmen, dan heeft de toegevoerde warmte geen verhooging van temperatuur, maar alleen verandering van de vloeistof in damp van dezelfde temperatuur ten gevolge.

Het overgaan van den vloeibaren in den gasvormigen, zoowel als van den vasten in den vloeibaren toestand, geschiedt dus ten koste van eene zekere hoeveelheid warmte, die daartoe aan de omgeving onttrokken wordt. Dit geldt óók voor de gewone verdamping, die van de vrije vloeistof-oppervlakte uitgaat.

Hki'Amnq. De hoeveelheid warmte, die noodig is om, bü eene bepaalde temperatuur, 1 Gram eener vloeistof zonder verandering van temperatuur, te veranderen in damp, heet de verdampingswarmte dezer vloeistof bij de gegeven temperatuur.

ocr page 210

108

Volgens proeven van Rcgnaull bedraagt de „venlampingswarmtequot; (/) van water, Inj 100°, 536,5 calorieën, en in 't algemeen bij eene temperatuur van 1°: l — (300,5 0,1)05 i — 0,00002 i2 - 0,0000003 t\

Aanvi, Daar de proefnemingen van Jieijnault, die aan deze „turmulc''1 ten grondslag liggen,

zich tot eene temperatuur van 195° uitstrekten, kan de l'ormule dus slechts tot deze temp.

worden toegepast.

De hoeveelheid warmte, die vereiseht wordt om 1 Gr. eener vloeistof van zekere temperatuur in damp van dezelfde temperatuur te veranderen, is gelijk aan de hoeveelheid warmte, die aan de omgeving wordt afgestaan, wanneer 1 Gram van dezen damp, zonder verandering van temperatuur, weder in vloeistof verandert.

[239. Voordat (ie iiiitmirkundigiMi do „wiumtoquot; bescliouwdeii als een bewegingstocstand der moleculen, liielden zij aan hot denkbeeifl vast, dat zij eene bijzondere soort van stolquot;; warm te stol' was, die in de lichamen binnendringen en hen weer verlaten kon.

In zoover men nu bij verandering van den aggregatie-toestand van een lichaam, warmte aan een lichaam zag medegedeeld, die hare aanwezigheid niet door middel van den thermometer-verried, zeide men dat deze „warmtequot;' latent, d. i. rerhorrjen was, Men stelde zich voor, dat deze warmte zich verschool in de tusschenruimten tnsschen de vloeistof- en damp-moleculen, — hoe, dit kon men niet aanduiden.

„Volgens de hedendaagsche theorie wordt de warmte, die bij het smelten verloren gaat, verbruikt in het overwinnen van tnsschen de moleculen werkende aantrekkende krachten en in het verschalVen van potentieel arbeidsvermogen aan de vaneengescheiden moleculen. Het staat gelijk met het optillen van een gewicht, waarbij eveneens aantrekkende krachten (werkzaam tusschen het voorwerp en de aarde) moeten overwonnen worden. Zoo wordt eveneens, bij de verdamping, warmte verbruikt bij het nog verder vaneenseheiden der moleculen en doordien deze een nog grooter bedrag van potentieel arbeidsvermogen verkrijgen.

Wordt de warmte onttrokken, dan verandert de damp in vloeistof, dat wil zeggen, de moleculen vallen naar elkander toe met een arbeidsvermogen gelijk aan dat, wat noodig was om ze vaneen te scheiden. Bij voortgaand warmte-verlies, verandert het water in ijs; terwijl in beide gevallen juist evenveel warmte terug wordt gegeven als verbruikt werd bij de processen der smelting en der dampvorming.

Het smeltings-proces bestaat bijna alleen in „iuwendigen arbeid'*'': arbeid, die verricht wordt bij de beweging der moleculen tot het aannemen van een nieuwen stand. Het proces der dampvorming bestaat eveneens voor het grootste gedeelte in inwendigen arbeid, waarbij echter nog de uitwendige arbeid gevoegd moet worden van het terugstooten der atmospheer, wanneer de vloeistof damp wordt.,,, (Tj/ndalD.'J

210. Tn de buis van een kwik-barometer, die in een diepen buisvormigen „bakquot; (vgl. fig. 109) is gedompeld, wordt een druppel water gebracht, die onmiddellijk in het kwik omhoog stijgt. Zoodra hij de Torricelltsche ruimte bereikt heeft, neemt men eene goed merkbare daling van de kwikzuil waar. De vloeistofdroppel gaat namelijk geheel of gedeeltelijk in den dampvorm over en de vermindering van den barometerstand is het gevolg van de „spanningquot; van het pas gevormde gasvormig lichaam.

By deze proef kunnen zich twee gevallen voordoen:

1quot; Een gedeelte van het water verandert in damp, het overige gedeelte blijft als vloeistof op den kwikspiegel achter.

2° De geheele hoeveelheid water verandert in damp.

Wy willen beide gevallen afzonderlijk beschouwen.

ocr page 211

109

Do gebezigde toestel veroorlooft ons, de biirometerbuis tuiar willekeur liooger op te trekken of dieper in te dompelen. Doen wij liet eerste, dan nemen wij eene vergrooting der TbmceZK'sche ruimte waar; doen wij het laatste, dan wordt deze kleiner. Zoo lang nu slechts bij gelijk blijvende temperatuur een gedeelte van het water in vloeibaren toestand op den kwikspiegel achterblijft, ontstaat in den Bbarometerstandquot; geen verandering. Hieruit volgt, dat de spanning van den in de rorricelWache ruimte aanwezigen damp standvastig bl\jft, onverschillig of die ruimte grooter of kleiner gemaakt wordt. Daar echter, volgens $ 175, de massa van een gasvormig lichaam, bij gelijke spanning en temperatuur, evenredig is aan zijn volumen, moet de massa van het damplichaam, bij het grooter worden der TorricelWsche ruimte, toe- en bij het kleiner worden dier ruimte afnemen; terwijl, daar volumen en massa in dezelfde verhouding veranderen, zijne dichtheid standvastig blijft. Inderdaad neemt men waar, dat de hoeveelheid op den kwikspiegel overgebleven vloeistof bij het optrekken van de buis onmiddellijk vermindert en bij het neerdrukken weder vermeerdert.

Hij het grooter worden der ruimte heelt dus voortdurend nieuwe dampvorming plaats; bij het kleiner worden daarentegen gaat voortdurend eene zekere hoeveelheid damp in den vloeibaren toestand over.

De overgang van den gasvormigen in den vloeibaren toestand wordt wel aangeduid met den naam van condensatie (= verdichting).

'■Ml. Beschouwen wij nu liet in 5; 240 aangeduide tweede geval.

Is al het water in de Torricflltsche ruimte in damp veranderd, dan blijkt de dampspanning, onder overigens gelijke omstandigheden, kleiner te zijn dan in het vorige geval, en te veranderen met het volumen der beschikbare ruimte, overeenkomstig de in g 174 gevonden Wet vim Boy Ie.

Dienvolgens verandert de dichtheid van het dampvormig lichaam in dit geval omgekeerd evenredig aan zijn volumen.

Maakt men de Torricelli'sche ruimte nu, door dieper indompelen van de barometerbuis, gaandeweg kleiner, dan bereikt de spanning van den damp ten slotte eene maximum-waarde, die gelijk is aan het in het vorige geval (§ 240) bij gelijke temperatuur gevonden bedrag.

Van het oogenblik af, dat deze grenswaarde bereikt is, heeft het dieper indompelen der buis ten gevolge, dat een gaandeweg grooter gedeelte van den damp in den vloeibaren toestand overgaat.

Daar dus de TorricelWschii ruimte, van dit oogenblik af de grootst mogelijke hoeveelheid damp bevat, die zij onder de gegeven omstandigheden bevatten kan, heet zij met den damp verzadigd. Ook de damp zelf wordt in dit geval, minder juist, „verzadigdquot; geheeten.

Volgens het voorgaande kan de spanning van eene zekere hoeveelheid waterdamp, en evenzoo hare dichtheid, bij eene zelfde temperatuur, van de kleinst mogelijke tot eene zekere maximum-waarde verschillen.

ocr page 212

200

Aan deze maximum-waarde der spanning geeft men den naam van maximum, van spanning, dat volgens liet voorgaande uitgeoefend wordt, wanneer een damp de ruimte, waarin hij zich bevindt, verzadigt.

242. Wanneer de barometerbuis verwarmd wordt, terwijl in de Torricelti'schp. ruimte eene overmaat van vloeistot aanwezig is, dan zal eene nieuwe hoeveelheid vloeistof in dampvorm overgaan en de kwikzuil zal dalen. Zoolang nog niet alle vloeistof in damp is veranderd, hlijtt de ontstane damp de Torricel'A'sche ruimte verzadigen en bezit dus onder de nieuwe omstandigheden telkens weder zijn maximum van spanning. De daling der kwikzuil wijst aan, dat dit maximum bij ile hoogere temperatuur van den damp grooter is geworden.

Afkoeling van de barometerbuis brengt het tegengestelde uitwerksel teweeg: de overmaat van vloeistoi neemt toe, zoodat een gedeelte van den damp in den vloeibaren toestand overgaat, en het maximum van spanning vermindert.

In het volgende lijstje volgt eene opgave van eenige maxima van spanning van waterdamp, die aan de er naast vermelde temperaturen beantwoorden.

Maximum van spanning in cM. kwik.

Temperatuur.

Maximum van spanning in C.G.S.-atmosph. (§ 170).


-30° 10 0 f-10 50 80 100 150 200

0,000515 0,001237 0,006135 0,012224 0,12268 0,47299 1,0136 4,7763 15,590

0,0386 0,2003 0,4600 0,9165 9,1982 35,464 76,000 358,123 1168,896

De door temperatuursverhooging ontstane vermeerdering der spanning is, volgens deze opgaven, grooter dan het geval zou zyn, wanneer de gebezigde verzadigde damp zich gedroeg volgens de in 205 vermelde Wet van Gay-Lmsac. Herhalen wij echter de proef met niet-verzadigden damp, dan leert de waarneming, dat deze de genoemde Wet volgt.

243. Herhaalt meii de proef van ^ 240 met drie barometers en wordt de Torricelli'sche ruimte van den eenen met waterdamp, van den tweeden met alcoholdamp en van den derden met aetherdamp verzadigd, dan is de spanning van elk dezer dampen het „maximum van spanningquot; bij de bestaande temperatuur. De waarneming leert nu echter, dat liet kwik in de drie barometer-buizen tot op verschillende hoogte wordt nedergedrukt, zoodat de drie genoemde dampen, onder overigens gelijke omstandigheden, verschillende maxima van spanning bezitten.

Zoo is bijv. bij eene temperatuur van 20° het maximum van spanning van waterdamp 1,739 „cM. kwikquot;, dat van alcoholdamp 4,448 cM. en dat van aetherdamp 43,326 cM.

ocr page 213

201

Onderling gelijke maxiniii Vim spanning kunnen deze drie diinipen slechts Ijy verschillende temperatuur bezitten. Zoo wordt liet maximum van spanning van ,71) cM. kwikquot; door waterdamp bij eene temperatuur van 100°; door alcoholdamp bij 79,7°; door aetherdamp bij 35° bereikt.

244-. Herhaalt men de in het voorgaande beschreven proeven met alle overige bekende vloeistoffen, dan verkrijgt men in bijna alle gevallen dezelfde uitkomsten als met water, alcohol en aether. Men kent slechts enkele vloeistoffen, waaronder (jlycerine, b\j welke, bij de gewone temperatuur, geen dampvorming kan worden aangetoond.

Ook van liet kwik in de barometerbuis gaat een klein gedeelte in damp over, zoodat de Torricelli'sdie ruimte toch niet volkomen ledig is, maar eene kleine hoeveelheid kwikdamp bevat. De spanning van dezen kwikdamp beantwoordt bij eene temperatuur van 20° aan eene drukking van (1,0001 cM. kwik, eene zoo geringe drukking, dat wij haar in onze vroegere beschouwingen gerust konden verwaarloozen.

De voorgaande proeven over dampvorming leiden tot de volgende algemeene gevolgtrekkingen:

1quot; Verreweg de meeste vloeistoffen, en sommige vaste lichamen, kunnen reeds bij elke gewone temperatuur in damp veranderen.

2° „Verzadigdequot; damp bezit een bij verschillende temperaturen verschillend, doch voor elk in 't bijzonder standvastig, „maximum van spanningquot;.

3° Het maxi mum van spanning van een damp stijgt met de tem-p e r a t u u r.

4° Dampen van verschillende zelfstandigheden bezitten, onder overigens gelijke omstandigheden, een verschillend maximum van spanning.

5° Niet-^verzadigdequot; dampen (tedragen zich volgens 'de Wetten van Boyle en van Gay-Lussac, zoolang hunne spanning beneden het maximum van spanning blijft.

245. B\j de proet van J; 240 werd door de spanning van den gevormden damp de kwikzuil neergedrukt, om na ren zeer kort tijdsverloop, by gelijkblijvende temperatuur en luchtdrukking, op eene standvastige hoogte te blijven staan.

De dampvorming was hier dus in een zeer kort tijdsverloop afgeloopen.

Anders is het, wanneer de ruimte, waarin de damp zich vormt, niet — zooals in de aangehaalde proet — aanvankelijk ledig is, maar reeds een of ander gas of gasmengsel bevat. De dampvorming ondervindt dan belemmering, en de daling der kwikzuil houdt gedurende een veel langer tijdsverloop aan.

is de spanning van het vooraf reeds aanwezige gas of gasmengsel bepaald en meet men, wanneer de dampvorming heelt opgehouden, de spanning van het nu aanwezige mengsel, dan vindt men door aftrekking de spanning van den nieuw ontstanen damp.

De hieromtrent door verschillende onderzoekers met de meeste nauwkeurigheid verrichte waarneniingen bevestigen de, naar haar ontdekker genoemde

ocr page 214

202

WKT VAN DAI,TON.

Dc damp, die zich in eene bepaalde ruimte ail eene vloeistof kan vormen, bezit., onder overic/cns gelijke omstandigheden, dezelfde spanning, onverschillig of die ruimte aanvankelijk ledig is dan of zij reeds een and,er- gas of gasmengsel inhoudt.

'JKi. 1 n de voorgaande beschouwingen over danipvorming is ondersteld, dat de temperatuur door de geheele damphoudende ruimte heen eene gelijkmatige was.

Wat zal er echter gebeuren, wanneer de temperatuur in verschillende gedeelten dezer ruimte verschillend is?

Het in fig. 110 afgebeelde toestelletje kan beschouwd worden als een barometer, welks TorricelWsche ruimte voor een deel vertegenwoordigd wordt door twee, door middel van de buis c onderling verbonden lleschjes, die elk eene

zekere hoeveelheid aether bevatten. De Torri-celli'sche ruimte (a, c, h, d) is dus met aether-damp verzadigd, welks spanning gemeten wordt door liet verschil van den „barometerstandquot; der buis d en dien van een gewonen barometer. Wordt nu het eene fleschje, byv. a, in een koud-makend mengsel gedompeld, dan stijgt het kwik iu d onmiddellyk, hetgeen bewijst, dat de spanning van den aetherdamp verminderd is. Nu is deze stijging van het kwik, dus ook de vermindering der dampspanning, dezelfde, onverschillig of het andere fleschje (?gt;) al dan niet in het koudmakend mengsel mede wordt ondergedompeld.

Deze uitkomst was trouwens, na het voorafgegane, te voorzien.

De dampvorming in b zal niet ophouden, zoolang de dampspanning in dit gedeelte der ruiiiite niet haar maximum bereikt heeft: een hooger maximum, dan in a met zijne lagere temperatuur bestaanbaar is.

Ook nadat in a het niaxiimim van spanning bereikt is, gaat dus de dampvorming in h nog voort, en het evenwicht in het gezamenlijke dampvormig lichaam wordt onmiddellijk verbroken. Het verbroken evenwicht tracht zich te herstellen door verplaatsing van een gedeelte damp van b naar a, waar hij onmiddellijk tot vloeistof wordt gecondenseerd. Op deze wijze wordt telkens in a gecondenseerd, wat in h als nieuwe damp gevormd is, en de spanning kan, ook in h, niet noemenswaard boven het aan de temperatuur van a beantwoordende maximum stijgen.

WET VAN WATT.

Zoolang in eene, vloeistof bevattende en dus met den damp van deze verzadigde, ruimte de temperatuur in het eene gedeelte hooger is dan in het andere, heeft er voortdurend, nieuwe dampvorming plaats in het warmere, en condensa tie in het minder warme gedeelte.

fT' if

ocr page 215

203

De Hpunning van den damp kan nergens in die ruimte noemens-waard hooger zijn dan het maximum mil spanning, dat aan de laagste temperatuur dier ruimte beantwoordt.

2 7. Wij willen nu terugkomen op het in § 237 vermelde verschijnsel van het koken.

Is de temperatuur der vloeistof voldoende gestegen, dan ziet men nabij het gedeelte van den vnatwand, dat onmiddellijk aan de verwarming is blootgesteld, eene of meer danipbellen ontstaan: het sein, dat de vloeistof begint te koken.

Opstijgende, worden deze danipbellen weldra weder gecondenseerd, wat met een eigenaardig geluid gepaard gaat, waaraan men den naam van „razenquot; of ,zingen geeft. Voortgaande met verwarmen, stijgen de danipbellen gaandeweg tot eene grootere hoogte en eindelijk tot de oppervlakte der vloeistof, waar zij in de lucht overgaan.

Wordt het vloeistof-lichaam, zooals gewoonlijk geschiedt, van onder af verwarmd, dan leert de waarneming van verschillende thermometers, die tot verschillende diepte in de vloeistof reiken, dat de temperatuur der diepere vloei-stof-lagen een weinig hooger is dan die der hooger gelegen lagen. Hierin ligt de verklaring van de aanvankelijke condensatie der uit „verzadigdenquot;' damp bestaande bellen, zoodra zij in hoogere lagen komen.

De temperatuur van den damp, die aan de vloeistof-oppervlakte ontsnapt, verschilt zeer weinig van die der kokende vloeistof zelve: doch terwijl de temperatuur van den damp, onder overigens gelyke omstandigheden, gedurende het geheele koken van het begin tot het einde standvastig blijft, is die der vloeistof zelve aan eene geringe rijzing onderhevig. Daarom — èn omdat de verschillende lagen der vloeistof eene eenigszins verschillende temperatuur bezitten — neemt men als vast punt voor den thermometer niet de temperatuur der kokende vloeistof, maar die van den damp der kokende vloeistof aan. Deze temperatuur is in § 201 het kookpunt genoemd.

248. Bevindt zich te midden van de water-massa eene dampbel, dan is eene zekere hoeveelheid damp in eene bolvormige ruimte besloten, die door een wand van beweeglijke water-moleculen begrensd wordt. Deze waterdeelen kunnen alleen dan vaneengescheiden blijven, wanneer de door den verzadigden damp rondom uitgeoefende drukking gelijk is afin de door den dampkring en de bovengelegen waterlagen uitgeoefende drukking, krachtens welke de ontstane holte zich weder wil sluiten. Vandaar dat liet koken, dat is de vorming van danipbellen in het binnenste der vloeistof, aan eene zekere temperatuur gebonden is. Daar toch de spanning van verzadigden damp sfijgt niet de temperatuur, zal de temperatuur zoolang verhoogd moeten worden, totdat het maximum van spanning vnn den ingesloten damp evenwicht maakt met de uitwendige drukking.

In een open vat kookt water, onder de normale dampkringsdrukking, bij 100°. Plaatst men het vat, waarin het koken geschiedt, onder de stolp eener luchtpomp en wordt door pompen de spanning van de dampkringslucht verminderd, dan zal het koken, in overeenstemming met de beschouwiner van zoo even, bij eene lagere temperatuur koken.

Door middel van een met de luchtpomp verbonden manometer, kan de span-

ocr page 216

201

ning van het omringende gaslichaam elk oogenblik bepaald warden. Dalton bepaalde haar op het oogenblik, dat het koken begon, terwijl nan een in de vloeistof gedompelden thermometer op hetzelfde oogenblik de temperatuur werd afgelezen.

Dalton bepaalde ook de spanning van den verzadigden damp derzelfde vloeistof in de TorricelWaehe barometerruimte bij dezelfde temperatnur, waarbij onder de stolp der luchtpomp het koken begon.

De vergelijking van beide uitkomsten leerde, dat bij eene bepaalde temperatuur de (maximum-) spanning van den damp in de laatste proef steeds gelijk was aan het bedrag, waartoe de spanning van het gasvormig lichaam onder de stolp moest dalen, om bij dezelfde temperatuur het koken der vloeistof mogelyk te maken.

Op grond van het voorgaande formuleeren w\) de volgende

WET VAN HET KOKEN.

Aan de temperatuur, dien de damp eener kokende vloeistof bezit, beantwoordt voor dezen damp een maximum van spanning, dat gelijk is aan de spanning van het omringende gasvormig lichaam (in de7i regel de ntmospheer).

Heeft byv. de damp van kokend water, dus ook zeer ten naasteb\i het water zelf, eene temperatuur van 70°, dan is het aan deze temperatuur beantwoordende maximum van spanning 23,3 cM. kwik, en de spanning der omringende atmos-pheer moet tot hetzelfde bedrag gedaald zün.

Wordt de spanning der omringende atmospheer grooter, dan moet, als voorwaarde voor het koken, ook hef maximum van dampspanning, dat aan het ,kookpuntquot; beantwoordt, grooter worden en dus het kookpunt st\jgen.

Het kookpunt eener vloeistof is de temperatuur, aan welke een maximum van spanning van haar damp beantwoordt, dat gelijk is aan de hestaande spanning van het omringende gasvormig lichaam.

Op den top van den Mont-Blanc, op eene hoogte van 4810 M., bedraagt het kookpunt van water 84,5°.

Kookpunt van eenige vloeistoffen, onder eene dampkrings-

spanning van 76 cM. kwik.

Aether Alcohol Water Kwik .

34,9° 78,4° 101)° 350°.

Heeft een danipvormig lichaam zijn maximum van spanning, dan zal zoowel verkleining van zijn volumen 241) als verlaging zijner temperatuur (§ 242) ten gevolge hebben, dat een gedeelte er van gecondenseerd wordt tot vloeistof'.

Kooldioxyde (— koolzuur) is, volgens het gevolgde spraakgebruik, geen „dampquot;, maar een „gasquot;. Onderwerpt men dit gas, 'tzy aan. eene samenpersing, of aan eene verlaging van temperatuur, dan wordt ook dit gecondenseerd. De mate der samen persing of der afkoeling zal eenvoudig grooter moeten z\jn dan in het geval van een damp. Zoodoende kan kooldioxyde beschouwd worden als een damp, welks gewone volumen of welks gewone temperatuur ver verwijderd zijn van het volumen of de temperatuur, waarbij zij gecondenseerd worden.

Intusschen is gebleken, dat de omstandigheden van dien aard kunnen zijn,

ocr page 217

205

dat kooldioxyde door f^eeue, ook niet de sterkste, ssunenpersing gecondenseerd kan worden. Voorwiinrde voor de mogelijkheid van condensatie is, dat zijne temperatuur beneden 30,92° zy.

iJeze grens-temperatuur ontving den naam van „kritischequot; temperatuur.

Boven de kritische temperatuur is kooldioxyde altijd (/asvonnig, beneden deze temperatuur is het gasvormig of vloeibaar, naar gelang van de drukking, die er op wordt uitgeoefend.

Hetzelfde gedrag van het gan kooldioxyde zal de dump van water volgen, wanneer zijne temperatuur slechts voldoende verhoogd wordt. Ook waterdamp heeft namelijk hare „kritischequot; temperatuur, boven welke eene condensatie onmogelijk is geworden. De kritische temperatuur van waterdamp verschilt waarschijnlijk weinig van 410°.

Het bovengezegde van waterdamp en kooldioxyde-j/as geldt van alle overige op dit punt onderzochte dampen en gassen, zoodat een wezenlijk onderscheid tusschen deze beide niet bestaat.

WET DER KRITISCHE TEMPERATUUR.

Elk gasvormig lichaam kan gecondenseerd worden; mits zijne temperatuur heneden een zekeren graad: de „kritische temper a tuur', gelegen zij.

„Hen damp is een yas bij elke temperatuur beneden zijne kritische temperaliinr, d. i. bij elke tempemtuur, die, dour middel van uitwendige drukking, zijne verandering in vloeistof toelaat.,', (Andrews),

250. Wanneer zich in een vat met doorzichtigen wand eene zekere hoeveelheid kooldioxyde bevindt, waarvan een gedeelte door drukking vloeibaar wordt gehouden, en men laat ondertusschen de temperatuur langzaam stijgen, dan wordt de aanvankelijk goed zichtbare afscheiding tufschen het vloeibare en het gasvormige kooldioxyde gaandeweg onduidelijker, totdat zü bij ;50,fl2' geheel verdwijnt. Al het kooldioxyde is nu gasvormig geworden.

Verhit men het gasvormig kooldioxyde boven de kritische temperatuur, bijv. tot 50quot;', en stelt men het dan bloot aan eene toenemende drukking, dan wordt het volumen regelmatig kleiner, zonder dat eenige zichtbare verandering in den toestand van het lichaam ontstaat.

Laat men de drukking toenemen tot een bedrag van ongeveer 150 atmosphere n , eene grootere drukking dan noodig is om het gas bij de gewone temperatuur der omgeving te condenseeren, en laat men nu, deze drukking handhavende, de temperatuur tot die der omgeving dalen, dan heeft er nog geen zichtbare verandering in den toestand van het lichaam plaats: eene afscheiding tusschen vloeistof en gas is geen enkel oogenblik waar te nemen, evenmin als eene plotselinge vermindering van volumen, die men bij het condenseeren van een gedeelte van het gas zon kunnen verwachten.

Toch is het lichaam by zijne nieuwe temperatuur vloeibaar, zooals onmiddellijk blijkt, wanneer de drukking verminderd wordt: wat men dan waarneemt is namelijk een duidelijk „kokenquot;.

De geheele gasmassa is dus onmerkbaar, d. i. zonder plotselinge veranderingen in zijne eigenschappen, in den vloeibaren aggregatie-toestand overgegaan.

De eigenschappen van den vloeibaren aggregatie-loestand naderen, vut hel stijgen

ocr page 218

200

der temperatuur, meer en meer die van den ganrnrmic/en ni/ffregatic-toestand, totdat zij, hij de kritische temperatuur, volkomen overeenstemmen.

Het bovengenoenule feit viiti den onmerkbaren overgang viiu den vloeibaren in den gasvonnigen toestand, wordt aangeduid door de uitdrukking; ncontinuiteit tusschen den vloeibaren en den gasvonnigen aggregatie-toestand.quot;

251. Wordt aan het eene einde eener metalen staaf', door het byv. in het vuur te houden, eene temperatuursverliooging medegedeeld, dan zal na een zeker tijdsverloop, welks duur, onder overigens gelijke omstandigheden, afhangt van den aard van het metaal, het andere einde eveneens eene verhooging van temperatuur ondergaan. Elke volgende laag der staaf ontvangt hierbij warmte van de voorgaande en staat warmte aan de op haar volgende af, of', volgens de moleculaire theorie: de vermeerdering der moleculaire snelheid deelt zich van de eene molecule aan de naastvolgende mede. Men zegt in dit geval van de staaf', dat 7.ij de warmte geleidt.

Ken der vorm cn van warmte-voortplan t ing is geleiding.

Terwijl men eene niet te lange metalen staaf spoedig uit de hand los zal moeten laten, wanneer een der einden in het vuur gehouden wordt, kan eene glazen staaf onder dezelfde omstandigheden geruimen tijd worden vastgehouden, zonder dat men eene groote temperatuursverliooging waarneemt. Met het oog hierop zegt men, dat metaal de warmte beter geleidt dan glas.

Mc la le li zijn goede warm te-gel eiders. Vloeistoffen en gassen, uitgezonderd het metaal kwik, zijn slechte warm te-geleiders.

Wordt eene vloeistof-massa, bgv. water, van onderen verwarmd, dan heeft de uitzetting der benedenste lagen eene vermindering der soortelijke massa en daarmede- een opstijgenden stroom ten gevolge. Er heeft dan eene circulatie in het water plaats van warmer water naar boven en van minder warm water naar beneden. Op deze wijze wordt de warmte eerder door de geheele massa voortgeplant dan het geval is, wanneer de strooming onmogelijk wordt gemaakt door het water van boven te verhitten.

Warmte kan in een lichaam worden voortgeplant door strooming (= convectie).

In de § 210 vermelde proef werd de convectie of strooming opgewekt door afkoeling. Het kouder geworden water zonk naar beneden, totdat het de temperatuur van 4° had bereikt. Dat de bovenste thermometer zoo geruimen tijd standvastig blyft, terwjjl dicht in zijne nabijheid eene sterke afkoeling plaats heeft, bewijst dat, wanneer er geen convectie plaats heeft, de voortplanting der warmte uiterst moeilijk gaat, zoodat water tot de slechte warmte-geleiders moet gerekend worden.

Des winters begint de afkoeling van het water aan de oppervlakte, die met de in temperatuur gedaalde lucht in aanraking is. Totdat de bovenste waterlagen eene temperatuur van 4° bereikt hebben, zullen zij, kouder wordende, dalen; wat beneden 4° niet meer plaats heeft. Daar nu het water een slechte geleider is, zal, zoodra de strooming heeft opgehouden, de afkoeling zich slechts uiterst weinig van de oppervlakte naar beneden uitbreiden, waardoor hef geheel dichtvriezen van stroomen en zeeën voorkomen wordt. Kon dit laatste geschieden,

ocr page 219

207

dan zou liet dierlijk en plantaardig leven in deze wateren met den ondergang bedreigd worden en de aanwezigheid der groote ijs-massa's zou, de aanzienlijke smeltings-warmte van ijs in aanmerking genomen, eene geheele omwenteling in de klimaten bewerken, wat nu door eene schijubare kleinigheid, eene onregelmatigheid in de uitzetting van water, vermeden wordt.

35JJ. Komt een lichaam in aanraking met een ander lichaam, dat minder warm is, dan weten wij, dat bet warmte verliest. Een lichaam kan echter aan een ander óók warmte afstaan, zonder er mede in aanraking te zijn en zonder dat een ons bekend lichaam daarvoor tusschenbeiden komt.

In den wand van een luchtledigen ballon zij de buis van een thermometer ingesmolten (vgl. fig. Ill), welks kwikreservoir midden in den ballon reikt.

Kg. ui. Zoodra nu slechts de glazen ballon in warm water gedom

peld wordt, stijgt het kwik in den thermometer, ten bewijze dat deze mede verwarmd wordt. De snelheid, waarmede dit geschiedt, is van dien aard, dat aan eene warmte-geleiding door het glas van den ballon niet gedacht kan worden. Bovendien heeft het verschijnsel even goed plaats, wanneer do thermometer in den ballon aan een zijden draad hangt. Een thermometer, die in de zon hangt, wijst eene aanmerkelijk hoogere temperatuur aan dan een, die in de onmiddellijke nabijheid in de schaduw hangt. Dit verschil in thermometerstand kan moeilijk worden toegeschreven aan een verschil in de temperatuur der lucht op twee zoo dicht bij elkander gelegen plaatsen; want al ware dit een oogenblik het geval, dan zou de hierdoor opgewekte luchtstrooming het verschil weldra vereffenen.

Zoo ondervindt ook ons lichaam, op eenigen afstand van eene gloeiende kachel, aan de hierheen gekeerde zyde eene verwarming, zonder dat de lucht aan deze zijde van het lichaam eene hoogere temperatuur heeft dan die aan de andere zijde. Het is zelfs mogelijk, dat zich tusschen ons lichaam en de kachel een voorwerp bevond, dat zelf niet het minst in de verwarming zou deelen, zonder daarom te verhinderen, dat de er achter geplaatste voorwerpen verwarmd werden. Daartegenover staat het geval, dat een tusschen ons lichaam en de kachel geplaatst voorwerp, bijv. een zoogenoemd vuurscherm, de verwarming van het lichaam kan verhinderen, waarbij bet scherm dan zelf verwarmd wordt.

Reeds deze dagelyksche waarnemingen hebben doen gevoelen, dat men hier met eene geheel bijzondere wijze van voortplanting der warmte te doen heeft, zooals blijkt uit het gewone spraakgebruik, dat voor dit geval een afzonderlijk woord gevormd heelt. Men zegt namelijk, dat de kachel warmte uilstrnalt. Dit spraakgebruik duidt aan, dat de voortplanting der warmte met die van het licht op eéne lijn gesteld wordt. En inderdaad heeft het onderzoek geleerd, dat warmte-straling en licht-straling tot eene gemeenschappelijke bron moeten worden teruggebracht, en dat de warmte-straling in donkere en lichte warmtestraling onderscheiden kan worden.

Straling is eene vnn da wijzen, waarop de warmte zich voortplant.

De voortplantingssnelheid der straling is zeer groot, zoodat die der geleiding hierbij in 't geheel niet in aanmerking komt.

ocr page 220

208

254. Wordt tusschen eene warmtebron en een gevoeligen thermometer een scherm geplaatst, dat de straling tegenhoudt, dan zal de thermometer stagen, wanneer zich in het scherm eene opening bevindt, dat gelegen is in eene der rechte lijnen, die den thermometerbol met de warmtebron verbinden. Ligt de opening niet in zulk eene rechte lijn, dan ondergaat de thermometer onder den invloed der straling geen verwarming:

De stralende warmte plant zich voort volgens rechte lijnen. De banen, volgens welke de warmte zich voortplant, heeten warmte-s tr a I en. liet punt fj (vgl. fig. 112) zij een der punten van eene warmtebron, uit

welke naar alle richtingen warmtestralen

l'it;. 112.

worden uitgestraald. Met cirkeloppervlak S' wordt dan door een kegelvormigen bundel warmte-stralen verwarmd; terwijl deze zelfde stralenbundel het op 3-niaal zoo grooten atstand van L geplaatste cirkeloppervlak .S2 zou verwarmen, indien S' verwijderd werd. Nu leert de Meetkunde, dat, indien zijn afstand van L 3 maal zoo groot is als mL, het oppervlak van 9- of 35maal zoo groot is als dat van S', zoodat dezelfde hoeveelheid warmte over een 0- of 32maal zoo groot oppervlak verspreid is en bij gevolg de verwarming van elke oppervlakte-éénheid 9- of 32niaal zoo klein is.

De hoeveelheid warmte {verwarming), die de vierkante éénheid van een oppervlak van de door een warm te-punt uitgestraalde warmte-stralen ontvangt, is omgekeerd evenredig aan de tweede macht van haar afstand van dit warm te-pa n l.

255. Behalve van den afstand, waarop een oppervlak zicii van de warmtebron bevindt, hangt zijne verwarming nog at van de richting, volgens welke het door de warmte-stralen getroft'en wordt.

Zij ABCD (fig. lig. 113) een vierkant oppervlak, dat door de warmtestralen

a, h, c, d enz. loodrecht getroffen wordt; dan blijkt, dat een in schuinschen stand geplaatst oppervlak A B CD, dat door den/elfden stralenbundel getroffen wordt, een grooter oppervlak heeft dan het vorige. Hieruit blijkt, dat een oppervlak per éénheid van oppervlakte het sterkst verwarmd wordt, wanneer het loodrecht door de stralen getroffen wordt; terwijl de verwarming minder zal zijn, naarmate de stralen schuiner gericht zijn.

ocr page 221

209

Daar de zonnestralen de aardoppervlakte op verschillende breedtegraden onder zeer verschillende hoeken treffen, moet de door haar veroorzaakte verwarming dezer oppervlakte ook ongelijk zyn: eene naaste hoofdoorzaak van het verschil in klimaat.

En daar de zonnestralen hetzelfde gedeelte der aardoppervlakte op verschillende tijdstippen van het jaar eveneens onder zeer verschillende hoeken treffen, moet de door haar veroorzaakte verwarming van dit gedeelte op verschillende tijden van het jaar ongelijk zijn; de naaste hoofdoorzaak van het verschil in j a a r g e t ij d e.

250. Wanneer men „de zon uit de kamer wil houdenquot;, neemt men zijne toevlucht tot jalousieën of blinden. Deze bekende zaak is de uitdrukking van het natuurkundig feit, dat verschillende lichamen zich, ten opzichte van de er op vallende warmtestralen, verschillend gedragen. De glazen ruiten bijv. laten de warmtestralen der zon door; de blinden houden ze tegen. Lichamen, die de warmtestralen doorlaten, worden diathermaan genoemd; lichamen, die de warmtestralen niet doorlaten, heeten alhermaan.

Terwijl aldus vele lichamen de warmtestralen niet doorlaten en dientengevolge als «schermenquot; dienst kunnen doen, worden zij zelve — voor zoover zij de warmte niet „terugkaatsenquot; — merkbaar warmer; z|j heeten dan warmte geabsorbeerd (= opgeslorpt) te hebben. Diathermane lichamen daarentegen worden slechts weinig verwarmd, en wel des te minder, naarmate zij de warmtestralen vollediger doorlaten, dus volkomener diathermaan zijn.

Ook de dampkringslucht is in hooge mate diathermaan voor de warmtestralen der zon, zoodat zij de zonnestralen doorlaat, zonder er zelve noemenswaard door verwarmd te worden. De zonnestralen treffen en verwarmen den aardbodem en deze deelt, door aanraking, zijne warmte mede aan de onderste luchtlagen. Hiermede in overeenstemming is de waarneming, dat de luchtlagen kouder worden, naarmate men er hooger in opstijgt, omdat deze verder van hare warmte-bron, — niet de zon, maar den aardbodem, verwijderd zijn.

5i57. „Wordt een stuk papier in brand gestoken, dan stygt de vlam omhoog; en wanneer de vlam uitgeblazen is, verwannen de smeulende randen de lucht en brengen stroomingen te weeg, die den rook naar boven drijven. Ik dompel het rookende papier in eene groote glazen üesch en sluit den hals af om te beletten, dat er rook ontsnapt; de rook stijgt met de lichte warme lucht in het midden omhoog, spreidt zich van boven zijwaarts uit, koelt af en valt als een waterval langs de zijwanden der üesch naar beneden. Dikwerf heb ik den rook van een houtvuur in de Alpen tot eene hoogte van duizenden voeten kunnen volgen. Wanneer men eene rood gloeiend gemaakte pook in de lucht houdt, dan kunt Gij de stroomen, die er van opstygen, niet zien; maar zij openbaren zich door hunne werking op de lichtstralen. Houdt men de pook in een sterken lichtstraal, zoodat zij op een witten wand eene zwarte schaduw werpt, dan wordt het naar boven stroomen van de verwarmde lucht door golvende licht- en schaduwlijnen aangeduid. Wordt een stukje zwavel in een ijzeren lepel verhit, totdat liet ontbrandt, en dan in eene tlesch met zuurstof geworpen, dan wordt de verbranding schitterend en de lucht in de ilesch geraakt in heftige beweging.

SALYBttDA en lb Roy, Natuurkennis, 11. 2e druk. 14

ocr page 222

210

De zwaveldampen stellen ü dan in staat de stormen te volgen, die de verhitte lucht in de flesch opwekt. Ik gebruik het woord „stormenquot; opzettelijk; want de orkanen, die de aarde teisteren, zijn niets anders dan illustraties op groote schaal van het in de flesch teweeggebrachte uitwerksel.

„Al onze winden hebben hun ontstaan te danken aan de zonnewarmte. Wij leven op den bodem van een lucht-oceaan, die voor de zonnestralen in buitengewone mate doordringbaar is en die door de rechtstreeksche werking dezer stralen slechts weinig stoornis ondervindt. Zij verwarmen echter, wanneer zij de aarde treffen, de aardoppervlakte, en wanneer zij op den oceaan vallen, wekken zij verdamping op. De lucht, die met de oppervlakte in aanraking is, deelt in hare verwarming, zet uit en stijgt op in de hoogere streken van den dampkring, terw^il de waterdamp van den oceaan, wegens zijne lichtheid, óók omhoog stijgt, daarbij lucht met zich voerende. Waar de stralen loodrecht op de aardoppervlakte vallen, namelijk tusschen de keerkringen, daar is de verwarming der oppervlakte het sterkst. Luchtstroomen stijgen hier op en vloeien zijwaarts af naar het noorden en het zuiden, d. i. naar de polen; terwijl de zwaardere lucht der poolstreken toestroomt om de ledig gelaten plaats te vullen. Aldus bestaat er eene onafgebroken rondstrooming. Houd in eene goed verwarmde kamer eene kaarsvlam voor het midden van de kier eener openstaande deur. De vlam stijgt verticaal omhoog. Onderaan gehouden waait zy met kracht naar binnen, en houdt men haar boven aan de deur, dan wordt zy naar buiten geblazen. Hier hebben wij met twee luchtstroomen of winden te doen, die over elkander heen glyden en zich in tegengestelde richting bewegen. Zoo bestaat er voor ons halfrond, in de hoogere streken des dampkrings, ook een luchtstroom van den evenaar naar het noorden en een andere, in de lagere streken van den dampkring, van het noorden naar den evenaar. Het zijn de bovenste en onderste Passaatwinden.

„Ware de aarde niet in beweging, dan zouden deze twee luchtstroomen rechtstreeks noordelyk en zuidelyk gericht zijn; doch de aarde draait in 24 ureu van het westen naar het oosten om hare as. Ten gevolge van deze aswenteling verplaatst de lucht aan den evenaar zich 1000 mylen per uur. Verwijderen wij ons van den evenaar, dan wordt de snelheid, waarmede de punten der aardoppervlakte, van wege de aswenteling, hare banen doorloopen, gaandeweg minder en aan de polen is zy gelijk nul. Het is bekend, wat er geschiedt, wanneer iemand onvoorzichtig uit een rijtuig stapt, dat in beweging is; wanneer zijne voeten den grond raken, wordt hij omgeworpen in de richting, volgens welke het rijtuig zich beweegt. Stellen wij ons nu iemand voor, die plotseling van den evenaar verplaatst werd naar eene plaats, waar de punten der aardoppervlakte zich ten gevolge van de aswenteling slechts 900 mijlen per uur verplaatsen, dan zal hy, bij het raken van den grond, in oostelyke richting geworpen worden met eene „snelheid van 100 mijlen per uurquot;, zijnde het verschil tusschen de aequatoriale snelheid, waarmede hij vertrok en de snelheid van de punten der aardoppervlakte, op zijne plaats van aankomst.

„Dergelyke beschouwingen kunnen toegepast worden op het luchtvervoer van de aequatoriale naar noordelyker streken, en omgekeerd. Aan den evenaar bezit de lucht de snelheid, die de punten der aardoppervlakte aldaar hebben; en deze plaats verlatende, wordt hare snelheid eene resulteerende van eene noordelyke en eene

ocr page 223

211

oostelijke snelheid. Hoe verder zy zich naar het noorden verplaatst, hoe meer zij van hare oorspronkelijke richting afwijkt: iioe meer zij oostelyk gericht wordt en neiging krijgt om, zooals wij liet uitdrukken, uit den westelijken hoek te gaan waaien. Het omgekeerde geldt van den luchtstroom, die uit het noorden komt; deze komt van plaatsen, waar de snelheid kleiner is, op plaatsen, waar 'A\ grooter is en de wind, die als noordenwind begon, wordt een noord-oostenwind en gaat meer en meer uit den oostelyken hoek waaien, naarmate hij dichter by den evenaar komt.

„fk trek op eene aardglobe twee meridianen. Aan den aequator liggen zij een voet van elkander, hetgeen ongeveer overeenkomt met 1000 mijlen op de oppervlakte der aarde. Deze meridianen komen echter, naarmate men noordelijker komt, dichter bij elkaar en vallen aan de noordpool samen. Het is duidelijk, dat de lucht, die in de aequatoriale streken tusschen deze meridianen opstijgt, indien zy regelrecht naar de pool ging, in eene steeds nauwer wordende bedding moest worden samengedrongen. Ware de aarde een cylinder in plaats van een bol, dan kon er circulatie van de lucht plaats hebben van het midden tot het uiteinde van den cylinder en weder terug; doch dit is in het geval van de aarde eene onmogelijkheid, eenvoudig omdat de ruimte rondom de polen de lucht van den evenaar niet kan bevatten. De afgekoelde aequatoriale lucht daalt en de terug-keerende stroom begint, vóórdat de polen bereikt zyn. Bovendien vloeien de twee stroomen, in plaats van boven elkaar, dikwyls naast elkander. Zij vormen lucht-rivieren met onophoudelijk verschuivende beddingen.

„Zoo ontstaan dan de groote winden van onzen dampkring, die echter door de onregelmatige verdeeling van land en water aanmerkelijk gewijzigd1'word en. Winden van minder belang ontstaan ook door de plaatselijke werking van hitte, koude en verdamping. Zulke winden worden bijvoorbeeld teweeggebracht door de gletschers op de hoogten; terwijl de aan de kusten bekende land- en zeewinden veroorzaakt worden door de sterk afwisselende temperatuur van den bodem der kust, gedurende nacht en dag. De morgenzon, het land verwarmende, veroorzaakt een verticaal naar boven gerichten luchtstroom en de lucht der zee stroomt landwaarts. Des avonds is de bodemoppervlakte van het land door uitstraling meer afgekoeld dan de zee en de voorwaarden zyn omgekeerd: de zwaardere landlucht stroomt nu zeewaarts.quot; (Tyndall).

258. Wanneer, zooals aan het slot der vorige S is aangeduid, de temperatuur van den bodem der kust zoodanig gestegen is, dat er een verticaal opstygende stroom van lucht ontstaat, die van boven zijwaarts wegvloeit, dan za! de barometerstand dien ten gevolge eene zy 't ook geringe daling ondergaan, Eene oppervlakte, zooals de kuststreek van ons laatste voorbeeld, boven welke de lucht omhoog stijgt, van boven af- en beneden van alle kanten toestroomt, heet een gebied van kleinste luchtdrukking (= depressie).

Is de temperatuur van eene zekere bodemoppervlakte beneden die der omgeving gedaald, dan heeft het omgekeerde plaats: de lucht er boven krimpt, van boven stroomt lucht van rondom toe en de barometerstand wordt hooger. Zulk een gebied heet dan een gebied van grootste luchtdrukking.

Over dag is de kust een gebied van kleinste luchtdrukking en er ontstaat

14*

ocr page 224

212

eeu zeewind; des nachts, wanneer liet land een gebied van grootste lucht-drukking is, ontstaat de landwind.

Terwijl in een gebied van kleinste luchtdrukking of depressie de lucht van alle kanten toestroomt, ondergaan deze luchtstrooinen door de aswenteling der aarde eene afwijking van de naar liet middelpunt van het depressie-gebied gerichte lijn, en wel op het noordelijk halfrond naar rechts en op liet zuidelijk halfrond naar links. In Europa wijkt dus de uit het Zuiden, Oosten, Noorden en Westen komende wind respectievelijk af naar het Oosten, het Noorden, het Westen en het Zuiden (vgl. tig. 114). Eene dergelijke luchtbeweging heet eene cyclonale beweging.

In lig. 115 is aangewezen, hoe de winden van een gebied van grootste luchtdrukking afwaaien (anti-cyclonale beweging).

N.B. De pijltjes wijzen de wimlricliting, do eijlers de barometerhoogte sum.

Barometerwaarnemingen, die stelselmatig en op gezette tijden over eene groote uitgestrektheid worden verricht, kunnen dus leiden tot de kennis van bestaande gebieden en middelpunten van laagste drukking of depressie en gebieden van hoogste luchtdrukking en deze kennis kan verder leiden tot de voorspelling van den te verwachten wind.

Het verband tusschen de aanstaande windrichting en de gebieden van hoogste en laagste drukking werd in 1857 door den Utrechtschen Hoogleeraar Buy* Ballot geformuleerd in de naar hem genoemde

WET VAN HIIYS DALLOT,

Keert men (np het noordelijk hol frond) den rnq nanr den wind, dan liyt het gehied der klein ft te lucht drukking aan de linkerhand en iets naar voren, het gehied der grootste luchtdrukking aan de rechterhand en iels naar achteren.

255). „Daar een gedeelte van de warmte der tropen, door middel van de lucht, naar de polen wordt gevoerd, wordt eene meer gelijke verdeeling der aardwarmte verzekerd. De lucht wordt echter op haar tocht naar het noorden door waterdamp vergezeld. Stel U den oceaan der tropen voor, die damp afgeeft, welke door zijne lichtheid het opstijgen der vergezellende lucht bevordert. Beide, lucht en damp, zetten uit onder het opstijgen: op eene hoogte van 16000 voet nemen de lucht en de damp tweemaal zooveel volumen in als aan de oppervlakte der zee. Om deze ruimte te kunnen innemen, moet de omringende lucht in alle richtingen op zij gedrongen worden; zij verrichten dus „arbeidquot; en deze arbeid kan alleen verricht worden ten koste van de warmte, waarvan zij voorzien zijn.

„De aldus afgekoelde damp kan zyn gasvormigen toestand niet langer handhaven; hy wordt tot wolken gecondenseerd en de wolken dalen neder als regen.

ocr page 225

213

Tn het gebied der windstilten, of rechtstreeks onder de zon, waur de lucht het eerst van haar Wiiterballast berooid wordt, is de regenval buitengewoon groot. De zon blyft niet voortdurend verticaal boven denzelfden parallel-cirkel. Staat zij ten zuiden van den evenaar, dan viilt het ten noorden daarvan gelegen gedeelte der aarde niet meer in het gebied der windstilte, maar in een gebied, door hetwelk de van liet noorden komende luchtstroom naar het gebied der windstilten vloeit. Deze lucht is slechts weinig met waterdamp beladen en, terwijl zij zich van het noorden naar het zuiden verplaatst, wordt zij gaandeweg warmer; zij vormt een drogen wind en hare capaciteit voor waterdamp, d. i. haar vermogen om damp in zich op te nemen, neemt gestadig toe. Uit deze beschouwingen volgt, dat elke plaats tusschen de keerkringen haar droog en haar nat jaargetijde moet hebben; droog, wanneer de zon aan den anderen kant van den evenaar staat en nat, wanneer men haar boven zijn hoofd heeft.

„Langzamerhand echter, naarmate de bovenste luchtstroom, die van den evenaar opstijgt en naar de polen vloeit, kouder en dichter wordt, daalt hij naar den aardbodem; op den Piek van Teneriffe is hij reeds beneden den top van dezen berg gedaald. Terwijl de tegengestelde wind aan zijn voet waait, vindt de reiziger dikwijls, dat er een sterke wind van den evenaar af over zyn top waait. Nog verder noordelijk bereikt de aequatoriale wind ten slotte de oppervlakte der aarde. Over het grootste gedeelte van Europa waait deze aequatoriale luchtstroom. In Londen hebben gedurende acht of negen maanden van het jaar zuid-westenwinden de overhand. Bedenk eens, welken invloed dit op ons klimaat moet hebben. De waterdamp van den aequatorialen oceaan komt tot ons, in het bezit van potentieel arbeidsvermogen; hij komt tot ons, als gij dit liever wilt, beladen met latente warmte. In onzen dampkring heeft condensatie plaats en de vrij geworden warmte is voor ons klimaat eene hoofdbron van warmte. Had de aarde geen aswenteling, dan kregen wij de heete, droge lucht-stroomen van Afrika over ons hoofd; doch ten gevolge van de aswenteling wijkt do luchtstroom, die uit de Golf van Mexico noordwaarts gaat, naar Europa at. Europa is daardoor de ontvanger van den voorraad warmte, die in het westelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan werd opgehoopt. De Britsche eilanden ontvangen het grootste gedeelte van deze vochtigheid en warmte, en deze omstandigheid draagt, behalve de reeds genoemde — de groote specifieke warmte van water —, het hare bij om ons klimaat tegen uitersten te vrijwaren.

„Naarmate wij in Europa oostelijker komen, wordt de hoeveelheid neergeslagen water minder en minder. Zelfs tusschen de oost- en de westkust der Britsche eilanden is het verschil merkbaar; intusschen hebben ook plaatselijke omstandigheden een machtigen invloed op de hoeveelheid neêrslagen uit den dampkring. Dr. Lloyd vindt de gemiddelde temperatuur van het jaar aan de westkust van Ierland ongeveer 2° P. hooger dan aan de westkust, op dezelfde hoogte boven de zee en op denzelfden breedtegraad.quot; (Tyndall).

260. , Wordt water of lucht verwarmd, dan worden er lucht- of water-stroomen opgewekt, waardoor de warmte van plaats tot plaats verbreid wordt; wij hebben dit proces convectie genoemd. In den Geyser van IJsland heeft convectie op groote schaal plaats. Een stuk papier, dat op het midden van het

ocr page 226

214

water der p\jp geworpen wordt, wordt onmiddellijk naar den kant getrokken en hier door den neerdalenden stroom naar beneden medegesleept,

„Graaf Ruinford deeil een aantal vermakelijke, maar tevens zeer belangrijke proefnemingen over de verspreiding van warmte door vloeistoffen. Hij had menigmaal, tot eigen schade, opgemerkt, dat gestoofde appelen zoo verbazend lang warm blijven. „Ik brandde er nooit mjjn mond aan,quot; zegt bij, „of ik trachtte, maar te vergeefs, van dit verrassende verschijnsel rekenschap te geven.quot;

Hij merkte op, dat het water der vulkanische baai van Baiae koud was, terwijl liet zand, waarop het water rustte, weinig duimen onder zijne oppervlakte,

onuitstaanbaar heet was. Hieruit trok hij het besluit, dat water niet in het bezit kon zijn van het warmte-geleidend verinogen, dat men er in zijn tijd aan toekende. Een zonnestraal, die op eene Hesch verwarmden alcohol viel, door hem ter afkoeling in een vensterkozijn geplaatst, openbaarde hem door de beweging van drijvende deeltjes de convectie-stroonien der vloeistof. Hij maakte hieruit ten slotte de gevolgtrekking, dat vloeistoffen hare warmte alleen door /.ulke stroomen verbreiden en dat deze verbreiding vertraagd wordt, indien aan de stroomen hinderpalen in den weg worden gelegd. Van zijne gestoofde appelen vond hij, dat het vezelig gedeelte slechts twee percent uitmaakte en dat het overige in hoofdzaak water was. Toch had deze kleine hoeveelheid vaste zelfstandigheid zulk een invloed op de verspreiding der warmte, dat, terwijl een thermometer, die door gestoofde appelen omringd was, in 535 secunden 80° F.

steeg, deze stijging reeds in 172 secunden werd verkregen, wanneer hy door water omringd was. Door 192 grein stijfsel met 2,27(i grein water te vermengen,

vond hij de convectie zoodanig door de stijfsel belemmerd, dat de thermometer,

om 80° te stijgen, 341 secunden aan de vloeistof-warm te moest blootgesteld zijn,

terwijl in zuiver water slechts 172 secunden voldoende waren. Het lang warm blijven van dikke soep of chocolade moet toegeschreven worden aan de oorzaak,

die door deze proeven van Rumford aan het licht is gebracht.

„Eene waarneming, die op het vraagstuk der convectie betrekking hoeft en '

getuigenis aflegt van Rumford'1 a doordringenden geest, werd door hem op de Mer de Glacé te Chamouni gedaan. Hij vond daar cylindervormige schachten van ongeveer 4 voet diep en 7 duim wijd, die met water gevuld waren, dat van dag tot dag daalde. Hoe kon dit smelten van ijs op den bodem plaats hebben ?

Wanneer Gij u onze proeven over het maximum van dichtheid van water herinnert, is RumfonVs verklaring gemakkelijk te begrijpen. Het ijskoude water aan de oppervlakte van de schacht werd, wanneer het ook nog zoo weinig, 'tzij door de lucht of door de zon, verwarmd werd, dichter, zonk op den bodem van de schacht, deed een hieraan beantwoordend gedeelte van het ijs smelten en werd voortdurend door ander pas verwarmd water vervangen, waardoor het smelten aan den gang bleef.

„Gedeeltelijk door convectie en, misschien, gedeeltelijk door de werking van winden, ontstaan er stroomen in den oceaan, die door de warmte, welke zij verspreiden , krachtig invloed hebben op het klimaat. De merkwaardigste en voor ' * ons verreweg de belangrijkste van deze zeestroomen is de Golfstroom, die den Atlantischen Oceaan oversteekt, van de aequatoriale streken door de Golf van Mexico gaande, waaraan hij zyn naam onleent. Bij het verlaten van de straat

i

1

ocr page 227

215

van Florida heeft hij eene temperatuur van 83° F.; van daar volgt hij de kust van Amerika tot Kaap Fear, van waar hy den Atlantischen Oceaan in noordoostelijke richting oversteekt en ten slotte de kust van Ierland en de noordwestelijke kusten van Europa in 't algemeen bespoelt.

„Zooals te verwachten is, wordt de invloed van deze aanzienlijke hoeveelheid warm water het meest merkbaar gedurende onze winters. Het verschil in temperatuur, dat uit het verschil in breedtegraad tusschen noord- en zuid-Hrittanje zou voortvloeien, wordt er door opgeheven; en wanneer wij ons in Januari van het Kanaal naar de Shetland-eilanden verplaatsen, vinden wij overal dezelfde temperatuur. De isotherm (of lijn, die de plaatsen vereenigt, waar de temperatuur gemiddeld dezelfde is) loopt van het noorden naar het zuiden, liet water van den Golfstroom maakt het klimaat van West-Europa geheel anders dan dat van de tegenovergelegen kust van Amerika. De Hudson-rivier bijv., op denzelfden breedte-graad als Rome gelegen, is drie maanden van het jaar bevroren. in Januari uit Boston, om St. John heen, naar IJsland vertrekkende, vinden wij overal dezelfde temperatuur. De haven van Hammerfest ontleent hare groote beteekenis aan de omstandigheid, dat zy het geheele jaar door vrij van \js is. Dit is een uitwerksel van den Golfstroom, die om de Noordkaap heen gaat en het klimaat aldaar zoodanig wijzigt, dat men op sommige plaatsen, verder noordwaarts doordringende, in eene warmere streek komt. De zachtheid van het Europeesche klimaat hebben wij dus te danken aan den Golfstroom en aan de verspreiding der warmte door winden en dampen. Op de westkust van Amerika, tusschen het Rotsgebergte en den Oceaan, vinden wij eveneens een Europeesch klimaat.

„Europa is dus de condensator van den Atlantischen Oceaan; en de bergen z\jn de voornaamste condensators in Europa. Op deze laatste valt bovendien, wanneer zy hoog genoeg zijn, de gecondenseerde damp niet in den vloeibaren, maar in den vasten toestand neder. Laten wij dit water eens beschouwen van de plaats zijner geboorte af en dan verder volgen. Wolken drijven in de lucht en hierdoor is het vermoeden opgewekt, dat zij uit waterblaasjes zouden bestaan, geen bollen, maar eenvoudig schalen vormende. Het is echter zeker, zooals Maxwell heeft aangetoond, dat de waterdeeltjes, indien zij slechts klein genoeg zijn, gedurende een onbepaald tijdsverloop zullen blijven zweven, al zijn zij geen blaasjes. Het is óók zeker, dat waterdeeltjes op eene aanzienlijke hoogte, gedurende of na hunne condensatie, het vermogen hebben om zich in kristallijne vormen samen te voegen, aldus krachten in werking brengende, die wij tot hiertoe gewoon zyn geweest als moleculaire krachten te beschouwen en die niet konden toegekend worden aan de aggregaten, noodig om blaasjes te vormen.quot; (Tyndall).

„Volkomen gevormde sneeuw is niet een bloot onregelmatig samenstel van ijsdeeltjes. In een stillen dampkring schikken de moleculen zich tot de meest uitgezochte figuren naast elkander. In de sneeuwkristallen vormen de moleculen zeshoekige sterren, doordien tegen eene centrale kern zes naaldjes aanschieten, die twee aan twee een hoek van 60° insluiten. Tegen deze centrale naaldjes of ribben schieten rechts en links kleinere naaldjes aan, weder onder hoeken van 60°, en van deze gaan nogmaals kleinere uit, altijd onder denzelfden

ocr page 228

216

hoek. Deze ysbloempjes bevrachten de hoogten der Alpen, waar hun teedere bouw door het weder spoedig vernield is. Eiken winter vallen zij en eiken zomer verdwijnen z\j; en beneden eene zekere grenslijn, waar de warmte de overhand heeft, wordt de geheele gedurende den winter gevallen hoeveelheid opgeruimd; terwijl boven deze grens, wuar de koude den boventoon heeft, gedurende den winter meer sneeuw valt dan 's zomers wegdooit, zoodat er een jaarlijksch overschot van sneeuw blijft liggen. Des winters strekt de sneeuw zich uit tot in de vlakten; des zomers trekt zij zich tot de sneeuwlijn terug, waar de sneeuwval van elk jaar juist gelijk is aan hetgeen in dit tijdsverloop wegdooit en boven welke het gebied der eeuwige sneeuw gelegen is. Indien nu jaarlyks boven de sneeuwlijn een overschot van sneeuw blijft liggen, moeten de bergen met een van jaar tot jaar aangroeiemlen last bevracht worden. Gesteld, dat op eene bepaalde plaats boven de sneeuwlijn elk jaar eene laag van drie voet bij de aanwezige sneeuwmassa gevoegd werd, dan zou deze neerslag gedurende het betrekkelijk korte tijdperk der Christelijke jaartelling eene ophooging van 5630 voet teweeggebracht moeten hebben. En gingen zulke ophoopingen in plaats van gedurende slechts historische ook gedurende geologische tijdperken door, dan is de hoogte, waartoe de sneeuw opgestapeld zon worden, niet te schatten. Het is duidelijk, dat eene dergelijke opstapeling niet plaats heeft. De zon wordt op eene of andere wijze verhinderd, den oceaan uit zijne bekkens te lichten en zijne wateren voor altijd op de hoogten op te stapelen.quot; (Tyndall).

2(52. „ Hoe wordt dan deze jaarlijks toenemende belasting van de schouders der bergen afgenomen? Somtijds laat de sneeuw los en stort als een sneeuwval of lawine langs de hellingen naar beneden, waar zij in de warmere lucht smelt. Doch de geweldige nederstorting van een sneeuwval is niet hare eenige beweging; zij kruipt ook, bijna onmerkbaar, langs tie zachtere hellingen naar beneden. Terwijl zich laag op laag hoopt, worden de dieper gelegen sneeuwmassa's samengeperst en vaster; de lucht die aanvankelijk tusschen de mazen der sneeuw wa-i ingesloten, wordt er uitgedreven en de samengeperste massa nadert meer en meer tot ijs. Het is bekend hoe de deeltjes van een sneeuwbal samenpakken en hoe hard zulk een bal gemaakt kan worden. De sneeuwbal is ijs in wording; vermeerder de drukking en gij maakt er werkelijk ijs van. Maar zelfs nadat het zoo vast en hard geworden is, dat het op den naam van ijs aanspraak heeft, is het nog vatbaar voor verdere samendrukking. Wanneer daarom eene voldoende hoogte van deze zelfstandigheid op de oppervlakte der aarde verzameld is, worden de diepere deelen door de drukking der hoogere weggedrukt en indien de sneeuw op eene helling ligt, wijkt zij hoofdzakelijk in de richting van de helling uit en beweegt zich naar beneden.

„Deze beweging heeft onafgebroken plaats langs de hellingen van eiken met sneeuw bedekten berg; in het Himalaya-gebergte, in de Andes, in de Alpen; maar behalve deze beweging, die afhankelijk is van de omstandigheid, dat de sneeuw aan de drukking toegeeft, bestaat er ook eene glijdende beweging over de hellende bedding. De hard geworden sneeuw glijdt langs de berghellingen, de ruwe kanten der rotsen afslijpende en hare harde oppervlakten polijstende. De ondervlakte van zulk een gletscher wordt eveneens bekrast en gegroefd door

ocr page 229

217

de rotsen, waar hij over heen plijdt; doch naarmate de sneeuw daalt, komt zij in warmere streken, smelt en, vóórdat de voet der helling bereikt is, is hij soms door smelting geheel afgesneden. Somtijds ontvangen breede en diepe dalen de aldus naar beneden gedreven koude massa's; in deze dalen worden zij nog vaster ineengeperst, terwijl zij zich door het dal bewegen met geringe doch goed meetbare snelheid, in al hare bewegingen die eener rivier nabootsende. Zoo wordt het \js ver beneden de grens der eeuwige sneeuw weggevoerd, totdat eindelijk de vermindering in de laagte gelijken tred houdt met de vermeerdering op de hoogte. Op dit punt houdt de gletscher op, !)es zomers hebben wij van de sneeuwgrens af naar beneden toe ijs; boven de sneeuwlijn hebben wij, zoowel 's zomers als 's winters, sneeuw aan de oppervlakte, liet gedeelte beneden de sneeuwgrens heet een gletscher, dat boven de sneeuwgrens wordt de „nevequot; of „firnquot; genoemd. De gletscher wordt door de „nevequot; of „firnquot; gevoed.

„Verscheidene aldus gevulde dalen kunnen zich tot een enkel dal vereenigen. Dit hoofddal en de dalen waaruit het ontstaan is, zijn dikwijls bochtig, en om het eerste te vormen, moeten de laatste van richting veranderen. Ook de breedte van het dal verandert dikwijls: de gletscher wordt soms door engten gedreven, die zich vervolgens weer verbreeden. Het midden van den gletscher beweegt zich sneller dan de kanten en de oppervlakte sneller dan de bodem. Het punt van snelste beweging volgt dezelfde wetten als die men bij het stroomen der rivieren waarneemt, zich van den eenen kant van het midden naar den anderen kant verplaatsende, al naar de bocht van het dal verandert. De meeste groote gletschers in de Alpen hebben in den zomer eene snelheid van het middelpunt van twee voet per dag. Er zyn punten op de Mer de Glacé, tegenover den Montanvert, die zich 's zomers 30 duim per dag verplaatsen, terwijl de winter-snelheid slechts de helft hiervan bedraagt.

,De natuurkundige eigenschap, krachtens welke het gletscher-ijs zich kan schikken naar den vorm der Alpen-kanalen door welke het zich beweegt, is een onderwerp van langdurige en warme discussie geweest. Sommigen hebben het \is als een taai lichaam beschouwd; anderen hebben zijne beweging in verband gebracht met de omstandigheid, dat het onder drukking vloeibaar wordt en weer stolt, zoodra de drukking vermindert; nog anderen hebben eene eigenschap van het ijs te hulp geroepen, die in 1850 door Faraday werd waargenomen en hierin bestaat, dat ijs in vele opzichten de eigenaardigheden van een taai lichaam kan nabootsen. Dit zyn alle ware oorzaken en elk van haar komt waarschijnlijk min of' meer in 't spel; doch de laatstgenoemde oorzaak is die, voor welke ik zelf als de voornaamste gepleit heb. Dit berust op het waargenomen feit, dat, wanneer twee stukken ijs, die door en door de temperatuur van 32°F. hebben, met elkaar in aanraking gebracht worden, zij aan elkander vastvriezen in de punten, waar z\j elkander aanraken.

„Nu heeft liet óók tot heel wat discussie aanleiding gegeven, om van dit bevriezen van een vliesje water rekenschap te geven, wanneer het aangrenzende ijs, om het zoo eens uit te drukken, geen vooraad koude bezit, die voor het bevriezen in aanmerking kan komen. Sommigen zeggen, dat smelting, vergezeld van herbevriezing, ontstaat door drukking in de punten van aanraking en dat het gevormde water, beneden 32° zijnde, opnieuw bevriest, zoodra het aan de

ocr page 230

218

drukking ontsnapt, waarbij dit nieuwe ijs het cement vormt, dat de aanrakende oppervlakken verbindt. Anderen, aan wier hoofd Faraday staat, hebben aldus geredeneerd: Wij weten, dat aan de vrije oppervlakte eener vloeistof voortdurend datup ontsnapt, — dat de deeltjes aan de oppervlakte hunne vrijheid als gas eerder verkrijgen dan de deeltjes binnen in de vloeistof; en het is niet meer dan natuurlijk een dergelyken stand van zaken ten opzichte van ijs te verwachten — dat namelijk, wanneer de temperatuur eener Ijsmassa gelijkmatig toeneemt, de deeltjes aan de oppervlakte het eerst hunne vrijheid als vloeistof zullen verkrijgen; want hier zijn zij aan één kant geheel vrij van den invloed der omringende deeltjes. Gesteld nu, dat twee stukken ijs door en door 32° F. zijn en b\j deze temperatuur aan de oppervlakte smelten, wat kunnen wij dan verwachten, dat er gebeuren zal, wanneer wij de smeltende oppervlakken tegen elkaar plaatsen? In beginsel verplaatsen wij dan deze oppervlakken naar het midden van het ijs, waar de beweging van elke molecule geheel rondom onder den invloed van hare buren staat. Zooals redelijkerwijze verwacht kon worden, wordt de vrijheid om vloeibaar te worden overal daar, waar de oppervlakken elkander aanraken, opgeheven en de beide stukken vriezen in deze punten aan elkander vast.

„Dit is het verschijnsel waarop in Juni 1850 het eerst door Faraday de aandacht werd gevestigd en dat nu bekend is onder den naam van regelatie (— herbevriezing). Op een warmen zomerdag ben ik eens in een winkel in „the Strand'quot; gegaan, waar ik in een bekken voor het raam stukken ijs zag liggen; en met toestemming van den eigenaar heb ik het bovenste stuk ijs in de hand genomen en met behulp van dit stuk alle stukken gezamenlijk uit het bekken gelicht. Hoewel de thermometer toen 80° wees, waren de stukken ijs in de aanrakingspunten aan elkander vastgevroren. Zelfs in warm water heeft het verschijnsel plaats.

„Trachten wij twee aldus in hun aanrakingspunt saamverbonden stukken ijs te buigen, dan scheiden zich de aan elkaar gevroren deelen door breuk vaneen, doch op hetzelfde oogenblik komen andere punten met elkander in aanraking en heeft er tusschen deze „regelatiequot; plaats. Krachtens deze eigenschap van regelatie kunnen met ijs verscheidene verschijnselen voortgebracht worden, die gewoonlijk aan taaie zelfstandigheden eigen zijn,

„Een handvol kleine ijsdeeltjes, wanneer zij samengekneed worden, vriezen in hunne aanrakingspunten aan elkaar vast en vormen ééne massa. Het maken van een sneeuwbal is eene toepassing van hetzelfde beginsel. Wil dit vastvriezen kunnen geschieden, dan moet de sneeuw 32° en vochtig zijn. Ts zü beneden 32° en droog, dan gedraagt zij zich als zout. Het overtrekken van sneeuwbruggen, in de hoogere gedeelten der Zwitsersche gletschers, wordt dikwerf alleen mogelijk gemaakt door de regelatie der sneeuw-korrels. De bergbeklimmer trapt de massa voorzichtig vast en maakt zoo, dat de korrels aan elkaar vriezen: zoo verkrijgt zij eene mate van vastheid, die zonder medewerking der regelatie onbereikbaar zou zijn. Het oversteken van sneeuwbruggen, die soms spleten van 100 voet en meer overspannen, doet de in dit werk oningewijden verbleeken.

„Eenige stukjes ijs in een houten vorm plaatsende en ze daarna aan eene voldoende drukking onderwerpende, worden zij in eene samenhangende massa veranderd, die den vorm van het omhulsel aanneemt. Plaatst men dit stuk

ocr page 231

vervolgens in een finderen vorm en perst men het opnieuw, dan wordt het door de drukking verbrijzeld; doch nieuwe punten van aanraking veroorzaken eenenieuwe bevriezing en de vorm van het y;s schikt zich opnieuw naar den vorm van het hulsel. Met het oog op het voorgaande is het niet moeilijk te begrijpen, hoe eene zelfstandigheid met zulke eigenschappen door de engten der Alpen kan geperst worden: zich zóó kan buigen, dat zij de bochten der Alpendalen volgt en eene geringe beweging barer deeltjes kan toelaten.quot; (Tyndalï).

ïi6S. „Ik heb aldus kortelijk de verschijnselen der bestaande gletschers geschetst, voor zoover zij met ons tegenwoordig onderwerp in verband staan; doch de wetenschappelijke onderzoeker der bergstreken ontmoet spoedig verschijnselen, die zyn geest terugvoeren naar een stand van zaken, die zeer verschilt van dien van den tegenwoordigen tijd. De onmiskenbare sporen, die zij achtergelaten hebben, bewijzen dat er eenmaal uitgestrekte gletschers bestonden op plaatsen, vanwaar zij reeds sedert eeuwen verdwenen zijn. Dit werd het eerst bewezen door Venelz, een ingenieur van Brieg in het Rhönedal. Ga, bijvoorbeeld, naar den Aargletscher in de Berner Alpen, en neem waar, wat deze heden ten dage uitwerkt; zie naar de rotsen aan zijne zijden, zooals zij op dit oogenblik zijn: afgerond, gepolijst en bekrast door het bewegende ys. En nadat gij door geduldige en afgewisselde oefening uw oog en oordeel in deze soort van dingen hebt opgevoed, ga dan langs den gletscher naar beneden, naar zijn uiteinde, steeds de teekenen der yswerking in het oog houdende. Zet, nadat gij het ijs verlaten hebt, uwe wandeling voort het dal afwaarts naar den Grimsel: overal ziet gij hetzelfde onmiskenbare getuigenis. De rotsen, die uit de bedding van het dal oprijzen, zijn afgerond als varkensruggen. Het zijn de ,roches moutonncesquot; van Charpentier en Agassiz; op deze neemt gij de grootere groeven van het ijs waar en ook de kleinere krassen, er iu gekrast door keien, die do gletscher als eene soort van amaril op zijne benedenste oppervlakte bevatte. Al de rotsen van den Grimsel z\jn op deze wijze vlak gemaakt. Wandel het Hasli-dal door en onderzoek rechts en links de bergkanten; zonder den sleutel, dien ik veronderstel dat gij nu bezit, zoudt gij in een land van raadselen zijn; maar met dezen sleutel is alles duidelijk — gij ziet overal de welbekende krassen, groeven en voren. Op den bodem van het dal vindt gij de rotsen op sommige plaatsen tot koepelvormige massa's afgeschaafd en op andere plaatsen zijn zij zoo glad gepolijst, dat er zelfs by eene matige helling treden in uitgehouwen moeten worden om ze begaanbaar te maken. Langs den geheeleu weg naar Meyringen en nog verder, zoo gü het onderzoek wenscht voort te zetten, zijn deze bewijzen overvloedig aanwezig. Voor eene voorloopige lea in het herkennen der sporen van oude gletschers kan geen betere grond worden uitgekozen,

,Dergelijke bewijzen vindt men in het Rhóne-dal; gij kunt ze tachtig mijlen ver door het dal volgen en ze ten slotte in het meer van Genève verliezen. Doch op de zijden van het Jura-gebergte, aan den tegenovergestelden kant van het Canton de Vaud, komen de sporen weer voor den dag. Overal langs deze kalksteenhellingen zijn de graniet-steenen van den Mont-Blanc gestrooid. Rechts en links, ook van het groote Rhóne-dal, toonen de zijdalen, dat zij eens met ijs gevuld zijn geweest. Aan den Italiaanschen kant van de Alpen wekken de

ocr page 232

220

overblijfsels nog meer verbazing dan aan den noordelijken kant. Zoo groot ook de tegenwoordige gletschers aan een ieder toeschijnen, die ze in hunne geheele uitgestrektheid onderzoekt, het zijn slechts dwergen, vergeleken bij hunne voorgangers.

„Het is niet nlleen in Zwitserland — in de nabijheid van bestaande gletschers —, dat deze welbekende sporen van het oude ijs herkenbaar zijn; op de heuvels van Cumberland zijn zij bijna even duidelijk als in de Alpen. Waar de naakte rots gedurende eeuwen aan den invloed van het weder blootgesteld geweest is, daar zijn de fijnere sporen in vele gevallen verdwenen, en de koepel- of tepelvormige gedaanten der rotsen zijn de eenige teekenen. Doch het verwijderen van den bedekkenden grond legt dikwijls oppervlakten bloot, even scherp bekrast en even zuiver gepolijst als die, welke thans door de gletschers der Alpen worden gekrast en gepolijst.

„Het bepalen van de voorwaarden, die de vorming dezer uitgestrekte ijsmassa's mogelijk maakten, is onder de natuuronderzoekers lang een vraagstuk geweest. Het streven van alle schrijvers over dit onderwerp, met wie ik bekend was, toen ik zelf het vraagstuk ter hand nam, was rekenschap te geven van de voor noodzakelijk gehouden koude. Eenige uitstekende mannen meenden, dat de temperatuursverlaging gedurende de ijsperiode het gevolg was van eene verminderde uitstraling der zon; anderen dachten dat ons zonnestelsel, bij zijne beweging door de ruimte, streken van lage temperatuur gepasseerd was en dat de gletschers gedurende zijn tocht door deze streken gevormd waren. Nog anderen trachtten de temperatuur lager te maken door eene andere verdeeling van land en water. De uitstekende mannen, die de bovengenoemde hypothesen voorstelden en bepleitten, schijnen, allen zonder uitzondering, het feit over 't hoofd gezien te hebben, dat de geweldige uitbreiding der gletschers in vervlogen eeuwen even streng de werking van warmte als die van koude bewijst.

„Koude alleen zal geene gletschers voortbrengen. Tn Londen heeft men 's winters soms bitter koude noord-oostenwinden, zonder eene enkele vlok sneeuw. De koude moet het geschikte voorwerp hebben om op te werken, en dit voorwerp — waterdamp — is het rechtstreeksche product van de warmte. Laten wij dit gletscher-vraagstuk in een anderen vorm brengen: de latente warmte van waterdamp, bij de temperatuur van haar ontstaan in de tropen, is ongeveer zoo groot, dat een pond water, dat aan den evenaar verdampt is, 1000 maal de hoeveelheid warmte heeft geabsorbeerd, die een pond van de vloeistof een graad in temperatuur zou doen stijgen. Maar de hoeveelheid warmte, die een pond water één graad doet stijgen, zou een pond ijzer 10 graden in temperatuur doen stijgen; zoodat om een pond water van den aequatorialen oceaan in damp te veranderen, eene hoeveelheid damp vereischt zou worden, voldoende om aan een pond gietijzer eene temperatuursverhooging van 10 000 graden F. mede te deelen. Nu is het smeltpunt van gietijzer 2000° F.; zoodat voor elk pond ontstanen damp eene hoeveelheid zonnewarmte verbruikt is, voldoende om 5 pond gietijzer tot zijn smeltpunt te verwarmen. Stellen wij ons nu elk van deze oude gletschers vervijfvoudigd voor en, in plaats van de aldus vermeerderde massa, een even groot gewicht gietijzer tot de witte gloeihitte verwarmd; dan heeft men de nauwkeurige uitdrukking van de werking der zon, die in het voortbrengen van de oude gletschers ligt opgesloten. Vervang het koude ijs door

ocr page 233

221

liet heete \jzer — en onze bespiegelingen zouden terstond daarheen leiden, dat zij rekenschap geven van de warmte der ijsperiode in plaats van hare koude, en eene volkomen omkeering van eenige der bovengenoemde hypothesen zou het gevolg zijn.

„liet is volkomen duidelijk, dat wij, door de werking der zon te verzwakken, 't zij door verminderde uitstraling ot door het geheele zonnestelsel naar eene ruimte van lage temperatuur te verplaatsen, de gletschers aan hunne bron afsnijden. Uitgestrekte massa's bergijs duiden onfeilbaar op liet bestaan van geëvenredigde massa's damp in den dampkring en eene evenredig uitgebreide werking van den kant der zon. Indien gij in een destilleertoestel de hoeveelheid destillaat wildet vermeerderen, zoudt gij ongetwijfeld niet beproeven de voor de condensatie noodzakelijke lage temperatuur te verkrijgen door het vuur onder uw ketel te verwijderen; doch ditzelfde hebben die vvijsgeeren gedaan, die getracht hebben, de oude gletschers voort te brengen door de zonnewarmte te verminderen. Het is zeer duidelijk, dat hetgeen het meest noodig is om de gletschers voort te brengen, een verbeterde condensator is. Wij hebben geen jota van de werking der zon te missen; zoo wij iets noodig hebben, dan is het meer damp, doch wij hebben óók een condensator noodig, die zóó krachtig werkt, dat deze damp, in stede van in den vorm van vloeibare regenbuien op de aarde te vallen, eene zoodanige temperatuursverlaging onderga, dat hij in den vorm van sneeuw nederdaalt.quot; (Tyndall).

i 2lt;gt;4. Eene zeer belangrijke toepassing vindt de warmte-Ieer in de stoommachine.

Een der oudste stoomwerktuigen is de machine van Neircomen (vgl. lig. 11G).

In de figuur is A de met water gevulde „ketelquot;, waarin zich, door verwarming, uit het water „stoom'quot; ontwikkelt. De stoom heeft toegang tot den „cylinder,', By welke toegang intusschen door eene kraan (rr) kan afgesloten worden. In den cylinder bevindt zich de zuiger C, waaraan de drijfstang D verbonden is.

Door voldoende verwarming verkrijgt de stoom in den cylinder eene spanning van meer dan 1 afmospheer, in welk geval de drukking tegen den ondenvand des zuigers grooter is dan die, welke de buitenlucht tegen zijn bovenwand uitoefent, zoodat de zuiger rijst. Gedurende het stijgen van den zuiger blijft de ketting, waardoor D met den hefboom H verbonden is, gespannen, daar het aan het andere einde van den hefboom hangende gewicht /, dit einde doet dalen.

Wordt, zoodra de zuiger zijn hoog-sten stand heeft ingenomen, de kraan b geopend, door welke een weinig koud water uit den vergaarbak c iit den cylinder stroomt,

ocr page 234

222

dan wordt door condensatie en afkoeling van don stoom zijne spankraeht zoodanig verminderd, dat de drukking der buitenlucht de overhand krijgt eu de zuiger hierdoor naar beneden gedrukt wordt. Het dalen van den zuiger heeft ten gevolge, dat l, aan het andere einde van den hefboom U, naar boven gaat.

De aan den cylinder verbonden zijbuis, met naar buiten opengaande klep, dient om hot ingespoten water en het condensatiewater af te voeren.

De stang / kan als pompzuiger van eone zuigpomp dienst doen en voor dit doel, namelijk om water uit steenkolenmijnen op te pompen, werd deze stoommachine en wordt zij hier en daar nog gebruikt.

Hene aanzienlijke verbetering, die hot stoomwerktuig algemeen practisch bruikbaar maakte, werd ingevoerd door James W'ntl'), toen deze, in plaats van koud water in den cylinder te

spuiten, den stoom uit den cylinder in verbinding bracht met een vat, dat met koud water gevuld was, den zoogenoemden condensator of condensor, omdat de stoom hier tot water gecondenseerd of verdicht werd, volgens de door hem ontdekte Wet uan Watt.

Bovendien bedacht Watt ceno inrichting, waardoor de stoom afwisselend boven en onder den zuiger gebracht werd, zoodat zoowel het stijgen als het dalen van den zuiger door de spanning van den stoom bewerkt werd.

Heeft de stoom in eene machine eene spanning van minder dan 2 atmospheren, dan spreekt men van een stoomwerktuig van lage drukking; heeft de stoom eene spanning van 2—4 atmospheren, dan heeft men er een van middelbare drukking, en is de bereikte spanning van meer dan 4 atmospheren, dan is het stoomwerktuig van hooge drukking. Spanningen van meer dun 7 atmospheren worden slechts zelden toegepast.

Eene verbetering, die, na Watt, nog werd ingevoerd, is deze, dat men den stoom niet gedurende den geheelcn zuigerslag in den cylinder laat binnentreden, maar dat men den toegang afsluit, wanneer de zuiger nog slechts een gedeelte van zijn gang volbracht heeft. De binnengelaten stoom zet zich, krachtons zijne spanning, uit en drijft den zuiger verder, al wordt ook do door hom oj) den zuiger uitgeoefende drijfkracht, juist wegens zijne uitzetting, gaandeweg kleiner. Dit maakt, dat men wel een kleiner mechanisch etfect krijgt dan wanneer de stoom tot het laatste toe ware toegotredon, doch hier staat hof voordeel tegenover, dat men mot minder stoom en dus ook met minder brandstol toekomt, wolk voordcel ruimschoots tegen hot ontstane nadeel opweegt. Kcno stoommachine, die de beschreven inrichting bezit, heet eene machine met expansie.

in de stoommachine wordt mechanisch arbeidsvermogen verkregen ten koste van oen deel der hoeveelheid warmte, die bij do verbranding der steenkolen ontwikkeld wordt. De stoom is het middel, als hot ware do tusschonpcrsoon, waardoor deze omzetting bewerkt wordt. In den ketel ontvangt de stoom de warmte van hot vuur en op zijn weg door de machine wordt de ont-

1) James Watt, gob. te Greenock in 1736, gest. 1819.

ocr page 235

223

vangen warmte voor een gedeelte (niet geheel) in arbeidsvermogen veranderd. De dour den stoom in den ketel ontvangen warmte verdeelt zich namelijk in twee deeien: het eene gedeelte wordt als warmte vernietigd, doch treedt op in den vorm van mechanisch arbeidsvermogen; het andere gedeelte wordt afgestaan aan een lichaam van lagere temperatuur, een af koeler, quot;tzij aan den condensor (zooals in de machines van lage drukking), 'tzij aan den dampkring (zooals in de machines van hooge drukking). Nu zal de inrichting der machine des te voordeeliger zijn, naarmate de hoeveelheid warmte, die in mechanisch arbeidsvermogen wordt omgezet, een grooter deel uitmaakt van de geheele hoeveelheid aan den ketel ontnomen warmte. Dit in mechanisch arbeidsvermogen omgezet gedeelte der hoeveelheid warmte heet het „nuttig effect,, der machine.

Van de beste stoommachines van den laatsten tijd (1890)bedraagt het„nuttig effectkop zijn allerhoogst 13 ü/0. Ligt het aan de onvolmaaktheid van het werktuig, dat het nuttig effect niet meer bedraagt, of levert de aard der warmte zelve een natuurlijk beletsel tegen eene voordeeliger toepassing? Door geleiding en uitstraling gaat zeker een gedeelte der warmte nutteloos verloren en waarschijnlijk zal bovendien nog wel eenige verbetering in het stoomwerktuig te maken zijn; doch ook indien het in een theoretisch idealen staat van volkomenheid verkeerde, zou het nuttig effect nog slechts een klein gedeelte van de geheele verbruikte hoeveelheid warmte bedragen.

Volgens de beschouwingen der mechanische warmte-theoric, waarvan hier alleen de uitkomsten kunnen worden medegedeeld, is het overgaan van warmte in mechanisch arbeidsvermogen alleen mogelijk onder deze voorwaarde: dat warmte van hoogere temperatuur in warmte van lagere temperatuur overgaat, waarbij het „nuttig effect,, bepaald wordt door de temperatuur der lichamen (ketel en condensor), tusschen welke het w arm te-ver v o e r plaats heeft.

liij eene ideale stoommachine, zou alleen dan alle warmte in mechanisch arbeidsvermogen kunnen worden omgezet, wanneer de condensor de standvastige temperatuur van het „absolute nulpunt,, bezat.

Is echter de aanvangstemperatuur van den stoom (in den ketel) — 1°, zijne eindtemperatuur (in den condensor) — lt;'0, dan is het maximum-gedeelte der totale warmte, die in mechanisch arbeidsvermogen kan omgezet worden (nuttig effect) gelijk aan ^ 7' tempe-

u . j i (273 4- 0 — (273 4- t') T — T'

raturen uitgedrukt: =

b 273 - - / T

TWEEDE WET DEK MECHANISCHE WAUMTE-TIIEOKIE.

Het is 7ii et m 0(j e l ij k, door de io er king oan Louter natuurlijke processen een (j ede e lie van de warmte eens Lichaam s om te zetten in mechanisch arbeids-vermo' gen, behalve in het geval, dat de warmte van het eene lichaam op een ander van lagere temperatuur kan overgaan.

Aanvi. De werking eener stoommachine wordt ook beoordeeld naar het arbeidsvermogen, dat zij per secunde levert, of, wat op 't zelfde neerkomt, naar de warmte, die per secunde nuttig besteed wordt. Indien de machine per secunde een arbeidsvermogen van ongeveer 735 X 107 ergisten aan den zuiger geeft, noemt men haar eene machine van l „paardekrachtquot;.J

Voor de school:

Uitzetting; De uiteinden van twee spoorwegrails mogen niet aaneensluiten. IJzeren ketels mogen niet te vast worden ingemetseld. Kromtrekken van bordpapier, hout enz. Verwarming van den hals eener flesch tot verwijdering van de stop. Thermometer. Invloed op den gang van het slingeruurwerk. Het trekken van kachels. Schoorsteenen. Stofdeeltjes, zwevende in de door de zon verwarmde lucht, stijgen omhoog. Eene kaarsvlam, die men in de verwarmde kamer boven voor de kier der deur houdt, waait naar buiten; beneden gehouden, waait zij naar binnen. Het leggen van een ijzeren band om een wiel.

Verandering van aggregatie-toestand. Het springen van vaatwerk door bevriezen van het er in bevatte water. Splijten van rotsen (ver wee ren). Kristalvorming. Een glas water raakt i e ê g door v e r d a m p i n g. De natte w a s c h w o r d t d r o o g. D e

ocr page 236

•..........; 'v' : - 1--. ■ v-.7 •• , .................. -- • 'y :■ ---------

224

wasch droogt het best in den wind. Een versch beschreven blad wordt heen en weer gezwaaid om het to drogen. De weg d roogt h et best op, als h et waait. Slooten drogen 's winters nit. Uitdrogen van hout. Beslaan der glazen.

Latente warmte. De met Eau de Cologne besprenkelde h and word t koud. Sproei-wagens. Poreuze koelvaten. De regen verfriseht. Men kan water koken in een papieren bakje. De koperen ketel smelt niet zoolang er water in is. Koude bij dooiend weder.

Wrijviiuj cene bron van warmte. Ilet v u u r m a k e n d e r w i 1 d e n d o o r w r ij v i n g va n hout. Afstrijken van lucifers. Eene knoop wordt warm door wrijving. Vuursteen. E e n e boor en eene zaag worden onder het gebruik warm. S m e e r e n van wagenassen en machine-deel en tegen het „w ar m-l o op eirquot;'.

GeleiduKj. Kleeding. Bedekking. Pels. Dekens. Voet zak. Houten vloer. Rieten dak. Dubbele vamen. Omwikkeling van pompen, boo men en stoompijpen met stro o. De sneeuwlaag beschermt het jonge graan. Houten en glazen handvatsels. Dubbele, opgevulde wand der brandkast. Invloed van het metaalgaas der veiligheidslamp.

Straling. Rietmatten en glasramen in de kweek er ij. Vuurscherm. Uitstraling van door de zon besehenen muren. De blinkend gepolijste trekpot houdt de thee langer warm dan de dof gemaakte. Onder een zwarten doek smelt de sneeuw eer dan onder een witten. Wolken zijn als een deken voor de aardoppervlakte. Donkere winter- en lichte zomer kleeding.

Stand van het verwarmde oppervlak. Schuine stand der broei ram en naar den zonkant. Zomer en w i n t e r. Op de naar de zon gekeerde helling van het dak smelt de zon eer weg dan op een horizontaal oppervlak.

1 'erschijmelen in den dampkring. K e g e n. D a u w. Nevel. Wolken. S n e e u w. R ij p.

quot;()(gt;. Onze gezichtsgewiiarwcmlingen, die ons de voorwerpen om ons heen doen zien, worden toegeschreven aan werkingen, die haar uitgangspunt hebben in de lichamen der stoffelgke wereld. Met zintuig, welks tusschenkomst noodigis, vóórdat deze werkingen in gewaarwordingen kunnen worden omgezet, is het oog.

Het onbekende iets, dat, van de voorwerpen uitgaande en ons oog bereikende, aan dit zintuig een indruk mededeelt, die door eene Bgezichtsquot;gewaarwording gevolgd wordt, heet licht.

Elk voorwerp, van hetwelk licht uitgaat, is eene lichtbron.

Het kan gebeuren, dat een en hetzelfde voorwerp, bijv. onze hand, onder overigens volkomen gelyke omstandigheden, het eene oogenblik duidelijk, een ander oogenblik onduidelijk en op sommige tijdstippen in het geheel niet gezien wordt. Volgens eene uit het dagelyksch leven genomen uitdrukking kan men soms „geen hand voor oogenquot; zien. Lichamen van deze soort bezitten geen licht van zich zelve, zij hangen in dit opzicht middellijk of' onmiddellijk van andere lichamen af, die eigen licht bezitten en op dit punt volkomen onafhankelijk van andere zijn. Op grond hiervan onderscheidt men de lichamen in zeif'lichtende en uit hun aard donkere lichamen.

De aarde is een donker, de zon een zelflichtend lichaam.

Voor ons, aardbewoners, is de zon de voornaamste lichtbron. Bovendien beschikken wij echter over tal van andere zelflichtende lichamen, die lichtbronnen voor ons zijn en zoogenoemd „kunsflicht geven.

Het licht kan door sommige lichamen op zijne baan gestuit worden, terwijl

_ i

ocr page 237

225

liet door andere lichamen heen „schijntquot;. De laatste heeten „doorschijnendequot;, de eerste „ondoorschijnendequot; lichamen.

2lt;gt;7. Tusschen het tijdstip van het optreden eener lichtbron en het tijdstip, waarop de voorwerpen er om heen het eerste licht van haar ontvangen, ligt een zeker tijdsverloop. Dit tijdsverloop is echter zoo klein, dat men, voor zooveel aard-sche afstanden betreft, licht zou kunnen meenen, dat beide tijdstippen samenvielen.

Nauwkeurige metingen van den weg, dien het licht in 1 sec. doorloopt, volgens verschillende methoden verricht, hebben tamelijk overeenstemmende uitkomsten opgeleverd.

Volgens den Amerikaanschen natuurkundige Michelson doorloopt het licht, in de lucht, in 1 sec. een weg van 299 800 KM.; in het luchtledig van 80KM. meer.

Noemt men de „snelheid van het lichtquot; de snelheid, waarmede een punt zich eenparig zou moeten bewegen, om in 1 sec. een even grooten weg af te leggen, dan bedraagt dus de snelheid van het licht in het luchtledig 299800.00000 éénheden (tachonen).

2(18. Tusschen eene lichtbron en het oog worden een drietal ondoorschijnende lichamen, zoogenoemde „schermenquot;, geplaatst, elk van eene kleine opening voorzien. Liggen de drie openingen zoodanig, dat men ze onderling en met de lichtbron door middel van eene rechte lijn kan verbinden, dan dringt licht van de lichtbron het oog binnen, wat niet meer het geval is, wanneer eene der openingen zoodanig geplaatst wordt, dat zij buiten de rechte lijn valt. Uit deze waarneming trekken wjj het volgende besluit:

Het licht plant zich rechtlijnig voort.

Wel is waar doen zich bij het gebruik van zeer kleine openingen verschijnselen voor, die met deze uitspraak in tegenspraak schijnen; daar hierbij, onder omstandigheden, licht kan worden waargenomen op plaatsen, die buiten de rechte verbindingslijn van de openingen der schermen liggen. Een nauwkeurig onderzoek van deze verschijnselen, waarvan hier alleen in het voorbijgaan het bestaan kan vermeld worden, leert echter, dat de schijnbare tegenstrijdigheid volkomen wordt opgelost, wanneer bij de verklaring wordt uitgegaan van de stelling, dat het van elk lichtpunt in 't bijzonder afkomstige licht zich volgens rechte lijnen voortplant. Aan deze voortplanting geeft men den naam van straling en de baan, welke het van een lichtpunt afkomstige licht, bij zijne voortplanting van hier naar een ander punt der ruimte, doorloopt, heet een licht „straalquot;.

De lichtstralen zijn — zoo lang het licht in dezelfde homogene middelstof blijft — rechte lijnen.

By onze proefnemingen hebben wij steeds te doen met licht van verscheidene lichtstralen, die te zamen een zoogenoemden licht,,bundelquot; vormen.

Valt een uit evenwijdige stralen bestaande lichtbundel, door eene kleine opening in eene donkere kamer, dan neemt men eene rechtlijnige lichte streep waar. waarin tal van stofjes zweven. Deze stofjes, in de overige deelen dei-kamer even goed aanwezig, zijn het juist, die aan den waarnemer den doorgang van het licht verraden. Is de ruimte volkomen vrij van stof, dan gaat de lichtbundel er door heen, zonder dat het oog er iets van bemerkt, tenzij het zich in de richting van den bundel bevinde, zoodat deze er regelrecht in binnendringt. De

saiakrda on LE uov, Ndtuurkcuuis, 11. 2tï druk. 15

ocr page 238

226

stofjes, die op den weg van liet licht gelegen zijn, worden, wanneer zij er door getroffen worden, zelve het uitgangspunt van lichtstralen, waaronder er zijn, die het oog van den buiten den hoofdbundel geplaatsten waarnemer treffen.

2(H). In fig. If7 z\j Tj een lichtpunt, van waar naar alle richtingen lichtstralen uitgaan. Een gedeelte van deze stralen ontmoet een ondoorschijnend lichaam, liet scherm Sl, dat, eenvoudigheidslialve, cirkelvormig gedacht wordt en zoodanig geplaatst, dat de verbindingslijn van L en m (het middelpunt van den cirkel) loodrecht op het vlak van dezen staat. Laat men nu om het punt L

eene raaklijn aan den cirkel iS',, langs den omtrek van dezen, wentelen, dan wordt het ronde oppervlak eens kegels beschreven, waarvan de top in L, liet grondvlak op onbepaalden afstand van L gelegen is. Dit ronde kegeloppervlak begrenst eene kegelvormige ruimte, binnen welke het van L afkomstige licht door het scherm S, gestuit wordt, zoodat aan den van de lichtbron afgekeerden kant (achterkant) van dit scherm eene afgeknot-kegelvormige, donkere ruimte bestaat, die de „sch ad u wquot;k e gel van het scherm S genoemd wordt. Wordt in een tweede scherm geplaatst, evenwijdig aan het vorige, dan is de doorsnede van het platte oppervlak van dit scherm en den schaduwkegel een cirkel, buiten welks omtrek het scherm verlicht is; terwijl liet binnen dezen omtrek donker is.

Wat men in het dagelijksch leven „de schaduwquot; noemt, is de doorsnede van een schaduwlichaam en het oppervlak van een ander lichaam.

270. In fig. 118 is als lichtbron een bolvormig

Fig. 118.

oppervlak A voorgesteld, waarvan het vlak der teeke-ning de doorsnede is. Het

donkere scherm 1? is eveneens een bolvormig oppervlak, in onze figuur van kleinere afmetingen dan de lichtbron. Wij

kunnen ons, behoudens de proporties der afmetingen, voor A de zon, voor B de aarde denken. De in het vlak der teekening getrokken uitwendige raaklijnen aan beide bollen, die elkander in S snijden, begrenzen de doorsnede van de kegelvormige ruimte, binnen welker rechts van B gelegen gedeelte geen licht

ocr page 239

227

van A kan doordringen. Aan deze ruimte geeft men den naam van de kern- of slagschaduw van li. Zij wordt omgeven door een gedeelte van de ruimte, in de geteekende doorsnede door de inwendige raaklijnen aan de beide bollen begrensd, binnen welks deelen van des te meer punten der lichtbron licht kan doordringen, naarmate die deelen verder van den omtrek der kernschaduw en dichter bij de inwendige raaklijnen gelegen zijn. Aan dit laatste gedeelte der ruimte geeft men den naam van de half- of bijschaduw van 13. Het gedeelte der ruimte daarbuiten ontvangt licht van een maximum aantal lichtpunten van A.

271. De indruk, dien een lichtgevend oppervlak op ons gezichtszintuig maakt, kan verschillen in „sterktequot;. Zijn, naar onze schatting, de iichtindrukken van twee onderling gelijke vlakken even sterk, dan zeggen wij dat hun beider lichtgevend vermogen gelijk is. Ontvangen die oppervlakken zelve hun licht van eene andere lichtbron, dan heeten zij in dat geval even sterk „verlichtquot;; en wordt elk oppervlak door zijne eigen lichtbron verlicht, zich op onderling gelijke afstanden van beide oppervlakken bevindende en haar licht op overeenkomstige wijze er naar uitstralende, dan besluiten wij uit de gelijke verlichting der oppervlakken tot de gelijke sterkte van het lichtgevend vermogen der lichtbronnen.

Als éénheid van lichtgevend vermogen heeft lang het lichtgevend vermogen eener zoogenoemde ('arcel-lamp, en ook der normaalkaars, gediend.

Het aannemen dezer éénheid had tot grondslag het door de waarneming geleerde feit, dat twee lampen of kaarsen, die in alle opzichten zoo na mogelijk aan elkander gelijk zijn gemaakt, onderling gelijk lichtgevend vermogen bezitten, beoordeeld naar de verlichting, die zij aan een zeker oppervlak mededeelen.

De Internationale Conferentie voor de electrische éénheden heeft in 1884 voorgesteld de/.e éénheid te vervangen door eene andere, die in het 0.G.S.-stelsel past.

Bkpalinu. De licht-éénheid van het C. G. S.-stelsel is het licht, dat uitgestraald wordt door 1 cM.2 oppervlak van platina bij zijne smeltings-(stollings)temperatuur.

De nieuwe lichtéénheid is 9 ^ van de hoeveelheid licht, uitgestraald door de vlam der normale Carcel-lamp, die 42 Gram gezuiverde raapolie (patentolie) per uur verbrandt. Nemen wy aan, dat deze vlam gewoonlijk eene hoogte van 3,5 cM. by eene breedte van 1,5 cM., dus een oppervlak van 5,25 cM.2 heeft, dan zou eene even groote oppervlakte van smeltend platina 5,25 X 2,08 = 10,92 maal zooveel licht uitstralen. De lichtsterkte van het smeltend platina is dus bijna 11 maal zoo groot als die van de vlam der Carcel-lamp.

27ïi. Wanneer een oorspronkelijk donker lichaam, nadat het door het licht van eene of andere lichtbron getroffen is, zelf het uitgangspunt van lichtstralen wordt, zooals met de in ij 2Ü8 besproken stofjes het geval was, zegt men, dat deze door het lichaam worden teruggekaatst. Daarbij gebeurt het dikwijls, dat het door het terugkaatsend lichaam ontvangen licht, onder zijn invloed, eene wijziging ondergaat, ten gevolge waarvan het, na de terugkaatsing in ons oog vallende, eene andere gewaarwording in ons opwekt dan te voren. Dit verschil in gewaarwording, door verschillend licht opgewekt, heeft het begrip

J5*

ocr page 240

228

kleur doen ontstaan, liet is bijv. mogelijk, dat liet op een voorwerp vallende licht afkomstig is van een „wittenquot; muur, terwijl het door dit voorwerp teruggekaatste lieht in ons de gewaarwording van „groenquot; opwekt, liet door dat voorwerp teruggekaatste licht is dan ander licht dan wat het ontving; en wij kunnen moeilijk anders doen dan de oorzaak dier verandering aan den invloed van het voorwerp zelf toeschrijven.

Bovendien weten wij, dat licht door sommige, namelijk „doorschijnendequot; voorwerpen, heen kan dringen, al weder met of zonder verandering van karakter.

Wanneer het licht op zyn weg een of ander lichaam ontmoet, kan er dus drieërlei plaats hebben: terugkaatsing, doorlating en eene wijziging van eigenschappen, waardoor de gewaarwording van „kleursverscliilquot; wordt opgewekt.

Wij willen, afgezien van de laatstgenoemde wijziging, in de eerste plaats de terugkaatsing van het licht aan een onderzoek onderwerpen.

273. In tig. 119 zij AB een lichtstraal, volgens welken in het punt B licht

valt op het platte vlak PQ. De lijn BI) zij de lichtstraal, volgens welken dit licht wordt „teruggekaatstquot;. De lijn HC zij eene loodlijn op het vlak J'Q. In deze figuur nu heet AB de invallende straal, BD de teruggekaatste straal, q' B het punt van inval, CB de normaal „in het punt van inval op het terugkaatsend oppervlakquot;. De hoek, dien de invallende straal maakt met de normaal (L ABC), heet de hoek van inval; de hoek, dien de teruggekaatste straal maakt met de normaal (Z_ DEC), de hoek van terugkaatsing.

Met behulp van het in fig. 120 afgebeelde toestelletje kan men door eene

spleet, «, licht laten vallen op het gepolijste platte oppervlak van een „spiegeltjequot;, ƒ, dat naar den verdeelden koperen rand van het bakje wordt teruggekaatst. Met behulp van dit toestelletje vindt men bij benadering, de door nauwkeuriger metingen bevestigde

WETTEN DER TERUGKAATSING.

1° Het vlak van den hoek van inval valt samen mei dal van den hoek van lerugkaatsing.

2quot; De hoek van inval is ge lijk aan den hock van t er ug knal sing.

274-. In tig. 121 /.ij /'(} weder het gepolijste, platte oppervlak van een

ocr page 241

220

„spiegelquot; en L een lichtgevend punt. Vim liet licht, iliit uit L op den spiegel valt, beschouwen wij hier alleeu dat, hetwelk, volgens de stralen La en Ugt;, het oppervlak Pil treft in de punten a en h. Zijn ad en hc normalen in de beide punten van inval, dan wordt het licht van La teruggekaatst volgens ad, zóó dat L Lad — L daa', en dat van LI) volgens hb', zóó dat L Lhe = L chb'.

Worden de beide teruggekaatste stralen a'n en h'b achter den spiegel verlengd, dan leert de meetkundige beschouwing der figuur, dat hunne verlengstukken aL' en hL' elkander snijden in een punt L, gelegen op het verlengde der loodlijn uit het lichtpunt L op PQ neergelaten en op even grooten afstand achter den spiegel als L er vóór ligt; zoodat Lc — L'c. Deze uitkomst blijft waar voor de verlengstukken van alle overige stralen, volgens welke het uit L afkomstige licht door het spiegelend oppervlak wordt teruggekaatst.

Bevindt zich nu vóór den spiegel een oog, waarin het volgens de stralen ad, hb, enz. teruggekaatste licht binnendringt, dan zal de daardoor opgewekte gewaarwording geen andere zijn dan wanneer, bij afwezigheid van den spiegel, in 1! een lichtgevend punt geplaatst ware, dat óók volgens de stralen ad, hb', enz. licht in het oog zou zenden.

De waarnemer ziet een lichtpunt, waarvan hij het in z\jn oog binnengedrongen licht afkomstig oordeelt, altijd daar, waar de rechte lijnen, volgens welke dat licht het oog binnendringt, voldoende verlengd zijnde, elkander snijden. Deze vermeende plaats der lichtbron kan inderdaad met hare werkelijke plaats samenvallen; in vele gevallen echter, zooals in het geval van onzen spiegel, doet zy zulks niet en wat wij dan meen en te zien is niets anders dan gezichtsbedrog. liet lichtpunt L', dat de waarnemer bij bet gebruik van een spiegel achter dezen ziet, heet het beeld van het lichtpunt, dat er zich vóór bevindt.

Bevindt zich voor een spiegel, in plaats van een enkel lichtpunt, een of ander voorwerp, dan treden de verschillende punten van dit voorwerp als zooveel lichtgevende punten op, aan elk van welke een „beeldquot; achter den spiegel beantwoordt, al welke gedeeltelijke beelden te zamen een beeld van het lichaam vormen.

275. Het spiegelend oppervlak zij, in plaats van een plat vlak, het gebogen oppervlak van een bol-segment, waarvan de boog MN de doorsnede in het vlak der teekening voorstelt. A zy het midden van den boog MN, tevens bet punt, dat van alle punten van den cirkelvonnigen spiegelrand even ver verwijderd is; O het middelpunt van den cirkel, waartoe boog MN behoort, tevens het middelpunt van den bol, waartoe het beschouwde bol-segment behoort. W\j noemen nu C het middelpunt van kromming, A het midden, de verbindingslijn CA de hoofdas, CM= CA — CN den kromtestraal, L MCN de opening van den spiegel.

ocr page 242

230

Onderstellen wij nu liet geval, dat er licht valt op den spiegel volgens stralen (HB, (iD), die onderling en aan de hoofdas evenwijdig zijn en dat het licht aan ile holle /.\jde op den spiegel valt. Het invallende licht wordt teruggekaatst

volgens de stralen BF en HF, '/.66 dat L HBC= L GBF en L 000 = L CDF. Eene meetkundige beschouwing der figuur leidt tot de uitkomst, dat, bij kleine opening van den spiegel, de teruggekaatste stralen van het evenwijdig invallend licht naar elkander toeloopen, couvergeeren, en elkander alle zeer ten naaste bij in éénzelfde op de hoofdas gelegen punt F snijden. Aan dit punt, dat met het midden van den op de hoofdas gelegen kromtestraal samenvalt, geeft men den naam van hoof d b r a n d p n n t.

Ook wanneer de invallende stralen uitgaan van een op de iioofdas gelegen punt, dat op eindigen afstand van het midden des spiegels verwijderd is, snijden de teruggekaatste stralen zelve (fig. 123), of hunne verlengstukken achter den spiegel, elkander zeer ten naaste bij in een zelfde op de hoofdas gelegen punt, dat nu eenvoudig den naam van brandpunt draagt.

M

/J'

i

Wij stellen nu de numerieke waarde van den afstand A*/ van het lichtgevend punt (A) tot het midden des spiegels gelijk aan l; den afstand ad van het brandpunt («) tot dat midden gelijk f; den kromtestraal Cc/ gelijk r; terwijl wij deze afstanden positief noemen, wanneer zij aan den kant des spiegels liggen, van waar het licht invalt; negatief, wanneer z\j aan den tegengestelden kant liggen. Constructie en berekening leeren nu tusschen deze getallen de volgende betrekkingen vinden, door welke de ligging van het brandpunt bepaald wordt.

Voor l — co wordt ƒ = -t- -ö- r,

1

co gt; 2 gt; r l-r

r gt; lgt; q : 1

1 =

l K

9 r lt; ƒ lt; r, ./■ = r,

co gt; j gt; r, _ƒ r: -f- oo ,

j = — a.

1

ocr page 243

231

In het laiitsf,(! ffoviil (vgl. Hir. 124) lif^t liet brmulpunt achter den .spiegel en doet liier viiu het lichtgevend punt een „beeldquot; ontstaan van denzelfden aard als de beelden, die wij b\j den platten spiegel hebben leeren kennen. Men noemt Kig, 124. in dit geval het brandpunt virtueel; terwijl liet

in de overige gevallen, waarin het door de werkelijke snijding der teruggekaatste stralen zelve gevormd wordt, op den naam van reëel brandpunt aanspraak heeft.

Ook lichtgevende punten, die buiten de „hoofdasquot; van den spiegel liggen, hebben hunne overeen-komstige brandpunten, en zoo ontstaat van een voor den spiegel geplaatst lichaam, bijv. eene kaarsvlam, quot;tzij een reëel, omgekeerd beeld, dat zich op een scherm afteekent (vgl. fig. 125), of een

Fig. 125.

virtueel, rechtopstaand beeld, dat zich niet op een scherm laat zichtbaar maken (vgl. fig. 126). Eene eenvoudige constructie kan gemakkelijk doen vinden,

wanneer het eene en het andere geval zich zal voordoen.

Een voor een bollen spiegel geplaatst voorwerp geeft altijd een virtueel, rechtopstaand, verkleind beeld (vgl. fig. 127).

ocr page 244

i

Ïi7(». Vult er licht op een lichaam, welks oppervlak min of meer ruw is, zooals dit het yeval is bij de meeste lichamen, die niet opzettelijk gepolijst zijn, dan liggen de verschillende oppervlakte-elementen, die door het licht getroffen worden, in verschillende vlakken. De normalen op deze oppervlakte-elementen

maken dan grootere of kleinere hoeken met elkander. Hieruit volgt, dat de verlengstukken der stralen, volgens welke het van een bepaald punt afkomstige licht teruggekaatst wordt, elkander nu niet meer in een enkel punt snijden, zoodat hiermede ook het ontstaan van een beeld, zooals dit in § 275 is uiteengezet, vervalt. De terugkaatsing is in zulk een geval onregelmatig en het licht wordt nu, zooals het beet, door het niet gladde oppervlak verstrooid. Hiermede gaat gepaard, dat liet terugkaatsend oppervlak zelf zichtbaar wordt, wat met een volkomen zuiver spiegelend oppervlak niet het geval is.

Het licht, dat van verreweg de meeste omringende voorwerpen in ons oog valt en waardoor wij deze voorwerpen kunnen onderscheiden, is verstrooid of diffuus licht.

277. Wij bedienen ons voor onze volgende proefneming van het, in fig. 128

atgebeel e, bakje, dat den vorm van een halven rechten cylinder bezit. De

gebogen opstaande wand is van hout, de platte voorwand {ah) is eene door

zuiver evenwijdige, platte vlakken begrensde glasplaat, die zwart geverfd is op

eene smalle verticale spleet na, die met de cylinderas samenvalt Het bakje

wordt halverhoogte met water gevuld. Laat men nn licht vallen op den vlakken

voorwand, dan zal het gedeelte, dat de Fig. 128. '

onbedekt gebleven spleet treft, voor een deel worden teruggekaatst en voor een ander gedeelte door het glas heen gaan. Van dit doorgelaten licht gaat het onderste gedeelte in het water, het bovenste in de lucht van het bakje over en verlicht, terwyl het zich in deze beide middelstofien voortplant, den in boog-graden verdeelden achterwand van het bakje.

De waarneming leert nu, althans bij i benadering, dat het licht, uit bet glas weder in de luelit overgaande, de richting volgt, volgens welke het door de lucht op den voorwand der glasplaat invalt, liet licht, dat van het glas in het water overgaat, volgt hier echter eene andere richting, zooals óók het geval zou zijn, wanneer dit licht, bij afwezigheid van eene glasplaat, van de lucht rechtstreeks in het water overging.

Slechts in één geval zal het licht zich ook in het water volgens de oorspron-kelijk gevolgde richting voortplanten, namelijk wanneer het invallende licht loodrecht op het voorvlak der glasplaat valt.

ocr page 245

-78. Zij lt;dgt; (vgl. fig. lliü) het platte grensvlak tusselien twee niidilelstolfon, bijv. lucht eu wuter; lm een straal, volgens welken lucht valt op het grensvlak; de lijn van m naar het deelpunt 40 (waarbij wij de letter x geiilaatst willen

denken) de straal, volgens welken dit licht zich in liet water voortplant. Deze lijn vormt met de vorige (lm) eene „gebrokenquot; Ujn; vandaar de uitdrukking, dat het licht, by z\jn overgang van de eene in lie andere middelstof, gebroken wordt.

Men noemt nu weder lm den invallenden straal; m het punt van inval; sin de normaal op het grensvlak in het punt van inval; L lm» tien hoek van inval; voorts mx. den gebroken straal; L omx den hoek van bre-k i ii g.

Donken wij ons uit het punt van inval m als middelpunt, met willekeurigen straal, een cirkel beschreven, dan snijdt deze den invallenden straal ergens ine, den gebroken straal ergens in x. Trekken wij vervolgens uit elk dezer snijpunten eene loodlijn op de normaal so, dan ontstaan de lijnen cd en xh, die in de meetkunde elk de sinus van den bij behoorenden hoek genoemd worden: cd de sinus van den hoek van inval [cd. — sin gt;): xh de sinus van den hoek van breking (xh — sin r).

Meting en theorie hebben tusschen den invallenden straal, den gebroken straal, de normaal in het punt van inval, den sinus van den hoek van inval en den sinus van den hoek van breking eene bepaalde betrekking leeren vinden, die uitgedrukt wordt in de volgende

WETTEN (VAN SNELLIUS) DER UREKING.

1° Wordt licht, bij zijn overgang van de eene middelstof in eene andere, gebroken, dan valt hel vink van den hoek van inval samen met dat van den hoek van breking.

2* De. si nies van den hoek van inval gedeeld door den sinus van den hoek van breking geeft een quotient, dat alleen afhangt van den aard der door het grensvlak geseheiden middels to ff en.

Wanneer (vgl. fig. 129) bijv. aan den invallenden straal rm tie gebroken straal m (20) beantwoordt, die de cirkelomtrek in LJO (waarbij wij de letter ij geplaatst willen denken) treft, dan is, volgens de 2de wet der breking:

sin L rins _ sin L Ims

sin L omij sin L omx

Aan dit standvastig quotient geelt men den naam van brekings-index.

ocr page 246

234

In het gestelde voorbeeld viin fig. 129, waur liet licht van lucht in water

overgaat, is het quotient der beide sinussen ^/M.) ongeveer gelijk ^ .

Men drukt dit uit, door te zeggen, dat de „brekings-index van waterquot; ten 4

opzichte van lucht -y- bedraagt.

In liet volgende tabelletje vindt men de brekings-indices van eeuige zelfstandigheden ten opzichte van lucht:

Water 1,34. Canada-balsem 1,53.

Aether 1,36. Crown-glas 1,53—1,(53.

Alcohol 1,37. Plintglas 1,62—1,79.

Gewoon glas 1,53. Diamant 2,47.

Valt de invallende straal samen met de normaal op het grensvlak, dan gaat hel licht ongebroken van de eene middelstof in de andere over.

279. Wanneer bij den overgang van licht van eene middelstoi A in eene tweede middelstof B de sinus van den hoek van inval zich tot dien van den hoek van breking verhoudt als a. : I), dan is, volgens hetgeen het onderzoek

1) Willebrord Snellius, gcb. 1581 t(ï Leiden on aldaar gost. 1G2G.

ocr page 247

leert, bij ilea overgang van licht van B in A, die verhoiuling ile oingekeenle, namelyk van h-.d. Hieruit laat zich verklaren, dat de lichtstraal, volgen.s welken liet licht uit oene phianparallelle glasplaat treedt, evenwijdig is aan dien, volgens welke het aan de andere zijde van het glas invalt. De uittredende lichtstraal is Kig, 130, alleen een weinig zijdelings verschoven (vgl. fig. 130)

en wel des te meer, naar mate de plaat dikker is.

Wanneer bü den overgang van licht van de eene mid dels tof in de andere de hoek van breking kleiner is dan de hoek van inval, dan heet de laatste middel-stof ,optischquot; dichter dan de eerste; in het omgekeerde geval heet zü optisch minder dicht.

2S(). Nauwkeurige metingen hebben geleerd, dat, wanneer aan het grensvlak van twee middelstoffen licht van de eene in de andere binnendringt, dit altijd slechts een gedeelte is van het licht, dat op het grensvlak invalt; de terugkaatsing van een ander gedeelte gaat hiermede onveranderlijk gepaard. De hoeveelheid, die teruggekaatst wordt, hangt af van de grootte van den hoek van inval en van den aard der beide middelstoffen.

Van een bundel, volgens evenwijdige stralen invallend licht wordt dooiwater 1,8 0/0, door glas 2,5 0/o, door kwikzilver 66,6 0/0 teruggekaatst, wanneer de stralen loodrecht op het grensvlak vallen. Treffen de stralen het grensvlak in schuinsche richting, dan wordt een grooter bedrag teruggekaatst en wel des te meer, naar mate de hoek van inval grooter is. Door water wordt byv. by een hoek van inval van 40°, 60°, 80°, SO'/jj0 respectievelijk 2,2 0n, 6,5 0/0, 33,3 110, 72,1 0'ft teruggekaatst.

In enkele bijzondere gevallen, wordt aan het grensvlak al het invallende licht teruggekaatst, een verschijnsel, dat zich alleen kan voordoen, wanneer het in zekere middelstof voortgeplante licht het grensvlak van eene andere middelstof treft, die „optischquot; minder dicht is.

In fig. 131 zij KS de doorsnede van het grensvlak tusschen de middelstoffen l' en Q, van welke P „optischquot; dichter is dan Q. Het licht, dat zich in P volgens den straal Al voortplant, gaat in de middelstof Q over en plant zich hier voort volgens den gebroken straal IA', zoodanig dat L L'IA' gt; L LIA. Het licht, dat volgens den straal 151 invalt, wordt gebroken volgens den straal IB, waarbij L LIB gt; L MB.

Op deze wijs voortgaande, zal men, daar de hoek van breking sneller dan de hoek van inval tot 90° nadert, volgens de 2de wet van Snellius, een hoek van inval kleiner dan 90° kunnen vinden, aan welken een hoek van breking van 90° beantwoordt. Voor zulk een hoek van inval kan, volgens de wet van breking, geen eigenlijke overgang van licht in de nieuwe middelstof meer plaats hebben. Deze hoek van inval is dan a. h. w. de grenswaarde, beneden welke er nog een overgang van licht van de eene middelstof in de andere mogelijk is, boven welke dit niet meer mogelijk is. Men geeft aan dezen hoek van inval daarom den naam van grenshoek.

Voor den overgang van licht van water in lucht heelt de grenshoek eene waarde van ongeveer 481/a0: voor den overgang van glas in lucht van gemiddeld 41°.

ocr page 248

236

Wanneer mi licht zoodanig op liet grensvlak valt, bijv. volgens den straal ('I, dat de hoek van inval grooter is dan de grenshoek, dan gaat van dat yjg |31 licht niets in de andere middel-

stof over; doch het wordt in i -1/ zijn geheel, volgens de be

kende wetten der terugkaatsing, in ons voorbeeld volgens den straal T(T, teruggekaatst. Men geeft aan dit verschijnsel den naam van totale terugkaatsing. De waarde van den „grenshoekquot; bedraagt voor lucht en

Water 48° 35' Alcohol 46° 52' Crown-glas 40° 41) Flintglas 37° 36' Diamant 23° 53'.

Zij in lig. 132 de rechthoekige, gelijkbeenige driehoek ABC de dwarse doorsnede van een recht driezijdig prisma van glas; L een lichtpunt, van waar het licht uitgaat, dat volgens den straal La, loodrecht op AB, het grensvlak AB treft. Het licht vervolgt, zonder gebroken te worden, zyn weg in liet glas en treft in i het grensvlak AC, onder een hoek van inval {L aic)

van 45°. Deze hoek grooter zijnde dan de grenshoek, kan het licht niet in de lucht overgaan, maar wordt „totaal teruggekaatstquot; volgens den straal id, loodrecht op het grensvlak BC. Het teruggekaatste licht gaat hier in de lucht over en plant zich, zonder gebroken te worden, voort, totdat het in O een daar aanwezig oog binnendringt. De waarnemer meent nu in L' het lichtpunt te zien, dat zich in werkelijkheid in li bevindt. Op deze w\js kan van een glazen prisma partij getrokken worden tot het vervangen van een gewonen spiegel.

281. Onderstellen wy, dat in fig. 133 de gelijkzijdige driehoek ABC de dwarse doorsnede is van een recht, driezijdig glazen prisma en dat L een lichtpunt is, van waar volgens verschillende stralen, o. a. volgens La, licht uitgaat naar het grensvlak AC. Nemen wij nu aan, dat de brekingsindex van het glas,

waaruit het prisma bestaat, gelijk is aan y , dan valt het gemak kei ij k, volgens

de bekende wetten der breking, de lynen te construeeren, volgens welke het licht zich zal voortplanten. De gebroken straal nb is zoodanig geconstrueerd,

3 3

dat cd = 2 e!\ en de gebroken straal bL' zoodanig, dat ik — ^ gh. Bevindt zich

ocr page 249

237

in L Lquot; een scherm, dan zal dit in punt L' verlicht worden, terwijl het volgens La uitgestraalde licht, /onder de aanwezigheid van het prisma, het scherm in 17 zou treffen. Toetst men de uitkomst dezer redeneering aan de proefneming, dan wordt Fi 133 zij door deze slechts ten deele be

vestigd. Wel leert de proef', dat het gedeelte van het scherm, waarop het licht valt een ander is dan Lquot;; doch — wat uit al liet voorgaande niet te verwachten was — dit verlichte gedeelte is nu niet meer een enkel punt, maar eene streep, die uit de aaneenschakeling van verschillend gekleurde onderdeden bestaat.

Bevindt zich in het scherm eene kleine opening, waardoor een klein gedeelte van het op een scherm vallende gekleurde licht heengaat en plaatst men op den weg van dit licht een tweede prisma, dan vertoonen zich opnieuw de brekings-verschijnselen, ditmaal geheel zooals de bekende wetten der breking het doen verwachten en zonder opnieuw van kleur te veranderen, onverschillig van welke kleur het licht mag zyn, dat men door de opening laat gaan.

lichtsoort, waaraan de kleinste die, waaraan de grootste index beantwoordt, paars licht te zijn. Tusschen deze roode en paarse einden der gekleurde lichtstreep neemt men een onbepaald aantal overgangen waar, waarin zich, van het rood naar het paars, de vol-„ gende „hoofdkleurenquot; laten onderscheiden : oranje, geel, groen, blauw, , indigo. Men geeft aan de geheele gekleurde streep den naam van spectrum en aan de kleuren, die liet samenstellen, dien van spectrale kleuren.

„In het jam- 1GGG verschafte ik mij oen driehoekig glas-prisma, om claurmede de beroemde kleurverschijnselen te onderzoeken. Daartoe mijne kamer donker en een klein gat in de blinden gemaakt hebbende om de goede hoeveelheid zonlicht binnen te laten, plaatste ik mijn prisma vlak \o()i il( openinj,', opdat het licht daardoor naar den tegenoverliggenden wand zon gebroken worden. Hot was in 't eerst een genoeglijk tijdverdrijf, do daardoor teweeggebrachte levendige en sterke kleuren te beschouwen; doch daarna ze meer nauwkeurig onderzoekende, stond ik verwonderd, dat zij eene langwerpige figuur vormden en niet eene ronde, zooals ik volgens de aangenomen wetten dor breking verwacht had. Op zijde waren zij door rechte lijnen begrensd; maar aan do twee uiteinden had or zulk ocno trapsgewijze vermindering dor lichtsterkte plaats, dat het moeilijk was te bepalen in wolken vorm zij eindigden; toch scheen mij het oindo halfcirkelrond toe.

„llo lengte van dit gekleurde spectrum mot zijne breedte vorgolijkende, vond ik do eerstr ongeveer vijfmaal zoo groot als do laatste; eene wanverhouding, zoo buitengewoon, dat. ik meer

Bezigt men zonlicht, dan blijkt de brekings-index beantwoordt, rood licht,

ocr page 250

2:?8

dun gewoon werd opgewekt om de reden hiervan op te sporen. Ik kon haast niet gelooven , dat de verschillende dikte van het glas of de begrenzing door schaduw of duisternis eenigen invloed op het licht kon hebben, waardoor zoo iets werd teweeggebracht; toch kwam liet mij niet onraadzaam voor, deze omstandigheden eerst te onderzoeken; en zoo ging ik na, wat er gebeurde, wanneer licht gelaten werd door deelen van het glas, die verschillende dikte hadden, of door gaten in het blind van verschillende grootte, of door het prisma aan den buitenkant te plaatsen, zoodat het licht er doorheen kon gaan en gebroken kun worden , vóórdat het door het gat begrensd werd; ik vond echter, dat geen dezer omstandigheden van invloed was. De kleuren bleven er in al deze gevallen dezelfde om.

„Toen wierp ik het vermoeden op, of de kleuren zoo uitgerekt zouden kunnen zijn wegens onetfenheden of eene andere onregelmatigheid in het glas. Om dit uit te maken nam ik een tweede prisma, gelijk aan het vorige, en plaatste dit zoo, dat het door de twee prisma's gaande licht door het eene gebroken werd in een zin tegengesteld aan dien, waarin liet door het andere gebroken werd, zoodat het door het tweede weer de richting kon aannemen, waarvan het eerste het had afgeleid: aldus, meende ik, zouden de regelmatige uitwerkselen van het eerste prisma door het tweede worden opgeheven; de onregelmatige uitwerkselen echter, door vermeerderde breking, toenemen. Met resultaat was, dat het, door het eerste prisma langwerpig uitgerekte, licht door het tweede prisma tot eene cirkelronde figuur werd gemaakt, zoo regelmatig, alsof er in 't geheel geen prisma's aanwezig waren. Zoodat, wat ook de oorzaak van de uitrekking mocht zijn, zij zeker niet kon worden toegeschreven aan eene of andere toevallige on regel mjitigheid.

„Toen begon ik meer critisch te onderzoeken, wat het gevolg zou kunnen zijn van den verschillenden hoek van inval van stralen, die van verschillende gedeelten der zon afkomstig waren: en met dit doel mat ik de verschillende tot het beeld behoorende lijnen en hoeken.

......„Het onderzoek leerde echter, dat hierin de reden niet was gelegen.

„Toen begon ik vermoeden, of de stralen, na haar gang door het prisma, zich niet in kromme lijnen zouden bewegen, en, naar de meerdere of mindere kromming, op verschillende deelen van den wand terecht zouden komen......Niettegenstaande ik aannemelijke gronden voor dit vermoeden had, kon ik, toen ik aan het onderzoeken ging, geen kromming in de stralen waarnemen.

„Al deze vermoedens achtereenvolgens weerlegd zijnde, kwam ik eindelijk tot het „kruis-expe-rimentquot;, de proef op de som, hierin bestaande: Ik nam twee schermen, en plaatste het eene vlak achter het prisma hij het raam, zoodat het licht door een klein in het scherm gemaakt gat kon dringen en op het andere scherm kon vallen, dat ik op een afstand van ongeveer 12 voet plaatste, na ook hierin eerst een klein gat gemaakt te hebben om er een gedeelte van het opvallende licht door te laten. Toen plaatste ik een tweede prisma achter dit tweede scherm, zoodat het door de beide schermen doorgelaten licht ook door dit prisma mocht gaan en nog eens gebroken worden, vóórdat het den wand bereikte. Dit gedaan zijnde, nam ik het eerste prisma in de hand, en draaide het om zijne as langzaam heen en weer, zoodat de verschillende deelen van het op het tweede scherm geworpen beeld, achtereenvolgens door het er in aanwezige gat vielen, om te kunnen waarnemen, naar welke plaatsen van den wand liet tweede prisma ze toe zou breken. Kn ik zag, aan het veranderen van die plaatsen, het licht, dat aan het einde van het beeld viel, waarheen de breking van het eerste prisma gericht was, in het tweede prisma eene aanmerkelijk grootere breking ondergaan dan het licht, dat aan het andere einde viel. En zoo bleek dus, dat de ware oorzaak van de lengte van dat beeld geen andere was, dan deze, dat licht niet homogeen is, maar uit onrjelijke stralen bestaat, waarmu sommitje meer breekbaar zijn dan andere, zoodat bij gelijken hoek van inval in dezelfde middelstof, eenige sterker gebroken zullen worden dan andere; en dat zij daarom, volgens hun bijzonderen (/raad vau breekbaarheid, door het prisma werden doorgelaten naar verschillende deelen van den tegenovergestelden wand.'quot; ')

«82. Eene spectrale kleur moet niet verward worden niet de daarmede overeenkomstige kleur, die een of ander voorwerp ons te zien geeft. De gewone

1) Newton. Brief aan Oldenbunj,

ocr page 251

230

kleu?' vim een groen geverfd oppervlak bijv. kan wellielit, dezelfde gewaarwording in ons opwekken als do eene of andere nuance van liet spectrale groen. Toch bestaat er verschil; want wanneer het door het groen geverfde oppervlak uitgezonden licht door een prisma valt, blijkt het „samengesteldquot; licht te zijn: het wordt namelijk ontleed en er ontstaat een „spectrumquot;. Dit spectrum is wel niet uit al de kleuren van het zonnespectrum samengesteld; maar bevat toch altijd een grooter of kleiner getal kleurschakeeringen. Eene spectrale kleur daarentegen laat geen verdere ontleding of kleurschifting meer toe en wordt dus door „enkelvoudigquot; licht gevormd.

283. In § 272 is er reeds op gewezen, dat door een lichaam eene zoodanige wijziging in de eigenschappen van het invallende licht teweeggebracht kan worden, dat de gewaarwording van kleursverschil wordt opgewekt. In verband met het voorgaande komt deze wijziging hierop neder, dat van de verschillende lichtsoorten, die het op een lichaam vallende licht bezit, slechts sommige worden teruggekaatst; terwijl andere in het lichaam worden uitgedoofd of, zooals men zegt, „geabsorbeerdquot;, d. i. opgeslorpt.

Wordt een lichaam door zonlicht of zoogenoemd „witquot; licht verlicht en worden alle daarin bevatte lichtsoorten zonder uitzondering teruggekaatst, dan wekt het voorwerp de gewaarwording van wit in ons op; wordt daarentegen alles geabsorbeerd, dan wordt hoegenaamd geen gewaarwording van licht opgewekt en het voorwerp wordt zwart genoemd.

Voorwerpen, die volkomen wit of' volkomen zwart zijn, kennen wij niet.

284. Worden van het op een voorwerp vallende witte licht bepaalde lichtsoorten geabsorbeerd, de overige teruggekaatst, dan wekken deze laatste, in ons oog vallende, eene bepaalde kleursgewaarwording, b^jv. van rood, in ons op. Bestaat bij de verlichting van een ander voorwerp de omgekeerde verhouding, in dien zin, dat het in het vorige geval teruggekaatste licht wordt geabsorbeerd en het overblijvende teruggekaatst, dan wordt eene geheel andere kleursgewaarwording, in dit geval van groen, opgewekt.

Wanneer twee kleuren zoodanig zyn samengesteld, dat het licht waaruit de eene ontstaat, gevoegd bij het licht, waaruit de andere ontstaat, wit licht vormt, dan noemt men deze kleuren complementaire kleuren.

Groen is de „complementairequot; kleur van rood.

285. Een lichtbrekend lichaam, dat in 't algemeen door twee gebogen oppervlakken begrensd wordt, heet eene lens.

De lens heet spherisch, wanneer de grensvlakken deelen van een bol-oppervlak zijn. Is een der grensvlakken een plat vlak, dan kan dit als een deel van een bol-oppervlak beschouwd worden, welks kromte-straal oneindig groot is.

De rechte lyn, die door de middelpunten van kromming der beide grensvlakken gaat, heet de hoofdas der lens. Is een der grensvlakken een plat vlak, dan wordt de „hoofdasquot; voorgesteld door de loodlyn, uit het eenige middelpunt van kromming op het platte grensvlak getrokken.

Eene doorsnede van de lens, gaande door de hoofdas, noemen vvy eene „hoofddoorsnedequot;. In ligg. 135 en 136 zijn de hoofddoorsneden der gebruikelijke leuzen-vormen voorgesteld.

ocr page 252

240

28(», De giin^ der uit een lichtpunt afkomstige lichtstralen van eene bepaalde lichtsoort in zulk eene hoofddoorsnede kan door constructie en door berekening

bepaald worden, wanneer de index van breking, die aan de gegeven lichtsoort beantwoordt, bekend is.

De uitkomst dezer berekening moge hier worden medegedeeld voor het geval, dat het lichtgevend punt op de hoofdas gelegen is. dat de gebezigde oppervlakken der lens klein zijn met betrekking tot het oppervlak van den bol, waartoe zij behooren en dat de dikte der lens mag verwaarloosd worden.

De berekening leert dan, dat de van het gegeven lichtpunt uitgaande stralen, na door de lens gegaan te zijn, een zoodanig verloop aannemen, dat z\j alle een gemeenschappelijk, op de hoofdas gelegen, snijpunt hebben, waaraan de naam van brandpunt, ook wel van Bbeeldquot;punt, gegeven wordt.

Tusschen het „lichf'punt en zijn „brandquot;- of ,beeldquot;punt bestaat deze betrekking, dat lichtpunt en brandpunt met elkander van plaats verwisselen, wanneer men het lichtpunt in de plaats van zyn gewezen brandpunt overbrengt. Daarom noemt men beide punten geconjugeerde of koppel-punten.

287. De, op de hoofdas gemeten, afstand van het „lichtpuntquot; tot de lens z\) p; die van zyn „brandpuntquot; tot de lens p1; de kromtestraal van het „eerstequot; of voorste brekende grensvlak (d. i. het oppervlak der lens, dat het eerst door het licht getroffen wordt) li, ; die van het „tweedequot; brekende grensvlak R2; de brekings-index der lens voor de gebezigde lichtsoort n; dan vindt men door wiskundige afleiding de volgende betrekking:

(1)

in welke, voor alle splierische lenzen geldige, vergelijking de waarden p', p, li, en Rj als positief in rekening moeten gebracht worden, wanneer de er door voorgestelde afstanden aan dien kant der lens liggen, van waar het licht komt; en als negatief, als deze afstanden aan den tegengestelden kant der lens gelegen zijn.

Voor onderling en met de hoofdas evenwijdig invallende stralen kan men het „lichtpuntquot; als op oneindigen afstand gelegen beschouwen, zoodat in de bovenstaande vergelijking (I)

« oo en ^ — 0 wordt.

p

liet brandpunt van evenwijdig invallende stralen beet het boofdbrand-

ocr page 253

241

punt. Den hoofdbrandimntsafstaml voorstellende door /, verandert dus de vergelijking (l) in:

(2)

Door substitutie van (2) in (1) vinden wij verder:

Past men vergelijking (2) toe op de verschillende in fifrg. 1^5 en 136 voorgestelde lenzenvonnen, dan zal blijken, dut die van fig. 135 eene negatieve, die van fig. 136 eene positieve waarde voor ƒ geven. In het eerste geval is het hoofdbrandpunt reëel, in het tweede geval virtueel; terwijl de lens in het eerste geval con vergeerend, verzamelend of positief, in het tweede geval di vergeerend , verstrooiend of negatief geheeten wordt.

De drie soorten van positieve lenzen, die in fig. 135 zijn voorgesteld, zijn de biconvexe, plaan-convexe en concaaf-convexe; de drieërlei negatieve lenzen van fig. 136; de biconcave, plaan-concave en convex-concave.

Evenals van de hoofdbrandpunten zeyt men van de overige brandpunten, dat zij reëel of virtueel zijn, wanneer de brandpuntsafstand /*' in de vorige vergelijkingen respectievelijk negatief of positiel is.

2S8. Onder de stralen, volgens welke het invallende licht het eerste grensvlak der lens treft, zijn er, die zoodanig gebroken worden, dat de uit de lens tredende stralen daaraan evenwijdig zijn. Alle stralen, waarmede dit het geval is, gaan door een zelfde op de hoofdas gelegen punt, dut het optisch middelpunt der lens heet.

Het „optisch middelpuntquot; eener dubbel-bolle, evenzoo dat eener dubbel-holle lens, welker beide grensvlakken onderling gelijke kromtestralen bezitten, valt samen met het meetkundig middelpunt der lens.

Het optisch middelpunt eener plaan-convexe lens, evenzoo dat eener plaan-concave lens, valt samen met het snijpunt van de hoofdas en het gebogen oppervlak.

Verwaarloost men de dikte der lens, dan kan men zeggen, dat het door het optisch middelpunt der lens gaande licht zich ongebroken voortplant.

«80. Elke rechte lijn, die door het optisch middelpunt der lens gaat, behalve de hoofdas, heet eene b ij as of secundaire as.

Is het lichtpunt, waarvan het op de lens vallende licht afkomstig is, niet op, maar dicht bij de hoofdas gelegen, dan wordt er van dit lichtpunt een „beeldquot;-of' brandpunt gevormd, dat op de door het gegeven lichtpunt gaande secundaire as der lens gelegen is.

Een der stralen gaat, ongebroken, door het optisch middelpunt; een tweede straal, die evenwijdig aan de hoofdas invalt, gaat, na breking, door het hoofd-brandpunt der lens; het snijpunt der beide beschouwde stralen is het beeldpunt van het gegeven lichtpunt.

Voor de berekening van den afstand tusschen dit beeldpunt en de lens kan verg. (2) van 55 287 dienst doen.

Bevindt zich een stelsel van lichtpunten, bijv. een lichtgevend voorwerp,

salveuda en lk uoY, NatuurkciiJiis, 11. 2cln druk. 10

ocr page 254

242

vóór de lens, dan kan, volgens bovenstaande, van elk' lichtpunt in 't bijzonder het overeenkomstige beeldpunt gevonden worden. De vereeniging dezer beeldpunten vormt het „beeldquot; van het voorwerp.

Het door tusschenkomst eener lens gevormde beeld van een voorwerp kan zijn: reëel en virtueel, omgekeerd en rechtopstaand, vergroot en verkleind ot even groot als het voorwerp.

290. Indien het lichtpunt wit licht op de lens doet vallen, heefter, behalve breking, ook kleurschifting plaats en, daar de brekings-mdices voor de verschillende lichtsoorten verschillen, zullen de brandpunten der stralen van verschillende kleur ook op onderling verschillende afstanden op de hoofdas gelegen zijn. Dit maakt, dat het op een scherm opgevangen „beeldquot; van een wit lichtpunt niet een puut is, maar eene kleinere of grootere, cirkelvormige lichtvlek, die uit concentrische ringen van de verschillende spectrale kleuren bestaat. Deze kleurschii'tende eigenschap eener lens noemt men haar chromatismus.

391. Binnen in het oog liggen eenige doorzichtige weefsels, die te zamen,

ten opzichte van het op het oog vallende licht, op de wijze eener lens werken. Door hunne tusschenkomst toch kan van lichtgevende voorwerpen, die zich buiten het oog bevinden, een „beeldquot; gevormd worden op het achter de brekende middelstott'en gelegen „netvliesquot;. Zoodra het beeld zich op het netvlies bevindt, krijgen wyeenege-zichtsgewaarvvording, hierin bestaande, dat wij het voorwerp zien; wordt het beeld reeds vóór het netvlies gevormd, of is de gang der

lichtstralen zoodanig, dat het beeld zich eerst op eene achter het netvlies gelegen plaats zou kunnen vormen, dan zien wij het voorwerp öf niet, óf onduidelijk.

1) Fig. 1.37. Schematische voorstelling ccner horizontale doorsnede van het menschelijk ooj;. 15 — bindvlies (conjunctiva), buitenbeldeeding van het uitwendig zichtbare gedeelte van het oog, dat zich voortzet op de binnenvlakte der oogleden; Mo = harde oogrok (sclera); II = hoornvlies (cdrnea), de doorzichtige voortzetting der sclera, die sterker gewelfd is dan het overige bol-segment van het oog; l{b =: regenboogvlies (iris), mot eene ronde opening P — pupil; de iris is de voortzetting van het tegen de sclera aanliggende V = vaatvlies; GZ = gezichtszenuw, die zich uitbreidt in N = netvlies (réthin); gvl = gele vlek, het gevoeligste gedeelte van het netvlies; Wv = waterachtig vocht; L = kristallens; 011= glasliehaam, dat omhuld is door 01 = glasvlies, aangeduid door de stippellijn. Het glasvlies vormt meteen een deel van de kapsel der kristallens; Stl = straalliehaam, eene geplooide verdikking van het vaatvlies, tusschen welke en de sclera eene „accominodatie^-spier is uitgespannen, die. bij verkorting, de lens een weinig ontheft van de haar afplattende spanning harer kapsel.

ocr page 255

243

292. Bij het gebruik eeuer glas-lens beantwoorden aan verschillende voor-werps-afstandon verschillende beeld-afstanden. Wilde men ecliter aan verschillende voorwerps-alstanden één zelfden beeld-afstand laten beantwoorden, dan zon voor eiken anderen voorwerps-afstand eene andere lens in de plaats der vorige gesteld moeten worden.

[ets dergelijks heeft in het oog plaats. Onze landgenoot Dr. Cramer, een leerling van Donders, heeft bewezen '), dat wij onbewust het vermogen bezitten, aan de kristallens voor het zien in de nabijheid eene sterkere kromming mede te deelen. Aan dit vermogen geelt men den naam van accommodatie-vermogen. Daar deze verandering in den toestand der lens door tusschenkomst van spierwerking tot stand komt, kan men van eene accommodatie in „rustquot; en in „werkingquot; spreken. Rusten de accommodatie-spieren, dan is de lens een weinig uitgerekt en afgeplat, zoodat op het netvlies een beeld ontstaat van de verst afgelegen voorwerpen, of een brandpunt van het volgens evenwijdige stralen invallende licht; terwijl voor de vorming van een beeld daar ter plaatse van dichter bij gelegen voorwerpen, de werking der accommodatie vereischt wordt. Dat het accommodatie-vermogen zijne grenzen heeft, blijkt uit het feit, dat van zeer dicht nabij het oog gelegen voorwerpen geen scherp beeld op het netvlies gevormd wordt, zoodat wij deze voorwerpen ook niet duidelijk zien. Vermindert de voorwerps-afstand van oneindig ver tot ongeveer 10 M., dan is, by gelijk blijvende kromming der lens, de verandering in den beeld-afstand zoo gering, dat de accommodatie binnen dezen voorwerps-afstand in rust kan blijven Eerst voor afstanden, kleiner dan 10 M., wordt de accommodatie een bepaald vereischte.

29S. Wat in het voorgaande omtrent de breking van het licht in het oog en ile „accommodatiequot; van dit orgaan is medegedeeld, geldt alleen van een normaal of, zooals Donders het genoemd heeft, van een emmetroop oog, dat is een oog, dat de goede maat heelt.

Ook van een emmetroop oog wordt het accommodatie-vermogen, door vermindering van de veerkracht der lens, met den leeftijd zwakker, zoodat het zien van dichtbij gaandeweg lastiger wordt. Het oog wordt dan, zooals het heet, vérziend of presbyoop (pmamp;its = oud). De presbyopic begint gemiddeld met het 40ste levensjaar.

Onder de afwijkingen van het niet-emmetrope oog zy n de eenvoudigste die, bij welke in den rusttoestand van het oog het brandpunt der evenwijdig invallende stralen vóór of achter het netvlies gelegen is. In het eerste geval, wanneer, omdat het oog te lang is, de breking in de middelstolien te sterk is om een scherp beeld op het netvlies te doen ontstaan, heet het oog myoop ol bijziend; in het tweede geval, wanneer, omdat het oog te kort is, de breking te zwak ia, heet het hyper metro op of over vér ziend.

Deze afwijkingen kunnen door middel van lenzen („brilquot;) „gecorrigeerdquot; worden. De „sterktequot; dezer lenzen, 't/.ij positieve of negatieve, wordt omgekeerd evenredig gesteld met haar hoofdbrandpuntsafstand. De „éénheid van sterktequot;

I) Dr. A. Cramer, Over den grond en de oorzaak van het accommodatie-vermogen der oogen. IVijsverhandeling, in 1852 door de „liollandschc maatschappij van wetenschappen te IIaarlem',, beliroond.

IG*

ocr page 256

244

wordt toegekend aan eeue lens, die een positieven ol' negatieven hoofdbrand-puutsafstand van I M. heelt. Deze éénheid draagt den naam van dioptrie. Eene lens van o dioptrieën is dns eene negatieve lens, welker hoofdbrand-puntsaistand — '/s M. bedraagt.

De tnan, lt;lic vuor gued de brillen-kwcstie wetenschappelijk hoeft opgelost, was de lUreehtsche Ilooglccraar Duudvrs (1818—188!)). Vóór hem „heerschte de grootste wanorde en willekeur, zoodra het er op aankwam door geslopen glazen de tekortkomingen van het oog te verbeteren.quot; ')

1) Ur. B. J. Stokvis, „Professor Donders'quot;, in; Mannen van Beteekenis in onze dagen. Haarlem. II. D. Tjeenk Willink. Als bijdrage tot waardeering van de groote mannen, die Nederland heeft voortgebracht, zou ik deze uitstekend geschreven schets voor elke schoolbibliotheek — zoo al niet rechtstreeks voor de leerlingen, dan voor den onderwijzer — willen aanbevelen.

ocr page 257

245

„Hü heeft zich van do lichtstralen meester gemaakt, om ze, in moeilijke gevallen, in de goede baan naar liet oog tc leiden.',, (Muleschod).

„Donders, de physioloog bij uitnemendheid, bracht orde en regelmaat aan. Hij wist, voelde en

leerde, dat meten, wegen en tellen bij elk natuuronderzoek de hoofdzaak is.....Donders leert,

dat een oog in de maat is, zoodra de brekende middenstoffen in staat zijn, om bij volledige rust van het oog de stralen, die van het een of andere voorwerp evenwijdig in het oog vallen, zoo te vereenigen en te geleiden, dat zij een scherp beeld het netvlies geven. Dat is het emmetro-pische oog.v, {Stokvis). Valt het beeld vóór het netvlies, dan is het oog te lang, boven de maat: hf!permetroop; zou het er achter vallen, dan is het oog te kort of onder de maat: brachjimetroop. „Met deze eenvoudige indeeling, zoo eenvoudig, dat zij aan het ei van Columbus herinnert, is het nu mogelijk elk oog als optisch werktuig te rangschikken en de fouten, die het heeft, naar vaste regelen te verbeteren.quot;

Donders verkoos de uitdrukking em me troop in plaats van de gebruikelijke uitdrukking normaal oog, omdat emmetropische oogen nog aan allerlei andere gebreken kunnen lijden en dus volstrekt niet „normaar'' behoeven te zijn. De groote vooruitgang, die door Donders bewerkt is, hangt vooral hiervan af, „dat hij de verschijnselen, die behooren bij een abnormalen graad van breking in den rusttoestand van het oog, bij de accommodatie voor de verte, gescheiden heeft van die, welke betrekking hebben op den grooteren of kleineren omvang der accommodatie en die dus bestaan in eene verandering van den brekingstoestand door spierwerking.,, (Ilehnholt:].

'ilU. Het onderzoek heeft geleerd, dat rechte lijnen, die de punten van een voorwerp niet de overeenkomstige punten van zijn scherp netvliesbeeld verbinden, alle door eenzelfde in het oog gelegen punt gaan, waaraan men den naam van knooppunt gegeven heeft. Het ,knooppuntquot; ligt in de kristallens, dicht by haar achterwand. Zij in fig. 138 ah een voorwerp, welks netvliesbeeld in het Kijr. 138, voor zijn afstand geaccommodeerde oog zich

(y in ah' bevindt; dan is k het knooppunt en

f 7 ^L aldgt; de zoogenoemde „gezichtshoekquot;,

onder welken het voorwerp gezien wordt. Hoe grooter de gezichtshoek is, of hoe grooter de door het beeld bedekte netvlies-oppervlakte is, des te grooter zien wij het voorwerp. Vallen de punten a' en lgt; al te dicht bij elkaar, dan kan men /,e evenmin onderscheiden als dat men twee al te dicht bijeen geplaatste naaldpunten door betasting met de vingers kan onderscheiden.

Het is duidelijk, dat de gezichtshoek grooter wordt, door het voorwerp dichter bij het oog te brengen.

In geval nu een voorwerp wegens te kleinen gezichtshoek niet duidelijk onderscheiden kan worden, kan men den gezichtshoek vergrooten door het voorwerp dichterbij te brengen; doch daarbij wordt de afstand tusschen het voorwerp en het oog ten slotte zoo klein, dat de grens van het accommodatie-vermogen overschreden is en de breking van het oog onvoldoende is om een scherp netvliesbeeld te voorschijn te roepen. Men kan in zulk een geval de acconnno-datie aanvullen door tusschen het oog en het voorwerp eene convergeerende lens te plaatsen, binnen welks hoofdbrandpuntsafstand zich het voorwerp bevindt (vgl. tig. 139). De van elk punt uitgaande stralen vallen daardoor minder divergent, dus als waren zij van een verder afgelegen punt afkomstig, in het oog, zoodat nu de van hetzelfde punt afkomstige stralen zich in een op het netvlies gelegen beeldpunt kunnen vereenigen. De gang der van het punt a afkomstige lichtstralen is, na door de lens gegaan te zijn, dezelfde als die der uit d afkomstige

ocr page 258

stnileii, /.under luns. (N.H. () is liet optisch midilolpunt, OPdehoofdbranilpunts-afstand). Het voorwerp ah, door de lens bezien, maakt dus denzelfden indruk

als het voorwerp nb' zonder lens gezien. Ware liet knooppunt van liet oog in het optisch middelpunt O der lens gelegen, dan zou de gezichtshoek, waaronder n'h' gezien wordt, gelijk zijn aan dien, waaronder ah gezien wordt. Nu het knooppunt van het oog achter de lens ligt, wordt ah' onder een grooteren gezichtshoek gezien , zoodat de nadering van al) tot het oog, gepaard met het gebruik der lens, inderdaad eene ,vergrootingquot; van het voorwerp tengevolge heeft. De voor dit doel gebruikte lens heet enkelvoudig microscoop of loupe. Zulk eene loupe werkt als vergrootglas.

21)5. V oor verafgelegen voorwerpen is de loupe van geen nut. Om deze onder een grooteren gezichtshoek te kunnen zien, ontwerpt men er door middel van eene convergeerende lens een reëel beeld van en beziet dit door eene loupe. Zoo ontstaat bijv. door de lens L (vgl. fig. 140) van liet verafgelegen voorwerp quot;h

het reëele beeld ah'. Be-

rig. 140.

vindt dit beeld zich binnen den hoofdbrandpuntsafstand der convergeerende lens L', dan kan het door deze als door eene loupe bezien worden en het beeld zal denzelfden indruk teweegbrengen, als wanneer nquot;hquot; zonder de lens 1/ bezien werd. Eene leuzen-verbinding als de boven beschrevene, waarbij een omgekeerd beeld gezien wordt, heet astronomische verrekijker. Wordt, door middel van nog eene convergeerende lens, van nh' nogmaals een recel beeld ontworpen en dit door eene als loupe dienstdoende lens bezien, dan verkrijgt men een rechtopstaand beeld; eene dergelijke leuzen-verbinding heet aardsche verrekijker.

Het samengestelde microscoop, eene uitvinding van den Middel-burgschen brillenslijper Zacharias Jansen, is niets anders dan een aardsche verrekijker voor zeer dichtbij gelegen voorwerpen, of, omgekeerd, een gewone aardsche verrekijker een microscoop voor verafgelegen voorwerpen.

Fig. 141 verduidelijkt de werking van het samengestelde microscoop in zijn eenvoudigsten vorm. Van een voorwerp aft wordt door de lens /.(objectief-lens), buiten welker hoofdbrandpuntsafstiuid het geplaatst is, een reëel beeld dh' ontworpen, dat zich binnen den hoofdbrandpuntsafstand van eene andere lens L, (oculair-lens) bevindt. Dit oculair-glas 1/ dient nu als loupe om het beeld a'b te bezien, zoodat de waiirneming hetzelfde geeft, alsof zonder de loupe L, het beeld a hquot; bezien werd.

De werking van het sainengestelde microscoop en van den verrekijker wordt

Fig. 139.

1?

ocr page 259

217

door fiff. 142 nog nader verduidelijkt. Vim het pmil a vun liet voorwerp valt een luclitbuudel op de objectief-lens L, die als een eonveryeerende lichtbundel

14| uit de lens treedt en in a

een beeld van a geelt. De lichtbundel yimt echter verder en zoo valt op de oculair-lens f/ een divergee-rende lichtbundel, die als minder sterk divergeerende bundel er uittreedt en daarbij van richting veranderd ol gebroken is, zoodat de bundel, in plaats van afkomstig te schijnen uit uit a atkomstig scliijnt te zijn. Duidelijkheidshalve is de breking van den door het optisch middelpunt gaanden (gestippelden) straal na' te groot voorgesteld.

Alle uit L tredende en

op I/ vallende stralen worden door deze lens meer convergent gemaakt.

Vervangt men de con-vergeerende lens \i door eene divergeerende lens (vgl. fig. 143), dan worden alle uit L afkomstige stralen door dit oculairglas meer divergent gemaakt, en de er uittredende stralen, die oorspronkelijk van a uitgaan, schijnen afkomstig te /ijn van a'. Op eene dergelijke lenzen-combinatie, die rechtop-

staande beelden geeft, berust ■ Ie zoogenoemde Hollandsche verrekijker (tooneelk ijker), mede eene uitvinding van den Middel burgschen brillenslij-per Zachdrias Jansen (of Lip-pershey ?).

2!M1. VV anneer een met chloorzilver gedrenkt papier aan de werking van het zonlicht wordt blootgesteld, neemt men na eenigen t^jd eene donkere verkleuring van het papier waar, teweeggebracht door eene scheikundige ontleding van het zout, waarbij zilver in fijn verdeelden toestand wordt afgezet, hetgeen aan het papier de donkere kleur mededeelt.

Op chloor zilver en verscheidene andere zelfstandiy h. eden oefent het zonlicht eene scheikundige werking uit.

Wordt een niet chloorzilver doortrokken papier blootgesteld ann de verlichting

ocr page 260

248

van liet zoiinespectruin, dan zal iu het gedeelte, dat dour het minst breekbare spectrale licht (rood) verlicht wordt, ook na langere inwerking, geen noemenswaardige verkleuring worden waargenomen; daarentegen wel in het gedeelte, dat door liet meest breekbare spectrale licht (paars) verlicht wordt.

J)e scheikundige werking van het spectrale licht neemt toe van de m i n ;gt;■ t hree 1; h a r e n a a r d e m e e s t breekbare lichtsoort.

2!)7. liij de boven vernielde proef wordt bovendien eene verkleuring, en wel de sterkste van alle, waargenomen in een irmleeUe van het papier, dat in het verlengde van het zichtbare spectrum ligt en aan het uiterste paars grenst. Hieruit trekken wij het besluit, dat er, behalve eene zichtbare, ook nog eene onzichtbare straling plaats heeft, die zich door eene sterke scheikundige werking openbaart. Naar de ligging dezer onzichtbare, scheikundig werkzame stralen, ten opzichte van de zichtbare, noemt men ze de ultra-paarse stralen van het zonnespectrum.

De scheikundige werking der stralen heeft eene belangrijke toepassing gevonden in de photographic. De zoogenoemd „gevoeligequot; plaat, waarop het met behulp der camera obscura gevormde beeld ontworpen wordt, bevat scheikundige verbindingen, die door de bestraling ontleed worden en wel te meer, naarmate de bestraling sterker is. Is nu het eene ontledingsproduct donker van kleur, dan zullen dus de sterkst verlichte gedeelten van het voorwerp op de plaat donker en de minst verlichte deelen licht uitvallen. Het aldus verkregen beeld heet het negatief, met behulp waarvan daarna een positie!, dat is aan het oorspronkelijk beantwoordend beeld verkregen wordt.

«J)8. Na het voorgaande ligt tie vraag voor de hand, of er wellicht ook onzichtbare ultra-roode stralen zijn; en inderdaad is men genoodzaakt, bet bestaan van deze aan te nemen, wanneer men de verschillende deelen van bet spectrum „thermometrischquot; onderzoekt.

Wordt een gevoelige thermometer van liet meest naar het minst breekbare gedeelte van het spectrum verplaatst, dan wordt eene toename van het warmte-gevend vermogen waargenomen; terwijl de sterkste verwarming plaats heeft in eene aan gene zijde van bet spectrale rood gelegen ruimte.

De warmte-werking van het spectrale licht neemt toe van de meest naar de minst breekbare lichtsoort; zij is het sterkst voor de onzichtbare ultra-roode stralen.

Daar alle lichtstraling in meer of mindere mate tevens verwarmend werkt, wordt zij ook warmte-straling genoemd, die men dan onderscheidt in donkere en lichte warmtestraling.

299. De in ij 266 gemaakte onderscheiding tusschen doorschijnende en ondoorschijnende lichamen is ook van toepassing ten opzichte van liet onzichtbare gedeelte van het zonnespectrum.

Hierbij moet echter in het oog worden gehouden, dat er zelfstandigheden zijn, die zeer doorschijnend zijn ten opzichte van de lichte, doch ondoorschijnend ten opzichte van de donkere warmtestralen. Zoo laat bijv, aluin de meer breekbare bestanddeelen van het spectrum, dus het lichtgevende gedeelte, door; terwijl het de minder breekbare, ultra-roode, dus de warmtegevende bestand-

ocr page 261

249

ileden absorbeert. Ook gias absorbeert, hoewel in mindere mate dan aluin, eeu aanzienlijk gedeelte van de donkere warmte; terwijl een stuk klipzout bet grootste gedeelte doorlaat.

Lichamen, die zich ten opzichte van de donkere warmte gedragen als klipzout heeten diather maan; andere, die zich als aluin gedragen, athermaan.

Uit het voorgaande blijkt, dat voor een onderzoek van het ultrsi-roode gedeelte van het spectrum geen gebruik gemaakt kan worden van een glazen prisma; doch dat een prisma van klipzout daarbij goede diensten kan bewijzen.

De beschouwingen der laatste wijzen er op, dat tusscheii licht- en warmtestraling geen principeel, maar alleen een gradueel verschil bestaat; zoodat, wanneer wij alles, wat de zon uitstraalt, „warmtequot; noemen, één gedeelte van de warmtestraling alleen het gevoel, een ander deel het gevoel en het gezicht beide, een derde alleen het gezicht en een vierde in quot;t geheel geen zintuig aandoet.

:«)o. Ai vorens van de leer van het licht af te stappen, moge eene korte bespreking van den regenboog hier eene plaats vinden.

Zoodra Snellius de wetten der breking gevonden had, beproefde Dcucartes hare toepassing tot verklaring van den regenboog.

Wanneer een zonnestraal schuin op een regendruppel valt, wordt hij, bij het binnentreden van den druppel gebroken om daarna tegen den achterwand van den druppel voor een gedeelte teruggekaatst te worden, waarna hij, bij het uittreden uit den voorwand, ten tweeden male gebroken wordt. Daar er bij deze tweemalige breking kleurschifting heeft plaats gehad, bestaat het uittredende licht uit de verschillend gekleurde lichtstralen van het spectrum, die opgevangen kunnen worden door het oog van een waarnemer, met den rug naar de zon en het oog naar den druppel gekeerd.

De stralen, die den druppel verlaten, zijn in 't algemeen divergent en brengen daardoor slechts een zwakken, niet merkbaren indruk te weeg. Slechts van eene bepaalde reeks van druppels onder de vele, die de bui bevat, wordt eene duidelijke gewaarwording in ons opgewekt.

Denk IT eene lijn, getrokken van de zon naar het oog van den waarnemer, en deze lijn aan de voorzijde van den waarnemer verlengd. Trek vervolgens uit hetzelfde oog aan de voorzijde van den waarnemer eene lijn, die met de vorige een hoek van 42° 30' maakt. De regendruppel, die door deze lijn getroffen wordt, zendt een duidelijk waarneembaren rooden stralenbundel in het oog, en dit doet elke druppel, welks verbindingslijn met het oog een hoek van 42° 30 met de eerste lijn maakt, onverschillig aan welken kant van deze hij gelegen is. Zoo zien wij dan eene cirkelvormige streep van rood licht, die deel uitmaakt van de basis eens kegels, welks top het oog van den waarnemer is.

Druppels, gelegen op eene lijn, die een hoek van 40° 30' maakt met de verbindingslijn tusschen zon en oog, zullen een goed waarneembaren paarsen stralenbundel in het oog zenden, zoodat, concentrisch met den rooden band, een paarse band wordt waargenomen. Beide gekleurde strepen vormen de grenslijnen van den regenboog, tusschen welke de overgangskleuren gelegen zijn.

De lijn van het oog des waarnemers naar het midden van de breedte des boogs maakt dus altijd een hoek van 41° met de lijn, die het oog met de zon verbindt. Hiervan rekenschap te geven, was tot den tijd van Descartes niet

_

ocr page 262

250

gelnkt. Aim den Krunsclien wijsgeer gelukte liet, min te toonen, dut het overeenkomstig de wetten van Sncllius wus, dat de aldus gelegen druppels wel, de andere niet, een duidelijk waarneembaren stralenbundel in het oog wierpen.

Terwijl, zooals hierboven gezegd is, de constructie doet zien, dat de zonnestralen, wanneer z\j den druppel verlaten, in 't algemeen divergent zijn, leert de berekening evenzeer, dat voor één bepaalden hoek de uit den druppel uittredende stralen zoo goed als niet divergeeren, bijna onderling evenwijdig zijn, en daardoor een goed waarneembaren indruk kunnen teweegbrengen. Deze hoek is van 41°, Juist de hoek, die volgens de waarneming onveranderlijk met het zien van den regenboog verbonden is.

;soi. Aan een glazen standaardje is, door middel van een fijnen draad, een kogeltje van vlierpit opgehangen (vgl. fig. 144). In de nabijheid van dit kogeltje

houden wij eene glazen staaf, die vooraf met een z\jden doek gewreven is. Er heeft nu een verschijnsel plaats, dat achterwege zou gebleven zyn, wanneer het glas niet vooraf gewreven was. Het bedoelde verschijnsel bestaat hierin, dat het kogeltje tot het glas nadert. Ware het glas vrij in zijne beweging en het kogeltje onbeweeglijk aan zijne plaats gebonden, dan zou het glas, mits niet te zwaar, tot liet kogeltje naderen.

Een vlierpit-koyeitje wordt door eene gewreven (jlnsstaaf „aangetrokkenquot; en trekt wederkeerig het glas nan.

Uit de voorgaande proef blijkt, dat een stuk glas, door het met een zijden doek te wrijven, eene eigenschap verkrijgt, die het te voren niet bezit, m. a. w., dat daardoor eene verandering in zijn toestand ontstaat.

Vervangt men in de beschreven proef het stuk glas door eene pijp lak, zwavel, hars, barnsteen of caoutchouc, dan zal, nadat deze voorwerpen gewreven zijn, hetzelfde verschijnsel eener „aantrekkingquot; worden waargenomen, — niet alleen van een vlierpit-kogeltje, maar eveneens van papiersnippers, veêrtjes en allerlei lichte voorwerpen. Het verschijnsel blijft echter achterwege, wanneer men de proef neemt met een staafje van koper of ander metaal, onverschillig waarmede men het wrijve.

Het voorgaande vatten wij samen in de stelling:

Er zijn een groot aantal lichamen, die, wanneer zij met een ander lichaam gewreven worden, de eig enscha/j) verkrijgen van andere lichamen aan te trekken en wederkeerig door deze aangetrokken te worden.

Daar deze eigenschap, reeds in de oudheid, het eerst aangewreven barnsteen is opgemerkt, werd de toestand, waarin de genoemde lichamen door wrijving geraken, de „barnsteen-toestandquot;, met een uitheemschen term: electrisclie toestand [elektron — barnsteen) genoemd.

ocr page 263

251

Enii licliiiaiii, iliit, niot electriscli is, licet in dit opzicht „onxydiirquot; of nciUraal.

:{(gt;a. in een iiiin een zijden koord opgehanfren bengeltje (vgl. fig. 145) wordt een glasskuifje geplaatst, dat vooraf door wrijving met een zijden doek electrisch is gemaakt; in de hand houdt men een ander op gelyke wijs behandeld glasstaafje.

Brengt men nu beider einden in elkanders nabijheid, dan neemt men waar, dat de beugel ronddraait, zóó dat de in elkanders nabijheid gebrachte einden zich van elkaar verwijderen, ra. a. w. dat zij elkander „afstoolenquot;.

Vervangen wij het in de hand gehouden glasstaafje door een pijpje hars, dat vooraf door wrijving met een kattevel electrisch is gemaakt, dan verandert de afstooting van zoo even omiddellijk in eene anntrekking.

Wordt daarna ook het glasstaatje van den beugel door een, op gelijke wijs als liet vorige behandeld, pijpje hars vervangen, dan wordt op nieuw eene afslooting waargenomen.

De verkregen uitkomsten zijn in het volgende overzicht vereenigd:

(1 las (met zyde gewreven)

Hars

(met kattevel gewreven)

stoot af

tfekt ^ n!l»

stoot af

Glas (met zyde gewreven)

FT a r s

(met kattevel gewreven)


Uit het voorgaande blijkt, dat de electrische toestand zich zoowel door eene alstootende, als door eene aantrekkende werking kan openbaren.

Wil een lichaam eene aantrekkende werking op een ander uitoe enen, dan is het voldoende, dat slechts één van hen electrisch zij.

Wil een lichaam echter eene afstootende werking op een ander uitoefenen, dan is liet noodzakelijk, dat beide electrisch zijn; —echter met dien verstande, dat twee electrische lichamen elkander wederkeerig óók kunnen aantrekken, al naar den aard dier lichamen. Het electrische hars toch van de vorige proefneming gedroeg zich tegenover het electrische glas juist omgekeerd als een tweede stuk electrisch glas.

Hieruit trekt men het besluit, dat er tweeërlei electrische toestand bestaat; die, waarin een met een zijden doek gewreven stuk glas verkeert (de „glas-electrischequot; toestand) en die, waarin zich een met een kattevel gewreven stuk hars bevindt (de ,hars-electrischequot; toestand).

Onderzoekt men, welke werking verschillende lichamen, wanneer zij electrisch zijn, op andere electrische lichamen uitoefenen, dan is de uitkomst, dat sommige zich onveranderlijk gedragen als het electrische glas, terwijl andere in hunne werking even standvastig overeenkomen niet het electrische hars der vorige proef.

De eerste heeten dan „glasquot;-, tegenwoordig liever positief-; de laatste „harsquot;-, liever negatief-, electrisch.

De uitkomsten van alle proefnemingen over de aantrekkende en afstootende werking van electrische lichamen worden samengevat in de volgende

ocr page 264

252

WUTTKN igt;UK HI,H(quot;I'RISU1IH AANTKKKKINO KN AFSTOOTING.

Twee uni/clijknami(j cleclrische lichamen, eveneen* een eleclrisch en een neulran l lichaam, trekken elkander wederkeeri;/ aan.

Twee. (jelijknamig clcclrisehe lichamen stooten elkander wedcrkcerig af.

:{() . I ii § 301 hebben wij lichamen, zooals de metalen, leeren kennen, die, na gewreven te /^jn, freeu de minste werking vertoonden op het vlierpit-toestel-letje, den zoobenoemden ,eiectrischen slingerquot;. Bevestigt men zulk eene metalen staaf of kogel aan een glazen handvat, dat zoodanig wordt vastgehouden, dat de hand niet met het metaal in aanraking komt, en wr\j(t men dit nu, dan zal het duidelijk zijn electrischen toestand openbaren.

Inderdaad kent men geen enkel lichaam, dat, zoo slechts de genoemde voorzorg in acht genomen wordt, door wrijving niet eleetrisch gemaakt kan worden.

!M)5. W\j herhalen de in S 301 beschreven proef'; doch houden ditmaal de electrische glasstaaf zoo dicht bij het kogeltje, dat dit door zyne nadering er mede in aanraking komt. Deze aanraking is slechts van korten duur; want spoedig daarop laat het kogeltje het glas niet alleen los, maar wordt er nu zelfs door afgestooten.

Vervangt men in deze proef het positief-electrische glas door eene negatief-electrische harsstang, dan verkrijgt men dezelfde uitkomst.

Uit de na de aanraking gevolgde afstooting trekken wij, in verband met Ji ;W2. het besluit, dat het kogeltje door de aanraking óók electriscli is geworden, en wel gelijknamig met het aangeraakte lichaam, dat is in het eerste geval positief, in het tweede negatief.

Ken neutraal vlierpit-kogeltje wordt 'hor de aanraking van een eleetrisch lichaam, met dit laatste gelijknamig-eleetrisch.

Voortgezette proefneming leert, dat niet alleen het kogeltje van onzen electrischen slinger, maar dat elk neutraal lichaam door de aanraking van een eleetrisch lichaam zelf óók eleetrisch wordt en wel gelijknamig met het aangeraakte lichaam. Alleen moet weder bij sommige lichamen de voorzorg in acht genomen worden, dat men ze door een glazen steel beschermt tegen de aanraking van ons lichaam; het zijn dezelfde, bij welke deze voorzorg moet genomen worden, om ze door wrijving eleetrisch te maken.

Eene positief-electrische glasstang wordt in de nabijheid van een posi-tief-e'ectrisch vlierpit-kogeltje gehouden. Het kogeltje wordt afgestooten en de draad van het „electriscli slingertjequot; maakt nu een hoek met de verticaal door lief ophangpunt, waarmede hij aanvankelijk samenviel. Deze hoek wordt zichtbaar grooter, naarmate men de glasstang dichter bij, en kleiner, naarmate men haar verder afhoudt.

Het voorgaande is een bijzonder geval van de volgende algemeene Wet:

De invloed (kracht), door twee gelijknamig electrische lichamen op elkander uitgeoefend, wordt grooter, wanneer hun onderlinge afstand vermindert, en kleiner wanneer deze vermeerdert.

Vergelijkt men den invloed, dien verschillende onderling gelijknamig electrische lichamen op deazelfden electrischen slinger uitoefenen, dan leert de

ocr page 265

•25:5

waarneming, dat deze eveneens zeer verschillend kan /.\jn, ook wanneer /.\) op onderling gelijke afstanden van den slinger gehouden worden.

Tn zulk een geval wordt de verschilleiule uitwerking van twee onderling gelijknamig electrische lichamen op een derde toegeschreven aan een verschil in den toestand der lichamen zelve, en men /,egt dan, dat het lichaam met het grootste effect sterker-, dat ir.et het kleinste effect zwakker electrisch is.

Men gaat nog verder en brengt de zaak onder een beeld, door zich voor to stellen, dat een electrisch lichaam met een zeker onbekend iets voorzien („geladenquot;) is, dat men electriciteit noemt; het eene lichaam met eene grootere, het andere met eene kleinere „hoeveelheidquot;.

Bovendien komt dat onbekende iets, dat wij electriciteit genoemd hebben, in twee, niet het oog op hare uitwerking lijnrecht tegenover elkaar staande, vormen voor: eene positieve ( E) en eene negatieve electriciteit (— E).

Wij willen in het volgende het bovengenoemde spraakgebruik overnemen, waardoor de voorstelling der zaken vergemakkelijkt en vereenvoudigd wordt.

307. Twee stoffelijke ponten A en 1? zijn beide electrisch. Op A werkt eene kracht onder den invloed van B; op B eene onder den invloed van A. Onderstellende dat de krachten werken volgens de verbindingslijn tusschen A en B en dat zij in tegengestelden zin gericht, doch onderling gelijk zyn, legt men den grondslag voor eene theorie dar electrische verschijnselen, welker uitkomsten tot heden door de waarneming bevestigd worden.

Bkpalinu. 1° Wanneer op een positief-electrisch stoffelijk punt 0, onder den invloed van een met E „geladenquot; stoffelijk punt A, eene (af-stootende) kracht werkt, gelijk aan die, welke er op werkt onder den invloed van een, op gelijken afstand ids het vorige gephurtst, met -I- E geladen stoffelijk punt 15, dan zegt men, dat de „hoeveelheid electriciteitquot;, waarmede A geladen is, gelijk is aan die, waarmede B geladen is.

2quot; Ondervindt 0 op een bepaalden afstand, onder den invloed van A of B, de werking van respectievelijk verschillende krachten, dan stelt men de „hoeveelheden electriciteitquot;, waarmede A en B respectievelijk geladen zijn, evenredig aan die krachten.

3° Eenheid van hoeveelheid -f-E noemt men die hoeveelheid, waarmede een stoffelijk punt geladen is, wanneer onder haar invloed op een tweede met gelijke hoeveelheid -f- E geladen stoi-felijk punt, op lt;le éénheid van afstand (1 cM.), de éénheid van kracht (dyne) wordt uitgeoefend.

Door in de voorgaande bepalingen het woord „positievequot; overal te vervangen door „negatievequot;, verkrijgt men de aangenomen bepalingen omtrent het meten van hoeveelheden — E.

WKS. Van twee stoffelijke punten A en B, die op de éénheid van afstand van elkander verwijderd zijn, is A geladen met de éénheid, B met b éénheden E.

De kracht, die nu, onder den invloed van B, op A werkt, is (§307, 2)h maal zoo groot als wanneer B met de éénheid geladen ware; zij bedraagt dus h dynes.

ocr page 266

Volgens § 307 moet dan op B, onder den invloed van A, eveneens eene kracht van lgt; dynes gt; erken.

Ware A met a éénheden geladen, dan zou, onder zijn invloed, op li eene a maal zoo groote kracht werken, d. i. van ah dynes; en weder zou dan op A onder den invloed van B eene even groote kracht van nh dynes werken.

In het algemeen:

Wanneer twee, op de eenheid van afstand, vnn elkaar verwijderde, p u n t e n h e i d e »i e t g e I ij k n a m i ge eleelr i c i teit g e lad e n z ij n, o n d o. r v i n d I. elk van het andere de werking eener kracht, die s amen g es te ld evenredig is aan heider hoeveelheden electriciteit.

Proefneming leert, dat de afstootende kracht, die, onder den invlood van een positief-electrisch punt, op een stoffelijk pnnt werkt, dat met een zeker aantal eenheden E geladen is, gelijk is aan de aantrekkende kracht, die er onder denzelfden invloed op werkt, wanneer het met een gelijk getal éénheden — E geladen is.

Ook in hoever de afstand tusschen twee electrische punten vati invloed is op de grootte der afstootende of aantrekkende kracht, welilt;er werking zij van elkander ondervinden, kan door proeven worden nagegaan. Deze proeven hebben geleid tot de volgende

WET VAN COULOMB.

De krae h t, die op twee o n der elk an de r s invloed sta a nde elee-tris e h e p u nten werkt, i s o m gekeerd evenredi g a a n de tweede m a e h t van den afstand, waarop zij zich van elkaar bevind en.

;M0. Twee reepjes goudblad worden vastgeplakt aan het ondereinde eener koperen staaf', die van hoven van een koperen kogel voordien is en vastgeklemd in de kurk eener Hesch, binnen welke de goudblaadjes tegen hinderlijke lncht-stroomen beveiligd zyn. Zulk een toestelletje (vgl. li},' 146) draagt den naam

van „goudblad-electroscoopquot;.

Maakt men den koperen knop electrisch, dan ziet men de goudblaadjes onmiddidlijk onder een grooteren of kleineren hoek uiteenwijken, waaruit wij het besluit trekken, dat ook zij electrisch zijn geworden en wel onderling gelyknamig.

De hoek, onder welken de goudblaadjes uiteenwijken, is grooter of kleiner, naar mate de knop met eene grootere of kleinere hoeveelheid electriciteit geladen wordt.

Werd de koperen staaf met knop door eene glazen staaf en knop vervangen, dan zouden de goudblaadjes door de aanraking van den glazen knop met een electrisch voorwerp geen lading verkrijgen. Hieruit kunnen vvy het besluit trekken, dat de electrische toestand, die in oen gedeelte van een stuk metaal is opgewekt, aan de naastliggende gedeelten wordt medegedeeld, zoodat het geheele stuk in een zeer kort tijdsverloop den electrischen

ocr page 267

toestand aanneemt; doch dat in een stuk glas de electriciteit zich niet, of slechts uiterst langzaam en in geringe niatii, over de naastliggende deelen verspreidt.

De mededeeling van den electrischen toestand van het eene gedeelte van een lichaam aan een ander wordt geleiding genoemd.

Lichamen, die zich, ten opzichte van de «geleidingquot;, gedragen als glas, heeten slechte geleiders; andere, die zich gedragen als metaal, goede geleiders.

Tusschen deze uitersten bestaan overgangen.

In onderstaande lijst z|jn ecnige zeltstandighoden /00 gerangschikt, dat elke hooger in de rij geplaatste een meer, elke lager gelaatste een minder goede geleider is.

('aoutchouc

Drotre lucht

Wol

Eboniet

Zijde

Glas

Zwavel

Hars

Paraffine.

Metalen Ooke

Metaalzouten (iu oplossing'

Water

Linnen

Katoen

Droog hout

Droog ijs

Oliën

[)( aan een gedeelte van ren metalen lichaam medegedeelde hoeveelheid electriciltit verbreidt zich in een zeer Lort tijdsverloop over het geheele lichaam.

till. Onder de middelmatige geleiilers behaoren ook liet dierlijk lichaam en de (vooral vochtige) bodem.

Wanneer men nu een electrischen metalen kogel met de hand aanraakt, dan verbindt men hem daardoor met het lichaam en met de aarde, twee middelmatige geleiders, over welke de electriciteit van den kogel zich in een zeer kort tijdsverloop verspreidt. De electrische werking van de punten der kogels wordt daardoor zoo verzwakt, dat zij niet meer waarneembaar is.

De glazen steel, waarmede in de voorgaande proeven een metalen lichaam voorzien werd, diende om liet „geleidendquot; verband tusschen dit lichaam en ons eigen lichaam op te heffen, zoodat de electriciteit zich niet van het eerste over het laatste kon verspreiden. Elke andere slecht geleidende zelfstandigheid had, evengoed als het glas, kunnen dienen om aldus het goed geleidende metalen lichaam te „isoleerenquot;.

Slecht geleidende lichamen kunnen dienst doen als „isolatorsquot;.

;{12. Hoowel in de laatste jaren eene meer rationeele ,verklaringquot; der electrische verschijnselen op den voorgrond treedt, zullen wij ons hier het algemeene overzicht over deze verschijnselen gemakkelijk maken door de volgende uitbreiding van de voorstelling, aan het slot van § 30(1 gegeven.

Elk „neutraalquot; lichaam bezit eene onbepaalde hoeveelheid 4- E en eene even groote hoeveelheid — E. De deelen der eerste hoeveelheid stooten elkander wederkeerig af'; evenzoo die der tweede. Daarentegen bestaat er wederkeerige aantrekking tusschen elk deel der eerstgenoemde en elk deel der laatstgenoemde

ocr page 268

/ . • •, • ■ .r ■ • ■ • ...... ■ • ■ ■■ • ..... '. • • -

256

hoeveellieid. Laatstgenoemde aantrekking wordt overwonnen door eeno .krachtquot;, die optreedt, wanneer het neutrale lichaam met een umler gewreven wordt. Daarbij gaat van de E van het eene lichaam een gedeelte op het andere over, en omgekeerd van de — E van dit laatste een even groot gedeelte op het eerste.

Daardoor wordt het eerste negatief, het tweede positief-electrisch geladen.

De kracht, die aldus de beide electriciteiten in „bewegingquot; stelt, heet daarom electro mot o rise he kracht.

De aantrekkende of afstootende kracht, die op twee hoeveelheden electriciteit onder elkanders invloed werkt, wordt aangenomen omgekeerd evenredig te zijii aan het vierkant van den afstand, waarop zy zich van elkander bevinden.

Zijn nu twee hoeveelheden electriciteit, die elkander aantrekken of afstooten, op twee verschillende, in eene niet geleidende middelstot geplaatste lichamen aanwezig, zoodat zij die lichamen niet kunnen verlaten, dan stellen deze zelve zich in beweging.

De in de vorige gegeven voorstelling geeft rekenschap van het verschijnsel, dat by het wrijven van glas met een z\jden doek, niet alleen het glas, maar ook de doek electrisch wordt. De door het wrijven opgewekte „electro-motorischequot; kracht doet een gedeelte der E van den doek op het glas en een gedeelte der — E van het glas op den doek overgaan, zoodat per slot van rekening het glas positief-, de doek negatief-electrisch wordt.

Wordt een stuk glas, dat door wryviug met een zijden doek positief-electrisch wordt, met een kattevel gewreven, dan werkt de opgewekte electromotorische kracht geheel anders: het glas wordt dan negatief-, het kattevel positief-electrisch.

In de volgende lyst zijn eenige stoffen zoodanig gerangschikt, dat elke van haar positief-electrisch wordt, wanneer zij gewreven wordt met eene, die lager in de reeks staat; negatief-electrisch wanneer men haar wrijft met eene, die hooger op geplaatst is.

Kattevel

Metalen Zwavel Eboniet — Caoutchouc.

(iias

Zijde do Hand

De volgorde in deze reeks kan door kleine veranderingen in de omstandigheden, bijv. de wijze van wrijven, wijziging ondergaan.

Wanneer men den knop van een electroscoop (vgl. fig. 11(5) van verre langzaam nadert met eene negatiet-electrische harsstang, dun beginnen de goudblaadjes, zoodra de afstand tot op een zeker bedrag verminderd is, uiteen te wijken onder een hoek, die grooter wordt, naarmate du afstand tusschen hars-stang eu knop vermindert. De goudblaadjes blijken dus electrisch te zijn geworden, ook zonder dat er aanraking met een ander lichaam heeft plaats gehad. Verwijdert men de harsstang, dan wordt de hoek weder kleiner en ten slotte raken de blaadjes elkander weder aan. Ook van dit verschijnsel kan de in :il2 gegeven voorstelling rekenschap geven. De overmaat van — E der harsstang oefent eene aantrekkende werking uit op de -I- E, en eene afstootende op de E

ocr page 269

257

van den aan van kei yk neutralen electroscoo)), wekt m. a. w. eeno electro motorische kracht op, die het evenwicht in de beide electriciteiten van den electroscoop verbreekt en een nieuwen evenwichtstoestand in het leven roept, waarbij het naar de harsstang toegekeerde gedeelte overmaat van E, heter van afgekeerde gedeelte overmaat van — E verkrijgt.

Neemt men de proef met eene positief-electrische glasstang, dan wordt volkomen hetzelfde verschijnsel waargenomen; doch volgens de aangenomen verklaring moeten nu de goudblaadjes van den electroscoop positief-, de knop negatief-electrisch zijn.

Dat de genoemde deelen inderdaad geladen zyn met de electriciteit, die de verklaring aangeeft, kan de volgende proef leeren.

Een positief-electrisch lichaam A wordt geplaatst in de nabyheid van bet

eene uiteinde van den geisoleerden koperen geleider B. Aan dezen zijn op een drietal plaatsen paren vlier-pitkogeltjes opgehangen, die met den geleider in geleidend verband zijn. De kogeltjes a aan bet eene uiteinde wijken uiteen, waaruit blijkt, dat zij geladen zijn; evenzoo de aan het andere einde opgehangen kogel-tjes (h). Die, welke ongeveer in het midden hangen, vertoonen geen lading. Is nu de boven gegeven voorstelling juist, dan zjjn de eerstgenoemde kogeltjes (a) negatief, die van het andere einde (/gt;) positief-electrisch, zoodat de eerste door eene positieve glasstang moeten worden aangetrokken, door eene negatieve harsstang afgestooten; terwijl bij de laatste liet omgekeerde moet geschieden. De proefneming bevestigt deze verwachting ten volle.

Het verschijnsel van het ontstaan eener electromotorische kracht in een neutraal lichaam, alleen door de nabijheid van een (weede lichaam, datelectrisch is, beet electrische inductie of influentie.

315. Door tusschenkomst der influentie zijn wij in staat den electroscoop te gebruiken als een werktuig om te onderzoeken, of een lichaam met E dan met — E geladen is. Gesteld dat de goudblaadjes positie! geladen zijn geworden en onder een zekeren hoek uiteenwijken. Houdt men nu een electrisch lichaam in de nabijheid van den knop en wordt dientengevolge, als inlluentie-verschijnsel, de boek, onder welken de goudblaadjes uiteenwijken, grooter, dan trekt men hieruit het besluit, dat liet lichaam positief-electrisch is. Wordt echter de hoek kleiner, dan blijkt hieruit, dat het lichaam negatief-electrisch is. Intusschen zal het kleiner worden van tien hoek óók plaats hebben, wanneer men een neutraal-electrisch lichaam nabij den knop houdt.

ÜK). Een geïsoleerde koperen bol (fig. 148) wordt electrisch gemaakt. Daarna wordt hij omsloten door twee holle halve bollen van koper, die van glazen handvatsels voorzien zijn. Trekt men nu de beide halve bollen gelijktijdig van den binnensten kogel af, dan leert het onderzoek, dat de laatste zijne electriciteit verloren heelt en dat de holle kogels baar hebben overgenomen.

salverda on LH uov, Natuuricctiuis, 11. 2e druk. 17

J-n;. U7.

3

ocr page 270

258

Het verschijnsel is in overeenstemming met de uitkomsten van de wiskundige ontwikkeling der voorwaarden, ouder welke de electriciteit vim een geleider in

evenwicht is.

De vrije e lectric i tci I vein een geleider is in den toestand van evenwicht over de oppervlakte van dezen verdeeld.

Op de volgende wijze kan men zich eeuigszins den gang van zakeu voorstellen, üe kogel zij met -f- E geladen. De naderende halve hollen worden dan door influentie aan de binnenzijde negatief-, aan de buitenzijde positief-electrisch. By de aanraking van den kogel wordt de E van dezen door de — E van den halven bol geneutraliseerd en de E blijft aan de oppervlakte dezer bollen over.

Wordt een electroscoop op eene metalen plaat geplaatst en met eene stolp van metaalgaas overdekt, dan wijken de goudblaadjes niet uiteen, al nadert men de stolp met een electrisch voorwerp.

In het binnenste van een goeden geleider is een lichaam aan den invloed van een daarbuiten aanwezig electrisch voorwerp onttrokken.

Nauwkeurige metingen hebben — in overeenstemming met de theorie — geleerd, dat de vrye electriciteit in den evenwichtstoestand zoodanig over de oppervlakte van een lichaam verdeeld is, dat in 't algemeen onderling gelyke oppervlakte-deelen niet onderling gelijke hoeveelheden electriciteit bezitten.

Onderling gelijke oppervlakte-deelen kunnen echter ook onderling gelijke hoeveelheden electriciteit bezitten, m. a. w. de geleider kan ook ,gelijkmatig geladenquot; zijn, bijv. wanneer hij den vorm van een bol heeft, en geen uitwendige invloeden zich doen gelden.

Bepaling. Wanneer van twee gelijkmatig geladen geleiders een zeker oppervlakte-deel van den eenen eene n-maal zoo groote hoeveelheid electriciteit bezit als een gelijk oppervlakte-deel van den anderen, dan zegt men, dat in het eerste geval de electriciteit eene n-maal zoo groote dichtheid bezit als in het tweede.

Hoe zich uit het voorgaande het begrip gemiddelde dichtheid ontwikkelt, in het geval van een ongelijkmatig geladen geleider, zal, na vergelijking van de ontwikkeling der overeenkomstige begrippen van J5 122, duidelijk zijn.

De bijstaande figuren kunnen min of meer een denkbeeld geven van de verdeeling der electriciteit over de oppervlakte van de daarin voorgestelde

Fig. 151.

Fig. 149.

(C

geleiders, m. a. w. van de gemiddelde dichtheid der electriciteit voor de verschillende oppervlakte-elementen. Denken wij ons op de verschillende oppervlakte-

ocr page 271

2r.o

elementen loodlijnen getrokken, welker lengten zich respeciievelijk verhouden als de dichtheid disr electriciteit op deze verschillende elementen en verbinden wij dan de uiteinden dezer loodlynen door eene stippellyn, dan ontstaat tig. 149 als doorsnede van eeu holvormigen geleider, fig. 150 als doorsnede van een eivormig lichaam en fig. 151 als doorsnede van een cylindrischen geleider met bolvormige eindsegmenten.

In het algemeen:

De „gemiddelde di i: li I h e id ' is het grootst nan die oppervlakte-cletnenien, waar de kromming van het oppervlak het sterkst is.

•{17. De kromming van een gedeelte van het oppervlak bereikt hare uiterste grens, wanneer het bolle oppervlak in eene punt ot' spits overgaat. De gemiddelde dichtheid op dit gedeelte van den geleider groeit tot een aanzienlijk bedrag aan, ten gevolge waarvan liet gedeelte der op het uiteinde aanwezige electriciteit zoo groote afstooting ondervindt van de overige hoeveelheden, dat zy van den geleider op de omringende luchtdeeltjes overgaat, die, zoodra zij gelijknamig

met den geleider geladen zyn, door dezen met kracht worden afgestooten. Zoo doende ontstaat er een luchtstroom van de punt af naar buiten, die sterk genoeg kan zijn om eene vlam zywaarts of zelfs uit te blazen. Is de puntige geleider bovendien ook beweeglyk, dan wordt deze door de luchtdeeltjes in tegengestelden zin afgestooten. Hierop berust de werking van het in fig. 152 voorgestelde electrische molentje, dat, als het geladen is, rond zal draaien in den zin van de wyzers van een uurwerk.

Electrisch worden door wrijving, influentie, werking van punten, zyn verschijnselen, waarvan partij getrokken wordt voor de samenstelling van „electriseerma-chinesquot;.

318. De in fig. 153 voorgestelde electriseermachine bestaat uit eene glazen schijf, die, als zij rondgedraaid wordt, gewreven wordt tusschen „kussensquot; (F) van leder, die ingewreven zyn met een metaalmengsel van kwik, tin en zink. Terwijl nu het glas positief geladen wordt, verkrygen de kussens — E, die met behulp van eene metalen ketting wordt afgeleid. By hare ronddraaiing komt de glusschijf'voorbij de koperen punten eener metaalkam, die nu door influentie negatief-electrisch wordt, terwijl het afgelegen einde van den „conductorquot; CC, waaraan zij bevestigd is, positief geladen wordt.

:U«. Wy willen nog eens terugkomen op de proef van § 314 (fig. 147). Het neutrale gedeelte van den geleider 13 ligt niet juist in het midden, doch dichter bij het naar A gekeerde uiteinde dan bij het andere. De dichtheid der electriciteit neemt van de beide uiteinden gaandeweg naar het neutrale gedeelte af, en op het naar A toegekeerde uiteinde is zy grooter dan op het andere.

Vervangt men den geleider B door een van grootere afmetingen, zoodat h verder van A komt, dan verplaatst zich ook liet neutrale gedeelte verder van A, daarbij steeds dichter bij a dan by It blijvende. Verbindt men 15 door middel

ocr page 272

260

320. In de voorgaande beschouwing der inductie ot inthientie hebben wij alleen gelet op den „invloedquot; van de induceerende electriciteit op de verbonden electriciteiten van het neutrale lichaam; zij ondervindt echter omgekeerd ook den invloed van de door haar geïnduceerde electriciteit.

De —E van den naar de aarde afgeleiden geleider B oefent, zoodra zij door de influentie van A ontstaan is, wederkeerig eene aantrekkende werking uit op de E van A, waardoor de verdeeling van deze over de oppervlakte van A eene andere wordt dau wanneer IJ nief in de nabijheid ware. De dichtheid wordt namelijk aan den naar B gekeerden kant grooter en daardoor aan den van B afgekeerden kant kleiner.

Van deze omstandigheid kan partij getrokken worden om op een geleider door de nadering van een tweeden geleider meer electriciteit op te hoopen dan zonder de nabyheid van den laatsten mogelyk zou zyn.

Het lichaam A (fig. 154) zij een geïsoleerde geleider, in een van welks punten (a) wij eene bron van electriciteit onderstellen, die, zoodra de dichtheid der E van A door afvoer naar elders vermindert, liet geleden verlies onmiddellijk

ocr page 273

261

herstelt. Dit is bijv. het geval, wanneer A de conductor-knop eener werkende electriseenniichine is.

A zü met E geladen en worde nu in gemeenschap gebracht met den neutralen geïsoleerden geleider B. Het evenwicht is verbroken en een nieuwe evenwichtstoestand ontstaat, waarbij (le dichtheid der E op A even groot is

als te voren, terwijl de aanvankelijk neutrale geleider B nu eveneens met E geladen is.

Brengt men nu den naar tie aarde afgeleiden geleider C in de nabijheid, dan wordt deze door influentie met — E geladen, welker dichtheid grooter zal zijn. naarmate (' dichter bij B geplaatst is; doch in elk geval kleiner dan de dichtheid der E van B.

De — E van (J werkt op hare beurt induceerend op de electriciteit van B, in zoover z\j door aantrekking van de E en afstooting van de — E het bestaande evenwicht verbreekt en de dichtheid der E aan den naar (' toegekeerden kant doet toenemen, terwijl zij aan den tegenovergestelden kant afneemt. Daardoor is ook het evenwicht tnsschen de electriciteitshoeveelheden van B en A verbroken, dat door nieuwen aanvoer van E uit A naar li hersteld wordt.

De hoeveelheid E van B is dus, door het in de nabijheid brengen van C, met eene nieuwe hoeveelheid vermeerderd. Deze werkt op hare beurt weder induceerend op (J, zoodat ook de —E van C' met eene nieuwe hoeveelheid toeneemt, welke nogmaals op de electriciteit van B terugwerkt, en zoo voort, totdat — in een buitengewoon kort tijdsverloop — de eindtoestand van een nieuw evenwicht bereikt is.

Om eene vereeniging van electriciteit, door de lucht been, te voorkomen, kan tus-schen de beide geleiders 15 en (I een isolator, bij v. eene glasplaat. geplaatst worden.

Daar het in de nabijheid brengen van C ten gevolge heeft gehad, dat de gemiddelde dichtheid der electriciteit van B is toegenomen, noemt men het beschreven proces verdichten of con d en see ren.

De geïsoleerde geleider B heet de collector; de naar de aarde afgeleide geleider C de condensator.

Een der oudste en moest bekende condensators is de „Leidsche fieschquot; (fig. l-r)5), eene glazen fiesch, die van binnen en van buiten met bladtin beplakt is, of ook wel van losse metalen bekleedsels voorzien is.

Het binnenbekleedsel, door eene koperen staaf verbonden met een bol, die door middel eener electriseermachine geladen kan worden, is de „collectorquot;; het met de aarde in geleidend verband staande buitenbekleedsel is de „condensatorquot;. Het glas der fiesch is de isoleerende laag, die verhindert, dat de ongelijknamige elec-triciteiten der beide bekleedsels aan elkanders aantrekkende werking gevolg geven.

De Leidsche flesch zij geladen en de eene knop eener „ontlaadtangquot; (fig. 155) worde in aanraking gebracht met het buitenbekleedsel, terwijl men met den anderen den knop van het binnenbekleedsel langzaam nadert. Tot op een zekeren afstand genaderd, neemt men tusschen de beide knoppen op eenmaal

Fig. 154.

S

ocr page 274

262

een liehtverschynsel waar, dat jilotseling ontstaat en verdwijnt en vergezeld gaat

van een meer ot' minder sterken knal oi' „slagquot;. De maximum-afstand, op welken de knoppen van elkander verwijderd kunnen zijn, om het verschijnsel nog te doen ontstaan, heet de Bslagquot;wij dte.

De grootte der slagwijdte is, onder overigens gelijke omstandigheden, afhankelijk van de hoeveelheid electriciteit, waarmede het binnenbekleedsel geladen is. Wordt deze hoeveelheid grooler, dan wordt ook, onder overigens (lelijke omstandigheden, de slagwijdte grootcr.

Aan het boven beschreven lichtverschijnsel geeft men den naam van elec-trische „vonkquot;. Is de slagwijdte klein, dan doet de „vonkquot; zich in den regel voor als eene rechtlijnige lichtstreep; bü groote slagwijdte als eene gebroken lichtlijn.

Bezigt men voor de bollen, tusschen welke de „vonkquot; zich vormt, een zilveren en een koperen bol, dan zullen zich op den langen duur goed merkbare koperdeeltes op den zilveren bol, en zilverdeeltjes op den koperen bol afzetten. Van de zelfstandigheid, waaruit de geleiders, tusschen welke de vonk zich vormt, bestaan, hangt de kleur der vonk af; echter niet alleen hiervan, maar ook van den aard der middelstof, in welke zy ontstaat.

Nauwkeurige onderzoekingen op dit punt hebben aan het licht gebracht, dat de vonk bestaat uit gloeiende metaal deeltjes der geleiders en gloeiende gasdeel-tjes der tusschen de geleiders aanwezige middelstof.

333. In de vorige proef heeft de onderlinge afstooting der gelijknamige electriciteit op elk der bekleedsels, gevoegd bij de onderlinge aantrekking van de ongelijknamige electriciteiten der beide bekleedsels den weerstand der isoleerende tusschen-liggende laag overwonnen. Onderstellen wij, dat het binnenbekleedsel met E geladen was, dan heeft dit aan het buitenbekleedsel —E onttrokken en heeit aan het laatste omgekeerd E verloren. Toen het evenwicht verbroken werd en beide electriciteiten zich in beweging stelden, werden niet alleen de tusschen-gelegeu luchtdeeltjes hunne dragers, maar werden ook bij het verlaten van de geleiders metaaldeeltjes van deze losgerukt en medegevoerd.

Door de verbinding der beide hoeveelheden electriciteit is de hoeveelheid vrije electriciteit in de Leidsche Hesch aanzienlijk verminderd: zü is voor het grootste gedeelte „ontladenquot;.

Aan de verplaatsing der beide electriciteiten, die de ontlading der Leidsche Hesch ten gevolge heeft, geeft men den naam van ontladings „stroomquot; of kortweg „stroomquot;.

liet begrip stroom sluit volgens bovenstaiinde eene dubbele verplaatsing in zich, eene der E in eene richting en eene der — E iu tegengestelde richting.

Van de beweging der E kan men zich op de volgende wijze eenigermate eene voorstelling maken. Laten A en B twee tegengesteld electrische lichamen zijn.

ocr page 275

die niet elkander /.ijii verbonden door een draad, welks kleinste deeltjes door a, /gt;, c, (l . . . . voorgesteld worden. Door de E van A en de —E van 15 156 worden ile deeltjes n, h, c, d .... op

gelijke wyze geïnfluenceerd. Nn ver-l' lt;2, d x quot; \ eenigen zich een gedeelte der E

\Z' Ky '3 amp; Q) (- 1 van ^ niet je — van (je g

van a met de — E van h en zoo verder, totdat de E van z zich met een gedeelte der —-E van B vereenigt. Dan begint er eene nieuwe verdeeling en dit herhaalt zich zoo lang, totdat de beide electriciteiten, ingeval van beide evenveel voorhandenis, elkander neutraliseeren, wat in buitengewoon korten tijd geschiedt, zelfs wanneer de draad lang is. Men ziet, dat E naar B en — E naar A geraakt, liet is dus, alsof de beide electriciteiten zich naar elkaar toe bewogen. Aan dit proces nu geeft men den naam van electrischen stroom, terwijl men gewoon is de richting, waarin zich de E beweegt, de „richting van den stroomquot; heet.

Zijn de hoeveelheden der twee tegengestelde electriciteiten niet gelijk, of waren reeds oorspronkelijk de beide lichamen niet gelijknamige electriciteiten voorzien, dan verdeelt zich het overschot of de gezamenlijke hoeveelheid over beide lichamen zoodanig, dat de in n door A bewerkte inductie door de tegengestelde van B uitgaande opgeheven wordt, waarop evenwicht intreedt. Men drukt dit dikwijls aldus uit: In den toestand van evenwicht zijn de spanningen der electriciteiten van A en II gelijk.

In fig. 157 stelt L eene Leidsche flesch voor. In do nabijheid van den knop A van het binnenbekleedsel bevindt zich een tweede metalen knop B, die door een geleidenden metaaldraad met den knop I verbonden is. In de nabijheid van

dezen bevindt zich de knop 2, die door metaaldraad verbonden is met knop 3, in welks nabijheid zich knop 4 bevindt, die weder door metaaldraad verbonden is met knop 5. In de nabijheid van dezen bevindt zich ten slotte knop 6, die door een korten metaaldraad verbonden is met het buitenbekleedsel der Leidsche flesch. De afstanden tusschen I en 2, 3 en 4, 5 en 0 zijn kleiner dan die tusschen A en B, Wordt nu het binnenbekleedsel geladen, b\iv. met E, totdat aan de lading de slagwijdte AB beantwoordt, dan volgt de ontlading en men neemt eene vonk waar, niet alleen tusschen A en B, maar eveneens tusschen ! en 2, 3 en 4, 5 en 6. De verstoring van het evenwicht in den electrischen toestand heeft zich door de geheele baan A, B, 1, 2, 3, 4, 5, (3, L voortgeplant; en daar de vier vonken schijnbaar op hetzelfde tijd-

ocr page 276

stip ontstiuiM en verdwijnen, zou men, hierop afgaande, kunnen meenen, dat de evenwichtsverstoring in alle punten van de baan gelyktydig plaats had. Wheat-stone heeft echter door toepassing van eene bijzondere meetinrichting gevonden, dat de vonk tusschen 1 en 2 en die tusschen 5 en G gelijktijdig ontstaan; doch dat die tusschen 3 en 4 iets later gevormd wordt.

Voor elk der draadverbindingen tusschen 2 en 3 en tusschen 4 en 5 bezigde hij een 1,5 mM. dikken koperdraad van 402 M. lengte, en vond toen tusschen het ontstaan der beide buitenste vonken en dat der middelste een verschil in tijdsverloop van 0,000000868 secunde De verplaatsing der E van het binnen-bekleedsel en der — E van het buitenbekleedsel begon dus gelijktijdig en gebruikte het genoemde tijdsverloop om 402 M. draad te doorloopen. Hieruit vindt men door berekening eene verplaatsing van 463133 KM. per secunde.

Mag deze uitkomst ook slechts als eene benaderde waarde beschouwd worden, er blijkt in elk geval voldoende uit, dat de E zich met zeer groote snelheid in een geleider voortplant,

De voortplantingssnelheid der E verandert intusschen met den aard der geleiders.

Ook de duur der electrische vonk, hoewel zeer verschillend naar gelang van de omstandigheden, is altyd buitengewoon kort en bedraagt slechts een zeer klein

gedeelte, soms van eene secunde.

Een donker voorwerp wordt slechts zóó lang gezien als het verlicht is. Wordt nu bijv. een ronddraaiend rad door eene electrische vonk verlicht, welker

duur v^qqq sec. bedraagt, dan wordt eene verplaatsing van het rad ook slechts

gedurende dit korte tijdsverloop waargenomen; en deze verplaatsing is, zelfs van een snel draaiend voorwerp, zoo uitermate gering, dat het rad schijnt stil te staan.

324. Wordt in de baan van den ontladingsstroom eener Leidsche flesch een zeer dunne ijzerdraad of een zeer smal strookje dun bladtin opgenomen, dan zal de ontlading, bij voldoende sterkte, gepaard gaan met eene zoo aanzienlijke verwarming van den draad of van het bladtin, dat liet smelt of zelfs gasvormig wordt.

Een geleider wordt, wanneer er een electrische stroom doorheen (j a n t, ver w a r m d.

Onder overigens gelijke omstandigheden worden slechte geleiders meer verwarmd dan goede, en dunnere draden meer dan dikkere draden.

De verwarming door den electrischen stroom kan ook op de volgende wijze worden aangetoond.

Eene glazen buis met grooten bol (fig. 158) wordt omgekeerd in een vat met water geplaatst, zoodat het water tot op zekere hoogte in de buis staat, terwijl het overige gedeelte der buis en de bol met lucht gevuld ziju.

Binnen in den bol bevindt zich eene spiraal van platinadraad, welks beide einden buiten den wand uitsteken en in de beide knoppen A en B eindigen. Wordt nu de platinadraad door tusschenkomst der beide knoppen in de baan van een ontladingsstroom opgenomen, dan zal de verwarming van den draad eene verwarming en dientengevolge eene uitzetting van de lucht ten gevolge hebben, die zich openbaart in eene daling van liet water in de buis.

ocr page 277

205

IJSió. Omstreeks 1790 vormde Dr. Deiman, een Amsterdiimscli geneesheer, wlt;:l bekend als natuuronderzoeker en als wijsgeer, eene vereeniging van beoet'e-niiiirs der wetenschap, in die dagen bekend als de „Hollandsche scheikundigenquot;. Tot hen behoorden, behalve Dr. Deimnn, Adrinan Pacts van Troostwijk, Pi Her Nieuw land, Nico la as Bondt, Anthony Lauwerenhury en, na den dood van Nieuw-land en Bondt, ook G. Vrolik. Onder de ontdekkingen dezer „Hollandsche scheikundigenquot; behoort ook die van de samenstelling van het water uit waterstof en zuurstof. Deiman laschte in de baan van den ontladingsstroom eene buis, die met lucht vrij water gevuld was, en liet nu een groot aantal ontladingen door het water gaan. Het gevolg was, dat zich eene zekere hoeveelheid gas in de buis ontwikkelde, uit waterstof en zuurstof bestaande, de bestand-deelen, die het water samenstellen. Er had dus eene ,scheikundige ontledingquot; van water plaats gehad.

Later zullen wy een eenvoudiger middel leeren kennen om hetzelfde verschijnsel in het leven te roepen.

Ren electrische stroom kan, onder omstandigheden, scheikundige werking uitoefenen in den geleider, waar hij doorheen gaal.

32(). In de baan van een ontladingsstroom wordt een koperen spiraaldraad opgenomen, die met een 100-tal windingen om eene glazen buis gewonden is, waarin zich eene stalen naald bevindt (vgl. fig. 159). Wanneer nu eene reeks van ontladingen achtereenvolgens door den spiraaldraad geleid worden, zal de naald na eenigen tijd eigenschappen verkregen hebben, die zij te voren niet bezat.

De naald heeft dan namelijk het vermogen gekregen om yzerdeeltjes aan te trekken. Bovendien zal z\j, wanneer men haar zoodanig ophangt, dat zij zich in een horizontaal vlak vrij kan bewegen, een bepaalden stand aannemen, in welken hare lengte-as ongeveer samenvalt met de richting Noord-Zuid.

r

Van een

dat de beide

voorwerp Kii

laatstgenoemde eigenschappen bezit, zegt men, dat het magnetisch is. Het voorwerp zelf heet dan een magneet.

Wanneer in onzen spiraaldraad de E zich verplaatst in de richting van den pijl, m. a. w. wanneer de pijl de „stroomrichtingquot; voorstelt , dan wijst N het uiteinde der naald aan, dat, wanneer zij vrij is, zich ongeveer naar het Noorden; / het uiteinde, dat zich ongeveer naar het Zuiden zal richten.

IJST. Vóórdat wij met de beschouwing der electrische verschijnselen voortgaan, willen wij de magnetische verschijnselen aan een nader onderzoek onderwerpen, daar deze in het vervolg eene belangrijke plaats zullen bekleeden in de leer der electriciteit.

De stalen naald onzer vorige proef was een magneet geworden. Hier-

ocr page 278

206

tegeuover kent men eene zekere zelfstandigheid, namelijk eene onder den naam van „zeiT'steen bekende soort van ijzererts, aan hetwelk de beide eigenschappen, die het wezen van een magneet uitmaken, van nature eigen zyn. Vandaar het onderscheid, dat men maakt tusschen „natuurlijkequot; en „kunsfmagneten.

Daar kunstmagneten voor het wetenschappelijk onderzoek meer geschikt zijn dan natuurlijke, zullen wij ons in het vervolg uitsluitend van hen bedienen.

;{28. Twee magneten zijn zoodanig opgehangen, dat zy zich in een horizontaal vlak kunnen bewegen. Elk neemt dan, volgens § 32G, een zoodanigen stand in, dat hunne lengte-as ongeveer met de richting Noord-Zuid samenvalt.

Brengt men van deze twee magneten de noorder-gedeelten in elkanders nabijheid. dan wordt eene afstooting waargenomen; hetzelfde wordt waargenomen, wanneer men de beide zuider-gedeelten in elkanders nabijheid brengt. Nadert men echter het noorder-gedeelte van den een met het zuider-gedeelte van den ander, dan neemt men eene aantrekking waar.

WET DER MAGNETISCHE AANTREKKING EN AFSTOOTING.

/'c (jclijksoortige einden van twee magneten stoote,n elkander af; hunne ongelijksoortige einden trekken elkander aan.

.'{'21). Wordt eene magneetnaald, die om eene verticale as in een horizontaal vlak kan draaien, uit haar vasten stand gebracht en daarna zonder beginsnelheid aan zich zelve overgelaten, dan zal zij zich in beweging stellen en, na eenige heen- en weêrschommelingen, haar vasten stand hernemen. Hieruit blijkt, dat er krachten op eene magneetnaald werken, die eene draaiende beweging aan haar kir.men mededeelen.

Tn de theorie der magnetische verschijnselen wordt bewezen, dat deze krachten, die aan een magnetischen invloed der aarde worden toegeschreven, tot een horizontaal „koppelquot;, dat zijn twee onderling gelijke, evenwijdig doch tegengesteld gerichte krachten, kunnen worden teruggebracht, die in twee, dicht bij de uiteinden der naald gelegen punten, NenZ, aangrijpen.

Aan deze aangrijpingspunten geeft men den naam van polen; hunne verbindingslijn NZ heet de magnetische as der naald.

De in het noorder-gedeelte gelegen pool heet de ,noordpoolquot;, de in het zuider-gedeelte gelegen pool heet de ,zuidpoolquot;.

Heeft de magneetnaald haar vasten even wichtsstand aangenomen, dan valt de richting der krachten, die het genoemde koppel vormen, samen met hare magnetische as.

Stellen wij de aarde zelve, in haar invloed op eene magneetnaald, als een magneet van groote afmetingen voor, dan zijn de beide krachten van het beschouwde koppel de ,horizontale ontbindingskrachten der aardmagneetkrachtquot;.

330. Het verticale vlak, gaande door de magnetische as eener naald, die in evenwicht is en geen anderen invloed dan dien der aardmagneetkracht ondervindt, heet het magnetisch meridiaan vlak van de plaats van waarneming.

ocr page 279

267

Het magnetisch ineruliannvlak maakt met het astrunumiscli meridiaanvlak van de plaats van waarneming een grooteren of kleineren lioek, waaraan men den naam van declinatie geeft.

De declinatie kan zoowel oostelijk als westelijk zyn.

Grootte en zin der declinatie veranderen met liet tijdstip en de plaats van waarneming.

De lynen der in fig. 161 voorgestelde kaart zijn zoogenoemde isogonen of

lynen van gelijke declinatie. De plaatsen namelijk, op eene zelfde lijn gelegen, hebben dezelfde declinatie, waarvan het bedrag in graden bij elke lijn in't bijzonder is aangewezen. De getrokken lijnen zijn isogonen met oostelijke, de gestippelde zyn isogonen met westelijke declinatie.

331. Evenals men zich kan voorstellen, dat een electriscli lichaam zyne byzondere eigenschappen te danken heeft aan het bezit van een zeker iets, dat „electriciteitquot; genoemd wordt, zoo kan men zich ook voorstellen, dat de magnetische eigenschappen van een lichaam het gevolg z\jn van de aanwezigheid van een onbekend iets, dat magnetisme genoemd wordt. En evenals men, naar aanleiding van de tegengestelde werkingen, die electrische lichamen kunnen uitoefenen, van E en —E spreekt, zoo kan men ook twee soorten van magnetisme onderscheiden: een „noordelijk'quot; of „positiefquot;- en een „zuidelijkquot; of ,negatiefquot; magnetisme.

Deze twee soorten van magnetisme moeten dan, volgens theoretische beschouwingen, zoodanig in de magneetnaald verdeeld zijn, dat de uitwerking dezelfde is, als ware alleen in de noordpool eene zekere hoeveelheid noordelijk magnetisme en alleen in de zuidpool eene even groote hoeveelheid zuidelijk magnetisme opgehoopt.

ocr page 280

268

332. Plaatst men twee beweeylijke magneetnaalden achtereenvolpens op verschillende afstanden van elkaar, dan blijkt de werking, dio zij wederkeerig op elkander uitoefenen, met den afstand te veranderen.

Een onderzoek naar het verband tusschen de werking, die twee magnetische punten (bijv. twee magneetpolen) op elkander uitoefenen, en den afstand, waarop zij zich van elkander bevinden, leerde aan Coulomb de naar hem genoemde

WET VAN COULOMB.

De kracht, die op een magnetisch punt onder den invloed van een ander magnetisch punt werkt, is omgekeerd evenredig aan hel vierkant van den afstand tusschen deze heide punten.

333. De „hoeveelheid magnetismequot;, die in een punt aanwezig is, wordt beoordeeld naar de werking, welke dit punt op een ander magnetisch punt uitoefent.

Bkpalino. 1° Ts de kracht, die onder den invloed van een magnetisch punt A op een magnetisch punt C werkt, gelyk aan die, welke er op zou werken onder den invloed van een, even ver als A verwijderd, magnetisch punt B, dan zegt men, dat de punten A en B even sterk magnetisch zijn, d. i. onderling gelijke „hoeveelheden magnetismequot; bezitten.

2° Is de kracht, die onder den invloed van het punt A op C werkt, w-maal zoo groot als die, welke, onder overigens gelijke omstandigheden, er op zou werken onder den invloed van liet punt B, dan zegt men, dat A eenem-maal zoo groote „hoeveelheid magnetismequot; bezit als B.

3° Als éénheid van magnetisme wordt aangenomen de „hoeveelheid magnetismequot; van een punt, onder welks invloed op een tweede punt, dat eene even groote hoeveelheid magnetisme bezit en van het eerste op de éénheid van afstand (1 cM.) verwijderd is, de éénheid van kracht (1 dyne) werkt.

Onder de belangrijke metingen op het gebied van het magnetisme behooren ook die, welke ten doel hebben, de grootte van de „horizontale ontbindingskrachten der aardmagneetkrachtquot; (§ 329) te bepalen.

Aan de grootte van zulk eene „horizontale ontbindingskrachtquot;, werkende op een magnetisch punt (eene magneetpool), dat de éénheid van magnetisme bezit, geeft men den nanm van „horizontale intensiteit van het aardmagnetismequot;. Het is gebruik, deze waarde voor te stellen door het teeken H.

Ook H verandert met het tijdstip en de plaats van waarneming.

In 1885 bedroeg H voor Nederland 0,1826 dynes.

334-. Plaatst men in de nabijheid van een magneet een stukje yzer, dan zal dit onder den invloed van den magneet, zelf eveneens een magneetje worden, welks magneetkracht des te sterker zal zijn, naar mate het zich op kleineren afstand van den eersten bevindt.

Men zegt dan, dat het \izer magnetisch is geworden door „intluentiequot;.

ocr page 281

269

335. Wij keeren nu tot de electrischc verschynseleii terug en bedienen ons voor onze eerstvolgende proefnemingen van een puur toestellen, zoogenoemde „bekersquot;, van den vorm als in fig. 162 links is aangewezen. In een glazen bekerglas, dat verdund zwavelzuur en een stuk zink inhoudt, staat een tweede pot van

poreus aardewerk, waarin zich sterk salpeterzuur en een stuk kool bevindt. Het zink en de kool steken beide boven de vloeistof uit en aan hunne buiten de vloeistof uitstekende gedeelten zijn koperdraden bevestigd, van welke er twee, die van het zink des eenen en van de kool des anderen „bekersquot;, rechtstreeks

onderling verbonden worden. De beide overige worden achtereenvolgens onderling verbonden door tusschenkomst van verschillende geleiders.

Verbindt men ze door een dunnen ijzerdraad, dan neemt men waar, dat deze warm wordt, wellicht zelfs gaat gloeien.

Vervolgens verbinden wij de beide draadeinden door tusschenkomst van eene waterkolom, die zich in eene buis bevindt, door welker wand twee metaaldraden steken, waarvan het eene einde in het water reikt en aan welker andere einde de koperdraden kunnen bevestigd worden. Men ziet dan weldra gasbellen in het water opstijgen, die bij nader onderzoek blijken te bestaan uit zuurstof' en waterstof, de beide bestanddeelen, waarin het water „ontleedquot; wordt en die te zamen een ontplofbaar mengsel, zoogenoemd „knalgasquot;, vormen.

Ten slotte verbinden wij de beide vrije draadeinden door tusschenkomst van den om eene glazen buis gewonden spiraaldraad, waarvan wy ons ook in de proef van § 326 bediend hebben. De waarneming leert, dat (ie stalen naald ook nu na eenigen tijd magnetisch zal zijn geworden.

Wy hebben in het voorgaande, door middel van onze „bekersquot;, dezelfde verschijnselen in het leven geroepen, die wij in §§ 324—326 als uitwerkselen van den ontladingsstroom eener Leidsche tlesch hebben leeren kennen.

Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat ook in onze laatste proefnemingen het yzerdraad, de waterkolom en de spiraaldraad de dragers waren van een electrischen ontladingsstroom en wel een stroom, die aanhoudt, terwyl die der Leidsche tlesch slechts een oogenblik duurde.

N.B. Verwarming van den draad, scheikundige ontleding en het magnetisch worden van ijzer zijn uitwerkselen, die ook, doch in mindere mate, in den verbindingsdraad van de kool en het zink van een enkelen „bekerquot; kunnen worden opgewekt.

;{!{(gt;. Het aan het slot der vorige S uitgesproken vermoeden wordt zekerheid, wanneer men den toestand van den verbindingsdraad tusschen de kool en het zink met behulp van een gevoeligen electroscoop onderzoekt.

Een der punten van den draad wordt met de aarde in geleidend verband

ocr page 282

270

gebracht. Verbindt men nu ook hetzelfde punt met den electroscoop, dan verkrijgt deze geen lading. Zoodni echter een ander punt van den draad met den electroscoop verbonden wordt, vertoont deze de uitwerkselen eener lading, waardoor de electrische toestand van den draad bewezen is.

liet voortgezet onderzoek met den electroscoop heeft geleerd, dat het gedeelte draad tusschen het afgeleide punt en de kool E, het andere gedeelte, tusschen het afgeleide punt en het zink, —E bezit; bovendien dat de dichtheid der E in den draad, van het afgeleide punt af, naar de kool en naar het zink toe, gaandeweg grooter wordt.

Niettegenstaande de draad in een zijner punten is afgeleid, in welk punt de dichtheid der E dan ook gelijk 0 is, behouden — blijkens bovengenoemd onderzoek — de overige deelen van den draad den electrischen toestand, terwijl de dichtheid der E naar de kool en het zink toe grooter wordt. Hieruit volgt, dat m den toestel, waaraan geen E van buiten af wordf medegedeeld, eene bron van E: eene ,electromotorische krachtquot;, aanwezig moet zijn, die het door de afleiding geleden verlies telkens weder herstelt.

Ook wanneer het zink en de kool niet verbonden z^jn, kan, met behulp van een gevoeligen electroscoop, aangetoond worden, dat het zink eene zwakke lading van — E, de kool eene van E bezit.

De „electromotorische krachtquot;, die in de „bekersquot; onzer laatste proefnemingen werkzaam is, wordt opgewekt door de onderlinge aanraking der verschillend geaarde (heterogene) zelfstandigheden van den „bekerquot;. De eerste.

die eene electromotorische kracht langs dezen weg zag opgewekt, was Galvani, naar wien de door ons gebruikte bekers den naam van G a 1 v a n i' s c h e bekers dragen. Deze naam geldt in-tusschen alleen het beginsel, waarop hunne inrichting berust ; want het aantal vormen, in welke men dit beginsel heeft toegepast, is zeer talryk. De door ons gebruikte vorm is eene vinding van den Duitschen natuurkundige Bunsen.

Galvanische bekers heeten ook wel „cellenquot; of „elementenquot;; eene verbinding van elementen, waardoor eene sterkere werking wordt verkregen, draagt den naam van batterij.

De vrije zink- en de vrije

koolplaat van een element of van eene batterij heeten de poolplaten; de

I) Liiilnuii (1737—1798), liüoglconiiir in de oiitlfiedkunde mm rlc Univoisitcil, vim Bulogim.

ocr page 283

271

draad of het geleidend lichaam, dat beide verbindt, heet de pool- of' sluit-draad; dit alles te zamen vormt eene Galvani'sche keten, die „geslotenquot; heet, wanneer de sluitdraad met de beide poolplaten in geleidend verband is, en „geopendquot;, wanneer dit geleidend verband niet bestaat.

Omdat de met de kool verbonden koperdraad met E, de met het zink verbonden koperdraad met — E geladen is, noemt men de kool de „positievequot;, het zink de „negatieve pool plaatquot;.

ïn alle tegenwoordig in gebruik zynde elementen dient zink als negatieve poolplaat; terwyl men voor de positieve pool plaat veelal kool, platina oi koper gebruikt.

De einden van den sluitdraad, die met de poolplaten zijn verbonden, heeten de polen; het draadeinde, dat met de positieve poolplaat is verbonden, de „positievequot;, het andere de „negatieve poolquot;.

Eene eenvoudige, veel gebruikelijke schematische voorstelling van een element, Kig, log, bestaat in een paar evenwijdige lyn-

■ tjes, een korter en dikker naast een

— | j | | 1 4- _ langer en dunner (vgl. fig. 163). De

' i dunne lyn stelt de negatieve, de dikke

de positieve poolplaat voor; de overige lijnen zijn deelen van den sluitdraad. In fig. 163 is op deze wüze eene „batterüquot; van 4 elementen voorgesteld.

tJSS. In de vroeger behandelde valbeweging, evenals in de electrische en magnetische bewegingen der voorgaande §§, hebben wij bewegingen leeren kennen, die ontstaan onder den invloed van één of meer op grooteren of kleineren afstand geplaatste punten: een invloed, die met den afstand verandert.

Het vallen hebben wij toegeschreven aan een zekeren invloed van de punten der aarde en aan dien invloed den naam van zwaartekracht of zwaarte gegeven.

Het aantal punten in de ruimte, waar de werking der zwaarte zich openbaart, is oneindig; doch die werking is niet in alle punten even sterk: liggen twee dezer punten op ongelijken afstand van het middelpunt der aarde, den openbaart de werking der zwaarte zich het sterkst in het dichtst bij gelegen punt.

Het gedeelte van de ruimte, in al welks verschillende punten de werking van een zekei'en invloed zich doet gevoelen heet, ten opzichte van dien invloed, het „veld van werkingquot;. Bestaat de werking in gewone zwaarte-werking, dan spreekt men van een ,zwaarte-veldquot;; bestaat z\j in magnetische of electrische werking, dan noemt men het veld respectievelyk een „magnetischquot; of een „elec-trisch veldquot;.

Volgens § 109 kunnen wij ons den invloed van de gezamenlijke punten dei-aarde vervangen denken door dien van een enkel, ongeveer met het middelpunt der aarde samenvallend, punt, in hetwelk de geheele massa der aarde geconcentreerd is.

In alle punten van het „zwaarte-veldquot;, op ouderling gelijke afstanden van dit middelpunt gelegen, is de kracht, die op de éénheid van massa werkt, gelyk.

Is in een of ander punt van het zwaarte-veld een punt met de éénheid van

ocr page 284

272

massa vrij in zijne bewegingen, dan zal het zich volgens eene rechte lijn in beweging stellen naar het middelpunt der aarde. In alle punten van deze baan is de richting der op het stoffelijk punt werkende kracht ééne eu dezelfde; de op zeker tijdstip verkregen snelheid in de bepaalde richting heeft dus geen invloed op de richting, die in het volgende t^dsdeel wordt ingeslagen.

Deuken wy ons in een „magnetisch veldquot; een punt met de éénheid van magnetisme volkomen vry in z\jne beweging, of in een ,electrisch veldquot; een punt met de éénheid van electriciteit, dan zullen ook deze punten zich volgens eene bepaalde l\jn in beweging stellen, welke ook hier eene rechte, doch even goed eene kromme lijn, kan zyn. Denken ■gt; ij ons eene lijn als de denkbeeldige baan, welke het electrisch of magnetisch punt zou volgen, wanneer de op zeker tijdstip verkregen snelheid in zekere richting geen invloed had op de richtiug der daarop volgende beweging, — van zulk eene lijn zou de raaklijn in elk barer punten de richting voorstellen der in dat punt op het beschouwde magnetische of electrische punt werkende kracht. Aan zulk eene lijn geeft men den naam van krachtlijn.

De, krachtlijnen in het zwaarteveld zijn rechte lijnen, die ongeveer in het middelpunt der narde samenkomen.

De krachtlijnen in eene der doorsneden van het „magnetisch veldquot;, dat door den invloed eener magneetstaaf gevormd wordt, kunnen op de volgende wijze aanschouwelijk worden gemaakt.

Eene magneetstaaf wordt bedekt met een vel karton en hierop fijn ijzervijlsel uitgestrooid. De door den invloed der magneetstaaf (§ 334) zelve tot kleine magneetjes gemaakte ijzerdeeltjes komen in verschillende punten van het magnetisch

veld te liggen. In elk dezer punten zal de pool van het kleine magneetje, die noordmagnetisme bezit, zich langs dezelfde krachtlijn, doch in tegengestelden zin, willen bewegen als de andere pool, die zuid-magnetisme bezit, zoodat de as van het magneetje in de richting der krachtlijn zelve komt te liggen. De ijzerdeeltjes schikken zich zoodoende met hunne magnetische assen volgens het verloop dei-krachtlijnen en geven het beeld te aanschouwen, dat in fig. 164 is voorgesteld.

84:0. G-aat een electrische stroom door een verticaal geplaatsten geleiddraad, die door een horizontaal geplaatst kaartenblad steekt, en strooit men ijzervijlsel op het karton, dan schikken zich de ijzerdeeltjes in klingen rondom den draad (vgl. (ig. 1()5). Hieruit volgt, dat ook een electrische stroom in zijne omgeving een magnetisch veld doet ontstaan, daar binnen dit veld week ijzer magnetisch wordt.

ocr page 285

273

De „krachtlynenquot; van een stroom zijn geHikmiddelpuntige cirkels, welker vlakken loodrecht gericht zijn op de stroomrichting en welker middelpunt samenvalt met het punt, waarin zij door den stroomgeleider gesneden worden.

341. In de nabijheid van een stroomgeleider (in zijn „veldquot;) bevindt zich eene Fig. i6rgt;. magneetnaald, die zoodanig is opgehangen, dat

zij zich vrij kan bewegen. Zoodra de stroom dooiden geleider gaat, wijkt de magneetnaald uit haar gewonen stand af, om dien te hernemen, wanneer de stroom ophoudt. De zin van de afwijking der naald uit haar normalen stand kan altijd worden uitgedrukt in den volgenden

BBUEL VAN AMPfiRE.

Denkt men zich zeiven in den stroomgeleider, niet de voeten naar den kant, van waar de stroom komt, met het hoofd naar den kant, waar de stroom heen gaat en met het gelaat naar de naald, gekeerd, dan ziet men hare noordpool ter linkerzijde afwijken.

Een toestel, bestaande uit eene om eene verticale as beweegbare magneetnaald, die geplaatst is binnen een in het magnetisch meridiaanvlak geplaatsten stroomgeleider, kan nu gebezigd worden cn om zich van het bestaan van een stroom in den geleider te verzekeren, èn om te beoordeelen in welken zin deze stroom is gericht.

Bovendien beoordeelt men uit de grootte der afwijking, die de naald ondergaat, de „stro om sterk tequot;, dat wil zeggen, de hoeveelheid E, die in de eenheid van tijdsverloop, door de dwarse doorsnede des geleiders stroomt, en wel in dien zin, dat aan eene grootere afwijking der naald eene grootere (niet evenredige) stroomsterkte beantwoordt.

Het bcgri]i „stroomquot; in de eleetriciteitsleer is ontleend aim de verschijnselen, die de beweging van water in eene rivier ot' in de pijp eener waterleiding oplevert. Zulk oen water„stroomquot; wordt toch meer ol'minder „sterkquot; genoemd, naarmate in een gegeven tijdsverloop eene grootere of kleinere hoeveelheid water door eene gegeven dwarse doorsnede der rivier of dor pijp stroomt.

34«J. In 1825 werd door Barlow aangetoond, dat de „stroomsterktequot; in de nabijheid van de polen eener galvanische keten even groot is als verder op; terwyl Fechner (1831) hieraan eene uitbreiding gal door aan te toonen, dat, ook wanneer de keten uit heterogene deelen bestaat, de stroomsterkte in verschillende doorsneden gelijk is.

WET VAN liAiaOW-FKCHNHR.

De „stroomsterktequot; is in alle deelen van de keten, onafhankelijk van haar aard, dezelfde.

34.'{. In meer dan één opzicht kan de beweging der electriciteit in eene

galvanische stroombaan vergeleken worden met de strooming van water door

eene buis. Door eene wijde pijp glijdt water gemakkelijker dan door eene nauwe,

en door eene korte pijp gemakkelijker dan door eene lange; het water heeft

namelijk wryvings-weerstand te overwinnen, die in eene nauwe en in eene lauge salvKitDA en i-i5 UOY, Naluurlcewiis, II. 2c druk. 18

ocr page 286

274

huis respectievelijk grooter is dan in eene wijde eu in eene korte buis. Zoo stroomt ook de olectriciteit, indien idle overige omstandiglieden dezelfde zijn, geniakkelyker door een dikken geleidingsilrtuid dan door een dunnen en gemakkelijker door een korten dan door een langen draad. Dit heeft aanleiding gegeven om ook in liet geval van een galvanischen stroom te spreken van den „weerstand eens geleidersquot;. Het onderzoek dienaangaande heeft geleerd, dat onder overigens gelijke omstandigheden,

de weerstand run cm homoyenen (jelcidcr, welks dwarse doormede op alle punten even (jrout is,

a. evenredig is aan zijne lengte,

h. omgekeerd evenredig is aan zijne doorsnede,

e. grooter wordt hij eene hoogere temperatuur van den geleider, d. afhankelijk is van den aard der zelfstandigheid, waaruit de geleider bestaat (bijv. voor koper hehmgryk kleiner is dan voor \j/,er).

liet beeld van den waterstroom kan nog verder dienst doen. Zijn twee waterbakken door eene buis verbonden en liggen de waterspiegels in de beide bakken even hoog, d. i. in hetzelfde horizontale vlak, dan zal er geen beweging var. het water plaats hebben. Evenmin zal er een overgang van warmte plaats hebben, wanneer twee voorwerpen van gelijke temperatuur met elkaar in verbinding gebracht worden. Staat echter het water in den eenen bak hooger dan in den anderen, dan zal er wél eene water-beweging plaats hebben, nl. van den bak met het hoogere naar den bak met liet lagere niveau, en hoe grooter het hoogteverschil tusschen de waterspiegels in de beide bakken is, hoe sterker de waterstroom zal zijn. Zoo zal er ook warmte overgaan van het voorwerp van hoogere naar het er mede verbonden voorwerp van lagere temperatuur, en zal de warmte-stroom sterker zijn, naarmate het temperatuur-verschil grooter is. Wat in het voorgaande bet hoogte-verschil der waterbakken is voor de strooming van het water en het temperatuur-verschil voor de voortplanting der warmte, is in het geval van een galvanischen stroom een zeker verschil in den electrischen toestand der geladen poolplaten voor de beweging der electriciteit in den geleid-draad. Hot is aan dit verschil van toestand, dat men den naam van spanning-verschil, ook wel van potentiaal-verschil, ook wel van electro motorisch vermogen geeft. ') De maat, waarin het genoemde electrische spanning-vemchW wordt uitgedrukt, draagt den naam van volt; die waarin de stroomsterkte wordt uitgedrukt, den naam van ampère.

De maat, waarin de weerstand der keten wordt uitgedrukt, draagt den naam van ohm.

De invloeden van het electromotorisch vermogen en van den weerstand der keten samenvoegende, kwam Ohm tot de volgende

WKT VAN OHM.

De stroomsterkte in eene gesloten kelen is evenredig aan haar electromotorisch vermogen en omgekeerd evenredig aan haar weerstand.

1) T)c gelijkstelling dezer drie in werkelijkheid verschillende begrippen moge in eene streng wetenschappelijke uiteenzetting niet te verdedigen zijn, voor het hier beoogde doei willen wij Inuir als geoorloofd besehonwen.

ocr page 287

275

Heantwoonlt dus aan een electromotorisch vermogen van I volt hij een weêrstaml vim 1 ohm eene stroomsterkte van i ampïrc, dan zal aan een eleetro-motorisch vermogen van 20 volts, l)ij een weerstand van 4 ohmu, eene stroomsterkte van 5 ampère* beantwoorden.

345. De werkingen van den galvanischen stroom, die w^j hebben leeren kennen, zijn voor een deel werkingen, die in de stroombaan zelve plaats hebben, zooals de scheikundige en de warmte-werking; voor een deel werkingen, die huilen de stroombaan plaats hebben, zooals magnetische werking eu beweging.

Tot de magnetische werking, die in het „veldquot; van den stroomgeleider wordt opgewekt, behoort de vroeger vermelde van het magnetisch worden van een stuk ijzer of staal. Zulke kunst-magneten heeten naar de wijze van hun ontstaan elcctro-inagneten. Dikwijls wordt de ijzeren staaf hoefijzervormig omgebogen (hoefmagneet), zoodat de polen naast elkaar komen te liggen en beide gelyk-tydig tot aantrekking van een zelfde stuk ijzer gebruikt kunnen worden. Gaat ile stroom door een koperen spiraaldraad, die rondom de ijzeren of stalen staaf gewonden is (vgl. fig. IM), dan kan de ligging der polen bepaald worden volgens den volgenden regel:

De, zuidpool bevindt zich aan het einde der staaf, om hetwelk men, zoo men er tegen aan ziet, den stroom in den zin van den wijzer eener klok ziet rondloopen.

Tusschen een stuk gehard staal en gewoon of zoogenoemd week ijzer bestaat dit verschil, dat in het bovengenoemd proces het eerste veel langzamer magnetisch wordt dan het tweede, doch, eenmaal magnetisch zijnde, zijne magneetkracht behoudt, ook wanneer de stroom ophoudt. Week ijzer echter verliest weder zijn magnetisme, wanneer de stroom ophoudt, op eene zeer kleine hoeveelheid na, remanent magnetisme geheeten, dat in den regel zoo weinig is, dat het slechts met zeer gevoelige werktuigen kan worden aangetoond. Toch speelt deze kleine hoeveelheid remanent magnetisme in sommige werktuigen van den nieuweren t\jd eene belangrijke rol.

!U(» In fig. UiG is een stroomgeleider voorgesteld, die zoodanig aan een

ICC.

-p

___1 i

9

lt;i I' I

--r

r

ki

paar stiften is opgehangen, dat hy zich om eene door beide stiften gaande verticale as kan bewegen. De stilten rusten in kwikbakjes, door middel waarvan zij iu geleidend verband zyn met de beide koperen stangen van het voetstuk, die zelve weder in geleidend verband kunnen gebracht worden met de poolplaten van eene batterij.

Terwijl wij uit t; 341 weten, dat onder den invloed van een stroomgeleider krachten op een magneet kunnen werken, kan het, indachtig aan het Beginsel van (te Actie en Reactie (Jj 63), niet verwonderen, dat onder den invloed van een magneet krachten werken op een stroomgeleider. Dat dit het geval is, blijkt onmiddellijk, wanneer men zich van den hierboven aangeduiden beweeglijken stroomgeleider bedient en men dezen met een magneet nadert. Er heeft (tan hetzij eene aantrekking, hetzy eene afstooting plaats.

Wordt de magneet in horizontalen stand binnen het rechthoekig omgebogen

18*

Flquot;

ocr page 288

27(3

raam geplaatst, zoodanig dat zijn midden op de as van beweging ligt in het midden van den rechthoek, dan zal het vlak van den rechthoek zich rechthoekig op de magnetische as van den magneet plaatsen. De noordpool zal dan aan dien kant van het vlak komen, waarheen zij zou worden verplaatst, wanneer de magneet beweeglijk en de geleider vast ware.

Met een tweetal beweeglijke stroomgeleiders, zooals die der vorige §, kan men onderzoeken, welke de invloed is, dien stroomgeleiders onderling op elkander uitoefenen. Dat die invloed bestaat, blijkt terstond, wanneer twee deelen van beweeglijke stroomgeleiders iu elkanders nabijheid gebracht worden. Er openbaart zich by die nadering 6t' eene aantrekkende of eene afstootende werking, volgens de volgende

WETTEN VAN AMPI4EE.

1° Twee onderling evenwijdige stroomgeleiders trekken elkander aan, wanneer de in hen loopende s troomen in denzelfden zin-; zij stootcn elkander af, loanneer de stroomen in onderling tegengestelden zin gericht zijn.

2° Twee stroomgeleiders,

iv eiker in een zelfde plat

v I a k g c l eg en lengt e-a ssen een hoek met el k a nder maken, trekken elkander aan, wanneer hunne stroomen heide naar het snijpunt der genoemde assen toe of heide van dat snijpunt af gericht zijn; zij stooten elkander af, wanneer de eene stroom naar genoemd snijpunt toe, de ander er van af gericht is.

3° Twee stroom gele i-ders, welker lengte-assen elkander „kruisenquot;, trekken elkander aan, wanneer hunne stroomen helde naar de gemeenschappe-l ij ke loodl ij n op die a s

toe-, of heide er van af loopen; zij stootcn elkander af, wanneer de eene stroom naar de gemeenschappelijke loodlijn toe-, de andere er van af loopt.

348. Nu wij weten, dat een magneet invloed heeft op den stand van een beweeglijken stroomgeleider, wanneer door dezen een stroom gaat, is het de vraag, of hij ook een bepaalden stand zal innemen onder den invloed der aarde

1) AuJié Marie Ampere., I 77:') -1

ocr page 289

277

alleen, die in onze vroegere beschouwingen als een magneet van groote afmetingen is ingevoerd. De proef antwoordt bevestigend op deze vraag.

De in fig. 106 voorgestelde stroomgeleider zal, indien zijn stroom slechts voldoende sterkte bezit, onder den invloed van het aardmagnetisme zich zoodanig plaatsen, dat het vlak van den rechthoek loodrecht staat op dat van den magne-tischen meridiaan; terwijl het gedeelte hl, waarin de stroom naar boven loopt, aan de westzijde; mn, waarin de stroom naar beneden loopt, aan de oostzijde komt.

Met verschijnsel vertoont zich nog sterker, wanneer men gebruik maakt van

een beweegbaren stroomgeleider, als in fig. 167 is voorgesteld. Elke van de windingen der spiraal gedraagt zich als de stroomgeleider van fig. 166, en de spiraal richt zich, onder den invloed van het aardmagnetisme zoodanig, dat hare as samenvalt met het magnetisch meridiaanvlak. Denkt men de figuur van den .Regel van Airvpcrequot; in den stroomgeleider met het gelaat naar de as der spiraal gekeerd, dan ligt het magnetisch noorden aan hare linker zijde.

Aan een stroomgeleider van den bovengenoemden spiraalvorm geeft men den naam van s o 1 e n o ï d e.

Eene so leno'ide, waar een stroom doorheen yaul, gedraagt zich ah eene magneetstaaf.

•{ !). In fig. 168 is eene „klosquot; A voorgesteld, om welke een groot aantal windingen van een dunnen geïsoleerden koperdraad gelegd zijn, welks uiteinden

a en h met de beide klemschroeven van een galvanometer M zijn verbonden.

Binnen de klos A steekt eene tweede B, eveneens met draad, bij voorkeur dikker en korter dan van A, omwonden, welks beide uiteinden met de pool-platen van een element kunnen verbonden worden. Zoodra de stroom van het

ocr page 290

278

element gesloten wordt, vertoont de galvanometer-naald een uitslag, waaruit blijkt, dat ook in den van de windingen van B geïsoleerden draad van A een stroom optreedt. De afwijking der naald duurt echter slechts een oogenblik; weldra keert zij tot haar vorigen stand terng. Wordt daarna de stroom van het element verbroken, dan ondergaat de galvanometernaald weder eene afwijking, ditmaal in tegengestelden zin van zoo even. Ook nu ontstaat dus in den draad van klos A een stroom, die evenals de vorige slechts een oogenblik aanhoudt en in tegengestelden zin van dezen gericht is.

De kortstondige stroomen, die op de bovengenoemde wijs in den draad van klos A worden opgewekt, heeten inductie-, secundaire of, naar hun ontdekker Faraday, farad ische stroom en: de stroom in den draad van klos 13 heet dan de induceerende of primaire stroom.

De inductie-stroomen ontstaan onder den invloed van den induceerenden stroom volgens de volgende

WETTEN VAN FARADAY.

1° Wanneer in een geleider een stroom begint, ontstaat in een nahurigen geleider een inductie-stroom, die in tegengestelden zin gericht is.

2° Wanneer in een geleider een stroom eindigt, ontstaat in een naburig en geleider een stroom, die in gelijken zin gericht is.

Voorts leert het onderzoek, dat een stroom, die een geleider nadert, ten opzichte van dezen werkt als een stroom, die in zijne nabijheid begint; terwijl een stroom, die van een geleider verwijderd wordt, te zijnen opzichte werkt als een stroom, die in zijne nabijheid eindigt.

360. In fig. 169 is weder de klos A voorgesteld, verbonden met den galvanometer M. De klos B en het element zijn ditmaal ter zijde gelaten, en in hunne plaats bedienen wij ons nu van eene magneetstaaf NS met de noordpool in N. Wordt de staaf binnen klos A gestoken, dan werkt deze nadering der staaf op dezelfde wijs als ware zij eene solenoïde, door welke in dier voege een stroom gaat, dat zich in N eene noordpool vormt. Het verwijderen der magneetstaaf werkt evenzoo, als ware zij eene solenoïde met de noordpool in N.

De verschijnselen der inductie-stroomen vergelijkende met die van de werking van een stroomgeleider op een anderen stroomgeleider ot op een magneet, omschreef Lniz de richting der inductie-stroomen in de volgende naar hem genoemde

WET VAN LENZ.

Wordt een stroomgeleider of een magneet A ten opzichte van een geleider B verplaatst, dan wordt in B een stroom „geïnduceerdquot;, van zoodanige richting, dat hij, bij voldoende sterkte en duur, aan den stroomgeleider of aan den magneet A eene verplaatsing zou mededeelen tegengesteld, gericht met die, door welke de inductie-stroom ontstond.

De stroomgeleider of de magneet, die in de vaststaande klos gestoken wordt, wekt dus in den draad der laatste een stroom op, die den stroomgeleider oi magneet weder uit de klos tracht te duwen. Trekt men omgekeerd den stroom-

ocr page 291

270

geleider of magneet uit de holte der klos, dan wordt oen stroom opgewekt, die hem er weêr in tracht te trekken. Er moet dus eene zekere kracht aangewend worden om den beweeglijken stroomgeleider of den magneet in en uit de vaststaande klos te schuiven en het mechanisch arbeidsvermogen , dat hiervoor wordt opgeof-ferd, wordt in

een anderen vorm terugver-kregen , namelijk juist in den vorm van den opge-wekten inductie-stroom.

Op deze wijze kunnen ook de genoemde elec-trische verschijnselen tot de, Wet van het behoud van arbeidsvermogenquot; worden teruergebracht.

Wordt tie elec-triciteit, zooals

in de laatste proeven, opgewekt door middel van magneten, dan heet zy magneto-electriciteit; terwijl werktuigen, iu welke van deze wijze van electriciteit opwekken gebruik wordt gemaakt, den naam dragen van magneto-electrische werktuigen.

351. Wanneer twee heterogene geleiders elkander aanraken, dan geraken zij in den electrischen toestand en het spanning»- of potentiaal-verschil, dat zij dan vertoonen, is afhankelijk van den aard der geleiders en van de temperatuur in de aanrakingsplaats. Verandert deze temperatuur, dan verandert ook het potentiaal-verschil.

Ook daar, waar tfeen potentiaalverschil bestaat — bijv. in eene gesloten keten, die uit verschillende draden van hetzelfde metaal of van verschillende metalen bestaat — mits de temperatuur van alle aanrakingsplaatsen gelijk zij —, wordt door verhooging of verlaging van de temperatuur van eene der aanrakings-plaatsen een potentiaal-verschil en daarmede een stroom opgewekt.

Aan stroomen, die op deze wyze door verwarming of afkoeling worden opgewekt, geeft men den naam van therm o-el ectrische stroomen.

In fig. 170 stelt op een staafje bismuth voor, waarop een koperen beugel mn aan de beide einden is vastgesoldeerd. Tusschen beide metalen in bevindt zich

ocr page 292

280

de om eeue verticale as beweegbare magneetnaald a. Het toestelletje wordt zoo geplaatst, dat de lengte-as der inetaaistaai:jes en de magnetische as der naald

onderling evenwijdig, dus in het magnetisch meridiaanviak geplaatst zyn. Wordt nu het eene soldeer-punt no verwarmd, dan wijkt de naald uit haar stand, en passen wy den Kegel van Ampère toe, dan blijkt dat de stroom de richting heeft van den bijgevoegd en pijl, zoodat aan de verwarmingsplaats het koper n positief-, het bismuth o negatief-elec-trisch wordt.

Is de temperatuur van beide soldeerpunten weder gelijk geworden, dan plaatst de naald zich met hare magnetische as opnieuw in het magnetisch meridiaanviak, het potentiaalverschil is opgeheven en er gaat geen stroom door de keten.

Koelt men nu het sokleerpunt no met behulp van sneeuw of ijs af, dan wordt weder eene afwijking van de naald waargenomen, doch in tegengestelden zin als de vorige, waaruit blijkt, dat de stroom nu eene tegengestelde richting heeft.

352. In § 345 hebben wij kennis gemaakt met electro-magneten. Deze vinden eene zeer belangrijke toepassing in den electromagnetischen telegraaf. In hoofdzaak komt de telegrafie hierop neêr, dat men, door op eene plaats in een stroomgeleider den stroom te sluiten en te verbreken, op eene andere plaats in den geleider aan eene ijzeren kern beurtelings electromagnetisme mededeelt en ontneemt, waardoor men dan zekere seinen kan voortbrengen. De eenvoudige

inrichting van fig. 171 geeft een denkbeeld van de wijze, waarop door middel van den electromag-neet Cr teekens kunnen worden voortgebracht. Zoodra de stroom gesloten is en dus de draadwindingen om de ijzeren kern G doorloopt, wordt deze magnetisch en trekt het einde C van het ijzeren staafje BC tot zich. Wordt de stroom verbroken, dan verliest de ijzeren kern bijna al haar magnetisme en de veer E trekt het ijzeren staafje in zijn vorigen stand terug. Verbindt men nu aan het uiteinde li een potlood, dat hij het dalen van B tegen de papierstrook K drukt, en zorgt men er voor, dat deze strook regelmatig wordt voortgeschoven, dan zal het potlood korte of langere streepjes op het papier schrijven, naardat de aanraking korter of langer geduurd heeft, d. i. naardat de stroom korter of langer gesloten is geweest. Stelt men nu een letterschrift vast, uit korte strepen of

ocr page 293

281

stippen en lange strepen bestaande, dan is het beginsel der telegrafie verwerkelijkt. Zulk een letterschrift werd uitgedacht door den Amerikaan Morse, aan vvien men tevens voor een groot gedeelte de practische bruikbaarheid van den hedendaagschen telegraaf te danken heeft.

Om den stroom gemakkelijk en snel te sluiten en te verbreken, bedient men zich bij de telegrafie van den stroomsluiter („sleutelquot;') van Morse, die in fig. 172 is afgebeeld. Deze bestaat uit een metalen hefboom, die zyn draaipunt in C heeft en die voorzien is van een houten knop G, waarop tot het verkrijgen van stroomsluiting gedrukt wordt. Bij o bestaat er geleidend verband tusschen den

metalen hefboom en een metalen kegeltje op het plankje, welk kegeltje weder verbonden is met het klemstuk a, dat de draadgeleiding opneemt. Het genoemde verband wordt verbroken, wanneer men den knop G neerdrukt, terwijl dan geleidend verband ontstaat tusschen I en c, welk laatste met het klemstuk voor het draadeiude !gt; verbonden is. Eene veer is zoodanig aangebracht, dat de hefboom, zoodra de drukking op G ophoudt, weer in zyn vorigen stand terugspringt.

Hoe nu deze ,sleutelquot; bij het telegrafeeren gebruikt wordt, blij kt uit de beschouwing van fig. 173.

russchen de beide stations A en B is slechts één draad gespannen, over de telegraafpalen langs den weg. Langs dezen draad wordt nu bijv. de E van de in A aanwezige batterij naar het andere station B geleid en hier, nadat hij

de windingen van den electro magneet heeft doorloopen, door de «aard plaatquot; I' in den bodem afgevoerd Deze „aardplaatquot; is eene vierkante koperen plaat, die in elk station zoo diep in den grond geplaatst is, dat zij voortdurend met vochtige aarde omgeven is. De E van de in A geplaatste batterij wordt regelrecht door de aardplaat P in den bodem afgeleid.

De loop van den electrischen stroom der in li geplaatste battery is juist

ocr page 294

282

andersom en uit de figuur verstaanbaar. Wordt nu de sleutel S van station A neergedrukt, dan is de stroom, die van rechts naar links, van A naar B gaat, gesloten; de E gaat van de battery c naar den sleutel S, van hier op den draad over en komt zoo in den sleutel 8 te B, van waar zij naar den electro-magneet-seingever m' gaat en van hier naar den bodem; de — E van de batter^ c te A is langs den electromagneet-seingever m naar de aardplaat en zoo in den bodem afgeleid.

Daarentegen is de stroom van de batterij c te B, omdat de sleutel in rust-stain 1 is, verbroken, zoodat de seingever m te A niet in werking kan komen.

l)e telefoon, die den telegraaf begint op zijde te streven, is een m a g n e t o-e 1 e e t r i s c h werktuig.

De teletoon (vgl. tig. 174) bestaat uit eene magneetstaaf A, die aan hare eene

pool door eene draadklos B omgeven is, welker beide draadeinden 0 en C' respectievelijk met de klemmen D en 1) verbonden zijn. Vlak voor het omwonden einde der magneetstoi-af bevindt zich een plaatje van dun blik (EE). Dit blikken plaatje is het middel, waardoor de magnetische toestand dei-staaf voortdurend gewijzigd wordt, en waardoor dien ten gevolge electrische (inductie-)stroomen in den draad worden opgewekt. Het blik wordt namelijk door de nabijheid der magneetstaaf zelf magnetisch, en zoo vaak het bewogen wordt in de richting naar de staaf toe of van deze af, wijzigt zich de magneetkracht der staaf. Nadert het plfiatje, dan wordt de magneetkracht versterkt, verwijdert het zich, dan wordt de magneetkracht minder. Zoodoende ontstaat eene reeks van inductiestroomen, afwisselend in de eene en in de andere richting (wisselstroomen).

Evenals nu op het zingen van een toon de snaren en de klankbodem eener pinno in trilling worden gebracht, zoo wordt ook het dunne ijzeren plaatje van den telephoon in trillende, d. i. heen- en weergaande beweging gebracht, wanneer men er tegen zingt of spreekt. Om de werking te versterken, is boven het plaatje een trechter geplaatst, waarvoor men bij het spreken den mond houdt. Elke trilling of heen- en weergang van het plaatje doet nu twee elkaar in tegengestelde richting opvolgende stroomen ontstaan.

De beide draadeinden van de klemmen I) en I) zijn verbonden met een anderen telephoon, die geheel op dezelfde wijze is ingericht. Nu heeft hierin het omgekeerde plaats van hetgeen in den eersten telefoon gebeurt. Het ontstaan toch van een stroom in den tweeden telefoon heeft eene verandering in de magneetkracht van zijne magneetstaaf ten gevolge. Zoo dikwijls dus in den eersten het ijzeren plaatje eene heen- en weêrgaande beweging uitvoert, zoo vaak heeft dit in het tweede eene versterking en opvolgende verzwakking van den magne-tischen toestand ten gevolge en even dikwijls zal dan ook bier het plaatje meer en minder sterk worden aangetrokken of zicb heen en weêr bewegen. Het plaatje

ocr page 295

28R

in den tweeden telephoon trilt dus op dezelfde wijs als dat in den eersten. En weder, evenals de trillingen van den klankbodem der piano zich aan ons oor voordoen als eene herhaling of echo van den gezongen toon. zoo openbaren zich ook de trillingen van het plaatje van den tweeden telephoon aan het boven den trechter gehouden oor als de herhaling of echo van den toon, die in den eersten is opgewekt. Het ijzeren telefoon plaat je kan zelfs den zeer samengestelden bewegingstoestand aannemen, die gevorderd wordt om in den vorm van volle accoorden ons gehoor aan te doen. Het instrument kan ook de drager der men-schelijke stem zijn, zoodat elk woord, dat op het eene station in den trechter gezongen of gesproken wordt, zich openbaart aan het oor, dat zich op het andere station nabij den trechter van den hier aanwezigen telefoon bevindt.

.'{04. Eene andere belangrijke toepassing der electriciteit is de electrische verlichting. Lascht men ergens in eene stroombaan een draad met grooten weerstand, dan zal er in dit gedeelte der stroombaan eene sterke plaatselijke warmte-ontwikkeling plaats hebben en de draad kan zelfs gaan gloeien. Van dit beginsel is partij getrokken in het zoogenoemde electrische gloeilicht. Een zoogenoemd gloeilampje, bestaande uit een kleinen glazen ballon, waarin een draad van verkoolde plantenvezels bevestigd is. wordt in de stroombaan gelascht en de door den stroom gloeiend gemaakte draad brengt de verlichting aan. Opdat de kool niet verbrande, moet de ballon luchtledig zijn, zoodat geen zuurstof hare oxydeerende werking kan uitoefenen.

Het veel sterkere electrische boog- of koolspitsen-licht is een sterke boogvormige gloed, een bijzondere vorm van electrische vonk, die tusschen twee op kleinen afstand van elkaar geplaatste koolspitsen overgaat.

He voor de electrische verlichting gebezigde stroomen zijn inductie-stroomen, die door magneto-inductie verkregen z\jn. In plaats van magneten bezigt men echter, in de hiervoor dienende machines, week ijzer, dat eene kleine hoeveelheid ,remanent magnetismequot; bezit (vgl. ^ 345). De oorspronkelijk alleen door dit remanente magnetisme opgewekte zwakke stroom wordt dadelijk om het week ijzer heen geleid en zoodoende wordt dit sterk magnetisch en wekt nu sterke stroomen op. Dergelijke machines dragen den naam van dynamo-machines oi kortweg dynamo's.

355. Nog eene andere toepassing der electriciteit is die, welke de geneeskunde er van maakt bij de behandeling van sommige stoornissen in het spier-of zenuwstelsel. Lascht men een gedeelte eener zenuw of spier in de stroombaan, dan zal de spier zoowel bij het sluiten als bij het verbreken van den stroom zich samentrekken. O]) deze wijze ontstaan de trekkingen en schokken, die men ondervindt, wanneer men zich aan de ontladingsslagen van Leidsche flesschen of inductie-toestellen blootstelt.

De sterkste ontladingsslag, die men kent, is die van den bliksemstraal, en dat deze, zoo hij mensch of dier treft, noodlottige gevolgen kan hebben, is algemeen bekend. De nauwkeurige kennis der electrische verschijnselen geeft echter den mensch de middelen aan de hand om het gevaar, dat zjj medebrengen, te bestrijden.

Van Benjamin Franklin, den Amerikaanschen vrijheidsheld en natuurkundige.

ocr page 296

, ,,;r.. ... JVvquot;» ' . quot; ■ r:.^ *~f •quot;«T?-,• •; ''V ' V.'V ^ ••

284

is getuigd geworden: ,Hy heeft den tyrannen liuiine schepters en den hemel zijne bliksems ontrukt.quot; Franklin is namelijk de uitvinder der bliksemafleiders.

Een metalen stang of kabel van gevlochten koperdraad loopt van boven in eene spits uit, terwijl haar ondereinde in goede geleiding met de aarde gebracht wordt, bijv. door het in een waterput te plaatsen. Hebben nu de eleetrisehe wolken den aardbodem door influentie tegengesteld electrisch gemaakt, dan stroomt deze langs de metalen stang door de spits (,werking van puntenquot;) naar de wolken af en neutraliseert de electriciteit der wolken, Mocht de bliksem toch nog ,inslaanquot;, dan wordt de electriciteit langs de haar aangeboden goede geleiding naar de aarde afgevoerd, zonder aan de omgeving groot nadeel toe te brengen.

35(gt;. Elke magneet, elke stroomgeleider heeft zjjn „veld van werkingquot;. Het optreden van een electrischen stroom kan ijzeren naalden, die zich op verschillende plaatsen in het veld zijner werking bevinden, in zooveel magneten veranderen. Worden deze naalden magnetisch op hetzelfde tijdstip, waarop de stroom ontstaat, of worden zij het op een later tijdstip en wel des te later, naarmate z\j verder van den stroomgeleider verwijderd zijn? Op deze vraag hebben onderzoekingen van den allerlaafsten tijd een beslissend antwoord gegeven. De uitbreiding van den invloed, dien een magneet of een stroomgeleider uitoefent over het veld zijner werking, kost inderdaad tijd, en de voort-plantingssnelheid dezer werking is dezelfde als die, waarmede zich de lichtwerking eener lichtbron voortplant (in een rond getal ongeveer 300 000 KM. per secunde).

Wat meer zegt, de werking van den stroomgeleider in zijn electrisch veld blijkt ook hierin met de werking eener lichtbron overeen te komen, dat in de plaatsen, waar zijn invloed zich doet gevoelen, wijziging gebracht kan worden door middel van holle spiegels en bijzonder daarvoor ingerichte prisma's, door welke namelijk in de eleetrisehe of magnetische werking dezelfde verschijnselen van terugkaatsing en van breking worden opgewekt als wij bij de werking van het licht hebben leeren kennen.

De in de laatste jaren op theoretische gronden veld winnende zienswij/e, dat licht en electriciteit in het wezen der zaak verschijnselen van éénerlei aard zouden zijn, heeft door deze uitkomsten der rechtstreeksche waarneming een krachtigen steun gekregen.

Zoo wel in het geval van eleetrisehe- als van licht-werking wordt er dus in de ruimte eene werking voortgeplant en is hiervoor tyd noodig. Den aard van dit voortplantingsproces stelt men zich voor als een zich verder en verder uitbreidende trillingstoestand, als eene golfbeweging, eene beschouwing, die met zich brengt, dat men dan óók iets moet aannemen, dat trilt, eene hypothetische zelfstandigheid, waaraan men den naam van aether geeft. De theorie van het licht en der electriciteit wordt zoodoende eene mechanica des aethers, die langs wiskundigen weg ile licht- en eleetrisehe verschijnselen tracht af te leiden, evenals de mechanica van de moleculen en atomen der vaste, vloeibare en gasvormige lichamen rekenschap geeft van de verschijnselen, die déze lichamen opleveren. Hierin nader door te dringen, ligt geheel buiten het bestek van dit boek.

_

ocr page 297

285

!{rgt;7. Wordt eene stemvork, door middel van een strijkstok, met voldoende kracht aangestreken, dan ontvangen wij eene geluidgewaarwording, en w\j geven aan liet in dit geval waargenomen geluid den naam van toon.

Ook voor dezelfde stemvork kan de opgewekte gewaarwording verschillen, namelijk naar gelang zij sterker of minder sterk wordt aangestreken. Wij ver-

tolken het verschil in gewaarwording, door den toon in het eerste geval sterker, in het laatste zwakker te noemen.

Tw ee tonen kunn e n ver s c h I /-len in sterkte.

itoH. Worden twee verschillende stemvorken aangestreken, dan zyn de opgewekte gewaarwordingen, behalve dat ook nu een verschil van toon-sterktequot; kan bestaan, nog in ander opzicht verschillend. Dit verschil wordt vertolkt door de uitdrukking, dat zij van verschillende hoogte zijn.

Twee tonen kunnen verschillen in „hoogtequot;.

35}). Het voorgaande is óók van toepassing op de tonen van elk ander muziekinstrument. Vergelijkt men echter de tonen van twee verschillende instrumenten onderling, dan hlykt, dat zij, ook bij gelijke „sterktequot; en „hoogtequot;, nog in een derde opzicht kunnen verschillen. Vergelijkt men bijv. de tonen eener piano met die eener stemvork, dan is het verschil in de daardoor opgewekte gewaarwording van dien aard, dat een eenigszins geoefend oor terstond weet te onderscheiden, welke tonen aan de stemvork en welke aan de piano moeten worden toegeschreven. Het is dit verschil in gewaarwording, waaraan het begrip klank y-ijn ontstaan verschuldigd is.

Twee tonen kunnen verschillen in „klankquot;.

360. Naar aanleiding van gewaarwordingen, die door tusschenkomst van den gehoorzin worden opgewekt, zijn in het voorgaande de begrippen toon, toon-sterkte, -hoogte en -klank ontwikkeld, van welke de drie laatstgenoemde zoovele eigenschappen van het eerste zijn.

Uit het dusver in dit Deel behandelde is reeds meermalen gebleken, dat bij de verklaring der verschijnselen, door tusschenkomst van ver.-chillende zintuigen door ons waargenomen, er naar gestreefd wordt, die verscliijnselen in de eerste plaats onderling vergelijkbaar te maken. Daartoe worden zij tot verschijnselen van éénerlei soort en wel bij voorkeur tot bewegingsverschijnselen herleid. By de volgende bespreking der geluidsverschijnselen zullen wij denzelfden weg volgen.

Door het aanstrijken van de stemvork nemen hare „beenenquot; eene beweging aan, waarvan men door eene kunstgreep den vorm gemakkelijk kan bepalen. Het uiteinde van een der beenen wordt daartoe van eene platte, veerkrachtige, metalen stift voorzien, door middel van welke men de vork zelve hare bewegingen laat opschrijven op een ronddraaienden, met roetzwart bedekten trommel. Zoo

ocr page 298

286

komt men tot de kennis, 1u dat de beweging van de beenen der vork eene heeii-en weêrgaande is, waarbij /.ij afwisselend naar elkaar toe en van elkaar af gaan;

Fi(, 17U 2° dat de opeenvol

gende h;;en- en weêr-gangen iu onderling gelijke tijdsverloopen geschieden; 3° dat bet aantal dezer regelmatige been- en weergangen of zoogenoemde „trillingenquot;

eener toongevende vork per secunde te groot is om zonder bet aanwenden van kunstgrepen elk afzonderlijk te worden waargenomen.

Elk voorwerp, dat als de stemvork eene regelmatig trillende beweging bezit of welks deeltjes in eene zoodanige beweging verkeeren, kan als «toongevendquot; voorwerp de stemvork vervangen, mits de trillingen elkaar met voldoende snelheid opvolgen.

Wordt een toongevend voorwerp onder de klok eener luchtpomp geplaatst Kit,'. 17 7. en draagt men zorg, dat de beweging van het

voorwerp of van zijne deeltjes zich niet aan de plaat of de klok der luchtpomp kan niededeelen, dan neemt men, nadat de lucht verwijderd is, geen geluid meer waar.

De (geluids)boweging van het toongevend voorwerp deelt zich namelijk mede aan de luchtdeeltjes, die er mede in aanraking zijn: en deze deelen haar mede aan de omliggende luchtlagen, door tusschenkomst van welke het gehoororgaan wordt aangedaan.

3Ö3. Men kan de stooten, die een trillend vast lichaam aan de lucht mededeelt, vervangen door een blaastoestel, dat lucht drytt door eene opening, die in regelmatige tusschenpoozen afwisselend geopend en gesloten wordt.

Naar dit beginsel is bijv. de in fig. 178 afgebeelde „sirenequot; ingericht. Blaast men door de buis li lucht, terwijl de in een cirkel geplaatste openingen der sch\if achtereenvolgens de punt der blaasbuis voorbijgaan, dan verkrygt men eene regelmatige luchtbeweging, die, by genoegzaam aantal stooten per secunde, zich als een toon aan onzen gehoorzin zal openbaren.

De indruk van een toon wordt in gewone omstandigheden in ons opgewekt door eene reeks van regelmatige verstoringen van liet evenwicht der lucht, die in de lucht zelve worden voortgeplant.

De snelheid, waarmede eene verstoring van het evenwicht zich in de lucht voortplant, is afhankelijk van de temperatuur der lucht.

ocr page 299

287

Volgens proeven van Moll en van Beek' Ijedraagt de voortplantingssnelheid, by eene tempemtuur van 0° ongeveer 33200 éénlietlen.

iMii. De proeven met de schrijvende stemvork en de sirene kunnen zoo-

l78 danig worden ingericht,

dat men het per secunde opgewekte aantal verstoringen in het evenwicht der lucht kan bepalen, een getal, dat men het trillingsgetal noemt.

Wanneer de proef zoo geregeld wordt, dat het. trillingsgetal der stemvork, onverschillig wat zijne „volstrektequot; waarde zij, gelijk is aan dat der sirene, dan herkent een geoefend oor, in de door beide voortgebrachte tonen, tonen van „gelijke hoogtequot;. Verschillen daarentegen de trillingsgetallen, dan zijn de voortgebrachte tonen van verschillende hoogte.

Dezelfde uitkomst wordt verkregen, wanneer men de verstoringeu in het evenwicht der lucht door andere dan de genoemde werktuigen opwekt.

Is het trillingsgetal boven een zeker maximum ot beneden een zeker minimum gelegen, dan wordt de beweging der lucht niet als geluidsbeweging ot als „toonquot; waargenomen. Voor verschillende waarnemers kan zoowel maximum als minimum een weinig uiteenloopen. Volgens Prei/er liggen de grenzen, binnen welke tonen waarneembaar zijn, tusschen de trillingsgetallen 1(5 en 40 9(30.

365. Tusschen de in de „muziekquot; gebruikelyke tonen bestaan zekere hoogteverschillen, atstanden ot intervallen, uit welke eene zoogenaamde toon „ladderquot; wordt samengesteld.

Het volgende lijstje geeft een overzicht van de trillingsgetallen der tonen van den diatonischen toonladder:

Naam.

Contra-Octaaf.

Groot Octaaf.

Klein Octaaf.

Eenmaal gestreept Octaaf.

Tweern, gestreept Octaaf.

Driemaal gestreept Octaaf.

Vierimiiil gestreept Octaaf.

OMF

C-H

c-h

c'-h1

cn-h11

ci u-hm

ei v-li iv

Ut

c

33

66

132

264

528

1056

2112

Re

D

37,125

74,25

148,5

297

594

1188

2376

Mi

E

41,25

82,5

165

330

660

1320

2640

Fa

F

44

88

176

352

704

1408

2816

Sol

G

49,5

99

198

396

792

1584

31(58

La

A

55

110

220

440

880

1760

3520

Si

H

01,875

123,75

247,5

495

990

1980

3960

ocr page 300

288

De voorgaande tabel is gebaseerd op de door Scheibier (1834) ingevoerde gewoonte, voor de normale a, dat is de toon a1, een trillingsgetal van 440 aan te nemen. In Frankryk is a een toon met liet trillingsgetal 435.

Door tusschen sommige tonen van den diatonischen toonladder nog een toon in te lasschen, verkrijgt men den in de muziek gebruikelijken chromatischen toonladder, die uit twaalf intervallen bestaat.

De laagste in de muziek gebruikte tonen zijii de contra-bas E (41,25), de klavier C (33), de vleugel A' (27,5), de orgel ('i (10,5). De hoogste tonen zijn de klavier-6,v (4224) en de piccol()-r/v (4752).

!{(gt;(gt;. In de piano zyn de toongevende lichamen „snarenquot;. Elke snaar is in twee punten onbeweeglijk bevestigd en bet is bet tusschen deze vaste punten gelegen gedeelte, dat in „trillingquot; wordt gebracht. Zoo is het ook bij de viool. De snaar wordt zijwaarts getrokken, geslagen of gestreken, waarop zij, ua losgelaten te zijn, tusschen hare beide vaste punten, in het eenvoudigste geval

eene heen- en weêr-gaando beweging aanneemt, zooals fig. 170 aangeeft.

De toonhoogte, die men daarop waarneemt, dus het trillingsgetal der snaar, is afhankelijk 1° van de lengte van het beweeglyk gedeelte; 2° van de doorsnede; 3quot; van de soortelijke massa der zelfstandigheid; 4° van het spannende gewicht der snaar, dat door het over eene schiif' geslagen losse einde gedragen wordt.

Het trillingsgetal van den voortgebrachlen loon is omgekeerd evenredui nan dc lengte van het beweeglijk gedeelte; omgekeerd, evenredig aan den vierkantswortel uit de doorsnede; omgekeerd evenredig aan den vierkantswortel uit de soortelijke massa der zelfstandigheid; evenredig aan den vierkantswortel uit het spannende gewicht der snaar.

Wordt eene snaar, na in trilling gebracht te zijn, aan zich zelve overgelaten, dan doorloopen hare verschillende punten, bij hunne achtereenvolgende heen- en weêrgangen, gaandeweg kleinere wegen, om ten slotte tot rust te

,0/. komen. Het voor el-

ken heen- en weergang noodige tijdsverloop verandert echter niet, zoodat het trillingsgetal gedurende den geheelen duur der trilling, en daarmede ook de toonhoogte, standvastig blijft. Wat echter in onze geluidsgewaarwording wel

verandert, is de sterkte van den toon. Terwijl de bij de trillingen beschreven

ocr page 301

28(t

wegen gaandeweg kleiner worden, neemt ook de sterkte van den toon af' en deze „sterft langzamerhand wegquot;.

De toonfi ter k le is afhankelijk: van de tri I ling s wij die der punten van hel geluidgevende voorwerp; wordt zij lt;jrooier, dan neemt de sterkte toe; wordt zij kleiner, dan neemt de sterkte af.

Een geoefend oor hoort onderscheid in de door eene snaar voortgebrachte tonen, wanneer de snaar, onder overigens gelijke omstandigheden, op verschillende plaatsen wordt aangestreken.

Het waargenomen verschil is geen verschil in hoogte ol sterkte, doch is een verschil in klank.

De oorzaak van dit verschil in „klankquot; ligt hierin, dat de snaar, behalve den toon, dien het minder geoefend oor als den eenigen voortgebrachteu toon (den toon der snaar) beschouwt, nog andere tonen voortbrengt, zwakker dan eerstgenoemde en verschillende naar de plaats, waar de snaar is aangestreken.

De eerstgenoemde, sterkere en daardoor domineerende toon, heet de grondtoon; de overige heeten de bijtonen.

De grondtoon is de laagste der door eene trillende snaar voortgebrachte lonen; hij is onafhankelijk van de plaats, waar de snaar is aangestreken.

Niet alleen bij snaren, bij elk ander muziekinstrument gaat de grondtoon vergezeld van een grooter of kleiner aantal betonen.

Trilde eene snaar op de eenvoudigste wijs, door in haar geheel regelmatig heen en weêr te gaan tusschen hare uiterste in fig. 178 voorgestelde standen, dan zou zy slechts één toon voortbrengen. In den regel is echter de verplaatsing van hare deelen eene veel meer samengestelde, waarvan het resultaat voor ons

gehoororgaan hetzelfde is als dat van eene vereeniging van enkelvoudige trillingen van verschillenden trillingsduur.

De door ons gebruikte stemvork (vgl. fig. 175) was op een aan eene zijde open houten kastje geplaatst. Daardoor was de door de stemvork voortgebrachte toon ook op afstand goed hoorbaar. Wordt de vork van haar kastje afgenomen en dan aangeslagen, dan wordt zelfs op kleinen afstand geen toon meer gehoord, zoodat het kastje den dienst heeft gedaan van een versterker van het geluid. Zulk een geluidversterker heet meteen vreemden kunstterm een resonator.

Houdt men de trillende stemvork (vgl. 181) boven een hoog maatglas, dan is het mogelijk, dat men reeds terstond eene versterking van den

sa ia uit da on i-K itov, Natuui'hcnuis, 11. 2di» druk. iy

ocr page 302

200

toon waarneemt, welke versterking men wellicht nog kan doen toenemen door het ingieten van water, waardoor de bodem (ditmaal een van water) dichter bij de opening gebracht wordt, liet maximum van versterking valt samen met eene bepaalde hoogte der in het maatglas besloten luchtkolom, welke hoogte onafhankelijk is van de wijdte van het glas, doch afhankelijk van de hoogte van den toon.

Een hoog ere toon vereischt voor zijne maximum-versterking eene kortere resoneerende luchtkolom dan een lagere toon.

Het geluid eener orgelpijp wordt veroorzaakt door de resoneerende werking der in de püp besloten luchtkolom. Naarmate de pijpen korter zijn, is de voortgebrachte toon liooger.

Door de in het voorgaande medegedeelde werking van resonatoren heeft men een gemakkelijk middel in de hand om in een mengsel van tonen de verschillende bestanddeelen hoorbaar te scheiden. Houdt men b\jv. een drietal verschillend gestemde stemvorken boven een zelfden resonator, dan zal alleen die toon zijn maximum van versterking ontvangen, en daardoor duidel\jk van de andere te onderscheiden zijn, aan welks toonhoogte de gebezigde resonator beantwoordt.

Langs dien weg wordt het ook mogelijk, de anders zoo moeilijk te herkennen bijtonen van den grondtoon te scheiden.

Wordt in het eene van twee „koppelbrandpuntenquot; eens hollen spiegels een horloge geplaatst en in het andere het oor gehouden, dan wordt het tikken van het horloge gehoord, alsof het van den spiegel kwam. De geluidbeweging der lucht wordt, even als een lichtstraal, door den spiegel teruggekaatst. Koepelgewelven kunnen op dezelfde wijs als de ovengenoemde spiegel werken en veroorzaken, dat een op eene bepaalde plaats voortgebracht geluid op eene andere plaats geconcentreerd en hier duidelijk gehoord wordt.

Wanneer er voldoende tijd verloopt tusschen het tijdstip, dat de geluidsbeweging rechtstreeks, en het tijdstip, dat zij het oor na terugkaatsing bereikt, dan hooren wy de laatstgenoemde als eclio. Is een wand, minstens 18.5 M. van ons verwijderd, dan moet het door ons gesproken geluid 37 M. afleggen voordat het na de terugkaatsing weder ons oor bereikt, wat ongeveer met een tijdsverloop van l secunde overeenkomt. De indruk eener gesproken lettergreep, die ons oor regelrecht heeft bereikt, is in dien tusschentyd uitgewischt en wij hooren de lettergreep herhalen: men heeft in dit geval eene éénlettergrepige echo. Het teruggekaatste geluid kan nogmaals teruggekaatst worden en zoo voort. Bij Adersbach in het Reuzengebergte wordt eene 7-lettergrepige echo 3-maal gehoord. Eene echo van eenige bekendheid in ons eigen land is de echo op Muiderberg.

ocr page 303

ANTWOORDEN.

Biz. 11 : 1° Kccht cvenrodige afhunkelijkheid ; 2° ld.; 3° Omgekeerd evenredige afhankelijkheid. Hlz. 13. n. Op een oneindig aantal wijzen; h. Op slechts eene wijze.

Hlz. 14. Optjaven. 1. In 1 min. (= (»0 sec.) heeft een punt van den omtrok 18 maal een weg van .r) M., dus een weg van 90 M. of 9000 cM. afgelegd; dat is in 1 secunde gemiddeld een weg

van / ^ = loO eM, (1. i. 150 maal de weg, dien het zou afleggen, indien het zich met de 60

„eenheid van snelheidquot; verplaatste. De gemiddelde snelheid bedraagt dus 150 maal zooveel: v — 150.

. . . fi S 15 , 0 8 15

2. De zijden worden respectievelijk in , en secunden doorloopen. ^ 3;

J 1 * .r 2 a: Soc x 2.r 3.r

waaruit x = 5, 2.lt; = 10, 3x = 15. De gemiddelde snelheid, waarmede de omtrek doorloopen

, 0 -f- 8 4- 15 ,,

wordt = = O2/...

3. Dn op (1lt;5 tafel doorloopen weg is eene volgens ziegezagen gebroken lijn, welker rechte deelen onderling even lang zijn. Kik is de diagonaal van een rechthoek, welks zijden tot elkaar staan als 3 : 1 en dus tot de diagonaal respect, als 3 en 4 tot 5. De korte rand, d. i. de kortste rechthoekszijde staat dus lot de na drie gangen doorloopen weg, dat zijn de drie diagonalen, als 3:3 X 5, zoodat de korte rand 5 maal in den algelegden weg begrepen is.

4. v = y/ia1 -f- /gt;2).

5. In het tijdsverloop, waarin de druppel 57 eM. naar beneden doorloopt, legt de waggon een

57 19

weg van GO cM. af. De snelheid van den druppel bedraagt dus . - = van die van den waggon,

, . 19

d. i. X 1400 = 1330.

20

Blz. 15. lTit vi =r 2s,/ af te leiden: s r= a,/2.

Wij stellen ons het tijdsverloop van t éénheden in 10 onderling gelijke deelen verdeeld voor, gedurende elk van welke de beweging eenparig blijft, terwijl de snelheid bij het begin van elk nieuw 10de deel met een sprong verandert en dan de waarde krijgt, die zij hebben zou, volgens de vergelijking vt = 2s,/.

In de eerste t is o, = O en s, = 0,

10 ' '

2de

2.V, X —- /; $•gt; = 2«. f 1 t] f 1 A, 1 10 2 1 \ 10 / \ 10 /

2 2 l

3de „ üg — 2.s', X ^3 — 2.Vj X , ri /X In

10 0 1 10 10

4do „ „ vt - 2s, X I; s4 = 2s, X j30 t X 10 i,

„ „ r9 = 2s, X f - i; % = 2s, X * t X ' I,

10 ■' 1 10 10

19*

1

quot;10= 2«! X t; S10= 2s, x 1() t X jy !■

ocr page 304

292

V , ; ■• '^ :-'v -: ' ^ '

• ïW' *^7amp; ■f^v-xw^

;', -■ ■,v

De gehcclc doorloopen weg (s) is dan dc som van 10 termen eener rekenkundige reeks, dus:

( 0 1 \ 0 1 0 0 0 , I , /

,s' = .) ( 0 -f 2.S', X /X M - 5 x X ^ X t = Sit2 — s.t2 =£ V2-

\ 1 10 10 / 1 10 10 10 1 1 / 10 1 /

Wordt liet gegeven tijdsverloop in 100 onderling gelijke deelen verdeeld, dan vindt men op

dezelfde wijs:

S — S.t'---S|lt;2.

1 100 1

De snelheid is nu nog wel met sprongen veranderd, doch de overeenkomst met eene werkelijk eenparig versnelde beweging is grooter geworden, terwijl de voor .s gevonden waarde dichter bij s11quot; is gelegen dun de vorige.

Daar wij de verdeeling van het tijdsverloop t in onze gedachten zoover kunnen voortzetten als wij willen, kunnen wij de overeenkomst der onderstelde beweging met eene eenparig versnelde zoo groot maken en daarmede het verschil tussehen den atgelegden weg s en de waarde zoo klein maken als wij verlangen, zoodat wij, voor het geval dat de beweging werkelijk eene eenparig versnelde is, kunnen stellen:

.s- = «,lt;2.

Blz. 24. Volgens § 27: si = n. In dit geval s, rz: — lt;/ — — x 081,3 = 41)06 cM. — 4.9 M. ongeveer.

ld. Wordt in hot stelsel van eenheden de cM. door den M. vervangen, dan wordt (f = 9,803. l(i. De door een vrij vallend lichaam in opeenvolgende secnnden doorloopen wegen verhouden zich als 1 : 3 : 5 : 7 enz.

Blz. 25. Opcjnren. 1. lTit .s =: — at2 volgt:

240 000 (cM.) = a X 202 = 200 n ; dus a = 1200.

2000 , 250

2. gt;ia 8 sec. y = 2000; na 1 sec. v — ^ = 250; dus .«I = = 125. In 8 sec.:

8 2

* 125 X 8: = 8000 cM.

3. — quot;840 (cM.); dus ^ XI2 — quot;840; t'1 — — 16: sec. Na 1 scc. « — '.180;

na 4 sec. w = 980 X 4 = 3920.

4. ITit »1 = 0-1- at volgt: 7840 = 4900 980 i, waaruit; 2940 = 980 ( en « = 3. Voorts

volgt uit; s = /!/ -i ai'1-, s =. 4900 X 3 490 X S2 = 19 110 cM.

5. l'it VI ■= i) — xt volgt; vi =z 5000 1000 X 4 1000. Uit s = vt — — xt- volgt;

42 2

s = 5000 X 5 - 1000 X 2 = 17 000 cM.

6. IFet voorwerp stijgt 3 sec. liet bereikt eene hoogte van 44,1 M. en komt in 3 scc. weer op den grond terug.

Blz. 37. De krachten verhouden zich als a : b.

Id. Zij verhouden zicli als «i, ; nu.

ld. Zij verhouden zich als ami ; hm.,.

l?lz. 38. Ojji/acen. 1. 78,4 M.

2. w = 3920.

3. Een hoek van 30'quot;. I! = 60 ^/3. N.H. In een rechthoekigen driehoek, waarvan een der hoeken — 30°, is de zijde tegenover den hoek van 30° de helft der hypothenusa.

4. De kogel stijgt 39 M. Be schootsverheid = 50 \/3 M. Na ---- y'Sp see. N.B. Dc snelheid,

waarmede de kogel den tromp verlaat = 100 y'?; de verticale ontb. dezer snelheid = 50 \/3g ■. de horizontale ontb. = 50 \/lt;!•

6. V = 4000; want volgens s = n(2 is re = 8.

6. a 50.

7. F ; Q = 20 X 25 ; 15 X 50 = 2 ; 3.

8. y = 187,5.

ocr page 305

293

Biz. 77. Opgaoen. I. a. R = 35; h. 16 I'M.

2. n. K = 9; h. BC = 40 cM.

4. Op 8,1 dM. van den zwaarstcn last af.

4r

5. Op de loodlijn uit het middelpunt op dc middctlijn, en wol op een afstand van van het

371

middelpunt, wanneer r = do straal dos cirkels. N.B. Het zwaartepunt van den cirkelsector mot een straal = r valt samen met dat van den cirkelboog, die in don cirkelsector uit hetzelfde mid-2

delpunt mot oen straal — ^ r getrokken is. Denkt men zich namolijk den sector door stralen in

kleine driehoekjes verdeeld, dan liggen de zwaartepunten van al deze driehoekjes in don genoemden o

cirkelboog op quot; r afstand van hot middelpunt. Het zwaartepunt van don halven cirkelomtrek ligt

2r'

op den straal, die het middelpunt met het midden van den boog verbindt op een afstand van -van het middelpunt, waarin r' do straal van den halven cirkelomtrek.

6. V ^ 500 X 980.

7. n. V = 60 7; b. De drukking =: 80 f/.

8. n r 480; y = 960.

9. 45quot;.

Blz. 85. Vraaf). Omdat bij de dagelijksche aswenteling der aarde de pool ton opzichte van de omgeving des hemels geen cirkel beschrijft, maar hare plaats behoudt.

Blz. 90. Vragen. 1° Omdat de balans dan alleen in labiel evenwicht zou kunnen verkoelen; 2quot; omdat, bij gelijke belasting aan de beide ophangpnntcn, do momenten niet gelijk zouden zijn , 3° omdat het onbelaste juk dan in den stabielen evenwichtsstand niet horizontaal gericht zou zijn.

Zijn de armen van het juk langer, dan is hot moment van het overwicht grooter en de afwijking uit den onbelasten ovenw iehtsstand wordt dus grooter. Zijn de armen lichter, dan wordt hot Gcwie^it van het juk kleiner en daarmoé het moment van deze kracht, die de afwijking uit den onbelasten evenwiehtsstand tegenwerkt; de doorslag wordt, bij de verminderde tegenwerking, dus grooter.

Ligt hot zwaartepunt dichter bij het steunpunt, dan is do hefboomsarm van het Gewicht van het juk en daarmoé weder het moment van deze kracht kleiner, waardoor hetzelfde effect verkregen wordt als in het vorige geval.

Blz. 91. 0/jgaue. De ware massa zij i«. 7)e armen van het juk =: o' en 4'. De massa aan den arm a' gewogen, maakt aan den arm h' het aanhangen van eene massa n noodzakelijk, waaruit ma' ah' . . . , (Ij. De massa m, aan den arm h' gewogen, maakt aan den arm a' het aanhangen van eene massa h noodzakelijk, waaruit; mh' — a'h ... . (2). Door vermenigvuldiging

van (I) en (2): vrfia'h' ~ aha'b', waaruit: rn — y/ah.

Blz. 107. Oj-ijme». 1. .32000 x 980 dynes. 'Do op blz. 107 voorkomende formule moet veranderd worden in ^ = /.

2. 2 000 000 X 980 dynes.

Blz. 108. Opgaven. 1. Omdat de genoemde drukking geen verticaal naar boven gerichte ont-bondene heeft.

2. 6000 X 980 dynes.

Blz. 109. Ojjgaien. 1. 1,5 KG.

60 X 800 = 1 5 X 200 30 X f.

2. y/25,824 X 25,878 Gram.

3. 400000 g : 6 dynes.

4. I = 980,62 : TT2.

5. g : g' =z a° : 6'*.

6. Ongeveer 530 secunden.

7. / = 0,5.

8. 1,5 M. van den jongen af.

ocr page 306

294

: ...... ,

Biz. 131. O/jfjaven. 1. Indien do afmetingen van den bodem gelijk zijn aan 75 en 60 oM., is de op den bodem uitgeoefende drukking 22,r) 000 ij dynes en die op de zijwanden 93 750 '/ dynes en 15 000 ;; dynes.

2. (i. 100 ij dynes; b. 85 ;/ dynes.

3. (i. 3000 ij dynes; b. 0,85 X 31IOO ;/ dynes.

8

4. 8 — ^ dynes, waarin l soortel. insissa van lood.

5. 24 X 081,3 dynes.

2

ti.--.

25

7. n. Wanneer /i — de hoogte der geheele pyramido, A = de hoogte van het boven de vloei-

4

stof uitstekende gedeelte: li' = h J-V ^^ ;

Ij, Wanneer h — de hoogte der geheele pyramide, li' — de hoogte van het ondergedumpcld gedeelte ■. k — h ^ ^ .

8. 0,24 G.

9. Ca 3,53 G.

10. 100 : 80 =; 1,25 G.

Blz. 150. Opgaren. 1. 40 X 35 X 13,596 X 981 dynes (vgl. § 170).

13,596 ..

2. 76 X eM.

0,79

12

3. X 60 X 13,596 X 981.

5

74

4. . X 40 eM3.

78

1 , 1 , 1 '/o a

5. n. I a. b. 1 a dynes. e. ------=- eM.

2 2 13,596 X 981

fi. 134 x 13,596 X 981 dynes op 1 eM.'-'

76(564 — 563,369;

cM.

564

j 2- X 0,001294

8. n. 75000 (1,294 — 0,675) — 3500 G.

i. Totdat de ballon juist gespannen , dus geheel gevuld is.

3

c. — X 76 cM.

4

. 3 0,675 , ,

tl. X ~— X 76 eM.

4 1,294

n;

ocr page 307

V E R 1? E T E R I N f'. I'. N.

Ulz.

21, reg.

21

V.

b.

staat

z w a a r d e r d a n ;

lees:

lichter dan.

19

23, „

13

V.

0.

ii

Vou sec.:

ii

Vioo see•

11

100, „

26

V.

b.

ii

d US;

vervalt.

11

107, „

12

V.

0.

ii

V F

lees

11

113, „

20

V.

b.

ii

terwijl liet;

ii

ter w ij 1 dit g e d e e^

j

196, „

5

V.

0.

ii

w a t e r ij s;

ii

water en ij s.

ii

204, „

19

V.

b.

ii

a t m o s;

ii

a t m o-s p li e e r.

ii

263, „

15

V.

1).

ii

li e e t;

ii

te noemen.

ocr page 308

UITGAVEN VAN J. B. WOLTERS TE GRONINGEN.

Dr. H. J. van Ankum, Het tegenwoordig standpunt der Dierkunde. . . . /0,60 Dr. H. J. van Ankum, De wetenschappelijke beteekenis van de studie der

diepzeefauna......................- 0,60

J. F. Bkins, Het Koolzuur, zijne eigenschappen, bereiding en toepassingen . - 0,60

J. Bergsma, Onze Kamerplanten................- 0,90

Dr. J. Ritzema Bos, De Vogels. Leerboek voor school en huis. {Bekroond

door de Maatschappij van Nijverheid).............- 0,30

Dr. J. Ritzema Bos, Schetsen uit het Dierenrijk. Leesboek voor school en huis - 0,30

Dr. J. Ritzema Bos en Dr. H. Bos, Leerboek der Dierkunde. , yie druk - 2,50

F. C. Delfos, Beginselen der Scheikunde.............- 1,25

F. C. Delfos, Kennis der Natuur. Natuurkunde I..........- 0,30

F. C. Delfos, Kennis der Natuur. Natuurkunde II.........- 0,30

H. W. Dijken, Natuurkennis. Vragen en opgaven voor de volksschool. . . - 0,30

Dr. J. K. Enklaar, Kerste beginselen der Scheikunde........- 0,75

Dr. J. E. Knklaar , Handleiding bij de Kerste beginselen der Scheikunde . - 0,40 Dr. F. G. Groneman, Natuurkundige vraagstukken en oefeningen 2de druk - 1,25 Dr. F. G. Groneman, Honderd vraagstukken ter herhaling van de Natuurkunde ....................ide druk ■ 0,60

Prof. H. C. van Hall, Handboek der Kruidkunde.........- 2,90

Prof. H. C. van Hall, Toegepaste Kruidkunde..........- 2,00

J. G. Jeen, Verwarming en ventilatie..............- 1,25

Dr. P. j. van Kerckhoff, Toestand der Scheikunde.........- 0,60

Dr. P. J. van Kerckhoff, Ghemische verbinding..........- 0,60

.

Dr. R. A. Mees, Nieuwe denkbeelden op natuurkundig gebied.....- 0.60

Dr. B. van der Mf.ulen en J. Douwes, Ken Kompas. Wegwijzer bij het

onderwijs in de Natuurkunde ................- 0,90

Dr. R. S. Tjaden Modderman, Vooruitgang en Natuurwetenschap. ... - 0,50

A. Nuyens, De Vogelwereld, met 48 folio platen, gebonden......-48,00

Dr. J. J. Le Roy, Grondbegrippen en grondstellingen der Natuurkunde . . - 1,25 Dr. M. Salvkrda, De beteekenis van Aristoteles voor de ontwikkeling der

natuurlijke geschiedenis...................- 0,60

Dr. M. Salverda, Handleiding bij het onderwijs in de beginselen der Planten Dierkunde..................%s/e druk - 3,75

Dr. M. Salverda—Le Rov, Handleiding bij de beoefening van de kennis

der Natuur, 2 deelen, compleet in 10 afleveringen .... 2de druk d - 1,00

Dr. M. Salverda, Een en ander van dieren en planten. . . . 2de druk - 0,30 Dr. M. Salverda, Atlas van Wandplaten ten gebruike bij het onderwijs in

de natuurlijke geschiedenis van het dierenrijk............- 7,50

Dr. C. 13. Spruyt, Leiddraad bij het onderwijs en de kennis der levenlooze natuur. Naar de Materialien fnr den Anschauungs-unterricht in der Naturlehre

von Dr. R. Arendt, ten dienste der lagere school bewerkt . . 2de druk - 1.25

H. Witte, Wandelingen in de Natuur. I: Lente..........- 0,30

H. Witte, Plantkunde voor de school, ie stukje......(ide druk - 0,30

H. Witte, Plantkunde voor de school. 2e stukje......(tde druk - 0,30

H. Witte, Plantkunde voor de school. 3e stukje......ó,de druk - 0,30

1:

9.

ocr page 309
ocr page 310
ocr page 311
ocr page 312