CONSTITÃTIÃN en REGELEN
VAN DE
CONGREGATIE
DER
Fraters van 0. L. Vroin va» liet H. Hart,
GEVESTIGD TE UTRECHT.
4
den Algemeenen Overste en zijn Raad en van den Aartsbisschop van Utrecht.
Om gewichtige redenen kan het afleggen der altijddurende Geloften worden uitgesteld door den Algemeenen Overste en zijn Raad, doch niet langer dan totdat de Aspirant den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt heeft. In zulk geval moet hernieuwing der tijdelijke Geloften plaats hebben.
Art. 4.
De tijdelijke of kleine, alsmede de altijddurende of groote Geloften worden uitgesproken in de handen van den Aartsbisschop van Utrecht of diens gemachtigde volgens de volgende formulen : 1. Formule voor de tweejarige Gelo ften :
«Ik Maria .........., Frater der Congre-
c-atie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, doe voor den tijd van twee jaren in uwe handen. Hoogwaardigste Vader, [pf \ in uwe handen, ZeerEerwaar-
CONSTIT UTIHN
de Vader, als vertegenwoordiger van den Aartsbisschop van Utrecht) Geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, volgens de Constitution en Regelen der Congregatie.»
2. Formule voor de hernieuwing der Geloften :
«Ik Maria , Frater der Congregatie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, hernieuw in uwe handen. Hoogwaardigste Vader, [of\ in uwe handen, ZeerEer-waarde Vader, als vertegenwoordiger van den Aartsbisschop van Utrecht) voor den tijd van een (twee, drie) jaar de Celoften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, volgens de Constitution en Regelen der Congregatie.»
3. Formule voor de altijddurende Geloften :
«Ik Maria , Frater der Congre
gatie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, doe voor altijd in uwe handen, Hoogwaardigste Vader, [of; in uwe han-
5
4
den Algemeenen Overste en zijn Raad en van den Aartsbisschop van Utrecht.
Om gewichtige redenen kan het afleggen der altijddurende Geloften worden uitgesteld door den Algemeenen Overste en zijn Raad, doch niet langer dan totdat de Aspirant den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt heeft. In zulk geval moet hernieuwing der tijdelijke Geloften plaats hebben.
Art. 4.
De tijdelijke of kleine, alsmede de altijddurende of groote Geloften worden uitgesproken in de handen van den Aartsbisschop van Utrecht of diens gemachtigde volgens de volgende formulen : 1. Formule voor de tweejarige Gelo ften :
«Ik Maria .........., Frater der Congre-
c-atie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, doe voor den tijd van twee jaren in uwe handen. Hoogwaardigste Vader, [pf \ in uwe handen, ZeerEerwaar-
CONSTIT UTIHN
de Vader, als vertegenwoordiger van den Aartsbisschop van Utrecht) Geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, volgens de Constitution en Regelen der Congregatie.»
2. Formule voor de hernieuwing der Geloften :
«Ik Maria , Frater der Congregatie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, hernieuw in uwe handen. Hoogwaardigste Vader, [of\ in uwe handen, ZeerEer-waarde Vader, als vertegenwoordiger van den Aartsbisschop van Utrecht) voor den tijd van een (twee, drie) jaar de Celoften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid, volgens de Constitution en Regelen der Congregatie.»
3. Formule voor de altijddurende Geloften :
«Ik Maria , Frater der Congre
gatie van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart, doe voor altijd in uwe handen, Hoogwaardigste Vader, [of; in uwe han-
5
constitutiën
Algemeene Overste, Assistenten en Admonitor worden voor den tijd van zes jaren gekozen.
Art. 8.
Bij overlijden, afwezigheid of zware ziekte van den Algemeenen Overste neemt de eerste Assistent, en bijaldien ook deze wettig verhinderd is, de tweede Assistent, enz. zijne bediening waar.
Art. 9.
Minstens elke maand wordt er raadsvergadering gehouden.
Art. 10.
De Algemeene Overste zal zijn Raad in alle zaken van gewicht raadplegen.
Wordt er echter gehandeld over het toelaten van postulanten tot de klceding, van Novicen tot de tijdelijke Cieloften en derzelver hernieuwing, van Aspiranten tot de altijddurende Geloften of het
8
c0nstitut1ën
uitstellen dezer laatste ; het oprichten cn opheffen van succursaalhuizen ; het benoemen of het ontslaan van den Frater Directeur van het moederhuis, den No-vicenmeester, den Overste en de Raad-fraters der succursaalhuizen en van den Visitator ; eveneens als er sprake is van het wegzenden van Novicen, Aspiranten of geprofeste Fraters uit de Congregatie ; â alsdan heeft elke Assistent eene delibereerende stem.
Art. i i.
Zonder goedkeuring van den Aartsbisschop van Utrecht zal er geen suc-cursaalhuis worden opgericht of opgeheven.
De plaatselijke Overste, die den naam draagt van Frater Directeur, wordt aangesteld en ontslagen door den Algemee-nen Overste en zijn Raad. Hij wordt in het bestuur bijgestaan door één of twee Raadfraters, welke hij in alle za-
9
io constitutiën
ken van eenig gewicht moet raadplegen. Om de drie maanden geeft hij verslag van de liefdewerken en het gedrag van eiken Frater aan den Algemeenen Overste. Jaarlijks vóór den ien Februari zendt hij eene rekening-courant van alle ontvangsten en uitgaven over het afgeloo-pen jaar.
Art. 12.
De Fraters kunnen eerst na het afleggen der kleine Geloften naar een suc-cursaalhuis worden gezonden.
Art. 13.
Jaarlijks zal de Algemeene Overste óf in persoon óf door een Visitator de suc-cursaalhuizen bezoeken. Bij dat bezoek gaathij nauwkeurig alles na en spreektten minste eens met eiken Frater afzonderlijk.
De Visitator geeft aan den Algemeenen Overste nauwkeurig verslag van zijn bevinden.
constitut1ën
4C HOOFDSTUK.
Keuze van het Bestuur.
Art. 14.
Tot Algemeenen Overste zijn verkiesbaar de Fraters, die den leeftijd van dertig jaren bereikt hebben en minstens zes jaren geprofest zijn.
Tot Assistent zijn verkiesbaar de Fraters, die minstens drie jaren geprofest zijn.
De aftredende Algemeene Overste, alsmede de aftredende Assistenten zijn onmiddellijk herkiesbaar. De aftredende Admonitor wordt door een ander vervangen.
Art. 15.
De keuze van den Algemeenen Overste en de vier Assistenten zal geschieden door het Generaal Kapittel, bestaande uit den aftredenden Generalen Raad, de
T 2
Oversten der suceursaalhuizen cn de leden van het moederhuis, die minstens drie jaren geprofest zijn. Onmiddellijk daarna wordt de Admonitor gekozen door de nieuw gekozen Assistenten en dc zes oudste leden van het Generaal Kapittel.
Het Kapittel wordt voorgezeten door den Aartsbisschop van Utrecht of diens Gedelegeerde.
Art. 16.
Om tot de verkiezing te kunnen over-efaan, moet de volstrekte meerderheid
cquot;quot;» 7
der leden, die recht van stem hebben, tegenwoordig zijn.
De keuze geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen der aanwezige stemgerechtigde leden.
Art. 17.
Alvorens tot de verkiezing over te gaan, benoemt het Kapittel bij betrek-
constitutiën
kelijke meerderheid van stemmen twee zijner leden tot stemopnemers, wier bediening is, de stemmen te verzamelen en in tegenwoordigheid van het Kapittel bekend te maken.
Art. 18.
De stemming geschiedt met een briefje, en zal geheim zijn, zoodat nimmer de naam van eenigen kiezer worde bekend gemaakt.
Art. 19.
Wanneer bij de tweede stemming geen der Fraters de volstrekte meerderheid der stemmen heeft bekomen, zal het Kapittel de keuze doen uit de drie Fraters, op wie bij die stemming de meeste stemmen waren uitgebracht. Deze nemen alsdan aan de stemming geen deel. Indien bij deze stemming op geen dezer drie Fraters de volstrekte meerderheid der kiezers zich vereenigt, zal het Kapittel
13
con stitut1ën
eene nieuwe keuze doen tusschen de twee Fraters, die daarbij de meeste stemmen hadden verkregen, terwijl beiden zich alsdan van stemming onthouden.
In gevallen van onzekerheid door gelijke verdeeling van stemmen heeft de oudste in professie den voorrang.
Bij onvoorziene moeilijkheden beslist de Aartsbisschop of zijn Gedelegeerde.
De keuze van den Admonitor geschiedt geheel op dezelfde wijze.
Art. 20.
Wanneer de bediening van Algemeene Overste, Assistent of Admonitor vóór de gewone aftreding openvalt, zal binnen drie weken eene aanvullingskeuze plaats hebben op den voet van artikel 15, 16, 17, 18 en 19, ten einde tot het tijdstip dei-der gewone aftreding in de vacature te voorzien.
Art. 21.
De keuze van den Algemeenen Overste,
14
constitutiën
de Assistenten en den Admonitor wordt aan de goedkeuring van den Aartsbisschop van Utrecht onderworpen. Zoodra deze goedkeuring schriftelijk verkregen is, treden zij in bediening.
Inmiddels wordt door den afgetreden Generalen Raad in het bestuur der Congregatie voorzien volgens de bepalingen van het derde Hoofdstuk.
Art. 22.
Om gewichtige redenen kan de Aartsbisschop van Utrecht de leden van het Bestuur in hunne bediening schorsen of hen ontslaan.
15
constitutiën
5e HOOFDSTUK.
De tijdelijke goederen.
Art. 23.
De Congregatie kan goederen in gemeenschap bezitten, maar geen der leden heeft persoonlijk recht op eenig aandeel, zoodat bij overlijden of vertrek die goederen en waarden aan de Congregatie verblijven. Geen Frater zal ooit aanspraak kunnen maken, wat hem en zijn rechtverkrijgenden betreft, op het gedeelte, waarop eenige burgerlijke wet hem ooit recht zou kunnen geven, tenzij hem daartoe uitdrukkelijk verlof worde gegeven door den Aartsbisschop van Utrecht.
Art. 24.
De gelden, goederen en inkomsten worden beheerd onder het gezag en de waakzaamheid van den Algemeenen
i6
constitutiën
Overste, overeenkomstig de voorschriften van den H. Stoel.
Art. 25.
De Fraters kunnen den blooten eigendom (dominium radicale) hunner goederen behouden, maar het gebruik, het vruchtgebruik en het beheer daarvan zijn hun ten eenen male ontzegd en moeten door hen vóór het afleggen der Geloften of aan een persoon naar hunne keuze óf aan de Congregatie worden afgestaan voor den tijd, gedurende welken zij door Geloften verbonden zijn.
Ook kunnen zij, na overleg met den Algemeenen Overste, vóór het afleggen der Geloften van den blooten eigendom afstand doen.
Dezelfde bepalingen gelden, wanneer aan een Frater, hetzij door tijdelijke, hetzij door altijddurende Geloften verbonden, gelden of goederen, op welke wijze dan ook, ten deel vallen.
17
constitutiën
5a HOOFDSTUK.
De tijdelijke goederen.
Art. 23.
De Congregatie kan goederen in gemeenschap bezitten, maar geen der leden heeft persoonlijk recht op eenig aandeel, zoodat bij overlijden of vertrek die goederen en waarden aan de Congregatie verblijven. Geen Frater zal ooit aanspraak kunnen maken, wat hem en zijn rechtverkrijgenden betreft, op het gedeelte, waarop eenige burgerlijke wet hem ooit recht zou kunnen geven, tenzij hem daartoe uitdrukkelijk verlof worde gegeven door den Aartsbisschop van Utrecht.
Art. 24.
De gelden, goederen en inkomsten worden beheerd onder het gezag en de waakzaamheid van den Algemeenen
i6
constitutiën
Overste, overeenkomstig de voorschriften van den H. Stoel.
Art. 25.
De Fraters kunnen den blooten eigendom (dominium radicale) hunner goederen behouden, maar het gebruik, het vruchtgebruik en het beheer daarvan zijn hun ten eenen male ontzegd en moeten door hen vóór het afleggen der Geloften óf aan een persoon naar hunne keuze óf aan de Congregatie worden afgestaan voor den tijd, gedurende welken zij door Geloften verbonden zijn.
Ook kunnen zij, na overleg met den Algemeenen Overste, vóór het afleggen der Geloften van den blooten eigendom afstand doen.
Dezelfde bepalingen gelden, v/anneer aan een Frater, hetzij door tijdelijke, hetzij door altijddurende Geloften verbonden, gelden of goederen, op welke wijze dan ook, ten deel vallen.
17
constitutiën
Art. 26.
Indien een Frater onverhoopt de Congregatie mocht verlaten, zal hij de ingebrachte gelden en goederen, waarvan hij volgens artikel 25 den blooten eigendom behouden heeft en het beheer aan de Congregatie heeft afgestaan, terug ontvangen, echter zonder rente en zonder eenige schadevergoeding voor genoten vruchten of opbrengsten.
Slotbepaling.
Art. 27.
De Aartsbisschop van Utrecht kan om gewichtige redenen in de Constitu-tiën dispenseeren.
i8
DECREET
Evenals aan alle menschelijke zaken, hoe goed en heilig ook in zich zelve, zoo is het ook aan wijselijk gegeven wetten eigen, dat zij door misbruik van den kant der menschen kunnen ontaarden en tot verkeerdheden afwijken; waardoor het soms gebeurt, dat zij aan het doel, dat de wetgevers zich voorstelden, volstrekt niet meer beantwoorden, ja nu en dan zelfs het tegenovergestelde uitwerken.
Wel te betreuren is het, dat dit ook het geval geweest is met de wetten van vele Congregatiën, Vereenigingen of Instellingen van vrouwen die eenvoudige of plechtige geloften afleggen, of van mannen die door professie en bestuur tot de leekebroeders behooren. Somtijds toch was in hunne Regels eene
DECREET
openbaring van gewetenszaken toegestaan, opdat de jongeren in twijfels gemakkelijker van ervaren oversten den moeielijken weg der volmaaktheid zouden leeren ; doch sommigen hebben er een volledig onderzoek naar den gewetenstoestand ingevoerd, zooals het alleen aan het H. Sacrament der Biecht is voorbehouden.
Zoo ook was in de Constitutiën overeenkomstig de kerkelijke wetten voorgeschreven, dat in zulke Communiteiten de leden bij hunne gewone en buitengewone biechtvaders zouden biechten ; maar willekeur van oversten ging zoover, dat zij hunnen onderhoorigen eenen buitengewonen biechtvader hebben geweigerd, zelfs ingeval dezen, in het belang van hun geweten, er een noodig hadden.
Verder was ook aan het voorzichtig beleid der oversten opgedragen, hunne onderhoorigen ten opzichte van bijzon-
20
DECREET
dere boetplegingen en andere werken van godsvrucht te besturen ; doch ook hiervan werd door oversten misbruik gemaakt, in die mate zelfs, dat zij hun naar believen toestonden tot de H. Communie te naderen, of dit soms volstrekt verboden.
En zoo is het gekomen, dat zulke bepalingen, die tot geestelijk welzijn der leden, en tot behoud en bevordering van vrede en eensgezindheid in de Communiteiten als heilzaam en wijs waren vastgesteld, niet zelden tot schade der zielen, tot onrust der gewetens en bovendien tot storing van den uit-wendigen \rrede gekeerd zijn, gelijk herhaalde klachten en bezwaren, door on-derhoorigen bij den H. Stoel ingediend, zonneklaar bewijzen.
Daarom heeft onze H. Vader Paus Leo XIII, uit bijzondere bezorgdheid voor dit uitgelezen deel zijner kudde in de audiëntie, aan mij Kardinaal Pre-
21
DECREET
feet van de Congregatie der Bisschoppen en Regulieren den 14 December 1890 verleend, na alles rijpelijk en zorgvuldig overwogen te hebben, het volgende besloten, vastgesteld en bepaald.
1. Zijne Heiligheid vernietigt, schaft af en verklaart voor altijd van onwaarde alle bepalingen in de Constituties van godvruchtige vereenigingen of instellingen van vrouwen, die eenvoudige of plechtige geloften afleggen en van leekebroeders, â al waren die Constituties door den H. Stoel in welken vorm dan ook, zelfs in den zoogenaamden zeer bij zonderen vorm, goedgekeurd, â voor zoover die bepalingen, op welke wijze dan ook, betrekking hebben op de mededeeling van gemoedsbezwaren of gewetenszaken. En daarom wordt den oversten van bedoelde instellingen, congregaties en vereenigingen ten strengste geboden, genoemde bepalingen uit hunne Constituties, Regels en handboe-
22
DECREET
ken volkomen weg te nemen en geheel te schrappen. Eveneens worden alle bestaande, ook onheugelijke, gebruiken en gewoonten op dit punt afgeschaft en vernietigd.
2. Bovendien verbiedt Zijne' Heiligheid ten strengste aan alle bovengenoemde oversten, van welken rang en waardigheid ook, hunne onderhoorigen rechtstreeks of zijdelings, door bevel of raad, door vreesaanjaging, bedreiging of vleierij, er toe aan te zetten, dat zij hunnen inwendigen gewetenstoestand aan hen blootleggen; en aan de onderhoorigen gebiedt Z. H. de mindere oversten die hen daartoe willen overhalen, bekend te maken aan de hoogere oversten; en als het de algemeene overste is, moet die bekend gemaakt worden aan bovengenoemde Romeinsche Congregatie.
3. Dit belet evenwel niet, dat de onderhoorigen vrijwillig en uit eigen beweging hunnen gemoedstoestand aan hun-
23
DECREET
ne oversten mogen openbaren, om van hunne wijsheid, raad en leiding in twijfels en gewetensangsten te ontvangen tot verwerving van deugden en voortgang in de volmaaktheid.
4. Terwijl van kracht blijft wat door het Concilie van Trente (Sess. 25. cap. 10. de Regular.) en Paus Benedictus XIV in zijne Constitutie Pastoralis curae omtrent de gewone en buitengewone biechtvaders van Communiteiten bepaald is, vermaant Zijne Heiligheid de overheden, nooit eenen buitengewonen biechtvader te weigeren, zoo dikwijls hunne onderhoorigen dit in het belang van hun geweten vragen, zonder ooit de reden van dit verzoek uit te vorschen, of te toonen dat zij het niet gaarne hebben. En opdat deze heilzame bepaling niet verijdeld worde, vermaant Zijne Heiligheid de Bisschoppen, dat zij in die plaatsen van hun Bisdom, waar zusters-hui-zen zijn, bekwame priesters zullen aan-
24
DECREET
wijzen, van de noodige volmachten voorzien, tot wie de Zusters zich zonder moeite kunnen wenden om te biechten.
5. Wat nu aangaat de toestemming of het verbod om tot de H. Tafel te naderen, bepaalt Zijne Heiligheid, dat zulk eene toestemming of verbod uitsluitend aan den gewonen of buitenge-wonen biechtvader toekomt, zonder dat de oversten eenige bevoegheid hebben zich in deze zaak te mengen, behalve ingeval iemand hunner onderhoorigen na de laatste biecht de Communiteit tot ergernis geweest is, of eene zware uitwendige overtreding begaan heeft, â tot aan de volgende biecht.
6. Daarom wordt allen op het hart gedrukt, dat zij zich zorgvuldig tot de H. Communie moeten voorbereiden, en gaan op de dagen in hun eigen regel bepaald. Acht de biechtvader het wen-schelijk dat iemand wegens vurigen ijver cn geestelijken vooruitgang meer-
25
DECREET
malen gaat, dan kan dit door den biechtvader zelf worden toegestaan. Degene echter, die van den biechtvader verlof heeft bekomen om meermalen of dagelijks tot de H. Tafel te naderen, zal verplicht zijn aan den overste hiervan kennis te geven. Meent deze billijke en gewichtige bezwaren te hebben tegen eene zoo veelvuldige II. Communie, dan is hij gehouden die mede te deelen aan den biechtvader, aan wiens oordeel men zich volkomen zal hebben te onderwerpen.
7. Zijne Heiligheid gelast verder alle Generale, Provinciale en Plaatselijke oversten van boven vermelde Broeders-of Zusters-huizen dat zij zorgvuldig en nauwkeurig de bepalingen van dit Decreet zullen in acht nemen, zullende zij anders onmiddellijk â ipso facto â de straffen beloopen, tegen overheden die pauselijke bevelen overtreden, bepaald.
8. Eindelijk beveelt de H. Vader dat
20
decreet
een exemplaar van dit Decreet in de moedertaal in de Constituties van de genoemde Religieuze Gestichten zal opgenomen worden, en ten minste eens in het jaar, op vaste tijden in ieder Huis, hetzij aan de gemeenschappelijke tafel, hetzij in een daartoe opzettelijk belegd kapittel, met luide en verstaanbare stem worden voorgelezen.
Aldus vastgesteld en bepaald door Zijne Heiligheid, met volkomen opheffing van alles wat hier tegen is, ook al zou het eene buitengewone en afzonderlijke vermelding vereischen.
Gegeven te Rome ter Secretarie van gemelde H. Congregatie der Bisschoppen en Regulieren den 17 December 1890.
I. Card. VERGA, P/cfect.
t Fr. Alovsiüs,
Bisschop van Callinice, Secr.
27
REGELEN
van de
Congregatie der Fraters van 0. L. Vrouw van liet II. Hart.
ie HOOFDSTUK.
Doel en geest der Congregatie.
Art. i.
Het doel der Congregatie is hare leden te heiligen en te volmaken, en den naaste nuttig te zijn door de beoefening van goede werken.
De Fraters moeten dus nimmer vergeten, dat zij tweederlei verplichtingen te vervullen hebben, n. 1. zich zeiven te heiligen en het welzijn van den naaste
regelen
te bevorderen, en dat zij nimmer aan hunne roeping zullen beantwoorden, zoo zij aan een dezer verplichtingen te kort schieten.
Art. 2.
Om dit dubbel doel te bereiken, is het volstrekt noodzakelijk, dat de leden der Congregatie zich beijveren, uit hun geest en hart de grondregelen der wereld te verbannen en er de grondregelen van het H. Evangelie in te doen heerschen, dat zij zich gezamenlijk beijveren, volgens de voorschriften der Congregatie, ter liefde Gods aan den naaste hulp te verkenen, vooral aan den behoeftige, waar en wanneer het in hun vermogen zal zijn.
Art. 3.
De geest van de leden der Congregatie moet zijn een geest van gehoorzaamheid, zelfverloochening, liefde en eenvoudigheid.
2
regelen
2e HOOFDSTUK.
Over de Gehoorzaamheid.
Art. 4.
Dc gehoorzaamheid is eene volmaakte offerande van zich zeiven, waardoor men aan zijn eigen wil verzaakt, om dien te onderwerpen aan den wil van God in den persoon, die Zijne plaats bekleedt. Zij is eene zeer aangename offerande voor God. De stem der gehoorzaamheid is de stem van God, die ons duidelijk Zijn wil te kennen geeft; zij is onfeilbaar ten opzichte van hem die gehoorzaamt, omdat zij gegrond is op het woord van God, die de eeuwige waarheid is; want de H. Apostel Pau-lus, schrijvende aan de geloovigen van Ephesus, leert, dat men aan zijne Oversten als aan Christus zeiven moet gehoorzamen. (Eph. VI. 5 - 7.)
Wanneer de Fraters wel doordrongen
3
REGELEN
zijn van deze grondwaarheid van het religieuze leven, zullen zij in hunne Oversten niet den menseh, maar God zeiven zien, die beveelt of verbiedt, en zij zullen bij elk bevel en elk verbod gehoorzamen, hoe strijdig zulks ook met de eigenliefde sehijne.
De Fraters, wier leven evenals dat van Jezus Christus een leven van gehoorzaamheid is, moeten zich wel betreffende deze deugd Zijn Goddelijk voorbeeld voor oogen stellen. Hij heeft zich vernederd, zegt de H. Paulus, zijnde gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den dood des kruises. (Phil. II. 8.) Hij gehoorzaamde met de volmaaktste onderwerping, niet alleen aan de bevelen Zijner allerheiligste Moeder Maria en van den H. Jozef, maar ook aan die van onrechtvaardige rechters en beulen. Hij, die eens in Zijne majesteit zal komen om geheel het menschelijk geslacht te oordeelen, liet zich binden, van de
4
regelen
eene rechtbank naar de andere sleuren, en onderwierp zich aan geeseling, kruisiging en den dood, aan die wijze van sterven, welke toen de wreedste en schandelijkste was. Dat alles was eene schandelijke onrechtvaardigheid; maar Hij, aan wien legioenen van Engelen ten dienste stonden, en die zich aan al die onwaardige handelingen kon onttrekken, gehoorzaamde.
Art. 5.
Wanneer de wil van den Overste aan de Fraters is bekend gemaakt, zullen zij er zich aan onderwerpen. Wanneer zij in geweten vermeenen, dat, zoo de Overste met zekere omstandigheden bekend ware, hij dit bevel of verbod niet zou geven, zullen zij die aan hem bekend maken; maar zoo de Overste volhardt bij zijn bevel of verbod, zullen zij stipt gehoorzamen, hoe nutteloos of lastig het hun toeschijne, zonder op de zaak terug te komen of er verder over te
5
regelen
spreken. Hiervan is slechts een enkel geval uitgezonderd, n. 1. wanneer een bevel of verbod geheel duidelijk strijdig zou zijn met de Constitutiën, de Regelen of een hooger gebod.
Hetgeen hierboven gezegd is, geldt niet alleen ten opzichte van hen, die als Oversten in de Congregatie zijn aangesteld, maar ook ten opzichte van hen, die de Oversten vervangen of ondergeschikte bedieningen waarnemen ; bijgevolg zullen de Fraters, die aan een anderen Frater worden toegevoegd, die belast is met eene bediening of met het bestuur van een liefdewerk of met zekere werkzaamheden, in die bedieningen aan dien Frater gehoorzamen als aan den Overste zeiven.
Art. 6.
Wanneer twee of meer Fraters zich op reis of buiten het huis bevinden, zal hij, die de oudste is in de Congregatie,
6
regelen
belast zijn met het bestuur der anderen, zoo ten minste de Overste niet hadde goedgevonden er anders over te beschikken.
Art. 7.
De Fraters moeten aangaande de gehoorzaamheid zich herinneren, dat men nimmer op den persoon moet zien, die gebiedt; maar op het gezag, waarmede hij is bekleed.
In geval een Frater eene weigering mocht ondergaan van een Overste, of van een Frater, aan wien hij gehoorzaamheid schuldig is, zal hij zich tot een hooger gezag mogen wenden, mits hij aan dat hooger gezag de weigering, die hij heeft ondergaan en de redenen dier weigering, wanneer zij hem bekend zijn, openbare.
Art. 8.
De Fraters zullen zich met liefde en eerbied jegens hunne Oversten en allen
7
REGELEN
8
aan wie zij gehoorzaamheid schuldig zijn, gedragen; niet om hun te behagen, of hunne achting of eenig voorrecht te verwerven, maar omdat de Oversten Gods plaats bekleeden. Daarom zullen zij nimmer onder elkander spreken over de fouten, die zij in hunne Oversten opmerken, en elke gedachte, strijdig met den eerbied, dien zij hun verschuldigd zijn, van zich verwijderen. De Fraters zullen de vermaningen, die hun voor hunne onachtzaamheid gedaan, en de boetedoeningen, die hun daarvoor opgelegd worden, zonder zich te verontschuldigen en met nederigheid aannemen. Indien zij niet schuldig zijn aan hetgeen hun ten laste wordt gelegd, mogen zij eerbiedig de redenen hunner onschuld blootleggen; maar wanneer deze redenen niet voldoende worden geacht, zullen zij zich van ganscher harte onderwerpen, in de overtuiging, dat God in Zijne goedheid hun deze gele-
regelen
genheid aanbiedt om te voldoen voor de misslagen, die zij vroeger bedreven hebben en die zij nog niet genoeg hebben uitgeboet.
Art. 9.
De Fraters zullen met betrekking tot de verschillende bedieningen, waartoe zij kunnen geroepen worden, den grondregel van den H. Franciscus van Sales volgen : «Zoek niets, weiger niets.»
Nimmer zal dus een Frater naar eene bediening of eene betrekking trachten en nog minder zal hij er zijn verlangen naar te kennen geven. Wee hem, die zich in eene bediening indringt, zonder daartoe door God geroepen te zijn ; omdat hij in dit geval er geheel onwaardig voor zou wezen en de noodlottige gevolgen, die zijne vermetelheid na zich zou kunnen sleepen, voor God zou moeten verantwoorden.
Wanneer echter door middel der ge-
9
REGELEN
hoorzaamheid eene bediening of bezigheid door God aan de Fraters wordt opgelegd, zullen zij die aannemen in het vaste vertrouwen, dat God, die er hen toe roept, niet zal nalaten hun het noo-dige licht, de noodige kracht te geven, om die volgens Zijn H. Wil te vervullen. Wanneer het echter gebeurde, dat men eene bijzondere reden had om de bediening, waartoe men geroepen wordt, niet te aanvaarden, zal men die aan de bevoegde overheid bekend maken, en zich voor het overige aan hare beslissing overgeven, zonder er verder op terug te komen.
De Fraters zullen zich nimmer in de bedieningen of bezigheden van anderen indringen, noch er zich mede bemoeien, dan in zoo verre de bedieningen of bezigheden, die zij zeiven bekleeden, het vereischen; zij zullen ook geene gesprekken houden, noch gissingen maken, die daarop betrekking hebben.
IO
regelen
Niemand zal aan een ander gebieden, dan uit kracht zijner eigene bediening of in geval hij daartoe door zijn Overste zij gemachtigd; maar een ieder zal zich binnen de perken van zijne bediening of werkzaamheid houden en afwachten, wat beslist zal worden over hem en anderen.
Art. io.
De Fraters zullen nauwkeurig alles onderhouden, wat door de Regelen der Congregatie is voorgeschreven, zelfs de kleinste zaken. Hij, die in kleine zaken nalatig is, zal weldra in grootere fouten vervallen. Het stipt onderhouden der Regelen is eene zaak van het grootste gewicht voor de Congregatie en vereischt eene bijzondere oplettendheid van den kant harer leden; eensdeels, omdat de Regelen door het Kerkelijk gezag zijn goedgekeurd en ingevoerd als middelen om tot de volmaaktheid te komen, en
II
REGELEN
ten andere, omdat de overtreding der voorschriften van den Regel den goeden geest der Congregatie bederft en dien geheel te niet doet; waarvan het noodzakelijk gevolg is, dat het werk van God langzamerhand ondermijnd wordt en eindelijk geheel te niet gaat. De geschiedenis geeft daarvan verscheidene voorbeelden.
Deze opmerking wordt ernstig aan alle leden der Congregatie, doch vooral aan de Oversten en aan alle Fraters, die met eenig gezag bekleed zijn, ter overweging aanbevolen. Zeker, zij zijn het, die door God bijzonder belast zijn om over het nauwkeurig onderhouden der Regelen te waken en den goeden geest der Congregatie te bevorderen, waarvan zij aan God bijzondere rekenschap zullen moeten geven.
Opdat de Fraters niet onkundig zouden zijn omtrent de voorschriften dei-Congregatie, zullen de Regelen op de
12
regelen
Zon- cn Feestdagen gedurende een kwartier uurs langzaam en duidelijk aan de vergaderde leden van het Huis worden voorgelezen, terwijl de Fraters die lezing in hun regelboek zullen volgen. Bovendien wordt het aan alle Fraters en in 't bijzonder aan eiken Overste aanbevolen, dikwijls de Regelen der Congregatie te lezen en te overwegen, ten einde ze beter te begrijpen cn ze zich goed eigen te maken.
Art. 11.
De Fraters moeten zich zooveel mogelijk op eene volmaakte gehoorzaamheid toeleggen; welnu, de volmaakte gehoorzaamheid vordert, dat alles wat zij moeten doen, spoedig, nauwgezet, blijmoedig cn eenvoudig geschiede.
De Fraters moeten spoedig gehoorzamen, dat wil zeggen, zij moeten datgene wat de gehoorzaamheid van hen verlangt, zonder uitstel verrichten, een
13
REGELEN
werk of gebed afbrekende en bij het schrijven een woord ten halve latende staan. Wanneer het teeken voor het gebed, de maaltijden, de recreatie of eene andere oefening gegeven wordt, moet men alle bezigheden staken en den roep van het teeken volgen. Dit is ook van toepassing op den portier, wanneer men aan het Gesticht belt.
Zij zullen nauwgezet gehoorzamen, hetgeen wil zeggen, dat zij hun werk met aandacht en geheel volgens de meening, den wil en de begeerte van den Overste moeten verrichten. Zij moeten zich onophoudelijk herinneren, gelijk de H. Magdalena van Pazzis aanmerkt, dat zij niet gedeeltelijk maar geheel van hun wil afstand hebben gedaan, en dat dus alles geheel, dat is volmaakt gelijk de Overste het begeert, moet geschieden.
Zij zullen blijmoedig verrichten, wat zij te doen hebben. Men bedriegt zich.
H
REGELEN
15
zegt de H. Ignatius van Loyola, wanneer men meent gehoorzaam te zijn, als men tegenzin of ontevredenheid toont over hetgeen voorgeschreven of verboden wordt. Hij, die waarlijk gehoorzaam is, neemt met blijdschap aan, wat met zijne eigenliefde of met zijne neigingen strijdt, wijl hij alsdan zeker is, Gods wil en niet zijn eigen wil te vervullen, en niet zijne eigene voldoening, maar die van God te zoeken. Beijveren zij zich dus, aanstonds elke tegenstrijdige neiging, die zich dienaangaande bij hen vertoont, te onderdrukken om aan hunne Oversten de volmaakte vrijheid te laten, over hen en alles wat hun aangaat te beschikken en blijmoedig te gehoorzamen. Dit is voor de Fraters eene zaak van het hoogste belang, daar zij dikwijls in de gelegenheid zijn of kunnen komen, van bediening en huis te veranderen en gebruikt te worden in bedieningen, welke met hunne neigingen strijdig zijn.
REGELEN
i6
Eindelijk moeten de Fraters er zich op toeleggen eenvoudig te gehoorzamen, hetgeen hierin bestaat, dat zij blindelings hun wil en hunne meening aan den wil en de meening van den Overste onderwerpen. Willen onderzoeken of de Overste goed bestuurt en zijne bevelen goed of kwaad zijn, of willen weten, waarom hij gebiedt of verbiedt, is eten van den boom van kennis van goed en kwaad, dien het Adam verboden was aan te raken. Dit was het middel waarvan Satan zich bediende om Eva te verleiden en haar in zonde te doen vallen, toen hij haar vraagde, waarom God haar niet had toegestaan van alle vruchten van het Paradijs te eten. Indien Eva had geantwoord, dat het haar niet betaamde er de reden van te zoeken, zou zij niet gevallen zijn ; maar zij begon te redeneeren, waarvan het gevolg was, dat zij aan God ongetrouw werd en in zonde viel. De groote wijsheid bestaat
regelen
hierin, dat men met eenvoudigheid des harten gehoorzame, en dat men datgene, wat de Overste beveelt, als goed en nuttig beschouwe, wijl de Oversten, gelijk de H. Magdalena van Pazzis zegt, door God bijzonder in hun bestuur worden verlicht en geholpen. Om tot dezen hoogen trap van gehoorzaamheid te geraken, moeten zij God, om wiens liefde zij gehoorzamen, vurig bidden, en elke met deze eenvoudigheid strijdige gedachte door eene blinde onderwerping van zich verwijderen.
3quot; HOOFDSTUK.
Over de Armoede.
Art. 12.
In de armoede, die het bolwerk van het religieuze leven is, zullen de Fraters trachten te eeren en na te volgen Hem, wien hemel en aarde toebehooren,
17
regelen
en die niettemin voor Zijne Moeder eene arme maagd, voor Zijn Voedstervader een armen handwerksman, voor Zijne wieg eene krib en voor Zijn doodsbed een kruis verkozen heeft, en die gedurende Zijn openbaar leven geene vaste woonplaats had, ja zelfs geen steen bezat, om er Zijn hoofd op neer te leggen.
Art. 13.
De Fraters zullen niets gebruiken en over niets beschikken zonder goedkeuring van den Overste. Zonder zijne toestemming is het hun ook niet geoorloofd iets voor zich zeiven te ontvangen, iets in leen te geven of te nemen, noch aan vreemdelingen aalmoezen te geven. Zij zullen ook geene aalmoezen vragen zonder goedkeuring van den Overste.
Art. 14.
Wanneer men aan de Fraters ge-
i8
regelen
schenken geeft, hetzij voor de Congregatie, hetzij voor de armen aan hunne zorgen toevertrouwd, zullen zij die aannemen, indien er geen bijzondere reden bestaat ze te weigeren; maar zij stellen deze geschenken dadelijk in handen van den Overste of van den Frater, die met de verzorging der armen is belast.
De Fraters zullen niets aannemen voor armen, die niet door hen verzorgd worden, omdat zij zich niet mogen bezig houden met de verzorging van personen, die niet door de Congregatie aan hunne zorgen zijn toevertrouwd. Evenmin zullen zij ooit iets aannemen, dat voor hen zei ven bestemd zou zijn. In deze gevallen zullen zij dit onder vriendelijke dankbetuigingen weigeren, zeggende, dat het hun niet geoorloofd is, dit aan te nemen.
Art. 15.
Iedere Prater moet zich wachten, dat-
19
regelen
gene, wat tot zijn gebruik bestemd is, te minachten, of er zonder goedkeuring van den Overste iets aan te veranderen.
De Fraters zouden hun geweten bezwaren, indien zij door hunne onachtzaamheid geld of hetgeen tot hun gebruik of ten gebruike der armen bestemd is, lieten bederven of verloren gaan. Zij zullen geene onnoodige uitgaven maken, maar in alles de spaarzaamheid betrachten.
Een ieder zal bijzonder zorg dragen om zoo op zijn persoon als op zijne zaken de zindelijkheid te bewaren, wijl deze stichting geeft en zeer voordeelig is voor de gezondheid. Onzindelijkheid past geenszins aan een Frater en brengt hem en zijn staat in minachting bij de menschen.
Art. 16.
Het leven der Fraters in de Congregatie zal een gemeenschappelijk leven
20
regelen
(vita communis) zijn en in alles, wat voedsel en onderhoud aangaat, voor allen gelijkvormig.
Art. 17.
De kleeding, het huisraad en het voedsel zullen zijn, gelijk het betaamt aan personen, die vrijwillig den staat van armoede omhelsd hebbenen voor God en de menschen getuigenis hebben afgelegd Jezus, het toonbeeld der armoede, te willen navolgen. De Fraters zullen dus tevreden zijn, dat men in hunne behoeften voorziet volgens de in de Congregatie gebruikelijke wijze. Zij moeten zich altijd herinneren, dat, naarmate de berooving grooter is geweest, zij zooveel te meer recht hebben op het erfdeel Gods; dat hun als religieuzen een arm leven past, echter zoodanig, dat hun onderhoud de eigenschappen be-zitte, noodig ter bewaring hunner gezondheid, en voldoende krachten geve,
21
regelen
om behoorlijk de plichten van hunnen staat te kunnen vervullen; dus 's morgens, 's middags en 's avonds geene uitgezochte spijzen, maar eenvoudig, gezond en toereikend voedsel, behoorlijke kleeding, deksel en verwarming, en in geval van ziekte de verpleging, welke de toestand vordert.
De Fraters mogen tot hun eigen gebruik niets hebben, dat van goud of zilver gemaakt is, uitgezonderd een zilveren horloge.
Art. 18.
De Fraters, de wereld en hare zorgen verlaten hebbende, om God alleen tot hun erfdeel te kiezen, zullen zich nimmer met de tijdelijke zaken van hunne bloedverwanten of vrienden bemoeien. Zij zullen geene doopborgen mogen zijn. Zij moeten ernstig vermijden zich in te laten met huwelijksaangelegenheden, laatste wilsbeschikkingen.
22
regelen
overeenkomsten en in 't algemeen met alle zaken, waaruit dikwijls minachting voor religieuzen en beroeringen van partijschappen kunnen ontstaan. De Oversten moeten dit verbod nauwgezet handhaven.
Art. 19.
De Oversten zullen zich zorgvuldig wachten voor de zucht om rijkdommen te vergaderen, welke gewoonlijk oorzaak zijn van den ondergang van kloosters en congregatiën, terwijl de geest der armoede en een onbepaald vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid er altijd de steunpilaren van geweest zijn, en er van alle zijden zegeningen op hebben doen nederdalen. Dit was de laatste waarschuwing, welke de H. Abt Benedictus op zijn sterfbed aan zijne broeders gaf, en de ondervinding heeft de waarheid dezer voorzegging bewezen.
23
regelen
Art. 20.
De Fraters zullen zich ernstig beijveren den geest der armoede te verkrijgen. Wat zoude men moeten denken van hem, die, terwijl hij uiterlijk belijdenis deed van armoede, den geest daarvan of ten minste de werkdadige begeerte miste om dien te verkrijgen ? Zou dit niet eene soort van huichelarij zijn, gelijkende aan die der Pharizeërs, die uitwendig eenige goede werken deden, maar inwendig zeer verkeerd gezind waren ? Het is aan de armen van geest, dat de Heer het rijk der Hemelen toekent. (Matth. V. 3.)
Welnu, de geest der armoede vordert, dat de Fraters aangaande het tijdelijke niets verlangen, niets vreezen en dat zij geheel hun vertrouwen op de Goddelijke Voorzienigheid stellen, zich overtuigd houdende, dat God hen in Zijne hoede zal nemen en hun alles zal verkenen,
24
REGELEN
hetgeen hun naar ziel en lichaam noo-dig is, zoolang zij getrouw zijn in het vervullen hunner plichten en den geest der Congregatie behouden.
Bovendien vordert de geest van armoede, dat de Fraters zich verloochenen en elke gehechtheid aan wat het ook zij, aan bezigheden, bedieningen, plaatsen, personen aan hunne zorg toevertrouwd, bloedverwanten, vrienden, enz. afleggen. Om tot deze verloochening van zich zeiven te komen en meer en meer zich van alles te onthechten, zullen zij dikwijls overwegen, dat alle gehechtheid aan de goederen dezer wereld hen verwijdert van die goederen, welke hen in de eeuwigheid gelukkig moeten maken. De Oversten zullen op dit punt bijzonder acht geven, en ten juisten tijde veranderen of afnemen, al wat voor een Frater een voorwerp van gehechtheid zou zijn of kunnen worden.
Eindelijk vordert de geest der armoe-
25
regelen
de, dat de Fraters beminnen en bij voorkeur zoeken, hetgeen aan de armoede gewoonlijk eigen is en het deel is van hen, die inderdaad arm zijn.
4C HOOFDSTUK.
Over de Zuiverheid.
Art. 21.
De gelofte van zuiverheid is steeds een der hechtste grondslagen der religieuze gemeenten geweest. Het zou overbodig zijn te zeggen, met welke gestrengheid de leden der Congregatie verplicht zijn haar te onderhouden en alles te vermijden, wat haar de minste schade zou kunnen toebrengen.
De Fraters zullen dus altijd op hunne hoede zijn, vooral wanneer zij zich in tegenwoordigheid van personen van het andere geslacht bevinden, geen enkel oogenblik de regelen der zedigheid uit het oog verliezende.
20
regelen
Art. 22.
De Fraters zullen trachten de eerste beginselen van gedachten en begeerten, strijdig met de schoone deugd van zuiverheid, ernstig, maar bedaard te verwijderen door godvruchtige verzuchtingen tot Jezus, door eene korte aanbeveling in Zijn H. Hart of Zijne H. Wonden, door de aanroeping der Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria of door eene grootere aandacht op hunne bezigheden. Zij moeten van te voren niet bevreesd zijn, dat dergelijke bekoringen komen, noch onmiddellijk, nadat zij voorbij zijn, onderzoeken of zij daarin hebben toegestemd ; dit zou hen aan het gevaar kunnen blootstellen, die op nieuw te doen ontstaan. Zij moeten betreffende de bekoringen wel opmerken, dat er een groot verschil bestaat tusschen het aangename der bekoring te gevoelen en het te willen, tot het kwaad aangespoord
27
regelen
te worden en het kwaad te willen, en dat een vaste wil, een nederig gebed en een kalm vertrouwen op hun Goddelijken Bruidegom, die altijd bij hen is om hen te beschermen, hun in eiken strijd de overwinning zullen doen behalen.
Art. 23.
De Fraters zullen zorgvuldig zekere vriendschappen vermijden, die al teteeder zijn en die in hen de liefde voor hun Goddelijken Bruidegom zouden doen verflauwen. Zoodra zij in zich eene te groo-te genegenheid gevoelen voor een persoon, wie het ook zij, moeten zij zonder uitstel trachten, de eerste beginselen daarvan uit te dooven door waakzaamheid, gebed, het vluchten der gelegenheden en het oefenen der versterving. Zij zullen zoo nauwlettend mogelijk de bescheidenheid, wellevendheid en zedigheid in acht nemen en zorgvuldig alles
28
REGELEN
vermijden, wat daarmede strijdt, of wat in dit opzicht de teedere deugd van zuiverheid ook maar in het minst zou kunnen schaden.
De zedigheid regelt de woorden, het gelaat en in 't algemeen geheel het uitwendig gedrag, en zij is de behoedster der zuiverheid. Deze twee deugden ondersteunen elkander, zoodat hij, die de eene verwaarloost, zich aan het gevaar blootstelt de andere te verliezen.
De Fraters zullen de zedigheid in acht nemen zoowel binnen als buiten het huis; niet alleen in tegenwoordigheid van andere menschen, maar ook wanneer zij alleen zijn, en ten allen tijde, zelfs wanneer zij slapen ; want zij zijn altijd in de tegenwoordigheid van God en Zijne H. Engelen. Zij zullen die onderhouden in hunne houding, in den omgang, bij het spreken en vooral in hunne oogslagen, welke steeds binnen de palen der grootste voorzichtigheid moe-
29
regelen
ten gehouden worden; want altijd moet men de strikken vreezen, welke de booze geest overal met groote behendigheid gespannen heeft. De Fraters moeten de ledigheid vluchten ; daarom zullen zij, wanneer hun na de liefdewerken of de bezigheden van het huis tijd overblijft, zich begeven tot de studie, tot de lezing of tot eenigen handenarbeid ; zij zullen zich altijd met iets nuttigs bezig houden en nimmer geheel ledig zijn.
Art. 24.
De Fraters zullen geene bezoeken ontvangen, dan in het Gesticht en slechts in de daartoe bestemde vertrekken. Personen van het andere geslacht worden niet in de huizen toegelaten, dan in de spreekkamers en in de plaatsen, die daartoe door den Algemeenen Overste zijn aangewezen, alsmede in de ziekenkamer, in geval van ziekte; in dit laatste geval echter zal de Overste of een
3°
REGELEN
andere Frater er altijd bij tegenwoordig zijn.
Wanneer iemand een Frater komt bezoeken of hem wenscht te spreken, zal de portier hem of haar, die het bezoek vraagt, in de spreekkamer laten en er den Overste van verwittigen, ook zoo het bezoek den portier zeiven geldt. Zoo het bezoek is toegestaan, kan de Overste, wanneer hij dit voorzichtig oordeelt, er nog een anderen Frater tot gezelschap bij plaatsen.
Wanneer bloedverwanten de Fraters bezoeken, zal de Overste of zijn plaatsbe-kleeder hen zeer vriendelijk ontvangen, en zoo zij van buiten komen, ook eenige spijzen of ververschingen doen aanbieden, welke alsdan in betere soort en grootere hoeveelheid mogen gegeven worden dan gewoonlijk. Bloedverwanten of vrienden, die de Fraters komen bezoeken, zullen nimmer den nacht in het Gesticht doorbrengen, noch bij de maal-
31
regelen
tijden of de uitspanningen der Fraters tegenwoordig zijn. Geestelijken, die in het huis eenige diensten komen verrichten, postulanten, die zich voor de Congregatie komen aanbieden, alsmede bloedverwanten der Fraters, tot den geestelijken of religieuzen staat behoorende, mogen den nacht in het huis doorbren-
gcn-
Personen, die in het huis hun gewoon verblijf hebben, zullen nimmer hunne maaltijden in den refter der Fraters nemen, noch bij hunne uitspanningen tegenwoordig zijn, en niet meer omgang met hen hebben, dan de liefde en we-derzijdsche betrekkingen vereischen.
Er zullen buiten de hier opgenoemde gewone bezoeken geene familiemaaltijden mogen gehouden worden.
Art. 25.
Nimmer zullen de Fraters boodschappen mogen doen, laten doen of aanne-
32
regelen
men; evenmin zal de portier of zijn plaatsvervanger die van de Fraters aannemen of ze hun bezorgen, hetzij zij belangrijk of niet belangrijk, woordelijk of schriftelijk zijn. Alle boodschappen, alsmede de brieven van of aan de Fraters moeten door de handen van den Overste gaan. Hiervan zijn de boodschappen uitgezonderd, die de liefdewerken en de verschillende bezigheden van het huis betreffen; deze kunnen altijd, met goedvinden van den Overste, door de Fraters, die met het bestuur van deze liefdewerken of bedieningen belast zijn, gedaan en aangenomen worden.
Art. 26.
Geen der Fraters zal zonder toestemming van den Overste een brief mogen schrijven. De Overste heeft het recht alle brieven van of aan de Fraters te lezen en, wanneer hij dit geschikt oordeelt, ze niet verder te bezorgen. Alle
33
REGELEN
brieven, die naar buiten moeten verzonden worden, worden door den Overste of door iemand, dien hij daartoe benoemt, verzegeld. Hiervan is alleen uitgezonderd de briefwisseling met den Ordinarius van het diocees, onder wiens jurisdictie men verblijft, met den Ordinarius van Utrecht en met den Alge-meenen Overste; zoodat de Overste het recht niet heeft de brieven van hen of aan hen te lezen, noch de verzending er van te weigeren ; hij moet zelfs niet trachten den inhoud er van te vernemen, noch er zich over bekommeren. Ook deze brieven echter moeten door zijne handen gaan, en de portier neemt ze niet aan dan van den Overste en geeft ze niet dan aan den Overste.
Hetgeen hier en in het vorige artikel gezegd is, betreft allen Fraters, in quot;t bijzonder echter den portier of zijn plaatsvervanger voor bestellingen van hem of aan hem, en zoo veel te meer, wijl
34
regelen
hij meer gelegenheid heeft, dezen regel ongemerkt te overtreden.
Art. 27.
Het is aan de Fraters niet geoorloofd uit te gaan, dan met verlof van den Overste van het huis. De Overste zal den Fraters niet toestaan uit te gaan, noch zelf uitgaan, dan wanneer de liefde, bijzondere verrichtingen, die door anderen niet kunnen plaats hebben, of andere wettige redenen het vorderen. In dit punt, hetwelk van groot belang is, zal de Overste, zoo voor zich als voor zijne ondergeschikten, zeer gestreng zijn.
Art. 28.
Noch de Oversten, noch hunne ondergeschikte Fraters zullen zich buiten de stad of gemeente, waar zij gevestigd zijn, mogen begeven zonder goedkeuring van den Algemeenen Overste, die
35
regelen
zulks niet dan om wettige redenen zal toestaan.
Art. 29.
Wanneer het aan de Fraters toegestaan is uit te gaan, zullen zij niet langer uitblijven, noch verder gaan, dan het bevel of het verlof, dat hun de Overste heeft gegeven, zich uitstrekt. Zij zullen zich met geen andere zaken bezighouden, dan met die, welke hun uitdrukkelijk zijn opgedragen.
Art. 30.
Wanneer de Fraters op reis of op wandeling zijn, of zich bij andere geleheden buiten het huis bevinden, zullen zij de huizen van wereldlijken niet ingaan, tenzij bijzondere omstandigheden, de noodzakelijkheid of de wellevendheid het vereischen ; in deze gevallen zullen zij het later aan den Overste mededeelen.
36
regelen
Art. 31.
In den omgang met vreemdelingen, zoowel binnen als buiten het huis, zullen de Fraters zich nimmer nieuwseie-rig toonen, om te vernemen, wat er in de wereld omgaat. Wanneer zij over vermaken en ijdelheden der wereld of andere geheel nuttelooze zaken hooren spreken, zullen zij trachten aan het gesprek eene andere wending te geven en het op eene stichtende zaak over te brengen. Wordt er tegen de liefde van den naaste gesproken, dan zullen zij niet vreezen met omzichtigheid en zachtheid op te merken, dat zulks strijdig is met het gebod der liefde, of zij zullen ten minste doen zien, dat zulks hun niet behaagt. Zegt men iets tot hun lof of om hen te vleien, dit laten zij onbeantwoord, alsof zij het niet gehoord hadden. Zeiven zullen zij zich nimmer eenige vleierij of eenig bijzonder teeken
37
RFXtELEN
van genegenheid veroorloven, zelfs niet ten opzichte der kinderen. Zij moeten zich onophoudelijk in den omgang eigen maken: vriendelijkheid met ernst gepaard. De portier en de andere Fraters moeten dit voorschrift vooral onderhouden in de spreekkamers en wel meer bijzonder, wanneer zij zich daar bij personen van het andere geslacht bevinden. In den omgang met dezen zullen zij altijd en overal zeer voorzichtig zijn; zij zullen dus alle vertrouwelijkheid zorgvuldig vermijden, de gesprekken niet langer aanhouden dan noodig is en in 't bijzonder de zedigheid der oogen in acht nemen.
De Fraters zullen nimmer aan hunne medebroeders ijdclhcden, nuttelooze nieuwstijdingen en vooral verhalen tegen de liefde, die zij van wereldlijken, hetzij in de spreekkamers, hetzij elders, gehoord hebben, mededeelen.
38
regelen
Art. 32.
De Fraters zullen nimmer de huizen der Zusters van Liefde of andere vrouwelijke religieuzen mogen ingaan, zelfs niet op reis, zonder toestemming van den Algemeenen Overste, die deze toestemming niet dan om belangrijke redenen zal geven. Wanneer iemand dit verlof heeft bekomen, zal hij zich bepalen tot de zaken, waarmede hij belast is, en alle overtollige gesprekken met de inwonende religieuzen en kinderen vermijden ; hij zal ze integendeel trachten te stichten door zijne zedigheid, ingetogenheid en zachtmoedigheid.
Art. 33.
De Oversten der Congregatie worden ernstig aangemaand, steeds zorgvuldig te letten op alles, wat de deugd betreft, waarvan hier sprake is, en te waken, opdat de bovengemelde voorschriften nauw-
39
regelen
gezet worden onderhouden. Bovendien zullen zij zorg dragen, dat hij, die ten opzichte dezer deugd ergernis mocht geven - hetgeen God verhoede-, aan den Algemeenen Overste worde bekend gemaakt, opdat de noodige maatregelen kunnen genomen worden, hem volgens de bepalingen der Constitutiën voor altijd uit de Congregatie te verwijderen.
5e HOOFDSTUK.
Over de Ootmoedigheid.
Art. 34.
De Fraters moeten nimmer vergeten, dat de ootmoedigheid de grondslag is van alle deugd, en dat zij zonder dezen grondslag te vergeefs naar de volmaaktheid zullen streven. Daarom zegt de H. Augustinus, dat de nederigheid de wezenlijke deugd is, en dat er zonder
40
regelen
haar geen ware en duurzame deugd kan bestaan. Om die reden zullen de Fraters zich ernstig beijveren deze onontbeerlijke deugd te verkrijgen.
Art. 35.
De nederigheid is eene deugd; zij wordt evenals elke andere deugd, die men zich wil verwerven, slechts door eene aanhoudende oefening verkregen. Indien dus een Frater nederig wil worden, moet hij zich in- en uitwendig vernederen.
Wat de uitwendige vernederingen betreft, deze moeten de Fraters niet zoeken, maar ze wel blijmoedig aannemen en ze nimmer vluchten. Tot de uitwendige vernederingen behooren de berispingen ; zoo lang de Fraters deze niet beminnen, hebben zij dien graad van ootmoedigheid niet bereikt, waarnaar zij krachtens hun staat moeten streven.
De inwendige vernederingen moet
41
'
42 regelen
men zoeken en elke gelegenheid ge- k
bruiken, om er zich in te oefenen. Tot a
de inwendige vernederingen behoort o. a., c
dat men op zijne eigene onvolmaakthe- 2
den nederzie en de oogen sluite voor 1
die van anderen, indien men niet ver- (
plicht is daarop te letten; dat men van j
zijn eigen gevoelen en oordeel afga en zich aan het oordeel van anderen onderwerpe.
Art. 36.
De Fraters zullen alles in den geest van nederigheid doen, d. i. zij zullen zich bevlijtigen, hetgeen zij moeten doen,
zoo goed mogelijk te verrichten ; maar zij zullen zich tegelijkertijd overtuigd houden, dat alles onvolmaakt zal geschieden, terwijl zij hunne zwakheid en onvolmaaktheid erkennen.
Zij zullen slechts van God, die alles ten goede moet schikken, het welslagen van hun arbeid verwachten en afsmee-
regelen
ken, terwijl zij zich voor het overige aan Zijn welbehagen overgeven. Eindelijk, wanneer zij ook alles ten beste zouden gedaan hebben, zullen zij naar het woord des Heeren erkennen, dat zij onnutte dienstknechten zijn, die slechts gedaan hebben, wat zij moesten doen.
6 HOOFDSTUK.
Over de Eenvoudigheid.
Art. 37.
De eenvoudigheid, welke onze Heer zoo zeer aanbeveelt in het H. Evangelie, bestaat hierin, dat men in alles God alleen beschouwt en zoekt, en dat men recht tot Hem gaat, zonder nutteloos terugzien op zich zelven. Het is niet de onverschilligheid van hen, die geheel hun aandacht schenken aan hetgeen buiten hen is en zich zelven veronacht-
43
44 REGELEN
zamen; niets is strijdiger met de ware eenvoudigheid. Maar zoo men op zijne plichten en op zich zeiven aandachtig moet zijn, moet dit geschieden met het oog op God, om Zijn wil en Zijn welbehagen te doen, zonder eene andere vrees dan Hem te mishagen, en dus met eene kinderlijke en niet met eene slaafsche vrees.
Aldus zal men een dubbele klip vermijden ; van den eenen kant zal men zich niet op de schepselen uitstorten, waardoor men als 't ware onophoudelijk buiten zich zeiven leeft; van den anderen kant zal men niet altijd pijnlijk bezig zijn met zich zeiven en met hetgeen aan zijne eigenliefde voldoening of verdriet kan veroorzaken; maar men zal zijne plichten vervullen met eene rustige, zachte, ongedwongene, blijmoedige oplettendheid; alles zoo goed mogelijk doende, zal men voor het overige den uitslag aan God overlaten.
1
regelen 45
Art. 38.
De Fraters zullen alle zorg aanwenden, om zich door eene voortdurende oefening deze Evangelische deugd, zoo geschikt om zich de zielerust te verzekeren, eigen te maken. Daarom zullen zij nimmer vrijwillig aan bewegingen van eigenliefde, aan de zucht om aan zich zeiven of anderen te behagen, toegeven. Aldus, hoewel zorgvuldig vermijdende ergernis te geven, zullen zij er zich overigens evenmin om bekommeren, wat anderen van hen zullen zeggen of denken, zoo zij in waarheid in alles God alleen zoeken. Zij moeten zich altijd herinneren, dat er weinig aan gelegen is, aan zich zeiven of anderen te behagen, maar dat het van het grootste belang is, aan God aangenaam te zijn. Zij moeten zich goed in den geest prenten, dat het in 't geheel niet noodig is, kleingeestig na te gaan, welke onvol-
REGELEN
maaktheid er juist in ieder hunner daden is gelegen, of nauwkeurig te weten, tot welken graad van volmaaktheid zij zijn gekomen en hoeveel zij zijn vooruitgegaan; slechts daarvoor moeten zij zorg dragen, dat zij onophoudelijk vooruit willen, verzekerd zijnde, dat zij, die standvastig vooruit willen, zeker voortgang zullen maken, wijl God hen zal helpen.
Echter moet het niet een : «//e wilde wel», maar een oprechte wil zijn, die geen strijd vreest en voor geen offer terugdeinst. Geen hevige, ruwe, voorbijgaande wil, maar een rustige, ernstige, zachte en vertrouwende wil; een wil, bezield met de Goddelijke liefde, die, gelijk er geschreven staat, sterk is gelijk de dood.
De Fraters moeten alle gemaaktheid in hunne handelingen vermijden ; alles in hun gedrag moet natuurlijk, eenvoudig zijn. Zij moeten zich evenzeer
46
regelen
toeleggen op de eenvoudigheid bij het spreken over zich zeiven, hetzij goed of kwaad; het zekerste en beste is, in gewone gesprekken in het geheel niet over zich zeiven te spreken. Nimmer zullen zij bij het spreken of zwijgen een bijoogmerk mogen volgen ; alles in hun gedrag moet zoo klaar zijn als een helder water, waarin men tot op den grond toe ziet.
Art. 39.
De Fraters zullen alles, wat zij doen, in den geest van eenvoudigheid doen, d. i., volgens den H. Franciscus van Sales, zij zullen bij het gebed en bij al hunne werken geheel hunne ziel, zich zelven, hunne manier van handelen en den uitslag van alles aan Gods welbehagen overgeven en overlaten. De H. Paulus zegt; «Ik leef niet meer, maar Christus leeft in mij^ d. i. men moet zich zelven verloochenen, zich zelven
47
regelen
vergeten; - en dit is de taal der H. Eenvoudigheid.
T HOOFDSTUK.
Over de Versterving.
Art. 40.
De verstervingen, die wij ons zeiven opleggen en vooral die, welke God ons overzendt, zijn voortreffelijke middelen om het weerspannige vleesch in bedwang te houden en de slang der eigenliefde te dooden.
De lelie blijft schoon en behoudt haren geur te midden der doornen ; evenzoo blijft de ziel schoon en zuiver door eene voortdurende versterving en eene kloekmoedige verloochening van zich zeiven. Daarom zullen de Fraters de verstervingen beminnen en zich gelukkig achten, zoo geheel hun leven ge-teekend is met de glorierijke teekenen
48
regelen
van de doornenkroon en het kruis van Jezus Christus.
Art. 41.
De Fraters zullen, wat de lichamelijke versterving betreft, op stroobedden slapen, en ter eere der allerheiligste Maagd Maria op de gewone Zaterdagen bij het ontbijt de gebruikelijke versterving doen.
Met toestemming van den Overste zullen de Fraters andere lichamelijke verstervingen mogen oefenen, altijd echter zonder hunne gezondheid in gevaar te brengen. Zij zullen zich bijzonder toeleggen op het oefenen van kleine lichamelijke verstervingen, waardoor de gezondheid niet benadeeld wordt; en bij voorkeur zullen zij de inwendige verstervingen beminnen, vooral die, welke God hun overzendt; want deze zijn het aangenaamste aan God en geven den rijksten schat van vergelding.
49
REGELEN
De Fraters zullen dus voor zooveel het van hen afhangt, de voorkeur geven aan de kleinste, de laagste, de minst geachte bedieningen ; zij zullen die bezigheden het meest beminnen, welke het strijdigst met hunne natuur en hunne natuurlijke neigingen zijn.
Zoo dikwijls als zij worden tegengesproken, als zij moeilijkheden of tegenkanting in hun werk ontmoeten, als zij een werk moeten laten liggen of een gebed afbreken, als zij eene bezigheid of eene bediening, die hun bevalt, met eene andere moeten verwisselen, en in 't algemeen, zoo dikwijls hunne eigenliefde gekwetst wordt, bij welke gelegenheid het ook zij, moeten zij daarin Gods wil erkennen, waaraan zij zich met liefde moeten onderwerpen.
Dat de Fraters dus nimmer vergeten, dat iedere krenking hunner eigenliefde een middel is, waarvan God zich bedient, om hen aan Zijn Zoon Jezus
5°
regelen 5i
1 Christus gelijkvormig te maken en hen
1 deelachtig te maken aan Zijne verdien-t sten; daarom zullen zij bij iedere gelegenheid, dat hunne eigenliefde gekwetst
t wordt, of zij eene versterving ondergaan,
2 God daarvoor danken en deze versterving met liefde omhelzen. Bij zoodanige gelegenheden moet dit gevoel van dankbaarheid het eerste zijn, wat hun in den
s geest komt.
n
d
;t 8° HOOFDSTUK.
ft Over de Liefde tot de Medebroeders.
Art. 42.
i-
s De Fraters zullen zich beijveren, elkan-
e der oprecht te beminnen en elkander alle mogelijke liefde op de liefderijkste i, wijze te betoonen. Zij moeten in 't al-.e gemeen de gelegenheden zoeken en zich ï- ten nutte maken, om elkander liefde te is bewijzen, en zorgvuldig alles vermijden,
regelen
wat de liefde en de eensgezindheid zou kunnen storen ; daarom zullen zij zoo spoedig mogelijk elk gevoel van afgekeerdheid, elk ongunstig oordeel verwerpen en onderdrukken.
Art. 43.
Wanneer het gebeurt, dat een Frater een zijner medebroeders uit menschelijke zwakheid beleedigt, zal hij hem dadelijk of zoo spoedig mogelijk en in elk geval vóór hij zich ter ruste begeeft, om vergeving vragen. De Frater, die beleedigd is, zal zulks in ootmoed en met de grootste vriendelijkheid aannemen, zonder over het voorgevallene te spreken, of eene berisping of vermaning te geven. Indien het de Overste is, die beleedigd is, hangt het van de omstandigheden af, of eene vriendelijke vermaning past of niet, maar hij moet zorg dragen met een zuiver inzicht te handelen en inwendig biddende de vermaning te geven.
52
regelen
Art. 44.
Evenzeer als de Fraters zich op eene onderlinge liefde moeten toeleggen, moeten zij zich ook wachten voor bijzondere genegenheid, vertrouwelijkheid of vriendschap met dezen of genen Frater. Zulke vriendschappen zijn goed in de wereld, voor zoover ze op den waren grondslag rusten, in de Congregatie zijn ze verderfelijk. Hier moet de oprechtste vriendschap allen verbinden, hetgeen dadelijk ophoudt, wanneer genoemde vriendschappen ingang vinden.
Ieder Overste moet zorgvuldig tegen dit misbruik waken en door geschikte middelen deze vriendschappen trachten te beletten en te vernietigen.
De Fraters mogen elkander geen geheimen toevertrouwen. Geheimen, welke deze of gene Frater of zelfs alle Fraters mogen weten, maar welke de Overste niet mag weten, zijn van een kwaden aard.
53
54 regelen
Het is hun evenmin geoorloofd geheimen aan wereldlijken, met wie zij moeten omgaan, toe te vertrouwen, noch van hen geheimen aan te nemen, die op hunne bedieningen geene betrekking hebben. Wanneer iemand hun dergelijke geheimen wilde toevertrouwen, moeten zij dadelijk ronduit verklaren, dat zij die niet mogen aannemen.
Eveneens zullen de Fraters nimmer met hunne medebroeders of met vreemdelingen over hunne bekoringen spreken.
Art. 45.
De Fraters zullen zich jegens elkander met eene christelijke vriendelijkheid, eerbied en hartelijkheid gedragen; deze gezindheid moet in gelaat, woorden en gebaren uitschijnen. Nooit mogen zij hardheid, hevigheid of koudheid aan den dag leggen. Mocht het gebeuren, dat een Frater zich verplicht gevoelt.
regelen
iets te moeten weigeren, wat een medebroeder verlangt, zoo moet hem dit steeds moeilijk vallen, en hij zal het op zoodanige wijze weigeren, dat de andere duidelijk bemerke, dat het uit plicht geschiedt.
De Fraters moeten elkander met alle toegevendheid, geduld en liefde verdragen en, zooveel zij zulks kunnen, zonder tegen de gehoorzaamheid of tegen een hoogeren plicht te zondigen, zich naar de luimen, onvolmaaktheden en zwakheden hunner medebroeders schikken ; dit is een hoofdmiddel om de eensgezindheid en den heiligen vrede in de Congregatie te bewaren.
Art. 46.
De Fraters zijn verplicht elkander broederlijk te beminnen, gelijk Jezus ons bemind heeft; aldus zijn zij vooral verplicht elkander te stichten en zorgvuldig alle ergernis te vermijden. Daar-
55
râ--
56 REGELEN
om moeten zij zich wel wachten, het- m
geen wettig in de Congregatie is inge- sc
voerd of ingevoerd zal worden, of het nc
gedrag en de handelingen van den Over- dc
ste of van hen, die ondergeschikte be- re
dieningen waarnemen, te beoordeelen, w
daarover te morren, te klagen of zelfs te
iets dergelijks aan tc hooren ; want dit w
zou de zekerste weg zijn om ongehoor- hi
zaamheid te doen ontstaan, wanorde te di
verspreiden en groote ergernis tc ge- m
ven. De Fraters moeten nimmer ver- g(
geten, dat zij niet in de Congregatie m
zijn getreden om de voorschriften te sj beoordeelen of te verbeteren, maar om ze op te volgen. Alles beter willen weten, zich met zaken bemoeien, die niet
tot hunne bedieningen behooren, nieuws- ei
gierigheid toonen, vragen of raden, waar- tc
om deze bediening aan dezen of genen n
is toevertrouwd, waarom zc niet aan een z
ander is gegeven, aan wien deze bediening o
zal gegeven worden, enz. ; dit alles moet v
regelen
men zorgvuldig vermijden ; ook niet al schertsende moet zulks plaats hebben, noch onder het voorwendsel van daardoor het algemeen welzijn te bevorderen. Wanneer echter een Frater in geweten zou meenen eenige ophelderingen te kunnen geven, welke het algemeen welzijn zouden bevorderen, alsdan mag hij zulks in alle nederigheid en eenvoudigheid aan zijn Overste, maar aan niemand anders bekend maken, het overigens aan hem overlatende, wat gedaan moet worden, zonder er verder over te spreken.
Art. 47.
Daar de Overste niet overal kan zijn en niet alles kan weten, - waarvan hij toch zijn bijzonder werk moet maken-moet ieder Frater, wanneer hij in een zijner medebroeders eene ernstige fout of eene belangrijke bekoring gewaar wordt, waarvan deze het gevaar niet of
57
regelen
niet genoegzaam inziet, dit in quot;t geheim uit liefde en met liefde aan zijn Overste bekend maken en aan dezen de verbetering overlaten. Alvorens daartoe over te gaan, zal hij zijn hart door het gebed bereiden, ten einde alle nadeelige gevolgen te voorkomen en het ware doel, de verbetering van zijn medebroeder, te bereiken. De Frater, wien het betreft, zal met eenvoudigheid, nederigheid en onderwerping aannemen, wat hem daarover door den Overste gezegd wordt, en hij zal zieh verheugen, dat zijne fout en de gevaren, die hem bedreigden, ter kennis zijn gekomen van hem, die hem kan helpen en er hem van kan bevrijden ; hij zal den Frater, die het heeft aangebraeht, zoo hij dezen kent, hartelijk dankbaar zijn.
Art. 48.
Nimmer mogen onder de Fraters gesprekken over de fouten hunner medebroeders plaats hebben.
58
regelen
Wanneer een Frater dezen regel overtreedt, zullen de anderen hem herinneren, dat hij daarmede moet ophouden; gaat hij nochtans voort, dan zal de oudste Frater, die daarbij tegenwoordig is, den Overste waarschuwen.
Mocht de Overste daarbij zelf tegenwoordig zijn, dan zal hij die gesprekken terstond doen ophouden.
Art. 49.
Wanneer een Frater ziek of ongesteld wordt, zal hij met al de oplettendheid worden verpleegd, die zijn toestand vordert; vooral zal men zorg dragen voor hetgeen de zaligheid zijner ziel betreft, als het tijdig ontvangen der FI. Sacramenten, enz. Wanneer er gevaar is, dat de Frater aan deze ziekte zal sterven, dan zal men den bloedverwanten van zijn toestand kennis geven en hen tot den zieke toelaten.
De zieke zal in alles, wat de verzor-
59
regelen
ging betreft, gehoorzamen aan hem, die met zijne verpleging belast is.
Art. 50.
Wanneer een Frater overleden is, zal zijn lichaam in eene kist van gewoon hout worden gelegd, welke men in de bidplaats of de kapel zal plaatsen, tenzij men om bijzondere redenen zulks niet raadzaam oordeele. Op den dag van het overlijden of wel den volgenden dag zal er eene stille H. Mis en op den dag der teraardebestelling eene gezongen H. Mis plaats hebben. Na dezen Dienst zal het lijk met de kerkelijke plechtigheden begraven worden.
Men zal geene bloedverwanten of buren uitnoodigen.
Hetgeen in dit artikel gezegd is, geldt zoowel den Overste als den anderen Fraters en is ook van toepassing op de Novicen en de Aspiranten, die in de Congregatie sterven.
6o
regelen
9° HOOFDSTUK.
Over de Zachtmoedigheid.
Art. 51.
Dc Fraters zullen zich ernstig beijveren zachtzinnig van harte, d. i. van zachtaardige inborst te worden, naar het voorbeeld en het gebod van onzen Zaligmaker Jezus Christus. Daarom moeten zij zich niet alleen zorgvuldig onthouden van elk uitwendig teeken van drift en van alle uitdrukking van hevigheid, maar zij moeten zich ook onophoudelijk beijveren, alle inwendige drift, alle inwendige hevigheid en alle neiging tot hevigheid te bestrijden en met wortel en al uit te roeien.
Wanneer zich omstandigheden voordoen, waarbij de Fraters eene ernstige houding moeten aannemen, als bij het berispen en straften der kinderen, zal dit mogen geschieden voor zoover zulks
6i
regelen
noodig zij ; maar zij moeten zorg dragen, dat zij zich niet door drift laten vervoeren. Nimmer zullen zij zich eeni-ge driftige, bittere of beleedigende woorden, gebaren of handelingen veroorloven ; vooral zullen zij nimmer, in welk geval of op welke wijze ook, de kinderen mogen slaan, hinderen of ruw behandelen. Zij moeten zich steeds herinneren, dat zoodanige handelwijze aan een religieus niet past, dat zij daardoor de Congregatie benadeelen, tegen hun plicht handelen en anderen licht tot er-genis verstrekken.
Art. 52.
De Fraters zullen zachtmoedig zijn, wanneer zij niets aardsch wenschen noch vreezen, hunne eigenliefde en hun eigen wil bestrijden, geheel tevreden zijn met datgene, wat God over hen beschikt, en voor de toekomst geheel en al in den Goddelijken wil berusten. Daardoor zul-
02
regelen
len zij die zielemst vinden, welke zoo wenschelijk en in 't bijzonder voor de leden dezer Congregatie zoo noodig is.
Art. 53.
De Fraters, die zachtmoedig zijn, maar ook slechts dezen, zullen steeds de gelijkheid van humeur kunnen bewaren, welke zoo noodig is in de uitoefening hunner bedieningen ; zij alleen zullen door een altijd gelijken ernst en vriendelijkheid de achting en de liefde hunner medebroeders en der kinderen blijven bezitten. Door zachtmoedigheid wordt het gemakkelijk de harten te leiden, waarheen men wil; door hevigheid integendeel stoot men anderen terug, zooveel te meer als dezen duidelijker zullen bemerken, dat men zich doorzijn humeur laat trekken en drijven en dat men niet uit ware liefde handelt.
De Fraters moeten weten, dat zij door God geroepen zijn, om aan de zaligheid
63
64 REGELEN
' ~ ' I
des naasten en vooral der jeugd te arbeiden, dat zij vooral op het hart moeten werken door zachtmoedigheid en liefde; driftigenzijn daartoe niet in staat. De Fraters moeten elkander in het goede
voorthelpen en de wederzijdsche zwak- he
heden verdragen ; dit is onmogelijk zon- V(
der zachtmoedigheid. De Fraters moeten za1
zorg dragen, nimmer de tegenwoordig- he
heid van geest te verliezen ; bij de drif- m(
tigen geschiedt dit onophoudelijk. de
Dat de Fraters zich dus nimmer eeni- sp
ge hevigheid veroorloven, hetzij in ge- tei
dachten : in afkeer of genegenheid, in «Tv
begeerten of vrees ; hetzij in handelin- de
gen : bij het werken of loopen ; in één de
woord nergens of nooit. Dat zij vooral di;
bedenken, dat hevigheid en drift tot ne
niets dienen, dan om aan hunne mede- G(
broeders, kinderen of anderen, die er he
getuige van zijn, ergernis te geven. dl
_ 1 ki
g1
regelen
65
r-
e-
m it.
ie De H. Vincentius a Paulo stelde ge-c- heel zijn vertrouwen op de Goddelijke i- Voorzienigheid en wilde, dat men in ;n zaken, de Congregatie betreffende, ge-r- heel en al van Haar zou afhangen. Zeer f- merkwaardig zijn de woorden, welke deze Heilige bij zekere gelegenheid uit-i- sprak en welke bijzonder aan de Fra-gt; ters ter overweging worden aanbevolen, n «Mijne broeders,» zeide hij, tflaten wij 1- den Heer volgens Zijn welgevallen han-n delen ; houden wij ons zeiven ootmoe-il dig, ons onderwerpende aan en reke-)t nende op de beschikkingen van Zijne Goddelijke voorzienigheid. Tot hiertoe :r heeft men door Zijne barmhartigheid aldus in de Congregatie gehandeld. Wij kunnen zeggen, dat er niets in de Congregatie is, dan hetgeen God daarin
i
regelen
heeft geplaatst, en dat wij noch leden, noch goederen, noch nieuwe stichtingen hebben gezocht.»
Naar het voorbeeld van hun H. Patroon zullen de Fraters zich nimmer op hunne eigene krachten verlaten, maar een onbegrensd vertrouwen stellen op de Goddelijke Voorzienigheid, van wie zij, zonder de gewone middelen te ver-waarloozen, alles voor zich en voor anderen moeten verwachten.
Art. 55.
Men zal nimmer iemand, noch rechtstreeks, noch zijdelings, noch door bemiddeling van een ander, aansporen lid der Congregatie te worden ; ook zal men nimmer pogingen aanwenden, zich naar elders te verplaatsen of nieuwe inrichtingen te stichten; maar het moet geheel aan God worden overgelaten, of het volgens Zijn welbehagen zij, nog anderen en welke personen tot de Con-
66
REGELEN
gregatie te roepen, alsmede haren lief-dadigen werkkring uit te breiden. Niettemin moeten de Fraters niet verzuimen God te bidden, dat het Hem behage, de Congregatie te zegenen en uit te breiden tot eer van Zijn Naam en tot zaligheid der mensehen, haar waardige leden te geven en haar met Zijn Geest te vervullen ; dat Hij de intrede van ieder, die daartoe niet geroepen is, verhoede, en dat nimmer een werkelijk geroepene het voorbeeld van den rijken jongeling volge, die door de gehechtheid aan de goederen dezer wereld bevangen, treurig terugging.
ii0 HOOFDSTUK.
Over de Zorg voor de Gezondheid.
Art. 56.
Moeten de Fraters zich van den eenen kant als ware religieuzen ernstig bevlijti-
ó?
REGELEN
68
gen, ook door uitwendige verstervingen, zich den waren geest van versterving eigen te maken, zonder welken zij onmogelijk aan hunne roeping kunnen beantwoorden, van den anderen kant zullen zij ook trachten eene welgeregelde zorg voor hunne gezondheid te besteden, ten einde die tot den dienst van God te gebruiken ; niet alleen keurt de ware deugd deze zorg goed, maar de Regelen der Congregatie maken er den Fraters een plicht van. De Oversten zullen daarop wel acht geven, ten einde alles te voorkomen, wat aan de gezondheid zou kunnen schaden, als buitengewoon drukke bezigheden, groote lichamelijke verstervingen, enz. Zij zullen zooveel mogelijk alles bevorderen, wat voor de gezondheid voordeelig is, als: genoegzame en goed bereide spijzen, behoorlijke nachtrust, zindelijkheid in alles, enz.
regelen
Art. 57.
Wanneer een Frater mocht ondervinden, dat de eene of andere zaak hem nadeelig zij, bijv. betreffende het voedsel, de kleeding, de woning, de bediening of andere dergelijke zaken, alsmede wanneer hij zou meenen, iets bijzonders noodig te hebben uit hoofde van ongesteldheid of zwakte, zal hij dit, na God in 't gebed geraadpleegd te hebben, aan zijn Overste bekend maken, aan dezen overlatende, wat hierin gedaan moet worden.
Wanneer een Frater ziek of aan eenig lichamelijk gebrek onderhevig wordt, zal hij hiervan den Overste terstond kennis geven, opdat de noodige geneesmiddelen tijdig worden toegediend.
Wanneer iemand, uit kwalijk begrepen liefde voor de versterving of, hetgeen nog erger zou zijn, uit menschelijk opzicht zou verzuimen zijne behoeften
69
REGELEN
aan den Overste bekend te maken, zou c
hij zich weinig onderdanig toonen aan c
de Regelen der Congregatie, die dit c
voorschrijven, en hij zou de verant- c
woordelijkheid der noodlottige gevol- i gen, welke uit zijne stilzwijgendheid zouden ontstaan, niet kunnen ontgaan.
ART. 58. (
Wanneer iemand, ook de Overste, volgens het oordeel van den geneesheer of den Overste, buitengewone spijzen
moet gebruiken, zal dit aan de zieken- 1
tafel moeten plaats hebben, of wel vóór l
of na de vastgestelde maaltijden, maar l
nimmer aan de gewone tafel der Fraters. \
ART. 59. j
De Fraters zullen zich zorgvuldig
wachten voor de droefgeestigheid, welke â¢
zeer nadeelig werkt op de gezond- lt; heid; zij zullen zich integendeel tot eene
heilige blijdschap des harten opwekken, â
7°
regelen
die daaraan zoo voordeelig is; want de H. Schrift zegt: «Een vroolijk hart doet de gezondheid bloeien, maar een droevig gemoed mergelt de beenderen uit.» (Prov. XVII. 22.)
12° HOOFDSTUK.
Over de Gebeden en de Oefeningen van Godsvrucht.
Art. 60.
De gebeden en de oefeningen van godsvrucht, welke in de Congregatie plaats hebben, zijn of algemeene of bijzondere. De eerste zijn die, welke door de Regelen zijn voorgeschreven en welke gewoonlijk in communiteit of gezamenlijk plaats hebben.
Er zullen geene andere algemeene oefeningen plaats hebben, dan die door de Regelen zijn vastgesteld. Hoewel niemand op zonde daartoe verplicht is, zullen de Fraters zich echter beijveren.
71
regelen
ze met nauwgezetheid te doen, en er zich nimmer aan onttrekken, tenzij met uitdrukkelijk verlof van den Overste of om wettige redenen van verhindering.
Art. 6i.
Wanneer het gebeurt, dat een Frater de voorgeschreven algemeene oefeningen niet kan volbrengen door het uitoefenen der liefdewerken of andere dringende bezigheden van het huis, en hij aldus God om God moet verlaten, om Hem in den persoon van den naaste te dienen, moet hij zich overtuigd houden, dat hij daardoor geen geestelijk voordeel zal verliezen, en dat, wanneer hij waarlijk met den geest Gods bezield is, hij zoowel God zal vinden in de liefdewerken en de bezigheden, die hij uit gehoorzaamheid verricht, als in 't gebed.
Mocht het echter gebeuren, dat men verplicht ware, deze gebeden en oefeningen dikwijls achter te laten, alsdan
72
regelen
zal men zulks den Algemeenen Overste der Congregatie bekend maken, die de noodige maatregelen zal nemen, opdat de Fraters door bidden en arbeiden het dubbel doel der Congregatie mogen bereiken.
I3e HOOFDSTUK.
Over de Dagorde.
Art. 62.
Om half vijf, zoowel in den winter als in den zomer, zal het teeken van opstaan gegeven worden. Op dit teeken zal een ieder dadelijk opstaan, het kruis-teeken maken en zich in het H. Hart van Jezus aanbevelen, welke aanbeveling men gedurende den dag meermalen zal trachten te vernieuwen, om de allerheilzaamste devotie tot dit H. Hart, brandende van de vurigste liefde tot ons in het Allerheiligste Sacrament des
73
REGELEN
Altaars, op tc wekken en te vermeerderen.
Onder het kleeden en wasschen zal men zich met godvruchtige gedachten bezig houden, vooral met de stof der meditatie en het onderwerp van het bijzonder onderzoek, zich vast voornemende bij alle voorkomende gelegenheden te strijden en te overwinnen. Nadat men zich gekleed, het bed afgehaald en alles in orde gebracht heeft, begeeft men zich zoo spoedig mogelijk naar de kapel of de bidplaats, om het morgengebed tc doen.
Om vijf uur begint men de meditatie, die minstens een half uur zal duren. Vervolgens bidt men de Metten en de Lauden van het klein Officie van O. L. Vrouw.
Om zes uur bidt men het Angelus Domini, zoodra daartoe het teeken gegeven wordt.
Het uur der H. Mis en van het ontbijt zal geregeld worden naar de bezigheden
74
REGELEN
van het huis. Voor het ontbijt wordt ten minste een kwartier uurs verleend.
De Primen, Tertiën, Sexten en Nonen bidt men op de Zon- en Feestdagen om tien uur; gedurende de week op com-muniedagen vóór de H. Mis of na het ontbijt, en op de overige dagen vóór en na de drie hoofdgedeelten der H. Mis.
Het bijzonder onderzoek doet men tusschen elf en twaalf uur; dit zal een kwartier uurs duren.
Om twaalf uur bidt men het Angelus Domini; onmiddellijk daarna neemt men het middagmaal, waarvoor ten minste een half uur wordt verleend.
Na het middagmaal worden de Vespers en Completen gebeden.
Van één tot twee uur is het geoorloofd te spreken, waarna men zijne gewone werkzaamheden hervat.
Om drie uur bidt men gezamenlijk of ieder voor zich drie Onze-Vaders en drie Wees-gegroeten, ter eere van het
75
REGELEN
heilig lijden en den dood van Jezus Christus en de smarten van O. L. Vrouw, voor degenen, die in doodstrijd zijn.
Om vier uur gebruikt men eene kleine verversching (goüter), waaraan men buiten de recreatiedagen niet meer dan tien minuten zal besteden. Hierbij worden geene spijzen opgediend, uitgezonderd op de recreatiedagen de kleine hoeveelheid, die gebruikelijk is.
Om zes uur bidt men het Angelus Domini.
Tusschen het goüter en het avondmaal doet men een bezoek van een kwartier uurs bij Jezus in het H. Sacrament.
Om zeven uur gebruikt men het avondmaal, dat een half uur zal mogen duren.
Na het avondmaal zal men een uur mogen spreken.
Om half negen bidt men het rozenhoedje van vijf tientjes en daarna in stilte de akten van geloof, hoop en lief-
76
regelen
de. Daarna heeft het algemeen onderzoek plaats, gevolgd door de gebruikelijke gebeden, waarna de stof der meditatie voor den volgenden dag wordt opgegeven en men zich ongeveer ten negen uur te bed begeeft, zich bezig houdende met de stof der meditatie.
Art. 63.
Wanneer een Frater verhinderd mocht zijn het bijzonder onderzoek tusschen elf en twaalf uur te doen, zal hij dit in den namiddag doen op een uur volgens goedvinden van den Overste.
Van den eersten Zaterdag in de Vaste tot en met Zaterdag vóór Paschen, uitgezonderd op de Zondagen, zal men de Vespers vóór den middag bidden.
Wanneer in den namiddag het Lot of de Vespers gehouden worden, zal men daaronder het bezoek bij het Allerheiligste Sacrament doen.
Wanneer men op de Zon- en Feestda-
77
regelen
gen het Lof of de Vespers niet kan bijwonen, doet men een bezoek van een half uur bij het Allerheiligste Sacrament.
Op de Zon- en Feestdagen zal men na de Vespers of het Lof of na het bezoek bij het Allerheiligste het rozenhoedje van vijf tientjes met de litanie van O. L. Vrouw van Lorette bidden en des avonds om half negen, in plaats van het rozenhoedje, eene voorlezing van een kwartier uurs uit de Regelen doen.
Art. 64.
Daar waar de Fraters geregeld de H. Mis in het huis kunnen hooren, wonen zij die in de parochiekerken of elders niet bij, tenzij hunne bediening of betrekking het vereischt.
De kerkelijke diensten van den namiddag zal men niet buiten het huis bijwonen, tenzij met uitdrukkelijk verlof van den Algemeenen Overste.
78
regelen
Art. 65.
De Oversten kunnen om gegronde redenen in de dagorde veranderingen maken ; echter op zoodanige wijze, dat de nachtrust niet worde verkort. De vastgestelde dagelijksche uren van recreatie zal men niet verschuiven, dan ingeval het middag- of het avondmaal wordt verplaatst. Het middag- en het avondmaal zullen niet verplaatst worden, dan ingeval ze niet op den vastgestel-den tijd zouden kunnen plaats hebben.
Wanneer het gebeurt, dat de verschillende betrekkingen en bezigheden van het huis eene doorgaande verandering in de dagorde noodzakelijk maken, zal men zulks den Algemeenen Overste bekend maken en zich naar zijne beslissing gedragen.
Art. 66.
De algemeene geestelijke oefeningen
79
regelen
zullen zooveel mogelijk in de kapel of de bidplaats gehouden worden.
De Oversten zullen zorg dragen, dat de gebeden en de oefeningen juist op tijd beginnen ; daarom zal het teeken daartoe eenige oogenblikken te voren gegeven worden.
Art. 67.
De Fraters zullen een grooten eerbied voor genoemde gebeden en geestelijke oefeningen hebben, alsmede voor Gods Huis en voor alle heilige zaken, welken eerbied zij in geheel hun gedrag moeten doen uitschijnen.
I4C HOOFDSTUK.
Over het Gebed in het algemeen
Art. 68.
Niets is noodzakelijker voor een religieus dan het gebed. Het is het geestelijk
8o
REGELEN
voedsel der ziel ; gelijk het lichamelijk leven niet kan onderhouden worden zonder het noodige voedsel, evenmin kan het geestelijk leven der ziel blijven bestaan zonder het gebed. Geheel het leven van een religieus moet een leven van gebed zijn, zegt de H. Alphonsus de Liguori. Daarom zullen de Fraters, vooral zij, die vele verstrooiende bezigheden hebben, zich met alle mogelijke zorg beijveren, om in zich de liefde voor het gebed te bewaren, hunne geestelijke oefeningen met ijver te verrichten, zich dikwijls de tegenwoordigheid Gods voor oogen te stellen en aanhoudend schietgebeden tot Hem op te zenden.
De Oversten zullen dus acht geven, dat iedere Frater de voorgeschreven en gebruikelijke gebeden en oefeningen wel verrichte. Als zij opmerken, dat iemand hierin nalatig wordt, moeten zij met reden vreezen, dat die Fquot;rater weldra tot lauwheid zal vervallen. Zij zul-
8l
regelen
len hem dus opwekken tot ijver voor het gebed, en zoo de vermaning niet voldoende is, zullen zij hem tot verbetering trachten te brengen door hem eene heilzame boetedoening of versterving op te leggen.
De Oversten zullen het voorbeeld geven van achting en ijver voor het gebed en de geestelijke oefeningen.
Art. 69.
Om de gebeden en de geestelijke oefeningen goed te verrichten, moeten de Fraters nimmer de uitdrukkelijke vermaning van den H. Geest vergeten : «Bereid vóór het gebed uwe ziel en wees niet als een mensch, die God beproeft.» Zij zullen dus zeer ingetogen naar de kapel of bidplaats gaan, denkende dat zij met God gaan spreken ; zij zullen met godsvrucht het wijwater nemen en eerbiedig het H. Kruisteeken maken ; op hunne plaats neergeknield, zullen zij zich le-
82
regelen
vendig doordringen van Gods tegenwoordigheid en eene verzuchting tot den H. Geest doen, die de gever van het gebed is.
I5e HOOFDSTUK.
Over het Morgengebed.
Art. 70.
De Fraters zullen hun morgengebed met groote godsvrucht trachten te doen op de volgende wijze, welke aan den H. Leonardus van Portu Mauritio ontleend is.
1. Voor de Goddelijke Majesteit neergeknield en zich met geheel het he-melsch Hof vereenigende, zullen zij eene oefening van aanbidding en dankbaarheid jegens God verwekken.
2. Zij zullen Hem al hunne gedachten, woorden en werken opdragen en het vaste besluit maken met eene vol-
83
REGELEN
ledige onderwerping alle vernederingen, lijden en moeilijkheden aan te nemen, welke hun hemelsche Vader hun dien dag wel zal gelieven over te zenden.
3. Zij zullen die opdracht doen en dat vaste besluit maken, vooreerst ter liefde en ter glorie Gods; vervolgens ook om verlicht te worden in de geheimen van het Geloof, om op Zijne barmhartigheid te vertrouwen en hunne zaligheid te verzekeren; om aan de Goddelijke rechtvaardigheid te voldoen voor de zonden, die zij hebben bedreven, om aan de zielen in het vagevuur lafenis te bezorgen, om voor alle zondaars de genade der bekeering en voor alle on-geloovigen de genade van het H. Doopsel en van het H. Geloof te verwerven; in één woord, met dezelfde inzichten, welke Jezus en Maria en alle Heiligen in dit leven hebben gehad, en waarmede het H. Hart van Jezus in alle deelen der wereld onophoudelijk bidt en Zich
84
REGELEN
zelf op het altaar bij de H. Offerande der Mis aan Zijn Vader opdraagt.
4. Vervolgens kunnen zij bijzondere meeningen maken: de meening om de aflaten te verdienen, alsmede om in den geest alle Missen bij te wonen, welke over de geheele wereld plaats hebben, en zich te vereenigen met alle aanbiddingen der Engelen en Heiligen in den hemel en met alle goede werken der rechtvaardigen up aarde.
5. Eindelijk zullen zij God nederig smeeken om Zijn zegen en eene krachtige genade om niet in zonde te vallen en in de volmaaktheid te vorderen.
Wanneer de Fraters hun morgengebed met ijver op deze wijze verrichten en vooral als zij gedurende den dag vóór hunne werken in 't kort de meeningen, welke zij des morgens gemaakt hebben, vernieuwen, zullen zij grooten voortgang maken in de Goddelijke liefde, grootelijks Gods eer en de zaligheid
85
regelen
der zielen bevorderen en een grooten schat voor den hemel vergaderen.
i6c HOOFDSTUK.
Over de Meditatie.
Art. 71.
De meditatie is een inwendig gebed; zoodat al wat in het veertiende hoofdstuk over het gebed in 't algemeen gezegd is, ook van toepassing is op de meditatie.
De Fraters zullen zonder noodzakelijkheid geen enkelen dag de meditatie verzuimen. De H. Bonaventura zegt, dat een religieus, die de meditatie verzuimt, eene trage, lauwe of zelfs doode ziel in een levend lichaam ronddraagt.
Art. 72.
Om in deze heilige oefening wel te slagen, is het volstrekt noodzakelijk er zich toe voor te bereiden. Er zijn drie
86
REGELEN
soorten van voorbereidingen, te weten : de verwijderde, de nadere en de onmiddellijke voorbereiding.
De verwijderde voorbereiding. â Deze bestaat in eene groote ingetogenheid, voortkomende uit de overdenking der tegenwoordigheid Gods en in de getrouwheid aan de goede voornemens van de vorige ineditatie. De oefeningen van deugd gedurende den dag kunnen beschouwd worden als een deel van de verwijderde voorbereiding, omdat zij bestemd zijn, het vuur der volgende meditatie op te wekken.
De nadere voorbereiding. â Daartoe moet men de stof der meditatie vaststellen en met aandacht lezen, om ze in eenige punten te verdeelen.
De onmiddellijke voorbereiding.â De H. Ignatius raadt aan, dat men, alvorens de meditatie te beginnen, eerst één of twee stappen verwijderd ga staan en dat men ernstig denke ; God ziet mij,
87
regelen
en men vervolgens, doordrongen van deze gedachte, neerkniele en beginne met
Het voorbereidend gebed. â Hierin vraagt men aan God de genade, dat Hij den geest gelieve te verlichten, opdat men de waarheden, die men gaat overwegen, wel moge kennen, en den wil te versterken om volgens die waarheden zijn leven in te richten. Na het voorbereidend gebed gedaan te hebben, houdt men zich eenige oogenblikken bezig met ecne eerste en tweede opwekkende inleiding, voorspel genaamd, en begint men de meditatie in die eerbiedige houding des lichaams, welke een ieder bij ondervinding weet, dat voor hem het geschiktst is om goed te medi-teeren.
Art. 73.
Gedurende de meditatie moet men er zich minder op toeleggen om vele opmerkingen te maken, dan wel om de
88
regelen
waarheden, welke men overweegt, wel te begrijpen en inwendig te smaken. Men zal zorgvuldig alle in- en uitwendige verstrooiing vermijden. Men eindigt de meditatie met het maken van één of meer vaste voornemens, om in de deugd voortgang te maken, en waarvan ten minste liet een of ander nog in den loop van den dag in oefening kan gebraeht worden.
17° HOOFDSTUK.
Over de Vereering der Allerheiligste Maagd Maria en der andere Heiligen.
Art. 74.
De godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd Maria moet aan alle leden der Congregatie bijzonder dierbaar zijn. De Congregatie immers is geplaatst onder de bijzondere bescherming van O. L. Vrouw van het H. Hart, van haar.
89
REGELEN
die alles vermag op het Hart van haren Goddelijken Zoon en door den H. Bernardus zoo treffend «de smee-kende almacht» genoemd wordt. Ieder lid der Congregatie draagt den naam van Maria en is op eene bijzondere wijze aan haar toegewijd. Als rechtgeaarde kinderen moeten de Fraters zich beijveren, door eene getrouwe navolging harer deugden en een kinderlijk vertrouwen op hare voorspraak, hunne Moeder te eeren en zich haren machtigen bijstand waardig te maken.
De Fraters zullen dikwijls deze godsvrucht tot hunne Moeder verlevendigen en tevens ook hunne dankbaarheid jegens God, die hen zonder hunne verdiensten uit de wereld heeft geroepen, en die ben in eene Congregatie heeft geplaatst, waarvan de H. Maagd Maria de Moeder is. Zij zullen er zich op toeleggen en het zich zelfs ten plicht maken, de godsvrucht jegens de Aller-
9°
regelen
heiligste Maagd te verspreiden, vooral onder de kinderen en anderen, die aan hunne zorgen zijn toevertrouwd.
Art. 75.
De Fraters zullen zich ook beijveren eene ware godsvrucht te hebben tot alle Engelen en Heiligen, vooral tot den H. Vincentius a Paulo, Patroon der liefdewerken ; tot den Beschermheilige van het huis ; tot hunne bijzondere Patronen en hun II. Engelbewaarder, en meer bijzonder tot den glorierijken H. Jozef, Voedstervader van Jezus en Bruidegom van Maria, Patroon der Kerk, Beschermer der jeugd en Toonbeeld van het inwendig leven.
91
REGELEN
die alles vermag op het Hart van haren Goddelijken Zoon en door den H. Bernardus zoo treffend «de smee-kende almacht» genoemd wordt. Ieder lid der Congregatie draagt den naam van Maria en is op eene bijzondere wijze aan haar toegewijd. Als rechtgeaarde kinderen moeten de Fraters zich beijveren, door eene getrouwe navolging harer deugden en een kinderlijk vertrouwen op hare voorspraak, hunne Moeder te eeren en zich haren machtigen bijstand waardig te maken.
De Fraters zullen dikwijls deze godsvrucht tot hunne Moeder verlevendigen en tevens ook hunne dankbaarheid jegens God, die hen zonder hunne verdiensten uit de wereld heeft geroepen, en die hen in eene Congregatie heeft geplaatst, waarvan de H. Maagd Maria de Moeder is. Zij zullen er zich op toeleggen en het zich zelfs ten plicht maken, de godsvrucht jegens de Aller-
9°
regelen
heiligste Maagd te verspreiden, vooral onder de kinderen en anderen, die aan hunne zorgen zijn toevertrouwd.
Art. 75.
De Fraters zullen zich ook beijveren eene ware godsvrucht te hebben tot alle Engelen en Heiligen, vooral tot den H. Vincentius a Paulo, Patroon der liefdewerken ; tot den Beschermheilige van het huis ; tot hunne bijzondere Patronen en hun II. Engelbewaarder, cn meer bijzonder tot den glorierijken H. Jozef, Voedstervader van Jezus en Bruidegom van Maria, Patroon der Kerk, Beschermer der jeugd en Toonbeeld van het inwendig leven.
91
regelen
i8c HOOFDSTUK.
Over de Getijden van O. L. Vrouw.
Art. 76.
Onder de gebeden en oefeningen, welke de Congregatie bezigt om de H. Maagd meer bijzonder te vereeren, bekleedt het dagelijksch bidden van het klein Officie van O. L. Vrouw de voornaamste plaats. Het getijdengebed is, gelijk de H. Al-phonsus de Liguori zegt, na het H. Offer der Mis het uitmuntendst gebed. Zij, die dagelijks dit gebed met godsvrucht verrichten, bekleeden het ambt der Engelen en Heiligen, die, met den diepsten eerbied voor God neergeknield, in vervoering van vreugde zingen: Heilig! Heilig! Heilig! Honderd bijzondere gebeden, zegt dezelfde Heilige, zijn niet van zulk eene waarde als een enkel getijdengebed.
Dat de Fraters dit dikwijls overwegen, vooral dan wanneer zij naar het
92
regelen
koor gaan, en dat zij zich bovendien met een levendig geloof herinneren, hoe aangenaam het aan de H. Maagd, hunne Moeder, is, dat zij haar dagelijks door dit voortreffelijk gebed prijzen en eeren, en welken grooten schat van genaden en verdiensten zij door het godvruchtig bidden van het getijdengebed kunnen vergaderen.
Art. 77.
Op de Zon- en Feestdagen, alsmede op de dagen der jaarlijksche en maan-delijksche afzondering, zal men het geilede kleine Officie van O. L. Vrouw in koor bidden. De Metten en Lauden zullen zooveel mogelijk iederen dag in koor gebeden worden.
De Fraters zullen de getijden met godsvrucht en aandacht bidden en de woorden goed uitspreken.
Art. 78.
Op Allerzielendag en gedurende het
93
REGELEN
octaaf, te beginnen met de eerste Vespers van Allerzielen tot en met de Lauden van den octaafdag, alsmede iederen eersten Maandag van de maand, zal men het eerste nocturnum der Metten, de Lauden en de Vespers der Overledenen bidden tot lafenis der zielen van de overleden leden der Congregatie, in plaats van de Metten, de Lauden en de Vespers van O. L. Vrouw. Indien de eerste Maandag der maand samenvalt met een feestdag des Heeren of van O. L. Vrouw, zal men de getijden der Overledenen den volgenden dag mogen bidden.
Wanneer een Frater overleden is, zullen de leden van het huis, zoolang het lijk boven aarde staat, dagelijks voor den overledene het eerste nocturnum der Metten, de Lauden en de Vespers der Overledenen bidden in plaats van de Metten, de Lauden en de Vespers van O. L. Vrouw.
94
regelen
ige HOOFDSTUK.
Over het Angelus Domini.
Art 79.
Het godvruchtig gebruik van driemaal daags, te weten des morgens, des middags en des avonds, voor het bidden van het Angelus Domini de klok te luiden, hetgeen sinds onheuglijke tijden in de Kerk is ingevoerd, heeft voornamelijk ten doel om ons met dankbaarheid aan de Menschwording van den Zoon Gods te doen denken, dit groote mysterie, waardoor onze Verlossing bewerkt is, een geheim van de Goddelijke liefde tot ons, waarvoor wij Hem nimmer genoegzame dankbaarheid kunnen bewijzen.
Bij de overweging der drie punten, waaruit het Angelus Domini bestaat, heeft de Kerk drie Wees-gegroeten gevoegd, om ons terzelfder tijd te doen denken aan het aandeel, dat de H. Maagd
95
regelen
bij de Menschwording van Jezus Christus heeft gehad, en om ons op te wekken om haar aan te roepen, ten einde door hare voorspraak de vruchten der Menschwording van het Eeuwig Woord te mogen genieten.
De Fraters zullen dikwijls het heilig geheim der Menschwording van Gods Zoon met dankbaarheid overwegen, maar vooral bij het bidden van het Angelus Domini.
20e HOOFDSTUK.
Over de H. Offerande der Mis.
Art. 80.
Het bijwonen van het H. Offer der Mis is volgens den H. Franciscus van Sales «de zon der devotiën.» Daarom moeten de Fraters het onwaardeerbaar voorrecht wel op prijs stellen, dagelijks dit aanbiddelijk Offer te kunnen bijwo-
96
regelen
nen, dat niets anders is dan de voortzetting der Offerande van het Kruis. Het is, volgens het Concilie van Trente, hetzelfde Slachtoffer, dat Zich op den Calvarieberg heeft opgeofferd. Dezelfde Verlosser, die Zich op het kruis opofferde, offert Zich nog dagelijks door de handen des Priesters op ; Jezus maakt ons daar deelachtig aan de genaden, die Hij ons door Zijn dood heeft verworven.
Het blijkt voldoende uit hetgeen hier gezegd is, zegt hetzelfde Concilie, welke zorg men moet aanwenden, om bij dit zoo heilig en Goddelijk werk met de meest mogelijke zuiverheid van hart en uitwendige godsvrucht tegenwoordig te zijn.
Art. 8i.
De Fraters zullen dagelijks het H. Offer der Mis bijwonen, wanneer zij niet door wettige redenen verhinderd zijn.
97
regelen
2ie HOOFDSTUK.
Over het Gewetensonderzoek.
Art. 82.
Alle personen, die hun geestelijken voortgang behartigen, erkennen, dat, gelijk de meditatie noodig is voor hen, die Jezus Christus wenschen te kennen en te beminnen, het gewetensonderzoek evenzeer een krachtig middel is om dit dubbel doel te bereiken. Inderdaad, het is hierdoor, dat het hart meer en meer van zijne kwade neigingen wordt gezuiverd en bekwamer wordt, om het verborgen manna te smaken, dat het leven en de leer van den Zaligmaker zoo overvloedig aan de goed voorbereide zielen aanbieden. De Fraters zullen zich daarom beijveren, deze gewichtige oefening steeds met zorg te doen.
Art. 83.
Het gewetensonderzoek is tweederlei:
98
regelen
het bijzonder en het algemeen onderzoek. Het bijzonder onderzoek bepaalt zich bij eene bijzondere stof; het algemeen onderzoek geschiedt over alle fouten, die men gedurende den dag bedreven heeft.
Art. 84.
Om het bijzonder onderzoek goed te doen, zal men, na zich in Gods tegenwoordigheid gesteld te hebben, de vijf volgende punten in acht nemen :
1. God danken voor de weldaden, die men van Hem heeft ontvangen, inzonderheid voor die, welke het meest geschikt zijn, gevoelens van dankbaarheid op te wekken.
Deze eerste oefening stemt het hart tot leedwezen.
2. Met vurigheid Gods bijstand inroepen om zijne fouten te kennen en te verfoeien.
3. Zorgvuldig zijne gedachten, woor-
99
REGELEN
den en werken betreffende de stof van zijn onderzoek nagaan, bij zich zei ven alle uren sedert het laatste bijzonder onderzoek doorloopende.
4. Zich tot eene oprechte droefheid over de bedreven fouten opwekken, aan God vergeving vragen en zich in den geest van boetvaardigheid eenige versterving, of, hetgeen nog beter is, één of meer oefeningen der tegenovergestelde deugd opleggen. Het is goed, dat die oefeningen eenigermate pijnlijk zijn, vooral voor de eigenliefde; want als men zich ernstig wil verbeteren, moet men geen enkele fout ongestraft laten.
5. Een nieuw besluit maken om met meer ijver aan de uitroeiing der ondeugd en het verkrijgen der deugd te arbeiden, die de stof uitmaakt van het bijzonder onderzoek. Men zal eindigen met het bidden van het gebed des Heeren of eenig ander gebed.
Om de vrucht van het bijzonder on-
IOO
regelen
derzoek te verzekeren, zal men :
1. Zoo dikwijls men het ongeluk gehad heeft de fout te begaan, die men besloten had te vermijden, met innig leedwezen het hart tot God verheffen.
2. De stof van het onderzoek niet veranderen, nemende vandaag deze en morgen eene andere stof; maar blijven arbeiden, totdat de fout geheel zij uitgeroeid of aanmerkelijk verzwakt, en eerst dan zal men tot een ander onderwerp mogen overgaan.
Niettemin zal men gedurende eenigen tijd eene andere stof mogen nemen, welke alsdan noodzakelijker is ; b. v. de gelijkvormigheid met Gods wil, als men zich in groote moeilijkheden bevindt; de zachtmoedigheid of de gehoorzaamheid, als men tegen die deugden bijzonder bekoord wordt, enz.
Art. 85.
Het algemeen onderzoek geschiedt
IOI
REGELEN
eiken avond over alle fouten, welke men in den loop van den dag door gedachten, woorden, werken en verzuime-nissen bedreven heeft. Het wordt in vijf punten verdeeld, welke dezelfde zijn als die van het bijzonder onderzoek.
De Fraters moeten zich nimmer ter ruste begeven zonder hunne fouten zoo goed mogelijk door een oprecht leedwezen te hebben uitgewischt. Aldus zullen zij hun hart zuiver bewaren, altijd in staat zijn, om waardig het Sacrament van Boetvaardigheid te ontvangen, en altijd gereed zijn voor God te verschijnen, als het Hem behaagde, hen door een onverwachten dood tot Zich te roepen.
I02
regelen
22° HOOFDSTUK.
Over de Maaltijden en de Geestelijke Lezing.
Art. 86.
Naar het voorbeeld van den Zaligmaker, die noeh Zich zei ven, noch anderen heeft gespijzigd zonder zegening en dankzegging, zullen de Fraters hunne maaltijden niet beginnen, zonder Gods zegen over zich zeiven en de voorge-diende spijzen te hebben afgesmeekt, noch ze eindigen, zonder God gedankt te hebben voor de weldaden, die zij ontvangen hebben.
De Overste of de Frater, die hem aan tafel vervangt, zal de gebeden vóór en na het middag- en het avondmaal volgens het Romeinsch Brevier bidden. Vóór en na het ontbijt bidt men in stilte één Onze-Vader en Wees-gegroet. Het goü-ter begint en eindigt men met het godvruchtig maken van het teeken des H. Kruises.
I03
regelen
De Fraters verrichten die gebeden staande, ieder op de plaats, die hem aan tafel is aangewezen.
Art. 87.
«Hetsij gij eet, hetzij gij drinkt, doet alles ter eere Gods,» zegt de H. Apostel Paulus. (I Cor. X. 31.)
De Fraters zullen bij het eten en drinken de regelen van matigheid, armoede en wellevendheid in acht nemen. Men zal zich, wat het aantal portiën, de soorten van spijzen en de wijze van opdienen betreft, naar het voorgeschreven gebruik regelen.
De Fraters zullen nimmer morren of klagen over het eten en drinken, dat hun toegediend wordt, en geen onderscheid maken tusschen de verschillende soorten van spijzen; immers of deze smakelijk of onsmakelijk zijn, het zijn toch gaven van God, die dienen om hen te onderhouden tot Zijne glorie, en die
io4
REGELEN
hun een uitmuntend middel kunnen aanbieden om de versterving te beoefenen, zonder dat de gezondheid benadeeld wordt. Het is reeds opgemerkt, dat het voor de leden der Congregatie plicht is, zorg te dragen, dat zij hunne lichamelijke krachten behouden ; daarom zijn de Oversten verplicht de Fraters van behoorlijk en voldoend voedsel te voorzien, en ook de Fraters zijn gehouden het voedsel te gebruiken, dat zij voor het behoud hunner krachten noodig hebben, en zij zullen zich dus geene ontberingen opleggen, die de gezondheid zouden kunnen schaden.
Gedurende de maaltijden zal niemand zich van zijne plaats begeven, uitgezonderd de Fraters, die met den dienst der tafel belast zijn, of zaken moeten verrichten, die geen uitstel kunnen lijden.
Niemand zal buiten de algemeene eetzaal mogen eten of drinken, uitgezonderd zij, die uit hoofde van ziekte.
regelen
ouderdom of andere redenen verhinderd zijn, het in de eetzaal te doen.
Art. 88.
Men zal zich niet tevreden houden, de gebeden vóór en na de maaltijden godvruchtig te bidden en de voorgezette spijzen ter eere Gods te gebruiken, maar terwijl het lichaam zijn voedsel neemt, moet ook de ziel het hare hebben. Daarom zal de Overste ten minste de helft van den tijd, voor het ontbijt, het middag- en het avondmaal bestemd, op eene verwijderde plaats langzaam en duidelijk eene geestelijke voorlezing doen houden, welke de Fraters met aandacht aanhooren en gedurende welke zij van tijd tot tijd hun hart tot God zullen verheffen.
Art. 89.
De geestelijke lezing wordt ook buiten den tijd der maaltijden den Fraters
io6
regelen
dringend aanbevolen ; daarom zal de Overste de liefdewerken en de andere bezigheden zoodanig trachten te regelen, dat ieder Frater dagelijks minstens een kwartier uurs aan de geestelijke lezing kan wijden, en dit niet alleen op de Zonen Feestdagen en op de jaarlijksehe en maandelijksehe afzondering, maar ook op alle andere dagen van het jaar. Op gewone dagen zal men daaraan niet meer dan een half uur besteden.
Men zal nimmer verzuimen in beoefening te brengen, hetgeen in art. 91 is voorgeschreven, dewijl vooral daarvan de vruchten der lezing afhangen.
Art. 90.
Men moet in de keuze der boeken voor de geestelijke lezing zeer omzichtig zijn. Niet alle boeken, hoe nuttig overigens ook, zijn voor de leden der Congregatie geschikt. Iedere Congregatie in de H. Kerk is bezield met een geest, die haar
regelen
eigen is en waardoor zij leeft. Men zal dus boeken kiezen, die zooveel mogelijk met dien geest overeenkomen en die in elk geval er niet aan tegenstrijdig zijn, opdat deze geest niet veranderd worde, hetgeen aan het doel der Congregatie zou kunnen schaden.
Art. 91.
Men zal de geestelijke lezing doen met de oprechte meening er nut uit te trekken ; daartoe vraagt men vóór de lezing het licht en de genade van den H. Geest, die de ware bron is van alle genaden. Wanneer men daarin een goed voedsel voor de ziel vindt, moet men zulks nemen en zich den tijd geven het te verteren, d. i. men moet het goed overwegen en diep in de ziel prenten.
Men eindigt de geestelijke lezing in het koor en in de eetzaal met de woorden : 'â 'â¢Heer, wees ons barmhartig!» en allen antwoorden : quot;Laat ons God bedanken.*
io8
regelen
23° HOOFDSTUK.
Over het Bezoek bij het Allerheiligste Sacrament.
Art. 92.
De Fraters zullen het als een groot geluk beschouwen, dagelijks een bezoek te mogen brengen bij den Goddelijken Bruidegom hunner ziel, bij hun besten Vriend, bij hun Goddelijken Gastheer, die hen zoo gaarne wenscht te ontvangen. De Fraters doen dit bezoek in stilte ieder voor zich. Voor den Goddelijken Bruidegom neergeknield, zullen zij Hem zeggen, wat het hart hun zal ingeven. God verlangt van hen geen bestudeerde gesprekken; o, neen ! wat Hem het meest behaagt, is eenvoudigheid des harten, en naarmate deze eenvoudigheid volmaakter is, des te meer zal Hij Zich voldaan toonen. Zij zullen met Jezus spreken over hunne behoeften, over hunne moeilijkheden en zij zullen Hem vragen, wat zij noodig hebben ; Jezus,
regelen
die in Zijn H. Tabernakel rust, heeft de handen gevuld met genaden, om ze over hen uit te storten.
24' HOOFDSTUK.
Over den H. Rozenkrans.
Art. 93.
Het rozenkransgebed is een zeer krachtig gebed, vooral als men daarbij de geheimen van het leven van onzen Zaligmaker Jezus Christus en van de Allerheiligste Moeder Gods overweegt.
Het rozenhoedje van vijf tientjes zal in de Congregatie worden gebeden, om de aflaten er aan verbonden te verdienen, en bovendien tot de volgende intentiën : Zondags voor Z. H. den Paus ; Maandags voor den Aartsbisschop van Utrecht en voor den Ordinarius van het Diocees, waar het huis, waartoe de Fraters be-hooren, gevestigd is; Dinsdags voor
IIO
REGELEN
den Algemeenen Overste der Congregatie ; Woensdags voor den eersten Assistent en voor den plaatselijken Overste; Donderdags voor den Biechtvader; Vrijdags voor de overleden leden der Congregatie; Zaterdags voor de weldoeners der Congregatie en voor allen, die aan de zorg der Congregatie zijn toevertrouwd.
Bij het bidden van deze rozenhoedjes zal men Maandags en Donderdags de blijde, Dinsdags en Vrijdags de droevige en Zondags, Woensdags en Zaterdags de glorierijke geheimen overwegen. Echter zal men op de vier eerste dagen der week van het begin van den Advent tot den octaafdag van Driekoningen de blijde, in de Vaste de droevige en in den Paaschtijd de glorierijke geheimen overwegen.
Op de feestdagen des Hceren of van O. L. Vrouw zal men die geheimen van den rozenkrans mogen overwegen, welke
111
regelen
bijzonder op die feesten toepasselijk zijn.
De Fraters zullen overal dezelfde soort rozenkransen gebruiken, die gewijd zullen zijn en waaraan men slechts een kruis en twee medailles zal hechten.
25c HOOFDSTUK.
Over de Stilzwijgendheid en de Recreatie.
Art. 94.
Het stipt onderhouden der stilzwijgendheid is een groot kenteeken der regelmatigheid in de Congregatie. Daardoor woont er God, de geest der ingetogenheid heerscht er en de godsvrucht en de geestelijke oefeningen zijn er in achting. Integendeel van een huis, waar de Regel der stilzwijgendheid wordt veronachtzaamd, kan men zeg;gen, dat de orde daar reeds is verbannen of ten minste, dat zij daar niet lang meer kan blijven bestaan. De ondervinding geeft
112
REGELEN
daarvan het droevig bewijs. De Oversten zullen dus nauwkeurig op het onderhouden der stilzwijgendheid acht geven, en iedere Frater moet het zich tot plicht rekenen van de voorschriften dienaangaande niet af te wijken, zich dikwijls de woorden van den H. Apostel Jacobus herinnerende : « Zoo iemand meent godvrnchfig te zijn, terwijl hij
zijne tong niet beteugelt,....... diens
godsvrucht is ij del.» (Jac. I. 26.)
De regel der stilzwijgendheid vordert, dat er buiten den tijd der recreatie voortdurend stilte zij, en dat men noch lache, noch teekens geve, noch spreke, zelfs niet één woord, dan wanneer de bezigheden of bedieningen zulks vorderen; en ook dan nog moet het gesprek altijd op een zachten toon gevoerd worden en niet langer duren dan noodig is. Met zijn Overste mag men echter hardop spreken, mits dit geschiede in een afgezonderd vertrek ; evenzeer wanneer
113
REGELEN
de Fraters kinderen onderwijzen of andere liefdewerken oefenen, of wanneer zij met wereldlijken omgaan, mogen zij onderling hardop spreken, wanneer zulks noodig of nuttig zij, of de wellevendheid het vereischt.
In de kapel of de bidplaats, op de slaapzalen of slaapkamers en op alle plaatsen, welke de Overste om wettige redenen uitzondert, zal men altijd den regel van stilzwijgendheid onderhouden.
De stilzwijgendheid moet geregeld worden door de bescheidenheid, die het zout is van alle deugden ; welnu, de bescheidenheid vordert, dat men zwijge, wanneer het verboden is te spreken, en dat men spreke, wanneer men moet spreken ; dat men niet voorbarig zij in het spreken, maar dat men wel acht geve op hetgeen men gaat zeggen ; dat men met eerbied spreke tot Priesters, Oversten en oudere Fraters; dat men in den omgang met zijne medebroeders
ii4
regelen
de regelen van wellevendheid en vooral van liefde in acht neme; dat men in gesprekken met vreemdelingen de voorzichtigheid, de zedigheid en de welvoe-gelijkheid niet uit het oog verlieze, zich in alles gedragende, gelijk het een wel opgevoed, zedig en godvruchtig mensch en vooral een religieus betaamt.
Art. 95.
Het is niet voldoende, dat de Fraters nauwgezet de stilzwijgendheid uiterlijk onderhouden, zij moeten zich ook ernstig toeleggen op den geest van stilzwijgendheid, dat is te zeggen, op de inwendige stilzwijgendheid of ingekeerdheid, welke bestaat in het bestrijden der uitgestortheid, die terecht de vijandin van elke grondige deugd wordt genoemd. Wanneer de Fraters alleen uiterlijk de stilzwijgendheid onderhouden, en hunne gedachten en neigingen met wereldsche en nuttelooze zaken bezig houden, of
US
regelen
116
niet hetgeen hunne eigenliefde vleit of kwetst, dan bepalen zij zich slechts bij het middel en verzuimen het doel; want de inwendige ingekeerdheid, de geest des gebeds en de vereeniging met God zijn eigenlijk het doel der stilzwijgendheid. De Fraters zullen dus ijverig trachten, de heilige gewoonte te verkrijgen, dikwijls aan Gods tegenwoordigheid te denken, de opdracht van al hunne handelingen, die zij des morgens gedaan hebben, dikwijls te vernieuwen, aan de stof der meditatie en de gemaakte voornemens te denken en in stilte eene godvruchtige verzuchting tot God op te zenden.
Art. 96.
De recreatie, welke op verschillende tijden is toegestaan, dient om den geest te ontspannen en geschikter voor den dienst van God te maken, alsmede om het lichaam nieuwe krachten te geven.
REGELEN
ten einde behoorlijk de bezigheden der bedieningen te kunnen waarnemen. Zij bevordert de broederlijke liefde en sticht veel nut, als zij goed gehouden wordt. Eene recreatie, welke men neemt in den geest van gehoorzaamheid en met eene zuivere meening, kan even verdienstelijk zijn als de arbeid en het gebed. Daarom zal men, als ze verleend is, daarvan een goed gebruik maken, en trachten dien tijd in vroolijke opgeruimdheid door te brengen, vooral als men, hetzij door eene natuurlijke neiging tot zonderlingheid, hetzij om andere redenen, zich daartoe minder gestemd gevoelt. Echter zal men daarbij steeds de zedigheid en een zekeren ernst in acht nemen, en zich onthouden van ruwe vermaken, van wereldsche gesprekken en bijzonder van alles, wat de broederlijke liefde zou kunnen kwetsen.
Niemand zal zonder wettige verhindering of verlof van den Overste zich aan
117
regelen
de algemeene recreatie mogen onttrekken, noch gedurende de gewone uren, die op de maaltijden volgen, noch gedurende die, welke tot dat doel voor de recreatiedagen, in het volgende artikel vermeld, worden aangewezen.
Art. 97.
Buiten de recreatie, die dagelijks na het middag- en het avondmaal verleend is, zullen in de Congregatie nog de volgende recreatiedagen gehouden worden. Zij zijn verdeeld in twee klassen, te weten ;
Recreatiedagen van de eerste klas: ist0 Kerstdag, Paasch- en Pinksterdag; de feestdagen van het H. Hart van Jezus, van O. L. Vrouw van het H. Hart, den H. Jozef, den H. Vincentius a Paulo, den H. Andreas ; het patroonfeest van Z. H. den Paus, den Aartsbisschop van Utrecht, den Ordinarius van het Diocees, waartoe men behoort, den Rector van
ii8
REGELEN
het huis en den Algemeenen Overste ; het patroonfeest van het huis ; de dag, waarop de Congregatie is begonnen ; de dag, waarop in het huis eene plechtige eerste H. Communie plaats heeft en die, waarop de jaarlijksche afzondering eindigt.
Vau dc tweede klas: de feesten des Heeren, van O. L. Vrouw en van de Apostelen, door geheel de Kerk als dubbel van de eerste of de tweede klas gevierd, (Paasch- en Pinkstermaandag mede inbegrepen); het feest van den H. Naam van Maria, van O. L. Vrouw Presentatie, alsmede de Zondagen der maand van Maria; het beschermfeest van den H. Jozef; de feestdag van den H. Marcus, den H. Bonifacius, den H. Aloysius van Gonzaga, den H. Joannes den Dooper, de H. Martelaren van Gor-kum, de H. Martha, den H. Joannes Berchmans, den H. Gregorius (Bisschop van Utrecht), den H. Michaël, de H. En-
119
REGELEN
gelbewaarders, den H. Lucas, Allerheiligen, den H. Willibrordus, den H. Stanislaus Kostka, de H. Cecilia, den H. Ni-colaas, den H. Stephanus, de H. Onnoo-zele kinderen en den Gelukzaligen Joannes Baptist de la Salie; het patroonfeest van het Diocees, dat van de stad of der parochie ; het patroonfeest der Assistenten en dat van den plaatselijken Overste ; de dagen waarop de Algemeene en de plaatselijke Overste zijn gekleed en geprofest; de verjaardag der verkiezing van den Algemeenen Overste ; de dagen, waarop eene professie plaats heeft; acht dagen gedurende de vacantie ; de dagen, waarop dc jaarlijksche prijsuit-deeling geschiedt, en waarop de kinderen, die door de Fraters zijn onderwezen, hunne eerste plechtige H. Communie doen.
Bovendien zal men nog de recreatie mogen houden, die een Bisschop zal hebben verleend.
120
regelen
Gedurende het octaaf van den H. Vin-centius a Paulo zullen de Fraters met vurigheid dien Heilige aanroepen, om door zijne voorspraak Gods zegen over de liefdewerken af te smeeken.
Art. 98.
De Overste kan de recreatiedagen van de tweede klas in twee halve dagen verdeden, zoodat een der halve dagen later of zelfs vroeger wordt gehouden, mits dit niet zij buiten het jaar, waarin zij vallen, noch op een kerkdijken vastendag. De recreatiedagen van de eerste klas worden niet verdeeld; op die dagen houdt men geen lezing aan tafel en zullen het middag- en het avondmaal langer mogen duren ; ook kan men met goedkeuring van den Overste een half uur later dan naar gewoonte gaan slapen.
Wanneer twee recreatiedagen op denzelfden dag vallen, of een recreatiedag valt op een dag, waarop men geestelijke
121
regelen
afzondering houdt, kan de Overste deze recreatie op een anderen dag stellen.
Art. 99.
Nimmer zal men andere recreatieda-gen mogen houden, dan die, welke in de Regelen zijn aangegeven, tenzij met uitdrukkelijk verlof van den Algemee-nen Overste, die dit kan verleenen bij buitengewone gelegenheden, alsmede bij zekere bijzondere gevallen of gebeurtenissen, die eenigermate een bijzonder bewijs van vreugde vereischen, b. v. de oprichting van een nieuw huis, van ecne school, de goede uitslag van eene zaak van groot belang, enz.
Daar echter de Fraters, die veel inspanning des geestes hebben, eenige meerdere ontspanning tot behoud van hunne gezondheid noodig hebben, kan de Overste hun twee of drie dagen in de week eene wandeling of eene andere uitspanning toestaan, gedurende welke
122
REGELEN
zij onderling zullen mogen spreken.
Wanneer eenige Fraters op reis gaan of zich buiten het huis of in de ziekenkamer bevinden, kan de Overste hun verlof geven onderling te spreken.
ART. 100.
De Overste is bevoegd aan één of meer Fraters om wettige redenen het stilzwijgen op te leggen. Wanneer iemand uit hoofde zijner bediening of wegens bezigheden van het huis eene recreatie geheel of gedeeltelijk moet missen, zal hij daarvan een offer maken voor God, die zulks van hem verlangt en het hem ook zal vergelden.
123
REGELEN
26° HOOFDSTUK.
Over de Biecht en de Communie.
Art. ioi.
De H. Sacramenten in het algemeen zijn, gelijk de H. Franciscus van Sales zegt, de kanalen, waardoor God tot ons afdaalt, gelijk wij door het gebed tot Hem opklimmen. Daarom moet een ieder zich behoorlijk voorbereiden tot het ontvangen der H. Sacramenten, en ze ontvangen met eene levendige begeerte zich nauwer met God te vereenigen en Hem meer en meer welgevallig te worden.
Art. 102.
De Fraters zullen altijd eene groote achting en godsvrucht voor het Sacrament van Boetvaardigheid hebben, en het als een geluk beschouwen, het dikwijls te ontvangen. Zoo dikwijls zij tot dat Sacrament naderen, zullen zij
124
REGELEN
zich als aan den voet van het Kruis plaatsen, om hunne zonden en ongetrouwheden jegens God te beweenen. Zij zullen zich herinneren, dat zij tot Gods plaatsbekleeder gaan, om door het kostbaar Bloed van Jezus Christus deelachtig te worden aan de genade, die, krachtens de instelling van Christus zelve, door dat Sacrament wordt verkregen, innig overtuigd van de bijzondere kracht, welke zij uit dit heilzaam genademiddel voor de trouwe vervulling hunner religieuze plichten zullen verkrijgen.
De Fraters zullen zich altijd zeer zorgvuldig tot dit gewichtig werk voorbereiden. In den Biechtvader zullen zij Jezus Christus zeiven zien en hem hun geweten met een kinderlijk vertrouwen, zonder vrees, kort en duidelijk openbaren. In twijfelingen en scrupulen zullen zij zijne raadgevingen met eenvoudigheid en onderwerping zonder
125
REGELEN
tegenspraak volgen. Terwijl de Biechtvader de H. Absolutie geeft, zullen zij zich diep voor God vernederen en met veel leedwezen eene akte van berouw verwekken.
Na de biecht te goeder trouw gedaan te hebben, zullen zij zich niet meer verontrusten, of zij al hunne fouten wel beleden hebben, maar zich veeleer beijveren van deze kostbare oogenblikken gebruik te maken, om Jezus te bedanken voor de genaden, die Hij hun heeft geschonken.
De Fraters zullen gewoonlijk eens per week biechten. Zij zullen elkander nimmer iets mededeelen of te verstaan geven, wat het ook zij, dat tot hunne biecht behoort, noch zich over den Biechtvader beklagen.
ART. 103.
De Fraters moeten met den diepsten eerbied voor het Allerheiligste Sacra-
120
REGELEN
ment des Altaars bezield zijn, en zich wel overtuigd houden, dat zij geen grooter, heiliger en voortreffelijker werk kunnen verrichten, dan het ontvangen der H. Communie. Voorzeker, daar wordt hun het aanbiddelijk Lichaam van Jezus tot spijs en Zijn kostbaar Bloed tot drank, daar wordt hun het Brood der Engelen, het hemelsch Manna, aangeboden, dat hen in de woestijn dezes levens moet versterken en staande houden; daar ontvangen zij de Bron van alle genaden en het Onderpand van het eeuwig leven en der gelukzalige onsterfelijkheid.
De Fraters moeten zich dus met de grootste vurigheid tot de H. Communie voorbereiden. De voorbereiding tot de H. Communie is tweederlei: de verwijderde en de nadere voorbereiding. De eerste bestaat in eene groote zorg om alle vrijwillige en voorbedachte fouten te vermijden, en in eene oprechte en werkdadige begeerte naar de volmaakt-
127
REGELEN
heid. Tot de tweede voorbereiding wordt gevorderd, dat zij zich voor de Communie opwekken tot een levendig geloof, een grooten eerbied, eene diepe nederigheid, een kinderlijk vertrouwen, een oprecht verlangen en vooral tot eene brandende liefde jegens Jezus Christus, die onder de Sacramenteelc gedaante verborgen is.
ART. 104.
De oogenblikken na de H. Communie zijn voor de Fraters de kostbaarste van hun leven ; dan vooral moeten zij zich met alle mogelijke liefde beijveren Jezus te aanbidden, die in hun hart rust, Hem te danken, zich geheel en al aan Hem op te dragen en genaden voor zich en anderen af te smeeken. Gedurende die oogenblikken zullen de Fraters zich ook met dankbaarheid herinneren de oneindige weldaad van het lijden en den dood van hun Zaligmaker
128
REGELEN
waardoor Hij hen van den geestelijken dood der ziel en van den eeuwigen dood der hel verlost heeft en waardoor Hij hun het leven der heiligmakende genade en het eeuwig leven des hemels verdiend heeft; want de H. Thomas van Aquine zegt, dat Jezus aan de ge-loovigen Zijn Lichaam tot spijs en Zijn Bloed tot drank heeft nagelaten, opdat zij eene voortdurende gedachtenis aan die groote weldaad zouden hebben, en de H. Paulus zegt: «Zoo dikwijls gij dit Brood zult eten en dien Kelk zult drinken, zult gij den dood des Heeren verkondigen. (I Cor. XI. 26.)
Men zal de dankzegging na de H. Communie sluiten met den lofzang: «£/, 0 God, loven wij», die staande in koor zal gebeden worden, als men de H. Communie gezamenlijk ontvangt, en in stilte, wanneer één of meer Fraters afzonderlijk communiceeren of andere redenen dit vorderen.
129
REGELEN
In den loop van den dag zullen de Fraters zich dikwijls het groot geluk herinneren, dat zij des morgens genoten hebben en getrouw de goede voornemens ten uitvoer brengen, die zij met hun Goddclijken Bruidegom gemaakt hebben.
ART. 105.
De Fraters zullen gewoonlijk driemaal in de week communiceeren, altijd echter volgens het oordeel van hun Biechtvader en hun geweten; daarom zal de Overste hierin aan de Fraters eene volkomen vrijheid laten. Gewoonlijk zal men communiceeren op den Zondag, Dinsdag en Donderdag van iedere week. Wanneer in de week één of twee feestdagen invallen, die als Zondag gevierd worden, of wanneer de Overste om de een of andere reden nuttig oordeelt, dat de communiteit op een anderen dag communiceere, of zoo
13°
REGELEN
een Frater op een anderen dag de H. Communie tot eene bijzondere intentie wenscht te ontvangen, kan de Overste de Communiën van den Dinsdag en den Donderdag op andere dagen van dezelfde week laten houden. Wanneer iemand verhinderd is op een der vastgestelde dagen te communiceeren, kan hij zulks met goedkeuring van den Overste op een anderen dag van dezelfde week doen.
lederen tweeden Zondag van de maand geschiedt de algemeene Communie voor het welzijn der Congregatie, opdat het Gode behage den Oversten het noodige licht te geven, die goed te besturen.
ART. 106.
Op den feestdag van den H. Andreas zullen de Fraters de M. Communie opofferen en de daaraan verbonden aflaten toepassen tot lafenis der ziel van den Stichter der Congregatie. Bovendien zul-
REGELEN
len zij de meening maken deze H. Communie en aflaten te doen strekken tot lafenis van de zielen der overleden Fraters, ingeval de Stichter der Congregatie er geen behoefte aan mocht hebben.
Op Allerzielendag zullen de H. Communie en de aflaten van dien dag worden toegevoegd aan de zielen van hen, die in de Congregatie zijn overleden.
In de maand November zullen de Fraters communiceeren ter intentie van de naaste overleden bloedverwanten der Fraters. Hetzelfde zal in de maand December plaats hebben voor de bloedverwanten, die nog in leven zijn.
lederen eersten Vrijdag van de maand zullen de Fraters de H. Communie opdragen ter eere van het H. Hart van Jezus, tot eerherstel van de versmading, die den Goddelijken Verlosser in het Sacrament Zijner liefde door Zijne vijanden en door de ondankbare Christenen wordt aangedaan.
132
REGELEN
De Communiedagen, in dit artikel vermeld, zullen niet gerekend worden te behooren tot de drie Communiedagen, voor iedere week vastgesteld.
ART. 107.
De Fraters zullen zich niet tevreden houden, op de vastgestelde dagen werkelijk te communiceeren, maar zij moeten bovendien dikwijls eene geestelijke communie doen; dit is een zeer geschikt middel om met de Sacramenteele Communie meer voordeel te doen. Het H. Concilie van Trcnte beveelt ze ten zeerste aan, en wekt alle geloovigen op, er een veelvuldig gebruik van te maken.
27e HOOFDSTUK.
Over de Schuldbelijdenis.
ART. 108.
De schuldbelijdenis is een der voornaamste bolwerken tegen de verslapping
133
I quot;34 REGELEN
^t der Regelen en Gebruiken der Congregatie. De H. Dominicus, over deze stof handelende, zegt, dat de duivel niets zoo zeer haat als de schuldbelijdenis ; want daar verliest hij alles, wat hij in den refter, de spreekkamer of op andere plaatsen gewonnen heeft.
Het is een belangrijke plicht voor den Overste, de schuldbelijdenis geregeld te houden en ze nimmer te verzuimen. Wanneer de Overste ziek of afwezig is, zal de schuldbelijdenis gehouden worden door den Frater, die wettig zijne plaats vervangt.
De schuldbelijdenis zal geregeld eens per week plaats hebben op een dag en uur, welke vooraf zullen worden bepaald. De Fraters moeten er allen zon- , der wettige verhindering bij tegenwoordig zijn. Zij zal plaats hebben buiten den tijd der recreatie in een afgezonderd vertrek.
REGELEN
ART. 109.
Om het doel der schuldbelijdenis te bereiken, zullen de Fraters er zich behoorlijk toe voorbereiden, en er met eene zuivere meening bij tegenwoordig zijn, te weten om zich te vernederen en hunne fouten te verbeteren.
Men begint de schuldbelijdenis met geknield den Veni Creator te bidden. Na dezen lofzang gaat de Overste zitten. Het is vooral in de schuldbelijdenis, dat de Overste ingewanden van liefde moet hebben, met voorzichtigheid handelen en niets op het oog moet hebben dan de meerdere glorie Gods, het welzijn der Congregatie en van ieder in het bijzonder, een ieder volgens zijn geest, inborst en deugd behandelende.
Iedere FYater, te beginnen met den jongste, beschuldigt zich openlijk met nederigheid en oprechtheid van de uitwendige fouten, welke hij tegen de Re-
135
REGELEN
gelen en de Gebruiken der Congregatie bedreven heeft. Hij neemt de vermaningen, die men hem toevoegt en de boetedoeningen, welke men hem oplegt, in den geest van boetvaardigheid aan. Hij zal zich verheugen hierin eeniger-mate op zijn Goddelijken Bruidegom te gelijken, die, hoewel de Heiligheid zelve, van de grootste misdaden werd beschuldigd en ter dood veroordeeld, zonder zelfs den mond te openen om Zich te verontschuldigen.
Men zal zich niet van fouten en misslagen beschuldigen, die geheel inwendig zijn ; evenmin mag men de fouten van anderen bekend maken, dan wanneer zulks door den Overste werd voorgeschreven.
Wanneer iemand vergeet zich van eene fout te beschuldigen, welke aan een ander bekend is, kan deze die aan den Overste bekend maken, die er zich naar zijn goeddunken van zal bedienen.
136
REGELEN
echter zonder dat daardoor de Frater worde bekend gemaakt, die het gezegd heeft.
Wanneer iemand zich aan eene fout hadde schuldig gemaakt, waarvan de openbaarmaking de anderen zou kunnen ergeren, of welke hij niet zou durven belijden, kan hij die in 't bijzonder aan zijn Overste bekend maken.
De Fraters zullen de vermaningen, welke hun gegeven worden, ter harte nemen en de boete volbrengen, die hun wordt opgelegd.
Men zal de schuldbelijdenis sluiten met een gebed, waarin men aan God de genade vraagt zich te beteren van de fouten, die men heeft beleden, door de voorspraak van de Allerheiligste Maagd, van den Engelbewaarder en van den H. Vincentius a Paulo.
De Fraters zijn verplicht geheim te houden, alwat in de schuldbelijdenis is gezegd of voorgevallen.
137
regelen
Art. no.
In de schuldbelijdenis zullen de Novicen en de Aspiranten van de geprofeste Fraters afgescheiden zijn.
Art. ui.
Dc Overste is bevoegd ook buiten den tijd der wekelijksche schuldbelijdenis den Fraters op te leggen, dat zij zich in het openbaar van hunne uitwendige fouten en gebreken beschuldigen.
Art. 112.
De Oversten en de Fraters zullen zich, wat de openbaring des harten aangaat, evenals wat betreft het ontvangen der H. Sacramenten, houden aan het Decreet van Z. H. Paus Leo XIII van 17 December 1890.
138
REGELEN
28e HOOFDSTUK.
Over de Geestelijke Afzondering.
ART. 113.
Onder de oefeningen van godsvrucht is de geestelijke afzondering een zeer krachtig middel, om den mensch tot het ware geluk te brengen. Vooral in de afzondering spreekt God tot het hart, komt de zondaar tot bckeering en wordt de rechtvaardige krachtig aangespoord om met vreugde op den weg der volmaaktheid te vorderen.
De ondervinding heeft overtuigend bewezen, dat men ze nimmer te vergeefs doet en dat zij overvloedige vruchten oplevert, als zij goed gedaan wordt.
ART. 114.
Om de afzondering goed te doen en er de vruchten van te genieten, zullen de Fraters het volgende onderhouden :
1. Bij het intreden der afzondering
139
REGELEN
zullen zij zich wel overtuigen en doordringen van de goedheid Gods, die hun de buitengewone genade schenkt, zich uitsluitend met God en de belangen van hunne ziel te kunnen bezighouden, wel bedenkende, hoe noodig het is, zich van tijd tot tijd in de eenzaamheid af te zonderen, om den waren geest te vernieuwen, zich van zijne fouten te ontdoen en een heilig leven te leiden.
2. Zij zullen bereid zijn geheel hun hart aan God te geven en dit zonder eenige uitzondering, met den H. Apostel Paulus zeggende: quot;Heer, wat wilt Gij, dat ik doe ?» â en er met veel vertrouwen op de Goddelijke hulp bijvoegende: »Mijn hart is bereid, 0 God, mijn hart is bereid.»
3. Zij zullen zich afzonderen van alles, wat geest en hart zou kunnen verstrooien, en nauwgezet alle oefeningen volgen, die in de afzondering zijn voorgeschreven.
4. Zij zullen zich gedurende de af-
140
REGELEN
zondering eenige versterving opleggen en vooral de stilzwijgendheid voortdurend en nauwgezet onderhouden.
5. Zij zullen aanteekening houden van hetgeen hen bijzonder gedurende de afzondering heeft getroffen en van de goede voornemens, die zij gemaakt hebben, om die later met Gods hulp krachtdadig uit te voeren.
6. Zij kunnen met toestemming van den Biechtvader eene algemeene biecht spreken van geheel hun leven of sedert den tijd der laatste afzondering.
Bovendien wordt het den Fraters aanbevolen voor eiken dag der afzondering een bijzonderen Patroon te kiezen en drie Onze-Vaders en Wees-gegroeten te bidden : één ter eere van den H. Patroon van den dag; één voor de zielen, die het ongeluk hebben in staat van doodzonde te zijn, en één voor hen, met wie men de afzondering houdt. De liefde vereenigt de harten en trekt
141
REGELEN
de genaden tot zich.
ART. 115.
De geestelijke afzondering zal des avonds kwart vóór acht beginnen met het bidden of het zingen van den Vmi Creator, eene onderrichting en den zegen met het Allerheiligste Sacrament, waarna men de avondgebeden doet als naar gewoonte.
Dagelijks doet men drie meditatiën, te weten ; de eerste vóór of na het bidden der Metten en Lauden, de tweede om negen uur en de derde des namiddags om vijf uur.
De Primen, Tertiën, Sexten en Nonen worden om tien uur gebeden.
Om elf uur doet men het onderzoek over de plichten van zijn staat, tot half twaalf.
Om half drie conferentie over de plichten van den staat of over de volmaaktheid, tot drie uur.
142
REGELEN
Om half vier doet men een bezoek van een half uur bij het Allerheiligste Sacrament.
Om half zeven zal iedere Frater één of meer hoofdstukken der Regelen lezen en overwegen, onderzoekende hoe hij ze heeft onderhouden, en zich opwekkende om er zijn gedrag naar in te richten ; of wel, zal de Overste gedurende dien tijd eene uitlegging der Regelen doen en eene opwekking geven, om ze getrouw na te leven.
De overige oefeningen geschieden als naar gewoonte.
Gedurende de afzondering zal men niet communiceeren.
Men zal de afzondering den tienden dag des morgens met vernieuwing der Geloften en eene algemeene Communie sluiten.
ART. 116.
Iedere Frater zal jaarlijks eene afzondering van acht volle dagen houden, het
143
REGELEN
jaar gerekend van den eersten Januari tot den laatsten December; zoodat een Frater aan dit voorschrift voldoet, wanneer hij in dit tijdsverloop zijne afzondering houdt, onverschillig of de tijd der laatste afzondering korter of langer dan een jaar geleden zij.
Wanneer een Frater door ziekte of andere wettige redenen verhinderd is aan de algemeene jaarlijksche afzondering deel te nemen, zal hij die afzonderlijk op een anderen tijd houden en zooveel mogelijk de bovengenoemde dagorde volgen.
ART. 117.
Gedurende de afzondering zal men geen onderricht geven, noch studeeren, en geene bezigheden verrichten, welke men gevoeglijk tot een anderen tijd kan uitstellen, vooral niet dezulke, welke den geest verstrooien.
144
REGELEN
ART. 118.
De Fraters zullen maandelijks één dag geestelijke afzondering houden om meer ernstig in zich zeiven te keeren, ten einde te onderzoeken, hoe zij zich gedurende de laatste maand gedragen en zich van hunne plichten gekweten hebben, alsmede om de goede voornemens te vernieuwen, welke zij bij de jaarlijksche afzondering gemaakt hebben, die levendig te houden en vruchten te doen dragen, en om zich tot een zaligen dood voor te bereiden.
De sterkste voornemens verzwakken zeer spoedig, als zij niet vernieuwd worden; de ijver vermindert steeds, en zonder het te bemerken vervalt men langzamerhand in lauwheid, als men niet van tijd tot tijd met meer ernst in zich zeiven keert, om te zien, of men nog altijd op den weg der volmaaktheid voortwandelt.
145
REGELEN
jaar gerekend van den eersten Januari tot den laatsten December; zoodat een Frater aan dit voorschrift voldoet, wanneer hij in dit tijdsverloop zijne afzondering houdt, onverschillig of de tijd der laatste afzondering korter of langer dan een jaar geleden zij.
Wanneer een Frater door ziekte of andere wettige redenen verhinderd is aan de algemeene jaarlijksche afzondering deel te nemen, zal hij die afzonderlijk op een anderen tijd houden en zooveel mogelijk de bovengenoemde dagorde volgen.
ART. 117.
Gedurende de afzondering zal men geen onderricht geven, noch studeeren, en geene bezigheden verrichten, welke men gevoeglijk tot een anderen tijd kan uitstellen, vooral niet dezulke, welke den geest verstrooien.
144
REGELEN
ART. 118.
De Fraters zullen maandelijks één dag geestelijke afzondering houden om meer ernstig in zich zeiven te keeren, ten einde te onderzoeken, hoe zij zich gedurende de laatste maand gedragen en zich van hunne plichten gekweten hebben, alsmede om de goede voornemens te vernieuwen, welke zij bij de jaarlijksche afzondering gemaakt hebben, die levendig te houden en vruchten te doen dragen, en om zich tot een zaligen dood voor te bereiden.
De sterkste voornemens verzwakken zeer spoedig, als zij niet vernieuwd worden; de ijver vermindert steeds, en zonder het te bemerken vervalt men langzamerhand in lauwheid, als men niet van tijd tot tijd met meer ernst in zich zeiven keert, om te zien, of men nog altijd op den weg der volmaaktheid voortwandelt.
145
REGELEN
De overige oefeningen geschieden als naar gewoonte.
Men zal dien dag de H. Communie als Teerspijze opdragen, in dezelfde gevoelens, waarmede men zou wenschen, die bij het einde van zijn leven te ontvangen. Na de H. Communie zal men Jezus met vurigheid bidden om de genade van een zaligen dood, eene kostbare en beslissende genade, waaraan men gewoonlijk niet genoeg denkt om die te vragen.
ART. 120.
De voorbereiding tot een zaligen dood zal op de volgende wijze kunnen geschieden :
Voor het kruisbeeld neergeknield, besteden de Fraters een weinig tijds met zich te verbeelden, dat het uur van sterven nabij is en dat de Engelbe-waar der hun komt zeggen, hetgeen de profeet zeide aan Ezechias : «Stel orde
148
REGELEN
op uwe zaken, want gij gaat sterven.» (IV. Reg. XXI.)
Daarna doen zij met eene heilige aandacht eene meditatie over deze drie punten :
1. Wat is sterven?
2. Wanneer en hoe zal ik sterven?
3. Ben ik gereed om te sterven ?
Na eenige oogenblikken bij deze punten te hebben stilgestaan, maken zij eenige voornemens, welke het meest geschikt schijnen voor den toestand, waarin zij zich bevinden, en zij eindigen met de gebruikelijke gebeden voor een zaligen dood.
ART. 121.
De derde Zaterdag der maand is de gewone dag, waarop de afzondering zal gehouden worden. De Algemeene Overste zal echter om gegronde redenen, hetzij voor geheel het huis, hetzij voor eenige Fraters, een anderen dag kunnen
149
REGELEN
vaststellen. Wanneer de maandelijk-sche afzondering samen valt met een recreatiedag van de iste of 2de klas, kan ze op den voorgaanden of den volgenden Zaterdag gehouden worden.
29c HOOFDSTUK.
Over de bijzondere Gebeden en Oefeningen van Godsvrucht, de Intenties en den Arbeid.
ART. 122.
Door bijzondere gebeden en oefeningen verstaat men in de Congregatie dezulke, die niet door de Regelen zijn voorgeschreven en welke de Fraters gewoonlijk ieder voor zich zeiven doen, als ; de kruisweg, de novenen, de gebeden der broederschappen, het bidden onder den arbeid, enz.
Het is aan de Oversten geoorloofd, novenen of gebeden voor vreemdelingen aan te nemen, en te bepalen of ze ge-
REGELEN
meenschappelijk dan wel afzonderlijk geschieden. Den kruisweg zal men op Goeden Vrijdag en Allerzielendag gezamenlijk mogen doen.
Niemand zal deel mogen uitmaken van broederschappen of devoticn, waaraan eenige verplichtingen zijn verbonden, dan van die, waaraan alle Fraters met goedkeuring van den Algemeenen Overste deelnemen ; deze zal hierin met bescheidenheid te werk gaan.
ART. 123.
Iedere Frater is bevoegd zijne gebeden en oefeningen van godsvrucht, zoowel de algemeene als de bijzondere, tot zoodanige intenties te doen of op te dragen, als hij zal willen ; hiervan zijn die gebeden en oefeningen uitgezonderd, waarvan de intenties door de Regelen zijn bepaald.
De geestelijke vruchten, die de liefdewerken en de andere bezigheden geven,
REGELEN
zijn, voor zoover zij op anderen kunnen worden toegepast, gemeenschappelijk ; hierin deelen dus alle Fraters, zonder aanzien der bezigheden, waarmede zij in de Congregatie zijn belast, mits zij hun plicht betrachten. Hiervan zijn alleen uitgezonderd de vruchten van die werken, welke op zekere dagen tot bijzondere intenties verricht worden. Iedere Frater kan dagelijks zijn aandeel in genoemde werken tot eene bijzondere meening aan God opdragen.
ART. 124.
Het wordt iederen Frater bijzonder aanbevolen, te bidden voor zijne medebroeders en hunne bloedverwanten, zoowel levende als overledene; voor de bckeering der ongeloovigen, ketters en zondaren ; voor de zielen in het vagevuur ; voor de geestelijke en tijdelijke Oversten en in het bijzonder voor zijn Biechtvader; voor de weldoeners der
152
REGELEN
Congregatie; voor zijne ouders en bloedverwanten, enz. De liefde eischt, dat men voor alle menschen bidde, maar in het bijzonder voor zijne ouders en bloedverwanten. Hoewel de Fraters, volgens de heilige armoede van geest, zich van alle gehechtheid, zelfs van de gehechtheid aan hunne bloedverwanten, moeten ontdoen, moeten zij hen niettemin beminnen, maar met eene heiliger en zuiverder liefde; zij moeten hartelijk belangstellen in hun tijdelijk en geestelijk geluk, en het door vurige gebeden trachten te bevorderen.
ART. 125.
Als arme ledematen van Jezus Christus moeten de Fraters den arbeid beminnen, hun door de gehoorzaamheid opgelegd, en dien met vlijt en aandacht tot welzijn van het huis verrichten. Die den arbeid niet bemint, heeft den geest der Congregatie niet, en wie dien ver-
153
REGELEN
onachtzaamt, komt te kort aan de plichten van zijn staat.
Om den arbeid zoo verdienstelijk mogelijk te maken, zullen de Fraters,
1. Voor zoover zulks van hen afhangt, de voorkeur geven aan die bezigheden, welke het meest met hunne natuurlijke neiging strijden ;
2. Bij het begin van het werk zich zeiven en den arbeid, dien zij gaan verrichten, aan God opdragen ;
3. Zich herinnerende, dat God den mensch door een onherroepelijk vonnis tot den arbeid heeft veroordeeld tot uitboeting zijner zonden, er zich in den geest van boetvaardigheid aan onderwerpen.
Wanneer de Fraters den arbeid in dezen geest verrichten, zullen zij, behalve de verdiensten, die zij zullen vergaderen, eene ingetogenheid des geestes en een voedsel voor de ziel verkrijgen, welke zij buiten den arbeid niet zullen vinden.
154
REGELEN
30e HOOFDSTUK.
Over de Liefdewerken.
ART. 126.
Daar het tweede doel der Congregatie is den naaste nuttig te zijn, moeten de Fraters, met een waren geest van liefde en ijver bezield, ten allen tijde gereed zijn het tijdelijk en het geestelijk welzijn des naasten, vooral der armen, te bevorderen. Zij zouden zonder dezen geest van liefde en ijver voor den naaste niet aan hunne roeping beantwoorden, hoezeer zij zich overigens ook op hunne eigene volmaaktheid zouden toeleggen.
Zij moeten zich gelukkig achten, door God tot dezen staat van liefde geroepen te zijn, omdat zij door deze toewijding aan de liefde tot den naaste een grooten schat van verdiensten kunnen vergaderen, en vele zielen voor God kunnen winnen, hetzij door zich zeiven, hetzij door hunne medebroeders, die zij door
155
REGELEN
hunne bezigheden en gebeden helpen en in wier verdiensten zij deelen.
ART. 127.
De Fraters moeten, om waarlijk nuttig te zijn aan den naaste en uit hunne liefdewerken voor zich zei ven al de geestelijke vruchten te trekken, geene natuurlijke maar bovennatuurlijke liefde oefenen ; zij moeten den naaste uit het geloof beschouwen, en dus in hen, die aan hunne zorgen zijn toevertrouwd of met wie zij in betrekking komen, niet den mensch maar Jezus zeiven zien, zich dikwijls het woord des Heeren herinnerende: «Wat gij aan een dezer mijner geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij aan Mij gedaan; wat gij aan een dezer geringsten niet gedaan hebt, hebt gij aan Mij niet gedaan.» (Matth. XXXV. 40. 45.)
Het is van groot belang, dat de Fraters de heilige gewoonte verkrijgen, zich
156
REGELEN I57
-------
dit dikwijls levendig voor oogen te stellen, vooral wanneer zij eenige moeilijkheden ontmoeten, of eenige verveling, afkeer, droefgeestigheid of bekoring ondervinden. Zij moeten dit niet alleen bij het uitoefenen der liefdewerken doen, maar ook bij alle andere bezigheden; want men behoort in de Congregatie niet te werken als het meerendeel der wereldlingen, die gewoonlijk slechts aardsche bedoelingen hebben, als: rijkdommen te vergaderen, zich een naam te maken, enz. Ieder werk, iedere bezigheid van een Frater geschiedt tot een zelfde doel, namelijk voor onzen Heer Jezus Christus. Inderdaad, wat men ook uit gehoorzaamheid doe, het is altijd tot onderhoud, uitbreiding en welzijn der Congregatie en dus voor de zaak en de belangen van Jezus.
Daar de herinnering aan hetgeen hier gezegd is, eene zaak van het grootste belang is, zoowel voor de Fraters, als
REGELEN
voor hen die, die aan hunne zorgen zijn toevertrouwd, zullen zij iederen Zondag tot punt van het bijzonder onderzoek nemen, of zij wel altijd bij het uitoefenen der liefdewerken en andere bezigheden van het huis die herinnering levendig hebben gehouden, dan wel of zij in dit opzicht nalatig zijn geweest, en zij zullen zich vast voornemen hieraan onophoudelijk te denken. Bovendien wordt het den Fraters aanbevolen, na de voornaamste bezigheden van den dag en vooral des avonds bij het onderzoek des gewetens, zich af te vragen, of zij al hunne werken met die zuivere meening hebben verricht.
ART. 128.
Wanneer de Fraters bij een algemeen heerschcnde ziekte worden geroepen, om met gevaar van hun leven liefdewerken te doen, alsdan moeten zij zich gelukkig achten, wijl zij in de gelegenheid
158
REGELEN
zijn en het voorrecht genieten, hun leven als martelaars van liefde te kunnen eindigen en tot belooning eene onsterfelijke kroon te verkrijgen.
Bij de verzorging van zoodanige hulpbehoevenden zullen zij de regelen van voorzichtigheid tegen het gevaar, waaraan zij zijn blootgesteld, in acht nemen, en voor het overige zich met een kalm vertrouwen aan de beschikkingen der Voorzienigheid overgeven.
ART. 129.
Bij het uitoefenen der liefdewerken, voornamelijk van die, welke hunne tegenwoordigheid in de wereld vereischen of die hen in aanraking brengen met wereldlijken, zullen de Fraters op hunne hoede zijn tegen de gevaren, waaraan zij kunnen zijn blootgesteld, Gods genade door schietgebeden afsmeeken, en zich nauwgezet naar de Regelen en de bevelen der Oversten voegen.
159
XÃO REGELEN
ART. 130.
Bij het onderricht, de opvoeding der jeugd en alle andere liefdewerken moeten de Fraters altijd wel in het oog houden, dat hunne bediening vooral de zaligheid der zielen ten doel heeft; daarom moeten zij er zich vooral op toe-leggen, het geestelijk welzijn van den naaste te bevorderen, hem liefde voor den Godsdienst en de deugd in te prenten en hem in het bewerken zijner zaligheid behulpzaam te zijn, echter op zoodanige wijze, dat zij geenszins zijn lichamelijk en tijdelijk welzijn verwaar-loozen.
ART. 131.
De Fraters, met het onderricht belast, moeten nimmer de vermaning uit het oog; verliezen, die Paus Pius IX betreffende het onderricht in de volksscholen gegeven heeft; «lu deze scholen moet
REGELEN
de Godsdienst de eerste plaats innemen in alles, wat de opvoeding of het onderricht aangaat. De jeugd is aan het grootste gevaar blootgesteld, wanneer het onderricht in die scholen niet zeer nauw met het Godsdienstonderricht verbonden is. De volksscholen zijn voornamelijk ingesteld, om aan het volk eene ware, Christelijke zedeleer in te prenten.» (Litte-rae ad Archiep. Friburg. 14 Juli 1864.)
Bijgevolg zullen de Fraters zich niet tevreden stellen, dagelijks onderricht in den Godsdienst en de Christelijke zede-leer te geven, maar bovendien zullen zij zorg dragen, dat de Godsdienst een aanhoudenden invloed uitoefene bij het onderricht der menschelijke kundigheden. Te dien einde zullen zij boeken gebruiken, die vermengd zijn met de grondstellingen van den Godsdienst, opdat de kinderen in de scholen onophoudelijk eene godsdienstige lucht inademen.
l6l
REGELEN
ART. 132.
Het onderricht in den Godsdienst zal drie deelen bevatten, te weten: de gewone gebeden van een Christen en de noodzakelijke punten des geloofs, den korten inhoud van de Christelijke leer volgens den katechismus van het Diocees, en de gewijde geschiedenis van het Oude en het Nieuwe Testament.
ART. 133.
Daar de ondervinding leert, dat het kind zich schikt naar zijne onderwijzers en dat het spoedig hunne manieren, hunne goede of kwade eigenschappen aanneemt, moeten de Fraters vooral bezorgd zijn, voor hunne leerlingen een voorbeeld van alle deugden te zijn ; zij zullen trachten de deugd beminnelijk te maken, zich gelukkig achtende te midden hunner leerlingen en hen oprecht beminnende.
102
REGELEN
ART. 134.
De Fraters, die met de surveillance in de opvoedingsgestichten belast zijn en vooral de prefect van de discipline of tucht, moeten diep overtuigd zijn, dat hunne bediening van het grootste gewicht is ; dat zij zijn aangesteld, om met de grootste waakzaamheid en de teederste liefde zorg tc dragen voor de kinderen, die als heilige panden dag en nacht aan hunne hoede zijn toevertrouwd.
Om het groote gewicht der opvoeding wel te leeren schatten, zullen de Fraters dikwijls de opmerking overwegen, welke dc H. Joannes Chrysostomus, sprekende tot de Christelijke ouders en meesters, daarover maakt:
«IVat toont het geloof u in dit kind, aan uwe zorgen toevertrouwd? Op zijn voorhoofd ziet gij den stempel der genade, waardoor God het tot Zijn kind heeft aangenomen ; het is uw plicht te waken, opdat de zonde dien niet verbreke.
163
REGELEN
Zijne tong is nog besproeid met het zont der wijsheid, hetwelk gij er op moet bewaren. Zijn hoofd en zijne borst dragen nog het teek en der kinderen Gods, en gij zult er rekenschap van moeten geven, wanneer dat bedorven wordt. Zijn hart is de waarachtige tempel van den H. Geest, en gij zijt er als 7 ware tot bewakers van aangesteld. In zijne ziel bemerkt gij de gronden en zaden van alle deugden; gij moet die vruchten doen voortbrengen. Jezus Christus toont u de Rngelen Gods, die dag en nacht rondom het kind gelegerd zijn, om het te beschermen; gij deelt met hen die edele bediening.»
Overwegen zij nog bij dit treffend tafereel, wat een verdienstvol schrijver, die geheel zijn leven aan de opvoeding der jeugd heeft toegewijd, van den voor-naamsten plicht van een onderwijzer zegt;
«JVat is een Christenonderwijzer, die belast is met de opvoeding der jeugd fâ
164
REGELEN I65
Het is een menscJi, in wiens Jianden Jezus Christus een zeker aantal kinderen heeft gesteld, die Hij niet Zijn Bloed heeft vrijgekocht, voor wie Hij Zijn leven heeft gegeven, waarin Hij als in Zijn huis en tempel woont, die Hij beschouwt als Zijne leden, broeders en rnedeèrfgenanien. â En tot welk doel heeft Hij ze hem toevertrouwd? Zou het alleen zijn, om hun eenige kennis der menschelijke wetenschappen te geven f... IVie zou zoo iets durven zeggen of zelfs maar denken! Hij heeft ze hem toevertrouwd, om in hen het kostbaar onderpand der onschuld, door het Doopsel m hunne zielen gelegd, te bewaren, om ware Christenen van hen te maken.»
Welnu, welke grootheid, welken adel zet deze eervolle zending niet bij aan al de plichten van een onderwijzer!
ART. 135.
De Fraters zullen tot de uitoefening
REGELEN
van een liefdewerk niet worden geroepen zonder daartoe de noodige bekwaamheid te bezitten. Daarom zullen zij, alvorens tot de liefdewerken gebezigd te worden, daartoe zooveel mogelijk worden voorbereid. De Algemeene Overste zal dus zorg dragen, dat de Fraters tot het onderricht bestemd, goed onderwezen zijn in de noodige kundigheden en vooral in de Christelijke leer.
3ic HOOFDSTUK.
Over de Plichten der Oversten en van hen, die eenig gezag in de Congregatie waarnemen.
ART. 136.
De Algemeene Overste zal met waardigheid en getrouwheid zich van zijne plichten kwijten en zijne bediening vervullen ; hij zal zich vooral beijveren het doel en den geest der Instelling te handhaven, alsmede de goede orde, de tucht
REGELEN
en het onderhouden der onderlinge liefde tusschen alle leden.
De hoedanigheden, die in een Overste vereischt worden, zijn :
1. Goed voorbeeld. â Hij zou eeniger-mate met den H. Paulus tot zijne gemeente moeten kunnen zeggen: «IVeest mijne navolgers, gelijk ik het ben van Jezus Christus.» (I Cor. XI. 1.) Bijgevolg moet hij nauwgezet alle Regelen en Gebruiken onderhouden en zich met ijver op de volmaaktheid toeleggen. Hij moet zorgvuldig alle onderscheiding, hetzij in kleeding, voedsel of huisraad, vermijden. De deugden moeten het eeni-ge zijn, waardoor hij zich onderscheidt.
2. PVaaksaamheid. â Hij moet waken, opdat de Regelen en de wettige Gebruiken nauwkeurig worden onderhouden, dat er geene misbruiken insluipen, en dat iedere Frater zich kwijte van zijne plichten jegens hen, die aan zijne zorgen zijn toevertrouwd, alsmede
lóy
REGELEN
van die, welke hij als religieus te vervullen heeft. Deze waakzaamheid moet echter zonder ongerustheid of angstvalligheid geoefend worden.
3. Liefde. â Eene gewone liefde is voor hem niet genoeg ; zijne liefde moet waarlijk vaderlijk zijn, om medelijden te hebben met de zwakheden van hen, die aan hem zijn toevertrouwd, en om zich in de berispingen en straffen met veel liefde en zachtheid te gedragen; weldadig, om hun het noodige volgens hun staat of hunne behoeften te verschaffen; vriendelijk en voorkomend, om hun vertrouwen in te boezemen ; geduldig, om hen ten allen tijde aan te hoo-ren, hen nimmer ruw te behandelen en hun op eene zachtaardige wijze voor te stellen, wat zij te doen hebben ; eindelijk moet zijne liefde algemeen zijn, alle Fraters in onzen Heer beminnende, zonder voorliefde jegens den een boven den ander.
REGELEN
4. Standvastigheid. â De liefde mag niet ontaarden in eene blinde toegefelijkheid, noch het bestuur verzwakken. Wanneer het de eer van God en het onderhouden van de Regelen der Congregatie betreft, moet een Overste standvastig zijn en zich niet laten weerhouden door de onaangename gevolgen, die hij voorziet; maar hij moet zijn plicht betrachten en het overige in de handen van God stellen. Wanneer liefde alleen niet voldoende is, moet hij straffen en zonder drift of hevigheid eene versterving of boetedoening opleggen naar evenredigheid van de grootte der overtreding.
5 VoorzicJitigheid. â Deze hoedanigheid is de voornaamste in een Overste.
De voorzichtigheid handelt in alles naar tijd, personen en omstandigheden. Zij maakt, dat een Overste niet te zeer op zijne eigene wijsheid en ondervinding vertrouwt, maar dat hij met ootmoed en vertrouwen zijne toevlucht neemt tot God
169
REGELEN
en raad inwint daar, waar het behoort. Gebrek aan voorzichtigheid in handelen kan een Huis en zelfs de geheele Congregatie met een volslagen ondergang bedreigen.
ART. 137.
Daar de bedieningen van den Alge-meenen Overste en zijne Assistenten van het grootste gewicht zijn, zoowel ten opzichte der Fraters als der liefdewerken, zal men zorg dragen, zoo dikwijls men tot de verkiezing van een Algemeenen Overste en Assistenten moet overgaan, God vurig te bidden, opdat de keuze valle op hen, die het waardigste zijn deze bedieningen te vervullen.
Gedurende de negen dagen, die de keuze voorafgaan, zullen alle leden der Congregatie dagelijks tot dat doel bidden gezamenlijk of ieder voor zich den Veni Creator met de litanie van alle Heiligen en vijf Onze-Vaders en vijf
REGELEN
Wees-gegroeten ter eere der vijf Wonden van onzen Heer, den eersten en negenden dag vasten en op den dag van de sluiting der novene zullen de Fraters tot die intentie de H. Communie ontvangen.
138.
De Assistenten moeten nauw veree-nigd zijn met den Algemeenen Overste en zich jegens hem zeer eerbiedig gedragen. Zij zullen zich geen gezag aanmatigen dan dat, wat hun door den Algemeenen Overste wordt toegekend. Wanneer zij misbruiken of overtredingen opmerken, zullen zij daarvan kennis geven aan den Algemeenen Overste, evenwel buiten de raadsvergaderingen, ten ware de Algemeene Overste hen daarover uitdrukkelijk ondervroeg. Wanneer zij zich van dien plicht gekweten hebben, moeten zij zich niet ontevreden toonen, wanneer de Overste hunne mee-
171
REGELEN
ning niet volgt, of niet doet, wat hij volgens hun raad had behooren te doen.
ART. 139.
In de raadsvergaderingen moeten zij openlijk hun gevoelen zeggen, zich herinnerende, dat zij aan hun plicht te kort zouden schieten, indien zij uit rnensche-lijk opzicht zouden verzwijgen, wat zij nuttig oordeelen.
Zij moeten voorzichtig en bescheiden zijn, en alles, wat hun wordt toevertrouwd, zorgvuldig geheim houden; zelfs zullen zij buiten de raadsvergaderingen onderling niet spreken over hetgeen daar verhandeld is.
Men begint de raadsvergaderingen met den antiphoon : «Kom, H. Geest» met vers en gebed en één Onze-Vader en Wees-gegroet, en men zal ze eindigen met den antiphoon : «Ouder uwe bescherming» met vers en gebed en één Onze-Vader en Wees-gegroet.
172
REGELEN
ART. 140.
Dc Novicenmcester zal bijzonder zorg dragen, dat de Novicen voortdurend onderwezen worden in het onderhouden der regeltucht; dat zij de waardigheid en de uitmuntendheid van de religieuze roeping, waarmede zij begunstigd zijn, erkennen; dat zij de volmaakte wijze leeren, om de Geloften en de Regelen der Congregatie te onderhouden, met vrucht het in- en uitwendig gebed te doen, hunne hartstochten te onderdrukken, door de oefening der versterving, de waakzaamheid over hunne zinnen, het dikwijls ontvangen der H. Sacramenten, en de oefening der nederigheid, ingetogenheid, zedigheid en stilzwijgendheid.
ART. 141.
De Novicenmeester of iemand anders, door den Algemeen Overste aangewezen, zal den Novicen gewoonlijk iederen
173
REGELEN
dag gedurende minstens een half uur, eene onderrichting geven over de waarheden van den Godsdienst, of over het religieuze leven.
Buiten de geestelijke oefeningen in art. 62 der Regelen voorgeschreven, zullen de Novicen nog dagelijks gedurende een half uur eene meditatie houden over het lijden van onzen Heer Jezus Christus, en minstens een half uur aan de geestelijke lezing besteden. De Aspiranten, die onder de leiding van den Novicenmeester zijn, zullen wekelijks driemaal eene geestelijke onderrichting ontvangen en tweemaal eene overweging houden over het lijden des Heeren ; de Aspiranten, die in communiteit met de geprofeste Fraters zijn, zullen iedere week eene geestelijke onderrichting ontvangen en eenmaal den kruisweg doen.
De Novicen en de Aspiranten zullen de geestelijke lezing doen uit een boek, hun daartoe door den Novicenmeester
174
REGELEN
of den Overste aangewezen.
ART. 142.
Alvorens een Postulant tot de religieuze kleeding worde toegelaten, zal men hem de wijze van leven doen kennen, welke hij wenscht te omhelzen, de voornaamste verplichtingen van den religieuzen staat, vooral van die, welke uit de kloostergeloften voortvloeien, alsmede de hoedanigheden en de deugden, die in hem vereischt worden, om zich op eene zijner roeping waardige wijze te gedragen.
Daartoe zullen de Postulanten vóór hunne kleeding eenigen tijd in het huis doorbrengen, en in communiteit met de Novicen kunnen worden toegelaten.
Alvorens in het Noviciaat te treden, zal de Postulant zich door eene retraite van acht dagen voorbereiden tot de aanvaarding van het religieuze kleed ; gedurende deze voorbereiding of in het
175
REGELEN
begin van zijn Noviciaat, zal hij eene algemeene biecht spreken, tenware zijn Biechtvader het niet geschikt oordeelde hem dit toe te staan. De Novicen en de Aspiranten zullen, alvorens hunne tijdelijke of altijddurende Geloften te doen, eene geestelijke afzondering van acht dagen houden.
Men zal in het Register der Congregatie aanteekening houden van de af-Icgging der tijdelijke en altijddurende Geloften, alsmede van de aanvaarding van het religieuze kleed.
32e HOOFDSTUK.
Over eenige Ondergeschikte Bedieningen.
ART. 143.
De Frater, belast met de zorg voor de kapel, moet eene hooge achting koesteren voor zijne bediening, wijl hij on-
176
REGELEN
177
ophoudelijk werkzaam is in het Huis des Heeren, en voortdurend met voorwerpen omgaat, die hem de brandende liefde van den Zaligmaker herinneren, als: de hostiën, de misgewaden, en, zoo hem dit door den Bisschop vergund wordt, zelfs de gewijde vaten, de corporalen, de palla's en de kelkdoekjes, welke bij het H. Misoffer of het uitreiken der H. Communie gebruikt zijn. Hij zal al deze voorwerpen met eerbied behandelen, met de meening, daardoor het Allerheiligste Sacrament des Altaars te vereeren. Hij zal zich met den grootsten eerbied in de kapel gedragen, vooral in de nabijheid van het altaar, niet verzuimende behoorlijk te knielen, zoo dikwijls hij het Allerheiligste Sacrament voorbijgaat. Hij zal de priesters met eene groote achting behandelen, en hij zal zich wachten, zich jegens hen gemeenzaam te gedragen, en niet meer spreken dan zijne be-
REGELEN
diening of de wellevendheid vorderen, en dan nog op een zachten en eerbiedigen toon. Hij zal zorg dragen, dat de kapel, de sacristie en het koor zindelijk worden gehouden ; dat evenzeer de ornamenten zindelijk en goed bewaard en volgens de plechtigheden behoorlijk gebruikt worden ; dat de godslamp voor het Allerheiligste dag en nacht brande ; dat de kaarsen op tijd worden ontstoken en dat alles gereed zij voor het H. Sacrificie der Mis en voor andere kerkelijke diensten en plechtigheden ; eindelijk, dat hij juist op tijd luide voor het Angelus Domini en voor de diensten, tenzij de Overste dit een anderen Frater hadde toevertrouwd. Wanneer zijne bezigheden te veelvuldig worden, zal hij aan den Overste een of meer Fraters tot hulp vragen.
Hij ontvangt en bewaart de giften en aalmoezen, aan de kapel gedaan ; maar hij zal zonder verlof van den Overste
178
REGELEN
geene uitgaven mogen doen.
Nimmer zal hij de gewijde kleederen of de versierselen tot een ander dan tot een godsdienstig doel mogen gebruiken, zelfs wanneer deze versleten zijn.
ART. 144.
De Frater, die tot de zoo verdienst-volle bediening geroepen is, zorg te dragen voor zijne zieke medebroeders, moet zich met veel liefde en geduld wapenen. Hij moet nimmer vergeten, dat hij zijne zorgen aan Jezus zeiven wijdt, en dat hij eens uit Zijn mond deze woorden zal hooren : «Ik lüas ziek en gij hebt Mij bezocht.» Hij heeft de volgende verplichtingen :
1. Hij zal, zoo dikwijls als het noodig is, bij den zieke zijn, of zich daar met goedkeuring van den Overste door een ander doen vervangen. Hij zal hem zorgvuldig oppassen en hem alles, wat zijn toestand vereischt, verschaffen, al-
179
REGELEN
tijd echter met goedkeuring van den Overste, die voor de gewone behoeften een algemeen verlof zal geven.
2. Wanneer hij oordeelt, dat het bezoek van den geneesheer noodzakelijk is, zal hij den Overste daarvan kennis geven. Hij zal zorg dragen, dat de voorgeschreven geneesmiddelen op den bepaalden tijd worden genomen en dat de voorschriften des geneesheers nauwkeurig worden nagekomen.
3. Hij zal alles vermijden, wat den zieke zou kunnen bedroeven; derhalve zal hij nimmer iets doen of zeggen, waaruit de zieke zou kunnen opmaken, dat men zijne ziekte als ingebeeld beschouwt, of dat hare langdurigheid begint te vervelen ; hij zal hem nimmer te kennen geven, dat hij zelf oorzaak van zijne ziekte is. Hij zal hem ook geene geoorloofde voldoening weigeren, onder voorwendsel, dat de zieke zich behoort te versterven ; integendeel, hij
i8o
REGELEN
zal alles aanwenden om hem te troosten en op te beuren, vooral door eene groote oplettendheid, om altijd en in alle zaken gereed te zijn hem te dienen.
4. Hij zal bijzonder zorg dragen voor het geestelijk welzijn van zijn zieken medebroeder; hij zal hem dus opwekken, om getrouw zijne geestelijke oefeningen te onderhouden, voor zoover de zieke daarvan niet door den Overste is ontslagen, en hij zal hem daarin helpen. Wanneer hij bijzondere fouten in hem opmerkt, zal hij hem met liefde vermanen, of wel die zorg aan den Overste overlaten ; eindelijk zal hij hem aansporen tot onderwerping aan den wil Gods en tot liefde voor het lijden, door hem van tijd tot tijd, in overleg met den Overste, iets over die stof voor te lezen.
5. Als hij oordeelt, dat de zieke voldoende genezen is, om de ziekenkamer te kunnen verlaten, zal hij daarvan den Overste kennis geven. Ziet hij, dat de
l8l
REGELEN
ziekte begint te verergeren en gevaarlijk begint te worden, dan zal hij niet verzuimen, daarvan zoo spoedig mogelijk den Overste kennis te geven, opdat de H. Sacramenten tijdig worden toegediend.
ART. 145.
De Frater, die de bediening van portier waarneemt, moet zeer zorgvuldig de welvoegelijkheid, zedigheid, ingetogenheid en bescheidenheid in acht nemen, ten einde zijne ziel niet in gevaar te stellen. Hij zal tot niemand langer, noch over andere zaken spreken, dan de noodzakelijkheid of de wellevendheid vereischt. Hij zal nauwgezet de voorschriften der Regelen betreffende het aannemen en bestellen van boodschappen en brieven in acht nemen. Bij het openen der deur zal hij zich wachten, nieuwsgierig naar buiten te zien, om te weten, wat daar voorvalt.
i82
REGELEN
ART. 146.
De Fraters, die met de keuken belast zijn, zullen zorgen, dat alles op tijd gereed zij, dat er geene onnoodige uitgaven geschieden, dat niets door achteloosheid bederve of verloren ga, dat alles zindelijk worde gehouden, en dat de Fraters behoorlijk en voldoend voedsel genieten, volgens de Regelen en Gebruiken der Congregatie. Zij zullen zooveel mogelijk hunne godsdienstoefeningen met de andere Fraters op de vastgestelde uren houden en daarnaar hunne bezigheden inrichten, ten einde geen schade te lijden in de belangen van hun geestelijk leven.
183
REGELEN
33e HOOFDSTUK.
Over de Verplichting der Regelen.
ART. 147.
Hoewel de Regelen uit zich zeiven niet op zonde verplichten, zullen de leden der Congregatie ze echter getrouw nakomen ; want zonder deze getrouwheid in het onderhouden der Regelen, zullen zij nimmer aan het doel der Congregatie beantwoorden, en gevaar loopen in lauwheid te vallen en zelfs hunne roeping te verliezen. Integendeel, het getrouw onderhouden der Regelen is een der zekerste teekenen van hun voortgang in de volmaaktheid; het is een onderpand van hunne volharding in het religieuze leven, van groote genaden en zoete vertroostingen in het leven en den dood, en van een overvloedig loon in den hemel.
ART. 148.
De Oversten en zij, die hen vervan-
184
REGELEN
gen, hebben de macht, hunne onder-hoorigen om wettige redenen van het onderhouden der Regelen te ontslaan ; maar zij moeten van die macht zoo zelden mogelijk gebruik maken, om geene schade aan de religieuze tucht te doen.
ART. 149.
Er moet in de Congregatie eenheid in alle zaken zijn : eenheid in bestuur, eenheid in doel, eenheid in het onderhouden der Regelen en Gebruiken, eenheid van geest; in één woord, eenheid in alles, overal en altijd. De eenheid voorkomt de scheuringen, die niet alleen de grondslagen van elke religieuze Instelling ondermijnen, maar haar zelfs geheel te niet doen gaan. De geschiedenis geeft daarvan de treurigste getuigenis.
Om de Congregatie tegen zoodanige onheilen te behoeden, worden alle leden, maar vooral zij, die met het bestuur belast zijn of later zullen worden, drin-
REGELEN
gend gesmeekt, altijd met het hoofdbestuur der Congregatie met geest en hart vereenigd te blijven, zich onwrikbaar vast te houden aan het dubbel doel der Congregatie, en zich te beijveren, om door alle middelen de eensgezindheid en de stipte naleving der Regelen en wettige Gebruiken te bewaren en te bevorderen, eindelijk zich altijd te houden aan de spreuk: Geheel de Regel en niets dan de Regel.
GOEDKEURING.
Deze Constitutiën en Regelen van de Congregatie der Fraters van Onze Lieve Vrouw van het H. Hart worden bij deze door Ons goedgekeurd en bekrachtigd, onder bepaling, dat de verkiezing van het Bestuur voor de eerste maal zal plaats hebben in de maand Augustus 1894.
Gegeven te Utrecht den 20 Juli 1893
de Aartsbisschop van Utrecht
t P. M. SNICKERS.
INHOUD.
CONSTITUTIÃN.
|
bladz. | ||
|
ie |
Hoofdstuk. Doel en Middelen . . |
i |
|
2e |
» Leden ...... |
2 |
|
3e |
» Bestuur...... |
â 7 |
|
4° |
» Keuze van het Bestuur |
. 11 |
|
S6 |
» De tijdelijke Goederen |
. 16 |
|
Decreet..... |
⢠19 |
REGELEN.
bladz.
|
ie HOOFDSTUK. Doel en Geest der Congregatie i | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
INHOUD
bladz.
ioe HOOFDSTUK. Over het Vertrouwen op God 65
1 ie » Over de Zorg voor de Gezond
heid ........67
I2C » Over de Gebeden en Oefe
ningen van Godsvrucht. . 71 13° » Over de Dagorde . . . . 73
I4e » Over het Gebed in het alge
meen .... . . . . 80 15' » Over het Morgengebed . . 83
i6e » Over de Meditatie .... 86
» Over de Vereering der Aller
heiligste Maagd Maria en der andere Heiligen ... 89 ^ » Over de Getijden van O. L.
Vrouw.......92
19e » Over het Angelus Domini . 95
2oc » Over de H. Offerande dei-
Mis ........9Ã
21quot; » Over het Gewetensonderzoek 98
22° » Over de Maaltijden en de
Geestelijke Lezing . . .103 23quot; » Over het Bezoek bij het Aller
heiligste Sacrament . . .109 240 » Over den H. Rozenkrans . 110
2 » Over de Stilzwijgendheid en
de Recreatie.....112
11
inhoud
bladz.
26e hoofdstuk. Over de Biecht en de Communie........124
27° » Over de Schuldbelijdenis . .133 28e » Over de Geestelijke Afzondering .......139
2gn s Over de bijzondere Gebeden en Oefeningen van Godsvrucht, de Intenties en den Arbeid. 150 30e » Over de Liefdewerken . .155 3ie » Over de Plichten der Oversten en van hen, die eenig gezag in de Congregatie waarnemen ........166
32° » Over eenige ondergeschikte
Bedieningen.....176
33c » Over de Verplichting der
Regelen.......184
i;i