ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

' u

msg

r-

■

i -

I' 11

- -■■ ®

- m

j-- .r 'M

.-.T?C

•quot;v . ,

gt;:. v

ocr page 4
ocr page 5

VAK £ . No

VERKLAREND ^''y/

WOORDENBOEK

MET PLATEN

VOOR BELG1E EN NEDERLAND

J O Z 13 I 7 13 A. I i3i'ofesfe»ot'.

TWEEDE, VERMEEKDEliDE E.\ VERBETERDE DRl'K.

GENT

A. SIFFER, DRUKKER _

Woordafleidkunde. — Geschiedenis. — Aardrijkskunde. — Literatuur. — Godgeleerdheid. — Schilderkunst. — Geneeskunde. — Rekenkunde. — Natuurlijke wetenschappen. — Plantenkunde. — Natuurkunde. — Muziek. — Bouwkunde. — Wetgeving — Sterrenkunde, enz.

ocr page 6
ocr page 7

Toen, in 1893, dit « Verklarend Woordenboek » eerst verscheen, werd de auteur door een kort voorbericht bij de twee duizend inschrijvers, die hem en zijn werk te gemoet kwamen, ingeleid.

Dit voorbericht mocht den lezer dienstig zijn tot kennismaking met den schrijver, die nog niet, door eenig voorgaand werk, zich een naam had gemaakt; maar aanbeveling er bij was overbodig, gelijk wel door het aanzienlijk getal inschrijvingen bleek: bij het enkel aankondigen van het Woordenboek was algemeene belangstelling ontstaan : het was zeer wensche-lijk dat ons een dergelijk boek werd bezorgd; en zulks besefte iedereen toen het prospectus het aanmeldde : het onverwacht geschenk was een blijde verrassing; men waardeerde het stout ondernemen, en de som arbeids die het had gekost, werd niet gering geschat. Was nu die arbeid geslaagd ? Had hij degelijk werk geleverd? Te rekenen naar de beoordeelingen van tijdschriften en dagbladen, kan men besluiten dat de E. H. Bal niet alleen een ieverig, een onvermoeibaar, maar tevens een ernstig, een bekwaam werker is, die, op de hoogte zijner onderneming, de beste verwachtingen niet heeft te leur gesteld, die heeft gegeven wat hij liet hopen.

Dat na de eerste uitgave de critiek zou wijzen op eene leemte hier of daar, op hetgeen nog door den lezer kon gewenscht en verlangd, door den schrijver kon volledigd of gewijzigd worden, was verwacht allereerst door den schrijver zelf. Nu, de verscheiden wenken hem gegeven, de ingekomen bemei kingen heeft hij voor zich en voor zijne lezers benuttigd.

ocr page 8

— IV —

Maar hij deed meer dan dat: hij vermeerderde den eersten

tekst met 200 bladzijden; gansch het wetenschappelijk gedeelte deed iiij door vakmannen herzien en sommige artikelen gehee] omwerken; nieuwe geographische kaarten, tabellen, sierlijke platen verrijken de tweede uitgaaf.

Zoo groote zorg mocht aan het Verklarend Woordenboek wél besteed worden. Het is een werk hier eenig in zijn soort en het zal niet zoo spoedig door een tweede, uit andere hand, gevolgd worden. Gelijk wij vroeger schreven, het is aan de groote en veelzijdige moeilijkheden der bewerking te wijten, dat het zoolang heeft geduurd vooraleer wij in bezit van zulk een woordenboek kwamen, en dat, ja, zich niemand voorstelde dat wij het eens krijgen zouden.

En nu het er is, zal het in duizend handen gesteld worden ; het zal ingang vinden in de gestichten van middelbaar onderwijs, te huis zijn bij de studenten; het zal op elk gebied de wegwijzer worden van al wie over kunde en kunst, natuur en wetenschap, geschiedenis en geographie, een woord te vragen heeft naar aanleiding der omstandigheden, der qusestiën die besproken worden, der gebeurtenissen allerhande. Een betrouwbaar boek dus moet het zijn, en, is er eer en verdienste bij gewonnen, zulk nuttig werk te verschaffen, het is dan ook plicht, alleszins en overal juist en nauwkeurig te zijn, zoo in de verklaring der woorden als in de opgave, de voorstelling en den uitleg van de voorkomende personen en zaken.

Iets bijzonders nog valt aan te merken in eigen nationaal opzicht. Betaamt het wel dat wij altijd, ook over ónze geschiedenis, óns land, ónze roemrijke mannen bij vreemden te leer en te rade gaan? Een Verklarend Woordenboek is de samenvatting eener bibliotheek; velen bezitten geene andere bibliotheek. Is nu dat Woordenboek de Fransche Larousse,dan krijgen wij, Belgen en Nederlanders, geen antwoord als wij, aangaande ons eigen verleden, eenige kennis willen opdoen, of wel, hetgeen ten antwoord gelden moet, zal onjuist of onbeduidend zijn. Onderzoek het eens! Neem, bij voorbeeld, Van

ocr page 9

Artevelde, Vondel. Wat zegt u Larousse ? Kunt gij daarmee voort? En vergelijk nu eens met ons « Verklarend Woordenboek! »

In den beginne moet het den heer Bal lastig geweest zijn, den weg te vinden, langs paadjes en wegeltjes, nu links, dan rechts, om tot aan het « drukvaardig »te geraken. Doch, eens zoo ver, lag, voor het bezorgen eener tweede uitgave, de breede, rechte baan voor hem open. Dan, gelijk vroeger, hebben wij hem met levendige belangstelling en aandacht gevolgd; en wij twijfelen er niet aan, waar zijn werk gekend wordt, zal het gewaardeerd worden, en, om het groot nut dat het volk er uit zal genieten, zullen veel weidenkenden aan de verspreiding van het boek meewerken.

Dr. H. Claeys, pr.

ocr page 10
ocr page 11

INHOUD.

WoOrdafleldkiinde. — Al de woorden, opgegeven in de Igst van M. de Vries

en L. A. te Winkel, met hunne beteekenissen. Uitlegging met voorbeelden. Grondtijden der werkwoorden. Meervoud der naamwoorden. Oplossing der spraakkunstige moeilijkheden. Geslachten volgens de Nederlanders en de Vlamingen.

OesohlcMlcnls. — Historische feiten. Veldslagen. Oorlogshelden. — Gewijde

Geschiedenis.

AardrUkskundo. — Beschrijving van België en Nederland. Bevolking en

'igging der gemeenten. Koloniën. Congo. — Kaarten.

liltcrutuur. — Historie der Nederlandsche Letteren. Biographische, bibliogra-phische en letterkundige studie over oudere, nieuwere en hedendaagscbe schrijvers.

Oodgrelocrdlioid. — Voornaamste termen en philosophische stelsels. — Godgeleerden.

Sehilderbanst. — Fransche, Hollandsche, Italiaansche, Vlaamsche schilderscholen, enz. — Schilders, graveerders, beeldhouwers, enz.

Oenceskunde. — Ziekten, volgens de nieuwere wetenschap verklaard. Gezondheidsleer. — Geneesheeren.

Kek onkunde. — Termen der wiskunde, stelkunst, meetkunde, enz. NatuurlUke wetcnncliappen. PIuutoukoude. Nederlandsche benamingen en wetenschappelijke termen.

Kafunrkunde. ?IuzieU. isonwknnde. Wetgrevlng:- Sterrenkunde. Voor den vreemde. Werelddeelen. Landen van Europa. Bijzonderheden dier landen. Voornaamste steden. Uitstekende mannen, enz., enz.

BRONNEN.

De bronnen, waaruit bij de samenstelling van het Verklarend Woordenboek geput werd, zijn :

Geïllustreerde Encyclopedie, A. Winkler Prins.

Sythoff's Woordenboek voor kennis en kunst.

Nederduitsch Letterkundig Woordenboek, Weiland (1843).

Nieuw Woordenboek der Nederlandsche Taal, door J. H. van Dale, derde, vermeerderde en verbeterde druk door J. Manhave (1884). Groot Woordenboek der Nederlandsche Taal, door J. H. van Dale, vierde, vermeerderde en verbeterde druk, door H. Kuiper J' en A. Opprel (i896-'97).

Nouveau Dictionnaire Néerlandais-Fran^ais en Nouveau Dictionnaire

Franc^is-Néerlandais, J. Kramers (1884).

Woordenlijst voor d» spelling der Nederlandsche taal, M. de Vries

en L. A. TE Winkel (3quot; uitgave).

Biographisch Woordenboek, j. G. F rederiks en J. van den Branden,

nieuwe druk (1891).

Bastaardwoordenboek, J. Broeckaest (1895).

Westvlaamsch Idioticon, l. l. de Bo (1892).

Dekeu de Bo's Kruidwoordenboek, uitgegeven door J. Samyn (1888). Enz., enz.

ocr page 12

Lijst der Verkortingen.

aanh., Aanhoudend.

aanw., Aanwijzend.

aar dr., in di aardrijkskunde.

art., bij de artillerie.

bep., bepalend.

betr., betrekkelijk.

bez., bezittelijk.

bijw., bijwoord.

bijw. uitdr., bijwoordelijke uitdrukking.

bilj., in het oiliartspel.

bn., bijvopglijle naamwoord.

boekb., bij boekbinders.

boekd., bij boekdrukkers.

bouwk., in de bouwkunst.

buitenl., bultenlandscb.

b. v., bij voorbeeld.

bw., bedrijvend werkwoord.

deelw., deelwoord.

d. i., dat is.

dicht., in de dichtkunde

dijksb., in het dijksLestuur.

dln.. deelen.

drukk., bij drukkers.

eenpw., eenpersooniijk werkwoord

eert., eertijds.

Eng., Engelsch.

enk., enkelvi ud.

enz., en zoo voorts.

fab., in de fabelleer.

fara., familie.

fig., figuurlijk.

Fr., 1'ransch.

genecsk., inde gmocskunde.

geogr., geographisch.

godg., in de godgeleerdheid. Gr., Grieksch.

h., heilig.

heelk., in de heelkunde

Holl., Hollandsch.

hulpw., hulpwerkw oord.

iem., iemand.

inz., inzonderheid.

It., Italiaansch.

K., koninklijk.

kaarts., in het kaartspel.

letterk., in de letterkunde.

lidw., lidwoord.

m., mannelijk.

meetk., meetkunde.

mets., bij metselaars.

Middel., in de middeleeuwen.

mol., bij molenaars.

muz., in de muziek.

mv., meervoud.

naamv., naamval.

nat., in de natuurkunde.

nat. hist, in de natuurlijke historie

o., onzijdig.

onsch., onscheidbaar.

ontl., in de ontleedkunde.

oudt., oudtijds.

overdr., overdrachtelijk.

ow., onzijdig werkwoord.

pass., bij passementwerkers.

pers., persoonlijk.

plant., inde plantenkunde.

-R.-K., in de Roomsche Kerk.

rangsch., rangschikkend.

recht., in het rechtswezen.

recht, arr., rechterlijk arrondissement

red., in de redekunst.

rek., in de rekenkunde.

Rom., Romeinsch.

sch., scheidbaar.

scheik., scheikunde.

schild., in de schilderkunst.

Sp., Spaansch.

spraakk., in de spraakkunst.

stelk., in de stelkunst.

sterr., in de sterrenkunde.

stofn., stofnaam.

taalk., in de taalkunde.

tegenw., tegen.- lt;*. «lio-,

telegr., bij teleur;, uhiaten.

telw., telwoord.

tw., lusschenwerpsel.

v., vrouwelijk.

vd., verleden deelwoord.

verl., verleden.

vest., bij den vestingbouw.

VI., Vlaamsch.

vn w., voornaamwoord.

voorwerpsn., voorwerpsr.aam.

vw.. voegwoord.

vz., voorzetsel.

wapenk., in de wapenkunde.

wijsb., in de wijsbegeerte.

wisk., in de wiskunde.

ww., wederkeerend wei kwoord.

zeew., in het zeewezen.

zelfstw., zelfstandig werkwoord.

z. d. w., zie dit woord.


Verkortingen, die het meervoud aanduiden.

Tader, m. (-s, -en) = vaders, vaderen.

zon, v. (-nen) = zonnen.

noot, v. (..oten) = noten.

kuiiHtcnaar, m. (-s, ..aren) = kunstenaars, kunstenaren.

De onzijdige werkwoorden, die in het Verklarend Woordenboek zender hulpwerkwoord voorkomen, worden met hebben vervoegd.

Het woord, waarbij een aanmerkingsteeken (*) is geplaatst, heeft een dubbel geslacht, zoowel in Nederland als in Vlaamsch-België (b. v. : toestel, m. en o.*).

Wordt een dubbel geslacht zonder het aanmerkingsteeken (*) bij een woord aangeduid (b. v. : loon, o. en m.), dan geldt het eerste voor Nederland; het tweede, voor Vlaamsch-België. — Het spreekt vanzelf, dat woorden als bode, m. en v., enz', onder dezen regel niet vallen.

ocr page 13

VERKLAREND

WOORDEN BOEK

MET PLATEN

VOOR BELGIË EN NEDERLAND.

A

a, v. (a's) i0 letter van het alphabet, a, vz. Twintig a dertig frank.

A, (ook aa), v. Water. Naam van verschillende wateren in België en Nederland.

aaT, ave, v. (aven). Zie Naaf. au bn. en bijw. Afwaarts ge

keerd, afwijkend. Slinksch, listig.—Aaf-schelyk, bijw. —Aafschhands, bijw. Verkeerd. Averechts. Onhandig.

aagrt, v. (-en), aagtappcl, m. (-s, -en). Aangenaam zure appel, welke tot in 't voorjaar bewaard kan worden.

aai, m. (-en). Liefkoozing. Gevoelige slag of kneep. — aaien, bw. ik aaide, heb

Seaaid. Liefkoozen. Streelen. Vleien, lem. oor opzettelijke aanraking zeer doen. — eaaid. Liefkoozen. Streelen. Vleien, lem. oor opzettelijke aanraking zeer doen. — Aattng, v. (-en).

aak, v. (aken). Vaartuig met platten bodem, zeer geschikt voor de riviervaart en veel gebruikt op den Rijn tot vervoer van kalk, steenkolen, enz. : Keulsche aak, kolenaak, enz.

aak, m. (aken). Eene soort van esch-doorn.

aaks, v. (-en). Zware bijl, tot het vellen van boomen gebruikt.

aakster, v. (-s). Zie Ekster.

aal, v. (alen). Priem. Els.

aal, v. Vocht, dat uit het koemest sijpelt.

aal, o. (alen). Eene soort van Engclsch bier (Ale).

aal, m. (alen) voorwerpen.; v. (stofn,). Behoort tot de rueekvinntgen. De gewone aal (paling) : angiiiI la vulgaris.

Aal.

Zoo glad als een aal : doodarm. — Aalfuik, v. (-en). Nauw toeloopend net om aal te vangen. — Aalgeer, m. (..geerenquot;). aal-elger, m. (-s). Vork om aal te steken. — Aal' korf, m. (..ven^ —Aalkubbe, v. (-n), Aal-kub,y. (-ben). Nauwe achtereinde van eene aalfuik of eenen aalkorf. — Aalkwab, v. (-ben) aalkvüabbe, v. (-n). Puitaal. — Aalmoes, o. Spijs, uit aal en verschillende groenten toebereid. — Aalreep, m. (-en). Soort van zetlijn voor deaalvangst.—Aalsgeweer, o. (..eren.) Vischnet voorde aalvangst. — Aalshuid, v. (-en). — Aalskruik,v. (-en). Aalkubbe. — Aalspeer, v. (..eren). Aalgeer.— Aalstal, m. (-len). Afsluiting met opening in een water, waar netten, enz. voor de aalvangst worden geplaatst. — Aalsteek, m. Het recht om aal te steken. Het steken van aal, — v. (..eken). Plaats, waar men aal steekt. — Aalsteker, m. (-s). Aalgeer. — Aalstreep, v. (..epen). Donkere streep op den rug van den aai. Donkere streep op de ruggegraat van sommige paarden. — Aalsyel, o. (-len). — Aalszak, m. (-ken). Vischnet om aal te vangen. —Aalvormig, bn.

aalbes, v. (-sen), aalbezie, v. (..iën). Vrucht van den aalbesscstruik : roode, witte, zwarte aalbessen. — Aalbesseblad, o. (-eren). — Aalbesseboom, m. (-en). — A a lb essenjenever, v. — Aalbessennat, o. — Aalbessenrist, v. (-en). — Aalbessensap, o. — Aalbessensaus, v. (-en). — Aal-bessentros, m. (-sen). — Aalbessenvla, v. (..vlaas). — Aalbessenwyn, m. — A a lb es-se struik, m. (-en). Heester in 't wild op de Alpen groeiende. Wordt menigvuldig in onze tuinen gekweekt : ribes, inz. ribes rubrurn, ribes nigrum.

aalmoes, v. ( .zen). Gift den behoeftige uit vrijen wil geschonken. — Aalmoezenier, m. (-en, -s). Uitdeeler van aalmoezen. Inz. katholiek geestelijke aan een openbaar gesticht, eene inrichting, eene legerafdeeling, verbonden. — Aalmoezeniershuis, o. (..zen).Liefdadigheidsgesticht, waarin behoeftige bejaarde lieden of kinderen gehuisvest zijn en onderhouden worden. Almoezenierskamer, v. (-s). Vereeniging van personen, die het bestuur van een aalmoezeniershuis uitmaken.


ocr page 14

AANB —:

«aloud, bn. Zeer ouJ. Aaloudheia, •v. Hoojje oudheid.

aalHt, v. (-en). Aal (ie art.).

AstlMt. Land van Aalst. Deze landstreek bevat nagenoeg de gemeenten, gelegen tusschen de Schelde, de Dender en de zuidergrens van O.-VI. Geeraardsber-gen was Alodiaal goed der graven van Vlaanderen.

aall, v. Zie Aal (2° art.)

a-stl-iollctje, o. (-s). Draaitolletje, aam, o. (amen). (Eert.) Vat zi 155,2 lit. aanilte^ld. Zie Aan) eeld (2B art.) aaiiil»«*i. v. (-en). Ziekelijke zwelling van aders aan het uiteinde der darmen aan den aars (ook takken, vygpuisten en speen genoemd, benamingen ontleend aan den vorm, waaronder de aambeien zich uitwendig voordoen). Aam be ten kruid, o. Plant, behoorer.de tot het geslacht scro-j'hulana, ook helmkruid en groot speenkruid geheeten, 4. nodosa. De benaming aatnbetenkruid ziet, evenals die van speenkruid, op het gebruik, dat van dit kruid in de geneeskunde gemaakt wordt of werd.

aamboratiff, bn . Eene enge, benepen, beklemde borst hebbende. — Aamborstigheid, v.

aauit. v. Zuchtige zwelling van den uier bij de koeien kort voor het kalven. — A am tig, bn. Zuchtig. Gezwollen.

aan, vz. bijw. Het vuur is aan : het vuur brandt. Hij heeft zijne jas aan, aangetrokken. Dat gaat in en aan, kan zoo niet geschieden. Daar ligt het aan : dit is het moeilijke der zaak. De schuit is aan, aange-komeu. Zijtgij er reeds aan: zijt gij reeds zoo ver gevorderd? In samenstellingen be-teekent aaw : den oorsprong (aanvang), de vereeniging 'aanhang), nadruk of versterking (aanlokken), de beweging naar eene plaats (aanlooper), de beweging in eene plaats (aantreffen), het langzaam toenemen (aanwinden), zekere hoedanigheid (aanstaan). In de samengestelde werkw. is aan steeds scheidb. Uitgezonderd : aanbidden (scheidb. ea onsch.), aanschouwen (onsch.), aanvaarden (onsch.), aanzichten (onsch ). — aanaarden, üw. Met aarde ophoo-pen,ophoogen. Aanaarding. (-en). Aan-aardploeg, m.(-en). — aanatlemeii, bw. Met den adem over iets beengaan. (Boekb.) Hetgoud aanademen, zacht.ophet bladgoud blazen om het te doen vallen. — aauarbeiden, ow. (hebben) Bijwerken. Doorwerken. — aanballen, bw. Aanblaffen. Vinnic toespreken. — aanbaBBro*^quot;» bw. Uitgebaggerde stof aan den waterkant ophoopen, om nieuwen vasten grond te verkrijgen. üw. Spoed maken met baggeren. Aanbaggenng, v. — aanbakken, ow. (zyn) Vastbakken aan de pan. (hebben) Vlijtig doorbakken. Aanbakking, \. Aanbakset, o. \-s). — aanbaMNen, bw. Aanblaffen — stanbedeelen, bw. Toe-bedeelen.— aanbeeld, o. (-en). Beeltenis. — annbeeld, o. (-en). Smidswerktuig. Zie Üor. A a nbeeldsblok, o. (-ken). — aanbeenen, ow. (hebben) Snel voortstappen. Bvv. Zekeren afstand snel voortstappende afleggen. — aanbesln, c.

— AANB

Beg'n. — aanbeltooren, ow. (hebben) Toebehooren. Tot iets behooren. — aanbel. Zie Aambei. — aanbelanden, ow. (zijn). Ergens aankomen (meest met toeval) om daar te blijven of te vertoeven. — aanbeiaiiKr^ii» bw. Betreften. (De 3* pers. enkv. aant. wijze tegenw. tijd, is slechts gebruikelijk). Aanbelang, o. Groot gewicht. Groot belang. Van aanbelang : gewichtig. Aanbelandend, bn. Gewichtig. — aanbellen, ow. (hebben) Aan eene bel of schel trekken. — aan-berenjOw. (hebben) Alle zeilen bijzetten.

— aan bennen, bw. Den voet van eenen dijk versterken meter eenen berm tegen te leggen. Aanberming, v. (-en). — aan-benleden, bw. lem. op zekere voorwaarden de uitvoering van een werk of de levering van zekere voorwerpen toevertrouwen. Aanbesteder, m. (-s). Aanbesteding, v. (-en).— aanbeftleilen, bw. Laten maken. Opdragen te leveren. — aanbesterven, ow. (zy'n) Bij erfenis toevallen.

— aanbc»loeien, bw. Eenen dijk aan-bestoelen : hem ter onderhouding aan iem. toewijzen. — aanbeteren, ow. (zijn) Beginnen te beteren. — aanbetreflen, bw. Aanbelangen. — aanbetrouwen, bw. Toevertrouwen. — aanbevelen, bw. Verzoeken aan iets bevorderlijk te zijn. Verzoeken iem. bij te staan. Verzoeken zorg voor iem. of iets te dragen. Aanbeveel-baar, bn. Aanbevelenswaardig, bn. Aan-beveler, m. (-s). Aanbeveling, v. (-en). Aanbevelingsbrief, m. (..ven). Aanbevelingswaardig ,hn. — aanbewOzen, bw. Toekennen als rechtmatig eigendom. — aanbidden, bw. bad aan, ook aanbad, heeft aangebeden. De goddelijke eer bewijzen. Hartstochtelijk beminnen, vereeren. Aanbidbaar, hn. Aanbiddelijk, bn. en bijw. Aanbiddelijkheid, v. Aanbiddenswaardig, bn. Aanbidder, m. (-s). Aanbidding, v. Vereering, welke men God alleen mag bewijzen. Aanbidster, v. (-s). Aangebedene, m. en v. (-n). — aanbieden, bw. Ter aanneming voorstellen of vertoonen. Aanbieding v. (-en). — aanbyten, (hebben) ow. bw. Bijten in, op of aan iets. In de oppervlakte van iets bijten. Zich met iets inlaten. — aanbikken, bw. Boomen aanbikken : door het uithakken van een stuk bast, staande boomen merken, om aan te toonen, dat zij verkocht zijn. Ow. (hebben) Spoed maken met bikken. — aanbinden, bw. Vasthechten Samenkoppelen. Vereenigen. Dringend aanbevelen. Doordrijven. Kort aangebonden zijn : driftig van aard zijn. De kat de bel aanbinden : den eersten stap doen ter uitvoering van eene gevaarlijke onderneming. — aanblallen, bw. Blaffende naderen. — aanblaken, bw. Toe- of tegenschitteren en daardoor verlichten. — aanblaten, bw. In de richting naar iem. blaten. — aanblazen, bw. Door blazen doen ontvlammen. Aanhitsen. Aanblazing, v. — aanblijven, ow. (zijn) Voortdurend vastgehecht zijn. Een ambt, eene betrekking blijven waarnemen. — aanblikken, bw. Zien. Beschouwen. H«.t oog op iets of iem. gevestigd houden.


ocr page 15

AAND — 3

■Ow. [hebbêii) Vonkelen. Licht afwerpen. Aanbreken (van den dag). Aan6/iA, m. Het aanblikken. De op iem. of iets gevestigde blik. —- «tuiibliiikeu, ow. {hebben) Tegenblinken. Toelachen. — astulxxl, o. Aanbieding.— azinb^ei^ii, ow. {hf b-ben, zyn). In de richiine, naar iets varen.

— sisiiilMMgt;kcu, bw. Te boek stellen. Opschrijven. — usuibovteii, bw. Feller doen branden. — aatubouzeu, ow. {hebben}. Ruwelijk tegen iets stooten. — 2tauboorlt;lc». Ow. \hebben) Aan boord komen. Ijverig voortboorden (schoenen, enz.). Bw. lienaderen. Naasten,

v. Naasting. Aanboorder, m. (-s). Aan-boording, v. (-en). — uitnbotscn, ow. Kzyn). Tegen iets stooten. — aanbou-wen, bw. Jjijbouwen. Aanbouw, m. Aun-bowwing, v. (-en). Aanbouwsel, o. (-s). — aanbrastk, v. (Dicht.). Het aanbreken (van den dag, enz.). — aanbranden. •Ow. (27/«) Door te zware hitte zich met eene korst vasthechten. Met sterke branding bruisen (van de zee), {hebben) Sterker beginnen te branden. Bw. Doen aanbranden. Aanbranding, v. Aanbrnndsel, o. (-s). — aanbrasMcn, bw. (Zeew.). De brassen aan- of doorhalen. — aanbreien, bw. Stukken aan kousen enz. zetten. Ow. (hebben) Vlug breien. Aanbret'sel, o. (-s).

— aanbreken, bw. Aan iets beginnen ; een brood aanbreken. Ow. {zyn) Beginnen. Opkomen. Aanbreek, m. (verdient de voorkeur boven aanbraak). — aanbrengen, bw. Ergens heen voeren, dragen. .Bekendmaken. Veroorzaken. Verklikken. Aanbrenger, m. (-s). Aanbrenging, v. Aanbrengsel, o. (-s). Aanbreniist, v (-en). Aanbrengst- r,v.(-s).— aanbrienehen, ow. \zyn) Brieschend naderen. Bw. De leeuw briescht de leeuwin aan. — aan-brieven, bw. Berichten. Mededeelen. — aanbroniinen, bw. Brommend bedreigen.— aan bruisen, Ow.{zyn). Bruisend naderen. Bw. Onstuimig bt-jegenen. — aanbrullen, bw. Brullend bedreigen.

— aanbuiffen, bw. Naar iets toe- of heenbuigen.— aanbuitelen, ow. (zyn). .Buitele.id naderen. — aanbultieren, ow. (zyn). Bulderend naderen. — aan-daelii, v. Stille overpeinzing. Oplettendheid. Aandachtig, bn. en bijw. Aandachtigheid, v. (heden).— aandak, o (-en). Het bovengedeelte van eenen brand- of topgevel, dat voorbij de dakschilden schiet. De schuins- of boogswijze opgaande randen eener gevelspits, voor zoover die boven de dakschilden uitsteken. — aandainnien, bw. Grond winnen door bedamming. Den grond ophoogen door middel van dammen. Aandammmg, v. (-en). — aandaiiNen, ow. (zyn). Dansende naderen. — aan-dautven, bw. Bedauwen. — aandeel, o. (-in). Cxedteltelijke eigendom. Gedeeltelijke schuld. Deel, dat iemand behoort. DeiIh' bbing. Aandeelbevvijs. Aandeelhebber, in. (-s). — aandekken, bw. (Het outer) bedekken met nieuwe doeken.Voortgang maken met het dekken (der tafel). — aandenken, o. Herinnering. — aan-dielifen, bw. Uitdenken. Te last Itggen. Aandichiing, v. (-en). — aandienen.

— . AAXE

bw. Berichten. Zich laten aandienen, vootste len. — s»andiei»en, ow. [hebbend P« ilende het land nadeien.Bw. ow. (zyn) Dieper maken. Diep r worden. Aandie-ping, v. (-en). — staii«IUk«*n, bw. Door bedijkli.g een stuk land aan i en ander verbinden. Aandyking, v. .-en) — aan-«I ik ken, ow. [zyn). Jjikker worden. Bw. Dikk» r maken. Aandikking, v -en . — aandiMNclien, bvv. Aanrechten. Aan-dispelling, v. (-en). — aandoen, bw. Zich bckleeden(met). In eene haven binnenvallen. Aanranden. Treffen. Gevoelig maken. Verdriet veroorzaken. Overlast teweeg brengen. Iem. een proces aandoen, hem in rechten vervolgen. Aandoening, v. (-en). Aandoenlijk, bn. Aandoenlijkheid, v. — aandoHsen, bw. Het aantrekken (van zich zt Iven of een ander) van plechtgewaden, enz. Aandossing, v. (-en). — aandraaien, bw. Draaiende beter doen sluiten. Twee voorwerpen aan elkander draaien. Duur verkoopen. Iem. een wassen neus aandraaien, om den tuin leiden. (Zeew.) Touwwerk bij elkander houden. Ow. (zyn) Spoed maken met draaien. Talmende aankomen. Weder te laat komen.— nandrsigren, bw. Ergens gaan dragen. Vooistell«*n. Verklikken. A an drager, m. ^-s). Aandraagster, v. (-s).

— aandrang, m. Opemhooping van menschen, enz. Nadruk, bij het doen van een verzoek. — a an «traven, ow. (zyn). Dravend aankomen, (nebben) Zeer spoedig aankomen. — stand ren teleo,ow.(z2fVgt;). Zeer langzaam \ourtloopen. — aandrib-belen, ow. (zyn). Met kleine sprongen naderen. — aandrift, v. Neiging der natuur. Vuur. Geestdrift.— aandrU ven, bw. Voortstuwen. Dieper inslaan \eenen spijker, enz.). Aanzetten. Bezielen. Ow. (zyn) Door het water aangespoeld worden. Aandrijver, m. (-s). Aandry'fster, v. (-s). Aandrijving, v. (-en). — aandringen, bw. Dichter aaneensluiten. Samenpakken. Vooruitdrijven. Aansporen. Ow. (zyn) Met aandrang vooruitkomen, ^hebben) Met aandrang begeeren : hij heeft aangedrongen op zijn ontslag. Aandringer, m. (-s). — aandrinken, bw. Dronken maken : iem. eenen roes aandrinken. Ow. (hebben) Spoed maken met drinken. aandmiMelien, ow. (hebben). Stuiten tegen. In strijd zijn (met). — aandrukken, bw. Dichter of vaster drukken. Ow. (hebben). Vlijtig doordrukken. Aandmk-king, v. (-en). — aanduiden, bw. Uitleggen. Toeschrijven. Wijten. Aanduiding, v. (-en). — aandurven, bw. Durven ondernemen. Tegen it-m. of iets opgewassen zijn. — aanduwen, bw. Duwend voortbewegen.— aandtveklen, bw. Door dweilen schoonmak* n. Gedaan maken met dweilen. — aandwingen, bw. Noodzaken iets aan te mmen. — aaneen, bijw.Achtt-reenvolgci s Dichtbij of naast elkander. Samengeht-cht. Aaneen vormt samengestelde werken, die et-n begrip uitdrukken van werkelijke verbinding of van een plaatsen cizyn in de ruimte. Deze werkwoorden zijn scneidbaar. Aaneen behoor en, ow. (hebben). Aaneenbind- n, bw.


ocr page 16

AANG —

Aaneenbinding, v. f-cn). Aaneenblijven, ow. {zijn). Aan- euboeien, b\v. Aaneeti-boeiing, v. (-en). Aaneenb reien, bw. Aan-eenbrengcn. bw. Aaneen/lansen, bw. Aaneengeboren, bn. Aaneengeschakeld, bn. Aaneengesloten, bn. Aaneengroeien, ow. \zyn). Aaneengroeiing, v. Aan-eenhaken, bw. Aaneenhangen, ow. {hebben], Aaneenhechten, bw. Aaneenhech-ting, v. (-en). Aaneenhouden, bw., ow. {hebben). Aaneenketenen, bw. Aaneen-ketening, v. (-en). Aaneenklampen, bw. Aaneenklamping, v. ( en). Aaneenkleven, ow. {hebben). Aaneenklinken, bw. Aaneenkluisteren, bw. Aaneenkluiste-ring, v. (-en). Aaneenknoopen, bw. Aan-eenknooping, v. (-en). A ane en koppelen, bw. Aaneenkoppeling, v. (-en). Aan-eenlasschen, bw. Aaneenleggen, bw. Aaneenliggen, ow. {hebben). Aaneen— lijmen, bw. Aaneennaaien, bw. Aan-eennagelen, bw Aaneenpassen, bw. Aan-eenpiaatsen, bw. Aaneenplaatsing, v. (-en). Aaneenplakken, bw. ow. {hebben). Aaneenplakking, v. (-en). Aaneenrijgen, bw. Aaneenschakelen, bw. Aaneenschakeling, v. (-en). Aaneenschuiven, bw. ow. {hebben, zijn). Aaneensluiten, bw. ow. {hebben). Aaneensluiting, v. (-en). Aan-eensineden, bw. Aaneensnoeren, bw. Aan-eensoldeeren, bw. Aaneensoldeering, v. (-en). Aaneenspijkert n, bw. Aaneenstaan, ow. {hebben). Aaneenstrengelen, bw. Aaneenstrengeling, v. {-cn). Aaneenstr ik-ken, bw. Aaneenvlechten, bw. Aaneen-vlechting, v. (-en). Aaneenvoegen, bw. Aaneenvoeging, v. (-en). Aaneenwellen, bw. Aaneen quot;welling, v. (-en). Aaneen-zetten, bw. Aaneenzitten, ow. {hebben). aaiicrgrcrcii, ow. {zijn). Verergeren. aaucrven, bw. Erfelijk of bij erfenis ontvangen. Met de geboorte mede ter wereld brengen. Ow. {zijn) Dit landgoed is hem aangeërfd. Aanerving. v. (-en). — bw. Uitfluiten. Aanfluiting. v. (-en). — asiufokken, bw. De voortteling van het vee bevorderen. — Aanfok-keling, m. (-en). Aanfokker, ra. (-s). Aan fokking, v. {-en). — siangraan, ow. (zijn). In de richting gaan van een voorwerp. Gaan zien. Üp iets of iem. aangaan ; vertrouwen op hebben. Tegen iem. aangaan, hem aanvallen. Beginnen : wanneer gaat het spel aan? Beginnen te branden : die kolen gaan niet aan. Dit boompje wil niet aangaan, niet groeien. {hebben) Slagen : twee dingen te gelijk doen, gaat niet aan. Dit gaat niet aan, zal niet goed uitvallen. Zijn verlies gaat nog al aan, is niet te groot. Dit kan zoo niet langer aangaan, is niet langer te verduren. Zijne pijnen gaan nog al aan, zijn lijdelijk. Tieren, razen : hij ging vreeselijk op hem aan. Bw. Zich tot iem. wenden, iem. met een verzoek aangaan. Ondernemen : een werk aangaan. Sluiten : een huwelijk aangaan. Betreffen : wat mij aangaat! Behooren : die huizen gaan mij aan. Hij gaat mij niet aan, is niet met mij vermaagschapt. Aangaande, vz. Betreffende- Aan-gang, m. (-en). Begin. Eerste stap. (Zeew.) Aangang maken : sturen, koers houden of

— AANG

leggen. Op den aangang, ten aangang komen : juist van pas aankomen, onverwachts er bii komen. — stanza pen, bw. Vei wonderdot dom met den open mond aanstaren. — aanyreboren, bn. Eigenaardig. Natuurlijk. Ingeschapen. — aan-geriaan, bn. Getroffen. Bewogen. Ver-teederd. — aanKcdaolitcnis, v. De innige gedachtenis. Het levendig aandenken. — aaiE8:cërilt;l, bn. Een erf bezittende, dat aan vreemden grond paalt. — aanfi:eliuiHlt;l, bn. — aang^eiiuwcl, bn. Door huwelijk vermaagschapt. — aan-g:cklaac:lt;lo, m. en v. (-n). Betichte.

— aangelando, m. en v. (-n). Eigenaar of eigenares van grond aan eenen weg, eene watering, enz. gelegen. — aan^eli'^rcn, bn. Dichtbijgelegen. Belendende. Gewichtig. Belangrijk. Aangelegenheid, v. Belang. Waarde, (..heden). Zaak, die belangrijk is. — aangemerkt, vw. Vermits.

— aangenaam, tn. bijw.Zoet. Behaaglijk. Genoeglijk. Gewild. Gezocht. Aangenaamheid, v. (..heden). — aangenomen, vw. Gesteld. — aangesvliapen, bn. Aangeboren. — aangespen, bw. Met eene gesp vastmaken, toehalen. — aangetogen, vd. en bn. Aangetrokken. Aangehaald. Bijgebracht. — aange-trouivd, bn. Aangehuwd. — aangeven, bw. Overgeven. Toereiken. (Muz.) Aanheffen. Verklaren (bij de voldoening van rechten). Iets ter kennis van een ander brengen, waarvan men de hoedanigheid of wijze zelf bepaalt. Aanklagen. Den toon aangeven: de eerste zijn. Aangever, m. (-s). Aangeef ster, \. (-s). Aangeving, v. (-en).

— aangezlelit, o. (-en). Gelaat. Aan-gezichtspijn, v. (-en). — aangezien, vw. Dewijl. — aangieren, ow. {zijnj. Met eenen draai of eene zwenking aankomen. Met hevig geraas aankomen.— aan-gietcn, bw. Gietende aaneenvoegen. Ijverig gieten. — aangifte, aangifi. v. (..ten). Ontwerp. Schets. Mededeelinjj. Verklaring (ter veraccijnzing). Beschuld»^ ging. — aanglüden, ow. {zijn). Glijdende naderen. Vlug glijden. — aan-glimmen, ow. [zyn) bw. Ontvlammen. Tegenglimmen. — aangliuHteren, ow. {hebben). Tegenglinsteren. — aa!^ gloeien, bw. In vuur zetten. Ow. {zijn). In gloed of vuur geraken. — aan gl ni pen, bw. Steelswijs aanzien. — aanglnren, bw. Steelswijs aanzien. — aangolven^ ow. [zyn). Golvend naderen. — aangonzen, ow. {zijn). Gonzend naderen. — aangorden, bw. Doormiddel van eenen gordel vasthechten. Zich aangorden* ww. Zich gereedmaken, toerusten.

v. (-en). — aangralieven, bw. Ruw toespreken. — aangraven, bw. Een stuk land door graven met een ander stuk veihinden. Aangravin?, v. (-en). — aangreep, m. Aanval. — aangrenzend, bn. Bijgelegen. Belendende. — aangrUn-zen, bw. Grijnzend aanzien. — aangrU-pen, bw. Met de hand aanvatten, vasthouden. Aanvallen. Aangrijpr.r, m. (-s). Aangrijping, v. (-en). — aangrïinmeng bw. Toornige blikken werpen (op iem.). — astngrinniken, bw. Iem. tergen met


ocr page 17

AANH — I

een half onderdrukt spottend gelach. — usiiiKcoeieu.cnv. [zijn). Goed opgroeien. Aan iets vastgroeien. Aangroei, in. Aangroeiing, v. (-en).— uaiigrrocucu, ow. (zi/n). Groener worden. — stuusrom-nieii, bw. Morrende bejegenen. — ast»-lizamp;kou, bw. Met eenen haak vasthechten. Vastbaken. — aanBiulcii, bw. Naar zich toetrekken. In beslag nemen. Aanbonden.§ Lokken, üntleenea (eene plaats uit een boek). Eene streep of een teeken (bij iets) plaatsen. Aanhalig, bn. Aanlokkend. Innemend. Aanhalig/ieid, v. Aanhaling, v. (-en). A a nh a lingsteeken, o. (-s). Teeken (« ») aanduidende, dat men iemands woorden letterlijk overneemt. —aauliau^eu. bw. Doen hangen. Liefde of hoogachting toedragen. Iemands belangen, beginselen, enz. toegedaan zijn. liijvoegen. Toevoegen. Ow. De klei hangt aan (aan schoeisel, enz). Aanhang, m. Partij. Vereeniging. Aan-hangehng, m. en v. (-en). Aanhanger, m. (-s). Aanhangig, bn. De zaak is aanhangig, nog niet beslist. Aanhangsel, o. (-s, -en). Aanhangster, v. (-s). Aanhankelijk, bn. Verknocht. Aanhankehikhejxi, v. — aau-liardcu, bw. Harder makj^. Ow. (zijn). Harder worden, v. (-en).—

aauliarkeu, bw. Vlug barken. Aanhar-king, v. (-en). — aauliebbeu, bw. Dragen (een kleedingstuk). £ene roes, laars, enz. aanhebben : in meerdere of mindere mate dronken zijn. Eene partij aanhfcbben . verloren hebben (in 'tspel). Aan 't branden hebben of houden: hij had zijne pijp nog niet aan. — aaiilieolilen, bw. Vastmaken. Samenvoegen. Inlijven. Aanhechier, m. (-s). Aanhechting, v. (-en). Aatihech-tingspunt, o. (-en). Aanhechtsel, o. (-s). Aanhechtster, v. (-s). — aaubcelcu, ow. (zyn). Geheel genezen. Voortgaan met genezen. — aaulieer, m. ( en). Eeiste stamvader. — aaubeircu, bw. Beginnen. Instellen. Beginnen te spreken. Beginnen te zingen. Aanhef, m. Aanheffer m. (-s). Aanheffing, v. (-en). Aanhef ster, v. (-s).

— aanbellen, bw. Aanhechten. — aan -btolpeu, bw. Helpen aantrekken (een kleed, enz.). — aasiliü^eii, ow. {zyn) Buiten adem komen aanloopen. Bw. Hijgende toeademen. — aanbUHelieu, b.v. Verder ophijschen. Ijverig hijscben. — aauliiiiken, ow. {zi/'n). ïiinkend naderen. — aaiibiiiuikcia, bw. Hinnikende groeten. — aaubltscu, bw. Door vuur heeter maken. Opruien. Aanhitser, m. (-s). Aanhitsing, v. (-en). — aaubU(eii~ bw. Heeter maken. Aanvuren. Aan hitting, v. (-en). — aauliuepcleu, ow. (zijn). Hoepelend naderen. Lang of sterk hoepelen. — aanboevcu, ow. (hebben). Aangetrokken moeten zijn (van kleederen, enz.). Aangestoken moeten zijn (van vuur en licht).

— aaubollcn, ow. (zijn). Hollend naderen. — aaubumpclen, ow. (zijn). Hompelend naderen. — aauboo^eu, bw. Hooger maken. A an hooging, v. (-en).

— aanlaoopcu, bw. Eenen hoop grootermaken. Ow. (zijn) Aangroeien, Toenemen. v. (-en). — aanboo-xeu, bw. Naar iets luisteren. (Aanhooren 'komt enkele malen onsch. voor). Aanhoor-

— AANK

der, m. (-s, -en). Aanhoorig, bn. Toebe-hoorende. Aanhoorigheid, v. (..heden). Belendende landerijen, enz. Aanhoorster, v. (-s). — aanhorieii, ow. (hebben). Met kracht tegen iels anders stooten of botsen. Tegen iets aandruischen. Aanhor-ting, v. (-en). — aauboiirieu, bw. Naar zich houden. Aan 't lijf houden. In beslag nemen. Ophouden, verbergen. Niet afschaffen. Laten branden. (Muz.) Tonen lang aanhouden. Ow. (hebben) Aanleggen. Pleisteren. In zekere richting gaan. (Zeew.) Koers zetten. Voortduren. Met aandrang vragen of verzoeken. Volharden. Aanhoud, m. (-en).Plaats, waar men stilhoudt. Aanhoudend, bn. bijw. Aanhoudendheid, v. Aanhouder, m. (-s). — Aanhouding, v. (-en). — aaialiuileu, ow. (hebben). Huilende iem. bedreigen. — aanliuppelcn, ow. (zijn). Huppelende naderen. — aau-bum eiykeu, bw. Door zijn huwelijk iem. tot zich in familiebetrekking brengen. Aa7i-h uwe lij king, v. — aaiibuwen, bw. Aanhuwing, v. — aanyien, ow. (zijn). IJlend naderen. — aanjageii, bw. Naar iem. of iets zeer jagen. Er naar toe drijven. Veroorzaken. Sneller voortdrijven. Feller aansteken. Ow. {zijn). Met snelheid naderen. Snel rijden. Voortgaan met sterk aangejaagde vlam te branden. Aanjager, m. (-s). — aanjauken, ow. {zijn). Jankend naderen. Bw. In de richting van iem. janken. — aaujoeleu, ow. (zijn). Joelend naderen. — aan-juicbeii, ow. (zijn). Juichend naderen. Bw. Toejuichen. Aanjuiching, v. (-en). — aankalken, bw. Met krijt aanteekenen. Aankalking,v. (-en). — aankankeren, ow. {zijn). Beginnen te kankeren. Voortgaan met kankeren. Zich uitbreiden als kanker. Aankan kering, v. (-en). — aankanten, (zich) w.w. Zich verzetten. Aan-k an ting, v. — aankaiipcn, bw. Hout kappen, tot vermeerdering van bestaanden voorraad. Aan/cap, m. — aankarren, bw. Met karren aanvoeren. Ow. (hebben) Spoed maken met karren. Aankarring, v. (-en). — aankeffen, bw. Iem. keffend bedreigen. Ow. (zi/n). Keffend naderen. Aankeffing, y. (-en). — aankermcu, ow. (zijti). Kermend naderen. Bw. Iem. kermend aanroepen en om hulp smeeken. Aankerming, v. (-en). — aankerven, bw. Iets op iemands rekening aanteekenen. , Ow. (hebben) Spoed maken met kerven. Aankerving, v. (-en). — aanktfken, bw. Aanzien. Iem. scheel aankijken : hem benijden. Iem. niet aankijken : hem met geenen blik verwaardigen, uit gramschap, enz. — aankitteleu, bw. Door een streelend gevoel tot iets opwekken. — aan-kla Ken, bw. Beschuldigen v. (-s, -en). Aanklacht, v. (-en). Aanklager, m. (s-, -en). Aanklageres, v. (-sen). — aanklampen, 1).v. Met klampen vastmaken. Iem. staande houden om hem aaii te spreken. Medesleepen. (Zeew.) Op zijde schieten. Aan boord komen. Aanklamper, m. (-s). Aanklamping, v. (-en). — aanklauteren , ow. (zijn) Klauterend naderen. — aanklan^ven, bw. Opharken (de tuinpaden). — aaitkleeden, bw.


ocr page 18

aa:::: — lt;

Aantrekken (kleederen).aankleeden, w.w. Aan^ekleede aap ; bespottelijk ieelijk mensch. Aangekleede boterham ; avondbezoek, waarop broodjes met andere versnaperingen \vorden opgedischt — sisin-kleven, ow. {hebben). Door kleefstof zich aan iets amkrs vasthechten. Aan iem. of iets ei^e i zijn. lem. getrouw blijv' n. Aankleef, m. Toevoegsel. Aan-hoorigheid. ^let den aankleve van dien : met al wat er toe behoort. Aankleefster, v. (-s, -cn). Aanklever, m. (-s. -en). Aankleving, v. — stsMiklcmmcn, bw. Drukken (tegen). Nader staven (eene bewijsvoering). Aanklemming, v. (-en).— aaiiklimmcii, ow. {zyn). Klimmend naderen. — bw. Diink-

glazt n tegen elkander siuotrn. Met klinknagels aan iets anders t-ievestigen. Aan-klmking, v. (-en\. — siankloppen, bw. Door kloppen dieper iudnjvt-n. Ovv. Hij iem.aankloppen : itm.om iets viagen. Kiop eens aan : onder/otk e-ngt;. Aanklopping, v. (-en). — itimklolwi'ii,

ow. {zijn). Me: zware stappen a inkomen. — scankii«**i, b v. Knedt nde samenvoegen. Vlij ig kne ien. Aankneding, v. (-ergt;).—aankiiicli-ii, ow. {zijn, hebben) Knielen in «le nabijheid van iets, of aan zt^ere plaats. A an km eli'ng, v. (-en). — stsinkitüpvn. bw. Knijpende twee vooi-weipen aan elkander brengen. — aau-kiiippcu, bw. Toeknikken. — astn-kii«gt;opcii, bw. Door middel van eenen knoop aan iets vastmaken. Verbinden. Bi ginnen (onderhandelingen) te voeren. Aanknooping, v. (-en). Aanknoopings-pnnt, o. \ en). — siankomen, ow. \zyn). Eene plaats bereiken. Aan land komen, lem. komen spreken. Het doel bereiken. In zekeren kring, enz. opgenomen worden. Lidmaat worden. Naderen. Aanraken. Verkrijgen : er is gem aankomen aan (die zaak). Overvallen. Iemands eigendom worden door erfenis, enz. Beginnen. Opschieten, groeien. Genezen. Met iets aankomen, voor den dag komen. Tegen iets aankomen,

grenzen aan. Op iem. aankomen, er op erusten. Het komt er op aan : het beslissend oogenblik is daar. Het komt hier op geld aan : geld is hier de hoofdzaak. Het komt er nauw op aan : het is van bet grootste aanbelang.renzen aan. Op iem. aankomen, er op erusten. Het komt er op aan : het beslissend oogenblik is daar. Het komt hier op geld aan : geld is hier de hoofdzaak. Het komt er nauw op aan : het is van bet grootste aanbelang. Aankomeling, m. en v. (-en). Aankomelinge, v. (-n). Aatikome-lingschap, o. Aankomend, bn. Aankomer, m. (-s). Aankomst, v. — aaiikoii«li|;ou, bw. Bekendmaken. Zich aankondigen,^^. Zich vertoonen. Aankondiger, m. (-s). Aankondiging, v. (en). A a n kondig ster, v. (-s).— aaiikooicn, bw. (Boekdr.) De vormen dicht aanslaan. — aankoopen, bw. Door koopt n eigenaar worden (van). Aankoop, m. (-en). Aankooping, v. (-en). — aankoppelen, bw. Bijeenvoegen. Samenb.nd. n.Tot stand brengen (een huwelijk). Aankoppeling, v. (-en). — aankop-peu, bw. (Speldenm.). De schacht zonder speld aan dtn kop verbinden. — aan-korHten, ow/1' [zijn). Met eene korst bedekt worden. Zich als eene korst aanzetten. Aankorsting, v. (-en). — aankram-men, bw. Door middel van krammen

— AANL

vastmaken. A ank ra mm ing, v. (-en). — aankrUKTen, bw. Aan ?t lijf krijg. n. Met moeite aantrekken. Met moeite aan 't bran— den krijgen. Op zijne rekening aangeschreven krijlt;en. Ten verkoop ontvangen. — aanki'Utcn, bw. Tegen iem. schreien.

— aankruien, bw. Kruiend aanbrengen. Snel voonkrui n. Ow. (zT/n) Kru end naderkomen. Opeenhoopen (v.in ijs) Aan-kruiing, v. (-en,. — aankruipen, ow. {zijn) Kruipende naderen. Bw. Tenen iem. aankruipen en zich tegen hem drukken : de hond kroop zijnen meester aan. — aan-kuieren, ow {zynS. Kuierend naderen.

— aankunnen, bw. Tegen iem. bestand zijn. Berekend zijn \oor eene taak. In staat zijn om zekere hoeveelheid op te eten of op te drinken. In staat zijn eene hoeveelheid t;eld te verteren. Kunnen aandoen. Met fatsoen kunnen draden. Ow. [hebben) Aangedaan kunnen worden. Aangestoken kunnen worden. —aankwak-ken, bw. Met fenen kwak tegen iets smijten, zoodat het b ijft zitten. Slordig aanorengen. Aankwakking, v. — aan-kweeken, bw. Opvoeden. Grootbrengen. De ontwikkeling bevorderen. Begunstigen. Aankweek, m. Aankwet keling, m. en v. (-en). Aankuoeekelinge, y. (-n). Aan-kweeker, m. (-s). Aankweeking, v. Aan-kweekster, v. (-s). — aankwlklcen, bw. Aan de oppervlakte van het metaal eene verbinding van dit met kwik voortbrengen. Aankwikking, v. (-en). — aankwlupe-len, ow. [zyn) Kwispelstaart ei d naderen. Bw. Met den staart kwispelend liefkoozen. Vleien. — aank*vl»pel-staarten, ow. [zijn) bw.— aanlaelien, bw. Toelachen. — aanlamlen, ow. [zijn). Aan land varen of komen. Aanlan-dig, bn. De wfrtd is aanlandig, waait landwaarts, v. (-en). — aanlangden, bw. Toereiken, Aanlanger, m. (-s). aanlappen, bw. Met lappen aaneenhechten. Zorgen, dat iem. iets koopt, ie duur verkoopen. — aanlasBClien, bw. Met lasschen aaneenhechten. (Touww.) In elkander lasschen. Aanlassching, v. (-en). — aanlaten, bw. Voorwerpen aan elk. vast laten. Laten aanhouden (t-en kleeding-stuk). Doorlaten branden (van vuur). Laten aanstaan (vensters, deuren). — aanla-veeren, ow. [zijn, hebben) Laveerend naderen. — aanleereu, bw. Door loeren zich iets eigen maken. Ow. [zyn) Vorderingen maken. — aanleipamp;reii. ^)vv f ^gen iets anders aanbrengen. Vuur aanleggen : vuur maken. Plaatsen : zijn geld aai 1 ggen. Gebruiken : zijne krachten aanh ggen. Beginnen te leggen : wegen aai.l.ggen. Oprichten : eene school aanlegden. Als eischer een rechtsgeding begimu n : een proces aanleggen. Mikken - het ge'vet-r aanleggen. Aanschaffen : een rijtuig aanleggen. Den koers hcuden naar : den boeg i.« ord aanleggen. Ow. [zijn) Onderweg stilhouden. Voorden wal komen. Aanleg, m. Het aanleggen. Ontwerp. Doel. Bedoeling. Natuurlijke geschiktheid. Het aangelegde. Benedendikte van eenen muur. Dijk- en wegenbouw. Het plar tsoen. Aanlegplaats. Rechtbank van eersten, aanleg : rechtban-.


ocr page 19

— 7 —

AANJI

AANP

wier bevoegdheid zich uitstrekt over 't arrondissement. Aanlegger, m. (-s.). Aan/e^-gint;,?. {-eti). Aanlegplaats, v. (-en). Aanlegster, v. (-s). — staulcidcn. bw. Leidende nader brengen. Ergens heen brengen. Oorzaak zijn (van).—Aanleidelyk,hx\.Aan-leider, m. ( s). Aanleiding, v. (-en). Aanleidster, v. (-s). — aauleiicii, ow. Zie Aanleunen. — aatilcii^cn, bw. Dunner, slapper, vloeibaarder nidken. Ow. {zijn). Langer worden. — aanlciincii, ow.

Schuins tegen jets rusten of steunen. Zich iels laten aanleunen : zich iets laten toeschrijven. Aanleuning, v. (-en). Aanleumngspunt. o. (-en). — sinulllt;*li-len, ow. izyn). Licht geven. Bw. Door iichten nader hrengen. — aanliKg'vu, ow. [hebben) Aan den disch liggen. Liggen te branden (van brandende storten). In deze of gene richting varen. Aanliggend, bn. — eenpersw. Lijden : het leed een jaar aan. — nauliikcu, bw. Een touwen omboordsel aan 't zeil aannaaien.— aanlUmcii, bw. Alet lijm vasthechten. Aanti/rmng, v. (-en). — aanloei^n, ow. [zijn] Loeiend naderen. Bw. Loeiend bedreigen.— aanloereu, bw Loerend aanzien. — aanlocvcn, uw. (zyn, hebben). Scherp tegen den wind houden. — aanlokken, bw. Doen naderen door gebaren, enz. Overhalen in znn belang. Trachten te verleiden. Aanlokkelijk, bn. bijw. Aanlokkelijkheid.v [..heótn). Aanlokking, v. (•en) Aanlpksel, o. ( s, -en). — aanlon-ken, bw. Vriendelijk toeknikken met de oogen.— aauloiMlen, bw. Peilende eene kust. enz. nabijvaren. — aanloopen, ow (zyw), hw. eenspersw. iN'aar lem. toe-loopen. Snel loopende naderen. Zich onder 't loopen tegen ietsstooten. Duren. lem. in 't voorbijgaan bezoeken. lem. lastig vallen. Er tegen loopen : niet slagen, in strijd zijn met. Langs de kust aanloopen : dicht bij de kust varen. Zwart doen aanloopen : eene rwartetint geven. Aantoop, m. (-en). Aan-loopkleur, v. ( en). Kleur, die bet staal bij verhitting bekomt. — aanlolcn, ow. [zijn). Dienstplichtig worden door de loting.

— nan mak en, bw. Vasthechten. In voorraad vervaardigen. Doen branden. Toebereiden. Voortmaken. Aanmaak, in. — aanaiaiicn, bw. Vermanen. Opwekken. Herinneren (.ian de betaling). Aanmaner, ra. {•$), Aanmaansler, v. ( s). — Aanma-ttingyV. (-en). — aanmarclicorcn, ow. {/tebben, zijn). Tn zekere richting marchee-ren. Begiiinen te marcheeren. Snel mar-cheer^n Aanmarsch,n\.— aauinatitclt;^n (ztrh), ww. Zich onrechtmatig toeëigenen. ^let geweld bemachtigen. Aanmatigend, bn. bijw. Laatdunkend. Troisch. Wawwa/z-ging, v. (-en). — aaiiuicllt;leii, bw. Aandienen. Bekend maken. Z;ch aanmelden : rich in zekere hoedanigheid bijiem. bekendmaken. Zich laten aanmelden : zijne komst laten aankondigen, v. (-en).

— aaiimenden, bw. Mengen. Aan-meuginq, v. (-en). — sianmcnncu, bw. Met oenen toom besturen.— aanmeren, bw. Met touwen vastleggen (een schip).— atanmerken,bw. Opmerken. Gadeslaan. Beschouwen. Aanmerkelijk, bn. bijw.

Aanmerkenswaardig, bw. Aanmerkingt v. (-en).— aanmeten, bv. De maat nemen. Zich aanmeten : zich aanmatigen, zich vermeten. — aanmetselen. bw. Metselende verbinden. Ow. Vlug voort-tnetselen. — nanmln(iie)lt|k, aanminnig:, bn. bijw. Bevallig. Innemend. Aanminhj kheid, aanminnigheid, v. (...heden). — aanmoclt;liicen, bw. Aansporen. Moed inboezemen. Aanmoediging, v. (-en).— aanmoeien, bw. Iem. met een verzoek, enz. lastig vallen. — aan-moeren, bw. Aanschroeven. — aanmoeten, ow. {hebben). Aangetrokken moeten zijn. Aangestoken moeten zijn. Bw. Moeten aanhebben. — aanmoeen, ow. Aangetrokken mogen zijn. Aangestoken mogen zijn. Bw. Mogen aanhebben. — aanmondingr* v. (-en). Wijze, waarop men een blaasinstrument aan den mond zet.

— aanmonsteren, bw. Bij monstering in dienst nemen. Aanmonstering, v. (-en).

— aanmorren, ow. (zi/n). Morrend naderen. Bw. lem. morrend beschuldigen.

— aanmuntcn, bw. Nieuwe munten slaan. Aanmunting, v. (-en). — aannaaien, bw. Naaiende vasthechten. Iem. ooren aannaaien ; iem. iets wijsmaken. Ow. [hebben) Spoed maken met naaien. Aan-naaung, v ( en). — aannaderen, ow. {zijn). Nader komen. Aannadertng, v. — aannagelen, bw.Met nagels vastmaken. Aannagehng, v. (-en). — aannemen, bw. leu uit de handen van een anderover-nemen. In zich opnemen. Aanleeren. Het aangebodene gaarne ontvangen. Bij schriftelijke akte aanvaarden. Op zich nemen iets te doen. Ondernemen. Iem. in gunst, liefde enz. ontvangen : als of tot kind aannemen. Voor goede munt aannemen : geloof aan iels hechten. Ontfermen ; neem u onzer aan. Ow. {hebben) Toenemen : de wind neemt aan. Aanneemster, v. (-s). Aait' nemelijk, bn. Aannemelykheid, v. Aannemer, m. (-s). Aanneming, v. (-en). Aannemingsbiljet, o. {-teu). Aannemingssom, v. (-men). — aannopen. bw. Aansporen.— aanopperen, bw. Aan oppers stellen. Aanbrengen. — aanpakken, bw. Vatten. Aanvallen. Iem. toespreken.

— aanpalend, bn. Aangrenzend. — aanpaaaen, bw. Beproeven of een klee-dmgstuk goed zit. Iem. eenen pak aanpassen, hem eene dracht slagen geven.— aan -peil, m. aanpnhng, v. (-en). Opneming bij handelaars in voorwerpen van verbruik, op hi t tijdstip, waarop eene verhoogde belasting wordt ingevoerd. — aanpeai-nen, ow. [hebben). Spoed maken met schrijven. — aanperwen. bw. ow. {zijn). Persende samendrukken. In menigte of met kracht voorwaarts dringen. Aanptrsing, v.

— aanpiepen, bvv. Met een piepend geluid bedreigen. — aanpUpcn, ow. {htbben). Zijne pijp aansteken. — aanplakken, bw. Door middel van stijfsel, enz. vasthechten, Bekendmaken. Te duur verknopen. Aanplakbiljet, o. (-ten) Aanplakker, m. (-si. Aanplakking, v. ( en).

— aanplanten, bw. Nieuwe gewassen planten. Spoed maken met planten. Aanplant, ra. Het aankweeken. Teelt. Aan-


ocr page 20

— 8 —

AANR

AANS

-plantinc, v. ( en). — aanploi.Htereu, bw. Het beschadigde van pleisterwerk door bepleistering aanvullen. Spoed maken met pleisteren. Aanpleistering, v. (-en). — skuii|»lekli«'ii, bw. lem. iets aaoplekken, hem met iels kwaads besmetten.— aau-plciu|ieii, bw. Eene gracbt, enz. dempen en het drooggemaakte met den vasten grond vereenigen. Aauplemping, v. (-en). — auuploctft'u, bw. £en stuk land verder beploegen. Door beploeging verbinden. Voortgaan met ploegen. Aatiploeging, v. (-en). — aanplompcu, ow. {zijn). Plompend, door het water plassend aankomen. — sianpuuteu, ow. {hebben) Voortgang maken met het werk, waaraan men bezig is — aau|»ori-cn, bw. Aansporen. Aanporder, m. (-s). Aaiiporriniz% v. (-en). Aautonter, v. (-s). — aau-lgt;oleii, bw. Nieuwe gewassen planten. l£ene ziekte, ongedierte, enz. op een ander overbrengen. Aavpoter, m. ( s). Aanpo-iiug, v. ( en).— aaupraaieu, bw. L.en schip toeroepen, om te weten van waar bet komt, enz. — aau|»raflt;?n, bw. Door praten opdringen, enz. Ow. {hebben). Voortgaan met pralen. — aaiipreolieu, bw. ow. Aanpraten. — aau|»re»*eu, bw. Sterk dringen. — aaiiprü*«Ui. üw. Aanbevelen. Den lof van lem. of iets verheffen. Zich zeiven aanprijzen : zich aanbevelen door zijn gedrag. Aanpryzer, m. (-s). Aan-pryzing, v. ( en). — aauprikkelcu. aanprikkeu, bw. Met een puntigen stok steken, stooten. Aansporen, Aanprik-keiaart m. (-s, ..aren). Aanprikkelaar-ster,v. ( s). Aunprikkeling, v. ( en). Aanprikkelster, v. (s). — aan prullen, ow. (zijn). Pruilend naderen.— aaupauleii, bw. Eene punt aan iets maken. Scherper maken. lem. aanpunten : hem aansporen, tot een wclenschappelijken strijd, enz. Aa/i-punter, m. (-s). Aanpunting, v. ( en). Aanpuntring, m. ( en). Aanpuntschijf, v. (-en). Aanpunt ster ,y. (-s).— aanraden, bw. Raad geven om iets te doen. Aanraad-ster, v. ( s). Aanrader, m. i-s, -en). — aanraken, bw. Met de hand aan iets of iem. komen. Aanroeren. Aanraking, v, (-en). Aanrakingspunt, o. (-en). — aan-rakken, bw. Het rak van de ra aan den mastdoen.— aanramiueien, ow. (zijn). 1 Rammelend naderen. — aanrantien, bw. Aanvallen. Aanrander, m. (-s, -en). Aanranding, v. (-en). — aanransen, ; bw. Iem. aanvallen of ruw bejegenen. Aan-ranser, m. (-s. -en). Aanransing, v. (-en).

— aauratelen, ow. (zijn). Ratelend naderen. — aanraieeren, bw. De ruimte op en tusschen gewelven met metselwerk aanvullen. Aanrazeering, v. (-en).

— aanrazen, ow. (zijn). Razend naderen. Bw. lem. met heftige taal bejegenen. Iem. loeiend bedreigen.— aanreeliten, bw. Opdisschen. Een feest geven.

o. (-en). Aanrechtbank, v. (-en). Aanrech-ter, m. (-s, -en). Aanrechting, v. (-en). Aanrechtkeuken, v. ( s). Aanrechtta/el, v. (-s). — aanreiken, bw. Overgeven. Van hand tot hand laten gaan.Aanreiking, v. (-en). — aanrekenen, bw. Op rekening stellen, loeschrijven. Spoed maken met rekenen. — aanrennen, ow. (zy'n, hebben). In galop rijden. Aanrennen (op) : met vijandelijke oogmerk naar iem. of iets toerennen. —aanrieliten, bw. Veroorzaken. Aanrichter, m. (-s, -en). Aanrichting, v. Aanrichtster, v. (-s, -en). — aan-rült;len. ow. (zijn). Rijdende naderen. Snel rijden. Beginnen te rijden. Met zijn rijtuig tegen iets stooten. Bij iem. aanrijden : in 't voorbijgaan iem. een bezoek brengen. Op iem. aanrijden : rijden in de richting naar iem. Bw. Rijdende aanraken en meestal beschadigen. Paarden aanrijden : beginnen ze af te richten. Personen aanrijden t ze naar eene bepaalde plaats voeren. Iem. aanrijden, hem lastig vallen. — aanrUgren, bw. In eene rij. aan eenen draad vastmaken. Twee zeilen door middel van een touw rijgende aan elkander verbinden. Aan den degen rijgen • doorsteken. Aanryging, v. (-en). —aanrUp^n. ow. (zyn). Rijper worden. — aanrtMfen, bw. Aan een touwtje rijgen. Aanristmg. v. (•en). — aanrit, ra. Snelle beweging der ruiterij om met den vijand handgemeen te worden. — aanrlt«elen. bw. Aanprikkelen. Aanritsehng, v. (-en). — aanrit-«en, bw. Aanprikkelen (meestal tot het kwzde). Aanritsgetd. o. ( en) . Handgeld.

— aanroeien, ow. (zyn) Vooruitkomen met riemslagen op het water. Roeiende snel naderen. Aanleggen ^met eene schuit). Bw. in 't voorbijroeien iem. oen bezoek brengen. Iem. ol iets met een roeivaartuig aanvoeren. — aauroegien. bw lem tot zich roepen Roepen lot iem. Um bijstand, enz. smeeken. Cod aanroepen : op God hopen. Mana aanroepen : haar erkennen als koningin van hemel en aarde en levens baren bf)stand al'smeeken. Heiligen aanroepen : hunne voorspraak vragen Aanroeper, ra. (-s). Aanroeping, v. l-en). — aanroeren, bw. Aanraken. Vermelden. Bewegen, treffen. Oppervlakkig behandelen. Vloeibare stoffen door roeren met iets vermengen. Gij hadt die snaar niet moeten aanroeren : gij hadt hiervan moeten zwijgen. Aanroering, v. (-en). — aanroeMlen. ow. (zijn) Zich door roesten vasthechten (aan). Aanroesting, v. I-en). — aanrollen, ow. (zyn). Rollende voortgaan. Bw. Kollende doen voortgaan. — aanrooken, bw. Even uit eene pijp enz. rooken. — aanrnilen, bw. Door ruiling verkrijgen. Aanrutliug, v. (-en). — aanrnii»euen, ow. (zi/'n). Ruischend naderen. Bw. Rui-schend aanblazen. — aanrukken,bw. Rukkende nader brengen. Laat nog een fleschje aanrukken, opkomen. Ow. (zyn). Naderen (van troepen). — aanctarren, bw. Sterk aanhitsen (tegen). Aansar-ring, v. (-en). — aanseliatfen, bw. Doen verkrijgen. Zich aanschaffen, w.w. Aansch t.ffing, v. (-en). — aaiiHeiiake-len, bw. Met schakels verbinden. Aan-schakelmg, y. (-en). — aanseliarre-len, ow. (zijn). Met ongelijke schreden en slepend naderen.—aauMeiiellen, ow. (hebben). Aanbellen. — aaiiKelienie-ren, ow. (zyn). Schemerend aanbreken,

— aanselienden, bw. Met geweld aanvallen. — aan»etierpeu, bw. Weder


ocr page 21

AAXS _

scherp maken. Aanscherping, v. (-en). — si:«ii*4'liioten, bw. Aantrekken (een kleed) . Heproeven (een geweer). Licht kwetsen (door een schot'. Üvv. {zyn)'. Plotseling met geblaf aansnellen (van honden). Toesnellen. Vooruitkomen lt;van een werk). Aanhoudend toenemen in hoogte en onstuimigheid (van de zee). — uniislt;*h|jii, o. Uiterlijk voorkomen. Aanblik. Tegen-woordigheid. Gelaat. — aanscliUnoii, bw. Verlichten. Ow. {hebben). Den schijn van iets hebben. — aaiiNcliikkeu, ow. {zyn). Schuivende naderen. Zich aan den disch zetten. — ow.

{zyn). Voortgaan te schimmelen. — aau-Hrliiifere», bw. Tegenschitteren. lem. bekoorlijk toeschijnen. — aanKCliocioii, bw. Schoenen aandoen. Zich aanschoeien, ww* — aanscliofTclcn, ow. {zijn). Langzaam gaan. Bw. Opnieuw schoffelen. Spoed maken met schoffelen. Aanschnjfe-v. (-en). — aaiiftvlioiiimelen, aaiiselioiisrelen, ow. {zijn). Schommelend naderen. — aanselioiitven, bw. (Onsch^ Beschouwen. Aanzien. Gadeslaan. Gewaarworden. Ten aanschouwen van iem. : in zijne tege:« woordigheid. ^4««-schotnv, m. Aanschotiwbaar, bn. bijw. Aanschouw(ejlijk, bn. bijw. Aanschou-ivelykheid, y. Aanschotnver, m. (-s, -en). Aanschouwing, v. (-en). Aanschouwingsvermogen, o. Aanschouwster, v. (-s, -en). aauNehrapen, bw. üp inhalige wijze verzamelen. — aauselirappen, bw. ISIet eene schrap aanteekenen. — aan-selireeu^veu, bw. Tot iem. schreeuwen. Iem. iets toeroepen. Ow. (hebben). Voortgaan met schreeuwen. Aanschreeu-•wing, v. — aaii«elir«»ien,bw. Schreiende^ srneeken. — aaiiHolirllden, ow. (2^«). Met groote stappen naderen. — aanseliriiven, bw. Opteekenen. Schriftelijk bevelen. Beleggen (eene vergadering). Voortgang maken met schrijven. Bij iem. goed aangeschreven staan, in gunst zijn. Aanschrijving, v. (-en). — aanseliroe-ven, bw. Schroevende iets aan iets anders bevestigen. De schroef vaster draaien. Aanschroeving, v. (-en). — aanaelmd-«len, bw. Aanstooten en heen en weer bewegen. — aanMelmireien, ow. [zijn). Met een sissend geluid aankomen. — aauseliiiinen,bw. Nog schuiner maken.

— aaiiKelmiven, bw. Schuivende nader brengen. Schuivend aantrekken (een kleed). Ow. {zijn). Schuivende naderen. Aan-schuiving. v. (-en). — aannyrelen, ow. {zyn). Met een sissend geluid aankomen. — stansjokken, ow. {zyn). Met plompen tred naderen. — aaiiNjorren, bw. (Zeew.) Iets stijver vastbinden door het aantrekken der touwen, waarmede het gebonden is. Aansjorring, v. (-en). — aan »j on wen, bw. Iets, dat moeilijk is te ve.'voeren, naar eene zekere plaats brengen. Ow. {zyn) Sjouwend naderen.

— aanslaan, bw. Treffen met de snel bewogen hand, o! met een snel bewogen voorwerp. Het geweer aanslaan, tegen de wang cl aan den schouder leggen. Neder-duwen : eene toets aanslaan. Aangrijpen. Zekeren toon aanslaan : zekere gemoeds-

— AANS

stemming openbaren (meestal in ongun-stigen zin). Iem. aanslaan, ten huwelijk nemen. In zijne woning opnemen : een kind aanslaan. Beslag leggen op iets, in beslag nemen. Aanvaarden : eenen boedel aanslaan. Ondernemen. Groeten. Vasthechten : de vlag aanslaan. Aanhechten: een slot aanslaan. Ten verkoop aanbieden. Iets hoog aanslaan : er hooge waarde aan toekennen. Iem. (laag, hoog) aanslaan (in de belasting) : iem. hoog, laag, schatten. Verbeurd verklaren. Dieper indrijven. Ow. {hebben) Uit zich zelf eenen toon geven. Eventjes zingen (van vogels). Eventjes blaffen (van nonden). Beginnen te slaan (van de klok). Met iets anders in aanraking komen. Sluiten : die klep slaat wel aan. Dat paard slaat aan : slaat in den draf den achterhoef tegen den hoef van de n voorpo ot. {zijn) Beslaan: de ruiten slaan aan. Bedekt worden met nederslag : de stoomketel was aangeslagen. Aanslag, m. (-en). Aanslagbiljet, o. (-ten). Aanslagkom, v. (-men). Aanslagraam, o. en v. (..amen). Aanslag-rooster, m. (-s). Aanslagsteen, m. (-en). Aan slags toe l, m. (-en).— aanslappen, ow. {zyn). Verslappen. — aansleepen, bw. Voorttrekken. Aansleeping, v. (-en).

— aaiiMlenferen, ow. {zijn). Slenterend naderen. — aanslepen, ow. {zijn). Schoorvoetend voortgaan. — aaiiHlen-ren, bw. Aansleepen. Ow. {zijn) Langzaam voortgaan. — aanHliltben, ow. {zijn). Aanslijken. Aanslibbing, v. (-en). Aanslibsel, o. (-s). — aanslUken, ow. {zyn). Door aangezet slijk grooter worden (van land). Aanslijking, v. (-en). — aan-etlUinen, ow. {zyn). Vuil worden door de aanzetting van kruitslijm (van geweren, enz.). Aan slijm ing, v. (-en). — aaiiHiy-pen, bw. Scherper maken. — aauNlin-greren, bw. Slingerend nader brengen. Ow. {zyn) Waggelende aankomen. — aanHloflfen, ow. {zyn). Sleepvoetend aankomen. — aaiiMlniken, bw. Waren, enz. ter sluik aanvoeren, zonder belasting te betalen. — aaiiMlnipen, ow. {zyn). Heimelijk naderen. — aan.Hlniten, bw. Iets zoodanig met iets anders doen sluiten, dat het zonder tusschenruimte daarmede verbonden is. Iets vaster doen sluiten. De gelederen aansluiten.aansluiten, ww. Zich in iemands nabijheid houden. Iemands partij kiezen. Ow. {zijn) Aan een ander voorwerp passen. Zóo met iets verbonden zijn, dat het daarmede een welsluitend geheel uitmaakt. Aansluiting, v. (-en). Aansluitingsplaats,v. {-exi). Aansluitings-punt, o. (-en). — aansmeden, bw. Smedende aaneenvoegen.Snel doorsmeden. Aan smeding, v. — aansnielten, bw. Smeltende samenvoegen. Snel doorsmelten. Aansmelting, v. — aansmeren, bw. Met smeer bestrijken. Grof met kalk aanstrijken. Het ontbrekende smeersel aanvullen. Spoed maken met iets te smeren. Te duur verkoopen. Bedrieglijk iem. iets opdringen. Bedriegen. Aansmering, v. (-en). — aan.mnenlen, ow. {zyn). Sterker smeulen en daardoor vlam vatten.

— aaiiNiny ten, bw. Iets smijten in de richting naar een punt. Iets op iem. smijten.


ocr page 22

AANS — I

zoodat het aan hem blijft kleven. Slordig aantrekken. — stuiiMiiMUweu, bw. Op norschen toon en kortaf toespreken. — sa.iiiHiK'tl*', v. i-n), sismsiice, v. (-en). De voorsprong van den bovensten tand der zaag voor den ondeisten. — aziiiHuellcii, o\v. (zy;/) Haastig komen . aanloopen. — siufiNiiydvii, bw. De eerste snede in iets doen. Vlug doorsnijden. Aansnijding, v. — aaiiHiiooron, bw. Door snoeren verbinden. Vaster snoeren. Aan een snoer rijgen. — iistiisnorrcii, ow. {zyn) Snel en snorrend naderen. — astimiiiiiveu, ow. [zif'n) Snuivend naderen. — aunsol-dcercii, bw. Een stuk metaal aan een ander soldeeren. — ststimpaiiiien, bw. Paarden, enz. vastmaken aaneenen wagen, enz. Den wagen enz. vastmaken aan de paarden, enz. Sterker spannen. Zich aan-spantien, ww. Zich aan t werk zeiten. Ow. {zijn) Samenspannen : met iem. aanspannen. Aanspanner, m. (-s). Aanspanning, v. (-en). Aan*pansieri v. (-s). — scamp;n-spallcn, ow. (zyn) Springen (van water ei.z.)teg« n iets aan. — ictiiMpeldon, bw. ^let spelden vasthechten. — ststiiHpelon, ow. (hebben) Het eerst spelen. Sneller spelen. Zinspelen. Bw. Aantrekken (van kleederen). — sistimpcton, bw. Aan het spit doen. — ststiiHpicën, usinH|»UOi bw. Door middel van spieën vaster doen aansluiten. — astiiMpükercn, bw. Met spijkers vastmaken. Aanspijkering, v. (-en).

— auiiHpQleii, bw. vastmaken (vleesch enz.) aan despijlen van den zolder enz. om gerookt te worden of te drogen. — Aanspij-ling, v. — siaii!*|gt;iiiiicii, bw. Aaneenvoegen door spinnen. Vlugger spinnen. — asiiigplilscii, bw. Door splitsen het eene uiteinde van een touw aan een uiteinde van een ander touw vasthechten. Aanspii/sin^, v. (-en). — astuwpoc' «Ion, ow. (zijn) Met spoed naderen. — aaiiNpocllt;'ii. bw. Op het strand werpen. Door het water op het droge geworpen worden. Snel wasschen (goed). Ow. (zi/n, hebben). Aan wal komen drijven. Aanspoe-ling, v. (-en). Aanspoelsel, o. (-s). — aaiiHporcii, bw. De sporen geven. Aanmoedigen. Aansporing, v. (-en). — siaii-sporcn, ow. (z7/n, hebben) Met den spoorwagen aankomen. Snel voortstoomen.

— aaiiMprekon, bw. Toespreken. Iem. om iets aanspreken : eene gunst enz. vragen. Iem. over iets aanspreken : hem daarover onderhouden om verklaring van zijne woorden enz. te vragen of hem daarover te berispen. Bezoeken (in 't voorbijgaan). Begin maken met iels te verbruiken : zijn kapitaal aanspreken. Verkoopen ; hij zal zijn landgoed moeten aanspreken. Drinken : de fiesch aanspreken. Noodigen : ter beurafenis aanspreken. Dagen : iem. in rechten aanspreken. Ow. (hebben) Toon veven : die pijpen spreken goed aan. Aanspraak, y. (..aken). Toespraak. Kedevoe-nng. Êisch, recht. Op iels aanspraak maken : beweren recht op iets te hebben. Wij hebben weinig aanspraak, weinig bezoek. Ook, rhetoriscbe figuur. Aansprake-lijk, aauspranklijk, bn. Verantwoordelijk. Aansprakelijkheid, v. Aanspreeks/er, v.

i — AANS

(-s). Aanspreker, m. {-s). Aanspreking, v^ (-en). — aanspringen, ow. (zijn) Tegen iets opspringen. Springend naderen. Bw. Springend aanraken. — aaiiNpiiffcn, aaiiHpuwcn, bw. Op iets spuwen. Voortgaan met spuwen. Groot bewijs van verachting geven. Aanspuging, v. aan-spinving, v. — aanstaan, ow. (hebben) Behagen. Half geope id zijn (van eene deur). Nabij zijn. Aanslaand, bn. Aanslaande, m. en v. (-n). Verloofde. — stan-Ntastrlcn, bw. Den kop van het eene paard aan den staart van het andere verbinden. — aaiiNtsilto, v. (-n). Toebereidsel. — aaiiMtampcn, bw. Dichter ineenwerk» n. Stampende fijnmaken. Vlug voortstampen. Indrukken : de lading van een geweer aanstampen. Ow. (zijn) Stampend naderen. m. ( s). Aan-stamping, v. (-en). A a nsla mpsler, v. (-s). aanstappon, ow. {zijn) Naderbij komen. (Hebben) Sterk stappen. Bw. Zekeren afstand atle-ggen. — aanstaren, bw. Strak aanzien. Aanslarin^, v. — aan-steigreren, ow. (zy//) Steigerend naderen.

— aansteken, bw. Aan het spit steken. Vasthechten, door middel van eene speld, enz. Opsteken (licht). Aanmaken (vuur). Opsteken (een vat wijn). Besmetten. Ow. (zijn) Beginnen te rotten (van vruchten). Aansleekkasl, v. (-en). Aansleeksler, v. (-s). Aanslekelyk, bn. Besmettelijk. Aan-slekelijkheid, v. Aanstekend, bn. Besmettend. Aansleker, m. (-s). Aansleking, v, (-en). — aanstellen, bw. Tegen iets plaatsen. Benoemen. Zich aanslellen, ww. Zich aanstellen als : zich gedragen als. Aansleller, m. (-s). Aanslelling, v. (-en).

— aansteniinen, bw. Beginnen te stemmen (een speeltuig). Aanheften (een lied),

— aanstenipelen, bw. Van eenen stempel voorzien. Aanslempehng, v. — aanMterken, ow. [zijn) Toenemen in kracht. — aansterven, ow. (zijn) Bij erfei is ten deel vallen.— aanstevenen, ow. (zijn, hebben) Komen aanzeilen. Sterk voorwaarts stevenen. — aanstloliten, bw. Veroorzaken (iets kwaads). Aanslich-ler, m. (-s). Aanslichling, v. Aanslichl-sler, v. (-s). — aanstUsren, ow. (zijn) Stijgend naderen. — aanstyveii, ow. Stijfde aan, is aangestijfd. Stijver worden. Aanslijven, bw. Steef ain, heeft aangeste-ven. Stijver maken (linnen). — asiii*tik-ken, bw. Door stikken aan elkander hechten. Snel doorstikken. Aanslikkingt v. (-en). — aanstippen, bw. Met eene stip aanteekenen. Iets even met den vinger aanroeren. Terloops van iets melding maken. Aanslipping, v. ( en). — aanstot-len, bw. Van stof reinigen. — aanstoken, bw. Vuur aanmaken. Beter doen branden. Aanhitsen. Aansloker, m. (-s). Aansloiing, v. (-en). Aanslooksler, v. ( s).

— aanstommelen, ow. (zijn) Stommelend naderen. — aanstonds, bijw. Terstond. — aanstooin«-n, ow. (zi/n, hebben) Stoomend naderen. Hard s oumen (tegen). — aanstooten, bw. Iets door stouten met iets anders in aanraking brengen. Iets door stoo'en voortbewegen. Voortgaan met stoo:en. Tegen iets stooten.


ocr page 23

AANT — I

Ow. 'hebben) Aandruischen. Stameren : metdetonp stooten. Aanstoof, m. Schok. Sttuikelblok. Ergernis. AanstootelyH, bn. Injw. Ergerlijk. Onbetamelijk. Aanstoo-telykheid, v. (..heden). Aanstootend, bn. Aangrenzend. lt;Wapenk.) Aanstoot* nde zwaarden : zwaarden met tegenoverstaande punten. Aanstooting, v. (-en). — naii-bw. Vaster stoppen. Spoed maken met stoppen. Iets door stoppen aan iets anders vastmaken. — sisinsioriiK'ii, ow. {zt/u) Stormend raderen. Bw. Met geweld aanvallen. Eenpw. {hebben) Met toenemende hevigheid stormen (van den wind).— uuiiMtortcn, bw. Turven tegen iets stapelen. Doorstorten (van zand, enz.) dijken in den vereischten toestand brengen. Ow. [zyn] Vallend aankomen. Zich op iem. of iets storten. Aansto* t, o, (-en). Dubbele rij overeind staande turven. Aanstor-tt'ng, v. (-en). — ststiiMtoutvcii, bw. Samerpakken (van goederen).—sistitHlr:!-bw. Stialen op ilt; ts weiper. — unn-Ntrsmimcn, ow. (zyw) Strammerworuer.

— siaiiKf raiKlcn, ow. {zyn) Aan «trand geworpen worden. Aanspoelen. Aanstranm ding, v. — astiiNtrcolcii, bw. Door streelen aanlokken. Aanstreeling, v. (-en).

— simiNtrcpcn, bw. Met eene streep teekenen. Eene streep ergens bijplaatsen. Aanstreping, v. (-en). — aaiiMlrevon, ow. {zijn) Toesnellen. — aaiiHtrUdon, bw. Aanranden. Aantijgen. — aaiiMtrU-ken, bw. Bepleisteren. Met verf bestrijken. Aanslaan (van paarden).. poed maken met strijken. In brand strijken. Neerlaten (een zwaren last). Qw. Aanvliegen. Met deftigen tred naderen. Aanstrijking, v. (-en). —aaiiMtrikkcn, bw. Met linten enz. vastmaken. Met eenen strik vasthechten. Vlug strikken. Aanstrikking, (-en).

— aanslroiupclcii, ow. {zijn) Strompelend naderen. — aaiistroomon, ow. (zyn) Stroomend naderen. In menigte aankomen. Bw. Stroomend aanvoeren. Aan-strooming, v. — aanstruikclcn, ow. {zyn) Struikelend naderen. — aaiiMlu-«Kcercn, ow. {hebben) Ijverig studeeren.

— aanstuiken, bw. Door stuiken koppen aan nagels, enz. vormen. Aanstuiking, v. (-en). — aansf ui ven, ow. {zijn) Naar eene plaats toestuiven en daar zich ophoo-pen. Zich vormen of uitbreiden (van duinen, enz.) Snel aankomen. Aanstuiving, v. (-en). — aaiiftturen, bw. Naar een bepaald punt richten. Eenen persoon naar iemands woning zenden. — aanwin «ven, bw. Stuwend voortl rengen. Met kracht voortbewegen. — aaiSMiiklivleia, ow. {zyn) Sukkelend nadi r» n. — aaiiMiillvn, ow. {zijn) Glijdend r.ad» ren. — aantal, o. Onbepaalde hoeveelhtid. — aanla*-ten.b.v. Met de volle band aan;alten of omvatten. Aanranden. Aangiijp- n (van ziekten, enz.) Aanspreken : zijne bezittingen aantasten. Zich zeiven aantasten : de hand aan zijn leven slaan. Kwetsen ; iem. in zijne eer aantasten. Aantasting, v. (-en). — aanteekenen, bw. Metten teekenmerken. Opschrijven. Iets, dat tot opheldering enz. van den tekst dient, schriftelijk daarbij vermelden. Spoed maken met iets te teeke-

1 — / AANX

nen. In ondertrouw laten opnemen. Brieven of pakken aanteekenen, laten inschrijven ter verzending. Verzet aanteekenen tegen iets: openlijk verklaren, dat men er zich tegen verzet. Hooger beroep (laten) aanteekenen. Aanteekenaar, m. (-s, ..a.TCu).Aanteeken-boek, o. en m. (-en). Aanteekengeld, o. ( en). Aanteekening, v. (-en). Aanteeke-ningsparty, (en). Partij ter eere van een verloofd paar. Aanteekenkantoor, o. (..oren). Kantoor, ter verzending van goederen. — aantelen, bw. Aanfokken. Aankweeken. Aanteling, v. (-en). — aantellen, bw. Toetellen. Vlug tellen.

— aanleren, bw. Het beschadigde van een geteerd voorwerp met teer be-itrijken. Gedaan maken met teren. — aanteriren, bw. Door fel tergen in woede ontsteken en tot wraak aandrijven. Aantergtng, v. (-en). — aantfehten, bw. Te laste leggen.— aantieren {zich), ww. Zich voor anderen aanstellen (met het bijdenkbeeld van afkeuring). Ow. {hebben) Aanhoudend razen en woeden. — aantü-Ken, bw. 'Ie laste leggen. Aantyger, m. (-s). Aantijging, v. (-en). — aantikken, ow. {hebben) Zachtjes aan iemands deur enz. tikken. Bw. Tiknen op iets : de toetsen aantikken. Een voorwerp tegen een ander tikken : de glazen aantikken. — aantil-len, bw. Tillend nader brengen. — aan-ti in nieren, bw. Aanbouwen. Spoed maken met timmeren. A a nttmmering, v. (-en). — aantoelit, m. Het optrekken van een leger. Nadering. — aantokkelen, aantokken, bw. Aanroeren (snaren, enz.) Aanlokken. Aafitokkeling, v. (-en). — aantoonen, bw. Doen zien. bewijzen. Aantoonend, bn. Aantooner, m. {•%).Aanteoning,v.— aantooveren, bw. Door toovcrij iets aan iem. aanhechten ot' mededeelen. — astntorHen, bw. Met moeite aandragen. — aantrappen, bw. Vastirappen. — aantreden, ow. {zyn) Metgelijkmatigen tred aankomen. (Krijgsd.) Bijeenkomen op de loopplaats en zich in het gelid stellen. Geregeld voortgaan, {hebben) Den eersten pas doen bij het marcheeren. Aantrede, aantree, v. (..treden). De breedte der treden van eene trap. De onderlinge afstand der stootborden. — aantreffen. bw. Toevallig ontmoeten of vinden.

— aantrekken, bw. Tot zich trekken. Door eene inwonende kracht een ander lichaam naar zich toe bewegen : de zeilsteen trekt aan. Vasthouden (van lijm). Aanlokken, bekoren. Door trekken op de vereischte plaats brengen : het zeil aantrekken. Vaster d.-en aansluiten. Troepen met het hoofdkorps verecnigen. Aandoen (vankleederen). Door trekken .aan 't branden brengen. Iem. in zijn huis opnemen. Zich aantrekken, ww. Jets ter harte nemen, er zorg voor dragen, er zich mede bemoeien, er zich gekrenkt of bedroeid over gevoelen. Zich over iem. erbarmen. Ow. {zyn) Aanrukken. Langzaam op den voet volgen (van jagershonden). Door het trekken van den luchtstroom ontvlammen. Aantrek, m. Aantrekking. Hij heeft veel aantrek, wordt veel bezocht. Aantrekkelijk, bn. Bekoorlijk. Gevoelig. Prikkelbaar. Aan-


ocr page 24

AANV — I

irekkrlykhetd, v. (..heden). Aantrekker, in (-s). Laarzentrekker. Aantrekking., v. Aantrekkingskracht, v. — siantrii»-l»cleii, o\v. {zy'n) Trippelend naderen. — saaiilrouneii, b\v. Aanhuwen. Aan-trouzvïiKT, v. — bw. Iets aan

iem. op ernstige wijze betuigen. Aantni-ging, v. (-en). — bw. Turend

aanzien. — sisiiiV2tai*lt;leii, bw. Aanvaardde, heeft aanvaard. Ondernemen. Op zich nemen. Beginnen te bekleeden. Aannemen. Eene erfenis aanvaarden : als rechthebbende optreden, om er over te beschikken. Aanvaarder, ni. (-s). Aatt-vaardtng, v. (-en) Aanvaardster, v. (-s).

— ïismvitllcii, bw. Gewelddadig aangrijpen. Met graagte, aantasten (eetwaren, enz.). Hekelen. Bestrijden. Tegenspreken. Ow. (zyn) Zij vielen allen hem aan. Aanval, m. (-len). Aanvattend, bn. bijw. Aanvattenderwyze, ..wyV, bijw. Aanvaller, ra. (-s, -en). Aanvallig, bn. Bevallig. Aanvalligheid, v. (..heden). Aanvalsfront, o. (-en). Aanvalskolonne, (-n, -s). A an va Isk reet, m. (..eten). Aanvalsmijn, v. (-en). Aanvalsplan, o. (-nen) Aanvalspunt, o. ( en). Aanvalssein, o. (-en). Aan-valitcekcn, o. (-s). Aan va Isveldtoch t, m. (-en). Aanvatsvertooning, v. (-en). Aan» v-ilwapen, o. (-en, -s). Aanvalswrrk, o. (-en). Aauvalswyze, „wijs, v. (..wijzen).

— stsisirstiii£Cii, bw. Beginnen. Onder-nomes. Doen beginnen. Ow. {zy'n) Een begin nemen. Aanvang, m. Aanvanger, ra. {•$). Aanvangspuf.'t, o. ( cn). Aanvang-ster, v, (-s). Aanvankrliik, bn. Eerste. Beginnende. Bijw. In het oegin. — Tureu, ow. {zijn) Varend naderen. Aankomen. Onder het varen stooten (tegen). Bw. Varende aanbrengen. Aanvaart, v. Alleen in : af- en aanvaart, vertrek en aankemsr der schepen.v. (-en).

— aanvallen, bw. Aantasten. Aanvangen. Aanvatter, m. (-s). Aanvatting, v. (-en). — aanvecliten, bw. Aantasten. Bestrijden. Door den slaap aangevochten zijn. Aanvechter, m. (-s). Aanvechting, v. (■en). — aanvegen, bw. Door vegen schoonmaken of in den vereischten toestand brengen. — aaiivordiencu, bw. Door werken eene schuld delgen. — aanver-Hier ven, ow. {zijn) Aanbesterven. Aan-versterving, v. — sianvertrouwen, bw. Aanbetrouwen, — aanverwant, m. (•en). Aangehuwtiie. Aanverwante, (-n). Aanver7vantschap, v. — aanvetten, bw. Vetter maken. Alet vet bestrijken. Geschrevene letters dikker maken. Ow. (zy'n) Vetter worden. — aanvüllt;'n, bw. Door vijlen nader bewerken. Spoed maken niet vijlen. — aanvlakken, bw. Aanra-zeeren. Aanvlakking, v. (-en). — aan-vlaiunien, ow. {zr/n) Ontvlammen. Bw. Doen ontvlammen. — aanvleeliten, bw. Iets door vlechten aan iets anders verbinden. Voortgaan met vlechten. Aan-vtechting, v. (-en). — aanvletten, bw. Al et vletschuiten aarde aanvoeren. — aan* vlieden, ow. {zijn) Vliegend nader komen. Met groote snelheid naderen. In brand vliegen. Bw. Woest te lijf gaan. Beieedigen. Aanvlieging, v. — aanvlie-

— AANW

ten, ow. {zy'n) Zachtjes aanstroomen. — aanvloeien, ow. (zy'n) Langzaam stroo-mend aankomen. — astnvlotten, ow. (zy'n) Aandrijven. Bw. In vlotten aanvoeren. Aanvlotting, v. (-en). — aanvoe-«len, bw. Onderhouden. Versterken. — aanvoegen, bw. Te zamen voegen. Aanvoegend, bn. Aanvoeging, v. (-en). A an voeg set, o. (-s, -en). — aanvoelen, bw. Eventjes met de hand aanraken. — aanvoeren,bw. Aanbrengen dooreenig vervoermiddel. Bijbrengen : bewijzen aanvoeren. Te pas brengen : voorbeelden aanvoeren. Geleiden (krijgsvolk). Bevel voeren. Aanvoer, m. (-en). Het aanvoeren. Het aangevoerde. Invoer. Aanvoerbuis, v. (..zcn).Aan7'oerder, ra. Aanvoer doek, o. Aanvoering, v. Aanvoerpyp, v. (-en). Aanvoer rol, v. (-len). Aanvoerster, v. (-s).

— aanvonken, ow. {zy'n) Ontvonken.

— aanvragen, bw. Verzoeken. Uitvor-schen. Iets op officieele wijze vragen aan eene bevoegde macht. Aanvraag, aanvrage, v. (..agen). — aanvriezen, ow. {zy'n) Vastvriezen, {hebben) Voortgaan met vriezen. Aanvriezing, v. — aanvullen, bw. Het ontbrekende bijvoegen. Aanvnl-ling, v. (-en). Aanvullingsmanschap, v. (-pen). Aanvullingsspant, o. (-en). Aan-vulhngstroepen, ra. rav. Aanvulsel, o. (-s).—aanvuren, bw. Sterker doen branden. Geheel in vuur zetten. Aanprikkelen. Aanvuring, v. (-en). Aanvuurder, ra. (-s). Aanvuur ster, v. (-s).— aanwaaien, ow. {zijn) Door den wind aan 't branden raken. Door den wind nader gevoerd worden. Onverwachts en toevallig op eene plaats aankomen. Met winderigen gang aankomen. Tot iem. of iets waaien en er zich aan vasthechten. Onverwachts en toevallig in iemands bezit raken, {hebben) Sterker waaien. Bw. Op den luchtstroom aanbrengen. — aanwaoltten, ow. {hebben) Wachten op het aankomen. — aan-waggelen, ow. {zy'n) Waggelend naderen. — .aanwakkeren, ow. Aanmoedigen. Ow. {zy'n). Sterker worden (van den wind). Aanwakkering, v. (-en). — aan-wa udele n,o w. (zyW) Wandelend naderen, {hebben) Sneller voortgaan. — aan-wapperen, ow. {zy'n) Wapperend, fladderend aankomen. — aanwaMHen, ow. {zijn) Aangroeien. Zich uitbreiden. Aan iets vastgroeien. Aanwas, ra. Aangroeiing. Vermeerdering, (-sen) Aangespoelde grond. Aanwassing-, v. (-en). — a an wellen, bw. Aansmeden. — aanwenlt;len, bw. Gebruiken. Besteden. Aanwendbaar, bn. Aanwending, v. — aanwenken, bw. lera. door wenken tot zich roepen. Ow. (zeew.) Wenk wat aan vóór ! — aanwen* nen, {zich) ww. Zich tot eene gewoonte maken. Aanwenniug, v. ( en). Aanwensel, o. (-s, -en). Aanwenst, v. (-eo). Gewoonte. Hebbelijkheid. — aanwentelen, bw. Door wentelen nader brengen. Ow. {zy'n) Wentelend aankomen. Aanrollen. Aanwenteling, v. (-en). — sianwerken, bw. Het voorschot verdienen. Het verzuimde inhalen. — astn werpen, bw. Toewerpen. Aanvoeren (van den stroom). Schielijk aantrekken (een kleed). — aanwerven, bw.


ocr page 25

AANZ —

Krijgsvolk, enz. in dienst nrmen. Leden winnen. Aa/wverver,m. (-s). Aanwerving-, v. (-en). — bw. Aanslijpen.

— itsaiawcvoii, bw. Door weven samenvoegen. Ijverig doorweven. — sistim'C-asen, o. Jlet tegenwoordig zijn. Bestaan. Aa/nrezenii, bn. Tegenwoordig. Werkelijk bestaande. Annzvezig, bn. Aamveztg/ietd, v. —y bw. Een gat boren in den steel der pijp. — siaii^vüzon, bw. Doen zien. Aantoonen. Aanduiden. Aari-Tvysbaar, bn. Aanwysster, v. (-s). Aan-Tvyzend, bn. Aatnvyzer, m. (-s), Aamvy-zing-, v. (-en). — sisimvillcii, ow. [hebben) Die laars wil nie t aan. De kachel wou niet aan. Bw. Zij wilde volstrekt haar nieuw kleedje aan. — asinnliidcn, bw. Door winden nader brengen. Vlug winden. — sisimvinnen, bw. Voordeel trekken. Verwekken : kinderen aanwinnen. Ow. Toenemen. Aanwinning, v. (-en). Aanwinst, v. (-en). —sistmviiitcrcn, eenpw. {hebben) Voortgaan met winterweer te zijn.

— aaiiMippcit, ow. {zyn) Een klein bezoek brengen, in 't voorbijgaan. —aun-wlttcn, bw. Opnieuw witten. Ijverig door-witten. — astnwockcrcn, bw. Door woeker verkrijgen. Ow. (zy//) Welig voort-groeien. — astnwortclcn, ow. {zijn) Wortel schieten (van boomen, enz. die verplant zijn). — aanivrU ven, bw. Tegen of op iets wrijven. Ijverig doorwrijven. Aantijgen. ./fowzt-ryWwg, v. (-en). — aun-wrovten, ow. \zyn) Wroetend nader komen. Slaafs werken. — aanwiiivvn, ow. [zyn) Wuivend naderen. Bw. Toewuiven. lem. door wuiven tot zich roepen. — aanzaaion, bw. Bezaaien. — aanzagen, bw. Beginnen te zagen. Aanzaging, v. — aaiizalcUen, ow. {zijn) ByVenzak-ken. Langzaam naderen. —aauzaiKlen, bw.JMetzand bestrooien. — aaiazegelen, bw. Door middel van eenen zegel vasthechten. — aanzcerKcii, bw. Mondeling bekendmaken. Aankondigen. Bevelen. Dagvaarden. Iets van iem. zeggen : men zou het hem niet aanzeggen. Aanzeg, m. Aanzegger, ra. (-s). Aanzegging, v. (-en). Aanzeghuis, o. (..zen). Huis, waar de boodschappen moeten bezorgd worden voor iem., die afwezig is. — aanzeilen, ow. (zyn) Zeilen in de richting naar een voorwerp. Zeilend naderen. Onder het zeilen stooten (tegen), {hebben) Sterk doorzeilen. Bw. Onder het zeilen met zijn schip een ander schip aanraken. Aanzeiling, v. (-en).

— aanzenden, bw. Iem. naar iemands woning zenden om hem te spreken, enz. Voorwerpen zenden en op de teruggave wachten : eene inteekenlijst aanzenden. — aanzetten, bw. Iets zoo plaatsen, dat het aan iets anders raakt. Iets zoo plaatsen, dat het vlak bij iets anders komt te staan. Iets aan eenig voorwerp vastmaken. Vastnaaien. Iem. of iets zetten op de bestemde plaats. Aanvangen : eenen toon aanzetten. Maken, dat zich iets in eene bepaalde richting beweegt. Aan 't branden maken. Feller doen branden. Prikkelender van smaak maken. Wetten. De deur aanzetten : eene deur aanstooten en ze een weinig geopend laten. Aan den mond zetten : den

3 — AAP

horen aanzetten. Doen verliezen ; eene partij (in 't spel) aanzetten. Dronken maken : eenen roes aanzetten. Eene ziekte aanzetten : mededeelen. Aanhalen (zeew.) Aansporen. Ow. {zyn) Licht aanbranden. Doorzakken (van eieren). Zich als eene korst vasthechten. Haastig aankomen. Toenemen. Elk. aanzetten : elk. aanmoedigen. Aanzetbnis, v. (..zen). Aanzeihamer, m. (-s). Aanzet hout, o. (-en). Aanzetklos, m. {■sen). Aanzetrasp, v. (-en). Aanzetriem, m. (-en). Aanzetschroef, v. (..ven). Aanzetsel, o. (-s). Aanzetstaal, o. (..alen). Aanzetster, v. (-s). Aanzetstuh, o. (-ken). Aanzetter, m. (-s). Aanzetting, v. (-en). Aanzetvijl, v. (-en). — aanzeulen, bw. Aansjouwen. Ow. {zyn). Zeulend naderen.

— aanzicliten, ow. aanzichtte. Iem. een zeker aanzicht geven : hoe aanzicht me dat hoedje? Passen. Aanzicht, o. (-en). Blik. Uiterlijke vorm. 't Voorste gedeelte van 's menschen hoofd. Aanwezigheid. — aanzien, bw. Met aandacht naar iem. of iets zien. Iem. in 't aangezicht zien. Iets laten geworden. Achtgeven op iem. of iets. Houden (voor) : als eenen vriend aanzien. Zich voordoen : naar het zich laat aanzien. Beschouwen : zoo men de zaak van dien kant aanziet. Iem. iets aanzien : het aan hemzien. Ovy. {hebben) Tegen iets aanzien, (beter) opzien. Aanzien, o. Aanzicht. Invloed. Gewicht. Onderscheiding, eer, achting. Ten aanzien (van) : ten opzichte {vz-n).Aanziend, hn. (VVapenk.) Aanziende leeuwen : leeuwen tegenover elkander. Aanziener, m. (-s). Aanzienlij k, bn. bijw. Voornaam. Aanmerkelijk. Aanzien-lykheid, v. Aanzienster, v. (-s).— aan-zUn, o. Aanwezen. — aanzilten, ow. {hebben) Zitten aan of bij iets. Aanzitting, v. — aanzoeken, bw. Verzoeken. Ten huwelijk vragen. In verzoeking brengen. Raadplegen. Ow. {hebben) Om iets bij iem. aanzoeken : pogingen aanwenden om iets te verkrijgen. Aanzoek, o. (-en).— aan-zoeten, bw. Zoeter maken. Ow. [zyn) Zoeter worden. Aanzoeting, v. (-en). — aanznigren, {zich) ww. Door zuigen zich aan iets vasthechten. Aanzuiging, v. — aanzuiveren, bw. Vereffenen. Aanzuivering,v. (-en).— aanznren, bw.Zuurder maken. Ow. {zijn) Zuurder worden. Aanzuring, v. (-en) — aanz^vaaien, ow. {zijn) Zwaaiend naderen. — aan-zwakken, ow. {zijn) Zwakker worden.

— aanziveepen, bw. Met de zweep voortdrijven. Aansporen. — aanzwellen, ow. {zijn) Meer en meer zwellen. —

— aanzwemmen, ow. {zyn) Zwemmend naderen. Aanspoelen, {hebben) Vlug zwemmen. — aanzweven, ow. {zijn) Zwevend naderen. — aanzwoegen, ow. {zijn) Zwoegend naderen. Met moeite en inspanning aankomen.

aap, m. (apen). Vierhandig zoogdier : Simia. Iem., die dom en belachelijk alles navolgt. Iem. voor den aap, voor den gek houden. Den aap in de mouw hebben, loosheid verbergen. Hij laat den aap' uit de mouw kijken : hü toont wie hij is. —Aapachtig, bn. — Aapjessnuif, v. Soort van snuiftabak. — Apenbakhuis, o. (..zen). —


ocr page 26

AARD — I

Apeiibakkes, o. (en). — Apenbek, m. ( Ken). - Apengezicht, o. ( en). — Apen-kool, v. 't Is maar apenkooi, zotternij. — Apenkop m. (-pen). Domoor. — Afien-A-7*ur, v. ( .uren). — Apenliefde, v. (rig.) liiinde liii'de. —Apen rok, m. (-ken). (Fig.) Hanss» p. — Apenspel, o. — Aperij, v. .(-en). Belachelijke nabootsing. Nuttclooze verrichtingen. — Apin, v. (-nen).

siar, v. (aren). Ader.

star, v. (aren). Bovenste gedeelte der halmen van gras- en graangewassen, waarin de bloemen en zaadkorrels zich bevinden.

starlt;l, m. Wezen, natuur, natuurlijke eigeiischappen : de wolf ruit wel van baard, maar niet van aard. Inborst, karakter: hij heefteen aardje naar zijn vaartje.Gezamenlijke hoedanigheden, het wezen eener zaak uitmakende en haar van andere zaken onderscheidende. Uit den aard (uiteraard) : van nature. Naar den aard : zooals 't behoort. Dal het een aard heeft : zeer, sterk, duchtig. Soort. Ploeg- of bouwland : korenaard. Woonplaats Gewest. Grond, (-en) Afgeslotene of niet aigcslotene plaats, waar men kolen, pannen, enz. lost en liggen laat om verkocht te worden. Winkel: aard houden. Plaats tusschen twee netten, -waar de lokvogel zit. Die netten.

aarcisiolitifir, bn. Naar aarde gelijkende. Met aarde gemengd. —Anrdach-tigheid, v.

aai*«lalccr, m. (-s). Eetbare knolwortel eener plant, die als onkruid in de bouwlanden \oorkomt en bij uitzondering aangekweekt wordt. De plant zelve : lathyrus tnberosus.

aai'damaiKlol, v. ( s). Wortelknol van het eerbare c3-pergras (typerus esculent ui).

aarlt;laii{;lt;*lgt; v. Onkruid, vorrko-mende vooral in het akkerland van Zuid-Frankrijk.

astrdappcl, m. (-en, -s). Eetbare knol van Solarium tuberosum, tot de nachtschaden behoorende. — Van onheugelijke tijden werd deze vrucht in Zuid-Amerika aangekweekt. Waarschijnlijk waren het de Spanjaards, die ze in Europa overbrachten (midden der XVIe eeuw). Parmentier heeft ze eerst in Frankrijk en vandaar in gansch Europa gemeen gemaakt, (einde der XVIII®eeuw).

aardbei, v. ( en), aardbozic, v. (..iën). Plant. Vrucht. Plantengeslacht, tot de natuurlijke familie der rosaeeën behoorende, dat verscheidene in- en uitland-scbe soorten bevat, waarvan sommige om de smakelijke vruchten bij ons worden aangekweekt. —A a rdbez iënbed, o. (-den). — Aardbe?ieplant, v. (-en). — Aardbeziestruik, m. (-en).

aardbvrging, v. (-en). Het toelaten door de aargelanden, dat bij het uitdiepen der vaarten, enz. de baggeraarde op deu kant hunner aangelegen landerijen geworpen wordt.

aardbezieboom, m. (-en). Altijd groene heester, groeiende in 't wild langs de ^liddellandsche Zee, niet zeldzaam als sierplant bij ons aangekweekt : arbutus unedo.

. — AARD

aardbodem, m. Oppervlakte der aarde.

aardbol, m. De planeet, wgt; Ike wij bewonen. ( len). Aardglobe. Bolvormig lichaam, welks doorsnee van pool tot pool een langwerpig rond i1?. As= 1713.12 geogr. mijl. Evenaar =t 1718,86 geogr. mijl. Omtrek (onder de evvimachtsliju) = 5400

geogr. mijl. Oppervlakte = 9,260,500vierk. geogr. mijl. Bewoners = 1500 millioen menschen. (Zie zee ) De aardbol is een donker lichaam, dat 't licht van de zon ontvangt, van 't Westen, door 't Zuiden, raar 't Oosten om de zon wentelt en onderwijl in dezelfde richting om hare as draait (om de zon op 365 d. 6 u. 9 m. 11 1/1 s.; om hare as, op 23 u. 56 m. 4,1 s.). (Zie Maan.) De rotsmassa's en geiteenten, waaruit de schors des aardbols is samengesteld, zijn in drie klassen verdeeld : i0 primitieve of plutonische rotsmassa's, door afkoeling rondom de gloeiende en gesmolten massa des aardbols gevormd; 2° bezonkene of


ocr page 27

AARD — i

nepiuntsche r tsmassa's en aard apen, door mfchar.ische en chemische werking des waters teweeg gebracht; vu Ik anise he rotssoorten of s'off» n, w- Ike uit den aardbol geworpen, zic h over zijne oppervlakte verbreid of opgehoopt hebben. Ten aanzien van den betrekkeüjken ouderdom, verdeelt men de schors des aardbols in primitieve, overgangs-, secondaire, tertiaire, diluviale en alluviale formatiën, waarbij de vulkanische ioxmatit gevoegd wordt.

stardboog:, m. (..bogen). Gewelf in cl onder den grond.

startlboor, v. (..boren). Werktuig om boringen in de aaide te doen (inz. bij mijnwerkers in gebruik).

aard bra iid, ra. (-en). Brand in de aardkorst. Branderige uitslag (bij kinderen).

aard brood, o. Knolgewas : cyclamen europceuvi.

aardbuil, v. ( en). Paddenstoel, welken men thans truffel noemt.

aarddulvel, m. (-s). Geschubde miereneter : mams.

aarde, v. De planeet, welke wij bewonen. Aardbol. Aarubodera. De vaste grond, in tegenoveist. van water en dampkring. Woonplaats der mcnschen, in tegenoverst. van den hemel. De begane grond. De vaste stof (klei, zand, enz.). De stof, waarin de planten groeien. De stof, waaruit een aantal voorwerpen gemaakt worden. Aan sot rt : roode aarde. Het ge-heele menschdom. Over of boven aarde staan : gestor\en maar onbegraven zijn. Hemel en aarde bewegen : alles in het werk stellen. — Aardbeschrijver, m. (-s, -en). — Aarabeschryvtng, v. {-cd).—Aardbeving, v. (-en). — Aardbevtngimeter, m. (-s). — Aardbewoner, ra. ( s, -en).— Aardebaan, v. (..anen). — Aardeling, ra. en v. (-en), aardehnge, v. (-n), aardbewoner. — Aarden, bn. Van aarde gemaakt. — Aard-gewas, o. (-sen). — aardglobe, v. (-s). — Aardgordel, m. (-s). Een der vijf deelen der aarde, waarin de oppei vlakte der aarde door keer- en poolkr.ngen vlt; rdreld wordt.

— Aar aha ling, v. (-en). (Dijkb ) Het web alen van aarde uit eens anders grond.

— Aardhocp, m. (-en). — Aardklomp, m. (-en). — Aardklont,y. (-en). — Aardkloot, m. ( en), aardbol (in hoogeren stijl). — Aardkluit, v. (-en). — Aardkcrst, v. — Aardkuil, m. (-en). — Aardlaag, v. (..agen). — Aardlevering, v. (-en). Het afstaan van aarde uit eigen grond door aangelanden. — Aardmand, v. (-en). — Aard-meetkunst, v.— Aardmeter, ra. ( s). — Aardmeting, v. (-en). — Aardschok, ra. (-ken). — Aardschors, v. — Aardschud-ding, v. (-en). — Aardschuit, v. (-en). — Aardstamper, ra. (-s). — Aardtrapper, m. (-s). — Aardvast, bn. Aard- en nagelvast. — Aardverschuiving, v. (-en). — Aardvrucht, v. (-en). — Aardzak, ra. (-ken).

aardeikel, ra. (-s). Aardaker (in Gelderland).

aardon, ow. ik aardde, heb geaard. Den aard hebben van iem. of iets. In aard overeenkomen (met). Groeien, tieren, ge-

5 — AARD

.dijen (van planten). Ergens naar zijnen zin wonen en leven, 't Is een goed kind, dat naar zijnen vader aardt.

aardewerk, o. Huishoudelijk vaatwerk, uit leem gevormd en in het vuur geha d, meestal met eene binnen- en bui-tenlaag van verglaassel bedekt. — Aardewerksschuit, v. ( en). — Aardewerkswinkel, ra. (-s).

aardeeest, ra. (-en) Berggeest, kabouter.

aardgoed, o. De 2 a 4 bladen der tabaksplanten, die op de onderste bladen volgen.

aardliar.*», v. en o. * (-en). Brandbare dells;of, verbinding van kool- met waterstof, soras week cl vast, maar ook vloeibaar.

siardlioniniel, ra. (-s). De meest gewone inlandsche soort van hommels, die hunne woning in hole 1 onder den grond hebben {Bombus terrestris.)

aardig, bn. bijw. (Van personen). Geestig, aanvallig, aangenaam in den omgang. (Ironisch.) Onbevallig, onaangenaam, wonderlijk. (Van zaken.) Lief, bevallig, fraai. Welgevallig, genoeglijk. Welwillend, vriendelijk. — Iets aardig vwiden : er behagen in scheppen (ook, het vieemd vinden). Iets niet aardig vinden : het onheusch achten. Vrij groot : een aardig soraraetje.

Aardigheid, v. (..heden). — Aardig-jes, bijw,

aardknnde, v. Onderdeel der aardrijkskunde, dat de kennis van de bestand-dvclen d« r aardkorst oravat. — Aardkundig, bn. — Aardkundige, ra. en v. (-n).

aardnianuefje, o. (-s). Aardgeest, aard mier, v. (-en). Mier, die in de aaide nesult.

aardiuUt, v. (-en). Gewone soort van raijt, rood of geel van kleur, met langen pneravorraigen snuit en groote getakte tasters, veelal aan vochtige plaatsen, hetzij op den grond of op boomstammen levende.

aardmolni {aardmulm), o. Droge, losse, fijne aarde, in tegenstelling van slijk en zand.

asirdmills, v. (..zen). Muis, die in de aardt-, onder den grond, in velden en akkers leeft. Ook veldmuiH {mus arva-lis) genoemd. Ook = aa-daker.

aardnool, v. (..noten). Scherrabloe-raige plant : carum bulbocastanuni. Ook = aardaker.

aardolie, v (..oliën). Steenolie, petroleum.

aardparkiet, ra. (-en). Zeker papegaai uit Australië : pezoporus.

aardpeer, v. ( .peren). Behoort tot de saraengesteldblot-migen, is nauw verwant aan elezonnebloem (fr. topinambour) \ helianthus tuberosus. Hare knollen zijn zeer geschikt tot veevoeder.

aardpek, o. Zie Asphalt, aardpimpernoot, v. (..noten). Behoort tot de peulvruchten: arachis hy-pogcea.

aardplakker, ra. (-s). Werktuig om versch opgeworpen aardwerken vast en gelijk te sl.ian.


ocr page 28

AARD — I

start!ryic, o. De aarde met alles wat zij bevat. Aardbodem, liet menschdom. — A a rdryksbesch rijver ^ m. (-s, -en). — Aardrijksbeschrijving, v. (-en). — Aardrijkskunde, v. Do wetenschap, die ons de planeet, welke wij bewonen, leert kenntn, jn betrekking tot liet heelal {wiskundige-), in hare natuurlijke gesteldheid {natuurkundige-) en zooals de mensch, die in staten verdeeld met gemeenten en vervoerwegen bezet heeft {staatkundige aardrijkskunde). Werk, dat de aardrijkskunde in haren geheelen omvang min of meer uitvoerig behandelt. Inz. een leerboek. — Aardrijkskundig, bn. —Aardrijkskundige, ra. en v. (-n).

sisirdrocrins:, v. (7611). (Eert.) Zinnebeeldige verrichting bij de gerechtelijke aanvaarding van een stuk lands in eigendom ofte pande, waarbij men door het steken en overreiken eener graszode den eigendom afstond en overdroeg.

sistrdrol, v. (-len). IJzeren of steenen rol, om grond vast in een te drukken en vlak te maken.

stsirri rolling-, v« (Krijgsw.) Bijzondere wijze van or; der graving.

sust rd rook, m. Duiven kervel. stsirdHcli, bn. Tot de .'arde, tot de wereld betrekking hebbende of behoorende. Vergankelijk. Aardsch paradijs : zie Paradijs. — Aardschgezind, bn. —Aardsch-gezindheid, v. — s[ardschhetdr v.

— AART

sistnlsrliiiw, m. (Dicht.) De aarde schuwer de.

sisirlt;lamp;Ialc, v. (-ken). Weekdier, van de fam. der longslakken. Leeft in dt n grond en komt na sterken regen en 's avonds te vcorschijn. Roode aardslak : Umax rufus. Zwarte aardslak : Umax agrestis, sistrdMlstiig, v. (-en). Slang, die op den grond leefr.

sisiiMlftjpiu, v. (-nen), Spin, die op den grond leelc.

aardster, v. (-ren). Paddenstoel, tot de buikzwammen behoorende : geaster.

siard.Htrik, m. (-ken). Veelal kortweg strik genoemd : verboden jaebttuig.

aard (or, v. (ren). Loopkever, sistrdvsirken, o. (-s). Zeker tandeloos zoogdier : ory eter opus.

stsirdvcil, o. Zie Hondsdraf, saardverf, v. (..ven). Algemeene benaming van minerale verfstoften.

stsirdvloo, v. (-ien). Een glinsterend, blauwgroen bladkevertje : haltica.

stard vork, v. (-en). IJzeren vork met twee tanden, om taaie kleizoden te bewerken.

sisirdwaH, o. Stof van geringe hardheid, mengsel van koolwaterstoffen.

aardgt;vork, o. (-en). Het verplaatsen van aarde bij den aanleg van dijken, vestingwerken, enz. De opgeworpen aarde zelve. — Aar diverker, m. (-s).

stard^vind, v. (-en). Zie Aardewind. aardwoli', m. (..ven). Roofdier van de fam. der civetkatten : profetes lalandei.

siardworm {aardwurm), m. (-en). [Lumbricus terrestris), ook pier ge-heeten, door de visschers bij voorkeur lot aas gebruikt, behoort tot de gelede dseren, tot de klasse der ringwormen. Houdt liefst zijn verblijf in vette gronden. Machteloos, ellendig schepsel.

Astron. Werd door zijnen broeder Mozeshoogepriester gewijd (1490 vóórChr.) en stierf te Hor (14^1).

sisirs, m. (..zen). Opening in het achterlijf. Het achterste. — Aarsdarm, m. (-en). Endeldarm. — Aarsgat, o. (-ten). Ondereind van een gevelden boom. — Aarsvoet, m. (-en), aarsvoeter, m. (-s). Watervogel, van het geslacht der duikers : Cotymbus cristatus, cOrnutus, enz. — Aarsworm, m. (-en).

siartN, vz. Slechts in samenstellingen bij naamw. en hoedanigheidsvv. gebruikt, beteekenende het voornaamste eener soort, in goeden of kwaden zijn: Aartsbedrieger, m. (-s) — Aartsbedriegster, v. (-s). — Aartsbisdom, o. (-men). — Aartsbisschopy m. (-pen). — Aartsbisschoppelijk, bn. — Aartsdeugniet, m. (-en). — Aartsdiaken, m. (-en-s,).—Aartsdiakenschap, o. (-pen). Aartsdiocese, aartsdiocees v. (..esen).

— Aartsengel, m. (-en). — A a rtshertcg, m. (-en). — Aartshertogdom, o. — Aarts-hertogelijk, bn. — Aartshertogin, v. (-nen). — Aartskanselier, m. (-s, -en). — Aartsketter, m. (-s). — Aartsleugenaar, m. (-s, -aren). — Aartspriester, m. (-s). — Aartspriesterschap, o. (-pen). — Aartsschelm, m. (-en). — Aartsvader, m. (-s, -en). — Aartsvaderlijk, bn. — Aartsvij-


ocr page 29
ocr page 30
ocr page 31

ABR A gt; — i

tifid, m. (-er). — Aarisvyandin, v. (-nen).

Marzelcu, o\v. aarzelde, heeft geaarzeld. Dralen. Weifelen. In twijfel zijn. — Aarzeling, v. (-en).

itas», o. Voedsel van nienschen en dieren, inz. voedsel van roofvogels. Lokaas. Kreng. Gemeen vrouwspersoon.

un.H, o. (azen). = Een ; de eenheid in kaart-, dobbel-, dominospel, enz. (Eert.) gewichtseenheid = 0,0047 gram = 1/32 van een engels = 1/640 van een ons.

nakdoiurcolit, o. (Eert.) Recht, volgens hetwelk de nalatenschap bij versterf overging aan de naaste bloedverwanten, onverschillig van welke ziide. De afdalende linie ging voor de opgaande en deze voor de zijdelingsche.

AH, ABC, o. (-'s). Alphabet, Letterlijst. Hij is nog aan het AB : hij is nog zeer onervaren. — AB-baiik, v. (-en). — AB-boek, o. tnm. (-en). — AB-bord, o. {-en). — AB-kind, o. (-eren). — AB-plank, v. (-en). — AB-school, v. (..olen).

abaiidoniicercii, bw. abandonneerde, heeft geabandonneerd. Afstaan. De partij opgeven (in't schaakspel). — Aban-doiineinent, o. (-en).

stbbcrdaau, v. Zie Kabeljauw. Abd-cl-Kadcr, 1807-1883, Getna, bij Maskara. Beroemd hoofdman der Arabieren. Streed in Algerië tegen de Franschen (1832-1847). Gevangen genomen en daarna weder in vrijheid gesteld, verdedigde hij de christenen van byrië.

Alxlerralnuaii. Stadhouder van den khalif Yezid (Spanje). Beproefde Frankrijk aan de macht der Arabieren te onderwerpen. Werd verslagen door Karei Martel cn sneuvelde tusschen Poitiers en Tours (732)-

abdU, v. (-en). Klooster, waar mannen of vrouwen, die zich den Heer hebben toegewijd, samenwonen. Het hoofd der mannen wordt abt, dat der vrouwen abdis genoemd.

alidiM, v. (-sen). Zie Abdij.

abeel, m. (-en). Witte populier : popu-lus al ba.

Abeilawd (Abailard), 1079-1142, Palais (nabij Nantes). Geleerd monnik.

abel, bn. Handig. Bekwaam. Aardig. Deftig. Ernstig. Zie Spel. — Abelheid, v. (..heden).

Abel. Tweede zoon van Adam en Eva, door Caïn, zijnen broeder, ter dood gebracht.

abelmoNeli, v. Heester (Oost-Indië, Arabië) : hibiscus abelmoschus.

ablatief, ablaf ivus, m. (ablatieven). Een der naamvallen.

abolilie, v. Afschaffing, aboimeereu, ow. abonneerde, is geabonneeid. Door inteekening ingeschreven zijn. Zich abonneer en, ww. — Abonnement, o. (-en). — Abonnent, m. (-en).

Aboiikir (Egypte, Middellandsche Zee). Triomf der Engelsche vloot op de Fransche (1798) ; Napoleon overwon er da Turken ('799)-

Abrabam (1921 voorChr.). Patriarch. Eerst Abrarn, later Abraham geheettn (d. i. vadirder menigte). Werd door den

' — ACHA

Heer als het hoofd aangesteld van het uitverkoren volk, dat de belofte van den Messias had ontvangen.

abrikoos, m. (boom) ; v. (vrucht) (..ozen). Behoort tot de amandelachtigen : prunus armeniaca. — Abrikozeboomt m. (..oomen).—Abrikozentaart, v. (-en).

— Abrikozepit, v. (-ten).

abniul, o. Alsem. Likeur op kruiden, inz. op brandewijn gelrokken.

sibKolnut, bn. Op zich zelf. Volstrekt. Onbepaald. Onafhankelijk. — Absnlutis' ine, o. Onbeperkte alleenheerschappij.

absolveeren, bw. absolveerde, heeft geabsolveerd. Vergeven (zonden door de priesterlijke macht in de biecht). Vrijspreken. Ontbinden. Voleinden.—Absolutie,v, abstract, bn. Afgetrokken.

abstraet ie, v.(..icn,-s) .Verstrooidheid, abMtralieeren. bw. abstraheerde, heeft geabstraheerd. Afzonderen. Aftrekken. Afleiden.

abt, m. (-en). Zie Abdij.

abiai», o. (..zen). Vergissing. Misvatting. Per abuis: bij vei gissing. Abuis = mis!

— Abuseeren, bw. abuseerde, heeft pea-buseerd. Misbruik maken. Misleiden. Zich abuseeren, ww. Zich vergissen. —Abusief, bn. Verkeerd. Mis. — Abusievelijk, bijw. Bij vergissing.

acacia, m. (-'s). Buitenlandsch boom, tot de peulvruchten behoorende. Hier aangekweekt onder den naam van : Robin ia pseudo-acacia.

acadeuiie, v. (..iën, -s). Vereeniging van kunstenaars of geleerde mannen : de koninklijke academie te Amsterdam, de academie van beeldende kunsten. Horge-school: de academie \an Leiden. Instelling van hooger onderwiis : de militaire academie te Breda. De K. VI. Academie voor taal- en letterkunde weid in België g« sticht bij koninklijk besluit van 8,1 Juli 1886. — Academisch, bn.

accent, o. (-en). Klankteeken. Toon-teeken. Klemtoon. Nadruk.

acceleraudo, bijw. (Muz.). Sneller wordende.

accepteeren, bw. accepteerde, heeft geaccepteerd. Aannemen (te betalen eencn wissel). — Acceptant, m. (-en). — Acceptatie, v. (..iën, -s).

accüiiM, m. (..zen). Belasting op levensmiddelen, enz.

accuraat, bn. Nauwkeurig. acciiKatief, accusativus, m. (accusatieven). Een der naamvallen.

acli, tw. Gevoelsklank, droefheid of smart uitdrukkende.

Acbab (918-878 vóór Chr.). Goddelooze voist. Had Jezabel tot echtgenoote. De profeet Elias leefde onder zijne regeering. Hij deed Naboth ombrengen om in het bezit te komen van diens wijnberg. Werd door eenen pijl getroffen cn stierf te Ramoth-Galaad.

Ackaz (742-727 \óor dir.). Booze koning. De voorzegging, dat het huis van David niet zou uitsterven, vooraleer de Maagd eenen zoon (Emmanuël genoemd) zou gebaard hebben, wtrd onder zijn bestuur gedaan.


ocr page 32

ACHT — i

Aoboron. Stroom der hel (bij de oude Grieken).

Aolaillos. Deze uit den Griekschen heldentijd en door de zangen (Ilias) van Homerus beroemde Thcssaliër, was de zoon van vorst Peleus en Thetis. Hij doodde Hector, bij het beleg van Troja en werd zelf omgebracht door Paris. _

At'lir mclccli. Hoogepriesterdoor Saül gedood.

nelit, v. Vonnis vanwege den keizer van het voormalige Duitsche Rijk, waarbij de schuldige in den rijksban gedaan werd.

nolit, v. Opmerkzaamheid. Toezicht. Zorg. Acht geven, slaan : letten (op). Zich in achtnemen : op zijne hoede ziin, behoedzaam zijn in woorden endaden, zich hoeden voor mogelijke gevaren, zorg dragen voor zijne gezondheid. Iets in acht nemen : zorg voor iets dragen.

ac'lit, v. (-en). Grondgetal : 8.—Achte-half, telw. zeven en half. — Ach feniwintig, m. (-en). Zilveren florijn, zilveren gulden : zilveren muntstuk — 28 stuivers, in omloop van 1601-1846. — Achtentwintiger, m. (-s). Een man van 28 jaar. Een man in 't jaar '28 geboren. Wijn van 't jaar '28. (Alle soortgelijke nw. op er, van de samengestelde tefw. tot 99 afgeleid, worden aldus gebruikt). — Acntheimig, bn. (Plr.) — Achterbande, achterlei, bn. Van acht soorten. — Achthoek, m. (-en). Figuur met acht hoeken of zijden. —Achthoekig,hn.--Achthonderd, telw. : 800. — Achtjarig, bn. — Achtkant, bn. Achthoekig. — Achtkant, o. (-en). Figuur met acht kanten of ziiden. — Soort van verstekhaak (timm.) — Achtkantig, bn. — A ch tiet terg repig, bn.

— Achtmaal, bijw. — Achtmaandsch, bn.

— Achtmannig,hn. (Plr.) Acht meeldraden hebbende. — Achtponder, m. (-s). Brood van acht pond. Kogel van acht pond. Kanon, waaruit zulke kogels gelost worden.

— Achtpootig, bn. — Achtpnntig, bn.— Achtregelig, bn. — Achtste, rangsch. telw.

— Achtste, o. (-n). Achtste gedeelte van iets. — Achtstijlig, bn. (Plr.) Acht stijlen hebbende. — Achttal, o. (-len). — Achttien, telw. : 18. — Achttiende, rangsch. telw. — Achtvlak, o. (-ken). — Achtvlak-kig, bn. — Achtvoetig, bn. (Van verzen).

— Achtvoud, o. (-en). — Achtvoudig, bn. en bijw. — Achtwer/, bijw. — Acht-wyvig, bn. (Plr.) Achtstijlig. — Achtzij-dig, bn.

. aclifel, o. (-s, -en), aclitcliiif?, m. (-en), aolitcmlcel, o. (-en). Oude maat, de helft van een vierendeel of viertel. Het achtste gedeelte van eene maat, die als eenheid oeschouwd wordt.

aclitlt;gt;ii, bw. achtte, heeft geacht. Beschouwen (als). Oordcelen. In waarde houden. Aan iem. of iets zekere waarde toekennen. Zich achten, ww. Ik acht mij gelukkig. — Achtbaar, bn. Achting wekkende (van personen). Geschikt om achting op te wekken. —Achtbaarheid, v. (..heden). — Achteloos, bn. bijw. Onachtzaam. Onoplettend. — Achteloosheid,v. (..heden).

— Achtenswaard, ..dig, bn. —Achtenswaardigheid, v. — Achtgeving, v. — Achting, v. — Achtingswaard, ..dig, bn.

1 — ACHT

— Achtingswaardigheid, v. — Achtzaamr bn.bijw.

aeliter, vz. bijw. Het tegenovergestelde van voor. Vz. Daar zit, schuilt enz. iets achter, t. w. een verborgen zin of bedoeling. Achter iets komen : iets te weten komen. Achter iets zijn : het weten, kennen of kunnen. Zich achter de ooren krabben : berouw hebben. Hij heeft het achter de ooren : hij is een veinzaard. Achter het net visschen : te laat komen, vergeefschen arbeid verrichten. Achter zijnen rug : in zijne afwezigheid. Achter elkander : de een na den ander. Bijw. Aan de achterzijde : die tuin is achter breeder dan voor. Hij is achter : hij is in de kamer, keuken, enz. Uw horloge is achter. Ten achter of ten achteren zijn of raken. _— Achterbaks^ bijw. Achter den rug, in iemands afwezigheid. Iets achterbaks, het verborgen houden. Zich achterbaks houden : zich niet vertoo-nen uit vrees ofschaamte. —Ach ter ba ksch, bn. : achterbaksche briefwisseling. — Achterdenken, o. Achterdocht. — Achterden' kend, bn. — Achter denkendheid, v. — Achterdenkig, bn. — Achterdeur, v. (-en). Deur aan de, achterzijde van een huis. Uitvlucht. Eene goede achterdeur, een appeltje tegen den dorst hebben. — Achterdocht, v. Argwaan. Verdenking. — Achterdochtig, bn. — Achterdochtigheid, v. — Achterelkander, bijw. Achtereen. — Achteren, bijw. Naar, ten of van achteren.

— Achterheen, bijw. Ergens achterheen trekken : iets onderzoeken. Ergens achterheen zitten : iets spoedig doen voortgaan. — Achterhoede, v. (-n). — Achterhoofd, o. (-en). — Achterkasteel, o. (-en). Achterste gedeelte van een schip. Halfdek. De billen. — Achterkousig, bn. Achterdochtig,.

— Achterkousigheid, v. — Achterlader. m. (-s). Geweer, dat men van achteren laadt. — Achter last, m. (-en). Last achter in een schip geplaatst. Aandrang tot buikontlasting. — Achter lastig,hr\. (Zeew.) Van achter te veel diepgang hebbende. — Achterlastigheid, v. (Zeew.) — Achterleen, o. (-en). (Eert.) Leen, door eenen leenman gegeven. — Achterleenman, m. (-nen). — Achterlijk, bn. Ten achteren zijnde (in alle zinnen). — Achterlijkheid, v. (..heden). — Achterloopsch, bn. (Van sluismuren). Niet dicht genoeg. — Achter-, loopschheid, v. — Achtermiddag, m. (-en)..

— Achterneef, m. (-s, ..neven),

nicht, v. (-en). Persoon, die eenen of meer graden verder dan een neef of eene nicht tot iem. in bloedverwantschap staat. — Achternoen, m. (-en). Namiddag. — Ach-ternoentje, o. (-s). Het namiddageten.— Achteronder, o. Achterste gedeelte van een schip onder het dek. — Achterst, bn. Overtref, trap van achter Het meest naar achteren geplaatst of gelegen. De achterste zee : de middellandschezee. — Achterstal, m. (-len). Schuld, rente, enz. die reeds betaald had moeten worden, maar tot dusverre onbetaald bleef. — Achterstallig, bn. — Achterste, o. Het achtereinde van eenig voorwerp. — Achterstel, o. (-len). Achterste gedeelte van een rijtuig. — Achterwaarts, bijw. Achteruit. Rugwaarts.


ocr page 33

ACHT — I

Achterover. — Achfertraarisch, bn. — Achter-wacht, v. (-en). Achterste gedeelte der achterhoede. — Achterwege, bijw. Achterwege blijven : wegblijven, niet geschieden. Achterwege laten : laten uitblijven, niet lat-sn geschieden, iets ongezegd of ongeschreven laten, het geschrevene niet mededeelen. Achterwege houden : niet vermelden, niet mededeelen.

Samengestelde werkw. met achter. Achterblijven, ow. (scheidb. zyn). Blijven waar men is, terwijl anderen henengaan. Vertoeven, terwijl anderen voortgaan. Uitblijven. Achteraankomen. Blijven leven, terwijl vrienden enz. sterven. Zich aan iets gemeenschapm lijks onttrekken. Verzuimen iets te doen. blinder dan anderen vooruit-gaan. Achtergelaten worden. Overblijven. Niet geschieden. — Achterbhjfster, v. (-s).

— Achterblijver, m. (-s). — Achtergaan, ow. (scheidb. hebben). Verachteren (van uurwerken). Te langzaam gaan of loopen.

— Achterhalen, bw. (onsch.). Inhalen. Ontdekken. Verhalen. Bedriegen. Begrijpen. — Achterhaling, v. (-en). —Achterhouden, bw. (scheidb.). Terughouden. Niet vertoonen. Verzwijgen. Verhelen. Zich achterhouden, ww. Niet opkomen voor den krijgsdienst. — Achterhoudend, bn.

— Achterhoudendheid, v. — Achterhou-ding, v. — Achter jagen, bw. (onsch.). jagend achtervolgen. — Achterklappen, ow. (achterklapte). Achter den rug kwaad spreken. — Achterklap, m. — Achterklapper, m. ( s). — Achterklapster, v. (-s).

— Achterlappen, bw. (onsch.). Van nieuwe achterlappen voorzien. — Achterlap, m. (-pen). Hetgedeelte der zool onder den hiej van schoenen, enz. — Achterlaten, bw. (scheidb ). lem. laten waar hij is, terwijl men zelf vertrekt. Stervende iem. nalaten. Voorwerpen laten staan, terwijl men andere wegvoert. Onbetaald laten. Nalaten. Vergeten. Verzuimen. Striemen, sporen achterlaten. — Achterlating, v. — Achterliggen, ow. (scheidb. hebben). Achter een ander liggen. Minder in tel of in gunst zijn. — Achterloopen, ow. (scheidb.Verachteren. — Achterstaan, ow. (scheidb. hebben). Voor iem. of iets onderdoen. — Achterstaand, bn. Hierachter volgende.

— Achterstellen, bw. (scheidb.). Geringer schatten. Minder begunstigen. — Achterstelling,v. — Achtervoegen, bw. (scheidb.). Plaatsen achter iets. Bijvoegen. — Achtervoeging, v. — Achtervoegsel, o. (-s). — Achtervolgen, (onsch.) Bw. Vervolgen. Nazetten. Voorzetten. — Ow. [zijn). Ach-ternah'open, rijden, enz. — Achtervolgens, bijw. Een \ or éen. Na elkander. — Achtervolging, v. (-en). — Achterwaren, bw. Achterwaarde, heeft achterwaard. Verzorgen (kraamvrouwen, enz.). —Achterzvaar-ster, v. (-s), achferwarcgge,v.[-n), achter-warigge, v. (-n). Baker. — Achterzeilen, (scheiob.). Ow. {zijn). Zeilende achterblijven. Voor iem. onderdoen. Achterblijven, terwijl anderen wegzeilen. Niet meedoen. Bw. l£en zeilend schip voorbijzeilen. Iem. aan wal doen blijven.

stclilersian, bijw. Aan den achterkant. Aan het achtertinde. De samengestelde

— ACHT

werkw. met achteraan zijn scheidb. A ch ter a a nb lij ven, ow. {zijn). — Achter-aankomen, ow. {zijn). — Achteraanloo-pen, ow. {hebben, zijn). —Achtet aanzeilen, ow. {hebben).

SK'lifcraf, bijw. Achterat wonen : in eene afgelegene of weinig bezochte buurt wonen. Achterna, van achteren : dat laat zich achteraf gemakkelijk zeggen. — Achtera/brengen, bw. (scheidb.). Iets naar eene verwijderde plaats brengen. Iem. in verzekerde bewaring brengen.

steliterpen, bijw. Achter elkander. Onophoudelijk. — Achtereenvolgend, bn.

— Achtereenvolgens, bijw. Na elkander. Een voor éen.

aeliteriu, bijw. In het achterste gedeelte van iets.

aeliterna, bijw. Naderhand. Later. Van achteren. — De samengestelde werkw. met achterna zijn scheidb. — Achternagaan, bw. ow. {zijn). — Achternaloopen, bw. ow. {zijn). — Achternarijden,bw. ow. {zijn). — Achter nasturen bw. — Achter-nazenden, bw. —Achter nazetten, bw. — Achternazitten, bw.

sielitcrom, bijw. Om de achterzijde van iets. — De samengestelde werkw. met achterom zijn scheidb, — Achteromhalen, bw. — Ac hier omkomen, ow. {zijn). — Achteromloopen, ow. {zijn).

n filter op, bijw. Aan de achterzijde op iets. — De samengestelde werkw. met achterop zijn scheidb. — Achteropkomen, ow. {zijn).—Achteroploopen, ow. {zijn).

steliterover, bijw. Naar achteren hellende of omvallende. — De samengestelde werkw. met achterover zijn scheidb. — Achterover liggen, ow. {hebben). — Achterovervallen, ow. {zijn).

steliteruit, bijw. In de richting naar achteren. Achterwaarts, rugwaarts. In de lichting, tegenovergesteld aan de vorige.

— Achteruit, o. Afgeslotene plaats of tuintje achter een huis. Uitgang aan het achterhuis. Uitvlucht. — De samengestelde werkw. met achteruit zijn scheidb.

— Achteruitboeren, ow. {zijn, hebben). Achteruitgaan in zijne zaken. — Achter-uitdeinzen, ow. {zijn). Zich plotseling van schrik enz. achteruit bewegen. (Zeew.). Achteruitvaren. — Achteruitgaan, ow. {zijn). Achterwaarts gaan. Verminderen in welvaart, gezondheid, bloei, kracht, enz.

— Achteruitgang, m. — Achter uitgeraken, ow. {zijn). Achteruitraken. — Achter uit krabbelen, ow. {zijti). Zich terugtrekken (in handelen of spreken). Pogingen aanwenden om terug te nemen wat eerst gezegd, geschreven, enz. is. — Achteruit-leeren, ow. {zijn, hebben). Meer vergeten dan aanwinnen met loeren. — Achter-uitloopen, ow. {zijn). Achterwaarts loopen. Teruuloopen. — Eenpw. Verminderen in stoffelijke welvaart, enz. — Achtrruitra-ken, oiv. {zijn). Op eene meer afgelegene plaats raken. Verminderen in stoffelijke welvaart, enz. — Achteruitrijden, ow. {zijn, hebben). — Achter uitschoppen, ow. {hebben). Met den voetachterwaarts schoppen. Iem. door schoppen achterwaarts doen gaan. — Zicü wederstrevig betoonen. —


ocr page 34

ACTU — 20

Ackterutischuiven, bw. — Achieruii-slaan, ow. {h' bben). Met eenen of beide acbterpootcn achterwaarts trappen. Zich wedersircvig bftoonen. — Achteruitteren, ow. [zijn). Door het maken van verteringen achteruitgaan, verarmen. — Achteruittreden, ow. [zyn). Een of meer stappen achterwaarts doen. Achteruitkrabbelen. — Achter uitvallen, ow. {zyn). Zich achterwaarts uit de linie verwijderen (van schepen). — Achter uitvaren, ow. {zijn, hebben). Over stuur varen. — Achteruit-•werken, bw. ow. [hebben). (Van werkt.) Zóo werken, dat het in beweging gebrachte voorwerp zich achterwaarts beweegt. (Van weiten, enz.) Terugwerkende kracht hebben. Een zwaar voorwerp zich achterwaarts doen bewegen. — Achteruitwijken, ow. (zijn) Naar achteren wijken. Ontwijken. — Achter uitzeilen, ow. [zijn). (Van een schip). Eene teruggaande beweging aannemen. Achteruitgaan in zijne zaken. — Achter uitzetten, bw. Meer naar achteren zetten, inz. : de wijzers van een uurwerk achteruitzetten. In stoffelijke welvaart, enz. doen achteruitgaan. — Achter-uitzitten, ow. [hebben). In rijtuig, enz. ziiten, met den rug naar de voorzijde.

Aeker {A. van), 1827, Eekloo. Gemeente-Secretaris (Eekloo). Stichtte De Gazette van Eekloo (1867). Schreef Jan en Lotte (novelle, bekroond, 1872); Martje Mariens (novelle, bekroond, 1876); Mono-graphie der s/ad Eekloo.

Ackere [Maria van, geb. Doolaeghe), 1803-1884, Diksmuide. Vlaamsche dichteres. De Avondlamp (1850) ; De Schoone /vunsten in België (bekroond, 1857).

Aclcennstii (^f.), 1330-1387, Gent. Voorstander van Filip van Artevelde.Werd na den slag van Rozebeke tot opperhoofd derGentenaren verkozen. Versloeg de Fran-schen te Aardenburg (1383)Beleg de leper. Nam Oudenaarde in. Veroverde Dam me (1385). Werd verraderlijk vermoord te Gent door Gallodyn.

samp;colytaat, o. Een der vier lagere orden (H. Kerk). Geeft de macht de lichten in de kerkelijke diensten aan te steken, aan het altaar ae kaarsen te dragen, wijn en water voor de H. Mis gereed te stellen en aan te bieden.

2ilt;*oiiitine, v. Alcaloïde, verkregen uit aconitum napellus.

Aoquoy [J. G. Rijk), 1829, Amsterdam. Hoogleeraar (Leiden). Kerkhistoricus. Bui-tenlandsch eerelid der K. VI. Academie. Het klooster te JVindesheim en zijn invloed (1875).

sacteercii, ow. acteerde, heeft geacteerd. Zich in handeling van zijne rol verplaatsen. — Acteur, m. (-s). Tooneel-speler.— Actrice, v. (-s).

adie, v. (..icn -s,). Aanklacht. Rechtsvervolging. Rechtsvordering. Aandeel in eene onderneming of maatschappij. — Ac-tionaris, m. (-sen). Aandeelhebber.

sielief', bn. Werkzaam. Bedrijvig. In dienst. — Activiteit, v.

sieficf, o. Inschulden (tegenoverstelling van passief).

uctustlUcit, v. Tegenwoordige toc-

— ADEL

stand. Werkelijkheid. Gepastheid van het oogenblik.

sicuntiek, v. Gehoor-, geluid-, toon-klankleer.

siduifio, bijw. (Muz.) Langzaam, bedaard.

Adstm. De eerste man. Hij bezat buitengewone kennissen. Gaf aan dieren en vogelen den naam, die hun volgens de natuur toekwam. Verloor, om van de ver-bodene vrucht gegeten te hebben, de onsterfelijkheid, de buiten- en bovenra:uurlijke gaven, voor zich zeiven en yijne nakomelingen. — Adamsappel, m. ( s, -en). Het vooruitstekend gede» Ite van het strottenhoofd. De vrucht eener verschei.'- - 1 id van

den citroenboom. — Adamskostuum, o. — Adamsvork, v. Met zijn adamsvork, met zijne, hand eten.

adder, v. ( s, -en). Behoort tot de slangen. (Zie Dierenrijk). Irz. vipera berus. Er schuilt eene adder in 't gras : er schuilt gevaar onder. Er ligt, onder het voorkomen der onschuld, een boosaardig opzet verborgen. — Adderachtig. bn. Verraderlijk.

— Adderengebroed, o.—Adderen^ebroeds-sel, o. — Addertong. v. (-en). Lasteraar, lasteraarster. (Plr.) Varen, die in vochtige duinvalleien van Nederland voorkomt: ophioglossum vulgatum.

Addison [J.), 1672-1710, Milston. Erg. dichter en criticus. The Campaign (heldendicht, 1704).

additioneel, bn. Bij-, toegevoegd.

sidel, m. De stand der e delen. De geza-melijke edelen. Edelheid, vooitreffelijkneid. Hooge Raad van adel : lichaam, belast met het waken voor de belangen van den adel.

— Adelborst, m. (-en). Adb-pirant-zeeoffi-cier. — Adeldom, m. — Adelen,hw. adelde, heeft geadeld. In den adelstand verheffen. Zedelijk verheffen boven anderen. — Adellijk, bn. bijw. Edel. Deftig.


ocr page 35

ADONquot; — 2

stlt;lclaart m. (-s, ..aren). Zie arend. — Adelaarsblik, rn. (-klt;'n). — Adelaarshout, o. Ecne soort van kostbaar Indisch hout. — Adelaarsnest, o. (-en). — Adelaarsneus, m. (..zen). — Adelaarsoog, o. en v. (-en). — Adelaarssteen, m. (-en). Leemstren, bol- of eivormig, meestal van binnen hol, geel en bruin tot zwartbruin van kleur en ijzerhoudend. — Adelaarsvee?', v. (-en). — Adslaarsvleugel, m.(-s, -en). — Adelaarsvlucht, v. (-en).

stclmu, m. De lucht, welke de levende wezens in zich inhalen en dan weder uitblazen, inz. de weder uitgedrevene lucht. De adem Gods : de levenwekkende en bezielende kracht, van God uitgaande. Levenwekkende kracht : de adem der poëzie, enz. — Ademen, ademde, heelt geademd, o\v. Ademhalen. Bw. Inademen. Uitwasemen. — Ademhalen, ow. haalde adem, heeft ademgehaald. — Ademhaling, v. — Ademing, v. — Ademloos, bn. — Ademtocht, m.

smIci* (as»r),v. (aderen) Adereti: vaten, welke het blo d der longen naar den linker-, en dat derdeelen van 't lichaam naar den rechterboczem van 't hart voeren. Kleine smalle stroompjes. Bron (van tranen). Oorsprong, oorzaak. Lang en smal gedeelte aardkorst, dat erts enz. bevat. Kronkelende streep in hout, enz. — Aderig, bn. — Aderlaten, bw. heeft adergelaten. Bloed uit de aderen trekken. — Aderlater, m. (-s). — Aderlating, v. (-en). — Aderlijk, bn.

udieu, tw. Vaarwel! Gode bevolen! Tot weerziens.

strijeoliof, o. (..ven). Bijv. naamw.

si tij ii «la ut, m. (-en). HulpofRcier. sntjuiiet, m. (-en). Ambtenaar, aan een hoogeren toegevoegd, om hem in zijne ambtsbezigheden bij te staan en hem bij afwezigheid te vervangen. — Adjunct-a dm in is tra teur, m. (-en). — Adjunct-commies, m. (..zen). — Adjunct-houtvester, m. (-s).

ad libitum. (Muz.) Naar believen, administrateur, m. (-en, -s). Bewindhebber. Bestuurder. Beheerder. — Administratie, v. (..iën, -s). — Administratief, bn.

admiraal,m. (-s, ..alen). Opperbevelhebber eener oorlogsvloot. Het admiraalsschip met zijne bemanning. Het schip, waar op de admiraal vaart, het scheepsvolk medege-rekend.— Admiraal-generaal, m.( s-gene-raal, ..alen-generaal). — Admiraalschap, o. Ambt van admiraal. — Admiraalschap, v. Maatschap van reeders. — Admiraalsschip, o. (..epen). — Admiraalsvlag, v. (-gen). — Adf/i ir aalzei ten, o. — Admira-litéit, v. (-en). Zeeraad. — Admiraliteitscollege, o. (-s). — Admiraliteitshof, o. — A dm iral ite it ska mer, v. (-s).

admittevren. bw. admitteerde, heeft geadmitteerd. Toelaten. Toegang verlee-nen. — Admissie, v.

Adonaï. Naam, door dejoden aan het Opperwezen gegeven.

Adonis, m. (-sen).(Gr. fab.) Deschoone prins, door Venus hartstochtelijk bemind. Jongeling van zeldzame schoonheid. Pron-

i — AERT

ker. Plantengeslacht, tot de ranunculaceën behoorend.

adrcH, o. (-sen). Aanduiding van eenen persoon met zijne hoedanigheid en woon. Opschrift op eenen bri« f, een pak. enz. Verzoek. Betoog. Verklaring van gevoelens. Staatsstuk, dot r eene der beide Kamers, in antwoord op de troonrede, tot den ktning gericht. — Adresboek, o. cn m. (-tn). — Adreskaart, v. (-en). — Adreskantoor, o. (..oren). — Adresseeren, bw. adresseerde, heeft geadresseerd. lem. iian een ander adresseeren, hem naar een ancer verwijzen. Iets aan iem. adresseeren : het hem toezenden. Zich adresseeren (ww.) bij iem. : Zich in persoon bij iem. vervoegen. Zich aan iem. adresseeren : zich tot iem. wenden (hetzij in persoon, hetzij schriftelijk, hetzij door de tusschenkomst van eenen derde). — Adressant, ra. (-en). Verzoeker, Vertooner. — Adressante, v. (-n).

AdB'iacnHon (y. B. C.), 1847, Brussel. Schoolopziener (Lier). Tooneelspeldichter. Ue Zee (18681; De Zuster van lie/de{iSóg).

adMpiraut, m. (-en). Aanzoeker. Dinger naar eenen post, enz. — Adspirante, v. (-n). — Adspiran t- in gen ieur, m. (-s).

Adunliekcii^ m. rav. Volksstam, die eene halve eeuw voor Chr. Luik en Namen bewoonde.

advcuant (naar-), bijw. uitdr. Naar verhouding. Naar evenredigheid.

Advent, m. De vier weken, voor het Kerstfeest, door de H. Kerk gewijd aan de gedachtenis van de naderende komst des Zaligmakers.

advcrtcercn, bw. adverteerde, heeft geadverteerd. Bekendmaken (door dagbladen). — Advertentie, v. (..iën, -s).

advicM, o. (..zen). Bericht, mededee-ling. Raadgeving. Meening, gevoelen. Kennisgeving. Volgens advies : overeenkomstig de gedane kennisgeving. — Adviesbark,v. (-en).—Adviesboot, v. (-en). — Adviesbrief, m. (..ven). — Adviesjacht, o. (-en). Klein, snelzeilend vaartuig, aan de vloten toegevoegd om snel berichten en bevelen over te brengen — Adviseeren, bw. adviseerde, heeft geadviseerd. Advies geven. Als deskundige iets als zijn gevoelen opgeven.

advocaat, m. (..aten). Rechtsgeleerde, die de belanghebbenden in rechtszaken als raadsman bijstaat, ot voor den rechter verdedigt. Iem., die eenen persoon of eene zaak bij anderen verdedigt. — Advocaat-generaal, m. (advocaten-generaal). Eerste substituut van den procureur-generaal : eerste, tweede advocaat-generaal. — Advo-catenborrel, v. Morgendrank, uit brandewijn, suiker, enz. bereid. — Advocaten-streek, m. (..eken).—Advocaterij, v.

Aclst (ly. van), 1620-1679, Delft. Schilder van stillevens.

AenrïH, v. Heldendicht. Virgilius bezingt de lotgevallen van den Trojaanschen held Aeneas, op zijnen tocht naar Italië, en vóór dat hij daar 't nieuwe rijk, hem door de godspralcen toegezegd, gesticht had. s«ëroliet,m. (-en). Lucht-.meteoorstoen. AcrfHcn iP. = Lange Pier), 1507 157^, Amsterdam. Schilder.


ocr page 36

AFBE — 2

AcBfliylus, 525-456 vóór Chr. De grondlegger van '1 Grieksche treurspel. Trilogie : Agamemtioii, de Choep hor en en de E gt;lt; ntentden.

Acsculapius. (Gr. fab.^ Zoon van Appolo en Coronis. Centaur Chiron onderwees hein inz.in de kruidkunde, waarin hij, gelijk ook in de heelkunde, zeer groote vorderingen maakte en daardoor de weldoener der raenschen en 't hoofd der geneesheer en werd.

Acnoi»iifi, 600 (voor Chr.), Coticum (Phrygië). Gr. fabeldichter.

uetlicr, m. Bov« nlucht. (Scheik.) Zeer vluchtige, sterk riekende geestrijke vloeistof, die door inwerking van zuren op alko-hol ontstaat. Meer bepaald : mengsel van alkohol met zwavelzuur, arsenikzuur, phos-phorzuur, bonumfluoride cf ovcrchloorzuur aan een verhoogden warmtegraad blootgesteld. Gewoonlijk gebruikt men zwavelzuur, vanwaar de naam zwavel-aeiher.

Aötiui». Rom. veldheer. Versloeg de Franken onder Clodion aan de Somme, de West-Gothen onder Diedrich bij Arles en vereenigde deze zijn overwonnen vijanden tegen de Hunnen onder Attila, dien hij volkomen versloeg bij Chalons (451).

sgt;f, bijw. Af en aan : heen en weer. Dat kan er niet af: dat is mij te duur, zooveel kan ik niet missen. De aardigheid is er af: het heeft zijne aardigheid verloren. Hi t is verre af: het scheelt veel. Er verre af zijn : er niet aan dlt; nken. Ontslagen zijn : van iem. al zijn. Hij is lang af, afgezet. Af zijn : afgemat, afgewerkt, afgemaakt zijn. Af geweest zijn : zijn gevoeg gedaan hebben. Iets doen op het gevaar af, zonder het gevaar te ontzien. De samengestelde werkw. met af zijn scheidb. — st far beiden, ow. {zijn). Groote moeite doen om zich van iets te verwijderen. Zich afarbeiden, ww. Zich door arbeiden zwaar vermoeien, afmatten. — sii'bsaardcu, bw. Het overtollige metaal van letters enz. wegnemen. Af baar der, m. (-s). — af baarzen, bw. Afpraten. — sif babbelen, bw. Al babbelende afhandelen. — afbakenen, bw. Afpalen. Een richtingslijn trekken. (Zeew.) Betonnen. De grenzen bepalen, binnen welke men zich bewegen moet. Afbakening, v. (-en). — af baltken, bw. Ten einde bakken. Alles bakken wat moet gebakken worden. — afbarMen, ow. \zijn). Zich door barsten van iets afzonderen.

— afba»ien, bw. Ontbolsteren. Ow. {zijn) Den bast loslaten. — afbedelen, bw. Bedelende iets verkrijgen. Bedelende afloopen (het land) —af beelden, bw. In beeld maken, nabootsen.Schetsen. Beschrijven. Zinnebeeldig voorstellen. Afbeelding, v. (-en). Afbeeldsel, o. (-s, -en). — af bee-11 en, bw. Snel voorstappende afleggen (eenen afstand). — stf beitelen, bw. Met eenen beitel afslaan. Een werk met den beitel voltooien. — afbellen, bw. Iem. die boven is doen afkomen door bellen.

— afbersten. Afbarsten. — afbe-atellen, bw. Het bestelde afzeggen.

— afbetalen, bw. Geheel voldoen (eene schuld). Iets op eene schuld afdoen. A/óe-taling, v. (-en). — afbellen, bw. Door

: — AFBO

natmaken wegnemen, enz. Door betten reinigen. — afbenken, bw. Afrossen, afbenion, bw. Eenen mensch of een dier door zwaren arbeid of overgroote inspanning afmatten. Zich afbeulen vivi. Zien uitputten, afmatten door te veel arbeid.

— af ben ren, bw. Tillende wegnemen.

— afbidden, bw. Iets kwaads door bidden trachten ai te wenden. Iets goeds door bidden trachten te bekomen. Ten einde toe bidden. Afbidding, v. — af biggelen, ow. (zijn). Nedervloeien (van tranenU — af by ten, bw. Met de tanden afsnijden en w« gnemen. Zijne woorden afbijten : ze niet geheel uitspreken. Door bijten verdrijven. Door scheikundige middelen oplossen en wegnemen : het hamerslag afbijten. Sch 011 bijten (van metalen. AfbyUng, v.

— af bikken, b .. Van kalk, enz. zuiveren. A fbikking, v.—af biljoenen, bw. Eenen balk, enz. in de lengte van de scherpe kanten ontdoen.— afbinden, bw. Door den band los te maken scheiden, afnemen. De schaatsen afdoen. Afzonderen door eenen band, welken men steik toehaalt. Toebinden. Afbinder, m. (-s). Afbinding, v. (-en). — afbladderen, ow. Zie af blaren. — afbladen, bw. Gedeeltelijk van bladen ontdoen. — afbladeren, bw. Ontbladeren. Ow. {zijii). Bladsgewijze loslaten. — af blakeren, bw. Verbran-( den en daardoor wegnemen. — af blaren, ow. [zijn). Blaren vormen en afvallen : de deur blaart al.— afblazen, bw. Door blazen van iets verwijderen, wegnemen, enz. Den ketel afblazen : den stoomketel door het blazen van den stoom reinigen. Een kanon afblazen, met los kruit afschieten om het te reinigt n. Afvuren. De honden afblazen : door het blazen op dtn hoorn de honden van een stuk wild af.ocpen. Ow. {hebben). De nachtwacht blaast af. De generaal gebood af te blazen, deed den aftocht blazen. Af blaaspijp, v. (en). — afblijven, ow. {zijn). Niet aanraken. Verwijderd blijven. Wegblijven. Afblijven (van klepdirgbtukken). — af blikken, ow. {hebben). Naar beneden blikken. — af bliksemen, ow. {hebben). Eenen bliksemstraal naar beneden schieten. Bw. Door eenen bliksemstraal naar beneden werpen. — af blokken {zich) ww. Zich afmatten door vermoeiende inspanning van den geest. — afboeken, bw. Alles boeken wat te boeken is. — af boenen, bw. Door boenen schoonmaken. Boenen wat te boenen is. Wegjagen. Onderkruipen. Af-boening, v. (-en). — af boeten, bw. Door berouw uitwisschen. Volkomen boeten. — si f bonken, bw. De bovenste veenlaag bij bonken afsteken en wegr.eaien. — afbonzen, bw. Naar beneden bonzen. Ow. {zifn). Bonzend naar beneden storten.

— afboomen, ow. {hebben). Een vaartuig door stuwen met den boom van iets verwijderen. (2y'«) Door boomen zich van iets verwijderen. Bw. Door middel van eenen sluitboom afsluiten. — af bord 11-ren, bw. Borduurwerk voltooien. — af-borgen, bw. Ontleenen. — afborstelen, bw. Met eenen borstel wegnemen. Met eenen borstel schoonmaken. Iem.


ocr page 37

AFDA — 2

afborstelen, duchtig dcorhalen, afrossen. Afborstelitig, v. (-en). — af'bolMcn^ «w. {zyn). -Met geweld afstuiten. — ïil-Itollolen, bw, Üp bottels of fltsscben aftappen. AfboHelivg, v. — afbouwen, bw. D«^n bouw tf.n einde brengen. — sifbrsistlc, v. Oude steenen, oud hout van een huis dat afgebroken of verbrand is. Pu n. — nf'bralteii, bw. Al het vlas braken, dat voorhanden is. — sif'bran-«Icn, ow. [zijn). Door te verbranden van iets weggenomen worden. Losbranden (van geweren, enz.). Door te branden minder worden. Door brand vernietigd, vernield enz. worden. Bw. Door middel van branden wegnemen. Afschieten (vuurwapenen). Door branden iets afscheiden. Door brand vernietigen, enz. Te vuur en te zwaard verwoesten. Af bran ding, v. (-en) .AJbrand-sel, o. — af*bra»Hcu, ow. {zy'n). De brassen aanhalen, om de zeilen te doen volstaan. Wegzeilen. Zich uit de voeten maken. — afbreien, bw. (Breiwerk) voltooien. — afbreken, bw. Doorbreken scheiden, afzenderen. Afbijten : woorden breken. In twee doelen splitsen (van woorden aan het einde \aneenen regel). Onverwachts doen ophouden. Staken. Verbreken (timmerwerk, enz.). Uit elkander nemen : een huis afbreken. Afnemen : een slot afbreken. Een leerstelsel ai breken ; het ongegronde aantoonen. Ow. [zyn]. Zich door breken scheiden. Verbroken worden. Onverwachts ophouden (van werkingen, enz.). Laat ons daarvan albreken, er niet verder over spreken. Afbreekster, v. (-s). Afbreker, m. (-s). Afbreking, v. (-en).— sifbrenjfen, bw. Van boven brengen. Afvoeren. Verwijderen. Intrekken. Afschaffen. Afraden. Afwaarts brengen. Vlot maken. Gered worden ; er het leven afbrengen. Af brenger, m. (-s). Afbrenging, v. Af-brengster, v. (-s). — afbreuk, v. Schade, nadeel. Vermindering, Krenking. — af-brijnen, bw. Van brijn (pekel, zoutwater) ontdoen. Den ketel afbrijnen : het bovenste water van den stoomketel laten wegvloeien. — af broddelen, bw. Slordig afwerken. — afbrolibeien, bw. In brokken doen afvallen. Ow. [zijn). Kleine brokken loslaten. Afbrokkeling, v. — safbruien, bw. Met geweld naar beneden werpen. Afrossen.Ow. {zyn). Plotseling naar beneden vallen. — stf bruisen, ow. [zijn). Bruisend naar beneden vallen. — af buien, ow. {zy'n). Ophouden met buien. — afbuigen, bw. Door buigen van iets anders verwijderen. Kederbuigen. Ow. (zyn). Zich ter aijde buigen. — af-builelen. ow. {zijn, hebben). Aftuimelen. Buitelend afspringen. — afdaken, bw. Uitdagend naar beneden roepen. — afdak, o. (-en). Uitstek. Luifel. Afdakking, v. (-en). Hellend bovenvlak eener borst-werirg. — afdalen, ow. {zijn). Nederdalen. Afstammen. Afdaling, v. (-en). — afdainnien, bw. Door oenen dam tegenhouden of afleiden. Afdamming, v. (-en). — a fd stuk en, bw. Ontslaan. Buiten gebruik stellen. Afschaffen. Dank betuigen voor tegenwoordigheid. Heuschelijk afwijzen. Onttakelen.^/c/aw^/w^-, v.(-en).— af-

— AFDR

dannen, ow. (hebben). Don dans eindigen. T*n eirde toe dansen, {zyn) Zich al dansende vei wijderen. Bw. Door dansen alscheiden, doen vallen, vfrslijten, doen loslaten. — afdeelcn, bw. Vtrdeelen. Afdeeling, v. ( en). — afdeinzen, ow. {zyn). quot;Wijken. Afdeinziug, v.— sifdefc-ken, bw. Villen. De taf 1 afnemen. De geweven stof van den boom afwinden. (Eenen muur) met eene rollaag bedi-kken. Plet dak afmaken. Afrossen. Afdekker, m. (-s). Af dekker ij, v. (-en). Vild« rij. Werkplaats van oenen vilder. Afdekking, v. (-en). — afdenken, bw. Eene zekere maat van denken volbrengen. Zich afderi-ken, ww. Zich afmatten door denken. — sifdielifen, bw. Als verzenmaker eene zekere taak volbrengen. Zich afdichten, ww. Zich door verzenmaken afmatten. — stfdienen, bw. Afnemen (de tafel). — afdieven, bw. lem. iets afhandig maken.

— afd|jken,bw. Door middel van eenen dijk afsluiten. Af dij king, v. (-en). — sif-dingen, bw. Onderhandelen over den te betalen prijs. Minder bieden dan gevraagd wordt. Daar valt veel op af te dingen : daar valt veel aan te veranderen. Er iets op afdingen : gedeeltelijk ontkennen of verwerpen. Af dinger, m. (-s^. Afdinging, v. Afdingster. v. (-s). — sifdisselen, bw. Met eenen dissel afhakken. Af disseling, v.

— afdobbelen, bw. Door dobbelen iem. iets afwinnen. Zich afdobbelen, ww. Zich met dobbelen vrijmaken. — sifdoen, bw. Afleggen. Afnemen. Weglaten. Wegnemen. Ontdoen. Villen. Reinigen. Afwerken. Volbrengen. Betalen. Uitwerken. Beslissen. Bewijzen. Intrekken. Afschaffen. Deze pen heeft afgedaan, kan niet meer dienen. Gij hebt bij hem afgedaan : gij hebt zijn vertrouwen verloren. Afdoend, bn. Beslissend. Afdoener, m. (-s). Iets, dat afdoet. Afdoening, v. (-en). — sifdok-ken, bw. Betalen. — afdolen, ow. {zijn). Van den rechten weg ongemerkt en onwillekeurig afwijken. Afdaling, v. (-en).

— afdonderen, ow. {zijn). Met een donderend geluid naar beneden storten. Bw. Naar beneden werpen. — afdop-pen, bw. Peulvruchten ontdoen van den dop. Ow. {zy'n) Zich uit de peul laten doen.

— afdorren, ow. {zy'n). Verdorren en afvallen. — safdorseben, bw. Door dor-schen scheiden, afdonderen. Alles dorschen wat te dorschen valt. Ten einde toe dorschen. Zich af dorschen, ww. Zich door dorschen afmatten. — afdraaien, bw. Door draaien afzonderen. Losdraaien : eene schroef afdraaien. Sluiten door bet omdraaien van den sleutel : de deur afdraaien. Eenen sleutel afdraaien : den sleutel van den baard ontdoen. Iets op de draaibank afwerken. Door draaien zuiveren : vlaszaad afdraaien. Draaiend eene zekere hoeveelheid werk volbren.-en. Ow. {zijn) Eene zijwaartsche richting nemen. Af draaiing, v. (-en). Af draaier, m. (-s).

— afdrsigen, bw. Naar bereden dragen. Doordragen afslijten. Zich afdragen, ww. Zich door het draecn van zware voorwerpen uitputten. Uitgeput raken door te groote vruchtbaai beid (van vruchtboomen).


ocr page 38

AFFL — 2]

AJdrager, m. (-s). A/Jraagsier, v. (-s-). — siftlrsivon, ow. {zyn). i\aar bene«len draven. Bw. (Eercn afstand) dravend afleggen. — aftlreutelen, ow. {zyn). Drentelend naarben^d n komen. —«IVIribhe-len,ow. {zyn\. Dribbelend Daarbeneden komen. — afilrUveu, ow. {zijn). Door den stroom of wind dwars uit den gestuur-den koers gedreven worden (van vaartuigen, enz.). Door den wind weggedreven worden (van wolken, enz ). Stroomafwaarts drijven. Met den stroom afdrijven: zich door anderen laten medesleepen. Bw. Door drijven verwijderen.Verdrijven, terugdrijven. Afbrengen. Goud enz. zuiveren. Afmatten door te lang te drijven. Naar beneden drijven. Afdrift, v. (Zeew.) De zijdelingsche afwijking van den koers. Afdrijvend, bn. Af-dryver, m. ( s). Afdrijving, v. ( en). — stf'driiisreu, bw. Naar beneden dringen. Door dringen verwijderen. Afpersen. — stftirinkeii, bw. Het bovenste van eenen drank drinken. Ten einde toe drinken. Door drinken de kwade gevolgen van iets wegnemen. Zich metiem. verzoenen door samen een glas te drinken. — aftlrosren, bw. Het natte vanboven wegnemen. Troosten : iemands tranen afdrogen. Afdroging, v. (-en). —- si ftl rui pen, ow. {zijn). In droppels neervallen. Laten afdruipen : druipenderwijs laten afvallen. Druipstaartend zich verwijderen (van dieren). Zich heimelijk uit de voeten maken (van personen). Af-druipbak, m.(-ken). Afdruiping,\\-e.vï).— ardruhkeii, bw. Door drukken van iets anders verwijderen. Eene kopie enz. overbrengen door middel van drukken. Ten einde toe drukken. Het bepaalde aantal afdrukken van iets vervaardigen. Eene zekere maat van drukwerk volbrengen. Verslijten docr er mee te drukken. Afdruk, m. (-ken). Afdruksel, o. (s-, -en). — sif-drupueleu, nfdrnppen, ow. (zyn). Druppelsgewijs van iets afvallen. Afdrup, m. Af druppeling, y. —afdnikelen, ow. j {zyn, hebben). Duikelend afspringen. Afbuitelen. — ufduiven, bw. Door duwen verwijderen.— stfdwalen, ow.(3y«). Den rechten weg verlaten. Afwijken. Afdrva-ling, v. (-en), — afdiveilen, bw. Door dweilen wegnemen. Met eene dweil schoonmaken. Gedaan maken met dweilen. Af-dweiltng, v. (-en). — af'dwiueren, bw. Iets van iem. door dwang verkrijgen. Hem dwingen het te geven. — arecsren, bw. Wegnemen met de egge. Afdoen wat te eggen is. —af'eiMClien, bw. Afvorderen. — areien, bw. Een gedeelte van iets eetbaars wegnemen door het op te eten. Een voorwerp van iets eetbaars ontdoen. Ten einde toe opeten.

aflTaire, v. (-s). Zaak, aangelegenheid. Rechtsgeding. Beroep, bestaanmiddel. Gevecht.

afTeetnofse, bljw. (Muz.) Hartstochtelijk.

afieilcu, bw. Afdweilen.

aflladdoren, ow. {zyn). Zich fladderend vlt; rwijderen.

Aflliirein. De abdij van Afjiigrni (verwoest door Lode wijk van Nevers, 1^32, door Lodewijk van Male, 1356, Jc Oir wll-

4 — AFGA

lem van Oranje, 1578, door de Franpc'-'c-omwentelaars, 1796'. Werd gesticht door zes ridders, die door Wederirus, monnik van S'Pieters te Gent waren bekeerd (1075». De regel is van den H. Denedictus. Fulgen-tius (gelukzalig^ was de eerste abt. Bevatte errstijdsde huidige gemeenten : Hekelgrm, Meldert, Baardegem, Esschene. Uitstekende monniken : Willevi van Afjïigem (t i?98, veitaalde de levensbeschrijving van Ste Lutgardis uit het Latijn door Thomas Cantiprataaugt;), mtrius (t 1556^, Phale-sius (t 1638), Haft en us (van Haeften, 1648, schrijver van Lusthof de?' christe-lijcke leeringe). Cam bier (t 1651), Beda Regaus, (de laatste proost t 1808). Het klooster werd heropend (1870) en opnieuw tot de waardigheid van abdij verheven (1887), afftMlil, v. (-len), aflodille, y. (-n). Asphodelus. behoort tot de familie der liliaceën. Groeit langs de Middell. Zee, aan de Kaap de Goede Hoop en op Nieuw-Holland. In onze hoven vindt men : asph. lute us, asph. alb us, asph. creticus, asph. fist ulosus, asph. ramosus, asph. cestivus, asph. tenuior. Van oudsher werden di affodillen op de graven geplant.

aflfolen, bw. Tot het uiterste toe plagen. Door zware kwellingen uitputten.

aflTolteren, bw. Zóo foberen, dat de lijder uitgeput ter neder ligt. Afmartelen.

affront, o. {-en). Beschimping. Belee-diging. Hoon.—Affronteeren, bw. affronteerde, heeft geaffronteerd.

afTuit, v. (-enK Metalen of houten toestel, waarop een vunnnend, kanon cf hou-

Ahuit.

witser geplaatst wordt tot vervoer of tot 't vuren.

afriifselen, bw. Door slinksche streken verkrijgen.

afgraan, ow. {zyn). Naar beneden gaan. Zich verwijderen. Verhuizen. Laten varen. Ontlasting hebben. Ergens heengaan. Afgeschoten worden. Ontbranden. Afgenomen worden : de hoeden gingen af. Afgetrokken worden van 't geheel : van die som gaat een derde af. Verbleeken (van kleuren). Verminderen. In verval geraken. Scheiden door loslaten. In onbruik raken. Afhellen. Naar het einde gaan. Aftreden. In onbruik raken. Iem. (3. nv.) afgaan : verloochenen. Op iets afgaan : zijne schreden derwaarts richten. Op iem. afgaan : recht naar hem toetreden, op hem afgeven. Op zekere wijze vcr:icht worden ; het gaat hem goed af. — Bw. Door lang te gaan iets doen loslaten. Ten einde toe gaande afleggen.

ocr page 39

F

I I

I

'

I

.

I

j

.r

1

1

: .::i, i( ;

n ! ; ;

1 'i

t

ij ^ ii

V

v .. -

ocr page 40

AFGE — ;

Uitwerpen. Iets behendig van iem. verkrijgen. Zich afgaav, ww. Zich afmatten door lang te gaan. — A fgang, m. (-en).

sifgfriicft, nfg-e-«lolitci-d , arc4*lt;loiidor«l, aOfv-4'i'ss:tilt;l , :t{'^itilt;1 ,

y.ond, scfiri-Klaii»f, safjfi'Hfompt, iif-stl'Kczastud, bijwoorden, als versterkii fcswoorden en uitroepen van verwondering in de gewone taal gebruikt.— atfsrcbrokcn, bn. (Wap.) Afgebroken paal, die den boven- of den benedenrand van Let schild niet raakt. Afgebroken grond : doorsneden van moerassen en plassen. Bijw. Hij sprak afgebroken, in afgebroken woorden. — af^ebrulkt'ii, bw. Iets door veelvuldig gebruik verslijten.—afgoeroii, ow. {hebben). Schuins afloopen. — afte*'-sclen, bw. Doorgeeselen uitputten. — af-S:lt;-2.iiol, bn. — affirelastcn, bw. Afbestellen. — afgeleefd, bn.Door ouderdom verzwakt. Stokoud.^AJeeleefdhet'd, v. — arjfclpffon, bn. bijw. Nietin de nabijheid. Opgrooten afstand. Afgezonderd, eenzaam. Afgelegenheid, v.— artfemat, bn. Uitgeput van vermoeienis. Krachteloos door overmaat van arbeid, lijden, enz. Afgematheid, v. — afgrcmcteii, bn. bijw. In de juiste maat afgepast (van gebaren enz.). Op min of meer stijve wijze. Afgemetenheid, v. — af'ifrpstnt, bn. In de juiste maat berekend, afgemeten. A/gepastheid, v. — afKci iolit, bn. Bedreven. Bekwaam. Slim. Doortrapt. Afgerichtheid, v. — afs:orukl,bn.(Wapenk.)—afgtKOliei-dc-ne, m. env. (-n). Lid van 't kerkgenootschap, (de Cbristelijk-Gereformeerde Kerk). — argosolieiclenlicld, v. Staat der afgescheidenheid: staat waarinde ziel van eenen afgestorvene verkeert. Plaats der afgescheidenheid. — argcftlooftl, bn. Uitgeput door overmaat van arbeid, lijden, enz. Afgesloofdheid, v. — afg-c-sloton, bn. Besloten. Gesloten. Afgezonderd levende. Afgesneden. Afgeslotenheid, v. — afgoftiiedcn, bn. (Wapenk.) — afsrestorveno, ra. en v. (-n). Een doode.

— afgeteerd, bn. Geheel verteerd. Ontvleesd. — aftfclobd, bn. Afgemat. — afgotogen, bn. — afjjotrokkcii, bn. bijw. Door aischeiding verkregen. Afgetrokken begrip : begrip, waarbij men 't voorwerp wegdenkt, om zich alleen de eigenschap te vertegenwoordigen. Afgetrokkenheid, v. — afgevaardigde, m. en v. (-n). Die is afi;ezonden met eene bepaalde opdracht. Volksvertegenwoordiger. — afgevast, bn. Uitgeput door lang te vasten. — afgreven, bw. Van zich geven. Tr« kken : eenen wissel op iem. afgeven. Verspreiden ; een aangenamen geur aigeven. Laten blijken. Beweren. Vertoo-nen. (kaartsp.) Voor het laatst geven. Ow. (hebben) Kleur- of verfstof loslaten, en op 't aanrakende voorwerp overbrengen. Op iem. of iets afgeven, er smadelijk (in de afwezigheid) over spraken. Eene vlek op iets werpen. Zich met iem. afgeven, bemoeien. Af ge ver, m. (-s). Afgeving, v. —

— aflfcwcud, bn. (Wapenk,) — aljje-woudeii, bn. Afgemat. Neerslachtig.

3 — AFGR

Afgewondenheid, v. — af^oz-aagd, bn. Tot verveling toe gebruikt. — alge-v.ant, m. (-en). Vertegenwoordiger van tenen vorst. Afgevaardigde. A/gezante, v. (-n). — af'ar^ien, vz. Afgezien van iets.

— afgezonderd, bn. Gescheiden. Verwijderd. Teruggetrokken. Eenzaam.

a I's leren, ow. (zyn). Schuins afwijken. Door den wind meegevoerd worden. De reede verlaten. Zich als ter sluik verwijderen (van pers.).

afifieten, bw. Eene vloeistof door gieten afzonderen. Naar beneden gieten. Den inhoud van een glas enz. verminderen. Omsteken. Door gieten (in pleister enz.) eene gelijkenis voortbrengen. Zachtjes afklaren.

— Afgiet er, m. (-s).—Afgiet ing, v. (-en).

— Afgietsel, o. (-s). — Afgietster, v. (-s). aJ jjil te, afsift, v. Het ter hand stellen

van iets aan een ander.

afgleden, ow. {zijn). Nederwaarts glijden. Het einde naderen. Slechter worden. Afstralen in eene schuinsche richting.

— Afglyding, v. (-en);_

jipen, ow.(cy«).Glippend van iets afraken. Ontsnappen.— Afglipping,v. (-en), affflureii, bw. Heimelijk afzien, afgod, m. (-en). Geschapen wezen, dat men houdt voor God en dat echter de goddelijke natuur niet bezit. — Afgodeeren, afgodeerde, heeft geafgodeerd. Bw. ow. Afgoderij bedrijven. Met iem. of iets afgo-detren, er mede dweepen, eenen persoon of eene zaak afgodisch vereeren. — Afgodendienaar, m. (-s, -aren). — Afgodendienst, m. — Afgodentempel, ra. (-s, -en)» Tempel van twee of meer afgoden. — Afgoderij, v. (-en). — Afgodes, v. (-sen).

— Af godin, v. (-nen). — Afgodisch, bn. bijw. — Afga dist, m. (-en). — Afgodsbeeld, o. (-en). — Afgodsdienaar, m. (-s, ..aren).

— Afgodsdie nar es, v. (-sen). — Af godsdienst, m. — Afgodskruid, o. Dodeca-theon meadia. Behoort tot de sleutelbloemen. Is ons overgebracht uit Noord-Ame-rika. — Afgodslang, v. (-en). Reuzenslang,

— Afgodstempel, m. (-s, -en). Tempel van eenen afgod.

aftfoeden, bw. goedde af, heeft afge-goed. Eenen medeërfgenaam enz. zijn aandeel uitkeeren, zoodat men ten opzichte der erfenis van hem af is. — Afgoeding, v.

alKolven, ow. {zijn, hebben). Golvend nederstroomen. In golvende beweging afdalen (van kleederen, enz.). In golvende beweging nederbuigen (van bloemen, enz.). Zich reizende en dalende naar beneden uitstrekken (van den grond).

affeooelielen, bw. Met een slimmen streek verkrijgen.

afgooi o 11, bw. Met geweld naar beneden werpen. Haastig afdoen. Door gooien iets van it ts anders scheiden.

afsrorden, bw. Ontgorden. — Af gording, v. (-en).

afg ran wen, bw. Toesnauwen en daardoor van zich stooten. — Afgraww, m.

afgraven, bw.Door graven afscheiden. Door graven wegnemen. — Afgraving, v. (-en).

afgrazen, bw. Het gras afeten. — Afgrazing, v.


ocr page 41

AFKA

AFIIE

sifsi'eppcloii, bw. Door greppels af-

cl-eiden.

stfg^rUpeu, bw. Iets uit de hand grij-pen. Mtt ei-n vluggen greep afhandig maken. — sif'^ryxen, o. De horgste graad van liet gevoel van al keer of afschrik. Af' gtysbaar, bn. Afgtysfejlyk, bn. bijw. Afg rijs ( e) lijk he td, v. (..beden). Afgi ijzing, v. — sil'jj i'iMKOii, bw. Behendig ontstelen. — bw. Grom

mend van zich afstooten. — nf'icroiKl. m. (-en). Onpei bare dit ptr. Aanmeikelijke diepte, Dr«iaikolk. De onderwei» ld. Uiterste rampzaligheid. — safgroiMloii, bw. (Iets) in de grondverf zetten, \oltooien. — afifniizclon, bw. (Van glaswerk) het op de kanten afbreken. — :irisiiitNf, v. Nijd. Afgunstig, bn. bijw. Afgunstigheid, v. (..hedenK — sifow. {zijn). Gutsi'nd afvloeien. {Hebben) Het zweet heeft mij den ganschen dag afgegutst. — af listkcn, bw. Loshaken. Haakwerk voltooien. Afhaker, m. ( s). Afhaking, v. (-enl. — stfliaklton, bw. Afhouwen. In stukken snijden. Alles hakken. Afhakktr, ra. (-s). Afhakking, v. (-en).— siflisamp;Ieii, bw. Van boven halen. Van eene plaats halen. Afstroopen. Aftrekken. Vlot maken. Afpersen. Afhaalster, v. (-s). Afhaler, m. (•s). Afhahng, v. — sifItmuoreii, bw. Voltooien met den hamer. In eene vergadering eene zaak spoedig ten einde brengen (van den voorziiter). — striistndclcu, bw. Door wederzijdsch overleg tot stand brengen. Afdoen. Behandelen. Afhande-hng, v. — ufliaBKlijr, bn. lem. iets afhandig maken, listig bemachtigen. — ariisiiieclintr, m. eu v. ( en). lem., die ufhanki lijk is. Af ha ng e lin ge, v. (-n). — bw. Lager hargen. Afnemen. Ow. {hebben) Naar beneden hangen. Van iem. afhangen : tot hem in ondergeschikte quot;betrekking staan. Van zich zei ven afliar gen : .zijn eigen meester zijn. Van iets afhangen : zoodanig er aan onderworpen zijn, dat men niet vrij is in zijne handelingen. Zoo 't van mij a (hing : indien het in mijne macht stond, 't 1 langt er van af, van de omstandigheden. Afhangzaag, v. (..agen). — s«riisiiili(lt;v)-Hik, bn. Van iets of iem. afhangende. O «iergeschikt. Af hank (e) lijk h eid, v. — stI'Ib21 , bw. Iets door happen van

ie s anders scheiden. — sif'liarcn, ow. {hebben). Het haar verliezen. Bw. Het hanr afloen. Af haring, v. — stflisirlicii, bw. Door harken wegnemen. Door harken ontdoen. Geheel en al harken. — stf'lisiKpelen, bw. Garen enz. van de klossen haspelen. Ten einde haspelen. In orde brengen. Onhandig en slordig afmaken. Harrewarrende ten einde brengen (een geschil). Afhaspeling, v. — af lieltbeii, bw. Voltooid hebben. Niet aanhebben (van kleederen). — afliechfeiB, bw. Eenen draad afhechten : vasthechten, zoodat hij niet los kan gaan.— aflieflVii, bw. Door heffen afnemen. Eenige kaarten van 't spel afnemen. — arheicn, bw. Gedaan maken met heien. — af hoincn, bw. Met eene heining afsluiten. Afsluiten (in 't algemeen). Afheining, v. (-en).— afliekHen, bw. Door tooverkunstjes ontnemen. — aflscl-lon, ow. {hebben). Naar beneden neigen. Afhelling, v. (-en). — nflielpen, bw. Helpen afdoen (v;in kleederen enz.). Helpen om van iets af te komen. Iem. van zijn stuk afhelpen, hem verwarren. Bevrijden.

— sil'lieiifirelon, bw. Van het eene einde tot het and'-re hengelen.— sif'liielen, bw. Scheiden, door den steek los te lateu (van kabeltouwen, enx. met eenen hielingsteek aan elkander verbonden).— sif'liÜMclieu, bw. Met een hijschtuig naar beneden brengen. — afliinkelou, aTliinkcn, bw. Van het begin tot het einde hinkende afleg-

ten. — aflioercerciten. — aflioercercit {zich) ww. Zich oor hoererij uitputten. — aflioeven, ow. {hebben). Behoeven af te zijn (van kleederen). Voltooid moeten zijn.

— ariiollen, ow. {hebben, zijn). Met hollende vaart naar beneden snellen. —• zifltoinpolon, ow. {zijn). Hompelend afgaan. — aMioogcoii, bw. Door een hooier bod maken dat iem. van eenen koop af is. Af hooging, v. — afliooron, bw. Afluisteren. Ondervragen (getuigen). Aan-ho ren om te onderzoeken (van rekeningen, enz.). Af hooring, v. — afliouden, bw. Verwijderd houden. Beletten te naderen. Terughouden. Aftrekken (van loon, enz.). Niet aanraken. Verhinderen voort te arbeiden. Af laten blijven (van kleederen, enz.). De oogen afhouden van iets, ze weerhouden die zaak aan te zien. Zich van iets athouden, zich er niet mede inlaten. Ow. {hebben). Eene andere richting nemen. De ruime zee kiezen. Vóór den wind brengen. Afhouding, v. — at'lioiiiveu, bw. Afslaan. Afkappen. Voltooien met den beitel. Afhoinver, m. (-s). Afhouwing, v. (-en). — ariiiiiolielen, bw. Door huichelen verkrijgen. — afliiiilcn, bw. Eene zekere maat van huilen afdoen. Zich af huilen ww. Zich door veel huilen afmatten. — aflmivcn, bw. Van huif of kap ontdoen. — afliiiren, bw. In huur nemen. Door hoogeren huurprijs onttrekken. Afhuring, v. (-en). Af huurder, m. (s). Af huurster, v. (-s). — af't)leii, ow. {zijn). Ijlings afgaan. — Af jacht en, bw. lem. met eene afjacht (met eenen snauw) van zich afstooten. Afjacht, v. — aTJa-^en, bw. Naar beneden ja^en. Wegjagen \Vegzenden. Door sterk rijden afmatten. Door hard rijden doen losgaan. Afhandig maken. Iets in zijne geheele uitgestrektheid jagend doorkruisen. Zich afjagen, ww. Zich door jagen zwaar vermoeien. — afjakkeren, bw. Afbeulen. Stokslagen toedienen. Scherp doorhalen. Afjakke-ring, v. (-en). — afjapen, bw. Met eene forsche snede afsnijden. — af'kaafKen, bw. Terugslaan. quot;W ederkaatsen. Afweren. Ow. {zijn) Terugstuiten. Niet treft» n : alle vermaningen kaatsten op hem af. Afkaai-sing, v. (-en). — af kabbelen, bw. Eab-bt lende wegnemen, uithollen. Ow. {zijn) Door het kabbelen van 't water afnemen. A/kabbeling, v. — af'kaden , bw. Door eene kade afsluiten. Afkading, v. (-• n). — af kakelen, bw. Ten (inde babbelen. Door praten te. keer gaan. Veel kakelen. — afkalken, bw. Van kalk ontdoen. Ow. {zijn) De kalk loslaten. Afkalking , v. —


ocr page 42

AI KL —

arkitlven. ow. {hebben) Een kalf werpen. {zijti\ afschuiven en instorten.

•ving, v. ( cn). — ïtrkamnien, bw. Door kammen \\egnemep, reinigen. Ten einde toe kammen. Afkamming, v. (-en). — ntflen, bw. Kantel* nd naar beneden brengen. Ow. (zijn) Omkantelend naar beneden vallen. Af kanteling, v. — af-bw. De kanten of hoeken afnemen. Afiaiiting, v. — af'kai»cii, bw. Met list cf geweld ontnemen. — afkap-pon, bw. Door kappen scheiden. Letterklanken weglaten of verkorten. Af kapper, m. (-s). Afkapping v. (-en). Afkap-ptngsfeeken, o. (s) \'). A/kapsel, o. (-s).

— afkauiveu, bw. Door kauwen van de buit»nstc deelen ontdoen. Een gedeelte wegkauwen. — afkoeren, bw. Afwenden. Afweren. Verhinderen te treffen. Ow. {zyn) Zich verwijderen. Zich afkeeren, ww. Zich van de dtugd afkoeren. Afkeer, m. Tegenzin. Weerzin. Afkeert'^, bn. Eenen afkeer hebbende van iets. Af keer ig-heid, v. (..heden). A/keering, v, ^-en). — af keilen, bw. letsin deiichiingevenwij-dig met den grond werpen. — afkem-men. Aikammen. — af kerken, ow. {hebben). Het kerkgaan voor een bepaalden tijd ten einde brinken.— afkerven, bw. Door kerven afzonderen. Ten einde toe kerven. — atket.Hen, bw. Behendig afwenden. Ow. {zyti) Niet doorgaan. — afkeuren, bw. Niet goedkeuren. Onbewoonbaar \ ei klaren. Onbruikbaar verklaren. Buiten koers stellen. Verwerpen. Afkeur der, m. (-s). Afkeurenswaard,..ig, bn. Afkeuring, v. (-en). Afkeurster, v. (-s).

— afkijken, ow. {hebben). Den blik afwenden. Naar beneden kijken. Bw. Het nieuws enz. af kij-ken, erzóo lang op kijken, dat men er geen gevoel meer voor heeft. Heimelijk iets afzien om het na te doen. Afwachten. Tot het einde toe zien. Zich afkijken ww.Zich afmatten door veel of lang te kijken. Afkijker, m. (-s). Afkijkster, v. (-s). — af kijven, bw. Door kijven verwijderen. Door kijven verwerven. Heel wat afdoen met kijven. — af klalt;]lt;3en. ow.

Kleurstof loslaten en overbrengen. Bw. Slordig afschrijven, enz.— af klagen {zich) ww. Zich door klagen afmatten. — afklappen, bw. Veel klappen. Afbab-belen. Êene zweep enz. afklappen. Ow. {zijn) Knallend ontbranden. Af klapping, v. — af klaren, bw. Door afgieting zuiveren. Geheel afdoen : eene zaak afklaren. Ow. {zijn). Klaar, helder worden. — af-klatileren. ow. {zyn) Naar beneden klauteren. Bw. Door klauteren afscheiden, wegnemen. — af kleeden, bw. Het aan-kleeden voltooien. (Kleermakersterm) lem. aan de schouders schijnbaar versmallen, lem. ten einde toe kleeden. Het omwindsel van een touwwerk wegnemen. — afklemmen, bw. Door klemmen scheiden. Afklemming, v. — af kleppen, bw. Met klokgeklep afkondigen. Bij klokgeklep herroepen. Af klepper, m. (-s). A fKlepping, v. (-en). —af kleinen, bw. Kletsend verwijderen. In koud water dompelen, om daardoor het hamerslag te doen afgaan (smederij). Veel snappen. A/kletsing, v. —

^ — AFKO

af kleuren, bw. Ten einde toe kleuren..

— afklimmen, ow. {zyn). Naar beneden klimmen. Afstijgen. Allengs lager worden. Afklimming, v. — af klinken, ow. {hebben). Naar beneden klinken. Bw. Afdrinken. Met een snijdend werktuig afhouwen. — afklooven, bw. Alles klooven wat te klooven valt. — afkloppen, bw. Door kloppen afzonderen, wegnemen. Van 't spel afmaken. Afrossen. Alhameren. Af klopper, m. (-s). Afklop-ping, v, (-en). A f klop ster, v. (-s). — afkluiven, bw. Kluivende afeten. Afkluiving, v. — afknabbelen, bw. Door knabbelen afzonderen. A/knabbe-ling, v. — afknagen, bw. Doorknagen wegnemen. De zee knaagt allengs hare oevers af. De nijd is een roest, c ie alles afknaagt. Afknaging, v. — afknakken. bw. ow. yzifn). Knakkende afbreken. Afknakking, v. — af knallen, ow. {zijn). Knallend afgaan (van een vuurwapen). — afknappen, bw. ow. {zijn). Knappend af bi eken. A/knapping, v. — af knarpen, bw. Met een krakend geluid beknauwen en ontdoen van vleesch (van beenderen). Kleine voordeden doen.— afknauvren, bw. Door knauwen afzonderen. Afknauwing, y. — 21 f knellen, bw. Door knellen scheiden. Af knelling, v.

— af knevelen, bw. Afpersen door knevelarij. Af kneveling, v. (-en). — af knibbelen. bw. Afdingen. lem. iets afknibbe-len : een klein voordeel door inhaligheid verkrijgen, iets door overdreven winzucht laten betalen of afstaan. Afknibbeling, v. (-en). — afknUpen, bw. Door knijpen afzonderen, uithalen, enz. (Zeew.) Zoo kort mogelijk bij den wind houden. Ow. [zijii) Afgesneden worden. Afknijper, m. (-s). Afknijping, v. (-en). — afknippen, bw. Met de schaar afsnijden. Door eenen knip der vingers verwijderen. Af knipper, m. (-s). Af knipping v. (-en). Af knipsel, o. {-s). Af knip tang, v. (-en). — af knoeien, bw. Slordig afmaken. — afknotten, bw, Afknoppen. Snoeien. Verminderen, (ledematen). Afstompen. Van hoeken of kanten ontdoen. Afknotter, m. (-s). Afknotting, v. ( en). — af knutnelen, bw. Knutselend afmaken. — afkoelen, bw. Koel maken. De warmtegraad van een lichaam verminderen. Verdichten (van stoom). In hevigheid doen afnemen. Zich afkoelen, ww. Ow. (zijn) Koeler worden. Af koeler, m. (-s). Afkoeling, v. {-en). Afkoelinqs-vet, v. (-ten). Wetenschappelijke formule, de verhouding aanwijzende, welke bij een afkoelend lichaam bestaat tusschen de vermindering van den warmtegraad en den tijd der afkoeling. — afkoken, bw. Door koken ontdoen. Verfhout, enz. aikoken, er een afkooksel van maken. Ten einde toe koken. Alles koken wat te koken is. Ow. {zijn) Door 't koken verwijderd, afgedreven, gescheiden worden. Afkoking, v. (-en). Afkooksel, o. (-s). — afkomen, ow. {zijn). Naar beneden komen. Zekere plaats verlaten en op eene andere komen. Weder vlot komen. Laten varen. Recht aangaan, aanrijden, enz. Naderen met vijandige bedoeling. Zich tot iets begeven om net te


ocr page 43

AFKR —

quot;bereiken of te verkrijgen. Naar i«»ts streven. Uit beereerte enz. iels nad» ren. Eene rivier enz. aikomi-n : varen in derichtinp van den oo^pron^ naar d. n mond. Voorden wind of sirooni ergens heen varen. Eenen weg alkoraen : langs dien weg aankomen. Een gevraatjden koopprijs verminderen. Afstammen. Afgeleid zijn. Zijnen oorsprong ontkenen (aan). Er goed, slecht (van» afkomen. Ontslagen rakt-n. Bevrijd raken. Ten einde toii komen. Afloopen. Voltooid worden. Alles wat hij zegt komt hem zoo naïef af. Ik hoor u alkomen : ik zie waar gij heen wilt. En is geen afkomen, geen einde aan. Afkomeltug, m. en v. (-en). Afstammeling. Afkotnelinge, v. (-n). Afkomst, v. Afstamming, Oorsprong. Herkomst, Gt-boorte. Kroost, Afkomstig, bn.— sif'koiidlg:cii, bw. Openbaar bekend maken. Aflezen van den kansel. Afkotidiger, m. (-s). Afkondiging, v. (-en). A fkondig ster, v. (-s). — jfcf-Ktoop^'ii, bw. Door koopen verkrijgen. JJoor koopen een ander van iets ontlasten, lem. of iets vrij- of loskoopen. Zich af kooien, ww, Afkorp, m. (-en) Af koopbaar, bn, A fkoopbaar heid, v. Af koopbaar stel-ling, v. (-en). Afkoope.r, m. (-s). Afkoeling, v. (-en). Af koopprijs, m. (..zen). Afkoopster, v. (-si. — afkoppelen, bw. Werktuigen, of deelen er van, van het bewegende deel losmaken. Afkoppeling, v.

— arkoi'Mleu, bw. Van de korst ontdoen. Ow, (27/«) üe korst verliezen, Afkorsting, v. — arkortcu, bw. Korter maken. Besnoeien. Verkorten (van woorden, enz). Aftrekken, Laten vallen. Een gedeelte betalen. Af kot ting, v. (-en). — at' krabbelen, bw. Door krabbelen wegnemen, reinigen. Schrijfwerk enz. slordig afmaken.

— afkrabben, bw. Door krabben wegnemen, reinigen. A/krabber, m. (-s.) AJkrabbing, v. (en). A/krabsel% o. — 3«l'kra*men, bw. Door krassen wegnemen, reinigen. (Een muziekstuk) met een eentonig geluid ten einde toe op de viool spelen. Ow, {zijn) Zich haastig verwijderen. Af krassing, v. — afki*|je:en, bw. Naar beneden halen. Er in slagen om iets af te doen, van zekere plaats te verwijderen, om iem. van iets te verwijderen, eene koopsom, enz. met een zeker gedeelte te doen verminderen, iets van een ander voorwerp te sobeiden. Voltooien. Iem. van eenen persoon afkrijgen : maken, dat hij zich onthoudt van zijnen omgang. — afkrimpen, ow. (zyn). Door krimpen zich van iets anders scheiden. — aTkro-nen, bw. Het hoofd van eenen paal, die ingeheid moet worden, bewerken. — af-kronkelen. ow. {zijn). Naar beneden kronkelen. Kronkelend afdalen. Zich kronkelende van iets verwijderen, — afkrooi-en, bw. De bovenste veenlaag afsteken ea vervoeren met kruiwagens. Afkrooier, m, (■s). Af- krooiing, v. — af'kruiCMi, bw. Met kruiwagens naar beneden vervoeren. Ow, (zijn) (Van ijsschotsen) stroomafwaarts afdrijven, Afkruitng, v, — arkrnime-len, bw. Doen afvallen in kruimels. Ow. {zyn) A fvallen in kruimels.— a f'krn ipe n, ow. ^zyn) Naar beneden kruipen. Zich kruipend van iets verwijderen. Bw. Door krui-

9 — AFLE

pen afscheiden, enz. — afknieren. ow. {zyn) Naar beneden kuieren. Zich kuierend verwijderen. Bw. Ten einde toe aflegyen (eenen afstand enz,) — aTkul-Melien, bw. Schoon maken, — al'knn-nen, bw. Kunnen afdoen of afmaken. Iets afkunnen, er van af kunnen. Ow. {hebben) Afgedaan, voltooid kunnen worden. — af-kiiKMen, bw. Door kussen wegnemen. Door kussen verzoenen, bijleggen. Zich afkussen, ww, — al'kwakkeu, ow. (zyn). Hard naar beneden vallen. Bw. Hard afwerpen.— afkwanselen, bw. Door kwanselen (ruilen) iets bekomen. — af-kivUnon, bw. Eenen tijd kwijnende ten einde brengen. Zich afkwijnen, ww. Door kwijning uitgeput raken. — afkwispelen, bw. Met eenen kwispel reinigen. Met eenen kwispel afslaan. Door kwispelen verwijderen, Afrossen. — aflaat, m. (..aten). « Kwijtschelding der tijdelijke pijnen, die wij schuldig waren te lijden voor onze zonden. Volle, aflaat : kwijtschelding van alle tijdelijke pijnen. Gedeeltelijke aflaat: kwijt-schelding van een zeker getal lijdelijke pijnen. — atlaelien (zich) ww. Zich door lachen uitputten. — afladen, bw. Wat geladen is uit-, afnemen. Ontladen. Ten einde laden.De volle lading geven. Verzenden. Aflaadster, v. I-s). Aflader, m. (-s). Aflading-, v. (-en). — atlakkeu, bw. Alles lakken wat er te lakken valt, — aflandis:, bn. Van de kust af zeewaarts waaiende, Uitlandig, Zich aflandig maken ; zich buitenslands begeven. — aflau^en, bw. Van boven langen. Toereiken. Afgeven, Afdokken, Van iem. aflangen : kwaad van hem spreken. Af langer, m. (-s). Af-lan ging, v. Aflangster, v. (-s). — aftappen, bw. Alles afdoen wat er te lappen valt. Slordig afwerken. — aflaten, bw. Naar beneden laten. Aflaten gaan. Laten afloopen. Aftappen. Iets laten vallen (van eene koopsom). Eenen oven aflaten, zijn vuur matigen. Aan e n touw enz. laten afzakken. Langzaam nederdalen. Van iets verwijderd laten. Niet aan- of omdoen. Niet langer dragen. Achterwege laten. Zich aflaten, ww. Ow. (hebben). Alet iets ophouden. Laten varen. Allengs ophouden (van de koorts). Ajlaatster, v. (-s). Afla-ter m. (-s). Aflating, v. — a flatten, bw. Van latten voorzien. — aflaveeren, ow. (zijn). Stroomafwaarts laveeren. Bw, Eenen afstand laveerende afleggen. — afleenen, bw. Ontleenen. Onbescheiden ter leen nemen. Afleener, m. (-s). Aflee-fiing, v. — afleeren, bw. Verleeren. Afwennen. Ontwennen. Iets van iem. lee-ren door ongemerkt acht te geven op zijne woorden of daden. Afleering, v. — aflees-klep, v. (-pen). Beweegbaar plaatje aan een sterrenkundig meetwerktuig, dienende tot het aflezen der graden, door den wijzer op ren verdeelden cirkel aangeduid, — afleiden, bw. Van eene hoogere op eene lagere plaats leggen. Op zekeren afstand van iets leggen. Afdoen. Niet meer dragen. Als onbruikbaar wegdoen. Op den grond leggen. De hei ten leggen jaarlijks hunne horens af. Hij heeft het leven afgelegd, is gestorven. Zich bekeeren. Laten


ocr page 44

AFME

AFLO

— 3°

varen. Nederloggpn. Uittrekken. Uitschudden. Een afzetsel in den grond leggen. Aan

fewicht verliezen. Doen. Geven. Bt talen. )oorloopcn : eenen afstand afleggen. Het aanwezen afleggen : stomdronken worden. Eenen doode afleegen : iem. het doodge-waad aandoen. Ow.ewicht verliezen. Doen. Geven. Bt talen. )oorloopcn : eenen afstand afleggen. Het aanwezen afleggen : stomdronken worden. Eenen doode afleegen : iem. het doodge-waad aandoen. Ow. {hebben) Zeewaarts aanleggen. AJle^boel, m. (-en). Woeste dronkenmanspartij. Aflegger, m. (-s). Af' legger if, w. Aflegging, v. (-en). Aflegster, v. (-s).— nficitlCBi, bw. Naar beneden leiden. Naar eene andere plaats geleiden. Naar elders leiden (van water, enz ). Verwijderen. Den bliksem afleiden. Opbeuren, vervroolijken. Doen ophouden. Aftrekken. Het gesprek van iets afleiden, ongemerkt op een ander voorwerp brengen. Den oorsprong aanwijzen (van familie, enz.). Beschouwen als door hts anders vcroorzaal-t (van handelingen, ei z.). Een gevolg uit iets trekken, opmaken. (Bt sta mde) woorden afleiden : beschouwen als alkomsiig van elt; n of meer andere woorden (grondwoorden); ze, ten aanzien van vorm en beteekenis verklaren uit hunne afstamming. (Nieuwe) woorden afleiden : ze van of uit bestaande woorden vormen, hetzij door aanhecht:ng van voor- of achtervoegsels, of door verandering van dlt; n wortelklinker, hetzij zonder eenige verandering van vorm, door aan het woord eene beteekenis te hechten, waardoor het een ander rededeel wordt. Afleidbaar, bn. Afleider, m. (-s). Afleiding, v. (-en). Afleidkunde, v. Afleidkundig, bn. Afleidktmdige, m. en v. (-n). Afleidsel, o. (-s). — stfloken, ow. \zyn). Langzaam en sijpelend afdruipen. — ztilokken, ow. {zy'ii). Druppelings van iets afvloeien. Door eene reet afdruipen. Aflekkin^, v. — aflenzen, ow. {zi/n). Met weinig of zonder zeil voor windof stroom drijvende, zich van iets verwijderen. —allepgten, bw. Door leppen wegnemen (van vocht'. — nllcttc-ren, bw. Gedaan maken met (naaiwerkte) letteren. Merken met het vereischte getal letters.— afleven, bw. Tot het einde toe doorleven. — afleveren, bw. Afzenden. Ter hand stollen. Afzetten, verkoopen. Overleveren. Afleveraar, m. (s). A/leveraars/er, v. (-s). A/levering, v. (-en), y?/-leveringsrol, v. (-len). — aflezen, bw. Afplukken en bijeenzamelen. Lezende afkondigen. Ten einde toe lezen. Doorlezen verslijten, onbruikbaar maken. Zich aflezen, ww. Zich afmatten door lezen. Aflezer, m. (-s). Aflezing, v. (-en). — aflieliten, bw. Met licht vergezellen en naar beneden geleiden. Afheffen, afnemen. Afdrukken. Ow. [hebben) Naar beneden afstralen. Aflichting, v. (-en). — afli^r-Sren, bw. Door liggen afzonderen. Zich aflifizcn, ww. Zich door liggen afmatten. — afiymen, bw. x\!lcs lijmen wat te iijmen valt. — afltfvisr, bn. Levenloos, overleden, dond. Afli/vigheid, v. —nflik-ken, affeScKcn, bw. Door likken wegnemen, ontdoen. — aflikken, bw. Met likhout glanzig maken. Aflikke*\ m. (-^). Aflikking, v. — afloeren, bw. Bflocren. Bespieden. Iem. iets aVoeren, ;.f.tijken. Afloer der, m. (-s). Afloer ing, v. (-en). Afloerster, v. (-s). — aflokkeu, bwA aa boven lokken. De duiven van iem. aflokken. tot zich lokken en behouden. Iem. van den rechten weg aflokken. A/lokking, v. (-en). — aflonken, bw. Naar beneden lonken. Door lonken verkrijgen. — siflooden, bw. Op al de plaatsen de diepte onderzoeken (\an vaarwater). In stilte oplettend waarnemen. Aflooding, v. — aflooKen, bw. Met loog alwasschen. Door eenig scherp vocht afzonderen. Aflooging, v. — afloopen, ow. [zytz, hrbben). Naar beneden loopen. Zich loopend verwijderen. Ten einde loopen. Een einde hebben. Bw. Door loopen verslijten of onbruikbaar maken. Door veel op of over iets te loopen afzonderen. (Eenen afstand) te voet afleggen. Loopende afdoen. Her- en derwaarts doorkruisen. Van huis tot huis gaan. Iem. afloopen, uitputten door hem te lang te laten loopen. Zijne beenen afloopen : zich erg vermoeien. Zich afloopen, ww. Zich afmatten door loopen. Afloop, m. Het afloopen. Etbe. Einde. Ontknooping. (-en) Buis, enz. waardoor water afloopt. Aihel-ling. Hellend vlak, waarlangs het water afstroomt. (Boekdr.) Schuins afloopend zetwerk. (Bouvvk.) Overga ngshdtusschen twee verschillende leden van een lijstwerk. (Schutg.) Afloopende kant, den overgang vormende van eene grooteie metaaldikte van het geschut tot eene geringere. — sifloMsen, bw. Afhalen en vervangen. Vervangen. Afschieten. Betalen. Afkoo-pen. Intrekken. Lossen. Aflosbaar, bn. Aflosser, m. (-s). Aflossing, v. (-en). — aiSuirien, bw. Een gegeven bevel bij klokgelui herroepen. Door kiiden verslijten of onbruikbaar maken. Eenen trein atlui-den : bevel neven t? vertrekken. Afluidingy v. — atl 11 iKleren, bw. Onbemerkt, maar met opzet luisteren, om iets ter wete te komen. — aflnizen, bw. Listig afhalen : iem. ziju geldafluizen. — afmaaien, bw. Met de zeis enz. langs den grond afsnijden» Geheel en al maaien. Afviaaier, m. (-s). Afmaaiing, v. (-en) — afmaken, bw. Losmaken. Door vrijwillig verdrag ten einde brengen. Door het betalen eener som gelds een eind aan iets maken. Voltooien. Afdoen, afhandelen. Ombrengen, dooden. Afsluiten. afmaken, ww. Zich van iets afmaken : maken, dat men er van afkomt, ontslagen wordt. Afmaker, m. ( S;. Afmaking, v. (-en). — afmalen, bw. maalde af, heeft afgemalen. Geheel malen. Maalde af, heeft afgemaald. Afschilderen. Af maler, m. (-s). Afmaling, v. (-en). — afmanen, bw. Ahaden. Afmaner,m. (s). A/maan-ster, v. (-s). Afmaning, v. (-en). — af-manselen, bw. Alles mangelen wat te mangelen valt. — afniareiieeren, ow. (zyn). Wegtrekken. Oprukken. Sterven. A/marsch, m. — afmartelen, bw. Zoo lang of zoo zwaar martelen, dat de lijder uitgeput is. Afmatten. Uitputten. Zich afmartelen, ww. Afmarteling, v. (-en). — afmatten, bw. Alles matten wat te matten valt. Geheel niatten. Zeer vermoeien. Uilpuit er. Zich afmatten, ww. Afmat-fend, bn. Afmatting, v. (-en). — afma-?ilt;=n, bw. Voltooien (nl. een maaswerk). — a finclden;bw.Afzeggen. Afmelding, v.


ocr page 45

AFOO —

(-er).— afniolkeii, bw. Melken. Geheel melken. Gedaan maken met melken. Alles melken, wat er te melken is. ïe sterk melken, zoodat het melkdier lijdt of vermagert. Gaandeweg aftroggelen. — stfmenuon, bw. Zwaar vermoeien. — sifiiierfirclcu, bw. Geheel krachteloos maken. Af mergeling, v. — stf'iiierkon, bw. Door zichtbare teekenen duidelijk aanwijzen. Gedaan maken met merken. Alles merken water te merken valt. — afiuestcn, bw. Den mest wegruimen.— afmotvu,bw. Alles meten wat te meten valt. De juiste maat nemen. Afnemen, opmaken, nagaan. Meten en afzonderen. Door meting de grootte en gedaante aanteekenen. Het begin en het einde vaststellen. Naar dejuiste maat bepalen. Schatten, beoordeelen. Scandeeren (verzen, enz.). Nauwkeurig bekijken. Door kijken den duur of de lengte bepalen. Af-meetbaar, bn. Af meetbaarheid, v. Afmeet ster, v. (-s). Afmetelyk, bn. Afmete-lykheid, v. Af meter, m. ( s). Afmeting, v. (-en). — armetAcleo, bw. Alles metselen wat er te metselen valt. Gedaan maken met metselen. Voltooien (een metselwerk). — siluiöncii, bw. Door 't roepen van mijn / als 't ware afnemen. Door mijnen kooper of aannemer worden. Af-mijner, m. (-s). Afmijning, v. (-en). — afiiiikklt;'ii, bw. Op 't gezicht af de juiste maat bepalen. — afmovtcii, ow. {hebben). Afgedaan of afgezet, cok voltooid moeten worden. — arsaBOamp;ren, ow. Afgedaan of afgezet, ook voltoold mogen worden. — af'aioSmen, ow. (z7/n). Vermolmen. Afmolming, v. — ai'iiioiiMtcreu, bw. Uit den dienst A fmonstering,

v. (-en). —afmoor«lcii, {zich) ww. Door te langdurige inspanning z:ch uitputten. — arniuiBten, bw. Alles munten wat er te munten valt. — atiutirou, bw. Door eenen m uur afscheiden. v. (-en).

— afustaion, bw. Voltooien (een naaiwerk). — arnaa*»tcn, bw. Benaderen. Toeëigenen. —afnemou, bw. Opnemen en verwijderen. Afscheppen. Overnemen en ontlasten. Van 't lijf, 't hoofd enz. nemen. Afkoopen en ontlasten. Wegnemen. Doen ondergaan, afleggen, enz. Verwijderen. Een gedeelte van een geheel wegnemen. Aftornen. Afsnijden. Afknippen. Afzetten. Afvegen en wegnemen. Afdienen. Losmaken en wegnemen. Afhef-fen (van speelkaarten). Op onbillijke wijze enz. noodzaken te betalen of af te staan. Met geweld beletten weder te spreken. Ontnemen. Afleiden. Opmaken. Ow. {zijn) In hoedanigheden verminderen. Verzwakken. Verflauwen. Korter worden. Afneem-doeh,m. (-en). Afneemster, v. ( s). Afnemer, m. (-s). Afneming, v. (-en). — afiiciiKcii, bw. Afkijken. Afloeren. Afneuzer, m. (-s). Afneuzing, v. (-en). — arnUpon, bw. Door nijpen afscheiden. Af nijping, v. (-en). — afnoiuincrcu, arsiusBinioren, bw. Door nommers van elkander enderscheiden. Van een nommer voorzien. Afnommering, af nummering, v. — a»lt;»o;roaa, bw. Afkijken. Afloeren.

— afoojjfslon, bw. Van 't veld afnemen cn binaeuLalca. Gedaan maken met oog-

31 — AFPL

sten. Den oogst ten einde brengen. — aiooi'losreu, bw. Uitputten door oorlogen. — afpaohtcn, bw. In pacht nemen. Door hoogeren huurprijs onttrekken. — atpadigr, bn.Van 't rechte pad afgeraakt. Afpadigheid, v. (..heden). — afpakken, bw. Pakken. Ontpakken. Uitpakken. Ontladen. Af pakker, m. (-s). Afpakking, v. (-en). Afpakster, v. (-s). — ai'jpalou, bw. Met palen afzetten. Afbakenen. Afpaling, v. (-en). — afpanden, bw. Door een gerechtelijken eisch deze of gene goederen van den schuldenaar voor ecne door den rechter te schatten waarde aan den schuld-eischer in betaling der schuld toewijzen. Af panding, v. (-en). — afpassen, bw. Met eenen passer of met passen afmeten. Naar de juiste maat afmeten. Geld afpassen : verschillende geldstukken zoo bij elkander voegen, dat de gezamenlijke waarde juist het vereischte bedrag uitmaakt. In berekende maat toemeten. In juiste maat toewijzen. At passing, v. (-en). — afpeilen, bw. Met het peillood meten. Geheel en al peilen. Opnemen (van waren) om de hoeveelheid er van te bepalen en daarnaar het bedrag van den accijns te berekenen. Afpeil, m. Afpeiling, v. (-en). — afpeln-zen, bw. Veel peinzen. Zich afpein-zen, ww. Door peinzen zich afmatten. — afpelen,bw.Ontharen. Afpeling,y. (-en), afpellen, bw. Van de pel, schil, enz. ontdoen. Geheel en al pellen. Alles pellen wat er te pellen is. Ow. {zijn) Zich van de pel ontdoen. Zich van de schil, den dop enz. laten ontdoen. Af peller, m. (-s). Afpelling, v. (-en). Afpelsel, o. (-s». Af pelster, v. (-s). — afpennen, bw. Geheel afschrijven. Eene kopie maken. Pen- of kegelvormig uitsmeden (van stukken ijzer). Ook, met den afpenhamer ruw afteekenen. Zich «(?«,ww.Zich afmatten doorveel te schrijven. Afpenhamer, m. (-s). Afpenner, m. (-s). Af penning, v. (-en). — afperken, bw. Afbakenen. Afsluiten. Afpalen. De perken of palen aanwijzen. Afperking, v. (-en). — afpersen, bw. Persen voor zooveel noo-dig is. Alles afdoen wat er te persen is. Noodzaken. Tegen wil en dank doen geven, lem. eenen lach afpersen, onwillekeurig doen lachen. Afperser, m. (-s). Afpersing, v. (-en). — afpenteren, bw. Door peuteren afscheiden. — afponzclen, bw. Door peuzelen ontdoen. — afpUnen, bw. Hevig kwellen. Zich af pij tien, ww. Zich tot afmattens toe kwellen. Afpyning, v. — afpUquot;iKen, bw. Door pijnigen verkrijgen. Afmartelen. Door pijnlijke kwellingen van lichaam of geest geheel uitputten. Zich afpijnigen, ww. Zich naar den geest sterk kwellen. Afpyniginq-, v. — afpikken, bw. Met den bek aangrijpen en wegnemen. Alles pikken wat er te pikken valt (van voorw., die met pik moeten bestreken worden). Met de pik afsnijden. — afpingelen, bw. Kleingeestig afdingen. — afpit-sen, bw. Afknibbelen, Afrossen. Langzaam wegnemen (met de vingers). — afplagrgren, bw. De begroeide bovenkorst wegnemen (van he:degrond). — afplakken, bw. Alles plakken wat er te plakken is. — afplanten, bw. Door


ocr page 46

\2 — AFRI

toe rabbelend uitspreken. — afraden, bn. Den raad geven zich van ilt; ts te onthouden, iets niet te koopen, teUezui, te gebruiken, enz. A fraudster, v. (-s, -en). Afrader, m. (-s. -en), — afrafeien, bw. Van de rafels ontdoen. Van een g deelte van den inslag ontdoen. Van dc samenstellende deelen ontdoen. Ow. (zijn) Rafels van zich laten afgaan en daardoor alK ngs verslijten. Afrafeling, v. — afraffelen, bw. Haastig en slordig afdoen. — afi-a-{fen, bw. Met den raagbi'1 wegnemen, zuiveren. — afraken, ow. (zyn). Zonder opzet ook allengs en onwillekeurig verwijderd geraken. Van iem. afraken, ongemerkt en onwillekeurig van hem afwijken. Afdwalen. Allengs en onwillekeurig laten varen. Vandaan komen. Vlot raken. Verdwijnen, weggaan. Afkomen. Ontslagen, bevrijd geraken. Kwijtraken. Afleggen. Afgeschaft of in onbruik geraken. Ophouden te bestaan. Voltooid raken. — aframmelen, bw. Afrossen. Duchtig doorhalen. Al-rabbelen. Veel rammelen. Heel watafdoen als men eens aan 't rammelen is. Bijna onverstaanbaar ten einde toe oplezen of opzeggen. — afranden, bw. Den rand afnemen of versmallen. Afranding, y. (-en). — afranselen, bw. Een duchtig pak slagen geven. Doorhalen.— afrapen, bw. Oprapen en wegnemen.— afranpeu, bw. Door raspen wegnemen. Ruspen voor zooveel noodig is. Alles afdoen wat er te raspen valt. Af rasping, v. (-en). — af rapieren, bw. Door het zetten van een rasterwerk van de belendende ruimte afscheiden. Afraster draad (voorw.), m. (..aden) ; (stof), o. Afrastering, v. (-en). — a free-den, bw. Geheel gereedmaken voor zeker doel (inz. van vlas, enz.). Afreeding, v. Afreehekel, m. (-s). — afrekenen, eenpw. Het heeft vandaag wat algeregend. Ow. {zijn) Door den regen losgaan en afvallen. Door den regen zijn k.eur verliezen (inz. van vlas). Als een regen nederdalen. — afreiken, bw. Afürijgen en aanreiken. Afgeven. — afreizen, ow. {zijn). Vertrekken. Bw. Reizend bezoeken. Eene zekere maat van reizen volbrengen. Zich afreizen, ww. Zich afmatten door reizen. A/reis, afreize, v. — afrekenen, bw. Bij 't verrekenen aftrekken, afzonderen. Vereffenen. Eene rekeningsluiten. Rekenschap vragen van wat er gezegd of gedaan is en daarover voldoening nemen. Afreke-ning, v. (-en). — afrennen, ow. {zijn). Zich rennend verwijderen. Van eene hoo-gere naar eene lagere plaats rennen. Bw. Door rennen doen loslaten. Met snelle vaart doorloopen. Afloopen. Afplunderen. Zwaar vermoeien. Zich afrennen, ww. — afrepelen. afrepen, bw. Door repelen van deknoppen ofzaaddoozen ontdoen. Geheel repelen. Alles afdoen wat er te repelen valt. Af repeling, v. — afrieh-fen, bw. Een andere richting geven. Door onderricht en oefening tot iets bekwamen of tot de vereischte vaardigheid opleiden. Zich africhten, ww. Zich zonder leiding van een ander de vereischte vaardigheid in eenige kunst enz. eigen maken. Africhter, 1 m. (-s). Africhting, v. (-en). Africhtster,

AFRA — 3

omplanting van boomen of gewassen afscheiden. Afplantiyig, v. ( en). — sir|»|atteii, bw. Platter makrn door de bolvormige oppen Likte van iels af te nemen of die die iter ineen te Afplatting, v. (-en).

— «if'plfitt'ii, bw. Zóo pleiten, dat men vrijgesproken oftoteene lichtere straf ver-oordeeld wordt. Geheel en al bepleiten. Kene zekere maat van pleiten volbrengen. Ow. De pleitredenen teneinde brengen. — rif'lklt'li 1^4*11. ow. (Van kleurstof) loslaten en zich afscheiden, zoodat zij plekken maakt op een ander voorwerp.— sifplctieii, bw. Pletten. Gedaan maken met pletten. — sif'plocireii, bw. Met den ploeg bewerken (eenen akker), Door ploegen afscheiden, af.tonderen. Geheel en al ploegen. Zich ajploegen, ww. Door ploegen zich afmatten. Afploeging, v. (-en). — afploflcii, ow. {zyn). Met eenen plof naar beneden storten. Bw. Met geweld naar beneden werpen. — sifploolcn, bw. Geheel en al plooien. Gedaan maken met plooien.

— sirploten, bw. Zooveel ploten als noodig is. Gedaan maken met ploten. — sirpluizou (pluisde af, heeft en is afgepluisd). Bw. Pluisjes wegnemen. Ow. Pluisjes loslaten. Bw. (ploosaf, heeft afgeplozen). Bij pluisjes afplukken. Afpluizer, m. (-s). Afphiizing, v. (-en). — afplukkcu, bw. Door plukken afnemen, afzonderen. Af-plukker, m. (-s). Afplukking, v. Afphik-ster, v. (-s).— afpluiulcrcn, bw. Door plunderen wegrooven. Alles wegrooven. Afplundering, v. — at'poeicreu, bw. Zooveel poederen als noodig is. Gedaan maken met poederen. quot;Wegzenden, afschepen. Hij heeft afgepoeierd, heeft zijn afscheid gekregen. Ow. {zijn) Heengaan. Afpoeiering, v. — afpootftcii, bw. Door poetsen wegnemen en weer blinkend maken. Alles afdoen wat er te poetsen valt. Gedaan maken met poetsen. Behendig ontfutselen.

— arpoldcrcu, bw. Door het leggen van slooten enz. van een anderen polder scheiden. Af polder ing, v. (-en). — af-ponipcn, bw. Door pompen verwijderen. Af pomping, v. — af ponden, bw. Bij ponden afwegen. — afpraelien, bw. Door vleiende bede verkrijgen.— a t'prak-feezecrcn, bw. Eene zekere mate van cadenken volbrengen. Zich afprakkezee-ren, ww. Zich afmatten door nadenken. — afpraten, bw. Door praten van iets afbrengen. Door praten uit het hoofd steken. Door praten maken, dat iets niet geschiede. Sprekende afdoen. Eene zekere maat van praten volbrengen. Gedaan maken met praten. Het gesprek eindigen. Dat is afgepraat, afgedaan. — afpreekcu, bw. Afpraten. Ow. {hebben) Gedaan maken met preeken. — af'prenien, bw. Afdrukken. In prent afbeelden. In woorden afbeelden. — afpresMen, bw. Afpersen. Afpressing, v. (-en). — saf prevelen, bw. Tot aan het einde toe prevelen. Geheel en al prevelen. — afpriegrelen, bw. Afrossen. — afproeven, bw. Wegnemen en opeten om eens te proeven. — afpunten, bw. Van de al te scherpe punt ontdoen. Kitippw. Af punter, m. (-s). Afpunt ing, v. (-en). — alrabbeleu, bw. ïothet einde I

ocr page 47

AFRO — 2

v. (-s^.— sirry«leii,ow (zyw). Zich rijdende verwijderen. Vertrekken op het bepaalde uur en van degewone standplaats. Van eene hoogere naar eene lagere plaats rijden. Bw. Doorrijd» n iels doen loslaten, afvallen, enz. Rijdend afleggen. Her- en derwaarts rijdend doorkruisen. Doorrijden verslijten, onbruikbaar maken, enz. Door rijden afmatten. ZtcA a/ryden, ww. Zich afmatten door rijden. A fry, m. Het afrijden. Afry,v. Helling bij 'tafrijden. — stfrUK^n. bw. Losrijgen en van 't lijf doen. Afnemen. Afryger, m. (-s). A/rygtnsc, v. (-en). Af-rygster, v. (-s). — arrüiiien, bw. Voltooien (van dichtwerk). Afrytning, v. — afrOteu, bw. Door los te rijten scheiden. Afry'ting, v. — st fry zen, ow. (zyn). Afvallen. Nederrallen. Afryztng, v.

Afrikn, o. Werelddeel, door de Mid-dellandsche Zee van Europa, door den Atlantischen Oceaan van Amerika, door de Indische Zee, de golf van Aden, de Roode Zee en het Suez-kanaal van Azië gescheiden. Oppervlakte : 534,000 geogr. vierk. mijl (de eilanden : 10,500). Bevolking : 205,5co,ooo inw. In Midden-Afrika is de Congostaat gelegen. — Afrikaan, m. (..anen). Persoon, die in Afrika woont. — Afrika in, v. (..anen). Sierplant, tot de samengestelden behoorende : tagetes pa-tula.

afriHtcn, bw. Van de rist afstroopen. Afristing, v. — afrit, m. Het afrijden. — afritsen, bw Bepalen, door langs een

Sespannen koord met de spade schuin in en grond te steken. Zooveel ritsen als noodig is.espannen koord met de spade schuin in en grond te steken. Zooveel ritsen als noodig is. Afritsing, v.(-en).—afroeien, ow. {zijn). Zich door roeien verwijderen. Stroomafwaarts roeien. Bw. Door roeien verwijderen. Roeiende afleggen. Tot het einde toe voortroeien. Zich af roeien, ww. Zich afmatten doorroeien. —afroepen, b_w. Tot zich roepen en daardoor iem. nopen zich te vei wijderen van hetgene waarmede hij zich bezighoudt. Naar beneden roepen. Namen éen voor éen luide uitspreken. Afkondigen. Ajroeper, m. (s). Afroeping, v. {-en). Afrorpster, v. (-s).— afroeMten, ow. (zyn). Door roesten van 't geheel

fescheiden worden.escheiden worden. — afroffelen, bw. Iet den roffel afschaven. Ruw bewerken. Het afroffelen ten einde brengen. — afrollen, bw. Door rollen verderaf brengen. Van klos, enz. doen loslaten. Uiteenrollen. Zooveel rollen als noodig is. Naar beneden rollen. Behendig uit den zak ontstelen. Veel doordraaien. Ow. {zyn) Zich rollend voortbewegen. Zich ontrollen. Voortgaan. Zoolang rollen tot dat het afgelolt; pen is. Zich van eene hoogte naar beneden laten rollen. Van eene hoogte naar beneden rollen. Afvallen. Afvloeien. Stroomafwaarts rollen. In golvenden luchtstroom worden voortgedragen. Afro lb aar, bn. Afrolbord, o. (-en). Afrolling, v. (-enk afronden, bw. Geheel of gedeeltelijk rond maken. Eenen volzin afronden : zoo inrichten, dat al de deelen met elkander in behoorlijk verband staan. Afronding, v. ( en). Afrondingsfrees, v. (..zen). Afron-dtngsmachtne, v. (-s). Afrondingsvyl, v. (-en). — afrouMelen, bw. Op listige

5 — AFSC

wijze aan den dienst onttrekken. — afrooien, bw. Afpalen. Wegnemen wat buiten dö rooiing uitsteekt. Afrooiing, v.. ( en). — afrooken, bw. Door rooken wegnemen. Zooveel rooken als noodig is. Alles afdoen wat er te rooken valt. Afroo-ker, m. (-s). Af rooking, v. (-en). — afroo-inen, bw. Den room afscheppen. Afroo-ming, v. — afrooven, bw. Door roof ontnemen. Roovend in alle richtingen doorkruisen. /gt;/£•, v. — afroHHen, bw. Behoorlijk roskammen. Een duchtig pak slagen geven. Doorhalen. Erg havenen. Zwaar vermoeien (van paarden). Af rosser, ' m. (-s)• Afróssing, v. (-en). — afrotten, ow. {zyn). Door te rotten afgaan. In verrotting vergaan. Af rotting, v. — af roven, bw. Van 't roofje ontdoen. Af roving, v. — afrnien, ow. {hebben}. Het ruien eindigen. Bw. Door te ruien zijne vederen verliezen. — afruilen, bw. Door ruiling verkrijgen. — afrniarlien, ow. {hebben, zyn). Ruischend nederstroomen van eene hoogte. Naar beneden ruischen. Ruischend alvallen. — afrukken, bw. Met eenen ruk losmaken en wegnemen. Met geweld uit de hand of van het lijf rukken. Met geweld aftrekken. Zich ontrukken. Ow. {zi/n) Aftrekken. Met gezwinden marsch nederwaarts trekken. Met vijandige bedoeling aanrukken. Af rukker,va. {^.Afrukking, v. (-en). Afrukster, v. (-s). — afsa-tielen, bw. Met den sabel afweren. Afslaan. Afhouwen. Af sabeling, v. — af-Mcliaeheren, bw. Door schacheren ver-knjgen. — afneliatluwen, bw.' Een schaduwbeeld maken. Afschetsen. Zinnelijk afbeelden. Afschaduwing, v. (-en). — af-Hcliaffen, bw. Zich van iets ontdoen. Doen ophouden. Buiten gebruik, dienst,enz. stellen. Afschaffer, m. (-s, -en). Afschaf-fing-- v- (-©n). Afschaffingsgenootschap, o. {-pen). A/schaffingsmaatschappy, v. (-en). Afschaf ster, v. (-s, -en). — afschaften, ow. {hebben). Gedaan maken met schaften. T «f*lt;?l*aken, bw. Het schaken ten einde brengen. In 't schaakspel overwinnen. (Zeew.) Doorsteken. — afnelialen, bw. \ an de schaal ontdoen. A/schaling, v. — afseliallen, ow. {hebben). Naar beneden schallen. (Van klanken) Met luid geschal weerklinken, zoodat zij beneden gehoord worden. — afseliampen, ow. (zyn). Afghppen en ter zijde uitschieten. Langs de oppervlakte afglijden (ook van woorden en denkbeelden). Afschajnper, m, (-s). A/schamping, v. (-en). — afselian-*eii, bw. Door schansen omringen. Af-schansing, v. (-en). — afseliaveelen, afitrliavielen, ow. {zyn). Zich uit den weg maken, om zich uit eene ongelegenheid te redden (van vaartuigen enz.). Door wrijving allengs verslijten. Af-schaveeling, af schavieling, v. —- af-Mdiaven, bw. Door schaven afzonderen, dunner maken, de oneffenheden wegner men. Zooveel schaven als noodig is. Alles afdoen wat er te schaven valt. Door sterke wrijving wegnemen. Ow. {zijn) Door te schaven afgaan. Door sterke wrijging weggenomen worden. Als 't ware zich zelf afschaven. Afschaaf sel, o. (-s). Af scha-


ocr page 48

AFSC _ ■

ving, v. (-en). — sgt;rMlt;*licilt;llt;gt;n, bw. Door schciden afzonderen. Afzolien. Eene ruimte \an eem* aangrenzende ruimte afzonderen. Verwijderen. Vaa iets afzonderen. (Scheik.) Uit een mengsel of eene verbinding afzonderen. Van het algemeen voe-•dingsvocht onttrekken. Zfkt-re betrekking of gemeenschap doen verlaten. Beschouwen, dat iets met iets anders niet in verband staat. Zich afscheiden, ww Gescheiden geraken. (Scheik.) Zich uit een • verbinding of een mengsel afzonderen. Zich van het algemeen voedinp;svocht afzonderen. Zich verwijderen. Zich aan eene gemeenschap onttrekken. Uittreden. Ow. {zyn) Scheiden. Verscheiden. Van iets afscheiden, er .zich niet langer mee bezigfouden. Verlaten. Afscheid, o. Ontslag. Vertrek. Bedanking. Afdanking. Af scheidbaar, bn. Af scheidbaarheid, v. Afscheide lijk, bn. Afschei-delykheid, v. Afscheider, m. {-^.Afscheiding , v. (-en). Af scheidingslijn, v. (-en). Afscheidingsmuur, m. (.. uren). Afschei-dingssloot, v. (-en). Afscheidin^svat, o. (-en). Afscheidnemen, o. Afscheidne-Tning, v. Afscheidsbezoek, o. (-en). Afscheidsbrief, m. (.. ven). Ajscheidsel, o. o. (-s, -en). Afscheidsgroet, m. (-en). Afscheidskus, m. (-sen). Afscheidsrede, v. (nen). A fscheids ter, v. (-s). — sirfieliel-feren. Zie afschilferen. Af schelfering, v. (en).—afsclicllen.bw. Afbellen. Zie ook afschillen. — afsclioinereii,ow. {hebben), Met een flauw schijnsel van iets afstralen, of naar beneden stralen. Afscherne-ring, v. (-en). — stfMoliciikon, bw. bw. (Schonk af, heeft afgeschonken.) Afgieten. (Scheukte af, heeft afgeschenkt. Van 't overtollige gedeelte van den schenk ontdoen (indepijpenmakerij). Af schenker, m. (-s). Af schenking, v. (-en). — siImcIic-)»én, bw. Met een schip verzenden. lem. afschepen, wegzenden zonder zijn verlangen te voldoen. Zich laten afschepen met iets : zich daarmede laten wegzenden. Afscheep, m. Afscheepster, v. (-s). Afschep er, m. (-s). Afscheping. v. (-en). — stfftelieppon, bw. Door scheppen wegnemen, Afscnepping, v. (-en). — afscheren, bw. Door scheren wegnemen. Afbijten en opvreten. Door scheren geheel van wol enz. ontdoen. Geheel en al scheren. Af scheerder, m. (-s). Afscheer-ster, v, (-s). Afschering, v. (-en}. — af-sclicruien, bw. Met stok, sabel, enz. afweren. Afkeeren. Zich afschermen, ww. Zich afmatten door te schermen. Afscher-Tning, v. — afschcrven, ow. (hebben, zijn.) Gedeelten der oppervlakte loslaten. Afsch erving, v. (-en). — afsclicf Nen, bw. In eene schets nabootsen. Vluchtig beschrijven. Afmalen. Voltooien (eene schets). Zich afschetsen ww. De schrik schetste zich op zijn aangezicht af. Afsch etser, m. (-s). Afschetsing, v. (-en). — af-sclienren, bw. Met eene scheur losrukken. Met geweld afrukken. Zich afscheu-ren van iets : zich met geweld er van afrukken. Ow. {zijn) Losgaan door te scheuren, door verbreking van den samen-hanjj. Afscheuring, v. (-en). — afftc*liic-ten. bw. Door middel van een schiettuig

^ — AFSC

voortd-ijven. Uit het schiettuig uitdrijven. Doen afgaan. Af doen tuimelen door een goed gemikt schot. Door te schieten afscheiden. Met snelle vaart afwaarts doen stroomen. Van zich doen uitgaan (van licht- en bliksemstralen). Richten : op iem. toornige blikken afschieten. Pijlen op iem. afschieten, hem lasteren. Ow. {zyn) Zich plotseling en met snelheid verwijderen. Losgaan en plotseling afglijden. Plotseling en snel naar beneden loopen, springen, enz. Met snelle vaart naar beneden stroomen. Afstralen. Op iem. of iets afschieten : plotseling en snel er op afkomen. Af schifting, v. — afHClitjiieu, ow. {hebben). Van een lichtend voonverp uitgaan. T icht van zich geven. Helder afsteken. Naar beneden schijnen. Afschijn, m. Afschijnsel, o. (-s, -en). — aisoliUvcu, bw. In schijven deelen (van gesmolten metaal). Afschij-ver, m. (-s). Afschyi'ing, v. — afftdiik-ken, ow. {zijn). Opschuivende zich verplaatsen en verwijderen. Bw. Naar elders zenden. — afiscliildoren, bw. Met kleuren afbeelden. Zichtbaar voorstellen. Levendig beschrijven. Zich iem. of iets (in zekere hoedanigheid) afschilderen : zich in den geest zulk een beeld er van vormen. Voltooien (een schilderstuk). Afschilde' rin%i v. (-en). — :ifscliilforen, ow. (zyn). Zich in schilfers oplossen en loslaten. In schilfers overgaan en die laten afvallen. Bw. In schilfers afscheiden. Van de buitenste deelen ontdoen. Afschilfering, v. (-en). — afacliillou, bw. Door schillen wegnemen. Van de schil ontdoen. Geheel schillen. Alles schillen wat er te schillen valt. Ow. {zyn) De schil loskiten. Zich laten schillen. Af schiller, m. (-s). Afschilling, v. (-en). Afschilsel, o. (-s). Afschilster, v. (-s).— afgcliimpcn, bw. Metschimpende woorden bejegenen. — afMOliittercn, ow. {hebben). Schittering van zich geven. Schitterend afsteken (van kleuren, enz). Naar beneden schitterend afstralen. Af schittering, v. — afsohobbcn, ow. {zijn). Dikke schi fers loslaten (van turf). — af-solioffcleii. Bw. Met de schoffel losmaken. Ow. {zijn). Langzaam afdalen. Af-schoffeling, v. — afscliokkcii, ow. {zijn). Door te schokken afraken. Bw. Met eenen schok afwerpen. Door schokken afmatten.— afMcliommclcii, ow. {zyn). Schommelend naar beneden gaan. — af-sohooien, bw. Schooiend afloopen. — afscliooncn, ow. {zyn). Opklaren. Af-schooning, v. — affeplioppen, bw. Met eenen schop verwijderen, naar beneden doen tuimelen. Wegjagen. —afsoliot, o. Helling (van stroomend water). Helling der schepplanken van een scheprad. — af-schonwcn, bw. Alles schouwen voor zooveel noodig is. Gedaan maken met schouwen. De schouw ten einde brengen. Afgewerkt verklaren. Afschouw, m. Af-schouwer, m. (-s). Atschouwing, v. — afsclirabbeu, bw. Doorschrabben wegnemen, ontdoen. Geheel schrabben. Alles schrabben wat er te schrabben valt. Af-schrobber, m. (-s). Afsch ra b5 ing, v, (-en). Afschrabsel, o. Afschrabster, v. (-s). — afsclirapeii, bw. Door schrapen wegne-


ocr page 49

AFSC — 3

men. Geheel schrapen. Alles schrapen wat er te schrapen valt. Afschraapschaar, v. (..aren). Afschraapsel, o. A/sch raap ster, v. (-s). Af schraper, m. (-s). AJ schrap ing, v. (-en). — afMClirsippcu, bw. Door schrappen afscheiden en wegnemen. Met cene schrap aanwijzen, doorschrappen. Door het zetten van schrapjes afschetsen. Af schrapper, ra. (-s). Afschrapping, v. (-en). Aj schrapsel, o. Afsc krapst er, v. (-s). — samp;fHclirecuwcii, bw. lem., die beneden is iets toeschreeuwen. Door schreeuwen bekendmaken. Zoo hard schreeuwen, dat bet geluid op zekeren afstand reikt. Hard schreeuwen. Heel wat afdoen als men eens aan 't schreeuwen is. Zich a f schreeuwen, ww. Zich afmatten doorschreeuwen. afMClirelen, bw. Door schreien afwenden, afbidden, enz. Zich af schreien, ww. Zich afmatten door schreien. — nfHOlir|j-veu, bw. Van de rekening afdoen. Schriftelijk afzeggen, of afbestellen. Mededeelen. Eene zekere mate van werk, dat in schrijven bestaat, volbrengen. Voltooien (een schrijfwerk). Door schrijven verslijten.O verschrijven. Afbakenen. Zich afschrijven^ ww. Door schrijven zich afmatten. Afschrift, o. (-en). Afschrijtenboek, o. en m. (-en). Af sch ryfgeld, o. (-er). Af schrijfloon, o. en ra. (-en)' Afschrijfpunt, v. (-en) Aj schrijf ster, y. (-s). AJ schrijver, ra. (-s, •en). Afschrijving, v. (-en). Afschrij-vingsbnnk, v. (-en). — rikken,

ow. (zyw). Door schrik bevangen worden en achteruitspringen. Een hevigen afkeer hebben van iera. of iets. Bw. Door verschrikking afweren. Doen afzien. Hij laat zich door niets afschrikken : bij laat nooit den raoed vallen. Afschrik, ra. Afschrtk-king, v. Afschrikwekkend, bn. — af-hcIirobben, bw. Door schrobben, wegnemen, schoonmaken, verslijten, enz. Zooveel schrobben als noodig is. Alles afdoen wat er te schrobben valt. Af schrobbing, v. (-en). — afnelirocien, bw. Door schroeien wegnemen, ontdoen. Ow. {zijn) Door sterke hitte verteerd worden en zich van 't voorwerp afscheiden. Af schroeiing, v.

— sifftcliroeTen, bw. Door het terugdraaien der schroef verder afbrengen. Afnemen. Scheiden, door de schroeven los te draaien. Afschroeving, v. (-en). — af-seliuliben, bw. Van schubben ontdoen. Afschubbing, v. — af'slt;*liiilt;llt;len, bw. Door schudden doen afvallen. Van zich afwerpen. Van zich afzetten. Zich afschudden, ww. Door eene schuddende beweging van 't lichaam de stoffen afwerpen, die zich op of aan het lijf of de kleederen bevinden. Af schudder, ra. ( s). Afschudding, v. Aj-schudster, v. (-s). — afnolmieren, ow. Door schuieren wegnemen, schoonmaken. Duchtig doorhalen. Afschuiering, v. — af-ftelminK»!!, ow. {zijn, hebben). Schuimend nederstroomen. Bw. Met eene schuimspaan, enz. wegnemen. Van onzuivere stoffen zuiveren. Den grond afschuimen : de bovenste, dunne laag met de schuimschop afnemen. Als zeeschuimer in alle richtingen doorkruisen (de zee, enz.). Afschuimer, m. (-s). Afschuiming, v. Afschuimster, v. (-s).

— afsclmineu, bw. Schuins af- of bij-

— AFSL

werken. Afschuining,, v. (-en). — af-ficliuiven, bw. Door schuiven verwijderen. Achterwaarts schuiven. Iets van zich afschuiven, afwerpen. Afdokken. Ow. [zijn) Zich schuivend verwijderen. Afzakken (van grond). Afschuiving, v. (-en). — iif-scliurcn, bw. Door schuring wegnemen, wegspoelen, reinigen, effen maken. Geheel schuren. Alles afdoen wat er te schuren valt. Ow. {zijn) Door schuring weggenomen, losgespoeld worden, afnemen. Af schuring, v. (-en). Afschuurder, m. ( s). Af sch uur-sel, o. Afschuurster, v. (-s). — afMoUuf. ten, bw. Door een schut of beschot afscheiden, afsluiten. Verhinderen te treffen. Afschutsel, o. ( s, -en). Afschutting, v. (•en). — afNrliiMV, m. Hevige afkeer. Afschuwbaar, bn. Afschuwelijk, bn. bijw. Afschuwelijkheid, v. (..heden). Afschuwwekkend, bn. — afMeinen, bw. Door seinen afzeggen, afbestellen. Af-seining, v. (-en). — afHeizen, bijw. (Scheepst.). Losmaken door het wegnemen van de seizing of reep. Af seizing, v. — sif*|jpelen, ow. {hebben, zijn). Zachtjes afdruipen. Af sijpeling, v. — afWjorren, bw. Losmaken en wegnemen door het lostrekken der touwen. — arwjouwen. bw. Naar beneden sjouwen. Heel wat afsjouwen : heel wat zwaren arbeid verrichten; ook, zeer or gebonden leven. Zich afsjouwen, ^kvj. — s«fs3:ian, bw. Door slaan verwijderen, afzonderen, afhouwen. Van de hand wijzen. Stellig weigeren. Met geweld airukken. Wegspoelen. Afweren. Terugslaan. Buiten gevecht stellen. Buitmaken. Afhandig maken. Een pak slagen geven. Naar beneden doen tuimelen. Haastig afdoen. Losmaken en wegnemen. Door slaan ontdoen (van vuil, enz.). Lager stellen (van den pi ijs van koopwaren). Den koopprijs verminderen. Op eene lagere waarde schatten. Bij afslag verkocpen of verpachten. Loozen : zijn water afslaan. Eene partij afslaan : weigeren iem. tot echtgenoot aan te nemen. Ow. {hebben) Zich verdedigen : van zich afslaan, {zijn) In eene andere richting voortgaan. Met geweld afgescheiden, afgerukt worden. Plotseling afvallen. Goedko( per worden. In prijs verminderen. In waarde dalen. Afslag, ra. Het afslaan, enz. (-en) Een exemplaar van geslagen munt. Afslager, ra. (-s). — af-Nlaelilen, bw. lem. een dier afslachten, het hem doen verliezen door het te slachten.

— afslaven {zich), ww. Zich door zwaren arbeid afmatten. — afMleclilen, bw. Gladhameren. Gelijk en effen maken (van de spanten van een schip in aanbouw). Minder onstuimig maken (van de zre). Ow. {zijn) Bedaren (van de zee). Afslechthamer, ra. (-s). Af slechting, v. — af-wleepen, bw. Aftrekken. Over den grond voorttrekken. Naar bereden sleepen. Naar beneden dragen. Tot 't laatste toe afdragen (van kleederen). Af sleeping, v. ( en). — afftlenteren, ow. (sj,'?/). Zich slenterend verwijderen. Slenterend naar bened n gaan.

— sifHlepen, ow. {hfbben) Afhangen.

— sifVtleiiren, bw. Verwijderen do' r ruw voort te sleepen. Naar beneden sleuren. Afrukken. — af slibberen, ow. {zijn).


ocr page 50

AFSM — 3

Afglippen. — afslieren, ow. {zyn). Zich slierend van iets verwijderen. Slierend naar beneden komen. — aftljUpen, bw. Door slijpen wegnemen.Doorslijpen ontdoen(van). Zoo dikwijls of zoolang slijpen, dat iets onbruikbaar wordt. Geheel slijpen. Alles afdoen wat er te slijpen valt. Af slijper, m. (-s). Af sly ping, v. (-en). Afsbjpsel, o. Afslijp ster, v. (-s). — afslöten, bw. Door slijting doen afgaan. Gedeeltelijk versliiten. Geheel verslijten. Door slijting onbruikbaar maken. Door zware inspanning in krachten doen afnemen. Verslijten. Doen slii'ten (van aandoeningen, enz.). Zich afslyien, ww. Allengs verslijten. Ow. (zi/n) Door slijting afgaan. Door schuring losgaan en weggespoeld worden. Door 't gebruik, als 't ware, verdwijnen. Gedeeltelijk verslijten. Geheel verslijten. Verminderen in sterkte, enz. Onbruikbaar worden. Afslijting, v. — af-sliuseren, bw. Met een krachtigen zwaai van den arm wegdrijven. Met een slingerenden zwaai afwerpen, afscheiden, van de hoogte werpen. Door middel van den slinger enz. doen afvallen, verwijderen. Ow. (zyn) In draaiende beweging afstorten. Zich in slingerenden loop verwijderen (van beken, enz.).^— afülippen, ow. {zijn). Slippend van iets afraken, afvallen. Afslip-ping, v. — af»lolgt;lgt;ereii, bw. Wegnemen door op te slobberen of in te slorpen. Afslobbering, v. — aftloflcn, bw. Afslijten door te sloffen. Verslijten van (schoenen, enz.) door er mede te sloffen. Ow. {zijn) Slapper voortgaan. Verflauwen. Af-sloffing, v. — afttloiizcn, bw. Achteloos verslijten. Door zorgeloosheid bederven, verloren laten gaan. Afslonsster, v. (-s). Afslonzer, m. (-s). Afs Ion zing, v. — af-•loopen, bw. Geheel sloopen. — af-■looten, bw. Door 't graven van slooten afscheiden. Afslooting, v. (-enj. afsloo-ven, bw. Het bekleedsel van iets afschuiven. Ow. {zijn) De kous slooft af. — afslorpcn, af»lnrpcii, bw. Wegnemen door te slorpen A f slorp ing, afslur-fing, v. — aTsloveii, bw. Door overmaat van arbeid of zorg afmatten. Met moeite voltooien. Zich afsloven,vrw,Afsloving, v. afftluipon, ow. {zijn) Zich sluipend verwijderen. Sluipend naar beneden gaan. — alBluiten, bw. Door sluiting ontoegankelijk maken. Door middel van rasterwerk, eenen dijk enz. sluiten. Door sluiting aan de waarneming van anderen onttrekken. Afscheiden en ontoegankelijk maken. Van iets verwijderd houden. Afsnijden (den stoom). Voorkomen (van voorvallen, enz.|. Geheel sluiten. Voorgoed besluiten. Volkomen sluiten en afrekenen (eene rekening). Zich afsluiten, ww. Zich in zijne kamer afzonderen en aan anderen den toegang ontzeggen. Zich afgezonderd houden. Eenzelvig leven. Afsluitdijk, m. (-en). Afsluiter, m. (-s). Afsluiting, v. (-en). Af-sluitingsdeelen, o. mv. Afsluitingshek, o. (-ken). Afsluitingsmuur, m. (..uren). Afsluitingsstelsel, o. (-s). Afsluitings-toestrl, m. en o. *(-len). —al'glurpen. Zie Afs'orpen. — afftinaalc m. Onaangename of vreemde smaak. Tegenzin.Walg. Afsmakig, bn. — afsmakVcn, Met

— AFSO

geweld naar beneden werpen. — af-smailen, bw. Versmallen. Afsmailingy. v. — afftmedeii, bw. Door smeden afzonderen. Geheel smeden. Afdoen wat er te smeden valt. Door smeden onbruikbaar maken. Zich afsmeden, ww. Zich door zwaar smidswerk afmatten. Afsme-ding, v. — afsmeeken, bw. Door dringend bidden trachten te verwerven. Afsmeeking, v. — afNiuelten, ow. {zijn). Door te smelten afgaan, naar beneden druipen. Bw. Laten afsmelten. Alles smelten wat er te smelten valt. Afsmelting, v.

— afsmeren, bw. Striikend geheel of gedeeltelijk wegnemen. Het smeersel afvegen. Alles smeren wat er te smeren is. Een duchtig pak slagen gevenfsmering,v.

— af snief ten, ow. {hebben). Vuil of vet loslaten en op het aanrakende voorwerp-overbrengen. — afMni||ten, bw. Ruw afgooien. Met geweld verwerpen, naar beneden werpen. In haast afbreken. Afhouwen. — afsmokkelen, bw. Stilletjes ontfutselen. — afsnauwen, bw. Snauwend van zich afstooten. Afsnauw, m. — afsnellen, ow. {zyn, hebben). Zich met snelheid verwijderen. Recht op iem. of iets toesnellen. Met snelle vaart naar beneden spoeden. Bw. IJlende afleggen (eenen afstand enz.). — afsnU«len, bw. Door snijden afscheiden. Doorsnijden. Afkorten. Gelijksnijden. Afzonderen door eene afscheiding of afpaling te maken. Door het aanbrengen van eene versperring afsluiten (van eene waterleiding, enz.). Den loop stuiten (van water). Den toegang verhinderen. Den weg afsluiten. Afbreken. Door afgraving wegruimen. Losmaken door he» doorsnijden van den strop (van opgehangia pers.). Zijn levensdraad werd afgesneden : nij is gestorven. Iem. het woord afsni» icn, hem beletten verder te spreken. Ow. zijn) Rechtuit naar beneden loopen. AJsnede, afsnee, v. (..sneden). Af snijder, m. (-s). Afsnijding, v. (-en). Afsnijdsel, o. (-s). Af snijdster, v. (-s). AJsnifhout, o. (-en) Afsynjschaar, (..aren). — afsnip-pcren, bw. Bij snippers afscheiden en wegnemen. Met overleg uitsparen : hij kan geen oogenblik van zijnen tijd afsnipperen. Af snipper ing, v. — afsnoeien, bw. Met het snoeimes afsnijden. Met een snijdend voorwerp wegnemen. Met de tanden afbijten. Geheel snoeien. Alles afdoen wat er te snoeien valt. Van de randen ontdoen (van muntstukken). Uitsparen. Wegnemen : uwe vei handeling is te lang, gij kunt er vrij wat afsnoeien. Afsnoeier, m. (-s). Afsnoei-ing, v. (-en). Af snoeisel, o. (-s). Afsnoei-ster, v. (-s). — afsnoepen, bw. Stilletjes wegnemen en opeten. Behendig ontstelen.

— afsnorren, ow. {zijn). Met een snorrend geluid wegvliegen (van pijlen, enz.) — afsnuiten, bw. (Snoot af, heeft afge-snoten). Met eenen snuiter afknijpen. (Snuitte af, heeft afgesnuit). Den uitersten scherpen hoek afsnijden (van een stuk hout, dat schuins in een ander moet ingelaten worden). Afsnuiting, y. Afsnuitsel, o. ( s).

— afüollen, bw. Wippende en stoeiende vermoeien. Een vaartuig zoodanig heen en weer slingeren, dat het beschadigd cn voor


ocr page 51

AFSP — 3

de vaart ongeschikt wordt. Zich nfsollen, ww. Zich aimat en door met anderen te stoeien. — sifMopiM'ii, bw. Door te soppen wegnemen. Af sopping, v. — sif'Mpatleii, bw. Met de spade gelijk en effen maken, ook door voren scheiden. Af spading, v. — ■afftpaiieu, bw. Met eene spaan afnemen. A/spaning, v. — stfbw. Losmaken (van trekdieren). Doen stilstaan (van eene draaibai k, enz.). In staat van rust brengen : eenen boog afspannen. Ontspannen (van snaren). Door het uitspannen der hand afmeten. Af spanner, m. (-s). Afspanning, v. Het afspannen, (-en) Pleisterplaats voor rijtuigen. — a Th patten, ow, (zyn). Zich in spatten afzonderen en ter zijde wegvliegen. Afspringen (van spran-Jcels van gloeiend ijzer, enz.). Zich in allerlei richtingen met snelheid verwijderen (van krijgslieden). Afspa/ling, v. (-en). — afspelden, bw. Losmaken door de spelden uit te trekken. — afapelen, bw. Afwinnen. Ten einde toe spelen. Gedaan maken met spelen. Door veelvuldig bespelen onbruikbaar maken. Zijne rol afspelen : zijne taak volbrengen. ZieA afspelen, ww. zich •vermoeien door te spelen. — a Tm peten, bw. Van het spit afnemen. — afttpeuren, ow. {hebben). Sterk afsteken. Goed uitkomen. — afHpieden, bw. Heimelijk afzien. Loerend afkijken. Oplettend uitzien naar (van tolt; k« n.siige tijdstippen, enz.). Oplettend afwachten. De natuur afspieden, wanneer zij ontwaakt : haar herleven af-wacnten en bespieden. Af spieder, m. (-s). Af spieding, v. (-en). Afspiedster, v. (-s).

— afspiegelen, bw. Door spiegeling tciugkaatsen. Het beeld van iets weergeven : haar voorkomen spiegelt de reinheid van haar gemoed a.f. Zich ajspiegelen, ww. Het maanlicht spiegelt zich af in 't effen meer. Afspiegeling, v. (-en). — af-■plnnen, bw. Geheel spinntn. Gedaan maken met spinnen. Alles afdoen vat men te spinnen heeft. Door spinnen voltooien. Afmaken. Geheel ten einde brengen. Zijn levemdiaad is afgesponnen.— alsplttcn, bw. Dc or spitten wegnemen. Lena zekere mate van w« rk, dat in spitten bestaat, volbrengen. Gedaan maken met spitten. Afsteken. — afMpSiMen, ow. {zyn) Door splijten zich afzond» ren. Door het bekomen van spleten allengs stukken loslaten en daardoor van de buitenste deelen ontdaan worden. Bw. Door splijten afzonderen. Zoodanig splijten, dat er stukken van afspringen (van een geheel voorwerp). Afsp lij ting, v. (-en). — afsplinleren, ow. {zyn). In splinters loslaten en afvallen. Splinters loslaten. Bw. In splinters afscheiden. Splinters-gewijze afsteken. Af spluttering, v. (-en).

— afftpoelon, bw. Wegspoelen. Luchtig afwasschen. Door spoelen schoonmaken. Geheel spoelen. Alles spoelen wat er te spoelen is. Afwisschen. Uitwisschen. Zich afspoelen, ww. Zich in het water reinigen. Ow. [zijn) Wegvloeien. Wegdrijven. Af-stroomen. Wegspoelen. In 't water afschuren, Afspoeling, v. (-en). — afApoiiNen, bw. Met eer e natte spons wegnemen, afwisschen. Af sponsing, v. — af sporen, bw. Eenen afstand ten einde toe met den

_ AFST

spoorwagen afleggen. — afsponvren, bw. Met een scherp werktuig afsplijten. Af spon Tt'ing, v. — afspreken, bw. Bij mondelinge overeenkomst vaststellen. Elkander afspreken : te zamen eene afspraak maken. Zich afspreken, ww. Zich afmatten door spreken. v. (..aken). Mon

delinge overeenkomst. — afspringen, ow. [zyn). Zich met eenen sprong verwijderen. Toespringen. Opspringen en zich verwijderen. Plotseling van iets wegvliegen. Afschampen. Terugspringen. Afgaan (van vuurwapens). Met eenen sprong naar beneden komen. Afstijgen. Afgesteld worden. Ophouden te bestaan. Afwijken (van een onderwerp waarover men spreekt). Bw. Door aanraking bij 't springen afbreken of afscheuren. Afspringing, v. — afsprnl-ten, ow. {zyn\. Afstammen. Afspruitsel, o. (-s). — afspniten, bw. Door spuiten wegnemen, of schoonmaken. — afstaan, ow. {hebben). La»en varen. Afstand doen. Van 't vuur verwijderd staan. Bw. Laten varen. Het leven afstaan : het leven laten. Tijdelijk ten gebruike geven. Zich 't vrije gebruik (van iets) ontzeggen. Het woord, eene spreekbeurt enz. afstaan, 't Bezit enz. (van iets) laten varen. — af-staarten, bw Paarden afstaarten, van elkander scheiden door den kop van het eene paard los te maken van den staart van 't voorgaande. — afstammen, ovj.{zyn). Zijnen oorsprong ontleenen. Afgeleid worden (van woorden). Afstammeling, m. en v. (-en) Afstammelinge, v. (-n). Afstamming, v. — afstanipen, bw. Door stampen scheiden. Geheel stampen. Door stampen onbruikbaar maken. Zich afstamden, ww. Zich afmatten door te stampen. — afsfand, m. De daad van afstaan. Het afstaan, (-en) De tusschenruimte tusschen de plaatsen, waar twee personen of voorwerpen zich bevinden. THissch en ruimte tusschen twee tijdstippen. Verschil tusschen twee handelingen of toestanden. Onderscheid in den maatschappelijken staat. Zich op eenen afstand houden (van iem.) : zich niet gemeenzaam met hem inlaten. Afstandsmeting, v. (-en). Afstandswyzer, m. (-s). — afstapelen, bw. (Van den stapel) verwijderen en elders plaatsen. — afstappen, ow. (zyn). Zich met vaste schreden verwijderen. N^ar beneden stappen. Van een rijdier of voertuig afstijgen. Stappend aankomen. Bij iem. afstappen : zijnen intrek bij hem nemen, of er eenigen tijd vertoeven. Van iets afstappen, het laten varen. Bw. Eenen afstand stappende ten einde toe doorloopen. Stappende door-loopen en meten. Afmatten door lang te laten stappen. Wat laten stappen -van naarden). — afstaren, ow. {hebben). Naar beneden staren. Bw. Starend afkijken (eenen afstand). — afsteken, bw. Van den wal verwijderen (een licht vaartuig). Aftappen (bier enz.). Doen losbranden (van vuurwapenen). Doen schieten (van vuurwerk). Uitspreken (van toosten, enz ). Met een puntig voorwerp wegnemen, verkorten, versmallen, enz. Door steken afzonderen. Met eene spaan enz. opnemen cn verwijderen. Met eene hooivork naar beneden


ocr page 52

AFST — 3}

brengen. Ontnemen, afnemen. (Een touwwerk) afnemer, doorliet losmaken van den steek. Met eenen stoot uit den zadel lichten en ter aarde werpen. Dooden, door het doorsteken van den bals, enz. Kene lijn, een werk, een gebouw afsteken. Ow. {zijn) Vertrekken (van een schip). Van boord gaan. [hébben) Met degen, dolk enz. rondom zich steken. Sterk in 't oog vallen, goed uitkomen. Bij iem. afsteken, op eene m 't oog vallende wijze van hem verschillen. A fsteekbeitel, m. (-s). Afsteeksel, o. (-s). Afsteker, m. (-s). Afsteking, v. (-en). — sKffttlt;gt;len, bw. Een gedeelte wegstelen, ontvreemden. — sifMfoIlcn, bw. Afzetten. Afstel, o. Afstelling, v. (-en). — sifstciii-men, bw. Door meerderheid van stemmen ▼erwejpen. De stemming ten einde brengen. AJstemmer, ra. (-s). Afstemming, v. (-en). A/stemster, v. (-s). — stfHlt'iu-pelcn, bw. Stempelen. Alles stempelen wat er te stempelen valt. Door het opdrukken van eenen stempel voor 't vervolg onbruikbaar maken (postzegels). (Geldwaardige papieren) door het opdrukken van eenen stempel te kenren geven, dat zij hunne waaide verloren hebben, of dat eene handeling, tot de verplichtingen van den uitgever of houder van 't papier behoorende, is volbracht en afgeloopen. Afstempeling, v. — afslerven, ow. {zyn). Sterven. Ophouden te bestaan.Der wereld afsterven: ophouden naar de wereld te leven. Der zonde afsterven : ophouden in zonde te leven. Onze vriendschap sterft af, slijt uit. Afsterving, v. — af stevenen, ow. \zyn). Van een bepaald punt afvaren. Op een bepaald punt afgaan (van schepen). Op iem. afstevenen : rechtaan op iem. alkomen.

— ow. {zyn). Van eene hoogte Daarbeneden komen.In eene diepte afdalen. Van een rijdier of voertuig stijgen. A/sty-ging, v. (-en). — arMfililion, bw. Met spade, enz. afsteken. Voltooien (een stikwerk). Alles stikken wat er te stikken valt. Af stikker, ra. (-s). A fsttkking, v. — af-stlppcn, bw. Met pen, enz. op papier teekenen. door het zetten van stippen, die 't beloop eener lijn of den omtrek ecner figuur aangeven. Af stipping, v. — aifNlof-fen, bw. Het stcf afvegen, af staffing, v. (-en). — afstokm, bw. Verstoken. Iem. door stoken verwijderen. Ten einde toe stoken. Gedaan maken met stoken. Dcor te stoken onbruikbaar maken. Afsteking, v.

— afMtonmicH'n, ow. {zirn). Stommelend naar beneden komen. Bw. Met ge-druisch naar beneden werpen. — afftf om-pen, bw. Met stompen verwijderen. Stomper maken. De punt, dc scherpe kanten, enz. wegnemen. Stomp afhouwen. Van schranderheid berooven (van geest, gevoel enz.). Afstomping, v.

— afat00/11 on, ow. [zijn) Stooraend zich verwijderen. Naar beneden stoomen. Van etn hocger gelopen punt naar een lager stoomen. Bw. Met stcomboot enz. afleggen. Zlt; keren afstand ten eir de toe doorstot men. Veel stcomen.— af'Kfoo-ten, bw. Met eenen stoot verwijderen. Van zich afduwen. Iets met eenen stoot afscheiden van datgene waarmede het

— AFS'i

verbonden is. Door stooten kwijtraken. Eenen toon afstooten : van den voor-gaanden ofden volgenden afzonderen. Mt t het stootraes enz. reinigen. Naur benedc.i stooten. Iem. afstooten, b«m afschepen. Iem. het hart afstooten, hem uooden door het doorstooten van 't hart. Afstcotbauk, v. (-en). Af slootboom, ra. (-en). Afstco-ter, ra. (-s). Afstootijzer, o. (-s). Afstooting, v. {-fin).— afntoppcu, bw. Geheel stoppen. Alles afdoen wat er te «toppen valt. Van binnen afsluiten, (rai. eene riool, enz.). — nrstomieii. bw Door waaien afbreken. Ontdoen (vanl Door bestorming in ontredderden toestand bren gen (van muren, enz ). Ow (ayi) Z'cb in snelle vaart verwijderen. In volle vaart naar beneden spoeden. Op iem. afstormen : met hevigheid recht op iem. toesnellen. — nfalorlcn, bw. Naar heneden werpen. Doen nederstiooraen. Doen nederkomen. Zich Afstorten, ww. Ow. {zijn) Met kracht nedervallen, neder-i stroomen, nederkomen. Afstorting, v.

— afsloven, bw. Geheel stoven. Alles afdoen wat er te stoven valt.— afftf raf-fen, bw. Behoorlijk straffen. Afzetten. Duchtig doorhalen. Af straffing, y. (-en).

— afstralen, ow. {hebben, zijn), btra-[ lend van iets uilgaan. Stralen van zich 1 geven. Helder licht rondom zich verspreiden. Warmte van zich geven. Naar beneden stralen. In stralen afstroonien (van water). Zich afspiegelen. Afstraalsel, o. (-s). Afstraling, v. (-en). — Affttra-len, Lw. Geheel en voldoende bestraten. Afstraling, v. (-en). — afitfrUden, bw. Eenen strijd tot het einde toe strijden. Loochenen. Zich afstrijden, ww. Zich door te strijden afmatten. — afKirti-ken, bw. Nederstrijken. Nederleggen. Opstrijken (geld). Gelijkmaken. Ow. {zijn) In snelle vaart naar beneden komen. Zich wegpakken. Afstrijking, v.

— afflfronipeleii, ow. {zijn, hebben) Strompelend naar beneden komen. — affttroonien, o\\.{zijn% hebben).*s\.x00-mend afdrijven. Zich stroomend verwijderen, Naar beneden stroomen. Nederwaarts komen. Naar beneden stralen (van licht). Los afhangen (van haar). Van iemands lippen vloeien. Bw. Door de werking dts strooms van den oever afscheiden en wegvoeren. Afstroominf. v. (-en). — afNtroopen, bw. De hma afhalen. Afscheuren. Aftrekken. Uitschudden. Stroopend afloopen. Afstroo-per, ra. (-s) Afstrooping, v. (-en) Af-stroopschaaf, v. (..aven). — afHtsidee-ren, ow. {hebben, zijn). Ten einde toe studeeren. Bw. Ten einde toe bestu-deeien. Zich af studeeren, ww. Zich door de studie afmatten. — aft*!uiten, ow. {zijn). Terugstuiten. Teiuggedreven worden (van water, wind erz.). Niet doordringen ma;ir teruggekaatst worden (van licht, g« luid enz ). Op iem. afstuiten, op hem nedei komen (van zorgen enz.) nadat anderen ze van zich afgeschoven hebben. Afstuiting, v. — afstuiven, ow. (zyw). Wegstuiven. Verstuiven. Af-stuiving, v. (-en). — afsturen, bwi.


ocr page 53

AFTI - 3

Door sturen verwijderen. Een vaartuig op iets afsturen, het naar dat punt richten en doen varen. silNtiiucn, b\v. Wegduwen. 0\v. {zyn) At- en aanstroomen.

— sirsutren, (■zich) w\v. Zich suf denken. — afsukkelen, o\v. {zijn) Met moeite afkomen. B\v. Sukkelend afleg-

fen. Vrij wat afsukkelen, veel sukkelen, eel wat ziekelijkheid te verdurt-n hebben.en. Vrij wat afsukkelen, veel sukkelen, eel wat ziekelijkheid te verdurt-n hebben.

— afgullett, ow. {zijn) Uitglijden en nederkomen. Nederwaarts glijden.— aftafelen, ow. [hebben) Den maaltijd ten einde brengen. — aftakelen, bw. Ont-tuigen (van schepen). Ow. {zijn) Iets afnemen (van eischen enz.) en daardoor de kracht er van verminderen. Afnemen (van lichaamskrachten, enz.). Verzwakken (ten gevolge van ziekte, enz ). Achteruitgaan. In verval komen. Aftakeling, v.

— aflaiMlaeli, bn. (Van paarden). Een volwassen gebit bezittende. — aftappen, bw. Door het openen van tap of kraan uit het vat laten afloopen en in flesschen, enz. overbrengen. Afmelken. Door eene heelkundige bewerking laten uitvloeien. Laten afvloeien. Laten ledig loopen. Laten uitvloeien en opvangen (van harsachtige vochten). lem. het bloed aftappen, hem allengs van alle krachten berooven, hem allengs van gtld en goed berooven. AfiaP, m. Af tapkraan, v. (..anen). Aftapper, m. (-s). AJtapping, v. (-en) Af tapping, v. (-gen). A/tapster, v. (-s). — aftarnen, Bw. Losmaken en afscheiden door het losmaken en uithalen van den draad. Ow. {zijn) Afnemen (van lichaamskrachten, enz.) — af-tarren, bw. Een gedeelte van iets afbreken, en daardoor het geheel met zooveel verminderen (van voorwaarden, eischen, enz.) Maken, dat iets verminderd wordt.— afteekeneii,bw.ineen geteekend beeld nabootsen. In teekening afbeelden. Voltooien (eene tet kening). Nauwkeurig bepalen, aanwijzen, vaststellen. Met tee-kens afbakenen. Met zijne naamteeke-ning voor gezien verklaren. Zich aftee-kenen, ww. Zich in duidelijke vormen of omtrekken en kennelijk van het omlig-

fende onderscheiden vertoonen.ende onderscheiden vertoonen. Aftee-enaar, m. ( s). Aftee kening, v. (-en).

— aftellen, bw. ^van weilanden). Ze , met de zeis ontdoen van de verdroogde

grashalmen. — afteiNteren. bw. Tot uitputting toe teisteren. — aftellen, bw. Bij telling van de geheele som afnemen. Ten einde toe tellen. Met zorg en nauwkeurigheid tellen. Geld aftellen ; de benoodigde som afpassen.Ow. {hebben) In mindering geteld worden. Aftelliedje, o. (-s) Aftelling, v. (-en) Aftehijvipfe, o. (-s).— afleren, bw. Alles w «t geteerd moet worden behoorlijk met teer besmeren. Allengs doen uitteren, verslijten, vergaan. xf/cA Afteren, ww. Zich door onthouding, enz. uitputten. Ow. {hebben) Allei gs uitteren, verslijten, vergaan. — stftikken, bw. Door tikken afzonderen. — aftitlen, bw. Optillen en wegnemen. Aftilli- g, v.

— a ft inline re ii, bw. Alles timmeren wat er te timmeren valt. Gedaan maken

— AFTR

mee timmeren. Aftimmering, v. — aftobben, bw. Uitputten door overmaat van arbeid, enz. Zich Aftobben, ww. Zich uitputten door zware uitspanning van lichaam en geest, enz. — aftoelit, m. Het aftrekken. Het afmarcheeren. Het afzeilen. — aftonnen, bw. Met tonnen afbakenen. Alles in tonnen doen wat in tonnen moet gedaan worden. Geheel en al bij tonnen afmeten (van turf). — af to omen, bw. Van den toom ontdoen.— aftoonen, ow. {heb-ben). Helder afsteken (van kleuren). — aft o overen, bw. Door tooverij afzonderen. Behendig ontfutselen. — af-toppen, bw. Van de toppen ontdoen.

— aftornen, Zie aftarnen. — aftor-sen, bw. Met moeite wegdragen. Naar beneden torsen. — aftouwen, bw. Ten einde toe touwen (van huiden). Af-touzving, v. — aftranen, bw. Opnieuw met traan besmeren en daarmede de bereiding (van huiden) voltooien. Af-traning, v. — aftrappen, bw. Met eenen trap verwijderen, scheiden i ;iar beneden doen tuimelen. Geheel trappen (van turf). Ow. (zijn) Zich met trappen of schoppen flink verweren. Naar beneden stappen. — aftreden, ow. {zijn). Zich met bedaarde schreden verwijderen. Van eene hoogere plaats naar eene lagere treden. Met bedaarde schreden naar beneden komen. Afstiigen. Afstappen. Het tooneel verlattn. Een ambt, enz. neder-leggen. Afstand doen. Van iets aftreden, het verlaten. Afwijken. Op, naar iem. aftreden, recht op iem. toetreden. Bij iem. aftreden, er zijnen intrek nemen (althans voor eenigen tijd). Bw. Door betreden afscheiden, doen wegvallen. Ten einde toe betreden. Af tred, m. Aftreding, v.

— aftrekken, bw. Iets verwijderen door het raar zich toe te trekken. Iets naar beneden trekken. Afhouden. Afkorten. Vochten in 't dierlijk lichaam door een prikkelend middel naar een ander lichaamsdeel afleiden. Afschieten (een geweei). Kleedingstukken afdoen door ze weg te trekken. Afrukken. Aftappen. Van 't stopsel ontdoen. Door aderlating wegnemen. Villen. Een aftreksel maken. Op hout of andere stoffen overbrengen, afarukken. Afplukken. Een kleiner getal van een grooter getal afnemen, om het verschil te. bepalen. Afwenden (de oogen). De hand van iem. aftrekken, hem zijne hulp etiz. onttrekken. Zich van iem. aftrekken : zich aan hem onttrekken, zijne partij \erlaten. Zich van de wlt; reld aftrekken, de wereld verlaten. Zich laten aftrekken : zijn portret laten maken. Zich aftrekken, vvw.Zich door te trekken vermoeien. Ow. {zijn) Afrukken, terug trekken,afzeilen.Heengaan.Op iets aftrekken: er heengaan om het te uereiken. Naar beneden trekken. Weggenomen worden door het trekken in t ene vloeistof. Aftrek, m. Het aftrekken. Vertier (van eene koopwaar), (-km) Aft« lt; kenii g op drorschijnend papier ovtrglt; bracht door 't natrekken der lijnen. Bijgebouwtje. Loods. Aftrekhekel, m. (-s). Aftrekker*


ocr page 54

afva —.

m. (-s). Aftrekking, v. (-en). Aftrek-riem, m. (-en). Aftrekrol. v. (-len). treksel, o. (-s). Aftrekspier, v. (-en). Aftrektoww, o. ( en). Aftrekvijl, v. (-en). — aftrenrcn, bw. Den tijd treurende ten einde brengen. Door te treuren verteren (van lichaamskrachten, enz.). Zich afiretiren, ww. Door te treuren zich uitputten. — aftrippcleii, ow. (zijn). Zich trippelend verwijderen.

— aftroctclen, bw. Door te licfkoo-zen verkrijgen. — af'lroevcn, bw. Met eene troefkaart afslaan. lem. aftroeven (met woorden), hem de les lezen, lem. aftroeven (met daden), afranselen. Aftroever, m. (-s). Aftroef ster, v. (-s). Aftroeving, v. — aftroflTeleu, bw. Met de troffelschop gelijkmaken (van veengrond), — afVrogrsrclcn, bw. Door gevlei, inz. door bedriegerij verkrijgen. Aftroggelaar, m. (-s). Aftrog-gelaar ster, v. (-s). Ajtroggelary, v. (-en). Aftroggeling, v. (-en). — af-trom melen, aftrommen, bw. Door de trom bekendmaken. (Aftrommelen : zonder zorg op de piano afspelen).

— aftrompetteu, bw. Door trompet-

feschal bekendmaken. —eschal bekendmaken. — af(rooiilt;gt;n( w. Op behendige wijze verkrijgtn. — aftrouwen, bw. Eene vrouw attrou-wen, ze huwen en daardoor .aftrekken van den man met wien zij gehuwd of verloofd was.— aftHigeu, bw. Van het trek-tuig (van trekdieren), het touw- en blokwerk (van schepend ontdoen. Het spil aftuigen : de kabelaring er af- en de wind-boomen er uitnemen. Aftuiging, v. — aftiiimelen, ow. {zijn). Hals over kop nedervallen. Naar beneden tuimelen.

— aftninen, bw. Door eene omtui-ning afzonderen. Aftuining. v. Het af-tuinen. (-en) Heiring. Scnutting. — afKnren, bw. Turend afkijken. Met onafgewenden blik bekijken. — aftiir-veii, ow. {hebben). Gedaan maken met turven. — aftweerneii, aftwOneu, bw. Ten einde toe twijnen. — afVaar-difiren, bw. Toezenden met een bepaalden last, enz. Ajvaardiger, m. (-s). Afvaardiging, v. (-en). Afvaardigst er, v. ( s). — afvagen, bw. In Zuid-Nederl. gebruikt voor afvegen. — afvallen, ow. {zijn). Naar beneden storten. Losgaan en nedervallen. Nederwaarts hangen. Allengs slinken. Lichamelijk vervallen. Van iets afvallen (van een aantal), niet meer medegerekend worden. lem. afvallen : zijne verwachting teleurstellen. lem. of van iem. afvallen : zijne partij verlaten. God afvallen : Hem de verschuldigde gehoorzaamheid verloochenen. Van den godsdienst afvallen : zijnen godsdienst verzaken. Krachteloos nederzakken (van handen en armen). Bw. Door den val afstooten, afscheuren. Afval, m. (het afvallen) ; o. (het afgevallene). Afvallig, bn. Afvallige, m. en v. (-n). Afvalligheid, v. — afvangen, bw. Door vangen wegnemen, aan den eigenaar onttrekken, lem. eene vlieg afvangen, hem eene kans afkijken, hem verschalken. Een hert

o — AFVL

afvangen, dooden nadat het geschoten is. — afvaren, ow. {zijn). Wegvaren. De vaart beginnen oj) het bepaalde uur. Ergens heen varen. Stroomafwaarts varen. Bw. Varend afleggen. Vrij wat afvaren : veel varen. Door te varen onbruikbaar maken. Zich afvaren, ww. Zich uitputten door te varen. Afvaart, v. (-en). Vertrek, plaats van't vertrek (van schepen). — afveclaten, bw. Afmatten door langdurigen strijd. Zich afvech-ten, ww. — atveeen, bw. Vegend wegnemen. Met de hand of met eenen doek wegstrijken, reinigen. Hij kan zijnen mond afvegen : hij kiijgt mets terwijl anderen zitten te smullen. Ajveegsel, o. Afveegster, v. (-s). Afveger, m. (-s) Afveging, v. (-en}. — afvellen. ow. {zijn). Het vel los laten en verliezen. Af velling, v. — afvenen, bw. Afgraven, blootleggen (van veengrond).

ntng, v. ( en). — afvergen, dw. Ei-schen, dat iem. iets doe, geve, enz. Af-verging, v. — afyertellen, bw. Geheel vertellen. Vrij wat afvertellen : veel vertellen. — afverven, bw. Geheel Iverven. Ow. {hebben) Kleur- of verfstof ooslaten en op het aanrakende voorwerp everbrengen. afveteren, bw. Met en bits bescheid van zich afstooten. — afvieren, bw. Geheel, ten einde toe vieren (van een touw). Afviering, v. — afvijlen, bw. Door vijlen afzonderen, wegnemen. Fijn beschaven (van woorden, taal, enz.). Met de vijl afwerken. Afvyler, m. (-s). A fv ij ling, v. (-en). Afvylrasp, v. (-en). Ajvijlsel, o. — afvillen, bw. Van 't vel of de huid ontblooten, Afstroopen. Geheel villen. Af villing, y. (-en). — afviMHelien, bw. Door te visschen ontstelen. Geheel be-visschen. Geheel doorzoeken, zoekende naar een voorwerp, enz. Ow. {hebben) Gedaan maken met visschen. Afvis-sching, v. — afvlakken, bw. Vlak, effen maken. Afvlakking, v. — af-vleeliten, bw. Geheel vlechten. — afvleezen, bw. Van vliezen, vezels enz. ontdoen (van huiden). Afvleezing, v. -— afvleien, bw. Door vleien verkrijgen. — afvlekken, ow. Kleur- of verfstof loslaten en op het aanrakende voorwerp overbrengen. — afvlieden, ow. {zijn). Zich vliedende verwijderen. Nederwaarts vlieden. — afvliegen, ow. {zijn) Zich vliegende verwijderen. Naar beneden vliegen. Wegvliegen. Op iem. afvliegen, met drift op hem toesnellen. Met geweld weggejaagd, enz. worden. Losgaan en wegvliegen. Bw. vliegende afleggen. Zich afvliegen,, ww. Zich afmatten door te vliegen. — afvlie-ten, ow. {zijn). Naar beneden vlieten. Afvloeien. Naar beneden stralen (van licht). In zachten en onafgebroken stroom van iemands lippen vloeien (van gesproken woorden). Wegvloeien. Verloopen. Afvlieting, v. — afvl|{nien, bw. Met eene vlijm afsnijden. Afvlijining, v. — afvloeien, ow. {zijn, hebben). Zich vloeiend verwijderen. Naar beneden vloeien. Nederwaarts vloeien. Allengs


ocr page 55

AF WA — .

iheeppaan (van eene volksmenigte). Op f| plechtige wijze van iemandslippfn vloeien (van gesproken woorden). Afvloeibuts, v. (..zen). Afvloeiing, v. t-en). Afvloei-tijpy v- (-en; — aitVlockvn, bw. Door te vloeken wegdrijven. Veel of erg vloeken. — afvloolcn, bw. Van al de vlooien ontdoen. Geld ontvlooien, listig aihalen. — strvlotleii, ow. \zyn, hebben). Langzaam afdrijven. Stroomafwaarts vlotten. Bw. Stroomafwaarts voeren (van balken, enz.). — arvliiclitcn, ow. (zyn). Zich vluchtende verwijderen, naar beneden spoeden. — sttVovdercn, bw. Zooveel v«j ederen als noodig is. Af voedering, v. — ufvoesren, bw. Geheel voegen. Voltooien i voeg werk).

— atfvoercii, bw. Kaar elders voeren. Wegvoeren. Naar beneden voeren. Stroomafwaarts voeren. Ergens heen laten afloopen (van water). Geheel met voering bekleeden. Afvoer, ra. A/voer-bank, v. i-en). Afvoerbuis, v. '(..zen). Afvoer der, m. (-su Af voer geul, v. (-en). Afvoering, v. Afvoerkanaal, o. (..alen). Afvoerpijp, v. (-en-. A/voer»ol, v. (-len).

— afvollcn, bw. Geheel vollen. — afvordert'ii, bw. Aleischen. Ajvor-dering, v. (-en). — afvormcu, bw. Geheel vormen Ineenen voim {van leem, was, enz.) nabootsen. Afxgt;orvier, m. (-s). AJ vorming, v. — aTvouwen, bw. Geheel vouwen. — afvragen, bw. Verzoeken te geven of te doen. Zoolang vragen tot men alle vragen gedaan heeft. Zich iets afvragen, het van zich zeiven vragen, iets van zich zeiven vragen. Zich rekenschap afvragen (van lets^: nadenken over zijne eigene handelingen, enz. Tem. iets afvragen, het hem vragen. lem. zijne stem afvragen, hem vragen hoe hij stemt. Zoo vraagt men den boer de kunst af : «oo komt men van onnoozele lieden het geheim te weten. Afvroging, v. — afvreten, bw. Door op te vreten wegnemen, ontdoen (van). Langzaam verteren. Het vreten teu einde brengen. Afvre-ting, v. - afvriexen, eenpw. Het vriest vrij wataf: het vriest lang en sterk. Ow. {zijn) Door de vorst losgaan en zich afscheiden, wegsterven en afge-stooten worden, A'vriezrng, v . — af-vrUen, bw. Ontvrijen. \Vat afvrijen . veel, 'ang vrijen. — afvuren, bw. Afschieten. Uitspreken (van toosten, enz. Ow. (hebben) Het vuren of schieten ten einde brengen. Afdoen wat men te verrichten heeft. Afvuring, v. \-en). — afwaaien, eenpw. Het waait wat af* bet waait lang en hevig. Ow. \zyn) Door den wind weggerukt en afgescheiden worden, door üen wind elders gedreven worden, (hebben) Uit zekere richting waaienv Afwaaiing} v. — afwaartt*, bijw. Naar omlaag. A^voaarisch, bn.

— afwarliten, bw. Verwachten. Verbeiden om naar behooren te ontvangen, of om af te weren, of om verraderlijk te overvallen. Het .inkomen (van iets of iem.) vf.b^den. K-ne kans afwachten : wachten *ot dat zij zich voordoet. Zij'ne beurt atwacluen : wachten totdat ^ijne

r — AF WE

beurt komt. Een antwoord afwachten ; wachten totdat iem. geantwoord heelt. Afwachter, m. ( s). Afwachting, r. Af-wachtster, v. (-s), — afwagrsrelen, ow. {zijn). Zich waggelend verwijderen. Waggelend afdalen. — afwaken, {zich^ ww. Zich afmatten door te waken.

— afwalken, bw. Geheel walken. — aftvallen. bw. Met wallen omringen. Af walling, v. (-en). — afivan «leien, ow. {zy'n). Zich wandelend verwijaeren. Naar beneden wandelen (Langs eenen weg, enz.) wandelen. Bw. Langzaam afleggen. Vrij wat afwandelen ; veel wandelen. — afwannen, bw. Geheel waa-nen. Alles wannen wat er te wannen valt.

— afwapperen, ow. {hebben). Naar beneden wapperen. Afhangende op den luchtstroom been en weer fladderen. — alu'asMOlien, bw. Door te wasschen wegnemen, ^ reinigen. Afwisschen. Uit-wisschen. Zich afwasschen, ww. Zijne leden reinigen. Afvuassching, v. (-en).

afwateren, ow. (hebben). Zich van 't overvloedige water ontlasten. Bw. Geheel wateren (van geweven stoffen). Afwatering, (-en). — afweeken, bw. Door week te maken afscheiden. Ow. {zijn) Door de werking van vocht allengs week worden en loslaten. Afweeking, v. (-en). — afwecnen, bw. Eenen tqd weenende ten einde brengen. Zich af-weenen, ww. Door te ween en zich afmatten. — afweer, ra. (-en). Zijpad : DwaaN weg. — afwegen, bw, (Van dingen, die gezamenlijk gewogen worden) afzonderlijk wegen en het gewicht daarvan van 't gezamenlijke gewicht aftrekken. Alles wegen wat er te wegen valt. Met zorg en nauwkeurigheid wegen. Wegen en afzonderen. Vergelijken, schatten, bepalen, het gewicht of belang bepaien. Af weger, m. (-s). Af-zveegster, v. {-s). Afweging, v. '-en). — afweiden, bw. Al weidende afvreten. Kaal vreten. Afweiding, v. (-en). — af-welven, bw. Het verwulf geheel afwerken.

— afwenden, bw. Afkeeren Ter zijde wenden. Afsturen (van schepen). Afweren, voorkomen. Zich afwenden, ww, zich in eene andere richting wenden, zich naar elders wenden. Ow. (zijn) Van den wal afwenden, afsturen. In eene andere richting wenden. Zich verwyderen. Afgekeerd of afgeweerd worden. Afwender, m. (-s). Afwending^. -en. A/7vendster, v, (s),— afwenken, bw. Door eenen wenk te kennen geven, dat men ('t verschuldigde eerbewijs; niet verlangt. — afwennen, bw. Afbrengen. Afleeren. Ontwennen. Zich (iets; afwennen, ww. Het allengs afleggen. Ow, {zijn) Van iets afwennen, de gewoonte er van kwijtraken. Van iem. afwennen : allengs van hem vervreemden. A/wenning, v.^ — afwentelen, bw. Wentelend verwijderen. Naar beneden wentelen. Iets op iem. afwentelen, van zich zeiven afwerpen en op een ander overbrengen. Ow. {zi/n) In wentelende beweging naar beneden vallen. Ten einde toe voortwente-len, voortgolveu, enz. Zich afwentelen^ ww. Zich langs een hellend vlak naar beneden laten rollen. Afwenteling, v. —


ocr page 56

AFvvi — 4

afvreren, bw. Beletten te naderen en op afstand houden. Af kenen. Voorkomen. Verhinderen. Niet veroorloven. Afwijzen. Ajweer, m. Afweer baar, Ln. Af we er der, m. (-s). Afweerster, v. ( s). Afwering, v. (-en). — f tvcrlilt;' 11, bw. Met moeite en inspanning verwijderen, afzonderen. Door te werken kwijten (eene schuld). Tot het einde toe bij 't werk gebruiken : afgewerkte stoom. Geheel afdoen. Eene zekere mate van arbeid ten einde brengen. Door zwa-ren arbeid afmatten. Met moeite en inspanning nederwaarts diijven, trekken, enz. Zich afwerken, ww. Door te werken zich afmatten. Ow. {hebben, zijn) Moeite en inspanning aanwenden om zich van zeker punt te verwijderen (van schepen enz.). Het werken aldoen. Afuoerker, m (-s). Afwerking, v. Afwerkschaaf, v. (. aven). Af-w er hst er, v. ( s). — bw.

Haastig afdoen (van kleedinggt;tukken, enz.). Afleggen.Zich ontdoen (vanT.Van zich werpen. Zich bevrijden (van). Zich ontrukken (aan). Wegwerpen. Verwerpen. Door te werpen afzonderen, afrukken, doen neder-vallen. Naar beneden werpen. Uit den zadel werpen. Van het schip werpen. Licht of schaduw van zich verspreiden en op iets doen vallen. Zich afwerpen, ww. Afspringen. Afwerping, v. — a five ven, bw. Geheel w even. Gedaan maken met weven. Alles afdoen wat men te weven heeft. Voltooien, volbrengen : de ouderdom heeft zijne levenstaak afgeweven. — afwezen, o. Het niet tegenwoordig zijn. Afwezend, bn. Afwezendheid, v. Afwezig, bn. Afwezigheid, v. — afniedeu, bw. Geheel wieden. — aftviegeleii, ow. [hfbben, zijn). Met zacht schommelende beweging langzaam afvaren. — afviükeii, ow. (zyn). Allengs eene andere richting nemen. Zijdelings afdrijven (van varende p«rs.). Zich zijdelings verwijderen Den strijd staken. Van het pad afgaan. Eene verkeerde richting volgen. Den gewonen weg afwijken : andeis denken enz. dan de menschen veelal plegen te doen. Ontiouw worden. Afgaan. Afdwalen. Anders worden. Verschillen. Van den rechten koeis afgaan (van vaartuigen). Van koers veranderen. Zich in zijnen loop verwijderen (van hemellichamen). Zich van 't ware Noorden verwijderen (magneetnaald). Zich van het juiste punt van een der hoofwindstreken verwijderen. Zich uit het richtvlak verwijderen (van schiettuigen). Wegvloeien (van water). Zich uitstrekken in eene richting, die van den hoofdweg afleidt (van wegen). Scheel staan : die muur wijkt af. Die planten wijken af, wijken van elkander. Afwijker, m. (-s), Afwi/king, v. (-en). Afnyknier, v. (-s).— atfnlixen, bw. Van zich afsturen. Wegzenden. Weg doen gaan. Niet toelaten. Afslaan Afweren. Beletten te naderen of aan te komen. Niet binnen laten komen. Onverhoord laten. Verwerpen. Niet aannemen. Weigeren. Niet goedkeuren. lem. van den weg afwijzen, hem wijzen in eene richting, die van « en weg afleidt. Afwijzing, v. (-en). — siftvilleii, ow. [hebben). Niet afwillen : zich i iet la'.en aldoen (van kleedingstukken, enz.). Bw. Iets afwillen,

—- AFWR

het voltooid willen hebben. — afwimpe'

1« ii, bw. Door het uitsteken van wimpels afzeggen. Afwimpeling, v. — afivin«Ieu, bw. Draaiend afhalen. Een voorwerp van de plaats, waar het zich bevindt, verwijderen door middel van w inden. In vlot water brengen door middel van winden (van een schip, dat aan dt n grond geraakt is). Geheel winden. Alles afdoen wat er te winden is. Naar beneden winden. Een kluwen afwinden, draaiend afhalen. Iets in orde brengen. De levensdraad is afgewonden : het leven i^ ten einde. Afwinder, m. (-s). Afwindtng, v. (-en). Af windster, v. (-s). — afwin-uen, bw. Veroveren. lem. de loef afwinnen, hem overtreffen. lem. eenige uren afwinnen, dien tijd op hem winnen. Het iem. afwinnen : het in zekere handeling, enz. van hem winnen; ook, hem voor zijn. Het de zon afwinnen : voor zonsopgang opstaan. Met een schip bovenswinds van een ander vaartuig komen, en zoo doende, aan dat vaartuig het voordeel van den wind benemen. — afu inlereu, eenpw. Ophouden koud te zijn. Het wintert wat at : het is lang koud en guur. — afwippen, ow. {zijn). Met eenen wip naar beneden springen, vallen. Bw. Met eenen wip neder doen vallen. — aftvinftelieii, bw. Wis-schend wegnemen. Afvegen. Iemands tranen afwisschen, zijne droefheid lenigen. Zich afwisschen, ww. Zich wasschen (het aangezicht, de handen). A fwisse her, m. (-s). Afwissching, v. ( en). — afwisselen, bw. Beurtelings vervangen. Veranderen: men moet zooveel mogelijk de spijzen afwisselen, In de plaats zetten : gewassen op een land afwisselen, lem. iets afwisselen : het inruilen tegen andere geldstukken ol papier. Zich afwisselen, ww. Zich met iets anders afwisselen : beurtelings met iets anders plaats grijpen, voorvallen, geuit worden, enz. Ow. [hebben] Met iets anders afwisselen : beurtelints met iets anders plaats grijpen, voorvallen, geuit worden, enz. Beurtelings plaats grijpen. Elkander beurtelings vervangen. Veranderen, een andeie gedaante aannemen. Afwisselend, bn. bijw. Afwisseling, v. (-en). — afwillen, bw. Geheel witten. Ow. [hebben) Witsel loslaten en op het aanrakende voorwerp overbrengen. Afwil ling, v. — afwoekeren, bw. Doorwoeker verkrijgen. Ontwoekeren. — afwoeien, bw. Loswoelen en wegspoelen. Door woelen aftrekken : iem. hetdek afwoeien. Afwoeling, v.— afworstelen, bw. Door worstelen krachteloos maken. In eer.e worsteling overwinnen. Zich ajworstelen, ww. Zich afmatten door te worstelen. — afwrijven, bw. Wrijvend wegnOiiien, reinigen. Wrijvend afvegen. Boenen. Geheel gladwrijven (van meubelen). Alles afdoen wat er te wrijven of te boenen valt. Afwrijving, v. (-en). — afwrikken, bw. Eenen tak van eenen boom afwrikken : gedurig heen en weder rukken on zoo doende knakken en afbreken. A/wrikking, v.— :t fwring-en, bw. Omdraaien en losbreken. Geheel uitwringen. Alles afdoen wat er te wringen is (van nat waschgoed). Iem. een geheim afwringen, hem dwingen het te openbarea^


ocr page 57

AFZE — 43

Met geweld afdwingen : iem. eene toestem-rning afwringen. Af■wringing, v. — s»f-roeten, bw. Doorwroeten losmaken en verwijderen. Zich ajivroeten, ww. Zich afmatten door langourig wroeten. — af-waiven, ow. (hebben). Afhangende op den luchtstroom been en weder fladderen; nederwaarts wuiven (van vlaggen, enz.).— 2tfzs«sticu, bw. Afnemen en tot zaaien gebruiken (van eene boeveelheid zaad). Geheel zaaien. Alles afdoen wat er te zaaien valt. — al'zsial, m. (..aten). Hetschuinsche hellende bovenvlak van eene horizontale lijst. Afzaatsgewijze , bn. bijw. — af'zab-belcn, alzabberen, bw. Met speeksel doortrekken door onophoudelijk te likken. — alzadcleu, bw. Van den zadel ontdoen. AJzadeling, v. — afzagen, bw. Met eene zaag afscheiden, doorsnijden. Verkleinen, verkorten, enz. door een deel met de zaag weg te nemen. Geheel zagen. Alles afdoen wat er te zagen valt. Iets tot vervelens toe zingen, behandelen, enz. AJ-zager, m. (-s). AJ zaging, v. (-en).— afzakken, bw. Alles in zakken doen. Ow. {zijn). Langzaam naar beneden gaan. Langzaam m derwaarts vloeien. Langzaam stroomafwaans varen of drijven. Zich van eene hoogere gelegen streek naar eene lagere begeven (van legerbenden). Aftrekken (van onweders, enz.). Zich verwijderen. Afzakker, m. (-s). AJzakkerije, o. (-s). Het glas sterken drank, dat men na genoten spijzen nuttigt. Af zakking, v. (-en). — alzanclen, bw. Door afgiaving van het zand verlagen en effenen. A f zanderij, v. (-en). Af zanding, v. (-en).— alzeeiien, bw. Met zeep schoonmaken, al boeren. AJzeeping, v. — afzegeleu, bw. Alles bebooilijk zegelen. Allts afdoen wat er te zegelen valt. — alzeKS^u, bw. Verloochenen. Opgeven. Ontseggeu. Afwijzen. Herroepen. Melden, dat iets geen plaats zal hebben. Verklaren, dat men de verdere levering (van iets) niet meer wil. Iets laten afzegg» n, de besteli ng er van intrekken. Iem. afzeggen, hem laten weten, dathij niet komen moet. Afzegging, v. (-en). — afzeilen, ow. \zijn). quot;Wegzeilen. Ereecs heen zeilen. Stioomafwaarts zeilen. Bw. Stukzeilen. (Eenen afstand) zeilend afleggen. Veel zeilen. Zeillt; nd veel wind kunnen verdragen : met dien tchcoi er kunt gij heel wat wind afzeilen. Afzeiling, v. — afzenden, bw. Wegzenden. Naar elderszenden. Aan een bepaald adres verzenden. Afgeven aan dengene, die (koopwaren enz.) naar hunne bestemming zal overbrengen. Afschiet» n of weipen raar een bepaald doel (van kogeis, enz.). Naar iem. lichten (van eenen blik der oogen). Naar beneden zenden. Naar beneden werpen. Afstralen. De volle laag afzenden : al het geschutte gelijk afvuren. Aj zen der, m. (-s). Afzending, v. (-en). Afzendster, v. ( s). — afzengen, bw. Afschroeien. Af zenging, v.— afzetten, bw. Nederzetten. Afnemen (eenen bril). Opnemen en op eenigen afstand zetten. Afnemen en elders zetten. Losmaken om stil te doen staan (van schepraderen, enz.). Van het lichaam scheiden. Hakken, vellen. Afsluiten. Den omtrek (van iets)

— AFZI

bezetten. Afbakenen. Bij e'kander afsteken (van prerttn enz.). Afwerpen. Omringen. Omboorden. Afdanken, we'gja-gen. Door afzetting voortplanten. Loozen : water a zetten. Laien Lezmken, die stroom zet veel vuil af. Aan den man brengen : hij zet zijne waren goed af. Ontfutselen. Ow. {zij'n) Van kant steken. Ter zijde zetten. Zijdelings sturen. Afzet, m. Afzetbaar, bn. Afzetbaarheid, v. Afzetnet, o. (-ten). Af' zetplank, v. (-en). Afzetsel, o. ( s, -en). Af zet ster, v. (s). Afzettend, bn. Afzetter f m. (-s). Afzetteriji v. (-en). Slinksche handeling, waardocr men iem. zijn geld afperst. Afzettertje, o. ( s). Afzakkertje. Afzetting, v. (-en). Afzetzaag, v. (..agen).— afzeil-len, bw. Met moeite en inspanning wegbrengen. Naar beneden zeulen. Zich af' zeulen, ww. Zich afmatten door zware voorwerpen te zeulen. — afzeven, bw.-Door ziften alscheiden. Geheel ziften. — afzielilbaar, bn. afzieliteiyk, af-zielitifi:, bn. bijw. Bn. In den hoogsten graad leelijk. Bijw. Op eene zeer onooglijke wiize. Afzichtelijkheid, af zich tigh e id, v. (..heden). — afzielilen, bw. Met eene zicht afsnijden. — afzien, ow. {hebben). Den blik afwenden. Naar beneden zien. Van iets afzien : besluiten er afstand van te doen, te laten \aren. Van iem. afzien : het voornemen laten varen om eene betrekking, enz. aan te kroopen, of besluiten de bestaande betrekking af te breken. Iem. doen afzien (van eene gezindheid, enz.), hem bewegen die te laten varen. Van 't woord afzien : geen gebruik maken van het bekomen verlof om in eene vergadering het woord te \oeren. Op iem. of iets afzien, er uit de hoogte c.p reuerzien. Bw. (van hoedanigheden) Zcolarg bezien, dat men ze niet meer opmerkt : het nieuws van iets afzien. Door waakzame oplettendheid afwinnen : iem. eene kans, enz. afzien. Lee-ren, ontleenen, te weten komen enz. Door oplettend gade te slaan of ongemerkt te bespieden, afleeren, ontleenen. Geheel en al bezien. Zoolang bezien, totdat men alles gezien heeft. Tot het einde toe aanzien. Afzienbaar, bn. Afziew baarheid, v. — afzfften, bw. Met de zift afzonderen. Geheel ziften. Afzifting, v. — afzügen, ow. {zijn). Langzaam afzakken. Losgaan en nederzinken. Bw. Doen afvloeien : de waterdeelen van geronnen melk afzijgen. Ajzijgsel, o. (-s). — afzijn, ow. (Alleen in de onbep. wijs). Niet kunnen of willen afzijn : niet kunnen of willen nalaten. Het kan niet afzijn : het kan niet missen. — sifzlfn. o. Het verwijderd zijn. Het niet tegenwoordig zijn. — afziiiKen. bw. It m. van de wijs afzingen, door verkeeid te zingen in de war brengen. Iem. iets afzingen, het door een liedje of door verleidelijke wc orden verkrijgen. Geheel zingen, (leb) tot verveiers toezingen. Uitputten door viel tezirgen (\an de stem, enz.). Zich afzingen, ww. Zich door zingen afmatten. — afzinken, ow. {zijn). Naar beneden zinken. Nederwaarts zakk' n. — afzitten, ow. {zijn). Afgt;tijgcn ; de ruiterij laten afzitten. Bw. (Van iets, waai mede eene zitplaats overtrokken is) allengs doen


ocr page 58

AFZW — .

afsliiten door er veel op te zitten. Zich afzitten, ww. Zich door veel zitten afmatten. — afzoden, bw. Zoden afsteken. — afzoeken, bw. Opzoeken en wegnemen. Geheel doorzoeken. Afzoeking, v. — af-zoeuen, bw. Door zoenen wegnemen. Door zoenen bijleggen. De aardigheid van iets afzoenen : zoo lang zoenen, dat er oe aardigheid af is. Zich afzoeneti, ww. Afzoening,v.— arzondereu, bw. Afscheiden. Verwijderen. Wegnemen. Iets ol iem. uit een aantal sooi tgeliike zaken of personen uitnemen en voor een bepaald doel bestemmen. Ter zijde leggen. Zich afzonderen, ww.Zich verwijderen. Zich verwijderd houden. (Van onderwerpen, die met andere verbonden of vermengd zijn) Zich daarvan scheiden oi losmaken. Zich van de wereld afzonderen : zich aan den omgang met men-Bchen of aan de vermaken enz. van 't maatschappelijk leven onttrekken. v. (-en). Afzonderlijk, bn. Op zich zelf staande, of in gedachte op zich zelf beschouwd, afgescheiden van andere soortgelijke zaken of personen. Bijw. In afscheiding (van).— af zo o in en, bw. Geheel zoomen.

— afzouten, bw. Geheel zouten. Iem. met iets afzouten, afscliepen.^/z^ttZ/V/.f, v.

— afzaeliten, bw. Vrij wat afzuchten : veel zuchten. Zich afzuchten, ww. Zich afmatten door overmaat van zuchten, — afzuigren, bw. (Van iets, dat aan iets anders vastzit.) Het er van losmaken en afscheiden door eraan te zuigen. Zuigend alnemen. (Van voorwerpen, waarin zich eenig vocht bevindt.) Ze ontdoen van het vocht door er aan te zuigen. Inzuigen. Uitputten door te veel te zuigen. Eenen tak op den stam enten zonder afgesneden te zijn : die jonge kerseboomen zijn van dien ouden afgezogen. Iem. het bloed afzuigen, hem uit schraapzucht van geld en goed be-roo\e.n.Afzutgüig, v.(-en).— afzulpen, bw. Iem. iets afzulpen, het hem kwijt doen raken door onmatig te drinken. Vrij wat afzuipen : veel zuipen. Zich af zuipen, ww. Zich afmatten door onmatig drinken. — arzwa(aien,bw.Met eenen zwaai afscheiden Zich afzwaaien, ww. Zich zwaaiend verwijderen. Ow. [zijn) Met eene onvaste en slingerende beweging weggaan. Af-zzvaaiing,v.— i\fw.\\sk\\*€svk,0w. {hebben, zijn)» Zwalpend afstroomen. — afzwee-pen, bw. Tot uitputting toe met zweepslagen teisteren. Met geweld voortdrijven en daardoor afrukken (meest van den wind).— afzweelen, bw.Vrij wat afzweeten: veel zweeten. Zich afzweeten, ww. Zich afmatten door zich in 't zweet te werken. — afzweininen, ow. {zijquot;). Zich zwemmende verwijderen. Zwemmende vertrekken.Stroomafwaarts zwemmen. Bw.Zwemmend afleggen (eenen afstand). Zich afzwemmen, ww.Zich afmatten door langdurig zwemmen. — stizirendelen, bw. Door oneerlijk winstbejag afhandig maken.

— afzweeren, bw. (zwoer af, heeft afgezworen). Met eenen eed verwerpen. Ow. {zijn). (Zwoor af, is afgezworen). Door verzwering afvallen. Afzweer der, m. (-s). Afzwering, v. (-en). — afzwerven, ow. {zijn). Afdwalen. Af zie ei ving, v. (-en).—

4 - AHOR

afzwetsen, bw. Door veel gepraat afhandig maken. Vrij wat afzwetsen : veel zwetsen.— aizweven, ow. {zijn). Zich zwevend verwijderen.Zwevend nt derwaarts komen.—afzwieren, ow. {zijn). Zich zwierend verwijderen. Nederwaarts zwieren. Afhangende op den luchtstroom heen en weder fladderen. Zwierend naar beneden komen. Bw. Vrij wat afzwieren ; veel zwieren. — afzwoegren, bw. Vrij wat afzwoeren : veel zwoegen. Zwoegend voltooien.Uitputten door vermceienden arbeid. Zich af zwoegen, ww. Zich uitputten door vermoeienden arbeid.

stgaap, v. (..apen). Liefdemaaltijd, waartoe in de eerste tijden der Kerk, rijken en armen, als kinaeren van eeuen Vader, door de kristenen werden uitge-noodigd.

agraat, o. (stofnaam) ; m. (steen) (..aten). Édelgesteente, tot het kiezel-of kwartsgeslacht behoorende. — Agaatroos, v. (..ozen). Zekere roos, aldus genoemd om hare bevallige kleurschakee-ring : rosa provincial is. — Agaten, bn.

Asaineninon , (1280 voor Chr.). Koning van Mycene en Argos. Opperhoofd Jer Grieken bij het beleg van Troja.

agr-tye, v. (-n). Plantengeslacht, tot de familie der bromeliaceën behoorende. asreeren, ow. ageerde, heeft geageerd, In rechte dingen, handelen, optreden (tegen iem.).

ag:eii«la, v. (-'s). Zakboekje. Aan-teekenboekje. Brievenlijst. Lijst van binnengekomen stukken.

agrent, m. (-en). Die den last heeft van een ambt, eene zending, een openbaar of privaat bestuur. — Agentschap, o. (-pen).

agrjyer, m. Sterke, doch kortstondige rijzing van het zeewater gedurende den tijd van de eb.

ag-io, m. Het opgeld boven het pari. sigjtato, bijw. (muz.) Onrustig, agiteeren, bw. agiteerde, heeft geagiteerd. In opschudding brengen. Schudden. Schokken. Bewegen. — Agitatie, v. (..iën, -s).

annalen, m. mv. De naaste bloedverwanten van vaderszijde.

AgruuM Dei, o. Witte wassen medaille, waarin het Lam Gods, J.-C. voorstellende, is geprent. De Paus wijdt het Agnus Dei, het eeiste jaar zijner troonbeklimming; daarna, alle zeven jaren.

asronionia, v. Plantengeslacht, uit de familie der roosachtigen. De soort, welke in ons land groeit, heet leverkruid, agrimonia eupatoria.

ag-urU, v. Zie Augurk.

all, tw. Uitroep van droefheid. Uiting van verontwaardiging, toorn, ongeduld, walging, verrukking, voldoening, spot, enz. — Aha, tw. Uitirg van aangename vertassing, blijde \o;doenirjg, lichten spot enz.

alioru, m. Plantengeslacht, uit hoornen en heesters bestaande. De suikerahorn : acer sa cc h avium, de kleine ahorn : acer campestre, d» eschdoom-


ocr page 59

ALBA — L

ahorn : acer pseudoplatanus. (-en), ahornboom.— Ahornen, bn.

al, tw. Drukt pijn of smart uit. o.i, o. (ai's).

al, m. (ai's). (N. W.) Zie Luiaard. Aioard (J.), 1848, Toulon. Fr. dichter. Au clair de la lune (1870); Poèmes de Provence (1874).

Aine (G. van), 1854, Gent. Portreten historieschilder. St. Lieven in Vlaanderen ; Jacob van Artevelde.

ajniu, (vrucht] m. (-en); (stofnaam), v. Plant, tot de lelieachtigen behoorende. Wordt veel om hare bollen gekweekt, die ruw en gekookt, tot de algemeene toespijzen behooren [Allium cepa). Ook, de knol van zekere planten. — Ajuinachtig, bn.

akant, m. (-en). Zie Berenklauw. Versieringsblad in de bouwkunde.

akcficlje, o. (-s).'t Is geen akefietje, geen aangenaam werk.

akelei, v. (-en). Plantengeslacht, tot de ranonkelachtigen behoorende, waarvan eenige soorten als sierplanten in onze hoven gekweekt worden. Hiertoe behooren : aquilegia alpina, a. pyrenai-ca, a. vulgaris, enz.

akelig;, bn. bijw. Naar. Verschrikkelijk. Treurig. — Akeligheid, v. (..heden).

aker, m. (-s). Kleine emmer om water te putten of te scheppen. Eikel.

akker, m. (-s). Stuk bouwland. Gods water over Gods akker laten loopen ; zich om niets bekommeren. — Akker-bourv, m. — Akkeren, bw. ow. akkerde, heeft geakkerd. Ploegen. Het land bebouwen. Veldarbeid verrichten. — Ak-kermaalsbosch, o. en m. (..sschen). Eiken hakbosch. — Akkermaalshout, o. Eiken hakhout, dat om de schors en het hout op geregelde tijden geveld wordt.

akkoor«l, o. Overeenkomst. Verdrag. Eensgezindheid. Overeenstemming. Schikking tusschen eenen gefailleerde met zijne schuldeischers. (-en) Vereeniging van overeenstemmende tonen.

akolei Zie Akelei.

akoniet, (plant) v. (-en); (vergif) o. Zie Monnikskap.

akn, aksf, v. (-en). Zie Aaks.

akte, v. (-n). Verklaring. Wettig bewijsschrift. De akten : processtukken, al, o. Heelal.

al, telw. (gansch) : al het volk liep weg. Bijw. (teeds) : hij heeft al gedaan. Vw. (niettegenstaande) : al is hij mijn broeder. — Alaan, bijw.

alant, m. (-en). Gewas, tot de famie-lie der samenge?teldbloemigen behoorende : inul'i helenium. — Alantswyn, m. —Alantswortel, m. (-s).

alarm, o. Wapenroep, krijgsoproep. Opschudding, gewoel, oniust (als bij dreigende gevaar). Valsch gerucht. Rep en roer : dit nieuws bracht gansch Europa in alarm. Getier. Rumoer. — Alarmeeren, bw. alarmeerde, heeft gealarmeerd. Schrik aanjagen. Schrik verwekken. — Alarmklok, v. (-ken). Storm-, noodklok. — Alarmkreet, m. (..eten).

albaMt, o. Korrelig gips, dat zich

— ALBE

voortreffelijk laat polijsten. De kleur van-het albast is fraai wit. Echter vindt men 't ook in groene, grijze of roode tinten. (Dicht) Uitermate wit. — Albasten, bn.

albatros, m. (-sen). Vogelgeslacht van de orde der zwemvogels en van do familie der stormvogels. De meest bekende is de gewone albatros : diomedea ex u lans.

Albatros.

albe, v. (-n). Miskleed.

albedil, m. en v. (-len). Die zich met alles bemoeit. — Albe drijf, m. en v. (..ven). — Albedril, m. en v. (-len). — Albeschik, m. en v. (-ken). — Albestel, m. en v. (-len).

Alberdingrk TbUm. 10 (Dr f. A.), 1820-1889, Amsterdam. Hoogl. der Rijks-Academie van schoone Kunsten, aldaar. Buitenl. eerelid der K. Belg. en der K. VI. Academie. Als poëet : De klok van Delft (1846); Legenden en Fantaziën (1847) ; Het Voorgeborchte en andere gedichten (1853). Als prozaïst ; De hei' lige Linie (1858) ; Vondels portretten (1874) : Verspreide Verhalen (1870-84^. - 20 (Dr P. P. M.), 1827, Amsterdam. Hoogleeraar (Leuven). Werkend lid der K. VI. Academie. Cassio-dorus Senator (1857); Geschiedenis der Kerk in de Nederlanden (1867, 2 dln); De gestichten van liefdadigheid in België bekroond). — 30 (J. C.),

1847, Amsterdam. Jesuïet. Levenschets van P. J. Roothaan (1885). — 40 (Cath.),

1848, Amsterdam. Eene koninklijke mis-daad (1887). — 50 ^K. J. L. = L. van Deyssel), 1864, Amsterdam. Een Liefde (1887, 2 dln.).


ocr page 60

ALCH

alborcldM, bnw. Reeds.

Albion, Zie Britannië.

Albroclit {aartshertog), 1509 1621. quot;Werd als vorst van België ingehuldigd (1599.. Verloor den slag bij Nieupoort (1600). Zocht door een echt vaderlijk bestuur de verliezen van een te lang-durigen oorlog te herstellen.

Albrcobt (Z. K. H. prins), 1875^ Brussel. De vermoedelijke troonopvolger (België).

silbum, o. (-s). Verzameling van onbeschreven bladen met de bedoeling om daarin bijdragen op te nemen. Inz. een bock om portretten in te verzamelen.

alcnll, o. (-ën). Duidt de oxyden van potassium (kalium), sodium (natrium) en lithium, benevens den ammoniak aan. Zie Metaal. — Alcalisch, bn

silcstloïde, o. ( n). Organische basis, die in het plantenrijk voorkomt en eene eigenaardige werking heeft op 's men-schen lichaam of plantaardige bases. Sommige planten in haar geheel, of sommige barer deelen (als zaden, bladeren, enz.) zijn hunne vergiftigende of geneeskrachtige eigenschappen verschuldigd aan verbindingen, die evenals ammonia een alcalische reactie bezitten en zich met zuren vereenigen tot zouten zonder afscheiding van water, in welken vorm zij ook voorkomen in de planten.

alohimiHt, m. (-en) Goudmaker. — Alchimtstery, v. Het zoeken naar den steen der wijzen. De voorgewende kunst om met behulp van zekere geheimzinnige chemische werkzaamheden, niet edele metalen (b. v. lood) in edele (b. v. zilver) te kunnen doen overgaan, of de kunst om een levens-elixir te bereiden.

46

- ALEX

AloibiadcN, , 404 voor Chr.) Veld heer en redenaar van Athene.

aleoliol. m. Hoogst gezuiverde wijn-stem.

uldnur, bijw. Op die plaats. — Aldra, bijw. Weldra. — Aldus, bijw. Op deze wijze. — Aleer, bijw. Alvorens.

ale, o. Zie Aal. (3® art ). ,, ,, ...

AleeHsindrl, {B.), 1820, Moldavië. Hoofd der Roemeensche dichters. Paste-luri.

Aleiubcrt (J. 1« Rond d'), 1717-1783, Parijs. Wis-, natuur-, letterkundige en wijsgeer. Stichtte met Diderot de Fr. Encyclopedie.

si level, bijw. Toch. Niet»enrn

Z. K. H. prins Albrechl.

Aloxander {de Gr 00 te), 356-323 (vóór Chr.), Pella, koning van Macedonë. Zoon van Philippus en Olympias. Een der uitstekendste veldheeren, die ooit bestaan hebben. — Alexandrijn, m. (-en). Heldenvers van twaalf lettergrepen, zóo genoemd omdat bet in een gedicht over Alexander door Lambert-li Cors voor de eerste maai gebruikt werd (1140).

Alexis \A. M. G., Broeder der Chr. Scholen, =J. B. G och et), 1835, Tamines. Wandkaarten, atlassen en aardrijkskundige werken (in verschillende tentoonstellingen bekroond). Paste de eerste de bypsornetne toe op de quot;Wandkaarten van België, Frankrijk en Europa.


ocr page 61

ALLE — 4

nirt. m. (-en). Zie Elft.

jAlKebra, v. Zie Stelkunst. — Algebraïsch, bn.

alscliecl, bn. Geheel en gansch. — Algemeen, bn. Aan allen of de meesten gemeen. — Algemeenheid, v. (..heden). Alledaagscbheid. — Algemeen, o. In of over het algemeen. — Algenoegzaam, Voor allen genoeg (wordt van God gezegd).— Al^enoegzaamhetd, v.— Alge-meene Staten, m. mv. Vormden eene vergadering van gevolmachtigden der zeven gewesten in de republiek der Ver-i eenigde Nederlanden. Eerst na 1593 komen zij voor als eene permanente vergadering in 's Gravenhage.

algcn, v. mv. Plantenfamilie. Omvat eene menigte soorten, eenjarige en overblijvende, die bijna alle in't water leven, i sommige drijvend, andere aan den bodem gehecht, nog andere woekerend op waterplanten,

v. Leer, die alles tot God

doet aannemen.

jUgoeric, m. God, die boven alles goed is. — Algoedheid, v.

(= roode hut's), v. De voormalige residentie der Moorsche koningen bij Granada.

alliici*, bijw. Op deze plaats, allioo^vcl, vw. Schoon. Ofschoon. Ali, (Ben-Aboe-Thaleb) neef, schoonzoon en vertrouwde vriend van Mahomed. Vermoord door eenen sluipmoordenaar (661).

sUiaH, ra. (-sen). Vreemde, aardige knaap of kerel. Bijw. anders gezegd.

alibi, o. (-'s). Afwezigheid : zijn alibi aantoonen.

alikruik, v. (-en) Kieine slak, tot de klasse der kopdragende weekdieren behoorende. Bewoont de kusten van ÏT.-W. Europa : turbo littoreus.

alinea, v. (-'s). Nieuwe regel. Lid f van een wetsartikel.

alk, v. (-en). Behoort tot eene familie ! van zwemvogels, welke den naam van f alcidce draagt. De alkeit worden beschouwd als vogels, die den overgang schijnen te vormen tot de koudbloedige zeeoewoners.

alkoof*, v. (..ven). Ingemaakt bed. ^Llkoran, m. Zie Koran.

alia marcia, (Muz.) In marschraaat. A Hard {H. J.), 1830, Geertruidenberg. Jezuïet. Vondels gedichten op de sociëteit Jezus (1868) ; Laurens en Vondel, bekeerder en bekeerling (1885).

alledaagseh, bn. Gewoon. Dat alle dagen komt of gebruikt wordt. Middelmatig. — A lie da agsch h eid, v.

alleen, bn. bw. Eenig. Zonder gezelschap. Afgezonderd Afgelegen. — A-lleenblyven, ow. izyn)- — Alle enig. bn. bijw. Alleen. — Alleenlaten, bw.

— Alleenlijk, bijw. vw. Alleen, slechts.

— Alleenspraak, v. (..aken). — Alleen-staan, ow. [hebben).

allegaar, bijw.Alles, of allen te zamen.

— Allegaartje, o. (-s). Gebak van onderscheiden aard. Drank uit verschillende

' — ALLE

bestanddeelen samengesteld. Zeker kaartspel.

allegorie, v. (..ieën). Eene tot in bijzonderheden uitgebreide metaphoor. — Allegorisc h, bn -

^allegretto, bijw. (Muz.) Matig vroo-liik en licht. — Allegro, bijw. (Muz.) Vlug. Vroolijk. — Allegro, o. (-'s). Vlug te spelen stuk.

Allegrin. Zie Correggio.

allemaal, bijw. Heel en gansch. all«*ikiaii. vnw. Iedereen. De geheele wereld. Het glt;,nieene volk. — Allemansgek, m. (-ken), lem.. die door overdreven goedheid, als 't. ware. ieders gek is. — Allemansvriend, m. (-en). — Allemansvriendschap, v.

aliens:», allengftkens, bijw. Langzaam. Trapsgewijze. Van lieverlede.

allentlialve, bijw. Overal. Van alle kanten of plaatsen.

aller. Wordt als voorv. bij bn. en bijw. in den overtreffenden trap gevoegd, mot de beteekenis van zeer, veel. Soms ook versterkt aller de beteekenis van den overtreffenden trap. — Allerbest, bn. bijw. — Allerchristehjkst. bn — Allerhande. bn. Van alle soort — Allerheiligste, o. Het H. Sacrament des Altaars, m. ; God. — Allerheiligei -dag, m. (dagen), feest, o. (-en)]. Wordf den iL November gevierd, ter vereering van -J de heiligen 's hemels.

— Alley hoogst, bn. bijw. — Allerhoogste. m. God. — Allerlei, bn. Van alle soort — Allerliejst, bn. bijw. — Allermeest, bn. bijw. — Allernaast, bn. bijvv. — Allerwegen, bijw. Overal.

— Allerzielen [-dag. m. (-en); leest, o. (-en)]. Wordt den 2n November, ter nagedachtenis der zielen, die in het vagevuur lijden, gevierd.

alle», bijw. Al. Alle dingen. — Allesbehalve, bijw. — Alleszins, bijw. In alle opzichten. Op alle wijzen.


ocr page 62

ALPH — 4

alliagre, v. (-s). Metaalmengsel. Metaalverbinding.

allinntle, v. (..iën, -s). Verbond. Verdrag. Vereeniging. Echtvereeniging. Ver-maagschapping. Vriendschappelijke omgang.

alliclit, bijw. Licht. Gemakkelijk. Allioli, it. F.), 1796-1873, Sulzbach. R. kath. godgeleerde. Auteur van eene Duitsche biibelvertaling (door den Paus goed^ekeuru).

alliteratie, v. Woordfiguur, bestaande in gelijkheid van aanvangletters der woorden, zooals die in vele spreekwijzen {paal en perk, kind noch kraai) voorkomt.

allocutie, v. (..iën, -s). Aanspraak. Toespraak.

allodiuiu, o. Eigen, vrij en onvervreemdbaar goed. Het oude allodium komt ten volle overeen met onze tegenwoordige eigendommen. In den oorsprong echter was het noch erfelijk, noch vrij van rechten. — Allodiaal, bn.

Allor. Soenda-eiland.

allooi, o. De hoeveelheid van minder metaal, dat met een beter gemengd is,

alluvie, v. Aangeslibde grond. — Alluviaal, bn.

alm, alme, o. Werktuig: die zaag is een goed alm. Meest gebruikt als collectief : gerei van een en ambachtsman, enz. Men zegt ook aalme, alem en al am, alaam. In de geschrevene taal vindt men er dikwijls eene h vooraan : halem, halaam, enz.

Alma Tadema (Z.), 1836, Dronriip (Menaldumadeel). Kunst- en portretsch. te Londen. De Koopman in schilderijen, Na den Dans.

almaelit, v. De macht van het Opperwezen. Die macht bestaat hierin, dat Hy (God) met zijn goddelyken wil alle dingen kan maken en ook te niet doen. Het Opperwezen zelt. —- Almachtig, bn. — Almachtige, m God - Almachtigheid, v.

almaiisik, m. -ken). Dag-, tijdwijzer. De almanak wijst de dagen aan, ae weken en maanden van hei iaar, geeft hooge en lage tij, en zegt wanneer het zons- of maansverduistering is» enz.

almede, bijw. Ook.

almosreud, bn. Almac'ctig. — Almogende, m. God. — Almogendheid, v.

aloë, v. (-'s). Plant, tot de eenzaadlob-bige v ewassen en cot de familie der lelieach-tigen behoorende.

alom,bijw Overal. — Alomtegenwoordig, bn. Hoedanigheid God alleen toe te schrijven, die overal aanwezig is door zijne macht, zijne kennis en zijn wezen. — Alomtegenwoordigheid, v. — Alomvattend, bn.

aloud, bn. Zeer oud. Van onheuglijkea tijd. — Aloudheid, v.

Alpen, m. mv. Gebergte in Italië, Frankrijk en Zwitserland. De Witte Berg (4,810 m.) is de hoogste. — Alpenroos, v. (..ozen). Alpenrozen heeten eenige soorten van het plantengeslacht rhododendron ferrugineum ; rh. chama e cist us, enz. Groeien in den gordel der Alpenheesters. — Alpenstok, m. (-ken).

alplia, v. (-'s). Naam der eerste letter in het Grieksche alphabet. Ik ben de Alpha

:— ALVA

en Omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde, de Eeuwige. — Alphabet, o. (-ten). Letterlijst. Volgorde der letters van het ABC. Het ABC. — Alphabetisch, bn.

iAlplien (H. van), 1746-1803, Gouda. Riedels Theorie der schoone kunsten en wetenschappen (2 dln. 1778); Kleine gedigten voor kinderen (1781).

aireede, alree, alreeds, bijw. Reeds.

al riffore del tempo, (Muz.) Gestreng in de maat.

alruin, v. Plantengeslacht,_ uit de familie der nachtschaden. Groeit in 't wild in Z. en Z. O. Europa. De wortels en bladeren smaken bitter en bevatten een bedwelmend sap.

als, vw. Evenzeer. Terwijl. Toen. In geval. Wanneer. In hoedanigheid van. — Als gebruikt men in den vergelijkenden trap met zoo, even, evenzoo, zoo nieten achter dezelfde. — Alsdan, bijw. —

mede, bijw. — Alsnog, bijw. — Alsnu, bijw. — Alsof, ww. — Alstoen, bijw.

alsem, m. Plantengeslacht van de familie dèr samengesteldbloemigen: artemisia. Bloeit in Juni, Juli en Augustus. Groeit langs dijken en op steenachtige, droge gronden, {ook bij ons). Bevat eene bittere extractief-stof en eene vluchtige olie, die beide zeer sterk werken. — Ne der liggende alsem (a. campestris), zeealsem (a. maritima), Franse he alsem (a. gallica), gemeene alsem (a. vulgaris), bittere alsem (a. absinthium).

alt, v. Tweede zangstem.

altaar, o. en m. (*) (..aren). Kleine, verhevenheid, bestemd om er te offeren. Offertafel. Offerhaard. Het Sacrament des* a'taars : het derde der zeven Sacramenten.

altegader, bijw. Alles of allen te zamen. — Allemaal, bijw. Allemaal. — Altemet(s), bijw. Soms. Nu en dan.

altlians, bijw. Nu. Tegenwoordig. Voor zooveel. Ten minste.

altijd, altoos, bijw. Steeds. Gedurig. Te allen tijde. Toch. Ten minste. — Altijd' durend, altoosdurend, bn.

Altorf, 3,000. Hoofdstad van het kanton Uri (Zwitserl.). Vaderstad van Willem Teil.

aluin, v. (Scheik.) Dubbelzout, bestaande uit zwavelzure aluinaarde en zwavelzure potasch of zwavelzuren ammoniak. Wordt inz. in de ververijen en de geneeskunde gebruikt. Soorten : soda-aluin (zwavelzure aluinaarde en zwavelzure soda); ijzer-aluin en chromium-aluin (dubbelzouten van zwavelzuur ijzer-oxyde of zwavelzuur chromium-oxyde met zwavelzure potasch of zwavelzuren ammoniak). — Aluinaarde, v. Een hoofdbestanddeel van de aardkorst en de grondstof van de aluin.

aluininium, o. Metaal, dat het bijzonderste bestanddeel uitmaakt van de klei- en leemaarde, en het goud zou vervangen ware het niet te kostelijk om afgezonderd te worden.

Alva \F. van Toledo, hertog van), 1508-1^82, uit een aanzienlijk Spaanscn geslacht. Veldheer. Werd door Filip H naar de Nederlanden gezonden (1^67). Stelde den Beroerteraad in. Liep de hem


ocr page 63
ocr page 64
ocr page 65

— 49 —

AMAN

ABMT

toevertrouwde gewesten te vuur en te zwaard af.Liet Egmoad en Hoorn te Brussel onthoofden (1568).

Alvarez {Don y.), 1768-1827, Priëgo. Sp. beeldhouwer. Ganymedes.

alva.Ht, bijw. Zeer vast. alvormogfcn, o. Almacht. — Alver-Vlogend, bn. —Alvertnogendheid, v.

alvleeseti, o., alvleesclikller, v. ^en). Een der ingewanden van den buik. Eenegrooteklier,beneden de maag gelegen. Scheidt een vocht af, dat zich door eene buis in den twaalfvingerigen darm uitstorten tot bevordering der spijsvertering dient.

alvorcuN, bijw. ww. Vóór dat. Eer. Eerst.

alwaar, bijw. In welke plaats. Waar ter plaatse.

al weder, alweer, bijw. Bij herhaling. Nog eens. 6

alwetend, bn. Hoedanigheid God alleen, die alles ziet en doorgrondt, toe te wijzen. — Ahveiende, m. — Alwetend-heid, v. Alwyze, m. God, die de wijsheid zelve is. —— Alivys) bn. - Alziend, bn. Hoedanigheid toe te schrijven aan Óod. — Alziende, m.

alxudie. bn. Van alle zijden.

a'ioo biiw. yw. Aldus. Op de wijze. Vermits. Bijgevolg.

alzulk, aanw. vnw. Zulk.

anmbllo, bijw. (Muz.) Bevallig ixnnleaam, o. (..amen), amal-ffama, o. (- s, ..amen). Verbinding van kwikzilver met eemg anjer metaal

/ 'V.l'.f quot;^®1' m' (quot;s) ltooni) : (-en, -s)

( cht). Men noemt ook amandelen de

speekselklieren aan weerszijden van de keelholte. — Amandelboom, m. (-en). Behoort tot de familie der amandrlachti-gen : amygdalus communis. Wordt bij ons als sierplant aangekweekt.

AmandiiH (//.), 594-684, He'bauges (Frankr.). Apostel van Vlaanderen.Pi edikte te Kortrijk, te Torhout, te Gent (waar hij twee abdijen stichtte), te Antwerpen \vvaar hij eene kerk bouwde).

amarant, v. (-en). Plantengeslacht tot de familie der amarantaeeën behoorende : amarantus. Meest bekende soortt-n : a. tricolor, bicolor, viridis, melnticholicusT iris/is, sanguineus, cruentus, caudatus (gewone kattestaart), die alle eenjarig zijn en meest in den nazomer bloeion.

amaril, v. Steen, welke gebruikt wordt om ijzer, staal, spiegels, de hards e steenen te polijsten en om glas, marmer en edelsteen en te snijden.

amazone, v. ( n). Strijdbare vrouw» Heldin. Vrouw te paard. Vrouwenrijkleed. —Amazunenkleed, o. (-en) —Atnazonen-rt'vier, v. of Maranhon, stroom in Zuid-Amerika. Ontspringt in Peru, uit het meei: Lauri, en valt in Braziliaansch Guiana, na eenen loop van 6,420 kilom. in den Atlan-tischen Oceaan.

ambacht, o. (-en). Handwerk. Beroep eens handwerkmans. Hij heeft twaalf ambachten en dertien ongelukken : alles wat hij onderneemt mislukt. Hulst, Axel, Boek-houte en Assenede waren ^X® eeuw) onder-scheidi ne villos of hoeven en stonden bekend onder den naam van de Vier Ambachten. — Ambachtsbewaarder, m. (-s). — Ambachtsheer, m. (-en). — Ambachtsheerlijkheid, v. (..heden).— Am-back tsman,in.{.Aieden,..\u\). —Ambachtsschool, v. (..olen). — Ambachtsvrouwy v. (-en).

ambassade, v. (-s). Afgezantschap. Waardigheid, ambt eens afgezants. — Ambassadeur, va. (-en, -s). Afgezant van eenen souverein bij het hof eens anderen.

amber, m. Gele ot grijze harsachtige stof met aantrekkende kracht. ïe onder-scheiden van glas door verbranding of insnijding.

Ambiorlx. Hoofd der Eburonen. Een der gevaarlijkste tegenstanders van Caesar. Versloeg Sabinus en Cotta te Tongeren (54 vóór Chr.).

ambitie, v. Eergevoel. Eerzucht. Lust. Leerlust. — Ambitieus, bn.

JLmbolna. Moluksch eiland, ambrosia,v.ainbrozUn, o. Godenspijs. Uitgezochte spijs.

Ambroslns (/«.), 340-397,Trier. Kerkvader, bisschop (Milaan).

ambt, o. (-en). Bediening. Post.Betrekking. Waardigheid. Rechtsgebied. In eens anders ambt treden : zich met eens anders zaken bemoeien. — Ambtrloos, bn. — Ambtenaar, m. (-s, ..aren). — Ambtenaarsleven, o. —Ambtgenoot, m. (-en). — Ambtman, ra. (..lieden). — Ambtsbezigheid, v. (..heden). — Ambtsbroeder, m. (-s).—Ambtsgewaad, o. (-aden). —Ambtshalve,hijw.— Ambtsplicht,m. en v. (-en), — Ambtsverrichting, v. (-en).


É

ocr page 66

r-

— 5° —

AN GE

AMUS

ambulance, v. (-s). Ziekenwagen. VeldhospitaaUbii het leger).

stiii li KT? t)D. Zie aamborstig. Amechtighrid, v. %

;»iii«'l«llt;nik, rn. Stijisel.

sim on, bijw. Hebreeuwsch woord =

het zij zoo. . ir i. * •

anieiMlomeut, o. (-en). Verbetering. Wiiziffi' g. Voorstel tot wijziging (van ccne wet, en/), — A men de er en, bw. amendeerde, beeft geamendeerd. .. .

aiiiK-rU» 1* Iquot; eene en^e'e ameriJ : in

een enkel oogenblik.

Ainlt;-rik:gt;, o. Werelddeel. Inwoners Q2,«»00,000. Oppervlakte 663,000 vierkante ffeotcr. mill., met de eilanden 743,819 vierk. erOKf- mijl. Wordt verdeeld in Noord-, 2uid-Amerika, West-Indië en verdere eilanden. — A*gt;ift'ihaan, nl. (..anen). Ame-rtiaofiich, bn.

«■uelliUI, m. (-en). Kwartsgesternte tan eenc viotetklcur, die nu eens blceker dan eens booger is, ofwel in het bruine 01 •{.oen® overgaat.

skinflocn, o. Naam, welken men in Oost-lndië aan het opium geeft.

Aiuismt, o. Zie Asbest, animelakcu, o. (-s) Tafelkleed, ammonia, v. Veronderstelde basis, of verondersteld metaal, dat, besloten in den ammoniak, door de scheikunde nog niet is afgezonderd- — Ammontnk, m. Uas samengesteld uit stikstof en waterstof. In den handel is dit gas altijd opgelost in water. Ook gezegd van ammoniakzout, bestaande uit keukenzout en ammoniakgas. — Ammonium, o. Verbinding van stikstof met waterstof ..

anituunilie, v. Krijgsvoorraad. Krijgsbehoeften. 4 • ••♦

amnestie, v. (-ën). Algemeene kwijtschelding, scbuld vergiffenis:

amorlineeron, bw. amortiseerde, beeft geamortiseerd. Schuld delgen door aflossing. — Amortisatie, v. (..iën, -s).

ampel, bn. bijw. Breedvoerig.

ampel, v. (-s). Glazen (ook zilveren) kruikje, in de mis gebruikt.

amper, bijw. Nauwelijks. Ternauwer-oood. Bijna

joa. 1311 na. T

jLIllp«r«, 1° (A. M.), 1775-1836, Lyon. De schepper van de theorie der electro-dynanrica. Recueil d?observations electro-dynamigues (1822); Théorie desphènome-ttes èlectrc-drnnmiques (1830). — 20 y.. A.), i8oo-i8«? v), I^yon. Zoon van den voor-gen*. Sur la formation de la langue

ptgt;Ihraiehu•, m. (-sen). Zie Voet — Amphtbrachisck, bn. , , „ ,

ami.liitlicatcr, o. (-s). Halfronde schouwplaats, tegenover het tooneel. (bert.) Schouwburg Snij-, ontleedkamer. — Am-thiiheatersRewyze, bijw.

Anl»tcl,ni Stroomt te Amsterdam door sluizen in het V oormalige Y. Ontstaat uit de \ereeniping van de Drecht en de Aar. A'nsUUandcr, m. (-s^. . . T

Amsterdammer, m. (-s). Inwoner

ophouden. Zich amuseerett, ww. — Amusement, o. (-en). , TT. Anaoreoii (560-478 voor Cnr.). uic

Teos. De btvalligste der Grieksche lierdichters.

sinalogrie, v. (..ieën). Overeenstemming. Verwantschap. Evenredigheid. — Analogisch, analoog, bn.

siustnaN, v. (-sen). {Brovieha ananas gt; Plant, tot de familie der bromeliaceën be-hoorende. Afkomstig uit tropisch Amenka, Hare door de cultuur veredelde vruchten worden onder de lekkernijen geteld. — Anattassenkast, v. (-en). t

auapsestns, m. (-sen). Zie Voet. Ana-tcestisch, bn.

anaroliie, v. Regeenngloosbeid. Wan-

orde. — Anarchist, ra. (-en). — Anar-chisme, o. Zie Socialisme. , , „ i_ anathema, o. (-'s). Banvloek. Kerkban. Vervloeking. „ .

anatomie, v. Ontleedkunde. — Anatomisch, bn. — Anatoom, m. (..omen).

audaute, bijw. (Muz.) Gaande of stap-houdendp. Gematigd langzaam. — Andantino, bijw. (Muz.) Een weinig gaande. Andcnare. Soenda-eiland.

auder. algem. telw. Niet de- ot^ net-zelfde. In tegenoverstellingen gebezigd : een andere jas aandoen. Beter : hij is een ander man geworden. Ten anderen : daarbij. Onder anderen. Vnw. : Een ander. Anderdaagsch, bn. — Anderdeels, bijw.

— Anderhalf, anderhalve, telw. Een en een half. — Andermaal, bijw. Nog eens.

— Anders, bijw. Zoo niet. Op eene andere wijze. Ergens anders : elders. Vw. len minste. Althans. — Andersdenkend, vn.

— Andersom, bijw. — Anderszins, bijw.

— Anderwerf, bijw.

Anderaen (H. C ), 1805-1875, Odense feil. Funen), Deensch dichter en verteller. De Improvisator («8y); V Was maar een speelman (1835); In Spanje (1863).

audUvie, v. Plamensoort \ctcnortutn endivia) tot het geslacht der cichorei-gewassen en tot de familie der samenge-steldbloemigen behoorende. Wilde andijvie : c. pa lustris. Men kweekt verscheidenheden, die als groente of saVade genuttigd

andoren, m. (-s). Plantengeslacht(5/a-chys) tot de lipbloemigen behoorende. Sommige uitlandsche soorten worden als sierplanten gebruikt. Andere soorten groeien bij ons in het wild.

anekdote, v. (-n, -s). Kort vernaai. Historische trek.

anemoon v. (..onen). Plantengeslacht {anemone) tot de familie der ranonkelacn-tigen behoorende. De a. Pulsatilla,apen-nina, ranunculoides en nemorosa behoo-ren tot onze flora. Zij bloemen doorgaans in April en Mei. .

angel, m. (-s). Scherpe spits (van bijen, enz.), waarmede gestoken wordt. Soort van naak om mee te visschen. (Boekdr^) Twee ijzeren plaatjes, waarin de spil van het rol-hout ligt en loopt. Valstrik. Lokaas.

Aneell, (//• von), 1840, Oedenburg. Oostenrijksch schilder. De wreker zyner eer (1869).


1

a Amsterdam. , ,,

amuseeren, bw. amuseerde, heeit eamuseerd. Vermaken. lem. amuseeren.

ocr page 67

ANNE — 5

Augellco {Ffa. Giovanni), 1387-1455, quot;Fi'jsole. DominicaaD. Ital. schilder. De ki öni'ng der H. Maagd.

sinsrelu.*!, o. Gebed, bestaande uit een •driedubbel vers met een antwoord en driemaal het Wees gegroet, 's morgens, 's middags en 's avonds te bidden onder het kleppen der klok. Aanbevolen door Joannes XXII (»326).

Ancrlimnifiiiie, o. Officieele godsdienst (Engeland). Dagteekentvan Hendrik VIII, die afbrak met de H. Kerk, daar de Paus geweigerd had zijnen echt met Catha-rina van Aragon te ontbinden. Verschilde weinig in den bepinne met den katholieken godsdienst. Honderd jaar later sloeg de oneenigheid, tusschen Puriteinen en Calvinisten ontstaan, tot eene geestelijke omwenteling over. Methoaïsten, Evangelisten, Calvinisten behooren tot het Anglic. Allen •staan onder éen hoofd : den koning. — A ngltea an sch, bn.

smgiioifimc, o. (-n). Engelsche wending.

stiiEA^, m. Gevoel van benauwdheid, vergezeld van hartklopping en siddering, dat den mensch bevangt bij zeer dreigend

fevaar. —evaar. — Angstig, bn. — Angstvallig, n. Vreesachtig. Bfekommerd. — Angstvalligheid, v.

auQI, m. Naam der indigo-plant in Oost- en West-Indië.

antim, m. Éénjarige plant (pitnpinella anisum), tot de familie aer schermbloemi-gembehborende, wier zaden als ipecerij en als geneesmiddel gebruikt worden. Zekere drank.

aniline, v. Verfstof. Prachtig rood en violet, gelijkend op cochenille, maar daar boven te schatten, omdat ze weerstand biedt aan zuren en aan het zonnelicht.

animato, bijw. (Muz.). Bezield, aniaette, v. Eene soort van likeur, anjelier, v. (-en). Plantengeslacht {dianthus). Is rijk aan soorten, die om de schoone en welriekende bloemen tot de meest gezochte siergewassen behooren.

anker, o. (-s). Werktuig om een schip vast te leggen. (Bouwk.) IJzeren houvast in steenen muren. Voormalige wijn- en oliemaat = 38,805 liter. Zekerneid. Stand-ygstigheid. Gelatenheid. — Ankeren, ow. atikerde, heeft geankerd. Het anker werper. In de haven aanleggen.

Anker, {S. van deii), 1822, IJselstein. Lceraar ^Kuilenburg). Leven van den H. ASoysius van Gomaga (2® druk, 1864); Leven van den Zaligen Joannes Berch-tnans (2° druk, 1867); Lgt;e St Bartholo-(2® druk, 1872).

Anna. i0 (h.) echtgenoote van Joachim en moeder der h. Maagd. 20 Profetes Anna, dochter van Phanuël, uit den stam van Aser. Verliet den tempel niet en mocht er het Kindeken Jezus aanschouwen.

Anneessens {F.), 1660-1719, Brussel. Deken der ambachten. Verzette zich uit al zijne macht tegen de belastingen, die, vol-ge s het Barriere-tractaat, op de Belgische provinciën moesten geheven worden.TBrus-sel kwam in opstand en Anneessens met verscheidene andere dekens, die men ver-

i — ANTW

antwoordelijk maakte voor den opstand» werden ter dood veroordeeld.

annexeeren. bw. annexeerde, heeft geannexeerd. Inlijven. Aanhechten. Bijvoegen. Toevoegen. — Annrxatie, v. (..iën, -s).

_ stnnuïieiten, v. mv.Jaarlijksche aflossingen cener schuld door rentebetaling. Bewijzen daarvan.

Auri {Pol), 1865, Gent. Oritierwijzer. De ondergeschikte Dienstbode (1880), Blatiw en Grauw (1886).

AnselmiiH (h.), 1033-1109, Aosta. Aartsbisschop (Canterbury). De grondlegger der scnoolsche wfjsbepeerte.

anftJoTis, v. (-sen). Vischje, tot de familie der haringen behoorende : engraulis enchrasicholus. !fn MleEuropeeschezeeën.

Ansjovis.

Antfaennift, (G. T.), 1840, Oudenaarde. Vrederechter (Brussel). Liederdichter. Ik ken een lied'. Leven, lieven, zingen (i879).

anthropologrie, v. Natuurleer van den mensch. — A n th rop o loog, m. (..ogen).

Antielirist, m. (-en). = Vijand van God. Zal op het einde der wereld verschijnen, aich als God doen aanbidden en alle ijselijke euveldaden bedrijven.

AntiffOimH. De laatste vorst, die in het O. T. tegelijkertijd met het aartspriesterschap en de burgerlijke macht was bekleed. 137 voor Chr.

Antillen, v. mv. Eilanden, die, in Midden-Amerika eenen boog beschrijven rondom de Caraïbische Zee van 450 geog»r. mijl. lang. Uitgestrektheid : 4400 vierk. geoer. mijl. Men noemt ze ook IVest-Indië en verdeelt ze in Groote (Cuba, Jamaica, Haïti en Porterico) en kleine Antillen, die ook Caraïben genoemd worden. De kleine Antillen verdeelt men in de eigenüjke Caraïben (eilanden boven den wind en eilanden onder den wind), de Bahama-eilanden en de Bermuden of Zo-mer-eilanden. Suikeren tabak.

Antioeliaft. Naam van 13 koningen van Syrië. De voornaamste : AntiochusIII (de Groote), bondgenoot van Hannibal gt;,1 186 vóór Chr.); Antiochus IV (Epipha-nes), deed de Machabeërs den marteldood ondergaan (t 164 vóór Chr.).

antipatkie v. Natuurlijke afkeer, weerzin.

Antwerpen. Provincie (België). Grond eften. Kempen en polders. Rechterl. en bestuurl. arr. Antwerpen, Mechelen, Turnhout. ia justitiekantons. 151 gemeenten. Hoofdpl. Antwerpen. — Antwerpenaar. m. (-s, ..aren).

antwoord, o. (-en). Bescheid inz. op eene vraag, hetzij mondelijk, hetzij schriftelijk. — Antwoorden, bw. ow. antwoord-


ocr page 68

APPO - y:

de, heeft geantwoord. Antwoord geven. Wanneer men een schip ontmoet, nijscht men de vlag en dan wordt het schip gezegd te antwoorden. In eigen spraak antwoorden : schieten op wie eerst geschoten heeft. — Antvcoorder, m. (-s). — Antwoordster, v. (-s).

aorta, #v. De groote slagader. De stam der slagaderen. Ontspringt uit de linkerhartkamer.

apiacero. (Muz.). Naar beheren, apocrier. hn. Onbekend, verborgen. Verdacht, onecht, va!sch (van schriften). Apol KL. F. H.). 1850, 's Gravenbage.

Landschapschilder.Wintcilandschappen en riviergezichten.

apoloogr, v. (..open). Zinnebeeldig verhaal, gedaan om eene zedelijke waarheid (eene zedeles) te doen aanvaarden. Wordt do handeling des verhaa's den mensch toegeschreven = parabel. Wordt zij zulke personages toegewezen, die 's menschen zeden slechts in den schijn kunnen aannemen = fabel.

apostel, m. (-en). Godsgezant, terverkondiging van Christus' leer uitgezonden : Petrus, Andreas, Jacobus (zoon van Zebe-dens), Joannes. Thomas Jacobus (zoon van Alpheus), Philippus, Bartholomeu1?, Mat-theus, Simon, Tbaddeus, Judas. Geloofsbode. Voortplanten Verdediger (eener leer enz.). Ruige apostel : lichtmis, losbol. Onbeschoft mensch. — Apostelschap, o. — Apostolisch, bn. bijw. De Roomsche Kerk wordt apostolisch genoemd, « omdat zij, van Christus ingesteld zijnde, van de apostelen af met ongebrokt n acbtervulging altijd gestaan heeft. »

apontel, m. (-en, -s). (Zeew.). Boegstuk. apostropbo, v. (-n). Afkappings-teeken.

apotheek, v. (..eken). Inrichting tot het bereiden, bewaren en verkoopen van geneesmiddelen. —Apotheker, m. {-s\. — Apothekersjongen, m. (-s). — Apothekersknecht, m. (-s). — Apothekersrekening, v. (-en).

appassionato, bijw. (Muz.). Hartstochtelijk.

appel, m. (-en, s). Zekere boomvrucht, inz. de vrucht van den appelaar. Voorwerp, dat den vorm van eenen appel heeft. De appel valt niet ver van den boom ; zoo de vader, zoo het kind. Voor eenen appel en een ei: zeer goedkoop. — Appelaar, m. (-s). Malus communis. —Appelflauvote, v. Geveinsde bezwijming. _ ^

appel, o. (-s). Oproep. Naamafroeping/ Beroep. Hof van appel : hot van beroep. In appel gaan, appelleer en, ow. appelleerde, heeft geappelleerd. In beroep gaan, beroep aanteekenen. — Appellant, m. (-en). —Appellante, v. (-n).

Appelmans {P.) 13..!?) -1434. Antwer-

Een. Bouwmeester. Leverde het plan van de oofdkerk te Antwerpen,en. Bouwmeester. Leverde het plan van de oofdkerk te Antwerpen,

appelsina, v. ( as), appelsine, v. (-n). Zie Oranjeboom.

appetQt, m. Eetlust. Trek, lust. appogrifiatura, v.(Muz.).Wisselnoot, vallende op het sterk maatdeel.

ARDÜ

April, m. Grasmaand. De vierde maand van t jaar. (-len) Plaats, waar men van' eenen dijk, enz. afrijdt. — Aprilvisch, m.-(..sschenKValsch nieuws, dat men met April verspreidt.

approbeemi.bw. approbeerde,heeft geapprobeerd. Goedkeuren. Toestemmen»

— Approbatie, v. (..iep, -s).

ar, bn. Gram, toornig. In raren moede: op baldadige wijze.

ar, v. (-ren). Arreslee.

arabesb, v. (-en). Bouwsieraad. Loopwerk aan meubelen enz. aangebracht op de-wijze der Arabieren. (Boekdr.) Soort van ornementen.

Arable, o. Schiereiland ten Z.-W. van Azië, tusschen de Roode Zee, den IndTr-schen Oceaan en de Perzische Golf. De' kusten alleen zijn vruchtbaar. 57,400 vk. geogr. mijl. — Arable?-, m. (-en). — Arabisch, bn.

Ara^o (^), 1786-1853. Estagel. Fr. wis-en sterrenkundige.

arak, v. Indische benoeming voor alcoholische dranken, inz. voor brandewijn.. Is kleurloos en zeer welriekend. Voornaamste': Batavia-arak.

arbeid, m. Werk. Varrichting. Moeite. Inspanning. Barensnood.. Werking, gisting van (vochten). —Arbeiden, ow. arbeidde,, heeft gearbeid. Werken. Koken, gisten. — Arbeider, m. (-s). — Arbeidsloon., o. en m. (-en). — Arbeidsman, (..lieden, ..lui).

— Arbeidster, v. (-s).— Arbeidsvolk, o,

— Arbeidzaam, bn. Werkzaam, Vlijtig.

— Arbeidzaamheid, v.

arbiter, m. ( s). Scheidsman. Scheids--rechter. Bemiddelaar.

arebaïsme, o. (-n). Verouderde uitdrukking. Verouderd woord.

Arciielaus. Etnarch van Judea en Samarië (onder Augustus). Misnoegde door-zijne wreedheden zoodanig het volk, dat hij afgezet en Judea aan Syrië als Romeinsche provincie werd ingelijfd.

arehief, o. f..ven). Handvesten. Oude-boeken, geschriften, enz. Plaats waar zij bewaard worden. —Archivaris, m. (-sen), archivist, m. ( en). Bewaarder, opziener van het archief.

Arebimedes, geb. te Syracuse, 287 vóór Chr. Wis- en natuurkundige. Zie Schroef en Wet.

areliipel, m. Eilandenzee, inz. tusschen de kust van Griekenland en Klein-Azië.

architect, m. (-en). Bouwmeester. Bouwkundige.

areliitraaf, v. (..aven). Onderbalk. Bindbalk. *

Ardennen, v. mv. Hoogvlakte (Luxemburg) van meer dan 400 m. middelbare vol-strelcte hoogte, met diepe en golvende da^ len. Kwartsachtige en schilferachtige rotsen, die houtrijk zijn of onbebouwd, bedekt met heideveld, veengronden en schrale weilanden. Onvruchtbaar maar zeer schilderachtig, daarom Neder la ndsch Zwitserland genoemd.

ardnin, m. (steen); o. (stof). Technische naam van afgehouwen steen, in tegenstelling van gebakken steen. Wordt inz. in de-Ardennen verkregen. — Ai'duinen, bn.


ocr page 69

— S3 —

ARIO

ARMI

are, v. (-n). Metrische vlaktemaat = 100 vierk. meters (Zie Lengtematen).

arend, m. (-en). Aquila. Eene familie van roofvogels. Zijn krachtige bouw en trotsch oog hebben den arend tot den koning der vogels gemaakt. De arend is het zinnebeeld van moed en stoutheid. Men verdeelt de arenden in : ringpoot-arenden (de steenarend . a. /ulva; de koningsarend • a. imperialis) ; zeearenden (de witstaartige zeearend : haliaetos albiet'11 a) ; vischarenden (de meest bekende: pandion haliaetos). —Arendsklatiw, m. (-en).—Arendsneus, m. (..zen). — Arendsoog, o. en v. (-en). — Arendsschacht, v. (-en). — Arendsvleugel, m. (-s). — Arendsvlucht, v.

Arëuc, {P. A.) 184.3, Sisteron (Basses-Alpes). Proven^aalsch dichter.

areometer, m. ( s). Werktuig, waarmede de belrekkelijkj vlichtheH en alzoo het soortelijk gewicht van vloeibare en vaste stoffen bepaald wordt.

st r e n ke u lt;1,

bn. Ergdenkend.

argreloos, bn.

Zonder achterdocht.

Te goeder trouw. —

Argeloosheid, v.

arffentsisiu, o.

Nieuwzilver, kunstzilver. Metaalmengsel uit nikkel, koper en zink.

arjfll»t,v. Kwaad aardige list. Booz j trek.—A rg lis tig, bn.

Loos. Doortrapt. —

Arglistigheid, v.

^irgrouauteu,

m.nw. Grieksche zeelieden (uit den hlt;.l-dentüd), die hei Gu; -den Vlies gingen veroveren.

argusoofi:, o en v. (-en). Scherpdooi-dringend oog. — Ar-gus (fab^l) had honderd oogen.

arsrYvaau, m.

quot;Wantrouwen. Kwaad vermoeden. Achter-■ docht. — A rgwa nen,

bw. argwaande, heeft geargwaand. Kwaad vermoeden hebben. — Atgwanend, arg-wanig, bn. Ergdenkend.

aria, v. (-'s). Muziekstuk voor éene zangstem, met begeleiding van orkest of piano, waarin iemands gemoedsstemming, overeenkomstig zijn karakter en den toestand in •welken hij zich bevindt, wordt uitgedrukt. — Ariëtte, v. (-n). Klein, niet zeer uitgewerkt aria. —Arioso, o, (-'s). Korte zangvorm, streng in de maat genomen, welke ■óf tusschen het recitatief wordt ingeschoven, óf tot het slot dient van het recitatief.

•Arianisme, o. Leer van Arius (1336). Ketter. Zie Concilie. •— Ariaan, m. (..nen).

A.rioHf;o (L.) 1474-1533, Reggio. Ita-.liaansch dichter. Orlando furioso (1516).

Arlovlstas. Koning der Zweben (Gal-lië) .Overwonnen door Caesar (58 vóór Chr.).lt; ArlMtarebu», 160 vóór Ch. Criticus der oudheid, de schepper der spraakkunst en stichter der ciitisch - grammatische school. Gaf de gedichten van Homerus uit en beoordeelde ze met scherpzinnigheid. Vandaararzi/arr/».quot; gestreng kunstrechter. ariHloeraat, m.(..aten). Adelsgezinde.

— Ap istocratie, v. Adel. Adelheerschappij.

— Aristocratisch, bn. bijw.

ArlMtoteles, 384-322 vóór Ch. Stagira.

Grieksch wijsgeer, leerling van Plato, stichter der peripatetische school.

ark, v. Gen). Ark van Noë: Vaartuig door Noë op Gods bevel, bij den zondvloed, opgetimmerd, waarin hij, zijne vrouw, zijne zonen (Sem, Cham en japhet) en Lunne vrouwen, zeven paar reine en twee paar onreine dieren zijn behouden gebleven. — Ark des Verbonds. Houten kas, rijkelijk met goud versierd, waarin de Tafels der Wet bewaard werden, stond in het Heilig der heiligen.

arm, m. (-en). Lichaamsdeel, reikende van den schouder tot aan bet gewricht der band. Wat de gedaante heelt van eenen srm. Wat dienst doet als een arm. Macht. I lulp. lem. met open armen, met de meeste Voorkomendheid ontvangen. —- Armband, ra. (-en). —Arvibeen, o. (-deren). — Armblaker, m. (-s). Soort van kandelaar.— Armborst, m. (-en), (üudt.) Soort van handboog. — Armsgat, o. (-en). — Armstoel, m. ( en). Zetel.

arm, bn. Behoeftig. Nooddrultig. Gel-deloos. Ongelukkig. Eene arme taal ; taal r;.et weinig keus van woorden. — Arme, nj. en v. (-n). Behoeftige. — Armelyk, bijw. — Armenbelasting, v. (-en). — Armengeld, o. — Armengijt, v. (-en).

— Armenhuis, armhuis, o. (..zen). — Armenkas, v. (sen). — Armenkerk, armkerk, v. (-en). — Armenschool, v. (..olen). — Armenverpleging, v. — Armenverzorging, v. — Armenzak je, o.

i (-s). — Armhartig, bn. bw. Ellendig.

Deerniswaard. Erbarmelijk. Laag. Klein-! moedig. — Armhartigheid, v. — Arm-j meester, m. (-s). — Armoede, v. Gebrek. Nooddruftigheid. — Armoedig, bn. bijw. Arm. Bekrompen.— Armoedigheid, v. — Armzalig, bn. bijw. Gering. Bekrompen. Ellendig. Slecht. — Armzaligheid, v. (..beden).

Armada, v. Onoverwinnelijke Spaan-sche vloot (150schepen, 32,000 matrozen en soldaten) door Filip II tegen Er geland af gezonden en gedeeltelijk door een tempeest verwoest.

Armadil, m. (-len.) Zie Gordeldier. Armluiaan, m. (..anen). Aanhanger der leer van Arminius (= Jacob Harmsen, 1560-1609, Oudewater). Arminius was in twist met Gomarus over de leer der voorbeschikking. Hierdoor scbeurirg in de Ne-derl. Hervormde Kerk. De Arminianen gaven (1610) aan de Staten van Nederl. eene remonstrantie over, welke de vijf voornaamste stellingen van hun geloof bevatte. Vandaar Remonstranten. — Armini-aansch, bn.


ocr page 70

ARTE — 5.

armoztln, o. (-en). Eene soort van taf. .AruatiiU {A. V.), 1766-1834, Parijs. Treu speidichter. Marius (1791); Lucrece (1792)*

Arndt {E. M.), 1765-1860, eil. Riigen. Hoogleeraar in de geschiedkunde te Greils-wald. Geist der Zeit (6® druk. 1^77).

Arn li o mm er, m. (-s). Inwoner van Arnhem.

Ariiol*! [T. J. J.), 1832, Didam. Beambte aan de bibliotheek der Hoogeschool Ie Gent, Luitenl. eerelid der K. Vl. Academie, biograaf en medewerker aan de Bibliothe-ca Belg tea.

A roe. Moluksch eiland.

aroiiHkelk, m. (-en). Y)e aronskelken (Aroïdtën), familie der éenzaadlobbige gewassen, zich onderscheidende door groote pijl-, hart-, soms handvormige bladen en door een vleezige bloeikolf, behooren vooral in de keerkringslanden thuis. Tot de in-landsche behooren : de gevlekte aronskelk of kalfsvoet (Arum maculatum), het slangenkruid (calla palustris), de kalmus of vahche aronskelk (acoius calamus). Arouïml. Standplaats (Opper-Congo). arpeggio, o. (-'s) (Muz.). De tonen worden niet gelijktijdig, maar schielijk op elkander volgend genoord.

arren, ow. arde, heeft geard. Zie Narren. — Arreslede, v. (-n), arrestee, v. (-ën). Zie Narreslede

arrest, o. (-en). Rechtsspraak, gewijsde. Oponthoud, stilstand. Aanhouding. Inbeslagneming, beslag. Gevangenzitting. —

— Arrestant, m. (-en). Aangehoudene.

— Arrestante, v. (-n). — Arresteeren, bw. arresteerde, heeft gearresteerd. Aanhouden. Gevangen nemen.. In beslag nemen.

arrondl«8emeiit,o. (-en). Onderverdeeling eener provincie. Het rechterlijk arr. heeft een tribunaal van eersten aanleg; het bestuurlijk wordt geregeerd door eenen arrondtssements-commissaris, m. (-sen), een rijksbeambte door den koning te noemen, afhangende van den Gouverneur en toez'cht hebbende over gemeenten, welke geen 5,000 inw. tellen, noch zetelplaatsen zijn van arrondissementen. — Arrondisse-ments-rechtbank, v. ( en). — Arrondtsse-ments-rechter, m. (-s).

arsenaal, o. (..alen).Tuighuis. Wapenmagazijn. Hoofdwerkhuis.

arftenieum, arsent'k, o. (Scheik.). Metaal aardige stof, die verkregen wordt door arsenigzuur met koolpoeder of met olie vermengd, in een glazen retort tot gloeiens toe te verhitten, 't Arsenik kan zich in drie verhoudingen vereenigen en vormt daarmede een suboxyde en twee zuren, welke laatste onderscheiden worden als arsenigzuur en arsenikzuur. 't Arsenigzuur (meer-bekend onder den naam van rattenkruit) is weglt; ns zijn vergiftigend vermogen berucht « n is daardoor de belangrijkste arse-nik-verLinding.

Arte velde (van). 10 Jacob (1285-1345). Lodewijk van Nevers, had de partij der Franschen tegenover die der Engelschen verkozen. Edward III, Britsch vorst, verbood den invoer van wol in Vlaanderen :

— ASPE

vandaar groot gebrek. Van Artevelde deed. het volk voor Engeland overslaan. De Fransche vloot te Sluis verslagen (1340). Jacob werd Ruwaard (bt schermer van Vlaand.) uitgeroepen. Laffe vijanden hitsten de gemoederen op en de -wijze man werd, onder voorwendsel van landverraad in zijn eigen huis vermoord. — 20 Filip (Jacobs zoon). Lodewijk van Male had te groote belastingen gevergd : Gent weigerde, Brugge gehoorzaamde en verkreeg eene vaart naar Deinze. De Gentenaars namen de wapens, vielen de Bruggelingen aan en zegevierden. Frankrijk kwam te hulp en Fiiip met een groot getal der zijnen sneuvelde te West-Rozebeke (1382).

arliculalie, v. Term in de phonetiek, waarmee bedoeld wordt de toestand der spreekorganen, bij het voortbrengen van klanken : de articulatie der a, der /, der 5 enz. Gewricht. Lid.

artikel , o, (-en, -s). Lid. Stuk. Afdee-ling.Deel.Paragraaf. Opstel. Handelswaar. (Taalk.) lidwoord.

artillerie, v. Zwaar, grof geschut. Een dier wapens bij het leger (Zie Lcgjgr). — Artillerist, m. (ten). Kanonnier..

artisjok, v. (-ken). (Cynarj^Bply-mus.) Behoort tot de familie der^Rnen-gssteldbloemigen. Groote, distelachtige» overblijvende plant, met vinspletige bladen en eindelingsche, breede blauwe bloera-hooldjes. Vooral in Frankrijk als groente gekweekt.

Artoia (J. d'), 1613-1665, Brussel. Landschapschilder.

arts, m. (-en). Dokter. — Artsenij, (-en). Geneesmiddel.

Arturro 111 au. Zie Roman.

as, v. (-en) Rechte lijn, door 't midden van eenen bol gaande, om welke deze bol zich bewegen kan. De lijn, welke ondersteld wordt door 't middelpunt en de beide polen der aarde te gaan. Stuk ijzer, enz. om 't welk zich een lichaam beweegt. Dwarshout, ora 't welk de wielen van een rijtuig in bcwe-ging gebracht worden. — Aspunt, o. (-en). Uiteinde eener as. Noorder-, Zuideraspunt. asa flt;etilt;la, v. Duivelsdrek.

asbest, ©.Mineraal, dat in dunne en los-samenhangende vezels in spleten en kloven, van serpentijnsteen wordt aangetroffen : 't Buigzaam asbest wordt ook amiant genoemd.

ascli, v. Overblijfsel van een verbrand voorwerp. Stoffelijk overschot eens overledenen. Iemands asch (aandenken eens afgestorvenen) ontwijden. — Aschachtig, bn.— Aschdag, ra. Ue iedag van de vas-sten. — Aschgrauw, bn. Grauw. — Asch-kruul, o. Plantengeslacht uit de fam. der samengesteldbloemigen, waarvan bij ons in 't wild op moerassige veengronden groeit cineraria palustris, en waarvan vele soorten in perken en serren gekweekt worden, asem, m. Zie Adem.

aHperge, v. (-s). Tuinplant, ook in 't wild voorkomende, tot de smilaceën beboerende. De vleezige wortelknoppen maken een lekkere spijs uit. Gewone asperge: asparagus officinalis. — Aspergenbed, O., (-den).


ocr page 71

AT HE

AUST

nisptialt, o. Aardpek, joden lijvi. Bitu-min« us h.irs, bestaande uit onderscheidene koclwati-rstofFen en eene zuuistolhoudende verbinding, 't Werd \an ouds door de Doo-de Zee aangespoeld, en wordt in kalk- en zandstt enlagen, o. a. in de Ardennen, aan-getrotten.

AmnoIio {A. van), Gent. Bouw

meester. Herstelde O. JL. V. Kerk van Pamtle (Oudenaarde), SkJaccbskerk (Gent), het kasteel van Sprimont enz.

AMHelUn (J.), 1610-1652, Antwerpeo. Krabbetje genoemd, uit hoofde eener misvorming aan de handen. Schvdet. Kmter-gevcc/t/.

AHHenede {Diederik van). KJerk van Margareta, gravin vrn Vlar.nd. Vertaalde naar 't Fransch F lor is en Blancejioer (omtr. 1240).

siMsiffiistat, o. (..aten^. Fransch paple-rengeld (onder de ie Republ.).

asKignatic, v. (..iën, -s). Handelspapier, waarin de onder teekenaar verklaart, dat een in dat stuk genoemd persoon zekere geldsom zal betal en aan een ander in dat stuk genoemden persoon.

Auftisi, 4000. Stad (Italië). Geboorteplaats van Franciscus van Assist, 1182-1226. Stichter der Minderbroeders, der Clarissen (Arme Claren) en der derde orde (voor beide geslachten). Zijne hymnen be-hooren tot de. eerste voortbrengselen der Italiaansche taal. In deze zoowel als ia zijne prozaschriften worden fraaie beschrijvingen

Sevonden, die van zijn innige bewondering er natuur en edel karakter getuigen. asHintecrcn, bw. ow. assisteerde, heeft geassisteerd. Bijwonen. Helpen. Ondersteunen. —evonden, die van zijn innige bewondering er natuur en edel karakter getuigen. asHintecrcn, bw. ow. assisteerde, heeft geassisteerd. Bijwonen. Helpen. Ondersteunen. — Assistent, m. (-en).

aslturceren, bw. asureerde, heeft geassureerd. Verzekeren. Laten verzekeren (b.v. tegen brand). — Assuradeur, m. (-en, -s). Verzekeraar.— Assurantie, v. (..iën, -s). Verzekering. Stou'/gheid. Onvervaardheid. Zelfvertrouwen (in slechten zin).

AftHyrië. Landstreek van het oude Azië, op de oevers van den Tiger. Hooldpl. Ninive.

stater, v. (-s). Behoort tot de familie der samengesteldbloemigen. Zeer bekend is bij ons de gewone aster : aster sinensis. aKfhnia, o. Kortademigheid.

stftlranf, bn. Vrijpostig. a»frononiie, v. Sterrenkunde.—As-tronomisch, bn.—Astronoom,m. (..omen).

aierlins:, m. en v. (-en). Bastaard. Slecht mensch. — Aterlinge, v. (-n). a tempo. (Muz.). Naar de maat. Alitalia, (884-878 vóór Chr.). Deed om haren zoon Ochosias te wreken al de afstammelingen van David om 't leven brengen. Joas alleen werd behouden. AthaBa ■werdquot; omgebracht bij dezes kroning.

allieïHiue, o. Godloochening. — Atheïst, m. (-en).

athonacmn, o. (-s, ..aea). Middelbaar onderwifsgesticht van hoogeren graad.

A llM'iic. Hoofdstad van het oude Attika (eene der 8 provinciën van het eigenlijke Hellas) en middelpunt der oud-Grieksche beschaving. Huidige hoofdstad van Grieke-land (114,335).

Atjcli (Zie Sumatra). Oppervlakte, 1000 vierk. geogr. mijl. Bevolking: 500,0011 inw. Peper, areka-noten, rijst, katoen, ooft en kamier.

atlaft, m. (-sen). Hooge berg. Verzamf» ling van land- en zeekaarten. Opperst ha. wervelbeentje.

atiaM, o. Zekere satijnen stof. atmoHfcer, v. (..eren) Dampkring, atoom, o. (..omen). Stofdeeltje. Zonnestofje.

Atrebatcn, m. mv. Volksstam, die eene eeuw voor Chr. het huidige België bewoonde.

atropfno, v. (Scheik.). Alcaloïde, verkregen ui. atropa bella-dona en daturtc stramonium. Hevier werkend vergif.

afientie, v. Oplettendheid. Aandacht. Opmeikzaamheid. (. iën. -s). Beleefdheid. Voorkrmendheid. Goedheid.

aftecit, o (-en). afteMtatie, v. (..iën, -s). Getuigschrift.Attestatie de vita : verklaring van leven. — Attesteeren,^ bw. attesteerde, heeft geattesteerd. Getuigen. Verklaren. Bekrachtigen.

Attfila. Koning der Hunnen. Noemde zich de zeesel van God. Verslagen door Aëtius te Chalons (453).

aubade, v. (-s). Ochtendbegroeting met muziek.

Aiil»auol(Zquot;.), 1829-1886, Avignon. Pro-ven^aalsch dichter. La Grenade entr^ou-verte (i860).

Auber {D. F. E.), 1784-1871, Caen. Fransch opera-componist. La Muette de Por tic i {1828).

anetie, v. (..iën, -s). Openbare veiling, audienlle, v. (..iën, -s). Gehoor. Ontvangst ten hove. Zitting eener rechtbank. Audiëntie geven : sprekelijk zijn.

auditeur-militaire,m. (auditeurenmilitair, auditeurs-militair). Openbare aan-kl ger voor eenen krijgsraad.

Aue (//. von dér), 1170 (?) -1255 (?). Duitsch dichter. Ivan ; Arme Hendrik.

Auerbaeli (5.), 1812-1882, Nordstetten (Scharzwald). Duitsch novellenschrijver. Auf der Hu.ie (16® druk, 1874).

Auger (Z. S.), 1772-1829,Parijs.Criticus en letterkundige. Commentaire de Molière.

augork, v. ( en). Kleine komkommer^ welke meestal wordt ingemaakt.

AuBiistinuH, (/*.), 354-430» Tagaste (Afrika^. Kerkvader. Bisschop van Hippo (thans Bona). De Civitate Dei; Con/es-siones. Stichtte de orde der Augustijnen.— Augustijn, m. (-en). Lid der orde door den H. Augustinus gesticht. Zie Orde. Deze orde verspreidde zich van Afrika eerst over Europa, later over gansch den aardbol. Beroemde mannen : h. Prosper, h. Patricius, h. Nicolaus van Tolentijn, h. Thomas a Villanova, Anuphrio Panvini, Christianue Lupus, Abraham a Sancta Clara.

A 11 ffiiKtliliken, van Dort (14® eeuw). Dichtt r. / e schepping; Van den scepé.

AueiiKtUK, m. Oogstmaand, 8e maand van 't jaar.

AiiNterlitz. 2,?oo. Stad (Oostenrijk^. Zegepraal door Napoleon op de Russen en Oostenrijkers (1805). ,

Auatralië, o. quot;Werelddeel. Zoo ge-


ocr page 72

BAAI — c

noemd naar de zuidelijke ligging ten opzichte der oude wereld. Naar den grond onderscheidt m«-n : Nieuw-Guinea, de beide Nieuw Zeeia- dsche oil.. Nieuw Holland (Australië , 'J'a-mai ia of Van üiemcnsland en de kleinlt; re e land- n, die de Zuidzee-eilanden uitmaken. (De Franschen voegen er de eilanden dt-r Indische Zee bij en geven aan a'le te zamen den naam van Oceanté.) Naar de ratnschenrassen verdeelt men Australië in Micronesië, waar kleine bewoners, Mclanest'ë, waar zwarte bewoners en Polytie5tëtviaa.r bewoners zijn van gemengd ras. Thans beslaan de Bnt-sche volksplantingen op de groote eil. van Australië 120,000 vk. geogr. mijl. met 3.500,000 bewoners.

autaar, o. (..ar^n). Altaar.

nnteur, m. ( s). Schrijver. Opsteller. Stichter.

auflientlcitcit, v. Echtheid. Geloof-waardigLeid. — Anihentiek, bn. Echt. Wettig. Geloofwaardig.

automaat, m. (..aten). Schijnbaar zichzelf bewegend kunstwerk. Dom mensch.

au tori toil, v. (-en). Erkend gezag. Getuigenis (uit schriften). Schrijver, op wien men zich beroepen kan. Overheid. De autoriteiten : de overheidspersonen.

aval, o. Verbintenis door handteeke-ning tot het betalen van 't bedrag eens wissels, wanneer de schuldenaar in gebreke blijft.

aveelzaad, o. Gewas met oliehoudend zaad {brassica rapa campestris) .Te onderscheiden van 't koolzaad.

avegaar, m. (-s, ..aren). Groote boor. ^vcrlgt;olt;le. De Premonstratenzer-abdij van Averbode werd geslicht omstreeks 1130. Stamt af van S. Michielsabdij (Antwerpen). Andreas was de eerste abt; stichter en begiftiger Arrulphus, graaf van Loon. Thans de zetel oer aartsbroederschap van O. L. V. van het H. Hart. Behoort toi de gemeente Testelt.

avercebtH, bijw. Verkeerd. — Ave-rechtsch, bn. Verkeerd. Linksch. Lomp. De aveiechtsche zijde ; de keerzijde.

a very, v. (-en). Schade, verlies (aan een schip of koopwaren geleden). Die koopwaren zelve. Haven-, paalgeld. Zie Ha-verij.

averuit, v. Zie Citroenkruid.

b, v. (b's). 2® letter van het alphabet. lgt;a, tw. Drukt verachting uit. baadje, o. Op zijn baadje krijgen : bekeven, afgerost worden.

BaafniiM, ISamin, v. Mis van StBaaf of den h. Bavo, wiens feest den in October gevierd wordt. Het feest zelf.

baal, v. ( en). Zeearm.

baai, v. (-en). Flanelachtig wollen weefsel. — Baaien, bn.

bsiai, v. Roode baai : roode wijn. baiiirrtl, ra. Chaos.

baaiiabak, v. Zekere soort van tabak.

• — BAAN

Avignon, 41,000. Stad, Frankiijk. Paleis, waar de Pausen gevestigd waren [i^og-Hjb).

avond, m. (-en). Laatste gedeelte van den dag. Avond des levens : hooge ouderdom. — Avondrood, o. 't Rood, dat de westerkimme kleurt bij 't ondergaan der zon. —Avondster, v. (-ren). {Hesper, Vesper). Planeet Venus, ondergaande na de zon. — Avondstond, m. (-en).

avonturen, bw. avontuurde, heeft geavontuurd. Wagen. Aangaan. Blootstellen, — Avonturier, ra. (-s). Gelukzoeker. Waaghals. — Avonturierster, v. (-s) — Avontuur, o. (..uren). Zonderling voorval. De avontuien : de lotgevallen. Op avonturen uitgaan : de kans wagen. — Avon-tuurliik, bn. bijw. Ondernemend. Toevallig.

axioma, o. (-'s). StelMng, die geen bewijs behoeft Onomstootelijke waarheid.

stzen, bw ow. aasde, heeft geaasd. Voeden (vogels). Op iets azen : zijn voedsel zoeken. Gretig verlangen. — Azing-, v.

Azië, o. Wen Iddeel. Oppervl. 815,000 yk. geogr. mijl. Bevolking 835 millioenen inw.Vi rdeeld m N.-AziëotSiberië, O.-Azië of Mongolië, Z.-Azië of Indië, Z.-W.-Azië of Voorliggend Azië. Himalaya gebergte (8,840 nn-t ) Stroomen : Gange, Indus, Tiger. Euphrates, enz. De wieg van 't men-schelijk geslacht, van godsdienst, taal en wetenschappen. —Aziaat, m (..aten).

Mzifi:, azing, m. (-en) (Eert.) Friesch rechter.

azUn, ra. (-en). Vloeistof, wier voornaamste bestanddeel azijnzuur is. Bevat gewoonlijk 4 tot 5 % azijnzuur, en bij eene sterkte van 10 tot 15% noemt men hera azijngeest. — Azynachtig,, bn. Zuur. Scherp. Wrang. — Azy'nen, bn. azijnde, heeft geaziind.Met azijn begieten.—Azijnzuur, o. Zuur, dat ontstaat door oxydatie uit alcohol.

azimufb, o. Toppuntshoek. — Azi-muthskompas, o. (-sen) — Azimuths-petting. v. (-en).

Azlneourt 398. Dorp in 't Fr, dép. Pas-de-Galais, veldslag door de Engel-schen op de Franchen gewonnen (1415). azotum,o. Stikstof.

azuur, o. Helderblauw. Hemelsblauw. — Azuren, bn.

baal vanger, m. (-s). Vlug en zwierig schaatsenrijder.

baak, v. (baken). Ton, die op het water drijvende den scheepvaarders de ondiepe of onveilige plaatsen aanduidt.

baal, v. (balen). Volle zak kotpwaren, die in matten of linnen zijn ingepakt. ISaikl. Afgod uit het Oud-Testament, baan, v. (baneri). Gangbare weg. Volle breedte van stof. Strijdperk. Levensloop. Wtgder deugd. Denkbeeldige lijn, welke een hemellichaam in zijne beweging beschrijft. — Baan/iof, m. (..oven). Statie.


ocr page 73

BABB —

— Baanstrooper, m. (-s). Roover van openbare wegen. — ISaanwach/er, m. (-s). Bediende aan den doorgang van ijzeren wegen. — Baanbreker, m. (-s). Delver, die den weg goed maakt. Ook fig. — Baander, ra. (-s). Touwslager.

baatndcrliecr, m. (-en). Hij, die eertijds de banier droeg.

basamp;r, m. (baren). Nieuwelingaan boord, bsastr, v. (baren). Golf.

bsisamp;r, v. (baren). Berrie. Draagberrie. Staaf : ijzeren baar. — Baarkleed, o. (-en). Lijklaken.

baar, bn. Open, bloot : bare zee. Tastbaar : bare leugen. Baar geld : klinkende munt.— bn. Wezenlijk : de baar

lijke duivel. Razen als de baarlijke duivel : als de duivel in persoon.

baarlgt;IUkdUklt; bn. bijw. Duidelijk. Oogenschijnlijk. — Baarblykelykhetd, v.

baard, m. (-en). Haar om de kin, op de bovenlip en de wangen, inz. bij mannen. Wat oenen baard gelijkt. — Baarden : fijne worteltjes, die onderaan den knol staan van ajuin, enz. Naalden der korenaren. Baardbrander, m. ( s). Kort eindje pijp.

— Baardeloos, bn. Zonder baard. — Baardgier, m. (-en). Zie Lammrrgier. — Baardig, bn. Met eenen baard. Gespierd.

— Baardmaitneije, o. (-s). Vogeltje {Parus bi ar mie us), tot het geslacht der meezen behoorende. Leeft langs de zeekust en nestelt in het riet. Zekere oude munt = 0,30 gulden. — Baardscheerder, m. (-s). — Baardschraper, m. (-s^.

baar», m. (..zen) (een visch); v. (stoi-naam) {Perca jluviatilts). Behoort tot de stekelvinnige visrehen. Leeft in alle rivieren en meren van Europa.

baas, m. (bazen). Meester (in alle ambachten). Overste :ae baas van het pachthof. Die over anderen uitmunt : hij is de baas in 't zingen. — Baasschap, o. — /fozzw, v. (-nen).

baat, v. (baten). Voordeel. Winst. Vooruitgang, verbetering: dit geneesmiddel brengt geene baat bij. Alle baten helpen : vele kleintjes maken een groot. — Baatzucht, v. Zucht naar eigen voordeel. — Baatzuchtig, bn. bw. — Baatzuchtigheid, v.

babbelen, ow. babbelde, heeft gebabbeld. Veel en sterk praten (in ongunstige beteekenis). — Babbelaar, m. (-s). Snapper. Suikerspek. — Babbelaarster, v. (-s). — Babbelachtig, bn. — Babbelarij, v. (-en). — Babbelguigje, o. (-s). IJdele praat.

1 — BAFF

Zotte kuren. — Babbelkous, m. en v. ( en).

— Babbelvioer, v. (-s).

Kabel, o. Syrisch woord = verwa r'ng. Werd de benaming van den tonn, welken de afstammelingen van Noë wilden opbouwen.

babQneit, bw. babijnde, heeft geba-bijnd. Op klossen winden. Verrichten ; wat zit ge daar te babiinen. — Ba by 71, v. (-en). Garenklos. — Babi/tier, m. (-s;. — Babiin-ster, v.. (-s).

babok, m. (-ken). Domoor. — Babok-kig, bn bijw. Dom, lomp. On\riendelijk.

Babylonia, o. Stad in Chaldtën aan de Euphrates. Verwoest door Cyrus (538 vóór J.-C). — Babylonisch, bn.

bacea laureaat, m. (..aten). De graad, welken de baccalaureus bekomt. — Baccalauifus, m. lem. die den eersten acadcmisch» n graad heeft verkregen.

Baoli. Naam van een Duitsch glt; s'acht, afkomstig uit Preszburg (Hongaiij.). dat meer dan 50 toonkunstenaars heofi voortgebracht. Zij muntten vcoral uit in kla i. r- tn orgelspel. Devoornaamsten zijn : V^Johann Sebastian, 1685-1750, Eisenach. Hij mag de vader der Duitsche toonkunst genoemd worden. 20 Wilhelm Friedemann, 1710-1784, Weimar. 50 Karl Philip Emmanuel, i7i4quot;i788, Weimar. 40 yohann Christian, Leipzig.

Isaeker {L. de) 1814, S1 Omaars. Oud-proftssor bij de Sorbonne te Parijs, letteren geschiedkundige te Noor J-Pt-ene (Frankrijk). Buitenlandsch eerelid der K. VI. Academie.

Ifiaoker (^.1, i6o8-i6ti, Harlingon. Portretschilder.

Backereel {G.), 1572(?) 1662(?), Antwerpen. Historieschilder.

Baekliuyzen (L.), 1624-168?. Emden. Zeeschilder.

Baoo {Roger), 1214-1294, Ilchester (Somerset). Britsch monnik. iSatuur-, wis- en sterrenkundige.

Bacon {F.), 1561-1626, Londen. Lord Verulam. Viscount of S. Albans. Staatsman en wijsgeer. Een der meest merkwaardige mannen op het gebied van wetenschappelqk onderzoek. Novum or gation scientiarum.

bacteriën, v. mv. Zie Microben.

Bactrlana. Uitgestrekte landstreek van het oude Azië, ten Westen van Perzië. Hoofdplaats : Bactres.

bad, o. (-en). De vloeibare stof, de plaats of het tuig, waarin men zich baadt.

— Baden ow. Baadde, heeft gebaad. Zich baden, ww. Een bad nemen. Zich in vreugde, wellust baden. — Baadster, v. (-s). — Bader, m. (-s). — Bading, v. — Badplaats, v. (-en).

Baen (7. de), 1633-1702, Haarlem. Portretschilder.

Baerle {C. van), 1584-1648, Antwerpen. Professor (Amsterdam). Gaf versclieidena theologische schriften uit en een paar aardrijkskundige werken in 't Latijn. Was r«-denaar en dichter.

Ba«'t*i {P. de), 1825-1875, Gent. Advocaat. De Tcrtesgt;enwoordiging der vitw der hm en '1875).

ballen, ow. bafte, heeft gebaft. Klank»


ocr page 74

B-AKH

nabootsend woord \an honden), liassen, blaffen.

JBMiliit. Golf tLsschen Groenland en Noord-Amerika.

bskfir, v. ( gen). Edelgesteente, Jat in eenen vingerring is^ezet. De ring zelf.

v. (-gen). Groote mand, die op den rug gedragen ot waarmede een ezel wordt geladen.

v' (-S). Reisgoed.

basratel, v. ( len). Kleinigheid. Nietigheid. Beuzeling. Prul.

ftngoleii. Zie Java.

v. Slijk, modder.— Baggeren, bw. baggerde, heeft gtbaggerd. Slijk, modder uithalen. — Baggerman, m. (..lieden, ..lui). — Baggermolen, m. (-s). — Bagger net, o. (-ten). — Baggerpraam, v. (..amen). — Bagger schuit, v. (-en).

b»ie;no, o. (-'s). Slavengevangenis. Gevangenis.

Ballly {J. S.), 1736-1793, Parijs. Voorzitter der Constituante, burgemeester van Parijs. Essat sur la théorie des satellites de Jupiter (1765); Hist oir e de V astronomie (1771). Geguillotineerd te Parijs.

Bairstiu. Naam van twee Mahome-daansche feesten. Het eerste werdt gevierd aan het einde van den Ramadan ol vastentijd; het andere, op het opperfecst der bedevaart naar Mekka. Tusschen die twee feesten verloopen zeventig dagen.

bajouet, v. (-ten). Geweerdolk. Wapentuig, waarmede de geweerloop van boven wordt voorzien. Uitgevonden te Bayonne (1670).

bak, m. (-ken). Kom. Schuit met platten bodem. Middelruim in eenen schouwburg. Achterste gedeelte van eere koets, bakbeest, o. (-en). Grof, ongeschikt beest. Log. lomp gevaarte. Voorlastig schip.

bakboord, o. ( en). Zie boord. — Bakboordswacht, v.

(-*quot;)• _ . v . bakclaar, v. Laurierbezie, baken, o. (-s). Baak. bakenen, ow. bakende, heeft gebakend. Afbakenen. — Bakenstok, m. (-ken). (Meetk.) De bakenstokken zijn rechte stokken, van omtrent twee met. lengte van onder afgepunt en van boven voorzien van een hel-derkleurig rechthoekig plankje.

bakeren, bakeide, heeft gebakerd. Bw. In doeken en windsels doen. Ow. Baker zijn. Heet gebakerd, driftig van aard rijn. — Baker, v. (-s). Vroedvrouw. — Bakertnand, v. (-en). — Bakermat, v. (-ten). Mand, waarin voo he^n de vroedvrouw

Ïhet kind te baklt; re n zac. Plaats, waAi iem. geboren is en opge-voeo. Plaats, waar iets het eerst werd aangekweekt. —het kind te baklt; re n zac. Plaats, waAi iem. geboren is en opge-voeo. Plaats, waar iets het eerst werd aangekweekt. — Baker-tnoer, v. (-?). — Bakerschei' ling, m. (-en). — Bakerspeld, v. (-en;. Zeer groote speld. — Baker stoel, m. (-en). fc)aklini»,o. (..zen). Bakkes.

BAI.ÏÏ

XSaklinlzen Tan «Ion Hrlnk (.7' C.), 1810-1865, Amsterdam. Rijks-archivaris en herschepper van het archiefwezen. Medestichter en medewerker ^ an den «Gids ï en van «Nederl. Spectator ». Ji *Iu-luelyk van Willem van Oranje met Annti van Saksen (1853); Studiën en schetsen over vaderlandsche geschiedenis en letteren (1860-1863).

bs'kkebaaid, m. (-on). Haar op de wanjj.

bsikbeli^ien, ow. bakkeleide, heeft gebakkeleid. Vechten.

bakken, ow. bakte, heeft gebakt. Op 't verkeeibord spelen.

bakken, bakte, heeft gebakken. Bw. Door het blootstellen aan sterke hitte tot het gebruik gereed maken : brood, steenen. bakken. Eene ooets bakken : op slinksche wijze iem. et-nen trek spelen. Zoete broodjes bakken : eenen misslag, enz. trachten te vergoelijken. Ow. Het brood bakt reeds. Hard vriezen. —Bakhuis, o. (..zen), — Bakkeet, v. (..eten). — Bakker, m. (-s). — Bakkerij, v. (-en). — Bakker in, v. (-nen).

— Bakkersgild, o. (-en). — Bakkersknecht, m. (-s). — Bakkersleering, m. (-en). — Bakkersnering, v. (-en). — Bakkersoven, m. (-s). — Bakkersschotel, m.-(-s). — Bakkerswagen, m. (-s). — Bakkerswinkel, m. (-s). — Bakloon, o. en m. ( en).

— Bakoven, m. (-s). — Bakpan, v. (-nen).

— Baksel, o. (-s). — Baksteen, m. (-en).

— Bakster, v. (-s). — Bakte, v. — Baktrog, m. (-gen). — Ba*visch,y.

bakkes, o. (-en). Aangezicht, bakstagr, o. (-en). Benaming der touwen, welken den boegspriet, het kluif- en het jaagtouw zijdelings steunen en op den bak worden vastgemaakt. — Bakstags-koelte, v. —Baksient,\. (-en). Tent, welke men voor den lokkemast op een schip opslaat.

baktand, m. (-en). Kies.

bal, m. (-len). Bolrond lichaam. Onderste van den voet. — Balspel, o.

bal, o. (-s). Danspartij, balaneeeren, ow. balanceerde, heeft gebalanceerd. In evenwicht houden. Weifelen. Besluiteloos zijn. In twijfel verkeeren.

— Balanceer mes, o. (-sen). Deel van eenebalans. — Balanceerstok, m. (-ken). Stok, waarmede men zich in evenwicht houdt (bij gynnastiscbe oefeningen).

balans, v. (-en). Boom der weegschaal. Weegschaal. Evenwicht. Eindrekening van het grootboek. Hydrostatische balans. werktuig om de wet van Archimedes proefondervindelijk te bewijzen. — Balansenquot; maker, m. (-s).

Balboa {V. N. de), 1475-1517, Xeres-dc Badajoz. Spaansch avonturier. Ontdekte den Stillen Oceaan (1513).

baltlaUip, bn. bijw. Boosaardig. Baldadigheid, v. (..heden). — Baldadtg-7:jk, bijw.

ba1lt;llt;lsMli{r, bn. bijw. Vermetel. — Balddadighetd, v. (..heden). — Baldda-dig lijk, bijw.

balderen, ow. balderde, heeft jrAbal-derd. Kuideren. Geraas maken.

balein, o. (de stof); v. (-en,

58 -


ocr page 75

BALL — I

bewerkte). Horenachtige enjbuigzame stof, die zich aan het bovenbeen van den walvisch bevindt. — Baleinen, bn.

Baleu (7/. van), 1575-1632, Antwerpen. Schilder. Maaltijd der goden.

balg:, m. (-en). Afgestroopte huid eens diers, die niet opengesneden is. Buik. Lichaam.

Bali. Soenda-eiland.

balie, v. (..iën, -s). Kuip. Scheepstobbe. Platte waschmand, welke door twee man

fedragen wordt. Leuning. Afschutsel, inz. et afschutsel, dat de rechters van de pleitbezorgers afscheidt op de tribunalen. De rechtbank. De orde der advocaten. Rechtsgeleerdheid. —edragen wordt. Leuning. Afschutsel, inz. et afschutsel, dat de rechters van de pleitbezorgers afscheidt op de tribunalen. De rechtbank. De orde der advocaten. Rechtsgeleerdheid. — Baliekluiver, m. (-s).

baljuw, m. (-en, -s). Drost. Schout. Voogd. Voogd van vrouwen en kinderen. De vlaamsche baljuws waren inz. gelast met de handhaving van 's vorsten heerlijkheid, vooral waar het de justitie gold. — Baljuwschap, o. ( pen).

balk, m. (-en). Rib onder eene zoldering. Langwerpig gezaagd hout. Streep op een »child of veld. Kanonstelling. Zeker stukje

:A

y

1/

Balk.

hout onder het bovendeksel van een snaar-striikinstrument. Notenbalk. (Meetk.) De balie heeft 6 vlaldcen (waaronder 4 langwerpige), twaalf'ribben en acht hoekpunten.

BalkanH. Bergketen in Turkije (Europa) .

balken, ow. balkte, heeft gebalkt. Schreeuwen (vau ezels).

balkon, o. (-s, -nen). Uitstek (van een hek voorzien), aan den voor- of achtergevel. Gaanderij in eenen schouwburg.

ball side, v. (-n). Avontuurlijk voorval, in den vorm van een lied bezongen.

ballast, m. (-en). Wat in de schepen wordt ce'aden om ze in evenwient te houden en den vereischten diepgang te geven. — Ballasten, bw. ballastte, heeft geballast. Met ballast laden.

ballen, balde, heeft gebald. Bw. Toe-nijpen : de vuist ballen. Ow. {hebben) Als een bal wo den : dit brood balt in den mond.

ballet, o. (-ten). Tooneeldans. Dansspel.

ballintr, m. en v. (-en). Gebannene. Uitgedrevene. — Ballinge, v. (-n). — Ballingschap, v. Zie Gevangenschap.

balliMtlek, v. Leer van de baan, welke de gewnrpene voorwerpen in de lucht beschrijven.

ballon, ra. (-s). Luchtbol.

ballofagre, v. (-s). Herkiezing. Herstemming. — Balloteerfn, bw. ow. balloteerde, heeft geballoteerd.

I — BALT

Balmes {J* L.), 1810-1848, Vich (Cata--lonië) Sp. wijsgeer en letterkundige. /?ilo-sojia fondamental (1846); El protestantisme comparado con el catnlicisme (1848).

balooris:, bn. bijw. Verdoofd door geraas. In eene kwade luim. Ontevreden.

— Baloorigheid, v.

balsem, m. (-s). Min of meer lijvige oplossingen van harsen in ;etherische oliën. Ontstaan in 't plantenrijk en vloeien van zelf of uit gemaakte insnijdingen in sommige gewassen. Alles wat een lieflijken of aange-namen geur verbreidt. Troost. Opbeuring.

— BaIsernachtig, bn. — Balsemen, bw. baisemc'e, he« ft gebalsemd. Met balsem of andere welriekende dingen geurig maken, Inz. een Ink met balsemachtige stoften vullen, om de verrotting te voorkomen. —-Boise minZt v. C-en),

balsemlncgt;, v. (-n). Ecniangrsirrr^ant. Afkomstig uit Oost-Irdië. Woidt in tuinen in verschillende gekleurde en min i.f «.eer dubbele verscheidenheden gekweekt, Bloeit in Juli en Augustus.

balstui'lgr, bn. bijw. Hardoekkig. Wederspannig. Halsstarrig. — Balsturigheid, v. ^ ') Baltassar (538 vóór Chr ). Zoon van Nabonid. Het was op het feestmaal, den edellieden des rijks voorbereid, dat hij uit de bekers, in Salomons tempel geroofd, wijn deed schenken. Vingeren verschenen


ocr page 76

BANA — (

langs den kant van den koning op den muur en schreden deze woorden : inane, tecel, phares. Daniël legde die woorden uit en voorzegde den ondererang van het rijk. Denzelfden nacht nam Cyrus de stad in en Baltassar werd ora 't leven gcbracht.

Bnltiiuoi*e. Zeehaven der Vereenigde Staten van Amerika. 280,000 inw.

Baltiselie Zee. Groote golf tusschen Zweden, Rusland, Duitschland en Denemarken.

Balzae (//. de), 1799-1850, Tours. Romanschrijver. Comédie humaine (Reeks romans, brieven, enz.).

bamboe*, o. (..zen). Oostindisch rietgewas {Bamöuta arundinacea), dat soms

öamboes.

cene hoogte van ao met. en eene dikte van o,ó met. bereikt. Een stok van het bamboes.

ban, m. (-nen). Uitsluiting uit gemeenschap. Geestelijke ban : « een vonnis van de H. K evi, door hetwelk iem. om zijne misdaden en hardnekkigheid beroofd wordt van de gemeenschap der H. Kerk ». (Eert.) Gebod. Openbaar bevel. (Thans) Rechtsgebied. Klasse der gewapende burgers.

Ban, (y. A.), 1597-1644. Haarlem. Kanunnik, doctor in beide rechten en componist.

banaal, bn. Alledaagsch. Gemeen. Onbeduidend. — Banaliteit, v. (-en),

banaan, v. (. anen). Plant en vrucht. Als plant : voornaamste geslacht uit de familie der musaeeën. De voornaamste soorten : mus a paradisiaca, en musa sapientum.

► — BANN

Itauaiia. Zeehaven op dsn rechte* oever van de Congo, aan den mond dezrr rivier.

baneo, o. Zie Bankgeld.

baud, m (-en). Alles, waarmede men iets bindt of verbindt. Omkleedsel van leer, linnen, enz. van een ingebonden boek. Boekdeel. Hoepel. Verband. In den band houden : beteugelen. — Bandeloos, bn.

— Bandeloosheid, v., — Bandhond, m. ( en). — Bandrekel, m. ( s). Hond, die gewoonlijk aan eenen band of ketting ligt. JLuiaard. — Bandrecht, o. Recht der steden, waarbij zij, zoo binnen de muren als in den bijvang der stad, het oprichten van nieuwe wind-, water- of rosmolens, brouwerijen, enz. konnen verbieden en de poorters verplichten op hare prang- of band-molens te komen malen, enz.

band, o. Lint, inz. van linnen of katoen. ISanda. Moluksch eiland, bandelier, m. (-en, -s). Draagband. Degeohanger.

banderol, v. (-len). Wimpel, bandiet, m. (-en). Roover. Struik-roover. Baanstrooper. — Bandietentroep, m. (-en).

Bandons:. Zie Java.

banen, bw. Baande, heeft gebaand. Gelijk, effen maken. De hinderpalen wegruimen.

bans:, bn. bijw. Beangst. Benauwd. Bangmakend. Naar. Akelig. — Bangheid, v. — Bangigheid, v.

Ban gala. Standplaats op den boven-Congo-stroom.

Banska. Soenda-eiland. Residentie. Hoofdplaats: Muntok.

banier, v. (-en). Veldteeken. Vaan. — Banjer, m. (-s). — Banjerheer, m. (-en). Zie baar derheer.

Banjoemaa. Zie Java.

bank, v. (-en). Zitplaats voor personen. Inrichting voor delt;i koophandel. Inrichting oor kansspelen. Bank van leening. Zie erg van barmhartigheid. — Bankbiij'et, o.

- en). Papieren geld. — Bankbretik, v. -en). Bankroet. —Bankbriefken, o. ( s). bankbiljet. — Banken, ow. Dankte, heeft gebankt. Tafelen. Aanzitten. Spelen (zeker spel om geld). Op eene bank aankomen om er de vischvangst uit te oefenen. — Ban-k{e)roet, o. (-en). Toestand van iem., die zijne schulden niet kan betalen en die daarbij zich plichtig gemaakt heeft jegens zijne schuldeischers. — Bankje) roe tier, m. (-s). — Bankgeld, o. Geld, waarvan de koers nooger staat dan kas- of comptant geld. — Bankier, m. (-s). Die zich met wisselzaken en wisselhandel bezighoudt. Speelbankhouder. Die gelden voor een ander beheert. — Bankiershuis, o. (..zen). — Banknoot, v. (..oten). Bankbiljet.

bankaard, m. (-en,-s). Onecht kind. banket, o. (-ten). Gastmaal. Fijn gebak. (Vest.) Verhoogd steenen pad. — Banketeeren, ow., banketee.de, heeft ge-banketeerd. Feestmaaltijd houien. Smullen. Verkwistend leven. — Banketeer der ^ m. (-s). —Banket eer ing, v.

bannen, bw, bande, heeft gebannen. Uitdrijven. Uit het land jagen. — Bannc


ocr page 77

BARG — (

ling, m. en v. (-en). — Bannelinge, v. (-n).

— Banning, v.

Banniiigr (//../ƒ ), 1818, Utrecht. Directeur-hoofdredacteur der Katholieke Illustratie. Gaf een twintigtal novellen in 't licht. Passiebloemen in Kenneinerland geplukt (bekroond, 2 dln 1868).

IBantani. Zie Java.

Banvillo (77;. dé), 1823, Moulins. Fransch dichter en romanschrijver.

bar, bn. bijw. Guur. Koud. Kaal. Ontbloot van gewas. Onvruchtbanr. — Barheid, v. (.. heden).

barak, v. (-ken). Veldhut. Soldatentent. Kermistent. Ellendig, bouwvallig huis.

Bara*ite (A. G. P. B baron dé*, 1782-1866, Riom (Auvergm). Staatsman. Geschiedschrijver. Hisioire des dues de Bourgogne (1364-1477).

Baraque-Micliol. Het hoogste punt van België (674 m ) in de Ardennen (prov. IjxCiiC).Michelverdoolde daar in de voorgaande eeuw. Hij bouwde er eene hut om dezen, welke hetzelfde ongeluk zou overkomen, tegen weer en wind te bevrijden.

barbaar, m. (..aren). Vreemdeling.. Onmensch. Woestaard. Wreedaard. — Barbaarsch, bn. bijw. Vreemd. Woest. Onbeschaafd. Wild. — Barbaarschheid, v. (..heden). — Barbarisme, o. (-n). Taalfout. Oneigene uitdrukking.

BarbaroH*ia. Naam van twee beruchte zeeroovers (XVIeeeuw).

barbeel, m. (-en). Visschengeslacht uit de orde der buikvinnigen en uit de famili# der karperachtigen, De gewone barbeel : cyprinus barbus. Men vindt hem in de meeste rivieren van midden-Europ

barbier, m. (-en, -s). Baardscheerder.

— Barbieren, barbierde. heeft gebarbierd. Ow. Het barbierbedrijf uitoefenen. Bw. Van den baard bevrijden. — Barbiersjongen, m. (-s). — Barbierswinkel, ra. (-s).

Barbier, [H. A.), 1805-1882, Parijs. Hekeldichter. lambes.

bard, m. (-en). Zanger en dichter (bij do Galliërs). — Bardenzang, m. (-en).

bardezaan, m. (..anen). Hellebaard, voorzien van een langer en breeder ijzer dan gewoonlijk.

baren, bw. baarde, heeft gebaard. Ter wereld brengen.Veroorzaken. De tijd baart rozen, brengt alles weder terecht. — Baarmoeder, v. (-s). — Baarvlies, o. (..zen) — Barensnood, m. — Barenswee, o. (-ën). — Baring, v.

Barendsen, '\D.), 1534-1592, Amster dam. Portret- en historiesct ilder.

Barendnz [W.], Zeevaarder. Geboren op het eiland Terschelling. Zijn hoofddoel was het vinden van een noordelijken zeeweg naar Indië en China. Met Heemskerk beproefde hij het waagstuk (1596). Zij werden op 76° N. B. op de kust van Nova-Zembla door het ijs ingesloten en gedwon^

ten daar te overwinteren.Barendsz stierf bi) en terugtocht, na onbeschrijfelijke ellende te hebben doorstaan (1597).en daar te overwinteren.Barendsz stierf bi) en terugtocht, na onbeschrijfelijke ellende te hebben doorstaan (1597).

barensteel, m. (..elen). Tornooikraag bariff, m. '-en). Gesneden mannetjes varken.

i — BARD

bargro. v. (-3). Trekschuit.

bardoen «eb, o. Onverstaanbare taal. Kramerslatijn. Zie Dieventaal.

barlc, v. (-en). Licht Grieksch of Spaarsch vaartuig, dat de Middellandsche Zee bevaart. Zeker koopvaardijschip.

barkan, o. (-s). Stof uit geitenhaar en wol beweikt.

barbas, v. (-sen). De groote sloep aan boord der oorlogs- en koopvaardijschepen. Besterad tot het uitb engen van ankers, het halen van water, enz.

Bario*v [J.), 1755-1812, Reading (Connecticut). Dichter en staatsman. CcLuvibia* de (1787).

barni, m. ( en). Barbeel.

bsctrm, m. (-en). Lange, smalle hoogte. Heuvel.

barnaliartiip, bn. bijw. Medelijdend. Ellendig. —Barmhartigheid, v.(..heden;.

— B arm hartig lyk, bijw.

barmte, v. (-n). Hoop. Tas.

barucn, ow. barnde, heeft gebarnd.

Branden. In het barnen der gevaren : in het ergste gevaar. — Barning, v. barnsteen,o. Geleamber. Zie Araber.

— Barnsteenen,hT\. _

baronieter,m. (-s).Werktuig,geschikt om de dampkringsdrukking te meten. (Uitvinder Torricelli, 1643.) Bij de gewone barometers wordt die drukking gemeten door de hoogte eener kwikkolora, welke zij in een luchtledige glazen buis ophoudt. Van dien aard zijn de bak-,de hevel- en de wijzer-baroraeters. De bak barometer (fis* 2) bestaat uit eene rechte van boven gesloten en met kwik gevulde glazen buis, van omtrent 0,85 ra., die van onder in een bakje staat, raede gevuld met kwik. De hevel-barometer (fig. 3) bestaat uit eene omgebogen glazen buis raet twee ongelijke armen. De langste arm is van boven gesloten en gevuld met kwik. De kortste is open en neemt de plaats in van het bakje. De uuijzer- of rad-barometer (uitvinder Hooke, fig. 4) is een hevel-barometer. Op het kwik van den korten arm drijft gewichtje, waaraan een draad is bevestigd, welken men om het rad van eenen wija#r geslagen en aan het andere uiteinde van een tegenwicht voorzien heeft, ora hein gespannen te houden. Bij het rijzen en dalen van het kwik rijst of daalt ook het drijvertjo en brengt door den draad den wijzer in beweging op eene cirkelvormige schaal. Er zijn ook barometers zonder kwik, de ane-roïde-barometers. Tot dit slag behoort de barometer van Bourdon. Het hoofdzakelijk deel daarvan is een holle metalen, luchtledig gepompte en bijna gesloten ring. (Fig. 1 laat zien, dat de ring slechts van boven is vastgemaakt.) Bij vermeerderende luchtdrukking buigen zich de vrije uiteinden van onder zichtbaar sterker naar elkander toe, terwijl zij, bij verminderde luchtdrukking, zich van ellcander verwijderen. Een hefboom is zoodanig met dien ring verbonden, dat hij zich bij elke verandering der dampkringsdrukking om zijne as beweegt. Met dien hefboom is een gedeelte van een rad vereenigd, dat raet zijne tanden de as van eenen wijzer in beweging brengt.


ocr page 78
ocr page 79

BASI — 6

Bij vermeerderendp luchtdrukkingf, dus bij toenemende krorumin^ van den hollen ring, bewe^pt zich het deel van het rad en derhalve de wijzer van de linker- raar de rechterhand. — De hoogte van het kwik is bij den bak en den hevel-barometer waar te nemen np eene schaal in millimeters, soms ook in duimen verdeeld. De aanduidingen van den wijzer bij den wijzer- en den aneroïde-barometer komen overeen met de hoogte van het kwik van een gewonen barometer.

baron, m. (-s, -nen). (Eert.) Vrijheer. Thans een eeretitel. Den baron spelen : den grooten heer uithangen. — Barones, v. (-sen). — Barontfr. v. (-en).

BaroniaH (C.); 1538-1607, Sora. Ita-liaansch kerkgeschiedschrijver. Annales ecclesia stiet a Chris to nato ad annum Iig8.

baroncliet, v. (-ten). Soort van rijtuig.

barrocl, v. (-en). Slagboom. Sluitboom. Draaiboom. Tolboom. — Barreel-wachtt.r. m. (-s).

barrcT«cl«'r, ra. (-s).Iem., dieblootsvoets loopt. — Bnrrevoetbroeder, ra. (-s).

— Barrevoets, bijw.

barri«'alt;Ie. v. (-s). Versperring (meest bij oproer). — Barricadeeren, bw. barricadeerde, heeft gebarricadeerd. Verschansen. Den toegang versperren.

barrière, v. (-s). Barreel. — Barrière-tractaat, o. (..aten). Kwam tot stand (Antwerpen, 1715^. Nederland verkreeg het recht, om de overweldiging van Frankrijk te stuiten, garnizoenen te legeren te Veur-•ne, leper, Waasten, Doornik en Namen. barslt;*li, bn. bijw. Onvriendelijk. Ruw.

— Barschheid, v.

barst, ra en v. (-en). Spleet.—Barsten, ow. barstte, is gebarsten ; ook borst, is geborsten. Openspringen. Vaneenscheuren. Spleten of barsten krijgen.

Barllièlcmy [J. 1716-1795, Cassis (Provence). Letterkundige. Voyage du jeune Avacharsis en Grèce.

Bartliol«l {J. W.), 1799-1858, Berlijn. Geschiedschrijver. Geschtchte von Rügen undPommern (5 dln, 1845).

Barfliolili {A. F.), 1834, Colraar. Fr. beemhouwer. De Vrijheid, de wereld verlichtend (New-York, 1886).

Bartoloiniiico {Fra = Baccio della porte), 1469-1517, Savignano. It. schilder. Madonna della miserie or dia.

baa, ra. (-sen). Grove, zware stem. — Bas, v. (-sen). Speeltuig. Baspartij. — jamp;m-sethoorn, ..horen, ra. (-s). — Bassist, ra. (-en). lera., die de bas zingt.

basalt, o. Zuilvormig plutonisch en vulcanisch gesteente. — Basalten, bn.

basiliek, v. (-en). Benaming der hoofdkerken van Rome (IV® eeuw). Er zijn vijf grootei-e of patriarchale basilieken en acht basilieken van minderen rang.

basilisk, ra. (-en). Zeer oud veldgeschut. Fabelachtig dier der Oudheid en der Middeleeuwen. Onschadelijke hagedis in Z.-Amerika : basiliscus mitratus.

Basilius (A.) De Groote, 329-379,

— BAUD

Ca5sarea(Cappadocië). Grieksch kerkvader. Zie Orde.

basin, v. (basissen, bases). Alles, waarop iets steunt of rust. Grond. Grondslag. Voetstuk. Grondgetal van een logarithmen-stelsel. Grondlijn van een wiskundig figuur. (Scherk.) Elke stof, welke zich met zuren vereen igt en deze onzijdig maakt.

BaNna, m. (-'s). Bestuurder eener provincie iTurkije). Eeretitel van verschillende 'Tabtenaren aldaar.

Hansen, ow. baste .'heeft gebast. Blaffen. ttgt;a«Kcfspcl, o. Zeker kaartspel. basKin, o. (-5}.Kom (van dokken, enz.}. Bsihn» eonlinuo, o. (Muz.). Begeleidende basstem, die gewoonlijk in eene vastgehouden figuur voortgaat. — Basso osti-nato. Kort bas-thema, dat gedurig herhaald en doordeandere stemmen met gevarieerde melodiën wordt begeleid.

bant, m. (-en). De laag, die, bij twee-zaadiobbige boomachtige gewacsea de schors van het hout scheidt, en uit sterke buigzame vezels bestaat. (Zie Schors ca Hout.) Pens. Buik. — Bastachtig, bn. —-Basteloos, bn.

bsista, v. (-'s). Klaverenaas in het omber- en quadrillespel.

basta, bijw. tw. Genoeg ! AfgedaanI baslaar«l, (-en, -s), basterd, (-s), ra. Onecht kind. Dier of plant, uit tweeërlei soort voortgekomen. Bastaard maken : onterven. Bastaardij, v. Onwettige geboorte. — Bastaarduitgang, ra. ( en).— Bastaardwoord, o. (-en). Woord uit eene vreemde taal. — Basterdnachtegaal, ra. (..alen, -s). — Basterdsuikeri v. Soort suiker tusschen de witte en de bruine.

Baslille, v. (-s). (Eert.). Versterkt en met torens voorzien kasteel. Inz. slot voor staatsgevangenen te Parijs, onder Karei V gebouwd (1370-1383) en door de Pafrijze-naars vernield (1798).

bastion, o. (-s). Bolwerke^ncr vesting. Bataaf, ra. (..aven). Zie Batavier. — Bataafsch, bn.

bataljon, o. (-s). Afdeeling krijgsvolk. Zie Leger.

Batavia, o. Zie Java.

Batavier, ra. (-en). De Batavieren of Bataven vestigden zich in Nederland eene eeuw vóór Chr. Vroeger woonden zij in Essenland aan de Eder. Opgeruimd van aard, kloek gebouwd, en zeer gastvrij waren zij. Leefden van jagen en visschen.

baten, ow. .eenpw. baatte, heeft gebaat. Voordeelig zijn. — Batig, bn. Voor-deelig. Een batig slot : voordeelig overschot.

batist, o. Zeker fijn lijnwaad. — Batisten, bn.

batseli, bn. bijw. Trotsch. Stout. Verwaand. Overmoedig. — Batschheid, v.

batterU» v. (-en). Plaats, waar men het geschut zet. De kanonnen zelf, welke men er plaatst. Een electrische batterij is eene vereeniging van onderscheiden Leidsche flesschen in een vierkanten houten bak geplaatst, die vanbinnen met bladtin is belegd.

Baudelaire (CA.P.), 1821-1867, Parijs. Fransch dichter. Fleurs du mal (1857);


ocr page 80

BEAM — (

JLes Paradis artificiels (i860); Richard Wagner (iS6i).

Bailor (A'), 1767-1820, Harlingen. Zeeschilder (Holl. school).

Railing (1728-1804), Scnlis. Fransch scbeikun-li^e. Uitvinder van eenen vocht-^veet r die zijnen naam draagt.

BaiiuiKr»rt«gt;n (S J.), 1706-1757, Wol-mirstiidr. Godgelterde, geschiedschrijver, leitcrkurdige Allgemeine Welth is forte.

Bautzen. Stad in Duitscbland, Napoleon bi haalde er de zegepraal op de bond-gennoten (1813).

ban won, ow. bauwde, heeft gebauwd. Gelu d ven (Meest van de echo gezegd.)

BaimeiiM [Lieve?!), 1769-1822, Gent. Burt; emf» ster aldaar. Bracht op het vaste /and de mekaniek-katoenspinnerijen uit Eneelard over (1800).

Baun'onN. 10 Evarist (1853), Aalst. Jezuïet Bijdiagrn in tijdschriften. Noorden Z- td (blo m'ening). — 20 Isidoor (1855), Aalst. G net sheer. Iwein van /{alst (1886); De Lijk vei branding.

baviaan, m. (. anen) Groote aap. — Bavianengezichi, o. (-er). Leelijk gezicht.

Bagt;lt;gt; (h ). Patroon van het bisdom trent. Is uiteen adelen stam in Haspecomv (Luik) geboren. Lf idde in zijne jt-ugd een wulpsch leven, maar deed boetvaardigheid en kwam zich in S'* Pietersabdij vestigen te Gert, alwaar hij als kluizenaar stierf (634). Bavo was een bekeerlicg van den H. Amardus.

Bayard f/5. du Terrail, seigneur de), 1476-1524. « De ridder zonder vrees en zonder blaam. gt; Een der helden van Frank-rgV

Ie. I/5.), Carlat (Lang ie-

doc) Wijsgeer en letterkundige. Die tien-naire histotique et critique.

baza:ir, m. (..aren, -s). Koopzaal. Koophal'e. Winkel.

Bazaine {F. A.), 1811-1888, Maarschalk van Frackrijk. Teekende de overgaaf van Mets. Legerde een leger van 175,000 man in de handen der Pruisen (1870) en stieifin baüippschajï.

Bazel. Kanton (Zwitserland^, verdeeld in Bazel stad (45,000 inw.) en Bazel-lard-scbap (8 i'2 vierk. geogr. mijl.). Concilie (1431). Vredeverdrag tusschen Frankrijk en Pruisen (1795;, en tusschen Frankrijk en Spanje (1793).

bazelen, cw. bazelde, beeft gebazeld. Razen Onsamenhangende taal spreken.

baznin, v. (-en). Zekere trompet of horen. De bazuin steken, op de bazuin blazen. — Bazuinen, bazuinde, heeft gebazuind Ow. De bazuin steken. Bw.. Met luider stem openbaar maken.

be. voerv. Bij de samenstellingen met werkwr orden is be onscheidbaar.

beaasen, bw. beaaide, heeft beaaid. Sterk vleien.

beaar«len, bw. beaarde, heeft beaard. Met aarde bedekken. — Beaarding, v. BeaeonMtiel«l. Zie Disraeli. b«-slt;lt;ilt;'men, bw. beademde, heeft beademd. Den adem ergens laten overgaan. — Beademing, v. ( en).

beambte, m. en v. (-en) Ambtenaar.

\ — BED

beamen, bw. beaamde, heeft beaamd, roesteromen. — Beaming, v.

beaiiffgt, bn. bw. Bevreesd. — Beangstheid, v. — Beangstigen, bw. beangstigde, heeft beangstigd. Angstig maken. Angst aanjagen. — Beangstiging, v.

beantwoorden, bw. beantwoordde, heeft beantwoord. Antwoord geven (op). Overeenkomen. — Beantwoorder, m. (-s).

— Beantwoording, v. (-en). — Beant-zvoordster, v. (-s).

bearbeiden, bw. bearbeidde, heeft bearbeid. Aan iets arbeiden en daardoor trachten volkomen te maken. — Bear beider, m. (-5;. — Bearbeiding, v. (-en). — Bearbeide ter, v. (-s).

bea«eht, bn. Metasch bedekt. beaMemen, bw. beasemde, heeft bea-semd. Beademen. — Braseming, v. (-en).

Beatrix {Gelukzalige). Werd op won-derba-e wijze uit d ^ overstrooming te Bies-bosch ger«d (1421).

Beaumagt;*elials (Z*. A. Car on de)r 1732-1799, Paiijs. Tooneeldichter. Le Barbier de Seville (1775); Le Mariage de Figaro (1785).

Beaumont (^. B. A,L. L. Elie dé), 1798-1874. Canon (Calvados). Fr. geoloog. Cartegrologiquede la France (18-o).

Bebel (F. A.),iS^o, Keulen. Leider der Duitsche sociaal-demociaten. Die Fr au in der Verganggnheid, Cfgenwart unct\ Zukunft (1883V

Itebiiiden, bw. bebond, gt;eeft bebon-den. Met band of windels omwirden. beblaard, bn. Met blaren bezet, bebloeden, bw. bebloedde, heef^ bebloed. Met bloed bedekken, bevochtigen.

bebloemen, bw. bebloemde, hee'^ bebloemd. Met bloem bedekken. Opsmukken.

beboeten, bw. beboette, heeft beboet. In de boete slaan. Tot boete veroordeelen.

— Beboeting, v. (-en).

bobo 1 vi« rken, dw. bebolwerkte, heeft bebolweikt. Met bolwerken omringen. — Bebolwerktngy v. (-en).

bebouwen, bw. bebouwde, heeft bebouwd. Met gebouwen bezetten. Bewerken ; den grond bebouwen. — Bebouwer, m. (-s).

— Bebouwing, v. (-en|.

bebroeden, bw. bebroedde, heeft bebroed. Broedend bedekken.

beoUroren, bw. becijferde, heeft becijferd. Berekenen. — Becijfering, v. (-en).

Beoket {Th. a), 1117-1170, Londen. Aartsbisschop van Canterbery en kanselier van Engeland. Ijverige verdediger der kerkelijke macht tegen koning Hendrik II van Engeland. Werd vermoord.

Beekx (P. J.), 1795-1887, Sichem XXI IeGeneraal-ö verste der sociëteit Jezus. Gaf eene verzameling van Duitsche gezangen in 't licht. Schreef Duitsche godvruchtige boeken en liet een aantal brieven en verordeningen na, gericht tot de leden der sociëteit.

bed, o. (-den). Met veeren, dons, enz. gevulde zak, om op te slapen. Inz. zulk een zak met zijn toebehooren van kussens,lakens, enz. Ledikant met bed en toebehooren. Bedding (eener rivier). Laag in eene mijn


ocr page 81

BEDE —

Zelling door een schip in de modder gemaakt. Afgeperkte plaats in eenen tuin, waarop bloemen, enz. gekweekt worden.

— Beddedeken, v. (-s). — Beddeflesch, v. (..sschen). — Beddegoed* o. — Beddejak, o. (ken). —Beddekleed,o. (-en). — Bedde-kussen, o. (-s). — Seddekwast, m. (-en).

— Beddelaken, o. (-s). — Bedden, bw. bedde, heeft gebed. Te bed leggen. Het bed opmaken. — Bedd^nkooper, m. (-s). — Beddenmaker, m. (-s). — Beddenwinkel, m. (-s). — Beddepan, v. (-nen). — Bedde-plank, v. (-en). — Beddespret', v (-en).— Beddetafel, v. (-s). — Beddetyk, v. — Beddewarmer, m. (-s). — Beddezak, m. (-ken). — Bedgenoot, m. (-en). — Bedge-noote, v. (-n). — Bedlegerig, bn. — Bedlegerigheid, v. — Bedstede, bedstee, v. (..den).

Beda (Eerwaardige), 673-735. Geleerd monnik en Engelsch historieschrijver.

bedaaard, bn. Oud. Bejaard. — Be-daagdheid, v.

bedaard, bn bijw. Kalm Rustig Verminderd ; de pijn is wat bedaard — Be-daardelijk, bijw. — Bedaardheid, v.

bedaelit, bn. Voorzichtig, omzichtig. Bezonnen. — Bedachtzaam, bn. bijw Voorzichtig. Omzichtig. —Bedachtzaam hetd, v.

bed:t 111 in en, bw. bedamde, heaft be-damd. Met eenen dam omzetten. — Be-damming, v. (-en).

bedampen, bw. bedarapte, heeft be-dampt. Metdamp bzdiékken. — Bedamping, v. (-en)

bedanken, bedankte, heeft bedankt, bw. Dank betuigen. Afwijken, weigeren . hij bedankte mij voor mijne aangebodene diensten. Wegzenden : bij heeft al zjjne dienstboden bedankt Ow (hebben) Zijn ontslag krijgen of geven. Met beleefdheid iets weigeren. — Bedanking, v. — Bedankje, o. (-s).

bed streii, bedaarde, is en heeft bedaard Ow. (zijn) kalmer, stiller worden. Bw Stillen. Bevredigen. — Bedaring, v.

bedauiven, bw bedauwde, heeft bedauwd Met dauw bevochtigen — Bedauwing, v.

bedding:, v (-en) Bed eener rivier (Vest.) Verheven aardwerk met effene oppervlakte Sluisvloer.

bedo.v. (-n) Gebed. Verzoek. (Middel ) Beden, schattingen door den landvorst, hetzij in gewone, hetzij m buitengewone omstandigheden gevraa-d. —Bedehuis, v (..zen) — Bedestond, m (-en) Biduur — Bedevaart, v (-en) Reis (meestal te voet) naar eene heilige plaats. — Bedevaartganger, m. (-s) — Bedevaartgangster, v (-s) bedeelen, bw bedeelde, beeft bedeeld, lem. een deel van iets geven. Inz aan de behoeftigen eene vaste uitdeeling doen. Onderhouden worden : door de armenkas bedee d worden, Met de gaven der fortuin (bedeeld zijn . vermogen bezitten. Hij is rijk bedeeld bezit gaven oi' rijkdommen. — Bedeeier, m. ( s). — Bedeeling. y ( en).

bedeead, bn. bijw. Angstvallig Verlegen. Beschroomd. — Bedeesdheid, v. bedekken, bw. bedekte, heeft bedekt.

5 — BEBI

Geheel en gansch dekken. Voor het gezicht verbergen. Bewimpelen. — Bedekking, v. (-en). — Bedeksel, o. (-$, -en). — Bedekt, bn. bijw. Wat geheel en gansch gedekt is. Geheim. Verscholen. — Be dekte lijk, büw.

bedelen, bedelde, heeft gebedeld. Bw. Zich door aanhoudend bidden verschaffen. Dik .verf en bij herhaling om iets bidden. Aalmoezen vragen vooi zijn levensonderhoud. Ow. (hebben) Gaan bedelen. Om iets bedelen : smeekend vragen. — Bedelaar, ra. (-s, ..aren). — Bedelaarsdeken, v. (-s). Veelkleurige, kunstig eestikte sprei,

— Bede laarsdoelen, ra. — Bedelaarster, v. ( s). — Bedelachtig, bn. bijw. — Bedelares, v. (-sen).— Bedelarij, v. ( en). — Bedelbrief, ra. (..ven). — Bedelbroeder, m. (-5) — Bedelbrok, m. (-ken). — Bedel' brood, o. — Bedelmonnik, m. (-en). — Bedelorde, v. (-n). — Bedelstaf, m. — Bedelzak, m. (-ken).

bedelven, bw. bedolf, heeft bedolven. Met aarde bedekken. — Bedelving, v,

bedenken, bw. bedacht, heeft bedacht. Over iets nadenken. Van gedachte veranderen. Uitdenken, lera. in zijn testament bedenken : hem een legaat vermaken. Zich bedenken, ww - In beraad nemen.—

dag, ra (-en). — Bedenkelijk, bn. bijw. Wat bedacht kan worden. Ernstig. Gevaarlijk — Bedenkelijkheid, v. — Bedenker, m (-s) —Bedenking v. (-en).— Bedenkster, v (-«=). — Bedenktijd, m.

bede» ren, bedierf, heeft en is bedorven Bw. Beschadigen.Oubruikbaarmaken. In waarde doen verliezen. Slecht of slechter maken Ow {zijn) Tot bederf overgaan en daardoor onbruikbaar worden.— Bederf, o Hel bederven. Vermindering in waarde. Verrotting Ondergang.— Bederfelijk,^. Vatbaar voor bederf. — Bederfelijkheid, v. — Bederf ster, w (-s). — Bederver, ra. (-s) — Bederving, v.

bedieden, bw. Zie Beduiden. — Be-dieden is, v.

bedienen, bw. bediende, heeft bediend Opdienen, opbrengen : de tafel bedienen. Toedienen : de Sacramenten bedienen. Dekleedon : een ambt bedienen.

— Zich bedienen, ww. waarnemen : zich van de gelegenheid bedienen. — Bedienaar, ra. (..aien, -s). — Bedienares, v. (•sen). — Bediende, ra. en v. (-n). — Bediendenkamer, v. (-s). — Bediendentafel, v (-s). — Bquot;diening, v. (-en).

bedQen, ow. bedijde, isbedijd. Gedijen. Zich uitzetten. Voordeel doen. Nut aanbrengen.

bedUken, bw. bedijkte, heeft bedijkt. Met dijken omringen. — Bedijker, m. (-s).

— Bedijking, v. ( en).

bedillen, bw. bedilde, heeft bedild. Besturen Beschikken. Beheeren. Berispen. Gispen — Bedilal, ra. en v. (-len). — Bediller, ra. (-5). — Bedilling, v. (-en). — Bedilster, v. (-s). — Bedilziek, bn. — Bedilzucht, v.

bedingen, bw. bedorg, heeft bedon-

fien. Bij verdrag bespreken, bepalen.ien. Bij verdrag bespreken, bepalen. Door oven en bieden verkrijgen : hij heeft dit huis nauw bedongen. — Beding, o. (-en), Voc rwaarde. — Bedinging, v. (-en).


ocr page 82

BEDR — e

bodiftneleu, bw. bedisselde, heeft bedisseld. Met den dissel bewerken. In orde, ton uitvoer brengen. — B'disse/ing, v.

be(loelou,bw. bedoelde, heeft bedoeld. Meenen. Op het oog hebben.— Bedoeling, v. (-en). ..

bedoeu {zich), ww. ik bedeed mij, heb mij bedaan. Zich bevuilen.

bedoiupt, bn. Benauwend. Dompig. Duister. — Bedomptheid, v.

bedotten, bw. bedotte, heeft bedot. Foppen. Bedriegen. Misleiden.— Bedotster, v. (-s). — Bedot ter, ra. (-s). — Bedottwg, v. (-en).

bedraalen, bw. bedraaide. heeft be-draaid. Verwarren. Met iets bedraaid zijn : in iets gewikkeld zijn.

bedragreu, ow. bedroeg, heeft bedraden. Beloopen. Eene som uitmaken. — Bedrag, o.

bedreigen, bw. bedreigde, heeft be dreigd. Dreigen.Te kennen geven, dat men iem. kwaad wil. — Bedreiging, v. ( en).

bedremmelon, bw. bedremmelde, heeft bedremmeld. Verlegen maken. Ontstellen. Onthutsen. — Bedremmeld, bn. Verlegen. — Bedremmeldheid, v. — Be-dremmeling, v.

bedreven, bn. Geoefend. Ervaren.— Bedrevenheid, v.,

bedriegren, bw. bedroog, heeft bedrogen. Misleiden*. Zich bedriegen, ww. Zicb zeiven bedriegen. Zicb dé^talcen anders voorstellen dan zij zijn. Opzettelijk dwalen. — Bedrieger, m. (-s). — Bedriegerij, v. (-en). — Bedrieglijk, bn. bijw. — Bedrieg-lykheid, v. — Bedriegster, v. (-s).

bedrtften, bw. bedreet,heeft bedreten. Bevuilen. Foppen.

bedrUgt;^gt;gt;gt; hw. bedreef, heeft bedreven. Volvoeren. Verrichten. Rouw bedrijven : lijkplechtigheden vieren. — Bedrijf, o. Daad. Beroep. Handwerk. Onderdeel van een tooneelstnk. — Bedrijf al, m. en v. (-len). — Bedrv/ster, v (-s). — Be dry-vend, bn. Bedrijvend werkw. : werkw., dat een rechtstreeksch voorwerp bij zich kan nemen. — Bedrijver, ra. (-s). — Bedrijvig, bn. Werkzaam Ijverig. — Bedrijvigheid, v. — Bedrijving, v. (-en).

bedrillen, bw. bedrilde, heeft bednld. Besturen. Naar eigen zin inrichten, — Bedrilal, m. en v (-len). — Be driller, m. (.S), _ BedriUing, v. — Bednlster ,t. (s).

bedrinken, bw. bedronk, heeft bedrinken. Dronken maken. Zich bedrin-

quot;bêdróefd, bn. biiw. Treurig. Droefgeestig. Bedrukt. — Bedroefdheid, v. — Bedroeven, bw. bedroefde, heeft bedroefd -Droevig maken. Zich bedroeven, ww. — Bedroeving, v. (en). - ,...

bedrog, o. Bedriegerij. Bedrieglijke handeling. Huichelarij.

bedroppelen, bedruppelen, bw. bedroppelde (bcdruppeWe), heeft bedrop-peld (bedruppeld). Droppelsgewijze nat-maken.

bedruipen, bw. bedroop, heeft bedropen. Droppelsgewijae bevochtigen. Zich bedruipen, ww. Zijnen kost winnen. — ifc-druiptng, v. ( en).

;— BEEL

bedrnbken, bw. bedrukte, heeft bedrukt. Vol drukken. Verdrukken. — Bedrukking, v.

bedrukt, bn. Neerslachtig. Treurig, Droefgeestig. — Bedruktheid, v. beducht, bn. Bevreesd. Bekommerd.

— Beduchtheid, v.

bed u iden, bw. beduidde, heeft beduid. Door teekens te kennen geven. Beteekenen. Voorspellen. —Beduidenis, v. Beteekenis.

— Beduiding, v. (-en). — Beduidsel, o. beduimelen, bw. beduimelde, heeft

beduimeld. Door aanraking met de vingers bezoedelen. — Beduimeling, v. (-en).

bed uivelen, bw. bedirivelde, heeft be-duiveld. liedremraelen. — Beduiveling, v. bedunken, o. Gevoelen. Meening. bedwstnfi:, o. Geweld. Dwanirmiddel. Onderworpenheid. Onderdanigheid.

beiiwi'lnioii, bw. bedwelmde, heeft bedwelmd. Duizelig maken. Buiten zich zeiven brengen. — Bedwelmd, bn. — Be-dvuehndheid, v. — Bedwelming, v. (-en).

bedwingen, bw. bedwong, heeft bedwongen. Met geweld onderwerpen. Zich bedwingen, ww. zijne hartstochten in toom houden. — Bedwinger, m, (-s). — Be-dwingster,\. (-s).

Beeelier-Stowe (//.), 1814, Lichtfield (Connecticut). Amerikaansch romandichteres Uncle Toms cabin (1852).

beledigen, bw. beëedigde, heeftbeëe-digd. Bij eed bevestigen. —Beëediger, ra. ( s). — Beeediging, v. (-en).

betttaul^ra. (..alen). Zie Sidderaal, beek, v. (beken). Vliet. Kleine waterloop.

beed, o. (-en). Zichtbare voorstelling van iets, hetzij op doek, hetzij in raarmer, enz. Beelden, bw. beeldde, heeft geheeld. Vormen. Maken. Beeldende kunsten. Zie kunst. — Beeldenaar, m. (-s). — Beeldendienaar, m. (-s). — Beeldendienares, v. (-sen). — Beeldendienst, ra. — Beeldendienster, v, (-s). — Beeldengalerij% v. (-en). — Beeldenkramer, ra. (-s). — Beeldenstorm, ra. In 1566 begonnen eenige Calvinisten, geholpen door Fransche land-loopers, omtrent leper, de beelden langs de openbare wegen te verbrijzelen. Deze hei-ligschending was een roep, die weerklank vond in al de steden der Nederlanden. Meer dan 400 kerken werden leeggeplunderd De O. L. V.-Keilc (Antwerpen) vooral had veel te lijden. — Beelderig, bn. Zeer fraai. Verrukkelijk. —Beeldhouwen, bw. beeldhouwde, heeft gebeeldhouwd. In hout enz beelden ol andere voorwerpen houwen.

— Beeldhouwer, ra. (-s). — Beeldhouwe-ry, v. — Beeldhouwersknecht, ra. (-s).— Beeldhouwerswinkel, ra. (-s). — Beeldhouwkunst, v. — Beeldhouwwerk, o. (-en). — Beeldig, bn. Beelderig. — Beeldjeskoop, ra. (-en). Rondventer van heel An.

— Beeldrijk, bn. Rijk aan beeldspraak. — Beeldrijkheid, v. — Beeldschoon, bn. Zeer schoon. — Beeldschrift, o. Schrift door afbeeldingen. — Beeldspraak, v. Gedachte door zinnebeelden uitgedrukt. — Beeld' sprakig, bn. — Beeldstormer, ra. (-s). — Beeldstormerij. (-en). — Beeldwerk, o.

— Beeltenis, t. (-sen). Beeld. Afbeelding.


ocr page 83

- 67 _

BEET

BEER

Beelen (^. Th?), 1807-1884, Amsterdam. Doctor inde Godgeleerdheid. Hoog-leeraar (Leuven). — Vertalingen en commentaren op de H. Schrift.

beclon, ow. Bedde, is geheeld. Zijn voord intrekken. Eene overeenkomst, eene belofte verbreken. Inz. gezegd van verloofden, die van hun huwelijk afzien.

Ilcëlzobub, m. Opperduivel (-s). Een brulaap.

Igt;ccmd, ra, (-en). Weide. Weiland. Bebloemd veld.

Itccn, o. Gebeente. Beenige zelfstandigheid. — Been, o. (-deren). Hardste gedeelte van een dierlijk lichaam.—Been, o. (-'m). Lichaamschdeel tusschen knie en voet Ne-derhaal van eene letter. Puntig uiteinde van ( en voorwerp, b. v. van eenen waaier. (Wisk.) De beenen van eenen hoek. — Beenachtig, bn. — Beenderasch, v. — Beenderhuis, o. (..zen). Knekelhuis (bij een kerkhof). — Beendermeel, o. Gemalen beer. — Beendersoep, v. — Beendroog, bn. Zeer droog. — Beenen, bn. — Been-hard. bn. Zeer hard. — Beenhouwer, m. (-s). Vleeschouwer. — Be enig, bn. — Been-loos, bn. Zonder been.

•i5*vr, m. (-en). Mannetjesvarken. Waterkoeling. Muurstut. Heiblok.

m. (beren) [i/rstts). Zoogdier, behourende tot de orde der verscheurend ; dieren, de familie der vleeschetende en

daaronder tot de zooltredende. Bewoont bei gen en koude streken. Ruw mensch.De Groote en Kleine Beer. Zie Noordster. — Berenhuid, v. ( en). — Berenjong, o. (-ch). — Berenklauw, m. (-en). Klauw van . eenen beer. (Heracleum) Plantengeslacht van de familie der schermbloemi-gen. De meestgewone soort, ook bij ons algemeen verspreid, is de ruige berenklauw (b. sphondylium).— Berenleider, m. (-s). — Berenmuts, v. (-en). — Berenoor, o. en v. Oor van eenen beer. Naam van verschillende planten. — Berin, v. (-nen).

boor, m. Drek.

fgt;e«r, m. (-en). Ploeg, met driekantige schaar en twee platte smalle strijkborden, zonder kouter.

liocr (7*. H. de), 1838, Maarseveen. (Taco). Leeraar aan de'hoogere burgerschool (Amsterdam). Oprichter en redacteur van tijdschriften voor taalstudie, letteren, kunst en tooneel. Schroef werken en opstellen in Noord en Zuid, Ned. Spectator, enz.

Becrnsiort (Euphr.) 1831), Oostende.

Landschapschilderes.

BeerH {van), iquot; Jan (1821-1888), Antwerpen. Professor aan het K. Athenieum

van Beers.

aldaar. Dichter. Jongelingsdroomen (1853); Levensbeelden (1858); Gevoel en leven (1869); Ryzende Blaren (bekroond, 1883). Nederlandsche Spraakleer \ Bloem' lezing uit Noord- en Zuid-Nederl. schrijvers (1871). — 20 Jan (1852), Lier, zoon van den dichter. Historie- en genreschilder.

Bcerstrsiateu (J1.), 1622-1666, Amsterdam. Schilder van stads- en zeego-zic iten.

oeürven, bw. beërfde, heeft beërfd. Door erfenis verkrijgen. Erven (van). — Beërving v.

beent, o. en v.(-en). Redeloos dier.Slecht mensch. De beest spelen. — Beestachtig, bn. bijw. — Beestachtigheid, v. (..heden).

— Beestenboel, m. — Beestenmarkt, v. (-en). — Beestenspel, o. (-len). — Beestenstal, ra. (-len). — Beestentemmer, m. (-s).

— Beestiaal, bestiaal, o. Vee. — Beestig, bn. bijw. Als een beest. Dierlijk. Laag. — Beestigheid, {.kzamp;tTL).

beet, v. (-en), beetwortel, ra. (-s, -en). Plantensoort, tot de familie der Gan-zenvoeten behoorende : beta vulgaris. It


ocr page 84

BEGA — f

wit, geel of rood. De gele dient tot suiker-bereidirg.

beet, m. (beten). Hap niet de tanden. Plaats, waar een dier gebeten heeft. — Beeih' bben, bw. had beet, heeft beetgtha i (Visch).Aangebt ten hebben. lem. vasthebben. lem. bedriegen. Iets begrijpen. Door iets gftroften, peraakr, enz. worden. — Beetje, o. ( s*. Kleine hap. Klein stuk. — Beetkrijgen, bw. kreeg beet, heeft beetge-kregen. Grijpen. —Beetnemen, bw. nam beet, heeft beetgenomen. Grijpen. Bedrie-

§en. -en. - Beetpakken, bw. paltte beet, heelt eetgepakt. Vastgrijpen. De hand aan iem. slaan.

Beotliovon (£. vo*i), 1770-1827, Bonn. Duitsch componist. Sonaten en Sympho-nieën.

llcot« (/VU 1814. Haarlem. (//iVrfi?-brand). Doctor in godgeleerdheid, wijsbegeerte en letteren Oud-boogleeraar (Utrecht). Predikant der hervormde ee-meente (Utrecht). Buitenl eerelid der K.Vl. Academie. Als dichter : Joie (1854), Ada

van Holland (rSjo): Madelieven (i86q); Winierloof (t884-'87)- Als criticus : Ver-poozingen op letterkundig gebied (1851, 1873, 1883), ISerscheidenheden {lücfi-'Ti) ■, Gesprek met Vondel (t86i) Als proza-schryver . Camera Obicura van Hilde-brand (183Q, t'dr ).

bof, v ( fenj Kraag der geestelijken, der rechters en oer hoogleeraars.

befnitiBid, hn biiw.Bekeod. Vermaard. •— Befaamdheid, v.

Beic» (C), 1620-1664, Haarlem. Schilder Een ronk- en drinkgezelschap; Een boeren-binnenhuis.

— BEGL

begaafd, bn. Met natuurgaven bedeeld. — Begaafdheid, v. (..heden).

bctraan, bw. beging, heeft begaan. Betreden. Bedrijven (in slechten zin). Ow» Laat mij maar begaan. — Begaanbaar, bn. — Begaanbaarheid, v.

bcsrstan,bn. Bekommerd.Medelijdend. betfaiikeniM, v. (-sen). Octaaf ter eere van eenen heilige gevierd. Volkstoeloop te dier gelegenheid.

begapen, bw. begaapte, heeft begaapt. Wijd genoeg gapen om iets in den mond te krijgen. Van alle kanten aanstaren. — Be~ gaper, ra. (-s). — Begaping, v.

besecren, bw. begeerde, heeft begeerd. Wenschen. Verlangen. Naar iets trachten. Eischen, vorderen. —Begeerder, m. (-s). — Begeerig^ bn. Verlangend. Gretig Inhalig. — Begeerigheid, v. —Begeer-lijk, bn. Waard begeerd te worden. Bekoor» lijk. Verlokkend. — Begeerlijkheid, v. (..beden). Onmatige begeerte. Driftig verlangen Inhaligheid. — Begeerster, v. (s).

— Begeerte, v. (-n). Driftig, sterk verlangen naar iets Wil.

beeekhen, bw. begekte, heeft begekt. Voor den gek houden. Bespotten.

begeleiden, bw. begeleidde, heeft begeleid Verzeilen. — Begeleider, ra. (-s).

— Begeleiding, v. i-en). Het begeleiden. (Muz ) Accompagnement. — Begeleidster, v. ( s).

begclalizaligeu,bw. begelukzaligde^ heeft begelukzaligd. Gelukzalig maken. — Begelukzaliging, v.

begeundlgen, bw. begenadigde,beeft begenadigd. Genade schenken. Kwijtschelden Begunstigen. — Begenadiging, v.

begeveu. bw begaf, heelt begeven. Schenken : een ambt begeven. Verlaten : mijne krachten begeven mij Zich begeven, \vw. Ergens heengaan. — Begeejster, v, l-s) — Begever, m. (-s). — Begeving, v.

begieten, bw. begoot, heeft begoten. Een vloeibare stof over iets, uitgieten. — Begieter, m. (-s). — Begieting, v. (-en).— Begietster, v. (-s).

beginigeu, bw. begiftigde, heeft begiftigd. Beschenken. — Begiftiger, m. (-s).

— Begiftiging, v. (-en). — Begijligster,

begUii, v (-eq). Geestelijke dochter, die het kloosterhabijt draagt, zonder kloostergeloften gedaan te hebben. De begijnen wonen te zamen in conventen of alleen in kleine huizen. — Begijnenhof, o. (..oven), -- Begijnenkoek, m. (-en). — Begynenryst, v.

beglu, o. Aanvang. — Beginnelinge m. en v. (-en). Eerstbeginnende. — Beginnen, begon, heeft en is begonnen. Bw. Aanvangen. Ow, [hebben, zijn) Aanvang maken. — Beginner, m. (-s). — Beginsel, o. (-s, -en). Aanvang. Grondslag. Stelregel.

— Beg in ster, v. (-s).

begilmiten, bw. begliropte, heeft be-glimpt. Eenen glimp geven (aan). — Be» glim ping, v. (-en).

beglu reu, bw. begluurde, heeft begluurd. Bespieden. — Begluring, v. (-en).

— Begluur der, m. (-s). — Begluur sier, v.


ocr page 85

— 69 —

BEHE

BEGR

bepood, bn. Gegoed.

be^oiumcu, bw. begomde, heeft be-gomd. Mtt gom bestrijken. — Begomming, v. (-en).

bcsroula. v. (-'s). Plantengeslacht met sierlijk ^ctcekende bladeren. Een der fraai-€te SGoiten is dc begonia rex*

bojjroocliolen, bw. begoochelde, heeft begoocheld. Verhliuden dooc goochelarij Misleiden. Een rad voor deoogeti draaien — Begoochelaartm (-5). — Begoocheiaar sier, v. ( s) — Begoocheling, v (-en)

boKooion, bw.begooide, heeft begooid Met de hand werpende, treften Gooiende bedek kf*n

beei aasd.bn Met gras bedekt bei;i'ttu wen, bw begrauwde, beeft be-grauwd Toegrauwen Bekijven

bcgrrAVcn, bw. begroef, beeft begraven Onder de aarde bergen Ter narde bestel len In vergetelheid verbergen —Begraaf plaats, v ( en) — Begrafenis, v. ( sen) Begraving Lijkplechtigheden — Beg*-a ver, m. ( s) —Begraving, v (-en;

bei^razeu. bw begraasde, beeft begraasd. Graslanden laten alweiden.

besreuzeu. bw. begrensde, beeft begrensd. Grenzen (aan). — Begrenzing, v. (-en)

bcfi:rUlgt;enlt; bw begreep, beeft begre-

gen Inhouden. Verstaan —en Inhouden. Verstaan — Begrijpelijk. n. bijw. Licht te begrijpen Verstaanbaar. Vatbaar. — Begrijpelijkheid, v — begrip, o. (-pen) Samenvatting van de gemeen schappelijke kenmerken dei voorwerpeo tot een denkbaar geheel Het opvatten Denkbeeld. Gedachte. Inhoud de cate xhisnius is het kort begrip van al betgeeo een christen mensch moet weten of doen om zalig te worden. — Begripswoord, o ( en) bejfriiiiuicn, bw begrimde, beeft be-grimd. Aangrimmen. — Begrnnming, v be^rludon, bw begrindde, beeft be-grind. Met grof zand of fijn puin bestrooien.

Begrinding, v. ( en).

be8:gt;*lt;gt;lt;'gt;lt;?u' ow. begroeide, is begroeid. Groeiende bedekt worden. — Begroeiing, v. (-en).

begroeien, bw. begroette, heeft begroet. Met eenen groet ontvangen. Verwelkomen. — Begroeiing, v. (-en).

begroniiueu, bw. begromde, heeft begromd. Barsen berispen.

begrooten, bw. begrootte, heeft begroot. Berekenen. Schatten — Begrooit'ng, v. (-en). Waard.-tring. Schatting. — Be-grooiingsjaar, o. (..aren).

begruizen, bw. begruisde, beeft be-gruisd Met gruis bestrooien. Bevlekken.

beguielieleu, bw., beguichelde, heeft beguicheld. Begoochelen. — Beguiche-laar, m. (-s). — Beguichelaarsier, v. (■s). — Beguicheling, v. (-en).

beganstigeu, bw. begunstigde, heeft begunstigd. Gunst bewijzen (aan). Bevoor-deelen — Begunstiger, m. (-s). — Beguns-tiging, v (-en). — Begunstigster, y. (-s). bebaard, bn. Met haar begroeid. Ruig. bebageld, bn. Met bagel bedekt, beliagen. ow. behaagde, heeft behaagd Bevallen. Goedvmden. — Behaaglijk, bn. bijw. — Behaaglijkheid, v. — Behaagziek, bn. — Behaagzucht, v. — Behaging, v.

bebalen. bw. behaalde, heeftbehaald. Bekomen den 10 prijs behalen. Betrekken : ik zal u in die zaak met behalen. — Beha-hng. v

belialve, vz. Uitgenomen. Bijw. Buiten bebalve dat bij rijk is, is hij deugdzaam en weldoende

behaiuereu. bw behamerde, heeft bebamerd Met barnet slagen bewerken. — Behanierm?. v.

beliandeleu. bw behandelde, heeft behandeld Door de banden laten gaan. Bewerken. Besturen Leiden.—Behandeling. v ( en) .

beliaudigeu. bw behandigde, heeft bebandigd Ter band stellen. Overhandigen — B'-handiging, v.

Oebaugeu, bw behing, heeft behangen Met iets dat al hangend is bedekken. Met tapiitwerk overdekken. Met papier beplakken — Behanger, m (-s). — Behangt rij, v — Behangersknecht, m. (-s). — behangersrekemng, v. (-en). — Behangerstafel, v (-s) —Behangerswtnkel, m. (•S) — behangsel, o ( s)

bebartlgeu. bw. uehartigde. heeft behartigd Ier barte nemen. — Beharii-menswaardig. bn — Behartiger% m. (-s).

— behartiging, v — Behartigster. (-s). bebeereu.bw beheerde,heeft beheerd.

Bestieren Kegeeren — Beheer, o. — beheerder, m (-s) — Beheering, v. (-en).

— beheerster, v. (-s)

bebeersebeu bw beheerschte, heeft

bebeersebt Heerschappij over iets voeren — beheerscher, m. (-s) — Beheer-scheres,? (-sen) — Beheersching,\ ( en).

bebeieu, bw beheide, heeft beheid. Doot het heien geschikt maken voor het leggen van een fondement. — Be heiing, v. ( en).


ocr page 86

BEID — :

belicineii, bw. beheinde, heeft be-heind. Met eene heining omzetten. — Be-heining, v. (-en).

bdieknen, bw. behekste, beeft behekst. Betooveren. — Beheksing, v. (-en).

bcliclpen {zich), ww. behielp zich, heeft zich beholpen. Zich helpen. Zich bedienen (van). Zich met weinig behelpen : kariglijk moeten leven.

beliclReu, bw. behelsde, heeft behelsd. Bevatten.

Delicmot, m. (-s). Groot viervoetig dier (waarschijnlijkde olifant) inden Bijbel (Job XL ; io-iq) beschreven.

bclieiKliff, bn. bijw. Vlug. Bedreven. Schrander. — Behendigheid, v. (..heden).

— Behendigltjk, bijw.

bolie|»t, bn. Onderhevig. Bevangen. bcliovlt;len, bw. behoedde, heeft behoed. Behoeden (voor) r beschermen, bewaren. — Behoeder, m. (-s). —Behoeding, v. — Behoedmiddel, o. (-en). — Behoedster, v. (-s). — Behoedzaam, bn. bijw. — Behoedzaamheid, v

behoeven, bw. behoefde, heeft behoefd. Noodig hebben. Ow. Noodig zijn

— Behoef, o. Gevoeg Ten behoeve (van) ; ten nutte (van). — Behoefte, v. (-n). Nooddruft. — Behoeftig, bn. — Behoeftigheid, v.

beliooren, ow. behoorde, heeft behoord. Betamen. Raadzaam zijn. Passen Toebehooren. Behoeven. Vereischt worden Naar behoorcn : naar eisch, als het past. — Behoorlijk, bn bijw Betamelijk. Gevoeglijk Kaadzaam — Behoor ly k-heid, v.

belionlt;1eii, bw. behield, heeft behouden. Houden. Niet van zich verwijderen Niet afleggen (van gewoonten). In het bezit blijven (van). Niet verliezen Bewaren. Redden, — Behoud, o Bewaring. Redding

— Behouder, m (-s) — Behoudenis, v. — Behoudens, vz. Zonder te kort te doen (aan). — Behouding, v. — Behoudsman, m. (..lieden). — Behoudster, v. (-s).

beliouwen, bw. behieuw, heeft behouwen. Door houwen tot het gebruik geschikt maken. — Bebouwing, v.

Belirinjf Zeeëngte tusschen Azië en N.-Amerika, ontdekt door den Deenschen zeevaarder Behring (1728)

beliuiMl. bn Wonende Van een buis voorzien.

behulp, o. Hulp. Bijstand — bthuip ªm. bn. Hulpvaardig Gedienstig — Behulpzaamheid, v.

b e lm w e IU k e n .b w beb i: w e i Ij k te. he eft behuwelijkt. Door huwelijK verkrijgen

behuwen, bw behuwde, heeft behuwd. Door huwen verkrijgen. — Behuzodbroe• der, m. (-s). Schoonbroeder. — Behuwd dochter, v. (-s). — Behuwdmoeder, v. (-s).

— Behuwdvader, ra. (-s). — Behuwdzoon, m. ( onen, -s) — Behuwdzusters V. (-s).

beiaard, m. (-s) Klokkenspel. — Beiaarden, ow. beiaardde, heb gebeiaard Den beiaard bespelen — Beiaarder, a. (-s).

beide, bn. Alle twee. Beide, wordt slechts zelfstandig gebruikt, als het gezegd

) — BEKE

wordt van twee reeds genoemde pei»igt;uen : lan en Jaak, zijn beiden brave jongens. Maar men schrijft: liegen en bedriegen, zijn beide verfoeilijke dingen. — Beiderhande, beiderlei, bn.

beiden, bw. ow. beidde, heeft gebeid. Bw. Verwachten : ik beid u reeds een uur. Ow. wachten : hij staat daar reeds lang te beiden.

beier, v. (-s). Kruisbes.

beieren, ow. beierde, heeft gebeierd. De klok bespelen. Loshangen. — Beieraart m. (-s). — Beiering, v.

Beieren. Duitsch koninkrijk. Oppervlakte 1,390 vierk. geogr. mijl. Bevolking 5,421,000 inw. Hoofdstad Munich. Behoort heden tot den Duitschen Bond.

beü veren {zich), ww. beijverde zich, heeft zich beijverd. ïer harte nemen. Met ijver zich op iets toeleggen. — Beijveraar, ra ( s). — Beijvering, v.

bedz^l^n, bw. ow. beijzelde, heeft en is beijzeld Met ijzel bedekken, of bedekt worden. — Beyzeling, v.

beitel, m. ( s). Timmerraanstuig, plat en scherp gereedschap. — Beitelen, bw. beitelde, heeft gebeiteld. Met den beitel bewerken — Beiteling, v.

bejaard, bn. In gevorderden ouderdom. — Bejaardheid, v.

bejaën, bw. bejade, heeft bejaad. Met ja bevestigen.

bejag, o. Het ijverig streven (naar), bejagen, bw. bejaagde, heeft bejaagd; ook, bejoeg. Naar iets streven. Verkrijgen. — Bejager, ra. (-s). — Bejag, o. — Bejaging, v. (-en).

bejanimeren, bw.bejammerde, heeft bejammerd. Beklagen. Beweenen. Betreuren — Bejammerenswaardig, bn. bijw.

— Bejammerenswaardigheid, v. bejegenen, bw. bejegende, heeft bejegend. Ontmoeten. Behandelen. Overkomen, gebeuren. — Bejegening, v. (-en).

bek, ra (-ken). Snavel, muil (van dieren). Wat met eenen bek wordt vergeleken.

— Bekaf. bn bijw. Bekaf, doodvermoeid zijn.

bekaaid, bn. Te lang op de kaai,

bedorven : bekaaide visch.

bekaaid, bn. bijw. Beschaamd. Verlegen Vernederd. Verkeerd.

bekabbelen, bw. bekabbelde, heeft bekabbeld. Kabbelend besproeien.

bekaden, bw. bekaadde,heeftbekaad. Met kaden omringen.— Bekading, v.(-en).

bekalken, bw. bekalkte, heeft bekalkt. Met kalk bestrijken. — Bekalking, v. (-en).

bekalien, bw. bekalde, heeft bekald. Bepraten Door praten benadeelen.

bek amen, ow bekaamde, is bekaarad. Met kaarasel bedekt zijn.

bekampen, bw. bekampte, heeft be-kampt Bestrijden. Bevechten.—Bekam-ping, v (-en).

bekappen, bw. bekapte, heeft bekapt. Boomen bekappen, de kruin afnemen. Takken afhakken. Eenen muur bekappen ; er eene kap opmaken. — Bekapping, v. (-ne).

bekeeren, bw. bekeerde, heeft bekeerd. Van het kwade tot het goede overhalen. Inz. bewegen tot aanneming van den


ocr page 87

BEKX —7

Christel ijken godsdienst. Zich bek eer en, ww. — Bekeerder, m. (-s). — Bekeering, v. (-en).— Bekeeringsyver, m. — Bekee-ringszucht, v. — Bekeerlyk, bn. — Be-keerlykheid, v. — Bekeerling, m. en v. (-en). — Bekeerlinge, v. (-n). — Bekeer-ster, v. ( s).

bck^iKl, bn. Beleden. Openbaar. — Bekende, m. en v. (-n). Kennis. Vriend. — Bekendheid, v. — Bekendmaken, bw. maakte bekend, heeft bekendgemaakt. — Bek endmak er, tn. (-s). — Bekendmaking, v. (-en). — Bekendstaan, ow. stond bekend, heeft bekendgestaan. Doorgaan, gehouden worden (voor). — Bekendwording, v.

Imkonnoii, bw. bekende, beeft bekend. Belijden : zijne font bekennen. lem. aanzien, erkennen gelijk hij waarlijk is : God bekennen is Hom aanzien als God. Onderscheiden : hij bekent geene kleuren.— Beken-ner, m. (-s). — Bekenning, v. ( en). — Bekentenis, v. ( sen).

beleer,m. ( s). Drinkvat.Kroes. Drink-, goochel-, dobbelbeker, enz. — Bekeren, ow. bekerde, heeft gebekerd. Veel en lustig drinken.

bekeuren, bw. bekeurde, heeft bekeurd. Tot eene geldboet veroordeelen. — Bekeurder, ra. (-s). — Bekeuring, v (-en).

bekUken, bw. bekeek, beeft bekeken. Aandachtig bezien. — Bekijk, o. Hekij-king : veel bekijks hebben. — Be kijker, m. (-s).—Bekijkmg, v.— Bekijksiery v. (-s).

bekUven, bw. bekeef, heeft bekeven. Beknorren. — Bekyver, ra. (-s). — Bekijf-strr, v. (-s). — Bekijving, v. (-en).

bekken, o. (-s). Hol gereedschap tot verschillende einden dienende: scheerbekken enz. Muziek instrument, bestaande uit t\» ee concave metalen schijven, aan de bolle zijden van handvatten voorzien Holte, door eenige beenderen onder aan den romp gevormd. Bekken van eenen stroom • vlakte tusschen hoogere streken zoo geJegen. dat 't van verschillende zijden afkomende water daar sarntenvloeit. In het bekken ver-koopen ; openbaar veilen. — Bekkeneel, o (-en). Samenstel van beenderen, waarbinnen de hersenen zijn vervat. — Bekkesny-dm, ow. (in de onbepaalde wijs alleen) Elkander in het aangezicht snijden (bij eene vechtpartij).— Bekkesnrjder, ra (-s).

Kekker 10 (^.), 1634-1608, quot;Vletslawier (Friesland). Godgeleerde. De Betoverde Weereld (1691); l Va are Oorspronck des SolansU695). —2° {Elizabeth). Zie IVolJf-Jiekker.

bekladden, bw. bekladde, heeft beklad. Hovlekken. — Bekladder, m ( s). — Bekladding, v. ( en). — Bekladster, v. (-s).

bekl:i{;en, bw. beklaagde, heeft be-klaagJ. Zijn medelijden over iem. of iets toon en. — Beklaaglyk, bn. bijw. — Be-klaaglijkheid, v. — Beklaagster, v. (-s). —- Beklag, o. Klacht. — Be klagen sivaar-dig, bn. bijw. — Bek lage nsw aardigheid, v. — Beklager, ra. (-s). — Beklaging, v. (-en).

beklant, bn. In bezit van klanten, bokluppen, bw. beklapte, heeft beklapt. Veiklikken. — Be klapper, ra. (-s).

i —• BEKO

— Beklapping, v. — Beklapster, v. (-s). bcjclituteren, bw. beklauterde, heeft

beklauterd. Beklimmen. — Beklautering,

v. (-en).

bokleerien, bw. bekleedde, heeft bekleed. Met kleederen (ook kleeden) omhangen. Bedekken (raet hout, enz.). Versieren. Een schip bekleeden. Beschoeien. Waarnemen : een ambt bekleeden. — Bekleeder, ra, (-s).— Bekleeding, v. (-en).

— Bekleedsel, o. (-s). — Bekleedster, v. (-s).

beklenimen, bw. beklemde, heeft beklemd. Bezetten. Dringen.Persen. (Recht.) Onder pacht brengen. — Beklembrief, m. (..ven). — Beklemd, bn. — Beklemdheid, v (..heden). — Beklemming, v. (-en).— Beklemrecht, o.

bvklU v^u, ow. beklijfde, heeft beklijfd. Duren Gedijen. — Beklijving, v.

beklim men, bw. beklom, heeft beklommen. Door klimmen bereiken. — Be-khmmer, m. (-s) — Beklimming, v. (-en).

— Bekhmster, v. (-s).

bi^kliiiken, bw. beklonk, heeft beklonken Vastklinken. Vastleggen.Schikken. In orde of tot stand brengen.

beklonfercn, bw. beklonterde, heeft beklonterd. Bespatten met klonters modder,. enz. — Reklontering, v, (-en).

bekii»l»belen, bw.beknabbelde, heeft beknabbeld. Aanhuudend aan iets knagen (niet kleine beten). —Beknabbeling, v.

bekimsren, bw. beknaagde, heeft be-knaagd. Aanhoudend aan iets knagen. — Be knaging, v.

bekiiHiiwen, bw. beknauwde, heeft beknauwd Beknagen. — v.

beknellen, bw. beknelde, heeft bekneld. Vastknellen. Hinderen. — Beknel-ling, v (-en).

l»«^kiiil»bo1en, bw. beknibbelde, heeft beknibbeld Nauw bedingen. Nauw onderzoeken. — Beknibbeling,?, (-en).

bekiiUnen, bw. bekneep, heeft beknepen. Knijpend omvatten. — Bekny-ptng, v. , ,

beknopt, bn. bijw. Kort samengevat.

— Beknoptelyk, bijw — Beknoptheid, v. beknorren, bw. beknorde, heeft beknord Over of op iets knorren. Bestraffen.

— Beknorring, v. (-en).

bekoelit, bn Bekocht zijn : te duur gekocht hebben Tk ben er aan bekocht : ik heb het te duur betaald.

bekoelen, bekoelde, heeft en is bekoeld. Bw. Koel maken. Ow. {zijn) Koel worden. — Bekoeling, v. («en).

be kok en. bw.bekookte, heeft bekookt. Voor iem. koken. Dit is niet bekookt, niet rijpelijk overwogen, niet goed voorbereid.

— Bekoking, v.

bekomen, bekwam, heeft en is bekomen. Bw. Ontvangen. Verkrijgen. Ow. Kzyn) Eene goede of slechte uitwerking hebben. Weder bijkomen. Herleven. — Bekoming, v.

bekommeren, bw. bekommerde, heeft b konunerd. Kommer veroorzaken. Bezorgd, ongerust maken. Zich bekommeren, ww. — Bekommerd, bn. — Bekent'


ocr page 88

BEKW —

merdheid, v. —Bekommering, v. (-en). — BekommerniSyV. (-sen).^

bebonmt, v. Verzadiging, bekoiihelen, bw. bekonkelde, heeft bekonkeld. Door konkelarij tot stand brengen. — Bekonkeling, v.

'óeb«M)bw. bekocht, heeft be-kücht. Beialen. Omkoopen. Boeten : het met den dood bekoopen.

behoren, bw bekoorde,heeft bekoord. Aanlokkt n Verleideo. Begoochelen.^— Bekoord» r, m. (-s) — btkoo*hjk, bn.hijw.

— Bekoorlykhtid. \' [ heden).—Bekoorster, v (-s). — Bekoring, v. ( en).

bekoruien, bw. bekorstte, heeft be-korst. Met eene korst omringen.

beltuorleu, bw. bekortte, heeft bekort. Korter maken — Bekorting, v. (-eo).

beboMtiKeu, bw bekostigde, heeft bekostigd Ten koste leggen. Betalen (voor).

— Bekostiger, ra ^-s). — Bekostiging, v.

— Bekostigiter.v ( s).

bebouten, bw. bekoutte, heeft be-

koul Bepraten.

bebrabbelen, bw. bekrabbelde, heeft bekrabbeld Krabben \over) Morsig schrijven (op) — Bekrabbeling. v 1-en).

bebrnbben. bw. bekrabde, beeft bekrabd Van alle kanten krabben. Bekrabbelen

bebraolitiffen. bw bekrachtigde, heeft bekrachtigd Bevestigen Wettigen.

— Bekrachtiger, m (-S). — Bekrachtiging, v. (-en).— Sekrachtigiter, v. ( s).

bebrsniften. bw. bekranste, beeft bekranst. Met kransen versieren. — Bekran-Stng, v ( en)

bebraüBen, bw. bekraste, heeft bekrast. Krassen maken (op) — Bekrassing, v. (-en).

bebremien {ziek), ww. bekreunde zich. heeft zich bekrennd Zich bekreunen om, over zich bekommeren.

bebrtJtM'i». bw bekrijgde. heeft he-krijgd Oorlogvoeren (Legen)

bebr|}f«tn. bw bekreet, heeft bekreten Bewcenea

bebrlmpeit. [zich), ww hekromp zich, heelt zu.h bekrompen Zijne verteringen beperken — lifkrimping, v (-en). — Bekrompen, bn bijw Beperkt Schraal, Niet ruim — Bekrompmhtid, v

bebron«*n. bw bekroonde, heeft bekroond. l'.ene kroon opzetten. Bekransen Den prijs toekennen —Bekroner, m (-s)

— Bekroning, v. ( en). — Bekroonster, v. ( s).

bcbroceu. bn Met roetbesmeerd beluruiden. bw. bekruidde. heeft b© kruid Met specerijen voorzien.

bebruien.bw bekrooi, heeftbekrooien; ook, bekruide, heeft bekruid. Kruien (over) Kruiende met iets bedekken

bebrulpeu, bw. bekroop, heelt be kropen Kruipende aflo^gen Kruipende bereiken BinnenBluipen. — Bekruiping * v.

bebruliien, bw. bekruiste, heeft bekruist (Art.) Onder het bereik hebben.

bebnlpen, bw. bekuipte, heeft be-kuipt Inkuipen. JListig verkrijgen - Be-kutping, v

bebwaum, bn. bijw. Geschikt : be-

l — BELA

kwaam tot of om. — Bekwaamheid, v. (..heden). — Bekwamen, bw. bekwaamde, heeft bekwaamd. In staat stellen (tot). — Bekwaming, v. — Zich bekwamen, ww.

bebweelen, bw. bekweelde, heeft be-kweeld. Kweelen (over).

bebwUlen, bw. bekwijlde, heeft be-kwijld. Bezeeveren.

bel. v. v-len). Klokje, schel. Tros bloemen of zaadhuisjes, die aan dunne stengeltjes neet hangen : de bellen van haver, van hop, enz Ouborreling van wfter. Lap, flarden ; de bellen hangen aan haar kleed. Iets aan de bel hangen : openbaar, ruchtbaar maken.

belabberd, bn. bijw. Ellendig, armoedig. — Belabberdheid, v.

belachelQb, bn. bijw. Bespottelijk. — Belachelijkheid, v.

belacbeu, bw belachte, heeft bela-chen ; ook, beloeg Lachen [over). — Bela-cher, m. (-s) — Belaching, v. (-en).— Belachster, v. (-s).

beladderen, bw. beladderde, heeft: beladderd. Met eene ladder beklimmen. — Beladdenng, v.

beladen, bw. belaadde, heeft beladen. Laden. Bevrachten. — Belading, v. (-en).

beladen, bw. belaagde, heeft belaagd. Lagen leggen. Belasteren. — Belaagster, v. (-s). — Belager, m. (-s). — Belaging, v. (-en).

belakben, bw. belakte, heeft belakt. Lak doen (over of op). Belasteren. — Be» lakker, m. (-s). — Belakking, v.Belak-ster, v. (-s).

belanden, ow. belandde, is beland. Aanlanden. Heen komen. — Belanding, v.

belang, o.(-en). Gewicht. Aangelegenheid. Voordeel. Baat. — Belangeloos, bn. bijw — Belangeloosheid, v. — Belangen, eenpw. belangde, heeft belangd. Betreffen. Aanbelangen. — Belangende, vz. Betreflende. — Belanghebbende, m. en v. (-n). Die belang bij iets heeft. — Belangrijk, bn. bijw — Belangrijk heid,v.—Belangstellen, ow stelde belang, heeft belanggesteld. Deelneming toonen. — Belangstellend, bn — Belangstelling,

belappen, bw. belapte, heeft belapt. Met lappen bezetten. Het verstellen van iemands kleederen bezorgen.

belasten,bw.belastte, heeft belast.Be« vrachten Belastingen opleggen. Gelasten. Bevelen.— Belastbaar, bn. — Belastbaarheid, v — Belasting, v. (-en). Het heiasten. Gemeenschappelijke bijdrage, welke ieder schatplichtige aan land of gemeente verschuldigd is. De rechtstreekse he belastingen we^en op den persoon en zijne belastbare goederen (oersoneele belastingen of hoofdgeld, grondbelastingen of grondlasten. belastingen op roerende goederen, deuren en venstergeld en patenten). De zijdelingse he, worden geheven op de levensmiddelen. (Hieronder rekent men ook de in- en uitkomrechten, de registratiekosten, enz ) — Belastingbiljet, o. (-ten).

belaMteren. bw. belasterde, heeft belasterd. Logenachtig spreken. Kwaadspreken (van). — Belastering, v. (-en).


ocr page 89
ocr page 90
ocr page 91

BELF —

belatten, bw. belatte, heeft belat. —

Met atien beslaan. — Belatttng, v.

bw. belcediirde, heeftbe-leedi^d.— lioonen. Kwetsen [in eer, enz.^.

— Beleediger, m (-s). — Beleedigmg, v. (-en). — Beleedigster, v. ( s).

beleefd. bn bijw. Hott^lijk Wellevend.— Beleefdelijk bijw. — Beleefdheid, V. (..heden). — Belee/dhamp;td^halz'e. bijvv belelt;'mcu, bw. beleemde, heelt be leemd. Met leem bestrijken. — Belte-ming, v.

bel«koiieu. bw beleende, heelt beleend. Verpanden Ten onderpand ^even. verzet ten. (Middel.) Plechtig iem «n het bezit stellen van land ol goed — B*leenbaa*- .\ix\

— Beleet'.barik, v ( en) — Beleentr ra (•s). — Beleening. v (-enj- — btletnsler, v. (-s).

belesr, o. Insluiting eeoer vesting beleiren, bn Dat lang gelegen heeft. Waarop gelegen «s

belegeren, bw belegerde, heeft hele gerd. Met een leger cmringeo (om tot over-gave te dwingen) — Beltg** aar. m. (-s)

— Belegering, v (-en) — btlegertn^af futt,v ( en) — B-.legf*\ng\gei(.hut, o — Belegeringskumt, v. — B*legtring%\pel, o. (-len) — Belegeringwerktutg. o ( en)

beleg-jffeo bw- belegde en beleide. heeft belegd en be'eid Door leggen bedek ken: den vloer mei tapiTwetk beleggen Beslaan de zool mef ijjrer h^,tfeeen Be'jtu ren : zijne zaken slech» ijeiegg^o Uitzetten, •op renten zetten quot; ziio B»»id beleggen üijeeo• roepen ■ eene vergadering heitrggen Vastmaken : eenen kabel beleggen — Btltgger, m (-s) — Belegging, v ( en) — Beleg-hout, o. ( en) — Btlegse/, o ( s) — h*. .legsIer. v. ( s) — Btlegstuk, o ( ken»

beloiil.o Overleg Omzicbtigbeid — Beleiden, bw beleidde. beeft beleid — Beletder, m. (-s). — Beleidster, v ( s)

blt;gt;lekkeu.bw belekte, heeft belekt. Lekkende bevochtigen. Zie Belikken

belemiuereu. bw belemmerde,heeft belemmerd. Storen Versperren. Verhinderen. Verzwaren. — Belemmer aar k m ( s). •r- Bele?n merirtg, v. (- en).

belenden, ow. belendde, heeft helend. Grenzen, palen ^aan) — Belending, v. (-en).

beletten, bw. belette, heeft belet. Verhinderen.— Belet, o. Verhindering Hinderpaal. Belet laten vragen • vragen of men kan ontvangen worden. — Belet*el,lt;i ( en. -s). — Beletting, v.

beleven, bw. beleefde, hoeft beleefd. Leven (tot). Ondervinden, bijwonen.

belezen, bw. belas, heelt belezen Bannen (den duivel). Verleiden Overreden. Zich laten belezen, overhalen. — Belezen, bn. Veel gelezen hebbende. — Belezenheid, v. — Belezer, m (-s) Dui ■ velbanner.Verleider.— Belezing. v ( en).

Belfnsl.i80,000.Koopstad in de lersche provincie Ulster. Katoen- en Vlas^pinne-rijen.

belfort, o. f-en). (Middel.) Toren, waar de stormklok hing en waar do wacht gehouden werd. Diende met zelden tot ge-

3 — BELL

meente-gevangenis en bewaarplaats der stedelijke archieven.

beleren [zich) ww. belgde zich, heeft zich gebelgd. Zich boos maken. Bw. Toornig maken. — Belging, v. (-en). — Belgziek, bn. Driftig. Oploopend.

België, o. Oud-België, tusschen do Noordzee, den Rijn, de Seine en de Mar-ne gelegen, was zeer moeras- en boschachtig De eerste bewoners. Kelten of Gallen, werden in de 3lt;la eeuw (vóór Chr.) door Germanen, Belgen genoemd, verjaagd. Voorname volkstammen ; Eburonen, Adua-tieken, Treviers, Nerviers, Menapiers. Waren ruwe, sterkgespierde en dappere mannen. eerbaar, trouwhartig en gastvrij, maar beminden den drank en het spel. Er waren edelen, vrijen en slaven. — Huidig België. o provi'nctën : quot;West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen. Limburg, Luik, Luxemburg, N-imen, Henegouw, Brabant; 6 bisdommen . -t krijgsverdeelingen (hoofdkwartier Anrwerpen voor Antwerpen, Oost en West Vlaand . Brussel, voor de andere

r.rovincien) De Belgen zijn roomsch-katho-iek werkzaam en zeer bedreven in kunsten «■n wetenschappen. Men spreekt er Nederlandse b. Pransch en Duitsch. België is een gioridwettig koninkrijk. Hoofdstad: Brussel —.rovincien) De Belgen zijn roomsch-katho-iek werkzaam en zeer bedreven in kunsten «■n wetenschappen. Men spreekt er Nederlandse b. Pransch en Duitsch. België is een gioridwettig koninkrijk. Hoofdstad: Brussel — Belg, m. (-en). — Belgicisme, o. ( en) Belgische, VLamsche uitdrukking.

— Belgisch, bn.

bellianiel, m. (-s). Ram, die de bel draagt en dien de kudde volgt. Aanvoerder van oproerlingen. Voorvechter.

belial, m. De duivel. Boosaardig, slecht mensch

beliebanien, bw. belichaamde, heefc heiichaamd In een lichaam vatten, hullen.

— Belichaming, v.

beliegen, bw. beloog, heeft belogen. Van lem. leugens zeggen. Belasteren. — Belieger,m. (-s). — Behegster, m. (-s).

believen, ow. beliefde, heeft beliefd. Behagen (aan).— Beliefte, v., believen, o. Welgevallen. — Believer, m. (-s). — Believing, v.

belüden, bw. beleed, heeft beleden. Bekennen : men moet altijd de waarheid belijden. Biechten : zijne zonden belijden. Uitwendig toonen wat men inwendig geloof! zijn geloof belijden. — Belijdenis, v. (-sen) — Belijder, m. (-s). — Be lij der es, v (sen)

beiUnien, bw. belijmde, heeft belijmd. Met li)m bestrijken — Belijming, v. (-en).

belünen, bw. belijnde, he ft belijnd. Lijnen trokken (over).

b«rif 1« leen, bw. belikte, heeft belikt. Met de tong over (iets) heengaan.

It«'li (/1 G.), 1847, Edinburgh.Uitvinder van den naar hem genoemden Bell's tele' phoon.

Bellamy [J.), 1757-1786, Vlissingen. [Ze Inn dus). Dichter. Vader landsche gezangen, (1782, 2''druk 1785). Minneliederen.

Btirllstrinlnuii (/?.), 1542-1621. Monte-pitlciano (Italië) jezuïet. Aartsbisschop-kardinaal van Capua. Richtte zijn schrijven vooral tegen de Protestanten. Dispuiatio* nes de controversies christianae Jidei (1587-1590).


ocr page 92

BEMA — 7

bcllcflenr, v. (-s). Welbekende appel. Belletfsuubv (7.),i4..(?)-i53o(?),Douai. VI. schilder. Aanbidding der H. Drievuldigheid (1520 ?).

bellen, belde, heeft gebeld. Bw. Door bellen roepen. Ow. Aan de bel trekken. Om de meid bellen : haar roepen door bellen. In de bellen schieten (van haver).

bellettrist, ra. (-en). Minnaar of beoefenaar der fraaie letteren.

ISellini, 10 (G^, 1427 (?)-i5i6, Venetië. Schilder. — 20(K), 1802-1835, Catania (Sicilië) Opera-compouist. Somnambula; Nor via.

beloeren, bw. beloerde, heeft beloerd. Loeren (op). Gluipende zien (naar). — Be loerder, m. (-s). — Beloering, v. (-en).

— Beloer ster, v. (-s).

belofte, v- (-n), beloftenl»,v. (-sen). Toezegging. Het land van belofte : het heilig land.

beloken, bn. Gesloten. Beloken Pa-schen : de eerste zondag na Paschen. be lokt, bn. Met haarlokken bedekt, beloinineren, bw.belommerde, heeft belommerd. Beschaduwen. — Belovune-ring, v.

belonken, bw. belonkte, heeftbelonkt. Lonkende aanzien. Toelonken.

beloonen^w.beloonde, heeft beloond. Naar verdiensten vergelden. — Belooner, m. (-s). — Belooning, v. (-en). — Beloonster, v. (-s).

beloop, o. Gang ; laat die zaak maar op haar beloop. Bedrag : het beloop eener rekening. Uiterlijke vorm : het beloop van een schip. Helling van eenen dijk enz. — Beloopen, beliep, heeft beloopen. Bw.Tot iem. naderen : pij kunt hem in geen drie dagen beloopen. Iets al loopende doen : ik heb nog zooveel te beloopen. Onverwachts overvallen : een storm beliep mij aan de duinen, üvv. Bedragen : wat zou dit werk wel beloopen.

beloven, bw. beloofde, heeft beloofd. Toezeggen : vee-l beloven, en weinig geven. Voorspellen : dit belooft veel. Hij heeft er zich weinig van te beloven : hij is er slecht mee gevart-n. — Beloof ster, v. (-s). — Be-lover, m. ( s). — Beloving, v.

Belpiure (J/. E.), 1853, Antwerpen. VI. dichtert s. Uit het Leven (1887) ; Lie fderozen, uit de legende der //. Elizabeth (1892).

belroos, v. Zie Roos (Geneesk.).

belt, v. (-en). Hoop. Tas. De groote en kleine Belt zijn zeeëngten ten Oosten van Denemarken.

beluiden (beluien), bw. beluidde (beluide), heeft beluid. Ter begrafenis van iem. de klok luiden.

beluik, o. Besloteneruimte.

bel ui.Hf eren, bw. beluisterde, heeft beluisterd. Afluisteren. — Beluisteraar, m. (-s). — Beluistering, v.

bcln.«tt,bn. Begeerig. Lust hebben (in).

— Belustheid, v.

beni steb tis:en,bw. bemachtigde, heeft bemachtigd. Bemeestercn. — Bemachti-ging, v.

benmlen, bw. bemaalde, heeft bemalen. Bewerken (met den watermolen). —

— BENA

Bemalen, bw. bemaalde, heeft bemaald. Beschilderen. — Bemaling, v. (-en). — Bernalingswerktuig, o. (-en).

bemnnnen, bw. bemand, heeft bemand. Van manschap voorzien. — Bemanning,v, (-en).

beiusintelen, bw. bemantel.lrgt;, heeft bemanteld. Met eenen mantel dekken. (Vest.) Omwallen. Vergoelijken. Verbloemen. — Bemanteling, v. (-en).

beinnMten, bw. bemastte, heeftbemast. Van masten voorzien. — Bemasting, v. bemeeld, bn. Met meel bedekt, bemerken, bw. bemerkte, heeft bemerkt. Gewaarworden. Bespeuren. — Bemerkbaar, bn. — Bemerking, v.

beinefileu, bw. bemestte, heeft bemest. Met mest bedekken. — Bemesting, v. (-en).

bemiddeld, bn. quot;Welgesteld. Vermogend. — Bemiddeldheid, v.

bemiddelen, bw. bemiddelde, heeft bemiddeld. Bijleggen (eenen twist). Bevredigen. — Bemiddelaar, m. (-s). — Bemiddelaarster, v. (-s). — Bemiddelares, v, (-sen). —Bemiddeling, v.

beminnen, bw. beminde, heeft bemind. Begeeren, dat het goed, dat iem. bezit in zijn bezit blijve en wenschen, dat hij bekome hetgeen hem ontbreekt. Men ge-bruike daarbij de middelen, daartoe noodig. Liefde toedragen. Liefhebben. — Bemind, bn.—Beminde, m. en v. (-n).—Bemin(ne)-lyk, bn. bijw. — Beminlykheid, v. — Beminnaar, m. (..aren, -s). —Beminna-res, v. (-sen). — Beminnenswaardig, bn.

— Beminnenswaardigheid, v. — Bemin-ner, m. (-s).

bemodderen, bw. bemodderde, heeft bemodderd. Br sl ij ken. —Bemoddering, v.

bemoedigen, bw. bemoedigde, heeft bemoedigd. Aanmoedigen. — Bemoediging, v. (-en).

bemoeien [zich), ww. betroekle zich, heeft zich bemoeid. Zich inlaten — Bemoeial, m. en v. (-en). — Bemoeienis, v. (.•sen) — Bemoeiing, y. ( en). — Bemoei-sel, o. (-s). — Bemoeizucht, v.

bemoeiiüken, bw. bemoeilijkte, heeft bemoeilijkt. Moeilijk, lastig maken. Hinderpalen in den weg leggen. — Bemoeilijking, v. (-en).

bemol, in. (-s). Muziekteeken Cp), waardoor eene noot een halven toon verlaagd wordt.

bemorHen, bw. bemorste, heeft bemorst. Bekladden. Vuilmaken. — Bemorsing, v.

bemost, bn. Met mos begroeid, bemuren, bw. bemuurde, heeft be-muurd. Met muren omgeven.—■ B2muringy v. (-en).

ben, v. (-nen^. Teenen mandje, benanien, bw. benaaide, heeft be-naaid. Voor iem. naaiwerk verrichten. Linnengoed in orde houden. Naaiend met iets bedt kken. Zorgvuldig naaien.

benjtarstisren,bw.benaarstigde, heeft

benaarstigd. Brij veren. Zich betinarstigen, ww. — Benaar stiver, m. (-s1. — Benaars* tiging, v. — Henaarstigster, v. (-s). benaasten. bw. benaastte, beeft be-


ocr page 93

BENE —

n.iast. Naasten. Benaderen.—Benaasting, \. (-c«).

hciBadeelcn, bw. benadeelde, heeft benadeeld. Schade, nadeel toebrengen. — Benadeeler, m. ( s). — Benadeeling, v. (-en). — Be nadeelster, v. (-s).

Igt;ena«lereu, bw. benaderde, heeft benaderd. Naasten. Min of mf er juist uitrekenen. — Benadering, v. (-en), benstmiiif;, v. (-en). Naam. benarren, bw. benarde, heeft benard. (Zeew.) Verwarren. Verlegen maken. In verlegenheid brengen. Benauwen. — Benard, bn. bijw. — Benardheid, v.

benaniven, bw. benauwde, heeft benauwd. In verlegenheid brengen. Bevree-zen. Drukken. Hinderen. — Benauwd, bn. bijw. — Benauwdheid, v. (..heden). — Benauwer, m. (-s). — Benauwing^. (-en).

Igt;eiilt;le, v. (-n). Personen, die hetzelfde oogmerk hebben, of aan denzelfden hoofdman gehoorzamen (gew. in kwaden zin). Eenebende patrijzen : een koppel patrijzen.

Be»«leni:iiiii \E.), 1811-1880, Berlijn. Historieschilder. De Israëlieten in ballingschap te Babylon (183';); De Tocht door de woestijn (1880).

beneden, bijw. Omlaag. Onder. Vz. Onder, lager dan. — Benedenhuis, o. (..zen). — Benedenkamer 1 v. (-s). — Benedenste, bn. — Benedenswinds, bijw. — Benedenwaarts, bijw.

Beneden (Dr. P. van), 1809-1894, Mechelen. Hoogleeraar (Leuven). Anatomie comparée; Poissons et pêche; Com-ntensaux et parasites; La vie animale et ses my ster cs.

benedietie, v. (..ien). Zegening. BenedictiiH (A-), 480-543, Nursia (Italië). Aartsvader der monniken van het Westen. Stichtte de orde der Benedictijnen te Monte Cassino (529). —Benedictijn, m. (-en). — Benedictijner, m. (-s). Lid der orde door den H. Benedictus gesticht. Zie Orde. Deze orde verspreidde zich van Monte-Cassino eerst over Europa, later over gansrh den aardbol. In de IXe eeuw werd zij in verschillende takken verdeeld. Zoo ontstonden deCamadulden, Cisterciën-sers, Olivetanen, enz., die benevens den regel van den H. Benedicms hunne eigene constitutie hadden. De Bent dictijnen waren de bescharers en apostelen van Italië, Spanje, Duitschland, Engeland, Frankrijk, België, enz., de bewaarders van oudheden, kunsten en wetenschappen ten tijde der barbaren. Benevens een overgroot getal heiligen heelt deze 01 de 200 kardinalen en 40 Pausen (Gregorius de Groote. Grego-rius VII, Pius VIL voortgebracht. Beroemde mai nen : H. Petrus Damianus, H. An-selmus, H. Bernardus, Dom. Guéranger, kard. Pitra. Het getal der Zwarte Benedictijn» n bedraagt thars 4295. Zij hebben drie abdijt n in België : Maredsous, Dendermon-de, Affl glt; ;m.

benedU^n, bw. benedijde, heeft gebenedijd Zegenen.

beneenen, bw. beneende, heeft beneend. Ontkennen. Loochenen. — Benee-ning, v.

benemen, bw. bcnam, heeft benomen.

5 — BEOO

Ontnemen. Wegnemen. —Bene ernst er, v, (-s). — Befiemer. m. ( s). — Beneming, v.

benepen,bn.Benard.Verlegen. Hachelijk. Beklemd. (Zeew.) Gestrand. — Benepenheid, v.

benevelen, bw. benevelde, heeft beneveld. Met nevelen omringen. — Beneveling, v. (-en).

benevens, vz. Met. Alsook._ benesialHeli-vnnr, o. Kunstvuurwerk. Mengsel van 20 d. salpeter, 15 d. zwavel, 4 d. zwavelcadmium en 1 d. kool.

bengrel, m. (-s). Klein klokje (inz. op de schepen gebruikt). Onbeschaafde en ruwe jongen. — Bengelen, ow. bengelde, heeft gebengeld. Luiden. De klok doen gaan. — Bengelkruid, o. {Merenrialis). Plantengeslacht, uit de familie der Euphor-biaeeën, welks soorten M. perennis en M. annua op onze velden zoo menigvuldig voorkomen, dat zij onder 't onkruid te rekenen zijn.

benieuwd, bn. Nieuwsgierig. — Be-nieuwen, eenpersw. het benieuwde, heeft benieuwd. Nieuwsgierigheid verwekken.

benUdeu, bw. benijdde, heeft benijd, lem. iets misgunnen. Nijd toedragen. — Benijdenswaardig, bn. — Benij denswaar digheid, v. — Benyder, m. (-s). — Benijding, v. (-en). — Benijdster, v. (-s).

benUpen, bw. beneep, heeft benepen. Beknellen. Overal nijpen.

ISenJainin, 12® zoon van Jacob. Kind, meer dan anderen geliefkoosd. Benkoelen. Zie Sumatra, benoemen, bw. benoemde, heeft benoemd. Eenen naam geven. Aanstellen. — Benoembaar, bn. — Benoembaarheid, v.

— Benoemer, m. (-s). — Benoeming, v. (-en). — Benoemingsbrief}xn.. (..ven).

Benoit (P.), 1834, Harelbeke. Bestuurder der Muziekschool (Antwerpen). VI. componist. Lucifer; De Oorlog; De Schelde; De Rijn. Als schrijver : Verhandeling over de nationale toonkunde (1877).

benoodigd, bn. Noodig. Arm. —Be-noodigdheid, v.

benoorden, Bijw. Naar het Noorden toe. Vz. Ten Noorden (van),

bent, v. Vereeniging van schilders te Rome. Genootschap, vereeniging, partij.

bennebtoren, ow. benuchterde, is benuchterd. Nuchter worden. — Bemich-'ering, v.

benul, o. Begrip ; geen benul van iets hebben.

benuttigen, bw. benuttigde, heeft benuttigd. Nuttig, voordeelig gebruiken. — Benuttiging, v.

beoefenen, bw. beoefende, heeft beoefend. Oefenen. Zich op iets toeleggen. — Beoefenaar, m. (-s, . aren). — Beoefent ing, v.

beoliën, bw. beoliede, heeft beolied. Met olie bestrijken,

beoogreu, bw. beoogde, heeft beoogd. Beschouwen. Bedoelen. — Beooging, v.

beoordoelen, bw. beoordeelde, heeft beoordeeld. Zijn oordeel (over iets) vellen.

— Beoordeelaar, m, (-s, ..aren), — Beoor-deeling, v. (-en).

beoorlogen, bw. beoorloogde, heeft


ocr page 94

- 76 -

BERC

BEPL

beoorloogü. Den oorlog voeren (tegen). Bestrijden. — Beoorloger, m. (-s). — Be-oorloging, v. (-en). , _ ^

beoowtcn. //yw. Naar net Uostentoe. Vz. Ten Oosten (van).

bepaald, bn. bw. Vastgesteld : op het bep.i ild uur toekomen. Gezet: een bepaalde prijs. Beperkt : bepaald verstand. Een bepaalde volzin : volzin, waarvan het onderwerp nader bepaald is. — Bepaaldelijk, bijw. — Bepaaldheid, v. — Bepalen, bw. bepaalde, heeft bepaald. Met palen afzetten. Beperken : zijne driften bepalen. Stuiten ; de loop van dezen stroom werd bepaald. Vaststt Hen : ik zal u eenen dag bepalen. — Bepaler, m. (-s). — Bepalend, bn. Beslissend, af loend : een bepalend bewijs. — Bepalend lidwoord (zie Lidwoord). — Bepaling, v. (-en). Omschrijving. Woorden of uitdrukkingen, die 't onderwerp of 't gezegde bepalen : er zijn bijvoeglijke, bijwoordelijke bepalingen, en voorwerpen. Definitie, vaststelling, aanduiding.

bepstrolcu, bw. beparclde, heeft be-pareld. Met parels versieren.

P

bepollen. bw. bepeilde, heeft bepeild. Peilende bereiken.

bepeinzen, bw. bepeinsde, heeft bepeinsd. Overdenken. —Bepeinzr'ng ,\' ,{-cn).

blt;'plt;'kKlt;^n (Jbepikken), bepel-te, (be-pikte), heelt bepekt (bep.kt). ^let pek be-strijken. — Bepekking, v. (-cn).

blt;K|gt;oi'k«ün, bw. beperkte, heeft beperkt. Afperken. Bepr.len. Intoouen. — Bep-rker, m. (-s). — Beperking, v. (-en). — Beperkt, bn. — Beperktheid, v.

bepiNMon, bw. bepiste. heeft bepist. Bew at eren.

beplak ken, bw. beplakte, beeft beplakt. Plakkende bedekken. — Beplakker,

m. (-s). — Beplakking, v. (-en). — Beplak-sel, o. (-s). — Beplafcster, v. (-s).

beplanken, bw. beplantte, heeft be-plarkt. Van planken voorzien. — Beplanking, v. (-en).

iM'planteu, bw. beplantte, heeft beplant. Met planten bezetten. — Beplanter% m. (-s). — Beplanting, v. (-en).

bepIeiNtereii, bw. bepleisterde, heeft bepleisterd. M« t pleisters beleggen. Met fijne kalk bestrijken. Bewimpelen. — Bepleistering, v. (-en).

bepleiten, bw. bepleitte, heeft bepleit. Met woorden verdedigen. — Bepleiting, v. (-en).

beploeceu., bw. beploegde, heeft beploegd. Mr t den ploeg bewerken. Bevaren: de 2fc beploegen. — Beploegbaar, bn. — Beploegbaarheid, v.— Beploeging,v. (-en).

beplniinen, bw. bepluimde, heeft be-pluia.d Van pluimen voorzien. Met pluimen bezitten.

beplnizen,bw beploos,heeftbeplozen. Uitpluizen. — Bepluisd, bn. Van pluizec voorzien. Met plu s bedekt.

bepoten, bw. bepootte, heeft bepoot. Met poten beplanten. Eenen vijver bepoten, hem met kleine visschen bevolken.— Bepo-üng, v. (-en).

bepraten, bw. bepraatte, heeft bö-praat. Pratende behandelen. Met praten overreden. — Bepraatster, v. (-s). — Be* prater, m. (-s). — Beprating, v. (-en).

beprt'eken, bw. bepreekte, heeft bepreekt. Overreden.

beproeren, bw. beproefde, heeft beproefd. De proel nemen (van). Trachten (naar). Op de proef stellen. Kwellen. — Jiepr oef baar, bn. — Beproejd, bn. — Be* proef der, v. (-s). — Bepr oever, m. (s). — Beproeving, v. (-en).

beraaiiHla^vn, bw. beraadslaagde, 1 eeft beraadslaagd. Te rade gaan. Over-leggen. — Beraad, o. Overleg. — Beraad-slager, m. (-s). — Beraadslaging, v. ( en).

b«'rsi«l, bn. Gemakkelijk voortrollende (van rijtuigen).

beraden, [zich), ww. beried zich, heeft zich beraden; ook, beraadde zich. In beraad nemen. Zich weder beraden ; van besluit veranderen.

beraden, bn. Bezonnen. Bedachtzaam

— Beradenheid, v.

beramen, bw, beraamde, heeft beraamd. Or.twerpen. — Beraamster, v (-s|.

— Beraf.ier, m. ( s). —Beraming, v, (-en). BOranjrer (P. J. de), 1780-18 ,7, Parijs.

Fransch volksdichter.

berapen, bw. beraapte, heeft beraapt. Bepleisteren.

berberl», v. (-sen). Vrucht van den berberissestruik. — Berberissestgt; uik, rn. (-en). {Berberis 7'ulgarts.) Behoort tot de berb. rideen. Komt bij ons in 't wilde en niet zelden ia de tuinen voor. Geelt roode, zure bessen.

Ifiereliem (Ar.), 1620-1683. Haarlem. Landschapschilder.

KereltinaiiH (J-), 15)9-1621, Diest. Novice di^rs ciëteit J« sus. Heilig verklaard door Leo XIII (1888). Toonbeeld van godsvrucht en zuiverheid.


ocr page 95

BERG — :

Bcrlt;gt;kcn {L.), Brujge. Uitvinder van het diamantslijpea (1476).

IScrlt;*blioylt;1cii 10 (^.)» 1610-1693; 2° (G.), 1638-1698, Haarlem. Gebroeders. Schilders van stadsgezichten.

berd, o. (-en). Plank. Bord. Tafel. Te berde brengen : ter sprake brengen.

bcreolilcn, bw. brrechtte. heeft berecht. Verkoopen (in winkels). De klanten helpen. lem. berechten: hem de Sacramenten der stervenden toedienen. — Be-rechter, m (-s). — Berechting, v. (-en).

— Berecht ster, v. (-s).

beroddcreu, bw. beredderde, heeft

beredderd. In orde stellen. — Beredde-raar, ra. (-s). — Bereddet-aarster, v. (-s).

— Bereddering, v. (-en).

bereden, bn. Bereden, geoefend ruiter. De bereden korpsen : paardenvolk.

beredeneeren, bw. beredeneerde, heeft beredeneerd. Bepraten. — Beredeneerd, bn.

beregenen, beregende, heeft en is beregend. Bw. Regenen (op of over). Ow. (zijn). Door den reg^n bevochtigd worden.

bereiden, bw. bereidde, heeft bereid. Gereedmaken. — Zich hrvidrn, ww. Zich voorbereiden. —Bereide*', m. ( s). — Bereiding, v. (-en). — Bereids, bijw. Reeds.

— Bereidsel, o. (-en, -sK— Beleidster,y. (-s). — Bereidvaardig, bn. ^ —■ Bereidvaardigheid, v. — Bereidzvillig, bn. bw.

— Bereidwilligheid, v. _

bereiken, bw. bereikte, heeft bereikt.

Komen, genaken (tot). Verkrijgen. — Bereik, o. Omtrek, welken men bereiken kan.

Bereikbaar, bn. — Bereikbaarheid, v. Bereiking, v. _ , r , -

bereizen, bw. bereisde, heeft bereisd. Doorreizen. Reizende bezoeken. — Bereisd, bn. Veel gereisd hebbende.

berekenen, bw. berekende, heeft berekend.Uitrekenen. Door rekenen bepalen. Waardeeren. — Berehenaar, ra. (-s). — Berekenbaar, bn. — Berekening, v, (-en).

RerensTAriiiK, gq8 xo88, Tours. Klassiek geleerde en ketter.

berennen, bw. berende, heeft berend. (Eene vesting) omsingelen, insluiten. — Berenner, ra. (-s). — Berenning, v. (-en).

beren f en, bw. berentte, heeft berent. Bezwaren met eene rente.

bersr, ra. (-en). Aanmevkeliikelverheven-heid van de oppervlakte der aarde. Groote zwarigheid. Hinderpaal. lera. gouden ber-

Sen beloven, schoonschijnende beloften oen.en beloven, schoonschijnende beloften oen. Berg van barmhartigheid: inrichting, waarbij men op pand en tegen interest geld leent. — Bergachtig, bn. — Bergachtigheid, v. — Bergaf, bijw. — Berggeest, m. (-en). Kabouter. — Berggeit, v. (-en). Geras — Berghout, o. ( en). Zware, boven de overige uitstekende planken, welke het schip in de lengte omgeven. — Bergketen, v. (-s). Aaneenschakeling van bergen. — Bergmannetje, o. ( s). Kabouter. — Bergop, bijw. — Bergrede, v. Rede. door Jezus op den b -rg gehouden, beginnende met de acht zaligheden.

bergAinot , v. (-ten). Welbekende peer. bergen, bw. borg, heeft geborgen.

' — BERN

Redden. Bewaren. In veiligheid brengen. Reven : de zeilen bergen. Zich bergen, ww. Wegloopen. — Berger, ra. (-s). — Berggeld, o. — Berging, v. — Bergloon, o. en ra. (-en). — Bergplaats, v. (-en). — B ergst er, v. (-s).

Beremann (/4.), 1835-1874, Lier. Advocaat. (Tony). Ernest Staes, advocaat (Schetsen en Beelden, 1874, bekroond).

berielit', o. (-en). Verhaal. Tijding. Kennisgeving. — Berichten, bw. berichtte, heeft bericht. Kennis geven (van). Aankondigen. — Berichter, ra. (-s). — Be-richtster, v. (-s).

berieken, [beruiken), bw. berook, heeft beroken. Aan iets rieken. Onderzoeken.

berUden. bw. bereed, heeft bereden. Rijden (op of over), — Berijdbaar, bn. — Berijder, ra. (-s). — Berijdster, v. (-s).

berUmen. bw. berijmde, heeftberijmd. In of op rijm brengen. — Berijmer, ra. (-s).

— Berijming, v. (-en). — Berymster, v. (-s).

beril (-len), ra. (steen) ; o. (stof). Doorzichtige steen van geelachtig groene of zeegroene kleur.

bevimjielen, ow. berimpelde, is be-rirapeld. Met rimpels bedekken.

beringen, bw. beringde, heeft beringd. Van eenen ring voorzien. Met eenen ringdijk omgeven, — Bennging, v,

Beriot (C. A lt;/lt;), 1802-1870, Leuven. Een der uitstekendste vioolspelers van onzen tijd,

beriapen, bw. berispte, heeft berispt. Laken, Bekijven Beknorren. — Berispelijk, bn. bijw. — Berispelijkheid, v. — Berisp er, m. (-s). — Berisping, v. (-en).

— Berispster, v. ( s).

berk, ra. (-en) Plantengeslacht tot de familie der betulaceën behoorende. Ge-meene of blanke berk : hetula alba. Zacht-haripe berk : b. puhescens of b. odorata. Populier-berk r b. pnpuh folia. N.-Araerik. berk : b. excelsa. Taaie of roode berk : b. lenta. Zwarte berk. Fraaie treurberk. Dwergberk. — Berkeboom, ra. (-en). — Berkemeiers m. ( s). Drinkbeker uit een berketak vervaardigd. — Berken, bn. — Bcrkenbast, ra. (-en,. — Berkenhout, o.

— Be* kenhouten, bn.

berkoen, ni. (-en). Soort van dwarsbalk.

KerlUn, 1,315.000 Hoofd- en residentiestad van Pruisen en het Duitsche rijk.

berlUnHeli-blnutv, o. Bekende blauwe kleurstof.

Iterlioz (//.), 1803-1869, Cote-Saint-André. Fr. toondichter. Damnation de Faust (1846); Les Trovens a Carthage (1863).

berm, ra. (-en). Zie Barra (2® art). Bern, Kanton (Zwitserland). 123 vierk. geo^r. raijl. Hoofdstad des kantons en der confederatie. 36,000 inw.

Bernufgie (Z3.), 16^6-1699, Breda. Geneesheer en tooneelspeldichter.

Beriiar«l (C.), 1813-1878, S. Julien. (Rhone). Fr. pbysioloog. Lemons de physio* log ie expériment ale (1850).

Beruardlu de Saint-Pierro (^.


ocr page 96

BERO —

//.), 1737-1814, Havre. Fr. schrijver. Voyage a Vile de France (1773); Paul et Vir-ginie (1788).

ISornstrdiiH (A.), 1091-1153. Fr. monnik. Stichtte de abdij van Clairvaux en predikte den 2a kruistocht. Zie Qrde._ — Bern ar dijn, m. (-en). — Bernardyne, v. (-nU

eslt;-riiiiii (G. Z.), 1598-1680, Napels. It. beeldhouwer, schilder en bouwmeester.

Bornouilll. Naam door groote wiskundigen gedragen. 10 (Jacobs, 1654-1705, Bazel (Zwitserl.); 20 (Johan), 1667-1748, Bazel, broeder van den voorgaande. Uitvinder van calculus exponentialis (1697).Vond de integraal-rekening uit.

bcnroemd, bn. Vermaard. — Beroemdheid, v. (..heden). — Beroemen, {zich), ww. beroemde zich, heeft zich beroemd. Roem dragen (op). — Beroemer, m. (-s).

— Beroeming, v.

beroepen, bw. beriep, heeft beroepen. Roepen om verstaan te zijn. Bijeenroepen. Benoemen. Aanstellen. Zich beroepen,vr\v. Zich op iem. of iets beroepen. Zich van een vonnis op eene hoogere rechtbank beroepen. — Beroep, o. (-en). Bedrijf. Handel. Ambacht. Benoeming (tot hoogleeraar, enz.). Inroeping,(van).(Recht.) Beroep aan-teekenen. In beroep gaan. Hof van beroep Beroepbaar, bn. — Beroepbaarheid, v. — Beroeper, m. ( s). — Beroeping, v. (-en).

— Beroepsbezigheid, v. (..heden). — Beroepsbrief, m. (..ven). — Beroepshalve, bijw. — Beroepsplicht, m. en v. (-en).

beroeren, bw. beroerde, heeftberoerd. Aanraken. Onklaar maken : het water beroeren. Verontrusten. Ontstellen. — Beroerd, bn. bijw. Door eene beroerte geslagen. Onsteld. Verward. Oproerig. — Beroerdeling, m. (-en). Beroerde kerel. Ellendeling. — Beroer dei-, m. (-s). Onruststoker. — Beroerdheid, v. Verlamming, (..heden). Jammerlijke toestand. — Beroe-ring, v. (-en). Onlusten. — Beroerster, v. (-s). — Beroerte, v. (-n). Verlamming. Beroerten : onlusten. De beroerte-raad werd door Alva ingericht om de laatste onlusten in Nederland te onderzoeken. Zoo streng waren de vonnissen, dat het volk hem bloedraad noemdo. De prins van Oranje en andere vluchtelingen werden voor dezen raad gedagvaard en bij verstek veroordeeld tot eeuwige ballingschip, met verbeuring van al hunne goederen. De graven Egmont en Hoorn werden ter dood varwezen en te Brussel ontho®fd (1568).

beroerten, ow. beroestte, is beroest. Met roest bedekt worden. — Beroesting, v.

berokkenen, bw. berokkende, heeft berokkend. Verwekken. Op den hals halen.

— Berokkenaar, m. (-s). — Berokkenaar-ster, v. (-sgt;. — Berokkening, v.

berooid, bn. Arm. Uitgeput. Wanhopig. — Berooidheid, v.

berooken, berookte, heeft berookt. Bw Met rook laten doortrekken. Bewie-rooken. Ow. {hebben) Met rook bedekt of doortrokken worden. — Berooking,\. (-en).

berooven, bw. beroofde, heeft be-roofid. Met geweld ontnemen. — Beroof-

8 — BESC

ster, v. (-s). — Beroover, tn. (-s). — Ber coving, v. (-en).

berouw, o. « Leedwezen over de zonden, door dewelke wij de goddelijke majesteit en goedheid vergramd hebben, met een vast voornemen van dezelve te biechten en ons te beteren. gt; Het berouw i» volmaakt als het voortkomt uit eene vol-, maakte liefde tot God; onvolmaakt, als het voortkomt uit eene onvolmaakte liefde tot God. Leedwezen (in 't alg.) — Berou-Tuen, eenpersw. berouwde, heeft berouwd. Berouw hebben (over). — Berowiuheb-bend, bn.

berrie, v. (-s). Tuig om iets te dragen. Draagbaar.

berNt, m. en v. (-en). Zie Barst. — Bersten. Zie Barsten.

liertbelot {M. P. E.), 1827, Parijs. Scheikundige. La synthese chimique (1875).

Berfbollet {C. L. graaf van), 1748-1822, Talloire (Savoye). Scheikundige. Description dn blachimentpar V acide muria-tique oxygène (1795) •

Berfken (van Utreclit). Kloosterlinge, om hare levendige, gevoelige en schilderachtige geestelijke liederen betend. (Einde der XIII0 eeuw).

Ifiertrand (//. G.), 1773-1844, Chateau-roux. Fr. generaal. Metgezel van Napoleon gedurende zijn ballingschap.

bernebl, bn. bijw. Vermaard. Bekend, (altijd in slechten zin). Te slechter naam en faam — Beruchtheid, v.

beruiken, bw. berook, heeft beroken. Berieken.

berusten, ow. berustte, heeft berust. In bewaringzijn : wat bij hem berust, is in veiligheid. Blijven laten : wij zullen het daarbij laten berusten.Onder iemands hoede zijn : alles berust op hem. Zich bevredigen ; in uwen raad zal ik berusten. — Berusting, v.

beryllium, o. Kristalvormigmineraal, waarvan de beste soorten als edelgesteenten worden aangemerkt.

bes, v. (-sen).Vleezige of saprijke vrucht, wier zaden niet door een hardescuaal, maar door een perkamentachtig vlies of door 't vruchtmoes zelf omgeven worden. — Bes-seboom, m. (-en). — Bessengelei, v. (-en).

— Bessenjenever, v. en m. — Bessennat, o. — Bessenrist, v. (-en). — Bessensap, o. (het sap der bessen); v. (toebereide drank).

— Bessentros, m. (-sen). — Bessenvla, v, (-as).— Bessenwijn, m. — Bessenstruik, m. (-en).

beHauMen, bw. besauste, heeft besaust. Met saus overgieten. — Be sausing, v.

befteliaamd, bn. bijw. Bedeesd. Verlegen. — Beschaamdheid, v. — Beschamen, bw. beschaamde, heeft beschaamd. Beschaamd maken. Schaamte veroorzaken. Teleurstellen. — Beschaming, v.

beschadiuen, bw. beschadigde, heeft beschadigd. Schade toebrengen. Iem. metterdaad hinderen of benadeelen. — Be-schadiger, m. (-s). — Beschadiging, v. (-en). — Be scha dig ster, v. (-s).

besehaduTven, bw. beschaduwde, heeft beschaduwd. Met schaduw betee-kenen. — Beschaduwing, v.


ocr page 97

BESC — ;

beftdiausen, b\v. beschanste, heeft bescbanst. Met eene schans omzetten. — Beschansing, v. (-en). , . , . .

beNcbsiren, bw. bescbaarde, heeft bescbaard. Ontfutselen. Heimelijk wegnemen. — B e schaar der, m. ( s). — Be-schaar ster, v. {-%).—Bescharinz, v. (-en).

bcftlt;*b2«voii, bw. beschaafde, heeft beschaafd. Effen maken met de schaaf. Verbeteren. Beleefd, gemanierd maken. Onderrichten. — Beschaafd, bn. bljw. — Beschaafdheid, v.— Beschaver, m. (-s).

— Beschaving, v. (-en).

b^MOlicfd, o. (-en). Antwoord : wat bescheid hebt gij meegebracht? Bericht. Bewijsstuk. Geschreven stuk. Bescheid doen ; iemands dronk beantwoorden.

beMolieidcu, bw. bescheidde, heeft bescheiden. Ergens bestellen. Vaststellen. Bepalen ; gij moet den tijd bescheideu. Ontbieden. Besluiten. Antwoorden.

beMCbeirteu, bn. Bepaald. Ingetogen. Inschikkelijk. Zedig. Beleefd. — Bescheidenheid, v. — Bescheidenlek, bijw.

be»»clicm*ren, bw. ow. beschcmerde, heeft en is bescbcmerd. Mei schemering bedekken. Schemerend verlichten.

bcHchenkcn, bw. beschonk, heeft beschonken. Begiftigen. Geöchenkcn geven. Dronken maken. — Beschenking, v.

ItcM^bcrelle {L.N.), 1S02-1884, Parijs. Bibliothecaris (Lonvre). Grand diction-ftaire critique de la langue franf. (met Pons, 4® druK 1872). •

beweliereu, bw. bescboor, heeft beschoren. Rondom afscheren. — Besche. ring, v.

bcHCbcnucu, bw. beschermde, heeft beschermd. Eenen scherm plaatsen tusschen ons en iets, dat ons zou kunnen hinderen. Een beletsel zetten tegen het kwaad. — Beschermeling, m. en v. (-eni. — Beschermelinge, v. (-n). — Beschenneugel, m. (-en). — Beschermer, m.( s). — Beschermgeest, m. (-en). — Beschermgod, m. (-en).

— Beschermgodin, v. (-nen). — Be-schermhee-'- m. (-en). — Beschermheilige, m. en v. ^-n). — Bescherming, v. (-en). — Beschermster, v. (-s).

beitoliictcii, beschoot, heeft beschoten. Bw. Op iets schieten : eene versterking beschieten. Door schieten beproeven : een kanon beschieten. Schietend bereiken : kunt gij die hoogte beschieten? Ter eere van iem. schieten. Met planken bekleeden : eenen zolder beschieten. Ow. (hebben) Vorderen : dit werk beschiet niet. Toegaan, sluiten : zijne oogen beschieten (van vaak). Beteekenen : dit beschiet niet veel. Z^ad of graan voortbrengen (sprekende van akkervruchten) : de tarwe beeft dit jaar weinig beschoten. — Beschieting, v.

bencbQiieu, bw. bescheen, heeft beschenen. Op ietsscbynen. — Beschyning,\', besoliQteu, bw. bescheet, heeft bescheten. Bevuilen. Bedriegen.

bencblkkeii, beschikte, beeft beschikt. Bw. Bezorgen. Zenden. Besturen. In orde brengen. Regelen. Zijne zaken beschikken: zijn testament maken. Ow. {hebben) Naar welgevallen gebruiken : over iem. of iets beschikken. Een minderjarige kan niet

) — BESI

beschikken. — Beschik, o. — Beschikal% m. en v. (-len). — Beschikbaar, bn. — Beschikbaarheid, v. — Beschikker, ra. (-s). — Beschikking, v. (-en.) — Beschikster, v. ( s).

bottebildcren, bw. beschilderde, heeft beschilderd. Verven. Kleuren. Beprikken.

— Beschildering, v. bcRCbinim«loii,ow- beschimmelde, is

beschimmeld.Met schimmel bedekt worden.

— Beschimmeld, bn. M-t. schimmel bedekt. Verlegen. Beschaamd. — Beschim-meldheid, v. — Beschimmeling, v.

bcacbiiiipcu, bw. beschimpte, heeft beschimpt. Uitschelden. Belasteren. — Be-schimper, m. (-s). — Beschimping, v. (-en). — Beschimpster, v. (-s).

bcftvbocicu, bw. beschoeide, heeft beschoeid. Met schoeiingen omringen (eenen waterkant). — Beschoeiing, v. (-en).

bcsobonkeii, bn. Begiftigd (met). Dronken. — Beschonkenheid, v.

bcNoborcn, bn. Voorbehouden. Bestemd. Toegedeeld.

boHcbot, o. (-ten). Houten bekleedsel. Afscheiding van planken. Opbrengst van zaad of graan.

wen, bw. beschouwde, heeft beschouwd. Oplettend aanschouwen. Bezien. Overwegen. — Beschouiuelyk, bn. — Beschouwenswaardig, bn. — Beschou-7ver, m. (-s). — Beschouwing, v. (-en). — Besc hou ivster, v. (s).

iM^MCbrcicn, bw. beschreide, heeft boschreid. Beweenen. — Beschreielyk, bn.

— Beschreienswaardig, bn. — Be-schreier, m. (-s). — Beschreiing, v.

be.lt;K'bt'ült;Ilt;kii, bw. beschreed, heeft beschreden. Schrijlings (op iets) gaan zitten. Overschrijden.

boflcbrljveii, bw. beschreef, heeft beschreven. Vol schrijven. Op papier brengen. Vormen trekken : eenen cirkel beschrijven. Schriftelijk verhalen. SchrifteWjk samenroepen. — Beschrijfster, v. (-s). — Beschrijver, m. (-s). — Beschrijving, v. (-en). Levendige voorstelling van een tooneel, een landschap, enz. Samenroeping. Signalement. — Beschryvingibtljet, o. (-ten). Papier, waarop de belastingschuldige het belastbare getal deuren, enz. moet invullen.

bescbroomd, bn. bijw. Bevreesd. Verlegen. — Beschroomdheid, v. bcnobait, v. (-en). Tweebak l»«»*chuld i gen .bw,beschuldigde, heeft beschuldigd.Schuldig verklaren. Aanklagen.

— Beschuldigde, m en v. (-n). — Beschut-dige* s ra. (-s). — Beschuldiging, v. (-en).

— Be schuldigster, v. (-s).

besobutten, bw. beschutte, heeft beschut. Beschermen (Beschermen bier versterkt, voorgesteld). — Beschutsel, o. (-s).

— Beschutsheer, m. (-en). — Beschutster, v. (-s). — Beschutsvrouw, v. (-en). — Beschutter, m. (-s). — Beschutting, v. (-en).

bcsoflen, bw. besefte, heeft beseft. Vatten. Begrijpen. — Besef, o. — Beseffe-loos, bn. — Beseffeloosheid, v. — Beseffing, v.

besluselcn, bw. besingelde, heeft


ocr page 98

BESM — f

besingeld. Van singels voorzien. Omsingelen. — Besvigeling, v.

benlitatu, besloeg, heeft en is beslagen, Bw. Met den banier om- of aanslaan : paarden beslaan. Vermengen : verfwaren beslaan. Eene plaats bekleeden : eene plaats beslaan. Bevatten : dit werk beslaat xooo bladzijden. Innemen f ruimte) : deze kas beslaat te veel plaats. Ow. {zij*) Aanslaan, verduisteren : de ruiten zijn beslagen van den damp.

bcfilabberon, bw. beslabberde, heeft beslabbf rd. Zich bij het eten bemorsen. — Beslabberaar, m. (■ — Belt;:labbe*-ing, v.

o. Het beslaan van goederen : in beslag nemen,beslag op iets leggen. Dat, waar iets mede beslagen is : het beilag van een wiel. Mengsel : meelbeslag. Aanhouding, arrest. Snoevende taal of winderige manieren : hij maakt te veel beslag. — Beslagmaker, m. (-s^. Windmaker.

bw. besliep, heeft beslapen. Op iets slapen : ik heb dit bed nog niet beslapen. Zich op iets beslapen : eenen nacht la.en voorbijgaan,alvorens een besluit te nemen. — Beslaping, v.

beMlci'liten, bw. beslechtte, heeft beslecht. Verrffenen. Bijleggen. — Beslech-ter, m. (-s). — Beslechting, v. (-en). — Beslechtster, v. (-s).

boHlUkcn, bw. beslijkte, heeft beslijkt. Bemodderen. — Beslykinq, v.

beHlUpen, bw. besleep, heeft besiepen. Rondom slijpen. Besiepen oordeel : scherp oorde 1.

boNliKHcn, bw. besliste, heeft beslist. Beslechten. — Beslisseud,hn. — Bes/isser, m. ( s). — Beslissing, v. (-en). Uitspraak. Vonnis. Voltooiing.

benloni mcrvn, bw. beslommerdc, beeft beslommenl.Verwarrcn. Zich b'^lom-meren, ww. Zich met allo verwarde zaken ophouden. — Beslommering, v. (-en).

boftlooteii.bw. besloolte, heeft besloot. Met slooten omringen. — Beslooting, v. (-en).

besloten, bn. Omheind : besloten hot'. Gesloten: besloten tijd. Verboden: besloten jacht. Besloten vergadering.

beHlnipen.bw. besloop,heeft beslopen. Sluipend overvallen. — Besluiper, m. (-s).

beNliiiten, bw. besloot, heeft besloten. Vervatten. Eindigen • zijne rede besluiten. Een besluit nemen : wat hebt pij besloten? Een gevolg trekken : wat is er uit t- besluiten? Vaststellen : hebt gij dit a'zoo besloten? — Besluit, o. (-en). Einde. Slot Btslissing. Conclusie. Decreet. — Besluiteloos, bn. bijw. — Besluiteloosheid, v. — Besluiting, v.

be«iuei*lt;kii, bw. besmeerde, heeft besmeerd. Met smeer of eene andere kleverige stof bestrijken. Bezoedelen. Bemorsen. — Besmeerder, m. (-s). — Besmeerster, v. (-s». —Besmering, v. (-en).

be«itielt;t#»ii.bw.besmette, heeft besmet. Bemorsen. Bezoedelen. Besmetten (met) : smets'of, venijn, enz. mededeelen. — Besmet ster, v. (-s). — Besmettelijk, bn. — Besmettelijkheid, v. (..heden). —Besmet-ier, m. (-s)--Besmetting, v. (-en).

i — BESP

beiimearen, bw. besmeurde, heefc besmeurd. Bevlekken. Bezoedelen.

benmokkelen, bw. besmokkelde, heelt besmokkeld. Besmeuren. — Bestnok-keling, v.

ben mui «teren, bw. besmuisterde, heeft besmuisterd. Besmeuren.

bemiuren, bw. besnaarde, heeft besnaard. Van snaren voorzien.

bennsamp;u^Ten, bw. besnauwde, heeft besnauwd. Snauwend bejegenen.

befuieen wd, bn. M« t sneeuw bedekt. befinOlt;len, bw. besneed, heeft besneden. Door snijden kanten, hoeken, enz. afnemen. De voorhuid wegnemen. — Besneden, bn. — Besnijdenis, v. — Besnijder, m. (-s). — Besnijding, v. (-en).

besnoeien, bw. besnoeide, heeft besnoeid Snoeiende afnemen. Verminderen.

— Besnoeibaar, bn. — Besnoerfér, m. (-s).

— Besnoeiing, v. (-enh bennoeren, bw. b^snoerde, heeft be-

snoerd. Met snoeren bezetten. — Besnoe-ring, v.

beaimfTelen, bw. besnuffelde, heeft besnufleld. Snuffelende berieken. Door-snuttelen. — Besnuffeling, v. (-en). IteMoeki. Zie Java.

beHOfirne, v. (-s). Zaak. Aangelegenheid. — Besogneeren, bw. besogneerde, heeft gebesogneerd. Zaken behandelen.

besominen, bw. besomde, beeft be-somd. Opbrengen.

b«*«|(3tnnen, bw. bespande, heeft bespannen. Aanspannen. Omspannen. Over--spannen. — Bespanning, v. (-en).

be«|i2iren, bw. bespaarde, heeft bespaard. Sparende behouden. Uitwinnen. Noodeloos maken. Achterwege laten. — Be spaar der, m. (s). — Bespaarster, v. (-s) — Besparing, v. (-en).

beftpatten. bw. bespatte, heeft bespat. Spattende bevlekken. — Beséatting, v.

lMgt;Hpeliken, bw. bespekte, heeft be-spekt. Met spek besteken. Vol steken met spek. — Bespekking, v.

boHpelen, bw. bespeelde, heeft bespeeld. Spelen (met of op). — Bespeelster, v. (-s).— Bespeler, m. (-s).— Bespeling, v.

beHpenreu, bw. bespeurde, heeft bespeurd. Bemerken. — Bespeurder, m. (-s). Bespeuring, v.

bekpioilen, bw. bespiedde, heeft bespied. Beloeren. — Bespieder, m. (-s). — Bespieding, v. (-en).— Bespiedster, v. (-s).

bespiegelen, bw. bespiegelde, heeft bespiegeld. Eenen spiegel houden (over). Met den geest beschouwen. — Bespiegeling, v. (-en).

bespikkelen, bw. bespikkelde, heeft bespikkeld. Met spikkels overdekken. — Bespikkeling, v. ( en).

bespitten, bw. bespitte, beeft bespit. Met de spa bearbeiden.

bespoefiieen, bw. bespoedigde, heeft bespoedigd. Verhaasten. Bespoediging, v.

bespoelen, bw. bespoelde, heeft be-spoeld. Spoelen (tegen). Bevochtigen. — Bespoeling, v. (-en).

bespotten, bw. bespotte, heeft bespot. Den spot drijven (met). — Bespotster, v. (-s). — Bespottelijk, bn. bw. — Bespotte-


ocr page 99

BEST — 8

hjkheid, v. (..heden). — Bespotter, m. (-s).

— Bespotting,v. (-en).

bespmsiltl, bn. Goed ter talc. Vlug

kunnende spreken. — Bespraaktheid, v.

bcHprok, o. Mondelinge onderhande-ling. — Bespreken, bw. besprak, heeft besproken. Over iets spreken. Bestellen, voorbehouden : eene plaats ergens bespreken. Toezeggen, vermaken ; hij testament bespreken. Bezweren : den duivel bespreken.— Bespreking, v. {-en).

beftprcnircn, bw. besprenpde, heeft bespren^d. Sprengende bestrooien. Be-vorhtiecn. — Bfsprenting, v. (-on).

bepproiikt'len , bw. besprenkelde, heeft beprenkeld. Besprengen. Bespikkelen. — Besprenkeling, v. (-en).

bw. besprong, heeft besprongen. Springende bereiken. Op iets springen. J\anrarden. Onverhoeds aanval-!( n. — Bespringer, m. ( s). — Bespringing, v. (-en).

be»l»rool«n, bw. besproeide, heeft besproeid. Sproeiende begieten. — Besproeiing, v. (-en).

beMpiie^n» bw. hespoog, heeft bespo-gen. Bespuwen. — Bespuging, v. (-en).

b4'*i|gt;iiilt;eii, bw. bespoot, heeft bespoten. Spu ten 'op). — Sespuitifig, v. (-engt;.

bottpiiwen, bw. bespuwde, heeft bespuwd. Spuwen (op). — Bespuwing, v. (..en).

{y. IV.), 1784-1846, Minden. Duitsch sterrenVundige.

bo.*(. bn. l ijw. Overtr. trap van goed* Uitmuntend. Voortreffelijk. Hij kan het er best 'zeer goed» mee doen. Op zün best: nauwelijks, ternauwernood. — Best, o. Voordeel. Nut. Wel vaart. Ten be^te geven : voordragen (een vers, enz.). Trakt-eren (op). — Best, v. (-en). Oude vrouw. — Bestekamer, v. (-s). Heimelijk rema,jr. — Bestemaat, m. (-s). Makker. Vriend. — Bestemoer, v. (-s). Overgrootmoeder. — Best' vnar, m. (-s). Overgrootvader. Oud mannetje,

beKlstsm. bestond, heeft bestaan. Bw. Ondernemen.Wagen : durft gij dat bestaan? Ow. In wezen zijn : dat bestaat lang. Bestand zijn ; wie zal er voor mij bestaan. Sameneesteld zijn : geheel zijn rijkdom bestaat in huizen. Zoo of zoo zijn : gij bestaat zoo niet. Plaats grijpen : dat kan niet bestaan. Leven : hij kan daar niet van bestaan.

— Bestaan, o. Aanwezen : bet bestaan ran God bewijzen. Middelen om te leven : hij heeft een goed bestaan. Onderneming : het was een stout bestaan. — Bestaanbaar, bn. Mogelijk. — Bestaanbaarheid, v.

boHtsftkt'ii, bw. bestaakte, heeft be-staakt. Met staken om- of afzetten. — Best aking, v. ( f n^.

blt;gt;Mlt;s(iilt;l,o Wapenstilstand Wvttivaalf-Jnrig bestand werd door bemiddeling van Fi ankrijk en Engeland tusschen Spanje en N« derland getrofft-n (1609-1621).

beststnd, bn. Vermogend; hij is tegen de verzoeking niet bestand.

beH(»iilt;llt;leel, o. (-en). Samenstellend gedeelte. Hoofdstof. Grondstelling.

bestedon, bw. besteedde, heelt besteed. Aanbesteden ; een kind besteden.

— BEST

Uitgeven : wat hebt gij daar voor besteed? Gebruiken : zijnen tijd wel besteden. — Bestedeling, m. en v. (-en). — Bestedeling, v. (-n). — Besteder, m. (-s). — Besteding, v. (-en). — Besteedster, v. (-s).

bestek, o. (-ken). Ruimte. Omvang. Ontwerp en zijne beschrijving. (ZeewA Aanteekening van den koeis.

beHteken, bw. bestak, heeft bestoken.-Steken (in, met spelden, enz.). Steken (op). Met iets bedekken of versieren. Vooraf beramen. lem. besteken, hem een geschenk aanbieden op zijn naam- of verjaardag. — Besteek, m. (..eken). Geschenk bij een naam- » f verjaardag gegeven. — Besteek-band, m. (-en). — Besteeksel, o. (-s). — Besteekster, v. (-s). — Besteker, ra. (-s), Besteking, v. (-.en)

bestel, v. (-len). Eene soort van beschuit, bewteleii, bw. bestal, heeft bestolen. Door stelen ontvreemden. — Besteling, v.

bestollen, bw. bestelde, heeft besteld. Ontbieden. Last geven om iets te maken. Voorbehouden : eene plaats bentellen. Bezorgen : eenen brief bestellen. Ordenen, beschikken. Aan het verlangde helpen in eenen winkel. — Bestel, o. Bestuur. Leiding. — Bestelgeld, o. — Bestelgoed, o. (-eten). — Bestelhuis,o. (..zen). — Bestel-kantoor, o. (..oren). — Besteller, m. (-s).

— Bestelling, v. (-en). — Bestellingslystr v. (-en). —Bestels ter, v. (-s).

bestol pen, bw. bestelpte, heeft bestel pt. Overladen.

be*tem nien, bw. bestemde, heeft be-«temd. Rij stemming vaststellen. Beramen. Vaststellen : op bestemden tijd. Bepalen : best' mde plaats. — Bestemming, v. (-en). Het bestemmen. Lot.

be«teinpelen, bw. bestempelde, heeft bestempeld. Met eenen stempel merken. Eenen naam geven. — Bestempeling, v. (-en).

be.HteiKlleren, bw. bestendigde, heeft bestendigd. Duurzaam maken. — Bestendig, bn. bijw. — Bestendigheid, v. — Bestendiging, v. — Bestendigly'k, bijw.

besterven, bestierf, is bestorven. Ow. Opdrogen : het metselwerk laten besterven. Bleek worden : hij was bestorven als een dorde. Het woord bestierf op zijne lippen. Bw. Van iets sterven : hij zal dien schrik besterven.

bestevenen, bw. bestevende, heeft bestevend. Koers zetten (naar).

bestier, o. Zie Bestuur. — Bestieren, bw. bestierde, heeft bestierd. — Bestierder, m. (-s). — Bestiering, v. (-en).

bestdt»engt; bw. besteeg, heeft bestegen. Op iets stijgen. — Bestijging, v. (-en).

bestippelen, bw. bestippelde, heeft bestipprld. Met stippels bedekken. — Be-stlp peling, v.

bestippen, bw. bestipte, heeft bestipt. Met stippen bedekken. — Bestipping, v. (-en).

bestoken, bw. bestookte, heeft bestookt. Beschieten, aanvallen : eene vesting bestoken. Verontrusten, benauwen. — Bestoker, m. (-s). — Bestoking, v. (-en). —-Bestookster, v. (-s).

bestoppen, bw. bestopte, heeft be-


ocr page 100

BEST — 8

■stopt. Rondom stoppen. — Besfopptng, v.

boMiormoM, bw. bestormde, heeft bestormd. Storm loopen (op). Kwellen. — Bestormer, m. (-s). — Bestorming, v. (-en).

tx'slortcii, bw. bestortte, heeft bestort. Op iets storten. Stortende nat maken. — Bes tot ting, v. ( en).

bcstorvou, bn. bijw. Bleek. Ouderloos : een bestorven kind.

bcMtovcn, bn. Met stof bedekt. Half dronken.

Ix^Mtruflen, bw. bestrafte, heeft bestraft. Berispen. Bekijven.— Bestraffelijk. bn. bijw. — Bcstraffelykheid, v. — Be straffer, m. (s-). — Bestraffing, v. (-en).

— Bestrafster, v. (-s).

bw. bestraalde, heeft bestraald. Stralen op iets werpen. — Bestra-ling, v. (-en).

bestraten, bw. bestraatte, heeft bestraat. Met straatsteenen beleggen. — Bestrating, v. (-en).

be.strUdeu, bw. bestreed, heeft bestreden. Strijden (tegen). Aanlokken : door den duivel bestreden worden. Iemands meening weerleggen. — Bestrijder, ra. (-s).

— Bestrijdster, v. (-s). — Bestrijding, v. (-en).

beHtrUken,bw. bestreek, heeft bestreken. Strijken (over of op). Onder het bereik hebben. — Bestrijking, v. (-en).

beMf i'ilcUen, bw. bestrikte, heeft be-strikt. Met strikken omzetten, versieren. — Best rik king., y.

bestrooien, bw. bestrooide, heeft bestrooid. Vol strooien. — Bestrooiing. v. (-en).

befitrniven, bw. bestruifde, heeft be-struifd. Bevlekken met struif. Bedriegen.

bestnileeren, bw. bestudeerde, heeft bestudeerd Vlijtig nazien. Beoefenen.

beNtni ven, bestoof, heeften is bestoven. Bw. Met stof bedekken. Ow. (zijn) Met stof bedekt worden.

boMf itlpen, bw. bestulpte, heeft besluipt. Met eene stulp bedekken.

ben tn i'en, bw.bestuurde, heeft bestuurd. Eene richting geven (aan). Regeeren. Beheeren. — Besturing, v. (-en). — Bestuur, o. Beheer. Bewind. (..uren) De gezamenlijke bestuurders. België is een vertegenwoordigend en grondwettig koninkrijk, 't Zijn prinsen uit het stamhuis van Saksen-Coburg-Gotha, vrijelijk door de gevolmachtigden gekozen, die het land sedert 1831 besturen. Er zijn tweekamers: de senaat en de kamer der volksvertegenwoordigers en 7 ministers: Leopold II, koning der Belgen, staat aan 't hoofd van het Congoland met den titel van souverein van den vrijen Staat. Het hoofdbestuur is gevestigd te Brussel en een gouverneur-generaal zetelt te Boma, de hoofdplaats. — Aan 't hoofd vau Nederland staat een erfelijke vorst, uit het stamhuis van Oranje-Nassau, dat sedert de X VIe eeuw den schep-ter voert. Er is daarbij eene grondwet, een Raad van Staat, de Staten-Generaal en 8 ministers. — In de Oost-Indische koloniën is het centraalbestuur te Batavia gevestigd. De gouverneur-generaal vertegenwoordigt den Koning, is aan 't hoofd van

— BETH

eenen Raad van zes leden, en heeft de oppermacht over geheel Oost lndië. Het burgerlijk bestuur is er verdeeld in een aantal gewesten of districten, aan wier hoofd gouverneurs, residenten en adsistent-resi-denten zijn geplaatst. — De West-Indische kolom'ën zijn verdeeld in twee gouvernementen ; Suriname en Curasao. Een militair gerechtshof is over deze bezittingen te Paramaribo gevestigd. — Bestuurder, m. ( s).

— Bestuurder es, v. (-sen). — Bestuurster, v. ( s). — Bestuursvergadering, v. (-en).

beatiiwen, bw. bestuwde. heeft be-stuwd. Stuwende met iets bedekken.

beNnikeren. bw. besuikerde, heeft .besuikerd. Met suiker bestrooien.

betalen, bw. betaalde, heeft betaald. Het verschuldigde toetellen of doen toekomen. Vergelden. — Betaalbaar, bn. — Betmalbrief, m. (..ven).— Betaaldag, m. (-en). — Betaalmeester, m. (-s). — Betaals' heer, m. (-en). — Betaalster, v. (-s). — Betaaltijd, m. (-en) — Betaler, m. (-s). — Betaling, v. (-en).

betsimen, eenpw. betaamde, heeft betaamd. Voegen. Passen. — Betamelijk, bn. bijw. — Betamelijkheid, v. (..heden).

betsamp;Hten, bw. betastte, heeft betast. Bevoelen. Door tasten onderzoeken. — Betasting, v. (-en).

bete, v. (-n). Zie Beet (2® art.), beteelcenen, bw. beteekende, heeft beteekend. Teekenen (op of over). Mede-deelen. — Beteekening, v. — Betee-kenis, v. (-sen).Zin. Beduldenis. Debetee-kenis van een woord is datgene, wat men bij het uitspreken of het hooren van dit woord zich voorden geest stelt. E!k woord heeft eene grondbeteekenis. Sommige woorden hebben eene echte, eene afgeleide en eene figuurlijke betrekenis.

betel, v. Klimmende heester, wien? hartvormige, een scherp beginsei bevattende, bladeren door vele Oostersche volksstammen gekauwd worden.

betemmen, bw. betemde, heeft be-temd. Tam maken. Beteugelen. — Betem-ming, v.

beter, bn. Vergr. trap van goed. Zie dan. — Beteren, beterde, is en heeft gebeterd. Ow. (ziin). Beter worden. Bw. Beter maken. Verbeteren. Door boete uitwis-schen. Vergoeden. — Beterhand, v. Aan de beterhand zijn : herstellen. —Betering, v. — Beternis, v. — Beterschap, v. — Herstelling.

beteren, bw. beteerde, heeft beteeid. Met teer bestrijken. — Betering, v.

beteugelen, bw. beteugelde, heeft beteugeld. Door middel van eenen teugel bedwingen. Betoomen. — Beteugeling, v. (-en).

betenniebloem, v. (-en). Inlandsche plant met groote, donkerroode of vleesch-klvurige bloemen. De bloem zelve.

beteuterd, bn. Verlegen. Onthutst. — Beteuterdheid, v. — Beteutering, v. Bedeesdheid. Verlegenheid.

Betbleliem — Huis desbroods. Kleine stad in Judea, waar de Zaligmaker ter wereld kwam.

Bethune d-Ydewalle (Baron S. B.),


ocr page 101

BETR — i

^821-1894. Kortrijk. Hersteller der Chr. Kunst in België en stichter der S'-Lukas-school. Ontwerp der versiering der domkerk (Aken); geschilderde ramen (S*-Baafskerk, Gent); (Maredsous). |

bctichtcn, bw. betichtte, heeft beticht. Betichten (van). Ten laste leggen.

— Belichter, m. (-s). — Belichting, v. (-en). — Betichtster, v. (-s).

botQcn, ow. Laten betijen : laten be-gaan-

botimmcrcn, bw. betimmerde, heeft betimmerd. Met timmerwerk voorzien. Door timmeren bewerken. Iemands licht betimmeren, hem het uitzicht benemen, hem in iets de loef afsteken. — Betiynme-ring, v. (-en)

bctingr, v. (-s). Houten ugt;l het vastleggen der kabels, nadat hei anker is uitgeworpen.

betileleu, bw. betitelde. Leeft betiteld. Eenen titel geven.—Betiteling^ v. (-en), bctosren, vd. bn. Overdekt.

beton, o. Mortelsoort, veel gebruikt bij metselwerken onder water. Bestaat uit ongebluschte kalk, tras, zand, kiezelgruis, fijngestooten brikken en hardsteen.

betonen, bw- betoonde, heeft betoond. Den toon (of klemtoon) plaatsen. — Beloning, v. (-en)

betonnen, bw. betonde, heeft betond, Van de noodige tonnen (bakens) voorzien.

— Belonning. v. (-en).

beloogrev, bw betoogde, heeft betoogd. Klaar en duidelijk bewijzen. — Betoog, o. (-en/ — Betoogbaar, bn. — Betoogbaarheid, v — Betooger, m. (-s).

— Betooggrond, m. (-en). — Betooging, v. (-en). — Betoogtranti m.

betoom en, ow betoomde, heeft betoomd. Den toom aandoen. Beteugelen. — Betoomer, m. (-sj. — Betooming, v. (-en).

— Betoomster, v f-s).

betoonen, bw. betoonde, heeft betoond. D »en bli'ken. Bewijzen. — Betoon, o. — Buttoning, v. (-en).

boioi» vcTen, bw. betooverde, heeft betoovcrd. Door tooverij boeien. Verrukken. — Bet007,-er aar, ra. (-s). — Beloove-raarsler. (-si. — Betoovering, v. (-en).

beloiitSovergrootmoeder, v. (-s). Orootmocder der overgrootmoeder. — Belotidovergroolvader, ra. (-s).

betoutven, bw. betouwde, heeft beton wd. Van het noodige touwwerk voorzien.

betraand, bn. Met tranen bedekt. Vol tranen.

betrachten, bw. betrachtte, heeft betracht. Behartigen. Oefenen. Nakomen.

— Betrachter, ra. (-s). —Betrachting, v. -(-en). — Belrachtster, v. (-s.)

betraliën, bw. betraliede, heeft betra-liol. Van traliewerk voorzien.

betrappelen, bw. betrappelde, heeft betrappeld. Aanhoudend trappelen (op).

betrappen, bw. betrapte, heeft betrapt. Met de voeten trappen. Verrassen. Achterhalen. Ontdekken. — Betrapping, v.

betreden, bw. betrad, beeft betreden. Den voet zetten (op). Den weg der deugd betreden : do d-ugd oeferen, — Betre' ■ding, v.

5 — BEUG

betrefTen, bw. betrof, heeft betroffen. Aangaan. Aanbelangen. — Betreffende, vz. Aangaande. Nopens.

betrekkelüb, bn. bijw. Betrekking hebben (op). Naar evenredigheid. De betrekkelijke voornaamwoorden zijn : die; wie, welke; dewelke, hoedanige. Men bedient er zich van ora de voorwerpe n van zijn denken aan te duiden en door een attributieven zin te verbinden met een naamwoord, dat in een anderen zin voorkomt en dat antecedent genoemd wordt.

betrekken, betrok, heeft en is betrokken.Bw. Intrekken : eene woonst betrekken. Voor het recht brengen : iem. betrekken. Wissels trekken (op)- Inwikkelen : iem. in eene schandige zaak betrekken. Bedriegen. Ow. (zijn) Bewolken. Zich overdekken : de lucht betrekt. — Betrekker, ra. (-s). — Betrekking, v. Het trekken van wissels, (-en) Bloedverwant. Arabt, bediening. Overeenkomst. — Betrekster, v. (-s).

betreuren, bw. betreurde, heeft betreurd. Beweenen. — Be treur der, m. (-s).

— Betreurenswaardig,hn.— Betreuring, v. — Betreur ster, v. (-s).

betroeven, bw. betroefde, heeft be-troefd. Aftroeven.

betrokken, bn. Soraber. Treurig. Droevig. Betrokken ambtenaar, die met de zaak belast is. — Betrokkene, ra. en v. (-n).

— Betrokkenheid, v. Duisternis. Bleekheid. Matheid.

betrouwec, bw. betrouwde, heeft betrouwd- Door trouwen verwerven. Vertrouwen stellen (in). — Betrouwbaar, bn.

Bets (/■* V.), 1822, Tienen. Pastoordeken (Zoutleeuw). Bedevaart naar de verm a a rdste heiligdommen van Fi'ank-rj'k (1874) ; De Pacificatie van Gent (2® druk, 1877).

betten, bw. bette, heeft gebet. Kloppende bevochtigen. —- Betting, v.

betuigen, bw. betuigde, heeft betuigd. Verklaren. Verzekeren. Bewijzen. — Betuiging, v. (-en).

betuinen, bw. betuinde, heeft betuind. Van eene hegge voorzien. — Be tuining, v. (-en).

beturen, bw. betuurde, heeft betuurd. Stipt bekijken.

betweter, ra. (-s). Die alles best wil weten. —Betweetster, v. (-s).— Betweterij, v.

betw||felen, bw. betwijfelde, heeft betwijfeld. In twijfel trekken. — Betwijfeling, v.

betwisten, bw. betwistte, heeft betwist. Twistende bestrijden. Aanspraak maken (op). De onjuistheid van iets beweren. — Betwistbaar, bn. — Betwistbaarheid, v.

— Betwister, ra. (-s). — Betwisting, v. (-en). —Betwistster, v. (-s).

beu, bn. Verzadigd (van). Moede. IScuckeiaer (ƒ.), l530(?-)-I573(?) VI. schilder. Proviandmeester; Markten.

Beueker {J. /. dé), 1827, Viersel, Kruidkundige (Antwerpen). Een der hoofd-aanleiders der VI. Beweging. Over de ziekten der planten (1856, bekroond).

beugel, ra. (-s). IJzeren of houten band of ring. Stijgbeugel. Tuig, waardoor in eene


ocr page 102

BEVA — 5

beugelbaan lt;le bal wordt geslagen --- Beu gelen, ow. beugelde, heeft gebeugeld. In de beugelbaan soeien.

tn. \-en). Buik. Schip eener kerk boiik,m (-'.tii. Plantengeslacht tot de familie dei inpjesdragers becoo-:ende. Tot dit geslacht behoort degemeene beuk {fagus syivatïoa). een der schoonste woudboomen van Europa. — Beukeb'nd, o. ( en). — Beu\ebcom% m. '.-en). — Bju-ken, bn. — Bertkenbasi m. (-en). — Beu-kenbosch, o. en '.sschen,-. — Beukenhout., o. — Beukenhouten, bn. — Beuken laan, v. (..anen). — Beukenoot, v. (..oten).

bcultel»—r ra. (-s). Schild. Rondas. Beukeboom.

beu keu, bw. beukte, neett gebeukt. Hard slaan of kloppen. Afrossen. Stokviscb beuken. — Beuker, m. s . — 'ieukery, v. Waar stoKvisco eebeukt woidi. — Seuk-hamer, m. (-s^. - Beukvig, v \ Ou). — Beukster. v. (-s).

beul, m. (-engt;. Scherprechter. Wree-daaro. — BeuLachtig, bn biiw. — Beutin, v. (-nen). — lirulscnap, o. — Beulsknecht. m. (-s en). — Beuïsvrouw, v. (-euj. — Beulswerk, o.

ben Ieii. ow. b.'.ulde. ceett «reoeuld. Hard werken.

beuliiiff, m. '-en). Bloedwoisc. (Vuurwerk x K.ruitwor»t Valhoed. Knoeier, bean, v i-en). Bun.

beun, v. '-ent. Zolder.

beuuliaa», m ,. zen;. Onbteedigde makelaar. Onbevoegde. Stielbederver. — Beunhazen, ow. beunhaasde, heeft gebeunhaasd. Een beroep onbevoegd uitoefenen. — Beunhazerij, v.

beuren, bw. beurde, heeft gebeurd. Heffen. Tillen : eeneu last beuren. Geld beuren ; geld ontvangen. - Beurder, m. (-s). — Beu*ing. v. (-en) _

beurs, v. (..zen). Zakie. Tascb. Verzamelplaats der kooplieden. Koers van 't geld.

— Beurzenmaker, ra. v-s). — Beurzensnijder, m. (-s).

beurseh, bn. Week. Aargestoken (vac vruchtf nv.. — Beur schheid, v. — Beurztg, bn. — Bcurzigheid, v.

beurt, v. (-en). Rangorde. — Beurteling:, bijw. Bij beurten. — Beur teling sch , 'on. — Beurtman, m (-nen). Schipper, die cp gestelden tijd vertrekt.

benzelen, ow. beuzelde, heeft gebeuzeld. Kleinigheden vertellen of verrichten.

— Beuzelaar, m (-s; — Beuzelaarster, v. (-s). — Beuzelachtig.,^ — Beuzelachtigheid. 9. — Beuzelarij. v. ( en). •• Beu zelin^, v. (-en) — Bt-.uztlkraam. v* en o. (..amenquot;. — Beuzelkramer, tu. (-s). ••• Beuzelpraat, m. — Beuzeltaal, v. Beuzelwerk, o. — Beuzelztek, bn-

bevallen, ow. oeviel, he?ff bevallen. Behagen.

be va lieu. ow. beviel, is he^alleu. Baren. — Bevalling, v i-enj.

bevalflgr. bn. bijw. Aanvallig. Behaaglijk. — Bevalligheid, v ( .hedem. bevaii|f,o. Umvang.

bevangen, bw. oeving, heeft bevangen. Vermotst^ren. Overvallen.—ifct/aw-

l— BEVL

ging, v — Bevangenheid, v. Verkoudheict {van paarden en runderen)

bevaren, bw bevoer, heeft bevaren. Varen (op of over). Varende besturen.-— Bevaarbaar bn. — Bevaar he ld, v. — Bevaren, bn. Een bev-ar- n matroos : die door 't vsrer veel ondervinding heeft opgedaan. — Bevaring, v.

bevatten, ftw omvatte, heeft bevat. Omvatten. Inhruden. Begrijpen. -- Bevat' t*lifk, bn. bijw. — Bevattelijkheid, v. — Bevatting, v. — Bevattingsvermogen, o.

beveeliten, bw. bevocht, heeft bevochten. Vechten (tegen^. Vechtende verkrijgen.

— Bevechter, in. (-s). — Bevechting,. v. (-en).

beveili^ren, bw. beveiligde, heeft bc-ve-ligd. In veiligheid brengen of stellen. — Beveiligen, m. '-s). — Beveiliging, V-(-en). — B-:Vf iligster. v (-s).

bevelnzen. bw. bevemsde, heeft be-veinsd. Veinzen Ontveinzen.

bevel, o (-en). Gebod. Gezag vRecht.) Laatste vinzeggirg - Bevelen, bw. beval» beeft bevolen. Bw. Bevel of bevelen geven. Aanbevelen. Ow. Het bevel voeren. — Bevsler, m. t-s). — Bevelhebber, m. (-s).

— Bevelhebber schot o. — Beveling, v. '-en).

Beveland lA'yri- en Zuid-'. Eilanden, door de monden der Schelde gevormd' en behoorenae tot de provincie Zeeland.

beven, ow. beefde, heeft gebeefd Sidderen. - Beverig, bn. Koortsig . Beve-righeid, T', - Beving, v (-eni.

bever, m. {-sl. Viervoetig zoogdier, tot de orde der knaagdieren en de familie der zwempootigen behoorende ; Castor fiber.

— Bever, o. Stof van oevervel gemaakt. — Bevergeil, .*» Sterk -iekende stof, welke de bever in eene blaas tusschen de achter-oooten draagt. — Beversch, bn

bevernel, v. Plantengeslacüt tot de familie der schermdragende gewassen be-hoorende • Pitnvinella.

bQve«IIfiren, bw bevestigde, heeft bevestigd Vastmaken. Bekrachtigen. Inzegenen Inhuldigen. — Bevestigend, bn. bijw.— Bevestiger m (-s).— Bevestiging, v. ( en).

bevUl^n, bcv. oevijlde, Qeeft bevijld. Met de vijl bewerken

bevlnlt;len, bw. oevond, neett bevonden. Vinden. Ondei vinden. Zich bevinden, ww — Bevind, o. Bevinding. — Bevindelijk, bn. Vatbaai om bevonden te worden. 2icn bevindende. — Bevindingy v. (-en). CTitslag van onderzoek. Wat men bevind*:

bevingeren, ow. bevingeroe. heelt bevingerd Met de «dngers betasten

be^lHikChen. ow. bevischte, heeft De-vischt. In iets visschen..

bevitten, bw bev-tit, neeft bevit. Vitten \op)

bevlakken, bw oevlak':e, neeft be-vlakt. Bevlekken Morsig maken.

bevlekken, bw. bevlekte, heeft oe-viekt Vlakken oi viekken op iets maken.

— Bevlekking, v. (-en';.

bevleugrelen, bw. bevleu^elde, heeft

bevleugeld. Van vleugels voorzien.


ocr page 103

- 8=, -

BE WE

BEVR

hevUilicni KzicK,, ww bcvlijtigde aicu. heeft zich bevlijligd. itch beijveren (op). Ter iuirte nemen. — Bevlyttging,\'.

Iicvl.x icn, bw. bevloerde, heeft bevloerd. Met eenen vloer bedekken. — Be-vloering, v. (-en). u a. u«,

bevovlilcu, bw. bevochtte, heeft be-quot;vccht. Vochtig, natmaken. , . , . {.

bevootitiireii, bw. bevochttgde, heelt bevochtigd. Bevochten. — hevoch.igtnjf,

bevoegd, bn Geschikt, bekwaam. •Gerechtigd Rechtmatig. Wettig. - amp;e-voegdheid, v. i...heden).

bevoelen bw. bevoelde, heel ^bevoeld. Betasten. Ziet bedoelen, ww. Zich gevoelen. — Bevoeling; \ \quot;cn'- ..

bevolK«*ii, bw. bevolkie; heeit bevoiKt. Van volk, van bewoners voorzien. Bevolking, v (-en). Het bevolken. A» de inwoners samengenomen. — Bevo^ings-register, o (-S). - Bevolkt, ba. Volkrijk.

— Beroiktheid,v- , . _ bcv««»u*'e,fcgt; hw. bevoogde, heelt bevoogd. Under de voogdij stellquot;^. — Bevoog-

^bevoordeelen, bw. bevoordeelde,

heeft bevoordeeld. Voordeel aanbrengen. Begunstig4*n Sevoordetltng, v.

bevooroordeeld, bn. Met vooroor-•deelen b he^i - Bevooroordeeldheid, v.

bevoon r»el«ten bevoorrechtte,

heeft bevoorrecht Voorrechten schenken.

— Bevoorrecnt-'ng. v. «-en i. bevoonv»arden, ow. bevooi vaard-

■de, heefc bcvf»orwaard Als voorvviarde stellen. — Bevoorwaardmg, v.

bevorderen, bw. bevorderde, heeft :bevordeid. Verder brengen. Verhaasten. Begunstigen. J'ot iets helpen. Verheden ; tot eene waardigheid bevorderen. — Bs-vorderaar, m. ( s). — Bevorderaarster, v. (-s). — Bevordering, v. (-en;. — Bevorderlijk, bn. bw.

bevorens, bijw. Te voren. Vooral, bevrarliten, bw. bevrachtte, heeft bevracht. Van vracht voorzien. Beladen.

— Bevrachter, m. (-s). — Bevrachting, v. (-en).

bevra^^n, bw. bevraagde, heeft bevraagd ; ook, bevroeg. Naar quot;ets vragen.

— Bevraging, v.

bevi rditfen, bw. bevredigde, heeft bevredigd. Tevredenstellen. Den vrede schenicfn. Iemands verlangen voldoen. — Bevrediger, m. (-s). — Bevrediging, v. •en). ZuPacificatie. — Bevredigster, v. -s).

bevreemden, eenpw. bevreemdde, heeft bevreemd. Zonderling schijnen. 'Vreemd voorkomen. — Bevreemding, v.

bevreeHd, bn. bijw. Angstvallig. Schroomachtig 5chd'.v. Schuchter. — Bevreesdheid, v.

bevriend, bn. Occr vriendschap verbonden. Vrienden bezittende.

bevriexen, lt;»w. bevroor of bevroos, is en heeft bevroren of bevrozen. Toevrie-zen. Door vriezen verstijven. — Bevriezing, v.

bevrijden, bw bevrijdde,heeft bevrijd. Vrijmaken. Vrijstellen. — Bzvrjder, m.

(-s).— Bevrijding, v. (-en).— Bevrijdingsoorlog, m. (-en). — Bevrijdster, v. (-s).

bevroeden, bw. bevroedde, heeft bevroed. Bevatten. Verstaan. — Bevroe-ding, v.

bevriiebfen, bw. bevruchtte, heeft bevrucht. De kiem zaaien. — Bevruchter, m. (-s). — Bevruchting, v. (-en).

bevuilen, bw. bevuilde, heeft bevuild. Vuil maken. Bezoedelen. Zich bevuilen, ww. — Bevuiling, v.

bewsaaien. bewaaide, heeft bewaaid; ook, bewoei. Bw. Toewaaien. Ow. Den wind laten gaan (over).

bewaarlieiden (bewaarheden), bw. bewaarheiddc, heetc bewaarheid. Staven.

ben'ïtken, bw. bewaakte, heeft bewaakt. Ergens de wacht bij houden. In het oog houden. Zorg voor iets dragen. — Bewaakster, v. (-s). — Bewaker, ra. (-s).

— Bewaking, v.

betvallen, bw. bewalde, heeft bewald. Met wallen omringen. — Bewailing, v. (-en).

bewandelen, bw. bewandelde, heeft bewandeld. Betreden. — Bewandelaar, m. (-s). — Bewandelaar ster, v. (-s). — Bew an deling, v.

ben'aniren, bw. bewangde, heeft be-wangd. (Zeew ) Van zijstukken voorzien.

bewapenen, bw. bewapende, heeft bewapend. Wapenen. Van wapenen voorzien. — Bewapening, v.

bewaren, bw. bewaarde, heeft bewaard. Wegsluiten. Behoeden. Zorg dragen (voor). — Bewaarder, ra. (-s). — Bewaargever, m. (-s). — Bewaargeving, v. — Beiw ar middel, o. (en). — Bewaarnemer, ra. (-si. — Dewaameming, v. — Bewaarplaats, v. ( en). — Bewaarschool, v. (..oleai. — Bewnarster, v. (-s). —Be-zo ar ing, v.

bownsexnoii, bw. bewasemde, heelt bewasemd. Met wasem bedekken. — Bewaseming, v. (-en).

bewaHHclien, bw. bewiesch, heeft be-wasschen. Wasschende schoonmaken. — Bewassch ing, v.

bewa»Hen, ow. bewies, is bewassen. Met iets, dat groeit, bedekt worden.

bevraMRcn, bw. bewaste, heeft bewast. Met was bestrijken.

bewateren, bw. bewaterde, heeft bewaterd. Bevochtigen. — Bewatering, v. (-en).

beweenen, bw. beweende, heeft beweend. Beschreien. Betreuren. — Bewee' ner, m. (-s). — Bcweening, v. (-en). — Be weenster, v. (-s).

be wegren, bw. bewoog, heeft bewogen. Van plaats veranderen : kunt pij dezen steen bewegen? Aanroeren : laat hem liggen, zonder hem te bewegen. Onrust teweeg brengen : d ; gemo -deren bewegen. Medelijden, berouw opwekken. Aandoen. Treffen : hij werd door mijne woorden bewogen. O/erhalcn. Aanzetten : kunt gij hem bewegen mij te helpen? Hemel en aarde bewegen : alle middelen inspannen. Zich bewegen, ww. — Beweegbaar, bn.

— Beweegbaarheid, v. — Beweeggrond, m. (-en). — Beweegkracht, v. (-en). —


ocr page 104

BEWI — S

Beweeglijk, bn. bijw. Beweegbaar. Treffend. Vaibaar voor indrukken. — Beweeq-lifkheid, v. — Beweegmiddel, o. (-en). — Beweegoorzaak, v. (..aken). — Beweegrad, o. (-eren). — Beweegreden, v. (-en).

— Beweegster, v. (-s). — Beweger, m. (.s). — Beweging, v. (-en). Stoornis in den staat van rust. Plaatsverandering. Oploop : het land is in beweging. Opwelling. Hartstocht : de eerste beweging van toorn bedwingen.

beweiden, ow. beweidde, heeft beweid. Vee laten weiden (op).

betveldariigren, bw. beweldadigde, heeft beweldadisd. Weldaden bewijzen.

bewelkomen, bw. bewelkomde, heeft bewelkomd. Verwelkomen.

beweren, bw. beweerde, heeft beweerd. Aanvoeren. Staande houden. — Bew eerder, m. (-s). — Beweer schrift, o. (-en). — Beweerster, v. ^-s). — Bewering. v. (-en).

bewerken, bw. bewerkte, heelt bewerkt. Bearbeiden. Vervaardigen. Veroorzaken. Uitwerken. Behandelen. — Bewer-kely'k, bn. Geschikt om beweiktte worden. Wat moeite vraagt om bewerkt te worden.

— Bewerkelijkheid, v. — Bewerker, m. (-s). — Bezverking, v. (-en). — Bewerkster, v. (-s).

bewerkstelligen, bw. bewerkstelligde, heeft bewerkstelligd. Ten uitvoer brengen. — Bewerkstelling, v.

bewerk tuieren, bw. bewerktuigde, heeft bewerktuigd. Van werktuigen, organen voorzien. — Bewerktuiging, v. Het bewerktuigen. Organische samenwerking, beweri», o. Ontwerp.

be werpen, bw. bewierp, heeft bewor-pen. Werpende met iets bedekken. Door werpen bereiken, treffen. Ontwerpen. Beramen.

bewesten, bijw. Naar het Westen toe. Vz. Ten Westen (van).

bewelfiiceii, bw. bewettigde, heeft bewettigd. Wettigen. — Bewettit'ing, v.

bewierookon, Inv. bewierookte, heeft bewierookt. W ierook toezwaaien. Bovenmatig vleien of prijzen. — Bewierooker, m. (-s). — Bewierooking, v. (-en). — Bewic-rookster, v. (-s).

bewijzen, bw. bewees, heeft bewezen. Betoonen. Doen blijken. De waarheid of valschheid van iets ontegensprekelijk aan-toonen.— Bewys, o. (..zen). Blijk van echtheid of waarheid. Schijn. Voorkomen. — Bewijsbaar, bn. — Bewijsbaarheid, v. — Bewijsgrond, m. (-en). — Bewijskracht, v. — Bewijsplaats, v. (-en). Bewoordingen, uit ren werk, tot bewijs a-angehaald.

— Bewijsstuk, o. (-ken).

bewilligren, b.v. bswilligde, heeft bewillig d. To« staan. Verleenen. Vergunnen.

— Bewilhger. m. (-s).— Bewilliging, v. (-en), — Bewilligster, v. (-s).

bewiinpelen, bw. bewimpelde, heeft bewimpeld. Met wimpels behangen. Verbloemen. — Bewimpeling, v. (-en).

bewiiKl, o. Beneer. Bestuur. Regeering. — Bewindhebber, m. (-s). — Bewindsman, m. (.lieden). Bewindvoet -der, m. (-s).

• — BEZE

bewinden, bw. bewond, heeft bewon-den. Omwinden. — Bewinding, v. (-en).

— Bewindsel, o. (-s).

bewitten, bw. bewitte, heeft bewit. Overal wit maken.

bewoelen, bw. bewoelde, heeft be-woeld. Omwoelen. — Bewoeling, v. (-en).

bewolken, bewolkte, heeft en is bewolkt. Bw. Met wolken overtrekken. Ow. (zijn) De lucht begint te bewolken. — Be' wolking, v.

bewonderen, bw. bewonderde, heeft bewonderd. Den geest getroffen voelen door den indruk van iets voortreffelijks, enz.

— Bewonderaar, m. (-s). — Be7vonder-aarster, v. ( s). — Bewonderenswaardig, bn. — Bewondering, v.

bewonen, bw. bewoonde, heeft bewoond. Zijne woning hebben (in). Zijnen intrek hebben (in). — Bewoner, m. (-s). — Bewoning, v. — Bewoonbaar, bn. — Bewoonbaarheid, v. — Bewoonster, v. ( s).

bewoorden, bw. bewoordde, heeft bewoord. Met woorden uitdrukken. — Bewoording, v. (-en). Het bewoorden. Uitdrukking in woorden.

bewust, bn. Wetende. Bekend. Kundig. Onderricht. (Zie Onbewust). — Bewusteloos, bn. — Bervusteloosheid, v. — Bewustheid, v. — Bewustzijn, o. Vermogen om te denken. Overtuiging. Alle bewustheid verliezen : buiten kennis geraken.

Beyaert. (//.), 1823-1894, Kortrijk. Bouwkundige. Nationale batik (Antwerpen).

Beyle'// ), 1783-1842,Grenoble. (Stendhal). Fr. lettet-kundige. De VAmour (1822); Le Rouge et le Noir (1831) ; La Chartreuse de Par me (1839).

beznuien, bw. bezaaide, heeft bezaaid, Met zaad bestrooien. — Bezaaier, m. ( s).

— Bezaaiing, v. (-en).

bezauu, v. (..anen). Achterste zeil van een drieumstschip. — Bezaansmast, m. (-en). Achterste kleine mast op een drie-m.ostschip.

bezabbelen, bezabberen, bw. be-zabbe'de, bezabberde, heeft bezabbeld, bezabberd. Kwijlen (over, op).

bt'zadicd, bn. bijw. Ingetogen. Bedaard. — Bezadigdheid, v. — Bezadigen, bw. bezadigde, heeft bezadigd. Bedaren. Bevredigen.

bekakken, ow. bezakte, is bezakt. Bezink-n.

bezalven, bw. bezalfde, heelt bezalfd. Zalven.

bezanden, bw.bezandde, heeftbezand. Met zand overdekken of bestrooien. — Bezanding, v.

bezeeren, bw. bezeerde, heeft bezeerd. Zeer doen. Zich bezeeren, ww. — Bezeering, v.

bezeeveren, bw. bezeeverde, heeft bezeeverd. Bezabberen. — Bezeevering, v. (-en).

bezecrelen, bw. bezegelde, heeft bezegeld. Van eenen zegel voorzien. Bevestigen. Bekrachtigen : met eed bezegelen. — Bezegeling, v. (-en).

bezoild, bn. Goed geschikt om te zeilen ; een goed bezeild schip. — Bezeild'-


ocr page 105

BEZI — J

he id, v. — Bezeilen, bw. bezeilde, heeft bezeild. Zeilen (naar, over). Zeilende bereiken.

bezem, m. (-s). Tuig, waarmede men gruis, aarde enz. wegkeert. — Bezembinden, o. — Bezembinder, m. (-s). — Bezem-binderij, v. (-en). — Bezemschoon, bn. Met den bezem schoongemaakt.

tgt;ez«gt;nlt;liii8r, v. ( en). Hoeveelheid, die verzonden wordt. Gezantschap. Personeel van een gezantschap.

bezeten, bn. Doldriftig. Van den duivel bezeten ; onder de macht van den duivel. — Bezetene, ra. en v. (-n). — Bezetenheid, v.

bezetten, bw. bezette, heeft bezet. Vervullen. Beplanten . Omzetten. Geld zetten (op). Omsingelen. De voegen met mortel vullen en toestrijken. Berenten. Belasten.—Bezet, bn. —Bezet, o. (-ten). Gifte gedaan bij testament. Belasting. Rent. Hypoiheek. — Bezetheid, v. Overlading van bezigheden. — Bezeisel, o. (-s). —Bezetteling, va. (-en). Soldaat van een garnizoen. — Bezetting, v. (-en). Het bezetten. Garnizoen. Benauwdheid.

bezieliti^en, bw. bezichtigde, heeft bezichtigd. Zorgvuldig bezien. Overal bezien. — Bezichtiger, m. (-s). — Bezichtiging, v. —Bezichtigster, v. (-s).

bezie, v. (bezica). Zie Bes.

bezielen, bw. bezielde, heeft bezield. Ziel of leven geven. Kracht of moed inboezemen. — Bezield, bn. — Bezieling, v.

bezien, bw. bezag, heeft bezien. Zien (op). Bekijken. — Bezienswaardig, bn.

beziff, bn. bijw. Werkzaam (aan oi meti. — Bezigheid, v. (..heden). Werk. Bedrijf. Verrichting. — Bezighouden, bw. hield Dozig, heeft beziggehouden.

bezigen, bw. bezigde, heeft gebezigd. Gebruiken. — Beziger, m. (-s). — Bezi' ging, v. — Bezigster, v. (-s).

bezU«llt;mn. Vz. Naast. Bijw.Terzijde, bezilveren, bw. bezilverde, heeft be-zilverd. Verzilveren. —Bezilvering, v.

bezinireii, bw. bezong, heeft bezongen. Tot onderwerp van een gezang maken. — Bezinger, m. (-s). — Bezinging, v. — Be-zingster, v. (-s).

bezinken, ow. bezonk, is bezonken. Door stilstaan klaar, helder worden. — Bezinking, v. (-en). — Bezinksel, o. (-s). Droesem.

bezinnen, bw. bezon, heeft bezonnen. Verzinnen. Zich bezinnen, ww. Zich bedenken.

bezit, o. Het bezitten. Genot. Bezitting. — Bezitrecht, o. — Bezitster, v. (-s). — Bezittelyk, bn. Bezittend, bezit aanwijzend. De bezittelijke voornaamwoorden duiden den eigenaar aan, met betrekking tot den spraakkunstigen persoon. —Bezitten, bw. bezat, heeft bezeten. Zitten (op). In bezit hebhen. Begaafd zijn : een groot verstand bezitten. — Bezitter, m. (-s). — Bezitting, v. (-en). Het bezitten. Bezeten goed. Bezeten land, inz. landstreek in den vreemde, waar de hoofdbevolking bestaat uit aan het gezag van den Europeeschen staat onderworpen inboorlingen, terwijl slechts betrekkelijk weinig Europeanen zich

'— BEZW

er met een bepaald doel, als ambtenaar, planter, enz.tijdelijk ophouden. (Zie Indië).

bezour, m. Ziekelijke steenvorming, die in de maag en darmen van zoogdieren ontstaat.

bezoden, bw. bezoodde, heeft bezood. Met zoden beleggen. — Bezoding, v. (-en).

bezoedelen, bw. bezoedelde, heeft bezoedeld, Bevlekken. Besmetten. Zich bezoedelen, ww. — Bezoedeling, v. (-en).

bezoeken, bw. bezocht, heeft bezocht. Iets of iem. gaan zien uit plicht, liefde, enz. Bereizen : vreemde landen bezoeken. — Bezoek, o. (-en). Het bezoeken. Persoon, die iem. bezoekt. — Bezoeker, m. (-s). — Bezoeking, v. (-en). — Bezoekster, v. (-s).

bezolderen, bw. bezolderde, heeft bezolderd. Van eene zoldering voorzien. — Bezoldering, v.

bezoldigen, bw. bezoldigde, heeft bezoldigd. Soldij geven. Betalen. Bezol-deling, m. en v. (-en).— Bezoldiging, be-zolding, v. '-en). Soldij. Loon.

bezondisreu [zich), ww. bezondigde zich, heefc zich bezondigd. Zondigen. — Bezondiging, v.

bezonnen, bn. Beraden. Voorzichtige

— Bezonnenheid, v.

bezoomon, bw. bezoorode, heeft be-zoomd. Omzoomen. Van eenen zoom voorzien. — Bezootning, v.

bezopen, bn. Dronken. — Bezopenheid, v.

bezorgd, bn. Vol zorg en kommer. —

Bezorgdheid, v. (..heden).

bczoi'jren,bw.bezorgde, heeft bezorgd. Afgeven. Bestellen. Doen verkrijgen. Zorg draden voor iets.— Bezorger, ra. (-s).— Bezorging, v. (-en). — Bezorgster, v. (-s).

bezncliten, bw. bezuchtte, heeft be« zucht. Zuchten (over).

^bezuiden. Bijw. Naar het Zuiden toe. Vz. Ten Zuiden (van).

I»eznini«ren, bw. bezuinigde, heeft bezuinigd. Door sparen overhouden. — Bezuiniger, m. (-s). — Bezuiniging, t, (-en). — Bezuinigster, v. (-s).

bezuipen, bw. bezoop, heeft bezopen. Bedrinken.

bezuren, bw. bezuurde, heeft bezuurd. Boeten (voor).

bezwïiclitelen, bw. bezwachtelde, heeft bezwachteld. Met zwachtels omwinden. Vergoelijken. — Bezwachteling, v.

bezwadderen, bw. bezwadderde, heeft bezwadderd. Zijn zwadder werpen (op). Belasteren.

bezwstlken, bw. bezwalkte, heeft be-zwalkt. Bezoedelen. Schenden : iemands goeden naam bezwalken. — Bezwalker, ra. (-s). — Bezwalking, v. (-en). — Be-zzualkster, v. (-s).

beziviingreren.bw.bezwanger de,heeft bezwangerd. Zwanger maken. Bevruchten.

— Bezwanger in g, v.

beztvsiren, bw. bezwaarde, heeft bezwaard. Zwaar maken. Brladen. Belasten. Zich bezwaren, ww. Zich bezwaren over iels, er zich over beklagen. — lilt;-zw-iary o. (. aren). Last. Moeite. Moei ijkneid. Grief. — Bezwaard, bn. bijw. Beladen. Bezorgd. —Bezwaar der, ra. (-s). — Be-


ocr page 106

BIER

ztcttardhfid, v. (..heden). Last. ^ro»quot;ilijk-heid. Kommer. Angst. — Bezwaarlijk, bn. bijw. Lastig. Moeilijk. — Bezwaarnis, v. (-sen). Moeite. Overlast. — Bezwaarschrift, o. (-en). Geschiift, waarbij men zijne bezwaren uiteenzet. — Bezwaar ster, v. (-s). — Bezwarend, bn. — Bezwaring, v. bcz^vect, bn. !Met zweet bedekt, bezwemmon, bw. bczwom, heeft be-rwommen. Zwemmen (in). Zwemmende bereiken.

bezweren, bw. bezwoer, heeft bezworen. Met eed bevestigen. Bannen : den duivel bezweren. Smt-eken.— Bezweerder, m. (-s). — Bezweerster, v. (-s). — Bezwe-ritig, v. (-er). — Bfzweringsboek, o. en m. (-en). — Bezweringsformulier, o. (-en).

— Bezwertngsvsorschrift, o. (-en). bozwük«'H, ow. bezweek, isbezweken.

Inzakken. Overwonnen worden. Machteloos nedervallen. — Bezwyking, v.

bezwliiiieii, ow. bezwijmde, is bezwijmd ; o(.k, be zweem, is bezwemen. In onmacht vallen. — Bezwyviing, v. (-en).

I»ilgt;lgt;4'reii, ow. bibberde, heeft gebibberd. Rillen (inz. van koude). — Bibbering, v.

biblios:r»ar, m. (..afen). Boekenkenner. Boekenbeschrijver. — B ibliog rap h ie, (-ën). Boekenkennis, — Bibliomnan, m. (..anen). Boekengek. — Biblicinnnie, v.

— Bibliothecaris, m. (-sen). Opziener eener boekerij. — Bibliothe-k, v. (..ek« n). Boekerij. Boekenkas, Bewaaiplaats van boeken.

bidilen, bw. ow. bad, heeft gebeden. Een gebed of gebeden doen. Verdoeken. Smeeken. — Bidb ink, v. (-en). — Biddag, xn. (-en). — Bidder, m. (-s). — Bid offer, o. (•s). Werd bij de Joden op/edrag- n, om God voor de ontvangen weldaden lebe-hm-ken en lt;r nieuwe te bekomen. — Bidplaats, v. (-en). — Bidster, v. (-s). — Bid-stoel, m. (-en). — Biduur, o. (..uien). — Bidvertrek, o (-ken).

Kic (C. de), 1627-1711, Lier. Dichter. Het getal zijner werken is verbazend

froot; voor het tooneel alleen bezorgde ij meer dan vijf-en veertig stukken, root; voor het tooneel alleen bezorgde ij meer dan vijf-en veertig stukken, bie, v. (-ën). Bij (i® art).

bieetit, v. (-en). Belijdenis van zonden, c Een Sacrament van Christus ingesteld, in hetwelk door de priesterlijke macht de zonden, die na het Doopsel gedaan zijn, vergeven worden. — Biechteling, m. en v. (-en). — Biechtelinge, v. (-n). -— Biechten, bw. biechtte, heeft gebiecht. Zijne zonden aan den priester belijden. Bekennen wat men weet. — Biechter, m. ( s). — Biechtkind. o. (-eren».— Biechtster, v. (-s). — Biechtstoel, m. (-en). — Biechtvader, xn. (-s).

bieden, bw. bood, heeft geboden. Een bod doen. Aanbieden. Toesteken. Het hoofd bieden : wederstaan. — Bieder, m. (-s). — Biedster, v. (-s).

bieffttuk, ra. en o. (-s). Dungesneden stuk rundvlenscb.

Riefve {E. de), 1808-1882, Brussel. Historieschilder. De 0nderteekening van het verbond der edelen.

bier, o. (-en). Versterkende drank uit

BIJ

ererst, hop, enz. bij de volkeren van het Noorden gebrouwen, en van oorsprong zeer oud. — Bierachtig, bn. — Bie» azijn, m. (-en).— Bierboom, m. (-en). Dwarshout, waarmede de brouwersknechts de tonnen dragen. — Bierbuik, ra. en v. (-en) Die gaarne bier drinkt. — Bierenbrood, o. — Bierhuis, o. (..zen). —• Biersteker, m. (-s). Die vreemde bieren in 't groot verkoopt. — Bier stek er ij, v. (-en). — Bierwagen, m. (-s). ^

v. (..zen). Dun, langopgroeiend oevergewas. Dunne ronde reep op een kleedingstuk. — Biesvormig, bn — Biezen t bn. — Biezenkistje, o. (-s).

ItieftlMineli, o. en m. Land of grond met hooge biezen bezet Landstreek 3 x/2 vierk. g**lt;.gr. ra ijl, tusschen Gtertruidenberg en Dord echt, in 1421 door eenen watervloed ontstaan.

■»ieHt, v. Eerste melk (eener koe na het kalven).

bietebsinw, ra.(-en). Bullebak. Spook. Nachtmerrie.

blozen, ow. biesde, heeft gebiesd. Loeiend rondloopen (in de weide, van koeien).

bisr, v. (-gen). Zeer jong varken.

bigrerolen, ow. biggelde, heeft gebiggeld. Afrollen (van tranen).

blirgronkrnld, o. Plantengeslacht, uit de familie der samlt; n^lt; steldbloemigen. Eene soort daarvan : langworMig hip gen-kruid {hypochoeris radicata) is bij ons in-heemsch.

b||, v. (-en) {Afiis tnrllifica). Behoort tot de familie der honiggaarders, onder de v'i' svleugelige insecten en tot het ge-sladit apis. Behalve de mannelijke hommels, en de vrouwelijke, koninginnen, bestaan er werkbijen, zoogenoemde geslacht* Inozen, eigenlijk onvolkomen gf bleven wijl-jes. — Bijenangel, m. (-s). — Bfi'nblad, o. Snort van ritroenkruid. — Byencel, v. Uien) — Bijeneter, m. (-s). {lifet otgt;s apias-ter). Behóórt tot de zangvogels. Heelt de

Bijeneter.

grootte van eene lijster, doch is slanker van vorm. Bewoont de landen, die de Middel-landsche Ze-* omtreven, vanwaar hij soms tot in Duiisthlaiul overvliegt. — Bijenhouder. m. 1 s). — Bijenkoning, m. ( en). Vol gens de. b^c'ppen der Ouden eene manno tjesbii. die de . pp^rste was in den bijenkorf. — Bijenkoningin, v. (-nen). — Bijenkorf, m. (..ven). — Bijenrecht, o. — Bijenteelt, v. — Bijenwas, o. — Bijenzwerm, m. (-en).

— 88 —


ocr page 107

BIJD —

bU» vz. Duidt de nabijheid aan van plaats of van tijd, hetzij er beweging bij weze, of niet; de plaats : ik woon bij de kerk; den tijd : bij dag en bij nacht. Bii 'onder) de nienschen van geen gezag zijn . Bij (aan) den rechter gaan aankl gen. Nabij: bij zessen. Hij is bij de tachtig, bijna tachtig jaar oud. Bij gelegenheid : als de gelegenheid zich voordoet. Bij den Hemel: in naam van den Hemel! In de samengestelde werkw. is bij scheidbaar en drukt verbinding of toenadering uit.

bysil«lien, vw. In geval. Indien. bQlicdoolins:, v. (-cn). Bijoogmerk. — Bybezrip,o. {■'pevi).

Itybel, m. ( sgt;. Heilig Schrift. Boek bij uitmuntendheid. Zie Schriftuur. — Bijb l-genootsc/mp, o. (-pen). Protestantsche veraeniging, met het doel den Bijbel te verspreiden. — Bybelsch, hn. — Bijbelvast, bn. Bedreven in de bijbelteksten.

bU bet alen, bw. betaalde bij, heeft bijbetaald. Boven de som betalen. — Bybe-ialing, v. (-en).

bUbotcekcnls, r. (-sen). Bijkomende beteekenis.

b(|biiilt;loii, bw. bond bij, heeft bijge-bonden. Te zamen binden. — By binding, v. (-et-).

btiblsxl, o. (-en). Bijvoegsel (tot een dagblad, enz ).

bübiljvon, ow. bleef bij, is bijgebleven. Niet verlaten. Verzeilen. In het geheu en, in de gewoonte blijven : dat is mij van mijne jonge dagen bijgebleven.

büboeken, bw. boekte bij, heeft bij-

feboekt. Bij het overige boeken. —eboekt. Bij het overige boeken. — By-oeking, v.

büboelen, bw. boette bij, heeft bijge-boet. Hier cn daar herstellen wat kapot is.

b|jbr:«Msen, ow. braste bij, heelt bijge-brast. (Zeew.) Brassende naderen.

bybren^en, bw bracht bij, heeft bij-gebracht.Ten huwelijk brengen. Aanvoeren. Aanhalen : wat zou hij ter verschooning bijbrengen? Schikken : als ik het maar eenigszins bijbrengen kan, zal ik u antwoorden. Helpen, baten : wat kan dat nog bijbrengen? — By brenger, ra. (-s). — Bijbrenging, v. — By brengster, v. ( s).

bU«le r lis«n«l, bn. Hij is bijde'rihand, vlug, sim. — Byde r')handsch, hr\.

b|i«ienlibee]lt;i, o. (-en). Bijkomend denkbeeld.

büdiebt, o. (-en). Tusschenverhaal in een dichtstuk.

bylt;loeii, bw. deed bij, heeft bijgedaan. Bij-, toevoegen.

bUdrnaien, draaide bij, heeft en is bijgedraaid, üw. (zijn en hebbend. Tegen den wind wenden. Toegeven. Water in zijnen wijn doen. Bw. Bijwerken (van draaiers). — By draaier, m. (-s). — By-draniing, v. — Bydraaister, v. (-s).

bydmKe, v. (-nWat men geeft tot een gemeenschappelijk doel. Geldelijke bijdrage ; contributie. Letterkundige bijdrage ; toevoegsel ter aanvulling eener spreekbeurt. Gedenkschrift. Geschreven memorie. — B if dragen, bw. droeg bij, heeft bijgedragen. Bijdragen (tot) : helpen tot stand brengen. — By draagster, v. (-s).

9 — BIJH

— Bi/drager, m. (-s). — Bydraging, r. (-en). Bijdragen.

bUlt;(riikken, bw. drukte bij, heeft bij-ge i rukt. Drukken boven, achter de bepaalde oplage. — Bij drukking, v.

biieen, bijw. Te zamen. Naast, met of bij elkander. — Bijeenhoor en, ow. (hebben).— Byeenblyven, ow. zijn). — Bij een-brengen, bw. — Byeenbrengifig, v. — Bi/eendoen, bw. — By eendra e en, bw. — Bijeendrijven, bw. — Bijeenjlansen, bw.

— Bijeengaderen, bw. — Byrengooien, bw.

— Bijeenhaken, bw. — Bye* nkalen, bw. Bijeenhangen, bw. ow. — Bijeenhoxiden, bw. ow. — Byeenjagen, bw. — Bijeenkomen, ow. (zijn). — Bijeenkomst, v. (-en).

— Byeenleggen, bw. — Bijeenliggen, ow. (hebben). — Byeenlokken, bw. — Bijeen-p la at sen, bw. — By eenplaat sing, v. — Bijeen planten, bw. — Bijeenrapen, bw. — Bijeenraping, v. (-en). — Bif'eenrekenen, bw. — Bijeen rijgen, bw. — Byeenroepen, bw. — Bijeen roeping, v. (en). — B ij een-rukken, ow. (zijn). — Bijeenscharrelen, bw. — Bijeenschrapen, bw. — Bijeenschraping, v. (-en). — Bijee n s m ij te n, bw.

— Bijeen spelden, bw. — Bijeenstaan, ow. (hebben). — By'eentellen, bw. — Bij eentelling . v. — Bijee nh ekken, bw. ow. (zijn).

— Bijeentrekktnv. ( en1!. — Bijeenvoegen, bw. — BijeenToeging, v. (-en). — Bjjeemvassen, ow. (zijn). — B ij re n werpen, bw. — Bijeenzamelen, bw — Bijeenzame-linQquot;, v. (-en). — Bijeenzetten, bw. — Bijeenzetting, v. (-en). — Bijeenzijn, ow. (zijn). — Bijeenzijn, o — Bijeenzitten, ow. (hebben). — Bijeenzoeken, bw. (Deze samengestelde werkw. zijn scheidb.)

bijbaan, ow. ging bij, is bijgegaan. Bijvoegen. — Bijgaand, bn. Bijgevoegd : hier bijgaande brief zal u melden, bljieelegen, bn. Aangrenzend. bUcoloof, o. Superstitie (zie dit woord).

— Bijzeloovig, bn. — Bijgeloovigheid, v. ( .heden).

büurenaaiiid, bn. £enen bijnaam hebbende.

büsreval, bijw. Toevallig. Voegw. In

geval dat.

bU seven, bw. gaf bij, heeft bij gegeven. Toegaven Op den koop toegeven.

bUirevolur, bijw. voegw. Dus. Derhalve.

bUttrewa*, o. ( sen). Uitwas......

ow. groeide bij, is bijgegroeid. Weder aangroeien.

by li alen, bw. haalde bij, heeft bijgehaald. Bijbrengen : grondige bewijzen bijbalen. Toehalen. Aanhalen : de zeilen bijhalen. — Bijhaling, v.

byiiangien, bw. hing bij, heeft bijge-hangen. Hangen of ophangen (naast). Voor den geest blijven : die wreede gebeurtenis hangt mij nog altijd bij. — Bijhanger, ra. ( s). — Bijhang se l. o. (-s). Toevoegsel. Aanhangsel. Overdrijving.

bytiarken, bw. harkte bij, heeft Wijge-harkt. Hier en daar wat opharken.

bytiooren, ow. ik hoorde bij, heeft bijgehoord. Mede tot iets behooren. — By hoor ig, bn.

'by li ouden, hield bij, heeft bijgehouden. Bw. Bij iets houden. Bijblijven. Bij-


ocr page 108

BIJR - lt;

lichten. Bijschrijven. Ow. (Zeew.) Bijdraaien. — By houding, v.

JbUkAart, v. (-en). (Kaartsp.) Kaart, die gcene troefkaart is.

by haus, bijw. Bijna. Omtrent.

lgt;Ukcr, m. (-s). Bijenhouder. Igt;Ukomen, ow. kwam bij, is bijgekomen. Inhalen. Bereiken. Geschieden. Tot bewustzijn komen. Bijvoegen.— By komst,v.

l»Ukralgt;bclcu, ow. krabbelde bij, is bij gekrabbeld. (Van zieken). Herstellen.

bUkruipou, kroop bij, is bijgekropen. Kruipende naderen.

b|jl, v. (-en). Werktuig, met houten steel, van een scherp metaal voorzien, dienende om te hakken. — Byleman, m. (-nen, -s).

byi^cro, v. (-n). Bijgevoegd stuk. byistiiilet*, m. (-s). Soort van vaartuig met platten bodem.

bulstiKlij;, bn. Aangrenzend. Naburig. b|ill»rier, m. (..ven). Wettig getuigschrift, aantoonende, dat de bouwing van een schip goedgt-keurd is.

bülejffgen, legde en leide bij, heeft bijgelegd en I ij^elcid. B\v. Bijdoen. Tot een gezamenlijken inleg bijdragen. Vereffenen. Verliezen. Ow. (Zeew.) Bijdraaien. — Bijlegger, m. ( s). Bevrediger. (Zeew.) Tegenwind. — Bijlegging, v. (-en).

byiiolitcn, Lw. lichtte bij, heeft bijgelicht. (lem.) het licht voorhouden om beter te kurmen zien.

bUliirecii, ow. lag bij, heeft bijgelegen. Nevens iets of iem. liggen. Aangrenzen. — By ligging, v. (-en).

byioopcu, ow. liep bij, is bijgeloopen. Toe-, medeloopen. Toevloeien. —- Bijloop, m. — Bijlooper, m. (-s). — Bijloopster, v. (-s).

Iryiii:iaii, v. (..anen). Licht schaduw-der maan op eene wolk teruggekaatst, bymciisen, bw. mengde bij, heeft bij gemengd. Vermengen (met). — Bijmenging, v.

by iisi, bijw. Bijkans. Schier, bynstaiu, m. (..amen). Toenaam. Spotnaam.

bü iieiiK'U, bw. nam bij, heeft bijgenomen. Het eene bij het andere nemen.

uy iih, {A ), 1494 1575, Antwerpen Dichteres. He/ong d- n uodsuienst, 1 et gez.tg en de zedelijkhi id. Hare refereinen tegen Marten worden \ oorhaar meester

stuk gehouden.

bUoogiucrk, o. (-en). Eene tweede oogmerk, dat men beoogt. — Bijoorzaak, v. (..aken). —Bijomstandigheid, v. (..heden).

byo. (-en). Paard, dat achter een rijtuig loopt, om desnoods een der voorgespannen paarden le vervangen. Hand-paard.

blipuri, o. (-en). Zijpad.

byp samp;mmcii, bw. paste bij, heeft bijgepast. Het bedrag een er som afpassen door er in kleine munt het ontbrekende bij te voegen.

byrekoiiou, bw. ik rekende bij, heb bijgerek end. Bijcenrekenen. In de rekening opnemen.

by roepen, bw. riep bij, heeft bijgeroepen. Verzoeken bij iem. te komen.

. — BIJS

bQs, v. (..zen). Zie Schommel (1® art.).

byBOliaTen, bw. schaafde bij, heeft bijgeschaafd. Het gebrekkige door schaven herstellen. Een weinig schaven.

btiMelieiik*'!!, b^v. schonk bij, heeft bijgeschonken. Schenkende bijdoen.

bUsehielen, schoot bij, heeft en is bijgeschoten. Bw. Door schieten bijvoegen. Nog meer schieten : gij moet er nog g ld bijschieten. Ow. (zijn). Toeschieten Invallen : zijn naam wil mij ni« t bijschieten.

by.Hehikken. schikte bij. heeft en is bijgeschikt. Bw. Verder regelen. Op-, aanschuiven. Ow. (zijn). Op-, aanschuiven.

byHeliildereu, bw. schilderde bij, heeft bijgeschilderd. Het ontbrekende door schilderen aanvullen.

byHebofieb'it, bw. schoffelde bij. heeft bügeschoffeld. Een weinig opschoffelen. Het eene bij het andere schoft len.

byMelirupon. bw. schraapte hij. heeft bijgeschraapt. Schrapende bijee-ibrengen.

bU^eliryven, b\v. schreef bij, heeft bijgeschreven. Vcrd r schrijven. Bij of on-det iets schrijven. — /tijschrift, o. (-en).— Bijschrijving, v. (-en'.

bynvliuiven, schoof bij, heeft en is bijgeschoven. Bw. IL t « ene bij het andere schuiven. Ow. (zijn) Schuivende naderen of doen naderen ; schuif wat bij. — Bij-schuiving, v. (-en).

bUftlastp, m. Huwelijksgemeenschap. — Bijslaap, m. en v. (..apen). Bedgenoot. Bedgenoote. — Bijslaapster, v. (-s). — Bijslapen, o. — Bijslaper, m. ( s). — By-slaping, v. (-en).

btlalagr, Bijkomend voordeel. byMle«'pcn, bw. sleepte bij, heeft bii-gesleept. Sleepen. Het eene bij het audere sleepen.

bÜHniMak,m. (..aken). Oneigenaardige

smaak.

lgt;iiMiii«^lt;1en, bw. smeedde bij, heeft bijgesmeed. Door smeden met iets verbinden. — li ij smeding, v.

I»ygt;*inelten, bw. smolt bij, heeft bij-gesmolten. Smeltende bijeenvoegen liet eene bij het andere smelten. — Bijsmelting, v.

Igt;y«»ineren, bw. smeerde \ ij, heeft bij-gesme« rd. Smerende bijvoegen. Het elt; ne bij h' t .andere smeren. — Bi/smering, v. (-en).

lgt;y.Hin|iien, bw. smeet bij, he« ft bijgesmeten. Smijtende toevoegen. Het eene bij hrt andere, smijten. — Bysmyting, v. (-en).

I»y Mimi feil, bw. snu-ttc bij, heeft bij-gesnuit. Den uitersten scherpen hoek (van een stuk hout) afsnijden.

by.Hom, v. (-men). Wat er (aan de hoofdsom) ontbreekt.

liIjMprenk, v. (-en). Leenspreuk, by^priel, m. (-en). (Zeew.). Kleine zeilspriet.

by «printgt;:en, bw. sprong bij, heeft bijgesprongen. Bijstaan. Helpen. —Bijspringer, m. ( s). — Bijsprin%ing, v.

bUstaan, stond bij, heeft bijgestaan. Bw. Helpen. Ondersteunen. O.v. De zeilen staan goed bij, vangen den wind goed. — Bijstand, m. — Bijstander, m. ( sj.

by^loken, bw. stak bij, heeft bijgesto-


ocr page 109

Brjw - lt;

ken. Het eene bij het andere steken. Nog meer (turf) uithalen. Ondersteunen.

bUHtcllcn, bw. stelde bij, heelt b«ge-steld. Bijvoegen. Het eene bij het andere stellen. — B ij stelling, v. (-en).

bQntcr. Bn. Verward : van zinnen bijster. Verdwaald : het spoor bijster zijn. Afgrijselijk : een bijster weer. Bijw. Zeer : hij is te bijster verlegen van d« zee. — By sternis, v. Verbijstering. — Bysterztn-nig, bn. Verward, verdwaald van zinnen.

— Bijsterzinnigheid., v. ^ , ... bUHtootcu, bw. stiet bij, heeft bijee-

stooten ; ook, stootte bij. Stootende nadcr-brengen. Het eene bij het andere siootf n.

b||HtrUkcngt; bw. streek bij, heeft bijge-streken. Door opnieuw te strijken de schade verhelpen.

böt. v. (-en). Opening in het ijs. bU tollen, bw. telde bij, heeft bijgeteld. Tellende bijvoegen.

bQten, ow. bf*et, heeft gebeten. Met de tanden drukken, breken, verbreken. Op de tanden bijten : zijn spijt verkroppen. In het stof bijten ; sneuvelen. — Bijtachtig, bn. Bijtend. Gaarne bijtende. — Biftachtig-heid, v. — Bijtend, bn. Wat bijt. Grievend.

— Bijter, m. (-s). — Bijtster, v. (-s). — Bijtertje, o. (-s). Tand van kleine kinderen.

bUten, ow. bijtte, heeft gebijt. Eene bijt hakken.

bUUHls, bijw. Niet te laat. Ten behoorlijke tijde.

bUtrckken, bw. trok bij, heeft bijgetrokken. Samentrekken. Tot zich trekken. Samenstellen.

btlvstl, m. (-len^. Onverwacht voordeel. Toevallige winst. Goedkf urinvr.Toejuiching.

— Bijvallen, ow. viel bij, is bijgevallen. Toevallig bijkomen : ware er niets bijgevallen, wij hadden reeds 1 - rg gedaan met dat werk. De partij van iem. kiezen : iem. bijva'len. Dat \iel mij niet bij : ik kan het mij niet herinneren.

btyvrnik, m. (Middel.). Ieder eigenaar mocht zijn goed vermeerderen door de aangespoelde aarde of door de onbebouwde hei of moerassen, die er bij gelegen waren. De aanwinst noemde men bijv ank.

by varen, ow. voer bij, is bijgevaren. Varen (bij^.

bUvoesren, bw. voegde bij, heeft bijgevoegd. Bijdoen. Vermeerderen. — Bijvoegend, bn. — Bijvoeger, m. (-s). — Bijvoeging, v. (-en). — Bijvoeglijky bn. Bijvoeglijk naamwoord. — Bijvoegsel, o. (-s, -en).

*gt;Ü voet, m. {Artemisia vulgaris.) Bij ons de %enteene alsetn. Wordt a!s toe-kruid bij vleeschspijzen en ook in de apotheek gebruikt.

bijvorm, m. (-en). Bijkomende, ondergeschikte vorm.

blnvstgr^n» m. (-s). Wagen, welke bij den gewonen gevoegd wordt.

büwcs:, ngt;. (-en). Zijweg. Weg, nevens een anderen. Slinksche weg.

bytverk, o. (-en). Werk. dat tot het grondwerk niet behoort. Versiering.

böwerpen, bw. wierp bij, heeft bijge-worpen. Het eene bij het andlt;-rc werpen, bijwezen, o.Tegenwoordigheid. Bijzijn.

[ — BILD

bytvUf, O. (..ven). Bijzit. — Bijwijf-schap, o.

binvülen, bijw. Somwijlen. bQ witten, bw. witte bij, heeft bijgewit. Het ontbrekende door witten aanvullen.

btfivonen, bw. woonde bij, heeft bijgewoond. Tegenwoordig zijn. — Bijw oner, m. i s). — Bijwoning, v. — Bijwoonstert v. (-s).

by woord, o. (-en). Wijzigt de betee-kenis van een werkw. een bijv. nw. of een ander bijw. — Bijwoordelijk, bn. Debetee-kenis eens br'woords hebbende : bijwoordelijke uitdrukking.

blizsank, v. (. aken). Bijkomende zaak. b|izen, ow. bijsde, heeft gebijsd. Zie Biezen.

buizen, ow. hees, heeft gebezen. Schommelen.

btfzcnden, bw. zond bif, heeft bijge-zond^n. Tegelijk met iets anders zenden,

bilzetten, bw zette bij, heeft bijgezet. Plaatsen 'bii) Den inzet vermeerderen. Een lijk bijzetten, begraven. Alle zeilen bijzetten, in den wind zetten; ook, alle krachten inspannen. — Bijzet, m. Inzet. — Bijzet-ster, v. ( s). — Bij zet ter, m. (-s). — Bijzetting, v. (-en).

buziend, bn. Kortzichtig. Zwak van gezicht. — Bijziendheid, v.

büzlin, o. Bijwezen.

bijzin, m. (-nen). Ondergeschikte zin. bijzitten, ow. zat bij, heeft bijgezeten. Zitten (bij). Tegenwoordig zijn. — Bijzit, v. (-ten). —Bijzit ster, v. (-s). — Bijzitter, m. (-s). — Bijzitter schap, o. — Bijzitting, v.

b|jzon, v. (-nengt;. Licht schaduwbeeld der zon op eene wolktemgerkaatst.

l»iizonlt;ler, bn. bijw. Afzonderlijk. Op zich z» If. Vreemd. Eigenaardig Het is niets brzonders, niets geheims; ook, het lieefc n'et veel le beduiden — Bijzonderheid, v. (..heden\ Buitengewone omstandigheid. Zonderlingheid. Vrermdh* id. — Bijzon-derly'k, bijw. In het bijzonder.

bikkel, m. (-s). Kootje, beentje (in de kinderspelen gebruikt). — Bikkelen, ow. bikkelde, heeft gebikkeld. — Btkkelspel, o.

bikken, bw. bikte, heeft gebikt. (Kalk) afslaan. (Marmer) kanten. Billen. Pikken, eten (gewoonlijk van vogels). — Bikhamer, m. (-s). — Bikking, v. (-en). — Biksteen, m.

bil, v. (-1 en). Achterdeel (van denmensch

en sommige dieren).

ISillt;lerlt;l|jk {JF), 1756-1831, Amsterdam. Advocaat. Een der puikdichters van Nederland. Geen enklt; len kunstvorm, geen enkel kunstvak heeft hij onaangeroerd gelaten. Alles, van de ve-telling tot het heldendicht, van het kinderlied tot den lierzang, alles heeft hij beproefd, en overal, liet men het treurspel daar, heeft hij ons met zijne rijke begaafdheden bekendgemaakt. Bracht de meest gekende schrijvets over. Schreef over geschiedenis en taalkunde en gaf meer dan 180 boekdeelon in 't licht. — Had do grootste wederwaardigheden, zoo binnen als buiten hui', te lijden. Werd om zijn karakter en overdrevene denkbeelden veel gehaat, en is om te teedere verknochtheid


ocr page 110

BINN

BITT

92 —

aan Oranje uit Holland en uit de Bataaf-sche Republiek gebannen geworden (i795)« Stierf te Haarlem. Als dichter : Elius (1785); Napoleon (1806); De ziekte der Oe-leer den (1807) ; Odilde (1808) ; De Ondergang der eerste wereld (1820). Als /gt;rozoschrijver : Gesla c h tslijst der Nederl. ttaaviw. (1823); JVieurre {aal en dichik.verscheidenheden (1824-1825) ; Nederl, spraakl. (1826) ; Grsch iedevis des Vaderlands. — Bilde*- d ijk-Sc h 7( 'eick h a rdt (Katb. Wilh.), 1776-1830, 's Gravenhaire. Dichteres. Êlfride (180.5)» Raniiro (ibi8); Dargn (1820), drie treurspel«n.

Itil'lors 1.7. IV.), 1811. Utrecht. Landschapschilder.

biljart, o. (-en). Zeker spel met ballen. Tafel, waarop men dit spel speelt. — /9/7-arten, ow. biljartte, heelt gebiljart. Biljart spelen.

biljet, o. (-ten). Briefje. Bewijs, biljoen, o. Geld buiten omloop. Wat verworpen is.

billen, bw. bilde, heeft gebild. Scherpen (inz. raolensteenen). — Bilhatner, m. (-s). — Bili/zer, o. (-s).

bilUjh- bn. bijw Redelijk. Rechtmatig. Rechtvaardig. — Billy ken, bw. billijkte, heeft gebillijkt. Go.'dicu^en. — Billijker-wif'ze, {..7Vif's), bijw. — BilJijkhrid, V. — Billijkheidshalve, bijw. — Billijking, v. billioen. o. (-en). Duizend millioen. It il li ion. Soen 3a-cilar.d. biizi'iiknaid, o. (Hyoscyamus). Plantengeslacht, totdc; nachtschaden bchooren-de. Oe meest bekende soort (//. niger), komt ook bij ons in 't wild op puin- en mest-boopen voor.

bintlen, bw. bond, heeft gebonden. Vastmaken. Vasthechten. Bezems binden. Aan schooven binden. Met touwen binden. Een boek binden, er eenen band om leggen. — Binder, m. (-s). Die bindt. Boekbinder. Roover. — Bindgaren, o. (-s). — Binding, v. — Bindrys, o. — Bindsel, o. (-s). — Bindspier, v. (-en). —Bindster, v. (ss). — Bindteeken, o. ( s). Koppelteeken. — Bindtouw, o. (-en).

Binder, (^7.), 1805, Weenen. Oostenr. schilder. De Engelemvacht.

bink, m. (-en). Lomperd. Botterik. Knoeier. Knol (slecht paard).

binnen, vz. In : binnen de muren. Bijw. In : hij ging binnen, het schip is binnen. Zich iets te b nnen brengen : zich iets herinneren. Hij is binnen, heeft zijn schaapjes op het droge. — Binnenbrengen, bw. — Binnendijken, bw. — Binnendijks, bijw. Binnen den dijk. — Binnendringen, ow.

(zijn). — Binnengaan, ow. (zijn). — Binnengaats, bijw. Binnen de zeegaten. — Binnenhalen, bw. — Binnenkomen, ow. (zijn). — Binnenkort, bijw. — Binnenkruipen, ow. (zijn). — Binnenlandsch, bn. — Binnenloodsen, bw. — Binnenloodsing, v. — Binnenrukken, ow. (zijn). — Binnenshuis, bijw. — Binnenskamers, bijw. — Binnenslands, bijw, — Binnensluipen, ow. (zijn). — Binnensmonds, bijw. — Binnensrands, bijw. — Binnenste, o. — Binnenstijds, bijw. — Binnen-stoomen, ow. (zijn). — Binnenstormen, ow. (zijn). — Binnentreden, ow. (zijn). — Binnenvallen, ow. (zijn). — Binnenvetje, o. (-s). lem. die innerlijk meer beteekent dan hij uiterlijk schijnt. — Binnenwaarts, bijw. —Binnenwater,o. (-s, -en). — Bin-nenzveg, m. (-en). — Binnenwerk, o. — Binnenswerks, bijw. De zaal is binnens-werks (in 't licht) dertig meters lang. — Binnenzak, m. (-ken). — Binnenzeilen, ow. (zijn). (Deze samengestelde werkw. zijn scheidb.).

bint, o. (-en). Gebinte.

bio^rnar, m. (..fen) Levensbeschrijver. — liiographr'e,v.(-'én).— Biographisch, bn.

bioloog-, m. (..ogen). Kenner van de leer des levens. — Biologie, v. — Biologisch, bn.

Iliot {J. /?.), 1774-1862, Parijs. Wis- en sterrenkundige.

Biivet (/f. E.), 1633-169.. (?). Mechelen. VI. schilder. Willem Teil; Vlaamsch binnenhuis»

ItiNinarek {O. E. L.), 1815. Prins van Schönhausen (Maagdenburg). Gewezen rijkskanselier, minister van buitenlandsche Zaken en voorzitter van het Ministerie in Pruisen.

biKHelaop, m. (-pen). Kerkvoogd, die aan het hoofd staat van een bisdom. De bisschoppen zijn « de prinsen der h. Kerk en bedienen de plaats van de hh. Apostelen ». Bisschop in partibus injidelium, is deze, die den titel voert van een bisdom, dat in de macht is der ongeloovigen. — Bisdom, o. (-men). Het gebied van eenen bisschop. In België zijn 6 bisdommen. Het aartsbisdom is te Mechelen. Nederland telt

Ï bisdommen. Het aartsbisdom is te Utrecht, n de buitenlandsche missiën is er een apostolische vicaris, voor West-Indië te Curasao en te Surinam; voor Oost-Indië, te Batavia. Deze is aartsbisschop van Sirace. — bisdommen. Het aartsbisdom is te Utrecht, n de buitenlandsche missiën is er een apostolische vicaris, voor West-Indië te Curasao en te Surinam; voor Oost-Indië, te Batavia. Deze is aartsbisschop van Sirace. — Bis-schappelijk, bn. — Bisschopsambt, o. — Bisschopshoed, m. (-en). — Bisschopsmijter, m. (-s). — Bisschopsmuts, v. (-en). — Bisschopsstaf, m. (..aven).

binHelio|gt;. v. Drank, uit warmen wijn, suiker en bisschop (een uittreksel van sommige specerijen) bereid.

biHlonri, v. iHeelm ). Insnijdingsmes. bil. o. I-ten). Gebit.

bil», bn. bijw. Scherp. Trotsch. Onvriendelijk. Spijtig. — Bitsheid, v. (..heden). — Bitsig, bn. bijw. — Bitsigheid, v.

biiIer, bn. Wat op de tong prikkelt. Onaangenaam. G ievend. Bijw. Uitermate. Overvloedig. Geweldig. — Bitter, o. Sterke drank. Roet, door den rook van het vuur op de kanten der schouwen afgelegd. —


ocr page 111

BLAD — lt;

Bitteraarde, v. Magnesia. — Rifterach-ttg% bn. — Bitterheid, v. (..heden). — Bitterkoekje, o. (-s). — Bitterpéen, v. (..enenk Zie Cichorei. — Bittertje, o. (-s). Borrrltje bitter.

lSixlt;kt {GJ, 18^8-1875, Parijs. Operacomponist. Pêche urs de Per les (1863); Carmen (1875).

bizon, m. (-s). {Bos American us). Behoort tot de runderen, onder de herkauwende, tweehoevige zoogdieren. Komt vooral voor in N.-Amerika.

Itjörn.oioii {Bjömstjerne),iS$2,T£v\\£ne (Noorwegen). Dichter, roman- en tooneel-schrijver.

m. Valsche glans en pracht. IJdele pronk, in kleederdracht, enz. Blaai maken : beslag, wind maken.

blsamp;siui, v. Berisping. Atkcuring. Verwijt. Openbare berisping. Naamschending, eervlek, schandvlek.

blaamp;ar, v (..aren). Kol. Witte vlek op het hoofd van zekere dieren. Optrekking der opperhuid.

bl»at», v. (..azen). Zeepbel. Vliezig, rekbaar vat in het dierlijk lichaam. Luchtbel, zeepbel, waterbel.

blstsiMbstler, m. t-en). Tuig om den wind in eene buis enz. te jagen, blaas};»!, o. (-en). Tochtgat. blaaniiiMtriiment, o. (-en). Toestel, waarmede door eenen luchtstroom een muzikale toon wordt voortgebracht. Gewoonlijk zulk toestel, waarbij de toon door aanblazing met den mond wordt voortgebracht. — Blaasspeeltuig, o. (-en).

blasutksiak, m. (..aken). Snorker. Windmaker. Opsnijder. — Blaaskakerij,v, blsiuMpyp, v. (-en). Buis, gewoonlijk ran ijzer, om bet vuur aan te jagen.

blad, o. (-en). Stuk papier van onbe-

blad.

1. Groen netj'e, of het blad ze'f. — 2. Ribbe. — 3- Stengel.

, — BLAN

paalde groette. Twee b'ad zijden in een boek. Nieuwsblad. Dagblad. Benaming van onderscheidene platte voorwerpen, (-eren, -ers, blaren, bladen) Uitspru tael aan takken en stengels van planten, die-'quot; nende om vocht u't to wasemen en koolzuuc uit de lucht op te nemen. — Blaadje, o. (-s)

Tegenoverge- RingTormig IVisselbla-stelde bla- ge/) laats te deren, deren. bladeren.

Bladeren, ow. bladerde, heeft geb'faderd. De bladen vlucht'g omslaan. Goed bladeren : luchtig gebakken zijn. — Bladerloos, bn. — Blader rijk. bn. — Bladgoud, o. Goud in bladen. — Bfndi/zer, o. — Blad' steely m. (..elen). — Bladstil, bn. Zoo stil, dat geen blad zich beweegt. — Bladtabak, v. — Bladtin, o. — Bladivyzer, m. (-s).

— Bladzijde, v. (-n). — Bladzilver, o. blstfTen , ow. blafte, heeft geblaft. Bassen (van honden). Snappen. — Blaffer, m. blafferd, m (-s). Kantoorkladboek.

blaflVtnur, v. (..uren). V( nsterbVmd. blaf'kïikcn, ow. blafkaakte, heeft geblafkaakt. Pochen. — Blajkaker, m. (-s).-

— Bla/kakerif, v. (-en).

blak, bn. Vlak.

Ifilako {R.), 1598-1657, Bridgewater. Britsch zeeheld.

blaken, blaakte, heeft geblaakt. Bw. Zengen. Ow. Branden.

blaker, m. (-s). IJzeren blad, dat men vóór een open vuur hangt. Lichtweerkaatser op eene quinquetlamp. Hanglamp.

blakeren, bw. blakerde, heeft geblakerd. De oppervlakte branden. Zengen.

blameeren, bw. blameerde, heeft geblameerd. Berispen. Ten onrechte beschul-dieen, op een kwaden naam brengen.

Rlane [J. y. L.), 1811-1882, Madrid. Fr. sociaal-democraat. Organisation du travail (1840); Histoire de la revolution frangaise.

blanco, bijw. Eenen regel blanco laten: eenen regel wit, onbeschreven laten.

blank, bn. bijw. Wit. Glanzig. Onbedekt. Rein. — Blanke, m. en v. (-n). Persoon, tot het blanke ras beboerend. — Blankheid, v.

blank, m. (-en). (Eert.) Munt ter waarde van 3 3/4 cent.

blanki'lfen. bw. blankette, heeft ge-blanktt. Met valsche kleuren opsmukken (inz. het aangezicht). — Zich blanketten,-ww. — Blanketdoos, v. (..oozen). — Blan' ketsel, o. (-s).

ISlanlt;|iii [J. A.) 17(58-1854^ Nizza. Fr. Staathuishoudkundige. Précis élémentaire d'économie politique, Histoire de VCCO' no mie politique en Europe.


ocr page 112

BLEI — '

blaren, ow. blaarde, keeft geblaard. Blaten. Loeien. Bulken. Schreeuwen. Balken. Met blaren bedekt worden.

blsisplicmle, (..iën). Men maakt zich plichtig aan blasphemie « als men God of zijne heiligen iets toeschrijft dat tegen hunne eer is, of iets loochent dat hun toekomt of van dezelve spotsgewijze spreekt ». — Blas-phemeeren, ow. blasphemeerde, heeft ge-olaspheraeerd.

blaten, cw. blaatte, heeft geblaat. Schreeuwen (van schapen).

blstuw, o. Hoofdkleur. Eene der regen-boogskleurcn. Verf. Met geel vormt blauw de schakeeringen van groen; met rood die van paars en violet; met geel en rood in de vereischte verhouding, wit. — Blauw, bn.

— Blauviachtigy bn. — Blauwbaard, m. lem. wiens baard, naar het blauwe trekt. Held van een volksverhaal. Was zeven maal gehuwd, had zes zijner gemalinnen vermoord en wilde dit ook de zev«nde doen. Deze werd door hare broeders gered en de vrouwenbeul onderging zijn gerechte straf. Boos en hardvochtig mensch. — Blauwbekken, ow. blauwbekte, heeft geblauwbekt. Aan de voordeur enz. staan, wanneer het zeer koud is. — Blauwblauw (laten). Laten zooals het is. — Blauiven, bw. blauwde, heeft geblauwd. Biauwmaken.

— Blauwheid, v. — Blauw kiel, m. (-en).

— Blauwkous, v. (-en). Spotnaam voor eene vrouw, die voor geleerd wil doorgaan. —- Blauwlakensch, cm. Blauwsel, o. Blauw poeder, waarmede men linnengoed blauwt. Blauwe kleurstof. — Blauwtje, o. (-s). Een blauwtje loopen : een vergeefsch aanzoek doen. — Blauwverven, o. — Blauwverver, rei. (-s).— Blauwvoet, m. (-en). Een valk. Falco communis. — BlaHwzyde?i, bn.

blazen, blies, heeft geblazen. Ow. Met meer kracht dan gewoonlijk door de lippen uitademen. Op de fluit blazen. In de handen blazen. De wind blaast hevig. Hij blaast mooi (op eenig instrument). Bw. Stof van de tafel blazen. lem. iets in het oor blazen. Door blazen vervaardigen : glas blazen. Den aftocht blazen : op een trompet het teeken tot den aftocht geven. Heengaan.

— Blazer, ra. (-s). Die blaast. Pocher. — Blazing, v. (-en).

blnzoen, o. (-en). Veldteeken. Banier. Schild. Wapenschild.

BIcmt [IV. Jsz.), 1571-1638, Alkmaar. Aardrijkskundige.

bloei*, ba. bijw.Witachtig. Mat. Flauw. —- Bleek, v. en ra. (-en). Grasveld, waarop men linnengoed Iaat bleeken. Hetbleeken. Linnengoed, dat te bleeken ligt. Gebleekt linnengoed. — Bleekachtip, bn.— Bleeken, bleekte, heeft gebleekt. Bw. Bleek of wit maken. Ow. Bleek of wit worden. — Bleek er, m. _(-s). — B leek er d, m. Bleek-roode Rijnwijn.— Bleekerij, v. ( en). — Bleekersh 0 n d, ra. (-en). — B lec kerswagen, ra. (-s). — Bleekheid, v. — Bleek-lccn, o. en m. (-en). — Bleekster, v. (-s).

— Bleekveld, o. (-en).

blees, v. (blezen). Bast van graankorrels.

biel, v. (-en). Witvisch.

i — BLIK

bleln, v. (-en). Soort van harde bobbel in het vel, voortkomende van eene te haide drukking. — Bleinroos. Zie Roos.

bleM, v. (-sen). Haarlok. Witte plek op 't vciorhoofd der paarden, m. (-S' n) Paard met eene bles op 't voorhoofd. Bn. Haar-loos. lem. bles maken ; hem al zijn geld afwinnen.

bleu, bn. Bloode. — Bleuheid, v. bliek, v. (-en). Witvisch.

blieven. Zie Believen.

blö, l»ltl«le, bn. bijw. Vroolijk. Verheugd. Opgeruimd. Zie Inkomst. —• Blijdschap, v. — Blijgeestig, bn. — Blijgeestig' heid, v. — Blijheid, v. — Blij mare, v. (-n). — Blijmoedig, bn. bijw. — Blijmoedigheid. v. — Blijspel, o. (-en). Too-neelstuk, waarin op vroolijke wijze de ondeugden, de grillen en de zeden worden voorgesteld.

bl||«le, v. (-n). (Eert.) O rlogswerktuig, dat diende om zware steenen op den vijand te werpen.

biy k, o. (-en). Teeken. Bewijs. — Blijkbaar, bn. bijw. Klaar. Duidelijk. — Blijkbaarheid, v. — Blijken, ow. bleek, is gebleken. Schijnen. Duidelijk zijn. Te kennen geven. — Blijkens, vz. Zooals blijkt (uit).

blUven, ow. bleef, is gebleven. Voortduren : het blijft vriezen. Niet veranderen : zou hij altijd booze Jan blijven? Omkomen : in een gevecht blijven. Niet van plaats veranderen : hij blijft te veel te huis. Men zegt ook : blijven liggen, ziek blijven, bij zijne gedachte blijven, enz. — Blijvei-, ra. (•=)•

blik, m. (-ken). Wit der oogen. Oogopslag. Een volgehouden zien naar een bepaald voorwerp. — BUkken, ow. b'ikte, heeft geblikt. De oogen slaan (op). Blik-oogen. Blikvuren. Glinsteren.

blik, o. In 't algemeen : alle metaal, dat tot dunne platen is uitgeslagen of geplet. In 't bijzonder; dun uitgeslagen ijzer, waarvan de oppervlakte vertind is. (-ken) Huisgereedschap, om vuilnis, enz. weg te dragen.

— Blikken, bn. — Blikken doos, v. (..zen). — Blikslager, ra. (-s). — Blikslagerij, v. (-en). — Blikslagers knecht, ra. (-s). — Blik slagerswinkel, ra. (-s). — Btikwerk, o.

I»lik:«s«r*, m. (..zen), blik^at, o. Eenen blikaars krijgen : zich door paardrijden het vel openrijden.

blikken, bw. blikte, heeft geblikt. De schors altrekken. Villen.

blikkeren, ow. blikkerde, heeft geblikkerd. Glinsteren. Flikkeren. — Blikke-ring, v. (-en).

bllkooamp;ren, cw. blikoogde, heeft ge-blikoogd. Gedurig de oogen open en toedoen. Oogjes trekken.

'bliksem, m. (-s). Electrische vonken, die bij een onweer uit de wolken geslingerd worden oftusschen de verschillende electrische onweerswolken overspringen. Kerkelijke ban : de bliksem van het Vaticaan. Schurk. Schelm. Guit. Den bliksem ! uitroeping van verbaasdheid, verlegenheid enz.

— Bliksemafleider, ra. (-s). — Bliksemen, bliksemde, heeft gebliksemd. Ow. Een


ocr page 113

BLOE — lt;

schitterend en snel licht voortbrengen. Een-pw. Electrische vonken uitschieten. — Bliksems, bijw. Duivels. — Bliksemsch, bn. Duivt lsch.

o\v. bliktandde, heeft geblikiand. Het wit der tanden laten zien. Dreigen.

blikvuren, ow. blikvuurde, beeft ge-blikvuurd. Op zee noodseinen geven met olikvuur. — Blikvuur, o. (..uren). Los kruit, dat op het dek der schepen, tot sein ontbrand wordt.

bn. bijw. Van het gezicht beroofd. Blinde muur : muur zonder vensters. Blinde steeg : steeg zonder uitgang. Onwetend : de blitide Heidenen. Trouw, onderdanig : blind geloof. Ziende of willens blind zijn ; niet willen zien. Zich blind kijken : zijne oogen door scherp zien benadt-elen. — BlindachHr, bn. — Blindachiigheid, v.

— Blinddoek, m. Doek, welken men iem, voor de oogen bindt. — Blinddoeken, bw. blinddoekte, heeft geblinddoekt. Eenen doek voor de oogen binden. Misleiden. — Blinddoeking, v. — Blinde, m. en v. (-n).

— Blindelings, bijw. — Blindeman, m. (-nen, -s). — Blinden, bw. blindde, heeft geblind. Blind maken. Blinddoeken. Ver-jchangen. — Blindgeborene, m. en v. (-n). —■_ Blindheid, v. — Blindhokken, bw. blindhok te, heeft geblindhokt. Blinddoeken. Misleiden. — Bhndhokker, m. (-s). — Blindhokking, v.

blind, o. (-en), blinde, v. (-n). Vensterluik. (Zeew.) Schuif voor het schietgat. Boegsprietzeil.

blink, m. Smeersel, waarmede men de schoenen zwart en blinkt. — Blinken, blonk, heeft geblonken. Ow. Glans van zich geven. Zindelijk zijn. Bw. Poetsen. — blinlicrd, m. ( s). Hooge duintop. Hoi Mdeksvrl van blinkende stof. Afgelijnd papi- r, dat onder een ander gelegd wordt, opdat de zwarte lijnen zouden doorschijnen, blink worm, m. (-en). Glimworm. ISiiuk (//.), 1852. De Wijk. Letterkun-lt;3igrt. De Aarde en hare Bewoners (1886).

ISloekx iy.), 1851, Antwerpen.VI. toon-■dicht«*r. Kermisdag', Droom van '/ Para-dys\ MHen ka.

i»l«»ed, o. Roode min of meer dikke en «tolbare vloeistof, die in de aders en slagaders van 't lichaam van menschen en werveldieren omloopt, 't Bloed bevat zeker waterachtig vocht, waarin de bloedlichaampjes in groote hoeveelheid zich bevinden. Deze maken de roode kleur uit van 't bloed. Sap ; het bloed der druiven. Afkomst : van koninklijken bloede. In koelen bloede: bedaard. Naar bloed dorsten ; zich wreedaardig tooaen. Zie Ader.

— Bloed, m. (-en). Sukkel. — Bloedachtig-, bn. — Bloedeloos, bn. — Bloedeloosheid, v. — Bloeden, ow. bloedde, heeft gebloed. Bloed verliezen. Bloed loozen. Pijn doen : het hart bloedt mij er van. Uitboeten : daarvoor zal hij moeten bloeden. Dat zal we.1 dood bloeden, in het vergeetboek raken. — Bloederig, bn. Vol bloed. — Moedig, bn. bijw. Bebloed. Met bloed l edekt. Door bloedvergieten gekenmerkt. Zeer: bloedig jong. — Bloeding, v. (-en).

, — BLOE

— Bloedraad, m. Zie Beroerten. — Bloed-ryk, bn. — Bloedsomloop, m. Onophoudelijke beweging van 't bloed in 't dierlijk lichaam. Om den aan- en afvoer van het bloed mogelijk te maken is er een dubbel stelsel van buizen noodig. Elk orgaan en elke afdeeling van 't lichaam bezit dan ook twee vaten : de slagader 'ar ter ia) en de ader {vena). Zie Ader en Hart. — Bloed-spuwifjg, v. (-en). — Bloedvat, o. (-en). Vliezig, buisvormig kanaal, waardoor 't bloed in 't dierlijk lichaam stroomt. — Bloedverwant, m. (-en). — Bloedverwante, v. (-n). — Bloedverwantschap, v. Betrekking tusschen personen, die van dezelfde voorouders afstammen. De wetgeving onderscheidt wettige en natuurlijke of onwettige bloedverwantschap. — Bloedzuiger, ra. (-s). Dier 4 a 5 cm. lang, behoo-rende tot de ringwormen. Inheemsch zijn twee soorten : hirudo medicinalis en hirudo officinalis. Leeft in zoet water, vy'vers, moerassen. Is bij 't bloedafneraen bij geneeskundigen in gebruik. Wreedaardige woekeraar. — Bloedzweer, v. (..eren). Zweer, uit bederf van bloed ontstaan.

Bloedsomloop.

x. Hart. — 2, Longslagader. — 3. Bovenste holleader. — 4. Buikslagader. — 5. Onderste holleader.

bloei, m. Als de wasdom der plant tot zekere hoogte is gekomen, begint de bloei. De bloemknoppen zwellen, en, als daar»


ocr page 114

BLOE — c

binnen de voortplantingsorganen tot ontwikkeling zijn gekomen, verbreekt de bloem baar omkleedsel. Zij ontplooit zich in haar cigenaardigen vorm, zacht of schitterend gekleurd, al of niet een welriekenden geur verspreidt nd. Uit den stempel wordt een Meverig vocht afgescheiden, geschikt tot 't vasthouden van 't stuifmeel. Dit stuifmeel, rijp tn overvloedig, doet de wanden der helmknopje'? baksten en wordt op de stampers overgebracht. Het doel van den bloei is b'-mkr. De bloei der jaren, des levens, deshandels, eenermaatscnappii.enz.

— Bloeien, ow. bloeide, heeft gebloeid. Tn bloei staan. Tot bloei komen. Bloeiende stad, gezondheid, enz. — Bloeimaand, v. ■Meimaand. — Bloeisel, o. De verandering, welke de bloemknop ondergaat, totdat hij uitgebloeid is. — Bloeitijd* m. Voo»jaar. Jeugd. Kracht. — Bloeiwifze, v. (-n). Vereeniging van zeker aantal bloemen tot een symmetrische groep van bepaalden vorm aan of op een gemeenschappelijke as.

bloem, v. (-en). Gedeelte der plant, dat, in d- n regel, uit de voortplantingswerk-tuigon (stampers en meeldraden) en hunne omkleedsels (bloemkroon en kelk) bestaat. Bloemen, die tevens kelk, bloemkroon, stampers en meeldraden bevatten, nor-mt men volkomen. Omtolkovien zijn de bloemen, waar een of meer dezer deelen ontbreken. Eenslachtigy bloemen, die slechts meeldraden, of. slechts stampers bevatten; faveeslachtig. zulke, waarin beide gevonden worden. Treft men alleen meeldraden aan, dan spreekt men van mannelijke bloemen. Vrouwelijke heeten zij, die slechts eenen of meer stampers omsluiten. Soms komen marnelijke en vrouwelijke bloem op éene en dezelfde p'ant voor {eenhuizige) ; in andere g'vallen, heeft éene en dezelfde plant sh c' ts een van beide soorten {twee-hu izige plantengt;.

Bloem tin 't dagelijksch leven) = bloemkroon. Fijn gezift meel. (Scheik) Bloem van zwavt 1, kopt r. enz. De keur : de bloem derjo'geliugen. Si-raad: hij is de bloem der ku steraars. Maagdom. Begin : zijne blo» m is afgesneden. — Bloernbed, o. (-den).

— Bloembektredsel, o. (-s). — Bloemblad, o. (-eren, -«rs, -en,. blaren). — Bluemdek, o. (-ken). Bloembekleedsel, dat slechts u.t éene krans van blaadjes bestaat. Ook, twee of merr kransen van bloembekleedsels, wier bladen in kleur, enz. overeenkomen.

— Bloentengeky m. (-ken). — Bloemengeur, m. — Bloemenhandel, m. — Bloemenhandelaar, m (-s).— Bloemenmaak-ste*-, v. ( s). — Bloemenmaker, m. (-s). — Bloemenmand, v. (-en). — Bloemenmeisje, o. (-s1. — Bloemig, bn. Bebloemd. Blo. mrijk. Rijk aan aardappelmeel. Melig: bloemige aardappelen. — Bloemist, m. (-en). — Bloemisterij, v. (-en). — Bloemkool, v. (-en). Koolsoort met witte eetbare bloembundels : brassica oleracea. — Bloemkroon, v. (..onen). De voortplan-tingsweiktuigen van een gewas hebben, in den regel, twee omkleedsels, die van elkander in kleur, vorm en grootte verschillen. De binnenste heeten kroonbladen en

• — BLOO

vormen de bloemkroon, de buitenste kelkbladen en vormen den kelk. — Bloem-kweeker, m. (-s). — Bloemkvoeekster, v. (-s). — Blcemkweekerij, v. (-en). — Bloemlezing, v. (-en). Vergannsr van bloemen. Verzameling van fraaie stukken of plaatst n in proza en poëzie. — Bloembap, v. f-pen).

— Bloemperk, o. (-en). — Bloemrijk, bn.

— Bloemschacht, v. (-en). — Bloem scheede, v. (-n). — Blremscherm, o. (-en).

— Bloemschermdragend, bn. — Bloem-schermvormig, bn. — Bloemschilder, m. ( s). — Bloemschilderes, v. (-sen). — Bloemtros, m. ( sen). — Bloemtuil, m. (-en). Ruiker. — Bloemwerk, o. (-en)-Kunstwerk op, in of met bloemen. (Bouwk.) Festoen. — Bloemzaad, o. (..zaden).

blocaeiu. m. (-s*. Bloeisel. — Bloesemen, ow. bloesemde, heeft gebloesemd. Bloesems dragen. Bloeien.

Blok {P. J.), 1855, Helder. Hoogleeraar (Leiden). Geschiedkundige. Eene Hollandsche stad in de middeleeuwen (1883) gt; Correspondentie van Lod. van Nassau (1888*.

blok, o. en m. (-ken, -s). Groot stuk steen, hout of metaal. Klomp. Holsblok. Klomp boomhout om te branden. Bus, in kerken, waarin men giften voor den arme, enz. Pt«-ekr. (Zeew.) Katrol. Groot vierkant, rondom met huizen bezet: een blok huizen. Lomperd : hij is maar een blok. — Blok-kenmaker, m. (-s).

blokliuis, o. (..zengt;. Houten wachttoren. Gevangenis. Huis van opeengestapelde blokken vervaardigd.

blokkade, v. (-s). Insluiting eener stad. enz. — Blokkeeren, bw. blokkeerde, heeftgeblokkeerd. Insluiten (eenestad,enz.y

— Blokkeering, v. (-en).

blok kon. ow. blokte, heeft geblokt. Ijverig 3n gedurig studeeren. — Blokker, m (-s). — Binkster, v. {-s).

blom, v. (-men). Bloem.

ISlom tiistort 'Jkr F. A/.}, 1809-1871,. Gent. Warme voorstander der VI. Beweging. Bewerkte uitgaven van dichters uit d', i2e, 13« en 14quot; eeuw. Aloude Geschiedenis der Belgen of Nederduitschers (1849).

bi 011 tl. bn.Van lichte, naar het goudgeel overhellende kleur. — Blondheid, v. — Blondje, o. (-s). Blond meisje.

bloo, blood, bn. bijw. Vreesachtig. Bedeesd. Beschaamd. — Bloodaard, ra. (-s). Brschroomd mensch. — Bloohartig, bn. bijvv. — Bloohartigheid, v. — Bloo-heid, v

bloot. bn. Naakt. Onbedekt. Bijw. Enkel. Alleen : ik heb bloot gezegd (dat).

— Blootrlijk, bijw. Slechts. — Blooten, bw. blootte, beelt gebloot. Ontblonten. Plooten. — Blootgeven {zich), ww. gaf zich bloot, heeft zicb blootgegeven. In 't schermen een deel van 't lichaam onbeschut latea. Zijne zwakheid laten blijken. Zijn geheim verraden. — Blootheid, v. — Blootleggen, bw. legde en leide bloot, heeft blootgelegd en blootgeleid. Openbaren. Laten zien. - — Blootlegging, v. — Bloot liggen, ow. lag bloot, heeft olootgelegen. — Blootshoofds% bijw. — Blootstaan, ow. stond bloot, hoeft


ocr page 115
ocr page 116
ocr page 117

BODE — I

blootgestaan. Rlootfrosteld zijn (aan\ In gevaar verkeeren (van). — Blootstellen, bw. stelde bloot, heeft b'oot^estel 1. Zich blootstellen, uw. — Blootsvoets, bij v. bloM, m. HeltLr rood in het aangezicht, blikiiwol, m. (-s). Hennepbraak. — Blou7ven, bw. blouwde, heeft geblouwd. Breken (hennep).

bl lt;gt;\v. bloosde, heefc gebloosd.

Eenen blos krijgen. Rood worden. — Blo-zend. bn. Met eenen blos. — Blozing, v.

ICIiselier [G L. Ton, prins van Wahl-Stadt), 1742-1819, Rostock. E^-n der grootste helden uit den Duitsch' n bevrijdinss-oorlog. Hem is de zege van Waterloo te danken, bluf, m. (-f n). Pocherij Grootspraak.

— Bltiffm, ow. blufte, heefc gebluft. Pochen. Grootspreken. — Bluffer, m. (-si.

— Bluffen), v. (-en). — Bluf ster, v. (-s). bliiMNoiion, bw. bluschte, heeft ge-

bluscht. Llitddoven : den b and blusschen. Lesschcn : zijnen dorst blusschen. — Bluschgereedschap, o. (-pen). — Rlusch-middel, o. ( en^. — Blusrhster, v. (-s). — Blusscher, m. (-s). — Blusscht'ng, v. (-en).

blut, bn. Rlut zijn : alles verloren hebbende (in 'tspel).

bliils, v. (-en). Holligheid door drukking vcoorzaakt Gezwel. —Blutsen, bw. blutste, he it gel In st —Blntstng, v. (-en).

Bo [L. L- de), 1826-T 85, Beveren (op de Leie) Pas'oor-deken (Popt ringe). Dichter, letterkundige en opsteller van een Westvlaamscn Idioticon.

bon. v. (-'s). Reuzenslang.

bobiM*-!, m. (-s). Blaas. Waterbel. Opborreling (door koking of gisting). — Bobbelen, ow. bobbelde, heeft gebobbeld. Bobbels opwerpen. Koken : het water bobbelt. — Bobbelig, bn. — Bobbeling, ▼. (-en).

bobbord, ra. (-s). Lomp persoon, bobberen, ow. bobberde, heeft ge-bobberd. Bobbelen. — Bobbering, v. (-en).

bobijn, v. (-en). Garenklos. — Bo-bij'ien, bw. bobijnde, heeft gebobijnd. quot;Winden (garen). Kant maken.

boobcl, m ( s). Kromme rug. Bult. — Bochelaar, m. (-s). Die eenen hoogen rug heeft. — Bochelmrster, v. {-s). — Boche-len, ow. bochelde, heeft gebocheld. Hard werken. — Bocheljoen, m. (-en) (Spott.) Gebochelde.

v. (-en). Buiging. Kromte. Golf. Inham. Baai. — Bochtig, bn. — Bochtigheid, v.

bocht (buelit), o. en m. Uitschot,

Slechte waar.

boelit, m. (-en). Plaats met hek- of paalwerk afgeslote •, waarin men koeien, schapen, enz. laatloopen.

Köekliit KA.), 1827, Bazel. Zwitsersch schilder.

bolt;l, o. Aanbieding. Aanbod.

Itode (J. Ei), 1747-1826, Hamburg. Duitsch sterrenkundige.

bodo, m. en v. f-n). Boodschapper. Afgezant. Zendeling. Dienstbode.—Bodenbrood, o. Brood (voor de bedienden). Geschenk aan den eersten aanbrenger eener goede tijding gegeven. — Bodenkamer, v.

' — BOEL

(-s). — Bodenloon, o. en ra. — Bodeschap, o. — Bodm, v. (-nen).

bodem. m. (-s). Grond. Diepte. Onderdeel. Grondgebied. Schip. Op eigen grond en bodem : het land waar men geboren is. Aan eene zaak den bodem inslaan : haar met geweld voor goed doen eindigen. —

— Bodemen, bw. bodemde, heeft gebo-demd. Den bodem zetten (in een vat).

— Bodemloos, bn. — Bodemerif, v. (-en). Beleening op een schip of op de lading (vooral in eene haven, waar bekomene schade moet hersteld worden),

ItodeiiHtedt (F. il/.), 1819, Peine (Hannover). Duitsch dichter en schrijver. 7a//send ugt;id ein Tag im Grient (1850) ; Lieder des Mirza-Schaffy (1851).

ISoduoenaat. Opp erbevelhebber der Nerviers bij den veldslag te Fleurus (57 voor dir.).

boo, tw. Om benauwd te maken. Hij zegt nog boe noch ba : hij spreekt geen enkel woord.

ieo«gt;stiis:a. Stad en standplaats op den Congostroora.

ISo«gt;«*kborftt (y.), 1605-1668 (Lange Jan). Vl schilder. Vonnis van den boet-vaardi^en koning David.

ISooddlistiHiiio, o. Godsdienst, in noo-delijk Indië als hervorming en ontwikkeling van het Brahmaïsme ontstaan. Sakyamoeni of Gat/lama, die met den naam van Boeddha (wijze) vereerd werd is er de stichter van (waarschijnlijk 6e eeuw, voor Chr.).

boedel (ookboel), ra. (boedels). Al het bezit. Al het roerend goed. De nalatenschap. Desolate boedel, die niet aanvaard wordt ora de vele schulden, waarmede hij bezwaard is.

boef, ra. (..ven). Guit. Deugniet. Schelm. Schurk. — Boefachtier% bn. bijw.

— Boe fa ch tigheid, v. — Boefsch, bn. — Boevenjacht, v. — Boevenklok, v. (Eert). Inluiding eener kermis, gedurende welke bann lingen, enz. vrij konden rondloopen.

— Boevenpraat, m. — Boevenstreek, m. (..eken). — Boevenstuk, o. (-ken), boevery, v. (--n). Schelmsch bedrijf.

boeg-, ra. (-en), 't Voorste deel van een schip.— Boegen, ow. hoegde, heeftgeboegd. Sturen. — Boegkr/iisen, ow. boegkruiste, heeft peboegkruist, Laveeren. — Boeg-seeren, bw. boegseerde, heeft geboegseerd. Voortsleepen (schepen). — Boegseeyingt v. (-en). — Boegseerhjn, v. (-en), — Boegspriet, ra. (-en-.. Mast, die in een hellenden stand voor 't schip uitsteekt.

boobst. Zie Boha.

ISoelnuer (J.F). 1795-1863, Francfurt a/Main. Grondlegger der nieuwere geschiedenisstudie in Duitschland.

boei, v. (-en). Blok of ton, die drijvend op het water aanwijst waar het anker ligt.

boei, V. (-en). Keten. Kluister : in de boeien klinken. — Boeien, bw. boeide, heeft geboeid. Kluisteren : de gevangenen boeien. De aandacht doen vestigen. In verrukking brengen. (Zeew.) Een schip bekleeden. — Boeier, ra. (-s). Die boeit. Speeljacht raet eenen raast, doorgaans een stagzeil en een gaffelzeil voerend.


ocr page 118

-98 -

BOET

BOEN

Itociplank, v. (-enï. Zijplank van een schip. — Boeisel, o. (-s). Hooge zijplanken van een schip.

bock, o. en m. (-en). Saaravervatte bladen papier. In elkander geslagen vellen papier (meestal 24U Afdeeling van een gedrukt of geschreven werk. Register. Kantoorboek. — Boekachtig bn. — Boekbewaarder, m. (-s). — Boekbinden, o. — Boekbinder, m. (-s). — Boekbinderij, v. (-en). — Boekbindersknecht, ni. (-s). — Boekbinder slijm, v. — Boekbinderspers, v. (-en). — Boekdeel, o. ( en). — Boekdrukken. o. — Boekdrukker, m. (-s).— Boekdrukkerij, v. (-en). — Boekdrukkersknecht, m. (-s). — Boekdrukkunst, v. — Boeken, bw. boekte, heeft geboekt. Te boek stellen. Opschrijven. — Boekenhanger, ra. (-s). Boekenrek.— Boekenkamer. v. (-s). — Boekenkast, v. (-en). — Boekenkennis, v. — Boekenkist, v. (-en). — Boekenkraam, v. en o. (..amen). Boekenlijst, v.(-en).—Boekenminnaar, m.(-s). — Boekenplank, v. ( en). Boekenrek, o. (-ken).

— Boekenstalletje, o. ( si. Boekenkraam.

— Boekentasch, v. (..sschen). — Boeker, m. (-s). — Boekerij, v. (-en). — Boekhandelaar, m. (-s). — Boekhandelaarster, v. (-s). — Boekhouden, o. — Boek-houder, m. (-s). — Boekhouderschap, o.

— Boeking, v. — Boekske, boekskens, o. (-s). — Boekstaven, bw. boeksta tl.Ie, heelt geboekstaafd. Te boek stellen. Opschrijven.

— Boekverkooper, m. (-s). — Boekver-koopersknecht, ra. (-s). — Boekverkoo-pe rswinkel, m. (-s).— Boekverkoopster, v. (-s). — Boekwerk, o. (-en). Gedrukt werk.

boeksmicr, ra. (-en, -s);_ Buffeljager. Araerikaanscbe wilddief. Vrijbuiter in de Westindische zeeën (17® eeuw).

bockel, ra. (-s1. Haarkrul, boekweit, v. en m. Plant {Polyfo-nuf/i fagopyrum) tot de familie der dui-zendknoopen i.ehoorende. Wordt om hare melige vrucht (eveneensboekweit geheeten) in Noord-Amerika en vooral in ons vaderland verbouwd. — Boekweitebrood, o. — Boekweiten, bn.

boel. ra. Boedel.— Boel huis, o. (..zen). Ven iuhuis. Ook, huis. welks inboedel in veiling zal worden gebracht.

boel, ra. (-en). Menigte. Welk een boel is het liier : hoe ligt alles overhoop.

boel, ra. en v. (-en). Overspelige (man of vrouw). — Boelage, v. — Boeleerder, m. (-s). — Boeleeren, ow. boeleerde, heeft geboeleerd. In overspel leven. — Boelee-ring, v. — Boeleerster, v. (-s). — Boe lig, bn. — Boelschap, o.

I5o4'I (P.), 1622-1674. VI. schilder (dieren en dood wild). Drie arenden, die om eene doode ree strijden.

boelQn, v. (-s). Lijn, dienende om het loeflijk der vierkante zeilen meer aan den wind te halen, als raen bij den wind zeilt. boelekeiiHkruiri, o. Leverkruid, boemstn, ra. Bietebauw.

Boendale (^. van), i28o(?)-i365(?), Tervuren. « Scepenclerc » der stad Antwerpen. Schreef in dichtmaat : Brabantsche Veesten; Der Leken Spiegel; Van den derden Edewaert; Jans Teesteye.

boenen, bw. boende, heeft geboend. Door middel van een wollen lap met was, enz. wrijven (tafels, enz.) om er oen voldoenden glans aan te geven. Wrijven. Schoonmaken. — Boender, m. (-s). Tuig om te boenen. — Boener, ra. (-s). — Boen-sel, o. (-s).— Boenster, v. ( s).

boer, m. (-en). Veldbewoner, die zijn bedrijf van den landbouw en de veeteelt maakt. Lomperd. Domoor. — Boerachtig, bn. bijw. — Boerachtigheid, v. — Boerderij, v. (-en). Boerenwoning. Landbouw. Landhuishoudkunde. — Boer en,om boerde, heeft geboei d. Het land bouwen. Boer zijn.

— Boerenarbeider, ra. (-s). — Boerenbedrieger, m. (-s). Bedrieger, die het onhandig aanlegt om niet ontdekt te worden. — Boei-enbedrijJ, o. — Boerenbedrog, o. — Boerenboon, v. (-en). Groote boon : phaseolus vulgaris. — Boerenbrood, o.

— Boerenbruiloft, v. (-en). — Boerendans, ra. ( en). — Boerendeern, v. (-en).

— Boerendochter, v. (-s). — Boerendorp, o. (-en). — Boere7idracht, v. — Boerenfeest, v. en o —Boerenherberg, v (-en).— Boerenhofstede, v. (-n). — Boerenhuis, o. (..zen). — Boerenjongen, m. (-s). — Boe-ren kermis, v. (sen). — Boerenkinkel, ra. (-s). — Boerenknecht, ra. (-s). — Boerenkool, v. (-en). — Boer enk ost, ra. — Boerenmeid, v. (-en). — Boerenstand, ra. —

— Boerenwerk, o. — Boerenwoning, v. (-en). — Boerin, v. (-nen). — Boerinnen* jak, o. en ra. (-ken). — B oer in nen muts, v. (-en). — Boersch, bn, bijw. Als een boer. LompDom. — Boerschheid, v. (..heden).

Itoerliaavo (//.), 1668-1738, Voorhout. Hoogleeraar (Leiden). Geneeskundige. Insti-t ut ion es medicoe; Apho-rismi de cognoscendis et curandis morbis; P' (electiones Academic ce.

ICoeroe. MoluLsch eiland. t5olt;»r»,m.mv.Grond ■ bezitters, va:. Nea^rlandsche afkomst, aao de Kaap De Goede lioop. Men onderscheidt hen in wij-1-, graan- en veeboers.

boert, v. Scherts. — Boe? r-n, ow boertte, heeft geboert. — Be tend, b»i^ bijw. — Boertenderwijze, ..~vijs. bijw. — Boer ter, ra. (-s). — Boert^ij, v. (en). Scherts. — Boertig, bn. bij v. Kluchtig. Op kluchtige wijze. — Boertigheid, v.

boete, v. (-n); Straf tot delging van begane zonde of misdaad. Geldstraf wc gons overtreding. — Boetedoening, v. (-en). Boeteling, ra. en v. (-en). Die boete doet.

— Boeten, boette, heeft geboet. Ow. Voldoen : voor zijne zonden boeten. Bw. Herstellen : netten boeten. Bevredigen : zijnen gouddorst boeten. — Boeter, ra. (-s). — Boetgewaad, o. — Boefgezang, o. (-en). — Boeting, v. — Boetkleed, o. (-eren). — Boetpredikatie, v. (..iën, -s). — Boetprediker, m. (-s).—Boet/reek, v. (-en).—Boetpsalm, ra. (-en). Psalm, waarin met belijdenisvan zonden, vergiffenis daarvan wordt afgebeden : de zeven boetpsalmen. — Boet-


ocr page 119

BOK _ ■

sier, v. (-s). — Boetvaardig, Du. bijw. Berouwhebbend. Zondenbelijdend. — Boetvaardigheid, v.

Bo4;f iiiH {A. M. T. S.), 470-524, Rome. Wijsgeer. Consolaltophilosophiae,

bolt;'lMc«'roii, bw. boetseerde, heeft geboetseerd Verheven beeldwerk of beelden •ait eene weeke stof igips, klei. was) vormen.

— Boetseerder, m. (-s). — Boetseering, v. (-en). — Boetseerkunst, y. — Boetseer-ster,v. (-s).

ƒ nu mi.*i (Zl), 1620-1678. VI.

historieschilder. Hemelvaart van Maria.

o. Stof, waai van gewoonlijk de voorschooten v gt;or vrouwen gemaakt worden. — Boezelaar, it'. ( s). Voorschoot. Schort.

boozcMi. m. (-s). Ruimte van de borst. Zie Hart. Inham. — Boezemvriend, ra. (-en). Vertrouwde v -end. — Boezemvriendin, v. (-nen). — Boezemvriend-schaft, v.— Boezemwees, m. en v. (..zen). Kind na den dood des vaders geboren. — Boezemweeze, v. (-n).

boexeroou, o. en m. (-s^. Soort van korte kiel (door matrozen, ambachtslieden enz. ! edragen).

boT, ra. Het heeft geenen bof: er valt niet op te. roemen, i-fen) Slag. Stoot. — fioffen, bofte, heeft geboft. Bw. Slaan. Stó'-ten Ow. Pochen. — Boffer, m. (-s).— Bofferd, ra. (-s).

ïiojsstvrric vsm Ier Itnigrere (A. L. baron van den), 1787-1S55, Gent. Burgemeester aldaar. Later districts-comrais-saris van bet Land van Waas. Gouverneur van Noord Brabant (1820). Het district van St Ni co laas, voorheen Land van Waas (1825).

BoBrsicrH {A.), 1795-18-0, 's Graven-iage. Dichter. Jocnebed (1835^ ; De Tocht van Heemskerk naar Gibraltar »1856, bekroond»; Balladen.

bo^«'ii. bw. l)OOf«de, heeft geboogd. Pochen Zich beroemen.

boli:i. tw. Hola. Veel boha maken : razen, tieren.

.. Weleer se;. z:'is*andig koo:nV. tl'ir.^ cv i ged^eLe van het kei Ci i' * ^tif .enri'k. ^ vierK. gec gr. mijl. 5,700,00quot; —iiohehie'', ra. (-s).

1836, Zieriksee. Advocaat. Buiten!, eerelid d.v Iv. VI. Academie. Hemelt elf; en we*. //V; ■. : B58); Fins l'. / en zijn tyd (1861). \ er taalde de « Diviaa •Commedia » (met commentaren).

ISoi«kllt;Iio«gt;, (y.A.), 1775-1834, Rouaan. Fr. componiis . I.e Calife de Bagdad; La Dame lil nch» \1825).

Stoi Vni* lleHprcaiix (A''.), I1636-1711, Pa t : . Dichter. Lt.irin; Art poé-iique; Satires.

bok, ra. (-ken). Mannetje der geit. Zitbank van den koetsier. Schraag. Ezel. Onbeleefd mensch. Eenen bok schieten : eene grove fout maken. — Bokachtig, bn. bijw. Lomp. Koppig. Onbeleefd. — Bokachtiq-heid, v. (..beden). — Bokke[n) leder, „leer, o. — Bokke (n) Iedere n, ..le er en, bn.

— Bokkenaard, ra.— Bokkenwagen, va. (-s). — Bokkesprong, m. (-en). Kluchtige beweging. — Bokkevel, o. (-len). — Bok-

) — BOL

kig, bn. Bokachtig. — Bokkigheid, v. (..heden). — Boksbaard, m. {Tragopogon), Plantengeslacht, tct de famengesteldbloe raigen behoorende. — Boksblok, o. en m. (-ken). Sooit van katrol. — Boksboon, v. (-en). Wilde vijgeboon. — Bokshoofd, o. (-en). — Bokshoorn, ..horen, m. (-s). — Bokspoot, ra. (-en). — Boksvoet, ra. (-en). Sater.

bokaal, v. (..alen). Groot drinkglas, bokking:, ra. (-en). Gerookte haring, lem. eenen bokking geven: iem. scherp berispen.

bokfio, v. (-n). Broek. Stoomketel, bokken, bokste, heelt gebokst. Ow. Met de vuisten slaan. Bw. Stooten (van geiten en schapen). In den zak steken. — Bokser, m. (-s).

bol, m. (-len). (Meetk.). Lichaam ontstaan door de omwenteling van een halven cirkel om zijne middellijn. Bal. Kloot, enz. (Kruidk.) Onderaardsche stengel. Wat naar eenen bol gelijkt : de bol van eenen hoed. Het schort hem in den bol : hij is niet recht bij zijn verstand. Hij is een bol, een knap mensch, hij is bedreven (in). — Bol, bn. Bolrond. Gezwollen, opgezet. — Bolachtig, bn. — Bolachtigheid, v. —

— Bold.'rivagen, rr. (-s). Overdekt boerenwagen zonder rieraei . Goederenwagen .-n-'t rende zoldering (bij de sportwegen). •— Bolheid, v. — Bolleboos, :r. (..oozen). Bijzonder knap mensch. iera., die ;■ 's uitmunt. — Bollen, bolde, uceft gebold. Bw. Bol maken. Den kop inslaan : eomen os bollen. Inhalen : de bezaan bollen. Rondm.'iken : een stuk ijzer bollen. Ow. Bol worden. Met den bol spelen. Behagen : het bolde hem zeer genoemd te zijn. — Bollenbakker, ra. {•$).— Bollenmater, ra. (-s). — Bollig, bn. — Bolligheid, v. — Bolrond, bn. — Bolvormig, bn. — Bol-vormige-driehoeksmeting, v. — Bolvormigheid, v. — Bolwerk, o. (-en). Borstwering. Bescherming. — Bolwerken, bw. bolwerkte, heeft gebolwerkt. Met bolwerk voorzien. Klaarkrijgen. — Bolworm, m. (-en). Hersenworm \coenurus cercbralis). Schapen sterven vooral aan den bolworm.


ocr page 120

BOMM — I

Den bolworm hebben, slecbt geluimd zijn.

ISol (/^), 1616-1680, Dordrecht. Historie en portretschilder.

bolk, v. (-i n'. Soort van schelvisch, ook wijting Keho ten.

B4»llsiii4li.%(vii, m. mv. ÜSIedewer-kers, zoowel liidfjet ooien als opvolir«*rs van den Jezuïet vnn Bolland (1506-1665, Julémont), aan wirn door zijne oversten werd op^edraarpn de volvoering van 't plan van Hen-bert Kus we yd van Utrecht, de levens der heiligen [Acta sanctorum) te beschrijvt n.

Standplaats (Congo).

ISoIm (y.), t 12, Wercht''r. Pastoor (Alsemberg). Wo ki'nd lid der K. VI. Academie. Een reisje naar Zivifseriand (18/4); Regeltjes (mgt;!t J. Muyldermans, 188^ ; Nederd. Bloemlezing (mttj. ^Muyldermans, 1886).

bolMter, m. (-s). Buitenste groene bast van noten. Kaf: bolster van koren. Peluw. (Zeew.) Klamp van den boegspriet. — Bolsteren, bw. bolsterde, heeft gebolsterd. Den bolster afnemen.

ISolHwanl [van). 10 Boëtitis (1580-163;), Bolsward. Graveur en kunsthandelaar. 20 Scheltus (T5SÓ-16.. (?), broeder van den volt; rgaande. Graveur. Wist den penseelstreek en tint van Rubens op eene treffende wijze weer te geven. S1* Ccecilia (naar Rubens) ; Christus aan het Kruis (naar Van Dyck).

I»oIiih, m. Gekleurde kleisoort, hoofdzakelijk bestaande uitkiezelzuur, aluinaarde en ijzeroxyde i-sen) Alikruik. Artsenij-balletje, brok die in eens wordt doorgeslikt. Zeker gebak.

lgt;oin, v. (-men^. Stuk hout, waarmede eene ton, enz. wordt dichtgemaakt. Groote kanonsklt; gel. Vischschuit (inz. voor de haringvangst). — Bombardeeren, bw. bombardeerde, heeft gebombardeerd. Beschieten (met bommen, enz.). Tem. op het on-vcwachts tol een ..'ubt bencemen. — Bow bar dec* dor, ^.. -s'.— Bombardeer-raüoot. v. (. oten). — Bombar deer ing, v. l-eu). — Bombar deer sloep, v. (-en). — Bombardement^ o. — Bomgat, o. (-er,/. Openirj; eener *oij, waarin men du Lom steekt. Galmgat (i n cer.en toreu).—

ketel, m. (-si. Oorlogstuig, dienende ooi bommen te werpen.

ItoniPi. Standplaats aan d'n rechter-cev-er van den benedenloop van dei. Congo. Hoofdplaats van den Congos:aat eu zetel van 't ojiperbestuur.

lkoigt;tb:amp;miiilt;^]M, ow. bombamde, heeft gebombamd. De klok luiden. Don klank van de klok nabootsen. Aanhoudend een dof en vervelend ^eluid doen hooren.

bomburio.. v. Beweging. Beslag. Getier.

lM»mbA*t, m. Opgezwollen woorden zonder zin. Holle klanken. — Bombastisch, bn.

bonibiizUn, o. (-en). Katoenen stof. Scheepjesgoed. — Bombazijnen, bn. bombeen, o. ( en). Gezwollen been. boiuUM \bom--ys), o. Ijs, dat op 't water Biet draagt.

bommel, m. (-s). Prop van een vat.

0 — BOOM

bommoii, ow. bomde, heeft gebomd. Galmen. Gedurig en vervelend kloppen.

bon, m. (-s). Schriftelijk bewijs, dat iets goed en geldend is. Aanwijzing op iets. ]toii:tire. Nederl. bezitting. Zie Indië.

(/,. G. A. de), 1754-1840, Monna. Fr. letterkundige. Traité du divorce.

Itonsiparto. Zie volgreeks der regee-rende vorsten. Zie Napoleon.

bond, m. (-en). Verbond. Vereeniging.

— Bondgenoot, m. (-en). — Bondgenoote, v. (-n). — Bondgenootschap, o. (-pen). Verdrag tusschen twee of meer mogendheden. Vriendschap. Vereeniging. — Bond' kist, v. Arke. des Verbonds. — Bondsleger, o. (-s). — Bondsvloot.y. (..oten).

homligr, bn. Lw. Kort. Beknopt. Overtuigend : een bondig bewijs. — Bondig' heid, v.

Itoniraciiis. Zie Paus.

bonk, v. (-en). Schonk. Been. Grof stuk, m. (-en) Oud paard. Dikke, grove jongen.

bonken, bw. bonkte, heeft gebonkt. Slaan (met vuisten).

bonnet, v. (-ten^. Kleine priesterhoed zonder randen. Klein zeil, dat men aansluit om de breedte der zeilen te vermeerderen, boiiN, v. (..zen). Slag. Stoot. Schok. Weigering : de bons krijgen.

bont. o. (-en). Pelswerk. Het vel van een dier met het haar daarop.

bont, bn. bijw. Veelkleurig. Veelvervig. Het bont maken ; in de palen niet blijven, zich te veel veroorloven. — Bonten, bn.

— Bontheid, v. — Bontekraai, v. (-en). Mantelkraai: Corvus cornix.

I»« n r.eia, bw. ow. bonsde, heefc gebonsd. Hard slaan. Hard kloppen.

Bonzen, m. mv Benaming der Japan-sche priesters van Fo of Boeddha, bonzins:. Zie Bunzing.

boolt;l»elistp, v. (-pen). Tijding. Be-ricb*. L«*st. Eene boodschap (commissie) doei.. E blainve boodschap : eene uitvlucht, e» ^v/emsd bekeek, 'c heb geeaf? boodschaj . •;! \m«:t) u • :.k Leb niets met u tr doen. Afar*a-boclt;'ichap. lt;ec -r.dag (2- taagt; quot;-er herinnering aa:i do aa^kc i-u' Gab. iël aan Maria, dat

zi;ó u-. God zou zijn. — Bocd-schapp i • 'a . ; quot;o^schapte, heefr g'ibcH-schapt. i-» i: Mndigen. Bericatcn.

— Brcdï' ' '. ni. •'-$). —

ping, v. — . 'sshc sfegt;-, v.

boojr, m. r Al r t gebogen is.

Sr.bietfu:0 arm ..■•«I-, quot;ootbocg. Da boog kan niet a ja gespannen zijn : men kan niet alt:; 1 erken. Een deel vari den omtrek ee1 - cirkels. — Bo^e^makt **. m. {-s).—Buogbr tg, v. (-gen).— jocggewelft o. (..ven). — Boogscheut, m. (-en), boog-schoit, m. (..oten). Bereik van den Doog.

— Boogschutter, m. (-s). — Boogschjt, o. (-en). Schut met eenen boog. Schot, dat onder een grooten richtingshoek wordt gedaan. — Boogzaag, v. (..agen). — Boogswijze, ..zvys, bn. bijw.

booj;s(arlt;l, m. (-en). Boomgaard, boom, m. (-en). Plant, wier stam tot op zekere hoogte boven den grond onver-


ocr page 121

— IOI —

BOOS

BORG

deeld blijft on zich eerst aan den top in takken c-n twiicfen verdeelt. Lange staak met eenen ha.ik er aan (om schuiten voort te duwen). Zeker toestel (aan een rijtuig, aan de drukpers, aan den weefstoel). Slagboom. (Kaarfsp.) Vier lijntjes door een vijfde doorkruist. Aan den boom kent men de vruchten : zooals de oorzaken zijn de gevolgen. De appel valt niet ver van den boom : de kinderen gelijken de ouders, 't Is een kerel als een boom, een stevige, lange kerel. — Boom achtig, bn. — Boo-7/ifin, bw. boomde, beeft geboomd. Door middel van oenen boom (een vaartuig) voortduwen. Den ketting op den weefboom brengen. — Boomer, m. ( s). — Boomgaard, m. (-en). Hof, enz. uitsluitend met vrucht- en fruitboomen bezet. — Boomgewas, o. (-sen). — Boomig, bn. Rijk met boomen bezet. Eggig (van tanden). — Booming, v. — Boomklok, v. (-ken). Klok, welke men bij h t openen en sluiten van eenen havenboom luidt. Plaagziek kgt;nd — Boomkrtéifierfje, o. (-s). Zangvotrdtje (errihia familiar is), met vrij lang. ti. gebogen en dunnen snavel, eene kroakbeenige tong en stijve afgeknotte staartvlt;'den-n. waarop het nisten kan bij 't klimmen De borst en buik zijn wit, de vleugels bruin met geelachtig witte en roode vlekken, de staart is bruin. Heeft een witte str.^p boven en achter de oogen. Leeft in geheel Europa. — Boomkweeker, m. (-s). — Boomktvrekery, v. (-en). — Boomkiveeksier, v. (-s). — Boomladder, v. (-s). Dubbele ladder. — Boommoor der, m. (-s) Amerikaanse he struik, {celastrns scandens) die her nabijstaand gewas zoodanig omwindt, dat het sterven moet. — Boomolie, v. Olijfolie. — Boomsterk, bn. Buitengewoon sterk.— Booms^vyze, ..wijs.

— Boomwol, v. Katoen. — Boomzaag, v. (..agen).

boom, m. (-s, -en). Bodem.

boon, v. (-eni. Vn . i.t «n plant. Veld-gewr.s tot cc ■ • r peulvruchten en

4e foep «i? :• . .»;.Jerb',o--nis:n gt;■ oho» rende: dv ie snijbolt;/n --- Boonr-

boom, m. (-en) A-terlK^nsrhe i-oom, die boonen dr.Kigc. — Boonenbrood, o. — Booncnkrnid, o. Kuun. — Boonenmeel, o.

— Boonensoep, v. — Boonenstaak, m. (..aken). — Boonenveld, o. (-en).

Bolt;mcn A.), 1669-1729, Dordrecht.

Portretjchilder.

boor, v. (boren). Werktuig om gaten te naken — Boortoestel, m. en o. *(-len),

bot «I, o. Rand van een schip, 't Schip zelf. Van den achter- naar den voorsteven gaande, heeft men rechts stuurboord en links, bn boord. Uitspringende plank aan eene schouw of langs eenen w.ind.

H«oorlt;il, m. ( en). Rand. Zoom. Oever.— Boorden, bw. boordde, heeft geboord. Een boordsel, eenen rand maken (aan). — Boor der, m. (-s). — Boordevol, bn. — Boordevolletje, o. (-s). Glas, tot aan den rand volueschonken. — Boordlint, o. (-en).

— Boordsel, o.(-s). — Bnordster, v. (-s).

bolt;»vf!a. v. Zekere ziekte uit overmaat

lt;yan gal ontstaande.

^ boog, ba. bijw. Kwaad, Slecht. Toornig.

Gevaarliik : booze weg. Boos, onstuimfgf weder. Zich boos maken : driftig worden. — Boosaardig, bn. bijw. Boos van aard. Verbolgen. Venijnig. — Boosaardigheid, v. (..heden). — Boo sa a rdighjk, bijw. —Boosdoener, m. ( s). Misdadiger. — Boosdoenster, v. ( s). — Boosheid, v. (..heden).— Booswicht, m. (-en). Schelm. Snoodaard.

— Booze, m. De duivel. — Boozigheid, v. (..heden).

boot, v. (-en, -s). Benaming van een aantal kleine vaartuigen, die met roeispanen voortgedreven worden. Stoomboot.

— Bootsgezel, m. (-len). Matroos. — Bootshaak, m. (..aken). — Bootsman, m. (-lieden, ..lui). Eerste matroos Tweede schipper (aan boord van een oorlogsschip).

— Bootsmansjnaat, m. ( s). Onderboots-man. — Bootstouw, o. (-en). — Bootsvolk, o. Matrozen.

boot, v. (-en). Halssieraad.

boot, m. (-en), boote, v. (-n). Bundel ruw vlas, welken men in het water steekt om te roten. Bundel gezwingeld vlas, wegende een kilogram 389 grammen.

bootften, bw. bootste, heeft gebootst. Boetseeren.

Itooz. Patriarch uit het oud-Testament. Huwde Ruth. Voorvader van David.

bomt, brsit, o. Eone soort van geweven wollen stof.

borax. v. (Scheik.) Zout voortkomende uit de verbinding van boraxzuur met soda.

— Boraxzuur, o. Zuur, uit de metalloïden borium en zuurstof bestaande.

bord, o. (-en). Plank : iets op het bord schrijven. Teljoor. Dambord. Schaakbord. Uithangbord, enz.

borlt;llt;M*l, o. (-cn\. Huis van ontucht. bor«llt;kM, o. (-sen). Hooge stoep. Rustplaats aan eene trap.

bord iff, bn. Hard. Stijf. — B or dig-heid, v.

bordpapier, o. Dik, stijf papier, bord o rot*, bw. borduurde, heeft geborduurd. Randen, figuren met de naald in zij le, goud. enz. werken. — Bor-duur der, m. (-s.) — Borduurgaren, o.

— Borduur katoen, o. — Borduurnaald, v. (-en). — Borduurpatroon o. (..onen).

— Borduurraam, o. (..amen). — Bor-duur se. I, o. (-s). — Borduurster, v. (-s). — Borduurwerk, o. (-en). — Borduurwerkster, v. ( s).

boron, bw. boorde, heeft geboord. Door draaien en drukken een gat maken. In den grond boren : een schip in den grond schieten. Dringen : bij boorde met zijne mannen door den vijand heen. — Boring, v. (-en).

borgr, m. (-en). Persoon, die zich ver-antwoo-dt'lijk steltvoor een ander. Pand. Onderpand. — Borgtocht, ni (-en). Pand. Onderpand. — Borgtoch te lijk, bijw-

borirni, bw. borgde, heeft geborgd. Op goed vertrouwen geven of verkoopen : ik heb hem te lang geborgd. Op krediet geven : wie te veel borgt verliest zijn geld.

— Borger, m. (-s). — Borging, v. — Borg ster, v. (-s).

ICoruer (ZT. A.), 1784-1820, Joure (Has-kerlaud). Hoogleeraar (Leiden). Latijnscha


ocr page 122

BORS — i

werken; leerredenen ; gedichten; Iets voor

fn /n kind; Aan den Rijn.

Etoriuni, o. Dit element komt in de natuur slechts als boriumzuur of als zouten hiervan voor.

Boiluut (7.), 1270 (?)-i3.. (?), Gent. Stichtte aldaar het Ausustijnerklooster. Zeer verkleefd aan Gwijde van Dam-pierre, trok hij met 5000 man tegen de Franschen op^ en streed als een leeuw in den slag van Groeningen-kouter (1^02)

Bormaii* (J. H ). 1801-1878, St.-Trui-den. Hoogleeraar (Luik). Leven van S. Christina de Wonderbare (1850) ; Der fiat uren Bloetnevanjac. van Maerlant ; Leven Tan S. Lntgardis (1858) en S. Servatius (1858).

lgt;orii, v. (-en). Bron. Fontein.

Borneo. Soenda-lt; iland. Oppervlakte: X3»000, vierk. mijl. Bi-volking : 2,000.000 inw. (Zielndië). Is tt*n deele onafhankelijk, ten deele aan Nederland onderworpen. Binnenland weinig geken 1. Tndeeling :

!i. Pontianak, residentie, hoofdpl. Pontianak.i. Pontianak, residentie, hoofdpl. Pontianak.

2 Sintang, assistent-residentie.

3. Sambas, assistent-residentie.

4. Montrado, assistentresidentie.

!Sampit.Sampit.

Kotta-ringin.

Tanah-laout, hoofpl. Tabceniaoe.

Koelei, rijk.

Sam ar in da, rijk.

Passir, rijk.

— Koffie, kaneel, maïs, vooral suikerriet.

Bornicr (//. de), 1825, Lunel. Fransch dichter. La Fitte de Rotnnd (1875).

Borrekcns (5^. P- F.), 1747-1827, Antwerpen. Historie- en landsch-Tpschilder.

borrel, m. (-s). Blaasje. Waterbel : als het water kookt komen er borreltjes naar boven.Glas, dienende inz. om likeuren te drinken. — Horreten, ow. borrelde, heeft geborreld. Blaasjes opwerpen. Veel sterken drank nemen. — Borret/tesch, v. (..sschen). — Borreting, v. (-en). — Bor-retpraat, m.

borgt, v. ( en). Lichaamsdeel tusschen den hals en het middelrif. Boezem. Borststuk aan een hemd, enz. Het op de borst hebben : aangedaan zijn op de longen. — Borstbeetd* o. (-en). Beeltenis, welke iem. tot aan de borst voorstelt. — Bor atv ties, o. (..zen). 'tWeivlies, dat de inwendige oppervlakte der borstkas bekleedt. Eigenlijk zijn er twee, waardoor afzonderlijke zakken gevormd worden, tusschen welke 't hart en de groote bloedvaten liggen. — Borstwering, v. ( en). Schans, die tot aan de borst reikt en tegen geweer- en kanonvuur beschut.

bornf, m. (-en). Knaap.

bor.Htel, m. (-s). Haar van een varken of wild zwijn. Werktuig van varkenshaar gemaakt, waarmede de kleederen enz. worden gereinigd. Kwast.—Borstetachtig, bn. — Borstcten, bw. borstelde, heeft geborsteld. Met den borstel iets reinigen.

2 — BOTA

Afrossen.— Borstetaar, ra. (-s), — Borstelig, bn. — Borsteting. v. (-en),

bort, o. Zie Boorts.

bos, v. (-sen). Bus.

bo», m- (-sen). Bundel: een bos sleutels» een bos hooi, haarbos — Bossen, bw. boste, heeft gebost. In bossen binden. — Bosser, m. (-s). — Bossing, v. (-en). boHbooiu, m. (-en). Buksboom. Bo»booni-Toii»Haiiit {A. L. G.), 1812-1886, Alkmaar. Dichteres van novellen en romans : Het huis Lnitemrsse (1840); Leycester in Nederland (1846).

boHCli, o. en m. (..sschen). Grooter of kleiner aantal bij elkander staande boomen. —- Boschachtig, bn. — Boschbes, v. (-sen).

— Boschbezie, v. (..iëngt;. Zwartblauwe bezie. Heester, waarin deze bezie groeit.

— Boschduif, v. (..ven*. Wilde duif : columba patuinbus. — Boschdnivel, m. (-s). Mandril. — Boschgeus, m. (..zen). Zie Geus. — Boschmensch, m. (-en). Wilde, die zich in bosschen ophoudt. Orang-oetang. — Boschsnip, v. (-pen). Houtsnip.

— Boschwachter, ra. (-s). — Bosschage, o. (-s). Boschje.

Hier.) = van Aken, omstr.1460-1516. 's Hertogenbosch. In Nederland de eerste fantastische, schimpende, zedelee-rende schilder. In 't godsdienstig vak : Aanbidding der drie koningen.

BokoIi [J- de), 1740-1811, Amsterdam. Dichter. Carmina; Poëmata; Anthologia.

Boseovicli J-), i7II-I787. Ragusa. Jezuïet. Wis- en sterrenkundige.

Bonio {F. J. baron), 1769-1845, Monaco.

Fr. beeldhouwer.

BonHcbaert [J. B.), 1667 (?)-i746 (?). Bloem- en landschapschilder (VI. school).

BoNHebe (P. van den\. In 1339 te Gent geboren. Een der hevigste aanhangers van Yoens. Nam deel aan den opstand der Gentenaren tegen Lodewijk van Male en streed aan het hoofd der Witte Kaproenen.

Bo.HHiiet (J. B.), 1627-1704, Dijon. Bisschop (Meaux). Kanselredenaar en geschiedschrijver. Oraisons funèbres'. Discours sur V hist oire universelte.

bontel,m. env.*Overschot van het mout. boMton. o. Zeker kaartspel.

bof, m. (-ten). Bots.

bot, v. (-ten). Knop. Scheut. Uitspruitsel. — Botten, ow. botte, is gebot. Uitspruiten. Knoppen krijgen. Stooten. Terugspringen.

bot, o. (-ten). Knook. Been.

bot, m. (-ten^, botte. v. (-n). Eene poos. eene wijl tijds. Bij botten : van tijd tot tijd. Luim : goede en kwade botten hebben, bot, m. (-ten) Bundel: twee botten hooi. bot, v. (-ten) Zeevi?ch (pleuronectes flesus) uit de familie der platvisscben.

bot, bn. Stomp. Afgesleten. Onbeleefd. Onvriendelijk. Bijw. Op eens. Op eene lompe wijze. Bot zijn, bot staan : niet wetende wat antwoorden. — Botheid, v. — Botmuil, m. en v. (-en). Domoor. Lomperd. —Botoof ,m. en v.(-en).—Botterik, m.(-en). Domoor. Lomperd. — Bot uit. Botweg, bijw. Ronduit. Zonder omwegren.

botanie, v. Plantenkunde. — Bota*


ft i « ^ ; jp

ocr page 123

BOUT — i

nt'sch, bn. — Botaniseeren, bw. botaniseerde. heeft gebotaniseerd.Kruiden zoeken of verzamelen. — Botanist, ra. (-en).

boter, v. Verdikte vetdeelen_ der melk (Joor karnen verkregen). (Scheik.) Boter ▼an tin, van arsenik, enz. — Boter ach tig, bn. — Boter a ch tigheid, v. — Boterbiesje, o. (-Si. Eene soort van koekje. — Boterbloem, v. (-en). Noemt men bij ons de verschillende soorten van 't geslacht der ranuticttlus, die op de weiden en 'angs wegen menigvuldig voorkomen.— Boteren. boterde, heeft geboterd. Bw. Boter maken. Met boter besmeren Ow. Tot boter worden. Gedijen. Gelukken — Boterham^ v. en m. (-men). Geboterde snede brood. — Boterkarn, v. -eni. — Boterkoek, m. (-en).

— Boterkooper, ra. (s). — Boterkoopster. v. (-s). — Botermarkt, v. '-en,. — botermelk, v. Melk, waarvan raen de boter heeft afgenomen. — Boter fint, ra. Meni. — Botersaus, r. (-en). — Botervat, o. f-en).

— Botervlootje, o. /-sV Bakje voor boter.

— Boterwaag, v. ( .agen . Plaats, waar de boter van stadswege gewogen wordt. — Botterwejrfgt;e,v. (-n). Klomp boter.

Botli [J], 1610-1652, landschapschilder; de Avond. Zijn broeder {A.), lóocj-ió^o, kunstschilder Beiden zijn van Utrecht.

buts, v. en ra. ( en\. Stoot. Slag Weerstuit.—Botsen, bw. ow. botste.heeft gebotst. Hard stooten (tegen 1. Terugstuiten. — Botsing, v. (-en). Schok. Stoot Onaangename woordenwisseling. Vijandigheid.

botte, v. (-n). Laars. — Bottine, v. (-r). Laarsje. Halve laars.

bottel, v. (-s). Flesch. Rozeboitel. — Bottelarij, v. (-en). Wijnkelder. Kantoor van den bottelier. — Bottelbier, o. Bier op flesschen. — Bottelen, bottelde, heeft gebotteld. Bw. Op flesschen tappen. Ow. Schuimen. — Bottelier, m. (-en, -s). Keldermeester. Schaftmeester (op schepen). — Botteliersmaat, ra. (-s).

bottei*, m (-s). Zeker visschersvaartuig. botvieren, bw. vierde bot, heeft botgevierd. (Zeew). Een touw botvieren, er ruimte aan geven. Den teugel geven : zijne hartstochten botvieren.

boiKl, bn. bw. Stout. Onbevreesd. BoiKlenUquot;; Zie volgreeks der regee-rende vorsten. Zie Familie.

bonfTante, v. (-s). Halsomwindsel van wollen (of andere) stof (ter verwarming).

bouirie, v. ( s). Kaars, meestal uit roet vervaardigd.

bouillon, ra. Krachtig vleeschnat. bouquet, ra. (-ten). Bloemruiker.Kruidige geur (van den wijn).

ISourbons. Zie volgreeks der regee-rende vorsten.

Boiirtlalone (Z.), 1632-1704. Fransch kanselredenaar.

bout, m. (-en). Eendvogel.

bout, ra. (-en). IJzeren nagel. Pin. Schroefpen. Klos van een kantkussen. Een gekalkocnd ijzer om te sondeeren. De bout van den pijl is de hoorn. Slag : eenen bout op 't hoofd krijgen. Slagpen van eenen vogel. De bol van het dijbeen of den schou der. Vandaar, het vleesch van dij of schouder : achterbout, hamelbout, enz. — Bon-

•3 — BRAA

teng. bn. bijw. Vol bouten. — Boutig, bn. Een boutige, stevige knaap. — Boutje, o. (-s). Liefie.

boutv, ra. liet bouwen. Samenstelling. De bouw van het lichaam. De bouw van eenen volzin. — Bouwen, bouwde, heeft gebouwd. Bw. Oprichten. .v amen-stellen. Bearbeiden : het land bouwen. Tarwe houwen : het land met tarwe bezaaien. Zee bouwen : de zee bevaren. Kas-teeien in de lucht bouwen : overdreven plannen vormen. Ow. Zich bezig houden met bouwen. Op iem. bouwen ; Zich op iera. verlaten. — Bouwer, ra. (-s). — Bon-wery, v. (-en). Het bouwen. Boerderij. Landbouw. — Bouwgereedschap, o. (-pen).

— bouwgrond, ra. f-en). — Bouwheer, m. (-en). Stichter. — Bouwing, v. — Bouwknecht. m. ( s). Boerenknecht. — Bouwkunst, v. — Bouwland, o. — Bouwmeester, m. { s). — Bouwsteen, ra. (-en). — Bouwstof, v. ( fen). — Bouwtijd, m. — Bouwtrant, ra. — Bouwval, ra. (-len). Overblijfsel van een ingezakt vervallen gebouw. — Bou7vvallig, on. Dreigende in te storten. Oud. Versleten. — Bouwvullig-heid, v.

bouwen, ra. (s). Vrouwentabbaard

met pofmouwen.

boven. bijw. Omhoog: hij woont boven. In tegenstelling met beneden : van boven naar benedi*n Te voren : h:er boven is het reeds vermeld. Te boven gaan : overtreffea Te boven komen : overwinnen. Hier boven ; in den hemel. Vz. Hooger dan : iets boven de deur hangen. Iem. boven het hoofd groeien : zich reeds te groot wanen om van iera. nog afhankelijk te zijn. — Boven. ra. Bovenhuis. Zolder van een huis.

— Bovenaan, bijw. — Bovenaardsch, bn.

— Bovenal, bijw. Vooral. In de eerste plaats. — Bovendien, bijw. Behalve (dat).

— Bovendrijven, ow. dreef boven, heeft boven gedreven. Drijven (op of aan de oppervlakte). De bovenhand behouden. — Bovengemeld, bn. — Bovengenoemd, bn.

— Roven gestel, o. (-len). — Bovengezegd, bn. — Bovenhand, v. Bovenste van de hand. Voorrang. Ovenvinning. — Bovenhuis, o. (..huizen). De bovenste gedeelten van een huis. — Bovenkamer, v. (-s). — Bovenlander, ra. (-s). Iera., die hoogere of bergstreken bewoont. — Bovenmate, bijw. —Bovennatuurkunde, v. Deel der wijsbegeerte, waarin gehandeld wordt over al wat boven de stoffelijke wereld is. — Bovennatuurlijk,^. bijw. Wat boven de geschapene natuur is en God alleen behoort. —

— Bovenop, bijw. — Bovenstaand, bn.

— Bovenste, bn. — Bovenswinds, bijw. Boven de windlaag. — Bovenuit, bijw.

Bo.rle (/?.), 1626-1691, Youghall (lerl.). De grondlegger van de proefondervindelijke scheikunde.

braaf, bn. Deugdzaam Goed. Eerlijk. Dapper. Bijw. Vlntig : braaf zijne les leeren. Veel : braai drinken. Sterk : braat liegen. — Braafheid, v.

braai, v. (-en). Kuit (van het been), braak, v. Inbraak. Afbraak. Breking (van hennep, vlas, enz.). Breking : er is braak aan dien wagen.


ocr page 124

— 104 —

BRAK

BRAN

lirastlc, bn. Onbebmtvd (van landerijen). Braak liggen. — Braakland, o. braam, v (..amen). Baard van een pas geslepen snij tuig.

I»raaiii, v. (..amen). Plant en vrucht.— Braambezie, v. (..iën). Plant en vrucht. Als plant: heester tot het geslacht rubus, familie der rosaeeën bchoorende. Komt vooral voor op zandgrond langs heuvelhellingen, in bosschen en heggen. — Ih-aam-beziesirut'k, m. ( en). — Rraambosch, o. en m. (..sschen). De Allerhoogste verscheen Mozes, om hem aan te kond gen, dat hij de opleider van het Joodsche volk zou ■wezen, in een wonderbaar vlammend braambosch, dat brandde en met V'-rteerde.

ISraltaiM^oniio, v. Vrijheidslied, door Jenneval vervaardigd en door Campenhout op muziek gebracht, tijdens de afscheuring der zuidelijke provinciën van het koninkrijk der Nederlanden lt; 1830).

Brabant, o. Provincie (België). R^ch-terl. en bestuurl.arr.Brussel,Leuven.Nijvel. 22 kantons, 341 gemeenten. Hoofdpl. Brussel. — Brabatuier, m. (-s). l^m. uit Brabant. — Klein-Brabaut, o. Landstreek, bevattende nagenoeg d-? gemeenten gelegen tusschen d'ï Dender, de Rupel, de Zenne en de zuidergrens van Brabant. — Brabantsch. bn.

brabbelen, o\v. brabbelde, heeft ge-brabt.eM.Onverstaanbaar, verward spreken «t schrijven. — Brabbelaa*quot;, m. (-s). — Brabbelaarstfer, v. (-s). — Brabbeling, v. (-en). — Brabbeltaal, v.

KrarbenburKbl/?.).1650-1702, Ha ar-lem. Schilder van zedentafereelen.

lSralt;l4l«»ii (.1/. /£), 1837, Londen. Engelsche roman ^cltrijlster. Ishmaël (1884).

braden, braadde, heeft gebraden. Bw. Doen braden. Ow. Gebraden worden. — Braadaal, m. (..alen). — Braadappel, ra. (-en, -s). — Braadharing, m. (-en). —

— Braadoven, m. (-s). — Braadpan, v. (-nen). — Braadrooster, m. (-s). — Braadspit, o. (-ten, ..eten). — Braadster, v. (-s).

— Braadstuk, o. ( ken). Stuk vleesch om te braden of dat gebraden is. — Braad-vatken, o. (-s). Speenvarken, dat gebraden wordt. — Braadvet, o. — Braadworst, v. (-en). — Br ader, m. (-s). — Braden}', v. (-en).

Bradley 1^.), 1692-1762, Sherburn. En-gelsch sterrenkundige.

Braekeleer (F. de), 1702-1883. Antwerpen. Genre-en historieschilder. Tobias het gezicht Trr lie zeilde.

BralinistÏHine, o. Godsdienst der Indiërs, die Brahma huldigen als het hoogste en verhevenste. Brahma vormt met Vischnoe en Civa eene drieëenheid.

BralmiH (^ ), 1834, Hamburg. Klavierspeler en componist. Das Deutsche Re-guievt; SchicksaIslied; Liebes-lieder ; Tr iu mph lied.

bralr, m. (-ken). Jachthond, die een zeer ontwikkeld reukorgaan heeft en daardoor bijzonder geschikt is om 't wild op te sporen.

brak, v. (-ken). Zie Barak.

brak, bn. Zout. Zilt. Bedorven. —

— Brakheid, v.

braken, braakte, heeft gebraakt. Bw. ow. Breken (van vlas en hennep). Overgeven. Spawen. — Braak drank, m. (-en).

— Braakloop, m. — Braakmiddel, o. ( en). — Brnaknoot, v. ( .oten). Vrucht van den braaknoleboom {strychnos nux 7'omica), vergiftigen boom in Oost-Indië.— B' aahfioeder {braakfineier), o. (-s), — Braaksel, o. — B raakst er, v. (-s). — Braakwortel, m. (-s). Wortel eener in vochtige bosschen van Brazilië groeiende en tot de familie der rubiaeeëa benoorende plant. — Braker, ra. (-s). — Braking, v. ^-en).

brallen, ow. bralde, heeft gebrald. Schreeuwen. Razen. Pochen 'op).

bram. m. (-men). Bramzeil. Bram op bram voeren ; groot vertoon maken. Wakkere kerel Windbuil. —Bramzeil, o. (-en). Zeil aan den fokkeraast.

Bramali (*7-), 1749 1814, Stainborough. Eng. werktuigkundige. Zie Waterpers.

brand, ra. (-en'. Het voortdurend branden (van iets). Vlam. Gloei mg. Ver-brand'tig. Een brandend stuk hout. Brandstof. Uitslag (op de huid) Zekere ziekte in 't koren. Hevige drilt. Moord en brand schreeuwen : een vervaarlijk geschreeuw aanheffen. — Brandbaar, bn. — Brandbaarheid, v. — Brandbrief, m. (..ven). Brief, waarin men met brandstichting of moord 'reigt, als niet op eene aangewezene plaats eene som gelds wordt net-rgelegd. Brief, waarin men dringend zijnen nood klaagt.—brandde, heeft gebrand. Bw. Door het vuur doen vergaa i Door het vuur bereiden. Door het vuur voortbrengen. Met een «/loeiend ijzer werken ; pa irden branden. Toebranden: eene wond '•randen. Ow. Door het vuur vernield word« n. Kokend water brandt. Prikkelen : de peper brandt op de lippen. Klotsen (van baren tegen d-m oever). Branden van liefde, van ongeduld, enz. — Rrandendheet. bn. — Brander, m (-s). Die 't vuur doet branden. Stoker (van jenever, enz.). Schip, dienende om eenf vijandelijke vloot in brand te steken. Gasbek — Branderig, bn. Bran-dig — Branderigheid, v. — Branderij', v. (-en). Stokerij. — Brandewif'n, m. (-en). Geestrijk vocht, verkregen door alcoholhoudende vloeistoffen aan eene distillatie te onderwerpen. — Brandglas,o. (..zen). Lens. de eigenschap bezittende de zonnestralen in éen punt samen te trekken en vooi werpen te doen verbranden. — Brandhout. o. — Brandig, bn. Naar brand smakende of riekende. Aangestoken : brandig hout. Ontsteking verwekkende. Ontstoken : brandige wond. — Brandigheid, v. — Brandijzer, o. ( s). — Branding, v. (-en). Het branden. Geklots der baren bij de kust (inz. na eenen storm).— Brandkast, v. (-en). IJzeren kast tot berging van waarde of geldswaardig papier. — Brandkeur, v. (-en). Verordening op den brand, ter voorkoming van brand. De met een gloeiend ijzer op eenig voorwerp gebrande keur.

— Brandmerk, o. (en). Merk door branden veroorzaakt. Merk of teeken, dat met een gloeiend ijzer den misdadigers in rug of voorhoofd werd gebrand. Schand-


ocr page 125

BRAU — li

vlek. — Brandmerken, bw. brandmerkte, heeft gebrandmerkt. — Brandnetel, v. (-s). (i/r/zcrt).Plantengeslacht, tot de familie der netelplanten behoorende. Twee soorten, u. urens en n. dioïca (onkruid) zijn bij ons zeer gemeen. — Brandoffer, o. (-s). Offer, dat heel en gansch moest verbrand worden. — Brandovetiy m. (-s). Smeltoven. — Brandpnnt, m. (-en). Punt in een glas, waar de stralen der zon zich vereenigen. (Meetk.) Punt, waar twee rechte lijnen, uit de langere as eener ellips getrokken, te zamen gelijk aan die as zijn. Plaats, waar, bij eenen oproer, al de ontevredenen zich vereenigen — Brandschatten, bw. brandschatte, heeft gebrandschat. Bij eenen oorlog schattingen opleggen op straffe van plundering en brand. — Brandschatting, v. (-en). — Brandschilderen, bw. brandschilderde, heeft gebrandschilderd. In het vuur vergulden, pensrelen. — Brand-spiegel, m. ( s). Brandglas. — Brandspuit, v. (-en). Perspomp, waarbij de regelmatigheid van den straal niet alleen verkregen wordt door toepassing van den windketel, maar ook door het gebruikmaken van twee pompen die beurtelings werken. — Brand-ster, v. (-s).—Brandstichten, o.—Brandstichter, m. (-s). — Brandstichtster, v. (-s). — Brandstof, v. (-fen).

ISmndeii [F. J. P. van den), 1837, Antwerpen. Adj.-archivaris (aldaar). Too-neelschrijver. De jonge kunstenaar (bekroond, 1866); Geschiedenis der Antwerp-sche Schilderschool (bekroond, 1883). Mederedacteur van Biographisch U'oordendoek.

[G. M. C.), 1842, Kopenhagen. Letterkundige en geschiedschrijver. De h oofdstroont f n der letterkunde in de ipe eeuw (i872-'75); Kritieken en Portretten; Aesthetische studiën ; Deensche dichters (1877).

KrsiiMli (£■), 1626-1685, Amsterdam. Die- ter en geschiedschrijver.

ISrsm* [J. iJ/.). 185^, Asch. Leeraar van Nederl. taai (Brussel). LimburgscheSchetsen (1883); Schimmen en Schetsen (1880).

brsu», m. (-sen). Scheepstouw, waarmede men ra en zeil omhaalt. Verzameling van voorwerpen van weinig waarde : daar hebt gij den ganschen bras. 't Is een vuile bras, een walglijk persoon. Den bras hebben (geven) van iets, er genoeg van hebben. — Brassen, bw. braste, heeft gebrast. De zeilen door middel der brassen richten.

brstn. m. (-sen). Gestampte rapen met brood of meel (voeder van koeien, enz.).

hrstNeui, m, (-s). Vischsoort uit de familie der karpers, van de afdeeling der weekvinnige visschen. Leeft in de zoete ■wateren van Europa.

bruisen, ow. braste, heeft gebrast. Bovenmatig lekker eten en drinken. — Brasdag, m. (-en). — Brasmaal, o. (..alen). — Braspartij, v. (-en). — Braspenning, m. ( en). (Eert.). Hollandsch muntje -= i/ió gulden. — Brasser, m. (-s). — Brassery, v. (-en).

brsit, o. Zie Borat.

Krsiwwer dé), Oostende. Vermaard zeekapitein (XVII8 eeuw).

; — BREI

Brauwcr [A. de), 1608-1640, Oudenaarde. VI. schilder van volkstooneelen. De Rooker; De Drinker.

brsiveoreii, bw. braveerde, heeft gebraveerd. Trotseeren.

bravo, bravisMlmo, tw. Goed zoo ! Wel! Heel goed, opperbest!

Rrsiy (5quot;. de}, 1587-1^65, Haarlem. Historie- en portretschilder; vooral bouwmeester.

ISrsizili^. Republiek in Zuid-Amerika. Keizer Dom Pedro, werd onttroond (1889). Oppervlakte 151,973 vierk. geogr. mijl. Bevolking 10,684,000 inwoners en 1,319,000 slaven.

ISrcda {van) 10 (y.), 1683-1750, Antwerpen ; 20 [P.) 1630-1691, Antwerpen. Landschapschilders.

ero [G. A.), 1585-1618, Amsterdam. Dichter. Degroote bron der minne; Kodrik en Alphonsus (treurspel); Moortje ^kluchtspel).

Bree [M. /. van), 1773-1839, Antwerpen. VI. schilder. De vaderlandsliefde van van den Werff; Willem / en Hem-byze.

Breo {J. B. van), 1801-1857, Amsterdam. Vioolspeler en componist.

breed, bn. bijw. Het tetrenovergestelde van smal of lang. Groot. Uitgebreid : eene breede lijst. Omstandig : br.-ed verhaal. Voltallig : de breede raad. Hei niet breed hebben : bekrompen moeten leven Er met de breede bijl inhakken : rum '»f ruw te werk gaan (met geld, met gestn n^e maatregelen). Het is zoo l.mg als het breed is : hetkomtop hetzelfde neer.— Breedachtig, bn. — Breedborstig. bn. — Breedheid, v. —Breedspraaktv. Figuurlijke overdrijving: zoo wit als sneeuw. —Breedsprakig, bn. bijw. Wijdloopig. Gezwollen (van stijl). — Breedsprakigheid, v. — Breedte, v. (-n). Hoedanigheid van breed te zijn. (Aardr.) Afstand (ten Noorden of Zuiden) van den evenaar tot eene der polfn ; noorder-, zuiderbreedte, (Sterrenk.) Afstand van een hemellichaam tot den zonneweg der aarde. Baan (van stoffen) : er gaan vijf breedten in dat kleed. — Breedvoerig, bn. bijw. Wijdloopig. Uitgebreid. — Breedvoerigheid, v. — Breedvoetig, bn.

breefok, v. (-ken). Soort van noodzeil. Brcembcrs: (/?.), 1620 (?i-i66o, Utrecht. Historie en landschapschilder.

brconwen, bw. breeuwde, heeft gebreeuwd. Met werk de naden (van een vaartuig) dichtmaken. In orde brengen ; hij zal het wel breeuwen. — Breeuvoer, ra. (-s). — Breemvhamer, m. (-s). — Breeu-wing, v. — Breeuwstoel, m. (-en). Zitbankje voor den breeuwen

Br^cruet {A. L.), 1747-1823, Neuchatel (Zwitserland). Werktuigkundige. Vervaardigde eenen naar hem geheeten metaalthermometer.

breidel, ra. ( s). Toom. Gebit. — Breidelen, bw. breidelde, heeft gebreideld. Intoomen. Betoomen. — Breideling, v. (-en). — Breideloos, bn. — Breideloos-heid, v.

breien, bw. breide, heeft gebreid. Draden (sajet, wol, enz.) met priemen zoodanig


ocr page 126

BREN — I

dooreenwerken, dat zij een sanifcnhangend

Seheel vormen. —eheel vormen. — Brei, m. Breiwerk. — Ir eter, ra. (-s). — Breigaren, O. — Br ei-ge ld, o. — Breigoed, o. — Breiing, v. (-en). — Breikatoen, o. — Breiklos, m. x-sen). — Breikoker, m. (-s). — Breikous, v. (-en). — Breiles, v. (-sen). — Breinaald, v. (-en). — Breischool, v. (..olen). — Breisel, o. (-s). — Breister, v. (-s). — Breitobbetje, o. (-s). — Breiwerk, o. — Breiwol, v. — Breizak, ra. (-ken).

brein, o. De hersenen. Verstand. Brekolenkimi ((?.), 16.. (?) -1668, Zwamraerdara. Schilder van zedentafe-reelen. De Raadpleging.

breken, brak, heeft en is gebroken. Bw. Tot stukken raaken : een glas breken. Met geweld afnemen : het slot van de deur breken. Te niet doen : de vriendschapsbanden breken. Nutteloos gebruiken : veel woorden breken. Overwinnen : zijne halsstarrigheid breken. Bemoeien : kunt gij daar uw hoofd op breken. Hals, beenen,enz. breken. Ow. (zijnK Tot stukken komen : glas breekt licht. Weg-geraken : uit de gevangenis breken. Schijnen : de zon breekt door, het weder zal veranderen. Zijn licht verliezen : zijne oogen breken.Veranderen : de stem breekt. Sterven : zijn hart breekt. Dringen : door den vijand breken. — Breekbaar, bn. — Breekbaarheid, v. —

— Breekbeitel, ra. (-s). — Breekijzer, o. (-s). — Breeksier, v. (-s). — Breektuig, o. (-en). — Brekebeen, m. (-en). Sukkelaar.

— Breker, m. (-s). — Brekerig, bn. — Brekespel, ra. en v. (-len). Vreugdverstoorder (..ster). — Breking, v.

brein, v. Groote brem : sarothamnus vulgaris. Behoort tot de familie der papi-lionaceën. 't Is een vertakte heester van manslengte. Groeit vooral op zandgrond. De takken dienen tot het vervaardigen van bezems ; de bloemen, tot geelverven. Gewone btem : genista scopana. Verfbrera : tincforia. Behaarde brem : g. pilosa. e Engelsche, de Duitsrhe brem.

brem, v. Ziltig rat. Plt;-kel.

Breinen, 170,000. Oppervl. 43/4 vierk. geogr.mijl.Kleinezi-lfstandi^e staat (Noord-Duitschland). Maakt deel van het Duit-sche rijk sedert 1871.

brengen, bw. bracht, heeft gebracht. Aanvoeren. Leiden. Aandragen. Bezorgen. Afgeven (aan huis). Mededeelen. Zeggen. Naar de gevangenis, te bed brengen. Openbaren : aan het licht brengen. Tot stand, in orde, ten einde brengen. Berooven (van) : om 't leven brengen. Voortbrengen : ter wereld brengen. Ier dood brengen : het doodvonnis voltrekken. Het ver brengen in de wereld : tot groote lortuin gera-icen, lem. tot iets brengen, overhalen. Tot den bedelstaf brengen : arm maken. Tot den man brengen ; koopers vinden (voor), uithuwen. In rekening brengen : op rekening zetten. Op liet papier brengen : aan-teekening houden (van), uitwerken. lem. tot zijnen plicht brengen, onderwerpen, bestraffen. Hoe kunt erij het over uw hart brengen : hoe hebt gij zoo weinig medelijden ? lem. iets aan het verstand brengen, onder het oog brengen ; doen begrijpen. Te

►6 — BRIE

binnen brengen : herinneren. Onder het juk brengen. Proza in rijm Lrengen. Toedienen : breng mij een glas bier. Van stapel doen loopen : een schip te water brengen. — Brenger, m. (-s). — Brenging, v. — Brengster, v. (-s).

BrenniiM. Aanvoerder der Sennonischo Galliërs. Maakte z'ch meester van Rome (orastr. 390 voor Chr.).Wilde voor 1000 pond goud den terugtocht aannemen. Toen de Romeinen, bij het wegen van het goud, zich over het te zware gewicht der Galliërs beklaagden, wierp Brennus, met den uitroep Vee v iet is / (wee den overwonnenen) ook nog zijn zwaard bij die gewichten in de schaal.

bres, v. (-sen). Opening in een verster-kingswerk (door schieten of rammeien). Zich voor iem. in de bres stellen, zijne verdediging op zich nemen.

bretel, v. (-len,-s). Band, die over de schouders gaat en waaraan de broek is vastgehecht. Galg.

ISreton ij-)- 1829, Courrières. Fr. landschapschilder. Jeune fille gardant des vaches; Cornmuniantes (1884).

Brengjiel, 10 (/gt;.), 1525,?)-I569. Breu-gel (N.-Brab.) De oude of Boeren-Breug-hel. VI. schilder. Godsdienstige onderwerpen en volkstooneelen. Kruisdraging (1563); Boerengevecht. 20 {P.), 1564-1638, Brussel, de hel sche Breughel. VI. schilder. 30 (^*)» i568-i6?5, Brussel, de Flwweelen Breughel. VI. schilder, inz. van landschappen (20 en 30 zijn zonen van 10). 40 {Ambr.) 1617-1675. Antwerpen. VI. bloemschilder. 50 (^. /?.), 1670-1710, Antwerpen. VI. bloemschilder. 6° (Abri), 1672-1720, Antwerpen. VI. bloemschilder.

breuk, v. (-en). Het breken, scheur. Braak. Verbreking : de breuk van een been. (Rekenk.) Een of meer deel en van een geheel, dat in gelijke deelen verdeeld is. Er zijn gewone (b. v. 3/4) en tiendeelige (b. v. 0,5) breuken. (Heelk.) Zeker gebrek in het onderlijf.— Breukband, ra. (-en).— Breukmeester, ra. (-s). — Breukzak, ra. (-ken).

breTot, o. (-ten). Gunstbrief. Gun-brief.

brerier, o. en ra. Getijboek. Getijden. Kreydel (.7.). Beenhouwer van Brugge. Een der helden van Vlaanderens gemeente-oorlogen. Hij en de Conine spanden alle middelen in om de arglistigheid en de valschheid van Filip den Schoone te keer te gaan. Breydel, aan 't hoofd van 7,000 misnoegden, maakte zich meester van Brugge en vermoordde er al de Franschen, wien het Schild en Vriend niet gladweg van de tong wilde. Het getal klom tot 1500 ruiters en 2000 voetknechten. Op Groeningen-kouter (Kortrijk), waar de Fransche vorst zijne wraak was komen koelen, had men het Breydel en zijne Mace-cliers grootelijks te danken, dat Vlaanderen zulk eene schitterende zegepraal heli aaide (1302). De geschiedenis verhaalt ech ter niet hoe en wanneer Breydel aan zijn einde gekomen is.

brief, m. (..ven). Schriftelijke toespraak aan eenen of meer afwezige personen. — Briefkaart, v. (-en). Kaart, waarop men


ocr page 127

— 107 —

BRiisr

BRIK

correspondentie mag voeren. — Briefdrager, brieven drager, m. (-s). — Brievenbesteller, m. (-s). — Brievenhestelster, v. (-s), —Brievenbode, m. en v. (-n). — Brievenboek, o. en m. (-en). — Brievenbus, v. (-sen). — Brievengeld, o. — Brieveniers, v. (-en). — Brievenpost, ra. (-en). Bode. — Brievenpost, v. (-en). Pesterij. — Brieven-tasc/i, v. (..sschen). — Brievenzak, m, (ken)

I»riksteen, ra. (-en). Puimsteen.

bril, m. (-len). Bestaat uit twee ronde of ovale lenzen, die, in een metalen geraamte gevat, voor de oogen worden geplaatst en bestemd zijn om de nadeelen, voortvloeiende uit 't gezichtsgebrek der bij-of verziendheid, weg te nemen. Plank of steen met ronde opening. Zeker borst-beentje van den vogel. Unster van de weegschaal. — Brille doos, v. (..oozen). — Brille glas, o. (..zen). — Brillen, brilde, heeft gebrild. Ow. Zich van eenen bril bedienen. Bw. lem. brillen, foppen, misleiden. — Brillen huisje, o. (-s). — Brillenkooper, m. (-s). —-Brillenkramer, m. (-s). — Brillenmaker, ra. (-s). — Brillenslyper, ra. ( s). — Brilslang, v. (-en). Vergit-tige slang. Draagt tvveo kruisvormige zwarte vlekken voor op den rug, dicht achter den kop.

Bril ,1° (A), 1556-1626, Antwerpen. Schepper van het landschapschilderen. 20 Cfl/.), 1550-1584, Antwerpen. Landschapschilder. Gebroeders.

ISrill {W. G.), 1811-1896, Leiden. Hoogleeraar (Utrecht). Hollandsche Spraakleer (1846); Voor Ie-zingen over de geschiedenis der Nederlanden (1861-'80).

brillsiutc bijw. (Muz ). Schitterend, brink, ra. (-en). Rand. Boord. Plein. Werf. Gemeentekern.

Brink {Ten). 1quot; C7-)gt; I77i-i839, Arasterdam. Hoogleeraar (Groningen).

Pieter de Conine en Jan Breydel.

bries, v. Koeltje. Zachte wind.

bricHdi' 11, ow. brieschte, heeft ge-briescht. Hinniken (van paarden). Brullen (van den leeuw). — Briesching, v.

briKTiKlo, v. (-n, -s). Legerafdeeling. Zie Leger. Klein getal gendarmes, genie-arbeiders, een ploeg sapeurs, kanonniers of werklieden. — Brigadier, m. (-s). Graad bij de ruiterij gelijkstaande met dien van korporaal bij liet voetvolk. De brigadier der gendarmes is belast met 't bevel over eenen post der bereden rijkspolitie.

bri^antüquot;. v. (-en). Vaartuig met een laag boord, dat aan weerszijden 10 a 15 roeibanken heeft en ook zeilen voert. quot;Werd in de Middellandsche Zee tot zeerooverijen gebruikt.

BrigrcrN (//.),_ 1556 (?)-t6io , Warley-Wood. Wiskundige. Arithmefica logarithmic a (1624).

br|i. v. (-en). Dikke pap bereid van boekweitmeel of rijst. — Brybek, ra. en v. (-ken). Kind, dat veel van brij houdt.

bryn, o. Zoutwater.

bryzcl, v. en ra. (-s). Kruimel. Klein stukje van iets, dat gebroken is. — Brijzelen, bw. brijzelde, heeft gebrijzeld. Kruimelen . Klein maken. Ontfutselen met kleine beetjes. — Bryzeling, v. (-en). Het brijzelen. Btiizel.

brile, v. (-Ken). Klein zeeschip met twee masten, waaraan vierkante zeilen gevoerd worden. Open rijtuig, waarin de zitbanken meestal tegen de zijwanden van den bak zijn geplaatst.

Dr. Jan Ten Brink.

Vertalingen uit het Grieksch en Latijn ; bundel verzen; bezorgde de uitgave van de


ocr page 128

BROE —i

oaprelaten gedichten van Helmers. 2° (Dr y.)» 183}, Appingedam, kleinzoon van den voorgaarde. Hootrleeraar (Leiden). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Schets eener geschiedenis der Nederl. letteren (2® dr. 1882); Geschiedenis der Nederl. letterkunde (1877^; Litterarische Schetsen en Kritieken (8 dln. i882-'84).

itrioMo, bijw. (Muz.). Frisch, met opgewektheid.

ISrilaunië, o. Vormtmet Ierland een vereen ie: d koninkrijk (The United Kingdom of Great-Britain and Ireland}, ook Engeland en bij de dichters Albion ge-heeten. Bestaat uit twep groote ei tal van kleine eilanden (t^nN.Westen van Europa^. Engeland en IVales 2743 vk. geogr. mijl, 29,400,000 inw. Hoofdstad, Londen; Schotland 1432 vk. geogr. mijl, 4,120,000 inw. Hoofdstad. Edinburgh; Ierland K.^o vk. geogr. mijl, 4,700.000 inw. Hoofdstad, Dublin ; eilanden 14 vk. geogr. mijl, 150,000 inw. (= 57TQ vk. geosrr. mijl. 38,370,000 inw.). Koloniën en bezittingen = 412,000 vk. tjeogr. mijl. 275,000,000 inw. Ierland werd in de 12®, Wales in de 13® en Schotland in 't beg^in der 17® eeuw aan Engeland onderworpen. — Brit, m. (-ten). Bewoner van Britannië. — Britannisch, bn. — Br itsc h, bn.

britH, v. (-en). Afhellende legerstede, uit planken vervaardigd, gebruikt in kazernen, gevangenhuizen, enz. Broek. — Britsen, bw. britste, heeft gebritst. Op het achterste slaan.

broclmrc, v. (s). Vlugschrift. Boekje, broririolon, bw. ow. broddelde, heeft gebroddeld. Knoeien. Bederven. — Broddelaar, m. (-s). — Broddelaarstery v. (-s). — Rroddelary, v. (-en). — Broddel-werk, o.

hrodden, ow. brodde, heeft gebrod. Broddelen.

Ifi 1*0eek siert. 10 {K.), 1767-1826, Gent. Griffier (Aalst). Redigeerde 't Dagelyksch nieiin s van vader Foeland (i792-'93) en De Sys se panne ofte Estaminet der ouderlingen (1799 1800); 20 {J. ^.), 1837, Wette-ren. Griffier (Dendermonde). Werkend lid der K. VI. Academie. De Volkstaal (bekroond, 1858); Geschiedenis van de gemeenten van Oost- Vlaand. (met Jquot;. de Potter. 1862...), Bastaardwoordenboek (189 s). .

broed, o. Pas uitgekomen vogeltjes of vischjes. — Broeden, bw. broedde, heeft gebroed. Broeien. Kwaad broeden, vo«»rt-rengqn. — Broedsch, bn. Begeerig om te roeien (van hennen, enz.). — Broedsch-heid, v. — Broedsel, o. (-s). Broed.

broeder, m. (-s, -en). Mannelijke persoon, die met eenen andere van dezelfde ouders voortkomt. Er zijn eigen en halve broeders. Behuwd broeder: zwager, schoonbroeder. Kameraad. Boezemvriend.Naaste. INatuurgenoot. Naam vau zekere kloosterlingen. Mijr.e broeders: benaming door den predikant doorgaans aan zijne toehoorders gegeven. Zeker gebak. — Broederlijk^ bn. bijw. Als een broeder, als broeders. — Broeder lykheid, v. Innigheid, hartelijk-

,8 — BROM

beid eens broeders. — Broederloos, bn. — Broederschap, v. Plichtbesef der broeders, (-pp-.n) De gezamenlijke broeders. De ver-eeniging van broeders. Genootschap, o. De betrekking van broeder. — Broedertje, o. (-s). Zeker gebak. — Broedertjeskraam% v. en o. (..amen). — Broedertje span, v. (-nen). — Broedertjesvrouw, v. (-en). — Broer, m. (-s).

broeien, bw. ow. broeide, heeft gebroeid . Door warmte doen uitkomen. Een varken broeien : het, nadat het geslacht is, met heet water begieten. De wasch broeien : heet water op het vuile waschgoed gieten. Heet worden : het hooi begint te broeien, de lucht broeit. Dat heeft sedert lang gebroeid, was sedert lang gaande. Er broeit iets : er is onraad gaande. — Broeibak, m. (-ken). — Broeieend, v. (-en). — Broeiei, o. (-eren). — Broeierif, v. (-en). — Broeihen, v. (-nen). — Broei-ing, v. — Broeikas, v. (-sen). — Broeikast, v. (-en). — Broeikuip, v. (-en). — Broeinest, o. en m. (-en). -— Broeioyen, m. (-s). — Broeisel. o. (-s). — Broeitijd, m.

broek, v. (-en). Kleedingstuk, dat het lichaam dékt van de lenden tot de voeten. Gedeelte van het paardetuig, dat steun moet. geven bij het afrijden van hellingen. Kulas (van een kanon). Ringetje met band (van onderen aan vogels vastgemaakt om ze op de kruk te leeren vliegen). — Broe-ken^oed, o. - B roek (en) stof, v. — Broeksband, m. (-en). — Broekspijp, v. (-en), broek, v. Bedijkt land.

broek, o. Moerassig land.

broekou, bw. ow. broekte, heeft ge-broekt. In den broekzak steken. Eene broek dragen. Ontlasting hebben.

ltrolt;'kliiiiz4'n {J. van), 1649-1707, Amsterdam. Latijnsche en Nederl. gedichten.

Brovre (C.), 1803-1860. Eere-kamer-heer van Z. H Paus Pius IX, kanunnik (Haarlem), hoogleeraar (Seminarie, Warmond). De Terugkeer van Hugo de Groot tot het katholiek geloof (1856).

BroerM {IV.), 1760-1858. Amsterdam. Kanselredenaar. Leerredenen ; Philips van Marnix (i838-,4o).

brok. m. cn v (-ken). Stuk. Afge-broken'of afgevallen deel (van ieis). Suiker-brokken : stukjes bruin? suiker. Welk een brok . welk een groot zwaar mensch. lom. de brokken uit den mond zien : hern niet gunnen wat hij eet. — Brokkelen, brokkelde, heeft gebrokkeld. Ow In stukjes vallen. Bw. In stukjes breken. — Brokkelig, bn. — Brokkeligheid, v. — Brokkeling, v. (-en). Stukje van gebroken voorwerpen, inz. van brood. — Brokken, bw. brokte, heefi gebrokt. In brokken breken (van brood, enz.).

broiumen, ow. bromde, heeft gebromd. Een dof. meestal onaangenaam geluid geven (met de stem, met een speeltuig). Knorren. Pochen. — Brornkever, m. (-s). — Brommer, m. (-s). — Brommertje, o. (-s). (Eert.). Rijtuig te Amsterdam, thans door de vigilanten vervangen. Brommig, bn. — Bromming. v. — Bromvlieg, v. (-en).


ocr page 129

BRUG — 109 — BRUT

bron, v. (-tien). Natuurlijke opwelling (meest van water) uit den^ grond. el. Oorsprong eener rivier. Werken, welke men raadpleegt. Oorsprong.

Im'oii'h, o. (..Zfn). Alliage uit koper en tin, soms ook zink en lood bevattende, dienende tot 'r vervaardigen van munten, standbeelden, klokken, enz. — Bronzen, bw. bronsde, heeft gt-bronsd. Eene brons-kleur geve n (aan). — Bronzen, bn.

lgt;roii«»t, v. Tochtigheid van dieren (inz. van vogels en bertei). — Bronsfetij ow. bronstt-'. heeft gebronst. Tochtig zijn. — Sr ons/is?, bn. — Bronstigheid, V. — Bronsttijd, m.

Broiito {Ch—Currrr Feil), 1816-1855, Thornton. Eng. romandicl teres. Jane Eyre (1847); Shirley (1849): ITiUette (1852).

lgt;roo«l, o. (-« n). Dag'1 uksch voedingsmiddel, dat uit fipgema.ikt graan, met water tot deeg gekneed, gebakken wordt. Dit is mijn stuk brood : daarmede win ik den kos'. Hij kan meer dan brood etrn : hij is in vele zaken bedreven. Dat do»*t hij om den lieven broode,uit eigenbelang. Dat krijgt hij alle dagen op zijn brood : dat verwijt men hem ietleren dag. — Brooddronken, bn. bijw. Weeldeig. Dartel. Overmoedig (door overvloed). — Brooddronkenheid, v. — Brnodeloos, bn. — Broodsgebrek, o. — Broodwinner, m. (-s). — Brood-winster, v. (-s).— Broodwinning;, v. (-en).

hrooM, v. (..ozen). Hoog laarsje (eert. op het tooneel cebruikt).

brooH, bn.bijw. Licht brekend. Sprok-kig. Veranderlijk. Vergankelijk. — Broosheid, v.

bron, bn. Broos. Brokkelig. — Brosheid, v. — Brossig, bn. — Brossigheid, v.

bros, v. (-sen). Schoenmakersgereedschap.

broiMvon, bw. brouwde, heeft gquot;brou-wen. Bereiden (inz. bier en azijn). Veroorzaken : verraad brouwen. — Brouwer, m. (-s). — Brouwerij, v. ( en), — Brouwers-paard, o. (-«-n). — Brouwersivagen, m. (-s). — Br ouxvhuis, o. (..zen). — BrOu-wing, v. (-en). — Brouwketel, m. (-s). — Broinvkuip, v. ( en). — Brouwsel, o. (-s). — Brouw ster, v. (-s). — Brouwte, v. (-n).

b roti wen, brouwde, heeft gebrouwd. Ow. De letter r dik uitspreken. Eenpw. Er brouwt iets : eenig kwaad is in aantocht. — Brouwer, m. (-s). — Brouwster , v. (-s).

ISronu-crs (J. IV.), 1831-1893, Margraten, Pastoor (Bovenkerk, Nieuwer Am-stel). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Redenaar. Joost van den Vondel (1861); Cawrsz'ws (1865).

ISrowniiiK: (A'.), 1812-1889, Londen. Dichter. Paracelsus; Stra fford (1837); A Blot on the Scutcheon. Zijne echtge-noote E. Barrett, 1805-1861, Hope-End.

Aurora-Leigh.

brurino, v. (Scheik.) Alcaloïde, dat met strychnine zich bevindt in de braak-noot, het slangenhout, enz. Hevig werkend vergif.

brug:, v. (-gen). Gebouwde overgang (van hout, steen of ijzer). Naam van som

Brug.

weg gebaand. Hulp : dit is eene brug voor hem. — Bruggegeld, o. — Bruggenhoofd, o. {-en).

Hru;rarlt;'linB:.m.(-en). Tnw.van Brugge.

ISniirman {J.) (1400 ?)■ 1473, Kempen (Keulen).Minderbroeder. Kans Iredcnaar.

ISriicmaiiii (F. K.), 1840, Wiesbaden. Hoogleeraar (Leipzig) . Morphologische Untersuchungen auf detn Gebiet der indogermatiisrhm Sfirnchen.

brui, m.Slag Stoot. Hij ge^-ft erden brui van : hij bekommert er zich 1 iet over. Daar hebt gij al den brui, gan-ch tien boel. — Bruten, bruide, heeft lt;-n is gebruid. Bw. Slaan. iem. op het hoofd bruien. Gooien : iem. van de trappen bruien. Piagen: gij moet hem zoo niet bruien. Ow. (zijn) Vallen. Heergaan : brui heen ! — Bruier, m. (-s),

— Bruierif. v. (-en). Plagerij. Moeilijkheid. — Bruister, v. (-s).

bruid, v. (-en), briiilt;lo{roEii. brui-«Tom, m. (-s). Verloofde. — Bruidsbed, o.

— Bruidsdagen, m. mv. Dagen, tusschen den ondertrouw en de bruilolt. — Bruids-gave, bruidsgaaf, v. (..aven). — Bruidsgift, v. (-en). —Bruidsgoed, lt;». —Bruidsjapon, v. (-nen, -s). — Bruidsjonker, m. (-s). — Bruidsj'uJfer, v. (-s). — Bruidskamer, v. (-s). —Bruidskleed, o. (-eren, ..kleeren). — Bgt; uidskoets, v. (-en). — Bruidsparty, v. (-en). — Bruidsschat, m, (-ten). — Bruidssuiker, v. (-s). — Bruidstooi, m. — Bruidstranen, m. mv. — Bruidszuster, v. (-s). — Bruigomspifp, v. (-en).

brnikbanr, bn. Geschikt tot gebruik. Bekwaam. —Bruikbaarheid, v.— Bruiker, m. (-s). Pachter. — Bruikleen, o. (-en). Leen zonder rente, dat na zekeren tijd moet weergegeven worden.

bruiloft, v. (-en). Huwelijksbelofte. Feest ter inzegening van een huwelijk. Do bruiloftsgasten : de gar.sche bruiloft is uitgereden. Koperen bruiioft (na twaalf en een halfjaar). Zilveren br. (na vijfentwintigjaar). Gouden br. ma vijftig jaar). Dia-manten br. (na vijfenzeveniig jaar). — Bruiloftsdag, m. (..agen). — Bruilofts-deun,n\. (-en). — Bruiloftsdicht, o. (-en).

— Bruiloftsdisch, m. — Bruiloftsfeest, o.env.(-en).—Bruilof hgast,m. env. (-en).

— Bruiloftskleed, o. (-eren, ..kleeren). — Bruiloftslied, o. (-eren). — Bruiloftsmaal, o. — Bruiloftsvers, o. (..zen). — Bruiloftszang, m. {-eri).

brnin o. Kleur. Menging van geel of oranje of rood met zwart. Verf. (Schilderk.) Schaduw. ^— Bruin, bn. — Bruin, m. (-en). Bruin naard. — Bruinachtig, bn. —

mige voorwerpen, die op eene brug gelijken. Zeker deel eener drukpers, -kam eener viool. Dat is eene brug gelegd, de


ocr page 130

BRUN — I

Bruinach iigh eid, v. — Bruineer der, m. (-s). —Ertmieeren, bw. bruineerde, heeft gebruineerd. Bruin maken. Polijsten. — Bruineeryzer, o. (-s). — Bruineering, v.

— Bruineer sel, o. — Bruineer steen, m. (-en). — Br uitteer ster ^ v. (-s). — Bruinen, bruinde, heeft en is gebruind. Bw. Bruin maken. Ow. (zijn). Bruin worden. — Bruingeel, bn.— Bruinheid, v. — Bruinig, bn. — Bruinigheid, v. — Bruinkolen , v. mv. Fossiele brandstof van latere vorming dan de steenkolen. — Bruin oog, m. en v. (-en). — Brutnoogig, bn. — Bruinvisch, m. (..sschen). Zoogdier [delphinus phocoena) tot het geslacht dei dolfijnen in de orde der walvisschen behoorende.

bruis,v. en o.* Schuim. — Bruisen, ow. bruiste, heelt gebruist. Schuimen. Borrelen. Razen. Tieren, (met zijn) Stevenen : naar Amsterdam bruisen. — Bruising, v.

— Bruispoeder, bruispoeiar, o. Mengsel vannatriumbicarbonaat met wijnsteenzuur.

brullen, ow. brulde, heeft gebruld. Dof geluid doen hooren (gelijk de leeuwen). Brullend schreeuwen (van menschep. — Brui-aap, in, (..apen). Apengeslacht [My~

Brul-aap.

celes), tot de apen der nieuwe wereld behoorende. Onderscheidt zich door eenen neus met breed middenschot, eenen grijp-staart en 't veelal ontbreken van den duim aan de voorste ledematen. Doet des nachts een vervaarlijk gebrul hooren. — Brulling, v. (-en).

ISrunetiiiae. quot;Eegade van Sigebeit, vorst van Australië, vermaard om hare oneenigheden met Fredegonde. Werd, op 't bevel van Clotharius II aan den staart van een wild paard gebonden (534-613).

Brunellesehi (i^.), 1377-1444, Florence. Grondvester der moderne ital. bouwkunst.

brunet, v. (-ten). Meisje met bruine haren of bruine tint.

o — BUIK

Brussolnar, m, (..aren, -s). Inw. vaa

Brussel.

brutaal, bn. bijw. Ruw. Woest. Onbeschoft. Beestachtig.— Brutalileit,v. (-en), bruto, bn. bijw. (In den handel) Ruw, met de emballage. Het concert heeft opgebracht bruto : zonder dat de onkosten er af zijn.

Brutus. Naam van twee Romeinen. Da eerste was stichter der republiek (510 voor Chr.); de andere, een der moordenaars van Caesar.

Ifiru.vère [J- de la), 1645 1696, Parijs. Letterkundige. Advocaat. Caractères ds Thèophraste, tra duits du Grec (1687).

Br.rnnt {IV. C), Cummington (Aoord-Amerika). Dichter. Thanatopsis (1816), buelit, o. en m. Zie Bocht (2* art.). ISuek {V. de), 1817-1876, Oudenaarde. Jezuïet-bollandist. Hilar ion; Passieboeksken (1851).

burifpet, o. (-ten -s). Begrooting. bufiVl, m. (-s). Zeker gehorend her kauwend zoog-lier, meestal kleiner dan de gewone stier. Is van waarde als trekdie» Behoort uitsluitelijk tot de keerkringstre ken. Lomperd.— Buffelachtig, bn. bijw.

— Buffelachtigheid, v. (. heden). — Buffelen, buffelde, heeft gebuffeld. Bw. Afrossen. Ow. Eten. — Buffelshuid, v. (-en). — Buffelsleder, ..leer, o. — Buffelsvel, o-(-len).

buflTet, o. (-ten). Schenktafel. Aanrecht-bank. Schenk kamer.

ISuffou {G. L. Le Clercq,graaf van\x 1707-1788, Montbard. Beroemd door zijne schriften over natuurlijke historie en zijn kabinet van naturaliën. Histoire naturell* générale et particuliere (i749-'88).

bui, v. (-en). Vlaag (van regen, win^, enz.). Kortstondige aanval van toom, en£ Luim. Maartsche buien : ruwe weergfy steldheid (gepaard met regen, hagel en wind) der maand Maart. — Buiachti^ bn. — Buiachtigheid, v. — Buien, otu buide, heeft gebuid. Regenen en ^waaien bij tusscherpoozen. Ongestadig zgn (van het weer.) — Buiig, bn. — Buiigheid, v.

buidel, m. (-s), buil,m. (-en). Bakkersgereedschap, dienende om de verschillende soorten van bloem en de zemelen uit het meel te scheiden .

buidel, m ( s). Zak. Beurs. — Buidel' dieren, o. mv. Eene orde van zoogdieren, die in eene soort van zak hunne jongen bergen.

buisreu, boog, heeft en is gebogen. Bw. Krommen. Vouwen. Ow. (zijn). Gebogen worden. Eene buiging maken. Het moet buigen of barsten, het moet er door. — Buigbaar, bn. — Buigbaarheid, v. — Buiger, m. (-s). — Buigijzer, o. (-s). —

— Buiging v. (-en). Buigspier, v. (-enK Knie-, elleboogspier. — Buigster, v. (-s).

— Buigtang, v. (-en). — Buigzaam, bn. Wat licht buigt of te buigen is. Gedwee.

— Buigzaamheid, v. (..heden).

buik, m. ( en). Deel van den romp, dat

tusschen de borst en het bekken liü:t. Bol vooruitstaand deel (van iets). Zij zijn twee handen op éenen buik : zij zijn het altijd eens. — Buikachtig, bn. — Buikig, bn. —


ocr page 131

BUIT — li

Buikloop, m. Al te overvloedige ontlasting.

— Buikpijn, v. (-en). — Buikpootig, bn. — Buikriem, m. (-en). — Buikspreken, o. Vaardigheid om te spreken zonder de lippen te bewegen. — Buikspreker, ra. (-s). — Buikvlies, o. (..zen). — Buikvinnig, bn.

— Buikzwammen, v. mv. Zwammen, wier sporen zich in kiemhuisjes ontwikkelen, die uit een enkelvoudig of dubbel hulsel bestaan, dat aanvankelijk gesloten is, doch later zich opent en daardoor de sporen een vrijen uitgang verleent.

v. (-en). Gezwel Huidopzetting.

buil, ra. ( en). Zie Buidel (iö art.). — Builen, bw. builde, heeft gebuild. Met den buil ziften. — Builkist, v. (-en). — Butl-zolder, ra. ( s).

buiM, v. (..zen). Doorloop. Koker. Pijp.

— Buisvormig, bn.

buis, v. (..zen). Haringbuis. — Buisjesdag, ra. Dag, waarop in Nederland de haringbuizen in zee steken.

buis, o. (..zen). Mansrokje zonder panden.

buit, ra. Hetgeen men (op eenen vijand) veroverd heeft. — Buitm, bw. buitte, heeft gebuit. Buitmaken. — Buiter, ra. (-s). — Buitniaken, bw. maakte buit, heeft buitgemaakt.

buitelen, ow. buitelde, heeft en is gebuiteld. Hals over kop vallen. Tuimelen. Die koopman is gebuiteld, gt-ruïneerd. — Buitelaar, m. (-s). — Buitelaarsier, v. (-s). — Buiteling, v. (-en).

buiten, bijw. Buiten miet in de stad) ■wonen. Buiten (in het open veld) staan. Naar buiten gaan : uitgaan, naar het land gaan. Naar buiten zeden : buiten de haven zeilen. Van buiten komen : te huis komen. Zich te buiten gaan : te ver gaan, onmatig zijn. Van buiten leeren : uit het hoofd leeren. Vz. Duidt uitsluiting aan : buiten d« stad. Zonder : buiten twijfel. Boven of tegen : buiten verwachting. Buiten zich zeiven : hoog«t ontsteld. Buiten 't spoor, van zijn stuk raken. — Btiiten, o. enm. (-s). Lustplaats. — Buitenbeentje, o. (-s). Onecht kind. — Buitendien, bijw. Daarenboven. — Buitendijks, bijw. — Buitendry ven, bw. dreef buiten, heef: bui tengedreven. — Buitengaats, \nyN. Buiten de haven. — Buitengemeen, bn. bijw. Ongemeen. Zeldzaam. Buitensporig.— Buitengemeenheid, v. — Buitengewoon, bn, bijw.Buitengemeen.— Huitengezvoonheid, v. — Buitengoed, o. (-eren) Lustplaats. — Buitenkansj'g, o. (-s). Onvoorziene winst.

— Buitenland, o.Tegenstelling van vaderland. — Buitenlander, ra. (-s). — Bui-tenlandsck, bn. — Buitenmensch, ra. (-en). Veldbewoner. — Buitennatuurlijk, bn. bijw. Wat de natuur (eener zaak) als eigendom niet behoort: de onsterfelijkheid is eene buitennatuurlijke gave voor den mensch. •- Buitenshuis, bijw. — Buitenslands, bijw._ — Buitensluiten, bw. sloot buiten, heeft buitengesloten. — Buitensluiting, v. — Buitensporig, bn. bijw. Het spoor te buiten gaande. Grillig. Ongerijmd. Onzinnig.—B u itensporigh eid, v. (. dl e den).

— Buitenstaan', ow. stond buiten, heeft buitengestaan. — Buitenste, bn. Aan de

I — BUND

uiterste zijde gelegen. — Buitentijds, hui' tenstyds, bijw. Ontijdig. Buiten den gewonen tijd. — Buitenwaarts, bijw. Naar buiten. — Buitemvacht, v. (-en). Voorpost. Hij kreeg den buitenwacht: hij moest aan de deur. — Buitemverks, bijw. (Bij metingen) Van den eenen bui-ensten rand des werks tot den anderen gerekend. — Bui-tenwerpen, bw. wierp builen, heeft buiten-geworpen.

buixerlt;l, m. (-s). Voge'geslacht uit de familie der valken, van de oide der roofvogels. Leeft van kleine vogels, muizen en insecten.

bukken, ow. bukte, heeft gebukt. Zich nedr*rwaaits buigen. Zich bukken, ww. — Bukking, v.

buk», v. (-en). Kort geweer met getrokken loop, d. i. voorzien van ingesneden, schroefvormiglooper.de groeven.

buk*, bukhbooiii. m. ( en). Plantengeslacht, tot de#uphorbiaceëii 1 ehoorende. De meest bekende soort is de altijd groene heester: Buxus seinfienn'rens.

bul, m. (-len). Stier. Lomperd. — Bulachtig, bn. bw. Lomp. — Bullegeld, o. Loon voor het dekken der koeien. — Bul-Iftnan, ra. Eigenaar van eenen bul. — Bullepees, v. (..ezen). — Bulos, m. (-sen).

bul, v. (-len). Oorkonde. Pauselijke brief.

bul, v. Zeker gebak. Koek.

bul «leren, ow. bulderde, heeft gebulderd. Een rommelend of dreunend geluid geven. Razen, 'lieren. — Bulderaar, m. (-s), bulderbast m. (-en). — Bulderaarster, v. (-s). — Bul de rig, bn. Onstuimig, buliiond, m (-en\. Zie Hond. bulken, ow. bulkte, heeft gebulkt Hard schreeuwen. Loeien (van rundvee;^ — Bulking, v.

bullebak, m. (ken). Schrikbeeld Momaangezicht. Boos mensch.

bullen, v. mv. Vodden. built'iiMiter, m. (-s). Schreeuwer. Norsch raenscb.

bulletin, o. (-s). Stembriefje. Dagbericht; bewijsbriefje. Handelingen, verslagen (eener maatschappij, b. v.).

15 ii 1 o \v 1 F. W.granfvon Dennewitz), 1755-1816, Falkenberg. Held uit den bevrij-dmgs-oorlog. Streed te Leipzig en veree-nigde zich te Waterloo met Blücher, zoo dat hij niet weinig tot de overwinning bijdroeg.

ISülow (//. G. von), 1830-1894, Dresden. Duitsch pianist en toondichter.

bulsfer, v. (-s). Al het beddegoed ; peluw, oorkussen en matras.

bult,ra. (-en). Hoogerug. Bochel. Gebochelde. — Bultachtig, bn. — Bultenaart m. (-s). Gebochelde. — Bultig, bn. — Bultzak, m. (-ken). Stroozak. Scheepsma-tras. Verstooteling.

Buiwer-Li.ytton {E. (?.), 1805-1873, Heydonhall (Norfolk). Engelsch romanschrijver. The last days of Pomp ej'i (1834); Rtenzi (1835) •

bun, v. (-nen). Teenen mandje. buiKlel, m. (-s). Verscheidene saamge-bondene dingen : bundel pijlen. De bundel (saamgebondene pijlen met eene bijl ia


ocr page 132

BURG — 11

*t midden) werd te Rome vo ir de overheden gedragen. Een bundel gedichten.

buii«i«gt;r, o. ( S'. Zie lengtematen. Bunderb u ndersgelijk, bij w.

buneel^ii. bungelde, heeft gebungeld. Ow. Schommelen. Slingtren. Bvv. Eene slingerende beweging geven (aan).

bimziiiu:, m. (-en, -i). Dier

{mustela putorins) \an 't wezelgt-slacnt, tot de half^oolyangers in de orde der roofdieren behoorende. Leefc vooral van hoenders, eieren en veldmuizen

KuonaUi///.),1474-15^4-Arezzo-It. beeldhouwer, schilder en bouwmeester. Graf-monument van yuliuS II; St-Pieterskerk (Rome); Verrezen Heiland; de scliildei ingen derbixtijnsche kapel {Laatste oordeel).

ISiirlMirc «Ie Wea:cml»oclc [Ridder L. F. M. de], 1812-1889, Dendermonde. Advocaat, oudheidkundige en toondichter. I»ur«*lit. m. (-en). Zie Burg.

«gt;. ( « n 1. Kantoor. Schrijftafel. SchrijIvertrek. Voorzitter en secretaris van eene vergadering.— /•gt;ureelist, m. ( enK

lyurur- m. (en). Vei sterkt kasteel. Rid-derverblijf. — Hnrggraaf, m. (..aven). (Middel.) Bevelhebbers cler burgmannen werden burggraven genoemd, omdat zij veelal buiten op het land burchten of sloten bewoonden. —Ihirggravin, v. (-nen).— Burgheer, burchtheer, m. (-en). — Burg' vrotiTt', burchtvrouw, v. (-en). — Burgvoogd, burchtvoogd, m. (-en). — Burgvoogdes, burchtvoogdes, v. ( sen1.

It 11 ■'{■feiiiet'Mfor, m. (-s). Het hoofd cener gemeente. Vertegenwoordigt de uitvoerend»' macht en handhaaft de orde. — Burgemeesterlyk, bn. bijw. — Burgermeestersambt, o. — Burgermeestersbuik, m. (-en). — Burgermeesterschap, o. — Burgermeesterskamer, v. — Burger-merstersplaats, v.

huruor, m. (-s). Inwoner eener vfr-sterkteplaats Lid cener gemeente. (Middel.) De burgers hadden vele voorrechten. Konden tot ^eene proeven van het godsgericht gedwongen worden.Waren vrij van velerlei tollen, enz. — Burgerachtig, bn. bijw. — Burgeres,v.{-s*x\). — Burgerij, v.(-en). De gezamenlijke burgers. De klasse der burgers. — Burgerlijk, Lr., bijw. lot den burgerstand behoorer.de, daarmede overeenkomende. Register van den burgerlijken stand ; register van geboorte, huwelijk en overlijden. Het burgerlijk wetboek. De burgerlijke beleefdheid : de regelen der gewone hoffelijkheid. De burgerlijke dood: verlies van alle burgerrechten, ten gevolge van een strafrechtelijk vonnis. — Burgerlijkheid, v. — Burgerman, m. (..lieden, ..lui). Gewoon burger. — Burgermanach-tig, bn — Burgerrecht, o. (-en). Rech van iederen staatsburger, uit de we: voortvloeiende. Recht eens stadsburger. Dit woord heeft in onze taal het burgerrecht verkregen, het wordt als een Nederlandsch woord

2 — BYZA

gebmikt. — Burgerschap. V. Burgerij. O. Burgerrecht. — Burgerschapsrecht, o. (-en). — Burgerstand, m. De burners. — Burgervader, m. (-s, -en). Hocf.i d« r burgers (eeretitel).

[G. A.), 1748-1794, Molmers-wende (Halberstadt). Duiisch dichter. Legt-nden. Balladen. Lenore.

ISu ruei'AulüM^quot;/-. yO.iSaS. Alfen. Leeraar in de natuurlijke historie. (Deventer) Buitenl. eerelid der K. Vl. Academie. De dieren, nfgebeeld en beschreven (i8Ó2-'72\; vertaling van al de werken van . hakespeare (i884-'88).

burleu, ow. burlde, heelt geburld. Zie Brullen.

ISuruoiif [J. Li). 1775-1844, Urville. Fransch philoloog. Grieksch grammatica.

Ifiii 1*11 h (/?.), 1759-179^, Allaway (Schotland). Volkspoeet. De Schotten noemen hem the Ploughman of Ayrshire, de En-gelschen, the Scottish Bard.

burrio, v. (-s). Berrie.

Burritt {Ei), 1811-1879, New-Britain (Noord-Amerika). Schreef en werkte onophoudend tegen den oorlog. Sparks front the anvil; Olive leaves.

Imim v. (-sen). Besloten (blikken

of ijzeren) cilindervormige doos. Lijkbus. Loop van een schietgeweer. Buks. Allerlei geschut. IJzeren ring of band, die in of om iets bevestigd wordt. — Buskruit, o. Mengsel van salpeter, zwavel en kool, dat door het vuur ontploft. — Bussen, bw. buste, heeft gebust. In bussen pakken.

m. (-s). Bundel. Schoof,— Busselen, bw. busselde, heeft gebusseld. In bussels binden. Inbakeren.

htinte. v. (-n, -s). Borstbeeld.

but, v. (-ten). Soort van bierkan. Houten vat, den drank inhoudende voor def dagelijksche behoeften van zeven man. Draagkorf.

ImiI», v. (-en). Zie Bluts.

buur, m. (buren). Die dicht of naast iem. woont. — Buren, ow. buurde, heeft gebuurd. Praatjes houden met de buren. — Burengerucht, o. Rumoer in huis, zoodat helde buren hooren. Straatgerucht, dat do buren hindert, strafbaar volgens de wet. — Burin, v. ;-nen). Buurvrouw.— Buurman, m. (..lieden). — Buurmansgek, m. — Buurschap, v. ( pen;. Buurt. O. Betrekking als buur. — Buut-vrouw, v. (-en). — Buurt, v. (-en). Geheel of deel van een kwartier. Eenige bij elkander staande woningen.

lSii.TM(er {Fi), 1595-1688, Antwerpen. Beeldhouwer.

Ilyron {G. IV. Gordon, lord), 1788-1824, Dover. Engelsch dichter. Childe Harold's Pilgrimage 11812) ; Manfred yibif) ■, Mazeppa [iSij); Marino Faliero; Don yuan (i82i-'23).

ISyzantiuui. Kolonie aan den Thra-cischen Bosporus, door Megara, omstreeks 056 voor Chr. gesticht. Zie Constantinopel.


ocr page 133

— 113 — CAMP

c

CAUJ

c, v. (c's). 3« letter van het alphabet, cabaal, o. (..alen). Geheim verbond Bedekte verbintenis tot eenig kwaad doel Samenspanning. Verraderij. Sluwe tegen werking. Rumoer.— Cabaleeren, ow. caba-leerde, heeft gecabaleerd. Arglistig, sluw te werk gaan. Samenspannen.

csibrellc?(lt;l)cr, o. Geitenleder. — Cabretleeren, bn.

cstbriolet, v. (-ten). Licht tweewielig rijtuig voor éen paard, voorzien van een zitbankje

cabriool, v. (..olen). Bokkesprong.

Kluchtige beweging.

caosio, v. Boon van de plant iheo-bronta cacao. Wordt tot het bereiden van chocolade gebruikt.

caelivlot, m. ( ten). Zie Potvisch.

Wie liet, o. (-ten). Zegel. Zegeldruk-ie liet, o. (-ten). Zegel. Zegeldruk-

caohot, o. (-ten). Hok. Gevangenis, cacograpliie, v. (-en). Verzameling van voorbeelden, waarin opzettelijk de regels eener goede spelling verwaarloosd zijn, opdat de leerling die verbetere.

cactuft, v. (-sen). £ene in Zuid-Amerika te huis behoorende vleezige en met stekels voorziene plant: Cactus opuntia of opuntia vulgaris.

ca«ls*ncecren,bw.cadanceerde, heeft gecadanceerd. Welluidend maken (eenen volzin).Afmeten (zijneschreden).—Cadans, v. Maat. Stemval Ovrrrenstemrning van de deelen van een gedicht. Dansmaat, cadavcr, o. (-s). Dood lichaam, cadeau o. ( 's). Geschenk. Gift. eadet, m. (-ten, -s). Militaire kweeke-ling. — Cadettenschool, v. (..olen).

C?2eMar [C. y.), 100-44 (vóór Chr ). Ro-mei- sch veldheer, die in 10 jaar tijds heel Gallië overmeesterde (57 vóór Chr.). Werd mef dolksteken omgebracht in den raad door Brutus cn Cassius.

eagt;ftiiiir, v. (-en). Stemrust (in de verzen).

Cagrnoll (A.), 1747-1816, eiland Zante. It. sterrenkundige.

eahicr, o. (-s). Schrijf.boek. Boek wit paji v.

Ca^He {N. L. de la), 1713-1762, Kumi-gny. Fr. ^quot;^«Tenkundige.

Caïn. ^oon van Adam. Doodde uit afgunst zijnen broeder Abel.

CaïplistB. Hoogepriester der Joden. Veroordeelde den Zaligmaker ter dood.

CaiHiie {f/. de), 1799-1852, Brussel. Kunstschilder. Beroemde Belgen.

C'alame {A.), 1817-1864, Vevay (Zwitserland). Landschapschilder. De waterval by Meyringen.

«•alaiKlo, bijw. (Muz.). Afnemend, esftla■■ Kieren, bw. calangeerde, heeft gecalangeerd. Beboeten. Aanhalen.

Calear {E. van), {=E. C. F. Schiot-ling), 1822, Amsterdam. Schrijfster en opvoedkundige. Hermin a (1850); de Steen der Wijzen (1857) gt; FröbeVs methode (1875); de Eedgenooten (1888).

ealeiiim, o. Kalkmetaal. De metallische basis der kalkaarde, door Davv ontdekt (1808).

Calderon (P.), 1600-1681, Madrid. Tooneel- en blijspeldicnter. 't Leven is een droom ; De dochter der lucht; De Standvastige Prins.

calèche (ook kales), v. (-s). Licht,, open rijtuig.

caleidoscoop, m. (..open). Een door Dr Brewster te Edinburgh uitgevonden kijker, welke eenvoudige, verschillend gekleurde en daarin gelegde voorwerpen aan het oog in tallooze regelmatige vormen, diamp; bij de geringste beweging de-s kijkers afwisselen, voorstelt.

caliH«kieliout, o. Zoethout, calliyraaf, m. (..afen). Schoonschrij-£er't~~ Calligraphie, v. Schoonschrijf-

Calloiene {J. R.), 1775-1830. Bragge. rseeldhouucr.

Callot \J.), 1594-1635, Nancy. Teeke-naar en graveerder. Was de eerste, die zich • bij het etsen van sterkwater en vernis bediende. Jaarmarkt; Bedelaars. , 1672-1757, Mesnil. Bene-'

dictyn. Commentaire sur to us les livres de l ancien et du nouvrau Testament'-(I707- 13); JJictionnatre historinue et cri-l tique de la Bible (iy22-,28).

v1aV'rt (■^•)» i540quot;16i9, Antwerpen. Kunstschilder. De zielen in het vagevuur;* ft et Paradijs; de Marteldood van S% Laurens. r Calriuns (y.), 1509-1564 .Noyon. Kerk-n er vormer. Institutio religionis Christi-anas (1536). — Calvinisme, o. — Calvinist, ra. (-en).

caKsarïsia, v. (.'$). (Spaansch woord == kamertje). Hofpartij. Invloed der aore-Imger.

camee, v. (-ën). Een in basrelie^quot;gesneden kostbare steen. In 't bijzonder, een onyx, zoo gesi.eden, dat de opgewerkte laag11- eene andere kleur heeft dan de grond-

camel ia. v. (-'s). Plantengeslacht. De meest geliefde soort (c. japonicu) heeft immer groene, glinsterende, leerachtige bladeren en schoone roode, witte of bonte bloom n, zonder gtur, die veel op rozen gelijken.

Camoëns(Z.^),i525(?)-i579,Lissabon. -Portugeesch dichter. Os Lusiados, (heldendicht) ; Obras completas.

Campo-Formio. (Italië). Frans II, keizer van Oostenrijk, stond door het trac-taat van Campo-Formio België voor goed aan Frankrijk af (1797).

---------- [M. F. .

jsel). Bib..«w.

----«jravenhage, buitemanascn

eerehd der K. VI. Academie. Annates de


ocr page 134

CAOU — I

la iypographie Néér la n da ise au 15* siècle (1874).

Cstiupoiiliont {F. van), 1779-1848, Brussel. Bracht de Brabangonne op muziek.

Csunpliuyzen (Zgt;. Rsz.), 15861627, Gorinchem. Dichter van Shchielyke Ry-tnen (1625).

Cana. Waarschijnlijk op an lerha'f uur afstand van Nazareth (Palestina). Jezus deed bij de bruiloft van Cana op de aandraag zijner moeder zijn eerste wonderwerk en veranderde zes kruiken water in wijn.

Canada. Britsche kolonie (rsonrd-Amerika). Geniet volgens de grondwet (1853) eene vrijheid, welke door niet eene onafhankelijke natie overtroffen wordt. 16,000 vierk. geogr. mijl. 3,200,000 inw. Hoofdplaats : Ottaiva. Steden : Quebec, Toronto, Montreal.

ranailltt (ook kaualje), o. Gemeen volk. v. Gemeen vrouwspersoon.

«•anap^, v. (-'s). Kussenbank, eandelabor, v. ( s). Kroonluchter. Kroonkandelaar.

«•aiKlMiaat, m. (..aten). Wie naar eenige betrekking of waardigheid staat. Zekere academi-che graad. — Candidaat-notaris, ra. (-s^n). — Candtdaats-examen, o. (-s, ..araina). — Candidatuur, v. (..uren). .

Cauini [M. A.), 1822, Venetië. Dichter. Giorgio e Leila \ Sonnetti (1873) ;

OdiSaffiche (1879).

CaniMiiiH {P.), i52I-I597, Nijmegen. Jezuïet. Godgeleerde. Summa doctrtna Christianas (i5S4^ „ T .

Canninsr (lt;?•)» i770-l827» Londen.

Staatsman tn redenaar.

4gt;auoigt;, m. (-s). Regel. Richtsnoor. Voorschrift. Lijst der bijbelboeken. Besluit, uitspraak van een concilie, eene synode. De gebeden, welke na de Prefatie der mis tot het einde der Nutting, in de Romein-sche liturgie voorkomen. (Drukk.) De dikste Duitsche drukletter. Een of meerstemmig muziekstuk, waarin de stemmen na elkander beginnen en elke stem, noot voor noot, die van hare voorgangster tot het einde, toe herhaalt. — Canoniek, bn. Kerkelijk : canoniek recht. Canonieke boeken : boeken door de H. Kerk als H. Schrift verklaard.

Canova {A.), 1757-1822, Possagno (Venetië). Beeldhouwer: Amor en Psyche. «•antabijw. (Muz.) Zangerig, «antale, v. (-n,-s). Zangdicht, waarin hartstochten, gewaarwordingen, driften door aria's, duetten, koren met recitatieven tusschen beide, zonder tooneelmatig bijwerk, worden uitgedrukt. Lyrisch gedicnt, onderwerp der cantate.

«•antor, m. (-s). Zanger. Zie Kapittel. Cantn IC.), 1805-1895, Brivio (bij Milaan). Geleerde, staatsman en historieschrijver. L'tfnre gïovanile. Stor ia universale (9® druk, 1864).

caoutchouc, o. Ingedroogd melksap van verschillende boomen van Indië en Z.-Amerika, vooral van den gomboom {/icus elastic us).

14 CARG

Caimdoso [A.)s 1795-1874, Amsterdam. Geneesheer. Jehova-Jezus (1834-'35); Herinneringen uit Spanj'- (18Ö4K

Caphafiiaüin. üp westelijken oever van het meer Genezaretn. Eene der schoonste landstreken van de wereld, genietende een eeuwigdurende lente. Daar voltrok Jezus het voornaamste deel zijner zending. Genas er den zoon van den krijgsoverste. Gaf de gezondheid weder aan eenen bezetene, die stom en blind was, en hoorde er de lofspraak zijner Moeder.

capillaritclt, v. Moleculaire werking tusschen vaste en vloeibare lichamen en tusschen de afzonderlijke deelen der vloeistoffen. De verspreiding der vochtigheid ia den bodem, het opklimmen van olie in do pit, enz. moet der capillariteit toegeschreven worden.

capitool, o. Sterke burg in het oude Rome. Brein, hersenkas.

capilularicn, o. mv. (Middel.) Verzameling van verordeningen en besluiten op eenen rijksdag genomen, die het een achter het ander te boek gesteld, en, als eene nieuwe wet {capitulare), den naam dragende van den vorst, die er het ólacet over uitgesproken had, afgekondiga werden : de capitulariën van Karei den Groote.

capitulallc, v. (..iën, -s). Overgaaf, overeenkomst tusschen belegerden en belegeraars.— Capituleer en, ow. capituleerde, heeft gecapituleerd.

caprice, v. (-s). Luim. Eigenzinnigheid. Voorbijgaande liefde. Luimig muziekstuk (de vorm kan naar willekeur zijn of regelmatig bewerkt worden).—Capt icieus, bn.

Caracci (Z.), 1555-1619, Bologna. It. schilder. Boodschap aan Maria.

carambole, v. (-s). (13ilj.) De roode bal. Het spel van éen rooden en twee witte ballen. Het raken van den rooden bal en éen der beide witte met den anderen witten bal, waarmede gespeeld wordt. — Carayn-boleeren, ow. caramboleerde, heeft gecaramboleerd. Niet alleen den witten, maar ook den rooden bal raken.

C'arauHiun {M. A. Fquot;.), _Taxandrië (Kempen). Admiraal der Romeinsche vloten. Vermoord (291 vóór Chr.).

Caravag-fgrio (== M. A. A me rig hi), 1569-1609, Caravaggio. It. schilder. Begrafenis van Jezus; Onthoofding van Joannes den Dooper.

carbolzuur, o, (Ook.phenol en phe-nylzuur genoemd). Een bestanddeel van het steenkolenteer. Vormt zich meestal bij droge distillatie van steenkolen en wordt meest gebruikt om verpestende uitwasemingen te vernietigen.

carbonari m. mv. (= kolenbranders). Naam der leden van een geheim staatkundig genootschap, die eerst (1820) in Italië te voorschijn kwamen, maar reeds gedurende de Fransche omwenteling te Napels zich vereenigden.

Card! da Clsoli (Z.), 1559-1613, Empoli. It. schilder.

cardlnaal, bn. Voornaamste, eerste (in zijne soort).

carg;a, v. Scheepslading. Opgave van


ocr page 135

GATE — I

de goederen, waaruit de scheepslading bestaat. — Cargadoor, m. (-s). Scheepsmakelaar. Scheepsbevrachter.

carilt;*»tuar, v. (..uren). Spotprent. Spotbeeld.

Carlyle (7%.), 1795-1881, Ecclefechan (Schotland,). Hekeldichter en geschiedschrijver : Sartor resartus or life and opinions of Herr Trtifeldrbckh (1830) ; Geschiedenis der Franse he revolutie lt;1837).

Carmen «ylva [P L. Elizabeths, 1843, Koningin van Roemenië. Dichteres. Rümanische Dichtungen (1881); Alein Khein (1886): Astra (toman).

catrnavstl, o Tijd van feesten en vermakelijkheden, die de jaarlijksche vasten van 40 dag«n voorafgaat De laatste dagen vóór de vasten. Vastenavond.

Cstrpaooio (K). T4«iS ,525« It.schilder. Geschiedenis van S1* Ursula» aCar|»onnx {J. B ). 1827-1875, Valenciennes. Fr. beeldhouwer.

oarré, o. (-'s). Vierkant. Vierhoekige slagorde.

far Ion. o. f-s). Voorbereidende teeke-ning (van schilders, tapijt wei kers, enz.) op dik en stevig papier.

Casanova (/*'). 1727-1805, Londen. Schilder van landsc happen en veldslagen. De bestorming van Oczakow.

casino, O. (-'s) liesloten gezelschap, waar men bijeenkomt om te lezen, te spelen, te dansen, enz.

cassa, v. Kas. Geldvoorraad. Per cassa : tegen gereed geld.

eassecrcn, bw. casseerde, beeft gecasseerd. Vernietigen, nietig verklaren (een vonnis). Ontzetten (van een ambt) Aldan-,ken en wegjagen. — Cassatie, v Hof van «cassatie : gerechtshof, dat in hoogcr beroep uitspraak doet.

^ oawMorolle, v. (-n). Zie Kastrol. ^ oaHtacrneMcn, v. mv Speeltuig van Jivoren of palmhouten schijljes, welke men met de virgeren tegen een klakt.

eafiualist, m. (-en). Aanhanger van bet stelsel, dat alles van een bloot toeval afhangt. — Casualistiek, v. Leer van een 'bloot toeval als oorsprong en regeling van alle dingen. — Casueel, bn. bijw. Toevallig. Onzeker. Bij gelegenheid.

eannïst, ro. (-en). Gewetensleeraar. Spitsvondige godgeleerde. — Casuïstiek, casuistery, v.

catacombe, v. (-n, -s). Onderaard-sche gangen, d enende tot begraafplaatsen vooral te Rome.

catalog:us, m. (-sen). Lijst van voorwerpen, inz. van boeken, schilderijen, enz. — Catalogiseer en,\)\v. catalogiseerde, heeft gecatalogiseerd. Tot eenen catalogus regelen.

catarrlio, v. Oppervlakkige ontsteking van een slijmvlies en zijne kliertjes. 'Een gevoel van jeuking, kitteling, prikkeling (b. v. om te hoesten), branding, in enkele gevallen zelfs van werkelijke pijn, ontstaat in 't aangedane slijmvlies. — Ca-tarrhaal, bn.

catcchlftiuns, m. (-sen), c Het kort begrip (in vragen en antwoorden voorge-

gt; — CEL

steld) van hetgene, dat Christus geleerd heetc en alle chnstene menschen moeten weten ol doen om zalig te worden ». (Zie Makeblijde, Malderus, Lambrecht.) — Catechetisch, bn. Vraagswijze. — Catechisatie, v. (..iën, -s). — Catechiseeren% bw. ow. catechiseerde, heeft gecatechiseerd. Onderwijs door vragen en antwoorden geven of ontvangen, inz. in de geloofsleer. — Catechiseermeester, ra. (-s). lt; cateeliniucncn, m. mv. In de eerste tijden der Kerk : dezen, die den doop nog niet hadden ontvangen, maar daartoe door onderwijs werden voorbereid.

catceorie, v. (-ën). Klasse. Rang. Afdeeling. — Categorisch, bn. Onvoorwaardelijk. Bepaald. Zonder omwegen.

lt;*af liolioifcine, o. Katholiek geloof. — Cathohek {katholiek), ra. (-en). Zie Katholiek.

Cats (^*), 1577-1660, Brouwershaven. {Vader Cats\. Rechtsgeleerde en volksdichter. Self-stryt (1620) ; Houwelyck (1625); Ouderdom, Buytenleven en Hofgedachten (1656).

Cancliy (A. L.), 1789-1857, Parijs. Wis-en sterrenkundige.

Candron (IV.), 1607-1692, Aalst. Werd de bekroonde dichter genoemd.

canlic, v. Borg. Waarborg. Borgtocht. Onderpand.

cavalcade, v. ( s). Optocht te paard. Plezierrit in gezelschap.

cavalerie, v. Ruiterij. — Cavalerist, m. (-en). Soldaat te paard.

cavatiiie,v. (-s). Kleine, niet zeer uitgewerkte aria, meestal uit slechts éen deel bestaande.

ca voeren, ow. caveerde, heeft geca-veerd. Borg blijven. Goedspreken. Wisïels caveeren. tot geld maken. Vooriem. cavee-ren • partii voor hem trekken.

Ca^our (graaf C. R. di), 1810-1861, Turijn. Staatsman. Verwezenlijkte Italië's eenheid en onafhankelijkheid.

cayenne-peper, v. en ra. Sterke, bijtende kruiderij uit het rijpe zaad van capsicum longum, plant tot de nachtschaden behoorende.

ccfle' (cee*), v. (cedelen, cedels, cee-len). Naamlijst, lijst. Schuldbriefken. Huurcedel * pachtbrief.

ceder, m. (-en, -s). Boom {Pinus ce-drus) tot de familie der coniferen behoo-rende. Gekend om zijn schoon en duurzaam hout. Groeit op de bergen van Syrië en Klein-Azië. Beroemd zijn vooral de cederen van den Libanon. — Cederachtig, bn. — Cederen, bn.

ceiiitmik', v. (..uren). Band. Gordel, cel, v. (-len). yertrekje (in een klooster, in eene gevangenis) Zes^ijdig vakje in eeno honigraat. (PIr.) De cellen : kleine ronde kluisjes of zakj-s, die te zamen het celle-werk der planten uitmaken en min of meer van elkander gescheiden zijn. Bevatten de stoffen door de wortels uit den grond opgezogen en door de bladeren uit de lucht ingeademd. In het dierlijk lichaam bestaat de cel uit een inhoud met een omhulsel, cehvand, of uit een protoplasma zonder wand; de inhoud of het protoplasma, uit


ocr page 136

CERE — I

éene taaie vloeistof zn eene kern, met of zonder een kernlichaampje. De kern is als een gesloten blaasje in 't midden of aan den omtrek, der cel gelegen. — Celachtig, bn. — Cellebroer, m. (-s). Leekenbroer uit de XIV® eeuw. De leekenbroers vormden zich in de Rijnprovincie bij eene epidemie, de zwarte dood genoemd. — Cellulair, bn. In kamertjes, in vertrekjes afgedeeld. — Celvormig, bn.

Celobe». Soenda-eiland. Oppervlakte

^,294 vierk. geogr. mijl.Bevolking: 11/2 mil-oen inw. — Indeeling ',294 vierk. geogr. mijl.Bevolking: 11/2 mil-oen inw. — Indeeling '

a) Zuidelijke cn zuidoostelijke landtong : Makassar, gouvernement, hoofdpl. Makassar, vrijhaven ; Bonthain ; Boelekomba; Saleyer, eil.; Boeton.

Oostelijke landtong:

Menado, residentie, Sangier- en Talout-eilanden, hoofdpl. Menado; Menahassa. celebrcercn, b\v. celebreerde, heeft

Êecelebreerd. Mis doen. Plechtig geden-en. —ecelebreerd. Mis doen. Plechtig geden-en. — Celebrant, m. (-en). Dienstdoende priester. Mislezer.

cel«britcit, v. (-en). Vermaardheid. Beroemde naam. Vermaard persoon.

celibaat, o. Ongehuwde staat (inz. der geestelijken).

Celsin» (A.)t 1701-1744, uit Zweden. Wis- en sterrenkundige. Zie Thermometer.

cemont, o. (-en). Mengsel van eene aschgrauwe of geelachtig bruine steensoort, van vulkanischen oorsprong (uit den Beneden-Rijn) met kalk.

ccniK-orcn, bw. censeerde, heeft gecenseerd. Beoordeelen. Onderzoeken. Achten. Berispen. — Censor, m. (..oren, -s). Beoordeelaar. Criticus. Recensent. Kunstrechter. — Censuur, v. Onderzoek en beoordeeling van staatswege (van boekwerken, meestal vóór de uitgave, ook van tooneelstukken,vóor de opvoering) .De Kerkelijke censuur, geestelijke straf, iem. van het gebruik ecniger geestelijke goederen beroovende, opgelegd voor een bepaalden tijd door de kerkelijke macht, is drieërlei : de ban, de suspensie en het interdict.

ccnt. m. (-en, -s). Koperen munt = honderdste deel van denNederl. gulden.

centenaar, m. (-s). Gewicht =50 ki-logr. Metrieke centenaar = 100 kilogr.

centi, o. Honderdste deel. Komt slechts voor in samenstellingen : centiare, v. ( n, -s). — Centigram, o. en m. (-men). — Centiliter, m. (-s). — Centimeter, m. (-s).

centime, m. (-s). Honderdste deel van een en frank.

cenlruin,o.(-s,.. tra).Middelpunt.Ver-eenigingspunt. Plaats, waar in eene landsvergadering de aanhangers van het bewind zitten. De gematigde partij in zulk eene vergadering.—0«/^a/,bn. Middelpuntig. In 't midden gelegen. Centraal bestuur : hoofd-bestuur.— Centralisatie, v.— Cen-traliseeren. bw. centraliseerde, heeft gecentraliseerd. In een punt vereenigen of samentrekken. — -

Ce ra in. Molukscb eiland, ceremonie, v. (..iën, -s). Plechtigheid. Plichtpleging. Hofgebruik. (Kerk.) Ceremoniën : uitwendige gebeden en teekenen van godsdienst (gebruik van wierook,

6 — CHAR

olie, licht, enz.), welke men, naar het gebod der H. Kerk gehouden is te doen, bij-het bedienen der HH. Sacramenten. — Ceremonieel, o. Vastgesteld gebruik bij plechtigheden, feesten, enz.

certificaat, o. (..aten^. Verklaring. Bewijs. Getuigschrift. — Certificeer en^ bw. certificeerde, heeft gecertificeerd. Bij getuigschrift bevestigen.

ceruis, o. Loodwit. Spaansch-wit.' Blanketsel.

Cervanten-SaaTcdra {M. de), 1547-1616, Alca'a de Henares. Sp. romandichter. Don Quixote (1598).

Ceuleneer [A. de\, 1849, Dender-monde. Hoogleeraar (Gent). Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Septime .SVWré-(bekroond, 1874).

cliaiw (ook «jee»), v. (chaisen, sjee-zen). Licht tweewielig ruituig.

Chaise {Fr. d'Airr de ld), 1624-170^. Geb. op het kasteel van Aix in Forez. Jezuïet. Biechtvader van Lode wijk XIV. Deze vorst sch onk hem (17051 niet ver van Parijs, aan de helling der hoogte van Cha-ronne, het landgoed Mont-Louis, dat in een kerkhof is herschapen (1804). De beroemdste mannen en vrouwen van Parijs zijn daar begraven.

Cham. Zoon van Nrc. Had zijnen vader bespot; daarom vervlotkte Noë Cham's zoon, Chanaan. Afr ka is bewoond door afstammelingen van Cham.

CliamisMo lt;lc Ifionvonrt [L. C. A. de), 1781-1838, Boncourt (Sl0 Menehould). Verliet zijn vaderland met zijne ouders (1790) en vestigde zich te Berlijn. Als na-tuuronder zoeker : Reise nvt die Welt (1836). Als dichter en romanschrijver : Peter Schlemihl (de man, die zijne schaduw verloor, 1814).

cliam paene, m. De bekende wijnsoort uit Champagne (Frankrijk).

Cliam|»ai(;ae {Pn. de), 1602-1674, Brussel. Historie-en portretschilder. Doode Christus : Sint Ambrosins. ^

cliampignon, m. ( s). Kampernoelie. Iem. door de fortuin becunsti^d.

Clianapollion (J. F.), 1790-1832, Figeac. Fr. oudheidkundige. Ontcijferde de hiëroglyphen. Précis du systcme hiér O' glyphique (1824).

cliaoN, m. Baa-erd. Vormelooze klomp. Mengelklomp. Warboel.

CIi a 1» 1» e (C.), 1763-1805, Br ülon (Maine). Beroemd door de uitvinding van de optische telegraaf (waarvan Amontons de grondgedachte had gegeven).

Chappo «rAnteroolie (.7.), 1722-1769, Mauriac. Fr. sterrenkundige, cliaratle, v. (-s). Lettergreepraadsel, charivari, o. (-'s). Sjk tmuziek. Geschreeuw. Getier. Verschillende kleinoo-diën aan eenen horlogeketting.

oliarniant, bn. bw. Vriendelijk. Lieftallig. Bekoorlijk. Behaaglijk. Bevallig. — Charmeeren, bw. charmeerde, heeft gecharmeerd. Verrukken. Betooveren. Innemen.

charter, o. (-s). Oorkonde, waarbij zekere voorrechten werden gegund. Grondwet. Kaliber : schepen van zwaar charter.


ocr page 137

CHIM — I

Door de Waalsche en Vlaamsche charters bekrachtigde (1314) Jan III, hertog van Brabant, de voorrechten door zijnen vader in de Kortenbergsche wetten toegestaan.

Cliussó {D. H. baron), 1765-1849, Tiel. Generaal. Bombardeerde Antwerpen. Bemachtigde de citadel. Gaf deze sterkte over aan de Franschen en werd met zijne soldaten in krijgsgevangenschap naar Frankrijk (S1 Omer) gevoerd (1832).

elisisHiuet, o. (-ten). Toepasselijk opschrift bij versieringen voor feestelijkheden.

Cli:ifesamp;ubristiKl {F. A. R. vicomte de), 1709-1848. S' Malo. Fr. schrijver en staatsman. Het hoofd der Romantische school. Génie du Christianisme ou les beau/cs de la religion chrét. (1802); Les Martyrs ou le Triomphe de la religion chrét. (1810).

diAfillou (y. de). Oom der gemalin van Filipden Schoone. Werd door dezen vorst a's stadhouder en algemeenen landvoogd in Vlaanderen aangesteld. Zijne trotschheid en strengheid gingen alle maten te bo /en. Sneuvelde in den slag der Gulden Sporen (1302).

Ctiauccr (GV», I34o(?)-i4oo, Londen. De vader der Engelsche dichtkunst. Canterbury tales.

dief, m. ( s). Hoofd. Opperhoofd. Opperste aanvoerder. Leider.

elicmic, v. Scheikunde. — Chemisch, bn.

C'iieiiicr (M. A. de), 1762-1794, Con-stantinopel. Fr. dichter. Werd als tegenstander der omwenteling geguillotineerd. Elegieën en idyllen.

chcuille, v. (-s). Zekere vrouwenmantel. Eene soort van knoopwerk.

clierfc|»»rlUlt; v. ( eu). (Zeew.) Akte van overeenkomst, opgemaakt tusschen den vervrachter en de bevrachters.

clionil», m. (-s^,clicru'gt;yii,m. (-en). Hemelgeest, tot de negen koren der engelen behoorende.

Cli^riibiiii {M.L. C. Z. S.)t 1760-1842, Florence. Componist van opera's en kerk-muMek. Ifigenia in Aulide; Lodoïska; Requiem.

Cliovreal {M. E,), 1786-1889, Angers. Fr. scheikundige.

chiostnc, v. (-s). Rechts verdraaiing. Haarklooverij. Spitsvondigheid. — Chicaneeren, ow. chicaneerde, heeft gechicaneerd. Zich van rechtsverdraaiing bedienen. Vitten. Het iem. lastig maken. — Chicaneur, m, (-s). — Chicaneurig, bn. Vitlust-g. Kiescbkeurig.

lt;*liifroiiuilt;gt;re,v. (-s).Ladekast.Hooge ladetafel.

0I1UI, v. Eenigszins kleverig vocht (in de watervaten der darmen), van eene witte melkachtige kleur en min ol' meer ziltig van smaak. Bestanddeelen : water, eiwit, vezelstof, vet en eenige zouten. — Chy'l-■achtig, bn. — Ch ijlach tig h e id, v.

Cliili. Republiek aan de West-kust van Zuid-Amerika. 2,500,000 inw. 6,238 vierk. geogr. mijl. Hooidstad, Santiago. Zeehaven, Valparaiso.

cliimpausé, m. (-'s). Naam van eene

1 — CHRI

der grootste soorten van apen : Simta troglodytes.

China, o. Hemelsch keizerrijk (Azië). Bevat : Mandsjoerije met drie provinciën, eigenlijk China met achttien provinciën en de onderworpene landen, bestaande uit Mongolië met eenige gedeelten van Dson-garije, Koekoenoor en Thibet. 403,260,000 inw. 11,574,330 vierk. Nederl. mijl. — Chinees, m. (..eezen). — Chineesch, bn. —-1 Chineesch, o. Chineesche taal.

«•liinaasappcl, m. (-s, -en). Zie Oranjeboom.

«'liirurST» m- (-en), n, ra.

(-s). Heelmeester.— Chirurgie, v. Wond-heelkunst.

eliloor, v. Metalloïde. Doet zich voor in de gedaante van een geelachf.g-groen gas, 2,45maal zwaarderdan dedampkrings-luchten oplosbaar in water.— Chloroform, v. Olieachtige vloeistof van ïetherachtigen reuk, uit de chloor getrokken. Wordt als verdoovingsmiddel gebruikt in de heelkunst. — Chloruur, v. Verbinding van chloor mtft soia, tin, ijzer, enz.

cliocolailo, v. Voedzaam deeg, uit gerooste en met suiker, vanille, enz. vermengde cacaoboonen bereid. Daaruit bereide drank.

Cliolcicr fi?. L. baron de), 1767-1839, Luik. Regent van België (1830).

cliol«ra,v. Eigenaardige, besmettelijke en aanzettende ziekte (toe te schrijven aan eene soort van microben, spirillen ge-' noemd, die aan de darm wanden worden aangetroffen). Kenmerken : afgematheid,* kilheid en loodbleekheid van de oppervlakte der huid, braking, ontlasting van eene groote hoeveelheid op rijstwater gelijkende stof, onderdrukte pisloozing, kramp der spieren van den buik en der ledematen. Ch o Ier a - nostra s — Europeesche, inheem-sche cholera, cholerine. Cholera-Asiatica = cholera morbus, de echte, gevaarlijke cholera, uit vóor-Tndië herwaarts gebracht.

Cliopin {F. F.), 1810-1849, Zelazowa (bij Warschau). Pianist en toondichter.

clircstomatliio, v. (-ën). Verzameling van uittreksels uit de werken van dichters en prozacchriivers.

cliristlt;gt;lUklt; bn. bijw. Tot het christendom behoorende of er uit voortvloeiende. Godvreezend. Deugdzaam. — Christen, m. (-en). «■ Discipel van Jezus-Christus, die, gedoopt zijnde, gelooft en belijdt de zalige wet van Christus in de waarachtige Kerk tegen alle sekten ». — Christendom, o. De godsdient door Jezus-Christus gesticht. — Christenheid, v. Al de christenen. — Christenmensch, o. (-en).— Chris-tenvrouzu, v. (-en). — Christin, v. (-nen). — Christus, m. Gezalfde = De Zoon Gods voor ons mensch geworden. Jezus wordt Christus genoemd omdat Hij bij uitmuntendheid profeet, hoogepriester en koning is en dat deze drie klassen van personen de gezalfden waren (Oude-Wet).

CliristofTcl (Christophorus), t 251. Volgens de legende zou de h. Christoffel een man geweest zijn van ongemeene grootte, die gewoon was lieden door den stroom te dragen en eens de gunst genoot


ocr page 138

— 118 —

Cl MA

CICH

Christoffel Colombus.

Genua. Ontdekte de West-Tndiën, naar Americ Amerika gelieetcn (MO2)*

cliron«»eraiii, o ( men) Jaarschrift. — Chronisch, bn. Langdurig, slepend (van ziekten). — Chrouolngie, v ( en). Wetenschap, die d« verschillende wijzen, waarop men den tijd verdeeld heeft, behandelt, alsmede de hulpmiddelen, waarvan men zich bedient om bepaalde tijdpunten aan te duiden. — Chronometer, m. (-s). Tijdmeter. Zeeuurwerk.

clirjBollct, m. f en^ Mineraal, dat in prismatische kristallen en harde massa's voorkomt, doorzichtig» soms doorschijnend Is, van kleur olijfgroen en dat uit kiezelaarde, talkaarde en ijzeroxydule bestaat.

Cliryaostomua (A. Joannes ^ C14I-denmond), 317 407. Patriarch van Constan-ttnopel. Kerkvader en redenaar.

clborio, o. en v. (..iën, -s). Kelkvormig vat, met gewelfd deksel, waaiin de heilige Hostiën bewaard worden.

Cicero [Af. T). 106-43 N001quot; Chr.), Arpinuiu. Romeinsjm staatsman en redenaar. Werd vermoord op het bevel van Antonius. Schreef ihetorische, staatkundige en wijsgeerige werken en brieven.

cichorei, v. Plant, tot de samenge-Steldbloemigen behoorende, wier wortel, geroost en gemalen in den handel gekend is onder den naam van suikery {Cicho-rium inly bus).

het kindeken Jezus «lezen dienst tebewijzen. m. Dienïtvaacdig en vermogend man.

ClirlMltgt;llcl Colonnbu», 3440-1506,

older, m. In 't algemeen : alle wijn, uit vruchten (behalve de druif) bereid. Inz. appelwijn.

cijfer, o. (-s). quot;Dg cijfers : teekens, waarvan men zich in de rekenkunde bedient tot het aanduiden van getallen. — Cijferen, ow. cijferde, heeft gecijferd. Met cijfers rekenen. — Cijferaar, m. (-s). — Cijfering, v. (-en). — Cijferkunsti V. — Cijfer muziek, v. en O. Zangmethrde, gegrond op een stelsel door J. J. Rousseau opgevat, t n door Galin, Paris en Chevc vooruitgezet en inpra-tijk gebracht. De trappen der toonladder worden aangewezen dour cijfers

I 2 34 5 67 1 en

do re mi fa sol la si do genoemd.

Jn de latere octaaf zet men punten onder de cijfers :

! ? ? 4 5 6 7

in de hoogere, punten boven ie cijfers :

12 3 4 5 6 7 1

Twee punten onder of boven de cijlers wijzen eene octaaf aan onder of boven de lagere cl hoogeie octaaf. De rust

woidt uitgedrukt door Q- De vuaatde der noot wordt verlengd door een punt ^ ^

achter net cijfer quot;Hot punt heeft dezelfde waarde als het cijfer. Ieder alleenstaande teeken (cijfer, punt of Q) geldt

voor éenen slag. lïene horizontale lijn boven een teeken brengt dit teeken tot een halven slag. Twee lijnen, tot 1/4 slag, enz. (In de triole vat de lijn drie noten te zamen =« éen slag). De maten worden aangewezen

door eene loodlijn ^ | 0 | 2 3 j

Een schuinsch streepje door het cijfer getrokken van links onder naar rechts

boven (lt; = *!) , duidt eene dièze aa-n,

éen schijnsch streepje door het cijfer getrokken van links boven naar rechts

onder = si {7^, eenen bemol. Er zijn

geene sleutels. — Cyferschnjt, o. Schrift, waartoe letters en andere teekens, maar vooral cijfers, gebruikt worden, en dat niet dan zeer moeilijk te ontraadselen is door hen, die den sleutel tot dit schrift niet bezitten.

cOhquot;gt; tquot;- (-.zen). Schatting. Belasting. Tol. — Cijnsbaar, bn. Schatplichtig. — Cijnsbaar he id, v. — Ojnspacht, v. (-en). Erfpacht.

Ciiua (G. B.), i840-i5T7(?), Conegliano.


ocr page 139

- 119 —

CLIN

CIVI

It.schilder. Maria niet het Rind Jezus.

€iiiia(gt;ue (G.), 1240-1300, Florence. It. fresco schilder.

€iuiurossamp; 1755-1801, Napels.

Toondichter. Matrimonio segreto (1791).

ciiiiba24l, v. (..alen), oimbcl, v. (-s). Klankbekken. Bekken. Driehoekig stalen slag-instrument. Orgelregister van samen-stemmende klokjes. Belletje aan den hals van muilezels, koeien, enz.

cipier, m. (-s). Gevangenbewaarder, circa, bijw. Omstreeks. Ongeveer, circulaire, v. (-s). Rondgaande brief of bericht, voor ieder der belanghebbenden hetzelfde bevattende.

cireuleeren, ow. circuleerde, heeft gecirculeerd. In omloop zijn. (Laten) rondgaan (ter onderteekening, enz.). Het cir-culeerend medium : geld in omloop. — Circulatie, v. (Bloeds)omloop. (Geldsomloop.

circus, m. (-sen). Ronde schouwplaats. Strijd-, renbaan. Worstelpeik.

cirKd, m. (-s). vMeetk.)Plat vlak, begrensd door eene kromme lijn, waarvan al de punten evenver ligger, van éen punt van het vlak. _Die kromme lijn is de omtrek. De doorsnede, die door het middelpunt gaat van eenen 1 bol, a. Middelpunt, b. Cir- heetgrootecirkel] kelomtrek. c. Middel- deze, die niet door lijn. Boog, koorden het middelpunt cirkelsegment, e. Cir- gaat, kleine cirkelsector. g. Raaklijn, kei.

h. Straal. citadel, v.

(-len). Burcht. Sterkte. Kasteel.

cllecreu,bw. citeerde, heeft geciteerd. Aanha'en (eenen schrijver of zijn werk). Gewag maken (van). Dagvaarden. Dagen. — Citaat, o. (..aten). Aanhaling. Aangehaalde plaats (uit een geschrift). — Citatie, v. (-s). Dagvaarding. Daging.

citer, v. (-s). Speeltuig met zes snaren op eene houten kast, die met een pennetje gestreken worden.

citroen, m. (-en). Zie Oranjeboom. — Citroen kruid, o. {Artemisia abrotanum) Heester, tot de samengesteldbloemigen behoorende. Bekend om den frisschen geur, welke hare blaadjes verspreiden, indien zij gekneusd of tusschen de vingers gewreven worden. Bloeit in Sept. en Oct.

civetkat, v. (-ten). Slank viervoetig roofdier, met viif teenen, korte nagels en een langen, hangenden staart. Levert het civet, eene vette zelfstandigheid, van een buitengewoon doordringenden, naar muskus zweemenden reuk.

civiel, bn. Burgerlijk. Den burgerstaat betreffende (in tegenstelling van militair). Niet hoog in prijs, gcedkoop. Beleefd, hoffelijk. De civiele lijst: som aan eenen vorst op de staatsbegrooting toegekend. De civiele staat : de burgerlijke staat. — Civiel-ingenieur 1 m. (civiele ingenieurs).

— Civilist, m. (-en). Beoefenaar of kenner van het burgerlijk recht.

civiliiteeren, bw. civiliseerde, heeft geciviliseerd. Beschaven. Verlichten.

Cladel (Z^.), 1835, Montauban. Fr. romanschrijver (realitische school). Les Va-Nu-Pieds (1873); Gneux de marque (1887).

Claerliout (y.), , Wielsbeke.

Priester. Taalkundige en criticus.

ClaeH (Z?.). 1836, Neerlinter. Leeraar aan het K. Athenreuni ^Namcn). Werkend lid der K. VI. Academie. Joost van Craes-beeck (bekroond, 1871).

Clae.va (//.), 1838, Zomergem. Dichter en redenaar.Pastoor van S'Nicolaas (Gent). Werkend lid der K. VI. Academie. Gemengde gedichten (1878) ; Lijkrede van H. Conscience (1883); Terugkeer tot Vondel (1887) ; Gouden B issch ops feest van Z. H. Leo XI 11 (i8;3); Cantaten.

claHHicaal, bn. Classicaal onderwijs : onderwijs, dat aan al de leerlingen eener klasse tegelijk gegeven wordt. Classicaal bestuur : bestuur eener classis. Classicale vergadering. — Classis, v. (classes). (Herv. kerk). Eenige herv. gemec ten vor uen samen eenen ring. Eenige ringen vormen eene classis.

cla»Niek, bn. Voorbeeldig, uitmun-'* tend, voortreffelijk, voornaam. Classiek schrijver : schrijver van eersten rang. Schoolsch, voor de scholen geschikt. Clas-sieke boeken ; leerboeken.

cla»*i*, v. (classes). Vereeniging van ringen inde Ned. Hervormde kerk.

Claudius (M.^, 1-40-1815, Reinfeld (Holstein). (Asmus of der ÏPundsbecke^ Bote genoemd). Volks lichter. Be kramt mit La 11b den liehen pollen Becker ; IVar eins te in Riese Goliath.

ClaiiH {E ), 1840. S1 Elooi'sVijve.Landschapschilder. Windvlaag ; Vlaswied-sters; Het inoogsten der beetwortels.

claiiMule, v. (-s). Voorwaarde. Bepaling.

Clays (Z5. y.), 1819, Brugge. Zeeschilder. Clemeiiti (il/.), 1752-1832, Rome. Pianist en toondichter. Introduction a Vart de jo tier du piano.

clcrcsle, clerc«ü. v. Geestelijkheid. De bisschoppelijke cleresie : de Jansenisten.

clericaal, m. (..alen). Aanhanger van de partij der geestelijken. — Clericalisvie, o. — Clerus, m. Geestelijkheid.

Cleve {J. van) (= de zotte van Cleve), 14911?)-1540, Antwerpen. Portretschilder.

cliënt, m. ( en). Beschermeling. lem., die zich door eenen advocaat laat bedienen. — Cliënte, v. (-n). — Cliënteele, v. De gezamenlijke cliënten.

climax, m. Figuur, bestaande uit eene aaneenschakeling van uitdrukkingen, waarin eene geleidelijke opklimming is van 't zwakkere tot 't sterkere.

eliuiek, v. Onderwijs in de practischo geneeskunde aan 't ziekbed. — Clinischy bn. Wat op bedlegerige zieken betrekking heeft. Bedlegerig. Krank. — Clinist, m. (-en). Onderwijzer in de geneeskunde aan 't ziekbed. Leerling aan eene clinisch© school.


ocr page 140

COCH — )

cloak, m. Manteljas. Mantel.

Clotarius. Clovis' jongste zoon. Bekwam door het afsterven zijner drie broeders heel het beheer zijns vaders (558). Clotilde (hj, 475(?)-545, Tours. Bekeerde tot het ch istendom haren gemaal Clovis, na den slag van Tolbiac. Clovis., 46=5-511. De grondlegger van het Frankisch rijk. Versloeg den Romeinschen landvoogd Sia-grius ^Soissons). Won den veldslag van Vougle op de West-Gothen. Zegepraalde over de Alemannen (Tolbiac). Werd met 3,000 der zijnen gedoopt door den h. Remi-gius (Reims).

club, v. (-s). Besloten gezelschap. Sociëteit. Politieke vereeniging.

CliiMiuit (C.), 1525-1609,Atrecht. Kruidkundige.

coadjutor, m. T-en, -s). Ambtswaarnemer, heiper (inz. bij de geestelijken). —

Cobet (C. (j.), 1813-1889, Parijs. Hoogleeraar (Leiden). Hellenisten criticus.

coclieuillc, v. (-s). Insect,beboerende tot de familie der schildluizen onder de halfvleugeligen, dat in Amerika en een deel van Azië leeft op twee soorten van cactus-

Cochenille.

a. Wijfje. — b. Mannetje*

achtige gewassen (Opuntia tuna en cocaine Mi/era). De wijfjes dezer dieren, bekend

0 — COME

om de i.aaie roode verfstof {Cochenille en konzentelje genoemd), zijn vleugelloos en blijven haar leven lang op dezelfde plant.

co«le, codex, m. Wetboek. Oud handschrift.

codicil, o. (-len). Bijvoegsel tot een testament.

codille, bijw. Verloren. Bedorven. Geruïneerd.

C'occke 10 (Z?.), 1437-1507, Aalst. Uitvinder van het klokkeuspel; 20 (/'.), 1502-15SO, Aalst. Beeldhouwer, bouwmeester en schilder.

coëmciënt, m. (-en). (Stelk.) Gege-vene vermenigvuldiger.

C08:nalt;*lt; ra. Fransche brandewijn, cotfiisati'ii, m. mv. De personen, die door alstamming van denzelld'-n voorvader aan elkander verwant zijn. In engeren zin : de bloedverwanten van moeders zijde.

cotfiiosscmcnt, o. (-en). Zeevrachtbrief.

Coisrnet [M.), 1551-1623, Antwerpen. Wiskundige. Vond net middel om den afstand op zee te bepalen.

cokc», v. mv. Gaskolen. Verkoolde ol ontzwavelde steenkolen.

collation, o. (-s). Kleine drooge maaltijd, welken men 's avonds neemt in de vasten.

co II at ion 11 cc ■*lt;gt; u , bw. collation-neerd'*, heeft gecollationneerd. Nalezen. Vergelijken (boeken, geschriften met elkander». — Collatie, v. (..iën, -sK Nalezing. Vergelijking. Recht van collatie : recht om eene predikantsplaats, enz. te begeven.

collcctccrcn, bw. collecteerde, heeft gec« llecieerd. Inzamelen (inz. van giften). — Colled a 111, m. (-en). — Collecte, v. (-n, -s). Inzameling. — Collectie, v. (..iën, -s). Verzameling. Aantal.

collcctiviitiue, o. Zie Socialisme. — Collectivist, m. (-en).

collesr^gt; m* (-'s). Ambtgenoot. Medelid.

collcsrc, o. (-s). Vereenicing van personen met dezelfde waardigheid bekleed. Openbaar gesticht, waar talen, letteren, enz. worden aangeleerd. Lessen der hoogleeraren aan de academiën en athenaea. Collegehouden: voorlezingen houden (over zeker vak van wetenschap).

colonne, v. (-n, -s). Kolom. Krijgsbende. Vliegende colonne : verspreide krijgsmacht. Zekere dansfiguur.

coligt;oi'tccrcn,bw. colporteerde, heeft gecolporteerd. Waren aan de huizen venten. Boeken, enz. verspreiden. — Colpor~ tage, v. — Colporteur, m. (-s).

Co Ij 11, Rijsel. Dichter van « Den Spiegel dei- Minnen » (XVI8 eeuw).

combinccren, bw. combineerde, heeft gecombineerd. Samenvoegen. Vergelijken. Berekenen. Ontwerpen. — Combinatie, v. (..iën, -s). _

comedie, v. (..iën, -s). Blijspel. coBicM, o. (Muz.) Herhaling van het thema der fuga door de tweede stem in de boven-dominante of de onder-quart. Er zija ook fuga's, waarin de comes met andere


ocr page 141

COMM — i

intervallen, de octave of de terts, b. v. intreedt.

comfort, o. Gemak. Tevredenheid. Welbehagen. — Comjortable, bn. Gemakkelijk. Genoeglijk. Aangenaam.

Coiuine» (Ph. de), 1445-1509, Komen (Comincs). Fr. staatsman en geschiedschrijver. Mémoires de Messire Ph. de Cotntnes, seigneur d'Argenton oü se trCuve Vhts-toire des Rots de France Louis XI et Charles VIII.

«•omiiM'li, bn. bijw. Boertig. Aardig. Potsieilijk. Zonderling.

comité, o. (-'s), comfteH, o. (-en). Vergad.-ring van beraadslagende personen. Vereeniging van eenige leden uit eene vergadering, belast met het onderzoek eener zaak.

comiuaiideoreii.bw.commandeerde,

heeft gecommandeerd. Bevelen, gebieden, het bevel voeren (over iets. b. v. een leger). Bestellen, doen maken. — Commandant,m. (-en). Bevelhebber. — Commandeinenf, o. (-en). Bevel. Bevoegdheid om ie gebieden. Militaire commandi-menten : afdcclingcn, waarin een land (wat zijn krijgswezen betreft) verdeeld is. — Commandeur, m. ( s, -en). Bevelhebber. Naam van eenen der hoogste rangen bn de ridderorden. — Commando, o. (-'s). Kort bevel.

coDimeuftaal, m. (..alen). Kostgan-ger-

commentaar.m. (..aren).Uitlegging.

Verklaring. Opheldering.

commcrittopcl, o. (-len). Kaartspel, waarbij kaarten geruild worden. — Com-tnersert, ow. commersie,heelt gecommerst. Het commersspel spelen.

comiulcM, m. (..zen). Ambtenaar aan een ministerie. Kantoorbediende.

commiaMari», m. (-sen). Gelastigde. Volmachthebber. Uitvoerder. Bezorger. Bestuurder eener sociëteit. Toezicht hebbende deelhebber eener sociëteit. Aaniee-kenaar van een beurt- of marktveer. Comm. van politie, — Commissariaat, o. ( .aten). Ambt, bediening, kan tour van deu commissaris.

commisslc. v. (..iën, -s). Last. Volmacht. Opdracht, boodschap. Bestelling. Loon voor de bezorging eener zaak. Vereeniging van personen, met de uilvoering van een werk, het onderzoek eener zaak, enz. belast. — Commissionnair, m. (-s). Lasthebbend zaakwaarnemer. Gevolmachtigde. Boodschapper, pakjesdrager.

committent, m. ( en). .Lastgever. — Committente, v. (-n).

commode, v. (-s). Ladekast. Gerief-kast.

commodo.com mod amcnte,bijw.

(Muz.) Gemakkelijk. Niet haastig.

commune, v. (-s). Opstand om het afschaften van het eigendomsrecht en de gemeenschap der goederen te bekomen : Commune van Parijs (1792, 1Ö71). — Communisme, o. Zie Socialisme. — Communist, m. (-en). Aanhanger, voorstander van het communisme.

commuutceeren, communiceerde, heeft gecommuniceerd. Bw. Mededeelen. Ow. Communieeren. — Communicatie,

li — CON

v. (..iën, -s). Mededeeling. Kennisgeving. Gemeenschap. — Communicant, m. (-en).

— Communie ante, v. (-n). comiiiiiiile,v.(..iën,-s).Gemeenschap.

Het nutten van het lichaam des Heeren. — Communieeren, ow. communieerde, heeft gecomraumeerd. Het lichaam des Heeren nutten.

compaguie, v. (-ën).Handelsvereeni-ging. Vennootschap. Legerafdeeling. Zie Leger. — Compagnieschap,^, (-pen). Vennootschap. — Compagnon, m. (-5). Gezel. Medearbeider. Deelnemer. Vennoot.

comparallef, comparativus, m. (..tieven». (Spraakk.) Vergelijkende trap.

coiiiparccreu, compareerde, is en heelt gecompareerd. Ow. (zijn). Verschijnen. Zich (voor het gerecht, enz.) stellen. Bw. Vergelijken. — Comparant, m. (-en).

— Comparantey v. (-n). — Comparitie, v. (. iën, -s).

compendium, o. (-s, ..dia). Kort begrip Beknopt uittreksel. Handboek.

comiicnsceren, bw. compenseerde, heelt gecompenseerd. Vergelden, vergoeden. Vereffenen. Tegen elkander doen opwegen. — Compensatie, v. (..iën, -s).

com peteeren,ow. competeerde.heeft gecompeteerd. Wettig toekomen. Dingen (naar).— Competent, bn. Bevoegd. Gerechtigd. Rechtmatig. Behoorlijk. — Competentie, v. ( .iën, -s). Bevoegdheid. Rechtmatig aandeel. Bevoegd oordeel. Mededinging.

compileeren, bw. compileerde, heeft gecompileerd. Bijeenbrengen (uit verschillende werken). — Compilatie, v. (..iën, -s).

compleet, bn. bijw. Volledig. Ongeschonden. — Compleetheid, v.

com pieteeren, bw. completeerde, heelt gecompleteerd. Aanvullen. Het ontbrekende bijvoegen. — Complement, o. (-en|.

complimenteeren, bw. complimenteerde, heeft gecomplimenteerd. Begroeten. Iets aardigs zeggen. — Compliment, o. (en).

componeereu, bw. componeerde,

heeft gecomponeerd. Samenstellen, schrijven. scheppen (inz. een muziekstuk). — Componiii, m. ( en). — Componiste, v.(-n). compote, v. (-s). Ingelegde vruchten, com pres, bn. bijw. Vast. Samen- of ineengedrukt.

comproiniu, o. (-sen). Minnelijke schikking. Akte van benoeming vanscheids-lechters. Zie Verbond.

compromitteeren, bw. compromit-teeide. heeft gecompromitteerd. (lem.) in opspraak brengen, in zijne eer aantasten. Verantwoordelijk maken. In het spel trekken. — Zich compt omitteeren, ww.

comptabiliteit, v. Rekenplichtig-heid. Verantwoordelijkbeid. — Comptant, contant, bn. bijw. Tegen comptante betaling verkoopen, hij betaalt alles comp-tant, tegen gereed geld.

Com te (.J. A. M. F. X.), 1798-1857, Montpellier. Grondlegger van het positivisme. Cours de philosophie positive

cou, vz. (Muz.). Con allegrezza: frisch.


ocr page 142

CONC — l:

met opgewektheid. Con amabilt'ta .* bevallig. Con brio : met opgewektheid. Con dol-cczza : zacht. Con dimlo : smartelijk. Con espressione : met uitdrukking. Con fie-rezza: fier, stoutmoedig. Con fuoco: vurig, met drift. Con grazta : met bevalligheid. Con molto sentimento : met innigheid. Con moto : met beweging. Con nobilita : edel. Con rabbi'o: met woede. Con sentimento : met gevoel. Con snia7iia : met woede. Con tenerezza / met teederheid. Con vivacita: met levendigheid.

concntenatie, v. Aaneenschakeling. Samenstrengeling.

coiK'orteeren, bw.concedeerde, heeft geconcedf erd. Inwilligen. Toestaan.

coiKM'iitrooreii, bw. concentreerde, hef ft geconcentree rd. In éen punt samendringen. Inéén brandpunt verzamelen.

«•oiKM'pt.o. (-en).Begrip. Voorstelling. Afgetrokken denkbeald.

contort,o. (-en). Muziekstuk vooreen solo-instrument, of voor meer concertee-rende instrumenten, waarin de virtuoos zijne vaardigheid, zijnen smaak bij de voordracht toont, terwijl het orkest daarbij slechts begeleidt. Bestaat uit drie deelen : een allegro, een adagio en een rondo offinale. Muziek of zangfeest. — Concerteeren, ow. concerteerde, heeft geconcerteerd. Op een concert medespelen. Wedijveren.

conecMKic, v. (..iën, -s). Vergunning (tot). Bewilliging.

coiiwsNioimrls, m. (-sen). lem., die vergunning voor eenig werk enz. van openbaar nut heeft aangevraagd.

oonclerare, m. (-s\. Bewaarder.Cipier. Opzichter. Huisbewaarder.

concilie, o. (..iën, -s). Kerkelijke vergadering. Er zijn bijzondere en algemeene conciliën. Het algemeen concilie wordt door den Paus of zijnen gemachtigde bijeengeroepen. Al de bisschoppen worden opgeroepen en een groot aantal uit alle landen en streken moet aanwezig zijn. Wordt door den Paus of zijne gemachtigden voorgezeten. De besluiten zijn door den Paus te bekrachtigen. Algemtene conciliën : Nicea (325), Cor.stantinopel (381), Ephese (431), Chalcedon '451), Constantinopel (553), Con-stantinopel (680-681), Nicea (787), Consran-tinopel (869), Lateraan (Rome, 112^), La-teraan (R me, 1x39), Lateraan (Rome, 1179), Lateraan (Rome, 1215), Lyon (1-45), Lyon (1274), Vienre (Frankrijk, 1311), Con-stanz (1414-1418). Florence (I43-1), Lateraan (Rome, 1512-1517), Twente (1545-1563), Va-ticaan (Rome, 1869-1870).

conoipicereii,bw. concipieerde,heeft geconcipieerd. Ontwerpen. Opstellen.

conolstve, o. (-s). Vergadering van kardinalen na 's Pausen dood, ter verkiezing van een nieuwen Paus. Vergaderzaal tot dat einde.

conoliKlccrcn, bw. concludeerde, heeft geconcludeerd. Besluiten. (Recht.) Eischen stellen. — Conclusie, v. (..iën, -s).

concordaat, o. (..atengt;. Verdrag, overeenkomst, inz. van wereldlijke vorsten met den Paus omtrent kerkelijke zaken. Het concordaat tusschen Pius VII en Napoleon

2 — CONF

(1801) bevat 17 artikelen. ie art. : vrijheid van den katholieken godsdienst.

concortlautlc, v. (..iën, -s). Overeenstemming. Boek, waarin al de woorden, spreuken, enz. des Bijbels alphabetisch voorkomen, met aanwijzing der plaats waar zij staan.

couconrM, o. (-en). Wedstrijd, prijskamp, kampstrijd. Medehulp, medewerking. Bijeenkomst van schuldeischers om het vermogen eens schuldenaars, dat tot hunne bevrediging niet toereikend is, naar verhouding hunner vorderingen gerechtelijk te deelen.

concrcvt, bn. Vereenigd. Gestold. Concreet begrip : begrip, dat de eigenschap met het voorwerp vereenigd bevat. Het concrete (benoemde) getal.

concu rrcercn.ow.concurreerde.heeft

Beconcurreerd. Mededingen. Wedijveren, n eene failliet de massa met de anderen deelen. —econcurreerd. Mededingen. Wedijveren, n eene failliet de massa met de anderen deelen. — Concurrent, m. (-er). — Concur-rente, v. (-n). — Concurrentie, v.

conlt;lcninc«srcn, bw. condemneerde, beeft gecondemneerd. Veroordeelen. Afkeuren. — Condemnatie, v. (..iën, -s).

co ti lt;1 en Nat o i', m. (-s). Toestel, dienende om op betrekkelijke kleine oppervlakten aanzienlijke hoeveelheden electri-citeit op te hoopen, te verdichten, te binden. Werd uitgevonden door Volta (1783). Bij stoomwerktuigen van lage drukking dient hij om door inspuiting van koud water, stoom in water te veranderen. Distil-leertoestel.

conditie, v. (..iën, -s). Voorwaarde, besprek, beding. Rang, stand, staat. Slag: van dezelfde conditie. Toestand, gesteldheid, omstandigheid. Afkomst.— Conditio-wlt;?^/,bn.bij w. Voorwaardelijk.—Coudition-néeren, bw. conditionneerae, heeft gecon-ditionneerd. Voorwaarden bedingen. In goeden toestand brengen of houden.

eoiMlolceren, bw. condoleerde, heeft gecondoleerd. (lem.) rouwbeklag betuigen. — Condoleantie, v. (..iën, -s).

condor, m. (-s). Vogel, tot het geslacht der kamgieren onder de roofvogels behoo-rende. Is de grootste roofvogel. Leeft in Zuid-Amerika.

Condorcet {M. y. A. N. Car Haf, marquis de), 1743-1794, Ribemont, bij S' Quentin. Wiskundige en wijsgeer. Essai sur le r.alcul integral (1765); Mé moire sur le problème des trois corps (1767).

Condroz. Vruchtbaar land, dat tarwe voortbrengt en rijk is aan steengroeven. Gelegen tusschen Maas en Vesder, omzoomd ten Z. door de landstreek Favienne, welke schilterachtig is en min rijk.

conducteur, m. (-en, -s). Geleider, Persoon, die (op omnibussen, enz.) voor de veiligheid, enz. van personen en goederen zorgt.

conduit, o. (-en). Buis. Pijp. Goot^ Riool. Kanaal.

contcreeren, bw. confereerde, heeft geconfereerd. Beraadslagen, gemeenschappelijk overleggen, onderhandelen.— Conferentie, v. (..iën. -s). Voordracht, voorle quot;zing. Vergadering, bijeenkomst. Onderhoud, gesprek.


ocr page 143
ocr page 144
ocr page 145

- 123 -

CONG

CONS

_^01*v. {..iën, -s;. Belijdenis. Lreloofsbelijdenis. Geloofspartij. — Confes-sioneely bn. De Geloofsbelijdenis betreffende.

.. v. (..iën, -s). Vertrouwe

lijke mededeeling. — Confidentieel, bn. bijw.

conflnecrcii, confineerde, heeft ge-connneerd. Ow. Grenzen (aan). Bw. Gevangenzetten.— Confinement,o. (-en). Gevangenzetting.

couflrmecreii, bw. confirmeerde, heeft grconfirraeerd. Bevestigen. Bekrachtigen. Het Sacrament des Vormsels toedienen. — Confirmatie, v. (..iën, -s).

conflaqiiccren, bw. confisqueerde, heelt geconfisqueerd. Gerechtelijk in beslag nemen, — Confiscatie, v. (..iën, -s).

Confltiiur,v. (..uren). Ingelegde vruch-ten. Suikergoed. — Confiturier, m. (-s). buikerbakker.

conflict, o. (-en). Botsing. Strijd, conforiii4gt;erlt;gt;ii, bw. conformeerde, heeft geconformeerd. Gelijkvormig maken. Inrichten. Schikken. Regelen. — Conform, bn. bijw. — Conformatie, v.

co 11 frater , m. (-s). Medebroeder. Ambtgenoot. Gildebroeder. Gezel. Maat. Vakgenoot.— Confrérie, v. (..iën). Broederschap. Gilde. Genootschap.

confrontccrcn, bw. confronteerde, helt; ft geconfronteerd. Vergelijken. Tegenover elkander stellen (personen door den rechter). Wederzijds verhooren. — Con-frontatie, v. (..iën, -s).

CoiiTaciiiH (Kong-foe-tsé), 551-479 (voor^ Chr.). Chineesch geloofshervormer en wijsgeer.

contutccron, bw. confuteerde, heeft geconluteerd. Wederleggen.

confuiiH, bn. bijw. Verward. Vermengd. Beschaamd. Verlegen.— Confusie, v. (..iën, -s).

coneé, o. Ontslag. Afscheid. Verlof. Speeldag.

congcstic, v. (..iën, -s). Bloedop-drang (b. v. naar het hoofd).

Contact {G.), 1538-159^. Antwerpen. Schilder. Portret van eenen Trommelaar, Congro, m. Stroom (Midden-Afrika). Lengte : 4,000 kilom. Breedte : 10 tot 30 kilom. ^Monding : 11 kilom. Bevaarbaar (behalve in de watervallen). Neemt zijnen oorsprong waarschijnlijk uit het meer Ban-guëolo. Onder den evenaar zijn 7 watergallen : Stanley-Falls; tusschen Stanley-Pool en Vivi, 32. — Congoland, o. 30,000,000. Grenzen : N. : 40 Br. N; O. : 30° Green-wich L. O., het meer Tanganika en Ban-guëolo; Z. : 6° Br. Z. en de grenslijn der Congokom; W. : Portugeesch Congoland, Atlantische Oceaan en Fransch Congoland. Werd in de conferentie van Berlijn als vrije Staat herkend (1885). Leopold li, koning der Belgen, werd souvercin verklaard. Hoofdplaats : Boma. Het hoofdbestuur ?etelt te Brussel. Zie Livingstone en Stan-ley. — Congolander, m. (-s). — Congo-landsch, bn.

conKreg:atic, v. (..iën, -s). Vergade-ring. Vereeniging (inz. van zekere geestelijke personen volgens denzelfden regel levende) : de congregatie der Redempto-ereen'8ln.é' n ^eloovigen, der H. Maagd toegewijd : de congregatie van O. L. V. Aanblijvende of (voor sommige gevallen) door de overheid genoemde vereeniging van kardinalen of prelaten, belast met het onderzoek van eenige hun aangewezen zaken. — Con^reganist, m. en ▼. (-en).

congres, o. (-sen). Samenkomst van vorstelijke personen of hunne gezanten ministers en diplomaten, tot 't beslechten van oneenigheden of 't beramen van alge-meene maatregelen bij'eengeroepen. Ver-gadering (ter behandeling van wetenschappelijke, taalkundige onderwerpen). Wetgevende vergadering (b. v. in de vereer i-rde staten, Amerika). Nationaal congres ,* 200 afgevaardigden werden door 't voorlook fi83o)beStUUr te BrUSSel byeengeroepen

Conine {P. de). Deken van 't weversambt. Held uit Vlaanderens gemeenteoor-logen. Eenoogig, klein van gestalte, zonder uitwendig. Had echter veel verstand en een goed geslepen tong. De onomstootbare raadsman der Vlamingen tegen de Lo-' liaarts. Een der aanleiders van 't Vlaam-sche leger te Kortrijk (1302). Hoe en wanneer hij om 'tlevenisgekomen is onbekend Coninckx (S. 1750-1839, S« Trui.' den. Kanunnik. Vertaalde de fabelen vaa .La Fontaine. Pun/' en mengeldichten

sel (•'). Schilder. De Familie der h. Maard — Zijn broeder Gillis {de Jonge), t i6o4(?). Landschapschilder. * 544 conjectuur, v. (..uren). Gissing. Vermoeden. Op waarschijnlijkheid trecrond oordeel. b ^

conjugreeren, bw. conjugeerde, heeft

geconjugeerd. Vervoegen (een werkw.__

Conjugatie, v. (..iën, -s).

€*onjunctir, ciMijunctiTus , ra. (..tieven). (Taalk.) Bij-, aanvoegende wijs.

conrector, m. (..oren, -s). Leeraar, aan eene Latijnsche school, enz., die den rector ter zijde staat. — Conrectoraat, o. (..aten).

connacrecren, bw. consacreerde, he ft geconsacreerd. Wijden. Toewijden. Inzegenen. Brood en wijn veranderen in het Lichaam en Bloed van Christus. — Cori' se era tie, v.

Conscience (Z^.), 1812-1883, Antwerpen. De Vlaamsche verteller en schilder van het Fldmische Stilleben. Schreef zedenschetsen (vooral van Antwerpen), hi toneromans en schilderde de Heide als naar de natuur af. Men mag het zeggen : hij leerde zijn volk lezen. Meer dati 100 boekdeelen gaf hij in 't licht. Het Wonderjaar (1837); £}e Leeuw van Vlaanderen (1838) ; Wat eene moeder lyden kan (1843) ; De Boerenkrijg (1853); Baati-uac/tter (1S72). Antwerpen heeft hem een standbeeld opgericht.

consciëntie, v. (..iën, -s). Oordeel van s menschen verstand, getuigende wat er in deze of gene bepaalde omstandigheid goed of kwaad is. — Consciëntieus, bn. Stipt eerlijk. Nauwgezet.


ocr page 146

H. Conscience.

consent, o. (-en). Toestemming. Inwil-— Consrnterten,ovt. consenteerde, heelt geconsenteerd.

oouseiiitent, bn. bijw. In overeenstemming (mrt).— Consegurntir, v. (..iën, -s). Gevolgtrekking. Het getrouw blijven aan beginselen.

oou»erva«U'f. bn. Bewarend. Vasthoudend aan de bestaande burgerlijke toestanden en staatsvormen. — Conservatief, m. (..ven). — Consfrvalnme, o.

couserv2tl«»i,iuiu, o. i.-s). Staats-muziekschool.

conBitieraiiii, v. Overweging, waarop een rechterlijk vonuis steunt, lieweegreden, welke een besluit, eeno wet enz. voorafgaat. — Consider eer en. bw. considereerde, heeft gecon?.idereerd. In overweging, in aanmerking nemen Behartigen Hoogachten. — Consideratie, v. (..iën, -s).

cou»ls:uo, o (-s). Wachtwoord. Bevel aan eenen schildwacht. Kamer- of tucht-straf.

«ouftffuatie. v. (..iën, -s). Toezending (van goederen) tot verkoop voor rekening der afzenders.— Conu'gyieeren, bw. consigneerde, heeft geconsigneerd. Goederen afzenden ten verkoop. Overleveren. Eeneo schildwacht consigneeren ■ hem de lastgeving van zijnen post niededeolen. Sol-Oatrn in de kazeme consignoeren huu ver-Dteden de kazerne te verlaten.

oonniKtorie, o. (..iën, -s). Raad over geestelijke zaken. Inz. vureeniging van kar-dmalen, door den 1'aus om eene gew chtige zaak bijeengeroepen. — Conustonaal, bn.

c«»ub4*Io. v. (-s). Spiegel tafeltje. Balksleutel, balksteen, draa^klamp.

bw. con olideerde, heeft geconsolideerd. Vast en duurzaam maken. ICene staatsschuld consolid«^eren ; fondsen aanwijzen om de renten te dekken.

couaouaüt, v. (-en). (ïaalk.) Mede-.klmker.

CONS — i

coiiscriptle, v. Inschrijving en loting

-voor den militairen dienst.

*4 — CONT

coiiAorfon, m. en v. mv. Medestanders. Medeplichtigen.

Co n n f a ti i i n o pel, 900,000. Hoofdstad van 'tTurksche rijk {Stamboelof Istamboel door de Turken, Zarigrad (keizersstad) door de Slavische volken genoemd). Gesticht door Constantinus den Groote ter plaatse waar 't oude Byzantium lag en verheven door hem tot hoofdstad van 't Romeinsche Rijk (van welks Oostelijke helft zij, na de scheuring des rijks, de hoofdstad bleef tot 1453, toen zij door Mahomed II werd ingenomen). De kruisvaarders be-meesterden de stad (1204). De S. Sophia-kerk (AyaSophia\ thans eene moskee, door Justinianus gesticht (VI* eeuw).

imiH \de Groote), 274-3^7, Nai'ssus. Romeinsch keizer. Gaf een edict uit ten voordeele der christenen, waarbij ieder vrijgelaten werd den godsdienst te belijden, dien hij den besten oordeelde.

lt;'onHlateei*4'ii, bw. constateerde,heeft geconstateerd. Vaststellen. Bewijzen. De aandacht vestigen. Wijzen (op). Bekrachtigen.

oonslernecren, bw. consterneerde, heelt geconsterneerd. Doen ontstellen.Doen

verbaasd staan. — Consternatie, v. (..iën. -s)-

coiiftfifnlie. v. (..iën, -s). Grondwet, staatsregeling. Lichaamsbouw. — Consti-tutione.el, bn. bijw.

eoimlriKM» ren,bw.construeerde,heeft geconstrueerd. Oprichten. Opbouwen. Volzinnen naar 't gebruik en de regels der taal samen\oegen. Meetkundige figuren samenstellen. — Constructie, v. (..iën, -s). — Constructie-zcinkel, ra. (-s).

eoiiBiil, m. (-s). (Rora. gesch.) De hoogste ambtenaar, 't Consulaat werd onmiddellijk na den val der koningen (510 voor Chr.) ingesteld en aan twee personen toevertrouwd, aan wie voor éc-n jaar 't opperbewind, de leiding van alle openbare zaken en 't bevel over de legers was opgedragen. Thans . gemachtigde, die. op den vreemde, de belangen zijner landgenooten voorstaat. — Consulaat, o. (-.aten).

eonaiileui, m. (-en). Raadgever.Advocaat.

eonsulteeren, bw. consulteerde,heeft geconsulteerd. Overleggen. Beraadslagen. — Consult, o. (-en).

eousunieer4)n,bw.consumecrde,beeh geconsumeerd. Verteren. Gebruiken. — Consument, m. (-en).

coulant. Zie Comptant. coullnenfaal. bn. Tot het vasteland beboorende. Continentaal stelsel : uitsluiting van Dngeland van het vasteland door Napoleon I.

conliueent, o. (-en). Verschuldigd aandeel (in krijgsvolk, belastingen, enz.).

contrabande, v. Smokkelwaar. Oorlogscontrabande : voorwerpen, wier vervoer gedurende eenen oorlog verboden is.

conlracleeren, contracteerde, heeft gecontracteerd. Ow. Samentrekken. Bw. Een verdrag sluiten. Eene overeenkomst aangaan. — Contract, o._ (-en). Overeenkomst, verdrag, verbintenis. Het geschrift, waarbij die overeenkomst wordt vastge-


ocr page 147

- 125 —

CORR

COPE

steld, de ffftschrerpn overeenkomst. Vonr-^aarde. Huwelijks com net : huwdijks-verdrag. — Contractant, ra. (-en). — Con-tractante, v. (-n).

contrapunt, o. jVIuziek-ze^vijzc, volgens welke de stemmen met elkander verwisseld en, zonder verandering van haren gang of verbreking der overeenstemming, nooger of lager geplaatst worden.

contrsiHtecron. ow. contrasteerde, heeft gecontrasteerd. Tegen elkander afsteken. — Contrast, o. (-engt;. Trgenstellingr.

contribnecrcn. bw. contribueerde, heeft gecontribueerd. Bijdragen. Medewerken. Opbrengen. Bevorderen. — Contribuant, m. (-en). — Contribiiantc. v. (-n). — Contributie, v. (..iën, -s^. Bijdrage. Belasting (z. d. w.).

con I rolccrcn, bw. controleerde,heeft

fecontroleerd. Toezicht houden. Tegenre-ening houden. —econtroleerd. Toezicht houden. Tegenre-ening houden. — Controle, v. ( s). — Controleur, va. (-en, -s).

contnbcrnaal, m. (..alen). Mede-inwonende. Kamergenoot.

convcnt, o. (-ei.)- Vergadering. — Convent, covent, o. (-enk Benaming,welke men geeft aan de huizen op de begijnhoven, waarin vele begijnen samenwonen, of waar de novices haren proeftijd doen. Godsdienstige samen woningvan prrsonen.Slaapkamertje der boerer knechts in de schuur.

convcnlic, v. (..icn,-s). Vergadering. Overeenkomst. Verdrag. — Conventioneel, bn. bijw. Bij overeenkomst, overeengekomen, aangenomen.

c«»nvcr»ccrcn, ow. converseerde, heeft geconverseerd. Verkeeren (met). Een onderhoud hebben (met).— Conversntie.v.

conv^rlocvcn, bw. converteerde, heeft geconvi rteeid. Veranderen (renten eener staatsschuld). Verwisselen (oude schuldbrieven tegen nieuwe). Bekeeren (tot een anderen godsdienst). — Conversie, v. (..iën, -s).

eonvocecrcn, bw. convoceerde, heeft geconvoceerd. Samenroepen. — Convocatie, v. (..iën. -s).

Cook (7-), 1728-17791 ^Marton (York). Eng. zee vaanier. Z« i'de driemaal rond de aarde. Bepaalde de ligging van Nieuw-Caledonië, Nieuw-Zeeland, enz. Werd vermoord door de inboorlingen van het eiland Sandwich.

Cooper (^. F.), 1789-18=51, Burlington (New-lersey). Amerikaansch romanschrijver. The Spy (1821); The last of the Mohicans (1826); History of the American navy (18^9).

coöpcratlo, v. Samenwerking.— Coöperatief, bn. Samenwerkend.

Coop in an (77/.), 1852, Gent. Bureeloverste aan 't Ministerie van Spoorwegen, enz. Werkend lid der K. VI. Academie. Onze dichters. (Eene halve eeuw Vlaara-sche poëzie, met de la Montagne).

Cope (C. W.}, 1811-1850, Leeds. Eng. historieschilder. Camerons verwelkoming (1878).

Copernlc (.V.), 1473-1543. Thorn (Oost-Pruisen). Domheer. Sterrenkundige. De grondlegger van de theorie van ons zonnestelsel : de zon is het middelpunt van het planetenstelsel en de aarde _ zelve eene

planeet, die zich met de overige planeten om dat middelpunt beweegt.

Coppéo (F. E. J.), i8;2. Parijs. Dichter. La j^rève des Jorgerons (1869); Le Passant (1869).

CoqncH {G.), 1618-1684, Antwerpen. Portretschilder. Dc familie Van Eyck.

coqnct tccrcn, ow.coquetteerae,heeft gecoquetteerd. Behaagziek zijn. — Coquet, bn. bijw. — Lief, hupsch, bevallig, mooi. Behaagziek.— Coquette, v. (-s). — Coquet-terie, v. (..iën).

Coroinsin9(Zr.). 1835, Antwerpen. Advocaat- Werkend lid der K. VI. Academie. Volksvertegenwoordiger. Deed de volgende wetten stemmen : de wet over hot gebruik van het Vlaamsch in strafzaken (1873); de wet over het Vlaamsch in het onderwijs (1883); de wet over het Vlaamsch in het leger (1886); de wet over het Vlaamsch voor het gerecht (1889).

Corneillc (A), 1606-1684, Reuen. De schepper van het Fransch treurspel. Le Cicf (1637); Horace (1639); Cinna (1639); Poly e tic te (1640).

Cornoli» {Broeder) = {C. Adriaem-sens), 1521-1581 Dordrecht. Franciscaner monnik. Volksredenaar. Hekelde Erasmus.

CornolfMZ. {C.), 1562-1638. Haarlem. Schilder. Kindermoord te Bethlehem.

Corot (y. B. O, 179^-1876, Parijs. Landschapschilder. Lac de Né mi (1867); AI at in ; Soir (1868).

corporaal, o. (..alen). Gewijde doek, welke in de mis onder den kelk wordt uitgespreid.

corporatie, v. (..iën, -s). Gevestigd lichaam IJroedcrschap. Gild. Al de leden van een genootschap, enz.

corpulent, bn. Zwaarlijvig. — Corpulentie, v.

correct, bn. bijw. Zuiver. Zonder fouten — Cor recti*-, v. (..iën, -s). Verbetering. Het n.i/icn en verbetering (van drukproeven). Pcrecbtwijzing. Tuchtiging. Huis van correctie . verbeterhuis. Corrcctio-ualueereri, bw. correctionaliseerde, heeft gecorrectionaliseerd. (Eene zaak) geschikt maken ter behandeling voor de correctio-neele rechtbank. — Correctioneel, bn. bijw. Verbeterend. Bestraffend. Wat de bestraffing betreft. Correctioneel vonnis : vonnis waarbij geene onteerende straf is uitgesproken.

Corrcffsrlo =* {A. Allegri), 1494-1534, Correggio. It. schilder. De nacht — \de geboorte van Jezus).

correspon«leercn, ow. correspondeerde, heeft gecorrespondeerd. Briefwisseling houden. Overeenstemmen (met). Gemeenschap hebben (vankamers, enz.).— Correspondent, m. (-en). — Correspondente, v. (-n). — Correspondentie, v. (..iën, -s). — Corresöondentiekaart, v. (-en). Briefkaart. Postkaart.

corridor, m. (:s). Smalle, gedekte gang tusschen twee rijen kamers.

corrigeeren, bw. corrigeerde, heeft geconigeerd. Van fouten zuiveren. Verbeteren. Herstellen. Berispen. Straffen. —


ocr page 148

— i »6 —

COUP

COUV

Corrector, ra. (-en). Verbeteraar (inz. van drukproeven).

Cort {F. J. de), 1834-1878, Antweipen. Liederendichter.

Cortex (i*71.),1485-1547,Medelin (Spanje). Veroveraar van Mexico.

«•orypliec, m. (-en). (Eert.) Aanvoerder van eenen rei. Eerste danser (in een ballt-t). Volksmenner. Hij, die in eene zaak, kunst, enz. uitmunt.

coKinetiek. v. Middel tot verfraaiing van df. huid ol het haar.

coMmogrstpliie, v. Wcreldbeschrijving. — Cosmopohft, m. (-en). Wereldburger. — Cosmopoliiisch, bn. — Cosmorama, o. (-'s). Soort van panorama. Vertooning van fj aai geteekende gezichten eu naiuar-tooneelen.

CoHHiers (y.), 1600-1671, VI. schilder. S* Xicolaas : S1 Antomus.

C'osfsi (7. da), 1788 i860, Amsterdam. Dichter en redenaar. Lie oling en leerling van Bllderdijk. Nam bel .1 ler\orind goloul' aan. Vyfentwint tg jaren. (1040); Waonter,

juai is er van drn r.acht (1848) ; De Chaos en he/Licht yiH-tO); llagar 11852); Foli-tieke Potiij (1853).. -De mensch en de dichter lis. JHiderdyk (1859); De ölag by Nieupnnrt ■

«•onlt'lior. m ( s, -en) (Middel.) Edele ruiter, met eene dagge gewnpend.

Confer (Z. Jsz.), n7quot;(f')-1430. Haarlem. De eerste Hollandsche drukker.

Cowyn KDT P.J ). iSjo, Ryswijk Hoog-leeraar (Leiden). Buitenlandsth eerelid der K. VI. Academie. Vergtlykeude sp*aak-lerr der Nederl. Hoogd. en Eng. taal (1864); A/twestsachs Crammatik (1881, '86, '88).

eoterie, v. ( ën). Besloten genootschap. Bent.

oolillon, m. (-s). Onderrok. Zekere vlugge Fransche dans.

Co 11 der (Z. C. A.), 1790-1873), Parijs. Hibt' r e- en genre-schilder. De opening van '/ Parlement in 1789; de Eed in de kaatsbaan.

Coufterus (£. M. A,), 1863, 's Graven-

iSSq); Noodlot (1891); Illusies (1892); Extaze (1802); Majesteit (1893).

eon plet, o. (-ten). Gelijkmatig deel van ten diclitsiuk.

eoiipon, v. (-sV Overschietende lap van ellewaar. Interest-bewijs van eenen scnuldbr;ef, dat bij eiken vervaltermijn van den talon wordt geknipt. Plaatsbewijs.

eonrwnt (ook krant), v. (-en). Nieuwspapier. Dagblad. — Courantier, m. (-s). Dagbladschrijver. Drukker, uitgever van een dagblad.

eonrta^e, v. (-s). Makelaarsberoep. Werk van eenen makelaar. Makelaarsloon.

Court ens {P.), 1854, Dendermonde. Landschapschilder. Goudregen (het vallen der bladeren); Najaarszon; de Vier voegen.

Courtmanü-IScreliiuan» {J. Zgt;.), i8ii-i8qo, Oudegem. Dichteres. Karei van Pou rke (bekr. 1842); /ielgie's eerste koning in (bekr. i8lt;;i); Ma mix van S1 Aldegonde (bekr. 1855) ; Het geschenk van den Jager (bekr. 1864); Het rad der Fortuin (1873), Cousin (51.) Souci (bij Sens). B^o ide van 1548-1589. Fr. beeldhouwer en glasschilder.

Cousin (^.), 1792-1867, Parijs. Wijsgeer. Cours d? hist oir e de la philosophic (1840); Histoiregénérale de la philocophie (1861).

Conssemulcer {J. H. J. L. de), 1842-1890, Belle (Bailleul). Buitenlandsch eerelid der K. VI. Academie.

couTcrt, o. (-en). Brievenomslag. Hul-

hage. Dichtbundels : Een lent van Vaer' zen (1884); Orchideeën (1886). Prozawerken : Eline Vere (een Haagsche roman.


ocr page 149

CUBA

CYCL

— 127

sel. Bedekking, o. (-s). Tafelgereedschap voor eenen persoon.

C'oxio (3/.), 1499-1592, Mechelen. Schilder van historische en godsdienstige onderwerpen. Marteldood van St Sebastiaan, ! Osibodt [D. t 1509 te Gori.ichera, en W. t 1511 te Gouda). Broeders. Glasschilders.

Cracco {P. D.)y 1790-1860, Koeselare. Priester. Dichter.

Crsamp;CMbceok (y. van), i6o6(?)-i6..{?)t Neerlinter. Schilder van volkstalereelen. i^an Craesbeeck erne groep schilderend.

C'i'ïtiiac'U = {L. Sunder), 1472-1553, Cranach. Duitsch schilder. Huzvelyk van S. Cat har in a.

Crsiycr (C?. de), 1582-1669, Antwerpen. Historie- en portretschiMer. Marteldood der vier gekroonden ; De Ver losse r der quot;wereld.

orcdlt, o. Rechterzijde in het groot-'hoek. Tegoed. Handelsvertrouwen.— Crediteer en, bw. crediteerde, heeft gecrediteerd. Posten op de rechterzijde van het

f-ootboek schrijven Op vertrouwen geven.-ootboek schrijven Op vertrouwen geven.

e goed schrijven.

oro«lifour. m. (-en). Schuldeischer.

Cremer (J. J.}, 1827-1880, Arnhiim. Nove'h n (Retuwsche novellen) : V Ktie-kende Kriekske (1856); Het Pauvueveet ke (1857) » Grietje op t H'ónigsarf (186^). Romans • De lelie van 's Gravenha^e (1851), Daniël Sils (18^5); Dokter Hei-mond en zijn vrouv» (1869).

erlt;-o«l, m. (..olen). Afstammeling van Europeanen in de Spaansch-Amerikaan-sche Staten en op de Westindische eilandea.

creoMoot, v. Kleurlooze, naar rook riekende, olieachtige, vergiftige vloeistof. Vormt zich j;«-lijkiijdig met phenol bij de droge distillatie van steenkolen en bevindt zich ook in de zware teerolie, waaruit zij afgescheiden wordt. — Creosoieeren, bw. creosoteerde, heeft gecreosoteerd. Door aanwending van creosoot tegen bederf bewaren.

crescendo, bijw. (Muz.) (-lt;=) Toenemend.

criniinaliHt, m. (-en). Leeraar of kenner van het lijlstraffelijk recht. — Crimineel, bn. bijw. Misdadig. Lijfstraffelijk. Crimineel iccht : strafrecht. Crimineel dronken, do»gt;r en door dronken zijn.

crinoline, v. ( n, -s). Hoepelrok.

criMi», v. Hoogste punt eener ziekte. Beslissend oogenblik eener zaak.

Cristus {P.), i4..(?)-i475(?), i^aarle. VI. schilder. De Maagd met het kindje Jezus (1457^

crifielt, v. Oordeelkunde. — Critisch, bn. Oordeelkundig. — Critiseeren, bw. critis -erde, heeft gecritiseerd. Beoordee-len. Vitten. — Criticus, m. (critici).

Cromvrell (O.), 1599-1658, Huntingdon. Onttroonde Karei I, koning van Engeland • n regeerde zelf als beschermer der vereenigde republieken Engeland, Schotland en Ierland.

Croon {P.), 16^4-1082, Mechelen. Jezuïet. Dichtte in den trant van Cats.

crueliix, o. (-en). Kruisbeeld.

Cuba, 1,400,000. De grootste en be- | langrijkste der Spaansche koloniën. Do Parel der Antillen. Tusschen de golf van Mexico en het oude Bahama - kanaal. 2.140 vierk. geogr. mijl. Hoofdplaats : Havana.

cubiiM, m. (cubi). Teerling. — Cubee-ren, hw. cubeerde, heeft gecubeerd. Den inhoud van een lichaam berekenen.

Cni (C. A.), 1835, Wilma. Russisch toondichter. Opera1 s m liederen.

Cu jas [J. de), 1^22-1590, Toulouse. Rechtsgeleerde. Herstelde eene menigte bedorven plaatsen in de Romeinsche wetboeken.

culture, cultuur, v. (..ures). Aanbouw. Veldbouw. Veredeling des geestes. Vorming des harten. Beschaving.

Cnravao. Zie Indië. 21,300 inw. 762 vierk. geogr. mijl. Hoofdplaats : Willemstad, zetel van den gouverneur. — Curagao, m. .Likeur uit oranjeschillen.

curateele, v. Toezicht. Voogdij. — Curator, m. (-rn, -s). Voogd. Bewindvoerder. Beheerder. Bestuurder (eener school, enz.). Boedelredder. — Curatorschap, o. (-pen).

etireeren, bw. cureerde, heeft gecureerd. Genezen.

curie, v. De Roomsche curie : het hof van Rome. de Pauselijke regeering, de Pauselijke beambten en gerechtshoven ter uitvoering van het kerkrecht.

curieus, bn. Nieuwsgierig, benieuwd, vraagachtig, onbescheiden. Wonder, aardig. Belangrijk, belangwekkend Zeldzaam, merkwaardig. — Curiositeit, v. (-en). Nn-uws^ierigheid. Merkwaardigheid. Liefhebberij.

cu mier, bn. Loopend. Vlug.

cursus, m. (-sen). Leergang. Reeks lassen over een bepaald vak.

Cuvier {G.), 1769-1832, Montbéliard. Vtrwiert zijnen roem in de zoölogie en de verjielijkende ciitleedkunde.

Ctiyp (A.), 1620-1691, Dordrecht. Schilder. Vertrek naar de wandeling; Zeegezicht; Zabnvischva ngst.

cycloon, m. (..onen;. Onder den naam van cyclonen verstaat men aanzienlijke hoevcelhe len lucht, die om eene loodrechte as in snelle ronddraaiende üewrgmg zijn. De cyclonen bezittea niet alle«in eunr ronddraaiende, niuar ook eene voortgaande beweging, waai door zij dikwijls tot in de gematigde luchtsirekeu dowriirin^en. Deze meteoren ontstaan in d« streek der windstilten, bij den evenaar, waar zij veroorzaakt worden door eene ongelijke snclhe d van passaat-winden, weAe van b^ide halfronden elkander naderen. De snelheid van draaiing is soms van 25* kilom. per uur. De voortgaande bewegiug bereikt van 15 tot 45 kilom. per uur.

cycloop, m. (..open). CycJspen ; mythologische reuzen, voorgesteld als dienaren van Vulcanus, die voor Jupiter de bliksempijlen smeedden.

cyclorama, o. (-'s). Beweegbare schilderij, die eene reeks van natuurtooneelen of gebeurtenissen veraanschouwelijkt en waarvan de beide einden aan twee gioote voor de toeschouwers verborgen cylinders


ocr page 150

DAAR — i

bevestigd zijn en van den eenen op den anderen opgerold worden.

cyclus, m. (-sen). Aantal jaren, na welker verloop dezelfde hemelverschijnselen zich weder in dezelfde orde voordoen. Reeks van samenhangende dingen, welke een gemeenschai'pelijk middelpunt hebben.

| Reeks van volksoverleveringen of historische verdichtingen.

c^lindcr, m. (-s). Rolzuil. — Cylin-dnsc/i, bn.

cyninmc, o. Onwelvoeglijk of schaamteloos gedrag. — Cynisch, bn.

^cypcrffra*, o. (-sen). Plantengeslacht uit de familie der cyperaceën Tot de belangrijkste soorten behoort deaardamandel.

c.rpemcli, bn. Cypersche kat : soort van groote grijsgestreepte kat van 't eiland Cyprus (in 't oostelijk deel der Middell. *ee).

cypres m. (-sen). Plantengeslacht, tot

B — DAEM

de groep der kege'dragers behoorende. Meest bekende ; cypressus sempervtrens, boom van 6-13 m. hoogte. Wordt veelal op de kerkhoven geplant. — Cypresseboom, m. (-en). — Cypressen hout, o.

Cyras. Koning der Persen. Onttroonde zijnen grootvader Astyages, koning der Meden. Stichtte het rijk der Persen. Gaf een bevel uit, waarbij de Joden uit de ballingschap verlost werden en oorlof verkregen Salomons tempel weder op te bouwen. Hij schonk de 5400 vaten, door Nabuchodo-nosorweggenomen, w» der (t52g voor Chr.).

Czustr, m. (czaren). = (koniner, beheer-scher). Titel van den keizer aller Russen. — Czarin, v. (-nen). — Czarorvitz, m. (-en),. Grootvorst. Zoon van. den czaar. Czermak (y.), 1831-1878, Praag. Schilder. Slowentsche landTerhuizers.

Czeruy (/f.), 1791-1837, Weenen. Muziekonderwijzer en loondichter.


D

d, v. (d's). 4e letter van het alphabet.

das«4l, v, (daden). Hardeling. Bedrijf : edelmordige daad. Tem. met raad en daad bijstaan : krachtig ondersteunen.

bijw. Gedurende den dag. lederen dag. Overdag. —Daagsc/i, bn. Door den dag. In de werkdagen. Van alle dagen.

dsamp;ul, v, (dalen). Houten buis eener pomp.

ditalder, m. (-s). Oud Nederlandsche munt = 1.50 gulden. Schijf van eenen appel, knol, wortel, enz.

dstsfclderHpl»als, v. \-en7gt;. Uitgelezen plaats om iets te zien of te hooren-

dasir. Bijw. Op die plaats . wie komt daar? Voegw., naardien, dewijl, vermits : daar gij heden uitgaat, zal ik te huis blijven. Daar wordt niet zelden gebruikt voor ziedaar, vooral als men spreekt met eenig spijt, ongeduld, enz. : gij valt me lastig om mijn geld, daar! en zwijg nu. — Daaraan, bijw. Aan dat, aan dit. Aan deze of gene zaak. — Daarachter, bijw. Achter dat. — Daarbeneden, bijw. Beneden dat.— Daar-benevens, bijw. Bovendien. Daarenboven.

— Daarbij, bijw. Bij dit of dat. Daarenboven. — Daarboven,\t\yfi. Boven dit ot dat. Boven deze of gene zaak. — Daardoor. bijw. Door dit of dat. Door deze of gene plaats. — Daarenboven, bijw. Bovendien.

— Daarentegen, bijw. Integendeel Buitendien. — Daarheen, bijw. Naar die plaats. Naar dit of dat heen. — Daarin, bijw. In die zaak. In die plaats. — Daarlangs, bijw. Langs die plaats. — Daarlaten, bw. liet daar, heeft daargelaten. Laten rusten. Niet meer aanroeren. Niet verder over spreken. —Daarmede, bijw. Met dit of dat. Met die zaak. — Daarna, bijw. Na dit of dat. Later. — Daarnaar, bijw. Vol-

fens dit of dat. Er naar. —ens dit of dat. Er naar. — Daarnaast, ijw. Naast dit of dat. Er naast. — Daarnevens, bijw. Er nevens. Er bij. Bovendien.

— Daarom^ bijw. Om dit of dat heen. Om die reden. —- Daaromheen, bijw. — Daar~ omtrent, bijw. Ten naaste bij. Bijkans. — Daaronder, bijw. Onder dit of d-it. — Daarop, bijw. Boven. Op dit of dat. Daarna. — Daarover, bijw. Op die of dat.

— Daartegen, bijw. Tegen dit ot dat. — Daartoe, bijw. Tot dit of dat. — Daaruit, bijw. Uit dit of dat. — Daarvan, bijw. Van dit of dat. —Daarvoor, bijw. Voor dit of dat. —Daarziin, o. Het daar zijn (van). — Daarzonder, bijw.

daas, v. en m. (..azen). Paardenvlieg.

da capo (D. C.) bijw. (Muz.) Van net begin.

dactylas, m. (-sen). Zie Voet. — Dac-

fylisch, bn.

dadel, m (boom);v. (vrucht) (-s). Dadelpalm. — Dadelpalm, m. (-en). Palm {phoenix da ctylifer a's. Heeft een rechtop staanden, 10 a 20 m. hoogen en 6 a 9 dm. dikken, ruwen en bruinen stam, op welks top 40 a 80 tot een dichte kroon vereenigde en 2 a 3 m. lange, gevinde bladeren zijn ingeplant Zijne bloemen zijn éenslachtig en tweehuizig en tot rijke kolven vereenigd. De vruchten zijn een belangrijk voedingsmiddel.

dadeltffe. Bn. RecMstreeksch. Werkelijk. Bijw. Onmiddellijk. — Dadelijkheid^ v. Het werkelijke. Het oogenblikkelijke. (..heden). Feitelijkheden. Slagen. Vechtpartij.

dsMler, m. f-s). Bedrijver. Uitvoerder.

— Daderes, v. (-sen).

«ladiiifir, v. (-en). Vergelijk. Overeenkomst.

Igt;ael (y. P. van), X764-1840, Antwerpen. Bloemschilder.

lgt;aems [S. D), 1838, Noorderwijk. Kanunnik-regulier (abdij Tongeriool. Werkend lid der K. VI. Academie. Dichter en redenaar. Voor twee vaders (1868) ; hei Lijdend Hart van Jezus (1871); Luit en Fluit (1884); Kanselstoffen (1891). *


ocr page 151

Halletoren (Brugge).

ocr page 152
ocr page 153

DAG

dasr, m. (-en). Tijdsveiloop van het opg.'.an tot het onderdaan der zon. Tijdsverloop van 24 uren. Zichtbaarheid der

voorwerpen door het zonlicht. Aan den dag brengen : ontdekken. Goede dagen hebben : nlezirrijr leven. — Dagblad, o. (-en). Nieuwsblad, dat dagelijks verschijnt. — Dagbladschrijver i ra. (-s). — Dag-bloent, v. (-en). Bloera, die slechts éenen dag leeft. Bloem, die in den dag opengaat. — Dagboek, o. en m. (-en). Aan-teekeningen, die alle dagen worden bijgehouden. — Dagdieven, ow. dagdiefde, heeft gedagdiefd. Zijnen tijd verslenteren.

— Dagdieverij, v. (-en). — Dagelijks, bijw. Alle dag. lederen dag. — Dage lijk^ch, bn. Van alle dagen. —Dagelijkschezonde: « zonde zóo gedaan t^gen df wet Gods, dat zij nochtans de goddelijke liefde niet weg-neerat, maar alleenlijk tot eenige tijdelijke pijnen verbindt ». —Daggeld, o. (-en). — Daggelder, ra. (-s). Daglooner, — Daghuur, v. — Daghuurder, ra. ( s). — Daghuurster, v. (-s). —Dagloon, o. enra. (-en).

— Daglooner, ra. (-s;. Werkman, die bij den dag zich vei huurt. — Dagloonster, v. ( s). — Dagorde, v. Lijst der te behandelen onderwerpen (in vergaderingen). — Dagorder, v. (-s). Afkondiging aan het leger. — Dagreis, v. (..zen). — Dagwerk, o. (-en. — Dagwerker, m. (-s).

)— DAIT

— Dagwerk ster, v. (-s). — Dagwijzer, m, (-s). Boekje, blaadje, enz., dat de dagteeko-ning aantoont.

dag:, v. End touw, waarmede de matro-, zen op een schip gestraft worden.

ds« tren, eenpw. daagde, is gedaagd. Dag woiden. Schijnen (van het zonlicht).

dafreii, bw. daagde, heeft gedaagd. Voor de rechtbank roepen. Vorderen (tot een tweegevecht). — Daagster, v. (-s). — Dager, ra. (-s). Deurwaarder. Eischer. — Daging, v. ( en).

d1*2«ad, ra. Het aanbreken van den dag.

datrgre (das:), v. (dageen). Ponjaard.

De voornaamste afgod der Filistijnen. Had te Gaza eenen tempel. Was afgebeeld als een monster,half mensch, hall visch

daK-lfobeucn, dagteekende. heeft en is gedügteekend. Bw. Den datum plaatsen. Ow. (zijn) Den datum dragen. — Dagtee-kening, v. (-en).

lgt;as:u«rre (Z. y. A/.), 1789-1851, Cor-meilles. Fi. schilder. Uitvmder van het diorama en de daguerréotypie (1839). Zie Photographic. — Daguerreotype, v. (-n). Lichtbeeld. — Daguerreoty}gt;eeren, bw. daguerrfoiypeerde, heeft geda^uerreoty-peerd. Vaste lichtbeelden verkrijgen. — Daguerreotypie, v.

da eva a rdo 11, bw. dagvaardde, heefif gedagvaard. Ter dagvaart oproe- en. Voor1 de rechtbank roepen (bijd. ur waar dersak te; ji

— Dagvaarding-, v. (-en). — Dagvaart, v. (-engt;. (Eert.) Vergadenrg van afgevaardigden (van een land). Dagreis.

«lae-Mand, o. (-en) Zi.» I.engteraaten. lgt;alil /.), 1801-187,?, S Petersburg. s= {kozak Luganssky) Schreef werken en woordenboeken over de Russische dialecten Novellen.

dalilia, v (-'s). Plantensoort uit de familie der samengesteldbloemigen. Heelt haren oorsprong in Mexiko. Bloeit van Juli tot laat in den herfst.

Igt;aliii (Z. J.F.). 1834,Hamburg.Duitsch geschiedschrijver. Die Kón ige der Grrvia-nen (iSói-'yn; Odhins Trost.

dak, o. (-en). Dekstuk. Bedekking van een gebouw. Er zijn ratten op 't dak : er zijn ongenoodigde luisteraars. — Dak dicht, bn. Beveiligd tegen doorregenen, enz.

dal, o. (-en). Vlakte tusschen bergen. Over berg en dal : van alle kanten, van verre oorden.

Oale [J. H. van), 1828-1872, Sluis. Taal- en oudheidkundige. Nieuw Woordenboek der Ared. taal, door J. Manhave voltooid (i872-'74).

dalen, ow. daalde, is gedaald!quot; Zacht naar beneden komen. Zakken. Vallen. Verminderen (van prijzen). In het graf dalen : sterven. — Daling, v. (-en).

Igt;aliii [O. von), 1708-1763, Winberga. De schepper der nieuwere Zweedsche letterkunde.

dalniatioa, v. (-'s). Overkleed, misgewaad van den diaken.

lgt;allon (y.), 1706-1844, Englesfield. Eng. schei- en natuurkundige. Atomic Theory.— Daltonis*quot;* o. Gebrek in'toog.


ocr page 154

DAMH — 130 —

DANK

waardoor de lijders eenige kleuren niet onderscheiden kunnen, xvoora' rood en groen). Dalton ontdekte dit verschijnsel.

dier. Kleiner dan 't edelhert, maar even sierlijk gevormd.

lgt;amiaau (Pater), = J. de Veuster, 1840-1889, Treraeloo. Lid van de congresatie der HH. Harten van Jezus en Maria (Picpus). Apostel der raelaatschen van Molokaï (Sandwich-eilanden).

damlooper, ra. (-s). Bijlander.

damp, ra. (-en). Luchtvor-raijje vloeistof, waann een groot aantal vochten, door het opnemen van de warmte, worden omgezet. Stoom. Rook. Wasem. — Dampen, dampte, heeft gedampt. Ow. Damp opgeven. Uitwasemen. Sterk (tabak) roo-ken. Bw. Lichtjes vochtig maken.— Damper, ra. ( s*. Sterke rooker. Goudsche of Duitsche pijp. — Dampig, bn. Nevelig. V olrook. Kortademig (van paarden). — Dampigheid, v. — Damping, v. — Dampkring, ra. (-en). De luchtlaag, die den aardbol omgeeft en met hein in de ruimte wordt medegevoerd. De aardbol is van lucht omgeven tot eene hoogte van 15 è. 20 uren. — Dampkringslucht, v.

Igt;am|»icrrc (Ceivi/de of Wyt van), graaf van Vlaanderen, zoon van Margarcta van Constantinopel en Gwifde van Dampierre (t 1 '79) Gwijde,daar hij zijne dochter Filippine aan den vorst van Engeland had willen uithuwelijken, trok de gramschap van rranktijks koning, Filip den Schoone, op zich. De graaf werd met zijne dochter te Parijs gekerkerd. Heel Vlaanderen kwam in opstand. Men zong de Brugsche Metteti en versloeg de Franschen op Groe-ningenkouter (1302). f 1305.

dan. Bijw. Later. Daarna : dan zal hij koraen. Nu en dan is hij goed : van tijd tot tijd. Voegw. Derhalve, bijgevolg : is dit dan uw gevoelen? Doch : dan, ik moet u zeggen. Men gebruikt dan, na den vergelijkenden trap op er of met meer, min : dit huis is grooter dan dat; — na de ontkennende woorden : niemand, niets, nergens, enz. en na : ander, anders.

lgt;aiiiël. Een der 4 groote Profeten. Weid onder Joakim's regeering gevangen weggeleid. Velde het vermaard oordeel in de zaak van Suzanna. Werd tweemaal in den kuil der leeuwen geworpen, waar hij telkens ongehinderd uitkwam. Toonde het bedrog aan der priesters van Baal, en doodde den draak, welken men te Baby-lonië als god vereerde. Voorspelde de komst van den Messias. « De Gezalfde des Hee-ren zal komen en gedood worden na zeventig weken van jaren. »

daniff, bn. bw. Groot. Zeer veel : ik heb danikjen honger. Zeer : hg heeft mij danig bedrogen.

daub, ra. Welgevallen : dit is tegen

Dak.

Fig. i. a. hanebalk of stee kb alk. \). gevekfih. c. dakspant. d. schoor, schuinsche slut. — Fig. 2. a. dakspant. b. hanebalk of steekbalk. c. looze hanebalk. a. gevelspits, e. schoor, schuinsche stut. f. bind-samp;ukken. g. ondernokbalk, h. nokbalk, i. gording. k. draagly'st. m. dakspar, n. drempelstuk. o. waterbord.

dam, v. (-mengt;. Dubbele schijf. — Dambord, o. (-en). Bord, waarop dam wordt gespeeld. — Dammen, ow. damde, üeeft gedamd. Damspelen. —Dammer, ra. (-s).

— Damschijf, v. (..ve«). — Damspel, o.

— Damspeler, n\. (-s). —Damster, v. (-s).

dam, m. (-men). Opgeworpen water-

keering 'van aarde of steenen). — Dammen, bw damde, heeft gedamd. Eenen dam leggen. — Damming, v. (-en).

DsatiianeuM. Hoofdstad van Syrië.

Werd belegerd door de kruisvaarders (1148). Apostel Paulus bekeerde zich op den weg naar Damascus. Men vervaardigde er uitgelezen wapens. — Damasceeren, bw. daraasceerde, heeft gedamasceerd.

Staal vlammen, met goud of zilver inleggen. — Damasceering, v.

damast, o. (-en). Geweven stof, waarin bloemen, wapens, enz. gevormd zijn. —

Damasten, bn.

dam«,v. (-s). (Middel.) Adellijke vrouw.

(Thans) Vrouw van eenigen stand, gehuwd of ongehuwd. Koningin (schaak- en kaartspel).

damliprt, o. (-en). Herkauwend zoog


ocr page 155

DART - I

miinen dank gedaan. Betuiging van erkentelijkheid. lem. dank weten : dank betuigen.— Dankbaar, bn.bijw. Erkentelijk voorgenoten goed.— Dankbaarheid,?.— Dankdag, m. (-en). Dag, waarop men openlijke gebeden wan dank doet. — Z)rt«^lt;?«,bw. dankte, heeft gedankt. Zijn welgevallen uitdrukken. Erkentenis toonen. Iets beleefdelyk weigeren .—Dankenswaardif; —Da nkfeesi, o. en v. Dankdag. — Dankgebed, o. (-en).

— Danklied,o. ( eren). Lofzang. — Dankoffer,o. (-s).\Verdopgediagen om God voor ae ontvangene weldaden te danken en er nieuwe te bekomen. — Dankofferande, v. (-n). — Dankzeggen, ow. zeide en zei dank, heeft dankgezegd. Dank betuigen,— Dankzegging, v. (-en).

Igt;»iiiiolt;'k«r (y. H. von), 1758 1841, Waldenbuck (Würtemberg). Beeldhouwer. Ariadne op den panter.

daim, m. (-en). Het huppelen der voeten en het bewegen des lichaams naar de maat. Aan den dans geraken : handgemeen worden. — Dansen, danste, heelt gedanst. Ow. Huppelen en het lichaam naar de maal bewegen. Bw. Eene wals enz. dansen.

— Danser, m. (-s). — Danseres,?, ( sen).— Dansfeest, o. en v. (-en). — Dansmeester,

(-s). — Dartszaal, v. (..alen).

lgt;aiite 1265-1321, Florence.

It. dichter. Dit in a Come dia.

]gt;aii(ou {G. J.), 1759-1894, Arcis-sur-Aube iChampagne). Staatsomwentelaar en redenaar. Lid van de nationale conventie. Gehalsrecht te Parijs.

dapper, bn.bijw. Kloekmoedier. Heldhaftig. Stout. Onversaagd. Spoedig, snel: met dappere schreden aanstappen. — Dapperheid, v.

lgt;ariiis. Naam van drie koningen van Perzië. /(521-485 vóór Chr.), zoon

van Hystaspes. Darius II (424-404) en Darius III Codomantnis, over

wonnen door Alexander den Groote en gedood door eenen zijner generalen.

darm, m. (-en). Buisvormig ingewand in het dierlijk lichaam, tusschen de onderste opening van de maag (pilorus) en de achterste opening (anus) van het lichaam gelegen. De lengte van den darm,- bij den mensch, is omtrent 7 maal deze van het lichaam. Men onderscheidt de darmen in dunne (intestinum tenue) en dikke (intesti-num crassum). De eerste bestaan uit den twaalf vinger igen darm (duodenum), den nuchteren darm (jejunum) en den kronkeldarm (ileum). Dan nemen de dikke darmen eenen aanvang met den blinden darm (coecum) met het wormvormig aanhangsel. Hierop volgt de dikke darm (colon) met den opstijgenden dwaisen en nederda-lenden tak (c. adscendens, transversum en descendens) en met de S-vormige bocht (S. Romanum), en eindelijk de endeldarm (rectum^. — Wat naar eenen darm gelijkt: pompdarm. — Darmscheil, o. De vette nuid, midden in de darmen.

D-Hrmstadt. 48,000. Hoofd- en residentiestad van het groothertogdom Hessen.

dartol, bn. bijw. Weelderig. Wulpsch. Speelziek. Uitgelaten. Levendig. — Dar-

i — DAVI

telen, ow. dartelde, heeft gedarteld. Dartel zijn. — Dartelheid, v. (..heden).

Darwin (C.^.), 1809-1882, Shrewsbury, Natuurkundige. The origin of species by means of natural selection (1859 . Gronddenkbeeld : alle planten en dit ron van weinige oorspronkelijke vormen, stammen misschien slechts van een enkelen af. Princiep : struggle for life (strijd om 't bestaan). — Darwinisme, o.

da», v. ( sen). Halsdoek. «Ia», m. (-sen). Roofdier, tot de familie der marters behoorende. De gewone das {meles taxus) leeft in Europa. Lengte ongeveer 70 cm.— Dassen haar,o.— Dassenhol, o. (-en). — Dassenhuid, v. (-en). — D'as-sennet, o. (-ten). — Dassevel, o. (-len). — Dashond, m. (-en). Zie Hond.

dat, aanw. vnw. : is dat een man? Betr. vnw. : daar is het boek, dat gij zoekt. Vw. : ik geloof, dat hij zal komen. — Datgene, bepaling-aankondigend vnw.

lgt;afliciiii.*i (Z3.), ^i-i^o, leper (?). Eerst karmeliet, later voorstander drr hervormde Kerk. De psalmen Davids uit den Fr a nsoyschen ichte in V Nederduytsch overgheset (1566); de Heidelbergsche Catechismus (vertaling, 1563).

datief, datlTUn, m. (datieven). Een der naamvallen.

datum, m. (-s, data). D.tgteekening. — Dateeren, bw. ow. dateerde, heeft gedateerd. Dagteekenen. — Dateering, v. (-en).

Daubenton (Z. J. AI.), 17160799, Montbard. Fr. natuurkundige. Schreef 't anatomische gedeelte der histoire naturelle Buffon.

]gt;audct 10 (/£.), 1817, Nïmes. Fr. letterkundige. 2° Zijn broeder [L. AI. A.), 1840, Nïmes. Romanschrijver. Le petit Chose/ les Atnoureuses (1858); les aventure s prodigieuses de Tart ar in de Taras-can (1874).

lgt;aiitzenbersr {J. AI.), 1808-1869, Heerlen.Dichter. GVrf/rA/W* (1850).Stichtte de Toekomst (tijdschrift voor onderwijzers. 1857).

danvr, m. Waterdamp, die gedurende den nacht in druppeltjes op den anrdbodem nederkomt. 't Is gevolg der alkoeHng, die de aarde en de daarop zijnde lichamen des nachts door uitstraling ondergaan.—Dauwachtig, bn. — Dauwen, dauwde, heeft gedauwd. Eenpw. Het vallen van den dauw. Ow. Druppelen : tranen dauwden op zijne wangen.

dauwcleu, ow. dauwelde, heeft ge-dauweld. Vadsig, traag in alles zijn. — Dauwel, v. (-s). Traag vrouwspersoon. — Dauwelaar, m. (-s). — Dauwelachtig, bn. — Dauwelachtigheid, v. — Dauwelary, v. (-en).

daveren, ow. daverde, heeft gedaverd. Sterk schudden. Sterk bewogen worden. Dreunen : de grond davert onder het gewicht van den wagen. — Daverivg, v. (en).

davlaan, v. (..anen). Veiligheidslamp der mijnwerkers. Zie Davy.

lgt;avld, 1040-1001 (voor J. C.). Dc koninklijke Profeet. Opsteller van het groot-


ocr page 156

DA VI — i;

ste getal der Psalmen. N' idat de Heer Salil had verworpen, werd David op Gods bevel door Samuel tot konini? van Juda gezalld, en na den dood van Isboseth, in Hebron als vorst over de 12 staramen aangesteld. Was een uitgelezen citerspeler. Doodde den reus Goliath. Dreef de Filistijnen op de vlucht. Zondigde door overspel en hoogmoed. Zou den TVmpel bouwen, maar de Heer liet hem weten, dat dit zijnen zoon Salomon was voorbehouden.

(C.), i46o(?)-i523. Oudewater. Schilder. De doop Tan Chftsfus.

(y.), 1546-1613, Kortrijk. Jezuïet. La tij nsch schrijver en Vlaamsch dichter.

]gt;siTid {J. L.), 1748-1825, Parijs. Historieschilder.

lgt;s«Tilt;l (J. B.), 1801-18ÓÓ, Lier. Kanunnik. Hoonleeraar tLeuven^. Een der aanvoerdersder VI. Beweging. Nedeyduitsche spraakkunst (1839^; De Geesten-wareld en het Waerachtig Goed (gedicht van Bilderdijk, uitgegeven met inleiding, analyse en aan teekeningen, 1845); Navolginp

Christt (vertaling, 1843); Vaderlandsche

Historie (i842-'55); De Ziekte der Geleerden (gedicht van Bilderdijk, uitgegeven met inleiding en aanteekeningen, 1848) ; Tael- en letterkundige aenmerkingen (1856); Van MaerlanVs Rijmbijbel (met voorrede, aanteekeningen en glossarium,

I858-'59)«

]gt;:4vilt;l «l'Anucr» (Z5. J.), 1789-1856, An ers. Beeldhouwer. Standbeeld van Condè.

(y.), 15^o'?)-i6o5, Sandbridge. Eng. zeevaarder. Werd in 1585 uitgezonden tot 't vinden eener noordwestelijke doorvaart naar den Grooten Oceaan. Ontdekte de straat, welke zijnen naam draagt.

! — DECO

Sneuvelde in een gevecht met Japansche zeeroovers.

Igt;avy 1778-1829, van Penzance

(Cornwallis). Eng. natuur- en scheikundige. .Men is hem de veiligheidslamp der mijnwerkers verschuldigd.

de, bepalend lidwoord.

lt;leb»t,o. (-ten). Beraadslaging. Behandeling (eener zaak voor de rechtbank). — Debatteer en, bw. debatteerde, heeft gedebatteerd. Beraadsla^e.i (over).

debet, o. De linkerzijde van een folio in het grootboek. — Debet, bn. Schuldig.

debiet, o. Verkoop. — Debiteer en, bw. debiteerde, heeft gedebiteerd. Verkoopen. lem. voor iets debiteeren, in het grootboek aan de linkerzijde opschrijven. Vertellen : leugens debiteeren. — Debiteur, va., (-en, -s). Schuldenaar.

lgt;eborsi. Hrbreruwsche profetes. Heldin uit den tijd der Rechters. Bewoond® Ephraïm, waar zij onder eene tent recht sprak.

debuut, o. Eerst optreden (in 't publiek, inz. op 't tooneel). Aanvang. — Debuteeren, ow. debuteerde, heeft gedebuteerd.

deest. Slechts in samenstellingen (= iogt;.

— DecaRrmm, o. (-men). — Decaliter, m. (-s). — Decameter, m. (-s). — De caster er v. ( n, -s).

deestde, v. (-n, -s^. Zie Kalender. Igt;lt;ke2iiii|»« (^. G), 1803-1860, Parijs. Schilder. De Titrksche patrouille te Smyrna; de Nederlaag der Cinibren.

I)ecli3«niigt;« (A. /. V.), 1810-1883, Melle. Redemptorist. Kardinaal-aartsbisschop (Mechelen). Kanselredenaar en schrijver.

Igt;ecember, m. Twaalfde maand van 'tjaar.

deei. Slechtsin samenstellingen (= 1/10),

— Decigram, o. (-men). — Deciliter, m. (-s). — Decimaal, bn. Tiendeelig. — Decimeter, m, (-s).—De eist ei e, v. ( n, -s).

deeisie, v. (..iën, -s). Besluiquot;, beslissing, bescheid, beschikking. Uitspraak, vonnis. — Decideeren. bw. decidofrde, heeft gedecideerd. Beslissen, besluiten. Eene uitspraak doen. — Decisief, bn. Beslissend.

Igt;eefcer (J.de), i6io(?)-i666,Dordrecht-Gedichten (1656).

deelameeren,bw. declameerde, heeft gedeclameerd. Opzeggen. Voordragen (verzen). Vertellen. — Declamatie, v. (..iën).

— Declamator, m. (..oren), deelareeren, bw. declareerde, heeft

gedeclareerd. Verklaren. Aangifte doen (van goederen, enz.). — Declaratie, v. (..iën,-s).

deelineeren, bw. declineerde, heeft gedeclineerd. (Taalk.) Verbuigen. (Nat.) Afwijken. Afwijzen. — Zich deelineereny ww. Zich vernederen. — Declinatie, v. (..iën, -s). Verbuiging. Afwijking, inz. der magneetnaald van de middaglijn. Afstand van eenester tot de evennachtslijn.

decoreerera, bw. decoreerde, heeft gedecoreerd. Versieren. Beschilderen. Verfraaien. Opluisteren. J£et een ridderkruis


ocr page 157

— 133 —

DEFI

DEKE

begiftigen. — Decoratie, v. (..iën, -s). Zie Orae.

dooreet, o. (..etpn). Besluit. Edict. deoreseoiKlo, bijw. (Muz.) (gt;-) Afnemend.

deosr, o. en m. (-en). Mengsel van eeniye vaste zf Ifstandigheid met eene vloeistof (inz. van nie.-l met water).

dool, v. (dt-len). Plank. Dorschvloer. doel, o. (-en). Wat tot ccn geheel behoort. Ten deeitf : stuksgewijze. — Deel, m. Het deelen : ow ee komen in den deel. Aandeel van eene lt; r!e:.is . met zijnen deel schulden betalen. Het rond^even van de kaarten.—b . — Deelbaar,hn.

— Deelbaarheid, v —Deelen, deelde, heeft gedeeld Bw. Tot deelen maken. Uitdee-len. De spijzen ronddelen (aan tafel). Onderzoeken hoeveel malen eene grootheid in eene andere begrepen is.Ow.Deelnemen (in). Aandeel hebben (aan). — Dee Ier, m. (-s). Die deelt. De grootheid, waarmede men eene andere deelt. — Deelgenoot, m. (-en). — Deelgenoote, v. ( n . — Deelgenootschap, o.— Deelhebber, m. ( s).

— Deelhebster, v. (-s). — Dealing, v. (-en). Het deelen. Het deelen van grootheden onderling. — Deelnemen, ow. nam deel, heeft deelgenomen. .Meedoen, medewerken (aan). Van 'e partij zijn. In iemands droefheid, enz. deerne', en —Deelnemend, bn. — Deelnemer, m. ( s . —Deelneming, v. —Deels, bijw Gelt;leeltelijk. Bijw. vw. : deels om die reden. de -Is om eene andere.

— Deelster, v. ( s). — Deeltal, o. (-len). Oetal, dat door t en andsr gedeeld moet

'worden. — Deelteeken. o. ( s). Trema. — \Deelwoord, o. ( en). Zekere vorm van 't werkwoord : tegenwoordig, verleden dt elwoor.i.

deemoed, m. Ootmoed. Onderworpenheid — Dcejnoedig-, bn. bijw. — Dee-moedtgen. bw. deemo digde, heeft gedee-moedigd. Verootmot-digen. Vernederen. —

— Deemoedigheid, v. — Deemoedigingquot;, v. Jgt;eoiio (/f. de), 15..?-1579, Brugge.

Dicht r schilder. Myn Testament, rheto-Ttcacl of landen a.heu (1561).

deevHjK, bn. bijw. jammerlijk. Ellendig. Bleek tn uitgemei geld. Krank van gezondheid. Wordt ook gezegd van vruch ten.

doorn, v. (-en), «loorne, v. (-n). Jonge

dochter. Dienstmeid.

deernin, v. Medelijdcu. — Deernis-Tuaardtg, b-i.

doekoiii, m. (-s). Zuurdeeg. Wrok. — Deesemen, bw.deesemde, heeft geJeeseind. Zuurdeeg doen (in).

dofoet. o. (-en). Gebrek. — Defect, bn. bijw. Onvoitadig. Geschonden.

defeiiMie, v. Verdediging. Verwering.

— Defensief, bn. Verde iigend.

delioil, o. Tekort. Het ontbrekende.

Schadig slot.

definitie, v. (..iën, -s). Duidt het naast-bijkomende geslacht aan en het versrgaande verschil, b. v. : God is een geest (geslacht), van oneindige volmaaktheid (verschil). Bepaling. Omschrijving.

definitief*, bn. Beslissend. Afdoend, dlefiultoriuui, o. Raa^ van den generaal of den provinciaal eener geestelijk© orde, sociëteit, congregatie. — Definitor, m. (..oren, s . Lid van zinken raad.

lgt;ef«»«» [D), 1661 1731, Londen. Romanschrijver. The Surprising adventures of Robinson Crusoëof Vork (1719*.

def'tisr, bn. bijvr Vo.-rtreffelijk. Aanzienlijk. Statig. — Deftigheid, v.

decol, m. (-s). Hangende plaat eener handi)ers, waarmede menden druk teweegbrengt.

deifclUlt* bn. bijw. Braaf. Geschikt. Echt. Goed, groot: een de^eiijk stuk. Eerlijk, gemoedelijk : dry» lijk inensch. Hij meent het degelijk, waarlijk. — Degelijkheid r v.

doffen, m. (-s). Stootwapen met een rechte, tweesnijdende, puntige klingen een gevrst.

deijeno. Aanw. vnw.

lïejror , 1809-1885, Bockenem. Duitsch schilder. Tafeteelen uit het leven van Jezus en Maria.

deirrndooron, bw. degradeerde, heeft gedegradeerd. Van zijnen rang afzetten. Eerloos verklaren. — Degradatie, v. (..iën. -s).

deinen ow. deinde, is gedeind. (Zeew.) Golven.—Deining, v. (-en).

deinzen, ow. deinsde, is gedeinsd. Achteruitwijken. Zich langzaam verwijderen. Klotsen, slaan : de g iven deinzen op de klip. — Deinzing, v. n).

doïlt;4tue, o. Leerstelsel van hen, die aan God g -lo^veu zm ier openbaring).

— Deist* m. ( en). — Deïstisch, bn. deiNler, m. Na'.re drek van runderen of

andere dergelijke vui n s.

•lojenneeroii, ow. dejeuneerde, heeft gedejeuneerd. Ontbijten. — Dèfeuner, o. (-s).

dolt, o. f-ken). BeLlekkmtr. Deken : zonder (ieii of kleed. (Zeew.) Verdek. —Dek-balk, m. (en 1 — Dekbed, o. ( den). Bovenbed. — Dekblad, o. ( en).— üekbord, o. (-en). — Dekhengst, m. (-en). — Dekken, bw. dekte, h It gedekt. B, dekken : een dak met stroo dekken. De talel dekken : het tafellaken oplegden. Dek u t zet uwea hord op. Beschutten : de citadel dekt de stad. B. springen. Zich d kk -n : zien door inkoop \m r verlies bij de levering b. schutten anz. bii fondsen). Len tekort dekken : in het ontbrekende voorzien. — Dekker, m. (-s*. — Dekking, v. (-lt;-ni. — Dekkleed, o. (-en). — Dekmantel, in (-s . (Fig.). Voorwendsel, schijn : onderden dekmantel van vriendschap. — Dskfian, v. (-nen). — Dekblaat, v. (..aten^.— Dek plank, v. (-en).

— Dek riet, o. — Dekschild, o. (-en). — Deksel, o. (-s). — Dekservet, o. en v. (-ten). — Deksteen, m. (-en). — Dekster, v. (-s).—Dekstroo, lt;*—Dekstuk, o. (-ken).

— Dekstut, m. (-ten). — Dekverft v. (..ven). —Dekzerk, v. (-en).

delcon, v. (-s). Bedbekleedsel. Dek-king.

deken, m. (-s, -rn\ Kerkelijke waardigheid. Oudste, overste van t en gild, enz. Het hoofd eener faculteit (bij de holt;lt;grscho-ien). (quot;Middel.) Het hoofd der ambachten.

— Dekenschap, o. ( pen).


ocr page 158

DELI — i

Deken {4.), 1741-1804, Amstelvieen. Romanschrijfster en dichteres. Schreef met E. Wolft-Bekker : CEconomische liedjes (1780); Historie van Juffrouw Sara Bur-

ferharterhart (1782); Historie van den heer Villem Leevend (1784) ; Brieven van Abraham Blankaart

Igt;oliker {E. Domves Dekker) = Muitat uli, 1820-1887, Amsterdam. VVijsgeerig dichter. Max Have laar (i860); Millioe-nen-studie'n (1873); Ideeën (versch. bun-dels, i862-,77).

del, v. (-len). Laagte. Vallei. Dal. Delacroix V. E.), 1798-1863, Cha-renton-S'-Maurice. Fr. schilder, 't Hoofd der Romantische school. Dante en Virgi-Hus {1822); Bloedbad op Scio (1830); Vrijheid op de barricaden f1830).

Delanihro {J. B. j.), 1749-1822, Amiens. Wis- en sterrenkundige. Deed met Aléchain eene graadmeting van Duin-kerke naar Barcelona.

Delai'oclie (H. gezegd Paul), 1797-1856, Parijs. Historie- en portretschilder. Cromwell bij het lijk van Karei /(1833).

Delavisrne (y. F. C.), 1793-1843, Havre. Fr dichter. Les trois Messéniennes (1818) ; VEcole des Vieillards (1823) ; les Enfants dyEdouard (1833) : la Fille du Cid (1839).

Delerolx (Z?.), 1823-1887, Deinze.Wer-kend lid der K. VI. Acaaemie. Geld of Liefde (zedenroman, 1858); Mid

dag en Avond (zedenroman, 1858); Philippine van Vlaanderen (hist, drama, bekroond, 1875); Elisa (drama, bekroond, 1877).

Delecourt ( V. H. J.) = Hubert van den Hove, 1806-1853, Bergen. Fr. en VI. letterkundige. Wandeling op de Maes (1841); La langue fiamande, son passé et son avenir.

doliMfor, v. (-fen^. De delfstoffen zijn, in onderscheiding van dieren en p'anten, de niet levende, de onbewerktuigde (anorganische) voorwerpen. Gassen en water worden gewoonlijk onder dezen naam niet gerekend. — De 1stoff e lijk, bn. — Delf-stoffenrijk, o.

dclsrcn, bw. delgde, heeft gedelgd. Vernietigen. Afdoen : eene schuld delgen. — Delging, v.

Delgeiir (Z. H.), 1819-1888. Rotterdam. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Rijmwoordenboek (1846); Over degeographtsche benamingen (1888).

deli, bijw. Verkorting van delicieus, delibereeren, bw. delibereerde, heeft gedeliben erd. Beraadslagen. Overleggen. — Deliberatie, v. (..iën, -s).

dolicsiat. bn. bijw. Teer, gevoelig, zwak. Smakelijk lekker.

dell«*i«u», bn. bijw. Welsmakend. Kcsteli}k.

(J.), 1738-1813, Aigurperse. Fr. leerdichter. Georgiques (vertaling, 1769); Jardins{\i%i\\ VHommedes champs (1800^.

delirlnm tremen», o. Plotseling aanval, veroorzaakt door het onmatig gebruik van sterken drank. Kenmerken : het beven der ledematen en eene belemmerde

\ — DEPO

werking der geestvermogens. De lijder Is

als woedend. Vindt nitt zelden in eene beroerte een doodelijken afloop.

dcllins:, v. (-en). Zie Del.

dcluw, bn. Loodkleurig. Vaal. Bleek, delven, bw. dolf, hetft gedolven. Graven. Opgraven. Uit-, omspitten. —Delf' ster, v. (-s). — Delver, m. (-s). — Delving^ v. (-en).

demlAftie, v. (..i«n, -s). Ontslag. Ontzetting. Afdanking.

demoeraat, m. (..aten). Aanhanger der volksregeering. — Democratie, v. —

Democratisch, bn.

demoiiHtratie, v. (..iën, -s). Bewijs. Betoog. Betuiging. Dreigende houding. Volksuemonstratie : volksbeweging. — Demonstreer en, bw. demonstreerde, heeft gedemonstreerd. Bewijzen. Bctoogen.

Demosthenes, 384-322 (vóór Chr.], Athene. De beroemdste redenaar der oua-heid.

«lompen, bw. dempte, heeft gedempt. Uitdooven : den brand dempen. Vullen : eenen put dempen. Den klank verminderen : eene viool dempen. Stillen : eenen oproer dempen. Dichtnalen : een zeil dempen. — Demper, m. (-s). — Demping, v. demi»isr,bn. Dampig.—Dempigheid,v. den, m. (-nen). Boom, {Pinus sylves-tris), behoorende tot de kegeldragers. I» van 25 k 40 m. hoog. Naaldvormige, stijver puntige, blauwgroene bladeren, die twee aan twee met elkander in éene scheede vereen igd zijn. Eenhuizige bloemen. — Denneb oom, m. (-en). — Dennen, bn. — Dennenhout, o. — Dennenwoud, o. (-en).

Denemarken, o. Koninkrijk (Noord-Europa). 2,500,000 inw. 7« 9 vierk. geogr. mijl. Hoofdstad : Kopenhagen. — Deen, m. (..enen). — Deensch, bn. — Deensch, o. Deensche taal.

Denls [S.), i755-i8i3,Antwerpen.Land-schapschilder.

denken, bw. ow. dacht, heeft gedacht. Gedachten hebben en er bewust van zijn : ik denk, dus ik ben in wezt n. Gelooven : ik denk niet, dat hij komen zal. Vermoeden : wat denkt gij van onze samenkomst ? Oor-deelen : denk zoquot; niet over 'lem. Gedenken : hij denkt steeds aan u. Voornemens zijn : hij denkt morgen te vertrekken. Overwegen : over eene zaak denken. — Denkbaar, bn. bijw. — Denkbaarheid, v. — Denkbeeld, o. (-en). Voorstelling, welke onze ziel zich vormt van al wat wij door uiterlijke of innerlijke aanschouwing waarnemen. Die voorstelling moet, als een helder beeld, zich voor onzen g'-esc voordoen. Begrip. — Denkbeeldig, bn. — Denkbeeldigheid, v. — Denkt lijk, bn. bijw. — Denker, m. (-s). — Denkkt acht, v. — Denkster, v. (-s). —Denkvermogen, o. —Denkwijze, ..wijs, v. ( .zen).

Denn (/'), 1690-1775, Boom. Godgeleerde. Volledige theologia.

Denys [J.), 1645-1708, Antwerpen. VI, schilder.

departement, o. (-en). Gewest. Af-deeling. Bestuur. Ministerie. Werkkring.

depuueeren, bw. deponeerde, heeft gedeponeerd. NedorWgen. In bewaring


ocr page 159

— 135 —

DEUK

DESE

geven. Getuigenis afleggen. Overleggen (in eene vergadering). Ontgroenen ^studenten).

depot, o. (-s). Bewaar-, verzamelplaats. Het bewaarde. Voorraad (van ten verkoop gegeven koopwaren).

deputattio, v. (..iën,-s^. Afvaardiging. Bezending. De bestendige deputatie ie zamen met den provincialen raad en den gouverneur, maakt het bestuur uit eener provincie (België). Bestaat uit zes leden gekozen onder de leden van den provincialen raad.

deraillecrcn, ow. derailleerde, is gederailleerd. Ontsporen.

deraiMonneeren, ow. deraisonneer-de, heeft gederaisonneerd. Onzin praten. Raaskallen.

derde, rangsch. telw. (Kaartsp.) Een derde. : drie kaarten van gelijke kleur, die op elkander volgen. — Derdehalf, ..halve, telw. Twee en een half. —Derdendaagsch, bn.

deren, bw. deerde, heeft gedeerd. Schade doen. Hinderen. Schelen : wat deert u ? Tot medelijden bewegen : uw gedrag deert mij.

dergrelUk, aanw. vnw. Zoodanig. — Dtrhalve, bijw. vw. Dus. Bijgevolg. — Dermate, bijw. Op zoodanige wijze. In dier voege.

derrie, v. Vaste grond onder de modder. — Derrie a ch tig, bn.

dertien, grondgetal : 13. — Dertiendag, ra. Driekoningendag. — Dertietide, rangsch. telw. — Dertienhonderd, telw. — Dertienmaal, bijw.

dertiKT, grondgetal : 30. — Dertiger, xn. (-s). Lid eener vergadering van dertig leden. Wie of wat dertig jaar oud is. — Dertigmaal, bijw. — Dertigste. Rangsch. telw. — Dertigvoud, o.

derven, bw. derfde, heeft gederfd. Ontberen. Missen. — Derver, m. (-s). — Derving, v.

der^vnarts, bijw. Daarheen. — Der-, ruijze, bijw. Zoodanig.

1 DeriviMCh, m. ( en). Mahomedaansch Imonnik.

den. Bijw. Zooveel. Voegw. Derhalve.

— Desbevoegd, bn. Daartoe bevoegd. — Desbezvust, bn. Daarvan bewust. — Des-gelijks, bijw. Evenzoo. — Deskundig, bedreven, onderwezen (in) . — Deskundige , ra . en v. (-n). —• Desniettegenstaande, desniettemin, bijw» On« danks. — Desneods, bijw. Daaraan behoefte zijnde. — Desondanks, bijw. — Destijds, bijw. — Deswege, bijw. Daarom.

Igt;e»borde»-Valmore (^Z. F. y.), X786-1859, Douai. Fr. dichteres. Poésies/ VAtelier d'zm peintre (novelle); Violet-tes nouvelles (novelle).

lgt;e»earte* (/?.), 1596-1650, Lahaye (Touraine). Wijsgeer Me dit a tiones de prima philosophia (1641). Wiskundige Ceometrta (1637).

denerteeren, ow. deserteerde, is gedeserteerd. Wegloopen (inz. van soldaten).

— Deserteur! m, (-en, -i). — Desertie, v. (..iën, -s). y

Oesnouiiere» (A.), 1634-1694, Parijs.

Dichteres. Idylles ; Eglogues.

lgt;e.mnoiilinN {R. C.), 1762-1794 Guise (Aisne). Partijman ^Fransche omwenteling). Werd gehalsrecht met Danton. Letterkundige. Le vieux Cordelier; la France libre.

desolunt, bn. Wanhopig. — Desolate-boedelkamer, v. (-s). (Eert.) Kantoor van onbeheerde nalatenschappen.

deNpoot, ra. (..oten). Zelfheerscher, Dwingeland. — Despotisch, bn. — Despotisme, o.

Desprez (.7.) = Jean d\Outre-Meuse, 1338-1398, Luik. Kronijkschrij-ver.

dessert, o. (-en). Nagerecht. Destanberg: {N.), 1829-1875, Gent. Hoofdopsteller van 't dagblad De Stad Gent. Liedjes. Blijspelen. Drama's. //. van Peene en zijne werken (verhandeling bekroond, 1858).

detaelieeren, bw. detacheerde, heeft gedetacheerd. Losmaken. Afzonderen. Afzenden. — Detacheme7it, o. (-en). Afgezonden troep soldaten.

Detaille {E. J. B.), 1848, Parijs. Schilder van veldslagen.

deugd, v. (-en). « Eene genegenheid der ziel, door dewelke de mensch weldoet.» De deugden worden, volgens hunne natuur, verdeeld in natuurlijke en bovennatuurlijke deugden. (De bovennatuurlijke, in goddelijke en zedelijke). De natuurlijke deugden kunnen door de natuurlijke begaafdheid der ziel of door herhaalde oefening aangewonnen worden. Zij vermogen slechts natuurlijke werken en natuurlijke verdiensten voort te brengen. De bovennatuurlijke, gaan al de krachten der schepselen te boven en worden slechts door eene loutere goedheid Gods rechtstreeks ingestort. Zij maken ons bekwaam om bovennatuurlijke werken te verrichten en den hemel te verdienen. De goddelijke deugden zijn : « deze drie : Geloof, Hoop en Liefde, zoo genoemd, omdat zij van God alleen zijn ingestort en eigenlijk alleen met God bezig zijn. » De zedelijke (regelen en schikken 's menschen handelwijze in den dienst van God) deugden : voorzichtigheid, rechtvaardigheid, sterkte en matigheid. Vroomheid. Eerbaarheid. Krachten : de deugden der planten. Innerlijke waarde. Duurzaamheid. Voordeel, goed: dat zal u deugd doen. Van den nood eene deugd maken : tegen zijnen zin tot iets besluiten. — Deugdelijk, bn. bijw. Echt. Waar. Rechtmatig. Braaf, deugdzaam. Ongemeen goed : deugdelijke stof. — Deugdelijkheid, v. — Deugdzaam, bn. bijw. Vol deugd. Goede zeden bezittende. — Deugdzaamheid, v.

deiigen, ow. deugd»', heeft gedeugd. Deugdzaam, braaf zijn. Dienstig zijn (tot). Niet deugen : zich slecht gedragen, een slecht hait bezitten. Dit geld deugt niet, is buiten koers. — Deugniet, ra. en v. (-en). Onzedelijk, slecht raensch. Zeer stoute knaap. — Deugnieterij, v. (-en). Guitenstreek.

denk, v. (-en). Holligheid in eene gladde oppervlakte (door eenen stoot ver-


-

ocr page 160

— 136 —

DIAM

DICH

oorzaakt). — Deuken, bw. deukte, heeft gedeukt.

' deuu, bn. bijw. Inhalig. Gierig, Korzelig. Het ziet er deun (armoedig) uit bij hem. — Deun he id, v. — Deuntjes, bijw. Karig. Gierig. Ellendig.

m. (-en). Zangwijze. Liedje. Om den deun : uit de grap. — Deunen, ow. deunde, beeft gedeund. Neuriën. Schertsen.

«lenr, v. (-en). Sluiting (van hout, enz.) aan huizen, enz. Ingang. De winter staat voor de deur, is nabij. Al et d^ deur in het huis vallen : plotseling niet iets voor den dag komen. — Deurgat,o. (-en^. — Deur-openivg,\. (-en).— Deurwaarder,m. (-s). Gerechtelijke beambte, die de getuigen oproepr. de akten bekendmaakt, de vonnissen uiivoert, enz. — Deuriraarder-schap, o. — Deurwachter, m. (-s). Portier. (Middel.) Voorname ambtenaar aan 's graven hof, veelal een edelman van afkomst.

«loutel, m. (-s). Wig. Klink, deuvikstter, m. (-s). Eene soort van koek. De deuvekater, tw. : drommels!

m. (-en). Tap (van eene ton). — Dein'tken, bw. deuvik te, beeft t^edeu-vikf. Dorden tap, zonder kraan aftappen.

o. (. zen). Zinspreuk. Leus. Wissel op hot buitenland.

«lovool, bn. bijw. Vroom. Godsdienstig. .— Devotie, v.

«lewelUe, betr. vnw. — Deze, aanw. vnw. — Dezelfde* aanw. vnw. — DelzeLve, aanw. vnw. — Dezulke, aanw. vnw. dcwUlgt; vw. Omdat.

distconie. v. (-ën). Kerkelijk armbestuur — Diaken, m. (-en, -s^. Arrmvrzor-per. Die met het diakonaat bekleed is. — Diakonaat, o. De tweede der groote orden in de h. Kerk. De macht om den priester in de mis allernaast bij te staan, het Evangelie te zingen, en, is men van b''hoorliike toelating voorzien, om te prediken, te doo-pen, de h. Communie te geven. — Dia' kon es, v. (-sen). Armverzorgster. Godvruchtige vrouw (uit de eerste tijden der h. Kerk) aangesteld om weduwen en maagden te verzorgen. — Diakenschap, o.

dindeem. m. (..eraen). (Eert.) Band van linnen, wol of zijde, dat vorsten zich om het hoofd wonden. Thans : hoofdversiersel, hoofdsieraad, haarband. Hoofdwrong van Perzische vorsten. Koningskroon.

di:ig:nofte, v. (-n). Ziektenleer naar kenti'i'kenen. Onderscheiding van gclijk-vormi^e of verwante begrippen.

di:tB:oiiaal, v. (..alen). Lijn, welke twee t« genoverelkander staande hoekpunten verbindt.

disamp;Icct, o. (-en). Tongval. Gewest-spraak.

dialoog:, m. (..ogen). Tweespraak. Sam. nspraak. — Dialogisch, bn. Bij wijze van tweespraak.

dimiiant, o. (stof); m. (steen) (-en). Het hardste, zuiverste, schitterendste en kostbaarste edelgesteente, vooral tc vinden in Brazilië en ludië en bestaande uit zuivere gekristalliseerde koolstof. Diamanten kunnen alleen door middel van hun eigen poeder gesneden en geslepen worden. Er zijn waterheldere, witte, gele, groene, n.zenroode, bruine en grijsachtig zwarte diamanten. Uiterst zelden nebben zij donkere sch.ikeeringen. De diamanten, vooral als zij geslepen zijn, hebben een groot bre-kings- en een sterk kleurschiftend vermogen, d. i. zij verstrooien de verschillende lichtstralen wijduiteen en fiieruit ontstaat het eigenaardig kleurenspel, 't welk men diamantglans noemt. Deze fonkelende glans, welke door de ggt; slepen vakj» s U rug-gekaatst, den geheelen steen doordringt en tintelende stralen i.aar alle richtingen uit-

a. Rosetvorm. b B-.-Hlantvorin. c. Regent: de groote dia mant der Pr a n -sche kroon, die door den regent Filip van Orleans werd aangekocht en op eene waarde van omtrent 12 millioen frank geschat wordt.

schiet, noemt men vuur; de helderheid en doorzichtigheid, 7vater. Diamanten, welke volkomen doorzichtig en helder zijn, noemt men diamanten van 't zuiverste of van 't eerste water; diamanten, welke hier en daar donkere wolkjes of vedertjes vertoonen,diamanten van 't tweede water; diamanten, die eene grijze, gele, bruine ot' zwartachtige tint hebben, diamanten van 't derde water. — Diamanten, bn. — Dia ?n a n tslijpen, o. — Diamant slijper, m. (-s). — Dia mant slijp ster, v. (-s). — Dia 7n a n tslijp er ij, v. (-en).

disamotei*, m. (-s). Middellijn van eenen cirkel.

diarrlice, v. Buikloop.

diclit, o. (-en). Gedicht. —Dichtader^


ocr page 161

— 137 —

DIEP

DIEF

v. (-en). Aanlog tot dichten. — Dichten,

bw. dichtte, heeft gedicht. Verzen maken. In dichtmaat behandelen. Verzinnen. — Dichter, tu. (-s). — Dichteres, v. ( sen). — Dichterlijk, bn. bijw. — Dichtgenootschap, o. (-pen). —Dichtkunst, v. Deuit-drukkinpvan het schoone bij middel van het woord. Zie Kunst en Poëzie. — Dichtluim^ v. (-en). — Dichtlust, m. — Dichtmaat* v. (..aten). Maat der verzen. Vers. — Dicht-regel, m. (-s). — Dichtstuk, o. (-ken). Gedicht. Veis. — Dichtvuur, o. — Dicht-TJüerk, o. (-en).

diclit, bn. bijw. Vast, gedrongen. Samengeperst, zwaar. Dik. Nabij. Dicht bosch, met veel hoornen bezet. Ineengedrongen : dicht schrift. Hard : het sneeuwt dicht. Dicht zaaien : goed bezaaien Ge-heimhouilend : zoo dicht als een pot. Toe : de deur is dicht. — Dichtdoen, bw. deed dicht, heeft dichtgedaan. — Dichten, bw. dichtte, heeft eedicht. Dichtmaken. — Dichtheid, v. Vastheid. Het tjoed gesloten zijn. Geheimhouding. Talrijkheid. Nabijheid. (Nat.) Dichtheid van een lichaam : de massa, die de eenheid van zijn volumen bevat. De betrekkelijke dichtheid alleen, d.. i. de hoeveelheid stof, die een lichaam bij eeliik volumen met betrekking tot een ander lichaam bevat, kan bepaald worden. Dat ander lichaam is : voor de vaste lichamen en de vocht- n. het gedistilleerd water bij eene temperatuur van 40; voor de gassen, de luc t. — Dichtmaken, bw. maakte dicht, heeft dichtgemaakt. — Dichtsluiten. bw. sloot dicht, heeft dichtgesloten.

lgt;ilt;'k4kiiH {C.), 1812-1870, Portsmouth. Humoristisch romanschrijver. Schreef ware volksboeken, uit't volksleven geput: David ■Copperfield; Great expectations; Our tnutual friend.

diofator, m. (-s). (Rom. gesch.) Alee-meen bevelvoerder (voor bepaalden tijd). Onbeperkte beheerscher in dagen vaa gevaar. — Dictatuur, v. Waardigheid van dictator.

«liot^eren, bw. dicteerde, heeft gedicteerd. Voorzeggen. Ingeven. — Dictaat, o. (..aten).

Igt;ilt;lerot(Zgt;.).i7i3-i784,Langres (Cham pagne). Fr. letterkundige en wijsgeer. Stichtte met d'Alembert de Fr. Encyclopedie.

fgt;ilt;lon (//.), 1840, Touvet (Isère). Dominicaan Fr k.-inselredenaar en schrijver. Vie de Jêsus-Christ.

«lic. Aanw. en betr. vnw.

«liect, o. Te onderhouden regel (inz. in spijs en drank).

m. (..ven). Die iem. iets ontneemt in zijne afwezigheid en zonder zijn weten. Vezel van verkoolde pit, die de kaars doet afloopen. — Diejachti^,hn. bijw. Genegen tot diefstal. Snoeplustig. Steelswijs. — Dief-dchtigheid, v. — Diefstal, m. (-len), dief te, v. (-n). De daad van stelen. — Dievegge, v. (-n). Meisje of vrouw, die steelt. — Dieven, bw. diefde, heeft gediefd. Stelen. — Dievenbende, v. (-n). — Dievengespuis, o. — 'Dievenjacht, v. — Dievenlantaren, ..lantaarn, v. (-s). — Dievenleider, tn. (-s). Politiedienaar. —

Dievenrot, o. (-ten). — Dieventaal, v. Taal der gauwdieven, landloopers, bedelaars onder elkander. — Dievery, v. (-en). Diefstal.

«lioifonc, aanw. vnw.

«lieiuit, o. (-en). Zekere katoenen stof.

— Diemiten, bn.

bijw. Wat die zaak

betreft.

«lieuaar, ra. (-s, ..aren). Ondergeschikte. Beambte. Knecht. Priester : de dienaar Gods. Woord van beleefdheid : uw dienaar, mijnheer! De dienaren der politie. Die door iets beheerscht wordt : een dienaar der zonde. — Dienares, v. (-sen). — Diender, m. (-s). Gerechtsdienaar. Politieagent. — Dienen, bw. ow. diende, heeft gediend. Iem. dienen is hem erkennen gelijk, hij is en alles doen wat er behoort om hem zoo te erkennen. Nuttig, dienstig zijn (t«t) : zijn vaderland dienen. In dienst zijn. Bij iem. dienen (als knecht of meid). Antwoorden : daarop zal ik u dienen. Behooren : gij dient te weten. Dat dient mij, komt mij van pas. (Briefstijl) ; deze dient om u te melden. — Dienst, ra. (-en). Verrichting ten behoeve of ten nutte eens «anderen. Bijstand. Kerkdienst. Krijgsdienst. Bemiddeling : iem. zijne goede diensten aanbieden. Dienst neme 1 (als soldaat). De korporaal van dienst, die do wacht heeft. - Dienstbaar, bn. Dienende. Ondergeschikt. Een volk dienstbaar maken, onderwerpen.— Dienstbaarheid, v. Schatplichtigheid. Verslaving. — Dienstbode, ra. en v. (-n). Knecht, meid.—Dienstdoend.hn.

— Dienstig, bn. Kunnende dienen. Nuttig. Geschikt, Gunstig : dienstige wind. — Dienstigheid, v. — Dienstknecht, ra. (-en).

— Dienstmaagd, v. (-en). — Dienstmeid, v. (-en). — Dienstplichtig, bn. — Dienstplichtigheid, v. — Dienstvaardig, bn. bijw. — Dienstvaardigheid, v. — Dienst' willig, bn. — Dienstwilligheid, v. — Dientafeltje,o. (-s;.

mciitrer (y.), 1818, Hausen (a. d. Möhle). Duitsch wiskundige.

«lionoTereenkoniKfigr, bijw. Volgens ( it of dat. — Dientengevolge, vw. Volgens dit of dat. — Dienvolgens, bijw. Bijgevolg.

«liep, bn. bijw. Hol, ledig tot op zekeren afstand van de oppervlakte. Inzakkende ; diepe gracht. Diep hu s, dat zich ver naar achteren uitstrekt. Vast : diepe slaap. Eaag : diepe buiging. Ingezonken : diepe oogen. Zwaar : diepe rouw. Diep in de zestig : ver in de zestig. In den diepen nacht. Diep in de schulden s'eken. Zijn hoed diep op de oogen drukken. Grondig : diepe kennis. Afgetrokken : diepe gedachten. Levendig . diep gevoel. Het zit er niet diep : hij weet niet veel. — Diep, o. (-en). Diepte. Haven ingang.

— Diepdenkend, bn. — Diepdenkend' heid, v. — Diepen, bw. diepte, heeft

fediept. Diep maken. Baggeren. (Schild.) chaduwen. —ediept. Diep maken. Baggeren. (Schild.) chaduwen. — Dieper, m. (-s). — Diepgang, ra. (Zeew.) Een schip van 20 voet diepgang. — Dieping, v. (-en). — Dieplood, o. (-en). Werktuig om de diepte des waters te peilen. — Diepsel, o. (-s). (Schild.)


ocr page 162

— 138 —

DIER

DIGI

IMcpcnbccok {A. van), 1596-1675, 's HVrtogenbosch, Het mystiek huwelijk van S** Kat har ina; Oordeelvan Salomo.

«lier, bn. Duur. Dierbaar. —Dierbaar, bn. Waard. Kostbaar. Van groote waarde. Geliefden : mijne dierbaren. —Dierbaarheid, v.

dier, o. (-en). (N. W.) Bewerktuigd wezen, van gevoel en vrijwillige beweging voorzien. Het verschil tusschen dier en plant is zeer moeilijk te bepalen. — Redelyk dier : de menscfc. Slecht mensch : hij is maar een dier. — Die rage, o. (s). Leelijk scbrpsH. Ondeugend kina, - Die-renbeachrijver, m. (-s). — Ditsenepos, o. Zie Reinaert. — Dierengevecht, o. ( en). — Dierenkweller, m. (-s). — Dierenriem, m. Zodiak. Denkbeeldige gordel aan den hemel, omstreeks 20° breed, evenwijdig met de ecliptica, die er midden doorgaat. Binnen dezen gordel liggen de loopbanen van alle ons bekende planeten. De dierenriem wordt verdeeld in 12 vakken, teekenen genoemd (de zon doorloopt schijnbaar iedere maand een van deze vakken), van welke ieder 300 van de ecliptica bevat, nl. : Ram, Stier, Tweelingen, Kreeft, Leeuw, Maagd, Weegschaal, Schorpioen, Schutter, Steenbok, Waterman en Visschen. — Dierenrijk, o. Een der drie rijken van de natuur. Men onderscheidt bij de dieren typen, klassen, orden en soorten (die tot geslachten en familiën worden samengevoegd cu ia rassenf verdeeld).

worden gehotsden. — Dierkunde, v. ö© kennis van de dieren, van hunne uitwendige gedaante, van hunnen houw, van hunne leefwijze en van de plaats, die zij ia het stelsel van de bewerkiuig ie lichamen innemen. — Dierlijk, bn. bijw. Tot het dier behoorend. Vleeschelijk. Stoffelijk. — Dierlijkheid, v.

«llersrelQk. Zie Dergelijk.

dies. Zie Pes. il

diöse, v. (-n). Muziekteeken (J^), waardoor eene noot een halven coon verhoogd wordt.

diets, bn. Slechts gebruikt in : iem. iets diets maken, hem wat wijsmaken, hem iets op de mouw spelden.

dietsch, o. Naam van de algameeno schrijf- (en misschien ook spreek)taal van Vlaamsch-België en Nederland van do 12* tot het begin der i6# eeuw. Thans zegt men doorgaans Middelnederlandsch. — Dietsch is etymologisch hetzelfde als Duitsch. Ook komt deze laatste vorm (Mnl, Duutsc) in sommige Belgische en Holland-sche dialecten voor. — Dietsch, bn.

dlfTeronlIastl, v. (..alen). (Wisk.) Oneindig kleine aangroeiing van eene oneindig veranderlijke grootheid.

digestie, v. Spijsvertering. Oplos» sing.

digrsrel, v. (-en, -s). Scherf, difiit^iine, v. Sterk vergift, dat uil zaden en bladeren van 't gewuoa YlPfffs hoedskruid wordt verkregen.


ocr page 163

DING — r

dignitaris, m. (-sen). Waardigheids-bekleeder.

v. ( -en). Deel van 't menschelijk lichaam tusschen heup en knie.

dtf. Pers. vnw. 2® pers.

dQen, ow. dijde, is gednd. Uitzetten. Zwellen.

dUk, m. (-en). Dam van opgeworpen aardeomhet water af tekeeren. —Dijkage, v. (-s). — Dijken, bw. dijkte, heeft gednkt. Eenen dijk opwerpen. Bedijken. — Dijker, m. (-s). — Dijketting-, v. {-en). Het gras langs de dijken. — Dijkgeschotten, o. mv. Vastgestelde lasten voor het onderhoud der dijken door de ingelanden te betalen. — D2fkgraaf,m.{..aiven). Opzichter van eenen polder, van de dijken en de waterwerken. — Dij king, v. (-en). — Dijksbestuur, o. (. .uren). — Dijksbewind, o. — Dijkslasten, m. mv. — Dijkwezen, o. Al wat de dijken en hun bestuur betreft.

dQu. Bezitt. vnw. 2* pers.

dUzifiT, bn. .Mistig. Dampig. Nevelig. — Dyzigheid, v.

dik, bn. bijw. Tegenstelling van dun. Zwaarlijvig : dik man. Gezwollen : dikke wangen. Geronnen : dikke melk. Dicht : dik gebladerte. Groot : dikke uur gaans. De lucht is dik, met regenwolken bezet. Innig : dikke vrienden. Er dik inzitten : rijk zijn. — Dik, o. Bezinksel. Kuit (deel van het been). Door dik en dun, door vuile wegen gaan. — Dikachtig, bn. — Dikbloedig, bn. — Dikbloedigheid, v. — Dikbuik, m. en v. (-en). — Dikbuikig, bn. — Dikheid, v. — Dikken, dikte, h^eft en is gedikt. Bw. Dik maken. Ow. (zijn). Dik wor-.den. — Dikkerd, m. (-s). DikL-e vent of jongen. — Dikkerdje, o. f-s). Mollig kind. J— Dikkoonier, bn. — Dikkop, m. en v. (-pen). — Dikmanls, dikwerf, dikwijls, bijw. Menigwerf. Meermalen. — Dikte, v. (-en). — Dikzak, m. en v. ( ken).

dllem ma,©.(-'s).Tweevoudige stelling. Moeilijk vraay stuk.

dilettant, m. (-en). Liefhebber van muziek. Kunstliefhebber, kunstvriend. — Dilettante, v. (-n). —Dilettantisme, o.

diligrence, v. (-s). Postwagen. Naarstigheid. — Diligent, bn. bijw. Naarstig. quot;Werkzaam.

dillo, v. Éénjarige plant [Anethum gra-veolens) tot de schermbloemieen behoo-rende, wier bladeren en vruchten in de huishouding en in de geneeskunde gebruikt worden. Wordt ook bij ons gekweekt. Bloeit in Juni en Juli.

dille, v. (-n). Buisvormig deel eener Spade enz., waarin de steel wordt bevestigd. diiuinncn«io,lgt;ijw. (Muz.) Afnemend, dinor, o. (-s). Middagmaal. —Dinee-ren, ow. dineerde, heeft gedineerd.

dingr, o. (-en). Voorwerp : wat is dat voor een ding? Zaak : hij bemoeit zich met alle dingen. Alles wat werkelijk bestaat : God schiep alle dingen. Zij is een aardig ding, een lief meisje. Om iets uit te drukken, waarvan men de juiste benaming niet weet: dit ding, hoe heet dat? Rechtsgeding.— Dingbank, v. (-en). Rechtbank. — Dingen, ow. dong, heeft gedongen. Minder bieden. Beknibbelen bij den koop. Naar

► — DISP

iets staan. Pleiten. — Dinger, m. (-s). — Dinging, v. — Dingspel, o. Rechtsgebied. — Dingster, v. (-s). — Dingtaal, v. (..alen). Pleitrede. Gegronde redeneering.

«linadaer, m. (-en). Derde dag der week. — Dinsdags, bijw. — Dinsdagsch, bn.

dioccso, v. f-n), diocees, o. (..esen).

Bisschoppelijk gebied. Bisdom, «lioptriek, v. Doorzichtkunde. diorama, o. (-'s). Schildering, door beweegbaar lichtbeschenen. Uitvinder,Da-guerre.

«liplitliong:, v. (-en). Tweeklank, diploma, o. (-'s). Bewijs van benoeming, aanstelling, lidmaatschap, enz.

diplomaat, m. (..aten). Staatsman met eenigen rang bekleed. Sluw mensch. — Diplomatie, v. Staatkunde. Sluwheid. — Diplomatisch, bn. bijw.

direct, bn. Rechtstreeksch. Directe belastingen, die rechtstreeks geheven worden (als op huisraad, enz.). Bijw. Terstond.

directle,v.(..iën, -s). Bestuur.Toezicht. Richting. — Directeur, m. (-en, -s). Bestuurder. Opziener.

Igt;iricksens {J. J.) = {E. Zetternam), 1826-1855, Antwerpen. Zedenschetsen : Mijnheer Luchiervelde (bekroond, 1848); Simon Cokkermoes (bekroond, 1850).

Igt;irk. Zie volgreeks der regeerende vorsten.

dirk, v. (-en). (Zeew.) Toppenant. — Dirkjesfeer, v. (..eren).

IMrks (Z. A), 1840-1887, = [Pater Maastricht. Min derbroeder-recollect. Letterkundige. Redenaar. Taalkundige.

diseals. m. (-en). Karmeliet.

diitcli, m. (..sschen). (Eert) Ronde schijf bij zekere lichaamsoefeningen gebruikt. (Later) Ronde tafel. (Thans) Tafel,

— Dischgenoot, m. (-en). — Dischgenoote, v. (-n).

discant, m. (-en). (Muz.) Boventoon, discipel, m. (-s, -en). Leerling. Volgeling. Apothekershelper of leerling. — Dts-cipelin, v. (-nen).

discipline, v. Tucht. — Disciplineeren, bw. disciplineerde, heeft geaiscipli-neerd. Onder tucht brengen. Oefenen. Africhten.

disconto, o. Vergoeding, welke men voor de vervroegde betaling eener eerst later opvorderbare geldsom, ontvangt. — Disconteeren, bw. disconteerde, heeft gedisconteerd. Afrekenen.

diHConrs, o. (-en). Gesprek, onderhoud. Redevoering.

diticrcet, bn. bijw. Bescheiden. Zedig.

— Discretie, v. Bescheidenheid. Verstand, onderscheid, oordeel.

diHCiisHie, v. (..iën, -s). Overweeing. Beraadslaging.Woor :enwisseling. —Discu~ te eren, bw. ow. discuteerde, heeft gediscuteerd.

diNpcnsatle, v. (. iën, -s). Ontheffing, vrijstelling (van een wettelijk gebod). — Dispenseeren, bw. dispenseerde, heeft gedisnenseerd.

dUpnut, o. (..uten). Twist. Krakeel,


ocr page 164

— 140 —

DOEN

DOCH

Redetwist. — Dispufeereitt ow. dispute ■'de, heeft gedisputeerd.

(/?.) ={^raaf Beaconsji^ld), 1804 1881, Londen. Leider der conservatieve partij. Romanschrijver. Vnu'an Grey (1827I ; Voting' Duke (1830) ; Tancred or the new crusade (1847) ; Loih nr.

di.Hiiol, ra. ( s). Soort van kiommebijl. «ümmoI, ra. (-s). Houten staak, waarmede men den wagen bestuurt.

v. (..iën, -s). Geleerde verhandeling. Proefschrift van eenen student tot de Academische graden.

«ÜMlel, v. (-s). Naam van een aantal kruidachtige planten, die in 't wild groeien en stekelachtige bladeren voortbrengen, wier doornen geinakkt-lijk in de huid dringen, Onaangenaamheid. Moeilijkheid. — Diste lach fix. bn. — Distelen, ow. dist -Ide, heelt gedistcld. Harrewarren. Vitten. Dwarsdrijven. — Disteli^, bn. Vol dis-telen. Netelig. Weerbarstig. — Distel-vink, ra. (-en). {Fringilla cardnelis). Behoort tot de familie der koorneters onder de vogels. Munt uit door zijne fraaie vederen en zijn liefdijken zang.

bw. ow. distilleerde, heeft gedistilleerd. Overhalen. Stoken. Branden. —Distilleerketel, ra. (-s).

«liMtriof, o. (-en). Eene van 's lands onderverdeelingen (in 1789ingevigt;» r l, thans arrondissement). — Dis t/ iets co m m isi ans, m. ( sen).

dit. Aanw. vnw. — Dït-en-datsch, bn. Die dit en-datsche, die duivelsche jongen.

— Ditje, o. (-s). Er is een d:tje en een datje aan : er is iets op aan te nierken. — Ditmaal, bijw. Voord«*/.en keer.

b v diverteerde, heeft gediverteeid. Vcrlusügea. — Divertissement, o. (-en).

divi«lciilt;l, o. (-en). Winst (op aandee-len). Zuiver overschot.

diviMie, v. (..ië . -s). Deeling. Verdeeldheid, oneenighcid. Lcger-vlooiafdee-Ung. Zie Leger.

lgt;Js*mlgt;i. Zie Sumatra,

lgt;j2t|gt;arsamp;. Zie Java.

D jokjoksirf :i. Zie Java,

dol»l»ellt;'ii, lt;gt;w. deb i-Id heeft gedobbeld. Met doubclsteenen spelen Grof spelen. Ongelukkig dobbelen : tegenspoed hebben. — Dobbel, ra. Het dobbelen. Grof spel. — Dobbelaar, ra. (-s, ..aren). — Dobbelaarster, v. ( s). — Dobbelary, v. ( en).

— Dobbelbeker, ra. (-s). — D bbel/coes, m. (..zen). — Dobbelspel, o. (-len). — Dobbelsteen, ra. (-en). Teerling. — Dobbel-tafel, v. (-s). — Dobbelziek, bn.

dobber, m. (-s). Sim (i® art.). Boei (iBart.). Bootje, üe dobbers : bossen riet om te leeren zwemmen. — Dobberen, ow. dobberde, heeft gedobberd. Op en neer gaan (in 't water). Zwalken. — Dobbering, v.

docccrcn, bw. ow. Onderwijzen. Leeren (eene wetenschap). — Docenttvci. (-en).

— Docentenvereenipmg, v.

doelgt;,vw. Maar. Nochtans.

doeliler, v. (-s). Kind van hetvrouwc-

lijk geslacht, ten opzichte van vad t en mot der. — Dochter/ten, o, (-s); dockterke, o. ( s). Jong meisje. — Dochterlief, v. Lieve dochter. — Dochterskind, o. ( eren).

— Doch tersnt'i n, m.

d4»c*l4»r, m. (-en). Titel van den hoog-sten ;icademischen gra d e^ner faculteit.

doelriustir, bn. Bekro.n|)en. Hardnekkig.— Doctrinaiien, ra. mv. i)e doctrinaire partij, naam eener siaatLu digo partij.

dlt;»cuineigt;tf, o. ( en). Oorkonde. Bewijsstuk. Bescheid.

lgt;«Mid {Cr. J.), 1821-1888, Antwerpen. Weikend lid der K. VI. Academie. T-wee vrienden (bekroond, 1865) ; Gedichten (1871) ; Novellen (187 5).

dodlt;lci*i|f, bn. bijw. Slaperig. Sufferig.

— Dodderigheid, v.

«lodüiioii, bw. dodijnde, heeft gedo-dijnd. In slaap wiegen.

lgt;4»dlt;»lt;'iiN (A'.), 1517-1585, Mechelen. Kruidku-dige. Cruydehorrk 11554) ; Stir-pium his to rice ltbr i XX.\' [ 158 \).

d4»«llt;»oi*, m. en v. ( en). V dsi^ mensch. doedel, m. (-s), dovdelxxik, m. (-ken). Blaasinstrument, bestaande uit een lederen zak, waarin de speler door een daaraan bevestigde pijp lucht blaast Uu d- n zak stroomt de lucht in eene van zes of acht toongaten veorziene schalmei. Gewoonlijk zijn nog eenige pijpen aan den zak aangebracht, die in denzelfden toon blijven ruisc'ien.

door bn. Drukkend, zeer warm (van het weder).

doelt. o. (de stof). Alle geweven stof. Lijnwaad. Schilderstuk. VI ig, m. ( en). Reg 1 natie i/edt cite vaneen gro ter stuk stof afgi noin n tot een bepaa d gebruik (zakdoek, enz.). Luur. Wi idsel. - D» ken, bw. doekte, heeft gedoekt. Met doek bezetten. Blinddoeken. Bedriegen. — Docker, m. (-s). —Doeking, v. — Doekster, v. (-s).

doel, o. en m. M:kpunt. Oogmerk.

— Doelen, m. (-s). Plaats, waar men naar het wit schiet. ^— Doelen, ow. doeld ', heeft gedoeld. Streven (naar). Op iets doelen : iets beoogen. — Doelmatig, bn. bijw. Geschikt ora het doel te bereiken. — Doelmatigheid, v. — Doeltreffend, bn. bijw — Doelwit, o. Doel.

doemen, bw. doem le, heeft gedoemd. Vero^rdeelen. — Doemenswaardig, bn. bijw. — Doe me r, m. (-s). — Doeming, v. (-en). — Doemster, v. ( s). — Doemvonnis, o. (-sen). — Doemwaardig, bn. bijw. — Doegt;//waardigheid, v. — Doeuizacht, v.

doen, bw. ow. deed, heeft gedaan. Verrichten : wat komt gij hier doen? Wat heeft hij daarmee te doen : wat raakt hem dat? Uitoefenen : recht doen. Bewijzen : hulde doen. Afl'ggen ; eed doen. Een gebed doen. Steken : de meid doet twee vogels aan het sp t. Bidden : eene koord aan dj bel doen. Sciie ikeu : hij doet veel aan den arme. Wegvagen : doe het vuil wat weg. Gieten : w iter bij zijnen wijn doen. Mengen : melk door 't meel doen. Sluiten : de koeien in denstal doen. Wegleggen : doe al uw bo-ken in de kist. Gebruiken ; gij zijt wel ziek. doet gij daar niets voor? Handelen : hij doet in koloniale


ocr page 165

— 141 —

DOMI

DOL

waren. Zaken doen : handel drijven. Bescheid doen : iemands dronk beantwoorden. Eenen jongen op het kllt; ermaken doen : hem het kleermaken laten leeren. Tem. doen verhuizen : de huur opleggen. Wat doet het buiten, regent het? 't En doet ; neen.

doon, o. Gewone wijze van handelen. Iemands doen en laten nagaan ; zijnen handel en wandel bespieden. Hij zit in een goed doen, in eene beklante nering. — Doener, m. ( s). — Doeniet, m. en v. (-en).

— Dornhig, v. Verrchting. Gedoen. — Doenlijk, bn. bijw. Uitvoerbaar.—Doenlijkheid, v.

doetje, o: (-s). Eenvoudige, onnoozele vrouw of nu isje. 't Is een doetje, een onnoo-zelim-nsch, wien men alles kan wijsmaken.

do* xflon, bw. doezelde, heeft gedoezeld M t drooge verf telkenen. — Doeze-laar, m. (-s). Een aan een stokje bevestigd stukje zacht leer, enz. om met droge verf te teekenen. — Doezeling, v. (-en).

dof', bn. bijw. Niet glanzig : doffe kleur. Gesmoord ; dof geluid. Dof gemompel : onverstaanbaar geluid. Dof maken : den glans ontnemen. Verdooven : den geest dof maken. — Doffis, bn. — Doffigkeid, v.

— Dofheid, v.

dof, m ( fen). Riemslag, Vuistslag. Stoot. — Doffen, bw. dolte, heeft gedirft. Ronzen. Stouten. — Doffer, m. (-s). Die stoot Ma'.n-tje van eene duif. — Doft, v. (-en». Roei: ank.

do;?, m. ( g'*n). Zie Hond.

m. {-s). Titel van den hoogsten nvei lu idspe soon in de voormalige rtrpu-blii-krn van Venetië en G«-nua.

dosrsfer, m. ( s). Kabeljauw. — Dogger, m. (-s), doggerboot, v. (en). Vaartuig om ter vischvangst, inz. van den kabel-iauw te gaan. — Doggersbank, v. Zandbank in de Noordzee (tus-chen Denemarken en Engeland). Zeeslag tusschen d^ Engel-sche Uoot onder den alt;imirrtal Parker en de N« derlandsche ouder d^n scbouL-bij-riacht Zoutman (1781).

dojfiiisk, n (-'s, -ta). Leerstelsel, leer-siuk. (ivloufsleer, geloospunt. — dogmatiek, v. Vaststelling en beschrijving der kerkelijke geloofsleer. Kennis van het dogma. — Dogmatisch, bn. bijw. Leer-stedig.

doK, o. (-ken). Besloten® plaats om schepni tegen weer en wind te beveiligen.

— Dokken, dokte, heeft gedokt Bw. In het dok halen. Betalen. Uw. In het dok liggen.

dok. v. ( ken). Stroowisch, die men tusschen eene dakpan steekt, welke met kalk besmeerd is.

dokter, m. (-s, doctoren). Geneesheer.

— Dokteren, ow. dokterde, heeft gedokterd. De geneeskunst uitoefenen. Vaak eenen geneesheer raadplegen. — Doktersgang, m. Bezof k van den geneesheer. Mijn gang is geen doktersgang, kost geen geld. — Doktersrekening, v. (-en).

dol, bn. bijw. Zinneloos. Woedend. Razend. — Doldriest, bn. — Doldriftig, bn. Onbodacbt. — Dolgraag, bn. bjjw. Zeer graag. — Dolhamer, m. ^-s).

— Dolheid, v. (..heden). — Dolhuis, o. (..zen). — Dolkop, m. en v. (-pen). Onberaden mensch. — Dolkoppig, bn. bijw. — Dolle-hondsbeet, m. (..eten).

— m. (-nen, -s) Wild mensch.

— Dollemanspraat, in. — Dollen, dolde, heeft gedold. Ow. Razen. Vo« r den gek houden. Bw. Eenen os dollen, doodslaan.

— Dollepraat, m. — Doth^heid, v. (..heden). — Dolzinnig, bn. bijw. Onbezonnen. — Dolzinnigheid, v. (..heden).

dol, m. (-len). Roeipen (aan eene boot), dolee, bijw. (Muz.) Zacht. — Dolce far niente : het zoete niets doen.

dolen, ow. doolde, heeft gedoold. Dwalen. — Doling, v. (-en). — Doolhof, m. (..ven). — Doolweg, m. (..egen).

dolfijn, m. (-en). De dolfijnen behoo-ren tot de walvischachtige zoogdieren en maken daarvan eene afdeeling uit, die zeer talrijk in soorten is en die men in aile zeeën en in sommige rivieren aantreft.

dolik, v. Volksnaam van 't zwartkoorn, ook paa dsbloemen en wilde weit geheeten.

dolk. m. ( en). Stalen steekwapen, met tweesnijdend of driekantig lemmet en scherp.- punt. Grievend leed. — Dolkmes, o. (-sen).

dolkrnid, o. Volksnaam der zwarte

nachtschade.

dollnr, m. ( s). Zie Tabel der munten. lgt;ollmgt;tgt;. Golf tusschen Groningen en Friesland

dollekerrel, v. Vergiftige scherm-bloenrge plant, die in moerassige veenstre-ken, aan de kanten van slooten, vaarten, enz. groeit.

Igt;öilinsrer {J. J. Tï, 179gt;i8qo, Bamberg. I )uusch godg leerde, 't Hoofd der Oud-katholieken (slt; dert het concilie van 't Vaticaan). Verklaarde zich voor de scheiding van Staat en Kerk.

dolniun, m. (-s). Kort onderkleed met afhangende mouwen onder den pels (bij de Hongaarsche huzaren).

dolmen, v. (-s). Gedenkteeken uit den voortij 1, uit opgerichte groote steenklompen bestaande.

doloroNo, bijw. (Muz.). Smartelijk, dom, v. ( men). Naaf van een wiel. dom, m. (domkerken). Bisschoppelijke keik. Toren eener hoofdkerk. — Domheery m. (-en). Kanunnik.— Domproost, m. (-en).

dom, bn. bijw. Beperkt van oordeelskracht. Zonder begrip. — Domheid, v. — Domkop, m. en v. \-pen). Dom mensch.— Dommerik, m. (-en), domoor, m. (-en). Dom mensch. — Dommigheid, v. ( .heden). Domme streek.

domein, o. (-en). Goed, dat het land of eenen vorst in eigendom toebehoort. Gebied : domein der kunst. Bevoegdheid ; dat behoort niet tot zijn domein.

domicilie, o. (..iën, -sj. Wettig woonverblijf.

dominante, v. (Muz.). Hoofdtoon.

Groote quint.

dominee, ra. (-s). Predikant (bij d« Hervormden. — Domineesbriefje, o, (-s). Lijstje dar predikbeurieu. — Domineesklontje, o. (-•).

domlnecreu, owgt; domineerde, heelt


ocr page 166

DOND — i

gedomineerd. Heerschen. Bovenuitsteken : dit kasteel domineert heel de stad.

Doiuinioiiü (/;.), 1170-1221, Calaroga (Spanje). Zie Rozenkrans. Stichtte de orde der Dominicanen (1213-1215). Werd heilig verklaard door Gregorius ÏX. — Dominicaan, m. (..anen). Lid der orde van den h. Dominicus. Predikt het woord Gods. aan het volk. {Predikheer, Preekheer). Beroemde mannen : Gel. Albertus de Groote, h. Thomas van Aquino, Cajeta-nus. h. Raymundus van Pennafort. h. Antoninus, Alexander Noël, Lacordaire, Fra Angelico, Fra Bartolommeo. Benevens een tweehondcrtal heiligen en gelukzaligen en ontelbare martelaren heeft deze orde vier Pausen voortgebracht : Innocentius V, Benedictus XI, Pius V, Benedictus XIII, 85 kardinalen en een groot aantal bisschoppen. Zie Orde.

clomiuo, m. (-'s). Maskerademantel.

domino, o. (-'s). Spel met langwerpige platte schijven van ivoor of been.

«loniiiK'kmolit, v. (-en). Werktuig om zware lasten op te winden. Dom mensch. «lommvl, m. Bedwelming, «lommeloii, ow. bw. dommelde, heeft gedommeld. Mompelen. Gonzen. Vermengen. Dutten. — Dommelaart m. (-s). — JDommehng, v.

«lompelen, dompolde, heeft gedompeld. Bw. In of onder water steken. lem. in ellt-nde dompelen. Ow. Sukkelen. —Dom-Jgt;elciar, m. (-s). — Dompeling, v. (-en).

«lompen, bw. dompte, heeft gedompt-Uitdooven. Afkoelen. Laten zakken (een stuk geschut). — Domper, m. (-s). Tuig om kaarsen uit te doovcn. Bevorderaar van domheid.

€l o m 1» I gr, bn. Somber. Vochtig.—Dom-

fighetd, v.

«lompneun, m. en v. (..zen). Die

cenen stompneus heeft.

1gt;oiiuu. De grootste stroom van Europa (2,900kilom.). Ontstaatinhet Schwarzwald en ontlast zich door drie armen in de Zwarte Zee.

«Ion«Ier, m. ( s). Knetterend geluid, dat men bij het bliksemen hoort. — Donderaar, m. Jupiter. (-$). Plager. — Donder-blad, o., donderbaard, v. Volksnaam van h-1 huislook. — Donderdag, m. (-en). Vijfde dag der week. — Donderdagss, bijw-

— Donderdagsch, bn. — Donderen, donderde, heeft gedonderd. Eeupw. Drukt het knetterend geluid uit, dat men bij het bliksemen hoort. 0\~ Het donderen van het geschut. De He ƒ donderde van uit den hemel. Razen. Tieren. Bw. Met geweld smijten : iem. van de trappen donderen. —

— Donderjagen, bw. donderjaagde, heeft gedonderjaagd. Plagen. — Donderkruid, o. Plan'enflfslacht, uk de familie der samengestcldbloemigen, die éenjarige kruiden omvat, welke veelal geneeskrachtige eigenschappen bezitten. — Donders, bijw. -— Donder sch, bn. — Donder scherm, o. «n m. (-en). Bliksenjafleider. — Donder-

m.(-en).— Dondervlaag, v. (..agen). /— Donderwolk, v. (-en).

.Donders [F. C.), 1818-1889, Tilburg.

\2 DOOD

Geneesheer. De baanbreker en leider dep nieuwere ophthalmologie.

Donizetti (£?.), 1797-1848, Bergamo. It. componist. Anna Bolena (1831); Lucia diLammertnoor (1835) ; La JilLe du régiment (1840); la Favorite.

Donkelaur (^.), 1783-1858, Vleuten. Kruidkundige.

donker, bn. bijw. Tegenstelling van licht, helder. Donkere kamer. Zwartachtig : donkere kleur. Betrokken : donkere lucht. Onzeker : donkere toekomst. Onduidelijk : donkere woorden. Droevig ; het ziet er donker uit voor hem. — Donkert o. In het donker rondtasten. — Donker-blatiw, bn. — Donkerbruin, bn. — Donkergeel, bn. — Donkergrauw, bn. — Donkergrijs, bn. — Donkergroen, bn. — Donkerheid, v. — Donkerrood, bn. — Donkerte, v.

dons, o. De fijnste vederen. Bed of kussen (van zulke vederen). Het fijnste meel. —Domen, bn. — Donzig, bn.

lgt;ony [J. J. D.), 1759-1819, Luik. Ontdekte het zink in den metalen staat.

dood, m. en v. Scheiding der ziel vau het lichaam, waardoor het licnaam beroofd wordt van het levamp;n. m. (-en). Duizen4 dooden sterven. Getrouw tct in den dood. Tegen den dood is geen kruid gewassen. — Dood, bn. Gestorven, levenloos, ontzield. Uitgedoofd : doode haard. Blind : zijn oog is dood. Ongevoelig ; zijn voet was dood (sliep). Vergeten : die zaak is thans doou. Stilstaand : dood water. Doode taal : taal, die niet meer gesproken wordt. Dood vleesch : wild vleesch. Dood hout : droog hout. Dood kapitaal, dat renteloos ligt. De Doode Zee (in Palestina). Doode hand, duidt aan, dat de goederen, welke aan kerken, kloosters of liefdadige gestichten, toebehooren, onvervreemdbaar zijn en aan 't verkeer onttrokken worden. — Doodaf, bijw. Doodmoede. — Doodarm, bn. Zeer arm. — Doodbedaard, doodsbedaard, bn. bijw. Zeer bedaard.— Doodbloeden, ow. bloedde dood, is doodgebloed. Sterven door bloedverlies. — Dooddoen, bw. deed dood, heeft doodgedaan. Dooden. — Dooddoener, m. (-s). — Doode, m. en v. (-n). — Üoadeen-voudig, bn. bijw. Zeer eenvoudig. —Dood~ eetster, v. (-s). Ledigloopster. — D00de-kop, v. Engelsch rood, rood ijjEeroxyde. — Doodelyk, bn. bijw. Den dood veroorzakende. Uitermate. — Doodelykheid, v. — Dooden, bw. doodde, heeft gedood. Doen sterven. Slachten. Verdrijven : den tijd dooden. Onderdrukken : zijne lusten dooden.— Doodendans, m. (-en-). Zinnebeeldige voorstelling van de heerschappij des doods over 't menschdom. — iDoodenmarsch, m. (-en). Marsch, bij het begraven van eenen krijgsman,enz.—Doodenverklikkert m. (-s). Lijkbidder — Dooder, m. (-s). — Doodeter, m. (-s). Lediglooper. Oud nutteloos paard. — Dood familiaar, bn. bijw. Zeer familiaar. — Doodgaan, ow. ging dood, is doodgegaan. Sterven. — Doodingt v. (-en). — Doodjagen, bw. jaagde dood, heeft doodgejaagd: ook, joeg dood. Zoo jagen (een paard), dat het aan de gevolgea


ocr page 167

DOOP —i

sterft. — Doodjammer, bn. Zeer jammer.

— Doodloopen, liep dood, heeft en is dood-geloopen. Bw. Zoo hard (een paard) laten loopen, dat het dood nedervalt. Ow. Ten einde loopen. — Doodmoe (de), bn. Zeer moede. — Doodnuchter, bn. Zeer nuchter. — Doodsangst, m. (-en). Angst van het stervensuur. Groote angst. — Doodsbeenderen, o. mv. —Doodsbenauwd, bn. Zeer benauwd. — Doodsbleek, bn. — Doodsch, bn. Akelig. Naar. Eenzaam. — Doodschheid, v. — Dondschieien, bw. schoot dood, heeft doodgeschoten. Met een vuurwapen, enz. dooden. — Doodsge-Daar, o. (..aren). Gevaar, datap.n den dood blootstelt. Groot gevaar. — Doodshoofd, o. (-en). — Doodskleury v. — Doodskop, m. (-pen). — Doodslaan, bw. sloeg dood, heeft doodgeslagen. Door slaan dooden. Stempels vernietigen (van obligatiën, enz.).

— Doodslag, m. (-en). — Doodslager, m. (-s). — Doodsnood, m. Het zieltogen. Groote nood. —Doodsschrik, m. — Doodsslaap, m. — Doodssnik, ra. — DoodssH d, m. — Doodsstrijd, m. — Doodsstuip^ v. (-en). — Doodsteken, bw. stak dood, neeft doodgestoken. Met een scherp werktuig dooden. — Doodsteker, ra. (-s). — Dood-ster, v. (-s). — Doodstil, bn. Zoo stil als de dood. Zwijgend. — Doodstraf, v. (-fen). — Doodstroom, 't Is hier doodstroom ; hier is niets te doen, is geene bedrijvigheid. — Doodsuur, o. — Doodszweet, o. — Doodverf, v. Grondverf. Eerste aanleg. — Doodverven, bw. dood verfde, heelt gedoodverfd. De grondverf leggen. Aanlegt?en. — Doodvyand, m. (-en). Ergste, hatelijkste vijand. — Doodvijandin, v (-nen). — Doodvijandschap, v. — Doodvreetster, v. (-s). Doodeetster.

— Doodvreter, ra. (-s). — Doodzei len, bw. zeilde dood, heeft doodgezeild. Ontzeilen : het tij doodzeilen. — Doodziek, bn. Doodelijk ziek. — Doodzonde, v. (-n). « Eene zonde zóo strijdende ♦egen de wet Gods. dat zij ons geneellijk berooft van de goddelijke liefde, die het leven onzer zielen is ». — Doodzwijgen, bw. zweeg dood, heeft doodgezwegen.

door, bn. bijw. Van 't gehoor beroofd. Hardboorig. Uitgedoofd: doove kool. Verstijfd : zijne vingers zijn doof van de koude.

— Doofachtig, bn. — Doofachtigheid, v.

— Doofheid, v. — Doofpot, m. (-ten). Pot, waarin men kolen, enz. dooft. Klein vertrek. Kleine vesting. — Doofstom, bn. Is doofstom, die noch spreken kan noch hoeren. — Doofstomme, ra. en v. (-n). — Doofstommen-instituut, o. (..uten).

dooi, ra. Het losgaan van bevrozen water. Dooiweder. — Dooien, eenpw. dooide, heeft gedooid. Losgaan, smelten (van iets, dat bevrozen is). — Dooiweder, ..weer, o.

dooier, ra. (-s). Het geel van het ei.

doolc.v. fdoken). (Zeew.) Kram.

doop, v. Saus.

doop, m. Doopsel. — Doopceel, v.

3 — DOOR

(-en). — Doopeling, m. en v. (-en). — Doo' óelinge, v. (-n). — Doopen, bw. doopte, neeftgedoopt. Indompelen. Door het Doopsel tot Christen wijden. Eenen naam geven. Wijn doopen, er water onder mengen. — Dooper, ra. (-s). Die doopt. De h. Joannes de Dooper : de wegbereider des Zaligmakers. — Doophek, o. (-ken). — Dooping, v. (-en). — Doopkind, o. (-eren). Kind, dat men ten doop houdt of gehouden heeft. — Doopsel, o. « Het eerste en noodigste Sacrament, in hetwelk door de uitwendige wassching en de aanroeping van de h. Drievuldigheid, de mensch gezuiverd wordt van alle zonden ». — Doopsgezind, bn. — Doopsgezinde, m. en v. (-n). Aanhanger eener godsdienstige secte, leerende, dat de volwassenen moeten herdoopt worden. — Doopvont, v. (-en). Groot watervat in de kerken, waaruit men het h. Doopsel toedient.

door, ra. en o*. (-en). Dooier.

door. Vz. Dient gemeenlijk om eene beweging aan te duiden, die de bestand-deelen eener zaak van elkander scheidt. Door elkander : het eene meer, het andere minder. Door een land reizen. Door zijne vijanden gedood. Bljw. Iets of iem. door en door (terdege) kennen. Hij is door en door koud, zeer koud. De zweer is door, doorgebroken. Zijne schoenen zijn door, open. Het kan er waarlijk niet door : het is te erg om het toe te laten. — Door-ademen {\) (Sch.) Ow. Aanh. ademen. (Onsch.) Bw. Door ademen doen scheuren.

— Doorademing, v. — Dooraderen (Onsch.) Bw. — Hoorantwoorden (Sch.) Ow. Aanh. antwoorden. — Door aar bei den (Sch.) Ow. Aanh. arbeiden. — Doorbabbelen (Sch.) Ow. Aanh. babbelen. — Door-ba ff en (Sch.) Ow. Aanh. haffen. — Door-baggeren (Sch.). Ow. Aanh. baggeren. Bw. Door baggeren openen. — Doorbakeren (Sch.^ Ow. Aanh. bakeren. — Doorbakken (Sch.). Ow. Aanh. bakken. Bw. Door bakken openen. (Onsch.) Bw. Terdege bakken. — Doorbakken, bn.— Door-balken (Sch.) Ow. Aanh. balken. —Doorbarsten (Sch.) Ow. (zijn) Aanh. barsten. Door barsten vaneenscheuren. — Door-bauwen (Sch.) Ow. Aanh. schreeuwen. — Doorbeenen (Sch.) Ow. Aanh. beenen. —-Doorbeieren (Sch.) Ow. Aanh. beieren. — Doorbeitelen (Sch.). Ow. Aanh. beitelen. Bw. Door beitelen openen of beschadigen.

— Ooorbellen (Sch.) Ow. Aanh. beilen. Doorbellen stuk maken. — Doorbersten. Zie Doorbarsten. — Doorbeuken (Sch.). Ow. Aanh. beuken. Bw. Door beuken openen, kwetsen. — Doorbidden (Sch.) Bw. Aanh. bidden. — Doorbijten (Sch). Ow. Aanh. bijten. Bw. Stuk bijlen. Eens begonnen, moet men doorbijten, de zaak voortzetten. — Doorbikkelen (Sch.). Ow. Aanh, bikkelen. Bw. Door bikkelen stuk maken.

— Doorbiljarten (Sch.) Ow. Aanh. biljart spelen. —Doorbladeren 'Sch. en onsch.) Ow. Bw. Aanh. bladeren. Vluchtig doorle-


(i) De hier volgende onz. werkw., waarbij geen hulpwerkwoord is aangeduid* Worden vervoegd met hebben.

ocr page 168

DOOR — i,

Ken. — Doorhladeritig, v. —Dnorhlaffen (Sch.) Ovv. Aanh. blaffen. — Doorblmen (Sch.). Ow. Aanh. blazen. Bw. Doorblazen openen. Ergen-? doorheen blazen. — Doorbitksemen. (Sch.). Eenpw. Aanh. bliksemen. — Doorbloeden (Sch.) Ow. Aanh. bloeden. — D^orblokken (Sch.) Ow. Aanh blokken. — Dooi boenen (Sch.). Ow. Aanh. boenen. Bw. Door boenen openen, kwetsen. —Doorboren (Sch.). Ow. Aanh. boren. Bw. Door boren openen, stuk maken. (Onsch.) Bw. 1 gt;olt;»tsteken. Een schip doorboren, in den ^rond schieten. Dat doorboort mij het hart : grieft mij innig. — Doorboring, v. (-en). — Doorbomven (Sch.). Ow. Aanh. bouwen. — Doorbraden (Sch.*. Ow. Aanh. brfden. Bw. Door lang te laten braden stuk m.'ken. (Onsch.) Bw. Ter dege braden. — Doorbraden, bn. — Doorbranden (Sch.). Ow. Aanh. branden. (zijn) Duor en door branden. Bw. Door branden openen, verdeelen. — Doorbreien (Sch.). Ow. Aanh. brt ien. Bw. Door breien wonden.—Doorbreken (Sch.Onsch.) Ow. Aanh. breken, (zijn) Brekende opengaan, of eene opening maken. Zich door breken eenen weg banen. Bw. In stukken breken. — Doorbraak, v. (..aken). — Doorbreking, v. (-en). — Doorbrengen (Sch.) O.v. Aanh. brengen. Bw. Verkwisten : zijn vermogen doorbrengen. S'ijten : den tijd doorbreng- n. — Doorbrenger, m. (■s). — Doorbrengtng, v. — Doorbrengster, v. (-s). — Doorbuigen (Sch.). Ow. Aanh. buigen, (zijn) Zich onder eenen last krommen. Bw. Buigende breken. — Doordampen (Sch.). Ow. Aanh. dampen, ook tabak rooken. — Doordansen ( ch.) Ow. Aanh. dansen. Bw. Door dansen verslijten, wonden.

«loor«lat, vw. Doordien.

«loordcelen (Sch.) Ow. Aanh. dee-len. Bw. Deelende scheiden. — Doordenken (Sch.). Ow. Aanh. denken. Over i'-ts denken. (Onsch.) Bw. Terdege over iets nadenken.

doordien, vw. Daar. Dewijl. doordol»«gt;ol4'ii (Sch.). Ow. Aanh. dobbelen. Bw. Door dobbelen breken, scheuren. — Doordoen (Sch.). Ow. Aanh. doen. Bw. Doorhalen. Doorbreken. Doorsnijden. — Door dooien (Sch.). Eenpw. Aanh. dooien. Ow. Dooiende breken. — Door doppen (Sch.) Ow. Aanh. doppen. — Doordraaien (Sch.). Ow. Aanh. draaien. Bw. Door draaien breken, wonden. Zich er doordraaien, eruithelpen.— Doordraaier, ra. ( s). —Doordragen (Sch.) Ow. Aanh-dragen. Bw. Door dragen slijten, breken. Ronddragen. — Doordraven (Sch.). Ow. Aanh draven. Onbesuisd voorthollen. In het wild redeneeren of handelen. Ergens doorheen draven. Bw. Door draven openen, stuk maken. — Doordraaf ster, v. (-s)_. — Door draver, m. (-s). — D o or dr averif, v. — Doordreggen (Sch.) Ow. (hebben en zijn). Slippen, springen (gezegd van het anker). —Door drentelen (Sch ). Ow. (zijn) Aanh. drentelen. Bw. Drentelende door-loopen. —Doordreunen (Sch.). Ow. Aanh. dreunen. Bw. Zijn gedreun door iets heen verspreiden. — Doordrijven (Sch.). Ow.

^ — DOOR

Aanh. drijven, (zijn) Door eent. plaats

drijven. Driftig worden (van schepen). Bw. Doorzetten. Doen aannemen. — Doordrijf ster, v. (-s). — Doordry ver9 m. (-s). —Door dry very, v. (-en). — Doordry ving, v. (-en). — Doordringen (Sch,), Ow. Aanh. dringen. In weerwil van alle beletselen tot stand brengen, (zijn) Ergens doorheen dringen. Bw. Door dringen breken of stuk maken. (Onsch.) Door alle dealen heen dringen. — Doordringbaar, bn. — Doordringbaarheid, v. — De o r dringe lijk, bn. — Doordringend, bn,

— Doordringendheid v. — Doordringer, m. (-s). —Doordrinken (Sch.) Ow. Aanh, drinken. — Door droog, bn. Terdege droog.

— Doordroovien (Sch.) Ow. Aanh. droo-men. — Doordruipen (Sch.\ Ow. (zijn) Door iets druipen. Zich -tilletjrs verwijderen. — Door druiping, v. — Doordrukken (Sch.). Ow. Aanh. drukken. Bw. Door iets heen drukken. Door drukken wonden. — Doordrukking, v. — Doordutten (Sch.) Ow. Aanh. dutten. —Doorduwen (Sch.), Ow. Aanh. duwen. Bw. Duwende breken.

dooreen, bijw. Het een onder het ander (gemengil, gerekend). Ondereen, Zonder onderscheid. {Dooreen is scheidbaar in al de samengestelde werkwoorden).

— Dooreengooien, bw. — Dooreengroeien, ow. (zijn). — Dooreenhaspelen, bw, — Dooreen ja gen, bw.— Dooreen kl ut sen, b w. —Dooreenkneden,hvj.— Door een knoeien t bw. — Dooreenkoken, bw. — Dooreenloo-pen, ow. (zijn). — Dooreenmengen, bw. — Dooreenroeren, bw. —Dooreensckeuken, bw. —Dooreenschudden, bw. — Dooreen-slaan, bw. — Door eenslinger en, bw. — Dooreenslingering, v. — Dooreensmyten, bw. — Door eenstrooien, bw. — Dooreen-vlechten, bw. — Dooreen u-arren, bw.— Dooreenwerken, bw. — Dooreenwerpen, bw. — Dooreenwoelen, ow.

dooreerlUk. bn. Zeer eerlijk.

dooreten (Sch ). Ow. Aanh. eten. Bw. Doorvreten. — Doorgaan (Sch.). Ow. Aanh. gaan. Snel gaan. Dit huis gaat door, komt in de straat uit. Algemeen waar of van kracht zijn. (zij..) Voortgaan : die wagen gaat snel door. Door eene plaats enz. gaan. Stil weggaan, wegloopen. Op hol gaan. Toegestaan, aangenomen worden. Totstandkomen. Voortgang hebben : De zaak gaat door. Gehouden worden (voor). Bw. Door gaan openen, slijten, wonden. Vluchtig doorzien. Doorloopen. Inzien. Nazien. — Doorgaans, bijw. Gewoonlijk. — Doorgang, m. (-en). Het gaan (door). Plaats, waar men doorheen gaat. Het schijnbaar voorbijgaan over de zonneschijf van Mercurius en Venus, wanneer zij zich tusschen deze schijf en het oog des waarnemers (hier op aarde geplaatst) bevinden. — Doorgalmen (Sch.). Ow. Aanh. galmen. (Onsch.) Bw. De horens doorgalmden het bosch. — Doorgeleerd, bn. Zeer geleerd. — Doorgeven (Sch.). Ow. Aanh. geven. Bw. Iets ergens doorheen geven.— Doorgieten (Sch.). Ow. Aanh. gieten. Bw. Ergens doorheen gieten. — Doorgieting, v. —Doorgisten(Sch.) Ow.Aanh. gisten.Sterk gisten. — Doorglyden (Sch ). Ow. (zijn)


ocr page 169

DOOR — r

Aanh. glijden. Bw. Door glijden openen, monden. — Doorglippen (Sch.) Ow. (zijn) Aanh. glippen. Onbemerkt doorgaan, doorgrovtl, bn. Zeer goed. door|ffooleii(Sch.) .O w. Aanh .gooien. Bw. Door gooien breken. — Doorgraven (Sch.). Ow. Aanh. graven. Bw. Door graven openen. (Onsch.) Bw. Door en door graven. — Doorgraving, v. (-en). — Doorgrieven (Onsch.)Ow.lnnigKrieven.—Doorgroeien (Sch.) Ow. (zijn) Ergens doorheen groeien.— Doorgronden (Onsch.) Bw. Den

frond van iets onderzoeken .Grondig leeren ennen.—rond van iets onderzoeken .Grondig leeren ennen.— Doorgr onding, v. — Doorhage-/(ffw(Sch.). Eenp.Ow.Aanh.hagelen. Ergt ns dooi heen hagelen. — Doorhakken (Sch.). Ow. Aanh. hakken. Bw. Door hakken scheiden. — Doorhakking, v. (-en). — Doorhalen (Sch.). Ow. Aanh. halen. Bw. Ergens doorheen halen. Linnengoed doorhalen : door blauws cl wat er h^len Vlas doorhalen. Papier doorhalen. Een woord doorhalen, er eene schrap door doen. Een

fgt;roccs winnen. Gij zult het er wt 1 doorha-en : gij zult uw doel wel bereiken. De zieke zal het er wel doorhalen, zal herstellen. Berispen. —gt;roccs winnen. Gij zult het er wt 1 doorha-en : gij zult uw doel wel bereiken. De zieke zal het er wel doorhalen, zal herstellen. Berispen. — Doorhaling, v. (-en).— Door happen (Sch.). Ow. Aanh. happen. Bw. Door happen scheiden.

doorhoeu, bijw. Door iets heen. Door en door.

«loorlieet, bn. Zeer heet. doorhelpen (Sch.). Ow. Aanh. helpen. Moeilijkheden doen te boven komen. — Doorhengelen (Sch.) Ow. Aanh. hengelen. — Doorhoesten (Sch.). Ow. Aanh. hoesten. Bw. Door hoesten openen. — Doorhouwen (Sch.). Ow. Aanh. houwen. Bw. Door bouwen scheiden. — Doorhuppelen (Sch.). Ow. Aanh. huppelen. Bw. Door huppelen stuk maken, verslijten. — Door hutselen (Sch.). Ow. Aanh. hutselen. Bw. Terdege hutselen. — Doorijlen (Sch.). Ow. Aanh. ijlen, (zijn) Ergers doorheen ijlen. — Doorjagen (och.). Ow. Aanh. jagen. Ergens doorheen jagen. Bw. Door jagen breken, enz. Verkwisten. — Doorj'assen (Sch.) O w. Aanh. jassen .IJ verig arbeiden. — Doorkaaien (Sch.) Ow. (zijn) (Zeew.) Dreigen om te slaan. — Doorkaat-sen (Scü.). Ow. Aanh.kaatsen. Onsch. Bw. Door kaatsen wonden, enz.— Doorkakelen (Sch.) Ow. Aanh. kakelen. — Doorkallen (Sch.) Ow. Aanh. kallen. — Door kammen (Sch.). Ow. Aanh. kammen. Bw. Door kammen stuk maken, wonden. — Door-karnen (Sch.). Ow. Aanh. karnen. Bw. Terdege karnen. — Doorkeffen (Sch.) Ow. Aanh. keffen. — Doorkegelen (Sch.). Ow. Aanh. kegelen. Bw. Door kegelen stuk maken. — Doorkennen (Sch.) Ow. Aanh. kermen. — Doorkerven (Sch.). Ow. Aanh. kerven. Bw. Door kerven verdeelen, wonden.—Doorkeuvelen (Sch.)Ow.Aanh. keuvelen. — Doorkijken (Sch.). Ow. Aanh. kijken. Bw. Ergens doorheen kijken. (Onsch.) Bw. Met de oogen dooiloopen. Van alle kanten beschouwen. — Doorkyven (Sch.) Ow. Aanh. kijven. —Doorklauwen (Sch.) Ow. Aanh. klauwen. Voortrennen (van paarden). — Door klauwer, m. ( s). — Doorkleinzen (Sch.) Zie Doorzijgen. —

; — DOOR

Doorklieven (Sch.). Ow. Aanh. klieveir, Bw. Door klieven verdeelen, stuk maken. (Onsch.) Bw. De vogeldoorklieft de lucht.— Doorklinken(Sch.) Ow.Aanh.klinken. Bw. Terdege klinken.! Onsch.)Bw. Klank ge\ en: zijn gezang doorklonk het geheele huis. — Doorklooven 'Sch. en onsch.) Ow. Aanh. klooven. Bw. In stukken klooven. — Doorkloppen (Sch.). Ow. Aanh. kloppen. Bw. Terdege kloppen. — Doorkluiven (Sch.) Ow. Aanh. kluiven.— Doorklutsen (Sch.). Ow. Aanh. klutsen. Bw. Dooreenklutsen. — Doorknabbclen (Sch.). Ow. Aanh.knabbelen. Bw. Door knabbelen stuk maken. — Doorknagen (Sch.). Ow. Aanh. knagen.-(Onsch.) Bw. Door knagen stuk maken. — Door knauwen (Sch.). Ow. Aanh. knauwen. Bw. Docr knauwen stuk maken. — Doorkneden (Sch.). Ow. Aanh. kneden» Bw. Terdege kneden. Knedende vermengen. Door kneden verwonden. — Doorkneed, bn. Goed bedreven (in). — Door-kneedheid, v. —Doorknippen (Sch.). Ow. Aanh. knippen. Bw. Knippende vaneen-scheiden. — Doorkoken (Sch.) Ow. Aanh. koken. Terdege koken. — Doorkolven (Sch.). Ow. Aanh. kolven. Bw. Doorkolven stuk maken. — Doorkomen (Sch.) Ow. (zijn) Aanh komen.Ergens doorheen komen. Doorgelaten worden : gij komt hier niet door. Schijnen : de zon komt niet door. De koorts kwam niet door, vertoonde zich in lichten graad. Hij zal er nog doorkomen, herstellen. Hij leeft alsof er geen doorkomen aan was. — Doorkomst, v. — Door-koopen (Sch.) Ow. Aanh. koopen. doorkoud, bn. Zeer koud. doorkoutcn (Sch.) Ow. Aanh. kouten.— Doorkraaien (Sch.) Ow. Aanh. kraaien. — Doorkrabbelen, dooi krabben (Sch.). Ow. Aanh. krabb. Bw. Doorkrabb. stuk maken, wonden. — Doorkrakeelen (Sch.) Ow. Aanh. krakeelen. — Doorkra-ken (SchJ. Ow. Aanh. kraken. Bw. Door kraken breken. — Doorkregen (Sch.). Ow. Aanh. krijgen. Bw. Door iets heen krijgen. Slagen (in). Doen aannemen.—Doorkronkelen (Sch.) Ow. Aann. kronkelen. Ergens doorheen kronkelen.

doorkruid, bn. Door en door gekruid.

doorkruien (Sch.). Ow.Aanh. kruien. Bw. Door kruien stuk maken, wonden. — Doorkruipen (Sch.). (zijn) Ow. Aanh. kruipen.Ergens doorheen kruipen. Bw. Door kruipen stukmaken, wonden. (Onsch.) Bw. Langzaam doorgaan. Langzaam doorsnuffelen. — Doorkruisen (Sch.) Bw. Aanh. kruisen, doorhalen. (Onsch.) Bereizen. Doorloopen.

doorkuiKlig:, bn. Zeer kundig. doork^velU-u (Sch.)Ow Aanh. kwellen. (zijn) Zachtj.s doorloopen (van water) : het water kwelt hier en daar door. —Doorlachen (Sch.) Ow. Aanh. lachen. — Doorlangen(Sch.)Bw Doorreiken.—Doorlappen (Sch.). Ow. Aanh. lappen. Bw. Door lappen wonden. Verkwisten. — Doorlaten (Sch.) Bw. lem. of iets ergens doorheen laten. — Door laat,n\. (..aten). Nauwo watergang in of ondereenen dijk. — Doorlating, v. — Doorlaveeren (Sch.) Ow.


ocr page 170

DOOR — ]

Aanh. laveeren. (zijn) Ergens doorheen Javeeren. — Door leer en (Sch.). Ow. Aanh. leeren. Bw. Tot het einde toe leeren. — Doorleggen (Sch.). Ow. Aanh. leggen. Bw. Ergens overheen leggen. — Doorleiden (Sch.) Bw. Ergens doorheen leiden. — Doorleiding, v. — Door leiding, v. (Muz.) Elke loop van het thema door de stemmen heen. V[illedigt wanneer alle •temmen daaraan deelnemen. Onvolledig, wanneer niet alle stemmen het thema aanvoeren. — Doorlekken (Sch.) Eenpw. Ow. Aanh. lekken. Ergens doorheen lekken. — Doorleppen (Sch.) Ow. Aanh. leppen.— Doorleven (Sch.) Ow. Aanh. leven. (Onsch.) Bw. Levend dooi brengen. Ondervinden : rampen, enz. doorleven. — Doorleveren (Sch.) Ow. Aanh. leveren. — Doorlezen (Sch.). Ow. Aanh. lezen. (Sch. en onsch.) Bw. Van het begin tot het einde lezen. Terdege lezen. — Doorlezing, v. — Doorlichten (Sch.). Eenpw. Ow. Aanh. lichten, weerlichten. Bw. Door iets heen tillen. — Doorliggen (Sch.). Ow. Aanh. liggen. Bw. Door liggen openen, wonden.

— Doorloodsen (Sch.). Ow. Aanh. loodsen. Ergens doorheen loodsen. Bw. Door loodsen stuk maken, wonden. — Doorlooien (Sch.). Ow. (zyw voor de plaatsverandering, hebben voor het voortzetten derhandeling). Aanh. loopen. Ergens doorheen loopen. Bw. Door looj-en verslijten, wonden. Lezende onderzoeken. (Onsch.) Bw. Van het eene einde tot het andere loopen. Vluchtig beschouwen. — Doorloop, m. (-en). Doorgang. Buikloop. — Doorloopend, bn. Onafgebroken : doorloopend verhaal. Onbepaald : doorloopei a krediet. — Doorlos-sen (Sch.). Ow. Aanh. lossen. — Door-loten (Sch.). Ow. Aanh.loten. — Doorlouteren (Sch.). Bw. Door en door louteren.

doorluclit, doorliiolitlg:, bn. Goed luchtig. De lucht doorlatende. Doorschijnend. Aanzienlijk. Achtbaar. — Doorluchtigheid, v. Doorschiinendheid (..heden) Aanzienlijkheid. Achtoaarheid. Hoogadellijke afkomst.

doormsalOD (Sch.). Ow. Aanh. malen. Bw. Door malen breken, wonden.

— Doormarcheer en (Sch.). Ow. Aanh. marcheeren. (zijn) Ergens doorheen mar-cheeren. — Doorniarsch, ra. t-en). — Doormelken (Sch.) Ow. Aanh melken. — Doormengen (Sch.). Ow. Aanh. mengen. Bw. Door en door mengen. (Onsrh.) Bw. Een leven met goed en kwaad doormengd.

— Doormenging,v.—Doormesteu (Onsch.) Bw. Behoorlijk of door en door mesten. — Doormeten (Sch.). Ow. Aanh. meten. Bw.

Metende scheiden. — (Sch.)

Ow.Aanh.mijmeren (Onsch.)Bw. Hij doormijmerde gansche nachten. — Doormtsten (Sch.) Eenpw. Ow. Aanh. misten. — Door-morsen (Sch.). Ow. Aanh. morsen. — Doormunten (Sch.). Ow. Aanh. munten. Bw. Door muntefi vaneenscheiden, stuk maken.

«loom, m. (-en), doren, m. (-s). Stekel, die uit hot hout komt en dwars door de schors gaat. Scheme punt aan den rand der bladeren van distels, enz. (Vest.) Helling. Punt, die in het hecht van een mes gaat.

[b — DOOR

Beletsel. Hinderpaal. Verdrietelijkheid. — Doornachtig, bn. — Doornappel, m. (-en, -s). Plantengeslacht {datura), tot de familie der nachtschaden behoorende.Eénesoort {d. stramonium), een verdoovend-vergif gewas, is bij ons bekend. Groeit op onbebouwde plaatsen, mesthoopen en langs wegen, Bloeit van luli tot Sept. — Doornen^ bn. — Doornenkroon, v. (..onen). — Doornig, bn.

«lo«rnaalen(Sch.).Ow. Aanh.naaien. Bw. Door naaien wonden. (Onsch.) Bw. Terdege naaien. — Doornagelen (Onsch.) Door nagelen stuk maken. Met nagels doorboren. — Doorna^eling, v.

doornat, bn.Zeer nat. — Doornatten (Onsch.) Bw. Door en door nat maken.

doornemen (Sch.). Ow. Aanh. nemen. Bw. Berispen. — Doorneuzen (Sch. en Onsch.) Bw. Doorsnuft.den. — Door-niezen (Sch.). Ow. Aanh. niezen. — Door-mjpen (Sch.). Ow. Aanh. nijpen. Bw. Door nijpen verwonden. — Doornommeren (Sch.). Ow. Aanh. nommeren. — Dooro-Itën (Sch.). Ow. Aanh. oliën. Terdege oliën. — Doorpakken (Sch.). Ow. Aanh. pakken. Bw. Door pakken wonden. — Doorpappen (Sch.). Ow. Aanh. pappen. Bw. Door pappen open maken. — Doorpeinzen (Sch.) Ow.Aanh. peinzen. (Onsch.) Bw. Peinzende doorbrengen. — Doorpeilen (Sch.). Ow. Aanh. pellen. — D orpen-nen (Sch.*. Ow. Aanh. pennen. — Doorpeperen (Sch.). Ow. Aanh. peperen. — Doorpersen\$ch.). Ow. Aanh. persen. Bw. Door persen openmaken, breken, wonden.

— Doorpersing, v. (-en). — Doorpeuteren (Sch.).ów. Aanh. peuteren. Bw. Door peuteren stuk maken. — Door peuzelen (Sch.). Ow. Aanh. peuzelen. —Doornikken (Sch.). Ow. Aanh. pikken. Bw. Pikkende openmaken, wonden. — Doorploegen (Sch.). Ow. Aanh. ploegen. Bw. Doorploegen openen, stuk maken. — Doorplooten (Sch.) Ow. Aanh. plooien. Bw. Door plooien wonden.

— Doorplukken (Sch.). Ow. Aanh. plukken. Bw. Door plukken wonden. — Do«r-poetsen (Sch.). Ow. Aanh. poetsen. Bw. Door poetsen wonden. — Doorpompen (Sch.). Ow. Aanh. pompen. Bw. Door pompen wonden. — Doorpraten (Sch.). Ow. Aanh. praten. — Doorpreeken (Sch.). Ow. Aanh. preeken.— Doorpriemen (Sch. en Oüsch.) Bw. Door en doorpriemen. — Doorprikken (Sch ). Ow. Aanh. prikken. Bw. Door prikken openen, wonden. — Doorpruimen (Sch.). Ow. Aanh. pruimen. Voortgaan met eten. — Doorraken (Sch.). Ow. (zijn) Door eene plaats of opening raken. Hij is er door geraakt (bij een examen), ook ; hij is ontsnapt. — Doorram-meien (Sch.). Ow. Aanh. rammeien. — Doorrammelen (Sch.). Ow. Aanh. rammelen. — Doorrazen (Sch,). Ow. Aanh. razen. — Door redeneer en (Sch.). Ow. Aanh. redeneeren.—Doorregenen (Sch.). Eenpw. ow. Aanh. regenen. Door eene opening regenen, (zijn) Door den regen nat of doordrongen worden.— Doorreiken (Sch.). Bw. Ergens doorheen reiken. — Doorreizen (Sch.) Bw. Ergens doorheen reizen. (Sch.) en Onsch.) Bw.Reizende doortrekken. In all»


ocr page 171

DOOR — l-

■richtingen reizen. — Doorreis, v. (..zen).

— Doorrekenen (Sch.) Ow. Aanh.rekenen. 13w. Ten einde toe rekenen. — Doorrennen (Sch.). Ow. Aanh. rennen, (zijn) Ergens doorheen rennen. — Doorreutelen (Sch.). Ow. Aanh. reutelen- — Doorrijden (Sch.). Ow. Aanh. rijden, (zijn) Érgens doorheen rijden. Bw. (Sch. en Onsch.) Rijderde verslijten, wonden. — Doorrijgen (Sch.). Ow. Aanh. rijgen. Door iets heen rijgen. Bw. (Sch. en Onsch.) Doorsteken. — Doorrijmen (Sch.). Ow. Aanh. rijmen.

doorrUPi hn. Terdege rijp.

doorrliteii (Sch.). Bw. Doorscheuren. — Doorroeien (Sch ). Ow. Aanh. roeien, (zijn) Ergens doorheen roeien. — Doorroepen (Sch.). Ow. Aanh. roepen. — Doorroeren (Sch.). Ow. Aanh. roeren. Bw. Terdege roeren. — doorroesten (Sch.) Ow. (zijn) Door den roest gescheiden, verteerd worden. — Doorroffelen (Sch.).Ow. Aanh. roffelen. — Doorrollen (Sch.). Ow. Aanh. rollen. (zijn) Ergens doorheen rollen. — Doorronken (Sch.). Ow. Aanh. ronken. — Doorrooken (Sch.). Ow. Aanh. rookee. Rook geven. Bw. Terdege rooken. Bw. (Sch. en Onsch.) Geheel met rook doortrekken. — Doorrooker, m. (-s). — Doorrossen (Sch.). Ow. Aanh. rossen. — Doorrotten (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. rotten. Door rotten opengaan of gescheiden worden. — Doorruischen (Sch.). Ow. Aanh. '■uischen. Bw. (Onsch.) De wind doorruischte de boomen. — Doorrtikken (Sch.). Ow. Aanh. rukken, (zijn) Ergens doorheen rukken. Bw. Door rukken breken, wonden. — Doorschaven (Sch.). Ow. Aanh. schaven. Bw. Terdege schaven. Door schaven vaneenscheiden, wonden. —

— Dnorschellen (Sch.). Ow. Aanh. schellen. Bw. Door schellen breken. — Doorschemeren (Sch.). Eenpw. Ow. (zijnen hebben) Aanh. schemeren. Ergens doorheen schemeren, — Doorschepen (Sch.). Ow. Aanh. schepen. Bw. Te scheep door eene pleats vervoeren. —Door sch* ppen (Sch.). Ow. Aanh. scheppen. — Doorscheren (Sch.). Ow. Aanh. scheren. — Door-schermen (Sch.). Ow. Aanh.schennen. — Door-schertsen (Sch.). Ow. Aanh. schertsen. — Doorscheuren (Sch.). Ow. (hebben en zijn) Aanh. scheuren. Bw. In stukken, in tweeën scheuren. (Onsch.) Bw. Dit doorscheurde mij het hart (van verdriet, enz.) — Doorschieten (Sch.). Ow. Aanh. schieten, (zijn) Groeien (van planten, enz.) Ergens doorheen schieten. Bw. De weefspoel doorschieten. De kaarten doorschieten. (Onsch.) Bw. Met een schot ter aarde vellen. Een boek met wit papier doorschieten.

— Doorschijnen (Sch.). Ow. Aanh. schijnen. Ergens doorheen schijnen. (Onsch ) Bw. Ten volle beschijnen. —- Doorschijnend, bn. 't Licht doorlatende. — Doorschijnendheid, v. — Doorschilderen (Sch.) Ow. Aanh. schilderen. — Doorschoppen (Sch.). Ow. Bw. Aanh. schoppen. Ergens doorheen schoppen. )ocr schoppen stuk maken, wonden. — Doorschouwen (Sch.). Ow. Aanh. schouwen. — Doorschrabben (Sch.). Ow. Aanh. schrabben.

1 — DOOR

Bw. Eene schrab door iets halen. Door schrabben wonden. — Doorschransen (Sch.). Ow. Voortgaan met schransen. — Doorschrappen (Sch.). Ow. Aanh. schrappen. Bw. Doorhalen. — Door schrapping, v. (-en). — Doorschrapsel, o. (-s). — Door-schreeuwen (Sch.). Ow. Aanh. schreeuwen. — Doorschreien (Sch.). Ow. Aanh. schreien. — Doorschrijven (Sch.). Ow. Aanh. schrijven. Bw. Ten einde toe schrijven. Door schrijven breken, wonden. — Doorschrobben (Sch.). Ow. Aanh. schrobben. Bw. Door schrobben slijten, wonden. — Doorschudden (Sch.). Ow. Aanh. schudden. Bw. Dooreenschudden. — Doorschuiven (Sch.). Ow. Aanh. schuiven. — schuren (Sch.). Ow. Aanh. schuren. Bw. Door schuren stuk maken, wonden. — Doorschutten (Sch.). Ow. Bw. Aanh. schutten. Ergens doorheen schutten. — Doorseinen (Sch.). Ow.Voott ïaan met seinen. — Doorsijpelen (Sch.). Ow. (hebben en zijn) Onmerkbaar dooi trekken (van vochten), — Doorsissen (Sch.). Ow. Aanh. sissen. — Doorsjouwen (Sch.). Ow. Aanh. sjouwen. — Doorslaan (Sch.). Ow. Aanh. slaan. Eene vloeistof doorlaten. Alles zeggen wat voor den mond komt. Te viervoetspringen. (zijn) Doordringen.Overhellen : de balans slaat door. Bw. Door slaan eene opening maken, breken, wonden. Doorbrengen, verkwisten. Schielijk afdoen. Eieren doorslaan. Uitspoelen : linnen doorslaan. Zich doorslaan, ww. Zich eenen weg banen (door den Door

slaand, bn. Afdoend. Handtastelijk. — Doorslag, m. ( .agen). Werktuig der timmerlieden, enz. waarmede iets doorgeslagen wordt. Gatenplateel. Overwicht (bij het wegen). — Doorslapen (Sch.). Ow. Aanh. slapen. — Doorsleepen (Sch.). Bw. Ergens doorheen sleepen. — Door slempen (Sch.). Ow. Aanh. slempen. — Doorslenteren (Sch.). Ow. Aanh. slenteren. Ergens doorheen slenteren.

doorslepen, bn. Doortrapt. —Door-slepenheid, v.

doorslleren (Sch.). Ow. Aanh. slieren. — Doorslijpen (Sch.). Ow. Aanh. slijpen. Üw. Door slijpen eene opening maken (in). — Doorslijten (Sch.). Ow. (zijn) Door sleten eene opening krijgen. Bw. Een gat maken Tin) door 't gebruik. — Doorslikken (Sch.). Bw. Door slikken binnenkrijgen. — Doorslingeren (Sch.).Ow.Aanh.slingeren. Ergens doorheen slingeren.— Doorslokken (Sch.). Bw. Doorslikken. — Doorslorpen (Sch.)Ow. Aanh. slorpen.Bw.Slorpende in-zwelgen. — Doorsloven (Sch.). Ow. Aanh. sloven.— Doorsluiken^amp;i.'). Ow. Voortgaan met sluiken. Bw. Door eene plaats sluiken. — Doorsluimeren (Sch.). Ow. Aanh. sluimeren. — Doorsluipen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. sluipen. Ergens doorheen sluipen. — Doorsluiping, v. — Doorsrna-len (Sch.^. Ow. Aanh. smalen — Doorsmeden (Sch.). Ow. Aanh. smeden. Bw. Smedende in tweeën scheiden. — Door-smelten (Sch.). Ow. Aanh. smelten, ^zijn) Door en door smelten. Bw. Door smelten scheiden. — Doorsmeulen (Sch.). Ow, Aanh. smeulen. — Do or smijten (Sch.). Ow.


ocr page 172

DOOR — I

Aanh. sratften. Bw. Ergens doorheen smijten. — Doorsmoken iSch.). Ow. Aanh. rocken (tab ik* — Doorsmokkelen (Sch.)-Ow. Aanh. smokkelen. Bw. Heimelijk over de grenzen brengen.— Doorsmuilen (Sch.). Ow. Aanh smullen. — Doorsnappen (Sch.). Ow. Aanh. snappen. — Door sneeuwen (Sch.). Eenpw. Ow. Aanh. sneeuwen. Er-pens doorheen sneeuwen. — Doorsnellen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. snellen. Snel door-loopen.— Doorsnijden (Sch.). Ow. Aanh. snijden. Bw. Door snijden vaneenscheiden. (Orsch.) Bw. In alle richtingen snijden. Overal snijden. — Doorsnede, v. (-n). Het dor rsnijden. Middellijn. Gemiddeld bedrag. In doorsnede, het een door het ander gerekend. — Doorsnijding, v. (-en). — Doorsnikken (Sch.). Ow. Aanh. snikken. — Doorsnoeien (Sch.). Ow. Aanh. snoeien. Bw. In tweeën snoeien. — Doorsnoepen (Sch.). Ow. Aanh. snoepen.

doorsnood, bn. Door en door snood, doorsuorkcn (Sch.). Ow. Aanh. snorken. — Doorsnorren (Sch.). Ow. Aanh. snorren, (zijn) Ergens doorheen snorren. — Doorsnuffelen (Onscli.). Bw. Overal snuffelen. Nauwkeurig onderzoeken. — Door^ snuffelaar, ra. (-s). — Door snuffelaarster, v. (-s). — Doorsnuffeling, v. (-en).— Door snuiven (Sch.). Ow. Aanh. snuiven.

— Doorsollen (Sch.). Ow. Aanh. sollen. Bw. Dooreenschudden. — Doorsparfelm (Sch.). Ow. Aanh. spartelen, (zijn) Ergens doorheen spartelen. — Doorspekken (Onsch.). Bw. Met spek doorsteken. Doormengen. — Doorspelen (Sch.). Ow. Aanh. spelen. Bw. Ten einde toe spelen. — Doorspellen (Sch.). Ow. Aanh. spellen. Bw. Ten einde toe spell n. —Doorspietsen (Sch. en Onsch.) Bw.Meteenespieit)sdoorboren. — Doorspijkeren (Onsch.). Bw. Met spijkers doorboren. — Doorsptnnen (Sch.). Ow. Aanh. spinnen. Bw. Spinnende wonden — Doorspitten (Sch ) Ow. Aanh. spitten. Bw. Door spitten wonden.— Doo^sphjlen (Sch.) Ow. Aanh. splijten, (zijn) Vaieensplijten. Bw. (Sch en Onsch.) Door en door splijten.

— Doorsplijting, v. —Doorspoeden (Sch.). Ow. Aanh.spoeden, (zijn) Ergens doorheen spoeden. — Doorspoelen (Sch.). Ow. Aanh. spoelen. Ergersdoorheen spoelen. Bw. Terdege spoelen. Doorspo- len reinigen. Zijne keel doorspoelen : een borreltje gebruiken.

— Doorspoeling, v, (-en). — Doorspouwen (Sch.). Bw. In tweeën spouwen. — Doorspreken (Sch.). Ow. Aanh. spreken. Met kracht spreken. Het orgel spreekt door. — Doorsprank, v. (..aken). 1 iet geluidgeven der orgelpijpen, eer men speelt. — Doc*'-sprenkelen (Onsch.). Overal besprenkelen.

— Doorspringen (Sch.). Ow. Aanh. springen. Bw. Door springen stuk maken, wonden.— Door sprokkelen (Sch.). Ow. Aanh. sprokk elen. —Doorspuiten (Sch.) O w. A anh. spuiten. Bw. Door spuiten schoonmaken. Spuitende breken. — Doorstaan (Sch.^. Ow. Aanh. staan. Een schip laten doorstaan : de zeilen niet reven. Bw. Door staan verslijten, vonden. (Sch. en Onsch.) .^Jw. Lijden, verduren. — Doorstampen (Sch.). Ow. Aanh. stampen. Bw. Door stampen Stuk maken, wonden. Dooreenstampen.

8 — DOOR

Terdege stampen. — Doorstappen (Sch.^, Ow. Aanh. stappen, (zijn) Ergens doorheen stappen. — Doorsteken (Sch.). Ow. Aanh» steken. Bw. Door steken eene opening maken. Doorgraven. Meteen scherp werktuig vaneenscheiden. lem. iets doorsteken : verwijten. Doorgeslagen : doorgestoken werk. Doorgeprikt: doorgestoken teekenmodel. (Onsch ) Bw. Door en door steken» Door 't lichaam steken. — Doorsteek, m, ( .eken). Het doorsteken. Plaats, waar een dijk, enz. is doorgestoken. — Doorgestoken,hn.— Doorsteker, m. (-s). Strootje, enz. waarmede eene verstopte pijp wordt doorges'oken. — Doorsteking, v. (-'•n). — Doorstempelen (Sch.). Ow. Aanh. stempelen. Bw. Door stempelen stuk maken-. — Doorstevenen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. stevenen. Ergens doorheen stevenen. — Doorstijgen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. stijgen. — Doorstikken (Onsch.). Bw. Door en door stikken. Geheel stikken. — Doorstippen (Sch.). Ow. Voortgaanraet stippen,

— Doorsloffen (Sch.). Ow. Aanh. stoffen.

— Doorstoken (Sch.). Ow. Aanh. stoken. Bw. Door stoken breken, stuk maken.

— Doorstoomen (Sch.). Ow. Voortgaan raet stoomen. (zijn) Ergens doorheen stooracn. — Doorstooten (Sch.). Ow. Voortgaan metstooten. Bw. Door stooten eene opening maken, breken, wonden. (Onsch.) Bw. Door en door stooten. Door 't lichaam stooten. — Doorstooting, v. (-en). — Doorstormen (Sch.). Eenpw. Aanh. stormen. Ow. Voortgaan met stormloopen. — Doorstorten (Sen.). Ow. Aanh.storten.— Doorstralen (Sch.j. Ow. Aanh. stralen. (Onsch.) Bw. De zon (ioorstraalt de ruimte. — Doorstraling, v. — Doorstrengelen (Sch.). Ow.-Aanh. strengelen. (Onsch.) Bw. Door en door strengelen. Dooreenstrengelen. — Doorstreden (Sch.). Bw. Eene streep of strepen halen (door). — Doorstrijden (Sch.). Ow. Voortgaan met strijden. Bw. Ten einde toe strijden. — Doorstrijken (Sch.). Ow. Aanh. strijken, (zijn) Spoedig heengaan zonder zich op te houden. Bw. Door strijken eene opening maken. Strijkende uitwisschen. — Door sir ikken (Sch.). Ow. Aanh. strikken. Bw. Door strikken breken. Strikkende vermengen. — Doorstrompelen (Sch.). Ow. (zijn) Voor gaan met strompelen. — Doorstrooien (Sch.). Ow. Aanh. strooien. — Doorsiroomett (Sch.). Ow. Aanh. stroomrn. Bw. Stroo-mendebreken. (Onsch.)Bw.Niidoorstroomt de vreugde alle harten. — Doorstudeeren (Sch.). Ow. Aanh. studeeren. Bw. Ten einde toe studeeren. —Doorstuiven (Sch.). Eenpw. Aanh. stuiven. Ow. Ergens doorheen stuiven. Onb su sd loopen. — Doorstuiving, v. — Doorsturen (Sch.). Ow. Aanh. sturen (een schip). Aanh. zenden. Bw. Ergens doorheen sturen. — Door-stuwen (Sch.). Ow. Aanh. stuwen. — Doorsukkelen (Sch.). Ow. Aanh. sukkelen. 'zijn) Moeilijk doorgaan. — Door-sullen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. sullen. — Doortafelen (Sch.). Ow. Voortgaan met tafelen. — Doortasten (Sch.). Ow. Aanh. tasten. Met kracht doorzetten. (Onsch.) Bw. Van alle zijdon betasten. — Doo^tee-


ocr page 173

DOOR — i/

kenen (Sch.). Ow. Aanh. teekenen. Bw. Door teekenen stuk maken. — Door tellen (Sch.). Ow. Aanh. tellen. Bw. Door tellen wonden. — Doorieuten (Sch.). Ow. Aanh. teuten. —Doortikken (Sch.). Ow. Aanh. tikken. Bw. Tikkende breken of eene opening maken. — Doortillen (Sch.). Ow. Voortgaan met tillen. Bw. Ergens doorheen tillen. Tillende wonden. — Doortimmeren (Sch.). Ow. Aanh. timmeren. Bw. Door timmeren wonden. — Doortimmerd, bn. Terdege getimmerd. — Doortintelen (Onsch.). Ow Bw. Aanh. tintelen. Ergens doorheen tintelen. Genoeglijk aandoen.

doortocht, m. (-en). Het doortrekken. Plaats, waar men doortrekt. Doorgang.

doorioetcn (Sch.).Ow. Aanh. toeten. Bw. Ten einde toe toeten. — Doortollen (Sch.). Ow. Aanh. tollen. — Doortornen (Sch.), Ow. Aanh. tornen. Bw. Doortornen openen, wonden. — Doortrappen (Sch.). Ow. Aanh. trappen. Bw. Opentrap-pen. Door trappen stuk maken. Terdege trappen.

doortrapt, bn. Listig. Sluw. Slim. —

Doortraptheid, v.

doortredeu (Sch.). Ow. Aanh. treden. lt;zijn) Ergens doorheen treden. Bw.Door treden breken, wonden.—Doortrekken (Sch.). Ow. Aanh.trekken, (zijn) Ergens doorheen trekken. Doordringen (van vloeistoften). Bw. Doortrekken wonden. (Onsch.) Bw. Doordringen (van vloeistoft. n). Zijn geest is van vooroordeelen doortrokken. — Doortrekking, v. — Doortrokken, bn. — Door-treuren (Sch.). Ow. Aanh. treuren. — Doortrillen (Onsch.). Bw. Door en door trillen. —Doortroeven (Sch.). Ow. Aanh. troeven. — Door trommelen (Sch.). Ow. Aanh. trommelen. —Doortui?nelen (Sch.). Ow. (zijn) Ergens d orheen tuimelen. — Doortwisten 'Sch.). Ow. Aanh. twisten. — Doorvallen (Sch.). Ow. (zijn) Aanh. vallen. Ergens doorheen vallen. — Doorvaren (Sch.). Ow. Aanh. varen, (zijn) Niet aanleggen. Ergens doorheen varen. Bw. Door varen slijten, hreken. — Door-vaarf, v. (-an). Het doorvaren. Doorgang te water. — Doorvasten (Sch.). Ow. Aanh. vasten. — Doorvechten (Sch.). Ow. Aanh. vechten. —Doorvegen (Sch.). Ow. Aanh. vegen. Bw. Door vegen stuk maken, wonden. — Doervylen (Sch.). Ow. Aanh. vijlen. Bw. Vijlende vaneen scheiden. — Doorvyling, v. (-en). — Doorvisschen (Sch.). Ow. Aanh. visschen. Bw. In alle richtingen visschen. — Doorvlammen

iSch.). Ow. Aanh. vlammen. Opvlammen. Jw. Terdege vlammen. Overal vlammen maken. —Sch.). Ow. Aanh. vlammen. Opvlammen. Jw. Terdege vlammen. Overal vlammen maken. — Doorvlechten (Sch.). Ow. Aanh. vlechten. \Onsch.) Bw, Dooreenvlechten.

— Do or vlechting, v. (-en). — Doorvliegen iSch.). Ow. Aanh. vliegen, (zijn) Ergens doorheen vliegen. Bw. Door vliegen «tuk maken, wonden. (Onsch.) Bw. Vluchtig doorgaan, doorlezen. — Doorvlieten ((Sch.). Ow (zijn) Ergens doorheen vlieten.

— Doorvlijmen Bw. (Sch.) Met eene vlijm openen. (Onsch.) Grievend wonden. — Doorvlijming, v. — Doorvloeien (Sch.). Ow._(zijn) Aanh. vloeien. Ergens doorheen vloeien. Dit papier vloeit door, — Door'

) •— DOOR

vluchten (Sch.). Ow. (zijn) Ergens doorheen vluchten. — Doorvochtigen (Onsch.)# Bw. Door en door vochtig maken. — Door-voeden (Onsch.). Bw. Door en door voeden.

— Doorvoed, bn. —Doorvoederen (Sch.). Bw. Door en door voederen. — Doorvoeren (Sch.). Bw. Ergens doorheen voeren.

— Doorvoer, m. (-en), — Doorvoering, v.

— Doorvouvoen (Sen.). Ow. Aanh. vouwen. Bw. Door vouwen scheuren, breken.

— Doorvragen (Sch ). Ow. Aanh. vragen.

— Doorvreten (Sch.). Ow. Aanh. vreten. Bw. Door en door vreten. — Doorvriezen (Sch.). Eenpw. Aanh. vriezen. Ow. Door vriezen breken. — Deervuren (Sch.). Ow. Aanh. vuren.— Doorwaden (Sch.). Ow. Bw. Aanh. waden. Ergens doorheen waden. Wadende stuk maken, wonden. (Onsch.) Bw. Hij doorwaadde de rivier.— Doorwaadbaar, bn. — Doorvoaadbaar-heid. v. —Doorwading, v. (-en). — Doorwaaien (Sch.). Eenp.v. Aanh. waaien. Ow. Ergens doorheen waaien, (zijn) Ergens doorheen gebracht worden door de winden. (Onsch.) Bw. Door en door waaien.—Door-waggelen (Sch.). Ow. (zijn) Voortgaan met waggelen.— Doorwaken (Sch.). O w.Aanh. waken. (Onsch.) Bw. Wakend doorbrengen. — Doorwalsen (Sch.). Ow. Voortgaan met walsen. — Doorwandelen (Sch ). Ow. Aanh. wandelen, (zijn) Ergens doorheen wandelen. Bw. Door wandelen verslijten, wonden. (Onsch.) Bw. Overal bewandelen.

do or tv arm, bn. Door en door warm. doorivasomon (Onsch.). Bw. Door en door met wasem vullen. — Doorwas-schen (Sch.). Ow. Aanh. wasschen Bw. Uitspoelen (van linnen). — Doorwassen (Sch.). Ow. (zijn) Ergens doorheen wassen. Uitloopen en nieuwe knollen vormen (van jonge aardappels. — Doorwas, m. — Doorwassen , bn. Doorgroeid. Doorwassen vleesch, met vet doorgroeid. — Doorwateren (Sch.). Ow. Aanh. wateren, (zijn) Ergens doorheen wateren. Bw. Door en door bewateren. (Onsch.) Bw. Geheel met water doordringen. — Doorwauwelen (Sch.). Ow. Voortgaan met wauwelen. — Doorweeken (Sch.). Ow. Aanh. weeken. (zijn) Door en door week worden. (Sch. en Onsch.) Bw. Door en door week maken. — Doorweeking, v. — Doorweenen (Sch.), Ow. Aanh. weenen. Bw. Met weenen doorbrengen. — Doorwentelen (Sch.). Ow. Aanh. wentelen. Ergens do gt;rheen wente? len. — Doorwerken (Sch.). Ow. Aanh. werken. Bw. Door en door werken. (Onsch.) Bw. Dooreenwerken. Dooreen weven. Zorgvuldig bewerken.—Docrwerpen (Sch.). O w. Aanh. werpen —Doorweven (Sch.). Ow. Aanh.weven.Bw.Door weven breken.won^ den. (Onsch.) Bw. Dooreenweven.— Door* wiegen (Sch.). Ow. Aanh. wiegen. Bw, Wiegende breken. — Doorwinden (Sch.). Ow. Aanh. winden. Bw. Windende breken, wonden. — Doorwippen (Sch.). Ow. Aanh. wippen, (zijn) Ergens doorheen wippen. — Doorwisschen (Sch.). Ow. Aanh. wisscben. Bw. Door wisschen breken, wonden. — Doorwoeden (Sch.). Ow. Aanh. woeden.

— Doorwoekeren (Sch.). Ow. Aanh, wqo«


ocr page 174

DOOR — li

keren.— Doorwoelen (Onsch.).Bw. Overal woelen. Door en door woelen. — Dooru on-den (Onsch.) Bw. Door en door wonden. Innig grieven. — Doorworstelen ^Sch.). Ow. Aanh. worstelen. Bw. Wat al rampen heeft hij niet doorgeworsteld! — Doorworsteling, v. — Doorwryven (Sch.). Ow. Aanh. wrijven. Bw. Wrijvende stuk maken, wonden.—Doorwryving, v. — Doorwringen (Sch.). Ow. Aanh. wringen. Bw. Door wringen breken, wonden.

doorwrocht, bn. Goed bewerkt.Goed doordacht. Geleerd.— Doorwrochtheid,^.

doorwroeten (Sch.). Ow. Aanh. wroeten. (Sch. en Onsch.) Bw. In alle richtingen wroeten. — Doorwroeting, v. — Doorzaaien (Sch.). Ow. Aanh. zaaien. (Onsch.) Bw. Het blauwe veld. doorzaaid met sterren. — Doorzagen (Sch.). Ow. Aanh. zagen. Bw. Door zagen scheiden, wonden. — Doorzaging, v. — Doorzakken (Sch.). Ow. (zijn) Inzakken. Verzakken. — Door zakking, v. (-en). — Doorzeepen (Sch.). Ow. Aanh. zeepen. Bw. Door en door zeepen. — Doorzeilen (Sch.). Ow. Aanh. zeilen, (zijn) Ergens doorheen zeilen. Bw. Door zeilen breken. — Doorzenden (Sch.). Ow. Aanh. zenden. Bw. Door eene plaats zenden.— Doorzetten (Sch.). O w. Aanh. zetten. Goed doorstappen, door-loopen, voortgaan. Bw. Met ijver doen voortgaan. Hij kon het niet doorzetten, ten einde brengen. — Doorzetter, m. (-s). _

doorzicht, o. Het zicht door iets. Begrip. Schranderheid. —Doorzichtbaar, bn. — Doorzichtbaarheid, v. — Doorzichtig, bn. Doorzichtig noemt men de lichamen, die de lichtstralen doorlaten en waardoor men ook de voorwerpen kan waarnemen. -—Doorzichtigheid, v. —Doorzicht-kunde, v. (Schild.) Perspectief. Leer der stellingen en grondregels, om de voorwerpen op die wijze af te beeldon, gelijk zij zich van een gegeven standpunt aan het oog voordoen. (Nat.) Leer van de licht- en straalbreking, inz. door glazen teweeg gebracht. — Doorzichtkundifr, bn.

doorzieken (Sch.). Ow. Aanh. ziek zijn. — Doorzien Bw. (Scb.) Ergens doorheen zien. Onderzoeken. Doorlezen. Narekenen. (Onsch.) Bevatten. Begrijpen. — Doorziften (Sen.). Ow. Aanh. ziften. Bw. Door eene zeef laten loopen. — Doorzijgen (Sch.). Ow. Aanh. zijgen. Ow. (zijn) Bw. Ergens doorheen zijgen. — Doorzyging, v. —- Doorzingen (Sch.). Ow. Aanh. zingen. Bw. Ten einde toe zingen. — Doorzinken (Sch.). Ow. (zijn) Ergens doorheen zinken.

— Doorzitten (Sch.). Ow. Aanh. zitten. Aanh. vergaderd blijven. Bw. Zittende breken, wonden. — Doorzoeken (Sch.). Ow. Aanh. zoeken. (Sch. en Onsch.) Bw.Overal zoeken. — Doorzoeking, v. (-en). — Doorzondigen (Sch.). Ow. Voortgaan met zondigen. — Doorzouten (Onsch.). Bw. Door en door zouten. — Doorzulten ^Onsch.). Bw. Door en door zulten. — Doorzwave-len (Onsch.) Bw. Door en door zwavelen.

— Doorzweepen (Sch.). Ow. Aanti. zwee-pen. Bw. Ergi-ns doorheen zweepen. Door zweein n stukmaken.—Dnorzweeten (Sch.) Ow. Aanh. zweetea. .Ergens doorheen

gt; — DORP

zweeten. Bw. Met zweet doordrtngerr, Zweetend doorbrengen. — Doorziveigen (Sch.). Ow. Aanh. zwelgen. Bw. Doorslikken. Brassend verteren. — Doorzwelger, m. (-s). — Doorzwelging, v. — Doorzwelg-ster, v. (-s). — Doorzwemmen (Sch.).) Ow. Aanh. zwemmen. Ow. (zijn) Bw. Ergens doorheen zwemmen.—Doorzweren (Sch.). Ow. (zijn) Zwerende opengaan. — Doorzwerven (Sch.). Ow. Aanh. zwerven. Bw. Naar alle zijden zwerven. — Doorzweven-(Sch.). Ow. (zijn) (Onsch.) Bw. Ergens doorheen zweven. — Doer zwoegen (Sch.). Ow. Aanh. zwoegen. Bw. Met moeite doorgaan : zoo doorzwoegen zij het leven.

dooi*, v. (..zen). Soort van kistje met deksel. Speeldoos. In de doos, in de gevangenis zitten. —Doozenfabrieik, v. (-en). — Doozenfabrikant, m. (-en). — Doozen-kraam,v. en o. (..amen).—Doozenkraamster, v. (-s). — Doozenkramer, m. (-s). — Doozenmaakster, v. (-s). — Doozenmakert m. (-s). — Doozenschilder, m. (-s). — Doozenverver, m. (-s). — Doozenwinkel, m. (-s).

doove, m. en v. (-n). Die doof is. —

Doovigheid, v. Doofheid.

dooven,bw. ow. doofde, heeft gedoofd. Uitdooven. — Doovekool, v. (..olen). Uitgedoofde kool. — Dooving, v.

doovenetel, v. ( S). Plantengeslacht [Lamium),tot de lipbloemigen behoorende, met een 5-tandigen kelk, een 2-lippige bloemkroon. Bloeit van April tot Juli.

dop, m. (-pen). Deksel, schaal waarin iets bevat is. Eierdop, notedop, enz. Holle beitel. Het doppen. Wat men neemt met eens te doppen. —Dopboonen, v. mv. Boo-nen in de peul. —Doperwt, v. (-en). Erwt in de schil. — Dopjesspel, o. (-len). Soort van bekerspel. — Doppen, bw. dopte, heeft gedopt. Van d-'n d -p ontdoen. In eenig vocht steken. Hij dopte nem een goudstuk in de hand. Meten : een schip doppen.

— Dopper, m. (-s). (Zeew.) Scheepsmeter. Doperwt.

dor, bn. bijw. Van de noodige vochtigheid beroofd. Onvruchtbaar. Schraal. Mager. Dood : dor hout. Droog : dor onderwerp. — Dorheid, v. —Dorren, ow. dorde, is gedord. Verdorren. —Dorring, v.

lgt;or6 (Z3. Cr.), 1833-1884, Straatsburg, Teekenaar. Illustration van Dantes Divina Comedia, van den Bijbel.

doren. Zie Doorn.

dorinter,.m. (-s). Slaapzaal in kloosters, enz.

dorp, o. (-en). Verzameling van huizen, die niet door grachten, muren en poorten omsloten is. De dorpen ontsto den door uitbreiding der villoe. — Dorpachtig, bn. bijw. — Dorpeltnfr, m en v. ( en). Inw. van een dorp. — Dorpelinge, v. ( n). — Dorper, m. (-s). Dorpeling. Onbeschaafde.

— Dorperheid, v. Onnoozelheid. Onbeschaamdheid. — Dorpsbestuur, o. (..uren).

— Dorpsrh, bn. —Dorpsherberg, v. (-en)..

— Dorpskerk, v. (-en). — Dorpslceraar, m. ( s, ..aren). - Dorpsschool, v. (..olen).

— Dorpsschout, m. (-en).

dorpel, m. (-s). Onderste dwarsstuk van eeu deurraam.


ocr page 175

DOZI — 1 =

«lornoli, ra. (-en). Visch uit de Oostzee, een weinig kleiner dan de schelvisch.

«lorMclieu, b\v. dorschte, heeft ge-dorscht. De graankorrels uit de aren slaan. Hooi dorschen : nutteloos werk doen. — Dorsch, m. Het dorschen. — Dorscher, ra. (-s). —Dorschingy v. ( en). — Dorsch' machine, v. (■$). — Dorsch schuur, v. (..uren). — Dorschster, v. (-s). — Dnrsch-tyd, ra. —Dorschvlegel, ra. (-s). — Dorsch-vloer, ra. (-en). — Dorsch wagen, m. (-s). Werktuig ora te dorschen door den stoora gedreven.

«loi'Mt, in. Gevoel van behoefte aan drank. Sterk verlangen : dorst naar rijk-doramen. Een appeltje voor den dorst: een spaarp-nning voor slechtere tijden quot;of voor den ouden da?. — Dorsten, dorstte, heeft gedorst. Ow. Dorst gevoelen (naar). Eenpw. Mij dorst : dorst is in mij. — Dorst.gebrek, o. (Geneesk.) — Dorstig, bn. Vol do-st. Droog : het dorstice aardrijk. — Dorstigheid, v. — Dorstlesschend, bn. — Dorst-stillend, bn. — Dorstverslaand, bn. — Dorstverzvekkend, bn.

lt;Ioh, ra. Opschik, praal (van kleeding). De dos dt-r velden ; ht-t gras, de oogst. — Dossen, bw. doste, heeft gedost. Uitdossen. Versieren.

dofflN. v. (-sen). Hoeveelheid. Eene goede dos's (tamelijk veel) hoogmoed.

lgt;ostoj4Mv*lti[F. M1818-1880, .Moskou. Russisch romanschrijver. Arme lieden (1846); Misdaad en straf (1868) ; de gebroeders Karamasow (1879).

«lot, v. (-ten). Verwarde hos garen, zijde, enz. — Dotje, o. (-s). Van linnen vervaardigd zuigpropie met suiker en gekruimeld brood gt-vulü ora schreiende kinderen te sussen. Wat net dotje : wat lief kindje.

doi, v. ( ten), dotntic, v. (-iën, -s). Huwelijksgift. Bruidschat.

dotterbloem, v. (-en) Plant {Caltha óalustris) tot de familie der ranuncu-laceën behoorende. Bloeit in Mei en Juui op moerassig weiland en langs slooten.

Igt;oii [G.), 1613-1675, Leiden. Schilder. De waterzuchtige vrouw; Avondschooi; Kwakzalver.

doiiitii'ière, v. ( s). Adellijke weduwe. — Douarie, v. (-en). Weduwgift. Lijftocht.

dotisme, v. Tol, tolrecht. Tolwezen. Tolhuis. Tolbestuur.

doiableeren, bw. doubleerde, heeft gedoubleerd. Verdubbelen. (Hiij.) Eenen bal door overhalen maken. Voeren ; een kleed doubleeren. Den leergang, dien raen niet geene vrucht gevolgd heeft, herbeginnen.

doublet, o. (-ten). Dubbel exemplaar van een werk.

doiieenr, v. Geschenk in geld. lem. douceurs geven, harde waarheden zeggen.

lgt;oufret (60,1594-1660, Luik. Historie-en portretschilder.

dotiv»', ra. (-en). Duw.

]gt;ove (//. ^F.) , 1803-1879, Liegnitz. Duitsch natuurkundige. Meteorologische Unterstichtingen (1837).

doxaal, o. (..alen). Ploogzaal.

dozUn, o. (.en). Twaalftal. — Dozif'n-dichter, ra. (-s). — Dozyngoed, o. (-eren).

[ — DRAA

Marskramerswaren. — Doztjnschilder, m. (-sgt;. Knoeier. — Dozijnwerk, o. (-en). Werk, dat niet veel beteekent, van weinig waarde. — Dozijnwerker^ m. (-s). Die veel, doch slecht werkt.

lgt;oz.r {R. P. A.), 1820-1883, Leiden. Taalkundige {SupplémentanxdictiQnnai-res Arabes, i877-,8i) ; geschiedschrijver {Histoire des Musulmans d1 Espagne : 711-1110,-1861).

lt;lra, bijw. Spoedig. Aanstonds, drasid(voorwerp),ra. (. aden); (stof),o. Dun ineengedraaid garen, vlas, enz. Wat naar eenen draad gelijkt : draad van eene schroef, een mes, enz. Samenhang : den draad kwijt zijn. Loop : den (levensdraad afsnijden. O. Draad van metaal. Per draad : per telegraaf of telephoon antwoorden. — Draadachtig, bn. — Draadbank, v. (-en).

— Draadbed, o. (-den). — Draadborstel, m. (-s^. Draadschuier. — Draadbus, v. (-sen). Bus, waardoor goud, zilver, koperdraad, enz. wordt getrokken. — Draadhouder, ra. (-s). Soort van zijdehaspel. — Draadijzer, o. Ijzer, geschikt om tot draad getrokken te worden. Draadbus.— Draadkogel, m. (-s). Soort van kanonskogel. — Draadletters, v. mv. (Papierra.) Koperen letters enz. op den papiervorra aangebracht en waarvan de afdruk op 't papier zichtbaar is. —Draadnagel, ra. (-s). Soort van dunne spijker. — Draadpop, v. (-pen). Pop met beweegbare ledematen. — Draadsch, bn. — Draadschaar, v. (..aren). Groote schaar om metaalbladen door te knippen.

— Draadschi/nend, bn. (Van kleedingst.) Tot op den draad versleten. — Draadschuier, ra. (-s). Grayeerderswerktuig. — Draadsgewyze, ..wijs, bijw. Draad voor draad. — Jraadteller, ra. (-s). Linsvor-mig glas om het aantal draden van een weefsel te tellen. — Draadtrekken, o. Bewerking tot (metaal)draad. — Draadtrekker, ra. (-s). — Draadtrekker ij, v. Het draadtrekken. (-en) Wer*plaats daartoe.

— Draadvorm, ra. (-en).— Draadvormig, bn. — Draadiverk, o. Gevlochten goud-of zilverdraad. IJzeren traliewerk.—Draadwerker, ra. (-si. — Draadwinkel, m. ( s).

— Draderig, bn. Vol draden. — Draderigheid, v. — Dradig, bn. Vezelig. Niet malsch : dradig vleesch. — Dradigheid, v.

draai, m. (-en). Wending. Kromming. Loop : dar moet een anderen draai nemen. Streek : hij heeft veel draaien in zijn hoofd. Kunstmatige wending : hij weet aan alles eenen draai te geven. Slag : eenen draai om de ooren ireven. —Draaibalk, ra. (-en). (Bouwk.) Wip. — Draaibank, v. (-en). Tuig, waarmede metaal, hout. ivoor, enz. in allerlei vormen en versieringen kunnen bewerkt worden. — Draaioas, v. (-sen). (Zeew.) Mortier. —Draaibeitel, ra. (-s). — Draaiblok, o. en m. (-ken). —Draaiboom, m. (-en). Boom. dienende om eenen toegang af te sluiten. Kruisrad (in de voetpaden). Zeker hijschtoestel. — Draaibord, o. (-en).

— Draaibrug, v. (-gen). — Draaibout, m. (-cn). Tap of oor van een stuk geschut. (Zcew.) Neut van eenen ankerstok. — Draaien, draaide, heelt en is gedraaid. Bw. Iets om zijn middelpunt bewegen.


ocr page 176

DRAG —i

Wenden. Wringen. Op de draaibank bewerken. Een spit draaien. Touw draaien. Het rad draaien : aan 't hoofd staan. Ow. (zijn) Aanhouden met draaien : draai wat aan. Omdraaien : de wind is gediaaid. (hebben) Duizelen. Zich heen en weer bewegen. Talmen. Uitvluchten zoeken. Zich draaien, ww. — Draaier, m. (-s). — Draaierig, bn. — Draaierigheid,— Draaierij, v. (-en). — Draaiing, ^v. (-en). — Draaikap, v. (-pen). — Draaikolk, v. (-en). — Draaikruk, v. (-ken). — Draatkunst, v. — Draaiorgel, o. (-s). — Draai pen, v. ( nen^. — Draaipistool, o. '..olen). Draai* eep, m. (-en) .

— Draaischijf, v. (..ven). — Draaispil t v. (-len).— Draaispil, o. (-ten).— Draaister, v. (-s). — Draaistroom, m. (-en). — Draaitol, m. (-len). — Draai-iverk, o. — Draaiivind, m. (-en).

draak, m. (..aken). Fabelachtig dier (welk dier onder dien naam bij de oude schrijvers bedoeld wordt is onzeker). Thans: soort van kleine hagedis (op de ei anden van den Ind. Archipel en op 't vasteland van Oost-Indië), wier huid aan beid.^ zijden vleugelachtier is uitgezet. (Wapenk.) Gevleugelde slang van twee pooten voorzien. Naam van een noordelijk sterrenbeeld. VI egrr. Stuursch en toornig mensch. Ondeugende jongen. Den draak steken met iem : iem. voor den gek houden. — Draak-wor/W.m. Groot of g^mee slangenkruid.— Drakenbloed, o. Donker roodbruine, bijna zwarte, ondoorschijnende, broze, reuk- en smakelooze soort van hars. Wordt gebruikt bij de bereiding van politoer rn verkregen uit den drakenboom, enz. — Drakrnboom, m. ( en) (draccena draco). Behoort tot de familie der Asparageën. Groeit vooral op de Canarische eilanden, — Drakenkop, m. (-pen). — Drakenkruid, o. — Dra-kenplant, v. (-en). — Drakenslang, v. {-en). Afril-aanschehorenslang

lt;lratlgt;, di*algt;lgt;e, v. Droesem. — Drabbig, bn. — Drabbigheid, v.

«iraeliine, o ( n). Medicinaal gewicht ■= 3 gram. Oude Grieksche munt = 0.80 fr. Huidige Grieksche munt= 1 tr.

«IrsiT, m. Ht-t draven.

draT, m. Wat er van het mout overblijft na het brouwen. Wordt gebruikt als beestenvoeder.

dragr^n, droeg, heeft gedragen. Bw. Torsen. Onderschragen. De lucht draagt de wolken. Aanhebben. Bij zich hebben. Brengen. Vervoeren. Zekere houding nemen : hij draagt het hoofd hoog. Hebben : den naam dragen. Betalen : de onkosten dragen. Voortbrengen : vruchten dragen. Getuigen : getuigenis dragen. Kennis dragen. Haat dragen. Ow. Vruchtbaar, zwanger zijn. Etteren. Onderschraagd of in evenwicht zijn. De zeilen dragen, staan vol. Dit geweer, zijn gezicht, zijne stem draagt ver. —Draagbaar,v. (..aren). Berrie.— Draagbaar, bn. — Draagbak, m. (-ken). — Draagbalk, ra. (-en). — Draagband, m. (-en). — Draagboom, m. (-en). — Draag-geld, o._(-en).—Draaghemel, m.. (-s). — Draagyzer, o. (-s). — Draagkoets, v. (-en).

— Draagkorf, m. (..ven). — Draaglyk.

2 — DRAV

bn.—Draaglijkheid, v.—Draagloon, o. en m. —Draagriem, m. (-en). — Dgt; aakster, v. (-s). — Drtuigsto'l, m. (-en). — Draagstok, m. (-ken). — Draa^zadil, m. en o.* (-s). — Draagzeel, o. (-en). — Draagzetel, m. (-s). — Dracht, v. (-en). Zooveel als in eens gedragen kan worden. \\ at men tot kleeding draagt. Vruchtdraging. Zwangerschap. Etterin^. Zijden sr.oer, dat men door 't celweefsel haalt, om vocht* n af te leiden. Het dragen van een vuurwapen. Pak : eene dracht slagen. — - -rachtig, bn. Zwanger. Etterend. Drachtige oogen ; leep-oogen. — Drachtigheid, v. —Drager, m. (-s). — Dragersplaats, v. (-en).

dragon, v. F\a.nt(Artemisia dracun-culus) tlt; t de samengesteldbloemigen be-hoorende. Wordt als toekruid bij de salade en als specerij gebruikt.

dragron, v. (-s). Degenkwast, dragonder, tn. (-s;. Lichte ruiter, die desnoods te voet strijdt. Manhaftige, ruwe en onbeschaamde vrouw. —Dragonderka pitein, m. (-s). — Dragonder officier y m (-s). — Dragondersmuts, v. (-en). —Dra-gonderspaard, o. (-en).

draiiieercn, bw. draineerde, heeft gedraineerd. Droogleggen. Droogtrekken.

— Draineerbuts, v. (..zen).

dralen, ow. draalde, heeft gedraald. Talmen. — Draaister, v. (-s). — Draler, m. (-s). — Draling, v.

drama, o. (-'s). Dichterlijke voorstelling eener daad, door eene reeks omstan-digneden voorbereid en geschetst in de alleen- en samenspraken van hen, die tot het volbrengen d er daad medewerken of daarvan het slachtoffer wo'den —Dramatiek, v. Tooneelkunst. — Dramatisch, bn. bijw. Aandoenlijk. Roerend. Be angwek-kend. — Dramaturg, m. (en*. (Scaerts.) Tooneelkenner. Dramaschrijver.

draiigr, m. Het dringen. Aandrang. Geweld. Dwang. — Drangreden, v. (-en). Sterke be.weegreden.

drank, ra. (-en). Drinkbaar voch». Sterke drank, door kunst gestookt, als jenever, enz. — Drankflesch, v. (..sschen).

— Drankhoofd, o. (-en . Hoofd van eenen drinker, m. ( en) Dronkaard. — Drankhuis, o. (..zen). — Drankkelder, ra. (-s).

— Drankmeester, m. (-s). Bottelier. — Drankoffer, o. (-s). — Drankvaas, (..azen). — Drankvat, v. (-en). Plengoffervaas. — Drankverkooper, ra. (-s). — Drankverkoopster, v. (-s). — Drankwinkel, m. (-s). — Drankziekte, ..zucht, v.

drapeeren, bw. drapeerde, heeft gedrapeerd. Bekleeden, omhangen. De kleeding door penseel of beitel kunstig nabootsen. — Draóeertng, v. (-en). — Draperie, V. (-ën). Behangsel.

«Iran, v.Moader. Moeras. Weekeaarde.

— Dras, bn. Moerassig, week (van grond).

— Drasland, o. (-en). —Drassig, bn. — Drassigheid, v.

draven, ow. draafde, heeft gedraafd. Harder loopen dan bij den telgang. Hard loopen. Doordraven. — Draa/ster, v. (-s).

— Draver, ra. (-s).

dravik, v. Plantengeslacht {Bromus)


ocr page 177

153 —

DRIE

DRIB

uit de familie der grassen. De br. secali-ttus : «'nkruid der velden.

DioUIm-I (C), i572(?)-i634, Alkmaar. Natuurkundige.

v. (. even^. Dubbele rij boonien, waarlusscht n eene baan. Kudde.

drcct, v. (..eten). Buikontlasting. «Iregr, drofnre, v. (dreggen). Haak met drie ol meer ankers (om drenkelingen, enz. op te balen). — Dreggen, hw. dregde, bee ft gedregd. Mel eene dreg (uit het water) halen. Kene touw vastleggen (met een anker). — Dregnet, o. (-ten). Soort van sleepnet.

dreiK^ngt; dreigde, heeft gedreigd. Bw. Te kennen geven, op welke wijze ook, dat men iem. iets kwaads wil toebrt-ngen. Ow. Op het punt staan (van). — Dreigbriefy m. (..ven). — Dreigement, o. (-en). Bedreiging. — Dreigend, bn. — Dreiger, m. (-s).

— Dreiging, v. (-en). — Dreigster, v. (-s). drek, m. Uitwerpsel (van menschen en

dieren). Allerhande vuilnis. — Drekkig, /trekkerig, bn. Vuil. Vol vuilnis. — Drek-kigheid, drekkerigheid, v.

di*em|M'l, m. (-s). Dorpel, dreiikolinur. m. en v. (-en). Diebij ongeluk in 't water ligt of reeds verdronken is.

— Drenkelinge, v. (-en).

drenken, bw.-drenkte, heeft gedrenkt.

Drinken geven (aan). Bevochtigen. — Drenkbak, m. (-ken). B.ik, waaruit het vee drinkt. — Drenkplaats, v. (-en). —Drenktrog, m. (-gen). — Drenkwed. o. (-den).

Orcnte, o. Provincie (Nederland). Hoofdpl. Assen. — Drentenaar, m. (-s, ..aren).

drentelen, ow. drentelde, heeft en is

Ïedrenteld. Langzaam op en neer gaan. langzaam zich ergens heen begeven. — edrenteld. Langzaam op en neer gaan. langzaam zich ergens heen begeven. — Drentelaar, m. (-s). — Dt entelaar ster, v. (-s). — Drente la c/t tig, bn. bijw.— Drenteling, v. (-en).

drenzen, ow. drensde, heeft gedrensd. Onophoudelijk op huilenden loon om iets vragen (van kinderen).—Drenzerig, bn. Lastig (van kinderen).

lgt;reMlt;leii, 170,000. Hoofd- en residentiestad (Saksen). Napoleon versloeg er de 'bondgenooten (1813).

dreuin. m. (-en), drenmel, m. (-s). Draad, welke van de schering ove-rblijfc, wanneer een stuk linnen algeweven is. drennreH, ra. (-en). Mismaakt vr.mje. dreunen, ow. dreunde, beeft gedreund. Schudden. Geschokt worden. — Dreun, m. (-en). Schudding. Schok. — Dreuning, (-en).

dreutel, ra. (-s). Hoopje drek. dreutelen, ow. dreutelde, heeft gedreuteld. Talmen. — Dreutelaar, ra. (-s). — Dreutelaarster.

drevel, m. (-s). IJzeren boutje (om spijkers in te drijven). Pin, waarmede de velgen worden verbonden. — Drevelbout, ra. { en). — 'revelgot, o. (-en).

drevel, ra. Gang. Loop: hij isoj)zijnen drevel. Slag, schop : iem. eenen drevel geven. — Drevelen, ow. drevelde, heelt gedreveld. Üp den drevel zijn. Straat op straal neer gaan.

•dribbelen, ow. dribbelde, heeft en is gedribbeld. Met kleine sprongen loopen. Waggelendloopen.— Dribbel, m. en v. (-s), dribbelaar, m. ( s). — Dribbelaarster, v. (-s). — Dribbelgat, ra. v. (-ten). Siraat-looper, ..loopster. — Dribbelhans, m. (..zen). Die dribbelend loopt. — Dribbeling, v. (-en).

drie. Grondgetal : 3. v. (-ën). — Drie-deelen, bw. driedeelde, heeft gedriedeeld. Op een derde der waarde brengen. —Drie-deelig, bn. In drieën verdeeld of te verdee-len. — Driedeeling, v. — Driedekker, m. (-s). Schip met drie verdekken.. Zwaar vrouwspersoon. — Drie dik, bn. — Drie-distel, v. (-s). Plantengeslacht, tot de sa-mengesteldbloemigen behoorende. De ge-w-one driedistel {car tin a vulgaris), groeit bij ons in onbebouwde zandgronden en duinen. — Driedraad, o. Stof, met drie draden, ra. Draad van drie draden vervaar-oigd. Sterk bier. — Driedraadsch, bn. --

Drie duizendste, bn. Rangsch. telw. _

Dneëenheid, v. Mysterie : er is éen God en drie goddelijke Personen: God de Vader,

God de Zoon en God de h. Ge« st._Drie-

ëenig, bn. — Drieërhande, drieërlei, bn.

— Driehoek, ra. (-en). Piat vlak begrensd door drie rechte lijnen. De basis of grondlijn is eene der zijden naar willekeur. De hoogte is de rechtvallende 1 ijn op de basis o' hare verlenging uit het ov« r -taande hoekpunt^etrokken. Er zijn rechtlijnige en I'rc.ulynige driehoeken. De drr hoek, die een rechten hoek heeft, is een rechthoekige driehoek. (De zijden van den r chten hoek, heeten rechthoekszijden ; de zijdt- tegenover den rechten hoek heel hypotenusa of schuine zijde. De driehoek, waarvan twee zijden gelijk zijn. is een gehjkbeenige driehoek. (De gelijkbeenige driehoeken zijn rechthoekig, sloraphoekig of scherphoekig). Zijn de zijden gelijk, dan is de driehoek gelijkzijdig. — Driehoekig, bn. — Drie-heoksmeting, v. (-en). Deel d -r al.jemeene meetkunde, dat de maat d r hoeken tot voorwerp heeft, of, dat door de rekenkunst al de beslanddeelen der driehoeken, waarvan raen genoegzame geg- v. ne grootheden heeft, vaststelt. Is rechtlijnig ui krom-hjmg, volgens dat de driehoeken rechtlijnig of kromlijnig zijn. — Driehonderd, telw. : 300. — Driehonderdste, rang^sch. telw. — Drieklank, ra. ( en). B. v. in au in miaauw. (Muz.) Een uit drie tonen bestaand akkoord, dat uit een willekeurig genomen grondtoon met zijne terts en quint of, wat hetzelfde is, uit twee boven elkander liggende tertsen bestaat. —Driekleur, v. Vlag met drie kleuren. — Driekleurig, bn. — Driekoningen (dag), m. (..agen),driekonin^en(fees*), o. en v.(-en). Wordt gevierd den 6quot; Januari, ter herinnering aan de aanbidding der Wij/en. — Driekroon, v. De Pauselijke kroon. — Drieledig, bn.— Drieling, m. en v. Eén van drie kinderen van dezelfde dracht. Soort van schuit. Spijker. Blok van eene ia drieën


ocr page 178

DRIJ — I

gezaagde spaak. —Drieltnge,y. (-n). — Drielingen, m. en v. mv. Drie kinderen van dezelfde dracht. — Driemaal, bijw. — Drieman, m. (-nen). Een der drie mannen, die te Rome het opperste bewind in handen hadden. — Driemanschap, o. (-pen). — Driemast, ra. ( en), driemaster, m. (-s). Zeeschip met drie masten. — Drieponder, ra. (-s). Kanon, dat kogels uitwerpt van drie pond. Kogel van drie pond. Brood van drie pond. — Driepuntig, bn. — Drie-schijfsblok, o. en ra. (-ken). —Driesprong, ra. (-en)%. Plaats, waar drie wegen saraen-loopen. — Driestal, ra. (-len). Zetel raet drie voeten. — Driestemmig, bn. — Drietal, o. (-len). — Drievoudig, bn. bijw. — Drievuldigheid, v. Drieëenheid. — Driewerf, bijw.

]gt;riolt;locnft , ï4..(?)-ï535. Turnhout. Godgeleerde. Hoogleeraar (Leuven). Verhandeling over de H. Schrift; Geloofsleer.

«Irii'fon. bw. driegde, heeft gedriegd. (Naaist.) Rijgen (raet wijde steken). — Drieg draad, ra. (..aden).

dries, ra. (..zen), clrieftch, ra. (-en). Weide, welke raen in zaailand verandert. Open plein, rain of raeer begraasd, met of zonder boomen, waar gemeenlijk eene straat of drie op uitkomt.

driest, bn. bijw. Dom. Blind. Stout. Onbesuisd. Onbeschaamd. — Driestheid, v. (..heden).

«IriTt, v. en ra. (-en). Drijvend zwerk. Strooming (van water). Voortgang- van een schip. Kudde. Overhaasting. Oploopend-heid. Hartstocht. — Driftig, bn. bijw. — Driftigheid, v.— Driftkop, m. en v. (-pen^. Oplropend mensch. — Driftzand, o. Drijf-zand.

«IrUnon, drijnde, heeft gedrijnd. Bw. Plagen. Treiteren. Ow. Om iets drijnen : dwingen om iets (van kinderen).

«IrUtcu, ow. dret t, heeft gedreten. Den buik ontlasten.— Dryter, m. (-s). — Drift-ster, v. ( s).

drUvcn, dreef, is en heeft gedreven. Ow. (hebben, zijn) Zich op de oppervlakte rener vloeistof bewegen. Vliegen zonder zichtbare beweging : de vogels dreven op hunne vleugelen. Up zijne ankers drijven : afgeslagen zijn van het anker. De wolken drijven boven ons hoofd. Overstroomd zijn. Doornat zijn. Dobberen : tusschen hoop en vrees drijven. Bw. Voortdrijven : schapen drijven. Slaan : eenen spijker in den muur drijven. Voortduwen : de wind drijft de wolken. Verdrijven : dieven op de vlucht drijven. Verrichten : handel drijven. Uitoefenen : een beroep drijven. Beeldwerk op goud, zilver, enz. uitkloppen : gedreven tafelzilver. Doorzetten : hij drijft de zaak te sterk. Schieten : iem. eenen pijl naar 't hart drijven. Beweren : gelijk sommigen het drijven. Den spot drijven raet iem. : iem. voor den gek houden. — Drijfanker, o. (-s). — Driffbeitel, ra. (-s). — Drijfhout, m. (-en). Bout om nagels in te slaan. — Dry f deur, v. (-en). Sluisdeur. — Dryf-haard, ra. ( en). Pl.iats, waar men de metalen zuivert. — D rif f hamer, ra. (-s). Groote hamer. — Drijjnout, o. (-en).

4 — DRIN

Werktuig era de hoepels vast te slaan. Drijvend hout (door den vloed nu degevoerd).

— Drijjifs, o. —Driffijzer, o. (-s). Soort van drijfhamer. — Dnjfj'acht, v. (-en). Klopjacht. — Drijfkracht, v. — Drijfkracht, v. — Dry'f kunst, v. Kunst om beeldwerk op goud, zilver, enz. uit te kloppen. — Dry f land, o. Aangespoeld land.

— Drijfrad, o. (-eren). Hoofdrad. Hoofd-aanlegger of bewerker. — Drijf roede, v. (-n). Houten of ijzeren hefboom, die aan eene machine de beweging mededeelt. — Drijfstang, v. (-en). Drijfroede. — Dry'f-steen, ra. (-en); v. (als stofnaam). Soort van puimsteen. — Dry f ster, v. (-s). — Drijf-tillen, v. mv. Drijvende eilanden (in veen-plassen). — Drijftol, ra. (-len). — Drijf' ton, v. (-nen). Boei. Baak. — Drijfveer, v. (-en). Hoofdveer. Beweegreden, ooi-zaak. — Drij fiver k, o. Werk, dat een werktuig in beweging brengt, (-en) Gedreven (goud- of zilver) werk. — Drijf wiel, o, (-en). Drijfrad. — Drijfzand, o. — Drijf-zuiger, ra. (-s). Zuiger van den stooracy-linder. — Drijvend, bn. Stroom end, golvend. — Drijver, ra. (-s). — Drijverij, v. (-en). —Dry'vershamer, m. (-s). — Drijver sstok, ra. (-ken). — Drijving, v. ( en).

dfillen, drilde, heeft gedrild. Bw. Ronddraaien : zijne piek drillen. Met eenen dril boren. Oefenen : de soldaten drillen. Wel terechtbrengen (door straf, enz.). Ow. Schudden, beven, trillen. Op en neer loopen.—Dril, ra. (-len). Soort van steenboor. Klap, slag. Op den dril gaan : zwieren. —Drilboog, ra. (..ogen). —Drilboor, v. (..oren). — Drilgat, o. (-en). —

— Drilkunst, v. — Driller, ra. ( s). — Drilling, v. (-en).— Drilmeester, ra. (-s).

— trilplaats, v. (-en). — Drilschool, v. (..olen).

dril, v. Gestold vleeschnat.

dril, o. Soort van geweven stof.

drins^u» drong, heeft en is gedrongen. Bw. Drukkende zoeken te verplaatsen : iera. van zijne plaats dringen. Duwen : eene^ prop in eene opening dringen. Noodzaken. Ow. ^hebben, /ijn) Ruimte zoeken enkrijgen. De zon dringt door de wolken. De koude dringt door merg en been. In de toekomst dringen. — Dringend, bn. bijw. Wat geen uitstel lijdt. Groot. Hevig. — Dringer, m. (-s). — Dringster, v. (-s).

drinkeo, dronk, heeft gedronken. Bw. Ow. Eenige vloeistof tot zich nemen. Hij drinkt,is aan den drank verslaafd.— Drinkbaar, bn. — Drinkbaarheid, v. — Drinkbak, m. (-en). — Drinkbeker, ra. (-s). — Drinkebroer, m. (-s). Dronkaard. — Drinker, m. (-s). — Drinkery, v. (-en). Zui-perij. — Drinkersbaas, ra. (..azen). Dronkaard. — Drink fontein, v. (-en). Glazen fleschje aan vogelkooien, waaruit de vogels drinken. — Drinkgelag, o. (-en). Verte-rine: in eene herberg. Gezelschap van drinkers. — Drinkgeld, o. (-en).—Drinkgezel, ra. (-len). — Drinkgezelschap, o. (-pen). — Drinkglas, o. ( zen). — Drinkhoorn, ra. (-s), ..horen, ra. (-s). — Drinkhuis, o. f..zen). — Drinkkanier, v. (-s).

— Drinkkan, v. (-nen). — Drinklied, o. (-eren). — Drinklust, ra. — Drink-


ocr page 179

DROO - i

nap, m. (-pen). — Drinkparty, y. (-en). — Drinkpenning, ra. (-en). — Drinkpot, m. (-ten). — Drinkschaal, v. (..alen). — Drinkster, v. ( s). — Drinkvat, o. (-en).

Drinkwater, o. — Drinkwinkel, m. (-s). — Drinkzaal, v. (..alen). — Drinkzucht, v. — Drinkzuchtig, bn.^

dri(h, «IretN, ra. Drek. Vuiligheid. — Dritsig, dretsig, bn.

droef, bn. bijw. Neerslachtig, treurig. Ondeugend : droeve jongen. — Droefenis, v. — Droefgeestig, bn. — Droefgeestigheid, v. — Droefheid, v. — Droevig, bn. bijw. — Droevi^heid, v.

drooien, bw. droelde, heeft gedroela. Bedriegen. Misleiden. — Droeler, ra. (-s).

— Droeling, v. (-en). — Droelster, v. (-s). droeff, m. Duivel.

droen, m. Droesem.

^ droos, m. Aanzettende en besmettelijke ziekte (van paarden, enz.). Bij de aangetaste dieren bemerkt men eene uitvloeiing van slijmige kleve rige vochten door den neus. Wordt ook bij den mensch aangetroffen. Wordt veroorzaakt door eene microbe (in de organen en den etter). Kenmerken : knobbelvorminpen, zweren, bederf der beenderen, enz. — Droeszirkte, v. (-n). — Droezig, bn. — Droezigheid, v.

droesem, m. Stof, door stilstaan op den bodem (van vloeistoften) gevormd. — Droesemig, bn.

drogen, droogde, heelt en is gedroogd. Bw. Droog maken. Ow. (zijn) Droog worden. — Droge, o. Droge plek of plaats. Op het droge verzeild zijn : op eene zandbank zitten. Zijne schaapjes op het drege hebben. — Drogerij', v. (-en). Plaats, waar iets gedroogd wordt. Het drogen zelf. Gedroogde kruiden of planten. — Droging, v. (-en). — Drogist, m. (-en). Verkooper van drogerijen. —Drogistwinkel, m. 1,-s),

drosrrodoii, v. (-en). Redeneering. die op schijngronden berust en tot onware conclusiën leidt. — Drogredenaar, m. (..aren, -s).

drol, v. en m Zeer grot lijnwaad. — Drollen, bn.

drol, m. (-len). Potsenmaker. — Drollig, bn. bijw. Koddig, kluchtig. — Drolligheid, v. (..heden).

drom, m. (-men). Samengedrongen menigte. (Wev.) Inslag. — Drorngaren, o. Inslag.

dromedstrln, m. (-sen). Groot, onbevallig dier, met een langen hals en hooge pooten en eenen bult op den rug. Behoort tot de herkauwers. Zware kerel.

drommel, m. (-s). Boel. Duivel. — Drommels, bijw. —Drornmelsch, bn.

dronk, ra. (-en^. Hoeveelheid, die men in eens drinkt. — Dronkaard, ra. ( s, -en), lem., die aan den drank verslaafd is. — Dronken, bn. Bedwelmd door den drank.

— Dronkenachtig, bn. — Dronkenman, ra. (-nen, ..lieden, .lui). — Dronketi-schap, v.

droog, bn. bijw. Wat niet nat, met vochtig is. Droog brood : brood zonder boter. Drooge hoest: hoest zonder slijm. Dor. Onvruchtbaar. Droog (koud) antwoord. Een droog mensch onspraakzaam

5 — DROP

raensch. Droge wetenschap. — Droogach-tig, bn. — Droogbad, o. (-en). Zandbad. — Droogbekken, o. (-s). Gereedschap voor het drogen en strijken van linnen. — Droogdoek, ra. (-en). — Drooghaard, ra. ( en). Droogplaats. — Droogheid* v. — Droog-houden, o. — Droogje, o. Op een drocgje zitten : ergens zitten, zonder dat iets tot verversching wordt aangeboden. — Droogjes, bijw. Op eene droge wijze. — Droog-kamer, v. (-s). — Droog kas, v. (-sen). — Droogkoord, o. (stoln.) ; v. ( en) (voor-werpsn.). Koord, waarop iets te drogen gehangen wordt. — Drooglat, v. (-ten). — Droogleggen (Sch.) bw. — Drooglyst, v. (-en). — Droogt nopen (Sch.) ow. (zijn). — Droogmaken (Sch.) bw. — Droogmakerij, v. (-en). —Droogmaking, v. — Droogma-len (Sch.) bw. — Droog malinct, v. — Droogoven, m. (-s). — Droogplaats, v. (-en). — Droogpoetsen (Sch.) bw. — Droog-raam, o. en v. (..araen). — P^oogrek, o. (-ken). — Droogscheerder, u.. lt;-s). Laken-bereider. — Droogscheren, o. — Droogschacht, v. (-en). — Droogschuren (Sch.) bw. — Droogschuur, v. (..uren). — Droogs-monds, bijw. Met drogen mond. Nuchteren.

— Droogstaan (Sch.) ow. ^hebben). — Droogstok, ra. (-ken). — Droogstoppel, m. (-s). Scheldnaam. — Droogte, v. (-n). Gebrek aan regen. Droog weer. Zandbank of plaat. — Droogtouiu, o. (-en). — Droogfsjquot; voets, bijw. — Droogzolder, m. t'-s).

Igt;roogonl»roeo!t {J. van) = (Jan Ferguut), i8quot;.5, S1 Araands (op de Schelde). Bureeloverste in het ministerie (Letteren, Wetenschappen en fraaie Kunsten). Werkend lid der K. VI. Academie. Makamen en C haze len (proeven Oosterscher poëzie, 1866); Dit zijn Zonnestralen (1873); Tor-quato Tassoos dood (cantate, bekroond 1870quot;»; Camoëns (cantate, bekroond 1882).

droom, m. (-en). De gedachten en beelden, die men, zijns onbewust, in den slaap ziet. —Droomachtig, bn. Droome-rig. — Dr oom beduider, m. ( s). — Droombeeld, o. (-en). — Droomboek, o. en m. Boek, dat de droomen uitlegt. — Droomen, bw. ow. droomde, heeft gedroomd. Eenen droom hebben. Verstrooid zijn van gedachten. Zich vergissen : kom, gij droomt. — Droomer, ra. (-s). Die droomt. Vadsig mensch. — Droomerig, bn. bijw. Vadsig. Afgetrokken. — Droomerigheid, v. — Droomen)', v. (-en). Het droomen. Hersenschim. Begoocheling. — Droomgezicht, o. (-en). — Droomig, bn. bijw. Als een droo-raendc. Peinzend. Druiloorig. — Droomster, v. (-s). — Droomuttleggrr, ra. (-s). — Droo muitlegster, v. (-s). — Droomuitlegkunde, v. — Droomverklaarder, ra. (-s).

— Droomverklaarster, v. ( s). — Droomverklaring, v. (-en). — Droom 7V aar zeg-ger, ra. (-s). — Dr oomwaar zegster, v. (-s).

— Droomwaarzeggerij, v.

droopen. bw. droopte, heeft gedroopt.

Bedruipen Besproeien. — Drooping,v.

drop. Zie Drup.

drop, v. Gestold altreksel van zoet-böut.

droppel, droppelen. Zie Druppel.


ocr page 180

sta Ia cite fan, welke van het gewelf naar beneden hangen en \n stalagnue/en, welke van den bodem oprijzen. — Dropsieenach-tig, bn.

«IroNHaard, m. (-s). Baljuw. — Drossaardschap, o. — Drostgt; m. (-en). Drossaard. — Drostendienst,va. (-en). Heeren-•dienst, welken de vazallen voor niet moesten •doen. — Drostschap, o.

«IrosHCii, ow. droste, is gedrost. Weg-loopen.

«Irnïdo, ra. (-en). (Eert.) Priester der Galliërs en Britten. — Druïdendienst, ra.

— Dru'idenleer, v. — Druïdeniempel, ra. (-s). —Druidenivoud, o. (-en).

«Iruif, v. (..ven). Vrucht van den wijnstok. Knop aan een kanon. Knop van eenen bootstaak. — Druif bol, ra. (-len). Bolvormig gedeelte van de druif (van een kanon).

— Druifgezwel, o. (-len). Zekere oogziekte. — Druifvlies, v. (..ezen). Een oogvlies. — Druifvormig, bn. — Druiveblad, o. (-eren). — Druiveboom, ra. (-en). — Druinekern, v. (-en). — Druivekorrel, v. (-s). — Druivelaar, ra. (-s). Wijnstok. — Druivenbloed, o. Wijn. — Druivcncon-fituur, v. (..uren). — Druivengelei, v. ..lt;-ën). Gesuikerde druiven,— Druivenkorf, ra. (..ven). — Druivenleesier, v. (-s).— Druivenlezen, o. — Druivenlezer, m, (-s). — Druivenlezing, v. — Druiven-mand, v. — Druivenmoer, v. —Druiven-moes, o. — Druivennat, o. — Druivenoogst, ra. — Druivenpers, v. (-en;. — Druivenperser, ra. (-s). — Druivenpers-ster, v. (-s). — Druivenpluk ra. — Druivenplukker, ra. (-s). — Druivenpluk-ster, v. {-amp;). — Druivenrank, v. (-en).—Drui-venrist, v. (-en). Druiventros. — Druivensap, o. — Druivensoort, v. (-en). — Druiventreedster, v. ( s). — Druiventreden, o. — Druiventreder, ra. (-s). — Druiventrapper, m. (-s). — Druiven-trap ster, v. ( s . — Druiventros, m. (-sen).

— Druivenvocht, o. — Druiventvifn, ra.

— Dmivemiekte9 v. — Druivepit, v.

DRUI

dropfttfooii (een steen), m. (en); i^stofn.), o. Zekeie ver«;teenin8:en, welkeraen in grotten aantreft. Men onderscheidt ze in

6 — DRUK

(-ten). — Druiveschil, v. (-len). — Drui-vesteel, ra. (..elen).

druil, ra. (-en). Bijzeil {broodwinner genoemd). — Druilsra, v. (..raas).

druil, ra. Sluimering : in den druil zijn. druilen, ow. druilde, beeft gedruild. Langzaam te werk gaan. Sluimeren. — Druil, ra. en v. ( en), druiler, ra. (-s). — Druilerig, bn. — Drutlig, bn. — Druiling, v. — Druiloor-, ra. (-en). —Druiloo-ren, ow. druiloorde, heelt gedruiloord. Druilen. — Druiloorig, bn. — Druiloorig-heid. v. — Druilster, v. (-s).

dnii pou, ow. droop, heeft en is gedropen. (hebben) Bij druppels laten vallen : de goot druipt, (zijn) In druppels nedervallen : het zweet droop van zijn aangezicht. Gaan Inopen ; hij is gaan druipen. Er niet doorkomen (bij een examen) : hij is gedropen.

— Druip, m. Het druipen. — Druipbad, o. (-en). — Druiper, druiperd, ra. (-s).

— Druipitifr, v. (en). — Druipnat, bn. Zeernat.— Druipneus, ra. en v. (..zen).Die een druipenden neus heeft. — Druipoog, ra. en v. (-en). — Druipstaart, m. ( en). Dier, dat den staart tusschen de pooten laat hangen. lom., die vol schaamte wegsluipt. — Druipstaarten, ow. druipstaartte, heeft gedruipstaart. — Druipsteen (een steen), ra. (-en); (stofnaam), o. Leksteen. Dropsteen.

drulAcltcn, ow. druischte. heeft ge-druischt. Met geraas zich (tegen iets) bewegen. — Druisching, v.

drukken, drukte, heeft gedrukt. Bw. Ineendringen : boter in den pot drukken. Door drukken smart veroorzaken : mijne schoenen drukken mij. Door drukken bevestigen : het zegel op de oorkonde drukken. Door drukken iets op papier, enz. brengen : een boek drukken. Het gemoed bezwaren : dit verlies drukt hem zeer. Benauwen : hij voelt iets, dat hem drukt. Iemands voetstappen drukken : hem navol-

fen. Ow. Steunen : op eenen hefboom rukken. Wegen : mijn boedd uktop mijn hoofd. Die spijs drukt op de raaag. —en. Ow. Steunen : op eenen hefboom rukken. Wegen : mijn boedd uktop mijn hoofd. Die spijs drukt op de raaag. — Druk, ra. (-ken). Drukking, persing. Het drukken, afdruk, uitgave, oplage. Nood, ellende, benauwdheid. — Druk, bn. bijw. Bezig, Veel te doen hebbende. Overhaa t. Welbeklante. — Drukbal, ra. (-len). Gereedschap der boekdrukkers. — Drukfeil, v. (-en), — Drukfout, v. (-en). — Drukinkt, ra. — Drukkend, bn. bijw. Dringend, persend. Groot, zwaar : drukkende hitte. — Drukker, ra. (-s). — Drukkerij, v. (-en).

— Drukkersbal, ra. (-len). — Drukkers-kas, v. (-sen). Letterkas. — Drukkers-gast, ra. (-en). — Drukke*-sjongen, ra. (-s). — Drukkersknecht, m. (-s). — Drukkersraam, o. env. (..amen). — Drukkersrol, v. (-len). — Drukkerswerk, o. — Drukking, v. (-en). — Drukkosten, ra. rav. — Drukkunst, v. — Drukletter, v. (-s). — Drukloon, o. en m. (-en). — Drukquot; papier, o. (-en). — Drukpers, v. (-en),

— Drukplaat, v. (..aten). — Drukproef, v, (..ven), — Druksel, o. Afdruksel. — Drukte, v. (-n). Overvloed van bezigheden. Tijd, gedurende welken men veel bezig is. Bezigheid, Samengedrongen me-


ocr page 181

DUEL — I

nigte. — Drukvorm, m. (-en). — Druk' werk, o. (-en). Gedrukt werk.

driimmeii, diuinde, heeft gedrumd. Bw. Dringen : iem. tegen den muur drummen. Ow. Zich dringen : houdt op te drummen ! Eenpw. Het zal drummen- op de markt. — Drummer, m. (-s). Die drumt. (Bouwk.)Steunmuur. Steunboog.

drup, «Irop, m. ( pen). Het druppen. Druipend vocht. Druppel. Van den regen in den drup komen : van kwaad tot erger vervallen. — Druppel, droppel, m. (-s, -en). Afg.scheiden vochtdeeltje. Kleine hoevt elheid Soort van spiritus, die bij druppels wordt toegediend. Glas jenever, enz. (Bouwk.) Bijwerk onder kapiteelen. — Druppelen, droppelen, ow. druppelde, droppHde, heeft en is gedruppeld, gedroppeld. Bij druppels laten vallen, (zijn) In aruppels neder vallen. Eenpw. Het druppelt : begint te regenen. — Druppeling, droppeling, v. (-en). Afgescheiden vochtdeeltje.— Druppelings, droppelings, bijw. Bij druppels. — Druppelsgewijze, ..gewys, droppelsgevoyze, ..^ewijs, bijw. Druppel voor druppel. — Druppelswij ze, drof» beis-wij ze, bijw. In de gedaante van druppels.

— Druppen, droppen, ow. drupte, dropte, heeft en 'is gedrupt, gedropt. Druipen.

prumont (£. A.), 1844, Parijs. Polemicus en dagbladschrijver. L-i France Juive ; La dernière Baiaille ; De /' Or, de la Boue, du Sang (1896).

Drusius ^7.), 1550-1610, Oudenaarde. Leeraar der Öostersche talen te Oxlord, Leiden, enz. Schrelt; tover den Bijbel. ]gt;Hjilolo. Moluksch eiland.

«In si line, v. Ontploffende stof, door Dittmar uitgt-vonden (1868). ZieGlycerine.

dnalismo, o. Wijsgeerig stelsel, volgens hetwelk men twee grondwezens aanneemt : bet eene de oorsprong van het goede, het andere de bron van alle kwaad.

— Dualist, m. (-en).

dubbel, dubbcld, bn. bijw. Tweevoudig. Tweemaal genomen. — Dubbel, o. Hii vroeg mij het dubbel van den prijs. Het dubbel van een geschrift. — Dubbelaar, m. ( s). — Dubbelen, bw. dubbelde, heeft

Eedubbeld. Verdubbelen. Dubbel maken. gt;ubbel nemen. M et dubbelen draad naaien. (Een schip) een dubbel bekleedsel geven.edubbeld. Verdubbelen. Dubbel maken. gt;ubbel nemen. M et dubbelen draad naaien. (Een schip) een dubbel bekleedsel geven.

— Dubbelhaak, m. (..aken). — Dubbelhartig, bn. Geveinsd. Valsch. Verraderlijk. — Dubbelhartigheid, v. — Dubbel-hartiglijk, bijw. — Dubbeling, v. — Dubbelpunt, v. Leesteeken (ï). — Dubbelslachtig, bn. — Dubbeltje, o. (-s). = 10 centen. —• Dubbeltongig, bn. bijw. Valsch. Onoprecht.— Dnbbeltongigneid, v. —Dubbelzien, o. — Dubbelzichtig, v. — Dubbelzinnig, bn. Voor twee uitleggingen vatbaar. — Diibbelzinmgheid, v. (..heden).

— Dubbelzinniglyk, bijw.

dubben, ow. dubde, heeft gedubd.

Twijfelen. Aarzelen. — Dubbers, m. (-s). — Dubbing, v. (-en). — Dubieus, bn. Twijfelachtig. — Dubster, v. (-s).

Dublin, 360,000. Hoofdstad van Ierland.

dubloen, m. (-en). (Eert.) Spaansche goudmunt.

- — DUIK

Dueliaslel {F.), i625-iö94(?). Schilder;. Plechtige inhuldiging van Karei //,. kon. van Spanje.

dueliten, bw. duchtte, heeft geducht. Vreezen. — Duchting, v.

dueliliic, bn. bijw. Geducht. Vreeslijk. Sterk. — Duchtigheid, v.

Igt;uei8 {J. F.), 1733-1816, Versailles. Fr. tooneeldichter.

lgt;uelon (A. J.), 1841, Brugge. Kanunnik. Pastoor te Pervijze. Was hoofdopsteller van Rond den Heerd. Onze Helden van 1302 (1880).

duel, o. (-len). Tweegevecht. — Duel-leeren, ow. duelleerde, heeft geduelleerd. Een tweegevecht voeren (tegen). — Duellist, m. (-en).

duet, o. (-ten). Muziekstuk door twee personen uit te voeren.

duf, bn. bijw. Beschimmeld riekende of smakende. Vochtig. — Duffighetd, v. — Dufheid, v.

duflel, o. Langharig trijp. Soort van grove wollen stof. m. (-s) Eene jas van iluftel. — Duffelsch, bn.

dulHteen. Zie Tufsteen.

lgt;ut;ueHeliu (/gt;.). 1314-1380, Rennes. Graaf van Longueville, connètable van Frankrijk. Veldheer.

duidelUki bn. bijw. Helder. Klaar. Verstaanbaar. Op verstaanbare wijze. — Duidelijkheid, v. — Duidelijkheidshalve, bijw.

«luiden, bw. duidde, heeft geduid. Wijzen (met den vinger). Aanduiden. Ophelderen. Ten kwade duiden : kwalijk nemen, ten kwade uitleggen. —Duiding, v.

«luit', v. (..ven). De duiven (eolumbee) maken eene orde uit van de klasse der vogels. (Tamme, wilde duiven, reisduiven, enz.). — Dutvenboon, v. (-en). Voedsel der duiven.— Duivendrek, m.— Duivenei, o. (-ers, -eren). — Duivengat, o. (-en), duivenkijker, m. (-s). Gat of opening, dat tot doorgang dient van de duiven. — Dui-venhals, m. (..zen), duivenviondstuk, o. (-ken). Soort van mondstuk voor de paarden. — Duivenhok, o. (-ken), duivenkot, o. (-ten, ..oten), duivenslag, O. (-en), duiventil, v. (-len). Hok, waarin men duiven houdt. —Duivenhouder, m. (-sV — Dui-venkervel, v. Éénjarige plant { fumaria officinalis). Komt voor op bebouwd en onbebouwd land en op mesthoopen. Bloeit van Mei tot in 't najaar. — Duivenmand, v. (-en). — Duivenmarkt, v. (-en). —Duivenmelker, m. (-s). —Duivenmest, m. — Duivenpost, v. (-en). — Duivenvlucht, v. Een aantal duiven, te zamen vliegende. Duivenhok. — Duiver, m. (-s). Mannetjesduif. — Duivin, v. (-nen).

«Iiiig:, v. (-en). Zijstuk van een vat, eene ton, enz. In duigen vallen : in stukken vallen, mislukken.

«Inlkelen, ow. duikelde, heeft geduikeld. Over het hoofd tuimelen. Duiken (onder water). — Duikelaar, m. (-s). Die duikelt. Zekere watervogel. Soort van kleine scheepsspijker.— Duikeling, v.(-en), duiken, ow. dook, heeft gedoken. Dompelen .Zich vooroverbukken. Onderduiken : onder water duiken. Zwichten. Eene


ocr page 182

DUIT — i

Jlagere kaart spelen, om den slap niet te halen. — Duiker, ra. (-s). Die duikt. Verlaat, zelfwerkende sluis onder eenen weg of dijk geplaatst voor de afleiding van 't water. — Duikers noemt men de inland-sche soorten van den egelskop. — Diakers-k/ok, v. (-ken). Werktuig om onder water te arbeiden en voorwerpen van den bodem op te halen. — Duikerstoestel, o. en m*. 'i-en). — Duiking, v. (-en).

duim, m. (-en). De eerste vinger van de hand. Telt eene geleding minder dan de overige vingers. Hengsel : de duimen der deur. Lengtemaat : Nederl. duim = i centimeter. Kijnlandsche duim =* 2,616 cm. Amsterdamsche duira = 2,573 cm. Engel-sche duim = 2,54 cm. Onder den duim houden : bedwingen. Uit den duim zuigen : verzinnen. Iets op zijn duimpje weten, in den grond kennen. — Duim bekleedsel^ o. -s). — Duimbreed, o. — Duimeling, m. -en). Duim van eenen handschoen. Afzonderlijke (lederen, enz.) duim. (Zeew.) Haakring. Duimbekleedsel, duimring. — Duimgewricht, o. — Duimhandschoen, m. (-en). — Duimyzer, o. (-s). Hengsel eener deur. — Duimken, o. (-s). Kabouter. Held van een aantal vertellingen uit de kinderwereld. — Duim kleppers, m. rav. Castagnetten. — Duimkruid, o. Hij liet *ich door duimkruid overhalen, door geld orakoopen. — Duim leder, „leer, o. — Duimring, ra. (-en). Ring aan een ander voorwerp vast, ora er den duira in te steken. Ring aan den duira. — Duimschroef, v. (..ven). (Eert.) Schroef tot pijniging der verdachten. — Duimspier, v. (-en). — Dutmspyker, ra. (-s). — Duimstok, m. (-ken). Maatstok, in duimen verdeeld. — J)uimzweer, v. (..eren).

duimelcn, bw. duimelde, heeft gedui-meld. Opsteken. Tot zich halen.

duin, o. (collectief); v. (-en) (voor-werpsn.). Zandheuvel langs de zee. — Duinaardappel, m. (-s). — Duinbezie-boom, ra. (-en). — Duindoorn, ra. (-s). Heester, die op de duinen van Holland en Zeeland groeit. — Duingezicht, o. (-en).

— DninrraSfO.—Duingrond, ra. (-en). — Duinhelm, v. Soort van struisgras, op de duinen groeiende. — Duinhol, o. (-en). — Duinhoogte, v. (-n). — Duinkant, ra. — Duinkonyn, o. (-en). —Duinmaaier, ra. (-s). Opzichter over de jacht in de duinen.

— Duinriet, o. — Duinroos, v. (..ozen).

— Duinstrand, o. ( en). — Duinstreek, v. (..eken^. — Duinwilg, ra. (-en). — Duinzand, o.

duist, o. Stuifmeel. Fijne kaf bolsters.

duiftf, v. Lastig onkruid op de graanvelden.

duistor, bn. bijw. Donker. Bewolkt. Verward. Onduidelijk. — Duisterachtig, bn. — Duisterheid, v. —Duister lijk, bijw.

— Duisterling, ra. en v. (-en). lera., die den raensch gaarne onwetend zou houden. Oningewijde. — Duisterlinge, v. (-n). — Duisternis, v.

duit, ra. (-en). (Eert.) Koperen pasmunt = 1/8 stuiver. — Duitendief, ra. (..ven). Gierigaard. — Duitenplaatje, o. (-s).

3 — DUIV

dulfftoli, o. Naara van de schrijf- en beschaafde spreektaal van Duitschland en de Duitsche gedeelten van Oostenrijk en Zwitserland (synoniem : Hoogduitsch). De dialecten rchter, waarover de Duitsche taal heerscht, hebben zich in den loop der 7» en 8® eeuw in drie groepen gesplitst : Neder-, Middel- en Opperduitsch, wier verschil hoofdzakelijk in het consonantisme ligt, op zulke wijze, dat het Nederduitsch meer aan het oorspronkelijke stelsel getrouw gebleven is, de twee andere groepen er rain of meer van afgeweken zijn (b. v. Nederd., ik ben, Middefd. ich bin, Opperd. ich pin). De duitsche schrijftaal berust op een Mid-deld. dialect. De dialecten van Vlaarasch-België en Nederland behooren tot de Nederd. groep. Het Nederd. van Duitschland heet gewoonlijk plat duitsch. — Duitsch, bn. bijw. —Duitscher, ra. (-s).

— Duitschland, o. Keizerrijk (Europa). Bevolking : 51,750,000 inw. Oppervlakte : 9,804 vk. geogr. mijl. Hoofdstad : Berlijn.

duivekater. Wat duivekater! Wat duivel!

duivel, ra. (-s, -en). Afgevallen engel, door God voor eeuwig gedoemd (ook Satan en booze geest geheeten). Boos, wreedaardig mensch. Sukkel : arme duivel. — Dui' ve lach tig, bn. — Duivelachtigheid, v. (..heden). — Duivelarij, v. (-en). Boosheid. List. Bedrog. — Duivelbanner, ra. (-s). — Duivelbannery, duivelbanning, v. (-en). — Duivelbanster, v. (-s). — Duivelbezweerder, ra. (-s). — Duivelbezweer-ster, v. (-s). —Duivelbezwering, v. (-en).

— Duivelen, bw. duivelde, heeft geduiveld. Mishandelen. — Duivelig, bn. —- Duive-ligheid, v. (..heden). — Duivelin, v. (-nen). Kwaadaardig wijf. — Duiveljaag-ster, v. (-s). Tooverheks. — Duiveljagen, ow. duiveljaagde, heeft geduiveljaagd. Een verdrag niet den duivel maken. Geraas maken. — Duiveljager, m. (-).Toovenaar.

— Duivels, bijw. — Duivel sa dvocaat, ra. (..aten). Hij, die bij heiligverklaring tegen de heiligverklaring pleit. — Duivelsbeet, v. Zekere plant: Scabiosa succisa. — Dtti-velsboom, ra. (-en). Kleine boora {moriso-nia americana) van Z.-Amerika, uit welks wortel de Wilden knotsen maken. — Duivelsbrood, o. Soort van wilden paddenstoel, nitwas (aan boomen). — Duivelsch, bn. — Duivelsdienaar, ra. (..aren). — Duivelsdrek, ra. {Asa fcetidd). Gomhars, afkomstig van Ferula asa fcetida, schernf-dragend gewas, uit welks wortel hij door middel van uitsnijdingen wordt verkregen.

— Duivelskers, v. Zekere plant : bryonia alba. — Duivelskind, o. (-ers, -eren). — Duivelskop, ra. (-pen). Kop van eenen duivel. Slechthoofd. Dikke uitwas (aan boomen). — Duivelskunstenaar, ra. (-s). Toovenaar. — Duivels kunstenares, v. (-sen). — Duivelskunstenarij, v. (-en). Tooverii. Hekserij. Zwarte kunst. — Dui-velsmclk, v. Zekere plant : euphorbia esula. — Duivelsmunt, v. (-en). Fossiele zee-producten, die op munten gelijken. — Duivelsnaaigaren, o. Deze naara wordt aan verschillende zich rondom andere gewassen slingerende planten gegeven, inz.


ocr page 183

DUMA — i

aan de ruige linze. — Duivelsoog, o. en y. (-en). Eene adonisbloem : adonis astivalis.

— Duivelspenning, m. (-en). Linzensteen.

— DuivrIsstreek, m. (..eken). Slechte daad — Duivelstoejagert m. (-s). Hij, op wien anderen hunne taak schuiven. — Dni-velstverk, o. Zwaarwerk. Moeilijke arbeid.

— DutvelsTvolkje, o. (-s). Klein wolkje, als voorbode van storm beschouwd.

dnizoleii, ow. duizelde, heeft geduizeld. Zekere draaiende beweging in het hoold ontwaren. — Duizelend, bn. — Duizelig, bn — Duizeligheid, v. — Duizeling, v. (-en). —• Duizelingwekkend, bn.

— DuizeltJigwcrend, bn.

duizeiKl, grondgetal : i,ooc. — Duizend, o. (-en). — Duizendbeen, o. (-en). Duizendpoot. Naam van zekere zeespin, zekere krab en zeker Amerikaansch insect. Scl idpad met veel schijven. — Duizend-blad, o. Plant [achillea millefolium) tot de samengesteldbloemigen behoorende. Groeit op droog weiland en langs wegen. Draagt veelvoudig en fijn verdeelde bladert n en kleine witte of.rozenroode bloemen.

— Dicizendblocmpjesiuater, o. — Duizen-derhande, ..lei, bn. —Duizendgraan, o.,

o. Duizendkoren.—Duizend-guldenkruid, o. Naam van twee planten : erythraa centaurium en e. linaricefolia, tot den gentianeën behoorende. Irroeien vooral op de duinen. — Duizendhoe ft, m. (-en). — Duizenhoekig, bn. — Duizendjarig, bn. — Duizendknoop, m. Plantengeslacht {polygonum) tot de familie polygo-neën (duizrndknoopen) behoorende.—Duizendkoren, o. Zekere plant : hernia*-ia glabra — Duizendkruid, o. Duizendgul-denkruid. — Duizendmaal, bijw. — Dui-zendpondig, bn. — Duizendpoot, m. (-en). Zie Bijgevoegde tabellen. — Duizendschoon, v. (-en). Soort van anjelier : dian-ih us bar bat us. Wordt gekweekt in onze tuinen. B oeit in JuU en Auguscus. — Duizendste, rangsch. telw. — Duizendtal, o. (-len). — Duizendvoet, m. (-en). Duizendpoot. — Duizendvoud^ o. (-en). — Duizendvoudig, bn. bijw. — Duizendwerf, bijw.

Igt;iijar«liu (A'.), i625(?)-i678, Amsterdam. Portret- en landschapschilder.

«lukasil, m. (..aten). (Eert.) Gouden munt = 5,50 ol 5,75 gulden. Zilveren dukaat = 2,50 gulden. — Dukatengoud, o. Goud van het fijuste gehalte.

«lukafou, m. (-nen, -s). (Eert.) Zilveren munt = 3,15 gulden.

dukdalf, m. (..ven). Paalwerk, dat in 't waterstaat en waaraan men schepen kan vastleggen.

dulden, bw. duldde, heeft geduld. Met gelatenheid lijden en verdragen. Toelaten. Het papier duldt alles. — Duidelijk, bn. bijw. — Duldeloos, bn. bijw. Onverdraaglijk. Onhoudbaar. — Duldelquot;osheid, v. — Duider, m. (-s). — Duister, v. (-s). — Duiding, v.

lgt;uma.H 1® {A. vader), 1803-1870, Vil-lers-Cotterets (Picardië). Tooneel- en romanschrijver. J.cs trois mousquetaires; le Com te de Man te Chris to (i84i-,45); Reine Margot (1848). 20 {A. zoon), 1824-

1 — DURE

1895, Parijs. Tooneel- en romanschtijver. La dame aux camèlias (1848).

Igt;iMuortlcr (C. B.), 1797-1878, Doornik. Kruidkundige en politiek man.

lgt;iiiiiouriez {C.F.), 1739-1823, Kame-rijk. Generaal. Versloeg de Oostenrijkers bij Jemappe en veroverde België (1792;.

«Iuii, bn. bijw. Van zeer geringe dikte of lijvigheid : dun lichaam. Mager : dunne armen. IJl : dun haar. Fijn : dunne lucht. Opgelengd : dunne melk. Nisch : dunne eieren. Versleten : zijne broek wordt dun. Vloeibaar : de boter dun maken. Zeldzaam : de vromen zijn dun gezaaid. — Dunbeen, m. en v. (-en). Die dunne beenen heeft. — Dunbeenig, bn. — Dunbier, o. Gemeen bier. — Dunblade'ig, bn. — Dunblce-dig, bn. — Dunbloedigheid, v. — Dun-buik, m. en v. (-en). Die een mageren buik heeft. — Dunbuikig, bn. — Dundoek, o. Nederl. dundoek : de landsvlag van Nederl. — Dunharig, bn. — Dunha-righeid, v. — Dunheid, v. — Dun-lifvig, bn. — Dun lijv ighe id, v. — Dunnen, dunde, heeft en is gedund. Bw. Dun maken. Knippen : het haar dunnen. Snoeien : boomen dunnen. Meer lucht geven : plar ten dunnen. Afschaven : leder dunnen. Ow. (zijn) Dun worden. Verminderen. — Dunnetjes, bijw. Flauwtjes. Weinig. Schaars. — Dunntgheid, v. — Dunning, v. — Dunsel, o. Eerste (krop)salade. — Dunte, v. (-n). Dunheid.

dunk, m. Meening. — Dunken, hem dunkt, hem dacht en docht. Eene meening hebben (over).

lgt;unH {J.) = (Duns Scotus). Wijsgeer uit Scotland (XIVe eeuw).

duo, o. (-'s). Duet.

duodecimo, o. (-'s).. Klein boekformaat — 24 bladzijden op een vel druks. — Duodecimo, bn.

l^iipauloup {F. A. P.), 1802-1878, S. Félix (Savoye). Bisschop van Orléans. Le christianisme présenté aux hommes du monde (1844); de Veducation (1857); CEuvres oratoires.

dupe, m. en v. (-s). Gefopte. — Du-teer en, bw. dupeerde, heeft gedupeerd. Bedriegen.

du|gt;li«»s*at,o. (..aten). Dubbel afschrift eener oorkonde, enz.

dupliek, v. (-en). Wederantwoord (van eenen advocaat na eene pleitrede).

duplo. In duplo : in twee gelijken, van éenen inhoud.

Dupont (^.), 1828-1890, Ensival.Piano-virtuoos en toondichter.

lgt;upi*é (J.), 1812-1889, Nantes. Landschapschilder.

JDiKiuenne {A.), 1610-1688, Dieppe. Fr. vlootvoogd.

lgt;ult;iueNno7- i® {F), 1594-1642, Brussel. Beeldhouwer. Vervaardigde heerlijke kinderbeeldjes. 2° Ziin broeder f^.), 1612-1654, Brussel. Beeldhouwer. Marmeret* praalgraf van den bisschop A. Triest te Gent.

Durante {F.), 1684-1755, Frattaraag-giore (Napels). Componist van kerkmuziek.

duren, ow. duurde, heeft geduurd. Voortgaan te zijn. In stand of wezen blij-


ocr page 184

DWAA — If

ven. Aanhouden. Uithouden. — Durabel, bn. Duurzaam. — During, v.

lgt;ürer {A.), I47i-i5?8, Nümberg. Duitsch schilder, graveur en meester in de beeldende kunsten. Zgt;lt;? Marteling der 10,000 heiligen ; Aanbidding der Drievuldigheid.

«lurk, m. (-en). Pompzode.

durven, ow. dorst, durfde, dierf, heeft gedurfd. Den moed hebben. Wagen. — Durfal, m. en v. Men). — Durfniet, m. en v. (-en).

dus, vw. Derhalve. Bijw. Op deze wijze.

— Dusdanig, aanw. vnw. Van dezen aard. Bijw. Op deze wijze. — Dusverre, dusver, bijw. Tot zoo ver.

Igt;u»art(C,), 1665-1704, Haarlem. Schilder en etser.

dufn, m. en v. (-en). Sukkelaar, sukke-laarsier.Ziekelijk mensch.Onnoozel mensch.

— Dutsachtig, bn.

dutten, ow. dutte, heeft ^edut. Een kort slaapje doen. — Dut, m. Korte slaap. Dwaling : iem. uit den dut helpen» — Dutster, v. (-s). — Dutstoel, m. (-en). — Dutter, m. (-s).

duur, m. Het duren. Voortduring. Rust noch duur hebben : nergens kunnen blijven (uit ongeduld, enz.^. — Duurzaam, bn. Wat duren kan. — Duurzaamheid, v.

duur, bn. bijw. Hoog van prijs. Zijn leven duur verkoopen. Dit zal hem duur te staan komen : hij zal er voor moeten boeten. — Duurkoop, bn. — Duurte, v. Ho )ge prijs.

«luw, m. (-en). Stoot. — Duwen, bw. duwde, heeft geduwd. Stoeten.

lgt;uyHe (P. van), 1804 18-9 Dender-monde. Archivaris der stad Gent. Dichter en improvisator. Oe Gcntsche Vaderbeul

(bekroond, 1839); Verhandeling over den Nederl. versbouw (bekroond, 1854); Leopold /, vijf rn trvin tig jaren koning van (bekroond, 1857).

v. (..alen). Tafellaken Wit lijnwaad, dat het outaar dekt. Linnen dock, die op de communiebank ligt.'

► — DWEI

dwaas, bn. bijw. Onverstandig. Zot. Gek. — Dwaas, m. en v. (..zen). Zot. Zin-nelooze. — Dwaze, v. (-n). — Dwaasheid, v. (..heden).— Dwaashoofd,m. en v. (-en).

— Dwaselijk, bijw.

dwalen, ow. dwaalde, heeft gedwaald. Op eenen verkeerden weg zijn of voortloo-pen. Afwijken : de magneet dwaalt. Eene valsche meenig hebben (van).- Zich vergissen. — Dwaalbegrip, o. (-pen). Valsch begrip. Verkeerd inzicht. — Dwaalgeestt m. (-en). — Dwaalleer, v. (-en). Valsche leer. — Dwaalleeraar, m. (..aren, -s).— Dwaallicht, o. (-en). Electriek verschijnsel, in de gedaante van vlammetjes, die zich soms in zee aan de toppen der masten of raas, en ten lande in moerassigen grond vertoonen. — Dwaalpad, o. (-en). — D tv aalrede, v. (-nen). Valsche redeneering. — Dwaalredefiaar,m. (..aren, -s).— Dwaalspoor, o. (..oren). — Dwaalstery ..star, v. (-ren). Planeet. — Dwaalster , v. ( s). — Dwaalweg, m. (-en). —Dwalend, bn. — Dwaler, m. (-s). — Dwa-ling, v. (-en). Het dwalen. Valsch begrip. Misverstand. Verkeerdheid.

d wanic, m. Geweld, dat men iem. aandoet om hem tot iets te dwingen of hem iets te beletten. — Dwangarbeid, m. Gedwongen arbeid der galeiboeven. — Dwangbevel, o. (-en). Rechterlijk bevelschiift (tot gevangenneming, enz.). — Dwatigbuis, o. (..zen^. Kicedingstuk om gevaarlijke krank-zinnigen. enz. tot bedaren te brengen. —

— Dwatiggezag, o. Willekeur. Despotisme.

— Dwangmiddel, o. (-en).

d wstrrelen, ow. dwarrelde, heeft gedwarreld. Wild, verward ronddraaien. Rondslingeren. — Dwarrel, m., dwarre-ling, v. (-en). —Dwarrelstroom, m. ( en). Draaikolk. -• Dwarrelwind, m. (-en). Sterke en draaiende wind.

dwar*, bn. bijw. Schuin. Scheef. Afwijkende van de rechte lijn. (Zeew.) Over den boeg. Eigenzinnig. Dwaas. — Dwarsarnty in. (-en). (Bouwk.) — Dwarsboomen, bw. «Jwarsboomde, heeft gedwarsboomd. Tegenwerken : iem. dwarsboomen ^in). — Dwarsbootner, m. (-s). — Dwarsboomstery v. (-s). — Dwarsdraads, bijw. Dwars over den draad. — Dwarsdryfster, v. (-s). — Dwarsdryven, ow. dwarsdrijlde, heeft ge-dwarsdrijfd. Tegenwerken ; hij is een liefhebber van dwarsdrijven. — Dwarsdrijver, m. (-s). — Dwarsdrijverij, v. (-en). — Dwarsfluit, v. (-en). Fluit, di© men overdwars tegen den mond houdt. —-Dwarsheid, v. — Dwarshoofd, m. en v. (-en). Dwarsdrijver. Dwarsdtijfster. — Dwarshout, o. (-en). Lat, blok, enz. dwars aangebracht. — Dwarskijker, ra. (-s). Die het handelen van anderen moet nagaan. — Dwarskijker ij, v. - Dwarskop, m. en v. (-pen). — Dwars lijn, v. (-en). Diagonaal. — Dwarsscheeps, bijw. — Dwarsscheepsch, bn. — Dwarsstraat, v-(..aten). — Dwaarsstrooms, bijw. — Dwarste, v. Overdwarse middellijn. — Dwar'suit, bijw.

«Iweil, v. en m. (-en). Doek, waarmede men het water, enz. van den vloer opneemt. Morsig mensch. — Dweilen, bw. dweilde.


ocr page 185
ocr page 186
ocr page 187

— i6i —

ECHT

ECLI

heeft gedweild. Met eene dweil schoonmaken.

dwepen, ow. dweepte, heeft gedweept. Overdreven begrippen koesteren.— Dweepachtig^ bn. — Dweep a ch tig h eid, v. — Dweepster, v. (-s). — Dweepziek, bn. — Dweepzucht, v. — Dweepzuchtig, bn. — Dweper, ra. (-s). — Dweperij, v. (-en).

dwerg:, m. (-en). Onnatuurlijk klein mensch.—Dwergachtig, bn. — Dwerg-palm. Zie Palm. — Dwergklein, bn. Zeer klein. —Dwergpaard, o. ( en). Hit.

dwiiigelstnd.m. (-en). Die regee rt zonder de goddelijke of menschelijke wetten te eerbiedigen.Tiran. —- Dwinqelandif', v.

dwingen, bw. dwong,heeft gedwongen.Noodzaken (door geweld). Dringen (met kracht). — Dwingend, bn. — Dwinger, m. (-s).— Dwtn-gerigx bn. Schreiend ora eenig oogmerk te, bereiken (inz. van kinderen). —Dwingery, v. —Dwingster. v. (-s).

öyek {A. van), ie9g.i64i, Antwerpen. Historie- en portretschilder. Christus in den hof van O liveten / S. Marten / de Nood Gods ; de Maagd met de Schenkers; Heilige Familie; Karei I op jacht; Christus aan het kruis,.

Dyokniaus [J. L.), 1811-1888, Lier. Genreschilder.

dynamica, v. Gedeelte der mechanica, dat de leer behandelt der krachten, die tot de beweging der lichamen dienen.

— Dynamisch, bn. Zie Electriciteit. dynamiet, o. Ontplolfende stof (door

Nobel, Hamburg, 1867 uitgevonden). Zie Glycerine.

dynast, m. { 'dn). (Eert.) Beheerscher van een kleinen of ook afhankelijken staat. Onmiddellijk van het rijk afhankelijk grondbezitter van het voormalige Duitsche rijk.

— Dynastie, v. (-en). Volgreeks van regee-rende vorsten uit hetzelfde geslacht. Volgreeks van beroemde mannen uit dezelfde iamllie.


E

o, v. (e's). 5® letter van het alphabet. Ea»tlake(C. L.), 1793-1865, Plymouth. Eng. schilder en kunstge eerde. Christus, de kleine kinderen zegenend (18.39) » Christus wrenendover Jerusalem (1841).

eb, ebbe, v. Het afloopen der zee na den vloed. — Ebben, eenpw. ebde, heeft geëbd. Afloopen (na den vloed).

ebbenliont, o. Is afkomstig van dios-pyros ebenum, boom in Afrika, Amerika, maar vooral in Oost-Indië voorkomende. Slechts 't centrale gedeelte van den stam heeft eene zwarte kleur en is daarom alleen van waarde. — Ebbenhouten, bn. — Ebbenhoutwerker, w. (-s).

Eberliard (A'.), 1768-1859, Hindelang. Duitsch beeldhouwer.

Ebers [G. M.)l 1837, Berlijn. Egyptoloog en romanschrijver,

Eburonen, m. mv. Volksstam, die ruim eene halve eeuw voor Chr. de boorden der Maas in het Limburgsche en het Luik-sche bewoonde.

écarté, o. Kaartspel, dat door 2 personen met 32 kaarten wordt gespeeld. — Ecarteeren, bw. ecarteerde, heeft geëcar-teerd. Verwijderen. Verstrooien. Kaarten ter zijde leggen om ze door andere te vervangen.

eeliappeeren, ow. echappeerde, is geëchappeerd. Ontkomen (aan). Ontvluchten.

echel, m. ( s). Bloedzuiger.

eclio, v. (-'s). Weergalm.

eclit, m. Huwelijk. — Echtbreekster, v. (-s). — Echtbreken, ow. (alleen in de onbepaalde wijs gebruikelijk). — Echtbreker, m. (-s). — Echtbreuk, v. — Echteband, m. (-en). — Echtebed, o. — Echtelieden, m. mv. Gehuwde personen. Man en vrouw. — Echtelijk, bn. Tot den echt behoorende. Bijw. Wettiglijk. Deugdelijk. — Echtelingen, m. mv. Echtelieden. — Echteloos, bn. Ongehuwd. — Echteloosheid, v. — Echttrouw, v. — Echtgenoot, ra. (-en). Gehuwde man. — Echt-genoote, v. (-n). — Echtscheiden, o., echtscheiding, v. (-en). Akte, waarbij gehuwden, om groote reden, wettelijk ontslagen worden van samen te wonen. Ontbindt het huwelijk niet. — Echtschender, ra. (-s). — Echt schending, v. — Echt-schendster, v. (-s). — Echtstaat, m. — Echtschennis, v. — Echtverbintenis, v. (-sen). — Echtverbond, o. (-en). — Echt-vereeniging, v. ( en).

eclit, bn. bijw. Overeenkomstig met de wetten. Zuiver, onvervalscht. Geloofswaar-disr. Getrouw. — Echten, bw. echtte, heeft geëcht. Echt, wettig verklaren : een kind echten. — Echtheid, v. — Echting, v. — Echtverklaring, v.

ecbter, bijw. vw. Evenwel. Niettemin, ftlckiiel (J. H.), 1737-1798, Enzersfeld (Oostenrijk), Jezuïet. De grondlegger der wetenschappelijke penningkunde der oudheid. Doctrina nummorutn veterum

(i792-'98).

Kckmülil. Dorp (Neder-Beieren). Napoleon behaalde er de zege op de Oostenrijkers onder erf-aartshcrtog Karei (1809).

eelat, o. Glans, luister. Opzien. Ge-druisch. Ruchtbaarheid. — Eclatant, bn. Schitterend. Opzienbatend.

eclipn, v. (-en). Verduistering van een hemellichaam teweeg gebracht door 't voorbijgaan van een ander. Zoneclips als de maan zich tusschen zon en aarde bevindt;


ocr page 188

EDEN

— 162

EEK

ntaaneclips, als de aarde zich tusschen zon en maan bevindt. — Ec/rfiseet-en, eclipseerde, heeft en is geëclipseerd. Bw. Verduisteren. Overtreffen. Ow. (zijn) Zich uit de voeten maken.

edict, o. (-en). Openbare Descnuma-king. Landsverordening. — Vorstelijk be-velschrift. Door Aet eeuwig edict werd Willem 1^1, Prins van Oranje, van de waardigheid zijner voorouders uitgesloten.


- .. . Eclips.

1. Maansverduisteringen. — II. Zonsverduisteringen, a. totale, b. centrale. c. ringvormige.

ecliptica, v. Cirkel aan den hemel, welken in schijn de zon, maar in werkelijkheid de aarde bij hare jaarlijksche omreis om de zon doorloopt.

economie, v. Zuinigheid. — Economisch, bn. — Économiseer enbw. econo-miseerde, heeft geëconomiseerd. Bezuini-— Eaonomist, m. (-en). Huishoudkundige. — Econoom, m. (..omen).

®crJev'f»e CP-), 1804-1879, Obbicht (bittard). Vrederechter (Eecloo). De Bok-Kenrijders in het land van Valkenburg (1845); Egmonds einde (bekroond, 1850).

edel, bn. bijw. Vrijgeboren. Voortreffelijk. Doorluchtig. Kostbaar. Verheven. — Edelaardig, bn. — Edelaardigheid, v.

Edelachtbaar, bn. Titel van burgemeesters en wethouders. —Edelachtbaarheid, v. — Edeldom, m. Adeldom. — Ëdelgeboren bn. WWtX).— Edeleesieente, o. (-n). Delfstof, welke zich onderscheidt door haar sterken en levendigen glans, doorzichtigheid, kleurloosheid of fraaiheid van kleur en groota hardheid. — Edel-grootachfbaar, bn. Titel van de leden der ProTinciale Staten en der gerechtshoven. -— Edelheid, v.— Edelknaap, m. (..apen). Dienaar ten hove. — Edelman, m. (..lieden). — Edelmoedig, bn. bijw. — Edelmoedigheid, v. — Edelmogend, bn. Titel der leden der Staten - Generaal. — Ede Imogen dheid, v. — Edelvrouw, ▼. (-en).

Kdelincb {G.)t 1649-1707, Antwerpen. Graveerder.

Eden,o. Paradijs. Vreugdegenot.

edik, m. Azijn.

Edlnburgli,236,000.Hoo#!istad(Schot-

land). Universiteit (gesticht 1582).

Edition (71 u4.), 1847, Alva (Ohio). Amerikaansch ingenieur. Uitvinder van eene druktelegraaf, phonograaf, een verbeterde telephoon, een electrische pen, electromotograaf, een aantal verbeteringen van electrische lampen.

editie, v. (..iën, -s). Druk, uitgave (van een boek- of plaatwerk).

edoch, vw. Doch.

ed 11 cut Ie. v. (-s). Opvoeding. Eeckhnut (G. van den), 1621-1674, Amsterdam. Schilder. Aanbidding der drie koningen ; de overspelige Vrouw

eed, m. (-en). Plechtige verklaring, onder aanroeping van God of iets, dat God merkelijk aangaat tot getuige van hetgene men zegt. — Eedaflegging, v. '-en). — Eedafneming, v. — Eedbreken o. — Eedbreker, ..verbreker, m. (-s). — hed-breekster, ..verbreekster, v (s) - Eedbreuk, v. — Eedgenoot, , verwant, m. (-en). Bondgenoot bij eede. Samenzw^eer-aer- — Eedge no o te, ..ver7vante,v. (-n). — Eedgenootschap, o. (-pen). — Eedgespan o. Vereeniging van samenzweerders. — Eedplichtig, bn Eedschender, m. (-s).

— Eedschending, v. (-en). — Eedschendster. v. (-s). — Eedschennis, \. — Eedverkrachter , m. '-s). — Eedverkrachting. v.

— Eedverkrachtster, v. (-s) — hedver-zuantschap, o.

Eeden {F. van), 18.0, üaarlem. Geneesheer. Blijspeldichter.

EedenCF. 1829,Haar.cm.Kruid

kundige. Voltooide Flora Batava (1877).

eegra (eegaas), eegrade (-n), m. en v. Echtpötaoot, echtgenoote. , «eb, v. Eikenschors. — Eekelaar, m. (-s). Eik.


ocr page 189

EEN — i

eekhoorn, eekhoren, m. (-s). Bevallig, vlug viervoetertje (Scturus), dat tot de knaagdieren behoort en in groote bos-•schen thuis is.

Eekhoud {G.), 1854, Antwerpen. Grondlegger van La jeune Belgtque{\'üamp;6). La Nouvelle CarlAa^-e {bekroond, 1893).

eel, m. en o*. (-en). Zeker Engelsch bier.

eelt, o. Aandoening der huid, gekenmerkt door hardheid, dikte en gevoelloos-beid. — Eeltachtig., bn. — Eeltachtig' he id, v. — E etterig-, bn. — Eelterigh eid, v. — Eeltig, bn. — Eeltigheid, v.

eemer. Zie Emmer.

een, ceno, een. Lidw. van eenheid. Onbep. vnw. Grondgetal, v. (-en) (Merk of stip op kaarten, enz.) Cijferletter.

— Eenarmig, bn.—Eenbladig,hn. ~Een-bloemig,hxi.—Eender,hn.tmvi. Gelijk.Het-zelfde. — Eendracht^ v. Eensgezindheid. lLen$temvQ\$\t\d..Eendracht maakt macht (leus van België). — Eendrachtelijk, bijw.

— Eendrachtig, bn. bijvv. —Eendrachtigheid^.— Eendrachtiglijk, bijw.— Eenen-male (/^«-), bijw. uitdr. Geheel. Volkomen.

— Eenerhande, eenerlei,hn.—Eengrepig, bn- Van éene lettergreep. — Een handig, bi. ^-Eenheid, v. (..heden). Ieder voorwerp, als op zich zelf bestaande, beschouwd. (Rekenk.) De grondstelling van ieder getal. Willekeurige maat, welke men heeft aangenomen om daarmede andere grootheden van dezelfde soort te vergelijken. (Letterk.) Hoedanigheid, welke al de deelen van een werk tot hetzelfde doelwit doet uitloopen. Eensgezindheid. Overeenstemming. Harmonie. Eenheid der Kerk : zij staat onder éen hoofd en volgt in alle stukken des Geloofs maar éene leering. — Eenhoevig, bn. — Eenhoofdig, bn. — Eenhoorn, eenhoren, m. (-s). (Fabell.) Dier met een langen rechten hoorn midden op 't voorhoofd . Sterrenbeeld. — Eenhoornig, igt;n. — Eenhuizig, bn. Zie Bloem. — -Eenig, bn. bijw. Slechts éénmaal voorkomende. Alleen, op zich zelf staande. Eenzaam. Iets : oenigding. Ten eenige dage : den eenen 01 anderen dag. Eenie en alleen : zonder meer. Eenigc zoon, zonder broeders. Eenig geld : wat, een weinig geld. Verscheidene : eenige menschen. Eenigmi: sommigen. — Eenigerhande, eenige*Iri, bn. — Eenigermate, eeni^erwyze. ..wijs, bijw. — Eenigheid, v. Overcensiem-ming (van gevoelens). Eenzaamheid._ — Eeniglijk, bijw. Slechts. — Eenigszins, bijw. — Eenjarig, bn. — Eenkennig, bn. Aan éenen persoon gehecht (van kinderen). — Eenkennigheid, v. — Eenlettergrepig, bn. — Eenlobbig, bn. — Eenloopend, bn. Ongehuwd.— Eenmaal, byw. — Eenmannig, bn. — Eenmtdd'l-puntig, bn.— Eenoog, m. en v. (-en). Die maar éen oog heeft. — Eenoozig, bn. — Eenoogige, m. en v. (-n). — Eenoogigheid, v.-—Eenoor tg ^n.—Eenparig fbu.liicnsiem' mjg (van gevoelen). Algemeen. Gelijkvormig. — Eenparigheid, v. — Eenparig lijk, bijw. — Eenpersoonlijk, bn. Eenps. werkwoord : werkw., dat alleen in den 3quot; persoon met het vnw. het vervoegd wordt. — Eenre (ter), bijw. uitdr. Aan de eene

5 — EER

zijde (in een contract). — Eens, bijw. Eenmaal. Eensklaps, plotseling. Zonder ophouden. Het eens, overeenstemmend van gevoelen zijn. Duidt een onbepaald tijdstip aan (uit het verledene of uit hel toekomende). Wordt soms als aanvulling gebruikt : kom eens hier. — Een-schahg, bn . ^— Eenschelpig , bn . — Eensdeels, bijw. Van den eenen kant. Vooreerst. — Eensdenkend, bn. — Eens-gestemd, bn. — Eensgezind, bn. — Eensgezindheid, v. — Eensklaps, bijw. Plotseling. — Eenslachtig, bn. Zie Bloem. — Eensluidend, bn. Gelijk van inhoud. — Eensluidendheid, v.— Eenspan, o. (-nen). Rijtuig meteen paard.— Eenspans, bijw. — Eenstemmig, bn. — Eenstemmigheid, v.

— Eens tr7/nnig lijk, bijw. — Eentonig, bn. bijw. Denzelfden toon houdende. Vervelend. — Eentonigheid, v. — Eenvormig, bn. — Eenvormigheid, v. — Eenvoud, m. Eenvoudigheid. — Eenvoudig, bn. bijw. Oprecht. Nederig. Zedig. Naïef. Onncozel. Ongekunsteld. — Eenvoudigheid, v. — Eenwerf, bijw. Eenmaal. — Eenzaam, bn. bijw. Van anderen verwijderd. Onbezocht (van plaatsen). Stil. — Eenzaamheid, v. — Eenzelvig, bn. bijw. Wat volkomen hetzelfde is. Gelijkwaardig. Vervelend. — Eenzelvigheid, v.—Eenzijdig, hn. bijw. Eene zijde hebbende. Partijdig. — Eenzijdigheid, v.

eend, v. (-en). Watervogel, tot de zwemvogels behoorende. — Eendebout, m. (-en). —Eendenei, o. (-eren). — Eenden-jacht, v. — Eendenkom, v. (-men). — Eendenkooi, v. (-en).—Eendenkroos, o., een den hagel. m. Grove hagel voor de een-denjacht. — Eendennest, o. en m. (-en). — Eendenroer, o. (-en, -s). Vuurwapen om op eenden te schieten.

eer, bijw. Vroeger. Vw. Alvorens. Liever. — Eerder, bijw. Vergr. trap van eer. Liever. Spoediger. — Eergisteren, bijw.

— Eerlang, bijw. Weldra. Binnenkort. Spoedig. — Eersi, overtreff. trap van eer. Aanvankelijk. Vooraf. Niet vroeger (dan). Slechts. /« het eerst. bijw. uitdrukk. : aanvankelijk. Voor het eerst, biiw. uitdrukk. : voor de eerste maal. Ten eerste, bijw. uitdrukk.: In de eerste plaats. — Eerstaanwezend, bn. — Eerstbeginnende, ra. en v. (-n). — Eerstdaags, bijw. Binnenkort. Weldra. — Eerste, bn. (rangsch. telw). Adam was de eerste mensch. De eerste dag der week. In de eerste vijf weken. Voorste. Voornaamste. Aanzienlijkste. Door en door : een eerste deugniet. — Eerstelijk, eerstens, bijw. Ten eerste. — Eersteling, m. en v. (-en). Eerste vrucht. Eerstgeborene. Eerste pennevrucht.— Eer-stelinge, v. (-n). — Eerstgeboortr, v. — Eerstgeborene, m. en v. (-n). — Eerstkomend, bn. — Eerstvolgend, bn. — Eertijds, bijw. Voorbeen. Vroeger.

oer, v. Het erkennen van iemands uitmuntendheid. Voorrang. Achting. Goede naam. Zuiverheid van zeden. Onschuld. Schoonheid, glans, waarde (van zaken)^ lem. de laatste eer bewijzen, bij de begrafenis tegenwoordig zijn. Eer aan de tafel doen : wel en smakelijk eten. Op mija


ocr page 190

EETB — I

woord van eer, van eerlijk man. — Eerambt, o. (-en). — Eerbaar, bn. Kuisch. Onschuldig. — Eerbaarheid, v. — Eerbetoon, o., eerbetuiging, v. (-en), eerbewijs, o. (..zen), eerbewf/zing, v. (-en).

— Eerbied, m. Vereerine:. Achting. — Eerbiedelijk, bijw. — Eerbiedenis, v. Eerbied. — Eerbiedig, bn. bijw. Vol eerbied. — Eerbiedigen, bw. eerbiedigde, heeft geëerbiedigd. Eer bewijzen. — Eerbiedigheid, v. — Eerbiediging, v. — quot; biediglyk, bijw. — Eerbiedshalve, bijw. Uit eerbied. — Eerbiedwaard, ..ig, bn. — Eerbiedzvaardgli/k, bijw. — Eerbiedwekkend, bn. — Eer boet, v. Openbare herstelling in eer door schuldbekentenis en smeeking om vergiffenis ; eene akte van eerboet lezen voer 't H. Sacrament. — Eerdief, eeredief, m. (..ven).— Eerdieverij, v. Eerebhjk, o. (-en). — Eer eb oog, m. (..ogen).

— Eeredienst, m. (-en). Vereering, waardoor men God als God, of valsche goden als ware erkent. Godsdienstoefening. — Eerekrans,m. (-en).— Eerekruis,o. (-en). Ridderkruis. — Eerelegioen, o. — Eerelid, o. (..leden). — Ee re lidmaatschap, o. — Eeren, bw. eerde, heeft geëerd. lem. de achting geven, welke hem toekomt. God eeren is Hem erkennen als God, Hem aanroepen en Hem dienen. De heiligen eeren is hunne heiligheid en glorie erkennen en hen volgens hunne waardigheid aanroepen en dienen. — Eerepalm, m. (-en). —Eere-flaats, v. (-en). — Eerepoort, v. (-en). — Eerepost, m. (-en). —Eereprijs, m. (..zen). Belooning. Prijs van eer. — Eereprijs, v. Plantengeslacht {veronica) tot de leeuw-bekachtigcn behoorende. — Eereschot, o. (-en). —Eereteeken, o. (-en, -s). — Eere-iitel, m. (-s). — Eerewacht, v. (-en). — Eerewyn, m. — Eerezvoord, o. — Eergevoel, o. — Eergierig, bn. — Eergierigheid, v. — Eerlijk, bn. bijw. Braaf. Deugdzaam. Rechtschapen, vroom. Deftig. Fatsoenlijk. — Eet lijkheid, v. — Eerloon, eereloon, o. en m. (-en). — Eerloos, bn. — Eerloosheid, v. — Eerroovend, bn. — Eerroover, m. (-s). — Eerroovin?, v.— Eerschender, m. (-s). — Eershalve, bijw. Als bewijs van eer. — Eervergeten, on. Zonder eer. Schaamteloos. Onbeschaamd.

— Eervol, bn. bijw. — Eerwaard, bn. Titel eens geesteliiken. — Eer-waardig, bn. Eer verdienend. — Eerwaardigheid, v. — Eerzaam, bn. bijw. Braaf. Zedig. Bescheiden. — Eerzaamheid, v. — Eerzucht, v. — Eerzuchtig, bn. — Eerzuil, eerezuil, v. (-en). Gedenkzuil.

cost, m. (-en). Plaats, waar de brouwers geschoten graan te drogen leggen. — Eesten, bw. eestte, heeft geëest. Geschoten graan te drogen leggen. Drogen (in eenen oven). — E es ting, v.

ectbasir, bn. Gegeten kunnende worden. Te nuttigen. — Eetbaarheid, v. — Eetbak, m. (-ken). — Eethuis, o. (..zen).

— Eetkamer, v. (-s). — Eetlepel, m. (-s).

— Eetlust, m. — Eetmaal, o. (..alen). — Eet partij, v. (-en). — Eetplaats, v. (-en).

— Eetster, v. {-s).— Eettafel, v. (-s). — Eetwaar, v. (..aren). Mondbehoeften. Lerensmiddelen. — Eetazal, v. (..alen).

4 — EGIN

eeuw, v. (-en). Tijdperk van honderd jaar. Tijdperk : de eeuw van Keizer Karelr van Vondel, enz. — Eeuwenoud, bn. — Eeuwfeest, o. en v. (-en). Feest ter viering van het honderdjarig bestaan van iets. — Eeuwgetijde, o. (-n). Eeuwfeest.

— Eeuwig, bn. bijw. Eeuwig noemt men datgene, waarbij de gewone opvolging van tij;), alsook begin en einde is uitgesloten (alleen van God). Wat eenen aanvang, maar geen einde herft (van engelen en menschen). Wat gelijk is aan 's men-schen leven : eeuwige gevangenis. Onsterfelijk. Wat zonder ophouden duurt: eeuwige babbelaar. Op zijn eeuwig gemak, zonder de minste moeite, haast, enz. — Eeuwigdurend, bn. bijw. — Eeuwigheid, v. (..heden). — Eeuwltn?, m. en v. (-en).. Honderdjarige. —Eetiwlinge, v. (-n).

effoct, o. (-en). Uitweiksel, indruk, (-en) Kleedingstukken. Wissel, wisselbrief. Geldswaardig papier. (Bilj.) Het aanstoo-ten van den bal aan de zijde. — Effectiefr bn. Werkelijk. Wezenlijk. De effectieve leden : de werkende leden eener maatschappij. — Effectief, o. Het werkelijk aanwezige. Het effectief des legers : het getal werkelijk dienstdoende manschap-pen.

cflTen, bn. Gelijk, glad : effen veld. Effen stof, zonder bloemen of bijwerk. Uitgestreken : effen tronie. Vereffend : ik heb betaald, wij zijn effen. — Effendoen (Sch.). Bw. Vereffenen (eene rekening, eenen twist enz.). — Effendrinken (Sch.). Bw. Door een gemeenschappelijken dronk vereffenen (eenen twist, enz.). — Effenen, bw. effende, heeft geëffend. Gelijk-, vlak-, gladmaken. Verevenen. Sluiten (i ene rekening).

— Effenheid, v. — Effening, v. (-en). — Effenmaken (Sch.). Bw. Vereffenen (eenen twist, enz.). — Effenpraten (Sch.). Bw. Door praten vereffenen (eenen twist, enz.).

— Effenrekenen (Sch.). Bw. Vereffenen (eene rekening, enz.). — E ff entjes, bijw. Eventjes.

EflVn {J. van), 1684-1735, Utrecht. Letterkundige. De Hollandse he Spectator (weekblad).

cjj. Zie Egge.

bn. Gelijk. Gelijkmatig. Effen. Onverschillig. Eenerlei.

cgrcl, m. (-s). (Erinaceus Europoeus)» Insectenetend verscheurend zoogdier.

csclsamp;uticr, m. (-en, -s). Wilde rozelaar.

csrclskop, m. Plantengeslacht, van de familie der lischdodden.

offelfivoct, m. Verouderde zweer (bij paarden), die zich tot aan de knieschijf uitstrekt.

oercro, cgr, v. (eggen). Landbouwersgereedschap van tanden voorzien om kluiten en aardklompen te breken. Zelfkant (van laken, enz.). Het scherp van een mes. — Eggen, bw. egde, heeft geëgd. Met de egge arbeiden. — Egg er, m. (-s). — Egge-rig, bn. Zuur. Wrang. — Eggerigheid, v.

— Eggig, bn. Stomp (van tanden). -— Eggigheid, v. — Egging, v. — Egsmid, m. (..eden). —Egtand, m. (-en).

Eglnliard k {Einhard), f 844, Duit-


ocr page 191

EIGE — I(

-seter van afkomst. Schreef Vita Caroli Magni.

iuoiicI {Lamoraal, graaf van), 1522-1568 (uit Henegouw). Prins van Gaver en Steenhuize, ridder van 't Gulden Vlies, gouverneur van Vlaanderen en Atrecht. Onderscheidde zich in de veldslagen van S'Quentin en Grevelingen.Daar hij voorde arglistige staatkunde niet te winnen was, deed Alva hem door den hei oerte-raad veroordeelen. W erd gehalsrecht met Hoorn te Brussel (1568).

osroi.Hnic, m. Zelfzucht. Baatzucht. — Egoïst, m. ( en). — Egoïstisch, bn.

Egypto, o. Landstreek (N.-O. Afrika). 550,000 vierk. kilom. 6,800,000 inw. Voorname steden; Cairo, Alexandrië, Damiate, Suez. — Egyptisch, bn.

el, tw. Uitroep van vreugde, verlangen, enz. . ....

el, o. (-eren). Lichaam, dat in het wijfje van verscheidene diersoorten ontstaat, een hard of zacht omkleedsel heeft en eene stof bevat, waarin zich de kiem bevindt van een dier van dezelfde soort. Voor eenen appel en een ei : bijna voor niets. Beter een half ei, dan een ledige dop : beter wat, dan niets. — Eter dop, m. (-pen). — Eierkoek, m. (-en). — Eierkorf, m. (..ven). — Eierkrans, m. (-en). — Eierlepeltje, o. / s\ — Eier netje, o. (-s). — Eier pruim, v. (-en). — Eiersaus, v. (-en). — Eierschaal, v. (..alen). — Eierstok, m. (-ken). Plaats, waar 't ei der dieren gevormd wordt. Zie Stamper. — Eierstruif, v. (..ven). Zeker gebak. — Eiervrouw, y. (-en). — Eirond, bn. — Eiwit, o. Wit, dat den dooier van 't ei omgeeft. — Eiwit-te ft, bw. ei witte, heeft geëiwit. Met eiwit bestrijken. . 00

Elclicudorlf (jf. vrijheer van), 1788-1857, Lubowitz. Duitse h romantisch dichter. Liederen en balladen; Aus dem Leien eines Taughenichts (novelle, 1826); Geschichte der poetise hen Litter a tur Deutschlands (3® ar. 1866).

elderdouH, o. Zachte borstvederen der eidereend. Donzen voetkussen. — Eidereend, v. (-en). (Anas mollissinia). Eend, die uitsluitend de zee en zeekusten bewoont (in 't hooge Noorden van Europa, Azië e : Amerika).

eisrcii, bn. bijw. Duidt bezitting aan : eigen huis. Eigen broeder. Natuurlijk : vliegen is den vogel eigen. Gewend : zijt gij hier reeds eigen? Bijzonder : dat is hem eigen. Gemeenzaam : eigen zijn met iem. Hetzelfde, dezelfde : op het eigen uur. Zich eene taal eigen maken. Wordt ook bij bezitt. vnw. gebruikt : ik dacht bij mijn eigen. Eigen haard is goud waard. — Eigenaar, m. ( .aren, -s). Bezitter. — Eigenaardig, bn. Geschikt, passend. Overeenkomstig. Bijzonder. Natuurlijk. Ongekunsteld. — Eigenaardigheid, v. (..heden).

— Eigenares, v. (-sen). — Eigenbaat, v.

— Eigenbatig, bn. — Eigenbelang, o. — Eigendom, ra. Volle onbeperkte heerschappij van eenen persoon o /er eene zaak. De eigenaar heeft van dehera in eigendom toebehoorende zaak 't vrije genot en kan

-daarover op de volstrekste wijze beschik-

; — EIND

ken. o. (-men^ Bezitting. — Et'zendoms-recht, o. — Eigendunk, m. — Eigendunkelijk, bn. bijw. — Eigendunkelijkheid, v. — Eigenen, bw. eigende, heeft geëigend. Toeëigenen. — Eigengebakken, bn. — E ige nge erfde, m. en v. (-n). — Eigengemaakt, bn. — Eigenhandig, bn. Zelf (geschreven). Aan iem. zeiven (over te geven). — Eigenheid, v. (..he-den). Eigenhoorig, bn. — Eigenhoa-righeid, v. — Eigenliefde, v. — Eigenquot; l'ik, bn. Eene zaak oorspronkelijk en waarlijk toebehoorend. In den strengsten zin genomen. Niemand of niets anders. Bijw. Juist. Naar waarheid. — Eigenlof, m. — Eigenmachtig, bn. bijw. Willekeurig. — Eigenmachtigheid, v. — Eigennaam, m. (..amen). Woord, dat op zich zelf bestaat en dient om afzonderlijke personen of voorwerpen van alle Oi Crit;e derzelfde soort te onderscheiden. — Eigenschap, v. Kenmerk van eene zaak of eenen persoon, waardoor deze zich van andere onderscheidt. (Nat. hist.) Er zijn bijzondere en algemeene eigenschappen. Alle lichamen, in welken toestand men ze beschouwt, bezitten de algemeene, b. v. de uitgebreidheid, de deelbaarheid, enz. De bijzondere zijn die, welke men slechts bij sommige lichamen of bij zt kere toestanden der lichamen waarneemt, b. v. de vloeibaarheid, de hardheid, enz. — Eigenwaan, m. — Eigenwijs, bn. bijw. Verwaand. — Eigenwijsheid, w. — Eigenwillig, bn. bijw. Op eiarea gezag. — Eigemvilligheid, v. — Eigenzinnig, hn. bijw. Koppig. Halstar-rig. — Eigenzinnigheid, v.

eik, eek, m. (-en). Plantengeslacht iguercus), dat een onzer beste houtsoorten oplevert. — Eikeblad, o. (-en, -eren). — Eikeboom, m. (-en). — Eikekrans, eiken krans, m. (-en).—Eikekroon,eiken kroon, v. (..onen). Zie Orde. — Eikel, m. (-s). Vrucht van den eik. — Eikeloof, eikenloof, o. — Eiken, bn. — Eikenbast, m. (-en). — Eikenbosch, o. en m. (..sschen).

— Eikenhout, o. — Eikenhouten, bn. — Eikenlaan, v. (..anen). — Eikenmos, o. Eikenschors, v. — Eikestam, m. (-men).

— Eiketak, ra. (-ken).

eiker, m. (-s). Vrachtschip.

elluus, tw. Drukt droefheid of smart

uit.

ellnnlt;l, o. (-en). Land, aan alle zijden door water omringd. — Eilandbewoner, ra. ( s), eilander, m. f-s). — Ei landbewoonster, y. (-s). — Eilandengroep, v. (-en). — Eilandenzee, v. (-ën).

eilieve, tw. Drukt eenen wensch of eene smeeking uit.

eiloof, o. Een der volksnamen van het klimop.

einde, o. (-n), eind, end, o. (-en).

Het laatste (van iets). Dood. Doel. Oogmerk. In het einde : ten laatste. Ten einde, vw. Met oogmerk (om). — Eindbesluit, o. (-en). _— Eindj'e, endje, o. (-s). Laatste overblijfsel (van eene kaars, enz.) Een eindje wegs : een korte afstand. Zijn eindje vasthouden : zijne zaak verdedigen, zijne meening volhouden. — Eindelijk, bijw. Ten laatste. Kortom. — Eindelings-


ocr page 192

— 165 —

ELEC

EL

hout, o. Het hout aan beide einden eener plank. —Eindeloos, bn. bijw. — Einde-loosheid, v. — Einden, eindde, heelt

feëind. Zie Eindigen. —eëind. Zie Eindigen. — Eindig, bn. len einde hebbende. — Eindigen, eindigde heeft en is geëindigd. Bw maat, v. (..aten). Lengtemaat in ellen. Eene el lang. Het meten bij de el. — Ellen-yker, m. (-s). — Ellewaar, v. (..aren). Eilegoed. — Ellewinkel, m. (-s).

elaud, m. (-en). Dier [Cervus alces), tot 't geslacht hert behoorende. Is grooter


Eik.

. tak met mannelijke bloemen. — b. tak met rijpe vruchten. — c. mannelijke bloem. —d. en e. meeldraadjes. — f. vrouwelijke bloem.

Een einde maken (aan). Ow. Een einde nemen. Uitgaan (op) : die woorden eindigen (op). — Eindigheid, v. — Eindiging, v. — Eindklank,va. (-en).— Eindkltnker, m. (-s). —Eindletter, v. (-s).—Eindlettergreep,^. (..epen). —Eindmedeklinker, m. (-s). — Eindoogmerk, o. (-en). — Eindoordeel, o. (-en). Eindvonnis. — Eindoorzaak, v. (..aken). — Eindpaal, ra. (. alen). — Eindrijm, o (en). — Eindsc hik king, v. (-en). — Eindsnelheid, v. — Eindspreuk, v. (-en). —Eind tee ken, o. (-s).— Eindver lenging. v. (-en). — Eindvonnis, o. (-sen). Uitspraak in bet hoogste beroep.

einze, enze, heiuze, v. (-n). Hengsel.

eiselien, bw. eischte, heeft geëischt. Vorderen. Vereischen. Vragen. Aanspraak maken. Uitdagen : icm. voor den degen eischen. — Eisch, ra. (-en). — Eischer, ra. (-s). — Eischees, v. ( sen).

EiHine:»^.), 17^4-1820, Dronrijp (Me-naldumadoel). Uitvinder van een toestel, waardoor de inrichting en beweging van het zonnestelsel wordt algebceld.

ekster v. (-s). [Corvus pica) Behoort tot de familie dei raven. \Voidt gemakkelijk tam gemaakt en loert allerlei geluiden en zelfs woorden naklappen. — Eksteroog, o. en v. (-en). Likdoorn.

el, bn. Anders : ik kom bij u, daar ik niemand el ken. Bijw. Elders : gij zult dit nergens el vinden.

el, v. (-len). (Eert.) Lengtemaat = 0,70 m. In Nederland, el * meter. — Eilegoed, o. (-eren). Goederen, die bij de el uitgemeten en verkocht worden. — Elle-

Eland.

ela»ticiteit, v. Veerkracht. Rekbaarheid. — Elastiek, bn.

Elba. (Midd. Zee). Ital. eiland. Eerste

ballingschap van Napoleon I.

elders, bijw. Niet hier.

El«lora«lo, o. Fabelachtig land (Zuid-Amerika), waar goud, ed'-lgpstcpnten. enz. langs den grond liggen. Goudland. Luilekkerland.

Eleazar. Hoogepriester te Hor gewijd (14551 vóór Cbr.). Onder hem is men aan de Gneksche vertaling der H. Schrift begonnen.

eleetrlciteit, v. Vermogende natuurkracht, wier aanwezen zich doet kennen door aantrekking en afstooting, door licht-


ocr page 193

ELIA — i(

verschijnselen, door hevige schokken in het dierlijk lichaam, door scheikundige werkingen, enz. Wordt ook stof, onbeweegbare vloeistof en eene eigenschap der stof genoemd. Thales ontdekte (600 j. vóór Chr.), dat de barnsteen of gele amber (^XEXTpov, van daar electriciteit) door wrijving de eigenschap bekwam lichte lichamen aan te trekken. De voornaamste vertegenwoordiger der positieve electr. is gepolijst glas (glasi*k-ciriciteit) ; die der negatieve, hars (harselectriciteit). De s/a-tische electr. bevat de verschijn elen, welke de electr. in rust oplevert; de dynamische, de verschijnselen, welke de electr. in beweging aanbiedt. (De dynamische electr. wordt ook genoemd).

— Electriek, electrisch, bn. -Electnsee-ren, bw. electriseerde, heeft peelectriseerd. Electriciteit opwekken, mededeelen. Schokken, bezielen, aanvuren. lem. electrisee-ren ; hem in vuur en vlam zetten. — Elec-triseerniachine, v. (-s). — Electro-magneet, m. (..eten). Magneet door electriciteit gevormd. — Electro-magnetisch, bn. elcfstnt, m. (-en). Olifant.

eleerstnt, bn. Sierlijk. Net. Fraai. — Elegantie, v.

elegie, v. (-en). Lyrische dichtsoort, waarin zachte gewaarwordingen, droevige of aangename, worden uitgedrukt. — Elegisch

element, o. (-en). (Scheik.) Enkelvoudige stof, die niet in ongelijksoortige deelen ontbonden kan worden. Men kent in de zestig elementen, die onderscheiden worden in metalen en metalloïden. Beginsel : de elementen (eener kunst, enz.). Schik : bij is in zijn element. De jacht is zijn element, zijn geliefkoosde bezigheid. Het water is het element van den visch. De Ouden hielden verkeerdelijk aarde, lucht, vuur en water rour elementen. — Eleynen-tain, bn. Elementaire, lagere scholen. Elementaire analyse : onderzoek naar de bestanddeelen van bewerktuigde lichamen.

EleutUerius n. . Predikte onder Clovis in de omstreken van Doornik.

elf. Grondgetal: 11. v. (..ven).— Elfde, rangsch. telw. — Elfdehalf, ..halve, telw. Tien en een half. — Elfder hande, elf derlei, bn. — Elf-en-der tigst (op zijn) : op zijn gemak. Langzaam aan. — Elfhonderd, telw.: 1100. — Elfmaal, bijw.— Elfvoud, o. — Elfvotidig, bn.

ElTeii, m. mv. (Naar 't volksgeloof der Germanen en Kelten) Geesten, die de heele natuur bezielden. Werden voorgesteld als goedhartige wezens van mensche-lijke gedaante, doch zeer klein en teeder en wonende in grotten.

elfrstnk, v. (-en). Volksnaamvan io/a-num dulcamara, plant tot de nachtschaden beboerende.

elft, m. (-en). Zekere visch : Clupeda alosa. Heeft veel overeenkomst met den haring. Leeft in de Middell. en in de Noordzee.

elprer, m. (-s). Aalgeer.

£liueiHi = Joakim.

Slias. Profeet (omstreeks 900 vóór

7 — ELSE

Chr.). Voorspelde aan Achab, dat er gedurende drie jaren noch regen, noch dauw op de aarde zou vallen. Vluchtte uit vrees voor Jezabel naar de woestijn. Werd er door eenen enpel gespijsd. Vervolgde zijnen weg naar Horeb, waar de Heer hem verscheen. Op een vurigen wagen is hij tea hemel ge/oerd. Te zamen met Henoch zal hij, bij de komst van den Antichrist, wederom op de aarde verschijnen.

KlistM (IV.), 1590-1656, Amsterdam. Portretschilder.

ElijgiiiA [h.). Meer gekend onder den naam van S' Elooi. Bisschop (Doornik en Noyon). Predikte in de omstreken van Antwerpen, Gent, Kortrijk, tot in Zeeland toe. t 659

Kliol {G.) — (il/. A. Evans), 1819-1880, Grift i Warwickshire). Eng. romanschrijfster en dichteres. Adam Bede (1858).

EliHeiiH. Discipel van Elias. Deed zijne voorzegging onder Achab en Joas.

elixir, «lixer, o. (-s). Aftreksel. Versterkende drank. Geneesmiddel.

Nicht der H. Maagd. Moeder van den h. Joannes Baptista.

elk, onbep. telw. Ieder. Onbep. vnw. Iedereen. — Elkaar, elkander, wederk. vnw. De een den ander. Onder elkander ; zonder regel of orde. — Elkeen, onbep. telw. Ieder.

elieboogTi m. (..ogen). Lichaamsdeel (waarboven- en onderarm verbonden zijn). Stompe of rechte hoek in eenen muur, in de richting van eenen weg, enz. (Mljnw.) Gebogen buis, die de verbinding vormt tusschen twee geleibuizen, in 't punt waar de rienting verandert. Bij werktuigen, uit twee stukken samengesteld, de hoek of het werktuig zelf. (Eeit.) Lenuteraaat = ongeveer 0,50 m. — Elleboogsbeen, o. (-deren),

— Elleboogsknokkel, m. (-s). — Elleboogslengte, v. \-n). — Elleboogsmouw. (-en).

— Èlleboogsspier, v. (-en).

ellende, v. (-n). Ramp,onheil. Gebrek, armoede. Tegenspoed. — Ellendeling, m. en v. (-en). Slecht mensch. — Ellendelinge, v. (-n). — Ellendig, bn. bijw. Rampzalig, Armoedig. Ongelukkig. Siecht. — Ellendigheid, v.

ellips, v. (-en). Weg-, uitlating van een of meer woorden in eenen volzin. Snijdt men de rolzuil door volgens een vlak, dat schuin is op de eindvlakken, dan is de doorsnede eene ellips.

elpenbeen, o. Ivoor. — Elpenbee-nen, bn.

el», v. (..zen). (Schoenm. en letterz.) Priem.

el», m. (,.zen). Plantengeslacht (Alnus) tot de berkachtigen beboerende. De ge-meene els («. glutinosa), boom, bloeiende in Februari en Maart. Groeit in vochtigen moerassigen grond. Zijn hout is hard, zwaar, veerkrachtig, fijn van vezel en witachtig. — Elzeblad, o. (-en, -eren), — Elzeboom, m. (-en). — Elzenbosch, o. en m. (..sschen). — Elzenheg, v. (-gen). — Elzenhout, o. — Elzenlaan, v. (..anen), — Elzestam, m. (-men). — Elzestruik, m. (-en). — Elzetak, m. (-ken)

Klsevier. Naam van eene boekdruk-


ocr page 194

— 168 —

EMIG

EMMA

kersfarailie. De stamvader (Z.), 1540-1617, Leuven. Bezorgde de uitgave DrttstïEbrai-corum qucestionum ac responsionum libriII. Vijf zijner zonen waren boekdrukkers. (J/.), 15Ó5-1640J (Z,.). t 1621; (-4.), eminent, bn. Uitstekend. —Eminen it'e, v. (..iën). Zyne Eminentie : titel dor kardinalen.

£11111131. {H. K. Af.). Regentes van Nederland. Zie Familie.


ocr page 195

ENGE —i

emmer, ra. (-s^. Vat met een hengsel •om water te scheppen, te dragen, enz.

emolument, o. (-engt;.Voordeel. Emolumenten .• bijkomende geldelijke voordee-len van een ambt of betrekking.

empirie, v. Ervaring. Ondervinding.

— Empirisch, bn. Op ervaring gegrond en daaruit voortvloeiende.

en, vw. Ik en gij Het onkennend en is steeds gevolgd van een ander ontkennend woord (uitgenomen in en doe, 'k en zal, 'k en zou) : 't en zijn niet al vrienden, die op u lachen. En = aan: twee en twee (Zuid-Nederland).

enosinsillleeren.bw. encanailleerde, heeft geëncanailleerd. Met gemeen volk in aanraking brengen. — Zich encanaillee-ren, ww.

Knvlnsi (7. del), 1469-1534, Encina (bij Salamanca). De grondlegger van 't Spaan-sche drama.

Enoke [J. F.), 1791-1865, Hamburg. Sterrenkundige.

enojcïliek, v. Pauselijke brief van algemeene strekking.

eno^-elo|gt;elt;lle, v. (-ën). Kort begrip ~er J^t^nschappen in 't algemeen. Woor-oenboek van kunsten en wetenschappen. — Encycloficdisch, bn.

enlt;i. Zie Einde.

en(l4gt;llt;iarm, ra. (-en). Zie Darra. ^••dowsperen, bw. endosseerde, heeft geendosseerd. (Eenen wissel) op een ander overdragen. — Endossement, o. (-en). .Kugschrift, overdracht van eenen wissel.

enereie, v. Kracht, geestdrift, wils-kracht. Nadruk, klem. — Energiek, bn. nadruk drachtig. Nadrukkelijk, vol

eng:, bn. hijw. Nauw. Bedwongen. — Eng bars tig-, bn. Kortademig. — Engbors-ttghetd, v. — Engen, bw. engde, heeft geengd. Nauwer maken (van kleederen).

— Engheid, v. — Engte, v. (-n). Nauwe doorgang (ter zee of te land). Verlegenheid.

engrag-eeron, bw. engaeeerde, heeft geengageerd. Verbinden. In dienst nemen. Overreden. Zich engageeren, ww. —Engagement, o. (-en).

m. (-en). Bode des Heeren (enkele geest, met rede en wil begaafd), lem. dien men zeer liefheeft. Zeer goed mensch. — Engelachtig, bn. bijw. Als een engel. — Engelachtigheid, v. — Engelbewaarder, m. (-s). — Engelenbak, m. (-ken). De geringsteplaatsin eenen schouwburg.— Engelengeduld, o. — Engelenkoor, o. (..oren) = engelen, aartsengelen, krachten, machten, overheden, heerschappijen, tronen, cherubijnen, serafijnen. — Engelenschaar, v. (..aren). — Engelen-Za ng, m. — Engel in, v. (-nen). Zeer goede vrouw. — Engelrein, bn. Zeer rein. — Engelsch, bn. Van eenen engel. — Engel-zoef, bn. Zeer zoet (van kinderen).

Engeland. ZieBritannië.—Engelsch, bp* — Engelsch, o. Engelsche taal. — Engelsche, v. (-n). Engelsche vrouw. — Engelschman, m. (Engelschen).

EngeIt»reolilsen(C.), 1468-1533, Leiden. Schilder. Christus aan kruis; Afneming van 't kruis.

9 — ENTE

engels,o. (Eert.) Gewicht=i,538 gram. engelzoet, o. Plantensoort {Polypo-dinm 7fuigare), uit de klasse der varens. Groeit bij ons op beschaduwden zandgrond, enz. Zijne wortelstokken werden eertijds in de geneeskunde, onder den naam van radix polypodii gebruikt.

engerling, m. (-en). Masker van den meikever.

enkel, m. (-s), enklanw, m. (-en).

De knokkel aan beide zijden van het been boven den voet.

enkel, enkeld, bn. bijw. Niet dubbel. Alleen. Zonder weerga Slechfs. Niet meer dan. Nu en dan. Zelden. — Enkelvoud, o. (-en). Een der twee getallen (in de spraakkunst). — Enkelvoudig, bn.

Knkliuizer, m. (-s). Inwoner van Enkhuizen. Almavak (van Enkhuizen). Kabelslag.

KnninH [A.), Rudiae (Calabrië), 200 vóór Chr. De grondlegger der Rom. letterkunde. Scipto (episch gedicht); Ro-metnsche jaarboeken (in hexameters) ; treur-en blijspelen.

enorm, bn. biiw. Bovenmatig. Ongehoord. Afschuwelijk. — Enormiteit, v. (-en).

enquête, v. (-n, -s). Gerechtelijk onderzoek (in burgerlijke zaken, enz ).

Enseliedé {JV. A.), 1829, Haarlem. Archivaris (Haarlem). Afagnetisrnus door beweging (bekroond).

ent, v. (en). Boomtak, welken men aan een anderen boom hecht om te groeien. —

Ent.

a. zoogen. — b. kroqnswyze enting. — c. en d. spie eten ting. — e. en f. Jluits-wyze enting. — g. enting met oogen op een schildvortnig stukje bast.

Enten, bw. entte, heeft geënt. — Enter, m. (-s)- — Enterif, v. (-en). Boorakwee-kerij. — Enting, v. — Entmes, o. (-sen). — Entwas, o.

enteren, bw. enterde, heeft geënterd. Aan boord klampen (een schip). — Enter-byl, v. (-en). — Enterdreg, v. (-gen). — Enterhaak, m. (..aken). — Entering, v.


ocr page 196

— 170 — ERKE

ERAC

lt;-en). — Ent er luik, o. (-en). — Enternet, o. (-ten).

eiitliiininsmc,o. Geestdrift.—Enthusiast, ra. (-en).

entomologrle, v. Insectenkunde. —' Entomologisch, bn. — Entomoloog, ra. (..ogen).

cntropot, o. (-s). Pakhuis. Stapelplaats.

enveloppe, v. (-s). Omslag (voor brieven). Omhulsel.

epaetsi, ra. (..ten). De dagen, die op den in Januari verloopen zijn sedert de vorige nieuwe raaan.

EpaminoiKlaH, 411-363 voor Chr. Thebaansch veldheer en staatsman. Versloeg de Spartanen bij Leuctra (371) en bij Mant ine a (363). Sneuvelde aldaar.

«panlet, v. (-ten). Schouderbelegsel van goud- of zilverdraad. Onderscheidings-teeken der officieren.

Kpée (C. AI. abbe del'), 1712-1789, Versailles. De grondlegger van 't onderwijs voor doofstommen.

Epicnriin, 341-270 vóór Chr. Garget, tos (bij Athene). Wijsgeer, 't Hoofd eener pbilosophische school, die als doeleinde van elke daad de gemoedsrust voorstelde.

epidemie, v. (-en). Algemeen heer-schende ziekte, die zich over vele menschen te gelijkertijd uitbreidt en niet aan bepaalde plaatsen verbonden is. — Epidemisch,

epigram, o. (-men). Puntdicht. Kort hekeldicht.

epitteli, bn. quot;Bot het heldendicht behoo-rende.

epiHCopaat, o. Bisdom. Bisschoppelijke waardigheid. — Episcopaal, bn. Bis-schoppelijk.

epiwode, v. (-n, -s). Tusschenzang. Ingelascht verhaal.

epiMfel, ra. (-s). Poëtische brief, waarvan de vorm nauw verwant aan't proza. Zendbrief -'der Apostelen). Voorlezing uit de H. Schrift (voor 't Evangelie in de mis). Brief. Boetpredikatie.

epoque, v. ( s). Tijdvak. Gedenkwaardige dag. Epoque maken : groot opzien verwekken, zich op zijnen tijd beroemd maken.

epos, o. Heldendicht.

eppc, v. Plantengeslacht {apium) uit de familie der schermbloemigen. Daartoe behoort de gewone selderij.

Kquatenrville. Standplaats (Congo) sedert 1883.

equipage, v. (-s). Eigen rijtuig met paarden en wat daarbij behoort. Krijgsuit-rusting van eenen officier. Bemanning van een schip. — Equipeeren, bw. equipeerde, heeft geëquipeerd. Uitrusten. Bemannen. — Équipement, o. (-en). Krijgsuitrus-ting.

eqniTnlent, o. (-en). Belasting, die

eene andere afgeschafte vervangt.

er. Onsch. voorv. Aanw. vnw. : om iera. te kennen, moet men er mede verkeeren.

Bijw.

eracliten, o. Mijns erachtens : naar dyne meening.

Eraamus {D.) ~ Gerrit Gerritz, 1407-IS36, Rotterdam. Een dttr beroemste geleerden van zijnen tijd. Colloquia ; Stultitice laus.

erbarmelQk, bn.

bijw. Medelijden opwekkend. Beklaaglijk. Slecht, ellendig. — Erbarmelijkheid, v. — Zich erbarmen, ww. _ Medelijden hebben. —

Erbarming, v.

erf, o. (..ven). Eigen erond met zijn toe-behooren. Ledige grond, waarop een gebouw heeft geetaan. Erfdeel. Erfgoed. — Erf cijns, m. (..zen). Schatting, die jaarlijks van zekere erven betaald moet worden. — Erfdeel, o. (-en). Aandeel in eene nalatenschap. — Erfdochter, v. (-s). — Erfelijk, bn. bijw. — Erfelijkheid, v. — Erfenis, v. (-sen). Het geheele vermogen van eenen overledene. — Erfgenaam, ra. en v. (..amen). Die iets erft. — Erfgename, v. (-n). — Erfgoed, o. (-eren). — Erfhuis, o. (..zen). Huis, waar de inboedel van overledenen wordt verkocht. — Er/koningschap, o. — Erf koninkrijk, o. (-en). — Erfviaker, erflater, m. (-s). Die een uitersten wil maakt. — Erfmaakster, erflaatster, v. (-s). — Erfleen, o. (-en). — Erfoom, m. (s). ~ Erfpacht, v. (-en). {Emphyteusis.) Contract, krachtens hetwelk het bruikbare eigendom van onroerend goed aan een ander wordt afgestaan, onder gehoudenheid aan den eigenaar een jaar-lijksche pacht te voldoen. — Erjportte, v. (..iën, -s). — Erfprtit!,, ra. (-en). — Erf-prinses, v. (-sen). — Erfrecht, o. — Erf-rente, v. (-n). — Erf schuld, v. — Erfstadhouder, ra. (-s). — Erfstuk, o. (-ken). — Erftante, v. (-s). — Erfvijand, ra. (-en). Gezworen vijand. — Erfzonde, v. « Eene afgekeerdheid van God en beaooving van de rechtvaardigheid, die alle menschen aangeboren wordt door den val van onzen eersten vader Adam ». — Erven, rr». mv. Erfgenamen. — Erven, erfde, heeft geërfd. Bw. Een erfdeel krijgen. Ow. Erfgenaam zijn. — Erving, v.

erar, bn. bijw. Slecht. Boos. Hij ligt zeer erg (zeer ziek). Het is er erg (zeer treurig) mede gesteld. Eene erge (groote) fout. Listig : zij is iedereen te erg. — Erg, o. Hij deed het zonder erg, zonder boos opzet. — Ergdenkend, bn. Achterdochtig. Wan trouwend. — Erg denkendheid, v. — Ergeren, bw.ergerde, heeft geërgerd. Ergernis geven. Door ergernisbeleedigen.Vertoornen.Z/irA ergeren, ww. Ergernis nemen (aan). — Erger lijk,\ir\. bijw. Ergernisgevende.— Ergerlijkheid, v. (..heden). — Ergernis, v. (-sen). « Woord, werk of verzuiraenis, welke min goed is en een ander tot zonde brengt ». — Ergje, o. Dat doet hij op een ergje, met zeker oogmerk.

erg:eus, bijw. Op zekere plaats : ergens wonen. Onbep. vnw. Iets : hij sprak ergens van.

erkennen, bw. erkende, heeft erkend. Kennen. Onderscheiden (eenig voorwerp).-


ocr page 197

— 171 —

ESKA

ETAB

Verklaren, betuigen, bevestigen. Toestemmen. Vergelden. Dankbaar zijn. lem. de waardigheid geven, welke hem toekomt. Een kind als 't zijne erkennen : verklaren, dat men de vader of de moeder is van een onecht kind. — Erkenning, v. — Erken' ielyk, bn. bijw. Dankbaar. — Erkentelijkheid, v. — Erkentenis, v. Gevoel van erkentelijkheid. Dankbaarheid.

erlsiiisrcii,bw. erlangde, heeft erlangd. Verkrijgen. Bekomen. — Er langhaar, bn.

— Er langer, m. (-s). — Erlanging, v. — Erlangster, v. (-s).

crnNt, m. Wezenlijke meening. Deftigheid. Gestrengheid. IJver. Nadruk. — Ernsthaf tig, bn. bijw.— Ernsthaftigheid, v. — Ernstig, bn. bijw. Oprecht. Van aangelegenheid. Gevaarlijk ; ernstige ziekte.

— Ernstgiheid, v.

ero«li«iiii, v. (-s). {Reinersbek). Plan-tengeslacht uit de familie der geraniaceèn. Tot dit geslacht, nauw verwant aan 't geslacht geranium, behooren éenjarige of overblijvende kruiden, wier soorten over een groot deel der gematigde en warme luchtstreek verbreid zijn. Bij ons groeit de fiinbladige reigêrsbek (erodium cicuta-num), de welriekende reigersbek (e. mo-schatum), de malva-achtige reigersbek (e. malacoides). Als sierplant wordt gekweekt e. incarnatum, groote vleesch-kleurige met oranje gevlekte bloemen dragend.

crotificli, bn. De liefde betreffende, oirsamp;tuiii, o. (..ta). Fout. Drukfeil, erts, o. (-en). Metaalhoudende zelfstandigheid, die uit mijnen gedolven wordt en waaruit men metalen zuiver kan verkrijgen.

ervsircn, bw. ervoer, heeft ervaren. Ondervinden. — Ervaren, bn. Met ondervinding. Bedreven. Bekwaam. —Ervarenheid, v. —Ervaring, v. (-en). — Ervaringsleer, v. . ,1

erwt, v. (-en). Kruidachtige klimplant {pisum), tot de vlinderbloemigen behoo-rende. Gewone erwt: f). sativun- Vrucht dezer plant. — Erwtenblazer, m. (-s). — Erwtensoep, v.

Es (^. van), i596(?)-i666. VI. schilder van Nagerechten.

Esaa. Zoon van Jacob en Rebecca. Toen Jacob zijn verblijf had genomen in Mesopotamië, was Esaü Seïr gaan bewonen en werd daar stamvader van een machtig volk, naar den tweeden naam van Esaü (Edom) Edomieten geheeten. Zie Jacob.

e*clK, m. (esscher). Plantengeslacht (Jraxinns), tot de olijfachtige gewassen behoorende. De gewone esch (ƒ. excelsior, boom van 20 a 40 m. hoogte, levert zeer taai hout. — Eschdoorn, m. (-en), eschdoren, m. (-s). Zie Ahorn. —Essche-boom, m. (-en). — Esschenhout, o. — Esschenhouten, bn.

Esclicnlgt;noli {JV. von), f tusschen 1219 en 1225. Een der voornaamste middel-eeuwsche dichters van Duitscbland.

escorte, v. Gewapend geleide, bedek-k ng, gevolg.

esknder, o. (-s). Een der drie hoofdaf-deelingen, waarin eene vloot verdeeld

Esch.

a. tak met bloemen bladeren.—b. bloetn met meeldraadjes. — c. vrucht. — d. vrucht van den veldeschdoorn.

eskadron, o. (-s). Vier pelotons (bq

de ruiterij).

Ksmoriet. Abel spel. Zie Spel. esp, m. (-en). Eene soort van populier {populus tremula). — jlspeblad o. (-en, -eren). — Espeboom, m.. (-en). — Espenhout, o. — Estenhouten, bn.

essa:ti, o. Toets. Proef. — Essaieeren, bw. essaieerde, heeft gecssaieerd. Beproeven, de proef nemen, toetsen. Aanpassen. — Essaieur, m. ( s).

Esser (/.), 1845, Buitenzorg (Java) =» Soera Rana. Gedichten (1868) ; Hilde-gonda (novelle, 2® druk 1883); Verstrooide Bladen (1888).

estafette, m. (-ten). Rijdende postbode. Koerier.

estsimlnet, o. (-s). Herberg. Tapperij. Gelagkamer.

EstUer. Joodsche vrouw. Gemalin van Assuerus, vorst der Persen en Meden. Aman, 's vorsten gunsteling, had de uitroeiing der ] oden bekomen, beraming welke door Mardocheus, Esther's oom, ontdekt werd. Aman werd gehangen en 't bevel ingetrokken.

estrik, m. (-en). Gebakken vloersteen.

etablisseeren, bw. etablisseerde,

wordt, 't Hoofd van de ie afdeeling is de bevelhebber van de geheele vloot.


ocr page 198

EUVE —i

teeft geëtablisseerd. Grondvesten. Oprichten. Zich eta b lisseer en, ww. Zich vestigen. — Etablissement, o. (-en). Grondlegging. Gesticht. Inrichting. Nederzetting. Vestiging (van een handelshuis, enz )

clag-^ro, v. (-s). Meubelstuk, bestaande uit boven elkander geplaatste horizontale plankjes, om daarop voorwerpen van dage-lijksch gebruik te zetten. Ook, eene enkele plank daarvan.

efcii, at, heeft gegeten. Bw. Nuttigen. Voedsel nemen. Iemands brood eten : bij iera. in dienst zijn. Zijn wooid eten : zijn gezegde intrekken. Qw. Hij eet altijd zeer smakelijk. Maaltijd houden : men eet voortreffelijk bij hem. — Eten, o. Spijs. Voedsel. Maaltijd. — Etensbak, m. (-ken). — Etenskas, v. (-sen). — Etenskast, v. (-en). — Etenstijd, m. —Etens-uur, o. (..uren). — Eter, m. (-s). — Eters' baas, ra. (..azen). — Et er ij, v.

etsrrocn, o. Nagras.

otliiilt;»sri*»|»1iic, v. Volksbeschrijving.

— Ethnographisch, bn.

etiquette, v. ( n). Briefje, dat op eene

flesch, enz. geplakt wordt en den inhoud daarvan vermeldt.

etiquette, v. Hofgebruik. Manieren in voorname gezelschappen. Wellevendheid.

etnmal, o. (..alen). Tijdsverloop van 24 uren.

Etna. Vuurspuwende berg (Sicilië). Hoogte : 3,400 m.

etNeu, bw. etste, heeft geëtst. Het afbeeldsel van eenig voorwerp met sterkwater of etsnaald in hout of metaal indrijven. — Etser, ra. ( s). — Etsyzer, o. (-s).

— Etsing, v. —Etskunst, v. — Etsnaald, v. (-en). — Etsstift, v. (-en). — Ets-ïverk, o.

ettelQke, onb. telw. Eenige. Verscheidene.

etter, ra. Slijraig of kleverig vocht der wonden of verzweringen. — Etterachtig, bn. — Etteren, ow. etterde, heeft g» ëtterd. Etter vormen. Etter uitwerpen. —Etterig, bn. — Et tering, v.

etymologie, v. (-ën). Woordafleid-kunde. lieert den oorsprong, de vorming of afleiding, de samenstelling en tevens de beteekenis der stammen en der nieuwe woorden kennen. — Etymologisch, bn.

— Etymoloog, ra. (..ogen).

EuelideM. Grieksch wiskundige (IIIe

eeuw voor Chr.).

Euler (£.), 1707-1783, Bazel (Zwitserland). Wiskundige.

eunjer, ra. (-s). Spook.

Kurlpide», 480-406 (vóór Chr.), Sala-rais. Grieksch treurspeldichter.

Kuropa, o. Werelddeel, dat wij bewonen. 178,000 vk. geogr. mijl. 340,000,300 inw. — Europeaan, ra. (..anen). — Etiro-peesch, bn.

EuNebiUN. Bisschop (Qesarea, Pales-tinaK Kerkvader (IVeeeuw).

KutyelieM, ketter (Ve eeuw).

euvel, o. (-en). Kwaad. Kwaal. Ziekte. Ongesteldheid. Gtbrek.—Euvel Jan. bijw. Kwaad. Slecht. Iets euvel opnemen. — Euveldaad, v. (..aden). —Euvelmoed, m. .

!— EVEN

Baldadigheid. Onbeschaamdheid.—Euvelmoedig, bn.

euzie, v. (..iën^. Onderste, over den muur al hangende gedeelte van een strooien of pannen dak. Afhangend stroo enz. van oppers, enz.

Kva. Vrouw van Adam.

eTziiigeilc, o. (..iën). Blijde tijding. Inz. blijde tijding der komst van Christus, zijner leering en prediking. Geschiedenis van Christus. De boeken van het N. T. het leven van Jezus bevattende. Een deel der rais. Ontegensprekelijke waarheid. — Evangelisch, bn. — Evangelist, ra. (-en). Verkondiger van het evangelie : Mattheus, Marcus, Lucas, Joannes.

even, bn. Even getal : twee of een veelvoud van twee. Bijw. Juist als, gelijk, hetzelfde. Lichtelijk. Wacht even : een oogenblik. Pas. — Evenaar, ra. (-s, ..aren). Tongetje (eener weegschaal), (Aardr.) Denkbeeldige cirkel, die den aardbol in twee gelijke deelen verdeelt en waarvan al de punten op gelijken afstand zijn van beide polen. (Wev.) Zeker werktuig. Gelijke kracht. Gelijk gezag. — Evenaardig, bn. Van denzelfden aard. Overeenkomend. — Evenaardigheid, v.

— Evenals, vw. — Evenaren, bw. evenaarde, heeft geëvenaard. Overeenkomen (met). Gelijken. Gelijkmaken. Vereffenen.

— Evenaring, v. — Evenbeeld, o. (-en). Gelijkenis. Afbeeldsel. —Eveneens, bijw. Gelijkelijk. Op dezelfde wijze. — Evenen, bw. evende, heeftgeëvend. Effenen. Gelijkmaken. — Ev enge lijk, bn. bijw. Gelijk. Gelijkvormig. — Evengoed, bijw. — Evening, v. (-en). Dag-en nachtevening. Zie Nachtevening. — Evenknie, ra. (-ën). Gelijke. Wederga. — Evenmatig, bn. Gelijkmatig. — Evenmatigheid, v. — Evenmensch, ra. (-en), evennaaste, ra. en v. (-n). Zie Naaste. — Evenmiddel-Puntig, bn. — Evenmin, bijw. — Evennachtslijn, v. (Aard.) Evenaar. — Evenredig, bn. bijw. In verhouding tot elkander gelijk. Van gelijke waarde. — Evenredigen, bw. evenredigde, heeft geëven-redigd. — Evenredigheid, v. (..heden). Gelij'ke verhouding tot elkander. (Ste k.) Gelijkheid, waarin nog te zoeken eenheden voorkomen. Eene meetkundige evenredigheid bestaat uit de gelijkheid van twee verhoudingen. — Evenrediglijk, bijw.

— Eventjes, bijw. Licht. Slechts. — Evenveel, bijw. — Evenveeltje, o. (-s). Soort van gebak. — Evenwaardig , bn. — Evenwel, bijw. Echter. Nochtans.

— Evenwicht, o. Gelijkheid van gewicht. (Nat.) Eenige krachten zijn onderling in evenwicht, als zij, op een lichaam werkende, geen verandering veroorzaken in den toestand. waarin het lichaam verkeert, hetzij het in rustis, hetzij hetzich beweegt. Standvastig evenwicht : wanneer een lichaam een weinig uit zijnen stand gebracht, tot dezen tracht weder te keeren. Onstandvastig evenwicht, wanneer een lichaam, een weinig uit zijnen stand gebracht, ni«t tot dien stand wederkeert. Onverschillig evenwicht: ingeval een lichaam, uit zijnen stand gebracht, in den alsdan verkregen


ocr page 199

EXCL — i

stand blijft. Zie Statica. — Evemuichts-kundey v. — Evenwtchtsleer, v. — Even-•wichtspunt, o. (-en). — Evenwijdig, bn. bijw. (Meetk.) Rechte lijnen, die in hetzelfde vlak liggen en niet sarnenloopen, zijn evenwijdige lijnen. Platte vlakken zijn evenwijdig, als zij niet sarnenloopen, hoever men ze ook voortzette. — Evenwij' dikheid, v. — Evenwijdiglyk, bijw. — Evenzeer, bijw. — Evenzoo, vw.

Even (G. E.van), 1821, Leuven. Archivaris (aldaar) Werkend lid der K. VI. Academie. Schreef levensberichten, tooneel-spelen en geschiedkundige werken. Het landjuweel van Antwerpen in 1561 (1861).

ever, m. (-sx {Sus .scro/iz). Wild zwijn.

— Everwortel, m. Witte distel. {CarUna acaiilis). — Everzwijn, o. {-en). Ever.

Everstert {€.), i48o(?)-i556, Brugge. Rederijker. Blijspelen : Esbatement {van V We sen, 1512; van der Vigilie, 1526; van Stout ende Onbescaemt, 1527; van den Visscker, 1530, enz.).

Everdinsren {van). Drie broeders (van Alkmaar) ; I® (C.), 1606-1679, portreten landschapschilder; 20 {A.), i62i(?)-i675, landschapschilder. Landschap in Noor7ve-gen; Beooschte heuvel; 2,0 {j), 1625-1665, schilder.

Evert» {W.),iS27, Sevenum. Kanunnik. Bestuurder der scholen (Rolduk). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Geschiedenis der Nederlandsche Letteren {xe dr. 1885^.

evident, bn. Oogenschijnlijk. Blijkbaar. Zonneklaar. — Evidentie, v. Onom-stootelijke ztrkerheid.

Ewnlfl {J.}, 174^-1781, Kopenhagen. Een der beste Deensche dichters der vorige eeuw.

exnet, bn. Nauwkeurig, juist. Gepast. Oppassend, zorgvuldig. Nauwgezet, stipt.

examen, o. (-s, ..ima). Onderzoek naar de geschiktheid of bekwaamheid (van iem.). Ondervraging. — Examinator, m. (-en).

— Examineeren, bw. examineerde, heeft geëxamineerd.

exeelleeren, ow. excelleerde, heeft geëxcelleerd. Zich onderscheiden. Uitmunten. — Excellent, bn. Heerlijk. Voortreffelijk. Uitmuntend. —Excellentie, v. (..iën, -s).Voortreffelijkheid. Uitnemendheid, Uitmuntendheid. Zijne Excellentie : Zijne Hoogheid.

exeentriek, bn. Uitmiddelpuntig.Van de baan afwijkende. Grilligheid. Eigenzinnigheid. Dwepend. — Excentriciteit, v.

— Excentriek, o. (-en). Toestel om bij werktuigen eene ronddraaiende beweging in eene rechtlijnige te veranderen.

exeeptle, v. (..iën, -s). Uitzondering. (Rechtsw.) Uitvlucht: hij, die eene exceptie opwerpt,wil daardoor het behandelen eener rechtszaak voor altijd, of voor eenigen tijd, ontwijken (ontvluchten). — Exceptioneel, bn. bijw. Eene uitzondering bevattende. Bij wijze van uitzondering.

excerpt, o. (-en). Uittreksel. Afschrift. — Excerpeeren, bw. excerpeerde, heeft geëxcerpeerd.

exelnaier, bn. bijw. Uitsluitend. Bij

3 — EXTR

wijze van uitsluiting. — Exclusivisme, 0. Stelsel van uitsluiting.

exenHeeren, bw. excuseerde, heeft geëxcuseerd. Verontschuldigen. Verschoo-nen. — Excuus, o. (..usen). Verontschuldiging. Verschoo ing. Uitvlucht.

exeenteeren, bw. executeerde, heeft geëxecuteerd. Uitvoeren, voltrekken. Opvoeren, voordragen. Met den dood straften. Door rechtsdwang noodzaken. Van de beurs uitsluiten. Iem. zijne rekeniner geven. — Executeur, m. (-en, -s). — Executie, v. (..iën, -s). — Executoir, bn. Uitvoerbaar. Wat op rechterlijk gezag kan ten uitvoer gelegd worden. Invorderbaar.

exeurese, v. (-n). Verklaring (inz. van den Bijbel). —Exegeet, m. (..eten). Bijbelverklaarder.

exempel, o. (-s). Voorbeeld. Model. Voorschrift. — Exemplaar, o. (..aren). Afdruk. Elk kunstvoorwerp, dat van een algemeenen modelvorm voortkomt.

exereeeren.bw. ow. exerceerde, heeft

Geëxerceerd. Oefenen (inz. in den wapen-andel). —eëxerceerd. Oefenen (inz. in den wapen-andel). — Exercitie, v. (..iën, -s). ex-minister, m. (-s). Gewezen minister.

exorcisme, o. Bezwering. — Exorcist, m. (-en). — Exorcizaat, o. Een der vier lagere orden (h. Kerk), waardoor men de macht verkrijgt de hand op bezetenen te leggen, den duivel uit hen te jagen en zijne tooverij te niet te doen.

expedieeren, bw. expedieerde, heeft geëxpedieerd. Verzenden. Afzenden. Van kant maken.—Expediteur, m. (-en, -s). — Expeditie, v. ( .iën, -s). Verzending (van goederen). Reistocht. Krijgstocht. Onderneming. Afschrift van efene rechtshandeling.

expert, m. (-en). Schatter, prijzer. Deskundige. — Expertise, v. Keuring. Schatting. Onderzoek door eenen deskundige gedaan.

expllceeren, bw. expliceerde, heeft geëxpliceerd. Ontvouwen. Uitleggen. — Explicatie, v. (..iën, -s).

exploot, o. (..oten). Maning, gerechtelijke aanzegging.

exponeeren. bw. exponeerde, heeft geëxponeerd. Uitleggen. Ophelderen. Blootstellen (aan). Zich exponeeren ww. Zich blootstellen (aan). — Exponent, m. (-en). (Wisk.) Getal of grootheid, aanduidende hoe dikwijls een ander getal of eene andere grootheid met zich zelf moet vermenigvuldigd worden. — Expositie, v. (..iën, -s). Tentoonstelling.

expres,bijw. Uitdrukkelijk. Metopzet. Exprestrein, m. (-en). Sneltrein. — Ex-presse, m. (-n). Bijzondere bode.

extempore, o. (-'s). Onvoorbereide, voor de vuist uitgesproken rede (in poëzie of in proza).

externaat, o. (..aten). School, waar slechts daggangers, geene kostleerlingen, worden opgenomen.Dagschool.—Externe, m. (-s, -n). Dagscholier, leerling, die de school bezoekt zonder er gehuisvest te ziin, extra, bijw. Buiten. Buitengewoon. Bijzonder. Zeer. — Extratje, o. (-s). letg bijzonders. Buitenkansje.


ocr page 200

FABR — i;

extract, o. (-en). Uittreksel (van een geschrift, enz.). Afkooksel (van kruiden, enz.).

Eyclc {van), Alden-eik (Maaseik). i? (//.)»i366(?)-i426. VI. schilder. Zegepraal der Christenkerk over de synagoge. Schetste de Aanbidding van het Lam Gods. 2° Zijn broeder {J.} = Jan van Brugg', i3..(?)-i440. Uitvinder van de olieverf. De vader der VI. schilderschool. Voltooide de Aanbidding van het Lam Gods. Glorieuze Maagd, door kan. van der Pale -aanbeden; Glorieuze Maagd, door den kanselier Rollin aanbeden; Arnoulfini en zijne vrouw (portret). 30 Hunne zuster (M.). VI. schilderes.

Eyckcn 1^. B.), 1809-1853, VI. schilder. De overvloed.

Eyls (W. B. y. van), 1826, Utrecht. In-«pecteur van 't Middelb. onderwijs ('s Gra-▼enhage). Hendrik Voes,i522'T523 (1854); het openbaar lager onderwijs voor Europeanen in Nederl.-Indië (1870).

Kylau. Stad in 't regeeringsdistrict Königsbergen. Onbesliste veldslag (1807) tusschen 't Fransche leger onder Napoleon en 't Russische onder Bennigsen.

Kzechia* (727-698 vóór Chr.). Koning van het rijk van ) uda. Herstelde den godsdienst en behaalde, na geweigerd te hebben het tolgeld te betalen, de zege op Sennacherib, koning van Assyrië. (Een engel doodde in eenen nacht 185,000 man van het leger van dezen vorst). Heeft de voorzegging jrehooid van de gevangenschap van Babylonië.

Ezeeliiël. De derde der groote prciè-

^ — FACT

ten. Werd naar Babylonië gevoerd en voor-zeide, onder beeldspraak en raadsels, het einde der gevangenschap en het rijk van Christus.

ezel, m. (-s^. {Equus asinus)- Viervoetig lastdier. Behoort tot de eenhoevige zoogdieren. Dom mensch.Werktuig,waarop de schilders (enz.) hun doek (enz.) plaatsen. Van den os op den ezel springen : zich niet bïj eene zaak bepalen. — Ezelachtig, bn. bijw. Als een ezel Overeenkomst hebbende met eenen ezel. Dom. Onnoozel. — Ezelachtigheid, v. — Ezelary, v. (-en). Domheid. — Ezeldrijver, m. (-s). — Ezeldrijf-ster, v. (-s). — Ezelen, ow. ezelde, beefe geëzeld. Als een ezel werken. Hard arbfci-den. — Ezelhoeder, m. (-s). — Ezelhoed-ster, v. {-s). —Ezelin, v. ( nen). — Ezelin-nemnelk, v. — Ezelplank, v. (-en). Deel van eenen schildersezel. — Ezelsbrug, v. (-gen). Hulp, waardoor een werk al' té gemakkelijk wordt gemaakt. — Ezelsdracht, v. (-en). — Ezelshoofd, o. (-en). Hoofd van eenen ezel. (Zeew.) Zeker

scheepsblok. — Ezelshuid, v. (-en). _

Ezelsjuk, o. (-ken). (Fig.) Vervelende, vTiige, telkens terugkeerende arbeid. —' Ezelskinnebak, v. (-ken). — Ezelskop, m. (-pen). Kop van eenen ezel, m. en v. (-pen) Domoor. — Ezelsoor, o. en v. (-en). Oor van eenen ezel. Omgevouwen hoek van een blad in een boek. (Flantenk.) Zie Smeer-wortel.— Ezelsrug, m. (-gen). — Ezelsvel, o. (-len). — Ezelsveulen, o. (-s). — Ezels-vleesch, o. — Ezelswerk, o. Zeer moeilijke arbeid. — Ezelwagen, m. (-s). — Ezelzadel, m. (-s).


F

f, v. (fs). 6® letter van het alphabet.

fa, v. (la's). 4® toon der diatonische toonschaal.

faam, v. (Fab.) Godin, die de daden der helden uitbazuinde. Naam. Vermaardheid. Te goeder naam en taam bekend staan : gunstig bekend zijn. — Faam loos, bn. Vergeten. Ook, eerloos.—Eaamroo-vend, bn. — Faamroover, f aamschender. m. (-s). —Faamroofster, f aamschendster, v. (-8).

faas, v. (fazen). (Wapenk.) Dwarsbalk.

fabel, v. (-en, -s). Zie Apoloog. Verdicht verbaal. Valsch nieuws. — Fabelachtig, bn. — Fabelachtigheid, v. — Fabelboek, o. en m. (-en). — Fabeldichter, m. (-s). — Fabeleeuw, v. — Fabelkunde, v.

— Fabelkundig, bn. — Fabelkundige, ra. (-n). -jr Fabelleer, v. Mythologie. — Fabelschrijver, m. [s). Fabelschrijfster, v. (-s). —Fabelwerk, o. (-en). Fabelboek.

— Fabuleus, bn. Fabelachtig. Verwonderlijk. Ongelooflijk. Onwaarschijnlijk.

Fabre-d'f^rlautliie {P.F. N.), 1755-1794, Limoux. Fr. tooneeldichter. Orawen-'tlaar. Stiert op 't schavot.

fsftbrleeeren, bw. fabriceerde, heeft gefabriceerd. Bewerken,voortbrengen (door werktuigen). Maken, verdichten.—Fabricage, v. Het fabriceeren. — Fabriceering, v. — Fabriek, v. (-en). Huis, inrichting, waar door werktuigen voorwerpen worden vervaardigd. Dat is van zijne fabriek : dat heeft hij gemaakt. — Fabrieken, bw. fabriekte, heeft gefabriekt. Maken. Doen. — Fabriekgast, m. (-en). — Pabriekgebouw, o. (-en). — Fabriekgoed, o. (-eren). Goed in eene fabriek vervaardigd. Slecht of op den koop gemaakt goed. — Fabriekmeester, ra. (-9*. — Fabrieksprijs, ra. (..zen). — Fabriekstad, v. (..steaen). — Fabriekwerk, o. — Fabriekwerker, ni. (-s). — Fabriekwerkster, v. (-s). — FaSri-kaat, o. (..aten). Het bewerkte in eene fabriek. — Fabrikant, ra. (-en). Eigenaar, ondernemer eener fabriek. —Fabrifteeren, bw. fabrikeerde, heeft gefabrikeerd. Fabriceeren. — Fabrikeur, ra. (-s). Fabrikant.

Fabrlcius. Romein. Was een toonbeeld van rechtschapenheid en eenvoudigheid van zeden (282 vóór Chr.).

facsimile, o. (-'s). Nauwkeurig namaaksel van een handschrift.

factie, v. (..iën, -s). Aanhang. Volks-aanhang. Partij.


ocr page 201

F AMI — I

faction, v. Hij staat op faction, op schildwacht, hij staat te schilderen.

factor, m. (-en). Handelsgemachtigde. Zaakgelastigde. Makelaar. Brievenbesteller. (Wisk.) Elke der grootheden, uit welke een product gevormd is. — Factory, v. (-en). Stapelplaats. Handelskantoor.

factotum, ra. Doe-al. lera., die alles te zegeen heeft.

factuur, v. (..uren). Rekening. Schuldbrief. Inkoopprijs.

facultatief, bn. Naar keus, naar be-1'even. Facultatieve trein, die loopt als het noodig is.

faculteit, v. (-en). Vermogen. Recht. (Elke hoofdafdeeling van de gezamenlijke wetenschappen, die in eene hoogeschool onderwezen worden.De gezamenlijke hoogleeraars van een bijzonder wetenschappelijk vak. Faculteiten : verstandvermogens, fa «rot, v. (-ten). Houten blaasspeeltuig.

— Fngottist, ra. (-engt;.

Falirculicit (G. ZX), 1686-1740, Dant-

zig. Natuurkundige. Zie Thermometer.

fnilliot, o. (-en). Onvermogen om zijne schulden te betalen. — Failleer en, ow. . failleerde, is gefailleerd Niet meer in staat zijn te betalen. — Failliet, bn. — Failliet-er klaring, v. (-en). — Faillissement, o. ( en). Failliet.

fakkel, v. (-s). Flambouw. Toorts. (Ook fig.). — Fakkeldrager, ra. (-s). — Fakkellicht, o. — FakkeHooper, ra. (-s). Fakkeldrager.

fstlbala, v. (-'s). Af hangende versierde zooru aan vrouwenkleederen, gordijnen, enz.

Falcone (/4.), 1600-1665, Napels. It. schilder en graveerder.

Fstlronet {E. Af.), 1716-1791, Parijs. Beeldhouwer.

fal4gt;n, ow. faalde, heeft gefaald. Dwalen. Missen. Mislukken. — Faling, v. (-en).

falie, v. (..iën, -s). Huik. Sluier. Regenmantel.

fwaiiokant, bn. bijw. Mis. Verkeerd. Het is faliekant: de zaak loopt mis.

falievouwen, ow. falievouwde, heeft gefalievouwd. Vleien. Kruipen. Veinzen.

— Faltevomver, ra. (-s). —Falievouwerij', v. (-en). —Falievouwster, v. (-s).

falkonet, o. (-ten). Klein veldstuk (16® eeuw).

falHarin, ra. (-sen). Schriftvervalscher. Valschaard. Oplichter.

fanieuH, bn. bijw. Befaamd, beroemd, uitstekend. Uitnemend, uitermate. Bijzondere : 't was niet fameus.

familiaar, bn. bijw. Gemeenzaam. Vertrouwelijk.

fitmilie, (..iën, -s), famlclje, (-s), v. Huisgezin, maagschap. Geslacht : de leeuw is van de familie der katten. De h. Familie : Jezus, Maria en fozef. De koninklijke familie (België). Z. M. LeopoldII (18^5, Brussel) huwde met H. K. en K. M. de aartsprinses Hendrik a (1836, Pesth), aartshertogin van Oostenrijk.

Uit dezen echt sproten :

10 H. K. H. prinses Louisa (1858), ge-; — FARI

huwd met prins Ferdinand Filip van Saksen* Coburg;

20 Z. K. H. prins Leopold (1859-1869), hertog van Brabant en graaf van Henegouw ;

30 H. K. H. prinses (18^4),

weduwe vanZ. K. H. prins Kodolf, oudsten zoon van den keizer van Oostenrijk ;

40 H. K. H. prinses Clementina (187'').

's Konings broeder Z. K. H. Filip (1837, Laken) huwde met H. H. Maria Louisa, prinses van Hohenzollern-Sigmaringen.

Uit dezen echt sproten:

i0 Z. K. H. prins Boudewi/'n (1869-1891);

20 H. K. H. prinses Hendrika (1870), huwde raet prins Emmanuël d'Orléans, hertog van Alengon;

30 H. K. H. prinses Josephina (Maria Stephania Albertina, 1871);

40 H. K. H. prinses Josephina (Carola Maria Albertina, 1872);

50 Z. M. H. prins Albrecht f1875), vermoedelijke troonopvolger (België).

's Konings zuster H. M. Keizerin Char-lotta (1845), weduwe van FerdittandMaxi-miliaan, keizer van Mexico.

De koninklijke familie (Nederland).

Z. M. Willem III (1817-1890, Brussel), huwde met H. M. Sophia, prinses van Wurteraberg (1818-1877), later raet H. M. Emma, prinses van Waldech-Pyrraont (1858). H. M. Wilhelmina (1880, 's Gra-venhage) is de eenige spruit van het 2« huwelijk.

's Konings zuster H. K. H. Sophia (1824, 's Gravenhage) huwde met Z. H. Karei Alexander, groothertog van Saksen-Wei-raar-Eisenach. — Familiebetrekking, v. (-en). — Familiecongres, o. (-sen). — Familiefeest, o. en v. (-en). — Familie ge-bre*, o. (-en). — Familiegek, bn. — Fami-liegoed, o. (-eren). — Fatniltegraf, o, (..ven). — Familie koek, ra. (-en). Groot langwerpig gebak, bij deelen aan vrienden, enz. rond te zenden. — Familiekring, m. (-en). — Familiekwaal, v. (..alen). — Familieleven, o. — Familielid, o (..leden). — Familienaam, m. (..amen). — Familieraad, ra. (..aden). — Familiestuk, o. (-ken). Schilderij, leden eener familie voorstellende. Voorwerp door eene familie of een gezin in eere gehouden. —Familie' trek, ra. (-ken). — Familietrots, m. — Familieverdrag, o. (-en). — Familie-veete, v. (-n). — Familiewapen, o. (-s). -—-Familieziek, bn. Ingenomen met zijne bloedverwanten. — Familie ziekte, v. (-n). Ziekte, erielijk in een geslacht.

fanatiek, bn. bijw. Dweepzuchtig. Geestdrijvend. Bijgeloovig. — Fanatisch, bn. — Fanatisme, o.

fanfare, v. (-n). Muziekgezelschap, welks leden alleen koperen speeltuigen bespelen.

Faraday {M.), 1791-1867, Newington Butts (Londen). Eng. schei- en natuurkundige.

Farina (5quot;.), 1846, Gorso (Sardinië).It. novellist. Capelli biondi (1876) ; VIntermezzo e la pagina nera (1882).

Farizeër, ra. (-s, ..zeën). Aanhanger van het voormalig Jodendom, zich dooc


ocr page 202

FAUT — I

uiterlijke gestrengheid in 't volbrengen van Mozes' wet onderscheidende. Schijnvrome. Huichelaar. — Farizeesch, bn.

Farnose {A.)t 1546-1592. Prins van

Parma. Werd door Filip II (koning van Spanje) met een talrijk leger naar Nederland gezonden. Bemachtigde Maastricht (1579). Veroverde Vlaanderen en Brabant. Sloeg te Calloo eene brug over de Schelde om Antwerpen te belegeren. Heulde met de Malconienfen en stond overal vergiffenis en behoud van voorrechten toe.

faro, o. Zeker kaartspel, m. Soort van Brusselsch bier.

rascine, v. (-n, -s). Mutsaard. Rijshout.

fafiso, v. (-n) Bakkebaard.

FaHHiii (IV. 7. H. dé), 1728-1811, Luik. Landschapschilder.

laHtuoMo, bijw. (Muz.) Prachtig, faf, m. ( ten). Modejonker. Modegek. Modepop.

fataliMino, o. Geloof aan de leer van een onvermijdelijk noodlot. — Fataal, bn. bijw. Noodlottig. Heilloos. — Fataliteit, v. (-en). Noodlottigheid. Wederwaardigheid. Ongelukkig voorval of toeval.

Fstta Ulorcraua, v. Atmospherische straalbreking, waardoor men, op en aan de zee, kusten van andere landen bespeurt, die anders door de kromming der aarde onzichtbaar zijn. (In Nederland = opdoeming; in Duitscnland, Kimmung; in Engeland, looming; in Frankrijk, mirage; in Italië, Jata morgana.

iatisstnt, bn. bijw. Vermoeiend. Vervelend. Langwijlig. — Fatigeeren, bw. fatigeerde, heeft gefatigeerd. Vermoeien. Afmatten.

fats, v. (-en). Soort van vrouwenkap. (Zeew.) Klein zeil.

fatsoen, o. (-en). Maaksel. Gedaante, vorm, voorkomen. Gemaakte beleefdheid. Wijze. — Fatsoeneeren, bw. fatsoeneerde, heeft gefatsoeneerd. Bewerken (inz. van kleediogstukken). — Fatsoeneer der, m. (-s). — Fatsoeneeryz-r, o. (-s). — Fatsoeneering, v. — Fatsoeneer ster t v. (-s).

— Fatsoenlijk, bn. bijw. Deftig. Gemanierd. Behoorlijk. Welvoeglijk. Eerbaar.

— Fatsoenlijkheid, v. — Fatsoenshalve, bijw.

fatterig-, bn. bijw. Ingebeeld. Laf. Modeziek. — Fatterigheid, v.

fauteuil., m. (-s). Zetel.

S — FEIT

favoriet, m. (-en). Gunsteling. Lieveling. — Favoriete, v. (-n).

Fayd'herbe (Z.), 1617-1694, Meche-len. Beeldhouwer en architect.

Fay© (//. A. E. A.), 1814, S' Benoit-du-Sault. J'r. sterrenkundige.

Fayens {A. J.), 1789-1854, Turnhout. Beeldhouwer.

Goudfazant.

derachtigen behoorende. Gewone fazant : phasianus colchins. — Fazantenei, o. (-eren). — Fazantenhaan, m. (..anen).— Fazantenhen, v. (-nen). — Fazatitenhok, o. (-ken). —Fazantenjacht, v. — Fazantennest, o. en m. (-en).

fazelen, ow. lazelde, heeft gefazeld. Stillekens zingen (inz. van jonge vogels).

Februari,m.Sprokkelmaand.2® maand van 't jaar.

fee, v. (-en). Toovergodin.

feeks, v. (-en). Slecht vrouwspersoon.

— Feeksig, bn. Als eene feeks. — Feeksig-heid, v.

feest, o. en v. (-en). Dag of tijd voor plechtige godsdienstoefeningen of vermaak geschikt. — Feestdag, m. (-en). — Feest-disch, m. — Feestdos, m. — Feestdronk, m. (-en). — Feestelyfc, bn. bijw. Als een feest. Plechtig.—Feestelijkheid, v. (..heden). — Feesteling, m. en v. (-en). — Feestelinge, v. (-n). — Feesten, ow. feestte, heeft gefeest. Feestvieren. — Feestgebaar, o. — Feestgedruisch, o. — Feestgejuich, o. — Feestgeroep, o. — Feestrumoer, o.

— Feestgenoot, m. (-en). — Feestgenoote, v. (-n). —Feestgeschenk, o. (-en). —Feest- ' gewaad, o. (..aden). — Feestgezang, o. (-en). — Feestkleedij, v. — Feestkleeding, v. (-en). — Feestlied, o. (-eren). — Feestmaal^. (..alen). — Feestmarsch, m. (-en).

— Feestoffer, o. (-s). — Feesttijd, m. (-en).

— Feestvermaak, o. (..aken). — Feestvierder, m. (-s). — Feestvier eft, ow. vierde feest, heeft feestgevierd. — Feestviering, v. (-en). — Feestvierster, v. (-s).

— Feestzang, m. (-en).

feil, v. (-en). Misslag. Overtreding. Fout. Gebrek. — Feilbaar, bn. — Feilbaarheid, v. — Feilen, ow. feilde, heeft gefeild. Falen. Mistasten. — Feilloos, bn.

— Feilloosheid, v.

felt, o. (-en). Daad. Zaak. Voorval. Geval. Ongeval. Gebeurtenis. Te feite : aanstonds.

feitel, v. (-s). Borstdoekje (van kin- j dertjes).

feitelijk, bn. bijw. Handdadig. Vijandig. — Feitelijkheid, v. (..heden).


ocr page 203

FÉTI — 17

Fcitb [RAynvts), 1753-1824, Zwolle. Lierdichten {Lofdicht op De Ruiter, 1784) ; leerdichten {Het Graf, 1792, de Otidei--dom, 1802, de Wereld, 1821); treurspelen (7/ttrza, 1784, /adv Johanna Gray, 1791.

fel, bn. bijw. Hevig, sterk. Wreed, on-meedoogend. Ruw, onbeschoft. Kloek, moedig. Begeerig (naarj. Verzot (op). — Felheid, v.

fel ioi teer en, bw. feliciteerde, heeft gefeliciteerd. Gelukwenschen. — Felicitatie., v. (..iën, -s).

(y.), 1810-1891, Neuville (Nord). Jcuïet Kanselredenaar.

Feller {F. X. von\, 1735-1802, Biussel. Jezuïet. Historiich IVoordenhoek.

feloek, v. (-en). Klein sloepvormig vaartuig, zonder verdek met zeilen en riemen (kustvaart. Middel. Zee).

felp. Zie fulp.

femelen, ovv. iemelde, heeft gefemeld. Den vrome uithangen. Huichelen. Gebeden prevelen. — Femelaar, m. (-s).

fenegrriek, o. Plant, tot de vlinderbloemigen behoorende.

F^nelou [F. de Salignac de la Mot he), 1651-1715, kasteel Fénelon (Dordogne). Aartsbisschop (Kamerijk). 2'raitède Vèdn-cation des filles; les Dialog ties des Morts; les Aven tu res de Télétnaqtie (16991.

feniks, plKenix, m. (-en). (Fabell.) Wonderbare vogel. lem., die uitmunt. Uitstekend mensch. —Feniksdichter, ra. (-s). Zeldzaam begaafd dichter. — Feniksmaagd, v. (-en). Zeldzaam meisje. — Fenikspennen, v. mv. Zeer goede pennen.

fep, v. Dronkenschap. Aan de fep, aan den drank zijn. — Feppen, ow. fepte, heeft gefept. Drinken. Bekeren. Zuipen. — Fep-per, m. (-s). — Fepster, v. ( s).

Fergrusou 10 \A.)t 1723-1816, Logierait (Perth). Eng. geschiedscnnjver en wijsgt er. 2° (^ ), 1710-1776. Schotsch sterrenkundige.

Ferguut. Artur-roman, rond het midden der XIII® eeuw naar het Fransch van Guillanmele Clerc door eenen Vl. dichter bewerkt. Fergnut, iongeling van half adellijke en half ooersche afkomst, komt aan 't hof van Artur en wordt door groot en klein bespot. Wordt echter ridder geslagen en volbrengt de grootste heldendaden.

ferm, bn. bijw. Vast, fiksch. Geweldig. Naarstig. — Fermeteit, v.

Fenunt {P. de), 1607(1')-1665, Beaumont. Fr. wiskundige.

fermoor, o. (..oren). Groote scheeps-beitel.

r.inaueli IJ.), 1741-1799, Brugge. Beeldhouwer.

Ferrari 10 ((?.), 1484-1550, Valdugia. It. schilder, beeldhouwer, architect. —20 (P.), 1822-1889, Modena. It. blijspeldichter. Gol-doni (1852); Parini e la satira (1857). feHfün, o. (-en). Gastmaal.

fcHtivnl, o. (-s). Muziek-jf toonkundig feest. Volksfeest.

feMtlvlteit, v. (-en). Feestelijkheid. fCKtoeu, v. en o.* (-en). Bloemkrans. Loofwerk. — Festonneeren, bw. festonneerde, heeft gefestonneerd. Met bloem-ol loofwerk versieren, omzoomen, enz. JFéiis {F. J.), 1784-1871, Bergen. Schiij-

' — FIJM

ver en componist. Histoire génér ale de la musique (i868-'7o) ; Biographie univer-selle des musiciens (20 dr. i8eo-,65).

Feuerlgt;ult;*li (Z. 7/0«),1Ï04-1872,Landshut. Duitsch wijsgeer.

feuilleton, o. (-s). Bijblad. Mengelwerk. — Feuilletonist, m. (-en), feuilleton-schrijver, m. (-s).

Féval {P. H. C), 1817-1887, Rennes. Advocaat. Romanschrijver. Les My stères de Londres (1844); le Fils du diable (1847); le Boss 11 (1858); les Etapes d'une conversion.

fozamt. Zie Fazant.

Teziken, ow. fezikte, heeft gefezikt. Fluisteren. Praten.—Feziker, m. (-s). — Fezikster, v. ( sK

line re, v. ( s). Huurrijtuig.

fisiNeo, o. Mislukte zaak. Fiasco makent mislukken, uitgefloten worden.

lint, o. Goedkeuring.

fielie, o. (-s). Speelmerkje. Beentje. — Fichesdoos, v. ( .zen).

Flelile (J. G.), 1762-1814, Rammenau. Duitsch wijsgeer. Vinder van het denkbeeldig Pantheïsme.

lieliu, o. ( 's). Halsdoekje.

Iletie, v. (..iën, -s). Verdichting. Verdichtsel. Verzinsel.

fi«llt;^el, bn. bijw. Getrouw. Gemoedelijk. — Fideliteit, v. (-en).

lilt;lel-eoniml8, o. (-sen). Erfstelling over de hand.

lidibiiH, m. (-sen). Papier, gevouwen of geknipt, om er eene pijp aan op testeken.

Fielriingr (■#•). i707quot;I754. Sharpham-Park. Eng. romanschrijver. Joseph An-drews (1750); Jonathan Wild (1750); Jotn Jones (1751); Amelia I17S2).

fielt. m. (-en). Boef. Schelm. — Fiflt-achtig, bn. — Fielt a ch tig h e id, v. — Fiel-tenstreek, m. (..eken). — Fieltenstuk, o. (-ken). —Fielterig, bn. bijw. —Fielterigheid, v. — Fielterif, v. (-en).

fier, bn. bijw. Trotsch. Hoogmoedig. Opgeblazen. — Fierheid, v. — Fier te, v. Fierheid.

fiero, fieramente (con fierezza), bijw. (Muz.) Fier.

fierlel, fierter, fietel, m. (-s). (Middel.) Rijke kas, waarin de overblijfsels der heiligen bewaard werden.

fis:ngt;*»igt;t, m. (-en). Zwijgende speler. — Figu* ante, v. ^-n).

fiennr, v. en o.* (..uren). Beeld. Afbeelding. Beeltenis. Gedaante. Gestalte. Vorm. Maaksel. Vluchtige, uit de losse hand gemaakte schets. (Letterk.) Uitdrukking of wending, die aan de gedachten eenen vorm en als eene bijzondere gedaante geeft, waardoor hun zekere schoonheid en kracht wordt bijgezet. De eerste beginselen der Latijnsche taal. Welk figuur zal hij daar maken : hoe zal hij daar optreden? Een misselijk figuur maken : een leelijke rol spelen. — Figuurlijk, bn. bijw. Oneigenlijk. — Figuur lijk he id, v.

flj. tw. Drukt verachting uit.

fijfer, lij fel, ra. (-s). KJeine fluit, dio zeer scherpe tonen geeft.

lij melen, fijraelde, heeft gefijmeld. Bw. Wolkaarden. Ow. Den vrome Uitban-


ocr page 204

- 178 -

FLA.U

FISK

gen. — Fymelaar, ra. (-s). — Fymelaar-s/er, v. (-s). — Fytnelachtig, bn. Schijnheilig. Huichelachtig.—Fijmelarij,v. (-en).

fijn, bn. bijw. Niet grof : fijn laken. Zuiver : fijn zilver. Klein : fijn geschrift. Slim : fijne vos. Schrander : fijn antwoord. Lekker : fijne wijn. Edel, schoon : fijn karakter. Het is fijn (scherp) koud. — Fynaard, ra. (-s), fijn baard, ra. (-en), fijnman, ra. (-nen). Schijnheilige. Huichelaar. — Fy'nbek, ra. (-ken). Fijnsnavel. — Fynhakken, bw. — Fynhetd, v. (..heden). — Fynigheid, v. (..heder^\ —Fi/'n-kappen, bw. — Fifnkauwen, bw. — Fijnmaken, bw. — Fynmakin •, v. — Fynmalen, bw. — Fijn maling , v. — Fijnscheerder, ra. (-s) — Fjnscheer-ster, v. (-s). — Fijnschilder, ra. (-s) Kunstschilder. — Fijnslaan, bw.^— Fijnsnavel, m. (-s). Naam van een talrijk geslacht van kleine vogels, met rechten, sraallen, stift-vo'raigen snavel. — Fijnstampen, bw. — Fijn stamp ing, v. — Fijns too ten, bw. — Fytistooting, v. — Fijnte, v. (-n). Fijnheid. — Fijntjes, bijw. — Fijn trappen, bw. — Fyntrapping, v. — Fijnvroom, bn. Schijnheilig. — Fynwryven, bw. — Fijn-Turyvitig, 1. — (De samengestelde werkw. met fijn zijn scheidt.).

fi|t (vüt), v. Nagel-, vingerzweer. Füt amp;■), 1611-1661, Antwerpen. Schilder. Gevecht van honden tegen tenen beer; de Maaltijd van den Arend.

fikfakken, ow. fikfakte, heeft gefik-lakt. Beuzelen. Talmen. — Fikjakker, m. (-s). — Fikjakkcry, v. (-en). — Fikfak-ster, v. (-s).

fiks, bijw. Op flinke wijze. Vast. Onbeweeglijk. Strak: Stijf. Als bevelwoord : Sta ! — Fiksch, bn. — Fikschheid, v.

Fillp. Zie volgreeks der regeerende vorsten. — Filippine. Zie Dampierre.

Filippo (Fra) = Lip pi, 1412-1469, Florence. It. schilder.

filomccl, v. (-en). (Fab.) Nachtegaal, filoxcl, v. Grove zijde.—Filozellen,hn. filtreer en, bw. filtreerde, heeft gefiltreerd. Doorzijgen. — Filtreerdoek, m. (-en). — Filtreerkan, v. (-nen). — Fil-trecrmachine, v. (-s). — FiItr eer papier, o. — Filtreer toe stel, m. en o.* (-len).

finaal, bn. bijw. Wat om te eindigen dient. Ten eenenraale.

finale, v. Eind-, slotletter. Eind-, slotstuk.

financieel, bn. Geldelijk. De geldzaken betreffende. — Financiën, v. rav. Geld. Geldmiddelen. Geldwezen.— Financier, ra. (-en, -s). Geldman. Bankier. — Financiewezen, o.

fiool, v. (..olen). Fleschje.

firma, v. (-'s). Handelsnaam. Naam van een handelshuis.

firmament, o. Hemelgewelf. Uitspansel.

Flseliart (y.), i55o(?)-i589. Mainz{?). Duitsch hekeldichter en prozaschrijver.

fiMkaal,m. (..alen). Openbaar aanklager. Ambtenaar, die voor de naleving der wetten, inz. voor de rechten van tenfiscus (rijksbelastingen) waakt, en, bij schending daarvan., als eiscner in rechten optreedt.

fistel, v. (-s). Diepe etterwonde. Rijpe zweer. Etterafleider. — Fistelachtig, Sn.

— Fistelmes, o. (-sen).— Fistelsnede, v. (-n), fistelsnijding, v. (-en). — Fistel-wonde, v. (-n). — Fistelzweer, v. (..eren).

fixeeren, bw fixeerde, heeft gefixeerd. Vasthechten. Vestigen : waar heeft hij zich gefixeerd? lera. fixeeren : de oogen onafgewend op iem. gevestigd houden.

flab. Zie Fep.

flakberen, ow. ftabberde, heeft ge-flabberd. Spelen, suizen (van den wind), flaeon, ra. (-s). Flesch.

ria«llt;leren, ow. fladderde, heeft gefladderd. Heen en weder-, op en neer vliegen in ongelijke wendingen. Dartelen.

flagreolet, v. (-ten). Octaaffluitje. — Fla%eoletblazer,flageoletspeler, m. (-s),

flakkeren, ow. flakkerde, heeft geflakkerd. Bij opvlararaing branden. Flikkeren.

flambeeren, bw. flambeerde, heeft geflambeerd. Zengen. Roosten. Vlammen. Over de vlara houden. Door de vlam halen. Hij is geflambeerd, is verloren, om zeep. flambouw, v. (-en). Fakkel. Toorts.

— Flambouwdrager, ra. (-s). flamingant, ra. (-en). Vlaamschgo-

zinde.

flamingo, ra. (-'s). Behoort tot de farailie der reigerachtige vogels en tot de orde der steltloopers.

Flammarion (C), 1842, Montigny-le-Roi. Fr. sterrenkundige. Astronomie populaire (bekroond, 1886).

Flam.Hteed (y.), 1646-1719, Derby. Eng. sterrenkundige.

FlaiKlrin (//.), 1809-1864, Lyon. Schilder (godsdienstig gebied).

flaneeren, ow. flaneerde, heeft geflaneerd. Drentelen. Rondslenteren.

flanel, o. en v.* Lichte wollen stof. — Flanellen, bn.

tlank, v. ( en). Zijde. Vleugel. (Mil.) Links ot rechts (in de flank). — Flankeeren, bw. flankeerde, heeft geflankeerd. Van ter zijde bestrijken of dekken. Op zijde versterken. — Flankeering, v. — Flankeur, ra. ^-s). Vleugelman.

flankaar«1, ra. (-s). Slip van eenefrak of jas.

flans, v. (-en). Het neergeworpene.— Flansen, bw. flanste, heeft geflanst. Werpen. Smijten. Samenflansen.

flap, ra. (-pen). Slag. Schop. — Flapkan, v. (-nen). Kan niet deksel. Veldflesch. (Zeew.) Pul. — Flappen, ow. flapte, heeft geflapt. Klappen. Hij flapt er raaar alles uit: hij zegt alles wat hera voor den geest korat, hij zegt ronduit wat hij denkt. — Flapper, ra. (-s). — Flapuit, bijw. Rondweg. — Flapuit, ra. en v. (-en). Babbelaar, babbelaarster.

flarden, m. rav. Lappen. Lompen, flater, m. (-s). Groote fout. Misslag. Misgreep.

Flanbert {G.), 1821-1880, Rouen. Fr. romanschrijver. Madame Bovary (1857); Salammbo (1862).

flauw, bn. bijw. Zwak, machteloos. Laf, zouteloos. Flauw vallen : bezwijmen. Dit is flauw, geesteloos. Slap : de markt


ocr page 205

FLIK — 1

■was flauw. Zonder nadruk: iets flauw behandelen. — Flauwelyk, bijw. — Flauwerd, m. (-s). Flauw, laf mensch. —Flauwhartig, bn. bijw. Moedeloos. Beschroomd. Bloode. — Flauwhartigheid, v. — Flauw-hartig lijk, bijw. — Flauwheid, v. (..heden). —■ Flauwigheid, v. (..heden). — Flauwiteit, v. (-en). Flauwe, laffe daad. — Flauwte, v. (-n). Bezwijming. Onmacht.

— Flauwtjes, bijw. — Flauwzoet, bn. bijw.

fleb, v. Zie Fep.

FIjéchler {E.), 1632-1710, Pernes. Fr. schrijver en kanselredenaar. Oraisons fu-nèbres (1681).

fleciucn, bw. fleemde, heeft gefleemd. Vleien. Strcelen. Liefkoozen. — Fleemer, m. (-s). — Fleemery, v. (-en). — Fleem-kous, m. en v. (-en). — Fleemster, v. (-s).

— Fleemtaal, v. — Fleemtong, m. en v. lt;-en).

fleer, m. (-en). Klap.

fleer, v. (-en). Ontuchtig vrouwspersoon.

fleers, m. (..zen). Flap.

flegiuz», o. Koelbloedigheid, onverschilligheid. Slum. — Flegmatiek, bn. Koelbloedig. Onverschillig. Gevoelloos. Koud. Koel. — Flegmatisch, bn. Flegmatiek. Slijmachtig. Slijmbloedig.

f lencl. Zie Flanel.

flens, v. (..zen). IJzeren kraag. — Flensje, o. ( s). Gebak.

fleutcr, m. (-5). Stuk. Brok. Lap. flenzen, bw. flensde, heeft geflensd. Het spek van walvisschen, enz. aan kleine stukken snijden.

flep. v. Zie Fep. — Fleppen, bw. flepte, heeft geflept. Zie Feppen.

flerccün, o. Eigenaardige ziekte (jicht, beestje, pootje, kozijntjes, familie), die haren oorsprong heeft in de constitutie en door erflijken aanleg zeer wordt begunstigd. Het ziekelijk gewricht is hevig gezwollen en pijnlijk. Er bestar.t koorts met alge-meene stoornis, inz. ongesteldheid van de organen der apijsverteermg.

flescli, v. (..sschen). Van glas geblazen inhoudsvat. Leidsche flesch : toestel, ingericht tot opneming van electriciteit. — Flesschebakje, o. (-s). —Flesschtnblazer, m. (-s). — Flessch eng las, o. —Flesschen-Jcooper, m. (-s). — Flesschcnmaker, m-(-s). —Flesschcnmand, v. (-en). — Fles-schenrek, o. (-ken).

flets, bn. Flauw (van smaak). Zonder glans. — Fletsheid, v.

fleur, m. Bloei. — Fl'urig, bn. Bloeiend. Blozend. —Fleurigheid, v.

fleur, v. (-en). Opgerolde lijn, waaraan men snoek, enz. vangt. — Fleuren, fleurde, heeft gefleurd. Ow. Met de fleur visschen. Sierlijk schaatsenrijden. Bw.Vangen. Proeven : aardappelen fleuren.

fleurct, v. (-ten). Zie Floret.

Fleury (^4. H. de), 1653-174.], Lodèvo. Kardinaal. Bisschop van Fréjus. Eerste minister van Lode wijk XV.

Flenry (Z.), 1804-1858, Parijs. Landschapschilder.

flikflooien, bw. flikflooide, heeft geftikflooid. Laag vleien. Kruipen. — Flik-

9 — FLOR

Jlooirr, m. (-s). — Flikfl00iery, v. (-en). — Flikflooister, v. (-s).

flikje, o. (-s). Besuikerde ronde chocolade-koekje.

flikken, bw. flikte, heeft geflikt. Lappen. Verstel 1 en.—Flikker, m.(-s). Lapper. (Dansk.) Zeker kunstmatige sprong. — Flikkery, v. — Flik ster, v. (-s).

flikkeren, ow. flikkerde, neeft geflikkerd. Schitteren. Fonkelen. — Flikkerend, bn. — Flikkerglans, m. (-en). — Flikkering, v. (-en). — Flikkerlicht, o. (-en). — Flikkervlam, v. (-men). — Flik-key-vuur, o. (..uren).

Flinck (G-), 1615-1660, Kleef. Holl. historieschilder, [zaak zegent Jacob. Hink, m. (-en). Kaakslag met de hand. flink, bn. bijw. Vlug. Fiksch. Ferm. Kloek. — Flinkheid, v.

fllnffflas, o. Glassoort. Is meer straalbrekend dan het kroonglas.

flits, m. (-en). Pijl. Spies. —Flitsboog, m. (..ogen). — Flits/eoker, m. (-s).

flodderen, ow. flodderde, heeft geflodderd. Door de modder waden. Los om iets heen slingeren, wapperen. Onzeker zijn. Bw. Vleien. — Flodder, m. Modder. Slijk. — Flodder, v. (-s). Slordig vrouwspersoon. — Flodderaar, m. (-s). — Flodder aarster, y. (-s). — Flodderbroek, v. (-en). Zeer wijde broek. — Flodder kleed, o. (-eren). Al te wijd kleed. — I lodder-kous, v. (-en). Zakkende kous. m. en v. (-en) Slordige jongen of meid. — Flodder-nti/'n, v. (-en). Soort van mijn, die met buskruit geladen en daarna met aarde dichtgemaakt wordt. — Floddermoer, v. (-en, -s). Morsig wijf. — Floddermuts, v. (-en). Ruime vrouwenmuts. — Floddervos, m. (-sen). Morsige kerel.

floers, o. (-en). Uit ruwe zijde vervaardigde stof. — Floersen, bn.

flok. bn. Slap. Krachteloos. Mat. flokhout, o. (-en). Kurk. flonkeren, ow. flonkerde, heeft geflonkerd. Flikkeren. Schitteren. — Flon-kerbag,v. (-gen). Edelgesteente. Diamant.

— Flonkering, v. (-en). — Flonkerlicht, o. —Flonker ster, ..star, v. (ren). Schitterende ster. lem. van groote verdiensten.

Flora, v. Naam van de godin der bloemen. Bloemenwezen. De gezamenlijke bloemen.

floreen, m. (-en). (Eert.) Friesche gouden munt= 1,40 gulden.

Florence. 167,000. Ital. stad aan den Arno. Bakermat van Leo X, Dante, enz.

Flores. Soenda-eiland.

floret, v. (-ten). Schermdegen.

floret, o. Grove zijde. — Floretband, o. — Floretgaren, o. (-s). — Floretlint, o. (-en). — Floretten, bn. — Floretzijde, v.

— Floretzijden, bn.

Florian P. Claris de), 175^-1794, kasteel Florian (Languedoc). Fabeldichter.

florQn, m. (-en). Duitsche gulden = 1,25 gulden.

Floris (/*'.), I5i6(?)-i570, Antwerpen. Schilder. De val der oproerige engelen.

Floris. Zie volgreeks der regeerendo vorsten.


ocr page 206

FOET —i8

flottielio, v. (-s). Kleine vloot.

Floa (A'. F. J. de), 1853, Brugge. Beambte bij het provinciaal bestuur. Werkend lid der K. VI. Academie. Geschiedenis der kerels van Vlaanderen (1877); Rijmen uit Nevelheim (1878).

v. (..zen). Onwaarheid. Uitlucht.

flouw, v. (-en). Snippen-, patrijzennet. fluim, v. (-en). Sliimachtig speeksel. — Fluimachtig, bn. —Fininien, ow. fluimde, heeft gefluimd. Fluimen spuwen, opgeven. (Ookbw.).

flniHteron, fluisterde, heeft gefluisterd. Ow. Nauwelijks hoorbaar spreken. Bw. In 't oor blazen. — Fluister aar, m. (-s). — Fluister aar ster, v. ( s). — Fluistering, v. (-en).

fluit, v. ( en). Zeker blaasinstrument. Champagneglas. ^Plantenk.) Loot.— Fluit-blazer, m. (-s). — Fluitbroodje, o. (-s). Een langwerpig broodje. — Fluiteend, v. (-en). — Fluiten, ftoot, heeft gefloten. Ow. Door samentrekking der lippen een scherpen klank uitbrengen. Zingen (van vogeis). iem. laten fluiten, tevergeefs laten roepen of wachten. Bw. Een deuntje fluiten. — Fluitenmaker, m. ( s). —Fluiter, va. (-s).

— Fluitglas, o. (..azen). Hoog, smal, wijnglas. — Fluiting, v. — Fluitist, m. (-en). Fluitspeler. — Fluitmeester, m. (-s). — Fluit orgel, o. (-s). — Fluitregister, o. (-s).— Fluitschip, o. (..epen). Bijzondere soort van vrachtschip, met drie masten. — Fluitspel, o. — Fluitspeler, m. (-s). — Fluitspeelster, w. (-si. — Fluit ster, v. (-$).

— Fluitwerk, o. Al de fluiten in een orgel. Zekere registers, den toon der fluit nabootsende.

fliiliu bw. Dadeliik. Met spoed. — Flukseh, on. Spoedig. Vaardig.

fluoresocntic, v. Eigenaardige lichtglans, bij sommige stoften waar te nemen (bij petroleum, enz.).

flu woel, o. (-en). Zachtharige stof, voornamelijk uit zijde, maar ook uit katoen en wol vervaardigd. — Flu-weelachtig, bn.

— Fluweelachtigheid,?.— Fluweelen, bn.

— Fluweelmaker, m. (-s). — Fluweel-vüerker, m. ( s). — Fluweelwerkster, v. (-sL — Fluweelscheerder, ra. (-s). — Flu-Tveehvever, m. (-s).

fliiMljii, o. (-en). Steen- of huismarter: mustela fcina.

fliiivUquot;gt; v. (-en). Overtrek ^an een oorkussen.

fuiezvn, ow. fniesde, heeft gefniesd. Onwillekeurig en hoorbaar proesten door den neus en de keel.

fuiilkcu, bw. fnuikte, heeft gefnuikt. De slagpennen uittrekken. Kortwieken. Verijdelen. Ten onder brengen. — Fnuiking, v. (-en).

foedraal, o. (..alen). Scheede.

foei, tw. Drukt verachting, afkeer, afschuw uit. — Foeileelyk, bn. Zeer leclijk.

foelie, v. (..iën). Netvormig vlies over den eersten bast van de muikaatnoot. Bladtin. — Folieachtig, bn. — Foehën, bw. foeliede, heeft gefoelied. Met kwik beleg-gen. ^

foeter, m. (-s). Schurk. Deugniet.

) — FONT

foeteren, ow. foeterde, heeft gefoeterd. Knorren. Gedijen. Weigelukken. Nr.ar k'einigheden zoeken.

foezel, v. Mengsel derhoogere alcoholen, die ontstaan bij de gisting van suikerhoudende vloeistoffen.

folc, v. ( ken). Het onderste zeil aan den voorraast (van groote schepen). ^ Het driekante voorzeil op kleine vaartuigen. Teelt. Bril. — Fok hengst, m. (-en). — Fokkemast, m. (-en). — Fokken, fokte, heeft gefokt. Bw. Aankweeken, opvoeden (van vee). Ow. Eenen bril dragen. Wegzeilen. Zich wegmaken. — Fokken-hals, m. (..zen). —Fokker, ra. (-s). —Fok-kera, v. (..aas). — Fokkerij, v. (-en). — Fokkerust, v. — Fokkeschoot, m. ( en). — Fokking, v. (-en). — Fokster, v. (-s).

Fokke [A. 52.), 1755-1812, Amsterdam. Zijne werken zijn meest van boertigen inhoud. De Moderne Helicon (i8o2j; Boertige reis door Europa (1806).

foksia, v. (-'s). Zie Fuchsia.

folen, bw. foolde, heeft gefoold. Plagen. Sollen. Kwellen.

foliant, m. (-en). Boek van het grootste formaat. — Folio, bn. Van het formaat, waarbij het vel papier slechts eens wordt toegevouwen en vier bladzijden heeft. — Folio, o. (-s). Bladzijde (in koopmansboeken).

folklore, v. Overleveringen van een volk (sagen, sproken, liederen, spreekwoorden, zeden, gebruiken, enz ).

folteren, bw. folterde, heeft gefolterd. Pijnigen. Martelen.—Folteraar, ra. (-s).

— Folteraarster, v. (-s). — Folterbank, v. (-en). — Foltering, v. ( en). — Folter-kamer, v. (-s). — Folterkoord, o. (-en).

— Foltertuig, o. (-en).

fonimelen, bw. fommelde, heeft ge-fommeld. Frommelen. —Fommeling, v.

fondament, fondement, fundament, o. (-en). Grondvest. Grondslag. Reden. Gegrondheid. Oordeel.

fondatie, fundatie, v. (..iën, -s). Stichting. Grondvest. Grondslag. — Fondeeren, bw. fondeerde, heeft gefondeerd. Grondvesten. Oprichten. Stichten. —Fon-dateur, ra. (-s). Stichter. — Fondeerin§, v. (-en).

fonda, o. Kapitaal. Voorraad van iemands uitgegeven werken. Zijn fonds, het recht van eigendom op zijne uitgegeven werken verkoopen. (Davids-, Willemsfonds). — Fondsartikel, o. (-s). Een_ der werken, door eenen boekhandelaar uitgegeven en waarop hij recht van eigendom heeft. — Fondsen, o. rav. Geld. Staatsschuldbrieven. Staatsschulden.-Fondsen-beurs, v. (..zen). — Fondsenhandelaar, m. (-s). — Fondsenhouder, ra. (-s). — Fondsenmakelaar, ra. (-s). — Fondsen-markt, v. — Fondslijst, v. (-en). Lijst der werken eens uitgevers. — Fondsveiling, v. (-en). — Fondsverkooping, v. (-en).

fonkelen, ow. fonkelde, heeft gefonkeld. Sctitteren. Blinken. — Fonkeling, v. (-en). — Fonkelnieuw, bn. Geheel nieuw.

Fontaine {J. de la), 1621-1695, Chateau-Thierry (Champagne). Contes et Nou-


ocr page 207

— i8i —

FOPP

FOUR

velles en vers (1665); Fables choi'sies vti-sesen vers (1668).

Fontaiie (T/z.), i8rg, Neu-Ruppin. Duitsch dichter en sclirijver. Wntidcrun-gen durch die Mark brandenburg U® dr., 1883).

fontein, v. ( en). Waterbron. Wel. Hangend watervat. O o rs pron gr.—Zte/0 «-tein van Hero berust op de drukking van samengeperste lucht. Bestaat uit een koperen bakje D en uit twee glazen bollen M en N. Hot bakje heeft gemeenschap met het benedendeel van den bol N door eene lange koperen buis B. l'Jen tweede buis A stelt ■dft beide bollen met elkander in gemeenschap . Een derde kleinere buis C gaat door bet bakje D been en reikt tot beneden in den bol M Dit derde bu'sje wordt er u:tgenomlt; 1 om laatst-renoemdeu bol ten halve met water te \i.lien Nadat men er he» biMsje weder ingestoken hoert, qiet men water in het bakje D Het vocht daalt door de bins li in den ondersten bol eo drijft er de Iccht tot, die naar Jen bovensten bel gnat deer de huis A lljerdocr wordt de luchtdrukk-ng ^p het watervlak »n zóo gror.i. dat het water dep. de buis C met een?n straal te voor schijn komt. — Fontein ader. v (-s). Un-deraardsche waterst-oom Foute 1 nbak, na. (-ken\ — Fonir'quot;♦///1, v. {. zen). — Fonteinkruid, o. Plantengetlai.ht. waarvan bij ons verschillende soerten voorkomen »n slcoten, preien, enz — Fon tein meester, m ( 5» — Foutmupijp. v. (-en). — F.nlcnuaf'*', o —Fontein luerky o. t-cm. Torstei lot kunstmatige springbronnen. — Fjnteinwetket , m. (-s).

fonfend. ^ ( 'en) Kunstopeoing in het vleesch (to: arte^ding Vein scnadelijke vochten 1.

looi, v ( en) ^•icstmaal, dat de ^and-bouwers bij liet mbalen vau zekere oogsten geven. Af5cheid»iiia«il. Aischeidsdronk. Drinkgeld. DnoRpenning.

foore, v. (fooreoi Jaarmarkt. Kermis. Kermisgescheuk. — Fooi rplnn. o.

roppeu. bw.lopte. üceitgeloot. Misleiden, Voor den gek bouden. Verschalken. — Fop, m. Het loppen. — Foppage, v. —

Fopper, ra. (-s). — Foppery, v. (-en). —

Fopping, v. — Fopster, v. (-s).

forcecrcu, bw. forceerde, heeft geforceerd. Dwingen, verplichten, noodzaken, geweld aandoen. Overweldigen, overmannen, openbreken, bestormen, verwringen. Verkrachten, verfellen.

forel, v. (-len). Naam van eenige visch-soorten uit het geslacht zalm. De gewone forel \Salmo Jario) is de kleinste. —Forel-lennft, o. (-ten). — Forellenvangst, v. — Forelschimmcl, m. (-sj. Paard, met roode plekjes geteekond als de forel.

forKet, o. (-ten). Vork om te eten. fornmsit,o. ( .aten).Afmeting.Grootte en breedte van een blad. — Formaatgoed, o. — Formaat hout, o. Hout, geschikt tot vormen. — Formaatzegel, o. (-s). Zegel van akten, enz. (in tegenstell. van wisselzegel).

formsillteit, v. (-en). Pleegvorm, rechtsvorm, rechtsgebruik. Uiterlijke vorm.

formeel, bn. bijw. Bepaald, uitdrukkelijk. nadrukkelijk, duidelijk, stellig. In behoorlijken vorm.

formeel, o. (-en^. Boogvormig hout, waarop een boog, een gewelf wordt gemetseld.

formeeren, bw. formeerde, heeft geformeerd. Vormen, maken, scheppen. Beschaven. — Formeerder, m. (-s). — For-meering, v.

form 11 Ie, v. (-s). Voorschrift, slotregel, vaste regel, regelmaat. Algemeene in letters gegevene uitdrukking voor de waarde eener grootheid.

formulier, o. (-en). Voorschriften-boek. Voorschrift. Voorbeeld. — Formu-herboek, o. en m. (-en). — Formuliergebed, o. (-en).

fornuiH. o. (..zen). Brandoven. Vuuroven. Stookoven. —Fornuisbak,m. (-ken). — Fornuisgat, o. (-en). — Fornuispyp, v. (-en) — Fornuisplaat, v. (..aten). —/w--nuisrooiteryXn. (-s).

f«»rMeli, bn bijw. Krachtig. Geweldig. Hard Op geweldige wijze.— Forschheid,v.

f«»rif o. (-en). Sttrkte. Versterking. Schans Vestingwerk.—For teres, v. (-sen). Versterkte plaats. — Fortificatie, v. (..iën, -si. sterkte Versterking.

forte, bijw. (Muz.). Sterk. — Fortis-simo, bijw. Zeer sterk.

forte-plano, v. (-'s). Zie Piano. f«»rltiin, o. (-en). Vermogen. Rijkdom, o. Geluk. v. Geluksgodin. — Fortuins-kind, o. (-ers, -eren). — Fortuinzoeker, m (-s). — Fortuinzoekster, v. (-s).

F4»«ie«ftlo (i/.), 1778-1827, Zante. Ital. dithter. I Sepolcri

flt;»tHe. v. (-n). Boos vrouwmensch. Foneaiilt [J. -ö. Z.), i8ilt;)-i868. Parijs. Natuurkundige. Bewees door zijne slinger-proef de omwenteling der aarde om hare as.

Fouoquier (y.), t58o(?j-i659(?), Antwerpen. Landschapschilder.

Fouqnet {J.), 1415-1485, Tours. Fr. dichter.

foiiragre. v. Beostenvocder, veevoeder. Legcrvoeder. — Fourageeren, bw. ow. fourageerde, heeft gefourageerd. Voeder inhalen. Voeder verschaften. Op fou-


ocr page 208

— 182 —

FRAN

FRAM

rage uitgaan.— Fourier, m. (-s)^ Onderofficier {met de fourage, inkwartiering, enz. belast). _

Fonrès {A.), 1848, Castel-nou-d Arry. Proven^aalsch dichter. A-n-uno Espaso; la Bago d'AÏ.

fourgon, ra. (-s). Reisgoederen-, reis-goedwagen. Overdekte legerwagen.

fourueeren, bw. fourneerde, heeft gefourneerd. Verschaffen. Voorzien. Storten (geld).

France, (/4.) =.7. A. Thibault, 1844^ Parijs. Dichter, romanschrijver en criticus.

Frauclioy»,Mechelen.i0(Zi.) (de oude) 1574-1643; 20 (L.) (de jonge) 1616-1681; 30 (/gt;.), 1606-1654, schilders.

frauciscaan, ra. (..anen). Zie Minderbroeder.

Fraucius (A), 1645-1704, Amsterdam. Dichter en redenaar. Specimen eloquentiae exterior is (1697).

Frauck (y.), 1854, Bendorf. Hooglee-


Fort.

1. Bolwerk. — 2. Gesloten schans. —Zaag werk. —4. Klein vesting-werk. — 5. Tan^iuerk. — 6. Halve maan. —7. Gracht. — 8. HalJ onder aardsche bedekte gang. — 9. Tusschenwal. — a. borstwering. — b. ajhelling. — c. grachten. — d. schietgat. — e. overdekte weg. — g. binnenwaartsche afhelling.

foot, v. (-en). Misslag, misgreep. Gebrek. Schuld. Foute slaan: nietatgaan (van een schietgeweer). Schuine kant aan zekere werktuigen, b. v. aan eenen beitel. — Fori-Hef, bn. bijw. üebrekkig. Slecht. Foutief handelen ; verkeerd te werk gaan.

Fox: (O*, y.), 1749-1806, Londen. Eng. staatsman en redenaar. .

fraai, bn. bijw. Schoon.Mooi.—ivvzazé'-lyk, bijw. — Fraaiheid, v. Schoonheid, (..heden) Fraai ding, sieraad. — Fraaiigheid, v. (..heden). 1'raaiheid.—

bijw. Liefjes. _ , _ ,

fragment, o. (-en). Brok. Stuk. Deel. Gedeelte. Uittreksel.

Fraikiu (C.A.), 1817-1893, Herenthals. Beeldhouwer. a

frak, v. (-ken). Jas. Kortedichtsluitende

mansrok. v c. -i u

frambozeboom, ra. (quot;en). Struikacn-tig gewas [Rubus idceus), tot de familie der roosachtigen behoorende.— Framboos, v. (..ozen). Vrucht. — Frambozenazijn, m. — Frambozengelei, v. — Frambozen-koekje, o. (s). — Frambozennat, o. — Fr anibozens troop, v. — Frambozen taart, v. (-en). — Frambozestruik ia. C-en).

raar (Bonn). Buitenl. eerelid der K. VL Academie.

Fraiiclieii.Schi!dersfarailie(Vl.school). De beroeradsten : 10 \H.), 1540-1610, historie-en portretschilder; 20 (A.), 1544-1618, Het avondmaal; Marteldood der heiligen Crispijn en Crispiaan.^

franco, bijw. Vrachtvrij.

Francq vau Berkliey (J. Ie), 1729-1812, Leiden. Natuurlijke Historie vat* Holland (1769-'79).

franje, v. (-s). Boordsel. — Franje-maakster, v. (-s). — Franjemaker, m. (■s). —Franjewerkert m. (-s). —- Franje*-werkster, v. (-s).

Frank, ra. (-en). Vrije raan. De Franken : onderscheidene Gerraaansche volken, die, door een verbond vereenigd, zich in Taxandria of de Kerapen, rond 270 (na Chr.) neersloegen. Omtrent 400 maakten zij zich meester van de Schelde en Maas en gingen een verbond aan met de Belgen. — Frankisch, bn.

frstnk, ra. (-en). Eenheid der munt (België, enz.).

frank, bn. bijw. Onbeschroomd. Vrijmoedig. Vrijpostig.


ocr page 209

FREY — ü

franheercn, bw. frankeerde, heeft efrankeerd. Vrachtvrij verzenden. Eenen rief frankeeren. — Frankeering, v. (-en).

— Frankeerzegel, o. (-s).

Franklin. 1° (5.), 1706-1790, Boston

(Amerika). Staatsman, wijsgeer en natuurkundige. Uitvinder van den bliksemafleider. 20 (y.), 1786-1847, Spilsby. Eng. reizi-

fer. Verloor het leven in eere expeditie tot eslissing van het vraagstuk der Noordwestelijke doorvaart (N.-Amerika).er. Verloor het leven in eere expeditie tot eslissing van het vraagstuk der Noordwestelijke doorvaart (N.-Amerika).

Frankrijk» o. Republiek (Europa), 40,000,000 in w. 9,600 vk. geogr.mijl.Hoofdstad Parijs. Landbouw en wijngaardteelt.

— Fransch, bn. — Fransch, o. De Fran-sche taal. — Franschman, m. (-s, Fran-schen).

frstn^Un, o. Perkament.

franHkilJon, m. ( s). Franschgezinde. Verbasterde Vlaming. Bastaard-Vlaming.

frappeeren, bw. frappeerde, hoeft gefrappeerd. Treffen.— Frappant, bn. bijw.

frsitHen, v. mv. Grillen. Beuzelarij. Praatjes. — Frafsenmaakster, v. ( s). — Fratsenmaker, m. (-s).

fraude, v. (-s). Bedrog. Smokkelarij.

— Frauduleus, bn. bijw. Bedrieglijk. Met bedrog.

Frannliofer (^.ww),1787-1826, Strau-bing (Beieren). Vervaardiger van optische werktuigen.

FrayNHinoiiH (/gt;. A. L. comte de), 1765-1841, Curières (Aveyron). Fr. prelaat en redenaar. Défense du christianisme (1825).

Frederieq (F.), 1850, Gent. Hoogleeraar (Gent). Nederlanden onder Keizer Karei (1885); De dertig eerste jaren der 16* eeuiv (1885).

Frederlk» (y. G^, 1828-1896, Oostka-pelle. Geschied- en letterkundige Mederedacteur van Biographisch Woordenboek. Soestdijk (1874) ; De moord van 1584 (1884).

frees, v. (..zen).^Geplooide halskraag der vrouwen (Vest.) Stormpaal.

fregat, o. ( ten). Vierkant getuigd oorlogsschip met drie masten. Voert van 20 tot 60 stukken. — Fregatvogel, m. (s). Behoort tot de zwemvogels. Vliegt buitengewoon hoog en gemakkelijk en verwijdert zich vaak uren ver van 't land. Bewoont de eil. van den grooten Oceaan.

Freilisrraflt (//. J.), 1810-1876, Det-mold. Duitsch dichter. Gedichte (18^8).

Freppel (6'A. E.), 1827-1892, Oberehn-heim (Elzas). Bisschop (Angers). Fr. redenaar. Les apologistes chrétiens au //e siècle (i860).

fresco, o. (-'s). Schildering op natte kalk.

fret, o. (-ten). Dier {Mustela furo), tot de marters behoorende en gebruikt om op konijnen te jagen. Kleine timmersmans-boor. Levendig, wakker kind. — Fretten, ow. frette, heeft gefret. Met het fret jagen. Onderzoeken. Eten.

freule, v. (-s). Adellijke jonkvrouw. Freund (IV.), 1800-1894, Kempen (Posen). Duitsch philoloog. Wörterbuch der lateinischen Sprache (i834-'45). Froytag [G.), 1816-1895, Kreuzburg

(— FUCH

(Silezië). Tooneeldichter (Valentine, 3« dr. 1873; Graf Waldemar, 40 dr. 1883); romanschrijver {Soil und Ha ben, 308 dr, 1885; die Ahnen, 6 dln. i872-'8o).

Friedland. Stad in O.-Pruisen, aan de Alle. Napoleon versloeg er de Pruisen en de Russen (1807).

fries, v. (..zen). Lijst tusschen de architraaf en de kroonlijst. Soort van franje. Belegstuk van een kanon. Bovenstuk eener tooneeldecoratie.

Friesland. Provincie (Nederland), Drie recht. arr. : Leeuwarden, Heerenveen, Oldeberkoop. 14 kantons. 43 gemeenten. Hoofdpl. Leeuwarden. — Fries, ra. (..zen). — Friesch, bn. — Frieseh, o. De Friesche taal. — Friezin, v. (-nen).

frikkadel, v. (-len). Bal van gehakt vleesch.

friseh, bn. bijw. Min of meer koud. Versch. Gezond. Versterkend. Jeugdig.— Frischheid, v.

friseeren, bw. friseerde, heeft gefriseerd. Krullen. In krullen leggen.

frisket (verseliet),0.(-ten).(Boekdr.) Raam.

Froissart (7.), 1337-1410, Valenciennes. Fr. geschiedschrijver en dichter.

froniniel, m (-s). Kreuk.—Frommelen, bw. f ommelde, heeft gefrommeld. Kreuken. Verdrukken (in de hand).

frons, v. (-en), fronsel, v. (-s). Rimpel Plooi. — Fr on se len, bw. fronselde, heelt gefronseld. Frommelen. — Fronse-ling, v. (-en). — Fronsen, bw. fronste, heeft gefronst. Tot rimpels samentrekken (het voorhoofd). — Fronsing, v. (-en).

front, o. ( en). Spits. Voortste gelid van een leger. Stoutheid, vermetelheid, onbeschaamdheid.

frontieren, v. mv. Grenzen, frontispice, v. (-n), frontispies, o. (-en). Voorgevel van een gebouw. Titelblad van een boek.

Fronde [J. -4.), 1818-1894, Dartington. Eng. geschiedschrijver.

frubbelen, bw. frubbelde, heelt ge-frubbeld Wrijven (tusschen de handen). — Frubbeling, v. (-en).

Frnin {R-), 1823, Rotterdam. Geschiedkundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Tienjaren uit den tachtigjarigen oorlog (4® dr. 1889).

fruit, v. en o.* (-en). Vruchten. Ooft.

— Fruiiben,v. (-nen). — Fruitboom, m. (-en). —Fruiten, bw. fruitte, heeft gefruit. Kruiden met toespijs mengen. — Fruit-hoorn, m. (-s). — Fruiting, v. — Fruit-kelder, m. (-s). — Fruitkooier, ra. (-s). — Fm it koopster, v. (-s). — Fruitmand, v. (-en). — Fruitmarkt, v. (-en). — Fruit-pan, v. (-nen|. —Fruitschaal, v. (..alen).

— Fr uitschilder, ra. (-s). — Fruitschil-deres, v. (-sen). — Fruitschotel^ ra. (-s).

— Fruitstuk, o. (-ken). Schilderij, waarop vruchten zijn afgebeeld. — Fruitvrouw, v. v. (-en). — Frmtverkooper, m. (-s). — Fruitverkoopster, v. (-s). — Fruitwinkel, ra. (-s).

fnclisia, v. (-'s). Plantengeslacht, tot de wederikplanten behoorende. De kleur der bijna altijd hangende bloemen is rood


ocr page 210

GAAI — I

of wit. Wordt als sierplant aangekweekt.

tuffa, v. (-'s). (Muz.) Twee of meerstemmige compositie, waarin een der partijen eene phrase, die het hoofdthema zal uitmaken, aanheft, welke door elke der andere partijen op hare beurt wordt opgevat en voortgezet.

la ik, v. (-en). Langwerpige korf of net (tot het vangen van visch in stroomend water».

iulminoeron, ow. fulmineerde, heeft gefulmineerd. Uitvaren, vloeken (tegen), fulp, o. Fluweel. — Fulpen, bn. Fulton AM, 1765-1815, Little-Britain (Amerika). Practische schepper van het stoomschip.

run, m. (-nen). Pots. Grap. Potsenmaker. Schelm.

funetlo, v. (..ien, -s). Ambt, bediening, bedrijf, .ambacht, beroep, stiel. Ver-xichting, werkzaamheid.

fundament. Zie Fondament, funarcercn, ow. fungeerde, heeft gefungeerd. Waarnemen, verrichten, bedienen. Fungeeren (als) : dienen (als).

fuoeoso (con fuoco), bijw. (Muz.) Vurig. Met drift.

furie, v. (..ien, -s). Woede, razernij. Booze vrouw, boos wijt, helleveeg. Wraak-

ST» (g'8)- 7® letter van het alphabet.

gst. Zie Gade.

I^asif, grave, v. (..ven). Al wat gegeven wordt. Geschenk. Gift : door giften en gaven kan men alles verkrijgen. Hetgeen de Heer schenkt: kinderen zijn GoJs gaaf. Offer aan God opgedragen : laat uwe gave vóór het altaar. Begaafdheid : hij bezit uitstekende gaven. (Godg.) Al wat ons door God gegeven is zonder dat wij het verdienen. Dus al wat wij bezitten. Natuurlijke gaven zijn deze, waardoor de mensch mensch is en niet een ander schepsel : het lichaam, de ziel met rede en verstand begaafd. Buitennatuurlijke gaven zijn deze, welke niet aan de natuur, die ze omvanut, maar aan een verhevener natuur eigenlijk toebehooren (vóór Adams val) ; de onsterfelijkheid, de volle wijsheid zonder studie, de bevrijding van de ongeregelde begeerlijkheid en van al de ellenden des levens op aarde. Bovennatuurlijke gaven zijn deze, welke te boven gaan al hetgeen aan de geschapene wezens, hoe volmaakt zij ook zijn, toekom. ;f toebehoort: de macht om mirakelen te doen, enz. Gaven van den h. Geest : genegenheid of geschiktheid tot het verrichten van buitengewone, uitmuntende en heldhaftige werken, tot dewelke de h. Geest ons op eene zonderlinge wijze beweegt.

graaf, bn. bijw. Ongeschonden. Onbeschadigd. Heel. Onbedorven. Frisch. Volledig. Rein, zuiver. — Gaafheid, v.

gaal, v. (-en). Boschvogel (Garrulus), tot de kraaiacntige vogeis oenoorende,

^ — GAAN

godin. Spaansche furie : muiterij van het Spaanscne krijgsvolk na den dood van Requesens (inz. in Antwerpen, 1576). Fran-sche furie : onverwachte aanval (in Vlaanderen, enz. 1583), van den hertog van Anjou, met het doel om aan de beperking van zijn gezag een einde te maken.

furioMo (con rabbia), bijw. (Muz.) Met woede. Wild.

fuHt, o. (-en). Vat. — Fusiage, v. Kuipen. Vaten. Vaatwerk.

fiiHteln, o. Stof met linnen schering en katoenen inslag.

fut, v. Niets. Wissewasjes, 't Is maar tut: 't beteekent niets.

futselen, ow. futselde, heeft gefutseld. Beuzelen. Talmen. — Futselaar, m. (-s). — Fufselnnrster, v. (-s). — Futselaryt v. (-en). — Futselboek, o. en m. (-en). Beu-z^lkiaam. Het futselboek zoeken : rond den pot d«aaien. — Futseling, v. (-en). — Futseliverk, o. Beuzelarij.

tiium. ra. Zekere verheffing van zelfwaan. IJdelheid.

fuut, m. (..uten). Een onzer merkwaardigste inheemsche zwemvogels.

fuzlek, o. en v. (-en). Geweer. Vuurroer.

wiens grootte afwisselt tusschen die van eene kauw en eene groote lijster. — Gaai, m. en v.* (-en), [gaaike,gaaiken, gaaitje, o. (-s).] Wijfje en ook mannetje van vogels, inz. van (tortel)duiven, zangers, enz. (Scherts.) Gade, minnares. Lichtzinnig mensch. — Gaai, ra. (-en). Verkorting van papegaai. Houten vogel op eenen staak of mast geplaatst, waarnaar geschoten wordt, of waarnaar, op eene pen aan 't boveneinde van een hellend vlak geplaatst, met platronde bollen geworpen wordt. De houten staak, waarop de vogel staat. — Gaai-bollen, o. — Gaaiboller, m. (-s). — Gaai-bolling, v. (-en). —• Gaaien, gaaide, heeft gegaaid. Bw.Vereenigen. Paren. Ow. (zijn). Zich vereenigen. — Gaaiing, v. — Gaaischieten, o. — Gaaischieter, m. (-s). — Ga aisch ie ting, v. (-en).

g^aal, v. (..alen). Kale streep in laken, enz. Dunne stee (in breiwerk).

graal, v. Heete gaal : heestergewas (Ononis spinosa), tot het geslacht stalkruid en de familie der vlinderbloemigen behoo-rende.

graan, ow. eenpw. ging, is en heeft gegaan. (Drukt het werkw. het aanhouden der beweging uit, dan wordt het met hebben vervoegd : wij hebben reeds genoeg gegaan. Geeft het verandering van plaats te kennen, dan met zijn : hij is in den kelder gegaan.) Zich te voet voortbewegen : ga naar de school. Reizen : naar Amsterdam gaan. Voortbewogen worden in zekere richting of ergens heen : de diligence gaat naar de staa. xn oewegmg zijn : dit uurwerk


ocr page 211

GAAR — iS

maatniet. Strekken : zijn mantel gaat tot aan zijne kin. Passen : dit kleed gaat niet. Zijn : goed gekleed gaan. Inhouden : er gaan 100 liters in die ton. Beginnen : ik ga werken. Koers hebben : dit geld gaat hier niet. Rijzen : het deeg begint te gaan. Verkocht worden aan zekeren prijs : het ging er al voor niet. In zekeren toestand zijn : hoe gaat het, vriend? De maat niet houden : hij gaat in alles zich te buiten. Zich uitstrekken : zijne boosheid ging te ver. Gelukken : de handel gaat niet. Overtreffen : iem. te boven gaan. Rekenen (op) : ik ga vast op zijne belofte. Sterven : naar de andere wereld gaan. Iem. laten gaan : toelaten, dat hij vertrekt, hem wegzenden. De schepen gaan (steken) in zee. Onder zeil gaan : gaan varen. Op zee gaan : in zeedienst treden. Zich verspreiden ; er gaan hier allerlei praatjes. Gaan en keeren : heen en weder trekken. Redelijk, tamelijk zijn • Duitsch lezen gaat reeds. Gewoonlijk plaats hebben : zooals het gaat. Hinken : mank gaan. Op rozen gaan : in voorspoed leven. — Gaande, tegenw. deelw. Iem. gaande houden, hem bezig houden. De pompen gaande houden, in beweging houden. — Gaanderij, v. (-en). Galerij. — Gaandeweg, bijw. Ondertusschen. Middelerwijl. Allenpskens. Langzamerhand. — Gaan stok, m. (-ken). Wandelstok.

gaap, m. (gapen). De daad van gapen. Geeuw. — Gaap be en, o. (-deren, -ders). ZeRei beenlje in de keel. — Gaapschelp, v. ( en). Schelpdier, waarvan de schelp hetzij aan eene zijde, hetzij aan beide zijden sterk gapende is. — Gaapster, v. ( s). — Gaapstok, m. (-ken). Die iem. stom zit aan te gapen. Iem., die lui en werkeloos thuis zit te gapen.

aar, bn. bijw. Genoeg gekookt, gebraden, enz. en daardoor tot het gebruik gereed. Voor het gebruik geschikt. Geschikt voor alles (van personen). Afgemat, on-frisch, geheel op. Gaar en gansch, glad en gaar : geheel en al. — Gaaf heid, v. — Gaar keuken,\. (-s). Keuken, waar warme spijzen worden toebereid en verkrijgbaar steld. Huis, waar open tafel wordt gehou-lt;:en. — Gaarkeukenhouder, m. (-s). — Gaarkeukenhoudster, v. (-s). — Gaarkok, m. (-s). — Gaar kookster, v. (-s).— Gaarte, v.

Sraarbab, m. (-ken). Bak, dienende ter verzameling van vaste of vloeibare stoffen, enz. Verzamelplaats van allerlei soort van volk.

gaarboord, o. (-en). Kielgang. Caard, m. (-en), gaarde, v. en m. (-n). Omsloten stuk grond, met bloemen, boomen en andere gewassen beplant. — Gaarde (roede). Zie Gard. — Gaardenier {gardenter), m. (-s, -en). Hovenier. Tuinier. — Gaardenierster, v. (-s).

Sraardcn, ow. gaardde, heeft gegaard. ^Verouderd.) Stroopen, het land afloopen, inz. van de bandelooze krijgsknechten gezegd, die, bij gebrek aan soldij, in troepen het land afliepen en van huis tot huis herberg en voedsel zochten, waarbij zij vaak tot ruw geweld hunne toevlucht namen-

GAFF

tsasirdcr, m. (-s). Beambte, belast met de inning van accijnzen, enz.

g-aanie, bijw. Met genoegen, met lust. Zonder moeite : dat geloof ik gaarne. Iem. of iets gaarne zien : liefhebben, er veel van houden. Iets gaarne hebben, het zeer be-geeren.

KStarvat, o. (-en). Vat, waarin men vloeistoffen vergadert. Vat, waarin men de uit de kaas geperste wei laatloopen.

graas, o. (..zen). Luchtig en doorschijnend weefsel van garen, zijde, enz. Voorwerp van gaas gemaakt Luchtige, doorschijnende sluier. — Gaasachtig, bn. — Gaasdoek, m. (-en). Kamerdoek. — Gaas-rnaker, gaaswerker, gaaswever, m. (-s).

— Gaasmaakster, Raaswerkster, gaasweefster, v. (-s). — Gazen, bn.

{rsiatcls. v. (. zen). Werktuig, dienende tot het steken van gaten in lederwerk.

— Gaatring, m. (-en). IJzeren ring, waarop men het ijzer legt om er gaten in te slaan. — Gaatschijf, v. (..ven). IJzeren plaat met gaten, dienende om gat( n te slaan in ijzer, blik, enz. — Gaatstempet, m. (-s). Werktuig, dienende tot het maken van gaten in zwaar leder.

tralgt;l»lt;M'4gt;ii, ow gabherde, heeft gegab-berd Babbelen. Snappen. Beuzelpraat uitslaan. Spottend, schertsend lachen. Boer-ten. Snateren (van den kalkoen).

{fstbel, v. (-len). (Eigenl.) Belasting op het zout. Tol. Plaats, waar de tol geïnd wordt. Thans : tolhuis aan 's Rijks wegen, waar van paarden, rijtuigen, enz. weggeld wordt geheven.

gade, ura, m. en v. (gaden). Gelijke. Wedergade. Echtgenoot. Echtgenoote. — Gadeloos, bn. Zonder wederpaar (slechts gezegd van gade/ooze of paarlooze ader, zoo genoemd omdat zij zonder wederpaar is en alleen in de rechterzijde van 't men-schelijk lichaam gevonden wordt). Zonder echtgenoot. Zonder wederga. Onvergelijkelijk Ongeëvenaard. Onschatbaar.

Oadc (N. IV.), 1817-1890, Kopenhagen. Deensch toondichter. Nagalmen van Ossian (1841).

isradci* (f c-), bijw. Gezamenlijk. Veree-nigd. Te zamen. Te gelijk. — Ga der en, bw. gaderde, heeft gegaderd. Samenbrengen. Vergaderen. Zichgaderen,\\\\. Zich vereenigen (met zeker doel). — Gadergeld, o. Bedrag eener inzameling. Spaargeld. — Gade* ing, v. (-en). — Gadermeester, m. (-s). (Eert.) Beambte, belast met de inning van gelden, inz. van de omslagen van landen en polders.

gadeHlaan, bw. sloeg gade, heeft gadegeslagen. Oplettend beschouwen. Met belangstelling en aandacht den blik gevestigd houden (op).

ipadiugr, v. Het overeenstemmen met iemands neigingen. Behagen. Genoegen. Lust. Zin. Lust om te kc pen, vraag. Zijne gading vinden : datgene vinden, waar men zin in heeft.

safTel, v. (-s). Tweetandige vork, die tot 't opsteken van hooi, enz. gebruikt wordt. Stam, tak of twijg van eenen boom, die zich in twee vertakkingen splitst. Rondhout aan den achterkant van eenen mast.


ocr page 212

GAL — i-

waaraan een bezaan of ander zeil bevestigd wordt.— Gaffelanker, o. (-s). — Gaffel' bok, m. (-ken). Driejarige reebok. — Gaf' felöoom, ra. (-en) Boom met een in twee takken vorkswiize opschietendeo stam. — Gaffeldissel, m l-s). Disselboom in den vorm van eene gaffel — Ga ff quot;Ier, m l-s), gaffelhert, o. t-en). Driejarig hert. — Gajffelkruis, o. l -en» Deel van een wapen-scbild. — Gajfflsnede, v (-n) (Wapenk ) Verdeeling van het wapenschild in drie vakken door eene gaflelvormige lijn. — Gajffelsteel, ra. [ elen). — Gaffeltopzeil, o (-en). — Gajffeltutg, o — Gajffelual, o. (-len). Val of touw, dienende om de gatlel, wanneer zij geheschen is, m haren schuin-sc hen stand te houden — Gnjfelvormn?, bn.— Gaffelzeil, o ( en).

Kagrc, v. (-s). Loon. Dienstloon. Bezol-diging.

, ra. (-sV (Als stofnaam), v. Heestergewas, bij ons in éene soort voortkomende. Behoort tot de aldeeiing der katjesdragenden en de klasse der tweehui-zigen. — Ga^elachtifi. bn

0 I s) Veiheraelte.Tandvleesch.

Ksieemeiit, o. ( en), boldij der soldaten.

SraSR«l«n (KaRTOlcn). ow gaggelde, heeft gegaggeld bnateien (van ganzen).

Uailliara \E ). 1841,Brugge bewaarder van het Staatsarchief (Antwerpen). Werkend lid der K. Vl Academie Glos saire flavi^tid de l tnventairr des nrcHi-ves de Bruges de Af L. Gilliodts-van Severen (1874 quot;82), Table analytique de 1' invent aire (i88v'8s) . Dit is die Jstory van Troyen (met de Pauw 1880 '92), De Kenre van f-tazebmek UÖQI

CiaiiiHboroaKli \7 ), 1727 »788, Sudbury. Eng portret- en landschapschilder

g'ul, v De door de lever afgescheiden vloeistof Toornige stemming bij den menscb. Toorn. Wrevel. Wrok. Haat — Galachtig, bn. — Galachtigheid. v — Galaf-scheiding, v. — Galbeker, m (-si Met gal gevulde bekec. Lijdensbeker — Galbitter, bn. Zeer bitter. — Galblaas, v (..azen). — Galbuis. v. ( .zen) —Gal/istel, v. I-s). — Galgang, v ( en). — Galhars, v. en o*. (-en). — Ga lx anaal, o. i. alen)

— Galkoorts, v. (-en) — Gallig, bn. Te veel gal hebbende. Door de gal geplaagd

— Galligheid, v — Galoog. o en v Ëen galoog hebben een oog hebben, waarin Eet wit geel beloopen is Er gallig uitzien Verschijnselen der galziekte vertoonen (van het rundvee gezegd) — GalslJ/m, o. — Galsteen, m. ( en) Steenachtige zelfstandigheid in de galblaas — Galuitstorting, v ( en). — Galvet, o — Galvochl, o —-Gal weg, m v-eo) — Galwesp, v l-en). De galwespen maken eene familie uit der orde van de vliesvleugeligen De wijfjes leggen een ei in de oladeren. knoppeo enz der boomen en planten Cet plaatse waar dit ei gelegd is, ontstaat eeo uitwas, die men bij eemge soorten galnoten noemt De galnoten worden gebruikt tot de berei ding van schnjfinkt — Galziek, bn — Galziekte, galzucht, v Geel/m.ht — Galzuchtig, bn. — Galzuur, bn. Met gal-

)— GALE

zuur verbonden. — Galzuur, o. Zuur, dat in de gal wordt aangetroffen.

sal, v. (-len). Blaasachtig gezwel boven het kootgewricht van paarden. Appelvormige uitwas aan takken en bladeren van verschillende boomen.

Kal. v. (-len). Gebrek in gegoten ijzer.

Itala, o Hoffeest. Luisterrijk feest (in 't algemeen) In gala ; in pracht- of pronkgewaad — Galabal, o. (-s). — Galadag', m. (-en). — Galadegen, ra. (-s). — Galagewaad, o. (..aden). — Galakleed, o. ( eren). — Galakoets, v. ( en). — Galakostuum, o. (..\imen).~Gala/gt;ak, o. (-ken).

— Galafeest, o. en v. (-en). — Galapartjft v. (-en). — Galarytuig, o. ( en) — Galavoorstelling, v. (-en). Tooneelvoorstelling, waarbij men in hof kleeding verschijnt.

galant, bn. bijw. Hoffelijk, voorkomend jegens de vrouwen. Wellevend, welgemanierd. Sierlijk, knap : hij is galant gekleed. — Galant, m. (-en, -s). Minnaar. Verliefde. Vrijer. Aanstaande. Verloofde.

— Galanterie, v. Hoffelijkheid. Voorkomende oplettendheid jegens de vrouwen. Hoofsch gedrag, v. (..ieén). Galante uitdrukking. Galant dichtstukje. Liefdehisto-netje — Galanterieën, v. mv. Allerlei voorwerpen van weelde. Sierlijke snuisterijen. — Galanteriekraam, v. en o. ( amen) — Galanteriemagazijn, o. {-tn),

— Galanteriewaren, v rav. — Galanteriewinkel, ra (-s) — Galanteriewinkelier, ra. (-s). — G a lanter tewinke lier ster, v ( s)

graleas, ffaljan, v. (-sen). (Altijd in den vorm galeas.) Groot Venetiaansch vaartuig (uit den bloei der republiek). Groot vaartuig, inz oorlogs-en roofschip. (Altijd in den vorra galjas.) Klein koopvaardijschip. in de Noord- en Oostzee gebruikelijk.

gralei. v. (-en) Lang en smal orrlogs-vaartuig met laag boord, voorheen in de Middell Zee in gebruik, hoofdzakelijk ingericht om met riemen gedreven te worden, doch ook als zeilschip, van twee masten met latijnzeilen voorzien. lera. tot de galeien veroordeelen, hem veroordeelen tot dwangarbeid als roeier op de galeien. (Boekdr ) Eikenhouten plank, van boven en aan eene der zijden gesloten, waarop de letterzetter de regels plaatst, die hij in den zethaak gezet heeft. (Dist.) Groote gemetselde oven, waarin een aantal vaten of retorten in twee rijen wordt geplaatst. — Galetbank, v. (-en). — Galeiboef, m. ( ven). Misdadiger, tot de galeistraf veroordeeld — Galeiketen, v. (-s, -en). Keten, waaraan de galeiboef of galeislaaf onder het roeien is vastgekluisterd. — Galeiriem, m. (-en). — Galeiroeier, ra. (-5». — Galeislaaf, ra. (..ven). Slaaf, dio als roeier op de galeien dienst doet. — Galeisloef», v. (-en). — Galeistraf, v. Straf, om als roeiet op de galeien dwangarbeid te verrichten. — Galeiwachter, m, (-s). Bewaker van galeislaven. — Galet' wolf, o (..ven). (Eert.) (Scheepsb.) Achterste spant als verlenging der ratsoenhou-ten — G'ileizeil, o. (-en).

cralcril. v. ( en). Overdekte wandelplaats. Gang in een gebouw. Wandelgang,


ocr page 213

GALL — 18

Zuilengang. (Schouwb.) De bovenste door-loopende tribune, waarin zich de zitplaatsen van minderen rang bevinden. Het publiek, dat op de galerij plaats neemt. Zaal, waar men allerlei kunstgewrochten, inz. schilderijen tentoonstelt. Gedrukte verzameling van kunstafbeeldingen.

Sralg-, v. (-en). Strafwerktuig tot het ophangen van misdadigers. (Scheepsb.) Houten stelling, bestaande uit twee stijlen met eenen dwarsbalk, geplaatst op het opperdek vóór of achter de masten. Toestel tot het meten van paarden. Houten staak boven eenen put, voorzien van eenen beweegbaren arm, die tot het oplichten dient van den emmer. Bretel. — Galgberouw, o. Valsch berouw,dat men uit vrees voor straf en te laat betoont.— Gcilgeberg, m. — Galgf' brok, m. (-ken). Persoon waard om aan de galg testerven.—Ga/gewaa/,o.(..\en). Laatste maal, dat een veroordeelde tot de galg nuttigde. Laatste maal, dat men ergens nuttigt. Afscheidsmaal. — Galgen, bw. galgde. Aan de galg brengen. — Galgenaas, o. (..azen). Persoon waard om aan de galg den vogels tot aas te strekken. — Gnlge-irekker, m. (-s). Elastieke band, die den broekdraagband optrekt. — Ga/gelrctne, v. (-s). Schurkentronie. — Galger Hd, o.

srnlissisan, v, (..anen). Aziatische, op Sumatra in 't wild groeiende plant, met breede, lancetvormige bladeien.

i;stlUk, bn. bijw. Geschikt. In goeden staat. Gemakkelijk. Handelbaar. — Galyk-heidy v.

O stillen. Palestina (Noorden). Werd dikwijls door den Zaligmaker bezocht Hij deed er zijne goddelijke macht door menigvuldige mirakelen uitschijnen.

Galilei (£.), 1564-1642, Pisa. It. wis-en sterrenkundige. Bewees, dat de aarde om de zon draait.

galjas. Zie Galeas.

galjoen, o. (-en, -s). Groot zeilschip met drie of vier masten en hoog boord (in de 170 eeuw, inz. bij de Spaansche marine gebezigd). (Scheepsb.) Scheepssnuit of sneb (aan galjoenen en galeien). Lichte uitbou-wing aan den boeg van groote zeeschepen. Roosterwerk onder het galjoen, waar zich de geheime gemakken der matrozen bevinden. — Galjoenboord, o. (-en). — Gal-joen gaper, m. (-s). Spotnaam, dien men dikwijls aan eenen scheepsjongen geeft. — Caljoenskapitein, m. ( s). 1 Scherts.} Sche-

Seling, belast met het schoonhouden van e geheime gemakken der matrozen, eling, belast met het schoonhouden van e geheime gemakken der matrozen, galjoot, v. (..oten, -s). Platbodemd zeeschip met twee of drie masten breed van boeg en achterschip en ondiep. — Galjoot-schipper t m. (-s). Gezagvoerder eener galjoot.

Oallalt(Z.), 1810-1887,Doornik. Historieschilder. De troonafstand van Keizer Karei; De laatste oogenblikken van Egniond (1858) ; De Pest van Doornik.

Oalléo (J. //.), 1847, Vorden. Hoogleeraar (Utrecht^. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Geschiedenis der dramatische vertooningen in de Weder landen gedurende de Middeleenzcen (1873).

O allen, m. mv. De Gallen of Kelten

— GAMA

zijn de oudste bewoners van ons land en werden door Germanen, Belgen genoemd, (3® eeuw vóór Chr.) verjaagd. — Gallië, o.

— Galliër, m. (-s).

gallen, bw. galde, heeft gegald. Van de gal ontdoen (van visch). Door een aftreksel van galnoten halen (van leder). In een galnotenbad doen (van zijde).

gallieisnio, o. (-n). Verfranschtewending. Fransche uitdrukking.

galm, m. (-en). Luide, klank. Helder, vol of zwaar geluid. Luide kreet. Klankweerkaatsing. De eigenschap van klankweerkaatsing. De teruggekaatste klank zelf. — Galnibordy o. (-en). Houten bord boven een spreekgestoelte. — Galm dak, o. (-en). Dak eener muziektent. — Galmen, galmde, heeft gegalmd. Ow. Luide kreten voortbrengen. Krachtige geluiden voortbrengen. Krachtige zangtoren voortbrengen. Weerklinkend geluid voortbrengren. Luid klinken. Luid weerklinken. Bw Luidkeels uitroepen (van kreten, enz.). Uitgalmen (van zangtonen). Doen weerklinken.

— Galmgof, o. (-en). Opening in eenen toren, waardoor het geluid der klok naar Duiten «.iluit.— Galming, v. (-en).

galmei, o. Metaalverbinding met zink, onderscheiden in zinkgalmei en edel gaiwet, beide in salpeterzuur oplosbaar, galnoot, v. (..oten). Zie Gal (ieart.). galon, o. (-s, -nen). Boordsel. Belegsel. Tros. iBouwk.i Versiersel. — Galunfa-bnek, v. (-eu).— Galon fabrikant, m. (-en),

— (julontnaker, m. (-s). — Galonwcver^ ra. (-s). — Galonwevery, v. (-en). — Ga* lonneeren, bw. galonneerde, heeft gegalonneerd. Met galon beleggen.

gatlop, ra. (-s). De natuurlijke snelle gang van het paard. Snelle, ijlende loop (van personen). Levendige dans, van Hon-gaar^chen oorsprong. — Galoppade, v. (-s). (JJansk.) Vroegere benaming van den galop. (Muz.) Benaming der dansmuziek van den gaiop. — Galop peer en, ow. galoppeerde, heeft en is gegaloppeerd. Zich in galop voortbewegen. Den galop dansen.

galden, ow. galpte, heeft gegalpt. Schiccuwen. Huilen (van dieren, als honden, vossen, enz.). Schreeuwen. Janken (als uiting van smart of pijn).

galnivrig, bn. Ransig. Sterk van smaak (van vette zelfstandigheden). — Galsterig' keid, v.

dalvani (Z.), 17.37-1798, Bologna.Ontdekker van het galvanisme. — Galvanisch, bn. — Galvamieeren. bw. galvaniseerde, heeft gegalvaniseerd. Door raiddel der Galvanische of Voltasche kolom electriseeren. Den Galvanischen prikkel op een voorwerp aanwenden. Verzinken, ijzer overdekken met zink. — Galvanisme, o. Zie Electrici-teit. — Galvanoplastiek, v. Kunst om door raiddei van een galvanischen stroom voorwerpen met een samenhangende laag van eenig metaal (goud, enz.) te bedekken. — Galvanopiaitzsch, bn.

Oama (^. de). Portugeesch ontdekkingsreiziger. Voer om de Kaap do Goede Hoop (1498). Stierf als onderkoning der Indien (1525).

gamauder, v. Plant (Teucrium) tot


ocr page 214

GANS — i!

cle orde der lipbloemigen beboorende, in drie soorten voorkomende, t. w. als wilde salie (/. scordom'a), watergamander (é. scor-dium) en liggende gamander {t. cha-rncedrys), waarvan vooral de eerste ten onzent in boschachtige streken, op duin- en zandgrond aangetroften en blootweg gamander geheeten wordt. — Gamander-lyn, o. Plant {Veronica chamamp;drys). Behoort tot de familie der leeuwenbekach-tigen en het geslacht eereprijs. Groeit op open en beschaduwden gras-, zand- of heigrond. Heeft langgesteelde hemelsblauwe bloemen.

Oambcitzamp;(Z. 71/.), 1838-1882, Cahors. Fr. rechtsgeleerde en staatsman.

Craiubict, v. (-en). (Schaaks.) Misleidende zet, door middel van een voor den raadsheer staanden looper of pion, den gambietlooper.

granima, v. (-'s). (Oudt.) Toonstelsel van Guido, die de^ als grondtoon aannam. Thans. Toonladder. Toonschaal.

ffaudcr, m. (-s). Mannetjesgans.

Sranfir, m. (-en). Het gaan van mensch of dier, zich te voet voortbewegende. Het gaan van mensch of dier met betrekking tot de wijze, waarop het geschiedt. Voort-

f;aande beweging. Vaart. Loop. Wande-irg Streek van een schip in 't laveeren. De lengte van den akker,die men bij zaaien, enz., telkens heen en weer gaande aflegt. Draad en groef eener schroef. Dit deel van een uurwerk, dat den slinger met het raderwerk in beweging brengt. Breede geschilderde streep op den buitenwand van het schip. Zware plank van de buitenhuid van het schip, lan^s éene der zijden van voren naar achteren voortloopende. Zware plank, welke men bij aardwerken over slooten en grachten legt. Bergspleet met delfstoffen of steensoorten opgevuld. —;aande beweging. Vaart. Loop. Wande-irg Streek van een schip in 't laveeren. De lengte van den akker,die men bij zaaien, enz., telkens heen en weer gaande aflegt. Draad en groef eener schroef. Dit deel van een uurwerk, dat den slinger met het raderwerk in beweging brengt. Breede geschilderde streep op den buitenwand van het schip. Zware plank van de buitenhuid van het schip, lan^s éene der zijden van voren naar achteren voortloopende. Zware plank, welke men bij aardwerken over slooten en grachten legt. Bergspleet met delfstoffen of steensoorten opgevuld. — Gang, v. en m. en). Gaanderij. Weg. — Gangbaai-, bn. en wettigen gang of omloop hebbende (van geld; bq uitbreiding van toegangskaarten, enz. van woorden, uitdrukkingen). Als wettig erkend; geldig, deugdzaam (van gevoelens, enz., van verzoeken, beden, enz., van eene handelwijze). In omloop, in zwang zijnde (van koop- of handelswaren, van gevoelens, enz.). In den smaak van het algemeen vallende (van geschriften). — Gangbaarheid, v. — Gangboord, o. (-en). Smalle strook van het dek (op kleine vaartuigen) naast de roef aangebracht, waarlangs men gaat. Gedeelte van het dek (op een schip). — Gangpad, o. ( en). — Gangspil, o. (-len). Windas. Kaapstander. — Gangwaring, v. (-en). Gangboord. Waring. — Gangwerk, o. Samenstel van onderdeelen, welke een uurwerk doen gaan. — Gangwiel, o. (-en). Vliegwiel.

ipamftcf, m. (gannefen, ganneven). (Schimpwoord) : dief, schelm. (Bij verzachting) : guit, looze vos, leepera. Wordt veelal als goedaardige scherts van kinderen of als spottende liefkoozing gebruikt.

gsknm, v. (..zen). Watervogel, tot de familie der gansvogels of eendachtige vogels (anates) behoorende, met krachtig ineengedrongen lichaam, dikken hals, korten bek en hoog op de pooten. — Gansknuppc-

S — GARA

len,o. gansrijden,o.,ganssabelen,o.,gans* slaan,ganstrekken, o. Volksvermaken. — Gansvogel, m. (-s). De familie der gansvogels bevat het geslacht der ganzen, eenden, zwanen, zaagbekkenen flamingo's.— Gan-zebek, m. (-ken). — Gamebout, m. (-en). — Gamegat,o. (-ten). (Oneig ). Student in zijn eerste jaar, die wel reeds ontgroend is, maar nog niet het recht heeft groenen te plagen. — Gamelever, v. — Ganzen-bloem, v. ( en). {Chrysanthemum) plantengeslacht, tot de samengesteldbloemigen behoorende. — Ganzenbord, o. (-en). — Ganzendistel, v. (-s). Volksbenaming van twee soorten der melkdistel, t. w. de moes-melk dist el en ruwe of stekelige melkdistel. — Ganzendrek, m. — Ganzenei, o. (-eren). — Ganzenhagel, m. — Ganzenhoeder, m (-sU — Ganzenhok, o. (-ken).

— Ganzenjacht, v. — Ganzenmarkt, v. (-en). — Ganzenoog, o. en v. (-en). Oog van eene gans. Ronde, in servetgoed geweven figmi^ije (inz. in 't meerv.gt;. — Ganzen-orde, v, (Scheitsend). Volgorde van personen, die een voor een achter elkander loo-pen. — Ganzenroer, o. (-en, -s). — Ganzenspel, o. (-len). — Ganzenivi/n, m. (Schertsend). Water in tegenstelling van wijn. — Ganzepen, v. (-nen). — Ganzefie-per, v. (-s). M«-t peper en andere specerijen gekruide spijs, waarin de deelen van eene gans het hoofdbestanddeel uitmaken. — Ganzepoot, m. ( en). Poot van eene gans. IJzeren werktuig in den vorm van eenen ganzepoot, waarvan men zich bedient bij het gelijkmaken van den voet van een suikerbrood in den vorm. — Ganzerik, m. (-en). Mannet)esgans. — Ganzerik, v. Plantengeslacht Cpotentilla), tot de roos-achtigen behoorende. — Ganzeschacht,v, (-en). — Ganzetong, v. (-en). Tong van eene gans. Volksbenaming voor de her-derstasch. — Gaitzeveder, {en, -s), g an ze-vee*-. ( en), v. — Ganzevlengel, m. (-s). Vleugel van eene gans. Schippersboom, waarmede men, voor den wind of ruimschoots zeilende, den schoothoorn van het gaffelzeil uitzet. — Ganzevoet, m. (-en). {Chenopodium). Plantengeslacht, tot de familie der chenopodiacece en de onderklasse der eenmanteligen behoorende.

i;aiiHeli, bn. Geheel ; de gansche wereld, van ganscher harte. Ongeschonden ; het zegel is nog gansch en gaaf. Uit ganscher macht : met alle macht. Bijw. Geheel en al. In elk opzicht. In allen deele. Zeer.

— Ganse he lijk, bijw.

Kapen, ow. gaapte, heeft gegaapt (van personen). Den mond wijd openen. Den mond wijdgeopend houden. Geeuwen. Met open mond staan te kijken. Gretig trachten (naar). (Van zaken) Wijd openstaan. Wijd geopend zijn. Eene wijde opening hebben. Niet wel sluiten. — Gaper, m. (-s), gaperd {gaapaard), m. (-s). — Gaperig, bn. — Ga ■ ping, v. (-en).

Kaps, v. (-en). Handvol.

sarancine, v. Verfstof, uit meekrap bereid.

g:aranlt;lcci*cn,bw. garandeerde, heeft

Gegarandeerd. Waarborgen. Vrijwaren. n?taan. Verzekeren.egarandeerd. Waarborgen. Vrijwaren. n?taan. Verzekeren.


ocr page 215

GARS — i

igamntic, v. Borgtocht. quot;Waarborg. Borgstelling.

Oarca» (P- 4. C.), 1724-1772, Lissabon. Dichter. Obraspoetïcas (1770).

Sarde, eard, v. (..aden). Roede (inz. als strafwerktuig). Door de gaiden, door de spitsroeden loopen. Steel, waaraan de dorscbvleugel is vastgehecht.

Kardo, v. Vorstelijke lijfwacht. Keurbende.— Garde, m. (-n). Soldaat, tot de garde behoorende. Wachter.

ifardorobe, v. (-s). Kleerkast. De gezamenlijke kleederen eener vrouw.

gardiaan, m. (..anen). Overste van zekere kloosterlingen.

Srarccl, o. (• en). Lederen halsjuk van een trekdier. De trekstrengen, waarmede een trekdier aan het halsjuk^ en den^ wagen woidtverbonden.Juk. Boe* Band.Kluis'er.

BTaron, o. (-s). Het u.r 'as, hennep, enz. gesponnen draad. Touw, menende tot bet vervaardigen van vischneT^en, enz. Voorwerp van garen vervaardigd, inz. net.

— Garen, bn. — Garenbleek, v. en m. (-en). — Garenbleeker. m , s). — Garen-bleekery, v. (-en). — Ga' t tbleekster, v. (-s). — Garendoos, v. (..zen- - Garen fabriek, v. (-en). — Garenfabrtkant, 7n. (-en). — Garenhande». ra. — Garenhas-fel, m. (-s). — Garentorfet, m (-s) — Garenklopper, m. (-s). D«e earen klopt. — Werktuig, waarmede men het garen klopt.

— Garenklos, m. (-sen). — Garenknnop, ra. (-en). — Garenkooper. ra. (-s». — Ga renkoopster, v. (-s). — Garenmolen, ra. (-s). — GarenspoeUier, v, (-s). — Gnren-sirop, ra. (-pen). — Garentwynder, m. (-s). — Garenlwyns/er, v ( s). — Gnren-twyndery, v. (-en). — Garenivinder, ra. (-s). — Garenwinkel, ra. (-S). — Garen-zak, ra. (-ken).

Karen, bw. gaarde, heeft gegaard. Ga-deren.

yarf, grarve, v. (..ven^. Bos afgemaaide en samengebonden graanhalmen. — Garven, ow. garfde, heeft gegarfd. Het graan in garven binden. De garven van het land voeren. — Garvenbinder, m. (-s). — Gar-ver, ra. (-s). — Gar ving, v. (-en).

Garibaldi [G.), 1807-1882, Nizza (Italië). Berucht republikein. Generaal en ijveraar voor de eenheid van Italië.

garnaal, (..alen), gernaaf, (..aten), IfeniaaB, (..azen), v. en ra. Kleine zeekreeft.— Garnalenbroodje, o. (-s). — Garnalenpasteitje, o. (-s). — Garnalen-vangst, v. — Garnalenvrouw, v. (..wen).

jfarnccren, (garnieren), bw. garneerde (garnierde), heeft gegarneerd (ge-garnierd). Beleggen, omzoomen. Optooien, opsmukken, versieren. — Garneering {garntenng), 9. (-en).— Garneersel{gar-ntersel), o. (-s). — Garnituur, o. (..uren). Belegsel, omboordsel. Versiersel, sieraad. Stel : garnituur van diamanten.

garnizoen, o. (-en). Bezetting. — Garnizoenscotnviandant, ra. (-en). — Garnizoensdienst, ra. (-en). — Garnizoensplaats, v. (-en). — Garnizoensverandering, v. (-en).

fparttt. Zie Gerst.

Srarstigr, bn. (Van vette zelfstandigh2-

9 — GAST

den). Sterk van smaak en kwalijk riekend. Bedorven van smaak. Ransig. Galsterg. (Overdr.) Walglijk, misselijk. Bijw. Die boter smaakt garstig. — Garstigheid, v.

Oaryn van ^lontgrlavii; Karelroman, waarvan wij in het Nederl. slechts twee fragmenten bezitten, bewerkt door Bilderdijk. Garyn is de overgrootvader van Willem van Oringhen, op wien deFransche rainestreels den roem van zijnen achterkleinzoon hebben overgebracht.

graN, o. (-sen, van versch. soorten). Luchivormige, veerkrachtige vloeistof, welker deeltjes de eigenschap hebben zich zooveel mogelijk van elkaar te verwijderen en zich aldus in de ruimte, waarin zij aanwezig zijn, te verspreiden. De inz. uit steenkolen gestookte luchtvormipe brandbare vloeistof, welke tot verlicliti'ig of verwarming wordt aangewend. — Gasachtig, bn. — Gasbek, m. ( ken). — Gasbrander, ra. (-s). — Gasbuis, v. (..zen). — Gasfabriek, v.

der, alleen van onder geopend, waarin raen he,t toebereide gas houdt en bewaart. — Gaskraan, v. (..anen). — Gaskroon, v. (..onen). — Gaslicht, o. (-en). — Gasmeter, ra. (-s). — Gaspijp, v. (-en). — Gas* Stg, bn.

ganoon, srauoopner, ra. (-s). Snoever, grootspreker. Snoeshaan.

l^aNpeldoorn, m. (-en), graMpeldo-ren, ra. (-s). Doornig heestergewas [ulex Europeeus) met tweespletigen kelk, tot het geslacht doornstruik en de familie der vlinderbloemigen behoorende.

gasHen, bw. gaste, heeft gegast. Het ruwe weefsel zengen door middel van eene gasvlam, ten einde de stof van de pluisach-tige vezeltjes te ontdoen.

);aNt. m. en v. (-en). lem., dien raen aan zijnen disch, of op feestelijke wijze onthaalt, lem., die aan eene openbare tafel eet. lom., die eene herberg bezoekt, of als vreemdeling in een logement zijnen intrek neemt. Vreemde, niet tot het vaste schouwburgper-soneel behoorende tooneelspeler (..speelster), die slechts tijdelijk in enkele rollen optreedt, m. (-en) Manspersoon. Jonkman, borst. Kloek man, forsche kerel. Knecht


ocr page 216

— 190 —

GEBA

GAUX

ran eenen ambachtsman of fabrikant (vooral in samenstelling). Matroos, geplaatst aan den bootsmans-, scbiemans-, bootsmansmaats- of schicmansmaatsbak. — Gasten-bak, m. (-ken). (Scheepst.) De bak of af-deeling der matrozen op een oorlogsschip, waarvan de bootsman, de schieman, de bootsmansmaat of de schiemansmaat het hoofd is en aan de gemeenschappelijke tafel van de gasten, die er toe behooren, voor-rit. — Gasi(ejreeren, ow. gast(e)reerde, heeft gast(e)recrd. Een gastmaal houden. Aan een gastmaal deelnemen. Slempen, brassen. — Gasicrtj. v. (-en). Het gast(e)-reeren. Feestmaal. Braspartij. — Gastheer, m. (-en). — Gasthof, o. (..ven). Logement.

— Gasthouder, m. (-s). — Gasthoudster, v. (-s). — Gasthuis, o. (..zen). Godshuis, liefdadig gesticht, inz. tot huisvesting en verzorging van oude lieden ingericht. Ziekenhuis ter verpleging van on vermogenden, hospitaal. — Gasthuisnon, v. (-nen). — Gasthuisvader, m. (-s). — Gasthuismoeder, v. (-s).— Gastmaal, o. (..aleti). Maaltijd, waarop men gasten noodigt. Feestmaal. Banket.— Gastronoom, m. (..omen). Lekkerbek. Smulbroer. — Gastvriend, m. (-en). — Gastvrij, bn. Herbergzaam. Gul, mild. Bijw. Op gastvrije wijze. — Gastvry-heid, v.

gut. o. (-en), [sraalfo, o. (-s)]. Opening. Kuil. Kerker. Gevangenis. Hol van eenig dier : de konijnen uit hunne gaten jagen. Havenmond. Slechte woning : een gat van een huis. Opene wonde : een gat in het hoofd vallen. Ruimte in den voorraad ; zij hadden een gat in de aardappelen. Hij weet voor iederen spijker een gat: hij weet voor alles een middeltje, eene uitvlucht. — Gaten, bw. gaatte, heeft gegaat. Van een of meer gaten of openingen voorzien. — Gatenplateel, o. (-en^. Keukengereedschap, bestaande in een platten aarden .schotel met gaten of openingen, waardoor men water van groenten, enz. laat wegloo-pen. — Gatenteil, v. (-en), — Gaterig, bn. Vol gaten. — Gatnaald, v. (-en). Kromme naald, dienende om een gat te steken in een touw, dat gesplitst moet worden. — Gatstopper, m. (-sl. Persoon, wiens diensten men slechts tijdelijk en bij gebrek aan beter gebruikt.

gat, o. (-ten), [gratje, o. (-s)]. De uitwendige opening van het darmkanaal. Het achterste. De billen. Het achterlijf. Deel van eene broek, dat het achterste omspant. Het achterste deel van een schip. — Gat-likken, bw. gatlikte, heeft gegatlikt. Op eene lage, kruipende wijze vleien. — Gatlikker, m. (-s). — Gatlikkery, v. (-en). — Gatlikking, v. (-en). — Gat lik ster, v. (-s).

— Gatvink, m. (-en). Plat schimpwoord in de volkstaal der 17« eeuw. Vooral gewoon in oude kluchtspelen.

OsmdicUaiid-Besiupré (C.), 1789-1854, Angoulême. Fr. plantenkenner.

{G. /?.), 1777-1855, Brunswijk. Duitsch iskundige.

Oauticr (71), 1811-1872, Tarbes. Fr. dichter, romanschrijver en criticus. Emaux etCamèes; de Maupin; Le Capitaine fracasse.

Sranw, bn. Vlug. Behendig. Vaardig, Bijw. Met spoed. Snel. Ijlings. — Gauwdief, m. (..ven). Dief, die op behendige, listige wijze te werk gaat. Geslepen, doortrapte dief. Schelm, schurk, spitsboef,deugniet. Snaak, guit. Golijk kind. Schalsch meisje. — Gauuodiefsch, bn. Opzijngauw-diefsch.—■ Gaw.rdieverij,v. (-en).— Gau-iverd, m. (-s). Vlu r, behendig man (inz. in ongunstige opvatting, ter aanduiding van iem., die door vlugheid of behendigheid anderen verschalkt of bedriegt). Slim, sluw geslepen man. Slim kind. (Spott ) Talmer! Sukkel. Gamvheid, v.— Gauwigheid. v. (..heden). — Gauwte, v.

grave. Zie Gaaf.

srazel, v. (-len). Ziogdi»r, tot de herkauwende dieren t n het Keslacnt der anti-

N'!PenJbA r°!Irend'i VW' gazel (in Noord Afrika en Zuidwestelijk Azië voorkomende) is zoo groot als eene middelraa-tiBie geit. — Gazellenoog, o. en v. (-en), bcnoon, donktr vrouwenoog.

sraasct, v. (-ten). Nieuwsblad. Datr-

? quot; 111 * (•S)- dagblad

schrijver. Dagbladuitgever.

frazou, o. ( s). Graszode. Grasperk, ife. voorv. Vormt nw. bv. en werkw * «reaard, bn. Van zulke natuur of inborst. — Geaardheid, v. ( .heden), fircaarzel, o. Het aarzelen. Kcabonuccra, bn. Ingeschreven. Ia-geteekend. — Geabonneerde, m. en v. (-n) STCadord, bn. (Van personen) Van ado^ ren voorzien. (Van bladeren, enz.) Van nerven voorzien. (Van steen, hout, enz.) Van bochtige strepen voorzien.

{geadopteerd, bn. Aangenomen : een geadopteerd kind.

«reaukerd, bn. Van een of meer ankers voorzien. (Wapenk.) Ankervormig.

ereappeld, bn. (Van de huid van een paard) Van appelgrauwe kringen voorzien.

fgearind, bn. Dik- langgearmd, enz. Arm in arm : gearmd gaan.

eeaasureprd. bn. Stout, onbeschoft schaamteloos. Verzekerd. — Geassureer-derik, m. (-en). Oubeschofte kerel.

srebaar, o. Geschreeuw, getier, misbaar van menschen of dieren. Geschrei, geklag. -- Gebaar, o. Het voorkomen. Uiterlijk. Uiterlijk vertoon, glimp. — Ge-baar, o. (..uren), gebaarde, v. (-n). Beweging met het lichaam, inz. met het hoofd, de armen, handen of schouders, als middel

om gemoedsbewegingen uit te drukken._

Gebaarmaakster, v. (-s). — Gebaarma-kef y m. (-s). — Gebaar making, v. — Gebarenkunst, v. — Gebarenspel, o. — Gebarenspraak, v. — Gebarentaal, v.

grebaard, bn. Van eenen baard voorden.

trebabbel, o. Het aanh. babbelen. Achterklap.— 8:ebaf,o. Het aanh. haffen, ipebstk, o. (-ken). Eene spij's, die gebakken is, inz. lekkernij.

irebalder, o. Het aanh. balderen. — gebalk, o. Het geschreeuw van den ezel.

gebareii, gebaarde, heeft gebaard. Ow. Zich op zekere wijze vertoonen, te werk gaan. Van niets gebaren : niets laten blijken. Bw. In den schijn iets vertoonen of


ocr page 217

GEBI — li

voorstellen. Zich gebaren, ww. Zich ziek gebaren. — geban, o. Het aanh. bassen. Getier, gedreig. — ^ebstuw, o. Het aanh. bauwen. — sr^bazel, o. Onsamenhangende taal sprekt-n.

grebbe, v. (-n). Vischtuig, bestaande in «en net, dat aan een guffelvormigen stok bevestigd is.

grebed, o. (-en). Het bidden. Bede. De kerkelijke vastgestelde vorm van bidden. Het gebed is : « eene samenspraak met God, waardoor wij aan God de begeerten onzer harten te kennen geven ». Het gebed des Heeren: het Onze Vader, door Christus gemaakt. — Gebedenboek, o. en m. (-en).

Brebedel, o. Het aanh. bedelen. — yebeef, o. Het aanh. beven.

S:ebeellt;l, bn. Van ingeweven figuren voorzien. Van beeldwerk voorzien.

grebccnd, bn. Dik-, langgebeend, enz.

— Gebeente, o. (-n). Het samenstel der beenderen van het menschelijk of dierlijk lichaam. Geraamte, rif.

grebeft, bn. Van eene bef voorzien, grebeid, bn. Op bessen overgehaald (van jenever).

grebeier, o. Het aanh. beieren, grebekt, bn. Van eenrn bek of snavel voorzien. Goed gebekt zijn : gemakkelijk spreken. Op iets gebekt zijn, er op belust zijn.

grebel, o. Het aanh. bellen.

grebeld, bn. Eene bel aanhebbende (van dieren). In lompen gehuld, haveloos gekleed (van personen).

grebenediideii, bw. glt;'benpdijdde, heelt gebenedijd. Beredijen. Hij sprak geen geberu dijd, geen enkel woord. — Gebenedijd, ba. Gezegend.

grebengrel, o. Het aanh. bengelen of luien.

grebergrte, o. (-n). Eene menigte van bergen, die als bergketen in éene rij, of als berggroep in éenea kring gelegen zijn. Bergreeks of bergachtiire landstreek.

«rebeten, bn. Verbitterd, vergramd, nijdig, inz. uit wrok, afgunst of haat.

grebeteren, bw. Iets niet kunnen gebeteren, er niets aan kunnen doen, er geene schuld aan hebbea.

grebeuk, e. Het aanh. beuken. Geklop,

febons, gestoot, gerammel. —ebons, gestoot, gerammel. — grebeul, o.

Iet aanh. beulen. Gemartel, gekwel. grebeuren, ow. eenpw. gebeurde, is gebeurd. Geschieden. Voorvallen. Plaats hebben, plaats grijpen. Overkomen (aan). Te beurt vallen, ten deel vallen. Gelukken. — Gebeurlijk, bn. Kunnende gebeuren. Plaats kunnende hebben. Mogelijk. — Gebeurlijkheid, v. (..heden).

— Gebeurtenis, v. (-sen). Vooival. (In 't bijzond.) Belangrijk voorval.

grebenzel, o. Het aanh. beuzelen. grebied,o. Heerschappij, macht, gezag. Rijk, staat. Grond, grondgebied, ryksbo-dem. Land, streek. Het gebet l der onstoffelijke zaken, welke tot den kring eener wetenschap of kunst behooren, of waarover de werking van den geest, het gemoed, enz. zich uitstrekt. Het gebied der toekomst : de toekomst. — Gebieden, geb- od, heeft geboden. Bw. Bevelen, gelasten. Vooischrij-

[ — GEBO

ven (t. w. als eenen plicht). Ow. Een bevel

uitspreken of geven. Het bevel voeren (over). Gebieden (over of op) (van hartstochten, enz.), er over heerschen. — Gebiedend, bn. bijw. — Gebiedenis, v. Mondelinge ot schriftelijke verklaring, dat men zich in iemands gunst aanbeveelt. Eerbiedige of beleefde groet. — Gebieder, m. (-s). — Gebieder es, v. (-sen). — Gebied-ster, v. (-s). — Gebiedswapen, o. (-s). Heraldieke figuur in het wapenschild van eenen vorst. Wapenschild.

grebles, o. Het aanh. biezen. Gesis (van slangen). — grebQt, o. Geknabbel. — greblk, o. Het aanh. bikken.

grebiut, gr^biute, o. (..ten). Samenstel van balken, die de hoofddoelen van een gebouw of getimmerte onderling verbinden. Samenstel der dwarsbalken, waarop het dak rust. Verbindende dwarsbalk. Samenstel van balken eenet houten sluis, waarin de deuren hangen.

grebit, o. (-ten). Samenstel der tanden en kiezen, waarmede een mensch of dier bijt. IJzeren mondstuk, dat men een paard, enz. tusschen de tanden legt.

g-eblstar, o. Het schreeuwen (van schapen, enz.). Het geschreeuw van kinderen. Het schreeuwerig gezang van onbeschaafde lieden.

greblsiard, bn Met blaren of bleinen bezet. Van eene witte plek aan het voorhoofd voorzien (van paarden, enz.). Bont.

greblasts, o. Het aanh. blazen. — ge-blsistt, o. Het schreeuwen (van schapen, enz ).

grebladerd, bn. Van bladeren voorzien (van boomen, enz.). Bladeren of loot hebbende. — Gebladerte^ o. Eene menigte bladeren. De gezamenlijke bladeren (inz. van boomen). Het geboomte, dat in blad staat, het groen. Bladvormige versierselen aan kolommen, enz. aangebracht.

greblaf,o. Het aanh. blaffen.—greblik, o. Het aanh. blikken (der oogen). — g-e-blikker, o. Het aanh. blikkeren of flikkeren. — greblink, o. Het aanh. blinken of schitteren.

grebloemd, bn. Van bloemen voorzien. Met bloemen doorweven, bewerkt of versierd. Zinnebeeldig : een gebl. emd verhaal. — Gebloemlaasd, bn. Van bloem-laag (eene laag van het puik eener koopwaar) voorzien. — Gebloemte, o. Allerlei bloemen te zamen.

greblok, o. Het aanh. blokken, greblokt, bn. (Wapenk ) Uit eenige of in éene rij geplaatste blokken of schakee-ringsvakken bestaande.

grebluf, o. Het gestadig bluffen, greboekeld, bn Eenen bochel of bult op den rug hebbende. — Gebochelde, m. en v. (-n).

grebod, o. (-en). Bevel of w- t, d;e wij, om wel te handelen, moeten volden : de tien geboden Gods, de \ijf gel-oden der h. Kerk. Huwelijksafkondiging (in dekeiki.

greboefle, o. Gemeen, slecht vulk. Gespuis.

grebuegrd, bn. Hoog-, laagge'. oe^d, enz.

greboen, o. Het aanh. boenen.


ocr page 218

GEBR — I

Sfcbocrto, o. De gezamenlijke boeren. De boeren of landlieden.

grobof, o. Het aanh. boffen of bonzen, geboercn, bn. Krom. Gekromd. — Gebogenheid.

iSebom, o. Het aanh. bommen. — ecbombam, o. Het aanh. bombam-men.

S:cboiilt;1cii, bn. Onvrij : in die betrekking zoudt gij altijd gebonden zijn.Gebonden saus : dikke, malsche saus Gebonden stijl: de stijl van het g( dicht.— Gebondenheid, v.

gcboiiH, o. Het aanh. bonzen. Geklop, gestoot, gebeuk.

srcboosr^l, bn. Den vorm van eenen boog hebbende. Boogvormig,

trlt;'blt;Mgt;iii(e, o. Onbepaalde hoeveelheid van boomen, boomgiwas, boomen. (-n) Groep of partij van boomen, bosschage of bosch.

greboor, o. Het aanh. boren, geboord, bn. Omzoomd. Aan weerszijden bezet, beplant, enz.

geboorte, v. (-n). Het ter wereld komen. Een Belg van geboorte : die in België gebcren is. De stad van iemands geboorte : de stad waar iem. geboren is. Afstamming, afkomst : hij is van edele geboorte. Iem. zonder geboorte, van onwettige of van geringe ouders geboren. Begin : eenen oproer in zijne geboorte smoren. Het ontstaan, de wording (van zaken). — Geboorteakte, v. (-n).— Geboortedag, m. (-en). — Geboortegrond, m. — Geboortejaar, o. (..aren). — Geboorteland, o. — Goboortfejnis, v. — Geboor-tenregister, o. (-s). — Geboorteplaats, v. (-en). — Geboorterecht, o. — Geboortestad, v. (..eden). — Geboortig, bn. Zekere geboorte hebbende, geboortig uit een edelen stam. Afkomstig : hij is geboortig van Amsterdam. — Geboren, bn. Geteeld, voortgebracht. Een geboren Nederlander : een Nederlander van geboorte. De tijd is nog niet geboren, is nog niet daar.

geborer, o. Het borgen.— geborrel, o. Het opborrelen. Het aanh. gebruiken van sterken drank.

geborwt, bn. Dikgeborst.

geboratel, o. Het borstelen, geborsteld, bn. Van borstels of ruige haren voorzien.

gebots, o. Het met zooveel kracht tegen iets aanstooten, dat er eene terugkaatsing plaats heeft.

gebou^v, o. (-en). Bouwwerk, voor zooverre het tot woning of samenkomst, enz. dient. Gesticht, huis, kerk, enz. naar de regelen der bouwkunst gemaakt. Men zegt ook 't gebouw der wereld, van 's men-schen lichaam, enz.

gebrsmd, o. Gebraden vleesch, inz. wild of wildbraad of gebraden vogels. Gezamenlijke gebraden vleeschspijzen, bij eenen maaltijd opgedischt. Stuk gebraden vleesch, inz. gebraden stuk wild of gebraden vogel.

gebrstbbel, o. Het aanh. brabbelen. — gebrul, o. Praal, uiterlijk vertoon. Gepoch. — gebrxamp;N, o. Menigte van allerlei dingen, allerlei tuig. Gebroed, gebroed-sel, gedierte. Gespuis, geboefte, verach-

5 — GEBU

telijke troep. — gebrel, o. Het aanh breien. Iets, dat gebreid is.

gebrek, fgt;. Mangel, gemis. Nooddruft*, ontbering, behoeftigheid, (-en) Lichamelijk ongemak, kwaal, inz. de vallende ziekte. Onvolkomenheid, verkeerdheid, slechte hoedanight id, ft ut. Slechte of ongave toestand, le« mte, lout. — Gebi-ekke-lijk, bn.— Gebrekkeli/kheid, v. (..heden). —- Gebrekkig, bn. — Gebrekkigheid^ v.

gebrieneli, o. Het gehinnik (van paarden), het gebrul (van leeuwen).

gebrild, bn. Eenen bril ophebbende,, dragende.

gebrod, o. Het aanh. brodden. — gebroddel, o. Het aanh. broddelen.

gebroed, o. De gezamenlijke uitgebroede jongen. Jong gedierte. Kleine kinderen, jong volkje. Lastige of schadelijke dieren. Gespuis, geboefte. — Gebroedsel, o. (-s).

gebroeders, gebroederen, m.

mv. Personen, die onderling als broeders verbonden zijn. Broeders, in betrekking tot elkander gedacht. — Gebroederschap, v. (-pen). Vereeniging van gebroeders (inz. van eene geestelijke broederschap gezegd).

gebroekt, bn. Eene broek aanhebbende.

gebroken, bn. Zie Breken. Hij is een gebroken man : hij heeft eene breuk. Een gebroken getal : oreuk. Gebroken Neder landsch praten, slecht die taal spreken. — Gebroken, o. (-s^. Gebroken getal Breuk.

gebrom, o. Verward geraas, geruisch. Dof gemompel (als teeken van misroegd-beid, enz.). Gegrom, geknor (van dieren). Gegons. Dol, hol of zwaar geruisch (van wind, enz.). Dof, zwaar gegalm, gebom (van klokken, enz.). Gemor. Gepruttel. Bombastisch gegalm (van dichters).

gebrouwto, gebrouwt, o. Zooveel bier, als te gelijk gebrouwen wordt.

gebrul, o. Hinderlijke wijze van doen, waardoor men iem. last, moeilijkheid of ongemak veroorzaakt. Geplaag. Getwist, gekijf, krakeel. Geraas, leven. Malle boel, malle waar, verbruid tuig.

gebruik, o. De dadelijke aanwending,, besteding van eene zaak naar eigen behoeften en tot zijn nut. Gewoonte. Dienst, nuttigheid. Dit woord is niet meer in gebruik, in zwang, (-en) Iets, dat door het lange gebruik eene wet is geworden. Plechtigheden : de gebruiken der h. Kerk. — Gebruikelijk, bn. — Gebruikelijkheid, v. (..heden). — Gebruiken, bw. gebruikte, heeft gebruikt. Iets tot zijn gebruik nemen. Aanwenden. Overnemen : de woorden van den schrijver zeiven glt; bruiken. De vrucht van iets genieten : land gebruiken. — Gebruiker, m. (-s). — Gebruikster, v. (-s).

gebruiH, o. Het bruisen. — gebrul, o. Het geluid van eenen leeuw. Vervaarlijk gehuil van andere dieren. Woest geschreeuw of getier van die in een opgewonden toestand verkeeren.

gebuikt, bn. Een dikken buik hebbende. (Van schepen) aan beide zijden zwaar uitgebouwd zijnde. (Van zeilen) gebuikt, bol staan.

gebuild, bn. Builen hebbende.


ocr page 219
ocr page 220
ocr page 221

GEDA - li

irebiiitxl, bn. (Van holle projectielen) Van eene buis of koker, als ontstekings-werktuig voorzien.

gebulder, o. Het bulderen. — ge-l»ulk, o. Geluid van stieren en koeien.

gebult, bn. Eenen of meer bulten of oneffenheden hebbende.

gebuitf, bn. (Zeew.) (Van gaten). Met metaal bekleed of gevoerd.

gebuur, m. (..uren). Persoon, die naast iem, of in de nabijheid van iem. woont. — Geb uren, ow. gebuurde, heeft gebuurd. Iemands gebuur zijn. — Geburtn, v. (-nen).

— Gebuurktnd, o. (-eren, -ers). — Ge-buurman, m. (..lieden). — Gebuurschap, v. Omgang met buien, (-pen) Buurt. — Gebuurte, v. en o. (-n). De gezamenlijke geburen. Zeker aantal huizen, die in elkanders nabijheid gelegen zijn en zeker geheel vormen. — Gebuurvrouiu, v. (-en). — Gsbuurzaamheid, v. Gemeenzaamheid onder geburen.

greeonfetlereerdcn, m. mv. Verbondenen. Bontgenooten. — geeoulrii-rieerd, vd. Teglt; ngewerkt. Gedwars-b'tomd. — geeouti'aMi^neeril, vd. Medeonderteekend. — geeoKtuiueerd, vd. bn. Naar behooren gekleed. In zekere kleederdracht (van ouden tijd) gedost.

i;elt;l»a}flt;le, m. en v. (-n). Die voor de rechtbank geroepen is.

fpedusin, vd. Zie Doen. Verricht. Volbracht. Geëindigd. Af^eloopen. Uit. Het is gedaan met hem : hij ligt op het uiteiste, hij is dood, zijne zaken zijn in duigen gevallen.

geduante, v. (-n). Uiterlijk voorkomen van iets. De geheele gestalte,houding en het gedrag van den mensch. De trekken van het aangezicht. Nagemaakt ontwerp. Uiterlijke toedracht: die zaken zijn van gedaante veranderd. — Gedaanteverandering, v. (-en)gedaanteverwisseling, v. (-en). Verandering van het uiterlijk voorkomen. Bui-tei.gewone verardering van iemands uiterlijk. De i atmnlijke overgang van den eenen v» rm in den anderen (inz. bij de insecten). (Myth.)Vormverandering van eenen mensch in een dier, plant, enz.

gedaelite, v. (-n), gedaclit,o. ( en). De daad van denken. Overleg, beraamd p'an. Voornemen. Gevoelen. De voorstelling van iets aan het verstand. Eene zaak, die nadenking waardig is. Beraad. Gevoelige aandenking\ Begrip. Geloof, schatting des oordeels. Vermoeden. Verbeelding. Peinzir-g. Afgetrokkenheid der aandacht.

— Gedachteloos, bn.— Gedachteloosheid, v. — Ge da ch ten beeld, o. (-en). Het beeld, dat men zich van eene zaak door het denken in het verstand vormt. Denkbeeld. Droombeeld. Hersenschim.— Gedachten-gang, m. — Gedachtenis, v. (-sen). Herinnering. Nagedachtenis. Gedenkenis. Zijn vader, zaliger gedachtenis : wijlen zijn vader. — Gedachtenkring, m. — Gedach-tenloop, m.— Gedachtenstreept v. (..epen). Streep, dienende om een korten stilstand in den gang der gedachten aan te duiden (in eenen volzin). — GedachtenTi'üseling, t. (-en). — Gedachtig, bn. Gedenkende aan iets of iem. Wees wij gedachtig in uwe

3 — GEDE

gebeden : vergeet mij niet in uwe gebeden. Zich herinnerende (aan).

eedamd, bn. (Van geweven stoffen) Van ruiten voorzien.

gedsunp, o. Het aanh. dampen. — gredstnn, o. Het aanh. dansen.

Kedaruite, o. (-n). De gezamenlijke darmen.

gedartel, o. Het aanh, dartelen. Ge-huppel, gestoei.

£:e«laiit, bn. Eenen das of halsdoek omhebbende.

eredanwel, o. Het aanh. dauwelen. Getalm, gezeur. — gedaTer, o. riet aanh. daveren.

^«•«lerideerd, bn. Beslaten. Vastberaden. Stout, koen. — iredecoreerd, vd. Met een ordelint versierd. Versierd (van eene zaal, enz.).

sredeeld, bn. (Wapenk.) (Van een schild) Door eene loodrechtquot; 'ijn in twee gelijke vakken gedeeld. — Gedeelte, o. (-n). De deelen van een geheel te zamen. genomen : hij heeft er drie gedeelten van. Deel : het vierde gedeelte, van eene som. Landstreek : in welk gedeelte der wereld hij ook ga. — Gedeeltelijk. Bijw. Vooreen gedeelte. Voor een deel. Ten deele. Niet ten volle. Bn. Niet geheel. Onvolkomen.

firetlegeu, bn. (Van metalen) Zuiver. Niet met andere metalen verbonden.

gedegradeerd, vd. Verlaagd. Uit een ambt, van eene waardigheid ontzet. Uit den (krijgs)dienstontslagen.

gedekt, bn. (Muz.) (Vdn de pijpen van een fluitregister, of van het fluitregister zelf) Van bo^en gesloten. (Suikerraff.) Van dekaarde voorzien, of met dekklaarsel ot lek begoten. (Wapenk.) (Van eenen burcht of kasteel in een wapeu) Met een vierkant dak afgebeeld.

gedenken,gedacht,heeft gedacht. Bw.

Zich iets of iem. voorden geest brengen en er aan denken, ze zich herinneren : men gedenkt nog zijne heldendaden. Melding makt n ; gedenk mijner bij den vorst. Hoen : hij gedenkt nog aan die erfenis te omen. Een voornemen hebben : ik gedenk dit niette doen. Ow. Dit geschiedt om te doen gedenken. Eenpw. Het gedenkt mij : het heugt mij. — Gedenkblad, o. (-en). — Gedenkboek, o en m. (-en).— Gedeukdntgt;, m. (-en). — Gedenkenis, v. (-sen). Het gedenken (aan). De herinnering (van) Wat men ter herinnering geeft of omvangt. — Gedenknaald, v, (-en). — Gedenkpen-ning, m. (-en). — Gedenkrol, v. (-len). — Gedenkschrift,o. {-eri).— Gedenkspreuky v. (-en). — Gedenksteen, m. (-en). — Gedenkstuk, o. (-ken). — Gedenktafel, v. (-en, -s).— Gedenkteeken, o. (-en, -s). — Gedenkwaardig, bn. — Gedenkwaardigheid, v. (..heden). — Gedenkzuil, v. (-en).

Oedeon. V* rechter (Israël) (1274-1234). Brak de altaren van Baal al. Overwon de Madianieten.

gedeputeerde, m. (-n). Afgevaardigde. Gezant. Afgezant. Volksvertegenwoordiger.

gedeuu, o. Zwaar geluid. Sterk geraas. Gedaver.


ocr page 222

GEDR — ig

Bcdlclit, o. Het aanh. dichten, (-en) Dichtstuk. Vers.

gediclitsel, o. Hetgeen men denkt of overlegt. De gedachten, de overleggingen, (-en,-s) Verdichtsel. Verzinsel.

gredinude, m. (-n). lem., diegeruimen tijd gediend heeft. Geoefend soldaat. Gewezen militair.

eedicuBtifir* bn. Geneigd om anderen van dienst te zijn. Dienstwillig. Voorkomend.— Gedienstige, m. en v. (-n). Dienstbode. — Gedienstigheid^ v. (. heden).

Korticrte, o. De gezamenlijke dieren, (-n) Dirr. Schepsel. Ondier. Onmf nsch.__

Bcdüeii. ow. gedijde, is en heeft gedijd. Toenemen,uitzetten.Worden, verstrekken. Vooideelig zijn. In eene onderneming slagen. Eene uitkomst hebben.

scdiusr, o. (-en). Geschil in rechten. Proces. Rechtsgeding. Twistgeding. Geschil, twist, inz. zulk een als aan eenen scheidsrechter overgelaten wordt. Pleit.

grediseipllnccrd, bn. Aan orde en tucht gewend. — gedistinsreerd, bn. Onderscheidrn. Aanzienlijk. Voornaam. Zeer fatsoenlijk.

y^edobbel, o. Het aanh. dobbelen gedoe, o. Benaming voor allerlei dingen, d'e men doet en welke de spreker met minachting in 'talgemeen aanduidt. Gebrui.

Kedoen, gedooote, o. De gewone wijze van doen of bezig zijn. De bezigheden cl het bedrijf, waaraan men gewoon is. Iemands zaak, nering of btdrijf, met inbe-

Sip van de gebouwen, den grond,ip van de gebouwen, den grond, enz. rukte, opschudding, bewi ging, getier : wat een gedoente l

gedocu, bw. Iets kunnen gedoen, het kunnen doen. Het zonder iets wel kunnen gedoen, het kunnen missen of ontberen. Zich met iets of iem. (wel) gedoen kunnen, het met iets of iem. (wel) kunnen doen of stellen, er zich (wel) mede kunnen behelpen.

gedoensel, o. Iemands zaak, nering, bedrijf.

gedommel, o. Dof, verward geluid, geraas, gestommel, rumoer, leven. Verward geluid van stemmen. Gegons, gebrom. Gemurmel. Gerommel (van den donder). Gebulder (van grof geschut). Geschemer (van zaken, die in het verschiet gezien worden). — gedonder, o. Het aanhoudende geluid des donders. Dof, zwaar geluid. Gebulder. Het voortdurend donderen of gebruiken van het woord donder als vloek.

gedoogen, bw. gedoogde, heeft gedoogd. Dulden. Toelaten. — Gedoogzaam, bn. verdraagzaam. Lankmoedig. Gedwee. — Gedoogzaamheid, v.

geduol, o. Het aanh. dolen, gedoomd , gedorend, bn. Van doornen, of wat eraan gelijkt, voorzien.

gedraaf, o. Het aanh. draven. — gedraai, o. Het aanh. draaien (in echten en figuurl. zin). — gedraal, o. Het aanh. dralen.

gedrag, o. Levenswijze. Manier van doen. Handel en wandel. Zich gedragen, ww. gedroeg zich, heeft zich gedragen. Zijnen levenswandel inrichten. Zich

^ — GEDW

van zijnen plicht kwüten. Te werk gaan. — Gedraging, v. (Recht.) Beroep. — Gedragingen, v. mv. Dr wijze van zich te gedragen.— Gedragslijn, v.— Gedragsregel, m.

gedrang, o Het aanh. opeen- of samendringen Dichte volksmenigte. — gedreig,o. Het dreigen.— gedrentel, o. Het gestadig drentelen.

gedresseerd, bn. Afgericht (van dieren). Goed geoefend (van soldaten).

gedreun, o. Het dreunen. — gedrlb-bel, o. Het aanh. dribbelen.

gedrietaoekt, bu. (Wapenk.) Van drie hoeken voorzien.

gedril, o. Het aanh. drillen of trillen.

— gedrlnk, o. Het aanh. drinken, gedrocht, o. (-en). Afzichtelijk of

schrikverwekkend wezen. Monster. Ondier. Wanschapen of misvormd dier. Overgroot zeedier.Mismaakt mensch.Ontaard mensch.

— Gedrochtelijk, bn. — Gedrochtelijk-heid, v. (..heden).

gedrongen, bn. Dicht bijeen. Kort en breedgebouwd (van iemands gestalte). Al te beknopt van stijl. — Gedrongenheid, v.

gedroom, o. Het droomen. — ge-druiHob, o. Dof geluid of geraas. Rumoer, leven. Zie Geluid.

gedrukt, bn. Ineengedrongen. Samengedrongen.Zwaarmoedig,neerslachtig. Het tegenovergestelde van willig, opgewekt, koopgraag. — Gedruktheid, v.

gedruppel, gedroppel, o. Het aanh druppelen, droppelen.

geducht, bn. bijw. Gevreesd of te vreezen. Vreeswekkend, ontzaglijk, geweldig, hevig. Bijzonder groot of zwaar. — Geduchtheid, v.

gcduivel, o. Het telkens gebruikes van het woord duivel als vloek. Getier. Gebrui.

geduld, o. Kalm« berusting in het lijden, lijdzaamheid. Lankmoedige liefde bij 's menschen misslagen, toegeeflijkheid. — Geduldig, bn. bijw. — Geduldigheid, v. — Geduldiglyk, bijw.

god uren, ow. geduurde, heeft geduurd. Uithouden : ergens of bij iem. kunnen geduren. Duren, voortduren. Niet kunnen geduren : niet kunnen duren, niet kunnen standhouden, niet duurzaam zijn.

gedurende, vz. Zoolang als de tijd, de handeling, werking of toestand duurt, die door het volgende naamw. wordt aangewezen. — Gedurig, bn. bijw. Aanhoudend. Bij herhaling. Telkens. — Geduur-zaavt, bn. bijw. voortdurend. Aanhoudend. — Gedunrzaamheid,y.

geduu', o. Het gestadig duwen. — gedraal, o. Het aanh. dwalen. — gedwarrel, o. Het aanh. dwarrelen.

gedivarsbalkt, bn. (Wapenk.) (Van een wapenschild) Met dwarsbalken bedekt.

gedwee, bn. bijw. Zacht, buigzaam. Zachtmoedig, gehoorzaam. — Gedweeheid, v.

gedweep, o. Het dwepen. Dwepende ingenomenheid met iets of iem. — ge-dweil,o.Het aanh.dweilen.— ged wing, o. Het dwingen.

gedwongen, bn. bijw. Gemaakt :


ocr page 223

GEEP — I

•gedwongen houding. Gekunsteld. Stijf, gezocht, gewrongen : gedwongen vertaling.

— Gedwongenheid, v.

geef (te-), bijw. uitdr. Voor niet. Om niet. Zonder dat men iets hoeft te betalen.

Geeft 10 [W-), 1806 1883, Antwerpen. Beeldhouwer. Zijne broeders ; (^4.), 1817-.184^ en (J.) f i860. Beeldhouwers. 20 C/'.)» 1808-1885, Antwerpen Schilder.

seel, o. Hoofdkleur. Eene der regen-boogsklcuren. Verf. Men verkrijgt scha-. keeringen van geel door toevoeging van wit (lichtgeel), van rood (roodachtig geel, oranje), van blauw (groenachtig geel). — Cee/, bn. — Geel, v. (-en). Werpnet, waar-.mede men in rivieren, enz. vischt. — Geelachtig, bn. — Geelachtigheid, v. — Geelbleek, bn. — Geelbruin, bn. — Geel-g ie ten, o. — Geelgieter, m. (-s). Die efiet-waren uit geelkoper vervaardigt. — Geel-gietery, v. (-en). — Geelhqrt, o. Hout van een in West-Indië groeienden boom.

— Geelheid, v. — Geelkoper, o. Alliage van koper en zink. — Gcelpeld, bn. Geel-gevlekt (van kippen). — Geelrood, bn. — Geelsel, o. Kleur, stof, dienende om geel te verven. — Geeltje, o. (-s). Een geel dier (inz. hond of vogel). Goudstuk, dukaat, gouden tientje, enz. Een van ouderdom geel geworden geschrift. Geelvink, m. en v. (-en). Soort van vink {Fringilla serinus), in uiterlijk niet veel verschillende van den eigenlijken vink, doch met korten snavel en gele en groene hool'dkleuren, waarop zwarte lengtevlekken. Goudstuk, inz. (in 't meerv.). geld in 't algemeen. — Geelwortel, v. Wortelstok van eene in Azië groeiende plant, waaruit eene gele kleurstof bereid wordt. — Geelzucht, v. (Volkstaal : galzucht, galziekte, geluw, jjele zucht, het geel). Ophooping van gal in het bloed en de overige sappen des lichaams en tevens, althans bij de meeste gevallen, gebrek aan gal in het darmkanaal.

Oeel (7.), 1789-1862, Amsterdam. Hoogleeraar (Leiden). Gesprek op den Dra-chenfeh (1835); Onderzoek en Phantasie (1838); SentinienteeleReis (vertaling, 3® dr. 1870).

geëmancipeerd, vd. Ontvoogd, meerderiarig verklaard. Vrijgemaakt, gelijkgesteld.

eeen, ontkenn. onbep. vnw. Wordt ook als ontkenn. lidw. of als bijw. ontkenning gebezigd. Niet éen. Niet eenig. Geen van Beiden. — Geenerhande, geenerlei, bn. Van peene soort. Geen van welke soort ook. Geen ..hoegenaamd. In het minst geen. Volstrekt geen. — Geenhuizen, b. (Scherts.) Naam, ter aanduiding van eene plaats, waar geen huizen meer staan : een jonker van Geenhuizen. — Gcenland, o. (Scherts.) Naam, ter aanduiding van een land, dat niet bestaat: heer van Geenland.

— Geenszins, bijw. In geenen deele. In het minst niet. Volstrekt niet.

geëiiKageerd, bn. Verloofd, verzegd. Verbonden, aangenomen. — Geëngageer-den, m. mv.

greep, v. (-en). Soort van zeevisch [esox JHelone), tot de familie der snoekachtigen

; — GEES

behoorende, gekenmerkt door de buiten-ewoon lange en smalle kaken, waarvan e benedenkaak voor de bovenkaak uitsteekt. De soort, die aan onze kusten gevangen wordt : Belone vulgaris.

geer, v. (-en). Een naar boven spits uitloopende lap of strook, waarmede men een kleed van onderen verwijdt. Stuk doek, dat men aan een zeil zet om het van onderen te verbroeden. De scheeve zijde van een gebouw, kamer of stuk land. (Wapenk.) Driehoekig vak, welks basis tegen den rand van een schild geplaatst is. (Wapenk.) Geeren. Acht gelijke driehoekige vakken, die door de kruising der vier hoofdlijnen gevormd worden. — Geerde, v. (-n). Garde (ie art.). — Geeren, geerde, heeft gegeerd. Ow. Schuin loopen. Eene schuinsche richting hebben. 13w. Een kleed geeren, van geeren voorzien. — Geerig, bn. Van de juiste richting afwijkende (van draden in een getweernden draad).

greerl'de, m. en v. (-n). Eigenaar of eigenares van een erf of stuk grond.

greerteu, ow. geertte, heeft gegeert.Het spel, dat verkeerdjassen geheeten wordt, spelen.

greesel, m. (-s, -en). Strafwerktuig, bestaande uit smalle riemen of touwen aan het einde voorzien van knocpen, lo'oden kogeltjes, enz. en dienende tot tuchtiging van misdadigers of zelfkastijding. Zwaar onheil of ramp. Noodlottige gebeurtenis. Buitensporige verwoester. — Geeselaar m. (-s, ..aren). — Geeselaar ster, v. (-s). — Geeselbank, v. (-en). Houten bank, waarop men met de hand de graanschooven uitslaat. — Geeselbroeder, m. (-s). — Geesel-brok, m. (-ken). lem., die waard is gegee-seld te worden. — Geeselen, geeselde, heeft gegeeseld. Bw. Met den geesel slaan.' Met de hand op een houten bank of steen de graanschooven uitslaan. Deleeuw geeselde den grond met zijnen staart. Die dichter heeft zijne tijdgenooten onbarmhartig gegeeseld. De zee werd door den orkaan gegeeseld. Ow. Op iem. of iets geeselen : op iem. of iets met den geesel slaan, er duchtig op los slaan. In iets geeselen, met vernielend geweld er in rondslaan, er in omwoeden. Zich geeselen, ww. — Geese-ling, v. (-en). — Geeselmonnik, m. ( en). — Geeselpaal, ra. (..alen). — Geeselpaard, o. (-en). Geeselbank. — Geeselroede, v. (-n). — Geeselsteen, m. (-en). Steen,

waarop men de graanschooven uitslaat._

Geeselstraf, v.

UT eest, v. (-en). Hooge zandgrond, in tegenstelling van lage veen- en polder-gronden.

geemt, m. (-en). Onstoffelijke zelfstandigheidmet rede en verstand begaafd : God, de ziel van den mensch en de enge!en zijn

geesten. Leven : er was nog geen geest om et lichaam te beademen. Adem : hij sprak en gaf den geest. De zielsveimogens : het is de geest, die in den mensch denkt. Verstand, oordeel : een man van geest. Gesteldheid des menschen ; zwaarmoedig van eest zijn. Heerschende meening : dat was e geest der vergadering. Ware raee-ning : den geest en niet de letter dereesten. Leven : er was nog geen geest om et lichaam te beademen. Adem : hij sprak en gaf den geest. De zielsveimogens : het is de geest, die in den mensch denkt. Verstand, oordeel : een man van geest. Gesteldheid des menschen ; zwaarmoedig van eest zijn. Heerschende meening : dat was e geest der vergadering. Ware raee-ning : den geest en niet de letter der


ocr page 224

GEEU — ilt;

wet volgen. De voornaamste inhoud van een werk ; de geest van een boek. Eene fraaie geest: een man van groote kennis. Kunstenaar, die nieuwe denkbeelden in het vak dat hij beoefent, schept: Vondel was een geest. Het fijnst bestanddeel, door overhaling verkregen uit verschillende lichamen, zooals kruiden. Schim ; hij meent den geest zijner ir.oeder gezien te hebben. Spooksel : er verschijnt daar alle nachten een geest. De verstorvenen : hij weet_niets dan van het rijk der geesten, Ue h. Geest is de derde Persoon der h. Drieëenheid. — Geestachtig, bn. (Van vochten) Met geest of eene vluchtige, door overhaling afscheid-bare vloeistof doormengd. Uit geest bestaande. — Gersidoodendy bn. — Geestdrift, v. Geest- ol zinsvervoering. Ontvlamde verbeelding. Opgetogenheid. Dichterlijke verbetlding. Levendige ingenomenheid. Buitengewone zicisaandoening, door eene soort van ingeving of dichterlijke vervoering ontstaan. — Gre^tdriffig, bn. — Geestdry flt;-ter, (-s). — Geestdrj/vend, bn. Door dweepzucht gedreven. — Geestdrijver, m. (-s). — Geestdrijverij, v. — Geestelijk, bn. Op den geest, hetzij van den mensch in 't algemeen, hetzij van een bepaalden persoon betrekking hebbende : de vriendschap is eene geestelijke zielsliefde. Onlichamelijk, onstoffelijk : de engelen zijn geestelijke wezens. Godvruchtig : hij is een geestelijk mensch. Kerkelijk. Op den godsdienst betrekking hebbende : een geestelijk gezang. Geestelijk* zaken ; al wat door zich zelf, of door de instelling van God of van de h. Kerk, tot der zielen zaligmaking en den goilsdienst bestemd, of innig daarmede verbonden is. Geestelijke goederen : goederen, die het eeuwig geluk onzer ziel aangaan ; Gods gratie. Geestelijke personen : drgenen, die de groote orden ontvangen hebben. Die de mindere orden en slechts de kruin hebben ontvangen, zoo zij nochtans de geestelijke kleederen dragen. De religieuzen en novitiën (van mannen- en vrouwenkloosters), als zij de groote geloften afleggen. De geestelijke stand : de geestelijkheid. Bijw. Niet naar de letter : de h. Schrift geest el :ik uitleggen. — Geestelijke, m. (-n). Priester. — Geestelijkheid, v. De gezamenlijke geestelijken. — Geesteloos, bn. — Geesteloosheid, v. — Geesten-banner, ni (-s). — Geestendom, o. — Geestenle. v. — Geestenrijk, o. — Geestenwereld, v. — Geestenzienery m. (-s). lem., die volgens het bijgeloof, de gave heeft van geesten te kunnen zien en xich met hen in gemeenschap te stellen. — Geestesgaven, v. mv. Gaven of aangebo-. - en begaafdheden of talenten van zijnen geest. — Geestesrichting, v. ( en).

bn. bij^7. Vol geest. Vol verstand : lt; en geestig schrijver. Humoristisch : een geestig gezegde. Vol grillen. Bevallig, aardig, lief. Smaakvol, sierlijk. — Geestigheid, v. (..heden). — Geestiglyk, bijw. yeenwen, ow. geeuwde, heeft ge-

Seeuwd. Onwillig den mond openen en aai bij min of meer diep ademhalen. — eeuwd. Onwillig den mond openen en aai bij min of meer diep ademhalen. — Geeuw, m. (-en). — Gceuwer, m. (-s), geenwerd, m. (-s). — Geeuwerig, bn. —

» — GEGI

Geeuwerigheid, v. — Geeuwhonger, m. Brandende honger. Zekere flauwte, gevolg: van het langdurig ontberen van voedsel. — Geeuwing, v. ( en). — Geeuwster, v. (-s), bn. Evenredigsamen-gesteld. Eene gelijke verhouding of juiste evenredigheid der deelen onderling vertoo-nende. Aan iets geëvenredigd zijn, er mede overeenkomen, er aan beantwoorden.

go Te mei, o. Liefelijk gevlei. Huichelachtig geteem. — gofep, o. Geflep. — gefijmel, geflemel, o. Het aanh. fiimeleo of femelen. — gcflsMlder, o. Het aanh. fladderen. — geflitp, o. Het aanh. flappen (van vlaggen, enz.). — gefleem, o Gevlei. Gefemel. — geflep, o. Het aanh. fleppen of feppen. — geflikflooi. o Het aanh. fhkiluoien. Laf, kruipend gevlei. — getlfkker, o. Het aanh. flikkeren. — geflodclei*, o. Gefladder. Geplas. Geploeter.

Kefloer»t, bn. Van floers of krip voorzien. inz. ten teeken van rouw.

geflonher, o Het aanh. flonkeren.— gefliil«fer. o. Zacht en nauw hoorbaar gepraat. Zacht of geheimzinnig gelispel.— gelluli. o. Het aanh. fluiten. Het gespeel op de fluit, als iets onaangenaams of eentonigs voorgesteld. — o. Het aanh. fniezen. — gefoetei*, o. Het aanh. foeteren. Geknor, gegrom, gescheld. — Kefonbel. o. Het aanh. fonkelen. — gelop. o Het aanh. foppen.

get'ot oeeitl, vd. bn. Gedwongen. Genoodzaakt

gofoi tnneercl, bn. Door de fortuin

begunvtind Kijkbedeeld. Kijk.

gefi^kl, bn. Eene frak aanhebbende. In een gekieoden rok gedost.

gefroii», o. Het aanh. fronsen. —ge-fulftel, o. liet aanh. futselen.— {^etf aup, o. Het aanh. gapen. — ffeersamp;blker, o. Het aanh. gabberen. Gewauwel, gesnater.

gegadiurrio, m. en v. (-n). Die lust heeft, hetzij om iets te koopen, enz., hetzij naar eene of andere inz. openbare betrekking te dingen. Belanghebbende.

gesstfleld, bn. (Plantenk.) Den vorm' van eene gaffel hebbende. Uit gaffelvormige geledingen bestaande.

gegmcgel, o. Het aanh. gaggelen. gei^salgd, bn. (Wapenk.) Van eenen dwarsbalk voorzien.

gegsamp;lm, o. Het aanh. galmen, eegeerd, bn. (Wapenk.). Met geeren bedekt.

gegeenfr, o. Het aanh. geeuwen, gegeven, o. (-s). Gegevens. Bekende hoeveelheden oi grootheden, beschouwd als middelen ter oplossing van een vraagstuk. Bekende gevallen of feiten, waaruit men gevolgtrekkingen kan maken, die leiden ter oplossing van een vraagstuk.

geciegstug, gegieifuuiv, 0* Gebalk (van den ezel). Gesmoord gelach. Hijgend praten. Het met moeite uitstooten van geluiden. — Jfogriog-el, o. Gesmoord gelach. — jfeifiei*, o. Luid gelach. Hevig geloei, gehuil (van den wind). — STOgQ-bel, o. Het aanh. gijbelen. — gogll, o. Het aanh. gillen. — geKiuueBsamp;t», ge-glunegap, o. Het aanh. ginnegabbea*


ocr page 225

GEHA — 19

— KCfirinnlk, o. Het aanh. giuniken.

gcgrlniiBcl, bn. (Van stoffen). Glanzend gemaakt. Met eenen glans overtogen.

gCRleuftl, bn. (Van vuurwapenen) Van gleuven of groeven voorzien.

seiflim, o. Het aanh. glimmen. — yegrliiiNler, o. Het aanh. glinsteren. — fpcgrluui*, o. Het aanh. gluren.

geurood. bn. Bemiddeld. Welgesteld. Tamelijk rijk. — Gegoedheid, v.

o. Het aanh. golven. — fje-fiollfl, bn. Den vorm van golven hebbende. — g-cgoiiH, o. Dof, verward geraas, geruisch, gebrom. — g-eprooolit'l, o. Het goochelen. — gfegrooi, o. Het aanh. gooien. — gfogorgel, o. Hot aanh. gorgelen. — gegriisif, o. Het aanh. graven. — gcffrabbel, o. Het aanh. grabbelen .

f^egri'acluceiMl, bn. Met een acade-xnischen graad. — Gegradueerde, ra. (-n). Die tot een academischen graad is bevorderd.

gregrauw, o. Het aanh. grauwen. Gesnauw. — £cs:rUugt; 0- Het aanh. grij-nen. Klagend geschrei. — gregrUns, o. Het iianh. grijnzen. Grijnslach. — ST*5quot; yriiu, o. Het aanh. grimmen. — gegrrin-nik, o. Het aanh. grinniken. Spottend gelach.

grcsrrocfd, bn. Van eene of meer groeven voorzien.

Sregroopt, bn. Groepswiize vereenigd. Harmonisch vereenigd of verbonden.

8ree:™gt;lgt; O. Dof, brommend geluid (inz. van honden). Geknor. — {fogrom, o. Geknor (als treken van misnoegdheid, enz ) Pofte of holle klank.

{fooroud, bn. Op goede gronden ot redenen steunende. — Gegrondheid, v.

greliasti, o. Het aanh. haaien. Getier, geraas.

K^liaakt, bn. Van eenen of meer haken voorzien.

BTelistard, bn. Met haar begroeid. Kdiaarkloof, o. Gekibbel over beu-zelingen. — geliaaHt, o. Het aanh. zich haasten. Het haastmaken, als iets noode-loos enz. voorgesteld. — gehaast, bn. Door haast glt; dreven.

geliaat, bn. Haat opwekkend. Hatelijk.

gokak, o. Het aanh. hakken. — jjo-baliklt;*l, o. Het aanh. hakkelen. — gre-kakkoleer, o. Het aanh. hakketeeren. goliakt, o. Fijngehakt vleesch. gehakt, bn. Van hakken voorzien. Hooge hielstukken hebbende.

gehalabaiid, bn. Vaneenen halsband voorzien.

gehalsd, bn. Dik-, lang-, kortgehalsd enz.

gehalte, o. (-n). Hoeveelheid van er bestanddeel eener stof, beschouwd in verhouding tot de geheele hoeveelheid der Stof : het gehalte aan zuurstof. Innerlijke waarde van een muntstuk aan fijn goud of fijn zilver. Innerlijke waarde der metalen. Innerlijke waarde van zekere zaak. gehamer, o. Het aanh. hameren, gehaiidsohoeud, bn. Van hand-ehalte, o. (-n). Hoeveelheid van er bestanddeel eener stof, beschouwd in verhouding tot de geheele hoeveelheid der Stof : het gehalte aan zuurstof. Innerlijke waarde van een muntstuk aan fijn goud of fijn zilver. Innerlijke waarde der metalen. Innerlijke waarde van zekere zaak. gehamer, o. Het aanh. hameren, gehaiidsohoeud, bn. Van hand-i»choenen voorzien.

— GEHE

gehaiig, o. (Wev.) Gezamenlijke, over katrollen loopende en van feze afhangende koorden of snoeren, aan wier uiteinden de schachten en wippen vastgehecht zijn.

gehard, bn. Bestand (tegen). Geschikt tot het verduren van ontberingen, enz. — Gehardheid, v.

geliark, o. Het harken.

geharnaftt, bn. Een harnas dragend. Bekleed met schubben, schalen (van dieren). Geharnast schip : schip met eene dubbeling van geslagen ijzeren platen bekleed.

geharrewar, o. Het aanh. harrewarren. Kleingeestig getwist. — gehaNpel, o. Geknoei. Gebrabbel. Verward getwist. — gehasMclias, o. Het voortdurend hassebassen. Hevig getwist.

geheeht, bn. Doorliefde, vriendschap, genegenheid, enz. verbonden. — Gehechtheid, v.

geheel, bn. bijw. Gaaf, ongeschonden, onbeschadigd. Gansch : het geheele jaar door. Wat al zijne deelen, zijne uitgestrektheid heeft: een geheel brood, een geheele toon. Volstrekt : hij leeft in geheele onafhankelijkheid. Een geheel getal, het tegenovergestelde ran breuk. — Geheel, o. (-en). De gansche inhoud. Gezamenlyk bedrag. Geheel getal.

gehel, o. Het aanh. heien. — gehei-hel, o. Getwist, geharrewar. Overmatige drukte.

geheiligd, bn. Aan den dienst van God toegewijd, heilig, gewijd. Als heilig erkend.

geheim, bn. bijw. Bedekt : geheime zaak. Verborgen : geheime samenkomst. Geheimhoudend : hij is geheim in zijne woorden. Volgens de wetten of zeden verboden of ongeoorloofd : geheim huwelijk. Dit moet geheim blijven, mag niet ontdekt, bekend gemaakt worden. — Geheim, o. ( en). Geheime zaak. Wat elk niet weten mag. — Geheimenis, v. (-sen). Verborgenheid, duisterheid (t. w. voor anderen). Ge-heirahoudendheid, geheimzinnigheid. Geheim. — Geheim(e)nisvol, bn. bijw. — Geheimhouden, bw. hield geheim, heeft geheimgehouden. — Geheimhoudend, bn.

— Geheimhoudendheid, v. — Geheimhouding, v. — Geheimraad, m. (..aden). — Geheimschrifty o. Geschrift voor niet-ingewijden onleesbaar. — Geheimschrifver, ra. (-s). Secretaris. — Geheimzinnig, bn. bijw. Een geheimen zin, eene verborgene beteekenis hebbende. Bedekt. Verborgen. Raadselachtig. — Geheimzinnigheid, v.

gehekel, o. Het aanh. hekelen, goheimd, bn. Met helm of duingras beplant.

gehem, o. Het aanh. hemmen, gehemelte, o. (-n). De gewelfde bovenwand der mondholte. Hemel van een ledekant, eenen troon, enz.

gelieng, o. (-en). Plat ijzer, aan het einde voorzien van een rond oog, dienende om de deur of het venster aan duimen op te hangen en te doen draaien.

geheugel, o. Het aanh. hengelen, geheiigeu, bw. gehengde, heeft go*


ocr page 226

GEHO - it

hengd. Toelaten. Gedoogen. Dulden. — Gehengenis, v.

^ehcufi^jn, o. Vermogen van met bewustheid zich de zaken te herinneren. Herinnering : ik heb daar geen geheugen van. — Geheugen, geheugde, heeft geheugd. Ow. Aan iets geheugen, het zich herinneren. Bw. Iets gehlt;ugen, het zich herinneren. Eenpw. Hetgeheugt mij. Zich geheugen, ww. — Ge heugenis, v. (-sen). Herinnering. Gedachtenis. — Geheugenloos, bn.

ipolileld, bn. Van hielen voorzien.

o. H.etaanh. hijgen. — gchik, o. Het aanh. hikken. — eebink, sretiiu-Isel, o. Het aanh. hinlcelen. — jjeliiii-nlk, o. Het aanh. hinniken. — gcliltA, o. Het aanh. aanhitsen. — sTCtaob, o. Alleen gebruikelijk in gehob en getob. — greliobbel, o. Geschommel.

srchoed, bn. Eenen hoed ophebbende.

sreboefd, bn. Hoeven hebbende. Selioefiilsisiedo, m. en v. (-n). Ingeland, met het onderhoud van eene lengte dijks belast.

Grc»bo«gt;l(t, bn. Hoeken of scherpe kanten hebbende. Hoekig.

grchoepel, o. Het aanh. hoepelen, seboepelrokt, bn. Eenen hoepelrok aanhebbende.

srohoent, o. Het aanh. hoesten. — geboetel, o. Geknoei. Geschacher. — Breboezco, o. Het aanh. hoezee roepen. — Crehol, o. Het aanh. hollen. — ge-bommel, o. Dof geraas. Gegons (van bijen). Gemompel. — gebompo], o. Het aanh. hompelen. De moeilijke beweging van iem., die kreupel gaat.

geboofd, bn. Gehuisd en gehoofd zijn. Zie Gehuisd,

geboor, o. Een der vijf zinnen, waardoor men klanken en tonen waarneemt. Vermogen om de tonen in de muziek juist te onderscheiden. Aandachtige opmerkzaamheid : geel gehoor aan zijne vermaningen. Despreker had een mooi gehoor, veel toehoorders. Zijne driften gehoor geven, ze niet beteugelen, (-en) Plechtige ontvangst, waarbij men eenen of meer personen bij zich toelaat, die iets hebben mede te deelen of te verzoeken. — Gehoorgeving, v. — Gehoorig, bn. Een goed muzikaal gehoor hebbende. Met een zuiver gevoel voor welluidendheid bedeeld. Geschikt voor het gehoor ; een gehoorig vertrek. — Gehoo-righeid, v. — Gehoorkavier, v. (-s). — Gehoorplaats, v. (-en). — Gehoorvertrek, o. ( ken).— Gehoorzaal, v. (..alen).

eeboornd, greboroud, bn. Horens dragende (inz. van vee). Hoornvormige uitwassen aan den kop hebbende (van verschil). dieren). Wordt ook van de wassende of afnemende maan gezegd.

geboorzaam, bn. volgzaam. Onderworpen. (Wordt olt; k gezegd van dieren en van zaken, inz. natuurkrachten, voorgesteld als onderworpen aan de macht van God.) Uitdrukking van wellevendheid : uw ge hoorzame dienaar. — Gehoorzaamheid, v. Volgzaamheid, oi.dfrworpenheid. Onderwerping. Gezag. — Gehoorzamen, ow.

\ — GEIS

gehoorzaamde, heeft gehoorzaamd. — Ce^ hoorzamiiig, v.

crebort, o. Gestoot. — g:ebo«, gebot**, o. Het aanh. hotsen. Gestoot, ge-schok, gehossebos. Springend, hortend en stootend gedans. — g:obossebos, o. Het aanh. hossebossen.

Sreboudcn, bn. Verbonden. Verplicht. ■

— Gehoudenheid, v. — Gehoudenis, v. (-sen).

fffebonw, o. Het aanh. houwen, grebiicbt, o. (-en). Zeker aantal huizen^ en hoven, woningen en erven, op het platteland, beschouwd als een geheel uitmakende. Buurschap. Vlek. Klein dorpje zonder kerk.

gcbuiobel, o. Het aanh. huichelen, f^ebnifd, bn. Eene huif ophebbende.. Van eene huif voorzien (van wagens).

Celiuikt, bn. Van eene huik voorzien.. Eene huik dragende.

ipcbiiil, o. Het aanh. huilen,

ifoliiiisd, bn. Goed, slecht gehuisd zijn. Ergens gehoofd en gehuisd zijn, er huis en hof bezitten, er gezeten burger zijn, er metterwoon gevestigd zijn.

Crcbamcard, bn. Geluimd, ^-«'bunker, o. Het aanh. hunkeren. — itreliuppel, o. Het aanh. huppelen. — «rebiirk, o. Het aanh. hurken. — ge-butNol, o. Het aanh. hutselen.

STObuwd, bn. In den echt verbonden.

— Gehuwden, m. en v. mv. Gehuwde personen.

gel, v. (-en). Loopend touw, waarmede men een zeil bijeenhaalt. inkort of gordt,, als men het niet langer Dij wil houden, als-men het bergt. — Geien, bw. geide, heeft gegeid. (Zeilen) Door touwen inkorten of samenbinden. — Geiiouw, o. (-en). — Geitouwblok, o. en m. (-ken, -s).

«TJolhel [F. E. von), 1815-188.1, Lübeck,. Hor gleeraar (Müncben). Duitsch dichter. Neue Gedichte.

ScUkt. bn. (Van maten en gewichten)' Met den ijk voorzien. (Van uitdrukkingen, enz.) Gangbaar, geldig.

goil, bn. (Van vleesch) Te vet en daardoor walging veroorzakende. (Van grond) Te veel gemest. (Van boomen en planten) Te weelderig. (Van menschen en dieren) Te driftig. Bijw. Op eene geile wijze. Wellustig, dartel, wulpsch. Weelderig. Al te welig. -- Geilen, ow. geilde, heeft gegeild. Geil zijn. — Geilheid, v.

geil, o. Sterkriekende olieachtige zelfstandigheid (inz. van den bever).

geil, o. Kruipwilg, welke, inz. in de duinen veelvuldig groeit.

geïllustreerd, bn. Met platen, enz. voorzien.

geinster, genster, ginster, gelster, v. (-s). Vonk. Vuursprank. — Geinsteren, ow. geinsterde, heeft gegeinsterd. Geinsters uitschieten.

geïnteresseerd, bn. Belangstellend, belanghebbend. Belangzuchtig, baatzuchtig, zelfzuchtig, eigenbatig. Gierig, inhalig.

Oelregat (Z3.), 1828, Gent. Letterkundige. Schreef verhalen, drama's, blijspelen*.

«eiser. De grootste springbron van IJsland.


ocr page 227

GEK — IS

gelt, v. (-en). Wijfje van den bok: Herkauwend zoogdier {Capra), tot de familie van het hoornvee behoorende, dat als tam huisdier over de gehrele aarde verspreid is.

— Geitachtig, bn. — Ge it e baard, m. (-en). Baard van eenegeit.Plant(5'//Vlt;zlt;i u lm ar ia) met witte puntige bloemtrossen — Geitebok, m.(-ken) .— Geite(n)Ieer, o.— Geite(ti)lee-

,bn — Geite?iblad,o.ilees,ter [Lonicera caprijolium) met bevallige welriekende bloemen.—Geitenhaar ,o—Geitenhoeder, m. (-s). — Geitenhoedster, v. (-s). — Geitenmelk t v. — Geitenmelkeri m. (-s). Nachtvogel {Caprimulgus europaus} tot de familie der zwaluwachtige vogels behoorende. — Geitenstal, m. (-len). — Geite-poot, m. (-en). Poot van eene geit. Volksbenaming van het zevenblad. — Geitevel, o. (-len). — Geitevellen, bn. — Gi'ite(n)-vleesch, o.

Srejang:, o. Hetaanh. op de jacht zijn. Hetaanh. hard rijden. Aanhoudende snelle beweging (van pols of adem). - Gejaagd, bn. bijw. iVan personen) Haastig, onrustig, zenuwachtig. (Van den pols) Onrustig jagende, met versnelde kracht kloppende. (Var» het gemoed, geweten, enz.) Onrustig, angstig. — Gejaagdheid, v.

ipojaoht, o. Het haastmaken. Veelvuldig geloop en gedraai om iets te verkrijgen.

— e:lt;Jsakker, o. Het aanh. jakkeren.

{fojsamp;kt. bn. Een iak aanhebbende.

Kojanimor, o. Het aanh. lammeren.

— fiTt'Jsttik, o. Hetaanh. janken.

g-vjaAf, bn. Eene jas aanhebbende.

^uk, o. Het aanh. jeuken. — jj«v Jocvlijai'li, o. Het aanh. joecbjachen.

— STCjocdvl, o. Het aanh. -ioedclen. gejoel, o. Het aanh. joelen. — grcjoli, o. Gescherts. Dartele boert. — srejonw, o. Het aanh. jouwen. — gejnhol, o. Het aanh. jubelen. — gejiiieli, o. Flet aanh. juichen. -- gejnii.o. Het aanh. juilen.

gejukt, bn. (Van trekvee) Een juk dragende. Een juk om de horens of op de schouders hebbende. (Van schepen) Met binten, balken of planken aan elkaar verbonden.

gek, bn. bijw. Vsn het verstand beroofd. In zijne verstandelijke vermogens gekrenkt. Van zinsverbijstering blijken gevende. Verwaand. Verkeerd ; wat gek stuk! Verzot : hij is gek op schilderijen. Onnoozel : meent ge mij gek genoeg om u te aanhooren. Onverstandig : gekke stijf hoofdigheid. — Gek, m. (-ken). Dwaas. Draaiende kap (op schoorsteenen). Mik (eener pomp). — Gekheid, v. ( .heden). — Gekke lijk, bn. bijw. Bespottelijk. Belachelijk. — Gekken, ow. gekte, heeft gegekt. Zich als eeuen potsenmaker aanstellen. Voor gek spelen. Zich met allerlei dwaasheden, enz. vermaken. Schertsen, boerten, jokken.— Gekkendag, m. (-en). — Gekkenfetst. o. en v. (-en). — Gekkengetal, o. — Gekkengezelschap, o. (-pen). — Gekkenhuis, o. (..zen). — Gek-keiinommer, o. — Gekkenpraat, m. — Gekkentaal, v. — Gekkenwerk, o. — Gékker, m. (-s). — Gekkerny, v. (-en). — Gekkin, v. (-nen). — Gekscheren, ow. gekscheerde, heeft gegekscheerd. Schertsen, boerten, jokken. — Gekscheren, o. —

) — GEKI

Gekskap, v. (-pen). Kap van gekken of narren. — Gekskap, m. en v. (-pen). Gek, gekkin. — Gekskolf, v. (..ven), geksstaj, m. (..aven), geksstok, m. (-ken). Kolf, staf of stok, welken de narren als een teeken van hunne waardigheid voerden. Wrii veelal van boven met eenen narrenkop en met bellen voorzien. — Gefesspel, o. — Gekstek'tt, o. 't Is allemaal geksteken, gekheid. Met hem is het geen geksteken : met hem valt niet te spotten. — Geks lok, m. ( ken). Piefboom of arm eener houten pomp.

geknatK, o. Het aanh. kaatsen. — gekaM»eI, o. Hetaanh kabbelen. IJdel gesnap, gesnater. — gekakel, o. Het aanh. kakt len (van hennen). IJdel gesnap, gesnater. — gekal, o. Hetaanh. kallen. Gesnap. — gekalefater, o. Het aanh. kal fateren. — gekain, o. Het aaah. kammen.

gekanxl, bn. (Van dieren) Eenen kam dragende. (Van eenen helm) Van een kam-vormig sieraad voorzien. (Van golven) kamvormige toppen hebbende.

gekanierd, bn. Op eene kamer gezet. gekaiiteellt;l, bn. (Van de muren van vestingen, enz.) Van kanteelen voorzien. (Van balken ineen wapenschild) Van tands-gewijze uitstekende figuren voorzien.

geksipf, bn. Eene kap dragende. Met eene kap afgebeeld. Van eene kapvormigo figuur voorzien.

gekavn, o Het aanh. karnen. g«'llt;artel(I, bn. Rondachtig ingekorven, ingekeept. (Van bladeren) Aan den rand van stompe rondachtige tanden voorzien.

gekamv, o. Het aanh. kauwen. — gekel', o. (Inz. van kleine honden). Schel geblaf. (Van me* schen) Schel getier. Vinnig inr;ar machtelous gescheld. — geke-gel, o. Het aanh. kegt-len.

gekelkt, bn. (Van bloemen) Kelkvor-mig.

gekeperd, bn. (Van stoften) Met eene keper geweven.

gekerf. o. Het aanh. kerven. — gekerm, o. Het aanh. kermen.

gekeiirnd, gekeurslüfd, bn. Eene keuis aanhebbende.

gekeuvel, gekonzel, o. Gezellig gesnap (inz. van vrouwen en kinderen). — gekilgt;lgt;«gt;l, n. Het aanh. kibbelen.

gekield, bn. (Van schepen) van een© kiel voorzien. (Van bladeren) Als 't ware eene kiel hebbende, met het middelste gedeelte overlangs uitstekende als de kiel van een schip.

gekienkaiiw, o. Het aanh. kieskauwen. — gekielel, g«gt;kif(el, o. Het aanh. kittelen. — geklif'. o. H« t aanh. kijven. — gekfjk, o. Het aai h. kijken.— gekir, o. Het aanh. kirren. — geklaag, geklag, o. Het aanh. klagen. — geklad, o. Morsig gevlek (inz. met inkt of met verf). Geknoei, gebroddel. — go-klak, o. Hetaanh. klakken.— grklank, o. De werking \an het klinken of voortbrengen van klanken. — geklap, o. Het aanh. voortbrengen van eenen slag. Het geluid, dat door net slaan met iets wordt


ocr page 228

GEKN — 21

voortgebracht. Gebabbel. Onbeduidende oi ijdele praat. — scklappor, o. Het aanh. klapperen. — ipeklater, o. Het aanh. klateren. (Van den donder, enz.) Geratt l, gebulder, geloei. — gekluutor, o. Het aanh. klauteren. — srcklsiuw, o. Gekrab.

Srekluuwd, bn. (Van dieren) Klauwen hebbende. (Wapenk. inz. van vogels) Van afzon icrlijk gekleurde klauwen voorzien.

sreklswenl, bn. (Wapenk.) Den vorm hebbende van een klaverblad.

ST^klcod, bn. De handeling van zich ie kleeden volbracht hebbende. Zulk eene kleeding dragende als het fatsoen voorschrijft, bij het deelnemen aan plechtige bijeenkomsten, enz. Het voorkomen gevende van iem., die naar den eisch gekleed is.

grcklcp, o. Geklap, geklepper. Het slaan met de klep. Klokgelui. — jjcklop-per, o. Het aanh. klepperen. — jffolilotn, o. Het aanh. kletsen. Gekletter. IJdel geklap. — $;eklettcr, o. Het aanh. kletteren.

grcklcurd, bn. Eene bepaalde kleur hebbende.

geklikklak, o. Het aanh. klikklakken. — K-cklim, o. Het aanh. klimmen.

— SreliliBig-, o. Het aanh. klingen. Hlt; t gelui van klokken.— gelilingol, o. Het aanh. klingelen. — ffoklink, o. Gerinkel van belletjes. Het klinken van glazen, enz., die tegen elkander gestooten worden. — STCkliiikklank, o. Geklink. Van verzen) Zinledige klanken. — geklok, o. Het aanh. klokken, hol keelgeluid in/, bij gulzig of slokkend drinken. Holle klank, als van voc't, dat uit eene flesch geschonken wordt. Geluid, dat de hennen maken, die kuikens hebben.

SToklokt, bn (Wapenk. inz. van koeien, enz.) Met een klokje aan den hals algebeeld.

gcklonbcn, bn. Het is tusschen hen geklonken : de zaak is tusschen hen afgedaan (inz. in toepassing op eene verloving. Het is geklonken : het is gedaan, het is uit, er is niets meer aan te doen, alles is verloren. Plet is met hem geklonken : het is met hem gedaan, hij is verloren, is een kind des doods.

geklop, o. Het aanh. kloppen. — gcklON, o. Het loopen met zware en plompe stappen. — geklots, o. Het aanh. klotsen.

geklntad, bn. In den vorm van een

gewelf gemetseld. Overwelfd.

g4'kliiiigel, o. Het aanh. klungelen.

— gekliitM, o. Het aanh. klutsen. — geknaag, o. (Inz. van dieren) Geknabbel. (Van kommer, enz.) Verterend gekwel.

— geknabbel, o. Het aanh. knabbelen. — geknal, o. Het geluid van iets, dat ontpioft. Ht-t geluid van korte hevige donderslagen. — geknap, o. Het aanh. knappen. — geknars (gekners), o. Het aanh. knarsen. — geknanw, o. Het aanh. knauwen. — geknetter, o. Het aanh. knetteren.

gekneveld, bn. Van eenen knevel voorzien. Eenen knevelbaard dragende.

)— GEKR

gekniel. o. Het aanh. knielen. — ge-knie», o. Ht t aanh. kniezen. Verdrietig gemor. — geknUp. o. Het aanh. knijpen. — geknik, o. Het aanh. knikken, geknlkkebol, o. Het aanh. knikkebollen. — geknikker, o. Het aanh. knikkeren.

geknikt, bn. (Van eenen stengel) Van kmevormige geledingen voorzien.

gekuip, o. Plet aanh. knippen. — go-

knipoog, o. Het aanh. knipoogen. _

geknoei, o. Het slordig werken. Slordig werk. Het bedrieglijk te werk gaan. Het oneerlijk en met streken te werk gaan.

— geknoop, o. Het aanh. knoopen. geknopt, bn. (Van boomen, enz.) Van

knoppen voorzien, knoppen hebbende. (Wapenk. van rozen, enz.lt; Afgebeeld met een hart van eene andere kleur dan die der bladeren of andere deelen.

geknor, o. Het aanh. knorren, geknot, bn. (Wapenk.) Van den eenen schiMrand uitgaande en niet tot den tegen-ovrrgestelden doorloopende, maar kort bij het uitgangspunt ophoudende; geknot vogeltje : vogeltje, waaraan de po' ten ontbreken ; geknot adelaartje : adelaartje, waaraan zoowel de b:'k als de pouten ontbreken.

gekniifiel, o. Het aanh. kn ffeien._

geknufMel, o. Het aanh. knutselen. —

— gekoer, o. Gekir (van duiven). _

gekoesler. o. Het aanh. koesteren._

gekoeter, o. Het aanh. koeteren. _

gekoeterwaal o. Het aanh. koeterwalen. — gekokerel, o. Het aanh. kokerellen. — ge kolt', o. H^t aanh. kolven.— gekonkel, o. Het aanh. konkelen. — gekook, o. Het aa» h. koken.

— gekoop, o. Het aanh. koopen. — gekooN, gekoozel, o. Zoet gepraat. Geliefkoos, gevlei. — gekoppel, o. Het koppelen.

gekoppeld, bn. (Van het hand- en voetklavier) Door zeker werktuig op zulk eene wijze verbonden, dat bij liet neerdrukken der toetsen van het voetklavier ook de daaraan beantwoordende toetsen van het handklavier nedergaan. Gek pp» Ide sluis: sluis met twee ot meer schutkamers, die onderling aaneengevoegd zijn.

gekor, o. Gekir (van duiven), gekornet, bn. Eene kornetmuts dragende.

gekorst, bn. Eene korst hebbende. Met eene korst omgeven of bedekt.

gekorven, bn. Zie Dierenrijk. (Bij-gevoeyde tabellen).

gekotM, o. Het aanh. kotsen, gekonst, bn. Kousen dragende. (Van vogels) Piuimen om de pooten. (Wapenk. van een wapenschild) Veideeld door twee schuine lijnen, van de beide bovenhoeken uitgaande en elkander aan de punt van het schild ontmoetende.

gekout, o. Het aanh. kouten, gekraagd, bn. Eenen kraag dragende. Gekraagde tortelduiv n. etnden, enz.

gekraai, o. (Van hanen) Het aanh. kraaien. (Van menschen) Schel geroep. (Van kinderen, enz.) Luid geschreeuw, als teeken van uitgelaten vreugde. — ge-


ocr page 229

GEKU — J

-lcrusik, n. Hctaanh.kraken.— gekrat», Srekrabbcl, o. Geschraap, geschrap. Slordig geschrijf of schrift. — gekrakeel, o. Het aanh. krakeelen.— gekrakkrak, o. Het aanh. voortbrengen van het geluid krak krak. — i;okras, o. Het aanh. krassen. — gek rauw, o. Het aanh. krauwen. — crekrcnn, o. Het aanh. kreunen. — ^«'kriebel, o. Zacht gekrab of gesireel, Kekittcl, geje.uk. Heel klein geschrift. — grokrick, o. Het aanh. krie-ten (van den krekel). — ^ckricl, o. Het aanh. krielen. — grokriouw, srckrleii-wel.o. Het ;.anh.krieuwen.— gek rywcli, o. Scherp geschreeuw. (Van werktuigen, inz. van ijzer) Scheipsnijdend geluid. — Keki'Ut, o. Geschreeuw. Klagend gre-schrei, geklaag, gejammer. — gekrik-ki*nli, o. Het aanh. voortbrengen van het geluid kt'ik krak. — ifekrlocl, o. Het aanh. krioelen.

evkroofMl, bn. Dicht ineengekruld. Krullend. Gekrinkeld.

pokrol, o. Dof pebrul (van tijgers). •Qegrol, pelol, het geluid (van katten). g:lt;kkronilt;l, bn. Krom. Gebogen, i(ekronk«kl, o. Het aanh. kronkelen. S^'krookt, bn. Het gekrookte riet zal niet bi eken.

i^ekroonri. bn. (Van personen^ Met «ene kroon versierd. Eene kroon dragende. (Wapenk. van leeuwen, enz.) Met eene kroon afgebeeld, waarvan de kleur anders is dan die van het voorwerp.

KCkrui, o. Het rijden met den kruiwagen. Het voortdrijven en opeenschuiven van het ijs.

eekruifiil, l-n. Krullend Van krullend haar voorzien, met krullend haar getooid. Gekuifd. (Van laken, enz.) Met neppen opgehaald.

Srokrtiiniol. o. H^t kru-melcgewijze verbrekon van brood, enz. Het uilzuinigen van kleinigheden.

{pckriiin«l. bn. (Van priesters enz.) Eene kruin hebbende. (Van boomen, enz.) Statig gekruinde eik.

grekruiNt. bn. (Van twep of meer voorwerpen) K.ruiswijze met hotrekking tot elkander geplaatst, elkander knusende. (Wapenk. van degene. en7. ) Kruiseling*! over elkander geplaatst. (Van bloemen) Kruiselings tegenover elkander staande bloembladen hebbende. (Van geldstukken, enz.) Met een krui« versierd.

gekrukt, bn. (Wapenk. van een schild) Van krukken voorzien.

grekruld, bn. 'Van haar^ Krullend, krulswijze golvend, krullig. (Van mensrben oi dieren) Met krullend haar bedekt. (Van versch. voorwerpen) Krulswijze gebogen.

gekuoli, o. Het aanh. kuchen. — gekuicr, o. Het aanh. kuieren.

f^kuiftl, bn. Van eene kuil voorzien, eene kuifhebber.de.

Srekuil«l, bn. Een of meer kuilen of

faten hebbende. (Van de wangen oi de in) Een kuiltje hebbepde.aten hebbende. (Van de wangen oi de in) Een kuiltje hebbepde.

tpekuip, o. Het geklop bij het ineenvoegen van houten vaatwerk. Het aanh. bejag van ambten, enz.

Kekulsclit, bn, (Van taal, stijl, enz.)

I — GELA

Gezuiverd van smetten, vrij van alle ruwheid, zuiver en kiesch, fijn, keurig. — Ge-kuischtheid, v.

grckul, o. Het bedriegen. STCkuuMtold, bn. (Van taal, figuren, enz.) Gedwongen, gemaakt, onnatuurlijk. (Van uitleggingen, enz.) Gewrongen, gezocht. (Van handelingen, enz.) Gemaakt, stijf. Bijw. Op eene gekunstelde wijze. — Gekunsteldheid, v.

grekus, o. Het aanh. kussen. — ge kwaak. o. Het aanh. kwaken. Ijdel gesnap. Eentonig geluid (van een blaasinstrument). — K-okwstk, o. Het gedurig kwakken. — {*ektvalikel, o. Het aanh., kwakkelen. — gokwalio, o. Het aanh. . kwalirn. — srckwauAel, o. Het aanh. kwanseien.

ifektvariileerd, bn. (Wapenk. van een schild) Door twee loodrecht op elkander staande lijnen in vier gelijke vakken of kwartieren verdeeld.

Kckwaftt, bn. Van eenen of meer kwasten voorzien. Met kwasten versierd.

grokwoek, gek wek, o. Het aanh. kweken of kwaken. Het geluid van ganzen, eenden, en kikvorschen. IJdel gespap. — eekivoel, o. Het aanh. kweelen. — g-e-kwol, o. Het aanh. kwellen. Aanhoudende kwelling. — g:okw4'tl«*r, o. Gesnap. gesnater, gekakel Aanhoudend gekweel (van vogels). — grekwozol, o. Gefemel. Vroom geteem. — KckwUl, o. Het aanh. kwijlen. — tpektvUu, o. Het aanh. kwijnen.

grrk wikt, bn. Gestrikt en gekwikt: met strikken en kwikken uitgedost of ver-sieid.

g-okn-iuk, er^kwinkolocr, o. Het

aanh kwinken ot kwinkeleeren. Liefelijk trillend gezang. — g-rktviMpol, o. Het aanh heen en weder slaan met eenen kwis-pel. Het aanh. kwispelstaarten.

li;lt;'l:iskrN«l, bn. Laarzen dragende. Ge laarcd en erespoord : reisvaardig.

golauf, o Het voorste gedeelte van 's mensr.hen hoold. Het aangezicht. (Van levenlooze dingen) liet aanschijn, het voorkomen, het uiterlijk. — Gelnaikenner, m. ( s). — Gelaatkunde, v. — Gelaatkundige. m. en v. (-n). — Gelaatshoek, m. (-_cn). De boek van het gelaat met betrekking tot den schedel. — Gelaatskleur, v.

— Gelaatsspier, v. (-en). — Gelaatstint, v. — Gelaatstrek, m. (-ken). — Gelaatsuitdrukking, v. (-en). — Gelaatsveran-dertng, v. — Gelaatsvorm, ra. (-en). — Gelaatszenuw, v. (-en).

itrolaoli, o. Het aanh. lachen. Het lachen.

g-clagr, o. (-en). Het geheel der kosten van hetgeen door een gezelschap van personen. die samen aanzitten om te eten of tedr r.ken in eene herberg enz. gebruikt is. Het gelag betalen. Voor het gelag blijven.

— Gelagkamer, v. (-s).

grday, o. Lot ; ren hard gelag.

gcliiKt, bn. Met eene blinkende lak-

laag bei lekt.

{irrlaiiibrizoerd, bn. (Bouwk.) Met hout beschoten. Van houten beschotwerk voorzien.


ocr page 230

GELD — 2C

eelamenteor, o. Geklaag. Gejammer. Jammerklacht. Weeklacht.

frelmKl, bn. Geland zijn : land in eigendom hebbende. — Gelande, m. en v. (-n). Eigenaar of eigenares van land, t. w. binnen cene aangewezen ruimte. De naaste gelanden : de eigenaars der naastbij gelegen landerijen.

gelang, o. Naar gelang (van) : naarmate tvan', in verhouding (tot), in evenredigheid (met). Naar gelang dat : naarmate dat.

{felsiHten, bw. gelastte, heeft gelast, lem. ieis gelasten : hem den last opdragen dat te doen, het hem bevelen, gebieden. Zich gelasten, ww.— Gelastigde, m. en v. (-n). Ilt;-m. wien eenen last gegeven is.

grclufon, bn. Aan Gods wil overgegeven, onderworpen. In Gods beschikking berusten. Berustende, lijdzaam, kalm. — Gelaten {zich), ww. geliet zich, heeft zich gelaten. Zich in iets gelaten : zich aan iets (t. w. aan eene harde noodzakelijkheid) gewillig ondt-rwerpen, er in berusten. Zich houden : ikgeiietmij alsof ik hem niet verstond. — Gelatenheid, v.

gelatiuo, v. Gelei.

crelaawerd, bn. Met lauweren versierd.

Kelawaai, o. Het aanh lawaaimaker). Leven, rumoer.

geld, o. Het ruilmiddel en de waardemeter in het maatschappelijk verkeer, bestaande in gangbaar gemunt metaal, inz goud, zilver of koper, of wel in papier, dat eene bepaalde hoeveelheid gemunt metaal vertegenwoordigt en van staatswege als w«ttig betaalmiddel erkend is. Greldelijk vermogen, geldmiddelen, vermogen, middelen. (-en) Eene zekere hoeveelheid geld, eene geldsom. — Geldadel, m. Adel door rijkdom verkregen. — Geldafperser, ..afzetter, m. ( s). — Geldafpersing, ..aj-persing, v. (-en). — Geldbnkji, o. (-s). —

— Geldbank, v. f-en). — Geldbelegging, v. (-en). — Geldbeurs, v. (..zen). — Gelet-bezorger, m. (-s). — Geldboete, v. (-n).

— Geldbuidel, m. ( s).— Geldbus, v. (-sen).

— Gelddorst, m. — Gelddrager, m. (-s). — Geldduivel, m. (-s). Geldzuchtig persoon. — Geldelijk, bn. Op geld betrekking hebbende, geld of geldzaken betreffende. In geld bestaande. — Gelde-loos, bn. — Gelde loosheid, v. — Celden, ow. gold, heeft gegolden. Kosten : de boter geldt niet veel. Dat geldt hem zijn leven : dat zal zijn leven kosten. Eene zedelijke waarde hebben : hij bezat t-ene gerechtigheid, die voor God geldt. Van waarde, van invloed zijn : verstand geldt meer dan rijkdom.Gehouden worden (voor). Betreffen : dit verwijt geldt alle menschen.

— Geldend, bn. Kracht hebbende, gezag hebbende, als wettig erkend (van wetten, enz.), — Geldgebrek, o. — Geldgeven, o. — Geldgierig, bn. — Geldgierigheid, v. — Geldha7idel, m. — Geldig,hn. Een hoogen prijs kostende. Kostbaar, duur. Deugdelijk. Van kracht. Wettig. — Geldigheid, v.

— Geldhcffing, v. (-en — Geldj'esdag, m. — Geldkas, v. (-sen). — Geldkast, v. (-en). — Geldkist, v. (-en). — Geldkoers,

:— GELE

m. (-en). Loopende prijs van 't geld. —

G eldk offer, m. (-s). — Ge ld leening, v. (-en). — Geldmandje, o. (-s). — Geld' markt, v. (-en). — Geldmiddelen, o. mv. Toestand van iemands vermogen. — Geld' munt, v. verzamelw. (-en) voorwerpsn. Eene bepaalde soort van gemunt geld. Geldstuk, muntstuk. — Geldnood, m. — Geldopnemer, m. (-s). — Ge ld op neemsterr v. (-s). — Geldpot, m. (-tent.— Geldschaalt v. (..alen). — Geldschieter .va. (s).— Geld-schietster, v. (-s). — Geldschieting, v. — Geldslaan, o. — Geldsom, v. (-men). — Geldsomloop, m. — Geldsoort, v. (-en). Bepaalde soort van geld.— Geldstapel, m. (-s). —Geldstuk,o. (-ken).— Geldswaarde ,v. De waarde van eene zaak in geld. De geldelijke waarde, de prijs. — Geldswaardig, bn. — Geldtasch, v. (..sschen). — Geldverkwister, m. (-s). — Geldverkwistster, v. (-s). — Geldve rkw is ting, v. (-en). — Geldverlegenheid, v. (..heden). De toestand van het verleeen zijn om geld. Tijdelijk gebrek aan geld. — Geldverlies, o. (..zen*. — Geldverspiller, ra. (s). — Geld-versplister, v. (-sU — Geldverspilling, v. (-en). — Geldvertering, v. (-en). — Geldwezen, o. Het gezamenlijke begrip van alles wat de geldmiddelen van eenen Staat betreft. De financiën. — Geldwinkel. ra. (-s). — Geldwisselaar, ra. (-s). — Geldwolf, ra. (..ven). Uiterst hebzuchtig mensch — Geldzaak, v. (..aken). — Geldzak, ra. m. (-ken). — Geldzorg, v. (-en). — Geld-zucht, v. — Geldzuchtig, bn. — Geldzuchtige, ra. en v. (-n).

geld, bn. (Van koeien, enz.) Niet drachtig.

Oelder (7« de), 1765-1848, Rotterdam. Wiskundige.

Oeldei'land. Provincie (Nederland). Arr. : Arnhem, Nijmegen, Zutfen, Tiel, 22 kantons, 116 gemeenten. Hoofdpl. Arnhem.

geleden, dcelw. Niet lang geleden^ hort geleden : vóór korten tijd, onlangs.

geledisrd, bn. (Wapenk.) Van stukken gezegd, waai van alleen de randen zijn afgebeeld, terwijl het binnenste als 't ware uitgesneden is, zoodat men door de ontstane ruimte heen het veld ziet.

{^elodine, v. (-enjVlDierk.) Onderlinge verbinding of aaneensluitirg der verschillende leden van 't dierlijk lichaam, door W' Ike de bo wee i ng mogelijk gemaakt wordt. Lid van 't dierlijk lichaam, dat met andere •«•den beweeglijk verbonden is. (Plantenk.) Verbinding tusschen een beweeglijk of afvallend deel eener plant en het deel waarr p het is ingeplant; de plaats waar het deel zich later afscheidt. Het tusschen twee knoopen vervatte gedeelte van den ster gel eener plant. — Geleed, bn. Gelede dieren» Zie Dierenrijk (Bijgevoegde tabellen).

Sreleeu, o. Het aanh. leenen. — Ge leend, bn. Aan iem. of iets niet van nature of door zich zelf eigen, maar van elders ontleend.

geleerd, bn. Van eene ladder voorzien. Aan of met eene ladder afgebeeld.

geleerd, bn. Met uitgebreide kennis toegerust. Door onderwijs of eigen onder-


ocr page 231

GELI — 2

richt bnzonder in iets ervaren : een geleerd man. Tot het gebied der wetenschappen betrekking hebbende : geleerde verhandeling. Ingewikkeld, moeilijk : dit ziet er geleerd uit. De geleerde wereld : al de personen, die zich aan de beoefening der wetenschappen wijden. Afgericht : een geleerde hond, paard, enz. — Geleerde, m. en v. (-n). — Geleerdheid, v. (..beden). Srelees, o. Het aanb. lezen.

grelegrcn, bn. Liggende of eene plaats innemende : Brussel is te midden van België gelegen. Geschikt: zij kozen eene goed gelegene plaats. Behoorlijk : bij heeft geen gelegen tijd. Hoe is de zaak gelegen : hoe staat het met die zaak ? Er is veel aan gelegen : er is veel belang bij. Zijn leven is er aan gelegen : zijn leven hangt er van af. — Gelegenheid, v. (..heden;. Ligging. Bekwame tijd. Omstandigheid. Gesteldheid. Geschikte plaats tot dezen of genen handel. Bij gelegenheid. De gelegenheid maakt den dief. — Gelegenheidsgedicht, o. (-en).

— Gelegenheidspreek, v. (-en). — Gelegenheidsvers, o. (..zen).

grelcS. v. Gestold vleeschnat. Gelei van aalbessen, appelen, enz. — Geleiachtig, bn. — Gelei-extract, o. — Gelei-stof, v. Gelei-taart, v. (-en).

geleiden, bw. geleidde, heeft geleid. Vergezellen : iem. naar huis geleiden. Beveiligen ; dat God u geleide ! Tot de eeuwige rustplaats leiden : een lijk geleiden. — Geleibiljet, o. (-ten), geleibrief, m. (..ven). Brief, bewijs van vrijgeleide. — Geleide, o. Personen, enz., die iem. of iets bij bet vervoer vergezellen, als eerbewijzing of als maatregel van veiligheid of voorzorg. — Geleidelijk, bn. bijw. Naar orde. Geregeld. Regelmatig.— Geleider, m. (-s). Die geleidt, leidsman, gids. Vooriplanter van de warmtestof of van de electneke vloeistof. — Geleiding, v. (-en). — Geleidster, ..star, v. (-ren). — Geleidster, v. (-s). — Geleigeest, m. (-en),

— Geleigeld, o. (-en).

yeleierwerk, o. Gleiswerk.

Kelcb, o. Het aanh. lekken. — grelel,

o. Het veel en luid praten.

Srelcn, geelde, heeft en is gegeeld. Ow. (zijn) Geel worden. Bw. Geel maken, g^elcp, o. Het aanh. leppen, geletterd, bn. Letterkundig. Bedreven in de letteren. — Geletterde, m. (-n). Geleerde. — Geletterdheid, v.

yelcater, o. Het aanb. leuteren, yelid, o. (..ederen). Samenvoeging der beenderen. Rij, rang (van soldaten) : hij viel dood in het eetste gelid. — Gelidbeentje, o. (-s). — Gelidknoop, m. (-en).

— Gelidruervel, m. ( s).

geliefd, bn. Bemind. — Geliefde, m. en v. (-n). Beminde, vrijer, vrijster, aanstaande. — Gelief te, o. Goedvinden. — Gelieven, m. mv.lVlinnend paar. — Gelieven, geliefde, heeft geliefd. Ow. Behagen. Eenpw. Believen, bevallen.

SelUb, bn Eeneilei, zonder verschil, zonder onderscheid : eene gelijke straf. Recht, effen : een gelijke weg. De schaal is niet gelijk, isnietin evenwicht.Eenen balk gelijk, waterpas leggen. Overal even dik *

.3 — GELI

gelijke draad. (Meetk.) Twee begrensd# vlakken,die elkander juist kunnen bedekken, zijn gelijk. De som der hoeken van eenea driehoek is gelijk aan twee rechte hoeken. Bijw. Op gelijke wijze. Zonder onderscheid. Te gelijk ; te zamen, gezamenlijk. Gelijk op spelen : niets winnen en niets verliezen. Vw. Als : gelijk gezegd is. — Gelijk, o. Recht. Gij hebt gelijk. Gij moet in 't gelijk spreken, onpartijdig oordeelen. — Ge-lijkaardig, bn . — Gelijkaardigheid, v . — Gelijkbeduidend, gelijkbeteeke-nend, bn. — Geljkbeenig, bn. Zie Driehoek. — Ge lijk breien, bw. breide gelijk, heeft gelijkgebreid. — Gelijke, m. en v. (-n). — Gelijkelijk, bijw. Op gelijke wijze. Op dezelfde wijze. Zonder onderscheid. — Gelijken, ow. geleek, heeft geleken. Gelijk zijn laan). Overeenkomen (met). Gelijkenis hebben (met). Schijnen. Passen, voegen : schilderen gelijkt hem niet. — Gelijkenis, v. (-sen). Het gelijken. Beeltenis. Afbeeldsel. Vergelijking. Verdicht verhaal. Parabel. — Geljker-wys, ..-wijze, bijw. Alsof. Op gelijke wijze. — Gelijkheid, v. — Gelijk-heidsteeken, o. ( s, -en). Teeken (=), dat aanduidt dat twee dingen even groot zijn. — Gelijkhoekig, hn. — Gelijk-jarig , bn . — Gelykkloppen , bw. klopte gelijk, heeft gelijkgeklopt. — Ge-lijkknippen, bw. knipte gelijk, heeft gelijkgeknipt. — Gthjkkonitn, ow. kwam gelijk, is gelijkgekomen. — Gelijk-luidend, bn. — Gelijkluidendheid, v.

— Gelijkmaken, bw. maakte gelijk, heeft gelijkgemaakt. — Gelijkmatig, bn. — Gelijkmatigheid, v. — Gelijkmoedig, bn. bijw. — Gelijkmoedigheid, v. — Gelijknamig, bn. — Gehjnnamig-heid, v. — Gehjkschaven, bw. schaafde gelijk, heeft gelijkgeschaafd. — Gelijk-slaan, bw. sloeg gelijk, heeft gelijkgesla-gen. — Gelijkslachtig, bn. — Ge lijk-slachtigheid, v. — Gelijk snij den, bw. sneed gelijk , heeft gelijkgesneden. — Gelijksoortig, bn. — Gelijkstaan, ow. stond gelijk, heeft gelijkgestaan. — Gehjk-staltig, bn . — Gelijks tampen, bw. stampte gelijk, heeic gelijkgestampt. — Gelijkstandig, bn . — Gelijksteken , bw. stak gelijk, heeft gelijkgestoken. — Gelijkstellen, bw. stelde gelijk, heeft gelijkgesteld. — Gelyk stemmig, bn.

— Gelykstooten, bw. stiet en stootte gelijk, heeft gelijkgestooten. — Gelykstraats, bijw. — Gelyk strijken, bw. streek gelijk, heeic gelijkgestreken. — Ge-lyntands, bij\v. — Gelijktijdig, bn, — Gt lijk tijdigheid, v. — Geiijkvylen, bw. vijlde gelijk, heeft gelijkgevijld. — Ge lijk-vlakkig, bn. — Gelijkvloeiend, bn. Te zamen vloeiende. Gelijkvloeiend werkw.

— Gelijkvloers, bijw. Gelijk met den grond. — Gelijkvormig, bn. bijw. — Gelijkvormigheid, v. — Gelijkzijdig, bn. Zie Driehoek.

Ifolite, o. Plet aanh. likken.

gelinieerd, bn. Gelinieerd papier, waarop evenwijdige lijnen zijn getrokken, met het doel om er op te schrijven. Het gelinieerde : de getrokken lijnen.


ocr page 232

GELU — 2C

e-'-llsj», gellspel, o. Hetaanh. lispen, lispelen.

Ucrllert (C. J7.}, 17115 1769, Hagnichen. Duitsch wijsgeer en dichter. Fabelen.

srellelje, o. ( s). Gekkernij. lera. tot een gelletje maken iem. voor het lapje houden. Voor een gelletje loopen, bespot women.

Kolliiifir, v. Hennep zonder zaad. 8rel4»ei, o. Hi't geluid der runderen. Het geloei der golven, van den wind. — yeloer, o. Het aanh loeren.

8:oloft«, v ( n), grolorieni», v. (-sen). Woord uit vrijen wil gegeven, waardoor men zich op zonde jegens iem. verplicht, voor hem iets te dot n ol te laten. Zie Orde. Vrijwillige verbintenis.

srelohon, bn. Met geloken, met gesloten oogen.

t^elol, o. Geluid der katten. Vervelend gezang. — srclonk. o. Hetaanh. lonken.

geloof, o. (Deugd* « Eene gave G^ds en een licht, door hetwelk de mensch vastelijk gelooft al hetgene God ons veropenbaard heeft en door de h Kerk voorhoudt. 't zij dat net geschreven is of niet ». Vertrouwen op de waarheid van iets. Godsdienst waarheid. De Geloofsartikelen. Godsdienst. Samenstel van godsdienstige waarheden. Trouw. Op goed geloof: op vertrouwen. Krediet : iets op geloof koopen.

— Geloofbaar, bn. — Geloofbaarheid, v.

— Gelooielyk. bn. — Geloofeliikheid. v.

— Geloofsartikel, o. (-en. -s). — Geloofsbelijdenis, v. (-sen). — Geloofsbrief, m. (..ven). Bewijs van aanstelling of benoe ming (b v. totge/ant aan een Hot. enz.). Kredietbrief. — Geloofsdwang, m. Vervolging, onderdruk-ing ter zake van het geloof. — Geloofsgenoot, ra. {-en). — Ge-loofsgenoote, v. (-n). — Geloofsgeschil, o. Men). — Geloofsgetuige, m. en v. (-n). Martelaar, martelares. — Geloofsheld, ra. (-en). — Geloofsleer, v. Leet nukken des geloofs. — Geloofsleven, o. — Geloofsonderzoek, o. Inquisitie. — Geloofsonderzoeker, m. (-s). — Geloofspunt, o. (-en). Artikel, grcndstellirg de; geloofs. — Geloofsstuk, o. (-ken). Geloolspunt. — Geloof sv er zvant, m. (-en). — Geloofsverwante, v. (-n). — Geloofsverzaakster, v. (-s).— Geloofsverzaker, m. (-s).—Geloofsverzaking, v. — Geloofsvraag, v. ( .agen).

— Geloofsvrijheid, v. — Geloofszaak, v. (..aken). — Geloofwaardig, bn. — Geloofwaardigheid, v. — Gelooven, bw. ow.

geloofde, heeft geloofd. (Iets) voor waar ouden op eens anders getuigenis. In, aan God gelooven. Denken, meenen. Vertrouwen. —eloofde, heeft geloofd. (Iets) voor waar ouden op eens anders getuigenis. In, aan God gelooven. Denken, meenen. Vertrouwen. — Geloovig, bn. — Geloovige, m. en v. (-n). — Geloovigheid, v.

greloop, o. Het loopen. Dat huis heeft veel geloop, er komen veel menschen.

grelt, bn. Onvruchtbaar. Niet drachtig.

— Geltharing, ra. (-en). Hommer. — Geltsnoek, ra, (-en). Mannetjessnoek. — Geitvarken, o. (-s). Beer (ie art.).

Srelui, o. Het luiden der klokken, greluid, o. (-en). Trillingen, welke,

golfsgewijs voortgeplant tot aan ons oor, oor onze gehoorzenuwen kunnen waargenomen worden. Wanneer die trillingenolfsgewijs voortgeplant tot aan ons oor, oor onze gehoorzenuwen kunnen waargenomen worden. Wanneer die trillingen

t — GEMA

onregelmatig op elkander volgen, ontstaat een geraas, gedruisch, enz. Volgen zij elkander op met geregelde tusschenpoozen, dan heelt men eenen klank. Zijn ae trillingen enkelvoudig, dan heet men ze toon. Zie Snelheid. Geschreeuw. — Geluidbreker, m. {■%),geluiddemper, ra. {-s),geluid-doover, ra. :-s). Klein werktuig tot demping van het geluid van sommige muziekinstrumenten. — Geluidgevend, bn. — Geluid-gevmg. v. — Ge luid kunde, v. — Geluidsgolf. v. (..ven) — Geluidstrilling, v. (-en), o. Het luieren.

s:lt;gt;luiiiMl, bn. Van zulke of zulke gemoedsgesteldheid.

groliiister, o. Het luisteren.

groliak, o. Toestand van volkomen tevredenheid. Fortuin. Voorspoed. Welvaart. Onzekere uitkomst, kans, goede uitslag üit wellevendheid • hij had het geluk zi|npn vriend te zien. Ik wensch u geluk : ik bied u mijne heilwenschen. — Gelukken, gelukte, is gelukt. Ow. Slagen hij gelukt in .'n ziine zaKen.'Eenpw. Wel uitvallen : alles wat hij onderneemt, gelukt. — Gelukkig, bn. bijw. Volkomen. Tevreden. Zeer vergenoegd. Door het geluk begunstigd. Eene gewenschte uitkomst hebbende. Ge-weuscht. Uitmuntend.— Gelukkigerwijze, ..wys, bijw. — Gelukkiglijk, bijw. — Gcluksbode, ra. en v. (-n). — Geluksgodin, v. *-nen). — Gelukskind, o. (-«-rtin). — Geluksster, ..star, v. (-ren). — Geluksvogel, m. i-s). Iem., die in alles gelukkig is.

— Gelukszon, v. — Gelukwensch, ra. (-en). Heil-, zegen wensch. — Gelukiven-scheti, bw. wenschte geluk, heeft gelukge-wenscht. — Gelukwensching, v. (-en).— Gelukzalig, bn. Het eeuwig geluk genietende. Voorspoedig : een gelukzalig nieuwjaar wenschen. — Gelukzaligheid, v. (..heden). Zie Zaligheid. — Gelukzegger, ra. (-si. — Gelukzoeker, m. (-s). — Geluk-zoekster, v. (-s).

Srelul, o. Nuttrloos gepraat. Zotte klap.

— treinrk, o. Het aanh. lurken, ipvlu.sleu, eenpw. gelustte, heeft gelust. Behagen. Believen. Genoegen vinden (in*.

c;eliiw, bn. Geel.

s:«iuskni, o. Hetaanh. maaien.

bn. Af, gereed, voltooid Gedaan. Geveinsd, gedwongen, onnatuurlijk Gemaakte bloemen: kunstbloemen.— Gemnuktheidf v.

Kemasil, m. ( s, ..alen). Man, echtgenoot. — Gemalin, \. ( nen).

fpomsisil, o. Het malen. Wat gemalen is of wordt.

ecmsKsU, o. Gezanik. — ge ma an, o. Het aann. manen.

$;-emucliUe«le, ra, en v. (-n). Zaakgelastigde.

Srcnistk, o. (-ken). Rust: daar is weinig gemak te vinden. Nederzitt?ng : zijn gemak nemen. Genoegzame tijd : betaal op uw gemak. Ger ef : eene koets is een groot gemak. Zoetheden : de gemakken des levens. Gemakkelijkheid : het gemak van spreken verkrijgt men door oefening, lieste-kamer. — Gemakkelijk, bn. bijw. Veel van gemak houdende. Niet moeilijk, licht»


ocr page 233

GEME — 2C

Lichtelijk. Zonder inspanning. Toegeeflijk, inschikkelijk. Hij zal t-r niet gemakkelijk afkomen ; hij zal zw aar voor htt bedrevene boeten. — Gemakkelijkheid^.— Gemakshalve, bijw.

Kcmstl, o. Het dartelen, pretraaken. —

o. Hetaanh. mangelen. R-em» ii i «r«l ,bn. \V ellevend,beschaafd, welopgevot d. — Gemanierdheid, v.

Itreiustnt«]d, bu. Van eenen mantel voorzien. Eenen mantel omhebbeude.

scmstr, o. Getalm. — gcuiHrtel, o. Het folteren. Getob.

KeiiiUHklt;'r«l, bn. Een masker voorhebbende, verkleed, vermomd.

SrciusiliKd, bn. bijw. Niet overdreven. Ingetogen. — Gematigdheid, v.

Sreniauw, o. Het mauwen (der katten). Gezanik.

v. Plant {zingiber officinale) tot de specerijachtige planten behoorende. Groeit in Z.-Azië en in Amerika.

creiiiecii,bn. bijw. Aan meer dan éenen persoon toebehoorende. Aan allen eisen. Openbaar, gewoonlijk, alledaaRSch. Eenvoudig. Gering, slecht, onfatsoenlijk, laag. Al te vertrouwelijk. Een gemeene muur : muur tusschen twee perceclen, voor bride tegelijk dienende. De gemeene weiden : weiden, waarop de bewoners van éene of meer gemeenten het recht hebben, hunne kudden te laten grazen. Op gemeene kosten : op gezamenlijke kosten. Niets

femeen hebben (nut) ; nieis uit te sta va ebben (met). Zich gemeen make.n: vertrou-welijken omgang hebban. Door den d'i k gemeen maken, openbaar verspreiden. Gemeen soldaat, zonder eenigeu rang. Eenemeen hebben (nut) ; nieis uit te sta va ebben (met). Zich gemeen make.n: vertrou-welijken omgang hebban. Door den d'i k gemeen maken, openbaar verspreiden. Gemeen soldaat, zonder eenigeu rang. Een

Eemeene soldaat: een zedelooze soldaat. )e gemeene man : het volk, de geringe burgers. Dit aogt men in het gemeene leven : dit is eene volksuitdrukking. In het gemeen : gewoonlijk. Gemeeo naamw. (Godgel.) Gemeene lieden : lif.den, wier ambt het niet is, als dienaars der h. Kerk, de geloovigen schriftelijk of mondeling in het Geloof te onderwijzen, of die zich tot dit ambt niet voorbereiden. —emeene soldaat: een zedelooze soldaat. )e gemeene man : het volk, de geringe burgers. Dit aogt men in het gemeene leven : dit is eene volksuitdrukking. In het gemeen : gewoonlijk. Gemeeo naamw. (Godgel.) Gemeene lieden : lif.den, wier ambt het niet is, als dienaars der h. Kerk, de geloovigen schriftelijk of mondeling in het Geloof te onderwijzen, of die zich tot dit ambt niet voorbereiden. — Gemeen, o. De lage volksklasse. — Gemeenebest, o. (-en). Republiek. — Gemeenebest gezinde, m. en v. (-n). — Gemeenebestgezindheid, v.— Gemeenheid, v. (..heden).— Gemeen-lyk, bijw. Gewoonlijk. In den regel. — Gemeenplaats, v. (-en). Alledaagsch g -zegde. Uitdrukking, welke vaak voorkomt. — Gemeenschap, v. (-pen). Gezamenlijk bezit. Vereeniging. Verbintenis. Betrekking. Verkeer. Omgang. Overeenkomst. In gemeenschap : gezamenlijk. Trouwen in gemeenschap van goed, zoo, dat het goed van den bruidegom en van de bruid bij het huwelijk de gemeenschappelijke bezitting wordt van man en vrouw. De gemeenschap der heiligen : « Eene mededeeling van alle sacrificiën, openbare diensten, goede werken en gebeden, die in de h. Kerk geschieden. » — Gemeenschappelijk, bn. bijw. Aan meer dan éenen persoon behoorende. Waarin door meer dan éenen persoon wordt voorzien. — Gemeenslachtig, bn. (Spraakk.) Van beide geslachten, b. v. : drenkeling. — Gemeenslachtigheid, v. —

; — GEMO

Gemeensman, m. (..lieden). (Rom. gesch.) Volkstribuun. — Gemeente, v. (-n). Onder-afdeeling van een kanton, onder het bestuur van eenen burgemeester, schepenen en eenen gemeenteraad. De gemeenten zijn uit villa; voortgesproken. Begunstigd gelijk zij werden door de landvorsten, namen zij spoedig toe in groei en bloei. Waren voorzien van muren en vestingen. Hadden eene parochiekerk en een schependom. Kerkgenootschap. Gehoor (toehoorders) van eenen predikant. Gemeene weide. — Gemeenteambtenaar, m. (. aren, -s). — Gemeentebelasting, v. (-en). — Gemeen-tebegrooting, v. (-en).— Gemeentebestuur, o. (..uren). — Gemeenteblad, o. (-en). Ver-zamelii g van alle gemeenteverordeningen,

— Gemeentebosschen, o. en m. mv. — Gemeentegoed, o. ( eren). — Gemeente» grond, m. (-en). — Gemeentehuis, o. (..zen). — Gemeentehuishouding, v. Beheer der gemeente. — Gemeentekas, v. (-sen). — Gemeentelasten, m. mv. — Gemeentenaar, m. (..aren). — Gemeente-ontvanger, m. (-s). — Gem een teoorlog, m. Zie Oorlog. _— Gemeenteraad, m. (..aden). Raad, die met de schepenen des burgemeester bijstaat om de gemeente te regeeren. — Gemeenteraadsheer, m. (-en).

— Gemeentesecretaris, m. ( sen). — Gemeenteverordening, v. (-en). — Gemeen-tewapen, o. (-s). — Gemeentevoater, o. (-en). — Gemeenteweide, v. (-n). Gemeene weide. — Gemeentewet, v. (-ten). Wet, die de bevoegdheid en den werkkring der gemeentebesturen regelt. — Gemeentewezen, o. Al wat de gemeente en haar bestuur treft. — Gemeenzaam, bn. bijw. Welwillend, minzaam, niet trotsch. Alledaagsch ; gemeenzame uitdrukking. Populair. — Gemeenzaamheid, v. (..heden).

STdiicesmuil, o. Het meesmuilen. — grenieet, o. Hetaanh. meten.

S:eiu«lUk, bn. bijw. Verdrietig. Knorrig. In eene kwade luim. Verstoord. Ontevreden. Boos. — Gemelykheid, v.

sremclk, o. Het aanh. im-lken. — go-mengel, o. Hetaanh. mengelen, gemergrd, bn. Merg heboende. ifciuerkt. Vw. Naardien. Vermits. Daar.

gemet, o. (-en). Vlaktemaat. Zie Lengte- en vlaktematen. (Bijgevoegde tabellen).

CTcmetsel, o. Het metselen. Metselwerk. — sremiauw, eemlauuw, o. Het geluid der katten.

Kcmi«llt;lcld, bn. bijw. In doorsnede. Dooreengenomen.

frenitimer, o. Hetaanh. mijmeren, gremïiterd, bn. Eenen mijter dragende. gremlH, o. Het ontbreken (van). Onrbe-ring. Gebrek. — Ge/nissen, bw. gemiste, heeft gemist. Ontbreken. Verloren hebben.

O cm in» (/?.) = Gemma Frisius, 1508-1^58, Dokkum. Hoogleeraar (Leuven). Wis- en sterrenkundige.

gromoed, o. Ziel, inborst, karakter. Verstand, geweten, (-eren) Gezindheid. Gevoelen. De gemoederen waren niet to bedaren : het volk was niet te stillen. In gemoede : oprechtelijk. — Gemoedelijk, bn. bijw. Volgens zijne overtuiging. Eerlijk,


ocr page 234

GENA — 2

nauwgezet. — Gemoedelykheid, v. — Ge-m oedsa an doen ing, v. (-en). — Gemoedsaard, m. Inborst, karakter. — Gemoedsbeweging, v. (-en). Zielsaandoening. — Gemoedsbezwaar, o. (..aren).Nauwgezetheid (van geweten).—Gemoedsgesteldheid, v. — Gemoedsleven, o. — Gemoedsrust, v. — Gemoedsstemming, v. (-en).

firemooid, bn. Heel de streek is er mede gemoeid, is er mede bezig. Deze zaak is er mede gemoeid, hangt er van af. Zijn leven is er mede gemoeid, staat op het spel.

Kemoct (te-), bijw. uitdr. lem. te gemoet gaan, tot hem gaan. Te gemoet komen : naderen. Helpen, bijstaan. Te gemoet zien : afwachten.

Ifomoflcl, o. Het moffelen. — k®* mok, o. Het aanb. mokken. — gcmotc-Itol, o. Het aanh. mokkelen. — gemompel, o. Het aanh. mompelen. — sremop-

Ser,er, o. Het aanh. mopperen. — gemor, et aanh. morren. — gemorn, o. Het aanh. morsen.

gems, v. (..zen). Berggeit [antilope rupicapra). Behoort tot de antilopen. Heeft lecht opstaande en aan de einden haakswijze omgebogen hoornen, grove bruine haren. Bewoont de Alpen, Fyre-neën en Appenijnen. — GemzefnJleer, o.

— GemzefnJ leer en, bn. — Gemzenhaar,

o. —: Gemzenjacht, v. — Gemzenjager, ('s'' „ • ..

gemuit, o. Muiterij. — gemurmel, o. Het aanh. murmelen.

gemutst, bn. Et ne muts op het hoofd hebbende. Wel of kwalijk gemutst zijn : in eene goede of slechte luim zijn.

genaaii, o. Het aanh. naaien, genaakbaar, bn. Toegankelijk. Minzaam , spraakzaam, vriendelijk. — Genaakbaarheid, v.

genaamd, bn. Heetende, van den naam. Zoo genaamd : beweerd, voorgewend. Dusgenaamd : van dien naam.

genade, v. Zie Gratie. Onverplicht bewezene gunst. Onverdiende weldaad. Barmhartigheid. Vergiffenis. Kwijtschelding (van straf). Om genade vragen : het leven vragen. Op genade laten drijven : (een schip) aan de golven ten prooi laten. Zich op genade overgeven, in hope van door den overwinnaar niet te streng behandeld te worden. Uwe genade, titel, waarmede voorname personen (in Duitschland) worden aangesproken. — GenadebrieJ, m. (..ven). Brief, waarbij kwijtschelding eener straf wordt verleend. — Genadebrood, o. Brood, waarmede men anderen uit liefde onderhoudt. — Genadebron, v. — Genadegif t,v. (-en). — Genadekruid, o. Plant {gratiola officinalis) tot de familie der leeuwenbekken behoorende. Groeit in vochtige landen en aan waterkanten. — Genadeleen, o. — Genadeleer, v. — Ge-nadelyk, bijw. Genadig. — Genaderijk, bn. — Genadeslag, m. Slag, waarmede de scherprechter eenen geradbraakte doodde, om hem uit zijn lijden te verlossen. Dit is zijn genadeslag ; daarmede is het met hem gedaan. — Genadig, bn. bijw. Barmhartig. Ontfermend. Niet streng. Welwillend.

— Genadigheid, v. — Genadiglijk, bijw.

6 — GENE

genaken, ow. genaakte, is genaakt.

Naderen. Nabij komen.

gênant, m. en v. (-en). Naamgenoot, die denzelfden voor- of doopnaam draagt.

— Genante, v. (-n).

Oénard {P. Af. JV. J.), 1830, Antwerpen. Archivaris (Antwerpen). Werkend lid der K. VI. Academie. De Beeldhouwkunst in de middeleeuwen (1857); De Boekdrukkunst in Antwerpen (1866); De Nalatenschap van A. van Noort (1869); leven-gchetsen van Antwerpsche kunstenaars,enz.

gendarme, m. (-s). Soldaat, deelmakende van een korps, dat de openbare rust moet verzekeren. — Gendarmerie^ v. gene, aanw. vnw.

genealogie, v. (-en). Geslachtkunde. Geslachtlijst, stamboom. — Genealogisch, bn. — Genealoog, m. (..ogen).

genobd, bn. Eene neb heobende. geneeren, bw. geneerde, heeft gegeneerd. Hinderen. Storen. Zich geneeren. ww. Gij moet u niet geneeren : doe alsof gij thuis waart, handel naar welgevallen.

geneesbaar, bn. Te genezen. — Geneesheer, ra. (-en). Doctor in de medicijnen. — Geneeskracht, v. — Geneeskunde, v. — Geneeskundig, bn. — Geneeskundige, m. en v. (-n). — Geneeskunst, v. •— Geneeslijk, genese lijk, bn. Te genezen. — Geneesmeester, m. ( s).— Geneesmiddel^ o. (-en). — Geneeswijze, ..wijs, v. (..zen).

— Genezen, genas, heeft en is genezen. Bw. H cistellen. Bftermaken. Heelen. Ow. (zijn) Beter worden. — Genezing, v. (-en).

genegen, bn. Geneigd. Gunstig gezind.

— Genegenheid, v. (..heden).

geneigd, bn. Gereed. Overhellende

(tot). — Geneigdheid, v.

CJenelll [B.), 1708-1868, Berlijn. Schilder en teekenaar.

generaal, bn. Algemeen. Voornaamste. De Staten-Generaal, (z. d. w.). Generale staf: de hoofdofficieren van een regiment. — Generaal, m. (-s). Eerste hoofdofficier. Bevelhebber. Veldheer. Krijgsoverste. Algemeen overste eener geestelijke orde, sociëteit, congregatie, enz. — Generaal-majoor, m. (-s), korps-generaal, m. (-s), luitenant-generaal, m. (-s), oppergeneraal, m. (-s). Zie Leger. — Generaalschap, o. — Generaals*'ang, m.

— Generaliteit, v. Algemeenheid. Generaliteitslanden.— Generaliteitslanden, o. mv. De landschappen (ten tijde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden), welke buiten de eigenlijke grenzen gelegen, tot geen bijzondere provincie behoorden, maar aan de geheele Republiek onder-hoorig waren.

generen (ziek), ww. geneerde zich, heeft zich geneerd. Den kost winnen (met). Zich behelpen : hij geneert zich met droog brood.

generemi, bn. Edelmoedig. Mild. Milddadig. Edelhartig. Grootmoedig. — Generositeit, v.

Oenesaretk. Bergmeer in 't Noorden van Palestina. Ligt 200 met. boven de oppervlakte der Middell. Zee.

©enestet (Z5. A. de), 1829-1861 Amsterdam. Dichter. De 5quot;' Nicolaasavond;


ocr page 235

— 207 —

GEPA

GENO

Fantasio; Het Haantje van den toren; Leekedtch tjes.

ffenct, o. ( ten). Vlug Spaansch paardje. Kcnetbat, v. (-ten). Soort van civetkat ( Vtverrd ^-(W^/a). Verscheurend zoogdier.

ceneuiftc, v. (-n). Genoegen. Vermaak.

ycneal, o. Getalm. — geneurie, o.

Het aanh. neuriën.

geneusd, bn. Met eenen neus. Van eenen neus voorzien.

Oenévo, 68,000. Hoofdpl. van het kanton van denztlfden naam (Zwitserland). Het meer van Genève ligt aan de Z.-W.-zijde van Zwitserland. Oppervlakte 11 vierk. mijl.

OonKTlHlcan. Beroemd Mongoolsch veroveraar. Stichtte een uitgestrekt rijk in Azië (1162-1227).

greiilaal. bn. Scheppend. Vindingrijk. Vernuftig. Vol geest. — Genialiteit, v. Vindingskracht. — Genie, v. Krijgsbouwkunst. Zie Leger. — Gettie, o. Bijzondere aanleg. Vindingrijk, oorspronkelijk vernuft. ( ën) lem., die grooten aanleg bezit.

yeuiop (In 't-), bijw. uitdr. Heimelijk. In 't vei bergen. — Geniepig, bn. bijw. In 'tgeheim kwaaddoende. — Geniepigerd, m. (-s). — Geniepigheid, v.

icenle*. o. Het niezen.

genieten, bw genoot, heeft genoten. Genot hebben (van) Smaken. Gevoelen. Eene aangenamegewaarwording ondervinden. Ontvangen, verkrijgen. Voedsel nemen. Bezitten (in eigendom). Vrucht trekken (van). — Genieter, m. (-s). — Genieting, v. (-en). — Geniet ster, v. (-s).

grcntisr, o. Het nijgen. — {PeuUpgt; o. Het aanh. nijpen. — gcnik, o. Het aanh. nikken.

Seniilef, yeuitlvus^m. (genitieven). Een der naamvallen,

Senilis,enilis, m. (geniën). Beschermgeest, utsengel.

fpcnoetr, bijw. Zooveel men noodig heeft. — Genoegdoening, v. Voldoening, herstel (van eer). Schadeloosstelling (voor ;eleden onrecht;. De genoegdoening van ezus Christus. — Genoegen, o. Tevreden-leid, voldoening. Genoegen nemen (in) : tevreden zijn (met), berusten (in). Genoegen vinden, scheppen : behagen vinden (in), (iets) mooi, aangenaam vinden. Neem hiervan naar uw genoegen, zooveel gij verlangt. (-s) Vermaak. Uitspanning. — Genoegen, bw. genoegde, heeft genoegd. Bevredigen. Tevredenstellen. Zich genoegen, ww. — Genoeglijk, bn, bijw. Aangenaam. Uitspanning of genot verschaffende. — Genoeglijkheid, v. (,.heden).— Genoegzaam, bn. bijw. Toereikend. Bijna geheel. Voldoende. — Genoegzaamheid, v. (..heden),

SrenoflTel, v. (-s). Anjelier.

Oenoln de» Motte* (y. L. D. G.

baron de Saint-), 1813-1867. S1 Quintens-Lennik. Belg. letterkundige. Histoire des avoueries en Belgique (bekroond, 1837). Bijdragen in Biographie Nationale.

genomen, vw. Genomen (dat) : gesteld, aangenomen (dat).

genood, genoodlgr, o. Herhaalde

uitnoodiging. — Genoodigde, m. en v. (-n).

genoot, m. (-en). Metgezel. — Ge-nnote, v. (-n). — Genootschap, o. ( pen). Vereeniging van personen met een bepaald doel. — Genootschappelijk, bn.

genot, o. Het genieten. Genieting. Vruchtgebruik. Gebruik. ^Voordeel.

genre, o. (-s). Vak. Kunrtvak. — Genreschilder, m. ( s). Schilder van tafereelen uil het dagelijksch leven.

«enserlk.Koning der Wandalen.Veroverde Afrika (429). Maakte zich meester van Rome en liet de stad gedurende 14 dagen plunderen (45=;).

genat, v. Brem (i* art.).

gent, m. (-en). Mannetjesgans. Oentenaar, m. (..aren, -s). Inw. van Gent.

gentiaan, v. (..anen). \Gentiana). Plantengeslacht.

Oenua, 1/9,500. Haven (Middell. Zee ).

Hoofdpl. der Republiek.

Bloeide vooral in de middeleeuwen.

genngte,v.(-D). Geneugte.

Oeoflroy Salnt-llilaire [E.), 1772-1842, Etampes. Fr. natuurkundige.

geograaf, m.

(..afen). Aardrijkskundige. —• Geographic, v.

Aardrijkskunde. — Geo-graphtsch, bn.

geologie, v. Aardkunde. Aardvormings-leer. Leert de vorming der bovenste grondlagen des aardbols kennen.

Onderscheidt gronden van de ie, 2® en 3® xox-m\n%, plutontsche gronden, door het verkoelen van stoflen, die in smelting moeten geweest zijn, gevormd, en neigt;tunische gronden, die zich bij lagen, door bezinking, in het diep van de oude zeeën of van de hedendaags nog gekende wateren, hebben neergelegd. — Geologisch, bn. — Geoloog, m. (-ogen).

geometer, m. (-s). Landmeter. — Geometrie, v. Meetkunde.

geoogd. bn. Oogen hebbende. — geoord, bn. Van ooren voorzien.

geoorloofd, bn. Vergund. Toege staan. — Geoorloofdheid, v.

georgel, o. Hetorgelen. — gepaai, o. Schoone beloften om iem. tevreden te stellen. — gepaar, o. Het paren.

gepaard, bn. Gehuwd. Zij zijn gepaard, maken met hun beiden éen. (Plan-tenk.) Twee naast elkander geplaatste dee-len.

gepab,o. Het aanh. pakken.— gepap, o. riet pappen.

gepantserd, bn. Van een pantser voorzien.

gepareld, bn. Met parelen versierd, omzet. Als parelen : geparelde gerst.

geparfumeerd, bn. Geurig. Welriekend.


ocr page 236

GEPU — 2C

srepas, o. Het passen. BC|»aN|gt;ortecr4l, bn. Gepasporteerd militair : militair, die na volbrachten diensttijd eervol is ontslagen.

srepamt.bn. bijw. Betamelijk,voegzaam, behoorlijk, geschikt. Dit is juist gepast : dit is juist zooveel geld als iem. hebben moet. — Gepastheid, v.

.8r«P»tcnleerd, bn. Van patent voorzien. Erkend : gepatenteerd leugenaar. Crepsamp;ulc, o. Het aanh. pauken.^ srepoesd, bn. Van pezen yoorzien. BTcpeil, o. Het aanh. peilen. — ge-pciuN, o. Het aanh. peinzen. Overpeinzing. (..zen) Gedachte. — gepen, o. Het aanh. pennen. — gepers, o. Het aanh. persen.

gepeupel, o. Gemeen volk, straatvolk, janhagel. — gepeur. o. Het aanh. peuren. — gepeuter, o. Het aanh. peuteren. — gepeuzel, o. Het aanh. peuzelen. — gepiep, o. Het aanh. piepen.

gepUud, bn. Gepijnde honig : geperste honig.

g^PÜP» o. Het pijpen. — gepik, o. Het aanh. pikken. — gepimpel, o. Het aanh. pimpelen. — geplaag, o. Het aanh. plagen.— geplak. o. Het aanh. plakken. — geplaH, o. Het aanh. plassen. — gepleiNter, o. Het aanh. pleisteren. — gepleit, o. Het pleiten.

geplekt, bn. Met plekken of vlekken, geplet, o. Het aanh. pletten. — ge-plomp, o. Het plompen. — geplon», o. Het plonzen. — geploot, o. Het aanh. plooien.

gepluimd, bn. Van pluimen voorzien, geplul», o. Het aanh. pluizen. — ge-pluk, o. Het aanh. plukken. — geplun-dei*, o. Het plunderen. — gepoeli, o. Het pochen. — ge pof, o. Het aanh. poffen. — gepomp, o. Het aanh. pompen.

— gepoot, o. Het aanh. pooien. — ge-pook, o. Het poken.

gepoorterd, bn. Het burgerrecht eener stad hebbende.

gepoot, o. Het poten. — gepopel, o. Snellere hartklopping (uit vrees, enz.).

— gepor, o. Het aanh. porren, geponeerd, bn. Bezadigd, bedaard, gepraat, o. Het pralen. — gepraat,

o. Het aanh. praten. — gepraeli, o. Het aanh. prachen. — gepreek, o. Het prediken.

geprenseerd, bn. Haastig, gepreutel, o. Het aanh. preutelen.— geprevel, o. Het aanh. prevelen. — geprtk, o. Het aanh. prikken. — ge-prikkel, o. Het aanh. prikkelen. — geproef, o. Het aanh. proeven. — geproest, o. Het aanh. proesten.

geprofest, bn. Kloostergelofte afgelegd hebbende.

gepromoveerd, bn. Bevorderd, tot den doctorsgraad verheven. — Gepromoveerde, m. (-n).

gepronk,o. Het pronken.— geprop, o. Het aanh. proppen. — geprull, o. Het aanh. pruilen. — gepruttel, o. Het aanh. pruttelen. — gepuf, o. Het aanh. puffen.

gepurperd, bn. In purper gekleed.

5 — GERE

Met purper bekleed. Purperachtig gevlekt.

ger, v. (-ren), gerre, v. (-n). Spleet, Lange en enge opening.

geraadzaam, bn. Raadzaam, geraakt, bn. Beroerd. Door eene beroerte geslagen. Verstoord, boos, belee-digd. — Geraaktheid, v.

geraamte, o. (-n). Het geheele samenstel di-r beenderen van het lichaam (van menscb of dier). Zeer mager rnensch.

geraaM, o. Het aanh. razen. Zie Geluid. — geraaskal, o. Het raaskallen. — gerabbel, o. Het aanh. rabbelen.

geraden, bn. Dienstig. Geschikt. Gepast.

Oeraert (i?r0^?r). Franciscaner monnik 14® of 15® eeuw. Leve7i van S*9 Kerstinen (uit het Latijn); Leven van 5quot;' Lutgardis (uit het Latijn).

geratel, o. Het aanh. rafelen, gerak, o. Dienst, dienstboden. Hulp, bijstand. De beesten hebben hun gerak, zijn gevoederd.

geraken, ow. geraakte, is geraakt Geraken (tot) : aan iets komen, iets.verkrij-

f;en Komen : tot fortuin geraken. Vervalen : hij geraakt in ongenade. In verlegen-beid geraken. Arm worden : uit zijn doen of zyne bezitting geraken. Aan den man geraken : eenen man vinden, koopers vinden. Aan den drank geraken ; zich aan het misbruik van sterken drank overgeven. Uit zijn lood geraken : het hoofd verliezen. Ontsnappen : uit het gevaar geraken. Vergeten : uit de gedachte geraken. Van den weg geraken : verdoold loopen.;en Komen : tot fortuin geraken. Vervalen : hij geraakt in ongenade. In verlegen-beid geraken. Arm worden : uit zijn doen of zyne bezitting geraken. Aan den man geraken : eenen man vinden, koopers vinden. Aan den drank geraken ; zich aan het misbruik van sterken drank overgeven. Uit zijn lood geraken : het hoofd verliezen. Ontsnappen : uit het gevaar geraken. Vergeten : uit de gedachte geraken. Van den weg geraken : verdoold loopen.

geral, o. Hetaanh. rallen. — gerammel, o. Het aanh. rammeien. — gerammel, o. Het rammelen. Gebabbel, gepraat. Geraas.

gerand, bn. Van eenen randvoorzien. geranium, v. (-s). {Kraanvoj^ehbek). Plantengt slacht, waarnaar de familie der geraniaeeën genoemd is. De meeste soorten van dit geslacht zijn kruiden, die in de gematigde luchtstreken te huis behooren. Bij ons groeien : geranium sanguineum (wordt in onze tuinen aangekweekt om hare groote violetpurpere bloemen); g, phceum; prate use. Zie Erodium en Pelargonium.

geranttel, o. Het aanh. ranselen. — gerasp, o. Het aanh. raspen. — geratel, o. Hetaanh. ratelen.

Oérard _ {F. P. S. óaron), 1770-1837, Rome. Fr. historieschilder.

gereelit, o. (-en). Opgedischte spijs. Aanrechting. Opdissching.

gereelit, gerleht, o. (-enj. Rechtbank, vierschaar. Rechterlijkeamotenaren. Justitie. Rechtswezen. Rechtsgebied. _ — Gerecht, hn. Billijk. Rechtvaardig. Juist: de gerechte helft. Hi*t gerechte deel: deel, dat iem van rechtswege toekomt. — Ge-rechtelijk, bn. bijw. In rechten. Door middel van het recht. — Gerechtig, bn. Rechtvaardig.— Gerechtigd, bn. Gewettigd, bevoegd, gemachtigd. Wettig. — Gerechtigde, m. en v. ( n). — Gerechtigdheid, v. — Gerechtigen, bw. gerechtigde, heeft gerechtigd. Rechtigen. — Gerechtigheid, v. — Gerechtsbode, m. (-n). Deur-


ocr page 237

GERI — 2

waarder. — Gerechfsdag, m. (-en). — Gere- htsdienaar, m. (-s, ..aren). — Gerechtshof, o. (..oven). Rechtbank van hoo-geren rang. — Gerechtszaak, v. (..aken). i£crelt;llt;lcr, o. Het redderen.

bn. bijw. Klaargemaakt, vaardig. Voltooid. Afgeteld en voorhanden : gereed g«-ld. — Gereedelijk, bijw. Terstond. Dadelijk. — Gereedheid, v. — Gereedkomen, ow. kwam gereed, is gereedgekomen. — G er eedl eggen, bw. legde en leide erreed, heeft gereedgelegd. — Gereedliggen, ow. lag gereed, heeft gereed-gelegen. — Gereedmaken, bw. maakte gereed, heeft gereedgemaakt. Zich gereed-makf ti, ww. — Gereedmaking, v. — Gereedschap, o. (-pen). Werkn i^en. Toe-st( 1 — Gereedstaan, ow. stond gereed, het ft gereedgestaan. — Gereedzetten, bw. zette g» rc^d, heeft gereedgezet.

{•rcrcformcerd, bn. Hervormd. — Gereformeerde, m. en v. (-n).

Kerogrolcl, bn. bijw. Ordelijk. In den regel. Gerangschikt. Aan bi-palingen onder uorpen. — Geregeldheid, v.

Brerei, o. Allerlei gereedschap.— ge-rcilt;lc, o. (-n). Gerei. Zadeltuig, paardentuig.

iferois, o. Hetaanh. reizen.— gerelc, o. Het aanh. rekken. — gorckeii. o. Het aanh. rekenen. — gerei, o. Het aanh. rellen.

gerem placocrd, bn. Vervangen, geren, o. Het aanh. rennen. — gereutel, o. Klank van de moeilijke ademhaling eens stervenden. Geknor, gemompel. — gerovel. o. Het aanh. reve-len.

gerrknmer, v. (-s). Sacristie. gerlMeliïtar, v. (..aven). Korte schaaf, waarmede de planken enz. gladgemaakt worden.

gergcl, girgel, m. (-s). Inkerving in de duigen van een vat (waarin men den bodem vastzet).

gerib«l, bn. Van ribben voorzien. g€krielif. Zie Gerecht (2® art.).

gerief, o. Gemakkelijk gebruik (van iets). Gemakkelijkheid. Gebruik (van iets). — Geriefelijk, bn. Gemakkelijk. Gedienstig. — Geriefelijkheid, v. (..heden). — Gerieven, bw. geriefde, heeft geriefd. Bedienen. Helpen. Dienst bewijzen. lem. mei iets gerieven, van dienst zijn. Zich met iets gerieven : zich met iets vergenoegen.

gerU, o. Het rijden. In deze straat is veel gerij, wordt druk gereden, (-en) Rijtuig.

gerUff» o- Het aanh. rijgen. — ge-r||in, o. Het rijmen. Rijmelarij. Slechte verzen. — gerikkelik, gerikkik, o. Het kwaken der kikvorschen. — geril, o. Het rillen.

gering, bn. bijw. Klein. Nietig. Van weinig waaide. Slecht, laag, gemeen. Arm. Onaanzienlijk. Min. In het geringste niet : Tolstrektniet.— Geringachien, bw. achtte gering, beeft geringgeacht. Weinig achting nebben (voor). — Gering achting, v. — Ceringelyk, bijw.— Geringheid, v. (..heiend. — Geringschatten, bw. schatte ge-

) — GERU

ring, heeft geringgeschat. Niet hoog schatten. — Geringschatting, v.

geringd, bn. Van eenen ring of ringen voorzien. Met eenen ring vastgehecht.

gerinkel, o. Wapengekletter. — gerinkink, o. Hetklinken der glazen. gei-lHt, bn. Aan eene rist gebonden, geril, o. Het ritten. — geritsel, o. Hetaanh. ritselen.

Oerlaehe (if. C. baron de), 1785-1871, Biourge. Advocaat. Voorzitter van het Belgisch nationaal congres (1830). Geschiedschrijver. Histoire du royaume des Pays-Bas.

Oennanlë, o. (Eert.) Land ten N. van den Donau en ten O. van den Rijn. — Germaan, m. (..anen). — Germaansch, bn. Oudduitsch. Van Duitschen stam. — Germanisme, o. (-n). Duitsche wending. Woord of uitdrukking, ontleend aan het Duitsche taaleigen. — Germanist, m. (-en). Kenm r of leeraar van bet Duitsche recht, d( r Duitsche taal of geschiedenis.

geroeliel, o. Het aanh. rochelen. — geroei, o. Het aanh. roeien. — geroe-koek, o. Het aanh. kirren (inz. de- dui-vtn). — geroem, o. Het aanh. roemen.

— geroep, o. Hetaanh. roepen. — go-roer, o. Het aanh. roeren. — geroeze-nioe.*i. o. Het aanh. roezemoezen. — geroffel, o. Het aanh. roffelen,

gerokt, bn. Eenen rok aanhebbende, gerol, o. Hetaanh. rollen.— gerommel, o, Hetaanh. rommelen.— geronk, o. Het aanh. ronken.

geronnen, bn. Dik geworden. Gestold.

gerook, o. Het aanh. rooken. — ge-roN, o. Hetaanh. rossen.

geroufineerd,bn. Geoefend. Bedreven. Vlug. Doorkneed. Met ondeivinding.

gerridon, m. (-sU Soort van I oojen kandelaar. Hoektafeltje. Stuk huisiaad, waarin het komfoor v ordtgeplaatst, waarop bet theewater, enz. heet gehoud» n wordt.

gemt, garwt, v. Plantengeslacht [hor-deidm), tot de familie der grassen behoo-j rende. Gerst diént als grondstof voor bier. Zaad van het hordeum. — Gerstebier, o.

— Gerstcbry, v. — Gerstebrood, o. (-en) j

— Gerstedrank, m. (-en). — Gersteweel o. — Gerstenat, o. — Gersten, o. Gerstebier. — Gerstepap, v.— Gerstewater, o.

OertrndiN (//.), 626 659. Dochter van Pepijn van Landen en Iduberga (gelukzalige). Abdes van 't klooster te Nijvel, door hare moeder gesticht.

gernelit. o. Geraas, gedru'sch. (-en) Onzekere tijding. Los bericht. — Geruchtmakend, bn.

gernik, o. Het ruiken. — gerull, o. Plet ruilen.

geruim, bn. Vrij lang : een geruime tijd.

geruiHeb, o. Hetaanh. ruischen. geruit, bn. Met ruitjes gewerkt. Ruits-wijze.

geruk, o. Het aanh. rukken.

gerust, bn. bijw. Stil. Ongestoord. In rust, vreedzaam, kalm. — Gerustelijk, bijw. — Gerustheid, v. — Geruststellen, bw. stelde gerust, heeft gerustgesteld. —


ocr page 238

GESC — 21

Geruststellend, bn. — Geruststelling, v.

(«erviuuH {G. G.), 1805-1871, Darmstadt. Duitsch geschiedschrijver.

gerw, v. Duizendblad.

{^csubcl, o. Het aanh. sabelen. — |fe-Msininicl, o. Het aanh. sammelen. — gcfutr, o. Het aanh. sarren. — gessamp;UH, o. Het sausen. — grescliaaf, o. Het aanh. schaven. — gesetiaak, o. Het schaken.

^esoliaard.dw. Zij stonden geschaard, cp eene rij. Bn. Met schaarden of tanden. fiTOHOlisiclier, o. Het schacheren. g-^Nolisiduwd, bn. (Schild.) Met schaduwen bezet.

trcseliakecrd, bn. Veelkleurig. greHOlistl, o. Het schallen. Geraas. greMelisamp;peii, bn. Al wat buiten God bestaat heet geschapen : de geschapene wezens. Die man is wel geschapen, schoon. Gesteld : zoo staat het met die zaak geschapen. — Geschapenheid, v.

KCRohstrrel, o. Het scharrelen. — geaolisamp;fer, o. Het aanh. schateren.

gresoliccpt, bn. In een schip geladen, lem. op den hals of ten laste hebben : met iem. gescheept zijn.

{;«kNcliecr, o. Het aanh. scheren. — CrcHPliel, o. Het aanh. schellen. — KCKOlield, o. Het aanh. schelden. — ffOsolM'iMor, o. Het schemeren.

ST^MClicnk, o. (-en). Vrijwillige gift, gave.

srcsoliep, o. Het aanh. scheppen. — BOMClicriii, o. Het schermen. — g^e-h rii or 111 ut Hel, o. Het schermutselen. — KCftoliortA, o. Het aanh. schertsen. — IpoMc^iottcr, o. Het schetteren. — ipo-solieur, o. Het scheuren.

^reitolioiird, bn. (Heelk.) Eene breuk hebbende.

{resellietlbock, o. en m. (-en). Verhaal van gebeurtenissen. Kroniek. Jaar-boiken. — Geschieden, ow. geschiedde, isgeschied. Voorvallen, gebeuren. Wedervaren. Overkomen. — Geschiedenis, v. (-sen). Verhaal der gebeurtenissen, die van de verste tijden tot op onze dagen hebben plaats gehad. Het gebeurde. Voorval. — Geschiedkunde, v. Kennis der geschiedenis. — Geschiedkundig, bn. — Geschiedkundige, m. en v. (-n). — Geschiedrol, v. (-len). (Dicht.) De geschiedenis. — Geschiedschrijver, m. (-s).

l^eiM'liiet, o. Het aanh. schieten. — geKeliik, o. Het aanh. schikken.

Sresrliikt, bn. bijw. Bekwaam. Gepast, dienstip (tot), bruikbaar. Overeenkomende (met). Geregeld, geordend. Ordelijk. Zedig. Toegevend. — Geschiktheid, v.

geHcliil, o. (-len). Verschil. Oneenig-heid. Twist. — Geschilpunt, o. (-en). Iets, waarover getwist wordt.

^eNeliiinmeld, bn. Schimmelkleurig (van paarden).

IfeHcliinip, o. Het aanh. schimpen. — KeHeliitfer, o. Het aanh. schitteren.— ipe.tteiiofrel, o. Het aanh. schoffelen.

ffeHfliol't, bn. Breed, sterk geschoft (van het paard).

geNOliok, o. Het aanh. schokken. — ffeselioniiuel, o. Het aanh. schomme-

• — GESL

len. — cefielioiig-el, o. Het aanh. schon-gelen.

greNoliooi, o. Het aanh. schooien. — SreHelioor, o Het schoren.— geseliop, o. Het aanh. schoppen.

{^eM^lioren, bn. Verlegen : met iets geschoren zijn.

greaeliot, o. Lendengeschot. (-ten) Zie Dijkgeschotten.

sreKeliraup, o. Het schrapen.— ge-seliriiiiN, o. Het aanh. schransen. — Ke^lirup, o. Het schrappen. — ge-Helt reeuw, o. Het schreeuwen. Kreten. Geraas. Rumoer. Leven. Ophef. Misbaar.

— Benolirei, o. Het schreien. Het weeklagen.

genelirift, o. (-en). Geschreven stuk.

Uitgegeven werkje.

geHelirüf, o. Het aanh. schrijven, — genelirob, o. Het aanh. schrobben. — geHolirok, o. Het aanh. schrokken. — genelirol, o. Het aanh. schrollen. geüu'lmbd, bn. Met schubben bedekt, geseliud, o. Het aanh. schudden. — geMeliuler, o. Het aanh. schuieren. — grenelmir, o. Het aanh. schuiven. — greHelinifel, o. Het aanh. schuifelen. — geMcliuIm, o. Het schuimen. — ge-•eliurk, o. Het schurken.

gefM'lmt, o. Kanonnen en al wat er toe behoort. Zie Leger.

gesrlimir, o. Het aanh. schuren. Oeaenins i-F. //. W^.), 1785-1842, Nord-hausen. Orientalist.

geHidder, o. Het sidderen. geHignaleerd, bn. Geseind. Door middel van teekens bericht.,, Gesignaleerd booswicht.wiens persoonsbeschrijving overal is rondgezonden.

geHi», o. Het sissen (vooral van slangen) — gesjor, o. Het sjorren. — gesjouw, 0« Üet sjouwen. — ge«labber, o. Het aanh. slabberen.

genlaelit, o. Geslacht vee : belasting op het gemaal en het geslacht.

genlaelit, o. Kunne. Sekse : het mannelijk, het vrouwelijk geslacht. Het schoono geslacht: de vrouwen, (-en) Verzameling van alle soorten, die in de voornaamste kenmerken hunner onderdeelen overeenkomen. Stam, afkomst. Familie, stamhuis. Het tegenwoordige geslacht: de tijdgenoo-ten. (Taalk.) Zijn van èen geslacht de woorden, welke elkander gelijk zijn in het verbuigen en in het aannemen van het lidwoord. In onze taal zijn drie geslachten : het mannelijk, het vrouwelijk en het onzijdig geslacht. — Geslachteloos, bn. — Geslachtkunde, v. — Geslachtkundige, m. (-n). — Geslachtlijst, y. (-en). Lijst van de naamw. met aanwijzing van hun geslacht. — Geslachtrijk, bn. — Geslacht(s)-boom, m. (-en). — Geslachtfsjbrief, m. (..ven). — Geslachtskenmerken, o. mv.

— Geslacht(sjlijst, v. ( en). Genealogische tafel. — Geslacht(s)naam, m. (..amen). — Geslachtsonderscheid, o. — GeslachtJ s) register,o.[■ s),— Geslachtesj -rekfnaar, m. (-s). Die bedreven is in de geslachtkunde. — Geslacht fsj rekening, v. (-en). — Geslacht(s)rij, v. (-en). — Geslachtsstelsel, o. ( s). — Gesllt;icht{sjta~


ocr page 239

GESP — 2

fel, v. (-s). — Geslachtsverschil, o. — Geslacht(s)wapeny o. ( s).

STCBlagen, vd. Tot ridder geslagen : als lid eener ridderorde opgenomen; (oudt.) tot den ridderstand verheven.

fpealeep, o. Hetaanh. slepen. Gevolg, stoet. — srcnlcmp, o. Het aanh. slempen. — geslcntcr, o. Het aanh. slenteren.

sealepen, bn. Listig. Loos. Doortrapt. Slim. — Geslepenheid^ v.

SreMleur, o. Het aanh. sleuren. — g®-slier, o. Het aanh. slieren. — greslUp, o. Het aanh. slijpen. — g-eslliifirer, o. Het aanh. slingeren. — geslobber, o. Het aanh. slobberen. — grcslof, o. Het sloffen. — grealorp, o. Hetaanh. slorpen.

greMloten, bn. Met gesloten deuren, niet in 't openbaar vergaderd, enz. Met gesloten beurzen betalen : wederzijdsche schulden van gelijk bedrag vereftenen; dienst voor dienst weergeven. Achterhoudend, geheimzinnig. Houd u gesloten : zwijg. — Geslotenheid, v.

creslnik, o. Het sluiken. — ereslnl-mer, o. Het sluimeren. — geftiustal, o. Het aanh. smden. — greNiuak, o. Het aanh. smakken. — gcsmeeb, o. Het -aanh. smeeken. — crcHmeer, o. Het aanh. smeren.

g:eftniUlt;le, o. Sieraad. Tooisel.

bn. Wat licht gesmeed kan wordt-n. Lenig, buigzaam. — Gesmy-digheid, v.

gTCHiiiUt, o. Het aanh. smijten. — ge-fmiokkrl, o. Het aanh. smokkelen. — g:4kHmook, o. Het smoken. — gr4'*»)»!, o. Het smullen. Slemperij.

CT^Hnaurd, bn. Van snaren voorzien. Daarmede ben ik gesnaard : dat is juist mijne zaak. Op iets gesnaard zijn : met iets ingenomen zijn.

gCMiiap, o. Het aanh. snappen. — KeHnatcr, o. Het aanh. snateren. — ifMnaiitv., o. Het aanh. snauwen.

Kcniiü, ó. Het aanh. snijden. — ge-snik, o. Het aanh. snikken. — grennip-per, o. Het aanh. snipperen. — sreHiioef, o. Het snoeven. — gesnoel, o. Het snoeien.— sreHiiocp, o. Het aanh. snoepen, — sreanor, o. Hetaanh. snorren. — gVNiiork, o. Het aanh. snorken. — jfe-snotler, o. Het aanh. snotteren. — fiTCAnuf, o. Het snuften. — KCHniifTel, o. Het aanh. snuffelen. — greanuif, o. Het aanh. snuiven. — {^eituuit, o. Het aanh. snuiten. — gCMnurk, o. Het snurken. — gesoebat, o. Hetaanh. soebatten. — geaoefi, o. Het aanh. soezen. — Srenol. o. Het aanh. sollen. — gesop, o. Het aanh. soppen.

greworteercl, bn. In soorten bijeengevoegd. Goed voorzien.

STCHp, m. en v. (-en). Socrt van ring, voorzien van eene of meer kleine pinnen, op eene spil vastgezet, dienende om banden, riemen, enz. min of meer toe te halon. Een gesp, een scheef gezicht trekken. — .Gespen, bw. gespte, heeft gegespt. Met eenen of meer gespen vastmaken. — Ges-pen fabriek, v. (-en). — Gespenmaker, m. (-s).— Gesping, v. (-en).

I — GEST

gespalk, o. Het spalken.

gespaii, o. Het aanh. spannen. Het noodige getal paarden, enz. om een voertuig te trekken. De vereenigde balken, ribben, enz. van een dak. Verbond (in slechten zin).

gespan, m. (-nen). (Boekdr.) Kameraad.

gespartel, o. Het spartelen. Uiterste pogingen. — goNpat, o. Het aanh. spatten. — gespeel, o. Het spelen.

gespelen, m. en v. mv. Speelgenoo-ten. Speelmakkers.

gespierd, bn. Met sterke spieren. Krachtig. Sterk. — Gespierdheid, v.

gespin, o. Het spinnen. Gesponnen werk. — gespit, o Het aanh. spitten. — gespoel, o. Het aanh. spoelen. — gespook^. Hetspoken. Leven, gedruisch, beweging. Valsche drukte.

gespoord, bn. Sporen aanhebbende (van eenen ruiter). Van sporen voorzien (van eenen haan). Gelaarsd en gespoord : reisvaardig.

gespot, o. Het aanh. spotten. — ge-spouw, o. Hetaanh. spouwen.

gespraakzaani, bn. bijw. Spraakzaam. — Gespraakzaamheid, v.

gespreeuw, o. Het spotten. Boert, jokkernij.

gesprek, o. (-ken). Samenspreking. Onderhoud. Kout.

gesprenkel, o. Het aanh. sprenkelen. — gesprenkeld, bn. Met sprenkels. Van sprenkels voorzien.—gespring, o. Het aanh. springen. — gesprokkei, o. Het sprokkelen.

gespuis, o. Heffe des volks, janhagel, gespuiv, o. Hetaanh. spuwen.

gest. Zie Gist.

gestaald, bn. Eene stalen punt hebbende. Met staal belegd. Gehard : gestaald in 't ongeluk.

gestadig, bn. bijw. Standvastig. Duurzaam. Bestendig. Gestadige maikt : markt zonder verandering in de prijzen. — Gestadigheid, v. — Gest a diglyk, bijw. Gedurig.

gestalte, v. (-n), gestaltenis, v. Gedaante, houding, postuur (van het lichaam). Gemoedsgeste'dheid.

gestamel, o. Het stamelen. — ge-stamer, o. Het stameren. — gestamp, o. Het aanh. stampen. — gest amp voet, o. Het aanh. stampvoeten.

gestand, bn. Zijn woord, zijne belofte gestand doen : zijn woord, zijne belofte houden, nakomen.

gestamd, gestarnte. Zie Gestemd, Gesternte.

geste, v. (-s). Gebaar. Heldendaad, krijgsdaad.

gesteek, o. Het aanh. steken. — gesteen, o. Het stenen.

gesteente, o. (-n). Alle vaste delfstof-felijke zelfstandigheid. Fijne, edele steensoort. Grafteeken, graftombe.— Gesteen-tenkenner, m. (-s).

gestelger, o. Het aanh. steigeren, gestel, o. (-len). Samenstelling, bouw. Samenvoeging der deelen tot een geheel. Geaardheid, gesteldheid (des lichaams). — Gestelletje, o. (-s).


ocr page 240

GEST — 2

Gestel (.1 7'rtw),1830,Geldrop. Lee raar (Maastricht). Rationalisme en liberalisme (1865) ; De schai des geloofs (1866) ; Pauperisme en christendom (1868).

gCNteld, vw. Ondersteld, verondersteld. Aangenomen dat. Bn. Gezet : op iets gesteld zijn. Vastgesleld, afgesproken : op gestelden tijd. Hij was naar gesteld, erg ziek. — Gesteldheid, v. (..heden). — Gesteltenis, v. Staat, toestand. Omstandigheid. Temperatuur.

eestcviKl, bn. De gestemde hemel ; de hemel vol sterren. — Gesternte, o. De sterren. Sterrenbeeld, verzameling van sterren. Hij is onder een gelukkig gesternte geboren : hij zal gelukkig zijn.

sreNteuii, o. Het aanh. steunen (stenen).

STCKtiolit, o. (-en). Gebouw. Instelling. Stichting (inz. gezegd van liefdadigheids-of opvoedingshuizen).

gresticalecren, ow. gesticuleerde, heeft gesticuleerd. Gebaren maken. — Gesticulatie, v. (..iën, -s).

STCHUir. o. Het stijven. — gcatifc:, o. Het aanh. stikken. — gcMip, gcstlp-pel, o. Het aanh. stippen, stippelen. — geAtoel, o. Het aanh. stoeien.

ffeHtoelte, o. (-n). Zeker aantal stoelen of banken, als eereplaats in de kerken.

geatof, o. Het stoffen. Grootspraak, pocherij.

SestofTeerd, bn. Van huisraad voorzien. (Schild.) Met bijwerk.

Srestonnnol, o. Het aanh. stommelen.

Srefttoof, o. Het aanh. stoven. I^c-Atoord, bn. Verstoord. Ontevreden.

— Gestoordheid.

8:e»foot, o. Het aanh. stooten. — ge-stop, o. Het aanh. stoppen. — greatorm, o. Het stormen. — gestotter, o. Het Stotteren.

gestraald, bn. (Platenk.) Straalswijze geplaatst. (VVapenk.) Stralenwerpend. Met golvende stralen.

gestreel, o. Het aanh. streelen. gestreept, bn Met strepen.

gen t ren g,bn. Sterk gespannen. Streng, onverbiddelijk : gestrenge rechter. Nauwkeurig : gestreng onderzoek. Stipt : een 'gestrenge vasten houden. Hard : gestrenge [winter. (Titel) Weledele gestrenge heer. — Gestr enge lijk, bijw. — Gestrengheid, v. (..heden).

gestribbel, o. Het aanh. stribbelen.

— gestr^ik, o. Het aanh. strijken. — gestrik, o. Het strikken. — gestrikt, bn. Met strikken versierd. — ge.strompel, o. Het aanh. strompelen. — ge-strooi, o. Het strooien. — gestrook, o. Het aanh. strooken.

gestropt, bn. Met eenen strop om den bals.

gestrulkel, o. Het struikelen, gestudeerd, bn. Gestudeerde personen : mannen, die in hoogere studiën zijn geweest.

gestair, o. Het aanh. stuiven. — ge-•tnur, o. Het sturen. — gesuf, o. Het aanh. suffen. — gesuis, o. Het aanh. sui-xen. — gesukkel, o. Het aanh. sukke-

! — GETR

len. — gesul, o. Het aanh. sulleu. — gesus, o. Het aanh. sussen.

get, v. (-ten). Slobkous. e:etablgt;aard, getabberd, bn. Met

eenen tabbaard.

getakt, bn. Takken hebbende.

getal, o. (-len). Getallen : namen, die men aan de (abstracte) hoeveelheden, aan de (abstracte) eenheid, of aan een of meer barer deelen geelt, om ze van elkander te onderscheiden. Grootheid. (Taalk.) Enkelvoud ol meervoud. Bepaalde menigte van wezens of dingen van dezelfde soort. Onbepaalde menigte. — Getalleer, v. — Getal-lettei-, v. (-s). Letter, die, als een cijfer, een zeker getal aanduidt. — Getalmerk, o. (-en).

getalm, o. Het aanh. talmen, getand, bn. Van tanden voorzien. (Plantenk.) Voorzien van tanden, die nagenoeg rechthoekig op den rand staan, getater, o. Het aanh. tateren. fi:eteekeu, o. Het teekenen. — Getee-kend, bn. Uitgeteekend : geteekend portret. Gemerkt: hij is op den rug geteekend. Geteisterd : hij is deerlijk geteekend. — Geteekende, m. en v. (-n). (Spott.) Wachtu voor de geteekenden, voor degenen, die een lichaamsgebrek hebben, zij zijn immers niet te vertrouwen.

geteem, o. Het aanh. temen, fireteiuperd, bn. Bedaard. Verminderd. Verzacht. — Getemperdheid, v.

geteut, o Het aanh. teuten. — geleuter, o. Het aanh. teuteren. — getier, o. Het aanh. tieren.

getUi o. Het vallen en wassen van het water op geregelden tijd. Gelegenheid, belang : elk vischt op zijn getij.

getlide, o. (-n). Jaargetijde, seizoen, getijden, o. mv. Gebeden op bepaalde uren door kerkelijke wetten aan de priesters voorgeschreven. — Getijdenboek, o. en m.(-en).

getUgerd, bn. Gevlekt als een tijger, getik, o. Het aanh. tikken. — getimmer, o. Het aanh. timmeren. — getimmerte, o. (-n). Timmerwerk. — ge-tintel, o. Het tintelen. — getjilp, o. Het aanh. tjilpen. — getob, o. Het aanh. tobben. — getoet, o. Het aanh. toeten.

getogen, bn. Opgevoed : hij is hier geboren en getogen.

getokkel, o. Het aanh. tokkelen. — getol, o. Het aanh. tollen.

getongd, bn. Van eene tong voorzien, getoover, o. Het tooveren. — go-torn, o. Het aanh. tornen.

getonir, o. (-en). Werktuig, waarop zekere stoffen worden geweven.

ge traan, o. Het weenen, schreien, getralied, bn. Van traliën voorzien, getrantel, b. Gedrentel. — getrap, o. Het aanh. trappen. — getrappel, o. Het aanh. trappelen. — getrek, o. Het trekken. Gespan : getrek van vier ossen. Toestel: welk aardig getrek ! — getreur, o. Het aanh. treuren. — getreuzel, o. Het aanh. treuzelen. — getrippel, o. Het aanh. trippelen. — getrlptrap, o. Het aanh. triptrappen. — getroef, o.


ocr page 241

GEVA — 21

Het troeven. — Retroetel, o. Het aanh. ■troetelen. — getrom, getrommel, o.

Het aanh. trommelen.

getroost, bn. Vertrouwend. Gerust : getioost den dood te gemoet gaan.^ — Getroosten {zich), ww. Getroostte zich, heeft zich getroost: zich laten welgevallen.

jffetrou w,bn .bij w.Waarop men vertrouwen mag : getrouw woord. Volkomen met de waarheid overeenkomende ; getrouwe geschiedenis. Nauwkeurig : getrouw verhaal. Woordelijk : getrouwe vertaling. Oprecht, eerlijk. Onveranderlijk gehecht.

— Getrouwelijk, bijw. — Getrouwheid., v. — Getrouwieheid, v.

getrouwd ,bn.Gehuwd.— Getrouwde, m. en v. (-n).

getuig, o. Paardentuig. Gereedschap.

— Getuigd, bn. Van een tuig of toom voorzien. Van tuigage voorzien.

getuigeu, getuigde, heeft getuigd. Bw. De waarheid zeggen. Op bekomen last verhalen wat men gezien of gehoord heeft. Verklaren,betuigen. O w. Dat getuigt tegen hem,

-spreekt in zijn nadeel. Zijn gedrag getuigde voor hem, sprak in zijn voordeel. — Getuige, m. en v. (-n). — Getuigenis, o. en v.*(-sen). — Getuigenverhoor, o. (-en).

— Getuigschrift, o. (-en).

getuimel, o Het tuimelen. — ge-

tuiNeli, o. Het tuischen. — getuit, o. Gedruisch in de ooren.

gelulbnud, bn. Met eenen tulband op het hoofd..

gel uur, o. Het turen. — getwöfel, o. Het aanh. twijfelen. — getwist, o. Het aanh. twisten.

geul, v. (-en). Nauwe invaart. Enge haveningang.

geur, m. (-en). Aangename reuk. — Geuren, ow. geurde, heeft gegeurd. Geur verspreiden. — Geurig, bn. Welriekend.

— Geurigheid, v. — Geur stof, v. (-fen). geürm, o. Het aanh. urmen.

geus, v. Staafijzer. Gietijzer.

geus, v. (^zen). Kleine boegstengvlag.

— Geusstok, m. (-ken).

geus, m. (..zen). Bedelaar. Landlooper. Scheldnaam door den graaf van Berlaimont aan de Nederl. edellieden gegeven, toen zij (1566) een verzoekschrift aan Margareta van Parma, 's lands voogdes, opdroegen, om ten minste de tijdelijke opschorsing der edicten te bekomen. De misnoegden namen dien schimpnaam als eene eereleus aan. Naderhand gaf men die benaming aan Protestanten, enz. welke den katholieken eeredienst niet oefenen. De woesfe bende, die in 1566 de kloosters en kerken plunderde, de beelden verbrijzelde, enz. droeg den naam van wilde geuzen of boschgeuzen. De watergeuzen waren de misnoegden en uitwijkelingen door Willem I, onder Alva, vereenigd om de Spanjaards op zee te keer te gaan. Katholiek, die niet naar de kerk gaat. — Geuzenbloed, o. — Geu-zenpak, o. Geboefte van geuzen. — Geu-zenverbond, o. (-en).

gevsisir, o. Het varen of rijden, gevaur, o. (..aren). Waarschijnlijkheid van naderend onheil. Het onheil zelf. — Cevaarlyk, bn. bijw. Met gevaar, ge-

;— GEVA

waagd. — Gevaarlijkheid, v. — Gevaarvol, bn.

gevstsamp;r(e, o. (-n). Iets, dat buitengewoon zwaar en groot is.

gevueeiueertl, vd. Ingeënt met koepokstof.

gevader, m. (-s). Peter. — Gevader' schap, o.

Oe^uert (F. A.), 1828, Hui e. Bestuurder van het K. conservatorium (Brussel).

Componist en schrijver. Opera's en cantaten. Traité d'instrumentation ; Histoire de la inusigue de Vantiguité

geval, o. (-len). Toevalligheid. Gebeurtenis. Zaak. Toeval. Voorkomende omstandigheid. (Taalk.) Naamval. Bij geval: toevallig. In alle geval, in allen gevalle : wat er ook gebeure. In geval : indien, bijaldien, wanneer. — Geiwllen, ow. geviel, is gevallen. Behagen. Aanstaan. Aangenaam zijn. Zich iets laten gevallen : met iets tevreden zijn. — Gevallen, o Genoegen. Behagen. — Gevallig, bn. bijw. Toevallig. Aangenaam. — Ge va High eid, v. — Gevallig/i/k, bijw.

gevang, o. Gevangenis. — Gevangen, bn. In hechtenis. In verzekerde bewaring. Van de vrijheid beroofd. — Gevangenbewaarder, m. (-s). — Gevangenbewaarster, v. (-s). — Gevangene, m. en v. (-n).

— Gevangengeven {zich), ww. Zich zelf aangeven om naar de gevangenis geleid te worden. Bekennen, dat men ongelijk heeft.

— Gevangenhuis, o. {..zen), gevangenis, v. (-sen). Gebouw, waar de gevangenen gehuisvest zijn. — Gevangenis, v. Opsluiting. Verzekerde bewaring. — G-vangen-viaken,hv). maakte gevangen, heelt gevan-gengemaakt. — Gevangennemen, bw. nam gevangen, heeft gevangengenomen.

— Gevangenneming, v. (-en). — Ge7ian-genschap, v. De Babylonische gevangenschap begon omstr. 600 voor Chr. en ein-


ocr page 242

GEVIJ — 2

digde na 70 jaren op bevel van Cyrus. — Gevangenzetten, bw. zette gevangen, heeft gevangezet. — Gevangenzetting, v. (-en). — Gevangenzitten, ow. zat gevangen, beeft gevangengezeten.— Gevangenzitting, v.— Gevankelijk, bijw. Als gevangene.

ecTat, bn. Verstandig. Schrander. Terstond gereed om een gepast antwoord te geven. — Gevatheid, v.

geveclit, o. Plet vechten, (-en) Strijd. quot;Worsteling. Schermutseling. Slag.

govederd, bn. Vederen hebbende. — Gevederte, o. Al de vederen eens vogels. geTcegr, o. Het aanh. vegen, ffcveins, o. Het veinzen. — Geveinsd, bn. Valsch. Niet oprecht. — Geveinsde, m. en v. (-n). — Geveinsdheid, v.

gevel, m. {-s). Voor- of achtermuur van een gebouw. Spits van eenen voormuur. Titelplaat (van een boek). Neus. — Geveldak, o. (-en). — Gevellijst, v. (-en). — Gevelviutir, m. (..uren). — Geveltop, m. (•pen). — Gevelvenster, o. en v. (-s). — Gevelversiering, v. (-en). — Geve Ivor-mig, bn.

Sewn, bw. gaf, heeft gegeven. Ter hand stellen, toe-, overreiken. Schenken, een geschenk aanbieden. Opleveren, voortbrengen Betalen : loon naar werken geven. Toesteken : het paard de sporen geven. Toestaan : uitstel geven. Toezeggen : zijn woord geven. Opdragen : iem. eenen last

feven. Loozen : eenen zucht geven. Uitlazen : den geest geven. Uitstorten : dat onweer gaf veel nat. Toonen : bewijzen geven van wellevendheid. Doorlaten : die vensters geven weinig licht. Verschaffen : het schaap geeft de wol. Overlaten : eene stad ter plundering geven. Een feest geven: op eigen kosten aanrichten. Gelijk of ongelijk geven : zeggen, dat iem. gelijk of ongelijk heeft. Gehoor geven : iem. bij zich toelaten. Gehoor geven (aan) : letten op, aan eenig verlangen voldoen. Hechten, slaan : geloof geven. Raad geven : raden. Rekenschap geven : verslag uitbrengen (van). Acht geven : letten op, in acht nemen. Schieten : vuur geven. Ronddee-len : de kaart geven. In het licht geven : openbaar maken. In bedenking geven : laten overwegen. Om niets geven, nergens om geven : zich om niets bekommeren, voor alles onverschillig zijn. Dat geeft niets, brengt geen nut aan. Zich of iets gewonnen geven : toegeven, zijne dwaling erkennen, zich voor geslagen houden. Stellen : zijn leven voor iem. geven. Iem. iets op zijn brood geven, streng bekijven. Men moet weten te geven en te nemen. Eens gegeven, blijft gegeven. Gegeven te Amsterdam : uitgevaardigd aldaar. Ow. God geve : het behage aan God. Gave God : mocht het Gode behag«n. —even. Loozen : eenen zucht geven. Uitlazen : den geest geven. Uitstorten : dat onweer gaf veel nat. Toonen : bewijzen geven van wellevendheid. Doorlaten : die vensters geven weinig licht. Verschaffen : het schaap geeft de wol. Overlaten : eene stad ter plundering geven. Een feest geven: op eigen kosten aanrichten. Gelijk of ongelijk geven : zeggen, dat iem. gelijk of ongelijk heeft. Gehoor geven : iem. bij zich toelaten. Gehoor geven (aan) : letten op, aan eenig verlangen voldoen. Hechten, slaan : geloof geven. Raad geven : raden. Rekenschap geven : verslag uitbrengen (van). Acht geven : letten op, in acht nemen. Schieten : vuur geven. Ronddee-len : de kaart geven. In het licht geven : openbaar maken. In bedenking geven : laten overwegen. Om niets geven, nergens om geven : zich om niets bekommeren, voor alles onverschillig zijn. Dat geeft niets, brengt geen nut aan. Zich of iets gewonnen geven : toegeven, zijne dwaling erkennen, zich voor geslagen houden. Stellen : zijn leven voor iem. geven. Iem. iets op zijn brood geven, streng bekijven. Men moet weten te geven en te nemen. Eens gegeven, blijft gegeven. Gegeven te Amsterdam : uitgevaardigd aldaar. Ow. God geve : het behage aan God. Gave God : mocht het Gode behag«n. — Geefach-iig, bn. — Gee fa ch tig he id, v. — Geefster, v. (-s). — Gevensgezind, bn. — Ge-vens^ezindheid, v. — Gever, m. (-s).

eeverseerd, bn. Bekwaam. Kundier. Ervaren.

gevest, o. (-en). Handvatsel (inz. van degens, enz.).

Kev|jl, o. Het aanh. vijlen. — gevil,

4 _ GEVO

o. Het villen. — gevit, o. Het aanb^ vitten. — gevlag, o. Het vlaggen, gevlakt, bn. Gevlekt.

gevlamd, bn. Met vlammen (van hout), gevleesd, bn. Met vleesch bekleed. Een gevleesde duivel : een duivel in men-schengedaante.

gevlei, o. Het aanh. vleien.

gevlakt, bn. Met vlekken. Gestipt. Gespikkeld.

gevlerkt, bn. Vlerken hebbende, gevleugeld, bn. Van vleugelen voorzien.

gevlieg, o. Het vliegen. — gevloek,

o. Het vloeken.

gevoed, bn. Wel gevoed. Sterk. — Gevoedheid, v. — Gevoedsterd, bn.

gevoeg, o. Natuurlijke buikontlasting. Het aanh. voegen.

gevoeglijk,bn. bijw. Gepast, passend, geschikt, betamend. Inschikkelijk. — Gevoeglijkheid. v. — Gevoegzaam, bn. Welwillend. Gedienstig. Beleefd. — Gevoeg-zaamheirf, v.

gevoel, o. Het aanh. voelen. Een der vijf zinnen : het vermogen om te gevoelen. Vatbaarheid voor zielsaandoeningen : gevoel voor het schoone. Ontvangene indruk : smartelijk gevoel. — Gevoelen, o. Het gewaarworden door voelen, (-s) Oordeel, meening. Overtuiging. — Gevoelen, bw. gevoelde, heeft gevoeld. Eene gewaarwording hebben. Bemerken. Vatten, begrijpen. Zich gevoelen, ww. Bewustheid hebben van den toestand, waarin men verkeert: ik gevoel mij gelukkig, wel, enz. — Gevoelig, bn. bijw. Wat het gevoel aandoet : gevoelige (scherpe) koude. Licht door smart getroffen : hij is zeer gevoelig. Medelijdend : gij zijt te gevoelig om bij zieken te gaan. Den geest treffende : gevoelige woorden. Misnoegd : uw gedrag maakt hem zeer gevoelig, betroffen : hij was zeer gevoelig aan die woorden. Teeder van zielsgestel : gevoelige harten. Hard : een gevoeligen slag toebrengen. Licht klimmende of dalende : gevoelige balans, barometer, enz. — Gevoeligheid, v. (..heden). — Gevoelig lijk, bijw. — Gevoelloos,. bn. bijw. — Gevoelloosheid, v. — Gevoelsleven, o. — Gevoelszenuw, v. (-en). — Gevoelszetel, m. — Gevoelszin, m. — Gevoelsvermogen, o. — Gevoelvol, bn. bijw.

gevogelte, o. Allerlei vogelen, gevolg, o. Bijhebbend gezelschap. Stoet, (-en) Wat uit eene zaak voortvloeit. Gebeurtenis, ontstaan uit eene vroegere. Besluit uit eene of meer stellingen getrokken. Gevolg geven aan iets : iets (eene bedreiging, enz.) uitvoeren. Gevolg geven aan eene zaak : haar voor den rechter brengen. — Gevolglijk, bijw. Bijgevolg. — Gevolgtrekking, v. (-en). Besluit, slotsom (eener redeneering).

gevoliuaelitigde, m. (-n). Zaakgelastigde, die voor een ander handelt. — Gevolmachtigd, bn.

gevonkel, o. Het aanh. vonkelen, gevorkt, bn. (Plantenk.) Aan den top gespleten.

gevouw, o. Het vouwen.— gevraag


ocr page 243

— 215 -

GEWE

GEWE

o. Het aanh. vragen. — gevrU» o. Het

vrijen. — gevuur, o. Het aanh. schieten.

i;eivs«alt;l, o. (..aden). Deftig kleed, kosiuum.

STcwstacd, bn. Hachelijk. Gevaarlijk. Netelig. — Gewaagdheid, v.

Scwstai, o. Het waaien. Het loof der booraen. — ffctvnab, o. Het aanh. waken.

gewaand, bn. Voorgegeven. Voorgewend. Valsch.

Srcwaardigrcn fzlcli), ww. pewaar-digde zich, heeft zich gewaardigd. De goedheid hebben (van). Gelieven.

gewaarworden, bw. werd pe.waar, is gewaargeworden. Ontdekken. Bespeuren. Kennis bekomen (van). — Ge7vaar-worditig, v. (-en). Indruk der voorwerpen door de zinnen in de ziel gemaakt. Lichamelijk gevoel.

gewag. o. Melding : gewag maken (van). De hond maakte geen gewag, liet zich niet hooren (inz in den nacht). — Gewagen, ow. gewaagde, heeft gewaagd. Melding maken (van).

gewaggel, o. Het waggelen, — ge-walm, o. Het walmen. — gewal», o. Het walsen. — go wandel, o. Het aanh. wandelen.

gewangd, bn. Dikke wangen hebbende.

gewapend, bn. Van wapens voorzien. Op iets gewapend, voorbereid fijn. Een gewapend oog, dat iets met ren vc groot-

flas beschouwt. —las beschouwt. — Gewapenderhand, ijw. Met de wapens in de hand. gewapper, o. Het wapperen. — ge-war, o. Het warren.

gewarig, bn. Wakker, waakzaam (inz. van honden, die 's nachts blaffen). Oprecht. — Gewarigheid, v.

gewarrel, o. Het warrelen. — ge--wa!H, o. Het aanh. bestrijken met was. (-sen) Oogst : het gewas te velde. Plant, kruid : inlandsche gewassen. Uitwas : een gewas aan den hals. — gewascli, o. Het aanh. wasschen.

gewaterd, bn. Gevlamd. Gegolfd, gewauwel, o. Het aanh. wauwelen.

— ge weef, o Het weven.—geweeg, o. Het wegen. — geweek, o. Het weeken.— geweeklaag, o. Het weeklagen.

— geween, o. Het weenen.

geweer, o. (..eren). Alle wapentuig,

waarmede men zich verweert, of waarmede men den vijand aan 't lijf gaat, inz. schietgeweer, karabijn, enz. — Geweerbandelier, m (-s). — Geweerdolk, m. (-en). — Geweer fabriek, v. (-en). — Geweer fabrikant, m. »-en). — Geweerkogel, m. (-s). — Geweerkolf, v. (..ven). — Geweerverkoo-per, m. (-s). — Geweerlade, v. (-n). — Geweerloop, m. (-en). — Geweerrna^a-zijn, o. (-en). — Geweermaker, m. (-s).

— Geweer makerij, v. (-en). — Ge-veer-rak, ..rek, o. (-ken). — Geweerring, m. (-en). — Geweerschoen, m. ( en) (Mil.) Soort van schoen aan de ruiterzadels. — Geweerschot, o. (-en). — Ge weer stok, m. (-ken). — Geweervuur, o.

gewei, geweide, o. Hoornen der herten. Ingewand van wilde diereu.

gewelde, o. Weiden. (Zie Weide), geweld, o. Onrechtvaardig gebruik van kracht of macht : waar geweld is, is geen recht meer. Gewelddadigheid: geweld gebruiken. Aanwending van alle krachten. Groote kracht : het geweld der baren. Getier, geraas : een helsch geweld maken. Zich geweld aandoen : zich zeiven tot iets dwingen, zich beheeischen, zijne driften beteugelen. Groote hoeveelheid : wat heeft die koe een geweld van vet afgelegd. Den Hemel geweld aandoen : a'les te w.-rk stellen. List gaat boven geweld. — Gewelddaad, v. (..aden). — Gewelddadig, bn.

.~X

Gbweer.

a. Loop.

b. Lade.

c. Vizierkorret..

d. Laadstok.

e. Schachtvan dt» geweerdolk.

i. Riembeugel.

g. Stiftje.

h. Draagband.

i. Opzet.

k. Haan. 1. Beugel.

n. Trekker, druK

ker.

o. Sluiting. p. Kolf.

s. Aanzet plaat. t. Geschut kamer u. Handvatsel.

Geweerdolk.

v. Handvatsel. x. Kling.

r-fi

mm

«..s

COMBLAlN-GWq|


ocr page 244

GEWI — 2

bijw. Hevig. Onbeschoft, redeloos. — Ge-welddadighetd, v. (..heden). — Geueld-dadiglyk, bijw. — Geweldenaar, ra. (-S, ..aren). — Geweide naar sfer, v. ^-s). — Geweldenares, v. ( sen).— Geweldenarij, v. (-en). — Geweldig, bn. bijw. Zeer machtig, met veel kracht. Groot, sterk. Hevig. Door geweld veroorzaakt; een geweldigen dood steiven. Onweerstaanbaar . er liep een geweldige storm. — Geweldtger-hand, bijw. Met geweld.— Geweldigheid, v. — GeweLdighjk, bijw. — Gcaeidma ker, m. ( s). Ruraoerm:.ker. — Gsv.eid^Le' gintr, v. (-en).

grewelf, o. (..ven). Metselwerk, op eenen boog gebouwd Het gebouw zeil : een onderaardsch gewelf iJ^k gewelf van eene spelonk. Uitspansel hemelgeweli — Gewelfboog, ra. (..ogen). — Gewelfd, bn Boogswijze gevormd. — CeT^.l/rit?, ra (-gen).— Gewelf steen,m. ( eu) Sluitsteen ircneiucl, o. Het wemelen, ^roote menigte menschen.

srcncud, o. (-en). Breed akkerbed van 12 tot i6ploegsneden.

gewi'nk, o. Het aanh wenken geweiinen. gewende, heen gewend Bw. Gewoon maken Ow Gcwocn raken of worden. Zich gewennen, ww.— Oc-wend, bn. Gewoon.

grcwenseli, o Hctwenscbea. gewent®, v ( n). Gflwooulo ge %v er veld. bn. Gewervelde dieren. Zie Dierennjic iBijgevoegdo tabelieu)

genest, o. { eni Uoid. Lauastieek. Provincie. — Gezoeitelijk, bn

pe we ten, o ; s) Consr.icntitf — Ge werenloos, bn. — GewetrhtoOiheid, v — Gewetensangst. ra ^ eti) (/^ we ten % dwang, m. — Gewtemhnutinx. w ( en). -—Gewetenstwy fel, m Ceweten\vraag% v. (..agen;. — Geueteuwi yheid v — Gewetenswroeging, v lt; eu» - Cewtens zaak, v. (..aken;. — Ctueitnuwartgheid, v. (..heden).

gew eitlgd. bn. Gerechtvaardigd geweven bo Eeoex'W','^^«' stof-gewezen,bn. Voormalig Vorig, gewielit o Grootte der drukking van een l'chaam op een ander «ii/genrt Afweging bij het gewicht verKooi»t;o waart»» er 's veel gewicht aan JLfelang, belangrijk beid, aangelegenheid. Jien ui.)n van ge» wicht een vooioaam, invineririik persoon (-en) Stuk of stukken van bepaalde zwaarte, waarmede men weegt Lood laan eene huisklok, enz ). Toestel aan eene deur, om ze vanzelf te doen slu:teo. — G ei nicht tg. bn. — Gewichtigheid, v — Gewichtieen-heid, v. — Gewichtsverlies, o

g'ewlelil, o Horens van een bert. grewleg-, o. Het aanh. wiegen, gewielil bn. Wieken hebbecde. , gewald, bn. Gezegend, ingezegend. Geheiligd.

frew|jsgt; o. Het aanh. wijzen.

gewUade, o. (-n). Vonnis. U'tspraak. In kracht van gewijsde : voor uitvoering vatbaar.

gewiksl, bn. Vlug. Slim. Bij de band. — Gewikstheid, v.

gewild, bn. De tarwe is thans niet

6 — GEWR

gewild : ter markt is thans niet veel vraag naar tarwe Gezocht, aangenaam, gez'en.

gewillig, bn bijw. Buigzaam, gehoorzaam. Dienstvaardig. Gewillig tien frank : ruim, iets meer dan tien Irank. — Gewit' hg Held, v — GeiviUigljk, biiw.

gewliineii, bw. gewou, heeft gewonnen Avinnen. Winst doen, maken, hebben llu)i ielen, voortbrengen. — Gewin, o. Winst, voordeel. Opbrengst. — Gewinner, ra ( s) — G^zvinning, v. — Gewimiekt bn — Gewinzoeker, m. (-s). — Gewin-zo*k\ter, v \ s). — Gewinzucht, v. — Gewinziichtig. bn.

gewi«. bn bijw Zeker, stellig. J-ist.

— Gewisheid, v. — Gewisstlijk, bijw. i.ewifiAe. o Geweten.

^cwiüRel. o. liet aanh. wisselen. —

gewit, o Het uanh. witten — gewoe-ker. o liet woekeren. — gewoel, o. liet woelen. Gediang Gedruisch. Drukte, genoltl bn Wol hebbende. Wollig. gewolM, bn. ;VJet wolken bedekt, gewonde, m. en v *-n». Die gewond is. gewoon bn Dagelijksch gebeurende. AllcriaDgstO Algemeen. Gewend. Iets gewoon worden Aan iets gewoon raken.

— Gewoonheid, v — Gewoonlijk, bijw. — Gewoo'ite v ( n» Gewone manier van ooen of zijn Ocbruik Plechtigheid : kerk-hjke gewoonten. iJe gewoonte is een tweede Dcttuiil

geworden, ow gewerd, is geworden Tec hand Komen uw brief is mij geworden. Laat hem geworden . laat nem begaan, laat hem met rust.

geHoriiiie. o. Alle wormen. Wormen, gewomtel, o Het worstelen. Se%«'«»rteld. bu Van wortels voorzien. gcwrK-lil.o l en) Beweeglijke been-

A. Doorsnede van het schoudergewricht, i. Schouderblad. 2. Ravebeksuitsteeksel. 3 iShes. dat het gewricht omgeeft. 4. Opperarmbeen. 5. Kraakbeenige bekte e ding.

D. Doorsnede van het gewricht des elleboogs.

1. Opperarmbeen. ?. Elleboogsknokkel 3. Ellepifp.

derenvereeaiging. Samenvoeging der ledematen. Opperdeel der hand bij den pols,


ocr page 245

GEZE — 2

Srewriomel, o. Het aanh. wriemelen.

— gr*'wrU'. o. riet wrijven. — };cwrUt, O. Het aanh. wriiten. — jccwroclit, o. (-en).Uitwerksel.Groot werk. Iets grootsch, dat tot stand gebracht is. — gewroet, o. Het aanh wroeten. — ge wuif', o. Het aanh. wuiven. — gewiirm, o. Het aanh. wurmen. — gezststgr, o. Het aanh. zagen.

— grezsmi, o. Het zaaien. — gezstaide, o. Wat gezaaid is. Uitgesproten koren. — Srezsamp;bber, o. Het aanh. zabberen.

Oeyter (J. de), 1830, Lede (Aalst). Dichter. Over de nationale Onafhatike-lykheid des Vaderlands (bekroond, 1855). Cantaten.

gezstg, o. Aanzien, macht, vermogen. Bevel. Overmacht. Hij heeft het gezag van vele goede schrijvers in zijn voordeel : hij kan zich tot staving van zijn recht op hen beroepen. Iets op ei^en gezag doen. — Gezaghebber, m. (-s). — Gezaghrbsier, v. (-s).— Gezagvoerder, m. (-S).— Gezagvoer ster, v. (-s).

Oezali'de, m. Jezus Christus. Zie Messias.

gezaiueixderliand, bijw. Allen te zamen, allen tegelijk, met elkander. — Gezamenlijk. Bn. Heel, vereenigd : de gezamenlijke burgerij. De gezamenlijke (volledige) werken van Bilderdijk. Bijw. Eenstemmig : wij danken u gezamenlijk.

srezansr, o. Het zingen, (-en) Zangstuk, lied. Afdeeling van een dichtstuk. — Gezangboek, o. en m. (-en).

geziuiik, o. Het zaniken.

gezant, m. (-en). Ai'gezondene of afgevaardigde van eenen vo st ot eene regeering. — Gezantschap, o. (-pen). Waardigheid van gezant. Bezending. De gezant met zijn gevolg. — Gezantschapshotel, o. (-s). — Gezantschapsraad, m. (..aden). Bekleeder van zekere aanzienlijke staatsbetrekking. — Gezantschapssecretaris, m. (-sen).

gezeegd, bn. (Scheepsb.) Een gezeegd schip, dat veel kromming heeft.

geze«*I«l, bn. Van een zeel voorzien. Met zeelen verbonden.

gezeep, o. Het aanh. zeepen. — ge-mee ver, o. Het aanh. zeeveren.

gezeg, o. Gepraat. Hij zei zijn gez- g, •wat hij te zeggen had. — Gezegde, o. (-n). Wat gezegd is. Uitdrukking. (Spraakk.) Wat van het onderwerp gezegd wordt. — Gezeggen, ow. zich laten gezeggen : naar wijzen raad luisteren, zich laten overtuigen.

— Gezeglijk, bn. Volgzaam. Inschikkelijk.

— Gezeglijkheid, v.

gezegeld, bn. Gezegeld papier, van 's rijks stempel voorzien.

gezeil, o. Het aanh. zeilen.

gezel, m. (-len). Metgezel, begeleider, reisgezel. Ambachtsknecht, inz.knecht, die in eene munt werkt. Jongman. Vrij gezel : ongehuwd man. — Gezellig, bn. bijw. Genegen om met anderen in gezelscr ap te leven. lem., die van verkeer met anderen houdt. lem , die aangenaam in gezelschap is. Het gezellige leven : het onderling verkeer, de samenleving. Eene gezellige kamer. — Gezelligheid, v. — Gezellin, v. (-nen). — Gezelschap, o. (-pen). Gezellig

17 — GEZI

samenzijn. Vereeniging van menschen (om te praten, te spelen, enz.). De personen, die men ergens aantreft. Geleerd gezelschap : vereeniging van letterkundigen. Reis-, looneel-, speelgezelschap. Besloten gezelschap : k»ansje. — Gezelschaphouder,m. ( s).— G zrlsciiaphoudster, v. (-s;. — Gezchchap.juffer, v. (-s). — Gezelschapslied,q. (-eren).— Gezelschapsspel, o. (-len, -en).

Oezelle (G), 1830, Brugge. Priester. Dichter en taalkundige. Werkend lid der K. VI. Academie. Kerkhof bloemen [2° dr.

G. Gezelle.

i860); 'iet Ktndeke van de Dood (3® dr. 1881); Volledige gedichten (i878-,84, 4 dln); The Song of Hiawatha (vertaling:. 1886).

gezet. bn. Dik, zwaarlijvig. Vast, bepaald : gezette üjden, gezette prijs. De vrucht is gezet: de vruchtenknopjes vertoo-nen zich. Bedaard, rus.ig: gezet, gesteld (op). — Gezetheid, v.

gezeteu, bn Gehuisvest, woonachtig. Bemirdeid : een gezeten burger.

gozvur, o. Het aanh. zeuren, gvxielit, o. Het zien, een der vijf zinnen Zintuig, waardoor men de voorwerpen leertki nnen, door ze te aanschouwen, (-en) Uitzicl t. Aanblik. Schouwspel, tafereel, vertoo-iing. V« rschijning. Voorkomen, ge* laat, aangezicht. Gelaatstrekken. Visioen : de gezi hten der Profeten. Dat springt in 't gezic t: dat is zonneklaar. lem. in 't gezicht z tten : in iemands licht zitten. lem. iets in 't gezicht zeggen. Uit het gezicht verliezen : iets niet meer zien, niet weten waar it m of iets gebleven is. — Gezicht' einder m Cirkelvlak, dat den hemel in twee g 'üjke deelen splitst. Uitgestrektheid over v elke. het gezicht reikt. Dat is buiten zijnen gezichteinder : dat gaat voor hem to


ocr page 246

GEZW — 2

ver. — Gezichtkunde, ..kunst, v. — Ge-zichtkundtg, bn. — Gezicht kundige, m. (-n). — Gezi'chts-as, v. Denkbeeldige rechte lijn in het oog. — Gezichtsbedrog, o. — Gezichtsbegoocheling, v. {-en). — Gezichtshoek, m. i-en). Hoek, waaronder een voorwerp wordt gezien en waarvan zijne schijnbare grootte afhangt. — Gezichtskring, m. Omtrek, waarin de voorwerpen kunnen gezien worden. — Ge-zichtsleer, v. — Gezichtslyn, v. De rechte lijn, in welke het oog met een instrument op een te meten voorwerp gericht is of viseert. — Gezichtsmeter, m. (-s). — Gezichtspunt, o. (-en) Punt in de verte, waar het oog zich naartoe nicht en blijft op staan.

— Gezichtsstraal, m (..alen).— Gezichtsveld, o (-en). — Gezichtsvermogen, o. — Gezichtszenuw, v. (-en). — Gezichtsverzwakking, v. — Gezichtszin, m.

Seztvn, bn. Geacht, geëerd.

Sreziii, o. De dienstboden in een huis. (-nen) De huisgenooten (familie en dienstboden).

STCzind, bn. Geneigd, genegen : icm. goed gezind zijn. Anders gezind zijn : van een ander gevoelen zijn. Voornemens : hij is gezind thuis te blijven. Geluimd : hij is wel gezind. — Gezindheid, v. (. heden).

— Gezindte, v. \-n). Geloof. Godsdienst. Leer. Kerkgenootschap.

Sezooht, bn. Dit werk is zeer gezocht, wordt algemeen gelezen. Onnatuurlijk : al wat hij deed was gezocht. Ver pt-haald : gezochte gelijkenis. — Gezochtheid, v.

gezoek, o. Hetaanh. zoeken. — jjc-zoen, o. Het aanh. zoenen.

gezoncl, bn. bijw. In onverdorven natuurlijken toestand, niet ziek, welvarend: e« n gezond mensch. De gezondheid bevorderende : eene gezonde lucht. Voor de

S-zondheid niet schadelijk : gezonde kost. eneeskrachtig : de kina is gezond tegen de kooits. Fnsch : gezond vleesch ^\an eene wond). Gezond verstand. De gezonde rede. Gezonde broeder : sterke kerel. Gezonde (dikke) boterham. —-zondheid niet schadelijk : gezonde kost. eneeskrachtig : de kina is gezond tegen de kooits. Fnsch : gezond vleesch ^\an eene wond). Gezond verstand. De gezonde rede. Gezonde broeder : sterke kerel. Gezonde (dikke) boterham. — Gezondheid, v. Gezonde toestand, (..heden) Heildronk : op uwe gezondheid! Breede baaien lijfgordel. — Gezondheidsbad, o. ( en). — Ge-zondheidsbitter, o. — Gezondheidsbron, v. (-nen). — Gezondheidschocolade, v. — Gezondheidsgordel, m. (-s). — Gezondheidsleer, v. — Gezondheidsmaatregel, ra. (-en). — Gezondheidsmotras.v. (-sen).

— Gezondheidsmeel, o. — Gezandheids-regel, m. (-en). — Gezondheidsroer, o. (-en). Pijperoer, dat het nadeelige van het rooken vermindert. — Gezondheidszooi, v. (..olen). Losse vilten zool. — Gezond-makertje, o. (-s). Borreltje, dat men in den vrolt; gen morgen gebruikt. — Gezondmaking, v.

gezuolit, o. Het aanh. zuchten. — ifezuis:, o. Hetaanh. zuigen. — g-cznip, o. Het aanh. zuipen.

{f^zult, bn. Ingelegd. Gepekeld. — Srvziilt, o. Gepekelde spijzen.

ercziiHtors, s:«zuNtercii, v. mv. Twee oi meer zusters. ,

grezwsisii, o. Het aanh. zwaaien. — ffczw-ubber, o. Het aanh. zwabberen.

18 — GIER

— gozwadtler, o. Het aanh. zwadderen Srozwjipers, ra. mv. Schoonbroeders, grezwstlel, o. Het aanh. zwatelen. —

firezivsivcl. o. Het zwavelen. — ge-zweef', o. Het zweven. — gezweer, o. Het zweren. Verzwering. Zweer. — gezweet, o. Het zweeten. — gezwel, o. Het aanh. zwellen. Onn.ituurlijke uitzetting dt-r vleezige deelen. — gezwem, o. Hetaanh. zwemmen. — gezwerf, o. Het aanh. zwerven. — gezwenk, o. Het aanh. zwenken. — gezwerm, o. Het zjwermen; — gezwet», o. Het zwetsen. Snorkerij. Grootspraak. — gezwier, o. Het zwieren. Brasserij.

gezwind, bn. bijw. Vlug. Snel. Haastig.

— Gezwindheid, v.

gezwoeg, o. Het aanh. zwoegen, gezwollen, bn. Hoogdravend. Winderig. Overdreven. — Gezwollenheid, v.

gezworen, bn. Brëedigd : gezworen landmeter. Onverzoenlijk : gezworen vijand. Gezworen, m. (-s, -en). Lid van een dijks- of polderb» stuur. — Gezworene, ra. (-n). Beëedigde. Lid eener jury.

OlieeraerUtH i0ij1/, de oude), i54o(?)-15901?), Brugge. Historie-, portret- en landschapschilder. 20 Zijn zoon {A/. de jonge), 1561-1635, Brugge, portretschilder.

•Ulieldere (K. de), 1839, Torhout. Dichter. Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Landliederen (1884); Gedichten voor de feesten van Karei den Goede (1884).

Cilieyn (J. van den), 1854, Gent. Jezuïet. Bollandist. Le Berceau des Aryaamp; (1881); les Races et les Langues (1894).

Ciliiberti (Z.), 1378-1455, Florence. It. beeldhouwer.

Caliirlsamp;ndajo (Z?.), 1451-1495. It. historieschilder. De dood van den h. Fran-ciscus.

Ciibbon (iT.), 1737-1794, Putney. Eng. geschiedschrijver. History of the decline and fall of the Roman empire (i782-'88).

Oibrnltsir, Rotsvesting in de Spaan-sche provincie Andalusië. Bezitting van Engeland. Gibraltar (stad) 25,000 inw. Gibraltar (straat van). Zeeëngie, die de Middell. Zee met den At antischen Oceaan verbindt en Europa van Airika scheidt.

«rid», ra. en v. (-en). Leidsman, leidsvrouw. Wegwijzer. Handboek voor vreemdelingen (bxj het bezoeken van een land, enz.).

giegagen, ow. giegaagde, heeft gegiegaagd. Schreeuwen als een ezel.

giegelen, ow. giegelde, heeft gegie-geld. In de vuist lachrn.

giek, v. (-en). Zekere snelvarende boot. gier, v. Spoelirg (vorr de varkens). Vloeibare uitwerpsrlen der dieren. — Gierput, ra. ( ten). Put voor het water der mestvaalt,

gier, ra. ( en). Draai. Zwenking.

gier, m. (-en). De gieren vormen een groote afdeeling der roofvogels, welke in vele geslachten en ondergeslachten verdeeld worden. — Gierarend, ra. (-en). Lararaergier. — Gierenhals, ra. (..zen). — Gierennest, o. en ra. (-en). — Gieren oog, o. en v. (-en). — Gierepoot, ra. (-en). —


ocr page 247

GIF — 2:

Giereveer, v. (-en). — Giereveder, v. (-s, -en). — Gierevleugel, m. (-s, -en). — Giervalk, m. (-en). Zekere roofvogel. — Gt'erzwaluTJü, v. (-en). Muurzwaluw.

Kierbragr, v. (-gen). Brug, die aan ankers bevestigd, op twee, van elkander liggende schepen rust en van den eene zijde der rivier naar de andere overgaat. — Gier pont, v. (-en). Pont, die aan eenen reep vastligt.

ow. gierde, heeft gegierd. (Zeew.) Heen en weer wenden (van een schip).Slingerende gaan (b. v. van beschon-kenen). Fel schreeuwen van kinderen. Bw. Met alle macht bijeenschrapen. — Giering, v. (-en).

fiTicri^r, bn. bijw. Vrekkig. Inhalig. Vasthoudend. Schraap-, geldzuchtig. — Gierigaard, ra. (-s). — Gierigheid, v. — Gieriglijk, bijw.

gierst, v. Gewas. De eetbare of gewone gierst {panicum miliaceum) is te kennen aan hare losse, overhangende pluimen. Haar zaden zijn geel, oranje, grijs^ of wit van kleur. Behoort thuis in de zuidelijke landen. Gepeld is de gierst een menschen-voedsel, ongepeld, een vogelvoeder. — Gierstachtig, bn. — Gier stakker, ra. (-s). — Gierstgras, o. (-sen). — Gierst-koorts, v. (- en). Purperkoorts. — Gierstoogst, ra. (-en). — Giersivormig, bn. — Gierstebrood, o. (-en). — Gierste-bry, v. — Gierstedrank, m. (-en). — Gier-stekorrel, v. (-s). Korrel van de gierst. Hard puistje aan de neusvleugels, het voorhoofd en den hals. — Gierstcvieel, o. — Gierstepap, v. — Gierstesoep, v. — Gier-stewater, o.

grieten, bw. goot, heeft gegoten. Uitstorten, overstorten : water in eene kruik gieten. Besproeien, bevochtigen : bloemen

Jfieten. Gesmolten metalen in eenen vorm aten loopen : lood, koper, enz. gieten. Door gieten in eenen vorm vervaardigen : klokken, kanonnen, enz. gieten. Het zeil gieten, natmaken, hoozen. Het regent, dat het giet: er valt een stortregen. Die rok zit hem aan 't lijf als gegoten, past hem uitnemend.—fieten. Gesmolten metalen in eenen vorm aten loopen : lood, koper, enz. gieten. Door gieten in eenen vorm vervaardigen : klokken, kanonnen, enz. gieten. Het zeil gieten, natmaken, hoozen. Het regent, dat het giet: er valt een stortregen. Die rok zit hem aan 't lijf als gegoten, past hem uitnemend.— Gietbad,o. (-en). Stortbad.— Gieteling,m. (-en). Stuk gezuiverd ijzer van omstreeks honderd kilog— ra.

(-s). Emmer met eene tuit van gaatjes voorzien. — Gieter, ra. ( s). Werkman, die giet. Gietemraer. — Gieterij, v. (-en), giet huis, o. (..zen). Plaats, waar gegoten wordt. — Gietijzer, o. — Gietgat, o. (-en).

— Gieting, v. (-en).— Gietklomp, ra. (-en). Houten werktuig der b'.eekers om het waschgoed te bevochtigen. Zeker werktuig der wassmelters. — Gietkunst, v. — Giet-lepel, ra. (-s). — Gietnaad, m. (..aden). Naad aan gegoten kogels, enz. — Gietsel, o. (-s). — Gietster, v. (-s). — Giettap, ra. (-pen). Tapje aan gegoten kogels, enz. — Giettrechter, m. (-s). — Gietvat, o. (-en).

— Gietvorfn, ra. (-en). — Giet zand, o. ffietelinfi:. m. (-en). Meerle. gietlogeii, m. en v. (-s). Verstokte

leugenaar of leugenaarster.

gif, gift, o.(giften).Vergif. — Giftappel, m. (-s, -en). — Gijtappelboom, m. ( en). De Indianen doopen nunne pijlen in het

5 — GILD

sap van dezen boom. — Giftbeker, ra. —-Giftblaasje, o. ( s). Orgaan, dat bij de venijnige insecten het vergif afscheidt. — Giftboom, ra. ( en). Zijn melkachtig bla-dervocht levert, na gedroogd te zijn, een zeer zwarte melkstof op. — Giftdrank, m. (-en). — Giftig, bn. Vergiftig. Giftige tong : kwaadsprekend mensch. — Giftig' heid, v. — Giftmenger, ra. (-s). — Gift-mengster, ra. (-s). — Giftiverend, bn.

gift, v. (-en). Gave. Geschenk. Begiftiging. Beschenking.

SrigT, v. (-gen). Een opene tweewielige disselwagen. Lichte boot van ijzerblik (op de kanalen).

STÜ, pers. vnw. Tweede pers. enkel- en meervoud. — Gijlieden, peis. vnw. 2® pers* mv.

gUbelcn, ow. gijbelde, heeft gegijbeld. Giegelen.

gUk, v. (-en^. Spriet tot het uitzetten der bijzeilen. Stok tot het uitzetten van het schooverzeil. Dwarshout aan eenen wegwijzer.

g|jl, o. Zie Chijl. Bier, dat nog niet uitgepist is. Gisting van versch bier in vaten.

— Gijlbier, o. — Gy'len, ow. gijlde, heeft gegijld. Gisten (van bier). Sterke begeerte nebben (naar). Elkander liefkoozen (van duiven). — Gijling,— Gijl kuip, v. (-en).

gun, o. (-en|. De zwaarste en sterkste takel, die in de scheepsvaart gebruikt wordt. — Gijnbalk, ra. (-en). —Gijnblok, o. en ra. (-ken). — Gijntouw, o. (-en).

gllpen, o.v. gijpte, hlt; eft gegijpt. Naar den adem snakken. Up het gijpen liggen, op het sterven liggen. Wind vatten en dreigen om te slaan (van de zeilen). — Gijp, v. (Zeew.) Het gijpen.

gljzeleu, bw. gijzelde, heeft geeijzeld. Gevangenzetten (voor schulden 1. ^Dicht.) Verbergen. — Gijzelaar, ra. (-s, ..aren). Voorname persoon, welken men, bij oor-logs ijd, tot onderpand van zekere na te komen voorwaarden, den vij ind overlevert.

— Gijzelbrief, m. (..ven). — Gijzeling, v. (-en). Het gevangenzettrn (voor schulden). Gevangenis (voor gegijzelden). — Gijzeling, ra. ( en). Gijzelaar. — Gijzeikamert v. (-s). — Gyzelplnats, v. ( en). — Gijzelquot; recht, o. Recht van den schuldeischer om zijnen schuldenaar tijdelijk te berooven van zijne vrijheid.

gril. ra. (-len). Hevige, doordringende kreet.

Oil Vicente, 1480-1557, Guimaraes. De vader der Portugeesche tooneelpoëzie.

Oiibert (A^. y. Z,.), 1751-1780, Fonte-nay-le-Chateau. Fr. dichter. Le Poète mal-heureux (1772); Mon afiologie (1778).

gi]«i, o. (-en), gilde, o en v. (-n). (Middel.) Vereeniging van personen, die hetzelfde handwerk deden, en, die aan algemeene regelen en tucht, onderworpen waren. Leden van het g.ld : meestergasten, werklieden en leergasten (meteenen deken, door het gild gekozen, als hoofd). Had een drievuldig karakter: godsdienstig (had een vaandel, eenen patroon, eene kerk oi kapel), militair (was op een militaire manier ingericht. De leden droegen een uniform), industrieel (de deken en zijne


ocr page 248

GIPS — 2

assessoren stelden het werkloon vast, de prijzen der koopwaren, de te bewerken stoften, de werktuigen, het getal werklieden, enz.). De gilden hadden een belfort, een gemeentehuis, arsenalen, hallen, eenen stempel en vestingen rondom de stad. De gilden werden afgeschaft door Jozef II (1786). Het gild winnen, in een gild opgenomen worden. Broederschap, genootschap : het gild van S'Sebastiaan. — Gilde-bier, o. — Gildebode, m. (-n). — Gilde-\boek, o. en m. (-en). — Gtldebrief, m. (..ven). Bewijs van lidmaatschap eens gil-debroeders. Reglement van het gild. Akte |van meesterknecht. — Gild eb roe der, m. (-s). — Gildeheer, m. (-en). — Gildehnis, ,0. (..zen). — Gildekaviery v. (-s). — Gil-deknecht, m. (-s). — Gilde meester, m. '(-s). — Gildeineestcrschnp, o. — Gilde-penning, m. (-en). — Gilderecht, o. (-en).

— Gtldesiaf, m. (..aven). — Gildevaan, v. (..anen). — Gildezusler, v. (-s).

Sfililo»», ra. (-sen). Vette os, welken men met eeuen krans om de horens door de stad leidt, eer hij geslacht wordt.

CJBijrivier der Vesder. Op de Gillt; ppe, midden in het Hertogenwald, werd een stroomdam van graniet opgeworpen, zoodat de vallei in een meer van 250 m. breedte en 2 kilom. lengte, inhoudende 13,000,000 kub. meiers is herschapen. Dit werk werd aangebracht ora de fabrieken van Dolhain tot Verviers het noodige water te verschaffen.

iffiN'f, v. (-s). Ondervest.

firillcii, ow. gilde, heeft gegild. Eenen

?il geven. Hard schreeuwen. —il geven. Hard schreeuwen. — Giller, m. •s). — Gilling, v. — Gils/er, v. (-s).

Klllni, hw. gilde, heeft gegild. Schuin afsnijden (bij scheepslimm» rlieden). — Gilling, v. (-eu). iScheepsb.) Schuin gezaagd hout. Gilling van een zeil : tong van een zeil. — Gillinghout, o. Gilling.

CfliMlvr, bijvv. Daar (aanwijzing

van plants of ligging). — Gindsch, bn. Het gindsche huis : het huis, dat daar staat.

Criunrmisr, O. Zekere Oostindische katoenen stol. Het fijne Eng. namaaksel er van.

griiiiiograbbcii, {;finiiC£ra|»|)cii,ow.

ginnegabde, ginnegapte, heeft geginne-gabd, geginnegapt. Onbeschaamd lachen.

— Ginnegabber, ginnegapper, m. (-s). — Ginnegabster, ginnegapster, v. (-s).

{piiinikcn, ow. ginnikte, heeft gegin-nikt. Hinniken (van paarden). Spottend lachen.

OiiiNi, v. Brem (ieart.).

ipioc'OKO, giojoso, bijw. (Muz.). Vroolijk. Lustig. Schertsend.

Oiordano (Z^.), 1632-1705, Napels. Historieschilder.

lt;»iore:ioiiv = G. Barbarelli, /477-1511, Castelfranco. Schilder. De grondvester der nieuwe Venetiaansche school. Maria met het kind Jezus.

Glof to «li ISoimIohc = A. Rondone, 1276-1336, Vespignano. It. Schilder, beeldhouwer en bouwmeester.

Cips, o. ( en). Waterhoudende zwavelzure kalk. Pleister. — G ipsa ar de, v. — Cipiachtig, bn. — Gipsafdruk, m. (-ken).

o — GLAD

— Gipsafgietsel, o. (-s). — Gipsbeeld, o. (-en). — Gipsbrander, m. (-s). — Gips-brandery, v. (-en). — Gipsen, bn. — Gipsen, bw. gipste, heeft gegipst. Met gips bestrijken. — Gipsgieter, m. (-s). — Gips-groef, v. (..ven). — Gipsing, v. — Gips-kooper, m. (-s). — Gipsmeel, o. Fijn gips.

— Gipsnti/n, v. (-en). — Gipsspaath, o. Gekiistalliseerd gips. — Gipssteen, ra. (-en). — Gipsvorm, ra. (-en). — Gipswerk, o. — Gipswerker, m. (-s).

STii-aflV, v. (-n, -s). {Camelopardus Girajfra) Behoort tot de herkauwende zooguieren. 't Hoogste bekende zoogdier. Leeft in vele streken van Afrika.

Sfirsiiidolc, v. (-s). Luchter. Blaker.

Zie Gergel.

tiiroiKlUnou, UiroiKliMfon, m. mv. Aanhangers der gematigde republi-keinsche pai tij (1792^, de Gironde gehee-ten, dewijl hare hoofden uit het departement van dien naam waren.

Si*, v. Gissing. Vermoeden. Onderstelling. — Gissen, giste, heeft gegist. Bw. Vei moeden. Raden. Ow. Gissen (naar) : een vei moeden uiten. — Gisser, m. (-s).

— Gissing, v.(-en). — Gisster, v. (-s).

^ {si^i», v. ( en). Dunne roede, smalle riem (strafwerktuig) — Gijpen, bw. gispte, heeft ge-ispt. Met eene gisp slaan. Laken, afkeuren, hrkelen. Een ongunstig oordeel vellen (over). — Gisper, ra. (-s). — Gisping, v. (-en). — Gisp ster, v. (-s).

BiHt, v. Product der gisting van bier, enz., voor broodbakkers, enz. onmisbaar.

— Gist boer, m. (en). Handelaar in gist.

— Gisten, ow. gistte, heeft gegist. Opbruisen, in beweging zijn van bier, enz. — Gis tig, bn. — Gisting, v. Het gisten. Beweging der gemoederen, die tot oproer kan overslaan. — Gist kladder, ra. (-s). (Spott.) Gistboer. — Gistkooper, ra. (-s). — Gist-kuip, v. ( en). — Gist me ter, ra. (-s).

SiMleren, (srfhtor), bijw. De dag, dien van heden yooi afgaande. — Gisteravond, gistermiddag, gistermorgen, gisternacht, gisterochtend, bijw.

Uit, o. Schoon zwart agaat. Het git der oogen. v. (-ten). Dunne, langwerpige koraal van git. — Gitten, bn. — Gitzwart, bn. Zoo zwart als git.

gitaar, v. (..aren). Speeltuig met zes snaren, die gedeeltelijk met de vingers bewogen en met de duimen gestreken worden. — Gitaar snaar, v. (..aren). — Gi' taarspeelster, v. (-s). — Gitaarspel, o. — Gitaarspeler, ra. (-s).

lt;Uitl6o (^4.), 1858,Gent. Leeraar. Vraagboek tot het verzamelen van VI. Folklore (18Ö8).

grittegrquot;quot;!* Zie Guttegom,

Uittcns (Z7.), 1842, Antwerpen. Letterkundige Jane Shore (drama, bekroond 1883); Parisina (treurspel, 1887).

glacis, o. Buitenborstwering. Zachte ai helling.

glad, bn. bijw. Eften, niet ruw. Vlak. Glibberig. Vloeiend (van stijl, verzen, enz.). Ten eenemale, zonder dat er iets overblijft. Gladde woorden : honigzoete taal, bedrieglijke woorden. Eene gladde tong : welbespraaktheid. Valsch. listig mensch. Be-


ocr page 249

GLAS — 2:

kwaara, kundig, knap : een gladde kerel. Glad afslaan : onbewimpeld weigeren. Dit bier gaat er glad in, laat zich gemakkelijk drinken. — Gladachtig, bn. — Gladbeitel^ m. (-s). — Gladbek, m. (-ken). Jongeling, die nog geenen baard heeft. Valsche diamant. — Gladborstelen (i). — Gladborsteling, v. — Gladden, bw. gladde, heeft geglad. Gladmaken. — Gladdigheid,gladheid, v. — Gladhout, o. (-en). Schoenmakersgereedschap. — Gladmaken, — Glad-maakster, v. ^-s). — Gladmaker, m. (-s).

— Gladmaking, v. — Gladplooien ^ — Gladplooier, ra (s). — Gtadplooiing.

— Gladplootite*quot;, v (-s). — Gladschaaf, v. (..aven). — Gladschaven. — Gladscha ver, m. (-s). — Gladschaving, v. — Gladscheerder, m. (-s). — Gl^d\cheren. — Gladschering, v. — Gladschuren. — Gladschuring, v. — Gladschuurder, ra. (-s). — Gladschuurster, v. (-s). — Gladslaagster, v. (-s). — Gladslaan, — Glad-slager, m. (-s). — Gladslffpen, — Glad-slijper, m. (-s). — Glaih lyping, v. —. Gladslijpster, v. (-s). — Gladstrijken. — Gladslrijker, m.. (-s). — Gladstryking. v.

— Gladsirykster, v. (-s). — Glad-iund, ra. (-en). Boekbindersgereedschap.

— Gladie, v. Gladheid. — Gladvyl, v. (-en).— Gladvylen.— Gladvijler, ra. (-s).

— Gladvyling, v. — GladvijLster, v. (-s).

— Gladwrijven.

Sladiittor, ra. (..oren). Zwaardvechter. De gladiatoren vochten met elkander in de openbare kampspelen, doorgaans tot den dood toe. Omstreeks 265 voor Chr. werd dit barbaarsch volksvermaak voor 't eerst te Rome vertoond.

Ciladstono {IV. E.), 1809, Liverpool. Eng. staatsman, redenaar en schrijver.

grlans, ra. (-en). Eigenschap van sommige lichamen, waardoor zij of eigene of ontvangene lichtstralen terugkaatsen : de glans der zon. Schoonheid. Luister, pracht,

Êraal. Schittering. Roem. Hooge waardlg-eid. —raal. Schittering. Roem. Hooge waardlg-eid. — Glanshout, o. Likhout. — Glans-middel, o. (-s, -en). — Glanspap, v. — Glansrijk, bn. bijw. Vol luister. Vol roem. Schitterend. — Glansrijkheid, v.— Glanssteen, m. (-en). Werktuig om voorwerpen glanzend te maken. — Glansster, v. (-s). — Glanzen, glansde, heeft geglansd. Bw. Eenen glans geven (aan). Ow. Glans van zich geven. — Glanzer, ra. (-s). — Glanzig, bn. — Glanzigheid, v. — Glanzing, v.

Slas, o. Doorschijnende, doorzichtige en zeer breekbare stof, door samensmelting van zand, kalk en metaal-oxyde ontstaan. o. (..zen). [Glaasje, o. (-3)]. Ruit. Drinkschaal. Bril. Kijker, verrekijker. Uurglas. Glazen klok. — Glasachtig, bn. — Glasblazen, o. Het vervaardigen van glas.

— Glasblazer, ra. (-s). — Glasblazerij, v. (-en). — Glasblazerspijp, v. ( en).— Glasdiamant, m. (-en). Valsche diamant, o. Valsch diamant. — Glaselectriciteit, v.

^ (1) De samengestelde werkw. met glad zijn scheidb. en bedrijvend.

: — GILD

Zie Electriciteit.— Glasgroen, bn.— Glas-handel, m. — Glashandelaar, ra. C-s). — Glashandelaarster, v. (-s). — Glas knoop, m. (-en). Knoop in het midden eener glasschijf. — Glas kleur, v. Kleur van het glas. (-en). Metaal-oxyde tot het verven en beschilderen van glas. — Glaskleurig, bn.

— Glaskoojber, ra. (-s). — Glaskoopster, v. (-s). — Glaskraam, v. en o. ( .amen).

— Glaskramer, m. 1-s). — Glaskruid, o. Plantengeslacht \parietaria) tot de netelachtigen beboorende. P. erecta en p. diffusa zijn bij ons inheemsch. Zij worden op steenachtige plaatsen, aan oude muren, enz. gevonden. — Glasmaker, ra. (-s). Glasblazer. — Glasoog, o. en v. (-en). Ingezet oog. Oog met glasachtigen kring (van paarden). — Glasoogig, bn: Met een glasoog — Clasoven, ra. (.-s). — Glaspart l. v ^-s, -en). Valsche parel. — Glaspor-selfin, o. Valsch porselein. — Glasraam, o. (..amen). Raam met glasruiten. — Glasruit, v. (-en). — Glasscherf, v. (..ven). — ClasschyJ, v. (..ven).— Glasschilder, m. (-s). — Glasschilderen, o. — Glasschildering, v. — Glasschilderkunst, v. — Glassiyper, m. (-s). — Glassmelter, m. (-s). — Glasspinnen, o. Het uittrekken van het nog vloeibare glas. — Glastranen, ra. mv. Snel afgekoelde en zeer broze glasdroppel ij es. — Glasvlies, o. (..zen). Vlies, dat het glasachtig vocht omgeeft van het oog.

— Glaswaren, v. mv. Allerlei glazen voorwerpen. — Glaswerk, o. Glazen, karaffen, enz. Al de ruiten van een gebouw. — Glaswerker, m. ( s). — Glaswinkel, m. (-s).

— Glas zand, o. — Glazen, bn. — Glazen-dak, o. (-en). — Glazendeur, v. (-en).— Glazenkast, v. (-en). — Glazenmaker, m. (-s*. Werkman, die ruiten inzet. (Nat. hist.) Zeker insect {libellula), tot de orde der peesvleugeligen beboorende. — Gla-zenspuit, v. ( en). Spuit tot het wasschen der glazen. — Glazenwasscher, m. (-s). Boender aan een langen stok. — Glaze rig, bn. Giazerige, doorgewassen aardappelen.

— Glazig, bn. Glasachtig. — Glazigheid, v.

OlaNgrow, 600,000. Haven aan do Clyde (Schotland). Groote spinnerijen.

i^luxiiur, grlaziiur.Hel, o. Glasachtige, glinsterende laag (waarmede aardewerk overtogen wordt). Vernis. Verglaassel (der tanden). — Glazuren, bw. glazuurde, heeft geglazuurd. (Aardewerk) met glazuur bedekken.

{J. G.), 1714-1786, Leipzig. Duitsch kruidkundige.

g:lci, o. Gezuiverd roggestroo.

glciH, o. Pottenbakkersaarde. — Glei-sen, gleiste, heeft gegleist. Bw. Verglazen. Ow. Schijnen. BI; ktn. — Gleiswerk,o, Verglaasd potten kikkerswerk.

Klouf, v. (..veu). Lauge en smalle groef tot afwatering.

Sliltbcrcii, ow. glibberde, is geglibberd. Uitglijden (met de voeten). — Glibberig, bu. Glad. Smerig. — Glibberigheid, v.

prlid, o. Verbinding van lood met zuurstof, bij bekoeling toteene bladerige kristallijnen massa gestold. Heeft eene gele of


ocr page 250

GLOE — 2

roodachtig ^ele kleur. Wordt goud-zilver, in den handel loodglid genoemd.

fplidkruid, o. Overblijvend plantje {Scutellariagalericulaia). Behoort tot de lipbloemigen. Bloeit in Juli en Augustus.

grlUdcn, ow. gleed, heeft en is gegleden. Op eene gladde oppervlakte voortbewegen. Zich door eene forsche beweging vanzelf laten vooruitkomen. Los over iets gaan. — Glijbaan, v. (..anen). Baan (op bet ijs of de sneeuw), waarop men glijdt. — Glijder, m. (-s). — G lij ding, v. — Glijd-ster, v. (-s).

i^liiu men, ow. glom, heeft geglommen. Een flauwen glans van zich geven : vermolmd hout glimt in het donker. Zwak branden (zonder vlam). Doorgloeien, aangloeien : het vuur glom onder de asrh. Glanzig maken : de stoften doen g'imnien.

— Glimhout, o. Vermolmd hout, dat 'n het donker een zeker licht van zich l' eeft. — Glimmend, bn.

glimlach, m. Liefelijke lach. — Glimlachen, ow. glimlachte, heelt geglimlacht.

glimmer, o. Mica. — GUmmerach-iig, bn.

glimp, m. Bedrieglijke schijn. — Glimpend, bn.,glimpig, bn. Schoonschijnend.

Krlimplncli, m. Geve'hsde lach. — Gltmölachen, ow. glimplachte, heeft ge-glimplacht.

glim worm, m. (-en^. Schildvleugelig insect, dat in het duister glinstert.

Olinksi {M. J\, 1804 1H57, Novospask. Russisch componist. V Leven voor den Czaar (opera, 1836).

gllustcr, m. (-s). Glinsterende vonk. Glinstering. — Glinsteren, ow. glinsterde, heeft geglinstrrd. Een schitterenden glans van zich geven. StixxX-tertn.-— Glinsterend, bn. — GUnsterig, bn. — Glinstering, v. (-en). — Glinster worm, m. (en). Glimworm.

grllnt, o. (-en), gllnte, v. (-n). gün-tlngr, v. (-en). Latwerk langs de muren der tuinen, waaraan men allerlei li uithoornen opleidt.

glip, m. (-pen). Soleet, inz. »p een^p^n.

— Glippen, bw. glipte, heeft geglipt Eene spleet in eene pen maken.

glippen, ow. glipte, is geglipt Out-elippen. Door het gladde ontsnappen (^ao de hand, enz.^. Lesjes over iets heen glip pen, het eventjes aanroeren Hij i*. ga^n glippen • hij heeft zich uit de voeten ge maakt. — Clipper, m. (-s). Vluchteling. Voortvluchtige. — Cltppeng, bn. Glibberig. — Glipping, v. (-en).

globaal, bn bijw. Oppervlakkig. Geraamd. Bij raming.

glohe, v. (-s). Aardbol. Wereldbol. Wereldrond. Hemellichaam.

gloed, m. Fel brandend vuur. Hitte en schijn van zulk een vuur. Vuur van gloeiende kolen. Glans: de gloed van nieuwe stoffen. Schittering : de gloed der diamanten. Drift en onstuimigheid der hartstochten : de gloed van den ijver.

gloeien, gloeide, heeft gegloeid. Ow. Door verhitting in eene warmte- en licht-ontwikkeling geraken. Gloeiend worden. ■Branden met een sterken graad van hitte.

2 — GLUR

zonder vlam te geven. Helder schijnen. In gloed zijn : het ijzer gloeit als het zekeren tijd in het vuur steekt. Een schitterenden glans van zich geven : de diamanten gloeien. Zijne handen gloeiden, waren brandend heet. De blos der jeugd gloeide op zijne wangen. Stralen : de vreugde gloeide in zijne oogen. Elks boezem gloeit (klopt warm) voor het vaderland. — Gloeiend, bn. bijw. — Gloeiendheet, bn. — Gloeihitte, v. Sterktegraad van hitte. — Gloeiing, v. — Gloeioven, m. (-s). — Glo^ipan, v. (-nen). — Gloeirooster, m. (-sU

glooien, ow. glooide, heeft geglooid. Schuin afloopen. Hellen. — Glooiend, bn.

— Glnoi, m. glooiing, v. (-en). Schuinte. Schuine afloop (van eenen berg, enz.). — G lootings hoek, m. (-en).

gloor, m. Glans. Roem, eer, luister. — Gloren, ow- gloorde, heeft gegloord. Glimmen. Beginnen te glanzen. De ochtend gloort.

glop, o. (-pen). Smal straatje. Keerweer. Bergcngte. Vermindering. Dit maakt een glop (eene leegte) in mijne kas.

Oloriant. Abel sp^l. Zie Spel.

glorie, v. Roem, beroemdheid, grootheid, eer. Hij deed alles uit zucht naar glorie, uit zucht naar beroemdheid. Glorie zij God : eere zij God! Een glorierijke naam : een roemrijke naam. Heerlijkheid, pracht, praal, luister, glans. De glorie des Hecren : de heerlijkheid des Heeren. In volle glorie : in vollen luister, in vollen glans. Stralenkrans : Maria wordt alge-beeld met eene glorie van gouden sterren.

— Gloriekroon, v. (..onen). — Glorierijk, bn. bijw — Glorieus, bn. Roemrijk, heerlijk. Trotsch, verwaand. — Gloriezucht, v.

— Cloriezurhtig, bn.

glo«, v (-sen), gloNNe, v. (-n). Moeilijk to veiklaren woord. Ophelderende, v«gt;» k larende. kantteekening.V erklaring.toe-Iiihtmg Aan-, opmerking (in ongunstigen zin) — Glossarium, o. (..ria). Verklarende woordenlijst.

tjilfirk (.7- C vnn), 1714-1787, Weiden-watig Duitseh toonkunstenaar en componist De hervormer der tooneelmuziek. (Jrpheus en Eurydice (1762); Alceste; Iphtvrnia in Au lis.

gluip. v. ( en) Vogelknip. Kleine opening, spleet; de deur staat op eene gluip, — 'J'ergluip, bijw.uitdr.Ongezien,ongemerkt.

— Gluipen, ow. gluipte, heeft gegluipt. Trachten iem. in 't geheim en listig te bena-deelen. Loeren : door de deurgluipen. Den hoed diep op de oogen dragen. Opeen ambt gluipen : een ambt bejagen. —■ Gluipend, bn bijw. Verraderlijk. — Gluiper, gluiperd, ui. {-$). — Gluiperig, bn. bijw. Verraderlijk. — Gluips, bijw. Ter gluip. — Gluip sch, bn. Die iem. in 't geheim en verraderlijk benadeeld heeft : een gluipscb mensch.

glunder, bn. Net. Sierlijk. Kraakzindelijk. — Glunderheid, v.

gluren, ow. gluurde, hei-ft gegluurd. Loeren. Heimelijk letten (op).— Gluring, v. (-en), — Gluur, m. Loer. — Gluurder, m. (-s). — Gluur ster, v. (-s).


ocr page 251

GOD — 2

ffflyccriue, v. Oliezoet, ontdekt door Scheele (1790). Is in de meeste vetten aanwezig ten bedrage van 8 tot 9 %. Voegt men glycerine bij een af^ekot-ld mengsel van zwavelzuur en salpeterzuur en giet men dit in water uit, dan ontslaat nitro-glyce-rinty een zware, olieachtige vloeistof, die door eenen stoot ontploft en tot het vervaardigen gebruikt wordt van dynamiet en dualine.

STiieiM, o. Een der belangrijkste bergstoffen of gesteenten. Bestaat uit veld-spaath, kwaits en mica.

CTuiflcle», ow. gniffelde, heeft gegniffeld. In de vuist lachen. Zijn lachen verbergen.

gnoe, o. (-s). Behoort tot de familie der Antilopen onder de hei kauwende zoogdie-dieren en tot den groep der osachtigen. Leeft inde woestijnen van Z.- en M.-Atiika in groote troepen.

^nooin, m. (..omen). Aardgeest. Berggeest. Kaboutermannetje.

Oocl, m. (Met betrekking tot de schepselen) : « De Schepper, Heer en Regeerder van hemel en aarde, de fontein onzer zaligheid en ons opperste goed. » (Ten aanzien van zich zeiven) : « Een enkele

Eeest van oneindige volmaaktheid. » (-en) )e goden : de valsche godt'n der Heidenen. De goden, de machtigen der aarde. Iets, waaraan men zeer gehecht is : heteest van oneindige volmaaktheid. » (-en) )e goden : de valsche godt'n der Heidenen. De goden, de machtigen der aarde. Iets, waaraan men zeer gehecht is : het

feld is zijn god. —eld is zijn god. — Goddank, tw. Gode zij ank. — Goddelijk, bn. bijw. Aan de Godheid eigen. Tot het Goddelijk wezen beboerende. Het Geloof, de Hoop en de Liefde noemt men Goddelijke deugden « omdat zij van God alleen ingestort en eigenlijk alleen met God bezig zijn ». Heerlijk, voortreffelijk, uitmuntend. — Godde-lykheid, v. De Goddelijke natuur. — Goddeloos, bn. bijw. Zonder God. Ongodsdienstig. Zedeloos. Slecht. Ondeugend. Groot, erg, vreeselijk: een goddeloos Teven maken. — Goddeloosheid, v. (..heden). — Goddelooze, m. en v. (-n). De hedendaag-sche goddeloozen hebben den h. Doop ontvangen, maar verzaken de leer van Christus.— Godtbehaaglijk, bn.— Godendienst, m. Godsdienst der Heidenen.— Godendom, o. Al de goden der Heidenen. — Godendrank, m. Nectar. Uitgezochte drank. — Godenleer, v. Kennis der goden en godinnen van de oudheid. — Godenmaal, o (..alen). — Godenspijs, v. (..zen). Ambrosia. Bijzondere lekkere spijs. — Godentiid, m. Tijd, toen men de Heidensche goden vereerde. — Godentaal, v. — Godenwoning, v. — Godes, v. (-sen). (Myth.) Vrouwelijke godheid. — Godewaardig, bn. — Godgansch, bn. (Versterking vangansch): degodgansche dag. — Godganse he lijk, bn. bijw. — Godgeleerd, bn. Tot de godgeleerdheid behoorende. Bekend met alles wat op den godsdienst betrekking heeft. — Godgeleerde, m. (-n). — Godgeleerdheid, v. De wetenschap Gods en der Goddelijke dingen, geput uit de Veropenbaring. Verzameling van theologische schriften. — Godgevallig, bn. Aangenaam aan God. — Godgewijd, bn. Aan God gewijd, geheiligd. — Godheid, v. Het Opperwezen. God-

5 — GOD

delijkheid. (..heden) Heidensche god ol godes. — Godin, v. (-nen). (Myth.) De vrouw van eenen god. — Godinnendom, o. Al de godinnen der Heidenen. — Godist, m. (-en). Deïst. — Godistery, v. — God-loj, tw. Gode zij lof. - Godloochenaar, m. (-s). — Godloochenaarster, v. ( s). — Godloochenarij,godloochening, v. — God-mensch, tn. Jezus Christus (God en mensch),

— Godsakker, m. (-s). Kerkhof. Begraafplaats. — Godsbestier, Godsbestuur, o. De onmiddellijke regeering van God (als bij de Israëlieten). — Godsdienst, m. (-en). Openlijke vereering van God, door eene vergadering van personen, die tot dit einde samenkomen. De waarheden, naar welke hunne daden moeten geregeld worden, tot het vereeren van God. Al wat zij voor God en zijne eer verrichten. De Roomscöe godsdienst. (In België en Nederland is de godsdienst vrij.) — Godsdiensthaat, m. — Godsdienstig, bn. bijw. Tot den godsdienst behoorende. Vroom, godvreezend. — Godsdienstigheid, v. — Godsdienstig lijk, bijw. — Godsdienstijver, m.— Godsdienst-krijg, m. (-en). — Godsdienstleer aar, m. (..aren, -s). — Godsdienstoefening, v. (-en). — Godsdienstonderwijs, o. — Godsdienstonderwijzer, m. (-s).— Godsdienst-onderwijzeres, v. (-sen). — Godsdienst-oorlog, ra. (-en). — Godsdienstplechtigheid, v. (..heden). — Godsdienstver zaakster, v. (-s). — Godsdienstverzaker, m. (-s). — Godsdie n sty er zak 1 ng, v. (-en). — Godsdienstvrijheid, v. — Gods^ave, v. (-n^. — Godsgeheimenis, v. (-sen). — Godsgenade, v. Op Godsgenade iets ondernemen. — Godsgerecht, godsgericht, o. (-en). (Middel.) Voor eene gewichtige zaak, lijf en leven betreffende, waar r.och de aanklager h t feit, noch de beschuldigde zijre onnoozelheid kon bewijzen, nam men zijne toevlucht tot het Opperwezen, hetzij bij middel van vuur-, water-, kruis- of wapenproef. Wie weigerde, werd daardoor zelf voor plichtig gt houden. (Zie Proef).

— Godsgeschenk, o. (-en). — Godsgezant, m. (-en). — Godshuis, o. (. zen). Godsdienstige samenwoning van personen. Gasthuis. — Godslaster, m. — Godslasteraar, m. (..aren, -s). — Godslasteraarster, v. (-s). — Godslastering, v. (-en). Zie Blas-phemie. — Godslasterlijk, bn. bijw. — Godsman, m. (-nen). — Godsmoord, m. en v. De dood van Christus op het kruis. — Godsnaam (/'«-), bijw. uitdr. — Godsoordeel, o. (-en). Godsgerecht. — Godspen-ning, goodspenning, m. (-en). Onderpand, waarborg, handgeld aan den verkooper of verhuurder tot zekerheid van den verkoop ot de huur gegeven. — Godspraak, v. (..aken). Uitspraak der godheid. Beslissing, die als ^ezag geldt. — Godsrecht, o. Het recht Gods. Zie Godsgerecht. — Godsre-geering, v. Godsbestier.— Godsvereering, v.— Godsvrede, m. Zie Vrede. — Godsvrucht, v. Eerbied, ontzag voor God. Godsdienstigheid. Vroomheid. — Godswil {om-), bijw. uitdr. — Godvergeten, bn. bijw. Goddeloos. Zeer slecht. Groot, erg : een godvergeten schurk. — Godverloochenaar, m. (-s). — Godver loochenaar ster.


ocr page 252

GOED — 2

v. (-s). — Godver zaakster i v. (-s). — God-ver taker, m. (-s). — Godverzaking, v. — Godvreezend, bn. — Godvreezendkeid, v. — Godvruchtig, bn. biiw. — Gudvruch-tigheid, v. — Godvruchtigli/k, bijw. — Godzalig, bn. bijw. Godvreezend. Vroom.

— Godzaligheid, v.

Ciorifri*'*!. Zie Volgreeks der regec-rende vorsten.

g'ovd, bn. bijw.Tegenstelling van slecht. Hei'zaam. Voordeelig. Deugdzaam, braaf. quot;VVelw illend, toegenegen. Zacht, goedaardig. Goedgunstig. Geschikt, bekwaam. Vruchtbaar: een goed jaar. Mooi: goed weer. Goede vrijdag : de vrijdag vóór Pa^chen. De goede weck : de weck voor Paschen. Goede mannen : scheidsrechters. Goede dagen hebben : in overvloed, onbezorgd leven. Een»» goede honderd gulden : ruim honderd gulden. Van goeden huize : van deftigen stand, van eene voorname familie. Gunstig : de wind is goed. Met iem. op een goeden voet zijn : vriendschappelijk met iem. omgaan. Te goeder trouw : opn chteliik. Te goeder ure : van pas. Te goed houden : borgen. Ten goede houden : niet euvel (slecht) opnemen. Hij heeft ioo frank te goed: men moet hem 100 frank betalen. — Goed, o. Het goed ol het kwaad, wat zal de overhand hebben ? (-eren). Bezitting. Koopwaren, meubelen, kleederen. Landgoed, landhuis met landerijen, boerderij, hofstede. Wat men niet bij name noemen kan : wat aardig goed is dat? Geestelijke goederen. ZieGef.sielijk.Vaste, onroerende (z. d. w.), roerende (z. d. w.) goederen. Kroongoed. (Et-rt ) De keizerlijke domeinen. Allodiale goederen. Zie Allodium. Zwart goed : eigendom, bij de Fr. revolutie aan kerk of klooster ontnomen. — Goedaardig, bn. bijw. — Goedaardigheid, v. — Gocdaardig-ly'k bijw. — GoedbfZtiler, tn. ( s). Die de goederen eener erfenis in zijn bezit heelt.

— Goedbezitster, v. (-s). — Goedlloed, ra. Sukkel. — Goeddeels, bijw. — Goeddoen (i). Bw. Vergoeden : al wal hij verliest zal ik hem goeddoen. Ow. Nuttig zijn : die ver-inanii g zal hem goeddoen. — Gni ddoen, o.

— Goeddoende, bn. — Goeddunken, eenpw. Gepast voorkomen : doe zooals het u goeddunkt. — Goeddunken, o. Gt-voe-len. Meening. Eigen wil. — Goede, o. Al wat go^-d is. — Goedenntoudzeggen, ow.

— Goedendag, m. (-s). (Middel.). Wapen, zoo genoemd omdat de voetknecht met beide handen slaande, vooroveiboog, alsof hij groette. ïïe gofdendngs waren stevige knuppels, zwaar gekolld aan het einde of voorzien van eene ijzeren muts met punten bezet en tevens gewapend met vooruitstekende ijzeren pin. — Goedendagzeggen, ow. — Goedenviorgenzegden, ow. — Goe-dennachtzeggen, ow. — Goederenkantoor, o. (..oren). — Goederentrein, ra. (-en). — Goederenvervoer, o. — Goede-renwagen, m. (-s).— Goederhand {van-),

m {i) De samengestelde werkw. met £oeJ tijn scheidt.

4 — GOES

bijw. uitdr. Van vertiouwbare zijde. — Goedertieren, bn. bijw. Barmhartig. Lankmoedig. — Goedertierenheid, v. (. heden),

— Goedertieren lijk, bijw.— Goedgeefscn, bn. Geefzaam, mild. — Goedgeefschheidt v. — Goedgunstig, bn. bijw. Welwillend. Toegenegen. — Goedgunstigheid, v. — Goedg7instiglijk, bijw. — Goedhartig, bn. bijw. Hartiglijk. Oprecht. Welraeenend. Gemoedelijk. — Goedhartigheid, v. — Goed hartiglijk, bijw. — Goedheid, v. Braafheid. Rechtse! apenheid. Heb de goedheid : gelieve. (..Leden) Dienstbetoo-ning. Bewijs van welwillendheid. — Goedig, bn. Goedhartig. — Goedigheid, v. — Goedtglyk, bijw. — Goedje, o. (-s). — Goedjonstig, bn. Goedgunstig. — Goedm keurder, m. ( s). — Goedkeuren, bw. Tevreden zijn (over). Tevredenheid te kennen geven. Als goed erkennen en erin toestemmen. — Goedkeuring, v. (-en). — Goedkeurster, v. (-s). — Goed keur ings-ieeken, o. (-s). — Goedkoop, bn. bijw. Niet duur. Laag in prijs. Er goedkoop afkomen : er weinig bij verli» zen. Hij zal er zoo goedkoop niet al komen : dat zal met hem zoo gemakkelijk niet gaan. — Goedkoopheid, v. — Goed leersc h, bn. — Gat dieven {Pater-), m. Iem., die van een gem ikkelijk leven houdt. — Goedmaken, bw. Herstellen. Schadeloosstellen. Bewijzen. — Goedmaking, v. — Goedrondheid, v. Openhartigheid. — Goedschiks, bijw. Gaarne. Met genoegen. — Goedsmoeds, bijw. Met overleg. In koelen bloede. Opgeruimd. — Goedspreken, ow. Borg zijn. — GoedfsJ-tijds, bijw. Vroegtijdig. - Goedvinden, bw. Noudig, nuttig, gepast achten. — Goed-vinden, o. Welmeenen. — Goedwillige bn. bijw. Gewillig. Zonder tegenzin. — Goedwilligheid, v.— Goedwilliglijk, bijw.

— Goelijk, bn. bijw. Aanvallig. Lief. Beminnelijk. — Goeïykheid, v.

Ooetlrocii. Heldendicht. Oorspronkelijk eene Deensche sage. Wij hebben van Goedroen slechts eene Duitsche bewerking der XIII eeuw, die waarschijnlijk uit het Nederlandsch is vertaald geworden. De hoofdtooneelen hebben plaats op de kusten van Vlaanderen. Er heerscht een zachte, weemoedige toon in, zonder weekheid. Men treft er frissshe en liefelijke schilderingen aan en vindt er zuiver gemaaide karakters, vooral in Ortwin.

{fovlct, v. (-ten). (Zeew.) Soort van Schooner. Tweemastvaartuig van 50 tot 100 ton.

Goca (//. van der), i4..(?)-i482. Gent. Historie- en portretschilder.

UOf'Jite, stiiie:, v. Trek. Lust, zin : goeste naar eten hebben. Hij heeft nog geen slechte goesting: geen slechten smaak. Elk zijne goeste: elk zijne gedachte. Naar de laatste goeste, naar den laatsten smaak gekleed zijn. Er was veel goeste naar vlas op de markt : er was veel vraag naar vlas. Verzading : ik eet niet meer, ik heb mijne goeste; Ik heb er mijne goeste van : ik ben er van voldaan. Toestemming : is 't met uwe goeste? Wijze : een huis bouwen vol-gensdegoestederXVI® eeuw. Uitgoesting: uit voorliefde, voorkeur.


ocr page 253
ocr page 254
ocr page 255

OOM — j

CJoctliem [E. van), 1847, Gent. Letterkundige. tiet Wiegje (tooneelspel, 1875); jultus Casar (comedie, 1877).

ixocvcmeur l?- J- /4.), {Ja7i de Rijmer), 1809-188^. Hoevelaken. Dichter. Gedichten en Rijmen (1836) ; Hoe langer hoe Liever (gedichtjes voor kinderen, 1837).

Oojfol (A'. W.), 1808-1852, Wasiljewka. Russiscn volksdichter.

Ooldonl (C), 1707-1793, Venetië. It. Blijspeldichter.

Ool«lMiiiifh (O.), 1728-1774, Pallice (Ierland). D.chter en novellist, 'i/ie Vicar of Wakefield (1766).

STOlf, v. (..ven). Baar ; de golven breken tegen 't strand. Zee : het schip werd begra

ven in de golven. Zeeboezem • df» go!f van Venetië. — Golfachtig, bn. — Golfbewe-ging-, v. (-en). — Golfbreker, m. (-s) — Golf breking, v. — Golfgeklots, o. — Golflijn, v. (-en). Golvende omtrek der draperie. — Golfstroom, m. S'rooming in den Atlantischen Oóeaan. ontstaan in de golf van Mexico en in N.-O. rich'i g u't de straat van Florida naar de kusten van N.-W. Europa strijkende. — Golfstillend, bn. — Golfswijs, ..wijze, bn. bijw. — Golven, ow. golfde, beeft gegoltd. Zwellend rollen (van de baren der zee). Wapperen : de vaandels golfden. Fladderen : golvende haarlokken. Die regelen golven, staan uit de lijn. — Golving, v. (-en).

Gerechtsheuvel der Israëlieten aan de noordwestzijde van Jeruzalem. Jezus werd er gekruisigd en begraven.

(«ofiulli. Philistijnsche reus, overwonnen en gedood door David. Reusachtig mensch.

Cxolfzlns (//.), i';26-i583, Wurtzburg. Schilder, graveerder en oudheidkenner.

erom, v. (-men). Lijmachtig vocht, dat natuurlijk qj door insnijding uit zekne planten vloeit en dan stolt. — Gomachtig, bn. — Gomboom, m. (-en). Zie Caoutchouc.

Gomdragant, o. Eene soort van erom.

— Gomhars, v. en o*. ( en). Uitgedroogd melksap van planten, dat hars en gom bevat. — Gomhoudend, bn.

— Gomkwast, m. (-en). — Gom lak, o. (-ken). — Gomlastiek, gom elastiek.

5 — GORD

o. — Gomlast ieken, hn. — Gommen, bw. gomde, heeft gegomd. Met gom bestrijken. Glanzig maken. — Gommer, m. (-s).

— Gom?nig, bn. — Gomming, v. — Gom-rijk, bn. — Gom ster, v. (-s). — Gomstof, v. — Gonwas, o. — Gomwater, o. Water met gom vermengd.

grondel, v. (-s). Vlak gebouwd vaartuig, van geringe bieedte in verhouding tot de lengte, voor en achter oploopende, gedeeltelijk overdekt. Wordt door riemen gedreven. Behoort thuis te Venetië. — Gondelier, m. (-en, -s». Die eene gondel bevaart.

— Gondellied, o. (-eren). Lied der gondeliers — Gondelvoet der,m. (-s).

grong-gousr, y. Soort van trom bij de Maleiers en Chineezer. Bekkenvormig speeltuig, ter beijeleiding van zang en dans.

ffonloiuetrio, v. Meetkunst der hoeken. — Goniometrisch, bn.

{foiiN, m. Dommelend geluid. Gebrom.

— Gonstol, m. (-len). — Gonzen, ow. gons-de, heeft glt; gonsd. Een dommelen! g.-luid maken. — Gonzer,m. (-s). — Gon-zing, v. (-en) — Gonsster, v. (-s).

SToiiHt, v. Kracht van den mest, na den. oogst in het bouwland overgebleven.

^«MX'lielen, goochelde, heeft gegoocheld. Uw. Door behendige handgrepen de oogen verblinden. Bw. Hij goochelde al mijn geld uit den zak. — Goochelaar, m. (..aren, -s). — Goochelaarskunst, v. (-en).

— Goochelaarster, v. (-s).— Goochelares, v. (-sen). — Goochelarij, v. (-en). — Goochelbal, m. (-len). — Goochelbeker, m. (•s). — Goocheling, v. ( en). — Goochelkunst, v. — Goochelspel, o. — Goochelstuk, o. (ken). — Goocheltasch, v. (..sschen). — Goocheltoer, m. (-en). — Goochelwerk, o.

SroodHpciiiiinif. Zie Godspenning.

lt;■ ouiluud, o. Landstreek in Noord-Holland.

grooien, bw. gooide, heeft gegooid. Weipen Smijten. Smakken. — Gooi, v. (-en). Worp. Smak. — Gooier, m. (-s). — Gooiing, v. — Gooister, v. (-s).

goor, bn. bijw. Zuur (ten gevolge van bederf) : gore melk. Ranzig ; goor spek. Slijk.'rig : goor land. Vuil, gemeen : gore taal. Vies, slecht : gore vent. — Goor, o. Slijk. Vuil. — Goorachtig, bn. — Goor-heid, v. (..heden). — Gooiland, o. (-en). Land, dat zor.der bemesting of bebouwing vruchten voortbrengt.

groot, v. (goten). Houten, looden, zinken buis of pijp, tot doorlating van wa-er, enz. Waterleiding voor de huizen langs de stoepen. Plaats, waar men de vaten wascht en ander huiselijk werk verricht. — Goot-gat, o. (-en). — Goot ijzer, o. (-s). Ijzer om eene dakgoot te steunen. — Gootlijst, v. ( eb). — Gootpijp, v. (-en). — Gootplank, v. (-en). Plank, die over eene goot ligt. — Gootsteen, m. (-en). — Gootvormig, bn.. — Gootwater, o.

gord, v. (-en). (Scheepsw.) Rib van een schip. Band, riem. — Gorden, bw. gordde, heeft gegord. Met eenen gordel vastmaken ; een zwaard aan de heup gorden. Singelen : een paard gorden. Zich gorden, ww. — Gording, v. Het gorden.


ocr page 256

GORI — 2

— Gordriem, ra. (-en). Gordelriem. Lee-ren gordel.

gordel, m. (-s). Band om de middel. (Meetk.) Deel van de oppervlakte eons bols, begrepen tusschen twee eenwijdige cirkels, lem. een hart onder den gordel steken : iem. moed inspreken. — Gordel-beurs, ra. (..zen). Grootebeurs. — Gordel-dier, o. (-en). \Dasypus). Behoort tot de

Gordeldier.

tandelooze zoogdieren. Draagt harde en

schubbige schilden, die kop, schouders, rug en lendenen bedekken. Leeft (in Brazilië, Guyana, Paragay) van dierlijk voedsel, vooral van mieren. — Gordelgesp, m. en v. (-en). — Gordelhaak, m. (..aken). — Gordelviaakster, v. (-s).— Gordelmaker, m. (-s). — Gordelriem, ra. (-«n). Lederen middelband. — Gordelroos, v. (..ozen). Zie Roos (ziekte). — Gordeltveruel, ra. (-s^. Naam van den twaalfden ruggewervel.

OordismiiMcli , bn. Gordiaansche knoop ; knoop, die men moeilijk losmaken kan. Moeilijke, netelige zaak. Den gor-diaanschen knoop doorhakken : eene zwarigheid uit den wegruimen.

K'ordijn, v. en o*. (-en). Voorhangsel, dat weggeschoven of opgetrokken wordt. Tooneelvoorhangsel. (Vest.) Vereeniging van twee bastions (of twee fortificatiewer-ken). — Gordijnkoord, v. en o*. (-en). — Gordynles, v. (-sen),gordijnniis, v. (-sen), gordijnpreek, v. (-en). — Gordijnring, m. (-en). — Gordijnroede, r. (-n).

gording-, v. (-en. -s). (Zeevv.) Gijtouw. (Vest.) Eiken dwarshout, waardoor de palissaden of stormpalen met elkander verbonden worden. Lang stuk hout, dienende om andere stukken te verbinden en liggende dwars te raidden over hunne lengte : de gordingen van een dak. — Gordingblok, o. en m. (-ken). — Gordingnagel, ra. (-s).

gloren, ow. goorde, is gegoord. Zuur, ranzig worden.

i;or8:el,ra. (-s). Strot. — Gorgeldrank, ra. (-en). — Gorgelen, ow. gorgelde, heeft gegorgeld. Met water enz. de keel spoelen. Een liedje gorgelen, zingen. — Gorgelgezwel, o. (-len). — Gorgeling, v. (-en). — Gorgel klep, v. (-pen). — Gorgelknoop, m. (-en). Keelknobbel. — Gorgelpijp, v. (-en). — Gorgelspleet% v. (..eten). — Gorgelwater, o.

Oorsias. Grieksch wijsgeer en redenaar (V® eeuw vóorChr.).

jforijflieid, v. (..heden). Goorheid.

3 — GOUD

gorilla, m. (-'s). {Simia gorilla). De naam van de grootste en gevaarlijkste soort der raenschvormige apen. Voedt zich met vruchten, eieren en jonge vogels. Is moeilijk te temmen. Leeft aan de westkust van Afrika.

Sor8,v. (-en).Vogelgeslacht za).

Daartoe behooren de ortolaan, de riet-, de ijs-, de sneeuwgors, enz.

v. (..zen). Aangeslibd en nog steeds aanslibbende kleiland aan de kust, dat nog niet ingepolderd is en dus voor ebbe en vloed ligt.

grort, v. (-en). Zaadkorrels van granen en andere gewassen, die beroofd zijn van hunne bekleedsels. Gepelde gerst. — Gort-beulinq, m. (-en). — Gortebrij, v. — Gorten, ow. gortte, heeft gegort. Granen pellen (tot gort). — Gortenteller, m. (-s). Gierigaard. — Gortentelster, v. (-s). — Gortepap, v. — Gortig, bn. Ongezond door overvoeding (inz. van varkens). — Gortig, bn. bijw. Slecht : hij maakt het gortig. — Gortigheid, v. — Gortmolen, ra. (-s). — Gortworm, ra. (-en). Meel worm. — Gortworst, v. (-en).

Oorlor (5*.), 1838-1871, Warns. (Warmond) Nederl. letterkundige. Letterkundige studiën (1871).

Oosnaert (7.), i47o(.J)-i54i(?), Mau-beuge. VI. schilder. S* Lucas O. L. V. malend (1515)»

g-otclinff, m. (-en). Staaf gesmolten ijzer. (Oudt.) Klein stuk geschut.

lt;xötlio [J. JV. von), 1749 1832. Frankfort a. M. Dichter en prozaschrijver. Leiden des jungeit Wertners (1774); Iphige-nia ; Egmond; lasso / Faust: Herman und Dorothea.

Ootlti.«eh, bn. Uit het tijdvak der Gothen. Den Gothen eigen. Ouderwetsch. De gothische stijl, met spitsbogen, kruis-sieraden, en z. G o th ische letters.—Goth isch, o. De Gothische taal : een half Opper- en half Nederduitscb dialect. Bisschop Ulfilas zette in de IV® eeuw den Bijbel (met uitzondering van de boeken der koningen) in het Gothisch over.

OoltHolial (/?. von\, 1823. Breslau. Duitsch dichter en novellist. Dramatische Werke (1865).

g:oud, o. Een der kostbaarste metalen, geel van kleur, schittej-end en zwaar, waarvan geldstukken, juweelen, enz. worden vervaardigd. Fijn, massief, gedegen of zuiver geslagen, getrokken goud. Gemunt, goud : goudgeld. (Dichtl.) Voorwerp, dat eene gele kleur heeft : het goud zijner haren, rijp graan, de stralen der zon, de glans der sterren. (Wapenk.) Een der twee metalen, door geel en op afbeeldingen door stipjes aangeduid. De morgenstond heeft goud in den mond : in den vroegen morgen kan men het best arbeiden. Zoo trouw zijn als goud : zeer trouw zijn. Zoo zeker als goud ; zeer zeker, 't Is al geen goud wat blinkt: schijn bedriegt. — Goudachtig, bn. — Goudadelaar, ra. (-s). Een roofvogel : falco chryscetos. — Goudader, m. (-s). Mijngang, die gouderts bevat. — Goudappel, m. (-en,-s).— Goudarend,m. (-on). Goudadelaar.—Goudbad,o. (-en). (Scheik.)


ocr page 257

GOUD — 2

Bad in eene oplossing van goud. — Goud-berg, m. (-en). Berg, die goudmijnen bevat. Eene aanzienlijke hoeveelheid goud. — Goudbeurs, v. (..zen). — Goudblaadje, o. (-s). Loovertje. — Goudbrasem, m. (-s). Zek ere visch : sparus auraius. — Gouddelver, m. (-s). — Gouddelving, v. — Gouddistel, v. (-s). Plant met gele bloemen en blinkende stekelige bladeren. Groeit in 't Zuiden van Europa. — Gouddorst, m. — Gojiddraad, o. (stofn.); m. (..aden) (voor-^verpsn.) — Gouddraadmolen, ra. (-s).

— Gouddraadtrekken, o. — Gouddraadtrekker, ra. (-s). — Gouddraad-trekkery, v. (-en). — Gouden, bn. Van, in of uit goud. De gouden eouw (Myth.) : eeuw, waarin het heil der stervelingen gelijk was aan dat der goden. De -gouden (gulden) ader : zekere ader in 't menschelijk lichaam. Eene goude tor : zeker insect. Zeker vuurwerk. De gouden l)ul : rijkswet van Karei IV (1356), waarbij het getal der keurvorsten op zeven werd gebracht. Eene gouden bruiloft ; feestviering, bij de vijftigste verjaring van een huwelijk. — Goudenregen, m. (-s). Een in Z.- en M.-Europainheemsche boom [Cytt-sus laburnum), die om zijn schoone, gele, in hangende trossen vereenigde bloemen, als een sieraad in onze tuinen wordt beschouwd. — Gouderts, o. — Goudfazant, ra. (-en). — Goud forel, v. (-len). — Goudgeel, bn. — Goudgeld, o. Gouden muntstukken. — Goudgewicht, o. (-en). — Goudglid, o. Zie Glid. — Goudgraver, ra. (-s). — Goudgraving, v. — Goudgrorf, v. (..ven). — Gotidgulden, m. (-s). (Eert.) Nederl. muntstuk = 1.40 gulden. — Goudhaan, ra. (..anen). De goudhanen vormen een bijzondere afdeeiing onder de familie der cirkelvormige schildvleugehge insecten. Zijn meestal zeer fraaie dieren met brons- of goudkleurige of helder gekleurde dekschilden en borststuk. — Goudkas, v. (-sen). — Goudkast, v. (-en). — Goudkever, ra. (-s). Schildvleugelig insect, tot de-.zelfde soort behoorende als de meikever.

— Goudkïst, v. (-en). — Goudkleur, v. — Goudkleurig, bn. — Goudklomp, m. (-en).

— Goudlak, o. Goudkleurig lakvernis. (Plantenk.) Muurbloem. — Goudlaken, o. Laken met goud doorweven, (-s). Goudkever. — Goudlakensch, bn. — Goud-Zand, o. Zie Eldorado. — Goudleder, ..leer, o. — Goudlederen, ..leeren, bn. — Goudlym, v. Lijm met goud vermengd. — Goudmaker, ra. (-s). Alchimist. — Goud-makerij, v. — Goudmeerle, v. (-n). Zie Wielewaal. — Goudmijn, v. (-en). — Goudotgt;lossinfr,v. Het oplossen van goud. (-en). Het goud is slechts oplosbaar in een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur. — Goudoxyde, o. Verbinding van goud met zuurstof. — Gotidpapier, o. Verguld papier. — Goudpeet, v. (..eren). — Goudplaat. v. (..aten). — Goudpletter, ra. (-s).

— Goudplettery, v. (-en).— Goudpoeder, o. — Goudpurper, o. = Purper van Cassius, den ontdekker. Verbinding van eene goudoplossing met eene tinoplossing, waardoor men eene kleurstof verkrijgt, die aan 't glas een puipeie kleur raede kan

7 — GOUV

deelen. — Goudrijk, bn. — Goudroede, v. (-n). Guldenroede.— Goudsbloem, v. (-en). (Calendula officinalis). Éénjarige, in Z.-Europa in 't wild groeiende en bij ons zeer algemeen gekweekte plant, die haren naam aan de goudgele kleur harer straalnloem verschuldigd is. Behoort tot de samenge-steldbloemigen.— Goudschaal, v. (..alen), —GoudsehuiDi, o. Schuim van goud. Valsch bladgoud. — Goudslager, ra. (-s). — Goud-slagersvlies, o. (..zen). Het dunne vlies, dat den runderdarm bekleedt, en dat inz. den goudslagers dient om het goud daar-tusschen tot dunne blaadjes te slaan. — Goudslagersvorm, ra. (-en). — Goudsmeden, o. — Goudsmederij, v. (-en). — Goudsmid, m. (..eden). — Goudsmidsgezel, m. (-len). — Goudsmidshamer, ra. (-s). — Goudsmidsjongen, ra. (-s). — Goudsmidsknecht, m. (-s). — Goudsmids-merk, o. (-en). — Goudsmidsoven, m. (-s).

— Gouds m ids stempel, m. (-s). — Goudsmidswerkplan ts. v. (-en). — Goudsmidswinkel, m. (-s). — Goudspinner, m. (-s).

— Goudspinnerij, v. (-en). — Goudstaaf, v. (..aven). — Goudsteen, m. (-en). Zekere edelsteen. — Goudstuk, o. (-ken).— Goudtinctuur, v. Goudoplossing. — Goudtrekker, m. (-s). — Goudveil, o. Plantengeslacht. Behoort tot de steenbreekachtigen.

— Goudvelden, o. mv.— Goudverbinding, v. (-en). — Goudver nis, o. — Goudvin-ger, m. (-s). Vinger, waaraan men den ring draaet. — Goudvink, ra. en v. (-en). Zangvogel [pyrrhula vulgaris). Behoort tot de graanetende vogels — Goudvisch, ra. (..sschen). (Cyprinus auratus) Wordt in vijvers en binnenshuis in glazen opgekweekt. Behoort tot de familie der karpers.

— Goudvisch kom, v. (-men). — Goud-vischvifver, m. (-s). — Goudvisscher, ra. (-s). — Goudvlieg, v. (-en). Goudkleurige vlieg : musea ccesor. — Goudvlies, o. Goudslagersvlies. — Goudvos, ra. (-sen). Een vospaard. — Goud7vasscher, m. (-s).

— Goudwasschery, v. (-en).— Goudwerk, o. Gouden voorwerpen. — Goudwerker, m. (-s). — Goudwolf, ra. (..ven). Jakhals.

— Goud-worm, m. (-en). Prachtkever. Stinkkever. — Goudwo^tel, m. (-s). (Plantenk.) Stinkende gouw. — Goudzand, o. — Goudzoeker, m. ( s). — Goudzuiger, ra. (-s). Wreedaardige woekeraar.

Ooiijon (70,1515-1572, Parijs. Beeldhouwer.

lt;]}oniiolt;l (C. F.), 1818-1893, Parijs. Toondichter. Fnust (1859); Reine de Saba (1862); Redemption (1884); Mors et Vita (1885).

gfoiiverneeren, bw. gouverneerde, heeft gegouverneerd. Besturen, beheeren, beheerschen. — Gouvernante, v. (-s). Landvoogdes. Kindermeid, kinderjuffer. — Gouvernement, o. (-en). Staatsbestuur, regeering. Stadhouderschap, landvoogdij. Gewest.—Gouvernementsgebouw,o. (-en).

— Gouvernementsorgaan, o. (..anen). Blad, waarin de regeering hare denkbeelden laat ontwikkelen of waaraan zij hare berichten zendt. — Gouvemeynentssecrr-taris, ra. (-sen). — Gouvernementssollici-teur, ra. (-s). Procureur, die voor den Staat


ocr page 258

GORI — 2

— Gordriem, m. (-en). Gordelriem. Lee-ren gordel.

{fordcl, m. (-s). Band om de middel. (Meetk.) Deel van de oppervlakte eons bols, begrepen tusschen twee eenwijdige cirkels. lem. een hart onder den gordel steken : iem. moed inspreken. — Gordel-beurs, m. (..zen). Groote beurs. — Gordel-dier, o. (-en). [Dasypus). Behoort tot de

tandelooze zoogdieren. Draagt harde en schubbige schilden, die kop, schouders, rug en lendenen bedekken. Leeft (in Brazilië, Guyana, Paragay) van dierlijk voedsel, vooral van mieren. — Gordelgesp, m. en v. (-en). — Gordelhaak, m. (..aken). — Cordelmaakster, v. (-s).— Gordelmaker, m. (-s). — Gordelriem, m. (-en). Lederen middelband. — Gordelroos, v. (..ozen). Zie Koos (ziekte). — Gordelwervel, ra. (-sU Naam van den twaalfden ruggewervel.

UordiuunHOli , bn. Gordiaansche knoop : knoop, die men moeilijk losmaken kan. Moeilijke, netelige zaak. Den gor-diaanschen knoop doorhakken ; eene zwarigheid uit den wegruimen.

jfordyn, v. en o*. (-en). Voorhangsel, dat weggeschoven of opgetrokken wordt. Tooneelvoorhangsel. (Vest.) Vereeniging van twee bastions (of twee fortificatiewer-ken). — Gordijnkoord, v. en o*. (-en). — Gordynles, v. (-sen),gordijnmis, v. (-sen), gordijnpreek, v. (-en). — Gordijnring, m. (-en). — Gordijnroede, r. (-n).

Kordinsr, v. (-en, -s). (Zeew.) Gijtouw. (Vest.) Eiken dwarshout, waardoor de palissaden of stormpalen met elkander verbonden worden. Lang stuk hout, dienende om andere stukken te verbinden en liggende dwars te midden over hunne lengte : de gordingen van een dak. — Gordingblok, o. en ra. (-ken). — Gordingnagel, m. (-s).

gloren, ow. goorde, is gegoord. Zuur, ranzig worden.

lporsrel,m. (-s). Strot. — Gorgeldrank, m. (-en). — Gorgelen, ow. gorgelde, heeft gegorgeld. Met water enz. de keel spoelen. Een liedje gorgelen, zingen. — Gorgelgezwel, o. (-len). — Gorgeling, v. (-en). — Gorge Ik lep, v. (-pen). — Gorgelknoop, m. (-en). Keelknobbel. — Gorgelpijp, v, (-en). — Gorgelspleet%v. (..eten). — Gorgelwater, o.

Oorgiaa. Grieksch wijsgeer en redenaar (V® eeuw vóór Chr.).

Srorifflield, v. (..heden). Goorheid.

3 — GOUD

g-orllla, ra. (-'s). {Simia gorilla). Do naam van de grootste en gevaarlijkste soort der menschvormige apen. Voedt zich met vruchten, eieren en jonge vogels. Is moeilijk te temmen. Leeft aan de westkust van Afrika.

ffors,v. (-en).Vogelgeslacht {emberiza). Daartoe behooren de ortolaan, de riet-, de ijs-, de sneeuwgors, enz.

CTorm, v. (..zen). Aangeslibd en nog steeds aanslibbende kleiland aan de kust, dat nog niet ingepolderd is en dus voor ebbe en vloed ligt.

grort, v. (-en). Zaadkorrels van granen en andere gewassen, die beroofd zijn van hunne bekleedsels. Gepelde gerst. — Gortbeuling, m. (-en). — Gortebry, v. — Gorten, ow. gortte, heeft gegort. Granen pellen (tot gort).— Gortenteller, m. (-s). Gierigaard. — Gortentelster, v. (-s). — Gorte-pa fi, v. — Gortig, bn. Ongezond door overvoeding (inz. van varkens). — Gortig, bn. bijw. Slecht : hij maakt het gortig. — Gortigheid, v. — Gortmolen, ra. (-s). — Gortwor7n% ra. (-en). Meel worm. — Gort' worst, v. (-en).

Oorter (5*.), 1838-1871, Warns. (Warmond) Nederl. letterkundige. Letterkrtn-dige studiën (1871).

OosHstort (7.), i47o(.',)-i54i(?), Mau-beuge. VI. schilder. S* Lzicas O. L. V. malend (1515).

goteliiifir, m. (-en). Staaf gesmolten ijzer. (Üudt.) Klein stuk geschut.

€gt;ötlie {J. W. von), 1749 1832. Frankfort a. M. Dichter en prozaschrijver. Leiden des jringen Wertners (1774); Iphige-nia ; Egmond; Tasso ; Faust: Herman und Dorothea.

Ootliittcti, bn. Uit het tijdvak der Gothen. Den Gothen eigen. Ouderwetsch. De gothische stijl, raet spitsbogen, kruis-sieraden,enz. Gothische letters.—Gothisch, o. De Gothische taal : een half Opper- en half Nederduitsch dialect. Bisschop Ulfilas zette in de IV® eeuw den Bijbel (met uitzondering van de boeken der koningen) in het Gothisch over.

OottHClial (/?• von\, 1823. Breslau. Duitsch dichter en novellist. Dramatische Werke (1865).

goud, o. Een der kostbaarste metalen, geel van kleur, schitterend en zwaar, waarvan geldstukken, juweelen, enz. worden vervaardigd. Fijn, massief, gedegen of zuiver geslagen, getrokken goud. Gemunt, goud : goudgeld. (Dichtl.) Voorwerp, dat eene gele kleur heelt : het goud zijner haren, rijp graan, de stralen der zon, de glans der sterren. (Wapenk.) Een der twee metalen, door geel en op afbeeldingen door stipjes aangeduid. De morgenstond heeft goud in den mond : in den vroegen morgen kan men het best arbeiden. Zoo trouw zijn als goud : zeer trouw zijn. Zoo zeker als goud : zeer zeker, 't Is al geen goud wat blinkt: schijn bedriegt. — Goudachtig, bn. — Goudadelaar, m. (-s). .Een roofvogel : falco chryscetos. — Goudader, m. (-s). Mijngang, die gouderts bevat. — Goudappel, ra. (-en, -s).— Goudarend, ra. (-en). Goudadelaar.—Goudbad,o. (-en). (Scheik.)


ocr page 259

GOUD — 3

Bad in eene oplossinp van goud. — Goud-berg, m. (-en). Berg, die goudmijnen bevat. Eene aanzienlijke hoeveelheid goud. — Goudbeurs, (..zen). — Goudblaadje, o. (-s). Looyertje. — Goudbrasem, m. (-s). Zekere visch : sparus auratus. — Gouddelver, m. (-s). — Gouddelving, v. — Gouddistel, v. (-s). Plant met gele bloemen en blinkende stekelige bladeren. Groeit in 't Zuiden van Europa. — Gouddorst, m. — Gouddraad, o. (stofn.); ra. (..aden) (voor-werpsn.) — Gouddraadviolen, in. (-s).

— Gouddraadtrekken, o. — Gouddraadtrekker, ra. (-s). — Gouddraad-■trekkery, v. (-en). — Gouden, bn. Van, in of uit goud. De gouden eeuw (Mytb.): eeuw, waarin het heil der stervelingen gelijk was aan dat der goden. De .gouden (gulden) ader : zekere ader in 't raenschelijk lichaam. Eene goude tor : zeker insect. Zeker vuurwerk. De gouden quot;bul : rijkswet van Karei IV (1356), waarbij het getal der keurvorsten op zeven werd gebracht. Eene gouden bruiloft : feestviering, bij de vijftigste verjaring van een huwelijk. — Goudenregen, m. (-s). Een in Z.- en 51.-Europainheerasche boom [Cyit-s7is laburnum), die om zijn schoone, gele, in hangende trossen vereenigde bloemen, als een sieraad in onze tuinen wordt beschouwd. — Gouderts, o, — Goudfazant, ra. (-en). — Goudforel, v. (-len). — Goudgeel, bn. — Goudgeld, o. Gouden muntstukken. — Goiidxewtcht, o. (-en). — Goudglid, o. Zie Glid. — Goudgraver, m. (-s). — Goudgraving, v. — Goudgroef, v. (..ven). — Goudgulden, ra. (-s). (Eert.) Neder!. muntstuk = 1.40 gulden. — Goudhaan, m. (..anen). De goudhanen vormen een bijzondere afdeeling onder de familie der cirkelvormige schildvleugehge insecten. Zijn meestal zeer fraaie dieren met brons- of goudkleurige of helder gekleurde dekschilden en borststuk. — Goud kas, v. (-sen). — Goudkast, v. (-en). — Goudkever, ra. (-s). Schildvleugelig insect, tot dezelfde soort behoorende als de meikever.

— Goudkist, v. (-en). — Goudkleur, v. — Goudkleurig, bn. — Goudklomp, ra. (-en).

— Goudlak, o. Goudkleurig lakvernis. (Plantenk.) Muurbloem. — Goudlaken, o. Laken met goud doorweven, (-s). Goudkever. — Goudlakensch, bn. — Goudland, o. Zie Eldorado. — Goudleder, ..leer, o. — Goudlederen, ..leeren, bn. — Goudlym, v. Lijm met goud vermengd. — Goudmaker, ra. (-s). Alchimist. — Goud-Dtakery, v. — Goudmeerle, v. (-n). Zie Wielewaal. — Goudmijn, v. (-en). — Goudoplossing, v. Het oplossen van goud. (-en). Het goud is slechts oplosbaar in een mengsel van zoutzuur en salpeterzuur. — Goudoxyde, o. Verbinding van goud niet zuurstof. — Goudpapier, o. Verguld papier. — Goudpeet, v. (..eren). — Goudplaat. v. (..aten). — Goudpletter, m. (-s).

— Goudplettery, v. (-en).— Goudpoeder, o. — Goudpurper, o. = Purper van Cassius, den ontdekker. Verbinding van eene goudoplossing met eene tinoplossin^f, waardoor men eene kleurstof verkrijgt, die aan 't glas een puipete kleur mede kan

7 — GOUV

deelen. — Goudrijk, bn. — Goudroede, v. (-n).Guldenroede. — Goudsbloem, v. (-en). {Calendula officinalis). Éénjarige, in Z.-Europa in 't wild groeiende en bij ons zeer algemeen gekweekte plant, die haren naam aan de goudgele kleur harer straaloioem verschuldigd is. Behoort tot de samenge-steldbloemigen. — Goudschaal, v. (..alen). —Goudschuim, o. Schuim van goud. Valsch bladgoud. — Goudslager, ra. (-s).— Goud-slagersvlies, o. (..zen). Het dunne vlies, dat den runderdarm bekleedt, en dat inz. den goudslagers dient om het goud daar-tusschen tot dunne blaadjes te slaan. — Goudslagersvorm, ra. (-en). — Goudsmeden, o. — Goudsmederij, v. (-en). — Goudsmid, ra. (..eden). — Goudsmidsgezel, ra. (-len). — Goudsmidshamer, ra. (-s). — Goudsmidsjongen, ra. (-s). — Goudsmidsknecht, m. (-s). — Goudsmids-merk, o. (-en). — Goudsmidsoven, ra. (-s).

— Goudsmidsstempel, ra. (-s). — Goudsmidswerkplaats. v. (-en). — Goudsmids-quot;w in kei, ra. (-s). — Goudspinner, ra. (-s).

— Goudspinnery, v. (-en). — Goudstaaf, v. (..aven). — Goudsteen, ra. (-en). Zekere edelsteen. — Goudstuk, o. (-ken).— Goudtinctuur, v. Goudoplossing. — Goudtrrk-ker, ra. (-s). — Goudveil, o. Plantengeslacht. Behoort tot de steenbreekachtigen.

— Goudvelden, o. rav.— Goudver binding, v. (-en). — Goudvernis, o. — Goudvinger, ra. (-s). Vinger, waaraan raen den ring draagt. — Goudvink, ra. en v. (-en). Zangvogel {pyrrhula vulgaris). Behoort tot de graanetende vogels — Goudvisch, m. (..sschen). (Cyprinus auratus) Wordt in vijvers en binnenshuis in glazen opgekweekt. Behoort tot de familie der karpers.

— Goudvisch kom, v. (-men). — Goud-vischvyver, ra. (-s). — Goudvisscher, ra. (-s). — Goudvlieg, v. (-en). Goudkleurige vlieg : musea ccesor. — Goudvlies, o. Goudslagersvlies. — Goudvos, ra. (-sen). Een vospaard. — Goudwasscher, ra. (-s).

— Goudwasschery,v. (-en).— Goudwerk, o. Gouden voorwerpen. — Goudwerker, m. (-s). — Goudwolf, m. (..ven). Jakhals.

— Goudworrn, ra. (-en). Prachtkever. Stinkkever. — Goudwo^tel, ra. (-s). (Plantenk.) Stinkende gouw. — Goudzand, o. — Goudzoeker, m. (-s). — Goudzuiger, ra. (-s). Wreedaardige woekeraar,

Ooujou (J.), 1515-1572, Parijs. Beeldhouwer.

Oonnod (C. F.). 1818-1893, Parijs. Toondichter. Paust (1859) ï Reine de Saba (1862); Redemption (1884); Mors et Vita (1885).

iponverneeren, bw. gouverneerde, heeft gegouverncerd. Besturen, beheeren, beheerschen. — Gouvernante, v. (-s). Landvoogdes. Kindermeid, kinderjuffer. — Gouvernement, o. (-en). Staatsbestuur, regeering. Stadhouderschap, landvoogdij. Gewest.—Gouvernementsgebouw,o. (-en).

— Gouvernements.orgaan, o. (..anen). Blad, waarin de regeering hare denkbeelden laat ontwikkelen of waaraan zij hare berichten zendt. — Gouvemeinentssecrr-taris, ra. (-sen). — Gouvernementssollici-teur, ra. (-s). Procureur, die voor den Staat


ocr page 260

GRAA — 2;

optreedt. — Gouverneur, m. (-en, -s^. Het hoofd der provincie. Wordt benoemd door den koniner. Zetelt in de hoofdplaat; der provincie. Bewaakt het uitvoeren der wetten en het handhaven der orde. Wordt bijgestaan door een provincialen raad en eene bestendige deputatie. — Gouverneur-generaal, m. (-s-generaal, -en-generaal). Titel van 'L hoofd van het bestuur der Nederl. bezittingen in Oost-Indië.

Ifonw, v. Plantengeslacht. Behoort tot de papaverachtigen. Bij ons vindt men alleen de stinkende gouw.

ii:oiiw,v. (-en). Landschap. Landstreek. (Middel.) Het grondgebied, dat aan eene natie behoorde was in gouwen verdeeld. Iedere gouw stond onder 't beheer van eenen der prinsen, die de plaats des ko-nings verving, vierschaar hield en rechtsprak over de geschillen. De graaf was de gewone bestuurder.

CTonwenstar, m. (-s). Goudsche pijp. Oovacrts (A.). 1589-1626, Antwerpen. Schilder.

Ooyen [J. van)y 1596-1656, Leiden. Landschapschilder.

8rrc*n«l. m. (..aden). Zeker gedeelte eener hoegrootheid. Het 360® deel van den cirkelomtrek. Elke der gelijke afdeelingen op de schaal der barometers, thermometers, enz. Trap van verwantschap, van afstamming. Trap, rang; eenen eeregraad hebben aan de Hoogeschool, den graad hebben van doctor. Zt-kere maat van natuurlijke of zedelijke hoedanigheden : hittegraad des vuurs, graad van genegenheid. Hij heeft alle graden doorloopen, is van laag tot hoog opgeklommen. Hij is in den hoogsten graad onbeschaamd. — Graadboek, o. en m. (-en). Boek met zeekaarten. — Graad boog, m. (..ogen). (Eert.) Tuig om de hoogte der zon, maan en sterren te meten. Landmeterswerktuig. — Graadmeter, m. (•«). — Graadmeiing, v.

grraar, v. (. aven). Werktuig om te graven. — Granfijzer, o. (-s). Spit, houweel. — Graaf schop, v. (-pen). — Graajwrk, o. Arbeid, die gravende verricht wordt.

grraaf, ra. (..aven). (Middel.) De gewone bestuurder eener gouw. (Thans) Adellijke, die in waardigheid op den hertog volgt. — Graaflijk, grafelijk, bn. bijw. Graaflijkheid, gra f^lykhei^, v. — Graafschap, o. ( pen). Landschap, waarover een graaf bet bestuur heeft. — Graafschap, v. Alleen in de graafschap (Zutfen). — Graven hoed, m. (-en). — Gravenkroon, v. (..onen). — Gravin, v. (-nen). — Gravinnen fooi, m.

Crraagr, bn. bijw. Lust hebbende in ■voedsel. Gezocht, gewild( van handelsartikelen). Gaarne, met veel genoegen. — Graagheid, graagte, v. Eetlust. Sterke begeerte.

irraal, ra. (..alen). Kostbare, diepe schaal of schotel. De heilige graal was, volgens de legende, de schaal, waarvan lezus zich bij net laatste avondmaal heeft bediend en waarin jozef van Arimathea het bloed uit Jezus' zijde zou opgevangen hebben. — Graalroman, m. (-s).

srraan, o. (..ancn). Koren. Gewassen

5 — GRAM

tot de familie der grassen behoorende, dienagenoeg uitsluitend om de meelrijke zaden gekweekt worden. Tot de granen behooren tarwe, rogge, gerst, haver, gierst, maïs —Graangewassen, o. mv.—Graanhandel, m. — Graanhandelaar, m. (-s)..

— Graanharp, v. (-en). Graanpaard. — Graankar, v. ( ren). — Graankooper,m. (-s). — Graankorrel, v. (-s). — Graanmaat, v. (..aten).— Graanmarkt,v. (-en),

— Graanoogst, m. — Gr a a n opkooper, m. (-s). — Graanpaard, o. (-en). Eene soort van staande zeef van ijzerdraad, dienende om het lichte graan van het zwaardere te scheiden. — Graqnpakhuis, o. (..zen). — Graanprijzen, m. mv. — Graanryk, bn.

— Graanschuur, v. (..uren). — Graanstapel, m. (-s). — Graanverkooper, ra. (-s). — Graanvloot, v. (..oten). Een aantal schepen, met graan geladen. — Graan-vrucht, v. (-en). Enkelvoudige, droge, niet openbarstende vrucht, die slechts éen zaad bevat, dat met 't zaadhulsel vergroeid is. — Graanwet, v. (-ten). — Graan-worm, m. (-en). Kalander. — Graanzolder, ra. (-s).

srraat, v. (..aten). Vischbeen. Hij is raaar eene graat : hij is slechts een geraamte. Er is visch noch graat aan hem : hij is tot niets geschikt. — Gratig, bn. Vol graten. — Gratigheid, v.

grrabbclcn, ow. grabbelde, heeft gegrabbeld. In 't wild grijpen naar door elkander liggende voorwerpen, om te trachten ze te bemachtigen. — Grabbel, v. Te grabbel gooien. Geld te grabbel gooien : zeer verkwistend leven. — Grabbelaar, m. (-s). — Grabbelaarster, v. (-s). — Grab-beliner, v.

erraclit, v. (-en). Gegraven waterlei-dirg. Vest, wal. Bewoonde kade. Al de bewoners eener kade. — Grachtsboord, ra. (-en). — Grachtwater, o.

gradatie, v. (..iën, -s). Trapswijze opklimming.

g-raduceren, bw. gradueerde, heeft gegradueerd. In graden verdeelen. Eene waardigheid verleen en. — Gradueel, bn. Trapsgewijs. Bij opklimminer.

{j:raMai*ine, o. (-n). Eigenaardigheid der Grieksche taal.

j^raf, o. (..aven). Uitgedolven plaats, waarin men lijken begraaft. Grafteeken. De dood, het overlijden Dat heeft hem in 't graf gebracht, heeft zijnen dood veroorzaakt. — Grafdelver, m. (-s). — Grafgesteente, o. (-n).— Grafgewelf, o. (..ven).

— Grafheuvel, m. (-s). — Grafkelder, m. (-s). — Grafkuil, m. (-en). — Grafmaker, ra. (-s). — Grafnaald, v. (-en). Spits toeloopend grafteeken. — Grafplaats, v. (-en). — Grafschrift, o. (-en). — Grafstede, v. (-n). Grafkuil. Grafplaats. Grafsteen. — Grafsteen, m. (-en). — Grafteeken, o. (-s). — Graftombe, v. {-n). — Grafwaarts, bijw. — Grafzerk, v. en m. (-en), — Gr af zuil, v. (-en).

Sram, o. en m. (-men). Eenheid van 't metriek gewicht. = van den kilogr. of het Nederl. pond.

grram, bn. bijw. Vergramd. Toornig. —


ocr page 261

— 229 —

GRAT

GRAP

^GraT7imoedtg, bn. bijw. Vergramd. Toornig. — GrammoedigHi'id, v. — Grammoe-diglyk, bijw. — Gramschap, v. Vergramdheid. Toorn. — Gramstorig, bn. bijw. Toornig, drift'g. Knorrig, verdrietig. _ — GramsiortgheiV, v. — Gramstoriglyk, bijw.

Cirsim (5^.), 1833, 's Gravenbage. Letterkundige. Onder éen dak (verzameling novellen, 1867).

grrsimiEiaticsi, v. (-'s). Spraakleer. Spraakkunst — Grammaticaal, bn. bijw. Taalkundig. Spraakkundig.

v. ^..aten). De vrucht van deu granaatboom, m. Granaatboom. — Granaatappel, m. (-en, -s). — Granaatbloem, v. (-en). — Granaatbloesem, v. (-s). — Granaatboom, m. (-en). Boom \Ptitiica granatum) in het Zuiden van Europa en in Azië, met fraaie hoogroode bloesems en een appelvormige vrucht, die met een groot getal roode kernen gevuld is. — Granaatkern, v. (-en). — Granaat-schil, v. Bast van den granaatboom, (-len) Schil van den granaatappel.

i^ransastl, v. (..aten). Holle ijzeren kogel, die met buskruit enz. gevuld, met

a. lont.

b. lontgat.

c. kruit of meliniet.

d. gordel.

e. ijzeren spiegel.

Granaat.

de hand weggeslingerd, en, inz. uit mortieren op schepen en belegerde plaatsen geschoten wordt.— Graiiaaibttis, v. (..zen).

— Granaattasch, v.^ (..asschen). Bergplaats der granaten (bij de kanonniers). — Granaatworp, m. (-en).

{^raustat, o. (stof); m. (..aten) (voor-werpsn.) Edelgesteente, inz. in Bohemen, •van verschillende (veelal bloedroode) kleur.

^raniot, o. Rotssoort, bestaande uit een kristallijn mengsel van veldspaath, kwarts en mica. Er is een groote verscheidenheid in dit gesteente. De kleur ook is zeer afwisselend. — Granietachtig, bn.

— Granietberg, m. (-en). — Gr ante tb lok, o. en m. (-ken). — Granieten, bn. — Gra-nietkleur, v. — Granietklomp, m. (-en).

— Granietrots, v. (-en). — Granietsteen, m. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.)

Oraut [U. 5quot;.), 1822-1885, Point-Plea-sant. Veldheer en voorzitter der Veree-nigde Staten.

O ran volle {A. P. de), 1517-1^86, Be-sangor. Kardinaal-aartsbisschop (Meche-Icn) en staatsman.

g-rap, v. (-pen). Klucht. Aardigheid. —

Grappenmaker, m. ( s). — Grappen-maakster, v. (-s). — Grappig, bn. oijw. Kluchii.. Aardig. — Grappigheid, v.

jfrau'.itM'l, o. Delfstof, die op papier gestreden, loodkleurige strepen achterlaat en waaruit de potlooden worden vervaar-digd.

erapliometcr, m. (-s). Zie Veldhoek-meter.

graN, o. 't Bladachtige gedeelte van de plantenfamilie, die onder den naam van grasachtige gewassen bekend is en 't voornaamste bestanddeel onzer weiden uitmaakt. (-sen, grazen) familie van met éenen zaadlob ontkiemende planten. De voornaamste graansoorten behooren tot deze familie. Daar is reeds lang gras over gegroeid : dat is reeds lang vergeten, lem. het gras voor de voeten wegmaaien : iem. onderkruipen, iem. vóór zijn. Het gras hooien groeien : waanwijs zijn, den geleerde uithangen. — Grasaartje, o. ( s). Grashalm. — Grasachtig, bn. — Grasanjelier, m. (-en). {Dianthusplumarius) De kleinste soort van anjelier. — Gras bies, v. (..zen). {Rynchospora). Plantenfamilie, tot decypergrassen behoorende. Tweesoorten, de witte grasbies (r. alba) en de bruine [r. fused) komen bij ons op veengronden voor. — Grasbloem, v. (-en). Madeliefje.

— Grasboter, v. Lenteboter. — Grasduinen, v. mv. Duinen met gras begroeid. Hoog grasland. In grasduinen gaan : goede sier maken, — Grasduinen, ow. grasduinde, heeft gegrasduind. Een vroolijk leven leiden. — Grasetend, bn. — Gras-etting, v. De grasetting van dijken, enz, wordt verpacht. Men mag er zijn vee door eenen wachter langs of op laten drijven, om ze af te weiden. Maaien echter mag men ze niet. — Grasgewassen, o. mv. — Grasgroen, bn. — Grashalm, rn. (-en). — Grasharing, v. (stofn.); m. (-en). Haring, die dicht bij de kust gevangen wordt. — Grashupper, m. (-s). Sprinkhaan. Krekel.

— Graskamp, m. (-en). Weiland.— Gras-kleur, v. — Grasland, o. (-en). — Gras-look, o. E^n der soorten van look, welke bij ons worden gevonden. — Grasmaaier, m. (-s). — Grasmaand, v. De maand April.

— Grasmusch, v. (..sschen). Een vogeltje : Sylvia cineria. — Grasopper, m. (-s). — Grasperk, o. ( en). — Graspieper, m. (-s). Een vogeltje : anthuspratensis. — Grasplant, v. (-en). — Grasplein, o. (-en). — Grasrand, m. (-en). — Grasrijk, bn. — Grasrups, v. (-en). Rolronde, gladde, glanzend donkerbruine rups, met vijf lichtbruine strepen in de lengte. — Grasscheutt v. (-en). — Grassoort, v. (-en). — Gras-spier, v. (-en). Grashalm. — Grasveld, o. (-en). — Grasvellin, bn. Dit is gras veilig, moet voor schulden verkocht worden. — Grasvlakte, v. (-n). — Grasvretend, bn.

— Grasworm, m. ( en). Soort van rups, die het gras afvreet. — Graswortel, m. (-s). Hondsgras. — Graszaad, o. — Graszode, v. (-n).

g-ratio, v. Bevalligheid, bevallige losheid. bekoorlijke zwier, aantrekkelijkheid. Goede gunst, goedgunstigheid, welwillende gezindheid. Genade, goedertierenheid.


ocr page 262

GRAY — 2

Kwijtschelding, vermindering van straf. Dankbetuiging, gebed na het eten. (Godg.) Eene bovenratuurlijke gave door God uit loutere eoedheid aan de menschelijke natuur geschonken en «enigerwijze betrek hebbende op 's menschen bovennatuurlijk einde. Is tweeërlei : de heih'gmakende grafie, « eene bijblijvende hoedanigheid en geschiktheid der ziel, die haar op eene manier, welke aan niet een schepsel behoort aan het verstandelijk leven van God (d. i. zijne wetenschap en heiligheid) deelachtig maakt en die in haar wezen voltrokken wordt door de ingestorte bovennatuurlijke deugden en de zeven gaven van den h. Geest. » De dadelijke gratie, « een voorbijtrekkende lichtstraal voor het verstand en een voorbijgaande beweging van den wil. die beide rechtstreeks van God komen en bovennatuurliik zijn en die ons tot goed bewegen, ons helpen in het goed te willen en ten uitvoer te brengen ». — Gr at ie us, bn. Lief, aanvallig, bekoorlijk, innemend. Welgevormd : gratieuse handjes.

STmtiën, v. mv. De drie gezellinnen van Venus : Aglaja, Thalia en Euphrosine.

ffrafifioatio, v. (..ien, -s). Gunstbe wijs. gunstgeschenk, veioering, vrijwillige vergoeding. Toelage.

iprcamp;iif). bifw. Om niet. Kosteloos, gratuit, bn. Vrijwillig. Kosteloos, grrswe, bijw. (Muz.) Ernstig. Srrzinw,bn. Grijs, aschkleurig. Bewolkt: grauwe lucht. De grauwe staar : oogkrankheid, waardoor het gezicht verduisterd wordt en eindelijk geheel verloren gaat. — Grauwachtig, bn. — Grauwachtigheid, v. — Grauwbaard, m. (-en). — Grauw-broeder, m. (-s). Franciscaan. — Grauwheid, grauwigheid, v. — Grauw keeltje, o. (-s). Gestreepte vliegenvanger. — Graurvschimmel. m. (-s). Grauw geschimmeld paard. — Grauwtj'e, o. (-s). Grijs paardje. Ezel. Grauw schilderwerk. — Grauwvink, m. en v. (-en). Soort van goudvink : fnngtlla petronia,— Grauw-zwart, bn.

grrauw, o. Het gemeene volk. Heffe des volks, [anhagel.

K-muiv, m. (-en). Snauw. Hard woord. Scherp verwijt. — Grauwen, ow. grauwde, heeft gegrauwd. Norsch, onvriendelijk spreken. — Grauwer, m. (-s). — Grauwster, v. t-s).

graveel, o. Nierwee. Zekere ziekte, veroorzaakt door de vorming van kleine steentjes in de blaas of de nieren. — Gra-leelachtig, bn. — Graveelig, bn. Aan het graveeHijdende. Kostbaar, duur : dit is te graveelig voor de beurs. — Graveelig-heid, v.— Graz/eels te en, m. (-en).

ffra^oeron, bw. graveerde, neeft gegraveerd. Met de graveemaald figurea steken of snijden in hout, steen, metalen, enz. — Graveerder, m. (-s). — Graveerijzer, o. (-s). — Graveering, v. — Graveerkunst, v. -- Graveemaald, v. (-en). — Graveerpriem, m. ( en). — Graveersel, o. (-s). Het gegraveerde. — Graveerstaal, o. — Graveerster, v. (-s). — Graveer-itift, v. (-en).— Graveerwerk, o. — Gra~ veurtm. (-s).Plaatsnijder.— Gravure, w.

O — GREN

Graveerkunst, (-s) Koperplaat. Afdruksel van eene gegraveerde voorstelling.

firraven, groef, heeft gegraven. Bw. Delven : eenen put graven. Ow. Graafwerk verrichten. — Graaf ster, v. (-s). — Graver, m. (-s).— Graving, v. (-en).

fC-razen, ow. graasde, heeft gegraasd. In het gras weiden : het vee laten grazen.

Srrazie:, bn. Grasachtig. Vol gras. Naar gras smakende : grazige boter.

srreb, v. (-ben). Greppel. Kleine sloot, if reel, o. (-en). Gareel. Haam.

grreen, m. (..enen). Zie Den. Oreenwieli, 160,000. Stad in 't graafschap Kent (Engeland). Karei II bouwde er eene sterrenwacht, welke op 50° 28' 38quot; N. B. en op 17° 39' 46quot; O. L. van denmeridiaan van Ferro is gelegen. De meridiaan over Greenwich getrokken wordt door velen als de eerste meridiaan gerekend.

greep, m. (..epen). Het grijpen. Slag,, behendigheid, vaardigheid : het is maar een greep. — Greep, v. (..epen). Wat aangegrepen wordt. Zooveel tegelijk gegrepen is. Gevest : de greep van eenen degen. Handvol: eene greep geld. Mestvork.

OregorlaaiiHeli, bn. Gregoriaansch jaar, Gregoriaansche kalender, Gregori-aansche of nieuwe stijl : jaar, enz. door Paus Gregorius XITI, ingevoerd. Zie ]aar.

Oregorlus. De voornaamste Pausen van dien naam zijn Gregorius (h.), de Groote, Gregorius Vil, Hildebrand; Gregorius XIH, Gregorius XVI.

grrein, o. (-en). (Eert.) Medicinaal gewicht = 0.053 RTam.

grein, o. Kamelot. Zekere stof van geiten- of kemelshaar. — Greinen, bn.

greiu, o. (-en). Kleine geneeskrachtige peper. Paradijskorrels.

Srre(i)uelgt;oom, m. (-en), Denne-boom. — GrefUnen, bn. — Grefijnen-hout, o. — Gr e fijnen hou ten, bn..

greintje, o. (-s). Zeer weinig. Hij heeft geen greintje verstand.

grelingr, m. (-en). Het zwakste kabeltouw, dat bij het boegseeren, enz. gebruikt ^ ordt.

grenadier, ra. (-s). (Eert.) Soldaat^ die granaten wierp. Thans : keursoldaat der infanterie. — Grenadiersmuts, v. (•en). — Grenadierssabel, v. (-s). — Grenadiersuniform, v, (-en).

grendel, m. (-s, -en). Ijzer, welk men achter poorten, deuren en vensters schuift om deze vast te maken. Hij zit achter de grendels : hij zit gevangen. — Grendelboom, ra. (-en). — Grendelen, bw. grendelde, heeft gegrendeld. Met eenen grendel sluiten. — Grendelgat, o. (-en). — Gr en del knop,ra. (-pen).— Grendflkram-' men, v. mv. — Grendelring, ra. (-en). — Grendelslot, o. (-en). — Gr en deïst een, m. Steen, waarin de grendel schuift, greneboom. Zie Greineboora.

grens, v. (..zen). Scheiding, scheidpaal. Einde, eindpaal. De grenzen zijner macht te buiten gaan : zijne macht of bevoegdheid overschrijden. — Grensbeeld, o. (-en).— Grensbepaling, v. (-en).— Grens~ bewaarder, m. (-s). — Grensbewaker, m»


ocr page 263

— 22t —

GRIJ

GRIE

(-s). — Grensbewonery m. (-s). — Grens-boom, m. (-en). — Grenslijn, v. (-en). — Grenslinie, v. (-s). — Grenspaal, m. (..alen). — Grensplaats, v. (-en). — Grens-scheider, m. (-s). — Grensscheiding, v. (-en). — Grenssloot, v. (-en). — Grenssteen, m. (-en). — Grensstad, v. (..eden).

— Grensteeken, o. (-s). — Grensvolk, o. (-en). — Grensweg, ra. (-en). — Grens-zuil, v. (-en). — Grenzen, ow. grensde, heeft gegrensd. Palen (aan). Sluiten (aan). Met eene grens afgescheiden zijn. Zijne smart grenst aan wanhoop. — Grenzen-loos, bn. bijw.

Crep, v. (-pen). Slraatgoot voor de deuren der huizen. Goot in de paardenstallen, enz. Reet. Greppel.

STreppel, v. (-s). Smal slootje (ter waterafleiding).

« rcsset {J.B.L. lt;flt;r) ,1709-1777, Amiens, Fr. dichter. Vert- Vert (1733); Le Méchant (1747). .

grrviig:, bn. bijw. Happig. Begeeng. —

— Gretigheid, v. — Gretiglyk, bijw. «rlt;Hry (A. E. Af.), 1741-1813, Lmk.

Componist. Hu-ron; Richard Cceur - de • bon .. Muntte vooral uit in de opera-comi-que.

Gremcfy.^.), 1726-1805. _ Tour-nus. Fr. schilder.

grief, grieve,

v. (..ven), hartzeer, smart : zijn gedrag was cene grief voor zijne ouders. Bezwaar, rlt; d**n van beklag: de vorst nam hunne grieven in aanmerking.

Grieg (E.), 1843, Bergen (Noorwegen). Toondichter.

C! riek enl an cl, o. Staat ten Z. van Turkije. 2,000,000 inw. i,i75 vierk. mijl. In de hooge Oudheid was Griekenland zeer vermaard om zijne dichters, redenaars en kunstenaars. — Griek, m. (-en). Bewoner 'van Griekenland. Een oude Griek : een schalk. Een rechte Griek : wonderlijk mensch. — Grieksch, bn. — Grieksch, o. De Grieksche taal.

Crleleii, ow. grielde, heeft gegrield. Onophoudelijk lachen. Kinderachtig zijn.

— Griel, gr iele, v. (..Ien). Kinderachtig meisje. — Grielachftg, bn. — Gneliq, bn.

— Grieligheid, v.

grieud, v. (-en). Strook grond met wil-

gen beplant. —en beplant. — Griendlond, o. (-en), loerassig land met wilgen beplant, griep, v. Zie Influenza. — Grieperig, bn.

grieftineel, o. Grof meel. Gruismeel. griet, v. (-en). Platvisch {pletironectes rhombus), die veel overeenkomst heeft met de tarbot. (Zeew.) Bovenkruiszeil. — Grietjesra, v. (..raas). — Grietjessteng-, v. (-en).— Grietjestoppenant, o. (-en), griet, o. Crofzana. Steengruis. €iricl€uUgt; v. ( en). (Eert.) Zekere uitgestrektheid van land in Friesland.— Griet* man, m. (-nen). 't Hoofd van eene Grietenij.

grieve. Zie Grief.

grieven, bw. griefde, heeft gegriefd. Zeer diep steken (in). Diep ot pijnlijk treffen. Beleedigen. Onaangenaam aandoen. — Grievend, bn, — Grieving, v. griezelen. Zie Grijzelen.

griezeltje, o. (-s). Ziertje. Een wei-nigje.

grif, bn. Mild. — Grifheid, v.

grif, bijw. Vlug, vaardiir. vlot: dat gaat hem grif van de hand. Grif betalen : betalen wat to betalen is.

gi'ifl% I. v. (-s). Stiftje, waarmede men op eene lei schrijft. Ent. — Griffelen, griffen, bw. griflelde, grifte, heeft gegriffeld, gegrift. Enten. Indrukken. — Griffie, v. (-s). Griffel.

griffie, v. (..iën, -s). Kanselarij. Schrijfkamervan eene rechtbank of een gerechtshof, van de provinciale Staten of van de kamer der Staten-Generaal — Griffier, m. (-s). Schrijver. Gerechtschrijver.— Griffierschap, o.— Griffiersplaats, v. ( en). Griffierspost, m. (-en).

griffioen, griffoen, m. (-en). Lammergier. (Wapenk.) Denkbeeldig dier, half arend en half leeuw.

grift, v. (-en). Griffel. Ent. Uitgegra-vene waterleiding.

grlin, m. (-en). Knorrepot. — Grijn en, ow. green, heeft gegrenen; ook, grijnde,' heeft gegtijnd. Den mond vertrekken.! Schreien (inz. van knorrige kinderen). Prui-I len. Verdiietig zijn. — Grynig, bn. Knor-| rig. Verdrietig. — Gnjnigheid, v. — Grijns, v. (..zen). Vreemd, leelijk gebaar.j Vertrokken aangezicht. Mom, masker. —1 Grijnslach, m. Lach met vertrokken mond. i Spotlach. — Grijnslachen, ow. grijnslachte, heeft gegrijnslacht. — Grijnzaard, m. (-0). Knonepot. — Grijnzen, ow. grijnsde, heeft gegrijnsd. Met een vertrokken mond lachen. Het voorhoofd fronsen. Pruilen, knorrig zijn.— Grijnzing, v. (-en).

gi'Up, ( en). Grijpvogel.— Grijpach-tig., bn. — Grijparend, m. t-oü). Groote AlVikaansche ai end. — Grijpen, bw. ow. greep, heeft gegrepen. De hand uilstrekkeu om iets te vatten Aantasten, pak ken, vatten. Het anlcei'giijpt, vax g. j-i'J. Plaats, stand grijpeu : voorvaileii, «gt;-3lt;ju.cden. Moed grijp ei, scïieppen. — Crypgter, m. (-en). Grijpvogel. — Grijpsta**• /, iu. (-en). Rol-staait (bij apen— Crvfiz ^el, m. (-s). Condor. Vrek. Glerigaaru

gr||»gt; bn. Lichtgrauw. Witzwart. Oudl van jaren. De grijzeoudaeid ; lang verloo-pen jaren. — Grijsaard, m. (-s). üud man. — Grijsachtig, bn. — Grijsbaard, va. (en). Die een grijzen baard heeft. — Grijsblauw, bn. — Gri/sgeel, bn. — Grijsgroen, bn. — Grijsheid, v. Grijze kleur. Gr ij re haren. Hooge ouderdom. — Grüskleurig, bn. — Grijskop, m. (-pen). Oud man met een wit hoofd. — Grijzen, ow. grijsde, is gegrijsd. Grijze haren krijgen. — Grijzigheid, v.

lt;*rU*e {E. de), 1848, Roeselare. Deken (Kortrijk). Rechten revolutie (1881); Katholieke Kerk en Christ ene Volksschool.


ocr page 264

GROE — 2

«rrUzelen (grriezolcu), ow. grijzelde, griezelde, heeft gegrijzeld. gegriezeld. Eene huivering gevoelen. Killen (van koude of vrees). — Gi'i'zelig (griezelig), bn. — Gtyzeltgheid, v. — Gry ze hint ^ v. (-en).

«•'il, v. (-len). Huivering, niing. Kuur, nulc. Kleinigheid, beuzeling. Poets, grap.

— Grillen, ow. grilde, heelt gegrild. Huiveren, rillen. — Grillenmaker, m. (-s). — Gr ille7i?naaksier, v. (-s). — Grillig, bn. bijw. Huiverig. Met nukken. Eigenzinnig. Grappig. — Grilligheid, v. Eigenzirnig-heid. ( .heden) Nuk. Hersenschim. — Grilling, v. (-en).— Gr tl wei k, o.(-en). (Schild.) Ounatuurlijke voorstellingen. — Grilziek, bn.

Orlllpsirzor [F-), 1791-1872, Weenen. Dichter. Grootmoeder; Sappho (1819); Het gulden Vlies (1822)

l^rini, v. Woede. Grimmigheid. — Gri-vias, v. (-sen). Leelijk gebaar. Vertrokken aangezicht. Kuur. — Lrimassen, ow. grimaste,heeft gegrimast.Keelijke gebaren maken. Gezichten trekken. — Gntnassenma ker, m. (-s).—Grimassenmaakster, v (-s).

— Grim bek,va.en v. (-ken).Knorrig mensch.

— Grimbekken, ow. grimbekte, het It ge-grimbekt. De tanden laten zien.— Grimlach, m. Kwaadaardige lach.—Grimlachen, ow. grimlachte, heeft gegrimlacht. Kwaadaardig lachen. — Grirjtlacher, m. ( s). — Gnmlachster, v. ( s). — Grimmen, ow. g! imde, heeft gegrimd. Op de tanden knarsen. Brullen (a s een leeuw). Pruilen (van kinderen). — Grimmer, m. ( s). — Grim-wig;, bn. bijw. Toornig. In woede. Veib t-terd. — Grimmigheid, v. — Gri?/iming, v. — Grimster, v. (-s).

Orimiu [J. /,.), 1785-1863, Harau. Du.tsch taai- en oudheidkenner Geschichtc der Deutschen Sprache; Deutsche IVeis-thümer.

grrimmolon, ow. grimmelde, heeft gegrimmeld. Wriemelen. Krielen.

CS i'imostlil. Zoon van Pepijn van Landen. Hofmeester. Stelde zijn eigen zoon op den troon.

grrind, v. Het tweede meel van boekweit. Grof meel. Steengruis. Keitjes, dienende tot het aanleggen van wegen. — Grindpad, o. (-en). — Grindweg, m. (-en1. — Grindschip, o. (..epen).— 07ind-schmt, v. (-en).

8ri*iniiib«'n. ow. grinnikte, heeft gegrinnikt. Hinniken (van paarden). Spottend lachen.

OriscbsK'li {E. R.), 1845, Göttingen. Duitsch dichter. Der neue lan/iaiiser (1869); Tanhanser in Rom (1875).

Sri*iMetl«, y. (-s). Naaistenje. Handwerkster. Aleisje, los van zeden

yriHMen, bw. griste, heeft gegrist. Steelswijze bijeenrapen en wegnemen. — Grisser, m. (-s). — Grisster, v. (-s).

§ri*«ef, v. (..ven). Greppel. Kuil. Graf. Langwerpige holligheid ineenen pilaar. — Grce/ijzer, o. (-s). Steekpriem. — GroeJ-pioeg, v. ( en). Zekere schaaf. — GroeJ-uuerk, o.

S:i*4gt;oi, m. Het groeien. — Groeien, ow. gloeide, is gegroeid. Wassen. Opschieten. lt;Srootcr worden. Vooruitkomen. lem. over

p — GROE

(boven) het hoofd groeien. In eens anderen leed groeien, er zich in verheugen. — Groeiing, v. — Gi o. ikracht, v.— Groet-sel, o. Het gegroeide. — Groetzaam, bn. Den groei be\orderende. — Groeizaam-heid, v.

grroen, o. Eene der regenboogskleuren. Eene uit blauw en geel samengestelde kleur, verf. De boomen en velden. Groen kruid. Gras. — Groen, bn. Groene deur. Onrijp : groene druiven. Versch : groene haring. Tong, onervaren. Linksch, ongemanierd. Het wordt mij groen en geel voor de oogen : ik word duizelig. Niets is te rijp of te groen voor hem : niets is hem te heet of te zwaar. — Groen, ra. (-en). Nieuweling onder de studenten. — Groeit aarde, v. — Groenachtig, bn. — Groenblauw, bn. — Groenboer, m. (-en). Boer, die groenten kweekt en vtrkoopt. — Groen-b oer in, v. (-nen). — Groeneik, m. (-en). Altijd groene eik. — Gi-oenen, groende, heeft en is gegroend. Bw. Groen verven. Ow. Groen worden of zijn. — Groen haring, ra. (-en). Versche haring. — Gi oen-hetd, v. — Groenig, bn. — Groenigheid, v. — Groen kelder ^ ra. (-s). Kelder, waar men groenten verko» pt. — Groenkooper, m. (-s). — Gr oen koopster, v. (-s). — Groenland, o. Ui'gesirt kte, ten grooten deelenog 01 bekende landstreek t« n N.-O. van Amerika, die bijna geheel binnen den noordpoolcirkel is gelegen. Wordt als eene Deensche bezitting beschouwd. — Groen-landsvaarder, m. (-si. Sterk gebouwd schip, dat tegen den zomertijd ter walvisch-en robbenvangst naar Groenland vaart. Gezagvoerder van zulk een sch'p. — Groenltng, ra. (-en) Groenvink — Groen-loopen, o. (Van studenten). — Groenman, m. (-nen). Groente\eikooper. — G^oen-mand, v. (-en). — Gruen?narkt, v. (-en).

— Groen meisje, o. (-s). — G roen mest ing, v. — Groenmoes, o. Keukengroenten. — Groensel, o. (-s). Moeskruid. — Groen-selhof, ra. (..oven). — Groensel kraam, v. en o. (..amen).— Groenselmarkt, v. (-en).

— Groenspecht, ra. (-en). Khmvogel {Ficus vtridts). Rood op den kop, zwart aan de kaken en groen over gansch het lijf. Zie Specht. — Groensteen, ra. (-en). — Groente, v. Het groen (der hoornen, velden). (-n) Moeskruid. — Groentemarkt, v. (-en). — Groentesoep, v. — Groentje, o. (-s). Zekere peer. Student, die nog niet ontgroend is. Onervaren mensch.— Groentetuin, ra. (-en). — Groenteverkooper, m. m. (-s). — Groenteverkoopster, v. (-s). — Groenvink, ra. en v. ( en). Zangvogel (Fringilla chloris). Behoort tot de graan-etende vogels. — Groenvrouw, v. (-en).

— Groenwyf, o. (..ven).

O roe 11 van PriiiMtcrcr (£7 ), 1801-1876, Voorburg Geschiedschrijver. Handboek der Geschiedenis van het Vaderland (i84i-'46).

groop, v. (-en). (Schild ) Vereeniging van beelden, figuren, enz., die als 't ware maar een gehe« l uitmaken. (Nat. hist.) Familie, aldeeling, klasse. Eene groep eilanden. — Groepeer en, bw. groepeerde, heeft gegroepeerd. Bijeenplaatsen. Tot een


ocr page 265

GRON — 2

geheel verzamelen. — Groepeering, v. (-en). — Groepen, bw. groepte, heeft gegroept. Bijeen plaatsen. In groepen plaatsen.

Srro^t, m. (-en). Groeting. Begroeting. Beleefdheidsbetuiging. Eeruewijzing. — Groeten, bw. groette, heeft gegroet. Met eenen groet eer bewijzen, afscheid nemen. Gelukwenschen. — Groetenis, v. (-sen). Groet aan eenen afwezende. — Gr oeter, m. (-s). — Groetster, v. ( s;.

Snoeven, bw. grot-fde, hef ft gegroefd. Groeven in eenen pilaar, enz. maken.

S^oese, v. Looi (van aardappelen, rapen, enz.). — Groezelig, bn. — Groezeligheid, v.

erof, bn. Groot, zwaar r grof geschut. Dik : grof linnen. Hard : grove stem. Niet fijn : grof van leden. Gemeen: grove koopwaren. Ruw, zwaar : grof werk Groot : grof zand, meel, enz. Lomp, onbeleefd : grove kerel. Onbeschaafd : grove taal. Bljw. Grootelijks : grof mistasten. Op een grove wijze : grof gemaakt werk. Hij maakt het wat te grof, te bont. Grof spelen : voor groot geld spelen. Hij is grof gesponnen en los gedraaid : hij is uiterlijk sterk en innerlijk zwak. — Grofachttg, bn. — Grof dra-ei ig, bn. — Grofheid, v. Eigenschap van iets, dat niet fijn is. (..heden) Lompheid, onwellevendheid. — Grojlyvig, bn. — Grojiyvigheid, v. — Grof nagel, groffd-nagel, m. (-s). Kruidnagel. — Grofschil-der, m. (-s). — Gro/sfnid, m. (..eden). Die grof werk maakt. — Grofte, v. Neerhaal (van schrijfletters).

Kroe, m. Sterke drank, met water en suiker vermengd.

ffrol» v. Wrok. ( len) Beuzeling. Zotternij. Grap. Sprookje. — Grollenmaker, m (-s). — Grollenmaakster, v. (-s). — Grollig, bn. Geestig. Boertig.

fprollcu, ow. grolde, heeft gegrold. Knorrig zijn. Lollen, krollen (van de katten). Knorren (van de honden).

S:rom, o. Ingewand (van visch, enz.). Iets onreins. Vuiligheid. — Grommelen, ow. grommelde, heeft gegrommeld. Zich wentelen (in). — Grommelig, bn. Vuil. Leelijk. Morsig. — Grommeling, v. (-en). Wenteling. Vuil. Vuiligheid.— Grommen, bw. gromde, heeft gegromd. Het ingewand uit visch nemen. — Grommig, _bn. Onzuiver. Grommige visch, die nog niet schoongemaakt is.

firroiumen, ow. gromde, heefc gegromd. Brommen (van beren). .Knorren. Kcorrig zijn (op). — Grombaard, m. (-en), grommer, m. (-s). — Grommig, bn. Knorrig. — Grommigheid, v. Knorrigheid. Kwade luim. — Grompot, m. en v. (-ten). Knorrig mensch. — Gr om ster, y. (-s).

groiMl, m. (-en). Delfstoffelijke massa, waai uit de korst der aarde besia.it. Oppervlakte van den aardbodem : hij viel op den grond. Terrein : hij heeft weinig grond achtergelaten. Grondeigendom : hij is tijk in gronden. Onderste bodem : grond van een vat, van eene vallei, enz. Bodem derzee: het schip ging ten gronde. Zandbank: hij Kental de gronc en di r Schelde. Die stof heeft ten roeden grond. Vloer ('n eene kamer, enz.).

3 _ GRON

Grondvest : heuvelen en bergen staan pal op hunne erronden. Schets, plan, ontweip. Grondverf : die schilderij is te donker van grond. Vlakte van een wapenschild : een zwarte Leeuw op gouden grond. Genegenheid : er bestaat geen grond tusschen hen. Het innigste : uit di-n grond mijns harten. Hoofdzaak : in den gronde. Beweegreden : iets zonder grond aannemen. Keden, oorzaak : hij beklaagt zich met grond. lem. in den grond boren, ten gronde helpen : tot den bedelstaf brengen. Te of ten gronde gaan : verzinken, tot armoede komen. Stille waters hebben diepe gronden. — Grondaarde, v. — Grondakkoord, o. (-en). (Muz.) Akkoord, waarvan de tonen onderling eene terts van elkander liggen. De onderste toon heet grondtoon. — Grondangel, m. (-s). Een met lood bezwaarde vischhaak. — Grondbalk, m. (-en).

— Grond bas, m. (-sen). Die elke grond-noot van een akkoord aangeeft. — Grondbeginsel, o. (-en). Beginsel, waarop iets steunt.— Grondbegrip, o. (-pen . Eerste begrip. — Grondoelasting, v. (-en). Belasting, die van grondeigendom geheven wordt. — Grondbestanddeel, o. ( en). Hoofdbestanddeel — Grond be wijs^ o. (..zen). Voornaamst bewijs.— Grondboor, v. (..oren). Aaidboor. — Grondbraak, grondbreuk, v. (-en). Breuk, scheur in eenen dijk. — Grondbrief, m. (..ven). Hypotheek. — Grondcyns, m. (..zen). — Grondeigenaar, m. (..aren, -Sj. — Grondeigenaarster, v. (-s). — Grondeigenares, v. (-sen). — Grondeigendom, m. Bezit van een stuk gronds. — Grondeloos, bn. Zonder grond, zeer diep. Onpeilbaar. Oneindig, onmetelijk. — Grondeloosheid, v. — Gronden, grondde, heeft gegrond. Bw. Grondvesten. Den grond leggen (van of' tot). (Schild.) De grondverf leggen. Hierop grond ik mijne me« ning : hierop berust zij. Ow. Grond voelen : ik kan hier niet gronden. — Gr onder f, o. (..ven). — Grondgebied, o. Gebied van eene stad of elt; n land. Grondgetal, o. (-len). Hoofdgetal. Een der twee hoofdsoorten der telwoorden. — Grond heer, m. (-en). Grondeigenaar. — Grondig, bn. bijw. Gegrond. Op vasten grond steunende, hecht, stevig. Weldoordacht. Drabbig. — Grondigheid, v. — Grondiglyk, bijw. — Gronding, v. Het gronden. Grondvestir g. Stichting. Het bestrijkt n met grondverf. — Grondijs, o. — Grondkleur, v. — Grondkrachten, v. mv. Krachten, aan de stof in 't algemeen eigen. — Grondkt ediet, o. Leening tegen ondeip^nd van landeiijen. — Grondlaag, v. (..agen).— Grondlasten, ra. rav. Belasting op de grondeigendommen. — Grond» legger, ra. (-s). — Grondlegstery v. (-s).

— Grondlegging, v. (-en). — Grondlijn, v. (-en). — Grondlood, o. (-en). Peillood.

— Gi'ondmjiur, ra. (. uren). — Grond-noot, v. (..oten). Grondtoon. — Grondoorzaak, v. (..aken). Voornaamste oorzaak.

— Grondpaal, ra. (..alen). — Grondpand, o. (-en). Onroerende goederen, die een schuldenaar aan den scnuldeischer tot zekerheid der schuld heeft verpand. — Grond-pijlert ra, (-s).— Grondpilaar, ra. (..aren). 1


ocr page 266

GROO — 2

— Grondregel, m. (-en, -s). Grondstelling. — Grondrecht, o. Recht van grondeigendom, — Grondrente, v. (-n). — Grondsap, O.—Grondschatting,vSjronè.-belasting. — Grondscheiding, v. (-en). — Grondslag, m. (-en). Metselwerk in den

Èrond, waaroprond, waarop een gebouw moet rusten. gt;e gerechtigheid is de grondslag van het gezag. — Grondsop,o. — Grondsteen,m. (-en). — Grondstelling, v. (-en). Grondbeginsel. — Grondstem, v. (-men). (Muz.) Doorgaande bas. — Grondstof, v. (-fen). Hoofdstof. Element. — Grondtaal, v. (..alen). Oorspronkelijke taal. — Grondtal, o. (-len). Getal, aanwijzende hoeveel eenheden van zekere orde men moet nemen, om eene eenheid van de daaropvolgende orde te bekomen : tien is het grondtal van het tiendeelig stelsel. — Grondteekening, v. (-en). Schets. Plan.

— Grondtekst, ra. (-en). Oorspronkelijke tekst. — Grondtoon, m. (..onen). Zie Grondakkoord. — Grondtrek, m. (-ken). Hoofdtrek van een geschrilt.— Grondvast, bn. Hecht. Stevig. — Grondverdeeling, v. (-en). — Grondverf, v. (..ven). Eerste verf. — Grondvergadering, v. (-en). Eerste vergadering van kiezers tot het kiezen van vmksvertegenwoordigers. — Grondverven, bw. grondverfde, heeft gegrondverfd.— Grondvest, v. (-en). Grondslag.— Grondvesten, bw. grondvestte, heeft gegrondvest. De grondslagen van iets leggen. Slichten, oprichten. — Grondvesting, v. (-en).— Grondvlak, o. (-ken).Vlak,waarop eenig lichaam verondersteld wordt te rusten. — Grondvlakte, v. (-n). Elk effen oppervlak. — Grondvoorwaarde, v. (-n). v oornaamste voorwaarde. — Grondvorm, m. (-en). — Grondwaarheid, v. (..heden). Waarheid, die ten grondslag ligt van andere waarheden. — Grondwater, o. — Grondwet, v. (-ten). Wet, die tot grondslag dient voor de overige wetten. Alge-xneene Staatswet. Staatsregeling.De grondwet van België en Nederland waarborgt de gelijkheid der inwoners, de vrijheid van godsdienst en onderwijs, van drukpers en vereeniging. (Werd gestemd in België, 7n Februari 1831, in Nederland, den 29n Maart 1814.)— Grondwetsherziening, v. (-en). — Grondwettig, bn. Overeenkomstig met de grondwet. Door haar voor-geschieven. — Grondwettiglyk, bijw. — Grondwoord, o. (-en). Oorspronkelijk woord — Grondwortel, m. (-s). Oorspronkelijk bestanddeel van een woord.

frrondcl. m. (-s), grroiidolingr, m. (-en). De gewone grondel {cypnnusgobio), heeft een rood lichaam en een olijfgroenen rug met donkere vlekken, witten buik en gevlekte vinnen. Bt-hoort tot de familie der karpers en tot deafdeeling der weekvinnige buikvinnigen. Leeft in de rivierfn.

Oronlnipcii. Provincie (Nederland). Drierechterl. arr.Groningen, Appingedam en Winschoten. 56 gemeenten. Hoofdpl. Groningen.

Srroot, bn. bijw. Tegenstelling van iamp;/«gt;z.*grootestad. Uitgebieid, uitgestrekt: eene groote lands, reek. Uitgestrekt in de lengte : met groote stappen gaan. Hoog :

^ — GROO

een groote zuir Volwassen : groote kinderen hebben. Uit eene menigte bestaande : een groot aantal. Gewichtig : een groote zaak. Aanzienlijk : hij is een groot heer geworden. Voortreffelijk : de eroote Vondel. Eeretitel : Napoleon de Groote. Een

froote, kapitale letter Er is groot, middelaar en klein geschrift. Beslissend : het groote woord. Groote honderd gulden : meer dan honderd gulden.roote, kapitale letter Er is groot, middelaar en klein geschrift. Beslissend : het groote woord. Groote honderd gulden : meer dan honderd gulden. Grooter dan wordt aangewezen door — Groot, m. (-en). Halve stuiver. Een pond groot = zes gulden. — Groot, o. In het groot handel drijven, in het proot : groothandel drijven.

— Grootaalmoezenier, m. (-s). — Grootaalmoezenier schap, o.— Grootachtbaar t bn. Zekere titel. — Grootachtbaarheid, v.

— Grootbek, m. en v. (-ken). Die een groeten mond heeft. — Grootboek, o. en m. (-en). Handelaarsboek, waarin ieder schuldenaar, ieder schuldeischer zijne afzonderlijke rekening heeft, zijn actief en passief voorstellende. In het grootboek van den Staat zijn al de openbare schulden aangeschreven. — Grootbrengen, bw. bracht groot, heeft grootgebracht. Opkweeken. Opvoeden.— Grootdadig,bn bijw. Groothartig. Heldhaftig. — Groot da digk eid, v.

— Grootedelachtbaar, bn. Zekere ticel. — Groote li/ks, bijw. Zeer. In hooge mate. Voornamelijk. — Grootendeels, bijw. — Groothandel, m. — Groothandelaar, ra. (-s). — Groothartig, bn. bijw. Edelmoedig. Trotscb. Fier. — Groothartigheid, v. — Groothartig lijk, bijw. — Grootheid, v. Eigenschap van iets, dat groot is. Voortreffelijkheid. Macht, (..heden) De vereeniging van gelijksoortige hoeveelheden. Alles wat voor vermeerdering of vermindering vatbaar is en daarenboven in deelen verdeeld kan worden. — Groothertog, ra. (-en). — Groothertogdom, o. (-men). — Groothertogin, v. (-nen). — Groothouden (zich), ww. hield zicb groot, heeft zich grootgehouden. Zich boven zijnen rang plaatsen. — Groothouderii, v. — Grootje^ o. (-s). Grootmoeder. Oude vrouw. — Grootkamerheer, m. (-en), qrootkamer-linq, ra. (-en). Zekere waardigheid (ten hove).— Grootkanselier, m. ( s). Zekere waardigheid. — Grootkezikenmeester, ra. (-s). Opperkok (ten hove). — Grootkop, ra. (-pen). Goudsche pijp met een langen en breeden kop. _ — Grootkruis, o. (-en). Klasje eener ridderorde. — Grootluik, o. (-en). Het luik voor den grooteu mast. — Grootmaarschalk,Tn.{-en). — Grootmachtig, bn. Zeer machtig. — Grootmachtig' he id, v. — Grootmaken, bw. maakte groot, heeft grootgemaakt. Grootbrengen. Tot aanzien verheffen. Verheerlijken. — Groot making, v. — Grootmeester, m. (-s). Opperhoofd van eene ridderorde of van eene vrijmetselaarsloge. — Grootmeester-nationaal, va. (-s-nationaal).— Grootmoe-d'r,m. (-s). Vaders of moeders moeder. —-Grootmoedig, bn. bijw. Edelaardig. Edelmoedig. — Grootmoedigheid, v. — Groot-moe dig lijk, bijw. — Grootmogend, bn. Titel der generale Staten in de voormalige Republiek der vereenigde Nederlanden. — Gi ootvioei, v. (-en). — Grootmond, ra.


ocr page 267

GRUI — 2

en v. (-en). Grootbek. — Grootneus, m. en v. (..zen). Die een grooten neus heeft.

— Grooineuztg, bn. — Gr ooi officier, ra. (-en). Zekere rang bij de riddero den, enz.

— Grootoog, m. en v. (-en). lem., die grcote oogen beeft, — Grootoogig, bn. — Grootoom, m. (-en). — Grootoor, m. en v. (-en). lem., die groote ooren heeft. — Grootoorig, bn. — Grootouders, m. rav. Grootvader en grootmoeder. — Grootseh, bn. bijw. Hoovaardig. Edel. Heerlijk, prachtig. — Grootschheid, v. — Groot-scheepsch, bn. — Grootschrift, o. — Grootspant, o. (-en). (Zeew.) — Grootspraak, v. Snoeverij. Overdrijving. — Grootspreken, o. Grootspraak. — Groot-

Spreker, m. (-s). — Grootspreekstery v. (-s). — Grootsprekery, grootspreking, v.

— Grootstahn eest er, m. (-s). Zekere waardigheid (ten hove). — Grootte, v. (-n). Lengte, gestalte : zij zijn gelijk in grootte. Uitgestrektheid. Sterren van eerste,tweede, derde grootte. — Grootvader, m. (-s). Vaders of moeders vader. — Grootvicaris, zn. (-sen). — Grootvizier, m. (-s, -en). Eerste minister (in Turkije). — Grootvorst, ra. (-en). Titel van de prinsen der keizerlijke familie van Rusland. Souverein van een grootvorstendora. — Grootvorstin, v. (-nen). — Grootvorstendom, o. (-men).— Groot-zegelbewaarder, ra. (-s). Zekere waardigheid (ten hove). Ambtenaar, die het zegel van den Staat bewaart. Titel van den minister yan justitie (Frankrijk).

Oroot 1° (//. de), 1585-1645, Delft. Staatsman, dichter en prozaschrijver. Werd in hechtenis genomen (1618) en op Loeven-stein voor zijn leven gevangen gezet. Ontsnapte (1621). 20 (z^. de), 1825, Meppel. Districts-schoolopzicner (Utrecht). Neder-landsche Spraakleer (4° dr. 1882).

Orooto (£. de), 1340-1384, Deventer. Geschi edsch r ij ve r.

grrop, erup, v. (-pen). Grep. Greppel. Groef.

o. (-sen). Twaalf dozijn. Koopman in 't gros : groothandelaar. Het grootste, gedeelte, de menigte : het gros van 't leger. — Grossier, ra. (-s). Koopman in 't groot. — Grossierden)', v. (-en). Grossierswinkel. — Grossierskantoor, o. (..oren). — Grossiersvak, o.— Grossiers-wtnkel, m. ( s).

SrroHHe, v. (-n). Afschrift, inz. uitvoerbaar afschrift van een vonnis, of eene akte door notaris opgesteld.

iprot, v. (-ten). Hol, door de natuur gevormd, of opzettelijk aangelegd. — Grotwerk, o. — Grotzverker, ra. (-s). — Grotwerkmaker, m. (-s).

fprotosk, bn. Grillig. Zonderling. Vreemdsoortig. Wonderlijk. Bespottelijk.

Oroth (A'.), 1819, Heide (Holstein*. Plat-Duitsch dichter. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Quick bom (,14® dr. 1883); Vertellen (i^-^g).

ffronwcl. Zie Gruwel.

iSrovclUb» bijw. Op eene grove wijze. Hard, zwaar, ruw.

geruis, o. Verbrijzeld puin. Fijne steenkool. Alle vaste stoffen in verbrijzelden toestand. Zemelen, (..zen) Glazenmaktrs-

5 — GUIL

werktuig. — Grutsachiig, bn. — Grut's-bak, ra. (-ken). — Gruisdroog, bn. Zeef' droog. — Gruishandel, ra. Handel in steenkolengruis. — Grnishatidelaar, ra. (-s). — Gmishok, o. ( ken). — Gruisyzer, o. (-s). Glazenmakers werktuig. — Gruis* kooper, ra. (-s). — Gruisloods, v. ( en). Gebouw, waar steenkolengruis geborgen of verkocht wordt. — Gruiswater, o. Aftreksel van zemelen. — Gruiszand, o. Grof zand.. — Gruizelementen, o. rav. Brokjes van een gebroken voorwerp. — Griuzen, bw. gruisde, heeft gegruisd, v er-gruizen. — Gruizig, bn.— Grziizigheid, V. Srruit, v. Droesem. Slordig werk. grruiten, bw. gruitte, heeft gegruit. Reinigen (de grachten van riet en andere watergewassen). — Gruiter, m. (-s). grup. Zie Grop.

grut, v. (-ten). Gort (zekere scheepskost. Nietige waar. Uitschot. Kleine kinderen. — Grutmolen, ra. (-s). — Grutten, ow. grutte, heeft gegrut. Gort maken. Gort pellen. — Grutlenbnj', v. — Grutt'nmeel, o. — Gruttenzernelen, v. rav. — Grutter, m. (-s). Die gort, meel, hoonen, enz. verkoopt.— Gruttery, v. (-en). Grutterswin-kel, — Grutterskar, v. (-ren). — Grut-tersknecht, m. (-s).— Gr utter smolen, ra. (-s). — Grutterspaard, o. (-en). — Grui-tersvak, o. — Grutterswaar, v. (..aren),

— Gr jitterswinkel, tn. (-s).

gruwel, m. (-en). Hoogste afkeer.

Afgrijzen. Snoodheid. Afschuwelijke daad.

— Gruweldaad, v. (..aden). Afschuwelijke daad. — Gruwelen, ow. gruwelde, heeft gegruweld. Gruwen. — Gruwelijk, bn. bijw. Afgrijselijk. Geweldig. — Gruwelijkheid, v. (..heden). — Gruwelstuk, o. (-ken). Gruweldaad. — Gruwen, ow. gruwde, heeft gegruwd. Uen grootsten afkeer hebben (van). Verfoeien. — GruW' zaam, bn. bijw. Gruwelijk.— Gruwzaam'' he id, v. (..heden).

guano, o. Vogelraest. Hulpmeststof, bestaande uit den mest van zeevogels, welke op onbewoonde eilanden in den loop der eeuwen tot min ot meer dikke lagen is opeengehoopt. De beste komt uit Peru. OiKlruu. Zie Goedroen.

Ou6riu {P.), 1830, Buzan^ais. Fr. letterkundige. Les pet its Bollandistes (1858-'82) ; JJictionnaire des dictionnaires I886-'89).

guf, bn. bijw. Mild. Verkwistend. Openhartig. — Gufheid, v.

Ouiamt. Zie Suriname.

guiclielcn, guichelde, heeft gegui-cheld. Goochelen. — Guichelheil, gui-chelkruid, o. Zekere p ant : anagalli» arvensis. — Guichelspel, o. Bedrog. — Guichelstreek, ra. (..eken).

guide, ra. (-s). Leidsman, wegwijzer, gids. Lijfwacht. Teugel.

guig, v. Bespotting. Grimas. Kuur. •— Guigen, ow. guigde, heeft geguigd. Spotten (met). Kuren raaken.

guil, ra. ( en). Paard (in't algemeen), Inz. oud slecht paard. Lafaard. Domkop.

guillotine, v. ( s). Valbijl, naar den uitvinder (Dr Guillotin, 1738-1814) guillotine geheeien. Werd tijdens de Fransche


ocr page 268

HAAG — 2

.omwenteling ingevoerd om de ter dood veroordeelden te onthoofden. — Gttillo-iiveeren, bw. guillotineerde, heeft _ geguillotineerd. Onthoofden (met de guillotine).

grulnceiivstarder, m. (-s). Vaartuig, dat op de kust van Guinea (op de westkust van Afrika) vaart.

ifuiiijo, v* (-s)« Oude Engelsche goudmunt = 26,50 fr.

gruirlaiKle, v. (-s). Bloemkrans. Bloemslinger.

eruit, m. (-en). Grappenmaker. Deugniet. Kleine guit : schalksche jongen. — Guitachtig, bn. — Guitachtigheid, v. (..heden). — Guitenstreek, m. (..ken), guitenstuk, o. (-ken), guitenwerk, o., guiterif, v. (-en). — Guitig, bn. — Guitigheid, v. (..heden).

Ouizot {F. P. G.), 1787-1874, Nimes. Geschiedschi ijver en staatsman. Hist aire générale de la civilisation en Europe (1S45); Hist o ire de la civilisation en France (1845).

grill, bn. bijw. Zacht, droog : het gulle zand. Dun : gulle brij. Mededeelzaam, gastvrij. Openhartig. — Gulnardig, bn. — Gulhartig, bn. bijw. — Gulhartigheid, v. — G ti lh a r tig lijk, bijw. — Gulheid, v. (..heden).— Guluit,gulweg, bijw. Zonder omwegen. Ronduit.

Srul, v. (-en). Kleine kabeljauw, grnldclingr, m. (-en). Zekere appel, galden, m. (-s). Muntstuk. Nederl. gu den = fr. 2,12. Brabant, gulden = fr. 1,814.

jfulden, bn. Gouden. — Guldengetal, o. Naam eener periode van 10 jaar, na wier verloop de verschillende schijngestalten van de maan juist weer of dezelfde dagen en tijdstippe 1 van het zonnejaar vallen. Om ht-t guldengetal van een gegeven ja:ir te vinden, verhooge men het cijfer van dat jaar met 1 en deele het daarna door 19, het overschot ishetguldengetal.— Guldenmond, Zie Chiysostomus.— Guldenroede, v. Plant {so lid ago virga aurea), tot de sa-mongesteldbloemigen behoorende Groeit bij ons in boschrijke streken, op heigronden, enz. Wordt ook om haar fraaie gele bloemen in onze^ tuinen aangekweekt. Bloeit van Juli tot September. — Gulden' sitik, o. (-ken). — Guldemvater, o. Fijne brandewijn, waarin men gii-lagen goudblaadjes doet.

^ulp, v. (-en). Watergoli. Teug, slok. Spleet (voor in de broek, enz.). — Gulpen, gulpte, heeft gegulpt. Bw. Met groote ten

ia, v. (h's). 8° letter van het alphabet, list, tw. Drukt vreugde of blijdschap uit. llsamp;afuei* {J. C.) = Haffner, 1755-1809, Halle (Duitschland). Uoil. letterkundige. Schreef in een zeer fraaien stijl over zijne persoonlijke lotgevallen.

liaas:, v. (hagen). Heining van struikgewas. Het roer m de haag steken : deser-

,6 — HAAG

gen drinken. Ow. Openstaan. Gutsen : het bloed gulpte uit de wond.

g-ulzig:, bn. bijw. Gretig, met graagte, happig. Vraatzuchtig. — Gulzigaard, m. (-s). Die gauw en onbeschoft eet. Slokop.

— Gulzigheid, v. — Gulzig lijk, bijw. {fiiuiK'ii, bw. gunde, heeft gegund.

Niet benijden. Gaarne zien, dat een ander -iets bezit of geniet. Toestaan. — Gunner, m. (-s). — Gunning, v. (-en). — Gunst, v. (-en]. Toegenegenheid. Voorkeur. Bescherming. — Gunstbejag, o. — Gunstbetoon, o. — Gunstbewys, o. (..zen). — Gunstbewyzer, m. ( s). — Gunstbewijs' ster, v. (-s). — Gunstbrief, m. (..ven). — Gunsteling, m. en v. (-en). — Gunste' lifige, v. (-n). — Gunster, v. (-s). — Gunstgenoot, ra. (-en). — Gunstgenoote, v. (-n).

— Gunstgodinnen, v. mv. De drie Gratiën. — Gunstig, bn. bijw. Welwillend. Voordeelig. Aangenaam (gelegen). Geschikt. — Gunstigliik, bijw. — Gunstrijk, bn. bijw. Gunstig. Rijk in het bewijzen van gunsten.

giiHt, bn. Niet drachtig (van koeien). Mager: guste kost 'zonder vleesch ofspek).

Oiitcnbergr (5^), 1400-1468, Mainz. De uitvinder der boekdrukkunst (1436).

grulf», v. (-en). Steekbeitel met een hollen bek. — Gutsen, bw. gutste, heeft gegutst. Met eene guts uitsteken.

g-utNcn, ow. gutste, heeft gegutst. Tappelings uitloopen : het bloed gutste uit de wond.

giiltuperohsK, v. Gom van Sumatra. Wordt verkregen uit het melksap van sommige planten, tot de familie der sapotaeeën behoorende. In de hoofdeigenschappen komt de guttapercha met het caoutchouc overeen.

{futtogroni, v. 't Sap van Gummifera vera en Gambogia gutta laat na droging een slijmhars achter, dat men guttegom noemt. Woidt gebruikt als verfstof, in de geneeskunde als afdrijvend middel.

griilturastl, bn. Tot de keel behoorende. Gutturale letters : keelletters. Gutturale klanken : schorre klanken.

guur, bn. Koud, winderig (van het weder). Stuursch. Onvriendelijk. — Guur' heid, v.

Sryiunafiiiim, o. (..iën, ..ia). Athe-nseum. — Gymnasiast, m. (-en). Leerling aan een gymnasium.

8ryiH»2u*tiek, v. Lichaamsoefening. Lijfoefenkunst. Turnen. — Gymnast, ra. (-en). Turner. — Gymnastisch, bn. Li-chaamsoefeiiend.

teeren. Achter de haag loopen : heimelijk de school verzuimen. — Haagappel, ra. (-en, -s). — Haagappelboom, ra. (-en). Haagdoorn. — Haaqbes, v. (-sen). — Haagbezie, v. (..iën). — Haagbeuk, ra. (-en). Soort van beuk, die meest vt or hagen gekweekt wordt. — Haagbeukenboom, m. (-en). — Haagbeuketibosch, o. en m.


ocr page 269

HAAL — 2;

(..sschen).—Haagbosch, o.enm. (..sschen). Kreupelbosch. Struikgewas.— Haagdoorn, in. (-en), haagdoren^ ra. (-s). Meidoorn. Doornige heester [Crataegus oxyacantha), tot de familie der pomaeeën behoorende. Bloeit in Mei. Men vindt hem veelal in hagen. — Haageik, ra. ( en). Lage eik : quercus ilex. — Haagvies, o. (-sen). Snoeimes. — Haagschaar, v. (..aren). Groote schaar om de hagen te snoeien.

Ifsiagr {Deti) = 's Gravenhage. — Haagsch, hn. Van 's Gravenhage.

liaal, m. ( en). [Squalus oi Selachius). Naam van een aantal visschen, welke cene familie vormen der dwarsbekkige kraak-beenigen. Deze familie bevat de grootste visschen. Vele haaien zijn voor den raensch gevaarlijk en alle om hunne vraatzucht bekend. — Haaiebek, ra. (rken). — Haaie-kop, m. ( pen). — Haaietnaaz, v. (..agen). — Haaieiand, m. (-en). — Haaien huid, v. (-en). — Haaienvangst, v. — Haaievel, o. (-len).

baak, m. (haken). IJzeren of koperen werktuig, om iets tot zich te trekken of om iets aan op te hangen. (Timm.) Winkelhaak. (Muz ) Enkele, dubbele haken enz. De enkele haak = de helft van ecne zwarte noot. Iets aan den haak hangen ; eene zaak opgeven, op de lange baan schuiven. De wereld is vol haken en oogen, vol wederwaardigheden, vol tw'st en tweedracht. — Haakachfig, bn. — Haakhand, m. f-en). Band, ring met haken. — Haakbeenfje, o. (-s). — Haakblok, o. en m. (-ken). — Haakboekje, o. (-s). Boekje, waarin het haken wordt geleerd. — Haa ■ bus, v. (-sen) (Eert.) Soort van vuurwapen. — Haakje, o. (-s). — Haakjes, o. mv. Insluitinesree-ken. —Haakjesmaker, m. (-s).— Haak-lasch, v (..^sschen). (Timm.) Haakswijs gemaakte lasch, vergaring. — Haakmor-tier, m. (-s). (Eert.) Kleine bandmortier voor granaten. — Haaknoot, v. (..oten). (Muz.). —Haakpen, v. (-nen). — Haak-ploeg, m. ( en^. Soort van ploeg met eenen naak. — Haaksleutel, m. (-s) Werktuig der slotenmakers en der dieven. — h'aak-spyker, m '-s).— Haaks,\yiyn. — Haaksch, bn.—Haakswijs, ..ivijze, bijw. (Ti ra.) Behoorlijk naar den winkelhaak.— Hnaktang, v. (-en^.— Haakvormig, bn.—Haakwerk, o. — Haakwerkster, v. (-s). — Haakzeel, o. (-en).

haal, m. (halen). Trek (met de schrijf-

Êen). Ruk. Trekking. Vlucht : aan den aal gaan.en). Ruk. Trekking. Vlucht : aan den aal gaan.

baal, v. en o*. (halen). Keukenhaak met ketting. Heugel. — Haalboom, ra. (-en). IJzeren stang, waaraan de keuken-haak wordt opgehangen. — Haalketting, ra. (-en).

baalhaar, bn. (Kaartsp.) Waarmede men slag kan halen : niet eene haalbare kaart krijgen.

baaibier, o. Bier, dat men in de herberg koopt en te huis drinkt. — Haalboter, v. — Haalkan, v. (-nen). — Haalmaat, v. (.. aten). — Haalwyn, m.

baalmcN, o. (-sen). Snijmes met twee handvatten.

baalovor, m. Jong zeeman.

7 — HAAR

baalHtecn, m. (-en). Steen op eene kade, waarin een ijzeren ring is bevestigd, dienende om schepen aan vast te leggen.

ba am, m. (hamen). Zakvormig net, meestal aan eenen steel.

liaam, o. (hamen). I.eeren of houten juk om den hals van trekdieren. —Haarn-hcut,o. (-en), haamschirr, o. (.en). Zwengel, waaraan de trekstrengen worden vastgebonden.

liaan, m. (hanen). Mannetjesvogel (inz. eener hen). Sleutel van eene kraan. De haan van een geweer. Windwijzer : do haan van eenen toren. Daar kraait geen haan meer naar : dat is een verloren zaak, daar zal niemand iets meer van hooren. Den rooden haan laten kraaien : eene woning, enz. in brand steken. — Haansteen, ra. (-en). Steen in de ingewanden der hanen. — Haantje, o. (-s). Kleine haan. 't Is een haantje, een voorvechter, een nijdig ding.

liaandor, m. (-s). Mand om vruchten in te plukken.

llaanen (/?. van), 1812-1894, Oosterhout. Schilder en graveerder. Hongaarsch win terlandschap ■

liaar, tw. Zie Hot.

baar, v. pers. vnw. 3® pers. Bezitt.vnw. -baar, o. (als stofn.), Iiaren, o. mv. (als voorAerpsn.) Fijne, buigzame, holle vezel op het lichaam van menschen en dieren. Uons ; de haren van eene plant. De haren aan de wortels der boomen, de haar-achtige vez-ls. Haar op de tanden hebben : niet vervaard zijn. curven spreken. Zij gelijken elkander op een haar, volkomen. Met de handen in het haar zitten : in groo-ten angst verkeeren. — Haarachtig, bn.

— Haarbal, m. (-len). Bal, dien men soms in de maag der herkauwende dieren vindt.

— Haarband, o. Lint om in de haren te vlechten. — Haarband, m. (-en). Wrong. De straalvormige band van het adervlies (van het oog). — Haarbekleeding, v. (Zeew.) — Haarbereider, ra. (-s). — Haar bezem, m. (-s). — Haar bles, v. (-sen). Kuif van haren op het voorhoofd.

— haarborstel, m. (-s). — Haarbos, m, (-sen). — Haarbreed, o. Het, scheelde geen haarbreed. — Haarhuis, v. (..zen).

— Ha ar bu isverschynselen, o. mv. —• Haardoek, o. Uit paardenhaar geweven doek. ra. (-en) Doek om het gesneden haar op te vangen. — Haarfijn, bn. bijw. — Haarkam, m. (-men). — Haarkjes, o. Eene verbinding van nikkel en zwavel. — Haarklein, bijw. In alle bijzonderheden : alles haarklein vertellen. — Haarklooven, ow. haarkloofde, heeftgehaarkloofd. Kleingeestig onderzoeken, uitpluizen. — Haarkloof ster, v. (-s). — Haarkloover, m. (-s).

— Haarkloover ij, v. (-en). — Haarkloo-ving, v. (-en). — Haarknippen, o. — Haarknipper, m. (-s). —Haar komeet, v. (..eten). Staartster. — Haarkrans, ni. (-en). Geplooide kring van het adervlies naar het regenboogvlies (van het oog). — Haarkrul, v. (-len). — Haarlint, o. (als stofn.). (-en) (als voorwerpsn.). — Haar-lok, v. (-ken). Bosje, bundeltje haar. Krul.

— Haarloos, bn. — Haarnaald, v. (-en).


ocr page 270

HAAR — 2

— Haarnet, o (-ten). — Haar passer, m. (•s). — Haarpijl, m. (-en). Haartje. — Haarpijn, v. Onaangenaam pevoel (inz. in 't hoofd) na cenen dag of nacht in brasserij doorgebracht. — Haar pluis, o. Wollen pluis of haartjes. — Haar poeder, o (-s).

— Haarsnip, v. (-pen). Zie Snip. — Haar-ring, m. (-en). — Ha ar rook, m. Veen-rook. — Haarschaar, v. (..aren). — Haar-ichei, v. (-en). Scheiding in het haar. — Haarsnijden, ö. — Haarsnijder, m. (-s).

— Haarsnoer, o. (-en). — Haarspeld, v. (-en). — Haarstar, ..ster, v. (-ren). Staartster. — Haartje, o. (-s). Kleine haarve-zel. Zeer nauwkeurig : alles op een haartje weten. Zeer weinig: het scheelde maar een haartje. — Haartooisel, o. (-s). — Haartangetje, o. (-s). — Haar toer, v. (-en). — Haar trekker, m. (-s). — Haar trens, v. (..zen). — Haartrenzer, m (-s). —Haar-trensster, v. (-s). — Haar tuit, v. (-en). Haarvlecht. — Haarvaten, o. mv. De fijnste verlakkingen der aders. — Haarvezel, v. (-s). — Haarvlecht, v. (-en). — Haarvlechter, m. (-s). — Haarvlechtster, v. (-s). — Haar werk, o. — Haarwerker, m. (-s). — Haarwerkster, v. (-s). — Haarworm, m. Zekere huidziekte. — Haarwortel, m. (-s). — Haarzak, m. (-ken). (Eert.^ Zakje van zwarte zijde, waarin de mannen het haar van het achterhoofd droegen. Ook, haarkloover, vitter. Valsch speler. — Haarzalf, v. — Haarziekte, v. (-n). — Haarzijde, v. (-n). (Lederb.) Nerf. — Ha ar zwam, v. Zwam op de schors van dood hout. — Haarzont,

. o. Vezelige aluin. — Haarzwavel, v.

liaar, v. (haren). IJzeren werktuig, waarop de gras- en koreomaaiers hunne zeisen, enz. scherpen. — Haar bont, ra. (-en). — Haarhayner, m. (-s).

Haar (5. ter), 1806-1880, Amsterdam. Hoogleeraar (Utrecht). Dichter. Joannes en 1 heagenes (1838); De .Squot;1 Pau lus Rots (1846); Zangen des Tijds.

Ii2iarlt;l, m. (-en). De plaats in een huis, waar men vuur stookt. IJzeren toestel waarin men vuur maakt. Het gansche hu:s, eigen bezitting : hij heeft zijn eigen baard. Eigen haard is goud waard. — Haardasch, v. — Haardbezem, m. (-s). — Haardgeld, o. (-en). Belasting op de haardsteden. — Haar dg oden, m. mv. — Haardijzer, o. l-s). — Haardkolk, v. (-en). — Haardkit il, ra. (-en). — Haardplaat, v. (..aten).

— Haardplaats, v. ( en). — Haardstede, v. (-n . Stookplaats. Woning, verblijf. Voor altaren en haardsteden r voor God en vaderland.— Ha a rdstedengeld, o.—Haard-st'en, m. (-en). —Haardstolp, v. (-en). — Haardtan^, v. (-en). —Haardvuur,0.

Haarlem {D.van)s*D. Bouts, X479, Haarlem. Historieschilder. De gerechtigheid van keizer Otto : 10 de edelman onschuldig onthoofd; 20 de kasteleines bewijst de onschuld van haren echtgenoot.

Haarlemmer, ra. (-s). Inwoner van Haarlem. — Haarlemmer, bn. — Haarlemmermeer, o. (Eert.) Waterplas (omstreeks 800 door eene overstrooming van dden Rijn ontstaan) tusschen Amsterdam,

8 — HAFT

Haarlem en Leiden. Uitgestrektheid : 18,000 hectaren. Is sedert 1852 tot een vruchtbaren polder herschapen.

baarmes, o. (-sen). Mes om boter te haren.

liaan, ra. (o. in jagerstaal) (hazen). Zoogdier {lepus), tot de orde der knaagdieren behoorende. Bloodaard. Uitgesneden lap vleesch achter het nierbed van een geslacht rund. Sterrenbeeld. — Haasje-over, o. Zeker gymnastisch kinderspel.

baast, v. Spoed. Snelheid. Gezwindheid. IJl. Drift. — Haast, bijw. Spoedig, Weldra. Bijna. — Haastehjk, bijw. — Haasten (zich) ww. haastte zich, heeft zich gehaast. Zich spoeden. IJlen. Snellen. Bw. Gij moet mij zoo niet haasten. — Haastig, bn. bijw. Spoedig. Met spoed. Vai.rdiglijk.

Slend. Driftig. Opvliegend. —lend. Driftig. Opvliegend. — Haastig-'id, v. — Haastigjes, oijvv. — Haastig-lijk, bijw.

baat, m. Sterke afgekeerdheid van iets, ons door het verstand als iets kwaads voorgesteld. Booze wil, waardoor men iem. kwaadgunstig is, of omdat men hem verfoeit, of omdat men hem ongelukkig wil zien. Vijandschap. Wrok. — Haatdragend, bn. — Haatdragendheid, v.

llabet« (y. y.), i82q-i8g3. Oorsbeek. Gewezen pastoor van Oud-Vroenhoven. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie, jan van Weert (1862).

baby t, o. (-en). Kleed kj 't algemeen. Kloosterkleed.

bal»ilc, babiel, bn. Bekwaam, behendig. Bevoegd. — Habiliteit, v.

babituaat, m. (-en). Hulppriester. _ babilu£, m. (-'s). Gewoon bezoeker (in een koffiehuis, eenen schouwburg, enz.). — Habitueel, bn. bijw. Gewoonlijk.

baeb, v. Gevaar. — Hachelijk, bn. bijw. Netelig. Gevaarlijk. — Hachelijkheid, v. —Hachje, o. (-s). Baldadig kind. Het leven : er het hachje bij inschieten. Het hachje laten varen : de prooi loslaten, baehée, baeliin, o. Gehakt vleesch. bacht, m. (-en). Brok :een hachtbrood, llaekert (7- amp;), 1737-1807, Renzlau. Du'tsch landschapschilder.

Haeklaader (F. IV.), 1816-1877, Duitsch schrnver. Als romanschrijver : Weehseldes Lebens (1861); als blijspeldichter : Geheimen Agent.

badik, m en v. (-en). Wilde vlierstruik. Haeebt {W. van), is..',r)-i5..(?), Antwerpen. Tooneel- en Lutersche psalmdichter.

Haefïcn {B. van), Utrecht. Zie Affli-gera.

Haegrben {F. van der). i8qo. Gent. Bibliothecaris der Hoogeschool (Gent). Eerelid der K. VI. Academie. Stichter en uitgever van Bibliotheca Belgica.

Haerynek (//.). 18^8, Keiem. Briefwisselend lid der K. VI, Academie. Oorjog en Vrede (1883); Jan Boendaele (1888).

Haflz (5quot;. E. M.\, i3..(?)-i39i, Schiraz. Persisch dichter. Oden en Elegieën.

baft, o. (-en). Ook oeveraas. Net-vleugelig insect (ephemera), dat in de volkomen staat slechts eeni^e uren leeft, als masker soms twee en drie jaren.


ocr page 271

HAKK — 2

liagredls, v. (-sen). Langstaartig viervoetig dier, tot de orde der hagedissen quot;behoorende. Zie Dierenrijk (Bijgevoegde tabellen). — Hagedisadder, v. (-s). Coluber saurita.

hagr^door». Zie Haagdoorn.

m* Nederslag uit den dampkring, in den vorm van dichte ijsstukken, welke in grootte verschillen. Gegoten lood-korrels om te schieten. — Hage lacht ig, bn. — Hage la/leider, m. (-s). — Hagelbui, v. (-en). Dichte vlaag van hagelsteenen. Eene hagelbui van kogels, enz. — Hagelen, eenpvv. hagelde, heeft gehageld. Het vallen van hagel. In dichte massa neder-vallen : het hagelde er steenen. — Hagel-fabriek, v. (-en), — Hagelgans, v. (..zen). Eene soort van water- of wilde gans [aftas hyper bored). — Hagelkorrel, v. (-s). — Hagelslag, m. Schade door den hagel veroorzaakt. — Hagelsteen, m. (-en). — Hageltasch, v. (..sschen). — Hagelwit, bn. Zeer wit. —Ha^elzaK, m. (-kenK

llstgrcland, o. Landstreek tusschen Diest, Tienen, Leuven en Aarschot.

Hstgensiar, m. (-s, ..aren). Inwoner van 's Gravenhage.

llaliuel {E. y.), 1811-1891, Dresden. Duitsch beeldhouwer.

llaliiiemann (5*. C. F.), 1755-1843, Meissen. Geneesheer en ontdekker der homceopathische geneeswijze. Organon der rationellen Heilkunde (1810).

Itak, v. (-ken). Houweel.

lisamp;k, v. (-ken). Hiel (van eenen schoen of eene laars). lem. op de hakken zitten, hem achternazitten. — Hakband, m. (-en). Achterste band aan eene schaats. — Hakleder, o. —Hakstuk, o. (-ken). Hieltje.

Iiak, m. (-ken). Houw. Snede, m. Tijd, wanneer het hout wordt gehakt : wij zijn nu in den hak. Pik ; eenen hak op iem. hebben. Van den hak op den tak : van het eene op het andere, onbestendig. — Hak-baar, bn. — Hakbank, v. (-en). — Hakbijl, v. (-en). — Hakblok, o. en ra. (-ken).

— Hakbord, hakkebord, o. (-en). — Hak-bosch, o en m. (..sschen). Kreupelbosch.

— Hakgeld, o. — Hakhout, o. — Hakken, hakte, heeft gehakt. Bw. Met den scherpen kant (van eene bijl, enz.) op iets slaan. In stukken klooven : hout bakken. Tot kleine stukjes brengen : vleesch bakken. Een leger in ae pan bakken, over de kling jagen,

Seheel verslaan. Ow. Eenen hak, eenen ouw doen..—eheel verslaan. Ow. Eenen hak, eenen ouw doen..— Hakker, m. (-s). — Hakking, v. — Hakmes, o. (-sen). — Hakmoes, o. Kleingebakte groente. — Hak-$ap, ra. Lepelpap. — Hak se l, o. Klein-gebakt stroo. Gebakt vleesch. — Haksel-Jiist, v. (-en). — Haks ter, v. (-s). — Hak-stroo, o. — Hak tijd, m. Tijd voorde boom-velling. — Hnkvleesch, o.

bafecn, haakte, heeft gehaakt. Bw. Met eenen haak vatten. Met den haak borduursels maken. Ow. Vastmaken : zijne schaats haakte in de mijne. In verwarring zijn : blijven die dingen zoo haken, dan is er weinig aan te doen. Verlangen : haken (naar). —11 aakster, v. (-s). — Hakig, bn.

— Haking, v. (-en).

liakkelvit, hakkelde, heeft gehakkeld.

9 — HALF

Ow.Stotteren.Bw. Aan stukjes hakken. Met gehakkelde kleerenloopen. — Hakkelaar, m. (-s).— Hakkelaarster, v. (-s). — Hak-kelarif, v. (-en). — Hakkelbout, m. en v. (-en), hakkelkees, ra. (..zen), hakkeltong, m. en v. (-en). (Spott.) Stamelaar, stamelaarster. — Hakkeling, v.

kakkeuei, v. (-en). Telganger. Klepper.

liakkctecren, ow. hakketeerde, heeft gehakketeerd. Kibbelen. Krakeelen. — Hakketeerder, m. (-s). — Hakketeering, v. (-en). — Hakketeerster, v. (-s).

kal, v. (-len). Overdekte marktplaats. — Halbank, v. (-en). — Halbewaarder, m. (-s). — Halmeester, m. (-s). Opzichter over eene hal.

kal, o. Bevrozen plek in den grond, llalbertsma 10 (^. H.), Grouw (Idaarderadeel), 1789-1869. Taal en letterkundige. Woordenboek : Lexicon Frtsi-cum (A-Feer ). 2° Zijn broeder {E. //.), 1797-1^58. Gaf met zijnen broeder verscheidene werken in de Friesche taal in 't licht.

kalem, o. Zie Alm.

kalen, bw. haalde, heeft gehaald. Overbrengen : haal mijne schoenen. Aanbrengen : ik heb uwe brieven gehaald. Door beweging overbrengen : de handen op den rug halen. Door trekken bovenhalen : dm adem halen. Ontbieden : den geneesheer halen. M«jt geweld tot zich brengen : iets tot zich halen. Schrapen : men ziet hem overal waar wat te halen is. Nemen; iemands geld uit den zak balen. Verwerven : er is geene eer bij te halen. Teweegbrengen : zich eene ziekte op den hals halen. Ter wereld brengen : een kind halen. Koopen : ik laat alles in den winkel halen. In vergelijking komen : ik kan het in de kunst met hem niet halen. Oude koeien uit de sloot halen : halfvergeten zaken weder oprakelen.

Ilaló^y {F. J. F. E.), 1799-1862. Parijs. Fr. componist. La Jutve (opéra, 1855) ; la Reine de Chypre.

kalf, bn. bijvv. Drukt een deel uit van twee gelijke deelen : een halve dag, een halve toon. Achter telw. duidt half de helft aan van een grondgetal. Onvolmaakt: een halve geleerde. Grootendeels : ik ben half en half besloten er been te gaan. Onvoldoend, niet beslissend : een halve maatregel. Volstrekt niet : dit staat mij maar half aan. Gemakkelijk : hij verstaat mij met een half woord. Tot op de helft: het vat is half vol. Half September : de 15® September. Iets ten halve doen. — Hal/acht, halfd*-ie, halfeen, enz. bijw. —Halfbad, p. (-en). — Halfbakken, bn. Een halfbakken geleerde : een onbeduidende geleerde. —Halfbal, ra.(-len). (Biljartsp.).—Half baning, v. Halfwinning.—Halfbewi/s,o. Een begin van bewijs. — Halfbroeder, m. (-s). Broeder uit een tweede huwelijk van denzelfden vader of dezelfde moeder. — Halfcirkelvormig, bn. — Ha I fdee lig, bn. — Halfdek, o. (Zeew.) Schans. Kuil. — Half doek, o. — Halfdonker, o. — Halfdood, bn. — Halfdronken, bn. — Half-ebbe, v. — Halfgeleerd, bn. — Half ge-


ocr page 272

HALS — 2

leerde, m. (-n). — Halfgeopend^ bn. — Halfgesloten, bn. —Halfgezicht, o (-en). Profiel. — Halfgod, m. (-en). — Half godin, v. (-nen). — Halfgoed, o. (Pap;) Soort van deeg. — Halfheid, v. Onvoldoendheid. — Half hemdje, o. ( s^. — Half honderd, o. — Hal/hout, o. (Zeew.) Wagenschot. Lomperd. — Haljjaar, o. — HalJ-jarig, bn. — Halfje, o. ( s). Halve borrel jenever. Halve cent. — Halfklinker, m. m. (-s). — Halfkoets, v. (-en). — Half-laarsje, o. (-s). — Halfluid, bn. en bijw.

— Half man, m. (-nen). — Half metaal, o. — Halftint, v. (-en). — Halfrond, o. (-en). — nalfroyid, o. (-en). Half aard- of hemelbol. — Halfschaduw, v. — Half-schilden, o. mv. Voorvleugels der kevers.

— HaIJschildig, bn. — Halfslachtig, bn. Van twee geslachten. — Halfslachtigheid, v. — Half slag, m. De klok slaat halfslag.

— Half sleten, bn. — Half steek. m. (..eken). — Half stof, v. (-fen). — Halfstok, bijw. De vlaggen zijn halfstok gehe-schen. — Halfvasten, v. — Halfvenster, o. en v. (-s). — Halfverheven, bn. — Halfvlak, o. - Halfvleugelig, bn. — Halfueg, bijw. —Halfwerk, o. Methalf-werk varen (van stoombooten). — Half-wind,xn. (-en). (Zeew.) Wind, die van ter zijde komt. — Halfwinner, m. ( s). Pachter, die de landerijen bebouwt voor de helft of soms voor een derde der viuchten.

— Halfwinning, v. Verpachting van landerijen voor de helft of soms voor een derde der opbrengst. — Halfzichtighetd, v. Het half zien der voorwerpen ünz. van zieken). — Halfwit, bn. — Halfzijden, bn. — Halfzoolgangers, m. mv. Soort van roofdieren, die gedeeltelijk de zool en de teen en op den grond zetten. — Half zuil, v. (-en).— Halfzuster, v. (-s). Zuster uit een tweede huwelijk van denzelfden vader of dezelfde mot der. —Halve ling (sj, bijw. Half en half: hij heeft het halveling be-looid. — Halvemaan, v. Helft der maan. Standaard der Turken. (Vestingb.) Ravelijn.— Halverwegen, bijw. —Halvezool, v. (..olen).— Halvezolen, bw. halvezoolde, heeft gehalvezoold. Eene halvezool op eenen schoen leggen.

llsill (J/. C. van), 1768-1858, Vianen. Nederl. n chtsgeleerde en dichter.

lialU'liiju, o. (-'s). Hebreeuwsch woord, door de h. Kerk gebruikt om vreugde ui: te drukken.

Hatllvr {A. 7Jon), 1708-1777, Bern. Ge-neeshet r, physioloog, plantenkenner. Element a physiol^'ice Cot por is humani.

lisillt'IJe, o. (-s). Soort van gebak.

Hatllej' {E.), 1656-17,2, Londen. Wis-en sterrenkundige.

halm, m. (-en). Stengel der grassen.— Halm d ragend, bn. — Halm knoop, m. (-en). — Halmsteel, m. (..elen). —Halm-stroo, o. Gedorschte halmen.

Halmstel {A. van), 1788 1850, Amsterdam. Tconeeldichter en geschiedschrijver.

ImlH, m. (..zen). Deel van het lichaam, dat h» t boofd verbindt met den romp. Buitenzijde der keel. Nek. Wegens gelijkheid in vorm ; de hals van eene flesch, bajonet,

3 — HAME

een anker, enz. Om hals brengen : dooden. lem. om den hals vallen, omhelzen. Hals-over kop ; met groote haast. Bloed, onnoo-zel mensch : die arme hals. — Halsadert v. ( en, -s). — Halsband, m. (-en).— Halsbeen, o. (-deren). — Halsbei, v. (-len). — Halsblok, o. en m. (-ken). (Zeew.). — Halsboordje, o. (-s). — Halsbrekend, bn. Zeer gevaarlijk. — Halsdoek, ra. (-en). — Halsgat, o. (-en). (Zeew.). — Halsgerecht, o. — Halsgewricht, o. (-en). — Halsgezwel, o. (-len). — Halshaak, ra. (..aken).

— Halsheerlijkheid, v. (..heden). Heerlijkheid met hoog en laag gerecht. — Halskarkant, ra. (-en). — Halsketting, m. (-en). — Halsklamp, ra. (-en). (Zeew.). — Halsklier, v. (-en). — Halskraag, ra. (..agen). — Halskwabbe, v. (-n). — Halsrecht, o. Voltrekking der doodstraf. — Halsrechter, ra. (-s). — Halsrechter lijk, bn. Lijfstraffelijk. — Halsrifm, ra. (-en).

— Halsring, ra. f-en). — Ha Iss c he tietje, o. (-s). — Halssieraad, o. (..aden). — Halsspier, v. (-en). — Halsstarrig, bn. bijw. Hardnekkig. Stijfhoofdig. — Halsstarrigheid, v. — Halsstan igIjk, bijw.

— Halsstraf, v. Doodstraf. — Halsstreng, v. (-en). — Halsstuk, o. (-kent. — Halstalie, v. (..iën). (Zeew.). — Halsvriend, ra. (-en). Boezemvriend. -- Halswervel, ra. (•s)* — Halszaak, v. Lijfstraffelijke zaak.

Halszeel, o, (-en). — HalszenuWy v. (-en).

llstls {F.), 1584-1666, Mechelen. Portretschilder. Kloveniersdoelen aan den feestdisch; Portretten van Berresteyn,

llsilMdonck (y. van), 1582-1647, Antwerpen. Schilder van Stillevens. Mandje pruimen.

listlHter, ra. (-s). Halsriem der paarden,

— Halsteren, bw halsterde, heelt gehalsterd. (Een paard) den halster aandoen. — Halster kap, v. (pen).

Iialt, liultc, v. (. ten). Stilstand, rustplaats. (Spoorw.) Plaats, waar de trein een oogenblik stilhoudt. — Halt, tw. Sta 1 Niet verder! Houd stil! Houd op !

haKcM*, ra. (-s). Handkogel (bij de gymnastische oefeningen).

lisiSvccreu, bw. halveerde, heeft gehalveerd. In tweeën deelen. Door twee deel en.

Iialzeu, halsde, heeft gehalsd. Bw. (Zeew.) Voor den wind omwenden. Ow. Tobben Zich afwerken.

Iialzcn, ra. rav. Alle slag van waterplanten, die zich aan de viscbnetten vasthechten of de zwemmers in hunne vrije beweging belemmeren.

liam, v. (-men). De bil van 't varken.

— Hammebeen, o. (-en). —Hammevet, o. Ha mal. 10 {J. N.), 1709 1778, Luik.

Toondichter. — 20 (//. ÏV.), 1685-1752, Luik. Toonkundige.

llamburgr, 290,000. De aanzienlijkste vrije stad en tevens de voornaamste koopstad van Duitschland, op den rechteroever van de Elbe.

liamei, v. (-en). Buitenste hek van eene stadspoort. Uiterste slagboom. Getralied hek ter afsluiting.

liamcl. ra. (-s). Gesneden ram. — Ha-


ocr page 273

- 241 —

HAND

HAND

me lb o ui, m. (-rn). — Ha melschelletje, o. (-s). — Hamelvleesch, o.

Immer, m. (-S, -en). Werktuig, geschikt om spijkers in te slaan, om te kloppen en te smeden. Een der drie beentjes in de trommelholte van het oor. Tusschen hamer en aanbeeld, in groote verlegenheid zijn. — Hamerbaan, v. (..anen). Het vlak van den hamer. — Hamerbaar, bn. — Hanterbaat-Jirid, v. — Hamei bijl, v. (-er). Kuipersdissel. — Hameren, ow. hamerde, heeft gehamerd. Kloppen met Üen hamer. Aanh. kloppen (op). — Name-ring, v. (-en). — Hamerorgel, o. (-s). Een voormalig speeltuig. — Hamerslag, o. Afspringende det lijes van gesmeed ijzer, m. (-en) Slag met eenen hamer. — Hamer-steel, m. (..elen). — Hamer visek, ra. (..sschen). Visch, zoo genoemd naar den vorm van zijnen kop. Bereikt een aanzienlijke grootte, inz. ae gewone soort, die tot vier met. lengte haalt. — Ha/net vlak, o. (-ken).

ll»iiierlinsr (/?•)gt; 18^0-1889, Kirch-berg am Walde. Oostenrijksch dich'er en romanschrijver. König von Sion; Die sie-ben Todisünden (cant «te).

lliiiiiilton, 10 (Z^.). 17301803 (uit Schotland). Natuuronderzoeker en oudheidkundige. 2° (W/'.), 1788-1856, Glasjjuw Wijsgeer en geschiedsclirijver. 30 {\V. R.), 180.^-1865, Dublin. Wis- en sterrenkundige.

ilsimman {E. J. C.), 1819, Ocslende. Schilder. Rabelais aan t Fransche hof. bstrnstcr. v. (-s). Dier (cricetiis vul-

faris),aris), ook Duitsche marmot genoemd, lehoort tot de knaagdieren. Gelijkt veel op onze gewone rat, maar is iets grooter.

listiul.v. (-en^. Lichaamsdeel, zich uitstrekkende van den pols tot het uitein le der vingers. Van hcoger band ; van de regeering, van de oversten. lem. de boo-gere hand geven, aan de rechterzijde laten gaan. De hand aan iem. houden, vo »r hem zorgen. De handen slap latt-n hangen : moedeloos zijn. Van de hand wijden : weigeren. Van d.e hand in den tand : zoo gewonnen, zoo geronnen. Doode hand. Zie Dood. — Handaanbeeld, o. (-en). — Handbad, o. (-en). — Handbekken, o. (-s). — Handberrie,v. (..ien, -s). — Handbieding, v. Hulp der gerechtsdienaars. — Handbijbel, m. (-s). — Handbijl, v. (-en).

— Handblaker, m. (-s). — Handboei, v. (-en). — Handboek, o. en m. (-en). — Handboog, m. ( .ogen). — Handboogschutter, m. (-s). — Handboom, ra. (-tn).

— Handboor, v. (..oren). — Handboordt o. (-en). — Handbreed, o. — Handbreedte, v. (-n). — Handbuitgt;er, ra. (-s). (Oi tl.) Buigspier. — Handbus, v. (-sen). Oud vuurroer. — Handbusschietery rn. ( s),

— Handdadig, bn. Met de hand aangrijpende. Medeplichtig. —Han dda digh eid, v. — Handdadtge, ra. en v. t-n). Medeplichtige. — Handdo'k, m. (-en). —Hafld-dreg, v. (-gen). — Handdruk, ra. ( ken).

— Handdrukking, v. (-en). — Handen, bw. handde, heeft gehand. Dat mes ha nut mij niet: ik kan er niet gemakkelijk mee werken. — Handenarbeid, ra. —Handt n-loos, bn. Zonder handen. Onhandig. — Handenloosheid, v. — Handenwerk, o.

— Handeuvel, o. Jicht in de hand. — Handgauw, bn. Behendig (om te stelen, te vechten).— Handgauwheid, v.— Handgebaar, o. (..aren). —Handgeklap, o. — Handgeld, o. (-en). Geloop handen. Waarborg. Premie voor hen, die vrijwillig dienst nemen bij het leger. — Handgemeen, bn.


Z-korte aanvoerende trek spier van den duim.

b. korte buigspier van den duim.

C. pees van de buig-spiet en der vingers.

d. vlies van de buig' spieren degt; vinders.

e. pees van de doorborende buigspier.

rug.

ocr page 274

HAND — 2.

Handgemeen worden : beginnen te vechten. — Handgetromvy bn. Getrouw op handslag. — Handgift, v. (-en). Het eerste gi^ld, dat een koopman op eenen dag ontvangt. — Handgranaat, v. (..aten). — Handgreep, v. (..epen). Zooveel eene hand grijpen kan. m. Behandeling der wapens. — Handhaaf, ..have, v. (..ven). Hand-vatsel. — Handhaven, bw. handhaafde, heeft gehandhaafd. In stand houden. Verdedigen. Beschermen. — Handhaver, m. (-s). — Handhaafster, v. (-s). — Handhaving, v. — Handhef boom, m. (-en). — Handhei,y. (-en). Straatstamper. — Handig, bn. bijw. Behendig. Vlug. Bedreven. Gemakkelijk in 't gebruik : handig mes. — Handigheid, v. — Handigjes, bijw. — Handijzers, o. mv. — Handje, o. (-s). Kleine hand. Een handje van iets hebben : iets gemakkelijk verrichten. lem. een handje toesteken : hem bijstaan, hulp verlee-nen. — Handjegauw, m. (-s). Die licht slaat (inz. van kinderen). — Handjeklap, ..plak, o. Kinderspel. — Handjevol, o. Een handjevol menschen : zeer weinig menschen. — Handjicht, v. — Hand-kaart, v. (-en). — Handkar, v. (-ren). — Handkijker, m. (-s). Kleine tooneelkij-ker. — Handkijker,m. ..kijkster, v. (-s). Waarzegger, waarzegster uit de hand. — Handktjkerij, v. — Handkleppers, m. mv. — Handkogel, m. (-s). — Handkorenmolen, m. (-s). — Handkoud, bn. Niet zeer koud. — Handkus, m. (-sen). — Handlanger, m. (-s). Hulp, dienaar voor geld. (Mets.) Helper. Speurhond. — Handlangster, v. (-s). — Handlantaren, v. (-s). — Handlap, m. (-pen). — Handleer, o. (-en). — Handleder, o. (-s). — Handleiding, v. (-en). — Handlichting, v. Ontheffing van minderjarigheid. — Handlijn, v. (-en). Streep der hand. — Handlob, ..lub, v. (-ben). — Handlsod, o. (-en). Klein peillood. — Han dm er k, o. (-en). — Handmolen, m. (-s). —Handmortier, m. (-en). — Handopening, v. (-en). Verlof om over te gaan tot het beroepen van eenen predikant. — Handoplegging, v. — Handpaard, o. (-en). Paard, dat men leidt in een tweespan. — Handpalm, y. (-en). — Handpers, v. (-en). — Handjpijl, m. (-en). — Handplaai, v. (..aten). — Handplak, v. — Handreiken, bw. hand- „ reikte, heeftgehandreikt. Helpen. Bijstaan.

— Handr eiker, m. (-s). — Handreiking, v. (-en). — Handr eikster, v. (-s). — Handschaaf,-v. (..aven). — Handscherm, o. en hi. (-en). — Handschoen, m. (-en). — Handschoenfabriek, v. (-en). — Handschoenfabrikant, ra. (-en). — Handschoenleder, o. —Handschoenmaken, o.

— Handschoenmaker, m. (-s). — Handschoenmaakster, v. (-s). — Handschrift, o. (-en). Eigenhandig schrift. Kopij. Ongedrukt en onuitgegeven werk. Handteeke-ning. —Handschroef,v. (..ven). — Handslag, ra. — Handslede, v. (-n). — Handspaak, v. (..aken). Koevoet. — Hand-spade, v. (-n). — Handspier, v. (-en). — Handspieftjs, v. (-en). — Handspuit, v. (-en). —Handsteen, m. (-en). Steen in den ivorm eener hzndL.. — Handsteun, m. (-en).

2 — HAND

Stokje, waarop de hand des schilders rust.

— Handstoffer, m. (s). — Handtastelijk, bn. Tastbaar. Zeer duidelijk. — Handtas-ting, v. (-en). — Handteekenen, o. Lijnrecht teekenen. — Handteekening, v. (-en). Onderteekening. Naamteekening. — Handtrouw, v. Trouw, bij handtasting beloofd. — Handvat, o. (-ten), handvat-sel, o. (-s). — Handveger, m. (-s). — Handvest, v. (-en). Schriltelijke oorkonde van een plaatselijk voorrecht. Oude stedelijke keur. — Handvijl, v. (-en). —Handvol, v. Zooveel eene hand omvatten kan: eene handvol centen. Geringe hoeveelheid: eene handvol menschen. — Handvormig, bn. — Handwaarzegger, ra. (-s). — Handwaarzeggerij, v. (-en). — Handwaar zegster, v. (-s). — Handwagen, m. (-s). — Handwater, o. — Handwerk, o. (-en). Ambacht : hij is timmerman van zijn handwerk. Vrouwelijke handwerken : naaien, breien, enz. — Handwerker, m. (-s). — Handwerksman, ra. (..lieden, ..lui). — Handwerkster, v. (-s). — Handwijzer, m. (-s). Wegwijzer. — Handwoordenboek, o. en m. (-en). — Handzaag, v. (..agen).

— Handzaam, bn. Handelbaar. Gedwee.

— Handzaamheid, v. — Handzeef, v. (..even).

liaiidel, m. Onderlinge koop en verkoop of ruil (van goederen, waarden, enz.). Al de personen, die handelen. Allerlei bedrijf om aan den kost te komen. Onderhandeling over eene zaak : zij zijn in handel over vrede en oorlog. Gedrag, levenswijze : zijn handel en wandel. — Mande-laar, m. (-s, ..aren). — Handelaar ster, v. (-s). — Handelbaar, bn. Toegeeflijk, inschikkelijk. Buigzaam. — Handelbaarheid, v. — Handeldrijfster, v. (-s). — Handeldrijvend, bn. — Handeldrijver, m. (-s). — Handelen, handelde, heeft gehandeld. Ow. Handel drijven. Hij handelt in lakens. Verrichten, doen. Zich gedragen : dat is braaf gehandeld. Over den vrede handelen. Behandelen, bespreken : dit boek handelt over de sterrenkunde. Bw. Koopen en verkoopen, bij wijze van verkoop verruilen. — Handeling,y. (-en). Het handelen. Daad. — Handelingen, v. mv. Geschrift of boek, bevattende het verslag of verhaal van hetgene door personen, vereenigingen, enz. is verricht. De handelingen der Apostelen, door den Evangelist Lucas bevatten de geschiedenis van de eerste stichting van Jezus' Kerk onder de Joden, de Samaritanen en de Heidenen.

— handelmaatschappij,y. (-en). — Handelsbalans, v. Verhouding tusschen de ingevoerde en uitgevoerde koopwar-en van een land. — Handelsbetrekking, v. (-en).

— Handels lad, o. (-en). — Handelsgeest, ra. — Handelshuis, o. (..zen). — Handelskantoor, o. (..oren). —Handelsonderneming, v. (-en). — Handelspapier, o. (-en).

— Handelsplaats, v. (-en). — Handelsrecht, o. — Handelsschool, v. (..olen). — Handelsstad, v. (..steden). — Handelsstelsel, o. (-s). — Handelstak, m. (-ken).

— Handelstractaat, o. (..aten).— Handelsverdrag^. (-en). — Handelsverkeer % o. — Handelsvrijheid, v. — Handels*


ocr page 275

HANG — 2.

xaak, v. (..aken), — Handelwys, ..wijze, v. (..zen). Manier van handelen, van doen.

lliiiKlol {G. J?.), 168S-1759, Halle(Saksen). Toondichter. La Rcsurreztone lora-torium); Rinaldo, Theseus{o^cxzls)-, Samson, Jephta (oratoria). Cantaten. Sonaten.

liaiiel»stlk, m. (-en). Dwarsbalk, die tusschen twee scheergebinten, aan de gordingen vastgetimmerd is. — Hanckam, ra.

fen^en). Kara van den haan. (Plantenk.) énjarige Oost-Indische plantn^en). Kara van den haan. (Plantenk.) énjarige Oost-Indische plant {celost'a cristata). W ordt als sierplant aangekweekt.

— Manekopy ra. (-pin). Witte doovcnetel.

— Hanenei, o. (-eren). Klein ei zonder dooier. — Hanengekraai, o. — Hanenge-vecht, o. (-en). — Hanenmat, v. f-ten). Vechtplaats der hanen. — Hnnepoot, ra. (-en). Poot van eenen haan. Slecht geschrift : hij maakt niets dan hanepooten.

— Hanesckop, ra. (-pen). Buizerd. — Haneschree, v. Schree van den haan. Een eindje weg. — Hanespoor, v. (..oren).

— Haneiredy hanetree, ra. (..eden). Trt;d van eenen haan; kiem van het ei. — Hane-veder. v. (-s), haneveer, v. ^-en). Veer (inz. staartveer) van eenen haan. Boos wijf.

— Hanevoet, ra. (-en). Voet van eenen haan. (Plantenk.) Boterbloem.

liang-, ra. (-en). Hout, ijzer, waaraan men iets ophangt. —Hanghlaker, ra. (-s).

— Hangbooz, m. (..ogen). ^Bouwk.) Overhangende gewelfboog. — Hangboi'd, o. (-en). — Hangbrug, v. (-gen). — Hangbuik, ra. en v. (-en). Dikbuik. — Hang-buis, v. (..zen). — Hangebas/, ra. ( en). Galgebrok. — Hangebast, v. Karnemeiks-spijs. Karnemelk, welke men door eenen doek laat druipen en zoo van de ovei lollige waterdeelen zuivert. — Harden, liiog, heeft gehangen. Bw. Ophangen : vleest h aan den haak hangen. Overhangen : water over 't vuur hangen. Opknoopen : eenen booswicht aan eenen bcora handen. Ujrge-ven: zijn geld aan 'etshangen. Overgeven: zijn bart aan wereldse he zaken hangen. Ow. Het geweer hangt aan den muur. Op zijde hellen : dit aJscbutse.1 hangt wat JLeu nen : wat staat gij daar te hangen? De boom hangt lis) vol vluchten. Giocte wolken hangen :n de lucht. De menigte hing aan zijne lippen De vrede l.angt aan den uitslag van den oorlog. Fen onheil hangt ovtrzijn hoofd. Plet hoofd laten hangen ; moedeloos zijn. Die zaak hangt nog aan den spijker, is no^ onbeslist. De lixgt; laten hangen : pruilen. Zijn leven hangt aan een zijden draad. — Hangend, bc. TlaJïgende ooren.Methangendelip: pnr.lende, schreiende. Met hangende pootjes : gedwee, onderdanig. — Hangende, vz. Hangende de beraadslagingen, terwijl de beraadslagingen hangende waren, terwijl men beraadslaagde. — Hanger, ra. (-s). Toestel, waaraan iets hangt. — Hangerblok, o. en m. (-ken). (Zeew.) Plat bl.ok. — Hangers, m. mv. Oorsieraad der vrouwen. — Hang-

f\at,\at, ra. en v. (-ten). Treuzelaar, treuze-aarster. —Hanggoot, v. (..oten). — Jlanghor loge, o. en v. (-s). — Hangyzer, o. ( s).

— Hangkamer, v. (-s). Soort van balve verdieping in eene hooge kamer, die haar licht ontvangt van het bovenste gedeelte

j — HAPE

der ramen. — Hang kap, v. (-pen). — Hangklok, v. (-ken). — Hangkoinpas, 0« (-sen). —Hangkorf, ra. (..ven). — Hang-lamp, v. (-en). — Hanglip, ra. en v. (-pen), lera. met eene hangende onderlip. — Hang-vtat, v. (-ten). Hangende legerstede op schepen, in kazernen, enz. — Hangmouw, v. (-en). — Hangoor, v. (-en). Tafel met neerslaande bladen. — Hangoor, ra. (-en). Hond met hangende ooren. — Hangoor, ra. en v. (-en). Die lange ooren heeft. Slordige vent of vrouw. — Hangop, v. Hangebast (2® art.). — Hangriem, m. (-en). Riem, waarin een rijtuig hangt. — Hang-sels, o. mv. (Zeew.) Hengsels. — Hangslot, o. (-en). — Hang stoel, m. (-en). — Hangstuk, o. (-ken). —Hanguurti\ ^ •* (-en). — Hangzverk, o.

hanig:, bn. Geil. Wulpsch.

Itauk, v. (-en). Scheenbeen van den voet tot aan d« knie. Been tusschen de knie en 't heupbeen (kalvers).

lianiiekomaaier, m. (-s). Westfaal-sche hooiwerker.

liaunciiwnit, ra. (-en). Gaai. Uauulbal. Carthaagsch veldheer. Gezworen vijand der Romeinen. Overwonnen door bcipio te Zama (202 vóór Chr.).

lianN, m. (..zen), Joannes (verkort). Een groote hans: een rijke kerel.— Hansje, o. (-s). jantje.—Hanssop, m. (-pen). Hansworst. JLange wijde overjurk. Apenrokje. Papieren pop met beweegbare armen en beenen. Kleedingstuk,voorheer.|iils dwangmiddel bij de krankzinnigen gebezigd. — Hansworst, ra. (-en). Potsenmaker. Too-neelzot. — Hansivorstendans, m. (-en).

— llansnorstenklecd, o. (-eren).— Hans-vgt;otitmfiuk, o, (-ken). — Hansworsten-spel, o. (-en). — Ha 11 sworsterij, v.

llanaen (C. y.gt;, 1833, Vlissingen. Stadsbibliothecaris (Antwerpen). Weikend lid der Jv VI. Academie. Het slot van Helstrin (1651); JLo/sptoak op Antoon vuu Dytk (bekroond, 1856); Klaus Groth (I»84).

liantocrcu, bw. hatiteerde, heeft gehanteerd Behandelen (inz. de wapenen).

— Uantrering, v (-en). Beroep. Ambacht. lisfcuy.«^. v. (Middel.) Handelsvereeni-

ging. voutal van Duitsche kooplieden in het buitenland, die woderkeerig elkander besi liermdco en gezauienlijk handel dreven.

— /lameatisth, bn. — Hanzebeker, ra. (-s). Groote blt;;kaal (die geledigd werd door dengeoe, die als lid in eene hanze werd opgenomen). — Hanzestad, v. (..steden).

— Hanzevet bond, o. — Hanzevlag, v. (-gen),

tiai», ra. (-pen). Afgebeten stuk. Mondvol. — Happen, hapte, heeft gehapt. Ow. Naar iets grijpen met de tanden. Bw. De hond hapt het brood uit den schotel. — Happig, bn. Verlangend. Gretig. Gulzig. Ik ben er niet happig op : ik do® h«tniet zeer gaarne. — Happigheid.

Iiapcren, ow. haperde, heeft gehaperd. Stuiten : het werk hapert. Vastzitten : het rad hapert. Stamelen : eene les opzeggen zonder haperen. Waar hapert het aan ; wat is het beletsel, wat verhindert dea voortgang der zaak? Het hapeit aan


ocr page 276

HARD — 2i

het geld ; 't is het geld, dat ontbreekt. — Hapering,(-en).

liuppu, bijw. Weg : het is happa.

m. (..aren). Diender. Dievenleider. Vrek. Inhalige kerel.

liur, lier, v. (-ren), lisirro, lierro, v. (-n). Duim van een hengsel.

baircl, bn. bijw. Het tegenovergestelde van week. Ruw : harde stijl. Geweldig : harde storm. Wat treft : harde woorden. Wat veel kan uitstaan : een hard paard. Steik : een harde looper. Streng : iep. te hard behandelen. Onbuigzaam : is hij nog zoo hard van hals? Bedroevend : 't is hard zijne vrienden te verliezen. Terugstootend : welke harde gelaatstrekken! — Hardach-tigy bn. — Hardbekktg, ..biiit'g, bn. Hard in den bek. — Hardbekkigheid, ..bittig-heid, v. — Hardbloem, v. (-en). Plantengeslacht : scleranthus. — Harddraven, ow. harddraafde, heeft geharddraafd. Snel loopen (inz. van paarden). — Harddraver, m. (-s). Paard, dat snel loopt. De berijder van zulk paard.— Harddraaf ster, v. (-s). — Harddraverij, v. (-en). —Harddraving, v. (-en). Het harddraven. Wedloop van harddravende paarden. — Harde-bol, m. (-len). Eigenzinnig mensch. — Hardebollen, ow. hardebolde, heeft ge-hardebold. Met de hoofden tegen elkander stooten. Tegen het noodlot hardebollen : ijcele klachten doen hooren. — Harden, hardde, heeft gehard. Bw. Hard maken, ijzer harden : gloeiend ijzer plotseling afkoelen, om er eene grootere hardheid aan te geven. Verdragen, dulderf : hoe kunt gij het harden? Ow. Hij kon het niet langer harden van de koude. — Hardgeel, bn. — Hard glas, o. — Hardglasfabriek, v. (-en). — Hardhandig, bn. Hard, ruw van hand. — Hardhandigheid, v. — Hardheid, v. (..heden). — Hardhoofdig, bn. Stijfhoofdig. Lomp. — Hardhoofdightid, v. — Hardhoorenct, hardhoorig, bn. — Hardhoorigheid, v. — Hardhout, o. Eikenhout. — Hardhtiidig, bn. — Hard-huidigheid, v. — Hardigheid, v. (..heden). Hardheid. — Hardleerend, hardleer ig, hardleersch, bn. — Hardleerrnd-heid, v. — Hardlijvig, bn. Een hard lijf hebbende. De verteerde spijzen met moeite uitwerpende. Vasthoudend. — Hardlijvigheid, v. — Hardlooper, m. (-s). lem., die hard loopt, lem., die in het openbaar blijken geeft van zijn vlug en onvermoeibaar loopen. 't Is geen hardlooper : hij voidert langzaam. — Hardlooperij, v. (-en). — Hardloopster, v. (-s). — Hardnekkig, bn. quot;bijw. Siijlhoofdig. Halsstarrig. Lang aanhoudend : hardnekkig gevecht. — hardnekkigheid, v. — Hardnekkiglijk, bijw. — Hardop, bijw. Overluid. — Ha* drijden, o. — Hardrijderij, v. (-en). — Hardschil-lig, bn. — Hardsteen, m. (-en) (voor-werpsn.); v. (stofnaam) Arduin. — Hard-sieenen, bn. — Hardvochtig^ bn. Onaandoenlijk, ongevoelig. Wreed.— Hardvochtigheid, v. — Hardzeiler, m. (-s).— Hardzeiler ij, v. (-en). — Hardzeilpartij, v. (-en).

listrdor, ra. (-s). Uitgebreid en tamelijk op z;ch zeil staand geslacht van visschen

4 — HARL

{mugil). Hebben in hunne gestalte eenige overeenkomst met de karpers.

Hardouln (J.), 1646-1729, Quimper. Jezuïet. Geleerde en muntkundige.

liarcm, m. (-s). Vrouwenverblijf in de Turksche huizen en paleizen. De vrouwen zelve.

hstren, bn. Van haar. Haren kleed : boetekleed.

Iiaren, bw. haarde, heeft gehaard. Scherpen (de zeis met den haarhamer).

bareu, bw. haarde, heeft gehaard. De boter haren, in alle richtingen doorsnijden, om er de haren uit te halen.

listrcn, ow. haarde, heeft gehaard. Het haar verliezen.

W-ixrenlvan). i«gt; (^F-.), 1710-1768, Leeuwarden. Dichter en staatsman. Gevallen van Friso (heldendicht, 1741 1758); Lier-zangen. — 20 Zijn broeder {O. Z.), 1713-1779, Leeuwarden. Dichter en staatsman. De Geuzen (2® dr. 1771); Agon, en Willem de Eerste (treurspelen); Lierzangen.

harent (teu-), bijw. uitdr. In haar huis. — Har ent halve, bijw. Om harentwil. — Harentwege, bijw. In haren naam.

— Harentwil (om-), bijw. uitdr. Ter wille van haar.

liarig:, bn. Met haren bezet. Ruig. — Harigheid, v.

hairius, m. (-en) (voorwerpsn.); ▼. (stofnaam^. Onze gewone haring {clupea har eng us) behoort tot de weekvinnige visschen. Zijn haring braadt daar niet : hij is er niet wel gezien. Hij is leelijk ten haring gevaren : hij is er slecht van afgekomen. — Haringben, v. (-nen). — Haringbuis, v. (..zen). Schip, ter haringvangst uitgerust.

— Haringdroger, m. (-s).— Haringdrogerij, v. (-en). — Haringjager, m. (-s). Kleine schuit voor de hanngvisscherij. — Haringkaken, o. — Haringkaker, ra. (-s). — Haringkaakster, v.(-s).— Haring-koop er, m. (-s). — Haringkoopster, v. (-s).

— Haringmarkt, r. (-en). — Haringmany ra. (-nen). Die haring verkoopt. — Haringnet, o. (-ten). — Haringpakker, ra. (-s).

— Haringpakkerij, v. (-en). Plaats, waar haring bereid of van waar zij verzonden wordt. — Haringpakster, v. (-s). — Ha-ringpckel, v. — Haringsalade, v. — Ha-ringsaus, v. (-en). — Haringspeetje, o, (-s). Houten speetje, waaraan men de harin-

5 en te rocken hangt. — en te rocken hangt. — Har inglijd, ra. ijd, waarin de haring gevangen wordt. — Harington, v. (-nen). — Hanngvangert . visscher, ra. (-s). — Haringvangst, ..vis-scherij, v. — Haringvrouiv, v. (-en), ..verkoopster, v. (-s). — Haringzvant, o. Haringnetten. — Haringwijf, o. (..ven).

— Haringzout, o. Pekel.

Iliiring: {IV.), 1797-1870, Breslau. = Wilibald Alexis. Duitsch romanschrijver. Walladmor (1824).

hark, v. (-en). Getand werktuig met langen houten steel. Stijf vrouwspersoon.

— Harken, bw. harkte, heeft geharkt. Met de hark werken. — Harker, m. (-s). — Harksel, o. (-s). Wat door de hark bijeengeschraapt is. — Harkster, v. ( s).

liarlekQu, m. (-s). (Eert.) Koddig personage in de kluchtspelen. Ihans ;


ocr page 277

HARP — 2.

begunstige minnaar in een ballet. Hansworst.— Harlekijnspak, o. (-ken). Bont pak van gekleurde lapjes. — Harlekijns-plak, v. (-ken). — Harlekynsmuiy'e, o. (;S). — Harlekinade, v. (-s). Tooverballet. Goocüelspel. Fopperij.

Hsn lusAiistu, m. Scherpe, droge landwind aan de kust van Guinea (W.-Afrika). Heerscht \ooral in December, Januari en Februari.

liarmouicu, v. (-'s). Muziekinstrument, uitgevonden door B. Franklin (1763), bestaande uit glazen klokken of kommen, die met natgemaakte vingers bespeeld worden. Nieuwe soorten werden uitgevonden : de meest bekende zijnde toetsbarmonica's.

Iiarmoiiie, v. (..ieën). (Muz.) Gelijktijdig klinken van verschillende tonen, waardoor onderscheidene soorten van akkoorden ontstaan. De harmonie der instrumenten : de overeenstemming derspeeltui-.gtn. De harmonie der stem: ue wclluidend-beul, de zoetvloeiendheid der stem. De harmonie van een geüouw : de overeenstemming, de samenhang van alle deelen. Veieeniging van muzikanten met blaasinstrumenten, waaronder clarinetten, fluit, enz. Overeenstemming, vrede : te zamen in Larmonie leven. —Harmonieeren, ow. harmonieerde, heelt geharmonieerd. Overeenkomen. — Harmoniek, v. harmonieleer, v. — Harmoniemuziek, v. — Har-monisch, bn. Overeenstemmend. Welluidend. Zoetluidend. — Harmonist, m. (-en). — Hartnonium, o. en m. (-'s). Draagorgel met toetsen.

iiaruas, o. (-sen). Metalen of lederen boistkuras. Wapenrusting. Paardetuig. lem. in het harnas jagen : iem. boos maken. — Harnasmaker, m. — Harnas-manne/je, o. (-s). Vischje uit onze zeeën : de geharnaste donder pad, ook oudewijfs-kaak en oud grootje genoemd. — Harnassen, bw. harnaste, heelt geharnast. Met een harnas wapenen. (Een paard) een harnas aandoen. Zich harnassen, ww. Zich wapenen, sterken.

harp, v. (-en). Snarenspeeltuig, dat men met de vingers tokkelt. De gewone harp, of de gr00te Davids-harp. De chromatische harp (uitgevonden in 1804) met 62 snaren van vijl volle octaven, met al de halve tonen. Graanpaard. — Harpen, harpte, heeft geharpt. Bw. Koren ziften. Ow. Op de Larp spelen. — Harpenaar, m. ( .aren, -s). Die de harp bespeelt.— Harper, m. (-s). Zifter. — Harpspeler, m. (-s). —Harpspeelster, v. (-s).

llarpe C?. F. de la), 1739-1803, Parijs. Criticus en tooneeldichter. IVarwich (treurspel, 1763); Lycée.

liarpU, v. (-en). (Fab.) Gedrocht, voorgesteld als roofvogel met vrouwenaangezicht en met menschenarmen met groote en kromme klauwen. Helleveeg.

harpluis, o. Geteerd werk van oude touwen, dat in de reten der schepen wordt gestoken.

harpoen, m. ( en). Werpspies (met weerhaken om den walvisch te vangen). — Harpoenen, bw. harpoende, heeft gehar-poend. Met den harpoen werpen. — Har-

5 — HART

poener, harpoenier, JiarPoemchieter, m. ( s). — Harpoenstok, m. (-ken). — Har-poenweerhaak, m. (..aken). — Harpoenwerper, m (-s). Werktuig (in 1835 uitgevonden) om den harpoen met eene ongelooflijke kracht 33 met. ver weg te werpen.

harpals, o. Mengsel van hars en zwavel, aangewend tegen den houtworm, inz. op de schepen. — 11 ar puizen, bw. harpuis-de,heeftgeharpuisd. Met harpuis bestrijken.

harreivarrfku, ow. harrewarde, heelt geharreward. Krakeelen. Kibbelen. — Harrewar der, m. (-s). — Harrewarrery, v. (-en). — Harre7varster, v. (-s).

hars, v. en o*. Stof, welke, in aethe-rische oliën opgelost, uit de basten van boomen en struiken vloeit, en, aan de lucht blootgesteld, hard wordt. De gewone of gele hars wordt uit onze denneboomea verkregen. — Harsachtig, bn. — Hars-boom, m. (-en). — Harsdrngend, bn. — Harselectriciteit, v. Zie Electriciteit. — Hars gas, o. — Harsgovi, v. (-men). — Harsig, bn. — Harsvernis, o. Terpentijn-vernis. — Harszalf, v. — Harszeep, v. harsenen, harHous. Zie Hersenen, hamt, m. (-en). Lendenstuk van een rund.

harsten, bw. barstte, heeft geharst. Op den rooster braden.

harstoel, m. (-en). Sluitsteen, waarin de sponning voor de deurposten is.

harswinde, v. Zeker purgeerkruid : con volvulus sea mmoniu m.

hart, o. (-en). Spier- of vleeschachtig

a. Linkerkamer. b. reshterkamer, c. lin-kcrboczem, d. rechter boezem, e. mond der rechter kamer. f. mond der linker' kamer. g. mond der longslagader. h. mond der groote slagader, i. onderste holader.V. bovenste kolader, 1. longader. m. hart zakje.


ocr page 278

MART — %l

hol orgaan, liggende achter het uorstbeen, iets meer naar de linkervoorzijde der borstkas, boven het raiddelrit. Drijft het bloed, door de aders ingestoit, door de slagaders naar alle deelen des lichaams. Is het middelpunt van den grooten en kleinen bloedsomloop. Linkerzijde van de boist : iem. aan het hart drukken. Leven : hij had het op een Hollandsch hart gemunt. Gevoel : zijn hart werd aangedaan. Gemoed : het hart tot God verbetten. Liefde, genegenheid : hij heeft veel hart voor mij. Lust, ijver : hart voor zijne zaken hebben. Moed: net hart hebben iets te ondernemen. Geweten : mijn hart spreekt mij vrij. Persoon : !t zijn harten voor elkander geschapen. Zijn hart trilde van vreugde. Hij ligt mij aan het hart : ik draag teedere zorg voor hem Een hart van steen : iem., die hardvochtig is. Het hart bloedt hem : hij lijdt groote. boezemsmart. Het gaat van 's harten bloede : het gaat met de grootste opofferingen gepaard. Uit het oog, uit het hart (uiter oogt-n, uiter harte) : de afwezigen vergeet men licht. Het hart op de lippen hebben : alles rechtuit zeggen. Hij Kent den weg van het hart : bij kent de middelen om te behagen, om bemind te zijn. Midden : in het hart van het land. — Hartader, m. (-en). Groote slagader. Het gewichtigste ; iem. in zijne hartader treffen.

— Ha rtbeklemm irtg, v. — Har tb e schrijver, m. (-s). — Hartbeschryving, v. —

■ Hartbindsel, o. (-s). (Zeew.) Bindsel op eene kruising. — Hart(e)boezem, m. ( s).

— Hartbrekend, bn. Treffend. Schokkend. — Hartbreuk, v. (-en). — Har te-blad, o. (-eren). (Plantenk.) Zaadlobben.

— Hartebloed, o. — Hartediejje, o. (-s).

— Harteleed, o. — Harteliejje, o. (-s).

— Hartelijk, bn. bijw. Oprecht. Welge-meend. Innig. — Hartelijkheid, v. — Harteloos, bn. Ongemeend. Onoprecht. Koel. Lafhartig. — Harteloosheid, v. — Hartelust, m. Hoogst genoegen. Naar hartelust ; met innig genoegen, zooveel men begeert. —Hartenetj o. (-ten). Vlies, dat het hart omgeeft. — Hartepirn, v. Smart. Hartzeer. — Hartewee, o. Innige droefheid. — Hartewensch, m. (-en). Hoogste wensch. — Hartgrondig, bn. bijw. Hartelijk. Oprecbt. — Hartig, bn. bijw. Zout, gezouten, gekruid. Hartelijk, van harte. Hartig drinken: goed drinken.

— Hartigheid, v. — Hartjesdag, m. (-en). (Oudt.) Dag van vrije konijnenjacht in de omstreken van Haarlem. — Hartjesschelp, v. (-en). Tweeschalige hartvormige schelp.

— Hart(e)kamer, v. (-s). — Hartklier, v. (-en). — Hartklopping, v. (-en). — Hart{e)kolk, v. (-en). — Hart(ejkuil, m. (-en). — Hart(e)lap, m. en v. (-pen). Lieveling, lievelinge. Gunsteling, gunstelinge. — Har ton tledtng, v. — Hartontsteking, v. — Hart oor, o. en v. (-en). Aanhangsel van den hartboezem. — Hartper-zik, v. (-en). Soort van vroegrijpe perzik.

— Hartperzik(ejboom, m. (-en). — Hart-fijn, v. (-en). Pijn om het hart. ~ Hart-putje, o. (-s). De kleine uitwendig zicht-oare verdieping beneden het borstbeen. — Hart' oerend,Dn- bijw. Aandoenlijk. Tref-

3 — HASP

fend. Wegsleepend — Hartsgeheim, o,. (-en). —Hartstekendood, bijw. Morsdood.

— Hartsterkend, bn. bijw. Opwekkend. Versterkend. — Hartsterking, v. (-en)^ Geneesmiddel, dat de levenskrachten versterkt. Bemoediging. — Hartstocht, m. (-en). De hartstochten : bewegingen van genegenheid of afgekeerdheid, welke noodzakelijk ontstaan in onze zinnelijke begeerlijkheid, ten gevolge van hetgene wij door onze zintuigen en onze inbeeldingskracht, of door onze inbeeldingskracht alleen waarnemen, en welke steeds van ontroeringen in het lichaam vergezeld gaan, —- Harts-tochteli/k, bn. bijw. Met hartstocht, met drift. Vurig. Hevig. — Hartstochtelijkheid, v. (..heden). — Hartsvanger, ra. (■s). Lang jachtmes, bij de hertenjacht gebruikt. — Hartsvriend, m. (-en). Itinigo vriend. Boezemvriend. — Hartsvriendin, v. (-nen). — Hartvang, m. Flauwte. Bezwijming. — Hartvereffend, bn. Verheven. Edel. Schoon. —- Hartverscheurend, bn. Treffend. Hoogst beklagenswaard. — Hartversterking, v. — Hartvyl, v. (-en).

— HartfeJvlies, o. (..zen). Hartnet. — Hartvormig, bn. — Hartwater, o. — Hartfe)wond,[v. (-en). — Hartworm, ra. ( en). — Hartwortel, m. (-s). BoomworteL

— Hart (e) zakje, o. (-s). — Hartzeer, o. Innig leed of verdriet. — Hartzenuzven% v. mv. — Hartziekte, v. (-n).

Ifai,t(^. /4.), 1806-1881, Plymouth. Eng. schilder.

liartou, o. mv. Eene der vier figuren van het kaartspel. — Hartenaas, o. (..zen).

— Hartenacht, v. (-en). — Hartendrie, v. (-en). — Hart enne een, v. (-s). — Har* tentien, v. (-en). — Hartentwee, v. (-en).

— Hartenvier, v. (-en). — Hartenvijf, v. (..ven). — Hartenzes, v. (-sen). — Har* tenzeven, v. (-s). — Hartenboer, m. (-en).

— Hartenheer, hartenkoning, m. (-en),

— Hartenvrouw, v. {-en).

11 ar tins {P.), 1812-1885, Rotterdam. Hoogleeraar in planten- en scheikunde (Utrecht). De bouwkunde der dieren (2« dr. 1871).

Ilarlmaun (A'. R.E. von), 1842, Berlijn. Wijsgeer. Die Philosophie des Unbe-wustzen (1869).

Hartmaun von der Aue, zi7o(?)-1230(?). Duitsch dichter.

llarvey (W^.), 1578-1658, Folkstone. Eng. geneesheer, physioloog en ontdekker van den bloedsomloop.

HaAebroek (J. P.) = Jonathan, 1812-1896, Leiden. Dichter en prozaschrijver. Waarheid en Droemen (7* dr. 1887). liaN|M'l, m. (-s, -en). Weiktuig, ora

taren op klossen of tot kluwens te winden, pil, waarom een touw loopt, tot het opwinden van lasten, enz. Houtje in do viool recht onder de brug. Balk met ijzeren punten om den weg af te sluiten. Grillig mensch. Zot, zottin. Op den haspel passen : nauw toezien. —aren op klossen of tot kluwens te winden, pil, waarom een touw loopt, tot het opwinden van lasten, enz. Houtje in do viool recht onder de brug. Balk met ijzeren punten om den weg af te sluiten. Grillig mensch. Zot, zottin. Op den haspel passen : nauw toezien. — Haspelaar, m. (-s). Afwinder. Twistzoeker. Zot. — Haspelaar-ster, v. (-s). — Haspelary, v. (-en). — Haspelen, haspelde, heeft gehaspeld. Bw« (Garen) afwinden. Verwarren. Ow. Over iets haspelen : tvisten, kibbelen. — Has~


ocr page 279

HAVE — 2

peling, v. (-en). — Haspelkrnk, v. (-ken).

— Haspdraam, o. (..amen). — Haspelwagen, ra. (-s). Wagen met eenespil, om we.ke de slangen gewonden zijn van de brandspuit. — Haspelzverk, o. Knoeiwerk.

llaNpetig-onw, v. Landstreek tus-schen Tienen, Zout-Leeuw en Aarschot.

ImNHc^basseii, ow. hassebaste, heeft gehassebast. Kibbelen. Vinnig kijven. Zich moeite geven. — Hassebassery. v. (-en).

llasMelt (C van), 1806-1874, Maastricht. Opziener der Normaalscholen. Fransch-Belgisch dichter.

lisitciyk, bn. Waard gehaat te worden. Verfoeilijk. Walgelijk. Onverdraaglijk. Schandelijk. — Hatelijkheid, v. (..heden). Vijandigheid. Boosheid. Kwetsende dingen hatelijkheden zegden. — Haten, bw. haatte, heeft gehaat. Haat toedragen. Eenen afkeer hebben (van). — Haat ster, v. (-s). — hater, m. (-s).

lIstUHliofVr {M.), 1811-1866, Nym-phenburg. Duiisch landschapschilder.

Haüy (A'. 1743-1822, S. Just(Oise). Eere-kanunmk (Parijs). Delfstof kundige. Ontdekte de wetten der kristalkunde.

liave, v. Wat men bezit. Goederen. Tilbare have: meubelen. Levende have : vee, huisgedierte. Have en goed : al wat men bezit. — Haveloos, bn. Zonder have, arm. Slordig, morsig, met gescheurde kleederen. — Haveloosheid, v.

_ laavcn, v. (-s). Veilige en beslotene ligplaats voor schepen. Havenstad. Toevluchtsoord, schuilplaats. Doel: hij is in de haven zijner begeerte. De zalige haven : de hemel. — Havenanker, o. (-s). — Havenboom, m. (-en). — Havencyns, m. Recht, dat betaald wordt om vrij in eene haven te ankeren.—Havendant,m. (-men).

— Havendok, o. (-ken). — Havenen, ow. havende, is gehavend. Binnenloopen Un eene haven). — Havenfcrt, o. (-en). — Havenjront, o. (-en). — Havengeld, o. — Havenhoofd, o. (-en). Gemetselde dam aan den ingang eener haven. — Havenkapitein, m. (-s). — Havenketting, m. (-en).

— Havenkom, v. (-men). — Havenlicht, o. (-en). — Havenmeester, m. (-s). — Havenmeesterschap, o. — Havenrecht, o. Havencijns. — Havenreglement, o. (-en). — Havenschender, m. (-s). Die het havenrecht schendt. — Havensluiter, m. V-s). — Havenstad, v. (..eden). — Haven-ton, v. (-nen). Baak. — Haventong, v. (-en). Plankier. — Haven vuur, o. (..uren).

hstvcnen, bw. havende, heeft gehavend. (Eene haven) uitbaggeren. (Kinderen) reinigen. Scheuren, verfrommelen. Afrossen. Toetakelen : hij werd deerlijk gehavend. — Havening, v.

liaver, v. Plantengeslacht {Avena) tot de lamilie der grassen behoorende. De gewone haver {a. sativa) is een der belangrijkste gewassen van onzen landbouw. Van haver tot klaver : van onheuglijke tijden. De paarden, die de haver verdienen, krijgen ze niet : ware verdienste wordt zelden beloond. Hij weet het van haver tot gort, van stukje tot beetje. — Haveraar, v. (..aren). — Haverangel, m. (-s). — Haverakker, ra. (-s), — Haver-

7 — HAZE

bloem, v. Bloem van havermeel. — Haver-bloesem, m. (-s). — Haver brij, v. — Ha-verbrood, o. (-en). — Haver esc h, m. (..esschen). Lijsteroezieboora. — Haver-gort, v. — Havergrassen, o. rav. Groep of onderfamilie der grassen. — Haverkaf, o.

— Haverklap, v. Nietigheid, kleinigheid. Zij vechten ora eene haverklap, alle oogen-blikken. — Haverkist, v. (-en). — Haverkorrel, v. (-s). — Haverlijmstof, v. — Havermeel, o. — Haveroogst, ra. —Haver pap, y. — Haver pluim, v. (-en). De bloerapluim van de haver. — Haverstroo, o. — Haverveld, o. (-en). — Haverzak, m. (-ken). — Haver zolder, ra. (-s).

tiavcrUlt; v. Zie Averij. (Averij is in 't Nederlandsch de zuiverste vorm. Haverij is nochtans niet af te keuren.)

Iiavezale, havezaat, v. (..aten). Kasteel, waarbij men have en goederen heeft op het platte land.

listalle, ra. (-en). Zekere groote dag-roofvogel : astur palumbarius. — Ha-viksbek, m. (-ken). — Havikskruid, o. o. Plantengeslacht (hieracium), tot de samengesteldbloeraigeH behoorende.—Ha-viksnest, o. en m. (-en). — Haviksneus, m. (..zen). — Havikssteen, ra. (-en). Bij de Ouden een edelsteen, die eenige overeenkomst had met het oog van eenen havik. — Haviksvangst, m. ( s).

Havre (I^e). 105,000. NaMarseille de belangrijkste handelshaven van Frankrijk.

llaydu (y.), 1732-1809, Rohrau (Oostenrijk). Toondichter. Muntte vooral uit in de symphonieën. De Schepping; De vierjaargetijden; De woorden aan het kruis.

llaydon {B. R.), 1786-1846, Plymouth. Eng. historieschilder.

Iiazard, ra. (Oorspr.) Zeker teerling-spel, uitgevonden tijdens de belegering van een kasteel in Syrië. Toeval, blind gt luk. Eenen hazard doen : een goeden koop doen. Ik zal er mijnen hazard van genieten (Wordt gezegd om zich aan te moedigen in eene onzekere onderneming). Geschenk, dat men van de kermis of de jaarmarkt medebrengt voor dezen, die tüuis gebleven zijn. — Hazardeeren, ow. hazardeerde, heeft gehazardeerd. Wagen. Op het spel zetten. — Hazardeus, bn. Gewaagd. Hachelijk. Gevaarlijk. Onzeker.

— Hazardspel, o. (-en). Waagspel. Kansspel.

liaze, v. (-n). Kniegewricht. Kniehoog.

bazebeentje, o. (-s). Beentje uit den poot van eenen haas, dat den tabakrookers tot pijpekoter, enz. dient. — Hazebek, m. (-ken). — Hazendistel, v. (-s). Volksnaam van de melkdistel. — Haze(n)drek, ra. — Hazekop, ra. (-pen). Kop van eenen haas. Domoor. Botterik. — Hazeleger, o. (-s). Ligplaats van den haas. — Hazengerwe, ..geruwe, .-gerf, v. Gemeen duizendblad.

— Hazengras, o. Gemeen duizendblad. — Hazenhaar, o. — Hazenhak, m. Eeltig gezwel aan den voet der paarden. — Hazenjacht, v. — Hazenlip, v. (-pen). Gespleten lip. ra. en v. (-pen) Die zulke lip heeft. — Hazenlippig, v. — Hazenlippig-heid, v. — Hazetnnond, m. (-en). —


ocr page 280

HEBB — 2t

Hazenoog, o. en v. (-en). Oog van een en haas. Zekere oogziekte. — Hazenoor. o. en v. (-en). Oor van eenen baas. Zekere scherradragende plant. — Hazenpad, o. WVg, welken de haas heelt ingeslagen. Het hazenpad kiezen : op de vlucht gaan.

— Hazenpastei, v. (-en). — Hazen slaap, m. Onvaste slaap. — Hazenwind, hazen-windhond, m. (-en). Zie Hond. — Hazen-strik, m. (-ken). — Haze peper, v. Zekere spijs van hazevleesch bereid. — Haze poot, m. (-en). — Hazespoor, o. Spoor in de sneeuw van den weg, door den haas ingeslagen. — Hazesp*-ong, m. (-en). Sprong van eenen haas. Zeker beentje in de ach-terpooten van den haas, dat als pijpewroe-ter gebruikt wordt. — Hazestaart, v. (-en).

— Hazestoofsel, o. Hazepeper.— Hazevel, o. (-len). — Haze(njvet, o. — HazefnJ-vleesch, o. — Hazevoet, m. (-en). Poot van eenen haas. Akkerklaver.

Iiazclaar, m. (..aren, -s). Hazelnote-boom. — Hazelaarsbosch, o. en m. (..sschen). — Hazelaarshout, o. — Hazelnoot, (..oten), v. (vrucht); m. (boom). — Hazelnoieboom, m. (-en). Tamelijk hooge heester [Corylus avellana) die tt n onzent in boschachtige zandstreken in 't wild woidt aangetroffen. Behoort onder de kaïjfsdra-genden tot de familie der nootdragei den.

— Hazelnotenhout, o. — Hazelnotenkra-ker, m. (-s). — Hazelnotenolie, v. — //a-zelnotestruik, m. ( en).

Iiazelhoeu, o. (-ders). [Tetrao bona-st'a.) Behoort tot de familie der veldhoenders, met gedrongen lichaam, korten hals, kleinen en bevederden kop.

Iiazelworm, m. ( en). Onschadelijk diertje, tot de orde der hagedissen en tot de klasse der reptdiën behoorende. Leeft van pieren, klei re slakken, enz.

hsizclwortvl, v. Plant met klokvormi-gen kelk {asarum europeen ui).

lie, tw. Geeft verwor-dering of verbazing te kennen.

]lcl»bel {F.), 1813-1861, Wesselburen. Duitsch dichter. Judith (treurspel); Die Nie bel u ngen (bekroond).

Iicbltclük, bn. Gewoon. Aangeboren : het liegen is hem hebbelijk. Bevallig.

— Hebbelijkheid, v. (..hiden). Gewoonte. Manier. Bedrevenheid. Geschiktheid : men moet er de hebbelijkheid van bezitten.

li ebben, bw. had, heeft gehad. Houden : eenen stok in de* hand hebben. Vasthouden : zij hebben den dief. Bezitten ; geld en goed hebben. Voorzien zijn (van) : veel haar hebben. Ondervinden : honger hebben. O. fenen : met de kinderen moet men veel g^-tluld hebben. Verkrijgen ; morgen hebt gij uw loon. Bekleeden : veel gezag hebben. Toelaten : ik wil niet hebben, dat gij uitgaat. Moeten : men heeft zich van alle kwaad te wachten. Behoo-ren : gij hebt u daarnaar te richten. In zich bevatten : die stad heeft 200,000 inw. Weten : van wirn helt gij dit? (Hebben wordt als hulpwerkw. gebruikt bij ue bedrijvende, de wederkt erende, de eenpeis. en sommige onz. werkw.l. — Hebachtig, bn. Begeerig. Gieii^. Koppig. — Hebachtigheid) v, —

!— HEEL

Hebzucht, v. Inhaligheid. Gierigheid. — Hebzuchtig, bn.

liebraÏNine, o, (-11). Hebreeuwsche taalwending.— Hebreër, m. (-s. ..i ei ). Nakomeling van Abraham. — Hebr, euzi sch, bn. — Hebr eeuw sch, o. De liebrteuwsche taal.

Hebron. Eene der oudste steden van Palestina. De kerk van Hebron, door de h. Helena gesticht, bevat het graf van Abraham en van ondersche.dt ne leden van zijn geslacht.

lieelit, bn. bijw. Sterk. Vast. Duurzaam. — Plechtdraad, o. (s:ofn.) ; m. (..aden^ (voorwerpsn.). — Hechten, hechtte, heeft gehecht. B»v. Vastmakei. Verbinden. Zijn hart aan het goed hechten. Prijs aan iets hechten. Ow. Vast zijn : de pleister hlt; cht niet. Aan iets hechten, er verkleefd aan zijn. — Hechtenis, v. Gevangenschap Kerker. — Hechtheid, v. — Hechting, v. ( en). — Hechtmiddel, o. (-en). — Hechtnaald, v. (-en). Naald der wondheelers. — Hechtpleister, v. (-s). — Hechtrankjes, o. mv. Rankjes (van den wijnstok, enz.), waarmede de takken zich aan latwerk, enz. vastklemmen. — Hechtsel, o. (-s). Dat, waarmede iets wordt vastgehecht. Band.

Iieelit, lieft, o. (-en). Handvatsel : het hecht van een mes. Het hecht in handen hebb n : zijn gezag doen gelden, meester blijven.

lleeker (W.), 1817, Groningen. Letter- en geschiedkundige. Classisch IVoor-denboek (30 dr., 1885).

beetare, v. (-n, -s). Vlaktemaat as 100 aren. — Hectogram, o. en m. .= 100 gram. — Plectohter, m. (-s) = 100 liters. — Hectometer, m. (-s) = 100 met.

heden, bijw. Vandaag. De dag van heden. Heden ten dage. —Heden, o. Het heden : de tegenwoordige tijd. In het heden ligt het voorleden. — Hedenavond^ hedenmiddag , hedenmorgen , heden -nacht, hedenochtend, bijw. — Hedendaags, bijw. Thans. Tegenwoord g. In onze dagen. — Hedendaagsch, bn. Van den tegenwoordigen tijd. Nicuwerwetsch.

(y.), 1730-1799, Kronstadt. Geneesheer en plantenkundige. Beroemd door zijue ontdekkingen bij de bedekt-bloeiende planten (cryptogamen).

Ileeekeren». Under het beheer van het huis van Beieren ontstond er tusschen de Heeckerens en de Bronkho sten, twee aanzienlijke geslachten van Gelderland, een burgeroorlog, onder den naam van Vrijen bekend.

beetle, v. Grof vlas. Grove hennep, lieel, onbep. telw. Geheel. Gansch ; eene heele appel. Bijw. Dat is heel mooi. Heel en al : volkomen. — Heelal, o. Al het geschapene. — Heelegaar, bijw. — Heelegansch, bijw. — Heelemaal, bijw. — Heelgoed, o. (Pap.) Soor'. van deeg, verkregen door het halfgoed met water te mengen. — Heelheid, v. Het geheel. — Htelhout, o. (-en). (Zeew.) Kalf. — HeelfsJhuids, heel(s)hoofds, bijw. Zonder letsel. Ongedeerd. Behouden, beelbaar, bn. Geneeslijk. — Heel-


ocr page 281

— 249 —

HEER

HEEM

baarheid, v. —Heelen, heelde, heeft geboeid. Bw. Heel maken. Genezen. Ow. Heel worden. Genezen. — Heeling, v. — Heelkracht, v. — Heelkruid, o. Geneeskruid. — Heelkunde, v. Wondheelkunst. — Heelkundig, bn. — Heelkundige, ra. en v. (-n). — Heelkunst, v. — Heel-meester, m. (-s). Wondheeler. — Heel-pleister, v. (-s).— Heelvleesch, o. Vleesch, lt;3at lichtelijk geneest.

Heolii {J. van) = Jan van Leeuwen. quot;Dxchtrx. De slagvan IVoeringen (laQOl?).)

licem, licim, o. (-en). Huis. Hoeve. Boerderij. — Heemstede, v. Heem. — Heenistedengeld, o. Belasting op de pachthoeven.

lleom {de, 10 (Z?. de oude), 1570-1632, Utrecht; 20 (^. Dsz.), i6oo{?)-i684, Ülrecbt; 30 (C.K 1631 i6..(?), Utrecht. Schilders van stillevens.

ra. (..aden). Lid van het dijksbes'uur. — Heemraadschap, o. (-pen).

IIlt;?lt;'iiiNkerlc (van), 10 {jac.)% »567-1606, Amsterdam. Zeeheld. Zie Barendsz. Ontmoette bij Gibraltar de Spaansche

Jac. van Heemskerk.

vloot, onder bevel van d'Avüa. TTen volkomen zege werd door de staatscbe vloot bevochten, maar Heemskerk sneuvelde reeds in 't begin van drn strijd (1606). 20 Zijn neef (Joh.), 1597-10^0. Amsterdam. Advocaat. Als prozaschrijver : Botanische Arcadia. Als dichter : Minnedichten; Mengelgedichten. {M.), 1498-1754, Heemskerk. Historieschilder. Joannes in de woestijn.

lleeiiiHkerk vs«ii Beest (J. E.),

1828-1894, Kampen. Zeeschilder. Ben oor* logs fregat in de Noordzee.

lleeniNkiiKlereii {De Vier). Ka-reislied. Heimijn van Ardennen had vier zonen : Ritsaart, Wriisaart, Adelaart en Reinout, die om koningsmoord uit het hof en het vaderlijk slot werden gebannen. Zij wapenden zich tegen hunne verdrukkers en vonden eene bovennatuurlijke hulp in hun ros Beiaart, welk zij te gelijk a'l.^ vier bestegen, 't Is vóór Dinanc aat Beiaart den ludruk liet zijns machtigen reuzen-hoefs. (De Nederl. fragmenten van dit lied, vooral in Frankrijk gekend, behooren tot het tijdvak van 1240 1250.)

lieeuiHt, o.O verblijvende plant {althaa officinalis). Bi-hoort tot de fami ie der malveachtigen. Korat voor in Zuid- en Midden-Europa.— Heemstblad, o. (-eren).

_ ftermstbloem, v. ^-en). —Heemstwor-

tel, m. l*8)»

lieeu, benen (1). Weg. Heen en weer kuieren : op en neer loo-pen. Heen en terug. (Alleen heen heeft de beteekenis van naar of tiaar toe. In den zin van van hier, weg, gebruikt raen zoowel henen als heen.) — Heenbrengen, bw. Wegvoeren. — Heendryven, bw. Wegdrijven. Ow. (zyn). — Heengaan, ow. (z7/n). Vertrekken. Sterven. Daar kan de geheele winter mee heengaan, voorbijgaan. — Heenkomen, ow. {ZT/n). Wegraken. — Heenkomen, o. Een goed heenkomen zoeken : op de vlucht gaan. — t/eenloopen, ow. {zyn). Weggaan. Vluchten. — Heenreis, v. Reis naar eene plaats. — Heenreizen, ow. \zijn). Vertrekken. — Heenrijden, ow. {zijn). Wegrijden. — Heen-7 it, m. — Heensleepen, bw. Weg-sleepen. — Heensnellen, ow. {zijn). Wegsnellen. — Heen spoeden, ow. (Z7/n). Met spoed naar eene plaats gaan. — Heenstappen, ow. {zyn). Met vaste treden heengaan. — Heentrekken, ow. {zijn). Wegreizen. — Heenvaren, ow {zijn). Wegvaren. — Heenvlieden, ow. (zt/n). Weg vlieden. — Heenvlie-ven, ow. {zijn). Wegvliegen. — Hetrii lieten, ow. {zijn). Wegvlieten. — Heenvluchten, ow. {zijn). Wegvluchten. — Heenwerpen, bw. Wegwerpen. — Heenzeilen, ow. {zijn). Wegzeilen. — Heenzwer-ven, ow. (zyw). Wegzwerven. lieep, v. piepen). Snoeimes, lieer (-en), m.; o. (met minachting). Eigenaar. Gebieder. Gezag-

(1) Er is geen onderscheid in beteekenis tusscben heen en henen in de samenstellingen.De samengestelde werkw. met heent henen zijn scheidbaar.


ocr page 282

HEER — 3

voerder. God, de Eeuwige. (Kaartsp.) Koning. Aan den heer (adres). Mijne hee-ren (titel). Het huis des J leeren : de kerk, de tempel. Onze lieve Heer : God. Het gebed des Heeren : het « Onze Vader ». Onze Heere : de Zaligmaker. Zijn de heeren (raadsleden) vergaderd? Den

fjroolt;en Heer uithangen : een groot even leiden. —jroolt;en Heer uithangen : een groot even leiden. — Heerachtig, bn. Als een heer. Deftig. — Heer a ch tigheid, v. — Heerfejboer, m. ^-en). Een heer, die het landbouwbedrijf uitoefent. — Heere, m. Het Opperwezen. — Heereviijniyd, tw.

— Heerenboon, v. (-en). Prinsessenboon.

— Heerendienst, ra. (-en). Dienst door den leenman aan den leenheer te bewq-zen. — Heerengeld, o. Belasting op de dienstboden. — Heerenhuis, o. (..zen). Woning van eenen heer. Ridderverblijf. — Heerenhuizing, v. (-en). Heerenhuis. — Heerenknecht, m. (-s). — Heerenlogement, o. (-en). — Heerenloon, o. en m. (-en). Ruime beta ing. — Heerenmolen, ra. (-s). (Middel.) Molen aan het dwang-recht onderworpen. — Heerenpeer, v. (..eren). Zekere soort van peer. — Heer en-recht, o. (-en). Recht van den leenheer.

— Heerenwoning, v. (-en). Heerenhuis.

— Heergewaden, bw. Verheergewaden.

— Heet gewaden, o. mv. Geschenken, waarmede de leenmannen hulde aan hunnen leenheer brachten. — Heeroom, m. (-s). Titel der priesters in eenige streken van Nederland. — Heerschap, o. ( pen). Heer, meester. Mevrouw, meesteres. Jongeheer.

beer, liclr, o. (-en). Leger, (i)— Heerbaan, v. (..anen). Groote weg. — Heer-bylt v. (-en), heer hamer, m. (-s). Strijd-aks — Heerkracht, v. Stirkte van een leger. Meer of minder aanzienlijke legermacht. — Heerleger, o. (-sj. Groot leger. Groote menigte. — Heerman, ra. ( nen), (Middel.) Benaming der ware leden der natie, deelmakende van het heei, d. i. tot den krijgsdienst verplicht. — Heerschaar, v. (..aren). Legeiscbaar. — Heerschouw, v., heerschouwing, v. (-en). Wapenschouwing. — Heerspits, v. Hoofd, voorhoede

van een leger.--Heerstraat^, (..aten).

Heerbaan. — Heertocht, m. (-en). Groot leger. Marsch van een leger. — Heertros, m. Legerlrcs. — Heervaart, v. Heer-tocht. — He er vorst, m. ( en). — Heerweg, m. (-en). Heerbaan.

lieer (O), 18091883, Glarus. Zwit-sersch natuurkundige.

lieerlük, bn. bijw. Van den heer. Prachtig. Schitterend. Rijk. - Heerlijkheid, v. (..heden). Pracht. Glans. Rijkdom. Adellijk landgoed. Buitenplaats. Zaligheid : de eeuwige heerlijkheid. lieerlooM, bn. Zonder eigenaar. lieei-Nrliarliiig:, bn. bijw. Heersch-zuchtig. — Heerschappij, v. Cquot;en).; Gebied, Macht. Gezag. — Heerschappijvoerder^ xn. (-s). — Heerschen, ow. heerschte, heeft

(1) In de samengestelde woorden schrijft men heer of heir.

;o — HEFT

geheerscht. Heerschappij voeren. Macht uitoefenen. De bovenhand hebben. — Heerschend, bn. Heerschzuchtig. Aanmatigend. Algemeen ; heerschende ziekte. — Heerschet-, m. (-s). — Hlt;erscheres, v. (-sen). — Heerschzucht, v. Zucht om te heerschen. Dwingelandij. — Heerschzuchtig, bn. bijw.— Heerschzuchtigheid, v.

— Heerschzuchtigly'k, bijw.

lieeMOli, bn. bchor : eene heeschekeel.

— heeschachtig, bn. — Heeschheid, v. lieetiter, ra. (-s). Zichtbaar bloeiend

gewas, welks stam of tronk, zonder aanmerkelijke ontwikkeling van de hoofdas, reeds dicht boven den grond vertakt is. Jong plantsoen van beuken en eiken om oosschen aan te leggen. — Heesterachtig, bn. —Heestergewas, o. (-sen).

Iieet, bn. bijw. Meer dan warm, brandend. Sterk. Hevig : heet gevecht. Bittnr : heete tranen schreien. Prikkelend, bijtend: heete peper. Sterk, vurig : eene heete drift. Verzot, verslingerd : heet op het spel zijn. Ontuchtig, geil. Tochtig (van dieren). Op heeterdaad betrapt worden, juist, terwijl de daad bedreven wordt. Men moet het ijz«-r smeden, terwijl het heet is : men moet zich de gelegenheid ten nutte maken. — Heetbrood, o. Broodje, dat warm wordt ter tafel gebracht (inz. 's morgens van Nieuwjaar, Driekoningendag, Vastenavond, enz.). — Heetekoek, m. (-en). Panne-koek. — Heeten, bw. heette, heeft geheet. Heet maken. — Heeter, ra. (-s). Stoker. — Heetgebakerd, bn. Heethoofdig. — Heetheid, v. Hitte. — Heethoofd, ra. en v. (-en). Driftkop. Oproerling. Belhamel..— Heethoofdig, bn. Driftig. Vurig. Overhaast. — Heethoofdigheid, v. — Heelster, v. (-8). Stookster. — Heette, v-Hitte.

heeten, heette, heeft geheeten. Bw. Noemen : hij zal zijn kind Jozef heeten. Bevelen : ik heet u te zwijgen. Ow.. Genoemd worden : hij heet Lodewijk. Beduiden : wat heet dit in 't Latijn? Beteeke-nen : dat heet gekheid.

hef, heffe, v. Droesem. Grondsop. De heffe des volks : het laagste gemeen.

hefbaar, bn. Wat inbaar is. Wat geheven kan worden. — Hef baarheid, v. Hefboom, ra. (-en). Staaf of stang, die om een bepaald punt {steunpunt) draaien kan. Er zijn drie soorten van hefboomen. Tot de eerste soort ('t steunpunt tusschen macht en last) behooren de koevoet, de bal ms, de schaar; tot de tweede (de last tussihen macht en steunpunt), de kruiwagen, do roeiriem; tot de derde (de macht tusschen: last en steunpunt), de vuurtang. — Hef' boomstopper, ra. (-s). (Zeew.) Kettingstopper. — Hef deeg, o. en ra. Gist. — Heffen, bw. hief, heeft geheven. Optillen : zwaro lasten heffen. Opnemen : geld heffen. Doen innen : schattingen heffen. Ten doop heffen, houden. (Papierm.) De bladen van da villen nemen en op elkander leggen. — Heffer, ra. (-s|. — Heffing, v. (-en). — Hefoffer, o. v-s). Offer der eerstelingen (bij de Hebreën). — Hefspier, v. (-en). — Hef ster, v. (-s). — Hef tang, v. (-en).

heft. Zie Hecht (2* art.).


ocr page 283

HEID — 2

heftig:, bn. bijw. Hevig. Driftig. Geweldig. — Heftigheid, v.

lieg:, liegge, v. (heggen). Struik. Haag. — Hegge rank, v. (en). Wilde Wijngaard {bryonia dt'oica). — Hegge-schaar, v. (..aren).

BTegel (G. IV. F.), 1770-1831, Stuttgart. Duitsch wijsgeer. Encyclopedie der p,'1 ilosophische Wissenschaften (1817).

hegemonie, v. Heerschappij van eenen staat over eenen of meer andere.

Hegira, v. De vlucht van Mahommed uit Mekka naar Medinah (15 Juli 022), waarmede de Mahommedaanschê tijdrekening aanvangt.

hei, tw. Geeft een verlangen te kennen.

hei, v. (-en). Heiblok. — Heibaas, m. (..azen). Opzichter der heiwerkers. — Heiblok, o. en m. (-ken). Toestel tot het inheien van palen, enz. — Heien, bw. heide, heeft geheid. Met een heiblok (palen) inslaan.

— Heier, m. (-s). — Heiing, v. (-en). — Heimachine, v. ( s). — Heiviast, m. (-en). Heipaal. — Heipaal, m. (..alen). Mast. Juffer. — Heistelling, v. (-en), heitnig, o. (-en). Stelling, waarmee het heiblok op en neer wordt bewogen. — Heiwerk, o. Werk, waaraan geheid wordt. Geheide palen. — Heituerker, m. (-s).

hel, v. (-en). Heide.

heibel, v. (-en). Twistzieke vrouw. — Heibeien, ow. heibeide, heeft geheibeid. Twisten. Krakeelen.

Heiberg: (P. A.), 1758-1841, Vording-borg. Deensch dichter en schrijver.

helde, hei, v. (heiden). Onvruchtbare en dorre zandvlakte. — Heibrand, m. Brand in de hei. — Heidamp, m. — Heide-ach tig, bn. — Heide h upper, m. (-s). Tapuit. — Heideland, o. (-en). — Heide-schaap, o. (..apen). Klein scbaap uit de heiden. — Heideveld, o. (-en). — Heikrekel, m. (-s). —Heir ook, heider ook, m.

heide, v. Plant met houtachtigen stengel. Wordt slechts op onbebouwden en onvruchtbaren grond gevonden. — Heibezem, m. (-s). Bezem van heide. — Heiboender, m. (-s). — Heibrem, v. Stekende brem. — Heidebloem, v. (-en). — Heidekruid, o. — Heideplant, y. ( en). — Heidestruik, m. (-en). — Heidoorn, m. (-en), heidoren, m. (-s). Gedoomd stalkruid.

heiden, m. (-en). Heidenen / al degenen, die niet gedoopt zijn en den waren God, of ten minste Christus niet erkennen.

— Heidendom, o. Al de heidenen. — Heidensch, bn. Afgodisch. Afschuwelijk : een heidensch geweld of leven maken.

heiden, m. (-s). Heidens : zwervende volksstam, uit Indië afkomstig, die zich in 1417 voor het eerst in het Westen van Europa vertoonde. Talrijk zijn de namen, die men hen geeft. Worden in noordwestelijk Europa Taters (Tartaren) genoemd; elders Epv^tenaars; in Engeland, Gipsies; in Schotland, Jips; in Spanje, Git an os ; in Frankrijk, Bohémiens; in Duitschland, Zigeuner. Zij leven van het vervaardigen en verkoopen van kleine snuisterijen van hout en metaal, van scha-renslijpen, ketellapen, enz. — Heidin, v.

i — HEIL

(-nen). Vrouw of dochter van eenen heiden. Waarzegster. Heks.

heiduk, m. (-ken). Lichtgewapend soldaat te voet in Hongarije (vooral in do 17* en 18® eeuw). Forsche knecht in Hon-gaarsche kleederdracht.

heien, ow. heide, heeft geheid. (Zeew.) Stampen (van een te diep geladen schip), — Heier, ra. (-s). (Zeew.) Stamper. — Heiing, v. (-en).

heierrond, ra. (-en). Grond, waarop men heit. Grond, geschikt om er palen in te heien. Verdroogde blaren, enz. met aarde gemengd, waarin men bloemen, enz. plant.

Helle KJ- P')gt; 1809-1876. Amsterdam. Geneesheer. Volkszangeren kinderdichter. Liederen en zangen (bekroond, 1841) ; Kinderliederen (bekroond, 1847).

heil, o. Welvaart, geluk, voorspoed, behoud. Eeuwige zaligheid : eeuwig heil. Aanhef der brieven bij de Ouden. — Heiland, m. Verlosser. Redder =Tezus Christus. — Heilbede, v. (-n). — Hetlbrgperig, bn. — Heildronk, ra. — Heilloos, bn. bijw. Rampspoedig. Ongelukkig. Noodlottig. Zeer snood : een heillooze daad. — Heilloosheid, v. — Heilrijk, bn. bijw. Gelukkig. Voorspoedig. Zegenrijk. — Heilvol,^. Heilrijk. — Heilweg, m. (-en). — Heilwensch, m. (-en). — Heilzaam, bn. bijw. Heil aanbrengend : heilzame raad. Gezond : heilzaam voedsel. — Heilzaamheid, v.

heilbot, v. (-ten). Visch [pleuronectes hippoglossus), tot de platvisschen behoo-rende. Wordt wel 1 1/2 met. lang en weegt somtijds 50 kilogr. Wordt aangetroffen in de Noordzee, inz. bij Noorwegen, IJsland, Groenland, enz. ^

heilig:, bn. bijw. Van de hoogste zedelijke en geestelijke volmaaktheid • God is heilig. Vereerenswaardig. Het eeuwig geluk genietende (zoo worden de vromen, die gestorven zijn en den hemel bezitten, alsook de engelen, die aan God getrouw gebleven zijn, heiligen genoemd). De heilige Geest ; de derde Persoon der heilige Drieënheid. De heilige Maagd : Maria. De heilige Schrift : de boeken van het Oud en Nieuw Testament. Het heilig Land ; Palestina. Het heilig Graf : de begraafplaats van den Zaligmaker. De heilige Kerk : de Roomsch-Kath. Kerk. De heilige Vader : de Paus. De heilige Stoel: het gezag van den Paus. Aan God gmvijd. Vroom : hij is een heilig mensch. Eerbiedwekkende : eene heilige stilte. Onschendbaar : een heilig recht. — Heiligavond, ra. (R.-K.) Avond, waarop een feest ingaat. — Heiligbeen, o. (en). — Hri/ig-bitter, o. Zeker medicijnbitter. — Heiligdag, m. (-en). Feestdag. Er zijn twee soorten van heiligdagen : de zondagen en de feestdagen door de h. Kerk ingesteld. — Heilig der heiligen, o. Het binnenste van Jeruzalems tempel, metende van alle kanten twintig elleboogmaten en door eenen voorhang van het Heilige gescheiden. Daar stond de Bondsark onder de schaduw van twee Cherubijnen. Zie Tempel. — Heilig-dom, o. (-men). Kerk. Bidplaats. Reli-


ocr page 284

HEK — 2

ouie : bij bewaart het als een h( iligdora. — JHPiligdomshuisje, o. (-s). Sacristij. — Hfiligdomskast, v. (-en). Keliquieënkast. — Heilige, m. en v. Heilig verklaarde. — Heilige, o. Een der verdeelingen van Je-ruzalems tempel (z. d. w.) bevattende den tevenarmigen kandelaar, de tafel der toon-brooden en het gouden Reukaltaar. Zie Heilig der heiligen. — Heiligen, bw. heiligde, heeft geheiligd. Heilig maken : de gratie heiligt den mensch. Voor heilig erkennen : uw naam. Heer, worde geheiligd ! Aan God wijden of aan zijnen dienst: cene kerk, een altaar heiligen. Onder het getal der heiligen plaatsen. Den zondag Heiligen. Eerbied betoonen (voor) : lera. om zijne deugden heiligen. — Heiligen-diensty m. — Heiligheid, v. Het heilig «ijn. Zijne Heiligheid : de Paus. — Heili-gtiig, v. — Heil it kas, v. (-sen). Reli-quieënkas. —Heilig lijk, bijw. — Heilig-makend, bn. — Heiligmaker, m. (-s). — Ueiligmaakstei', v. ^-s). — Heiligina-king, v. — Heiligschendend, heiligschennend, bn. — Heiligschender, m. (-s). — Heiligschendster, v. (-s). —Heiligschender y, v. (-en), heilis*schending, v. (-en), —Hei lig sch ennis,v. — Heiligverklaa rde, m. en v. (-n). — Heiligverklaring, v. (-en). Plechtige uitspraak van den Paus, waarbij een overledene verklaard wordt tot de uitverkorenen des hemels te behooren.

Ilelligerloe. Gehucht van Scheemda. Lodewijk van Nassau zegepraalde er op de Spanjaards, aangeleid door Aremberg. Adolf van Nassau was onder 't getal der gesneuvelden (1568).

lieim. Zie Heem.

Iioimeiyk, bn. Verborgen : eene hei-in- Hjke. zaak. Geheim : een heimelijk huwelijk. Bedekt: een heimelijk plan. Bijw. Op heimelijke wijze. — Heimelijkheid, v.

Iicimpje, o. (-s). Eene soort van kre-kel {gryLitis domesticus), die zich gaarne op warme plaatsen in de huizen ophoudt.

licimivco, o. Kwijning, door welke Sommige personen worden aangedaan, als tij ^an huis of vaderland verwijderd zijn.

llviu (/gt;. Psz.), 1577-1629, Delfshaven (Rotterdam). Behaalde de zege op de Spaansche Zilvervloot en sneuvelde in een leegevecht bij Duinkerke.

Iieiiidc, bijw. Nabij. (Komt alleen voor in de bijw. uitdr. heinde en ver : nabij en ver.)

Hei 11e (.//.), 1799-1856, Düsseldorf. Duitsch dichter. Reisebilder (i826-,3i) ; Bnch der Lieder (1827).

lieinen, bw. heinde, heeft geheind. Omheinen. — Heining, v. (-en). Omtui-' Ding. Schutting. Heg.

lleinsius (Zgt; ), 1580-1655, Gent. Ne-derl. en Lat. dichter en geleerde.

lielr. Zie Heer (20 art.)

laeifts», tw. Drukt vreugde of aanmoedig ng uit. Lustig! Moedig 1

li eiste ren, heisterde, heeft geheisterd. Bw. Storten. Uitgieten. Plengen. Ow. Gestort, uitgestrooid, verspreid worden.

liek, o. (-ken). Getralied afschutsel. Inz. getralied afschutsel, dat open- en toedraait en tot ingang dient. (Zeew.) Het

12 — HEL

vlakke deel des spiegels van een schip van den hekbalk tot aan li^t bovenste geaeelto van het boord. — Hekbalk, m. ( en). (Zeew.) Bovenste laatste balk achter in het schip. — Hekboot, v. ( en). Soo t van plat vaartuig. — Hekgeld, hekkengeld, o. ( en). Tolgeld — Hekken, o. (-s). Hek. — Hek-schei, v. (-en). Schei in een hek. Boom. Slagboom.

liekel, m. (-s). Werktuig om het vlas en de hennep van de scheeven te reinigen, m. Afkeer : hij heeft daar eenen hekel aan. I«*m. over den hekel halen, berispen. Met het hoofd tegen den hekel loopen : zich teleurgesteld zien. — Hekelaar, m. (-s). — Hekelaarster, v. (-S'. — Hekelquot; achtig, bn. Gaarne hfke'ende. — Hekelachtigheid, v. — Heke,dicht, o. (-en). Dichtstuk, waarin vooroordeelen, gebreken, enz. van een bepaalden tijd, van een bepaald volk of va-i bepaalde personen worden gegispt. — He kei dichter, m. (-s),

— Hekeldichtster, v. (-s). — Hekelen^ bw. Liokeidc, heeft gehci.eld. Over den hekel halen (van vlas, enz.). Berispen. Kwaadspreken (van). — Hekelig, bn. Hekelachtig. — Hekeling, v. (-en). — Hekel-machine, v. ( s),—Hekelmaker, m. (-s),

— Hekelschrift, o. (-en). Schimp-, scliot-schrift. Hekeltaal, v. —Hekelt a fid, ra. (-en). Tand van eenen hekel. —• Hekelvers, o. (..zen). — Hekelwoord, o. (-en).

— Hekelzucht, v.

bekkeiiMpriuger, m. (-s). Wilde

knaap. Zwierbol.

kekkevuar, o. Vuur, waarbij elk soldaat in 't ^elid naar welgevallen schiet, zonder het be vel der officieren af te wachten.

keks, v. (-en), loovenaarstei. 'ioover-heks. Leelijk oud wijf. Schalksch meisje : die kleine heks! — Heksen, ow. hekste, heeft gehekst. Tooveren (inz. van vrouwen). — Heksendans, m. (-en). — Hek-senkruid, o. — Heksenlied, o. (-eren), — Heksenmecl, o. Fijn geel poeder, zaad van de wolfsklauw. — Heksenmeester, m. (-s). Toovenaar. Hij is geen heksenmeester ; hij heeft het kruit niet uitgevonden. — Heksenproces, o. ( sen). (Eert.) Rechtsgeding wegens hekserij. — Heksentoer, m. (-en). — Heksenwerk, o. Tooverij. Het is geen heksenwerk : het is niet moeilijk. — Heksemang, m, ( en), — Hekserij, v, (-en). Toovt-rij.

Iieksliiiter, m. (-s). De laatste van eenen stoet. De laatstgeborene.

kekstuk, o. (-ken). (Zeew.) Oplanger, — Hekstut, m, (-ten). Steunbalk. — Hek* stijl, m. (-en). (Zeew.) Verlenging van 't rantsoenhout. — Hekwerk, o. (-en). (Zeew.) Achterwerk.

kei, v. Verborgene plaats. (Zeew.) Bergplaats in het onderruim voor touwen, enz. Plaats, waar men schepen aan den ketting (legt. (Kleerm.) Bergplaats voor de overgo-schotene nieuwe lappen. (Smokkelh.) Bergplaats voor aangehaalde goederen. .'T^et-terz.) Bergplaats voor de oude en gebro-kene letters. (Godgel.) « Plaats onder de aarde in welke men berooid is van het goddelijk aanschijn en eeuwige straffen lijdt. Plaats, waar de kinderen.


ocr page 285

HELD — 2

die vóór df Jaren van verstand zonder den h. Hoop gestorven zijn, Gods aanschijn ztillm nvcten derven (zon.ier echter de pijquot; van het vuur te moeten ondergaan). De booze geesten en de verdoemden. Hij beeft e» ? o hel op aarde, een zeer rampzalig leven. De hel is los : de vervolging begint, 't Is zoo «'onker alsde hel. Als 't regent en de ^on schijnt, is 't kermis in de hel. — Helbnkjc, o. (-s). (Letterz.) Bakje in de lettf rkas, waarin de afgesletene letters word» n bewaard. — Heidon ker, held uister, hn. Half helderen half donker (inz. in de schilderk.). — Heigedrocht, o. (-en). — Helgod. m. Pluto. — Helgodin, v. (-nen).

— He/goed, o. (Letterz.) Afgesletene letters waarvan andere letters worden gegoten. — Helhond, m. (Myth.) Cerberus, hond met drie koppen, die den ingang der hel bewaakt.— He/lebrok, m. en v. (-ken). Hellcwcht. — Hellepijn, v. — Hellepoel, m. (-en). Afgrond der hel. — Helleveeg, v. (..egen). Kwaadaardig wijf.— Hellevorst, m. Satan. — Hsllew aarts, bijw. Naar de hel. — Hellemacht, m. Wachter der nel. Helhond. — Hellewagen. ra. Gesternte ; de Groote Beer. — Hellewicht, o. (-en). Booswicht. Monster. Verdoemde.

— Helsch, bn. bijw. Tot de hel behoo-rende. Uit de hel. üp helsche, duivelsche wijze. Afschuwelijk : helsch plan. Helsche koude : zeer strenge koude, t Is helsch koud. Helsche steen : salpeterzuur zilver-oxyde.—HelschheidyV.

■tol, bn. bijw. Helder, fonkelend. Zuiver van geluid : helle stem.

liolstsiM, tw. Eilaas.

Opperpriester, ten tijde van Josias. v . .. ,

m. (-en). Die in den krijg moed en dapi gt; i he d aan den daglegt. (Fab.)Halfgod. Ho lilpersoon (van eenen roman, een too-neel k, rnz.) Hij is een held in't drinken.

— Itr.detiat m, ra. (-en). — Heldenbloed, o. — Heldenbrief, ra. (..ven). Gedicht in den briefvorm, aan eenen held der oudheid of ei nig voornaam personage toegeschreven. — Heldendaad, v. (..aden). Uitstekend feit. — Heldendeugd, v. (-en). — Heldendicht, o. ( en). Het heldendicht \epos), grootsch van inhoud en omvang, behoort tot de epische poëzie, 't Is een g* wrocht van overlevering en geschiedenis, 't wolk de dichter in zulk gewaad moet weten te hullen, dat zich in den hoofJpt-r-soon of don hoofddraad eene algemeene en tevtrrs belangwekkende eigenschap ver-toor t van gansch een volk. — Heldendichter, m. (-s). — Heldendood, ra. en v. — Held; nee uw, v. — Heldenfeit, o. (-en).

— Heldengeest, m. — Heldengeslacht, o.

— Heldenhart, o. (-en). — He!den leger, o. (-s•. — Heldenmoed, ra. — Helden-roem, ra. — Heldenrol, ra. — Heldenschaar, v. (..aren). — Heldenstuk, o. (-k«-n). Heldendaad. — Heidentaai, v. — Heldenteelt, v. — Heldentyd, ra. — Heldentijdvak, o. — Heldentrouw, v. — Heldenvolk, o.—Heldenzang, ra. 1 lelden-dicht. — Heldenzanger, ra. (-s). — Heldhaftig,hn.hyn. Dapper. Moedig. Onversaagd. — Heldhaftigheid, v. — Held-

3 — HELL

hnfliglyk, bijw. — Heldin, v. (-nen). —• Heldinnenbrief, m. (..ven). »

liclilci*, bn. bijw. Klaar, licht. Zuiver. Blank. Blinkend, doorzichtig. Zindelijk : eene heldere meid. Heldere oogenblikkea (van eenen krankzinnige). Luid : helder op zingen. — Helderdenkend, bn. —Helde» ren, ow. helderde, is gehelderd. Helder worden. — Helderheid, v. — Heldering, v. Opheldering. — Heldertfes, bijw. Zindelijk. Terdege. Zooals het behoort. — Helderziend, bn.

liclcn, bw. heelde, heeft geheeld. Verzwijgen : voor mij raoogt gij niets helen. Verbergen : gestolene goederen helen. — Heler, ra. (-s). — Heelster, v. (-s). — Heling, v. (-en).

ticlft, v. (-en). Het halve gedeelte van iets.

Hell (1135-10Q5 vóór Chr.). Rechter en opperpriester. Waste toegevend voor zijne kinderen Ophni en Fhineës. Bei ie zijne zonen kwamen om in een gevecht, 30,000 Israëlieten sneuvelden, de liondsatk werd weggenomen en Heli brak zich den hals bij het vernemen van die tijding.

lIvlisMid {Heiland). Gedeelte eener bijbelvertaling (IX® eeuw). Vrij naar het Evangelie, en op zeer populairen trant, worden er de levensbijzonderheden des Zaligmakers verluiald, en, door gelijkenissen, voorstellingen, enz. uit het Saksisch familieleven als voor de oogen gesteld. H»'t stafrijm is er in behouden.

Ilclit'ou, ra. (Myth.) Thans Zagara. Gebergte in 't Wtsten van Beotië, dat met den naburigen Parnassus aan Apollo en de zanugodinnen was gewijd. Men vindt er de beide bronnen der Muzen : Aganippe en Hippocrene.

licliomcler, ra. (-s). Zonnemeter. Verrekijker, uitgevonden door Bouguex (1743). Wordt o. a. gebruikt voor 't bepalen van den vorm en de schijnbare grootte der zonneschijf. — Helioscoop, ra. (..open). Zonnekijker. Toestel door Scheiner uitgevonden (i0 helft der 17« eeuw), met welks behulp 't beeld der zonneschijf vergroot, zonder 't oog te vermoeien, door onder-scheidi-ne personen te gelijk kan worden gezien. — Heliotroop, m. (..open). Jaspis van blauwachtig groene kleur met roodo stippen. Werktuig door Gauss uitgevonden, beslaande uit twee op elkander st.iande spiegels en eenen verrekijker, die deze verbindt, waardoor het zonnelicht naar een ver verwijderd punt wordt overgedragen. — Heliotroop, v. (..open). Zonnewende. {Heliotropum pernvianum) Heestertje om zijne kleine blauwachtige, welnckenda bloemen in onze tuinen aangekweekt. Is uit Peru naar ons overgebracht.

licllobaard, v. (-en). (Middel.) Wapen, bestaande uit eene spies met langen steel en eene bijl, waarmede gehouwen en gestoken kon worden. — Hel leb a ud ier, ra. (-en, -s). Soldaat, met eene hellebaard gewapend.

hclleu, ow. helde, heeft geheld. Overhangen : die rauur helt wat. Wegzakken, glooien : die grond helt. Een schip doen hellen, het orahalen. Die stof helt naar


ocr page 286

HELP — 2

(valt in) 't zwarte. Geneigd zijn : de keizer helde naar 't Roomsch Geloof. — Hellend, bn. — Helling, v. (-en). Overhanging. Schuinsche stand. Schuinte. Zachte afhelling. — Hellingsnieter, m. (-s).

Hellciioii, m. rav. Naam der Grieken. — Hellenisme, o. (-n). Woord of uitdrukking ontleend aan 't Grieksche taaleigen. Grieksche uitdrukkine. — Hellenist, m. (-en). Kenner, bewonderaar der Grieksche taal.

Heller [S.), 1814-1888, Pest. Oosten-rijksch pianist en componist.

liellig:, bn. Boos. Vergramd. — Hel-. lig he id, v.

Hello (£quot;.), 1828-1885, Lorient. Fr. dagbladschrijver en letterkundige. Uhontme; Paroles de Dieu; Traduction de Ruys-broeck.

lielm, m. ( en). Metalen hoed. Stormhoed. Deksel van eene distilleerkolf. Hij is met den helm geboren : hij is een gelukskind. — Helmbos, m. (-sen). Vederbos op den helm. — Helm dek, o. (-ken). Uitgesneden dekstuk op den helm. — Heimet, o. (-ten). (Dicht ) Helm. — Helmgat, o. (-en). Kijkgat in het vizier. — Helmkam, m. (-men). — Helmkrans, m. (-en), helm-kuif, v. (..ven), helmpluim, v. (-en). Sieraad boven op den helm. — Helmleen, o. (-en). Adellijk leen. — Helmmaker, m. (-s). — Helmmantelfe, o. (-s). Manteltje, waarmede de ridders het blinkend staal tegen den invloed des weders poogden te beschutten. — Helmpunt, v. (-en). — Helmspits, v. (-en). — Helmstuk, o. (-ken), helmteeken, o. (-s). Dekstuk boven eenen helm. — Helmtop, m. (-pen). — Helmvizier, o. (-en). — Helmvorviig, bn. Planten met helmvormige bloemkroon. — He lm wrong, v. (-en).

lielm, v. Duinhelm. — Hehnbloem, v. (-en). Plantengeslacht {Corydalis), tot de aardrookigen behoorende. \Jq geklau-wierde helmbloem [C. claviculata) t klimmende, van gevinde bladeren voorziene, éenjarige plant, groeit bij ons op zandgronden, in neggen, enz. Bloeit van Mei tot Augustus. —Hehnplant, v. (-en). Helm. — Helmriet, o. Helm.

lielmdruad, m. (..aden). Zie Meeldraad. — Helmknopje, o. (-s). Zie Meeldraad. — Helmstijlije, o. (-s). Zie Stijltje.

lieliuen, ow. helmde, heeft gehelmd. Galmen. — Helmgat, o. (-en). Galmgat.

llclmers {J. F.), 1767-1813, Amsterdam. Dichter. De Hollandsche Natie (1812).

helmkruiri, o. Aambeienkruid.

lielniHiok, m. (-ken). (Zeew.) Hand-vatsel van het roer.

Iicloot, m. (..oten). Lijfeigene in Spana. Een volk van heloten, van onderdrukten.

lieli»en, hielp, heeft geholpen. Bw. iJijne'kracht tot voordeel van anderen aanwenden : help mij dien last dragen. lem. uit den nood, uit een gevaar, enz. redden : zij hielpen elkander. Verlichten : die leerwijze helpt het geheugen. Bezorgen : iem. aan eene betrekking helpen. Iemands toe-

14 — HEME

stand verbeteren : geene artsenij was er om hem te helpen. Iem. in den grond helpen. Iem. van kant helpen, vermoorden. Ik kan het niet helpen : ik kan er niets aan doen. Ow. Het zal niet helpen. Er is geen helpen aan : alles is tevergeefs. Zich helpen, ww. Hij weet zich in ailes te helpen, zich uit alles te redden. Helpt u zeiven, zoo helpt u God. — Helper, m. (-s). — Helpster, v. (-s). — Helpzeel, hupzeel, o. (-en). Kruizeel.

llel^t [B. zan der), 1013-1670, Haarlem. Portretschilder. De Schutter smaal' tijd; de Overlieden van de S. Se bas-tiaans doelen.

Heltcn {W. L. van), 1849, Hedel. Hoogleeraar (Groningen). Taal- en letterkundige. Gedichten van Anna Byns, uit* gegeven en verklaard (1875).

Iiem. Pers. vnw. m. enkelv. 3« en 4® naamv.

hem (ook hmJ) ivi. Om iem. te roepen.

Iieiii«l, o. (-en). Linnen, katoenen, enz. kleedin^stuk, dat men gewoonlijk op het bloote lijf draagt. Iem. tot op het hemd uitkleeden, uitschudden : hem van alles berooven. Geen hemd aan het lijf hebben : doodarm zijn. — Hemdekleed, o. (-en). Doodshemd. — Hemdeloos, bn. Zonder hemd. Zeer arm. — Hemdendoek, hem-denkatoen, hemdenlinnen, o. Stof, katoen, linnen voor hemden. — Hemdennaaister, v. (-s). — Hemdenwaschster, v. (-s). — Hemaenwaschvrouw, v. (-en). — Hemdrok, m. (-ken). — Hemdsboord, m. (-en). — Hemdsknoop, m. (-en). — Hemdskraag, m. (..agen). — Hemdsslip, v. (-pen). — Hemdsmouw, v. (-en). — Hemdsspeld, v. (-en), — Hemdssnoer, o. (-en). Lint aan een hemd. — Hemdsstrook, v. (-en).

licmcl, m. (-s). Soort van dak, uit kostbare stof vervaardigd, boven vorstelijke personen, boven ledikanten, enz. (-en) u itspansel. Lucht.Landstreek. Dampkring. (Godgel.) Plaats, waar de gelukzaligen God aanschouwen aanschijn aan aanschijn en in Hem alle goed genieten. God : gave de Hemel! DerfHemel: al de gelukzaligen. — Hemelbeschouwing, v. (-en). — Hemelbeschrijving, v. (-en). — Hemelbestormery m. (-s). (Myth.). — Hemelbewoner, ra. (-s). — Hemelbewoonster, v. (-s). — Hemelbode, m. (-s). Engel. —Hemelbol, ra. (-len). — Hemelboog, m. — Hemeldauw, m. (Dicht.) Regen. — Hemelen, ow. hemelde, is gehemeld. Naar den hemel vliegen. Sterven. — Hemelgeest, m. (-en). Engel. — Hemelgewelf, o. — Hemelglobe, v. (-s). —Hemelgordel, m. (-s).— Hemelheer, m. God. — Hemelheer, o. Heerschaar der engelen. — Hemelhof, o. Paleis der hemelen, m. het Paradijs. — Hemelhoog, bn. bijw. Zoo hoog als de hemel. Zeer hoog. — Hemeling, m. en v. (-en). Engel. Gelukzalige. — Heonelinge, v. (-n). — Hemelkaart, v. (-en). — Hemelkring, m. (-en). — Hemellichaam, o. (..amen). Ster. Gesternte. —Hemellicht, o. (-en). Ster. Gesternte. — Hemellicht, o. Bliksem. — Hemellichten, eenpw. he-mellichtte, heeft gehemelftcht. Bliksemen.


ocr page 287

HENG — 2

— Hemrlloopy m. Loop der sterren. — Hemelplein, o. Afbeelding van minstens de helft des sterrenhemels op een plat vlak.

— Hemelpoort, v. (-en). — Hemelrijk, O. Hemel. Paradijs. — Hemelrond, o. — Hemelruim, o. — Hemelsblauw, bn. Azuur. — Hemelsbreed, b». Naar de rechte lijn. Dit verschilt hemelsbreed (oneindig veel) van dat. — Hemelsbreedte, v. Afstand op vogelvlucht genomen. Kortste afstand. — Hemelsbrood, o. Manna. — Hemelsch, bn. Wat tot den hemel behoort: hemelsch geluk. Volkomen volmaakt: eenehemelschestem. Hemelsch xnooi weder ; buitengewoon schoon weder.

— Hemelsgezind, bn. Vroom. Godvruchtig. — Hemelsfeer, v. — Hemelsleutel, m. (-en). Sleutelbloem. — Hemelstreek, v. (..eken). Hemelgordel. Aardgordel. Luchtstreek. Klimaat. — Hemelsvuur, o. Bliksem. — Hemelteeken, o. (-s). Een der twaalf sterrenbeelden van den dierenriem.

— Hemeltergend, bn. — Hemeltoorts, v. (-en). De zon. — Heynelvaart, v. Het ten hemel klimmen. De hemelvaart van Christus wordt in de h. Kerk gevierd 40 dagen na Paschen; de hemelvaart der h. Maagd, den i5n Augustus. — Hemelvaartsdag, ra. (-en). — Hemelvader, ra. (jrod. — Hemelval, ra. Wat uit den hemel geacht wordt voort te komen : die leer was hemelval. Zijn lied klonk mij als hemelval (overschqon gezang) in de ooren. — Hemelverschijnsel,o. (-en, -s). Meteoor. — Hemelvreugd, v. — Hemehvaarts, bijw. Naar den hemel.

— Hemelwaartsch, bn.

liemiHplicer, v. (..eren). Halfrond.

Halve aard- of hemelbol.

lieniiKliclio, v. (-n, -s). (Dicht.) Halve Alexandiynsche regel.

li cm 111«'11. bw. hemde, heeft gehemd, lem. tot zich doen komen door het uitroepen van hem !

lien, pers. vnw. 3® pers. raann. meerv. 4® naamv.

lien, v. ( nen). Wijfje van eenen haan. Kip. Eene hen met sporen : een boos wijf.

— Hennenei, o. (-eren).

Hcuogroii w. Provincie (België). 3 rech-

terl. arr. : Bergen, Doornik, Charleroi; óbestuurl. arr , 30 kantons, 435 gemeenten. K«olmijnen. steengroeven, ijzersmelterijen. Hoofdpl. Bergen.

licucii en de samenstellingen. Zie Heen. liens', v. (-en)- Geheng.

bengel, m. (-s). Lange stok met een snoer er aan om te visschen.—Hendelen,ovj. hengelde, heeft gehengeld. Met den hengel visschen. Zich hangend heen en weer bewegen . Fladderen. (Zeew.) Laveeren. Steeds op iemands zijde zijn (om iets te verkrijgen). Om of naar iets hengelen: zich veel moeite geven om iets te bekomen. Dieven, die om ee* huis hengelen : die over en weder om een huis gaan. — Hên~ gelaar, m. (-s). — Hengelaarster, v. (-s).

— Herigelin?, v. (-en). — Hengelgarde, v. (-n). Hengelroede. — Hengelroede, v. (-n). Hengel. — Hengelstok, m. ( kea).

beii$rNlt;gt;l, o. (-s). Gekromd handvatsel. Zie Geheng. — Hengfsjelkorf. m. (..ven).

— Hengselmand, v. (-en). — Hengselpot,

5 — HENS

m. (-ten). — Hengselstoof, v. (..oven).

Iiengftt, v. (-en). Klein sterk vaartuig, gebruikt tot het vervoer van mossels.

liousTMt, ra. (-en). Ongesneden mannelijk paard. Fraai, trotsch paard. Groot haard- of vuurijzer. — Hengstebron, v. (Fab.) Bron door den hoefslag van Pegasus op den Helicon ontstaan. Dichterbron. — Hengsten, bw. hengstte, heeft gehengst.

— Hengstenkeuring, v. {-en). — Hengst-ezel, ra. (-s). — Hengstig, on. Heet. — Hengstveulen, o. ( s).

taenker, ra. (-s). Scherprechter, hennograt, o. (en). (Zeew.) Opening, waardoor de kop van het roer steekt.

bennckleed, o. (-ren). Doodskleed, faeniieulioofd, o. (-en). (Geneesk.) Klierachtig vleeschdeeltje.

liennep, ra. Plant [canabis sativa) van de familie der netelplanten. Behoort oorspronkelijk in Perzië en Oost-Indië thuis. Wordt in Europa en Noord-A/.ië om haar stevigen vezel, waarvan men touwwerk, zeildoek, enz. bereidt aangekweekt. — Hennepachtig, bn. — Hennep afval, ra.

— Hennepakber, ra. (-s). — Hennepblou-wel, ra. ( s). Hennepbraak. — Hennep-bouw, m. — Hennepbraak, v. Het braken van hennep, (..aken) Werktuig om hennep te braken. — Hennebbreker, ra. (-s). — Hennep broeiing, v. Hennep te roten leg-cen. — Hennepdraad, o. (-stofn.) ; ra. (..aden) (voorwerpsn.). — Hennepen, bc. Door een hennepen venster kijken ; aan de galg hangen. — Hennepgaren, o. — Hen-nepgoed, o. — Hennephandelaar, m. (..aren, -s). — Hennephandelaar ster, v. (-s). — Hennephekel, ra, (-s). — Hennep-hekelaar, m. (-s). — ïlennephekelaarster, v. (-s). — Hennep land, o. (-en). — Henneplinnen, o. (-s). Linnen van hennep geweven. — Hennepolie, v. Olie, geperst uit hennepzaad. Slagen met een eindje touw gegeven. — Hennep oogst, ra.

— Henneproot, v. (..oten). — Hennepro-ten, o. — Hennepstok, ra. (-ken). — Hennepteelt, v. — Hennepwerk, o. — Hennepzaad, o. (..aden). — Hennepzeel, o. (-en). Helpzeel.

bennepnetel, v. (-s). Plantengeslacht {Galeopsis) tot de lipbloemigen behoo-rende. De gemeene hennepnetel (Galeopsis tetrahit) komt op bouwgrond veel als onkruid en algemeen op bosch- en zandgronden voor.

llenncqiiiii {F. A.), 1763-1833, Lyon. Fr. historieschilder.

lleiiiiert (^. F.), 1733-1813, Berlijn. Wiskundige en wijsgeer.

beuuvtaMter, m. (-s). Albedil. Bemoeial.

llcuocli (3382-3017 voor Chr.). Werd van de aarde opgenomen om weder te kee-ren en te prediken met Elias bij de komst van den Antichrist.

ben**, v. rav. (Zeew.) Alle hens aan dek : alles op van omlaag. Alle hens omlaag : af allen.

henHbckcr, licuzobckcr, ra. (-s). Hanzebeker.

lleusel {IV.), 1794-1861, Trebbin,


ocr page 288

HERD — 2

JDiritsch historieschilder. Christus en de

Samarifannsche vrottiv.

lior, bijw. Vanouds her. Van alle oud-beid ner. Van her, op on her : opnieuw, lier, voorv. Vormt vooral wei lew. li«'i*»dcinen (i), ow. Opnieuw ademen. Bekomen.

lirrsililick, v. Wapenkunde.— Heraldiek, bn. Wapenkunuii^ Tot de wapenkunde behoorende.

bersmt, m. (-en). Wapenbode. Krijgsgezant. — Herautsstafy m. (..aven). herbakken, bw. Opnieuw bakken, herbarium, o. (-s, ..ia). Kruidenboek. — Herboriseeren, ow. (hebben) Kruiden zoeken en verzamelen.

herbenoemen, bw. Opnieuw benoemen. — herbenoeming, v. (-en).

herberg:, v. (-en). Huisvesting, waar reizigers \oor korten tijd hunnen intrek nemen. Logement. Huis, waar men zich met gezelschap verlustigt. —■_ Herbergen. Bw. Huisvesten. Ow. Gehuisvest _ zijn of wordlt;*n. —Herbergier, m. (-s). Die eene herbeig houdt. Logemt-nthouder. —Her-bergtet ster, v. (-s). — Het berging, v. — Herbergzaam, bn. bijw. Gastvrij. —Herbergzaamheid, v.

her beat eden. bw. Opnieuw openbaar aanbesteden. Herbestedtng, y. (-en). — herbinden, bw. Opnieuw binden. Her binding, v. — herblinken, ow. (hi-bben). Opnieuw blinken. —• herbloeien, ow. (zijn). Opnieuw bloeien, herboren, bn. Weder geboren, herbouwen, bw. Opnieuw bouwen. — Herbouw, m. — Herbonwer, m. (-s). — Herboiiwing, v. (en). — Hcrbouiuster, v. (-s).

herbraden, bw. Opnieuw braden. — herbrengen, bw. Terugbrengen. Uit vroeger tijd tot ons brengen. — herda-ST^n, bw. Andermaal dagvaarden. JEenpw. (zijn) Weder dag worden.

lleretile*. Een der beroemdste helden der Grieken. Zoon van Jupiter en Alcimene. Is het ideaal \an de grootste lichaamskracht, verbonden met een edel, groot kaïakter. — Herculisch, bn. Zeer sterk, kiachtig.

berdeelen, bw. Opnieuw deelen. Jlerdeehng, v. (-en). — herdekken, bw. Opnieuw dekken. Her dekking, v. — lierdi-nlirn, bw. Zich ht-rinneren. Eene gtbeunenis heidenken, de herinnering er van vieien. lem. herdenken : hulde aan zijne nagedachtenis brengen. Doen herdenken : wtder in de gedachte brengen. Herdenken, o. Herdenking, v. ( en), llerin-nerirg (aan).

herder, m. (-s). Hoeder, leider eener kudde. Geestelijk hoofd eener parochie. De

foede Herder : Jezus. —oede Herder : Jezus. — Herderdom, o. )e gezamenlijke herders. — Herderin, v. (-nen). — Herderinnenhoed, v. (-en). — Herderlijk, bn. bijw. Van, als een herder. Eenvoudig, onschuldig ; herderlijke too-

m(i) De samengestelde werkw. met her

zijn onscheidbaar.

6 — HERF

neelen. Herderlijke brief: brief van eenea bisschop aan zijne geloovigen. lem. herderlijk vermanen. — Herderloos, bn. Zonder herder. Zonder geestelijken leider. — Herdersambt, o. (-en). Ambt van een geestelijk hoofd eener parochie. — Herders dans, m. (-en). — Herdersdicht, o. (-en). Beschrijft het landleven met al de bekoorlijkheden, die er te veronderstellen zijn. Kan dramatisch (dan ecloge, en onderscheidt zich door levendigheid) of lyrisch zijn (dan idylle, is meer van weemoedigen aard). — Herdersfluit, v. (-en). — Herdershond, m. (-en). Zie Hond. — Herdershoorn, ..horen, m. (-s). Horen, waarop de herder blaast. — Herdershut, v. (-ten). — Herdersjongen, m. (-s). — Herderskleed, o. (-eren). — Herdersknaap, m. (..apen). — Herderskout, m. Herdersdicht in samenspraak. — Herdersleven, o. — Herderslied, o. (-eren). — Herderspijp, v. (-en). Herdersfluit. — Herdersspel, o. (-en). Landelijk tooneelstuk. — Herdersspin, v. (-nen). Soort van lange spin. — Herdersstaf ,va. (..aven). — Herdersstok,m. (-ken).

— Herderstasch, v. (..asschen). Soort van weitalt;ch. —Herdersuurtje, o. (-s).Avonduurtje der minnenden. — Herdersvolk, o.

— Herderszang, m.

Herder [J. G. von), 1744-1803, Moh-rungt n. Duitsch schrijver en dichter. Ideën zur Philosofihie der Geschichte der Menschhe/t (i784-'9i).

herderittaMeh, v. Taschjeskruid. herdoen, bw. Nog eens doen. Herdoening, v. — herdoopen, bw. Opnieuw doopen. Een anderen naam geven. Herdoop, m. Herdooper, m. (-s). Herdooping, v. (-en). — herdrukken, bw. Opnieuw drukken. Herdruk, m. (-ken). Tweede druk. Tweede uitgave. Herdrukking, v. hereditair, bn. Ed'elijk.

hereenen, bw. Weder vereenigen. Vrede stichten. Hereenigbaar, bn. — hereeul^en, bw. Weder verzan-elen. Heieenen. Hereeniging, v. (-en). (Oorl.) Herzameling. Verzoening. Her een igssein, o. (-en). — herejrcen, bw. Opnieuw eggen. — hereinehen, bw. Weder-eischen. Een reconventioneelen eisch instellen. Hereisch, m. Hereischer, m. (-s). Hereischeres, v. (-sen). Hereisching, v.

lleremans [J. F. J.), 1825-1884, Antwerpen. Hoogleeraar (Gent). Taal- cn letterkundige. Fransch-Nederlandsch, en Nederlandsch - Franseh Woordenboek (i865-'68).

heremiet, m. (-en). Kluizenaar, herenten, bw. Opnieuw enten. — Her enting, v.

herlMt, m. Het der vierjaargetijden (van 21 Sept. tot 21 Dec.) Najaar. De latere levensjaren.—Herjstachtig, bn.— Herfstavond, m. (-en). — Herfstboter, v. — Herfstdag, m. (-en). — Herfstdraden, m. mv. Fijne draden, die op warme herfstdagen over akkers en pleinen zwevtn. Zij zijn htt spinsel van zeer kleine spinnlt; n. — Herfsthoen, o. (-ders). — Herfsthooi, o.

— Herfstig, bn. — Herfstkaas, v. (..azen).

— Herjstkoorts, v. (-en). — Herjstlucht, v. — Herfstmaand, v. (-en). September,


ocr page 289
ocr page 290
ocr page 291

HERK — 2

— Herfst mis, v. (-sen). Jaarmarkt (in Duitschland) in September. — Hurfitmor-£lt;?«, m. (-s). —Herfsfnachf, m. (-en). — Herfstnachtevening, v. (-en). — Herfst-peer, v. (..eren). — Herfstpunt, o. (-en).

— Herfstteeken, o. (-s). Herfstteekens : de bemelteekens, door welke de zon zich gedurende den herlst schijnbaar beweegt. — Herfsttijd, m. — Herfstvermaak, o. (..aken). — Herfstvisch, m. (..sscben). — Herfstvreugd, v. — HerJstvrucht, v. (-en). —Herfstweder, o. — Herfstziekte, v. ( n). — Herfstzon, v.

llergrenröllier (j?- wa«)# 1824-1890, Würzburg (Beieren). Kardinaal. Geschiedschrijver. Photius (1867-'73) ; Hand-buch der allgemeinen Kirchengeschichte (1878).

lier teven, bw. Opnieuw geven. Wedergeven. Hergeving, v. — liergieteu, bw. Opnieuw gieten. Herg ie ting, v. — liersrlnnzen, bw. Opnieuw glans geven (aan). — liergrloeieu, bw. Opnieuw gloeien. Hergloeiing, y. (-en). — lier-ifonimen, bw. Opnieuw gommen. — lieru:lt;»4»ieii, bw. Opnieuw gooien. — lier*;'rijfMMi, bw. Opnieuw grijpen. — lieryroeien, ow. (zijn) Op nieuw groei en.

— Iivrgroeiieii, ow. (zijn) Opnieuw groenen ^van planten). — lier^roeten, bw. Opnieuw groeten. — liergroiKleu, bw. Opnieuw grondvesten. (Schild.) Opnieuw grondverven.

lierhstskltl, bn. Herhaalde malen iem. waarschuwen. —HerhaaLdelijk, brjw. Bij herhaling.

lierlistkkeu, bw. Opnieuw hakken. — lierlialeu, bw. Herdoen : de aderlating moet herhaald worden. Herzeggen : iemands woorden herhalen. Hetzelfde onderwerp meermalen behandelen. Herhaal-ster, v. (-s). Herhaler, m. (-s). Herha-hng, v. (-en). Herhalingsles, v. (-sen). Herhalingsschool, v. (..olenU Herhalingstal, o. (-len). (Spraakk.) Woord, dat te kennen geeft, hoe dikwijls eene hande-lit g of werking geschiedt. Herhalingstee-ken, o. (-s). Herhalingsthema, o. (-'s). — lierlielTen, bw. Opnieuw heffen. Weder opheffen. Herheffing, v. — herliekolen, bw. Opnieuw hekelen. — lierhou-«len, bw. Terughouden. Afhouden. — lierlilieven, bw. ow. (zijn). Hertrouwen.

— lierüken, bw. Opnieuw ijken. Herijk, m. Het herijken. Herijking, v. ( en).

lierik, v. Éénjarige van Juni tot Aug. bloeiende plant (raphanus raphams-trum), die als een zeer algemeen onkruid vooral op zandige gronden voorkomt. Behoort tot de kruisbloemigen.

lieriimeren, bw. herinnerde, heeft herinnerd. Weder te binnen brengen : ik herinner het hem. Doen gc/Jenken (a^n) : ik herinner u aan de zaak. Zich herinneren, ww. Herinnering, v. (-en). Aandenken : niets zal dit uit mijne herinnering verdrijven. Gedachtenis : feest ter herinnering aan eene overwinning. Vermaning : heilzame herinnering Herinneringskunst, v. Kunst om het geheugen te oefenen. Herinner ingstee ken,o. (-s) .Herinneringsvermogen, o. — kerkaarden, bw. Opnieuw

17 — HERM

kaarden. — kerkalken, bw. Opnieuw kalken. — kerkummou, bw. Opnieuw kammen. —kerksiuwen, bw. Opnieuw kauwen. Tot vervelens toe herhalen : hoe dikwijls heelt hij dit herkauwd. Ow. De koe herkauwt. De herkauwende dieren. Her-kauTuer, m. (-s). Herkauwing, v. (-en).

— herkennen, bw. Weder kennen. Kennen : iem. aan zijne spraak herkennen. Herkenbaar, bn. Herkenning, v. (-en)» Herkennifiqsteeken, o. (-en, -s). Leus. Herkenningswoord, o. (-en) Wachtwoord,

— Herkeuren, bw. Opnieuw keuren. Herkeuring, v. (-en). — lierklezent bw. Weder, opnieuw kiezen. Herkiesbaar, bn. Her kiesbaarheid, v. Herkiezing, v. (-en). — lierklenren, bw. Opnieuw eene kleur geven (aan). — kerklieden, bw. Opnieuw kneden. — kerknoopen, bw. Opnieuw knoopen. Opnieuw de knoo-pen toedoen. Hernieuwen. Her knooping, v. — herknoppen, bw. Opnieuw de knoppen toedoen. Herknopping, v. — kerk*»ken, bw. Opnieuw koken. Opnieuw laten koken. Herkoking, v. — herkomen, ow. (zijn). Wederkomen : hi^ herkomt van de markt. Afkomen, van vroeger tijd tot ons komen, vanwaar zouden die gewoonten herkomen zijn. Herstellen : van eene ziekelijkheid herkomen. Her-komen, o. Gebruik. Gewoonte. Herkomsty v. Afkomst. Oorsprong. Herkomstig, bn.

— herkoopen, bw. Weder, opnieuw koopen. Her koop, m. Weder-inkoop. Afkoop. Herkooper, m. (-s). Herkooping, v. Herkoopster, v. (-s). — lierkoperen, bw. Opnieuw koperen.—herkraniinen, bw. Opnieuw krammen. — herkrü^en, bw. Weder-, terugkrijgen. Herkrijging, v. —herkronen, bw. Opnieuw kronen. Herkroning, v. — herkrnlsen, bw. Opnieuw kruisen. Her kruising, v. — her-krullen, bw. Weder, opnieuw krullen.

— herkUMnen, bw. Weder, opnieuw kussen. — herladen, bw. Opnieuw laden. Herlading, v. (-en). — herlak-ken, bw. Opnieuw lakken. Her lak king, v. — kerlatten, bw. Opnieuw met latten beslaan. — herleeren, bw. Opnieuw leeren. Nog eens leeren. — herleiden, bw. Opnieuw leiden. Terugleiden. Tot kleineren vorm brengen : eene teekening herleiden. Terugbrengen : een voorstel tot zijne eenvoudigste uitdrukking herleiden. (Kek.) Breuken herleiden, tot gelijken noemer brengen. Herleidbaar, bn. Herleiding, v. Terugleiding, (-en) (Rek.) Do herleiding der breuken, enz. — herlette-ren, bw. Opnieuw letters zetten (op). — herleven, ow. (zijn). Opnieuw leven. Uit den dood herrijzen. Nieuwen wasdom verkrijgen : in de lente herleeft alles. Nieuwe krachten bekomen : die ouderling herleeft, de nijverheid schijnt te herleven. Dit middel deed den zieke herleven, bracht hem tot beterschap. Opnieuw moed scheppen. Herleving, v. — herleveren, bw. Opnieuw leveren. Herlevering, v. — herlezen, bw. Weder, opnieuw lezen. Herlezing,v. (-en). — herniaken, bw. Otgt;-nieuw maken. Hermaking, v. — herma-len, bw. Opnieuw malen. Her maling, v.


ocr page 292

HERO — 2

— liermsiiien, bw. Weder, opnieuw manen. Hernianingy v. — liermsmsre-len, bw. Opnieuw mangelen. — li er in ;it-ten, bw. Opnieuw matten. Opnieuw met siroo omwinden.

licruieiyn, m. ( en). Roofdier {rnu-stela ermiiiea), tot de marterachtigen behoorende. Komt vooral in Rusland voor en wordt er gevangen om zijne pels, die in den handel zeer hoog worat geschat, o. • Bont van den hermelijn. — Herrneljjnbont, ! o. — Hemielynen,hu. — Hertnelynkruis, o. (-en). (Wapenk.) Vier kruiselings geplaatste en met de toppen naar elkander gekeerde hermelijnstaartjes. — Hervielijn-staartje, o. (-s). — Hermelijnfsjvel, o. (-les).

liermong^ii, bw. Opnieuw mengen. Hermenging, v. — liermcrkcn, bw. Opnieuw merken. — licrineHleu, bw. Opnieuw mesten. Her mesting, v.

Ifcriiicszuil, v. (-en). Eene naar beneden smaller toeloopende zuil met een i beeld (van Hermes ol Mercurius), zonder , armen of beenen.

1 liermetcu, bw. Opnieuw meten. — i Her meting-, v. (-en).

Iiermetisvli, bn. Luchtdicht. Potdicht.

liermotKolcii, bw. Opnieuw metselen. — liermcubclon, bw. Opnieuw

meubelen. Hermeubeling, v. liermiist^e, v. (-s). Kluis.

llcrinile (C.), 1822, Dieuze (Lotharingen). Fr. wiskundige.

liermoeH, v. Plant [equisetum ar-vense), tot de paardenstaartachtigen behoorende. 't Is een zeer moeilijk uit te roeien onkruid. — Hermoezig, bn.

lic^rmuuteii, bw. Opnieuw munten. Her7/1 unting, v. (-en). — liernstsUen, bw. Weder, opnieuw naaien. — lierun-firclcii, bw. Opnieuw met nagels beslaan. /Vernageling, v. — licrnomen, bw. Opnieuw nemen. Terugnemen. Hervatten. Hernem i*ig, v.

BI «'ruli ut ter, m. (-s). Lid van eene Christelijke sccte, die, in de 15« eeuw in Bohemen ontstaan, haren naam ontleent aan 't dorp Herrnhut in de Saksische Opperhiusitz. De leden worden ook Bo-heemscke of Moravische Broeders genoemd. — Hernhutsche. v. (-n).

Iieriiieu wen, bw. Vernieuwen. Herbouwen. Weder maken. Hernieuwer, m. (-s). Hernieuwing, v. (-en). — lieruoe-luen, bw. Weder, opnieuw noemen. Her-noeyning, v. (-en). — born ommeren, bw. Opnieuw nommeren. Hernommering, v. — liernooden, bw. Opnieuw noodi-gen. Opnieuw uitnoodigen. Mer nooding, v.

Hero. Vond de naar hem genoemde fontein (z. d. w.). Leefde omstreeks 120 vóór Chr. te Alexandrië.

aiero«llt;'s. Naam van verscheidene vorsten van Judea. De voornaamste : Her odes de Groote (op zijn bevel werden de onnoo-zele kinderen omgebracht), Herodes Anti Pas (zoon van den voorgaande. Deed Joan-mes den Dooper onthoofden), Her odes dgrtppa (koning der Joden J7-44). Jlerodianen, m. mv. Maakten onder 8 — HERR

de Joden eene Romeinscb gezinde partij uit en stonden zoo als Staatspartij vijandelijk tegen over de Farizeën en het volk, die meenden, op grond der oude Theocratie, dat zij als het volk Gods, God alleen en zijnen plaatsvervanger voor hunnen koning mochten erkennen.

Herodotn» (484-408 vóór Chr.), Hali-carnassus (Klein-Azië), Grieksch geschiedschrijver. « De Vader der geschiedenis ». Algemeenegeschiedenis (9 d'n.).

lieroïek, bn. bijw. U*dbaftig. Een heroïek, doortastend middel : een hevig geneesmiddel. — Heroïsme, o. Heldenmoed. Heldhaftigheid.

llérold (Z. J. F.), 1791-1833, Parijs. Fr. toondichter. Zampa (1831).

lieroliön, bw. Opnieuw oliën, lieronsbul, m. (-len). Toestel, dienende om de drukking van samengeperste lucht aan te toonen.

heropenen, bw. Weder, opnieuw openen. Heropening, v. — lierop-tooien, bw. Opnieuw optooien.

heroM, m. (heroën). (Myth.) Vergode held der oudheid, als Hercules, enz.

heroveren, bw. heroverde, heeft heroverd. Opnieuw, weder veroveren. Hernemen. Herover aar, m. (-$). Heroveraar-. ster, v. (-s). Herovering, v. (-en). — her-' paehten, bw. Weder, opnieuw pachten. Herpachttng, v. (-en). — herpakken, bw. Opnieuw pakken. Herpakker, m. (-s).

Herpakking, v. Herpak ster, v. (-s). _

herpappen, bw. Weder, opnieuw pappen (eene wond). — herparen, bw. ow. (zijn) Opnieuw paren. Herparing, v. — herpansen, bw. Opnieuw passen. — herpeilen, bw. Opnieuw peüen. Her-P filing, v. — her pek ken, bw. Opnieuw

pekken, bepekken. Herpekking, v. _

herpersen, bw. Opnieuw persen. Herpersing, v. —herplaatsen, bw. Weder, opnieuw plaatsen. Herplaatsing, v. — hei*plakken, bw. Opnieuw plakken, (lem.) Weder inkerkeren. Herplakking. v- — herplanten, bw. Weder, opnieuw planten. Herplanter, ra. (-s). Herplan' ting, v. (-en). Herplantster, v. (-s). — herpletten, bw. Opnieuw pletten. Her-pletting, v. — herploegen, bw. Opnieuw ploegen. — herplooaen, bw. Weder, opnieuw plooien. — herpoederen, herpoeieren, bw. Weder, opnieuw poederen. — herpoet sen, bw. Weder, opnieuw poetsen. — herpoten, bw. Herplanten. Herpoting, v. -— lier-pot ten, bw. Opnieuw in andere potten doen. Her pot ting, v. — herprUzen, bw. Weder, opnieuw prijzen. — herproeven, bw. Weder, opnieuw proeven. Heróroeving, v. — herpunten, bw. Weder, opnieuw punten. Her punting, v. herrekenen, bw. Opnieuw rekenen. — lier rekken, bw. Opnieuw rekken (het goed). — herrepelen, bw. Opnieuw repelen.

Herrem M.). 1549-1625, Cuellar. Spaansch geschiedschrijver.

Herreyns (W.), 174^-1827, Antwerpen. Schilder. De aanbidding der drie Koningen; Christus' laatste zucht.


ocr page 293

HERS — 2

berrie, v. Groote, verwarde drukte.

lierrUg^n» bw. Opnieuw rijgen. — lierrlJzen, ow. (zijn) Opnieuw rijzen. Herryzinfgt;,v. — berroepon, bw. Opnieuw roepen. Nog eens roepen. Intrekken, afschaften : eene wet herroepen. Loochenen, alkeuren : dwaalbegrippen herroepen. Herroepbaari bn. Herroepbaarheid, v. Herroepelijk, bn. Herroepelijkheid, v. Herroeping, v. (-en). — lierrolleii, bw. Opnieuw rollen. Herr oiling, v. — her-rooken, bw. Opnieuw rooken (b. v. eene ham). — lierrnilc'ii, bw. Opnieuw ruilen. — liersaiiKeu, bw. Opnieuw sausen.

lierscliapen, bn. Als opnieuw geschapen.

bemcliatten, bw. Opnieuw schatten, Herschatter, m. (-s). Herschatting, v. (-en).—tierseliaveii, bw. Opnieuw schaven.^ — lierMOlioideu, bw. Opnieuw scheiden. Her scheiding, v. — lierwelie-peu, bw. herscheepte, heeft herscheept. Weder, opnieuw inschepen. Herscheping, v. — lierMolieppeu, bw. herschepte, heeft herschept. Weder opscheppen. — berNOlieppcn, bw. herschiep, heeft herschapen. Van gedaante doen veranderen. Hernieuwen. Doen herleven. Herschepper, m. (-s). Herschepping, v. (-en).

— lierHCheren, bw. Opnieuw scheren.

— lierKlt;gt;lietften, bw. Opnieuw schetsen.

— lierii4*liU■gt;lt;*■■, ow. (zijn) Opnieuw schijnen. Verschijnen. Herscnyning, v. — lierNdiikken, bw. Opnieuw schikken. Herschikking, v. (-en). — liermoliilde-ren, bw. Opnieuw schilderen. Overschilderen. — iK'rNoliillen, bw. Opnieuw schillen. — lieramp;elioffcleu, bw. Opnieuw schoffelen. — liei'Mcliouwen, bw. Opnieuw schouwen. Herschomvinq, v.— licrNOlirUven, bw. Opnieuw schrijven. Herschrijving, v. — lierfteliroltben, bw. Opnieuw schrobben. — lierMoliit-ren, bw. Opnieuw schuren. — kor.«olm 1-in«tu, bw. Opnieuw schuimen. Herschui-Tning, v.

Hcrficliel [F. IV.), 1738-1822, Hannover. Sterrenkundige. Vervaardigde het eerst een grooten telescoop. Ontdekte Uranus, enz. Werd in zijne waarnemingen en berekeningen bijgestaan doorzijne zuster Caroline (1750-1848).

lierHeiien, kerseiiA, ook karse-11011, Kiai'scn*, v. mv. Bestaan uit eene we» ke massa, die verdeeld wordt in eene grijze of schors-zelfstandigheid {substantia c in ere a of corticalis) en eene •witte of merg-zelfsta ndig he id (substantia medullar is). Zijn vervat in den schedel. Worden verdeeld in groote (b) (cerebrum), kleine (a) (cerebellum) en middelhersenen (d) (mesencephalum). Zijn omgeven door drie vliezen : het weeke (pia mater), het spinnewebsvlies^wmcü.arachnoïdea) en het •narde hersenvlies (dura mater). — Zijn de zetel der uitingen van hetgene men ziel noemt, het orgaan der gedachte, het middelpunt van alle gewaarwot dingen. Van haar gaat de wil uit. — Verstand, oordeel : te veel van zijne hersens vergen. Hij heeft gezonde hersens, is een schrander man, een c. spleet van Sylvius, e. achterste lobbe. 1. voorste lobbe. g. hersenholte, h. hersenbalk, i. been en de groote hersenen. k. vier dubbele knobbels op het verlengde merg. 1. verlengd merg. m. levensboom in de kleine hersenen, o. ringvormige knobbel, of brug van Varolius.

— Hersenbalk, m. (-en). Eeltachtig lichaam, waardoor de beide halfronden der groote hersenen samenhangen. — Harsenbeeld, o. (-en). Hersenschim. — Hersen-bekken, o. is). — Hersenbeschermer, m. (-s). Werktuig, vroeger bij de panbo-ring gebruikt. — Hersenbreuk, v. — Hersenholte, v. (-n). — Hersenk lier, v. (-en). — Hersenkoorts, v. (wn). — Her-senkruid, o. Nieskruid. — Hersenloos, bn. Zonder hersens. Zonder verstand ol nadenken. — Hersenontsteking, v. (-en). — Hersenpan, v. (-nen). — Hersenschim, v. (-men). Ongegronde onderstelling. Val-sche inbeelding. Ongerijmd verdichtsel. Droom. —- Hersenschimmig, bn. Vol hersenschimmen. Ingebeeld. — Hersenschudding, v. (-en). — Hersen-slagader, v. — Hersenvat, o. f-en). — Hersenverdichtsel, o. (-s). Hersenschim.

— Hersenverkoudheid, v. ( .h.-den). — Hersenvlies, o. (..zen). — Hersenvrucht, v. (-en). Voortbrengsel ran d-n urest, van het verstand. Letterwerk. — Hersenzverk, o.— Hersenwoede, v. Razernij. — Her-senzenurv, v. (-en). — Hersenziekte, v.

kerkleren, bw. Opnieuw sit-ren. — kerNlaan, bw. Opnieuw slaan. Terugslaan. — licrslypi'n, bw. Opni mv slijpen. v. — P.ierNlnitcBi, bw. Opnieuw sluiten. Hersluiting, v. — ker-Hmecleii, bw. Opnieuw smeden. Overmaken. Hersmeder, m. (-s). Hersmeding, v.

— kcrMnielfen, bw. Weder, opnieuw smelten. Her smelting, y.— kcr* me reu, bw. Opnieuw smeren. Hersmering, v. — ker.miydeii, bw. Opnieuw snijden. Hersnijding, v. — kerftiioeien, bw. Opnieuw snoeien. Hersnoe/ing, v. — ker-siiuiteu, bw. Opnieuw snuiten. Hersnui-hng, v. — kerspadeu, bw. Opnieuw

I1ERS


ocr page 294

HERT — 2

spaden, spitten. — licrspziUcen, bw. Opnieuw spalken. Herspalking, v. —lior-•panncu, bw. Opnieuw spannen. Her-spanning, v. — liorMpcldon, bw. Opnieuw spelden. — lierMpcleu, bw. Opnieuw spelen. Her speling, v. —lierspellen, bw. Opnieuw spellen. Herspelling, v. — laerHpeteu, bw. Opnieuw speten.

— lierNpykeren, bw. Opnieuw spijkeren. Herspij kering^ v. — lici*Mpt]zeii, bw. Opnieuw spijzen. — lierspitten, bw. Opnieuw spitten. Herspitting, v. — lier-stsiikipeii, bw. Opnieuw stampen.—licr-steklt;'ii, bw. Opnieuw, nog eens steken.

— lierNtelleii, herstelde, beeft en is hersteld. Bw. Op de vorige plaats brengen : de guldens in de schuif herstellen. In den vorigen toestand terugbrengen ; den góds-dienst herstellen. Weder goed maken : kleederen herstellen. Weder gezond maken : de geneesheer zal dezen zieke weldra herstellen. Ow. (zijn) Weder gezond worden : van eene ziekte herstellen. Zich herstellen, ww. Weder in zijn vorigen toestand brengen. Herstel, o. Herstelling. Herstelbaar, bn. Hersteller, m. (-s). Herstelling, v. (-en). Verbetering. Beterschap. Schadevergoeding. Herstelling van eer. Herstel-lingsteeken, o. (-s). (Muz.) Teeken (^), dat

te kennen geeft, dat de werking van eenen bemol of eene dieze opgeheven wordt. Herstelster, v. (-s). — lierNtemmen, bw. Opnieuw stemmen. Herstemmen. Her-stemming, v. — lier.steiupelen, bw. Opnieuw stempelen. Her stempeling, v. — lierHtieliteii, bw.Weder, opnieuw stichten. Her stichter, m. (-s). Herstichting, v. ; Herstichtster(-s).—lierstlkken, bw. ' Opnieuw stikken. — herMtoppeu, bw. Opnieuw stoppen. Herstopping, v. — lier-fttry ken, bw. Opnieuw strijken. —lier-■trikken, bw. Opnieuw strikken. Ander-jnaal in den strik vangen.

bert, o. en m. (-en). De herten vormen

een geslacht onder de herkauwende zoogdieren. Daartoe behooren de eland, het rendier, de ree. Het voornaamste sieraad

o — HERV

der herten is hun gewei, dat men bij allo mannetjes, alsmede bij de wijfjes der rendieren aantreft. Het gewone hert is een der sierlijkste dieren. Heeft een scherp gezicht en gehoor, een fijnen reuk en zeer snellen loop. — Hertebeest, o. en v. (-en).

— Herteborst, v. (-en). — Hertebout, ra. (-en). — Hertebuffel, m. (-s). Afrikaansch dier {antilope bubalus) van 't geslacht der antilopen. — Her te (n) drek, m. — Her~ te(n)mest, ra. — Hertegeit, v. (-en). Gazel. — Hertekotgt;, ra. (-pen). — Hertele-ger, o. (-s). — Hertengeslacht, o. (-en). — Herteiihaar, o. (..aren). —Hertenhoofd, o. (-en). — Hertenjacht, v. (-en). —Het' tenkamp, m. (-en). —Hertennet,o. (-ten).

— Hertenpastei, v. (-en). — Hertepaardt o. (-en). Volksnaam van het gnoe. — Her-tepoot, m. (-en). — Herte(njvet, o. — Her te (n) vleesch, o. — Hertsgewei, o. — Hertshooi, o. Plantengeslacht {hyperiquot; cum). — Hertshoorn, ra. (-en, -s), hertshoren, m. (-s). Horen van hert. o. (stofnaam). — Hertshoornzout, o. Zuivere koolzure ammonia. — Hertslefdjer, o. — Hertsle fdj eren, bn. — Hertstong, v« (-en). — Hertstranen, ra. mv. Gele vloeistof, welke uit de oogen der herten komt. Wordt als geneesmiddel gebruikt voor do vallende ziekte. — Hertsvanger, m. (-s). Lang jachtmes in eene scheede en met eene greep, bij de hertenjachten gebruikt.

iKertaHften, bw. Opnieuw tassen. — lierteekenen, bw. Opnieuw teekenen. Herteekemng, v. — lier telen, bw. Opnieuw telen, voortbrengen. Herteling, v.

— hertellen, bw. Opnieuw tellen. Hertelling, v. — liertemperen, bw. Opnieuw temperen. — liertlmmeren, bw. Opnieuw timmeren. Her timmer ing, v.. (-en).

hertocbt, m. Terugtocht.

hertog, m. (-en). (Middel.) Legeraanvoerder. (Thans) Eeretitel van dezen, die in waardigheid naast de prinsen komen. — Hertogdom, o. (-men). Gebied van eenen hertog. — Hertogelijk, bn. — Hertogin, v. (-nen). — Hertogskroon, v, (..onen).

hortonnen, bw. Opnieuw tonnen. Ia andere tonnen doen. — liertoolen, bw,. Opnieuw tooien. Her tooiing, v. — l»er-toomen, bw. Opnieuw toornen, liortred, ra. Terugtred, hertrouwen, bw. ow. (zijn) In een tweede huwelijk treden. Hertrouw, ra. Hertrouwing, v. — lierlivynen, bw. Opnieuw twijnen.

heruit, vz. Naar buiten. — herult-dröven, bw. Buiten drijven. Her uitdrijving, v. — hcruiljngon, bw Buiienja-

gen. — her uitkom en, ow. (zijn) Weder uitenkomen. (De samengestelde werkw. meten. — her uitkom en, ow. (zijn) Weder uitenkomen. (De samengestelde werkw. met heruit zijn scheidbaar.)

hervademen, bw. Opnieuw vademen. — hervallen, ow. (zijn) WeJer-vallen. Terugvallen. Hervallin^, v. — hervatten, bw. Opnieuw vatten. Weder ondernemen : zijnen handel hervatten. Terugkomen : ik was niet te huis, gij moet het eens hervatten. Weder beginnen : het gesprek hervatten. Hervatting, v.

ikerve {Land van). Landstreek tus-


ocr page 295

HERZ — 2

schen Vesder en Maas. Kleiachtige grond. Vette weilanden. Steenkolen en metaal.

liervellon, bw. Opnieuw veilen. Herveiling % v. (-en). — her ver ven, bw. Opnieuw verren. Her ver ving, v. — lier-Ttilen, bw. Opnieuw vijlen.— hervinden, bw. Terugvinden. Hervinding, v.

— liervlsimmen, bw. Nog eens door de vlam halen. (Schild.) De aderen van het hout door verven nog eens nabootsen. — liervleeliten, bw. Opnieuw vlechten. — liervloeren, bw. Opnieuw vloeren. Een nieuwen vloer leggen. Hervloering, v. — liervoegren, bw. Opnieuw samenvoe-

fen.en. Hervoeging, v. —hervoeren, bw. 'erugvoeren. De voering hernieuwen. Hervoering, v.

liervormen, bw. Opnieuw vormen. Veranderen, wijzigen (eenen godsdienst). .Herscheppen. — Hervormbaar, bn. — Hervormd, bn. Vernieuwd van vorm. 'Veranderd. Verbeterd. De hervormde leer : de leer van Luther, Calvijn, enz. — Hervormde, m. en v. (-n). Belijder der hervormde leer. — Hervormer, m. (-s). — Hervorming, v. (-en). Vernieuwing. Verandering. Herschepping. Scheuring van de h. Kerk door Luther, Calvijn, enz. bewerkt. — Hervormingsdag, ra. (-en), 31 October. — Hervormingsfeest, o. en v. (-en). — Hervormingsplan, o. (-nen).

— Hervormingswet, r. (-ten). — Her-vormster, v. (-s).

hervouwen, bw. Opnieuw vouwen. Heryouwing, v. — liervragcn, bw. Opnieuw vragen. Hervraging, v. — her-willen, bw. Opnieuw vullen.

herwnarti», bijw. Naar huis. Naar dezen kant.

herwnnnen, bw. Opnieuw wannen. Herwanning, v. — herwapenen, bw. Opnieuw wapenen. Herwapening, v. — herwstnnen, bw. Opnieuw warmen. Herwarming, v. — herwassehen, bw. Opnieuw wasschen. Herwassching, v. — herwassen, ow. (zijn) Opnieuw wassen.

— herwegen, bw. Opnieuw wegen. Herweging, v. — herwenden, bw. Opnieuw wenden. — her wentelen, bw. Opnieuw wentelen. Herwenteling, v. — her werven, bw. Opnieuw werven.//^r-werving, v. — herwetten, bw. Opnieuw wetten. —herwUden, bw. Opnieuw wijden. Herwyder, m. ( s). Herwyding, v.

— herwikken, bw. Opnieuw wikken.

— herwinden, bw. Opnieuw winden.

— herwinnen, bw. Opnieuw winnen. Opnieuw verwerven. Herwinning, v. (-en).

herwiftftel, m. (-s). (Kooph.) Wissel op den trekker teruggetrokken. — Herwissel-recht, o.

herwisselen, bw. Opnieuw wisselen. Opnieuw verwisselen.

herwilten, bw. Opnieuw witten. Her-'witting, v. — herwru ven, bw. Opnieuw [wrijven. Her wrijving, v. — herwrln-ST^n, bw. Opnieuw wringen. — her-zaaien, bw. Opnieuw, nog eens zaaien. Her zaaiing, v. — herzadelen, bw. Opnieuw zadelen. Her zadeling, v. — lierzsikken, bw. In andere zakken doen. herzamelen, bw. Opnieuw zamelen.

i — HEUL

Opnieuw bijeenbrengen. Her zameling, v. Herzamelplaats, v. (-en). — herzege-len, bw. Opnieuw zegelen. Her zege ling, v. (-en). — herzegrenen, bw. Opnieuw zegenen. Herzegening, v. — herzeg-gen, bw. Opnieuw zeggen. Nog eens zeggen. Herzegger, m. (-s). Her zegging, v. Herzegster, v. (-s). — herzetten, bw. Opnieuw zetten. Herzetting, v. — herzien, bw. Opnieuw zien. Verbeteren, wijzigen. Herziener, m. (-s). Herziening, V.

— herziften, bw. Nog eens ziften. Óp-nieuw ziften. — herzilveren, bw. Opnieuw zilveren. Opnieuw verzilveren. — herzingen, bw. Opnieuw zingen. — herzinken, bw. Opnieuw met zink beleggen. — herzoeken, bw. Opnieuw zoèken. Herzoeking, v. — herzoomen, bw. Opnieuw eenen zoom leggen (aan). Her zoom ing, v. — herzouten, bw. Opnieuw zouten. Herzouting, v. — her-zuiveren, bw. Opnieuw zuiveren. Her-zuivertng, v. — herzwnvelen, bw. Opnieuw in gesmolten zwavel doopen. Her zwaveling, v. — herzwellen, ow. (zijn) Opnieuw zwellen.

hes, v. (-sen). Jongenskiel.

lleslodns (9® eeuw vóór Chr.) Grieksch dichter. Theogonie; Werken en Dagen (leerdicht).

hesp, v. (-en). Hieltje van eene ham. Ham.

hesper. Z:e Avondster.

het, bep. lidw. o. Pers. vnw. 3® pers. enkeiv.

heterodox,bn.Onrechtzinnig, anders-geloovend, andersleerend. Kettersch. — Heterodoxie, v.

heterogeen, bn. Ongelijkslachtig, ongeliiksoortig. Niet bij elkander passena, uiteenloopend.

hetgeen, hetgene, bep. vnw. lletman, m. (-s). Poolsch-Russische benaming voor aanvoerder, hoofdman, inz. der kozakken.

hette. Zie Hitte.

hetwelk, betr. vnw. — Hetzelfde, aanw. vnw. — Hetzelve, aanw. vnw.

hetzO, vw. Hetzij (dat) het regene of dondere.

hen, v. (-en), hende, v. (-n). Zeker koopvaardijschip met platten bodem.

heng, v. Smaak, zin. Tegen heug ea meug: met tegenzin.

hengel, ra. (-s). Haal. De getande ijzeren staat in eene dommekracht.

hengen, eenpw. heugde,heeft eeheugd. Geheugen. In herinnering zijn. Het zal u heugen : het zal u berouwen. — Heugenis, v. Geheugen. Herinnering. — Heuglijk, bn. bijw. Verblijdend. Genoeglijk. Gedenkwaardig. — Heug lijk hei d, v.

henker, m. (-s). Slijter in kruidenierswaren.

hertl, v. (-en). Zie Vlonder.

heul, o. Hulp. Troost. Bijstand.

heul, ra. Ruige heul: ruige klaproos. Zwarte heul : zwarte slaapbol, maanhol (zie Papaver). — Heulbloem, v. ^-en). Maankop. — Heulbol, ra. (-len). Slaapbol.

— Heulsap, o. (-pen). — Heulsiroop, heulstroop, v. — Heulzaad, O.


ocr page 296

HIEL — 1

Ixonlon, ow. heulde, heeft geheuld. Samenspannen. Het eens zijn. .Lotje trekken, naar de lijn gooien om te weten wie het eerst zal spelen. Zij heulden (kusten elkander) bij alle bruggen.

Iieiip, v. ( en). Het buitenste verheven deel der lenden. —Heupader, v. (-en).— Heupbeen, o. (-deren). — Heupbreuk, v. (-en). — heupgenorichf, o. (-en). — Heupgordel, m. ( s). — Heupjicht, v. — Heuppijn, v. — Heupwee, o. (-ën). — Heup-zweer, v. (..eren).

lie ii r, pers. vnw. Haar.

lien k'Ncli, lietirsi, m. (-en). Soort van wagen, dienende om booraen te vervoeren.

lieiiHOli, bn. bijw. Vriendelijk. Beleefd. Welgemeend. Oprecht. — Hetischelijk, bijw. — Heuschheid, v. (..heden).

Hen sell [ ]jr. de), ió38(?) - i67o(?) .Utrecht. Landschapschilder.

lieuvel, m. (-s, -en). Kleine hoogte ■ boven de oppervlakte der aarde. — Heu-j velachtig, heuvelig, bn. Ongelijk, oneffen ' van bodem. —- Heuvelhelling, heuvel' kling, v. (-en^. — Heuveltop, m. (-pen), lieve. Zie Hef.

lievel, m. (-s) Gebogen glazen of metalen buis nu t ongelijke armen, dienende om vloeistoffen over den rand der vaten heen over te tappen, zonder dat het vat wordt omgekanteld. Hefboom (der scheepstimmerlieden). — Hevelbarometer, ra. (-s). Zie Barometer. — Hevelvorviig, bn.

lievig?, bn. bijw. Snel : hevige vloed. Geweldig : hevig orkaan. Onstuimig : hevige zeegolven. Vinnig : hevig gevecht. Driftig : hevige gramschap. — Hevigheid, v. (..heden). Geweld. Sterkte. Daad van geweld. Hoo^e trap : de hevigheid van den storm, van de koude, enz. — Hevigli/k, bijw.

liexJiëder, o. (-s). Zesvlak.—Hexagoon,r\\. (..onen). Zeshoek. — Hexameter, ra. (-sh Zesvoetig vers.

Hexe (Die) Sotternie. Boerin Machtelt beklaagt aan Luutgaart den kreeftengang barer zaken Zij raadpleegt eene oude, op eenen vierweg. De drie worden handgemeen en het stuk eindigt met: Hier vechten si.

llej'deu [y. van der), 1637-1712, Go-rinchem. Schilder van stadsgezichten.

lle.Tiie [K. M.), 1837, Weiszenfcls. Buitrnl. rerdid der K. VI. Academie. Hooglceiaar (Göttingen). Kurze Laut-und F/fxionslehre der altergermatii-sehen Dia lek te (1862) ; Heliand (1865).

hisisit, m. Stooting van klinkers, o. (..aten). Gaping. Leemte.

li idam. (-s). Spaansch edelman van minderen rang.

Iiiel, m. (-en). Onderste .achterdeel van den voet, eene kous, eenen schoen, enz. Hak (van eenen schoen). Stiftje (aan eenen pijpekop): (Zeew.) Deel van eenen mast, va», ce kiel. lem. op de hielen zitten : van nabij volgen, aanzetten (tot het werk). Hij toonde zijne hielen : hij vluchtte. —Hiel-\been, o. (-derend. — lizelen, hielde, heeft jgehield. Ow. (Zeew.) Stooten (raet den 'hiel van de kiel). Bw. Van hielen of hakken voorzien. — Hieling, v. Het hielen, (-en).

2 — HIËR

Achterdeel van de kiel, van een kabeltouw^ oi van eene schaats. — Hieltngsplani, v. (..aten). — H: e lingssteek, m. (..eken). (Zeew.) Dubbele mastwerp. — IHeling5-totnv, o. (-en). Touw aan den hiel van eene schaats. — Hiellap, ra. (-pen). Hielleder.

— Hielleder, o. (-s)^ hie lieer, o. (-en). Leder, aan het achtereind van eene schaats.

— Hielmuil, v. (-en). Zekere pantoffel. — Hielring, ra. (-en). — Hielstuk, o. (-ken).

— Hin it ik, ra. Zie Hiltik. — Hieltje, o. (-s). Kleine hiel. Hieltje van eene hara, eenen schapebout, enz. — Htelvleugels, v. (-en). Vleugels aan den voet (van Mercu-rius, enz.).

Hiel (£quot;.),1834,S1 Gillis (Dendermonde). Bibliothecaris van 'tK. Nijverhei«1smuseuni (Brussel). Werkend lid der K. Vl. Academie. Dichter. De Wind (bekroonde cantate, 1864); Lucifer (oratorium, 1865); Volledige dichtwerken (1885).

liiep, bn. Hypochonder.

liier, bijw. Öp deze plaats, herwaarts. In dit land, in deze streek, enz. — Hieraan, bijw. Aan dit : hieraan is niets gelegen.— Hierachter, bijw. Achter dit. — Hieraf, bijw. Van dit. — Hierbeneden, bijw. Öp deze wereld. — Hierhenevens, bijw. Benevens dit. — Hierbij, bijw. Bij dit. — Hierbinnen, bijw. In deze plaats. In deze doos, enz. — Hierboven, bijw. Boven dit. In de andere wereld. — Hierbuiten, bijw. Buiten deze plaats. Buiten dit. Houd u hierbuiten : bemoei er u niet mede. — Hierdoor, bijw. Door deze plaats. Ten gevolge hiervan. — Hierheen, bijw. Langs hier. — Hierin, biiw. In deze plaats. In deze doos, enz. In deze zaak. Hierin hebt gij gelijk. — Hierlangs, bijw. Langs deze plaats.—Hiermede, bijw. Met dit. Wat wil hij hiermede doen? Hiermede eindig ik (slot van eene rede, van eenen brief, enz.).

— Hierna, bijw. Na dit. — Hiernaar, bijw. Naar dit. — Hiernaast, bijw. Naast dit. Hij woonde hiernaast : naast dit huis.

— Hiernamaals, bijw. In het andere leven. — Hiernevens, bijw. Hierbij: hiernevens vindt gij den kwijtbrief. —Hierom, bijw. Om deze reden. — Hieromheen, bijw. Rond dit. — Hier omstreeks, bijw.

— Hieromtrent, bijw. In de nabijheid. Ten opzichte dezer zaak. — Hieronder, bijw. Onder dit. — Hierop, bijw. Op deze plaats. Op dit punt. Naderhand, vervolgens. — Hierover, bijw. Aan de overzijde. Over deze zaak. — Hiertegen, bijw. Tegen dit. — Hiertegenover, bijw. Tegenover dit. — Hiertoe, bijw. Tot zoo ver. Hiertoe (om dit te doen) had hij geenen moed. — Hiertusschen, bijw. Tusschen dit en dat.

— Hieruit, bijw. Uit dit. Uit deze plaats, uit die plaats, die zaak. — Hiervan, bijw. Van dit. — Hiervoor, bijw. Voor dit. — fliervoren, bijw. Eertijds. — Hier zijn, o.

lilëi streliie, v. Rangorde, rangopvolging. De gezamenlijke ereestelijke stand der K. X. Kerk. Kerkelijke regeeringsvorm, priesterheerschappij.

liiëroiflyplte. v. \-n), lilërogllef, v. (-en). Beeldschrift (der oude Egyntena-ren). — Hiëroglyphisch, bn. Als oeeld-schrift. Onduidelijk geschreven.


ocr page 297

HIND — 2

hü. pers. vnw. 3® pers. mann. enkelv. liUlt;le, v. Zie Heede.

liüscn» ow.hijgde, heeft gehijgd. Moeilijk ademen. Buiten adem zijn. Naar iets hijgen : iets sterk verlangen. — Hijger, m. ( s;. — Hygitig, v. (-en). — Hjjgster, v. (-s).

liUlik, o. (-en). Huwelijk. —Hylikken, bw. hijlikte, heeft gehijlikt. Huwen. — Hylikrnakcr, m. Soort ran koek, die bij de gelegenheid van een huwelijk wordt opgodischt. (-s) Koppelaar.— Hijlikmaak-ster,\. (-s). Koppelaarster.

liü», liü^c, v. (..zen). Eene zijde gerookt vleesch.

bw heesch, heeftgeheschen. Ophalen duor middel van eene katrol. — Nysch, m. Het hijschen. — Hyschblok, o. en m. (-ken). — Hi/scher, m. (-s). — Hyschyzer, o. ( s). — Hyschfouw, o (-en). — Hijschtuig, o. (-en).

liHze. Zie Hijs.

hik, m.(-ken). Krampachtige,plotselinge beweging van bet middelrif, gepaard met eene dergelijke beweging van het strottenhoofd en eene snelle inademing, opgevolgd door een eigenaardig geluid. — flikken, ow. bikte, beeft gehikt. Den hik hebben.

Ilil4lebr»ult;l. .Monnik. Later Paus onder den naam van Gregorius VII.

lliltlcbrsiiMlslicd, o. Een der oudste gedenkteekenen uit de geschiedenis der Nederl. letteren. Is geechreven in half Hoog-, half Nederduitscb.trekkende eenigs-zins naar 't Frankische dialect, 't Is de tweestrijd tusschen den ouden Hildebrand, dienstman van Theodorik, Oostgotiscben vorst, en Hadubrand, zijnen zoon, die in den grijzen krijgsman zijnen vader niet wil erkennen. De verzen zijn in stafrijmen.

llilleg:eer (7.), 1805-1883, Beveren (Waas). Jezuïet. Schrijver van levens van heiligen en godsdienstige boeken.

lliiler {F. von), 1811-1885, Frankfort a/M. Duitsch componist. Der Iraum in der Christnacht (opera, 1844).

liillefje, o. (-s). De klep van eeue pomp.

liiltlk, liieltik, m. Bikkel. Koot. — HiLtiken, ow. hiltikto, heeft gehiltikt. Bikkelen.

llimalnya, m. = Sneeuwgebergte. De hoogste bergketen der aarde. Verheft zich in Midden-Azië op de grens van Tibet en Voor-Indië. (De Gaurisankar ol Mount EverestrtikX tot 8840met.).

tiliKlc, v. (-n). Wijfje van een hert. — Hindekalf, o. (..veren). Jong eener hinde.

1iin«ier, m. Beletsel. Schade. Pijnlijk of kwalijk gevoel. — Hinderen, bw. Beletten, tegenwerken. Belemmeren. Schaden. Een onaangenaam gevoel veroorzaken. — Hindering, v. (-en). Beletsel. Belemmering. — Hinderlaag, v. (..agen). Verborgene plaats, waar de vijand schuilt. Verraderlijke overval. Valstrik. — Hinderlijk, bn. bijw. Lastig. Belemmerend. Schadelijk. Onaangenaam, — Hindernis, v. (-sen). Stoornis. Belemmering. — Hinderpaal, m. (..alen). Verhindering. Beletsel.

llindoftlsamp;n. = Land der Hindoe*. 't Noorderlijk gedeelte van Voor-Indië,

3 — HITT

inz. de laagvlakte van de Indus en de Ganges.

hinkobaan, v. (..anen). Baan, welke men hinkende afhuppelt. — Hinkelaar, m. (-s). — Hinkelaar ster, v. (-s). —Hin~ kelt aan, v. (..anen). Hinkebaan. — Hinkelen, ow. hinkelde, heeft gehinkeld. Op éen b*en voortspringen. — Hinken, ow. hinkte, heeft gehinkt. Op éen beeu voortspringen. Mank loopen. Haperen : daar hinkt wat. Dat hinkt, sluit niet. Op twee gedachten hinken : besluiteloos zijn. Het hinkende paard komt achteraan : de grootste zwarigheden komen het laatst. — Hinkepink, m. en v. (-en). (SpotM Hinker. Hinkster.—Hinkepinken,o\\. hinkepinkte, beeft gehinkepinkt. Hinken. Mank loopen,

— Hinkepoot, m. (-en). Kreupele. — Hin~ ker, ra. (-s). — Hinking, v. (-en). — Hinkperk, o. (-en). Perk, waarin de kinderen hinken. — Hinkspel, o. (-en). — Hinkster, v. (-s).

hinniken, ow. hinnikte, heeft gehinnikt. Het natuurlijk geluid der paarden, Brieschen.

hipocraM, m. Kruiderwijn. Hippareliuw (160-125 voor Chr.). Nicoca (BitbyniëK De grondlegger der eigenlijke sterrenkunde.

hi|»|Mgt;l en, ow. hippelde, heeft gehippeld. Huppelen. Hippen, ow. hipte, heeft gehipt. Hippelen.

IH PI» o crates (460-377 (?) voor Chr.), Cos. Gricksch geneesheer. « De vader der geneeskunde. »

Hippocrene, Hippocreeu, v, Hengstebron.

Ilireanus (y.), 135-107 (voor Chr.), Vernielde de stad Samaria, verwoestte den tempel en deed de Idumeërs Mozes' wet aanvaarden. Onderzijn bestuur ontstonden de Fariseërs, de Sadduceërs enz.

lliru {G. j4.), 1815-1890, Logelbach (Kolmar). Natuurkundige.

iiim, v. Gierst. — Hirsgras, o. Uitgebreid gierstgras.

liiMlorle, v. (..iën, -s). Geschiedenis, Natuurlijke historie : de dierkunde, do plantenkunde en de delfstofkunde. Voorval, geval, gebeurtenis : eene aardige historie. Vertelling, vertelsel : de historie van Uilenspiegel. Zaak ; dat is eene andere historie, dat is wat anders. — Historieblad, o. (-eren). — Historieschilder, ra, (-si. — Historieschrijver, ra. (-s). Geschiedschrijver. — Historiestuk, o. (-ken),

— Historietrek, m. (-ken). — Historisch, bn. Geschiedkundig. Gebeurd.

hit, m. (-ten). Klein rijpaard. — Hitten-wagen, m. (-s).

hitsen, bw. hitste, heeft gehitst. Aanzetten. Aanvuren. — Hitsig, bn. Zeer vurig, driftig. Wulpsch. — Hitsigheid, v.

hitte, hette, v. Toestand van iets, dat zeer heet is : de hitte van het vuur. Verhoogde warmtegraad der lucht: er heerscht eene ondraaglijke hitte. Smartelijk gevoel van hiite : de hitte der koorts. Hooge mate van bi geerte, werkzaamneid, drift : in de hitte der jeugd, de hitte van den strijd, de hitte van de vervolging. — Hittemeter, ra, (-s). — Hitttpyp, v. (• en). — Hittepuist'


ocr page 298

HOED — 2

jes, o. (Geneesk.) Brandende puistjes als gfierstkorrels. — Hittig, bn. Heet. Hitsig.

— Hïttigheid, v. — Htiiiglyk, bijw. lio, tw. Sta stil! Houd op!

bobbel, m. (-s). Bobbel. Knobbel.

Oneffenheid. In den hobbel : in de war. — Hobbelig, bn. Oneffen. Onvast, golvend.

— Hobbeligheid, v. (..heden), bobbelen, ow. hobbelde, heeft gehobbeld. Zich heen en weer bewegen. Zich

Ïolvend bewegen : in een bootje hobbelen, 'raag voortgaan. Sammelen. Stamelen. — olvend bewegen : in een bootje hobbelen, 'raag voortgaan. Sammelen. Stamelen. — Hobbelaar, m. (-s). — Hobbelbek, m. en v. (-ken). Stamelaar, stamelaarster. — Hob-beling, v. (-en). — Hobbelpaard, o. (-en). Houten paard, op een halfrond geplaatst. Stok, waarop de kinderen paardje lijden.

— Hobbelstoel, m. (-en). Wiegelstoel. HobbemsA {M), 1638 1709, Arasterdam. Landschapschilder. Het bosc/i; Watermolen.

bobben, ow. bobde, heeft gebobd. Hobbelen. lem. laten bobben en tobben, hem laten begaan.

bobo, v. (-'s). Houten blaasinstrument, omstreeks 1650 uitgevonden en in 1727 door G. Hoffman verbeterd. — Hoboïst, m. ( s), hobospeler, m. (-s).

boo, bijw. Op wat wijze. Hoe langer hoe beter : hoe langer het duurt, hoe beter het gaat. Hoe of wat : het eene of het andere, o. Waarom : hij wil het hoe van elke zaak weten.

lloecke {van\, 10 (y.), 1611-1651. Historieschilder. Christus aan het kruis; 20 (/?.), 1622-1668. Schilder. Feest op het y's in de vestinggrachten van Oostende.

boed,o. (-en|. (Eert.) Nederl. inhoudsmaat = 11,7268 nectolit. voor steenkolen, 9,712 hectolit. voor kalk.

boed, m. (-en). Hoofddeksel (van mannen of vrouwen). De Paus heeft hem den rooden hoed opgezet, hem kardinaal uitgeroepen. Hoeden at : ontdekt u! — Hoede-band, m. (-en). Lint, boordsel van eenen hoed. —Hoedebodetn, m. (-s).— Hoede-bol, m. (-len). — Hoededoos, v. (..zen). — Hoede foedraal, o. (..alen). Hoedenover-trek. —Hoe de gesp, m. en v. (-en). — Hoede kap, v. (-pen). Kap, voeling in eenen hoed. — Hoedelint, o. (-en). — Hoedepluim, v. (-en). — Hoedenband, o. Lint voor hoeden. — Hoedenborstel, m. (-s). — Hoeden fabriek, v. (-en). — Hoeden fabrikant, m. (-en). — Hoe dengarneersel, o.

— Hoedenkooper, m. (-s). — Hoedenkoop-man, m. (-s, ..lieden). — Hoedenkramer, m. (-s). — Hoedenkraamster, v. (-s). — Hoedenlint, o. Lint, om op of om hoeden te doen. — Hoedenmaakster, v. (-s). — Hoedenmaken, o. — Hoedenmaker, m.

Hoedenmaker-ij, v. ( en), hoeden-tnaking.—Hoedenmakersboog,ra.{. .ogen).

— Hoeden makers^ ild, o. — Hoedenop-maker, m. (-s). — Hoedenovertrek, o. (-ken). — Hoedenstoffeerder, m. (-s). — Hoedenstoffeerster, v. (-s). —Hoeden zilt, O. — Hoedenwinkel, m. (-s).

boedanis:, vr. en betr. vnw. Welk eén. Wat voor een. — Hoe da n igerwy ze, ..wy,s,bijw. — Hoedanigheid, v. (..heden). Eigenschap, geaardheid, qualiteit. Inborst.

4 — HOEK

lioede, v. Bescherming, verzorging, voorzorg. God neme u onder zijne hoede. Wees op uwe hoede : neem u in acht.

— Hoeden, bw. hoedde, heeft gehoed. Het opzicht hebben (over) om voor nadeel te beschutten. Ter weide leiden, bewaken : schapen hoeden. Zich hoeden, ww. Zich in acht nemen. — Hoeder, m. (-s). Beschermer. Bewaarder. Geleider. — Hoedster, v. (-s).

boef, v. (..ven), boeve, v. (-n). Hofstede.

boef, m. (..ven). Hoornachtig gedeelte van den voet eens paards, enz. — Hoef-drukking, v. — Hoef hamer, m. (-s). Hamer van den hoefsmid. — Hoefijzer, o. (-s). Gebogen ijzer, dat wordt vastgemaakt aan den hoel der paarden, enz. — Hoef-yzervormig, bn. — Hoef mes, o. (-sen). Zie Veegmes. — Hoefnagel, m. (-s). — Hoefslag, m. (-en). Slag van een paard, enz. Gedeelte van eenen dijk, enz. door den eigenaar eener hoeve te onderhouden. Woning, verblijfplaats. Standplaats der troepen. Kring, bereik: dat is buiten mijnen hoefslag. — Hoefsmederij, v. (-en). — Hoefsmid, va. (..eden). —Hoefsmidtasch, v. (..sschen). — Hcefsmidszak, m. (-ken).

— Hoefstal, m. (-len). Stal, waarin da paarden worden beslagen. — Hoef spijker, m. (-s). — Hoefsternpel, m. (-s). Zeker werktuig der hoefsmeden. — Hoefvor-mig, bn.

boefblstd, o. Overblijvende, in Maart en April bloeiende, op vochtige plaatsen, in klei- en kalkachtige gronden voorkomende, inlandsche plant (Tussilago Far-far a). Behooit tot de samengesteldbloe-migen.

boefljzerneus, m. (..zen). (Degroote en de kleine). Zijn twee soorten vleermuizen.

boef kruid, o. Hoefblad.

boesrcnitstn|lt;lgt; bijw. In wat het ook weze ; ik zal hem hoegenaamd geen kwaad doen. Er was-hoegenaamd (volstrekt) niets van.

boegrootbeld, v. Bepaalde grootheid van iets. Bedrag. Inhoud. Omvang.

boek, m. (-en). Spitse kant : op den hoek der bank. Het uiterste einde : op den hoek der straat. Bocht, kromming ; die weg maakt daar eenen hoek. Verborgene plaats: al de hoeken van een huis onderzoekeu. Afgelegene plaats : die stad heeft aardige hoeken. Schuilplaats : een eenzaam hoekje. Kaap : eenen hoek omzeilen. De vier hoeken (ruiten) van een schild. (Meetk.) Twee samenloopende lijnen vormen eenen hoek. De twee samenloopende lijnen zijn de zijden en het punt, waar zij samenloopen, het hoekpunt van den hoek. Twee samenloopende ribben van den balk, vormen eenen rechten hoek. De hoek, kleiner dan een rechte hoek, heet scherpe hoek ; de hoek, grooter dan een rechte hoek, stompe hoek. Hij is den hoek om : hij is overleden. Uit den hoek, voor den dag komen. — Hoekachtig, bn. bijw. — Hoekbalk, m. (-en).—Hoe kb and, m. (-en). — Hoekbeslag, o. Band aan hoeken van koffers. — Hoekbank, v. (-en). Toonbank. — Hoek-


ocr page 299

HOEK — 2

\iujfet, o. (-ten). Bergplaats in eenen hoek voor flesschen en glazen. — Hoekhuis, o. (..zen).— Hoekig, bn. —Hoekigheid, v.— Hoekijzer, o. (-s). IJzeren beslag op eenen hoek van eenen muur. — Hoekkas, v. (-sen). — Hoekkast, v. (-en). — Hoekkeper, v. (-s). Bindbalk van eenen hoek. — Hoeklyn, v. (-enK Diagonaal. — Hoekman, m. (-nen). (Zeew.) Mansbeeld, tot sieraad aan de hoeken van •den spiegel van een schip geplaatst. — Hoekmeetkundet v. — Hoekmeter, m.

(-s). Werktuig om hoeken te meten. Een halve cirkelomtrek, uit koper of doorschijnend been vervaardigd en verdeeld in 1800. — Hoekmuur, m. (..uren). — Hoekpilaar, m. (..aren). — Hoekpyler, m. (-s). — Hoekpiiuster, m. ( s). — Hoekpost, m. (-en). — Hoekpleistering, v. (-en). — Hoekpunt, o. (-en). Zie Hoek. — Hoek-puntslyn, v. (-en). Diagonaal. — Hoeksch, bn. In den vorm van eenen hoek. — Hoekspar, v. (-ren). Hoekpeper. — Hoeksteen, m. (-en). Sluitsteen. Steunpunt. Spil, waar alles om draait. — Hoek-stempel, m. (-s). Zeker boekbindersgereedschap. — Hoekstijl, m. (-en). — Hoeks-•wyze, ..wijs, bijvv. — Hoektand, m. (-en). Oogland. — Hoekvenster, o. en v. (-s). — Hoekvijl, v. (-en). Hoekige vijl. — Hoek-vormig, bn. — Hoekvorst, v. (-en). Grooté dakpan. — Hoekwant, o. Vischnet met angels. — Hoekzak, m. (-ken). Een der zakken aan de hoeken van den biljart. — Hoekzutl, v. (-en).

lioekboof, v. (-en). Hoeker, lioeker, m. (-s). Vaartuig, dat met hoekwant vischt. Lastschip, dat op zulk een vaartuig gelijkt.

HoekfK'liv, m. en v. (-n). Partijganger van Margareta van Henegouw. De tegenstander, onder het vaandel van Willem V,

5 — HOES

zoon van Margareta, werd Kabeljauwsche genoemd. De Hoekschen droegen roode, de Kabeljauwschen grauwe mutsen. De Hoekschen hadden meesttijds de bovenhand. Maximiliaan echter bracht hun den genadeslag toe door de inneming van Sluis (Vlaanderen). Deze burgerkrijg duurde van 1350 tot 1492.

lioclangr (tof-), bijw. Tot wanneer.

lioen, o. (-deren, -ders). [Hoentje, o. hoentjes en hoendertjes]. Tamme huisvogel (^//«5 zoowel van haan als van ben gezegd. Dient tot spijs. De eieren der hoenders zijn meest algemeen in gebruik. Kip. Hen. (Onder den naam hoenders begrijpt men niet alleen hennen of kippen, maar alle vogels, die zich in vorm en wezen het naast aan onze tamme hoenders en fazanten aansluiten). — Hoenderachtig, bn. — Hoenderborst, v. (-en).

— Hoenderbout,m. (-en). —Hoender dief, m. (..ven). — Hoender drek, m. —Hoenderei, o. (-eren). — Hoendereten, o. — Hoenderhof, m. (..ven). — Hoenderhok,y o. (-ken). — Hoenderkooper, m. (-s). — Hoenderkoopster, v. (-s). — Hoenderkorf,} m. (..ven). — Hoendermaag, v. (..agen)i. Maag van het hoen. Eene hoendermaag* hebben : elk oogenblik kunnen eten. —l' Hocndèrmand, v. — Hoender-markt, v. (-en). — Hoendermelk, v. (Plantenk.) Vogelmelk. Een ofmeer versche eidooiers, met warm water en suiker gemengd. — Hoendermelker, m. (-s). Kippenhouder.

— Hoender mest, m. — Hoendernest, o. en m. (-en). — Hoenderpastei, v. (-en). — 1 Hoender poot, m. (-en). — Hoender rek, o. (-ken). —Hoendersoep, v. (-en). — Hoendersoort, v. (-en). — Hoendervleesch, o.

— Hoendervlerk, v. (-en). — Hoender-vleugel,m. (-en, -s). — Hoendervoeder, o.

Iioep, m. (-en). Ring zonder ingelegde steenen. Band van tonnen en vaten. Wrong om het hoofd. — Hoep ring, m. (-en). Ring (zonder juweel).

Iioepjol, m. (-s). Band om vaatwerk. (Zeew.) Konde merkel. — Hoepelen, ow. hoepelde, heeft gehoepeld. Met den noepel spelen.— Hoepelhaak, m. (..aken). Zeker kuipersgereedschap. — Hoepelkooper, m. (-s). — Hoepelmaker, m. (-s). — Hoepel' rok, m. (-ken). Wijde rok, om eenen hoepel van balein zittende. — Hoepelspel, o.

— Hoepelstok, m. (-ken). — Hoepeltyd, m. Tijd, waarin de kinderen met den hoepel: spelen. — Hoephout, o. Hout tot hoepels, i

— Hoeptang, v. (-en). Werktuig om hoepels rond eene ton te leggen,

lioer, v. (-en). Ontuchtig vrouwspersoon. — Hoer eer en, ow. hoereerde, heeft gehoereerd.

lioers», tw. Hoezee 1

hoes, v. (..zen). Linnen overtrek voor stoelen (enz.).

boest, m. Plotselinge en gedwongen uitademing, gewoonlijk gepaard met de voortbrenging van geluid. Wordt teweeg-et bracht door prikkeling van het slijmvlies der luchtwegen. Ik heb er den hoest van : ik ben het moede, ik geef er niet om. — j Hoesten, hoestte, heeft gehoest. Ow. Den 1 hoest hebben. Bw. Hij hoest hem wat: hij I


ocr page 300

HOF — 2

bekreunt zich niet om hem. — Hoesfer, m. (-s). — Hoest ster, v. (-s). — Hoestmiddel, o. (-en) Middel tegen den hoest. — Hoest-stillend, bn.

liootclen, ow. hoetelde, heeft gehoe-teld. Broddelen. Knoeien. — Hoetelaar, m. (-s). — Hoetelaarster, v. (-s). — hoe-telary, v. (-en). —HoetelTverk, o. hoove, v. ( n). Zie Hoef.

hocTcd, bijw. Van welk bedrag. Welk getal. — Hoeveelheid, v. (..heden). Groo-ter of kleiner getal. Aantal. Menigte. (Re-kenk.) Verzameling van gelijksooitige eenheden. — Hoeveelste^ oubcp. rangs. telw.

lioevon, hoefde, heeft gehoef.1. Bw. Noodig hebben : wat hoeft gij ? Ow. Noodig «in : ik zou er niet hoeven te gaan. Eenpw. Het hoeft niet.

Hoeven {A. des Atnorie van der), 1798-1855, Rotterdam . Kanselredenaar. Leerredenen (1835); Redevoeringen (1845).

ihoeveiiasir, m. (-s, ..aren). Pachter. Bouwman.

lioever, lioeverre, bijw. Op welken afstand. — Hoewel, vw. Ofschoon. — Hoezee, tw. Drukt vreugde of blijdschap uit. — Hoezeer, vw. Ofschoon.

hof, o. (..ven). Vorstelijk verblijf, vorstelijk paleis. De vorst en zijne hovelingen. Gerechtshof, rechtbank. De rechters, die daar vergaderen. Godsnienstig of weldadig gesticht; Begijnhof. Vrij hof: volle vrijheid. Open hof : open, vrije tafel. Het hof maken : hulde bewijzen. — Hofadel, bn. — Hof apotheek, v. (..eken). — Hofapothe-ker, m. (-s). — Hofarts, m. (-en). — Hof-iakker, m. (-s).—Hof bakkerij, v, (-en).

— Hofbarbier, m. (-s). — Hofbeambte, ra. (-n). — Hofbediende, m. (-n).— Hof behanger, ra. (-s). — Hof bibliotheek, v. (..eken). — Hofboeken)', v. (-en). — Hofdame, v. (-s). — Hofdienst, ra. (-en). — Hof drukker, ra. (-s). — Hofgebruik, o. (-en). — Hof gek, ra. (-ken). Ingebeelde adellijke. Hofnar. —Hofgerecht, o. (-en). Oppergerechtshof. — Hofgezinde, o. Al de hofbedienden. — Hof heer, ra. (-en). — Hofhouding, v. (-en). Het gezin van den vorst met de bedienden. De kosten daartoe benoodigd, — Hof jager, ra. (-s). — Hof-i'agermeester, hof jachtmeester, ra. (-s).

— Hofjonker, ra. (-s). — Hofjonkvrouw, 7. (-en), hofjuffer, v. (-s). — Hofkanse-lier, m. (-en, -s). — Hofkapel, o. (-len). Kapel aan een hof. Gebouw voor muziekuitvoeringen. Korps muzikanten van eenen vorst. — Hofkapelaan, m. (..anen). — Hof kapper, ra. (-s). — Hofkerk, v. (-en).

— Hofkok, ra. (-s). —Hofkuiper, in. (-s).

— Hoflakei, ra. (-en). — Hofleven, o. — Hofleverancier, ra. (-s). — Hoflieden, ra. nv. — Hoflucht, v. (Fig.) De manieren, ie verdorvenheid van een hof. — Hof-•naarschalk, ra. (-en). — Hofmeester, ra. ,-s). Opzichter eener hofhouding. Opvoeder van eenen vorst. Opzichter der spijzen, enz. (op schepen). (Middel.) Iedere villa werd bestuurd door eenen hofmeester {vil-licus of major genoemd), die niet alleen zijn algemeen bewind had, raaar ook het opzicht over de landbouwers en hunne bezigheden. Aan *1. vorsten hof was de

6 — HOK

hofmeester opzichter van de goederen en het huis des konings. Na den dood van Dagobert traden de hofmeesters in het Staatsbewind op. De schaduwkoniiiKen gaven hun het bestuur des lands. Van toen af hadden zij een onbepaald gezag en den titel van hertog. De voornaamste : Pepijn van Landen, Grimoald, Pepiin van Herstal, Karei Martel, Pepijn de Korte. — Hof-meesterschap, o. — Hofmeier, m. ( s). Hofmeester. — Hofnar, m. (-ren). (Oudt.) Persoon aan een hof geplaatst tot vermaak der hovelingen, maar die de vrijheid had hun scherpe waarheden te doen hooren. — Hof party, v. (-en). — Hofplaats, v. ( en). Residen ie van het hof. — Hofpoort, v. (-en). Poort van het hof. — Hof pop, v. (-pen). Ingebeelde hofdame. — Hofprediker, m. (-s). — Hofraad, ra. (..aden). Eeretitel (inz. in Duitschland) aan geleerden, enz. gegeven. Lid van een hoog gerechtshof. Zulk gerechtshof zelf. — Hofrecht, o. (-en). Recht aan de hoven in zwang. — Hofrechter, ra. (-s). — Hofrouw, ra. — Hofschenker, m. (-s). — Hofschilder, m. (-s). — Hof schouwburg, ra. (-en). — Hof slachter, m. (-s). — Hof sleep, ' hofstoet, m. — Hofstaat, ra. Hofhouding. — Hof staatsie, v. — Hofstad, v. (..steden). Residentie van eenen vorst. — Hof-stalmeester, m. (-s). — Hofverga dering, v. (-en). —Hofwacht, v.

hor, o. (..ven). Hofstede, inz. de woning (metstallen, schuren en plein) van den landbouwer. — Hofgat, o. De ingang tot een hof.

hof, ra. (..ven). Tuin. — Hof bed, o. (-den). Tuinbed. — Hofoloem, v. (-en). — Hof gereedschappen, o. rav. — Hofgewas, o. (-sen). — Hofgracht, v. (-en). — Hofhond, ra. (-en). — Hof huisje, o. (-s). Tuinhuis. — Hofje, o. (-s). Kleine tuin. Inrichting voor oude lieden. — Hofkamer, v. (-s, -en). Tuinkamer. — Hofkornijn, v. Wilde komijn. — Hof kruiden, o. mv. Moeskruiden. — Hoflaan, v. (..anen). Laan, dreef in eenen tuin. — Hofpoort, v. (-en). Poort van den hof.

Hofdlfb (^. 7.), 1816-1888, Alkmaar. Proza : Historische Landschappen (1856); Ons Voorgeslacht (iSsS-'óz). Gedichten : Kennemerland (balladen, 1849-'gt;52); Itt 't harte van Java (1881).

hoflrelQk, bn. bijw. Wellevend, beleefd. Op beleefde wijze. — Hoffelijkheid, v. (..heden).

Hoffmann von Fal Eersleb en. {A. H.), 1798-1874, Fallersleben. Duitsch dichter en taalgeleerde. Horoe Belgicae, (12 dln. xS$o-'62). Gedichten (6® dr. 1864) p Streiflichéer (1873).

hofstede, hofstee, v. (..steden). Hof (20 art.). — Hofstedeken, hof steetje, o. (-s).,

hog:, ra. (-gen). Scheepsschrabber. Hoggen, bw. hogde, heeft gehogd. (Sche-J pen) Met den hog reinigen.

Hoffarth {IV.), 1697-1764, Londen. Teekenaar en graveerder.

Hosrendorp KP. K. graaf van), 1762-1834, Rotterdam. Staatsman en proiaschrij-' ver.

hok, o. (-ken). Besloten plaats, tot her-


ocr page 301

HOLB — 2

ging, inz. van vee. Kot. Nest. Vuile woning. (Zeew.) Een schip in het hok krijgen, op stapel halen. Bij iem. het hok inkrijgen : het vertrouwen van iemand winnen.

— Hok duif, v. (..ven). Gewone duif. — Hokhondy ra. (-en). Kettinghond. — Hok-keling, m. en v. (-en). Eenjarig kalf. Lang opgeschoten kind. — Hokken, hokte, heeft gehokt. Bw. In een hok bergen. Ow. In een hok zitten. (Kaartsp.) Het hokt bij hem : hij heeft geene kaart, die volgt. Daar hokt (hapert) het. Altijd bij het vuur hokken : kouwelijk zijn. — Hokkerig, bn. Hokkerig huis ; onregelmatig huis met kleine kamers. — Hokkonyn, o. (-nen). Tam konijn. — Hokspel, o. (-en). Zeker kaartspel. — Hokvast, bn. Aan zijn huis gehecht, het weinig verlatende.

hol, bn. bijw. Inwendig ledig : holle boora. Ingebogen in het raidden : holle

f lazen. Ingezonken : holle kaken. Diep : lazen. Ingezonken : holle kaken. Diep :

olie stem. Onstuimig : holle zee. In het holle of holst (in het midden, in het diepst) van den nacht. Los, onsterk : hol linnen. Het holle van de hand, den voet, enz. Hol over bol wegloopen : zich in allerijl uit de voeten maken. Hol over bol liggen : zeer oneenig zijn onder elkander. Ht-t zal er hol gaan : er zal niet weinig getwist worden. — Hol, o. (-en). Spelonk, grot: in een hol wonen. Nest van roofdieren : de tijger ligt in zijn hol. Romp van een vaartuig : in het hol van het schip vallen. Gat : hol in eene kous, hij viel een hol in zijn hoofd. — Holachtig, bn. —Holader, v. (-s, -en). Zie Hart. — Holbeitel, ra. (-s). Guts. — Holbewoners, ra. rav. Naara van een en in aardholen ^thiopischen volksstam. Een in holen of onderaardsche verblijven levend volk, die hun gewoon verblijf hebben onder den grond, gelijk de mijnwerkers van Zwe den, enz.— Holboor,v. (..oren).— Holbuik, ra. en v. (-en).Vraat. Slokop.— Holjluit, v. (-en). — Holheid, v. — Holyzer, o. (-s). Guts. — Holkeel, v. (..elen). (Bouwk.) Holle lijst. (Hor.) Holte, gaatje. — Holkeel, ra. en v. (..elen). Schreeuwer, schreeuwster. Vraat. — Holkeelschaaf, v. (..aven). Lijstschaaf. — Holligheid, v. (..heden). Kleine holte, ruirate, verdieping.

— Holoogig, bn. Met holle oogen. — Hol-Pi/Pi v. (Plantenk.) Herraoes, v. (-en). Niet gedekte orgelpijp van wijden omvang en zachten, vollen fluittoon. — Holrond, bn.

— Holrondheid, v. — Halsblok, holleblok, o. en ra. (-ken). Houten schoen. Klomp. Log raensch. — Holte, v. (-n). Ruimte. Holligheid. Kuil. — Holwan-gïf, bn.

liol, ra. Op (den} ho'. raken : aan 't hollen gaan, losbandig worden. Zijn hoofd is op hol : hij weet niet wat hij doet. Icm. het hoold op hol brengen, hem van den rechten weg afbrengen.

Hol (/?.), 1825, Amsterdam. Organist (Utrecht). Toondichter.

liolst, liollst, tw. Gebruikt om stil te doen houden.

Holbein (H.), 1498-1554, Augsburg. Portretschilder. JJe Ma don a des burgemeesters Meier.

Holberg (•£• von), 1684-1754, Bergen.

7 — HOMO

Dichter. De vader der Deensche letter' kunde. Blijspelen.

liolltollis;, bn. bijw. Grappig. Kluchtig. Luimig.

liol«lcrlt;lelgt;oldor, bijw. Onderst boven. Soms zelfst. gebruikt : holderdebolder liep ovi r den zolder.

lioll». Zie Hola.

Ilollund, o. Nederland. —Hollander, ra. lt;-s). Bewoner van Holland. — Hol' landsch, bn. — Hollandseh, o. Het Ne-derduitsch dialect der provincies Holland. Sedert het einde der ié® eeuw, werd het in Noord-Nederland de plaatsvervanger van Dietsch (z. d. w.) en geldt sinds dien, daar en in den vreemde, als synoniem van Ne-derlandsch. Dat is goed Hollandsch : dat is ronde taal.

iiollsiiidcr, ra. (-s). Maal- of roerbak (werktuig bij de papierbereiding).

hollen, ow. holde, heeft en is gehold. Hard loopen, rennen (inz. van paarden). Niet meer naar den teugel luisteren.

holmuut, v. (-en). Goud- of zilvermunt met een verheven stempel op de eene zijde.

IIoloferucK. Veldheer van Nabucho-donozor. Werd om het leven gebracht door Judith.

holster, ra. (-s). Pistool-foedraal. Koker (aan eenen zadel). Knapzak. — Holster kap, v. (-pen). — Holstermaker, m. (-s).

Hölty {L. H. C), 1748-1776, Mariensee (Hannover). Duitsch dichter.

hom, v. (-raen). Melk van mannetjes-visch. Strook (aan een overhemd).

hombanr», ra. (..zen). Mannetjes-baars. — Hombokking, ra. (-en). Mannetjesbokking. — Homharmg, ra. (-en). Mannetjesharing. — Homkarper, in. (-s). Mannetjeskarper.

liomelie, v. (..iën). Kanselrede. Homerns. Omtrent de afkomst, den leeftijd en de geschiedenis van dezen be-roemdsten aller dichters heerscht groote onzekerheid. Zelfs wordt door sommigen zijn bestaan in twijfel getrokken. Naar 't algemeen gevoelen was hij een lonier. Sommigen plaatsen zijnen leeftijd in de 9% anderen, in de n* eeuw vóór Chr. Ilias i Odyssea.

liommcl, v. (-s). Mannetjesbij. Hommels ; geslacht van wilde bijen {bombus), ■ Tafelschuimer.

hommcleu, ow. bommelde, heeft ge-hommeid. Gonzen. Mompelen. — Hom-meling, v.

hommeles, bijw. 't Is er hommeles : er is twist, verdeeldheid.

hommer, ra. (-s). Mannetjesvisch. hommer, ra. (-s). (Zeew.) Dikte onder den top eener steng, welke daar g«*latea wordt om de zaling en het want over to halen. — Hommergat, o. (-en). (Zeew.) Gat boven in de toppen der marsstengen. — Hommerstukken, o. mv.

homoeopathie, v. Geneeswijze door hetgeen de kwaal zelve verwekt. — Ho-mocopaat, ra. (..aten). Aanhanger van do homoeopathie. — Homceopathisch, bn. homosreeu, bn. Gelijkaardig, gelijk*-


ocr page 302

HOND — 2

•oortig. Eén van stelsel, van aard. Eén van denkwijze. — Homogeniteit, v.

tiomologrcercii, bw. homologeerde, beeft gehomologeerd. Bekrachtigen.^ Gerechtelijk goedkeuren of bekrachtigen. Rechtskracht verleenen. — Homologatie, V. (..iën, -s).

liomonlem, o. (-en). Gelijknamig, gelijk luidend woord. — Ho/»toniem, bn. Gelijknamig.

bomp, v. (-en). Ongeschikt dik stuk : eene homp brood.

liompeleii, ow. hompelde, heeft en is gehompeld. Hinken. Mank of kreupel gaan. Struikelen. — Hompelaar, m. (-s). — Hompe laar ster, y. {-s). — Hompeling, v. (-en). — Hompelig, bn. Hinkend. Kreupel. Hompelvoet, m. en v. (-en). Kreupele.

liomviscli, m. (..sschen). Hommer (i« art.).

IioimI, ra. (-en). [Cam's ftimiliaris) Behoort tot de vleeschetende zoogdieren. Hoofdrassen : doggen en bulhonden, met korten, breeden kop, en dikwijls dit-p gespleten neus (de mopshond moet hieronder gerekend worden) ; quot;Windhonden, slanke dieren met hooge pooten (hieronder behoort ook de dingo van Nieuw-Holland); spitshonden, met spitsen snuit, spitse ooren en lang haar (hieronder behooren de herdershonden) ; dashonden, zeer geschikt voor de jacht op vossen, dassen en konijnen; jachthonden, ook staande honden en patrijshonden genoemd; poedels met kroes, wollig haar. Tot de familie der honden onder de roofdieren behooren ; wolf, jakhals, vos, poolvos en huishond. Een hond van een kerel : een verachtelijk en vuilaardig mensch. De Groote Hond, Sterrenbeeld ten Z.-Ü. van Orion, vooral kenbaar aan zijn helderste ster, die van de eerste grootte is, Sirius, ook Hondsster geheeten. De kleine Hond, sterrenbeeld aan den oostelijken zoom van den Melkweg. — Hondebed, o. (-den). Hard, slecht bed. — Honde(n)drek, m. — Hondefok, v. (-ken). (Zeew.). — Honde(n)geblaf, o.

— Hondejong, o. (-en). — Hondeketting, i m. (-en). — Hondekeutel, v. (-s). — Hondekot, o. (-ten/. — Hondemuil, ni. (-en). —• Honden, ow. (hebben) 't Zaï er honden ; er zullen slagen vallen. — Hondenaam, m. ( .amen). Naam aan honden gegeven. Gemeene schimpnaam. — Hondenbaantje, o. (-s). Hondenwerk. — Hondenbak, m. (-ken). — Hondenbegrafenis, , v. (-sen). — Hondenbelasting, v. (-en). — |Hondenbrood, o. (-en). Zwart, slecht brood. -- Hondendokter, ra. (-s^. — Ho7i-denendjes, o. mv. (Zeew.). Oude stukken kabeltouw. — Hondenest, o. en m. (-en).

— Hondeneus, m. (..zen). lem., die weet te raden waar wat lekkers te eten valt. — Hondengeblaf, o. — Hondengek, ra. (-ken). Dwaze liefhebber van honden. — Hondengeslacht, o. — Hondenhaar, o.

— Hondenhok, o. (-ken). — Hondenhuis, o. (..zen). Groot hok voor honden. — Hondenjongen, m. (-s). Oppasser van honden. Deugniet. — Hondenkost, m. — Honden-le(d)er, o. — Hondenleven, o. Ellendig, rampzalig leven.—Hondenmarkt, v. (-en).

8 — HOND

— Hondenoog, o. en v. (-en). — Hondenoor, o. en v. (-en). — Hondenras, o. (-sen),

— Hondenroep, m. (Jag.) Het terugroepen der honden. — Hondenslager, m. (-s). Persoon aangesteld om de losloopende hon« den dood te slaan. — Hondenwacht, v. (Zeew.) Nachtwacht van 12 tot 4 uren. —« Hondenwagen, m. (-s). — Hondenweer, o. Zeer slecht weer. — Hondenwerk, o. Onpleizierig, onaangenaam werk. — Hondenziekte, v. (-n). — Hondenzweep, v. (-en). — Hondepint, o. (Zeew.) Stoppers.

— Hondepunt, v. (-en). Puntig toeloopend eind touw. — Hondesnoet, hondesnuit, m. (-en). — Hondestaart, m. (-en). — Hondetong, v. (-en). Paardenbloem. — Honde-tuig, o. (-en). — Hondevel, o. (-en)._ — Honde(n)vet, o. — Hondje, o. (-s). Klein« hond. (Oud.) Benaming van een dubbeltje. Mijn hondje : lief kind. Van het hondje gebeten : trotsch, ingebeeld. — Hondjeshout, o. Hondsboom. — Hondsaap, m. (..apen). B iviaan.—Hondsbeet, ra.(..eten).

— Hondsblaar, v. (..aren). Soort van gezwel. — Hondsbloem, v. (-en). Paardenbloem. — hondsboom, m. (-en). Heester, tot de familie der wegedoornachtigt;:en be-hoorende. — Hondsch, bn. bijw. Van, als een hond. Onbeschoft. Vuil. Onkuisch. — Hondschheid, v. — Hondsdagen, m. rav. De warmste dagen van het jaar. In Nederlandsche almanakken staan de Hondsdagen aangeteekend van 19 Juli tot 18 Aug., in Duitsche, van 23 Juli tot 23 Aug., in Engelsche, van 3 Juli tot 11 Aug. — Hondsdistel, v. (-s). Stinkende kamiUe. — Hondsdolheid, v. Ziekte, die bij honden, wolven, vossen en katten vanzelf kan ontstaan en dan aan hun speeksel eene vergiftige eigenschap mededeelt, zóódanig dat dit bij andere dieren en bij de raenschen dezelfde ziekte kan veroorzaken. Heeft meestal een doodelijken afloop. — Hondsdraf, v. Plant {Glechoma hederacea), die algemeen in boschrijke streken, onder 't geboomte, in tuinen en aan de wegen voorkomt. — Hondsgesternte, hondsge-starnte, o. — Hondsgras, o. Gewoon hondsgras : triticum repens. — Hondshaai,™.. (-en).— Hondshonger, ra. Geeuwhonger. — Hondskop, ra. (-pen). Kop van eenen hond. Zeehond. Zeekalf. — Honds-kruid, o. Hondsgras. — Hondsletter, v. (-s^. De letter R. — Hondsnetel, v. (-s). Witte doovenetel. — Hondsribbe, v. Soort van weegbree met smalle bladeren [plan-tagolanceolata).— Hondsroos, v. (..ozen). Wilde roos : rosa canina. — Hondsrug, m. Heuvelreeks (van Emmen tot Groningen). — Hondsster, ..star, v. (-ren). Sirius. — Hondstong, v. (-en). Tong van eenen hond. Schoone plant, vooral in de duinen en langs dijken tierende. — Honds-vleermuis, v. (..zen). Een vleermuis vaa 't warme Amerika en Bengalen. — Hondsvot, m. (-en). Reepje op oen schouder van eene kapotjas. Schavuit. — H0ndsvotterij, v. Schavuitenstreek. — Hondsworvi, m. Worm onder de tong van eenen hond.

lIoiKlckoctcr (ü/. rf'), 1030-1695, Utrecht. Schilder van huisdieren, 't Drijvend veertje»


ocr page 303

HONG — 2

bondord. Grondgetal : ioo. Ik wed honderd tegen een. Ik heb het u al honderd- (veel-) malen gezegd. Numero honderd : bestekamer, o. (-en). Honderd stuka : deze pruimen kosten 15 cents het honderd. Zijn geld uitzetten aan vier ten

a. bloem •« iïlad. b. doorsnee der bloem. c. vruchtje.

hondeid. In het honderd : in bet wild, in wanorde. — Honder darm ïf, bn. — Hon-derdbladig, bn. — Honderddeeh'g, bn. De honderddeel'ge thermometer (z. d. w.).

— Honder der leit bn. — Honderdgradig, bn. Zie Thermometer. — Honderdhan-dig '^n. —Honderdhoofdi'g, bn. — Honder d, ar tg, bn. — Honderdkopöig, bn. — Honderdmaal, bijw. — Honderdman, m.

nen). (Gesch.) Hoofdman over honderd.

id eener vergadering van too leden. — Honderdmondig, bn. De honderdmondige Faam. — Honderdoogig, bn. Dehonderd-oogige Argus. — Honderdponder, m. (-s). Kanon, dat kogels uitwerpt van honderd

fond. —ond. — Honderdste, rangs. telw. o. (-n).

Iet honderdste deel. — Honderdtal, o. (-len). — Honderdtongig, bn. De hon-derdtongige Faam. — Honderdvoetig, bn.

— Honderdvoud, o. — Honderdvoudig, bn. — Honderdiverf, bmv.

Honearüc, o. 2ie Oostenrijk. — gaar, m. (..aren). Bewoner van Hongarije. — Hongaarsch, bn. — Hongaarsch, o. De Hongaarscbe taal.

Iioneci*, m. Natuurlijke behoefte aan spijs. Hevige lust, begeerte. De honger is de beste saus. — Honger aar, m. (-s). Die honger heeft. Die uitgehongerd is. — Hon-geraar ster, v. (-s). — Hongeren, ow. hon-geide. heeft gehon^eid. Honger, gebrek

9 — HONO

lijden. Hongeren (naar) : sterke begeert® hebben (naar). — Hongerig, bn. Honger hebbende. Inhalig, schrokki.». — Honge* righeid, v. — Hongerige, m. en v. (-11). — Honger kuur, v. — Hongerlyder, m. (-s). Schooier. Pannelikker. Schrok. — Honger lij dster, v. (-s). — Hongersnood, m. Algemeen gebrek aan levensmiddelen.

Iioiiiff, lioning:, m. (1) Zoete zelf-' standigheid, welke de bijen uit bloemen eac rijpe vruchten halen, in hare maag verwer-quot; ken en in de van was vervaardigde cellen bewaren. Ongepijnde honig : honig, dio nog niet uitgeperst is. lem. honig om den mond smeren : iem. vleien om eene gunst.

— Honigachtig, bn. — Honigbakje, o. (-s). Honig afscheidend deel in de bloemen. — Honigbereiding, v. — Honigbê-reidsel, o. — Honigbewaarder, m. (-s). Honigbakje. — Honigbij, v. (-en). Zie BijJ

— Hontgdas, ra. (-sen). Onderscheidt zich van de overige dassen, o. a.. door het bijna volslagen gebrek aan uitwendige ooren. Komt vooral in Afrika voor. — Honigdauw, m. Kleverig zoet vocht, dat des zomers zeer dikwijls de bladeren en takken van boomen, struiken en planten bedekt en dat door mieren, vliegen, wespen «n bijen gretig wordt opgezocht. — Honig-drank, m. — Honiggeel, bn. — Honiggezwel, o. (-len). Gezwel met gelen etter.— Honigkelk, ra. (-en). Bloemkelk, die honig bevat. — Honig klaver, v. Plantengeslacht, tot de vlinderbloemigen behoorende. — Honigkleur, v. — Homngkliertje, o. (-s), Honikbakje. — Honigkoek, m. (-en). Koefc, waarin honig is gebakken. — Honigkoe-koek, m. (-en). Kleine koekoek van Afrika en Oost-Indië. —Honigmengsel, o. (-s).— Honigpap, v. — Homgpil, v. (-len). — Honigpleister, v. (-s). — Hunigpuist, v. (.en). __ Honigraat, v. (..aten). De met honig gevulde celletjes in eenen bijenkorf.

— Honigreuk, ra. — Honigryk, bn. — Honig sap, o. (-pen). — Honig smaak, ra..

— Honigsteen, ra. (-en). Zekere grijze steen, die, tot poeder gestampt, een zoeten smaak heeft. — Honig suiker, v. — Honigvat, o. (-en). — Honigverf, v. (..ven). — Honigvervig, bn. — Honrgvreter, ra. (-s). Dier {gulo mellivorus) tot het geslacht van den veelvraat gerekend. — Honigivater, o. Water met honig. — Honigwijn, ra. — HonigzalJ, v. (..ven). — Honigzeem, o. Honig zooals hij uit de raat druipt. Het zoetste, het vetste van den honig. — Honigzoet, bn. Zoo zoet als honig. !

lionk, o. Rustpunt, waar men den loop begint of eindigt (in kinderspelen). — | Honken, ow. honkte, heeft gehonkt, üpj de rustplaats uitrusten.

honorabel, bn. bijvy. Deftig. Eerlijk, Eervol. — Honorabiliteit, v. Deftigheid. »

lionomrium, o. (..ria). Eerloon. Schrijversloon.

liouoveereu, bw. honoreerde, heeft

(1) Men schrijft hofiig of honing in d® samengestelde woorden.


ocr page 304

HOOF — 2;

quot;tgehonoreerd. Eeren, vereeren. Een wissel honorecrcn, op den vervaldag betalen.

Itonoris fauHa = Eersbalve.

Hout. v. Linkerarm der Schelde (Nederland).

II000I1 (P. de\, i632{?)-i67i, Amsisr-dam. Schilder van binnenhuizo.i. Hol-landsch binnenhuis; Het vroolyk lied; De kelderkamer.

■ lioof'd. o. ( ?n). Bovenste dee1 van het menschelijk lichaam. Is door den hals met den romp vereenigd. (Bij dieren kop.} Schedel : een kaal hoofd. De slapen : pleisters aan het hoofd hebben. Aangezicht : zijn hoofd werd rood van schaamte. Hersenpan : zich voor het hoofd schieten. Brein : oier, dat naar het hoofd gaat. Verstandige vermogens : het hoofd loopt hem om. Geheugen : 't is mij al lang uit 't hoofd gegaan. Eigenzinnigheid : met zijn hoofd spelen. Koppigheid : zijn hoofd toonen. Verbeelding : zijn hoofd zit vol dwaasheden. Voornemen : hij heeft gr00te dingen in 't hoofd. Leven : dat zal hem het hoofd kosten. Persoon : zooveel hoofden, zooveel zinnen. Opperhoofd, gezagvoerder, voornaamste : bij is het hoofd van het huis. Spits : aan 't hoofd des legers. Voorsteven : het hoofd van een schip. Metselwerk, enz. waar de baren op breken : met het schip voor het hoofd liggen. Uitstek : hoofd van een voorgebergte. Kruin, top : het hoofd van eenen berg. Ingang : het hoofd van eene loopgraaf, Steiger, lesplaats : het hoofd van eene haven. — De hoofden bij elkander steken : een eedgespan smeden. Het hoofd in den schoot leggen : zich onderwerpen, moed verliezen. Voor het hoofd geslagen staan : bedremmeld zijn. Zijn hoofd neer-leggen : sterven. — Uit dien hoofde : om die reden. Uit hoofde : omdat, dewijl. — Hoofdaanlegger, m. ( s). Beginner (eener onderneming). — Hoofdaanlegster, v. (-s).

— Hoofdaanval, m. (-len). Voornaamste aanval. — Hoofdaanvoeraer, iu. (-s). — H00Jdader, v. (-en, -s). (Ontl.) Slagader (Mijnw.) Voornaamste ader. — Hoofdaf-drrhtig, v. (-en).— Hoofdagent, m. (-en).— HoofttaItaar, o. en m*. (..aren). — Hoofdambtenaar, m. (..aren, -s).— Hoofdanker, o. ^ s).— Hoofdartikel, o. (-s). Voornaamst artikel. Voornaamste bepaling (in een verdrag, enz.). Voornaamst handelsartikel. Artikel, waarmede een dagblad begint. — Hoofdbad,o. (-en). — Hoofabalk,m. (-en).

— Hoofdbalsem, m. (-s). — Hoofdband, m. ( en). — Hoofdbatterij, v. (-en). — Hoofdbedekking, v. (-en). — Hoofdbedoeling, v. (-en). — Hoojdbedrijf, o. (..ven). Voornaamste bedrijf. — Hoofdbeginsel, o. (-s). -- Hoofdbegrip, o. (-pen). — Hoofdbeschuldiging, v. (-en).— Hoofdbestanddeel, o. (-en). — Hoofdbestuur, o. (..uren).

— Hoofdbestuurder, m. (-s). — Hoofdbestuurster, v. (-s). — Hoofdbevelhebber, m. (-s). — Hoofdbewerker^ m. (-s). — Hoofdbezigheid, v. (..h®den;. Voornaamste bezigheid.— HoofdbezTvaar,0. (..aren). Voornaamst bezwaar. — Hoofdboek, o. en m. (-en), (-en). Grootboek (eenskoopmans).

— Hoofdboog, m. (..ogen). Grootste boog (eenerbrug, enz.)Hoof dboor,y. (..oren).

o — HOOF

Schedelboor. — Hoofdborstel, ra. ( s).— Hoofdbreken, o. Sterke overpeinzing, uitspanning. — Hoofdbrekend, bn. — Hoofd-brekery, hoofdbreking, v. (-en). — Hoofdbron, v. (-nen). — Hoofdbureel, o. (-en).

— Hoofdcommies, m. (..zen). — Hoofdcommissaris, m. (-stMi). — Hoofdcommissariaat, o. — Hoofddeel, o. (-en). Voornaamste deel. Hoofdstuk. — Hoofddeken, m. (-s). — Hoofddeksel, o. (-s). — Hoofddenkbeeld. o. (-en). — Hoofddeugd, v. (-en). — Hoofddeur, v. (-en). — Hoofd-difk, m. (-en). — Hoofddoek, m. (-en). — Hoofddraaiing, v. (-en). — Hoofdduizeling, v. (-en). —• Hoofdeigenschap, v. (-pen). — Hoofdeinde, hoofdeneinde, o. (-n). Hoogste eind, waar het hoofd ligt (in een bed). — Hoofdelijk, bn. bijw. Bij, per hooid. — Hoofdeloos, bn. — Hoofdgaar-der, m. (-s). (Van belastingen). — Hoofdgalei, v. (-en). (Oudt.) Admiraalschip. — Hoofdgang, v. (-en). —Hoofdgat, o. (-en). Gat in het hoofd. Halsgat van een hemd.

— Hoofdgebeurtenis, v. (-sen). — Hoofd-gebouw, o. (-en). — Hoofdgebrek, o. (-en).

— Hoofdgedachte, v. (-n). — Hoofdgeld, o. Belasting op personen (per hoofd'}. — Hoofdgerecht, o. (-en). Voornaamste ga-recht. Opperste rechtbank. — Hoofdgeschil, o. (-len). — Hoofdgetal, o. (-len). — Hoofdgetuige, ra. en v. (-n). — Hoofdgezwel, o. (-len). — Hoojdgodsdienst, m. (-en). —Hoofdgrond, m. (-en). Voornaamste reden. — Hoofdhaar, o. (..aren). — Hoofdhulsel, o. (-s). — Hoofdig, bn. bijw. Kopp:g, eigenzinnig. Naar het hoofd stijgend# : hoofdig bier. — Hoofdigheid, v.

— Hoofdijzer, o. (-s). Ijzer aan of om het hoofd. — Hoofdingang,va. (-en). — Hoofdingeland, ra. (-en). — Hoofdingenieur, ra. (-s, -en). — Hoofdinhoud, ra. — Hoofdinspecteur, ra. (-s, -en). — Hoofdjicht, v.

— Hoofdkaas, hoofdvlakke, hoofdlakke, v. Gehakt of ongehakt hootdvleesch, dat gekookt, tot eenen koek wordt gevormd en koud ter tafel gebracht. — Hoofdkantoor, o. (..oren).— Hoofdkerk,v. (-en).— Hoofdketter, ra. (-s). — Hoofdkleed, o. (-eren).

— Hoofdklep, v. (-pen). — Hoofdklerk, ra. (-en). — Hoofdkleur, v. (-en). Voornaamste kleur. Len der zeven kleuren van den regenboog. — Hoofd klier, v. (-en). — Hoofdkussen, o. (-s). Kussen voor het hoofd. — Hoofdkwaal, v. (..alen). — Hoofdkwartier, o. (-en). Kwartier van den bevelhebber en zijnen staf. — Hoofdlakke, v. Hoofdkaas. — Hoofdleen, o. (-en). Voornaamste leengoed. — Hoofdleer, v. — Hoofdleger, o. (-s). — Hoofdleider, ra. (-s). — Hoofdletter, v. (-s). —

— Hoofdlijn, v. (-en). — Hoofdlijst, v. (-en). — Hoofdluis, v. (..z/'n). — Hoofdmacht, v. — Hoofdman, ra. (..lieden, ..luiden, ..mannen). — Hoofdmanschap, o. — Hoofdtnast, ra. (-en). De groote raast. — Hoofdmeter, m. (-s). Werktuig om 't hoofd van pasgeborenen te meten. — Hoofdmeting, v. (-en). — Hoofdmiddel, o. (-en). — Hoofdmisdaad, v. (..aden). —

Hoofdmuur, ra. (-uren)--Hoofdneiging,

v. (-en). Heerschende neiging. — Hoofdofficier, ra. ( en). — Hoofdonderwijzer,


ocr page 305

hoof — 2

m. (-s). lioóid eener school. — Hoofdon-deugd, v. (-en). — Hoofdoogmerk, o. (-en). — Hoofdoorzaak, v. (..aken). — Hoofdopzichter, m. (-s). — Hoofdpacht, v. (-en). — Hoofdpachter, m. (-s). — Hoofdpeluw, hoofdpetiluw, v. (-en). Hoofdkussen. — Hoofdpersonage, o. (-s).

— Hoofdpersoon, m. en v. (..onen). — Hoofdpijn, v. — Hoofdplaats, v. (-en). — Hoofdplan, o. (-nen). — Hoof dplaneet, v. (..eten).— Hoofdplant, v. (-én). — Hoofdpleister, v. (-s). — Hoofdpoeder, ..poeier, o. (-s). —Hoofdpoorter, v. (-en). —Hoofdpunt, amp;. (-en). — Hoofdrad, o (-eren). — Hoofdrechter, m. (-s). — Hoofdredac-teuf, m. (-s). — Hoofdregel, m. (-s, -en).

— Hoofdregister, o. (-s). — Hoofdrol, v. (-len). Voornaamste rol. — Hoofdschans, v. (-en). — Hoofdschedel, m. (-s). — Hoofdscheel, o. (-en). — Hoofdschild, o. (■en). — Hoofdschob, v. (-ben). Hoofd-schub. —Hoofdschotel, m. (-s). De voornaamste schotel. — Hoofdschout, m. (-en).

— Hoofdschiib, v. (-ben). Soort van hoofduitslag. — Hoofdschudden, o. — Hoofdschudding, v. — Hoofdschuld, v. Voornaamste schuld. Doodschuld. Hoofdmisdaad. — Hoofdschuldenaar, m. (..aren, -s). Voornaamste schuldenaar. Die het meest schuldig is. — Hoofdschtildenaar-ster, v. (-s). — Hoof dschuldeischer, m.

— Hoofdschuldeischeres, v. (-sen). — Hoofdschuldige, m. en v. (-n). Die de meeste schuld heeft (aan). — Hoof dsc huw, bn. Beschroomd. Vreesachtig. — Hoofdsieraad, o. (..aden). — Hoofdsiersel, o. (quot;sS — Hoofdslagader, v. (-en, -s). — Hoofdsleutel, m. (-s). Sleutel, waarmede cl ten minste vele sloten van een huis geopend worden. — Hoofdsluier, m. (-s). — Hoofdsom, v. (-men). Kapitaal. — Hoofd-spansel, o. (-s). — Hoofdspant, o. (Zeew.)

Hoofdspil, v. (-len). — Hoofdstad, v. (..eden). — Hoofdstel, o. (-lenh Waarmede men den kop van een paard bedekt. Hoofdstelling, v. (-en). — Hoofdstehel, o. \~s)- — Hoofdstam, v. (-mem. — Hoofd-sierkend,hoofdversterkend, bn.— Hoofd-stof, v. (- fen). Element. — Hoofdstoffeti/k, bn. lot de hoofdstoffen behoorende. — Hoofdstraat, v. (..aten). — Hoofdstreek, v. (..eken). — Hoofdstudie, v. (..iën, -s). — Hoofdstuk, o. (-ken). Deel, afdeeling (van een werk). — Hoofdtak, ra. (-ken). — Hoofdtongval, m. (-len). —Hoofdtooi, m., hoojdtooisel, o. (-s).— Hoofdtoon, m. (-en). (Muz.) Grondtoon.— Hoofdtouwen, o.mv. (Zeew.). — Hoofdtreffen, o. Algemeen gerecht der troepen. — Hoofdtrek, m. (-ken). Voornaamste (karakter)trek. — Hoofdvak, o. (-ken). Vak, waarvan men zijne hoofdstudie maakt, waarin men uitmunt. — Hoofd-verband, o. (-en). — Hoofdverbifitenis, v. (-sen). — Hoofdverdeeling, v. (-en). — Hoofdverdienste, v. (-n). — Hoofdverf, v. (..ven). Heerschende kleur. — Hoojd-vvafid, m. (-en). — Hoofdylakke, v. Hoofdkaas. — Hoofdvleesch, o. Hoofdkaas. — Hoofdvleugel, m. — Hoofdvloed, jn. (-en). Voornaamste rivier. Zinking in het hoofd. — Hoofdvonnis, o. (-sen). Beslissende rechtspraak. — Hoofdwaarheid,

\ — hoog

v. (..heden). — Hoofdwacht, v. (-en). — Hoofdwal, m. (-len). — Hoofdwassching, v. (-en). — Hoofdwater, o. (-en). — Hoofdwaterzucht, v. — Hoofdwerk, o. (-en). Werk, dat veel inspanning van den geest vordert Voornaamste werk. Voornaamste pijpwerk van een orgel. Voornaamste vestingwerk. Dat is zijn hoofdwerk : dat doet, behandelt hij vóór alles. T H,00£(!?veJgt; Y- (-ten). — Hoofdwind, m. (-en). Wind, die uit eene der hoofdstreken waait. — Hoofdwindstreek, v. (..eken).

— Hoofdwindsel, o. (-s). — Hoofdwond, v. (-en). — Hoofdworm, m. (-en). — Hoofdwortel, m. (-s). Halsbeen, waar het hoofd begint. Voornaamste wortel. — Hoofdwrong, v. (-en). — Hoofdzaak, v. (..aken). Voornaamste zaak. — Hoofdzakelijk, bn. byw. Voornaamst. Voornamelijk. In de eerste plaats, vooral, bovenal.

— Hoofdzakelykheid, v. Het voornaamste. —- Hoofdzalf, v. (..ven). — Hoofdzee, v. (-ën). Oceaan. — Hoofdzeer, o. Uitslag op het hoofd. — Hoofdzetel, m. (-s). Voornaamste zetel. Voornaamst verblijf. _

Hoofdzin, m. (-nen). (Spraakl.) Zin, waaraan de andere ondergeschikt zijn. — Hoofdzonde,y. (-n). Hoofdzonden ; zonden « die gelijk oorsprongen zijn en beginselen van veie andere zonden ». Er zijn zeven hoofdzonden : hoovaardigheid, gierigheid, onkuischheid, nijd, gulzigheid, gramschap en traagheid. — Hoofdzuil, v. (-en). — Hoofdz w a rig he id, v. Hoofdbezwaar. — Hoofdzweer, v. (..eren).

lioofaoli, bn. bijw. Van of aan's vorsten hof. Op hoofsche, gemaakte wijze. _

Hoofschheid. v.

Hooft, (Z3. Csz.), 1581-1647, Amsterdam. Drost (Muiden). Dichter en geschiedschrijver. Hendrik de Groote, zijn leven en j ' ' jf (1626) ; Nederlandsche Histo-gt;•.»//' iCi?,.; Geraerdt van Velsen (treur-spe!, 161 j * War en ar (blijspel, 1017); Min-nedichiet..

lioog-, bn. bijw. Tegenstelling van laag. Verheven, uitstekend, rijzig : een hooge berc. De hooge, opene, volle zee. Hoogwater : het hoogote punt van di-n vloed. Een hoog getuigd schip : een schip met hooge boorden. Eene hooge stem, die hooge tonen kan grijpen. Het klavier is te hoog gestemd. Donker : hooge kleuren. De zon staat hoog, het is hoog dag : de zon is reeds lang op. Het graan staai hoog, is hoog opgegroeid, (ook) is duur. De markt is hoog. Eene slagorde van vijf man hoog, van vijf gelederen. (Commando) : geweer hoog! Hoog® ouderdom, hooge jaren. Beslissend : het hooge woord moest er uit. De twist rees hoog, werd erg. Hooge woorden (twist) met iem. hebben. Bij hoog en bij laag zweren. Het is hoog tijd, meer dan tijd. Het hoogste goed : het grootste geluk, Eene machine van hooge drukking, waarvan de drukking vier atmosferen overtreft, Eene hooge geboorte : aanzienlijke afkomst. Een hoogen dunk van zich zeiven hebben : een overdreven gevoel van eigenwaarde hebben. De hooge Raad, zie Raad. De hooge overheid. De Hooge : de hemel. De Hoogste : het Opperwezen. Ten boog-


ocr page 306

HOOG — 2

ste : op zijn meest. Hoog vliegen : den grooten heer uithangen. Niet hoog vliegen : niet veel weten. Niet hoog timmeren: niet veel verstand hebben. — Hoogaanzienlijk, bn. — Hoogaars., v. (..zen). Klein visscbersvaartuig. — Hoogachtbaar, bn. — Hoogachtbaarheid, v. — Hoogachten, bw. achtte hoog, heeft hooggeacht. Zeer achten. — Hoogachter, m. (-s). — Hoogachting, v.— Hoogachtster, v. (-s).— Hoogadellijk, bn. — Hoogaltaar, o. en m . (..aren). — Hoogambt, o. (-en). — Hoogbedaagd, bn. Hoogbejaard. — Hocgbee-nig, bn. — Hoogbejaard, bn. Oud. — Hoogberoemd, bn. — Hoogblauw, bn. Donkerblauw. — Hoogboord, o. (-en). Schip met hooge boorden. — Hoogboordig, bn. — Hoogbootsman, m. (..lieden). Die na den opperstuurman het bevel heeft over de matrozen. — Hoogbootsmansmaat, m. (..aten). Onderbootsman. — Hoogborstig, bn. Die eene hooge borst heeft. Verwaand, trotsch. — Hoogbruin, bn. Donkerbruin.

— Hoogdag, m. (-en). (R. K.) Feestdag. Heiligdag. — Hoogdravend, bn. Gezwollen (van stijl). — Hoogdravendheid, v. Hoogdringend, bn. Zeer dringend. — Hoogduitsch, bn. — Hoogduitsch, o. Zie Duitsch. — Hoog du itscher, m. (-s). — Hoogedel, hoogedelgeboren, hn. Van hoogadellijke afkomst. Hoogedele heer (titel).

— Hoogedelachtbaar, bn. Titel van leden van den hoogen Raad der Nederlanden. — Hoogeerwaard, bn. Titel van bisschoppen.

— Hoogeerwaardigheid,v. — Hooge lied,

o. Het Hoogelied van Salomo. Het lied quot;der liederen, het lied bij uitnemendheid. — Hooge lijk, hooglijk, bijw. Zeer: iem. hoo-eelijk verplicht zijn.— Hoogen, bw. hoogde, neeit gehoogd. Hooger maken j _ eenen weg hoogen. Opbieden (bij veilingen). (Schild.) De kleur aanzetten. — Hoo-gepriester, m. (-s). Opperpriester. Het hoofd der priesters bij de Israëlieten.

— Hoogepriesterambt, o. — Hoogepriesterlijk, bn. bijw. — Hoogepries-terschap, o. — Hooger hand, v. Eereplaats. Van hoogerhand : naar, op bevel van den vorst, enz. — Hoogerhuis, o. Omtrent het midden der XIV® eeuw splitste zich het Engelsch Parlement in twee dee-len : de hoogste adel en de aanzienlijke geestelijkheid vergaderden in het Hoogerhuis; de andere afgevaardigden, in het Lagerhuis.— Hooger wal, m. Hoek, waaruit de wind waait. — Hoogeschool, o. (..olen). Universiteit. Zie Onderwijs. — Hoogfluit, v. (-en). Hobo. — Hooggaand, bn. Verregaand. Overdreven. Buitengemeen. — Hooggeacht, bn. — Hooggeboren, bn. Titel van graven en gravinnen. — Hooggeducht, bn. — Hooggeëerd, bn. — Hooggeel, bn. Donkergeel. — Horgge-leet d, bn. bijw. — Hooggeplaatst, bn. — Hooggerechtshof, o. — Hooggeschat, bn.

— Hooggestemd, bn. (Muz.). — Hooggezaghebber, m. (-s). — Hooggezeten, bn. Hooggeplaatst.— Hooggezind, bn .Trotsch. Fier. — Hooggroen, bn. Donkergroen. — Hooghartig, bn. Trotsch. Fier. — Hooghartigheid, v. — Hoogheemraad, ra. (..aden). Waardigheid in een dijks- of pol-

2 — HOOG

derbestuur. — Hoogheemraadschap, o. (-pen). — Hoogheid, v. (..heden). Hooge I graad van macht, van waardigheid. Ti-j tel van vorsten, kardinalen, enz. — Hoo-, ging, v. (-en). — Hoog klimmend, bn. ■

— Hoogland, o. (-en). — Hooglander,' m. (-s). Bergbewoner. — Hooglandscht\ bn. — Hoogleeraar , m . (.,aren, rs). Leeraar aan eene Universiteit. — Hoogleeraar sambt, o. — Hooglied. Zie Hoogelied. — Hoogloffelijk, bn. — Hoog-loopend, bn. Verregaand. — Hoogmis, v% (R. K.) De hooge of groote mis. — Hoog-moed, ra. Ongeregelde begeerte van meer te willen zijn dan men is, van zijne onafhankelijk, zijne onvolmaaktheden, zijne fouten en zonden niet te willen erkennen. Trots. Verwaandheid. —Hoogmoedig, \m. bijw. — Hoogmoedige, m. en v. (-n). j-Hoogmoedigheid, v. — Hoogmoediglijk, bijw. — Hoogmogend, bn. Titel van de leden der Staten-Generaal. — Hoogmuil, m. en v. (-en). Dikmuil. — Hoognoodig, bn. — Hoognoodzakelijk, bn. — Hoogoven, ra. (-s). Groote smeltoven in de ijzergieterijen. — Hoogrood, bn. Donkerrood.

— Hoogrug, m. en v. (-gen). Die een hoogen rug heeft. — Hoogruggig, bn. — Hoogschatten, bw. Schatte hoog, heeft hooggeschat. Hoogachten. — Hoogschatter, m. (-s). — Hoogschatting, v. — Hoogschat-ster, v. (-s). — Hoogschieman, m. (-s). (Zeew.) Opperste schieman. —Hoogsel, o. (-s). (Meestal in 't mv. gebruikt). (Schil-derk.) Wat dient om het licht sterker te doen uitkomen. — Hoogst, bijw. Zeer. Uitermate. — Hoogstammig, bn. — Hoogst at el ijk, bn. bijw. Zeer deftig. Aanzienlijk. — Hoogstbediende, m. en y. ( n). — Hoogstdezelve, aanw. vnw. Hij, zij (van. vorsten sprekende). — Hoogte, v. (-n). Uitgebreidheid van een lichaam, gewaardeerd in loodrechte richting met den grond : de hoogte van een huis. (Meetk.) De hoogte van eenen rechthoek, parallelogram, ena. Afstand. Plaats. Punt. De hoogte van de stem. De hoogte (verhevenheid) van den geest. Hij is nog niet op de hoogte : hij begrijpt het nog niet. Iem. uit de hoogte behandelen : smadelijk hem toespreken, bejegenen. — Hoogtecirkel,m. (-s). Breedtecirkel. — Hoogtemeter, ra. (-s). — Hoogtemeting, v. (-en). — Hoogtijd, m. (-en). Feest. Bruiloft : hoogtijd vieren. Zijnen hoogtijd houden : ter h. Tafel gaan. Zijnen hoogtijd (de h. Communie) thuis ontvangen. — Hoogverheven, bn. — Hoogverraad, o. Verraad tegen Vorst, Staat of vaderland. — Hoogvliegend, bn. bijw. — Hoogvlieger, m. (-s). Zekere duif. Hij is geen hoogvlieger : hij weet niet veel. — Hoogwaarde, bn. Eeretitel van geestelijken. — Hoogwaardig, bn. — Hoogwaardige, o. De h. Hostie. — Hoogwaardigheid, v. Titel van bisschoppen. — Hoogwaardig lijk, bijw. — Hoogwelgeboren, bn. Eeretitel van barons, enz. — Hoog-wichtig, bn. Zeer gewichtig. — Hoogwichtigheid, v. — Hoogwijs, bn. — Hoogzaal, v. (..alen). Min ol meer verhevene galerij in katb. kerken, gewoonliik tegen den westgevel aangebracnt, waar net orgel staat ea.


ocr page 307

HOOR — 5

het zangkoor optreedt. — Hoogzutyiig, bn.

Hoogstraten {S. van), 1626-1678, Dordrecht. Portretschilder.

liooi, o. Gemaaid en gedroogd gras. — Hooiachtig, bn. — Hooiakker, ra. ( s). — Hooiberg, ra. (-en). Stap; 1 hooi. — Hooi-bergkap, v. (-pen). — Hooibinder, m. (-s).

Hootbofer, v. — Hooibouw, m. Inzameling van het hooi. — Hooidorscher, m. (-s). (Scherts ) lem., die bij veel arbeid, weinig uitricht. — Hooient hooide, heeft

fehooid. Ow. Gras maaien en openleggen,ehooid. Ow. Gras maaien en openleggen,

Io«'i binnenhalen. Met iets hooien, tot lage prijzen verkoopen. Eenpw. Het hooit vandaag goed. — Hooier, m. (-s). — Hooi-go ff el, v. (-s). — Hooi gr as, o. — Hooi-ha? k, v. (-en). Werktuig, dat door een paard getrokken, dient om het hooi bijeen te brengen. — Hooihoop, ra. (-en). — Hooikaas, ra. — Hooikar, v. (-ren). — Hooiland, o. (-en). — Hooi loon, o. en ra. (-en). — Hooimaaier, r.i. (-s). — Hooi-maaiing, v. — Hooimaand, v. Juli. — Hoounarkt, v. (-en). —Hooimijt, v. (-en).

— Hooiopper, ra. (-s). — Hooirook, v. (..oker,). Hoeveelheid opgestapeld hooi. — Hooioogst, ra. — Hooischelf, v. (..ven).— Hooischuur, y. (..uren). — Hooisiapel, ra. (-s). — Hooister, v. (-s). — Hooitijd, ra.

— Hooiveld, o. (-en). — Hooivork, v. (-en). — Hooiwagen, m. (-s). Wagen om hooi te vervoeren. (Nat. hist.) De hooiwagens (phalangium) vormen eene orde der spinachtige dieren, — Hooizak, ra. (-ken).

— Hooizolder, ra. (-s).

lioon, ra. Smaad. Öeleediging. Schimp.

— Hoonen, hw. hoonde, heeft gehoond. Met verachting bi-spotten. Beleedigen. — Hoonend, bn. — Hooner% m. (-s). — Hoongelach, o. — Hoonspraak, v. Hoonende woorden. — Hoonster, v. (-s).

lioop, ra. (-en). De verzameling van dingen, op en boven elkander geplaatst : een hoop boeken. Menigte : een hoop kinderen. Aantal : er was nu t hoopen volk. De groote hoop : het algemeen, de massa des volks. Iets op den hoop toegeven : meer g ven dan de kooper toekomt. — Hoopen, bw. hoopte, heeft gehoopt. Opstapelen. — Hooplooper, ra. (-s). Scheepsjongen. — Hoopsgewifze, ..wifs, bijw. Hoop voor hoop. Êij hoopen.

lioop, liope, v. Verwachting van een toekomend en mogelijk goed. (Deugd) « Eene deugd en gave Gods, door dewelke wij met een vast betrouwen van God verzoeken en verwachten het eeuwig leven en al wat ons daartoe helpen kan ». — Hoopvol, bn.

lloorcbeeck {K, J. van), 1790-1821, Gent. Kruidkundige.

_ hooren, hoorde, heeft gehoord. Ow. Gehoor hebben : hij hoort van dezen kant met. Toeluisteren : hoor naar hetgc-ne hij 'egt. Naar iets luisteren en gehoorzamen : naar wijzen raad hooren. Bw. Door het gehoor vernemen : hebt gij dat geraas gehoord? Verhooren : God zal raijn gebed hooren. Vernemen : hebt gij niets nieuws geboord ? Ondervragen : getuigen hooren. Aanhooren : een rechter moet beide partijen hooren. Kennen : de schapen hooren

3 — HOOV

zijne stera. — Hoorbaar, ba. bijw. Geschikt om gehoord te worden. — Hoorbaarheid, v. — Hoorbuis, v. (..zen). — Hoorder, ra. (-s). Toehoorder. — Hoor-der es, v ( sen). — H00 renswaa rdig, bn.

— Hoorplaats, v. (-en). — Hoor ster, v. (•s). — Hoorvermogen, o. — Hoogt; zaalf v. (..alen). Gehoorzaal.

lioorcn, ow. hoorde, heeft gehoord. Behooren. Betamen.

lioorigr, bn. (Middel.) Vrij : dehoorige lieden.

boorn (-en, -s), lioren (-s) (1), ra. (voorwerpsn.); o. (stofnaam). Puntachtige en harde uitwassing op den kop van sora-m:ge viervoetige dieren : de hoornen van de koe. Zeker blaasinstrument (aanvankelijk van beestenhoorns, later van hout en in 1680 te Parijs van koper vervaardigd). Eenschalige schelp der weekdieren. De hoorns der maan : de uitstekende punten der halve maan. De hoorrs (de hoekpun ten) der halve maan. De hoorns (de hoekpunten) van een altaar. De hoorn van eenen pijl : beslag of dopje aan het dikste einde van eenen pijl. Wat naar eenen hoorn gelijkt : een hoorn om beter te hooren. De horen des overvloeds. (In de fraai© kunsten) : gedraaide heren, met bloemen en vruchten gevuld, om overvloed aan te duiden. Iets op zijne hoiens nemen : eene moeilijke taak ondernemen. Zijne horens opsteken : zijn gezag toonen, zich verzetten, oproerig worden. — Hoornaanbeeld, o. Tweehoornig aanbeeld. — Hoornachtig, bn. — Hoornbeest, o. (-en). — Hoornblazer, ra. (-s). — Hoornblende, v. Zekere delfstof. — Hoornbloem, v. (-en). Plantengeslacht {cerastium), tot de rauurachtigen behoorende. — Hoor tidier, o. (-en). — Hoorndol, bn. Zeer dol. Razend.— Hoorndraaier, ra. (-s). — Hoorndragend, bn.

— Hoornen, bn. — Hoornenband, ra. (-en). — Hoorngeld, o. (-en). Belasting op het toornvee. — Hoorngeschal, o. — Hoornist, ra. (-en). Muzikant, die den hoorn bespeelt. — Hoornvee, o. — Hoornvlies, o. Zie Oog.

Hoorn (F. van Montmorency-Ni-velle, graaf van), 1522-1568. Staatsraad, admiraal van Vlaanderen, touverneur van Gelderland en Zutfen. Werd om zijne vrijheidszin onthoofd te B. ussel. Zie Eg-mond.

lioos, v. (..zen). Twee luchtstroomen, die elkander onder een grooten hoek tegenkomen, doen eene draaiende beweging der lucht (hoos, windhoos) ontstaan, die door de verschillende werking der voortstuwende stroomen sneller en sneller wordt. Er zijn land- en waterhoo/en.

hoos, v. (hozen). Kous. Overtreksel.— Hoosband, hozeband, m. (-en). Kouseband.

ItoovaardiB, bn. bijw. Trotsch. Verwaand. IJdel. — Hoovaardikheid, v. — Hoovaardiglifk, bijw. — Hoovaardif, v.

(1) In de samengestelde woorden schrijft men hoorn of hortn


ocr page 308

HOR — »!

Zucht om zijne voortreffelijkheid of aanzien naar buiten te vertoonen, inz. door kleederdracht. Trotschheid. Hoogmoed.

lioozcn, bw. hoosde, heeft gehoosd. (Water uit eene boot, enz.) scheppen. — Hoozer, m. (-s). Die uithoost. Hoosvat. — Hoosgat, o. (-en). (In eene sloep, enz.). — Hoozing, v. — Hoosster, v. (-s). — Hoosvat, o. (-en). Schepper om te hoozen.

liop, mi. ( pen). Sierlijke vogel {npupa epops). Heeft de grootte van eene lijster. Draagt twee rijen large rosse met zyvart getopte vederen op den kop, die hij als eene kuif overeind knn zetten. ^

bop, v. Inlandsche overblijvende p'ant Khumulns lupulus). Hare bellen worden

Hop.

gebruikt bij het bierbrouwen. — Hopach-tig, bn. — Hopakker, m. (-s). — Hopbel, v. (-len). — Hopbol, ra. (-len). — Hopje, o. (-s). Hopbel, 't Is een hopje in eenen brouwketel: 'tis zooveel als niets. — Hop-land, o. (-en). — Hoppebitter, o. Een uit den hop afgezonderde bitterstof. — Hop-pebloem, v. (-en). — Hnpóebouw, m. — Hoppekeesten, ra. (-en). Scheuten van de hopplant. — Hrppeketel, ra. (-s). — Hop-pekooper, ra. (-s). — Hoppekorrel, v. (-s).

— Hoppen, bw. hopte, heeft gehopt. Het bier van hop voorzien. — Hopper ank, v. (-en). — Hopperd, ra. Bier in den hoppe-ketel, eerde hop er van afgescheiden is. — Hoppesalade, v. — Hoppe spruit, v. (-en).

— Hoppestaak, ra. (..aken). — Hoppeteelt, v. — Hoppezaad, o. (..aden). — Hoppe-zak, ra. (-ken). — Hopplant, v. (-en).

liope, v. Zie Hoop. — Hopeloos, bn. bijw.— Hopeloosheid, v. — Hopen, hoopte, heeft gehoopt. Bw. Een toekomend goed verwachten : een beter leven hopen. Ow. Op God hopen. Wenschen ; ik hoop, dat gij u zult beteren.

Iiopman, ra. (-s, ..lieden). (Oudt.) Hoofdman. Kapitein.

liopKasst, tw. Toe maar ! Vroolijk op!

hor, v. (-ren). Dun plankje, dat de kinderen om een touwtje snel doen ronddraaien.

^ — HORT

Horn tin h Flaccus ((?.), 65-8 (vóór Chr.). Venusia (in Apulië). Romeinsch dichter. Wij bezitten van Horatius vier boeken Oden, een boek Epoden, twee boeken Satiren en twee boeken Brieven, waarvan de laatste *■ Aan de Pisonen » dikwijls als een afzonderlijk werk, onder den naam « Ars poëtica » opgegeven wordt.

liorlt;lo, v. (-n). Zwervend herderleger. Rondtrekkende volksstam. Woeste bende. Zwervende menigte. — Hordetiaanvoer-der, ra. (-s).

Iiorde, v. (-n). Langwerpig v'erkant vlechtwerk van teenen of metaaldraad, enz. — Hordenmaker, ra. (-s). — Hor-denvlechter, ra. (-s). — Hordenn and, m. (-en). Scheiding, van horden gemaakt. — Hordenvaerk, o. Gevlochten rijswerk.

llorcb. Berg in Arable, waar Mozes water uit de steenrots deed springen.

Ho rem stn s» , 1682-1759. VI. schilder van landelijke binnenzichten.

Iioreu Zie Hoorn.

liorizou, ra. (-ten), liorizonf, ra. (-en). Gezichteinder. — Horizontaal, bn. bijw. Waterpas.

liorken, ow. horkte, heeft gehorkt. Luisteren : horkt een keer.

liorlepUpgt; v. (-en). Oud Engelsch blaasinstrument. Oude Engelsche volksdans.

liorlogr®gt; o- en v- (-s)- Uurwerk. Zakuurwerk. (Kat. bist) Houtworm, die een geluid maakt als het horloge. — Horloge-bandj's, o. (-s). — Horlogedeksel, o. (-s),

— horlogeglas, o. (..zen). — Horloge-haak, ra. (..aken). — Horlogekas, v. (-S:*n).

— Horlogeketting, ra. (-en). — Hor loge-kussen, o. ( s). Sierlijk bewerkt kussen, waartegen men een horloge hangt. — Hor-logemaken, o. — Horlogemaker, ra. (-s).

— Horlogemakersgezel, ra. (-len). — Hor-logrmakersknecht, ra. {-s, -en). — Horlo-

feplaat,eplaat, v. (..aten). — Horlogesleutel, ra. s). — Horloge trommel, v. (-s). — Horle-geveer, v. (-en). — Horlogeiverk, o. ( en).

— Horloge-wijzer 1 m. (-s). —Horlogezak, m. (-ken).

Iiorn. ra. (-en). Spitse hoek. lioroRooop, ra. (. open). Uuraanwijzer. Tafel der dag- en nach lengten, o. Voorspelling van iemands lot uit den stand des sterrenhemels tijdens zijne },eblt; oite : het horoscoop trekken. — Horo^cooptt ek-ker, ra. (-s). — Horoscooptrekster, v. ( s).

liorrcl, m. (-s). Stoot. Kleine oneeoig-heid.

liorrclvoet, m. ( en). Misvormde voet Stompvoet, ra. en v. (-en). lem. met eenen horrelvoet.

liorribel, bn. bijw. Afschuwe ijk. Afgrijselijk . Verschrikkelijk.

lioi'Ht, ra. (-en). Heursch.

Iiort, ra. (-en). Korte stoot. Met horten en stooten : nu een weinig en dan een weinig, v. Mijn broek is op de hort, is verdwenen. — Horten, ow. hortte, heeft

fehort. Stooten, duwen. Niet gt-lukken. laperen. Aarzelen.ehort. Stooten, duwen. Niet gt-lukken. laperen. Aarzelen.

liorleiiMia, v. (-'s). Halfheester {hydrangea hor ten sis). Komt veel jn enza


ocr page 309

HOUD — 2

tuinen voor. Heeft groote, ovale, rozeroode bloemen,

borzcl, v. (-s, -en). _ De horzels {cestrtdos) vormen eene familie in de onderorde der vliegen. — Horzelen, ow. hor-zelde, heeft gehorzeld. Gonzen (als de horzel). Krakeel en. Xijven. —Horzeling, v. — Horzelnest, o. en m. (-en).

liosuuu» = Schenk heil. Was de kreet, waarmede de bevolking van Jeruzalem Jezus begroette bij zijnen intocht, liospes, m. (-sen). Waard. Gastheer.

— Hospitaal, o. (..alen). Gasthuis. Ziekenhuis. — Hospitaalbezoek, o. (-en). —Hospitaalkerk, v. (-en). — Hospitaalkoorts, v. (-en). Koorts, aan de hospitalen eigen.

— Hospitaalkost, m. — Hospitaalpre-diker, m. (-s). —Hospitaalpreek, v. (-en).

— Hospitaalsoep, v. (-en). liOHi»itastlrilt;llt;lcr, m. (-s), liospi-

tzUicr, m. (-en). Lid van eene orde van geestelijke ridders, ten tijde der kruistochten.

liospitio, o. (..iën, -s). Godshuis. Armhuis.

liosscbossen, ow. hosseboste. heeft gehossebost. Tegen elkander schokken. Schlt; kkende loopen, rijden. Mei zijnen sioel wippen. Bw. lem. nossebossen : hem beurteungs naar voren en naar achter bewegen met den stoel.

liOMson, ow. hoste, heeft gehost.Tegen elkander loopen.

llostv i^.), 1848, Tielt. Dagbladschrijver. De Drusselsche Straatzanger (drama, 1883); De Kleine Patriot (drama, 1889).

liostio, v. (..iën, -s). Misbrood. Mis-ouwel. — Hostiekelk, m. ( en). — Hostievaas, v. (..azen).

liot, v. Dik (van zure melk).

Ii®t, v. (-ten). Bag (i0art.).

laot, tw. Rechts, in tegenstelling van haar, links : de voerman wilde hot en de paarden wilden haar.

Iioicl, o. (-s). Gasthof. Heerenhuis, hof, prachtige woning.

liotsi'ii, ow. hotste, heeft gehotst. Hard stooten (tegen). — Hotting, v. (-en).

botton, ow. hotte, heeft gehot. Stremmen, dik worden (van melk). Gebeuren, gelukken : dat zal niet hotten.

llotfentot, m. (-ten). Inboorling van Afrika's Zuidpunt. Onbeschaafd, dom mensch. — Hottentotsch, bn. — Hotten-iotsch, o. De taal der Hottentotteu. I1011, bn. Hou en trouw : zeer tro» w. liou, tw. Houd op ! Sta stil! Houlirsikcn {A.), 1660-1719, Dor-■drecht. Schilder en teekenaar.

lilt;gt; 11 lt;ic 11, hield, heeft gehouden. Bw. In zijne niacin hebben. Niet loslaten : houd wat ge hebt. Vieren : kermis houden. Wacht hou Jen : op wacht staan. lem. kort houden : hem weinig vrijheid laten. Hij heelt irljn geld gehouden, niet teruggeven. Bank, school, herberg, bock, enz. houden. Bevatten, inhouden . hoeveel houdt dit vat? Iets in gedachten houden, trachten niet te vergeten. Zijnen mond houden : zwijgen. Zijn woord, zijne belofte houden, lem. iets ten goede houden, het hem niet

'5 — HOUT

kwalijk nemen. Wederhouden : hij is niet te houden. Eene redevoering, eene aanspraak houden. Paard en rijtuig houden. Aanzien : waar houdt pij mij voor? Houdt den dief: grijpt hem ! Zie houden : in zee blijven. Ow. Kleven, vast blijven : de sneeuw houdt aan de boomen, de spijker zal niet houden. Dragen : zou het ijs iceds houden? Van orde, van welvoeglijkheid, enz. houden. Beminnen : ik houd veel vau hem. Bij den wind houden, zeilen. De zieke kan het niet lang meer houden. Eenpw. Het zal hard houden ; het zal moeite inhebhen. — Zich goed houden : zich dapper gedragen, niets laten blijken.

— Houdbaar, bn. Vatbaar om vastgehouden, verdedigd te worden. — Hotuiöaar-heid, v. — Houder, m. (-s). Die houdt. Bewaarder ; houder van eene bank enz. De houder van eenen wissel, die eenen wissel in handen heeft. Houders van aandeden. Vischkaar. (Zlt;.*lt; w ) Keertouw. — Houdercs, v. (-sen). — Houding, v. Voorkomen. Gang. Manier. Gedrag.

lioukiii«4, o. (-eren). Klein kind.

lionpastrd, o. (-en). V« uien.

liout, o. Hardere gedeelte van den stam en wortel van boomen en heesters en eenige meer kruidachtige gewassen. Men heeft daarin tweeërlei vaten : spiraalvaten in de primaire of eerstgevonude en gestippelde vaten, in de secondaire of later gevormde houtlaag. Tusschen die vaten bevinden zich de langwerpige, buisvormige houtcellen. Men onderscheidt m onze gewone boomen 't eigenlijke hout of kernhout en 't spint. Dit laatste is jonger, blee-ker en minder duurzaam dan ht-t kernhout, doch gaat allengs hierin over. Het secondaire hout ontstaat tusschen het spint en den bast in de gedaante van ei ne geleiachtige stof, teelt laag genoemd. Uit die teeltlaag vormen z ch jaarlijks naar de binnenzijde een nieuwe laag spint en naar de buitenzijde een nit-uwe laag bast. Men kan de jaarlijks gevormde kringen in 't hart doorgaans zeer duidelijk zien. Zij heeten jaarkringen en duiden door hun aantal den ouderdom aan van 't hout. Daarbij ontwaart men op de doorsnede van eenen stam strepen, die van het middelpunt naar den omtrek loopen en merg-stralen of spiegeldraden genoemd worden, o. Bosch, o. (-en). Stuk huut. — Iltut-aarde, v. Aarde van vermolmd hout.— Houtachtig, ba. — Houtader, v. (-en, -s).

— Houtakket, m. (-s). Grond, bezet met

later te vellen boomen. — Houtasch, v._

Hout azijn, m. — Houtbeitel, m. (-s). —

Hout bok, m. (-ken). Zaagbok, ezel. _

Houtbouw, m. — Houtbutoortje, o. (-s). Kleine roerdomp {ardea vnnuta).— Houtdief, m. (..ven). — Houtdraaier, m. (-s).

— Houtdragend, bn. — Houtdrank, m, (-en). Aftreksel van hout. — Hou/druk, m.

— Houtdrztkkunst, v. Het di ukken met houten lettervormen. — Houtduif, v. (..ven). Woudduif. — Houten, bn. - Houten, bw. houtte, heeft gehout. Zeew.) Met hout beklceden. — Houterig, bn. Houtachtig. Houterig (stijf, onhandig mensch).

— Houterigheid, v. — Houteter, m. (-sj.


ocr page 310

HOUT — a

Houtetend insect. — Hout gebrek, o. Gebrek aan hout. — Houtgeest, m. Een der producten der drooge distillatie van hout.

— Houtgewas., o. — Houthak, m. Het hakken van het hout. — Houthakken, o.

— Houthakker, m. ( s), — Houthandel, m. — Ho ut handquot; laar, m. (-s). — Hout-hok, o. (-ken). Hok, dienende tot berging van het brandhout. — Houtkoop, m. (-en).

— Houtig, bn. Als of vol hout. Stijf. Onaardig. Geesteloos. — Houtje, o. (-s). Klein stuk hout. Iets op zijn eigen houtje doen, op eigen gezag, uit eigen beweging.

1 — Houtkachel, v. (-s). — Houtkever, m. 1 (-s). Kever (c^rrt;«3yjf), met lange, borstelige voelhorens. Leeft op hoornen. — Houtkliever, m. (-s). — Houtklooven, o.

— Ho-tkloover, ra. (-s). — Houtkooter, ra. (-s). — Houtlader, m. (-s). Die hout vervoert. Vaartuig ora hout te vervoeren.

— Hout loods, v. (-en). Pakhuis voor hout.

— Houtluis, v. (..zen). Netvleugelig insect (ósocus).lscer\ zecr teer diertje, dat bij de minste drukking gedood wordt. — Houtmaat, v. (..aten). Stère. — Houtmagazijn, o. (-en). — Houtmarkt, v. (-en). — Houtvie ten. o. — Houtmeter, m. (-s). — Houtmeting, v. (-en). — Houtmijt, v. (-en). Houtstapel. — Houtmyter, ra. (-s). Die

■ hout aan mijten zet. — Houtplaats, v. ( en). Bergplaats voor hout. — Houtraap-ster, v. (-s). — Houtraper, ra. (-s). — Hcutrups, v. (-en). — Houtschild, m, (-en). Kruier. Pakkendrager.— Houtschip, o. (..epen). — Houtschroef, v. (..ven). Schroei, met een wijden scherpen draad, welke men, ter bevestiging, in het hout draait. — Houtschuit, v. (-en).—Houtschuur, v. (..uren). Houtloods. — Houtskool, v. (..olen). Verkoold hout. — Hout-sleepen, o. — Houtsleeper, ra. (-s).^ — Houtsnede, v. (-n), houtsnee, y. (-ën). Graveersel in hout.^ — Houtsnijder, m. ' (-s).— Hou tsnij de rif, v. — Houtsnijkunst, v. — Houtsnijwerk, o. — Houtsnip^ o. (-pen). Zie Snip. — Houtsoort, v. — Houtspaander, ra. (-s). — Houtstal, in. (-len). — Houtstapel, m. (-s). — Houtteelt, v. —Houtteller, m. (-s). Een • door de regeering aangesteld persoon, dit* het hout telt. — Houttuin, m. (-en). Werf, waar hout ten verkoop opgestapeld ligt. — Hontvellen, o., houtvfiling, v. (-en). — Houtveller, ra. (-s). ~ Hout-uester, ra. (-s). Opzichter van oosschcn, inz. van adeMijke eigenaars. — Hout-i vestery, v. — Hou tv lieg, v. (-en). {Xylo-Phagus) Behoort tot de tweevleugeligv insecten. Leeft als larve in vermo'md hoat.

— Houtzlot, o. ( ten). Aaneengebonden rijen balken, enz. waarmede men dc rivieren afzakt. — Houtvlotter, m. (-s). — Houtvuur, o. (..uren). — Houtwachter, m. (-sN. Houtvester. — Houtwagen, m. (-s).

— Houtwaren, v. mv. — Houtwerk, o. (-ei,). — Houtzvesp, v. (-en). Houtkever.

— Hout'vinkel, m. (-s). — Houtworm, m. (-er). Insect. Behoort tot de schiidvleuge-geli^en. Zijre larve dooi knaagt het hout.

— - Houtzaag, v. (..agen). —- Houtzaagmolen, ra. (-s). —Houtzager, ra. (-s). — Ho ui zage rssch ra ag, v. (..agen). —Hout-

6 — HUET

zolder, ra. (-s). — Houtzuur, o. Zuur, dat uit het hout wordt getrokken.

houtlns:, ra. ( en). Behoort tot zalm-l visschen {coregonus oxyrhynchus).

lloatman (C.), 1550-1598, Gouda. I Reiziger en de grondlegger van denj Nederl. handel in Oost-Indië.

houvast, o. (-en). IJzeren krara om iets vast te maken. Sluitklamp.

houw, v. (-en). (Mets.) Kalkklopper. Soort van houweel.

laonw, v. Gebrek aan de oogen van paarden en rundvee.

houw, m. ( en). Slag met bet scherp van eene sabel enz. Wonde, door zulk eenen slag veroorzaakt. Het hakken van een bosch. — Houw bijl, v. (-en). — Houw-blok, o. en m. (-ken). Hakblok. — Houw~ bosch, o. en m. (..sschen). — Houwdegen, m. (-s). — Houwen, bw. hieuw, heeft gehouwen. Hakken. A'houwen. Vellen.| Houwend bewerken ; steen houwen. — Houwer, m. (-s). Sabel. Degen. Beeldhouwer. Snoeimes. Voorvechter. — Houw-hamer, ra. (-s). Moker. — Houwing, v. (-en). — Houw7nes, o. (-sen). Kort breed mes.

Honwacrt {J. B.), 1533-1599, Brussel. Dichter. Pega si des Pleyn, en de den Lttst-hof der Maeghden (15Ö2).

liouweol, o. (-en). Breed en gekromd ijzeren werktuig, dienende om het land om te halen.

lionwitner, m. (-s). Kort kanon. — Houwitsergranaat, v. (..aten).

lloiizesiu «le liClmye C.), 1820-1888, Bergen. Belgisch sterrenkundige. Bibliographic générale de Vastronomie (I88O-'87).

liovclinsr, ra. (-en). Persoon aan 's vorsten hof. Vleier. Veinzaard.

liovon, hoofde, heeft gehoofd. Bw. Aan het hof ontvangen. lem. huizen en ; hoven, hem prinselijk ontvangen. Ow. Ijoed ontvangen. Gastmaal houden. Zich weldoen aan een feestmaal.

hovenier, m. (-s, -en). Tuinman. Die den tuinbouw uitoefent. — Hovenieren, ow. hovenierde, heeft gehovenierd. Zich met den tuinbouw bezighouden. — Hovenier salmartak, ra. (-ken). — Hovcnicrs-boek, o. en m. (-en). — Hove nier sgereei-schap, o. (-pen). — Hoveniers huis, o. (..zen). — Hoveniersknecht, m. (-s, -en).

— Hovenierskunst, v. — Hovenierslaan, v. (..anen). — Hoveniersland, o. — Hoveniersmes, o. (-sen).—Hoveniersschaar, v. (..aren). — Hoveniersschop, v. (-pen).

— Hoveniersspade, v. (-n). — Hoveniersier, v. (-s). — Hovenierszaag, v. (..agen).

tioviiiff, v. (-en). Bloem- en moestuin (aan eene woning).

hozebsmd, ra. (-en). Zie Hoos (2® art.). Hncbald, 84o(?)-93o. Fr. monnik en toonkunstenaar. Musica Euchiriadis.

Hwolitenburgh [J. van), 1646-1733,. Haarlem. Portretschilder.

Hudson {H.), f 1611. Engelsch zeevaarder, beroemd door zijne ontdekkingen in 't Noorden van Amerika. Ontdekte de naar hem genoemde straat.

Mnct (C. Busksn), 1826-1886, 's Gra-


ocr page 311

HUIK — 2

venhage. Letterkundige en criticus. Over-drukjes (schetsen en verhalen, 1855) ; Ltdewyde (roman, 1868); Litter arische Fantasien en Kritieken (20 dln).

Hugenoot, m. (..oten). Naam der Hervormden (Frankrijk, XVI6 eeuw).

Hugro (K. M.), 1802-1885, Besan^on. Fr. dichter en prozaschrijver, 't Hoofd der romantische school. Gedichten : Odes et Ballades (1822); Orientates (1828); Légende des siècles (1859). Romans : Notre-Dame de Paris (1831); Les Misérables

ii862): Les travailleurs de la meri862): Les travailleurs de la mer (1865}. drama's : Cromwell (1827) ; Hernani (1830); Le rois'amuse (1832).

bui, y. Wei (van geschifte melk). — Huiachtig, hn.

litii, tw. Voort! komaanI liuibeii, m. (-s). Uil van de kleinste soort. Stommerik.

lniicliclen, huichelde, heeft gehuicheld. Ow. Den schijnheilige uithangen. Bw. Vriendschap, liefde enz. voor iem. huichelen.— Huichelaar,m.. (-s, ..aren).— Huichelaarster, v. (-s). — Huichelachtig, bn. byw. —Huichelares, v. ( sen). — Huichelarij', v. (-en). — Huicheling, v.

liui«l, v. (-en). Bekleedsel van het dierlijk lichaam. Vezelachtig weefsel, dat de

Santen of enkele deelen er van bekleedt, ekleeding van een schip. Met huid en haar : geheel en al. —anten of enkele deelen er van bekleedt, ekleeding van een schip. Met huid en haar : geheel en al. — Huidader, v. ( en, -s). — Huidbereider, m. (-s). — Huidbe-schryver, m. ( s). — Huidbeschrijving, v. — Huidenhandel, m. — Huidenkoo-per, m. (-s). — Huidenmarkt, v. (-en). — Huid(s)kleur, v. — //uidklier, v. (-en). — Huidontleding, v. — Huidontsteking, v. — Huidplank, v. (-en). (Zeew.) — Huidsmeer, o. Verdikt zweet. — Huid-spier, v. (-en). (Ontl.) Zekere spier aan den hals. — Huidspyker, m. (-s). (Zeew.) Wormnagel. Paalspijker. — Huiduitslag, m. — Huiduitwaseming, v. — Huidna-ten, o. mv. — Huidvetten, bw. huidvette, heef: gehuidvet. Huiden bereiden. Leertouwen. Leerlooien. — Huidvetter, m. (-s). — Huidvettery, y. (-en). — Huidvlek, v. (-ken). — Huidvlo o, v. (-iën). — Huidwcrm, m. ( en) (ook draadworm) {Fitaria medinensis). Leeft in 't celweef ■el van de onderhuid der menschen (in heete landen). — Huidzakdieren, o. mv. Zie Bijgevoegde tabellen. (Dierenrijk). — Huidzenuw, v. (-en). — Huidziekte, v. lt;-n).

liuidigr, bijw. Van heden : ten huidige dage, de huidige vergadering.

liuif, v. (..ven). Vrouwenmuts. Linnen overdek aan een rijtuig. Kap, welke men den valken opzet om ze tam te maken. (Ontl.) Darmnet. Tweede maag der herkauwende dieren. Netmaag of muts. — Hu ij kar, v. (-ren), huifwagen, m. (-s). Kar of wagen met eene huif overdekt.

huicr, v. (-en). Het lelletje in de keel. Iem. van de huig lichten : hem door bedrog zijn geld afhandig maken.

liuik, v. (-en). Zijden of stoffen kapmantel. — Huikmaker, m. (-s). — Huik' maakster, v. (-s).

liuik, v. (-en). Hurk. — Huiken, ow.

1 — HUIS

huikte, heeft gebuikt. Hurken. (Zeew.) Do zeilen reven. — Huik er, m. (-s). Dio huikt. Onnoozele bloed. Botterik. — Hui-

king, v. (-en). — Huikster, v. (-s).

liuilcbsUk, m. en v. (-en). Gehuurde schreier of schreister bij begrafenissen. Kind, dat gedurig schreit en built. — Huilebalken, ow. huilebalkte, heeft gehuilebalkt. Aanh. schreien, huilen.

linilobaik, v. (-en). Hoed met neergeslagen rand.

liuilen, ow. huilde, heeft gehuild. Een sterk, doordringend en gerekt geluid doen hooren : de honden hu:lcn, de wind huilt, de kanonkogels huilden door de lucht. Met eene luide en klagende s'em weenen.

— Huiler, m. ( s). — Huilerig, bn. — Huiling, v. — Hui 1st er, v. (-s).

liuiü, o. (..zen). Gebouw, bestemd tot eene woning voor menschen. Woning, woonplaats. Haardstede. Familie. Gezin. Afkomst. Koningsgeslacht, 's Konings huis : de hofhoudimr. Geslacht: een aloud huis. Het huis des Heeren : de kerk. Iem. niet te huis kunnen brengen : zich zijnen naam niet herinneren. In iets te huis zijn ; iets goed kennen. Geen huis zonder kruis : geen huisgezin is vrij van kommer of leed. Oost, West, thuis best. — Huisaltaar, o. en m*. (..aren). — Huisapotheek, v. (..eken). — Huisarmen, m. en v. Huiszittende armen. — Huisarrest, o. Gevangenschap in zijne woning. Hij heeft huisarrest : hij mag niet uitgaan. — Huisarts, m. (-en). Gewone arts. — Huis aas, m. (..azen). — Huisbakken, bn. Huisbakken brood ; brood, dat men in zijn huis bakt. — Huis-bearnbte, m. (-n). Ambtenaar in een vorstelijk huis. — Huisbediende, m. en v. (-n).

— Huisbel, v. (-len). — Huisbeleid, o. — Huisbestuur, huisbestier, o. — Huisbewaarder, m. (-s). — Htiisbew aar ster, v. (-s). — Huisbezoek, o. (-en). Huisbezoeking, v. (-en). — Huisbezorger, m. (-s). —Huisbezorgster, v. (-s). — Huisbezorging, ▼. — Huisbijbel, m. (-s). — Huisblad, o. (-en). Vischlijra. — Huisboek, o. en m. (-en). — Huisbraak, v. Diefstal met inbraak. — Huisdeur, v. (-en). — Huisdief, m. (..ven). Bi diende, die zijne meesters besteelt. — Huisdieveg^e, v. (-n).

— Huisdier, o. (-en). Tam dier (in te-genst. van wild dier). — Huisdieverij, v. (-en). — Huisdokter, m. (-s). — Huis-drop, m. Water, dat van de daken droppelt. — Huisduif, v. (..ven). Tamme duif {colutnba livid). Iem., die zelden uitgaat. —- Huisduivel, m. (-s). Die gedurig in zijne woning tiert en raast. — Huisdnivalin, w. (-nen). — Huiseend, v. (-en).Tamme eend [anas boschas). — Huis(e)lyk, bn. bijw. Van, tot het huis behoort nde.'Een huiselijk mensch, die een geregeld leven leidt. Huishoudelijk. — Huis(cjtijkheid, v.

— Huisgeld, o. (-en). Belasting op een huis.— Huisgenoot, m. (-en). Die tot het huisgezin behoort. — Huisgenoote, v. (-n).

— Huisgerief, o. — Huisgewaad, o. (..aden). Ochtendkleeding. — Huisgezin, o. (-ncn). Al de personen (de bedienden uitgezonderd) van een huis. — Huisgoden, m. mv. (Oudt.). — Huishaan, vu. (..anen).


ocr page 312

— 278 —

HUIS

HUIS

Gewone haan. Die het hooge woord in huis heeft. Meester van het huis. — Huis-hter, m. V-eu). Kigenaar, heer, verhuurder des huizes. — Huishen, v. (-nen). — Huishond, m. (-en). Zie Hond. — Huishotid-0. fk, o. en m. (-en). — Huishoudelijk, bn. bijw. Wat tot het huishouden behoort. Spaarzaam, net, ordelijk, vlijtig. Alle-daagsch. — Huishoudelijkheid, v. — Huishouden, o\v. hield huis, heeft huisgehouden. Hlt; thuis besturen. Spaarzaam zijn (met) : met weinig weet hij goed huis te houden. Tc zamen wonen : zij houden goed huis. Omgaan : met hem is er geen huis te houden. Razen, tieren : zij hebben daar eens huisgehouden. — Huishouden, o. Huishouding. Huisraad, (-s) Huisgezin.

— Huishoudend, bn. Spaarzaam. — Huis-houdertm.K-s). — Huishoudgeld,o. ( en).

— Huishouding, v. (-en). Regeling der inwendige zaken van het huis. Huisgezin. Huisiaad. De huishouding van Staat. — Huishoudkamer, v. (-s). Woonvertrek. — Huishoudkunde, v. Orde in het beheer van een huishouden. Verstandig beheer. — Huishoudkundig, bn. — Huishoudkundige, va. (-n). — Huishoudster, v. (-s).— Huishuur, v. (..uren).— Huisjapon, (-nen). — Huisjas, v. (-sen). — Huisjesmelker, m. ( s). lem , die huizen verhuurt.

— Huisjesslak, v. (-ken). Buikpootig weekdier {cochlea), dat zijn huisje op den rug draagt en wiens kop van voelhorens is voorzien. — Huiskamer, v. (-s). — Huiskapel, v. (-len). — Huiskapelaan, m. (..aner). — Huiskat, v. (-ten). Tamme kat \felis domes tic a).— Huiskleed,o. (-eren).

— Huisklecding, v. — Huisklok, v. (-ken). Staande klok. — Huisknecht, m. _(_-s).— Huiskonijn, o. (-nen). Tam konijn. — Huiskrakeel, o. — Huiskrekel, m. (-s).

— Huiskruis, o. Aanh. huiselijk verdriet» (Scherts.) Vrouw des huizes. — Huislan* iaarn, v. (-en, -s). — Huislinnen, o. Linnen, dat men zelf heelt vervaardigd. — Huis look, o. Vetplant {semper vivum tec-

Huislook.

lorum), die niet zelden op de daken wordt


Huis.

Z. Kelder.

2. Benedenverdieping.

3. Bovenverdieping.

4. Dakverdieping. S- Hof.

6. Venster.

7. Deur.

8. Voetpad.

9. Boord.

A. Balkon.

B. Open galerij'.

C. Voorportaal.

D. Buitentrap.

E. Penant.

F. Muur.

G. Uitstek.

H. Vensterraam.

I. Dwarslaag.

k Grondmuur. . Keldergat. Grondmuur. . Keldergat.

L. Glad lijstwerk.

WL.Hoekverbindingssteen.

N. Kroonboog.

O. Looze bovenlyst van het venster,

P. Leuningpyler.

Q. Op- en neerslaande stijl.

R. Sluilsteen.

S. Boog.

T. Bovendorpel.

U. Kruishout,

V. Dekstuk. W. Voetstuk. X. Muur kop, Y. Hengsel. Z. Anker.

a. Windwijzer,

b. Samenvoeging.

c. Uitspringende hoek

d. Kattegat.

e. Schoorsteen.

f. Schoorsteenkap.

g. Jionddakvenster.

h. Hoekspar.

i. Kroonlijst.

j. Vleermuisvenster. k. Liggende dakgoot.

I. Dakvenster,

m. Nok.

n. Sieraad, o. Schoorsteen. p. Opin torentje, q. Sluit sieraad. T. Steunboog. s. Bovendorpel, t. Neut.

u. Venstfrkruis, v. Bindstcen, w. Kraagsteen, x. Steunsteen, y. Wigvormige sluit*

steen.

z. Vensterroede.


Kamer.

A. Plafond.

B. Ingelegde vloer.

C. Beschot,

a. Balk.

b. Rib.

c. Plafond-vak.

d. Kroonlijst, p. Spiegel.

f. AI uur blaker,

g. Ker Hijst.

h. Schoorsteen.

i. Hnnrd.

k. [Jzerenplfiat, 1. Post. m. Paneel. n. Plint,

o. Paneelwerk, p. Hoek bek Ie e ding. q. Deurvleugel. r. Penantspiegel, S. Gordijn.knop. t. Borduurwerk. u. Deurgordijn. v. Gordijnband.

w. Lijstwerk, x. Schuinsche ver-

■wijding. • y. Sponning.

z. Vlak der muur-dikte aan de deuropening.


ocr page 313
ocr page 314

HUL — :

aangetroffen. — Huisman, m. (..lieden). Landman. Boer. Dopeling. — Hutsviar-ier, m. (-s). Zie Fluwijn. — Huismeester, m. (-s). — Hut'smeesieres, v. (-sen). — Huismeid, v. (-en). — Huismiddel, o. (-en). Geneesmiddel, dat niet uit de apotheek komt. Huismoeder, v. (-s). — Huismoederlijk, bn. — Huismosch , ..musch, v, (..sschen). Gewone mosch. — Huismuis, v. (..zen). Gewone ravis (in tegenst. van veldmuis). — Huisonderwijs, O- — Huisonderwijzer, ra. (-s). — Huis-onderwijzeres, v. (-sen). — Huisopzichter, huisopziencr, m. (-s). — Huisorgel, o. ( s). — Huisraad, o. Meubels, inboedel van een huis. — Huist echt, o. Recht des huizes. Vadt-rlijk gezag. — Huisrat, v. (-ten). Gewone rat (in tegenst. van veldrat). — huisrok, m. (-ken). — Huisschel, v. (-len). — Huisschilder, m. ( s).

— Huisslak, v. (-ken). Gewone slak. — Hutssleutel, m. (-s). — Huis slot, o. (-en).

— Huisspin, v. (-nen). {Tegenaria do-mestica). —Huistimmerman, m. (. lieden). — Huistwist, ra. (-en). — Huisvader, m. (-s). — Huisvaderlijk, bn. — Huisverdriet, o. — Huisvertrek, o. (-ken). Huiskamer. — Huisvesten, huisvestte, 1 eeft gehuisvest. Bw. Herbergen. Een vast verblijf geven. Ow. Hij huisvest bij zijnen oom. — Huisvesting, v. Inwo-ning. — Huisvlieg, v. (-en). Deze vlieg (musea domestica) ziet men bij en in woningen en stallen. — Huisvoogd, ra. (-en). Heer des huizes. — Huisvoogdes, v. (-sen). — Huisvriend, m. (-en). — Huis-vf-ouw^. (-en). — Huiswaard, ra. (-en). Verbuurder van een huis. — Huiswazr-din, v. (-nen).— Huiswaarts, bijw. Naar huis. — Huiswerk, o. — Huiswezen, o. — Huiszaak, v. (..aken). Zaak, die het huis betreft. — Huiszittend, bn. Zelden of nooit uitgaande. De huiszittende armen (in teg» nst. van de bedelaars) — Huiszitten-huis, o. (..zen). Soort van armhuis te Amsterdam. — Huiszitter, m. ( s). — Huiszoeking, v. (-en). Gerechterlijk onderzo. k van iemands woning. — Huiszorg, v. ( er). — Huiszwaluw, v. ( en). Gewone zwa'uw.

lmiven, bw. huifde heèft gehuifd. Dekken met eene huif.

li uivaren, ow. huiverde, heeft gehuiverd. Rillen, sidderen (van koude, enz.). Ijzen ; ik huiver nog als ik er aan denk. — Huiverachtig, bn. — Huiverachtigheid, v. — Huiverig, bn. — Huiverigheid, v.

— Huivering, v. (en). — Huiveringwekkend, bn.

liuizon, huifde, heeft gehuisd. Ow. Wonen. Huishouden. Handelen, zich gedragen : zij hebben daar sllt;*cht gehuisd. Bw. Huisvesten. — Huizing, v. (-en). Huis. Verblijf. Verblijfplaats. Woning. (Zeew.) Hut, kajuit. Dun touw van twee draden kabelgaren.

lm It, m. Hurk. - - Hukken, ow. hukte, beeft gehukt. Hurken.

Imi. v. (-len). Linnen vrouwen- of kinderkapje.

liu l,m (-len). Uitstekende groep van bij-*eLi.taande dingen : hier en daar groeit io — HULZ

nog een hul gras. Klein overschot: een hul

klaveren.

Imldc, v. Gehoorzame onderdanigheid: hulde moet er Go Je gedaan! Onderwerping : hulde bewijzen am de vaar.uid. Huldeb* tooning : dit zult gij als hulde mijner dankbaarheid aanvaarden. (Middel.) Als de leenman hulde bewees aan den leenheer, erkende hij daardoor dezes heerschappij en recht. Deze erkentenis wlt; rd uitgedrukt door den eed : de leenman boog de knie ten grond en sprak : ik 1)« n uw man. — Huldebetoon, o., huIdebetooning, v. (-en). — Huldeblijk, n. (-en). — Hulde Rijt, v. (-en). Heergewaden. — Hulden, bw. hulde, heeft gehuld. Huldigen. — Huldigen, bw. huldigde, heeft gehuldigd. (Middel.) Hulde doen. Hulde bewijzen. Erkennen : de waarheid hu'di^en. — Huldiging. v. (-en). Hei huldiging. Inhuldiging. BÜjJe inkomst. ~ Hi.Tdignigsbrief, m. ..ven). — Huldigingseed, ra. ( en;. OndirJaanseed(tn linttanië).

lm Ik, v. (-en). (Ou-JtJ Zwaar koopvaardijschip. (Thans) Schip : de hulk van Staat.

Imllen, bw. hulde, lu eft g. huid. Met eene hul dekken. Omwikkel n. kl« eden : hij was in eenen mantel gehuld. Tooien, vt rsicren. — Huiler, m. (-s). — Hulling, v. (-en). — Hulster, v. (-s).

Imlp, v. Ondersteuning. Bijstand, m. en v. Helper, helpster. — Hulpbehoevend, bn. — Hulpbehoevendheid, v. — Hulpbende, y. (-n). — Hulpbetoon, o — Hulp-be Icon ing, v. (-en). — Hulpeloos, bn. Zonder hulp. Verlaten. — Hulp, loosheid, v.

— Hulpgenoot, ra. (-en). — Hu'pgenocte, v. ( n). — Hulphaven, v. (-s). — Hulpkantoor, o. (..eren). — Hulpket k, v. (-en).

— Hulpleger, o. ( s). — Hulplijn, v. (-en). Lijn, die tut de grondteekt ning r^iet behoort, maar die dient om het teeken; n te vergemakkelijken. — Hulpmiddel, o. (-s). Geueesmidd»!. Uitvlucht. — Hulponderwijzer, ra. (-s) — Hulponderwijzeres, v. (-sen). — Hulpprediker, m. ( s). — Hulppriester, ra. ( s). - Hulpstelling, v. (-en).

— Hulptroepen, ra. rav. — Hulpvaardig, bn. — Hulpvaardigheid, v. — Hulpwerkwoord, o. (-en). (Taalk.). Hulpw. van tijd : hebben, zijn. Hulpw. van wijze : mogen, kunnen, zullen, willen, enz. Lijdend hulpw. : worden. — Hulpzaam, bn.

— Hulpzeel, o. (-en). Helpzeel.

Imlsel, o. (-s . Kapsel.

lm 1st, ra. ( en). Inlandsche, altijd groene heester {ilex aquifolium). Heeft gjinsterende getande bladeren, onaanzienlijke witte bloemen en fraai roode bessen.

— Hulstbes, v. (-sen). — Hulstbezie, v, (..lën). — Hulstblad, o. (-eren). — Hulstboom, m. (-en). — Hulstbosch, o. en ra. (..ssctien). — Huizeboom, m. (-en). Hulst.

— Hulzenbosch, o. en m. (..sschen). llulKtvr [L d'), 1784-1843, Tielt. Letterkundige. ] boorden lijst voor spellingen uiispt aak (1839).

llulMu it ' «y.), 1766-1822, Nieuwer-Amstel. Landschapschilder.

linlzc, li 111 m, v. (..zen). Bast. Peulschil. (Vuurwerkm.) Papieren koker n;et kruit gevuld.


ocr page 315

HURE — 2i

linm, tw. Zie Hem. — Hummen, ow. humde, heeft gehumd.

liuiustnn, bn. Menschlievend. Inschikkelijk : voor humane opmerkiugen houd ik mij aanbevolen.

liuiuuiiiorst, v. mv. Die kunsten en wetenschappen, die den mersch tot mensch maken, inz. de classieke talen : Latijn en Grieksch. — Humanisme, o. Stelsel van onderwijs, dat de hoogere vorming van dt-n mensch op het aanleer en der oude talen bouwt. — Humanist, m. (-en). Taalgeleerde, die de humaniora onderwijst

liumanitcit, v. Menschelijkheid. Mcnschdom.

Humboldt {von) I* {A.), 1769 1859, Tegel (Berlijn) Aardrijkskundige, O'.tJek-kin; sreiziger en natuurkenner. Kosmos, Ent-zvurf eitierphysischen Weltbeschrei-buiiii {5 din. 184O. 20 Zijn broeder (/f. W.), 1767-1835, Postaam. Taalkundige en criticus.

llumo (Z).), 1711-1776, Edinburgh. Wijsgetr en geschiedschrijver. Inquiry concerning the principles oj moral (1752).

Isumeiir, o. (-en), liumor, m. Luim. Stt-mmir.g. Gemoedsstemming. Ge stige, zinrijke stijl. Grillige geestigheid. — //«-morisé, m. ( en). Luimig en puntig schrijver. — Humoristisch, bn. Luimig. Geestig-

llummel [J. N.), 1778-1837, Presburg. Pianist en toondichter.

ImmnH, m. Mestaarde. Teelaarde, liuii, bezitt. of pers. vnw. 3 pers. mv.

o (-den), liuiiiiclgt;elt;l, o. (-den). Stapels granietblokken, welue men in_ Nederland, Denemarken, enz. aantreft. Dienden tot begraafplaats der vóor-Keltcn of vóor-Germanen.

liuiikc-rcii, ow. hunkerde, heeft gehunkerd. Hunkeren (naar) : hevig verlangen, begeeren. — Hunkering, v. (-en).

lluniK'ii, m. mv. Aziatisch volk, dat in de IVe eeuw uit Rusland het Romeinsch rijk bestormde en bij den dood van Attila van het wereldtooneel verdween. Zie Aëtius.

Iiunncnt (ten-), bijw. uitdr. In hunne woning, te huis. — Hunnenthalve, bijw. Om hunnentwil. — Hunnentwege, bijw. In hunnen naam. Wegens hen. — Hunnentwil (otn-j, bijw. uitar. Ter wille van

hequot;.

Hu 11 cl om (y. C.), 1387-1456, Hunyad (Si« benl ürgen). Hongaarsch krijgsman. V« rdlt; dude heldhaftig Belgrado tegen den sultan Mahomed II.

Iiuppolcii, ow. huppofdö, heeft gehup-e d. Kleine sprongen maken (inz. vaa inderen). Opspringen (van vreugde, enz.). — Huppelaar, m. (-s, ..aren). — Huppelaar ster, v, (-s). — Huppeldans, m. — Huppeling, v. (-en).

Iiu|»]gt;cii, ow. hupte, heeft en fs gehupt. Met tegen elkander gedrukte voeten sprin-gen.

liupKeli, bn bijw. Vrij goed, bevallig, lief. Wel opgevoed, wellevend. — Hupsch-heid, v.

buren, bw. tuurde, he gehuurd. Voor geld ten gebruike 01 in zijnen dienst

[ — HUWE

nemen. Bevrachten : een schip huren. — Huring, v.

hurk, v. (-en). Op de hurken zitten i met gebogen knieën zoo op den grond zitten, dat het achterste op de hielen rust. — Hurken, ow. hurkte, heeft gehurkt. Op do hurken zitten.

Hum, Hum», Humz {J.), 1373-1415, Hussinecz (Bohemen). Ketter. Éen voor-looper van de Hervorming der XVI6 eeuw. Leeraarde, dat Christus alleen het hoofd is der Kerk, dat de zonden, niet door de absolutie, maar door het berouw vergeven worden, enz. Werd tot den brandstapel veroordee!d.

liut, v. (-ten). Bedekte, tegen het weer beschutte plaats : de hut van eenen schaapherder, Verblijfplaats der stuurlieden, enz. opschepen. Inz. eene geringe en armoedige woning van leem, huut en stroo vervaardigd. — Hutbeu oner, m. (-s). — Hutbewoonster v (-s). — Hutgast, m. (-en), (Zeew.) quot;Matrozen, enz. die in dezelfde kajuit huizen.

liut.MCleii, bw. hutselde, heeft gehutseld. Dooreenschudden. — Hutsekluts, ra. (-en). Rommelzoo. Mer gelmoes. Huisraad van kleine waarde : i» m. met heel den hutsekluts op straat zettlt; n. De gere.-dschap-pen, welke een werkman in eenen zak mededraagt. Onbeduidende dingen, die ergens in vergaderd zijn. 13e ingewanden van een dier. — Hutseklutscn, ow. hut-s klutste, heeft gehutsekiutst. Hutsen en klutSin. Waggelende schudden. —Hutse-laar, m. (-s). — Hutselaarsfer, v. (-s). — Hutselbeker, m. (-s). Beker voor dobbel-steenen. — Hutseli'.g, v. — Hutsen, bw. butste, heeft gehuts . In stukjes snijden en dooreenschudden. Hutselen. — Hutspot, v. en m. Gemengde spijs van vleesch, wortelen, aardappelen, enz.

Iiuttentut, v Plant [Myagrum sativum) uit de familie der kruisbloemigen. Draagt een klein, oranjekleurig zaad, waaruit olie geslagen wordt.

liu ur, v. (huren). Loon : een goede huur aan zijne dienstboden betalen. Dienst : hij is hier nog niet lang in huur. Pacht : een land in huur hebben. Huurgeld, huurprijs : bij betaalt te groote huur voor zijn huis. lijd van zich te verhuren : zijne huur is morgen uit. — Huurbrief, m. (..ven). — Huurcedel,(-s), huur ceel, v. (-en). — Huurcontract, o. (-en). — Ijuurder, ra. (-s). —Hu urge la, o. (-en^. — Huurhuis, o. (..zen). Gehuurd huis. — Huurkamer, v. (-s). — Huur kantoor, o. (..oren). Kantoor, waar men dienstboden, enz. kan huren. — Huurkoets, v. (-er). — Huurkoetsier, ra. (-s). — Huurlakei, m. (-en). — Huurling, ra. en v. (-en). Gehuurde bediende of krijgsman. — Huur lingf, v. (-n). —Huurloon, o. en m. (-en). — Huurmoordenaar, ra. (..aren). — Huurpaard, o. (-en). — Huurpenning, m. Godspenning. — Huurpenningen, ra. mv. Geld voor eene gehuurde woning. — Huurprijs, m. (..zen). Huurrijtuig, o. (-en). — Huurster, v. (-s). huurtroepen, in. mv. — Huurwagen, ra. (-s).

huwelijk, o. (-en). Echt, echtvcr-


ocr page 316

HYDR — 2

eeniging, echtverbond. « Een Sacrament, door hetwelk man en vrouw wettelijk verbonden worden en gratie ontvangen om kinderen tot Gods glorie op te brengen ». — Huzuehj'ksaangijte, v. (-n). — Hu we lijk sa an zoek, o. (-en). — Huwelijksadvertentie, v. (..iën, -s). — Hu w e lijk safko n dicing, v. (-en). — H uwe-lyksband, m. (-en). — Huwelyksbckeud-tnakïng, v. (-en). — Huwelijksbelofte, v. (-n). — Huwehjksbericht, o. ( en). — Huwelijksbootje, o. (-s). — Huwe lijk sch, bn. Het huwelijk betreffende. — Huwelijkscontract, o. (-en). — Huwehjksjeest, o. en v. (-en). — Huwelijksfuik, v. (-en). Huwelijk. — Huwelijksgeluk, o. — Huwelijksgift, v. (-en). —Huwelijksgod, m.

— Huwelijksgoed, o. — H uwe lijk sin-schnjvinq, v. — Huwelijksjuk, o. {-ken).

— Huwelijksknoop, m. (-en). — Huwelijksleven, o. — Huwelijksliefde, v. — Huwehjksmin, v. — Huwelijksnet, o. (-ten). Huwelijk. — Huwelykspak, o. (-ken). — Huwelijksplicht, m. en v. (-en).

— Huwelijksschuitje, o. ( s). — Huwelijkstrouw, v. — Hu zrelijksvoorwa a rde, v. (-n). — Huwelijkszegen,

bileven, huwde, heelt en is gehuwd. Ow. (zijn) In den echt treden. Ew.Ten huwelijk geven, laten huwen (met). Ten huwelijk ontvangen . hij huwde eene rijke erfdochter. Nauw verbinden : naarstigheid huwen aan deugd. — Huwbaar, bn. Geschikt (door de jaren) om te huwen. — Huwbaarheid, v.

Huydccoper (/?■)« 1695-1778, Amsterdam. Taal- en letterkundige. Proeven van taal- en dichtkunde (1732) ; Rymkronyk van Melis Stoke (met aant. 1772).

IKu^ens (C), 1596-1687, 's Graven-hage. Dichter. V Cost e lie ft Mal (hekeldicht, 1622); Batave Tempe, d. i. '/ Voorhout van 's Gravenhage (1622).

10 (c.), i6..(?)-i6..(?), Antwerpen. 20 (y. Bi), 1655-1716. Landschapschilders.

II11^ num [J. van), 1682-1749, Amsterdam. Bloemschilder.

Imzstar, m. (..aren). ICrijgsmau, tot de lichte ruiterij behoorende. — Huzaren-mantel, m. (-s). — Huzarenmuziek, v. en o. — Huzarenofficier, (-en, -s). — Huzarenvest, o. [-en). Dolman.

liyaeiut, m. (-en) (edelgesteente); o. (stofnaam). Edelgesteente, meestal oranjegeel- of goudkleurig.

liyax'int, v. (-en).Bolplant{hyacinthus orientalis). Wordt in 't vroege voorjaar gekweekt. Is zeer gezocht om hare bloemen met aangenamen geur en schitterende kleuren.

liybridiscli, bn. Vreemdsoortig. Hybridisch woord : woord samengesteld uit woorden van verschillende talen.

bydrsiulica, v. Deze wetenschap beschouwt de vloeistoffen in den toestand van evenwicht en in die van beweging. Zij omvat dus de hydrodynamica en de hydrostatica. Gewoonlijk bedoelt men met hydraulica de toepassing dier beide wetenschappen op de waterbouwkundige werken, sluizenbouw, enz.

! — HYSO

liydroriynamlea, v. Leer van cïe beweging der vochten. — Hydt auli^ch, bn. Hydraulische kalk : kalk, die onder water hard wordt. Zie Pers.

liydrogrccu, o. Waterstof. li^'droiiKMliiMen. v. mv. Zie Bijgevoegde tabellen (Dierenrijk).

li^droiuel, o. Mee, mede, honig-drank.

li^'droKtatioa, v. Leer van het evenwicht der vloeistoffrn.

liyeust, v. (-'s). Verscheurend dier

Hyena.

{hyand), tot de teengangers van de orde der roofdieren behoorende.

liv^iëne, v. Gezondheidsleer. — Hygiënisch, bn. De gezondheid betreffende. Hygiënische maatregelen : maatregelen in het belang der openbare gezondheid, lijmen, m. Huwelijksgod.

Iiymue, v. (-n). Lofzang, loflied, lofdicht.

liypcrbool, v. (..olen). (Redek.) Grootspraak, overdrijving. (Wisk.) Dwarse of schuine kegelsnede. — Hyperbchsch, bn. Overdreven. Den vorm van eene hyperbool hebbend**.

liypiioiiamp;iue, o. Toestand van bedwelming, zeer gelijkende op den slaap. Onder dien naam verstaat men heden al de uitwerksels, eertijds aan het dierlijk magnetisme toegeschreven. J. Braid, Eng. geneesheer, heeft er eerst gebruik van ge» maakt (1843).

liypo, liypocbondrio, v. Droefgeestige gemoedsstemming, bij welke men zich inbeeldt ziek te zijn. — Hypochonder^ hypochondrisch, bn. Lijdend aan hypochondrie. Zwaarmoedig. Vol luimen ea kuren.

liypotenasa, v. (-'s). (Meetk.) Zie Driehoek. •

hypothcelt, v. (..eken). Waarborg op onroerende goederen door eenen schuldenaar aan eenen schuldeischer gegeven, of tot kwijting van eene schuldbekenteis verpand.

liypotlicse, v. (-n). Veronderstelling. Bevat de waarheden, die men aanneemt en van welke men uitgaat om de waarheid van het gestelde (these) aan te toonen. — Hypothetisch, bn. Aangenomen. Ondersteld.

liysop, v. Inlandsche plant {hyssopus officinalis) tot de lipbloemigen behoorende. Is prikkelend van reuk en smaak.


ocr page 317

IEDE — 283 — IJK

1

I, v. (i's). 9® letter van het alphabet.

Ibis, m. (-sen). Geslacht van vogelen {z'öïs), uit de orde der steltloopers. De beroemdste soort is de j'dts religiosa, welken de Egyptenaren in hunne tempels opvoedden.

IbKon (//.), 1828, Skiën (in 't Zuiden van Noorwegen). Schepper van eene nieuwe soort drama's. De Stryders van Helgoland (1858); de Come die der Liefde (1862); de Kroonpretendenten (1804).

Teams. Zoon van Daedalus. Werd met zijnen vader in den doolhof opCreta gevan-en gehouden: doch beiden ontsnapten oor middel van kunstvleugels, die Dreda-lus vervaardigd had. Torn Icarus echter te hoog vloog, smolt door de hitte der zon het was, waarmede hij de vleugels aan zijne schouders had vastgehe» ht en stortte in de zee (welke naderhand de Icarische Zee is genoemd). Is het zinnebeeld van de onbezonnenheid der jeugd.

Ideaal, o. (..alen). Voorwerp of toestand in den staat van volkomenheid gedacht. — Ideaal, idealisch, bn. Denkbeeldig. Ingebeeld. — Idea Use er en, bw. idealiseerde, heeft geïdealiseerd. Iets uit de natuur door de verbeeldingskracht zoo voorstellen, dat men het ideaal als verwezenlijkt. — Idealisme, o. Stelsel van hen, die aan de uitwendige dingen geenerlei zelfstandigheid toekennen, maar die in God de idee van alles zien, of die denken, dat wij de voorwerpen niet door onze zinnen, maar all f en door onze vei standsbegrippen kenm-n. Voorstanders : Plato, Anstoteles, Descartes, Berkeley, Kant, Fichte, Schelling, Hegel, enz. — Idealist, m. (-en). Die naar idealen streeft.

Idee, v. en o*. ^-ën). Voorstelling, begrip, denkbeeld, gedachte. Gevoelen, meening. Ontwerp, schets.

Identiek, Ideiitlneli, bn. Eenerlei. Geüjkheteekenend, gelijkluidend, gelijkvormig, gelijkgeldend. — Identiteit, v. Eenzelvigheid. Volkomene overeenstemming.

Idloma, ldlooiu,o.Taaleigen.Volkstaal, landspraak, gewestspraak.

Idioot, m. (..oten). Onnoozele, onnoo-zele bloed. Stompzinnige. Domoor. — Idiotisme, o. (-n). Stompzinnigheid. Taaleigenschap. Gewestspraak, gewestelijke uitdrukking.

Idioticon, o. (-s). Gewestwoordenboek. Verzameling van wooiden, vormen, uitdrukkingen en wendingen, die in de woordenboeken niet te vinden zijn, maar die in de gesprokene taal eener streek voorkomen.

Idolaat, bijw. Afgodisch. Hooginge-nomen (met). Smoorlijk verliefd,verzot (op).

Idylle, v. (-n). Herdersdicht. — Idyllisch, bn. Landelijk. Herderlijk. Eenvoudig en onschuldig,

leder, onbep. telw. Elk, elke. Iedereen.

Een ieder, onbep. vnw. — Iedereen, onbep. telw. Een ieder. Alleman. — lege-lijk, onbep. telw. Ieder. Wie ook (wordt altijd door het onbep. vnw. een voorafgegaan). — Iemand, onbep. pers. vnw. Er klopt iemand aan de deur. Iemand anders. Iemand vreemds, 't Is mij iemand : 't ia-een stouterd.

lep, enz. Zie IJp.

Ierland, o. Zie Britannië. — Ier, m. (-en). Inboorling van Ierland. — lersch, bn. — lersch, o. De lersche taal. — Ierse he, v. Vrouw uit Ierland (in 't meerv. lersche vrouwen).

let, onbep. vnw. Iets : als niet komt tot iet kent het zich zelf niet. — Iets, onbep. vnw. Onbepaalde zaak. Ongenoemd voorwerp. Een weinig, een gedeelte, 't Is iets warmer dan gisteren. Iet(s) of wat: min of meer. — Ietwat, onbep. vnw. — levers, iewers, bijw. Ergens,

l^noreeren, bw. ignoreerde, heeft geïgnoreerd. Niet weten. Niet willen weten. Onbewust, onwetend of onkundig z^q.

— Ignorantie, v.

IJ, o. Inham der Zuiderzee.

tidel, bn. bijw. Ledig, niet omsloten (in deze beteekenis gewoonlijk yl). Onnut, vruchteloos, beuzelachtig. Ongegrond. Niet duurzaam. Zonder ernst: ijdele jongelingen. Met zich zei ven ingenomen : ija«e ziel. Wereldsch. Vergeefsch : ijdele pogingen. IJdele hoop : hoop, die niet vervuld wordt of kan worden. —IJdel, o. Ruimte, die noch lucht, noch eenige tegenstandbiedende stof bevat: het barometrische ijdel.

— IJ deldarm, m. en v. (-en). Gulzigaard.

— IJdelhaver, v. Wilde haver. — IJdelheid, v. (..heden). Nutteloosheid. Vergankelijkheid. Ingenomenheid voor zich zeiven. Wereldschgezindheid. — Ijdellijk, bijw. Zonder nut. Buiten noodzakelijkheid.

— Ijdeltuit, v. (-en). Lichtzinnig vrouws-

Êersoon. —ersoon. — Ijdeltuiten, ow. ijdeltuitto, eeft geijdeltmt. Lichtzinnig handelen of zijn. Los, onbedachtzaam leven. Zich dem houden. — Ijdeltuiterij, v. — IJdeltui-ti?, bn. Dom. Onbesuisd. Los. Behaagziek.

— IJdeltu itig h eid, v.

«f. m. (ijven). Taxis. — IJ fel, m. (-s).

m. Geslagen ot gebrand metk op. maten en gewichten (ten teeken, dat zij de grootte of de zwaarte hebben, bij de wet bepaald). Plaats, waar geijkt wordt. — Ijken, bw. ijkte, heeft geijkt. Den ijk op maten of gewichten slaan. Als wettig erkennen. Geijkte uitdrukking : uitdrukking, die het burgerrecht in de taal heeft verkregen. — Ijker, m. (-s). — Ijkers-Post, m. (-en). — IJkgeld, o. (-en).

— IJkgereedschap, o. (-pen). — Ijk-gewicht, o. (-en). — IJkhanier, ra. (-s). — Ijkhnisje, o. (-s). — IJkyzer, o. (-s). — IJ king, v. (-en). — IJkkan-toor, o. (..oren). — IJ kloon, o. en m. —'


ocr page 318

284 —

IJS

IJZE

ijkmaatt v. (..aten). — Ijkmeester, m. I (-s). — ijkplaats, y. (-en). — IJkschaal, (..alen). — IJktijd, m. — IJkwezen, o. 1 ^ öl, bn. Ledig. Los, met ledige plaatsen : «1 haar. Leeg : ijle haring. Los in bet noofd, niet in staat om ernstig te denken : hij is zoo ijl in zijn hoofd. Poreus. — IJlen, ow. ijlde, heeft geijld. Verward, onsamenhangend spreken : de zieke ijlt sedert gisteren. — IJlheid, v. — Ijlhoofd, ra. en v. (-en). Lichthoofd. Onbesuisde. — Ijlhoofdig, bn. IJl in het hoofd. Los. Onbesuisd. — Ijlhoofdigheid, v. — IJlt uit, v. Ijdeltuit.

til, v. Spoed. Haast. Bespoediging. — IJlen, ow. ijlde, heeft en is geijld. Spoed, haast hebben. Ijlings voortloopen. — Ijlings, bijw. Met veel spoed. In groote haast.

tj|gt;, iep, m. (-en). Olm (1). — IJpeblad,

IJ pen laan, v. (..anen). — ÏJpetak, m. (-ken).

tl», o. Water of welke andere vloeibare Stof, door de vorst tot een vast lichaam

gemaakt. Gedistilleerd water wordt vast ij Oemaakt. Gedistilleerd water wordt vast ij Oü. Spijs uit melk, suiker, enz. met ijs toebereid. Op glad ijs staan : in gevaar ver-keeren. Op oud ijs vriest het licht; eene oude kwaal komt licht weer boven. — Ijsbaan, v. (..anen). — IJsbank, v. (-en). Opfengestapelde IJsschotsen (in eene rivier of in de zee). — Ijsbeer, ra. (..eren). Witte beer [ursus mar it int us), tot de familie der zoolgangers van de orde der roofdieren behoorende. ra. (..boeren) IJsbok. — Ijsberg, ra. (-en). Drijvendeijsschotsen (opeengepakt en zecreroot). —IJsbok, m. (-ken). Paalwerk, dienende om pijlers enz. tegen ijsschotsen, enz. te beschermen. —IJsbord, o. (-en). Btlrgstl van planken aan een schip, om Let tegen de ijsschotsen te beschutten. — IJsbreker, m. (-s). Schip om door het ijs te varen. Houten of stecnen pilaai tot het breken der ijsschotsen. — 7jsbus,v. ( sen). IJscylinder.—IJscyUnder, ra. (-s). Blikken bus voor de bereiding van likeuren, die men als ijs wil \oordienen. — IJsdam, m. (-men). IJsbank. — Ijsgang, ra. Het losgaan van het ijs. Sterke drift van het ijs. — IJshaak, m. (..aken). — IJshamer, m. (-s). — IJ ska as, m. (..azen). — Ijskegel, ra. (-s). — Ijskelder, in. ;-s^ — Ijskorst, v. (-en). — Ijskoud, bn. Zeer koud. Hoogst ongevoelig. — IJskrap, v. (-pen). Soort van spoor om gemakkelijk op het ijs te kunnen loopen. — IJsland, o. Groot eiland in den Atlan-tiscten Oceaan, tusschen Europa en Amerika (onder Denemarken) 73,000 inw. — JJslandsch, bn. — IJslandsch, o. De Xjslandsche taal. •- IJsmaker, m. (-s). — fjspeer, v. (..eren). Zeer sappige winter-peer. — IJsplank, v. (-en). IJsbord. — /Jsplant, v. (-en). Éénjarig, oorspronke-

(1) In de samengestelde woorden schrijft men ijp of iep : ypeboom cf iepeboom.

kelijk Kaapsch plantje [mesemhryanthe-7/1 um cry stallinum), dat evenwel verspreid is geworden, o. a. op de Kanarische eilanden en aan de Spaansche kusten in 't wild wordt aangetroffen. —IJsóunt, o. Vriespunt. — IJsregen, m. (-s). IJzel. — IJssc/iol, v. (-len), ijsschots, v. (-en). Zwaar stuk ijs, drijvende in de rivieren, enz. — IJsslede, v. (-n). — IJsspoor, v. (. oren). IJskrap. — IJstap, m. (-pen). Hskegel. — Ijsveld, o. (-en). — IJsver-Kooper, m. (-s). — IJsverkoopster, v. (-s). — Ijsvogel, m. (-s). De ijsvogels maken eene familie uit van de Ixhtsnaveligen. De gewone ijsvogel (alcedo ispida) is een

Ijsvogel.

kleine vogel met grooten kop en langen bek. Leeft aan de oevers der rivieren, en aan meren en plassen. —IJsvos, m. (-sen). Ook witte vos geheeten. — IJswater, o. Water van gesmolten ijs. — IJszaag, v. (..agen). — IJszee, v. (-ën). Men onderscheidt een Noorderlijke en e«*ne Zuidelijke IJszee. Beider middelpunt is de Pool. Zijn door de landen en zeeën der gematigde en verzengde luchtstreek van elkander gescheiden.

UMclUk, bn. bjiw. Verschrikkelijk. Vreeselijk. Afgrijselijk. — Ijselijkheid, v. (..heden).

Uscl. Rivier (Gelderland). — IJsel-steen, m. (-en) (als voorwerpsn.) ; v. (als stofnaam). Steen, die langs den IJsel gebakken wordt.

Uvcboom, ra. (-en). IJf.

Qver, m. Sterke drift (bij de behartiging van iets). Hevig gevoel (voor). Vurig streven (ter bereiking van zeker doel). Hartstocht. Vuur. Voortvarendheid. Liefde. Zucht. — IJveraar, ra. (..aren, -s). — Ijveraarster, y. (-s). — IJveren, ow. ijverde, heeft geijverd. Met warmte voorstaan of behartigen. (Iemands belangen) met opoffering waarnemen. Eene sterke drift toonen (voor). — IJvergloed, m. — IJver hitte, v. — Ijverig, bn. bijw. Vol ijver. — IJver loos, bn. bijw. Zonder ijver. Achteloos. Koel. — IJverloo heid, v. — Ijvervuur, o. — Ijverzucht, v. Jaloezie, |aloerschheid. Naijver. — IJvet zuchtig,

tfzegrini, m. (-men, -s). Benaming van den wolf in de fabelleer. (ZieReinaert). Al-


ocr page 319

IJ ZE — 21

tijd gemelijk en norsch mcnsch. — IJze-bn. Gemelijk, krorrig, norsch.

tfzel, ra. Fijne bevrozen re^en. — IJzelen, eenpw. ijzelde, heeft geijzeld. Het vallen van ijzel. — IJzeling. v.

Uzcn, ow. ijsde, heeft geijsd. Koud worden (van schrik). Beven (van vrees). Van afgrijzen bevangen worden : ik ijs er van of voor. — Ijzing, v. — Ijzingwekkend, bn.

Uzci*, o. Zeer nuttig metaal, dat in veel grooter overvloed voorhanden is dan eenig ander. IJzeren plaat. ITzerblad. Het ijzer van eene lans, enz. Oud ijzer : oude ijzeren voorwerpen. Ploegijzer. Strijkijzer, enz. Het ijzer smeden, terwijl het neet is. Men kan geen ijzer met handen breken. Nocd breekt ijzer. — Ijzers, o. mv. Boeien,kluisters — Ijzeraarde, v. Aarde, die min of meer ijzer bevat. — Ijzerachtig, bn. — Ijzerader, v. (-s). — IJzerartseny, v. (-en). Artsenij, waarin ijzer en ijzerroest zijn opgenomen. — IJzerblad, o. (-en). Geslagen ijzer. — IJzerblende, v. Zekere delfstof. — Ijzer blik, o. Plaatijzer. — IJzerdraad, m. (..aden) (voorwerpsn.) ; o. (stofnaam) Et n draad van ijzer getrokken. — Ijzer draadtrekker, m. (-s). — IJzeren, bn. Van of uit ijzer vervaardigd. Sterk : ijzeren maag, gezondheid, wil, enz.

— Ijzer en-spoor weg, m. (-en), ij zere n-weg, m. (-en). — Ijzererts, o. Ijzer, met andere stoffen verbonden. — Ijzerfabriek, v. (-en). — IJzergaren, o. Zeer sterk naaigaren. — IJzergieter, m. (-s). — IJzrrg ieterij, v. (-en). — Ijzer glans, o. Verbinding va . ijzer met zuurstof. —Ijzer-grauw, \m. Eene kleur als ijzer. — Ijzergroef, yzergroeve, v. (..ven). — Ijzerhandel, ra. — Ijzerhard, bn. — Ijzerhoudend, bn. — Ijzerhout, o. Zeer hard hout vangroot specifiek gewicht. (Welke boora 't ijzerhout levert, is met geene zekerheid te zeggen.) — Ijzerhouten, bn. — Ijzerhut, v. (-ten). Ijzergieterij.

— Ijzer ^leur, v. — Ijzer kleurig, bn.

— IJzerkoek, m. (-en). Prauwel. Wafel, enz. — IJzerkooper, m. (-s). — IJzerkraam, v. (..amen). — IJzerkra-vier, m. ( s). — IJzermaal, v. en o. Eene vlek van ijzerroest (in linnen stoffen, enz.). •— Ijzermarmer, o. Basalt. —Ijzermijn, y. (-en). — IJzeroker, v. Aardachtige ijzersteen. — Ijzeroxy de, ij zeroxy du le, o. Verbinding van ijzer met zuurstof. — IJzerplek, v. ( ken) IJzermaal. —//z^quot;-p letter, ra. (-s). — IJ zerp let te rij, v. ( en).

— Ijzerproef, v. (..ven). Onderzoeking van net ijzer. Zie Proef (vuurproef). — Ijzerroest, o. — IJzet schaar, v. (..aren).

— IJzerschroot, o. Kleine korrels of brokjes ijzer. — IJzerschuim, o. Schuim van ijzer, dat gesmolten wordt. — Ijzer sintels, ra. rav. —Ijzerslag, o. Hamerslag : wat onder het smeden van het ijzer afvliegt. — IJzerslakken, v. mv. IJzerschuim. — Ijzer smederij, v. (-en). — Ijzersmelterij, v. (-en). — IJzersmet, v. (-ten). IJzermaal.

— Ijzersmid, m. (..eden). — Ijzersteen, v. (stofnaam);m. (-en) (voorwerpsn.) Roode ijzersteen : ijzeroxyde. Gele ijzersteen : gzeroker. -- IJzersterk, bn. Zeer sterk.

; — IMPO

— IJzervarken, o. (-s). Egel. — Ijzer* vast, bn. Zeer vast. — IJzerverkooperj m. (-s). — Ijzervijlsel, o. — Ijzer vonk, v. ( en). Vonk van gloeiend ijzer. — Ijzer-vreter, m. (-s). Voorvtchter. Vechtersbaas.—Ijzerwaren,v. mv.— IJzerwater, o. Ijzerhoudend water. — IJzeriverk, o. (-en). Allerlei ijzeren Toorwerpen. — Ijzerwinkel, m. (-s). — IJzerzwartsel, o.

tizlST. bn. Met ijs bedekt. Zeer, scherp koud. IJselijk. — Ijzigheid, v.

Ik, pers. vnw. ie pers. enk. — Ikheid, V, Persoonlijkheid.

ikker, m. (-s). Zie Nikker.

ikkerigr, bn. Trotsch. Hoovaardig. — Ikkery, v. Hoogmoed.

IllnN, v. (Iliaden). Heldendicht van Homerus, waarin hij den oorlog van Ilium, d. i. van Troje bezingt.

illoeaal, bn. Onwettig. Onwettelijk, Onrechtmatig. Wederrechtelijk. — Illegaliteit, v. (-en).

illiberunl, bn. Onedel. Karig. Bekrompen. — Illibera li te it, v.

illumiiiccrcn , bw. illumineerde,, heeft geïllumineerd. Feestelijk verlichten. Met kleuren afzetten (platen). — Illuminatie, v. (..iën. -s).

illusie, v. (..iën, -s). Begoocheling. Zinsbedrog. Hersenschim. Bedrieglijke schijn. Misleiding. Verblinding. Valscho gedachte.

illustrcoren, bw. illustreerde, heeft geïllustreerd. Opluisteren. Versieren. Met afbeeldingen voorzien (een bock). Beroemd, vermaard maken, luister of glans bijzetten. — Illustratie, v. (..iën, -s). \ i 111 kor, m. (-s). Bijenhouder. — hnme, t. (-n). Honigbij.

immer, bijw. Ooit, altijd. Telkens, steeds, aanhoudend. Van dag tot dag. Door alle tijden heen. — Immermeer, bijw. Immer. — Immers, voegw. Trouwens. Voorzeker. Dus.

Immermann (Aquot;. L.), 1796-1840, Maagdeburg. Duitsch tooneeldichter en romanschrijver.

Immerzeel Jr. {J.)t 1776-1841, Dordrecht. Letterkundige en dichter. Hugo van't IVoud{181$).

immorstlUeit, v. Onzedelijkheid, immoreel, bn. Onzedelijk. Zedeloos, imperatief, iinperativus, m. (..ieven). (Taalkó Gebiedende wijs. — Imperatief, bn. Gebiedend. Bevelend.

imperiaal, v. (..alen). Bovendeel van een rijtuig. Bedhemel. Spits koepeldak. Kinbaardje.

impertinent, bn. Onbetamelijk, on-manierlijk, onbeschaamd, vlegelachtig, (Recht.). Tot de zaak niet behoorend. — Impertinentie, v. (..iën, -s). impetuomo. bijw. (Muz.) Onstuimig. Imponeeren, imposeeren, imponeerde, imposeerde, heeft geïmponeerd, geïmposeerd. Bw. Opleggen. Opdringen. Ow. Ontzag of eerbied inboezemen.

important, bn. Belangrijk, gewicht. Van aangelegenheid, van b lang, — lm-or tan tie, v. Belangrijkheid, gewichtig-eid, aangelegenheid. Gewicht, belang,-aanbelang. Aanzien, gezag, iavked.


ocr page 320

INBE — 2

imposstnt, bn. Ontzag inboezemend. Eerbiedwekkend. Deltig. Statig.

InipoNt, ra. (-en). Belasting. Verbruiksbelasting. (Bouwk.) Uitstekend stuk, waarop de boog van een gewelf rust.

impresHario, ra. (-'s). Ondernemer van concerten, opera's. lt;nz. iiiiprimsttiir. = Het worde gedrukt. liiipro«liieticr, bn. Onvruchtbaar. Schraal. Niets voortbrengend. Niets opleverend.

Imitroiiiptu, o. (-'s). Snel opgevatte, zinrijke gedachte. Snedig gezegde. Onvoorbereid of voor de vuist gemaakt dichtstukje.

linprovisoeron, bw. ow. improviseerde, heeft geïmproviseerd. Voor de vuist of onvoorbereid spreken. Een feest impro-viseeren, in der haast gereedmaken. — Improvisatie, v. (..iën, -s). —Improvisator, v. (-s, -en).

in, vz. In huis : binnen het huis. In de stad : binnen de stad. In den zomer: gedurende den zomer. In het einde : tegen, naar het einde. Hij is ver in de tachtig, is ver over de tachtig jaren oud. Onder : in het spreken. In het wit gekleed: witte kleederen dragende. In drie dagen : in den tijd van drie dagen. In den wind : tegen den wind. In het openbaar : publiek. Op : in de straat. In ijzer handelen. In goud werken.

iiiaclitnemlo|f,v. Waarneming. Zorg (voor).

instdemon, bw. (i). Door den adem naar binnen brengen. — Inademing, v. (-en).

Insmgriirocl, bn. Inwijdend. Inaugu-reele dissertatie, enz.: verhandeling, welke hij mort schrijven en verdedigen, die aan eene Hoogeschool eenen graad wil verkrijgen. — Inauguratie, v. (..iën, -s). Plechtige bevestiging in eene waardigheid. Inwijding. — Inaugureer en, bw. inaugureerde, heeft geïnaugureerd. Inhuldigen. Plechtig aanstellen. Inwijden.

inbsikeren, bw. Door bakeren inwin-den. Inbakering, v. (-en). — inbak-kon, ow. (zijn). Door bakken in grootte verminderen. Inbakkin?, v. — iubul-seincii, bw. Met balsem zalven, bestrijken. Inbnlseming, v. (-en). — iii-bsiniK'ii, bw. (Kaartsp.) lera. den slag afnt-men raet eenen troef. — inbeol-drn, bw. Een beeld ergens indrukken. Inprenten. Zich inbeelden, ww. Zoo iels zich voorstellen ais werkelijk bestaande of gebeurende. Inbeelding, v. (-en). Het inhielden. Verbeelding. Hersenschim. Verwaandheid.

liiblt;'g:rip, o. Met inbegrip van : daaronder begrepen.

Inbeitelen, bw. Inhouwen. Inbeite-ling,v.— in bellen, bw. Door bellen doen inkoraen. Bellen om iera. te roepen. — fubergen, bw. Wegsluiten. In veiligheid brengen. Inberging, v.

' (i) De sarafngestelde werkw. met in zijn scheidbaar. De bastaardwoorden maken ilitzondering.

S — INBR

Inbeftln^neming-, v. (-en). Onder

gerechtelijke bewaring stellen.

In ben ren, bw. Geld ontvangen : hoeveel heeft hij reeds ingebeurd? Helpen instijgen, in een rijtuig,, enz. — Inbeuring, v.

inbe*vstriii{;lioult;linfi-, v., inbe-^vuringriieniins:, v., inbezitne-niinu, v- (-en), inbexitstelling', v.

Inbijten, bw. bijtte in, heelt ingebijt. Door middel van gehakte bijten, binnen brengen : een vaartuig de haven inbijten.

— Inbyten, bw. beet in, heeft ingebeten. Invreten (van sterk water, enz.). /«3^Vz'«^-,v. (-en).— inbikken, bw. Groeven in eenen steen hakken. — Inbinden, bw. Nauwer binden : de zeilen inbinden. Met binden vereenigen : boeken inbinden. Iets in iets anders binden : takken en twijgen tot eenen mutsaard inbinden. Intoomen, be-teugilen : zijne driften inbinden. Zich inbinden, ww. Zich geweld aandoen. Inbinding, v. (-en).

In bit ter, bn. Zeer bitter. Toornig. Woedend.

Inblmm', bn. Zeer blauw.

inblnzen, bw. Inb, engen door blazen : God blies hem den adem in. Door blazen breken. Influisteren, in 't oor blazen : iem. een slechten raad inblazen. Ow. De wind blaast ten schoorsteen in. — Inblazer, m. (-s). — Inb laasster, v. (-s). — Inblazing, v. (-en).

Inbiü, Inbiyd, inbiyde, bn. Zeer

blijde. Innig verheugd.

Inblil%-en, ow. (zijn). In iels blijven. Niet uitkomen (in de loterij). (Geneesk.) De breuk wil maarniet inbiijven.

inboedel, ra. (-s), inboel, ra. (-en).Al de meubels, enz. van een gezin.

Inboeken, bw. (Eenschip) boegend in de haven brengen. — Inboeken, bw. In het grootboek schrijven. Inboeking, v.

— Inboezemen, bw. Inprenten, ingeven : eerbeid inboezemt n, slechte gevoelens inboezemen. In boezem ing, v. (-en). — inbonzen, bw. Door bonzen breken : eene deur inbonz.n. — inboo-men, bw. (Een vaartuig) door middel van eenen boora ergens binnen brengen.

inboorling:, ra. en v. (-en). Die geboren is in de stad, enz. waar hij woont. — Inboorlinge, v. (-n). — Inboorlingschap, o.

— Inboorlingsrecht, o. Recht aan eenen vreemdeling toegekend om met de inboorlingen gelijk te staan.

inboos, bn. Zeer boos.

inboren, bw. Met eene boor een gat maken (in). Doordringen. — Inboring, v.

inborst, v. Natuurlijke gesUeldheid. Aard. Geaardheid. Karakter.

inbrank, v. Het inbreken (in een huis ora te stelen enz.).

Inbmden, ow. (zijn) Verkleinen, vernauwen, krimpen door braden.— Inbranden, bw. Met een gloeiend ijzer indrukken. Ow. (zijn) Door het branden verminderen. Brandende indringen, zich verder uitbreiden (van eene vlam). Inbranding, v. ( en). — inbrassen, bw. Brassend inhalen. — inbreien, bw. ow. Door breien inhechten, verminderen. Eenige steken op eene naald breien : gij moet de naald


ocr page 321

- 287 -

INDI

INCO

iabreiea. — labroVlt;*u, ow. Met geweld

ergens binnenkomer.. quot;Benwijkeu : daar zal de dijic inbreken. Inbreker, m. (-s). In-breeksier, v. {'•%). fnbrekirtg, v. (-en). — lubreageii, bw. Naar binnen brengen ; den oogsi inbrengen. Winnen en te buis brengen : bij brengt iedere week maar drie gulden iu. tK-lpen : waizal dii inbrengen? Tot verdediging iets aaulialen : wat zou hij hier tegen inbrengen. Inbreng, ra. lu-brengst. Inbrenger, ni. (-s). Inbrenging, V. (-en). Inbrengst, v. (-en). Wat man of vrouw bij een huwelijk meebrengt. Inbrengster, v. (-s).

iiibrcuIc, v. Het inbreken : door eeue inbreuk van 'i water stond do polder onder. Schending : inbreuk op iemands rechten maken. Ovei treding (eenerwet).

inbrolikolou , inhrokken , bw. Kleine brokjes indoen : brood in de melk brokken. Hij heeft er heel zijne fortuin ingebrokt: hij heeft er a! zijn goed in verspeeld. Den moed inbrokken : den moed verliezen. — Inbrokk(el)èng, v.

inhruin, bn. Zeerbiuin.

iubrtiiMcn, ow. (zijn) Met geweld ergens binnenkomen. Inbruistng, v. — iubiiis'cii. Bw. Naar binnen buigen. Ow. ^zijn) Naar binnen gebogen worden. Inhuigitig, v. — inbnri^creu, bw. Het burgerrecht verleenea : eenen vreemdeling, een vreemd woord inburgeren.

lneai»nbol, bn. Onbekwaam, ongeschikt. Onbevoegd, —Incapaciteit, v.

incsMseercii, bw. incasseerde, heeft geïncasseerd. Omlijsten. (Geld) iunen, ontvangen. — ÏKcassaiie, v. (..iën). —Incasseer inq.\ (-cu).

iucidenl, o. (-er;). Tussc'.cnkomend geval, bijkomende omstandigheid, nieuwe zwarighe'd, b. v. een rechtsgeding. — Incidenteel, bn Incidenteel vonnis : tus-schenvonaquot;* vonnis op tusschengeschil. Bijw. Toevallig loevalligenvijze.

Indiuvci'vu f.w inclineerde, heeft gemclineetü Neigen, hellen. Overhellen, zicb buigen. Neiging hebben, genegen zijn. Inclineercciden gegadigden, belanghebbenden — Inclinatie, v (..iën, _-s)._ Neiging. t-.elling, owerüellin^. De inclinatie der magneetnaald Genegenheid. Liefde.

iuclul* Dn Ingesloten, nevensgaand. Met iosluiting JNlci '^begrip (vuo)

incoc'ulli» bijw. Onbekeerd Onder eeo oreem-dei n-iam . incogrn'o leueu o. Or.bekendl.e'd

iueoiumtxlcor^u iacommodeetdtf, heen «*0 «5 geVucommodefBw. Lastig vallen Hicd.elt;tx» Oogticgeo komen. Ow (ziji; «.ingesteld ziju t.(j '3 g»niv:ommo-dee'd

Inromïiïanïb**» 'va O fer^en'gbaar. Onbe^iaaubii' -.rafi; --iw.fw{•c.lioihieil,

V.

Incoaipt-bo Oi.b^v^eed Ongerechtigd — !n(.ongt;ptttitie. o ( iêa, -s|.

liiroiui»i«*ei, bo Ot'colledig Onvoltallig. Onvolkomen.

Iücouii«m|1ilt;%u1, bn Zich v.ïfit gelijkblijvend. Zicb «then tegeosprekecd. — Inconsequentie, v. (..ién, -s). Onvastheid. 1 inconatilufioiiocl, bn. Ongrondwettig.

incnuabcl, m. (-eu). Druk-eersteling.

Wiegedruk,

lu(1a.cb tiff. bn. Gcc3;«chtig : zijner beloften inda«:bug ïijn.

ludaffvu. bw Op gesteldon dag voor hetgerecht'oepeo /nduging.v ['£i\).Incia-digingsbricf. m. ( ven). — Imlsiiuiuvu, bw. ]\Iet ddin of dijk omringen. Water door dijken in-gt;l'uien /ndarntning,v. (-en).

Iiif1lt;eccul. bn. Onbetamelijk. Onwelvoeglijk. Zedei kwetsend Oneerbaar. On-kuisch. — Indecentie, v. (..iën, -s).

iiiriclicsisil, bn. Onkiesch. Niet fijngevoelig. Grof, ruw.

f ntlelven, bw. Door delven inbrengen. In de aarde begr.cven. — Inde/ving, v.

iiidcmiiiNCf'roii, bw. indemuiseerde, heeft geïndemniseerd. Sihadeloosstellen. Vergoeden. — Indenx-nisatir, v. (..iën, -s).

iiKlcnken, bw. Overdenken, nadenken. Peinzen (■-•ver).

iiidopeiKlont, bn Onafhankelijk. Zelfstandig, — Indepetider.t% m. en v. (-en). — Independent ie, v.

luderdscid, bijw. Waarlijk. Werkelijk. Wezenlijk.

iuderbaast, bijw. Met haast. Met spoed.

indcrtUd, binv. Voortijds. Eertijds, iudex, m. Bladwijzer, mbouds'.afel. Wijsvinger Lijit van veibodene

boeken.

ludisian, m. (..anen). Oorspronkelijke bewoner van de Nieuwe-Wereld. — Indi-aansc/i, bn. — Indiër, m. I s). Inboorling van Indië (Britsch Indië). — Indisch, bn.

indicatief, iiilt;lic*ati%u», m. ( .ie-ven). Aantoonende wijze.

Indië, o. (-n). (Oudt.)Azië Thans,Oost-Indië : Azië, West-lndic : Amerika. — Nederlands bezittingen en koloniën worden verdeeld in Oost- en Wesj-Indië.

Oost-Ind:ë. 25.000,000 iuw. 28,750 vierk. mijl. Bevat:

en omliKgende landen.

o rt 4)

S-o-d Og5

Pantar, Allor, Timor, Samaoe, Kam hing, Rotti, enz.

~oquot; W Hgt;ï.

3 3 gquot;

Java,

Sumatra,

Borneo,

Celebes,

Bangka, ^

Billiton J Baü.

Lombok.

Soenbawa,

Flores.

Sandelhont-eiland Andenare,

So'or.

Savoe.

Lomblrtr,

i0 Dsjilolo (Halmaheira), Eigenlijke molukken, Mortai.

Groepen Obl en Soela. 2° Ceram,

Boeroe,

Banda- en Ambrina groep. 30 Kei-en Arne-eHand,

groep Timor-laut, Zuidwest-ellaidea.


ocr page 322

288 —

INDO

INEE

Het meerendeel dezer eilanden staat onder het Nederlandsch bestuur. Een aanmerkelijk deel van Borneo is onalhankeliik. Een groot pedeelte van het binnenland der eilanden bonoudt een aanzienlijk deel zijner onafhankelijkheid. Al deze eilanden erkennen de opperhoofden, doorgaans sultans genoemd.

Whst-Indië. Oppervlakte : 2,830 vierk. mijl. Bevolking : 120,000 inw. (Kleine Antillen en Zuid-Amerika). Bevat:

I. Suriname (of Nederl. Guiana), hoofdpl. Paramaribo.

ii® Cura9ao,i® Cura9ao,

Aroeba,

Saba,

S. Martin. Indien, vw. Zoo. Bijaldien. Ingeval, indienen, bw. Aanbieden. Voorleggen. Inleveren : een verzoekschrift indienen. — Indiening, v.

indifirestie, v. Slechte spijsvertering, indiifo, v. Zeer hooggeprezen blauwe verfstof. — Indtgobcreïder, m. (-s). — Indigoblauw, o. — Indigoboom, ra. (-en).

— Indigobruin, o. — Indigo fabriek, v.

— Indtgokarmyn, o. Blauw karmijn. — Indiiichjm, v. — Indigo plant, v. (-en). — In div op la n tag e, v. (-s). —Indigorood, o.

iiKiykcn, bw. Met eenen dijk afdammen, afsluiten. — Indijking, v. (-en).

indireet, bn. bijw. Onrechtstreeksch. Zijdelingsch. Indirecte belastingen : verbruiksbelastingen. Bedekt, verborgen, heimelijk. — In directe lijk, bijw.

indifiereet, bn. Onbescheiden. Niet geheimhoudend. —Indiscretie, v. (-s).

Individu, m. en o*. (-en, -'s). Ie Ier op zich zelf beschouwd, afzonderlijk, bewerktuigd wezen Aïensch, persoon. — Indhnaualiteit, v. Eigenaardigheid. Persoonlijkheid. — Individueel, bn. bijw. Afzonderlijk. Aan een enkel voorwerp eigen Persoonlijk.

indoen, bw. Iets ergens insteken, inbrengen : het vee in den stal doen. Inkoo-pon, zich voorzien (van) : wijn, bier enz. indoen. Overtuigen : ingedaan zijn van iemands woorden.

Indo Ciiorinastnseli, bn. Zie Bijge-vo» gde tabellen.

indommelen, ow. (zijn) Insluimeren. Indommeling, v. — indompelen, bw. In het water dompelen. Indompeling, v. (-en). — indoopen, bw. (In saus enz.) steken. In eene vloeibare stof dompelen. Indooping, v. (-en).

— indraaien. Bw. Door draaien in iets brengen. Hij weet zich overal in te draaien : hij weet overal gemakkelijk tus-schen te komen. Ow. (zijn) Draaiende in iets geraken. Indraaiing, v. (-en). —indragen, bw. Binnen, in (iets) dragen. Dragende binnenbrengen. — indraren, ow. (zijn) Dravende ergens binnenkomen.

— indrijven. Bw. Naar binnen drijven : het vee den stal indrijven. Met geweld inslaan : eenen paal indrijven. Graveeren : een beeld op metaal indrijven. Ow. (zijn) Drijvend binnenkomen. In dry ving, v.

(-en).—Indrillvn, bw. Door middel van eenen dril een gat boren. Drillend den wap-nhandel leeren. Indrilling, v. (-en). — indrineren. Bw. Door dringen inbrengen : iem. in een ambt indringen. — Ow. (zijn) Met geweld in- of doorgaan : de kogel is hem tot op het been ingedrongen. Zich indringen, ww. Met geweld of sluwheid binnengaan : zich in eene bediening indringen. Indringend, bn. Wat indringt: indringende blikken. Innemend, aantrekkend : indringende manieren. Indringendheid, v. Indringer, m. (-s). Indringing^ v. (-en). Indringster, v. (-s). — indrinken, bw. Inzwelgen (drank). Intrekken (van hout). In zich opnemen : de aarde drinkt den regen in.

indroevig, bn. Zeer droevig, indrogen, ow. (zijn) Opdrogen. Droog worden. Door opdrogen inkrimpen. —Indroging, V.

indroog*, bn. Zeer droog, indrnipen. Bw. Druipend laten inloo-prn : water in een glas indrnipen. Ow. (zijn) Droppel voor droppel inloopen : de regen diuipt in dit huis van alle kanten in. Indrniping, v. (-en). — indrnisehen, ow. (hebben, zijn) Met gedruisch inkomen.

indruk, m. (-ken). Inwerking van een lichaam op een ander : men zag er nog den indruk 2ijner voetstappen. Inwerking eener zaak op 's menschen hart of geest : die woorden maakten een diepen indruk op de gemoederen.

indrukken, bw. Door drukken inbrengen : letters in de steenen indrukken. Door drukken breken : eenen vogel den kop indrukken. Inprenten. Indrukkingy v. ( en). Indruksel, o. (-s, -en). — indrnppeicn, bw. ow. (zijn) Indrui-pen. In druppeling, v. (-en). —indni-ken. Bw. Onder water houden : hij dook hem 't water in. Ow. (zijn) Diep gaan (van schepen) ; het schip duikt in. Induiking,. v. (-en).

indult, o. Vergund uitstel van betaling. (Kerk.) Vergunning, genadebrief.

industrie, v. Nijverheid. Kunstvlqt. Ambacht, bedrijf, beroep. — Industrieel, bn. Tot de industrie beboerende. — Industrieel, m. (-en). Eigenaar van eene groote nijverheidsonderneraing. Fabrikant. Nij-veraar. —Industrieus, bn. Bedrijvig.

indutten, ow. (zijn) Duttende in slaap vallen. Indutting, v. — induwen, bw. Door duwen naar binnen brengen. Door duwen inbuigen of indrukken. Induwing, v. (-en).

ineen, bijw. Het eene in het andere. In elkander. Samen. Te zamen. — Ineen-brengen, (1) bw. Het eene in het andere brengen. (2Leew.) Ineenzeilen. — Ineen-buigen, bw. — Ineenbuiging, v. — Ineen-doen, bw. — Ineenduwen, bw. — Ineendraaien, bw. — Ineendraaiing, v. — Ineendrijven, bw. — Ineendringen, bw. — Ineendringing, v. — Ineendrukken,

t {i) De samengestelde werkw. met ineen zijn scheidbaar.


ocr page 323
ocr page 324
ocr page 325

INFL — s5

bw. — Ineendrukking, v. — Ineen frommelen, bw. —Ineengebogen, bn. — Ineengedrongen, bn. Kort en dik. — Ine enge-drongrnheidy,—Ineengroeien, ow. (zijn).

— Ineen houden, bw. — Ineenklemmen, bw. — Ineenklinken, bw. — Ineenkrimpen, ow. (zijn). — Ineenkrimpingy v.— Ineenkronkelen, ow. (zijn). — Ineenkronkeling, v. — Ineenkruipen, ow. (zijn). — Ineenloopen, ow. (zijn). Gemeenschap met elkander hebben. Naast elkander gelegen zijn (b. v. twee kamers). Stollen (van vochten). Dik worden (van melk). — Ineenloo-ping, v. — Ineennaaien, bw. — Ineenpersen, bw. — Ineenpersing, v. — Ineen ■ rollen, bw. ow. (zijn). — Ineenrolling, v.

— /neenschieten. Éw. In elkander voegen (p/anken). Ow. (zijn) In elkander schieten (planten). — Ineenschryven, bw. Dicht in elkander schrijven. — Ineenschroeien, ow. (zijn). — Ineenschroeven, bw. — Ineenschuiven, bw. — Ineenslaan, bw. In elkander slaan. De handen ineenslaan (van verbazing, enz.), elkander helpen, samenwerken. — Ineenslingeren, bw. ow. (zijn). — Ineensluiten, bw. ow. (zijn). — Ineensluiting, v. (-en). —Ineensmelten, bw. ow. In elkander smelten. Verscheidene soorten van metaal door smelting vereenigen. Die tonen, die letters smelten ineen.

— Ineensmelting, v. — Ineenspinnen, bw. — Ineenstampen, bw. — Ineensteken, bw. — Ineenstooten, bw. — Ineenstorten, ow. (zijn) Invallen (van muren, enz.). — Ineenstorting, v. — Ineenstrengelen, bw. —Ineentooveren, bw. —Ineen-trappen, bw. — Ineenvlechten, bw. — Ineenvlechting, v. — Ineenvloeien, ow. (zijn). — In een vloeiing, v. — Ineenvoegen, bw. — Ineenvoeging, v. (-en). — Ineenvouzven, bw. — Ineenwassen, ow. (zijn) In elkander groeien. — Ineenvuer-ken, hvt. — IneenTvihkelen, bw. — Ineen-7Vryven, bw. —Ineen-wringen, bw. — Ineenzakken, ow. (zijn) Ineenstorten. Vallen (van flauwte). — Ineemeilen, bw. — Ineenzetten, bw. — Ineenzetting, v. — Ineenzinken, ow. (zijn). — Ineenzitten, ow. (zijn).

lueuten, bw. Eene ent inzetten. Diep inprenten. Tusschenvoegen. Pokstof in het bloed brengen (als voorbehoedmiddel). In-enter, m. (-s). Inenting, v. (-en). Inent-sel, o. (s). Inentster,v. (-s).— iiicten, bw. ow. Invreten : roest eet het ijzer in, de kanker eet in. Ineting, v. ( en). — iuot-seu, bw.Graveeren door middel van sterkwater. I net sing, v. (-en). — inettercu, ow. (zijn) Door den etter verbeten worden. Verergeren. Inet tering, v.

Infaam, bn. Eerloos, snood. Geschandvlekt. — Infamie, v. Eerloosheid. Schande. Laster. Eereroof.

Infanterie, v. Voetvolk. Zie Leger.

— Infanterist, m. (-en). Soldaat te voet.

infirnierle, v. (..ieën). Ziekenvertrek.

Ziekenhuis.

inflaiiHen, bw. Zonder zorg, ongeordend inbrengen. Injlansing, v. (-en). — jnflikken, bw. Door lapwerk inbrengen. Hij weet zich overal in te flikken, overal toegang te vinden, door vleierij, enz.

) — INGE

Inflnenza, v. Griep. Aanzettende en besmettelijke aandoening der ademhalingswerktuigen, die vergezeld gaat van min of meer hevige koorts, hoofdpijn, pijnen in armen en beenen en eene algemeene verzwakking.

Inflnisteren, bw. Fluisteiend inblazen. Wie mag hem dat ingefluisterd, wijs gemaakt hebben. —Influistering, v.

iuforineeren,bw. informeerde, heeft geïnformeerd. Onderzoeken, vernemen, bevragen. Berichten, kennisgeven, melden. Zich in for meer en, ww. Berichten inwinnen. Naar iets informeeren : zich inlormee-ren. — Informatie, v. (..iën, -s). Inlichting, mededeeling, bescheid. Gerechtelijk onderzoek.

iufraal, bn. Zeer fraai. InfuMiedierlJe, o. (-s). Zeker microscopisch diertje (in vloeistoffen).

iiifiraan. Ow. (zijn) Intreden : hij is het eerst ingegaan. Inglijden : gemakkelijk in-en uitgaau. Beginnen : wanneer zijn uwe leergangen ingegaan? Inhouden : er gaan ioo centiemen in eenen frank. Bw. Aangaan : een verdrag ingaan. Met gaan inhalen : iem. ingaan. Nadenken : men moet den grond der zaak wel ingaan.

ing-aderen, bw. Verzamelen. — In-gaarder, m. (-s, -en). — Ingadering, v. (-en).

inirangr, m. (-en). Het ingaan. Plaats waardoor men Ingaat : iem. den ingang in zijn huis geven. Begin : dat is een schoone ingang voor eenen kunstenaar. Geloof, indruk : uwe vermaningen zullen bij hem geen en ingang vinden. — Ingu ngskaa rt, v. (-en).

Ingrebeeld, bn. Slechts in de verbeelding bestaande. Hersenschimmig. Verwaand.

iiifroboren, bn. Aangeboren, ingeschapen : ingeborene lieftalligheid. Geboortig : ingeboren onderdaan. — Ingeborene, m. en v. (-n). Inboorling.

Ingrei^rfde, m. en v. (-n). Eigenaar, eigenares van vaste goederen.

ineeesten, bw. geestte in, heeft ingo-geest. Door den geest ingeven. — Ingees-ting, v.

ingregrrirt, bn. Ingegrifte letters, enz. Ingekeerd, bn. bijw. Zijne gedachten van de wereldsche zaken afkeerende om op geestelijke na te denken : een ingekeerd mensch, ingekeerd zijn. — Ingekeerdheid, v.

ingreland, Ingrelande, m. (..den). Bezitter van land in een bedijkten polder. — Ingelande, v. (-n).

ingenieur, m. (-s). Spoor-, krijgs-, waterbouwkundige.

insrenieus, bn. Vernuftig. Zinrijk. Vindingrijk. Schrander.

Jngrcnomen, bn. Ingenomen (met) : bijzonder gesteld (op), verzot (op), bij uitstek houdende (van). — Ingenomenheid, v.

infrescliapen, bn. Aangeboren, door schepping ontvangen : de kunst is hem ingeschapen.

insrenloten, bn. bijw. De ingesloteDr de hierbij gevoegde brief.


ocr page 326

— 290 —

INHA

INGE

fngetogeii, bn. bijw. Zedig. Matig.

^—Ingetogenheid, v.

lug:«v»l, vw. Zoo. Indien.

ingeven, bw. Doen nemen : iem. eenen drank ingeven. Indienen : zijn ontslag ingeven. In den geest brengen: de b. Geest heeft de boeken der b. Schrift, ingegeven.

— Inge ver, m. (-s). — Ingeef ster, v. (-s).

— Ingeving, v. (-en). Het ingeven. Door de ingeving van den h. Geest (in de h. Schrift) werden niet alleen de gedachten, die moesten uitgedrukt worden, maar tevens den wil om die gedachten uit te drukken, den schrijvers ingegeven.

in po vol go, vz. volgens. Omdat. Naar aanleiding (van).

liiKewaud, o. (.en). De inwendige deelen van het lichaam van mensch en dier.

Ingewand.

a. Strottenhoofd, b. Luchtpijp en hare splitsing in longpijpen, c. Rechter long. d. Linker long. e. Galblaas, f. Lever-. g. Groote maagklier, h. Twaalfvinge-rige darm. i. Maag. k. Milt. 1. Dikke darm. ra. Dunne darm. n. Blinde darm. o. Endeldarm, p. Blaas.

Gedarmte. De darmen. Binnenste : tot in de ingewanden der aarde. — Ingevuands-kwaal, v. (..alen).— Ingewandspyn, v. — Ingewandswormen, m. mv. — Ingewandsziekte, v. (-n). — /ngewa nds z 7 vel -ling, v. _

iugrcwelde, o. Beesteningewand, mz. ▼an vogelen en visschen.

1 ing-ewQclcs m. en v, (-n). Die bukend ' is met eene zaak, welke geheim gehouden i wordt voor anderen. Die op de hoogte is van zekere zaak. Die bedreven is in zeker vak.

Ingrewlklceld, bn. bijw. Verward, onverstaanbaar. Duister. Bedektelijk. —. Ingewikkeldheid, v.

iMfireworteld, bn. Diep zittende : ingewortelde kwaal.

lugrezetcne, m. en v. (-n). Inwoner, luifierlsr, bn. Zeer gierig.

ingieten, bw. Eene vloeibare stof in iets overbrengen : water in de kruik ingieten. Het verstand laat zich niet ingieten : men bedeelt niet met verstand wien men wil. Ingieting, y. (-en). — ingrupc-u, bw. (Zeew.) De zeilen inhalen en toebinden. — Insrlljden, ow. (zijn) Glijdende binnenkomen. Ongemerkt indringen. Inglijding, v. — i 11 {flippen. Ow. (zijn) Insluipen. Naar binnen glippen. Bw. Eenen glip maken (in). Inghpping, v.

liiKloed, m. Hevige gloed.

iiisroed, bn. Zeer goed.

ingooien, bw. Naar binnen gooien. Door gooien breken. Zijn eigene ruiten ingooien : zijn eigene zaak bederven. ing:oor,bn. Zeer goor.

ingorden, bw Ingrijpen.— ingraven, bw. Door graven uidringen : men eroef den grond tot twee nieters in. Begraven : zijn geld bij oorlogstijd ingraven. Zich ingraven, ww. Zich onder den grond verbergen ; de konijnen graven zich in. Zich verschansen : de vijand houdt zich voor ae sterkte ingegraven. — Ingraving, v. (-en).

ingrediënt, o. (-en). Bestanddeel. Inmengsel.

ingreep, m. (..epen). Het ingrijpen. Geweldige aanmatiging. Aanranding, inbreuk (op eene wet enz.).

ingrlfTelen, bw. Met eene griffel insnijden. Inenten. — ingrUpen, ow. In iets grijpen. In iemands rt-chten ingrijpen : inbreuk maken op iemands rechten. Ingrijping, v. (-en). — ingroeien, ow. (zijn) Al groeiende in iets geraken. Ineengroeien. Ingroeiing, v.

ingroen, bn. Zeer groen.

Ingroeven, bw. Groeven snqden ot schaven (in). —- ingnlpen, bw. Met

Soote teugen drinken. —oote teugen drinken. — inliaken, bw. et eenen haak vastmaken (in). Inhaking, v. (-en). — inhakken. Bw. Met hakken inslaan : iem. den kop inbakken. Ow. Inhouwen : op den viiand inhakken, zijne rangen doorbreken,.den sabel in de hand. Inhakking, v.

iniisileeren, bw. inhaleerde, heeft

feïnhaleerd. Inademen. —eïnhaleerd. Inademen. — Itihalatie, v. ,.iën, -s). — Inhalatietoestel, m. en o*. (-en).

Inhalen, bw. Naar binnen halen : het graan inhalen. Intrekken : den schouder inhalen. Herroepen : zijn woord inhalen. Inzuigen ; eene groote hoeveelheid lucht inhalen. Naar beneden trekken : de vlag inhalen. Vergaderen ; geld inhalen, inwinnen : verzuimden tijd inhalen. Achterhalen : iem. spoedig door loopen inhalen. Tot zich halen : de slak haalt hare horens in. Plechtig verwelkomen : heden haalt men den vorst in. — Inhaling, v. (-en).


ocr page 327

INKA — 2

InliaUsr, bn. Schraapeuchtig. — Inhaligheid, v.

Inham, m. (-men). Kleine golf of baai.

inbangren, bw. In iets hangen. Hangende vasthechten. Binnen of in huis han-

fen, wat buiten hing.en, wat buiten hing. — inliebben, bw. n zijn bezit, in zijne macht hebben. In zich bevatten : die boot heeft vlas in. Beteeke-nen : zeg, wat heeft dat in? Van belang zijn : die woorden hebben niets in. Eene bezitting hebben ; die stad heeft zoo veel man in. — inhecliteii, bw. Hechten (in). — Inhechttng, v.

InliectiteiiiNueming^ v. (-en). Aanhouding. Gevangenneming.

InheeiuHcli, bn. Inlandsch.

Inlieet, bn. Zeer heet.

Inlielen, bw. Met de hei inslaan. /«-heiing, v. (-en). — inbelllfireii, bw. Inzegenen. Inwijden. — inli|i«clien bw. Hijschende inbrengen.

Inhoud, m. (-en). Alles wat in een boek, geschrift, enz. begrepen is. Ruimte (van een vat, enz.). (Wisk.) Grootte van een werkstuk. Ruimte eener vlakte. Capaciteit. — Inhouden, bw. Bevatten : die flesch houdt weinig in, zijn schrijven houdt veel in. Binnen houden : water kan hij niet inhouden. Bedwingen : zijne gramschap inhouden. Niet uitbetalen : den loon inhouden. Zich inhouden, ww. Zich bedwingen. — Inhouding^ v. — Inhoudsmaat, v. (..aten). Liter, vat, mand, enz. — Inhoudsopgave, v. (-n). — Inhoudstafel, v. (-s).

inhont, o. (-en). (Zeew.) Óeribben van een schip. H ij is goed van inhouten : hij is kloek en sterk gebouwd.

inhouwen, bw. Inhakken. — inhul-difsren, bw. Den vorst als vorst, den keizer als keizer, enz. voor de eerste maal erkennen en hem hulde bewijzen. lem. plechtig-lijk verwelkomen. Inhuldiging, v. (-en). Inhuldigingsfeest, o. en v. (-en).

Inhumaan, bn. Onmenschelijk. Onbeschaafd. Onvriendelijk. Wreed. — Inhu-maniteityV.

inhuppclen, ow. (zijn) Huppelende inkomen. — inhuren, bw. De huur (van een huis, enz.) verlengen. Inhuring, v. (-en).

initiale, v. (-n).Aanvangsletter.Groote beginletter. Eerste letter van iemands naam (zonder dezen voluit te schrijven).

initiafief, o. (..ven). Inleiding, opening. Het initiatief nemen : het eerst een voorstel doen, den eersten stoot geven.

injagen, bw. Naar binnen drijven : de vijandelijke troepen injagen. Achterhalen : loop maar, ik zal u wel injagen. Schulden door krachtige middelen innen. Ow. Jagende komen (in).

ink, m. ( en). Opening van eene fuik. inkabbelen, bw. Door kabbelen uithollen ol ondermijnen. — inkaiven, ow. (zijn) Wegzakken (van zand of aarde, bij het graven). Inkalving, v. (-en). — Inkankeren, ow. (zijn) Door kanker ingevreten worden. Het kwaad kankert meer •en meer in : wortelt dieper en dieper. Inkankering, v. (-en).

Inkarnaat, bn. Hoog vleeschkleurig,

i — INKO

hoogrood. — Inkarnaat, o. Vleesch-kleur. — Inkarnaten, bn.

Inkeep, v. (..epen). Inkerving, inkeer, m. Huisvesting; bij iem. zijnen inkeer nemen. Draai van de straat : aan den inkeer van de straat. Berouw : tot inkeer komen. — Inkeeren, ow. (zijn) Zijnen intrek nemen. Berouw hebben (over).

inkelderen, bw. In den kelder doen. Ow. Het keldert hier in, wordt ondermijnd (door water, b. v.). Inkeldering, v. — inkepen, bw. Eene keep (in het hout) maken. Inkeping, v. (-en). — inkerven. Bw. Eene kerf (in iets) maken. Ow. (zijn) Invreten./«Xwz/z'w^v. (-en.— Inkiezen, bw. Opnieuw kiezen (van personen, die als lid van een bestuur aftreden). Inkiezing, v. — InkUken, bw. ow. Naar binnen zien. Inkijk, m. Hier is veel inkijk : men kan van buiten alles zien wat binnen gebeurt. — inkippen, bw. Inkepen. — inklampen, bw. Door klampen hechten (in). Inklanipinz,\. (-en).— Inklaren, bw. De ingevoerde voorwerpen aangeven en er de inkomende rechten van betalen. Inklaring, v. (-en). — luklauteren, ow. (zijn) Al klauterende naar binnen gaan. — inklee«leii, bw. Plechtig kleeden; ook, geheel kleeden. Eenen vorm aan iets geven, opsieren : eene vertelling met vele spreuken inkleeden, eene gedachte in kleeden. Inkleeding, v. (-en). — Inklemmen, bw. Klemmen ^in). Klemming in of tusschen iets brengen. — In klep pen, bw. Door kleppen afwezigen oproepen. Den aanvang van iets door kleppen bekend maken. — inklimmen, ow (zijn) Klimmende inkomen. Inklnnniin^, v. (-en). — inklinken. Bw. Door klinken inslaan. Met geweld inslaan. Ow. Met geweld doordringen.—inkloppen,bw.ow.(zijn) Door kloppen indrijven. Door kloppen breken. Door kloppen dunner wordwn. — Inknar-«en,ow.Knarsende indringen.—inknoo-pen, bw. Door knoopen inbinden. Bedwingen : zijne driften inknoopen. Ernstig aanbevelen : iem. iets inknoopen. Inknoo-ing, y. (-en). — Inkoken. Bw. Door oken indrijven. Ow. (zijn; Verkoken, inkom, m. De plaats, langs waar men ergens inkomt : de inkom van dit dorp is met wilgen beplant. — Inkomeling, m. en v. (-en). Vreemdeling. — Inkomelinge, v. (-n). — Inkomen, ow. (zijn) Binnenkomen : ik kwam in, iuist als hij uitging. Intrekken : de vijandelijke legers zulU-n weldra inkomen. Ingebracht word» n : de belastingen komen slecht in. — Inkoineu, o. Invoer : bijna nergens verbiedt nn-n het inkomen van vreemde goederen. Inkomsten ; zijn land geeft hem 3,000 frank inkomen. — Inkomend, bn. Inkomende rechten : rechten van invoer. — Inkomst, v. Ingang : na mijne inkomst in 't vad» rlai d. — Inkomst (Élyde), v. (Middel.) Inhuldiging der vorsten. Te dezer gelegenheid brachten de Staten een overheerlijk g. schenk aan den

Erins en deze bevestigde onder eed, dat unne voorrechten zouden gehandhaafd worden. De eersterins en deze bevestigde onder eed, dat unne voorrechten zouden gehandhaafd worden. De eerste Blijde Inkomst had plaats bij de inhuldiging van Wencelijq.


ocr page 328

INKW — 2

hertog van Luxemburg en Joanna, dochter van Jan III, hertog van Brabant (1356). De akte s De Blijde Inkomst » behelsde de kostbaaiste voorrechten : o. a., staafde zij de geheelheid van het gebied; verbood het aanvaarden van vreemdelingen in den Staat van Brabant; stelde vast, dat de steden hunne inwilliging zouden geven in zaken van aangelegenheid enz. — Inkomsten, v. mv. Inkomen. Renten. — Inkomstenbelasting .

Inkoop, m. (-en). Het inkoopen. Het ingekochte. Inkoopsprijs. — Inkropen, bw. Aanknopen, inz. om wederom te ver-koopen. Zich ergens inkoopen : eene zekere som betalen om in een gezelschap, enz. opgenomen te worden. — Inkooper* m. (-$). — Inkoopsprijs, m. (..zen). — Inkoopster,

Inkorten, bw. Door intrekken korter maken : een touw inkorten. Allengs verminderen : schuld inkorten. Beteugelen : hij moet ingekort worden. Inkorter, m. (-s). Inkorting, v. (-en). — inkorven, bw. In korven doen. De maag vullen. In-korvtng, v.

inkofttelQk, bn. Zeer kostelijk.

inkoud, bn. Buitengewoon koud.

ink i* stal en , bw. Door gekraai het verschijnen van iets bekend maken. — InkrUfren, bw. Binnenkrijgen. Innen. Ontvangen. — inkrimpen. Bw. Door krimpen dichter maken : gij moet die stof wat inkrimpen. Samenbrengen, vereenigen : de slagorde inkrimpen, verminderen : iemands macht inkrimpen. Ow. (zijn) Door krimpen korter worden : het linnen krimpt in met wasschen. De wind krimpt in : schraalt, valt. Tegen den wind inkrimpen: tegen den wind houden.Op deze bedreiging krompen zij in : vielen zij in, kwamen zij tot bedaren. Zich inkrimpen, ww. Inkrimping, v. (-en).— inkroppen,bw.In den krop duwen. Verduren (eene beleedi-eing, enz.). In krop ping ,v. — inkruien, bw. Kruiende in- of binnenbrengen. Invoeren. Ow. Kruiende, met eenen kruiwagen ingaan. — inkruipen, ow. (zijn) Door kruipen inkomen : de paling kroop het slijk in. Ongemerkt toenemen (van kwaad). In-kruiping, v. (-en). Inkruipsel, o. (-s). Misbruik

inkt, m. Vloeistof, waarmede men schrijft, teekent, drukt, enz. —Inktachtig, bn. — Inhtbakje, o. (-s). — Inktbal, m. (-len). Boekdrukkersgereedschap. — Inkt-flesch, v. (..sschen). — Inkt hoorn, m. (-s). — In kt kan, v. (-nen). — Inktklad, v. (-den). — Inktkoker, m. (-s). — Inktkoo-per, m. (-s). — Inktkruik, v. (-en). — Inktlap, m. (-pen). — Inktpoeder, o. — Inktpot* in. (-ten). — Inktschopje, o. (-s), inktspaan, v. (..anen). Boekdrukkersgereedschap, — Inkt stel, o. (-len). — Inkt-visch, ra. (..sschen). Zeekat. —Inktvlak, v. (-ken). —Inktzvortel, m. (-s). Valsche rabarber.

inkuilen, bw. In eenen kuil doen. Ink ui ling, v. — inkiilpen, bw. In een vat doen en dit sluiten.'— inkwakken, bw. Met geweld inwerpen, ingooien. — Inkwartieren, bw. kwartierde in, heeft

gt;2 — INLI

ingekwartierd. Inlegeren (bij burgers). /«— kwartier mg, v. (-en). Inkwartier ingsbil-j'et, o. (-ten).

inlaag, v. (..lagen^. Het inleggen. Het ingelegde. Ingesloten brief. Land, tusschen twee dijken gelegen.

inladen, bw. (In een schip) laden. — Inlader, m. (-s). — In lading, v. (-en).

inlander, ra. (-s). Inboorling des lands. —Inlandsch, bn. Tot het land beboerend : inlandsche vruchten. Binnen-landscb : inlandsche oorlogen.

inlappen, bw. Met lappen invoegerf. Iets in een werk voegen zonder smaak of kennis. Inzwelgen. — inlanveiien, bw. Met lasschen inzetten : een stuk in eene oveijas inlasschen. Iets in een werk invoegen : hier zult gij uw verhaal moeten inlasschen. Inlasch, ra. (..sschen). Wat inge-lascht wordt. Inlassching, v. (-en). — inlaten, bw. Binnenlaten : bel aan en aanstonds laat ik u in. Overlaten : gij moet mij wat wijn inlaten. Invoegen : een stuk hout ergens inlaten Zich inlaten, ww. Deel nemen. Zich met iem. inlaten : met bemin gesprek treden. Zich met iemands zaken inlaten, bemoeien. Inlaten, o. Inlating, v. (-en).—inlaveeren, ow. (zijn) (Zeew.) Laveerende inkomen.

inieelQk, bn. Buitengewoon leelijk. inlegeren, bw. Troepen in garnizoen leggen. Militairen bij burgers doen huisvesten. Inlegering, v. (-en).— inli'prifen, bw. Leggen (in). Bewaren (in). Insluiten (in eenen brief). Vellen : de lans inleggen. Tot gebruik wegleggen : bier inleggen. Behalen ; gij zult daarmee eer inleggen. Inmaken : boonen, enz. inleggen. Eenen wijngaard inleggen ; eenerank in den grond steken om wortels te doen schieten. Nauwer, korter maken (van kleed ingstukken). Te zamen brengen : geld inleggen. Ingelegd goed ; konfituren. Ingelegd werk : mozaïek. Tegen iem. inleggen : zich met woorden tegen hem verzetten. Inlee, m. Geld, dat ingelegd wordt (in eene loterij, enz.). Zoom, plooi. In/eggeld, o. (-en). In/eggen, o. Inlegger, m. (-s). In lagging, v. {-en). Inleghout, o. Inlegkts, v. (-sen). Inlegsel, o. (-s). Wat in zont gelegd is. Ingelegd (schrijn)werk. Inlegster, v. (-s). Inl'gïiuk, o. (-ken). — inleiden, bw. Naar binnen leiden. Voorbereiden : eene zaak inleiden. Inleider - m. (-s). Itl*tdingt v. (-en). Het inleiden. Voorbericht. Voorrede. voorspel. Begin. Inleiicter, v. (-sj. — inlekken, ow. (zijn) Lekkende indrui-pen. — inleveren, bw. Overgeven : hij heeft de gevraagde stukken ingeleverd. Indienen : een verzoekschrift inleveren. Inleveraar, m. (-s). Inl^ve' nar ster, v. (-s). InUve* ing, v. (-en). — inlezen, bw. Inzamelen.— inlieliten, bw. Met licht ergens indringen. Licht ergens brengen. Eene zaak voor iem. duidelijk maken. Ow. Licht geven naar binnen. Inlicf'ter, m. (-s). Inlichting, v. (-en). Het inlichten. Verklaring, uitlegging, opheldering. — inliggen, ow. Gelegen zijn (ingt;. Besloten zijn (in). Inligg-nd, Dn. Ingesloten ; inliggende brief. Inliggend krijgsvolk, dat in bezetting ligt. — inlUmen^


ocr page 329

INNA — 25

rbw. Door lijmen vastmaken (in). In lijm ing, I v. (-en). — inllisteu, b»w. In eene lijst zetten. Op eene lijst inschrijven. Inlysting, y. (-en). — inlUven, bw. lijfde i i, heeft [ingelijfd. Tot medelid maken van een poli-; tiek, gees'elijk of militair vereenigd li-chaam : in 't leger inlijven. Inschrijven : in ! 't register inlijven. Inlijving, v- (-en). — Inloeren, o\v. Naar binnen loeren. — ' Inlokken, bw. Naar binnen lokken : hij i heeft mij in zijn huis ingelokt. Inlnhking, v. (-en). — inloodsen, bw. In de haven 1 brengen (een schip). In lood sing, v. (-en).

— loloogpcn, uw. In de loog zetten. In hogi ng, v.

inlooi», m. liet inloopen. — iuloo-

5en. Üw. (zijn) In eene plaats komen. In eze of geigt;e richting loopen : tegen iem. inloopen. Smaller, korter worden : dit laken loopt in. Tegen elkander inloopen : in meening lijnrecht van elkander verschillen. Er loopen van alle kanten goede tijdingen in : gotde tijdingen worden van overal vernomen. Bw. Door loopen inhalen : gij ault nooit een paard kunnen inloopen. en. Üw. (zijn) In eene plaats komen. In eze of geigt;e richting loopen : tegen iem. inloopen. Smaller, korter worden : dit laken loopt in. Tegen elkander inloopen : in meening lijnrecht van elkander verschillen. Er loopen van alle kanten goede tijdingen in : gotde tijdingen worden van overal vernomen. Bw. Door loopen inhalen : gij ault nooit een paard kunnen inloopen. Inloopery% y. — iulosMen, bw. Door losgeld in zijn bezit krijgen. Inlossing, v. (-en).

inlul, bn. Zeer lui.

inluiden, inluien, bw. Door klok-

felui aankondigen : de kermis inluiden, em. inluiden, misleiden. /elui aankondigen : de kermis inluiden, em. inluiden, misleiden. /nluiding, v. — InlniHtereu, bw. (Iem. iets) in het oor luisteren. Inluistering, v. ( en). — ininn-ken, bw. Konfijten. Zouten. Pekelen. In-fnaaamp;,v.InmaaAsel,o.(-s).lDgelegdevnich-ten. Inmaker, m. (-s). Itimaakster, v. ( s). Inmaking, v. — Inmnneu, bw. Door manen verkrijgen. Inmaner, m. (-s). In-niaanster, v. (-s). Inmo**ing, v. (-en). — inmengen, bw. In of onder iets menen. Zich inmengen, ww. Zich met iets emoeien. Inmenger, m. (-s). Jnmeng-ster, v. (-s). Inmenging,y. ( en). Innieng-sel, o. (-s, -en). Wat ingemengd is. — ininennen, bw. Mennende ergens in-ofbinnenvoeren./wwtfww/w^-, v. — in meien, bw. Door meten inkrijgen : bier in een vat inmeten. Verliezen : op 20 meters heeft hij 2 meters ingemeten. Inmeting. v.

— Inmetselen, inmetsen, bw. Door metselen invoegen. Met metselwerk omringen. Inmetseling, v. (-en).

Inmiddels, bijw. Middelerwijl, inden tusschen tijd. In aiwachting (van).

inmUuen, bw. Zijnen eigendom bij openbare veiling inkoopen. Inmyning, v.

— InniofTelen. bw. Goed inwikkelen. Warm toedekken. Bedektelijk naar binnen brengen. In iets doen. Invioffeling, v. — innionden, bw. De uiterste einden van iets in elkander voegen. — innaaien, bw. Door naaieu vereenigen. Eenen lap in een kleed zetten. Door middel van naaien bergen of insluiten : zijn geld tusschen den band zijner broek innaaien. (Boekb.) De bladen of vellen van een boek losjes vasthechten. Innaaier, m. (-s). Innaaiing, v.

\Innaaister, v. (-s). — innagrelen, bw. Met nagelen vastmaken. — innemen, bw. Naar binnen brengen : laat ons het wascbgoedLinnemen. Strijken ; ^en zeil in-

^ — INPR

nemen. Inkwartieren : zij wilden geen krijgsvolk innemen. Nauwer, korter maken; gij moet dit kleed wat innemen. Beslaan : een meubel, dat veel p'aats inneemt. Ontvangen : goeden raad innemen. Bemachtigen, veroveren : de stad werd stormenderhand ingenomen. Alet zachtheid winnen : iem. voor zich innemen. Nutten : zulken drank kan ik niet innemen. Inneemster, v. ( s). Innemend, bn. Genegenheid opwekkende. Bevallig. Voorkomend. Innemend' he id, v. Innemer, m. (-s). Inneming, v.

— innen, bw. inde, heeft geïnd. Geld invorderen en ontvangen. Inning, v. (-en).

InnerlUk, bn. bijw. Inwendig, wat in bet wezen der zaak ligt : de innerlijke waarde van een geldstuk. OprechtelijJc, hartelijk.

innlff, bn. bijw. Echt. Waar. Hartelijk. Vurig : een innig gebed. — Innigheid, v.

— Inniglijk, bijw.

iiMiuccute, bijw. (Muz.) Onschuldig.

Naïef.

Iniiooentius Naam van verschillende Pausen. De uitstekendste zijn : Innocen-ttus III. Deed den 4n Kruistocht prediken. IJverde tegen de Albigenzon. Deed Filip August, koning van Fr; nkrijk en Jan, koning van Engeland, in drn ban. Innocen-tins XI. Had een geduchtiyen strijd te onderstaan tegen Lode wijk XIV.

inoofirsten, bw. Veldvruchten inhalen. Vruchten plukken van volbrachten arbeid. Inoogsting, v. (-en). — inpakken, bw. Verscheidene voorwerpen tot een pat maken, in een pak doen. Iem. inpakken : iem. voor zich innemen. Inpakker, m. (-s). Inpakking, v. Inpakster, v. (-s). — inpalmen, bw. Allengs naar zich halen : een touw inpalmen. Zich toeëigenen : eens andermans goed inpalmen. Inpahning, v.

inpandtpevinB:, v. (-en). Het in pand geven.

inpaNsen, bw. ow. Meten or iets ergens insluit. Goed in iets sluiten.— inpekelen, bw. In den pekel lepgen. Zouten. — in-pennen, bw. Enten. Vleesch door houten

Eennen bijeenhouden.ennen bijeenhouden. — inpeperen,

w. Met peper bestrooien. Betaald zenen : dat zal hem ingt-p- perd worden. Inpepe-rzffir,v.—inpersen, hw. Doormiddel van persing inbrengen Persende samendrukken. Inpersing, v. — )up(|pen, bw. Pijpende inblazen. Door vleitaal overreden.

— inpikken, bw. (Zeew.) Touwen aanslaan. — inplau f«ten, bw. Plaatsen of zetten (in). Inplaaising, v. (-en). — inplanten, bw. In den grond zetten. Inprenten. Op het hart drukken. Inplanting, v. (-en). — inplengrcn, bw. Plengende naar binnen gieten. Inple»tging, v. (-en).

— inploeg:en, bw. (Thnm.) Ingroeven. Inptoeging, v. (-en). Groeve. Sponning.

— In ploffen, bw. Meteenen plof werpen (in). Ow. (zijn) Mot eenen plof vallen (in).

— inplooien, bw. Door plooien nauwer maken. — Inplukken, bw. Plukkende aftrekken of inhalen. - inpompen, bw. Door middel van c-ene pomp inbrengen. Met moeite iem. i«'ts aanleeren. Inpomping, v. — inpolets, bw. Inplanten. In-pqtixiSy v' — inpi^i'ïPn, bw. Met go»


ocr page 330

INRO — 2

tveld indrakken. — inpraten, bw. Door

Ïraten iets in iemands gedachten brengen, em. iets wijs maken. — inpreokon, bw. Inpraten.raten iets in iemands gedachten brengen, em. iets wijs maken. — inpreokon, bw. Inpraten. — inpronten, bw. Door herhaalde leering Indrukken. Inprenting, v. (-en). — InproHNcn, bw. Met alle kracht iabrengen. — iiiprikltcn, bw. Met eene scherpe punt insteken. — Inproppen, bw. Met eene prop sterk induwen. Prop-

fende inprangen.ende inprangen. — Inputten, bw. 'uttend met emmers inbrengen of instorten.

ïnqnlmilJv, v. Rechtbank in vele landen maar vooral in Spanje ingericht, om de ketters op te zoeken en te straffen. De ■Sfaanscke Inquisitie, met Thomas de Torquemada aan het hoofd, en onder het beleid van koning Ferdinand, kwam in 1484 totstand. Zij bestond uit een hoogeren Raad (waarin acht geestelijken, zes seculiere en twee reguliere zetelden) en vier afhankelijke tribunalen. De hooge Raad werd door den vorst zei ven benoemd. De kerkelijke Inquisitie. Sedert vele eeuwen is de Kerk moeten uitkomen tegen dezen, die Geloof en zeden aanrandden. Doch de echte Inquisitie, ook kettergerecht of heilig officie geheeten, is slechts in voege gebracht bij het concilie van Tolosa (1229). De rechters hadden alleenlijk te onderzoeken of de aangeklaagden waarlijk plichtig waren aan ketterij. — Vroeger nochtans, bij het concilie van Verona (1184), was de bisschoppelijke Inquisitie, en in 1203 de pauselijke (gericht door Innocentius III tegen de Albigenzen), ingevoerd geworden.

— Inquisiteur, m. (-s, -en).

Inrnkelon, bw. Inrekenen. — Inregenen, eenpw. Regenend indringen. In zekere plaats regenen. — inrekenen, bw. Vuur met asch bedekken. ïn verzekerde bewaring brengen. Inrekening, v.

— inrennen. Bw. Door rennen inhalen. Ow. (zijn) Rennend inkomen. — inrichten, bw. In orde brengen : eenen Staat op vaste gronden inrichten. Regelen, schikken : wil men in het openbaar spreken, men moet zijne rede naar het algemeen gevoelen inrichten. Inrichter, m. (-s). Inricht-ster, v. (-s). Inrichting, v. (-en). Het inrichten. Het ingerichte. Schikking, regeling. Gesticht, tot openbaar gebruik. — inrlftlen. Bw. Rijdend inhalen. Ow. (zijn) Rijdend inkomen. — inrüffen, bw. In eene rij vereenigen. Met eeu rijgsnoer intrekken. D or rijgen samenpersen. Inry-

{ing,ing, v. (-en). — inrUten, bw. ow. (zijn) nscheuren.

inrit, m. Het inrijden te paard. inrooi«kn. Bw. Door roeien inhalen. Ow. (zijn) Roeiend inkomen. Inroeung, v.

— inroepen, bw. Tot zich roepen. Openlijk indagen de overheid riep de soldaten in. Beginnen de markt inroepen. Vragen : iemands hulp inroepen. Inroeper, m. (-s). Inroeping, v. Inroepster, v. (-s). — in-rooron, bw. Roerende inmengen. — inrolt;'Nt«-n, ow. (zijn) Door roest ingevreten worden. Inroesting, v. — inrollen. Bw. Tot eene rol maken, inwinden. Rollende dunner maken. Rollende inbrengen. Ow. (zijn) Rollende inkomen.

4 — INSC

inrond, o. (-en). Ronde opening VtUfc binnen.

inrossen, ow. (zijn) Rossende of ren-, nende inkomen. — inruilen, bw. Doof-ruiling verkrijgen. Inruihng, v. (-en).

— inrnimen, bw. Door ruimte te maken afstaan : ik zal u een plaatsken in mijne woning^ inruimen. Toestaan : een recht aan iem. inruimen. Inrui-ming, v. (-en). Ontruiming. Afstand. Vergunning. — inrnkken. Ow. (zijn) Met geweld eenen inval doen. Bw. Tot zich Inruk king, v. — inHolielleny bw. Door middel van eene schel inroepen. Door hard schellen breken. — initclien-ken, bw. Schenkende ingieten : een glas bier inschenken. Inschenker, m. (-s). — inscliepen, bw. Aan boord van een schip laden. Zich inschepen, ww. Zich aan boord begeven. Inscheping, v. Insch epingskosten f m. mv. — Insolieppen, bw. schiep in, heeft ingeschapen. Door de natuur ingeven.

— insclioppen, bw. schepte in, heeftquot; ingeschept. Scheppende indoen. — in-sclierpen, bw. In het gemoed prenten. Nadrukkelijk aanbevelen. Met klem gelasten. Inscherping, v. — inselieuren. Bw. Eene scheur maken (in). Ow. (zijn) Vaneengaan: dit laken scheurt m. Inscheuring, v. — insrliietcn, bw. Schietend brengen (in) : brood in eenen oven inschieten. In-, tusschenvoegen. Door schieten verbrijzelen : de glazen inschieten. Verliezen : er het leven bij inschieten. Ow. (zijn) Ingaan : die spijker schiet diep in. Vooruitkomen. In het geheugen komen ; daar schiet mij iets in.

inschikkelUk, bn. bijw. Toegevend. Inschik.keh/kheid, v. (..heden). — /«-schikken. Ow. (zijn* Schikkende inkomen. Bw. Toegeven : ik zal nooit iets inschikken voor u. — Inschikking, v.

insctaoon, bn. Zeer schoon.

insclioppeu, bw. Schoppende inbrengen, doen vooruitkomen. Door schoppen breken. Iem. voorthelpen. — initclira-pen, bw. Gieriglijk inhalen. Inschraper, m. (-s). Inschraapster, v. (-s). Inscnra-ping, v. (-en).

inschrift, o. (-en). Wat vooraan op het binnentitelblad geschreven staat : hii zond mij een boek met dit inschrift : aan mijnen vriend.

inHChry«len, ow. (zijn) Met groote schreden inkomen. — innchrQven. Bw. Aanteekenen : ik heb mij laten inschrijven. Ten huwelijk aanteekenen : Karei en zijne toekomende zijn gasteren ingeschreven. Ow. Inteekenen : de graaf heeft voor fr. 500 ingeschreven. Inschrijf ster, v. (-s). Inschrijver, m. (-s). Inschrijving, v. (-en). Aan , op-, inteekening. Deelneming aan eene ieening, enz. /nschrjjvingsbiljet,o.\-ten). Inschr ij~ vingslijst, v. (-en). — inschroeven, bw. Vastschroeven (in). Dichtschroeven. Inschroeving, v. (-en). — innchrok-ken, bw. Gulzig inslokken. — inscliud-den, bw. Door schudden doen invallen. — inschuiven, bw. Schuivende inbrengen.. Inschuif blad, o. (-en). Blad van eene in-schuiitafel. Inschuifsel, o. {-s). Inschuift-


ocr page 331

INSL — 2C

tafel, v. (-s). Inschuivitig, v. (-en).

Inschuld, v. (-en). Invorderbare geldschuld. — Inschuldequot;aar, m. (-s). — In-schuldmaarste*, v. (-s).

insect, o. (-en). De insecten zijn gekorven e dieren, en vormen niet alleen de talrijkste klasse van gelede dieren, maar van het geheele dierenrijk. Er zijn kruipende, loopende en vliegende insecten; ongevleugelde, tweevleugelige, stofvleuge-lige, netvïeugelige, vliesvleugeligeinsecten, schildvleugelige en half-schildvleugelige insecten. — Jnsecienbeschryver, m. (-s).

— In se' tenbeschryving, v. (-en). —Insectendoos, v. (..zen). — Insectenetend, bn.

— Insecteneters, m mv. — Insectenkenner, m. (-s). — Insectenkunde, v. — Insectenpoeder, o. (-s). Poeder dienstig tot bet dooden van insecten. — Insectenverzameling, v. (-en).

bijw. Evenzoo. Ook. ^ IniiUpelen, ow. (zijn) Sijpelend invallen. —v.

InHinneeren, bw. insinueerde, beeft geïnsinueerd. Heimelijk inblazen, influisteren. Beteekenen. Zich insinueer en, ww. Zich in iemands gunst dringen. Zich behendig den toegang banen. — Insinuatie, v. (..iën, s). Sluwe toespeling. Bedekte beschuldiging. Gerechtelijke aanzegging.

liiNjouwen, bw. Üet veel moeite binnenbrengen. — Inslaan. Bw. Door slaan indrijven : eenen spijker in het hout inslaan. Inbreken door slaan : eene deur inslaan. Omvouwen : gij moet daar eene vouw inslaan. Inleggen : een kleed inslaan. Opdoen : bier voor twee jaar inslaan. Inzwelgen : hij sloeg al den wijn in. Volgen : het pad der deugd inslaan. Ow. (zijn) Indringen : de bliksem is in die huizen ingeslagen. In het lijf keeren : de mazelen zijn ingeslagen.— /nslager, m.(-s).

innlaer, m. (-en). Het opdoen van voorraad. (Wev.) Draden, welke door de schering worden geslagen. (Kleerm.) Ingeslagen gedeelte, zoom, omslag. — Inslagboek, o. en m. (-en). Boek der inkoopen. — /«-slagcedel, v. (-s), inslagceel, v. (-en). — Inslagdraad, m. (..aden). — Inslagspoel, v. (-en). — Inslagzijde, v.

inalstpen, ow. (zijn) Beginnen te slapen. Sterven. — inslocpen, bw. Slee-pend inbrengen. Insleeping, v. — inslenteren, ow. (zijn) Slenterend ingaan. .— InHlüpen, bw. Slijpende in-, op- of bij iets zetten. — inslikken, bw. Door slikken naar binnen brengen. Zijne woorden inslikken, niet genoegzaam laten hooren. Inslikking, v. — inMline:eren, bw. Door slingeren inwerpen. Inzwelgen ; vleesch en brood, zij slingeren alles in. — insilp-pen, ow. (zijn) Ongemerkt inkomen. — innlobberen, bw. Slobberende nuttigen. — iiiNlohken, bw. Gretig inslikken : heele brokken inslikken. Verslinden : zij hebben geheel het erfdeel ineeslokt. Zich zonder recht iets toeëigenen : dit land zou al zijne geburen inslokken. Inslok-ktng, v. (-en). — inslorpen, inslui*-pen, bw. Slorpende Inslorping,

inslwping, v. — insliiiiueren, ow. (zijn) Beginnen te sluimeren. Insluime-

; — INSP

ring, v. — inslnipen, ow. (zijn) Ong*» merkt indringen. Ongemerkt in zwang komen . Insluiping, v — insluiten. Bw. Achter slot zetten en bewaren : sluit uw geld zorgvuldig in de kas. In iets sluiten ; eenen brief insluiten. Omsingelen ; de stad ingesloten houden. Inhouden : weet gij wat dit geschrift insluit? Begrijpen : België is in den vrede medo ingesloten. Ow. Goed passen in eene opening : die vijs sluit goed in. Insluiting, v, l-en). Insluitingstee ken, o. (-s). Teeken door twee haakjes () aangeduid, dient om woorden of voorstellen in te sluiten, die tot het verstaan van den zin niet noodzakelijk zijn. — inslnrpen. Zie Inslorpen. — instnnkken, bw. Door geweld inwerpen. Door werpen breken. — insmelten. Bw. Door smelten mengen : tin en lood bij elkander insmelten, verliezen ; hij heeft er heel zijn fortuin bij ingesmolten. Ow. (zijn) Door smelten verminderen : die metalen smelten zeer veel in. Vereenigd worden : zijne letters smelten in, welk s'echt geschrift! Insmelting, v. — insmeren, bw. Smerende inwrijven. Insme-ring, v. (en). — insniUten, bw. Inwerpen. Ingooien. — iiKtnakken t bw. Met gretigheid inslikken. — in-snappen, ow. (zijn) Insluipen. Schielijk inloopen. — insnUfien, bw. Eene snede maken (in). Door insnijding gravee-ren. Snijdend indrijven. Insnijding, v. (-en). Insnydmes, o. (-sen). Insnydsel, o. (-s). — in snorren, ow. (zijn) Met gesnor invliegen.— insnuiven, bw. Door snuiven in den neus optrekken. Insnuiving, v. (-en).

insolent, bn. Onbeschoft, onbeschaamd. Stout, vermetel. Lomp, grof. — Insolentie, v. (..iën, -s).

insolvent, bn. Onvermogend (om te betalen).

insoppen, bw. In sop doopen. Met sop inmaken. lusopóing, v. (-en). — inspannen, bw. Voor den wagen, den ploeg enz. spannen : de paarden inspannen. Zijn uiterste best doen : alle krachten inspannen. Een proces tegen iem. inspannen: hem een proces aandoen. Met iem. inspannen ; samenspannen. Zich inspannen, ww. Zijn beste doen. Uiterste pogingen aanwenden. — Inspanning, v. (-en). — in-sparen, bw. Uitzuinigen. — inspat-ten, ow. (zijn) Spattend inkomen : het water spatte tot in de huizen in. Onstuimig inkomen.

inspeeteeren, bw. inspecteerde, heeft geïnspecteerd. In oogenschouw nemen. Opzicht hebben (over). Onderzoeken. — Inspecteur, m. (-en, -s). Opzichter. — Inspectie, v. (..iën, -s). Toezicht. Onderzoek. vVapenschouwing.

inspükeren, bw Door middel van spijkers inslaan.

inspil, o. (Zeew.) Roerpen. Helmstok.

iiiMpitten, bw. Door spitten indringen, — inspoelen, ow. (zijn) Spoelend inbrengen, breken, enz.

inspraak, v. Ingeving, Inwendig gevoel. Tegenspraak. Verzet. — Inspre* ken, bw. Doorspreken inbrengen : moed


ocr page 332

INST — 2

In quot;'t quot;harte inspreken. In dereden vallen : gij rnoogt altijd zoo niet inspreken. Ingeven.

innpringreii. Ow. (zijn) Met eenen sprong inkomen. In iets springen : de veer -wil niet inspringen. Achteruitwijken : dit huis springt drie centimeters in. Bw. Springend iets inloopen : eene deur inspringen. Inspringtug, v. Insprong, m.(-en). Inspringende hoek : in die straat zijn twee insprongen. — iiiftpultcn, bw. Spuitende inbrengen. Doorspuiten breken. Inspuiting, v. (-en). — iiiMtuan, ow. Borg zijn : zoudt gij voor hem instaan ?

Instal, m. (-ien). Huis, als stal gebezigd. Vuil huishouden.

InstsUloeren, bw. installeerde, heeft geïnstalleerd. lem. plechtiglijk in een ambt bevestigen. — Installatie, v. (..ien, -s).

iiiHlsklligr, bn. Van kwaden reuk of naam : een huis installig maken, er zoo ongunstig over spreken, dat het niemand xneer wil b. wonen.

Instsimpen, bw. In iets stampen. Door stampen inbrengen. Door stampen inbuigen. Met moeite inprenten. —Instamping, v. (.en).

lniüt:indlioudlnff, v. Het in stand houder:.

InHistntelUk. Hjw. Dringend. Met aandrang. Nadiukkelijk.

institutie, v. (..ien, -s). Aandrang, dringend verzoek. Rechtsvordering, aanleg. Ter eerste instantie : bij de eerste rechtbank. In hoogere instantie : bij een hooger gerecht, in hooger beroep.

Instappen. Bw. Door stappen inhalen. Ow. (zijn) Door stappen intreden. — in-■teig:eren,ow. (zijn) Steigerend inkomen.

— insteken. Bw. In eene opening steken : eenen draad in 't oog der naald insteken. Ingeven, inluisteren : iem. eenige leugens insteken. Innaaien : losse vellen papier tot een boek insteken. Zich bemoeien : zijnen neus overal insteken. Ow. Inzijn : daar steekt noch wijsheid, noch verstand in. Kroppen : zijne woorden bleven in zijne keel insteken. Insteekblad, o. (-en). Inschuifblad. Insieekkamer, v. (-s). Hangkamer. Insteekpakje, o. (-s). Broek en buisje. Insif eksel, o. (-s). Hetgeen ingestoken wordt. Ins'eekta-fel, v. (-s). Inschuiftafel. Insteekster, v. (-s). Ins Zeker, m. (-s). Insteking, v. (-en).

— iiiHtellen, bw. Tot stand brengen, vaststellen : eene wet instellen. Eene gezondheid instellen : op iemands gezondheid eenen heildronk voorstellen. Bij eene voorafgaande veiling land of huizen instellen, op prijs stellen. Instel, m. Het op prijs stellen van iets in eene voorafgaande veiling. Insteller, m. (-s)./w5/^/ï/^r, v. (-s)./«5/lt;?/-ling, v. (-en). Het instellen. Het ingestelde. Stichting, gesticht. Aanvang. Opening. — insteiiimen. Bw. Inwilligen : ik heb met hem alle punten ingestemd. Ow. Van hetzelfde gevoelen zijn : zoudt gij met hem kunnen instemmen. Instemming, v.

inHtenlt;iig'l|jk, bijw. Met aandrang. Uail rukkelijk.

instevenen, ow. (zijn) Door varen binnenkomen. — inatUffen, ow. (zijn)

16 — INSU

Stijgende ingaan. In een rijtuig stijgen. — Instikken, bw. Met de stiknaald inwerken.

instinct, o. Natuurdrift. Aangeboren gevoel. Ingeschapen neiging. — Instinct' mattg, bn. Onwillekeurg.

inHtippen, bw. Even indoopen. instituut, o. (..uten). Instelling. Op-voedinjiS^esticHt. Pensionaat Kostschool.

instonimelen, ow. (zijn) Met gestommel inkomen.— iu stoom en, ow. (zijn) Met eene stoomboot of eenen stoomwagen binnenkomen. — instooteu. Bw. Naar binnen stooten : een geladen waeen in de poort instooten. Door stooten breken: eene ruit instooten. Ow (hebben) In zekere richting stooten. (zijn) Met geweld inrijden. Instooiing, v. (-en). — instoppou, bw. Stoppende induwen. Op-, volstoppen. In-stopping, v. (-en). — instormen, ow. 'zijn) Met geweld indringen. — instorten. Bw. Stortende indoen : graan in zakken instorten. Doen vallen : een aardbeving, die huizen en paleizen instort. In-

f even : de Heer stortte hem alle gaven in. nboezemen : mlt; ed in 't harte instorten. Ow. (zijn) Met geweld instroomen : de stroom stortte door den doorgebroken dijk in. Invallen : huizen en stallen, 'tis al ingestort. In eene voiige ziekte vallen : de zieke is weer ingestort. even : de Heer stortte hem alle gaven in. nboezemen : mlt; ed in 't harte instorten. Ow. (zijn) Met geweld instroomen : de stroom stortte door den doorgebroken dijk in. Invallen : huizen en stallen, 'tis al ingestort. In eene voiige ziekte vallen : de zieke is weer ingestort. Instof ting,y.— iustou-wen. (ZieInstuwen). Instouzving, v. (-en).

— lust reven, ow. (zijn) Pogen in te komen.—instrijken. Bw. Strijkend indoen: geld instrijken. (Mets.) De voegen vullen (met kalk). Ow. (zijn) Met haast inkomen.

— lustrooien, bw. Strooiende indoen. Instroriinz, v. (-en). — instroomen, ow. (zijn) Stroomend inkomen.

iustrnetie, v. (..ien, -s). Onderricht, onderwijs, opvoeding. Onderzoek. Rechter van instructie : rechter van onderzoek. Voorschrift. Onderrichting. Aanwijzing. — Instructie-bataillon, o. (-s). — Instructief, bn. Leenijk. Onderrichtend. — Inst' ueeren, bw. instrueerde, heeft geïnstrueerd. Onderrichten. Een proces instrü-eeren, ter behandeling voorbereiden.

lustrument, o. ( en). Tuig, werktuig, gereedschap. Toestel. Speeltuig. (Recht.) Oorkonde. Bewijsschrift. — Instrumentaal, bn. Door middel van speeltuigen voortgebracht. — Instrumenteerrn, bw. instrumenteerde, heeft geïnstrumenteerd. (Muz.) Voor speeltuigen zetten of compo-neeren. (Recht.) Gerechtelijke oorkonden opmaken. — Instrumentee- ing, v.

Instuiven, ow. (zijn) Stuivend inkomen : het zand stoof in. Driftig binnenkomen : hij stoof in als een bezetene. — insturen, bw. Sturende inbrengen. Naar binnen sturen. Uitzenden in eene plaats. Inzenden. — instuiven, bw. Induwen. Sterk indrukken. Inpakken (de lading in een schip;. Instuwinn, v. — insuike-ren, bw. Met suiker inmaken, konfijten, lusnlinde. Indisch eilandenrijk, initnllen, ow. (zijn) Sullende inglijden.

insulteeren, bw. inselteerde, heeft geïnsulteerd. Beleedigen. Hooner. Smaden. — Insult, o. (-en).


ocr page 333

een rad) invatten. Iniandt'ng, v. — In-tappcn. bw. Tappende indoen, invullen. — Inteekenen. Bw. Inschrijven. Ow. Door bet teekenrn van zijnen naamopeene lijst zich verbinden (tol). ïnteekenaar, m. (..aren, -s). Inteekenaar%te*, v l-s). Irt-teekcnmr, v. ^-en). Int'f keningsprys, m. lt;..zen). Jnteekenlyit, v ( en).

InteeeiKlcel, tijw. Ver van daar Veeleer.

Inteeraal. bn. Gebeel, algeheel, voltallig. — Inte%raalh'*'krninx, v l^rkcn-wiize, die door v«'r^eliiking ilr? oneindig kleine deeleu d** groolhwlori weder

voortbrengt, waaruit dr ftftrslw ontstonden.

Intellectueel, bn. VerstaodiK Gees tig. Schrander. Jntelligmt, bn Vei standig Sc tirander. Jb.x varen. Wij». — Jn-telligfntie, v.

luteuilant, m (-en). Bestuurder Op ziehier. IViiiitaire intendant legexverzor ger.

Interdict, o. Verbod, ontzeegine (van rechten). (Kerk ) Censuur, zekcic plaatsen of personen beroovende van de goddnlijkc diensten, de sacramenten en ae kerkelijke begraving.

Interdictie^ v. (. '«r. -s\ Verbod. Ontzegging. lem. in widitlie stellen, onmondig verklaren, ondei voogdij stellen, hem van zijne burgerijjb e Teclii»*n berooven.

interen, bw. ow uijn) Dooi vertering langzamerhand minder maken cl minder worden. In verval geraken Acbteruitgaan. Arm worden. — InlermR, v,

interensant., bn. bijw. Belangrijk. Belangwekkend. Belangvol. Onderhoudend. — Inlfiresseegt; rn, bw. interesseerde, heelt geïnteresseerd. Belangstellen, aanbelangen, betrelTen, raken, aangaan. Deelnemen, iemands deelneming opwekken, hem belang inboezemen. Zich voor lem. interesseeren : iemands parti] kiezen. — Interesty intrest, m. (-en). \Vat iemands nut, voordeel, enz. bevordert. Opbrengst van een uitgezet of uitgeleend kapitaal : interest tegen 5 %gt; 's jaars. Belang : iedereen bemint zijn eigen intrest.

interim, o. Tusschentijd. Tijdelijke plaatsvervulling. — InterimairVoor-loopig. Tijdelijk.

intermezzo, o. (-s^. Tusschenspel. interne, m. (-s, -n). Kostleerling. Inwonende leerling. — Infer na at, o. (..aten). Kostschool.

INTE

€1111 urgent, m. (-en). Oproerling. Op--stancklii g.

intaudcn, bw. Met de tanden (van

7 — INTR

internationaal, bn. Tusschen do natiën ot volkeren bestaande, heerschende, enz. Internationaal recht: volkenrecht.

itsternnutiuift, m. (-sen). Pauselijke gezant bij kleine hoven of genieenebesten.

tnlerpelle«'reii, bw. interpelleerde, heelt geïnterpelleerd. Ondervragen. Om inlichtingen vragen. — InierprLLatie, y, (..ien, -s).

Interval, o. (-len). Tusschenruimte, tusschentijd. Gaping, opening. (Muz.) Afstand tusschen twee tonen.

Interview, o. OnJerhooring. Uithoo-ring.

inteugelen, bw. Intoomen. Bedwingen. — Inteugeting, v. (-en).

intiem, bn. innig. Nauw verbonden. Intieme vriend : boezemvriend. — Intimiteit, v.

intUdH, bijw. Op tijd.

intlllen, bw. Tillende in- of binnen' brengen.

int«»clit,m. (-en). Het intrekken. Plechtige inkomst.

Intonnen, bw. In tonnen leggen of gieten. — intoomen, bw. Den toom korter nemen. Breidelen. Matigen. Bedwingen. Intooming, v. (-en). — intoo-vemn, bw. Behendig en als door tooverij inbieriKen. — intrappen, bw. Door trappen in een kleiner bestek brengen. Al et de voeten treden (zand, enz.). Trappende in of binnenbrengen. Trappende breken. Jntrapping, v. (-en).

Suirv^die, v. liet intreden. Plechtige inkomst : bij 's vorsten intrede. Toegang : vrije intree hebben in den schouwburg. Aanvang de intrede des jaars. De herin-nenng aan dc plechtige intrede van Jezus in Jerusalem wordt in de h. Kerk op Palmzondag gevierd — Intreden, ow. (zijn) Binnengaan. Beginnen ! hij is zijn, 30quot; jaar ingetreden, een nieuwen jaarkring intreden. Bw. Door treden inbrengen. Door tieden in omvang doen verminderen. Door tredeu breken — /ntreebiljet, o. ( ten). — Intreegeld, o. — Inireekaartjet o. ( s). — Intreepreek, v. (-en).^

Intrek, m. liet intrekken : intrek des vijandelijken legers. Verblijf : bij iem. zijnen intrek nemen. — Intrekken. Bw. Met trekken inhalen : een touw intrekken. Inbalen zijne schouders intrekken, de kat trekt baren staart in. Betrekken : iem. in eene zaak intrekken. Nauwer maken : eenen rok intrekken. Doen inspringen : de letterzetter beeft twee regels ingetrokken. In zich opnemen ; die stof trekt veel water in. Opbellen, te niet doen : een bevel introkken, zijn woord intrekken. Ow. (zijn) inkomen ; denkt gij, dat de soldaten verder zullen intrekken ? Bij iem. intrekken, zijnen intrek nemen. Inkrimpen : dit hout trekt in. — Intrekking, v. Het intrekken. Inkrimping. Opbelfing, herroeping, afschaffing.

Intrigant, m. (-en). Indringer. Arglistig mensch. Vriend van kuiperijen. — In-/rigante, v. (-n). —Intrige, v. (-s). Kuiperij. Listige streek. Verwikkeling, knoop (b. v. in een tooneelstuk). — Intrigeeren, ow. bw. intrigeerde, heeft geïntrigeerd. Met slinkschestreken omgaan. Verstrikken,


ocr page 334

INVE — 2

Verlegen maken, bekommeren, te denken geven : dat intrigeert mij.

liitroduceorcn, bw. introduceerde, heeft geïntroduceerd. Inleiden. Ingang verschaffen. Medebrengen (eenen vreemdeling) in een gezelschap, enz. Voorstellen.

— Introductie, v. (..iën, -s). Inleiding. Voorstelling. Het inleidende gedeelte van een muziekstuk.

intuimelen, ow. (zijn) Tuimelende invallen. Tuimelende inkf)mpn.

IntuBMClicn, bijw. Middelerwijl. In afwachting. Nochtans.

tnvaurt, v. Het binnenvaren. Monding. Ingang.

inval, m. (-len). Het invallen, instorten. Onverwachte komst des vijands (in een land, enz.). Plotseling opkomeiKle gedachte. (Meetk.) Hoek van inval : punt waar eene lijn, enz. op eene vlakte valt. De zoete inval : huis, enz. waar men gastvrij onthaald wordt. — Invallen, ow. ^zijni Vrtl-lende inkomen. Vallen (in). Instorten : dit gebouw gaat invallen. Inschieten : het ficht, dat door eene opening invalt. Inzakken : zijn wangen vallen in. Beginnen : zoodra de nacht invalt. Binnenloopon de vloot is vandaag slecht ingevallen Lenen inval doen : tpen de Franschc-n in België invielen. (Muz.^ Hier moet de bas inval len: zich eensklaps bij de andere stemmen laten hooren. Dit is mij ingevallen deze gedachte is bi) mij opgekomen. Zijn naam wil mij maar niet invallen. 3w. Vallende breken : de jongen viel de hersens in. — Invallend, bn. — Inz alLtng, v. — Invalsas, v. (-sen). — Invaiinueh, m. (-en). — Invalslyn, v. \-er-). — lr,zui* punt, o. (-en).

invalide, bn. Zwak. machteloos. Gebrekkelijk. Inz. uitg^dï^nd i'^lib^ndfl. onbekwaam tot den dienst. —Ir.va itdc, m. (-n). Verminkt. kreupH, gchtokkeiijk. soi daat. — InvaLidenh '■•/gt;. o ( zen).

invalldeeren, bw Jnvalidee«de,heeft geïnvalideerd. Vernietigen. o..gcidig ol nietig verklaren.

invaren. Bw Varend inbrengen * koopwaren in de stad invaten Vareud inhalen . hij kon de roovers n'Vt 'rvaren. Üw (ziju) Varend inkomen • dc baven invaren Met terwoon intrekken dit buis is te huren, zou men er aanstonds roocen mvatenr In trekken : ten hemel invaien in de rede spreken : bijvoer betmn de rede Zich naar boven verheffen . de tienen ingevaren. — in vaten, bw. In vatm doen. — luvat-ten, bw. In iets doen vast zitten. Behel zen. Bevatten. Met eenen zoom, eene lijst, enz. omgeven. In vu tting, v. l-cn)

— invegen, bw. Vegende inbrengen.

inventaris, m. ( sen). Boedellijst, boedelbeschrijving. Liist van al 0e voorwerpen aanwezig in een hui?, enz. Zulk eene lijst door een bevoegden beambte opgemaakt. Eene nalatenschap aanvaarden onder beneficie van inventaris, onder voordeel van boedelbeschrijving 't is te zeggen, dat men niet meer schulden rooet betalen dan er voordeel is. — Inventarisatie, V. — Inventariseeren, bw. inventari-

|8 — INVTJ

seerde, heeft geïnventariseerd. Eenen Inventaris opmaken.

inveMten, bw. Vast inzetten, inveittitunr, v. (..uren). Plechtige inbezitstelling eener geestelijke waardigheid.

invdien, bw. Vijlende inwerken. Eene opening, enz. maken (in).

iuviteeren, bw. inviteerde, heeft ge-inviteerd. Uitnoodigen. Te gast vragen. Verzoeken. — Invitatie, v. (..iën, -s).

in vlammen, bw. Inbranden. — in-vleeiiten, bw. Vlechtend inbrengen. Sierlijk tusscbenvoegen. Invlechting, v. ^-en). — iiiviieden, ow. (znn) Vliedend ingaan.— invliegen. Bw. Door vliegen brclcen : eene ruit invliegen. Ow. (zijn) Vliegend inkomen : de vogelen zijn ingevlogen. In allerijl naderen : hij vloog het huis in. Zich tegen lem. verzetten. — In-vlieten, ow. (zijn) Vlietende inkomen. — invlüen, bw. Door vlijen indoen. Inlas-schen.

invloed, m. (-en). Werking op iets of iem. : dit zal geenen invloed maken op hem. Vermogen, gezag : invloed hebben, uitoefenen, enz. — Invloedrnb, bn.

invloeien. Ow. (zijo) Vloeiend inkomen : het water vloeide van alle kanten in. Bw. Inlasschen : een woord in een gesprek laten invloeien. Invloeitng, v. Plaats van samenvloeiing van twee rivieren, enz. — inviueliten, ow. (zijn) Vluchtende inkomen.

invoegre, vw. Zoodanig. Op zulke wijze, invoelden, bw. (Mets.) Voegen. Inlasschen. Opnemen (in). (Timm.) Inschieten, invatten, inzetten. Invoeging, v. (-en). In-voegsel, o. (-s, -en). Het ingevoegde. — invoeren, bw. Met een vaartuig, rijtuig, enz. in- ol binnenbrengen van buitenslands. Inleiden. In zwang brengen. In gebruik doen komen. Instellen. Sprekende invoeren, doen optreden. Handelende optreden, voorstellen. Invoer, ru. Het invoeren. Ingevoerde goederen. Invoerartikelen, o. mv. Invoer der, m. (-s). Invoer handel, ra. Invoering, v. Invoer markt, v. (-en). /«-voerrecht, o. (-en). Invoerster, v. (-s). Invo'rvoaarde, v. Bedrag in geld der ingevoerde artikelen. — involg-en, bw. Door volgen inhalen. Volgen. Inwilligen : iemands begeerten involgen. Involging, v. — invorderen, bw. Betaling eischen. Invor deraar, m. (-s). Invor der aar ster t v. (-5). Invorderbaar, bn. Invordering, v. (-«n).— invonwen,bw. Binnenwaarts vouwen. Invouwing, v. (-en). — invreten. Bw. Met geweld ineten : het roest vreet bet ijzer in. Ow. (zijn) Biitend indringen ; sterkwater vreet in De kanker vreet dieper en dieper in, breidt zich uit. Invre-ting. v.

invrQlieidstellin^, v.

invullen, bw tene opene plaats in een gescbnit vol zetten : het ontbrekende invullen (Mets.) Instrijken Inlasschen./«-vulling, v. (-en) Invullingshout, o. (-en). Stopbout. Im/ulset, o. (-s). — inwaaien. Ow. (zijn) Door den wind ingebracht worden. De wind waait in. Bw. Doorwaaien in- of omwerpen. Door waaien breken.


ocr page 335

INWI — ag

Inwaarts, bijw. Naar binnen. — In-•voaartsch, bn. Binnenwaartsch.

Inwaclitcn, bw. Afwachten : hij wachtte den dood met gelatenheid in. Wachten (op). — Inwachting, v.

In warm, bn. Zeer warm.

Inwasscii, ow. (zijn) Wassende of groeiende vastraken (in). —inwateren, ow. (zi^'n) Van water doortrokken worden. Doorzijgen. Bw. Vaatwerk (tot dichttrekken) met water vullen. Inwatering;, v.

tnweetael, o. (-s). (Wev.) Inslag. Tus-Schenrede.

Inweeben, bw. (Iets) in eene vloeistof leggen, om het week te maken. In de week leggen. Inweeking, v. — Inwelleu, ow. (zijn) Inzakken door eene wel water onder den grond.

Inwendig:, bn. bijw. Innerlijk. Van binnen. — Inwendiglnk, bijw.

Inwenteien, bw. ow. (zijn) Wentelende inbrengen, inkomen. Inwentelinsc, v. (-en). — inwerken, bw. Door bewerking inmaken : bloemen in hout inwerken. Invloed hebben : de warmte moet niet slechts op de oppervlakte zijn, zij moet er ook op inwerken. In het gemoed doen blijven. Inwerking, v. (-en). —inwerpen, bw. Naar binnenwerpen. Door werpen breken. Met geweld inbrengen. Onverwachts doen ontstaan : iem. eene twijfeling inwerpen. Inwerping, v. Inwerpsel, o. (-s). Het ingeworpene. Tegenwerping, bedenking. — inweven, bw. Door weven inwerken : eene stof met bloemen inweven. In-aeving, v. — inwUlt;len, bw. Tot een zeker gebruik heiligen : eene kerk inwijden. lot kennis brengen van zekere geheime plechtigheden, enz. : iem. in zijne geheimen inwijden. — Inwijder, m. (-s). — Inwijding, v. (-en). — Inwifninsgt;s-feest, o. en v. (-en). — Inwijdingsrede^ v. (-nen). — Inwijd ster, v. (-s).

inwÓk, v. (-en). Inham, kreek, kleine baai.

InwUken, ow. (zijn) In eene plaats de wijk nemen. Inbuigen ; de muur is ingeweken. Imvifking, v. (-en). — inwikkelen, bw. In eenen omslag doen. Iem. in eene zaak inwikkelen, intrekken. Inwikkeling, v. (-en). — inwilligren, bw. Zijne toestemming geven (tot). In-williger, in. (-s). Inwilliging, v. (-en). — in winden, bw. In een windsel doen. Opwinden : het ankertouw inwinden. Inwindsel, o. (-s). Doek, enz. waarin iets gewikkeld wordt. ~inwinnen, bw. Weder winnen : verwaarloosden tijd inwinnen. Zoeken te verwerven : iemands genegenheid inwinnen. Zoeken te koopen : getuigen inwinnen. Inwinning, v. — inwi|»i»en. Bw. Met eenen wip inbrengen. Ow. (zijn) Meteenen lichten sprong inkomen. — in woekeren. Bw. Door woeker verkrijgen. Ow. (zijn) Door gewoonte in gebruik komen : het kwaad woekert meer en meer in. Inwoeke-ring, v. — inwoeien, bw. In garen, band, enz. wikkelen. Met touw omwinden. Inwoeling, v. — inwonen, ow. In eene plaats gehuisvest zijn, wonen. Inwoner, m. ( s). Inwoning, v. Inwoonster, v. (-s). — inwortelen, ow. (zijn) Wortels in de

gt; — INZO

aarde schieten. Het kwaad is reeds ingo--worteld. Inworteling, v. — inwrijven, bw. Met wrijven inbrengen. Betaald zetten : ik zal 't hem wel inwrijven. Inwrif-ving, v. (-en). — inwrintcen, bw. Wringende indraaien. — inzaaien, bw. Bezaaien : land inzaaien. Voer de tweede maal zaaien : tarwe inzaaien. Imaaiing, v.

inzagre, v. Het inzien. Onderzoeking ; een boek ter inzage geven. Ik heb er geeno inzage in : ik heo er niets in te zien, te zeggen.

insagren, bw. Beginnen te zagen. Met eene zaag eene snede maken_ (in hout). (Boekb.) Den rug van een boek inzagen. — inzakken, ow. (zijn) Zakkende invallen. Inzikking, v. (-en). — inzamelen, bw. Inoogsten : het graan inzamelen. Verzamelen : geld inzamelen. Inzamelaar, m. (-s). Inzamelaarster, v. (-s). Inzameling, v. (-en). — inzeepen, bw. Met zeepsop besmeren. Inzeeping, v. (-en). — inze-grenen, bw. Door zegenen inwijden. Inzegening, v. (-en). — inzeilen. Bw. Zeilend inhalen : een schip inzeilen. Ow. (zijn) Binnenzeilen : het schip is behouden do haven ingezeild. Inzeiling, v. — inzenden, bw. Toezenden. Doen toekomen. Inzender, va. (-s). Inzending, v. Inzend-ster, v. (-s). — inzetten, bw. In eene plaats zetten. Tusscheninvoegen. Het eerste bod doen. Geld inleggen (in eene loterij, enz.). Vaststellen, invoeren (eene wet). Verordenen (eene bepaling). (Heelk.) Een verzwikt ot gebroken lid herstellen. In goud of zilver zetten (diamanten). Invatten, inlijsten. (Zeew.) Bemasten (een schip). Beginnen : een gezang inzetten. Instellen : iemands gezondheid inzetten. Inzet, m. (-ten). Eerste bod bij eene openbare veiling. Inleg (bij het spel). Inzetsel, o. (-s). Wat ingezet is. Ingezette lap. Inzet stuk, o. (-ken). Inzetter, m. (-s). Inzetster, v. (-s). Inzetting, v. (-en).

inzielit, o. (-en). Bedoeling, voornemen, oogmerk. Inschikkelijkheid. Toegeeflijkheid. Onderzoek. Opzicht.

inzieden, ow. (zijn) Door koken verminderen. Inziedsel, o. (-s). Afkooksel. — inzien, bw. Vlijtig doorzien : lust het u dit boek eens in te zien? Met het verstand beschouwen : hebt gij die stukken reeds ii.gezien? Verschoonen : gij moet zijne fouten wat inzien. Wachten ; hij zal het nog wat inzien. Inzien, o. Oordeel, bevatting,

?evoelen : naar mijn inzien, mijns inziens.evoelen : naar mijn inzien, mijns inziens.

nschikkelijkheid. — inzinken, ow. (zijn) Door zinken invallen. — inzitten, ow. In iets gezeten zijn. Bemiddeld zijn. inzoet, bn. Zeer zoet. inzonderlieid, bijw. Voornamelijk. In 't bijzonder.

inzont, bn. Zeer zout. — Inzonten, bw. In 't zout leggen. Met zout inmaken. Voor goed wegbergen. Inzout er, m. (-s). Inzouting, v. (-en) Imoutster, v. (-s). — inzuigen, bw. Zu gend intrekken : de planten zuigen lucht lt;-n nat in. Aannemen : hij heeft veel wondt i üjke princiepen ingezogen. Imui ging, v. (en). — inznipen, bw. Zuipende inzwelgi-n. — inzfiltenr


ocr page 336

JAAG — 31

bw. In rout olquot; zuur inleggen. Inmaken. Inzulüng, v. (-en). — iiizwaoliieleu, bw. In eenen zwachtel wikkelen. Inzwach-ieltng, v. (-en).

Inxfvart, bn. Zeer zwart.

inTwelgen, bw. Door zwelgen inbrengen : hij zwelgt wat in op eenen dag! Verslinden ; hoeveel schatten heeft de zee al niet ingezwolgen l Aannemen : slechte princiepen inzwelgen. Imwelger, m. (-s). ^mw/giftg, v. {-eri). Imwe/gsier, v. (-s). — Inzwemmen, ow. (zijn) Zwemmende inkomen. Bw. Zwemmende Inhalen. — In zweren, ow. (zijn) Door zweren invreten. Etteren (van eene wond). — inzweven, ow. (zijn) Zwevende in- of binnenkomen. — inzwieren, ow. (zijn) Zwierende, waggelende inkomen.

v. ( -sen). Lisch.

Irvins: {W.), 1783-1859. New-York. Geschiedschrijver en biograaf. The life of Columbus (1825); Goldstniih; the life oj G. IVas/tïnglon [iS^s-'sg).

Isasic (1896-1716 vóorChr.). Patriarch, zoon van Abraham en Sara. Huwde met Rebecca. Had twee zonen : Esau en Jacob.

Iftaïas (785-681 vóór Chr.). Een der vier groote Proleten. Voorspelde de geboorte van den Messias uit eene maagd, de godheid van den Zaligmaker, de Babylonische gevangenschap en haar einde.

iHirtorus llift|»aleni»is, schreef in de XIII0 eeuw, een Latijnsch werk over den Zaligmaker.

Ising: (A. L. H.), 1824, Heusden (O.-VI.). Oud-stenograaf bij de Staten-Gene-raal. Letterkundige. Nederl. Novellen (1868); Gedenkboek vangedenkw.geoeur-tentssen (i858-'59).

Islam, m., lalamiame, o. De Ma-bomedaansche godsdienst. De Muzelmannen.

Ismaël. Zoon van Abraham en Agar. Men gelooft dat de Arabieren van hem afstammen.

J» (i's). ioe 'etter van het alphabet.

bijw. Drukt bevestiging, toestemping, inwilliging, enz. uit.Vw.: hij dreigde, ja (en zelfs, wat meer is) hij deed het. o. quot;Bevestiging, toestemming.

Jaagbaar, bn. (Jag.) Nageloopen kunnende worden. —Jaaghout, m. (-en). Drevelbout. — Jaaggeldt o. Loon voor den jager eener trekschuit. — Jaaghout, o. (-en). (Zeew.) Verlengstuk voor den boegspriet. — Juagland, o. (-en). Land geschikt voor de jacht. — Jaag lijn, v. (en). Treklijn der trekschuiten. — Jaag loon, o. en m. , (-en). Jaaggeld. — Jaagpaard, o. (-en). 1 Paard voor eene trekschuit. — Jaagpad, j o. (-en). Afgebakende weg voor den jager 1 eener trekschuit. — Jaagpoort, v. (-en). (Zeew.) De voorste poort van een schip. — Jaagschuit, v. (-en). Trekschuit. — Jaag-stuk, o. (-ken). (Zeew.) Kanon op bet voor-

3 — JAAR

iHoeratcM (436-338 voor Chr.).Griek8ch

redenaar.

Israël, o. Israël beteekent « sterk tegen God, of tegen Gods engel ». Zoo werd Jacob gcheeten, omdat hij in een gevecht eenen engel des Heeren had overwonnen; zoo werd ook Gods volk genoemd, omdat het van ]acob afstamde. Het rijk van Israël, een der twee rijken, ontstaan bij den dood van Salomon, werd vernietigd (718) door Salmanassar, koning van Assy-rië, en bevatte 10 der 12 stammen. Dit rijk wordt ook het rijk van Ephraïm genoemd, omdat deze stam er te midden in gelegen was; het rijk van Sam ar ie, omdat deze stad er later de voornaamste van werd. — Israëliet, m. (-en) Een der afstammelingen van )acob. Thans, belijder der Mozaïsche leer. —Israëlietisch, bn.

Iwraëls (5^), 1824, Groningen. Schilder.

Istamboel, o. Zie Constantinopel.

Italië, o. Schiereiland, een der koninkrijken van Zuid-Europa. Bevolking : 30,243,600 inw.; oppervlakte: 300,000 vierk. kilom. Italië is verdeeld in 09 provinciën. Rome is de hoofdstad. De\ oornaamstesteden zijn ; Rome, Turijn, Milaan, Florence, Napels, Venetië, Genua, Palermo. — Ita-liaan. m. (..anen). Inboorling van Italië. — Italiaansch, bn. Van, uit Italië. — Itnhaansch, o. De Italiaansche taal.

Item, bijw. Insgelijks. Desgelijks. Evenzoo. — Item, o. (-s). rost (op eene begrooting, enz.).

lllmbri . Rivier in 't Noorden (Congo-land).

Ivoor, o. Elpenbeen. Bewerkte olifantstanden. — Ivoorachtig, bn.— Ivoor' dracier, m. (-s). — Ivoorhandelaar, m. (..aren, -s). — Ivoorverkooper, m. (-s). — Ivoorwet k, o. Voorwerpen uit ivoor gedraaid. — Ivoorzterker, m. (-s). —Ivoorzwart, o. — Ivof en, bn.

schip. — Jaag/ros, m. (-sen). (Z^ew.) Boeglijn.

Jaagf-doii-dalTel, m. St Jans-kruid.

Jaap, ra. (..apen). Veeg, snede in 't aangezicht. Verkorte mansnaam : Jacob.

jaar, o. (..aren).Tijdsverloop van twaalf maanden. Zonne/aar = sterrcydsir of keerkringsjaar. Sterre- of siderisch jaar (tijd, welken de aarde besteedt om een geheelen omloop om de zon te volbrengen). = 365 d. 6 ur. 9 m. 11 1/2 s. Keerkrings- of tropisch jaar (tijd, welken de aarde besteedt om van een nachteveningspunt tot hetzelfde terug te keeren) = 365 d. 5 u. 48 m. 51 3/5 s. I'urgerlyk jaar : tijdsverloop, waarna de verdeeling in maanden, weken en dagen opnieuw aanvangt. Eertijds telde een jaar 365 dagen. Cscsar stelde vast, dat een j.iar 365 d. en 6 u. zou rekenen en dat er alle vier jaren een jaar {schrik'


ocr page 337

JABE — JC

keijaar) eou geweest zijn van 366 d. Paus Gregorius XllI kondigde af (1582), dat de dag volgende op den 4° October, als de 15* dier maand zou gerekend worden. De schrikkeljaren door Caesar aangenomen zouden schrikkeljaar blijven, met deze beperking, dat er éen slechts op vier der eeuwgetallen (1600 was schrikkeljaar, 1700, 1800, 1900 niet, 2000 wel) als schrikkeljaar *ou behouden worden. (In 4000 jaar zou men volgens dit stelsel, dat overal is aangenomen buiten Rusland en Griekeland, slechts éenen dag verachterd zijn.) Geeste-lyk jaar, begint den in zondag van den advent. Jaar uit Jaar in : het een jaar achter het ander. Onafgebroken. Jaar en dag (Saksisch recht) : een jaar, zes weten en drie dagen. Jaar en dag : zeer lang. — mv. Jaarboek. Geschiedverhaal. — Jaarboek, o. en m. (-en). Boek, waarin de gebeurtenissen naar orde der jaren zijn opgeteekend. —Jaarboekschrijver,m, (-s). —Jaarboekje, o. (-s). Werkje, dat, meestal van eenen kalender voorzien, telken jare verschijnt. — Jaarcirkel, m. (-s). — Jaardag, m. (-en). Verjaardag. — Jaardicht, o. (-en). Jaarschrift.—Jaar-dienst, m. (-en). Zielmissen gedurende een iaar. — Jaarfeest, o. en v. (-en). Jaar-1 lijksch feest. Viering eener verjaring. — j jaargang, m. (-en). Tijdsverloop van een jaar. Al de afleveringen van een tijdschrift, enz., die in éen jaar zijn uitgegeven. — Jaargeld, o. (-en). Jaarlijksche bezoldiging. — ^faargetal, o. (-len). Jaartal. — Jaargety, o. (-en), jaargetijde, o. (-n). De vierjaargetijden : de Lente, de Zomer, de Herfst, de Winter.— Jaar huur,v.Huux vooreen jaar. — Jaarklant, m. en y. (-en). Klant, die aan het einde van elk jaar betaalt. — Jaarkring, m. (-en). Omloop van een jaar. (Sterrenk.) Aantal jaren, na welker verloop dezelfde verschijnselen in dezelfde orde wederom plaats gr jpen. Bepaald tijdsverloop van jaren. Zie Hout. — Jaarlijks, bijw. — Jaar lijksch, bn.^ — Jaarling, m. (-en). Paard, enz. dat éen jaar oud is. — Jaarloon, o. en m. (-en). Jaargeld. — Jaarmarkt, v. (-en). — Jaarmerk, o. (-en). Tand, die bij de paarden hunnen ouderdom aantoont. — Jaar' ring, m. (-en). (Bij den houtgroei). — Jaarschrift, o. (-en). Vermelding van de gebeurtenissen in zeker jaar voorgevallen. Jaarboek. Vers of prozaspreuk, waarin de Komeinsche letters, bij samentelling, het jaar aanwijzen der gebeurtenis, waarvan dat vers of die spreuk gewaagt. (In ieder woord moet eene Romeinsche letter voor-tomen.) — Jaarseizoen, o. (-en). Jaargetijde. — Jaarsleutel, m. Epacta. — Jaartal, o. (-len). Het hoeveelste jaar der tijdrekening. — Jaartand, m. (-en). Jaarmerk. — Jaartelling, v. (-en). Vast punt, van hetwelk men uitgaat om de jaren te tellen. — Jaar ter mijn, m. (-en). — Jaarvers, o. (..zen). Jaarschrift. — Jaarwedde, v. (-n). Jaarlijksche bezoldiging. — Jaar-voeek, v. (..eken). (Bijb.) Tijdsverloop van zeven jaren.

«Fabel (Bijb. Oud-Test.). De vader der tentbewoners.

[ — JACO

Jabroer, m. (-s). lem., die metalled

instemt.

Jaclit, o. (-en). Snel zeilend vaartuig met een dek. — Adviesjacht, o. (-en)* Z. d. w. — Speeljacht, o. (-en). Z. d. w.

Jacht, o. (-en). Soort van kachel. — Jachtkomfoor, o. (..oren). Komfoor met eene opening, waardoor de lucht vaart en den gloed aanzet.

Jaolit, v. (-en). Het jagen. Jachtbedrijf. Jachttijd. Het verkregen wild. Schilderstuk, dat eene jachtpartij voorstelt. Haast, overijling. Drift. Jacht maken: veel haast maken. Jacht maken (op) : nazetten, vervolgen ; haken, dingen (naarl. — Jachtbedrijf, o. Het jagen. — Jacht-bewijs, o. (..zen). Vergunning om to jagen. — Jachtbroek, v. (-en). — Jacht-buis, o. (..zen). — Jachtclub, v. (-s). — Jachtdag, m. ( en). — Jachtduivel, m. (-s). Onvermoeid jager. lem., die altijd haastig is. — Jachten, jachtte, heeft gejacht. I3w. Sterk aanzetten. Ow. Jacht hebben. Zich haasten. Jachten (naar), er driftig naar haken. — Jachtenduivel, v. Jaagt-den-duivel. — Jacht er, m. (-s). — Jachtflesch, v. (..sschen). —Jachtjluitj'e, o. (-s).—Jachtgaren, o. (-s). Jagersnet.

— Jachtgerecht, o. (-en), jachtgericht, o. (-en). — Jachtgeschreeuw, o. — Jacht-gevolg, o. — Jachtgeweer, o. (..eren). — Jachtgezel, m. (-len). —Jachtgezelschapt o. (-pen). —Jachtgodin, v. (Myth.) Diana.

— Jachthagel, m. — Jachthond, m. (-en). Zie Hond. — Jachthoorn,j'achthoren, m. (-s). Jachthuis, o. (..zen). — Jachtig, bn. bijw. Haastig, driftig. Ijlings. —Jachtigheid, v. — Jachtkleed, o. (-eren). — Jachtkleeding, v.—Jachtlaars, v. (..zen).

— Jachtluipaard, m. (-enKjachttijger. — Jachtopziener, m. (-s). — Jachtpaard, o, (-en). — Jachtpartij, v. (-en). — Jacht-pomfgt;, v. (-en). Zuigpomp. —Jachtrecht, o. Recht om op zekere plaats te jagen. — Jachtriem, m. (-en). — Jach try tuig, o. (-en). — Jachtroer, o. (-en). Geweer. — Jachtschip, o. (..epen). Klein roeivaartuig. — Jachtschoen, m. (-en). — Jacht-slobkous, v. (-en). — Jachtslot, o. (-en). —Jachtsneeuw, v. Fijne sneeuw.—Jacht' spie(t)s, v. (-en).—Jachtspin, v. (-nen). Spin, die door loopen hare prooi bemachtigt. — Jachtspriet, m. (-en). — Jacht-ster, v. (-s). — Jachtstoet, m. — Jacht-stuk, o. (-ken). (Schild.) Afbeelding van eene jacht. — Jachtterm, m. (-en). — Jachttijd, m. — Jachttijger, m. (-s). [Felis j'ubatd). Behoort tot de katten onder do zoogdieren. Vereenigt den vorm der panters met dien der windhonden. — Jacht-tuig, o. — Jachtvang, m. Opbrengst der jacht. — Jachtvermaak, o. — Jachtvogel, m. (-s). Lokvogel. — Jachtwagen, m. (-s). — Jachtwet, v. (-ten). — Jachtwezen, o. Al wat tot het jachtbedrijf behoort.

— Jachtwiel, o. (-en). Vliegwiel.

Jacob (1836-1689 voor Chr.) = Israël

(z. d. w.). Zoon van Isaac. Kocht £saut zijn oudsten broeder, het geboorterecht af. Zijne zonen zijn de stammen der twaalf

Geslachten Israels. In het visioen dereslachten Israels. In het visioen der ladder eloofde hem de Heer, dat al de volkeren


ocr page 338

JAGE _ i

der aarde in zijn zaad zouden gezegend «ijn. —Jacobsladder, v. 't Was eene heele Jacobsladder, een heele rij met klachten, een lang verbaal.

Jaeoba (van Beieren) = het ongelukkig Japikje. Werd door Filip den Goede te Gent opgesloten. Ontvluchtte en werd met hare aanhangers verslagen te Brouwershaven (1426). Overleed te Teilingen (Rijnland 1436).

Jacobun, m. (-en). Naam der Dominicanermonniken te Parijs, naar de straat, waarin hun klooster stond. Lid van de Jacobijnenclub. — Jacobynenclub, v. (-s). volksvereeniging van omwentelingsgezin-den te Parijs (1789-1794). Kwamen samen in het klooster der Jacobijnen. — Jacobij-nenmuts, v. (-en). — Jacobynsch, bn.

Jacobsz. (G.) = Japiks, 1603-1666, Bolsward. Friesch dichter.

jACoii(ii)et, o. Zekere fijne geweven Stof.

Jacquard {M. J.), 1752-1834, Lyon. Uitvinder van een naar hem genoemd weefgetouw.

Jacquerie, v. Boerenopstand, welke in Frankrijk tegen de edellieden ontstond (I358)-

Jagren, jaagde, heeft gejaagd; ook, joeg. Bw.Doen vlieden.Doen voortgaan. Vooruitdrijven. Met kracht indrijven. Sterk aanzetten. Jachten. Eene trekschuit jagen : door middel van paarden doen vooruitkomen. Inzwelgen, verkwisten : door de keel jagen (van spijs, enz.). Op de vlucht jagen, drijven. lem. op kosten jagen : iem. kosten veroorzaken. Doodsteken : iem. den degen door het lijf jagen. Zich eenen kogel door het hoofd jagen. Ow. Op de jacht zijn, wild vervolgen. Snel loopen. Hevig kloppen (van het hart). Hevig slaan (van de pols). Zich snel door, naar eene plaats begeven. Hijgen : wat jaagt dat paard I (zijn) Ik ben zoo gejaagd, zoo onrustig, zoo angstig, zoo verlegen, o. Jacht. — Jaagster, v. (-s). — yager, m. (-s). Die jaagt. Soldaat van licht voet- of paardenvolk. Geleider van een paard, dat eene schuit voorttrekt. Schip, dat op een ander jacht maakt; (Zeew.) Vooruitstekend kanon. Eene soort van meeuwvogel. Plaat, die men voor deschoor-steenen stelt, om er jacht in te verwekken.

— Jageres, v. {-sen), jager in, v. (-nen). — yagermees/er, m. (-s). Zekere waardigneid ten hove. — Jagersbuis, o. (..zen). — Ja-gersjluit, v. (-en). — Jagersgewaad, o. — Jagersgezel, va. (-len). — Jagershoed, m. (-en). — Jagershond, m. (-en). — Jagershuis, o, (..zen). —Jagerskleed, o. (-eren).

— Jagers kleeding , v. — Jagers -knaap, m. (..apen). — Jagerskost, m. — Jagersleven, o.— Jagcrsmaal, o. (..alen).

— Jagersmuts, v. (-en). — Jagerspaard, o. (-en). —Jagerspet, v. (-ten). — jagers-rok, m. (-ken). —Jagersstuk, o. Stuk van eenig wild bezijden den staart. — Jagersstukje, o. (-s). Muziekstukje, dat de jagers blazen. — Jagerstasch, v. (..sschen). — Jagersvrouw, v. ( en). — Jagerswoord, o. (-en). — Jaging, v. (-en).

Jagrer {A. de), 1806-1877, Delfshaven. Taalkundige. Taalkundig Magazijn (1834);

»3 — JAMM

Archief voor Ned. taalkunde (i847-'54).

Jaguar, m. {-s). Amerikaansche panter {felt's onca). Behoort tot de katten onder ae zoogdieren. Is zeer gevaarlijk. Leeft in bosschen.

Jak, o. en m. ^-ken), Jakke, v. (-n). Kort vrouwenkleed. Iem. wat op het jak geven : iem. afrossen.

Jakhaln, m. (..zen). {Cam's aureus.) Behoort onder de zoogdieren tot de familie der honden. Leeft in Klein-Azië, 't Westen van Afrika, enz. De jakhalzen verlaten bij 't vallen van den avond hunne holen. Komen in de straten van dorpen en steden om dt»n afval op te zoeken, bestelen de hoenderhokken en rooven allen niet wel weggesloten voorraad. Armzalig mensch, schurk. Slecht paard.

Jakhalzen, ow jakshalsde, heeft gejakhalsd. Een slecht, oud paard berijden,

Jakke, v. (-n). Zweep. — Jakken, ow. jakte, heeft gejakt. Met de zweep slaan, jakken en jaien : gestadig rijden.

Jakkeren, bw. jakkerde, heeft gejakkerd. Jagen. Voortdrijven.

Jalappe, v. Zie Jalappewortel. — Ja-lappehars, o. — Jalapf-eknol, m. (-len).

— Jalappeplant, v. (-en). —Jalappetinc-twr, v. (..uren}« — Jalappeworlel, m. (-s). Naam van de verdikte onderaardsche stengeldeelen (niet : de wortel) van eene overblijvende plant, die in de Mexicaan-sche Andes voorkomt. Behoort tot de winden. Snel en zeker werkend purgeermiddel.

Jaloeraeli, bn. Afgunstig. Ijverzuchtig, naijverig. Met mmnennijd. — Ja-loerschheid, jaloezie, v.

Jaloezie, v. (-en). Zonneblind.

Jam, v. (-men). Eene soort van aardappel.

Jamaica. Een der Groote Antillen. 617,500 inw. 300 vierk. geogr. mijl. Een der belangrijkste bezittingen van Engeland in West-Indië. —Suiker, koffie, Spaansche peper, gember.

Jambe, v., Jambus,m. (jamben). Zie Voet. — Jambisch, bn.

Jamesone (£.), 1586 1041, Aberdeen. Eng. portretschilder.

Jammer, o. (-cn). Weeklacht : 't is al jammer wat men er hoort. Diepe ellende : in nood en jammer zijn. Medelijden. Droefenis. Het is jammer : het is te betreuren, 't Is jammer van hem : hij verdient beklaagd te worden. — Jammer, tw. Helaas 1

— Jammer daad, v. (..aden). Betreurenswaardige handeling. — Jammerdal, o. Tranendal. De wereld. — Jammeren, lammerde, heeft gejammerd. Ow. Weeklachten laten hooren. Eenpw. Het jammert mij van hem, het spijt mij van hem, ik heb medelijden met hem. — Jammerend, bn. — Jammergeschrei, o. — Jammer-* hartig, bn. Armzalig. Ellendig. — Jam' merhartigheid, v. — Jammerklacht, v. (-en). — Jammerkreet, m. (..eten). — Jammerlied, o. (-eren). — Jammerlyk, bn. bijw. Ellendig. Deerniswaard. Hartbrekend. — Jammernis, v. Klachten. — Jammerpoel, m. (-en). Afgrond van ellende. — Jammerryk, o. (Dicht.) De hel.

— Jammerzang, m. (-en).


ocr page 339

JANS — 3

Jan, m. (-nen). Een mansnaam. Jan en alleman : iedereen. Een rechte Jan : een ■zondagskind. Een Jantje : een opgeschikte snoever, een waaghals. Jan de wasscher : keukenklauwer, domkop. Jan klaassen : hansworst (inz. in de poppenkast). Jan potaee : hansworst. Jan ree»tuit, die in alles opennartig handelt. Jan rap en zijn maat: het gemeene volk. De algemeene naam van den knecht in een koffiehuis, enz. Dat is een jan van een appel, een zeer groote appel. Boven jan zijn : de helft der punten hebben (in het kaartspel, enz.), het moeilijkste punt te boven zijn. lem. jan maken : dubbel winnen (in het spel). — Jangat, m. .f-s). Onhandige knecht. — Janhagel, v. Soort van koek. — Janhagel, o. De heffe des volks. Het gemeene volk. — Janhen, m. (-nen). Keukenklauwer. — Janmaat, m. De algemeene naam van den matroos. — Janoom, m. (-s). Lombard. Woekeraar. Bedrieger. — Jansalie, m. ( s). Droome-rige jongen. — Jansalie ach tig, bn. — Jansaiieachtigheid, v. — Jansul, m. (-s). Onnoozele jongen.

Jan. Jan I, hertog van Brabant. Dichter. Heeft een twaalftal minneliederen achtergelaten. Zie Oorlog. Jan II, hertog van Brabant. Stond, om de burgerij met den adel te verzoenen de Kortenbergsche wetten toe. Zie wet. Jan III, hertog van Brabant. Gaf de \Vaal che en vlaamsche Char ter n\i. Jan IV, hertog van Brabant. Onder 2ijn beheer werd de Hoogeschool van Leuven ingericht (1426). —Jan zonder Vrees, hertog van Burgondië. Bestuurde in gerechtigheid de Vlaamsche gouwen en stond toe, dat alle openbare zaken in 't Vlaamsch zouden behandeld worden.

Janitttaar, m. (..aren).Turksch soldaat, behoorende tot eene krijgsbende, gevormd in 1329 door sultan Orkhan en opgeheven in 1026. De janitsaren waren de kern van ^t Turksche voetvolk. — Ja n its are n m u ts, v. (-en). — Janitsarenmuziek, v. en o.

Janken, ow. jankte, heeft gejankt. Klagende huilen (van honden, vossen, enz.). Stille tranen weenen. Om een ambt janken, het gretig begeeren. — Jank er, m. (-s). — Janking, v. (-en). — Jankster, v. (-s).

Jansen (Z.). Brillenslijper (Middelburg). Vond den verrekijker (1590).

Janaenins 10 (C.), i5..(?)-i576. Hulst, l® bisschop van Gent. Concordia Evange-lica. 20 (C.), 1585-1638, Acqooi. Bisschop van leper. Augustinus. — Jansenisme, o. (Jansenius-bissch. leper) Bestreed de theologische leer der gratie en wilde o. a. veranderingen de vroegere strengheid in het ontvangen der sacramenten weder Invoeren. — Jansenist, m. (-en). — Jansenistisch, bn. — Jansenistenkerk, v. (-en).

jransnen i0 (Z,. J. F.), 1806-1869, Herwen. Nederl. oudheidkundige. Gra!heuvelen der oude Germanen (1833) ; Ger-tnaansche en Noordse he monumenten (1840). — 20 (y.), 1829-1891, Xanten. Huisprelaat van den Paus en pauselijk pro-nonciarius. Duitsch geschiedschrijver. Ge-schichte des deutschen Volkes seit dem Ausgange des Mittelalters (i878-'9o).

.3 — JASP

Janasens i0 {A.), 1575 1632. VI. schilder van godsdienstige tafereelen en allegorische schilderstukken. — 20 (//.), 1624-1693, = de Danser. VI. schilder. Handjeklap. — 30 {A. J. Af.), i84i,St-Nicolaas. Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Gedichten (1887). — 40 {J.), 1854, S'Nico-laas. Schilder./3ör/r^/z/awZ«?öA'///( 1878); Muurschildering van S* Jozefskerk (Antwerpen, i890-'95).

JTauustri, m. Louwmaand. ie maand van het jaar.

«faitau. Een Oost-Aziatisch eilandenrijk. 41,090,000 inw. 382,416 vierk. kilom. Erfelijke monarchie, waarin de opvolging tot de manlijke linie beperkt is en aan wier hoofd een Mikado staat. Hoofdstad : Tokio (ï,237,592). Goud. Zilver. IJ^er, enz. De flora munt er uit door menigvuldigheid en weelderigheid. Het dierenrijk is er niet menigvuldig. Email- en brons-nijverheid, de kunst van wapensmeden. Hout-, ivoor- en steensnijderij. Papierfabricatie. — Japan-neeren, bw. japanneerde, heeft gejapan-neerd. Aan het porselein een Japansch voorkomen geven. — Japannees, m. (..zen). Inboorling van Japan. — Japan-neesch, Japansch, o. De Japansche taal.

— Japansch, bn.

Japen, ow. jaapte,heeft gejaapt. Eenen jaap geven Snijden,

Japliet. Zoon van Noë. Zijn nageslacht heeft zich in Klein-Azië en in verschillende streken van Europa gevestigd.

Japon, v. (-nen,-s). Viouwenkleed.

Japonscli, bn. Van sits.

jarenlaus:, bijw. Gedurende langen tijd.

Jargon.o. Brabbeltaal. Koeterwaalsch.

Jarig, bn. Een jaar oud. Een jaar geleden. Verjaren : dit is jarig.

Ja», v. (-sen). Kleedingstuk (inz. van mannen).

jas, m. (Kaartsp.) Troefboer. — Jas-kaart, v. (-en). — Jaslei, v. (-en). Lei, waarop m n bij het spelen de punten schrijft. — Jassen, jaste, heeft gejast. Ow. Het jasspel spelen. Vlijtig arbeiden. Bw. Een spel jassen. Schillen : aardappelen jassen. — Jasser, m. (-s). — Jasspel, o. (-len). — Jasspeler, v. ( s).

JasmUngt;v. (-en). Fraai heestertje(y^s-minum officinale), dat om zijne zuivere witte en heerlijk riekende bloemen in onze tuinen gekweekt wordt. Ook, een algemeen bekende, in Zuid Europa thuis behoorende heester {philarlelphus corona-rins), geliefd om zijne fraa-e en welriekende bi emen. — Jasmijnachtigen, v. mv. — Jasmijnbloem, v. (-en). —Jasmynboom, m. (-en). —Jasmyngeur, v. —Jasmyn-olie, v. — Jasmynrcuk, m. — Jasmijn-struik, m. (-en).

Jaspeeren, bw. ow. jaspeerde, heeft gejaspeerd. Het voorkomen van jaspis geven. Besprenkelen of bespikkelen.

Jaspis (steen), m. (-sen); o. (stofn.) Steensoort tot het kwarts behoorende. Is volkomen ondoorzichtig, van geringen glans, metroode, groent* en bruine kleuren.

— Jaspisagaat (voorw rpsn.) m. (..aten); o. (stofnaam). — Jn^' -k 'eur, v. — Jas-


ocr page 340

— 304 —

JENT

JENE

miskleurige bn. — Jaspissteen, m. (-en). Jaspis.

Jatagran, m. (-s). Soort van Turkschen dolk.

Jatte, v. (-n). Tas, kom : eene jatte melk.

JaTa. Soenda-eiland. (Zie Indië). Kof-

I yeneverbelasiing, v. —Jeneverberoerte,. v. (-n). —Jeneverbes, v. (-sen), jeneverbezie, v. (..iën). Bes van den jeneverstruik. — Jeneverboom, m. ( en). Eene soms boomachtige heester [Juniprrus communis). Wordt in geheel Europa en Noord-Azië op dorre berg-, zand- en heigronden


Residenties.

Bevolking.

Oppervl. in vk. mijl.

Hoofdplaatsen.

1 Batavia.....

West-Java. / Krawang.....

i Preanger-Regentsch. f Tjeribon.....

445,000 1,013,090 332,000 1,655,000 1,370,000

15° 1/2 126

91

379 123

Serang

Batavia

Poerwakarta

Bandong

Tjeribon.

/ Tegal......

1 Pekalongan. ... 1 Samarang .... 1 Djapara.....

Midden-Java. / ; ; ; ;

J Bagelen.....

ff Kedoe .....

f Djokjokarta ... \ Soerakarta ....

1,000,000 540,000 1,412,000 858,000 1,200,000 1,112,000 1,272,000 740,000 643,000 1,070,000

69

32 1/2 9

56 1/2 *36 101 62 37 56 quot;3

Tegal

Pekalongan

Samarang

Pati

Rembang

Banjoemas

Poerwaredja

Magelang

Djokokarta

Soerakarta

Madioen. . Sorrabaja . Kcdin . . Pesoeroewan Probohnggo Besoe.ki . . Madocra. .

Madioen

Soerabaja

Kediri

Pesoeroewan. Probolinggo Besoeki Pamakassan

Oost-Ja va.

1,020,000 1,890,000

107

109 1/2

980,000

134

840,000

f6

500,000

63

590,000

175

1,403,000

96

21,899,000 1 2,4x0 I Batavia

Totaal, Java. . .

lie, rijst, suiker, indigo, thee, kaneel, tabak, kina, peper. — Javaan, m. (..anen). Bewoner van het eiland Java. — Javaansch, bn. —Javaansch, o. De Javaanscbe taal. — Java-koffie, v.

Javaan, ra. (..anen). Opziener over de werklieden. Meesterknecht.

JavelUn, v. (-en). Werpschicht.

Jawoord, o. Toestemming ^inz. voor den echt).

Je, tw. O : je, wat groote vent 1

J®. pers. vnw. : gij, u.

Jegens, vz. Ten aanzien (van). Tegenover.

Jeliova, m. De eeuwige God.

Jelgrerliuis, 10 (/?.), 17291806, Leeuwarden.Teekenaar.—20 Zijn zoon t5r.),i770-1836, Leeuwarden. Schilder en tooneelspe-ler.

Jena, 1 ,500. Stad in S aksen-Weimar-Eisenach. Bezit eene hoogeschool in 1558 gesticht. Napoleon versloeg er de Pruisen (i8c6).

Jenever, v. Sterke drank, uit koren, enz. gestookt. — Jeneverachtig, bn. — gevonden. De vruchten worden als toevoegsel bij den korenbrandewijn gebruikt.

— Jenever brander, m. (-s). — Jenever-branderij, v. (-en). — Jenever buik, m. en v. (-en). Sterk drinker. — Jeneverdrank, m. — Jenever drinker, va. (-s).— Jenever drinkster, v. (-s). — Jenever-Jlesth, v. (..sschen). — Jeneverglas, o.

(..zen). — Jeneververkooper, m. (-s). — Jenever kuur, v. (..uren).— Jenevermoed, m. Moed, door het gebruik van jenever opgewekt. — Jeneverneus, m. (..zen). Neus, die het misbruik van sterken drank verraadt. — Jeneverneus, m. en v. (..zen), lem. met eenen jeneverneus. — Jenever* olie, v. Olie uit jeneverbessen. —Jeneverstoker, m. (-s). — Jeneverstokerij', v. (-en).

— Jenever struik, ra. (-en). Jeneverboom.

— Jeneverton, v. (-nen). —Jenevervat, o. (-en). —Jeneverziekte, v. — Jeneverzuiper, m. (-s).—Jeneverzuipster, v, (-s).

Jengelen, ow. jengelde, heeft gejengeld. (lem.) tot last zijn.

Jent, bn. Net, sierlijk, keurig. Behaagziek


ocr page 341

JERU - 3

Jeplite (ii86-ti8o vóor Chr.) Rechter van Israël. Deed de onvoorzichtige gelotte, van zoo hij de zege behaalde op de Ammo-nieters, wie hem het eerst uit zijn huis zou te gemoet komen, te slachtofferen, 't Was zijne dochter en jephto volkwam aan zijne gelofte.

a. Tak. b. Mannelijke iwyg. c. Vrouwe-lyke iwyg. d. e. Vrouwelyke bloem.

Joremiztfi. Een der vier groote profeten. Voorzegde de Babylonische gevangenschap, haar einde na 70 jaren, de v» rlos-sing door Christus, enz. —yeremiade, v (-n, -s). Jammerklacht. Klaaglied. Vervelend beklag.

Jericlto. Stad (Palestioa^.

Jeroboiim 1975*053 voor Chr.). De ie koning van het rijk van Isiaël. Richtte twee gouden kalveren op, het eene te Bethel, het andere te Dan. Wilde aan den proleet, die hom met 's Heeren stratfen bedreigde, de hand slaan. Doch deze verdroogde terstond en terstond ook werd zij door den Godsman hersteld.

•icrnzulcm. Hoofstad van Palestina*

5 - JOAC

Werd door de Romeinen ingenomen en verwoest (70 j. na Chr.). Is heden in 't bezit der Turken, 't Is daar dat de Zaligmaker zijne zegevierende intrede deed, dat Hij ter dood veroordeeld, gegeeseld en gekruist werd.

jeruzstlemmci*, m. (-s). Eene soort van appel.

jeu, jeu cd, v. Sap, nat (inz. van vleesch). — Jeugdelijk, bijw.

Jeu kt tl, v; De eerste leeftijd van den mensch. De jongelieden De studeerende jeugd. — Jeugdig, hn. bijw. In dejeugdr jong. Dat aan de jeugd eigen is of past. \V.ikket, levendig, vroolijk.—Jeugdigheid^ v. jeuKdige leeftijd. Kracht.

Jeuken, (Jokeu), ow. jeukte (jookte), heeft gejeukt (gejookt). Steken, prikkelen. Krieuwelen. Lust hebben om iets te doen : zijne vingers jeuken hem, hij zou gaarne willen schrijven, willen vechten. De ooren jeuken hem . hij verlangt iets nieuws te vernemen, Ik weetniet waar het hem jeukt, wat hem scheelt. — Jeuk, rn. Jeukte. — Jeukerig, (jokerig), bn. Gejeuk veroorzakende jeukte gevoelende. Begeerig. — Jeukenghrtd, v — Jeuking, joking, v. ( en) — Jtukkrutd, o. Éénjarige plant \rani4HLulu% scelerntu^). Bloeit van juni tot /Nngnsius. Komt overvloedig voor in onze stilst.latide wateren en vochtige weilanden — Jeukte, v. liet jeuken. Gejeuk.

— Jeuk f.tekte, v.

«)e7.stlgt;el. Vrouw van Achab en moeder van Alhalia. Word om 't leven gebracht (amp;7O vóor Chr.).

Jexniei, m. ( en). Lid der sociëteit Jezus De?.e sociëteit werd ingericht door den h. Ignatius de Loyola {1534), opgeheven dooi Clemens Xiv, op aanvraag der koningeri van Frankrijk, Portugal en Spanje (t773). en hersteld door Pius Vil (1814), Godgeleerden Suarez, Molina, Lessius. Missionarissen : Xaverius, Claver, P. de Smet. Geschicdsf hrijvers : de Hollandisten» Redenaars . Rourdaloue, de Havignan, enz. Er zijn 13,000 Jezuïeten. In België, Qoo, in Nederland, /ir,o. — Jezuielenkerk, v ( en). — yeznie/enklooster, o. (-s). — Jezuiettif.lt, bn. - quot;Jezuïtisme, o.

J4?7.uh CliriMiiiM. De Zoon Gods. De tweede Persoon der h. Drieëenheid voor, ons mensch geworden Is een goddelijke Persoon, hebbende de goddelijke en de menschelijke natuur Jezus (van Ple-breeuwschen oorsprong) » redder, verlosser, zaligmaker Christus (Grieksch woord) = gezalfde. Hij Jezuken, m den hemel zijn (van kiodeien).

Jielif, v l'ierer.ijn. — Jichlhaai, v. ^ j'u.ht/lnftel, o. — Jicht/rtes, vneze. v.

— Jtcltlgordel, m. ( s) — Jichtig, bn. Door de jicht aangetast. Aan de jicht onderhevig. — Jichtigheid, v. — Jichtknob-bel. m ( s) — Jichtkohek, o — Jicht-koorts* v ( en) — Jichtkouien, v. mv. — Jichtschoenen, iu. mv. — Jichtmiddel, o. ï-en). — Jichtpyn, v. ( en). — JichtpleiS' ter, v ( s) — Jichtzinking, v. (-en),

Jü. pers vnw . gij.

Jüquot;. m Gijn.

Juuclilm (/r.) Bruidegom der b. Moe-


ocr page 342

JOKE - 3'

der Anna en vader der h. Maagd Maria.

JoakSm (610-559 vóór Chr.)= Eliacim. Koning van Juda. Nabuchodonozor voerde hem met vele aanzienlijke inwoners, waaronder Daniël en zijne gezellen, in ballingschap weg.

«Voauncs. Zie Evangelist. — Joannes Chrysostomus. ZieChrysostomus. —Joan' nes BaMïsta. Voorlooper des Zaligmakers. Werd onthoofd door Herodefe (31).

Job. Bewoonde, tijdens de slavernij der Israëlieten, het land van Hus, in Egypte. Bezat overvloedige rijkdommen. Verloor alles en de Heer, om zij 1 geduld te beloo-nen, schonk hem het dubbel weer. Zoo arm, zoo geduldig als Job. — Jobsbode, m. en v. (-n). Ongeluksbode. — Jobsgeduld, o.—Jobspost, v. (-en). Kwade tijding. — Jobstijding, v. ( en). Droevige tijding. — Job s/ra an, m. (..anen).

Joekey, m. (-s). Rijknecht. — Jockey-club, v. (-s).

Jodendom, o. Het Joodsche volk. — Jodenbedrog, o. — Jodcnbeiirs, v. (..zen). —- Jodenbrood, o. —Jodenbuurt, v. (-en).

— Jodengeloof, o. — Jodengenoot, m. (-en). De Jodengenooten heetten ook proselieten der voorpoort, omdat zij slechts in het voorhof des tempels werden toegelaten.

— Jodengenoote, v. (-n). —Jodenhars, v. en o*. Jodenlijm. — Jodenhoek, m. — Joden kwartier, o. (-en). — Jodenkerk, o. (-en/. — Jodenkerkhof, o. (..ven). — Jodenkers, v. (-en). Overblijvende plant (physahs alkekengi) tot de nachtschadi-gen behoorende. Wordt in onze tuinen

fekweekt. Bloeit in Juni en Juli. —ekweekt. Bloeit in Juni en Juli. — Joden-

ind, o. (-eren). — Jodenkoekje, o. ( s).

— Jodenkosf, ra. — Jodenkriek, v. (-en). Bonte Spaansche kers. — Jodenkruid, o. —Jodenlym, jodenpek, o. Zie Asphalt. —Jodenschool, v. (..olen).—Jodenstraat, v. (..aten). —Jodenwijk, v. (-en). — Jodentaal, v. — Joden-uinst, v. — Joden-woeker, m. —Jodin, v. (-nen). Joodsche vrouw. Joodsch meisje.

Jodium, o. Metalloïde (door Cour-tois, 1811, ontdekt), dat nooit vrij, maar altijd in verbinding met metalen voorkomt. — Jodtummetaal, o. (..alen). Verbinding van jodium met eenig metaal. — Jodiumverbinding, v. (-en). — Jodium-zuur, o. Verbinding van jodium met zuur-stot.

joelen, ow. joelde, heeft gejoeld. Een woest getier maken Vroolijk ziin. Drok door elkander loopen. Pret hebben.

John Buil. Volksnaam der Engel-schen. Onbeschaafd mensch.

jok, o. Juk.

jok, m. Boert. Scherts. Uit jok (om niet) spelen. — Jokken, ow. jokte, heeft gejokt. Boerten. Schertsen. Verzachtende uitdrukking voor : onwaarheid spreken. — Jokken, m. (-s). Leugen. — Jokkenaar, m. (-s). Die onwaarheid spreekt. —Jokke-naat ster, v. (-s). —Jokkenbrok, m. en v. (-ken), jokker, jok ster, v. (-s). Grappenmaker, grappenmaakster. —Jokkerny, v. (-en). Boert. Scherts. — Jok spreuk, v. ( en). Boerterij.

Joken. Z:e Jeuken.

S — JONG

jol, v. (-len). Klein, scherp getouwd vaartuig, dat gewoonliik door riemen, doch ook door zeilen wordt voortbewogen. — Jolblok, o. en ra. (-ken).

jolen, ow. joolde, heeft gejoold. Pret maken. — Jol tg, bn. Prettig. Opgeruimd ^van jonge lieden). — Joligheid, v.

Jomelli (/V.), 1714-1774, Aversa. It. toondichter.

JonuM. Profeet (ten tijde van Jeroboam II). In plaats van naar Ninive te gaan prediken dat die stad na 40 dagen zou vergaan, trok hij naar Toppe. Een tempeest overviel hem op zee. Werd door een groo-ten visch opgeslokt en den 3n dag wederom aan strand geworpen. Predikte dan te Ninive. Doch de stad bleel gespaard.

«foncbloct 10 [W. J. A.), 1817-1885, 's Gravenhage. Hoogleeraar (Leiden). Geschiedschrijver. Geschiedenis der Neder* landsche letterkunde (i868-,7i2). — 20 (^. JJ. A.), 1848, Eindhoven. Jezuïet. Dichter. Vlindertjes; Verspreide en nieuwe gedichten (1881).

Jonctj* (^.). 1600-1654, Dordrecht, Dichter en prozaschrijver. Minnedichten.

jong, bn. Tegenstelling van oud. Nog weinig jaren tellende. Jeugdig. Het jonge paar : pas gehuwde man en vrouw. Een brief van jongere dagteekening, die later geschreven is dan een andere. Nieuw, versch ; jong bier. Nog niet volgroeid : jong hout. Onbedreven, onervaren. — Jong, o. (-en). Pas geboren dier. Zoo de ouden zongen, zoo piepen de jongen : de kinderen doen als hunne ouders. —Jon^edochter, v, (-s). Ongehuwde vrouw. — Jongefnjheer, m. ( en). Titel van zoons van aanzienlijke ouders. — Jongejuffromv, v. (-en). Juffer.

— Jongeling, ra. (-en). Jong manspersoon (van 12 tot20 jaar oud).— Jongelingschap, v. Leeftijd der jongelingen. De jongelingen. — Jongelingsdroom, ra (-en).— Jon' gelingsjaren, o. rav. — Jongelingsveree-niging, v. (-en). — Jongen, ra. (-s). Kind van het mannelijk geslacht. Knecht (inz. in een koffiehuis, enz.). Leerling (btf ambachten). Looper, boodschaplooper. Een goede jongen : een eenvoudig, gewillig mensch.

— Jongen, ow. jongde, heeft gejongd. Jongen werpen. — Jongensachtig, bn. — Jongensgek, bn. —Jongenspak, o. (-ken).

— Jongensstreek, ra. (..eken). — Jongenswerk,o.— Jonger, ra. (-en, -s). Leerling. Volgeling. — Jongers, m. ray. Kinderen. — Jongetje, o. (-s). Kleine jongen.

— Jonggeborene, ra. en v. ^-n). Kind, dat slechts eenige uren of dagen oud is. — Jonggehuwde, jonggetrouwde, ra. en v. ^-n). — Jonggezel, m. (-len). Ongehuwd man. — Jongmaatje, o. (-s). Jongeling, die in eenig vak opgeleid wordt. — Jong-mensch, o. (jongelieden, jongeiui), — Jongs, (Van jongs af) bijw. uitdr. Van de jeugd af. — Jongsken, o. jonkske, o. (-s). Zeer jong kind van het mannelijk geslacht. — Jongste, bn. De jongste : de laatst geborene. De jongste dag : de dag des oordeels. Laatst : uw jongste brief, de jongste berichten. De jongste (laatst gehouden) vergadering. — Jongstleden, bn. Verleden : jongstleden donderdag, donder-


ocr page 343

— 307 —

JORD

JOZE

•dag jongstleden. Ia Februari jongstleden : in de laatst verloopen Fcbrnarimaand. — Jonker^ m. (-s). (Middel.) Eeretitel van de zonen der graven. Thans, de zoon uit een adellijk buis m zqne jonge iaren. en, zoo hij ongehuwd blijft, zijn ganscne leven door. — Jonke*-achtig,\ixi. Adellijk. Jonkerachtig wild wild, dat riekt. — Jonkeren, ow. jonkerde. heeft gejonkerd. Straatslijpen. .Ledig gaan. —Jonkheer* m. (-en). Edelman van den geringsten adel. — Jonk-hfid.w leugd Jongelingen en iongedoch-ters. — Jonkman, m. (longelieden, jonge-Im) Jongeling. Ongehuwde van het, mannelijk geslacht Idan onk jonkmans). — ^nnkvrouw. * ( en). Ongehuwde adellijke J-ifier Ook,ongehuwde vrouw van den fatsoenlijken stand — JonktroiiTJuelyk, ba Maagdelijk.

Jougli [L. dé), 3616-1697, Overchie. Jioll schilder.

Jouglio \3 B. ^ip), 1755-1844, Kortrijk. VI scnilder.

jouk. v (-en). Chineesch vaartuig, grof gt'oouwd, sterk opiooper.de naai voten en naar achteren Heeft drie masten De zeilen zijn van biezen matten 01 vrij dik ka toen.

Jonuen, bw. jonde, heeft gejond. Gunnen. — Jnnsf. v (-enl Gunst

Jood, m (Joden). Oe joden erkennen den waren God. maat verwerpen den Mes siascn don h Doop. Volden de godaeiQke quot;Wet, door Mo/es gegeven.

Woekeraar —Joodich bn Eener Jood eigro 101 zqne leer hebooreode Het jood-scbe land • ludea —yood schap v De loden, dta t-ea volk beschouwd c Ue eigenschap, |OOd t** ZI]D.

Jool. m. tjolen). Zotskap. Halve gek.

Jool, v Pret

Joop, v. (jopen). Haag-appel.

Joon {A. //), iPs!?-Hamme. Bestuurder der Normaalschool l S* Nico-laas}.Taalkundige Vlanm-sche spraakkumt 11^84);

Schatten uit de volkstaal (1887).

Jopenbier, o Soort van geneeskrachtig bier.

Joram (889-884 vóór Chr.) Koning van Tuda —

Jo*-am (896-884 vóot Chr.)

ÏConingvan Israël.

Jordaan, v. Rivier (Palestina). Stort zich tn het Doode Meer uit.

«fordaens 10 (//.). .(

1595(?)-i643. VI. «childer. ^ Kunstgalerij: Overtocht van de Roode Zee — 2° {Jan). 1581-1643, Antwerpen. Historieschilder. —

3° (Jacob), 1503-1678. Antwerpen. Schilder. Het hu-TJueltjk van ól* Kat ha-rina; de Sater en de

Boer; Triomf des Prinsen van Oranje,

Josapliat (914-889 voor Chr.) Koning van J uda.

Joftias (641-610 voor Chr.) Koning van Juda.

JoHuë (r45t-i434 voor Chr.) Opvolger van Mozes als opperbevelhebber der Israëlieten.

Jota, v. (-'s). De Grieksche letter I. Punt, stip. Geen jota: niets, volstrekt niets.

Jottraud (L. L. J.), 1804-1877, Ge-nappe Advocaat (Brussel).NedertandscAe gewrochten van den NederLandschen iVaal L. Jottrand (1872).

Jou Pers. vnw. : u.

Joubert (/?.), 1769-1799, Pont-de-Vaux. Generaal der Fr. Republiek.

JTonrdan (J. B., graaj), 17Ö2-1833, Limoges Maarschalk en pair van Frankrijk. Won den slag bij Fleurus (1794).

Journaal, o. (..alen). Dagboek. Dagblad. lijdschrilt. — Journalist, m. (-en). Dagbladschrijver. — Journalistiek, v. N leuwsbladwezen.

Jouw, m. Bespotting. — Jomven, bw. jouwde, heeft gejouwd. Bespotten.

Joviaal, bn. Blijgeestig, blijmoedig. Gemoedelijk Lustig. Vroolijk. Opgeruimd. — Jovialiteitt v.

JozeT Zoon van Jacob en Rachel. Toonbeeld van godsvrucht, plichtsbetrachting bescheidenheid in voorspoed, lijd-zaamheid in tegenspoed, m. (-s). Kuisch.


ocr page 344

JUDA — je

eerbaar jongeling. —Jozef Bruidegom der h. maagd en voedstervader van Jezus. Wordt in het Evangelie de Gerechte genoemd, een man uitschitterend door alle deugden. Was werkman (waarschijnlijk timmerman).

.Tozcf II. Zoon van Fr^ns I en Maria Theresia. Keizer van Oostenrijk (17Ó5-1790). Verbitterde zoodanig de gemoederen door ziïn overdreven zucht tot hervorming, dat de tegenkanting weldra tot eene omwenteling oversloeg. De Patriotten behaalden op de Vy'gen de zege te Turnhout (1789) en de Staten verklaarden hunne onafhankelijkheid en het verval des keizers.

Juan {van Oostenrijk, don), 1545-1578, Regensburg. Werd door Filip II als landvoogd naar de Nederlanden gezonden. De Spaansche soldaten waren aan 't muiten. Antwerpen en Maastricht werden greplun-derd. Het kasteel van Namen werd ingenomen. De Walen maakten den bond der Malcontenten. De Pacijicatie van Gent werd gesloten.

JT11 bal. De vader der citer- en orgelspelers (uit het Oud-Testament|.

Jubel, m. (-s). ^Vreugdekreet. Gejuich.

— Jubelen, ow. jubelde, heeft gejubeld. Vreugdekreten aanheffen. — Jubelfeest, o. en v. (-en). Feest, ter gedachtenis van zekere gebeurtenis van 25, 50 of 100 jaar.

— Jubeljaar, 0. (..aren). Jaar, waarin een jubelfeest valt. Plechtige feesttijd bij de oude Israëlieten alle 50 jaar gehouden. — Jubelkreet, m. (..eten). — Jubilaris, m. (-sen). lem. tot wiens eere een jubelfeest

fevierd wordt. —evierd wordt. — Jubilé, v. (-'s). Vreug-

efeest, alle 50 of 100 jaar gevierd. Alkon-diging van een vollen aflaat, bij de troonbeklimming van den Paus of in sommige andere omstandigheden. — Jubileer en, ow. jubileerde, heeft geiubileerd. Juichen. Zich verheugen. Zich verblijden.

Juclit, jiiclitïe(lt;l)er, o. Russisch leder. — Juchtle(d)eren, bn.

Judaïsme, o. Jodendom.

J (Klas. Naar zijne geboorteplaats bijgenaamd Iskarioth (de man van Charioth). Een der 12 Apostelen van Jezus. Hebzucht en eergierigheid waren de hoofdtrekken van zijn karakter. Verried zijnen Meester aan den Joodschen Raad voor 30 zilverlingen, waarna hij zich uit wanhoop om 't leven bracht. Verraderlijk mensch. Valsche vriend. Plager. — Judashaard, m. (-en). Roode baard. — Ju'asboom, m. (-en). Boom [eercis siliguastrum), soms 6 a 7 m. hoog uit Zuid-Europa en Klein-A^ië. Behoort tot de vlinderbloemigen. — Jti'fas-groet, m. (-en). Valsche groet. — Judashaar, o. (..aren). Rood haar. — Judaskus, m. (-sen). Verraderlijke kus. — Judaslach, m. Valsche lach. — Judasoog, o. en v. (-en). Uitwas van den vlierboom. — Judasoor, o. en v. (-en). Zwamsoort, tot de schijfzwammen behoorende. Wordt in Midden-Europa en in N.-Amerika, in den Herfst en den Winter, vooral op oude vlier-stammen aangetroffen. — Judaspenning, m. (-en). Plant {lunaria biennis), wier zijdeachtig wit middelschot de zaden draagt (vandaar haar naam). — Judassen, bw.

\ — JUNI

judaste, heeft gejudast. Plagen. Kwellen

Jnlt;loa, o. Eene der verdeelingen van1 Palestina, ten tijde van Christus.

JTnditli. Joodsche heldin. Bracht Holo-fernes, veldoverste van Nabuchodonosor, om 't leven en redde de stad Bethulië.

juffer, v. (-s, -en). Tonge dochter uitquot; den burgerstand. — Jufferachtig, bn. bijw. —Juffer gek, m. (-ken). — Juffer-lijk, bn. bijw. Als of van eene juffer. — Ju'ffer ling, m. (-en). Saletjonker. — Jufferschap, v. Het schoone geslacht. — Juffershondje, o. (-s). — Juffertje, o. (-s). Kleine of jonge juffer. (Nat. hist.) Zie Glazenmaker. — Juffertje-in- t groen, o. Zuid-Europeesch plantje (uigella Damas-cena) met tijn-ingesneden bladeren en witte of blauwe bloemen. Komt veel in onze tuinen voor. Is eenjarig en bloeit van Juni tot Sept. — Juffrouw, v. (-en). Meisje, vrouw uit den burgerstana. Meesteres (eener dienstmeid). Huishoudgt;ter. Gouvernante.

jufTer, v. (-s). Lange en dunne paal of mast. Lange staak. (Zeew.) Blok zonder schijf. Juffers : scheepsblokken. (Bouwk.) Noordsch spiertje. Bedwarmer.

JufTeren, ow. jufferde, heeft gejufferd, Welstaan : ditjuffert wel.

juiehen, ow. juichte, heeft gejuicht. Luidruchtig zijne vreugde te kennen geven.

— Juichensstof, v. — Juicher, m. (-s).

— Juichster, v. (-s). — Juichtoon, m. (..onen).

juilen, ow. juilde, heeft gejuild. Huilen. Rommelen : de donder juilt. — Jui-ling, v.

juin. Ajuin. f

juist, bn. bijw. Gepast, nauwkeurig : juiste rekening. Waar, echt : wat ge zegt. is juist. Goed : zijn horloge gaat juist. Pas : hij was juist vertrokken als gij binnen-kwaamt. Zoo even; hij kwam daarjuist aan. Evenwel : daarom zal ik het juist niet laten. — Juistheid, v.

jujube, v. (-s). Verzachtend borstmiddel.

juk, o. (-ken). Houten werktuig op de schouders van roenschen of dieren gelegd, om iets te dragen. Een juk ossen : twee ossen. (Oudt.) Vlaktemaat : zooveel land als met een juk ossen in éenen dag wordt.

feploegd. Boog eener brug. Onder het paansche juk : onder de heerschappij of dwingelandij van Spanje. Onder het juk brengen : onderwerpen. Het juk afwerpen : zich vrijmaken. —eploegd. Boog eener brug. Onder het paansche juk : onder de heerschappij of dwingelandij van Spanje. Onder het juk brengen : onderwerpen. Het juk afwerpen : zich vrijmaken. — Jukbeen, o. (-en). Een been aan het voorhoofd, onder het oog. — jTikboog, m. (..ogen). (Ontl.) Boog der slapyv. — Jukboom, m. (-en). Haagbeuk.

— JuTtgespan, o. Een span ossen. — Juk-gnrdel, m. (-s). Buikriem. — Jukken, o. mv. Balken onder een afdak. — Juknaad, m. (..aden). (Ontl.). — Jukos, m. (-sen).

— Jukriem, m. (-en). Buikriem. — Juk-spier,v. (-en). (Ontl.). — Jukzenuzv, v. (-en). (Ontl.).

Juli, m. Hooimaand. 7quot; maand van 't jaar.

Juni, m. Zomermaand. 6® maand van 't jaar.

junior = de jongere.


ocr page 345

KAAK — 3

jnntu, v. (-'s). Vergadering. Raadsvergadering (in Spanje, Portugal, enz.). Commissie.

JTapiter, m. (Myth.) De dondergod. (Sterrenk.) De grootste planeet van ons zonnestelsel. Zie Maan.

jurlt;5, ra. (-'s). Gezworene. Lid van eene jury.

Jurldisoli, bn. Overeenkomstig de leer van het recht. Rechtsgeding. — Jurisdictie, v. (-s). Rechtsmacht. Rechtsgebied. Rechtsgezag.—JurisprudentieRechtsgeleerdheid , rechtskunde, rechtswetenschap. Rechtsleer. De Jeer, door rechterlijke uitspraken gehuldigd. — Jurist, ra. (-en). Rechtsgeleerde. — Juristenveree-nigingtV. (-en).

jurk, v. (-en). Een overtrek (voor kinderen).

jury, v. (-'s). Rechtbank van gezworenen. Keurraad (bij tentoonstellingen, enz.).

Jusfiieu {lie). Naam van een Fransch geslacht van beroemde kruidkundigen. De vermaardste onder hen zijn : Antoine (ib86-1758), Bernard (1699-1777), Joseph (1704-1779), Laurent (1748-1836), Adrien (1797-1053). Bernard rangschikte de gewassen naar hunne natuurlijke familiën.

Juste (T'.), 1818 1888, Brussel. Geschiedschrijver . Hisioire de Belgique

k, v. (k's). ii® letter van het alphabet, ba, v. Zie Kaai (i® art.). — Ka dijk, m. (-en).

ka, v. Zie Kauw.

ku, ▼. Zie Kaan (i® art.).

kaag:, v. (kagen). Zeker binnenlandsch vaartuig niet éenen mast. — Kaagman, ra. (-en), kaagschipper, ra. (-s).

kaagje, o. (-s). Scheepje. Eene soort van koek.

kaai, v. (-en). Metselwerk aan een water, dienende tot dijk of dam. Plaats langs den rivieroever om te laden en te lossen. Kleine dijk in 't algemeen. — Kaaiboef, m. (..ven). —Kaaidyk, ra. {-ep). —Kaaidraaien, kadraaien, ow. kaaidraaide, ka-draaide, heeft gekaaidraaid, gekadraaid. Aan- en afvaren aan de schepen, ora waren te verkoopen.— Kaaidraaier, kadraaier, m. (-s). — Kaaidrager,m. (-s). —Kaaien, bw. kaaide, heeft gekaaid. (Zeew.) Reven : de zeilen kaaien. — Kaaigeld, o. (;en). — Kaai he Hing, v. {-en). —Kaailyn, v. (-en). — Kaailooper, ra. (-s). — Kaaimeester, m. (-s). — Kaaiwerker, ra. (-s).

kaal, v. (-en). Zie Kaan. (i®art.). kaaiiuan, ra. (-s, -nen). Soort van krokodil {alligator sclerops). Bewoont de rivieren van Amerika.

kaak, v. (kaken). Been van het hoofd, waarin kiezen en tanden ingeplant zijn. Wang : met blozende kaken staan te zien. Kieuw (van eenen visch). — Kaakband, m. (-en). — Kaak klier, v. (-en). —Kaak-■Jiramp, v. — Kaakscharen, v. mv. Voor-

5 — KAAL

(1840); Hisioire de la revolution des Payt-Bas sous PhiLipfie II (i856-'67).

Justitie, v. Recht, gerecht, rech'.sple-ging, rechtsoefening, rechtswezen. Rechtvaardigheid, gerechtigheid. — Justt/iepa' leis, o. (..zen). Gerechtshof.

jut, v. ( ten). Soort van zomerpeer. (Zeew.) Doove jut ; zeker stuk hout. — Jutte/gt;eer,\, (..eren), de vrucht; ra. (..eren), de boom.

jute, v. Bengaalsche hennep.

Jutmis, jutteiiil», v. Te (op) S^Jut-rais : nooit.

Juveualis [D. J.), Aquinura. Ro-raeinsch hekeldichter. Leefde in de laatste helft der 1® eeuw na Christus.

juweel, o. (-en). Elk geslepen edelgesteente. Inz. een diamant. Iets uitstekends. Een juweel van eene vrouw : eene uitmuntende vrouw. Juweelen : kostbaarheden. Voorwerpen, waarop men trotsch is. — Juweelen, bn. — Jwweelendoosje, o. (-s). — Juweelenkistje, o. (-s). —Juweelen' koffertje, o. (-s). — Juweelhandel, m. — Juweelhandelaaf't m. (-s, ..aren). — Juweelhandelaarster, v. (-s). —Ju wee lig, bn. —Juweelpo'der, o.— Juweelwerker^ ra. (-s). — Juweelzetter, m. (-s). — Juwe-//i?r,m.(-s). Handelaar injuweelen. Juweel-zetter. — Juwelierster, v. (-s). —Juwe-lierswerk, o. —Juwelierswinkel, ra. (-s).

ste scharen of nijpers van den kreeft. — Kaakslag, m. (-en). Slag tegen het kakebeen. — Kaaksmeet, v. (..eten). Kaakslag. — Kaakvormig, bn. (Plantenk.). — Kaak-zakken, ra. rav. Ruimte in den mond van zekere dieren, tot berging van ^fedsel.

kaak, v. (kaken). Oorspronkelijk eene ton, later eene verhevenheid, waarop misdadigers werden ten toon gesteld. Schandpaal.

kaak, v. (Zeew.) Ton. Ook, nikwind. kaakje, o. (-s). Zeker gebakje, kaakmes, o. (-sen). Mes, bij het haringkaken gebruikelijk.

kaal, bn. bijw. Beroofd van haar, of van vederen, of van loof: een kaal hoofd, kale vogels, kale boomen. Versleten : zijne jas wordt kaal. Ongetakeld : kaal schip. Kale reede : reede zonder schepen. Een kaal middagmaal, eene kale keuken : magere kost. Niets ol weinig voortbrengende: kale streek. Een kale jonker : een arme edelman. Eene kale uitvlucht : verontschuldiging zonder bewijs. lem. kaal maken : hem alles afnemen. Slecht : hij zal er kaal van afkomen. Kaal en knap : armoedig doch zindelijk. — Kaalaard, m. (-s). Die een kaal hoofd beeft. Die weinig geldmiddelen heeft. Die weinig of geen verstand heeft. — Kaalachtig, bn. — Kaalheid, v. — Kaalhoofdig, bn. — Kaalhoofdigheid, v.—Kaal kin, m. (-nen). Baar-deloozeknaap. — Kaalkop, ra. en v. (-pen). (Schimpnaam) Die een kaal hoofd heeft. — Kaaloor, ra. env. (-en).Kaalkop. —Kaal'


ocr page 346

KAAR — 3

pooi, m. (-en). Vogel met kale pooten. Arme kerel.

kasuu. v. kziamiiel, o. (-s). Schimmel (op bier, enz.^. — Kaamachtig, bn.

baan, v. (kanen). Stukje vet, dat in den smeltk etel overblijft, nadat de reuzel uit het in kleine stukken gesneden spek is gesmolten. (Men zegt ook kade, kaden, kaai). — Kaankoek, m. (-en). Gestold vet in vormen.

kaan, v. (kanen) Griet (i® art.), kaan, v. (kanen). Soort van boot met vlakken bodem.

^ kaap, v. (kapen). Vooruitstekend land (in de zee). De Kaap (de Goede Hoop, Afrika). Ter kaap varen : op zeeroof, als kaper varen (in oorlogstijd). — Kaap, v. (kapen). Eene baak op het land ten dierste der zeevaart. — Kaapsch, bn. Van de Kaap (de Goede Hoop). — Kaapschip, o. (..epen). Schip, dat op roof vaart. — Kaapvaarder, m. (-s). Die naar de Kaap de Goede Hoop) vaart. Die ter kaap vaart. — Kaapvaart, v. Vaart op de Kaap (de Goede Hoop). Bedrijf van kaapvaarder, kaap, m. (kapen), knapstaudcr.

Kaapstander.

a. As. b. Hoofd. c. Spilgat, d. Spilboom. e. Kabel.

m. (-s). Rechtstaande spil, gewoonlijk rolvormig, om zware lastrn op te halen. Houten baak op eene landpunt.

kaar, v. (karen). Bun.

kaarde, v. (-n'. IJzeren wolkam. Rib van artisjokken, enz. Kaardebol. — Kaar-debol, m. (-len). Deze plant [dipsacus ful~ lontirn) komt in Europa vrij algemeen in 't wild voor. Bij ons echter wordt zij gekweekt. — Kaarden, bw. kaardde, heeft gekaard. (Laken, wol, enz.) met de kaarde bereiden. — Kaardetidistel, v. (-s). Kaardebol. — Kaar denmaakster, v. (-s). — Kaar denmaker, m. (s). — Kaarden-steekster, v. (-s). — Kaar densteker, m. (-s). — Kaarder, m. (-s). — Kaar der if, v. Het kaarden, (-en) Plaats, waar men kaardt. —Kaardetand,m. (-en). —Kaard-sel, o. Hetgeen men uit wol, enz. kaardt. — Kaardcter, v. (-s). —Kaardwol, v. kaars, v. (-en). Gedraaid katoen met

O — KAAS

was, enz. omgeven, dienende om licht te maken. Het riekt naar de kaars, draagt blijk van groote inspanning. Hij gaat uit als-eene kaars, kwijnt zachtjes weg. Om de kaars vliegen : zich onvoorzichtig (aan gevaar) blootstellen. — Kaarsdrager, m. (-s). — Kaarsedie/, m. ( .ven). Vezel van de verkoolde pit eener kaars, die *t was doet afloopen. — Kaarsenbak, m. (-ken). — Kaarsenhandel, m. — Kaarsettkatoen, o. Katoen voor kaarsepitten. — Kaarsen-kist, v. (-en). — Kaarsenkooper, m. (-s).

— Kaarsenkoopster, v. (-s). — Kaarsen-lade. v. (-n). Bergplaats voor kaarsen. — Kaarsenmaken, o. — Kaarsenmaker, ra. (-s). — Kaarsenmakerij, v. Het maken van kaarsen, (-en) Plaats, waar men kaarsen maakt. — Kaarsenwinkel, m. (-s). — Kaarsepit, v. (-ten). — Kaagt; sesnuiter, ra. (-s). — Ka a rsefnJsnu itsel, o. (-s). — Kaarsje, o. (-s). Kleine kaars. De langge-steelde vruchtkogel der paardenbloera. — Kaarskruid, o. Eene sierplant ; verbas-cum Thapsus. —Kanrslemmet, o. (-en).

— Kaarslicht, o. — Kaarssvuer, o. — Kaarsvet, o. — Kaarswerk, o. (-en). Werk, bij kaarslicht vericlu. Werk, dat van groote inspanning blijk draagt.

kaart, v. (-en). Speelkaart : de kaart geven, afnemen, enz. Aan kaart zijn ; moeten deelen. In de kaart kijken of zien : iemands geheimen doorschouwen. De kaart leggen : waarzeggen uit de kaart. Toegangskaart : heeren, uwe kaartjes 1 Land-, aardrijkskundige kaart. Goed de kaart kennen ; bedreren zijn in de aardrijkskunde. Blinde kaart: kaart, waarop de lig-

fing der plaatsen, enz. is aangewezen, zon-ing der plaatsen, enz. is aangewezen, zon-

er bijvoeging van den naam. — Kaarte-blad, o. (-en). Eene speelkaart. — Kaarten, ow. kaartte, heeft gekaart. Met de kaart spelen. — Kanrtenbakj'e, o. (-s). — Kaartenblad, o. Papier om eene kaart op te teekenen. — Kaar fen doosje, o. (-s). — Kaarten/abriek, v. (-en). — Kaartenfa-b' ikant, ra. (-en). — Kaartengeld^ o. — Kaartenhuis, o. (..zen). — Kaartenkoo-per, ra. (-s). — Kaartenkoopster, v. (-s).

— Kaartenmaker, m. (-s). — Kaartenpa-pier, o. — Kaartenverkooper, ra. ( s). — Kaartenverkoopster, v. (-s). — Kaarten-winkel, ra. (-s). — Kaartje, o. ( s). Naam-, visietkaartje. Een kaattje maken, leggen : met de kaart spelen. — Kaartlegster, v. (-s). — Kaartpasser, m. (-s). — Kaartspel, o. (-en). — Kaartspelen,o. —Kaartspeler, m. (-s). — Kaartspeelster, v. (-s).

kaas, v. (kazen). Gestremde raelk, van hui gezuiverd, meestal tot eenen klomp ot-bol samengedrukt. —Kaas- en Broodv- Ik. Naam, bij den opstand van 1491 io Holland aan de oproerige boeren in Kennemerland gegeven. — Kaasachtig, bn. — Kaasboer, ra. (-en). Maker, verkooper van kaas.

— Kaasboerin, v. ( nen). — Kaas^oom, ra. (-en). Uitlandsche struik (Jbombax pe-trantztm), die boomwol of katoen draagt.

— Kaasiord, o. (-en). — Kaashandel, ra. Kaashuis, o. (..zen). Plaats, waar kaas gemaakt of bewaard wotdt. — Kaashut, v. (- ten). Vetweiderswoning op de Zwitsersche Alpen. — Kaasjager, m. ( s). Kaasboer.


ocr page 347

KABE — 3

Oude verliefde. — Kaasjeskruid, o. Volksnaam van de geme^ne maluwe. — Kaaskamer, v. ( s). — Kaashoek, m. ( en). — Kaaskoop er, m. (-s). — Kaaskoopster, v. (-s).— Kaaskop, m. (-pen). Vorm, waarin de kaas wordt geperst. Domkop. — Kaas-korf, m. (..ven). — Kaasleb, v. Stremsel.

— Kaaslucht, v. — Kaa*made, v. (-n). — Kaasmaker, m. (-s). — Kaasmaakste-, v. (-s). — Kaasmakerij, v. Het maken van kaas. (-en) Huis, waar men kaas maakt. — Kaasmarkt, v. (-en). — Kaasmaf, v. (-ten)1. — Kaasmes, o. (-sen). — Kaasmr'/t, v. (-en). — Kaasnap, m. (-pen). Soort van Ifkbak. Kaasvorm.—Kaaspers, v. (-en). Kaasstof, v. — Kaastaartje, o. (-s). — Kaasvat, o. ( en). —Kaasvorm, m. (-en).

— Kaaswei, v. Gestremde melk. — Kaaswinkel, m. (-s). — Kaasworm, m. (-en).

— Kaaswrongel, v. Gtstremde melk (voor kaas).

kaatje, o. (-s). Verkleinde naam voor Catharina. 't Is een Hollandsch kaatje, eene Hollandsche vrouw of meisje, 't Is gedaan met kaatje : er is niets meer aan te doen. Morgen, als kaatje verjaart : nooit.

fcanls, v. Plaats (in 't kaatsspel), waar de bal het eerst valt. Hij weet de kaats wel te teekenen : hij weet wel in zijn voordeel te rekenen. — Kaatsbaan, v. (..anen). — Kaatsbal, m. (-len). — Kaatsdak, o. (-en).

— Kaatsen, ow. Kaatste, heeft gekaatst. Met den kaatsbal spelen. — Kaatser, m. (-s). — Kaafsijzg, v. (-en). — Kaatsviees-ter, m. (-s). — Kaatsnet, o. (-ten). — Kaatspalet, o, (-ten). —Kaatsplankje, o. (-s). — ^ aatsspel, o. (-len). — Kaatsster, v. (-s). — Kaatsze'J, v. (..even).

]h2tl»3tai, v. (-en). Kamerjapon. kabaH, v. (-sen). Strooien of biezen mandje (methengsel).

Icabsissen, bw. kabaste, heeft geka-bast. Behendig stelen.

babbolcn, ow. kabbelde, heeft gekabbeld. Zacht stroomen (van beken, enz.). Zie Kappelen. — Kabbeling, v. (-en). — Kabbelstroom, m. (-en). Zacht bewogen beek, enz.

kaberdoes, v. (..zen). Kroeg.

kabel, m. (-s). Dik touw. Scheepstros. Ankertouw. — Kabelaring, kabellarga, v. Touw, minder dik dan het ankertouw, gebruikt om het anker c-p te balen. — Ka-belarmgrol, v. (-len). — Kabelen, bw. kabelde, heeft gekabeld. Aan kabels vastmaken. — Kabelgaren, o. (-s). Garen der zeilmakers, enz. — Kabelgast, ra. (-en). Scheepsjongen. — Kabelgat, o. (-en). (Zeew ) Berghok voor het touwwerk. — Kabelketting, m. (-en). IJzeren kabel. — Kabelkleed, o. ( en). — Kabeiknoop, m. (-enk — Kabelkot, o. (-ten). Kabelgat. — Kabelkrtiis, o. (Wapenk.) Een met touw omslingerd kruis. —Kabelmerk, o. (-en). (Bouwk ) Tee ken, dat de timmerlieden op ieder atgewerkt stuk bout zetten.— Kabel-rand, m. (-tn). Gekartelde rand (om een muntstuk). — Kabelslag. m. (-en). Omslag van den kabel. — KabcIslengte, v. (-n). Volle lengte van den kabel = 225 Ned. el.

— Kabelstrik, m. (-ken). — Kabeltouw, o. (-en). Dik touw. Ankertouw. — Kabel-

I — KADE

voering, v. (-en). Touw, waarmede de ankerring omwoeld is.

kabeljauw (visch), m. (-en) ; (stofnaam), v. Zeevisch. Behoort tot de orde der beenvisschen en daaronder tot de familie de schelvischachtigen. De eigenlijke kabeljauw [gadus tnorrhud), kan eene lengte bereiken van 1 tot 2 met. en eene zwaarte van 12 tot 20 kilogr. Hall gezouten noemt men hem landorium; geheel gezouten,abber daan (labberdaan); gedroogd, stokvisch. — Kabeljauwskop, m. (-pen),

— Kabeljauwsnet, o. (-ten). — Kabel-jauwsstaart, m. (-en). — Kabeljauw'

vangst, v. — Kabelja uwvissch er ij, v.

Kabeljauwnvlie, m. eu v. (-n). Zie Hoeksche.

kabinet, o. ( ten). Kamer, werkkamer, studeerkamer, spreekkamer, zijkamertje. Kunstzaal, kunstverzameling. Ministerraad, deregeering, het Staatsbestuur. Bestekamer, gemak. Ladenkast, schrijn. — Kabinetlade, v. (-n). — Kabinetmaker, ra. (-s). — Kabinetsbevel, o. (-en). — Kabinetsbrief, m. (..ven). — Kabinetskoerier, m. (-s). — Kabinetsleutel, m. (-s),

— Kabinet slot, o. (-en). —Kabinetsorder, v. — Kabinetsqucestie, v. (-s). Voorstel, enz. van welks beslissing het al of niet aanblijven der ministers afhangt. — Kabinetsraad, m. (..aden). Vergadering der ministers. — Kabinetsschryven, o. — Aabi-netsschrifver, ra. (-s). — Kabinetsstuk, o. (-ken). Stuk, dat van het kabinet uitgaüt.

— Kabinetstuk, o. (-ken). Groote schilderij. Fraai kunstwerk. — Kabtnetszegel, o. — Kabinetwerk, o. Schrijnwerk. — Kabinetwerker, ra. (-s). Schrijnwerker.

kabouter, m. 1-s), kaboutermannetje, o. (-s). (Bijgeloof) Soort van middelgeest, die 's nachts in de gedaante van een kleinen dwerg verscheen om allerlei huislijken dienst te bewijzen. Kleine dikke jongen. lem., die wein g aanzien heeft en zich door zijn gedrag bespottelijk maakt.

kabiiift», v. (..zen). Zir. Kombuis.

kabuiMkool, v. (-en;. Buiskool, krop-kool : brassica capitata.

kaeliel, v. . IJveren toestel ter verwarming van kamers, enz. —Kacheldamp, ra. (-en). — Kacheldeur, v. (-en). — Ka-chelfabriek, v. (-en). — ICachelfabrikant, ra. (-en). — Kachelgruis, o. — Kachelhout, o. (-en). — Kachelij-'er, o. (-S). — Kachelkamer, v. (-s). — Kache'kolen, v. mv. — Kachelmaker, m. (-s). — Kachel-oven, m. ^-s). — Kachelpt/p, v. (-en). — Kachelpook, v. (..ok«n). — Kachelrooster* ra. (-si. — Kachelsmid, ra. (..eden). — Kachelturf, v. (stofn.); m. (..ven) (voor-werpsn.). — Kachelvuur, o. (..uren).

ka«4aiiter, o. Grondbeschrijving.Openbaar register van alle gronden en onroerende eigendommen in een land. — Kadastraal, bn. Tot het kadaster behoo-rende : kadastrale omschrijving. Bijw. Dat huis staat kadastraal bekend Sectie B, n05.

— Kadastreeren, bw. kadastreerde, heeft gekadastreerd. Volgens het kadaster omschrijven. Op het schattingsregister opschrijven.

ka«le, v. (-n). Zie Kaai (i*art.J.


ocr page 348

KAKE — 3

kade, v. (-n). Zie Kaan (i8 art.;.^ kader, o. (-s). Lijst, raam, schilderij. Ranglijst. De gezamenlijke oversten en onderoversten van een leger. Do gezamenlijke beambten van een bestuur. Ontbreken er geene, dan zegt men dat de kaders volledig zijn.

kadet, v. (-ten). Zeker klein broodje, kadraai, v. (-en). Vaartuig, waarmede men bij de schepen, die op rcede liggen, waren uitvent. — Kadraaien, ow. Zie Kaaidraaien. — Kadraaier, m. (-s). — Kadraaisier, v. ( s). — Kadraaierssloep, v. (-en). Kadraai.

kadul, bijw. De tong slaat hem kadul: de drank doet hem stamelen.

kaT, o. Fijne afval van gedorsctte korenaren. Het kaf van het koren ziften, scheiden: goed van kwaad scheiden. Er is geen koren zonder kaf. — Kaf blaadjes, o. mv. (Plantenk.) De schutblaadjes van de grasplanten .J— Kafjes, o. mv. (Plantenk.) Buitenste schutblaadjes- — ffafzak, m. (-ken). Zak met kaf gevuld, die onder het bed wordt gelegd.

kaflTa, o. Soort van Indisch bont katoen.

KaflTer. m. (-s). Inboorling van het Kaf-ferland (Zuid-Afrika). — Kaffe- sche, v. (-n).

kaftan, ra. Turksch opperkleed, kajaputboom, m. (-en). Indische boom {malaleuca caje/u/t), welks bladeren de kajaputolie opleveren. — Kajaput-olie, v.

kajuit, v. ( en). Scheepskamer. Verblijf van den kapitein, van de passagiers.

— Kajuitsjongen, m. (-s). Scheepsjongen. Knecht van den kapitein. — Kajuitslyst, v. (-en). (Zeew.). — Kajuitswachterra. (-s). Oppasser.

kajuit, v. (-en). Slecht, versleten paard, kak, ra. Behoefte ora af te gaan, achter-last. Uitwerpsel, raenschendrek. Hij heeft veel kak op zijn lijf, raaakt veel wind, veel beslag. — Kakhuis, o. (..zen). -Kakhuis-bril, ra. (-len). — Kakhuisdeur, v. (-en).

— Kakhuisveger, ra. (-s). Nachtwerker.

— Kakkebed, ra. en v. (-den). Die zijn bed bevuilt. — Kakkedo- r, ra. (..oren). Nachtstoel. — Kakken, ow. kakte, heeft gekakt. Zijn gevoeg doen. — Kakker, ra. (-s). — Kakker ij, v. Buikloop. — Kakmaker, ra. (-s). Grootspreker. Die zich winderig aanstelt. — Kakschool, v. (..olen). Kleinkin-deischool. — Kak set, o. — Kakster, v. (-s). .— Aakstilletje, o. (-s). Kinderstoel.

— Kakstoel, ra. (-en). — Kaksulle, v. (-n). Draagbaar gemak.

kakebeen, o. (-en). Been, waarin de fcovenste tandkassen zitten.

kakelbont, bn. Smakeloos bijeengebracht (van kleuren).

kakelen, ow. kakelde, heeft gekakeld. Klokken (van hoenders). Babbelen, snateren. — Kakelaar, m. ( s). — Kakelaarster, v. (-s). — Kakel ar ij, v. (-en).

ksamp;keineut, o. (-en). Houd je kakement : houd je mond, zwijg.

kaken, bw. kaakte, heeft gekaakt. Haring de kieuwen uitsnijden en inzouten. — Kaken, o. — Kaker, m. (-s).

gels. De meest bakende soort is de kaketoe derMolukken [cacatua sulphured). Is wit en heeft eene gele kuif

kakliiel, ra. (-en). Winterhiel (de vorst in den hiel). Eeltige uitwas aan den hiel (vooral van paarden en koeien). Met kakhielen loopen, er armoedig uitzien.

kakje, o. (-s). Kleine kakkerlak. Kale uitvlucht.

kakkerlak, m. (-ken^. Vraatzuchtig insect, tot de orde der rechtyleugeligen behoorende. De kakkerlak die bij ons voorkomt is de blatta orientalis. Wordt vooral aangetroffen op korenzolders en in bakkerijen.

kakke(r)nestje, o. (-s). De laatst uitgepikte vogel van een bror^d. kak* [als-), bijw uïtdr. Kwansuis, kalaiuün, kalauiUnsteen, xu*

(-en). Galmei. — Kalamynachtiti, bn.

kal(a)mink, o. Zekere wollen stof, aan de rene zijde geglansd als satijn. — Kal (a) min ken, bn.

kalander, m. (-s). Zwart insect {ca-landra granaria). Behoort tot de schi'd-vleugeligen. Leeft op de korenzolders.

kalander, v. De glans door drukking op eene stof gemaakt, (-s) Soort van mangel. — Kalanderen, bw. kalanderde, heelt gekalanderd. Glanzen. — Kalanderaar, m. (-s). — Kalander aarster, v. (-s). — Ka-landergeld, o. — Ka'anderij, v. Het glanzen, (-en) Glanzerij. —Kalanderloon, o. en m. (-en). —KalandermoUn, ra. (-s). Werkplaats des kalanderaars. — Kalan-dersteen, v. (stofn.); ra. (-en) (voorwerpsn.)

kalebas, kalbas, v. (-sen). Vrucht van eene plant, cucurbita, welke tot de korakommerachtigen behoort. De cucurbita! zijn éenjarige planten. Hebben bij warm en vochtig weder een zoo snellen

KALE


ocr page 349

— 313 —

KALK

KALF

wasdom, dat de vruchten in weinige weken eene groote zwaarte kunnen bereiken. — Kalebasachtiken, v. mv. — Kalebasboom, in. (-en). — Kalebasfiesch, v. (..sschen). Gedroogde holle kalebas. Glazen flesch in dien vorm. —Kalebaspeer, v. (..eren).

kal(e) Tateii, kal e)fatoren, bw. kal(e)(aatte, kal(e)fatorde, heeft gekal(e)-faat, gpkal(e)faterd. Breeuwen. Teren. Ook, hei stellen (een vaartuig). — Kalfaatbakje, o. (-s). — Kal/aathamer, ra. (-s).— KaL-fuaiyzer, o. (-s). — Kal faal jongen, m. (-s). — Kalfaattang, v. (-en). — Kal/aal-•werk, o. — Kalfater aar, m. (-s). — Kalfater inz, v. (-en).

kalen, bw kaalde, h-^eft gekaald. {Zeew.) Onttakelen. Afmigen. kalender, rn. (-s). Dag-, tijdwijzer, kales, v. (-sen). Zie Caleche.

kali', o. (..veren, ..ver;, ..ven^. ]ong ▼an sommige viervoetige dieren, inz. van

■de koe. Dwarslijst. Dwarshout. Balkstuk. Drempel. (Zecw.) Stopstuk Onnoozele bloed, domnirt jongen. Den put dempen als het kalf verdronken is : te laat hulp brengen, het kwaad uit den weg ruimen als het te laat is. — Kalf koe % v. (-ien). — Kalfsborst, v. (-en). — Kalfsbout, ra. (-en). — Kalfsdnl, v. Kalisgelei.— KaIfsgebraad, o. — Kalfsgehakt, o. — Kalfsgelei, v. — Kalfshuid, v. (-en). — Kalfskarbonade, v. (-s). — Kalfskop, ra. (-pen). — Kalfs-kruid, o. Kalfsvoet. — Kal/stap,\ pen).

— Kalfslefdjer, o. — Kalfsle(d)eren, bn.

— Kalfslever, v. (-s). — Kalfslong, v. (-en). — Kalfsmaag, v. (..agen). — Kalfs-muil, ra. (-en). — Kalfsnat, o. Vleesch-sap (van een kalf). — Kalf snier, v. (-en).

— Kalf snier si uk, o. (-ken). — Kalf somloop, m. (-en). — Kalfsoog, o. en v. (-en).

— Kalf so ogen, o. en v. mv. Ongeklutste gebakken eieren. Groote, opengespalkte oogen. — half spoot, m. (-en). — Kalfs-rib, v. ( ben). — Kaïfsschyf, v. (..ven). — Kalf^schinkel, ..schenkel, ra. (-s). — Kal/ssnuit, m. (-en). — Kalfssoep, v. — Kalf stand, m. (-en). — Kalf standen, ra. mv. Zekere versiersels aan de hoofden der kolommen, welke, u t enkele uitsnijdingen voortkomende, den vorm van tanden ver-toonen. — Kalfstong, v. (-en). —-Kalfsvel, o. (-leo). — Katfsvet, o. — Kalfs-vleesch, o. — Kal/woet, ra. (-en). Aronskelk. — Kalfiworst, v. (-en,. — Kalfszwezerik, m. (-en).

KalfT 10(/l/.), 1848, Nieuwer-Arastel.Dag-hladscbrijver. H uwlijk^beletseUn (blijspel, i86q); Beelden uil het volksleven (1879). — 20 [G.). Leiden Prolessor, Het Lied in de Middtltemvtn ^1885), Ge» schiedenis der Nedtrl. Letteren tn de /6'® eeuw (1889).

kali, v. (Scheik.) Potasch, kaliber, o Maatsiai, wijdte, grootte, omvang, doorsnede, middellijn : een stuk van groot kaliber, lioedanig-Ii*-id, slag. soort : van slecht kali bet. — Kaliber boor , v. (..oteo) — KaliOrferen, bw, krtlibreeide.heeii ytkahbreerd. Di- ju'ste doorsnede eener buis ogt;i()ei2oi ken. De geschutwijdte oiidfuoeken — Kattb* eerif-zei, o (-s) — Kahbreerstok, ra. (-ken). — Kahbr ter stang, v. (-en)

kallef, m. (-en). Aldus noc-raden zich de plaatsbeklee-ders \an Mahomed. (Thans) geestelijke tJiel van den Sultan (Turkije) - — Kalifaat, o. Rijk of waaid?gheid van eenen kalief.

kali»,m.(-sen). Arme drommel. Bedelaar.

kaltMMieiimit, o. Zoethout — Kalissiedrop, o., ka» hsnesap, o.

kalium, o. (Scheik.) Zilverwit metaal, met fraai en glans, dat in salpeter en inz. in potasch aanwezig is.

kalk, v. Aardachtige delfstof, waarvan het calcium de grondstof is. Wordt verbruikt, gemengd met water en zavel, om te metselen. — Kalkaarde, v. Soort van kalk, door verhitting in kalkovens uit de koolzure kalk verkregen. — Kalkachtig, bn. —Kalkbad, o. ( en). —Kalkbak, m. (-ken). — Kalkblusschen, o. — Kalkhouwen, o. Kalk bereiden. — Kal kb ra n den , o. — Kalkbrander, m. (-s). — Kalkbranderij, v (-en). —Kalkbrandster, v. (-s).

— Kalkbrok, ra. (-ken). Afgevallen stuk droge kalk. — Kalken, bw. kalkte, heeft gekalkt. Met kalk besmeren. In kalkwater weeken (granen). (Leerl.) De huiden kalken. — Kalkgroef, v. ( .ven). — Kalkar ond, ra. (-en). — Kalkgruis, o. — Kalk-houdend, bn. — Kalkhouw, v. (-en). — Kalk kist, v. (-en). — Ka Ik kuil, ra. (-en).

— Kalkkuip, v. (-en). —Ka.kloog, y, —

Kop. b. Halsstuk. c. Bovnschouder. d Schouderstuk. e. Voorborst. f. Kniestu*. g. Ruggeiluk, h. Buikstuk, i. Haas, spiersiu^r k. 1 P'frtiuk. m. Middelzfuk. n.Staart i/uTi. o Dystuk. p.r Kaïfs-schïjf. s. Km'stuk. t. Kct l /skher — De cijfers duiden de hoedanigheid van het vleesch aan.


ocr page 350

— SU —

KAME

KAM

Kalkmeel, o. Gebluschte kalk. — Kalkmelk, v. Witsel. — Kalkrnergel, v. Vette, kalkachtige aarde, zeer %, schikt tot verbetering der gronden. — Kalkmeiaal, o. Calcium. — Kalkoven, ra. (-s). — Kalk pot, ra. (ten). — Ka Ik puin, o. — Kalkput, ra. (-ten). — Kalkroom, ra. (Scheik.) Koolzure kalk. — Kalkspaath, o. Geiii istalli-seorde verbinding van koolstofzuur met kalk.-— Kalksteen, ra. (-eni. Koolzure kalk. — Kalktobbe, v. (-n). — Ka Ik ton, v. (-nen). — o. (-en). — Kalkuia-

ter, o. — Kalkzak, ra. {-ken).

kzilkoen, m. (-en). Vogel_(meleagris gallopavo), tot de hoenderachtigen bclioo-rende. Zijn vleesch is van het smakelijkste.

— Kalkoenebout, ra. (-en). — Kalkoe-nefnjdrek, m. — Kalkoenenei, o. (-oren, -ers). — Kalkoenenhoeder, m. (-s). — Kalk oenen hoedster, v. ( s). — Kalkoe-nenhouder, ra. ( s). — Kalkoenenhoudster, v. ( s). — Kalkoenenmelker, m. (-s).

— Kalkoen en?gt;te Ik ster, v. ( s). — Kalkoe-nenn'st, o. en ra. ( en). — Kalkoenefn)-vet, o. — Kalkcenefn)vleesch, o. — Kalkoenpokken, v. rav. — Kalkoensch, bn. Een kalkcenEche haan, eene kalkoensche hen.

Icnlkoen, m. (-en). Punt voor een hoefijzer.

kstlkocntjo, o. (-s). Groot plat drink-glas.

kallo, v. (-n). Ekster, kraai (tam gemaakt). Ieder van de twee houten vogels, die onmiddellijk onder de zijdegaaien staan op eene gaaipers. Speelpop : eene kalle kleeden. Stukje hout olquot; steen, dat men voortschopt in de hinkbaan. Bal, dien men in het kolfspel voortslaat. Pinker. Stukje hout, enz. waarop men centen legt en dat men tracht omver te werpen. Dwaas vrouw-niensch.

kul ion, ow. kalde, heeft gekald Babbelen. Sn.ippen.— Kal lent er,v. (-s). Bib-belaarstlt; r. — Kaller, ra. (-s). — Kalltn^, v. — Kalster, v. (-s). — Kal lev aar, ra. (-s). Babbelaar.

kalm, bn. bijw. Stil. Bedaard, berust.

— Kalmpjes, bijw. Zachtjes. Bedaard. — Kalmte, v. Bedaardheid. Gerustheid. Kalmte, op zee : windstilte.

kalmink, o. Kalamiuk.

kalmuft, ra. Zie Aronskelk. — Kalmusolie, v. — Kalmusrvortcl, ra. (-s).

kalot, v. (-ten). Deksel boven de onrast (in een uurwerk).

kalot, v. (-ten). Priestermuts je. Kruinmutsje.

kalven, ow. kalfde, heeft gekalfd. Een kalf werpen. — Kalverachtig, bn. bijw. Dartel. Los. — Kalverachtigheid, v. — Kalveren, ow. kalverde, heelt gekalverd. Braken. — Kalverknieën, v. mv. Naar binnen gekeerde knieën. —Kalverliejde, v. Eerste vuur der lielde.

kalvijn, kal viel. v. (-etO. Zekcro appel. ra. (-en) Boom, die kalvijnen draagt.

kam. ra. (-men). Getand werktuig om het haar te ontwarren of bijeen te houden. Overeind staande vleezige uitwas op den kop van sommige vogels, enz. Werktuig, .waarmede de wevers de draden der schering uit elkander houden. Overeind staand houtje onder de snaren van eene viool, enz. Uitstekende gedeelte van eenen helm. Tand op den omtrek van een r.id om in een n»n Isel te grijpen. Zij zija al en over den-zelfien kam geschoren : zij zijn allen vaa hetzelfde gehalte, zij zijn ailen even slecht.

— Kamblad, o. (-en). (Wcv.) VVeveisk im.

— Kamborstel, ra. (-s). — Kamdoek, m. (-en). Doek, dien men omslaat o.ider het kammen. — Kamdr-tgend, bn. — Kam-duike*', ra. (-s). Eene soort van eend \aiznt Juh'xula).

Kamblne:. Soenda-eiland.

kameel, ra. (-en). Tot de kameelen, herkauwende zoogdieren, behooren slechts twee diersoorten : de eenbuitige kameel of dromedaris (z. d. w.) {cavielus drovieda-riHS\ en de tweebuliige of eigenlijk» kameel {camelus bactrianus). Deze wordt het schip der woestijn genoemd. — Kameel-dn ver, ra. (-s). — Karneelhooi, o Ke-melshooi. — Kameelgeit, v. (-en). Het Peru «ansche woldier (alpaigt;ua p tco).

— K'imeelin, v (-nen). — Kameel paard, o. ( en), kamedpardel, ra. (-s). Giraffe.— Kameclshaar, o. — Kameelshar-en, bn,

— Kameelsmaas, v. (..agen). — Kameelsrug, ra. (-gen).

kameel, o. (-en). Soort van voertuig te water, bestemd om de schepen te lichten en over ondiepten heen te voeren.

kameleon, o. I-s». So »rc van hagedis, tot de geschubde bajediss-n behoorenda.

Verandertheel gemakkelijk van kleur.Anr an-neer hot bevreesd of toornig is wordt zijne huid eerst groenachtig, vervolgens donkerder en eindelijk roodgevlekt. ra. ( s) Persoon. die vaak van partij of stelsel verandert.

kamelot, o. Stof van karaeelshaar


ocr page 351

KAME — 3

enz. geweven. Slechte waar. Prulwerk, broddelwerk, knoeiwerk. — Karnelotten, bn. — Karnelotten, ow. kamelotte, heeft gekamelot. Broddel-, knoeiwerk verrichten.

kamen, ow. kaamde, heeft gekaamd. Beschimmelen.

kameuicr, v. (-s, -en). Kameijuffer eener aanzienlijke vrouw. — Kamenier en, bw. kamenierde, heelt gekamenierd. (Eene dame) helpen kleeden, optooien, enz. — Kameniersdienst, m. (-en). — Kame-m'erszverk, o.

kamer, v. (-s, -en). Benaming van onderscheidene verdeelingen van een huis (z. d;w.),inz. van deze, waar men zich gewoonlijk ophoudt. Slaapvertrek : mijnht-cr is op zijne kamer. Holle ruimte in het lichaam : hartkamer. Vernauwing achter in de ziel van een stuk geschut, waarin het kruit geladen wordt. Kamer eener mijn : plaats waar het buskruit geplaatst wordt, waardoor men haar zal doen springen. (Zeew.) Bergplaats der kabels. Vertrok, waar personen vergaderen om over de algemeene belangen te handelen : kamer van den gil-deraad. De vergadering zelve. Kamer van koophandel en fabrieken : lichaam, dat voor de belangen van handel en nijverheid waakt. Vereeniging van personen, die zich met de studie van dichtkunst of met de kunst der welsprekendheid onledig houden : rederijkerskamer. De Kamer van volksvertegenwoordigers (België). De Kamer der afgevaardigden (Nederland). De eerste en tweede Kamer (cLr Staten-Gene-raal). — Kameraar, m. (-s). Kamerdienaar van den Paus. — Kamerarrest, o. — Kamerband, m. (-en). Band of ring, die als sieraad om een kanon is aangebracht.

— Kamer behanger, m. (-s). — Kamerbewaarder, m. (-s). Deurwaarder. — Ka-merbezeyn, m. (-s). — Kamerdeur, v. (-en). — Kamerdienaar, m. (-s, ..aren).

— Kamerdoek, o. Glazen stof. — Kamer-doeksch, bn. — Kamer en, bw, kamerde, heeft gekamerd. Kamers laten bewonen. In eene kamer opsluiten. — Kamergang, m. Stoelgang. — Kam'•rgeraas, o. — Kamer gereed t, o. Keizerlijk gerechtshof, door Maximiliaan I in Duitschland ingesteld (1495), dat alle geschillen moest beslissen. — Kamergeivaad, o. (..aden). — Kamerheer, m. (-en). Dienstdoende edelman van een voistrijk huis. Inz. beambte van het Pauselijk nof. —• Kamerheer-Schap, o. — Aumerhond, m. (-en). — Kame* huut, v. (..uren). — Kame rist, m. (-en). — Kamerjapon, v. (-nen).

— Kamerjuffer, v. (-s). — Kamerkat, v. (-ten). — Kamerlid, o. ( .leden). Lid van de Kamer der volksvertegenwoordigers, enz. — Kamerling, ra. (-en). Kamerheer. — Kamerlucht, v. — Kamermaagd, kamermeid, v. (-en).—Kamermeisje, o. (-s). — Kamermuil, v. (-en). Pantoffel. — Kamermuziek, v. en o. — Kamerpot, m, (-ten). — Kamerrok, m. (-ken). — Kamersleutel, ra. (-s). — Ka-m er sluis, v. (..zen). Schutsluis. —Kamerspel, o. (-en). Tooneelstuk voor rederijkers. — Kamer speler, m. (-s). — Kamer-gt; — KA.MP

speelster, v. (-s). — Kamerstoel, ra. (-en).-Kinderstoel. Stilletje. — Kamerstuk, o. (-ken). Schilderij, eene kamer of binnenhuis voorstellende. (Oorl.) Steenstuk. — Kamervenst'r, o. en v. (-s). — Kamer* verhuurder, m. (-s). — Kamerverhuurster, v. (-s). — Kamerverslag, o. ( en). — Kamer vogel, m. (-s, -en). — Kamerzan-ger, ra. (-s). Bijzondere zanger van eenen vorst. — Kamer zangeres, v. (-sen). — Kamerzitting, v.

kameraad, ra. en v. (..aden, -s). Gazel. Maat. Makker. Genoot. Vriend. — Kameraadschap, o. — Kameraadschap* pelyk, bn. bijw.

kamfer, v. Vluchtige zelfstandigheid, welke men verkrijet uit het hout van den kamferboom. — Kamferachtig, bn. — Kamfer boom, m. (-en). {Laurus cam-phora) Behoort tot de familie der laurieren. — Knynferen, bw. kamferde, heeft gekamlerd. Met kamfer bereiden of doortrekken. — Kamferlaurier, m. (-en).

Kamferboom. — Kamferlucht, v. _

Kamfer olie, v. — Kamferp leister, v. (-$),

— Kamferpoeder, ..poeier, o. (-s). — Kam fer reuk, ra. —- Ka 7nJ er water, o. — Kam fer zuur, o. — Kam ferzuur zout, o,

kamjyras, o. Een der algemeenste grassen in Nederland [cynosurus crista-tus).

k:imliaar, o. Haar, dat in den kam blijit zitten. *

kamiff, bn. Schiramelachtig.

kamille, v. (-n). Plant, tot de samen-gesteldbloemigen behoorende. De bloemen der gewone kamille {ma trie ar ia chamo-milla) worden als pijnstillend en zweetdrijvend middel gebruikt. De Roomscne kamille (Anthemis nobilis) bezit desgelijks een prikkelend en zweetdrijvend vermogen. — Kamillenaftreksel, o. — Ka-millenolie, v. — Kamill^pot, ra. (-ten). — Kamillethee, v.

kamizool,o.(..olen). Borstrok. Hemdrok. — Kamizoolsmouw, v. (-en). — Karn izoohvoering, v. — Kamizoolszak, ra. (-ken).

kam kever, m. (-s). Scharrebijter. kammellngr, v. Kamwol.

katmmon, bw. kamde, heeft gekamd. Haren, wol, enz. ontwarren met eenen kam. Hard berispen. — Kammenkonper, ra. (-s). — Kammenmaken, o. — Kam-menmaker, ra. (-s). — Kammer, ra. (-s).

— Kamster, v. (-s).

ksimmossel, v. (-s, -en). Behoort tot

de koplooze weekdieren. Is zeer gezocht ora hare fraai gekleurde schelp.

ksimoes, kamoesIe(lt;l)er, o. Zwart geverfd gemzen- of geitenleer. — Ka-moezen, bw. karaoesde, heeft gekaraoesd. Tot kamoesleer bewerken. — Kamoesle-(dJeren, bn.

kamp, o. Leger. Legerplaats. — Kampeeren, ow. kampeerde, heeft gekampeerd. Legeren. Zich neerslagen of neerzetten. Eene legerplaats kiezen. Onder tenten wonen.— Kamprering, v. — Kampement, o. (-en). Legering.^ Legerplaats.

kamp, ra. Strijd. Gevecht. Worsteling.

— Kampen, ow. kampte, heeft gekampt#- -


ocr page 352

KANA — 3

Strijden. Vechten. Worstelen. Wedijveren. — Kamper, m. (-s). — Kaviping, v. (-en). — Kampgevecht, o. (-en). — Kamphaan, m. (..anen). — Kampplaats, v. (-en). — Kamprecht, o. — Kamprechter, m. \-s). —Kampster, v. (-s).— Kampstrijd, m. (-en). — Kampvechten, o. — Kampvechter, ra. (-s). —Kampvechtster, v. (-s).

bamp, ra. ( en). Afgepaald veld : die grond wordt bij kampen geveild.

]Ka.iiip. bijw. Effen. Gelijk : wij zijn karap. Iets kamp geven, het opgeven, — Kampop, bijvv. Kampop spelen, zonder te winnen of te verliezen.

Is am pastu, v. (..anen). (Bouwk.) Klok-^Torraig sieraad.

Icampanje, v. (-s). Bovenhut of verdek (op een schip).

Kampen \N, G. van)y 1776-18.38, Haarlem. I.etter-, geschied- en oudheidkundige.

Icamperfoclic. v. Plant (lonicera cnprtfoliuni) met fraaie en aangenaam riekende bloemen. Behoort tot de slingerplanten. — Kamper foe Heat h tig, bn — Kamperfoeliebloemt v. (-en). — Kamper-foelieplant, v. (-en).

]iauiperit4»e1ie, v. (-s). Een eetbare paddenstoel {agaricus campfst*is) • Behoort tot de zwammen. — Kampe*-noclie-bed, o. (-den). Mestbed. waarop men pad denstoelen teelt. — Kamp^rnetdlesteen, m. (-en). Sponsvormige versteening.

kampersteur, ra. Hatde eieren met -mostaard.

]£amigt;ioen, ra. (-en). Voorvechter. Verdediger. Held.

Izamrad, o. (-eren). Rad mot kammen, die in een rondsel grijpen. — Kn.*n%chflp, v. (-en). Kararaossel. — Kamnhflpdier, o, (-en). — Kamselt o. Karabaar. — Kam slager, ra. (-s). — Kantsteen, m ( en). Versteende kararaossel. — Ka vu te* v. (-ren). Een stekelhuidig straaldier. — Kam-jfmquot;g, v. (-en).

kamuls, bn. Plat, platgedrukt (van .den neus).

kamuls, kamuisle(d)er, o. Zie Karaoes.

kamvorml^, bn. •Vla.tcnk..]Aamt/cr-rntge bladeren. — Kavnvie', o t-enj. Kararad. — Kn 111:1 nl, v. Fijnste kaardwoi kan, v. (-nen). Vaatwerk voor vloeisu i Inhoudsmaat voor vochten. Kruik eene kan bier. De kan aanspreken : dunken. Te diep in de kan kijken.

banaal, o. (..alen). Vaart. Gegraven waterweg, waterleiding, gracht. Zeeëngte iri het groot: het Noorder-kanaal. Inz het Kanaal : zeeengte tusschen Engeland en Frankrijk. Uit eon goed kanaal, uit eene goede bron iets weten. — Kanaalhoojd, o. (-en). — Kaïiaalsluis, v. (..zen). — Ka-nadivisscher,ixi. (-s). Vaartuig, waarmede men in het Kanaal vischt. — Kanalhee-ren, bw. kanaliseerde, heeft gekanaliseerd. Vaarten aanleggen. Bevaarbaar maken. — Kanalisatie, v.

kanalje. Zie Canaille. — Kanalje-,achtig,hn.

kanarie, ra. (-s). Vogel (fritigilla panaria) tot de zangvogels behoofende. Is

3 — KANG

oorspronkelijk van de Kanarische eilanden, maar reeds vóór eeuwen naar Europa overgevoerd. — Kanarieboom, ra. (-en). Olio-en harsrijke boom op de Mo lukken, uit welks vruchten men een smakelijk amandelbrood bereidt. — Kanariegeel, bn. — Kanariegras, o. Kanariezaad. — Kana-riekooi, v. (-en). — Kanarieolie, v. Olie uit kanariezaad. —Kanariesek, v. Kanariewijn. — Ka nar ie su iker, v. — Kanarievogel, ra. (-s). Kanarie. — Kanarie-vlucht, v. (-en). Vogeltil voor kanarieyo-gals. — Kanariewyn, ra. Zoete, krachtige wijn van de Kanarische eilanden. — Kanariezaad, o. (..aden), 't Gewone voedsel der kanarievogels {phalaris canariensis), Eene grassoort vau de Kanarische eilanden. Wordt bij ons veel gekweekt.

kanaster. Zie Knaster.

kandeel, v. Warme dr^nk, bereid uit melk of wijn met dooiers van eieren, suiker en kaneel. — Kanneelkom, v. (-men). — Kandeelmaal, o. (..alen). — Kandeelpot, ra. ( ten) —Kandeelwifn, m.

kandelaar, ra. (..aren, -s). Kaars-, lichtdrager. Het licht staat op den kandelaar de waarheid blinkt overal. — Kandelaarsdopje, o. ( s), kandc[aarshoedje, o. (s). — Kandelaar spy p, v. (-en). — Kandelaren, bw. kandelaarde, heeft ge-k;indclaard. Eenen boom kandelaren : de takken er van afkappen, niet tot tegen den stam, maar tot eenen voet of twee van den stam.

kandQ. v. Gekristalliseerde suiker, ge-woonlijk klonijes genoemd. —Kandypot, m (-ten). — Kandysiroop, kandnstroop, v — Kandijsuiker, v. — Kandij vat, o. {•en)

kaneel, v. en o*. Aromatische zelfstandigheid, die voor huishoudelijk en ge-rceskundig gebruik gebezigd wordt, 't Is de bast van een Ceylonscbi-n boom ilaurus lt; tnnomomum), v:e\kG sedert jarr;n ook te Java wordt geteeld. — Kaneelappel, m. \-s, er) Appel met eenen kaneelgeur.— hantf Ibast, ra. — Kaneelb/oem, v. (-en),

— Kn net ibloesem, m. (-s). — Kaneelboom, ra (-en). — Kaneelbruin, bn. — Kaneel' jramlooSi v. (..zen). — Kaneelgeur,ra.—• A'anrf incut, o. — Ka nee lig, bn. — Ka-nrtIftlfugt;■, v. — Kaneelkleurig, bn. — Kanfflkxek;e, o. (-s). Zekere vogelspijs.

— Kane*llauner, ra. (-en). — Kaneel-oiie, v. — K anee lp eer, v. (..eren). Peer mei eenen kaneelgeur. — Kaneelpyp, y, « en) —Kaneelreuk, ra. — Kaneelroos, v (. ozen). Roos raet eenen kaneelgeur. — Kaneelsmaak, ra. — Kaneelsteen, m. ( en) Een olijfgroen ol bruin edelgesteente,

— Kaneelstok, ra. (-ken). — Kaneelsut-ker, v. — Kaneelvoer, o. Mengsel van kaneel, suiker en reigermerg. — Kaneel-iv af el, v. (-s, -en). — Kaneelvoater, o. Water, op kaneel getrokken. — Kaneel-n yn, ra. Wijn met kaneel vermengd.

kunet'as, o. (-sen). Zekere katoenen stof. Ruw lijnwaad. Schets, ontwerp.

kan en brood, o. Btood, waarin kanen gebakken zijn. —Kanenlcoek, ra. (-en).

kan£-oero«N v. (-s). Behoort tot de buildeldieren. Komt voor op Nieuw-Hol-


ocr page 353

— 3i7 —

KANO

KANT

land, TaSmanië, enz. Hééft zeer korte voor-pooten en zeer lange achterpooten. Zijn Staart is sterk gespieid, dicht bij den romp *eer dik en voorts zeer lang.

kauiN, v. (-smigt;. Bedekte vischkorf om den gevangen visch levend te behouden.

kanker, m. Woekervormsel of gezwel op eene of andere plaats van bet lichaam, dat zich voedt ten koste van de weefsels, waarin het ontstaat en die het vernietigt. De nijd is een kanker, die het hart doorknaagt. — Kankerachtig, bn. — Kankerbloem, v. (-en). Zie Klaproos. — Kankeren, ow. kankerde, is gekankerd. In-, wegvreten (door den kanker). Zich verspreiden (van kwaad). — Kankergezwel, o. (-len).

knnnobcrfir, v. Moerasplant {vacct-nium oxycoccus), waaraan eene eetbare roode bes groeit.

kstnneiceluk, o. Onderste uit de kan. kannlt;gt;klt;'nMlirui«1, o. Plant («^/te«-ihes distillatorid) in Indië en Madagascar. Heeft aan het uiteinde van hare hecht-rankjes een kruikje, dat vol water staat.

knnnelid, o. Vast deksel eener kan of *ruik.

knnnc^vasftclicr, m. ( s). Ruig werktuig om flesschen enz. van binnen te was-schen. (Plantenk.) Volksnaam van de lischdodde.

kannibaal, m. (..alen). Menschen-eter.

kanon, o. (-nen). Stuk geschut.—Ka-----

,,

Kanon.

a. Kulas, hroeksiuk. h. AJfttti. c. 7ap, ook oor genoemd, d. Mondstuk, e. Handspaak. f. Rrrhtstaand s/el- of poinieer-schroef. g. Remketting, h. Staart van het affuit. 1. Wisse her.

nonbank, v. (-en). — Kanonbedding, v. (-en). Batterij. — Kanonboor, v. (..oren).

— Kanonboor dery, v. (-en). — Kanonfries, v. (..zen). — Aanongebulder, o. — Kanonmetaal, o. — Kano*meter, rn. (-s).

— Kanonnade, v. (-s). Kanonvuur. Beschieting met kanon. — Kanonneerboot, v. (-en). — Kanonneer brik, v. (-ken). — Kanonneer galjoot, v. (..oten). — Kanon-neersloep, v. (-en). — Kanonneer en, bw. kanonneerde, heeft gekanonneerd. Met kanonnen beschieten. — Kanonneering, v. (-en). — Kanonnenkoorts, v. (-en). (In den oorlog) Koorts van benauwdheid. — Kanonnier, m. (-s). Soldaat, die het geschut bedient. — Kanonnierskazet 71e, v. (quot;D). —Kanonpairoontasch,v. (..asschen).

— Kanonreep, m. (-en). — Kanonsbal, ni. (-len). — Kanonschot, o. (-en}. — Kanonskogel, m. (-s). — Kanonskruit, o. —• Kanonspijs, o. Kanonmetaal. — Kanon» stelling, v. — Kanonvuur, o. — Kanon-wagen, m. (-s).

kan», v. (-en). Gelegenheid. UitzichtT-op voor- of nadeel. — Kansbiljet, o. (-ten).

— Kansrekening, v. (-en). — Kansspel, o. -(-en).—Kansspeler, m. (-sgt;.

kansel, m. (-s). Preek-, predikstoel. Den kansel voor het zwaard verwisselen.

— Kanselrede, v.^ (-n). — Kanselredenaar, m. (-s). — Kanselstijl, m. — Kan-se It a al, v. — Kanseluitdrukking, v. (-en).

— Kanselwelsprekendheid% v.

kanselarU, v. (-en). Plaats, waar do

zegels bewaard worden en waar men registreert. — Kansela rijstijl, m. — Kanselarijtaal, v. — Kanselier, m. ( s, -en). Opzichter, hoofd eener kanselarij. (Middel.) Hofbeambte, den Paltsgraaf volgende in waardigheid. (Voor 17891 Minister van justitie. Voornaamste van alle raadsheeren des konings (thans nog in Duitschland). De kanselier van de schatkist: de minister van financiën (Engeland). Staats-kanselior: eerste minister (Rusland). Rijks-kanselier : eerste staatsdienaar (Oostenrijk).

kant, v. (-en). Speldenwerk. Zeer fijn

naaldenwerk. — Kantboordsel, o. (-s)._

Kanten, bn. — Kantendoos, v. (..zen)._

Kantklopper, m. (-s). — Rantktopsier, v. (-s). — Kantkooper, m. (-s). — Kantkoopster, v. (-s). — Kantkussen, o. (-s). _

Kantmaakster, v. (-s). — Kantniakerr m. (-s). —Kantnaald, v. (-en). — Kanf* steek, m. (..eken). — Kantstopsteri v ' s\

— Kantwerk, o. {-**)■ — KariiwA-ker', m. (-s). — Kantwerkschool. v ( — Kantwerkster, v. (-s).

kant, m. (-en). Scherpe zijde : de kanten van eenen steen. Rand ; op den karrt-der gracht. Oord : hij is „aar aXekS Tortrokken. ten kant brood : een dik stuk brood. Aan den kant van honderd frank • omstreeks honderd frank. lem. van kant maken, ombrengen. — Kant, bn. biiw. Scherpzijdig. (Zeew.) Gespannen : de zei-en kant zetten. Vaatsch : die wijn smaakt kant. Gereed : alles is kant en klaar. Lief • dat staat kant. — * antbeitel, m (.S) _1 Kantelen, kantelde, heeft en is trekan-teld Bw. Op den kant zetten. Ow. (zijn) Omvallen. — Kanteling, y. — Kanten, bw. kantte, heeft gekant Ee nen kant maken (aan) : eenen 'steen kanten. Zich kanten, ww. Zich tegen iets kanten : er zich tegen verzetten. — Kont-hout, o. (-en). Gezaagde balken, platen en krommers.— Kanthouwen, bw. ow kant-houwde, heeft grkanthouwd. Met scherpe zijden houwen. Goed vierkant houwen — Kanthouwer, m. (-s). — Kantig, bn. bijw Hoekjg scherp b houwen. Vaatsch (van wijn). Beschimmeld. Kortsig. — Kantig-Kantje, o. (rS). Kleine zijde 01 rand. Zeer smalle kant. — Kantjes, bijw. Lief, netjes. — Kantshaak, m. (..aken)! Dreg. IJzeren haak, om lichamen, welke men kantelen wil, aan een anderen kant aan te grijpen. — Kantspier, v. (-en). — Kantsteen, m. (-en). — Kantteekeniug, v. (-en). Aanteekening op de zijde van oen


ocr page 354

Rantzramp;il.

-v. (-en). Veelvlak, begrensd door twee evenwijdige eindvlakken (grondvlakken of basissen) en door zijvlakken, die parallelo-gramrnen zijn. Is drie-, vierhoekig, enz. volgens dat het eindvlak drie-, vierhoekig is, enz. Rechte kantzuil : kantzuil waarvan de zijvlakken parallelogram men en tevens rechthoeken zijn : de balk is een rechte kantzuil. — Kafit(zutOvrucht, v. ( en). Het spiegelvormend klokje : campanula sp eculum.

Ksint {E.), 1724-1804, Königsberg. Duitsch idealistisch wijsgeer.

kanteel, m. (-en). (Sliddel.) Schietgat, getande opening in de vestingmuren, om er de tromp van het geweer door te steken en op den vijand te schieten. Getand metselwerk op oude stads- en burchtmuren. — Kanieelen, bw. kanteelde, heeft gekan-teeld. Van kanteelen voorzien. Uittanden. Uitkepen. — Kanteelig, bn. bijw. — Kan-teeling, v. (-en). Kanteel.

bantcloei», v. (-en). Zekere meloen met uitstekende zijden of knobbels.

tcanterliuaN, v. (..azen). Komijnekaas.

banteratok, m. (-ken). (Zeew.) Helmstok.

kanton, o. (-s). Onderverdeeling van een arrondissement, bevattende eenige gemeenten en eene noofdplaats, waar een gsrecht is \an enkele politie. — Kantongerecht, o. ( en). — Kantonnaal, bn. — Kantonre/ hter, m. (-s). Vrederechter.

kanfoiino«gt;ron, bw. kantonneerde, heeft gekautonneerd. Inlegeren.—

nement, o. (-en). Plaats, waar soldaten gelegerd zijn.

kantoor, o. (..oren). Schrijfvertrek. Handelshuis. Factorij, nederzetting. — Kantooralmanak, m. (-ken). — Kantoorbediende, m. ( n). — Kantoorbehoeften, v. mv, — Kantoorboek, o. en m. (-en). — Kantoorhnnd, v. Fraaie schrijfhand. — Kantoorinkt, m. — Kantoorjongen, m. (-s). — Kan/oorkamer, v. (-s). — Kantoorklerk, m. (-en). — Kantoor klok, v. (-ken). — Kantoorknecht, m. (-s, -en). — Kantoorlessenaar, m. (-s). — Kantoorlonper, m. (-s). — Kanto^rpen, v. (-nen). — Kantoorpers, v. (-en). — Kantoorschei, v. (-len). — Kantoor schrijver, m. (-s). — Kantoorwerk, o. (-en).

KANT — i

— Kanlvtsschery, v. — Kantzuil,

I — KAPG

kanunnik, m. (-en). Koorheer. In de IV» eeuw begonnen de bisschoppen samen te wonen met hunne priesters. Deze kregen den naam van kanunniken, omdat zij in dem canon (regel, lijst) der Kerk ingesenre-ven waren en een zekeren levensregel volgden. In de VUT® eeuw, varen zij, om zoo te zeggen, algemeen in de Kerk. Er zijn reguliere en seculiere kanunniken. De reguliere, wonen samen volgen den regel van den h. Augustinus. De Premonstratenzers zijn reguliere kanunniken. De seculiere zijn of eerekanunniken of kanunniken' titularis. De eerekanunnik is een eerbeambte der Kerk. De kanunnik-titularis wordt door den bisschop genoemd en door de regeering aanvaard. In een aartsbisdom zijn negen, in een gewoon bisdom, acht kanunniken-titularis. — Kanunnikenbank, v. (-en). — Kanunnikplaats, v. (-en).

kaolin, o. Porseleinaarde.

kap, v. (-pen). Dek, dekking. Hoofdbekleedsel. Bovendeel, kruin. Dakkoepel (van een gebouw). Kuif eens vogels. Een hoofddeksel van vrouwen. Hetaangenaaide hoofddeksel van eenen vrouwenmantel. Mantel : zijne kap aandoen. Gewaad van zekere aanzienlijke personen : iem. met de kap promoveeren. De kap over de haag smijten : den monnikenstand verlaten, een beroep vaarwel zeggen. Zij zitten allen op zijne kap : zij hebben 'tallen op hem gemunt. Hij zal op zijne kap hebben : hij zal er van hebben.— Kapgebint, o. (-en). — Kapgewelf, o. (..ven). — Kapsjees, v. (..zen). — Kapspatit, o. (-en). — Kapwa-gen, m. (-s). Rijtuitr met eene kap. — Kap-zvnlf, o. (. ven). Kapgewelf.

ksiigt;beitcl, m. (-s). Groote beitel. — Kapblok, o. en m. (-ken). — Kapbord, o. (-en). — Kapd'ws, v. (..zen). Doos tot berging der benoodigheden aan de kaptafel. — Kaphamer, m. (-s). Steenhouwershamer.

— Kapmes, o. (-sen). Hakmes. Gij zult van 't kapmes hebben : men zal u doorhalen.

kapel, v. ( len). Vlinder.

kapel, v. (-len). Helm van den distilleerketel.

kapel, v. (-len). Kleine kerk. Afgesloten plaats in eene kerk. Plaats, in aanzienlijke huizen, waar de mis wordt gecelebreerd. Huisje aan boomen of woningen vastgemaakt en het beeld eens heiligen bevattende. Korps muzikanten (bij eenen vorst).

— Kapelaan, m. (..anen). Hulppriester. — Kapelaanschap, o. — Kappelletje, o. (-s). Kleine kapel. Vlindertje. Kleine herberg.

— Kapelmeester, m. (-s). Directeur van eene vo stelijke kapel. Muziekmeester in eene kerk. — Kapelmuztek, v. en o. Kerkmuziek. — Kap eivormig, bn. Vlindervor-mig.

kapen, bw. kaapte, heeft gekaapt. Stelen, rooven. Zeeroof plegen. Behendig wegnemen. — Kaper, m. (-s). Die kaapt. Zee-roover, vrijbuiter. Kaperschip. — Kaper-briej, m. (..ven). — Kaper gast, m. (-en). Matroos op een kaperschip. — Kaperkapitein, m. (-s). — Kaperschip, o. (..epen).

kaper, v. (-s). Soort van vrouwenmuts.

kapgrana, v. (..zen). Zekere gans van Nieuw-Holland.


ocr page 355

KAPO — 3

kapitaal,o. (..alen). Hoofdsom.Geldsom. Èen man van kapitaal : een vermogend man. —KapitaaIsbelegging, v. (-en).

— Kapitaalsrekening, v. (-en). — Kapi-faalsi'erhnoging, v. (-en). — Kapitaalsverzekering, v. (-en). — Kapitaliseer en, bw. kapitaliseerde, heeft gekapitaliseerd. Eene rente voor kapitaal afkoopen. Ook, verzilveren. —Kapitalist, m. (-en). Geldbezitter. Rijk mensch.

kapitaal, v. (..alen). (Vest.) Hoofdlinie van een bolwerk.

kapitaal, bn. Voornaam, hoofdzakelijk, gewichtig, belangrijk. Zeer schoon of goed. Kapitale zaak : hoofdzaak, belangrijke zaak. Kapitale letter : hoofdletter. Kapitaal huis : prachtig, welgelegen huis.

kapiteel, o. (-en). (Bouwk.) Bovendeel eener zuil.

kapitein, m. (-s). Aanvoerder eener compagnie (zie Leger). Ritmeester bij de ruiterij. Gezagvoerder op een oorlogsschip. Hoofdman eener rooversbende. — Kapitein-adjudant, m. (kapiteins-adjudanten).

— Kapitein -generaal, m. (kapiteins-generaal). — Kapitein-geweldiger, m. (kapiteins-geweldiger) . — Kapitein • ingenieur, m. (kapiteins-ingenieurs). — Kapi-iein-k-w artier meester, m. (kapiteins-kwartiermeesters, kapitein-kwartiermeesters).— Kapilein-lu ite nanl, m. (kapitein-luitenants). — Kapiteinschap, o. — Kapiteins-plaats, v. (-en). — Kapiteinsrang, m. — Kapiteinsuniform^, ( en).

Kapitool, o. Vesting van het oude Rome. Tempel aan Jupiter toegewijd. —

— Kapitohjnsch, bn.

kapitorie, o. (-s). Losse omslag om den band van een boek.

kapittel, o ( s, -en). Hoofdstuk: een kapittel uit den Bijbel. Het college der kanunniken (Eert. werd bij hunne vereeni-ging een kapittel uit den Bijbel of uit hunnen regel voorgelezen). De aartsdiaken is de i®, de aartspriester de 2° en de cantor de 3quot; in waardigheid. Veiders moet er in ieder kapittel een theologaal en een peni-tentianus zijn. Plaats, waar het kapittel samenkomt. Stem in het kapittel hebben : over eene zaak mogen medespreken. — Kapitteldag, m. (-en). Vergadering van het kapittel. — Kapittelen, bw. kapittelde, heeft gekapitteld. Scherp bekijven. —Ka-pitte Iheer, m. (-en). — Kapittelsgewys, „gewijze, bijw. —Kapittelstok, m. (-ken). Metalen oi houten stokje, dat als bladaanwijzer wordt gebruikt. Gouden staafje, tot vastmaking van een halssnoer, enz. Stokje, met eene suikerlaag bedekt, dat op taarten, enz. gestoken wordt.

kapje, o. (-s). Kleine kap. Samentrek-kingsteeken. — Kapkamer, v. (-s) Kamer, waar men zich het hoofdhaar laat tooien.

— Kaplaken, o. (-s). (Eigenl.) Het noo-dige om eene nieuwe lakensche kap te koopen. Voordeel oi premie, welke den schipper bovi n de vracht betaald wordt. — Kapmantel, m. (-s). Lakensche vrouwenmantel met eene kap.

kapoen, m. (-en). Gesneden haan. Guit, deugniet. — Kapoeneborst, v. (-en).

— Kapoenen, bw. kapoende, heeft geka-

) — KAPR

poend. — Kapoe tien streek, m. (..eken). Guitenstreek. — Kapoenschotel, m. (-s). kapoeta(miit»). Zie Kapuitsmuts. kapok, v. Soort van fijne boomwol voor watten, uit Oost-Indië, Java, enz.

kstpoot, v. (..oten). Wapenrok. Mantel (vanpriesters). Kapot.

kapot, v. (-ten). Regenmantel met kap Soldatenoverjas. Mijnwerkerskap. — Ka-polj'as, v. (-sen). Soldatenjas. Schansloo-per.

kapot, bn. Aan stukken, gebroken : het glas viel kapot. Gescheurd : zijne broek is kapot. Versleten : het haakje van mijn horloge is kapot. Met gaten in : zijne schoenen zijn kapot. Dood : het paard is kapot. (Kaartsp.) lem. kapot spelen : alle slagen nalen. — Kapotgaan, ow. ging kapot, is kapotgegaan. Doodgaan.

kappelen, ow. kappelde, isgekappeld. Schiften, zuur worden (van melk;. — Kap-peling, v.

kappelingrcn, m. mv. Spaanders, kappen, bw. kapte, heeft gekapt. Vollen, omhouwen, omhakken : hoornen kappen, den mast, eenen kabel kappen. (Hoornen) snoeien. In de vruchten kappen : hot onkruid uitkappen met het houweel. Hakken : koek kappen. Fijn hakken : kool kappen. Bargoensch kappen, praten. (Toon.) Een stuk, eene rol kappen, er veel uitlaten. Ow. Op iem. of iets kappen, aanmerkn.gan maken. Het hoofdhaar tooien,opmaken.Een woord kappen, er een samentrekkingst^e-ken op zetten. — Kappen, o. Het beroep der kappers. Ook, het vellen. — Kappen-maker, ra. (-s). — Kappenmaakster, v. (-s). — Kappen zetter, ra. (-s).— Kapper, m. (-s). Die het beroep van kappen uitoefent. Die het onkruid uitkapt. — Kappers-winkel, ra. (-s). — Kapping, v. (-en). Het kappen. — Kapsel, o. (-s). Wijze van kappen. Hoofdtooisel der vrouwen. Gehakt vleesch. —Kapspiegel, ra. (-s). Toiletspiegel.— Kapstander, m. (-s). Houten hoofd (der pruikenmakers). — Kapster, v. (-s). — Kapstok, ra. (-ken). Mantelstok (ora er kleedingstukken aan te hangen). — Kap-tajel, v. (-s). Toilettafel.

kapper, m. (-s). Vierde gedeelte van eenen liter.

kapper, v. (-s). Bloemknop van den kapperboom. — Kapperboom, kapperstruik, m. (-en). Zuid-Enropeesche heester {capparis spinosa), welks bloemknoppen als toespijs worden gebruikt. — Kapper-doos, v. (..zen). — Kapperpot, m. \ ten). — Kappersaus, v. (-enj. — Kappertjeskool, v. (-en). Sluitkool.

kappertje, o. (-s). Kleine kapper. Duif met een kuifje.

kapraaf, kaprave, v. (..aven), (Bouwk.) Dakspar.

kaproen, kapruin, v. (-en). Kap, hoofddeksel. Neuspranger (voor paarden). Twee hoofden onder éene kaproen : twee menschen van dezelfde gevoelens. De witte Kaproenen, ra. mv. Loilewijtc van Male gaf een steekspel (1379). De uitgaven zouden gedekt worden door Gent; doch de stad weigerde. Brugge, op voorwaarde dat het water der Leie van Deinze naar Bruggo


ocr page 356

— 32° —

KARÉ

KARD

tou afgeleid worden, wilde het geld opbrengen. Gent kwam in oproer. Jan Yoens nam het bevel over de strijdbare mannen, die tot herkenninKsteeken met eene witte kaproen het hoofd omhulden. De Bruggelingen, reeds .aan 't graven, werden omgebracht of op de vlucht gedreven.

kap*»lt;gt;izcn (kapseisen, kopseisen).jow. kapseisde, heeft gekapseisd. (Zeew.) Kenteren. Omslaan.

kn|»iilt;*U»gt; ni. (-en). Zie Minderbroeder. — Kapucynbloem-, v. (-en). Oostin-dische kers. — Kapticifne, v. (-n), kapu-cynernoH, v. (-nen). — Kapncynetiklros-ter, o (-s). — Kapucijner, m, (-s). Kapucijn. Ook, eene soort van erwt. — Kapucij' nermnnnik, m (-en).

, v. (-eti)i Bonten muts. Grenadier smuts. Monniks-, nonnen-kap.

kar, v. (-ren).Voeituig met twee wielen. karsi:tU, kraak, v. (..aken). Oud

Portu^eesch schip.

karaat, o. (..aten, -s). Klein gewicht om goud en edelgesteenten te wegen, van twaalf grein voor het goud, van vier grein Voor de gesteenten,

karsihijn, v. Licht vuurroer. Geweer der ruiterij. — Karabynhaak, m. (..aken).

— Karabynschoeto, m._(-rn). (Aan de rui-terszadels). — Karabi/nschot, o. (-en). — I^arnbiniei', m. (-en, -s). Zekere soldaat.

karaf, kraf, v. (-fen). Tafelflesch, karakter, o. (-s). Letter, drukletter, boekstaaf, schriftletter. Aard, inborst, gemoed : hij heeft een goed karakter. Uitdrukking : er is veel karakter m dat beeld. Eigenschap, kenmerk, hoedanigheid. — Karakterdans, m. (-en). — Kar a kt er i-see? en, hw. karakteriseerde, heeft gekarakteriseerd. Kenmerken. Kenschetsen. — Karakteristiek, bn. bijw. Kenmerkend. Kenschetsend. Eigenaardig. — Karakteristiek, v. Het eigenaardige. — Karakterkunde, v. — Karakterloos, bn. bijw. Zonder karakter of eergevoel. — Karakterloosheid, v. — Karaktermatig, bn. bijw. Overeenkomstig het karakter. — Ka7-ak-terschets, v. (-en). — Karakterschildering, v. (-en). —Karaktertrek, m. (-ken). Kenmerkend teeken van iemands karakter.

karavaan, v. ( .anen). Reizend gezelschap. — Karavaanthee, v. Soort van zeer gezochte thee uit China, die door handelskaravanen tot ons is gebracht, karbats, v. ( en). Karwats.

karbcel, m. (-s, -en). (Timra.)^Steunlat. Intrekeepte balk ter ondersteuning van een anderen balk.

karbon ado, v. (-s, -n). Dunne schijf gebraden vleesch.

karbonkel, o. (stofnaam^; m. (-en, -s) isteen). Hoogroode robijn. Roode puist in 't aangezicht. — Karbonkelneus, m. (..zen). Roode neus. Jeneverneus. — Karbonkelsteen, ra. (-en).

kardeel, o. (-en). (Zeew). Hijschtouw.

— Kardeelblok, o. en ra. (-ken). Gestropt blok niet drie schijven, waar het kardeel doorgaat.

kardeel, o. (-s). Vierendeel. Spekton (bij de walvischvangst). Traanvat. Traan--flesch.

kardemom, v. Geurige Obstlndische plant. De zaadkorrels dezer plant. Likeur, daarmede gestookt.

kardinaal, m. (..alen). De kardinalen bekleeden den in graad van waardigheid na den Paus in de h. Kerk. Zijn zeventig in getal en maken te zamen het h. college van den Paus uit. — Kardinaal-bisschop, ra. (-pen'. Er zijn zes kardinaal-bisschoppen. — Kardinaal-diaken, m. (-s). Er zijn veertien kardinaal-diakens. — Kardinaal-priester, ra. (-s). Er iijti \lijftig kardinaal priesters. — Kardinaalschap, o. —' Kardinaalshoed, va. (-en). — Kardinaals--mantel, ra. (-s). — Kardinaalsmuts, v, (-en).

kardinaal, m. (..alen). Virginische nachtegaal {loxia cardinal is).

kardinaal, v. Drank, bereid uit witten wijn, oranjeappelen en suiker.

kardoen, v. (..zen). Buisje met buskruit gevuld (tot lading van een geweer, enz.). (Timm.) Houten steunklamp. Ingepakt rolletje van een, twee frank. enz. — Kardoesdoos, v. (..zen). — Kardoeskist, v, (-en). — Kardoesgaren, o. (-s). —Kardoesklopper, ra. (-«). — Kardoeskoker, ra. (-s). — Kardoeskop, ra. ( pen). — A'trr-doeskrop, m. (-pen). — Kardoesnaald, v. (-en). — Kardoespapier, o. — Ka does-rol, v. (-len). — Kardoesscherp, kardoes-schroot, o. — Kardoesstok, ra. (-ken). Vorm tot kardoezen. — Kardoestasch, v-(..sschen). — Kardoeszak, ra. (-ken), kardoes, ra. (..zen). Poedelhond, kareel, ra. (-en), kareelateen, ra. (-en). Gebakken steen. Tichelsteen. — Ka-ree 1st eenhakker, ra. (-s). — Kar e eiste en-ba kkery, v. Het bakken van kareel-steenen. (-en) Fabriek van kareelstee-

nen* tr t •

karekiet. Zie Karkiet.

Karei. — Karei Martel (690-741)^ Groot hofmeester. Versloeg de Friezen.

Overwon de Saksers. Bedwong de Duit-schers. Zie Abderrah-man. — Karei de Groote (742 -814) * Franksche vorst en keizer van het Westen. Uitmuntend wetgever en krijgsman. Bestreed de Saksers gedurende 33 jaar, dwong hen het heidendom af te zweren en voerde 10,000 hunner familiën in Brabant en Vestigde de tijdelijke _______Verzekerde de zegepraal van het christendom in Germanic. Beschermde handel en kunsten. Werd keizer gekroond (800). — Karei ^(1500-1558), Gent. Keizer van Duitschland, vorst van Spanje en koning der beide Siciliën. Versloeg meermalen Frans I, koning van Frankrijk. Bemachtigde Tunis. Hechtte Groningen, Drente, Overijsel en Utrecht aan zijne kroon. Dempte 'den oproer der

Karei Martel. Vlaanderen over. macht der Pausen.


ocr page 357

Baafskerli (Gent).

ocr page 358

.

ocr page 359

KARK — 3

Gentenaren. Behaalde de zege bij Muhl-berg op de Protestanten van Duitschland.

Karei dc Groote.

Stond zijne Staten af aan zijnen zoon, Fi-lip 11 (1555). — Karei van Denemarken

(iiTQ-1127). Graaf van Vlaanderen. Weigerde de Icroon van Jeruzalem (1124) en die van Duitschland {1125). Deed gedurende eenen hongersnood de graanzolders opensluiten en was streng in het handhaven van het recht. Het volk noemde hem Karei den Goede. De Erembouten zwoeren zijnen or.dt-rgang. Werd vermoord door Bos-saerd te Brugge (1127^. Is gelukzalig verklaard. — Ka» el de Stoute. Hertog van Burgondië. Door aankoop en veroveringen breidde hij zijne Staten uit. Dwong de Gentenaren tot onderwerping. Versloeg de Luikenaren te Brusthem (1467) en vernielde hunne stad. Verloor tegen de Zwitsers de veldslagen van Granson en Morat en sneu\ elde bij 't beleg van Nancy (1477).

ICsirolroiiiaii. Zie Roman.

liarig:, bn. bijw. Gierig. Zuinig, inhalig. .Misdeeld. Gering, weinig. — Karigheid, v.

knrnsiat, v. (..aten). Aalmoes. Gift. Liefdegift.

Karkant, m. (-en). Halssnoer vanedel-gev.fenten.

Jkai-kaa, v. (-sen). Geraamte, rif, romp.

KA.RO

Koper- of ijzerdraad met garen omwoeld. — Karkasdraad, in. (..aden).

Karei de Stoute.

Karkiet, m. (-en). Vogel, tot de riet-xangers behoorende.

karlQntJe. Zie Karolijntje. Karmeliet, m. (-en). Monnik, tot de orde van den Carmel behoorende. Deze orde, op den Carmel gesticLtdoor Berthold van Calabrië (1156), en, naar het gevoelen dt-r monniken door den pro eet Elias, wt-rd overgebracht te Valenciennes in Frankrijk door Petrus de Corbie en zijnen gezel (1235).

— Karmelietenkleasier^ o. (-s). — Kar m e lie term onnik, m. (-en). — Karmelieter non, v. (-nen).

liariucnade, v. (-s). Karbonade. karmUni o- Hoogroode verf. — Karmijnen, bw. karmijnde, heeft gekarmijnd. In of met karmijn verven. — Karmijn inkt, m- — Karvii/nrood, o.

karmozUu, o. Soort van purperverf. Hoogroode kleur. —Karmozynrn, bn. — Karmozijnrood, o. — Karmozynstof, v. — Karmoz'inzijde, v.

kar», v. (-en). Soort van kuip, tot bereiding van boter. — Karnemelk, v. Melk, waaraan door het karnen de boterdeelen zijn ontnomen. — Karnemelksbry, v. — Karnemelkspap, v. — Karnen, karnde, heeft gekarna Bw. De boterdeelen van de melk scheiden. Ow. Schiften. Zuur worden.

— Karnhond, m. (-en). — Karnhuis, o. (..zen).—Karnmolen, m. (-s). — Karn-pols, m. (-en). — Karnstok, m. (-ken). — Karntril, m. (-len). — Karnvat, o. (-en).

karuoflelcn, bw. karnoffelde, heeft gekarnoffeld. Met stokken of vuisten slaan, karolfiutjo, o. ( s). Vrouwenkapje, karonje, v. (-s). Slechte vrouw, karot», v. (-sen). Koets. Staatsiewagen,


ocr page 360

KART — 3:

— Ko ross enge ld, o. (Oudt.) Rijtuigenbe-lastinj;.

lisirot, v. ( ten). Wortel. Tabakrol. lem. crne karot trekken, op slimme wijze iets aftroggelen. — Karotienfabriek, v. (-en). — Ka rotte nfabrikan t, m. (-en). — Karottenhok, o. (-ken). — Karottentoiiw, o. (-en). — Karottentrekker, m. (-s). Ka-rotte nfabrikant. Fopper. —Karoitentrck-kery, v. (-en).

kstrpd*, m. (-s). De karpers maken eene familie uit, waartoe meer dan 400

Karper.

soorten behooren Leven in de zoete waters van Europa en Azië. De gewone karper {cyPrinus ca*pio) wordt meer dan 0,50 met. lang. Is taai van leven en zeer smakelijk. — Karpergehak, o. — Kaï'perge-slacht, o. — Karpersoep, v. (-en). — Kar-perschotel, m. (-s). — Karpersprong, m. (-en). Zekere sprong, dien de potsenmakkers, plat op den buik liggende, uitvoeren.

bsamp;rpcl, o. (-ten). Klein vloerkleed.— Karpet dra den, m. mv. — Karpctrand, m. ( en). — Karpetstof, v. (-fen). — Kar-pettcn fabriek, v. (-en).

karpoets mats), v. (-en). Zie Ka-puits'muts).

ICarr (y. R. A.), 1808-1890, Parijs. Letterkundige. Le^ Guêpes (maandblad); Soul les 7V//lt;fw/5 (roman); Geneviève {xovaamp;a).

learrebnk, m. (-ken). Bak van eene kar. — Karreboom, m. (-en). Dissel. — Karre^njfster, v. (-s). — Karredrijver, m. (-s). — Karrekleed, o. (-en). — Kar re-knecht, ra. (-s). Knecht, die met de kar rijdt. — Karrelichter, m. (-s). Dissel-boomriem. — Karreman, m. (..lieden, ..lui). Ascb ophaler aan de huizen. — Kar-repaard, o. (-en). —Karretuig, o. (-en).

— Karrevracht, v. (-en). Zooveel als men op eene kar laden kan. — Karreweg, m. (-en).

barrelcn, ow. karrelde, is gekarreld. Schiften. — Karrelig, bn. Licht schiftend.

karsaai, o. (-en). Soort van wollen stof cl grof gekeperd laken. — Karsaaien, bn.

— Karsaaiwever, m. (-s). — Karsaaivue-very, v. (-en).

karstcllnsr, m. (-en). Soort van luchtig gebak.

kartel, m. (-s). Kerf. Ke®p. — Kartel-darnt, m. (-en). Kronkeldarm. — Kartelen, kartelde, heeft en is gekarteld. Bw. Rondom den rand insnijden. Ow. (zgn) Schiften (van melk). Kronkelen. Haperen. Misloopen. — Kartelig, bn. Gekarteld, met kepen. Licht schiftend, geschift. — Karteligheid, v. — Karteling, v. (-en), kartets, v. (-en). Bus gevuld metijze-

I — KASb

ren kogels, die uit kanonnen en houwitsers wordt geschoten. — Kartetskogel, m. (-s).

— Kartetsschot, o. (-es). — Kartetsvuur, o. (..uren).

karton, o. Bordpapier. Lichte band om een boek. Papieren doos. — Kartonfabriek, v. (-en). — Kar ton fabrikant, m. (-en). — Kartonmaker, m. (-s). — Kar-tonmakery, v. (-en). — Kartonneeren, bw. kartonneerde, hteft gekartonneerd. In bordpapier binden. — Kartonquot;eering, v. (-en). — Kartonnen, bn. — Karto7i'wer-ker, m. (-s).

karton tv, v. (-en). Verouderde benaming voor kanon.

Kartuizer, m. (-s). Kloosterling van de orde van den h. Bruno (gesticht, 1086). Deze orde heeft kloosters in Frankrijk, Italië en Zwitse.land. — Karttcizerrnon-

II ik, m. (-en). —Kartuizernon, v. (-nen).

— Kartuizerpoeder, ..toeier, o. Mineraal kermes : verbinding van aniimonium-oxyde en zwavel-antimonium. — Kartuizers-klooster, o. (-s).

karveel, v. en o*. (-s, -en). Middelmatig snelzeilend schip in Portugal. Vaartuig in Frankrijk, waarmede men ter haringsvangst vaart. Oorlogsschip in Turkije. — Karveelswerk, o. Een schip met karveels-werk opboeien.

karviel, o. (-s, -en). Hijschblok ^aan het marszeil). — Karvielblok, o. en m. (-ken). — Kamielhout, o. (-en). Tot het karviel behoorende. — Karvielnagel, m. (-s). Groote scheepsspijker.

karwats, v. (-en). Lederen zweep van veel riemen. Rijzweepje. — Karwatsen, bw. karwatste, heeft gekarwatst. Slaan (met de katwats).

karwei, v. (-en) Zwaar opgegeven werk. Aangenomen werk. Plaats, waar gebouwd wordt. Bestond (middel.) in het vermaken van bruggen en groote wegen, het bedijken van rivieren, het onderhouden van openbare gebouwen, enz.

karwei, v. (-en). Afval, omloop (het hart, de milt, de lever, de longen) van eenig dier.

karw|igt; v» Wilde komijn. — Karwy-

zaad, o. (..aden).

kas, v. (-sen). Doos. Foedraal. PJaatJö, waarin iets gevat is. Bergplaats (op een kantoor) voor het geld en de geldswaarden. Geld, klinkende munt. Gevangenis : naar de kas gaan. (Drukk.) Houten bak, waarin verschillende lettersoorten liggen. (Ontl.) Kas van eene kies. — Kasboek, o. en m. (-en). Bovenst en onderst boek in een riem papier. Boek, dat de kassier houdt. — Kasgeld, o. — Kashouder, m. (-s). Kassier. Winkelier in goud- en zilverwerken. — Kaspapier, o. (-en). — Kasrekening, v. (-en). — Kasvel, o. (-len). Vel kaspapier.

kaskien, kasktfn, m. (-en). Pronkjak (bij de boerinnen in N.-Holl. \d. Druik).

kassei, m. (-en). Harde steen rasff

platten kop, waarmede men wegen an banen belegt. — Kassei, v. Gekasseide straatweg. — Kasseien, bw. kasseide, heeft gekasseio- Met kasseien beleggen. — Kax-


ocr page 361

KA51 — 3

tetleggfir, m. ( s). — Kasseisteen^ m. (-en).

— Kasseiweg, m. (-en).

kasscu, bw. kaste, heeft gekast. In «ene kas plaatsen. Invatten, zetten (van •steenen).

ksissic, v. Zacht werkend purgeermiddel (vooral voor kinderen).

kassier,m. (-s, -en).Kashouder. Schattenaarder. Ontvanger. Penningmeester.— Kassiersboek, o. en m. (-en). — Kassiersbriefje, o. (-s]. Bewijs, enz. om bij den kassier eene zekere som te kunnen ontyan-

fen. —en. — Kassiersfirma, v. (-'s).— Kassiers-uis, o. (..zen). — Kassierskantoor, o. (..oren). — Kassiersknecht, m. ( s). — Kassiersloon, o. en m. (-en). — Kassiers-Joo/gt;er, m. ( s). — Kassiersprovisie, v. (-s, ..iën). — Kassiersrekening, v. (-en^.

kassic, bn. Gescheurd (van nieuw papier).

kasCslUn. o- (-en), kasijno, v. ( n). De vijposcen, boven- en ouderdrempel van •deur of venster. Raam.

kast, v. ( en) .Losse of in eenen muur getimmerde bewaarplaats. Oud, vervallen gebouw. Gevangenis. {Vest.) Aarde tus-schen twee schietgaten. — Kastenmakf.n, o. — Kastenmaker, m- (-$).

kastanje, rn (boom); v. (-s) (vruebt-Eetbare mee achti-e vrucht van den tvim-men kastanjeboom Oneetbare vrnrht van den wLden Kastanjeboom. — A'aston-jebolsttr , n . ( s). — Kastanjebootn, m. (-en), 'fam-ile Vas'Aiijebnom : casta-7iea ves'tx- 1st miaden 7aa ons weceid-•deel zeer algemeen. Wordt om zijn hout en ziin-ï meelachtijre vrucht zeer gezocht. w*ide Kastanjeboom : cesculus hifpocastanum Benoorde eertijds in Azië thuis. Wordt tnaus door geheel Europa g(kweekt Hee^t eer sierllik ^eb;aderce, een fraaien ■jo m en scüo«jiie bloemen. Wordt ook pc ai deickasKunje en kastanje-kinaboom genoemd — Kast a n jebosch, o. ■en ra. (..sschen —- Kast an /e bruin, bn.

— Kastanjehout o — Kastanje kleur, v.

— Kastanjekleurig, bn — Kusianjepan, v. (-nen) Kastanjeschuiel. m. (-s). — Kastanjetang « en). — Kastanjevaas, v. (..ren). — Kasta-S-veyf, v. — Kastan-jevervig, bn

kaste, v, lt;-r]. Suam, volksstam. Stand, kasteel, o {-en). iMiddei.) Kleine vesting, roet grachien en wallen, met stevige muren en hooggebouwden toreu. Lusthof van aanzienlyke personen op den buiten. (Zeew.) Halfdek, schans. Kasteelen in de lucht. : hersenschimmen. ~ Kasteel-flcin, o. ( en). — Kastelein, m. (-s). Slotvoogd. Gev/ingen bewaarder. Herbergier, len;., die eene hofstede beboert voor den eigenaar. — Kasieleinen, ow. kasteleinde, heeft gekasteleind. Het kasteleinschap uit-oefenen. — Kasteleines, v. (-sen). — Kasteleinschap, o. — Kasteleinsrtkening, v. (-en). — Kasteleny, v. (-en). Woning, ambt van eenen slotvoogd. Cipierswoning.

knstüdeu, bw. kastijdde, beeft gekastijd. Tuchtigen, straffen.Pijnigen. — Kastij-der, m. (-s). — Kastijding, v. (-en). — Kastijdster, v. (-s'.

kastoor, o. Beverhaar. m. (..oren).

\ — KATH

Hoed van beverhaar. — Kastoren, bn.

kastrol, v. (-len). Kookpan. Braadpan. Stoofpan.

kat, v. (-ten). De katten maken eene familie uit van de orde der roofdieren. Deze familie bevat de grootste en krachtigste roofdieren, bloeddorstig, vermetel en listig, vaardig in hunne bewegingen en daarbij onvermoeid volhardend in hunne pogingen. Tot haar behooren de leeuw, de tijger, enz. Tot de kleine soorten dezer familie behoort de tamme kat {felis ca tus). De wilde kat is grooter dan de tamme. De Cypeescha kat is grijsachtig met zwarte dwarsstrepen. De Spaansche kat heeft kort hooggeel haar, met wit of zwart, soms met beide kleuren gevlekt. De Kartuizer kat, is blauwachtig grijs van kleur met zeer wollig haar. De Angora-kat heeft zeer lang, -/ijde-achtig wit of geelachtig haar. (Zeew.) Klein anker, dreg. Geheide aanlegpaal. Soort van klein vaartuig, in de havens tot lichter gebruikt. Voormalig stormtuig. Hoog opgeworpen werk op de bolw rken. enz. eener vesting. Soort van vuurwerk. Geld-gordel. Steenen gelddoosje Het anker achter de kat werpen : vaarwel zeggen aan het zeemansleven. Zijne kat sturen : niet komen. Katten in zakken koopen : iets koopen zonder het te zien. Leven als kat en hond : zeer onc-uig leven. Zij is een ware Kat: zij is valsch ; ook, zij is een snibbig wijf of meisje. Hij is een vogel voor de Kat. — Kataas, o. Lokaas der katten. Deugniet. — Katachtig, bn. — Katanker, o. (-s). Zeer klein anker. — Katblok, o. en ra. (-ken). {Zeew ). —Katbatterij, v. (-en). (Vest.) Voorverschansing. W ilkant.

ka taal, m. (..alen). De kleinste soort van aal

bataralk, v. (-en). Praalbei. Rouw-

baar.

Kate (ten-). 1° (Z..), 1674-1732. Arasterdam. Taalkundige. Aenleidinge tot de ken-msse van het verhevene deel der Neder-duytsche sprake (1723^. — 20 (^. J. L.)t 1819-1889, s Gravenhage. Dichter en letterkundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. De Schepping (1866) ; de Planeten (1869).

kateel, kateil,o. Huisraad, inz.huisraad, dat tot sieraad langs den wand ten toon hangt of staat. (Middel.) B.'ste kateil: beste hoofd. Cijns door de lijfeigenen te betalen. Stierf een dienstbare huisvader, dan nam de heer zijn beste paard of rund mee, of, was er geen, het besie stuk van het huisraad.

kater, m. ( s). Mannetje van de kat. kater, m. (-s). Kleine pachter. — Katerplaats, v. (-en), katerstede, v. (-n). Kleine boerenplaats.

kattern, v. en o*. (-en). Eenige bijeengebrachte of samengenaaide bladen (papier).

kathaak, m. (..aken). (Zeen-.) Anker-haak.

katlialzen, ow. kathabdc, heeft ge-kathalsd. Zich aftobben.

katheder, m. (-s). Leerstoel. Spreek' gestoelte.

kathedraal, v. (..alen). Hoofdkerk.


ocr page 362
ocr page 363

KATP — 3

Domkerk. Kerk, waar de bisschop zijnen zetel heeft. — Kathedraal, bn. Kathe-drahrkerk.

kutlieter, tu. (-s). Buis tot aftapping van het water uit de blaas.

IcatUolittlc, esUliolick, m. (^en). Christen, die deel maakt van de h. Kerk.

— Katholiek, bn. Algemeen. Deh. Kerk ■worJt algemeen of katholiek genoemd. « Omdat zij in zich besluit alle fceloovigen, die van den tijd van Christus tot het einde ■der wereld geweest zijn en zyn zullen, en om lat zij verspreid is onder alle natiën en in alle landen d';r wereM ■».

katttvlg, bn. bijw. Rampspoedig, vol tegenspoed, ellendig, ongelukkig. Slecht, boos, wulpsch. — Katyvi^heid, v.

kaljo, o. (-s). Porseleinslak.

kafj», o. (-s). Jonge kat. Loden thee-doos. Het katje van de baan zijn : altijd de eers-te, de voorste zijn. — Katjesspel, o. Het zal katjesspel worden : het zal vechten worden.

kstfjes, o. mv. Steel, waaraan de onvolkomen bloemeu en schutblaadjes van de katjesdragende planten zitten. — Katjes-dragend, bn. — Kat/esdragenden, v. mv. Eenige plantenfamiiicn, die met katjes bloeien, lot de katjesdragenden behooren al onze groote woudboomen, met uitzondering van de dennen. /

katlooper, m. (-s). (Zeew.) Kat aan lt;ien kraanbalk.

katoen, o. (stof); v. (-en) (handelswaar). Boomwol : omkleedsel der zaden van den katoenboom en den katoenstruik, dat bij 't openspringen der vrucht als vlokken daaruit hangt. Stof, uit katoendraden geweven. Pit (eener lamp). Katoen geven : zijn beste doen, duchtig afranselen. — Katoenbaai, v. (..alen). — Katoenbaptist, o. (-cn). Zekere fijne witte stof. — Katoen-bloem, v. (-len) Volksnaam van 't smalbladig wollegras. — ra. (-en). Boom : gossypium arboreum. Groeit in Oost- en West-Indië en in Zuid-Amerika.

— Katoenbomv, ra. — Katoendief, ra. (..ven). Paradijsraaf. — Katoendoek, o. — Katoendraad, ra. (..aden). — Katoen-.drukker, m. (-s). — Katoen Irukkery, v. Het katoendrukken. (-en) Fabriek van gedrukte katoenen. — Katoenen, bn. — Ka toenfabriek, v. (-en). — Katoenfabrikant, m. (-en). — Katuenflwweel, o. (-en). Minste soort van fluweel. — Katoengaren, o. — Ratoengras, o. Wollegras. — Ka-toenhandel, ni. — Katoenhandelaar, rn. (-s). — Katoenhandelaarster, v. (-s). — Katoenmarkt, v. (-en). — Katoenoogsf, tn.—Katoenplantage, v. (-s). — Katoenspinner, ra. (-s). — Katoenspinnerif, v. .(•en). — Katoenspinster, v. (-s). — Ka-faenstrutk, ra. (-en). Heester '.gossypium herbaceum. — Katoentje, o. (-s). — Ka-toenverver, ra. (-s). — Katoenververy, v. (-er.). — Katoen-wever, ra. (-s). — Katoen-

every, v. (-en). — Katcenwinkel, ra. (-s). katoog, ra. (-en). Halfedelgesteente, dat lt; ene groenachtige, geelachtig grijze of geelachtig bruine kleur heeft.

kalpaiMlol, ra. (-s). Panterkat [felts fardalis) in Zuid-Amerika.

5 — KAUW

katrol, v. en o. (-len). Cirkelvormig© schijf, die zich om eene door haar middelpunt gaande spil laat draaien. Dient tot het opnemen van eene koord. — Katrolblok, o. en m. (-ken). — Katrolkoord, v. (-en).

— Katrolschijf, v. (..ven). — Ka.tr o liouw, o. (-en).

katflclifp, o. (..epen). Vaartuig, in do havens als 1 chier gebruikt. — Kattebak, m. (-ken). Bak, waaruit de kat et-t. Bak met zand gevuld, waarin de kat haar gevoeg doet. — Katteblok, o. en ra. (-ken). Dubbele katrol. — Kat te darm , m. (-en). — Katte(n)drek, ra. — Kattegat , o. Zeeëngte tusschen Zweden en Denemarken, o. (-en) Gat in eene deur om de katten door te laten. — Katte' klamv, ra. (-en). — Katteklau-» en, m. rav. Volksnaam van het kleefkruid. — Knttekop,va. (-pen). Kopeenerkat. Dwarshout in de katrol. Klein roggebrood. — Ka/tekwaad, o. Baldadigheid. Guiterij, snakerij. — Katteleven, o. - Kaftemof, v. (-fen). Mof van katU-vrl. — Kutten, katte, heeft gekat. Ow. Katjes wlt; rp« n. Bw. (Zeew.) De kat uitwerpen. H. t anker versterken. — Kattendoorn, ..doren, ra. (-s). Duindoorn. Stalkruid. Hulst. Kleine stekende brein. — Kattengebroed, o. — Kat-tenge krol, ..gelol, o. — KattengcIuid, ge mauw, o.—Kattengeslacht, o. — Kat-tengoud, o. Geel raica. — Kattenhaai, m. -en). De kleinste soort der haaien : squa-us canicula. — Kattenhaar, o. (..aren).

— Kattenkruid, o. Plant niet kleine, eironde, van onder zachtharige blaadjes, met een prikkelenden en kraciitigen geur. De katten zoeken en vernieie dit gewas.

— Kattenmuziek, v. en o. Slecüte muziek. Ketelmuziek. — Katten^og, o. en v. (-en).

— Kattenoor, o. en v. (-en). —Kattenspel, o. Katjesspel. — Kattemilver, o. Wit mica. — Katte(njpis, v. — Knttepoot, m. (-en). — Kattepootjes, o. mv. Twt-ehui-zig roerkruid. — Katterig, bn. Katterig zijn : zich niet wel gevoel.-n (na eeur slemperij, enz.) — Katterigheid, v. — Katte-rug, m. ( gen). Opgezette rug. (Zeew.) Scheepsboog. — Katte snuif, ra. (-en). — Katte^poor, o. (..oren). Sch -t-psbint. — Kattesprong, ra. (-en). Sprong eener kat. Klein eindje : 't is maar een kaitegt; rong van hier, — Katte staart, ra. -en). Staart eener kat. (Zeew.) Zekere scheepsklamp. (Plantenk.) Amarant. — Kattestaat 'hals, m. ( .zen). (Zeew.) Schoof. — Katte(n)-stront, v. — Kalt''vel, o. (-len) — Kat te-voet, ra. (-en). —Kattig, bn Als «'me kat. Valsch. — Kattin, v. (-uen). .V ijfje^kat. — Katting, (-en). (Zeew.) Vere-niging van twee ankers, waarvan het e» ne aan een kruishout van een grooter is v.tstgehecht.

— Katuil, ra. (-en). Geraei-ne of grijze uil.

— Kati'isch, ra. Slechte, klein-- v%sch. — Katzwijm, v. Flauwte. (Zeew.) la katzwijm liggen : windstilte hebben.

Kaïif'niaiiu (.T/. A. A. , 1741-1807, Chur (Zwitserland). Schilderes.

lCaiill»acli (IV. von) 1805 1874, Arol-sen. Duitsch historieschilder

kauw, v. ( en). De klei-st-- on^er in-landsche kraaisoorten [co. vtis mouedula)^


k

ocr page 364

KEEL —;

Wordt ook kerkkauw cn torenkaum g«-noemd. — Kauwenntst, o. en m. (-en).

kstuvv, v. (-en). Tabakspruim. — K-iuw-artsemj', v. (-en). — Kanwen, bw. kauwde, heeit gekauwd. Met de tanden vermalen. Pruimen : tabak kauwen. Zijne woorden kauwen : stamelend spreken. Hij heeft niet veel te kauwen : hij is arm. — Kauw er, m. (-s^. — Katnvgebit, o. (-ten). Een uit kogeltjes en ringen bestaand mondstuk. — Ka owing, v. (-en). —Kauwsel, o. (-s). — Kauwspier, v. (-en). Tandspier. — Kauw-iand. (-en). Maaltand.

knuwoerdo, v. (-n). Eene soort van kalebas.

kstvnlje, v. en o*. (-s). Oud, versleten paard. Elk versleten voorwerp.

knvclcn, kavelde, heeft gekaveld. Bw. In kav elingen of loten verdeelen. Beknopt en nauwkeurig rekenen. (Zeew.) Tij kavelen : eb en vloed berekenen. Tijd en tij kavelen : goed zijne rekening doen, zich naar den tijd en de omstandigheden schikken. Iemands eer kavelen, goedmaken. Ow. Loten (om). Hij moet kiezen of kavelen, moet tot eene beslissing komen. — Kavel, m. Het kavelen, (-s, -en) Lot. Deel. — Kavelaar, m. (-s). — Kavelhriefje, o. (-s). — Kaveling, v. (-en). Koop, deel (van eene partij koopgoederen). Percael (van landerijen).

kaviaar, v. Wordt in Rusland van de eieren van den steur, enz. bereid.

kaïfaan, v. (..anen). Sooitvan schildpad van middelmatige grootte.

kazak, v. (-ken). Overjas, overkleed. Pel van den gekookten aardappel. Zijne kazak keeren : veranderen van staatkundige gezindheid.

kazemat, v. (-ten). Walgewelf, onder-aardsch bomvrij gewelf. Hangmat, hangende slaapplaats (op schepen, enz.). — Kazematten, zematteeren, bw. kaze-matte, kazematteerde, heeft gekazemat, gekazematteerd. (Eenen wal) van kazematten voorzien.

kazen, ow. kaasde, is gekaasd. Dik worden (van melk).

kazerue, v. (-n). Gemeenschappelijke krijgsmansvvoning. — Kazerneeren, bw. kazerneerde, heeft gekazerneerd. In kazernen legeren. — Kazerneering, v.

kazliulr, kazemir, o. Zekere fijn

geweven soort van laken. —eweven soort van laken. — Kazemiren, n.

kazuariM, m. (-sen). Vogel {casuaris) naar den struis gelijkende. Gehelmde kazu-aris : een der grootste vogels na den Afri-kaanschen struis.

kazuifel, v. (-s, en). Gewaad, dat de priester in de mis boven de albe en den stool draagt.

ke«l, kedlt;le. Zie Kid.

K ed 1 ri. Zie Java.

Kedoe. Zie Java.

keel, v. (kelen). Nauwedoorgangboven het strottenhoofd. Gorgel. Stem. Bergpas, bergengte. De verkeerde keel : de luchtpijp. Het voorste deel van den hals. lem. net mes op de keel zetten, in de uiterste verlegenheid brengen. — Keelader, v. (-s, - en). — Keelajnandel, v. (-s). — Keel-

Keel.

a. Keelgat' b. Het zachte verhemelte, c. Spieren der tong. d. Amandel of keelklier. e. Strotklep of keellelletje. i. en g. Schildvormige en bekervormige-kraakbeenderen van '•et strottenhoofd. h. Stemsnaar /'links van boven), i. Stemsnaar (links van onder). k. Ka~ mer van het strottenhoofd, overeen-' komst ig met de twee linkse he stem snaren. 1. Onderste gedeelte van het strottenhoofd. m. Luchtpijp (van binnen gezien). n. Doorsnee van den slokdarm. o. Luchtpijp (van buiten gezien).

Keelgat, o. (-en). Strot. — Keelgeluid, o. (-en). — Keelgezwel, o. (-len). — Keel-ketting, m. (-en). — Keelklank, m. (-en).

— Keelklier, v. (-en). — Ke^lknobbel, m. (-s). — Keelknoop, m. (-en). Adamsappel.

— Keelkruid, o. Volksnaam van den liguster. — Kee Hel, v. (-len), keellelletje, o. (-s). Strotklep. — Keelletter, v. (-s). — Keelontsteking, v. (-cn). — Keelpijn, v. ( en). — Keelriem, m. (-en). — Keelsnij-der, m. (-s). — Keelsnyding, v. (-en). — Keelstem,y. (-men). — KeeItering, v. — Keelvinnigen, m. mv. Visschen, wier buikvinnen onder de keel geplaatst zijn. — Keelziekte, v. (-n).

keel, v. (kelen). (Bouwk.) Bedekte-gang. — Keellijst, v. (-en). (Bouwk.) Ta-laan. — Keelstoot, m. (-en). Soort van kroonlijst.

keel, o. (Wapenk.) Rood.

keel, m. (keelen). Kiel (ieart.).

keel, v. (kelen). Lange, smalle strook: eener plank.

KEEL


ocr page 365

KEGE

KEER

— 327

keellinle, v. (-s, ..iën). (Vest.) Een der twee lijnen, welke den ingang van een bolwerk vormen. — Keelhoek, m. (-en). — Keelpunt, o.

keen, v. (kenen). Kloof, spleet. Kiem. Oorsprong.

keep, v. (kepen). Uitsnijding, kerf. Zijne keep houden : op zijn stuk staan. — ■— Keepmesy o. (-sen). Kerf beitel.

keep, m. (kepen). Zeer fraaie vink (frtngtlla niontifringïlla), die het hooge Noorden der Oude Wereld bewoont en in October en November Midden-Europa bezoekt.

keer, m. (-en). Omwending. Verandering : zijne zaken namen een gunstigen keer. Maal, reis, herhaling : hij is twee keeren bij mij geweest. In een en keer. Te keer gaan : tegenwerken, beletten. Gedane zaken hebben geenen keer. — Keer blad, o. (-en). (Kaartsp.) Troefblad. — Keer-blok, o. en ra. (-ken). (Zeew.) — Keer dam, m. (-men). Dam, in 't water gelegd, tot het herstellen, enz. van bruggen of sluizen. — Keerdicht, o. (-en). Soort van lyrisch dichtstukje, met wederkeerend refrein. — Keerdruk, m. Weerdruk. — Keeren, keerde, beeft en is gekeerd. Bw. Wentelen, draaien, onderst boven leggen. Omleggen : kaas keeren. (Kleerm.) Eene jas keeren. Beletten, tegengaan : ik zal dit keeien, de Hemel keere het! Tegenhouden : het water keeren. lem. den rug keeren : heengaan, vluchten. Hij zal zijn kantje wel keeren : hij zal zich niet laten versukkelen. Ow. Veranderen . de wind keert, de kans kan keeren. Teruggaan : naar huis keeren. Rechtsomkeert (commando). In zich zeiven keei en : ernstig over zich zeiven nadenken. Zich keeren, ww. Zich wenden : hij keerde zich tot ons. Zich bekreunen : hij keert zich aan niets. — Keer der, m. (-s).

— Keering, v. (-en). Het keeren. Omdraaiing. (Zeew.) Mastkoker. — Keergvn, ..jyrt, o. (Zeew.) Ophouder. — Keerk^f-peling, v. (-en). Toestel, dat de beweging van de locomotief verandert. — Keerkring, m. (-en). Kreefts- of noorder-keerkring en steenboks- of zuidei-keerkring : twee cirkels, rondom de aarde en evenwijdig met den evenaar getrokken, tusschen welke de zon haar jaarlijksche schijnbare beweging om de aarde aflegt. — Keer-kringsge-was, o. (-sen). _— Keerkrings-hitte, v. — Keerkringsjaar, o. (..aren). Zie Jaar. — Keerkringsland^ o. (-en).— Keerkringslijn, v. (-en). — Keerkrings-plant, v. (-en). — Keerkringsvogel, m. (-s). — Keerkringswarrnie, v. — Keer-kringszon, v. — Keerlnn, v. ( en). (Zeew.).

— Keernagel, m. (-s). (Zeew.) Groote houten pin. — Keerplaats, v. (-en). Ruimte om te keeren. — Keerpunt, o. (-en). Punt, van waar men terugkeert. (Sterrenk.) Hoogste, verste punt. Toppunt. Hoofdpunt. — Keerregel, m. (-s), keerrijm, o. (^en). Refrein. — Keersluis, v. (..zen). Sluis, die den hoogeren waterstand tegenhoudt. — Keer ster, v. (-s). — Keer-iakcl, m. (-s), keertouw, o. ^-en). (Zeew.).

—- Keervers, o. (..zen). Refrein. — Keer-weer, m. (-en). Blinde straat. Weg zonder uitgang. — Keerla^n, v. (..anen). — Keer-u-eg, m. (..egen). — Keerzijde, v. (-n). Do andere zijde : de keerzijde van eenen penning, van een blad (papier). Onaangename zijde.

kee», m.(. .zen). Soort van hond. Scheldnaam der Patriotten of tegenstanders van den stadhouder (einde der XVIII® eeuw). — Keeshond, m. (-en). — Keezen, ow. keesde., heeft gekeesd. Zich voor de Patriotten verklaren. — Keezery, v.

keeat, m., keeste, v. Pit, kern, merg (eener plant). Het voornaamste, het fijnste.

keet, v. (keten). Loods, werkplaats (bij een bouwwerk). Hut der polderwerkers, enz. Gemetselde bak (tot het zoutzieden); ook, zoutziederij. Afgezonderd gebouwtje op de hofsteden, waarin gewoonlijk gekookt wordt.

kefTen, ow. kefte, heeft gekeft. Blaffen (van k'eine honden). Snappen, kijven (inz. van kinderen en vrouwen;. — Keffer, m. ( s). — Keffing, v. (-en). — Kef ster. v. (-si.— Keffertje,o. (-s). Boosaardig hondje.

keg, iceerge, v. (keggen). IJzeren wig om hout te klieven.

keeel. m. (-s, -en). (Wisk.) Lichaam, ontstaan door omwenteling van een recht-

Afgeknotte kegel.

hoekigen driehoek om eene zijner rechthoekszijden. Afgeknotte kegel: lichaam, ontstaan door omwenteling van een rechthoekig trapezium op de zijde, rechthoekig op beide grondlijnen. Lichaam, dat min of meer den vorm van eenen kegel heeft. Een der negen houten (van het kegelspel). Vrucht der kegeldragenden of naaldb'00-men. —Kegelaar, m. (-s). — Kegelaar-sier, v. (-s). — Kegelas, v. (-sen). Lijn, die het toppunt des kegels met het middelpunt van het grondvlak vereenigt. — Kegelbaan, v. (..anen). — Kegelbal, m. (-leii).

— Kegelhlok, o. en m. ( ken). — Kegel-dragend, bn. — Kegeldragenden, m. mv. Plantenfamilie, waarvan de vruchten op eenen kegel gelijken. —Kegelen, ow. kegelde, heeft gekegeld. Met kegels spelen.

— Kegelopzetter, m. (-s). — Kegelplaats, v. (-en). — Kegelplank, v. (-en). — Ke-gelschelp, v. (-en). Rolschelp. — Kegel-snavels, m. mv. Vogels, wier snavel den vorm van eenen kegel hebben. — Kegel-snee, „snede, (..sneden). (Wisk.) — Kegel-


ocr page 366

KELD — 3

spel, o. (-en). — Kegelspeler, m. (-s). — Kegelspeelster, v. (-s). — Kegelvlak, o. (-ken). (Wisk.). — Kegelvorm, m. (-en). — Kegelvormig, bn.

Icckkcii. bw. kegde, heeft gekegd. quot;Wiggen indnjven. Met wiggen vastzetten. ICcl. Moluksch eiland.

Uei, m. (-en). Straatsteen. Dwaasheid. Hij heeft eenen kei in het hoofd : hij heeft weinig verstand. Hij is met de kei gekweld ; hij is half gek. — Keiaar de, v. Kiezelzuur. — Keiachtig, bn. — Kei-grond, m. (-en). — Keihard, bn. — Keilegger, m. (-s\. Straatlegger. — Keisteen, m (-en). — Keiweg, m. (..egen). — h.ei-zvesk, o. (-en).

keil, m. (-en). Keg.

keilou (kellderen), keilde (keil-derde), heeft gekeild (gekeilderd). Ow. Een klein plat voorwerp op 't water doen voort-dansen. Bw. Werpen, gooien : iem. eenen steen naar het hoofd keilen. — Keiling, v.

— Keilsteen, m. (-en). — Keilsteentje. keizcl, m. (-s). Ronde, glade keisteen, keizer, m. (-s). Eernaam van eenen

gersoon, met de hoogste wereldlijke macht ekleed. Alleenheerscher. Valsche sleutel, looper. —ersoon, met de hoogste wereldlijke macht ekleed. Alleenheerscher. Valsche sleutel, looper. — Keizerdom, o. — Keizerin, v. (-nen). — Keizerlijk, bn. bijw. — Keizerrijk, o. (-en). — Keizerschap, o. Keizerlijke waardigheid. — Keizersgezinden. Keizerlijken, Keizerschen, m. mv. Aanhangers van Jozef II. Men noemde ze spottend Vijgen.— Keizershof, o. ( .ven). — Keizerskroon, v. (..onen). Kroon eens keizers. Zekere lelieachtige plant: fritil-larin imperialis.— Keizerssnede, v. (-n). Gevaarlijke kunstbewerking bij verlossingen. — Keizerstaat, m. (..aten).—Kei-zerthee, v. De fijnste theesoort.

keker, v. (-s). Soort van erwt. kekeren, ow. kekerde, heeft gekekeid. Hakkelen. Stamelen.

kelder, m. (-s). Gegraven plaats onder de aarde, gewoonlijk gewelfd, waarin men allen voorraad bergt. Eenen kelder houden : sterken drank in 't groot verkoopen. Grafkelder. De kat in den keldersluiten: zijnen vijand herbergen. Naar den kelder gaan : sterven, ten gronde gaan. — Kelderachtig, bn. — Kelderdeur, v. (-en). — Kelderen, bw. kelderde, heeft gekelderd. In den kelder bergen. —Kelderflesch, v. (..sschen). Kleine vierkante flescn. —Keldergat, o (-lt; n). — Keldergraf, o. (..aven).

— Kelderhals, in. (..zen). Nauwe ingang onder eenc trap raar den kelder. — Kelder houder, ra. ( s). — Kelderhoudster, v. (-s). — Kelderhuur, v. (..uren). —Keldering, v. (-en). — Kelderkamer, v. ( s). — Kelderkeuken, v. (-s). — Kelderknecht, m. (-s). — Kelderkoorts, v. (-en). Ongesteldheid, door den drank veroorzaakt. — Kelderlucht, v. — Kelderluik, o. (-en).

— Kelderman, m. (-nen). — Kelderiuees-ter, m. (-s). — Keldermeesterschap, o. — Keldermond, m. (-en). — Kelderraam, o. (..amen). — Kelder rat, v. (-ten). Bekend ongedierte. Kommies (voor de belasting).

— Kelderrecht, o. —Kelderrot, v. (-ten). Kelderrat. — Keldersleutel, m. (-s). — Kelderspin, v. (-nen). — Keldertor, v.

•8 — KEMB

(-ren). Zeker schildvleugelig insect (ölaps). — Keldervenster, o. en v. (-s). — Kelderverdieping, v. (-en). — Keldervloer, m. (-en). — Kelder win de, v. (-n), kelder-windas, o. (-sen). Werktuig om zware lasten op te hijschen. — Kelderziekte, v. (-n). Kelderkoorts.

kelen, bw. keelde, heeft gekeeld. De keel afsteken : een varken kelen. — Ke-ling, v.

kelen, bn. (Wapenk.) Rood.

kelk, m. ( en). Drinkschaal. Inz. de metalen drinkschaal, in de h. Mis gebruikt. (Plantenk.) Zie Bloemkroon. — Kelkblaadje, o. (-s). Zie Bloemkroon. — Kelkdeksel, o. (-s). — Kelkdief, m. (..ven). — Kelkdoekje, o. ( s). — Kelkgras, o. Overblijvende grassoort (festuca decumbens). Komt bij ons voor in zandige en veenachtige streken. Bloeit in Juni en Juli. — KelkschoteItj'e, o. (-s). — Kelkvormig, bn. — Kelkwijn, m.

Heller (G.J^iSig-iSgo, Zurich. Dichter en novellenschrijver. Gedichte (1852); Zü-r ie her Novellen (1878).

Keiler (£.), 1829, Gouda. L-tte-kun* dige. Novellen; Een zomer in '/ Noorden (i860) ; Een zomer in 't Zuiden (1862).

Kei Ier man 11 {F. C.), 1735-1820. Straatsburg. Hertog van Valmy, pair en maarschalk van Frankrijk. Versloeg de Pruisen bij Valmv (1792).

kelp, v. Slechte of ruwe soda, die door verbranding van verschillende soorten van zeegras, enz. wordt verkregen.

Keilen, m. mv. Zie Gallen. — Keltisch, bn.

kemel, m. (-s). Zie Kameel. — Kemeldrijver, ra. (-s). — Kemelin, v. (-n»ju). — Kemelsharen, o. — Kemelshaar, o. — Kemelsharen, bn. — Kemels hooi, o. Daadgras {andropogon schcenanthus). — Kemelsveulen, o. (-s).

kemmen, bw. kemde, heeft gekemd. Kammen. Effen maken.

kemp, v. en m. Hennep. — Kempachtig, bn. — Kempakker, m. (-s). — Kemp-braak, v. (..aken). — Kempbraker, ra. (-s). — Kempdraad, m. (. aden). — Kempen, bn. — Kemphekel, m. (-s). — Kemp-koek, ra. (-en). — Kempstok, m. (-ken).— Kempzaad, o.

Kempen, v. mv. Smalle, vlakke I md-streek in de provincies Antwerpen en Liraburg en ten deele ook in Nooid-Brabant gelegen. Oppervl. 400,000 hectaren. De bodera is zandig en rijk aan bosch en wild. Door ontginning en kunstmatige besproeiing is reeds een groot deel der Kempen in bouw- en weiland veranderd. — Kempe-naar, m. (-s, ..aren). — Kempenseh, kem-pisch, bn.

Kempeneer (P. de), 1503-1580, Brussel = P. Camp ana. Schilder van godsdienstige tafereelen. Kruisafdoening (1548).

Kemper [J. M.), 1776-.824, Amsterdam. Rechtsgeleerde en redenaar, kempliuau, m. (..anen). Vogel (frin-

fa pugnax).a pugnax). Behoort tot de steltloopers. [eeit de grootte van eene tortelduif. Leeft in de gematigde streken van Europa. Het


ocr page 367

KEPE — 3:

mannetje overtreft alle vogels in rucht tot vechten.

Kempls (TA. a), 1380-1471 = Th. Ha-nterken. Noemde zich a Kempis of van Kempen, naar 't stadje van dien naam bij Keulen, waar hij geboren werd. Priester en monnik. De navolging Christi; de Rozengaard; de Vallei der Leliën; de Drie Tabernakelen.

konen, ow. keende, is gekeend. Splijten, kiemen. Beginnen, zich venoonen.

lieiinen, bw. kende, heeft gekend. Door uiterlijke zinnen waargenomen en in het geheugen bewaard hebben. Verstaan, ■weten. Een duidelijk b;-grijp hebben (van). Verklaren : tekenurn jieveu. Erkennen : hij wil niemand meer kennen. Achten ; kent gij hem waardig uwer geschenken? Raad vragen ; hij heelt mij in die zaak niet gekend. — Kenbaar, bn. — Kenbaarheid, v. — Kenleiter, v. (-s). — Kenmerk, o. (-en). — Kenmtrken, bw. kenmerkte, heeft gekenmeikt. Duidelijk en zichtbaar aantoonen. Aanwijzen. — Kenmerkend, bn. — Ken(ne)lyk, bn. Te kennen, te erkennen. Bijw. Blijkbaar. — Ken(nejlyk-heid, v. — Kenner, m. (-s). — Ke .tiers-oog, o. en v. (-en). _•— Kennis, v. Klare en duidelijke voorstelling. Begrip : dat gaat zijne kennis te boven. Dat is buiten mijne kennis (mijn weten) geschied. Bewustzijn : builen kennis zijn. Verstand : een man van kennis, jaren van kennis, van onderscheid. Ervarenheid : daar heeft hij geene kennis van. Weienschap, (-sen)Persoon, dien men kent, met wien men omgaat. Vriendelijke omgang : hij heeft kennis met al mijne vrienden. Vriendschap : ik doe het uit hoofde onzer oude kennis. Kennis maken : elkander voor het eerst zien. — Kennisge-ving', v. (-en). — Kennismaking, v. (-en).

— Kennisneming, v. — Kenschets, v. (-en). — Kenschetsen, bw. kenschetste, heeft gekenschetst. Kenmerken. Aanduiden. — Kenspreuk, v. (-en). Zinspreuk. Leus. — Kenster, v. (-s). — Kenteeken, o. (-s, -en). — Kenteekenen, bw. kentee-kende, heeft gekenteekend. Kenmerken.

— Kenvermogen, o. — Kemaad, o. (..aden). Kiem. Eerste beginsel.

lcenii«'|gt;. Hennep.

IceniK'Mo. v. (-n). Houten halsbeugel (der runderen, in de weide).

kentoreii, kenterde, heeft en is gekenterd. Bw. Overladen (goederen van het eene schip in het andere). Kantelen : eenen balk kenteren. Üw. (zijn) Omslaan (van een vaartuig) Omrollen : de mast kentert. Keeren : het tij kentert. — Kenter haak, m. (..aken). — Kentering, v. (-en).

kopen, bw. keepte, heeft gekeept. Insnijdingen maken.

keper, v. (-s). (Wev.) Snijden de draden van den inslag die van de schering niet rechthoekig, dan vormen zij eene keper. (Bouwk.) Ribbe, die op de gordingen rust van een dak. (Wapcnk.) Eon der leekenen, dat uit twee tegen elkander staande en boven in een punt vereenige schuine strepen bestaat. Iets op de keper beschouwen, nauwkeurig 0Dderz0«-kcn. — Keper en, bw. keperde, heeft gekeperd. Met eene keper

!9 — KERK

weven of samenvlechten. — Kepering, v. Het keperen. De kepers van een dak. — Keperswys, bijw.

Kepler (7.), 1571-1630, Magstatt (Wür-temberg) . Duitsch sterrenkundige. Do grondlegger der nieuwere astronomie. Stelde drie wetten vast omtrent de loopbaan der planeten.

Kerelclioven {P. F. van}, 18181857, Antwerpen. Letterkundige. Schreef drama's, tooneelspelen, enz.

kerel. m. (-s). Vent. Dik en grof manspersoon, Sterk opgroeiende knaap. Moedig man. De kerels van Vlaanderen : de dappere en sterke voorvaders der Vlamingen, t Is een kerel.

keren, bw. keerde, heeft gekeerd. Vegen.

kerf, v. (..ven). Keep, insnijding. (Middel.) Kerven : zekere schattingen door do steden aan den graaf te betalen, zoo genoemd, omdat ootsp onkelijk de inzamelaar elke gedeelt lijKe be alit.g op iwee ineenpassende helli- n van eenen talgstok (kerfde) sneed. — Kerfbank, y. (-en).— Kerf beitel, m. (-s). — Kerfbijl, v. (-en). — Kerfdier, o. (-en). Zie Gekorven. —

*. Voelhoorn, b. Kop. c. Borstschild, d. Vieugel. e. Achter IffJ, f. Poot.

Kerf hout, o. (-en^. Kerfstok. — Kerf ijzer, o. (-s). Werktuig, lot hel openrijten der huid. — Kerfmes, o. (-sen). — Kerfstok, m. (-ken). Stok, waarop iedere insnijding een nog te betalen brood, enz. aanduidt. Hij heelt veel op zijnen kerfstok : hij heeft veel misdreven. — Kerfvyl, v. (-en).

kerk. v. (-en). Gebouw, aan den openbaren godsdienst gewijd. De diensten, dio in de kerk geschieden : de kerk is uit. De menschen in de kerk : de kerk gaat uit. Een der verschillende kerkgenootschappen ; de Anglicaansche Kerk. De Roomsche of h. Kerk : « eene vergadering van alle go-loovige Christenen, die, onder de gehoorzaamheid van den Paus van Rome, de waarachtige leering van Christus belijden ». Zie Lid. (£eew.) voorkajuit. — Kerkach-tig, bn. — Kerkambt, o. ( en). — Kerkban, m. Z:eBan. — Kerkbanier, v. (-en). — Kerkbank, v. (-cn). — Kerkbeeld, o.


ocr page 368

— 330 —

KERM

KERK

(-en). — Kerkbelqjie, v. (-n). — Kerkbe-sluti, o. (-en).—Kerkbestuur, o. (..uren*.

— Kerkbewaarder, m. (-s). — Kerkbijbel, za. (-s). — Kerkboek, o. en m. j-en). — Kerkbord, o. (-en). — Kerkbriefje, o. (-s).

— Kerkbus, v. (-sen). — Kerkdag, m. (-en). Feestdag. Heiligdae. — Kerkdeur, v. (-en). — Kerkdief, ra. {••ven). — Kerk-diejte, v. (-n). — Kerkdieverij, v. (-en).

— Kerkdienst, m. — Kerkdorp, o. ^-en). Parochie.—Kerkedienaar,va.. (-s, ..aren).

— Kerke kamer, v. (-s). — Kerke kas, v. (-sen). — Kerkeknecht, m. (-s). — Kerkelijk, bn. bijw. — Kerkelijke, ra. (-n), kerkeling, ra. (-en). Geestelijke.

— Kerkelijkheid, v. — Kerken, ow. kerkte, heeft gekerkt. Ter kerk gaan.

— Kerk (en) or de, v. — Kerkenordening, v. (-en). — Kerkeraad, ra._ (..aden). Zie Kerkfabriek. — Kerkezakje, o. (-s). — Kerkfabriek, v. (-en). De personen, die de goederen eener kerk besturen. Bestaat uit eenen raad en een bureel van kerkmeesters. — Kerkfeest, o. en v. (-en). — Kerkjeestdag, ra. (-en). — Kerkgang, ra. (-en). Het naar de keik gaan. als men opstaat uit eene ziekte, enz. — Kerkganger, ra. (-s). — Kerkgangster, v. (-s). — Kerkgebed, o. (-en). — Kerkqebod, o. (-en). Huwelijksafkondiging in de kerk. — Kerkgebouw, o. (-en). — Kerkgebruik, o. (-en). — Kerkgeld, o. — Kerkgelnfte, v. (-n). — Kerkgenoot, ra. ( en). — Kerkge-noote, v. (-n). — Kerkgenoct\chap, o. (-pen). —Kerkgewelf, o. (..ven). — Kerk-gewijde, ra. (-n). —Kerkgewoonte, v. (-n).

— Kerkgezag, o. — Kerkgezang, o. (-en).

— Kerkglas, o. (..zen). — Kerkgoed, o. (-eren). — Kerkheer, ra. (-en). — Kerk' hervormer, ra. (-s). — Kerkhervorming, v. (-en). — Kerkhof, o. '..ven). Plaats, rondom de kerk. Begraafplaats — Kerk-hofsbloem, v. (-en). — Kerkhnfshoest, ra. Droge, gevaarlijke hoest. — Kerkhofsyna-deliefjes, o. rav. — Kerkkauw, v. (-en). Kauw. — Kerkblok, v. (-ken). — Kerk-koepel, ra. (-s). — Kerkkraai, v. (-en). — Kerk kroon, v. (..onen). — Kerkleer, v. — Kerkleer aar, ra. (-s). — kerklicht, o. (-en). — Kerkmeester, ra. (-s). — Kerkmis, v. (-sen). Wijdingsmis eener kerk. — Kerkpad, o. ( en). — Kerkpatroon, ra. (..onen). — Kerkpatrones, v. (-sen). — Kerkplechtigheid, v. (..heden). — Kerkportaal, o. (..alen). — Kerkrat, v. (-tengt;r Zoo hongerig als eene kerkrat : zeer hongerig. — Kerkrecht, o. De grondstellingen, volgens welke de rechtsbetrekkingen van gansch de Kerk worden geregeld. — Kerkrechtelijk, bn. — Ker kregel, m. (-s).

— Kerkregeering, v. (-en). — Kerkroof^ ra. — Kerkrooverij, v. (-en). — Kerksch, bn. Hij is niet kerksch : hij gaat niet gaarne ter kerk. — Kerkschheid, v. — Kerkschender, ra. (-s). — Kerkschenderii, v. (-en). — Kerkschendster, v. (-s). — Kerk-schennis, v. (-sen). — Kerks'hearing, v. (-en). — Kerkschgezind, bn. Vroom. Godsdienstig. — Kerkschgezindheid, v. — Kerksieraad, o. (..aden). — Kerkstyl, ra.

— Kerks/oei, ra. (-en). — Kerkstoof, v. (..oven). — Kerk sleutel, ra. (s). — Ke*k-slot, o. (-en). — Kerkstraf, v. (-fen). — Kerktijd, ra. Tijd van den kerkdienst. — Kerktoon, ra. (..onen). — Kerktoren, m. (-s). — Kerktorenspits, v. ( en). — Kerktucht, v. — Kerkuil, ra. (-en). Uil {strix flammed), die zich vooral in torens en kerken ophoudt. Voedt zu h vooral raet muizen. lera., die veel ter kerke gaat. — Kerk-vaan, v. (..anen). —Kcrkvaandel, o. (-s),

— Kerkvaandeldrager, m. (-s). —Kerkvader, m. (-s, -en). Kerkvaders : Iet-raars en schrijvers der Chiistelijke Kerk, die van de 2® tot in de 6e eeuw bh eiden : Tertul-lianus, Cyprianus, Augustinus, Chrysosto-mus, enz. — Kerkvenster, o. en v. (-s). — Kerkvergadering, v. (-en). — Kerkver-ordening, v. (-en). — Kerkvoogd, ra. (-en). Hooggeplaatste geestelijke. Ook, kerkmeester.— Kerkvoogdij, v. (-en). — Kerk-voogdijschaff, o. — Kerkweg, ra. (-en). — Kerkwerk, o. — Kerkwet, v. (-ten). — Kerk wettig, bn. bijw. — Kerk wet tigh eid, v. — Kerk w ij ding, v. (-en). — Ke» kwiis, v. (..zen). Voorgeschreven zangwijs voor zekere gezangen. — Kerkzang, ra. (-en).

— Kerkzanger, ra. (-s). — Kerkzwaluwy v. (-en).

kerker, ra. (-s). Gevangenis. — Kerkerdeur, v. (-en). — Kerkeren, bw. kerkerde, heeft gekerkerd, ie vangen zetten.

— Kerkering, v. (-en). — Kerkerkot, o. (-ten). — Kerker loon, o. en ra. (-en). — Kerkerlucht, v. — Kerkermeester, m. (-s). —Kerkerpoort, o. (-en). — Kerker-voogd, m. ( en).

kermen, ow. kermde, heeft gekermd.


X. Hoogaltaar.

2. Afgesloten plaats voor het hoogaltaar,

3. Koor,

a. Torenspits.

b. Torenvenster»

c. Torentje.

d. Galmgaten,

e. Frijtboo%.

f. Gevelspits,

g. Kruisbeuk,

Fig. I.

4. Absida.

5. Kapel der absida. b. Kruisbeuk.

7. Zijbeuk.

Fig. a.

h. Pilaster,

i. Drummer, k. Rozet.

1. Zuil,

m. Zuilen, n. Portaal, o. Booggewelf»

8. Beuk.

9. Pilaren.

10. Fondement der torens»

11. Portaal,

p. O sief.

q. Kraagsteen.

r. Bocgsfclling {Gothisch»

bouwstijl), s. Booqstellinc {Romaanse he bouwstijl).

t. Nok,


ocr page 369
ocr page 370

— 332 —

KERV

KERN

Zuchtend of weenend klagen. — Kermer, m. ( s). — Kerming, v. — Kerm ster, v.

Itermea, v. (-sen). Insect [coccus Ht-cis) ,tot de schildluizen onder de half-vleuge-ligen behoorende. De wijijes hechten zich aan de takken en bladeren van eenen eik (quercuscoccijerd). Zoodra zij hare eieren gedeeltelijk gelegd hebben worden zij van den boom gehaald, gedood, gedroogd en onder den naam van kermes in den handel gebracht. Zij vormen in dien staat roodach-tig-bruine, ronde, gladde korrels, welke eene roode kleurstof bevatten. Minerale = Kartuizerpoeder.

kcriuls, v. (-sen). Kerkmis. Jaarlijk-«che ieesten ter gedachtenis van de wijding eener kerk. Over, op de kermis wandelen : over, op de plaats, enz. waar de kramen staan,wandelen.Feestmaal: kermis hoiiden. Woelig vreugdebedrijf: welke kermis in de sti aten dezen nacht! lem. eene kermis koo-pen, een geschenk geven, ter gelegenheid der kermis. Zie Hel. — Kermisbed, o. (-den). Bed, op den vloer gespreid. —Ker-fnisbier, o. ( en). —Kermisdag, m. (-en).

— Kermisdans, m. (-en). — Kermisdeun, m. (-en). — Kermisdicht, o. (-en). — Kermisdril, m. Laatste kermisdag. — Kermis fooi, v. (-en). — Kerm i-gaan, o. — Kermiszanger, m. (-s). — Kermis-gangster, v. (-S;. — Kermisgast, m. en v. (-en). — Kermisgejoel, o. — Kermisgeschenk, o. (-en). —Kermisgift, v. (-en).

— Ker misdeed, o. (-eren). Koopwaar, die het meest in den tyd der kermis trekt. — Kerm 1 sjongen, m. (-s). — Kermiskinkei, m. (-s). — Kermisboek, v. (stofn.); m. ^-cn) (voorwerpsn.). — Kermiskraam, v. en o. (..amen). — Kermismeid, v. (-en). — Kermismeisje, o. (-s). — Kermisnacht, xn. (-en). — Kermispop, v. (-pen). Kinderpop, op de kermis jekocht. Smakeloos uitgedost meisje. — Kermissen, ow. kermiste, heeft gekermist Heerlijke maaltijd houden. Smullen, brassen. Verkwistend leven. — Ker misspeelgoed, o. — Kermtsspel, o. ( en). Spel, gebruikelijk op de kermis, ( len) Kermistent — Kermistent, v. (-en). Tent, waarin gedurende de kermis vertooningen worden gegeven. — Kermistijd, m. — Kermisvertooning, v. ( en). — Kermisvreugd, v. — Kermisweek, v. (..eken). — Kermiswecr, o. — Ker miswijn, m. — Kermiszang, m. ( en). — Kermiszanger, m. (-s). — Kermiszangster, v. (-s).

k«'rii, v. (-en). Zie Karn. — Kernen, bw kerude, heeft gekernd. Karnen.

klt;'rn, v. ( en). Korrel, pit, zaad. Binnenste steen (eener vrucht). Middelschot van eenige pijpwerken van het orgel. Merg, haitvan hout. Zic-1 : kern van het kanon. Het ede'ste, het beste : de kern van 't leger. Tot de kern doordringen. — Kernachtig, bn. — Kernachtigheid, v. — Kern/tont, o. Zie Hout. — Kernhuis, o. (..zen). Klokhuis. — Kernooft, o. Peren, appelen, enz. — Kernschot, o. (-en). Schot, juist in het mikpunt. — Kernspreuk, v. (-en). Kort en krachtig gezegde. — Jternstang, v. (-en). — Kegt; ristten, m. (-en). — Kernstuk, m. (-ken). Een kanonniersgereedschap. — Kernvormig, bn* Kernvrucht, v. (-en). ..

Kern [J. H. C.), 1833, Poerworedjo (Java). Hoogleeraar (Leiden). Buiteol. eerelid der K. VI. Academie. Taalkundige. Geschiedenis van het Buddhisme tn /ndié'{iSSi-*S$),

kei*», v. (-en). Vrucht van den kerseboom. — Kersappel, m. (-s, -en). Vrucht en boom. Soort van appelboom (Pirus baccata). Zijne vruchten zijn niet veel grooter dan eene kers. — Kersebloesem, m. (-s). — Kerseboom, m. (-en). Bekende boom, die in 't wild voorkomt en in onze hoven, enz. wordt gekweekt. — Kerse-boomenhout, o. — Kerseboomgaard, ra. (-en). —Kerselaar, ra. (..aren, -s). Kerseboom. — Kersenazif'n, ra. —Kersenbif-ter, m. (-s). Vogel, uit de familie der vinken. Heeft een kort en plomp lichaam en een sterken ke^elvorraigen snavel. De * gewone kersenbijter {coccothraustes vulgaris) leeft in Midden-Europa en trekt tegen den winter naar Zuid-Europa. — Kersengaard, ra. (-en). — Kersengelei, v. — Kersengom, v. — Kersenhout, o. — Kersen mand, v. (-en). — Kersensap, o. — Kersensoep, v. (-en). — Kersentaart, v. (-en). — Kersentijd, ra. — Kersenvink, ra. en v. ( en). Kersenbijter. — Kersepit, v. (-ten). — Kersesteel, ra. (..elen).

kerM, v. Groote wilde kers, violierachtige steenraket, ook kleine knopkiek en wilde dragon geheeten. Plantengeslacht, tot de kruisbloeraigen behoorende. kcraouiv, v. (-en). Madeliefje, koritpel, o. (-en, -s). Parochie. Diocees.

kerapendock, ra. (-en). (Voor-werpsn.); o. (stofn.). Floers, zwart krip. kernf«iH|f, m. (-en). Een der geboden

heiligdagen, buiten den zondag, den 25® Dc-c nu-er. Men viert alsdan de gedachtenis van Christus' geboorte. —Kerstavond, ra. ( en). — Kerstboom, ra. ( en). Boom, waaraan op Kerstdag allerlei geschenken hangen.— Kerstdicht,o. (-en). — Kersten, ra. (-en). Christen. — Kerstenbrief, ra. (..ven) Doopbrief. — Kerstenen, b^v. kerstende, heeft gekerstend. D jopen. Tot Christen maken.— Kerstenkind, o. (-eren).

— Kerstfeest, o. en v. (-en). — Kerstgeschenk, o. ( en). — Kerstkoek, ra (-en).

— Kerstlied, o. (-eren). — Kerstmetten, v. rav. — Kerstmis, v. ( sen). — Kerstmorgen, ra. (-s). — Kerstnacht, ra. (-en).

— Ke* stpreek, v. (-en). — Kersttijd, ra.

— Kerstvacantie, v. (..iën, -s). —Kerst' wefk, v. ( .eken). — Kerstzang, m. (-en).

Kerstcu (P.), 1780-1865, Maastricht. Stichter van : Journal his tori que et littéraire.

kcrttverftcli, bn. bijw. Geheel versch. kemtvaler, o. Sterke likeur uit kerse-pitten.

kervel, v. Plantengeslacht {anthris-cus). Behoort tot de schermbloemigen. Do gewone kervel {a. cere folium) heeft een frisschen, specerijachtigen geur en wordt hoofdzakelijk als soepgroente gebruikt. — Kervelkoek, m. (-en), (voorwerpsn.); t, (stofn.). — Kervelkruid, o, — Kervel'


ocr page 371

KETS — 3

melk, v. Aftreksel van kervel. — Kervel-mo's, o.— Kervelsoep, v. (-en). — Ker-velstruifj v. (..ven). Eierkoek met kervel.

— Kerveltoart, v. (-en). — Kervelzaad, O. lierveii, korf. heeften is gekorven. Bw.

Eene kerf insnijden : den visch kerven. (Zeew.) Kappen : den mast kerven. (Bouw.) Tanden. Ü\v. (zijn) Vezelig worden (van stoften). —Kener, m. (-s). — Kerving, V. ( en). — Krrfster, v. (-s).

Keri-yn «Ie Ij4'(tc'iihove (^. B. Af. C. baron), 1817-18 1, S* Michiels. Geschiedschrijver. Lquot; Hist oire de Flandre ; Marie Stuart; les huguenots et les Gueux.

koHp, v. (-en). (Tiram.) Oplegstuk. (Zeew ) Buikstuk.

Koh»«'1 [van). i0 {J.), i626-i6(?), Antwerpen. Landichap- en dierenschilder. — 2° (^7), 1614-1708, Antwerpen. Portretschilder. — 30 Zoon van 10 {J.), 1606-1696, Antverp^n. Blor-ni- en dierenschilder.

(J/.), 1784 1836, Maastricht.

Beeldhi/imer.

(y. L.), 1778-1852, Nieuw-poort. Hocgieeraar (Gent). Prozaschrijver.

li «'tel, m. (-s). Metalen vat (tot koken, brouwen, enz.). Een door hooge bergen ingesloten dal. Ruimte binnen eenen mortier ot aan de kamer. De pot verwijt d«n ketel, dat hij zwart is : de eene schelm verwijt den ander. — Keielboeter, m. (-s). Ketellaj per.— Ketelboeterszak, m. (-kei).

— Kefelbont, v. (-men). Soort van bom. — Kt tflgeravtmel, o. — Ketelkoek, m. (-en).

— Ketellapper, m. (-s). — Ketrllappers-volk, o. Gemeen volk. — Kt te Hap pers-werk, o. Werk der ketellappers. Knoeiwerk. — Ketellapperszak, m. (-ken). — Ketelmuziek, v. en o. Verward geraas met ketels, polten, enz. vergezeld van geschreeuw. Slechte muziek. — Ketelsteen, m. (-en). Afzetsel, dat zich allengs vormt tegen de wanden van ketels, enz., waarin wattr wordt gekookt. — Keteltrom, v. (-men), keteltrommel, v. (-s). Pauk. —Ke-iel/rt mmer, m. (-s). — Keteltromslager, m. (-s).

1« lt;-lel (C.), 1548-1616, Gouda. Portretschilder.

U 4'to Ion, bw. ketelde, heeft gf-keteld. Kiittkn. — Ketelachtig, ketelig, bn. Kittelig. — Ketelstreelen, dw. keielsireelde, heeft geketelstrceld. Kittelend stieelen.

kol4gt;ii, v. ( en, -s). Kettiug. Reeks aaneengeschakelde dingen. Rij. Band : keten des huwelijks. Boei : keten der slavernij. (Wev.) Schering. — Ketenen, bw. ketende, heeft geketend. In ketenen slaan, boeien. Sterk vasthechten. Intoomen : zijne hartstochten ketenen. Door weldaden verbinden : harten ketenen. Onderwerpen : een volk ketenen, — Ketengerammel, o.

— Ketening, v. (-en). Het ketenen. Aaneenschakeling. — Ketenpomp, v. ( en). Pomp met ketting en rad. — Kctenring, m. (-en). —Ketenschakel, m. (-s).

koton, bw. keette, heeft gekeet. Zout raffineeren.

ketaon, ketste, heeft en is geketst. Ow. (hebben) Rond loopen, hier en daar locpen : hij heeft den geheelen nacht geketst.

5 — KEUK

Ketsen achter iem. : achter iem. loopen om hem te krijpen. Ketsen achter iets : iets willen verkrijgen. Eene trekschuit met een paard voorttrekken. M» t «-en paard, enz. de bakten op den molen brengen en dan wederom naar huis voeren, (zijn) Afstuiten, niet afgaan (van vuurwapenen). Niet doorgaan, mislukken : de zaak is geketst, Bw. Doen voortgaan r iem. moede ketsen. Doen vertrekken : iem. van de gemeente ketsen. Vuur ketsen : door middel van een vuurslag en eenen vuursteen tonder doen aangaan. —Ketser, m. ( s). Geweer, dat weigeit af te gaan. Hij, die het paard eener trekschuit voert. Molenaarsknecht, die de bakten rondhaalt en thuis voert. Nacht-looper. — Ketsgery, ketstuig, o. Staal, \ uursteen en eene tondi rdoos. — Ketsingt v. (-en). Het ketsen. Mislukkinp.

kotter, m. (-s). Ketters: « Die onder den naam v^n Chnsienen m t hardnekkigheid volgen de vervalschte leering van Christus. » Een ketter in de kunst: iem., die van de eens aangenomen en gevolgde goede regels afwijkt. Hij \loekt als een ketter. — Kettet ach tig, bn. — Ketterachtig heid, v. — Kefte» beu!, m. (-en). — Ketterdom, o. Ai de ketters. — Kettergericht, o. (-en). Zie Inquisitie. — Ketter-hoofd, o. (-en). — Ketterij, v. (-en). — Ketter maker, m. (-s). — Ketter makerif, v. — Kettermeester, m. (-s). — Ketter-menten, ow. kettermentte, heeft geketter-ment. Razen. 'lieren. — Ketter sen, bn.

ketting:, m. ( en}. Zie Keien. (Fig. altijd keten) (Wev.) Schering. — K'tnng-boom, m, (-ei ). (Wev.), — Ke/tifigbf euk, v. (-en). (Rek.) Voortloopende breuk. — Kettingbrug, v. (-gen), — Kettingdraad, m. (..aden). (Wev ) — Kettingdrager, ..sleeper, m. (-s). (Bij het landmeten.) — Kettinggaren, o. (Wev.) — Kettinghond, m. (-en). —Kettingkogel, m. (-s). — Ketting maat, v. (..aten). Maat der landmeters. — Kettingtegel, m. Wijze om eene onbekende grootheid door middel van aan-eenschakt lin^ der evenredigheden te vinden. — Kettingrekening, v. (-en). — Ket-ting^pil, v. (-l-n). Deel van een uurwerk.

— Kettincsteek, m. (..eken). Wijze van naaien, waarbij de draad-a s eene keten dooreen wordt gewerkt — Kettingstekerif', v. (Wev.) — Kettin^stok, in. (-ken). (Wev.)

— Kettingstraf, v. Iem. toi do keiting-straf (boeien) veroordeelen. — Ketting-vormtg, bn. — Kettmgtve» k. o. (-en). Uurwerk met kettingen. (Pass.) Sieraden, die als eene keten langs ie s loopen. — Keitingzijde, v. Getwijnde zijde.

ken, v. (-en, -s). Bijartstok.

keu, v. (-en, -s). Varken, 't Is eeno keu : 't is niet groot.

keitken, v. (-s). Plaats, waar de spijzen bereid worden. Toebereiding der spijzen : voor de keuken zorgen Wijze van toebereiden der spijzen : de Vlaarusche keuken. De spijzen zelve : hij houdt van' eene guede keuken. Huishouding : zij doen daar eene vette k uken. — Keukenbe-diende, m. en v. (-n). — Keukenbeschuit, v. — Keukenbezem, m. (-s). — Keukenblok, o. en m. (-ken). — Keukenboek^ Om


ocr page 372

KEUR — 3

lt;r«n m. (-en). — Keukenbrood, o. — Keu-Jcendeur, v. (-en). — Keukenfornuis, o. (..zen). — keukengereedschap, o. (-pen).

— Keukettgerief, o. — Keukenjongen, m. (-sj. — Keukenkas, v. (-sen). Keukenkast, v. (-en). — Keukenklauwer, m. (-s). Man, die zich met de keuken, enz. bemoeit. Domkop. — kenlamp, v- (-en). — Keukenlatyn, o. Slecht Latijn. —Keukenlyst, v. (-en). — Keukenlinnens o. (-s). — Keukenmees-Ier, m. (-s). — Keukenmeesteres, v. (-sen).

— Keukenmeid, v. (-en). — Keukenpraat, m. —Keukensleutel, m. ( s). — Keukenstoel, m. (-en). — Keukenstuk, o. (-ken). Sluk huisraad, enz. Schilderij, die eene keuken voorstelt. — Keukensuiker, v. — Keukentafel, v. (-s). — Keukenvloer, m. (-en).—Keukenuerk, o.— Keukenzout, o.

lccul«, v. Kuun.

Keulen, 161,400. De prootste en belangrijkste stad der Pruisische Rijnprovincie. Prachtige gebouwen, o. a. de Domkerk. Garen- en katoenspinnerijen, fabrieken van zijde, enz. — Keulenaar, m. (-sj.

— Keulsch, bn. Keulsch aardewerk, Keul-sche pot.

keulcnastr, m. (-s). Buitengewoon lang vaartuig met weinig diepgang, bestemd tot de handelsvaart op den Rijn.

keun, o. (-en), koun^je, o. (-s). Ko-agn, inz. wild konijn.

konnc, v. Keule.

kour, v. Keus, verkiezing : dat is aan uwe keur o vei gelaten. Overvloed, waaruit men eene keus doet : daar is keur van goed. De bloem, het beste : keur van spijzen, de keur der natie. Stempel, merk van gel alte (op goud of zilver). Te kust en te keur : zooveel men maar wil. (-en) Handvest. Plaatselijke verordening. (Middel.) Keuren : samenstel \an stedelijke wetten, op verzoek van plaatselijke overheden vastgesteld, of, door die overheden vooi gedragen en door den vorst bekrachtigd. — Keut bende, v. (-n). Uitgelezen troep soldaten. Zi»- L-'gioen. — Keurboom, m. Van keurboom komt men tot vuilboom : wie kiezen moet, kiest vaak het slechtste. — Keur boon, v. (-en). Witte of zwarte boon lt;bij stemmingen, enz.). —Keurder, m. (-s). —_ Keuren, bw. keurde, heeft gekeurd. Kiezen. Proeven. Beoordeelen. Loven, prijzen. Iets recht keuren, het voor rechtvaardig, billijk houden. — Keurgenoot, m. (•en). — Keur gewicht, o. (-en). — Keur-heer, m. (-en). — Keurhuis, o. (..zen). Keurvorstelijk stamhuis. — Keurig, bn. bijw. Uitgelezen, fijn, schoon. Kiesch, moeilijk te bevredigen. Dat is keurig (net) .geschreven. — Keurigh'id, v. — Keurig-lijk, bijw.—Kturyzer, o. ( s) Stempel-ijzer. — Keuring, v. (-en). — Keur kamer, v. (-s). Plaats, waar goud en zilver wordt gestempeld. — Keurkorps, o. (-en). Uit-

felezen troep soldaten. —elezen troep soldaten. — Keur kunst, v. 'roef kunst (van metalen). — Keur lijk, bn. bijw. Schoon. Fraai. — Keurlykheid, v.

— Keurling, m. (-en). Soldaat eener keurbende. Uitgelezen soldaat. — Keurmede, v. (-n). Recht, dat de vorst had bet beste juit te kiezen uit de nalatenschap van eenen

^ - KEYo

onderhoorige. Zie Kateel. — Keurmeester, m. (-s). — Keurmeester schap, o. — Keurmerk, o. {-en). — Keur muts, v. (-en). Keur vorstelijke kroon. — Keur noot, ra. (-en). Keurgenoot. — Keur prins, m. (en). Zoon van eenen keurvorst. — Keur-Prinses, v. (-sen). — Keurregiment, o. (-en). — Keursoldaat, m. (..aten). — Keursteen, m. (-en). Toetssteen. — Keurstem, v. (-men). — Keurstempel, m. (-s).

— Keurster, v. (-s). — Keurteeken, o. (-s). Merkteeken op goud of zilver. — Keurt eekenen, bw. keurteekende, heeft gekeurteekend. — Keur tin, o. Tin van do beste soort. — Keur ver want schap, v. Scheikundige verwantschap. Scheikundige aantrekking. — Keurvorst, m. (-en). Vorst bij keuze (niet door erfrecht). Vorst, die gemachtigd was den Duitschen keizer te helpen kiezen. — Keurvorstelijk, bn. — K' urvorstendom, o. (-men). — Keurvorstin, v. (-nen). — Keurzaad, o. (..aden).

keurs, v. (..zen), keurslóf; o. (..ven). Rijglijf. Kleedingstuk, om het lijf geregen van vrouwen.

I^eus, v. (..zen). Verkiezing. Hot kiezen. Het of de gekozene.

keutel, v. (-s).^ Vaste drek (van men-schen en sommige dieren), m. Kleine knaap.

— Keutelaar, m. (-s). Talmer. — Keute-laarster, v. (-s).— Keutelachtig, bn.Talm-achtig. — Keutelachtigheid, v. — Keu-te lary, v. (-en). — Keutelen, ow. keutelde, heeft gekeuteld. Talmen. Zich met het verrichten van kleinigheden bezighouden. — Keute lig, bn. — Keuteli^h e id, v.

— Keutelschooltje, o. (-s). School van kleine kinderen. — Keutelwerk, o. Beuzelwerk.

keu teren, bw. keuterde, heeft gekenterd. Koteren.

keuvel, v. (-s). Hoofddeksel (van sommige kloosterlingen). Vrouwenkapje.

keuvelen, ow. keuvelde, heelt gekeuveld. Praten. Babbelen. — Keuvelaar, m. (-s). — Keuvelaarster, v. (-s). — Keuvela rij, v. (-en). — Keuveling, v. — Keu-velkous, v. (-en). Babbe kous.

keuvelend, o. (-en). De schuinsche zijde aan weerszijden van het dak eener schuur.

keuze, v. (-n). Keus.

keuzelen, ow. keuzelde, heeft gekeu-zeld. Knikkeren. Keuvelen. —Keuzelaar, m. (-s). —Keuzelaar ster, v. (-s). — Keu-zeling, v.

kevel, m. (-s). Tandvleesch. Tandeloos gebit. — Kevelen, ow. kevelde, heeft ge-keveld. De kinnebakken heen en weer bewegen. Keuvelen.— Kevel kin, v. (-nen). Lange, platte kin.

kever, m. (-s). Tor. — Kevervlieg, v. (-en). Kever.

keverbek, m. en v. (-ken). Diklip. kevie, v. (-s).Teenen mandje, waarin duiven, enz. ter markt, enz. gedragen worden.

I£ey»er (lt;/lt;?). i0 (■//.), 1565-1621,Utrecht. Beeldhouwer en architect. Het praalgraf van prins Willem 1. — 20 (71), ir95lt;?)-1667, Amsterdam. Portretschilder.— 30 (A7quot;.), 181^-1887, Zandvliet. Historie- en portret-


ocr page 373

KIEL - 3,

schilder. Behalve zijn KruisiginfC van Christus schilderde hij veldslagi n en historische tafereelen. Sporenslag; Slag by Niewwpoort. — 40 {J. P.)y 1818-1878, Rotterdam. Letterkundige. Proza en poëzie van Nederl. auteurs ; Neerl.

Lett, in de negentiende eeww (1873).

Khstii, ra. (-s). Tartaarsch vorst. Ooster-sche herberg (doorgaans tot opneming der karavanen hestemd). üostersche markt-

Slaats —laats — Khanaat, o. (..aten). Grondge-ied van eenen Khan.

KlKMlive, m. Titel van den onderkoning van Egypte.

bib, v. (-ben), klbbc, v. (-n). Zak of achterste gedeelte van eene fuik.

hlbbeleii, ow. kibbelde, heeft gekibbeld. Krakeelen. Twisten. — Kibbelaar, m. (-s). — Kibbe laar ster, v. (-s). — Kib-belachtig, bn. — Kibbelarij, v. (-en). — Kibbelig, bn. bijvv. — Kibbe/igheid, v. — Kibbeling, v. — Kibbelkunst, v. (-en). — KibbeIziek, bn. — Kibbelzucht, v. — KibbeIzuchtig, bn.

bibbelins:, v. Afval van zoutevisch. Inz. de wangen van den kabeljauw.

KJckx. 10 (y.)f 1775-1831. Brussel. Kruidkundige. Flora Bruxellensis (1812).

— 2° Zijn zoon {jf.), 1803-1864, Brussel. Kruidkundige. Hoogleeraar (Gent). Recherches pour servir a la flore cryptogam'que des Flandres (i84i-'55). tn jlore cryptogantiqne des Flandres, uitgegeven door zijrvsE- 22on (^. 1842-1890, Gent), hoogleeraar en rector der Hoogeschool (Gent).

ki«l, v. (-den), kidde, v. (-n). Klein paard.

kiekeboe, tw. Woordje, waarvan men zich bedient als men zijn aangezicht voor kinderen beurtelings ontbloot en bedekt.

kieken, kuiken, o. ( s). Jong van eene hen, eend, enz. Hoen, hen. — Kiekendief, m. (..ven). — Kiekenhoofd, o. (Scheldn.) Zot, kinderachtig persoon. — Kiekenkot, o. (-ten). — Kiekenpastei, v. (-en).

kiel, ra. (-en). Kleedingstuk (voorkinderen). Blauwe kiel: loshangend overkleed (voor werklieden, enz ).

klei, ra. (-en). Keg. Wig.

kiel, v. (-en). Bodembalk, onderdeel van een schip. Schip. (Bouwk.) Inspringende samenvoeging van twee daken. — Kielbalk, ra. (-en). (Zeew.) Voorsteven. Buitensteven. — Kie/blok, o. en m. (-ken).

— Kielen, bw. kielde, he.eft gekield. De kiel leggen. Kielhalen. Verbeteren. — Kielgang, v. (-en). (Zeew.) Eerste en laagste lijst eener kiel. Zandstrook. — Kiel-gooty v. (..oten). (Bouwk.) — Kielhalen, bw. kielhaalde, heeft gekielhaald. (Eenen matroos) in 't water laten en (hem) tot straf onder het schip doorhalen. Doornat maken. — Kieling, v. Het kielen, (-en) Werf. — Kielkade, v. (-n). Kade, waar de schepen gekield worden. — Kielkeper, v. (-s). Kielbalk. — Kielklos, ra. (-sen). Slemphout. — Kiellichter, m. (-s). — . Kielplaats, v. (-en). Kielkade. — Kiel-stut, ra. (-ten). — Kielwater, o. Zog. Vaarwater.

5 — KIEV

Kiel (C. van), 1528-1607, Duffel = A7-lianus. Corrector der Plantijnsche drukkerg (Antwerpen). Taalkundige. Etymologicon Teutonicoe linguae (1574K

Kiel {F.), 1821-1885, Puderbach (West-phalen). Duitsch toonkunstenaar en componist.

kiem, v. (-en). Het inwendige deel van het zaad. Eerste uitspruitsel van het zaad. De kiem van het goede, van het kwaad. — Kietnblaanje, o. ( s). — Kiemen, ow. kiemde, heeft gekiemd. Kiem zetten. Uitkomen. Opschieten, zich uitbreiden. — Kiemhulsel, o. (-s). — Kieming, — Kie?nvermogen, o. — Kiemvcrming, v.

— Kiemwtt, o.

kieuKpel, o. (-len). Lottospel. — Kie-nen, ow. kiende, heeft gekiend. Met het kienspel spelen.

kier, m. Nauwe opening : de deur staat op eenen kier. (Zeew.) Opening tusschen gestuwde vaten.

kiereboe, v. (-s). Bankwagen.

kien, v. (..zen). Baktand. Maaltand. —

— Kiespijn, v. — Kiezentrekker, m. (-s). kie», o. Mineraal, welk uit eene verbinding van zwavel met een metaal bestaat.

kiesbaar, bn. De vereischten bezittend om gekozen te worden. — Kiesbaarheid, v. — Kiesbevoegd, bn. Gerechtigd om te kiezen. — Kiesbevoegdheid, v. — Kiesbriefje, o. (-s). — Kiescijns, ra (..zen).

— Kiescollege, o. (-gt;). Kirsvergadering. Al de kiesbevoegden. — Kiesgerechtigd, bn. — Kiesgerechtigde, ra. (-n). — Kiesheer, ra. (en). Kiezer. — Kiesrecht, o. — Kiesstelsel, o. (-s). — Kiesver-eeniging, v. (-en). — Kiesvergade-ring, ▼. (-en). — Kieswet, v. (-ten).

— Kiezen, bw. koos, heeft gekozen. Uit twee of meer personen of zaken aan é^n de voorkeur geven. Onderscheiden. (lem.) tot lid eener vergadering kiezen. Partij kiezen : zich voor den een en tegen den ander verklaren. Het hazenpad kiezen : op de vlucht gaan. Zee kiezen : uitzeilen. — Kiezer, m. (-s). — Kiezerslijst, v. (-en). — Kiezers-vereeniging, v. (-en). — Kiezersvergadering, v. (-en). — Kiezing, v. (-en).

kieaeh, bn. bijw. Keurig. Nauwgezet. Omzichtig. Smaakvol. Beleefd. — Kie veilheid, v. — Kieschkeurig, bn. Fijn (in 't beoordeelen van hetgeen de zinnen of den geest betreft). — Kieschkeurigheid, v.

kifwkMUwen, ow. kieskauwde, heeft gekieskauwd. Langzaam, zonder graagte eten. — Kiesknuvo, m. en v. (-en), Kies-kauwer, m. (-s), kieskauwster, v. (-s). — Kieskauwig, bn. bijw. Langzaam, vies in het eten.

kietelen. Kittelen.

kieun', v. (-en). Ademhalingswerktu:g (der visschen). Kakebeen. Muil. — Kieuwdeksel, o. (-s). — Kieuwdragend, bn. — Kieuwvlies, o. (..zen).

kievit, ra. (-en). Vogel, tot de steltloo-pers behoorende. Heelt de grootte van eene tamme tortelduif, met langereu hals en pooten, met breede stompe vleugels en een recht afgesneden staart. De kievitseieren worden zeer gezocht. — Kievitsei, o. (-eren). Ei van den kievit. Soort vau


ocr page 374

KIKK — 32

schelp. (Plantenk.) Keizerskroon. — Kie-vitsjong, o. (-en). — Kievitsnesi, o. en m. (-en). — Kiev it ssta art, m. (-en). — Kievitsvlucht, v. ^

kiezel, o. {Silicium). Metalloide. Komt niet in vrijen toestand voor, maar wel in verbinding met zuurstof en zou dan ook kiezelzuur moe en heeten. —Kiezel, o Grof zand. — Kiezelaarde, v. — Kie-zelarhtig, bn. — Kiezelgrond, m. (-en).

— Kiezelsteen, m. (-en). Keisteen. — Kiezehveg, m. (-en). — Kiezelzand, o. Kiezelzink, o. Galmei. — Kiezelzout, o.

— Kiezelzuur, o. Kiezel.

kir, o. Gemalen eikenschors, die reeds in de loeierskuip is gebruikt.

ktJf, v. Twist. Geschil. Buiten kijf: zonder tegenspraak. — Kijf aas, o. Ziertje, nietigheid : om een kijfaas vechten. — Kyh acntig, bn. — Kvfachtigheid, v. — A^/j-lust, m. — Kijf woord, o. (-en). — Kijfziek, ki/fzuchtiK, bn.

küken, keek, heeft gekeken. Ow. Zien, staren. Staan te kijken : verwonderd zijn. Staan kijken, gapen, den luiaard spelen. Bw. lem. de woorden uit den mond kijken. Kijk hem eens! (uitroep van bewondering of oespottirg). Bekijken ; prenten kijken.

— Kijk, m. Het kijken : hij gaat er maar om d. n kijk. Te kijk zetten, te kijk staan.

— Kykdatr, m. (-en). Dag, tot bezichtiging eens verkoopboedels bepaald.— Kykdu n, o. Hoogste top van eene duin. — Kijker, m. (-s). Die kijkt. Verrekijker. Tooneelkij-ker. Oog (inz. van kinderen). — Kijkgat, o. (-eni. Nauwe opening, waar men door ziet. (VVisk.) Vizier in een liniaal. — Kijkglas, o (..azen).—Kijk-in-de-pot, m. en v. (-ten). — Kij king, v. — Kijkje, o. (-s). Een kijkje nemen : eventjes bezien. — Kijkkast, v. (-en). — Kijkspel, o. (-len).

— Kijk spleet, v. (..eten). Kijkgat. —Kijk-ster, v. 1-s) — Kijktoren, m. (-s). Slotto ren. Wachttoren. —Kijkuit, o. — Kyh-venster, o. en v. (-s).

kUven, ow. keef, heeft gekeven. Kra-keelen, twisten. Schreeuwen, lieren. — Kijvage, v. Gekijf. Kijverij. Gekibbel. — Kij ver, m. (-s). — Kijf ster, v. (-s). — Kijverij, v. (-en). Krakeel, twist.

kik, m. Klein, flauw geluid. Noch kik, noch mik geven. — Kikken, ow. kikte, heeft gekikt. Eventjes, flauw spreken. Niet durven kikken noch mikken : niet durven spreken.

kiklialzen. ow. kikhalsde, heeft ge-kikhalscl. Kokhalzen.

kikker, m. (-s). Kikvorsch. — Kik-kerspog, o. Wit schuim, dat men in de Lente en den Zomer op sommige planten aantreft. — Kikkervischj'e, o. (-s). Jonge kikvorsch, die zijne gedaantewisseling nog moet ondergaan. — Kikvorsch, m. ( en). Bij ons treft men twee soorten van kikvor-schen aan : de bruine kikvorsch {rana temporaria), die zijn verblijf houdt in graslanden en kreupelhout, aast op slakken en insecten ; de groene kikvorsch {rana escu-lenta), die in vijvers, sloten en moerassen woont. — Kikvorschebil, v. (-len). — Kik-vorscheieren, o. mv. — Kikvorschenlaud, o.—Kikvorschennet, o. (-ten). — Kik-

S — KIND

vorschenó^el, m. (-cn). — Kikvorscheit-schot, o. ICuit van den kikvorsch. — Kik-vorschenzloot, v. (-en). — Kikvorschett-zaad, o. —Kikvorschengezivel, o. Waterachtig gezwel onder de tong.

kil, v. (-len). Waterdiepte tusschen twee zandbanken, enz- Bed eener rivier. Stroo-mend water. Water.

kil, bn. Koud. Frisch. Huiverig : het werd mij kil door de leden. — Kilheid, v.

— Kil kond, bn. Ijskoud. — Killen, ow. kilde, heeft gekild. Eene tintelende koude veroorzaken ; de koude doet mij killen. Een tintflende koude gevoelen : mijne vingeren killen. (Zeew.) Dereileu killen : met de zeilen aan den wind liggen. — Kittigy ba. Koud. Huiverig. — Ktlligheid, v. — KiUing, v. (-en).

kilo, o. en m. ( s) . 1000 grammen. — Kilogram, o. en m. (-men): 1000 grammen. — Kiloliter, m. (-s) : 1000 liters. — Kilometer, m. (-s) : xooo meters.

kim v. (-men). Scherpe rand (van eenen mast, van eenen steven). Bovenrand van eene drinkschaal. Bocht (tusschen tvî takken). Schijnbare rand van den horizon.

— Kimduiking, v. (-en). (Sterr.) Daling van den horizon. — Kimgang, v. (-en)» Zekere plank aan de zijde van een schip.

— Kimkiel, v. (-en). (Zeew.) Bodemversterking. — Kimme, v. (-n). (Zeew.) Ondereinde van een buikstuk. — Kimme loos, bn. — Kimweger, ra. (-s). Zekere scheeps-plank.

Kiuibren, m. mv. De opvolgers van de Kelten of Gallen. Waren vermoedelijk van denzelfden oorsprong. Ten gerolge van een vreeslijken watervloed, zakten zij, ruim éene eeuw vóór Chr. naar het Zuiden af en bedreigden Rome.

Kiiupoko. Statie (Stanley-Pool, Con-goland).

kin, v. (-nen). Onderste voorste gedeelte van het hoofd. (Zeew.) Voorste gedeelte van de kiel. — Kinband, m. (-en). — Kin' doek, m. (-en). — Kinhaak, m. (..aken),

— Kinijzer, o. (-s). — Kinketting, m. (-en). — Kink uiltje, o. (-s). — Kinriemf m. (-en). — Kinschurft, v. — Ainslag-ader, v. (-s). — KinsPier, v. (-en). — Kinstuk, o. (-ken). — Kinuitsteeksel, o. — Kinuitstek, o. (Ontl.) — Kinver band, o. (-en). — Kinvlecht, v. Kinschurft.

klua, v. Bast van den kinaboom. — Kina-achtitc, bn. — Kinabast, v. (stofn.); ni. (-en) (voorwerpsn.). — Kinaboom, m. (-en). Altijd groene boom of heester, die in Zuiu-Amerika thuis behoort en uit welks bast de kinine bereid wordt.—Kin'idrank, m. (-en). — Kinapoeder, ..poeier, o. (-s). Eene hoeveelheid kina om in eens in te nemen. — Kinasiroop, ..stroop, v. — Kinatinctuur, v. — Kinawijn, m. — Kinazout, o. — Kinazuur, o. (..uren).

kind, o, (-eren, -ers). [Kindje, o. kindertjes. Kindeken, kindeke, o. (-s).] De mensch wordt kind genoemd tot zijn 12*, 14« jaar. Zoon, dochter. Voortbrengsel. Spruit, loot. Mijn kind : mijn waarde. De kinderen Israels : het Joodsche volk. De kinderen des lichts, der duisternis. Het kind by xyn rechten naam noemen i do


ocr page 375

KIND — 3

zaak zepgen, zooals zij waarlijk is. Kinderen en gekken zeggen de waarheid. — Kinderachtig, bn. bijw. Van, als een kind. Lichtzinnig, wuft. — Kinderachtigheid, v. (..hedf-n). Gedrag, handelwijze van (of als die v^n een kind. — Kinderage, o. en v. (-s, ..iën). K nderachtigheid. lem., die zich gedraagt ais een kind. — Kinderarts, m. (-ei ). — Kinderbal, m. (-len). Speeltuig (van kimieren). o. ( s) Danspartij (voor kinderen).—Kindei-batkje,o. ( s).(Bouwk.) Kleine balk. — Kinderbed, o. (-den). — Kind er bederver, m. (-s). — Kinderbe-derfsier, v. (-s). — Kinderbeeld, o. (-en).

— Kinderbei, v. (-len). Rammelaar. — Kinderbeui, m. (-en, -s). — Kinderbier, o. Doopmbal. — Kinderbijbel, m. (-s).— Kinderbegrip, o. — Kindercourant, v. (-en). — Kinderdaad, v. (..aden).

— Kindei dagen, m. mv. — Kinderdief, m. (..ven). — Kin der dievegge, v. (-n). — Kinder dokter, ra. ( s). — Kinderdoop, m. — Kinder dotje, o. (-s).

— Kinderdracht, v. (en). — Kinder-drank, m. — Kinderen, ow. kinderde, heeft gekirderd. — Kinderfeest, o. en v. (-en). — Kinderfluitje, o. (-s). — Kindergedichtje, o. (-s). — Kin der gek, m. (-ken).

— Kinderg'kkin, v. (-nen). — Kindergeld, o. KostschooigeM. — Kindergebabbel, o. — Kindergeschreeuw, o. — Kinder ge snap, o. — Kindergezang, o. — Kindergoed, o. — Kindergril, v. (-len). — Kinderhand, v. (-en). Eene kinderhand is spoedig gevuld. — Kinderhart, o. (-en).

— Kinderhemd,o. (-en). —Kinderhoofd, o. (-en). — Kinderhoop, m. (-en). Zwerm kleine kinderen. —Kinderhuis, o. (..zen). —Kinder huisraad, o. Speelgoed. — Kinderjaren, o. mv. — Kinderjasje, o. (-s).

— Kin d erjtiff er, v. (-s). — Kinderjuffrouw, v. (-en).—Kinderjurk, v. (-en).

— Kinderkamer, v. (-s). — Kinderklap, m. — Kinderkleed, o. (..eeren). — Kinderkoning, m. (-en). Schoolmeester. — Kinder koningin, v. (-nen). — Kinder-korf, m. (..ven). — Kinderkost, m. — Kinder kuur, v. (..uren). — Kinderleer, v. — Kinderleven, o. — Kinderlied, o. (-eren). — Kin de liefde, v. — Kinder lie-vend, bn. — Kinderlijk, bn, bijw. Aan een kind voegende of behoorende. Gelijk een kind. Eenvoudig, oprecht, openhartig.

— Kinderlijkheid, v. Eenvoudigheid. — Kinderloos, bn. — Kinderloosheid, v. — Kinderluim, v. (-en). — Kinderlust, m.

— Kinderluur, v. (..uren). — Kindermaag, v. (..agen). — Kindermaal, o. (..alen). — Aindermand, v. (-en). — Kindermanteltje, o. (-s). — Kinder meester, m. (-s). — Kindermeesteres, v. (-sen). — Kindermeid, v. (-en). — Kindermeisje, o. (-s). — Kinder molentje, o. (-s). — Kindermoord, m. (-en). — Kinder moor der, iu. (-s). — Kindermoordster, v. (-s), kinder moor der es, v. (-sen). — Kinder-muts, v. (-en). — Kindermuziek, v. en o.

— Kindernuk, v. (-ken). — Kinder off er, o. (-s). — Kinderpak, o. —Kinderpap, v.

— Kinderparty, v. (-en). — Kinderplaag, m.en v. (..agen). lem., die gaarne kinderen plaagt. — Kinderplaag, v. v-.agen). Ziekte

7 — KINK

(inz. van kinderen). — Kinderplicht, m. en v. (-en). — Kinderpokken, v. mv. Zie Pokken. — Kinderpop, v. (-pen). — Kinderpraat, ra. Taal, gesnap van een kind.

— Kinder praatje, o. (-sK Onnoozel, dom gepraat. Beuzeling. — Kinderpredikatie, v. (..iën, -s). — Kinder preek, v. ( en). — Kinderprrillen, v. mv. — Kinderi ifk, bn. Veel^ kinderen hebbende, — Kinnerryk, o. Kinderwereld. — Kinderroof, m. — Kinderschoen, m. (-en), — Kinderschool, v. en o*. ( ,olen). — Kinder smart, v, — Kinderspeelgoed, o. — Kinderspel, o. (-len, -en). — Kinderspreukj'e, o. (-s). — Kindersprookje, o. (-s). — Kinderstem, v. (-men). — Kinderstoel, m. (-en). — Kindersitreek,m. (..eken). — Kindertaal, v, — Kindertafeltje, o, (-s), — Kindertoon, m. — Kin dertrommel v. (-en, -s). Kinder tucht, v. — Kindertuin, ra. (-en).

— Kinderver maak, o. (,,aken). — Kin-derverstand, o. — Kindervel leisel, o. (-s).— Kindervoet, m. (-eni. — Kindervraag, v. (..agen). — Kindervreugd, v.

— Kindervriend, m. (-en), — Kindervriendin, v. (-nen). — Kinderwagen, m. (•s). — Kinderwereld, v. — Kinderrt erk, o. — Kinder zalig, bn Kinderrijk. — Kinderzaligheid, v. — Kinderzegen, m. — Kinderziekte, v. y-n . — Kinderzin, m.

— Kinderzweep, v, (-en). — Kindlief, o. L.ief kind, — Kindsbeen. Van kindsbeen af, bijw. «itdr. : sedert de vroegste kindsheid, — Kindsch, bn. Kinderachtig, onnoozel. Kindsch worden : door hoogen ouderdom zwak van begrip worden, het geheugen verliezen, enz. De. kindsche dagen : de kinderjaren, — Kindschap, o. (Recht.) Hoedanigneid va-i kind, ten opzichte der ouders. — Kmdschheid, v. On-noozelheid (van bejaarde lieden). — Kindsdeel, o. (-en), kindsgedeelte, o. (-n). (Recht.) Erfdeel, wettig deel aan een kind toekomende- — Kindsheid, v. Tijd der kinderjaren. Eerste jeugd. Ontstaan, geboorte : de kunst was toen nog in hare kindsheid. —Kindskind, o. (-eren). Kleinkind,

Kinsrsley (C), 1819-1875, Dartmoor. Eng, letterkundige. History of England for boys (1864); Health and education

UZ?*)'

kinine, v. Alcaloïde uit den kinabast verkregen. Bezit eene koortsverdrijvende kracht,

kinb, v. ( en). (Zeew.^ Knoop, draai in een touw. Belemmering. Er is eene kink in den kabel : er is een beletsel. Hij is uit de kink, buiten gevaar,

hinkel, m. (-s), Lomperü, — Kinkelachtig, bn. Grof, lomp. Bijw. Op lompe wijze. — Kinkelachtigheid, v.

kinken, ow. kinkte, heefe gekinkt. Hard slaan (op iets) met een puntig voorwerp, enz, zoodat het terugspringt,

Kinker (7.), 1764-1845, Meilust (Nieuwer-Amstel). Hoojleeraar (Luik), Dichter en wijsgeer. De Post van den Helikon (tijdschrift).

kinkliocat, m. Aanzettende, en soms besmettelijke ziekte {inz. van kinderen). Komt zelden meer dan eenmaal bij den-


ocr page 376

KISK — ■

zelfden persoon vour en gaaf. door een eigenaardigen hoest vergezeld.

klnklioorn, kiitklioron, m. (-s). (Oudt.) Gedraaide hoorn (als speeltuig). Thans, wentf-ltrapvormig zeegewas, dat de gedaante heeft van zulk eenen hoorn, kinkklarocn, v. (-en^. Blaashoren. kinnebak, v. (ken). Onderst beenig deel van het aangezicht, waarin tanden en kiezen zijn ingeplant — Kinnebakken, o. ( s). Kinnebak. — Kt'nneSaksbiok, o. en m. ( ken). — Kinnebaksgat, o. (Ontl.). — Kinnebaksham, v. (-nen). Gerookte varkenskinnebak. — Kinnebaksslag,m. (-en). Oorveeg. Klap. — Kinnebaksslagader, v. (-s). — Kinnebaksspier, v. (-en).

kinnclje, o. (-s). Zekere maat = 1/4 gedeelte van eene ton, inz. van bier; 1/8 van eene kalkton.

kino, v. Gedroogd sap uit den bast van verschillende planten in Amerika, Australië, enz. voorkomende. Is zwart of donkerbruin van kleur.

kiofik, v. (-en). Tuinhuis, zomernuis. Paviljoen (op palen). Eigenaardig gebouwtje op openbare plaatsen, markten, enz. waar harmonies en fanfaren spelen. Gebouwtje, waar dagbladen, enz. verkocht tvorden.

kip, v. (-pen). Hoen. Hen. — Kippe-borst, v. (-en). Zwakke, kortademige borst. — Kippeb^utj'e, o. (-s). — Kippen, bw. kipte, heeft gekipt. Het doorpikken der eierschalen om de kiekens of jonge vogels te laten uitkomen. — Kippendief, m. (..ven). — Kippenei, o. (-ers, -eren). — Kippenhok, o. (-ken). — Kiópenkuur, v. (. uren). Gril zonder oorzaitc. — Kippen-ladder, v. (-s). — Kippenloop, m. (-en). — Kippenren, v. (-nen). — Kippensoep, v. — Kippenvel, o. Kippenvel krijgen : eene tinteling in de huid gevoelen. — Kippeljes-gort, v., kippetjesgruilen, v. mv., kip-pei/t'skosf, m. — Kipping, v. Het uitkippen. — Kipsel, o. (-s). Jonge kiekens.

kip, v. en o. ( pen), val. Klepje. Vogelknip. — Kippen, bw. kipte, heeft gekipt. In eene kip vangen. Vangen. Grijpen. Uitkiezen. Wegstelen.

kip, m. (-pen). (Zecw.) Insnijding. — Kippen, bw. Snijden, kepen. Het anker kippen : op zijn anker jagen (van een •schip). — Kiptakel, m. (-s). (Zeew.) Hoeptakel. Zijtakel.

kip, v. (-pen). Band om eene rol stok-\isch. Destokvisch, daaiin vervat.

kip, v. (-pen) Kinderklapmuts. Bijziende persoon. — Kippig, bn. Bijziende. Kortzichtig. — Kippigheid, v.

kip, o. (-pen). Strook bout aan het ploegijzer, dat over den grond sleept.

kipkap, m. Mengeling van allerhande stukjes vleesch. Mengeling.

kipmolen, m. (-s). Hennepmolen, kipperen, ow. kipperde, heeft gekip-perd. Tintelen van koude (van de handen).

kirren, ow. kirde, heeft gekird. Trillen met de keel (inz. van duiven). Van verliefdheid zuchten. — Kir ring, v.

kiskassen, ow. kiskaste, heeft gekis-kast. Keilen. Ook, braden : het vleesch stond te kiskassea op bet vuur.

;8 — KLAA

kissen, kiste, heefc gekist. Bw. Aanhitsen (eenen hond, enz.quot;,. Ow. E -n sissend gelmd maken : het water kist als 't begint te koken.

kiHweviaaen ow. kiss»yIsco, heefc gc-kissevist. Zacht spi eleen. Fiuiiteren.

ki»t, v. (-en). Langwerpig ruim met deksel uit planken vervaardigd. Doodkist. — Kistdam, m. (-men). Dam, bij weikf-n eene door ingeheide palen en damplanken gevormde kist met besten kleigrond wordt gevuld. — Kistdeksel, o. (-s).—Kisten, bw, kistte, heeft gekist. In eens kist inpakken. In eene doodkist leggen. (Dijken tegen overstroomingen) beveiligen, door hat maken eener kisting. — Kisten ha ut, o. — Kisteumaken, o. — Kistenmaker, m. (-s).

— Kisten makerij, v. — Kisfepand, o. (-en). Roerend goed, dat in eene kist bewaard kan worden. — K is ter, m. (-s). — Kisting, v. (-en). Het kisten. Middel om dijken te beveiligen.

kit, v. (-ten). Groote ka.n, kruik. Kroeg.

kils, v. (-en). Licht vaartuig met éen verdek en drie masten.

kitsen, kitste, heeft gekitst. B w. Speeksel uitschieten door de tanden. Ow. Afschieten met gedruisch. Keilen. Vuur slaan.

— Kitsing, v.

kiltubroer, m. (-s). Zwierbol. Dronkaard.

Kittel (J. C.),i732-i8o9,Eifurt. Duitsch organist.

kittelen (ketelen, kietelen), kittelde, heeft gekitteld. Bw. Eene zachte beweging der vingertoppen over de huid maken en daardoor onwillekeurig doen lachen. Streelen : dit kittelt het geficmelte, dit kittelt zijnen hoogmoed. Dit kittelt zijne ooren, is hem aangenaam te hooren. Zich kittelen (met) : zich zeiven iets voorspiegelen. Ow. Eene streelende gewaarwording veroorzaken : dit bier kittelt op de tong. — Kittelaar, m. (-s). — Kittelaarster, v. (-s). — Kittelachtig, bn. — Kittelachtig-he id, v. — Kittelig, bn. — Kitteligheid, v. — Kitteling, v. (-en). — Kit teloor ig, bn. Lichtgeraakt. Opbruisend. — Kittel-rarigheid, v. — Kittelsteen, m. (-en). Kei-zel. — Kitteltongig, bn. Tot tegenspraak geneigd. Lekkerbekkig.

kittig:, bn. Puntig, net: een kittig ding. Vurig. — Kittigheid, v.

klaaeaclitigr, bn. Geneigd totklagen. Altijd klagende. Bijw. Op klagende wijs. —

— Klaaeachtigheid, v. — Klaaghuis, o. (..zen). Huis van droefenis. — Klaaglied, o. (-eren). Klacht. Treurlied, treurzang. Jeremiade. — Klaaglijk, bn. bijw. — Klaagpsalm, m. (-en). Boetpsalm. — Klaagrede, v. (-nen). — Klaagschrift, o. (-en). — Klaagstem, ra. (-men). — Klaagtoon, m. (..onen).j— Klaagzang, ra. (-en).

klaar, bn. bijw. Helder, licht, onbewolkt : een klare hemel. Doo;schimend, blinkend. Dun : klaar neteldoek. Duidelijk : een klaar bewijs. Gereed : het eten is klaar. Gesloten : het verbond is klaar. Kant en klaar. Zie Kant. — Klaarblyke' lijk, bh. bijw. Duidelijk. Ontegenzeglijk. Onwederlegbaar. — KlaarbLijkcli/kheid, v. — Klaarheid, v. Helderheid. Licht,


ocr page 377

KLAD — 3

glans. Duidelijkheid. — Klaarkomen (i), ow. (zijn) Met iets gedaan hebben : hij zal wel tegen morgen klaarkomen. Geholpen worden : zoudt gij daar klaarkomen? — Klaarkrygen, b\v. (Een werk, enz.) afkrijgen. — Klaarleggen, bw. Gerecdlcg-gen. — Klaarlicht, bn. — Klaarliggen, ow. Gereedliggen. — Klaar lijk, bijw. Op •klare, duidelijke wijze. — Klaartnaken, bw. Gereedmaken. Klaren (van drank). Bereiden. — Klaar mak er, m. (-s). — Klaarmaking, v. — Klaaroog, o. (Plan-tenk.) Oogentroost. —Klaar pan, v (-nen).

— Klaarraken, ow. (zijn) (Met iets) gedaan krijgen. Geholpen worden : hij zal er wel klaarraken. — Klaar schijnend, bn.

— Kiaarsel, o. Wat dient om iets te klaren, inz. vischlijm, waarmede het b er wordt geklaard. — Klaarspelen, bw. (Iets) met goeden uitslapr ten einde brengen. — Klaarstaan, ow. Gereedstaan.— Klaarte, v. — Klaarzetten, bw. Gereedzctten. — Klaarziend, bn. Helderziend. Scherpzinnig.

Klams, m. Verkorting van Nicolaas.

klsian, m. (..zen). (Zeew.) Houten nijptang. Een lange klaas : een lummel. Een honen klaas : een onbeholpen stijf men sch.

klnvlit, v. (-en). Beklag. Beschuldi-girg : zware klachten inbiengen (tegen). (Recht.) Aanklacht, eisch (in geschrifte).

— ,x lachtig, bn. bijw. Klachtig vallen over iets of lem., er over klagen.

Ilt;l2td, v. (-den). Smet, vlek : kladden maken op een schrift. Laster, smet, val-sche beschuldiging : eene klad op iemands naam werpen. Opgedroogde vuiligheid in de hoeken der oogen. Opgedroogde vuiligheid op de huid der runderen. Morsig vrouwspersoon. Hij brengt er de klad in ; liij werkt of verkoopt beneden den prijs. Kraag : bij dekladden krijgen. — Klad, o. Ruw opstel. Kladboek. — Kladboek, o. en m. (-en). Gewoon schrijfboek van eenen scholier. (Kooph.) Dagboek.—Kladdebo-ier, v. Vervalschte boter, (-s) Vuil vrouw-mensch. ra. en v. (-s). lem., die slecht schrijft. — Kladdei, v. (-en). Morsig vrouwspersoon. — Kladden, kladde, heeft geklad. Bw. Bekladden, bemorsen : zijn schrift kladden. Dooreenmengen : de spijzen ondereen kladden. In 't ruw stellen : hij heeft wel duizend portretten geklad. Ow. Slecht, slordig schrijven. Dit papier kladt, vloeit. Vuil worden. Met eene waar kladden, ze onder den prijs verkoopen. — Kladder, m. (-s). —Kladderen, bw. ow. kladderde, heeft gekladderd. Kladden. — Kladder ig, bn. bijw. Vol kladden. Slordig. — Kladderigheid, v. — Kladder7/, v. (-en). Morserii. Slecht, slordig schrift of schilderwerk. Verkoop onder den prijs. — Klad dig, bn. bijw. Kladderig. —Kladdig-heid, v. — Kladdrtik, ra. — Kladpapier, o. (-en). Gemeen papier. Papier, waar men op kladt. Papier, dienende om den inkt der kladden in te drinken. — Kladschilder,

..(1) De samengestelde werkvv. met klaar *ijn scheidb.

) — KLAM

m. (-s). Huisschilder. Knoeier. — Klad schilderen, ow. kladschilderde, heeft gekladschilderd . Gewoon huisschilderen. Slecht schilderen. Knoeien. — Kladschilderij, v. (-en). Slecht schilderwerk. Knoeierij. — Kladschrift, o. Knoeischrift. — Kladschrijver, m. (-s). Slecht schrijver. Knoeier. — Kladsch 17/fster, v. (-s). — Kla dsch li ld, v. (-en). Kleine huisscnuld. ~ Kladster, y. (-s). — Kladwerk, o. (-en). Kladschrift. Knoeiwerk.

klafron, klaagde, heeft geklaagd. Ow. Smartelijke gewaarwordingen door geluiden of woorden openbaren : hij klaagt gedurig. Zijn misnoegen of ontevredenheid tooncn : over iem. of iets klagen. Bw. Zijne smartelijke gewaarwordingen, enz. aan iem. door woorden openbaren : iem. zijnen nood klagen. — Klaagster, v. (-s). — Klagend, bn. bijw. — Klager, m. (-s). Die Klaagt. (Recht.) Eischer. — Klaging, v. klak, v. (-ken). Muts met klep.

klak, v. (-ken). Vlak (inz. inktvlak). Hoed met neergeslagen rand. Ook, hoed, dien men ineen kan slaan. — Klakken, klakte, heeft en is gekla t. Bw. Vlakken. Bemorsen. Klakken maken (op) : het papier klakken. Ow. (zijn) Door inktvlakken beklad worden. Bevlekt, bezoedeld worden. (hebben) Slecht schrijven.

klak, m. Kleine hoeveelheid overgebleven drank : een klak bier.

klak, m. (-ken). Klakkend geluid ; het gaf een harden klak. — Klakkebns, v. (-sen). Kinderspeeltuig, doorgaans van vlierhout gemaakt. (Artlll.) Springbus. (Vuurw.) Soort van vuurpijl. — Klakken, ow. klakte, heeft geklakt. Klappen. Eenen klap of klak geven : klappen met de zweep.

klakkeloos, bn. bijw. Zonder reden. Nietig, zwak. Onbeduidend. Onbedachtzaam.

klakker, m. (-s). Soort van gebak. Katoenen^ vrouwenmuts met afhangende vlerken. Klapbeentje.

klam, bn. bijw. Eenig?zins vochtig en koud: klamme zweet. — Klaniachtig, bn. — Klaniachtigheid, v. — Klamheid, v.

klamaai, m. (-en). (Zeew.) Kla-maaien : rechte stukken hout, die lang-scheeps liggen, in de dekbalken ingelaten zijn en zich over de geheele lengte van het scbip uitstrekken. — Klamaaien, kla-maaide, heeft gekirmaaid. Bw. De naden van een schip dichtslaan. Ow. Het kla-raaaiijzer gebruiken. — Klamaaiiizer o. (-s).

klamp, m. (-en). Stuk hout of ijzer, dat twee planken verbindt. (Zeew.) Klrssing wang, schaal. Stukje hout of leder onder de houten schoenen vastgemaakt. Hoop, die door inzakking is gevormd ; een klamp hooi. — Klampen, klampte, heeft geklampt. Bw. Met klampen beslaan : houten schoenen klampen. (Zeew.) Schalen ; eenen mast klampen. Met eenen scheepshaak aanhalen : zij klampten elkander aan boord. Iem. aan boord klampen : drinuend verzoeken (om). Gijzelen (voor schulden). Stapelen, ophoopen. Ow. Sterk kleven : de sneeuw klampt aan de voeten. — Klamp' pin, v. (-nen). (Zeew.) Treknagel. —


ocr page 378

KLAP — 3.

Klamp spijker, m. (-s). — Klampv gel, m. (-s), klamper, m. (-s). Roofvogel, die zich \ o ral met duiven voedt.

lilskiiftvr, m. (-s). Zie Kalander (i* art.).

liisiiKlizie, v. Nering. Hij heeft veel klanui/ie in zijnen winkel, veel nering, veel vt*. koop, veel aftrek.

kliiiiti, m. (-en). Zie Geluid. Galm. Toon. Kwaad gerucht: een leelijken klank achter zich hebben. Dat zijn slechts ijdele klai.k- n, vergeefsche of laffe redeneerin-

fen. ^Kuipersw.) Lasch. —en. ^Kuipersw.) Lasch. — Ktankafzuy-ing, . (-en). Nabijkomende gelijkheid van klai.k, b. v. : gewis, spits.—Klank-blaadje, o. (-s). — Klankbodem, m. (-s).

— Klankbord, o. (-en). — Klankfiguur, o. ( .uien). — Klankladder, v. (-s). (Muz.) Toonschaal. — Klankleer, v. — Klankloos, bn. — Klankmaat, v. — Klankmeten , tn. (-s). — Klanknabootsend, bn. — Klanknabootsing,v. (-en). —Klankpunt, o. (-en). Plaats, in eene echo, waar de spreker staat. — Klankteeken, o. (-s^. Toonteeken. — Klankverdoover, m. (-s).

— Klankverplaatsing, v. (-en), b. v. born, bron; ors, ros. — Klankverschuiving, v. (-en). (Spraakk.). — Klankverspringing, v. (-en). (Spraakk.).

klstiit, ra. (-en). Gewone kooper, koopster (in eenen winkel, enz.), 'tls een klant, een listig man, een snaak, een koddige vent.

klap, m. (-pen). Slag, die klapt. Slag (in 't algemeen). Beschimping, beleedi-ging : een klap in 't aangezicht. Een ge-duchten klap (een zwaar verlies) lijden. — Klap, v. Klep. Voorwerp, waarmede men klapt (geliik. b. v de nachtwachten gebruiken). Met de klap loopen : bedelen. Op de klap loopen : pannelikken. — Klap, m. Gepraat. —Klapachtig, bn. Praatzuchtig. — Klap bank, v. [ -en). — Klapbeentje, o. (-s). Klapbeentjes : beentjes of houtjes, die ra n tusschen de vingers Iaat kleppen.

— Klapbes, v. (-sen), klap bezie, v. (..iën). Stekelbes. — Klapbcssebootn, m. (-en). — Klapboei, v. (-en). (Zeew.) Tonneboei. — Klapboon, v. (-en). — Klapbout, m. (-en|. (Zeew.). —Klapbrug, v. (-gon). Ophaalbrug. — Klapbus, v. (-sen). Klakkebus. — Klapekster, v. (-s). Blauwe klauwier {la-nius excubitor). Is blauwachtig grijs, met zwarte vleugels en staartpennen. — Klap-gcld, o. .Loon van den nachtwacht. — Klaphek, o. (-ken). Hek, dat door eene klep dichtvalt. — Klaphoed, m. (-en). — Klaphout, o. (Kuip.) Vaihout. Klaphout verkoopen : praten, babbelen. — Klaphoutje, o. (-s). Klapbeentje. — Klapkoord, o. (-en). Klaptouw. — Klaploopen, o. Ta-felschuimen. — Klaplooper, m. (-s). — Klap loopster, v. (-s). — K laploopery, v.

— Klapmuts, v. (-en). Soort van muts met oorkleppen. Achtersteven eener trekschuit. (Art.) Afïuitdeksel. Klein wijnglas. Helm (eener distilleerkolf). Domoor. — Klap-noot, v. (..oten). Kokosnoot. — Klnpnute-boom, ra. (-en). — Klaponr, o. (-en). Zeker gezwel. — Klappei, v. (-en). Babbelaarster. Kwaadspreekster. — Klappeien, ow. klappeide, heeft geklappeid. Babbelen. Kwaadspreken; — Klappen^ ow.

. — .CLAS

klapte, heeft gek apt. Slaan. Eener. klap geven. In de handen klappen. Met de zweep klappen, Ow. Praten. Rabbelen. Bekr-nnen ^door strikvragen). Uit d»- school klappen : zaken vertellen, die men behoorde geheim te houden. — Klapper, m. (-s). Babbelaar. Klapperman. Klep (van eenen molen). (Kooph.) Zeker kantoorboek. Naamlijst, alphabetisch gerangschikt. Klapspaan. — Klapperboom, m. (-en). Kokospalm. — Klappereend, v. (-en). — Klapperen, ow. khppetde, heeft geklapperd. Koorstachtig tegen elkander slaan (van de tanden). — Klappering, v. (-en).

— Klapper kruid, o. (Plantenk.) Dragon.

— Klapperman, m. (..heden, ..lui). Nachtwacht, die met eene klap het uur uitroept.

— Klappermolen, ra. (-s). — Klappernif\ v. (-en). Gebabbel. — Klapf-ernoot, v. (..oten). Kokosnoot, ra. Kokospalm. — Klopperolie, v. — Klapperroos, v. (..ozen). Klaproos. — Klappersprinkhaan, ra. (..anen). — Klappersteen, ra. (-en). Adelaarssteen. — Klappertanden, ow.klappertandde, heeft geklappet tand. De tanden onwillekeurig tegen elkander klapperen (van koude,enz.).—Klapper tje,o. Klapbeentje.—A7a/gt;r(?ö.9,v. (..ozlt;n). Éénjarige in Juni en Juli bloeiende plant {papaver Rhoeas), die bij ons als een lastig onkruid op klei- en zandgronden voorkorm. Bezit verdoovende eigenschappen. Is bekend onder den naam van k^. curoos, wilde heul, kankerbloem, kollebloem. — Klapspaan, v. (..anen). Molenklapper. — Klapspaan, ra. en v. (..anen). Verklikker, verklikster. — Klapster, v. (-s). — Klap-stoel, m. (-en). Praatstoel. Gemakkelijke stoel. — Klap stok, ra. (-keu). Boeren-al-manak. — Klaptafel, v. (-s). — Klaptouwt o. (-en). Zweepriera. — Klapvlies, o. (..zen). Vlres, dat den terugkeer van bloed of andere vochten in hunne vaten belet. (Plantenk.) Zaadhulsel. — Klapvliezig, bn. — Klapwaker, m. (-s). Klapperman.

— Klapwieken, ow. klapwiekte, heeft geklapwiekt. Met de vleugelen slaan. — Klapzrtel, m. (-s). Praatzetel. Gemakkelijke zetel.

klare, v. Jenever.

klareu, klaarde, heeft geklaard. Bw. Helder maken. Zuiveren. Goedkeuren : eene rekening klaren. Aangeven (aan 't kantoor) koopwaren klaren. In orde brengen : hij zal 't wel klaren. Ow. Opklaren : het weder klaart. — Klaring, v. — Klaringsvaartuig, o. (-en).

klariglicltl, v. Toe-, uitrusting.

klarinet, v. (-ten, -s). Houten blaasinstrument. Schelfluit. — Klarinetblazer, ra. (-s), klarinetspeler, ra. (-s), klarinettist, ra. (-en).

klaroen, v. (-en). Koperen blaasinstrument. Scheltrompet. — Klaroenblazer, ra. (-s). — Klaroengeschal, o.

klasfte, y. (-n, -s). Orde, volgens welke men verscheidene personen of zaken rangschikt. Rang, stand door geboorte, fortuin, enz. verkregen. Elk natuurrijk is in klassen verdeeld. Personen of zaken, die met elkander overeenkomen : die boeken passen aan alle klassen van lezers. Schoolkamer : aan


ocr page 379

KLA.V —3

de deur zitten der klasse. Afdeeling der leerlingen : hij is in de hoogste klasse. De leerlingen eener klasse. Schooltijd : avondklasse. — KI assenverdeelitig, v. (-en).

klaHs^it, b\v. klaste, heeft geklast. Stapelen, tassen : steenen klassen.

^klussest, ow. klaste, heeft geklast. Kletsen : zijne zweep laten klassen.

klater, v. (-s^. Rinkelbel. Ratel. Rammelaar. — Klafcrm, ow. klaterde, heeft geklaterd. Een klinkend scherp geluid maken : de donder klatert. — Klaterend, bn.

— Klatering, v. (-en).

klniersroucl, o. Valsch bladgoud.

Valsche schijn.

klats, tw. Bootst den klank na. klauteren, ow. klauterde, heeft en is geklauterd. Met handen en voeten klimmen ; op eenen boom klauteren. — Klaide-raar, m. (-s). — Klauter aarster, v. (-s).

— Klauter ine;, v. (-en). — Klauteryzer, o. (-s). Ijzer (om in boomen te klauteren).

— Kla ut er mast, m. (-en). Klimmast. — Klanterpaal,v\. (..alen^.

klauw, m. (-en). Uiteinde der pooten van (meestal wilde) dieren en roofvogels. Hand : blijf daar af met uwe klauwen. Macht : hij zal u wel in zijne klauwen krij-

ten. Ankerhand. Naam van ondeischei-ene gereedschappen : hark, enz. —en. Ankerhand. Naam van ondeischei-ene gereedschappen : hark, enz. — Klan-•wn, bw. klauwde, heeft geklauwd. Krabben. Breeuwen. Harken. Zijn hoofd over iets klauwen : verlegen en mismoedig zijn.

— Klau-ver, m. ( s). Die klauwt. Breeuwen Harker.-Een wakkere klauwer : een sterke jongen. — Klauwhamer, m. (-s). Hamer, aan éene zijde gespleten.—A7rt«7ü-yzer, o. {-s). — Kiauiving, v. (-en). — K!au7t'schelp, v. (-en). Soort van twee-scl alige schelp. — Klauwvormig, bn. — Klauwzeer, o. Zekere ziekte der runde-ren. Ontsteking van 't huidweefsel nabij de klauwen. Verspreidt zich snel.

MlaiMvaart, m. (-s). Klauwaarts ■w. rden de lagere klassen genoemd, die in 13« o den graaf van Vlaanderen waren toe-ge 'aan (met zinspeling op de klauwen van oen Vlaamschen Leeuw). Breydel en de Coninck waren hunne aanvoerders. Tegen-ov- r de Klauwaarts stonden de Leliaarts.

klauwier, m. ( s). Haakspijker. Deel van een orgel. Spoel van een spinnewiel, klauwier, o. (-en). Klavier, klauwier, m. (-en). Roofvogel, die zich met groote insecten, muizen en zells met kleine vogels voedt. Verslindt hij niet dadelijk znnen buit, dan steekt hij dien rast aan doornen of aan takken van boomen.

klauwier, m. (-en). Klauwieren : draadvormige, enkelvoudige of vertakte, zich schroefvormig omkronkelende deelen, die vooral bij planton met zwakke stengels voorkomen, en haar, door zich aan nabij-gelegene voorwerpen vast te hechten, den noodigen steun verschaffen : de aardbezie-plant heeft ranken, de erwt, klauwieren.

klavaatakamer, m. (-s). Breeuw-hamer.

klaveeiiii, v. (-s), klavecliubaal,

v. (..alen), klavecimbel, v. (-s). üua •peeltuig met snaren en klavier, — Klave-

[ — KLEE

cimspeler, m. (-s). — Klavecim speelster, v. (-s). — Klavecim steller, m. (-s). — Kla-vecimstemmer, m. (-s).

klaver, v. Plantengeslacht {trifotium), tot de familie der vlinderbloemigen hehoo-rende. De tirabantsche klaver ytr. pra-tense sativum), ook Spaansche klaver, of alleen klaver genoemd, levert eenen overvloed van uitmuntend veevoeder op. — Klaver akker, m. (-s). — Klaverblad, o. (-eren). Blad van de klaver. Vereenigd drietal. Drie onscheidbare vrienden. Klaveren (in 't kaartspel). — Klaverdoek, o. Soort van linnen. — Klaveren, ow. kla-verde, heeft geklaverd. In klaver weiden.

— Klaveren, v. mv. Een der figu en of kleuren van 't kaartspel. — Klaverenaas, o. (..azen). — Klaverenacht, v. (-en). — Klaverenboer, m. (-en). — Klaverendrie, v. (..ieën). — Klaverenheer, m. (-en1). — Klaverenne^en, v. (-s). — Klaveren-tien, v. [-en). — Klaverentwee, v. (-etv).

— Klaverenvier, v. (-en). — Klaveren-vi/f, v. (..ven). — Klave' envrouw, v. (-en). —Klaverenzes, v. (-sen). — Klaverenzeven, v. (-s). — Klaverenzot, m. (-ten). — Klavergezvas, o. — Klaverho-ni(n)g, v. — Klaverhcoi, o. — Klaver tg, bn. Met klaver bezet. — Klaverjassen, ow. klaverjaste, heeft geklaverjast. Eena soort van kaartsprl spelen. Stoeien (op 't gras). — Klaverviyn, v. (-en). ^Mil.) Driedubbele mijn. — Klaverrijk, bn. — Klaverveld, o. (-en). — Klaverweide, v. (-n). — Klaver zaal, o. — Klaverzode, v. (-n). — Klaverzur mg, v. De gewone klaverzuring {oxalis acftosella) is een overblijvend plantje. Bloeit in April en Mei. AVordt in bosschen, enz. aangetroffen.

klaveren, ow. klaverde, heelt geklaverd. Klauteren : die jongen kla\ert overal tegen op.

klavier, o. ( en). Toetsenbord van klavecimbel, fortepiano, orgel, enz. Gedeelte van een spinnewiel, over welks haakjes de draad loopt. — Klaviersleutel, ra. (-s).— Klavier spel, o. — Klavierspeler, m. (-s).

— Klavier speelster, v. (-s).

Uleber \ J. B.), 1753-1800, Straatsburg. Fr. generaal. Werd door eeuen Turk vermoord in Egypte.

kleed, o. (-eren, kleeren). Wat dea mensch tot kleeding dient. lem. in de kleeren steken : iem. van de noodige kleeding-stukken voorzien, hem bedriegen.— Kleed, o. (-en). Overtreksel, dekking. Vloer-, tafelkleed, enz. — Kleeden, bw. kleedde, heeft gekleed. In kleeren hullen. Die jai kleed (staat) u goed. Opschikken : iem. kleeden. De kleeding door penseel of beitel goed nabootsen : deze schilder weet zijne beelden goed te kleeden. Van kleederen voorzien, ze leveren. Zich kleeden, ww. — Kleederdracht, v. Wijze van kleeden. De kleeren. —Kleederluis, v. (..zen),

— Kleedermaker, m. (-s). — Klceder-pracht, v. —Kleedertooi, m. — Kleedif, v. Kleeren. Kleeding. — Kleeding, v. (-en). De kleeren. Het kleeden. — Klee» dingstuk, o. (-ken). — Kleedkamer, v. (-s). — Kleedsel, o. (-s). Kleed, inz. bovenkleed (van vrouwen). — Kleedster, v. (-s).


ocr page 380

KLEI — 3

— Kleerage, v. Kleedij. Kleedsel. — Kleerbak, m. (-ken). — Kleerben, v. (-nen). — Kleerbezem, m. (-s). — Kleerborstel, m. (-s). — Kleerengek, m. (-ken).

— Kleerenmaker, v. (-s). — Kleer kas, v. (-sen). — Kleerkast, v. (-en). — Kleer-kist, v. l-en). — KIe er klopper, m. (-s). — KI eer koffer, m. (-s). — Kleerkoop, ra. (-en). — Kleerkooper, m. (-s). — Kleer-koopery, v. (-en). — Kleer koopster, v. (-s). — Kleer tapper, it. (s). — Kleerlap-ster, v. (-s). — Kleer vinken, o. — Kleermaker, ra. (-s). — Kleermaakster, v. (-s).

— Kteermakersgi'd, o. (-en). — Kleer-makersjongen, ra. (-s). — Kieermakers-tafel, v. (-s). — Kletrniake*swt'nkel, ra. (-s). — Kleer mand, v. (-en). — Kleer-markt, v. (-en). — Kleer mot, v. (-ten). — Kleersch acht, ..schaft, v. (-en). — Kleerscheuren, o. Zonder kleerscheuren er afkomen, zonder schade of nadeel te lijden.

— Kleerstuky ra. ( ken). — Kieerschuier, ra. (-s). — Kiser(en)-rinkel, ra. (-s). — Kleerfenjzolder, ra. ( s).

kleefaoliliff, bn. Licht klevende. — Kleefdeeg, o. en ra. — Kirefgaren, o. (-s). Soort van iaagnet. — Kit e)kruid, o. Soort van walstroo (gaHum aparine). — Kleefm iddel, o. (-s, -en). — Kleef pleister, v. (-s). — Kleefstof, v.

kleem, o. Leem. — Kieemachtig, bn.

— Kleemen, br.

blcen, bn. Klein.

klei, v. Aardachtige zelfstar.digbeid, ontstaan uit vervveei ing quot;an rotsen en gesteenten, die voor een deel uit verbindin-

fen van aluinaarde cn kiezelzuur hestonen. Kleilat.d : dt ze vruchten zijn in de klei gegroeid. In de klei zitten : in gevaar zijn.en van aluinaarde cn kiezelzuur hestonen. Kleilat.d : dt ze vruchten zijn in de klei gegroeid. In de klei zitten : in gevaar zijn.

— Kleiaardnppel, m. (-s).— Kleiaarde, v. Klei. — Kleiachtig, bn. — Kleiachtig-he id, v. — Kleiakker, m. (-s). — Kleiboer, ra. (-en). — Kleigro^J, v. (..ven). — Kleigrond,ra. (-en). —Kleikuil, m. (-en),

— Kleilaag, v. (..agen). — Klciland, o. (-en).— Kleimergel, v. — Kleimortel, v.

— Kleispoor, v. (..oren). IJzeren spoor ora over de klei te loopen. — Kleispoor, o. (..oren). Wagenspoor in de klei. — Kleit, v. Klei. — Kleit) apper, ra. (-s), kleitre-der, m. ( s). (Bij quot;het steenbakken). — Kleiweg, ra. (-en).

klein (ook klceu), bn. bijw. Tegenstelling van groot : kleine stad. Kort : kleine schreden. Gering : kleine sora. Niet hoog : kleine boom. Onvolwassen : kleine kinderen. Niet groot in getal: kleine menigte. Beperkt : klein verstand. Weinig ■waard : hij is zeer klein in mijne oogen. Onvermogend : zijne macht is klein. Nog een kleinen tijd, een weinig tijds. Iets klein snijden. Alles kort en klein slaan. Laag : dat was klein gehandeld. Eenvoudig, sober : op een kleinen voet leven. Netjes, proper : klein en rein. Kleiner dan wordt aangeduid door — Klein, o. In het klein, bij de maat, enz. verkoopen. Hij is een Napoleon in 't klein. — Kleinachten, bw. achtte klein, heeft kleingeacht. Weinig achting hebben (voor). — Kleinachter, ra. (-s). — Klein achting, v. —Kleinacht-ster, v. (-s). — Klein-Azië, o. Schierei-

\2 — KLEM

land. Het belangrijkste en volkrijkste gewest van Aziatisch Turkije, x 1,000,000 inw.; 13,000 vierk. geogr. mijl. — Kleinbladigr bn. — Kleinbloemig, bn. — Kleindochter, v. (-s). Zoons, dochters dochter. — Kleinduimpje, o. Klein ventje. — Kleine, ra. en v. (-n). Kind. De lieve kleinen : de kinderwereld. — Kleineeren, bw. kleineerde, heeft gekleineerd. Iemands achting.

verminderen. — Kleineerder, m. (-s). _

Kleineering, v. — Kleineerster, v. (-s).

— Kleinen, kleinde, heelt en is gekleind, Bw. Verkleinen. Ow. (zijnt Kleiner worden. — Kleingeestig, bn. bijw. Aan nietigheden gehecht. Bekrompen van verstand, dom. Lichtgeiaakt door kleinigheden. — Kleingeestigheid, v. — Kleingeld, o. Klein zilvergeld. Kopergeld. — Kleingoed, o. Allerhande soort van koekjes. — Klein-geloovig, bn. bijw. W einig geloof hebbend,. .Lichtgeloovig. — Kleingeloovieheid, v. —

Kleinhandel, ra. Handtl in 't klein. _

Kleinhandelaar, m. (-s). — Kleinhandelaarster, v. (-s). — Kleinhartig, bn. bijw. Angstig. Bevreesd. Laf. — Kleinhartigheid, v. — Kleinhartig lijk, bijw.

— Kleinheid,y. Het kleine, korte. Nietigheid. — Kleinhoofdig, bn. — Kleinig-

d, v. (..heden). Kleine, geringe zaak. Klein voorwerp. Beuzeling. Nietigheid. — Klein ing, v. — Kleinkind, o. (-eren, -e'rs). Zoons, dochters kind. — Klein-kinderschooltje, o. (-s). — Kleinkrygen, bw. kreeg klein, heeft kleingekregen. Er in slagen om iets klein te maken. Ten onder brengen. Vernederen. — Klemmaken. bw. maakte klein, beeft kleingemaakt. — Kleinmeter, ra. ( s). iSterr.) Werktuig om kleine afstanden te nu'ten. — Kleinmoedig. bn bijw. Kleinhartig. — Kleinmoedigheid, y. — Kleinmoedigli/k, bijw.__

Kleinoogig, bn. Met kleine oogen. — Kleinschrift, o. Het gewone schrift.

Schrijiboek, waarin men klein schrijft._

Kleinschrijver, ra. (-s). — Kleinschryf. ster, v. (-s). — Kleinsmid, m. (..eden). Vervaardiger van kleine metalen voorwerpen. Slotenmaker. — Kleinsteedseh, bn..

— Kleinsteedschheid, v. — Kleinte v. Kleinheid. -- Kleintje, o. ( s). Klein kind! Veel kleintjes maken een groot. Hij is met een kleintje tevreden. — Kleinverver, ra. (-s). Verver van kleedingstukken of van kleine voorwerpen. — Kleimeerig, bn. bijw. Lichtgevoelig. Kitteloorig. — Klein-zeengheid, v. — Kleinz/on, m. (-s,. ..onen). Zoons, dochters zoon.

kleinoolt;i, o. (-en, -iën). Klein kost^ baar voorwerp.

kleiiiH, v. (..zen). Zie Kiens.

Kleibt (//. von), 1776-1811, Frankfort a/ü. Duitsch dichter. Treur- en blijspelen.

klem, v. (-raen). Nijpirg, kramp in den mond. IJzeren valstrik. Nijptarg Nauwe doortocht: de klem van de ooren. Nadruk, kracht : iets met klem van redenen betoo-gen. Verlegenheid : in de klem z tten. — Klem, ra. (-men). Klemvogel. — Klemgrond, m. (-en). Goede ankergrond. Sterke bewijsrede. — Klemhaak, ra. (..aken). (Timm.) — Klemhoef, v. ( .ven). (Hoef-


ocr page 381

KLET — 3

•midsw.) — Klemmen, bw. ow. klemde, heeft gekiemd. Nijpen : die schoenen klemmen mij. Prangen, spannen : de deur klemt. Die rede klemt, is bondig. De angst klemt hem op het hart, maakt hem benauwd. Zich klemmen, ww. Zich den vinger klemmen, knellen. — Klemmend, bn. Bijw. Afdoend, bondig : klemmend bewijs.

— Klemmerblad, k lemmer kruid, o. Zie Klimmerblad. — Klemming, v. (-en). — Klemrede, v. (-nen). Bondige, krachtige rede. — Klemspreuk, v. (-en). Bewijsgrond. Kernspreuk. — Klemsiaarti^, bn. (Spraakk.) 't Woord koningin heeft een klemstaartigen uitgang. — Klemtoon, m. (..onen). Graad van verheffing, met welken een klank wordt uitgebracht.— Klemvogel, m. (-s). Klampvogel. — Klemwoord, o. (-en). Krachtig woord.

hleiui, v. (..zen). Zeef. Teems. Vergiettest. Zijgdoek. — Klensdoek, m. (-en) (voorwerpsn.); o. (stofn.). — Kien zen, bw. klensde, heeft geklensd. Laten doorzijgen.

— Klenzer, m. (-s). —Kieming, v. (-en).

— Klenssier, v. (-s).

klep, v. (-pen). Opslag, belegstuk (aan eene zijde vast). Onrust (in eenen molen). IVIetalen plaatje op de toongaten van sommige blaasinstrumenten. Klep eener pet, eener pomp, eener broek, enz. —- Klep-hoorn, ..horen, m. (-s). — Klepknoi, v. (-en). — Klepschuit, v. (-en). Schuit (door Carrier uitgevonden te Nantes, 1793), welquot; ker bodem zich kon openen, om de daarin geplaatste slachtoffers te verdrinken. — Klepsloel, m. (-en). (Bij stoomwerktuigen).

blepel, m. (-s). Ijzer, dat binnen in eene klok hangt. Bek van eenen ooievaar. Tong. — Klepelriem, m. (-en). — Klepel-t 'ing, m. (-en).

kleppvl, m. (-s). Klapspaan (i®art.). hleppen, klepte, heeft geklept. Ow. Met den klopper slaan. Met den klepel tegen den rand der klok slaan. Een kleppend geluid voortbrengen (van den ooievaar). Bw. De klokken kUppen.

klepper, m. (-s). (Dicht.) Paard. Dra-ver.

klepper, m. (-s). Klapperman klepperen, ow. klepperde, heeft geklepperd. Met den bek, met de vleugels kleppen (als de ooievaars). Klappertanden.

— Kleppering, v.

kleppermaii,m. (..lieden, ..lui).Klapperman.

kleppem, m. mv. Klapbeentjes. klerk, m. (-en). Kantoorbediende. Schrijver. (Middel.) Geestelijke. — Klerk-ambt, o. (-en). — Klerkschap, o.

kleitoor, m. (-en). Een vierde van eenen metselsteen.

klessen, ow. bw. Kletsen.

klct, v. Kleefkruid.

klets, v. (-en). Slag, die klinkt: klets met de zweep. Veeg. lem. eene klets aanzetten : bij hem schuld maken. Op de klets : op krediet. — Klets, tw. Bootst den klank na. — Kletsen, kletste, heeft gekletst. Ow. Een kletsenden klank veroorzaken : met de zweep kletsen. Vervelend en verward praten. Bw. Werpen : iem. eenea steen in t aangezicht kletsen, alles door elkander

3 — KLEV

kletsen. — Kletser, m. (-s). Vervelende babbelaar. — Kletskous, (-en), kletsfer, v. (-s). — Kle(t)snat, v. Doornat. — Kletspraatje, o. (-s). Beuzelpraatje.

kletskop, m. (-pen). Zeer hoofd. Kaal hoofd. Soort van gebak. m. en v. (-pen) Iem., die eenen kletskop heeft.

kletsoor, m. ( en). Lange zweep.

kletteren, ow. kletterde, heeft gekletterd. Het regent, dat het klettert. Men hoorde hunne zwaarden kletteren. — Klettering, v.

kleimieii, ow. kleumde, heeft gekleumd. Van koude ineenkrimpen. Stijf van koude zijn. —Kleumer, m. (-s). Iem., die kouwelijk is. — Kleumsch, bn. Kouwelijk. — Kleumster, v. (-s).

kleunen, ow. kleunde, heeft gekleund. Slaan. Kloppen.

kleur, v. (-en). Indruk, welken het licht, teruggekaatst door het uitwendige der dingen, op het oog maakt. Verf, tint. (Schild.) Koloriet. (Kaart.) Kleur verzaken. Blos van 't aangezicht : eene kleur krijgen. Schijnreden : hij weet altijd do zaak eene schoone kleur te geven. Politieke meening, partij : tot welke kleur behoort hij? Nationale kleuren : de Belgische vlag bestaat uit drie loodlijnige nevens elkander geplaatste banen : rood, geel en zwart; de Nederlandsche, uit drie horizontaal onder elkander geplaatste banen : rood, wit en blauw. —Kleurbad, o. (-en), (Schild.) Verfbad. — Kleurder, in. (-s).

— Kleurdoos, v. (..zen). — Kleuren, kleurde, heeft gekleurd. Bw. Kleur geven (aan) : eene teekening kleuren. Met kleuren afzetten : eene plaat kleuren. Ow. Kleur krijgen, rood worden, blozen. Zich kleuren, ww. De velden kleuren zich reeds. Zich kaarten aanschaffen van dezelfde kleur.—Kleurenbeeld, o. (-en). Kleurenspectrum. — Kleurenblindheid, v. Eigenschap van sommige personen, welke niet in staat zijn eenige of alle kleuren behoorlijk te onderscheiden. — Kleurend, bn. — Kleurenspectrum, o. (-s). Prismabeeld» door eenen prisma op eenen muur, enz. gevormd, als men dit, onder tien vereisch-ten hoek voor eene kleine vensteropening houdt, die eenen bundel zonnestralen doorlaat. — Kleurgevend, bn. — Kleurhon-dend, bn.— Kleurig, bn. Kif ur hebbende.

— Kleuring, v. (-en). — Kleurling, ra. en v. {-en), kleurlintze,?. (-n). Iem. met gekleurde tint. —Kleurloos, bn. — Kleurloosheid, v. — Kleurschifting, v. (-an).

— Kleursel, o. (-s). Kleurgevend vocht»

— Kleur ster, v. (-s). — Kleurstof, t. (-fen). Stof, die kleur geeft aan vocht, enz.

— Kleurverandering, v. (-en). — Kletèr-versmelting, v. (-en). — Kle urv er wisseling, v. (-en).

kleuter, v. (-s). Aardig, vroolijk kindje (inz. meisje). —Kleutergat, o. Kleuter. — Kleuter geld, o. Kleingeld. — Kleuterklasse, v. (-n). Laagste klasse.

kleven, kleeld-*, heelt gek'ee'd Ow. Aar eenblijven (door middel van ki enée stof). VrtStblijvcn. Blijven harge,.i Bw. Doen kleven ; twee bladen papier aan elkander kleven. — Kleverig, kltvig, bn.


ocr page 382

KLIM — 3

Licht klevend. — Kleverigheid, v. —

Klevingy v.

klibltor, o. Taaie gom.

bn. bijw. Vlug. Vaardig : die ouderling is nog kbbber voor zijne jaren.

— Klibber a ch tig, bn.

kllelc, v. ( en). Fluim. — Kliek, v. (-en). Bent. Aanhang, Rot. —Klieken, v. mv. Overschot van een of meer maaltijden.

— Klieken, ow. kliekte, heeft gekliekt. Rochelen. Fluimen opgeven. Eten laten overschieten. — Kliekenmaal, o. (..alen). Maal van overgeschoten spijzen. — Klie-Jcer, m. (-s). Rochelaar. Vuile eter. — Kliekjesdag, m. (-en). Dag, waarop het overschot wordt gegeten. — Kliekpot, m. (-ten). Spuwpotje. — Kliekpot, m. en v.

-s). Klieker, kbekster. — Khekschuld, v. -en). Kleine schuid. — Klieksier, v. (-s).

klier, v. (-en). Sponsachtig deel in het lichaam van mensch of dier, om de vochten te scheiden Gezwel : klieren hebben in den hals. —Klierachtig, bn. — Klierachtig he id, v. — Klier bed. o. Alvleesch. — K'ierbeschrijver, m. (-s). — Klierbe-sch rij ving, v. (-en). — Kliergezwel, o. (-len). — Klier ontleding, v. — Klieront-siekintr, v. — Klier pijn, v. — Klier stof, v. — Klier tering, v. — Kliervormig, bn.

— Klier zenuwkoorts, v. (-en). — Klierziekte, v. (-n).

klicMter, m. (-s). Wortelbol van leliën, tulpen, enz.

klieven, bw. kliefde, heeft gekliefd. Splijten (door eenen slag). Vaneenschei-den. De vogel klieft de lucht. Het schip klieft de baren.

klif, o. (-fen). Steile buitenkant tegen de zee. Helling. Rots teiltu.

klil'l, v. Kleefkruid.

kltyf, o. Klimop.

klik, m. (-ken). Onderste van eenekolf. Uiterste stuk aan hot roer (van een schip). Vooislag. Houten klik : lomperd.

klikken, kliktlt;', heeft geklikt. Bw. Overdragen. Verklikken. Ow. Honderd franken klikken er niet aan, zijn niet voldoende. — Klikker, m. ( s). —Klikster, v. (-s). — Klikspaan, m. en v. (..anen). Klapspaan (2e art.).

klikklakken, ow. klikklakte, heeft geklikklakt. Klinken (van elkander ontmoetende zwaarden, enz.).

klikMpaan, v. (..anen). Klapspaan (ie art.).

klikfipillen, ow. klikspilde, heeft ge-klikspild. Leegloopen. Lanterfanten.

klim, o. Klimop. —Klim, m. Hoogte, steilte: 't is een zware klim om op dien berg te komen. —Kli mbo on, v. (en). Snijboon. — Klimerivt, v. (-en). —Klimijp, m. (en). — Klimy ze r, o. (-s). — Klnn-mast, m. (-en). — Klimmen, ow. klom, heeft en is geklommen \zijn, bij verandering van plaats, anders h«. üben). Zich vasthoudende opklimmen : op et nen boom klimmen. Met moeite opstijgen : op e nen berg klimmen Langüaani naar boven gaan : de zon klimt. Hij moet klimmen : hij moet aan de galg. Verborgen van toon : zijne stem klimt. Veimeeraeren : zijne smart klimt. Toenemen (in welstand, enz.) : hij

^ — KLIN

klimt meer en meer. Stijgen ; zijn gebed klom tot den Heer. — Klimmen, o. Bij het klimmen der jaren. — Klimmend, bn.

— Klimmer, m. { s). — Klimmer, v. Wilde klimmer : kleefkruid. — Klimmerblad, k timmer kruid, o. Klimop. — Klimming, v. (-en). — Klimop, o. (het loof); m. (de boom). Heester {nedera helix), die zich door middel van wortelvezels aan de omringende voorwerpen hecht. Komt veel in bosschen en langs oude muren voor. Wordt ook als sieraad onzer vertrekken aangekweekt. — Klimopkrans, m. (-en).

— Klimopkroon, v. (..onen). — Klimstag, o. (-en). Touw, onder aan den boegspriet.

— Klimster, v. (-s). — Klimvngel, m. (-s).

klim, m. Richting eener stof, wier bloemen haar natuurlijken stand hebben.

klimaat^,o. (..aten). Luchtgesteldheid. Natuurlijke gesteldheid van den dampkring in een oord, welke aan warmte en vochtigheid, aan wind en weder is toe te schrijven. Het klimaat van België en Nederland is gematigd, veranderlijk, regenachtig, doch gezond. De gemiddelde warmtegraad in de zomer is van 1b0 tot 180. De uitersten zijn van — 220tot 350. Men telt gewoonlijk 150 dagen regen ; 70, vorst en 25, sneeuw.

— Klimatologie, v. Leer van de luchtgesteldheid.

klinff. v. (-en). Lemmer (van een zwaard). lem. voor de kling eischen, tot een tweegevecht uitdagen. Over de kling jagen, vermoorden. — Klingmaker, m. {•s). — Klingslag, m. (-en), blag met het blank der sabel.

klinsrelbuil, m. (-en). Anuzakje met schelletje (in de kerken).

klinghel in;;, tw. Klanknabootsing van het scneilen, enz.

kling-^u, v. mv. Zandduinen.

kllnsren, ow klong, heeft gekkmgen. Klinken.

klink, m. (-en). Slag, die klinkt. Oorveeg. — Klink, v. ( en;.. JJzer, dat neder-vallend da deur vasthoudt. Omgeklonken spijker. Reet, scheur. Driehoekig stuk aan oen enkel eener kous. (Zeew.) Soort van beugel. — Klinkaard, m. ( s). Zeker Noordsch vaartuig. Gebakken metselsteen.

— Klinkbout, m. (-en). (Zeew.) Inlaatstuk.

— Klinkdeur, v. (-en). — Klinkdicht, o. ( en). Klein gedicht van 14 verzen van gelijke maat, waarvan de acht eerste, twee strophen van vier regels, en de zes laatste, twee strophen van drie regels uitmaken. De twee eerste strophen hebben twee rijmen; de twee laatste, drie rijmen. — Klinken, klonk, heeft geklonken. Ow. Klank geven : hoe klinkt dit glas helder. Zijne stem klonk het gansche huis door. Veel gerucht maken : zij klonken en schonken. Weergalmen : hun geroep klonk heinde en ver. Klinkende munt : gereed geld. Bw. Omspan. Door kloppen vastslaan. Eenen slag toebrengen : zij klonken hem in 't aangezicht. De Zaligmaker werd aan 't kruishout geklonken. Wegwerpen dat het klank geeft : zij klonk hem het mes naar h^t hoofd. De zaak is geklonken, is afgedaan. Klinkt het niet zoo botst het : laat voorvallen wat voorvallen kan. —


ocr page 383

KLIT — 3

JClinktr, m. (-s). Die klinkt. Gebakken metselsteen. Zeker Noordsch vaartuig. (Taalk.) Klankhebbend geluid, voortgebracht met open mond en dorsale articulatie der tong, b. v. : a, e, i, enz. — Klinker d, m. (-s). Klinkaard. Klinkdicht. — Klinkerpad, o. (-en). — Klinkerweg, m. (-en). — Klinket, o. (-ten). Deurtje of venstertje in eene andere deur of venster.

— Klink haak, m. (..aken). — Klinkhamer, m. (-s). — Klinking, v. — Klinkklaar, bn. Geheel zuiver. Louter. — Klinkklank, m. Klatergoud. Overtollige woorden in eene rede, vernuftige maar onjuiste denkbeelden.— Klinkletter, v. (-s). Klinker. — Klinknagel, m. (-s). — Klink-nagelshaak, m. (..aken). — Klinkplaat, v. (..aten). Plaat om er op te klinken. — Klinkring, m. (-en). — KI in k spijk er, m. (-s). — Klinksteek, m. (..eken). Breisteek voor de klink. — Klinkwerk, o. Ineenge-lascht stuk houtwerk. Geklonken werk. Ceklonken ijzer.

klip. v. (-pen). Steile en harde rots, inz. in de zee. Gevaar, moeilijkheid : hij zal die klip niet te boven zeilen. Hij liegt tegen de klippen op: hij liegt onbeschaamd. —■ Klip ach lig, bn. — Klipbaken, o. (-s).

— Khpgeit, v. (-en). Gems. — Kltpkop, m. (-pen). Alpenraaf. — Klipmuis, v. (..zen). — Klippig, bn.

klip, v. (-pen). Vogelslag.

klip«isi8, m. (-sen). Zoogdier (Jiyrax), niet grooier dan een konijn.

klipper, m. (-s), klippcmcliip, o. (..epen). Lang, smal schip, met scherpen boeg, vlug besneden en bekend als goed zeiler.

klipportniKlcn, ow. klippertandde, heelt gekiippertaiid. Klappertanden.

klipvi.soli, m. (..sschen). Behoort tot eene groep zeevisschen, die in de tropische zeeën leven. Is meerendeels zeer fraai gekleurd en behoort tot de stekelvinnigen. klipzout, o. Steenzouc.

klitt, v. (-sen). Verwarde handgreep. Verwarde knoop. (Plantenk.) Plantengeslacht {lappa), tot de samengesteldbloemi-gen behooiende. Heeit een bijna kogelvormig omwindsel, gevormd door elkander dakpansgewijs bedekkende blaadjes, die in een stijve, aan den top meestal haakvormig omgebogen punt uitloopen. De blo- men zijn buisvormig en vijftandig. De vruchtbodem is met borstelige stoppeltjes bezet. De grooteklis : I. officinalis, de kleine klis ; l. minor, de viltige klis : /. tomentosa. — Klis kop, m. (-pen). — Klis (sej kruid, o.

— Klissen, kliste, heeft en is geklist. Ow. (zijn) In de war zitten of zijn. Bw. Vasthechten, omvlechten. Vangen.

kliskla**, o. Kantwerk voor boordsels. kllHkiesoor, m. (-en). Klesoor. klisteer, v. (-en). Inspuiting ia den endeldarm. — Klisteerder, m. (-s). — Klisteeren, bw. klisteerde, heeft geklisteerd. Inspuiten. —Klisteerpomp,v. (-en).

— Klisteerspuit, v. (-en). — Klisteerster, v. (-s).

klit, v. (-ten). Klis.

klits, v. (-en). Teef. Lichtekooi.

klit», tw. Bootst den klank na.

5 — KLOK

klizeorscliaaf, v. (..aven). Zekere breede schaaf.

klo«l«le, v. (-n). Dot van samenklevende en verwarde vezels, enz. In de klodden zitten : in moeilijkheden zijn.

klod«ler,v.(-s).liorrel.ZcK)pje. Klonter.

— Klodderen, ow. klodderde, heeft geklodderd. Eenen borrel drinken. Te diep in 't glas kijken.

klo(llt;lertje, o. ( s). Kloddertjes vet : klonters vet. — Klodderen, ow. klodderde, heeft geklodderd. Trillen van dikte, van 't vet : zijne kaken klodderen.

kloef, m. (-en). Houten schoen. — Kloefmaker, m. (-s). — Kloef kappen, o.

— Kloefkapper, m. (-s). — Kloefkappery, v. (-en).

kloek, bn. bijw. Welgebouwd, welgemaakt, sterk, gezond. Wijs, schrander. Moedig. Degelijk. Krachtig : kloek antwoord. Mannelijk; kluekgedrag.Gespietd : kloek krijgsman. — Kloekaard, m. (-s). Schrander man. — Klrekelyk, bijw. — Kloekhartig, bn. bijw. Onversaagd. Moedig. — Kloekhartigheid, v. — Kloekhar-tigli/k, bijw. — Kloekheid, v. — Kloekmoedig, bn. bijw. Dapper. Onversaagd. — Kloekmoedigheid, v. — Kloekmoediglykt bijw. —Kloekzinnig, bn. bijw. Schrander.

— KUekzinnigheid, v. — Kloekzinnig-lyk, bijw.

kloen, o. (-en) Kluwen.

kloet, m. (-en). Kalkstok. Schippersboom. Hand. Lomperd. Hij slaat overal zijnen kloet in : hij bemueit zich met alles. Daar zit klei aan den kloet : daar schort iets. — Kloeten, bw. kloette, heeft gekloet. Met eenen kloet een vaartuig voortduwen.

— Kloeier, m. (-s). — Kloetstok, m. (-ken), klok, m. (-ken). Geluid, dat men maakt,

als men eene flesch die vol is, uitschenkt. Keelgeluid bij het drinken uit eene volle flesch. Slok, teug. — Klok, v. (-ken), klokhen, v. (-nen). Hen, die eieren broeit. Hen, die kiekens heeft. — Klokken, ow. klokte, heeft geklokt. Het geluid eener flesch, waaruit men schenkt, drinkt, enz. Zeker geluid maken met de keel (als de hennen). Veel drinken.

klok, v. (-ken). Metalen voorwerp, gewoonlijk van brons, hol van binnen en van eenen klepel voorzien. Hangend uurwerk. Wat naar eene klok gelijkt: eene klok over den kaasbol zetten. Stolp om het vuur te dekken, enz. Oorhangt-r. Glas van de luchtpomp. Kelk eener bloem. Iets aan de klok hangen : iets ruchtbaar maken. — Klokbloem, v. (-en). — Klokbloemachti-gen, v. mv. Plantenfamilie, welker bloemen klokvormig zijn. —Klokbloemig, bn.

— Klokgebrom, o. — Klokgelui, o. — Klokhamer, ra (-s). Zeker groote smidshamer. — Klokhuis, o. (..zen). Huisje, waarin (op eenen toren) de klok hangt. Zaadhuisje van appels en peren. Overblijfsel van tabak in eene gestopte pijp. — Klokje, o. (-s), klokjeskruid, o. Fuchsia.

— Klokkebalk, ra. (-en). Balk, waaraan de klok hangt. — Klok keg a Ig, v. Houten toestel, waarin de klok hangt. — Klok(ke)-luider, ra. ( s). — Klokkengelui, o. — Klokkengieten, o. — Klokkengieter, m.


ocr page 384

KLOO — 3

( s). — Klokkeng'.e{eri)\ v. (-en). — Klokkenist, m. (-en). — Klokkenmaker, ra. (s). — Klokkenspel, o. (-len). —Kiobken-ipeler, m. (-s). — Klok (ken)sigt;ys, v. — Klok(kejreeb, ra. (-en). — Klokkesioel, m. (-en). — Klokketoren, m. (-s). — Klok-kir pel, ra. (-s). — Klokmetaal, o. —Klok-op haler, ra. (-s). — Klokopwinder, ni. (-s).

— Klokslag, ra. (-en). Op of met klokslag van drieën : juist te drie uren. — Klokspijs, v. Klokmetaal. — Klokspi/s,v. Spijs, welke men maar te slikken, niet te kauwen heeft. Geliefkoosde spijs. Lekkernij. — Klok-touw, o. (-en). — Klokvormig, bn. — Klokzeel, o. (-en). Iets aan het klokzeel hangen, het algemeen ruchtbaar maken. — Klckzwengel, m. (-s).

kloker, ra. (-s). Pijpuithalertje.

Klommcr, ra. (-s). Leugen. Uitvlucht.

klonip, ra. (-en). Samenhangend, on-

Ïevormd, doorgaans groot stuk. Stuk. Blok. louten schoen. Met de klompen op het ijs komen : iets onvoorzichtig aanvaarden. — evormd, doorgaans groot stuk. Stuk. Blok. louten schoen. Met de klompen op het ijs komen : iets onvoorzichtig aanvaarden. — Klmnpachtig, bn. — Alompenhal, klompjesbal, o. (-s). Bal voor de geringere volksklasse. — Klompendans, m. (-en). — Klomtenkapper, ra. ( s).— Kloin/^cnma-gazijn, o. (-en). — Klompen maken, o. — Klompenmaker, ra. (-s). — KLotnpenma-ket y, v. (-en). —Klompen winkel, m. (-s).

— Klompig, bn. Klonterig. — Klompkoti-sen, v. mv. Zeer grove kousen. — Klomp-nequot;S, ra. en v. (..zen). lein., die een dikken neus heeft. — Klompvisch, ra. (..sschen). (Orthagoriscus mold). Behoort tot de kraakbeenige visschen met samen gegroeide kaken. Leeft in den At'antischen Oceaan en in de Middell. Zee. Is samengedrukt, bolvormig en heeft een korten staart.

— Klompvoet, ra. (-en). Voet. die ora zijne lengte-as is gedraaid. — Klompzak, m. lem. klompzak ge.en : iem. slagen geven.

kloiigrel, v. (-sgt;. Klungel. — Klonge-Itn, ow. klongelde, heeft geklongeld. Klungelen.

klont, v. (-en). Ongevormd stuk, kleiner dan klomp. Aardkluit. Geronnen stukje in bloed, enz. — Klonter, ra. (-s). Geronnen stukje in bloed, enz. — Klonterachtig, bn.

— Klonteren, ow. klonterde, is geklonterd. Tot klonters worden. Stremmen. Verdikken. — Klonterig, bn. — Kloutering, v. — Klontje, o. (-s). Kleine klont. Zie Kandij. — Kloutig, bn.

kloof, klove, v. (..oven). Spleet. Gaping. Baist. Zijne handen zijn vol kloven, zijn opengesprongen door de koude. — Kloofbaar, bn. —Klcofbeitel, m. (-s). — Kloof bijl, v. (-en). — Kloof hamer, ra. (-s). — Kloof hout, o. — Kloof kin, y. (-nen). Gekloofde kin. ra. en v. (-nen) Die zulk eenekin heelt. —Kloof mes, o. (-sen).

— Kloofstok, ra. (-ken).

klooster, o. (-s). Gebouw, waarin monniken of nonnen hun verblijf houden en naar bepaalde regels leven. — Kiooste* -achtig, bn. bijw. — Kloosteramht, o. ( en).

— Kloosterbroeder, m. (-s). — Klooster-broederschap, o. Leven, hoedanigheid van monniken of nonnen, v. Vereeniging van monniken of nonnen. — Kloostercel, v.

ib — KLOP

(-len). — Kloosterdochter, v. (-s). Non. — Klooster doek, o. Zeer fijn linnen weefsel.

— Kloosteren, kloosterd»*, heeft gekloos-terd Bw. In een klooster ops'ui ie i. O w. In een klooster wonen. Een afg« zonderd leven leiden. — Kloostergong, v. (-en). — Kloostergebouw, o. (en).—Kloost erge lo /-te, v. (-n). — Klooster gewaad, o. (..aden), —Kloostergoed, o. (-eren).—Kloosterhout, o. (-en). Grondbalk (van eeue sluis). — Kloo*teriug, v. — Kloosterjaar, o.{..aren). Proeljaar. — Klooster;ujfcr, v. (-s). Non. Meisje met een vroom uiterlijk. — KlcoS' ter kapel, v. (-len). — Kloosterkerk, v. (-en). —Kloosterleven, o.—Kloosterlijk, bn. Van een klooster. Tot een klooster be-hoorendc. Stil, eenzaam, afgezonderd. — Kloosterling, ra. en v. (-en). Monnik. Non.

— Kloosterlinge, v. (-n). — Klooster-maal, o. (..alen). — Klcostermis, V. (-sen).

— Kloostermoeder, v. (-s). — Klooster-monnik, ra. (-en). — Kloostermuur, m. (..uren). — Kloosternon, v. (nen). — Kloosterorde, v. (-n). — Klooster overste t ra. (-n). — Kloosterpoort, v. (-en). — Kloosterregel, ra. (-s). — Kloosterschool, v. (..olen). —Kloostertucht, v. — Kloostertuin, ra. (-en). — Klooste r va der, m. (-s). — Klooster ••er zorger, ra. (-s). — Kloostervolk,o.— Klooste/ voogd, ra. (-en).

— Kloostervoogdes, v. (-sen). — Klooster-voogdij, v. (-en). —Kloostt rvovgdyschap, v. (-pen). — Kloostervrouw, v. (-en). — Kloosterwet, v. (-ten). — Kloosterwezen, o. Al wat op de kloosters betrekking heeft.

— KU osfer zuster, v. (-s).

kloot, m. (-en). Bol. Kogel. Sfeer. Wat men zien als rond voorstelt : aardkloot, hemelkloot, enz. — Kloot rond, klootsch, klooivormig, bn.

klooveu, kloofde, heeft en is gekloofd. Bw. Doorhouwen : hout klooven. Ow. Dit hout klooft niet wel. Zijne handen zijn gekloofd. — Kloover, ra. (-s). — Klooving, v. (-en).

klop, v. (-nen). Non.

klop. ra. (-pen). Klap, die een dof geluid maakt : hij gaf eenen klop op de deur. De slag des bloeds (in de slagadt «-en). Geslagen teeken op zekere munt ; deze stuiver heef. een goeden klop. Slagt n : iem. klop geven. ^ Klopgeest, m. (-en). Spook, dat, volgens de bijgeloovige meening onzer voorouders, op kasten en meubels kwam kloppen. Opgeroepen geest eens afgestorvenen door het dierlijk magnetisme. — Klopgeestery, v. — Klop ham er, m. (-s).

— Klophengst, m. (-en), —Klop hout, o.

— Klopjacht, v. ( en). Groote jacht, waar het wild bijeen wordt gedreven. — Klopfa-

fer,er, ra. (-s). — Khplnag, v. (..agen). De laden, die een boekbinder te gelijk klopt.

— Kloppartij, v. (-en). Vechtpartij. — Kloppen, klopte, heelt geklept. Bw. Slaan dat het een dof geluid geefc : raatrassen kloppen. Afrossen : hij heelt hem braaf geklopt. Overwinnen. (Boekdr.) De Normen kloppen. Vlas, hennep, enz. kloppen. Iem. op de beurs kloppen, hem om g« ld vragen. Iem. op de vingt-rs kloppen, hem bestraffen. Ow. Slaan : het hart klopt, klop eens aan de deur. — Klopper, m. (-s). Die


ocr page 385

KLUI — 3

klopt. Iets, waarmede men klopt. Deurklopper. Soort van hamer, die aan eene deur hangt, en, opgetild en losgelaten, op een metalen knop valt. Houten schoen. Kribbebijter (paard). — Kloptgt;ing, v. (-en). —Klopschren,v. (,.enen). Krommescheen. Likhout. Zakviooltje. — Klopsieen, m. (-en). — Klopster, v. (-s). — Klopzee, v. (-ën). Golven, die tegen 't schip slaan.

Klopstock {F. G.), 1724-1803, Qued-linburg. Duitsch dichter. Messiade (hel-dendicht, 1746).

klos, m. (-sen). Kort, dik stuk hout (inz. om te branden) : hij stookt geene klossen. Houten rolletje, waarop men garen windt. Ieder der houties, waarvan de kantwerksters, enz. zich bedienen. Bal in de beugelbaan. Overschoen. (Zeew.) Koldergat. (Timm.) Houtbeslag. — Klosbaan, v. (..anen). Kolfsbaan. — Klosbeilel, m. (-s).

— Klosbeuecel, m. (-s). — Kioskoord, v, (-en). Gesponnen koord. — Klaspoort, v. (-en). — Klos ring, m. (-en). — Klossen, kloste, heeft geklost. B\v. Op eenen klos winden : garen klossen. Spinnen : koord, enz. klossen. Ow. In de klosbaan spelen.

— Klosspel, o.

klotsen, ow. klotste, heeft geklotst. Sterktegen elkander slaan (van de baren).

— Kloisine, v. (-en).

klove. Zie Kloof.

kloveuier, hol venter, m. (-s). (Oudt.) Schutter (inz. met het geweer). — Kloveniersburgwal, m. — Kloveniersdoelen, m. (-s).

klueht, v. (-en). Grap. Poets. Boert. Woord, dat lachen doet. — Kluchtig, bn. bijw.Aardig.Vreemd. Bespottelijk. Zouder-ling. — Kluchtigheid, v. — Kluchtmaker, m. (-s). —Kluchtsprelsfer, v. (-s). — Kluchtspel, o. (-en). Blijspel. — Kluchtspeldichter, m. (-s). — Kluchtspeler, m. (-s). — Kluchtspelsrhrifver, m. (-s). kluelit, v. (-en). Mast.

klneliteu, bw. Kluften.

kluft, v. (-en). Kloof. Afhellende schuinte. Buurt, wijk. Driehoekige uitlating in de geheele dikte van een stuk hout, om een ander stuk op te nemen. Staak. Hol, spelonk. — Kluften, bw. kluftte, heeft gekluft. Eene kluft in een stuk hout maken.

— Kluft heer,ra. (-en). Opzichter van eene stadswijk. — Kluftpredikant, m. (-en). Buurtpreciiker. — Kluftwerk, o. (Zeew.) Mast, uit verscheidene stukken bestaande.

Hlugre {F.), 1856, Keulen. Taalkundige. Hoogleeraar (Jena). Etymologise hes IVör-terbuch der Deutschen Sprache (1881).

klnlf, v. (..ven). Klauw (inz. van vogelen). Vuist. Groot been. Babbelaarster : zij is een rechte kluif. — Kluif, m. Het kluiven. — Kluiffok, v. (-ken). Voorfok (van een schip). — Kluifhout, o. Verlenging van den boegspriet. — Kluifje, o. (-s). Kleine kluif. Lekker stukj e.

kluis, v. (..zen). Enge plaats, inz. waar de kluizenaar zich ophoudt. Cel. Verwulf-sel van eenen kelder. (Zeew.) Looden of ijzeren koker voor aan het schip, waardoor men de ankertouwen viert. — Kluisgat, o. (-en). Opening, aan weerszijde van den voorsteven van een schip, waardoor men de

7 — KLUW

ankertouwen viert. — KluisJmut, o. I en). Hout, waarin de kluisgaten zijn. — Kluis-kussen, o. (-s). (Zeew.). — Kluisplaat, v. (..aten). (Zeew.). — Kluis fir op, v. (-pen). (Zeew.). — Kluisrol, v. (-len). (Zeew.).— Kluiszak, m. (-ken). (ZeewJ.

kluister, v. (-s). Boei. Band. Belemmering, beletsel. — Kluisteren, bw. kluisterde, heeft gekluisterd. In kluisters slaan. Winnen : iemands hart kluisteren. Men bleef aan zijnen mond als gekluisterd (van eenen redenaar). —Kluistering, v.

kluit, v. (-en). Droog, ongevormd en niet al te groot stuk aarde,-enz. Onregelmatig gevormde turf : zij stoken niets dan kluiten. Hij is uit de kluiten gewassen, is groot geworden. — Kluit ach fig, bn. — Kluitboog, m. (..ogen). Handboog, waarmede men kluiten of keien schiet. — Kiui-tenbreker, m. (-s). — KI ui tig, bn. Vol kluiten.

kluit, m. (-en). Fransch, enz. koperen muntstuk = 10 centimes.

Kluit {A.), 1735-1807,Dordrecht. Hoogleeraar (Leiden). Geschiedkundige.

kluiven, kloof, heeft gekloven. Bw. Afknagen : een beentje kluiven. Aan iets wat te kluiven hebben ; moeilijk werk verrichten. Ow. Laffe praatjes vertellen. — Kluiver, m. (-s). Die kluift. Gierigaard, vrek. vZeew.) Fok. Kluif ster, v. (-s).— Kluiver ring, m. (-en). Soort van beugel.

— Kluiving, v. (-en).

kluizeu, ow. kluisde, heeft gekluisd. Afgezonderd leven. (Zeew.) Klotsen (van 't water tegen de kluisgaten). Het zal daar lustig kluizen : er zal daar wakker gevochten worden. — Kluizenaar, m. (..aren, -s). —Kluizenaar shut,v. (-ten). — Kluizenaarsleven, o. — Kluizenaarster, v. (-s), — Kluizenaarswoning, v. (-en).

klungel, v. (-s). Gemeen vrouwspersoon. Straatloopster. Lap, vod. Nietswaardig voorwerp. — Klungelanr, m. ( s). Vadsige arbeider. — Klungelaar ster, v. (-s). — Klungelen, ow. klungelde, heeft geklungeld. Zijnen tijd met kleinigheden verspelen. Met zijn geld klungelen : zijn geld verkwisten aan nietigheden. Slecht werk verrichten. — Klungelwerk, o. Slecht werk. Broddelwerk.

kluppel, m. (-s, -en). Dikke en korte stok. Talhout. — Kluppelen, bw. kluppelde, heeft gekluppeld. Met den kluppel gooien of slaan. — Kluppelkoek, m. (-en). Langwerpige, smalle koek. — Kluppel-spel, o. (-len). Zeker kinderspel. — Klup-pelvers, o. (..zen). Slecht vers. Vers, dat hetzelfde rijm heeft als 't voorgaande.

kluts, v. Begrip, zin. De kluts kwijt zijn : niet meer weten wat men doet. — Kluts, v. en m. (-en). Kleine vracht, die in eenen zak wordt gedragen : eene kluts peren. Hoop : wat geeft gij voor de kluts,

— Klutsei, o. (-eren). — Klutsen, bw. klutste, heeft geklutst. Slaan, kloppen (eieren, enz.).

kluun, v. Soort van baggerturf. kluun, o. Soort van bier (in Groningen).

kluwen, o. (-s). Bol, ontstaan uit draden, die men op elkander windt. Hoe zal


ocr page 386

KNAP — 3

dat k-luwer afloopen : boe zal die zaak ein-.lt;hpcn ? — Kltiivenen, bw. kluwende, heeft pekluwmd. Tot een kluwen winden. — A'linvenuinder, m. (-s). — Kluweniuind-sfer, v. ( s).

]ilu.YV«'i* (A.), 1858, Koog aan de Zaan. Taalkundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Een der bewerkers van het woordenboek der Nederl. taal.

liiiaa^ilior, o. (-en). De knaagdieren (muis, rat, haas, enz.) vormen eene orde der zoogdieren. Zie Bijgevoegde Tabellen.

— Knagen, knaagde, heeft geknaagd. Bw. Met de tanden iets afvijlen : de ratten knagen het hout. Kwellen : het geweten knaagt den goddelooze. Ow. Langzaam invreten : de roest knaagt (aan) het ijzer. — Knaag-s/er, v. (-s). — Knagend, bn. — Knager, m. ( s). — Knaging, v. (-en). Het knagen. Invreting. Wroeging : de knagingen van het geweten.

bnaan, m. (..apen) Tongen. Jongeling. Knecht. Zie Ridder. Spiegel-, nachttafeltje. Stommeknecht. Houten ezel. Hefboom om de kan on wagens op te lichten (ten einde de assen te besmeren). Hij is een brave, wonderlijke, lustige knaap. — Knaapjeskruid, o. Standelkiuid.

kunbbelen, knabbelde, hepfi geknab; held. Ow. Knagen (met kleine beten) : hij eet niet, hij knabbelt maar. Bw. Zijne nagels knabbelen. Plet gebit knabbelen. — Knabbelaar, m. (-s). — Knabbelaars/er, v. (-s). — KnabbeLtng, v. (en).

knak. m. ( ken). Drukt het geluid uit van een hard lichaam, dat gebroken wordt. Breuk, scheur : h( t glas heeft eenen knak. Deuk ; er is een kuak in zijnen hoed. Schade, nadeel: zijn vermogen heelt eenen knak gekregen. — Knak, tw. Bootst den klank na : knak! daar lag het aan stukken.

— Knak, bn. Gestooid. Niet wel gemutst. Oneenig : zij zijn knak. — Knakhainer, m. (-s). — Knakken, knakte, heeft en is geknakt. Ow. (hebben) Een geluid laten hoo-ren, dat men door knak aanduidt: de plank heeft geknakt, zijne vingers laten knakken, (zijn) Met eenen knak breken, zonder te scheiden, eenen knak krijgen : de stok, de stoel is geknakt. Zijne gezondheid is geknakt. Bw. Met eenen knak breken, zonder te scheiden : wie heeft die bloem geknakt? Nadeel toebrengen (aan) : hij heeft zelf zijn goeden naam geknakt. Hennt-p knakken. — Knakktr/g, v. (-en).

kual, m. (-len). Slag. Losbaisting. Geklater. — Knaleffect, o. (-en). Uitwerking, die niets beduidt. — Knalgas, o. Mengsel van waterstof en zuurstof. — Knallen, ow. knalde, heeft geknald. Losbarsten. Ont-ploffen. Klateien.

knap, m. (-ren). Geluid, dat een knappend of brekend voorwerp geeft. — Knap, tw. Knap! daar springt het glas — Knap, v. (-pen). Vlasbraak. — Knap, v. Spijs, eten ; aan de knap zijn. — Knapballetje, o. (-s). Knappertje. — Knapbus, v. (-sen). Klakkebus. — Knap kers, v. (-en). Soort van kers (in den nazomer). — Knapkoek, m. (-en), (voorwerpsn.); v. (stofn.) Hard

febakken koek. —ebakken koek. — Knappen, knapte, is en eeft geknapt. Ow. (zijn) Meteenen knap

\ — KNED

breken : het glas is geknapt, (hebben) Het hout knapt op het vuur. Bw. Knappend eten : hij zat ziin bro jd _ te knappen. Vlas enz. braken. Knaphandig grijpen.Met eenen knap dooden. — Knapper, m. (-s). Wat knapt. Knapkers. Knapkoek. Leugen.

— Knnpperyn, ow. bw knappeide, heeft geknappeid. Knappen. Doen knappen. — Knapöerije. o. (-s). Kleine knapper. Papieren balletje, met een licht ontvlambare stof gevuld, dat, met kracht op een hard voorwerp geworpen, eenen knap geeft.— Knap taart, v. (-en). Knapkoek. — Knap-utl, m. (-en). Wouduil. — Knapzak, m. (ken). Zak, waarin wei-klif den, enz. hun eten bergen. Jagerstasch. Bedelzak. Ransel. — Knapzakdrager, m. (-s).

knai», bn. bijw. Vas'sluitend, net : uw kleed staat u knap. Welgevormd : een knappe jongen. Vaardig, handig : een knappe werTtman. Bekwaam, vlug : een knappe schrijver. Verdienstelijk : dat hebt trij knap gedaan. — Knaphandig, bn. bijw. Vlug, vaardig, behendig. Op vaardige wijze. — Knaphandigheid, v. — Knap-handizlyk, bijw. — Knapheid, v. — Knapjes, bijw. Net, zindelijk : gij hebt dat knapjes gedaan. Hij kan knapjes (maar even) bestaan. Zuinig : knapjes toemeten.

— Knappe» d, m. (-S). Knap mensch. knarH(e)lgt;eoii, o. Kraakbeen. —

Knarsbeenachtig, knarsbeenig, bn.

knai'Men (knerM«n), ow. knarste, heeft geknaist. Een scherp malend geluid voortbrengen : op de tanden knarsen, de deur knarst op hate hengsels. — Knarsetanden (knersetanden), ow. knarsetandde, heeft geknarsetand. Knarsen met de tanden. — Knarsing, v. (-en).

knaster, m. (-s). Rieten korf, enz. waarin tabak wordt verzonden. — Knas-ter% v. Fijnste soort van rooktabak (wordt in knasters verzonden).

knauw, m. (-en). Grauw. Snauw, knauwen, bw. knauwde, heeft geknauwd. Knagend kauwen. Kauwen om uit te zuigen Afbijten : de nagels knauwen. Bederven, vernielen. Slaan, toetakelen. — Knauw er, m. (-s). — Knauwing, v. (-en). — Knauwrniddel, o. (-en). — Knauwsel, o. (-s). — Knauwster, v. (-s).

— Knauwtabak, v.

kncclit, m. (-en, -s). Mannelijke bediende. Dienaar, (-en) Slaaf. (Zeew.) Recht opstaand touw, dicht bij den mast. Stommeknecht. — Knechtelyk, bn. bijw.

— Knechtje, knec^tke, knechtken, o. (-s). Jongetje. Kleine huisbediende. — Knecht' jeshuis, o. (..zen). Gesticht voor weesjongens. — Knechtsch, bn. bijw. — Knecht* schap, o. Dienstbaarheid. — Knechts» dienst, m. (-en). — Knechtskamer, v. (-s).

— Knechtslivrei, v. (-en). — Knechtsloon, o. en m. (-en). — Knechtswyze,bijw. Als een knecht. Slaafsch.

Kneck (5.), i4..(?)-i55o. Aalst. Klokkengieter. Vond het klokkenspel uit en plaatste er een op den toren zijner geboortestad (1487).

kneden, bw. kneedde, heeft gekneed. Drukkend dooreenmengen ol werken : deeg


ocr page 387

KNEU — 3

kneden. Kastijden : het lichaam kneden. Verteederen : zijn woord kneedt alle harten. — Knedcr, m. ( s). —- Knediui^, v. (-en). — Kneedbaar, Sin. — Kneedbaar-hetd, v. —Kneedktiil, m. -en). Kuil om klei te kneden. — Ktiredloo s, v. (-en). Plaats, waar pnttenbakkersaarde bewaard wordt. — Kneedscl, o. (-s). — Kneedster, v. (-s).

kn^cp, v. (..rper). Neep : eene kneep met de vingers. Plooi: kneep in een kllt;-ed. Inval van achteren in een kleed : die jas is kort van kneep. Streek, sluwe trek : kent ij zijne knepen niet? Kunstgreep : hij oudt van knepen. Verlies : hij heeft daar eene groote kneep gekregen. — Kneepmnts, v. (-en). Soort van vrouwenmuts.

Kncipp {S.), 1821, Stefarsried (Beieren). Pastoor (Wörishofen). Stichter eener nieuwe Wasserheiiynetftnde. Ale inquot; Wasser/sur (33« druk, -891;; So sollt ihr ie ben (15® dr. 1892).

knekel, m. (-s). Kneukel. kisekelhuSs, o. (..zen). Beenderhuis (op een kerkhof).

kneker, m. (-s). Vrek. — Knekertg, bn. bijw. Vrekkig. Armzalig. Bekrompen.

— Knekenghcid, v.

knel, v. (-!en). Klemming, knijping. Vossen val. In de knel zitten : in moeilijkheid zijn. — Knellen, bw. knelde, heeft gekneld. Klemmen, nijpen. Drukken : de schoen knelt mij. Drukken, benauwen : bet knellende juk der slavernij. — Knellend, bn. — Knelling, v. (-en).

ïineüer (£.), 1648-1723, Lübeck. Portretschilder.

knopEie*, m. (-s). Kluppel. — Kneppe-len. Kluppelen.

^knersen, ow. knerste, heeft geknerst. Knarsen.

knetlereu, knetterde, heeft geknetterd Ow. Een krakend geluid geven : het vuur knettert. Bw. Drukken. Kneuzen. — Knetlet tng, v. — Kneiierslag, rn. ( en). Slag, die een krakend geluid geeft. — Knetterzout, o.

knew, v. (-en). Groenvink. — Kneunest, o. en m. (-en).

kitenbenr», v. (..zen). Spaarpot. Spaarbeurs. — Kneupennini', m. (-en).

kneiiSie], m. (-s). Uitstelcnd been in de gewrichten der gebogen vingers. — Kneti7:ejeii, ow. kncukclde, heeft gekneu-keld. Bij het schrijven de kreukels uitsteken. — Kneukelclie, v., kneukelsop, o. Stokslagen. — Kneukelvast, bn. Zeer sterk : die ken-l is knfukdvüSt.

knent, v. (-en). Kind, dat nooit tevreden is.

kneuter, v. (-sV Kneu, — Kneute-raar, m. (-s). — Kneutrraarster, v, (-s).

— Kneriteren, kneuterde, heeft gekneuterd. Ow. Zingen (als eene kneu). Stamelen. Mompelen. Knorren. Bw. Krenken.

— Kneuterig, bn. Knorrig, gemelijk, verdrietig. gefrommeld. Net, hef, aardig. Aangenaam. — Kneutering, v.

kneuzen,bw. kneusde, heeftgekneusd. Door drukking kwetsen, blutsen. Benadee-len. Schenden. — Kneuzend, bn. Kneu-

) — KNIE

zende wapenen : stokken, enz. — Kneu^ zing, v. (-en).

knevel, in. (-s). Baard op de bovenlip. Borstels (van de kat). .Mondprop. (Zeew.y Draaier om het stengewant aan te zetten. Al wat sterk en groot is : sterke knevel : fikscne vent. Snaak. Grove domoor. —Knevelaar, m. ( s.. — lSne' vela-irsfer, v. (-s). — Knevelarij, v. (-en). Aftroggelarij. Onwet i^e heffing van belastingen. — Knevelbaard, ni. (-en). — Kneveiband, va. (-er). Handboei. — Knevelen, bw. knevelde, heeft gekneveld, (lem.) eenen stok in den mond binden. De armen met touwen dicht aan het lijf hinden. In boeien slaan. Geld afpersen. Uitzuigen.— Knevelboei. v. (-en). — Knevel-ij ze rf je, o. (-s). IJzertje om de knevels op-te strijken. — Kneveling, v. (-en). — A'nevel to uw, o. ( er). — Knevelwas, o. Was om de knev»-. s op te strijken.

knibbelen, ow. knibbelde, heelt geknibbeld. Nauw bedingen. Haarklooven. Twisten. — Knibbelaar, m. (-s). — Kmb-belaarster, v. (-s). — Knibbetachtig, bn.

— Kmbbelary, v. (-en). — Kmbbehg, bn.

— Kmbbeling, v. ( en). — Knibbelsfet, o. (-len). — Kmbbelziek, bn. — Knibbel-ziekte, v. —Knibbelzucht, v. — Knibbel-Zuchtig, bn.

knie, v. (-en). Gewiicht, dat h^ t dij-met bet scheenbeen v.-re- n'gt. Dat gedeelte van eene broek, dat dek nu- le 1lt; kt (Zeew.) Kromhout. 1 o npzwengt 1. Waa^l oat. Sck'eggrf. Knie am het g-tljoe'. — Knieband, m. (-en). — Knitbanrfen, bw. kniebandde, heeft gekn eband. De st eron mogen niet dan geknieband door de gemeente gevoerd worden. —Kniehoog, m. (..ogen).

— Kn ie boog sfi ier, v. (-en'. — Kniebui-ging, v. ( en). — Kniedicht, o. (-en). Dicht, voor de vuist gemaakt. — Knie doek, m. (-en). — Kniegesp, m. (-en). — Knie-gen richt, o. (-en). — Kniegezwel, o. (-len). — Kniehoiit, o. ( en). (Zeew.). — Kniejicht, v. — Knie lap, m. (-pen). — Kn iele (dj er, o. —Knielbank, v. (-en^. — Knielen, ow. knielde, heeft en is geknield. De knieën buigen. Op do knieën vallen. — Knieling, v. (-en). —Km'eIknssen, o, ( s).

— Kniepees, v. (..ezen). — Kniepijn, v. (-en). — Kniepooien, bw. kniepootte, heeft gfknicpoot. D mi kop (vin rundvee) aan de knie vastbinden. — Knieriem, ra. (-en). — Knieschijf, v. (..ven). — Kniestuk, o. (-ken). Schoorbalk. Knielap (van eenen ridder). Portret tot aan de knie. — Knieval, m. (-len). —Knievers, o. (..zen). Vers, dat onvoorbereid gemaakt is. — Knievormig, bn.

kuier, v. (-en). Scharnier ejr er deur.

kuiexen, ow. kniesde, heeft gekniesd. Een knagend verdnet hebben. Zich met hartzeer kwellen. Treuren, kwijnen. — Kniesoor, m. en v. (-en). Die steeds gemelijk is. Onaangenaam mtn eh. — Knies-cofig, bn. Glt;melijk. — Kniessier, v. (-s).

— Knielend, bn.— Kniezer, m.(-s). Die kniest. Hij is geen kniezer : hij ziet niet op eene kleinigheid. — Kniezerig, bn. — Kniezerigheid, v. — Kniezig, bn. — Knie zing, v. (-en).


ocr page 388

KNIP — 3

krtUf, o. (..ven). (Oudt.) Ponjaard. (Thars) knipmes.

biiüpeu, kneep, heeft geknepen. Bw. Nijpen : iem. in den arm knijpen. Knellen, drukken : die schoenen knijpen mij. Tus-schen twee vingers of tusscben eene tang vatten en drukken. Afpersen : die eigenaar knijpt zijne pachters. Üw. (Zeew.) bcherp bij den wind zeilen. Het zal er knijpen : het xai er niet gemakkelijk gaan. — Knijp, Knijpvng. Verlegenheid : in de knijp zijn.

— Knypbi'il, ra. _ (-len). ^— Knijper, ra. (^s). Iem.t die knijpt. Knijpend voorwerp. Schaar (van kreeften). Vrek. —Ktiyping, v. — Kuifpsier, v. (-s). — Knijptang, v. (-en).

^knUzen, ow. knijsde, heeft geknijsd. Kniezen.

knik, m. (-ken). Snak.

knik, m. (-ken). Beweging met het hoofd voorover, ten teeken van begroeting, toestemming, enz. Staat: in dezen knik der zaken. — Knikkebeenen, ow. knikkebeende, heeft geknikkebeend. Met de bee-nen knikken (uit zwakheid). — Knikkebollen, ow. knikkebolde, heeft geknikkebold. Gedurig raet het boord schudden. — Knikken, knikte, heeft en is geknikt. Ow. (hebben) Hethooid vooroverbuigen. Groeten. Toeknikken. Ten val neigen. Buigen, (zijn) Breken, zonder te scheiden. Bw. Breken zonder te scheiden. — Knikkend, bn.

— Knikking, v. (-en). — Knikstag, o. (-en). Stevig touw aan den boegspriet.

knikker, m. (-s). Kleine ronde stee-een of marmeren bol (in 't kinderspel). Hoofd : kale knikker. — Knikkerbadn, v. (..anen). — Knikkeren, knikkerde, heeft geknikkerd. Ow. Met de knikkers spelen. Bw. Iem. van de baan knikkeren, hem den voet lichten. — Knikker jongen, m. (-s). Die met knikkers speelt. Straatjongen. — Knikkermeid, v. (-en). — Knikkerspel, o. (-len). — Knikkertijd, ra.

knip, ra. (-pen;. Lichte slag, welken men geeft raet den nagel van den voorsten vinger tegen den duim te drukken en hem vervolgens tegen een voorwerp te laten springen. — Knip, v. (-pen). Vogelknip. Duivenslag. Bordeel. Scheiding (m iets) door eene schaar. Snede. Schuif, grendeltje (op eene deur, enz.). Knipbeugel. — Knipbeugel. m. (-s). Randstuk met knip (aan een b: ursje). — Knipbeurs, v. (..zen).—Knipboon, v. (-en). Prinsessen-boon. — Knipbriejje, o. (-s). — Knip-houtje, o. (-s). — Knipluis, v. (..zen). Schimpnaam der kleermakers. —Knipluis, v. Veldmunt. — Knipmes, o. (-sen). Mes, dat door eene veer opengehouden kan worden. — Knipmuts, v. (-en). Zekere vrouwenmuts. — Knipoog, m. en v. (-en). — Knipoogen, ow. knipoogde, heeft geknipoogd. De oogen telkens openen en sluiten. — Knippen, bw. Eenen knipslag geven : iem. op den neus knippen. Met den nagel pletten : luizen knippen. Met de schaar snijden : figuurtjes knippen. Met eene knip vangen : vogels knippen. Met list vangen : duiven knippen. — Knipper, ra. (-s). — Knipschaar, v. (..areu). — Knipsel, o. (-s). Papieren snippertje. — Knipslag, m.

0 — KNOK

(-en). Knip (tegen den neus). Valplankje (in eene vogelknip). — Kmpslot, o. (-en).

— Knip spoor, v. (..oren). Spoor van eene veer voorzien. — Knip ster, v. (-s). — Kniptor, v. (-ren). Insect [elater). Heeft een uitstekend stijltje aan het borststuk, waardoor het vrij hoog naar boven kan springen. — Knipwerk, o.

knippen, knuppen, o. (-s). Zaadhuis van 't vlas.

knitferen, knitterde, heeftgeknitterd. Ow. Knetteren. Bw. Kneuzen, plat drukken (vruchten). — Knit tering, v. — Knit-ierslag, ra. (-en). Knetteislag.

knobbe^erst, v. Eene verscheidenheid van zomergerst.

knobbel, ra. (-s). Uitwas (op de huid). Keltigheid. Knoest, kwast (in hout). — Knobbelachtig, bn. — Knobbelbalk, m. (-en). (Wapenk.) — Knobbelig, bn. — Knobbeligheid, v. — Knobbeljicht, v, — Knobbeluitwas, o. (-sen).

knoei, v. (-den), knolt;l«le, v. (-n). Knoop. Knobbel.—Knoddestok, m. (-ken). Stok raet eenen kno^p. Knots.

knoddis:, bn. Schoon, bevallig, aangenaam : een knoddig verhaal.

knoedel, ra. (-s). Meelballetje (in de soep). Deegklomp in water, enz. gaarge-kookt.

knoeien, knoeide, heeft geknoeid. Ow. Slordig werken. Kuipen, orakoopen : er is al wat geknoeid in die zaak. Bw. Slordig bearbeiden. — Knoeier, ra. (-s). — Knoeierig, bn. Slordig bewerkt. — Knoei-er ij, v. (-en). Slordig werk. Kuiperij, om-kooperij. — Knoeister, v. (-s). — Knoeiwerk, o. Slecht werk.

knoesel, ra. (-s). Enkel (i® art.). — Knoeselen, ow. knoeselde, heeft geknoe-seld. De knoesels onder 't gaan tegen elkander stooten.

knoesf, ra. (-en). Kwast (in hout). Hardigheid. — Knoestachtig, bn. — Knoesterig, bn. — Knoesterigheid, v. — Knoest-

fezwet, o.ezwet, o. (-len). Peesknoop. — Knoestig, n. —Knoestigheid, v.

knoet, ra. (-en). Grove kerel. Lomperd.

— Knoetachtig, bn. bijw. Knoetig. — Knoetachtigheid, v. — Knoetig, bn. bijw. Lomp. Grof. Op lompe wijze. — Knoetig-he id, v. — Knoet in, v. (-nen). Lompe vrouw. Lomp meisje.

knoet, ra. ( en). Zweep, uit harde buf-felleeren vervaardigd, die, in Rusland, bij geraeene misdadigers, als onteerende straf wordt aangewend. — Knoetslag, m. (-en).

— Knoetstraj, v.

knofielen. Zie Knuffelen, knoflook, o. Bolplant {allium sativum). Afkomstig uit Zuid-Europa en u t 't Oosten. Behoort tot de lelieachti^en. Wordt bij ons ook gekweekt. — K7iof-Kookbad, o. (-eren). — Knoflookkruid, o.

— Knoflookreuk, m. — Knoflooksaus, v. (-en). — Knqfiooksmaak, ra. — Knoflooksoep, v. — Knoflookstruik, ra. (-en).

knok, ra. (-ken). Een der beeoderen (in 'tlichaam).

knok, ra.^ (-ken). Ruime plaats ofplein, waar verschillende straten bijeenkomen. Blok huizen.


ocr page 389

KNOR — 3

biioklcol, m. (-s). Knobbel. Kneukel. K'nkrl, lomperd. — Knokkelachtig, bn. Lomp. On eschoft. — Knokkelachtigheid, v. —KnokkelTJomiig, bn.

kiK»!, m. (-1en\ Vlee/.i?, onderaardsch steneeldfei, dat tot voortpla-iting dient van onderscheidene gewassen. Slecht paard. Botterik. Domkop. Knollen voor citroenen vt-rkoopen : bedriegen. — Knolachtig, bn.

— Knolkool, v. (-en). Raapkool. — Knol' lenakker, m. (-s). — Knollenkuil, m. (-en). — Knollenland, o. (-en). — Knollentuin^. (-en). — Knolleschil,\. (-Ien)_.

— Knoh-adijs, v. (..zen). — Knolselderij, v. — Knolvormig, bn.

knook, m. (knoken). Knok (i* art.).

Knokig,hn.

knoop, m. ( en) Verbinding van twee of meer draden of banden. Voorwerp van b-ïen, enz., welk in knoopsgaten passende, tot 't vastmaken van kleerea dient. (Plan-tenk.) Verdikking van den stengel, waar destengelleden bijeenkomen. (Sterr.) Punt, waar de baan eener planeet of komeet bet vlak van den zonneweg snijdt. (Zeew.) In de loglijn is de eene knoop van den anderen ongeveer 50 voet gelegen. (Letterk.) Ingewikkelde handeling, welke den aanschouwer boeit en aan 't slot wordt opgelost. Gordiaansche knoop. Zie Gordiaansch. liand : de knoop des huwelijks. Daar ligt de knoop : daar is de moeilijkheid. — Knoopband, o. — Knoopdoek, m. (-en). Doek, welken men om den hals knoopt. — Knoopen, bw. knoopte, heelt geknoopt. Toeknoopen. Vastmaken. Strikken. Kunstig samenvlechten. — Knoopendraaier, m. ( s). Die knoopen draait. Bedrieger. — Knoopenfabrtek, v. (-en).— Knoopengie-ier, m. (-s). — Knoopenmaken,o. — Knoo-penmaker, m. (-s). — Kno penmaakster, v. (-s). — Knoopenmakery v. Hetknoo-penmaken. (-en) Knoopen fabriek. — Knoo-penmakerswerk, o. — Knoopenschaar, v. (..aren). Om knoopen te poetsen. — Knoo-pentrekker, m. (-s). — Knoopen win kei, m. (-s).— Knoopgras, o. Varkensgras. — Knoopig, bn. Vol knoopen. — Knooping, v. (-en). — Knoopkoord, o. — Knoop lijn, v. (-en). — Knooplook, o. Knoflook. — Knoopnaald, v. ( en). — Knoopschaar, v. (. aren). Om te knoopen. — Knoopsgat, o. (-en). — Knoop ster, v. (-s).— Knoop-•werk, o. — Knoopzyde, v. Zijden garen (om te knoopen).

knop, m. (-pen). Min of meer rond lichaam, enz., dat op een ander staat; knop van eenen degen, van eene speld. Bot der Moemen, waarin de jonge bladeren en nloesem gesloten en ingewikkeld liggen. Knoop : de knoppen van een kleed. — Knophulsel, o. (-s). — Knopkiek, v. (Plantenk.) Violierachtige steenraket. — Knop kruis, o. (-en). (Wapenk.) Verkort kruis met eenen knop of bol aan elk uiteinde. — Knoplook, o. Knoflook. — Knopen, knopte, heeft geknopt. Ow. Knoppen rijgen. U itbotten. Bw. Knoopen.— Knops-gat, o. (-en). Knoopsgat. —Knopspeld, v. (-en).Groote speld. Doekspeld.

knor, m. ( ren). Kraakbeen. Knor-vleesch. Hard lichaam. Knoest. Kwast. —

i — KOBA

Knorbeen, o. (-ders, -deren). Kraakbeen.

— Knorpelhmd, v. Kraakbeenhuid. — Knorvleesch, o. Vleesch vol knorren of nieren. Kraakbeenig vleesch.^

knorf, m. (..ven). Hard lichaam. Verharding. Knoop.

knorlmstn. m. (..anen). Stekelvinnige visch {trigla). Laat een knorrend gein d hooren, als hij gevangen wordt. Voedt zich vooral met schaaldieren. Hiertoe behoo-ren t. evolans en Carolina.

knorren, ow. knorde, heeft geknord. Grollen : de varkens knorren. Preutelen. Gemelijk zijn. — Knor, m. (-ren). Knorrend geluid : het varken gaf eenen knor. — Knorachtig, bn. — Knorder, m. (-s). — Knorren, o. — Knorrepot, ra. en v. (-ten). Verdrietig, gemelijk mensch. — Knorrig, bn. bijw. — Knorrigheid, v.

knot, v. (-ten). Kluwentje. Hard ineea» gedraaid bosje eehekeld vlas. Zaadhuis van het vlas. — Knotten, bw. knotte, heeft geknot. (Vlas) tot knotten draaien. (Vlas) repelen. Afslaan, eenen boom knotten, zijne kroon afkappen. Iemands hoogmoed knotten, doen verminderen, doen verzwakken. — Knotter, m. (-s). — Knotting, v. (-en). — Knotster, v. (-s). Knotwilg, m. (-en). Wilg, welks kroon is afgekapt.

knoteren, ow. knoterde, heeft gekno-terd. Kneuteren.

kno(«, v. (-en). Stok, die van onderen op e^n dikken knoop eindigt. Kaarsedief.

— Knoizachtig, bn. — Knotsdrager, ra. (-s). — Knoisslag, ra. (-en). — Knotsvoe-tig, bn. — Knoisvormig, bn.

knii(1lt;2fsf, bn. bijw. Knutterig. knnfTelen (knoffelcgt;ii), bw. knuffelde, heeft geknuffeld. Ruw schudden, drukken. Krenken. Ruw behandelen. — Knuffelaar, ra. (-s). — Knttffelig, bn. Verkreukt. Verstijfd van koude : zijne vingerszijn knuffelig. — Knuffeling, v. (-en).

knuiAt, ra. (-en). Knoest. Vuist, hand : er raet de knuisten opslaan. Kort ineengedrongen mensch. Eene knuist brood : stukje brood, ter grootte van eenen knuist.

knul, ra. (-len). Knol. Onnoozeie. Slecht paard.

knuppel (kneppel), ra. (-s). Zie Kluppel, enz. — Knuppelen (kneppelen*, bw. knuppelde, heeft geknuppeld. kmiMje*, bijw. Knutterig. kniifsolen. bw. ow. knutselde, heeft geknutseld. Allerlei kleinigheden maken (inz. van hout) om den tijd door te brengen. — Knutselaar, ra. (-s). — Knutse-laarslt'r,\. (-s). — Knutselarij, v. (-en).

— Knutseling, v. (-en).— Knutselwerk, o. knuttel, v. (-s). (Zeew.) Seizing.

Touwtje. — Knuttelslag, ra.

knutterifp, bn. bijw. Aardig. Lief. Aangenaam.— Knutterigheid, v. — Knullig, bn. Kneuterig.

kobstlt, o. Metaal. Heeft een roodachtig witte kleur en een sterken glans. Is zeer buigzaam, kan moeilijk gesmolten worden en is bijna zoo magnetisch als het ijzer. — Kobaltblauw, o. Verbinding van phos-phoorzuur kobalt met aluinaarde. — Ko-ballglas, o. Smalt. — Kobaltzout, o. (Scheik.) — Kobaltziiur, o. (Scheik.).


ocr page 390

KOEK — 3

Kobell, 1° {F.), I740 i8..(?), Mannheim. Schilder en graveerder. — 2° Zijn broeder (F.), 1749-1822, Mannheim. Landschapschilder. — 30 (//.), 1751-1782, Rotterdam. Landschap- en zeeschilder.

K00I1 (/?.), 1843, Clausthal. Duitsch geneeskundige en Bacterioloog. Hoogleeraar (Berlijn). Beitrag zur Aethiolo-

fieder TuberkuZoseieder TuberkuZose (1882); Uberdie MHz-rntidimpfung (1882).

Icoddc, v. (-n). Lange dunne staak : kodden in de boonen steken. Knots.

kodde, v. (-n). Snakerij. Aardigheid.

— KodderT}\ v, (-en). Snakerij. — Koddig, bn. bijw. Snaaksch. Kluchtig. Grappig. Zonderling. — Koddigheid, v. (..heden).

kodde, v. (-n). Varkensstaart.

koddebeier, m. [s). (üudt.) Veldwachter. Oppasser der jacht en visscherij.

koddlt;gt;U£tar, m. ( s). Kneu.

koe, v. (-ien^. Bekend herkauwend zoogdier. Dom mensch. De koe bij de horens hebben : de grootste moeilijkheden te boven zijn. Oude koeien uit de sloot halen : oude moeilijkheden weder oprakelen. Veel koeien, veel moeien : goed baart zorg. — Koebeest, o. (-en). Koe. — Koe-boter, v. — Koebrug, v. (-gen). Brug, om 't vee in en uit een vaartuig te laten gaan. Afdak op een schip. — Koebrugsdek, o. (-ken). — Koe(ienJdief, m. (..ven). — Koedille, v. (Plantenk.) Stinkende kamille. —Koedokter, m. (-s).Veeaarls.—Koe (ien)-drek, m. — Koegras, o. Gemeene duiven-kervel. — Koe (ien) haar, o. (..aren). — Koe (ien) herder, m. (-sK — Koe(ienJ herderin, v. (-nen). — Koeienhouder, m. (-s). — Koehoorn, ..horen, m. (-s). — Koetekop, m. (-pen). — Koe ie quot;bloem, v. (-en). Volksnaam van 't madeliefje. — Koeiendrijver, m. (-s). — Kceiendryf-ster, v. (-s). — Koeienhoeder, m. (-s). — Koeienkaas, v. (..azen). — Kreienoog, o. en v. (-en). Oog van eene koe. (Geneesk.) Onnatuurlijk uittreden van den oogappel uit zijne holte. (Plantenk.) Koedilie. — Koeiensiede, v. (-n). — Koe (zen) stal, m. m. (-Ifn). — Koe(ien)stront, v. —Koetentrog, m. (-gen). — Koeienuier, m. (-s). — Koe (ien) wachter, m. (-s). — Koeien-weide, v. (-n). — Koeier, m. (-s). Koeien-wachter. — Koeiestaart, m. (-en). — Koeietong, v. (-en). — Koe (ie) vleesch, o.

— Koe (ien) niest, m.—Koekalf, v. (..vers, ..veren). — Koe (ien) kamp, m. (-en). — Koelied, o. Lied, dat de Alpenherders op den hoorn blazen. — Koemelk, v. — Koe-melken, o. — Koemelker, m. (-s). — Koemelker y, v. Het koemeiken. (-en) Bedrijf van koemelker. — Koemelkster, v. (-s). — Koeoorlog, m. Zie Oorlog. — Koepok, v. v. (-ken). Zie Pok. — Koepokinenter, m. (-s). — Koepokinenting, v. (-en). — Koepokstof, v. — Koevlieg, v. (-en). — Koevoet, m. (-en). IJzeren hefboom. — Koe-wachtertje, o. (-s;. Gele kwikstaart.

koeioniieereu, bw. koeionneerde, heeft gekoeionneerd. Lastig vallen. Plagen.

koek, m. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.). Gebak van meel, eieren, melk, enz. vervaardigd, meestal bereid in eene pan. Lijn-,2 — KOEL

koek, raapkoek. Blok, klomp (gegotenmetaal). Inz. klomp zilver van 150 mark. Wat naar eenen koek gelijkt : een koek chocolade. Het zal dezen nacht een koekje bakken, hard vi iezen. — Koek(eitjbakken, o.—Koek(en)bahker, m. (-sgt;. — Kt ek(enl-bakster, v. (-s). — Koekbakken), v. (jen).

— Koekbakkerswinkel, m. (-s).— Koekdeeg, o. — Koeken, ow. koekte, heeft gekoekt. Koeken bakken. — Koekenpan, v. (-nen). — Koeketer, m. (-s). Snoeper. — Kockeetster, v. (-s). — Koekhakken, o. (Kermisspel). — Koekkraam, v. (..amen).

— Koekwinkel, m. (-s).

koekelemeleii, ow. koekelemeide,

heeft gekoekelemeid. Zich vermaken met dartelen.

koekeloeren, ow. koekeloerde, heeft gekoekeloerd. Werkeloos zitten en uitkijken. Zie Kokeloeren.

koeken, m. mv. (Kaartsp.) Ruiten. — Koekenaas, o. (..zen). Zie Ruitenaas, enz.

koekoek, m. (-en). Trekvogel- Behoort tot de orde der klimvogels. De koekoek {cucutm canorus), die bij ons voorkomt, heeft ^equot; geroep aan iedereen bekend. Het wijfje legt hare eieren in het nesi van andere vogels, aan wie zij de zorg overlaéft ze uit te broeden en hare jongen op te voeden. Speeltuig voor kinderen, dat het geluM van den koekoek nabootst. Het is altijd koekoek een zang, altijd hetzelfde deuntje. — Koekoeksbloem, v. (-en). Overblijvende plant {Lychnis Jios cuculi). Is zeer algemeen op vochtige gronden en komt vooral op hooilanden voor. Heeft fraai vleeschkleurige en soms witte bloemen. Bloeit van Mei tot Juli. — K- ekceks-brood, o. Gewone klaverzuring. — Koekoeksei, o. (-eren). —Koekoeksklaver, v. Gewone klaverzuring. — Koekoeksklok, v. (-ken). £lok, die bij het slaan het geluid van den koekoek nabootst. — Koekoeks-plant, v. (-en). — Koekoeksspog, o. Kik-kerspog. — Koekoeksveer, v. (-en). — Koekoekszang, m. (-en).

Koekkoek, 10 (y. H.), 1778-1851, Veerne. Zeeschilder. — 20Zijn zoon (B. C.), 1803-1802, Middelburg. Landschapschilder.

koel, bn. bijw. Eenen warmtegraad hebbende tusschen warm en koud : koele drank. Lauw, Iriscb : koele lucht. Niet warm : koele zomer. Onverschillig : koel gelaat. lem. koel (stijf, niet vriendelijk) ontvangen, In koelen bloede : bedaard, onaangedaan. Op koele wijze. — Koelbak,. m. (-ken). — Koelbalie, v. (-s). Scheepstobbe. — Koelbloedig, bn. bijw. Bedaard» Onaangedaan. Onverschillig. — Koelbloedigheid, v. — Koelbloediglyk, bijw. — Koeldrank, m. (-en). — Koelemmer, m. (-s). — Koelen, koelde, heeft en is gekoeld. Bw. Koel, lauw maken. Het kanon koelen, met den wisscher ververschen. Gloeiend ijzer koelen, in water dompelen. Voldoen : zijne driften koelen. Zijn gemoed aan iem. koelen : zich op hem wreken. Ow. (zijn) Koel, lauw worden. Frisscher worden : het weder begint te koelen. Kouder worden : de wind koelt. Het zal wel koelen zonder blazen : het zal vanzelf verflauwen. — Koelhartig, bn. bijw. Onverschil-


ocr page 391
ocr page 392
ocr page 393

KOES — 3

lig. — Koelhartigheid, v. — Koelheid, v.

— Koelhuis, o. (..zen). — Koelim?, v. (-en). — Koelkelder, ra. (-sj. — Koelketel, ni. (-s). — Koelkruik, v. (-en). — Koel-kuip, v. (-en). — Koelmiddel, o. (-en). — K'-ehnoedig, bn. bijw. Koelbloedig. — Koeloven, ra. (-s). — Koelpan, v. ( nen).

— Koelpui, ra. (-ten). — Koelsvioeds, bijw. Koelbloedig. — Koelte, v. Koele wind : de koelte waaide ons tegen. Koele plaats : in de koelte zitten. Frischbeid. Dichter in de koelte : pruldichter. — Koeltje, o. (-s). Windje. — Koeltjes, bijw. Een weinig koud. Eenigszins onveischiliig. — Koelvat, o. (-en). — Koelzeil, o. (-en). Luchtzeil.

— Koelzinnig, bn. bijw. Koelbloedig. — Koelzinnigheid, v.— h'oei zin nighjk, bijw.

— k oelzTvabber, m. (-sU

koelie, ra. en v. (-s). Lastdrager. De naam van koelies geeft men in 't algemeen aan de Hindoe's der lagere klassen, die in hun land als daglooners. inz. als sjouwerlieden in hun onderhou l voorzien.

koen, bn. bijw. Onversaagd. Stout. Geen gevaar vreezend. Ondernemend. — Koenheid, v.

lioeiieu {H. y.), 1809-1874, Amsterdam. Letterkundige en geschiedschrijver. Geschiedenis der Joden in Nederland

(1843).

koepel, ra. (-s). Veelhoekig en half-bolvormig gewelf, dat het dak vorrat van een groot gebouw en doorgaans voorzien is van eene ronde opening voor het licht. Tuinhuisje. — Koepeldak,o. (-en).Koepel. Dom. — Koepeldeur, v. (-en). — Koepelgewelf, o. (..ven). — Koepelkerk, v. (-en). — Kcepelraam, o. en v. (..amen).

— Koepelvenster, o. en v. (-s). — Koepelvormig, bn.

koer, ra. (-en). Torenwachter. — Koer-huis, o. (..zen). VVachttorentje.

koer, v. (-en). Hof, holplaats. Speelplaats. Speelbaan. Achteruit.

koeren, ow. koerde, heeft gekoerd. Kirren.

koerier, ra. ( s). Renbode. Postbode, koer», ra. (-en). Geldprijs, wisselwaarde : dat geld heeft geenen koers meer. Loop, vaart : de koers van een schip. Richting, wending : de zaken nemen een anderen koers. Leergang, de lessen over deze of gene wetenschap. Paardenloop, wedren.

— Koersbrie/Je, o. (-s). — Koerseer en, ow. koerseercle, heelt gekoerseerd. In omloop zijn. Gangbaar zijn. — Koersen, ow. koerste, heeft gekoerst. Stevenen. Schatten. Ten uitvoer brengen. — Koersing, v.

— Koersnota, v. (-'s). — Koersnoteering, v. (-en). — Koersrekening, v. — Koers-verhooging, v. (-en). — Koersverlading, v. (-en). — Koersverschil, o.

koes, koe.nt, bijw. ttil : zich koes houden. —Koesen (zich), ww. koeste zich, heeft zich gekoest. Zich nederleggen. — Koest, tw. Leg neer (tegen eenen hond). Jioud u stil.

kooMkoes, ra. (..zen). Soort van buidelrat.

koeskoeft, v. Mengsel van verschillende soorten van vleesch, groenten, enz. koesteren, bw. koesterde, beeft ge-

3 — KOFF

korsterd. Door aangename warmte verkwikken, troetelen. Liefderijk verplegen : zij koestert haar kind. Eene slang aan zijnen boezem koesteren : eenen vijand weldoen. Veel ophebben (met) : de hoop koesteren, wantrouwen koesteren.— Keester aar, ra. (-s). — Koestering, v. (-en). — Koester aar ster, v. (-s).

koet, v. (-en). Zwartachtige watervogel ( fulica atra), ongeveer zoo groot als eene kleine kip.

koeleren, ow. koeterde, heeft gekoe-terd. Kromtongen. Gebrekkig spreken. — Koeteraar, ra. (-s). Stamelaar. — Koeteraar ster, v. (-s).

koeterwulen , ow. koeterwaalde , heeft gekoeterwaald. Koeterwaalsch spreken. — Koeterwaal, ra. (..alen). Waal, die 't Nederlandsch radbraakt, lem., die slecht (inz. Hollandsch) spreeitt. — Koeter-waalsch, o. Onverstaanbaar, slecht Hollandsch. Dieventaal.—Koeterwaalsch, bn.

koet», v. (-en). Bed. Sponde. Praalbed. Bedstede voor boerenknechts.

koets, v. (-en). Gesloten rijtuig. (Dicht.)-quot;Wagen ; de koets van den zonnegod. — Koetsbak, ra. (-ken). — Koetsbok, ra. (-ken*. — Koetsboovi, ra. (-en). — Koetsdissel, ra. (-s). — Koetsen, ow. koetster heeft gekoetst. Met eene koets rijden. — Koetsenmaker, ra. (-s). — Koetsglas, o. (..azen). — Koetshuis, o. (..zen). — Koetsier, ra. (-s). — Koetsierslivrei, v. (-en).

— Koetstersplaats, v. (-en), — Koetsiers-zweep, v. (-en). — Koetspaard, o. ( en).

— Koetspoort, v. (-en). Groote verwulfde poort aan een huis. — Koets rad, o. (-eren).

— Koetsriem, ra. (-en). — Koetsslede, v. (-n). — Koetswagen, ra. ( s .

koeteen, bw. koetste, h rft gekoetst. (Papierra.) De geschepte vellen van de vormen op de vilten drukken. — Koetser, m. (-s).

Koetsveld (C. E. van), 1807-1893, Rotterdam. Letterkundige. Schetsen uit de pastorie te Mastland (1843).

kof, v. (-fen). Rondgebouwd zeeschip,, met breeden achtersteven en twee masten.

— Kofschip, o. (..epeu).

kofler, m. (-s). Reiskist. —Kofferdeksel, o. (-s). — Kofferen, bw. kofferde, heeftgekofferd. In eenen kotter pakken. — Kofferlade, v. (-n). — Kojffertnaker, m. (-s). — Ko fftrsleutel, ra. (-s). — Koffer slot, o. (-en).

koflie, v. De boonen van den koffieboon!. Gemalen poeder der gebrande kof-fieboonen. Drank, uit dat poeder bereid.

— Koffie ach tig, bn. — Koffie akker, ra. (-s). — KoJJïebaal, v. (..alen). — Kr/fie-bakje, o. (-s). — Koffieblad, o. (-en). Schenkblad ora er kopjes op te zetten, (-eren). Blad van den koffieboon]. — Kof-fiebont. v. (-raen). Bom, waarin de kome gebrand wordt. — Koffie boom, ra. (-en). Boom {coffea Arabica), die ons in zijne zaden de alom bekende koffieboonen oplevert. Behoort tot de raeekrapplanten.Groeit in de steenachtige streken van Arabic eu Abyssinië en wordt thans in Oost- on West-Indië aangekweekt. — Koffieboon, v. (-en). — Koffie branden, o. — Koffie brat*-


ocr page 394

KOFF — 3

der, m. (-s). —Koffiebruin, bn. — Koffie-butk, m. en v. (-en). — Koffiedik, o. Bezinksel van getrokken koffie. — Koffiedrin • ken, o. — Koffiedrinkert ra. (-s). — Kof-

Koffieboom.

a. Plmnien vruchten, b. Vrucht (nntuur-ly'ke grootte), c. Bloem. d. Vrucht en pit of boon.

fiedrinkster, v. (-s). — Koffiegeld, o.

duiten, ..centen). — Koffiegeur, m. — Koffiegoed, o. Koffiestelsel. — Koffiehandel, m. — Koffiehandelaal', m. (-s). — Koffiehuis, o. (..zen). Openbaar huis, waar men ververscbingen kan bekomen. — Koffiehuishouder, m. (-s). — Koffiehuishoudster, v. (-s). — Koffiehuisjongen, ra. (-s). — Koffiehuisknecht, m. (-s, -en). — Koffiekamer, v.(-s). (In eene schouwburg, enz.). Vertrek, waar men ververscbingen gebruikten rookt. — Koffiekan, v. (-nen). — Koffieketel, ra. (-s). — Koffiekleurig, bn. — Koffiekommetje, o. (-s). — Koffiekopje, o. (-s). — Koffiekooper, m. (-s). --Koffie koop ster, v. (-s). — Koffielepeltje, o. (-s). — Koffiemakelaar, ra. (-s). — Koffiemelk, v. — Koffiemolen, ra. (-s). — Koffie moor, ra. (-en). — Koffiepapier, o. Papier, waarin koffie geweest is. Slecht grauw papier. — Koffieplant, v. (-en). — Koffieplantage, v. (-s). — Koffieplanter, m. (-s). —Koffiepot, m. (-ten). — Kojffle-

4 — KOKA

schenker, ra. (-s). — Koffieschenkster, v. (-s). — Koffieschoteltje, o. (-s). — Kcffie-siroop, ..stroop, v. — Koffiestelsel, o. v-s).

— Koffie'ajel, v. (-s). —Koffietrommel, v. {-s). — Koffieveiling, v. (-en). — Koffie-water, o. — Koffieweger, ra. (-s). — hof-Jiewnikel, ra. (-s). — Koffiezak, ra. (-ken).

— Koffiezuur, o.

kog:, v. (-Ken), kogjjo, v. (-n). (Middel.) Koopvaardijschip, ook ten oorlog gewapend Zeker bedendaagsch vaartuig.

hog-el, ra. ('S). Rond lichaam (bol, bal), gewoonlijk van lood of ijzer, dat uit geschut of draagbare vuurwapens geschoten wordt. De kogel is door de kerk : er is niets meer aan te doen. — Kogelaanf;etter, ra. (-s).

— Kogelaandrijver, ra. (-s). — Kogelbaan, v. (..anen). — Kogeibak. m. (-ken).

— Kogelen, bw. kogelde, heeft gekogeld. Met kogels schieten. Met steenen werpen. —KogeIflesch,w. (..sschen).—Ko^elgieten, o. — Kogelg ietery, v. (-en). — Kogel kok, o. (-ken). Kogelpark. — Kogelklos, m. (-sen). — Kogel kruis, o. (Wap.) Kruis met eenen knop op het wapenschild. — Kogelleder, o. —Kogelmaat, v. (..aten).

— Kogelmal, v. (-len). — Kogelman//, v. (-en). — Kogelmeter, ra. (-s). — Kogel-mortier, ra. (-en). — Kogelpark, ..perk, o. (-en). Plaats, waar de kogels opgestapeld iggen. — Kogelregen, m. (Hg^ — Kogelrond, hn. — Kogelstapel, m. (-s). — Kogeltang, v. (-en). — Kogeltrekker, ra. (-s). — Kogelvisch, ra. (..sschen) (diodon tigrinus). Zijn lichaam heeft eene kogelvormige gedaante en zijne buid is met stekels in plaats van schubben bezet. — Ko-gelvlucht, v. Bui van kogels. — Kogel-vorm, m. (-en). — Kogelvormig, bn. — Kogelwat en, m. (-s). — Kogeluoerf, v. (..ven). Kogelpark. — Kogelworp, ra. (-en). — Kogelzeef, v. (..even).

kogol, v. (-en). Bijenkap, van vorfcn van koperdraad voorzien.

kohier, o. (-en). Belastingregister, Legger, ligger. Naast of tegenover elkander gebezigd, wijst ligger bet object van den last aan, b. v. de wegen, en het kohier, de subjecten, die den last moeten dragen, de belastingschuldigen of de onderhoudsplichtigen.

KOlilor (C. L. //.), 1820-1886, Bruns-wijk. Duitsch toonkunstenaar.

koliort, v. (-en). Krijgsbende.

kok, ra. (-s). Die kookt. Spijsbereidar. Aannemer van maaltijden. Honger is de beste kok. — Kokage, v. Het gekookte. — Kok* 71, kookte, heeft gekookt. Bw. (Spijzen) op het vuur bereiden : aardapp ^len koken. Ow. Zieden, borrelen : het water kookt. Schuimen : de zee kookt. Als het op is, is het koken gedaan. Zijn blood kookt (van drift). — Kokend, bn. — Kokendheet, bn. — Koker, ra. (-s). Die kookt. — Kookster, v. (-s). —Kokerif, v. Het koken. Beroep van kok. (-en) Gereedgemaakte spijzen.— Koking, v. (-en). — Koksjongen, ra. (-s). — Kokskrauwel, ra. (-s). — Koksmaat, ra. (-s). — Koksplaats, v. ( en).— Kokspomp, v. (-en). — Kokswerk, o.

kokarde, v. (■«). Strik. Hoedstrik. Lintstrik.


ocr page 395

KOL — 3

kokclocrou, ow. kokeloerde, heeft igekokeloerd. Keelgeluid, dat de haan maakt als hij de hennen r .jpt, of voor eenigr gevaar verwittigt, enz. Kraaien. Boerten. — Kokeloerenhaanije, o. (-s). — Kokeloerenhanen, ow. kokeloeren-haande, heeft gekokeloerenhaand. Kraaien (gelijk de haan). — Kokeloc iekoe, o., ko-keloereloe, m. (-s). Klanknabootsend woord voor 't kraaien van den haan.

boker, m. (-s). Lang, hol lichaam, waarin iets geborgen wordt of besloten is. Houten omsluitsel : de koker van eenen boom. Dit komt niet uit uwen koker, uit uw brein. Veel pijlen in zijnen koker hebben, in onderscheidene vakken gereed zijn, altijd gereed zijn om te antwoorden. — Kokeren, bw. kokerde, heeft gekokerd. In eepen koker steken : pijlen kokeren. Bedriegen : gij moogt u zoo licht niet laten kokeren. — Kokerjuffertje, o. (-s). Insect, tot de netvleugeligen behoorende. Heeft borstelvormige voelers, met schubben bedekte vleugels, die dakpansgewijs den rug bedekken en zuigende monddee-len. — Kokermaker, m. (-s). — Koker-maakster, v. (-s). — Kokermof, v. (-fen). Langwerpige mof.

kobcrellen, ow. kokerelde, heeft ge-kokereld. Vertrouwelijk spreken met halfluide stem.

kolicruiuileu, o w. kokermuilde,heeft gekokermuild. Glimlachen. Meesmuilen, kokhaitii, m. (..anen). Alikruik, koklialzen, ow. kokhalsde, heeft gekokhalsd. Den hals uit' of opzetten. Vurig verlangen.

kokinjc, v. (-s). Balletje van dik gekookte suiker of siroop. — Kokinjebakkrr, m. (-s), — Kokinjemaker, m. (-s). — Ko-kinjetrommel, v. (-s).

kokkelen, ow. kokkelde, heeit gekokkeld. Geluid geven als de haan. — Kokkelaar, m. (-s). Die kokkelt. Kraaiende haan.

kokker, kokkerd, m. (-s). (Spott.) Wat kokker van een neus : wat groote neus!

kokmeeuw, v. (-en). Zwemvogel (iarus rtdibundus) iets kleiner dan de kraai. Wordt van April tot Augustus bij ons aangetroffen. Nestelt in 't riet en in de duinen.

kokosboom,kokospalm,m. (-en). Boom {coccs nuctfera). Groeit vooral op de kustlanden en eilanden van de Indische Zee en van den Grooten Oceaan. Is bekend om zijne welsmakende noot, die in onrijpen staat inwendig een welsmakend en gezond melksap bevat. — Kokosmelk, v. — Kokosnoot, v. (..oten). — Kokosolie, v. — Ko-kospalmbocm, m. (-en). — Kokossuiker, v. — Kokosvrucht, v. (-en). — Kokos-zeep, v.

kol, v. (-len). Witte plek op 't voorhoofd van een paard. Zulk een paard.

kol, m. (-len). Hamerslag op 't hoofd van een rund. — Kolbyl, v. (-en). Bijl met hamer (om runderente kollen). — Kolha-mer, m. (-s^. /

kol, v. Beste hennep.

kol, v. v_len). Groot sleepnet (bij dö

^ — KOLF

kabeljauwvangst in gebruik). — Kolkabel-jawv, m. (-en). — Kolvaart, v., kolvis-schery, v.

kol, v. (-len). Tooverheks. Kol rüden : op eenen bezemstok (naar de vergadering der heksen) rijden. De heks spelen. Toove-rijen plegen. — Kolachtig, bn. Naar hekserij zweemende. — Kolryder, m. (-s). Toovenaar. — Kolrydster, v. (-s).

kolbak, m. (-ken). Grenadiersmuts. Haren muts der gendarmen.

kolder, m. Zekere paardenziekte. (-s) (Oudt.) Lederen harnas, dat borst en rug bedekte. Den kolder in 't hoofd krijgen : op hol raken. — Kolderen, ow. kolderde, heeft gekolderd. Den kolder hebben (van paarden). Zich aan dolzinnigheden overgeven. — Koldergat, o. (-en). (Zeew.) Gat, waarin de spil van den helmstok steekt. — Kolder tg, bn. Duizelig. Dol. Woest. Razend. — Kolderschyf, v. (..ven). Uitmiddelpuntige schijf (in de stoommachines), die de drijfstang heen en weer voert. — Koldersprong, ra. ( en). Zijdelingsche sprong van een paard. Kromme sprong, moedwillige sireek : hij doet niets dan koldersprongen. — Koldei stok, m. (-ken). Helmstok.

kolen, kooide, is en heeft gekooid. Ow. Tot kool worden ; die turf kooit slecht. Bw. Met kolen verwarmen : holsblokKen met gloeiende asch kolen. — Kolen ank, v. (..aken). Zeker vaartuig om koleu ie vervoeren. — Kolenader, v. (-s). — Kolen-asch,v. —Kolenbak (koolbak), m. ( ken).

— Kolenbedding, v. (-en). — Kolenbeurs, v. (..zen). — Kolenbrander, m. i-s). — Kolenbrandery, v. Het kole.nbranden. (-en) Plaats, waar houtskool gemaakt wordt. — Kolenbrandershut, v. (-ten). — Kolenbrandster, v. (-s). — Kolendamp, m. —Kolendrager, m. (-s). — Kolenemmer, m. (-s). — Kolengas, o. ( sen). — Kolengloed, m. — Kolengruis, o. — Kolenhok, o. (-ken). — Kol enkalk, v. — Kolenkelder, m. (-s). — Kolenkooper, m. (-s). — Kolenkoopster, v. (-s). — Kolenmaat, v. (..aten). — Kolenmagazyn, o. (-en). — Kolenmand, v. (-en). — Kolen-meiler, m. (-s). Hoop hout, dat moet verkolen.— Kolenmeter, m. (-s). — Kolen-mijn, v. (-en). — Kolenpakhuis, o. (..zen).

— Kolenschepper, m. (-s). — Kolenschop, v. (-pen). — Kolenschip, o. (..epen). — Kolenslak, v. (-ken). Uitgebrande smidskolen.— Kolenverkooper, m. (-s).—Ko-lenverkoopster, v. (-s). — Kolen voerder, m. (-s). —■ Kolenvuur, o. — Kolenwagen, m. (-s). — Kolemak, m. (-ken). — Kolenzwart, o.

kolf, v. (..ven). Korte knots. Biljart-stok. Stok, waarmede de kolfbal wordt geslagen. Onderdeel van een vuurroer. (Oudt.) Kolf bus. (Scheik.) Gesloten glas met wijden buik en gebogen hals. Knopje van de meeldraden eener bloem, dat het stofmeel inhoudt. — Kolfbaan, v. (..anen). Plaats, ingericht voor het kolfspel. — Kolfbal, m. (-len). — Kolfbloem, v. (-en). — Xolfbloesem, m. (-s). —Kolf bus, v. (-sen). Soort van oud vuurwapen. — Kolfflesch, v. (..sschen). — Kolfhout, o. Botterik. —


ocr page 396

KOMA — 3!

Kolfje, o. (-s). Kleine kolf. Dat is een kolfje naar zijne band : dat bevalt hem. — Kolfplaat, v. (..aten). — Kolfroer, o. (-en). — Kolfspel, o. — Kolfvormi?, bn.

kolibrie, va. (-s). De kolf6rüs vormen een familie (frochïlus). Zij zijn de kleinste vogels en hebben schitterende veeren. De lange priemvormige snavel vormt eene buis, waarin zich de tot den wortel gespleten tong bevindt. Dezen snavel steken zij in de bloemkroon, ten einde de daarin verscholen insecten te bemachtigen. In tropisch Amerika komen meer dan 300 soorten van deze famil'e voor.

koliek, o. Buikpijn. Daimkramp. — Koliekpyn, v.

kolk, v. (-en). Diepe kuil. Draaikolk. Afgrond. — Kolken, ow. kolkte, heeft gekolkt. In eene draaiende beweging opgaan. Rommelen : zijn ingewand kolkt. — Aolksluis, v. (..zen). Schutsluis, kolleblocm, y. (-en). Klaproos, kollegle, o. (..iën, -s). College, kolleu, kolde, heeft gekold. Bw. (Run-ders) met den kolfhamer voor den kop slaan. Ow. Kol rijden. Heksen.

kolok^vint, ra. (-en). Plant (ctlrullus colocynthts). Behoort tot de kalebasachti-gen. 'De kogelronde en zeer bittere vrucht wordt als purgeermiddel gebruikt.—

7V int koekje, o. (-s). — Krljkwintkom -kommer, v. (-s). — Kolo'- \eintsap, o.

kolom. v. (-raen). £ui\: de kolommen eener kerk. Staaf : de kolommen eener venster. Halve bladzijde van een boek. Legerafdeeling. (Nat.) De kolom van Volta. — Kolomhoofd, o. (-en), kolom titel, m. (-s). (Boekdr.).

kolonel, m. (-s). Hoogere officier. Zie Leger. — Kolonel-ingenieur, m. (kolonels-ingenieurs). — Kolonelschap, o. — Kolonelsplaats, v. (-en).

kolonie, v. (..iën, -s). Volkplanting. Overzeesche bezitting. (Zie Indië). — Koloniaal, bn. Koloniale waren : kruidenierswaren. Koloniale troepen, kolonialen : soldaten, die in de overzeesche bezittingen dienen. — Koloniaal, m. (..alen). Bewoner der koloniën. Soldaat, die in de overzeesche bezittingen dient. — Kolonisatie, v. (..iën). — Koloniseeren, bw. koloniseerde, heeft gekoloniseerd. Volkplantingen vestigen. — Kolonist, m. (-en).

koloriet, o. Kleurentoon, tint. Gloed, ievendigheid. — Kolonst, m. (-en). Bekwaam kleurenmenger.

koloft, m. ( sen). Reuzenbeeld. Reus. •— Kolossaal, bn. Reusachtig. Buitengewoon groot. Ontzaglijk.

koiaeni.ra. (-s). (Zeew.) Zaadhout. kolKtemtok, m. (-ken). Kolderstok, kolven, ow. kuifde, heeft gekolfd. Met de kolf spelen. In de kolfbaan spelen. — Kolver, v. (-s).

kol venier, m. (-s).ZieKlovenierf enz. kom, v. (-men). Bak, schaal, kop : eene Jkom melk. Kleine vijver. Kleine haven. .Kleine binnenlandscbe zee. Binnenste : de om eener haven. De kom (bebouwde ring) van een dorp. — Komvormig, bn. komst t'. o. Afkomst; hij meent van een heel hoog komaf te wezen. Hij maakt geen

6 — KOME

komaf : bij begint niet, hij vordert niet.

kombanrs, v. (..zen). Deken (op schepen gebruikt) : een lijk in eene kombaars naaien.

kombof, v. (-s, -fen). Bijgevoegde keuken, waar het slordige werk verricht wordt.

kombuis, v. (..zen). Scheepskeuken. — Kombuisketting, m. (-en). (Zeew.) Ketelketting.

komedie, v. (-s). Schouwburg. Vertooning. Komedie spelen : veinzen, val-sche vertooning maken. — Komediant, m. (-en). Tooneelspeler. — Komediante, v. (-n). — Komediegebouw, o. (-en). — Komediespel, o. (-en). Tooneelmatige vertooning. IJdele vertooning. Bedrog. Veinzerij. — Komediespeler, m. (-s). Komediant. Veinzer. — Komediespeelster, v. (•s). — Komediezaal, v. (..alen).

komeet, v. (..eten). Staartster. Hemellichaam, dat zich nu en dan aan den sterrenhemel vertoont en dooreaans kenbaar is aan een min of meer helderen, maar altijd wolkachtigen, wegsmeltenden kop (ook kern genoemd), die geplaatst is aan 't uiteinde van een lichtenden, meestal waaiervormig uitgespreiden staart.

komen, ow. kwam, is gekomen. Zich naar de plaats begeven waar iem. is, of ondersteld wordt te zijn : hij zal vandaag komen. Is hij te voet gekomen? Met de stoomboot komen. Daar komt hij aanspringen, of aangesprongen. Hij kwam onverwachts te sterven. Dat zal hem duur te staan komen : dat zal hij duur betalen, daar zal hij zwaar voor boeten. Hij komt zelden bij ons, bezoekt ons zelden. In iemands plaats komen : iemands plaats innemen, overnemen. Onder dak komen : huisvesting krijgen. Iem. onder de oogen komen, in zijne nabijheid komen, voor hem ver-fchijnen. Te huis komen. Iem. te gemoet komen. ïe stade komen. Te pas komen. Raken : in de war komen, in brand komen. Ontbieden : een rijtuig laten komen. Op hoeveel komt dat laken : hoeveel kost dat laken? Aan iets of iem. komen : iets of iem. verkrijgen. Dat zal wel aan den man komen, wel vei kocht raken. Er is niet aan te komen : 't is niet te krijgen. Aan de beurt komen : zijne beurt krijgen. Aan land, aan wal komen. Gij moet niet aan de boter komen : gij moet er niets afnemen. Achter de waarheid komen : de waarheid ontdekken. Deze kleur komt er dichtbij, is bijna dezelfde. In gevaar, in verlegenheid, in nood komen. In zwang, in de mode komen. In verzoeking komen. Dat kwam mij niet in de gedachte : dat viel mij niet in. Op de hoogte komen (van) iets vatten, begrijpen. Om het leven, om (den) hals komen : het leven verliezen. Iem. op het lijf komen, hem ovtrvallen, hem afrossen. Van woorden kwam men tot daden. Hij kon er niet toe komen, niet toe besluiten. Voor den dag komen : te voorschijn komen, zich vertoonen. Om tot de zaak te komen, om het eigenlijke punt te bespreken. Er bovenop komen : tot welstand geraken. Van niets tot iets komen. Daar zal hij niet ver mede komen: dat zal


ocr page 397

koms — 3

hem niet veel baten. Wat zal daarvan komen ; wat zal er bet gevolgf van zijn ? Kom! kom ! och, dwaasheid ! Och kom ! wat gij zegt! Eenpw. Er komt veel volk.

komfoor, o. (..oren). IJzeren voorwerp, waar men houtskolen enz. in doet, om spijzen warm te houden, lood te smelten, enz.

komiek, bn. bijw. Comisch. — Komiek, m. (-en). Tooneelspeler, die de co-mische rollen vervult.

komUquot;. ni. Eénjange, Egyptische plant {cutnitiuvt rymi'ftuni), die om hare zaden ook in Zuid-Europa wordt gekweekt. Behoort tot de schermbloemigen. — Kontyn-achfif», bn. — Komijubrood, o. (-en). — KnmynfeJkaas, v. (..azen). Kaas met komijnzaad. — Komi/nolie, v. (..iën). — Ko-viynsoep, v. (-en). — Komyntj'e, o. (-s). Broodje met komijnzaad. — Komynzaad, o. (..aden).

komkommer, v. (-s). Eéniarige, uit Azië afkomstige, veel gekweekte plant (cricuniis sa/ivus). Behoort tot de kale-basachtigen. Vrucht dezer plant. — Kom-kommerbcd, o. (-den). — Komkommerhof, m. (..oven). — Ko m kommer plant ^ v. (-en). — Komkommerrank, v. (-en). — Komkommersalade, v. — Knmkommer-tuiv, m. (-en). — Komkommer zaad, o.

komniTt, v. en o*. (-'s). Zeker leestee-ken ( ,). — Kommapunt, v. (-en). Zeker lecsteeken (;).

komm«licl»oliocflc,v. (-n), kom-inalle«v»ui, o. Keukengerief.

kommer, m. Onrust. Angst. Verdriet. Zo'g. Kwelling. — KoviviC' ti/k, bn. bijw. Onrustig. Verdrietig. Zorglijk. — Kommerloos, bn. bijw. — Kommerms, v. (-son). Kommer.— Kommerryp, bn. Kommerlijk rijp : nauwelijks rijp. — Kommervol, on.

It om uier, v. Hazendrek.

kommies, m. (..zon). Beambte bij de tollen. Tolbeambte. — Kommiesbrood, o. (-en). Soldatenbrood. —Kommteshuisje, o. (-s).

kompunje, v. Gezellin. Vriendin. Echtgenoote.

kompnnjemeester, m. (-s). Opzichter der magazijnen van 't land.

kompnM, o. (-sen). Zeenaald. Streek-wijzer. Natuurkundig werktuig, waarvan bet bijzonderste deel de naald is, in evenwicht op eenen steunstok. Een der punten dezer naald wijst het magnetisch Noorden aan. Passer, icijn kompas is verdraaid : hij is niet in goede luim, zijn verstand is een wein-g van streek. — Kompasbeugel, m. (-s). — Kompasdoos, v. (. zen). — Kompashuisje, o. (-s). — Kompaslamp, v. (-en). — Kompaslampbeugel, m. (-s). — Kompasmaker, m. (-s). — Kompasnaald, v. (-en). — Kompasroos, v. (..ozen). — Kompasstreek, v. (..eken).

komplof, o. ( ten). Samenspanning. Samenzwering. Geheim verbond. — Kom-élotteeren, ow. komplotteerde, beeft gecomplotteerd.

kompre», o. (-sen). Bevochtigd lapje, •wiekje (op cene wond).

komst, v. Het komen. Aankomst.

7 — kon:

koud, bn. Kond doen, maken : bekend maken, verkondigen. — Kondschap, v. (-pen). Bericht. Bescheid. Uudtrzuek. (Oorl.) Verkenning : op kondschap uitgaan. — Kondschappen, bw. kondschapte, heeftgekondschapt. Melden. Berichten.— Knndschapper, m. ^-s). — Kondschapster, v. (-s).

a. Ophanging volgens Cardanus. b. c. Be7veeglykecorn f ntrischeringen, d. In graden verdeelde, rand» e. Kompasnaald, g. Windroos, h. Vizier, i. Spiegeltje.

konfijt, o. Ingelegde, ingemaakte vruchten. Suikergoed. — Konfijten, ow. konfijtte, heeft .gekonfijt. — Konfijter, m. (-s). — Konfijtster, v. (-s).

kougrerststl, m. (..alen). Zeepaling {muroena conger). Is gewoonlijk i 1/2 a 2 met. lang.

kouUu» 0* (-en). Bekend knaagdier. Tam konijn: lepus domesticus. Wild konijn : lepus cuniculus. — Konyneleger, o. (-s). —Konijnenberg, m. (-en). — Ko-nynenhosch, o. en ra. (..sschen). — Konif-nenperk, o. (-en). — Konijnenwarande, v. (-n). — Konynenblad, o. Volksnaam der groote weegbree. — Konijnenfokker, m. (-s). — Konijnenfokkerij, v. Het fokken van konijnen, (-en) Plaats, waar men konijnen lokt. — Konijnenhaar, o. (..aren).

— Konynenhaksel, o. — Konijnenhok, o. (-ken). —Konijnenhol, o. (-en). —Konijnenjacht, v. (-en). — Konynenkooi, v. (-en). — Konijnenkot, o. (-ten, -en). — Konynenhruid, o. Wilde latuw. — Ko-nynennest, o. en ra. (-en).—Konijnen-net, o. (-ten). —Konijnenpastei, v. (-en).

— Konijnenval, v. (-len). — Konijnenvangst, v. — Konijnenveld, o. (-en). — Kon ij nevel,o. (-len).— Kon ij ne(n) vleesch, o. — Konijnshnar, o.

Honiuck {F. de). 1619-1688, Arasterdam. Landschapschilder.

Koniiick [L. de), 1838, Hoogstraten. Dichter. Heidebloem' w (186}); //W J/ensch-dom verlost (heldendicht, 1883).

kouinsr, ra. (-en). Beheerscher van een koninkrijk. Hij was de koning^ (de voornaamste persoon) van het feest. Stander, spil van eene kraan. Zuiverst bestand-


ocr page 398

KONK —•

deel (van gemengd metaal). Voornaamste stuk in 't schaak- of kegelspel. Voorname kaart in het kaartspel. Zijn haan moet altijd koning kraaien : hij moet altijd gelijk hebben. — Koningdom, o. — Koningin, v. (-nen). Beheerscheres van een koninkrijk. Vrouw van eenen koning. Moederbij (in eenen bijenkorf). Een der voornaamste stukken in 't schaakspel. — Koninginnen-kroon, v. (..onen).—Koninginnenkruid, o. Leverkruid. — Koninginnenmantel, m. (-s). —Koningsadelaar, m. (-s, ..aren), koninqsarend, m. (-en). Zie Arend. — Koningsappel, m. (-en, -s). Vrucht van de ananas. — Koningsblauw, o. Soort van blauwe verfstof. — Koningsbrood, o. Soort van gebak. —Koningschap, o. — Koningsdag, m. (-en). —Koningsdochter, v. (-s).

— Koningsgeel, o. Soort van gele verf. — Koningsgezind, bn. — Koningsgezinde, m. en v. (-n). — Koningsgezindheid, v. — Koningsgier, m. (-en). — Koningshof, o. (..ven). — Koningshuis, o. (..zen). — Koningskaars, v. (-en). Wolkruid. — Koningskaarsje,*). (-S) .Kaarsje, rond dewelke de kinderen dansen op het Driekoningen feest. — Koningskind, o. ( eren). — Ko-ningskleur, v. (-en). Purper. — Koningskrakeling, m. (-en). Zeker gebak. — Koningskroon, v. (..onen). — Koningsmaal, o. (..alen). — Koningsmantel, m. (-s). Mantel eens konings. Zekere prachtige dagvlinder {vanessa antiopa). — Koningsmoord, m. (-en). — Koningsmoor-der, m. (-s). — Koningsmoordster, v. (-s).

— Koningspeer, v. (..eren). — Konings-pruim, v. (-en). — Koningsschepter, m. (-s). — Koningsschot, o. (-ten). Schot, waardoor men koning wordt uitgeroepen bij de schutters. —Koningsslang, v. (-en),

— Koningssnoek, m. (-en). — Koningsstaf, m. (..aven). — Koningstijger, m. (-s). — Koningstitel, m. — Koningstroon, m. (..onen). — Koningsvaren, v. (Pla-tenk.) — Koningsvisch, m. (..sschen). Visch {perca alburnus). Is opmerkelijk door zijnen vorm, zijne grootte en zijne

Drachtige kleuren. —rachtige kleuren. — Koningsvogel, m. •s). Een prachtige paradijsvogel {paradise a regia). —Koningswater, o. (bcheik.) Mengsel van salpeterzuur en zoutzuur. — Koningszeer, o. Kropzweren. Kropgezwellen.— Koningszetel, m. (-s). — Koningszoon, m. (..onen). — Koninkje, o. (-s). Verkleinwoord van koning. (Nat. bist.) De kleinste onzer inlandsche vogels {troglodytes Europaeus). Behoort tot de gangvo-g^els. Zoekt steeds in tuinen en heggen naar insecten. — Koninklijk, bn. bijw. — Koninkrijk o. (-en).

konkel, m. (-s). Slag. Oorveeg, konkel, v. (-s). Spinrokken. Vaatdoek, vod. Vadsig vrouwspersoon, slons. Draaikolk. In de konkels (in de verlegenheid) zitten. — Konkelaar, m. (-s). —Konkelaar ster, v. (-s). — Konkelachtig, bn. bijw. — Konkeladel, m. Adel van moederszijde. — Konkelarij, v. (-en). Gekonkel.

— Konkelboel, m. (-en). Aanhoudend gekonkel. quot;Konkelarij. — Konkelen, konkelde, heeft gekonkeld. Ow. Knoeien (inz. van vrouwelijke handweiken). Knoeierijen

;8 — KOOK

beramen of plegen. Iets in 't geheim bekuipen. Koffiepraatjes houden. Kwaadspreken. Bw. Spinnen. — Konkelen, o. Gekonkel,

— Konkelfoes, m. Konkelboel. — K- nkel-foezelen, ow. konkelfoezelde, heeft gekon-icelfoezeld. Alles door elkander mengen, Bedektelijk, bedrieglijk handelen. Zich met een ander verstaan om eenen derde te bedriegen. — Konkelfoezen, ow. Konkelfoezelen. — Konkelhuis, o. (..zen). Huis, waar men in 't geheim plannen smeedt. — Konkelko is, v. (-en). Konkelaarster. — Konkel leen, o. (-en). Zie Leen.—Kon-kelmoer, v. (-s). Lui, vadsig vrouwspersoon. — Konkelpot, m. (-ten). Koffiepot.

— Konkelpot, v. (-ten). Slons. Vrouw, die zich aan allerlei knoeierijen overgeeft.

konserf, o. (..ven). Kruidensuiker. Ingelegde, ingemaakte vruchten, groenten, gevogelte, visch, enz.

kouMtabel, m. (-s). (Middel ) Opper-stalraeestftr- ^eschutmeester (op een oorlogsschip^ Konstabelmajoor, m. (-s). — Konstabeis/iamer, v. (-s). — Konstabels-maat, m. (-s). (Zeew.) Tweede kanonnier.

— Konstabelsmal, v. (-len). Maatstok (voor de kanonwijdte). — Konstabelstent, v. (-en).

konterfeiten, bw. konterfeitte, heeft gekonterfeit. Uitschilderen. Afbeelden. — Konterfeitsel, o. (-s). Afbeeldsel. Portret.

konvooi, o. (-en). Geleide in den krijg ter bescherming eener zending. Bedekking, door gewapende macht. Lijkstoet. Tocht. Trein. — Konvooibriejje, o. (-s). — Konvooibiljet, o. (-ten). — Konvooiceel, v. (-en). — Konvooieeren, bw. konvooieerde, heeft gekonvooieerd. Bedekken. Beschermen. — Konvooier, m. (-s). Geieischip.— Konvooilinie, v. (Zeew.). —Konvooiloo-per, m. (-s). Afgever der uit- en invoerbil-jetten. — Konvooiorde, v. (Zeew.). —Konvooischip,o. (..epen).

konzenlelje, v. (-s). Volksterm voor cochenille.

koor, v. (..ven). Zekere vrouwenmuts. Kuifmuts. Klap.

kooi, v. (-en). Bedstede (inz. op schepen). Hangmat. Schaapskooi. Eendenkooi, vogelkooi. Bijenkorf. (Drukk.) Wig om do lettervormen vast te zetten. — Kooieend, v. (-en). Lokeend. —Kooien, kooide, heeft gekooid. Bw. In eene kooi sluiten. In eene eendenkooi vangen. Te bed brengen. (Drukk^) Met wiggen (lettervormen) vastzetten. Ow. Te bed liggen. —Kooi houder, m. (-sj, kooiman, m. (-nen). Eendenhouder. Bijenhouder. — Kooihout, o. (-en). (Drukk.) Wig om de lettervormen vast te zetten. — Kooiker,m. (-s). Kooiman.

kook, v. Het koken. Koking. — Kook-^ boek, o. enm. (-en). — Kookhuis, v. (..zen).

— Kookfornuis, o. (..zen). — Kookge-reedschap, o. (-pen). — Kookhaard, m. (-en).— Kookhok, o. (-ken). —Kookhuis,, o. (..zen). — Kookkachel, v. (-s). — Kook-ketel, m. (-s). —Kookkunst, v. — Kook-lepcl, m. (-s). — Kookmachine, v. (-s). —. Kookoven, m. (-s).—Kookpan, v, (-nen),

— Kookplaats, v. (-en). — Kookpot, m, (-ten). — Kookpunt, o. Vaste punt op een honderdgradigen thermometer, door 100


ocr page 399

KOOL — 31

aangeduid, de hitte aanwijzende van gedistilleerd water, dat in een metalen vat kookt, bij eene damp'xrinjrsdrukking van 76 centimeters. — Kooksel, o. (-s). Het gekookte. — Kooksfuk, o. (-ken). — Kook-toesiel, m. en o*. (-len). — Kookvlersch, o. — Kookvrouw, v. (-en). — Kook-werk, o.

kool, v. (-en). Plantengeslacht {bras-sica). Behoort tot de kruisbloeraigen . lem. eene kool stoven, hem eene poets bakken. Het sop is de kool niet waard. — Koolakker, m. (-s). — Koolbed, o. (-den).

— Koolblad, o. (-eren). — Koolduif, v. ( .ven). Ringelduif. — Kooieter, m. (-s). — Kooleetster, v. (-s). — Koolgewassen, o. mv. — Koolgrond, m. — Koolhaas, ra. (..zen). Haas, die met kool gevoed wordt.

— Koolhof, m. (..oven). — Kooljaar, o. (..aren). — Koolland, o. (-en). — K00Huis, v. (..zen). — Koolmand, r. (-en). — Kool-mar kf, v. (-en). — Koolntoei, o. (..zen).

— Koolmot, v. (-ten). — Koolpalm, m. ^-en), koolpahnboom, m. (-en). Kooldra-gende palmboom, inz. op de Antillen {areca oleracea). — Koolplant, v. (-en).

— Koolraap, ▼. (..apen). Koolraap boven den grond [brassica oleraceagongylodes'). Koolraap onder den grond : knolkool. — Koolrabi, v. (-'s). Koolraap. —Konlrups, v. (-en). — Koolsalade, v. — Koolsoep, v.

— Koolspntif, v. (-en). —Koolstronk, m. (-en),koolstruik, ra. (-en). — Koolfuiri,m.. (-en). — Koolveld, o. (-en). — Koolver-kooper, m. (-s). — Koolverkoopster, v. (-s). — Koolvlinder, m. (-s). Vlinder, welks rups zich nu-t kool voedt. — Koolworm, m. (-en). — Koolzaad, o. (..aden). Zaad van kool. Zekere plant [brassica napus), waaruit olie geperst wordt.

lcool,v. (kolen). Uitgebrand hout. Verkoolde turf. Steenkool (.meest in 't meerv.). Doovc kolen : uitgebrande turven. Uitgebrande kool: gevonkte turf. (Heelk.) Soort van zweer, gezwel. Op heele kolen staan : ongeduldig zijn. Gloeiende kolen op iemands hoofd hoopen, hem door onverdiende weldaden beschamen en tot dankbaarheid dwingen. — Kcolaarde, v. Steenkool bevattende aarde. Gruis van steenkool. — Koolachtig, bn. — Koolbaars, ra. (..zen). Zwarte baars. — Kool laag, v. (..agen). — Koolmees, v. (..zen). De grootste soort der meeien (Parus major). — Kooloxyde, o. Vormt zich bij onvolkomen verbranding van koolstof bij onvoldoenden luchttoevoer en bij leiding van koolzuur over roodgloeiende kolen. — Koolpoeder, o. — Koolstof, v. Metalloïde. Komt in vrijen toestand gekristalliseerd voor als diamant (zuivere koolstof) en graphiet, en in gebonden toestand in een tal van producten, ontstaan door ontleding van plantenstoffcn, zooals steenkool, petroleum, enz. — Koolstofzuur, o. Koolzuur. — Koolstofzuur-zout, o. — Kootteer, o. Steenkolenteer. —Koolwaterstof, v. — Kooliua terstofgas, o. — Koolzuur, o. Verbinding van koolstof met zuurstof. — Koolzuur zout^ o. — Koolzwart, bn. Zeer zwart.

koolfje-vuur, o. Soort van adonis (adonis autumnalis). Wordt als sierplant gekweekt.

) — KOOP

koomenU, v. (-en). Kruidenierswinkel. Kramerij. — Kootnenijswinkel, ra. ( s). — Koomensc1'ap, v. Kooraenschap doen : koophandel drijven.

koon, v. 1-en). Wang. — Koonslag, m. (•en).

koop, m. (-en). Aankoop. Het gekochte. Kaveling : eene partii goederen in koopen verdeden. Iets op den koop toe geven. Op den koop werken. — Koopakte, v. (-n). — Koopal, m. en v. (-len). Die gedurig en zonder bedenken koopt. — Koopbrief, ra. (..ven). — Koopcedel, v. (~s), kropceel, v. (-en). Koopakte. —Koopcontract, o. (-en). — Koopdag, m. ( en). Dag, waarop gekocht wordt. Dag, waarop iera. zijn goed verkoopt. Dag, waarop de goederen van een sterfhuis verkocht worden. De verkooping zelve : hij houdt koopdag, alvorens naar den vreemde te vertrekken. — Koopen, bw. koent, heeit gekocht. Zich door betaling of verbintenis in het bezit stellen (van). (Kaartensp.) Kaarten koopen, nemen, krijgen. Verwerven : koopt wijsheid. — Koofier, m._ (-s). — Koopgierig, ba. Begeerig om altijd te koopen. — Koopgoed, o. (-eren). Goed, in voorraad gemaakt. Fabriekgoed. Koopwaren. — Koopgraag, bn. Kooplustig. — Koophandel, ra. Bedrijf, door middci van koop en verkoop. — Koopkaart, v. ( en). Stokkaart. — Kooplust, m. — Kooplustig, bn. — Koopman, m. (..lieden, ..lui). Handelaar. Venter, die met iets te koop traat.

— KoofimansbeJiende, in. (-n). — Koop-mansberoep, o. — Koopmansbeurs, v. (..zen). — Koopmansboek, o. en m. (-en).

— Koopmansbrief, m. (..ven). Brief in koopraansstnl geschreven. — Koopmanschap, v. Goederen. Handelswaren. — Koopmanschappen, ow. koopmanschapte, heeft gekoopmanschapt. Handel drijven.

— Koopmansgebruik, o. (-en). — Koopmansgeest, m. — Koopmansjongen, ra. (-s). — Koopmanskantoor, o. (..oren).

— Koopmansklerk, m. (-en). — Koopmansrekening, v. (-en). — Koopmansrekenkunst, v. — Koopmansstijl, m. Handelsstijl. Handelsgebruik. — Koop-mansvrouw, v. (-en). — Knopmans-zvaar, v. (..aren). — Kooppenning, ra. (-en). Geld, op hand gegeven bij het sluiten van eenen koop. — Kooppenningen^ ra. mv. Koopsom. — Koopprijs, m. (..zen).

— Koopsom, v. (-men). Juedrag van het

fekochte goed. —ekochte goed. — Koopstad, v. (..eden), [an dels tad. — Koopster, v. (-s). — Koop-vaar der, ra. (-s). Koopvaardijschip. Go-zaïjhebber van zulk een schip. Reeder. — Koopvaardij, v. Zeehandel. Reederij. — Koopvaardijbrik, v. (-ken). — Koopvaar-dij fregat, o, (-ten). — Koopi/aardii haven, v. (-s). — Koopvaardijkapitein, ra. (-s). — Koopvaardijschip, o. (..epen). — Koopvaardijvloot, v. (..oten). — Koopvaart, v. Koopvaardij. — Koopverdrag, o, (-en). — Koopvernietiging, v. (-en). — Koopvloot, v. (-en). Koopvaardijvloot.

— Koopvrouw, v. (-en). —- Koopwaar, v. (..aren). Goederen, die te koop worden aangeboden. — Koopwyf, o. (..ven).

— Koopziek, bn. — Koopziekte, v.


ocr page 400

KOP — 3

— Koop zucht, v. — Koopzuchtig, bn.

koor, o. (..oren). Rei van dansende of

zingende personen. De henielsche koren. Zie Engelenkoor. Het oostelijke gedeelte eener kerk. De personen, die in het koor zingen. Zang van velen. Veelstemmig gezang. — Koorbisschop, m. (-pen). — Koorboek, o. en m. (-en). — Koorgestoelte, o. (-n). Zitplaats rondom 't koor. — Koorge-tijden, o. mv. — Koorgezang, o. (-en). — Koorheer, m. (-en). Kanunnik. — Koorjongen, m. i-s). — Koot kind, o. (-eren).

— Koorknaap, m. (..apen). — Koorkap, v. (-pen). Mantel door den celebrant in processies en andere plechtigheden gedragen. — Koorlamp, v. (-en). — Koorlessenaar, m. (-s). — Koormantel, m. (-s). — Koor meester, m. (-s). — Koorzang, m. (-en). — Koorzanger, m. ( s). — Koorzangeres, v. (-sen). — Koorzangsier, v. ( s).

koord, v. en o*. (-en). Gedraaid, gevlochten snoer van hennep, enz. —Koorde, v. (-n). (Meetk.) Rechte lijn, welke de uiteinden van eenen boog vereenigt. — Koorde-lansen, o. — Koordedanser, m. (-s). — Koordedanseres, v. (-sen). —Koor-dedansster, v. (-s). —Koordedansersstok, m. (-ken). —Koorden, bw. koordde, heeft gekoord. Binden ; iem. koorden. — Koor-dendraaier, ra. (-s). — Koordenmaker, m. (-s). — Koordenmakery, v. (-en). — Kocrdenschaal, v. (..alen). (Wisk.) — Koor de werk, o. — Koordfabriek, v. (en).

koorn. Zie Koren.

koorts, v. (-en). Bijkomend verschijnsel van ongesteldheden des lichaams. Klt; n-merken : snelle pols, snelle ademhaling, heete huid, dorst, verminderde eetlust, stooinis iii de werking van de hersenen, van het gevoel, van de bewegingswerktui-gen.—Koortsaanval, m. (-len).— Koortsachtig, bn. bijw. — Koortsachtigheid, v.

— Koortsbast, v. Kinabast. — A oortsdag, m. —Koortsdrank, m. (-en). — Koortsmiddel, o. (-en). — Koortshitte, v. — Koortsig, bn. bijw. — Koortsigheid, v.— Koortskruiden, o. mv. — Koortspoeder, ..poeier, o. (-s). — Koortstyd, m. (-en). — Koortsuur, o. (..uren). — Koortsverdry• vend, bn. — Koortsvlekken, v. mv. — Kcrtsverwekkend, bn. — Koortswortel, v. Gemeene Valeriaan.

koot, v. (-en). Been (uit den biel). Hiel (bij paarden). Bikkel : met kooten spelen. Vast op zijne kooten, in zijne schoenen staan. — Kootbeen, o. (-deren). — Kooten, ow. kootte, heelt gekoot. Met bikkels spelen. — Kootgezwel, o. (-len). — Kootjon-

fen,m.en,m. (-s). Jongen, die met bikkelsspeelt.

traatjongen. — Koot lam, bn. Verlamd aan de pooten (door te weinig beweging).

— Kootspel, o. Bikkelspel. — Kooth/d, m.

koozen, bw. koosde, heeft gekoosd.

tiefkoozen. Streelen. — Koozer, ra. (-s),

— Koozet ij, v. (-en). — Koosster, v. (-s).

kop,m.(-pen).Bovenste (inz. ronde) deel

van iets : kop van eene speld. Hoofd van een dier, ook, van den mensch. Man, manschap : een schip bemand met honderd kop. Schaal, kom met een oor om uit te drinken. (Heelk.) Zeker werktuig om bloed te trekken. Een harden kop hebben : onver-

jo — KOPE

zettelijk zijn. Kloeke en schrandere kop : schrander mensch. Met den kop tegen den muur loopen : vergeefsche moeite doen. — Kop, v. (-pen). Spin. — Kopbeslag, o. Hoofd van eene affuit..— K-pboxit, ra. (-en). (Zeew.) Spie met ronden kop. — Kopglas, o. (..zen). (Heelk.) .Laatkop. — Kophanfr, m. (-s, -en). Hamer der spel-denmakers. — Kopijzer, o. (-s). Kopsnep-per. — Kopje, o. (-S). Verkleinwooid van kop. Kommetje met een oor. — Kopjebui-telen, o. Over het hoofd tuimelen. — Kop-loquot;s, bn. Koftlooze weekdieren. — Kop-loozen, m. mv. Soort van weekdieren, welker kop niet duidelijk aan het lichaam te onderscheiden is (oester, mossel, enz.). — Kapmes, o. (-sen). (Heelk.) Kerfmes. — Koppen, kopte, heeft gekopt. Bw. (Heelk.) Door middel van laatkoppen bloed aftrekken. Scherven- üw. Koppig zijn. Het hoofd toonen. Met het hoofd loopen. — Koppenet, o. (-ten). Weefsel d r spin. — Koppespin, v. (-nen). Spin. — Koppenzetten, o. — Koppenzetier, m. (-s). — Kop-penzetting, v. (-en;. — Koppt nzetster, v. (-s). — Kopper, ra. (-s). Die laatkoppen zet. — Koppig, bn. bijw. Stijfhoofdig, eigenzinnig : een koppig kind. -Naar het hoofd stijgende, zwaar : koppige wijn. — Koppigheid, v. — Kopping, v. (-en). Het koppen. Insnijding in de opperhuid. — Koppootigen, m. mv. Zie Dierenrijk. (Bijgevoegde Tabellen). — Kop-riem, m. (-en). Deel van een paarden-hoofdstel. — Kapseizen, ow. Zie Kapseizen. — Kopshout, o. (Timm.) Het hout aan beide einden eener plank. — Kvpsnep-per, ra. (-s). (Heelk.) Werktuig om insnijdingen te doen in de huid en er bloed te doen uitvloeien. — KoPstempel, ra. (-s). Stempel voor het opzetten der koppen op de spelden. — Kopster, v. (-s). — Kopstuk, o. (-ken). Deel van den kop eens diers (tusschen de hoorens). Bovenste gedeelte van eencn toom. Bovenstuk der fluit. Geldstuk met eene beeltenis. (Zeew.) Deel van de buitenbetimmering. Opperhoofd, aanvoerder.

kopek, ra. (-ken). Russische koperen munt = i/ioo roebel.

koper, o. Rood-bruin metaal, dat ongemengd of gemengd met andere lichamen in de aarde gevonden wordt. Koperwerk ; het koper schuren. — Koperachtig, bn. — Kop et ader, v. (-en, -s). — Kofier aluin, v.

— Kopei arsenik, o. — Koperasch, v. Vei brand koper. — Koperberg, m. (-en).

— Kcpet bergwerk, o. (-en). — Koperblad, o. (-en). Geslagen koper. — Koperbrons, o. — Koperdoorn, m. (-en). Tand, punt, waarmede het schijfkoper van onderen bezet is. — Koperdraad, o. (stofn.); m. (..aden) (voorwerpsn.). — Kofierdrtik-ker, m. (-s). — Koperdrukker», v. (-en).

— Koperdrukkleur, v. Duitsch-zwart. — Koperen, bn. Zie Bruiloft. — Koperen, bw. koperde, heeft gekoperd. Met koper bekleeden. — Kopererts, o. (-en). Koper, zooals het opgedolven wordt. — Kopergeld, o. Koperen muntstukken. — Koper-gieten, o. — Kopergieter, m. (-s). — Ko-pergietery, v. (-en). — Kopergoed, o.


ocr page 401

KOPP — 3

Koperen voorwerpen. — Kopergoud, o. Gemengd metaal, uit koper en zink bestaande. — Kopergroen, o. — Kopergroen, bn. — KoperhnwlenH, bn. — Ko-perig, bn. — Koperkies, o. Soort van zwa-velkoper. — Koperkleur*, v. — Koperkleurig, bn. — Kopermijn, v. ^-eu). — Kopermolen, m. ( s). — Kopermunt, v. Kopergeld. — Koperoker, y. — Koperroest, o. — Koperroestig, bn. — Koperrood, o. Zwavelzuur ijzeroxydule.

— Koperrood, bu. — Koperstai-er, m. (-s). — Koperslagerij, v. ( en). — Koper slagerskunst, v. — Koper ïlagers-iverk, o. — Koperslatrertivinkel, m ^-s)-

— Koperslak, v. (-ken). Wat bij liet smelten van koper onder in don kroes liggen. —Kopersnede, v. i n). — Kopersnee, v. (..eden). — Koprgt; \nijdf r, ra. ( s).

— Kopersteek, m. ( eken) —Koper steek kunst,— Kopersteen, v. — Kopersteken, O. — Koperhteker, m. (-s). — Koper-vijlsel, o. — Kopervitriool, o. — Koper-Tvater, o. Koperrood. — Kopcru-erk, o. Koperen voorwerpen. Koperen keukenge-rief. — Koperwiek, v. (-en). Roode lijster {furdus iliacus), — Kopertvinhel, m. I-s).

— Koperzout, o.

kopie, v. (-en). Afschrift: de kopie van eenen brief. Nabootsing. Navolging : de kopie van eene schilderij. Namaaksel (in ongunstigen zin). Zonder kopie : zonder weerga. — Kopieboek, o. en m. (-en). Boek, waarin brieven, enz. woidcn overgeschreven. — Kopieeren, bw. kopieerde, heeic gekopieerd. — Kupie^rgeld, o. — Kopieermachine, v. (-s). — Kopieerwerk, o. — Kopiist, m. (-en).

kopU, v. (-en). Handschrift : de drukker vraagt kopij. — Kopi/geld, o., kopij-loon, o. en m. .Loon eens schrijveis. — Kopijrecht, o.

koppel, m. (-s). Koppelband. Band. Troep, hoop, menigte, kudde : zij liepen bij heele koppels weg. — Koppel, o. (-s). Paar : een koppel duiven. Twee : een koppel eiers. Echtpaar : een ongelukkig koppel. — Koppelaar, m. (-s). j— Koppelaarster, v. (-s). — Koppelarij, v. (-cn).

— Koppelbalk, m. (-en). — Koppelband, m. (-en). — Koppelbord, o. (-en). (Zeew.) Houten kompas, om den koers op te koppelen. — Koppelbout, m. (-en). — Koppeldicht, o. (-en). Koppelvers. Tweeregelig vers, uit eenen hexameter en eenen pentameter bestaande. — Koppelen, bw. koppelde, heeft gekoppeld. Tot een koppel binden : paarden koppelen. Vereenigen : woorden koppelen. Makelen : een huwelijk koppelen. (Zeew.) Koppelkoers berekenen. — Koppelhaak, m. (..aken). De-g» nhaak. — Koppeling, v. (-en). — Kop-pelkoej s, m. (Zeew.) — Koppelkompas, o. {-sen). Krppelbord. — Koppelriem, m. (-en).— Koppelsnoer, o. (-en). — Koppel-stok, m. (-ken). Om jachthonden te koppelen. — Koppelstuk, o. (-ken). — Koppel-te eken, o. (-s). Teeken, gebruikt in sommige samengestelde wooiden (Neder-landsch-Fransch), alsook om de herhaling van hetzelfde eindwoord te vermijden (eer-en baatzucht). Boogje ter verbinding van

i — KORE

twee of meer noten. — Koppeltoww, o, (-en). — Koppelvers, o. (..zen). Koppeldicht. — Koppeluvoord, o. (-en). Voegwoord.

kopperuisisitKl»!;, kopperfjen-uisiuuilag:, m. (-en). De tweede Maandag in 't nieuwe jaar.

Kmplou, ra. mw. Afscamraelingen der oude Egyptenareu, die verstrooid in Egypte leven. — Koptisch, bn. — Koptisch, o. De koptiscbe taal.

koruMl, m. (..alen). Koorknaap. — Koraal, o. (..alen). Koorzang. — Koraal-boek, o. en ra. (-en). — Koraalgezang, o. (-en) — Koraalrneester, m. (-s). —Ka-raalrnuziek, v. cn o. — Koraalvereeni' gtrt?, V. (-en).

korstsftl, o. (..alen). Gemeenschappelijk lichaam van eemge, somtijds zeer vele dieren, dat een zelfstandig leven bezit en op zijne oppervlakte nieuwe wezens voortbrengt, die afsterven en weer door nieuwe verwangen worden. Roode kleur.

— Koraalachtig, bn. — Koraalagaat, m. (..aten) (voorwerpsn.); o. (stofn.) Veelkleurige steen, met koraalachtige strepen.

— Koraalbank, v. ( en). Plaats in zee, waar koraal gevisebt wordt. — Koraalkleurig, bn. — Koraalnet, o. (-ten). — Koraalpoliep, v. (-en). —Koraalrood, bn.

— K»r aalver steening, v. (-en). — Ko-raalvisscher, ra. (-s).

korsamp;al, v. (..alen). Steenachtig of glazen bolletje met eene opening, waardoor een koordje, enz. kan gehaald worden. — Koraaldraaier, m. (-s). — Koraalwerk, o. — Koralen, bn. — Kor alen kraag je, o. ( s).

komu, ra. Boek, dat eene verzameling bevat van datgene 't welk Mahomed als eene aan hem meegedeelde goddelijke openbaring verkondigde.^

koi'Ueel, m. ( en). Karbeel. kordsint, bn. bijw. Hartelijk. Oprecht. Welgemeend. — Kordaatheid, y.

koi*«Ielier, m. (-s, -en). Minderbroeder. — Kordeliersklooster, o. (-s).

korde waifeu, m. (-s). Kruiwagen.— Kor dewagenkruier, m. (-s).

kordou, o. (-s). Lijn, grensketen, grensafsluitmg,grensbezetting. Muurkrans, muurband.

koremuu, ra. (-nen). (Middel.) Gezworen, die naast de schepenen optrad en die in alle gewichtige zaken, de rechtspleging niet betreflende, diende geraadpleegd.

koren, koorn, o. Graan. Rogge. Turksch koren : maïs. Het kal van het koten scheiden : de goeden van de slechten scheiden. Dat is koren op zijuen molen : dat komt hem van pas. — Korenaar, v. (..aren). — Korenaard, m. Ploeg- of bouwland. —Korenakker, ra. (-s). —Ka-ren baard, ra. (-en). — Korenberg, m. (-en). Korenschuur. Hoop koren. — Korenbeurs, v. (-en). Beurs (voor den graanhandel). — Korenbyter, m. (-s). Kalander (i0 art.). — Koi enblauw, o. — Kor enbloem, v. (-en). Éénjarige, in juni en Juli bloeiende plant {centaurea cyanus), die als onkruid op lichte zandgronden tusschen 't koren gevonden wordt. Behoort tot do


ocr page 402

KORI — 3

samengestelde bloemen. De bloem zelve. Roode korenbloem : klaproos. — Korenbout, m. (-en). (Nat. bist.) Glazenmaker.

— Korenbouw. m. — Korenbrander, m. (-s). Jeneverstoker. — Korenbrandery, v. (-en). — Koren bra ndeivyn, m. — Koren-dor scher, m. (-s). — Korendorschin?, v.

— Korendrager, m. (-s). — Korengaffel, v. (-s). — Korenaar f, v. (..ven). — Koren-garve, v. (-n). —Knreng en-assen, o. mv.

— Korenhal, v. (-len). — Korenhalm, m. (-en). — Korenhandel, m. — Korenhandelaar, m. (-s). — Korenharp, v. (-en). Zeef tot het zuiveren van graan. Bolvor-luig werktuig tot het zuiveren van te raaien eraan. — Korenhoop, m. ( en). —Koren-nulzen, v. mv. Kaf. — Korenjaar, o. (..aren). — Korenkooper, m. (-s). — Ko-renkrekel, m. (-s). — Korenland, o. (-en). Korenlichter, m. (-s). Vaartuig tot het vervoer van granen. — Korenmaaien, o.

— Korenmaaier, m. (-s). — Korenmaat, v. (..aten). — Korenmagazijn, o. (-en). — Korenmarkt, v. (-en). — Korenmeter, m. (-s). — Korenmolen, m. (-s). — Korenmolenaar, m. (-s). — Korenmot, v. (-ten) {tinea granella). Behoort tot de schub-vleugelige insecten. Leeft als masker in 't graan. — Korenoogst, ra. — Koi enop-kooper, m. (-s). — Korenpakhuis, o. (..zen). — Korenroos, v. (..ozen). Klaproos. — Korensalade, v. Gemeene veldsa-lade. — Korenschelf, v. (..ven). — Korenschieter, ra. (-s). — Korenschip, o. (..epen). — Korenschoof, v. (..vei»). — Ko-renschop, v. (-pen). — Korenschuit, v. (-en). — Korenschuur, v. (..uren). — Korensikkel, v. (-s). — Korenstoêkhuis, o. (..zen). —Korenstoppel, ra. (-s). — Korentang, v. (-en). Werktuig ora de door verettering losgemaakte beensplinteis weg te nemen. Werktuig om de beenderen behoorlijk te plaatsen. — Korentiende, v. (-n). Tiende schoof. Recht op de tiende schoof. — Korenveld, o. (-en). — Kor en-ver schieter jVa. (-s).— Korenvink, ra. en v. (-en). Ortolaan. — Korenvloot, v. (..oten). — Korenwan, v. (-nen), — Korenwanner, m. (-s). — Korenwasscher, xn. (-s). — Korenwasschery, v. (-en). — Korenwet, v. (-ten). — Korenworm, m.

-en). Kalander {ieart.). — Koren zak, m. -ken).— Korenzeef, v. (..even). — Korenzeis, v. (-en). — Korenzeisen, v. (-s).

— Korenzift, v. (-en). — Korenzifter, m. (-s). — Korenzolder, m. (-s).

koren, koorde, heeft gekoord. Bw. Braken. Overgeven. Ow. Geneigd zijn tot braken.

korent, v. (-en). Krent.

korf, m. (..ven). Mand van teenen vlechtwerk. — Korf drager, m. (-s). — Kor/draagster, v. (-s). — Korjïesch, v. (..sschen). — Korftabak, v. Knaster. — Korfvormig, bn. — Korfwagen, ra. (-s). Ouderwetsch rijtuig.

korliastn, m. (..anen), korhoen, o. (-ders, -deren) {tetrao tetnx). Behoort tot de veldhoenders onder de hoenderachtige vogels. Wordt als wildbraad hoog geschat.

koriander, ra. Plant {cogt; iondrum sativum), welker zaad zeer weliiekend is.

» — KORS

— Korianderkruid, o. — Koriander* zaad, o.

korint, v. (-en). Krent.

korist, ra. (-en). Koorzanger. Lid van een zangkoor.

kornak, ra. (-s). Geleider van eenea olifant.

kornel, ra. (-s). Kolonel.

kornet, v. Zeraelmeel.

kornel, v. (-len). De eetbare kornoelje. Uörner (T'.), 1791-181^, Dresden. Duitsch dichter. Leier und Scnwert (krijgszangen).

kornet, ra. (-ten). Vaandrig.

kornet, v. (-ten). Hoorn, tromp, toethoorn. ra. (-ten) Hoornblazer. — Kornet* register, o. (-s). —Kornetsplaats, v. (-en),

— Kornetsrang, ra.

kornet, o. (-ten). Korre.

kornet, v. (-ten), kornet muts, v.

(-en). Soort van vrouwenmuts.

kornis, v. (-sen). Kroonlijst. — Kor-nisschaaf, v. (..aven).

kornoelje, v. (-s). Plantengeslacht {cornus). De kornoeljes zijn hoornen en heesters, die vooral in de gematigde en koude streken van 't noorderlijtc halfrond voorkomen en vleez ge steenvruchten dragen. De roode of wilde kornoelje {c. san-guinea) wordt in bosschen en hagen in t wild gevonden. De eetbare kornoelje (r. mascula) geeft roode, langwerpige steenvruchten, die frisch zuur en aangenaam van smaak zijn. De witte kornoelje (c. alba) is uit Noord-Amerika afkomstig en draagt witte vruchten. De vrucht zelve.

— Kornoeljeboom, m. (-en). — Kornoel-jen, bn. —Kornoeljenhouten, bn.

kornuit, m. (-en). Spitsbrteder. Makker. Vroolijke kwant. Losbol. Groenvink.

koroester, v. (-s). Groote, zware oester.

korre, v. ( n). Sleepnet, tot de oester-vangst, enz. — K rren, ow. korde, heeft

Ïekord. Oesters vangen. —ekord. Oesters vangen. — K-rtjd, m. ijd, waarin de oesters goed zijn. korporaal, ra. (-s, ..alen). Zie Leger.

— Korporaalschap, o. — Koeporaalsstre-pen, v. mv.

korps, o. (-en). Lichaam. Vereeniging. Legerkorps : legerafdeeling, keurbende. In korps : gezamenlijk. — Korpsgewyze, bijw.

korrel, v. (-s, -en). Zeer klein rond-achtig hard lichaam : eene korrel zand. Kruimel. Ziertje. Een weinig. Decigram.

— Korrelen, korrelde, heeft en is gekorreld. Bw. Tot korrels maken. Ow. (zijn) Aan korrels vallen. — Korrelig, bn. — Korreligheid, v. — Korrelijzer, o. (-s). Nerfijzer. — Korreling-, v. — Korrelklie-ren v. mv. Klieren, die in een vlies besloten zijnde, eenen klomp vormen. — Korrel' lak, o. Ztker gomlak. — Korre Ivor migt bn. — Korretzeef, v. (..eren). Zeef om buskruit te korrelen.

korren»ow.korde,heelt gekord. Kirren.

kors, v. Kers (2« art.).

korset, o. ( ten). Keurs. Keurslijfl. Rijglijf. — Korsettenmaakster, v. (-s). — Korsettenmake*-, ra. ( s). — Korsetveter, ra. ( s).


ocr page 403

KORT ' — 3

korst, v. (-en). Harde en droge oppervlakte van eenig week lichaam : de korst van het brood. — Korstachiig, bn. — Korsten, ow. korstte, is gekorst. Met eene korst overdekt worden. — Kerstgebak, o., korstgoed, o. — Korstig, bn. — Kor s tig-heid, v. —Korstmossen, o. mv. {lickenes). Overblqvende, cryptogamische planten, die over haar geheele oppervlakte voedsel opnemen uit de dampkringslucht, waarin zij groeien. Leven op andere planten, op rotsen, oude muren, enz. — Korstmosachtig, bn.

Icort, bn. bijw. Niet lang. Niet uitvoerig, beknopt. Beperkt. In kleine ruimte. Kort van gezicht: bijziende. Malsch, goed: dat vleesch is kort. Zwak ; kort van geheugen. Kort van adem : aamborstig. (Pa-pierm.) Korte stof : stof, die fijn genoeg is om er papier van te scheppen. Korte dagen, wanneer de zon vroeg ondergaat. Kort van stof: zonder omhaal van woorden. Kort van stof zijn : opvliegend, driftig zijn. Sedert kort : onlangs. Binnen kort : weldra. Kort daarna of daarop : weinig tijds later. In het kort : om niet lang te zijn (te vertellen), in weinige woorden. Kort en goed : om er een einde aan te maken. Het kort maken : zich haasten, een kort bezoek afleggen, in weinige dagen sterven. Er is een frank te kort : een frank ontbreekt. Te kort komen : niet genoeg hebben. Bij iets te kort komen : er schade bij lijden. Te kort schieten : tegen een ander niet opgewassen zijn. In iets te kort schieten : vergeefsche pogingen doen. Te kort doen : onrecht doen, benadeelen. lem. kort houden : een streng toezicht op iem. houden, iem. weinig geld ter beschikking geven. Korte metten met iets maken : weinig omslag met iets maken. Iem. een hoofd korter maken : onthoofden. — Kort, o. Haksel voor het vee. —Kortachtig, bn.

— Kortademig, bn. Kort van adem. — Kortademigheid, v. — Kortaf, bijw. Niet uitvoerig. Ronduit. — Kortbeenig, bn. — Kortbek, m. (-ken). — Kortbekkig, bn.

— Kortbondig, bn. Beknopt. — Kortbon-digheid, v. — Kogt; tbondiglijk, bijw. — Kortborstig,hn. Kortademig. — Kortbor-stigheid, v. — Kortelijk, bijw. In het kort.

— Korteling, ra. (-en). Korte stok. Kort stuk hout, dat in een steigergat in eenen muur gestoken wordt. Overgeschoten stak hout, dat te kort is voor de bossen. — Kortelings, bijw. Sedert kort. Onlangs. — Korten, kortte, heeft en is gekort. Bw. Korter maken : haar korten. Verminderen : iemands vreugde korten. Inhalen : eenen kabel korten. Aftrekken : een touw korten. Tien frank op rekening korten, aftrekken bij eene betaling. Doorbrengen : den tijd korten. Iemands vleugels korten : zijne macht besnoeien. Ow. (zijn) Korter worden. Inkrimpen. — Korthalzig, bn. — Korthart?, bn. — Kortheid, v. — Kort' heidshalve, bijw. — Korthoornig, bn. — Korting, v. (-en). Het korten. Het aftrekken. Vermindering. Met 2 pet korting (na aftrek van 2 pet) voor contante rekening.

— Kortjan, o. (Zeew.) Zakmes. — Kort-écist, v. (-en). Hakselkist. — Kortmes, o.

3 — KOST

(-sen). — Kort nagelen, bw. kortnagelder heeft gekortnageld. (De nagels) snijden. — Kortnat, o. Jeneverv— Kortneuzig, bn.

— Kortom, bijw. Zonder omhaal van woorden. In éen woord. — Kortoor, m. (-en). — Kortoor en, bw. kortoorde, heeft gekortoord. (Eenen hond, een paard) do ooren afsnijden. — Kortpootig, bn. — Korts, bijw. Kortelings. — Kort schaaf, v. (..ven). — Kortschaven, bw. kort-schaafde, heeft gekortschaafd. De ruwe oppervlakte eener plank (met de kort-schaaf) wegnemen. — Kortstaart, m. (-cn).

— Kortstaarten, bw. kortstaartte, heeft gekortstaart. Den staart afsnijden of korter maken. — Kortsteel, m. (..elen).Vrucht met korten steel- —Kortstondig, bn. Voor eenige oogenblikken. Kort van duur. Tijdelijk. — Kortxuyl, v. Boert. Scherts. Tijdverdrijf. — Kortswylen, ow. korts-wijlde, heeft gekortswijld. Boerten. Schertsen. — Kortswyler, ra. (-s). — Korts-zuylig, bn. — Kor tswy lig heid, v. — Kortswylster, v. (-s). — Kortvleuge-lig, bn. — Kortvoer, o. Jenever. — Kortvoeters, m. mv. Kortvoetige vogels. — Kortvoettg,hr\. — Kortweg, bijw. Kortom.— Kortwieken, bw. kortwiekte, heeft gekortwiekt. (De vleugels) korter maken of afsnijden. Beteugelen. — Kort' zviekigen, ra. mv. Soort van zwemvogels.

— Kortzicht, o. Een wissel op kortzicht : wissel, na verloop van weinig dagen vervallend, betaalbaar. — Kortzichtig, bn. Bijziende. Met weinig verstand. — Kortzichtige, ra. en v. (-n). — Kortzichtigheid, v.

kortcgaard, v. (-en). Wachthuis.

kortelas, v. (-sen). Korte en breede sabel.

korren, bw. korfde, heeft gekorfd. In korven zetten.

korvet, v. (-ten). Snelzeilend oorlogsvaartuig, tusschen brik en fregat. — Korvetbrik, v. (-ken).

korzel, bn. bijw. Lichtgeraakt. Opvliegend. Eigenzinnig. — Korzelheid, v. — Korzelhoofd, ra. en v. (-en). Driftig, oploopend raensch. — Kcrzelhoofdig, bn. bijw. — Kor zeihoofdigheid, v. — Korzelig, bn. bijw. — Korzeligheid, v.

kossem, ra. (-s). Krop onder den hals van een rund.

kost, ra. (-en). Spijs. Voedsel. Voeding. Onderhoud. Den kost winnen : zijn levensonderhoud verdienen. — Kostbaas, ra. (..azen). Iem. bij wien men de tafel heeft. — Kostganger, ra. (-s). Die bij iem. in den kost is. — Kostgangster, v. (-s). — Kostgast, ra. (-en). — Kostgeld, o. Geld, dat men voor den kost betaalt. — K-gt;sthou-der, ra. (-s). — Kosthuis, o. (..zen). Huis, waar kostgangers zijn. — Kostjuffer, v. (-s). — Kostkmd, o. (-ers, -eren). — Kostquot; leerling, ra. en v. (-en). — Kostscholier, ra. (-en). — Kostschool, v. (..olen). Opvoedingsgesticht, waar de leerlingen gehuisvest zijn. — Kostschoolhouder, ra. (-s). — Kost schoolhoud er es, v. (-sen). — Kost' schoolhoudster, v. (-s). — Kostvrouw, v. (-en). — Kostwinner, m. (-s). — Kostwinning, v.


ocr page 404

KOU — 3

kost, m. (-en). Uitgaaf. (Recht.) In de kosten verwijzen : veroordeelen om de kosten van het geding te betalen. Te mijnen koste. Ten koste (van) : tegen betaling (van), met verlies (van), ten nadeele (van). Ten koste van zijn leven : met opoffering ▼an zijn leven. — Kostbaar, bn. bijw. Duur. Hoog in prijs. Veel waard. — Kostbaarheid, v. De hooge kosten. Pracht, luister. — Kostbaarheden, v. mv. Voorwerpen van groote waarde. — Kostelijk, bn. bijw. Veel kostende. Van groote waarde. Prachtig. Rijk. Dierbaar. Lekker. Keurig. Opperbest. Kostelijk huishouden, waar veel geld noodigis. — Kostelijkheid, v. Schoonheid. Pracht. — Kostelijkheden, v. mv. Kostbaarheden. — Kosteloos, bn. bijw. — Kosten, ow. kostte, heeft gekost. Voor zekeren prijs gekocht worden. Op zekt-re som staan te komen. Die dwaasheid zal hem duur kosten. Uw gedrag heeft mij veel tranen gekost. Dat zal hem het leven kosten — Kostvry, kostenvrij, bn.

kostor, m. (-s). Kerkbewaarder. — Koste*es, v. (-sen). — Kosterij, v. (-en). Huis des kosters. Kostersplaats. — Kos-terin, v. (-nen). — Kostersambt, o. — Kosterschap, o. —Kostersplaats, v. (-en).

— Kosterspost, m. (-en).

koMiuum, o. (..urnen, ..umes). Kleed,

kletdij, kleedeidracht. Gewaad, plechtgewaad.

kot, o. (-ten, koten). Ellendig huisje. Hok, nest. Verblijfplaats voor dieren. (Zeew.) Hut. Gevangenis. Kroeg.

kotelet, v. (-ten). Ribbestukje (inz. vau een kalf).

koteren, koterde, heeft gekoterd. Bw. Uitsta oten (tusschen de tanden). lem. koteren, hem geene rustlaten. Ow. Zich van een tandenstokertje bedienen. In de kachel koteren : de kolen der kachel met een stookijzer omroeren. — Koterhaak, m. (..aken). Ijzer om het vuur aan te wakkeren. — lO'teiing, v. (-en). Het koteren. Gekoter. lem. eene kotering, een pak slagen geven.

kotseu, ow. kotste, heeft gekotst. Overgeven. Braken.

kotter, m. (-s). Snelzeilend, licht vaartuig, met éenen mast, voerende een gaffelzeil en twee of drie stagzeilen, soms ook een vierkant bramzeil. — Kotterstnig, o.

kon, v. Koude. — Koubrit el, m. (-s). Beitel, waarmede op koud ijzer gewerkt wordt. — Koud, bn. bijw. i'egenstelling van warm, heet: koud eten. Onvriendelijk, koel. Ongevoelig, droog. Onverschillig. Onaangedaan. — Koudachtig, bn. — Koudbakker, m. (-s). lem., die brood verkoopt, dat hij echter niet bakt. — Koudbloedig, bn. — Koudbreukig, koudl'ros, bn. Licht brekend in kouden toestand (van ijzer). — Koude, kort, v. Tegeostelling van •warmte, hitte. Koude lucht : de koude was onverdraaglijk. Koele wind: er waaide eene frissche koude. Wat door de koude veroorzaakt wordt : stijf zijn van koude. Rilling, beving (bij het begin der koorts).

— Koudekeuken, v. Koude spijzen. — Koudemeter, m. (-s). —: Koude pis, v. .Moeilijke waterloozing. — Kou de schaal.

4 — KRAA

v. Ongekookt bier met brood. — Koudheid, v. — Koudjes, bijw. — Koudmakend, bn. — Koudslager, koudslachter, m. (-s). (Spott.) Vilder. — Koudsmeden, o. — Koudvochtig, bn. Koelbloedig. Onverschillig. Gevoelloos. Onaangedaan. — Koudvochtigheid, v. — Koudvuur, o. (Gen.) Vleeschversterving. — Koudzweet, o. Klamme zweet. — Koukleum, m. en v. (-en, -s). Kouwelijk mensch.

kous, v. (-en). Kleedingstuk, dat voet en been bedekt. Bekleedsel van eenen kabel. Ring in een strop om het doorslijten van het touw te voorkomen. Filtreerzak, zijgdoek. — Kouseband, m. (-en). — Kou-senbreien, o. — Kousenbreier, m. (-s). — Kousenbreister, v. (-s). — Kousen fabriek, v. {-en). — Kousenfabrikant, m. (-en). — Kousenhandel, m. — Kousenkooper, m. (-s). — Kousenkoopster, v. (-s). — Kou-senlapper, m. (-s). — Kousenlap ster, v. (-s). — Kousenmaker, m. (-s). — Kousenstopper,m. (-s). —Kousenstopster, (-s). — Kousenverkooper, m. (-s). — Kousenverkoopster, v. (-s). — Kousenver zooister, v. (-s). — Kousenvorm, m. (-en). — Kou-senweefgetouw, o. (-en). — Kottsenweef-touw, o. (-en). — Kousenvueven, o. — Kousenwever, m. (-s). —Kousenweverij, v. Het kousenweven. (-en) Plaats, waar men kousen weeft. — Kousenwinkel, m. (-s). — Kousje, o. (-s). Kleine kous. Inz. katoen eener lamp of kaars. — Kousvor-mig, bn.

kout, m. Gemeen gesprek. — Kouten, ow. koutte, heeft gekout. Gemeenzaam praten. — Kouter, ra. (-s). — Koutster, v. (-s).

kouter, o. (-s). Ijzer in den ploeg, dat den grond voor hot ploegijzer snijdt.

kouter, ra. (-s). Soort van akkerland, dat gemeenlijk hoog ligt.

kouw,v. (-en). Kooi. Kevie.

kouweiyk, bn. Gevoelig voor de koude. Huiverig. — Kouwelijkheid, v.

kovel, v. Keuvel.

Kozak, m. (-ken). Kozakken « vrij-butters. Russische volksstam in de zuidelijke en oostelijke streken van Rusland, die zich steeds door krijgshaftigheid heeft onderscheiden.— Kozakkendans, ra. (-en).

kozlju» ra. (-s). Neef. (Geraeenz.) Vriend. Zie Jicht.

kraag:, ra. (..agen). Het bovendeel van het kleed, dat rondom den hals is. Halssieraad. (Zeew.) Zware strop, waarmede het onderste deel der vlaggen wordt vastgemaakt. Pekkleed om den raast, waar die uoor 't verdek gaat. — Kraagduiker, ra. (-s). Kuifduiker. — Kraageend, v. (-en). Eend van New-Founland {anas histrio-nica). — Kraaghop, m. (-pen). Zeer schoone Indische vogel [epimachus). — Kraagjas, v. (-sen). — Kraagman, ra. (-nen). (Oudt.) Dukaton, waarop een borstbeeld met een Spaanschen kraag is gestempeld. — Kraagmantel, m. (-s). — A'gt; aagJHanleitje, o. (-s). — Kraagrok, ra. (-ken). — Kraagsteen, ra. (-en). Vooruitstekende steen onder eenen balk. Balksleutel, balkhoofd. — Kraagtrap. v. (-pen), kraagtrapgans, v. (..zen). Trapgans.


ocr page 405

KRAA — 3

braai, v. (-en). (Corvus coroné).'Re-hoort tot de familie der raven. Is zwart met paarsen en groenen weerschijn op de vleugels. Hij heelt kind noch kraai : hij heeft geene bloedverwanten. Eéne kraai kan den winter niet maken : eene enkele uitzondering schaadt. — Kraai, v. ( en). Soort van Noordsch schip. — Kraaien, kraaide, heeft gekraaid. Ow. Een geluid maken als eene kraai of een haan. Een kraaiend geluid voortbrengen (van kleine kinderen). Verklikken,uitbrengen: wieneeft daarvan gekraaid ? Geen haan zal er naar kraaien : niemand zal er iets van hooren. Bw. De haan kraait onweer. Openbaar uitroepen : oproer kraaien. —Kraaienbloem, v. (-en). Gemeene koekoeksbloem. — Kraaienei, o. (-ers, -eren). — Kraaien-tnarsch, m. (-en). Den kraaienmatsch blazen : vluchten, sterven. — Kraaiennest, o. en m. (-en). — Kraaienoog, o. en v. (-en). — Kraaiefioot, m. (-en). (Plantenk.) Kruipende boterbloem. — Kraaier, m. (-si. Die kraait. Verklikker. Schip der Oost-Zee. — Kraaiheide, v. Heestertje {empetrum nigrum), op zand- en heidegronden voorkomende en hier te lande bloeiende in April en Mei. — Kraailook, o. Inlandsche en overblijvende plant {allium vivealé). Behoort tot de lelieachti-gen. Bloeit in Juni en Juli. —Kraaipeer, v. (..eren). Eene soort van peer. — Kraai-ster, v. (-s).

kraak, v. (..aken). Binnenvaartuig met éenen mast (vooral in Zuid-Holland).

krastk,m. Gekraak. Kraking.—Kraakamandel,v. (-s). Amandel inden bast. — Kraakbeen, o. (-deren). Week, droog, glad been. Is melkwit, soms blauwachtig of geelachtig van kleur. — Kraakbeenach-tig, bn. — Kraakbeenbeschryving, v. (-en). — Kraakbeenig, bn. Kraakbeenige visschen. —Kraakbeenleer, v. — Kraak-beenverbinding, v. (-en). — K' aakbeen-visschen, m. mv. Groep van visschen, gekenmerkt door hunne weeke, buigzame beenderen. — Kraakbes,v. (-sen); kraak-bezie, v. (..iën). — Kraaknet, hn. Zeer net. — Kraaftpeer, v. (..eren). —Kraakporselein, o. Zeer fijn porselein. — Kr aaksteen, m. (-en). Kern, pit (van kersen, enz.). — Kraakivater, o. Slap sterkwater der schilders. — Kraakzindelijk, bn. bijw. Zeer lindelijk.

kraal, v. (..alen). Koraal.

kraal, v. (..alen). Gehucht der Hotten-totten. Opene plaats, met staketsel afgezet.

kraalbooui, m. (-en). Volksnaam der lijsterbes.

kraal kruid, o. Zeekraal. kraalNi'iiaaf, v. (..aven). Timmermansgereedschap.

kraam, v. en o. (..amen). Kleine tent, welke men op de markten, enz. opslaat en waarin men koopwaren in 'tklein verkoopt. De koopwaren in eene kraam : de kraam inpakken. — Kraamgoed, o. (-eren). — Kraampje, o. (-s). Kleine kraam, 'tls een zwak kraampje : hij heeft een zwak lichaamgestel, 't is een mager boeltje. — Kraamster, v. (-s). Vrouw, die met eene kraam rondreist.—AVaawwaar.v.(..aten).

5 — KRAB

kraam, v. Bevalling van een kind. -Kraambed, o. — Kr aambewaar

ster, v. (-s). — Kraamkind, o. (-ers, -eren). — Kraamstoel, m. (-en). Leuningstoel. — Kraamvrouw, v. (-en).

kraan, v. (..anen). Werktuig om zware lasten te lichten en op eene bepaalde plaats in de nabijheid van 't werktuig over

Kraan.

a. Spil- b. Arm. c. Invallend tandrad, d. Tandrad, e. Groot rad. f. Keten. g. Katrol.h. haak.i.Last.k. Wagen/je. 1. Tegenlast.

te brengen. — Kraanbalk, m. (-en). Twee stukken hout, die tot het ophalen van het anker dienen. — Kraanboom, m. (-en). — Kraangeld, o. (-en). — Kraanhals, m. (..zew). Lange, dunne hals. — Kraankind, o. (-ers, -eren). Arbeider aan de kraan. Bier-, wijndrager. —Kraanladder, v. (-s). — Kraanmeester, m. (-s). Opzichter bij de kraan. — Kraanrad, o. (-eren).

kraan, v. (..anen), kraanvogfcl, m. (-s). Vogel, tot de steltloopers bchoorende. De gewone kraanvogel (ardea grus) komt in Europa de gematigde streken van Azië en 't Noorden van Afrika voor. — Kraan-oog, o. en v. (-en). Braaknoot. — Kraan-oogen, ow. kraanoogde, heeft gekraan-oogd. Slapen met half geopende oogen. — Kraanvalk, m. (-en). Valk {serpentarius secretarius) om kraanvogels te vangen. — Krannzogelsbek, m. (-ken). (Plantenk.) Geranium.

k raaii, v. (..anen). Tap met eenen sleutel (in een vat, enz.). — Kraansleutel, m. (-s).

kraanlick, m. (-ken). Werktuig om tanden te trekken.

kraanzaag, v. (..agen). Zaag, waarmede boomen in de lengte worden doorgezaagd.

kraanzomer, m. (-s). Nazomer. De eerste herfstdagen.

krab, v. (-ben), krabbe, v. (-n). Schaaldier, uit de orde der tienpootige schaalkreeften. De gewone krab of zeekrab [cancer fiagurus) is zeer smakelijk. — Kr a bbeneter, m. (-s). — Krabbrnhaak, m. (..aken). Haak om krabben, enz. van tusschen de rotsen te trekken. — Krabben-kwaad, o. — Krabbenstruik, m. (-en). Zeekraal. — Krabbe7isaus, v. — Krab-


ocr page 406

KRAK — 3

Jbenvet, o. — Krabbrfje, o. (-s). — Krab-schuit, v. (-en). — Krab spin, v. (-nen). Spin, die zijdelings voortgaat, evenals de krab. Spint geen web, maar eenige losse .draden. — Krabvonnig, bn.

krnl», v. (-ben). Krauw. Schramp op de huid, met nagels, enz. toegebracht. — Krabbekat, v. (-ten). Kat, die gaarne krauwt. (Spott.) Meisje, dat gedurig krabt.

— Krabbel, v. Krab. Schramp. — Krabbelaar, m. (-s). — Krabbelaarster(-s).

— Krabbelary, v. — Krabbelen, bw. ow. krabbelde, heeft gekrabbeld. Krabben. Slecht schrijven, afteekenen, enz. Veel en onleesbaar schrijven. — Krabbelig, bn. Slecht geschreven, geteekend. — Krabbe-Itng, v. (-en). — Krabbelschrift, o. Slecht schrift. — KrabbeIvuisten, ow. krabbel-vuistte, heeft gekrabbel vuist. Met vuisten vechten. — Krabben, bw. krabde, heeft

gekrabd. Krauwen (met de nagels, enz.), chrapen, afschrapen. —ekrabd. Krauwen (met de nagels, enz.), chrapen, afschrapen. — Krabber, m. ^-s),

— Krabbersviool, v. (..olen). Slechte viool.

— Krabijzer, o. (-S). — Krabbing, v. (-en). — Krabsel, o. (-s). — Krab ster, v. (-s).

, v. (-en). Vermogen, sterkte : al zijne krachten inspannen. Gezag, macht. Goede eigenschap.Deugdelijkheid.VIeesch-nat. Bloei : de kracht der jeugd. Kalmte, bedaardheid. Geweld ; den vijand met kracht aanvallen. Nadruk : eene rede vol kracht. (Natuurk.) Elke oorzaak, waardoor beweging voortgebracht of gewijzigd kan worden. Zie Engel. Groote hoeveelheid ; eene kracht van geld. Uit krach te (van) : ingevolge, uit hoofde, op gezag (van). — Krachtdadig, bn. bijw. Krachtig werkende. — Krachtdadigheid, v. — Kracht-da dig lijk, bijw. —Krachteenheid, v. De kracht om 1,000 kilogr. éenen meter hoog te lichten. — Krachtelyk, bijw. Met kracht. — Krachteloos, bn. — Krachteloosheid, v. — Krachtenleer, v. Wetenschap der bewegende krachten. — Krachtens, vz. Uit krachte (van) : krachtens de wet. — Krachtig, bn. bijw. Vol kracht, sterk, vermogend. Geldig. Deugdelyk (van bewijsgronden, enz.). Kracht bezittende. Voedend, voedzaam : krachtige soep. Vurig : krachtig gebed. Goed werkend : krachtig geneesmiddel. Met nadruk. Diep ingrijpend (van woorden, enz.). — Krachtiglyk, bijw. — Krachtmeter, m. (-s). — Krachtinspanning, v. —Krachtsvermindering, v. — Krachtvol, bn. — Krach t^vorlel, v. (stofh.); m. (-s) (voorwerpsn.). Wortel \panax guinguefoliutn) van kruidigen smaak of prikkelende kracht.

krnf, zie Karaf.

KraflTt (X.), (i43o(?)-i4..(?;, Neurenberg. Duitsch beeldhouwer.

krsamp;k, m. (-ken). Drukt het geluid uit van iets, dat breekt : de balk gaf eenen krak. Breuk, barst, scheur. Dat gebouw is eece oude krak, dreigt te vallen. Verzwakking, vermindering : zijn invloed kreeg daardoor een grooten krak. — Krak, tw. Bootst het geluid na. Krak! daar lag de balk.

Bcralc, v. (-ken). Krakeend.

.6 — KRAM

krakeel, o. (-en). Hevige twist. — Krakeetachtig, bn. — Krakeelen, ow. krakeelde, heeft gekrakeeld. Hevig twisten.— Krakeeler, ra. (-s).— Kr akee lig, bn. — Krakeeling, v. (-en). — Krakeel-lust, m. — Krakeelster, v. (-s). — Kra-keelziek, bn. — Krakeelzucht, v. — Krakeelzuchtig, bn.

krakeend, v. (-en). Soort van zwem-wnamp;^anas strepera).

krakelbezle, v. (..iën). Boschbezie.

kraken, kraakte, heeft gekraakt. Bw. Met gekraak breken : noten kraken. Verzwakken : dat kraakt de gezondheid. Ledigen : twee flesschen kraken. Verslinden : de leeuw heeft een lam gekraakt. Ow. Eenen krak laten hooren : de deur kraakt. Een krakend geluid maken : zijne schoenen kraken. Het vriest, dat het kraakt. — Krakeling, m. (-en). Soort van brood- of koekgebak, dat onder 't eten kraakt. — Krakend, bn. Krakende wagens loopen het langst, 't Is een krakende wagen : een huis, op het zand gebouwd, iem. met eene zwakke gezondheid. — Kraker, m. (-s). — Kraakster, v. (-s). —Kra-king, v. (-en).

krakken, krakte, heeft en is gekrakt. Ow. (zijn) Eenen krak krijgen. Barsten, scheuren. Zijnen invloed zien verminderen. Bw. Eenen krak geven.

krallenbooiu, ra. (-en). Volksnaam der lijsterbesseboom.

kraiu,v. (-men). Houvast. Laschijzer. IJzeren zwaluwstaart. IJzeren duim met twee punten. — Krammen, bw. kramde, heeft gekramd. Met eene kram vastmaken. Gt-broken aardewerk met ijzerdraad herstellen. — Kramming, v. (-en).

kraiuakkelen, ow. kramakkelde, heeft gekramakkeld. Sukkelen. Kwijnen.

— Kramakkflachtig, bn. kramen,ow.kraamde, heeft gekraamd.

In de kraam komen.

kramen,ow.kraamde, heeft gekraamd. Verkoopen (in eene kraam). — Kramer, m. (-s). Koopman, die in eene kraam verkoopt. Die met een stalletje op den openbaren weg staat. Venter. — Kraamster, v. (-s). — Kramery, v. (-en). Kramerswaren. Klein ijzerwerk. Voorwerpen van geringe waarde. — Kramersgeest, m. — Kramerskans, v. Goede kans. — Kra-mer(s)latyn, o. Slecht Latijn. — Kra-mersmars, v. (-en). Mand of kistje van marskramers.—Kramerswaar, v. (..aren).

— Kraming, v.

Kramers Jsn. (7-), 1802 1869, Dordrecht. Geogr. Woordenboek der geheele aarde (1852) ; Nouveau Dictionnaire Nèerlandais-Frangais, Nouveau Dictionnaire Franga is-Né er la n da is (1858-'62).

krammen, ow. kramde, heeft gekramd. Met de kramspa eene krammat leggen. —Krammat, v. (-ten). Laag stroo, aan eenen dijk aangebracht, om tegen den golfslag te beschutten. — Krammer, m. (-s). Die aardewerk kramt. — Kramspa, v. (-den). Werktuig, waarmede eene krammat tegen eenen dijk wordt aangebracht.


ocr page 407

KRAP — 3

— Kramster, v. ^-s). — Kramwerk, o. (-en).

Itramp, v. (-en). Onregelmatige, ziekelijke sameutrekking der spieren. — Krampachtig, bn. bijw. — Krampachtigheid, v.

— Krampader, v. (-s). — Krampaderbreuk, v. '-en). — Kramp hoest, m. Stuipachtige hoest. —Krampiff, bn. — Kramp-lach, ra. Stuipachtige lach. — Krampmiddel, o. (-en). — Kramppijn, v. (-en). — Kramprog, ra. (-gen). Krampvisch. — Krampstillend, bn. — Krampvisch, ra. (..sschen). Electrische rog {raja torpedo).

ferauisr, bn. bijw. Flink. Zwierig. Met ▼aardigheid. Sierlijk. Wonderwel. —Kranigheid, v.

br»iik, bn. Ongesteld : hij is reeds lang krank. Zwak, dun : kranke draad. Flauw : kranke troost. — Kr ankachtig, bn. Ziekelijk. — Krankbed, o. (-den). — Kranke, m. en v. (-n). — Krankenbevoaarder, m. (-s). — Kr ankenbewaarster, v. (-s). — Krankenbezoek, o. — Kr ankenbezoeker, m. (-s). — Kr ankenbezorger, ra. (-s). — Krankenbezorgster, v. (-s). — Kranken-oppasser, ra. (-s). — Kr ankenoppasster, v. (-s). — Krankheid, v. (..heden). — Krankhoofd, ra. (-en). Onzinnige. — AVa«^Aoo/i//^,bn. Krankzinnig.—Kr ank-hoofdigheid, v. (..heden). — Kr ankle, v.

— Krankzinnig, bn. Gekrenkt in de hersenen. Waanzinnig. — Krankzinnige, ra. en v. (-n). — Krankzinnigengesticht, o. (-en). — Krankzinnigenhuis, o. (..zen).

— Krankzinnigheid, v. — Kt ankzinnig-lijk, bijw.

krauM, ra. (-en). Iets, dat tot eenen kring geplooid, of tot een ronden vorra bewerkt is. Inz. sieraad van bladeren en bloemen. Kroon. Lijstkrans, kranslijst. Darmscheidsel (in rundvee). Omloop (in een kalf). Uithangteeken van groene bladeren, enz., dat men aan de herbergen placht te hangen. Goede wijn behoeft gee-nen krans : goede waar prijst zich zelve. Luister. Grootheid. Bloembekleedsel. — Kransader, v. (-en, -s). — Krans-bloem, v. (-en). Bloem op eenen krans. — Kransen, bw. kranste, heeft gekranst. Tot kransen maken. Met eenen krans versieren. JLuister verspreiden. — Kransyzer, o. (-s). Gereedschap der kanonniers. — Kransing, v. — Kransje, o. (-s). Kleine krans. Vriendenkring. — Kranslijst, v. (-en). Kroonwerk aan zuilen, kolommen, kassen, enz. — Kransprop, v. (-pen). (Zeew.). — Kransslagader, v. (-en, -s). — Krans-vormig, bn. — Kranswerk, o. Gevlochten loofwerk. — Kr an sw ij ze, bijw.

krant, v. (-en). Courant. — Krantenbericht, o. (-en). — Krantendrukker, m. (-s). — Krantendrukker ij, v. (-en). — Krantenjongen, ra. (-s). — Krantenloo-per, ra. (-s). — Krantenman, ra. (-s). — Krantenmeisje, o. (-s). — Kranten-nieuws, o. —Krantenombrenger, ra. (-s).

— Kr antenombr engster, v. (-s). — Krantenpapier, o. — Krantenvrouw, v. (-en).

Krant schrijver, ra. (-s).

krap, v. Gedroogde en fijngemalen Wortel van de meekrapplant.

1 krap, v. (-pen). Boekslot.

7 — KREE

krap, v. (-pen). Tros : eene krap drui-ven.

krap, v. ( pen^. Varkensrib.

krap, bijw. Nauwelijks, pas, ternauwernood : krap toekomen. — Krapjes, bijw. Nauwelijks genoeg : hij heeft het maar krap.

krapMOliiiitK» üzot ••wü»., bijw. (Scheepsb.) Met de planken schuins over elkander, niet klinkwerk. ^

kraH, v. (-s). Schrap. Krab.

kraft, bn. Sterk, kloek : krasse ouderling. — Krasheid, v.

kras, tw. Bootst den klank der kraaien na. Wordt slechts gebruikt in : bij kris en kras : bij alle duivels.

kraMborstcl, m. (-s)^ Kretsborstel. krMKsrat, c. (-en). Zakgat in eenea vrouwenrok.

krasaen, bw. ow. kraste, heeft gekrast. Eene kras \schrap) maken : bij kraste op deuren en vensters. Geluid geven (van kraaien, enz.i. Hecsch spreken. Een scherp geluid maken en spatten (van pennen'). Een krassend geluid veroorzaken door enkel op het achterste gedeelte der schaatsen te rijden. Slecht op de viool spelen. De hen treden. Door afschrapen schoonmaken : eenen geweerloop van binnen krassen. — Krasijzer, o. (-s). Werktuig om te krassen, te schrapen. — Krasser, ra. (-s). Die krast. Krasijzer. Slecht vioolspeler. — Krassing, v. (-en).

krat, o. (-ten). Gevlochten teenen korf, waarin aardewerk vervoerd wordt.

krat, o. (-ten). Achterste gedeelte van eenen wagen, dat als eone ladder gevormd, neergelaten kan worden. — Kratwagen, ra. (-s).

krater, ra. (-s). Trechtervormige opening van e«nen vuurspuwenden berg.

krates, ra. (-sen). Naam, welken raen soms aan een misvormd mensch geeft.

kraton, m. (-s). (Javaansch) Vorstenverblijf. Het voormalig verblijf der vorsten van Atjeh.

krauw, v. (-en). Krab. Schrap (met nagels, enz.). — Krauwage, v. Schurlt. — Krauwel, ra. (-s). Kromme gaffel. Kromme nagel (der dieren). (Gemeen) Hand (van menschen). — Krauwen, bw. krauwde, heeft gekrauwd. Krabben. Klauwen. Naar zich toehalen, schrapen. Berispen.—.AVa«-vuer, m. (-s). — Krauwery, v. (-en). — Krauwsel, o. Schurft. Afgeperst geld. — Krauwster, v. (-s).

Krawangr- Zie Java.

kreatuur, o. (..uren). Schepsel. On-derhoorige. Verslaafde volgeling.

kreb. Zie Krib.

krediet, o. (-en). Vertrouwen, han-delsvertrouwen. Achting, gezag, invloed, goede naam. Goederen op krediet : goederen, die niet dadelijk betaald worden. — Kredietbrief, m. (..ven). Brief van borgtocht. Aanbevelingsbrief. — Kredietwet, v. (-ten).

kreeft, ra. (-en). {Cancer). Behoort tot de tienpootige schaaldieren.^ Leeft in 't water. Levert eene lekkere spijs. Er zijn zee- en rivierkreeften. (Sterr.) Zie Dierenriem. Sluw, doortrapt vrouwspersoon. —


ocr page 408

KREI — 3(

Kreeftachtig, bn. — Kreeftdicht,o. (-en). Kreeftvers. — Kreeftengang, m. Gang van den kreeft. Zijne zaken gaan den kreef-

tengang, gaan achteruit. — Kreeftennat, o., k*eettensoep, v. — Kreeftskeerkring, m. Zie Keerkring. — Kreeftsoog, o. en v. (-en). — Kreeftso^cen, o. en v. mv. Kalkachtige steentjes, die tusschen den builen-sten en den binnensten maagwand van den rivierkreeft worden aangetroffen.— Kreeft-spin, v. (-nen). Hooiwagen. — Kree/ts-schaar, v. (..aren). Sterk verdedir.gsmid-del van den kreeft. — Kreeftvers, o. (..zen). Vers, dat men zoowel van voren naar achteren als van achteren naar voren kan lezen. — Kreeftvormig, bn. — Kreeft' ivoord, o. (-en). B. v. negen.

farcck, v. (..eken). Klleboogyormige vliet. Binnenlandsch water (overblijfsel van vroegere overstroomingen). Kleine inham.

krccl, v. (-en). Smal boordsel (van eenen hoed, enz.). — Kreelen, bw. kreel-de, heeft gekreeld. Boorden.

Icreet, m. (..eten). Uitbarsting van vreugde of droefheid.

Ureeuwen, ow. kreeuwde, heeft ge-kreeuwd. Schreeuwen. Twisten (van kinderen). — Kreenwer, m. (-s). — Kr eeuwster, v. (-s).

kregel, bn. bijw. Onbuigzaam, hardnekkig, ontoegevend. Gramstorig, knorrig, verdrietig. — Kregelheid, v. — Kregelig, bn. bijw. — Kregeligheid, v. — Kr'telkofi, m. en v. (-pen). Knorrepot. Stijfhoofdig mensch.

kreits, m. (-en). Kring, omtrek. Af-deeling van 't land : Duitschland was eertijds in kreitsen verdeeld. Loopbaan der hemellichamen : die ster volbrengt haren kreits in éen jaar.— Kreitsbrief, m. (..ven). Rondgaande brief.

;— KREU

krekel, m. (-s). Behoort tot de orde der rechtvleugelige insecten {grylltis). T)e zwarte veldkrekelXeek oy zandige heidegronden. De schoorsteenkrekel. De krekels zingen (de mannetjes brengen door 't wrijven van 't eene dekschild op 't andere eenen toon voort, die zoo hoog is, dat men hem hooren kan). — Krekelen, ow.. krekelde, heeft gekrekeld. Een geluid doen hooren als de krekel. — Krekelig, bn. bijw. Kregelig.— Krekelzang, (-en).

krem, m. (-men). (Gewest.) De alge-meene naam der valkvogels.

kreiner, m. (-s). (Gewest.) Kramer. Krenilin, v. Keizerlijk slot te Moskou.

kreng:, o. (-en). Dood dier, aas. Vuilaardig mensch. Slet.

kreukelen, ow. krengelde, heeft ge-krengeld. Afbieden. Nauw afdingen. — Krengelaar, m. (-s). — Kr engelaar ster, v. (-s).

krengen, krengde, heeft gekrengd. Bw. Draaien : eenen wagen krengen. Op zijde leggen (op te kalfaten, enz.) : een schip krengen. Ow. Op éene zijde zeilen ; dit schip krengt. Nauw afdingen ; waarom toch zoo krengen als men iets verkoopt? — Krenging, v. (-en).

krenken, bw. krenkte, heeft gekrenkt,. Krank maken. Beschadigen : de gezondheid krenken. Verzwakken : zijn verstand krenken. Benadeelen : iemands goeden naam krenken. — Krenker, m. (-s). — Krenking, v. (-en). — Kr enk ster, v. (-s).

krenseleii, bw. krenselde, heeft ge-krenseld. Het graan zuiveren door het heen en weer bewegen der wan.

krent, v. (-en), vrucht van eenen wijnstok {vitis viniferd), die door 't gemis van pit en door hare kleinte van de gewone wijndruif verschilt. Koo'rtsige huiduitslag rondom de kin. — Krenteboompje, o. (-s). Heestertje {ribes Alpinum). Bloeit in onze tuinen in 't voorjaar en komt in sommige streken van ons land in 't wild voor. — Krentenbaard, m. Mond of kin met koortsige huiduitslag. — Krentenbrood, o. (-en).

— Krentenkakker, m. (-s). Vreesachtig mensch. Gierigaard. — Krentenkoek, m. (-en). — Krenterig, bn. Vreesachtig. — Krenterigheid, v.

krep, v. Krip.

krepel, bn. Kreupel.

kreppen, bw. krepte, heeft gekrept. Het haar (der paarden, enz.) tot eene klis maken. — Krepyzer, o. (-s).

kretMboratel, m. (-s). Gereedschap van kunstwerkers in metalen,

krenk, v. (-en). Verkeerde vouw : haar kleed is vol kreuken. Rimpel, frons. Vlek op iemands naam : zijne eer heeft noch kreuk noch rimpel. Verkeerde handelwijze. — Kreukel, v. ( s). Kreuk. ~ Krenkelen, bw. ow. kreukelde, heeft en is gekreukeld. Kreuken. — Kreukelig, bn.

— Kreuken, kreukte, heeft en is gekreukt. Bw. Kreuken maken. Frommelen. Rimpels veroorzaken. Kwetsen : iemands eer kreuken. Benadeelen : niets heeft hem zoo zeer gekreukt. Ow. Kreuken hebben of bekomen. Den moed opgeven. — Krenker, ra.-


ocr page 409

KRIE — 3

(-s). — Krenking, v. (-en). — Kreuk ster, v. (-s).

Isrculccl, v. (-s). Alikruik.

Icromicii, o\v. kreunde, heeft gekreund. Een slepend en droevig geluid laten hooren. Zich kreunen, ww. £ich aan iets nictkreunen : zich iets niet aantrekken.

kreii|gt;cl, bn. bijw. Mank aan de voeten, verminkt, gebrekkig : hij is aan beide voeten kreupel. Kreupel gaan : hinken. Slecht, armzalig, ellendig : een kreupel dichter, een kreupel schrijver, de betaling komt kreupel aan. Den kreupelen waard slaan : alles korten klein slaan, bankroet spelen. — Kreupelachtig, bn. — Krcupel-bosck, o. en m. (..schen). Laagstammig geboomte. — Kreupele, m. en v. (-n). — KreupelgraSy o. Varkensgras. — Kreupelheid, v. — Kreupelhout, o. Laag houtgewas. — Kreupelstraat, v. (..aten). Kleine, vuile straat.

hrciiH, v. (..zen). (Kuip.) Inkerving. — Kreusmes, o. ( sen).

Krcutzcr (/?.\, 1767-1831, Versailles. Componisten vioolspeler. Lodoiska.

krevel, v. quot;Wemelende beweging. Kitteling. Hij heeft de krevel : hij kan niet blijven zitten. — Krevelen, ow. krevelde, heeft gekreveld. Kitteling veroorzaken. — Kreveling, v. (-en). — Krevelkruid, o., krevelzaad, o. Kxuid, zaad dat kitteling veroorzaakt.

krib, v. (-ben), kribbe, v. (-n). Voederbak voor beesten : paard en koe eten uit eei:e krib. 't Kindeken Jezus werd ne-dergelegd in eene krib. Slaapplaats voor kinderen.Open bed voor soldaten. Gevlochten rijswerk aan stroomen en rivieren, waar achter men aarde en steenen werpt, om den dijk te beveiligen, enz. — Kribben, v. mr., kribwerk, o. Horden (van teenen of rijs) aan de oevers der rivieren. — Kribben, bw. kribde, heeft gekribd. Keerdammen maken.

kril», v. (-ben). Kijfzieke vrouw. — Kribbebyten, ow. Gebruikelijk in : hij moet kribbebijten, veel verdragen, gij moet maar kribbebijten, geduldig alles verdragen. — Kribbebijten, o. Eene verkeerde gewoonte hebben (van paarden). — Krib-bebyter, m. (-s). Paard, dat eene verkeerde gewoonte heeft. Twistziek persoon. — Krtbbebif titer, v. (-s). Twistzieke vrouw. — Kribbekat, v. (-ten). Kribbebijtster. — Kribbelen, kribbelde, heeft gekribbeld. Bw. Slordig schrijven : hij kribbelt wat af. Ow. Gedurig kribben. — Kribbeling, v. (-en|. — Kribbehchrijt, o. — Kribben, ow. krib.le, heeft gekribd. Tegenstribbelen. Krakeelen. — Kribbery, v. (-en). — Kribbig, bn. Twistziek. — Kribbigheid, v.

kriebelen, ow. kriebelde, heeft gekriebeld. Krevelen. Slordig schrijven. — Kriebelig, bn. Kittelig. Kriebelig schrift : slordig schrift. — Kritbelkrabbelen, ow. kriebelkrabbelde, heeft gekriebelkrabbeld. Slordig schrijven. — Kriebelmuggeije, o. (-s). Kleine mug [simulia), welks gekriebel volstrekt onuitstaanbaar is. — Kriebel-schrtft, o. Klein en dicht ineengeschreven schrift.

kriebel Zre Kregel.

9 — KR1J

kriek, v. (-en). Kleine roode kers. Hij bloost als eene kriek. — Kriekappel, m. (-en, -s). — Kriekappelboom, m. ( en). Malus baccata. — Kriekeboom, m. (-en). Cerasus hortensis. — Kriekebootngaard, m. (-en). — Kriekelaar, m. (-s). Kriekeboom. — Kriekenbloeisel, o. — Krieken-taart, v. (-en). —Kriekesteen, m. (-en).

kriek, m. (-en). Zekere Amerikaan-sche papegaai.

kriek, v. (-en). Soort van krekel. — Krieken, ow. kriekte, heeft gekriekt. Piepen. Geluidgeven (alseenekriek of krekel).

krieken, o. Aanbreken : het krieken van den dag.

kriel, bn. bijw. Wulpsch. Dartel. Uitgelaten. — Krielheid, v.

kriel, o. Kleingoed, uitschot. Kleine (nieuwe) aardappelen. Vischkuit. Klein lood om kleine vogels te schieten. — Krielt m. en v. (-en). Kort en dik ineengedrongen mensch. — Krieldiertje, o. {-s). Klein diertje. Microbe. — Krielen, ow. krielde, heeft gekneld. Wemelen, krioelen, in groote menigte zich bewegen : het krielt er van mieren. Dit opstel krielt van (is vol) fouten. — Kriel haan, m. (..anen). Kleine haan. — Krielhen, v. (-nen). — Kt ieling, v. — Krieltje, o. (-s). Kort en dik ventje. Inz. kleine haan.

kriel, v, (-en). Zoom. Rand. — Krielen, bw. krielde, heeft gekrield. Een ronden zoom met kleine steken maken. — Krielzoom, m. (-en).

kriel, v. (-en). Vischmand. krieineien, ow. kriemelde, heeft ge-kriemeld.Talmen. Dralen. — Kriemelaar, m. (-s). — Kriemelaar ster, v. (-s). — Kriemelig, bn. Talmachtig. Besluiteloos. Kriemelig schrift. — Krienielschrift, o. Kriebelschrift.

kriepen, ow. kriepte, heeft gekriept. Stenen, klagen.

kriemvel, v. Krevel. — Krietnvelen, ow. krieuwelde, heeft gekrieuweld. — Krieuwelig, bn. — Krieuweligheid, v.

— Krietnveling, v. (-en). — Kr ie uvu el-kruid, krieinvelzaad, o. — Krieuwen, ow. krieuwde, heeft gekrieuwd. Kittelen. Twisten. Ruzie maken. — Krieuiver, m. (-S). — Kri'.uwster, v. ^-s).

kriezel, v. (-s). Klein stukje : hij zal er geen kriezel van krijgen.

krüg:, m, (-en). Strijd. Oorlog. — Kry-gen, ow. krijgde, heeft gekrijgd. Oorlog voeren. — Krijger, m. (-s). Oorlogsman. Strijder. — Krijgertje, o. Krijgertje spelen (kinderspel). — Krijgsaangelegenheid, v. (..heden). —Krygsaanvoerder, m. (-s).

— Krygsadel, m. — Krijgsambt, o. — Krijgsartikel, o. (-en, -s). — Krijgsbanier, v. (-en). — Krijgsbedrijf, o. (..ven).

— Krijgsbehoefte, v. (-n). — Krygsbe-kwnamheid, -v. — Krygsbeleid,. o. — Krijgsbende, v. (-n). —Krijgsbevelhebber, m. (-s). — Krijgsbeweging, v. (-en). — Krjjgsbewind, o. — Kty'gsbode, m. (-n). — Kri/gsbouwkundige, m. (-n). — Krygs-bomt kunst, y. — Krijgscommissaris, m. (-sen). —Krijgsdaad, v. (..aden).—Krijgsdeugd, v. (-en). — Krijgsdienst, m. — Krijgseed, m. (-en). — Krijgseer, v. —


ocr page 410

KRIJ - 3:

Kr [Jgsfakkel, v. — Krijgsgebruik, o. (en).

— Krygssedrutsch, o. — Krijgsgeluk, o.

— Krijgsgereedschap, o. (-pen). — Kry^s-geroep, o. — Krygsgetier, o. — Krijgsgevaar, o. (..aren). — Krijgsgevangen, bn.

— Krygsgevangene, ra. _(-u). — Krygsge-T/angetischap, v. — Krijgsgewaad, o. — Kiygsgeueer, o. (..eren).— Krijgsgeweld, o. — K* ygsgezel, ra. (-len). — Krijgsge-zind, bn. — Krugsgod, ra. Mars. — Krygs-grdin, v. Bellona. — Krijgshaftig, bn. bijw. Tot krijg geregen. Moedig, dapper. —7 Krijgshaftigheid, v. — Krygshaftig-li/k, bijw. — Krijgshandel, ra. — Kgt; ygs-haven, v. (-s). — Krijgsheer, ..heir, o. (-en). — Krijgsheld, ra. (-en). — Krygs-heldin, v. (-nen). — Krijgshoofd, o. (-en).

— Krijgskans, v. (-en). — Krijgskas, v. (-sen). — Krijgsklaroen, v. (-en). — Krijgsknecht, ra. (-en). Soldaat. — Krtjgs-kasfen, ra. rav. — Krijgskunde, v. — Krifgskundig, bn. — Krijgskunst, v. — Krijgslasten, ra. rav. — Krijgsleger, o. (-s). — Kri/gsleus, v. (..zen). — Kri/gsle-veu, o. — Krijgslied, o. (-eren). — Krijgslieden, ra. rav. — Krijgslist, v. (-en). — Krijgsloon, o. en ra. — Krygslot, o. Oorlogskans. — Krijgsmacht, v. — Krijgsmakker, ra. (-s). — Krijgsman, ra. (..He-de; ). — Krijgsmansachtig, bn. — Krygs-vianseer, v. — Krijgsmansstand, ra. — Krijgsmanstaai, v. — Krijgsmantel, xw. {-s). — Krijgsmuziek, v. en o. — Krygs-naatn, ra. — Krijgsoefening, v. (-en). — Krygsoproeptng, v. — Krijgsorde, v. — Krijgsordening, v. ( en). — Krijgsoverste, m. (-n). — Krijgsplichl, ra. en v. (-en). — Krijgsplichtig, bn. — A rijgsplichtige, m. {-u). — Krijgsphchtiqheid, v. — Krijgsraad, ra. (..aden). — Krijgsrecht, o. — Krygsregeerinq, v. — K* ifgsmem, m. — Krijgsrok, m. (-ken). —Krijgsrumoer, o.

— Krijgsrusting, krijgstoerusting, v. (-en). — Krijgsschool, v. (..olen). — KrijgsschuJd, v. (-en). — KrygsstraJ, v. (-fen). — Krijgstocht, ra. (-en). — Kry'gs-ioestel, ra. (-len). — Krygstooneel, o. (-en). — Krijgstrompet, v. (-ten). — Krijgstucht, v. — Krijgstuig, o. —Krijgs-vaan, v. ( .anen). — Krijgsverbond, o. (-en). — Krijgsverrichting, v. (-en). — Kiytsvolk, o. — Krijgsvoorraad, ra. — Ki ij svuur, o. — Kryg swap en, o, (-en, -s). — Krijg swerving, v. (-en). — Krijgswet, v. (-tt-n).— Krijgswet boek, o. en ra. (-ei j. — Krijgswetenschap, v. (-pen).— A'» y'gswezen, o. — Krijgswoord, o. Leus. Wachtwoord, (-en) Woord, bij de krijgslied n in gebruik.—Krijgszaak, y. (..aken).

— Krijgszang, va. (-en). — Krygzuchtig, bn.

krUffe!' bn- Kregel.

lii'üsrcn, bw. kreeg, beeft gekregen. Met de band grijpen, neraen : het boek uit de kast krijgen. Vangen, in zijne raacht bekomen : visch aan den haak krijgen. Ontvangen : eenen brief krijgen. Bekomen, verkrijgen : dat is niet meer te krijgen, eene betrekkit g krijgen. Eene ziekte krijgen. Bezoek krijgen. Twist krijgen, woorden krijgen : in twist geraken. Het te kwaad krijgen : het onderspit delven. Hij begint

) — KRIM

zijne jaren te krijgen : hij komt tot jaren. Bereiken, inhalen : hij kon ons niet meer krijgen. Hoe kreeg hij dat in 't hoofd : hoe kwam hij tot die gedachte. Hij kree^ het in het booid : hij werd krankzinnig. Gedaan krijgen ; zijn werk afkrijgen, lera. bij de ooten krijgen, vatten, lem. bij den neus krijgen . iem bedriegen, lera. bij den kraag krijgen, vanen. Voltooien : een huis onder 't dak krijgen. Met bang krijgen. Om de ooren krijgen : oorvijgen krijgen. Op zijne broek krijgen : slagen krijgen. Hij zal net op zijnen kop krijgen : men zal bet hem verwijten. Dat zal hij op zijn brood krijgen : dat zal ik hem verwijten.

krysoli, m. (-en). Schreeuw.—Krv-schen, ow. kreesch, heeft gekreschen ; ook, krijschte, heeft gekrijscht. Schreeuwen. Huilen. — Krijsching, v. (-en).

krUt, o. Witte, fijnaardige, losse soort van kalksteen, welke wegens die losheid sterk afverft en derhalve tot schrijven en teekenen op borden gebruikt wo dt. Bij iera. in 't krijt staan : iem. iets schuldig zijn. Met dubbel krijt schrijven : eene rekening verzwaren. — Krijt aar de, v. — Krijtachtig, bn. — Krijtberg, ra. (-en). — Kreten, bw. krijite, heeft gekrijt. Met krijt hes.neren. — Krijtgebergte, o. (-n) Heuvel, enz, waar krijt gevonden wordt. Albion, Engeland. — Krijt grond, ra. — Kr-ttsteen, v. fstofn.); ra. (-en) (^oorwerpsn.). — Kryt-strand, o. (-en). — Krijt ton, v. (-nen).— Krijtwit, o. Fijn gestampt krijt. — Krijtwit, bn. Zeer wii. — Knjtziekte, v. Graveel (der vogels). — Krijt zo ut, o. — /O ijt-zuur, o.

krtft, o. Strijdperk. — K gt; ytwaarder, ra. 1-s). Bewaarder van 't strijdperk.

krQtcn, kreet, heeft gekreten. Ow. Klagend weenen (als een kind). Weenen, schreien. Het waait, dat het krijt : het waait zeer sterk. Bw. Zijne oogen rood krijten. — Krijtend, bn. Krijtende tienden : tienden van blatende lauweren. Hoogst schreeuwend : eene krijtende onrechtvaardigheid. Lastig ; krijtende schulden. — Kryter, ra. (-s). — Krijtertj'e, o. (-s). Kind, dat krijt. Zakviooltje. — Krijt' ster, v. (-s).

krUzclen, ow. krijzelde, heeft gekrij-zeld. Knarsetanden.— Krijzeltanden, ow. krijzeltandde, heeft gekrijzeltand. Krij-zelen.

krik, tw. Drukt een scherper geluid uit dan krak.

kvik, v. (-ken). Soort van eend {anas crecca).

krikkemik, v. (-ken). Werktuig om zware balken, enz. op te bijschen.

krlkkrsamp;kkeu, ow. krikkrakte, heeft gekrikkrakt. Krakend splijten. Barsten. krlkius»ii,m. Brandewijn.

Krim, v. 't Zu delijkste schiereiland van Europeesch Rusland. Krira-oorlog (1853-1856). Zie Sebastopol.

krimp, v. K'imping. Nood : daar is nog geen krimp. — Krimpdarm, m. en v. ( en). Iem., die honger lijdt. Kouwelijk persoon. — Krimpen, ow. kromp, heeft en is gekrompen. Bw. Smaller, dunner, nauwer, enz. maken : laken krimpen. Ow.


ocr page 411

- 371 —

KRIS

KROK

'(zijn) Smaller, dunner, nauwer, enz. worden. (Zeew.) Minder ruim worden (van den wind). Beven : liij krimpt van koude. Afnemen : de maan is aan 't krimpen. Krimpende pijn : zeer hevige pijn. — Krhup^r fd), m. (-s). lem., die kouwelijk is. —Ki imptg, bn. Kouwelijk. — Kr tin ping, v. (-en). — Krimpkous, v. (-cn . Kouwelijke vrouw.

— Kr imps fer t v. (-s). — Krirnpvrij, bn. Wat niet krimpt.

krimp, bn. Levend of heel versch (van visch). — Kritnperd, v. Krimpvisch. — Krimpkabeljainv, v. — Krimpschol, v.

— Krimpschclvisch, v. — Kt impvisch, v. — Krimpzalvi, v.

kriii};, m. (-en). Ronde omtrek. Cirkelvormige rand. Loopbaan (der hemellichamen). Omloop (iaar-, maankring). Cyclus. (Zeew.) Opwinding van den kabel om de spil. Midden : in den kring zijner vrienden. Stand, beroep, sfeer, waarin mm zich beweegt. — Kringachtig, bn. — Kringloop, m. De kringloop dér jaargetijden. — Kringswi/ze, ..wifs, bijw. — Kringvormig, bn.

kringelen. Zie Krinkelen.

krinkel, m. (-s). Kronkel. Kronkelige bocht. — K inkclrn, ow. krinkelde, heeft en is gekrinkeld. Kronkelen. Zich kronkelig buigen. — Krinkeling, v. (-en). --Krinkelvloed, m. (-en). Vloed, enz., die bochtig loopt. Maalstroom.

krinsen, bw. krinste, heeft gekrinst. Spoelen. Schoonmaken. Krenselen.

kriocl, o. Gekrioel. — Krioelen, ow. krioelde, heeft gekrioeld. Door elkander wemelen : het krioelde van mieren. Dit opstel krioelt (is vol) fouten. — Krioe-ling, v.

krip, o. Floers. — Krippen, bn. krlppelfjc, o. (-s). Kruimclije.

kriH, v. (-sen). Soort van dolk (het gewone wapen der Javanen).

kris. Zie Kras (3® art.).

kriftkmHsen, ow. kriskraste, heeft gekriskrast. Een knarsend geluid geven.

krispelen, bw. kiispelde, heelt gekris-peld. De nerf (aan 't leder) glt; ven.

krissen, ow. kriste, heeft gekrist. Knetteren .

kristal, o. (-len). Doorschijnende of half doorschijnende steen, bestaande uit kiezelzure potasch en kiezelzuur loodoxy-de, waarvan geslepen glaswerk , enz. wordt vervaardigd. Het kristal (heldere, doorschijnende) der wateren. — Kristalachtig, bn. — Kristalbesc/tryvmg, v. — Kristal/abriek, v. (-en). — Kristalhars, v. en o.* — Kristalhelder, bn. — Kristalkenner, m. (-s). — Kristalkunde, v. — Krist a Ik u ndige, m. (n). — Kristal-leer, v. — Kristallen, bn. —Kristallens, v. (..zen). Ooglens (zie Oog). — Kristal-lig, bn. — Kristallijn, o. Kristal. Wat naar kristal gelijkt. •— Kristallynen, bn. Van kristal. Helder als kristal. — Kristallisatie, v. (..iën). — Kristalliseer baar, bn, — Kristalliseer baarheid, v. — Kris-talliseeren, ow. kristalliseerde, heeft gekristalliseerd. Tot kristal schieten. — Kristalschieting, v. (-en). — Kristalvorm, m. (-en). — Kristalvorming, v. (-en). —

Kristahvater, o. Kristalliseert eene stof ten gevolge van de verbinding met water, dan noemt men dit water kristahvater.

kritiek, bn. Netelig. Moeilijk. Gewaagd. Hachelijk.

krorlien, ow. krochte, heelt gekrocht. Luidruchtig ademhalen : hij is zwaar geladen, hoor hem krochen.

kroelit, v. (-en). Bedekte onderaard-sche gang, hol, spelonk. Onderaardsche kerk.

kr»lt;l«le. v. Éénjarige plant [sinapis arriensts). Bloeit van Juli tot Augustus. K^ mt als een zeer algemeen onkruid, vooral op klei-bouwland voor. Behoort tot de kruisblot-migen.

kroeg:, v. ( en). Gemeene herberg.Tap-perij. (Gemeenz.) Koffiehuis, sociëteit. — Kroegen, ow. kroi-gde, heeft gekroegd. De kroegen bezoeken. — Kr veger, m. (-s). Kroeghouder. Kroeglooper. — Kroeghouder, m. ( s). — Kroeghoudster, v. ( s). — Kroeglooper, m. ( s). — Kroeg-vlieg, m. (-en). Dronkaaid.

kroep, v. Eigenaardige en aanzettende ziekte, 't Is eene slijmvlieslt;u.tstekii.g van keel, str. t'enhoofd en luciitpijp. Looze vliezen verschijnen op het aangt taste deel, de kinnebakkiieren zwellen. Hoofdpijn, koortsen., loomheid der ledematen zijn bij den zieke waar te nemen. Komt vooral bij kinderen voor en is hoogst gevaarlij*.

kroes, m. (..zen). Beker. Kan. Aarden smeltvat (voor metalen). Krater. — Kroeskrabber, ni. (-s). Steen of ijzer tot schoon-makingvan den smeltkroes.

kroes, bn. Dicht gekruld (van hoofdhaar). Barsch. Stuursch. Bijw. Zijn hoofd staat kroes : hij is niet wel gemutst. — Kroeshaar, o. Gekruld haar. — Kroeskarper,va. (-s). Steenkarper. — Kroeskop, m. (-pen). Kroeshoofd. Die kroeshaar heeft.—Kroezel, bn. Kroes. —Kroeze-len, ow. kroezelde, heeft en is gekroezeld. Kroezen. — Kroeze lig, bn. Kroes. — Kroezen, kroesde, heeft en is gekroesd. Ow. Krullen (van het hoofdhaar). Bw. Kroes maken.

kroft, v. (-en). Krocht.

krok, m. (-ken). Verkeerde vouw. Daar is een krok in die straat.

krok, v. Soort van wilde wikke. Ei-genl. de vicia cracca, doch overal gebruikt voor vtcia segetalis. 't Is een ou-kruid in het k'lt;ren.

krokoflil.m. (-len).Tweeslachtig dier, tot de orde der gepantserde hagedissen

Nijlkrokodil.

behoorende. Bewoont den Nijl, den Senegal cn de Indien. — Krokodilachtig, bn, — Krokodillentranen, m. mv. Geveinsde tranen. — Krokodilsei, o. (-eren). — Krokodilshuid, v. — Krokodilsoorten, v. mv, krokus, m. (-sen). Plantengeslacht


ocr page 412

KROM — 3

{crocus), tot de familie der lischbloemen behoorendc. Dc meest bekende soorten zijn : crocus sativus, of de saffraan en de crocus vernus, die als sierplant in 't voorjaar bij ons wordt aangekweekt. — Kro-kusblocm, v. (-en). — Krokusbol, m. (-len).

krol, o. (-len). Klein, nietig huisje. — Krollii?, bn. Krollig huisje : huisje met kleine vertrekken.

krol, v. (-len). Vooruitstekende steen onder eenen balk. — Krolneui, v. _(-en). (Bouwk.) Soort van gekronkeld of spiraalvormig sieraad. — Krols/een, m. (-en). Sieraad, in de gedaante van steunsel der kornis, tegen de fries.

kvollon, ow. krolde, heeft gekrold. Lollen, grollen (als eene kat). —Krolseh, bn. Krolziek. — Krolschheid, v. — Krolquot; sier, v. (-s). — Krolziek, bn. Hitsig (van katten). — Krolziekte, v.

krom, bn. bijw. Tegenstelling van recht. Kronkelend, bochtig. Verdraaid, geboden, kromme lijn. Scheef van den weg afwijkende.Verkeerd, ongeoorloofd. Kromme sprongen maken. Kromme vingers hebben : diefachtig zijn. Kromme wegen in-slaan : van den weg der deugd afwijken. Het geld, dat stom is, maakt recht wat krom is : het geld vermag alles. — Krom-achtig, bn. — Krombcen, m. en v. (-en), lem., die kromme beenen heeft. — Krom-beenïg, bn. — Krnmbek, m. (-ken). Soort van snijboon. — Krombe/ckig, bn. —Krom-bladig, bn. — Krombschtig, bn. Gekronkeld. — Krombochti^heid, v. — Kromdarm, m. (-en). Darm, tusschen den nuch-teren en blinden darm. — Krom gevingerd, bn. Met kromme vingers. Diefachtig. — Kromhals, v. (..zen). (Scheik.) Kromme glazen kolf. — Kromhals, v. Eèn- of tweejarig gewas [lycopsis arvenvs) met een stijf opgerichten, vertakten stengel, lancetvor-mige bladeren en blauwe bloemen, op bouwlanden, langs wegen en vooral op zandgronden voorkomende. Bloeit van Mei tot Augustus. — Kromhals* m. en v. (..zen). Die een krommen of stijven hals heeft. — Krom-halzig, bn. —Kromheid,\. —Kromhoren, ..hoorn, m. (-s). Houten gekromd blaasinstrument. Krombekkige fluit. Zeker tongwerk in een orgel. Zekere soort van wilde

feiteit {antilope redunca). Dier met kromme orens. — Kromhout, o. (-en). (Zeew.) Knie. — Kromhouwer, m. (-s). Kromme sabel. — Kromliggen, ow. lag krom, heeft kromgelegen. Gebrek lijden. Een kommerlijk leven leiden. — Kromlijnig, bn. — Kromloopen, ow. liep krom, is kromge-loopeo. Niet in rechte richting loopen (van lijnen, wegen, enz.). — Kromme, m. en v. (-n). lem., die krom is. — Krommen, kromde, heeft en is gekromd. Bw. Krom maken, buigen : eenen stok krommen. Buigen (onder 't juk). Het recht krommen : inbreuk maken op het recht, onrechtvaardig handelen. Ow. Krom worden. Bochten krijgen. Krom groeien (van boomen, enz.). Zich krommen, ww. — Krommer, m. (-s). (Zeew.) Kromhout. Voorboeg van een schip. — Kr ommerplaat, v. (..aten). (Bouwk.). — Krommes, o. (-sen). — Krom-ming, v. (-en). — Kromneus, m. en v.

2 _ KROO

(..zen). lem. met krommen neus. —Rrom-

rib big, bn. — Kr omsluiten, bw. sloot krom, heeft kromgesloten. Aan handen en voeten (van eenen gevangene) kluisters aanleggen. — Kromsnavel, m. (-s . Soort van duikeend. — Kromstaart, m. (-en). Paard met krommen staart. Oude Holl. mur.t. — Kromstaf,va. (..aven). Bisschopsstaf. — Kromsteven, m. (-s). Breed schip met gekromden voorsteven. Ruw mersch.

— Kro77itaal, v. Bargoensch. Verminkte taal. — Kromtalen, ow. kromtaalde, heeft gekromtaald. Bargoensch spreken. De taal slecht uitspreken. — Kromte, v. (-n). Kromheid, bocht. Buiging (van een gewelf. (Ontl.) Ongelijkheid in het gebeente.

— Kromspreker, m. (-s). — Kromspreekster, v. (-s). — Krom'ong, m. en v. (-en), lem., die slecht of moeilijk spreekt. — Kromtongen, ow. kromtongde, heeft ge-kromtongd. De taal slecht uitspreken. — Kromtongig, bn. — Kromtrekken, ow.. trok krom, is kromgetrokken. Krommen (door hitte, enz.). — Kromvoet, m. en v. (-en). lem. met kromme voeten. — Krom-voetig, bn. —Kr omweg, m. ( en). Bochtige weg. — Kromwelfs ..wulf, o. (..ven). Soort van krom gewelf. Wulf achter aan het schip.

kronen, bw. kroonde, heeft gekroond. Eene kroon op 't hoofd zetten : eenen vorst kronen. Eenen prijs toekennen : men heeft zijn werk gekroond. Sieren : de straten kronen om den koning te ontvangen. Volmaken : het einde kroont het werk. — Kro-nengoud, o. Goud van gering gehalte. — Kroning, v. (-en). — Kroningseed, m. (-en). — Kroningsfeest, o. en v. (-en). — Kroningsplechtigheid, v. (..heden).

kroniek, v. (-en). Jaarboek. Geschiedrol. — Kroniekachtig, bn. — Kroniekquot; schrijver, m. (-s).

kronkel, m. (-s). Valsche plooi. Kromming, bocht (eener slang). — Kronkelachtig, bn. —Kronkelbocht,^, (-en). — Kronkeldarm, m. (-en). Zie Darm. — Kronkeldarmscheel, o. (-en). — Kronkelen^ kronkelde, heeft en is gekronkeld. Bw. Valsch vouwen. Kronkels maken. Ow. In kronkels loopen. Kronkelig worden. Zich kronkelen, ww. — Kronkelend, bn. — Kronkelig, bn. — Kronkeling, v. l-en),

— Kronkelpad, o. (-en). — Kronkelweg, m. (-en).

kroois, m. (..zen). Zie Kroos (30 art.).

kroon, v. (..onen). Bovenste uitstekende ró.nd van iets. Vorstelijk hoofdsieraad. De doornen kroon van Jezus Christus. Kruin van priesters enz. Kerkkande-laar. Werktuig om garen te winden. De uitgebreide takken van eenen boom. De horens van een hert, enz. Bovenste gedeelte eener borstwering. Prijs, belooning. Zie Bloemkroon. Muntstuk (van zilver of goud). Stralenkrans, stralenkring (op eenen gedenkpenning). Eer, roem, luister. Koningschap. Koninklijke, keizerlijke waardigheid. — Kroonader, v. (-en, -s). — Kroonbalk, ra. (-en). — Kroonband, m. (-en). Witte vezelige verbinding der beenderen. — Krconblad, o. (-eren). Zie Bloemkroon. — Kroonbloemig, bn. —


ocr page 413

KROP

KRUI

— 373

i. Keizerskroon. 2. Koningskroon. quot;^.Hertogskroon. 4. Kroon van den markies. 5. Kroon van den graaf. 6. Kroon van den burggraaf, quot;j.Kroon van den baron.

zelzure potasch of soda en kiezelzure kalk. Glazen, flesschen, enz. worden er van vervaardigd. — Kroongoed, o. (-eren). Zie Goed. — Kroonhaar, o. — Rroninkom-sten, v. mv. — Kroonkandelaar, ra. (-s). — Kroonlijst, v. (-en). (Bouwk.) Kornis. Bovenste, uitstekende gedeelte aan het kroonwerk van eene zuil, enz. — Kroon-naad, ra. (..aden). (Ontl.) Naad vooraan de hersenpan. — Krocnpapier, o. Gekleurd papier om le kronen. — Kroonprins, ra. (-en). Vermoedelijke troonopvolger. — Kroonprinses, v. (-sen). — Kroonrad, o. (-eren). Gedeelte van een staand raderwerk, dienende om de beweging van de eene as op eene andere, welke met de eerste een rechten of scheeven hoek maakt, over te brengen. — Kroonras, o. Fijne saai. Soort van stof. — Kroonslag-ader, v. (-en, -s). — Kroonsiuyze, ..wijs, bijw. — Kroontje, o. (-s). Verkleinwoord van kroon. Wit van het oog. 't Overblijvende, met de vrucht niet vergroeide bovenste gedeelte van den kelk. — Kroon-tjeskruidfO. Melksappigeplant {euphorbia helioscopia). — Kroonvormig, bn. — Kroonwerk, o. (-en). (Bouwk.) Loofwerk inden vorm eener kroon. Bovenste gedeelte van een gebouw (Vest.).

kroos, v. (..ozen). (Kuip.) Gergel. — Kroosyzer, o. (-s).

brooK, o. Kronkelige ingewanden. Omloop van een kalf. Afval van eendvogels, enz.

kroos, m. (..zen). Aanwas, vermeerdering. Rente. Interest: een kroos van 3 % 'sjaars. ^ #

Itroofcjc, o. (-s). Kleine pruim, kroost, o. Kenmerken of gelaatstrekken van eenen mensch. Kinderen, afstammelingen, nakomelingen.

kroot,v. (..oten).Beetwortel. — Krootsalade, v.

krop, ra. (-pen). Zakvorraige verwijding van den slokdarm (van graanetende vogels). Veihard gezwel onder de kin. (Zeew.) Onderstuk aan den voorsteven. De zak was vol tot aan den krop (den toegebonden mond). — Krop, v. Kropsalade.

Kroonboog, m. (..ogen). Sierlijk snijwerk aan gewelfde bogen. — Kroondomein, o. (-en). — Kroondrager, ra. (-s). — Kroon-geuoei, o. — Kroonglas, o. Bestaat uit kie-

— Krop, o. Óngezift en ongebuiid meel.

— Kr op aar, v. Overblijvende en bij ons algemeen voorkomende plant {dactylus glomerata). Behoort tot de grassen.

— Kropaas, o. Deeg, tot het mesten der vogelen. — Kropachtig, bn. — Kyopadert v. (-en, -s). Halsader. — Kropbem, o. (-deren). Borstbeen (van vogels) (Ontl.) Sleutelbeen. — Kropbrood, o. Huisbakken brood. — Kropdeeg, o. en ra. — Kropduif, v. (..ven). — Kropgans, v. (..zen). Vetgemeste gans. Pelikaan. — Kropgezwel, o. (-len).. — Krofihout, o, Vergroeid hout. — Kropkool, v. (-en). Kabuiskool. — Kroplap, ra. (-pen). Borstlap. Vrouwen-halskraag. Halsstuk van eene wapenrusting. — Kroppeer, v. (..eren). Wrange peer. — Kroppen, kropte, heeft en is gekropt. Bw. Den krop vullen : jonge vogels kroppen. Verduren : leed kroppen. Ow. Tot eenen krop groeien : de salade begint te kroppen. Dit eten kropt, wil niet door de keel. —Kr opper, ra. (-s). Die een kropgezwel heeft. — Kropper, v. Kropsalade. — Kropper(d), ra. (-s). Duif met een grooten krop. — Kroppig, bn. Verkroppend. Wrang (van peren). Koppig. Haatdragend. — Kropsalade, v. Zie Latuw. Verdriet, dat raen opkropt en in zijn hart verbergt : hij is gestorven van kropsalade.

— Kropvogel, ra. (-s). Gemeste vogel. Roerdomp. Kropgans. — Kropziekte, v. Zekere ziekte der valken. — Kropzweer, v. (..eren).

krot, o. (-ten). Klein, armoedig huisje. Slecht huis. — Krotten, ow. krotte, heeft gekrot. — Krotter, m. (-s). — Krotster, v. (-s).

krot, v. Slijk. Modder, die op de klee-ren is gespat. Nadeel, verlies. Hij zit vol krot, vol schuld. Krot verkoopen : slechte zaken doen.

krotensti-ooi», v. Stroop van beetwortels. — Krotensuiker, v.

krozeu, bw. kroosde, heeft gekroosd. Inkervingen raaken.

kmeben, ow. kruchte, heeft gekrucht. Zuchten. Klagen. — Krucherd, ra. (-s). Klager. Sukkelaar. Lijder. Ingebeelde zieke.

Krüfrcr (F.), 1797-1857, Anhalt-Des-sau. Duitsch portretschilder.

kruias, o. (-sen). Kruihaspcl.

kruid, o. (-en). Gras. Plant, waarvan de stengel zich jaarlijks vernieuwt. — Kruidachtig, bn. — Kruidbed, o. (-den). —Kruidb-ek, kruidenboek,o. en m. (-en). Verzameling van gedroogde kruiden. Leerboek der kruiden. — Kruiden, o. rav. Specerijen. Drogerijen. — Kruiden, bw. kruidde, heelt gekruid. Met specerijen bestrooien of vermengen. Een scherpen smaak geven (aan). — Kruidenaftreksel, o. — Kruidenbad, o. (-en). — Kruidendoos, v. (..oozen). — Kruidendrank, ra. — Kruidenier, ra. (-s). Verkooper van specerijen, enz. —Kruideniersbediende, rn. (-n). —


ocr page 414

KRUI — 3

Kruidenie' sknecht, ra. (-s). — Kruide-ii ter sier, v. (-s). — Kruiden ter sva k, o. — Kruidenierswaren, v. mv. Specerijen, koloniale waren, gedroogde vruchten, enz.

— Kruidenierswinkel, va. (-s). — Kruidenier s* aak, v. (..aken). — Krutdenle-zen, o. — Kruidenlezer, ra. (-s). — Kruidenlezing;, v. — Kruidensutker, v. — Kruidenthee, v. — Kruidenzoeker, ra. (-s). — Kruiderazy'n, kruidenazyn, ra.

— Kruiderbier, o. — Kruideren, bw. kruidcrde, heeft gekruiderd. Een stuk nieswortel op de borst van een paard leggen.

— Kruiderij, v. (-en). Kruidenierswaren.

— Krui'ierkaas, kruid kaas, v. (..azen).

— Kruiderwijn, m Wijn, met geneeskruiden vermeng J.—Kruidhof,ra. (.. oven).

— Kruidig, bn. Spec* rijachtig. Net, keurig. — Kruidtghetd, v. — Kruidje-roer-my-niet, o. Éénjarig, uit de Antillen afkomstig, dikwijls gekweekt kasplantje [mimosa pudica), met twee werf gevinde bladeren en kleine, paarse, in hoofdjes veree-nigde bloemen. Heeft zijnen naam te danken aan de beweging, die men reeds bij eene lichte aanraking in ziine bladeren en blaadjts kan opmerken. Netelig, onverdraagzaam mensch.— Kruidkenner, kruidenkenner, m. (-s). — Kruidkoek, krui-der koek, ra. (-en). — Kruidkunde, v. — Kruidkundige, ra. (-n). — Kruidlezer, m. ( s). Kruidenzoeker. — Krutdmenger, ra. (-s). — Kruidnagel, ra. (-s). Specerij : gedi oogde bl.'rmknop van den kruidnagel-boom. — Kruidnagelboom, ra. (en). Fraaie, altijd groene boora {caryophyllus aroinaiicus), die eene hoogte van ongeveer io niet. bereikt. Behoort op de Alo-lukken thuis. — Kruidnagelhoui, o. — Kruidnagelhouten, bn. — Kruidnagel-oltr, v. — Kruidnoot, v. (..oten). Specerij : rauscaatnoot. — Kruidpeer, v. (..eren). Soort van zoraerpeer. — Kruidplukker, m. (-s). — Kruidtuin, ra. (-en). — K'uid-zeef, v. (..even).—Kruidzoeker, ra. (-s).

kruien, krooi, heeft gekrooien; ook, kruide, heeft gekruid. Bw. Op eenen kruiwagen vervoeren. lera. tot een ambt kruien, hem voorthelpen. Hij zal raijnen koffer niet kruien : ik zal hera mijne zaken niet toevertrouwen. Ow. Den kruiwagen doen gaan : bij kan lang kruien. Losraken en in beweging komen : het ijs kruit. — Kruier, va. (-s). — ^ ruirrsgild, o. (-en).

— Krutersloon, o. en m. (-en). — Kruierstaai, v. — Kruierswerk, o. — Krui' ing, v. (-en). Het kruien van het ijs. Drijvende ijsschotsen. — Kruikar, v. (-ren). Kruiwagen. —Kruiloon, o. en ra. (-en).

kniilistNpel.ra. (-s) .Soort van windas, welks as in den staart van den molen is bevestigd, dienende om dea molen op den wind te zetten.

kruik, v. (-en). Flesch, gewoonlijk uit aarde vervaardigd. Aschkruik, lykbus. (Dicht.) Vat, waaiuit de stroomgod zijne wateren stort. De kruik gaat zoo lang te water, totdat zij breekt. Ergens de kruiken bestellen : het beheer der zaken hebben.

— Kruikeblad, o. (-en, -eren). Gele plomp.

— Kruiken, bw. kruikte, heeft gekruikt. In kruiken doen.

^ — KRUI

kruil, v. Om de kruil : ora te lachen.

krullen, ow. kruilde, heeft gekruild^-Kirren.

krulling:, v. (-en, -s). Soort van kleinen appel.

kruim, v. ( en). Het binnenste van het brood. Zelfstandigheid, geest. Verstand.

— Kruiviachtig, bn. — Kruimel, v. (-s, -en). Stukje kruim. In brokjes gewreven kruira. Een weinigje. Geen kruimel : niets.

— Kruimelaar, m. (-s). — Kruimelaar-ster, v. ( s). — Kruimelary, v. (-en). — Kruimelen, kruimelde, heeft en is gekruimeld. Bw. Aan kruimels wrijven. Ow. (zijn) Met kruira uitvallen. Gierig zijn. — Kruimelig, bn. — Kruimeling, v. (-en). — Kruimen, ow. kruimde, is gekruimd. Met kruim mtvaWen.— Kruimig, bn. — Kruim-zyde, v. (-n).

kruin, v. (-en). Schedel. Geschoren schedel (van geesteliiken). Hoofd (in 'tal-gemeen). Bovenste deel, top : de kruin des bergs. Het stort hem in de kiuin : hij is niet wel bij zijn verstand. — Kruinkapje, kruinmutsje, o. (-s). — Kruinpunt, o. (-en). Zenith. — Kruinschering, v. — Kruinstip, v. (-pen). Zenith.

kruipen, ow. kroop, heeft en is gekropen {zijn, om het veranderen van plaats aan te duiden). Zich langzaam op den grond voortbewegen. Z^h op handen en voeten voortbewegen. Op de knieën vooruitkomen. Langzaam, moeilijtc vooruitkomen. Sluipen : de deugniet kroop stilletjes naar zijn bed. Het klimop kruipt (slingert zich) ora de boomen. Zich op eene lage wijze vernederen. — Kruiselings, biiw. Kruipende. Op handen en voeten. Ter sluik, heimelijk.— Kruipend, bn. De kruipende dieren. Zie Bijgevoegde Tabellen. Laag, vernederend. — Kruiper, ra. (-s). Kina, dat begint te loopen. lera., die slecht ter been is. Slecht voetganger. Log mensch. Lage vleier. — Kruiperij', v. (-en). Lage vleierij. — Kruiperwt, v. (-en). — Kruip-haantje, o. (-s). Krielhaan. — Kruiphen-netje, o. (-s). Krielhen.Vrouwelijke dwerg. —Kruiphol, o. (-en). Sluiphol.— Kruipin, o. en m. (-nen). Klein eng huisje. — Kruiping, v. — Kruipkoren, o. Kweek. — Kruippiant, v. (-en). — Kruip ster, v. (-s). — Kruip uit, o. en ra (-en). Kruipin.

— Kruipvisch,m. (..sschen). Zekere visch (aan de Kaap de Goede Hoop). — Kruipwilg, ra. (-eu). Zeer kleine wilg.

kruiplank, v. (-en). Schuierdeel.

kruis, o. (-en). (Oudt.) Rechtstaande stijl raet een dwarshout, waaraan ie.n. de doodstraf onderging. Jezus is aan het kruis gestorven.-f-(Grieksch kruis); quot;jquot; (Latijnsch. kruis); (S1 Antoniuskruis); X An-drieskruis). Ciuciiix. Teeken in de kerken gebruikten orageilragen. Kruisteeken. Zinnebeeld der h. Keric. Kruisvormig voorwerp of g« reedschap. kruisvormige figuur (in kunsten en wetenschappen). (Pap.) Dunne houten toestel. (Boekdr.) Middelgedeelte van een ijzeren vorraraam. (Muz.) Zie Dièse. (Ontl.) Stuit. Kruisvormige lap in eene bi ook (tusschen de twee pijpen). Ruggegraat (van paard, ezel, enz.)-


ocr page 415

KRUI — 3

(Bouwk.) 't Kruis van een venster, enz. (Wisk.) Vizier vaneenen graadboog. Vrou-■wenhaissieraad. Eereteeken. Zie Orde. Het kruU nemen : dienst nemen onder de kruis-vaardeis. Met de beenen over kruis zitten : kruiselings zitten. Wederwaardigheid, ramp, tegenspoed, onheil. Elk huis heeft zijn kruis. — Krtiisaanbidder, ra. (-s). — Kruisaanbidding, v. — Kruisafneming, v. — Kruisarm, m. (-en). Dwarshout van een kruis. — Kruisband, ra. (-en). Zeker latwerk. Twee kruisvormig gelegde papieren strooken, waarin drukwerk, enz. per post verzonden wordt. — Kruisbanier, v. (-en). — Kruisbeeld, o. (-en). Beeld van Christus aan het kruis. Gebloemd lijnwaad. — Kruisbeeldwerker, ra. (-s). — Ki uisbeitel, ra. (-s). — Kruisbek, ra. (-ken). {Loxia curvirostra). Behoort tot de familie der vinken in de orde der gangvogels. Heeft een korten bek, welks kaken aan de punt kruiselings over elkander gekromd, zijn. — Krtitsbekkig, bn. — Kruisberg, m. Berg, waar«'p Christus gekruisigd werd. — Kruisbes, v. (-sen). Stekelige aalbes [ribes grossularia). Kleine heester, die om zijne bekende vruchten in een groot aantal verscheidenheden in onze tuinen wordt a?.ngekweekt. Vrucht van den kruisbesseslruik.—Kruisbesseboom, kruis-bessestruik, ra. (-en). — Kruisbeting, v. (-s). (Zeew.) Kruishout, kruisklarap. — Kruisbezie, v. (..icn). — Kruisbezieboom, rn. (-en). — Kruisbloem, v. (-en). Plantengeslacht, waarvan diie soorten bij ons in t wild voorkomen : de gemeene, de kuifdragende en de lage kruisbloem. — Kruisbloemig, bn. — Kruisbloeinigen, v. rav. Plantenfarailie. De meeste zijn een- of tweejarige, zelden overblijvende kruiden en neg zeldzamer half heesters. Radijs, kool, enz. behooren tot de kruisbloeraigen. — Kruisboek, o. en ra. (-en). Kasboek. — Kruisboelijn, v. (-en). (Zeew.) Touw, waarmede het zeil stijf bij den wind wordt gezet. — Kr isboog, ra. (..ogen). Zeker schiettuig. (Bouwk.) Ogief.

— Kruisboogschutter, ra. ( s). — Kruisboom, ra. (-en). Rechtstaande stijl van een kruis. — Kruisbroeder, ra. (-s, -en). Kruisvaarder. Rampgenoot. — Kruisdagen, ra. mv. De drie dagen voor O. H. Hemelvaart.

— Kruisdtstel, v. (-s). Plantengeslacht {eryngtum), tot de schermbloeraigen be-hoorende. — Kruisdood, ra. en v.— Kruis-doorn, ..doren, ra. (-s). Kruisbes. — Kruisdragend, bn. — Kruisdrager, ra. (-s)._— Kruiselings, bijw. Als een kruis. Kruisvormig. Met de beenen kruiselings (over elkander geslagen) zitten. — Kruisen, kruiste, heeft gekruist. Bw. Aan een kruis hechten, kruis'igen. Elkander kruisen : elkander ontmoeten. Deze brieven hebben elkander gekruist, zijn van twee plaatsen in tegenovergestelde richting verzonden. Kwellen : zijn gedrag kruist zijne ouders. Kruiselings leggen : zijne beenen kruisen. Kastijden : het vleesch kruisen. Zich kruism, ww. Ow. Heen en weer varen (van gewapende schepen op zekere hoogte). Langs de straat kruisen : heen en weer loopen. — Kruiser, ra. (-s). Kruisend

5 — KRUI

schip. Kaper. Gezagvoerder van zulk een schip. — Kruisgalg, y. (-en). Galg in de gedaante van een kruis. — Kruisgebed, o. (-en). Gebed, dat raen doet met de armen uitgestrekt. — Kruisgetuige, ra. en v. (-n)« Martelaar, martelares. — Kruisgewelf, o. (..ven). — Kruisgezant, ra. (-en). Apostel. Zendeling. — KruisguIden, ra. (-s). Tien gulden. — Kruisharing, v. Haring, gevangen en getond na den dag der Kruisvinding. — Kruishaspel. m. (-s). Kruispaal. — Kruisheuvel, ra. — Kruishoek, ra. (-en). (Zeew.) Plaats, geschikt ora er te kruisen. — Kruishout, o. Hout van een kruis : het h. Kruis, (-en) (Zeew.) Beleg-balk der stijlen en knechten. Dwarshout. Werktuig ora krassen in hout te maken. —-Kr. isigen, bw. kruisigde, heeft gekruisigd. Aan een kruis hechten. Kastijden. — Kruisiging, v. (-en). — Kruising, v. (-en).

— A'» uisja sen, ow. kruisjaste, heeft gekruisjast . (Zeker kaartspel) spelen. — Kruiskarper, ra. (-s). Steenkarper. — Kruist:as(s)yn, o. ( en). — Kruiskerky v. (-en). — Kruisklamp, m. (-en). (Zeew.).

— Kruiskool, v. Houtskool. — Kruis-kring, ra. Kring, welke den evenaar en den dierenriem in vier gelijke deelen scheidt. — Kruiskruid, o. Plantengeslacht [senecio), tot de saraergesteld loe-raigen behoorende. 't Gemeen kruiskruid (s. vulgaris) is een eenjarig, 't heele jaar door bloeiend plantje, dat een der meest algemeene onkruiden onzer moestuinen en bouwlanden uitmaakt. — Kruis laan, y. (..anen). — Kruislat, v. (-ten). — Kruis-leer, v. — Kruislint, o. (-en). — Kruis-net, o. (-ten). Vierkant vischnet. — Kruis-netspin, v. (-nen). Spin, die onregelmatige webben spint, welke, meest in den vorm van kruisnetten in hoeken van gebouwen, enz. worden gespannen. — Kruisoffer, o.

— Kruispaal, ra. (..alen), kruisboom, ra. (-en). Draaiboom op een voetpad. Staak van het kruis. — Kruispad, o. (-en).— Kruispas, ra. (-sen). Dans. — Kruispyn, v. Pijn in de lenden. — Kruisplaats, v. (-en). (Zeew.) Plaats, waar gekruist wordt.

— Kruisplant, v. (-en). — Kruispoort, v. (-en). (Zeew.). Poort in de constabelska-raer — Kruispunt, o. (-en). Kruispunt van verscheiden wegen, enz. — Kruisra, v. (..raas). Ra van den bezaansmast. — Kruh-raam, o. (..amen). — Kr uisr ie 771, ra. (-en).

— Kruisschei, v. (-en). (Tiram.). Raara-verbindstuk. — Kruisschip, o. (..epen). Schip, dat op zee kruist. — Kruissnede, v. (-n). (Heelk.) Kruisvormige insnijding. — Kruisspin, v. (-nen). {Epeira dia de ma). Komt vooral voor in de lanen van tuinen en bosscfien. Haar web is wielvormig en verticaal.—Kruissprong,m. (-en). (Dansk.)

— Kruissteek, ra. (..eken). (Kleerra.). — Kruissteng, v. (-en). Steng van den bezaansmast. — Kruisstraat, v. (..aten). Plaats, waar twee straten over elkander loopen. — Kruisstraf, v. — Kruisstreep9 v. (..epen). — Kruisstuk, o. (-ken). Nierstuk van een schaap. — Kruisteeken, o. (-s). — Kruistocht, m._ (-en). Tocht naar het h. Land. Onderneming der Christenen in West-Europa, die de verovering \an


ocr page 416

KRUI — 3

't h. Land op de ongeloovigen ten doel had (1095-1291). — Kruisvaan, v. (..anen). Standaard met het kruis. — Kruisvaarder, rn. (-s). Soldaat der kruistochten.— Kruisvaart, v. (-en). Kruistocht. —Kruis-v en ster, o. en v. (-s).—Kruisverband, o. (-en). —Kruisverheffing, v. Feestdag, den i4n September gevierd, tot aandenken aan den dag, dat een deel van 't h. Kruis door den koning van Perzië werd weergegeven en plechtiglijk te Jeruzalem teruggebracht (628). — Kruisvinding, v. Feestdag, den 3uMei gevierd, tot aandenken aan de vinding van bet h. Kruis, dour de h. Helena, moeder van keizer Constantinus.

— Kruisvormig, bn. — Kruisvos, m. (-sen). Geelachtig roode vos met donkerbruinen nek, rug en schouders. — Kruisvuur, o. (Oorl.) Vuur, dat van verschillende kanten gegeven wordt. — Kruis-•weefsel, o. — Kruisweek, v. De week der kruisdagen. — Kruisweg, m. ( en). Plaats, raiar twee wegen over elkander loopen. De veertien schdderijen (statiën) in de kerken, die Jezus op weg naar Golgotha voorstellen. — Kruiswerk, o. Alles wat kruiswijze gemaakt is. — Kruiswyze, „wy's, bijw. — Kruiswoord, o. (-en). Woord door Christus aan 't kruis gesproken : de zeven kruiswoorden. — Kruiswortel, v. Kruiskruid. — Kruiswulf, o. (..ven). — Kruiszeel, o. (-en). Draagband kruiswijze over de schoudcs en rug gelegd. — Kruiszeil, o. (-en). Middelste zeil van den bezaansmast. — Kruiszeilsra, v. (..raas). — Kruiszeilsreep, m. (-en). — Kruiszeils-val, m. (Zeew.). — Kruiszuil, v. (-en). Zuil met een ktuis.

kruit, o. Buskruit. Hij heeft het kruit niet uitgevonden, is een man van weinig verstand. — Kt uitbak, m. (-ken). —Kruit-bus, v. (-sen). — Kruitdamp, m. — Krui'f-/ieschf v. (..sschen). — Kruit hark, v. (-en). — Kruithoorn, ..horen, m. (-s). — Kruitkamer, v. (-s). Bewaarplaats voor buskruit. — Kruitkoker, m. (-s). — Kruit-korrel, v. (-s). — Kr uit lading, v. (-en).

— Kruit lantaarn, v. (-en). Lantaarn, waarvan men zich in de kruitmagazijnen, enz. bedient. — Kruitlepel, m. (-s). Laad-lepel (der kanonniers). — Kruitlucht, v.

— Kruitmaat, v. (..aten). —Kruitmaga-zyn, o. (-en). — Kruitmaker, m. (-s). — Rruitmolen, m. (-s). — Kruitpan, v. (-nen). — Kruitproef, v. (..ven). — Kr uit-reuk, m. — Kr uit ton, v. (nen). — Kr uittoren, m. (-s). Kruitmagazijn. — Kruit-trechter, m. (-s). — Kruitvat, o. (-en).

— Kruitwagen, m. ( s). —Kruitworst, v. (-en). Groote vuurpijl. — Kruit zakje, o. (-s). — Kr uitzeef, v. (..even).

bruiwagreu, m. (-s). Voertuig met een wiel, dat door den mensch wordt voor-uitgebracht. Op iemands kruiwagen zitten : door iem. aan een ambt, enz. geholpen worden. — Kruiwaqenstraf, v. — Kruizeel, o. (-en). Band van leder, meestal bloot om den hals gelegd, waarmede kruiwagens worden vooruitge-bracht.

kriiizemuiit, v. Lipbloemige plant {mentha crispa). Welriekend kruid. —

6 — KUBI

Kruizemuntolie, v. — Kruizemunttheet v. — Kruizemuntwater ,0.

kruk, v. ( ken). Dwarshout aan het boveneind van eenig voorwerp. Stok met een gaffelvormig bovenstuk : op krukken springen. Naam van verschillende voorwerpen. die op eene kruk gelijken. Deurknop. Handvatsel (van eene koetsdeur, enz.). Vuurhaak. Soort van kruis, waarop men eenen vogel vastbindt. Stok met een plankje op het eind om iels naar zich toe te balen. — Kruk, m. (-ken). Knoeier. Hij hangt den meester uit en is maar een kruk.

— Krukboor, v. (..oren). — Krukbsut, m. (-en).—Krukken, ow. krukte, heeft gekrukt. Met krukken gaan. Sukkelen (na eene ziekte). — Krukkenkruis, o. (-en). Galgvormig kruis. — Krukker, m. (-s). — Krukkig, bn. Ziekelijk. ï ukkelend. — Krukkigheid, v. — Krukpin, v. (-nen).

— Krukstang, v. (-en). — Kr uk ster, v. (-s).

krul, v. (-len). Afschaafs^l van hout. (Bouwk.) Zeker s.eraad. Fraaie, losse pen-netrek. Sierlijke wending (in stijl). (Zeew.) Ombuiging van 't galjoen. Kuur, luim. — Krulandyvie, v. — Krulbol, m. (-len). Platronde bol. — Krulhaar, o. — Krulhond, m. (-en). — Krulhout, o. (-en). Zeker hout der pruikenmakers. — Krul-ijzer, o. (-s). — Kruikooi, v. — Krul(le)-kop, m. (-pen). Krullebol. — Krulde)kop, m. en v. (-pen). Iem., die krulhaar heeft.— Krullebol, m. (-len). Hoofd met krullend haar. — Krullebol, ra. en v. (-len). lera., die krulhaar heeft. — Krullen, krulde, heeft gekruld. Bw. In krullen leggen : haarlokken krullen. Een zacht windje krulde de vaan. Den neus krullen, optrekken. Ow. In krullen komen. — Krullenjongen, ra. (-s). Leerjongen op eenen timmermanswinkel. — Krullenmaakster, v. (-s). — Rrullenmaker, m. (-s). — Krullenmand, v. (-en). — Krullenraper, m. (-s). Krullenjongen. — Krullen wijn, m. Wijn, toebereid met houtkrullen. — Krulletter, v. (-s). Letter met sierlijken trek. — Krullig, bn. Vol krullen. Zonderling. Verward. — Kr uiligheid, v. — Krulling, v. — Krul-lijn, v. (-en). — Krulpriem, m. (-en). — Krulsalade, v. — Krulsteen, m. (-en). Krolsteen. — Krultabak, v. Fijn gekorven tabak. — Krultang, v. (-en). — Kr uitrekken, m. mv. Sierlijke pennetrekken.

— Krulwerk, o.

Krul (^. Nsz.), 1602-1664, Amsterdam. Dichter. Eerlycke Tytkorting/ Minnespiegel en wegwyser ter deugden (1640).

KruHOiustu 10 (C.), 1797-1857, Amsterdam. Portret- en historieschilder. — 20 (^. A.), 1804-1862, Haarlem. Historieschilder.

— 3° {A. C.), 1818, Haarlem, B bliograaf. Bouwstoffen voor een geschiedenis van den Nederl, boekhandel, 1830-1880 (1886-'87).

kub, v. (-ben), kutgt;lgt;o, v. (-n). Kib.

— Kubboot, v. (-en). Viss^hersschuit (voor de aal vangst).

kubiek, bn. Teerlingvormig. — Kubiek, o. (-en). Teerling. Zie Kubus. — Ku-biekgetal, o. (-len). — Kubiekwortel, ra. (Rek.) Wortel van de derde macht. — Ku-


ocr page 417

Longziekteivan't vee).

Kubus. —Kuchen,ovj. kuchte,

heeft gekucht. Aanh. hoesten. De kuch hebben. — Kuch er, m. (-s). — Kuching, v. — Kuchster, v. (-s).

Kückcu [F. IV.), 1810-1882, Bleckede. Duitsch toondichter. ZzVafcnPM/ die F lucht nach der Schweiz (opera) ; der Pretendent^^). , x . ,

ku«(de, v. (-n). Kleine hoop vee van

felijke soort. De kudde van Christus : de . Kerk. —elijke soort. De kudde van Christus : de . Kerk. — Kuddeboier, v. Varkensreuzel. — Kud 'ehoeder, m. (-s). — Kuddehoedster, v. (-s). — Kuddeken, kuddeke, 0gt; (.s). — Kuddenroof, m. — Kudde-voerder, m. (-s). Dier der kudde, dat de bel draagt.

kult;ls, v. (-en). Dikke stok. Kodde. Kolf

kuf, v. (-fen). Vuile kroeg.

kuier, m. Wandeling. — Kuieren, ow. kuierde, heeft en is gekuierd. Wandelen. Keuvelen, kouten. — Kuiering, v. lt;-en). — Kuieru eg, ra. (-en).

kuif, v. (..ven). Vedertop (op den kop van sommige dieren). Vereeuiging van haren (buiten op 't zaad van sommige planten). Kapsel, vrouwenhoofdhulsel, net gelegd hoofdhaar der mannen. — Kuif-aap, m. (..apen). Gemecne meerkat. — Kuif duiker, m. (-s). Vogel [podiceps crista t us), tot de duikvogcls behoojrende. Is thuis in Ijslaud, Scandinavië. Komt ook op onze binnenwaters voor. — Kuif hen, v. (-nen). — Kuif koekoek, m. (-en). — Kuif-kievit, m. (-en). — Kuifleeuwerik, ra. (-en). —Kuifmees, v. (..eezen). Zeer levendig en vlug vogeltje {parus cristatus). De veeren van den kop zijn kuifvormig verlengd en zwart met witte randen. De wangen, zijden van den hals, borst en buik zijn wit; de rug, vleugels en staart, bruin. Leeft in sparrebosschen. —Kuifmuts, v. (-en). — Kuifpootigen, m. mv. Maken eene orde van de klasse der schaaldieren uit. — Kuifreiger, ra. (-s).

kuifel, ra. (-s). Deugniet.

kuiken, o. (-s). Kieken.

kuil, m. (-en). Hol, gat, diepte in de aarde. Holte. Graf. Achterste gedeelte van een vischnet. Holte in denhals. Uitholling aan het einde eener bolbaan, enz. (Zeew.) Deel van het schip, dat van onder het halfdek tot onder den bak loopt. Draaikolk. — Kuilachtig, bn. — Kuildek, o. (-ken). (Zeew.) Dek, dat in zijne lengte gebroken is. — Kuilen, kuilde, heeft gekuild. Bw. In eenen kuil leggen, bewaren, enz. : aardappelen kuilen. Begraven. Ow. Zeker spel in een kuiltje spelen. — Auilganger, ra.

KUIL — 3

biehwortelirekking, v. — Kzibtis, m.

(-sen).(Meetk.) Regel-

kommiesbrood.

kucli, v. Droge, * korte, stootende hoest.

' — KULL

(-s). Sekreetruiraer. — Kuilig, bn. — Kuilkorvei, v. (-ten). Korvet van 28 stukken.— Kuilschip, o. (..epen). Schip met eer en kmh — Kuiltje, o. (-s). Kleine kuil. Putje in den grond, waarin de kinderen met knikkers, enz. spelen. Putje in de wang, enz.

kuip, v. (-en). Wijd, houten vat met eenen bodem : zij heboen spek in de kuip. Kom : de kuip van een dorp, enz. — Kuip-blauw, o. — Kuipen, kuipte, heeft gekuipt. Bw. Vaten, tonnen, enz. maken : een vat kuipen. Ow. Het bedrijf van kuiper uitvoeren. In 't geheim werken om iets te bekomen : om een ambt kuipen. Samenspannen in 't geheim. — Kuiper, m. (-s).

— Kuiperif, v. Kuipersambacht, (-en) Kuiperswinkel. Omkooping Heimelijke samenspanning. — Kuipersambacht, o. — Kuipersbeiteltje, o. (-s). — Kuipersblok, o. en m. (-ken). — Kuipersboor, v. (..oren).

— Kuipersdisiel, m. (-s). —Kuipersdrily-zer,o.[-s).—Kuipers^e7-eedschap,o.{-pen),

— Kuipersgild, o. ( en;, kuipersgilde, v. (-n). — Kuipershaak, ra. (..aken). — Kuipershamer, v. (-s). — Kuipershoep tang, v. (-en). — Kuipersklemhaak, m. (..aken).

— KuipersschaaJ, v. (..aven). — Kuipers-tanz, v. (-en). — Kuipersvuerk, o. — Kuiperswinkel, ra. (-s). — Kuiphout, O.

— Kuiphuis, o. (..zen). —Kuiploon, o. en ra. (-en). — Kuipwerk, o.

kuis, v. (..zen). Knots. Knikker. Kies. kuiMCli, bn. bijw. Zuiver. Rein, mz. rein van zeden, niet overgegeven aan ontucht. Eerbaar. Net, proper. — Kuischboom, ra. (en). Heestergewas {vitex agnus cast us), met bladeren, welke aan beide zijden wol-l:g zijn. — Kuischehik, bijw. — Kuischen, bw. kuischte, heeft gekuischt. Zuiveren. Reinigen. Verbeteren (den stijl van een opstel, enz.). — Kuischheid, v. — Kuisch-molen, ra. (-s).

kuit, v. (-en). Het dik of vleesachtig deel van 't been onder de knie. — Kuitader, v. (-eren,-s). — Kuitbeen, o. (-en).—Kuitendekker, ra. (-s). (Scherts.) Lange jas.

— Kuit flikker, m. (-s). Kruissprong: eenen kuitflikker slaan. — Kuitkramp, v. (-en).

— Kuit spier, v. (-en).

kuit, v. (-en). Zaad der moedervisschen. Hij zal er haring noch kuit van hebben : hij zal er niets van hebben. (Men zegt ook kiet.) — Kuitbaars, ra. (..zen). — Kuit-bot, v. (-ten). — Kuiter, v. ( s). Moeder-visch. — Kuitharing, ra. (-en). — Kuitkarper, ra. (-s). — Kuitsteen, v. Eierge-steente. Zekere delfstof. — Kuitvisch, in. (..sschen).

kuivigT, bn. Gekuifd.

kuizeu, bw. kuisde, heeft gekuisd. Doodslaan niet eene kuis, eenen hamer, enz.

kulan, v. (-sen). Stootbodem van een kanon. Staartschroef van een geweer, enz.

kulbsaum, ra. (..zen). Baars met ronden kop.

kullen, bw. kulde, heeft gekuld. Foppen. Voorden gek houden. — Kulkoek, v. Grap. Fopperij. — Kuil age, v. Fopperij.

— Kullebroer, ra. ( s). Fopper. — Kulle-kenskruid, o. Standelkruid — Kuiler, ra.


ocr page 418

KUNS — 3

(-3). Fopper. — Kulling, v. — Kuister, v. (-s).

kunde, v. Kennis. Geleerdheid. Wetenschap. — Kundig, bn. Ervaren, bedreven (in eene kunst, enz.). Bekend, wetende. Geleerd. — Kundigheid, v. (..heden). Kennis.

kunuo, v. Geslacht. De zwakke kunne : het vrouwelijk geslacht.

kunneu, ow. bw. konde of kon, heeft gekund. In staat, bij machte zijn. Vermogen. Het kan zijn : het is mogelijk. Er kunnen (gaan) twee liters in die flesch. Het kan met (geschieden). Uw werk is af, gij kunt (mcogl) uitgaan. Over iets kunnen (geplaatst, gelegd kunnen worden, enz.), in staat zijn om de onkosten te betalen. Over iem. kunnen : hem baas kunnen, zijne meerdere zijn. Tegen iets kunnen : iets kunnen uitstaan, verdragen. Uit iets kunnen (gaan. gebracht worden, enz.), iets kunnen umcijtcren : ik kan niet uit oat gekrabbel. Kennen, weten : bij kan steeds zijne los.

kmiMt, v. (-en). Uitstekende begaafd-hC'd of bekwaamheid om het sc^oone in gepaste vormen uit te drukken. Het doelwit, dat men in de kunst beoogt, is dan niet het nabootsen van de natuur, maar het uitdrukken van het schoone. Er zijn viije of schoore kunsten, beeldende en zingende kunsten, nijverheidskunsten, werktuiglijke kunsten, kunsten van vermaak of sierkunsten. De vrije kunsten zijn : do dicht-, de toon-, de schilder-, de bouw- en de beeldhouwkunst. De vrije kunsten, de eigenlijke kunsten, worden vrije kunsten genoemd, omdat zij eertijds niet door slaven, maar door vrije lieden werden beoefend; schoone kunsten, omdat zij tot voorwerp hebben het schoone uit te drukken in beelden [beeldende kunsten : schilder-, bouw-, beeldhouwkunst), of in toon en maat [zingende kunsten : dicht-, toonkunst). De nijver-heidskquot;nsien hebben een practisch of zeker stoffelijk nut tot doelwit. Worden werktuig lyke kunsten geheeten, als zij vooral den handarbeid of 't gebruik van werktuigen vereischen (drukkunst, enz.). De kunsten van vermaak oi sier kunsten worden tot het volmaken der opvoeding aangeleerd (schrijf-, teeken-, danskunst, enz.). Vaardigheid, handigheid met nadenken verbonden : die steen is met veel kunst gezet. Goocheltoer : allerlei kunsten maken. Werken van kunst (tegenstelling van werken der natuur). Zwarte kunst: ondervraging der dooden om de toekomst te kennen, zekere wijze van graveeren op koper.

— Kunsturm, m. (-en). Arm, vervaardigd van hout enz. ter vervanging van 't ontbrekend lichaamsdeel. — Kunst azijn, m. Azijn, uitkruiden getrokken.— Kunstbeen, o. (-en). — Kunstbeoordeeling, v. (-en).

— Kunstbeschouwing, v. (-en). — Kunstbewerking., v. (-en). — Kunstbewoording, v. (-en). Kunstwoord. — Kunstbloem, v. (-en). Bloem, vervaardigd van papier, enz.

— Kunstboter, v. — Kunstcemmt, o. — Kunstdraaier, m. (-s). —Kunstdrift, v. Natuurlijke aandrift voor kunst. — Kunste-len, ow. kunstelde, heeft gekunsteld. Op

\ — KUNS

beuzelachtige wijze kunst aanbrengen. — Kunstelijk, bijw. — Kunsteloos, bn. Zonder kunst. Eenvoudig. — Kunsteloosheid, v. — Kunstenaar, m. (-s, ..aren). Beoefenaar der kunst. Kunstig werkman. Iem., die bedreven is in zijn vak. — /k unstenaarsleven, o. — Kunstenares, v. (-Sen). — Kunstenarij, v. (-en). Behendigheid. List, boosheid. — Kunstenboek, o. en m. (-en). Goochelboek. — Kunstenmcnker, m. (-s).

— Kunstgalerij, v. (-en). Verzameling van schilderijen, enz. — Kunstgebit, o. Val-sche tanden. — Kunstgebouw, o. (-en). —• Kunstgeheim, o. (-en). — Kunstgenoot, m. (-en). — Kunstgenoote, v. (-n). — Kunstgenootschap, o. (-pen). — Kunstgevoel, o. — Kunstgewrocht, o. (-en). — Kunstgreep, m. (..epen). Vaardigheid, Handgreep. List, streek. — Kunsthandel, m. —Kunsthandelaar', m. (-i.). — Kunst-handelanrster, v. 1-s). — Kunstig, bn. bijw. Kunst bezittende. Met kunst verricht. Bedreven. Nagemaakt. — Kunstigheid, v.

— Kunstiglyk, bijw. — Kunstkabinet, o* (-ten). Verzameling van schilderijen, enz.

— Kunstkamer, v. (-s). — Kunstkenner, m. (-s). — Kunstkennis, v. — Kunstkeurig, bn. Zeer keurig. Kitsch. — Aunst-keurigh' id, v. — KunstkoQie, v. Geene echte koffie. — KunstUcoper, m. (-s). Handelaar in voorwerpen vau kunst. — Kunstkoopster, v. (-s). — Kunstliefde, v. — Kunstliefhebber, m. ( s). — Kunstlievend, bn. — Kunstlievendheid, v. — Kunstmagneet, m. (..eten). — Kunstmarmer, o. — Kunstmatig, bn. bijw. Volgens de kunst. Door kunst verkregen. Onnatuurlijk, gedwongen. — Kunstmiddel, o. (-en). — Kunstminnaar, m. (-s, ..aren),

— Kunstoog, o. en v. (-en). Glazen oog. — Kunstoor, o. en v. (-en). Kunstig nagemaakt oor. — Kunstpok, v. (-ken). — Kunstprent, v. (-en). — Kunstrechter, m. (•s). Kunstbeoordeelaar. — Kunstt ede-naar, m. (-s).— Kunstregel, m. (-s). — Kunstreis, v. (..zen). — Kunstrijder, m. (-s). Paardrijder in eenen circus. — Kunst-rijdster, v. (-s). —Kunstrijk, bn.— Kunstschat, m. (-ten). — Kunstschilder, m. (-s). — Kunstschool, v. (..olen) — Kunstspringer, m. (-s). — Kunstsprong, ra. (-en). — Kunststuk, o. (-ken). — Kunsttaal, v. — Kunsttalent, o. (-en). — Kunsttand, ra. (-en). Valsche tand. — Kunsttee-kenaar, ra. (-s, ..aren). — Kunstterm, ra. (-en). Kunstwoord. — Kunstvaardigheid, v.— Kunstverzameling. (-en).— Kunstvlijt^. Nijverheid.— K unitvoortbrengsel, o. (-en, -s). — Kunstvorm, ra. (-en). De kunstvorm, die zich m klanken uitdrukt (toon- en dichtkunst), kunstvorm, die zich in zichtbare vormen uitdrukt (schilder-, bouw-, beeldhouwkunst). — Kunstv iend, ra. (-en). — K-nstvuur, o. Kunstvuurwerk. Kunstliefde. — Kunstvtiurwet k, o. (-en). Lichamen, met een brandbaar, lichtgevend en ontploffend mengsel gevuld. — Kunstvuurwerkmaker,m. (-s).— Kunstwereld, v. — Kunstwerk, o. (-en). — Kunstwerktuig, o. (-en). — Kunstwoord, o. (-en). Algemeen aangenomen woord in kunsten en bedrijven. — Kunstwoorden*


ocr page 419

KUSS — 3;

boek, o. en m. (-en). — Kunstzaal, v. (..alen). — Kunstzweer, v. (..eren).

kuras, o. (-sen). Borstharnas. Pantser.

— Kurassier, m. ( s). Soldaat der ruiterij met helm en kuras. — Kurassier skater ne, v. (-s). — Kurassier sla ars, v. (..zen). — Kurassiersstal, m. (-len).

kuren, ow. kuurde, heeft gekuurd. Gluren. Knipoogen.

kurenmaker, m. (-s). Potsen-, grappenmaker.

kurk, o. Sponsachtig weefsel op de Schors van sommige hoornen, vooral op die van kurkeik. — Kurk, v. (-en). Stop van kurk, dienende tot sluiting van flesschen, enz. Stuk kurk aan een vischnet, enz. — Kurkachtig, bn. — Kurkboom, m. (-en). Kurkeik. — Kurkegeld, o. — Kurkeik, m. (-en). Boom (quercus suber). Behoort tot de katjesdragenden. Wordt om zijne schors aangekweekt. Komt vooral voor in de kustlanden van de Middellandsche Zee, inz. in Spanje en Portugal. — Kurken, bn.

— Kurken, bw. kurkte, heeft gekurkt. Eene kurken stop op eene flesch, enz. doen.

— Kurkenviandje, o. (-s). — Kurken-snijdrti, o. Het snijden van kurken. — Kurkensnijder, ni. (-s). — Kurke-iantr, v. (-en). — Kurketrekker, m. (-s).

— Kut knies, o. (-sen). — Kurksckroef, v. (..ven). (Muz.) Kurk in het kopstuk eener dwaarsfluit.— Kurk snij den, o. Kunst om uit kurk allei lei figuren te snijden.— Kurkstof, v. (Scheik.) Onopgelost gedeelte, dat er van 't kurk oveiblijft, nadat het door alle oplossingsmiddelen is behandeld. — Kurk-vijl, v. (-en). — Kurk zuur, c. (Scheik.).

— Kurkzuui zout, o. (Scheik.)

kurkum», v. Geelwortel. — Kurku-

tnapceder, o.

Kürlli [G.), 1847, Aarlen. Hoogleeraar (Luik). Geschiedschiijver. Les ogt;'igi-nes de la civilisation moderne (1886, bekroond); Vhistoire poétique des Mérovin-(bekroond); Llovis (1895, bekroond); la Frcntière linguistique en Belgique et dans le Nord de la France (1895, bekroond).

kun, ra. (-sen). Drukking der lippen op eenig voorwerp, ter betuiging van eerbied. Helde, enz. — Kushandje, o. (-s). Een kushandje geven (van kinderen). — Russen, bw. kuste, heeft gekust. Eenen kus geven. Zoenen. De roede kussen : zich onderwerpen met gelatenpeid. lem. uit den slaap kussen. De avondwind kuste de bloemen. — Kusser, m. (-s). — Kussing, v. — Kusster, v. (-s).

kUfcKen, o. (-s). Zak met veeren, paardenhaar, enz. gevuld, dienende om er op te zitten ofte liggen. (Zeew.) Klamp van zacht hout op plaatsen, welke anders door het schuren der touwen te veel zouden lijden. De kussens, wrijvers, der electriseer-macbine. Op het kussen geraken : aan het bewind komen, tot eene hooge waardigheid benoemd worden. Op het kussen zitten : eene aanzienlijke betrekking waarnemen. — Kussenbankje, o. (-s). — Kussenplaat, v. (..aten). (Art.). — Kussensloop, v. (-en). Overtreksel van een beddekussen.

— Kussenstuk, o- (-ken). (Bouw.) Boven-

j — KW A A

ste steen van den schoormuur van een gewelf. — Kussentje, o. (-s). Klein kussen. Balletje van suiker. Zundgat. Zakje met kruiden gevuld, dat op een ziek» lijk lichaamsdeel wordt gelegd. — Kussenveer, v. (-en). — Kussenzetel, ra. (-s).

kust, v. Verkiezing. Slechts gebruikelijk in ; te kust en te keur : naar welgevallen.

kust, v. (-en). Strook lands langs de zee. Oever. Lage of vlakke kust : zandstrand, dat met de tijen ondervloeit. — Kustbatterij, v. (-en).— Kustbewaarder, m. (-s). -—Kustbewoner, m. (-s). — Kust-be woon ster, v. (-s). — Kusteiland, o. (-en).

— Kusthandel, ra. — Kustland, o. ( en).

— Kustot. tw ikke ling, v. — Kustrivier, v. (-en). — Kuststreek, v. (..eken). — Kusttelegraaf, v. (..alen). — Kustvaarder, ra. (-s). — Kustvaart, v. — Kust-visscherij, v. — Kustwachter, ra. (-s).

kusting:, v. (-en). Hypotheek. — Kus-tingbrief, m. (..ven).

kuun, v. Plantengeslacht {saturejd), tot de lipbloemigen behoorende. De ge-meene kuun (5. hortensis) groeit nabij do Middell. Zee en wordt in onze tuinen gekweekt om een geurigen smaak te geven aan boonen, enz.

kuur;v. (..uren). Geneeswijze. Ziektebehandeling. Genezing.

kuur, v. (..uren). Gril. Luim. Aardige streek.

kwstad, bn. bijw. (Erger, ergst. Heeft kwaad de beteekenis van toornig, boos, dan kwader, kwaadst). Tegenstelling van goed: kwaad nrnsch. Ondeugend : kwaad wijf. Verderfelijk : kwade raad. Ongemakkelijk : nog drie kwade dagen. Van weinig winst of voordeel : kwaad jaar. Ongunstig: kwaad vermoede •. Nadeelig : kwade geruchten. Gevaarlijk : kwadeboeken. Moeilijk : kwade weg. Toornig, boos : kwade jongen. Lastig, onaangenaam : kwade buurman. Slecht : kwade noot. Het kwaad hebben : gebrek lijden. Het kwaad krijgen : het onderspit moeten delven, op het punt zijn te sterven. Te kwader uur : op een ongelukkig oogenblik. Te kwader trouw : verraderlijk. — Kwaad, o. Tegenstelling van goed. Ramp, onheil. Kwaadsprekerij, laster. Hoon, beleediging. Ongelijk, onrecht. Aanslag, verraad. Ziekte, kwaal. — Kwaden, mv. Kwade zaken. Slechts gebruikelijk in : van twee kwaden moet men het minste kiezen, — Kwaadaardig, bn.

— Kwaadaardigheid, v. — Kwaadaar-digl'/k, bijw. — Kwaadbloedig, bn. — Kwaadbloedigheid — Kwaaddenkend, bn. — Kwaaddoend, bn. — Kwaaddoener, ra. (-s). — A wa^/ui^nr'Br, v. ( s). — Kwaadgezindi uo. ' Ku 'xidgrond, ra. (Gen.) Uitslag op het bootd, de kin, enz.

— Kwaadgunstig, bn. — Kwaadheid, v.

— Kwaadsappig, bn. — Krvaadsappig-heid, v. — Kwaadschiks, bijw. Tegen wil en dank. — Kwaadsmeder, m. (-s). — Kwaadsmeedster, v. (-s). — Kwaadspreken, ow. sprak kwaad, heeft kwaadgesproken. Lasteren. — Kwaadsprekend, bn. — Kwaadsprekendheid, v. — Kwaadspreker, ra. (-s). — Kwaadspreekster, v. ( s).

— Kwaadspreking, v. — Kit. aadvochtig,-


ocr page 420

KWAK — 3

bn. — Kiu a adv och tigheid, v. — Kwaad-rvilltg, bn. Kwalijk gezind. Onwillig. Met slechte bedoelingen. — Kwaadwilligheid, v. — KivaadwilligLiik, bijw. — Kwaad-zeer,o. Kwaadaardig hoofdzeer.-Kzvaad-zeerig, bn. — Kwade, m. Booze. Duivel.

— Kwajongen, m. (-s). Gemeene jongen. Straatjongen. — Kwajongensachtig, bn.

— Kwajongensstreek, m. (..eken), lovual, v. (..alen). Aanhoudende ziekte

of pijn : ongeneeslijke kwaal. Hevige zie-lesrnart : ik ken de kwaal, die hem verteert. Algemeene ramp. — Kwaalver-plaatsend, bn. Een kwaal verplaatsend geneesmiddel. — Kwaalverplaatsing, v.

kwab, v. (-ben), kwabbe, v. (-n). Puitaal. — Kwabaal, m. (..alen). Puitaal.

k-tvab, v. (-ben), kivabbe, v. (-n). Rondachtige lillende klomp : kwab der kin, der long, der lever, enz. Kropgezwel. — hwabbig, bn. Vol kwabben. Rond en vol.

kwak, v. (-ken). Visschersvaartuig, dat in de Zuiderzee, enz. op de vangst van bot, tongen, enz. uitgaat.

kwak, m. (-ken) Nachtreiger. kwak,m. (-ken). Geluid, voortgebracht door iets, dat valt. Fluim. Wat in een glas blijft staan : er is nog een kwak bier in. Glas jenever : eenen kwak drinken. Jenever. Overgeschoten hoop : een kwak tuif. Weetniet (spott. van eenen leerling eener Latijnsche school). Grap, klucht. Vertelling. Nabootsend eendengeluid. — Kwaken, ow. kwaakte, heeft gekwaakt. Geluid imken (van eenden, kikvotschen, enz.). Babbelen.— Kwaakeend, v. (-en). Zekere eend {anas clangula), die bij ons in 't wild voorkomt. — Kwaakster, v. ( s). — Kwaker , m. (-s). — Kwakje, o. (-s). Sprookje. Leugenachtig vertelseltje.

Kwaker, m. (-s). Geestdrijver. Aanhanger van zekere godsdienst-secte in Engeland en Amerika (gesticht door G. Fox, 1650^. — Kuakery, v. ( en). Leering der Kwakers. — Kwaker shoe d, m. (-en). — Kwakerskerk, v. (-en).

kwalikol.m. (-s, -en). Trekvogel {con-

turnix dactvltsonans), tot de hoender-achtigen behoorcnde. Is kleiner dan de . patrijs. Wordt 's zomers in de korenvelden .aangetroffen. Zijn geluid is algemeen be-

lo — KWAN

kend. — Kwakkel, m. (-s). Lompe, domme kerel. Zoo doof als een kwakkel : stokdoof.

— Kwakkelaar, m. (-s). — Kwakkelaar-ster, v. (-s). — Kwa kkelbeentje, o. (-s). Lokfluitje om kwakkels te vangen. — Kwakkelen, ow. kwakkelde, heeft gekwakkeld. Slaan (van den kwakkel). Snappen, babbelen. Beuzelingen vertellen. Niet gezond zijn, sukkelen. Niet doorvriezen (in den winter). — KwakkelJiuitj'e, o. (-s). Kwakkelbeenlje. — Kwakkelgeld, o. Kleingeld. — Kwakkeling, v. (-en). — Kwakkeljacht,v.—Kwakkelkooi,..kouw, v. (-en).— Kwakkelnet, o. (-ten).— Kwak-kelslag, m. Geluid van den kwakkel. — Kwakkelvorstj'e, o. (-s). Lichte vorst. — Kwakkelwinter, m. (-s). Winter, waarin het met korte afwisselingen vriest en dooit.

— Kwakkelziekte, v. (-11). Slepende ziekte, kwakken, kwakte, heeft gekwakt.

Ow. Geluid maken (als de kikvorscb). Geluid maken bij het vallen : hij viel zoo hard, dat het kwakte. Met eenen kwak vallen : hij kwakte tegen de deur. Den kwakkelslag laten hooren. Op den grond spuwen. Bw. Met geweld neersmijten : hij kwakte den jongen tegen den grond. — Kwak-vorsch, m. (-en). Kikvorsch.

kwakzalvcBi, ow. kwakzalfde, heeft gekwakzalfd. Valsche geneesmiddelen ver-koopen. Het beroep van kwakzalver uitoefenen. Bedriegen. — Kwakzalf ster, v. (-s). — Kwakzalver, m. (-s). Verkooper van valsche geneesmiddelen. Inz. iem., die met veel ophef op markten, enz. artsenijen en drogerijen te koop aanbiedt. Hansworst. Zwetser. — Kwakzalverachtig, bn. — Kwakzalverij, v. (-en). — Kwakzalvers-goed, o. (-eren).

kwal, v. (-len). Soort van zeekwal. kwali£ii, ow. kwalicdc, heeft gekwa-lied. Langzaam praten. Zijne woorden vervelend herhalen. — Kwalia, v. (..iën, -s), krvalietnoer. v. (-s). Praatzieke vrouw. Vervelende babbelaarster. — Kwaheach-tig, bn.

kwalijk, bn. bijw. Niet wel, niet zooals het behoort. Moeilijk, bezwaarlijk. Nauwelijks. Verkeerd. Zwak, ziekelijk. Misselijk. Flauw. Lastig. Vervelend. Onvergenoegd, misnoegd. Iets kwalijk nemen : over iets ontevreden zijn. Kwalijk gaan : hinken. Kwalijk spreken : stamelen. Kwalijk worden : ongesteld worden. Kwalijk varen ; ongesteld zijn, ongelukkig zijn. — Kwalnkgezien, bn. Niet in achting. — Kwalijkheid, v. Flauwte. Bezwijming. — Kwalykvaart, v. Ongeluk. Tegenspoed.

— Kwalijkvaren, o. Ongelukkig zijn. kwalm, m. Walm. Dikke damp. —

Kwalmen, ow. kwalmde, heeft gekwalmd. Walmen.

kwalster, m. (-s). Fluim.— Kwalsteren, ow. kwalsterde, heeft gekwalsterd. Fluimen opgeven.

kwalster, m.*(-s), kwalsterboom,

m. (-en) Haveresch.

kwanselen, ow. kwanselde, heeft gekwanseld. Ruilen, ruilebuiten. Ergens in zitten kwanselen : roeren, morsen. Aan iets kwanselen (aan eene wond, b. v.) : allerlei huismiddelen gebruiken. — Kwan-


ocr page 421

KWAR — 31

sel, m. Ruiling. Mengelmoes. — Kwanse-laar, m. (-s). — Kwansetaarsfer, v. (-s).

— Kwanselachttg, bn. — Kwanselach-ftgheid, v. — Kwanselary, v. (-en). — Kw an se lig, bn. — Kwanseling, v. (-en).

— Kwansel zucht, v.

lovaiiMiiiR, bijw. Schijnbaar. Niet gemeend. Voorgewend.

kwant, m. (-en). Snaak. Schalk. Guit. ^ l£gt;vai»Koli, bn. bijw. Ongesteld. Ziekelijk. — Kwapschheid, v.

kwarrel, m. ( s). Wacslaltig, klein, onbeduidend ding (inz. van vruchten). — Kwarrf lach tig, kn art dig, bn. Ineengegroeid (van viuchten).

kwart, o. (-en). Vierde deel van een

teheel. Vierendeel. (Zeew.) Wacht, ver-eeling van het etmaal. Kwart slaan : 's nachts als bet laatste kwartier van de wacht genaderd is, wordt er een slag aan de bel gedaan, ten teeken dat de wacht moet afgelost worden. (Muz.) Vierde gedeelte eener noot. —eheel. Vierendeel. (Zeew.) Wacht, ver-eeling van het etmaal. Kwart slaan : 's nachts als bet laatste kwartier van de wacht genaderd is, wordt er een slag aan de bel gedaan, ten teeken dat de wacht moet afgelost worden. (Muz.) Vierde gedeelte eener noot. —Kwartanker, o. (-s). Vierde deel van een anker (wijn). — Kwart boek, o. en m. (-en). Boek in 40. —Kwartijn, m. (-en). Kwartboek. — Kwartnoot. N^oot = vierde deel eener heele 1^1, — Kwart-

rust, v. (-en). (Muz.) Teekan, waarbij men den tijdsduur eener kwartnoot rust.

kwartaal, o. (..alen). Het vierde eens jaars. — Kwartaalsiaat, m. ( .aten).

kwarteel, o. (-en). (Oudt.) Zekere inhoudsmaat voor vochten.

kwartel, m. (-s). Kwakkel. — Kwar-telkoning, m. (-en). Vogel {rallus crex of crex pratensis) tot de steltloopers behoorende. Heeft in levenswijs en gedaante veel overeenkomst met den kwartel. Is ongeveer zoo groot als een patrijs. Leeft in koren- en weilanden (Midd.-Eu-ropa).

kwartier, o. (-en). Vierde, vierendeel. Stuk, brok, deel. Oord, sireek : in 't kwartier (streek) van Antwerpen. Wijk : schipperskwartier. Kamer, intrek, deel van een huis : hij woont op een kwartier. Verblijf : winterkwartier. Lijfsbehoud. Kwartier, genade vragen. Geen kwartier geven : alles ove.quot; den klirg jagen. Vierde verdeeling van den maneschijn. Vierde gedeelte van een •wapenschild. Lid : J. van Artevelde had Vlaanderen verdeeld in drie kwartieren of leden. 'Zeew.) Kwartier maken ; de wacht hebben. — Kwartier dag, m. (-en), (üudt.) Dag van bijeenkomst der afgevaardigden van een gewest. — Kwartierdrost, ra. (-en). — Kwartiermaker, ra. (-s). Soldaat, die vooruitgezotden wordt ora voor de kwartieren te zorgen. — Kwartier-meesier, m. (-s). Officier, die met de soldij der soldaten belast is. (Zeew.) Schieman.

— Kwartierschout, m. (-en). — Kwartier svergadering, v. .(-en). — Kivartier-•volk, o. (Zeew.) Wachthebbende manschap. — Kwartierziek, bn. (Mil.) Zoo ongesteld, dat men niet uit kan gaan.

kwartH, o. Delfstol, welke uit kiezel en zuurstof bestaat met geringe hoeveelheden van andere stoffe n, als ijzeroxyde, klei, enz. Komt voor in sommige fraaie kristallen. — Kwattsachtig, bn. —Kwartszand, o.

[ — KWEL

_ kwassicliont, o. Hout van den kwas-siehoutboom. Wordt gebruikt tegen venijnige slangebeten en als koortswerend mia-del. — Kwassieh 'utboom, m. (-en). Boom [guassia si?naruba). Groeit op Suriname.

kwast, m. (-en). Vezelknoop. Knoest in hout. Dikte van onderen aan den voet van eenen boom. Samengebonden borstels aan een stokje vastgemaakt (ora te witten, enz.). Dik penseel. Franje, tot een bundeltje gebonden (aan gordijnen, enz.). Koppig, onhandelbaar raensch. Gek, zot, pronker. — Kwastelcrum, ra. (-s). Kwasterig persoon. — Kwast (er) ig, bn. Knoestig (van hout). Vol franjes. Eigenzinnig. Verwaand. Vol grillen. Onverdraagzaam. — Kwast (er) igneid, v. — Kwast stok, m. (-ken). Steel van eenen kwast.

kwee, v. (-en). Kweepeer. Kweeappel.

— Kweeappel, m. (-en, -s). — Kweeap' pelboont, m. (-en). — Kweeboom, m. (-en). Heester of boom (pyrus cydonia), herkomstig uit het Oosten. Zijne vruchten worden, naar haren vorm, in kweeperen en kweeappels onderscheiden. Bloeit bij ons in Mei en Juni. — Kweem^es, o. — Kweepeer, v. (..eren). — Kweeperamp;oom, ra. (-en). — Kweepit, v. (-ten). — Kwee-stroop, ..siroop, v. — Kweewyn, ra.

kweek, v., kweek£:ras, o. Overblijvende plant (jtriticum r'pens), tt»t de familie der grassen behoorende. Is een lastig onkruid op onze zandige en zavelige bouwgronden.

kweekeii, bw. kweekte, heeft gekweekt. Den wasdom bevorderen (van planten, enz.). Grootbrengen, opvoeden (van kinderen). Den bloei bevorderen (van). Deugd kweeken, — Kweek, in. Het kweeken. — Kweekboom, m. (-en). Jong boompje. —Kweekeling, m. en v, (-en). Voedsterkind. Leerling. — hweekelin$et v. (-n). ~ Kweeker,n\. (-s). — Kweekcry, v. Het kweeken. (-en) Plaats, waar hoornen, enz. gekweekt worden. — Kweek' houder, m. (-s). Boomkweeker. —Kweek' hof, ra. (..ven). — Kweeking, v. (-en). — Kweekplaats, v. (-en). — Kweekschool, v. (..olen). —Kweeksel, o. Wat gekweekt is of wordt. — Kweekster, v. (-s). — Kweektuin, ra. (-em. — Kweekvijver, m. (-s),

— Kweekvisch, v. (stofn.) ; m. (..sschen), (Voorwerpsn.).

kweelen.ow. kweelde, heeft gekweeld. Zacht en liefelijk zingen (van vogelsi. Zingen. — Kweelt je, o. (-s). Zacht geluid (van vogels). Gering bederf. Vlakje.

kween, v. (kwenen).Onvruchtbarekoe. kw eer, bn. bijw. Walglijk zoet. kweerhout, o. (-en). Zeker hout der touwslagers.

kweern, v, (-en). Handmolen, —• A'w^tfrwÉ'/^bw.kweernde, heeft gek weernd. Malen met den handmolen. Kauwen, herkauwen.

kweeateu, ow. kweestte, heeft ge-kweest. Vrijen. — Kweester, ra. (-s). — Kweestery, v.

kweken, kwekken, ow. Kwaken, kwel, v. Kwelling. Verdriet. Hartzeen-

— Kwelachtig, bn. Plaagziek. — Kwel-achtigheid, v. — Kwelbast, m. (-en)«


ocr page 422

KWIJ — ;

quot;Plaaggeest.— Kwelduivel^ kweldrommel, m. (-s). Plaaggeest. — Kwelgeest, ra. (-en). Plaaggeest. — Kwellage, v. Kwelling. Verdnet. — Kwellen, bw. kwelde, heeft gekweld. Plagen. Verdriet, enz. aandoen. Schertsen. Tergen. Zich kwellen (over) : Eich sterk bekommeren (over). — Kweller, m. (-s). — Kwelling, v. (-en). — Kwelster, V. (-s). — Kwelziek, bn. — Kwe'zucht, v.

kwel, v. (-len). Bron.Wel.— Kweldam, m. (-men). Dam, welke binnen eenhoogen rivierdijk op eenigen afstand van dezen

Êelegd wordt. —elegd wordt. — Kwelder, v. (-s). Land, uitendijks gelegen. — Kweldergras, o. Overblijvende van Tuli tot Sept. bloeiende plant {glycerin vi ar Ui ma). Behoort tot de grassen. Komt voor op kwelders en leveit een uitmuntend veevoeder op. — Kweldyk, m. ( en). — Kwelkade, v. (-n).

— Kwehvater, o. Bronwater. Water, dat de rivierdijk doorlaat.

kwcU'ii, ow. kweelde, heeft gekweeld. Treuren. Kwijnen.

kwelm, m. Weeke grond, waaruit water welt. — Kwelmen, ow. kwelmde, heeft gekwelmd. Opwellen. — Kwelmgrond, m.

kiveiiflel, v. Wilde tijm {t/tymus ser-pilluvi).

kiveu^oloii, ow. kwengelde, heeft ge-kwengeld. Water kwengelen : gedurig Storten van water, door beweging van den Cramer, enz.

bwefM, v. ( en). Soort van langwerpige blauwe pruim.

kwefMon, bw. kwetste, heeft gekwetst. Door eerig ongeval verwonden. Kneuzen. Blutsen. Schenden : iemands naam kwetsen. Beleedigen : iem. in zijne eer kwetsen. Ergeren : zulke woorden moeten kuische ooren kwetsen. — Kwets, v. Het kwetsen. Wond. Onrecht. — Kwetsbaar, bn. — Kwetsbaarheid, v. — Kwetsing, v. Het kwetsen, (-en) Wond, verwonding. Kneuzing. Schennis, beleediging. —Kwetsuur, v. (..uren). Wond.

kwcftcron, ow. kwetterde, heeft gekwetterd. Kakelen. Snappen. Praten. Het zingen der zwaluwen. — Kwetteraar, ra. (-s). — hwetteraarster, v. ( s).

kwetteren, bw. kwetterde, heeft gekwetterd. D. ukken. Blutsen. Kneuzen. Beschadigen. — Kuctterig, bn. Geblutst. Platgedrukt. — Kwettering, v.

kwozcl, y. (-s). Geestelijke zuster. Die zich met kleinigheden bezighoudt (inz. in geestelijke zaken). Schijnheilige. — Kwezelaar, ra. ( s, ..aren). — Kwezelaarster, v. (-st. — Kwezelachtig, bn. — Kwezel-achtighcid, v. — Kwezelarij, v. (-en). — Kwezelen, ow. kwezelde, heeft gekwezeld. Beuzelen. Den tijd met nietigheden doorbrengen.

kwibu», ra. ( sen). Sul. Zot. Gek. On-noozele.

kwidam, m.( s).Zeker iemand. Kwant. Los, roekeloos, zot handelend mensch. kvȟl, v- Slijmachtig speeksel. Zeever.

— Kwijlhaard, ra. (-en). — Kwyldork, ra. (-en). — Kwijlen, ow. kwijlde, heeft gekwijld. De kwijl laten loopen. — Kwyler, m. ^-s). — Kwülklier, v. (-en). — Kwy-

\2 — KWIK

ling, v. — Kwy 1st er, v. ^-s). — Kwijl' vloed, ra.

kwllucn, ow. kwijnde, heeft gekwijnd. Verwelken : de planten kwijnden. Langzaam wegsterven. Verflauwen : het gesprek begon te Kwijnen. Bleek zijn van kleur : de zon ging af met kwijnenden luister. Kwijn, ra. Kwijning. Getreur. — Kwy-ning, v,

kwöt, bn. Vrij, los, ledig, ontheven. Beroofd (van) : hij is zijn geld kwijt. Kwijt worden : verliezen. Kwijt zijn ; verloren hebben. Kwijt raaken : vrijstellen, ontheffen. Zich van iera. kwijt raaken : zich van iera. ontdoen, hera laten staan, 'tls kwijt: 't is effen. — Kwijtbrief, ra. (..venl. Bewijs van ontvangst of betaling. — Kwijtbrieven, ra. rav. Brieven, waarbij door eenen vorst genade wordt gegeven. — Kwijten (zichS, ww. kweet zich, heeft zich gekweten. Zijnen plicht doen. Zijne belofte vervullen. — Kwijting, v. (-en). Kwijtraken, ow. raakte kwijt, is kwijtgeraakt. Verliezen (met 4n naamv.) : hij is zijne beurs kwijtgeraakt. — Kwijtschelden, bw. schold kwijt, heeft kwijtgescholden, yergeven. — Kwijtscheiding, v. — Kwijtschrift, o. (..ven). Kwijtbrief.

kwik. v. e.n o*. Kw'kzilver. I.evendig-h'-id i.der jeugd). Het is maar kwik : het is maar eene grap, de zaak beduidt met veel. Hij is als kwik : hij is buitenge woon vlug, levendig. — Kwik, v. (-ken). Beuzeling.— Kwik, bn. bijw. Vlug. Levendig. — Kwik» ach tig, bn. bijw. — Kwikbad, o. (-en). — Kwikbak, ra. (-ken). — Kwikbakje, o. (-s). — Kwikbarometer, ra. (-s). — Kwik» chloride, o. (Scheik.) Biitende kwik. — Kwikchloruur, v. (ScheikJ Zoete kwik.

— Kwikhaag, v. (..agen). Levende heg.

— Kwikje, o. (-s). Lintstrikje. Pronkstertje.

— Kwikkolom, v. (-raen). — Kwikkuur, v. Genezing met verzoet kwik. — Kwikmetaal, o. — Kwikmtddel, o. (-s, -en).

— Kwikoxyde, o. Verbinding van zuurstof met kwik. — Kwikpleister, v. (-s). — Kwikpil, v. (-len). — Kwikthermometer% ra. (-s). — Kwikvizier, o. (-en). (Stoora-werkt.) — Kwik zalf, v. (..ven). — Kwik-zand, o. Levend zand. — Kwikzilver, o. Metaal, dat veelal met zwavel of met zilver verbonden is. — Kwikzilverachtig, bn.

kwikliolen, ow. kwikkelde, heeft ge-kwikkeld Heen en weer bewogen worden. Spelen (van kinderen), inz. een spel spelen. dat gewoonlijk m« t vecht»n eindigt.

kwikken, bw. kwikte, heeft gekwikt. Met of in de hand wegen.

kwikstaart, m. (-en). Vroolijk levendig vogeltje (motacilla), dat bijna onophoudend met den staart wipt. Loopt snel, vliegt zeer behendig en is zeer bevallig in zijne bewegingen. Leeft van insecten. De witte kwikstaart {m. alba). 't Voorhoofd, de zijden van den kop en hals, de bor?t *n buik zijn wit. 't Overige gedeelte vai ^en kop, de vleugels en de dekveeren van den staart zijn zwart. De rug en de zijden zijn blauwachtig grijs. De gele kwikstaart [m./lavd). De veeren van den kop en den hals zijn aschgrauw, die van den rug en de vleugels groenachtig bruin en die van do


ocr page 423

LAAG — 3

Ijorst en buik citroengeel. — Kwikstaarten, ow. kwikstaartte, heeft gekwikstaart. Den staart op en neer bewegen.

kwlnkciecrcn, ow. kwinkeleerde, heeft gekwinkeleeid. Met een trillenden

firgel zingen (van vogels). Zingen. Vroo-Ic zijn. — Airgel zingen (van vogels). Zingen. Vroo-Ic zijn. — Awinkeleerder, ra. ( s). — zvtnkeleering, v.

ktvlukcu, ow. kwinkte, heeft gekwinkt. Trillen.

kwinkerlt;l, m. (-s). Mannelijke persoon, die scheel ziet.

kwinkslag:, m. (-en). Geestige inval. Onverwacht kluchtig gezegde.

kwint, v. (-en). Gril, luim. Eene kwint kwijt zijn : zijn volle verstand niet hebben. Hevige hoestbui. — Kwiniachtt'g, bn. — Kwintappel, ra. (-s). Kolokwint. — Kwinti g, bn. Vol grillen.

kwipHoli, bn. Ongesteld. Ziekelijk. — Kwipsch h eid, v.

1, v. (I's). 12® letter van het alphabet.

la, v. (la's). Zesde grondnoot van de •diatonische toonladder.

la, v. Lade.

laaflbault;l, ra. (-en). (Art.) (Van den stootbodera).—Laadboom, m. (-en). (Zeew.) Kraan. — Laadbus, v. (-sen). Loop van een geweer of kanon. Geweer. —Laadgat, o. (-en). Gat in een schietgeweer. — Laad-gereedschap, o. (-pen). — Laadkruit, o. Buskruit. — Laadlepel, ra. (-s). — Laad-pan, v. (-nen). — Laadpoort, v. (-en). (Zeew.). — Landpnevi, ra. (-en).— Laadstok, ra. (-ken). — Laadveer, v. (-en).

laafdrank, m. (-en). Verkoelende drank.

laagT' bn. bijw. Tegenstelling van hoog. Het waterstaat laag, is af^eloopen. Laag water : ebbe. De luoht is laag : de wolken drij\ en minder hoog dan gewoonlijk. Gering : lage prijs, een man van lage afkomst. Nederig. Gemeen, onteerend. Laaghartig, vernederend. Verachtelijk : hij sprak zeer laag van zijne geburen. Het lager onderwijs : het onderwijs van eerstbeginnenden. (Muz.) Hij zingt te laag, onder den gewonen toon. Laag op iem. nederzien : iera. met verachting beschouwen, raet minachting over hem spreken. — Laaghartig, bn. bijw. Gering. Slecht. Eerloos. Verach-telnk. — Laaghartigheid, v. — Laagheid, v. Hoedanigheid van laag te zijn. (..heden) Gerae- ne handelwijze of handeling. — Laagjes, bijw. Een weinig laag. — Laag-loopers, ra. mv. Valsche dobbelsteenen. — Laagje hout, ra. (-en). Onderschout. — Laagstam, m. (-raen). Boora met een lagen stam. — Laagstammig, bn. — Laagte, v. Het laag zijn. Staat van verval. Gering bedrag : de laagte van den prijs, (-n) Lage plaats, diepte. Dal, vallei.

laag:, v. (lagen). Rij, naast of op elkander liggende dingen : de delfstoffen liggen bij lagen in den grond. Bedding eener mijn.

3 — LAAR

kiviapedoor, o. (..oren). Spuwpotje.

k^viHi»cl, m. (-s). Harig uiteinde van oenen staart. Kwast, wijkwast, witkwast. Dunne roede, geesel. Kwant. — Kwispelen, kwispelde, heeft gekwispeld. Bw. Met eenen kwast strijken, besproeien, enz. lem. kwispelen, met eene snerpende roede slaan. Ow. Met den staart slaan, spelen, enz. — Kwispeling, v. (-en). — Kwispelstaarten, ow. kwispelstaartte, heeft gekwispelstaart. Met den staart slaan (inz. van honden). Vleien. — Kwispelvormie, bn.

kiviftlen, bw. kwistte, heeft gekwist. Verkwisten. Doorbrengen. — Kwister, ra, (-s). — Kwistgeld, ra. en v. (-en), Icwist-goed, ra. en v. Verkwister, verkwistster. — Kwistig, bn. Verkwistend. Mild : de natuur is kwistig met hare gaven. — Kwistigheid, v. — Kwisting, v. (-en). — Kwist-penfiing, ra. en v. (-en). Verkwister, verkwistster.

Het geschut op ieder verdek vaa een oorlogsschip : een fregat heeft slechts een laag geschut. Al het geschut aan de eent zijde van een schip : de volle laag geven. Bedekte plaats om iem. aan te randen, hinderlaag. Iem. lagen leggen : verraderlijk tegen iera. handelen. (Recht.) Geleider lage : verraderlijke overrompeling, de moord is met geleider latre gepleegd. —- Laagsgewijs, ..wijze, bijw. Laag voor laag. — Laa^swi/s, ..wijze, bijw. Bij, in of raet lagen. — Laagrormig, bn. Zie Wolk. — Laag wolk, v. (-en).

laai, v. Het vlammen van 't vuur : het huis stond in laai en vlam. — Laai, bn. Vlammend. — Laaien, ow. laaide, heeft gelaaid. Hevigvlammen. —Lzaiend, bijw. Hij was laaiend kwaad.

laak, v. Blaam. Afkeuring. — Laakbaar, bn. — Laakbaarheid, v. — Laak-ziek, bn. — Laakziekte, v. — Laakzucht, v. — Laakzuchtig, bn.

laan, v. (..anen). Wandeldreef, aan beide zijden raet booraen beplant. (Vissch.) Uitgestrektheid water, waarin raen de zalmen elftnetten laat afdrijven.

laar, bn. Ledig. Hol. Voos, opgeblazen. Dun. Schraal. — Laar, o. (laren). Onbebouwde woeste grond. Plaats in een bosch, waar geen boomen of struiken staan.

laan», v, (..zen). Leeren schoeisel, gewoonlijk raet eene schacht tot aan de knie. End touw, waarmede men de raatrozen op de natte broek kastijdt. — Laarzebeen, o. (-en). Laarzeleest. — Laarzekap, v. (-pen). — Laarzeleest, v. (-en). Hout, dat in eene laars past. —Laarzen, bw. laarsde, heeft

gelaarsd. Laarzen aantrekken. Matrozen astijden (met de laars).elaarsd. Laarzen aantrekken. Matrozen astijden (met de laars). Zich laarzen, ww. Zijne laarzen aandoen. — Laarzen-knecht, m. (-s). Laarzentrekker. — Laarzen leer, o. — Laarzenmaker, ra. (-5). — Laarzenpoetser, ra. (-s).— Laarzensvieer, o. — Laarzenstof, v. — Laarzenstraf, v.


ocr page 424

LABB — ;

— Laarzentrekker, ra. (-s). Werktuig, dat gebiuikt wordt om laarzen uit te trekken.

— Laarzeuwtnkel, m. (-s). — Laarze-schacht, ..schaft, v. (-en). — Laarzestroó, m. (-pen). — Laarzetrekker, m. (-s). Trekker aan de binnenzijde der laars.

laas, tw. Helaas.

laat, bn. bijw. Niet vroeg. Ver gevorderd (van den tijd). Wat na den gewonen of bepaalden tijd plaats heeft. Hoe laat is het: welk uur is het? Het is te laat : de tijd is voorbij, de zaak is verloren. Beter laat dan nooit. —Laatli/dtg, bn. Achteloos. — Laatst, bijw. Onlangs. Ten laatste : aan bet einde. Eindelijk. — Laatst^ bn. De laatste maal. De laatste dag van 't jaar. Het laatste oordeel. De laatste hand leggen (aan) : iets voltooien. lem. de laatste eerbewijzen, hem ten grave leiden. Den laatsten adem uitblazen : sterven. — Laatstelijk, bijw. Ten laatste. In de laatste plaats. — Laatstgemeld, bn. — Laatstge-melde, m. en v. (-n). — Laatstgenoemd, bn. — Laatstgenoemde, m. en v. (-n). — Laatstgeboren, bn. — Laatstgeborene, m. en v. (-n). —Laats/leden, bn. bijw. Laatst verloopen : laatstleden (11.) zondag. — Laatstmaal, bijw. Onlangs.

laat, m. (laten). (Middel.). Dienstbaar man, onvrije boer, die enkel cijns betaalde aan den eigenaar van den grond, welken hij bewoonde en met welken grond hij vervreemd werd. Mettertijd werd hij burger en poorter. Plomp, vlegelachtig raenscb.

laai hand, m. ( en). Zwachtel, bij eene aderlating gebruikt. — Laatbekken, o. (-s).

— Laatyzer, o. (-s). — Laatkop, m. lt;-pcn). Metalen of glazen kop om bioed te laten. — Laatmes, o. (-sen). — Laatvlijm, v. (-en). —Lautwtndsel, o. (-s).

laatduiikeud, bn. bijw. Die zich veel laat voorstaan. Verwaand. — Laatdunkendheid, v.

laatje, o. (-s). Kleine lade. Aan 't laatje zitten : de beschikking hebben, zich zeiven bevoordeelen.

labaar, v. (..aren). Groote linnen halsdoek.

l^aban. Oom van Jacob.

labarum, m. De voornaamste vaan van het leger door Constantijn den Groote in 't Romeinsche keizerrijk ingevoerd.

labbedvi, m. ( en). Sul. Dwaas, on-ooozel mensch.

labbcicn, ow. labbeide, heeft gelab-beid. Klappen. Snappen. Babbelen. — Labbei, v. (-en). Praatziek wijf.

labbekakken, ow. labbekakte, heeft

Êelabbekakt. Snappen. Babbelen. Traag, ingzaam spreken. —elabbekakt. Snappen. Babbelen. Traag, ingzaam spreken. — Labbekak, m. en v. (-ken), labbekakker, m. (-s). — Labbckak-kery, v. (-en). — Labbekak*ter, v. (-s).

labbcn, ow. labde, heeft gelabd. Kakelen. Zottepraat uitslaan. Snappen, labbcr, m. (-s). Labbekak.

labbcr, bn. (Zeew.) Zacht, flauw (van den wind). — Labberen, ow. labberde, heeft gelabberd. Zacht waaien. Wapperen : het zeil labbert. Aanhoudend praten.

— Labberkoelte, labberkoeltje, o. Zacht iWndeken. Bries.

labberdaan, v. Abberdaan.

4 — LADD

labborlottcn, ow. labberlotte, heeft

f^elabberlot. Laat uitzitten. Een losbandig even leiden. —^elabberlot. Laat uitzitten. Een losbandig even leiden. — Labber lot, m. (-ten). Nachtbraker. Lichtmis. — Labbtrldtig, bn.

labberlot, v. (-ten). (Zeew.) Naam cener sloep.

labour, m. Moeite, arbeid. Landbouw,, akkerwerk. Hoeveelheid lands, die iem. in bebouwing heeft : die boer heelt maar een klein labeur. — Labeut cn, bvv. labeurde, heeft gelabeurd. Bebouwen, bewerken (van land). — Labeurder, m. (-s). — Labeur-land, o. ( en). Bouwland. Ploegland. — Labeurpaard, m. (-en). Ploegpaard.

labiaal, o. (..alen). Mondstuk eener orgelpijp.

labiaalletterft, v. mv. Lipletters. Xjabiolio {E. M.\, 1815-1888, Parijs.. Schrijver van vaudevilles. Le voyage de MT Perrichon; Les viva cites du capita ine Fic.

laboratorium, o. (. ia). Werkplaats, laborccreu, ow. laboreerde, heeft ge-laboreerd. Lijden : aan eene ziekte labo-reeren. Sukkelen.

laborious, bn. Werkzaam, arbeidzaam. Moeilijk, lastig.

labyrint, o. (-er). Doolhof. Verwarde,, duistere zaak. Moeilijkheid. Verwikkeling, laeot, o. (-ten). Kijgsnoer, rijgveter, lacli, m. Het lachen. — Lachduif, v. (..ven). Soort van toitelduif {columba * iso~ ria). —Lachebek, m. en v. (-len). Lacher, lachster. — Lached ng, o. (-en;. Ding,, zaak om te lachen Dat zijn glt;. en lachedin-gen : er is niet mede te lachen. — Lacheny ow. lachte, heeft gelachen; ook, loeg. Zijne vreugde, zijn genoegen, enz. door eene De-weging der lippen of door een keelgeluid te kennen geven : om of over iets lachen. Spotten : hij lacht er mee. In zijne vuist lachen : zich heimelijk verheugen (om)._— Lachen, o. — Lachend, bn. Aanlokkelijk, bekoorlijk, aangenaam. — Lacher, m. i-s).

— Lachery, v. Belaching, bespotting. Het gekscheren. — Lachkramp, v. (-en). —gt; Lachlust,m. —Lachmarkt, v., lachtnark-terij, v. Poets, grap om te lachen. — Lachrinipel, m. (-s).—Lachspie», v. (-en).

— Lachster, v. (-s). — Lach trek, m. (-ken). —Lachvermogen, o.— Lachverwekkend,— Lachvogel, m. (-s). Soort van koekoek. — Lachziek, bn.

laeliocron, bw. lacheerde, heeft gela-cheerd. Loslaten. Vieren. LaUn schieten.

laconiMCli, laconiek, bn. Bondig, kortbondig, beknopt; kernig. Kernspreu-kig, pittig. — Laconisme, o. (-n). Kort en bondig gezegde. Krachtige, kernvolle uitdrukking.

l^aeordairo {H. D.), 1802-1861, Re-cey-sur-Ource. Dominicaan. Fr. redenaar. Conferences (1S35-'so). t t ..

Laetairtius, 133o(?), Itahaausch schrijver. = De Christen-Cicero. Institutiones divince.

lactometer, m. (-s). Melkmeter. . lacune, v. (-s). Leemte. Gaping. Holte. Opening.

lad tier, v. (-s). Werktuig, op welks sporten men op en af kan gaan. Zijstuk van eenen boerenwagen. (Muz.) Toonschaal.


ocr page 425
ocr page 426
ocr page 427

LAGR —;

Verbinding van zekere dingen of wezens, (üudt.) Oorlogstuig. — Ladderboquot;ni, m. (-en). Een van de twee boomen eener ladder, waarin de sporten bevestigd zijn. — Ladderrecht, o. Recht om eene ladder op eens anders grond te zetten. — Laddersport, v. (-en). — Ladder sprong m. (-en). Sprong, welken de veroordeelde doet, als de beul hem den strop om den hals heeft geslagen. — Ladderwagen, m. (-s).

lade, la, v. (laden). Schuifbak in eene kast, enz. (Wev.) Raam. Houten bakje, waarin de loop van het gt-weer sluit. Opening voor den laadstok. (Zeew.) Lade van het roer. — La denk ast, v. (-en). — Lade-ia/fl, v. (-s).

Istden, bw.laadde, heeft geladen.Eenen last in of op iets leggen ; eenen wagen laden. (Zeew.) Bevrachten : een schip laden. Van kruit en kogels voorzien : een geweer laden. De maag Iaden, te veel spijs geven. Het op iem. geladen hebben ; op iem. gebeten zijn.— Laads/er, v. f-s). — Lader, m. (-s). Die laadt. Scheepsbevrachter. Laadlepel. —Lading, v. Het laden, ( en) at geladen is (aan ocord van een schip). Vracht. De hoeveelheid buskruit om een geweer, enz. af te schieten. Het buskruit en de projectielen.— Ladingsbrief, m. (..ven).

— Ladingschikker, m. (-s). — Ladings-kosten, m. mv. —Ladingsplaats, v. (-en). —- Ladingepoort, v. (-en). — Ladings-stroom, m. (-en). (Electr.).

v. (-'s). Voorname engelsche

vrouw.

listen (Zgt;. y. Ton der), 1759-1829, Zwolle. Landschapschiider.

l^aor {P. van), 1613-1074. Holl. schilder van landelijke toooeelèn.

JLjiei [J. J. de). 1815-1801, Antwerpen. Werkend lid der K. VI. Akademie. Een der aanvoerders dt r VI. Beweging. '/ Huis van IVesenbeke (1842).

lal', bn. bijw. Niet genoeg gezouten, smakeloos : laffe spijzen. Drukkend, zeer warm : laf weder. Zouteloos, ongegrond : laffe woorden. Dwaas : laffe vleierij. Blood : lat mensch. Zondtr moed. Laag. Verachtelijk. — Lafaard, m. ( s). Lafhartig mensch. — Laf ach tig, bn. — Lafbek, m. (-ken). Jonge dwaas —Lajfehjk, bijw.— Lafhartig, bn. Blood. Zonder moed. — Lafhartige, m. en v. (-n).—LaJhartigheid, v. — Lafhartige ijk, bijw. — Lafheid, v. Smakeloosheid. Lathartigheid. (..heden) Dwaze handt lingen IJdele woorden. — Laf moedig, bn. — Laf moedigheid, v. — Lafmoediglijk, bijw.

larcnls, v. (-sen). Verkwikking. Ver-frissching. Leniging.

latf on, bw. iaagde, heeft gelaagd. Verminderen. Vernederen.

ls«eenlcs;ff«gt;'i ni. (-s). Die valstrikken legt.

laecr, m. Lagerwal. — Lagereind, o.

— Lager hand, v. Linkerhand. — Lagerhuis, o. Zie Hoogerhuis. —Lagerwat, m. Plaats, waar een schip onder den wind is. Aan lager wal zijn : achteruit zijn in zijne zaktn.

losurransre (J. L.), 1730-1813, Turijn. Fransch wiskundige. Méthode des varia-

S5 — LAKM

Hons (1757); Theories des Jonctions ana~ lytiques.

IjstircAso {G. de), 1641-1711, Luik. Historieschilder en schrijver. Als schilder : Achilles door f/lysses ontdekt; Instellingvan het h. Sacrament. Als schrijver : Het groot schilderboek (1707'.

lak, bn. Weelderig, welig. Laf. Zouteloos.

lak, v. (-ken). Gebrek, fout, misslag.

lak, o. (-ken). Doorzichtige gom ot hars (om er mede te vernissen). Zegellak. — Lakachtig, bn. — Lakhars, o. — Lakken, bw. lakte, heeft gelakt. Toe-, dichtiakken. Met zegellak sluiten. Vernissen, glanzen.

— Lakker, m. (-s). — Lakkleurig, bn. — Laksel, o. (-s). Het gelakte. — Lakster, v. (-s). — Lakstof, v. — Lakverf, v. (..ven).

— Lakvernis, o. (-sen). — Lakwerk, o. Verniste voorwerpen. — Lakzuur, o.

lak, m. Valsche beschuldiging.

lakoi, m, (-en). Lijf knecht. Voetknecht.

lakeu, v. (-s). Bloedzuiger.

laken, o. (-s). Vierkant stuk linnen, enz., dat op een bed gespreid wordt. (Zeew.) Zeil. Het gaat vlak voor het laken : wij hebben den wind van voren.

laken, o. Effen of met keperbinding geweven stof van wollen garen, wier oppervlakte zich wollig, viltachtigen dicht voordoet. (-s) Soorten van laken. — Lakenachtig, bn. —Lakenbereid'r, m. (-s). — Lakenbereiding, v. — Lakenen, bn. — Lakenfabriek, v. (-en). — Lakenfabrikant, m. (-en). — Lakenhal, v. (-len). — Lakenhandel, m. — Lakenhandelaar, m. (-s).

— Lakenkaarde, v. (-n). — Lakenkooptr, m. (-s). — LakenkonpmanschaP, v. — La-kenkoopster, v. (-s). — Lakenkrasser, m. (-s). Lakenbereider. — Lakenmaker, m. (-s). — Lakenmerker, m. (-s). — Laken-monster, o. (-s). — Lakennaald, v. (-en).

— Lakennoppen, o. — Lakennopper, ra. (-s). — Lakennopster, v. (-s). — Laken-pers, v. (-en). — Laken perser, m. (-s). — Lakenraatn, o. en v. (..amen). — La^en-ratyn, o. Zekere stof. — Lakenrekker, m. (-s). — Lakenrouiuer, m. (-s). Lakenbereider. — Lakensaai, o. Zekere stof. — Lakensarge, v. Zekere stof. — La.kensch, bn. — Lakenschaar, v. (..aren). — Lakenscheerder, m. (-s). — Lakensmj'der, m. (-s).—Laken speld, v. (-en). — Lakenstem-pcl, m. (-s). — Lakenstempelaar, m. (-s).

— Lakenvelder, m. en v. (-s). —Laken-veldsch, bn. Lakenveldsche koe : koe, die in 't midden wit is, terwijl het achterste en voorste gedeelte van haar lichaam zwart, bruin, enz. zijn. — Lakenverkooper, m. (-s). —Lakenverkoopster, v. (-s). — Lakenverver, m. (-s). — Lakenverfster, v. (-s). — Lakenververij, v. (-en). —Laken-voller, m. (-s). — Lakenwever, m. (-s).— Lakenweverij, v. (-en).—Lakenwinkel, ra. (-s).

laken. bw. laakte, heett gelaakt. Afkeuren. Misprijzen. Verachten. — Laak-ster, v. (-s). — Laker, ra. (-s). — Laking, v. (-en).

lakkri*, lakkeris, o. Zoethout. — Lakkrissap, o.

lakmoe», o. Roodachtig blauwe verf-


ocr page 428

LAMA — 3

stof. — Lakmoesblauw, o. — Lakmoesfa-briek, v. (-en). — Lakmoes fabrikant* m. (-en). — Lakmoesmaker, ra. (-s). — Lak-moesmakery, v. (-en). — Lnkmoespapter, o. — Lakmoesplant, v. (-en). Zonnebloem.

— Lakmoestiuctuur, v.

Isikooi, v. (-en). Violier. — Lakooi-bloem, v. (-en). —Lakooienbed, o. (-den).

— Lakooienzaad, o.

IsakH, bn. Zorgeloos. Onbedacht: laks mensch.

Ijulsting: {M. dr). Prinses van Espinoi. Verdedigde met dapperheid, in de afwezigheid van haren gvm;ial, de stad Doornik tegen de Spanjaari;s, en werd, na een beleg van eene maand, tot overgaaf gedwongen (1551).

IjsUstiKlè (7. J. L. dé'), 1732-1807,^ Bourg. F ansch Sterrenkundige. Traité d1 astronomie (1764).

111, o. (-mers, -meren). — [Lanune-ken, o. ( s), lammetje, o. (-s)]. Jong schaap. Zachtaardig mensch. Het Lam Gods : Jezus Christus. — Lammeren, ow. lammerde, heelt gelammerd. Lammeren werpen. — Lammerenhout, o. Jeneverboom. — Lammergang, m. (-en). Telgang (bij dieren). — Lammergier, jn. (-en). Roofvogel {gypaëtos ba* batus). Een der grootste vogels in JfJuropa. Bewoont de toppen der bergen van Zwitserland, enz. Voedt zich met gemzen, geiten, schapen, enz. — Lammermarkt, v. (-en). — Lam-mertjesbaai, v. Soort van fijne baai. — Lammertjespap, v. Bloempap. Meelpap.

— Larnmerzacht., bn. Zoo zacht als een lam. — Lammerzi et, bn. Zoo zoet als een lam. — Lammetjesuoren, o. mv. Vcldspi-nazie. — Lamsbout, ra. (-en). — Lamsge-braad, o. — Lamshersenen, v. mv. — Lamshoofd, o. (-en). — Lams kop, m. (-pen). — Lamskzvartier, o. (-en). Vierde van een lam. — Lamslong, v. (-en). — Lamsoory o. en v. (-en).—Lamspoot, m. (-en). — Lamstong, v. (-en). — Lams-vacht, v. (-en). — Lamsvel, o. (-len). — Lamsvleesch, o. — Lamsvlies, o. (..zen).

— Lamswol, v. — Lamszvorst, v. ( en).

lam, bn. bijw. Geheel of gedeeltelijk

van beweging beroofd: hij heeft eene lamme hand. Zonder kracht : lamme vent. Van gegrondheid beroofd : lam bewijs. Lam vers : vers, dat niet vloeiend is. Beroerd.

— Lamgat, m. en v. Luiaard. —Lamheid, v. Het him zijn. (..heden) Gebrekkigheid. Stroefheid (van stijl). — Lamlende, m, en v. (-n). Die lendwnlara is. — Lamlendig, bn. Zwak, slap in de lenden. Lui. — Lamlendigheid, v. — Lammeling, m. en v. (-en). Lam persoon. Luie, akelige, beroerde kerel. — Lammelinge, v. (-11). — Lamme lot, m. en v. (ten). Lui, akelig persoon. — Lammelottig, bn. — Lamme-lottigheid, v. — Lammigheid, v. (..heden).

— Lampoot, m. en v. (-en). Luiaard. — Lamzalig, bn. bijw. Ellendig. — Lamzaligheid, v.

lamu, m. (-'$). Priester, opperpriester (Indië).

lama, v. ('s^ Herkauwend langhalzig dier (auchenia lama), dat getemd, een *cer nuttig huis- en lastdier wordt. Leeft in

6 — LAMP

Zuid-Amerika. — Lama, v. Stof van do wol dor lama's vervaardigd.

lamaiittJn, m. (-en). Walvischachtig zoogdier \manatus), dat de grootste sti 00-men van Zuid-Amerika bewoont en zich met planten, inz. met gras voedt.

Ijïtmarolc B. A. P. lionet de), 1744-1829, Bazentm (Picardië). Natuurkundige Fiore prancaise (1780); Recherches stir I'S causes aes prmcipaux Jaits physiques.

]j»martln« {A.M.L.P. t/er), 1790-1869, Ma^on. Fr. dichter en staatsman. Médi-tationspoétiques (1823); Harmomes poé-tiques et rehtrieuses (1830); Jocelyn (1036); H is to ire des Girondins.

liaml»ca«ix {J.), 1852, Antwerpen. Beeldhouwer. AI on u mentale fontein (Groote Markt, Antweipen, i887-'88) ; de menschelijke hartstochten (1892).

hm (/(.), 64o(?)-7o8, Maastricht. Bisschop aldaar. Vermoord door Dido (Luik, 708).

lamlgt;ik, m. Soort van bier. l^ambrecht (y.), i49i(?)-i553(?). Gent. Nederlandse he speihjnghe, uutghesteld bij vragheende andw- orde (1550).

liUiiilgt;rcolit (//. K.), 184Ö-1889, Welden. Bisschop (Gent). Verklaring van den Mech else hen Ca tech ism us (1881).

lambrizeercu, bw. lambrizeerde, heeltgelambrizeerd. Met houtwerk beschieten, — Lambnzeering, v. (-en). Houten beschot. — Lambrizeersel, o. — Lambri-zeerwerk, o. Beschotwerk.

Ismiwr, v. (..eren). Klappei. Babbelaarster. — Lameeren, ow. lameeide, heeft gelameerd. Klappeien. Babbelen.

ow. laraeinde, heeft gela-meind. Langzaam en traag spreken of üan-delen. Klagen zonder reden. — Lamein-achttg, bn. bijw. — Lame me, v.

Xiaiiieniiais (//. P. R. de), 1782-1854, S1 Malo. Fr. wijsgeer en letterkundige. Bs-sai sur Vindifference en matière de religion (i8i7-,23); Paroles d^uri Croyant (1834).

lameuteoren, ow. lamenteerde, heeft gelamenteerd.Weeklagen, jammeren.Kermen. — Lamentabel, bn. bijw. Beklagenswaard. — Lamentatie, v. (..iën, -s). Jammerklacht, weeklacht. Gejammer, gekerm.

— Lament o, bijw. (Muz.) Zeer aanuoenlijk.

— La?/ientoso,oijw. (Mnz.) Klagend, lamfer, m. en o*. ( s). Rouwsluier.

Rouwfloers. — Lamfer en, bn — Lamferverhuurder, m. (-s). — Lamfer vu erker, m. ( s).

lammcrnoot, v. (..oten). Soort van hazelnoot.

lauiocn, o. ( en). Disselboom mettwe® armen, waar het paard in gespannen wordt.

— Lamoenslok, m. (-ken).

l^amoricrèrc {C. L.L.de), 1806-1865,

Nantes. Fransch generaal. Opperbevelhebber van 't pauselijke leger.

l^amorlui^re C?. P. P-), 1828. Belgisch schilder.

lauip, v. (-en). Toestel, waarin men olie door middel van lemmet brandt en dat dient tot licht. Dat riekt naar de lamp . aan dit werk is veel tijd besteed. — Lampedra-


ocr page 429

- 38/ -

LAND

LAND

feyey% m. (-s). Toestel, waaraan eene lamp angt.—Lavipeglas, o. (..zen). — Lmn-pekap, v. (-pen). — Lmnpekleedje, o. (-s).

— Lanipekousje, o. (-s).—Lampenfab' iek, v. (-eni. —• Lampenfeesty o. en v. (-en). — Lampenist, lanipisi, in. (-en). Die de lam-pen aansteekt. — Lampenkatoen^ o. — La vip en m aker, m. (-s). —Lampenverkoo-pet-, m. (-s). — Lampepyp, v. (-en). — Lampepit, v. (-ten). — Larnpeschaar, v. (..aren). — Lamp et uit, v. (-en). —Lampfeest, o. en v. (-en). — Lampkatoen, o. — Lamplicht, o. — Lampmicroscoop, m. (..open). — Lampolie, v. — Lampspelen, o. Soort van volksspel (bij de oude Grieken). — Lampzzvart, o.

l:iinput, o. (-ten). Waterkan. Wasch-kan. —Lampetkan, v. (-nen). — Lamp-t-kotn, v. (-men). —Lampetschotel, m. (-s).

— Lampetten, ow. Umpette, heeft gelara-pet. Drinken.

liUinpi {J. B. ridder vrn), 1751-1825, Romeno (Trente). Oostenrijksch historie-en portretschilder.

laiui»ion, v. (-s). Vetpotje. Verlich-tingstflas.

lamprei, o. (-en). Jong konijn.

lamprei, v. (-en). Kraakbeenige visch {petmmyzon marinui), die zich met den bek aan allerlei lichamen vastzuigt. Leeft in zee, doch komt tegen den zomer in onze rivieren.

I^anoelot.m. Arturroraan (zieRoman), bewerkt naar het Normandische proza van Wouter Mop. 't Is een uitgebreid verhaal van de lotgevallen des ridders Lancelot, inz. van de betrekkingen tot konings Ar-tur's gemalin, Ginevra.

Ijanceloot- Abel spel. Zie Spel.

laucet, o. (-ten). (Wondh.) L,aatvlijra.

— Lancetkoker, m. (-$). — Lancetvor-■ntig, bn.

laud, o. Gedeelte der aarde, dat boven het water uitsteekt. Vaste bodem. Het vastel an d (tegen stel ling van ei la nden), H et platteland : de dorpen (in tegenstelling van de steden). Op het land wonen. Grond : het land bebouwen, (-en) Staat. Gewest. Streek. Grondgebied. Het h. Land : Palestina. — Landaanwinning, v. (-en). — Landaard, m. Zeden, gewoonten van een volk, eene streek. Natie. — Landadel, ra. — Landan-ker, o. (-s). (Zeew.) Anker, dat tusschen het land en het schip geplaatst is. — Land-arbeid, ra. — Landbedrieger, ra. (-s). — Landbeschrijver, ra. (-s).—Landbeschry-ving, v. (-en). — Landbewoner, ra. (-s).

— Landbewoonster, v. (-s). — Landbezit, o. — Landbezitter, ra. (-s). —Landbczit-ster, v. (-s). — Landbude, ra. (-n). (Oudt.) Afgevaardigde van het platteland (rolen).

— Landbouw, ra. Akkerbouw. Veldarbeid.

— Landbouwalm, o. — Landbouwen, o.

— Landbotiwend, bn. — Landbouwer, ra. (-s). — Landbouwgereedschap, o. (-pen).

— Landbouwing,v. — Landbouwkunde, v. —Landbouw kundig,hu. —Landbouwkundige, ra. (-n). — Landbouwschool, v. (..olen).—Landdag, ra. (-en). Landsvergadering. — Landdeken, ra. (-s, -en). — Landdekenschap, o. — Landdief, ra. (..ven). — Landdienst, ra. (-en). — Landdier, o. (-en). —Landdievery, v. (-en). — Landdrost, m. (-en). — Landdrost ambt, o. —Landedelman, m. (..lieden). —Landeigenaar, m. (-s, . aren). — Landeigenaar' ster, v. (-s). — Landeigendom, ra. (-men). — Landelijk, bn. bijw. Van het land. Boersch. — Landen, landde, heeft en is geland. Bw. Aan land zetten. Ow. (zijn) Aan land komen. — Landengte, v. (-n).

Smalle strook land, die een schiereiland aan het vasteland verbindt. — Landerig, bn. Wat verveelt. Door verveling «vervallen. — Landerigheid, v. — Landerijen, v. rav. Bebouwde akkers. Velden. — Landgebruik, o. (-en). —Landgedicht, o. (-.en). Veldzang. -- Landqeestelyke, ra. (-n). — Landgemeente, v. (-n). — Landgenoot, ra. (-en). —Landgenoote, v. (-n). — l.mdge-recht, o. —Landgeschreeuw, o. Klachten van een geheel land. — Landgewoonte, v. (-n).—Landgezicht, o. (-en). Landzicht.

— Landgoed, o. (-eren). Bezitting op het land. Buitenplaats. — Landgraaf, ra. (..aven). Zekere titel van een souvereinen vorst. Addellijke titel. — Landgraafschap, o. (-pen). — Landgravin,v. (-nen).

— Land hagedis, v. (-sen). — Landheer, ra. (-en). Grondeigenaar. — Landhoef, v. (..ven), landhoeve, v. (-n). Boerderij. — Landhoofd, o. (-en). (Vest.) Uiteindeeener brug. — Landhoos, v. (..zen). — Landhuis, o. (..zen). Buitenverblijf. — Landhuishoudkunde, v. Wetenschap van den landbouw en al wat er mede in verband staat. — Landhuishoudkundig, bn. — I.andhuishoudkundige, ra. (-n). — Land-hutir, v. (..uren). — Landhuurder, ra. (-s). — Landh uur ster, v. (-s). — Landing, v. (-en). Het landen. Vijandelijke overval. —Landingsboot, v. (-en). — Landingsplaats, v. (-en). — Landingstroepen, m. rav. — Landjeugd, v. — Land-j'onker, ra. (-s). — Landjuffer, v. (-s). — Landj'uweel, o.(-en). Intrede, samenkomst ten prijskamp van de vroegere kamers van rbetonca. (Oorspr. : prijs, een juweel ot voorwerp van groote waarde, van overheidswege door den vorst geschonken, waarom gedongen werd. Later : het feest zelf.) Voornaamste landjuweelen : het landjuweel van Gent (1519), het landjuweel van


ocr page 430

388 —

LAND

LAND

Antwerpen (1561). — Landkaart, V. ( en). — Landkenning, v. (-en). Onderzoek naar de gesteldheid der kusten. — Landkik-vorsch, m. (-en). Zie Kikvorsch. — Land-koit, ra. — Laiidkiecft, m. ( en). — Lattd-k nu de, v. — Land teven, o. — Landt ie-den, m. my. — Landtoopen, o. — Land-lonper,m (-s). —Landtoopery, v.—Landloopster , v. (-s). — Landtucht, v. — Landmaat, y. (..aten). — Landmacht, v. Troepen, die te lande dienen. — Landman, m. (..lieden). Dorpeling. Boer. — Landmeet-kunst, v. — Landmeetstok, ra. (-ken). — Landmeisje, o. (-s). — Landmeten, o. — Landmeter, m. (-s). — Landmetersketting, ra. (-en). — Landmeterswinkel-haak, m. (..aken). — Landmeting, v. —

Sr

Landmilitie, v. — Landmuii, v. (..zen). — Landontdekking, v. ( en).— Landont-gintveri, o. — Landontgmnrr, m (-s). — Landontginnmtr, v — l.andoinu, v. (-en). \V.a«ernjk land of veld, dat derhalve geschikt is voor den aUkerbouw. — Landpaal, m. (..alen). Grenspaal. — Landpalen, m. rav. Grenzen van een land. — Landmacht, v. — Landpachter, ra. (-s). — Landpachtster, V. (-s) — Landplaag, v. (..agen). Algerneene plaag, ramp. — Land-plüger, m. (-s). Dwinijeland. Ondcrdruk-Ker. — Landraad, m. (..aden). — Landra-nonkel, v. (-S). Boterbloem. — Landrat, v. (-ten). —Landrecht, o. (-en). Samenstel van wetten en wette'ijke gehm^ken,. dat (vooral in dc middtl.) in eene bi-paalde-streek als recht gold. — Landrechter^ m.. (-s). — Landregen, m. — Landreis, v. (..zen), landreizr, v. (-n). —Land' entey v. (-n). Grondrente. — Landruiling, v. (-en). — Landsambtenaar, m. (-s, ..aren),

— Landsarchief, o. (..ven). — Landsbe-ambte, m. (-n). — Landsbediende, m. (-n).

— Landsbediening, v. (-en).—Landschap, o. (-pen). Gewest, streek, oord. Schilderstuk. dat een landschap voorstelt. — Landschappelijk, bn. bijw. — Landschapschilder, m. (-s). — Landschapschitderen, o. — Landschapsschri/ver, ni. (-s). Provinciale griffier.— Landscheiding, v. (-en).— Land-schi'dpad, v. (-den). — Layidschool, v. ( .olen).— Landsdief, m. (..ven). — La?ids-goed,o. (-eren). Nationaal goed. Domein.— Landsheer, m. (-en). Souvereine \orst.— Landsheerlijk,bn. —Landshuis,o. (..zen),

— Landskerk, v. (-en). —Landskind, o. ( eren). Inboorling. — Landsknecht, m. ( en). Soldaat. Voetknecht.— Landstasten, m. mv. — Landslied, o. (-eren). Volkslied.

— Landslot, o. (-en). Veilige haven. — Landsmaak, m. — Landsman, ra. (..lieden, ..lui). Landgenoot. — Landsmunt, v, (-en). — Landsoldaat, m. (..aten). — Landsrecht, o. (-en). Recht, gewoonte van een land. — Lanasrechte lijk, bn. bijw. — Landsspraak, v. Taal des lands. Tongval.

— Landstaal, v. —Landstad, v. (..eden),

— Landstorm, m. Algemeene wapening van alle — Landstreek, v, (..eken). Uitgestrektheid laud. — Landsvergadering, v. (-en). — Landsvorst, m. (-en).— La n dsvorstelijk, bn. — Lan ds vors tin, v. (-nen). — Landsvrouw, v. (-en), Souvereine vorstin. Echtgenoote van een souve-reinen vorst. —Landszaak, y. (..aken).— Landtong, v. (-en). Smalle strook land, die in zee uitsteekt. — Landvalling, v. (-en), Landverkenning. — Landverhuisster, v, (-s). — Landverhuizer, ra. (-s). — Landverhuizing, v (-en). — Landverkenning,. v. ( en). (Zeew.) Onderzoek naar de gesteldheid der kust. — Landvermaak, o. (..aken). — Landvet raad, o. — Landverrader^ ra. (-s). — Landvest, v. (-en). (Bouwk.) Stuk hout of ijzerenstang, aan weerszijden van ankers voorzien, ora 't uitwijken van twee muren, enz. te beletten,

— Landvluchtig, bn. — Landvliichhg-heid, v. — Landvolk, o. — Landvoogd, ra. (-en). Bestuurder, beheerder van een land, voor en namens den souverein. Stadhouder, onderkoning, enz. — Landvoogdes, v. (-sen). — Lnndvoogdif, v. — Landvrede, v. Zie Vrede. — Landvrouw, v. (-en). Eigenares van eene pachthoeve. Vrouw van eenen landheer. — Land-vrucht, v. (-en). — Lan waarts, bijw. — Landweer, v. (..eren). Dam. Dijk. v, Algemeene volkswapening. Gewapende macht. — Landweg, ra. (-en). — Landwerk, o. — Landwtj'f, o (..ven). — Landwind, ra. (-en). Zie Wind. — Landwin» ntng, v. (-en). Verovering. Opbrengst van het land. Het verkrijgen van land, door indijking, enz. — Landwording, v. Aanwas aan de oevers eener rivier. — Land-


ocr page 431

LANG — 3!

amp;aaf, m. (..aten). Inwoner eens lands. Inboorling. — Landzicht, o. Uitzicht op het land, op landerijen. — Landziek, bn. Door heimw e aangetast. — Landztcktg, bn. Onaangenaam,vervelend: landziekigwerk. —LandziekteHeimwee.—Landzijdeji.

liïtiKli (G.), 1756-1830, Piacenza. Ita-liaansch schilder. De begrafenis der /1. Maagd; de Apostelen bij 't graf der ten ■hemelgevaren h. Maagd.

lamloritim. v. Zie Kabeljauw.

Ising:, bn. bijw. Tegenstelling van kort ■en breed : lange v\rg. Groot; lange vrouw. Veel : large jan-n geleden. Langdurend : •de dagen word» n lang. Langdradig : lange rede. Hij zal het niet lang meer maken : hij sterft oinnen kort. In het lange : breedsprakig. Met lange tanden eten : niet met lust eten. — Langarm, m. en v. (-en). lem. met lange armen. — Langarmig, bn, — Langhaard, m. (-lt;quot;n). lem , d e een langen baard lu 1 ft. — Langhaar dia, In. — Langbeen, 111. lt; n v. (-en). lem., die lange beenen heeft — Langbeen, m. (-en). Ooievaar.

— Langbeen, v. (Nat. bist.) Hooiwagen.

— langbe*nig, bn. — Langbladig, langbladerig, l)n. —Langdradig, bn. Uit lange draden bestaande. Wijdloopig. Vervelend. — Langdradigheid, v.— Langdurig, bn. bijw. — Langdurigheid, v.

— Langgehoopt, lath.gevreesd, langge-wenscht, bn. — Langhals, m. en v. (..zen), lem., die een langen hals heeft. — Langhals, v. (..zen). Ficsch met een langen hals. Zekere zwemeend. — Langhalzig, bn. — Langhand, m. en v. (-en) lem., die lange handen heeft. — Langhandig, bn.—Lang-.harig, bn. — Langheid, v. — Langhoor-nig, bn. — Langjarig, bn. — Langkin,m. en v. ( nen). lem., die eene lange kin heeft.

— Langlenden, m.cn v. ( s). Lang en dun mer.sch. — Langlevend, bn. — Langlevendheid, v. — Langlnf, m. en v. (..ven). Langlenden. — Langlijvig, bn. — Lang-lip, m. en v (-pen). lem , die lange lippen heeft. — Langhppig, bn. — Langinuil, ra. en v. (-en). Langlip. —Langneus, m. en v. (..zen) lem., die een langen neus heeft. — Langneuzig. bn. — Langoor, m. en v. (-en) lem., die lange ooren heeft. — Langoor, m. (-en). Ezel. — Langoor ig, bn.— Langpoot, m. (-en). Zekere spin. — Langs, vz. Duidt eene strekking in de lengte aan. Bezijden, voorbij, bijw. Hoe langs zoo meer,hoe langs zlt;gt;o grooter.—Langscheeps. bijw. — Langscheepsch, bn. — Langsden-nen, v. mv., langs hut en, o. mv. (Zeew.) Loggers eener helling. —Langsgaan, ow. ging langs, is langsgegaan. Voorbij iem. of iets gaan. — Langslopen. o. — Langslaap-ster, v. (-s). — Langslaper, m. (-s). — Langstoopen, ow. liep laugs, heelt en is langsgeloopen. Voorbij iera. of iets loopen.

— Langsnavel, m. ( s). Vogel met langen snavel —Langsnavelig, bn. —Langspne-tig, bn. Langspiietige insecten. — Langsrijden, ow. reed langs, heeft en is langsge-reden. Voorbij iem. of iets rijden. —l.ang-staatt, m. ( en). — Langstaart ig, bn.— Langstlevend, bn. — Langstlevende^ m. en

v. (-1:). — angsvartn, ow. voer langs, heeft en is langsgevaren. Vooibij iem. of

^ — LANT

iets varen. — Langt arid, m. en v. (en), Iera., die lange tanden heeft. Lekkerbek. Kieskauwer, kieskauwster. — Langtong, m. en v. (-en). Praatziek mensch. — Lang-iongig, bn. — Langvinnig, bn. — Lang-vleugelig, bn. — Langvoet, ra. en v. (-en). Iera. met een langen voet. — Langvoetig, bn. — Langwagen, ra. (-s). Vlt; rbindings-stuk van het voor- en achterstel van eenen wagen. — Langwerpig, bn. Een langen vorra hebbende : een langwerpig vierkant. Een langwerpig rond : eirond. — Langwerpigheid, v. — Langivijltg, bn. bijw. Langdradig. Vervelend. —Langwijligheid, v.

— Langzaatn, bn. bijw. Traag. Niet schielijk. — Langzaamheid, v. — Langzamerhand, bijw.

laiilfoii, bw. langde, heeft gelangd. Toereiken. Aangeven. Halen.

(/gt;), 1683-1756, Haarlem. Dichter \aii blij- en kluchtspelen.

Ijangcr (y. P. von), 1750-1824, Cal-cum. Duitsch historieschilder. Christus, de kinderen zegenende; Lucas, de h. Maagd sch ilderende.

lancet, v. (-ten). Mutsenkant van zeer geringe soort. — Langetmuts, v. (-en).

laiigeveld, o. (Zeew.) Mondstuk. Zeker gedeelte van eenen mortier.

lan^noiKlo, bijw. (Mui.) Smachtend, lauingr, v. (-en). (Zeew.) Deel van de kruitkamer. Loos dek.

lank, v. ( ca). Weeke zijde van den buik (van de looze ribben tot de heup).

laiiliiuoctlig^, bn. Toegevend. Veel kunnende verdragen (alvorens grammoedig te worden). — Lankmoedigheid, v.

liaiinoy {y. C. barones de). 1738-1782, Breda. Dichteres. Aan mijn Geest (heldendicht, 1766).

laiiN, v. (-en). Speer, spies, piek. Eene lans met iem. breken, tegen hem strijden (in 't steekspel), een geschil raet iera. beslechten. — Lansier, m. (-s). Ruiter, met eene lans gewapend. — Lansierskazerne, v. (-u). — Lansknecht, m. (-en). Soldaat te voet, met eene lans gewapend. — Lans-ruiter, m. (-s). — Lansschacht, v. (-en).

— Lansslang, v. (-en). Zeer verg ftige slang. Leeft in de Antillen. — Lans-worp, m.

liau» {J.R- van der), 1855, 's Graven-hage. Novellenschrijver.

laiiMkeuct, o. Naam van een oud kaartspel.

laiiKpcHaat, m. («.aten). Vice-korpo-

raal.

lantaren, v. (-s), lautsiaru, v. (-en). Toestel tot verlichting, (liouwk.) Glazen dak. — Lantarenaansteker, ra. (-S). — Lantarendrager, ra. ( s). Die een lantaarn draagt. Halfvleugelig insect. — Lantarengat, o. (-en). (Zeew.) Hok achter de kruitkamer. — Lantarengeld, o. — Lantarenglas, o. (..zen). — Lantarenijzer, o. (-s). (Zeew.). — Lantarenkaars, v. ( en). — Lantarenkleed, o. (-en). (Zeew.) Dekkleed voor de lantarens. — Lantarenlamp, v. (-en). — Lantarenmaker, ra. (-s). — Lantarenontsteker, m. (-s). — Lantaren-opsteker, m. (-s). — Lantarenpaal, m. (..alen). — Lantarentouw, o. (-en). —


ocr page 432

LARD — 3

Laniarenvutir, o. (..uren). — Lantaren' zetter, m. (-s).

Istiitcrfsintcn, ow. lanterfantte, heeft gelanterfant. Ledig loopen. Straatslijpen. — Lanterfant, m. (-en). Lediglooper. Straatslijper. — Lanterfanter., m. (-s). — Lanteijantery ,v. (-en).—La uterfantster, v. (-s).

Istutcrlii, o. Zeker kaartspel.— Lan-terluien, ow. lanterluide, heeft gelanter-luid. Het lanterluspel spelen.

]2iiilierX»ooiu, lautierpnal. Zie Latieiboom.

lup, m. (-pen). Stuk van iets : een lap laken. Overschot (van een stuk linnen, enz.). Stuk stof of leder, op eenig kleeding-stuk gezet, om het te herstellen, enz. Afhangend brok. Waardeloos voorwerp, vod. Kwab vandelong. (Zeew.) Zeker houtwerk. Zeil : alle lappen uithangen. (Schoenm.) Spons, waarmede het leder gesmeerd wordt. Oorveeg, klap. Zatlap, dronkaard. — Lap-geld, o. Loon voor het lappen. — Lapje, o. (-s). Kleine lap. Zeiltje. Dun gesneden vleesch. Het gaat hem voor 't lapje : het

faataat hem voorspoedig. Icra. voor t lapje ouden, hem voorden gek houden. —Lapkaas, v. (..azen). — Lapkïst, v. (-en). — Laplander, m. (-s). Deugniet. Slechte kerel.— Lapmand, v. l-en). — Lapnaald, v. (-en). — Lap naam, m. (..amen). Bijnaam. Spotnaam. — Lappen, bw. lapte, heeft gelapt. Eenen lap zetten (op). (Zeew.) Kalefaten (een schip). Hechten, bevesti-

5en, vastmaken (aan). Ruw samenvoegen. Iet eenen lap schoonmaken. Stooten : en, vastmaken (aan). Ruw samenvoegen. Iet eenen lap schoonmaken. Stooten : iem. den degen door 't hart lappen. Hij lapt er maar alles uit, dat voor hem komt : tij zegt al wat in zijne gedachte komt. Alles door de keel lappen ; zijn geld in sterken drank verkwisten. Bewimpelen, vergoelijken : hoe zal hij dien misslag kunnen lappen? — Lappendeken, v. (-S). — Lappendief, m. (..ven). — Lappenkist, v. (-en). — Lappenmand, v. (-en). — Lap-penmarkt, v. (-en). — Lappenvogel, m. (-s). Vogel {glaucopes), op Nieuw-Holland, met twee vleezige baardlappen. — Lapper, m. (-s). — Lapper ij, v. (-en). — Lapping, v. — Lapsnijder, m. (-s). — Lap-snijdster,-^. (-s). —Lapster, v. ( s). —Lapwerk, o. — Lapwoord, o. (-en). (Letterk.) Stopwoord. — Lapzalf, v. Slechte zalf. — Lap* alven, lapzalfde, heeft gelapzalfd. Ow. Als een kwakzalver handelen. Bw. Ruw kalefaten. Scheepstuig teren. Bewimpelen, vergoelijken. — Lapzalver, m. (-s). — Lapzalverij, v. (-en). —Lapzalving, sr. Isipiffsiir, bn. Lapidairschrift : in steen

Êehouwen letters. Lapidaii stijl ; korte en ernachtite stijl.ehouwen letters. Lapidaii stijl ; korte en ernachtite stijl.

lupidntic, v. Steeniging.

liSi|gt;Iim*lt;* (/*. S.), 1749-1827, Beaumont-en-Auge. Fr. wis- en sterrenkundige.

]str4icerdi, bw. lardeerde, heeft gelardeerd. Spekken, bespekken, doorspekken. Een goed gelardeerde (goedgevu de) beurs. Met messen gelardeerd, doorkorven. —• Lardeering, v. — Lardeerpriem, m. (-en). — Lardeersel, o. (-s). Spek, dat tot be-spekking dient. —Lardeerspeetje, o. (-s). •^Lardeer spek, o.—Lai deer stukje, o. (-s).

o — LAST

lar^lietto, bijw. (Muz.) Eenigszins-langzaam.

lars:o, bijw. (Muz.) Breed. Afgemeten. Zeer langzaam.

Isiric, v. (Oudt.) IJdele snapster. (Thans): Beuzeling. Zot geklap. — Larie far ie, o. Zottepraat. — Lariemoer, y. (-s). — La-riën, ow. lariede, heeft gelaried. Babbelen. Snappen. — Larierster, v. (-s).

Isirikg, m. (-en), l2(rikKb4gt;OKU, nu (-en). Fraaie boom. Behoort tot de kegel-dragenden. Is in de bergstreken van Zuid-Europa en ook in Azië te huis. Bij ons, waar hij veelvuldig wordt aangekweekt, komt hij ook hier en daar verwijderd voor. De gewone lariks : larix europasa, levert de gewone terpentijn op. — La' iks/iars, o. en v*. — Larikshout, o. — Larikskegel, m. (-s). — Lariksnaald, v. (-en). — Z.a-riksschors, v. — Larikstak, m. (-ken). — Larikzwam, v.

larve, v. (-n). Pop. Ingewikkelde vlinder of rups.

Ias4*li, v. (lasschen). Aan- of ingezet stuk. Samenvoeging (bij smeden, enz.). (Bouwk.) HoutverLind ng. (Timm.) Dekstuk. (Kuip.) Keep. Lits (ie art.). — LascA-haak, m. (..aken). — Laschyzer, o. (-s).

— Laschmes, o. (-sen). — Laschnagel, m. (-s). Spijker. — Laschwoord, o. (-en). Voegwoord.—Lasscken,bw.\aschte, heeft gelascht. Eene lasch inzetten. Samen-, ineen-, bijeenvoegen.Van lasschen (kepen) voorzien. —Lassching, v. (-en).

lawkaar, m. (..aren). Indische matroos of kanonnier in dienst der Engelsche Oost-indische compagnie. Soldaat van de voormalige keizers van Ceylon.

IsHHH (/?.), 1530-1595» Bergen (Henegouw). = Orlando di Lasso, Lass us, enz. Componist. Is zoowe! beroemd door zijne geestelijke als door zijne andere composi-tiën. Magnum opus musicum (1604).

lasso, m. (-'s). Lange lederen riem, of van paardenhaar geslagen koord, in Zuid-Amerika gebruikt om wilde paarden en buffels te vangen.

last, m. (-en). Zwaar voorwerp Zwaarte.. Vracht, lading : den last lossen. Last breken : een gedeelte der lading lossen. Nood : dit land is in last. Spoed : dit lijdt zulken last niet. Schatting, belasting : de lasten van landen en huizen. Bevel : hij heeft mij last gege/en dit te koopen. Bezwaar : hij leeft zich zeiven tot last. Onder den last der jaren gebukt gaan : zeer gevorderd zijn in jaren. Ouder den last bezwijken : de moeilijkheden niet te boven geraken. Den last der zielen dragen : voor de zaligheid der zielen zorgen. — Last, o. (-en). Maat van koopmanschap = 4,000 nederl. pond : do Nederlanders meten hunne zeeschepen bij lasten. Ook eene graanmaat = 30 hectoliters. — Lastage, v. Plaats, waar men waren in schepen inladen of uitlossen kan. Werf, Scheepstimmerwerf. — Lastbalk, m. («en).

— Lastbeest, o. (-en). — Lastbrief, m. (..ven). Dienstvoorschrift. — Lastdier, o. (-en). Dier, bestemd tot het dragen van lasten. — Lastdragend, bn. — Lastdrager, m. (-s). — Lasteloos, bn. — Laslettt lastte, heeft gelast Bw. Bevelen, gelasten.


ocr page 433

LATE — 3

opdragen. Ow. Eenen last helpen dragen.

— Last ezel, ra. (-s). Hij, die al het werk moet doen. — Lastgeld, o. Zekere belasting. Scheepvaartrecht. — Lastgever, m. (-s . — Lastgeefster, v. (-s). —Lastgeving, v. (-en). — Lasthebber, m. (-s). Afgevaardigde. Mandataris. — Lastig, bn. bijw. Hinderend. Onaangenaam. Vermoeiend. Vervelend. Stout, woelziek : een lastige jongen. Een lastig kind : kind, dat zijne moeder geen oogenblik rust laat. Een lastige gast: onruststoker. — Lastigheid, v. — Lastlijn, v. (-en). (Zeew.ï Eerste waterlijn. — Lastpaard, o. (-en). — Last-poor t, v. (-en). (Zeew.) Laadpoort. — Lastpost, m. (-en). Lastige post. — Lastschip, o. (..epen). — Lastsleeper, m. (-s).

— Lastwagen, m. (-s). — Lastzadel, m. (-s). Houten zadel voor lastdieren.

(/gt;.), 1562-16..(?), Haarlem. Schilder. Leermeester van Rembrandt. Rust gedurende de vlucht naar Egypte.

m. Zware beleeuiging tegen iemands eer. Eerroof. Kwaadsprekerij. Achterklap. — Lasteraar, m. (-s, ..aren).

— Last quot;ra ar ster, v. (-s). —Laster achtig, bn. — Lasterboel, m. Troep lasteraars. — Lasterdamd, v. (..aden). — Lasterdicht, o. (-en). — Lasteren, bw. lasterde, heeft gelasterd. Iemands eer of goeden naam schenden, met kwaad te zeggen, dat valsch is. — Lastering, v. (-en). Het lasteren. Lastertaal. — Lasterlijk, bn. bijw. — Las-terviond, m. en v. (-en). Lasteraar, lasteraarster. — Lasterpen, v. (-nen). — Las-terrede, v. i-nen). — Lasterschrift, o. (-en). — Lasttrsmet, v. (-ten). Smet, door laster veroorzaakt. — Lasterstuk,o. (-ken).

— Lastertaal, v. — Lastertong, m. en v. (-en). Lastermond. — Lasteriuoord, o. (-en). — Laster ziek, bn. Geneigd tot lasteren. — Lasterzucht, v.

Int, v. (-ten). Lang, smal en gewoonlijk plat stuk hour. — Latten, mv. (Zeew.) Roosierlatten. Hij hangt aan de latten, is op het punt van bankroet te gaan. Er zijn latten aan het huis : zij luisteren ons af. — La'boom, m. ( en). Tegen latwerk geleide boom. — Latnaiiel, m. ( s). —Latspijker, m. (-s). — Latten, bw. latte, heelt gelat. Belatten. — Lattenstek, o. (-ken). — Latwerk, o. Al wat met latten gemaakt is.

IsUaanbooin, m. ( en). Braziliaan-sche palmboom {la tan ia).

latafel, v. (-s). Ladetafel.

laten, bw. liet, het ft gelaten. Iets niet veranderen : de deur open laten. Achterlaten, niet medenemen : hij lietzijn reisgoed in het rijtuig. Overlaten, afstaan, 'tzij vrijwillig of gedwongen : ik kan het voor uien prijs niet laten, de vijand motst het veld laten. Toelaten, vergunnen : laat uw kind meer vrijheid. Oorzaak zijn, of maken, dat iets geschiede : ik liet hem weten, hij liet zijnen zoon eenen nieuwen rok maken. Zijnen knecht laten gaan ; hem zijn afscheid geven. Nalaten : het jeneverdnnken laten. Loozen : een zucht laten, zijn water laten. Aderlaten : bloedlaten. lem. laten varen, zich niet meer met hem bemoeien of inlaten. Hij liet daar veel geld (tengevolge van verteringen). Hij moest er het leven

i — LAUR

laten : hij moest er sterven. Laat mij leuren : sta toe, dat ik leere. Laat ik leeren : dat ik leere. Gevolgd van eene onbepaalde wijze beteekent laten meestal doen : een boek laten binden, de zeilen laten vallen.

— Laten, o. Het doen en het laten : handelingen, gedragingen. — Laten, o. Het aderlaten. — Latinfgt;, v. (-en).

latent, bn. Onzichtbaar. Verborgen. Latente warmte : gebonden warmte.

later, bn. bijw. In het vervolg. Na verloop van zekeren tijd. Tot later tijd. Nieuwere : latere berichten.

lateraal, bn. Zijdelingsch. Laterale deur : zijdeur. Lateraal spoor : zijspoor. Laterale bloedverwanten : zijdelingsche bloedverwanten.

liSiteraau, o. Paleis van den Paus te Rome, zoo geheeten naar eene oude Ro-meinsche familie van dien naam, welke in het bezit was van het gebouw en het plein, waarop het staat.

latierboom, m. (-en). Boom, welken men tusschen de paarden hangt in den stal.

— Latierpaal, m. (..alen).

l^atUu» o- De Latijnsche taal. — Latijnen, m. mv. De bewoners van Latium (dat gedeelte van Italië, hetwelk ten Zuiden van den Tiber ligt tusschen de Alpennijnen en de Tyrrheensche Zee. Schrijvers, die in 't Latijn geschreven hebben. — Latynsch, bn. De Laüjnsche taal. — Latijn zeil, o. (-en). Driehoek g zeil. Was bij de Latijnsche volkeren veel in gebruik. — Lati~ nistne, o. (-n). Latijnsche wending of uit-diukking. Latij'isch taaleigen. — Latinist, m. (-en). Die bedreven is wi de Latijnsche taal. Leerling eener Latijnsche school. — Latiniteit, v. Latijn, Latijnsche taal. Latijnsche taalkunde.

latitude, v. Oeographische breedte, latoeu, o. Geelkoper.

lat*, v. (-en), lat*e, v. (-n). Breede broekklep. Voororoek.

latuw, v. Plantengeslacht (/«c/wca), tot de familie der samengesteldbloemigen he-hoorende. Onder de verschillende soorten van latuw is vooral belangrijk de in vele verscheidenheden gekweekte l. sativa, onze kropsalade* — Latuwachtig, bn. — Lat utu bitter, o. — Lat uw salade, v. — Latuivsap, o. — Latuwsiroop, v. — Latuwzaad, o. — I^atuwzuur, o.

laudanum, o. Pijnstillend middel. Mengsel van opium met Malaga-wijn. lauden, v. mv. Lofzangen.

laureaat, ra. (..aten). Bekroonde. Gelauwerde. Overwinnnar. Prijswinnaar.

I^aurent {F.), 1S10-1887, Luxera-buig. Belgisch rechtsgeleerde. Hoogleeraar (Gent). Etudes sur l* hist oir c de V huma-nité (i850-'70) ; Principes de droit civil (i869-'79) ; Droit civil international (I88I-'82).

laurier, ra. (-en). Altijd groene, 3 tot 8 ra. hooge heester of boom {laurus nobi-lis) van Z.-Europa, Klein-Azië en N.Afrika. Zijne bladeren hebben een specerij-achtigen geur en worden als toevoegsel bij vele spijzen gebruikt. Lauwerkrans. — Laurierachtig, bn. — Laurierbes, v. (-sen). — Laurierbezie, v. (..iën). — Law


ocr page 434

LA.VE — 39

rierblad, o. (-eren). — Laurierboom, m. (-en). — Latirifrbosch, o. en m. (..sschen). — Lauriereny bw. laurieide, hreft gelau-rierd. Lauw* ren. — Laurier hou f, o. — La7irierkanifer, v. — Laurierkers, m. (-en). Struik of kleine boom {prunus lau-■rocerasus) vjtn Perzië, den Kaukasus en Klein-Azië. Komt in Z.-Europa verwilderd voor en wordt daar als ook in meer noordelijk gelegen landen meermalen in de tuinen aangekweekt. Behoort tot de amandel-achtigen. — Laurier kei s, v. (-en).'Viucht van den laurierkers. — Laurierkerszvater, o. Zeer verdoovend geneesmiddel. — l^au-rierkrans, m. (-en). — Laurierkroon, v. (..onen). — Laurierolie, v. — Laurierroos, v. (..ozen). Oleander, — Lauriertak, m. (-ken).

Istuvr, bn. bijw. Drukt den minsten graad warmte uit in water, enz. Kalm. Koel. Zonder ijver. Onverschillig. — Lauwoch-iig, bn. — Lauwe lijk, bijw. Een weinig lauw. — Lauïuen, lauwde, heeft en is ge-lauwd. Bw. Lauw maken. Ow. (zijt ) Lauw worden. —Lauwheid, v. —Lauwte, v.

lauwdaat, ladaat, v. (..aten). Lui wijf. — Lauwdaatachtig, bn. bijw. Traag. Lui.

latmver, m. (-en, -s). Laurier. Laurierkrans. Eerepalm. Pi ijs. Onderscheiding. Bekroning. — Lauivet en, bw. lauwerde, heeft gelauwerd. Met lauweren kronen. Loven, prijzen.

XiSiiMvorH (J. J.), 1753 1800, Brupge. Schild»r vau landschappen en huiselijke talereelm.

JLsiiMvorMzec, v. Zeeboezem aan de Nederl. kust tusschen Gror.ingcn en friesland.

lava, v. Gloeiend vloeibare massa's, die bij vulkanische uitbarstingen uit de ingewanden der aarde stroomen en vei\olgens bij afkoeling verstijven. Zelfstandigheid uit lava bereid, waarvan verschillende voorwerpen worden vervaardigd.— Lavabakje, o. ('s). — Lavagias, o. — Lavapyp, v. (-en). — Lavastroom, m. (-en).

lavabo, o. (-'s). Waschtafel. liavalvlto (il/. C. de), 1769-1830, Parijs. Schuldig verklaard aan hoogverraad, werd hij echter uit de gevangenis gered door zijne gemahn, die er zich in zijne plaats opslcot.

lavas, v. (-sen) Overblijvende scherm-bloemige plant {ligusttcuvi levisticutn), die in Z.-Europa te huis behoort. Wordt niet zelden in de duinen en bij boerenwoningen aangetroffen. De gewone lavas {ligusticum officinale). — Lavas, v. Zekere drank uit de lavas bereid. — Lavasdrank, ra.

Lavator (^. C.), 1741-1801, Zürich. Gelaatkundige. Physiognoviische Frag-meute zur Beforaerung der Menschen-kenntmss undAlenschenliebe (1775).

lavceren, ow. laveerde, heeft gelaveerd. li een en weder tegen den wind opzeilen. Zich naar de omstandigheden schikken. De dionkaard laveert langs de straat. Dralen. Uitvluchten zoeken.

laveer*» 11, bw. laveerde, heeft gelaveerd. (Teekenk.) Wasschen.

! — LAZU

lavei, v. Verlof : iem. lavei geven. Lavei steken : het werk staken om booger loon, lt; nz. te bekomen. — Lavei, m. Nacht-jacht : op iavei zitten. — Laveiet, ow. laveide, heeft gelaveid. Ledig loopen. Het werk staken. Op het wildstroopen uitgaan.

— Laveier, m. (-s).

Ijaveleye (■£quot;. de), 1822-1892, Brugge. Staathuishoudkundige. L1 avenirre/irieux despeuples civilisès (1^76) ; le socialisme contemporain (1881); Elén.ents d1 économie politique (1882).

lavement, o. (-ten). Spuitmiddel. laven, bw. laaide, heeft gelaafd. Verkwikken (inz. door het brengen van eenig vocht op de lippend. Ondersteunen, helpen.

lavendel, v. Haifheester {lavendula angustifolta). Behoort tot de lipbloemigen. Bioeit in Juli en Aug. Groeit in de droge en bergstreken van Z.-Europa. Wordt in verschillende streken van M. Europa, ook bij ons te lande gekweekt. De bloemen worden gebruikt tot het bereiden van zeker water, olie, enz. — Lavendelblauw, bn. o.

— Lavendelbloem, v. (-en). — Lavendelgeest, ra. — Lavendelgeur, m. — Lavende Igr oen, bn. o. — LavendeIkruid, o. — Lavendelolie, v. — Lavendthetik, ni.

— Lavendelwater, o.

laviM, o. Gewasschen teekening. LavolHier [A. L.), 1743-1794, Parijs. Scheikundige. Opuscules, physiques et chivuques (1774); Traité élémentaire de chimie (1789).

lawaai. Ia weit, Iaw||t, o. Rumoer. Geraas. Getier.

lawine, v. (-n, -s). Sneeuwval. Sneeuw-stortinp.

I^awrenee [Th.), 1769-1830, Biistol. Engel-ch portretschilder.

laxaii», o. [laxantia), laxatief', o. (laxatieven, laxativa). Buikzuiverend middel.—Laxatief, bn. Purgeerend.—Laxeer-dtank, ra. (-en). — Laxeeren, laxeerde, heeft gelaxeerd. Bw. Oplossen, afvoeren, zuiveren.Ow. Ontlasting hebben.—Laxeermiddel, o (-en). — Laxeerpillen, v. mv.

lazaret,o. (-ten). (NaarLazarus). Pest huis. Ziekenhuis, inz. voor lijders aan be smettelijke ziekten. Gebouw in zeehavens, waarin eenen tijd lang zulke personen worden gehuisvest, die uit plaatsen komen, welke men van besmetting verdacht houdt. Huis, waar veel zieken zijn.— Laznrig, bn. Besmet met melaatschheid. — Lazarus, m. Weid door den Heiland tot het leven teruggeroepen, na vier dagen begraven geweest te zijn. (-sen) Melaatsche. — Lazarus, bn. Lazarig. — Lazarushoojd, o. (-en). Hoofd met kwaadzeer. — Lazarushuis, o. (..zen). Leprozenhuis. — Lazarusklap, ..klep, v. (-pen). Klep, door de raelaatschen gebruikt, ora de voorbijgangers te waarschuwen, heYi te ontwijken, boort van zeer kunstig gedraaide schelp.

— Lazaruszeer, o. ^lelaatschheid. — Laze rig, bn. Lazarig.

l^azaroni, Ijaz^aroni, ra. mv. Bedelaars (in Napels, enz.), die deels van last-dragen, enz., deels door bedelen aan den kost komen.

lazuur, m. (..uren) (steen); o. (stof).


ocr page 435

LEDE — 3lt;

Delfstof, bekend om hare heerlijke blauwe kleur en om de fijne polijsting, welke zij aanneemt. — Lazuren, bn. — Lazuur, bn. bijw. Lazuurkleurig. — Lazuurblauiv, o. Donkerblauwe kleur. —Lazuurgervelf, o. Hemel. — Lazuu* kleur, v. — Lazuur-kleurig, bn. — Lazuursteen, ra. (-en). Lazuur. — Lazuurver7iig% bn.

latzzi, v. rav. Vernuftige zetten. Kwinkslagen.

leader, m. (-s). Leider, aanleider, aanvoerder, hoofdman. — Leading-article, o. (-s). Hoofdartikel (in een dagblad). Leading-articles : waren, die goeden aftrek hebben.

leb, v. (-ben), lel»be, v. (-n) Lebmaag. Zuur geworden melk (in de lebmaag van vaarzen, enz.), die gebruikt wordt om melk te doen stremmen. — Leb, v. Slappe buikzijde van eenen visch (nadat het ingewand er is uitgenomen). — Lebaal, v. (stofn.), m. (..alen (voorwerpsn.) Zekere aal met een puntigen kop. — Lebbig, bn. Naar de leb smakende. — L'bbizheid, v.

— Lebklier, v. (-en). — L'bmaag, v. (..agen). De vierde of eigenlijke maag bij herkauwende dieren, waarin de spijsvertering plaats heeft.

lelrbiff, bn. bijw. Spijiig, smadelijk, beleevligend, overmoedig : een lebb g antwoord. — Lebbigheid, v. (..hedeo). Smadelijke bejegening.

Ijebruu, 1° [CA.), 1619-1690, Parijs. Historieschilder. Batnillcs d*Alexandre.

— 2° (£■.), 1729-18 7. Parijs. Lierdichter.— 3° (C/i. F.), 1739 1824, S1 Sauveur. Siaats-man.

Ijeeonle lt;le Iji^Ie (C. J/.), 1820-1894, eiland Bourbon. Fransch dichter. Poèvies antiques ; Pamp;ènics bar bar es (1802) ;

Poe mes iragiques (186^). Vei taalde Homerus, bophocles. Tü.-ocritus, enz.

leetie, v. (..iën). Lezing. —Lector, m. (-en). Voorlezer. — Lectoraatt o. Een der vier lagere orden, waatdoor men de macht ontvangt lessen uit de h. Schrift, uit de hh. Vaders, enz. tot stichting der geloovigen te lezen en brooden en nieuwe vruchten te wijden. — Lectuur, v. Het lezen. Belezenheid .

ledebrastk, leebraalt, v. Zeer zware arbeid. — Leiiebraken, leebraken, ledcoraakte, heelt geledebraakt. Ow. Zijne leden breken. B\v. Teisteren.—Ledebra-ktg, bn. Moeilijk. — Ledebreken, leeore-ken, leebraken, ow. (Alleen in de onbepaalde wijs). — Ledebrekend, leebrekend, bn. Vermoeiend. Afmattend. —Ledebreuk, v. Breuk van eeniglid. — Ledetnan. Zie Leeman. — Ledematen. Zie Lidmaat. — Le denpy'n, v. Pijn in de ledematen. — Leden-vang, ra. Kromming in de ruggegraat. — Ledenzetter, m. (-s). Die ontwrichte leden zet. — Ledepop, v. (-pen). Pop met beweegbare leden. — L''dewater, leewater, o. Gewrichtsvocht. Ziekte, die uit overvloed van ledewater ontstaat. — Ledewaterzucht, v.

li^desraiiclt, 10 ^-•)» i8O5-I847, Eekloo. Dichter. Lof der Schilderkunst (bekroond, 1828;; de Linnenmakerij (bekroond, 1830); Zegepraal van 'i Lands

5 — LEDI

onafhankelijkheid (bekroond, 1834) ; dlt;e drie Zustersteden (1846); het burgerlijk

Wetboek (1841). — 20 Zijn zoon {K.)% 1843, Gent. Genet sheer (Brussel). Letterkundige.

— 30 Zijn neef (//. S.), 1840, Eekloo. Schilder en schrijver. Betsv de Wees (drama, 1868); IVel en wee (1881).

leilokant, ledikant, o. en v*. (-en). Losstaande slaap- of bedstede. — Lede-kan tbehangsel, o. ( s). — Lede kant i or-dyn, v. (-en). — Ledekantenmaker, m. (-s).

leder, leer, o. Bereide huid van dieren. Van eens andermans leer is het goed riemen te snijden : het is gemakkelijk te beschikken over iels. dat een and«-r toebehoort. — Le(d)erachtig, un. — Ledet bereiden, o. — Lederbereider, m. (-s). — Leder bereidster, v. (-s:. —Le (dj eren, bn.

— Leder ge ld, o. Geld, van leder gemaakt. Zekere noodmunt. — Ledergoed, o. De lederen riemen aan het paardentuig, het leder aan militaire kleeding, enz. — Lederhandel, m. — Lede* hout, o. Heestertje {dirca pa lustris) van N.-Amerika, dat in moerassige streken voorkomt, lieelt zijnen naam te danken aan de groote taaiheid cn buig/aamheid zijner takkt-n. — Lederhuid, v. Onderhuid. — Leder kat per, m. (-s). Karper (cyprinus nudus ot coriaceus), die in het geheel geene schubb- n heeft. — Lederkooper, ra. (-s). — Leder ko pster, v. (-s). — Ledersn.ppers, ra. mv.—Lederwerk, o. Ledergo.-d.

led eram, o. Zie Lidgras.

ledig?, lees:, hn. bijw. Niet gevuld, tegenstelling van vol : ledig vat. Nitt beladen : met ledige kar terugkeeren. Onbebouwd : daar ligt veel ledige grond. Onbewoond : ledig huis. Uitlating vin een boek): een ledige plaats. Zonder bepaalde bezigheid : hij heelt veel ledigen tijd. Zonder werk : hij loopt sedert lang ledig. — Ledig,


ocr page 436

LEEK — 3

o. Ruimte. Het vrije. — Ledtgdragen (i), bw. droeg ledig, heeft lediegedragen. Dragend iets ledigmaken. — Ledigen, leegen, bw. ledigde, leegde, heeft geledigd, geleegd. Ledigmaken. — Lediggang, m. — Ledigganger, m. (-s). — Lediggangster, v. (-s). — Ledigg ie ten, bw. goot ledig, heeft lediggegoten. Gietende ledigmaken. — Ledigheid, v. —Lediging, v. — Lediglyk, bn. — Ledigloopen, ow. liep ledig, heeft en is lediggeloopen. Door het wegvloeien van vocht ledig worden : het vat is lediggeloopen. Werkeloos zijn, niets uitvoeren : hij heeft heel de week lediggeloopen.—Ledigtooper, ra. (-s). — Ledigloopster, v. (-s). —Ledigmaken, bvV. maakte ledig, heeft lediggemaakt. Ledigen. Iets van den inhoud ontdoen. — Ledigpofn-£en, bw. pompte ledig, heeft lediggepompt. Fompende ledigmaken. — Ledigpuiten, bw. putte ledig, heeft lediggeput. Puttende ledigen. — Ledigscheppen, bw. schepte ledig, heeft lediggeschept. Door scheppen ledigmaken.—Ledig staan, ow. stond ledig, heeft lediggestaan. (Van zitplaatsen) onbezet zijn. (Van personen) Niets verrichten, niets uitvoeren. — Ledigzitte.n, ow. zat ledig, heeft lediggezeten. Niets uitvoeren. Niet werken.

leebrststk. Zie Ledebraak.

leed, o. Onaangename gewaarwording (van verdriet, onrecht, enz.). Verdriet, rouw, smart, droefheid : aan iem. zijn leed klagen, leed over iets gevoelen. Kwaad, onrecht: geen leed zal hem geschieden. — Leed, v. Rouw : de leed aanzeggen, kennis geven van iemands overlijden. — Leed, bn. pijw. Hatelijk, bedroevend, smartelijk. Het is mij leed : het smart mij. Iets met leede oogen aanzien : iets ongaarne zien. —Leed-brief, ra. (..ven). Doodbericht. Rouwbrief. — Leeddragend, bn. Rouwdragend. Bedroefd. Smartelijk. — Leedgras, o. Lidgras. — Leedvermaak, o. Genoegen, dat men heeft van het ongeluk eens anderen. Boosaardige vreugd. — Leedwezen, o. Droefheid. Smart. Verdriet. Hartzeer.

IjecdM, 350,000. Stad in het Engel, graafschap lork. Lakenververij. Lakenhandel.

leef'bstar, bn. Vatbaar, geschikt om te leven. — Leefbaarheid, v. — Leefdagen, m. mv. Leeltijd. Leven. — Leejfmid-deten, o. mv. Levensmiddelen. — Lee/regel, ra. (-s). Wijze van leven. —Leefr*gel-kunde, v. Leer der gezondheid. — Leeftijd, m. (-en). Tijd des levens. — Leeftocht, m. Levensmiddelen. — Lee/wijs, „wijze, v. (..zen). Wijze van leven.

bn. Zie Ledig. — Leegaard, m. (-s). Luiaard. — Leegen. Zie Ledigen. — Leegkutp, v. (-en), ^l'apierm.) — Leegte, v. Het niet gevuld zijn, met vol zijn.

le«k, m. (-en). Iem., die niet tot den

geestelijken stana behoort. Oningewijde, 'ngeleerde. De leeken : het gemeene volk. —eestelijken stana behoort. Oningewijde, 'ngeleerde. De leeken : het gemeene volk. — Leekcbroeder, m. (-s). Klooster-

(1) In de samengestelde woorden schrijft men ledig of leeg.

14 — LEEN

broeder, die de geestelijken in een k'ooster bedient en er net kloosterwerk doet. — Leekerechter, ra. (-s). Wereld;ijke rechter.

— Leekezuster, v. (-s).

leclük, bn. bijw. Wat de zinnen, inz. het gezicht onaangenaam aandoet. Niet fraai, niet schoon. Misvormd. Wanstaltig, Dat staat u leelijk (van een kleedmgstuk) : dat staat u niet goed, dat is slecht van u gedaan. Ongunstig. Kwaad. Boos. Lr leelijk uitzien : geen gezonde kli ur hebben. Het ziet er leelijk uit : de zaken staan slecht. Iem. leelijk aanzien, dreigende blikken op hem werpen. Lastig, aanstootelijfc, slecht: leelijke gewoonte. Kwaad van aard: leelijke hond. Lee.ijke historie. Leelijke vent. Leelijk weer. — Leelijkerd, ra. (-s). lera., die leelijk is. — Leelijkheid, v. Mismaaktheid. Snoodheid, (..heden) Leelijke, snoode daden.

leem, v. (lemen). Houtachtig deeltje, dat uit het vlas gezwingeld wordt.

leem, o. Een minder plastische klei-soort, met meer zand en ijzt roxyde, maar minder kalk dan onze rivierklei. — Leem-aarde, v. Aarde, die uit zuiver leem bestaat. — Leemachtig, bn. — Leevien, bn.

— Leemen, bw. leemde, heeft geleemd. Met leem of klei bestrijken.—Leemgroevey v. (-n). — Leemkuil, tn. (-en). — Leemput, ra. (-ten). —Leemmergel, v. — Leemplak-ker, ra. (-s). — Leemvormer, ra. (-s). — Leemwerk, o.

leeman, m. (-s, -nen). Beeld met beweegbare armen, ten dienste der schilders.

leemte, v. (-n). Gebrek, gemis, inz. in een boek of geschrift van iets, dat men er met reden in verwachten mocht.

leemtisr, bn. Gemeen. Laag. Leemtig schuim : het gemeene volk.

leen, o. (-en). (Midd.) Goed, landerij, domein door zijnen bezitter aan een anderen, niet in eigendom, maar tot vruchtgebruik gegeven, onder verplichting van hulde, trouw en manschap en onder te-genverplichting van bescherming. Er waren mannelijke of zwaardl' enen,vrouwelijke of spil- of konkelleenen. Het Itdig leen had dit tot eigenschap, dat de daarmede beleende zijnen heer tegen alle anderen, zonder uitzondering, dienen moest. —Leen, v. (Alleen in) ter of te leen, waarvoor men ook wel hoort in leen. — Leenbaar* bn. Geleend kunnende worden. — Leen-baarheid, v. — Leenbezitter, m. (-s). — Leenbezitster, v. (-s). — Leenboek, o. en ra. (-en). —Leenbrief, va. (..ven). Schriftelijke verklaring, waarbij iets in leen gegeven wordt. — Leencijns, ra. (..zen). Grond-cijns. — Leendienst, ra. (-en). — Leen' dienstplichtig, bn. — Leeneed, m. — Lee-nen, bw. leende, heeft geleend. Te leen geven : iera. geld leenen. Te leen ontvangen : een boek van iem. leenen. Het oor leenen : luisteren. — Leener, m. (-s). — Leengeld, o. ( en). — Leengoed, o. \-eren). — Leenheer, m. (-en). De uitgever van het leen. —Leenheerschap, o. — Leenhof, o. (..ven). Gerechtshof, dat uitspraak deed in zaken, het leenwezen betreffende. — Leenhouder, m. (-S). — Leenhuldiging, v. (-en). — Leening, v. (-en). Het te leen


ocr page 437

LEER — 3

geven. Het te leen ontvangen. Geleende of te leenen geldsom. — Leenkamer, v. (-s). Leenhof. —Lee.tnnan, m. (-r.cn). Die begiftigd was met een leen.— Leenmanschap, o. — Leenvianstrouw, v. — Lecnfiltcht, ra. (-en). Wederkeerige verplichting van leenheer en leenman. — Leenplichiig, bn.

— Leenplichtigheid, v. — Leenrechts o. Wet en gebruiken tot regeling der rechtsbetrekkingen, welke uit het leenrecht ontstaan. Recht om een leen te geven, of, om in een leen op te volgen. — Leenrechte-lijk, bn. bijw. — Leenrechte*, m. (-s). — Leenrente, v. (-n). — Leenroet ig, bn. Van een leen afhangende. Het leenroerig tijdvak onzer goschiedenis, gaat van de 90 tot de 14® eeuw. — Leenroerighetd, v. — Leenschryver, m. (-s). Griffier van een leenhof.— Leenspreuk,?, ( en). Overdrachtelijke uitdrukking. — Leensprenkiq , bn. — Leenstelsel, o. Stelsel van het in leen geven van grondgebied. — Leen ster, v. (-s).—Leentjebuur. (Alleen in) Leentjebuur spelen : gedurig ter leen vragen. — I^eenverheffing, v. — Leenvrouw, v (-en).

— Leenwezen, o., leemaken, v. mv. Zaken, het leenstelsel betreffende.

leep, bn. (leper, leepst). Druipoogig. — Leepheid, v. — Leepoog, o. en v (-en). Tranig oog. — Leepoog, m. en v. (-en). Die lepe oogen heeft. — Leepoogig, bn. — Leepoogigheid, v.

leep, bn. bijw. (leeper, leepst). Doortrapt, loos : iem. leep bedrienen. Slim : dat heeft hij leep aangelegd. Overdwars : iem. leep aanzien. — L'ep, v. Van de leep krijgen : slagen krijgen. —Leeperd, m. (-s). Sluw mensch. Looze schalk. — Leepheid, v. (..heden). Loosheid, doortraptheid. Slimheid.

leer, o. Zie Leder.

leer, v. (-en). Zie Ladder.

leer, v. Regel van gedrag : dit zij u tot een leer. Waarheid, in woorden voo» gedragen : zijne leer is splinternieuw. Dc gi-heele samenhang eener waarheid : dc leer van den Heiland. Stelsel van onderwijs, godsdienst, enz. In de leer zijn : in eenig ambacht, enz. onderwezen worden. — Leer-aar, m. (..aren, -s). Onderwijzer, leermeester, inz. aan scholen voor middelbaar onderwijs. Kerkleeraar. Predikant. Leeraars zijn geen kunstenaars : leerlingen hebben 't in de kunst nog met ver gebracht. — Leeraarsambt, o. (-en). — Leeraarschap, o.— Leeraarskap, v. (-pen). — Leeraarsplaats, v. (-en). — Leeraarssto'l, m. (-en).

— Leeraren, bw. leeraarde, heeft geleer-aard. Onderwijzen. Onderrichten. — Leer-ares, v. (-sen). — Leer begeerte, v. — Leerbegrip, o. (-pen). Grondbeginsel eener leer. — Leerboek, o. en ra. (-en). — Leerdicht, o. (-en). Dichterlijke opvatting en dichterlijke bewerking van een of ander wijsgeerig of wetenschappelijk onderwerp.

— Leer en, bw. ow. leerde, heeft geleerd. Onderwijzen, onderrichten : de onde.wijzer leert in de school. Prediken : Christus leerde in het openbaar. Onderwijs geven (in) : hij leert den kinderen lezen en schrijven. Noodzaken, verplichten : dat zal ik u wel leeren. Zich oefenen (in) : hij leert pas

15 — LEES

lezen. Iets dikwijls overlezen om het uit hef hoofd te kunnen opzeggen : eene U-s leeren. Zich de gewoonte van iets eigen maken : door zijne kameraden heeft hij leeren liegen. Studeeren : hij leert voor dokter. Godsdienstonderwijs ontvangen : te leeren gaan. — Leergang, m. (-en). — Leergast, m. (-en). Jongen, die een ambacht leert. — Leergeld, o. — Leer ge zei, ra. (-len). — Leergierig, bn. bijw. — Leer giet igheid, v.

— Leergraag, bn. — Leer hoeve, v. (-n). Hoeve, waar de landbouw of eenig onderdeel daarvan practisch wordt onderwezen.

— Leering, v. (-en). Het leeren. Leer, les, onderrichting. Tucht. Catechisatie. — Leerjaar,o. (..aren). — Leerjongen, m. (-s). — Leerkamer, v. (-s). — Leerkind, o. (-eren).

— Leerknaap, m. (..apen). — Leer knecht, m. (-en). Leergezel. — Leerkunst, v. — Leerling, ra. en v. (-en). Die onderwijs krijgt. Volgeling (van iemands leer of stelregelen). Aanhanger. — Leerlingschap, o.

— Leerlust, m. — Leermeester, ra. (-s).

— Leermeesteres, v. (-sen). —- Leermeester schap, o. — Leermeisje, o. ( s). — Leermiddelen, o. rav. — Leer oefen ing, v. (-en). — Leerplan, o. — Leerrede, v. (-non). Preek. Predikatie. — Leerregel, ra. (-s). Grond-, zet-, stelregel — Leerrijk, bn. —Leerschod, v. (..olen). —Leerspreuk, v. (-en). Zinrijke, leerzame spreuk.

— Leerstellig, bn. —Leerstelling, v. (-en). Grondbeginsel eener leer. — Leerstelsel, o. (-s). — l.eerstnl, ra. (-en). —Leerstoel, ra. (-en). — Leerstof, v. — Leerstuk, o. (-ken). Geloofsartikel. Iets waardoor, waaruit men leert. — Leertijd, ra. — Leertoon, ra.

— I^eeruur, o. (..uren). — Leetvak, o. (-ken). — Leervertrek, o. (-ken). — Leervorm, m. — Leerwijs, ..yze, v. (..zen).—Leerzaal, (..alen). — Leerzaam, bn. bijw. Geschikt om te leeren. Naarstig. Oplettend : let-rzame kinderen. Nuttig, onderrichtend : leerzaam boek. — Leerzaamheid, v. — Leerzucht, v. — Leerzuchtig, bn. — Lee* zuchtigheid, v.

leeraielitiff. ZioLeder.ichtig. — Leer-bereiden, o. — Leerbereider, ra. (-s). — Leeren, bn. — Leerlooien, o. Het bereiden der huiden tot leder. — Leerlooier, m, (-s). — Leerlooierij, v. (-en). — Leer» markt, le der mar kt, v. (-en). — Leertouwen, o. Het bereiden van leder. — Leer» touw er, ra. (-s). — Leertouwenj, v. (-en).

lecKbaar, bn. bijw. Gelezen kunnende worden. — Leesbaarheid, v.— Leesbeurt, v. (-en). Voordracht, die in zekere veree-niging gehouden wordt. — Leesbibliotheek, v. (..eken). Boekverzameling, waaruit boeken ter lezing gegeven worden.—Leesboek, o. en ra. (-eigt;).— Leesgezelschap, o. (-pen).

— Leesinrichting, v. (-en). —Leeskabinet, o. (-ten). — Leeskamer, v. (-s). — Leeskunst, v. Leesteer wijs, v. (..zen).

— Leesleerwyze, v. (-n). — Leesles, v. (-sen). — Leeslessenaar, ra. (-s). — Leeslust, m. — Leesmuseum, o. ( s). — Leesoefening, v. (-en). — Leesplaats, v. (-en).

— Leesschool, v. (..olen). — Leestafel,?, (-s). — Leesteeken, o. (-s). Schsit'eeken.

— Leestijd, ra. — Leestoon, m. (..onen). — Lees trant, ra. —Leesuur, o. (..uren), r-quot;


ocr page 438

LEEU — 3

Le 'sverirek, o. (-ken). — Leeswijs, ..wyze, -v. (..zen). — Leeszaal, v. (..alen). -

leest, v. en m. ( en). Gestalte, vorm des lichaams. Vorm van schoenen, kousen, enz. (Inz.) de houten vorm, waarover de schoenen of laarzen gevormd worden. Schoenmaker blijl bij uwe leest : oordeel niet over dingen, die gij niet verstaat, bemoei u met uwe eigene zaken. — Leesien-hoiit, o. — Lecsieumiker, m. (-s). — Leestenmaakster, v. ( s).

leeuw, m. (-en). Roofdier (yelis /eo), tot de familie der katten behoorende. Bewoont verschillende streken van Azië en

Afrika. Wordt de koning der dieren ge-normfi. Teeken van don Dierenriem. Zie Orde. — Leeuztaafr, m. (..apen). Zekere aap [viidas rosalta-. —Lreuivachti^, brj. — I.rruwnaanaeel, o. Leeuwendeel. — Leemvenbek, m. (-ken). Bik van eenen leeuw. (Plaatenk.) Geslacht van de familie der 1. t uuenbekachtigen (an/i'i rhinum of Itnai i'a). — I^eemvetibekachttgen, v. mv. Planïenfamilie, waartoe behooren de leeuwenbek, verschillende st orten van helmkruid, vingerhoedskruid, en^. — Leetnven-blad, o. (Plantenk.) Lecuwenklauw. — LeeuTvcndaalder, m. (-s). (Oudt.) Holl. zilveren muntstuk = 2.50 gulden. — Leeuwendeel, o. Het voornaamste, het grootste deel. — Leenivenhaar, o. — Leruiccti-hai /, o. (-én). Hart van eenen leeuw. Buitengewone moed. Toenaam van Richard, koning van Engeland. — Leeuwen hok, o. (-ken). — Leeuwenhol, o. (-en). — Leeu-menhuid, v. (-en). Huid van eenen leeuw. Het vossenvel aan de leeuwenhuid naaien : list aan kracht paren. — Leeuw en jong, o. (-en).—Leetiwenklauw, xn. (-enl. Klauw van eenen leeuw. Plantengeslacht (alche-7nilid), tot de familie der rozensoorten behoorende. Twee soorten worden Lij ons in 't wdd aangetroffen ; de gemeene leeuwen-klauw en de akkerleeuwenklauw. — Leeuwenkop, m. (-pen). — L- euwcnkracht.v. ■— Leeuwenkuil, m. (-en). — Leeuwen-ynonctt, v. mv. — Leeuwenmerg, o. (Fig.) K.I achtige spijs. — Leeuwenmoed, m. — Leeuwenmuil, m. ( en). Muil van eenen leeuw. Sierplant, tot de familie der lipbloemigen behoorende. — Leeuwenoog, o. en y. ( en). — Leeuwenoor, o. en v. ^-en). —

3 — LEGB

Leeuwenorde, v. Zie Orde. — Leeuwen* ridder, m. ( s). Ridder der Leeuwencrde. — Leeuwemtaart, m. (-en). Staart van eenen leeuw. (Nat. hist ) Bengaalsche aap met eenen baard, gelijk aan den staart van eenen leeuw. — Leeuiuentand, m. (-en). Tand van eenen leeuw. Planteng slacht, tot de samengesteldbloemigen behoorende. Twee soorten komen bij ons in 't wild voor : de herfstWuwentand en de ruige leeuwentand. Volksnaam van de paardebloem. — Leeuwenvoft, y. — Leeuwenwelp, o. (-en). Leeuwenjong. — Leeuw hond, m. ( en). Hondje, dat, van achteren geschoren, aan kop en borst manen van eenen leeuw vertoont. —Leeuwin, v. ( nen).

leenwerilc (leeuwerk), m. (-en). De familie der leeuweriken [alauda) behoort tot de kegelsnaveligen onder de gang-vogels De voornaamste soorten zijn ; de akker leeuwerik [a. arvensis), bekend door zijne steil naar boven gaande vlucht, onder sterk, welluidend en afwisselend gezang; de gekuifde leeuwerik (a. cristata) en de boschleeuwerik (a. arborea of ne-morosa), enz. — Leeuweriksiacht, v. — L' euwerikskooi, v. (-en). — Leetnveriksnest, o. en m. (-en). — Lee uwer iksnet, o. (-ten). — Leeuwerikssnavel, m. (-s). — Leeuweriksstaart, m. (-en). — Leeuwe-riksvangst, v. — Lceuwegt; ikszang, m.

leeuwers, m. mv. — Leeuwersoogen, o. env. mv. Zie Lcuvers.

leewater, o. Ledewater.

leeze, v. (-n). Wagenspoor.

lef, v. (-fen). Babbelaarster. — Leffen, ow. lefte, heeft geleft. Babbelen. Snappen.

I^elebvre (Z?r F. J. ü/). 1821, Ohey. Hoogleeraar (Leuven). Stfphane, lettres posthumes d'un mèJecin (i860, 3® uitg.).

I^efruue (J. J., marquis de Pompi-gnan), 1709-1784, Monta,uban. Fr. dichter. Poésies sacrees (1734); Dido (treurspel, 1734).

m. Het legden der vogelen.

Ie«r. v- (-g^quot;)» ,*'8r8r«gt; v- l-n)» Eierstok

(der vogelen enz.).

leg, v. (-gen). Laag schooven op den dorsch vloer.

leg», v. Verbond, ve bintenis. Inz. Metaalvermenging. All joi dgt;-r mun en.

|eg»sU, bn. Wettig. Wei li^lijic. Rechtmatig. — Legaliseer en, b.v. legaliseerde, heeft gelegaliseerd. Wettigen. Fclit, wettig verklaren : eene aanteeker.ing legali-seeren. — Legalisatie, v. (. iën, -s . Echtverklaring. — Legaliteit, v. Wettelijkheid. Wettigheid.

legaat, o. (..aten) Eiiinaking. Schenking bij uitersten wil. Bezet. —Legataris, m. ^-sen). Begiltigde. — Legatee ren, bw. legateerde, heeft gelegateerd. Bij uitersten wil vermaken. Bezetten. — Legator, m. (-en). Erflater.

legastt, m. (..aten). Pause'.ijk gezant. — Legatie, v. (-s). Gezantschap.

legnto, bijw. (Muz.) Gebonden, legbier, o. Beiersch-bier. — Legblad, o. (-en). Legger : gl isplaat, waarop de werKman al de andere legt. — Legbord, o. (-tn). (Pap.) Plank, waarop de natte bladen


ocr page 439

397 —

LEGG

LEGE

gelegd en onder de pers gebracht worden. — Legdagen, ra. mv. Zie Ligdagen.

lederen, bw. legeerue, heeft gelegeerd. Metalen door smelting met eikander verbinden. —Legeenuq;, v. {-en^.

legreude, v. (-n, -s). Boek der lessen, die in de eerste tijden der h Kerk bij elke christelijke vereeniging werden voorgelezen. Gesclvedems der heiligen en maitela-ren, waaruit men lezing deed in de kloosters. Dichterlijk verhaal. Vervelend verhaal. Omschrift (van een muntstuk, enz.).

Lrgendendïchier, m. (-s). —Legen de n-Schryver,m. ( s).

liOgrrndrc {A. M.)t 1752-1833, Toulouse. Fr. wiskundige.

_ leger, o. (-s). Toestand van iera., die ligt vooral als hij ziek is : Lij heeft een leger gehad van tien weken. Plaats, waar men ligt (inz. van dieren) : eenen baas in zijn leger schieten. Kamp, legerplaats : de vijand heeft zijn leger opgebioken. Gioote menigte krijgsvolk, voorzien van al het noodige om te strijden Groote raenigle.

Het leger wordt verdeeld in :

legers — oppergeneraal — 100,000 man -f~

30,000 reserven,

legerkorpsen — korps-generaal — 35.000 man,

divisies— luitenant-generaal — 12.0:0 man, brigaden — generaal-majoor — 6,coo man, regimenten — kolonel — 3,000 man, bataljons — majoor— 1.000 man, compagnieën — kapitein commandant — 250 man,

pelotons — luitenant en onderluitenant — 84 man,

secties — onderofficier — 42 man,

rotten — korporaal — 7 man.

Het leger van België (140.000 man, in oorlogstijd), samengesteld uit lotelingen en vrijwilligers, bestaat uit :

voetvolk :

14 regimenten linietrorp^-»,

3 regimenten jagers te voet, x regiment karabiniers,

1 regiment grenadiers,

1 tucht- en correctiekorps,

ruiterij :

4 regimenten lansiers,

2 regimenten jagers,

2 regimenten gidsen,

geschut:

4 regimerten rijdende en 4 regirre-ten vesting-artillerie (compagnieën van artillerie ; 1 compagnie pontonniers, 1 compagnie vuurwerkmakers, 1 compagnie werkers, 1 compagnie wapenmakers). — 1 regiment treinsoldaten. — 1 regiment gerietroepen (compagnieën : 1 compagnie veld-telegra-fisten, 1 compagnie telegrafisten en vuurwerkmakers, 1 compagnie vesting-pontonniers, 1 compag-nie werkers en 1 compagnie sp o o r w egaa n 1 egge rs).

Het leger van Nederland (116,000 man, in oorlogstijd), samengesteld uit lotelingen en vrijwilligers, bestaat uit:

vi etvo'k :

Bregimeareu linietroepen,

1 regiment grenadiers en jagers, 1 instructie-bataljon,

1 bataljon inineurs en sapeurs,

ruiterij :

4 regimenten huzaren,

geschut:

3 regimenten veld-artillerie,

4 regimenten vesting-artillerie, ï korps rijdende artillerie,

1 insti uctie-compagnie,

1 korps pontonniers,

1 korps torprdisten,

1 korps genietroepen.

De zeemacht van Nederland (3,100 man) bestaat uit drie direction : Amsterdam, Hellevoetsluis en Willemsoord, 130 schepen (met ruim 35 gt; stukken geschut), waarvan er 28 tot de Ind. marine bebooren en 25 gepantserd zijn. Daarbij is in elke gemeente van Belg;ë eene burgerwacht, in .Nederland, eene schutterij. — Leger o fdeehng, v. (-en). — Leg ei baur, bn. Geschikt om er te legeren. — Legerbed, o. (-den). Legerbende,v. (-n). — Legerbericht, o. (-en).

— Leger beschrijving, v. (-en). — Leger bezorger, m. (-s). — Leger bit l, v. (-en). — Legerbede, m. (-n). — Legerboef, m. (..ven). Trosjongen. —Leget brood, o.— Leger die f, m. (..ven). Eierdief. — Legeren^ legerde,heeft en is gelegerd. B»v.Eene plaats bezorgen om te liggen : waar zal hij zijn volk legeren ? Ow. Zyn leger ergens hebben of opslaan. Zich legeren, ww. Zijne legerplaats opslaan. — Legerhoofd, o. (-en). — Legerhut, v. (-ten). Veldtent. — Legering, v. (-en). —Legerjongen, m. (-sgt;. — Leger-kar, v. (-ren). — Leger knecht, m. ren).

— Le^erkoorts, v. (-en). — Legerkost, m.

— Le^erkosten, ra. mv. Kosten van onderhoud eens legers. — Leger kundige, m. (-n).

— Legerkunst, v. — Leger kwartier, o. (-en). Legerplaats. — Legerlas.en. m. mv. Logerkosten. —Legermacht, v. (-en).Tal-rijic leger. — Legermeter, m. (-s». Iera., die een kamp afbakent. Kwartiermeester.

— Legermeting, v. — Legerplaats, v. (-en). Kamp. Kwartier. — Legerscharen, v. mv. .Leger. — Legerstede, v. (-n). Ligplaats. Bed. — Legerstoel, m. (-en). —Leger teeken, o. (-en, -s). Vlag, die de natie aanduidt, waartoe het leger behoort. — Legertent, v. (-en). — Legertccht, m. Het optrekken van een leger. — Legertrein, m. (-en). Legertros. — Legertros, m. Alle voorwerpen, die tot een leger behooren. — Leger tucht, v. — Legertuig, o. — Legerwacht, v. (-en). — Legerwagen, m. (-s).

— Leger ziekte, v. (-n).

legen, v. mv. Bepaalde vergoeding voor zekere werkzaamheden. Kopijgeld, enz.

Icffso, v. Zie Leg.

Ivsxelil. o. Zie Liggeld.

U-^irc-ai, bw. legde en leide, heeft gelegd en geleid. Doen liggen : een kind te bed 1lt; ggen. Plaatsen : een boek optafel leggen. (Pap.) De vellen van de vilten nemen en op elkander leggen. Eieren ie/.gen (van vogels, enz ). Den eersten steen leggen. Strikken leggen. Bezetting in eene stad leggen : krijgsvolk in eene stad lederen. Toonen : tevredenheid aan den d leggen. Aantoonen : voor oogeu leggen. De schuld op iera. leggen. De hand aan ie.s legyen. In den weg leggen. Besteden : i: s ten koste leggen. lem. de woorden in dcu mond


ocr page 440

LEIB — 3

Jegpen. Eene stad in asch leggen. Spelen : in do loterij It-ggen. De kaart leggen : uit de kaarten de toekomst voorspellen. Zwijgen : de hand op den mond leggen. — Legger, m. ( s). — Legging, v. — Leghen, v. (-nen). — Leghond, m. (-en). Staande hond. —Legkaart, v. (-en). — Legkip, \% (-pen). — Legpenning, m. (-en). — Legprent, v. (-en). — Legsel, o. (-s). Hetgeen wo dt gelegd. — Legster, v. (-s). — Legstoel, m. (-en). (Pap.). — Legstroo, o. — Legtijd, m. Tijd, waarin de hoenders leggen. — Legwaring, v. Kalfatering van het onderschip. Lijfhouten op het dek langs het boord. —Legwerk, o. (Tuin.) Figuren door graszoden gevormd.

bijw. (Muz.) Licht.

Icifio, o. Zeer groote menigte, legrloen, o. (-en). Keurbende, krijgsbende. Groot getal, groote menigte, talrijke schaar.

legrittlatuar, v. Wetgeving. Wetgevende macht. — Legist, m. (-en). Wetgeleerde. Rechtsgeleerde.

lesritiem, on. Wettig, wettelijk, echt, rechtmatig, billijk. Legitieme portie : rechtmatig erfdeel. — Legitimatie, v. Wettiging, wettigmaking. Echt\ eiklaring. — Le-gitimeeren, bw. legitimeerde, heeft gelegitimeerd. Wettigen. Weltig maken. — Legitimist, m. (-en). Aanhanger eener staatspartij, die leert, dat de vorstelijke waardigheid een erfelijk recht is. — Legi-timiteit, v. Wettigheid. Geboorte uit een wettig huwelijk.

((7. M. J. B.), 1764-1812, Parijs. Dichter. Le mérite des femmes, (leerdicht, 1801).

leguaan, ui. (..anen). De leguanen zijn dieren, die eene familie onder de dik-tongige hagedissen uitmaken, een eenigs-zins zijdelings samengedrukt lichaam hebben, dat door lange, tot klimmen geschikte pooten gedragen wordt, soms ook eenen kam op den rug bezitten ea soms kleurveranderingen vertoonen.

l^gusian, m. (..anen). Bekleedsel van touw om de raas der schepen.

lel, o. Donkergrijs, dunbladerig gesteente, bestaande uit klei met glimmerplaatjes en kwartskorreltjes. — Lei, v. (-en). Leien plaat, waarmede de daken (van kerken, enz.) gedekt worden, of, die, in eene lijst gevat, dient om op te schrijven : met eene griffel op de lei schrijven. — Leiachtig, bn. — Leidak, o. (-en). Leiendak. — Leidekker, m. (-s). — Leidekkers-bak, m. (-ken), leidekkersezel, m. (-s).Toe-stel der leidekkers om leien te dragen.

— Leidekkershamer, m. (-s). —Leien, br. «— Leiendak, o. (-en). — Leigrauw, bn.

— Leigroeve, v. (-n). — Leikleur, v. — Leikleurig, bn. — Leikloover, m. (-s). — Leinagel, m. (-s).

lel, v. (-en). Waterleiding. Doorgang. Laan. Wandeling.

leiband, m. (-en). Band, waaraan een kind leert \oo\gt;amp;n.—Lei blok, o. en m. (-ken). (Scheepst.). — Leiboom, m. (-en). Latboom.

Leiden, leidde, heeft geleid. Bw. Iets of iem. eene richting geven : eenen blinde leiden, het water in de stad leiden. Bestu-

8 — LEK

ren, beheeren. Iem. om den tuin leidea j foppen, bedriegen. Ow. Voeren, brengen : waar leiat deze weg heen? Toegang verschaffen (tot) : de ijzeren poorten, dienaar de stad leiden. — Leider, m. (-s). Geleider. Bestuurder. — Leiding, v. (-en). — Leidraad, m. (..aden). Hetgeen in eene zaak leidt. Inz. aanleiding tot eene wetenschap, enz. Geschrift, dat zulk eene aanleiding bevat. — Leids, leidse. Zie Leis. — Leidsel, o. (-s). Leisel. — Leidsman, m. (..lieden).— Leidstar, ..ster, v. (-ren). Poolster. Baak. Gids. — Leidster, v. (-s). — Ley on k er, m. (-s). Geleider eener dame. — Leioog, o. en v. (-en). Geleideoog (aan eene zuigerstang van eene stoommachine). — Leireep, m. (-en). — Leiriem, m. (-en). — Leis, v. (-en), leist, v. (-en). Riem, waarmede de jagers hunne honden koppelen. — Leisel, leidsel, o. (-s). Lederen r.emen (of touwen), waarmede de voerman de paarden ment. — Leisels, o. mv. (Zeew.) Stroppen van de raas. — Leist, v. (-en). Leis. — Leistang, v. (-en). Stang, «lie de rechte beweging van den zuiger onderhoudt. — Leizeel, o. (-en). — Leizeil, o. (-en). Zeil, dat bij ruimen wind, buiten de razeilen op de spieren uitgehaald wordt.

IjcIImiIz (C?. vrijheer von), 1646-1716, Leipzig. Duitsch wiskyndige en wijsgeer.

Ijeldcnaar, m. (-s, ..aren). Inwoner van Leiden. — Leidsch, bn. Leidsche flesch.

leider, tw. helaas.

leider, leler, m. (-s). (Zeew.) Zeker touw om het zeil op en neer te trekken. Leuning.

Ijelsrlitou {F.), 1830-1896, Scarborough \York). Eng. historieschilder. Ctma-bue^s Madonna carried in Procession trough the Streets of Flot ence (1855).

JLeipzisr, 180,000. Duitsche stad (kr-ninkrijk Saksen). Universiteit (ge^tictc, 1409). Veldslagen : i0 in 1631 en 20 in 1642 dour Gustaaf Adolf op de keizerlijken gewonnen. 30 Volkerensla? {iSi$). Napoleon, met een leger van 180,000 man, werd door de verbondene mogendheden (300,000 man) tot den aftocht gedwongen.

l^ek, v. Een der hoofdarmen van den Rijn in Nederland. Stroomt westwaarts langs Vianen en Schoonhoven en valt bij Krimpen in de Maas.

lek, m. Lak : valsche beschuldiging.

lek, m. Het lekken. — Lek, o. (-ken). Lekgat. — Lek, bn. bijw. Niet dicht.'Niet wateidicht. — Lekbak, m. (-ken). Bak voor het lekken. — Lekbier, o. — Lekdoek, m. (-en). Doorzijgdoek. — Lekefi, leekte, heeft en is geleekt. Bij droppels nedervallen. Afdroppelen. — Lekgat, o. (-en). Opening, waardoor vocht afloopt. — Lekhoni(n)g, v. — Leking, v. — Lekkage, v. (-s). Lek. Wat door een lek verloren gaat. — Lek ken, ow. lekte, heeft en is gelekt. Een lek hebben. Niet dicht zijn. Druipen door een lekgat. — Lekking, v. (-en). — Leksteen, m. (-en). Steen, waardoor water lekt. v. Drop-steen. — Lekton, v. (-nen). — Lekvat, o. (-en).— Lekvisch, v. 't Is lekvisch : 't wordt zeer gezocht, er is veel vraag naar. — Lek-


ocr page 441

LELL _ 3

Tuater, o. — Lekwyn, ra. — Lek zak, m. (-ken). Zijglap.

lokken, ow. lekte, heeft gelekt. Likken.

lekker, bn. bijw. Aangenaam van smaak, smakelijk : lekkere spijzen. Aangenaam van reuk : wat nekt die bloem lekker. Behaaglijk, genoeglijk : ik zit hier lekker. Op lekken ijen gesteld, lekkerbekkig : lekker zijn op het eten. — Lekkerbeetje, o. (•s). — Lekkerbek, m. en v. (-ken). Die van lekkere spijzen houdt. — Lekkerbekken, ow. lekkerbekte, heeft gelekkerbekt. Lekker smullen. — Lekkerbekkerij, v. (•en). — Lekkerbekkig, bn. — Lekkerbek-kigheid, v. — Lekkerheid, v. — Lekker-koek, m. (-en), (voorwerpsn.); v. (stofn.). Zoetekoek. — Lekkermond, m. en v. (-en).

— Lekkernij, v. (-en). Al wat lekker is. Snoepgoed. — Lekkers, o. Snoepgoed. — Lekkertaiid, m. en v. (-en). — Lekker tanden, ow. lekkertandde, heeft gelekkertand. Lekkerbekken. — Lekkertjes, bijw. — Lekker tong, m. en v. (-en). — Lekker-tongen, ow. lekkertongde, heeft gelekker-tongd.

lekker, ra. (-»), Saletjonker. Guit, stoute jongen.

lel, v. (-len). Licht beweeglijk velletje : lel van het oor. Huig, strotklep : lel der keel. Nederhangend vlies onder den bek des haans. Loshangende lap : lellen en bellen. — Lelletje, o. (s). — Lelhg, bn. Vliesachtig. Met huidjes of vliesjes bezet.

— Lelontsieking, v.

Ijeliaart, ra. (-s). Schimpnaam (met zinspeling op de leliën van 't Fransche wapenschild», waarmede de Vlamingen de Franschen en hunne partijgangers bestempelden (13® en i4e eeuw).

lelie, v. (-s, . iën). Plantengeslacht, waaraan degroote natuurlijke familie,waartoe 't behoort en waarvan 't de tijpe is, haar naam ontleent. Voornaamste soorten : oravje\*\\e {lihum bulbiferum), komt bij ons in 't wild op hooge roggevelden voor; •witte\e\\c.\lilium ca welriekende,

klokvormige bloem, om baar zuiver wit een zinnebeeld der schoonheid, inz. der onschuld. Witte, blanke kleur. De leliën spinnen niet : de Fransche kroon gaat niet over op eene dochter. (Dicht.) Lelievormige punt der kompasnaald. — Lelieachtig, bn. Als eene lelie. — Lelieachtigen, v. mv. Plantenfamilie. — Lelie affodil, v. (-len). Gele lelie {anthericum liliastrum). — Lelieblad, o. (-eren). — Lelieblank, bn.

— Leliebloem, v. (-en,. — Leliebol, ra. (-Ion). — Leliehyacint, v. (-en). Zekere bloem : scillio hyacinth us. — Lelie kruis, o. (-en). Kruis met wapenleliën versierd. — Leltenarcis, v. (-sen). Zekere bloera ; amaryllis lutea. — Leliënbed, o. (-den).

— Leliën olie, v. — Leliënveld, o. (-en).

— Lelie rijk, o. Het oude Frankrijk. — Lelietje, o. (-s). Lelietje der dalen : meibloem. — Lelietorretje, o. ( s). Goudhaantje {letna merdigera), dat vooral op de witte lelie leeft. —Leliewit, bn.

lellen, ow. lelde, heeft geleld. Altijd hetzelfde herhalen. — Leller, m. (-s). — Lelling, v. — Leister, v. (-sj.

? — LENG

liemterre {A. M.), x733-1793, Parijs, Treurspeldichter.

leinmen, ow. lemde, heeft gelerad. Vleiend praten. — Lemtniug, v.

IjemnienM (A^. J.), 1823-1881. Zoerle-Parwijs. ürg«-lvirtuoos. Als componist : Svmphonieën en Sonates. Als schrijver : école d^orgue.

lemmer, o. (-s, -en). Bloote kling. Mes zonder hecht.

lemmet, o. (-en). Gedraaid garen of katoen in eene kaars, lamp, enz.

lemmins:, m. (-s). Dier {myodes lem-mus), tot de familie der veldmuizen behoo-rende. De lemmings leven in Noorwegen en Zweden en zijn bekeml door de groote tochten, welke zij in groote troepen tegen 't invallen van den winter ondernemen, lemoen, o. (-en). Lamoen.

Ijemolne (F.), 1688-1737, Parijs. Historieschilder.

liemonnler(C.),1845,Brussel. Fransch-Belgisch letterkundige. Contes flamands et wallons (1873); Noëls flamands (1887); La Belgique (1888).

Ijenau {N.), i8o2-i8';o, Esatad (Hon-.= Niembsch von Streh'enau. Dichter. Savonarola (1837); Albigenser (1842); Don Juan.

lienbzamp;eli (F. von), 1836, Schroben-hausen. Duitsch portretschilder.

lemle, v. (-n, -nen). Week deel der zijde (boven de heup). (Slag.) Lendestuk. lem. eenen stok in de lenden leggen, hem afranselen. — Lendebreuk, v. (-en). — Lendedarm, ra. (-en). — Lendeklier, v. (-en). — Lendekussen, o. (-s). Kussen, dat onder de lende wordt gelegd bij zieken. — Lendenader, v. (-s). — Len de ngesch ot, o. Stekende pijn in de zijde. — Lendenjicht, v. — Lendenknoopeyi, ra. rav. Zenuwknoo-pen in de lenden. — Lendenkwaal, v. — Lendenlam, bn. Verlamd in de streek der lenden. — Lendenloos, bn. Lendenlam. — Lendenpijn, v. — Lendeslagader, v. — Len de spier, v. ( en). — Lendestreek, v. Lendestuk, o. (-en). Stuk vleesch uit de lende van een rund. — Lendewervel, ra. (•s). —Lendezenuwen, v. mv.

lenen. Zie Leunen. — Lening, v.

leng:, v. (-en). (Gadus violita). Behoort tot de kabeljauwen. De beste soort wordt tot stokvisch gemaakt.

leng:, o. (-en). Dubbel geslagen touw, dienende om vaten enz. op te hijschen.

lenden, lengde, heelt en is gelengd. Bw. Langer maken. Dunner raaktm. Aan-eenbinden (de netten, bij de steurharingvangst). Ow. Langer worden ; de dagen beginnen te lengen. — Lenging, v. (-en). — Lengsel, o. (-s). Verlengstuk. Verlengsel. — Lengstuk, o, (-ken). Lengsel. — Lengte, v. (-n^. Tegenstelling van dikte en breedte : die plank heeft drie meters lengte. Grootte, gestalte (van niensch, dier. plant, enz.) : hij heeft zijne lengte. Duur, ruimte (van tijd) : de lengte van den dag. Afstaud (van eenen weg). (Aardr.) Afstand eener plaats tot den eersten meridiaan : oosterlengte, westerlengte. (Sterr.) Lengte van een hemellichaam : de boog van de ecliptica tusschen den breedtecirkel van dat


ocr page 442

LENT — 4

liemellichaam en't voorjaarsnachtevenings-punt. — Lengtecirkil, m. (-s). Meridiaan.

— Lengtegraad, m. (..aden), deel van eenen lergtecirkel. — Lengtemaat, v. (..aten). Alaat om de lengte van iets te meten : de eenheid der lengtemaat is de meter. — Lengtemeter, m. (-s). — Lengte-■nieting, v. — LengtetpjiTV, o. (-en). Hijsch-touw.

lenier, bn. bijw. Rekbaar, zacht, buigzaam : het leder lenig maken. Smeedbaar, buigzaam (van metalenj. Zachtzinnig : hij is lenig van aard. — Lenigen, b\v. lenigde, heeft gelenigd.Verzachten, verlichten (pijn, smart, enz.). — Leniger, m. (-s). —Lenigheid, v. — Leniging, v. (-en). — Lenig-ster, v. (-s).

lienncp (van), 10 (Zgt;. J.), 1774-18^3, Amsterdam. Advocaat. Letterkundige. Gaf een paar bundels met Latijnsche en eenen met Nedetl. gedichten in 't licht. — 20 Zijn zoon (7.), 1802-1868, Amsterdam. Advocaat. Dichter en romanschrijver. Als dichter ; Ne-'erlandsche legenden : Jacoba en Beit ha (1829); De strijd met Vlaanderen (1831) ; Eduard van Gelre (1837) ; Als prozaschrijver : de Pleegzoon (1833) ; de Roos van Dekanta (1836); Ferdinand huyck (1840) ; Onze voorouders (1838); de Lotgevallen van Klaasje Zevenster (1865); de Werken van Vondel (1850-'69).

XjC'iiormanf, 10 (Ch.), 1802-1859, Pa-rifs. Oudheidkundige. —2° Zijn zoon (Fr.), 1835-1885, Parijs. Oudheidkundige.

liViiölre (A.), 1613-1700, Parijs. Archi-t« ct en aanlegger van tuint-n. De parken van Versailles, S. Cloud, Fontaine-bieau.

lenM, bn. Zonder vocht: deflesch is lens.

— Lenspomp, v. (-en). Pomp in een stoom-vaartuig, dienende om het water door lekkage enz. in het ruim geloopen, weg te werken. — Lenzen, bw. lensde, heeft ge-1» nsd. Ledigmaken : den regenbak lenzen.

— Lenzing,\. (-en).

lenM, v. (-en). Lange harpoen ( n de walvischvangst). Luns. — Lensen, bw. lenste, heeft gclcnst. Met eene lens doorsteken. — Leasing, v. (-en).

lens, v. (..zen). Linze.

leuh, v. (..zen). Lenzen: doorzichtige middrlstoffen, die, uit hooide van de krom-nüng barer oppervlakte, de eigenschap bezitten van de lichtstralen, die er doorgaan te do. n samcnloopen of uit elkander^ te doen » aan. Naar den aard dezer kromming wordi n zij onderscheiden in bolvoimige, rolvormige, langwerpig ronde en parabolische lenzen. Zie Oog.

Ionle, v. Het iü der vier jaargetijden (21 Maart tot 21 Juni). Voorjaar. Jeugd : zij was nog in de lente haars levens. — Lenteachtig, bn. — Lenteavond, m. (-en). — Lentebloem, v. (-en). Bloem, die in de lente groeit. Jonkman, longedochter. — Lentebode, m. (-n). (Dicht.) — Lentcbo-ier, v. — Lentedag, m. (-en). — Lente-dauw, m. — Lentefeest, o. en y. (-en). — Lentegroen, o. — Lenteklokje, o. (-s). K.lokje {campanula rotundi/ulia) met

o — LEOP

donkerblauwe bloemkroon. Komt veel voor op hoogen, drogen grond. — Lentekoortst v. (-en). —Lentelied, o. (-ren). — Lente-loof, o. — Lenteluchf, v. — Lentemaand, v. Maart. — Lentemorgen, m. — Lente-nachtevening, v. — Lentepunt, o. — Lenteregen, m. — Lentemos, v. (..ozen). — Lente snede, v. Lentepunt. — Lentespoec, o. Kikkerspog. — Lenteteeken, o. (-s), Lenteteekens : teekens, waarin zich de zon gedurende de lente schijnt te bewegen. — Lentetijd, m.—Lentevermaak,o. (..aken), — Lentevorst, v. (-en). Vorst in het voorjaar. — Lentevreugde, v. — Lenteweder, ..weer, o. — Lentewind, m. (-en). — Lentezang, m. (-en). — Lentezon, v.

lent eren, ow. lenterde, heeft geleuterd. Talmen. Dralen.

lento, bijw. (Muz.) Slepend.

lenzen, ow. lensde, heeft en is gelensd. Bij stormweer zonder zeil cf met een fokje varen.

Ilt;eo. Naam van verschillende Pausen. De voornaamste zijn : Leo / (de Groote), (440-461). Verloste Rome van de woede van Attila ; Leo III (795-816), zalfde Karei den Groote keizer van 't Westen (800) ; Leo X (1513-1521), beschermer van kunsten en wetenschappen; Leo XIII (1810), Carpi-

Leo XIII.

neto, — y. Pecci. De huidige Paus van Rome. Werd Paus gekozen, 20 February (1878) en gekroond, 3 Maart (1878).

Ijconidaft, koning van Sparta (491-480, voor Chr.). Sneuvelde bij de heldhaftige verdediging van den bergpas van Thermo-pyloc.

Ilt;eoigt;oli1 I (1790-1865). Prins van Sak-sen-Coburg-Gotha. — Koning dor Belgen. Trouwde met Louisa Maria, prinses van Orleans, (t 1850). Onder zijne lange en vreedzame regeering (1831-1865) werden talrijke nieuwe bronnen van voorspoed en


ocr page 443

LEP

■welvaart geopend. Het volk noemde hem vader des vaderlands, — Zijn zoon Z. M.

Leopold I.

l^eopold II, Lodewijk Filip Maria Victor, hertpg van Saksen, prins van Saksen-

Lcopold II.

Coburg Gotba, kolonel-eigenaar van het 37® regiment voetvolk van Oostenrijk, besteeg den troon van België (1865) en werd tot scuverein van Congoland uitgeroepen (1885). Zie Familie. — Leopoldsorde, v. Zie Orde.

Igt;eopoldT]lle. Haven (Midden-Con-

fo). Centrum van den handel in die stre-en.o). Centrum van den handel in die stre-en.

lep, m. (-pen). Schop (met den voet). — Leppen, bw. lepte, heeft gelept. (In zeker spel) Den bal met het voorste van den

•i — LESC

voet oplichten cn hem zoo ver mogelyk

vooruitstooten.

licpuuto. Stad aan de golf van Lepanto of Corinthe (Griekenland). Overwinning ter zee, door de Italiaansch-Spaansche vloot onder Don Juan van Oostenrijk op de Turken (1571).

lepel, m. (-s^. Werktuig met steel en uitgeholde verdieping aan het einde om spijzen te roeren, naar den mond te bren-

fen, enz. Ooren : delepels van eenen haas. em. over den lepel scneren, hem bedriegen. —en, enz. Ooren : delepels van eenen haas. em. over den lepel scneren, hem bedriegen. — Lepelaar, m. (-s, ..aren). Vogel Xplatalea leucorodia), tot de orde der steltloopers behoorende. Onderscheidt zich door zijn platten, breeden, lepelvormigen snavel. — Lepelblad, o. Plant {c och le ar ia officinalis'), tot de kruisbloemigen behoorende. Wordt bij ons op ziltige gronden aangetroffen. Bloeit in Mei en Juni. o. (-en) Blad van eenen lepel. — Lepelboor, v. (..oren). — Lepeleend, v. (-en). Soort van eend met grooten bek {anas clypeata). — Lepelen, ow. lepelde, heeft gelepeld. Gulzig eten. — Lepelfrans, v. (..zen). Deeenige soort van lepelaars, die in Europa voorkomt.— Lepelhaak,m. (..aken). (Geneesk.) — Lepelkost, m. — Lepelkruid, o. Lepelblad. — Lepelreiger, m. (-s). Lepelaar. — Lepelspys, v. (..zen). — L'pelsteel, m. (..eleïpT — Lepelslok, ra. (-ken). Steel van den laüdlepel. — Lepelyormig, bn. — Le~ pelwortel, v. Lepelkruid. — Lepelzucht9 v. Gebrek aan voedsel.

Ijepeleer {E. de), 1856, Ste Maria-Oudenhove. Leeraar (Klein-Seminarie, S* Nicolaas). Dertienlinden (vertaling van Weber's Dreizehnlinden, 2* uitg. 1893).

leplaiu, o. (-meren). Lam, dat in huis wordt grootgebracht.

leppen, bw. lepte, heeftgelept. Met de lippen aanraken. Met kleine teugen drinken. — Lepper, ir. (-r). — Lepperen, bw. lepperde, heeft gelepperd. Leppen. —Lep' pering, v. — Lepping, v. —Lepster, v. (-s).

lep i's», v. Melaatschheid. — Lep roosr bn. Melaatsch. — Leproosdy, v., leproosheid, v. Melaatschheid. — Leprozenhuis, o. (..zen).

le», v. (-sen). Wat men lezende van buiten leert : hij leert zijne les. Onderwijs, onderricht: les in de muziek geven, krijgen. Vermaning, leering : naar wijze lessen luisteren. Waarschuwing : dat is eene goede les voor hem. — Lesboek, lessen' boek, o. en m. (-en). — Lesgeven, o. — Lesgever, ra. (-s). —Lesgeef ster, v. (-s). — Lessenaar, ra. (-s). Schuin blad, waarop raen schrijft, enz., waarop het leesboek, het muziekblad, enz. wordt gelegd. Kleine kast met verscheidene laden, tot berging van papieren, enz. — Lesuur, o. (..uren).

Iieabrouiiaart (7. B. F,), 1781-1855. Gent. Hoogleeraar (Luik). Dichter. L1 art de confer ; les Beiges.

lesclibak, ra. (-ken). Koelbak. — Leschdrank, ra. (-en). — Leschtrog, ra. (-gen). — Leschtuig, o. — Leschwater, o. Water, dat den dorst lescht. (Smed.) Water, waarin het gloeiend ijzer wordt gedora-

f)eld. —)eld. — Lesschen, bw. leschte, heeft ge-escht. Blusschen ; eenen brand lesschen.


ocr page 444

LETT — 4

Stillen : den dorst lesschen. —Lesschin/?, v.

liesfteps [F. baron de), 1805-189 % Versailles. Vermaard door de doorgraving der landengte van Suez en de doorgraving der landengte van Panama.

IjeHiilne»10 {G.E.),i72g-i7Si, Kamenz. Een der hervormers van Duitschland op *t gebied van kunst en wetenschappen. Emilia Galotti (treurspel, 1772); Fabeln ; Laokoon; Dramaturgie (1768).— 20 (A'. F.)., 1808, Wartenberg. Duitsch historieschilder.— 30(0.),i846,Diisseldorf. Duitsch beeldhouwer en scbiider.

lieBtursreon (W. Z.), 1815-1878, Venlo. Letterkundige. Wel en wee (1838); Lief en leed (1853).

liesueur, i0 (£quot;.), 1616-1655, Parijs. Schilder. Leven van den h. Bruno. — 20 C/M. 1760-1837, Drucat (Somme). Fr. componist van kerk- en tooneelmuziek.

letbarBri**, v. Soort van slaapzucht, die in een aanhoudenden, diepen slaap bestaat, waaruit de lijder slechts met moeite gewekt kan worden, en waarin hij weder valt, zoodra hij aan zich zei ven wordt overgelaten. Zorgeloosheid. Ongevoeligheid.

lelje, o. (-sj. Een oogenblikje, een beetje, een weinig : wacht een letje.

lets, m. (-en), let«e, v. (-n). Lis. letsel, o. Belet : als er geen letsel komt. Ongemak : hij heeft een letsel aan den arm. Nadeel, schade : hij is er zonder letsel afgekomen.

letten, lette, heeft gelet. Bw. Beletten : wat let mij of..! Nadeel toebrengen. Ow. Let er op : geef er acbt op. Let een beetje : toef hier een weinig.

letter, v. ( s, -en). Articulatie van een eenvoudig spraakgeluid (letterklank). ïee-ken ter schriftelijke uitdrukking van zulk oen spraakgeluid (letterteeken). Naar de letter : stipt, juist zooals het geschreven staat. Spreken naar de letter : spreken zooals men schrijft. Zeker S* Nicolaasge-bak in den vorm eener letter. — Letterarbeid, m. Pennevrucht. — Letterbaas, m. (..azen). Geleerd man. — Lett er bakje, o. (-s). — Letterbanket, o. Zeker gebak in één vorm van letters. — Letter blokken t ow. letterblokte, heeftgeletterblokt. IJ verig studeeren. — Letterblokker, m. (-s). — Letterdief, m. (..ven). — Letterdieverij, v. (-en). — Letter doek, m. (-en). — Letterdruk, m. Druk met beweegbare letters. — Letteren, v. mv. Geleerdheid: hij is een man van letteren. Letterkunde: hij studeert in de letteren. Brief: ik heb uwe letteren ontvangen. — Letteren, bw. letterde, heeft geletterd. Merken (linnengoed, enz.). — Letter fout, v. (-en). Spel-, drukfout. — Let-tergieten, o. — Lettergieter, m. (-s). — Lettergieterij, v. (-en). — Lettergreep, v. (..epen). Samenvatting van letters, die in eens wordt uitgesproken : open, gesloten lettergreep. —Lettergrootheid, v. (Wisk.). — Letter haak, m. (..aken|. Zethaak. — Letterheld, m. (-en). Geleerd man. — Letter hout, o. Hard, rood-bruinachtig hout, waarvan men voorheen letterblokjes maakte. — Letter houtboom, m. (-en). — Letter houten, bn. — Letterhoutjf, o. (-s). Blokje, met letters, enz. gemerkt. — Let-

z— LEUG

ierhoufvierk, o. Ingelegd schrijnwerk. Letterhoutwerker, m. ( s). — Lettering^ v. (-en). —Letterkas, v. (-sen), lette.- kast, v. (-en). Bak, waarin de letters liegen. Toestel om den kinders de letteis in het spellen te leeren. — Letterkeer, m. ( en), letter keering, v. (-en). Verplaatsing der letters van een woord, waardoor een gansch ander woord wordt gevormd: Roma, amor.

— Letterkennis, v. — Letterklank, ra. (-en). Zie Letter. — Letterkloek, bn. Ervaren in de letteren. — Letterknecht, ra. (-en). lem., die niets meer doet dan t em letterlijk is voorgeschreven. — Letter-kn echte rij, v. Het blijven hangen aan de letter. — Let ter koek, v. Soort van gebak in den vorm eener letter. — Letterkrans, m. (-en). Verzameling van opstellen in proza en poëzie. Lofdicht. — Letterkunde, v. Alle geschrevene voortbrengselen, waardoor de ontwikkeling van 's menschen geest zich openbaart. De vaderlandse he letterkunde omvat de werken der dichters en prozaschrijvers van het vaderland. — Letterkundig, bn. Bedreven in de letterkunde. Tot de letterkunde behoorende of er betrekking op hebbende. — Letterkundige, m. en v. (-n). — Letterkunst, v. Spraakkunst. — Letterkunsten aar, ra. (-s). — Letterkunstig, bn. Letterkundig.

— Letterlievend, bn. -— Letterlijk, bn. bijw. Naar de letter. Stipt zooals geschreven staat of gezegd is. bijw. : hij is letterlijk geruïneerd. — Letterminnaar, m. (-s).

— Letterminnend, bn. — Letternietirvs, o. — Letteroefenaar, ra. (..aren). — Let' ieroefening, v. (-en). — Letterplaat, v. (..aten). — Letterraadsel, o. (-s). — Let-terrijm, o. (-en). — Letterschrift, o. Zichtbare afbeelding der opeenvolgende klanken van een woord. — Letterslijper, m. (-s).—Letterslot, o. (-en). — Lettersnijder, m. (-s). — Lettersoort, v. (-en). — Let ter spijs, letterspecie, v. — Letter-staafje. o. (-s). Metalen staafje, waarop de druKletter staat. — Lettersteen, v. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.). Roode jaspis (met strepen als letters). — Lettersteker, m. (-s). — Letterteeken, o. (-s). Zie Letter. — Lettertelegraaf, v. (..afen). — Lettervers, v. (..zen). — Letterver springing, v. — Lettervorm, m. (-en). — Let-tervuys, bn. Ervaren in deletteren. Bedreven (in). — Letteriuifsheid, v. — Letterwisseling, v. —Letterzetmachine, v. ( s).

— Letterzetten, o. — Letterzetster, v. (-s)_.

— Letterzetter, ra. (-s). — Letter zetterijs v. (-en). — Letterzettershaak, m. (..aken).

— Letter ziften, o. Het overdreven vitten in beoordeeling van letterkundige schriften. — Letterzifter, m. (-s). — Letterzif-terij, v. — Lett er z if ting, v.

lenden, m. mv. (Middel.) Lüfwacht der Franksche koningen. (Thans) Lieden, luiden.

lengen (logen), v. (-s). Men bedrijft eene leugen als men wetens en willens tegen zijne gedachte spreekt. Uitvlucht ; eene leugen om bestwil. — Leuvenaar (logenaar), ra. (-s). — Leugenaarster, v. (-s). — Leugenachtig, bn. Onwaar : leugenachtig verhaal. Gewoon te liegen : leu-


ocr page 445

LEUT — 4

zenachtig mensch. — Leugenachtigheid, v. — Leugenschrift, o. (-en). — Leugen-m. (-s), leugensmid, m. (..eden).

— Leugenstra ff en, bw. leugenstrafte, heeft geleugenstraft. Logenstraffen. — Leugentaal, v. Leugen. — Leugentijding, v. (-en).

— Leugenverdichtsel, o. (-s). — Leugenzak, m. en v. (-ken). Aartsleugenaar, aartsleugenaarster.

leuk, bn. bijw. Lauw : leuk water. Kalm. Onverschillig. Zich leuk houden : geene partij kiezen, zich houden of men van niets weet. Een leuke broeder, die zich leuk houdt. Grappig, aardig, geestig (met den schijn van onbeduidend te zijn) : hij kan zoo leuk iets zeggen. — Leukheid, v.

— Leukweg, bijw. Op leuke wijze, leiiubauk, v. (-en). Bank met eene

niRleuninff. — Leunen, ow. leunde, heeft geleund. In eene min of meer schuine richting steunen, rusten. Zich verlaten (op). — Leuning, v. Het leunen, (-en) Waarop men leunt (inz. aan eene trap). (Zeew.) Verschansing. — Leunin^bank, v. (-en). Leunbank. — Leuningstoel, leunstoel, m. (-en). — Leuninkje, o. (-s). — Leunkus-sen, o. (-s). — Leunplankje, o. (-s). — Leunspaan, v. (..anen). — Leunspan, v. (-nen). Krukvoimig ijzer op eene draaibank.

— Leunstokje, o. (-s). (Schild.).

lemiis, m. (-sen). Domme jongen, leur, v., leuruQu, m. Wijn, welke

getrokken wordt uit reeds uitgeperste druiven.

leur, v. ( en). (Valk.) Stuk rood leder in den vorm van een en vogel om den valk, die naar het wild vloog, terug te doen komen. Lokaas, 'tls maar om de leur, om den schijn.

leur, v. (-en). Lomp, vod, prul : lappen en leuren. Beuzeling, nietigheid — Leur-achtig, leurtg, bn. Onbeduidend, nietig, ijdel. — Leuruuerk, o. Knoeiwerk.

leuren, ow. leurde, heeft geleurd. Waren langs de straten en aan de deuren venten. Sluikhandel drijven. Spotten : hij laat metzich leuren. —Leurder,m. (-s). lem., die leurt. Marskramer. Garnalenvisscher.

— Leurdetij, v. —Leurkramer, m. (-s). ~ Leurster, v. (-s).

leuo, leuze, v. (leuzen). (Mil.) Wachtwoord. Kenspreuk (van een geslacht). Ken-teeken (ter aanduiding der partij, waartoe men behoort). Devies (in een wapen). Geld is de leus : zonder geld vermag men niets. Iets voor de leus, voorden schijn doen.

leut, leute, v. Vroolijkheid. Plezier, 't Is maar voor de leut, om te lachen. Vechten uit de leut. — Leutig, bn. bijw. Aangenaam. Plezierig.

leuter, m. Gebrek. Mangel, leuteren, ow. leuterde, heeft geleuterd. Loszitten, waggelen : de speeken leuterden in het rad. 1'ladderen : leuterend zeil. Het leutert hem in den bol : hij is halfeek. Talmen, besluiteloos zijn. Het werk leutert, komt niet vooruit. Zeuren, zaniken. — Leuteraar, m. (-s). — Leuteraarster, v. (-s). — Leuterbol, m. (-len). Zotskap. — Leuterig, bn. Licht bewogen : peuterig riet. Besluiteloos. — Leutering, v. {-en). —Leuterkous, m. en v. (-en).Tal-

j — LEVE

mer, talmster. — Leuter vaar, m. (-s). Praatvaar. — Leuterwerk, o. Knoeiwerk. Talm werk.

I^eutbold (//.), 1827-1879, Wetsikon (Zurich). Zwitsersch dichter, lieuvenscb, bn. Leuvensch bier. leuver, m. (-s). (Zeew.) Zeker touw aan de lijken der zeilen. Eksteroog.

leuze, v. (-n). Leus.

leuzigr» bn. bijw. Lui. Traag. Slap. — Leuzigheid, v.

levstnrtl, m. (-s). Versche haring, l^evunt, v. Het Oosten. De kusten van Klein-Azië, Syrië en Egypte : eene reis naar de Levant doen. — Levanters, m. mv. (Zeew.) Zware stormen en westenwinden in de Levant. — Levantyn, m. (-en). Levanter. — Leyantijn, m. (-en). Oosterling. — Levantijnsch, bn. — Levantine, v. Oostersche effene zijden stof. —Levantsch, bn.

leven, ow. leefde, heeft geleefd. In leven zijn. Bestaan, zijn : God leeft in alle eeuwigheid. Zich bewegen : 't leeft al, wat aan hem is. Van 't leven genieten : hij heeft veel geleefd in weinige jaren. Het lever» onderhouden : van groenten leven. Zijn leven doorbrengen : armtierig leven. Zich gedragen : leven als een rechtschapen man. In bloei zijn, tieren (van planten enz.). Steeds herdacht worden : bij net nageslacht leven. Hij weet te leven, heeft overleg. Leven als kat en hond : gedurig in twist zijn. — Leven, o. Levende toestand : hij is nog in leven. Toestand van bezielde wezens, voor zooveel zij in zich het principe hebben van gevoel en beweging : het leven der dieren. Gezamenliike werkzaamheden van de organen (bij dieren en planten) : het leven der bloemen. Bewei»irg, levendigheid :het is al leven wat in hem is. Tijd, die verloopt van de geboorte tot den dood : het leven is enkel een droom. Het eeuwig leven : eeuwigheid. Iets, waarin men groo-telijks zijn behagen vindt: de studie is het leven van den geleerde. Gedruisch, rumoer, misbaar : hoor, wat leven ! Gezond vleesch : de wondheeler sneedt tot in het leven. Natuurlijke vorm : een beeld naar het leven schilderen. — Leven, o. (-s). Levensbeschrijving : de levens onzer helden.

— Levend, bn. In leven zijnde. De levende talen : de gesprokene talen. Wellend, stroomend : levend water. Ongebluscht : levende kalk. Er was geen levende ziel : er was niemand. (Recht.) In de levende handy bij levenden lijve. — Levendbarend, bn.

— Levende, m. en v. (-n). — Levendig, bn. bijw. Vlug, vol beweging. Vroolijk. Krachtig : levendig overtuigd zijn. Scherp : levendige kleuren. Sterk : levendige verbeelding. Drok bezocht: levendige markt.

— Levendigheid, v. — Levendmakend, bn. — Levendma king, v. — Levenloos, bn. — Levenloosheid, v. — Levenmaker, m. (-s). lem., die een verschrikkelijk geraas maakt. —Levensadem, m. —Levensader, v. — Levensavond, m. (Dicht.). — Levensbaan, v. — Levensbalsem, m. — Levensbeginsel, o. — Levensbehoeften, v. mv. — Levensbehoud, o. — Levensbeker, m. — Levensbenood/gheden, v.


ocr page 446

LEVE — 4

mv. — Levensbericht, o. (-en). —Levensbeschrijf ster, v. (-s). —Levensbeschrijver, m. (-s). —- Levensbeschrijvingy v. (-en). — Levensbijzonderheden, v. mv. — Levensboom, ra. Boom uit het Paradijs. (-en| Alquot; tijd groene boom [thuj'd) tot ae kegeldra-

Êenden en de familie der cypresachtigenenden en de familie der cypresachtigen

ehoorendo. (Ontl.) Loodrechte doorsnede der kleine hersenen. — Levensbron, v. — Levensdagen, m. mv. — Levensdoel, o. — Levensdraad, m. — Levensduur, ra. — Levenselixer, o. — Levensfakkel, v. — Levensgedrag, o. — Levensgeesten, ra. mv. Kracht des levens in het lichaam.

— Levensgeluk, o. — Levensgenot, O. — Levensgevaar, o. — Levensgezel, m. (-len). — Levensgezellin, v. (-nen).

— Levensgroot, bn. — Levensgrootte, V. — Levenskelk, ra. — Levensknoop, m. (-en). Plaats, waar de wortel zich van den stam scheidt. — Levenskracht, v. (-en). —• Levenslamp, v. — Levenslang, bn. bijw. — Levenslicht, o. — Levensloop, ra. — Levenslucht, v. Zuivere dampkringslucht. — Levenslust, ra. — Levenslustig, bn. —Levensmiddelen, o. mv. •-Levensmorgen, ra. (Dicht.). — Levensonderhoud, o. — Levenspad, o. — Levensreis, ..reize, v. — Levenssap, o. (-pen). — Levensschets, v. (-en). — Le-vensstraf, v. Straf des doods. — Levensteek en, o. (-s, -en). — Levenstijd, v. — Levensvatbaar, bn. —Levensvatbaarheid, V. — Levensverzekering, v. (-en). — Levensvoorraad, ra. — Levensvraag, v. (..agen). Vraag, welke het eigenlijke wezen aer zaak raakt. — Levensvreiigd(e), v. — Levenswandel, ra. — Levenswarmte, v.

— Levenswater, o. — Levensweg, ra. — Levenswijze, ..wijs, v. (..zen). — Levens-•wijsbegeerte, v. — Levenswijsheid, v. — Levenszee, v. (Dicht.). —Leventj'e, o. — Levenwekkend, bn. — Levenwekker, ra. (-s). Die levend raaakt. (Dicht.) Westenwind.

lever, v. en ra. (-s). Soort van klier, waardoor de gal wordt afgescheiden. Long en lever verteren : alles opmaken. Eene droge lever hebben : van drinken houden. — Leverachtig, bn. — Lev er aandoening, v. — Leverader, v. (-s, -en). Ader, die het gezuiverde bloed van de lever naar de onderste holader voert. — Lever aloë, v. (-'s). De gewone aloë. — Leverbet»ling, ra. (-en) (voor-werpsn.); v. (stofn.). — Leverbloem, v. (-en). Leverkruid. — Leverbot, v. (-ten). Zekere ingewandsworm. — Leverbruin, bn. — Lever dist el, v. (-s). Wilde latuw. — Levergezwel, o. (-len). — Leverig, bn. — Lever klaver, v. Soort van klaver met leverkleurige bloemen. — Leverkleur, v. — Leverkleurig, bn. —Leverklier,\. (-en).

— Lever koliek, o. — Leverkruid, o. (Naam, aan verschillende planten gegeven, die niet de minste verwantschap tot elkander hebben;. 1° Overblijvende plant (agrimonia eupatoria), die bij ons op booge gronden langs wegen en in weiden voorkomt. Bloeit in juli. Wordt door geiten en schapen gaarne gegeten. 2° Overblijvende plant {eupatorium cannabinum)

a. Groote lobhe. b. Doorgang van de onderste holader. c. In de lengte voort-loopende groeve (linkschei, de navelader bevattende, d. Dwarse groeve, bevattende de holte van de poortader, van de takken der slagader en van de leverbuis. e. Galblaas uitloopende in de gal buis. g. Gejneenschappelyke gal-buis. h. Stam van de poortader. i. Leverslagader. k. Uitstek (voordeel). 1. Uitstek (achterdeel). ra. Linkerlobbe. n. Twaalfvingerig darm.

onkruid en wordt door 't vee niet aangeraakt. — Lever kuil, ra. (-en). — Leverkwaal, v. (..alen). — Lever loop, ra. Buik- % loop, door verstopping der lever veroorzaakt. — Lever mossen, o. rav. Groep be-dektbloeiende, verwante plantjes, die in ontwikkelden toestand naakte d. i. niet door een huikje bedekte vruchten bezitten.

— Levernavelbreuk, v. — Leverontsteking, v. — Lever puist, v. (-en). Soort van sproet. — Leverspaath, o., leversteen, ra. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.). Schilferige leisteen, inz. uit Italië, waarvan men vuur-bestendige potten maakt. —- Levertraan, v. Geneesmiddel, bereid uit de lever van kabeljauw. — Lev er uit ze ting, v. (-en).

— Levervlek, v. (-ken). Soort van sproet.

— Leverworm, m. (-en). — Leverworst,-v. (stofn.); v. (-en) (voorwerpsn.). — Leverziekte, v. — Leverzucht, v. — Lever-zuchtig, bn.

leveren, bw. leverde, heeft geleverd. Bezorgen, behandigen. Iets, dat op bepaalden tijd moet voltooid zijn, ter handen stellen. Verkoopen. lem. in de handen van 't gerecht leveren, doen aanhouden. Slag leveren (met den vijand). Stof leveren (tot een gesprek, enz.). — Lever aar, ra. (-s)^

— Leveraarster, v. (-s). — Leverancier, ra. (-s). Leveraar. — Leverantie, v. (..iën, -s). Levering. Aflevering. — Leveroaar, bn. —Levering, v. (-en).

I^everrier [U.J.J.), 1811-1877, Saint-L6. Fr. sterrenkundige. Hield zich vooral bezig met 't bepalen van loopbanen van planeten en kometen.

Ijevl. Een der zonen van Jacob. Gai zijnen naam aan een der 12 geslachten.

4. — LEVI

(koninginnekruid). Wordt vooral aangetroffen in veenachtige, zandige streken. Is

K.


ocr page 447

LICH — 4

.Leviet, m. (-en). Afstammeling van Levi. Joodscn offerpriester. Priester der Nieuwe Wet. lem. de Levieten lezen, hem scherp doorhalen. — Leviett'sch, bn.

l^eviatliaii, m. (-s). Watermonster (uit het boek van Job). Boosaardig monster.

lexloon, o. (lexica). Woordenboek. Woordenschat.—Lexicograaf, ra. (..afen). Woordenboekschrijver. — Lexicograph ie, v. Woordenbouw. Vormleer. — Lexico-

traphisch,raphisch, bn. — Lexicologie, v. Woor-enleer.

lieys {y.A. H. baron), 1815-1869, Antwerpen. Schilder. De wan deling h ti iten de muren; het bloedplakkaat van Keizer Karei; Luther, kerstliederen zingend.

lezeu, bw. las, heeft gelezen. Luid opzeggen : zijne les lezen, mis lezen. Met de oogen doorloopen : een boek lezen, muziek lezen. Voorlezingen houden. Bidden. Verzamelen, bijeenzamelen, plukken. lem. de les lezen, hem scherp doorhalen. In iemands ziel lezen : zijne gedachten doorgronden. — Lezen, o. — Lezenaar, m. (-s). Schuinsch lees- of schrijfbord. —Lezenswaard, ..waardig, bn. — Lezer, m. (-s^. — Lezeres, v. (-sen). — JLeesster, v. (-s). — Lezing, v. Het lezen, het uitzoeken, (-en) Leeswijze. Voorlezing, voordracht.

Has, v. (-sen). Bundel, pak geschriften. Snoer, rijgsnoer, veter.

Has, o. Zeker leiachtig kalkgesteente (Jura-bergen).

libel, o. (-len). Smaad-, schimp-, schotschrift. Lasterschrift. —Libellist, m, (-en). Spot-, schimp-, hekelschrijver. — Libelschrijver, m. (-s).

llber, bn. Vrij : zijt gij liber vandaag? liberaal, bn. bijw. Vrijzinnig. Vrijgevig, mild, milddadig. — Liberaal, m. (..alen). Aanhanger der liberale partij. — Liberalisme, o. Vrijheidsgeest. Vrnzinnig-heid. — Liberaliteit, v. Mildheid. Milddadigheid. Liefdegift.

libretto, o. (-'s). Operatekst. Boekje, dat den tekst eener opera bevat.

licentiaat, m. (..aten). Candidaat-doctor (in de rechten, enz.).

licentie, v. (..iën, -s). Verlof, oorlof, verganning, toelating (om zeker beroep uit te oefenen). Dichterlijke vrijheid.

licltatie, v. (..iën,-s). Openbare ver-kooping, aan den meestbiedende, van een onroerend goed, dat niet wel onder de verschillende eigenaars kan verdeeld worden. Verkooping bij opbod.

licliaam, o. (..amen). Elk gedeelte der stof, dat een op zich staande en onderscheiden geheel vormt. Elk begrensde uitgebreidheid stof : ieder lichaam heeft drie afmetingen : lengte, breedte, diepte of hoogte. Stoffelijk gedeelte van een Cezield wezen : 's menschen lichaam. Romp. Lijf. Het voornaamste deel van iets : net lichaam van een gebouw. Geheel : al die stukken moeten tot een lichaam gebracht worden. Vereenigde menigte : het wetgevend lichaam. Een lichaam zonder ziel : een mensch zonder verstand. — Lichaams-arbeid, m. — Lichaamsband, m. (-en). Witte, vezelige verbinding der beenderen pf bevestiging dergewrichten.—L,ichaams-

gt;5 — LICH

behoeften, v. mv. — Lichaamsbeweging v. (-en).— Lichaarnsbouw, m.—LichaamS' deel, o. ( en). —Lichaamsgebrek, o. (-en).

— Lichaamsgestalte, v. (-n). — Lichaamsgestel, o. (-len). Gesteldheid, toestand des ïichaams. Lichamelijke eigenschap. — Li-chaamskastyding, v. {-en). —Lichaamskracht, v. (-en). — Lichaamsoefening, v. (-en). — Lichaamspijn, v. — Lichaamsstraf, v. (-fen). — Lichaamstoestand, m.

— Lichaamswarmte, v. — Lichamelijk, bn. bijw. Tot het lichaam behoorende of daarop betrekkelijk : lichamelijke gebreken. Een lichaam of gestalte, een uiterlijk waarneembaren vorm hebbende, zichtbaar, tastbaar : een lichamelijk wezen. — Lichamelijkheid, v. — Lichajneloos, bn. bijw.

— Lichameloosheid, v.

Hebt, o. De kracht, die, door hare werking op het netvlies van het oog, in den mensch het verschijnsel voortbrengt, dat wij zien noemen. Wat verlicht en de voorwerpen zichtbaar voorstelt : zonnelicht, daglicht. Levenslicht: het licht zien. Duidelijke, klare kennis, opheldering : iem. licht in eene zaak geven. Openbaarheid : het licht schuwen. Persoon van buitengewone kennis : met Bilderdijk is er een licht opgegaan in Nederland. (Bij schilders) De verlichting of verlichte plaatsen op eene schilderij : licht en schaduw. Licht der oogen, gezichtsvermogen : het licht is uit zijne éene oog. (-en) Lichiverspreidend voorwerp. Een ontstoken licht. — Licht, bn. Helder, niet donker, waarin veel licht dringt, vol licht. — Licht, bn. bijw. Van geringe zwaarte, niet zwaar, niet zeer zwaar. Dun : lichte stoffen. Zonder ernst, lichtvaardig, lichtzinnig, wuft. Oneerlijk, onkuisch. Van gering belang, onbeduidend. Slechts weinig bezwarend, niet drukkend. (Van dranken, enz.) Niet zwaar in de maag liggend : licht bier. Wat weinig moeite en inspanning vordert: lichte taak. Niet stevig, niet hecht: dat is licht en dicht. Niet plomp: hij heeft een lichten gang. Lichte troepen, licht gewapend. Hij wordt licht toornig. Bijw.Wellicht,allicht; licht komt hij heden.

— Lichtachtig, bn. — Licht anker, o. (-s). IJzeren staaf om iets mede op te lichten. — Lichtbeeld, o. (-en). Photographische afbeelding. — Lichtblauw, bn. o. — Lichtboei, v. (-en). Boei in het vaarwater, die 's avonds wordt verlicht. — Lichtbrekend, bn. — Lichtbron, w. (-nen).—Lichtbruin, bn. o. — Lichtbundel, m. (-s). Verzameling van evenwijdige stralen, uit éene bron voortkomende. — Lichtdrager, m. (-s). Fakkeldrager. Morgenster. Lichtsteen. — Lichtdruk, m. ^lethode om photographi-sche beelden door den druk te vermenigvuldigen. — o. (-en). — Lichtekooi, v. (-en). Ontuchtig vrouwspersoon. — Lichtelijk, bijw. Op gemakkelijke wijze. Zonder moeite. — Lichten, lichtte, heeft gelicht. Ow. Licht worden, dag worden : het begon reeds te lichten. Weerlichten : het lichtte sterk in het Zuiden. Verlicht worden. Licht van zich geven. Flikkeren : de zee is aan het lichten. Bw. Voorlichten (met eene brandende kaars, enz.) : licht mij de trap af. — Licivten, lichtte, heeft en is


ocr page 448

LICH — 4

fgelicht. Bw. Lichter maken : zijne beurs ichten. Opheffen : eenen last licnten. Afnemen : den hoed lichten. Doen opkomen : soldaten lichten. Opnemen : geld lichten. Ledigen : het glas lichten, de brievenbus lichten. Ow. verlichting aanbrengen : die electrische toestel licht goed. (zijn) Minder diep gaan : het schip is twee voet gelicht. gelicht. Bw. Lichter maken : zijne beurs ichten. Opheffen : eenen last licnten. Afnemen : den hoed lichten. Doen opkomen : soldaten lichten. Opnemen : geld lichten. Ledigen : het glas lichten, de brievenbus lichten. Ow. verlichting aanbrengen : die electrische toestel licht goed. (zijn) Minder diep gaan : het schip is twee voet gelicht. —- Lichtend, bn. — Lichtenis, v. Verlichting. Troost. — Lichter, m. ( s). Persoon, die licht. Naam van verschillende voorwerpen, waarmede men licht, oplicht, verlicht. Ontladingsvaartuig. Deel eener deurklink. Veer van een slaguurwerk. Doodbaar. Bretel. Hulpzeel. — Lichtergeld, o. Loon van den scnipper eens lichters. Zekere scheepvaartbelasting. — Lichte (r)-laaie, bijw. Het brandde lichterlaaie, met lichte, heldere vlam. — Licht er man, m. (-nen). Schipper van eenen lichter. —Lich-ter schip, o. (..epen). — Lichtflesch, v. (..sschen). Lichtglas. — Lichtgas, o. — Lichtgeel, bn. o. — Lichtgeloovig, bn. bijw. Licht en spoedig geloovende (zonder te onderzoeken of het wel waar is). Eenvoudig. — Lichtgelonvigheid, v. — Lichtgeraakt, bn. Prikkelbaar. Kitteloorig. — Lichtgeraaktheid, v. — Lichtgestalten, v. mv. Schijngestalten. — Lichtgevend, bn.

— Lichtgewapend, bn. — Lichtglas, o. (..azen). Kristallen bol met water gevuld, ter versterking van 't licht (door kantwerksters, enz.gebruikt).— Lichtgolf, v. (..ven).

Lichtgrauw, bn. o. — Lichtgrijs, bn. o.

— I.ichtgroen, bn. o. — Lichtharig, bn.

— Lichthart, ra. en v. (-en). Die zich niets aantrekt. Zorgelooze. — Lichthartig, bn. bijw. — Lichthartigheid, v. — Ltchtha-ter, m. (-s).—Licht haat ster, v. (-s). — Lichtheid, v. Geringe zwaarte. Vlugheid. Gemakkelijkheid. Vroolijkheid. Zorgeloosheid. Lichtzinnigheid. Losheid van zeden.

— Lichthoofd, m. en v. (-en). Lichthart. — Licht hoof dig, bn. bijw. — Lichthoofdig-heid, v. — Lichthozit, o. Glimhout. — Lichtigheid, v. — Lichting, v. Het lichten. (-en) Het licht maken. Verlichting (van pijn. enz.). Het ledigen der brievenbus. Heffing (der belastingen). Oproeping (vankrijgsvolk). Het lossen (van een schip). (Zeew.) Draaiing van hettouw. —Lichtjes, bijw. Zachtjes. Wat lichtzinnig. — Licht-kegel, ra. (-s). Verzameling van lichtstralen, die uit éen punt voort- of in éen punt samenkomen. — Licht kever-, m. (-s). Glimworm. — Lichtklaar, bn. Hij deed het op lichtklaren dag. — Lichtkogel, m. (-s). —-Lichtkrans, m. (-en). Krans om het hoofd der heiligen. Zeker luchtverschijnsel. — Lichtkroon, v. (..onen). Kroonkandelaar.

— Lichtleer, v. Leer van het licht. Ge-zichtsleer. — Lichtmeter, m. (-s). — Lichtmis, v. Feest van O. L. V., den 2n Februari gevierd, ter herinnering van Maria's tempelbezoek tot het brengen van haar reinigingsoffer. — Lichtmis, m. (-sen). Losbol. — Lichtmissen, ow. lichtmiste, heeft gelichtmist. Een losbandig leven leiden. — Lichtviissery, v. (-en). Losbandig leven.

— Licht pan, v. (-nen). Pan, ter verlichting van den oven. — Lichtpunt, o. (-en), •e- Lichtrood, bn. o. — Lichtscherm^ o.

6 — LIED

(-en). — Lichtschuw, bn. — Licntschu-wer, m. (-s). —Lichtstander, m. (-s). — Lichtsteen, m. (-en). Glinsterende steen,

— Lichtsterkte, v. — Lichtstraal, m. (..alen). De lijn, die het licht volgt, terwijl het zich voortplant. — Lichtte, v. — Lichtvaardig, bn. bijw. Onberaden, onbestendig : een lichtvaardig mensch. Ongodsdienstig : lichtvaardige taal. Los van zeden: lichtvaardig meisje, vermetel, roekeloos : hij handelt zeer lichtvaardig. — Lichtvaar-digheid, v. — Lichtvaardiglyk, bijw. — Lichtvink, m. (-en). Zorgelooze.—Lichtvoetig, bn. — Lichtzyde, v. (-n). — Lichtzinnig, bn. bijw. Onbesuisd. Ondoordacht.

— Lichtzinnigheid, v. — Lichtzinniglyk, bijw.

lid, o. (leden). G ewricht : de vingers hebben drie leden. Lichaamsdeel : sterk zijn van leden. Knoop (van riet of halm). Deel, afdeeling: het ie lid van het 26 hoofdstuk. Deelgenoot: de leden van eene sociëteit. Graad van afstamming : tot in het 3° en 4° lid. De leden der h. Kerk zijn : « al degenen, die hier op aarde onder de

fehoorzaamheid van den Paus van Rome et waarachtig Geloof belijdenehoorzaamheid van den Paus van Rome et waarachtig Geloof belijden [strijdende Kerk), oi in het vagevuur gezuiverd worden {lijdende Kerk), of nu met Christus in den hemel leven [zegepralende Kerk). Dat lag mij op de leden : i1* had er een voorgevoelen van. — Lid, o. (leden). Deksel (eener kan, enz.). Het lid van het oog. —Lidgras, o. Hondsgras. — Lidmaat, m. en v. (..aten). Medelid : de lidmaten eener sociëteit. — Lidmaat, o. (ledematen). Deel des lichaams. — Lidmaatschap, o. — Lidma-tencatechisatie, v. (..iën, -s). — Lidrotting, m. (-en). Rotting met leden. — Lidsteng, v. Overblijvende plant {Hippuris vulgaris,). Komt voor in ondiepe slooten en moerassige weiden. Bloeit van Mei tot Augustus. — Lidteeken, o. (-s). (Taalk.) Komma. — Lidwater, o. Ledewater. — Lidwoord, o. (-en). Woord, dat vóór het zelfst. naamw. staat om aan te kondigen in welken omvang de beteekenis van dat zelfst. naamw. moet gedacht worden. Het bepalende of aanwijzende lidwoord [de of het) kondigt aan,dat het zelfst. naamw., hetwelk óf eene soort óf een of meer individuen óf eene hoeveelheid óf een abstract begrip beteekent, in bepaalden zin gebruikt is. Het lidwoord van eenheid [een) kondigt aan, dat het zelfst. naamw. eene eenheid noemt van de gelijkmatige soort.

bn. Zie Leen.

lilcbststrd, ra. (-s). (Dicht.) Leeuw, liicbig: (^. vrijheer von), 1803-1875,. Darmstadt. Scheikundige. Hoogleeraar (München).

lied, o. (-eren). Gedicht, geschikt om gezongen te worden. Dat is het einde van het lied, daarmede is het uit. — Liederboek, o. en ra. (-en). — Liedertafel, v. (-s). Genootschap tot beoefening der zangkunst. Zangvereemging. — Lie dj'e, o. (-s). — Liedjesdichter, ra. (-s). — Liedjeszang er, ra. (-s). — Liedjeszangster, v. (-s).

lierfcu, ra. rav. Personen, menschen : er waren veel lieden op de been. De aan-zienjijke lieden : dg gfjaamp;te, gflprnarop we-


ocr page 449

LIEF — 4

reld. Gemeene lieden : klein volksken. Gpmcene lieden (Godgel.) Zie Gemeen. (Mi'ldel.) Dienstbare lieden : lijfeigenen en

la! cm.

li4'«lcrlUk, bn. bijw. Armoedig, slordig, achteloos: een liederlijk mensch. On-g« rcgeld, verkwistend ; een liederlijk leven. Slecht, zedeloos : hij gaat met liederlijke personen om. — Liederlijkheid, v. (..heden].

lief, bn. bijw. Geliefd, bemind : lieve moeder. Onze Lieve Heer : God. Onze Lieve Vrouw : de h. Maagd Maria. Beminnelijk, aardig, innemend : een lief kind, een lief gezichtje. Aangenaam, behaaglijk, dat veel genoegen geeft : uw bezoek was mij zeer lief. Dierbaar : doe het als het leven u lief is. Daar had men het lieve leventje gaande : daar begon het krakeel, het geraas, enz. Lieve hemel! lieve deugd! lieve tijd 1 (Uitroepingen van verwondering). ZV^/wordt soms na het zelfst. naamw. geplaatst: vaderlief. — Lief, o. Al wat lief is : in lief en leed. — Lief, o. Geliefde. — Liefdadig, bn. bijw. Weldoende. Milddadig. — Liefdadigheid, v. — Liefde, v. Gevoelen, waardoor de mensch getrokken wordt naar al wat schoon, goed en recht schijnt of is : de liefde voor het vaderland, voor de waarheid. Toestand des gemoeds, waaiin men genoegen schept in iem. of in zijn welvaren. Betrekking van twee personen op elkander ; hij brandt van liefde voor u. Teederheid : vol liefde zijn voor iem. Ouderlijke liefde : liefde der ouders voor hunne kinderen. Kinderlijke liefde : liefde der kinderen voor hunne ouders. De christelijke liefde : de liefde tot den naaste. Werken van liefde : werken der christelijke liefde. Uit liefde voor u : om uwentwille. Doe het om de liefde Gods : doe het toch, wat ik u bidden mag. Zij is een middel (remedie) tegen de liefde : zij is zoo leelijk als de nacht. De minnegod, Cupido. (Godgel.) « Gave Gods, door dewelke wij God boven alle dingen beminnen en onzen naaste als ons zeiven om God. » De h. Geest wordt de liefde des Vaders en des Zoons genoemd. — Liefdeband, m. — Liefdebeeld, o. Beeld van den minnegod.

— Liefdeblijk, o. (-en). — Liefdebrand, m. — Liefdedaad, v. (..aden). — Liefdedienst, m. (-en). — Liefdedicht, o. (-en).

— Liefdedrank, m. (-en). — Liefdedrift, v. — Liefdegaaf, v. (..aven), liefdegave, v. (-n). — Liefdegift, v. (-en). Aalmoes. — Liefdegevoel, o. — Liefdehandel, m. — Liet de knoop, m. Liefdeband, (-en) (Wa-penk.) Benaming voor in elkander gevlochten linten of koorden, die in verschillende gedaante als wapenfiguren voorkomen. — Liefdeloos, bn. bijw. — Liefdeloosheid, v.

— Lie fdem a a ltijd, m. (-en). Zie Agaap. — Lief defy l, m. (-en). — Liefderijk, bn. bijw. Met liefde, weldadig. Welwillend, zeer minzaam. — Liefderijkheid, v. — Liefdesappel, m. (-en, -s). Soort van nachtschade met eetbare vruchten {solanunt lycopersicum). — Liefdesbetuiging, v. (^en). — Liefdesgeschiedenis, v. (-sen).— Liefdeshalve, bijw. Uit liefde. — Liefdesmart, v. (-en). — Liefdestrikf m. (-ken).

7 — LIER

(Wapenk.) Liefdeknoop. — Liefdesverklaring, v. (-en). — Liefdetaal, v.— L-efde-vlam, v., liefdevuur, o. — Liefdrwaar-dig, bn. — Liefelijk, bn. bijw. Aangenaam, bevallig, behaaglijk, bekooilijk. — Liefelijkheid, v. (..heden). —Liefhebben, bw. had lief, heeft liefgehad. Beminnen. Houden (van). — Liefhebber,m.. (-s).Iem., die veel van iets bcudt, die neiging heeft voor iets. Beminnaar, vereerder, beoefenaar der schoone kunsten. — Liefhebberen, ow. liefhebberde, heeft geliefhebberd. Uitliefde de schoone kunsten, enz. beoefenen. — Liefhebberij', v. Neiging, smaak (voor), (-en) Zeldzame voorwerpen : kunstmatig vervaardigde toestellen, enz. — Liefhebberijconcert, o. (-en). — Liefhebberijkomedie, v. (-s). —Liefhebberij studie, v. (..iën, -s). —Liefhebberijtooneel, o. (-en).

— Lie f hebber ijwerk, o. — Lief hebsterjV. (-s). — Liefje, o. (-s). Klein, liefkind. Geliefde. — Lieffes, bijw. Braaf, aardig : dat heeft hij liefjes gedaan. —Liefkorzen, bw. liefkoosde, heeft geliefkoosd. Zijne liefde door vleierij, zoete woorden, enz. betuigen. — Liefkoozer,vci. (-s;. —Liefkooztrif, v. (-en).—Liefkoozing, v. (-en).—Liefkoosster, v. (-s). —Lief kruid, o. Madeliefje.

— Lieflok ken, bw. lieflokte, heeft gelief-lokt. Door streelen, vleien tot zijn- n wil overhalen. — Lief oog en, ow. li el oogde, heeft geliefoogd. Lonken. — Liefst, bijw. Bij voorkeur. — Liefst, bn. Dat is zijn liefste eten. — Liefste, m. en v. (-n). Beminde. — Lieftalig-, bn. Lief sprekend. —1 Lieftaligheid, v. — Lieftallig, bn. bijw. Minzaam. Vriendelijk. — Lieftalligheid, v.—Lief waardig,hn. Waard bemind t« worden. — Lieveling, m. en v. (-en). Per- i soon, dien men boven anderen liefheeft. —, Lievelinge, v. (-n). — Lievelingsarbeid, ra. —Lievelingsbezigheid, v. (..heden). — Lievelingsboek, o. en m. (-en). — Lieve-\ lingsdenkbeeld, o. (-en). — Lievelingsdichter, m. (-s). _— Lievelingsdrank, ra. (-en). — Lievelingsgerecht, o. (-en). — Lievelingskleur, v. (-en). — Lievelings-kost, ra. — Lievelingslied, o. (-eren). — Lievelingsplaats, v. (-en). — Lievelingsplekje, o. (-s). — Lievelingsschrijver, ra. (-s). — Lievelingsspel, o. (-en). — Lieve-lin^sspijs, v. (..zen). —- Lieve lings u itdr uk-king, v. (-en). — Lievelingswerk, o. — Lievelingswoord, o. (-en). —Lieven, bw. liefde, heeft geliefd. Liefhebben. Beminnen. — Liever, bn. bijw. Hij eet liever vleesch dan viscb. Liever sterven dan God te vergrammen. —■ Lieverd, m. (-s). Lief kind. — Lievigheid, v. (..heden).

lieert») ow' loog» heeft gelogen. Wetens en willens tegen zijne gedachte spreken. Die liegt bedriegt. Hij liegt het : hij geeft het tegen beter weten als waarheid op. — Lieger, ra. (-s). — Liefst er, v. (-s).

lier, v. (-en). Horizontaal geplaatste kaapstander, dienende om schepen te laden.

lier, v. (-en). (Oudt.) Snarenspeeltuig. dat met de vingers bespeeld werd. (Thans) Soort van draaiorgel. Dichtkunst. De lier aan de wilgen hangen : ophouden verzen te maken, (Sterr.) Sterrenbeeld van het


ocr page 450

LIGD — 4

zuidelijk hemelrond. — Lierdicht, o. (-en). Zie Poëzie. — Lierdichter, ra. (-s). — Lierdraaier, ra. (-s). — Liereman, ra. (-nen). Die met ten draaiorgel zijn brood bedelt op den openbaren weg. — Liere-nteis/e, o. (-s). — Lierevrouw, v. (-en). — Lieren, ow. lierde, heeft gelierd. Op de lier spelen. De lier draaien. — Lierrad, o. (-eren). —Lierspeelster, v. (-s). — Lierspeler, ra. (-s). — Liervormig, bn. — Lierzang, m. (-en). Lierdicht, liereimar, ra. (-s). Knipmesje. llcrkop, ra. (-pen). Hagedis van 't geslacht der leguanen in Indië.

lierluuw, bn. Een weinig lauw. — ZzVr/a«Wtfw,lierlauwde, heeft gelierlauwd. Bw. Een weinig lauw raaken. Ow. Langzaam warm worden.

llerstsiart, ra. (-en). Vogel van Nieuw-Holland {menura superbd\.\% bekendora zqnprachtigen staart, die den vorm heeft van eene lier. — Liervogel, ra. (-s). Lierstaart.

llerviscli, ra. (..sschen). Visch {trigla lyrd) van 't geslacht der knorhanen. Ook, visch (callionytna lyra) van 't geslacht der spinvisschen.

lleM, v. (..zen). Plooi tusschen buik en dijbeen.— Liesbreuk,-?, (-en). — Liesbuil, v. (-en). —Liesgezwel, o. (-len). —Lies-klieren, v. rav. — Lies lui s, v. (..zen). Platluis. — Liesontsteking, v. (-en).

lies, v. Varkensvet.

lies, liezc, o. (Leerl.) Dun buikleder, lies, v. Fraai vlotgras.

lieverlede (vsiu-)- Van stap tot stap. Langzamerhand. Allengs.

liflaf, bn. Smakeloos, ongezouten. Flauw. — Lijlaf, o. Liflatterij. — Liflaf-fen, ow. liflafte, heeft geliflaft. Op eene walgelijke wijze liefkoozen. Zottepraat uitslaan. — Lijlafferif, v. (-en). Walglijke liefkoozing. Laffe kost. Zoutelooze praat.

lift, v. (-en). Hijschtoestel voor personen.

llSTdag1: m. (-en). Tijd, gebruikt ora de schepen te laden of te lossen, zonder dat de schipper daarvoor iets trekt. — Liggeld, o. Geld, dat geëischt wordt van de schepen voor het liggen in kaai of haven. Geld, dat aan eenen schipper, die boven den bepaalden termijn niet zijn schip ergens ligt, betaald wordt. — Liggen, ow. lag, heeft en is gelegen. Gelegen zijn Tegenstelling van staan en zitten : hij lag voorover op den grond. Rusten : te bed liggen. Op sterven figgen : den dood nabij zijn. Begraven liggen : hier ligt (op grafzerken); op dat kerkhof ligt nog familie van mij. Gelegerd zijn : in garnizoen liggen. Verblijf houden : hij ligt (op) school. Zich bevinden : met iem. in proces liggen. Op het punt zijn : ik lig op reis daarheen. Neergelegd zijn : het boek ligt op de tafel. In liggenden toestand ver-keeren : het schip ligt ten anker. De zaak bleef liggen. Het woord lag mij op de tong, op de lippen. Hij heeft het daar leelijk laten liggen, heeft er zich misdragen. Er is niets aan gelegen. Stil liggen (van geld) :

Seene rente opleveren. Gaan liggen (van en wind), bedaren. Gelegen zijn : Antwerpen ligt aan de Schelde. Bedekt zijneene rente opleveren. Gaan liggen (van en wind), bedaren. Gelegen zijn : Antwerpen ligt aan de Schelde. Bedekt zijn

8 — LIJD

(met) : de tuin ligt vol sneeuw. Gevuld zijn (met) : de kelder ligt vol bier. — Liggend, bn. In eene liggende houding : een liggend kruis. Onroerend: liggende goederen. Renteloos (ook) gereed : liggend geld. Lig-

fende renten : grondrenten. —ende renten : grondrenten. — Ligger, m. ■s). Die ligt. Winkelgoed, dat in den winkel blijftliggen. Onderste molensteen.Groot vat op schepen. Klein vaartuig, bij het optimmeren van een groot schip gebruikt. Waker op een ledig schip. Naam van zekere registers. — Ligging, (-en). Het liggen. De wijze, waarop iets of iera. gelegen is. Slaapplaats, bed. (Schild.) Gezichtspunt (van een landschap). —Ligplaats, v. (-en). Plaats, waar het anker geworpen wordt.

ligrnietcu, ra. mv. Bruinkolen (zekere brandbare delfstof).

llifue, v. Verbond. Samenspanning. Ijlguori {h. A. M. de), 1696-1787, Napels. Stichter van de Congregatie der Redemptoristen en schrijver van een aantal theologische werken.

ligTUMter, m. (-s). Heester [ligustrum vtilgaré), die bii ons in 't wild wordt aangetroffen. Wordt veel tot het aanleggen van heggen aangewend. — Ligusterbes, v. (-sen). —Liguster heg, v. (-gen).

1U, v. (Zeew.) Zijde van het schip, waar de wind uitgaat. Tegenstelling van loef. In lij, aan lij : onderden wind. Verlegenheid : iem. in de lij brengen. Iem. in de lij houden, hem in zijne macht bedwingen. — Lyboelyn, v. (-s). — Lyboord, o. — Lijbras, ra. (-sen). — Lygetouw, o., lygor-ding, v. (-en). — LyiuaartS) bijw. Ónder den wind. — Lij quot;wal, ra. Kust onder den wind. — Lijzeil, o. (-en). (Zeew.) — Ly-zeilsra, v. (..aas). — Lijzeilsspeer, v. (..eren). — Lyzeilsspeersbeugel, ra. (-s).

— Lijzeilsschoot, v. (-en). — Lyzeilsval, ra. (-len). — Lijzij de, v. (Zeew.) Zijde onder den wind.

iUlt;ngt; aar, bn. Geleden kunnende worden : lijdbare pijn. — Lijdbaarheid, v. — Lydelifk, bn. bijw. Draagbaar, duldbaar. Zich niet verzettende (tegen). Berustende (in). — Lijdelijkheid, v. — Lijden, bw. ow. leed, beeft geleden. Ondergaan : een groot verlies lijden, honger lijden. Uitstaan, verduren : hij leed groote pijn. Dulden : hij kan geen onrecht lijden. Toelaten : zulke dingen mag men niet lijden. Verdragen : bij kan u niet lijden. Dit lijdt

f eenen twijfel : daar is geen twijfel bij. lenpw. leed, is geleden. Voorbijgaan : het is twee weken geleden. Duren ; het leed lang, eer hij kwam. — eenen twijfel : daar is geen twijfel bij. lenpw. leed, is geleden. Voorbijgaan : het is twee weken geleden. Duren ; het leed lang, eer hij kwam. — Lijden, o. Het ondergaan van smart : het lijden van Christus. Na lijden komt verblijden. — Lijdend, bn. In lijdenden toestand ; zij is altijd lijdend. Lijdend werkw. als het onderwerp de werking ondergaat : hij wordt bemind. — Lijdensbeker, m. — Lijdensgeschiedenis, v. (-sen). — Lijdenskelk, ra.

— Lydenspreek, v. (-en). — Lijdenstekst, ra. ( en). — Lijdensweek, v. (..eken). — Lijder, ra. (-s). — Lij der es, v. (-sen). — Lij dig, bn. bijw. Noodlottig, ellendig. Groot. — Lijdzaam, bn. bijw. Geduldig. Goedaardig. — Lijdzaamheid, v.

lUf, o. (••ven). De romp, het lichaam


ocr page 451

LIJF — i

ronder hoofd, armen en beenen : gezond van lijf zijn. Het onderlijf, buik, maag en ingewanden : pijn in het lijf hebben. Mid-dèl : iem. om het lijf vatten. Endeldarm : het lijf ging hem uit. Leven : zijn lijf wagen. Lijf om lijf, man tegen man vechten. Zijn lijf bergen : zich redden. Blijf^mij van 'tlijf: raak mij niet aan. Iem. te lijf willen, hem willen slaan. Met lijf en ziel : niet al zijn vermogen. Bij levende lijve zijn : in leven zijn. Geen hart in het lijf hebben :

Séenen moed hebben. Kleedingstuk, dat et bovenlijf bedekt. Bovendeel van eene japon, enz. Fersoon : geld op zijn lijf zetten. Deze zaak heeft niets om het lijf, heeft niets te beduiden. —éenen moed hebben. Kleedingstuk, dat et bovenlijf bedekt. Bovendeel van eene japon, enz. Fersoon : geld op zijn lijf zetten. Deze zaak heeft niets om het lijf, heeft niets te beduiden. — Lijfarts, m. (-en). Gewoon geneesheer (van eenen vorst, enz.]. — Lit f band, m. (-en). — Ly(dienst, m. (-en). — Lijfeigen, bn. — Lijf eigendom, m. — Lijfeigene, m. en v. (-n). ^Mid-del.) Lijfeigenen : dienstbare lieden, slaven, die geheel en al, met vrouw enkinde-ren, het eigendom huns meesters waren. quot;Werden in persoon gekocht en verkocht.

Lijfeigenschap, v.--Lijfelijk, bn. Een

lijf hebbende. Lichamelijk.—Lijfelijkheid, — Lijfgevecht, o. (-en). Tweegevecht.

— Lyjgewaad, o. — Lij f gevoeld, o. — Lijf haar, o. (..aren). —Lijf heil, o. Lijfsbehoud. — Lijfhouten, o. mv. (Scheepsb.) Zekere houten planken. — Lijfje, lijvetje, o. (-s). Bovendeel van eene japon, enz. — Lijfjonker, m. (-s). Edelknaap. — Lyf-Jeastijding, v. (-en). —- Lijf kleur, y. Vleeschkleur. (-en) Lievelingskleur.—Lijfknecht, m. (-en). — Lijjkost, m. Geliefkoosde spijs. —Lijflied, o. (-eren). Lievelingslied. — Lyjloos ,hn. Dood. — Lyfrne-dicus, m. (..ci). Lijfarts. — Lijfmoeder, v. (-s). Baarmoeder. —Liifnaad, m. (..aden). Keursnaad. (Zeew.) Naad tusschen de zetgangen. — Lijfoefening, v. (-en). — Lijfrente, v. (-n). Rente, welke men zijn leven lang geniet. Kapitaal, in geld of goed, dat men aan iem. overdraagt, onder beding, dat hij daarvoor jaarlijks eene zekere rente, 't bedrag der gewone rente te boven

Saande, uitkeere, 't zij aan den persoon, ie 't kapitaal heeft overgedragen, 't zij aan eenen of meer derde personen, zoolang zij leven. —aande, uitkeere, 't zij aan den persoon, ie 't kapitaal heeft overgedragen, 't zij aan eenen of meer derde personen, zoolang zij leven. — Lijfrentenier, m. (-s). — Lyf rentenier ster, v. (-s). — Lijfrok, m. (-ken). —Lijfsbehoeften, v. mv. — Lyfs-.behoud, o. — Lyfsberging, v. — Lijf-schut, m. (-ten). (Oudt.) Lid eener lijfwacht. — Lyf sdwang, m. Gijzeling : eene geldboete, bij nietbetaling te verhalen bij lijfsdwang. — Lijfserven, m. en v. mv. Natuurlijke erfgenamen, kinderen.

— Lijfsgestalte, y. — Lijfsgevaar, o. (..aren). — Lijfssieraad, o. (..aden). — Lyfstoebehoor, lyfstoebehooren, o. Persoonlijk eigendom. — Lijfstoet, m. (-en). Gevolg van eenon vorst. — Lijfstraf, v. (-fen). — Lijfstraff e lijk, bn. — Lyf stukje, o. (-s). Lievelingslied. — Lijftocht, m. Levensmiddelen. Vruchtgebruik : de lijftocht eeper weduwe. Jaargelden der jongere prinsen van een regeerend huis. — Lijf-tochtelijk, ba. Vrucbtgebruikend. — Lijftochten, bw. lijftochtte, heeft gelijftocht. Eenen lijftocht geven. — Lijftochtenaar,

gt;9 — LIJK

m. (-s). Vruchtgebruiker. — Lijftochten naarsche, y. (-n). — LijJtochtenares, v. (-sen). —Lijftrawant, m. (-en). Lijfwachter. — Lij f verf, v. Vleeschkleur. — Lijf-vrij, bn. Niet lijfeigen. — Lyf vrijheid, v.

— Lyfvoacht, v. (-en). Wacht, belast met de bewaking van vorstelijke personen, (-en) Persoon, die deel maakt eener lijfwacht. — Lijf wachter, m. (-s). — Lijf wapen, o. Wapenrusting. — Lijf zaak, v. (..aken). Lijfstraffelijke zaak. — Lij f zake lijk, bn. — Ly'vig, bn. Zwaar van lijf: hij is zeer lijvig. Dik, stevig : lijvige siroop. Zwaar, dik : lijvig boekdeel. — Lijvigheid, v.

l|]k, o. (-en). Dood lichaam van eenen mensch. Zoo bleek, zoo koud als een lijk. Hij zag als een lijk. — Lijkachiig, bn. Als een lijk. — Lykaltaar, o. (..aren). Reukaltaar bij eenen doode. — Lykasch, v. — Lijkbaar, v. (..aren). —Lykbegraver, m. (-s). — Lijkbidder, m. (-s). Iem., die bidt (verzoekt) ten lijke te komen. — Lijkbus, v. (-sen). — Ly'kdeur, v. (-en). Groote ingangdeur eener kerk. — Lijk dicht, o. (-en). — Lijkdienst, m. (-en). — Lijkdoek, m. (-en). — Lijkdrager, m. (-s). — Lijken, bw. lijkte, heeft gelijkt. In een lijklaken winden. — Lijker, m. (-s). Die eenen doode in een lijklaken windt. — Lijkster, v. (-s).

— Lijkganger, m. (-s). — Lijkgebaar, o. — Lijk genoot, m. (-en). Die eene begrafenis bijwoont. — Lijkgenoote, v. (-n). — Lijk-graver, m. (-s). — Lykhuis, o. (..zen). — Lykklacht, v. (-en). — Lijkkleed, o. (-en).

— Lijkkleur, v. — L'tkkleurig, bn. Lijkkoets, v. (-en). — Lykkosten, m. mv,

— Lijkkrans, m. (-en). —Lijk kroon, v. (..onen). — Lijklaken, o. (-s). — Lijklucht, v. — Lijkoffer, o. (-s). — Lijkopening, v. (-en). — LykpLechtigheid, v. (..heden). — Lykplicht, m. en v. (-en). Laatste eer, eenen afgestorvene bewezen.

— Lykpracht, v. — Lijkrede, v. (-nen).

— Lij kreuk, m. —Lijkschouwer, m. (-s).

— Lijkschouwing, y. (-en).—Lijk schulden, v. mv. Begrafeniskosten. — Lykstaat-sie, v. (..iën, -s). — Lijkstapel, m. (-s). Brandstapel. —Lijkstoet, ra. —Lijktoorts, v. (-en). —- Lijkverbranding, v. (-en). — Lykverstijving, v.-— Lijk vuur, o. (..uren). Brandstapel.— Lijkwade, v. (-n). Doodkleed. — Lijkwagen, m. (-s). — Lijk zang, m. (-en).

iyk, o. (-en). (Zeew.) Touw, om een zeil vastgenaaid. Dat sloeg mij uit de lijken : dat maakte mii verlegen. — Lijken, bw. lijkte, heeft gelijkt. (Zeew.) De zeilen op den wind brassen. Een zeil met touwwerk omzoomen. — Lykgaren, o. (Zeew.) Garen, waarmede de lijken vastgehecht worden. — Lijknaald, v. (-en). — Lijks-oogen, o. mv. (Zeew.) Gaten langs de lijken. — Lyktros, ra. (-sen).

lUkcu, bw. lijkte, heeft gelijkt. Gelijk, effen maken.

lUkeu, ow. leek, heeft geleken. Gelijken (op). Gelijk zijn (aan). Schijnen. Voegen, passen : dat lijkt hein niet.

IQkcvcel, bijw. Evenveel. Onverschillig. — Lijkewel, vw. Evenwel.

lUklakeu, v. (-s). Bloedzuiger, UJkuil, m. (-en). Kerkuil.


ocr page 452

LIJS - 4

lUm, v. Geleiachtige zelfstandigheid, door het uitkoken van zekere dierlijke stoffen verkregen. Wordt gebruikt ora te lijmen, te plakken, enz. — Lymachtig, bn.

— Lymachtigheid, v. — L.ymbak, m. (-ken), — Lymf ft, lijmde, heeft gelijmd. Bw. Door lijmwater halen. Met lijmwater doortrekken. Met lijm bestrijken. Door lijmen herstellen (een gebroken voorwerp). Houtwerk witten met lijmverf. Verzen lijmen : ze slecht of gebrekkig maken. Ow. Lijmig worden. Met eene slepende stem spreken. — Lymer, m. (-s). —Lijmerig, bn. — Lymerigheid, v. — Lijmery, v. (-en). Lijmkokerij. — Lymcarde, v. (-n). Lijmroede. — L'/mig, bn. bijw. Naar lijm gelijkende. Kleverig. Slepende (van de stem). — Lij migheid, v. — Lijining, v. (-en). —Lijmkamer, v. (-s). — Lijmketel, m. (-s). —Lymklos, m. (-sen). — Lijmko-ker, m. (-s). — Lijmkokerij, v. Het lijmko-ken. (-en) Plaats, waar lijm gekookt wordt.

— Ly'mkwast, m. (-en). — Lijntmaher, m. (-s). — Lijmmakery, v. Het koken van lijm. (-en) Plaats, waar lijm gekookt wordt. —Lympan, v. (-nen). — Lijmpot, ra. (-ten).

— Lijmroede, v. (-n). Met lijm bestreken takje, om vogels te vangen. — Lyvisel, o.

— Lijmstang, ▼. (-en). Lijmroede. — Lijm-ster, v. (-s). — Lymüof, v. Zelfstandigheid van het dierlijk lichaam, die door koking de lijm oplevert. — Lijmstok, m. (-ken). Lijmroede.—Lijm suiker, v. Zekere uit plantenlijm getrokken zelfstandigheid.— Lijmtang, v. (-en). — Lijmverf, v. Verf uit krijtwit en lijmwaterbestaande. — Lijm' •water, o. — Lijmzieder, m. (-s). — Lijjn-ziedery, v. (-en). — Lymzoet, o. Lijm-suiker.

lüquot;: v. (-en). Dun touw : eene lijn van drie draden. Hengelkoord (om te visschen). (Zeew.) Koord van wit draad = 120 vadem lengte. Streep. (Mettk.) Afstand tusschen twee punten. Afstamming : in opgaande lijn. Zij trekken éene lijn, zijn van hetzellde gevoelen. — Lijnbaan, v. (..anen). Touw-slagerij. — Lijnddaaien, o. — Lijndraaier, m. (-s). — Lijnddaaiersslede,_ v. (-n). — Lijnen, ow. lijnde, heeft gelijnd. Lijnen trekken (op papier, enz.). — Ly'ngai en, o.

— Lijnhout, o. (-en). Liniaal. — LijuLoo-per, m. (-s). Die eene schuit voorttrekt. — Lijnpen, v. (-nen). —Lijnrecht, bn. bijw.

— Lijnslager, m. (-s).Touwslager. — Ly'n-slagery, v. (-en). — Lijntje, o. (-s). — Lijntrekker, m. (-s). — Lijntrekker ij, v. (-en). — Lijntrekster, v. (-s). — Lijnvormig, bn.

IQ 11, v. Vlas. — Lyndotter, v. Vlasdotter. — Lijnkoek, ra. (-en). Koek van uitgeperst lijnzaad. — Lijnmeel, o. Lijnzaad-meel. — Lijnolie, v. Olie, uit het zaad der vlasplanten verkregen, (..iën) Soorten van lijnolie. — Lijnplant, v. (-en). Vlasplant.

— Lijnwaad, o. Linnen, (..aden) Suorten Van lijnwaad? — Lijnvuaadfabriek, v. (-en). • — Lynivaadhart del, ra. — Lijmvaadma-ker, ra. (-s). — Lynwaadverkooper, ra. (-s).—Lijnzaad, o. Vlaszaad. — Lynzaad-koek, ra. (-en). Lijnkoek. — Lijnzaad-meel, o. — Lijnzaadolie, v. Lijnolie.

lü», ra. en v. (..zen). Lamlendige per-

o — LIK

soon. — Lijzig, bn. Lamlendig. Traag.

lUspoud, o. (-en). (Oudt.) Gewicht =3 15 oude ponden.

ia»t, v. (-en). Boordsel, platte lijst, dio ora eenen muur loopt. Rand : lijst van eenen schoorsteenmuur. Houtwerk, waarin eene schilderij, teekening, enz. wordt geplaatst. Reeks van onder elkander geplaatste namen. Papier, waarop zulk eene reeks namen voorkomt. Rol. Register. —Lysi-balk, ra. ( en).^ (Zeew.). — Lijsten, bw. lijstte, heeft gelijst. In eene lijst zetten of vatten. — Lijstenmaker, m. (-s). — Lijst-krans, ra. (-en). Kroonlijst. — Lijstlijnen, v. rav. (Zeew.) Zekere touwen. — Lijst-naald, v. ( en). {Zeew.). — Lijstplank, v. (-en). Plank eener kroonlijst. — Ly'st-schaaf, v. (..aven). — Lijst steen, ra. (-en). Kantsteen. — Lijstwerk, o. (Bouwk.) Lijsten van allerlei soort.

lU«tcr, v. (-s). Zangvogel {turdus). In grootte staande tusschen den leeuwerik en de tortelduif. — Lijster bes,v. (-sen), lijster-bezie, v. (..iën) (vrucht) ; ra. (boora). — Lysterbesseboom, ra. (-en). Boom {sorbus

a. Thk. b. Vrucht, c. Kern (dwars doorgesneden). d. Vrucht (langs doorgesneden). e. Kern. f. Bloemen.

aiicuparid). Behoort tot de appelachtigen. Zijne vrucht, zoo groot als een erwt, is bij volkomen rijpheid schitterend rood en wordt gebezigd tot het vangen van lijsters. — Lystamp; rbessensuiker, v. — Lijster boog, ra. (..ogen). — Lijsterstrik, ra. (-ken). — Lystergra u w, bn. o. — Lijst er k leurigr bn. — Lij ster net, o. (-ten).

I|iwaa«l, o. Lijnwaad.

lik, ra. (-ken). Aanraking met de tong.


ocr page 453

LIMI — 4

Wat men in eens met de tong naar binnen kan slaan. L.ik om de coren : oorvijg. — Likariseny, v. (-en). Geneesmiddel om te likken. — Ltkkebaa' d, m. (-en), likke-broer, m. (-s). Tafelschuimer. Srauller. — Likkebaarden, ow. likkebaardde, beeft

fgelikkebaard. Zijnen mond aflikken. Smul-en. —gelikkebaard. Zijnen mond aflikken. Smul-en. — Likken, lekken, bw. likte, heeft gelikt. Met de tong over iets heen en weder gaan. Met de tong naar binnen slaan. — Likkepot, m. (-ten). Artsenij. — Likker, m. (-s). — Likster, v. (-s).

lilsbcen,o.(-en). Strijkbeen der schoenmakers. — Likhout, o. (-en). (Schoenm.) Hout om glad te maken. — Lik kamer, v. (-s). Plaats,waar het papier geglansd wordt. — Likken, bw. likte, heeft gelikt. Glanzig maken. Gladmaken met een likhout. — Likker, m. (-s). — Likking, v. (-en). — Liksteen, m. (-en) (voorwsn.); v. (stofn.). Steen om glad te maken. — Likstok, m. (-ken). Likhout.

likdoorn, ..«toren, m. (-s). Eksteroog. Pijnlijke, hoornachtige verharding aan de teenen. — Likdoornmes, o. (-sen). — Likdoornmiddel, o. (-en). — Likdoorn-pleister, v. (-s). — Likdoornsnijder, m. (-s). — Likdoornsteker, m. (-s). —Z.z^-doorntrekker, m. (-s). — Likdoorn vijl, v. (-en).—Likdoornza.lt,s,

likeur, v. (-en). Sterke drank. Fijne drank. — Likeurachtig, bn. — Likeur fabriek, v. (-en). — Likeur fabrikant, m. (-en). — Likeurflesch, v. (..sschen). — Likeurglas,o. (..zen). —Likeurmaakster, v. (-s). — Likeurmaker, likeurstoker, m. (-s). — Likeurstokerij, v. (-en). — Ltkeur-verkooper, m. — Likeurverkoopster, v. (-s). — Likeurwijn, m. —Likeurwin-kel,m.{-s).

lil, o. Gestold kalfsnat. (Scbeik.) Gelatine. — Lilachtig, bn. — Lillebeenen, ow. lillebeende, heeft gelillebeend. Met de beenen slingeren. — Lillen, ow. lilde, heeft gelild. Zich bewegen (van de spieren van een pas ontzield lichaam). Trillen : lillen van koude. — Lillier, bn. — Lil ling, v. (-en).

lilas, lila, o. Lichtblauwe, lichtviolette kleur.

liilleneron (/?. vrijheer von\, 1820, Plön. Duitsch taalkundige. Historische Volkslieder der Deutschen vom 13-16 Jahrhundert {iS6y,6g);Allqemeine deut-sche Biquot;graphie (187O.

lilllipnt, o. Verdicht landje (in Guli-vers reizen door Swift), welks bewoners slechts een duim groot zijn. —Lilliputter, m. (-s). Bewoner van Lilliput. Dwergje. Zjima, ico,ooo. Hoofdstad van Peru. Ijlniborch [H.van), 1680-1759,^ Gra-venhage Schilder. h. Familie;

Vermaken der gouden eeuw.

liinihiir}?, 10 Provincie (België). 2 reent. arr. : Hasselt, Tongeren;3 bestuurl.: Hasselt, Tongeren, Maaseik. 13 kantons. 206 geincgt; nten. Hoofdpl. •; 1 iasselt. — 20 Provincie (Nederlands. 2 arr. ; Maastricht, Roermond, 10 kantons. 113 gemeenten. Hoofdpl. : Maastricht. (Werd aan Nederlandverbonden, 1839.)

limiet, v. (-en). Grens. Grenspaal.

i — LINI

Scheidpaal. Grensscheiding. — Limtfee' ren, bw. limiteerde, heeft gelimiteerd. Begrenzen. Bepalen. Beperken. Zich weten te limiteeren, te bepalen. — Limit at ie, v. (..iën, -s).

limoen, m. (-en). Vrucht van den limoenboom. — Limoen hoorn, m. (-en), Boom^/'/rMA- limonum) S notxtin 't Zuiden, Behoort tot de oranjeachtigen. Zijne vrucht is eene soort van citroen met veel sap. —• Limoendrank, m. — Limoenkist, v. (-en),

— Limoenkruid, o. Breedbladig strand-kruid (statice limonium). — Limoensap, o. — Limoenschil, v. (-len). — Limoen-stroop, v. — Livioemuater, o. — Limonade, v. Koeldrank. Limoendrank.

liiniosin {Li). Fransch glasschilder (midden der i6e eeuw).

linde, v. (-n). Plantengeslacht {tilid), tot de lindeachtigen behoorende. De linden zijn hoornen, die in Europa, in een

fedeelte van Azië en in N.-Amerika thuis ehooren. Hebben eene sierlijke, dichte kruin en leveren zeer geschikt hout voor snijwerk. —edeelte van Azië en in N.-Amerika thuis ehooren. Hebben eene sierlijke, dichte kruin en leveren zeer geschikt hout voor snijwerk. — Lindeachtig:, bn. Lindeachtige gewassen. — Lindebast, m. (-en). — Lindeblad, o. (-en, -eren). — Lindebloesem,m.— Lindeboom, m. (-en). — Linde Cn)loof, o. — Lindemistel, m. (-s). Woekerplant op lindeboomen. — Littden, bn,

— Lindenbloeisel, o. — Linde,ibloesem, v. Naam der bloem van den lindeboom. — Lindenbosch, o. en m. (..sschen). — denhonifnJz, m. — Lindenhout, o. — Linden laan, w. (..anen). —Lindenschors, v. — Lindetak, m. (-ken). — Lindetzvy'g. m. (-en).

liinde Jz 10 {G. van de), 1808-1858, Rotterdam. = De Schoolmeester. Gedichten. — 20 (A.), 1833, Haarlem. Geschiedenis van het schaakspel.

liinden (J. van der), i5..(?)-i638, Pater bij de Cellebroeders (Antwerpen). Tot stichtinghe en de reactie van de jonck-heydt, die gheerne wat nieuws lesen (1034).

l^liiilo [M. P.), 1819-1877, Londen Oude heer Smits. Schrijver. Brieven en Uit boezem inge n (1853); Schetsen in en om Parus (1853); Familie van Ons (18«): Clementine

l^insrelbaeli [J.), 1625-1674, Frankfort a/M. Hollandsch schilder. Hooiolt;gst; In opbouw zijnde stadhuis van Amsterdam.

Ijing^ (H. L. O.), 1820, Lindau (Beieren). Duitsch dichter. Gedichte (i8s4) » Neue Gedichte (1885).

lingruiMt, m. (-en). Taalkundige. Taalgeleerde. Taalkenner. — Linguïstiek, v. Algemeene of vergelijkende taalkunde. — Linguïstisch, bn. Taalkundig.

liniaal, v. en o*. Dun latje, gewoonlijk vierkant geschaafd, waarlangs men lijnen trekt (op papier, enz.).

linie, v. (..iën, -s). Lijn,streep. (Recht.) Opvolging van aanverwanten, lijn. Evenaar, evennachtslijn. (Vest.) Verschansing: de linie van verdediging. Geregelde troepen, die in gesloten gelederen vechten ; het 7® linieregiment. — Linteet en, bw, linieerde, heeft gelinieerd. Lijnen trek-


ocr page 454

LINN — 4

■ken. — Linieerfabriek, v. (-en). — Linieer machine, v. (-s). — Linieer pen, v. (-nen). — Linie erst ok, m. (-ken). — Linieregiment, o. (-en). — Linieschip, o. (..epen). Oorlogsschip van de grootste soort, van den eersten rang. — Linietroepen, m. mv. Geregelde troepen.

link, v. (-en). Striem. Indruksel van cene keten enz. aan handen of voeten Blauwe plek. Insnijding. Scheur. Valsche plooi. Vuile streep in linnen, enz.

link, hn. Linker : ter linke hand. — Linker, hn. Tegenstelling van rechter. — Linkerachterbeen, o. (-en). — Linkerachterpoot, ra. (-en). — Linkerarm, ra. (-en). — Linkerbeen, o. (-en). — Linkerborst, v. (-en). — Linkerd, ra. (-s). Die zoowel zijne linker- als zijne rechterhand

tebruiken kan. Die gewoonlijk zijne lin-ebruiken kan. Die gewoonlijk zijne lin-

erhand gebruikt. Fijne gast, slimme kerel. — Linkerdij, v. (-en). — Linkerduim, m. (-en). — Linkerelleboog, m. (..ogen).

— Linkerhak, v. (-ken). — Linkerhand, v. (-en). Hand aan de linkerzijde. Metdelin-Jcerhand huwen : eene vrouw van minderen rang huwen (inz. bij vorsten). —Linkerhandschoen, ra. (en). — Linker heup, v. (-en). —Linkerhiel, ra. (-en).— Linkerkaak, v. (..aken). — Linker kakebeen, O. (-en). — Linkerkant, m. — Linker-kieuw, v. (-en). — Linkerknie, v. (-en).

— Linkerkoon, v. (-en). — Linkerkuit, v. (-en). — Linkerlaars, v. (..zen). — Linkerlies, v. (..zen). — Linkermouw, v. (-en). — Linkerneusgati o. (-en). — Linkernier, v. (-en). — Linkernij, v. (-en). Bedriegerij. Fopperij. — Linkeroever, ra.

— Linkeroksel, m. (-s). — Linkeroog, o. en v. (-en). — Linkeroogappel, ra. (-s). — Linkerooglid, o. (..eden). — Linkeroor, o. en v. (-en). — Linker pink, ra. (-en). — Linkerpols, ra. (-en). — Linkerpoot, ra. (-en). — Linkerschem, v. (..enen). — Linkerschoen, ra. (-en). — Linkerschouder, ra. (-s). — Linkerslaap, (..apen).

— Linkertepel, ra. (-s). — Linkervleu-

fel,el, ra. (-s). — Linkervoet, ra. (-en). — inkervoorbeen, o. (-en). — Linkervoor-poot, ra. (-en). — Linket voorvoet, ra. (-en). — Link er wade, v. (-n). — Linkerwang, v. (-en). — Linkerwenkbrauw, v. (-en). — Linkerwreef, v. (..even). — Linkerzak, ra. (-ken). — Linkerzijde, v. — Links, bijw. Naar, aan de linkerzijde. Xinks en rechts: heen en weder.— Linksaf, bijw. Naar de linkerzijde. —Linksch, bn. Aan de linkerzijde. Hij is linksch, bedient zich bij voorkeur van de linkerhand. Onhandig, lomp; linksche manieren. Bedrieglijk : hnksche streken. — Linkschheid, v.

— Lingsom, bijw. Naar de linkerzijde : linksom keert!

Ilt;lnn6 (C. von), 1707-1778, Roshult (Zuiden van Zweden). Natuurkundige. Maakte eene classificatie der planten, berustend op de kennis der bevruchtingsdee-len.

llnnon, o. (stofn.); (-s) (stukken linnen, soorten van linnen). Weefsel uit vlas of hennep. Lijnwaad. Doek. Linnengoed. Lakens en sloopen. — Linnen, bn. — Lin-nenbleek, v. (-en). — Linnenbleeker, ra.

2 — LINZ

(-s). — Linnenbleekster, v. (-s). — Linnenboom, ra. (-en). Onderboora in een weefgetouw. —Lin neudruhkerif, v. Het drukken van linnen, (-en) Plaats, waar linnen gedrukt wordt. — Linnengoed, o.

— Linnenhandel, ra. — Linnenhandelaar, m. (-s). —Linnenhandelaarster, (-s). —Linnenkamer, v. (-s). — Linnenkas, v. (-sen), linnenkast, v. (-en). — Linnenkist, v. (-en). — Linnenklopper% ra. (-s). —Linnenkooper, ra. (-s). — Lin-nenkooPster, v. (-s). — Linnenkoopman, ra. (..lieden).—Linnenkraam, v. (..amen).

— Linnenmeid, v. (-en). — Linnenmoeder, v. (-s). — Linnennaaien, o. — Linnennaaister, v. (-s). — Linnennaald, v. (-en). — Linnenree der, m. (-s). Linnenwever. — Linnenspinnerij, v. Het spinnen van vlas. (-en) Plaats, waar vlas gesponnen wordt. — Linnen ver very, v. Het verven van linnen, (-en) Plaats, waar linnen geverfd wordt. — Linnenvrouw, v. (-en). — Linnenwaar, v. —Linnenwas-scher, m. (-s). — Linnenwaschster, v. (-s). — Linnenweefsel, o. (-s). — Linnenweefster, v. {-£). — Linnenwever, m. (-s).

— Linnenweverij, v. Het weven van linnen. ( en) Plaats, waar linnen geweven wordt. — Linnenwinkel, m. (-s).

linoleum, o. ( s). Weefsel van jute, met een mengsel van kurkpoeder en lijnolie bereid.

lint, o. (stofn.); (-en) (voorwerpsn.) Geweven band van zijde, fluweel, enz. Een lintje dragen : gedecoreerd zijn. — Lint-b'oem, v. (-en). Lintvormige bloem. — Lintbloemigen, v. mv. — Lintendoos, v. (..oozen). — Lintgetouw, o. (-en). —Lintgras, o. Verscheidenheid van het rietachtig kanariegras {phalaris arundinacea picta). Bloeit in Juni en Juli. — Lintmolen, m. (-s). — Linttouw, o. (-en). — Lintvaren, v. (-s). — Lintvisch, ra. (..sschen). Behoort in de orde der beenvisschen tot de stekelvinnigen (cepola taenia). Heeft een plat en lintvormig lichaam met eene rugvin en eene lange aarsvin (Middel. Zee). — Lintvormig, bn. — Lintwerker, ra. (-s).

— Lintwerkerstouw, o. (-en). — Lint-werkster, v. (-s). — Lintwever, ra. (-s). — Lintweefster, v. (-s). — Lintwevery, v. Het maken van lint. (-en) Plaats, waar lint gemaakt wordt. — Lintwinkel, ra. (-s). — Lintworm, ra. (-en). Platte, meestal lange en parasitisch levende worm {teenia solium). Bestaat uit een groot aantal leden. Houdt zich op in het Tichaam van men-schen en dieren.

liint. (van), 1609-1690, Antwerpen. Portretschilder.

linze, v. (-n). Plantengeslacht {ervum), tot de vlinderbloemigen behoorende. De gewone linze {ervum lens) behoort in Z.-Europa en in het Oosten thuis. Geeft eetbare vruchten. Wordt ook bij ons aangekweekt en komt hier en daar verwilderd voor. De vrucht van deze plant. — Linzeboom, ra. (-en). Goudenregen. — Linze-boon^. (-en). Klapbes. — Linzenakker, ra. (-s). — Linzenkooksel, o. — Linzen-maal, o. (..alen). — Linzenmeel, o. — Linzenmoes, o. — Linzensoep, v. Zekere


ocr page 455

LISP — 4

spijzen uit linzen bereid. — Linzesieen% m. (-en). Zekere delfstof.

lip, v. (-pen). De rand des monds (bij mcnschen en dieren) ; boven- en onderlip. Elk voorwerp, dat gelijkenis heeit met eene lip : de lip eener wond, de lip eener orgel-

Eijp. De lip laten hangen : pruilen. Het art op de lippen hebben : zeer openhartig zijn. Aan iemands lippen hangen : zeer aandachtig volgen, wat hij zegt. (Timm.) Dun, soms ook smal, uitsteeksel aan eenen balk ter vei binding met een anderen.— ijp. De lip laten hangen : pruilen. Het art op de lippen hebben : zeer openhartig zijn. Aan iemands lippen hangen : zeer aandachtig volgen, wat hij zegt. (Timm.) Dun, soms ook smal, uitsteeksel aan eenen balk ter vei binding met een anderen.— bloenty v. (-en). Bloem eener lipbloemige plant. — Lipbloemigen, y. mv. Lipbloemige planten *. plantenfamilie, welker bloemkroon ingedeeld is in eene boven- en onderlip. — Lipklamp, m. (-en). (Zeew.). — Lip klier, v. (en). Klier aan eene lip. Snede in de lip. —Lipkloof, v. (..ven). — Lip kuiltje, o. (-s).—Liplasch,v. (..sschenj. (Timm.).— Lipletter, v. (-s). Letter, die met de lippen wordt uitgesproken, b. y. : b, p, v, f. — Lippen, lipte, heeft gelipt. Bw. (Timm.) Door middel van lippen aan elkander lasschen. Ow. (Handelst.) Voor eigen rekening handel drijven in artikelen, waarin men als makelaar is aangesteld. — Lippenpommade, v. (stofn.) ; (-s) (soorten van lippenpommade). — Lippenzalf f .ven). — Lip spier, v. (-en). •—Liptang, v. (-en). (Heelk.). —Lipvischy m. (..sschen). Zeevisch met scherpe tanden en vleezige lippen. — Lipvormig, bn. — Ltpvormigheid, v. — Ltpzoden^ v. mv. (Vest.) Hoekvormige zoden.

U|gt;lap, m. (-pen). Afstammeling van eeneu Europeaan en eene inboorlinge op Java en Sumatra.

Ijipman (S. J?.), 1802-1871, Londen. Nederl. rechtsgeleerde en bijbelvertaler.

liipalun {Justus), 1547-1606, Overij-sche. Professor (Jena, Leiden, Leuven). Zijne werken zijn van historischen, politie-ken oi philosophischen aard.

liquilt;llt;gt;crcii, bw. liquideerde, heeft geliquideerd. Vereffenen, afrekenen. Uit-verkoopen. — Liquidatie, v. (..iën, -s). lirsi, v. Italiaansche rekenmunt. Uk, v. (-sen). Gedraaid snoer of lint tot een oog gemaakt. — Liskoord, o. Soort van koord (aan kleedingstukken). —Lissen, bw. liste, heeft gelist. Lissen zetten (aan). Van lissen voorzien.

o. (..sschen). Lisbloem.— Lisch-achtig, bn. — Lischbloem, v. (-en). Plantengeslacht (zrrs), tot de lischbloe-migen behoorende. De gele lischbloem : overblijvende plant {iris pseudacorus). Bloeit van Mei tot Juli aan waterkanten en in moerassen. — Lischbloemigen, v. mv. Plartecfam lie. — Lischdod, v. (-den), lischdodde, v. (-n). Plantengeslacht. Bij ons groeien twee soorten : de breedbladige lischdodde {typha Intifolta) en de smalbladige lischdodde (typha angustifolia.). — Lisc/igras, o. Kietgras.

liHp«^icn, lispelde, heeft gelispeld. Ow. Eenige letters (vooral 5 en z) gel n kkig uitspreken. Ruischen (van den wind, de bladeren, et z.) Bw. Lispelend uiten : ja, lispelde zij. — Lispen, lispte, heeft gelispt. Ow. Zacht ruischen (van den wind). Zacht

[3 — LIVR

spreken. Bw. Zacht uiten. — Lisper, ra*

(-s). — Lisping, v. (-en). — Lisp ster, v.-(-s). — Lisp tong, m. en v. (-en).

lilssabon, 244,000. Hoofdstad van For^ tugal.

list, v. (-en). Vaardigheid om zich, ter bereiking van eenig oogmerk, van middelen te bedienen, die anderen niet zouden vinden. Het middel zelf: hij is op listen bedacht. Kunstgreep. Geslepenheid, fijnheid. Verschalking. Krijgslist. — Listig, bn. bijw. — Listigaard, m. (-s). lem., die listig is. — Listigheid, v. — Listiglijk, bijw.

Ijiszt {F.), 1811-1886, Rciding (Hon--garije). Klavierspeler en componist. Sym-phoi:ieën.

lit stille, v. (-en). Smeekgebed. Smeekgezang. Langdradig verhaal. Langwijlige klacht.

liter, m. (-s). De eenheid der inhoudsmaten.

llterarlscli, bn. Letterkundig. Wat tot de letterkunde behoort. — Literator, m. (-en). Letterkundige. —Literatuur, v. Letterkunde. Voortbrengselen der letterkunde.

lllliocliromle, v. Kleurensteendruk,-

— Lithograaf, m. (..afen). Steendrukker.-

— Lithographeeren, bw. lithographeerde, heeft gelithographeerd. Steendrukken. Op1 steen teekenen. — Lithographic, v. Steendrukkunst. (-ën) SteendruKkerij. Steendruk. — Lithophanie, v, (-ën). Doorschij-ningsbeeld in steen, enz. v. Kunst om een doorschijnend beeld in steen, enz. te vervaardigen.

litigieus, bn. Betwistbaar, betwist. Twistziek.

lltlspendentle, v. Gedingtijd. Aanhangigheid eener zaak voor het gerecht.

llttcelKeii, o. ( s, -en). Overblijvend teeken eener wond, na hare genezing. (Plantenk.) Aanhechtingsplaats der bladeren, na hun afvallen nog merkbaar.

Ttittré (M. P. £quot;.), 1801-1881, Parijs. Wijsgeer en letterkundige. Dictionnaire de la langue Frangaise (1863).

liittrow (y. J. von), 1781-1840,Bischof-Teinitz (Bohemen). Sterrenkundige.

litnrsrlc, v. (-ën). Kerkgebruik. Kerkdienst. — Liturg, m. (-en).

Ijltzan {J. B.), 1822, Rotterdam. Toonkunstenaar en organist.

IjlTcrpool, 550,000. In het graafschap-Lancaster (Engeland). De tweede handelstad van de wereld. De nijverheid staat er op grooten voet.

IjlTlnsratono (Z?.), 1816-1873, Blan-tyre (Schotland). Protestantsch zendeling. Ontdekkingsreiziger in Congoland.

lilTlnns [h.) uit Ierland. Predikte het Geloof in de omstreken van Genten vond den marteldood te Houtem (later S'-Lie-vens-Houtem genoemd) (657).

livrei, o. (-en). Bijzondere kleeding der bedienden van voorname lieden. (Dicht.) Kleeding. — Livreibediende, m. (-n). — Livreiknecht, m. (-s). — Livreirok, m. (-ken).

llvret, o. (-ten). Werkboekje. Spaarboekje. Reisgids.


ocr page 456

— 4*4 —

LOER

LODD

Xiloyd, lloyds, m. Zeer uitgebreide en aanzienlijke maatschappij van verzekering voor den zeehandel.

lob, v. (-beu). Neerhangende halskraag. Neerhangende boorden aan de mouwen om den pols. Kwab. Zaadlob. — Lobben-loos, bn. — Lobbig', bn. Ruim en slap hangende. — Lobmoufje, o. (-s). — Loboor^ m. (-en). Hond, enz. met hangende ooren. Lobbes. — Loboorig, hn. Met neerhangende ooren. Onhandig, dom. Onnoozel, onschuldig. —Loboorigheidy v.—Lobvor-tnig, bn.

lobberen, ow. lobberde, heeft gelobberd. Waden. Plassen in water. Waggelen.

lobborls:, bn. Dik en trillend (van gelei, enz.). —Lobberigheid, v.

lobbes, m. (-en}, lobben, m. (-s]. Sukkel. Onnoozele bloed. Groote, goedaardige hond. — Lobbesachtiz, bn.

Ijobel [M.de], 1538-1616, Rijsel. Kruidkundige. Plant arum seu sti'pium tcones (1581-91).

lobman, m. (-nen). Kraagman, locaal, bn. Plaatselijk. — Localiteit, v. (-en). Ruimte, plaatsruimte. Vertrek, kamer, zaal. x tt 3

locataris, m. en v. (-sen). Huurder, huurster.

loob, o. (-en). (Scheepsw.) Gat. Opening. — Lochgat, o. (-en). Gat, waar het Tuile water door loopt. .

liocbem {M. G. L. van), 1849, Leiden = Fiore della AVz/^f. Dichter en letterkundige. Eene Liefde in V Zuiden (1883) ; Victor (roman, 1887) ; Blond en Blauw (*888). .

loebtinsr, m. (-en). Moestuin. Bloemtuin.

liocke (y.), 1632-1704, Wnngton. En-gelsch wijsgeer. Essay concerning human Understanding (1690).

loek-out. m. (Eng.) Het algemeen ontslag door den patroon of chef eener fabriek aan de werklieden gegeven.

loco, bijw. (Muz.'i 'XVr plaats, locomobiel, bn. Plaatsveranderend. Beweeglijk. —Locomobiel, v. (-en). Verplaatsbaar stoomwerktuig.

locomotief, v. (..ven). Stoomwagen. 'Treintrekker.

locutie, v. (..iën, -s). Uitdrukking. Spreekwijze.

lodder, m. (-s). Lomperd. Wellusteling. — Lodderboef, m. (..ven). — Lodderen, ow. lodderde, heeft gelodderd. Op eene wellustige wijze zich verliefd toonen. Uit luiheid in bed liggen. — Loddergezicht, o. (-en). Wellustige blik. — Lodderig, bn. bijw. Wellustig. Verliefd. Vrien-

Si. Stoom- of alarm/luit. b. Water.

C. He lm dak met veiligheidskleppen. 1. Buisvormig stoomketel. e. Schoorsteenpijp, i. Lomp en reflector.

f.Rookkast..Rookkast.

• Stoomschuif, waardoor de damp beurtelings bodelijk. — L odder i^h eid, o. — Lodder Ie* ven, o. — Lodder lijk, bn. bijw. —Lodderoog, o. en v. ( en). Slaperig, droomerig oog. Wellustige blik. — Lodderoog, m. en v. (-en). Die Todderoogen heeft. — Lod-deroogen, ow. lodderoogde, heeft gelodderoogd. Wellustige blikken werpen (op).

— Lodder o ozig, bn. — Lodder zoet, bn. Ijodevi'ük- Zie Volgreeks der regee-

rende vorsten.

liOdewUkslled, o. Dit oud-Hoog-duitsch gedicht, opgesteld door den monnikzingt in beiijmde verzen de overwinning door den Westfrankischen koning, L,odewijk III, bij Saucourt op de Noormannen behaald (881).

loeder, m. (-s). Laaghartige. Schurk.

— Loederiq, bn. bijw.

loef, v. (Zeew.) Zijde van het schijf waar de wind op is. Tegenstelling van lij* De loef hebben : den bovenwind hebben. Loef houden : goed bij dsn wind zeilen, lem. de loef afsteken, hem te boven gaan.

— Loefbalk, m. (-en). Maststuk. — Loef-boom, m. (-en). — Loef boord, o. — Loef-bras, m. (-sen). — Loef geitouw, o. (-en).

— Loefgierig, bn. Loefgierig schip : schip, dat te veel naar den wind en te weinig naar het roer luistert. — Loef gording, v. (-en).

— L-efhals, m. (..zen). —Loefhouden,o.

— Loef houder, m. (-s). Schip, dat goed in den wind opwerkt, — Loefhout, o. (-en).

— Loef pardoen, o. (-s). — Loefschoot, m. (-en). — Loef spant, o. (-en). — Loef-waarts, bijw. Aan de loefzijde. — Loef-waartsch, bn. — Loefual, m. — Loefzijde, v. Loef. — Loeven, ow. loefde, heeft en is geloefd. Tegen den wind inkrimpen. Den voorsteven naar den wind brengen. — Loevert, loever (te-). Bijw. ui.dr. Loet-waarts.

loeien, ow. loeide, heeft peloeid. Gi luid geven (van runderen). Huilen (van den wind). — Loeiing, v.

locuie, v. (..iën, -s). Teugel. Leizeel. Leireep.

locnncli, bn. bijw. Eenigszins scheel. Loensch zien : een zijdelingschen blik werpen (op).

loer, m. (-en). Lomperd. Botterik. — Loeres, m. (-en). Lomperd. Botterik.

loer, v. Het loeren : op de loer staan of liggen. lem. eene loer draaien, hem eene poets bakken, hem bedriegen. — Loerdert m. (-s). — Loeren, loerde, heeft geloerd. Ow. Scherp toezien, met het inzicht iets te bemachtigen : de kat loert op de muis. Bw. Eene loer diaaien. Bedriegen. — Loergat, o. (-en). — Loer hoek, m. (-en). — Loer-huisje, o. (-s). Schilderhuisje. Wachthuisje.

— Loering, v. — Loerkamer, v. (-s). —

s. Veer.

t. Beweegrad.

u. Kruk, die de beweging van den zuiger overbrengt op het rad. v. Roostegt;.

w. Vuurhaard. z. Zuigerstang.

Stoom.

—» Warmte en rook.

ven en onder den zuiger wordt gevoerd.

i. Buffer. k. Steenopruimer» 1. Cylinder,

m. Zuiger.

n. Glijstang.

o. Drijfstang. p. Kolderschijf, x. Zandlooper.


ocr page 457
ocr page 458

LOG — 4

Loerfejtnan, m. (-nen). Kaas van afgeroomde melk. Beloerder. — Loeroogen, ow. loeroogde, heeft geloeroogd. Scherp toezien. Gluren. — Leerplaats, v. (-en). — Loer plein, o. (-en). — Loer punt, o. (-en).

— Loer ster, v. (-s). —Loer vogel, m. (-s). Jachtvogel, valk. Bespieder.

loet, v. (-en). Luim. Nuk. — Loetach' tig, bn. — Loetig, bn.

loet, v. (-en). Bezem, waarmede men een schip onder water schrobt. Ovenkrabber. Kleine vierkante bak van eenen steel voorzien.

loete, m. (-n). Dommerik. — Loefe, v. (•n). Stompzinnige vrouw.

loT, o. Loof. —Lofwerk, o. Loofwerk, lof, o. Bladeren van de cichoreiplant, welke door gebrek aan licht verbleekt, 's winters als een moesgewas gegeten worden : Brusselsch lof.

lof, o. (loven). Een der goddelijke diensten, gewoonlijk 's avonds, met uitstelling van h. Sacrament gedaan.

lof, m. Uitdrukking der goede achting, die men van iem. heeft : iemands lof spreken. Roem, eer : tot lof strekken. Dankzegging : iem. lof toezingen. — Lofbazuin, v. — Lofdicht, o. (-en). — Lofdichter, m. (-s). — Loffelijk, bn. oijw. Prijzelijk. Lofwaardig. — Loffelijkheid, v. — Lofgalm, m. — Lof gerucht, o. Faam. — Lof gesprek, o. (-ken). Lofspraak. — Lofgezang, o. (-en). — Lof gierig, bn. Begeerig naar lof.

— Lofgierigh eid, v. — Lof hunkeren, ow. lofhunkerde, heeft gelofhunkerd. — Lof-klank, m. — Loflied, o. (-eren). — Lofoffer, o. (-s). (Óudh.). — Lofpsalm, m. (-en). Zie Psalm, —Lofrede, v. (-nen). Redevoering, waarin iem. geprezen of verheerlijkt wordt. — Lofredenaar, m. (-s).

— Lof spraak * v. — Lof spreken, o. — Lofspreker, m. (-s). — L ftitel, m. (-s). Eeretitel. — Loftrompet, v. — Lof-tuiging, v. (-en). — Lm ft ui ten, bw. lof-tuitte, heeft geloftuit. Iemands lof verkondigen. Iem. vleien. — Lofluiter, ra. (-8). — Lof tuit et ij, v. (-en). — Loftuiting, v. (-en). —Loftuitster, v. (-s). — Lofverheffing, v. — Lofwaard, lofwaardig, bn. bijw. — Lofwaardigheid, v. — Lofzang, m. V-en).— Lofzanger, m. (-s). —Lof zingen, ow.

log, bn. bijw. Zwaar, moeilijk te bewe-

f;en of te verplaatsen : log gevaarte. Moei-ijk in zijne bewegingen, ten gevolge van dikte : log mensch. Vadsig. Traag. Dom.;en of te verplaatsen : log gevaarte. Moei-ijk in zijne bewegingen, ten gevolge van dikte : log mensch. Vadsig. Traag. Dom.

— Logheid, v.

los, v. ( gen). (Zeew.) Werktuig, dat gebruikt wordt om de snelheid der schepen te bepalen. — Logboek, o. en m. (-en). Boek, waarin de waarnemingen met de log

fedaan worden opgeteekend. —edaan worden opgeteekend. — Loggat, o. lechte zeiler. — Loggaten, o. mv. Vullingsgaten. — Loggen, ow. logde, heeft gelogd. De log uitwerpen om de vaart van het schip te bepalen. — logger, m. (-s). Klein oorlogsschip. — Loggermast, m. (-en). — Logger zeil, o. (-en). — Loggias, o. (..zen). Zandloopertje, waardoor de tijdruimte bepaald wordt, waarin de loglijn loopt. — Loglijn, v. (-en). — Logplankje, o. (-s).

— Logrol, v. (-len). — Logtafel, v. (-s).

S — LOKA

logaritlmie, v. (-n). Kunstgetal. Verhoudingsgetal. Betrekkingsgetal. De loga-rithmen zijn kunstgetallen, waarvan men zich bij sommige rekenkunstige bewerkingen, namelijk vermenigvuldigingen, deelingen, machtverheffingen en worteltrekkin-gen bedient om de uitvoering te verkorten en gemakkelijker te maken. — Logarith' menstelsel, o. (-s). — Logarith ment afelt v. (-s). — Logarithmenwijzer, m. (-s). De geheelen van eene logarithme. — Loga-rithmisch, bn.

Iorc, v. (-s). Afgeslotene zitplaats in eenen schouwburg; Geslotene kamer, in welke de mededingers naar eenen kunstprijs hun werk vervaardigen. Bergplaats. Vrijmetselaarskring. Kooi (op een schip). Wachterswoning 'op den spoorweg). Hut. Kermistent. Cel der krankzinnigen. Hole der wilde dieren in menagerieën. Klein landhuis.

iogé, m. loffée, t. (-'s). Bezoeker, bezoekster, bij iem. gehuisvest. — Logea~ bel, bn. Bewoonbaar. Ter bewoning Ingericht. — Logeeren, logeerde, heeft en ig-gelogeerd. Bw. Iem. huisvesten. Ow. (zijn) Gehuisvest zijn. — Logeergast, m. (-en). — Logeerkamer, v. (-s). — Logement, o, (-en). Woning. Huis, waar vreemdelingen, gehuisvest worden. Nachtverblijf. — Logementhouder, m. (-s). — Logement houdster, v. (-s).

logen, v. (-s). Leugen. — Logenstraf-fen, bw. logenstrafte, heeft gelogenstrafte Tot eenen leugenaar maken. Loochenen, Voor valsch of onecht verklaren.

logica, v. Redeneerkunst.—Logisch^ logiek, bn. Redekundig. Met rede gesproken.

logle,.v. (-s). Hut. Woning. — Logies,. o. Nachtverblijf. (Zeew.) Matrozenhut. — Logist, o. (-en). Logement.

logogrief, v. (-en) .Woord-, letterraadsel.

lob, o. Loch.

lob, v. (-ken). Haarlok. De wol van het voorhoofd, enz. der schapen. — Lókken-machine, v. (-s). Machine, tot het tweed» kaarden van de wol gebruikt. — Lokken-tafel, v. ( s). — Lokkentrcmmel, v. (-s)»

— Lokkig, bn. Gelokt.

lobaal, o. (..alen). Zaal. Kamer, Gebouw.

lobaas, o. (..azen). Aas om te lokken (vogels, visschen). Beweegreden, aanleiding. — Lokazen, bw. lokaasde, heeft ge» lokaasd. Aantrekken met lokspijs. Door vleitaal, enz. lokken. — Lokbrood, o. — Lokduif, v. (..ven).— Lokeend, v. (-en),

— Lokfluitje, o. (-s). — Lokgeld, o. — Lokgift, v. (-en). — Lokken, bw. lokter heeft gelokt. Roepen : de haan lokt de hennen. Door lokaas tot zich trekken : eenen vogel in het net lokken. Bewegen (ergens heen te gaan) ; het nieuw stuk loKte vele menschen naar den schouwburg. Door Hst in zijne macht zoeken te krijgen : den vijand In eene hinderlaag lokken. — Lokker, m. (-s). — Lokkig, bn Aanlokkend.

— Lokking, v. (-en). —Lokmees, v. (..zen),

— Laksel, o. (-s). Lokaas. — Lokspijs, v, (..zen). Lokaas. — Lokster» v. (-s). — Lgkr


ocr page 459

Martini Toren (Groningen)

ocr page 460
ocr page 461

LOMP — 4

vink, ra. (-en). — Lokvogel, ra. (-s). — Lokwoord, o. (-eu).

loket, o. (-ten). Vak in eene kast. Opening in eene deur. enz. waardoor geld wordt ontvangen, biljetten worden gegeven, enz. — Loketdeur, v. (-en). — Loket-kast, v. (-en).

lokjo, o. (-s). Kleine lok. Diep kommetje. Dobbertje.

lokko, v. (-n). Dotje. — Lokken, ow. lokte, heeft gelokt. Zuigen.

lol, v. (-len). Klucht, grap : voor de lol.

— L'd/en, ow. lolde, heeft gelold. Grollen, mauwen (der katten). Slecht zingen. Zotte-praat vertellen. — Lnller, m. ( s). — Lolletje, o. (-s). Pleziertje : hij houdt van een lolletje. — Lolling, v. — Lohter, v. (-s).

lollepot, ra. (-ten). Vuurpot. — Lollen, ow. lolde, heeft gelold. Zich warmen over eenen lollepot.

lom, ra. (-men). Soort van pluvier, lom, v. (-men). Opening in het ijs. lombsird, IoiuIx'imI, m. (-s). Zie Lommerd. — Lombarden, lombarden, ow. Zie Lommerden —Lombardsch, bn. Lom-bardsche boenen (gewoonlijk lommerdsche boonen) : sooit van snijboonen. I^omblcn. Soenda-eiland.

Ijombok. Soenda-eiland.

lommer, o. en v. (soms ook m.) Schaduw van boombladeren. De bladeren der boomen zelf. — Lommerachtig, bn. — Lommeren, ow. lommerde, heeft gelora-merd. In de lommer zitten. — Lommerig, bn. — Lofnvfring, v. (-en). Wandeling in de schaduw der boomen. — Lommer lust, m Lommerlijke plaats. — Lommerrijk, bn.

lommeiMi, m. (-s). Bank van leening. Pandjeshuis. Inrichting, waarbij men op panden tegen inteiest geld leent: ietsin den lommerd zetten. Hier gaat men in den lommerd : men betaalt hier zeer duur. — Lommerdbriefje, o. (-s). — Lommer den, ow. lommerdde, heeft gelommerd. Dikwijls van de bank van leening gebruik maken. Tegen te booge rente (geld) leenen. — Lommerdhoiider, m. (-s). — Lommerd-hondster, v. (-s).

lomp, bn. bijw. Zwaar, grof. Ruw. Onhandig. Onbeschaafd, ongemanierd. Onverstandig, dom. — Lomp, o. (-en). Groot suikerbrood. — Lomperd, ra. (-s), lomperik, m. (-en). Lomp, onbeschaafd mensch.

— Lompheid, v. Het lomp zijn. (..In den) Lompe daad. Ruwheid. Onbeschnltheid.

— Lompigheid, v. (..heden). Lompheid. —■quot; Lcmpsuiter, v. Groote klonten suiker.

lomp, v. (-en). Veisleten lap. Oude vod. Slechte kleeding : hij was in lompen gekleed. — Lompen bak, m. (ken). — Lompenbank, v. (-en). Toestel, waarop lompen gescheurd worden. — Lompenblok, o. en ra. (-ken). — Lompengaarder, ra. (-s). — Lompengaarster, v. (-s). — Lompenhandel, ra. — Lompenhandelaar, ra. (-s). — Lompenhok, o. (-ken). — Lompenkamer, v. (-s). — Lompenkist, v. (-en). — Lompenkoker, m. (-s). Machine eener pa-p erfabriek. — Lomptnkooper, ra. ( s). — Lompenkoopman, ra. (..lieden)- — Lompenkoopster, v. (-s). — Lontpenkraam-ïter, v. (-s). —Lo7f?petikramer, ra. (-s). —

7 — LONG

Lompenkuip, v. ( en). — Lompenleester, v. (-s). — Lompenlezer, ra. (-s). — Lom-penmaud, v. (-en). — Lompenmes, o. (-sen). — Lompennet, o. (-ten). Net, waarin de lompen gezeefd worden. — Lom-penpakhuis, o. (..zen). — Lompenpapier, o. Papier van lompen vervaardigd. —Lo7n-ïenschtinr,\. (..uren). —Lompensnijder, ra. (-s).— Lompensorteerder, ra. (-s). — Lomp ensorteer ster, v. (-s). — Lompen-stof, v. — Lompemak, ra. (-ken). — Lompe molder, ra. ( s).

lomp, ra. (-en). Slijravisch.

lompen, bw. lompte, heeft gelorapt. Bedotten. Bedriegen.

IjOimIcii, 5,400,000. Zie Britannië. Oppervlakte : 572 vierk. geogr. mijl. Is het hart van het handelsverkeer der volkeren.

long:, v. ( en), longer, ra. (-s). Dubbel orgaan in de boist van menschen rn

a. Luchtpijp, b, c. Rechter- en linker-luchtpijpstak. d. Vertakking der lucht-

pijpstakken.

dieren, dienende tot ademhaling en bloed-zuivering. Long en lever uitspuwen : hevig brake'n. Long en lever verteren : alles verkwisten.— Longaandoening, v. (-en).— Longader, v. (-en, -s). — Longgezwel, o. (-len). — Longkamer, v. (-s). — Long-krnid, o. Overblijvende plant {pulmona-ria officinalis). Bloeit van Mant tot Mei. Groeit bij ons op bosc^:rijke, overschaduwde plaatsen. — Longkwaal, v. (..alen).

— Longkwab, v. (-ben). — Longmos, o. (-sen). Soort van korstmos. — L*oquot;gontsfe-king, v. (-en). — Longpijp, v. (-en). — Longpijptakken, ra. rav. — Longslagader, v. (-en, -s). — Longtering, v. Zie Tering.

— Longvaten, o. rav. — Longvlecht, v. (-en). — Longvloed, m. — Longvuur, o.

— Longwaterzucht, v. — Longzenuwen, v. rav. — Longziekte, v. — Longzucht, v.

— Longzuchtig, bn. — Longzweer, v. (..eren).


ocr page 462

LOOD — 4

liongfcllow (//• 1V.),zSoj-iS8gt;2, Portland. Amerikaansch dichter. Evangeline (1847); the Golden Legend (1851); Hiawatha {1855).

loueHude, v. Geographische lengte.

louk, m. (-en). Vriendelijke oogwenk.

— LonAaard, m. (-s). Die lonkt. — Lonken, ow. lonkte, heeft gelonkt. Eenen lonk toewerpen. Loensch, scheel zien. — Lonkend, on. — Lonker, m. (-s). Die lonkt. Die scheel ziet. (Dicht.) Oog. — Lonking, v. — Lonk sier, v. (-s).

lout, v. (-en). Touw, dienende om iets met loopende vuur aan brand te steken. Lont ruiken : onraad vermoeden.—Lontgat, o. (-en). — Lontreckt, o. Oorlogsrecht. Kracht van wapenen. — Lontrcer, o. (-en). (Oudt.) Geweer. — Lontstok, m. (-ken). — Lontverberger, m. (-s).

liOO {het). Koninklijk lusthuis in Gelderland.

looclicnon, bw. loochende, heeft geloochend. Ontkennen : de beschuldigde loochent alles. Niet erkennen : zijne hand-teekening loochenen. — Loochenaar, m. (-s, ..aren). — Loochenaarster, v. \-s). — Loochenbaar, bn. — Loochenend, bn. — Loochening, v. (-en).

lood, o. Blauwachtig wit metaal, licht smeltbaar en tevens zeer zwaar. Looden kogel : 't lood is nog in de wond. Hij heeft lood in zijne schoenen : hij nadert langzaam. (-en) Langwerpig stuk lood (aan schuiframen). Paslood : die muur staat in het lood. Dieplood : 't lood in den stroom werpen. Gewicht aan een uurwerk. Looden merk (aan de lakens of andere stollen). — Lood, o. (-en). Gewicht. Vroeger = half ons; thans = 1 decagram. —Loodachtig, bn. — Loodadcr, v. (-en, -s). — Lood artsenij, v. (-en). — Loodasch, v. (Scheik.). — Loodazijn, ra. (Scheik.). — Loodbalie, v. (..iën). (Zeew.) Balie, waarin de loodlijn na het looden wordt gelegd. — Londband, m. (-en). — Loodberg, ra. (-en). — Loodblauw, bn. — Loodbleek, bn. —- Loodblik, o. Dun uitgeslagen lood. — Loodbloemen, v. mv. (Scheik.). —Loodboom, ra. (-en). (Schrik.).

— Loodboter, v. (Scheik.). — Loodde):ker, m. (-s). — Looddraad, o. — Looden, bn.

— Looden, loodde, heeft gelood. Bw. Gemerkte looden bevestigen (aan). Van looden (gewichten) voorzien. In het lood zetten : ruiten looden. Ow. Het peillood uitwerpen. — Looder, ra. (-s). — Looderts, o.

— Lnodgeel, o. (Scheik.). — Loodgieter, m. (-s). — Loodgietery, v. (-en). — Lood-g iet er sa in bach t, o. — Loodgieterswerk, o. — Loodgieterswinkei, m. (-s). — Loodglans, o. (Scheik.) Verbinding van lood met zwavel. — Loodglas, o. Flintglas. — Loo dg lazuur, o. — Loodglid, o. Zie Glid.

— Loo dig, bn. — Looding, v. (-en). — Loodkalk, v. — Loodkleur, v. — Loodkleurig, bn. — Loodklopper, ra. (-s). — Loodkoliek, o. — Loodlet, v. Lei, lood bevattende. — Loodlepel, ra. (-s). —Loodlijn, v. (-en). (Zeew.) Lijn van het dieplood. Soort van lijn, uitsluitend besterad voor het hand- en dieplood. (Bouwk.) Paslood, schietlood. (Meetk.) Lijn, die loodrecht op eene andere staat, of loodrecht eene andere

18 — LOOF

doorsnijdt, zoodat de vier hoeken om het snijpunt recht zijn. — Loodlijnbalie, v. ^..iën). Loodbalie. — Loodlynblok, o. en ra. (-ken). (Zeew.). — Loodhjnig, bn.Loodrecht. — Loodmelk, v. (Scheik.). — Lood-vietaal, o. — Loodnagel, ra. (-s). — Lood-oxyde, o. Verbinding van lood met zuurstof. — Loodpan, v. (-nen). — Loodpapïer, o. Dun uitgeslagen lood, dienende tot het inpakken van snuiftabak. — Loodpleister, v. — Loodpoeder, o. — Loodproef, v. (..ven). — Loodrecht, bn. bijw. Zoo recht mogelijk. Loodrechte lijn : loodlijn. — Loodslakken, v. rav. Schuim (bij het smelten van lood). — Loodspaath, o. (Delfst.).

— Loodspyker, ra. (-s). — Loodsptjs, v. — Loods teen, ra. (Scheik.). — Loodslak, ra. ( ken). — Loodsuiker, v. (Scheik.) Verbinding van azijnzuur met loodoxyde. — Loodtalie, v. (..iën). Loodlijn. — Loodtang, v. (-en). — Loodtrekker, ra. (-s). — Loodverf, v. Loodkleur. — Loodvergifti-ging, v. — Loodvervig, bn. — Loodvijl, v. (-en). — Loodvitriool, o. (Scheik.) Zwavelzuur loodoxyde. — Loodvornt, ra. ( en),

— Loodivater, o. — Loodwit, o. Zekere verfstof. Verbinding van loodoxyde met koolzuur en water. — Loodwit fabriek, v. (-en). — Loodwit fabrikant, m. (-en). — Loodzv it in aker, ra. (-s). — Loodwitmakerij, v. (-en).—Loodwitmolen, ra. (-s).

— Loodzand, o. Zand, dat lood bevat. — Loodziekte, v. — Loodzout, o. — Loodzwaar, bn. Zoo zwaar als lood. Zeer zwaar.

loodt», v. (-en). Houten gebouw. Tijdelijke bergplaats.

loods, ra. (-en). lem., die eene juiste kennis heeft van den mond eener rivier of van de haven en de schepen binnen of buiten de haven brengt. — Loodsboot, v. (-en).

— Loodsen, bw. loodste, heeft geloodst. Door behulp van eenen loods naar binnen of naar buiten brengen : een schip in de haven loodsen. — Loodsgeld, o. (-en). — Loodskotter, ra. (-s». — Loodsman, m. (-nen, ..lieden). Loods. —Loodsmannetje, o. (-s). Visch (naucratesductor). Behoort tot de stekelvinnigen van de groep der beenvisschen. Volgt de schepen om op de weggeworpen voorwerpen te azen. — Loodsmansboot, v. (-en). — Loodsmanswater, o. Vaar water, waar men eenen loods noodig heeft. — Loodsschuit, v. (-en). — Loodsvaartuig, o. (-en). —Loodsvaarwa-ter, o. Weg, welken de loods aflegt. — Loodswater, o. Loodsmanswater. —Loodswezen, o.

loof, lof, o. 't Gebladerte van boomen, struiken en gewassen. Ook, 't gebladerte van eene menigte kruiden : loof van rapen, aardappelen, enz. — Loofachtig, bn. — Loof ach tigh e id, v. — Loofboom, m. (-en).

— Loofdak, o. (-en). Overdekte plaats van gebladerte, enz. — Loofhut, v, (-ten). — Loof hutten feest, o. en v. Israclietisch feest,

fevierd als herinnering aan het verblijf in e woestijn. —evierd als herinnering aan het verblijf in e woestijn. — Loofhuttenzettinq, v. — Loof je, o. (-s). Loofwerkje. — Loofplan-ten, v. rav. — Loofrijk, bn. — Loof rol, v. (-len). (Boekb.) Zeker gereedschap, — Loofstil, bn. Bladstil. — Lonfvorsch, ra. (-en). Boorakikvorscb : hyla arborea. —


ocr page 463

LOON — 4

Loofwerk, o. (Bouwk.) Sieraad (naar den blad lervorm zoo gehceten). — Loofwerken, ow. Loofwerk maken. — Loofworm, m. (-en). Rups.

loof, on. bijw. Moede. Mat. Week. — Loof he id, v.

loog:, v. Water, dat eenigen tijd op asch gestaan heeft en daaruit de zoutdeelen opgenomen heeft: het linnen in de loog zetten. Wijnsteenwater, waarin het zilver wordt wit gekookt. Zeker chemisch water (bij de drukkers gebruikt). — Loogachtig, bn. — Loogasch, v. — Loogbad, o. (-en).

— Loogbak, m. (-ken). — Loogdoek, m. -en). — Loogen, bw. loogde, heeft geoogd. In de loog zetten (van linnen, enz.).

— Looger, m. (-s). — Looging, v. (-en). — Loogkruid, o. Plantengeslacht {salsola). 't Prikkelend loogkruid {s. kali) is een éeniarige plant, die in onze zeeduinen en op losse zandgronden voorkomt. — Loog-Jtuip, v. (-en). — Loog mand, v. (-en). — Loogschepper, m. (-s). — Loogwafer, o.

— Loogzetster, v. (-s). _■— Loogzout, o. (-en). (Scheik.) Plantaardig loogzout: pot-asch. Delfstoffelijk loogzout : soda. Vluchtig loogzout : ammonia. — Loogzoutachtig, bn. — Loogzoutnteter, m. {-s).

loog, v. (Zeew.) Stukken hout, die door bevochtiging en branding kromtrekken.

loos, v. Vlam : het dorp stond in lichte loog.

looi, v. Gemalen eikenbast, waarmede men leder bereidt. —Looien, hw. looide, heeft gelooid. Met gemalen eikenbast leder bereiden. — Looier, m. (-s). — Looiery, v. Bedrijf van den looier, (-en) Plaats, waar men leder looit. — Looiersboom, m. (-en). Boom in Z.-Europa [rhus coriaria), welks bast, bladeren, enz. tot looi- en verfstof dienen. — Looierskalk, v. — Looierskuip, v. (-en). —Looiersmes, o. (-sen). —Looi-ersschors, v. Gemalen eikenbast voor leer-bereiding. — Looiersstang, v. (-en). — Looiersstruik, m. (-en). Looiersboom. — Looigaar, bn. Naar den eisch gelooid. — Looikuip, ▼. (-en). — Looischors, v. — Looisel, o. — Looistof, v. — Looistof zuur, o. Stof in den bast, enz. van vele boomen, enz. aanwezig.

look, o. Plantengeslacht {allium), tot de lelieachtigen behoorende. Hiertoe be-hooren de ajuin, de prei, enz. — Lookach-tig, bn. — Lookbed, o. (-den). — Lookbol, m (-len). —Lookprei, v. Prei. — Lookra-ket, v. Look-zonder-look. — Looksaus,v. (-en). — Looksmaak, m. — Looksoep^ v. (-en). — Look-zonder-lo lt;k, o. Tweejarige plant {sisymbrium al liar ia). Komt aan heggen en op overschaduwde plaatsen voor. Bloeit van April tot Juni.

loom,bn. Mat, stijf jn beweging.Traag, langzaam. — Loomelijk, bijw. — Loomheid, v. — Loomig, bn. — Loomigheid, v.

loon, o. en m. (-en). Vergelding, zoowel ten goede (het loon eener heldendaad) als ten kwade (het loon der zonde). Betaling voor verrichten dienst. Ondank is 's werelds loon. Boontje komt om zijn loontje. — Loonarbeid, m. — Loonbederver, m. (-s). — Loon dien aar, m. (..aren, -s). — Loondienst, m. (-en). — Loonen,

9 — LOOP

loonde, heeft geloond. Bw. Beloonen. Vergelden. Betalen. Ow. Die wijn loont wel, is het geld wel waard. — Looner, m. (-s).

— Loonheer, m. (-en). Heer, die arbeiders betaalt. — Looning, v. Het loonen. (-en) Belooning. — Loonkorcn, o. Koren, dat a-an de maaiers in plaats van geld in betaling gegeven wordt. — Loonster, v. (-s).

— Loontrekkend, bn. — Loontrekker, m, (-s). — Loontrekster, v. (-s).

looi», quot;i- Het loopen. Wijze van loopen of gaan. Het afleggen te voet van zekeren afstand. Op den loop zijn : boodschappen verrichten. De paarden gingen op den loop, gingen aan het hollen. Het terugspringen van een losbrandend kanon. Sterke stoelgang, buikloop. Roodeloop. Beweging der hemellichamen : de loop der zon. In den loop van den dag : op eeni^, uur ran den dag. Gang : de loop der zaken. Dat is 's werelds loop : zoo gaat het in do wereld. Deze opera heeft veel loop, lokt veel toeschouwers. Aan zijne gedachten den vrijen loop laten : zijne verbeeldingskracht laten werken, (-en) Deel van het vuurwapen, waarin de lading gebracht en ontstoken wordt. Loop van buskruit in eene mijn. Band of lint van 't lintmakers^etouw. (Muz.) Volgreeks van op- of afgaande snelle noten. — Loopachtig, bn. Gaarne op den loop. — Loopbaan, v. (..anen). Baan voor wedloopen. Werkkring, levensstand, beroep : de loopbaan van eenen schrijver. Levensloop : zijne loopbaan eindigen. — Loopbode,m en v. (-n).—Loopbrug,\. (-gen). Brug voor voetgangers. (Mil.) Brug van ruw hout over wateren van geringe breedte geworpen. — Loopdeerne, v. ( n). — Loopen, ow. liep, heeft en is geloopen {hebben om de voortduring der daad, zyn, de verandering van plaats aan te duiden). Zich met zekere snelheid of haast te voet voortbewegen : hij liep naar den dokter. Vluchten : gaan loopen. lem. laten loopen, hem laten ontsnappen. Dit kind leert p is loopen. Dc koeien loopen in de wei. Hij loopt op zijne kousen. Op krukken, enz. loopen. Zich voortbewegen,gaan,varen, rijden, enz. Vloeien : het water loopt door de goot. Tranen : zijne oogen loopen. Zich verspreiden : het gerucht loopt. Zich uitstrekken, gelegen zijn : dit gebergte loopt van het Westen naar het Oosten, deze weg loopt naar Brussel. Door loopen in zekeren toestand brengen : zijne schoenen scheef loopen. Door loopen in zekeren toestand komen : de machine loopt warm. Deze wissel heeft nog twaalf dagen te loopen, is over twaalf dagen vervallen. De zaak loopt goed, gaat naar wensch. Te niet loopen : ten einde loopen, mislukken. Te hoog loopen : te hoog in prijs zijn, onbegrijpelijk voor iem. zijn. De twist liep hoog, werd hevig. Het loopt naar drieën : het is weldra drie uur. Achter dc koeien loopen : de koeien hoeden. Achter eene zaak loopen, haar behartigen. Hij loopt er hoog mee : hij heeft er veel mee op, hij beveelt het sterk aan. Dat looptin 't oog. —Loopendt bn. In beweging, stroomend : loopend water. Het loopend jaar, waarin wij zijn. Loopend schrift: schuin schrift. Gewoon : loo-


ocr page 464

— 420 —

LORT

LOOS

pende prijs. No^f niet vervallen : loopende rente. (Zeew.) Loopead want: het losse touwwerk. Loopunde ^tranende) oojjen. — Looper^ m. (-«;gt;. Die loopt, tbo gaarne 1ooj»t. Werkman, die telkens van haas verandert. Vluchteling. Postbode. Krantenombren-gor. Zwerver. Slexitel, die op vele sloten past. De draaiende molensteen, welke over den legger heenloopt. (Schild.) Wrijlsteeu. (Schaaksp.) Raadsheer. {Zeew ) 'lakei• touw, geleiblok, zandlooper. Lang en smal tapijt (In eenen gang, enz ). Jong varken.

— Loepfrtje, o. ( s). Kleine loupcr. Hoorn-kruipertje.— t-oop^ang% v. (-en). (Zeew ).

— Lnop£at% «). (-enj. Opening. — /.nop-g'faaf, v. (..aven). Gegraven gracht voor eene belegerde vesting. (Zeew ) Kruitloop om eenen brander aan te steken. — Loop-grnnjivrrkrr, m. (-s). — Loophoen, o. lt;-ders). De kleinste soort van vogels (van 't hoendergcsl.it htK — Loopyzrr, o. ( s). Vuurh.iak. — Lonpinf;, v. — Lnop-tu-V lyritje, m. (-s). jong matroos. — Loopje, o. (-s). Kleine loop. Listige trek. streek. Kunstgreep ; de loopjes kennen Spotten ; een loopje met lem. nemen — Loopjongen* m. (-s). Boodschapiorn»«*n. Leerjongen. — Lnopkever% m. ( s). Familie [carabui) der schildvlougelige iris»*i ti*n met lange pooten en bijtende monddeelen. — Loopknecht^ m. (-en). — Loophoers. m. ( en). Te volgen weg. — Looplantnrert, V. (-*). (Zeew.) Handlantaren —Loopftjn,v*[-cn). (Zeew.).

— Loopmaar, v. (..aren), loopmare, v. (-n). Tijding, welke zitb alom verspreidt. ^Loopmeisje, o. ( s) — Loepperk, o. (-en). Loopbaan. —Loopplaats v. Metalen plaat, waarvan do geweerloopen vervaardigd worden. — Loopplaats, v. (-en). — Loop-Planli, v. ( en). - Looppry\% m. (..zen). Loopende prijs. Prijs voor eenen wedloop.

— Looprol, v. ( len). Kol, waarover eene ketting zooder eind loopt. — Loop\ch, bn. Ritsig (van dieren). Gaarne uitgaande. — Loopschheid, v. — Loopschuit, v. (-en). Loopster. — Loopslot, o. (en). — Loop-spin, v. ( non). Spin, die al loopende hare prooi bemachtigt. — Loopitag, o. (-en). Looptouw. — Loopster, v. (-s). — Loopstok, ra. (-ken). Deel van eenen haspel. — Loop strijd, ra. (-en). — Looptouw, o. (-en). (Zeew.) Touw om op te klimmen. — Loopveld, o. (-en). — Loopvoet, m. (-en). — Loopvogel, ra. (-s). — Loopvuur, o. Loopend vuur om mijnen te doen springen of een vuurwerk te ontsteken. — Loopwagen, ni. (-s). Houten stel, waarin een kind leert loopen. — Loopzand, o. Driftzand.

I00H, v. (..zen). Losse bocht In een touw.

loom, bn. Niet wezenlijk, valsch : looze deur, loos alarm. (Zeew.) Alles wat men waarloos aan boord heeft ; looze zeilen. \Vat men tot sparing van het bestaande '1 bt zigt ; looze kiel, looze voorsteven. Le-, dig : looze korenaren.

J00H, bn. bijw. Doortrapt. Listig. Sluw.

— Loosaard, ra. (-s). Ustigaard. — Loove-lyk, bijw. Listiglijk. — Loosheid, v. Slim-bcid. heden) Slimme daden.

1oon|»Ui», v. (-en). (Zeew.) Afvoerbuis. Luchtpijp (der longen).

looi, v. (loten). Boomscheut, afleggerr afzetsel.

TiOOls (O, 1765-1834, Amsterdam. Gequot; dichten (ibiö-'i;) ; Nieuwe gedichten (1811).

1oo%'or, o. Loof (der boomen). — Loo-ve* j, o. rav. Looverwerk. — Loovertje, o, ( s). Blaadje van geslagen goud of zilver. — Looverwerk, o. (Metaalw ).

looxeit, bw. loosde, heeft geloosd. Zich van iets ontdoen. Laten loopen : zuchten loo7.cn. zijn water loozen. Kwijtraken : jen» willen loozen. — Looting, v. (-enK lot|iiult;*lloll, v. Welbespraaktheid. l«ir, v. (-ren). Vod, oude lap : lorren en. beeoen. Prul, leur, beuzeling: een lor van een boek. zich met lorren bezighouden. Geen lor : niets. Deugniet. Feeks. — Lorren kist, v. (-en). — Lorrenmand, v. (-en).

— Lorrenvrouw, v. (-en). L)ie oude lappen. enz. verkoopt. — Lorrewerk, o. Knoeiwerk. — Lorrig, bn. Prullig. Nietig,

lord, ra. (-s). Engelsch edelman. — Lord-mayor, ra. (-s). Burgemeester eener stad in Britannic.

lorlt;liii|i:, v. (-s). (Zeew.) Zwaar geteerd touw, dat om de kabels, enz. gewonden wordt.

ï^oro {B. van der\ Gent (XIV0 eeuw). Dichter. De Maphei van Ghent. lorejas, ra. (-sen). Deugniet. Schelm. lorg:iiccrcMi, bw. lorgneerde, heeft gelorgneerd. Beloeren. Beluren. Belonken. — Lorgnet, o. ( ten). Kijkglas. Zak-kijkertjo. Knijpbril. Kleine verrekijker. Toonfclkijker. —Lcrgnetteeren, bw. lor-gnetiecrdc, heeftgelorgnetteerd. Lorgnee-ten. — Lorgnon, o. (-s). Oogglas. Kijk-glas.

lorl, m. (-'s). Snort van halfaap [loris gracilis),va.r\ de grootteen kleur van 't eekhorentje. Ook, een prachtige papegaai (psi/tacus lort) in Australië en op de Indische eilanden.

lorkeboona, ra. (-en). Lariks. — Lor-kenhars, v. en o*. — Lorkenterpentyn, v.

— Lorkemiuam,\. Zwamsoort (polyporus officinalis), op de stammen van lorkeboo-men.

I.lt;»rrain (C. /lt;•), 1600-1682, Champagne. = Claude Gelèe, Fransch landschapschilder.

i«»rrv, v. Naam, waarmede men de papegaaien aanspreekt. — Lorretje, o. (-s). Hij is van lorretje gepikt : hij is onnoozel.

lorre», bw. lorde, heeft gelord. Bedriegen, bedotten. Ontfutselen. Smokkelen. — Lor der, ra. (-s). Smokkelaar. — Lorster, v.(-s).— Lorrendraaien,o\v. lorrendraaide, heeft gelorrendraaid. Smokkelen, sluikhandel drijven. Looze uitvluchten gebruiken. Bedriegen. Misleiden. — Lorrendraaier, m (-s). Smokkelaar. Schip voor den sluikhandel. Schipper van zulk een schip. quot;Misleider, bedrieger. — Lorrendraaiery, v. (-en). Smokkelhandel. Bedriegerij. — Lor-rendraaister, v. (-s).

lorn.v. (-en). Achteloos vrouwmensch, loraou. bw. lorste, heeft gelorst. Ver-waarloozen. Borgen. Bedriegen. — Lor-sing, v.

l^ortzingr (C. AJ, 1803-1851, Berlijn.


ocr page 465

LOSE — 4

Opera-componist. Czar und Zimmer-mann (1837).

Ion, m. (sen). Zoogdier {fell's lynx). Behoort tot de fami iu der katten ia de

orde der roofdieren. Leeft in Europa.

■

V-^. ■■ ^ -JU' -

'

Los.

los, bn. bijw. Niet vast : losse steenen. Kii t gebonden : losse haren. Open : de deur is los, Mullig : losse gro d. Niet stijf : met losse trekken schrijv,cn. Nu t «t bonden : de hond is los. Ontslagen : degevan-

fen is los. Onzeker : los c iuci t. On ^esta-ig, onzekt-r : los wet r. Ni .t verslaafd : los ■van de wereld. Ongcdwong» n ; Ien is los. Onzeker : los c iuci t. On ^esta-ig, onzekt-r : los wet r. Ni .t verslaafd : los ■van de wereld. Ongcdwong» n ; I«iSgt;-e hou-dinïr. Viij : los van ahe zoij^on. ^let los kruit (met kruit allee •) scquot;ieien. Losse stukken : stuiken uit de w. rken van ver--scl'illcnde schrijvers. L. s jjeld ; kl'-m ^eM, gereed ggt;-ld. Di-duiv. 1 is los : allis is in rep en roer. — Losbaar, Ln. (jellt; s' kunnende worden : losbare renilt;'. — Lusbak, m. ( ken). Bak om iets in t.- loss n.

lONbuli^a'Cii, tnv. .1) Ü' d n ken,waarin een k tul gewikkeld is, i« sm-ikm.

bn. Lijw. On^ebunden. Zedeloos ; een losbandig le.en. — I.nsban-digheid, v. (..heden). — Luiban bijw. _ ..

Ilt;»i»bi%r»lCM(lo»berMtlt;'u), ow. (zijn) Barstende losgaan. Loibars/ii/j», v. l-en).

— lOHbciielen, bw. Met een en beitel losmaken. — loHbeltvii, bw. B. ttende losmaken. — losbtriiKt'Ji. bw. Door beuken losmaken. — luNbyien, bw. beet los, heeft losgebeten. Met de tande.i losmaken. Door een bijtend vocht openen, losmaken. — llt;gt;»byteii, bw. bijtte los, heeft losgebijt. 't Ijs, dat aan de schepen gevi oren is losmaken. —loftbikkeii, bw. Do« r bikken losmaken.— loMitin«leii, bw. Wat gebonden is losmaken. /.«74^/«-di'ng, v. — loHbiyvi'ii, ow. (zijn) Het tegenovergestelde van vastblijven.

lot»bIalt;ligr, bn. (Plantenk.) Met niet samenhangende bladev en.

loMbluzcu, bw. Blazende losmaken. Door blazen vaneenscbeiden.

]lt;»fib«»l, m. (-len). Lichtzinnig mensch.

— Losbolle/je, o. (-s). — Losbollery, v. (-en).

l^Nborun, bw. Borende losmaken of openen. — loftbrsmclen, bw. Brandende afscheiden. Afschieten. Ow. (zijn) Bran-[ — LOSK

dende zich alscheid.-n. Afgeschoten worden. Losbranding, v. (-en). — losbre-Iceii, bw. Brekende afscheiden, losmaken. Brekende openen. Ow. (zijn) Zich door breken losmaken, bevrijden. Door breker losgaan. Uitbreken. In toorn uitbarsten Losbreking% v. (-en).

loHccdel, v. (-s), loscocl, v. ( en). Bewijs om een schip telossen.

loMtlapr, m. ^-en). Dag, waarop schepen gelost woiden.

Idsilclvcii, bw. Gravende losmaken.

— los«{oeEi,b v. Losmaken. — IokiIou-«leroii, ow. (zijn) Met gewold losb.irsten.

— ]lt;»M«looilt;gt;ii, ow. (zijn) Door den dooi losgaan. — Ioh«Ioiiu 4-11. Lostluwen.—

bw. Hei gediaaide i.-swik-kelen. Opendraatrn. i.osm iken. Ow. (zijn) Diaa ende losgaan. Losdgt; aaiing, (-en).

— Iok«li-liKlit'n, 1 w. Door dmi.ki- 1 losmaken of cpemn. Alschicien. L.'sdruk-Itintf, v. — loml 11 we 11, bw. D or duwen losmaken of openen. — .* it, ow. (ziji ) Los woiden. Zich ontbinden. A L aan : hot geweer ging los. Op iem. losgaa t, I era aa i1 allequot;. Dat uaat er op los ; dat zi! eere grap wotden, ^ij zullen zich te goed doen.

luKg-t'iti, o. (en). Afkoop-, vi ij koopgeld.

l4»s^'4'K|i4'ii, bw. Wat gt; eg» sj.t is losmaken, — 10N^ri4*l4ïii, bw. Door g^'u-n losmaken. — llt;»M^4gt;4gt;i4'ii, bw. Los.i a' en. — 14gt; 1*^1 4mi, bw. 'A at gelord is losmaken.

— loM^rav«-ii, b.v. Do .r grav-n losmaken. — l4»N^r4'ii4l4gt;l4'ti. bw. C)iit_ rei de-len. — l4gt;Mli:ilt.lt;Mi, Lw. liet gehaakte losmaken. Van di-n haak ain •men, /.os/ia-/eer, m. (-s). Afhaakijzer. Loshnk.n^, v.

— lONliaUkvii, bw. D. or hakke- losmaken. Op iem, loshakken, hem met het zwaard aanvallen. — loNlia^-n, o .v. l.os-tr. kken. — l4gt;filiaiu4M*4'ii, bw. Met den hamer losslaan. — IoklisiiiKlt;-ti. ow. Vrij hatigen. Niet wel samenhangen. I .!»gt;,;i:ten.

— lusliarken, bw, M.t do bark losmaken.

likHlii-Jil. v. Toestand van al wat los is. On bestendigheid.Ongedwonpenh id,Losse zwier. Onbedachtzaamheid. Losbandigheid.

InMltolpcn, bw. Iem. helpen om zich los te maken (van). — i'ii, bw»

Hoestende losmaken.

loMlBiMiftl, tn. en v. (-en). Losbol. — Loshoofdig, bn. bijw. —Loshoofdigheid, v, l4gt;Nli4»ia\v4'ii, bw. Loshakkin.

lowjcH, bijw. Zonder veel nadenken, vluchtig.

loHliastrdcu, bw. Met eene kaa-de losmaken. — loskaiuiiii'ii. bw. Het haar) ontwarren. — l0Nk:i|»|gt;«*ii, b.v. Hakkende losmaken.— loskei-von, bw. Door kerven losmaken. — IomKliii!i4gt;ii. bw. Door klittken losmaken. Wat geklonken is losmaken. — loNklo|gt;|»oia, bw. Door kloppen losmaken. — IomUii ;• igt; holen, bw. Door knabbelen losmaken. — lo.sknU|quot;'■gt;. bw. Door knijpen losmaken. — loKknippcn, bw. Doorknippen losmaken. — lo»knooi»eii, bw. Wat geknoopt is losmaken — l«»Nkoiiioii. ow, (zijn)Vrijraken.Zich vrij mak e n. — lohkoo-


1

De samengestelde werkw. met los zijn Scheidbaar.

ocr page 466

LOSS — 4

pen. bw Vrljkoopen.— loskrabbclcn, lonkrstbben, bw. Doorkrabben losmaken. — Icsïi rauwcn, bw. Door krauwen losmaken.— loftkrUsreu, bw. Losmaken, door het aanwenden van zijne krachten, enz. — ioMlatou, bw. Niet vasthouden. Vrijlaten. Ow. Losgaan : bet behangsel laat daar les. Hij laat niet los, houdt maar aan. Loslating, v.

loslUvig;, bn. Onderhevig aan buikloop. — Loslijvigheid, v.

loHloopon, ow. Vrijloopen, niet ge-bondr n zijn : het paard loopt los. Niet aan den ketting liggen (van honden^. — los-iiiakcn, bw. Maken dat iets los wordt: een en knoop losmaken. Openmaken : de deur losmaken. Minder vast doen zijn : den gron'1 om den boom losmaken. (Gen.) De veistr ppingen wegnemen. Losmaking, v. — loM|»akkeu, bw. Ontpakken. Uit-pakki-n. — 1 oppikken, bw. Door pikken losmaken.

loMPlsiats, v. (-en). Plaats, waar scheper glt; lost worden.

lowplciteu, bn. Door een pleidooi in vrijheid doen stellen. — losplocgrcn, bw. Met den ploeg losmaken. — losplui-ecii, bw. Door pluizen losmaken. — los-poken, bw. Door poken losmaken. loHpi'UH» n» (- zen). Losgeld. loHrakeleu, bw. Al krabbende losmaken. — losraken, ow. (zijn) Los worden (van iets, dat vast zit) : hoe is die koord losgeraakt? Vlot worden (van schepen). Met eenige moeite in vrijheid komen

lo*i'«'iife, v. (-n). Aflosbare rente. —

Losrentebrieft m. (..ven).

bw. Rijdende losmaken, vaneenscheiden. — losrOfiren, bw. Wat vastgeregen is losmaken. — losrlften, bw. Scheuren. Vaneenrukken. — los-roesteu, ow. (zijn) Door den roest losgaan. — losrukken, bw. Met eenen ruk losmaken. Zich losrukken, ww. Met moeite en geweld scheiden (van). Ow. (zijn) Met snelheid losgaan : op den vijand losrukken.

losseberp, o. (Oudt.) Allerlei ijzerwerk, dat los en zonder kardoezen in 't geschut gestoken werd.

lossehenren, bw. Afscheuren. Zich losschetiren, ww. Met moeite en geweld, met smart, scheiden (van).Ow. (zijn) Open-scheuien. — lossebiefen, bw. Schietende losmaken : het venster losschieten. Ow. (zijn) Met eenige snelheid losgaan. Op iem. losschieten, hem aanvallen. — loMseliroeven, bw. Wat geschroefd is losmaken. — lossebudden, bw. Schuddende losmaken of openen. — lossobule-i*eii, bw. Door schuieren losmaken of openen.

losselük, bijw. Op losse wijze.

lossen, bw. Losmaken, ontbinden : touwen lossen. Ontspannen : eenen boog lossen. Afschieten : een pistool lossen.Ontschepen ; goederen lossen. Vrijmaken, ontslaan : slaven lossen. Loozen. Kwijtraken. Panden terugnemen, door het daarop geleende terug te betalen : juweelen lossen. Ow. Loslaten : de/e pan lost wel. — Los-

2 — LOT

ser, m. (-s). — Lossing, v. (-en). —

ster, v. ( s).

lossigbeid, v. (..heden). Losheid.

losslaan, bw. Doorslaan losmaken of openen. Ow. (zijn) Open gaan met eenea slag (van eene deur). — loMsmyten, bw. Losgooien. Loswerpen. — lossnUden, bw. Door snijden losmaken. —lossnoe-ren, bw. Wat gesnoerd is losmaken. — losspelden, bw. Wat gespeld is losmaken.

losspil, o. (-len). (Zeew.) Windas.

losspKten, bw. Loopgraven losdel-ven. Spittende losmaken. — lohspiytcn» bw. Splijtende openen. Ow. (zijn* Openbarsten. — losspoeleu, ow. (zijn) Spoelende losgaan. Bw. Iltt water heeft dea grond losgespoeld. — losspriiig:cii, ow. (zijn) Springende los- of opengaan. Op iem. losspringen, hem aanvallen. — losstaan, ow. Openstaan, niet dichtgesloten zijn. Niet vast, niet stevig st an. Niet gebonden staan. — losHteken, bw. Met een scherp werktuig afscheiden of openen.

— lossfooten, bw. Door stooten openen of scheiden. — loastrlkkeu, bw. Wat gestrikt is losmaken. — IonhIuI-ven, ow. (zijn) Losspringen. Op iem. loa-stuiven, hem aanvallen. — lostarnen, bw. Wat aaneengenaaid is losmaken. — lostlkken, bw. Door tikken losmaken.

— lostinimeren, bw. Wat getimmerd is losmaken of openen.

lostoomlgT, bn. (Fig.) Los. Loszinnig, Toomeloos. — Lost oom ikheid, v.

lostooveren, bw. Door toovermidde-len afscheiden of openen. Op behendige wijze loskrijgen : eenen knoop lostooveren.

— lostornen, bw. Lostarnen. — los-trappen, bw. Door trappen losmaken.

— lostrekken, bw. Trekkende afscheiden Lostrekkergt;m. (-s). —los-Tleebten, bw. Wat gevlochten is losmaken. — losvlieeen, ow. (zijn) Al vliegende afzonderen of openen. Met snelheid los- of opengaan. Op iem. losvliegen, hem aanvallen. — los vriezen, ow. (zijn) Door vriezen los- of opengaan. — losivaaien, bw. Waaiende afscheiden of openen. Ow.. (zijn) Door den wind losgaan. — losu'ee-ken, bw. Weekende afscheiden of losmaken. Ow. (zijn) Weekende opengaan.

losweg:, bijw. Niet doordacht. Oppervlakkig.

loswerken, bw. Door werken loskrij-

fen. Iem. bevrijden. —en. Iem. bevrijden. — loswerpen, bw. .osgooien. — loswinden, bw. Windend afzonderen of openen. — loswrUven, bw. Wrijvende afscheiden of opt nen. — los%«-riii{;en, bw. Wringende losmaken. Wat gewiongen is openmaken. Zich loswringen, ww. Zich met moeite uit iemands handen losrukken. — loswroeten, bw. Wroetende losmaken. Openwroeten. — loszitten, bw. Met eene zaag losmaken.

loszinnig:, bn. Lichtzinnig. —Loszinnigheid, v. (..heden).

loszitten, bw. Zittende afscheiden of openen. Ow. Los zijn : zijne tanden zitten los. —loszwaebtelen, bw. Den zwachtel afnemen.

lot, o. (-en). Scheut. Uitspruitsel. —


ocr page 467

LOTU — 4

Loten, bw. lootte, heeft geloot. Loten in den {^rond lepgen.

lot, o. Belasting. (Alleen in) schot en lot betalen : zijne belasting opbrengen.

lot, o. Onzekerheid van bestemming, noodlot. Levenstoestand : men moet met zijn lot tevreden zijn. Beschikking der Voorzienigheid : God kent ons beschoren lot. — Lof, o. (-en). [Lotje, lootje, o. (-s)]. Aandeel (in eene loterij, enz.). Loterijbriefje. Nommer. — Lotballetje, o. (-s). — Lotboek, o. en m. (-en). — Lotbriefje, o. (-s). — Lot bus, v. (-sen).

— Loteling, m. (-en). Jongeling, die voor den krijgsdienst moet loten of pas geloot heeft. — Loten, lootte, heeft geloot. Ow. Het lot werpen : laat ons om de zaak loten. Het lot trekken : zijn zoon moetheden loten. Trekken : om iets loten. Bw. Uit eene loterij trekken : een uurwerk loten. — Loter, m. (-s). — Loterij, v. (-en). Kansspel. Vei loting. — Loter ij boek, o. en ra. (•en). — Loterijbriefje, o. (-s). — Loterij-kaïiioor, o. (..oren). — Loterij leening, v. (-en). — Loterij lijst, v. (-en). — Loterij-man, ra. (-nen). Verkooper van loterijbriefjes. — Lotei y'spel, o. Het spelen in de loterij, ( en) Zeker spel. — Loterijtrek-king, v. (-en). —Lotgemeen, bn. In hetzelfde lot deelende. — Lotgenoot, ra. (-en). Die hetzelfde lot ondergaat met anderen.

— Lotgenoote, v. (-n). — Lotgeval, o. (-len). Lot. Toeval. Voorval. Gebeurtenis. Avontuur. — Loting, v. (-en). — Lotsbe-deeling, v. (-en). — Lotsbestel, o. Het besturen van het lot. — Lotsbestemming, v.

— Lotspel, o. (-en). — Lotspraak, v. Godspraak. — Lotsverbetering, v. —Lotsver-vu is se ling, v. (-en). — Lotswissel, m., lots-tuisseling, v. — Lottrekker, m. (-s). — Lotverwisselaar, m. (-s).— Lotwichelaar, m. (-s). — Lotwichelaar ster, v. (-s). — LotwichelanjfV. —Lotzegger, ra. (-s). — Lotzegster, v. (-s).

l^otli. Neef van Abraham. Werd gevangen genomen, maar door zijnen oom verlost. Loth, zijne vrouw en hunne twee dochters ontkwamen alleen aan de vernieling van Sodoma.

XiOtlistriugreii, o. Na den dood van Loddwijk den Goedige oorloogden zijne drie zonen over de rijksveideeling. Lother kreeg, met den titel van keizer, het middeldeel des rijks, waartoe België, beoosten de Schelde, behoorde. Na Lolhers dood kreeg Lother II, met den titel van koning, het noordelijk gedeelte, dat naar zijnen naam Lother) ijk of Lotharingen werd genoemd en waarin België zonder Vlaanderen begrepen was. Lotharingen was hertogdom van 912 tot 959. In 959 werd het door den h. Bruno, aartsbisschop van Keulen, verdeeld in Opper- en Neder-Lotharingen. Neder-Lotharingen, waarvan België, beoosten de Schelde deel maakte, kreeg den naam van hertogdom Lothrijk (959-1106).

lotto, o. (-'s). Nommer of g» tallenlo-terij (zeer verderfelijk kansspel); ook, het onschuldige kienspel). —Lottoballetje, o. (-s).—Lottokaart, v. (-en).—Lottospel, o. Lotto, (-len) Lottokaarten.

lotus, m. (-sen). Naam van verschil-

•3 — LUBB

lende planten, tot de waterrozen beboerende. De Egyptische lotus (nymphcea fo-tus); de Indische lotus {nelumbium spe* ciosum), voorwerp van godsdienstige vereering in Indië. — Lotusbloem, v. (-en). — Lotusboom, m. (-en). Italiaansche dadel-pruim [diospyrus lotus). — Lotusstruikt m. (-en). Struik {zizyphus lotus) met roodachtige, eetbare vruchten (N.-Afrika). liOuisa Iflariu. Zie Leopold.

loup, loupe, v. (loupen). Vergrootglas. Convergeerende lens met kort brandpunt, waarmede men voorwerpen beschouwt, die tusschen de lens en haar hoofdbrandpunt zijn geplaatst.

Ijourdes, 6,000. Fransch stadje (Hau-tes Pyrénées). Vermaarde bedevaartplaats» waar de h. Maagd is verschenen en wonderbare genezingen geschieden.

louter, bn. bijw. Rein. Zuiver. Onver-valscht. — Louter aar, m. (-s). — Louteren, bw. louterde, heeft gelouterd. Reinigen. Zuiveren. — Louter he id, v.—Loute-ring, v. (-en). — Louter lijk, bijw. Bloot. Niets dan. — Louter oven, ra. (-s). — Lou-ter pan, v. (-nen). — Louter stal, ra. Kou-depis (van paarden). — Louter trog, m. (-gen).

JLouvre, o. Het oude koninklijke paleis

(Parijs).

louw, v. (-en). Zekere visch : zeelt, loun-smnzetter, m. (-s). (Art.) Wis-scher.

louwlt;laat, v. (..aten). Zie Lauwdaat. lou^vuiaaud, v. (-en). Januari, lioveliugr- 10 (/^a/zlt;?), 1834 1875, Ne-vele. Dichteres. Meester Huyghe (novelle, 1874). — 20 Hare zuster (Virgin ie), 1836, Nevele. Dichteres. De Verdwaalden (novelle, 1874). Onder het pseudoniem Walter schreef zij : In onze Vlaamsche gewesten. Politieke schetsen (1877, 1882). Op eigennaam : Fideel en Fidelineken (1883); Het Hoofd van '/ huts (1883) ; / er halen voor kinderen (1886) ; Eene dure Eed (1892). Samen schreven zij : Gedichten (1870) ; Novellen (1874); Nieuwe Novellen (1876).

loven, bw. loofde, heeft geloofd. Op prijs stellen : hij heeft zijne paarden geloofd. Prijzen, verheerlijken, danken (ina. God). Dit werk zal zijnen meester loven. — Lwer, m. (-s). — Loofster, v. (-s). — Loving, v.

I-o we (//.), 1769-1844, Galway (Ierland). Bewaker van Napoleon I op S. Helena.

liowell (y. R ), 1819-1891, Cambridge. Araerikaansch dichter. Bigl'-w papers; thecathedrtil (1873).

loyaal, bn. Oprecht. Rechtschapen. Rondborstig. Braaf. Eerlijk. — Loyaliteit* loyauteit, v. Rechtschapenheid. Trouw. Goede trouw. Eerlijkheid.

Loyola {h. J. de), 1491-1556, Azpeytia (Spanje) = Inigo Lopez de Ree aide. Stichter van de Sociëteit Jezus.

lub, v. (-ben), lubbe, v. (-n). Halskraag. Handlub.

lubben, bw. luSde, heeft gelubd. Snijden. Een boek lubben, er een gedeelte van afnemen. Bedotten, bedriegen. — Lubber* ra. (-s). —Lubbing, v. (-en). — Lubmes, o, (-sen).


ocr page 468

LUCH — ,)

I^nbeck, 64,000. Vrije stad in het Duit-sche rijk, op 2 geogr. mijl van de Oostzee aan de Ti ave geit gen.

liUbiink «I© «fougo (y.), 1736-1816, Amsterdam. Vertaler. Zijne bewerkingen van Gelleit, Thomson en Young zijn bekend.

liUblink Weddik [B. Th.), 1801-3862, Amsterdam. Humoristisch schrijver. Gedachten en Beelden (1834); de Binnen-kanier van een kruidenier (1852) ; Gedichten (1862).

Xmcas. Zie Evangelist.

liiicas vsamp;u loeiden = L. Huygensz, 1494-1553, Leiden. Schilder en graveerder. Ecce homo (1510) ; Aanbidding der drie koningen (1513); de Calvariënberg (1517). liiccnic, ïuzenic, v. Rupsklaver, luclit, v. Vloeibaar lichaam, bestaande uit stikst(if en zuuistof, hetwelk 1111*11 niet ziet, maar glt; voelt en gedurig in- en uitademt. Dampkiin-jslucht. Dampkring : de vogel vliegt in de lucht. Iets in de lucht laten vliegen, door buskruit. Hemelgewelf, uitspansel, hemel : eene bew Ikte, eene heldere lucht. Klimaat, luchtgestel, luchtstreek, gewest; die zieke moet verandering van lucht hebben. Koelte, luchttrek-king : er komt lucht. Tocht: de lucht komt vau lt; nder de deur. Reuk, geur : de hond kreeg lucht van het wild. G»'zwavekl doek om wijnvaten te luchten. Zijnen boezem lucht geven. Dit gene- smiddel geeft lucht, verlichting. Kasteelen in de lucht bouwen : zich met hersenschimmen vermaken, (-en) quot;Wolk, bui ; rr komt eene leelijke lucht •opzetten. (Schild.) Naboots:rig der lucht: de luchten van dien schilder zijn schoon. Ruimte tusschen de deelen van eenen scheepsromp : de luchten opvullen. — Lucht, bn. bijw. Luchtig. — Lucht, bn. (gew.) Licht. — Luchtader, v. Luchtpijp. Polsader. — Luchtbal, m. (-len), lucht-

4 — LUCH

ballon % m. (-s). Ballon van een^ I elite en ondoordr.nebarestof, die met wanne lucht of waterstofgas gevuld, wegens zijne betrekkelijke lichthfid in den dampkring opstijgt. Zie Momgolfier. — Luchtoand, m. (-en). — Luchtbel, v. (-len). — Luchlbel-buis, v. (..zen). Toeste tot wat«'rp issen. — Luchtbeschrijving, v. — Luchtbeweging, v. (-en). — Luchtbewoner, m. (-sj. — Luchtbewoonster, v. (-s). — Luchtblaas, v. (..azen). — Luchtbol, m. (-len). Luchtbal. Ook, landmeters werktuig. — Lquot;cht-borst, v. (-en). (Geneesk.) Opliooping van ingedrongen gassen in de noistholte. — Luchtbreuk, v. (-en). — Luchtbuis, v. (..zen).—Luchtcel, v. (-len). Longblaasje. — Luchtdeeltje, o. (-s). — Luchtdicht, bn. Zoo dicht, dat er de lucht niet in kan doordringen. — L^chtdroog, bn. — Luchtdruk, m., luchtd' uk king, v. — Lucht-drukmeter, m. (-s). BaroniLter. — Luchten, luchtte, heeft gelucht. Bw. Aan de versche lucht blootstellen : eene kamer luchten. Met gezwaveld doek berooken : een wijnvat luchten. Dulden : onbekenden kan hij niet luchten. Ow. Geur verspreiden : olie, die liefelijk lucht. Ruiken : de jachthond lucht naar 't wild. Lichten, schijnen : zijne lamp doen luchten. — Luchter, m. (-s). Die lucht. Kandelaar, lantaarn. — Luchtgang, v. (-en). Ruimte, die lucht bevat. — Lzichtgat, o. (-en). — Lucht-gaatje, o. (-s). — Luchtgeest, m. (-en). (Fab.). — Lucht(s)gestel, o. Klimaat. — Luchtgez'cht, o. (-en). Fata morgana, (bchild.) Tafereel, dat de lucht voorstelt. — Luchtgezwel, o. (-len). Ophooping van lucht onder de huid. — Luchtgolf, v. (..ven). —Luchtgolving, v. [-on).—Luchtgordijn, v. en o.* (Dichte Wolken. — Luchthai t, m. en v. (-en). Icm., die opgeruimd, vroolijk is. — Luchthartig, bn.

1 bijw. — Luchthartigheid, v. — Lucht-hartighjk, bijw. — Lucht ho n i(n)g, m. i lonigdauw. — Luchtig, bn. bijw. Waar 'lt;• lucht vrij in kan spelen : luchtig huis. Dun : luchtig kleed, liet koren staat luch-t g. Niet stijf gebakken : luchtig brood. Geinakkejijk ve rteerbaar : luchtige spij/.en. Het is hier vrij luchtig, tamelijk frisch, koel, winderig. Vroolijk, opgeruimd Lichtzinnig: er luchtig overheen loopen. - Luch -tigjes, bijw. — Luchtigheid, v. —Luchtig-hjk, bijw. — Luchting, v. (-en). — Luchtje, o. (-s). Aangenaam windje. Koeltje. Een luchtje scheppen : eene wandeling doen. Onaangename reuk : er is een luchtje aan. — Luchtkamer, v. (-s). Windketel (eener brandspuit). — Luchtkasteel, o. (-en). Hersenschim. — Lucht ketel, m. ( s). (Stoomt.). — Luchtklep, v. (-pen). — Lucht kolom, v. (-men). — Luchtkreits, m. Dampkring. — Luchtkunde, v. — Luchtlaag, v. (..agen). — Luchtledig, bn. Zoo ledig, datergeeneluchtinis. —Luchtledig, o. De luchtledige ruimte. — Lucht-leidcnd, bn. — Luchtleider, m. (-s). Luchtaanvoerende buis. — Luch tin a king, v. — Luchtme et kunde, v. —Luchvieier, m. (-s). — Luchtmortel,y. — Lucht mout, o. (Brouw.). —Luchtpijp, v. Pijp, waardoor versche lucht naar de longen gevoerd


ocr page 469

LUCII — 4

«n de koolzure lucht vandaar verwijderd wordt. — Luchtpypader, v. (-en, -s^. — Luchtpijpsezwel, o. ( len). — Luchtpijpontsteking, v, (-en). — Luchtpijptak, ra. (-ken). — Luchtpoynp, v. (-en). Toestel om

Luchtpomp.

A. Pompbuis, b. Zuiger, c. Kruk. d. Plaat. e. Aiofi. g. Proefglas, h. Siert tel.

in cene bepaalde ruimte de lucht zooveel mogelijk te verdunnen. Werd uitgevonden door O. van Guericke, burgeniet ster van Maagdenburg (1650). — Luchtpoorf, v. (-en). (Scheepst.). — Luchtreinigend, bn.

— Luchtreiniger, m. (-s). Werktuig om in hospitalen, enz. de lucht te ververschen.

— L u ch tre in tg ing, v. (-engt;. — Luchti eis., v. (..zen). Reis in eenen luchtballon. — Luchtreiziger, m. (-s). — Lucht reizigster, v. (-s). —Luchtruim^ o. Dampkring.

— Luchtscheepvaart, v. — Luchtschip, o. (..epen). — Luchtschipper, m. (-s). — Lucht schuw, bn. — Luch tsch rnvhe id, v.

— Luchtsgeste Idheid, v. Klimaat. — Luchtsoort, v. (-en). — Luchtspiegeling, v. (-en). Fata morgana. — Lichtspoor, o. (..oren). (Jag.). — Luchtspooizveg, m. (-en).—Luchtspringer, m. ( s) Koorde-danser. — Luchtsprong, m. ( en). Sprong in de lucht. (Dansk.) Kruissprong. — Luchtstcen, m. (-en). — Luchtstreek, v. (..eken). Streek der aarde, bepaald naar de lucht. Zone. De aarde is verdeeld in vijl luch'streken : cene heete, twee gematigae en twee koude luchtstreken. — Luchtstroom, ra. (-en). — Luchtthermometer, m. (-s). — Luchttrekker, m. (-s). Luchtreiniger. — Luchttrilling, v. (-en). — Luchtvaart, v. ( en). — I^uchtvai, o. (-en). — Luchtverdichter, m. (-s). Werktuig om de lucht te verdichten. — Lvcht-i'eignarbak, m. (-ken).— Luchtverheve-ling, v. ( en . — Luchtverschijnsel, o. (-en, -s). — Luchtverversching, v. — Luchtverwanning, v. — Luchtvoerder, m. (-s). Luchtleider. — Luchtvormig, bn.

— Luchtvulkaan, m. (..anen). Vulkaan,

5 — LUID

die g^- ot luchtvormige stollen spuwt. — Luchivuurtuig, o. (-en). — Luchtwaar-ze^ger, m. (-s). — Luchtwaarzeggeiy, v.

— Lu chtv; aar zegster, v. (-s). — Luncht-7reg, ra. ( en). — Luchtweger, m. (-s). Barometer.— Luchtzvieren, o. niv. Zekere raossof)rt. — Luchtwortels, ra. rav. W or-tels, die boven d n grond uit den stam der plai t te voorschijn konu-n. — Lucht zee, v. Dampkrin .— Lik htzeil, o. (-en). (Zeew.).

— Luchtzinuig, bn. Vroolijk. Zorge'oos.

— Luchtzuivei end, bn. —Luchtzuiver-heidsmeter, ra. ( s'. — Luchtzuivering, v. — Luchtzwaartemeter, ra. (-s). Barometer.

lucifer, m. Lichtdrager, lichtbrenger. De prins der duivelen. Zie Morgenster, (-s) Stekje. Wrijfvuurhoutje. Zwavelstokje.

— Lucifersdoosje, o. (-s). — Lucifersfabriek, v. (-en).—Lucifer sjonge 11, m. (-s). Jongen, die lucifers verkoopt. — Luciferspotje. o. ( s).

lueralicf, bn. Winstgevend. Voor-deelig.

luguber, bn. Treurig. Naar. Akelig. Bijw. (Aluz.) Somber.

lui. Verkorting van luiden. — Luitjes, o. (-s).

lui, bn. bijw. Traag, loom, vadzig van aard, den arbeid sclmwemle. Slap (van de koersen ter beurze). — Luiaard, ra. (-s). Lui mensch. (Nat. hist.) De luiaards [bradypus) raaken eene on-derorde uit van de orde der tandelooze zoogdieren. Leven in Brazilië en Guyana.

— Luiaardij, v. Luiheid. — Luibak, ra. en v. Luiaard — Luibakken, ovv. luibakte, heeft geluibakt. Lui zijn. Luieren. — Luibuis, rn. (..zequot;)* Luiaard. — Luibuizen, ow. luibuisde, heeft geluibuisd. Traag zijn. Luieren. — Luieren, ow. luierde, heeft geluierd. Den luiaard uithangen. Traag iets verrichten. — Luierik, m. (-en). Luiaard. — Luieriken, ow. luierikte, heeft geluierikt. Luieren. — Luiheid, v. — Luiigheid, v. — Luilak, ra. en v. Luiaard. — Luilakken, ow. luilakte, heeft geluilakt. Luieren. Laat opstaan.—Luiledig, bn. Zeer lui, — Luil* kke7-, bn. Lui en lekker. — Luilekkerland, o. Denkbeeldig land van overvloed en lekkernij, waar de gebraden vogels in den mond vliegen. — Luiwammes, ra. (-en). Luiaard.

liiilt;l, bn. bijw Jloorb;iar. Hard (van klanken, enz.). — Luid, o. Naar luid (van) : volgens den inhoud (van). — Luide, bn. bijw Luid. — Luiden, luidde, heeft geluid. Ow. Een geluid geven (van eene klok, enz.). De klok trekken : voor eenen doode luiden. Het bericht luidt niet gunstig. Klinken : die verzen luiden niet kwaad. Bw. Laten klinken : de klokken luiden. — Luider, luier, ra. (-s). Die de klok t:ekt. — Luidtng, v.

— Luid(s)keels, bijw. Zoo luid mogelijk.

— Luidruchtig, bn. bijw. Met geraas rt getier. — Luidruchtigheid, v. — Luien, ow. bw. luide, heeft geluid. Luiden. — Luien, bw. luide, heeft geluid. Luiden. (Inz. als zeew.) De klok luiden (bij mistig weer, enz.). Wijze van lossen op koren- en steenkolenschepen. Dj zakken met koren.


ocr page 470

LUES — 4

enz. naar boven hijschen (in de molens). — Luting, v. — Luiklok, v. (-ken).

lulden, m. mv. Lieden.

luier, m. (-s). Klap. Oorvijg.

luier, v. ( s). Luur. —Luiermand, v. (-en).

luif, luifel, v. (-s). Afdak van planken, welk men eertijds boven de deuren der winkels placht te hangen. Vooruitstekend gedeelte van eenen vrouwenhoed. — Luifelschrift, o. (-en). Opschrift op eene luifel.

luiTer, m. (-s). Deugniet. Schelm, luik, o. (-en). Valdeur (op zolder). Vensterblinde. Gat, waardoor het water op het molenrad valt. — Luikbalk, m. (-en). (Zeew.). — Luiken, bw. look, heeft geloken. Sluiten. Dichtdoen. — Luikgat, o. (-en). — Luikhoofd, o. (-en). (Zeew.).

liUik. Provincie (België). Rpchterl. arr. : Luik, Hoei, Verviers. Bestuurl. arr. : Luik, Hoei, Verviers, Borgworm. 23 kantons, 336 gemeenten. Hoolpl. Luik. — Luikenaar, m. ( s). Inwoner der stad Luik. — Luiker, m. (-s). Soort van mes, dat in Luik gemaakt wordt. — Luikerwaal, m. (..alen).

luim, v. (-en). Veranderlijke gemoedsgesteldheid, waarin men soms opeens van de grootste opgeruimdheid tot de diepste zwaarmoedigheid vervalt. Vlaag van vroo-Ujkheid of verdriet : goede, kwade luim. Op zijne luim (loer) liggen. — Luimen, luimde, beeft geluimd. O w. Loeren. Eenpw. Het luimt hem niet: zijn hoofd staat er niet naar. — Luimer, m. (-s). Beloerder. Bespieder. — Luimig, bn. bijw. Aan luimen (meestal kwade) onderhevig. Grappig. Geestig.—Luimigheid, v.

luip, m. (-en). Loer. — Luipen, ow. luipte, heeft geluipt. Gluipen. Loeren. — Luiperd, m. (-s). Bespieder. lem., die niet veel spreekt. Kwaadspreker. Huichelaar. Zekere vijl. — Luiperdachfig, bn. Huichelachtig. — Luip tn oor der, m. (-s). Sluipmoordenaar.

luipaard, m. (-en). Roofdier (felis

leopardus), tot de familie der katten be-hoorende. Leeft in Azië. Is op de huid gevlekt met zwarte vlekken.

luipUp, v. (-en). Ruischpijp.

luiM, v. (..zer). Soort van ongevleugeld woekeHnsect, dat op planten en dieren leeft. Inz., die soort welke op den mensch leeft. Eene hongerige luis : een begeerig mensch. — Luisachtig, bn. — Luisbosch, m. (..sschen). (Gem.) lem., die vol luizen zit. Landlooper. — Luishond, m. (-en).

6 — LUIT

(Gem.) Luisbosch. Gemeene vent. — Luis-kop, m. en v. (-pen). lem., die veel luizen op het hoofd heeft. — Luisnek, ra. en v. (-ken). Luiskop. — Luiszaad, o. Staver-zaad. — Luiszak, ra. (-ken). (Gein.) Luisbosch. — Luisziekte, v. — Luizen, bw. luisde, heeft geluisd. Luizen vangen. Iemands beurs luizen, behendig afnemen. — Luizenei, o. (-eren). Neet.— Luizenetend, bn. Luizenetende dieren. — Luizeneter, ra. (-s). — Luizenjacht, v. — Luizenkam, ra. (-men). — Luizenknipper, m. (-s). — Luizenknipster, v. (-s).—Luizenkramer, ra. (-s). Geringe uitdrager.—Luizenmnrkt, v. (-en). Voddenmarkt. — Luizenplecht, v. (-en). (Zeew.) (Eert.) Verschansing op 't voorkasteel. — Luizenvange*-, ra. (-s).

— Luizenzalf, v. Zalf, tot het verdrijven van luizen. Beuzeling, nietigheid. — Luizig, bn. Vol luizen. Slecht, armzalig, leelijk.

luister, ra. Glans, schittering : de luister van een nieuwen hoed. Glanzig uiterlijk (van het laken). Voortreffelijkheid, roem, eer : hij is de luister van zijn geslacht. Armblaker. Kroonkandelaar. — Luisteren, ow. luisterde, heeft geluisterd. (Dicht.) Schitteren (van de zon). — Luisterloos, bn. — Luisterrijk, bn. bijw. — Luistervol, bn.

luister, v. Water, waarmede het bont wordt geglansd. — Luisteren, bw. luisterde. heeft geluisterd. Glanzig maken (bont, enz.).

luisteren, luisterde, heeft geluisterd. Ow. Scherp hooren (naar) : aan de deur luisteren. Naar iem. luisteren, hem aan-hooren. Nauwkeurig achtgeven (op) : naar wijzen raad luisteren. Het paard luistert naar den toom. Het schip luistert naar het roer. Dat luistert nauw : de minste kleinigheid oefent er invloed op. Bw. (Alleen in) iem. iets in 't oor luisteren (fluisteren).

— Luisteraar, ra. (-s). — Luisteraarster, v. (-s). —L u is terg a ler ij, v. (-en), luister-gang, v. (-en). (Mil.) Galerij om de werken des vijands te ontdekken.—Luisterhoekje, o. (-s). — Luistering, v. — Luisterplaats, v. (-en). — Luisterscherp, luister vast, bn. Scherp van gehoor. — Luistervink, ra. en v. (-en). Die alles afluistert. — Luistervinken, ow. luistervinkte, heeftge-luistervinkt. —Luister zuster, v. (-s). Non, die eene andere naar de spreekkamer ver-zelt.

luit, v. (-en). Oud snareninstrument, dat met de vingers van beide handen bespeeld werd. — Luitslager, luitspeler, ra. (-s). —Luitspeelster, v. (-s). — Luitspel, o. —Luitsnaar, v. (..aren).

luitenant, ra. (-s). Plaatsvervanger, nl. van eenen persoon van hoogeren rang. Officier, die in rang op den kapitein volgt en die, bij diens afwezigheid, zijne dienstbetrekkingen vervult. — Luitenant-adjudant,m.. (luitenants-adjudanten). —Luite-nant-adyniraal, ra. (luitenant-admiraals).

— Luitenant-generaal, ra. (luitenant-generaals). — Luitenant-ingenieur, m. (luitenants-ingenieurs). — Luitenant-kolonel, ra. (luitenant-kolonels). — Luitenantschap, o. — Luitenantstraktement, o. ( en). Zie Leger.


ocr page 471

LURF — 4

lalwaKen, m. (-s). Vloerschrobber. (Zeew.) Dwarshout, waarover de roerpen loopt. — Luizvagensteel, m. (..elen).

laiwerk, o. Zekere inrichting in de houtzaagmolens.

luln'UvcnKO-cd, o. Mengsel, waarmede men koper schoonmaakt.

lak, c. Geluk. Fortuin. Luk of raak : onbezonnen, in 't wild. — Lukgodin, v. — Lukje, o. ( s). Karsje. — Lukken, uw. lukte, is gelukt. Gelukken. Goed uitvallen. — Lukraak, biiw. Het is lukraak : het is onzeker. — Lukspe', o. (-en). — Luk-star, „ster t v. (-ren). — Lukzon, v. (-nen).

ii kun Kou. Statie (Neder-Congo). Inl, v. (-len). Houten pijp, waardoor het water uit eene pomp loopt. Pijp van eene brandspuitslang. Pijpkan : geef het kind de lui. — Lullage, v. Zotteklap. — Lulle-man, m. (-nen). Pompier, die bij het spuiten de slang bestuurt. Vervelende babbelaar. — Lullen, ow. lulde, heeft geluld. Uit eene lui drinken. Zottepraat uitslaan. Den tijd met zotteklap doorbrengen. — Lulle-fels, m. en v. (..zen). Die zottepraat uitslaat. — Lullepijp, v. (-en). —Lullepraat, m. — Luller, m. (-s). — Luister, v. (-s).

lui, m. (-len). (Zeew.) Stagzeil. Storm-fok. Voorzeil van een visschersvaartuig.

lullen, bw. lulde, heeft geluld. Bedriegen.

lullepens, v. (-en). Bloedbeuling. liUlly [G. B ), 1633-1687, Florence. It. componist. De grondvester der Opera (Parijs).

luinleren, o. Krieken : het lumieren van den dag.

lumineuH, bn. Helder, lichtstralend, lichtgevend. Klaar, duidelijk : eene lumi-neuse gedachte.

lumnie, v. (-n). Achterstuk van een rund. — Ltivtmerharst, m. (-en). Ribbe-stuk. — Lumvierstuk, o. (-ken). Lumme.

lummel, m. (-s). Onbeschaafd mensch. Lomperd. Onnoozele bloed. — Lummelachtig, bn. bijw. — Lummelachtigheid, v. — Lummelen, ow. lummelde, heelt gelummeld. Lanterfanten. Luieren.—Lummelig;, bn. bijw. —Lummeligheid, v.

InnsUlek, bn. Maanziek. Ligenzinnig. Lichtzinnig. Grillig.

luneli, o. Tweede ontbijt.

1 .nderen, ow. lunderde, heeft gehinderd. Talmen. Sammelen.—Lunderaar, m. (-s). —Lunderaar iter, v. (-s). — Lun-dering, v.

lunet, v. (-ten), lunette, v. (-n). Oogglas, verrekijker. Klein vooruitliggend vestingwerk voor de grachtschans.

liau^ville, 11,000. Stad (dep. Meur-the). Vrede van Lunéville ; verdrag tus-^hen Frankrijk en Oostenrijk. België werd aón Frankrijk afgestaan (1801).

lun.H, v. (..zen). As-spie voor 't wiel (van een voertuig). — Lunzen, bw. lunsde, heeft gelunsd. Eene luns voor 't wiel doen.

Imiteren, ow. lunterde, heeft gelun-terd. Lunderen.

lurt', v. (..ven). Ingekeept hout (in eene vinkenjbaan;. Slip van een kleedingstuk.

7 — LUXE

lem. bg de lurven vatten, hem ruw aaiw

tasten.

lurken, ow. lurkte, heeft gelurkt. Mer kleine teugen zuigen. — Lurk, m. Het lurken. — Lurk, m. en v. (-en). — Lurker, m. (-s). —Lurkster, v. ( s).

1 uh, v. Zie Lis.

liiftingraiido, bijw. (Muz.') Vleiend. liiNt, m. (-en). Hooje graad van aangename gewaarwording. _ Groot verlangen naar het aangename. Zinnelijke begeerte, wellust. Verkeerde begeerte : 's kindjes lusten zijn niet altijd te voldoen. — Lust' bosch, o. en m. (..sschen). — Lustboschje, o. (-s). — Lusteloos, bn. — Lusteloosheid^ v. — Lusten, lustte, heeft gelust. Eenpw. Believen : het lust hem niet dat te doen. Ow. Gij doet wat u lust. Bw. Veel houden (van) : ik lust geen salade. — Lusthof, ra. (..ven). — Lusthuis, o. (..zen), lusthuisie, o. (-s). Buitengoed. Tuin. — Lustig, bn, bijw. Vroo ijk. Opgeruimd. Levendig. Vermakelijk. Zeer, terdege : hij kreeg lustig op het hoofd. Lustig aan! — Lustigheid, v.

— Lustig ies, bijw. — Lustoord, o. (-en),

— Lustplaats, o. (-en). — Lustprieel, o, (-en). —Lustrijk, bn.bijw. —Lustslot, o. (-en). —Lustwarande, v. (-n).

luMter, m. (-s). Luchter, kroonkande-laar. Glans. Vijfjarige tijdruimte : na vijf lusters : na vijf en twintig jaar. — Luster-maker(-s).

lustrine, v. Zekere glanzige stof. Int, v. (-ten). Zuigdotje. Sukkelaarster. liUtlier {M-), 1483-1546, Eisleben. De voornaamste der Duitsche kerkhervormers. Werd in den ban gedaan door Leo X en bracht heel het Noorden van Duitschland in opstand tegen de Kerk. — Luther aan ^ m. (..anen). Aanhanger van Luther. — Luther dom, o.—Luthersch, bn. — Lu* therschen, m. mv. De Lutheranen. — Luthersche, v. Aanhangster van Luther, lutje, o. Een weinig.

lut.sen, ow. lutste, heeft gelutst. Los* hangen. Wiggelen.

luttel, bn. Klein. Gering. Bijw. Wei* nig. — Luttel, o. Weinig.

Ijützen. Kleine stad (Saksen). Veldslagen : de i* werd gewonnen door Gustaaf Adolf op de keizerlijke troepen (1632) ; do 20, door Napoleon op het Russisch-Pruis-sische leger (1813).

luur, v. (luren). Kinderdoek. Hij ligt nog in de luren : hij is nog te bed. lem. in de luren leggen, hem bedriegen. — Ltiur* goed, o. Goed, waarvan men de luren maakt. Luur. — Luurkorf, m. (..ven). — Luurmand, v. (-en).

lu^v, bn. Tegen den wind gedekt: het is hier luw. — Luwen, eenpw. luwde, heeft en is geluwd. Minder winderig zijn. Dat luwt wat : de zwarigheid vermindert. — Luwte, v. (-n). Luwe plaats.

luxe, m Pracht. Praal. Weelde. Overvloed. — Luxueus, bn. Prachtig. Weelderig. — Luxurieus, bn. Weelderig. Overvloed g. Wulpsch, ontuchtig.

Ijuxemburc:. Provincie (België), Rechteil. arr.: Arien, Neufchateau, Mar--che. Bestuurl. arr. : Ailon, Virton, Neufchateau, Marche, Bastenaken. 20 kantonsr-


ocr page 472

— 428 —

MAAG

MAAG

205 gemeenten. Hoofdpl. : Arlen. —Groot hertogdom Luxe 111 urg. Luxemburg was eerst eene het-rlijkheid, dan een graafschap, later U354) een hertogdom. Stond beurtelings onder Frankrijk en Oostenrijk. In 1797 werd het een Fransch departement. In 181^ wenl het, als hertogdom van Duitschland afhangende, aan het koninkrijk der Nederlanden gevoegd, en, bij de overeenkomst van 1839, werd het wester- aan België en het oostergedeel.e aan Nederland toegekend. Dit laatste, een afzonderlijke staat, hoort de koninklijke familie van Nederland toe. Zijn hoofd voert den titel van Groot-hertog van Luxemburg.

liiiykeu (7.)» 1649-1712, Amsterdam. Graveur en dichter.Schreef: Duytsce Lier; Bycorf desgemoeds; De onwaardige quot;wereld.

liizomo. v. Zie Lucerne.

(7%.), 1848, Gent. Schilder. De h. Elizabeth van Hon^nrye (188^; die h. Mag het, die zegge t haer gebcde-keyn (1890). lt;

lycsenm.o. (lycsea). Openbare worstel-plaats te Athene, in welkt r overdekte gangen Aristoieles onderwees. Alhenzeum (Parijs, Beieren, enz.).

i-^iim . Wetgever van Sparta. Leefde in üe 90 et uw (vóór Chr.).

l^nililisiliKC'li^n.Bioedwaterig.Lym-phatische vaten : wati-rvaten.

lyux, ra. (-en). Los (i« art.). — Lynxoo-gen, o. en v. mv. Scherpziende oogen.

liyo 11, 377,000. Stad (depaitement Rhone) De grootste en belangrijkste stad van Frar kriik na Parijs. Uitgebreide nijverheid, vooral zijdeweverijen.

l.rriMcrli, bn. Tot de lier beboerende. Voor hei spel der lier geschikt of genia akt. \\ at met de lier begeleid, enz. kar. worden. Zangerig,gevoelvol. — Lyrisme, o. llooge dichterlijke vlucht. Warmte van gevoel. (In ongunstigen zin) : gezwollcnherd (van stijl).

Lysippus (IVe vóór Chr.), Sicyon. Griekscti beeldhouwer.


M

m, v. (m's). 13® letter van het alphabet. Hist, v. (ma's). Verkorting van mama. instap, v. (..agen). Vliezige zak in het bovenste gedeelte der buikholte, waarin de

Maag,

a. Maagmond. b. Benedenste mond der maag. c. Twaalfvingerige darm. d. Kleine bocht. e. Grooie bocht. g. Zak zonder uitgang.

spijsvertering begint. Icm. iets in de maag stoppen, het hem duur verkoopen. Dat zit hem in de maag : daar is hij hoos over. — Ahicgnder, v. (-en, -s). — Maagbalsem, m. — Mangbitier, o.—Maagbier, o. — A/oos^breuk, v. (-en). — Maagbrijy v. — Maagdarm, m. ( en). Slokdarm. —j/aag-ehx/r, o. — Maaghoest, m. — Maagklier, v. ( en). —Maagkoliek, o. —Maagkoorts, v. (-en). — Maagkratnp, v. (-en). — Maagkuil, m. (-en). — Afangk7vaal, v. (..alen). — Maagmiddel,o. (-en). —Maag-ontsteking, v. (-en). — Maagpaaier, m. — Maagpijn, v. (-en). — Maag pil, v. (-len). — Maagpleister, v. (-s). — Maag-goeder, ..poeier, o. (-s). — Maagsap, o.

— Maagslagader, v. (-en, -s). — Maag-

slym, o. — Alaagspanning, v. (-en). — Maagsterkend, bn. — Maagstreek, v. —-MaaQtering, v. — Maagtrekking, v. (-en),

— Maagvtrsterkend, bn. — Maagver-stet king, v. (-en). —Maagvlie*, o. (. zen).

— Maagivater, o. — Maagwi/n, m. (-en).

— Maagzenuwen, v. mv. — Maagziekte, v. (-n). — Maagzuur, o.

m. en v. (..agen). Bloedverwant. Nabestaande : hij heeft vriend, noch maag.

— Maagschap. v. Aanverwanten. Bloedverwanten. Familiebetrekkingen, o Bloedverwantschap. Vermaagschapping tusschen al dezen met wie men lamtlie is. Is vierderlei : h«*t natuu* lijb maagschap ibloed-verwantschap) bestaa , tusschen al degenen, die door afkomst of door geboorte verbonden zijn ; het wettelijk tusschen hem. die iem. tot zijn kind aanneemt en dit kind zelf; nn aangehuwd, tusschen degene, die nut t enen persoon van het ander geslacht als echtgenoot leeft of handelt en dezes bloi dverwanten ; h et geestelijke, tusschen den peter en de meter en dengene die gedoopt of uevornvl is. en zijne ouders.

— J\Jangsch(i'iing, v. (-en). Verdeeling rener erfenis Boedelrol.—Maagtaai, v. Lijst der bloedverwanten en aanverwanten eenc r erienis. — Maagzoen, m. Verzoening van bloedverwanten. (Recht.) Legitieme portie.

111 stabel, v. (-en). Ongehuwde vrouw. Rein meisje. Dienstbode. De h. Maagd : de Moeder van lezus. Teeken van den Dierenriem. Zijn degen is ro^ maagd, is nog niet gebruikt. — Ma tgdt ken, maagdeke, o. (-s). Jonge maand. M» i-je in 't wit gekleed (bij processiën, ommegangen, enz.).

— Maagdelijk, bn. bijw. Van eene maagd. Als eene maagd. — Maagdelijkheid, v. — Maagdelyn, o. (-s). (Dicht.) Jonge maagd.


ocr page 473

— 429 —

MAAN

MAAL

Maagdenbloem, v. Maagdom. —Maagdenblos, m. — Maagdendans, ra. (-en). — Maagdengoud, o. Gedegen goud.—Maag-deuhart, o. Kuisch gemoed, — li/aagden-hontfnjg, m. Eerste honifr. — Maagdenlood, o. Gedegen lood. — Maagdenolie, v. De beste olijfolie. — Maa^denpalm, v. {-en). Plantengeslacht [vinca). De gewone of kleine maagdenpalm (v. minor), plantje, dat bij ons in April en ^lei bloeit. Komt m 't wild en in onze tuinen voor. Degroofe maagdenpalm (7/. major), plant van Z.-Europa, die veel op de voorgaande soort gelijkt, maar grooter afmetingen heeft. — Maagdenpeer, v. (..eren). Soort van peer.

— Maagden perkament, o. Fijnste soort van perkament. — Maagdenrei, m. -en).

— Maagdenroos, v. (..ozen). Rosa centi-folta. — Afaagdenschaar, v. (..aren). — Maagdenstaaf, m. Maagdom. — Maagdenstoet, m. — Maagdenwas, o. Wit, zuiver was. — Maagdenswt'er, m. — Maagdom, m. Maagdelijke toestand.

masti, v. (-en). Made. — Maait'g, bn. Madie.

maaien, bw. maaide, heeft gemaaid. Met de zeis afsnijden : gras maaien. Oogsten. Wegrukken. Men moet zaaien, wil men maaien : zonder arbeid krijgt men niets. Wie wind zaait, zal onweer maaien : wie kwaad doet, kwaad ontmoet. Ow. Met de voeten maaien : de voeten krom naar buiten zetten. — Maaier, m. (-s). — Maai-geld, o. — Maai gr as, o. Gras, bestemd om gemaaid te worden. —Maaiing, v. ( en).

— Maailand, o. (-en). Land, dat gemaaid moet worden. — Maailoon, o. en m. (-en).

— Maaimeersch, m. (-en). — Maaitijd, m. — Maaiveld, o. (-en). — Maaivoet, m. (-en). Naar buiten gekeerde voet. ra. en v. (-en). Die naar buiten gekeerde voeten heeft. — Maaivo' ten, ow. maaivoette, heeft gemaaivcet. De voeten krom naar buiten zetten. — AI a a iuueder, „zverr, o.

maak, v. Het maken. (Alleen in) in de maak zijn : onder banden zijn. — Alnak-baar, bn. — Alaak/oon, o. en m. (-en). — Maaksel, o. Werk. Voortbrengsel van handenarbeid, enz. : dat is iets van zijn maaksel. Fatsoen, vorm. Wijze van maken : eene horloge van Zwitsersch maaksel. Hij is een wonderlijk maaksel : hij heeft een vreemden lichaamsbouw.

maal, v. (malen, maal). Keer, reis : voor de eerste maal. o. Ditmaal, ten tweeden male, enz.

maal, o. (malen). Maaltijd. Gastmaal.

— Afaal, v. (malen). Maalberg. — Af aal-berg, m. (-en). (Middel.) Plaats (veelal eene hoogte) waar men vergadering of rechtsdag hield. — Maalstede, v. (-n). — Maalberg. — AI aaltijd, m. (-en). Maal. Middageten. Feestmaal.

maal, v. (malen). Mail. —Maalpost, v. (-en). Brievenpost. Postwagen.

maalgrcld, o. Loon voor bet malen. — Maalloon, o. en m. (-en).—Maairecht, o. Maalgeld. — Maalsteen, m. (-en). —« Maalsters, v. mv. Maaltanden. Kiezen.

— Maaltand, ra. (-en). Kies.

maalslot, o. (-en). Hangslot.

maalutolc, o. (-ken). Schilderstokje (w:i arop de hand rust).

maalstroom, m. (-en). Dwarrel*-stroom. Dwarrelkolk.

maau, v. (..anen). Donker hemelli*

Lactïsft

* 'Serfsfe

Kwartier AaM*. -Wquot;»quot;

\ Voiu y'

Maan.

chaam, Üat zich om eene der planeten eri met deze om de zon beweegt. Wordt o -k bijplaneet, satelliet, wachter en trawant gcheeten. Jupiter heeft vijf, Saturnus acht, Ut anus zes. Mars twee manen. Xeptunua en de aarde hebben éene maan. De middellijn der maan heeft eene lengte, van 468 geogr. mijl. Hare oppervlakte bedraagt 688,635 geogr. mijl en haar inhoud 53.735-000 kub- ScoRr' niiil. Haar middelbare afstand van de aarde is, van middelpunt tot middelpunt, 51,762 geogr. mijl. De maan beweegt zich in eene elliptische loopbaan om de aarde en deze omloopstijd bedraagt 27 dagen, 7 uren, 4; minuten en 11 1/2 seconden. Zij beweegt zich ook met de aarde om de zon, en het is slechs na 29 dagen, 12 uren, 44 minuttn lt; n 2 9/10 seconden, dat zij in dezelfde positie voor de zon terugkomt. Gedurend • dt n tijd vertcont de maan vier verschillende schijngestalten : nieuzvemaan (als zij tus-schen aarde en zon is. Zij is dan onzichtbaar voor ons); eerste krvartier (in dien stand is de helft der donkere en de helft der verlichte oppervlakte naar de aarde gekeerd) ; vollemaan (in dien stand ziet men de geheele verlichte helft); laatste kit ar-ti'r (in dien stand is wederom de helft der donkere en d« helft der verlichte opper*


ocr page 474

MAAN — 4

-vlakte naar de aarde gekeerd). Men ontwaart op de maan gebergten, ringgebergten, meestal uitgedoofde vulkanen; voorts diepe spleten of rillen. De maan heeft noch dampkring, noch lucht, noch water : zij is derhalve onbewoonbaar voor men-Echen als wij. Zij ontleent haar licht aan de ron en ontvangt van de aarde teruggekaatst zonnelicht. Merkwaardig is haar invloed op eb en vloed. Loop naar de maan : loop heen ! Hij is naar de maan : hij heeft zich uit de voeten gemaakt, hii is verloren, hij is dood. Naar de maan reiken : het onmogelijke willen doen. — Maanberg, m. (-en). — Maanbeschriiver, m. (-s). — Maanbeschrijving, v. (-en). — Maanbewoners, m. mv.— AIaanbltnd,hn. Zekere ongesteldheid (vooral bij paarden). — Maancirkel, m. (-s). Guldengetal. — Maandag, m. (-en). Tweede dag der week. Maandag houden : niet werken op maandag. — Maandagsch, bn. — Maaneclips. v. (-en). Zie Eclips. — Maa?i^eslallen, v. mv. —Maan glas, o. (..zen). Glas, dat op de eene zijde bol en op de andere hol geslepen is. — Maangodin, v. Diana. — Maanjaar, o. (..aren). Jaar, dat naar den omloop der maan gerekend wordt.—Alaan-kaart, v. (-en). — Ma a n keering, v. (-en). Tijd tusschen twee nieuwe manen. Maans-verwisseling over de 19 jaren. — Maankop, m. (Kop of zaadhuisje); v. (-pen) De plant. Zie Papaver; o. Slaapmiddel. — Maan-kring, m. (-en). Maancirkel. — Maankruid, o. Plantengeslacht {lunaria), tot de kruisbloemigen behoorende. Ook {botry-chium lunar ia), gewas, dat bij ons op boschrijke zand- en heidegronden voorkomt en tot de varens behoort. — Maanlicht, o. — Maatiloop, m. Loop der maan. Maankeering. — Maanmaand, v. (-en). 'Telt 29 of 30 dagen. — Maanoog, o. en v. (-en). Ziekte aan de oogen (der paarden).

— Maarzoogig, bn. — Afaan re ge nboog, m. (..ogen), — Ma an sap, o. Sap van de maankop. — Maanscheniering, v. (-en).

— Maanschijf, v. (-ven). — Maansoni-loop, m. (-en). — Maansouderdom, m. — Maansteen, v. (stofn.); m. (-en) (voor-Werpsn.) Zeker groenachtig blauwe steen. ^-Maansverduistering, v. (-en).—Maans-vereffening, v. (-en). Oneffenheid in de beweging der maan. — Maansverwisse-ling, v. (-en). — Maantafel, v. (-s). — Maantaning, v. (-en). Verberging der maan door de wolken. — Maan tijd, m. Tijd tusschen twee nieuwe namen. — Maan-varen, o. Maankruid. — Maanvisch, m. (..sschen). Klompvisch. —Maanvlekken,

•V. mv. — AIaanvorntig, bn. —Maanziek, maanzuchtig, bn. — Maanziekie, v. Ziekelijke toestand van slaapwandelen, die in zijne aanvallen afhankelijk schijnt te zijn van de verschillende phasen der maan. — Maanzwyvi, v. Maantaning. — Maneschijn, m. Licht der maan. (-en) Maanmaand.

maanbrler, m. (..ven). Brief, door welken men eene betaling, enz. eischt.

maand, v. (-en). Twaalfde gedeelte van een jaar. Tijdsverloop van 30 of 31 da-Ken. Februari beeft 28, in 't scnrikkeljaar

,0 — MAAT

29 dagen. Maandgeld : hij is mij nog drie maanden schuldig. — Maandbericht, o. (-en). — Maandblad, o. (-en). — Maand-bloeie* s, ra. mv. Soort van aardbeziën.— Maandbrief, m. (..ven). Bewijs van aanmonstering van eenen matroos. — Maand-cedel, v. (-s), maandceel, v. (-en). Maandbrief. — Maandcirkel, m. (-s). Cirkel, die eene maand aanwijst (op den zonnewijzer).

— AI a and duif, v. (..ven). Duif, die elke maand eieren legt. — Maandelijks, bijw.

— Ma a 71 de lijk sch, bn. — Maandgeld, o. (-en). Loon voor eene maand. — Maand' goed, o. — Maandhorloge, o. en v. (-s).

— Maandkaart, v. (-en).—Maandklok, v. (-ken). — Maandlyst, v. (-en). — Maandloop, m. — Maandpak, o. (^ken).

— Maandroos, v. (..ozen). — Maandschrift, o. (-en). — Maandstand, m. (. .aten). Maandcliik«;che opgave.—Maand-Wérk, o. (-en). Maandschrift. — Maand-v ijzer, m. (-s).

itiaaiMiraKond, bn. Maandragende dieren. — Maan kap, v. (-pen). Dekkleed over de manen van een paard.

maar, bijw Alleenlijk. Slechts. Enkel. Mits. Niet dan. Eenvoudig. Een weinig. Blootelijk. Vw. Doch. Echter. Intusschen.

— Maar, o. (..aren). Is er geen maar bij? maar, v. (..aren), mare, v. (-n). Tijding. Bericht. Faam : de mare loopt.

maar, mare, v. Nachtmerrie : van de maar bereden zijn.

maarMclialk, m. (-en). (Middel.) Beambte aan 's vorsten hof, het opzicht hebbende over stallen, paarden of eene geheele ruiterij. (Thans) Opperveldheer. Bevelhebber eens legers. — Maarschalkschap, o.

— Maarschalksstaf, m. (..aven).

Maart, m. 3# maand van 't jaar. Lentemaand. — Maartsch,hn. Maartschebuien.

maarte, v. (-n). Dienstmeid.

maas, v. (..azen). Steek, knoop van een net. Ruimte tusschen twee steken. — Maasbal, m. (-len). Houten bal, waarmede men gevallen steken bij het mazen opneemt. — Maasknoop, m. (-en). — Maaswerk, o.

9Iaas, v. Stroom. Ontspringt in Frankrijk (Haute-Marne), stroomt door België en stort zich in Nederland in de Noord-zee. De bijrivieren zijn : de Raam, de Dieze, de Linge en de Holl. IJsel. Grootste breedte (in België) 140 met.; \in Nederland) 406 met.

maat, v. (..aten). Lichamelijke grootte van iets. Iemands toegemeten deel : de maat zijns lijdens was groot. Iets waarmede men uitmeet : twee maten azijn. Evenredigheid : op zijne maat maken. Datgene, waarmede men de maat van iets neemt (van kleermakers, schoenmakers, enz.). (Rek.) 9 is de maat van 27, 20 en 24 hebben 4 tot gemeene maat. Alles moet bij maten gedaan worden.(Letterk.) Versmaat.(Muz.) Kegel der onderlinge toonverhouding. Tijdduur, binnen welken een zeker getal bijeen-behoorende noten gehoord moeten worden.

— Maatbroek, v. (-en). Broek, waarnaar soortgelijk voorwerp moet gemaakt worden. — Maatdeelen, o. mv. (Muz.). — Maatflesch, v. (..sschen). — Maatgeluid,


ocr page 475

MACH — 4

o. — Maatgever, maaihouder, m. (-s). Orkestmeester. — AIa ai ge zang, o. (-en). Zangstuk. — Maatglas, o. (..zen). Glas, dat voor maat dient. —Maathout, o. (-en). Hout, dat de vereischte maat heeft. Maatstok. — Maatje, o. (-s). Kleine inhoudsmaat. — Maatklank, ra. Dichtmaat. Zangmaat. Harmonie. — Maatmeter, m. (-s). — Maatregel, m. (-en, -s). Schikking. Ordening. Bepaling. Voorzorg. — Maal slag, m. — Maatstaf, m. (..ven). Staf of stok om te meten. Schaal : eene kaart naar een grooteren maatstaf ontwerpen. Regel, waarnaar gehandeld wordt enz. Maatregel. Maatstok. Muzieksleutel. — Maatstok, m. (-ken). Zekere maat (bij ambachtslieden in gebruik). Stokje om de maat te slaan. — Maatstreep, v. (..epen). Elke loodrechte lijn op den notenbalk. — Maatvast, bn. Die goed de maat houdt (in de rauziekU — Maatzang, m. (-en).

maat, m. (s). Metgezel. Makker. Werkgast, werkgezel. Bootsvolk: de kok en zijne maats. Die te zamen zijn in een spel : zij speelden maats tegen maats. Zij zijn rechte maats, ware vrienden.— Maatje, o. (-s). Vriendje. Jongen. Knaap. Hand-werksleerling. — Maatschap, o. Hoedanigheid van maat. v. (-pen). Vennootschap. Maatschappij. — Ma a tsch apfrelyk, bn. bijw. — Maatschappij, v. (-en). Samenleving : de mensch is voor de maatschappij geboren. Vereeniging van personen tot eene handelsonderneming, tot het beoefenen van kunst en letterkunde, enz.

maafJCHliarin^, v. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.) Soort van haring, bij welken de hom noch de kuit genoegzaam ontwikkeld is.

maatjespeer, v. (..eren). Bergamotpeer.

maealt;lamiseereii, bw. macadamiseerde, heeft gemacadamiseerd. Eenen straatweg aanleggen naar het stelsel van den N.-Amerikaan Mac-Adam {J. Z.), 1756-1836. Ingenieur. — Macadavisweg, m. (-en).

maearoul, v. Lange deegdraden. (Geliefkoosd voedsel der Napolitanen). — Macaronisch, bn. Grappig, koddig : macaronische verzen.

Hacanlay {Th.), 1800-1859, Rothley-Temple. Eng. geschiedschrijver, criticus en staatsman. Essays; History of England from the accession 0/ J a 7/1 es II.

maveliiavelli (Ar.), 1469-1527, Florence. Geschiedschrijver en staatsman. II Principe (: de vorst).—Ilacchiavelltsme, o. Staatsleer van Macchiavelli. Sluwe, arglistige staatkunde. — Alacchiavellist, m. (-en).

Maceellers, m. mv. (Middel.) Naam der beenhouwers tot een gild vereenigd. Zie Breydel.

maeedoine, v. (-s). Mengsel van velerlei groenten en vruchten, tot spijs bereid. (Letterk.) Mengelingen.

Maclistbeër, m. (-s). Lid eener roemwaardige familie (20 eeuw voor Chr.). De nitstekendste waren Mathathias 1166 vóór Chr. Judas t 161 voor Chr. Jonathas, Simon. — De zeven Machabeërs waren

l — MACH

zeven broeders, gemarteld met hunne moeder onder Antiochus Epiphanes (167 voor Chr.).

maeliel, m. (-s). Makreel.

macliiue, v. (-s). Kunstwerktuig, toestel. Stoomtuig. Dorschmachine : dorsch-molen. Naaimachine : naaiwiel. Breimachine : brei wiel. Zaaimachine : zaadstor-ter. Waschmachine : waschkarn. List, kunstgreep. — Machinaal, bn. Werktuiglijk. Onwillekeurig. Onnadenkend. Volgens den sleur, volgens gewoonte. —Machinatie, v. (..ien, -s). Kuiperij. — Alnchinee-ren, bw. machineerde, heeft gemachineerd. Kuipen. Onderkruipen.—AI a ch mekamer, v. (-s). Plaats (op eene stoomboot, enz.), waar het stoomwerktuig geplaatst is. — Machinerie, v. (-en). Samenstel van kunstwerktuigen. — Machinist, m. (-en). Kunstwerktuigmaker. Bestuurder der machine.

maclioolicl, v. (-s). Dikke vrouw.

maelit,v.Vermogen. Natuurlijke kracht of sterkte : dit is boven zijne macht. (Nat.) Kracht, welke zekere uitwerking poogt voort te brengen. Kracht : bij eenen hefboom van de eerste soort ligt het steunpunt tusschen de macht en den last. Menigte, sterkte : eene groote macht op de 'been brengen. Groote hoeveelheid : eene macht van volk, van geld. Uiterlijk aanzien : een man van macht en gezag. Zedelijk vermogen : iem. eene groote macht toevertrouwen. Volmacht, machtiging, (-en) Product van een getal, dat een zeker getal keeren door zich zelf vermenigvuldigd is : een getal tot de derde macht verheffen. De he-melsche machten, zie Engelenkoor. De helsche machten : de duivels. Mogendheid, Staat: de Europeesche machten. Bij machte zijn : in staat zijn, de bevoegdheid hebben (tot). — België en Nederland worden geregeerd door eene driedubbele macht : de wetgevende, de rechterlijke en de uitvoerende macht. De wetgevende macht, de macht van wetten te maken, wordt gedeeld door den koning met de Kamer der Volksvertegenwoordigers en d-n Senaat (België), door den koning met beide Kamers derStaten-Generaal (Nederland). rechterlijke macht, die waakt over de richtige toepassing van de verschillende wetten en verordeningen, hehoort den gerechtshoven en tribunalen. De uitvoerende macht, waardoor de wetten, de vonnissen en beraadslagingen der tribunalen worden ten uitvoer gebracht, waardoor het land bestuurd wordt, komt toe aan den vorst, die echter deze macht zonder de tusschenkomst zijner verantwoordelijke ministers niet mag uitvoeren. De wetgevende macht in de h. Kerk behoort den Paus, hetzij met of zonder de medewerking der bisschoppen tot een algemeen concilie vergaderd of de wereld door verspreid. Deze macht is van Christus, gaat alle wereldsche macht te boven en is van niet éene wereldsche macht afhankelijk. — Machtbrief, m. (..ven). Volmacht. — Machteloos, bn. bijw. — Machteloosheid, v. — Machtgeefster, v. (-s). — Alachtgever, m. (-s). —Machthebbende., m. en v. (-n). Gevolmachtigde. — Machthebbende, bn. — Machthebber, m.


ocr page 476

— 432 —

MAGI

MAER

(-s). — Machihebsfer, v. (-s). — Machtig, bn. bijw. Krachtig, sterk, in staat (tot). Uitgestrekt, groot. Al te voedend, moeilijk te verteren : die soep is hem te krachtig. Machtig zijn : in staat zijn, kennen (talen, enz.^, bezitten. Machtig worden : macht, aanzien krijgen, zich in 't bezit stellen (van). Uitstekend : een machtig redenaar. Groot : een machtig huis. Dit is hem te machtig, te duur. — Afach/ïgen, hw. machtigde, heeft gemachtigd. Denoodige macht geven. lem. iets opdragen. Vergunnen. — Afnchtighrtd, v. (Mijnw.) De dikte der lagen. — Machtiging, v. (-en). — Machts-annwijzer, m. (-s). Exponent. —Machis-be'oon, o. — Machtsmisbruik, o. — Machtsnrdc, v. (-n). Kusting in een vers. — MachtoefenittRy v. (-en). — Machtspreuk, v. (-en). Kernspreuk. — Machts-verhejfing, v. (Wisk.). — Machtswoord, o. (-en). Bevel. Gebod.

M«c-I^oo*! (y.). Oostende, 1857. Kruidkundige. Hoogleeraar iGent). Leiddraad by het onderivifzen en an ulcer en der dierkunde (algemeenedierkunde) (1883); Leiddraad bij h't onderwijzen en aanleeren der plantenkunde (algemeene plantenkunde 1 (1884).

M SM'-11 all on {M. graaf de), 1808-1893, Sully. Hertog van Magenta, maarschalk van i'rankrijk. Voorzitter der Republiek (1873-18/0). Onderscheidde zich in Algerië, Rusland (Krimoorlog), in Italië te Magenta en werd gewond te Sedan.

msi^on, m. (-s). Vrijmetselaar. — Ma-funnerie, v. Vrijmetselarij. — Magon-niek, bn.

't Grootste eiland van Afrika, in den Indischen Oceaan. Door 't kanaal van Mozambique van de oostkust van Afrika gescheiden.

msulamo, v. Mevrouw, vrouw. — Mademoiselle, v. Mejuffrouw. Juffer,

nisMio, v. (-n). Klein wormpie. — Ma-dig, bn. Vol wormen. Aangestoken.

milde li of', v. (..ven), ma«lelU'fJc, o. (-sgt;. Fraai bloempje (bellis perennis), dat bijna 't geheele jaar door op velden en weg« n tu'schen 't gras aangetroffen en langs paden rn bloemperken in onze tuinen geplant wordt.

■11 a«Forst, v. Wijn van Madera (eil. Atl. Oceaan. N.-W. van Afrika). — Maderaatje, o. ( s). Glaasje Madera. M sulioon. Zie Java.

Mauloern. Zie Java.

Madounst, v. (-'s). Onze L:eve Vrouw. Maria-beeldje.

9I»«lri«l, 500,coo. Hoofd- en residentiestad (Spanje).

msMlri^sil, o. (-en). Herdersdicht. IflHeooiisiA [C. C.), t 9 vóor Chr.

Etrurië. Gur.steling van Augustus. Vriend van Virgilius en Horatius. \Varm voorstander van kunsten en wetenschappen. Voorstander en beschermer van geleerden en kunstenaars. ,

Iflsicre [A. baron de),1826, S'Nicolaas. Werkend lid der K. VI. Academie. Ope-tMriQSrede van JX en XXI Nederl. Congres (1867, 1891). De rol der vrouw in de VI. Beweging (1894); werken over waterbouwkunde, havens en kanalen van Gentr Brugge en Heist.

Macrlant {J. van), i235(?)-i299'?), uit het Vrije van Brugge. DicLter van de classieke sage en stichter van de didactiek. Die Historie van Troyen ; Alexanders Geesten ; der Naturen Bloeme ; Heime-licheit der Heimeticheden ; Rijmbijbel ? die Wrake van Jhet usalem ; Leven van S. Franciscus; Spiegel /listeriael (zijn hoofdwerk) ; Wapene Marlijn ; Van den Lande van Oversee.

IVIstCA 10 (G.), 1649-1700, Antwerpen. Schilder. Marteldood van S* Joris; Eene uit mijning van visch. — 2° {J. B. L.), I79}-i856, Gent. Historie- en p^rtrejschilder. — 30 (AO, 1632-1693, Dordrecht. Schilder. Spinster; Hol andsch huishouden ; de Wieg.

mstcstoso, bijw. (Muz.) Verheven, msteiiiti'o, m. (-'s). Meester. Toondichter. Toonkunstenaar.

^Isieforliiick (^1/.), 1862, Gent. Too-neelschrijver en dichter der nieuwe richting Kjeune Belgique). Les Aveugles. Lquot; instruse (1890); la F*r ine esse Maleine (drama, 1850); Serres chaudes (20 uitg.,

189quot;).

111 siT, bn. Laf : maf weder. Vadsig. Loom. Laffe kerel. — Mafheid, v.

insif, m. (-fen). Dubbeltje.

91 sifIVi \F. S. de), 1675-1755, Verona. It. toondichter. Merope (treurspel, 1713).

nisil'Je, o. lem. voor het mafje houden,, voorden gek houden. Zij is een recht mafje, eene laffe beuzelaarster.

insigrstzU»» o. (-en). Pakhuis, bergplaats, winkel. De voorhanden voorraad koopwaien, enz. Tijdschrift : taalkundig magazijn. — Magaztjnboek, o. en m. (-■ n). — Magazijnhouder, m. (-s), magazijnier,. m. (-s), magazijnmeester, m. (-s).

uisi^istleiiu-pcrzik, v. (-en). Soort van roode perzik.

]?lsiKr«'l Zie Java.

ZHsig^n»»quot; (F. d'), 1470-1522. Portu-geesch zlt; emaii. Naar hem woidt de straat, aan de kust van Patagonië lAmerika) Ma-gellaantche straat genoemd.

ll;i^«'iilt;s» Italiaansch vlek (Milaan). Veldslag door de Franschen o^) de Oostenrijkers gewonnen (1859).

ninger, bn. byw. Wat weinig of geen vet heeft : mager vleesch. Wat weirig vleesch heeft: een mager mensch. Schraal: mager land. Slecht; magere maaltijd. Ondiep: mager water. Armzalig, zondcr^eest-kraebt. Nietig. — Maqer, o. Deel van vleesch, waaraan geen vet is. — Mager-achtig, bn. — Mager dag, m. (-er.). Dag, op welken men vleesch moet derven. — Mager en, ow. magerde, isgemagerd. Vermageren. — Magerheid, v. — Mager man, m. ( nen). Lang, spichtig mensch. — Ma-germannetje, o. (-s). (Zeew.) Fokkezeils-boelijn. — Magerte, v. — Magertjes, bijw. Nietig. Armzalig.

a»siKift«*li, bn. Tooverkunstig. Toover-achtig. lietooverend.

iiisitriHtvi', m. (-s). Meester. Leermeester. — Magistt aal, bn. Meesterlijk.

msseistrasit, m. (..aten). Wethouder^


ocr page 477

MAJE — 4

i cc'itrr. Overheid, overheidspersoon, stads-i^teting. — Magistraatspersoon, ra. (..oneni. — Magistratunr. Wethouder-scbap. Overheidsambt. Rechterlijke overheid Rechterlijke macht.

ma^nstut, ra. (..aten). Rijksgroote (Hongarije).

ma^Tiiect, ra. (..eten). Ijzererts, enz., dat de eigenschap heeft ijzer aan te trekken en aan zich vast te houden. (Fig.) Alles wat aantrekkelijk is. — Mof(ne*tyzer, o.

— Mat neetkracht, v. — Magneetnaald, v. (-en). — Magneetsteen, ra. (-en). Magneet. — Magnetisch, bn. Aantrekkend. Aantrekkingskracht bezittend. — Mngne-tiseeren, bw. magnetiseerde, heeft gemagnetiseerd. Magnetische kracht mededee-len. — Magnetiseerder, m. (-s). — Magnetiseer ster, v. (-s). — Magnetiseur, ni. (-s).

— Magnetisme, o. Aantrekkende kracht of eigenschap van het ijzer, enz. orr- deu zeilsteen aan te trekken. Dierlijk tn..gnr-tisme : is er meer over de uitwerksels, weinig echter is er over den aard van dit magnetisme gekend. — Magneto-electri-citeit, v. Electricittit door eenen magneet te voorschijn gebracht. — Magnetotne'er, m. (-s).

nist^nesis», v. Men onderscheidt twee soorten van magnesia : magnesia alba en magnesia usta. Magnesia alba bestaat uit magnesia usta, benevens koolzuur en water. Magnesia usta is eene verbinding van magnesium met zuurstof. — Magnesium, o. Metaal, dat in de natuur zeer verbreid is en bijna altijd calcium in zijne verbindingen vergezelt en dat bij de verbranding eene verblindende witte vlam van zich geeft, mst^riiificlc, bn. Prachtig. Luisterrijk. Mstliomed, 570-632, Mekka. Araabsch wetgever en stichter van eenen godsdienst, welke zich in den loop der eeuwen over een aanzienlijk deel van Azië en Afrika heeft uitgebreid. — Mahomedaan, ra. (..anen). Belijder der leer van Mahomed.

— Alahomedaansch, bn. nisklionicboom, m. (-en). Boom

{mahonia aquifolium) in Z.-Amerika, waarvan het roodachtig bruine hout door de meubelmakers gebruikt wordt. — Mahoniehout, o. — Mahoniehouten, bn.

mail, v. (-s). Maal, kofter, brievenzak. Brievenpost. Postdienst, tusschen Europa en O.- en W.-Indië. —Mailboot, v. (-en).

— Mailstoomer, ra. (-s).

niaiN, v. Turksche tarwe. — Maïsbry, v. — Maïspap, v.

MalRtre. 10 {J-graaf de), 1754-1821, Charabéry. Fr. schrijver. Zgt;m Pape (1820); les Soirees de S. Petersbourg (1822). — 2° Zijn broeder (^V. graaf de), 1763-1852, Charabéry. Fr. schrijver. Voyage autour de ma chnmbre (1794) ; le Lépreux de la cited'Aoste (1811).

maJcHtcit, v. (-en). Grootheid, hoog-he d. Waardigheid, heerlijkheid. Deftigheid, deftige houding. Hoograogendheid. Titel van keizers, van koningen en van hunne gemalinnen. Hunne Majesteiten (H. M.) de Koning en de Koningin van België. De uiterlijke glans en waardigheid der hoogste macht : de koning vertoonde

3 — MAKE

zich inmajefteit. Uiterlijke glans en pracht; de zon rees in volle majesteit. — Mafesta-tisch, bn. Heerlijk. — Majesteitsschennis^ v. Beleediging van den Souverein. — Majestueus, bn. Heerlijk, prachtig. Keizerlijk, koninklijk. Hoogverheven. Statig.

majoor, ra. (-s). Hoogere officier, die een bataljon commandeert. Zie Leger. — Maf oor-ingenieur,m. Majoors-ingenieurs. — Majoorschap, o. — Majoorsepaulet, v. (-ten).

major, bn. Grootere. Oudste. — Ma-j'or, ra. De oudste van twee broeders. Meerderterra eener sluitrede. Major domus : hofmeester (z. d. w.). — Majoraat, o. (..aten). Voorrecht van het oudste lid eener familie. — Maj'orenniteit, majoriteit, v. Meerderjarigheid. — Majoriteit^ v. Meerderheid (inz. van stemmen in eene vergadering, enz.).

mak, v. (-ken). Herdersschop. mak, ra. (-ken). Kus. Zoen.

mak, bn. bijw. Tam, gedwee, handelbaar : een mak paard, een paard mak maken. — Makheid, v.

^lakart (//.), 1840-1884. Salzburg. 0lt;.stenrijksch schilder. Moderne amoret-ten (1868) ; de Lente (1882).

^lakaMMar. Zie Celebes. 3Iakel»IUlt;io (Z), 1564-1630, Pope-ringe. Jezuïet. Den schat der chrisfelikev lerringhe, tot verklaringhe van den catechismus (1610); Catechismus (1611).

makelen, bw. makelde, heeft gemakeld. Bezorgen, beschikken, bij elkander brengen, vereenigen, bemiddelen : eene verzoening makelen. Koppelen : een huwelijk makelen. — Makelaar, ra. (-s, ..aren). Zaakbezorger. Beëedigd persoon, die koopen sluit. lera., die voor zekere som geld voor een ander koopt of verkoopt : een makelaar in wijn. Koppelaar (van huwelijken). (Bouwk.) Zeker stuk hout in den top van een schilddak. — Makelaardij, v. Makelarij. — Makelaarschap, o. — Makelaarsloon, o. en ra. (-en). — Makelaarster, v. (-s), makelares, v. (-sen). — Makelarij, v. (-en). Makelaarsambt. Beroep van makelaar. Makelaarsloon.

makelQ, v. Maaksel : twee vertelsels van éene makelij.

makeu, bw. ow. maakte, heeft gemaakt. Doen zijn, voortbrengen, bewerken, verrichten : een woordenboek maken. Aanmaken : vuur maken. Eenen tot stand bewerken : vrede maken. In zekeren toestand brengen : iera. voorzitter maken. Zorgen : maak, dat gij deugdzaam blijft. Halen : al de slagen maken (in 't kaartspel). Varen : hoe maakt het uw broeder. Bij testament, enz. wegschenken : hij heeft mij zijn land gemaakt. Toebereiden : het bed maken. Voorstellen : hij maakt de zaak veel te gevaarlijk. Vertoonen, verbeelden : den zot maken. Op iets staat maken, rekenen. Ik weet niet wat er van te maken is : ik versta er niets van. Iets tot geld maken, verkoopen. Bedroefd maken ; bedroeven. Zich uit de voeten maken : wegvluchten. Hij zal het niet lang meer maken ; hij zal al gauw gedaan hebben, hij zal niet lang meer


ocr page 478

MALD — 4

leven. — Maken, o. Vervaardiginpr. Verrichting. — Maakster, v. (-s). — Maker, m. (-s). — Makerij, v. Het maken (van), (-en) Plaats waar iets gemaakt wordt. — Making, v. ( en). Beschikking bij testament, enz.

111 aki, m. (-). Soort van aap, met vos-sensnuit en langen staart. Leeft op Madagascar.

msibtcelUk» hn. bijw. Gemakkelijk. — Makkeli/kheid, v.

makker, m. (-s). Metgezel. Speelgenoot. Kameraad.

makreel, m (-en). Stek el vinnige trek-visch {scomber scomörus). Behoort tot de beenvisschen. Wordt aan de Zuid- en Atlantische kusten van Europa aangetroffen. Bezoekt de kusten van Nederland van Juli tot Augustus. — Makreelboot, v. (-en). — Makreellyn, v. (-en). — Makreelnet, o. (-ten). — Makreelschuit, v. (-en;. — Ma-kreelvisch, m. (..sschen). Makreel. —A/a-kreeLvisscher, m. (-s). — Makreelvis-schery,v.

makron, v. (-s). Amandelkoekje. Koekje van meelbloem en suiker op papier vastgebakken. — Makronkas, v. ( senK

makiib», makubatabak, v. Zeer fijne snuiftabak.

mal,m. (-len). Modelin 'tklein. (Zeew.) Vorm, uit dunne planken vervaardigd. Kaliber (van geschut). Spant. IJzeren werktuig met gaten. —Malblad, o. (-en). Bereid blad tot patronen van speelkaarten. — Mallen, bw. malde, heeft gemald. (Zeew.) Naar den vorm werken.

mal, o. Zotheid. Kinderachtigheid. — Mal, bn. bijw. Zot. Kinderachtig. Dwaas. Al te toegevend, liene mail- geschiedenis : eene netelige zaak. Ken mal geval : een moeiliik geval. lem. voor den mal (voor den gek) houden. — Malheid, v. Gekheid. Dwaasheid, (..bedenk Dwaze, zotte daden. — Mallen, ow. malde, heeft gemald. Zich gek aanstellen. Zich als een dwaas gedragen. — Mallepraat, m. Zottepraat. — Malligheid, v. Malheid. — Malloot, v. (..oten). Dom vrouwspet soon.

Itlalaeliia». Een der 12 kleine Proleten.

malacollot, m. (-en). Zekere zachte steen.

malngra, malasr^nrUii: m. Zoete Spaansche wijn.

Malagrll*» rn* Karelroman, waarin de lotgevallen worden verhaald van den beroemden toovenaar Malagys. Een viertal fragmenten slechts zijn van de Nederland-sche vertaling bewaard gebleven.

malaria, v. Ongezonde, koortsver-wekkende moeraslucht (inz. in Italië).

malbroek, ra. (-en). Zeker Bengaal-sche aap.

maloonteut, bn. Misnoegd. Ontevreden. — Malcontenten, m. mv. Onder dien naam maakten de Walen eene derde partij uit onder Don Juan van Oostenrijk (i'-yS). maldeffeer, v. Kruisbladigegentiaan, malder, maller, ra. (-s). Bekwaam weikraan (bij den scheepsbouw).

IVlaldercn {J. van), 1563-1633, S^Pie-ters-Leeuw. Bisschop (Antwerpen). Be-

4 — MALR

werkte de uitgave thans in gebruik van dea Alechelschen Catechismus. Commentaar op den h. Thmnaas.

male, ra. (-n). Kofferzak. Maal. Mail. 91alebranelie (^V.), 1638-1715, Parijs. Fr. wijsgeer. Ree hei c he de la Ve rite' {1614), maledletie, v. (..iëa, -s). Vloek. Ver-wenschmg.

Maleler, m. (-s). Bewoner van de eilanden en kustlanden van den Indischen Oceaan, met donkerbruine huidkleur en glad zwart haar. — Magisch, o. De Maleische taal. —Maleisch, bn.

malen, bw. maalde, heeft gemaald. Schetsen. Teekenen. Afbeelden. Beschrijven. — Malen, bw. ow. maalde, heeft gemalen. Fijn, tot gruis, tot stof, tot meel malen. Inz. van koren (door middel van eenen molen). Door malen verwijderen : modder uit tene gracht malen. Draaien • met dezen wind kan de molen niet malen.

— Malen, ow. maalde, heeft gemaald. Altijd over hetzelfde spreken. Zaniken. Zeuren.Lastig vallen.Onrustig slapen. IJ len (in de koorts). Mijmeren. Kindsch worden : hij begint te malen. — Maalster, v. (-s).

— Maler, ra. (-s). Schilder. — Maler, m. (-sgt;. Molenaar. Droomer. Mijmeraar. — Malerij, v. Het malen, (-en) Maal werk (in molens). Mijmering. Maling, v. (-en). Afbeeldsel. Schilderij. —Maling, v. Het malen. Mijmering, onrust. Last. In de maling zijn : in de war zijn. In de maling komen : door het gemeen uitgejouwd worden.

Malherbe {Fr. de), 1555-1628, Caen. Schepper der classieke Fr. poëzij. CEuvres.

malleleus, bn. Arglistig. Kwaadaardig. Verraderlijk. Guitachtig.

malie, v. (..iën, -s). Kleine ring van ijzer- of koperdraad (aan eenen wapenrok). Nestel van een rijesnoer. Ring, waarmede den bek van het fret wordt dichtgemaakt.

— Maliën, bw. maliede, heeft gemalied. Toebinden (den bek van het fret). — Maliënhemd, o.,maliënkolder, ra. (-s). Soort van harnas, uit ijzeren ringetjes gemaakt.

malie, v. (..iën, -s). Houten kolf, welke men in de maliebaan gebruikt. — Maliebaan, v. (..anen). Speelplaats (voor het kolfspel). — Maliebal, m. (-len). — Maliehuis, o. (..zen). Soort van herberg. — Ma-lieklik, m. ( ken). Stok (maliespel). — Maliën, ow. maliede, heeft gemalied. In de maliebaan spelen.

maljenier, m. (-s), lem., die ijzerwaren verkoopt.

malkaar, malkander. Elkander, malkruid, o. Biezenkruid. mallejan, m. (-s). (Art.) Wagen om zware lasten te vervoeren. Timmersmans-wagen tot het vervoeren van boomen.

mallemolen, ra. (-s). Toestel niet ronddraaiende houten paarden en houten bakken (kinderverraaak, inz. op kermis).

mallote, v. Soort van steenklaver. — Mallotezalf, v. Geneesmiddel.

malrove, v. Lipbloemige plant {mar-rubt'um vulgare). Wordt in de duinen en op zandvlakken aangetroffen. — Malrove-kruid, o. De gedroogde bladeren der malrove.


ocr page 479

MAN — 4

mainoli. bn. bijw. Zacht, week ; malsch vleesch. Sappig : malsch fruit. Zachtvloei-end: malsche verzen. — Malschelyk, bijw. Malsch.— Mahchheid, v. (..heden). Zachtheid. — Malschjes, bijw. Zachtjes.

malt, o. Mout.

Malla. Britsch eiland (Middell. Zee) tusschen S cilië en Tripoli (Afrika). — Maltezer, m. (-s). Bewoner van Malta. — Maltezer, bn. Van Malta.

malteutigr, bn. bijw. Zeer nauwgezet. Stipt. Hoogst zindelijk. — Maltentig-heid, v.

malve, maluwe, v. (-n). Plantengeslacht [malva). De gemeene malve (malva vulgaris): eenjarige plant. Bloeit van Juni tot Augustus op opene en bebouwde zandgronden,langs wegen,enz.—Maluwachitg, malveachtig, bn.—Maluwachtigen, mal-veachtigcn, v. mv. Plantenfamilie, kruiden, heesters en boomen bevattende. — Malu ïvplanten, malveplanten, v. mv. — Malnuuzalf, v.

malvorHatio, v. (..iën. -s). Ambtsontrouw. slecht beheer. Ontrouwe waarneming eener bediening. Verduistering van gelden.

malvozli • v., malvczUwUn, m.

Geurige, zoete wijn, inz. van de stad Na-poli di Malvasia (Morea). Gekookte wijn uit Provence.

mam, v. ( men). Tepel. Vrouwenborst. Borst (van een dier). — Mavtvtekens-kruid, o. Kamperfoelie. — Mammen, ow. mamde, beeft gemamd. Zuigen.

mama, ma, v. (-'s). Moeder. — Mameer, v. (..eren). Moeder.

mamlcring:, v. (-en, -s). Geleibuis, om gas of cocbt van de eene naar de andere plaats te doen vloeien. Scheepsaoot (van leder, enz.). — Ma in ierin zspy/cer, m. (-s). (Zeew.) Spijker met platten kop.

Slammeliik, m. ( ken) = ^laaf. Soldaat eener Egyptische ruitermilitie. De Mammciukken hebben bestaan van 1254 tot 1811, wanneer zij tot den laatste toe werden vermoord door Mehemed-Ali. Ge-loofsverzakt r (die van christen mahome-daan is geworden).

91amiiioii,m. Geldgod, mamaioiifli, m. (-en). Soort van olifant {elephas prituigentus), ontzaglijk dier uit de diluviale en jongste tertiaire tijdperken (voorwereld).

man, m. (-nen, -s). Mensch, zonder onderscheid van geslacht. Mensch van het mannelijk geslacht. Volwassen mannelijk persoon. Getrouwd man, echtgenoot. Aan den man brengen : koopers voor iets vinden. Een man een man, een woord een woord : een eerlijk man houdt zijn woord. Man tegen man : persoon tegen persoon. Man voor man : een voor een. Eene bezetting van twee duizend man, soldaten. Met man en muis vergaan : schipbreuk lijden, zonder dat iets of iem. gered wordt. — fllanachttg, bn. — Man ach tigh eid, v. — Manbaar, bn. Huwbaar. — Manbaarheid, v. — Mangat, mannegat, o. (-en). Opening, door welke men in den stoomketel kan komen, om hem van binnen te reinigen. — Manhaft, manhaftig, bn. bijw.

;5 — MAN

Dapper. Koen. Moedig. — Manhaftig' heid, v. — Manhaftiglijk, bn. — Manheid, v. — Manlief, m. — Manmoedig, bn. bijw. Dapper. Onversaagd. — Manmoedigheid, v. — Ma n m te dig lijk, bijw.

— Manneken, manneke, o. (-s). Mannetje. Ventje. — Mannelijk, manlijk, bn. bijw.— Manlykheid, v. —Mannemensch, m. ( en). Manspersoon. — Mannen, bw. ow. mande, heeft gemand. Eenen man nemen. Ti ouwen. Bemannen (een schip). Van man tot man overgeven (bij lossen en laden). — Mannenhuis, o. (..zen). Gesticht, waar oude mannen verzorgd worden. — Mannenklooster, o. (-s). — Mannenkoor, o. (..oren). — Mannenkracht, v. — Mannenmoed, m. — AI an nen sch uw, bn. — Mannenstem, v. (-men). — Mannentaal, v. — Man-nenvertrek, o. (-ken). — Mannenwaar-de, v. — Mandenwerk, o. — Mannen-zangvereeniging, v. (-en). — Mannetje, o. ( s). Klein manspersoon. Kort en dik ventje. Teer mannetje : zwak persoon. Mannelijk dier of plant (en dan meest in samenstellingen). Kraansleutel. Gegoten ijzeren dwarsstukje in de schalmen van eenen ketting. (Scheepsb.) Houtwerk van het galjoen. 1— Mannetjesboon, v. (-en). Ronde boon. — Mannetjeshennep, m. Zaaddragende hennep.— Mannetjeskemp, v. en m. — Mannetjeskerel, m. (-s). Een heelebaas. Een sterke kerel. —Mannetjes-koffie, v. Koffie van mannetjesboonen. — Mannetjesmuisjes, o. mv. Zeker suiker-

foed. —oed. — Mannetjesuct, v. (..oten). Zeer jne muskaatnoot. — Mannetjesplant, v. (-en). Mannelijke plant. — Mannetjesvaren, v. Soort van niervaren (aspidium filix mas). —Mannin, v. ( nen). Vrouw. Heldin. Sterk gespierde vrouw. — Mansbeeld, o. ( en). — Mansbloed, o. Sint-Janskruid. — Mansbroeder, m. (-s). — Mansbroek, v. (-en). — Manschap, v. Bemanning (van een schip). — Manschap, v. (Middel.) Manschap doen : de leenman was verplicht den leenheer alleen of met een getal gewapende mannen in alle krijgsverrichtingen te volgen.—Manschap' pen, v. mv. Soldaten. Krijeslieden. — Mansgewaad, o. (..aden). — Mansgoed,o.

— Manshand, v. Schrift van eenen man. Mannelijk gezag. Manshand boven, datgene, waarin de vrouw te kort schiet vermag de man. (-en) Hand van eenen man.

— Manshandscht en, m. (-en). — Mans-hemd, o. (-en). — Manshoed, m. (-en). — Manshoofd, o. ( en). Hoofd van eenen man. (Zeew.) Blok om een touw aan te beleggen. Kop aan het roer (van jachten» enz.). Man : mijn manshoofd is niet thuis.

— Manshoogte, v. — Mansjas, v. (-sen).

— Manskerel, m. (-s). Manspersoon. — Manskleed, o. (-eren, ..eeren). — Mans-kleeding, v. — Manskieer maker, m. (-s).

— Maiiskous, v. (-en). — Manskracht, v. Mannenkracht. — Manslaars, v. (..zen),

— Manslag, m. (-en). Doodslag. — Mansleen, o. (-en). — Manslengte, v. — Mans-lidmaat, m. (..aten). — Mansmannen, m. mv. Achterleenmannen. — Mansmoeder, v. (-s). — Mansmuts, v. (-en). —


ocr page 480

MAND — 4

Mansnaam, m. (..amen).—Mansoi'r, o. Mannelijke erfgenaam. — Mansoor, o. en v. (-en). Oor eens mans. Zie Hazelwortel.

— Manspersoon, o. (..onen). Man. — Mansplicht, m. en v. (-en). — Mansrok, m. (-ken). — Mansschild, o. Mansbloed.

— Mansschoen, m. (-en). — Mansvader, m. (-s).—Manswerk, c.— Manszuster, v. (-s). — Manvolk, mannenvolk, inans-volk, o. Manspersonen. — Matnvyf, o. (..ven). Sterke vrouw. — Manziek, bn. — Manziekte, v.

ItlanaNHCH (771-761 vóór Chr.) Koning van Israël. Werd door den koping van Assyrië geketend naar Babylonië geleid.

m 3111 o nu do, bijw. (Muz.) Allengs afnemend, wegstervend.

Manchoster, 540,000. Engelscbe fa-britks- en handelsstad. — Manchester, o. Soort van katoenfluweel.

mstiK'lict, v. (-ten). Los hemdsboord. Handlub. — Manchetknoop, m. {-en).— Manchetkoorts, v. Soldatenlafheid.

maiK'O. Tekort (bij koopwaren of goederen).

mand, v. (-en). Korf (van teenen gevlochten). Draagkorf. Door de mand vallen. — Mandeflesch, v. (..sschen). Flesch met matwerk omgeven. — Manden, bw. mandde, heeft gemand. In eenemand doen.

— Mandonniaken, o. —Mandenmaker, m. (-s). — Mandenmakery, v. Het mandenmaken. (-en) Werkplaats of winkel van eenen mandenmaker. — Mandenmakers-knecht, m. (-en). — Mandenmakerswerk, o. — Mandenvuinkel, m. (-s). — Mande-tvagen, m. (-s). Kinderwagen (van teen gevlochten). — Mandewerk, o. Voorwerpen van teen gevlochten. — Afandeiver-ker, m. (-s). — Mandjeskoop, m. (-en). Uitventer van mandjes. — Mandvol, v. (manden vol). Gevulde mand. Hoeveelheid, die eene mand bevatten kan.

mandaat, o. (..aten). Last, bevel, lastgeving, opdracht, volmacht. Bevelschrift tot betaling. Bediening, dienst: het mandaat der gemeenteraadsleden. —Man-dant,mandator, m. (-en). Lastgever. Vol-machtgever. — Mandataris, m. (-sen). Lasthebber. Gevolmachtigde.

mandnrUn.m. (-en). Chineesch staats-beambte of geleerde. Aanzienlijk persoon 5n China. — Mandarijntjes, o. mv. Soort van kleine, bijzondere geurige chinaas-appels. „ .,

mandel, m. (-s). Zie Stuik, mandement, o. (-en). Herderlijke brief. _ ^ .

quot;blander (A'. van), 1548-1606, JMeule-beke (W.-Vl.). Dichter en schilder. Het Schilderboeck, behelsende het leven der antijeke schilders, mitsgaders dat der moderne Italiaensche, Nederlandse he en JHoosdnitsche (1604).

manderkrnld, o. Oamander. mandolU». mandoline, v. (-s). Speellui r met vier dubbele snaren.

mandragora, v. Plantergeslacht tot de nachtschaüigen behoorende. Heelt drie soorten ; m. ver na lis, m. officinarum, m. tnicrocarpa. 't Zijn sterk narcotisch-ver-

6 — MANI

eiftige planten. Groeien in Z.-Europa en N.-Afrika.

mandril, m. (-s). Aap {cynocephalu% mormon). Behoort tot de bavianen. Is een der grootste, wildste en leelijkste der apen. Wordt in de bosscben aan de kust van Guinea aangetroffen.

manege, v. ( s). Rijschool. Rijbaan, manen, v. mv. Lange afhangende haren, welke eenige dieren (paarden, leeuwen, enz.) boven op den bals dragen.

manen, bw. maande, heeft gemaand. Aansporen : dit maant u tot voorzichtigheid. Aanmanen tot het nakomen eener verplichting, inz. tot betaling : iem. manen te betalen. — Maner, m. (-s). — Maan-ster, v. (-s). — Maning, v. (-en).

mantraan, o. Grauwachtig wit, zeer broos en vloeibaar metaal, bij de glasblazers gekend onder den naam van glasbla-zerszeep. Wordt gebruikt om aan 't glas eene violetkleur te geven. — Mangaan-luin, v. Aluin met mangaan vermengd. — Mangaanerts, o. — Mangaanifzer, o. — Mangaanzuur, o.

mangrel, m. (-s). Amandel.

iiian};el, o. Gebrek, g'mis : mangel aan geld, aan levensmiddelen. — Mange* len, ow. mangelde, heelt gemangeld. Ontbreken. Afwezig zijn.

manti:lt;k1i m. (-s). Houten of ijzeren werktuig, om (inz.) ondergoed glad te maken. — Afangelbord, o. (-en). — Mangelen, bw. mangelde, heeft gemangeld. Door denmangel gladmaken. — Mangelgeld, o. — Mangelgoed, o. — Mangel plank, v. (-en). — Mangelkamer, v. (-s). Kamer, waarin de mangel staat. — Mangelrol, v. (-len). — Mangelvrouw, v. (-en).

mandelen, bw. mangelde, heeft gemangeld. Ruilen. Verwisselen. — Mange-laar, m. (-s). — Mangelaarster, v. (-s). — Mangeling, v. (-en).

maiiKelwortel, m. (-s). Soort van beetwortel.

Hlanliave (7-), 1850, Sluis. Taalkundige. Voltooide het Nieuw Woordenboek der Nederl. taal (door van Dale begonnen) en bewerkte er eene nieuwe uitgave van.

manieheïsme, o. Leer van Mant'oi Man es. Volgens deze leer bestaan er twee eeuwige, oorspronkelijke wezens, een goede geest, heerschappij voerende in het rijk des lichts, en een booze geest, gezaghebbende in het gebied der duisternissen. (Vond haren oorsprong in Perzië, III® eeuw.) — Ma n ich eer, m. (-s).

manier, v. (-en). Wijze, doenwijze^ levenswijze. — Manieren, v. mv. Gewoonten, gebruiken. — Manieren, bw. ma-nierde, heeft gemanierd. (Iem.) goede manieren leeren. — Manirrlyh, bn. bijw. Wellevend. Beleefd. — Manierlykheid, v.

manitent, o. (-en). Vertoog, vertoog-schriit, openlijke verklaring van eenen vorst, van eene mogendheid of van een© staatkundige partij. Oorlogs-, vredesverkla-ring. Stuk, bevattende de opsomming van de goederen, die de lading van een schip uitmaken. — Manifest, bn. b'jw. Handtastelijk. Klaarblijkelijk. Zonneklaar. — il/a-


ocr page 481

MANN — lt;

nif'stani, m. (-en). — Manifestatie, v. ^..iën, -s). Bekendmaking. Uiting, verkondiging. Openbaring. — Ala n ifesteeren, bw. manifesteerde, heeft gemanifesteerd. Bekendmaken, openbaren, verklaren.

manilla, v. (-s). Manilla-sigaar. — Manilla-hennep, m. Draad van eenen boom, die op de Molukken en de Philip-pijnsche eilanden voorkomt. — Manillasigaar, v. (..aren). Sigaar, uit tabak van 't eiland Manilla vervaardigd.

mauille, v. (-s). Zekere kaart in het omberspel.

maniok, m. Tamelijk hooge struik {Jatrnpha manihot) in W.-Indië en Z.-Amerika, uit welks wortels een voedzaam brood wordt bereid. — Maniokbrij', v. — Afaniokbrood, o. (-en). — Maniokrasp, v. (-en).

mauipcl, m. (-s). Sieraad, dat de priester, enz. aan den linkerarm draagt gedurende de mis.

manipuleercii, bw. manipuleerde, heeft gemanipuleerd. Behandelen. Met de hand beweiken of bereiden. Kunstmatig behandelen. — AJanipulatie, v. (..iën, -s).

mank, bn. Gebrekkelijk loopende ; mank gaan. Gebrekkig, niet gaaf. Aan hetzelfde euvel mank gaan : hetzelfde zedelijk gebrek hebben. — Mankheid, v. — Mank-poot, m. en v. (-en). Kreupele.

mankceren, ow. mankeerde, heeft gemankeerd. Missen, niet treifen : den bal mankeert n,eeneschoonegelegenheid man-keeren. Niet aantreffen : ik moest hem ontmoeten, maar heb hem gemankeerd. Ontbreken : er mankeeren twee franken. Schelen : er mankeert iets aan dat paard. Nalaten : hij mankeert nooit dit te doen. Heef: hij u in iets gemankeerd : heeft hij iets gi daan, dat u ontevreden maakt? Deze firma mankeert, staakt hare betalingen. — Mankement, o. (-en). Lichamelijk gebrek. Fout.

mankop, o. (-pen). (Plantenk.) Maankop. — Mankopstroop, ..siroop, v. — Mankopzaad, o.

mank zaad, o. Mengsel van velerlei zaden tot voeder.

manna, o. Hemelsbrood, waarmede de Heer de Israëlieten in de woestijn heeft gespijzigd. Naam van verschillende verharde plantensappen, inz. van het geelachtig, taai, zoetachtig sap van den manna-•esch. — Alannaboom, m. (-en). Boom (eucalyptus mannifera), waaruit manna vloeit. — Manna-esch, m. (..sschen). Boom {Jraxinus ornus), waaruit manna vloeit. •Groeit in Sicilië en Calabrië.—Mannagras, o. Gemeen vlotgras. — Aïanna-koe^je, o. ( s). —Mannapeer, v, (..eren).

— Mannaplant, v. (-en). — Alannastof, o.Mannasuiker.— Mannastruik, m. (-en).

— Alannasuiker, viannite, v. Zoet smakende plantenstof, uit manna, kersengom, de bladeren van den vlierboom, enz. verkregen.

mannequin, m. (-s^. Pop, ledepop. Draagkorf, marktmand. (Spott.) lem., die de slaaf, de speelbal is van iemand anders.

Mannin^: (//. •£quot;.),^ 1808-1892, Toite-ridge. Na gedurende 20 jaar de Anglicaan-

,7 — MAXU

sche Kerk gediend te hebben, ging hij (1850) tot de R. Kath. Kerk over. Werd priester, huisprelaat van den Paus, aart-bisschop van Westminster, primaat van Engeland (1865) en kardinaal (1875). The unity of the Church (1842).

manoeuvre, v. (-s). Beweging, wen-ding,krijgsoefening, scheepswending.Slink-sche handelwijs, list, kuiperij : mancem res bij verkiezingen, m. (-s) Handlanger, die de bouwstoffen aanvoert. Weikman, die het grof werk dott. — Alanceuvreet en, manoeuvreerde, heeft gemanoeuvreerd. O w. Oefening houden : de troepen manceuvreer-den. Listige middelen in 't werk stellen. Bw. Bedienen : den remketting manceu-vreeren.

manometer, m, (-s). Werktuig, bestemd om de spankracht der gassoorten oi der dampen te meten : open, gesloten ; metaal manometer.

^lanxard {F.), 1598-1666, Parijs. Bouwmeester.

Maimfeld (JS. van), 1585-1626, Meche-len. Generaal. Hevige vijand van het huis van Oostenrijk.

maiiMua, o. (Middel.) Hofstede of landgoed.

Mantcfirna (A.), 1130-1506, Padua. It. schilder en graveur. Christus tusschen de moordenaars ; de Aanbidding der drie Koningen ; Maria met het kind.

mantel, m. (-s). Zeker kleedingstuk, met of zonder kap (van mannen en vrouwen). Wijde jas. Rouwgewaad. Kerkgewaad. Wal, muur om eene stad. Belegsel om eenen schoorsteen. Hulsel van zekere afdeeling van het lichaam der weekdieren. (Scheepst.) Takel tot bet hijschen van zware lasten. Schijn, voorwendsel : onder den mantel van godsvrucht. Den mantel om (op) den tuin hangen : een ambt, eene betrekking nederleggen. —Mantelaap, m. (..apen). Zekere soort van aap. — Alan-telbakstag, o. (-en). (Scheepst,) Dik touw. — Afanteldieren, o. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen. — Alanielen, bw. mantelde, beeft gemanteld. Bemantelen. — Mantel-goed, o. Goed, geschikt om mantels van te maken. — Mantelhaak, m. (..aken). — Alantelhuis, o. (..zen). Huis, waar rouwmantels verhuurd worden. — AIauteltne% v. (-s). Manteltje. Vrouwenmanteltje. — Manteling, v. (-en). Paalwerk, beschutsel tegen den wind. — AIquot;nteljas, v. (-sen). —Alanfelkoord, v. (-en). — Montelkraag-, m. (..agen). — Mantelkraai, v. (-en). Bon-tekraai. — Afantellis, ..lus, v. (-sen). — Alantelmeeuw, v. (-en). Groote, zware zeemeeuw [larus ntarinus). Bewoont vooral de duinen van de Noord- en Oostzee. — Mantetpypje, o. (-sl. Pijpje, dat men rookt, alvorens heen te gaan. — Man-ielse he lp, v, (-en). Zeer prachtig schelpdier. — Alantehtof, v.— Mantelzak, m. (-ken). — AI an tille, v. (-s). Lange sluier. Zwart zijden sjerp, die de vrouwen over de schouders slaan en om de middel vastmaken. Vrouwenmanteltje-

manuaal,o. (..alen). Handboek. Dagboek. — Manufacturen, v. mv. Voort» brengselen van handen- of fabrieksarbeid*


ocr page 482

MARE — 4

— lianu/acfurier, m. (-s). Maker, ver-kooper van manufacturen. — Manufactuur, v. (..uren). Werkhuis. Werkplaats.

Manuscript, o. (-en). Handschrilt. nistiixt'iiillen- of luaiicincllen-boom, m. (-en). Boom [hippomane man cinella), die op de W.-Indische eilanden voorkomt. Behoort tot de scherpe en vergiftige planten.

9Iaiizoni [A.), 1784-187^, Milaan. Dichter en prozaschrijver. Stichter der romantische school. II cinque Maggio (1821)' / promessi sposi.

ni»|»|»e, v. (-s). Omslag-. Brieventasch.

— Mappemonde, v. (-s). Wereldkaart, marsiboc, m. (-s). Soort van ooievaar

{lep/op/ilus. argala), Behooit totde reiger-achtigen. Komt voor in Indië, vooral op Sumatra en Java. _

ra. (-s). Titel van Arabische godgeleerden.

BI:«i at rj. P.), 1744-1793, Boudry (Zwit-serl.'ind). Beruchte volksleider. Werd in 't bad vermoord door Ch. Corday.

niatrbol, m. (-s). Marmel. Marmelen knikker. — Marbelen, ow. raarbelde, heeft gem arbeid. Met mar b,-Is spelen.

inarojiKKile.o. Goudgeel, naar'tstaal-grauw zeeraend erts, dat uit ijzer en zwavel bestaat.

msircato, bijw. (Muz.) Elke noot niet nadruk.

marclistml, ra. ( s). Koopman. Handelaar. — AI are handeer en, ow. marchandeerde, heeft gemarchandeerd. Handel drijven. Dingen. Dralen. — Marchan tise, v. (-s, -n). W aar. Koopwaar. Goederentrein.

Marc'liantl^f ),1537-1609, Nieuwpoort. VI. gesctiedscbrijver.

niarclic^ren, ow. marcheerde, heeft en is gemarcheerd. Gaan, voortgaan ; treden, voontreden ; stappen, voortstappen. Op» ukken , voorttrekken (van soldaten). Lukken : het zal w el marcheeren. Marouf*. Zie Evangelist. Mardoclious. Zie Esther.

mare, v. (..aren). Zie Maar (2* art.), mare, v. Zie Maar (3* art.). mareeliaiiHsec, v. De gendarmen. — Marechaussee, m. (-s). Gendar-me.

MareclMous- De abdij van Mared-sous heeft hare stichting te danken aan de milddadige medewerking der heeren Des-clée (Doornik). Eenige monniken van Beu-ron (Hohenzollern) vestigden zich op het buitengoed dier heeren te Maredsous (De-nee (i872 !.Zij betrokken het klooster (1876), dat tot abdij werd verheven door Z. H. Leo XIII (1878». De regel is van den H. Be-nedictus. Eerste abt dom Placidus Wolter.

maren, ow. raaarde, heeft gemaard. Telkens maar zeggen.

Marengo. Dorp (Italië). Aan de Bor-mida gelegen. Napoleon overwon er de

Oosteniijkers {i8o»ö.

marenIstkken, m. mv. Kale, altijd groene struik (viscum album), die woekerend op de stammen en takken van verschillende boomen en heesters, maar 't rae-

3 — MARI

nigvuldigst op appel- enpereboomen voorkomt.

Illar^s (y.. Broeder der Chr. Schoten = K. L. de Pau7v), 1838, Zottegem» Medewerker van baron Bethune tnt het herstellen der Chr. kunst in België. Eerst© bestuurder der S^Lucasschool (Genti.

Margjareta {van Par ma), i522-i58lt;f Oudenaarde. Halfzuster van Filip II. Land-voogdes der Nederlanden Granvelle was haar i* minister. F. van Marnix stelde den akt op « Verbond der Edelen *. De kerken werden geplunderd, de beelden omver-gerukt, Egraond en Hoorn aangehouden. Vraagde baar ontslag (1568).

margrariet, v. (-en) Madeliefje, margarine, o. Parelstof. Kunstboter. — Afargarineboter, v. — Margarmebo-terfabriek, v. (-en). — Margarine vat, o. (-en).

marge, v. (-s). Rand (van eene bladzijde). — Marginaal, bn. Op den kant of rand geschreven of gedrukt. Marginale nota : kantteekening. — Margtne fin), bijw. uitdr. Op den rand.

^larla. De h. Maagd, de Moeder van Christus, (-'s) Vrouw, die Maria genoemd wordt.—Mar inbeeld,o\-eVi).—Mar ia boodschap- Zie Boodschap. — Alariadistel, v. (-s). Éénjarige plant (silybum mariantim). Behoort tot de samcngtsteldbloemigen. Groeit in 't wild aan^ wegen, enz. in Z.-Europa en O.-Indië. Komt bij ons verwilderd voor en wordt ook in tuinen gekweekt. — Maringlas, mariënglas, o. In tafelen gekristalliseerd gips. — Mana-hemelvaart, v. Zie Hemelvaart. — Ma.' riaklokje, o. (-s). Tuinklokje. — Maria.quot; ontvangenis, v. Zie Ontvangenis. Ma-riaschoen, ra. (-en). Een pronk gewas \cy-pripedium calceolus).

Slaria (z/a« Burcondie), i457_I482»-

Brussel. Dochter van Karei den Stoute.-Zie Maximiliaan. — Maria Therest'at


ocr page 483

MARK

1717-1780, Weenen Keizerin van Duitsch-land,koningin van Hon-

tarije en Bohemen, ochter van Karei VI. Door de Pragmatieke Sanctie zou Maria haren vader oprolgen. De keurvorst van Beieren, de koningen van Pruisen, Polen en Spai je betwistten Maria haar erfgoed De oorlog werd algemeen. De Veree-nigde Provinciën en En-Maria Thcresia. geland kozen de zijde van Karets dochter. Frankrijk ondersteunde den keurvorst. Frankrijk won den slag van Fontenoi, veroverde Vlaanderen, trok in Brussel, -^-nt-werpen. Bergen en versloeg de £ gt;2dge nooten te Roucourt en te Lawfeld (*745' arije en Bohemen, ochter van Karei VI. Door de Pragmatieke Sanctie zou Maria haren vader oprolgen. De keurvorst van Beieren, de koningen van Pruisen, Polen en Spai je betwistten Maria haar erfgoed De oorlog werd algemeen. De Veree-nigde Provinciën en En-Maria Thcresia. geland kozen de zijde van Karets dochter. Frankrijk ondersteunde den keurvorst. Frankrijk won den slag van Fontenoi, veroverde Vlaanderen, trok in Brussel, -^-nt-werpen. Bergen en versloeg de £ gt;2dge nooten te Roucourt en te Lawfeld (*745' 1747). De vrede werd geteekend te Aken en Frank lijk stond het veroverde af (1748).

msii'iiic*, v. Zeewezen. Zeemacht. Mar ine-officier, m. (-en). — Marine werf, v. (..ven). Rijkswerf, waar oorlogsschepen

febouwd worden. —ebouwd worden. — Marinier, m. (-s). eeman. Bootsgezel. Zeesoldaat, mstrlneeron, bw. marineerde, heeft gemarineerd. Inzouten, inleggen, pekelen. Spijzen met gekruiden azijn laten doortrek-

msti-inc-frompet, v. (-ten). (Oudt.) Zeker snareninstrument.

MariimH, 1497567. Romerswaal. Schilder. Bankiers; IVtiselaars.

mariolein, marjolein, v. Heestergewas {origanum majot ana), met grijsachtig groene blaadjes, als kruiderij pij spijzen gebruikt. Wilde ntario/ein. L,\p-bloemige plant {origanum vuigare). Is een geurig, verwarmend en oplossend geneesmiddel. — Marioleinbalseniy m. Marioleinolte, v. — Afartoletnzvaier, o.

mnrionct, v. (-ten). Ledepop. Too-neelpop — Marionettenspel, o. Poppenspel. Jan-klaassenspel. (-len) Tent, waarin

het spel vertoond wordt.

91»riotCo (£quot;.), 1620-1684, Dijon. Fr. natuurkundige.

MarU iquot; (7-), 1837, 's Gravenhage. Schilder. Zte lastige gast; Stadsgezicht.

— 2° Zijn broeder 1844, 's Gravenhage. Landschapschilder. quot;Weiden by zon-neschyn; Grazende koeien. — 3® Zijn broeder (J/.), 1835,'s Gravenhage. Schilder. V Meisje met de duiven; Vlaamse he keukenmeid.

Marlus (C.), 1^6-86 voor Chr., Arpi-num. Romeinsch veldheer.

mark, o. (-en). Oud gewicht = 8 oude oneen.

mark, v. (-en). Geldstuk, verschillend van waarde volgers plaats en tijd. Eenheid van munt in Duitschland = 1.25 frank.

mark, v. (-en). Teeken, merk, aanwijzing. Grond- — AIark, v. (-en), marke, v. (-n). Grens, grensgewest. — Markfejboek, o. en m. ( en). Register eener marke. — Mar kever deeling, v. (-en). — Markge-noot, ra. (-en). Bewoner eener zelfde mark.

— Markgencote, v. (-en). —Markgenoot-

MARM

schap,v. ( pen).—Markgraaf, m. (..aven). (Middel.) Behoorde tot den hoogen Fran-schen adel. Was belast met het bestuur en de verdediging der marken (grenzen) des rijks. (Thans) Een titel. — Markgraafschap, o. Waardigheid van markgraaf.

— Markgrafelijk, markgraaflyk, bn. — Markgravin, v. (-nen). — Markgrond, m. (-en). —Markpaal, m. (..alen). Grenspaal.— Markrechter, ra. (-s). — Mark' steen, m. (-en). Grenssteen.

markecren, markeerde, heeft gemarkeerd. Bw. Aanteekenen, afteekenen. Stempelen,teekenen.Ow.(Van eenen hond) Door versnelde beweging van den staart het spoor van het wild aanduiden. — Mar-ketir, m. ( s). Aanteekenaar (op den spoorweg). Merker, teller (bij 't biljartspel). Stempelaar.

markclentcr, m. (-s). Zoctelaar. — Mar^ete*!tery, v. — Marketentster^ v. (-s). — il/a» keten tersvaatje, o. (-s).

markies, m. (..zen). Markgraaf. — Markiezin, v. (-nen).

markt, v. (-en). Plaats van koop en verkoop. Bijeenkomst van handelaren. Openbaar plein in eene stad, waar markt gehouden wordt of werd : hij woont op de markt. Marktprijs, loopende prijs : dalende, stijgende markt. Tijd van de markt : de markt be.-int te 7 uren. Zijne huid zelf ter markt brengen : zich in eigen persoon verdedigen. Hij is van alle markten weergeko-men : hij is een loos en doortrapt man. — Marktbericht, o. (-en). — Marktdag, ra. (-en). — Markten, marktte, heeft gemarkt. Bw. Ter markt brengen. Ow. Ter markt gaan. — Marktgang, ra. — Marktganger, ra. (-s). — Marktgangster, v. (-s). — Mat ktgeld, o. — Marktgeschreeuw, o,

— Marktkraam, v. en o. (. amen). — Marktkraamster, v. (-sgt;. — Marktkramer, m. (-s). — AI a r kim and, v. (-en). — Marktmeester, ra. (-s). Opzichter der raarkt. —Marktplaats, v. (-en). —Marktplein, o. (-en). — Afar ktfiolitie, v. — Alarktprys, ra. (..zen). — Marktrecht, O. (-en). — Marktschip, o. (..epen). Schip, dat op de marktdagen vaart. — Marktschreeuwer,™. ( s). Kwakzalver.—Afarkt-schuit, v. ( en). —Marktvlek, o. (-ken). Groot dorp. — Alarktvrouw, v. (-en). — Marktwaar, v. (..aren). Handelswaar, die op de markt wordt verkocht.

Itlarlboroiifsrli {J. Churchill, hertog van), 1650-1722, Ashe (Devonshire). Eng. veldheer en staatsman. Versloeg de Fran-schen te Hochstadt, Raraillies, Oudenaarde en Malplaquet.

Dlarlc (C. van), 1783-1859, Leiden. Dichter Rijmelarij (1814).

marlen, bw. marlde, heeft gemarld. (Zeew.) De zeilen met de marlijn aan de lijken vastnaaien. — Afar ling, marlijn, v. (-en). T uw, om iets te nieren, vast te binden. — Marlpriem, ra. (-en). Gatnaald.

— Marlreep, ra. (-en). (Zeew.). — Marlslag, ra. (Zeew.) Knoop in het touw. — Marltouw, o. (Zeew.).

marmbol, ra. (-len), marmol, ra. ( s). Roode steenen ot glazen bol, waarmede de kinderen spelen.

439 —


ocr page 484

MARO — 4

marmelade, v. (..aden, -s). Ingesui-kerde boomvrucht. Met suiker verdikt vruchtensap.

marmer, o. (stofn.) ; m. (voorwerpsn.) Sooit van dicht, korrelig kalkgesteente, dat zich gemakkelijk laatbeweiken en polijsten. — Alarmelen, marmelde, heeft ge-marmeld. Bw. De kleur van marmer geven (aan). Ow. Marbelen. — Marme laar, m. (-s). Die papier marmert. — Mai me-— Mai'nicraar, m. (-s). Maker van gemarmerd papier. — Mai tnerachiig, bn.

— Marmerader, v. (-en, -s). — Marmerbeeld, o. (-en). — Marme* beeldhouwert m. (-s). — Marmerbewerke'-, m. (-s). — Marmerbewei king, v. — Marmerblad, o. (-en). — Marmer07-asem, m. (-s). Gemarmerde brasem [sparus mor my rus). Leeft in de Middell. Zee. — Marnieren, bn. — Marmeren, bw. marmerde, heeft gemarmerd. Eene kleur van marmer geven (aan). — Marmergroef, ..ve, v. (..ven).

— Marmer mg, v. — Marmer kleur, v. (-en). — ATarmermeel, o. Zeer fijn gewreven marmer. — Marmerpapier, o. Gemarmerd papier. — Marmer sly per, m. (-s). — Marmerslypery, v. (-en). —Marmer snij de*-, m. (-s). — Marmersteen, m. (-en^. - Marniersteenhouwer,m. {'£).—

— Mat mersteenmrrtel, v. — Marmer-steenz.tger, n». (-s). — Marmerzaag, v. (..agen). — Marmerzager, m. (-s).

marmiet, v. (-en). Ketel. Kook ketel, marmot, v. (-ten). Behoort tot de orde der knaagdieren onder de zoogdieren {arctomys marmota). Leeft op de Alpen,

in ZwiiSciiand, Tirol, enz. Volksnaam van ■t Guineesche biggetje (cavia cohaya , tot «le knaagdieren behoorende. Is in Z.-Amerika thuis. — Marmottenhok, o. (-ken). — Marmottenslaap, ra. Zeer lange slaap. — Marmottevel, v.

IMarue {J. L. de), 1744-1829, Brussel. Landschapschilder.

jMarnlx: (F. van), 1«gt;38-1598, Biussel. Leerling van Calvijn en boezemvriend van quot;Willem van Nassau. Schreef: Wilhelmus van Nassouwen (lied) ; Byencorf der Roomsche Kerke (1569).

maro«le, v. Strooperij. — Marodeeren, ow. marodeerde, heeft gemarodeerd. Slr«)(»pen. Vrijbuiten. Op zwier gaan.

marokijn» o. Spaansch eder. — Afo-rokijnen, bn. — Maroki/nlefdjer, o. — Marok npapier, o.

maronieten, m. mv. Christenvolks-stara aan den Libanon.

3 — MAKT

marot, v. (-ten). Stokpaardje. marqnKse, v. (-s). Dak, afdak, dakbedekking. Scherm.

marren, marde, heeft gemard. Bw. Binden. Vastleggen. Vastmaken. Ow. Talmen .

mars, m. God des oorlogs. Planeet (zie Maan).

mars, v. (-en). Houten vlak om den mast, dat den matrozen tot standplaats dient. —Marsebras, m. (-sen). — Marsgast, m. ( en). De eerste en beste matroos.

— Marsklimmer, m. (-s). — Marsknieën, v. mv. (Zeew.). — Marslantaarn, v. (-en).

— Afarsmast, m. (-en). — Marsputting, v. (-s). (Zeew.). —Marsrand, m. (-en).— Marsschoot, m. (-en). — Marsstent;, v. (-en). — Marsval, m. (-len). — Marsvel-len, o. mv. — Alarswachter, m. (-s). — Afarszalings, v. mv. — Marszeil, o. (en).

— Alarszeilskoelte, v. — Marszeilsreep, m. (-en). — Marszetlsval, m. (-len).

mars, v. (-en). Bak of mand met koopwaren, die voor het lijf of op den rug wordt gedragen. — Marsdraagster, v. (-s). — Afarsdrager, m. (-s). — Marskraamster, v. (-s). —Afarskramer, m. (-s).

marKoli, tw. Voort! Voorwaarts! Op! Weg! — Afarsch, m. (-en). Tocht. Aantocht. Gang. Rit. Muziekstuk, dat gespeeld wordt bij 't marcheeren der soldaten : den marsch blazen, den marsch slaan. — Marschroute, v. (-s). — Alarschtenue, v.

— Afarsch vaardig, bn.

marNcliland, o. (-en). Laag, vet,

moerassig land.

IWarHCliner (//. A.), 1796-1861, Zittau (Saksen). Duitsch opera-componist. Lu-cretia (1822); Hans He Hing (zijn meesterstuk, 1832).

MarHeillaiHe, v. Nationaal lied van Frankrijk. Werd vervaardigd door Rouget de 1'Isle om de Franschen tegen de Pruisen en de Oostenrijkers aan te zetten (1792).

9IarHellle, 360,000. De derde stad van Frankrijk, hoofdplaats van Bouches-du-Rhöne. Werd omstreeks 600 voor Chr. gesticht.

msamepein, o. (-en). Suikerbrood. Amandelbrood. —Marsepeinen, bn.

mamiliaan, m. (..anen). Soort van Vem-tiaansch vaartuig.

marle«%l, ra. (-en). Disselharaer. marteko, m. (-'s). Aap. martelaar, m. ( .aren, -s). lera., die voor het Geloof zijn leven geeft. lem., dia siral of zelfs den dood ondergaat voor zijna overtuiging : een martelaar voor de goede zaak. lem., die veel lijdt. lem., die anderen (ook dieren) foltert. Knoeier in zijn weik. —Martelaarsboek, o. en m. (-en),

— Af ar te laai s'hap, o. — Martelaarsgeschiedenis, v. (-sen). — Martelaarskroon, v. (..onen). — Martelaarslyst, v. (-en).— Af artelaar ster, v. (-s). — Martelares, v. (-sen). —Martelarij, v. (-en). — Af art el-dood, m. en v. — Martelen, bw. martelde, heeft gemarteld. Bw. Hevige lichaamssmart of vreeselijken kommer, angst, enz. veroorzaken. Kwellen, doen lijden. Met uitgezochte wreeciheid pijnigen (inz. om het Geloof). Ow. Knoeien. Lomp behandelen.


ocr page 485

— 441 —

MAST

MASS

Veel moeite daen. — Martelgereedschap, o. (-pen). — Martelte, v. Marteling. Mar-teWood. — Marteling, v. (-en). — Martelkroon, v. (..onen). — Marteltuig, o. (-en).

91artens [D.), Aalst. Bracht de boekdrukkunst in België over en vervaardigde zijne eerste proeven te Aalst (1473).

9Iartens (^. B.), 1828, Zulte. Kanunnik. Leeraar (Klein-Seminarie, S1 Nico-laas). Reizen naar de Noordpool (1879) ; de Opkomst der Stoomtuigen (1882) ; op Vacant ie in Equot;ge land (1885); Electrici-teit en magnetisme (1807).

marter, m. (-s). Verscheurend zoogdier, tot de tamilie der marterachtigen be-hoorende. 't Bont van dit dier is zeer gezocht. — Afarter, o. Marterbont. —Marterachtigen, m. rav. familie der roofdieren, waartoe weze's, niartels, dassen en otters behooren. —Marterbont, o.— Mar-iet nel, o. (-len).

martiaal, bn. Krijgshaftig: eenemartiale houding.

martinet, m. Geeselroede. Karwats. Zweep.

mar^-laii«l, o. Soort van tabak (uit Maryland, Vereenigde-Staten).

marziale, bijtv. (Muz.) Krijgshaftig, man, v. (-sen). Massa.

9Ia«aceio, 1402-1443, Florence. It. achilder.

maHke, v. (-n). Plooi der onderlip ran sommige tweelippige bloemkronen.

Maskelyne (M), 1731-1811, Londen. Eng. wis- en sterrenkundige.

masker, o. (-s). Momaangezicht, vermomd persoon, vastenavondzot. Voorwendsel Dekmantel : onder het masker der vriendschap. (Nat. hist.) Toestand, die aan den popstand voorafgaat. — Alaskee-ren, bw. maskeerde, heeft gemaskeerd. Vermommen, verkleeden. Verbergen. — Maskerade, v. (-s). Optocht of dans van gemaskerden. — Mask er bloem, v. (-en). Leeuwenbek. — Maskeren, bw. maskerde, heeft gemaskerd. Vermommen. Zich onkenbaar maken. Bedi-kken. Het uitzicht benemen. — Masker planten, v. mv. — Masker vlieg, v. (en). — Maskervreter, m. (-s). Zeker insect.

maskuliet, niazaliet, v. (-en). Zekere Indische sloep.

masaa, v. (-'s). Hoeveelheid stof, die eenig lichaam bevat. Hoop, bende, menigte : eene massa volk. Geldhoofdsom, het geldelijk bedrag eener nalatenschap, boedel.

^laMséna (■/!.), 1758-1817, Nizza. Maarschalk van Frankrijk. Onderscheidde zich te Rivoli (1796), te Zurich (1799), te Genua (1800), te Wagram (1809).

maHHier, Lm. Dik en zwaar, vast. Sterk, stevig, hecht.

SlaHHilloii (y. B.), 1663-1742, Hières (Provence). Fr. kanselredenaar. Petit Ca~ rêrne.

■uaMt, m. (Eigenl. massa). Rekening (bij krijfislieden).

maMt, m. (-en). Houten staak op sche-

Een, bestemd om de zeüen op te houden. lt;angepaal, heipaal. Hij zal den mast wel opkrijgen : hij zal zich wel helpen of weten te redden. —en, bestemd om de zeüen op te houden. lt;angepaal, heipaal. Hij zal den mast wel opkrijgen : hij zal zich wel helpen of weten te redden. — Mastband, m. (-en). — Mast' blok, o. en m. (-ken). — Mastbok, m. (-ken). ^Scheepsw.) Onderlegger. — Mastquot; bokschoor, m. (..oren). — Mastbokspier, v. (-en). — Mastbokstut, m. (-ten). — A/astboom, m. (-en). Den. Paal. — Mast' bosch, o. en m. (..sschen). — Mastdarm, m. (-en). Endeldarm. — AI asteloos, bn. — A/asten, bw. mastte, heeft gemast. Van masten voorzien. — Mastenmaker, ra. (-s).

— AIas te ti m a her ij, v. (-en). — Mastgatt o. (-en). — Al ast hamer, m. (-s). — Masthout, o. — Mastkeg, v. (-genl. — A/ast-klamp, m. (-en).— Mast klimmen, o.—■ AIast klim mer, m. (-s). — Mastkoker,ra. (-s). — Alastkorf, m. (..ven). — Mast-kraan,(..anen). Mastbok.—Mastkramt v. (-men). — Mastlichter, m. (-s). Lichter-schip met eenen mast. — Alastschaal, v. (..alen). Zekere schaal van de mastenmakers. — Alastschoor, m. (..oren). — Mast-stut, m. (-ten). — Mastspoor, o. (..oren).

— AIastiuachter, ra. (-s). — Mastwangenf v. mv. — Mastwerp, m. (-en). Halve knoop.—Mastzuigrr, m. (-s). Mastband.

mastel, o. (-s). Masteluinbrood. — Mastelein, o. Masteluin. —Alasteluin, o. Mengsel van half tarwe en half rogge, (-en) Masteluinbrood. — Masteluinbrood, o. (stofn.); o. (-en) (voorwerpsn.) Brood van masteluin gebakken. — Mast e tuinen, bn.

mastelle, v. (-n). Rond koekje van bloem en melk gebakken.

mastik, m. Stlt; pverf. Kleefdeeg. — AIastikeeren, bw. mastikeerde, heeft ge-mastikeerd. Met stopverf of kleefdeeg dichtmaken.

111 aM to «Ion, ra. (-s). Naam van een uitgestorven geslacht van zoogdieren, waar-


16. Ra van het groot marszeil.

27. Ra van het groot bramzeil.

18. Ra van het jroot bovenbramzeil.

19. Groote mast.

20. Steng van het groot marszeil.

21-22. Steng van het £ root bramzeil.

.«3. B'izaansra.

24. Kruisra.

25. Bovenkruisra of grietje sr a,

26. Bovenbramra.

27. Bezaansmast.

28. Kruissteng.

20. Bovenkruissteng grietjcssleng.

30. Gnjfel.

31. Giek.

a. Stag.

b. Fokkestag.

c. Groote stag.

d. Bazaansstag.

e. Brassen van de ra.

f% Pardoen,% Pardoen,

. Want.

of


1

Boegspriet.

ocr page 486
ocr page 487

MATH — 4

van de soorten in het tertiaire tijdvak leefden.

mat, o. ( ten). Zekere uitgestrektheid gronds. Te maaien weiland.

mat, m. (-ten). Oud Spaansch geldstuk = 2 gulden.

mat, bn. (Schaaksp.) Verloren : de koning is mat. Vermoeid. Dof, weinig glans heboende ; mat goud. Uitgedroogd, verdord. Van weinig uitwerking : matte kogel.

— Matbeiiely m. (-s). Gereedschap der wapensmeden, enz. — Matheid, v. — Maften, bw. matte, heeft gemat. Mat maken. Afmatten. Vermoeien. — Matglas, o. — Matglazen, hn. — Matteeren, bw. matteerde, heeft gematteerd. Dof maken. Afmatten. Temmen. — Matt ikheid, v. — Matvyl, v. (-en). — Matwerk, o.

mat, v. (-ten). Dekkl.eed (inz. tot inpakken dienende) van grove, slechte wol, enz. vervaardigd. Vloer- of gangbelegsel van gevlochten biezen. Zitting (van biezen of stroo vervaardigd) van eenen stoel. (Zeew.) Een van biezen, enz. gevlochten bekleeding der broodkamer, enz. Kooi, waarin banen vechten. Slaapplaats. — Matte-keesje, o. (-s). Drankfleschje met matten omvlochten. — Matten, bw. maite, heeft gemat. Met matten of biezen beleggen. Van eene mat voorzien : stoelen matten.

— Mattenties, v. (..zen). — Mattenkoo-per, m. (-s). —MattenkooPster, v. (-s). — Mattrnltsch, tn. (..sschen). Bies. — Mat-tenmaken, o. — Mattenmaakster, v. (-s).

— Alattenmaker, m. (-s). — Mattenman, m. (-nen), mattenverkooper, m. (-s). — Mattenverkoopster, v. (-s). — Matten-vlas, o. Smalbladig wollegras. — Alatten-vmuTt', v. (-en). — Matter, m. (-s). — Mat iter, v. (-s).

^Iafa«li. Statie (Congo, linkeroever).

malador, m. (-s). Stierendooder. Hoogste troef (kaartsp.). Man van verrao-

fen en aar zien. lem., die uitmunt in eenige unst, enz.en en aar zien. lem., die uitmunt in eenige unst, enz.

mate, v. Zie Maat. — Matelyk, bn. bijw. Met mate. Matiglijk. — Mateloos, bn. bijw. — Matenmaker, m. (-s). — Ma-tenverkooper, m. (-s).

ma tor, v. Moederkruid.

matcriaHl, o. (..alen). Bouwstoi. Grondstof. Bestanddeel. — Materialisme, o. Leer van degenen, die niets buiten de stof aannemen en derhalve het bestaan van God en van de ziel loochenen. — Materialist, m. (-en). — Materia/istisch, bn. bijw. — Ma ten alt teit, v. Eigenschap der Stof. Stoffelijkheid. — Materie, v. (..iën, •s). Stof, grondstof. Ondeiwerp, zaak : in materie (van), in zake (van). Stof, rfden, aanleiding: er is geene materie toe. Etter.

— Materieel, bn. Stoffelijk, lichamelijk. Plomp, grof. zwaar. — Materieel, o. Tuig, gereedscnap. Geschut (van een leger).

mathematicu», m. (..ci). Wiskunstenaar. — Mathematiek, v. Wiskunde. — Mathematisch, br. — Mathesis, v. Wiskunde.

matholt;Mi, v. (-deren, -ders). Pluvier.

]Hatliot /.. y.), 1830-1895, Antwerpen. e= L. van Ruckelingen. Werkend lid der K. VI. Academie. Geschiedschrijver. De

£ — MAUW

Patriottentijd 1780-1790 (1860^ ; de JacO* by nen in België, 1700-179';; Geschiedenis der Oostenrijkse he Nederlanden (1876-'80).

]tlatliiiftal«m. Oudvader. Afstammeling van Seth. Vermaard door zijnen boegen ouderdom : 969 jaar.

matig:, bn. bijw. Middelmatig, niet overdreven, tameiijk : tegen een matigen prijs \erkoopen, iets matig aanleggen. Maat houdend in eten of drinken : matig gebruik van sterken drank. Sober : hij is in alles zeer matig. Spaarzaam : een matig leven. Bedaard, zedig. — Matigen, bw. matigde, heeft gematigd. Mat'g maken. Beteugelen. Lenigen. Onschadelijk maken. Zich matigen, ww. — Matigheid, v. — AIa tig heidsgenootsch ap, o. (-pen). — Ma-tiging, v. — Matiglyk, bijw.

matras, v. (-sen). Onderbed. Pisglas. Dist lleerkolf. — Matraslinnen, o. — Matrassen maakster, v. (-s). — Matras* senmnker, m. (-s).

mair«gt;H, v. (-sen). Meesteres. Minnares. — Matresseschool, v. (..olen). Klein-kinderschool.

malrU», v. (..zen). (Drukk.) Gietvorm. Muntstempel. Moer of stuk, waarin de spil draait (bij schroefwerken). — Alatrijshow der, m. (-s).

matrone, v. (-n, -s). Bedaagde, deftige vrouw. Huismoeder.

matroos, m. (..ozen). Zeeman. Bootsgezel. — Matrozenarbeid, ra. — Matro-zenbroek, v. (-en). — Matrozenbots, o. (..zen). — Matrozendans, m. ( en). — Afatrozendracht, v. — Mat' ozengeld, o.

— Alatrozenherberg, v. (-■. n). — Matro» zenhoed, m. (-en). — Matrozen/tuur, v,

— Alatrozenkist, v (-en). — Matrozen-kleeding, v. — Matrozenkost, m. — Ma-trozenkroeg, v. (-en). — Matrozenlied, o. (-eren). — A/atrozenpak, o. — Matrozenplunje, v. — Mafrozenspi/s, v. — Matro-zenwacht, v. (-en). —Matrozenwerk, o.

mats, v. (-en). Slag. — Matsen, bw. matste, heeft gematst. Doodslaan (met eeno knots). — Alatshamer, m. (-s). Strijdha^ mer.

matH, v. (-en). Wijfjeshond. matiM*lin«llt;linff, v. Gruis (van koren, enz.). Uitschot.

matMvrviugr, v. (-en). (Zeew.) Serving (om op touw, op de raas of op d« lijken te leggen).

matavot, m.(ten).Zot, lafaard. Scheldnaam (van eene vrouw gezegd). Itlattlieus. Zie Evangelist.

Iffaurlts, 1567-1625, Dillenburg. Print van Oranje. Graaf van N..ssau. Zoon van Willem I. Veldheer. Verraste Breda (1590). Veroverde Zutfen, Deventer, Del Hl. Hulst en Nijmegen (1591). Versloeg de Spanjnarden bij Turnhout (1597). Veroverde Rijnberk, Meurs, Oldenzaal, enz. Zegevierde te Nieuwpoort (1O00). Veroverd© Gra\ ©, IJzendijkej Sluis (1604). Werd stadhouder over Gronin en en Drente (1620). mauKoleum, o. (..ea). Praalgraf. Mauve {A.}, 1838-1888, Zaandnnj.Schil* der. Avond aan zee; eene Kudde schapen, ■

mauweiijOw.mauwde, heeft gomauwdr-


ocr page 488

MEDE — 4

.^Schreeuwen (van de katten). — Mauwing, V. ( en).

Max {G. C.),i840, Praag. Duitsch schilder. Uie Martyr erin am Kreuz (1865) ; Cht isttis heilt een krankes Kind. 1 inaximo, v. (-n). Grondstelling, grond-Blaer, maatstaf, richtsnoer. Leerspreuk.

Mstximiliaau. Zoon van den keizer Frederik III. Huwde met Maria van Bur-gondië (1477) en zoo kwam België en Nederland onder de heerschappij van Oostenrijk.

Hlaximiliaan {F.J.), 1832-1867,Wee-cen. Aartshertog van Oostenrijk. Keizer van Mexico, ^emaal van prinses Charlotta. Werd gefusilleerd te Queretaro.

inaxlmiiiii, o. (..ma). Het meeste, het hoogste of het grootste. Toppunt.

MaKariu(5f.)«i6o2-i66i,Piscina (Abruz-zen). Kardinaal en Fr. staatsman. Minister ■van Lodewijk XIII. De adel en het parlement van Parijs kwamen tegen hem op. _ J£en burgersoorlog, Fronde genoemd, ontstond. Mazaiin behaald»- de zege.

may.olcn, v. mv Aanzettende huidziekte der kinderen. Heeft een regelmatig verloop. Roode vlekken verschijnen over gansch het lichaam. — Mazelen, ow. mazelde, r eeft gemazeld. De mazelen hebben. — Mazelhout, o. Houtig uitwas op fommige boomen.

niMzen, ow. maasde, heeft gemaasd. Breiwerk herstellen. — Mazenhaakje, o. •(-sK — Mazenwerkt o. Netwerk.

mazier, o. (-en). Gat in eene poort of Stalmuur.

maziilict Zie Maskuliet.

me, pt-rs. vnw.; mij.

luca €*ul|»a. Schuldbekentenis. Dcor mijne schuld.

Mécliain {P. F. A.)t 1744-1805, Laon. Fr. Sterrenkundige.

niecliztiiioa, v. Werktuigkunde. Leer der beweging in 't algemeen. Wordt onderverdeeld in dynamica en statica, — Mechanicus, m. (..ci). Werktuigk'indige. Werktuigmaker. — Mechaniek, v. Mechanica. Samenstelling of inrichting der werktuigen. — Mechanisch, bn. Werktuig-kunstig. Werktuiglijk. Zonder nadenken. — Mechanisme, o Samenstel. Bewerktuiging. Inwendige samenstelling van een 'werktuig. Drijfwerk, raderwerk.

mvdaille, v. (-s). Gedenkpenning. .Eerepenning.— Medailleur, m. (-s). Stempelsnijder. — Medaillist, m. (-en). Kenner .of liefhebber van medailles. — Medaillon, o. ( s). Halspenninp. Naamcijfer of portret, als borstsieraad gedragen. Plat doosje van goud, zilver, enz., dat iets kostelijks bevat en aan eenen ketting om den bals gedragen ..wordt.

uicde, nice, v. Meekrap.

mede, mee, v. Zie Mee (2® art.), mede. en mee (zoo ook in de meeste samenstellirgen), bijw. Benevens, ook. .Met. In gezelschap (van), tegelijk, samen (met een ander).—medeaaiiivezig:, bn. file de a a n tv e zie h eid, v. — medeaanzit-len, ow. (1) Met andere personen aanzit-

(1) De samengestelde werkw. met mede .*ijn scheidbaar.

4 — MEDE

ten (aan tafel, enz.). — medeafgrevaar-diffde, m. (-n). — medeambtenaar,

m. (-s). — medearbeiden, bw. ow.

Medearbeider, m. (-s). Mede arbeidster, v. (-s). — medebediende, m. en v. (-n). — medebeklaag:«le, m. en v. (-n).

— medebelaiiKlieltbende, m. en v. ( n). — medeheHeliuldiKde, m. en v. (-n). — medebentuii■•«!«'r, m. (-s . — medebewoner, m. (-s). — medebe-zilter, m. (-s). — medebiMMeliop, m. (-pen). —medeboeler, m. ( s). Mededinger. — medeboelli4»uder, m. ( s). Medebezitter van een erfgoed. — mede-borer, m. (-en). Die met ar deren borg is.

— medebreiiBren, bw. Met zich brengen, voeren, draden : hij zal u uw geld me-dquot;brergen, wat nieuws brengt gij mede? De gelegenheid bi acht het mede, was er gunstig toe Het gebruik br« ngt dit mede, wil het. Inhouden, bei elzen : die briet brengt goed nieuws mede. Ow. Vergezeld zijn of gaan (van) : dit brengt de oude dag mede. Dit brengt natuurlijk mede, een natuurlijk gevolg hierv an is. — medebroeder, m. (-s). Medebroederschafi, o. Het zijn van medebroeder v. ( pen) De medebroeders. — medeburger, m. (-s). Medeburgeres, v. (-sen). Mede burger schap, o. — medeeliristen, m (-en). — me-deooiiimiH«ariH, m. ( sen). — mede-erediteur.m. (-en).— mededaiiM^u, ow. Deelnemen aan den dans. Bw. Eene polka mededansen. Mededanser, m. (-s). Mededanseres, v. (-sen). — mededee-len, bw. Deelgenoot maken (van) : iera. een geheim mededeelen. Kennis geven, berichten : nieuws mededeelen. Van het zijne overdoen ; ik deel u steeds van mijne vruchten mede. Ow. Deelnemen (aan). Deelnemen (in). Zich mededeelen, ww. Mededeelbaar, bn. Mededeelbaarheid, v. Mededeelend, bn. Mfdedeeler, m. (-s). Mededeelhebber, m. (-s). Mededeelhebster, v. (-s). Mede deeling, v. (-en). Méde-deelster, v. (-s). Mededeelzaam, bn. Mededeelzaamheid, v, — mededienst-kneeht, ra. (-en). Mededienstmaagd, v. (-en). — mededingen, ow. Wedijveren. Mededinger, m. (-s). Mededinging, v. Mededingster,v. (-s). — mededoen, ow. Zich bij anderen aansluiten. Van de partij zijn. — mededoogen, o. Barmhartigheid. Medelijden. Mededoogend, bn. Meedoogend. Medednogendhetd, v. Me-dedoogzaam, bn. Meedoogend. Mededoo-g en loos, bn. bijw. IMeedoogenloos. — me-dedrinken, ow. bw.— medeëen wig:, bn. — medeëiipeiiaar, m. (-s, ..aren). Medeëtg en a res, v. (-sen). — medeërf-Cfenaam, m. en v. (..amen). Medeërfge-name, v. (-n). — metleëten, ow. bw. — medi'i^aan.ow. (zijn) Met anderen gaan. Vergezellen. Doen wat anderen doen. (Ztew.) Het anker gaat mede, sliert over den bodem. Medegaand, bn. Meegaand.

— medegenoot, m. (-en). Medege-node, v. (-n). — med«'s:etnige, m. en v. (-n). Medegetuigen, bw. Eene gelijke getuigenis afleggen. Medegetuigenis, o. en v*. (-sen). — medegevangene, ra. en v. (-n). - - medeg-even, bw. Iets geven


ocr page 489

MEDE — 4

aan iem., die vertrekt. Ten huwelijk geven. Ow.Min ot meer veerkrachtig zijn: deze stok geeft mede. Toegevend zijn. — mctlegre-voel, o. — niciM^srezcI, m. ( len). Metgezel. Med(e)gezellin, v. (-nen). Medegezelschap, o. (-pen). — medelisui-delastr, m. (-s, ..aren), \fedehandelaar-sier, v. (-s). — iiic«lehcligt;en, ow. Helpen (aan). Medewerken. Medehelper, ra. (-s). Medehelpster, v. (-s). — medelmi-len, ow. — niclt;loliul|», v. — mecle-bniirder, m. (-s) Mede huurster, v. (-s). — mcdcïnsrozeteiie, m. en v. (-n). — iiiedeJafpcïHi bw. ow. — me-dejsiHHen, ow. — mcdeknartcn, ow.

— UKMlckasitscn, ow. — ■iiedckam-pcn, ow. — mcdekefloiB, ow. — mc-

gelen, ow. — medekeizer, ra. (-s). — medekeiinis, v. Voorkennis. Medeweten. — medekiezen, ow. Medekiezer, ra. (-s). — medeklinken, ow.Tegelijk meteen anderen toon klinken. Medeklinker, m. (-s). (Taalk.) De mede-klinkt rs ontstaan, wanneer de uit de borst gedreven lucht door verenging of volkomen afsluiting der mondholte bel» mmering ondervindt : b, c, d, enz. — medekneclat, m. (-s, -en).—niedeknikkereu, ow.

— medekolven, ow. — medeko-men, ow. (zijn) Komen in gezelschap van eenen of meer personen. Tegelijk nu t andere dingen komen. — medekrUgen, bw. Ontvangen om mede te nemen. Ten huwelijk krij.en. Iem. medekrijgen : gelukken hem mede te nemen. — mede-fcrUffwman, m._ (..lieden). — medc-kuiereu, ow. (zijn) Medewandelen.

medel, metel, v. Soort van struisgras.

medclaelicn.ow.—medeleeraar,

m. v-s, ..aren). Me deleeren, ow. Met anderen Weren. Medeleerling, ra. en v. (-en). Medeleerlinge, v. (-n). — medelega-taria, ra. (-sen). — medelezen, ow. bw. Lezen met een ander. Een boek lezen met een ander. Deelnemen aan voorlezingen. Lid zijn van een lezersgezelschap. — medelid, o. (..eden). Lid van hetzelfde genootschap, enz. — mcdeiüdcn, bw. ow. Lijden met anderen. Medelijden, o. Deernis. Erbarming. Medelijdend, bn. bijw. Aan eens anders smartelijk gevoel deelnemend. Meedoogend. Gevoelig. Medelijdendheid, v. Medelijdenswnartiig, bn.— medelokken, bw.—medeloo-peu, ow. (hebben, zijn) Met anderen loo-pen. Gelukken. Medelcoper, m. (-s). Persoon, die medeloopt. ra. Mee-looper. — medemaat, m. ( s). Metgezel. — medemakker, m. (-s). — me-demeiiMOli, m. (-en). Evenmensch. — medeminnaar, m. [-^. Medeminnares, v. (-sen). Medeminnarij, v. (-en).

nu'den, bw. meedde, heeft gemeed. Met meekrap verven.

medenemen, bw. Met zich nemen. Met zich voeren. Bij zich steken : geld medenemen. Foppen, bedriegen.— mede-onderteekenen, bw. Medeondertee-ktnaar, m. (-s). — medeoorzaak, v. (..aken). — medepaarten, ow. Mede-deelen. — medepacliler, m. (-s). Me-

5 — MEDE

depachtster, v. (-s). — mede|»akketir bw. — medeplieliti};, bn. Schuidigquot; (met anderen) aan hetzelfde misdrijf. Medeplichtige, ra. en v. (-n). Medeplichtig' he id, v. — medepraten, ow. Medeprater, ra. (-s). Zie Meeprater. — mede-proeven, ow. — medereeder, ra. (-s). — mcderedaeteur, ra. ( s). — medereeeeren, bw. Mederegent, ra. (-en). Mederegentes, v. (-sen). — mede-reizen, ow. (hebben, zijn). Medereiziger, ra. (-s). Medereizigster, v. (-s). mederekenen, bw. ow. In de rekening opneraen. In rekening brengen. Hij rekent niet mede, korat niet in aanmerking. — mederUden, ow. (hebben, zijn). — me-deseliepsel, o. (-en). Natuurgenoot. — iiK'deMoliieten, ow. — melt;leHelio-ller, ra. (-en). — medeNelireeuwen, ow. — medeMehreien, ow. — mede-soliuldisr, bn. Medeplichtig. Medeschuldige, ra. en v. (-n). — medeNlaan, bw. ow. Met anderen slaan. — medewlacli-fen, bw. ow. Met anderen slachten. — medesleepen, bw. Met anderen sleepen. Met zich sleepen. Wegsleepen, Verleiden. — medeMienteren, ow. (zijn).

— medCHpelen, bw. ow. Medespeler, ra. (-s). — Medespeelster, v. ( s). — me-deN|»reken, ow. Deelnemen aan het gesprek. Iem. verdedigen door voor hem te spreken. Zich met iets bemoeien : hij mag er niet van medespreken. — medeaprin-geii, ow. — medeMlsiuder, m. i-s). Deelgenoot. Die met anderen tot dezelfde partij behoort. Medeplicltige. — medestemmen, bw. ow. Toestemmen D.-el-nemen aan eene stemming. Aledestem-tning, v. — melt;le«iti-U4i, ra. Mededin-

fing.ing. Medestrijden, ow. Medestrijder, ra. s). — medeHturen, bw. — mede-torften, bw. Mededragen. — medetrekken, bw. Tot zich trekken. Ow. (zijn) Deelnemen aan de reis, met iem. reizen.

— medelroonen, bw. Op slinksche wijze met zich voeren. — medevallen, ow. (zijn) Tegelijk met iets anders vallen. Gelukkig afloopen. De verwachting overtreffen. Medevaller, m. (-s). Zie Meevaller. — medevaren, ow. (zijn). — me-deveehten, ow. — medeverwaiit, ra. (-en). Mede verwante, v. (-n). — me-devieren, bw. — mecleviiegen, ow. (zijn). — medevineliten, ow. (zijn).— medevoeren, bw. — medevoogd, ra. ( en). Medevoogdes, v. (-sen). Medevoogdij, v. Medevoogdijschap, v. — medevrijer, ra. (-s). Medevrij ster, v. (-s).

— medevnren, ow. — medewaken, ow. — medewandelen, ow. (hebben, zijn). — medewaHMolien, bw. ow. — medeweenen, ow. — medeweken, bw. — me «Ie werken, ow. Deelnemen aan den arbeid. Met een ander werken. Bijdragen (tot). Medewerker, ra. (-s). Medewerking, v. Medewerkster, v. (-s). — medeweten, o. Kennis. Bekendheid. Voorkennis. Ajedewetenschap, v. Mede-weter, m. (-s). — medewillen, ow. Verlangen mede te gaan Die zaak wil niet mede, wil niet vooruit. — medezeilen, ow. (hebben, zijn). — medezeiistan-


ocr page 490

MEE — 4

«lig. bn MeJezelfstandikheidlt; v. — mc-d«'zendt'ii, bw. — medezingen, ow. bw. — uivdoziioliten, ow. — modo-ziiHtor, v. (-s). — inlt;Mlez\v«gt;iiiiii4gt;u

ow. (hebb( n.zijn).— uiedczMcrvcii,ow.

medisiau mediaanlcf Ier, v. (-s). Soort van diukletier. — Mediaan, tnedi-aanpapicr, o. Zeker formaat van drukpapier. — Mediaanader% v. (-s). Middelader van den arm. — Medtaanlyn, v. (-en). Middellijn.

niedieameut, o. ( en). Geneesmiddel. Artsenij. — Medicijn, v. (-en). Geneesmiddel. — Medicijnent v. mv. Geneeskunde. Artsenij. Doctor in de medicijnen. •— Medtcijndrank, m. ( en). —Medicyn-fiesch, v. (..sschen). — Medicijnmeester, m. (-s). — Medicinaal, bn. Generskund g. Geneeskrachtig. Tot de artsenij behoo-rende.— Medicine eren, ow. medicineerde, beeft geniedicinet rd. Geneesmiddelen toedienen, voorschrijven, gebruiken. Onder geneeskundige behandeling zijn. — Medicus, m. (..ci). Geneesheer. — Medisch, bn. Tot de geneeskunde behoorende. Genees-kundig.

medio, bijw. Midden. Medio October : half October. In medio : in het midden. — Mediocre, bn. Middelmatig. — Mediocriteit, v. Middelmatigheid. Onbeduidend mensch. Bekrompen verstand.

inediteeren, bw. ow. mediteerde, heeft gemediteerd. Overwegen, overpeinzen, overdenken. In den geest^bidden. In vrome overpeinzing gekeerd zijn. Nadenken. Overleggen. Ontwerpen. Beramen.— M, dit at ie, v. (..ien, -s). Overweging, beschouwing, overdenking. Bespiegeling. Geestelijke overweging.

mediniu, o. Middelweg. Middelterm. Hulpmiddel. Circuleerend medium : gemunt geld. lem., die met den magnetiseur in betrekking staat.

mee, meekrap, v. Sterbladige plant (rubia tinctorum), die eene zekere kleurstof in hare wortelstokken vervat. — Mee-akker, m. (-s). Meekrapakker. — Meekrapakker, m. (-s). —- Meekrapboer, m. t-en). — Meekrapbt uin, bn. o. — Mee-krap fabriek, v. (-en). — Meekr apjabrikant,xw. (-en). — Meekrapgeel, bn. o.— Meekraplak, o. — Meekrapniolen, m. (-s).

— Meekriipvialer, m. ( s). — Meekraporanje, o. — Meekrap planten, v. mv. Plantenfamilie, waarvan bij ons alleen kruiden voorkomen. — Meekrappoeder, o. (-s). — Meekrappurper, o. — Meekrap-rood, bn. o. — Meekraprups, v. (-en). Rups (macroglossa stellatarum), die inz. op meekrap leeft. — Meekiapvat, o. (-en). — Meekropveld, o. (-en). — Alee-krapverf, v. (..ven). — Meekrapverver, m- (-s\. — Meekrapververij, v. — Mee-h apwortél, m. (-s).— Meemaler, m. (-s). Meekrapmaler. — Meesnijder, m. (-s). — Mee stamper, m. ( s). Werktuig om mee-kr.ip fijn te stampen. — Meestoof, v. (..oven). Storf, waar de meekrap wordt beieid. — Meevat, o. (-en). Meekrapvat.

— Meeveld, o. (-en). Meekrapvela. — Weeverf, v. (..ven). Meekrapverf.

luee, v. Drank, uit honig en water ver-

6 — MEEN

vaardigd. — Meevat, o. (-en). Vat voor cl met mee.

mee, bijw. Zie Mede. — M^edoogend, bn. bijw. Medelijdend. — Afeedoogend-heid, v. Medelijden. Ontferming. — Mee-doogenloos, bn. bijw.— Mee#aand,hn.Toegevend. Medelijdend. — Meegaandheid, v. — Meelorper, m. (-s). Buitenkansje. — Meeprater, m. (-s). Jabroer.— Aleevaller, m. (-s). Buitenkante. — Meewarig, bn. bijw. Barmhartig. Medelijdend. — Meewarigheid, v. — Meewarigljjk, bn. bijw.

mcedpennlnsr, v. (-en). ZieMeepen-ning.

meeken, o. (-s). Meetje.

meel, o. Gemalen of gestampte stof, poeder Inz. het voedzame deel van granen of sommige peulvruchten, fijn gemalen of gestampt.— Meelachtig, bn. — Meelach-tigheid. v. — Meelb'oem, v. Zeerfijn meel.

— Meelbloem, v. (-en). Zekere plant. — M' elbnom, m. (-en . Sagopalm. Ook, volksnaam van verschillende planten. — Meelbuil, v. (-en).— Meelbuis, v. (..zen).

— Meeldauw, m. Ht t zoogenaamde wit : honigdauw. — Meeldeeg, o. en m. — Meeldraad, m. (..aden). Meeldraden (stamina): organen der bloem, waarin 't bevruchtend stuifmeel (pollen) zich ontwikkelt. Het bladvormiae gedeelte noemt men helmdraad (filamentum), het bladschijfvormig gedeelte, helmknopje (anthera). Binnen de holten van het helmknopje ontwikkelen zich eigenaardige cellen, die, na de rijpheid, stuifmeel of stuif meel kor reis (grana pollinis) genoemd worden. — Meelhan-del, m. — Meelkalk, v. Zeer fiin ge-siooten kalk. — Meelkamer, v. (-s). — Meelkever, m. (-s). Meelwoim. — Meel-kist, v. (-en). — Meelkooper, m. (-s). — Mee!korpster, v. (-s). — Meelkruid, o. Meelbloem. — Meelkuip, v. (-en). — Mtellijm, v. — Meelmees, v. (..zen). Pimpelmees. — Meelpap, v. (-penj. — Meel-pot, m. (-ten). — Meelreep, m. ( en). Reep van mee deeg — Aleelspys, v. (..zen). — Meelstande, v. (-n). Meelkist. — Meelstof, o. Stuifmeel. — Aleelstruik, m. (-en). Met lboom. — Meelsuiker, v. — Meel-tnbbe, v. (-n). — Meelton, v. (-nen). — Meettor, v. (-ren). Schildvleugelig insect {tenebrio mohtor), welks larve de meel-worm is. — Meeltrog, m. (-gen). — Meelvat, o. (-en). — Meelvlek, v. (-ken). (Geneesk.) Witte huidvlek. — Afeelworm, m. (-en). Larve van de meeltor. Komt in menigte voor in oud meel. — Meelworst, v. — Afe'lzak, m. (-ken). — Aleelzeef, v. (..even). — Meelzift, o. (-en). —Meelzolder, m. (-s).

meele, v., meel|;ra«, o. Medel.

meenen, meende, heelt gemeend. Ow. Denken, vermoeden, oorderlen : ik meende, dat hij reeds lang vertrokken was. Voor-nemens zijn : hij meende vandaag te vertrekken. Hij meent het zoo kwalijk niet: hij heeft de zaak zoo ernstii niet opgevat. Bw. Bedoelen : hij zegt ja, maar meent neen. Het wel met iem. meenen : iem. genegen zijn, niet schertsen. — Aleenmg, v. (-en). Gevpel, oordeel : volgens mijne


ocr page 491

MEER — 4

raeening. Bedoeling. Oogmerk, doel. Van meenirgzijn : vooinemers zijn.

weent (-en), uiecutc, mecno, v.

(-0). Gemeene weide.

iuev|»eiiiiiiis:,m. (-en). Godspenning.

bn. Zwak. Ziekelijk. — Meepschheid, v.

meer, o. (meren). Groot binnenlandsch water. — Meer, v. Drooggemaakt meer.

— Al ret aal, m. (.alen). Kongeraal. — Meei baars, m. (..zen); v. (stofn.) Zekere visch. — Meerbladeren, o. mv. Witte plompen. — Meereend, v. (-eu). Zekere zwem vogel [anas fttica), — Meergronden, ra. mv. Laag land van een dn ongemaakt meer. — Me er krab, v. (-ben). Soort van schulpvisch. — Meerman, m. (-nen). Zeeman. Mannetje van de meermin. — Meer-miv, v. (-nen). (Fab.) Gedrocht, half vrouw half visch. — Meernimf, v. (-en). Vrouwelijke watergeest. —Meerplant, v. (-en). — Meer poet, m. (-en). (Gewest.) Zekeie visch. — Meerval, m. (-len). Visschenge-slacht {silui us) van de orde der weekvin-nigen en van deafdeelingderbuikvinnigen. Is na den sleur de grootste riviervisch. — Meervisch, m. (..sschen). — Meerivater, o. —Meerznyti, o. (-en). Zeevarken, üok, bruin visch.

raeer, bn. bijw. Vergrootende trap van veel : hij heelt meer boeken dan gij. ïe meer : te eerder, te liever. Ik zal er niet meer van zeggen, er niet verder over spreken. Zie Dan. — Meerder, bn. bijw. Veel meer (in getal), tiet meerdere getal ; de meerderheid. Grooter, aanzienlijker, verhevener : zijne meerdere ervaring. — Meerdere, m. en v. (-11). Hoogere in rang. — Meerderen, meerderde, heeft gemeerderd. Bw. Meerder maken. üw. Meerder worden. Zekere bewerking bij het breien. —

— Meer der aar, m. (-s, ..aren). — Meerder hetd, v. Het grootste getal. Grootheid. Macht. Overwicht. — Meerdering, v. (-en).— Meerderjarig, bn. Den ouderdom van 21 jaren (België) of 23 jaren (Nederland) bereikt hebbende. — Meerderjarigheid, v. — Meerderjarige, m. en v. ( n) —Meerderjarigverklaring, v. (-en).

— Meer derman,m. (Alleen in) v\ aar meerman komt, moet minderman wijken.quot; — Al eer dei term, m. (-en). Zie Sluitrede.— Meer ended, o. Het grootste gedeelte. De meesten. — Meer endeels, bijw. Voor het grootste gedeelte. In de meeste gevallen.

— Meergemeld, meergeno' md, ?neergezegd, bn. —Meergevorderde, m. (-n). — Meerheid, v. Meerderheid. —Meermaal, meermaals, meermalen, bijw. Dikwijls.

— Ileei slachtig, bn. Meerslachtige zelfst. naamw. Niet overeenstemmende. — Meer-slarhtigheid, v. — Meervoud, o (-en). Een der twee getallen in de spraakkunst.

— Meervoudig, bn.

I»Ieer (J. van der), 1628(?)-1691 (?), Schoonhovlt; n(?). Schilder van landschappen en zeegezichten.

meerbod, v. (-en). (Zeew.) Houten kist om er schepen aan te beleggen. — Meergeld, o. (-en). Geld, dat betaald wordt voor het meren van schepen. — Meerkf tting, m. (-en). Ketting om sche-

.7 — MEES

pen aan te meren. — Meer kist, v. (-en). Meerboei. —Meerling, m. (-en). Marling.

— Meerpaal, ra. (-en). — Meer ring, m. (-en). — Meertouw, o. (-en).

mecrkaamp;t, v. ( ten). De mee*katten vormen eene fami ie van de apen der Oude Wereld. Hebben een slank licht lichaam met eenen staart. Soorten komen voor op Java, in N.-Afrika, enz. De gemeene meerkat [simia cynomolgos). meerkoet, v. (-en). Koet.

meerkol, ra. ( len). Gaai. — Meer' kollenei, o. (-eren).

meerle, v. (-n), merel, v. (-s). Vogel {turdus merula). Behoort tot de familie der lijsters. Wordt ook merCeJlaar,giete-liug en zwarte lijster genoemd. — Meer-Ie ti ei, o. (-eren).

meerseli, ra. (-en). Grasland. Weide. JVIeeraeli [J. A. van der), 1734-1792, Meenen. De Patriotten stelden hem aan het hoofd hunner troepen. Versloeg raet 3000 raan den Oostenrijkschen gent-raal-raajoor Schroeder (1789). Geheel België kwam in opstand en de keizerlijke krijgsbenden, alom tot den aftocht gedwongen, zakten af naar het Luxemburgsche. De Patriotten werden veislagen door Bender (1790).

meerneliuim, o. Weeke, lichte en aardachtige delfstof. Is wit, lichtgeel of rcodacluig van kleur. Bestaat uit kiezel-zuur, talk- of bitteraarde, water, ijzeroxydo en aluinaarde. Dient vooral om pijpekop-pen te vervaardigen.— Meerschuimen, bn.

Meert (//.), 1865, Aalst. Taalkundige. Leeraar (Athenaeum, Gent). Lexicogra-phie van de werken van J. Ruusbroec (met W. de Vreese); Distels, proeve van taalzuivering (bekroond, 1897).

meerzen, bw. ow. meersde, heeft ge-meersd. Vermeerderen. Grooter, dikker, langer, enz. maken of worden.

meeft, v. (meezen). De mee zen vormen eene familie van vogelen {parus), 't Zijn levendige en stoutmoedige vogeltjes, wier voedsel in zaden, bessen, insecten, spin-neneieren bestaat. Nestelen meestal in holten van boomen. — Me'zenknip, v. (-pen).

— Meezenslag, o. ( en).

meesmuilen, ow. meesmuilde, heeft

gemeesmuild. In de vuist lachen. Hoonend lachen. Met gesloten lippen eten. — Mees-muiler, m. (-s). — Meesmuiling, v. (-en).

— MeesmuiIster, v. ( s).

meest, bn. bijw. Overtr» ffende trap van veel: de meeste menschen. Het meeste: het grootste gedeelte, de grootste hoeveelheid. De meest onkiesclie woorden. —

— Meestal, bijw. In de meeste gevallen. Zeer dikwijls. Bijna altijd. — Meestbiedenden. — Meestendeels, bijw. Voor het grootste gedeelte. — Meestentijds, meesttijds, bijw. Meestal.

meester, m. {-s, -en). Die boven anderen staat. Machthebber. Bestuurder: God is de meester van 't heelal. De voornaamste in sterkte en macht : hij moet u voor zijnen meester erkennen. Die boven anderen in kennis uitneemt : Rubens was oen groot meester. Leermeester, onderwijzer, schoolhouder. Veearts. Heelmeester. Baas, heer.


ocr page 492

MEEU — 4

tij die knechts onder zich heeft. Baas : de meester van het huis. lem., die een werk voortgebracht heeft: het werk getuigt van sijnen meester. Eigenaar, heer : hij is de meester van dit kasteel. Titel van rechtsgeleerden : meester in de rechten. Hooge graad bii de vrijmetselarij. — Afcesferach-iig, bn. bijw. Als meester. Heerschzuchtig. Meesterlijk, volmaakt. — A/rrs/e» acht ikheid, v. —Meesteren, bw. ow. meesterde, heeft gemeesterd. Bedwingen, noodzaken. De heelkundige praktijk uitoefenen, behandelen. Behandeld worden door een^n dokter. — Meesteres, v. (-sen). — Meestergast, m. (-en). Meesterknecht. — Mee\ter-geld, o. (-en). Loon eens heelmeesters — Meesterhand, v. De hand eens meesters. Groote bekwaamheid. — Meest try, v. Heelkundige praktijk. — Meester knaap, m. (..apen). Rechter in houtvesterij-zaken.

— Meesterknecht, m. (-s). Eerste knecht.

— Meeste) lijk, bn. bijw. Vooriretfelijk, uitmuntend. Üp meeslerachtigen toon. — Meestertoon, o. en ra. — Meester loos, bn.

— Meesterrecht, o. — Meesterrib, v. (-ben). (Zeew.) Hoofdrib of zijstuk van een vaartuig. — Meesterschap, o. Gezag, overwicht. Heerschappij. Meesterrecht. — Ale ester se, v. (-n). Meesteres. — Meesterstuk, o. (-ken). Proelstuk, dat eertijds een gezel moest vervaardigen. Jets om als meester aangenomen te worden. Iets voortreffelijks. Meesterlijke daad. Het p'.atte van eenen schotel. — Meesterzanger, m. (-s).

meet, v. Geteekend begin van een speelperk : aan de meet staan. Vo*-'. aan de meet houden : voet bij stek zetten. Van meet (al) aan beginnen : van •vorfm af aan. — Meetbaar, bn. — Meetbaarheid, v. — Meetbrief, m. (..ven). Certificaat over de grootte en den inhoud van een schip. — Meetgeld, o. — Mf ei-kan, v. (-nen). — Meetketting, m l-en^

— Meetkleed, o. (-en). Kleed, naar hetwelk de deelen van een nieuw kleed worden afgemeten. — Meetkruxs, o. ( en*. Zeker gereedschap. — Meetkunde, meetkunst, v. Deel der wiskunde, bepaalt zich bij de kennis der eigenschappen wan eemge lichamen en geeft de regels aan, waardoor men eene uitgebreidheid moet meten. — Meetkundig, bn. — Meetkundige, ra en v, (-n). — Meetkumtenaar, m. (-si — Meetkunstig, bn. — Meetlijn, ». ( en), — Meetlood, o. ( en). — Meeltoon, o. en m. (-en). —Meetroede, v. (-0). — Meetichv/f, v. (..ven) — Meetsnoer, o. ( en). — Meetstok, m. (-ken) —Meettafeltje, o. t-s^.

meeting:, v. (-s). Volksvergadering, inz. met eene politieke bedoeling. — Mee-tingist, ra. (-en). #

meetje, o. (-s). Oud vrouwtje. Grootmoeder. Meter.

MeelJeslaiMl, o. Landstreek tusschen Evergem, Nevele, Maldegera. Hoofdpl. ; Eekloo.

meeuw. v. (-en). Familie van vogels (Jarus). Behoort tot de zwemvogels. Verscheidene soorten komen bij ons voor. — Meewwenei, o. (-eren). — Meeuwennes/, o. en ra. (-en). —Meeuwvogel, ra. (-s).—

8 — MEI

Meeuweveer, v. (-en). — Meeuwinde, v. Volksnaam der wilde kamperfoelie, meeuwen. Zie Mauwen.

Meeranok (£*. .1/-), 1837, Xederbrakel. Schoolopziener. Herman Cautereel (no-vellquot;, bekroond, 1873); het Huisgezin van den Bakker (novelle, bekroond 1875).

megersi, v. (-'s). Boosaardig wijf. Helleveeg.

Ifléhal {E. N.), 1763-1817, Givet. Fr. opera-componist.

31elin«i (Z-.), 1630-1691, Oudenaarde. Schilder. Offer van Abraham ; Mansportret.

mei, m. Bloeimaand. 5® maand van 't iaar Bloei • de mei van 'f leven. — Mei, ra. l-en) Bloeiende tak. Loovertak. Ruiker. — Meiavond, ra. (-ent. — Meibloem, v. (-en), meibloempje, o. (-s). Aspergeach-

Meibloem.

a. Bladen bloemen, b. Bloem. c. Open bloem.

tige plant {convallaria ntajalis). Wordt ook lelietje, der dalen genoemd. — Meiboom, ra. (-en). Groene tak, dien raen op een nieuw gebouw plaatst, wanneer het gebint klaar is. Spar, raet bloemen en bladeren omhangen, welke men op meiavond plant. —Metboter, v. — Meidoorn, ra. (-s).. Haagdoorn. — Meidrank, ra. —Meifeest, o. en v. (-en). — Meihout, o. Hout in Mei te vellen of geveld. — Meikampernoelie,. v. (-s^. Eetbare paddenstoel. — Meikers, v. (-en). Vroegrijpe kers, ra. (-en) Meiker-seboora. — Meikever, m. (-s). Mulder. Molenaar. Schildvleugelig insect [rnelo-lontha vulgaris). Is hoogst schadelij'k voor den landbouw en dehoutteelt.— Meiregen, m. — Meiroos, v. (..ozen). Klein roosje {rosa maj'alis). Bloeit in Mei. — Meitak, m. (-ken). Bloeiende tak van den meidoorn. Loovertak. —Mei tijd, m. — Meiquot;


ocr page 493
ocr page 494
ocr page 495

MELA — 4

veld, o. (-en). — Meivisch, m. (..sschen). Visch, die in Mei gevangen wordt. — Mei-vogel, m. {-s). — Meivtiur, o. (..uren). Vreugdevuur bij den terugkeer der Lente.

— AJeiwyn, m. —Meizoentje, o. ( s), meizoetje, o. ( s). Madeliefje.

uiel«l. v. (-en). Jonge dochter. Dienstmaagd. Meisje. — Meidendaz, m. (-en). Dag, waarop dienstmeiden uitgaan. — Mei-dendienst, m. (-en). — Meidetid* acht, v.

— Meidengeld, o. Belasting te betalen voor eene of meer meiden. — Aleidenka-mer, v. (-s). — Meidetikleedtng, v. — Meideukleeren, o. mv. — Meidenloon, o. en m. (-en).—Meidenplaag, v. (..agen). Vrouw, die zeer lastig is voor hare dienstmeiden. — Meidenpraat, m. — Meiden-Praatje, o. (-s). —Meidenwerk,o.

nieivr, in. (-s). (Middel.) ilad bet opzicht over de land» rijt-n, tuinen, bosschen. Opzichter eener home. (Fr. omwentel.) Schoutburgemeester. (Thans) Pachter, bruiker eener pachthoeve (in sommige streken). —- Meiet bloem, v. (-en). Walstroo. — Meierij, v. (-en). — Vleier kruid, o. Mei-ei bloem.

91ct|cr {J. D.), 1780-1834, Arnhem. Nederl. rechtsgeleerde.

iucineclt;l, m. (-en).Valscheeed. Schending van iets, dat men gezworen heeft. — Meiveedig, bn. — Meineedige, m. en v. (-n). — Me in eedig he id, v.

nicir, o. (-en). Zie Meer.

luciMjc, o. (-s). Kind van bet vrouwelijk geslacht. Jonge, ongetrouwde vrouwelijke persoon. Dienstmeisje. Geliefde. — Meisjesachtig, bn. — Meisjesdracht, v. — Meisjesgek, m. (-ken). —Meisjesgezicht, o. ( en). — Meisjeshand, v. (-en). — Meis-jeskleeding, v. — Meisje skieer en, o. mv.

— Meisjesnaam, m. (..amen). — Meisjesschool, v. (..olen). — Meisjesstem, v. (-men). —Metsje stoer k, o.

^IoiHMOiiicr (y.Z..£,.),i8ii-i8gi Lyon. Fr. schilder. De Schaakspelers (1836); de opkomst, bloei en val van keizerrijk; Napoleon in den slag bij Friesland (1875) ; het Gevecht (zijn meesterstuk).

mojull'cr, v. (-s), inejuflTroiiw, v.

(-en). Naam, welken men gewoonlijk geeft aan eene ongetrouwde dochter uit den burgerstand.

IVIebk», 50,000. Stad in 't Arabisch landschap Hedsjas. Geboorteplaats van Mahomed.

■uoistsitsoli, bn. Aan melaatschheid lijtlende. — Melaatsche, m. en v. (-n). — Melaatschheid, v. (..heden). Lepra. Besmettelijke en aanzettende ziekte. De huid schilfert af, het haar verschiet van kleur, het geheele lichaam is met schubben bedekt (melaatschheid der Middel.). — Eene andere ziekte wordt melaatschheid genoemd. Roode, gevoellooze vlekken ver-scl ijnen op het gelaat. Het haar verandert van kleur; de wenkbrauwen vallen uit. De vlekken vermenigvuldigen zich over het geheele lichaam, worden zweren en afzich-tdijke wonden, 't Is een algemeene kanker, die vooral handen, voeten, neus, enz. tteglnaagt. Heerscht vooral ojgt; de band

9 — MELK

wich-eilanden. (Zie Damiaan). — Me-laatschhuis, o. (..zen).

luclaiioliolie, v. Zwartgalligheid, zwaarmoedigheid. Droefgeestigheid. — Melancholiek, melancholisch, bn.

Mclsinolitoii (F.), 1497-1560, Brettec (Baden). Een der ijverigste medestanders van Luther.

ülelsiiicsië. Zie Australië.

iiielsiKhe, v. Suikersiroop. Slijmsuiker.

Koning van Salem. Priester des Allerhoogsten. Offerde brood en wijn. Zegende Abraham, die hem de tienden gaf van den buit, gemaakt op de overwinnaars.

nicltlc, v. (-n). Plantenfamilie. Geslacht [atriplex) dezer plantenfamilie, waarvan vijf soorten bij ons in 't wild worden aangetroffen.— Mel^estruik, m. ( en).

— Meidezaad, o.

iiieldvn, bw. meldde, hefft gemeld. Doen weten, berichten, verkondigen : wat wilt gij aan uwen broeder melden? Gewagen, spreken (van) : de geschitdboeken melden zijnen naam niet. Opgeven, aanmelden : hij heeft zich bij ons niet gemeld. Inhouden : wat meldt zijn brief? — Mel-denswaard, ..ig, bn. — Melder, m. (-s).

— Melding, v. (-en).

ui clou, ow. meelde, heeft en is gemeeld. Wordt gezegd van gekookte aardappels, die als meel openvallen.

moK't, v. (-ten). Visch, tot het geslacht ansjovis behoorende.

mclicfke, o. (-s). Madeliefje.

mclisr, bn. Als meel. Meelachtig. — Meligheid, v.

lueliloot, v. Gele melilcot. — Meli-lote, v. — Melilotenklaver, v. Zie Melote.

melluiet, o. Ontploffende stof (door den Franschman Turpin gevonden, 1890).

melis, v. Gezuiverde en zeer witte suiker. — Mehsbrood, o. (-en). Suikerbrood.

— Melissuiker, v.

nieliM, iiieliNMc, v. Plant {melissa officinalis), tot de lipbloemigen behoorende. Komt veelvuldig in 't Zuiden van Frankrijk voor. Uit hare bladeren wordt eene soort van olie bereid. — Melisseblad, o. (-en, -eren).— Melissekruid, o. — iï/e-lissenolie, v. — Melissevater, o.

melk, v. Het voedzame en witte vocht, dat denjongen der zoogdeiren tot voedsel strekt. Inz. koemelk. Spijs, van melk bereid. Melkachtig sap in plantt n, vruchten, inz. in de kokosnoot. —Melkachtig, bn.

— Melkadtr, v. (-en, -s). — Melkagaat, o. (stofn.); m. (..aten) (voorwerpsn.) Wit geaderde agaat. — Melkbaard, m. (-en). Vlasbaard. Eerste haar om de kin. Liefhebbervan melk. Jongeling zonder baard, zonder ondervinding. —Me Ik bad, o. (-en).

— Melkbak, m. (-ken). — Melkbloem, v. (-en). Witte doovenetel. — Metkboer, m. (-en).—Melkboerin, v. (-nen). — Melk' boom, m. (-en). Soort van melkgevenden boom (in Z.-Amerika). — Melkbrocd, o. (-en). — Melkbnik, m. en v. (-en). Liefhebber, liefhebster van melk. — Melkbui-zen, v. mv. — Melk cent en, m. mv. — Melkchocolade, v. — Melkdistel, v. (-s). Plantengeslacht .(5lt;?32fA«5), tot de samen»


ocr page 496

— 450 —

MEML

MELK ■

gcst» Idbloemigen behoorende. Is een moeilijk te verwijderen onkruid. — Uelkdni-ten, ra. mv. — Melketmner, ra. (-s). — Melken, bw. molk, heeft gemolken. Melk uit de uiers drukken. Duiven melken, op-kweeken, voeden, houden, ^eew.) Op- en neerhalen (van touwwerk). — Melheppe, v. Schermdragend gewas (sehnum palustre), met witte bloemen. Groeit langs sloo-ten en vijvers. —Alelke*', ra. (-s). —Mel-kery, v. Het raelken. (-en) Plaats, waar gen olken wordt. — Melketer, ra. (-s). — wfeikeetster, v. (-s). — Melk/lesch, v. (..sschen). — Melklonlein, v. (-en). Koe, die veel raelk geelt. — Meikgeit, v. (-en).

— Melkmeid, o. — Melkgevend, bn. — Melkgezuurd, bn. (Scheik.). — Melk-haar, o. (..haren). Haartje aan de kin der lonpelieden. — Melkhuis, o. (. zen). — Melkig, bn. — Melking, v. (-en). — Melkinrichting, v. (-en). — Melkjnspis, o. (stofn.); ra. (-sen) (voorwerpsn.)-Melksteen.

— Melhitik, o. (-ken). Juk, waaraan de melkeraraers gedragen worden. — Melkkaas, v. (..azen). — Melkkalf, o. (..vers, ..veren). — Melkkan, v. (-nen). — Melk-kar, v. (-ten). —Melkkelder, ra. (-s).— Melk kern, ..karn,v. (-en). — Melkkleur, v. — Melkkleurig, bn. — Melk klier, v. {.en). — Melkkoe, v. (-ien). — Melkkoffie, v. — Melkk-eler, ra. — Melkkom,v. (-raen). — Melkkop, ra. ( pen). — Melkkoorts, v. (-en). — Melk kost, ra. — Melk-kruid, o. Plantengeslacht, tot de sleutel-bloemigen behoorende. Eéne soort, het zeemelkkruid {glaux niari/ima), komt bij ons voor. — Melkkruik, v. (-en). Melkkuur, v. (..uren). - Melklam, o. (-meren, -mers). — Melkleiders, ra. mv. Melkvaten. _ Melkmaaf, v. (..aten). — il/^-tnan, ra. (-nen). — Melkmarkt, v. (:en).

- Melkmeid, v. (-en). — Melkmeisje, o. (-s). — Melkmeter, ra. MeIkmoes

0. Soort van soep. — Melkmuil, ra. (-en . Vlasbaard. Lafbek.m. (-pen).

— Melknetel, v. (-s). Melkdistel. — Melk-

001, v. (-en). — Melkpap, v. (-pen). — Melk plaats, v. C-en). Plaats, waar gemolken wordt. — Melkpoeder, o. (-s). — Melkpomp, v. (-en). — Melk hot, ra. (-ten).

— Melkrunsel, o. Leb. Lob. Melksap, o. (-pen). — Melksaus, v. (-en). — Melk-schaap, o. (..apen). — Melkschotel, ra. (.S). _ Melkschuit, v. (-en). — Melk-schurft, v. en o*. — Melkspijs, v. (..zen). ~ Melkspinde, v. (-n). — Me Ik da ander, zam (.s\. _ Melkstaart, ra. (-en). Gewone huiszwaluw. — Melksteen, ra. (-en). Soort van jaspis. — Melkster, v. (-s).

stoeltje, o. {-s).—Melksuiker, v. (Scheik.). ~ Melktanden, m. mv. De eerste tanden van een kind. — Melkteems, v. (-en). --Melkton,v. {-nen).—Mei kuur, o. (..uren).

— Melkvat, o. (-en). — Melkvaten, o. mv. _ Melkvee, o. — Melkverplaatsing, v. (-en). — Melk ver va Isch ing, v. — Melkverwekkend, bn. — Meikver-wekking, v. — Melkvloot, v. (..oten). —Melkbocht, o. — Melkvrouw, v. (-en). —Mel/i-Tuagen, ra. (-s). — Melkweg,in. (Sterrenk.) Breede, witachtige gordel, uit eene ontelbare menigte kleine sterren bestaande, welke bijna als een groote cirkel om den sterrenhemel loopt en den evenaar onder eenen hoek van 63° snijdt, (-en) Weg in de weide, welken men volgt om de koeien te melken. — Melkweger, m. (•$). — AI eikwei, v. Hui. — Meikwijf, o. (..ven). — Melkwinkel, ra. (-s). — Melkwit, bn. o.

— Melk zak, ra. en v. (-ken). — Melkzeef, v. (..even). —Melkzuur, o. (Scheik.) Bewerktuigd zuur zonder stikstof.

melk, v. Hora van den visch. — Melke, v. (-n). Milt. — Melker, ra. (-s). Man-netjesvisch.

iucl(l)ekatou, m. (-s). Groote gele perzik.

melodie, v. (-en). Zangwijze, toonopvolging. Welluidendheid, zoetluidendheid, zoet geluid. — Melodisch, melodieus, bn. Zoetluidend, welluidend, zangerig.

melodrama, o. (-'s).Tooneelspel met zang. Zangspel.

meloeu, m. (-en). Plant {cucumis melo), tot de komkommerachtigen behoorende. Is afkomstig uit Azië. De vrucht is als eene verkwikkende spijs zeer gezocht. — Meloenachtig, bn. — Meloenappel, m. (-s, -en). — Meloen-bak, ra. ( ken). — Meloenbed, o. (-den). — Meloenglazen, o. rav. —Meloenkern, v, (.en). — Meloenklok, v. (-ken). — Meloenoog, o. en v. (-en). Appelvormige uitzakking van 't regenboogvlies van 'toog.— Meloenrib, v. (-ben). Ribvormige verhooging op het vleesch van den meloen. — Meloensap, o. — Meloenschil, v. (-Ien).

— Meloenveld, o. (-en). — Meloenver-kooper, m. (-S). — Meloenverkoopster, v. (-s). — Meloenzaad, o.

melomanie, v. Overdreven zucht tot de toonkunst. — Melomaan, m. (,.anen). Muziekliefhebber.

melote, v. Gewone of gele honigkla-ver. Wordt ook melotten, raelilote, raal-lote, raelilotenklaver, gele meliloot, enz. genoemd.

meltbak, ra. (-ken). Bak, waarin het graan in de raelterij geweekt wordt. — Meller, ra. (-s). Bereider van mout. — Melierij, v. Het maken van mout. ^-en) Plaats, waar mout bereid wordt.

mem.v. (-men). Voedster. Baker, memel, ra. (-s). Mijt (ie art.). — Me-tnelig, bn. Met mijt bedekt (van kaas).

memento, o. Herinnering, gedachte-nisteeken. — Memorabel, bn. Gedenkwaardig. Merkwaardig. — Memorandurriy o. (..da). Gedenkboek, aanteekei.boekje. Verraaanbriefje. Diplomatisch vertoog. — Memoriaal, o. (..alen). Geder kschrift, gedenkboek, dagboek. Verzameling van bestuurlijke akten. Verzoekschrift, vertoog. — Memorie, v. Geheugen. Aandenken, (-s, ..ien) Gedenkschrift, schriftelijk opstel ter herinnering. Vertoog. Rekening, opgave, staat. Verhandeling. — Memorisee-ren, bw. memoriseerde, heeft gememoriseerd. Van buiten leeren.

üHemling: (//.), i4..(?)-i4941 Bruggep). Schilder. Het huwelijk van S1* Katha-rina; de Aanbidding der drie Koningen ; de « rijve » van «S1® Ursula; Maria met het kind Jezus; portretten.


ocr page 497

MENN — ^

men. Onb. pers. vnw. 3« persoon, menagerie, v. (-cn). Verzameling ■van wilde dieren. Diergaarde, dierentuin.

Mensipiers, ni. mv. Volksstam, die ruim een halve eeuw voor Chr. in de Kempen en in Vlaanderen verbleef.

Ulenclol.HHolin ISartlioldy 1809-1847, Hamburg. Duitsch componist. Paul ns\pxz.iox\\xn\)\Sommer nacht sir aum\ Lie der oh tie IVorte-

Mendo/.a (D. H. de), 1503-1575, Granada. Sp. schrijver, staatsman en krijgsbevelhebber. Vida de Lazarillo de Torvies (roman, 1554).

menestreel, m. (..elen). (Middel.) Omzwervende dichter, die aan de hoven van vorsten, enz. ging zingen en spelen.

mengel, o. (-en). OudeNederl. vochtmaat = 1,21 lit,, 1,53 lit., 1,81 lit.

mengelen, bw. mengelde, heeft gemengeld. Mengen. Ondereenbrengen. — Mengeldichten, o. mv. Dichtstukken van allerlei aard. — Mengeling, v. (-en). — Mengelklomp, m. Baaierd. — Mengel-moei-, o. Alles door elkander. Mengelwerk. — Mengelstof, v. (-fen). Gemengde stoften. — Mengel-wo k, o. Letterkundige mengelingen.

meiisren, bw. mengde, heeft gemengd. Ondereendoen : wijn met water mengen. Vereenigen, paren : barmhartigheid met rechtvaardigheid mengen. Zich mengen in iets : zich met iets bemoeien. — Mengbaar, bn. — Mengbaarheid, v. — Menger, m. (-s). — AI eng ing, v. (-en). — Mengingrekening, v. — Mengingsgewicht, o.

— Mengkoren, o. — Mengsel, o. (-s). Verscheidene dingen dooreengemengd, met elkander vereenigd. — Mengsfer, v. (-s).

— Menczaad, o. — Mengzaaderwt, v. (-en). Wikke.

menie, v. Fraai roode kleurstof. — Menie bra nder, m. (-s). — Menie fabriek, v. (-en). — Meniemolen, m. (-s).—Me-niën, bw. meniede, heeft gemenied. Met menie verven. — Menieoven, m. (-s). — Meniepleister, m. (-s).

menig:, bn. onbep. telw. Drukt eene hoeveelheid, een onbepaald getal uit. — Menigeen, vnw. Verscheidene personen.

— Menigerhande, ..lei, bn. Van verschillende soort. — Menigmaal, bijw. — Menigte, v. (-n). Groot aantal. Schaar. Toevloed van menschen. Gedrang. — ATenig-voud, bn. bijw. Verscheidene malen. — Menigvond, o. — Menigvondig, bn. bijw. Menigvuldig. — Menigvuldig, bn. bijw. Talrijk. Overvloedig. Dikwijls. — Menigvuldigheid, v. — Menigvuldiglyk, bijw.

— Menigwerf, bijw.

Menist, m. (-en). Doopsgezinde. — Menistenblauw, bn. o. Zekere kleur : hemelsblauw. — Menistenkerk, v. (-en).— Menistenstreek, m. (..eken).

mennen, bw. mende, heeft gemend. Door middel van eenen toom, enz. besturen : paarden mennen, den wagen mennen. Het koren inzamelen. Het hooi binnenbrengen. De volksmeening leiden : hij ment den grooten hoop naar zijn welgevallen. Inkoopen, verzamelen (eenen overvloed van verschillende voorwerpen). — Mennegat»

I — MENS

o. (-en). Open toegang tot het land, waardoor het graan, enz. gemend wordt. — Menner, m. ( s). —A/enneweg, m. (-en), menne, v. (-n). Weg op het land, waarlangs de menwagen rijdt. — Menning, v.

— Menster, v. (-s). — Menwagen, m. ( s). 3lennoiiiet, m. (-en). Menist.

meno, bijw. (Muz.) Minder.

menseli, m. (-en). « Een redelijk schepsel Gods, hebbende eene onsterfelijke z'el oneen sterfelijk lichaam ». o. (In medelijdenden of minachtenden zin, vooral van vrouwen) : het arme mensch is doodziek. — A/enschbeschryving, v. ( en). — Alensch-dont, o. Het menschelijk geslacht. Alle menschen. — Alenschelyk, bn. bijw. Wat van den mensch is. Wat tot den mensch behoort. Menschelijker, minzamer maken. Menschelijker, gezt lliger worden. — Alen-schely her wijze, bijw. —Menschelykheid, v. Natuur van den mensch. Eigenschappen van den mensch. Menschenplicht. Minzaamheid. Mededeelzaamheid. — Men-schenbeeld, o. (-en). — Menschenbclager, m. (-s). Lasteraar. — Menschenbloea, o.

— A/enschendief,m. (..ven). —Menschen-dood, m. en v. — Alenschendoodend, bn.

— AIenscheneter, m. (-s). —Alenschen-eetster, v. (-s). — Menschengedaatite, v. (-n). — Aletischengeheuzen, o. — Alen-schengezicht, o. (-en). — Menschengunst, v. •— Menschenhaai, m. (-en). Reuzen-haai. — Alenschenhaar, o. (..aren). — Menschenhaat, m. — Menschenhaatsfer, v. (-s). — Alenschenhand, v. (-en).— Men-schenhart, o. (-en). — Menschenhater, m. (-s). — Mensthenhop/d, o. (-en). — Alenschenkenner, m.(-s). — Menschen-kennis, v. — Alenschenkind, o. (-eren, -ers). — Alenschenlt ven, o. (-s). — Alen-schenliefde, v. — MenschenloJ, m. — AI en schen m in, v. — Menschentninnaar, m. (-s). — Menschenntoord, ni. — Men-schemnoordenaar, m. (-s). — Mcnschen-tnoorder, m. ( s). — Mensc henoffer, o. (-s). — Mcnschenpaar, o. (..aren). — Menschenplicht, m. en v. (-en). — Men-schcnras, o. (-sen). Groote groep van menschen, die zich door schedelvorm, huidkleur en haargroei van andere groepen onderscheidt. Er zijn vijf menschenrassen : het blanke (Europa en Amerika), het koperachtige (oostelijk gedeelte van Azië), het zwarte (Afrika en een deel van Oceanic), het bruine (Indic en Malakka), het roode (de stammen der wilden, Amerika).

— Menschenroof, m. — Alenschcnsche-del, m. (-s). — Alenschenschtiw, bn. — Alenschenschuwhcid, v. — Menschen-stem, v. (-men). — Alenschenverstand, o. Gezond verstand, rede. — Menschen-vleesch, o. — Alenschenvloo, v. (-ien). Vleugelloos insect {pulex irritans), dat zich met het bloed van menschen voedt. Wordt gewoonlijk bloot vloo geheeten. — Menschenvrees, v. — AIenschenvriend, m. (-en). — Menschenwaarde, v. — Mensc henwereld, y. — Aleuschcn werk, o. — Menschenwysheid, v. — Alensch-heid, v. 's Menschen aard en hoedanigheden. De menschelijke natuur. Het menschelijk geslacht. — Menschkunde, v. —


ocr page 498

MERC — 4

Menschkundtg, bn. bijw. — Menschlie-vend, bn. bijw. — Menschltevendheid, v.

— Alenschpaard, o. (Fab.) Monster, half mensch half paard: Centaurus. —Mensch-stier, m. (Fab.) Monster, half mensch half Stier : Minotaurus. — Mensch vorm ig, bn.

— Menschwaardig, bn. — Menschrvor-dt'ng, v. De mensch wording van den Zoon Gods is geschied « door zonderlinge werking van den h. Geest, aannemende de menschelijke natuur in het zuiver lichaam van Maria ».

ment, v. (Plantenk.) Zie Munt. — Meute, v. Soort van likeur.

Iflcutaiisi. It. dorp, niet ver van Rome. Veldslag door de Pauselijke zouaven gewonnen op Garibaldi (1867).

mentiouiiocreii, bw. mentionneer-de, heeft gcmentionneerd. Vermelden. Gewagen. Gewag maken. — Metitie, v.

jVfcntor, m. (-s). Leidsman van Tele-machus. Leermeester, opvoeder. Leidsman. Raadgever.

menu, o. (-'s). Spijskaart. Spijslijst. mennet, v. (-ten). Dans van langzame, afgemetene statige bewegingen. Muziekstuk ter begeleiding van dien dans.

^lenzel {A. F. E.), 1815, Breslau. Du.tsch historieschilder. TafelrundeFrie-drichsdes Groszen (1850^; Flötenkonzert in Sanssouci (1852); das Eisenwalzwerk (I872-'75).

mep, m. (-pen). Slag, welken men lem. onverwachts toebrengt. — Meppen, bw. mepte, heeft gemept. Eenen mep geven.

— Mepper, m. (-s^. — Me pst er, v. (-s). mepliiMf i»eli, bn. Stinkend. Veistik-

kend. Verpestend.

mercmitiel, . (ieel.bn. Handeldrijvend. Mercantiele geest : handelsgeest. Mercator (G ), 1512-1594, Rupel-

G. Mercator.

monde. Wis - en aardrijkskundige. Beroemd door zijne project ie of wassende kaart.

2 — MERK

merci. Dank. Heb dank. Dankbaar.

mercurisUo, v. Marktlijst. Marktpe-gel. Marktbericht. Marktprijs. — Mercu-rtaliën, ..cnrtaalmiddelen, o. rav. Geneesmiddelen met kwik sameng. steld. — Mercurius, m. (Fab.) God des koopnan-dels. (Sche:k.) Kwikzilver. Eene planeet.

Ulercnrinu (£quot;), Marcourt. Generaal-overste der Jezuïeten (1573), t te Rome 1580.

merel, v. (-s), mer(e)Iaar, m. (-s). Meerle.

meren, bw. meerde, heeft gemeerd. Voor en achter vastleggen (een schip) in de haven.

niergr, o. Weeke en vette zelfstandigheid in do beenderen. Zie Hout. Bij de planten vindt men merg in de stengels, in de wortels en in het stengelvormig loof. Het beste, het edelste van iets : hij heeft het merg uit dit werk gehaald. Sterkte. Jeugd-

— Mergachtig, bn. — Mergbeen, o. (-deren). — Mergpijp, v. (-en). — Merg-lepel, m. (-s). — Mergstraal, m. (..alen). Zie Hout. — Mergtrekker, m. (-s). — Mergvlies, o. (..zen).

merfirel, mergelaarile, v. Mengsel van klei en koolzure kalk. Is zeer geschikt tot verbetering der gronden. — Mergelachtig, bn. — Mergelen, bw. mergelde, heeft gemergeld. Met mergel bemesten. — Mergelgraver, m. (-s). — Mergelgroeve, r. (-n). — MergeIgrond, m. — Al erge lka Ik, v. — Mergelklei, v. — Merge Ik tal, m. (-en). — Mergelput, m. (-ten),

— Mergelsteen, v. (stofn.); m. (-en) (voor-werpsn.).

meridiaan, m. (..anen). Denkbeeldige cirkel, die, door de beide polen gaande,, rondom de aarde beschreven wordt en haar in twee gelijke deelen, een oostelijk en een westelijk halfrond, snijdt. Wordt ook middaglijn en lengtecirkel geheeten. Eerste meridiaan : meridiaan, waarmede men, van 't Oosten naar 't Westen gaande, begint te tellen. Daartoe bepaalde men in de dagea van Lodewijk XIV, den meridiaan van Ferro. Andere meridianen kwamen tot stand : Amsterdam (220 31' 54quot;, ten O. van Ferro), Greenwich (170 39' 46,1quot;, ten O. van Ferro), Parijs lt;20° o' 00quot;, ten O. van Ferro), IV'ashiugton (50° 22' 46,5quot;, ten W. van Ferro). Magnetische meridiaan ; groote cirkel, die door de polen van den zeilsteen heenloopt en waarin zich de magneetnaald beweegt. — Meridiaancirkely m. {-i). — Meridiaankijker, m. (-s). Instrument, dienende om met de grootste nauwkeurigheid den tijd te bepalen, waarop een hemellichaam door den meridiaan gaat.

— Meridiaanshoogte, v. (-n).

merinos, o. Spaansche wol. — Merino ssen, bn.

merk, o. (-en). Kenteeken om eene zaak van eene andere te onderscheiden : zijn merk op de verzending zetten. Lootje, kaartje, bewijs (van toegang, enz.). Rits (op een vat). Keur (op edele metalen). (Zeew.) Teeken op den steven, van afstand tot afstand geplaatst, om den diepgang aan te duiden. Schuim door de zee op het strand gelaten. — Merkbaar, bn. — Merkbaar-


ocr page 499

MES — 4

he id, v. — Merkcijfer, o. (-s). — Merk-doek, m. (-en). Merklap. — Merkelijk, bn. bijw. Aanmerkelijk, aanzienlijk. Blijkbaar : de zieke betert merkelijk. — Merken, merkte, heeft gemerkt. Bw. Met een merk teekenen. Letters oi cijfers op linnengoed enz. zetten. Bemerken : ik merk uwe list. Ow. Uit dit alles merk ik, dat. Merk op hetgeen hij zegt : geef acht op hetgeen hij zegt. — Merker, m. (-s). — Merkijzer, o. (-s). — Merking, v. (-en). — Merkkatoen, o. — Merklap, m. (-pen). Teekenlap, model (waarnaar de meisjes het teekenen lee-ren). — Mtrklat, v. (-ten). — Merkletter, v. (-s). — Merk lijn, v. (-en). — Merk-naald, v. (-en). —Merkpaal, m. (..alen). Scheidspaal. — Met-kregel, ra. (-«, -en). Grondregel.—Merksteen, ra. (-en). Grenssteen. — Merkster, v. (-s). — Merk stok, m. (-ken). — Merkteeken, o. (-en). Ken-, onderscheidingsteeken. — Merkteekenen, bw. merkteekende, heeft gemerkteekend. Met merken teekenen, — Merkwaardig, bn. bijw. Opraerkelyk. Belangrijk. Aanzienlijk. Groot. Gewichtig. —Merkwaardigheid, v. (..heden). Merkwaardige zaak : merkwaardigheden eenerstad. Iets belangrijk nieuws : hij deelde het mee als eene merkwaardigheid. — Met kzyde, v.

mcrkols, ra. mv. (Zeew.) Houten steunsels der luiken. Vierkante ijzeren staven, waarop de roosters liggen. Hoepels om de zeilen te drogen.

Merken {L. IV. van), 1721-1789, Amsterdam. Dichteres. Artemise (treurspel, 1745) ; Brieven (in dichtmaat).

mcrlUn, ra. (-en). Steenvalk, uerloen, v. (-en). (Vest.) Ledige ruimte tusschen twee schietgaten.

MormillodL (C.), 1824-1892, Carouge (Genève). Bisschop (Lausanne) en kanselredenaar.

Marode (Z. G. F. de), 1792-1810, Brussel. Sneuvelde in een gevecht te Berchem (Antwerpen).

merrie, v. (-s, ..iën). Wijfje van het paard. — Merriepaard, o. ( en). — Merrieveulen, o. (-s).

Merteuii {F. H.), 1706-1867, Antwerpen. Bibliothecaris (aldaar). Geschiedschrijver. Geschiedenis van Antwerpen, sedert de stichting der stad tot onze tijden. (8 dln. i845-,55).

Ulerwede, v. Ontstaat uit de samenvloeiing van Maas en Waal bij Loevestein, vanwaar zij langs Woudrichem, Gorin-chem, enz. tot Dordrecht stroorat. Hier verdeelt zij zich in drie arraen.

mea, o. (-sen). Werktuig om te snijden. Scherp geslepen staal, waarom de balans zich beweegt. (Tiram.) Messin?. lem. het mes aan (op) de keel zetten, dwingen tot eeno keus (door bedreiging, enz.). Zijn nies snijdt aan twee kamen : hij wint van twee zijden geld. Onder het raes zitten : geschoren worden, een examen, enz. ondergaan.

— Mesheft, ..hecht, o. (-en). — Meskant, bn. bijw. Met scherpe kanten. — Messe(n)-koker, ra. (-s). — Messelemmet, o. (-en).

— Messelemmer, o. (-s). — Messenbak, m. (-ken). — Messenfabriek, v. (-en). — Afessenhandel, m. — Messeri heft, ..hecht,

\l — MEST

o. (-en). — Messenk raam, v. en o, (..amen). — Alessenlade, v. (-n). — Messenmaker, ra. (-s). — Messenmaker ij, v. (-en). —Messenmakerswerk, o. — Mes-senmandje, o. (-s). — Messenslijper, m. (-s). — Messenlatch, v. (..sschen). — Afes-senwinkel, ra. (-s). — Messescheede, v. (-n). — Messteek, ra. (..eken).

mesdag-, m. (-en). Heiligdag. Mesdag- [H. IV.), 1831, Groningen. Schilder van zeegezichten. De branding op de Noordzee ; 't Vertrek der booten.

Mesuier {F. A.), 1733-1815, Weiier (bij Stein aan den Rijn). De eerste schrijver over dierlijk magnetisrae, naar hem Mesmerisme genoemd.

messagerie, v. Besteldienst. Postwa-gendienst.

Messelierti {JV.), 1790-1844, Rotterdam. Dichter. De veldslag van Waterloo (bekroond, 1819) ; de Goud''n Bruiloft (1825).

Messists, ra. Hebreeuwsch = Gezalfde, Christus wordt Messias genoemd, omdat onder de Oude Wet de profett-n, de priesters en koningen gezalfd werden en dat Hij de eerste is der profeten, der priesters en der koningen.

Messina {A. da), i447(?)-i4..(?). It. schilder. Christus tusschen de moordenaars.

messing, o. Geelkoper. — Messing-blik, o. Dun geslagen messing. — Mes-sin^draad, o. (stofn.) ; ra. (..aden) (voor-werpsn.). Draad van messing.

messing, v. (-en). (Tiram.) Randlijst, waardoor eene plank in de groef van eene andere past. — Messingploeg, v. (-en). Soort van schaaf.

messing, m. (-en). Mesthoop.

mest, mist, ra. en o. (-en). Uitwerpselen van soraraige dieren raet stroo vermengd, dienende om het land te bemesten. Zellstandigheid, dienende om den grond vruchtbaar te maken. — Mestaarde, v. — Alestbak, ra. (-ken). — Afestbed, o. (-den).

— Mestbeer, ra. (-en). Zwaarlijvig raensch.

— Mest beest, o. en v. (-en). Zie Vee. — AI est dier, o. (-en). Zie Vee. — Mesten, mestte, heelt gemest. Bw. Het mestuit den stal wegnemen : paarden mesten. Vetma-ken : koeien mesten. Bemesten : het land mesten. Ow. Drek van zich geven. — Mester, ra. (-s). — Mestgaffel, v. (-s). — Mestgier, v. Aal (20 art.). — Mesthuak, ra. (..aken). — Mesthoen, o. (-ders). — Mest hok, o. (-ken), — Mesthoop, ra. (en).

— Alesting, v. (-en). — Alestinqbrood, o. (-en). — Mestkalf, o. (..vers, ..eren).— Mestkar, v. (-ren). — Mestkever, ra. (-s). Kever, die in mest leeft. — Mest koe, v. (-ien). — AI est kooi, v. (-en). — Mest kot, o. (-ten). —Mest kuil, ra. (-en). —Mestos, ra. (-sen). — Alestplant, v. (-en). — Alest-poel, ra. (-en). — Mestput, ra. (-ten). — Alestschuit, v. (-en). — Mest soort, v. (-en).

— Mestspecie, v. (-s). —AIeststal,m. (-Ien).

— Meststof, v. (-fen). — Mesttor, v. (-ren). Tor, die in raest leeft. — Mestvaalt, v. (-en). Plaats, tot berging van raest. — Mestvarken, o. (-s). —Mestvee, o. Zie Vee. — Alestvoeder, ..voer, o. — Mestvo-


ocr page 500

METE — 4

gel, m. (-s). — Mestvork, v.(-en). —Mest' Wagen, m. (-s).

mestleis, m. en v. (..zen). Afstammeling van eenen blanke en eene Indiaansche (Amerikaansche) of van eenen Indiaan en eene blanke.

mcftto, bijw. (Muz.) Zwaarmoedig, met, vz. Mag hij metu meegaan, u vergezellen. Tot : met iem. spreken. Door: met geweld. In ; met vrede. Aan : met iets bezig zijn. Met elkander : te zamen. Biiw. Op betzelfde oogenblik : met trekt hij het zwaard.

met, o. Gehakt vleesch. Inz. Gehakt varkensvleesch zonder spek.

met, v. ( ten), metto, v. (-n). Geit. mctastl, o. (..alen). De metalen, elementen, zijn over 't algemeen goede geleiders van warmte en electriciteit. Edele metalen : goud, zilver, platina. Onedele metalen : koper, tin, lood, ijzer, enz. Zware metalen, welke zwaarder zijn dan water. Lichte metalen, welke lichter of weinig zwaarder zijn dan water. Heldere klank der stem. Metalen geld. — Metaalaarde, v. — Metaalachtig, bn. — Metaalader, v. (-en, -s). — Metaalasc/i, v. — Metaalatlas, o. Metaalmoor. — Metaalbarometer, m. (-s). Zie Barometer (van Bourdon).

— Metaalboorsel, o. — Metaaldeeg, o. Gemalen brons, dat als vernis gebruikt wordt. — Metaal-gieter, m. (-s). — Me-taalgieteri;, v. Het gieten van metaal, (-en) Plaats, waar metaal gegoten wordt.

— Metaalglans, m. — Metaalglas, o. — Metaalkunde, v. — Metaallegeertng, v.

— Metaalloutering, v. — Metaahnoor, o. Blik, waaraan men een gevlamd of gemarmerd aanzien heeft gegeven. — Metaal-schaar, v. (..aren). — Metaalschetder,m. (-s). — Metaalschuim, o. — Metaalslak, v. (-ken). — Metaalthermometer, m. (-s). Zie Thermometer. — Metalen, bn. — Metalliek, metallisch, bn.Metaalachtig. Metaal of erts bevattende.

mctulliekcn, v. mv. Oostenrijksche schuldbrieven, die in zilver en niet in pa-pierengeld aflosbaar zijn.

mctalloïlt;loii, o. mv. Grondstoffen met de metalen overeenkomende : zuurstof, stikstof, koolstof, enz.

metallurgie, v. Scheikunde der ertsen. Kennis en bewerking der ertsen.

mctamorpliose, v. (-n). Gedaanteverwisseling. — Metamorphoseercn, bw. metamorphoseerde, heeft gemetamorpho-seerd. Herscheppen. Vervormen. Van gedaante verwisselen. — Metaphoor, v. (..oren). Leenspreuk. — Metaphorisch, bn. Overdrachtelijk. — Metaphysica, v. Bovennatuurkunde. — Metaphysisch, bn.

— Metathesis v. Letterverplaatsing. Letteromzetting, b. v. ; bron, born. — Metempsychose, v. Zielsverhuizing.

Metantaslo (/gt;. A. D. B.), 1698-1782, Assisi — Trapassi. It. dichter. Didone abbandonata.

meteen, bijw. Dadelijk. Terstond, metel, v. Zie Medel.

meten, bw. mat, heeft gemeten. De maat van iets nemen : eene broek meten. Peilen. (Zeew.) Opnemen, onderzoeken.

1 — METT

Inhouden; hoeveel ton meet dit schip. Verzen meten. Hout. meten. (Meetk.) Ecne uitgebreidheid met eene andere uitgebreidheid, die tot maat wordt genomen, vergelijken. Iem. den rug meten, hem afroscen.

— Meetster, v. (-s). — Meter, m. (-s).— Meting, v. (-en).

meteoor,m. (..oren). Elk verschijnsel, dat in den dampkring plaats grijpt. — Meteoorsteen, m. (-en). Luchtsteen. — Mete-orisc/i, bn. — Meteoroliet, m. ( en). — Luchtsteen. — Meteorologie, v. Weerkunde. — Meteoroscoop, m. (..opcn).Weer-wijzer.

meter, v. (-s). Vrouw, die een kind ten Doop heft of tot het Vormsel geleidt. — Meterschap, o.

meter, m. (-s). Eenheid der lengtematen. Grondslag van het metrieke stelsel = het 40 millioenste deel van den omtrek der aarde.

metgrezel, m. (-len). Makker. Kameraad. Reisgenoot.— Metgezellin, v. (-nen).

methode, v. (-n, -s). Leerwijze, handelwijze, wijze van werken. Regel. Orde. Gebruik, gewoonte. — Methodisch, bn. Regelmatig. Wetenschappelijk. Kunstmatig, naar de voorschriften der kunst. Volgens eene bepaalde leerwijze.

Ifletliodist, m. (-en). Aanhanger van zekere godsdienstsekte (Engeland en N.Amerika, i8e eeuw).

metriek, v. Leer of kennis van den versbouw. — Me trom aan, m. (..anen). Rijmelaar. Verzenlijmer. — Metrum, o-(..tra). Versmaat.

metriek, metriseta, bn. Tot den meter behoorende. Metriek stelsel: maten-en gewichtenstelsel.

metronoom, m. (..omen), metrometer, m. (-s). (Muz.) Maatmeter.

metropole, metropolin, v. Moederland. Moederstad. Hoofdstad. Stad, waar een metropolitaan zijnen zetel heeft.

— Metropolitaan, m. (..anen). Aartsbisschop. — Metropolitaansch, bn. Aartsbisschoppelijk.

mets, bijw. Soms. Bijna.

metiielen, metselde, heeft gemetseld. Ow. Met kalk en steenen arbeiden. Bw. Oprichten. Gronden. Vast ineenwerken.

— Metselaar, m. (..aren, -s). — Metselaarsambt, o. — Mets'laarshaas, m. (..azen). — Metselaarsbak, m. (-ken). — Metselaarsknecht, m. (-s). — Metselaars-werk, o. — Metselary, v. Het metselen.. Metselaarsambacht, (-en) Metselwerk. — Metseldeeg, o. en m. — Metselhamer, ra, (-s). —Metselkalk, v.— Metselspecie, v. (-s). Mortel. — Metselsteen, v. (stofn.); ra, (-en) (voorwerpsn.). — Metselwerk, o. — Metsen, metste, heeft gemetst. Metselen.

— Metser, m. (-s). — Metserbaas, ra, (..azen), — Metser diender, m. (-s). — Metswerk, o.

MetsQs (0.), 1466-1530, Leuven (?), Schilder. De graflegging van Christus/ de Legende van Squot;1® Anna; de Bekoring van S1 Antonius; Ecce Homo; de Bankiers.

metten, v. mv. Eerste gedeelte der getijden. wordt gezongen of gelezen


ocr page 501

MEUR —■

's avonds te voren, 's middernachts of 's morgens. Brugsche Meiten : In den nacht van 17 tot iH Mei (1302) vielen de Bruggelingen de Fransche soldeniers op

Quinten Metsijs het lijf en vermoordden al degenen, die Schilden Vriend niet konden uitspreken. 1500 ruiters en 2000 voetknechten werden om 't leven gebracht.— Mettenboek, o. en m. (-en). — Mettentyd, xn.

metterdaad, bijw.In waarheid.W er-keliik. — Mettertijd, bijw. Met den tijd. Allengskens. — Metterwoon, byw. Met vaste woonplaat-.

metworst, v. (-en). Beuling. Mei», 54»ooo. Hoofdstad van het district LotharinKen, in 't Duitsche Rijksland El-zas-Lotharingen. Vesting van eersten rang. Werd tot overgaaf gedwongen door de Duitschers (1870). Bazaine leverde 173,000 krijgsgevangenen aan de Pruisen over.

9I«'txu (G.), i63o(?)-i667(?), Leiden. Schilder. Groentenmarkt; Portret van den Jager ; de oude drinker.

meubel, 0. (-en, -s). Huisraad, huisgerief, huisgereedschap. Roerend, tilbaar f oed. Inboedel, have. Een onnut meubel : ( ea nutteloos raensch. Een wonder meubel : een wonder mensch. — Meubelen, bw. meubelde, heeft gemeubeld. Meubi-lesren. —Meubelgordijn, v. en o*. (-en). Staatsiegordijn. — Meubelka7ner, v. (-s).

— Meubelmagazijn, o. (-en). —- Meubel-maker, m. (-s). — Afeubelpapicr, o. Be-liaiigselpapier. — Meubelstuk, o. (-kengt;.

— Meubileer en (meubleeren), bw. meubileerde,quot; heeft gemeubileerd. Stoffceren. Van huisraad voorzien. — Meubileering, v.

meugr, v. Keuze. Smaak. Tegen heug en meug: met tegenzin.

meuk, v. In de meuk, in de week staan. De zaak staat nog in de meuk, wacht naar rijper beraad. — Meuken, meukie, heeft gemeu'-Nt. Bw. ow. Doorzac'jte koking, enz. murw. v. eek maken, worden.

mo ^eii, o. ( s) Zekere oude inhoudsmaat.

meuleu Zie Mo!en.

Meuleu (A.F.van der), i632(?)-i6g3(?). Brussel. Historieschilder der veldtochten van Lodewijk XIV.

. 91eui'« (i^. van), 1835. Nijmegen Lee»

,5 — MIDD

raar (Seminarie, Kuilenberg). Dichter. Germania15 dichtbloemen verzameld en overgeplant (1874) ; Kriekende kriekske (1870).

nienzolen, meuzelde, heeft gemeu-zeld. Bw. Vuilmaken. Ow. Lekkere beetjes proeven. — Meuzeiaar, m. (-s). — Meuze laar ster, v. (-s).

meuzle, v. (-s). Mug.

mevrouw, v. (-en). Aanzienlijke getrouwde vrouw. — Mevrouwschap, o,

Mexico, 2^0,000. Hoofdstad van den Staat Mexico (N.-Amerika).

Meyer (Z..), i638(?)-i6..(?), Amsterdam. Letterkundige. Verloofde koningsbruid (treuispel, 1668); Kunstwoordenboek.

Meyer (C. F.), 1825, Zurich. Dichter en romancier. Gedichten (1882); Jürg Je-natsch (roman, ioe dr. 1887).

Meyerbeer (£?.), 1794-1864, Berlijn. Componist. Robert le Diable (1831) ; les Huguenots (1836) ; le Prophete (1849) ; VA/ncaine (i860.

mi, v. (-'s). Derde grondnoot van do diatonische toonladder.

miaMiua, o. Smetstof. Vuile dampen. miaOOuw, tw. Geluid eener kat. — Miafajuwen, ow. miauwde, heeft gemiauwd. Mauwen.

miea, o. Delator van een parelmoeren metaalachtigen glans. Laat zich gemak-Lelijk splijen.

Miehevls [J. $. M.), 1831, Maastricht. Leeraar (Athenaeum, Gent). Werkend lid der K. VI. Academie. Levensbeschrijving van Marnix van 5quot;' Aldegonde gekroond, 1865).

Mie li cl .*iiffelo. = Buonarroti. Üllekiewioz {A.), 1798-1855, Nowo-grodek. Poolsch dichter. Konrad Wallen-rod (heldendicht, 1828); Pan Tadeusz (zijn hoofdwerk, 1834).

Miei'ouoKie, o. Zie Australië, mterobe, v. (-n). Microben : microscopisch kleine organismen uit de klasse der splijtzwammen, die bij gisting, rotting en besmettelijke ziekteu voorkomen en daarom als de eigenliike smetstof worden beschouwd. Zi n ■vaal (wz/croctfccKi^staaf-vormig (bacillus), of spiraalvormig {sfiiril-lus). — Mier op'toon, o. (..on en). Toestel tot het waarnemen van hoog.st zwakke tonen.—Afi'croscoop, m. (..open).Vergrootglas. Werktuig, dienende om het gezichtsvermogen te vermeerderen door de voorwerpen te vergrooten. Er zijn enkelvoudige en samengestelde microscopen. Werd uitgevonden omstree -s het einde der XVI* eeuw. — Microscopisch, bn. Onzichtbaar voor 't ongewapend oog. Uiterct klein.

mïddaar. m. (-en). Het midden van den dag. Di' uvddag des levens : de mannelijke ouderdom. — A/iddagbeurt, v. (-en).

— Middagcirkel, m. (-s). Meridiaan. — Midd a t; die nst, m. (-en). — Middageten, o. — Middaghitte, v. — Middagklaar* bn. bijw. Zoo klaar als de dag. Zeer klaar.

— Middagkost, m. — Middag kring, m. (-en). Meridiaan. — Middagl'jn, v. (-en\ Meridiaan. — Middagmaal, o. (..alen),

— Middagmaaltyd, m. (-en). — Middag* maler, »,7. middagmaalde, Ijecft Rcmidt.


ocr page 502

MIDD — 4

dagmaald. Het middagmaal gebruiken. — Middagpreek, v. ^-en). — Al/ddagrond, o. Errste meridiaan. — Middagrust, v. — Middagschoone, v. Plant {ormthoga-lum umbel latum), wier bloem te ii uren opengaat en zich des namiddags sluit. — Middagslaapje, o. (-s). — Middagspijs, v. (..zen). — Middaguur, o. — Middag-vlak, o. — Middagvlakte, v. — Middag-tyde, v. 't Zuiden. — Middagzon, v.

a. Voet. b. Spiegel, c. Schroef, die den spiegel in beweging brengt d. Plaat. e. Voorwerpdt ager. I. Lyf van den microscoop, g. Oogglas h. yoof7verp-fgt;las. i. Micrometef'Schroef. k. L*ns.

middel, o. (-en). Werkende oorzaak, die tot een doelwit leidt ; die het einde wil, moet de middelen gebruiken. Al, waardoor de gekrenkte gezondheid hersteld wordt : een middel tegen de koorts. Vermogen, rijkdom ; hij heeft middelen om te leven. Weg, gelegenheid : dat is een voortrelïelijk middel om rijk te worden.

iaiid«lc'l, v. en o*. (-s). Middellijf. — Middelaar, m. (..aren, -s). Bemiddelaar. Bevrediger : Jezus Christus is de middelaar tusschen God en de menschen. — Midde-laarsanibt, o. — Middelaarschap, o. — Middelaarster, v. (-s). — Middelares, v. (-sen). — Middelader, v. ( s). Zekere ader van den arm. — Middelbaar, bn. bijw. Gemiddeld. iNliddelmatig : middelbare leeftijd, middelbaar onderwijs, middelbare scnool. — Middelband, m. (-en). — Mtd-delboog, m. (..ogen). Boog eener klok.—

,6 — MIDD

Middelborst, v. (-en). Het midden van do borst. — Middelbuik, m. (-en). — Middel-darmvlies, o. (..zen). Vlies, dat de dunne darmen omsluit. — Middeldeur, v. (-en). Deur in 't midden. Binnendeur. —Afiddel-drempel, m. (-s). — Middeleeuwen, v. mv. Tijdperk tusschen de oude en de nieuwere geschiedenis. Tijdperk van den val van het West-Romeinsch Rijk (476) tot het begin der Hervorming (1516). — Middel-eeuwsch, bn. —Middelen, bw. middelde, heeft gemiddeld. Door tusschen komst vereffenen, beslechten. — Middelerti/d, bijw. Inmiddels.In dien tusschentijd.—

wijl, bijw. Middelertijd. — Middelevenredig, bn.—Middelgang, m. (-en). Gebroken gang (van een paard).— Mtddelganger, m. (•s). (Mcilenm.) Rad, dat tusschen twee andere in loopt. — Aliddelh»nd, v. — Mid-delhandspier, v. (-en) —Middelhoe de, v.

— Mlddelhoogduitsch, bn. o. — Middelkoop, m. (-en). Centrum eener vloot.

— Middeling, v. (-en). — Middelkamer, v. (-s). — Middelkennis, v. — Middelkleur, v. Kleur tusschen lichten schaduw.

— Middelkluiver, m. (-s). (Zeew.). — Middellaan,\. (..an en).—Mi ddel la n dsch, bn. Tusschen twee of meer landen gelegen : de Middellandsche Zee. — Middel-liff, o. (..ven). Het midden van het lichaam. — Middellijk, bn. bijw. Nietrecht-streeksch, niet rechtstreeks. Middelbaar.

— Middellijn, v. (-en) Diameter : rerhte lijn, die door het middelpunt langs beide kanten tot aan den omtrek des cirkels reikt. Evennachtslijn. — Middel loos, bn. — Middelmaat,v. Het juiste midden. Het midden. Middelmatigheid. — Middelmatig, bn. bijw. De middelmaat houdende. Redelijk. — Middelmatigheid, v. (..heden). — Mid de lm a tig lijk, bijw. — Middelmoot, v. (-en). — Middelmuur,m. (..uren). Scheidsmuur. — Middelnederlandsch, bn. o. Moderne wetenschappelijke naam van de taal, die in haren tiid heette, d. i. de alge-meene gebruikte schrijf- en misschien ook spreektaal in N.-Nederland en VI.-België van het einde der 120 tot het midden der

16® eeuw. — Middelnerf, v. (..ven). _

Middeloorzaak, v. (..aken). Bijoorzaak.

— Middelpad, o. (-en). — Middelperk, o. (-en). Het middelste der drie vakken, waarin een scheepsdek in de breedte is afgedeeld. — Middelprys, ra. — A/iddel-punt, o. (-en). (Meetk.) Het punt van een vlak, waarvan al de punten van den omtrek eens cirkels even ver gelegt n zijn'. Hoofdpunt. Centrum. — Middelpuntig, bn. _

Middelpun tsbeweg ing, v. — Midlt;/elp u n ts-hoek, ra. (-en). Hoek gevormd door twee stralen van den cirkel. — Middelpuntschuwend, bn. —Middelpuntrekkend, bn. — Middelpuntvliedend, bn. —Middelpunt, zoekend, bn. — Middelrib, v. (-ben). Spant. — Middelriem, m. (-en). — Middelrif, o. (-len). Spierachtig vlies, waardoor de borst van de ingewanden des on-derbuiks wordt gesc eiden. — Middrl-scheeps, bijw. Midscheeps. — Middel* scheepsch, bn. — Middelschild, o. ( lt; n)t (Wapenk.) — Middelschip, o. ( .epen . Het midden van een schip.—Middelschot^


ocr page 503

MIER — 4

o. (-ten). Afscheiding van planken tusschen twee kamers. Tusschenschot (in den neus).

— Middelslag, o. — Middelsoort, v. en o*. (en). — AIid de Ispits, v. (-en). Centraalpunt. — Middelstaat, m. — Middelstand, m. — Middelste, bn. — Middelstem, v. (-men). — Middelstof, v. (-fen). (Nat.) Gevulde of ledige ruimte, waarin een verschijnsel plaats grijpt. Elke stol, binnen welke eene andere doordrinpen en zich met meer of min vrijheid bewegen kan. —Middelstuk, o. (-ken). Stuk, dat te midden is of staat. Deel van eene kamer.

— Middelterm, m. (-en). — Middeltint, v.

— Middeltocht, m. Gedeelte van een leger, tusschen de voor- en achterhoede. — Middelloon, m. (..onen). —Middelvinger, m. (•s).—Middelvlies, o. u.zen). Vlies, dat de borst van den buik scheidt. — Middelvoet, m. — Mida'elvoor, v. (..oren). — Middehveg,m. (-en).Weg, die in 't midden loopt. Het midden : de gulden middelweg. Den m ddelweg houden. — Middelwoord, o. (-en). W oord, dat door zijn voor- of achtervoegsel den schijn heefc een afgeleid •woord ie zijn en dat echter van geen bekend woord gevormd is, b. v. : gering, akker, enz. — Middelzak, m. ( ken). (Bilj.). — Middelzinnig, bn. Dubbelzinnig. — Middel zolder, m. (-s). — Middel-zool, v. (..olen). — Middelzouten, o. mv. (Scbeik.).

midden, o. Puntte midden van iets en even ver van de uitersten verwijderd : het midden eener ronde. Iets, dat gerekend wordt het midden te zijn : het midden van Nederland. Op het midden van den dag : op klaarlichten dag. lem. uit ons midden : een der onzen. Te midden zijner familie, in den schoot, den kring zijner familie. Iets in bet midden laten, er niet over spreken. — Midden, bijw. In het midden: midden op de markt. — Middenbeurs, bijw. — Mid-denboords, bn. Naar het midden van het schip. — Middendoor, bijw.Middenin, bijw. — Middernacht, m. (en). Twaalf uur 's nachts. — Middernachtelijk, bn. — Middemachtsmaal, o. (..alen). — Middernachtsuur, o. (..uren). — Midoogst, m. Het midden van den oogst. — Midscheeps, bijw. Naar bet midden van het schip. — Midscheepsch, bn. — Midwinter, m. (-s). Het midden van den winter.

uiicr, v. Afkeer : hij heeft eene mier aan dit werk.

mier, v. Muur (2* art.). — Mierzaad, o. (..aden). — Mierzeef, v. (..even).

mioi*, v. ( en). Insect, tot eene afzonderlijke familie der vliesvlt ugeligen behoo-rende. De mieren leven in groote menigte samen en zijn om hunnen ijver en zorg voor hunne larven bekend. — Mierachtig, bn.

— Mierenbeer, m. (..eren). Kleine beer, die veel van mieren houdt. — Mierenegel. m. (-s). Behoort tot eene familie in de orde der ?n on oh e tn n ta. Bezit een dik stekelkleed, een buisvormig verlengden snuit met een wormvormige tong.

— Mierenei, o. (-ers, -eren). — Miereneieren, o. mv. Gemeen parelkruid. Steenbreek. — Miereneter, ra. (-s). Tandeloos zoogdier {viyrmecophaga), dat zich

7 — MIJN

vooral met mieren voedt, welke hij vangt met zijne tong in de mierennesten te steken. Leeft in Z.-Afrika. — Mterenhoofr, m. (-en). — Mierenjager, m. (-s). Soort van specht {Jynx torquilla). — Mieren-kever, m. (-s). Soort van kever. —Mierenleeuw, m. (-en). De mierenleeuwen maken eene familie uit in de orde der netvleu-geli^e insecten. Er zijn vele soorten. Eene {■my mie le on for vin arius) komt in de Utrechtsche heide voor. —- Mierennest, o. en ra. (-en). —Mierenvli/t, v. — Mier n-vos, m. Groote miereneter in Brazilië, Peru, enz. — Mierenwas, o. — Mifren-zuur, o. Kleurlooze, stekende, rii-kende vloeistof, die bij ia^e temperatuur krist illi-seert. Trekt blaren op de huid.

miere, v. Gewone spurrie (in Groningen en Drente).

Miere velt {M. van), 1568-1641, Delft. Portretschilder.

mieris:, ba. Mierige koe : koe, die bloed watert.

mierik, ra. Soort van lepelblad = peperwortel. — Mierik(s)wortel, ra. (-s). Plant; v. de vleezi^e, scherpe wortel van den mierik.

Mieris {van) i0 {F.), 1635-1681, Leiden. = de nude. Schilder. Het portret van den schilder en zijne vrouw; Raadplr -mg. — 20 Zijn zoon (IV.), 1662-1747, Leiden. Schilder. Kruidenierswinkel. — 30 Zoon van Willem (F.), 1689-1763, = de jongere. Schilder.

Migrnsamp;rd {P.), 1610-1695, Troyes. Fr. portretschilder.

Migrnon [A.), 1640-1679, Frankfort. Duitsch schilder.

mQ. 30 en 4,, naamv. enkelv. van 't pers. vnw. ie persoon.

mUdlt;'Hgt; bw. meed, heeft gemeden. Vermijden : iemands gezelschap mijden. Schuwen : het kwaad mijden. Zich viijdent ww. Zich onthouden \van), zich wachten (voor). — Mij de lijk, bn. — Mijding, v. — Mijdz a am, bn. bijw. Omzichtig en zorgvuldig.

mUl, v. (-en). Afstandsmaat. Duitsche ot geographische raijl = 7420,438 met., oude Fransche mijl = 4451,9 met., Neder-landsche mijl = 1000 met., oude Holland-sche mijl of het uur gaans = 5555,5 met., Engelsche mijl = 1609 met Zie Zeemijl. — Mijlpaal, m. (..alen). — Mijlschail, v. (..alen). — Mijhteen, m. (-en). — Mijlwy-zer, m. (-s).

mtjmercn, ow. mijmerde, heeft gemijmerd. Zwaarmoedig denken (over). Suffen. Duiten. — Mijmeraar, ra. (-s). — Mijmeraar ster, v. (-s). — Mijmerig, bn. — Mijmerij, v. (-en). — Mijmering, v. (-en). — Mijmer vlaag, v. (..agen).

iiiün. Bezitt. vnw. i® peisoon. —Mijn, mijns, mijner. Pers. vnw. 2° naaraw. van ik. — Mijn, v. (-en). Plaats, waar de visch gemijnd wordt. — Mijnen, bw. mijnde, heeft gemijnd. Door het roepen van mijn zich bij eene openbare verkoopin^ als koo-per aanstellen. — Mijnent (ten mij tien», te mijnent), bijw. uitdr. Bij mij thuis.— Mif-nenthalve, bijw. Voor mij. Wat mij betreft. — Mijnentwege, bijw. Uit mijnen


ocr page 504

MIKO — 4

naam. — Mijnentwille (om mijnentwille), bijw. uitdr. Om mij. Ter liefde van mij. — Mijner, m. (-s). — Mijnheer, m. (-en, mijne heeren). Titel, welken men aan de deftige manspersonen geeft. — Myning, v. (-s). — Mynster, v. (-s).

mQu, v. (-en). Groeve onder de aarde, om er allerlei delfstoffen uit op te halen. Koolmijn. Gegraven kelder of gang onder de aarde met kruit gevuld : eene mijn laten springen. — My nader, v. (-en, -s). — Mynarbeid, m. — Myndelver, m. (-s). — Mynen, ow. mijnde, heeft gemijnd. Eene mijn graven. Ondermijnen. — Alyner, m. (-s). Mijnwerker. — Myngalery, v. (-en).

— Mijngang, v. (-en). — Mi/ngas, o. — mijngraver, m. (-s). — Myngroeve,v. (-n). — Myngrond, m. (-en). — Myn-hnard,n\. (-en). Plaats, waar de kruitworst ontstoken wordt. — Mynkamer, v. (-s). — Mynkoker, m. (-s). — Mijnlamp, v. (-en).

— Mynoven, m. (-s). — Mijnpomp, y. (-en). — Mijnschacht, v. (-en). — Alyn-stof, v. (-fen). — Myntrechter, m. (-s). — Mijn-werker, m. (-s). — Mijnwerkersla nip, v. (-en). — Mijnwerkersschrp, v. (-pen). — Mynworst, v. (-en). Kruitworst, die 't vuur aanvoert om eene mijn te doen springen.

niyt, v. (-en). De mijten {acarina)^-hooren tot de spinachtige dieren {arach-ncidea). — Myteric, bn. Vol mijten. Armoedig. Morsig. Onpfesond.

uiUt. v. (-en). (Oudt.) Het kleinste der muntstukken = i/io van eenen cent. Het scheelt mij geene mijt: ik geef er zooveel als niets om.

■uütgt; v. (-en). Hoop stroo, takkenbossen, enz. — Mijten, bw. mijtte, heeft gemijt. Aan, in eene mijt zétten.

mtiter, m. (-s^. Bisschopshoed. Waardigheid eens bisschops. Spits toeloopend hoofddeksel. Gedreven sieraad op zilveren of gouden hoekbeslag. — Mijterbetg, m. Helicon. —Mijter dragend, bn. — Mijter-drager, m. ( s). Bisschop. — Mijteren, bw. mijterde, heeft gemijterd. Met den mijter sieren. Tot bisschop verheffen. — Slijter stad, v. (..eden). Bisschopsstad. — Mij-tervormig, bn.

mik, v. Bloem van rogge-of tarwemeel, (-ken) Roggebrood.

mik, v. (-ken). Boomtak als een twee-tandigevork. Schoor, paal, galgpaal. Galg (eener pomp). Herdersstaf. Soort van scheepslantaarn. — Mikgalg, v. (-en). Halve galg. — Mikgat, o. (-en). Zundgat.

— Mikijzer,o. (-s). — AHkknop, m. (-pen), mik, m. Het mikken. —Mikken, ow.

bw. mikte, heeft gemikt. Doelen, aanleggen (op iets om het te treffen). Scherp zien of iets lijnrecht is. Loeren. Op den uitkijk staan. — Mikker, m. (-s). — Mikking, v.

— Mikpunt, o. (-en). —Alikster, v. (-s). 3Iik2Mio. Zie Japan.

mikkou (alleen indeonbep. wijs).Niet durven kikken of mikken : niet durven spreken.

mikmak, v. Zwarigheid, hinderpaal. List. Gebrek.

miko, m. (-s). Kleine zilverkleurige aap (Brazilië).

8 — MIME

mil, v. Volksnaam voor Gierst, iflilaan, 295,000. Hoofdstad van Lom-bardië. Prachtige kerk (14° eeuw).

mild, bn. bijw. Week, zacht : mild© appels. Zacht, malsch : milde regen. Vrijgevig : zijne milde hand den arme opendoen. Ruim, rijkelijk : eene milde bijdrage. Inschikkelijk, niet streng : de milde toe-

Êassing der wetten. —assing der wetten. — Milddadig, bn. ijw. Mededeelzaam. Edelmoedig.—Milddadigheid, v. — Mildda dig lijk, bijw. — Mildelijk, bijw. — Mildheid, v. Milddadigheid. Toegeeflijkheid, (..heden) Daden van milddadigheid.

milderen, bw. milderde, heeft gemilderd. Zachter maken. Lenigen.

milieien, m. (-s). Loteiing. Weerbare man. — Milicien-korpomal, m. (-s). — Milicien-verlofganger, m. (-s). — Militair, o. Krijgsmansstand. Krijgswezen. — Militair, m. (-en). Kiijgsman. Krijger.— Militair, bn. — Militarisme, o. Krijgs-stelsel. Sabelregeering. — Militarist, m. (-en). Krijgsvoorstamler. — Militie, v. Krijgswezen . Krijgsdienst. Krijgsvolk . Krijgsmacht. Weerbare mannen. In de militie, in de loting vallen.

miiie, v. Volksnaam voor Gierst, mille, o. Duizend : per mille. — Milli, Duizendste [alleen in samenstellingen. J/;7-ligram, o. en m. (-men). Millimeter, m. (-s)]. -— Milliade, v. (-n). Duizend jaar. — Mtlliard,o.(-en). Duizend millioen.—Mil-licen, o. (-en). Duizendmaal duizend. — Millioenpoot, m. (-en). Soort van insect, tot do duizendpooten behoorende. — Millioen ste, o. (-n). — Millioental, o. (-len).

— Millionnair, m. (-s). lem., die millioe-nen bezit. Schatrijk man.

Millet (y. F.), 1814-1875, Gréville. Fr, schilder. Angelus/ Bergère; les Glaneu-ses ; VHomme a la houe.

Miilevoye [Ch. H.), 1782-1816, Abbeville. Fr. dichter. Belzunce au la peste d Marseille ; Chute des fe ui lies,

milt, v. C-en). Klierachtig ingewand, uitsluitend bij de gewervelde dieren voorkomende en te vinden in de buikholte, dicht onder het middelrif aan de linkerzijde. Hom (van sommige visschen). — Milt ader, v. (-en, -s). — Miltbreuk, v. (-en). — Miltdamp, m. (-en). — Miltert m. (-s). Mannetjesvisch. — Miltklier, v. (-en). — Miltkruid, o. Plant (aspienium). Behoort tot de varens. Groeit op muren, tusschen spleten en rotsen.— Aliltontste-king, v. (-en). — Milt pijn, v. — Milt' spier, v. (-en). — Miltuitzetting, v. (-en).

— Miltverharding, v. — MiUverstop-ping, v. — Miltvormig, bn. — Miltvuur, o. Vreeselijke besmettelijke ziektebij rundvee en wild. Wordtsomsookbijdenmensch aangetroffen. — Miltziek, miltzuchtig, bn. — Miltziekte, miltzucht, v.

Itfiltiadea. Atheensch veldheer. Overwon de Perzen in de velden van Marathon (490 vóór Cchr.).

Milton (y.), 1608-1674, Londen. Eng. dichter. Paradise lost (heldendicht, 1667).

mimen, m. mv. Gebarenspelers. — Mimicus, in. (..ci). Meester in het gebaren maken. — Mimiek, v. Gebarenkunst. Ge-


ocr page 505

MIN — 4

barenlcer. Gebarenspel. — Mimisch, bn.

min, bijw. Weinig. Gering. Te min : niet genoeg. Dat is min : beteekent niet veel. Min of meer : ongeveer. Het teeken der aftrekking (—) wordt min gebee-ten. Minder. Zie Dan. — Mivachien, bw. minachtte, beeft geminacht. Geen of weinig achting hebben (voor). Geringschatten. — Minachting, v. — Minbekend, bn. — Minder, bn. bijw. Vergelijkende trap vaa min : de prijs is vandaag minder. Vergelijkende trap van weinig : hoe minder hij spreekt, des te beter.

— Mi*'derbroeder, m. (-s). De Minderbroeders (Franciscanen) maken eene reguliere orde uit, ingesteld door den h. Fran-ciscus van Assisi, aan wien Christus den regel heeft voorgeschreven op den berg Palumbo. Deze orde bevat drie groote takken : de Minderbroeders Observanten (1368), de Minderbroeders Kapucijnen (omstreeks 1525), de Minderbroeders Con-ventueelen. Onder den generaal der Minderbroeders Observanten staan ook de Minderbroeders Recollecten (omstreeks 1502), de Re formaten, enz. Buiten een groot getal heiligen en gelukzaligen, heeft deze orde 6 pausen, 40 kardinalen vooitge-bracht. Beroemde mannen : h. Bonaven-tura. Duns Scotus, Roger Baco, Petrus de Alcantara, h. Antonius van Padua, Leo-nardus a Portu-Mauritio (/« sanctitate et doe trina). —Minderbroedersklooster, o. (-s). —Minderdeel, o. — Mindere, m. en v. (-n). Lagere in rang. Ondergeschikte. — Minderen, minderde, heeft en is geminderd. Bw. Minder maken. Ow. (zijn) Minder worden. Afnemen. — Minderheid, v. (..heden). Kleinste aantal. Ondergeschiktheid. Lagere rang. —Mindering, v. (-en).

— Minderjarig, bn. Zie Meerderjarig. — Minderjarigheid, v. —Mindertervi, m. (-en). Zie Sluitrede. — Mingevorderd, bn.

— Minst, bn. bijw. Overtreffende trap van min en weinig. Geringste, kle nste. In het minste niet: volstrekt niet. Gij ten minste : gij althans. Op zijn minste : ten minste genomen. — Minste, m. en v. (-n). De mindere. De ondergeschikte. — Minstens, bijw. Op zijn minst. — Minvermogend, bn.

uiin, v. (-nen), minne, v. (-n). Voedster. Baker. — Minnemoer, v. (-s).— Minnen, minde, heeft gemind. Bw. Zoogen. Ow. Uit minnen gaan : voor baker uitgaan. — Minnekind, o. (-eren). Voedsterkind.

min, v. Liefde. — Mingenoot, m. (-en).

— Afingenoote, v. (-n). — Mingenot, o. — Minijver, m. Minnenijd. — Minyverig, bn. —Minnaar, m. (..aren, -s). — Minnares, v. (-sen). — Minnary, v. (-en). — Minne, v. Liefde, vriendschap. In der minne: op vriendschappelijke wijze.— bfin-nebelofte, v. (-n). —Minnebrand, m.— Minnebrief, m. (..ven). — Minnedicht, o. (-en). — Minnedichter, m. (-s). — Minnedrank, m. (-en). — Minnedrift, v. — Minnegloed, m. — Minnehandel, m. — Minnekans, v. (-en). — Minneklacht, v. (-en). — Minnekoorts, v. (-en). — Min-nekoozen, ow. minnekoosde, heeft geminnekoosd. Liefkoozen. — Miquot; nekoozcrij.

9 — MINI

v. (-en). — Minnekoozing, v. (-en). —r Minnekout, m. — Minnekunst, v.— Minnelied, o. (-eren). — Minnelijk, min lijk, bn. bijw. Vriendelijk. Beleefd. Zacht. Bij minnelijke schikking : zonder tusschen-komst van den rechter. — Minnelykheid, minlykheid, v. — Minnelist, v. ( en). — Minnelonk, m. (-en). — Minne luim, v. (-en). — JMinnelust, m. — Minne in allen, ow. minnemalde, heeft geminnemald. Liefkoozen.— Minnen, bw. minde, heeft gemind. Liefde toedragen. Beminnen.Vrijen,

— Minnen eed, m. (-en). — Minnenijd, m. Jaloerschheid. Jaloezie. — Minneny-dig-, bn. — Minnensvoaardit*, bn. — Minnepijn, v. (-en). — Minneplicht, m. en v. (-en). — Minnepraat, m. — Minneschicht, m. (-en). — Minneschuw, bn. — Minnespel, o. — Minnestrijd, m. — Minnetaal, v. — Minnefocht, m. — Minnevlaag, v. (..agen). — Minnevlam, v. (-men). — Minnevuur, o.

— Minnezang, ni. (-en). — Minnezanger, m. (-s). Menestreel. — Minneziekte, v. — Minnezorg, v. (-en). —Minnezucht, v. —Minstreel, va. (-en). Menestreel.— Minzaam, bn. bijw. Vriendelijk. Beleefd. Voorkomend. —Minzaamheid, v. —Minziek, bn. — Minziekte, v.

minaret, v. (-ten). Slanke, in tal van verdiepingen verdeelde toren, die zich ter zijde van eene moskee verheft. Vandaar wordt het volk vijfmaal daags ten gebede opgeroepen.

.gt;Bin«l ((7.), 1768-1814, Bern. Zwitsersch dierenschilder.

mine, v. Gelaat, gezicht, wezen. Gedaante , voorkomen, uiterlijk, aanzien. Schijn. Mines maken : pruilen, een leelijk-gezicht trekken. Gebaren.

mincrsisil, o. (..alen). Delfstof, Berg' stof. Erts. — Mineraal, bn. Delfstoffelijk, bergstoffelijk. Minerale bron : gezondheidsbron. — Mineraalblauw, o. Berlijnsch-blauw. — Mineraalgeel, o. Fraai geel poeder. — Mineraalgroen, o. Zeker zuur-stofzout van het koper. — Mineraalwater, o. Bionwater. — Mineraalwateren, o. mv. Kunstmatig bereide, schuimende water. — Alineralenri/k, o. DelfstofTenrijk.

— Mineralogie, v. Delfstofkunde. Berg-stofkunde. Leer van de onbewerktuigde natuurlichamen. — Mineralographie, v. Beschrijving der delfstoffen. — Minera-loog, m. (..ogen). Delfstofkundige.

MinevTsi, v. (Myth.) Is gansch gewapend uit het hoofd van Jupiter gekomen en wordt gehuldigd als de godin der wijsheid, beschermster van kunsten en wetenschappen. Ook, krijgsgodin.

minerval, o. (-ia). Schoolgeld. Leer-geld.

minenr, m. (-s). Mijnwerker. Schansgraver.

minintunr, v. (..uren). (Middel.) Gekleurde versiering van geschrevene boeken, eerst met menie, later met allerlei kleuren. In miniatuur : zeer klein (voorgesteld, afgebeeld), verkleind. — Miniaturist, m. (-en). — Miniatuurschilder, m. (-s).—Miniatuurschilderkunst, v.


ocr page 506

- 460

MINU

MIS

minlcni, bn. bijw. Zeer klein. Gering. Onbeduidend.

9liiilcni, m. (-en). Lid eener monnikenorde, gesticht door Franciscus de Paula (1416-1507). Bij de drie gewone kloostergeloften, voegde de stichter nog die van alge-heele en altijddurende onthouding van vleesch, eieren en melkspijs. Er zijn ook Zusters -Miniemen.

luiiiiiniim, o. (..ma^. Het minste, het laagste, het geringste. Minste straf.

lulnistcr, m. (-s). Eerste staatsdienaar. Wordt benoemd door den koning en voert in 's vorsten naam en onder eigene verantwoordelijkheid de grondwet en andere wetten uit, voor zooveel de uitvoering er van, afhangt van de kroon. In België zijn 8 ministers : van buitenlandsche zaken; van binnenlamische zaken en openbaar onderwijs ; van justitie; van finantiën ; van landbouw en iraaie kunsten; van nijverheid en arbeid ; van spoorwegen, posten en telegrafen ; van oorlog. In Nederland zijn 8 ministers ; van binnenlandsche zaken; van waterstaat, handel en nijverheid; van justitie; van finantiën ; van oorlog; van marine ; van koloniën; van buitenlandsche zaken. Minister van Staat: minister zonder portefeuille. Eerste minister : hoofd van den ministerraad. — Ministerie, o. (..iën, -s). De plichten van zijn ministerie vervullen : zijne ambtsplichten vervullen. Hulp, tusschenkomst: zoo ge mijn ministerie noo-dig hebt, ge moet maar spreken. Dienst, bediening : in 't ministerie zijn (inz. van priesters). Bevoegdheid : dat is buiten zijn ministerie. Het deel van het bestuur aan eenen minister toevertrouwd. Het paleis eens ministers. Staatsbestuur, de regeering. Openbaar ministerie : zie Openbaar. — Ministerieel, bn. Ambtshalve. Van eenen minister uitgaande. Op eenen minister of een ministerie betrekking hebbende. — Ministerraad, m. (..aden). — Ministerresident, m. (ministers-residenten). Zaakgelastigde van eenen Staat of vorst. — Ministerschap, o.

miniuni, o. Menie.

mink, m. Verminking.

Mluimert (G. D.), 1836, Gent. Bestuurder der stadsscholen (aldaar). Bloemlezingen (1872).

minor, bn. Jonger. Jongere. — Minor, m. De jongste van twee broeders. Mindcr-term eener sluitrede. — Minoraat, o. Erf-opvolgingsrecht der jongeren. (R. K.) De gezamenlijke vier mindere orden — Mi-norenniteit, minoriteit, v. Minderjarigheid. Onmondigheid. — Minoriteit, v. Minderheid (inz. van stemmen in eene vergadering, enz.).

luimiH, bijw. Min. (—). Plus minus : meer of minder (zb), ongeveer.

minulicuft, bn. Nauwlettend, nauwkeurig, zorgvuldig. Kleingeestig.

iniiiniit, v. (..uten), miuutG, v. (-h). Oorspronkelijk stuk of opstel van eene akte. — Minuteeren, bw. minuteerde, heeft geminuteerd. Ontwerpen. In klad brengen.

minuut, v, (..uten). 1/60 gedeelte van een uur, van eenen graad. (Bouw.) 1/30 dael van den modul. (Schild.) 1/48 deel van de lengte van het menschelijk hoofd. — Minuutglas, o. (..azen). — Minuutli/'n, v. (-en). — Minnutrad, o. (-eren). — Minuutschot en, o. mv. — Minuutwijzer, m.

(-s).

Mirubcau {G. H. Riquetti dé), 1749-1791, Bignon (Provence). Fr. redenaar en staatsman.

mirabel, v. (-len). Kleine gele of roodachtige pruim. — Mirabelpruim, v. ( en).

— Mirabelpruimeboom, m. (-en).— Mij rabelpruimelaar, m. (..aren).

mirakel, o. (-en, -s). Mirakelen : « wonderlijke teekenen, die al de krachten der schepselen te boven gaan en door zonderlinge hulp Gods gedaan worden ». — Miraculeus, bn. Wonderbaar. Wonderdoende. Verbazingwekkend. Bovennatuurlijk.

mirliton, m. (-s). Rietfluitje.

mirre, myrrlie, v. Gomhars. Wordt uit Abessynië en Arabië in den handel gebracht in den vorm van roodbruine korrels. Heeft een scherpen smaak en ei^enaardi-gen reuk. — Mirrebalsem, m. — iJ/irre-boom, m. (-en). Boom {balsamodendron myrrha), waaruit de mirre vloeit. — Mir-rekervel, v. Zekere p-ant. — Mirresop, o.

— Mirreuvijn, m. Wijn met mirre gekruid.

— Mirrezaad, o. Welriekend zaad.

mirt, m. (-en). Plantenfamilie. Komt

vooral voor op N.-Holland en in Amerika. Levert specerijen en aromatische oliën op. In Europa komt alleen voor de gewone mirt {mirtus communis) : altijd groene heester, met alleen staande witte bloemen en donkerblauwe bessen. — Mirtachtig, bn. —Mirtebes, v. (-sen). — Mirtebezie, v. (..iën). — Mirteblad, e. (-en, -eren). — Mirteboom, m. (-en). Mirt. — Mirte-krans,m. (-en).— Mirtekruon, v. (..onen).

— Mirte(nJloof, o. — Mirteloot, v. (..oten).—Mirtenbosch,0. en m. (..sschen).

— Mirtengeur, m.— Mirtenwijn, m.— Mirtestruik, m. (-en). — Mirtetak, m. (-ken). —Mirtetwijg, v. (-en).

Miry {Chi), 1823-1889, Gent. VI. componist. Koren. Liedet eii.

miH, v. (-sen), misse, v. (-n). « Het Sacrificie van de Nieuwe Wet, in hetwelk het lichaam en bloed van Christus, onzen Zaligmaker, aan God den Vader opgeofferd wordt. » Opdracht van dit sacrificie door den priester met de gebeden en plechtigheden. Gezamenlijke gezangen, die gedurende de plechtigheden der mis worden uitgevoerd; eene mis van Palestrina. Jaarmarkt (in Duitschland) : de Leipziger mis, enz. —Misboek, o. en m. (-en). — Misbrood, o. (-en). — Misdienaar, m. (..aren, -s). — Misdiener, m. (-s). — Misgebed, o. (-en). — Misgewaad, o. (..aden). — Miskelk, m. (-en). — Miskleed, o. (-eren). — A/is loon, o. en m. — Misoffer, o. (-s). — J/ispriest^r, m. (-s).— Missaal, o. (..alen). (R. k.) Misboek. (Boekdr.) Groote lettersoort. — Miswijn, ra. — Missediener, m. (-s).

mis, v. (-sen). Misslag. Misgreep. Dwaling.


ocr page 507

MISG — 4

miNt bijw. Niet goed uitgevallen. Mislukt. Valsch. Verkeerd.

uiiMaolitcn (Onsch.) bw. Minachten. — Mt sa ch tïng, v.

misaiiniro4»p, m. (..open). Men-schenhater.—Misanthropies v. Merschen-haat. — Misantropisch, bn. Menschen-schuw. Onvriendelijk. TerugstootenJ.

luinbastr, bn. Wat gemist kan worden.

misbaar, o. Geraas. Getier. Geschreeuw.

minbak, o. (-ken). Mislukt baksel. Iets, dat niet wel uitgevallen is. — Misbakken, bn. Niet wel gebakken. Mislukt. Lee-lijk. — Misbaksel, o. ( s). Misbak.

miMbarou (Onsch.), ow. Mis-baar maken. — iniMbctiren (Onsch.), bw. Be-loopen (eene geldboete). Vei Deuren. — miHbrtiikcu (Ocsch.),bw. Slecht, verkeerd gebruiken. Onteeren. Misbruik, o. (-en). Slecht, verkeerd gebruik : misbruik van zijne macht maken. Slechte gewoonte : 't is moeilijk misbruiken verbeteren. Misbruiker, m. (-s). Misbruiking, v. (-en). Misbt u ik ster, v. (-s).

mindaad, v. (..aden). Zonde : hij doet boetvaardigheid over zijne misdaden. Schelmstuk ; wat ijselijke misdaad ! — Misdadig, bn. bijw. Schuldig aan misdaad. Strafwaardig. Op eene misdaad betrekking hebbende. —Misdadiger, ra. (-s). — AI is-dadigster, v. (-s).

miNdcelon (Onsch.), bw. Slecht dee-len.Nietwel deelen,—iniNilooii (Onsch.), ow. In strijd met de wt-t handelen. Zondigen. Beleedigen, (Sch.) Bw. Verkeerd doen. — miMdoopcn (Onsch.), bw. Verkeerd, slecht doopen. (lem.) een onechten naam geven. Misdooping, v. — iiiIh-draalcn (Sch.), bw. Verkeerd draaien. Dit zal misdraaien, verkeerd uitl«gt;opcn. — niiiMlragzon [zich) (Onsch.), ww. Zich slecht gedragen. Misdracht, v. (-en). Mis-drachtig, bn. — on (Onsch.),

;bw. ow. Iets doen, dat niet goed is. dat strafbaar is. (Sch.) Ow. (zijn) Voorbijdrijven zonder te raken. IlisdryJ, o. (..ven). Wanbedrijf.Strafbare daad.— iiiiMdruk-Iten (Sch.), bw. Verkeerd, slacht drukken. Misdruk, o. Misgedrukte bladen, die men tot scheurpapier maakt. — iniMilni-den (Onsch.), bw. Kwalijk uitleggen.Verkeerd opvatten. Misduiding, v. (-en). miAe, v. (-n). Inzet. Inleg. Inleggeld. nilaerabcl, bn. Ellendig, rampzalig, armoedig, ongelukkig. Boosaardig, ondeugend.

uii.scrio, v. (..ien, -s). Ellende, nood, armoede, gebrek. Kleinigheid, beuzeling. (Kaartsp.) Miserie spelen : niet éenen slag hebben.

mimtraan (Sch.), ow. (zijn) In het gaan niet aantreffen. Niet inhalen. Niet raken : die kogel ging mis. (Onsch.) Ow. (zijn) Mislukken. Tegenspoed hebben. Slecht uitvallen. Ontgaan. Zich misgaan, ww. Zich vergissen. Verder gaan dan noodig is.

miMgrcboorlc, v. (-n). Onvoldragen vrucht. Misiraakt schepsel.

mi * solden (Onsch.), bw. Boeten, lijden (voor).

i — MISL

miftgetvaft, o. ( %en). Mislukte groei (der veldvruchten). Slechte oogst.

mifteiftHeu (Sch ), bw. Verkeeid gissen. Kwalijk vermoeden. Zich misgissen, ww. Zich Vergissen. Misgissing, v. (-en), mifterooicn (Sch.), bw.Veikeerd gooien. Nvt raken. — ini*iKrU|»4gt;ii (Sch.), ow. Mistasten in 't grijpen. Zich misgrijpen, ww. Zich vergissen. Zich aan iem. misgrijpen. Kwalijk, strafbaar tegen hem handelen. Misgreep, m. en v. (..epen). Mistasting. Dwaling. — miftKiiiineii (Onsch.), bw. Niet gunnen. Benij len. Misgicnner, m. (-s). Misgunning, v. Misgunst, v. Afgunst. Misgunstic, bn. bijw. Afgunstig. Nijdig. Jaloersch. Misgunstigheid, v. Mis-gunstiglyk, bijw — m isli :gt; gen (Onsch.), ow. Nift wel aanstaan. Mishaaglyk, bn. bijw. Onaangenaam. Verdrietig. Mishagen, o. Afkeer. Verdriet. Misnoegen. Mis-haging, v. — iiii.Hliakvii (Sch.), bw. Niet goed, verkeerd haken. — miftiiak-ken (Sch.), ow. In het bakken missen. Verkeerd hakken. — iiiiMliaiirielcii (Onsch.), bw. Slecht behandelen. Ten on-rcchte kastijden. Mishandeling, v. (-enK

— mi«iliaiiiien (Onsch.), ow. Niet handen. Te onpas komen. Hinderen. hande, v. Hinder : 't is eene groote mis-hande — inihlia|i|»cMi (Sch.), ow. In het happen missen. Verkeerd happen. — mift-licbbon (Sch.), bw. Het mishebben : zich vergissen. — ■nlMliooron (Sch ), ow. Slecht hooren. Verkeerd verstaan. — iiii*gt;1iou*vcit (Sch.),bw. Verkeerd houwen. Niet raken. Mishowwinq, v. (-en).

luidjaar, o. (..aren). Ouviuchtbaar jaar.

iniftKanft, v. (-en). Ongunstige kans. mi*keck, m. Verkeerde blik. Valsche opvatting.

iiiiftkeiinoii (Onsch.), bw. Niet kennen. Niet erkennen. Niet weten te waar-dceren. Miskeunintr, v. (-en). — miskU-kcti (Sch.), ow. Verkeerd kijken. Zich miskyken, ww. Zich bij het kijken vergissen.

mlftklank, ra. (-en). Wanklank. miMkleurig:, bn. Slecht van kleur. Kwalijk geverfd.

miskoiueu (Onsch.), ow. (zijn) Te onpas komen. Hinderen. Kwalijk uitvallen. — misikoopen \zich), ww. Te duur koopen. Bedrogen zijn in den kuop.

in ink raam ,v. (..amen). Ontijdige verlossing.

miMkrodlet, o. Kwade naam. miftkwaam, o. Ongeluk, ongeval. Ziekte. Ramp.

miftletTKi'ii (Sch.), bw. Op eene verkeerde plaats leggen. — miftl»ilt;ieu (Sch.), bw. Verkeerd leiden. (Onsch.) Bw. Bedriegen. Misleider, m. (-s). Misleiding, v. (-en). Misleidste*, v. (-s). —ml«lc-zen (Sch.), bw. ow. Slecht, verkeerd lezen. Zich mislezen, ww. Zich vergissen door niet goed te lezen. Lezende mis zijn.

— miftlooncn (Onsch), bw. Niet naar verdiensten loonen. Mxslooning. v. — miftloopen (Sch.), ow. (zijn) Verkeerd loopen. Niet raken in het loopen. Het doelwit niet bereiken.


ocr page 508

MISS — 4

m I si u id cud, bn. Wanklinkend. —

Misluidendheid, v.

mlHlukkeu (Onsch.), ow. 'zijn) Niet gelukken. Slecht uitvallen. Misluk, o. Ongeluk. Mislukking, v. (-en). — mismift-kcu (Onsch.), bw. Misvormen. Ontsieren. Mismaakt, bn. Mismaaktheid, v. Mis-making, v. — luiwmïi.sseii (Onsch.), bw. Op ruwe wijze dooreenmengen. Mismas, m. (-sen). Mengelmoes. — mismeten (Sch.), bw. ow. Verkeerd, slecht meten. Mismeting, v. — mlsmikkeu (sch.), ow. Slecht mikken. Mistnikkine;, v.

mismoedig:, bn. bijw. Neerslachtig. Zwaarmoedig. Mistroostig. — Mismoedigheid, v.

misuoe^cn (Onsch.), ow. Redenen tot ontevredenheid geven. Misnoegd, bn. bijw. Onvergenoegd. Ontevreden. Misnoegde, m. (-n). Misnoegdheid, v. Misnoegen, o. — misoordcelcn (Sch.), ow. Slecht, kwalijk oordeelen.

mispas, m. (-sen). Verkeerde stap. Licht vergrijp.

mispel (-s,-en), v. (vrucht); m. (boom).

— Mispelaar, m. (..aren). Mispelboom.

— Mispelbloesem, m. (-s). — Mispelboom, m. (-en). Boom \mespilus Germanica). Behoort tot de appelachtigen. Komt voor in N.-Europa. De vrucht is eetbaar als zij tot gisting is gekomen. — Mispelbruin, bn.

mispcnfereii (Onsch.),bw. Misdoen.

— mispikkelen (Onsch.), bw. Misdoen.

— mispikken (Sch.), ow. In het pikken niet treffen. — nilHplsizitseii (Onsch.), bw. Slecht, verkeerd plaatsen. Misplaatstheid, v. — misprijzen (Onsch.), bw. Afkeuren. Laken. Mispryselyk, bn. A/ts-pri/sster, v. (-s). Mispryzer, ra. (-s). Mis-pryztng, v. (-en). — mlsprikken (Sch.), ow. Verkeerd prikken. Prikkende niet raken.

mispnnt, o. (-en). (Bilj.) Misstoot. Luilak.

misraden (Sch.), bw. ow. Niet raden. Verkeerd raden. (Onsch.) Bw. Afraden, ontraden. Ow. Een slechten raad geven. Misraad, ra. Slechte raad. Misrading, v.

— mlsramen (Sch.), ow.Onnauwkeurig raraen. (Onsch.) Ow. Zijne maatregelen niet goed nemen en daardoor het doel niet bereiken. — misrekenen (Sch.), ow. Verkeerd uitrekenen. Zich misrekenen, ww. Zich in het rekenen vergissen. Zich in .zijne verwachting teleurgesteld zien. Misrekening, v. (-en). — misrollen (Sch.), ow. (zijn) Verkeerd rollen. Rollende niet raken. — misrooien (Sch.), ow. Slecht pijlen of meten. Mis rooiing, v. (-en).

miss, v. Juffrouw. Freule, misselistpen, bn. Wanschapen. Misvormd. — Misschapenheid, v.

mlsseliatten (Sch.), bw. Beneden de waarde schatten. — mlsselieppen (Onsch.), bw. Misvormen. — mlsselieppen (Sch.), ow. Verkeerd, niet goed «cheppen.

misselilen, bijw. Wellicht. Mogelijk, mlsselileten (Sch.), bw. ow. Verkeerd schieten. Schietende het doel mis-«en. — missekikken (Onsch.), bw. In wanorde brengen. — missekoppen

2 — MIST

(Sch.), bw. ow. Verkeerd schoppen. Schoppende het doel missen.

. misselijk, bn. bijw. Leelijk : welkeen misselijke gedaante. Vreemd, zonderling : een misseliike kleeding. Onpasselijk : misselijk worden. Gemelijk : een misselijke vent. —Misselijkheid, v. (..heden).

missen, miste, heeft gemist. Ow. Uitblijven : hij mist nooit op de vergadering. Niet raken : het schot miste. Falen : dit kan niet missen. Bw. De afwezigheid van iets of :em. gewaar worden : hij miste zijnen hoed. Niet weten waar iets of iem.

febleven is : ik mis hem reeds zoo lang. Tiet hebben wat men noodig heeft ; zij mist allen troost.ebleven is : ik mis hem reeds zoo lang. Tiet hebben wat men noodig heeft ; zij mist allen troost. Missing, v. (-en).

missie, v. (..iën). Zending. Zendelingschap. Opdracht, last. — Missieland, o. (-en).—Missionaris, m. (-sen).

missieren (Onsch.), bw. Door versieringen leelijk maken. Ontsieren. —Mis-siering, v. (-en).

Mississippi,m. De grootste stroom van N.-Amerika. Lengte ^ooo kilom. Stortzijne wateren uit in de golf van Maxico. missive, v. (-n, -s). Brief. Schrijven. miHslstan (Sch.), bijw. In 't slaan missen. Niet treffen. Ow. Eene dwaling begaan. Zich vergissen onder 't spreken : hij slaat dikwijls mis in zijne rede. Den toon slecht vatten : die zanger slaat nooit mis. Misslag, ra. (-en). Verkeerde slag. Feil, dwaling. Misgreep. Verkeerde handeling. Tegenspoed. Ongeluk. — missmUicn tScü.), bw. ow. In het smijten zijn doel niet treften. Verkeerd smijten.

missnede, v. (-n). (Flaatdr.) Vergissing.

Missouri, v. De aanzienlijkste bijrivier van den Mississippi. Lengte : 4,500 km.

misspreken (Sch.), ow. Verkeerd spreken. Zich misspreken, ww. Zich in het spreken vergissen. — missprlngren (Sch.), ow. (hebben, zijn) In het springen missen. Een valschen sprong doen, Mis-sprong, m. (-en). Verkeerde sprong. — misstaan (Onsch.), ow. eenpw. Kwalijk staan : dit kleed misstaat u. Niet wel betamen : het misstaat eenen geleerde aldus te schrijven.

misstal, ra. Wanschikkelijkheid. Wan-voeglijkheid. — Mhst al lig, misstal tig, bn. Misvormd. Leelijk.

misstand, ra. (-en). Verkeerde stand. Verkeerdheid.

misstappen (Sch.), ow. (hebben, zijn) In het stappen missen. Een verkeerden stap doen. Misstap, ra. (-pen). Verkeerde stap. Kleine misdaad, vergrijp, overtreding. — mlssteken (Sch.), bw. ow. Verkeerd steken. Niet treffen in het steken. — mlsstellen (Onsch.), bw. Verkeerd stellen. (Sch.) Bw. Slecht opstellen : eenen brief rmssteWen iMisstelling,v. (-en). — misstooten (Sch.), bw. verkeerd stooten. Niet treffen in hetstooten. Misstoot, ra. (-en). (Bilj.) Verkeerde stoot.— missturen (Sch.), bw. Kwalijk, verkeerd sturen. Misstm ing, v. (-en).

mist. Zie Mest.

mist, m. (-en). Dikke nevel, damp. — Mistachtig, bn. Nevelig.— eenpw.


ocr page 509

MISV — 4f

mistte, heeft gemist. Er is mist. Het is nevelachtig weder. — Misthoorn, m. (-s). Groote hoorn op de schepen bij mistig weder gebruikt. — Mis/hoornsignaal, o. (..alen;. —Mistig, bn. Nevelachtig : mistige lucht. — Mistigheid, v. — Mistsei-nen, o. mv.

mifttsiMfcii (Onsch.), ow. Verkeerd tasten. In het tasten missen. Zich vergissen. Mistasting, (-en).—mintcckc-uen (Onsch.), bw. Slecht teekenen.

miKtel, m. (-s), mistelboom, m. (-en). Marentak (inz. aan de eikeboomen). Mistelstruik. — Mistellyster, y. (-en). Zekere groote lijster : turdus viscivorus. — Mistelstruik, v. (-en). Zekere woekerplant. Hare bessen leveren eene lijmige stof op. — Misteltak, m. (-ken).

inistcllcu (Sch.), ow. Slecht tellen. Zich mistellen, ww. Zich vergissen in het tellen. — Mistelling, v. (-en).

mistral, ra. (-s). Koude noordwestenwind (Z. O. van Frankrijk).

mistral {F.), 1830. Maillane. De hoofdzanger van Provence. Mireio (zijn hoofdwerk, 1859); Calandau; le Trésor du Félibrige (woordenboek, 1865-1878).

111 intrappeu (Sch.), ow. Niet goed trappen. Verkeerd trappen. — mistreden (Sch.), ow. (hebben, zijn) Een verkeerden tred doen. Struikelen. Mistred, ra. (-en). Valsche tred. Misstap.

mistroost, m. Gebrek aan troost. Slechte troost. —Mistroostelijk, mistroostig, bn. Zonder troost. Moedeloos. Neerslachtig. Bedroefd. —Mistroostigheid, v.

mistrouwen (Onsch.),bw. Wantrouwen. Kwaad vermoeden hebben. Mistrou-iven, o. Wantrouwen. Mistrouwend, bn. Mistrcuivendhetd, v. Mistrouwig', bn. Wantrouwend. Achterdochtig. Mistrouwigheid, v. — mistrouwen (zich), ww. Een ongelijk huwelijk doen. Beneden zijnen stand trouwen. Een slecht huwelijk doen.— misvallen (Sch.), ow. (zijn) In het vallen missen. Het lot niet treffen. Kwalijk gelukken. (Onsch.) Niet behagen. Kwalijk gevallen. Te vroeg bevallen. A/zs-val, m. (-len). Ontijdige verlossing. Misval, o. (-len). Ongeluk, ramp. Onwelvoeglijke daad. Misslag. Misvallen, o. Misnoegen. Onbehaaglijkheid. Misvallig, bn. Onaangenaam. — misvaren (Sch.), ow. (hebben, zijn) Met een schip eene slechte richting nemen. Slecht gelukken.

— misvaren (Onsch.), ow. Ontijdig ter wereld brengen. Misvaren, o. — misvatten (Sch.), bw. Niet goed, verkeerd verstaan. Alisvatting, v. (-en).

— misverstaan (Sch.), bw. Niet goed, verkeerd verstaan. Misverstand, o. (-en). Verkeerd begrip. Dwaling. Oneenigheid tusschen vrienden of bekenden. — misverven (Onsch.), bw. Slecht verven. Eene verkeerde kleur geven. Misvervig, bn. Miskleurig. — mis voegen (Onsch.), ow. Misslaan. Niet betamen. Mis voegen d, bn. Ongepast. — misvormen (Onsch.), bw. Mismakon. Een leelijken vorm geven. Misvormig, bn. Mismaakt. Leelijk. Mis-vormigheid, v. Misvorming, v. (-en).

mts^ouw, v. (-en). Valsche plooi.

j — MODD

misivassen (Onsch.), ow. (zijn) Niet goed, slecht groeien. Misrvas, o. (-sen). Slecht uitgevallen gewas. Misgroeid \ oor-werp. Wanstalligheid. — miMweg-en (Sch.), bw. Slecht, verkeerd wegen. — misweiKlen (Sch.), bw. Verkeerd wenden. Ow. Ongelukkig uitvallen. — mis-werpen (Sch.), bw. Slecht, verkeerd werpen. Ow.Vóór den tijd werpen. — m iM-wljzen (Sch.), bw. Slecht, verkeerd wijzen. Ow. Afwijken van het ware Noorden (van het kompas). Miswyzer, m. ( s). Kompas, dat afwijkt van het ware Noorden. Miswijzing, v. (-en). Het verkeerd wijzen. (Zeew.\ Hoek, die de afwijking der magneetnaald bepaalt. — miszetfent'ii (Sch.), bw. Slecht bedeelen. — misxe;;-Cen (Onsch.), bw. Verkeerd, onjuist ze ggen. Door iets te zeggen heleedigen, enz. Miszegging, y. (-en). — miszeilen (Sch.), ow. (zijn) Een verkeerden koers nemen in het zeilen. Bw. Ontwijken : eene klip miszeilen. Van den rechten weg afwijken.— miszien (Sch.), ow. Slecht, v«r-keerdzien. Zich miszien, ww. Zich onder het zien bedriegen.

mitliridaat, o. Zeer oud geneesmiddel : een tegenvergif.

TMithririates. Naam van een aantal koningen van 't landschap Pontus. De beroemdste is Mithridates de Groote (123-63 vóór Chr.), gezworen vijand der Romeinen.

mitis, v. (Zeew.) Touwwerk aan den mast.

mitrailleeren, mitrailleerde, heeft gemitrailleerd. Ow. Met schroot schieten. Bw. Doodschieten. — Mitrailleuse, v. (-s). Schrootbraker. Kanon, bestaande uit verscheidene gegroefde loepen.

mits, vw. Op voorwaarde : hij zal het doen, mits goed loon. Vz. Onder, bij : mits dezen : hierbij, hiernevens, o. Er is een mits, eene voorwaarde bij. — Mitsdien, bijw. vw. Daarom. Derhalve. — Mitsgaders, bijw. Alsmede.

mixtuur, v. (..uren). Mengsel. (Muz.) Gemengde orgelstem.

mnemoniek, innemoteelinie, v. Geheugenleer. Geheugenkunst. Kunst om het geheugen te hulp te komen. — Mnemotechnisch, bn.

mobiel, bn. Beweegbaar. Optochtvaardig, strijdvaardig. Een leger mobiel verklaren, op voet van oorlog brengen. Mobiele kolom : vliegende kolom. — Mobielverklaring, v. (-en). — Mobilair, o. Roerende have. Huisraad. — Mobiliseeren, bw. mobiliseerde, heeft gemobiliseerd. Roerend maken. Marschvaardig maken, uitrusten : een leger mobiliseeren. — Mobiliteit, v. Beweeglijkheid.

modaal, bn. Voorwaardelijk. Beperkend. — Modaliteit, v. Wijze van zijn. Gesteldheid.

modde v. (-n). Morsig vrouwmensch. modden, bw. modde, heeft gemod. In de modder wroeten (om iets te zoeken). Bemodderen.

modder, v. Aarde met water vermengd. Slijk. Bagger. — Modde* aar, m. (-s). — Modderachtig, bn. — Modderen, modderde, heeft gemodderd. Bw. Moddec


ocr page 510

MOED — 4

uithalen. \Vi] zullen die zaak wel modderen, schikken, te recht brengen. Knoeien. Ow. In de modder vastraken : het schip moddert. — Moddergooi, v. (..eten). — Modderig, bn. — Modderighfid, v. — Modderkruipert m. (-s). Zekere visch (cobitis fosstlis), tot de familie der karpers in de orde der weekvinnigen behoorende. Wordt in bijna alle meren en rivieren van Europa aangetroffen, 's Winters verbergt hij zich in 't slijk. — Modderkuil, m. (-en).

— Modderlaars, v. (..zen). — Modder-vian, ra. ^-nen). Man, die de modder wegneemt. — Madder molen i m. (-s). — Mod-dernet, o.(-ten). —Modderplas, ra. (-sen). —~]\Iodde7poel, m. (-en).— Alodderfrraam, v. (..amen), modder scha uw, v. (-en), modderschuit, v. (en). — Moddersloot, v. (-en). — Moddervet, bn. Zeer vet (inz. van dieren). —Moddervisch, m. (..sschen) — Afoddervulkaan, m. (..anen).

modv, v. (-s). Kleederdracht, snede, smaak : naar de laatste mode. Gebruik, gewoonte : 't is uit de mode. Wijze : elk leeft op zijne mode. — Modeartikel, o. (-en).

— Modegek, ra. (-ken). — Modegoed, o. —AIodegril, v. ^-len). —Modehandelaarster, v. (-s). — Modekleur, v. (-en). — Modemaakster, v. (-s). — Modeplaat, v. (..aten). — Modeprent, v. (-enj. — Modepop, v. (-pen). — Mo'ieTvinkel, ra. (-s). — Modezot, m. (-ten). — Modisch, bn. bijw. Naar de mode. Naar den laatsten smaak.

— Modiste, v. (-n). Modehandelaarster. Modemaakster.

niodel, o. (-len).Voorbeeld, toonbeeld, spiegt-l. Beeld : levendmodel. Staal. Vorm. Onbeschaamd meisje. — Modelbroek, v. (-en). — Modelhoed, m. (-en). — Model-hoeve, v, (-n). — Modeljas, v. ( sen). — Modellaars, v. (..zen). — Mode lieer en, bw. modelleerde, beeft gemodelleerd. Vormen, nabootsen, boetseeren. Regelen, schikken, voegen. — Modelmunt, v. (-en).

— Moaelmantel, m. (-s). —Modelmuts, v. (-en). —Modelrok, m. (-ken). — Modelschoen, m. (-en). —Modelvest, o. (-en).

uioderato, bijw. (Muz.) Matig.

modern, bn.Hedendaagsch.Nieuwer-vetscb. Nieuw. -— Moderniseeren, bw. moderniseerde, heeft gemoderniseerd.Naar dt n nieuwen smaak inrichten. Een nieuw voorkomen geven.

modnl, modulus, m. Maat, maatstaf, inz. de maat, waarnaar men de evenredigheden tusschen de deelen van een bouwwerk afteekende of bepaalde. Gietvorm. Muntmaat.

a mod UN, ra. Wijze, manier. Veranderlijke vorm van het werkwoord.

moe. Zie Moede.

moe, v. Verkorting van Moeder.

moed. m. Gemoed, gemoedsgesteld-litid. Gemoedsstemming : kwalijk, wel te moede zijn. Genegenheid, toestemming ; iemands moed hebben. Vroolijke opge-jwektheid : moed hebben (op). Sterke en kloeke gemoedsgesteldheid, waardoor de mensch gedreven wordt tot al wat moei-.lijk, gevaarvol of edelaardig is : een man 'van moed, moed inboezemen. Wraakzucht (alleen in) : zijnen moed aan iem. koelen.

•4 — MüüU

— Moedeloos, bn. — Moedeloosheid, v.

— Moedig, bn. bijw. Dapper, kloekmoedig, stout : moedige mannen. Levendig, vurig : moedig paard. Trotsch, fier. — Moedigen, bw. moedigde, heelt gemoe-digd. Aanmoedigen. — Moedigheid, v. — Moediglyk, bijw. — Moedkoeling, v. — Moedwil, m. Ongebondene handelwijs, voortkomende uit een boos genoegen om anderen te tergen en te beleedigen. P.aag-zucht. Guitenstreek. — Moedwzllens, bijw. Moedwillig. — Moedwillig, bn. bijw. Opzettelijk bedervend of kwaaddoend. Voor-bedachtelijk. Guitachtig. — Moedwilligheid, v. (..heden). Moedwil. — Moedwil-liglyk, bijw.

moede, moe, bn. bijw. Vermoeid, afgemat : zoo moe als een hond. Afkeerig (van). Hij is het leven moede : hij wenscht te sterven. —Moeheid, v.

moeder, v. (-s). Vrouw ten aanzien van hare kinderen : zij hebben eene deugde zame moeder. Bejaarde vrouw. Vrouw, die de plaats van eene moeder bekleedt : de moeder in een klooster. Wijfjesdier. Oorsprong : de ledigheid is di- moeder van alle ondeugden. De h. Maagd is de Moeder-Gods. Onze Moeder de h. Kerk. — Moederaarde, v. (Dicht.) Aarde. — M ederader, v. (-en, -s). (Ontl.) Ad«*r op den voet.

— Aioederby, v. (-en). Koningin. Zie Bij.

— Moederdeugd, v. (-en). — Moe der gom, v., moederhars, o. Eene harsachtige, gG~ nees- en heelkrachtige gom. — Moedei— hart, o. Hart eener moeder. Moederlijke liefde. — Moederkerk, v. (-en). Hoofdkerk. De R. K. Kerk. — Moeder kuren, o. Ziekelijke verandering van den korrel bij eenige grasgewassen, inz. bij de rogge. — Moederkruid, o. — Moederland, o. — Moederlief, v. Lieve moeder. — Moederliefde, v. Liefde van de kinderen tot hunne moeder. Moederlijke liefde. — Moederlijk, bn. bijw. Van, als eene moeder. — Moederloog, v. — Moederloos, bn. — Aioeder-maagd, v. De h. Maagd Maria. — Aloe-dermensch-alleen, bijw. uitdr. Geheel alleen. — Aioeder moord, m. (-en). — Aloe-dermoorder, ra. (-s). — M- edermoorde-res, v. (-sen). — Moedernaakt, bn. Geheel naakt. — Aloederplant, v. (-en). De rankende steenbreek : saxifraga sarmen-tosa. —Moederriool, o. (..olen). Plaats, waar al de andere riolen samenloopen. — AIoedersbroeder, m. (-s). — Moedcrsch np, o. Moederlijke staat. — Moeder schroeft v. (..ven). Moerschroef. — Moede• sgoed, o. (-eren). — Moederskind, o. (-eren). Bedorven kindje. —Moederslag, ra. Moedermoord. — Moedersmoeder, v. (-s). — Aioeder spraak, v. (..aken). Moedertaal.

— Moederstad, v. (..eden). — Moeders-vader, ra. (-s). — Moederszoontje, o. (-s)^ Moederkind. — Aloederszuster, v. (-s). — Moedertaal, v. (..alen). Taal van het land» waarin men geboren is. — Aloedertasch-

jes, o. mv. (Plantenk.) Herderstasch. — Moedertje-van-duizenden, o. (-s-van-duizenden). Moederplant. — Moedervischr m. (..sschen). Wijfjesvisch. — Aloeder-vorm, m. (-en). Gietvorm voor de letters..

— Moedervreugd, v. — Moederzegeti^ m.


ocr page 511

MOER — 4

— Moederztek, „zot, bn. Verzot op zijne (bare) moeder. — Moederziel* v. Èr was geen moederziel: er was niemand. — Aioeder ziel-alleen, bijw. nitdr. Geheel alleen.

— Moederzorg* v. (-en).

moef, m. Dik en lui menscb.

moei, v. (-en). De zuster van vader of moeder.

moeien, bw. moeide, heeft gemoeid. Moeite, last, hinder veroorzaken : niemand zal u moeien. Dat moeit mij : dat spijt, ergert mij. Zich moeien, ww. : zich bemoeien (met). — Moeial, m. en v. (-len). Die zich met alles bemoeit. — Moeienis, v. (-sen). Moeite. — Moeifejlyk, bn. bijw. Wat moeite, last veroorzaakt. Afmattend, vermoeiend. Hinderlijk. Verdrietig. Onaangenaam gestemd.—Moeife) lijkheid, v. (..heden). — Moeiie* v. (-n). Inspanning van krachten, zoowel des lichaams als der ziel : dat heeft hem veel moeite gekost. Twist, krakeel: moeite met elkander hebben. Verdriet, droefheid.—Moeitemaker* m. (-s). Twistzoeker. — Moeizaam* bn. Moeilijk. Vermoeiend.

moelle, v. (-s). Kneedtrog.

moelje, v. (-s). Steenen hoofd, dat vooraan in de zee staat om de golven te breken.

Bloens {P.)* 1762-1843, Cubaard (Fran-eker). Blinde aichteres. Tafereelen uit de Nederl. geschiedenis* dichterlijk geschetst (1823).

moer, v. Droesem. Bezinksel.Grondsop. Hei. — Moeren, moerde, heeft gemoerd. Bw. Troebel maken : het water moeren. Mengen, vermengen. (Zeew.) Vastmeren. Ow. Straatschenderij plegen, inz. schellen aan de deuren aftrekken.

moer, v. (-en). Metalen enz. blokje, met eene opening van eenen schroefdraad voorzien, waarin de schroefspil past. Moerschroef. (Letterg.) Matrijs. — Moerboor* v. (..oren). — Moerbout* m. (-en).—Moer-plaatje* o. (-s). — Moerschroef* v. (..ven). Schroef, die met eene moer wordt vastgezet.

moer, v. Gemeene uitdrukking voor moeder. Moerkonijn. — Moere* v. (-n). Moerkonijn. — Moerhaas* o. (..zen). — Moerkonijn* o. (-en). Wijfjeskonijn. — Moer wesp* v. (-en).

moer, o. (-en). Moerassig land. Turf-veengrond. — Moeras* o. (-sen). Stilstaand water van zeer geringe diepte. Slijkgrond.

— Moerasachtig* bn. —Moerasgas* o. — Moerasijzer* o. Zekere delfstof. — Moe-raskikvorsch* m. (-en). — Moeraskoorts* v. (-en). — Moeraslreuwerik, m. (-en). Zekere leeuwerik : alauda mosellana. — Moeraslook* o. — Moeraslucht* v. — Moerasmos* o. — Moerasnachtegaal* m. (..alen). Rietlijster. — Moerasplant* v.

1 (-en). — Meerasraket* v. (-ten). Winterkers. — Moerasschildpad* v. (-den). — Moerassig, bn. — Moerassigheid* v. — 'Moerassteen* m. (-en). — Moerasvisch* m. (..sschen). Moervisch. — Moerasvogel* m. (-s). — Moeraszvoyn* o. (-en). — Moerig* bn. — Moerland* o. (-en). Drasland.

— Moervisch* m. (..sschen). Visch uit moerassig water.

5 — MOET

moeraal, m. (..alen). Visch {murcena helena), tot de orde der weekvinnigen onder de beenvisschen behoorende. Geliefkoosde spijs der Romeinen.

moerbalk, m. (-en). Balk, waarover men rechthoekig dunnere balken legt.

moerbei, v. (-en), moerbes, v. (-sen), moerbezie, v. (..iën). Vrucht des moerbeziebooms. — Moerbeiachtig, bn. Moerbeiachtige gewassen. — Moerbeiboom, moerbezieboom* m. (-en). Zwarte moerbeiboom {morus nigra). Behoort tot de moerbeiachtigen. Groeit in Midden-Azië en Europa, ^fttte moerbeiboom (wo-rus alba). Is afkomstig uit China. Zijne bladeren zijn het voedsel van den zijdeworm. — Moerbeienbosch * o. en m. (..sschen). — Moerbeiengelei* v. — Moerbeiensap* o. — Moerbezieblad* o. (-eren).

— Moerbezie-vreter* m. (-s). Wit vogeltje, dat zich met moerbeziën voedt.

moerel, v. (-len). Zie Morel, moerhoen, o. (-ders). Korhoen, moeruagrel, m. (-en). Kruidnagel, moerploey, v. (-en). (Timm.) Soort van schaaf.

moeratolc, m. (-ken). (Wev.) Onderstuk.

moerzee, v. (-ën). Zeer onstuimige zee.

moes, o. Spijs tot brij gekookt en uit groente of vruchten bereid. Mengeling. — Moesgroente* v. Moeskruid. — Moeshof, m. (..oven). Moestuin. — Moesjan ken* ow. moesjankte, heeft gemoesjankt. Drentelen voorde deur van een meisje. — Moes-janker* m. (-s). — Moesjankerij, v. — Moeskruid, o. (-en). Kruid uit den tuin.

— Moestuin* m. (-en). Tuin, waar moesgroente is geplant.

moesje, o. (-s). Moedertje.

moesje, o. (-s). Pronkpleistertje. Stipje (op eenegewevene stof, enz.). — Moesjes-doos*v. (..zen).

moeskoppen, ow. moeskopte, heeft gemoeskopt. Den kop tot moes slaan. Doo-den. Vrijbuiten. Het land afloopen. — Moeskopper* m. (-s). Strooper. Partijganger. — Moeskopperij* v. (-en).

moesson, m. (-s). Zie Wind.

moet, v. (-en). Rond knoopje onder aan het lemmet van een pennemes. Verhevenheid van verf. Indruksel, door knijping, enz. in de opperhuid veroorzaakt. Slijmachtig vuil, dat het zeeschuim op het strand achterlaat. (Boekdr.) Teeken, door de samenvoeging van eenen vorm veroorzaakt. Overblijvend teeken van vlekken of vouwen in eene stof. — Moetzalf* v. Zalf ter wegneming van overblijvende litteekenen. moet (te-), bijw. uitdr. Tegemoet, moete, v. Ledige of vrije tijd om iets te verrichten : doe dat als gij moete hebt. Bij moete, met moete : op zijn gemak, met gemak.

moet, o. Het moeten. Dwang, noodzakelijkheid : is het een moet? — Moeten* bw. ow. moest, heeft gemoeten. Gedwon-gea, genoodzaakt zijn (tot). Hij zal het niet doen of hij moet er toe gedwongen zijn. Verplicht zijn? behooren : gij moet geduld hebben. Hij moet, het is van be-


ocr page 512

MOKE

466 —

MOLE

lang, bet is noodigj, dat hij alles wete. Gij moet zoo nieuwsgierig niet zijn. Niet anders kunnen zijn : alle menschen moeten sterven. Hij moet naur huis (gaan). Het moet reeds drie uur zijn. Hij moet nu reeds weer in het land zijn. Hij moet piaar dom wezen.

moeten, bw. moette, heeft gemoet. Zachtkens voortduwen (eeneschuit). Zacht-kens verschuiven (een roer).

moctsen, bw. moetste, beeft gemoctst. Korter maken.

moezel, m. (-s). Doedelzak. Zakpijp, moezelaar, moezelwU»** m. Wijn uit de streek, waar de Moezel (Duitsch-land) vloeit.

mof, m. (-fen). Scheldnaam in Nederland aan de Westfaalsche grasmaaiers, en in 't algemeen aan de Duitscbers gegeven. Lomperd. Soort van mees. — Moffin, v. (-nen). — Moffen land, moffrika, o. — Moffenpijp, v. (-en). Grootbladige pijp-bloem.— Moff ent a a /, v. De Duitsche taal. — Al o ff ent oer, m. (-en). Moeilijk werk.

mof, v. (-fen). Bontwerk om de banden warm te houden.

molfel, m. (-s). Oven, waarin verlakt goed verhard wordt. Fornuis van den ver-nisser. —AI off el oven, m. (-s).

moffel, v. (-s). Linnen overtrek, dat men aan een zwerenden of gekwetsten vinger steekt. Boeren-bandscboen. — Alof-felooon, v. (-en), Boeienboon.

molfeleu, bw. Kioffelde, heeft gemoffeld. Goochelen. Heimelijk wegnemen. Bedriegen (in bet spel). Door den neus laten hooren. Onduidelijk spreken. — Moffe-Zaar, m. (-s). — Moffelaarster, v. (-sj. — Aloffelary, vioffeling, v. (-en).

moffen, ow. mofte, beeft gemoft. Pruilen.

moselUfc, bn. Wat kan zijn, of gedaan worden : alle mogelijke moeite doen. Gebeurlijk, kunnende voorvallen. Bijw. Misschien : bij zal mogelijk vandaag komen. — Mogflykhetd, v. Het mogelijk zijn. (..beden) Iets, dat gebeuren kan.

moeen, ow. mag, mocht. Kunnen, vermogen hebben om iets te doen. Reden hebben om iets te doen. Vrijheid hebben om iets te doen. Gelegenheid hebben om iets te verkrijgen. Willen : ik mag niets meer daarvan hooren. Gaarne eten : hij mag geene aardappelen. Aiogen drukt soms eene onverschilligheid uit aan den kant des sprekers : gij moogt mij dreigen; eene mogelijkheid : doe het, morgen mocht het te laat zijn; eenen wensch : moge de Hemel ons aanhooren!

mogend, bn. Vermogend. Machthebbend. — Mogendheid, v. (..beden). Slaat, rijk : de groote mogendheden. Macht, kracht.

mossel, m. en v. (-s). Dik kind. Dikke vrouw.

moiré, bn. Gewaterd (van stoffen en metaal). —Moiré, o. Gewaterde stof.

mok, v. Zekere ziekte (aan de beenen der paarden).

mob, v. (-ken), mohke, v. (-n). Koekje van peperkoekdeeg.

motter, m. (-s). Zware ijzeren hamer.

— Mokerbeitel, m. (-s). Breede beitel. — Mokeren, ow. mokerde, beeft gemokerd. Met den moker slaan.

mokfluweel, o. Soort van trijp, mokkel, m. en v. (-s). Moggel. mokkelen, bw. mokkeldc, beeft ge-mokkeld. Teederlijk ombelzen. SamenUn-den. — Mokkelaar, m. (-s). — Alokke-laarster, v. (-s). — Alokkeling, v. (-en).

mokken, ow. mokte, beeft gemokt. Pruilen. — Mokker, m. (-s). — Moksier, v. (-s).

mol, v. [Mul). Aarde. Stof.

mol, ra. (-len). Zoogdier {talpa euro-paa). Behoort tot de orde der insecten-etenden. Is zeer belust op meikevers en hunne larven. — Mollenknip, v. (-pen). — Mollenz'al, v. (-len). — Mollenvanger, v. (-s). — Mol'envel, o. Soort van stof. — Mollepoot, m. (-en). — Mollevel, o. (-len).

— Mollevellïg, bn. Zeer zacht van vel. — Molsgat, o. (-en). — Alois hoop, ra. (-en).

— Molsla, molsalade, v. Paardenbloem-salade.

mol, v. Soort van wit bier. — Molhuis, o. (..zen). Huis, waar mol getapt wordt.

mol, o. Molton. Zekere zachte wollen stof.

mol, v. (-len). (Muz.) Zie Bemol. — Alolteeken, o. (-s). — Moltoonschaal, v. (..alen). —Moltoonsoorten, v. mv.

mol, o. Buskruitbak.

Mol {P, van), 1599-1650, Antwerpen. Historie- en portretschilder.

molboon, v. (-en). Soort van paarden-boon.

molboord, o. (-en). Werktuig, waarmede bet land plat of effen gerold wordt.

— Molploeg, ra. (-en). Ondt-rgrondsploeg. molecule, v. (-n). Bestanddeel. Stofdeeltje.— Moleculair, bn.

molen, menleu, ra. (-s). Werktuig, waarmede gemalen wordt. Inz. gebouw, waar graan, enz. gemalen wordt. In 'tal-gemeen gebouw waar of toestel waarmede gemalen wordt. Al wat draait. Daar is wat in den molen : daar is wat ophanden. Dat is koren op zijnen raolen : dat komt hem te pas, dat helpt hem. — Molenaar, m. (-s, ..aren). Eigenaar van, bewoner van . arbeider op eenen raolen. (Nat. bist.) Wijting. Meikever. Zwarte kever in het meel. (Zeew.) Zekeren ijzeren bout. — Alole-naarskar, v. (-ren). —Molenaarsknecht, m. (-s). — Molenaarspakt o. — Mole-naarster, v. (-s). — Molenaartje, o. (-s). Soort van grasrausch : sylvia curruca. — Molenarm, v. (-nen). — Molenas, v. (-sen). — Molenbeek, v. (..eken). — M-gt;-lenberg, ra. (-en). — Molenboom, ra. (-en).

— Alolenstaak, ra. (..aken). — Alolen-dwangrecht, o. — Molengeld, o. — Aio-lengoot, v. (..oten). — Molenijzer, o. (-s).

— Molenkap, v. (-pen). — Alolenklapper, m. (s). —Molenlegger, ra. (-s). — Alolen-tnaker, m. (-s). — Alolenmeester, m. (-s).

— A/olenpaard, o. (-en). — Molenpad, o. (-en). — Molenpraant, v. (..araen). — Molenpranger, ra. (-s). — Molenrad, o. (-eren). — Molenroede, v. ( n). — Molen-spel, o. Zeker kinderspel. — Molenstaakt m, (..aken).—Molenstander, m. (-s). —


ocr page 513

MOM — 4

.Molensteen, m. (-en). — Molensteen-groeve, v. (-n). — Molensteenhouwer, m. (-s). — Molensteenvisch, m. (..sschen). Klorapvisch. — Molenstof, o. Stuifmeel.

— Molentrechter, ra. (-s). •—Molentremel, m. (-s). — Molenvang, v. (-en). — Molenwater, o. — Molenwerf, v. (..ven).

— Molenwerk, o. — Molenwiek, v. (-en).

— Molenzwengel, m. (-s).

Molescliott (J.), 1822, 's Hertogenbosch. De Apostel van het physiologisch materialisme.

molest«cren, bw. molesteerde, heeft gemolesteerd. Kwellen. Plagen. Lastig vallen. Overlast doen. — Molestatie, mo-lestie, v.

molferd, ra. (-s). lem.^die een groo--ten mond heeft, lera., die onbeschoft spreekt en handelt.

Molière, 1622-1673, Parijs. = J. B. Poquelin. Blijspeldichter en tooneelspe-ler. Les Prècteuses ridicules ; Tartuje; le Médecin ntalgré lui; les Femmes sa-van tes; le Malade imaginaire.

molik, ra. (-en). Vogelverschrikker. Mol inn (Z.), 1535-1601, Cuen9a (Spanje). Jezuïet. Ltberi arbitrii cum gr at ice don is Concordia (1558).

molkrekol, ra. (-s). Veenmol.

Moll' IV.), 1812-1879, Dordrecht. Kerkhistoricus. Hoogleeraar (Amsterdam).

mollen, bw. molde, heeft gemold. Doodsteken. Doodslaan.

mollenkruld, o. Kruisbloem. _ mollig, bn. Zacht van vel. Zacht en lijvig. Dik en raalsch. Fijn op het gevoel.

— Molligheid, v.

ui o II11 uk, ra. (-en). Weekdier.

molm, ra. en o*. Droge stof van turf. Vermolming. — Molmachtig, bn. — Molmen, ow. molmde, is gemolmd. Vermolmen. Verrotten, — Molviig, bn. — Meiworm , ra. (-en).

molos, ra. (-sen). (Dicht.) Jachthond, molaem, ra. Molm. — Mo hemen, ow. molserade, is geraolsemd. Molmen.

Moltke (//. C. B. graa/von), i%oo-1891, Parchim (Mecklenburg). Duitsch generaal, veldmaarschalk en chef van den

feneralen staf. Zijne strategische bek waam-eden bleken in den Deensch-Duitschen oorlrg (1864), in den Pruisischen oorlog (1866), in den oorlog tegen Frankrijk (1870-'7i)-eneralen staf. Zijne strategische bek waam-eden bleken in den Deensch-Duitschen oorlrg (1864), in den Pruisischen oorlog (1866), in den oorlog tegen Frankrijk (1870-'7i)-

molton, o. Zie Mol (4* art.). — Moltonnen, bn.

Moltzer (//. E.), 1836-1895, Wassenaar. Hoogleeraar (Utrecht). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Geschiedenis van het wereldlijk tooneel in Ned. gedurende de Middeleeuwen (1862) ; Anna Roemers Visscher (1874) ; de Middeln. dram.poëzie (1875).

Molnkken. Worden ook Specerij-eilanden genoemd. Zie Indië.

Molyn i0 {P.). Eerste helft der 17* eeuw. = de oude. Nederl. landschapschilder, — 2* Zijn zoon (P.) (i637(?)_-i70i, Haarlem. = Tempesta. Schilderde jachten, stormen op zee, enz.

; mom, v. (-men). Masker. — Momaati-'gezicht, o. (-en). — Mombakkes, o. (-en).

7 — MOND

— Momgewaad, o. (..aden).— Afomme-dans,m. (-en). — RIommekans, v. (-en). Soort van weddingschap tusschen geraas-kerden op eenen worp met dobbehteenen. Avontuur. Lotgeval. — Mommekansen, ow. momraekanste, heeft gemomraekanst.

— Mommekansig, bn. Van het toeval afhangende. — Mommeklceren, . kleederen, o. rav. — Mommen, raomde, heeft geroomd. Ow. Zich vermomd vertoonen. Bw. Zich verraoraraen. Bedekken. — Mom-mer, ra. (-s). — Mommenj, v. (-en). — Mommespel, o. — Mommevolk, o. Gemas-kerden.

mom, v. Zwaar bier van Brunswijk. momber, ra. (-s), momboor, m.

(..oren). Voogd, verzorger van weezen. —-Momberdi/, v., momberschap, momboorschap, o. Voogdij. Voogdijschap. — Mom' berkamer, momboor kamer, v. (-s). Weeskamer. — Momberkind, o. (-eren, -ers). Wees onder voogdij. — Mombersche. v. (-n). Voogdes.

moment, o. en m. (-en). Oogenblik, stond. Gewichtige gebeurtenis. Beweeggrond. — Momentaneel, bn. Oogenblik-kelijk. Kortstondig.

mommelen, ow. mommelde, heeft gemommeld. Binnensmonds spreken.Mompelen. Gebrekkig en langzaam kauwen. — Mommeling, v.

mommie, v. (..ien). Mummie. Mommnen (7^,1817, Garding (Slees-wijk). Duitsch oudheid- en gefchiedkun-dige. Romische Geschichte (1854); Cot pus inscriptionum latinarurn (1863).

mompelen mompelde, heeft gemompeld. Ow. Binnensmonds spreken. Stil gewag maken (van). Bw. Binnensmonds iets zeegen, fluisteren : zij mompelden hun gebed. —Mompelaar,ra. (-s). — Motnpe-la ar ster, v. (-s). — Mompeling, v. (en).

mompen,bw.mompte, heeft gemompt. Mommen. Bedriegen. — Momping, v.

Momper (^. de}, 1564-1635, Antwerpen. Landschapschilder.

monade, v. (-n). Enkelvoudig wezen. Ondeelbaar bestanddeel. Puntdiertje.

monarch, ra. (-en). Alleenheerscher. Vorst. — Monarchaal, bn. Alleenheer-schend. Koninklijk. — Monarchie, v. Alleenheerschappij. (-ën) Eenhoofdige staat.

mond, ra. (-en). Opening in 's raen-schen aangezicht tusschen neus en kin gelagen en omgeven door de lippen. Mondholte. Als hoofdorgaan van het spreken : hij deed geenen mond open. Als orgaan van het opnemen van voedsel : het water kwam hem in den mond. Opening, ingang, toegang. Krater: de mond van een vuur-spuwenden berg. De mond der maag. Met den mond vol tanden staan : niet weten wat zeggen. Waar het hart van vol is, loopt de mond van over. lera. het brood uit den mond stelen. — Mondbal, ra. (-Ien).

— Mondbehoeften, v. rav. Levensmiddelen. — Mondbode, ra. en v. (-n). lera., dio eene mondelinge boodschap overbrengt. — Monddeksel, o. (-s). — Monde lijk, mondeling, bn. bijw. Sprekende. Gesproken. Door middel van 't gesproken woord. — Mondelijksch, mondelingsch,hn. Monde-


ocr page 514

MONN — 4f

lijk. — Monden, ow. mondde, heeft gemond. Smaken. Behagen. Wel aanstaan.

— Mondgat, o. {-en). — Mondgemeenthn. Waar elkeen van spreekt. — Mondge-meenschap, v. Mondgesprek. — Mondgesprek, o. (-ken). Mondeling onderhoud. — Mondharmonica, v. (-'s). Zeker speeltuig. — Mondharp, v. (-en). Zeker speeltuig. — Mondhoek, m. (-en). — Mondhout, o. Liguster. — Mondig, bn. Smakelijk, lekker. Stout in den mond. Meerderjarig. — Mondigheid, v. — Mon-digv er klaring, v. — Mondijzer, o. (-s). — Mondjesmaat, bijw. Nauwelijks genoeg. Niets overblijvende (van^ spijs).

— Mondjevol, o. Een weinig. _ — Mondklem, v. (-men). — Mondklier, v. (-en). — Mondkok, m. ( s). Opperkok (ten hove). — Mondkost, m. — Mondkwaal, v. (..alen}. — Mondlym, v. Zeer fijne en zuivere lijm.— Mondopening, v. (-en). — Mondprang,v. (-en). — Mond-pranger, m. (-s). — M 'ndprcp, v. (-pen).

— Mondriet, o. (-en). Rietje aan den mond van zekere muziekinstrumenten. — Mond-schenker, m. (-s). Opperschenker (ten hove). — Mondschenkersambt, o. — Mondspoeling, v. (-en). — Mondspoelsel, o. (-s). — Mondsiop, v. (-pen). — Mond-stopper, m. (-s). — Mondstuk, o. (-ken). Deel van een blaasinstrument. Deel van een paardengebit. Deel van eene pijp. Ruischpijp (eener schalmei, enz.). Deel van een kanon. Mond.— Mondtrom, v. (-men). Klein ijzeren speeltuig, met ijzeren tong, dat tusschen de tanden genomen wordt. — Mondtrompet, v. (-ten). — Mondvol, m. (monden vol). Zooveel als een mond bevatten kan. — Mondwater, o. — Mondwerk, o. Een goed mondwerk nebben : goed kunnen praten. — Mondzak, ra, (-ken). Zak, waarin men de paarden te eten geeft. — Mondzalf, v. — Mondzenuw, v. (-en).

— Mondzoen, ra. (-en). — Mondzuiverend, bn.

moneeren, bw. moneerde, heeft gemeneerd. Herinneren. Vermanen. Waarschuwen. — Moniteurt ra. (-s). Herinne-raar. Hulponderwijzer. Staatsblad.

Monenln- Bijrivier (Opper-Congo). Werd ontdekt door Stanley (1877).

Monpe (G.), 1746-1818, Beaune. Fr. wis- en natuurkundige. ^

9Iong:oliv. Zie Azië.

Mouics» (h.), 332-387 (Afrika). Moeder van den h. Augustinus.

monk en, ow. raonkte, heeft gemonkt. Pruilen.

monnik, mnnnlk, ra. (-en). Mannelijke persoon, die zich verbonden heeft in een klooster te leven. Soort van bedwarmer. (Zeew.) Buskruit met azijn gemengd, dat tot luchtzuivering gebrand wordt. Öe-tingbalk. — Monnikachtig, bn. — Moti-tiikenbaai, v. — Monnikengeleerdheid, v. — Monnikenklooster, o. (-s). — Monnik enlatyn, o. — Monnikenleven, o. — Monnikenorde, v. (-n). — Monnikenschrift, o. — Monnikenstaat, m. — Monnikenstand, ra. — Monnikenwerk, o. ^— Monnikenwezen, o. Leven en verrichtingen der monniken. — Monnik er ij, v.

5 — MONT

Kloostergeest. — Monniksbaard, v. Vilt-kruid. — Monnikschap) o. — Monnikskap, v. (-pen). Hoofdbedekking der rao-nikken. (Plantenk.) Plantengeslacht {aco-nitum), tot de ranonkelachtigen behoo-rende. Tot dit geslacht behoort aconitum napellus, vergiftige plant, die in onze tuinen wordt gekweekt. — Monnikskleed, o, — Monnikspij, v. {-tri).—Monniksklomp* ra. (-en). — Monniksmouw, v. (-en). — Monnikspeper, ra. (-s). Zeker heester. — Monnikspruik, v. (-en). — Monniksroby ra. (-ben). Zekere zeerob : phoca mona-chus. — Monniksrok, m. (-ken).

monocle, v. (-s). Oogglas. — Mono-craat, ni. (..aten). Alleenheerscher. — Monocratie, v. — Monogamie, v. Een-raannerij. Eenwijverij. — Monogamist, ra. (-en). —Monogram, o. (-men). Naamvers. Naamdicht. — Monographic, v. (-ën). Bijzondere beschrijving. Verhandeling over een enkel onderwerp. — Monoloog, ra. (..ogen). Alleenspraak. — Monomaan, bn. Aan monomanie lijdende, ra. (..anen) Persoon, die aan monomanie lijdt. — Monomanie, v. Soort van waanzin : ingewortelde gedachte. — Monopolie, o. (..iën, -s). Alleenhandel. Uitsluitend recht. — Afono~ poliseeren, bw. monopoliseerde, heeft gemonopoliseerd. Tot den alleenhandel beperken. Den alleenhandel drijven. — Monotheïsme, o. Geloof aan éenen God. — Monotonie, v. Eentonigheid. Eenvormigheid. — Monotoon, bn. Eentonig.

Monotlieleten, ^lonotkelieten, Monothellsten. Kettersche sekte (VII® eeuw).

monneigrnenr, ra. (-s). Hoogeerwaarde heer (titel der hooge geestelijkheid en der prinsen van koninklijken bloede).

monster, o. (-s). Staal. Proef. Voorbeeld. — Monsterblad, o. (-en). — Monsterboek, o. en ra. (-en). — Monster kaar ty v. (-en). —Monsterplaat, v. (..aten).

monster, o. (-s). Wanschepsel. Gedrocht. Wreedaard. — Monsterachtig, bn. bijw. — Monsterachtigheid, v. — Monsterdier, o. (-en). — Monster draak, ra. (..aken).—Monsterlijk, bn. bijw. — Monsterlijkheid, v. — Monster temmer, ra. (-s). — Monstrueus, bn. bijw. Gedrochtelijk . Wanschapen. Monsterachtig. — Monstrum, o. (..ra). Monster. — Monstruositeit, v. Gedrochtelijkheid. Wanstaltigheid. Monsterachtigheid.

monster, v. (-s). Kloosterkerk.

moiiMteren, bw. monsterde, heelt gemonsterd. In oogenschouw nemen. Zich voor eene reis tot den zeedienst verbinden. Vergelijken. — Monsterheer, ra. (-en). — Monstering, v. (-en). — Monsterplaats, v. (-en). — Monsterrol, v. (-len).

monstrans,v.(-en), monstrantle, v. (..iën). Zonvorraige hostie vaas, waarin het h. Sacrament ter aanbidding uitgesteld of in de processies omgedragen wordt.

Mont (A'. M. P, de), 1857, Wambeek. = PoldeMont. Leeraar (athenaeum, Antwerpen). Dichter en prozaïst. Als dichter : Lentesoiternyen (1881); Fladderende Vlinders (1885); Claribella (1893); Iris


ocr page 515

MONU — ^

{1894). — Als prozaïst : Leven en verken van H. Conscience (1883) ; Op ntyn dorpken (1886); Jan van Beers (1889) ; Losse schetsen uit de letterk, geschiedenis van onzen tijd (i890-'9i).

Montsamp;cne (^. A. de la), 1854, Ant-iwerpen. Ambtenaar (Ministerie van Justitie, Brussel). Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Gedichten (1882); met Coop-man : Ome Dichters (1880).

Moutnlenc (^l/. E. de), I53W5?2, Montaigne (Périgord). Fr. wijsgeer. Essais {15Ü0).

Montalemfccrt [C. Forbes de Tryon, graaf de), 1810-18^0, Londen. Staatsman en schrijver. Histoire de .S1* Elisabeth de Hongrie (1836).

montsmt, o. Bedrag, beloop : het tnontant eener rekening.

montccreu, bw. ow. monteerde, heeft en is gemonteerd. Opzetten, uitrusten, toerusten, van het noodige voorzien. Inzetten, invatten. Bemannen. Klimmen, stijgen. — Alonteering, v. (-en). Uitrusting, toerusting. Dienstgewaad. Het opzetten.

Montenegro, 300,000. Koninkrijk in Turkije. Uitgestrektheid 10,000 vierk. kilom. Hoofdstad : Cettinje.

monter, bn. bijw. Gezond, flink : er monter uitzien. — Monterheid, v.

Montesqnlcn (C. de Sécondat, baron de), 1689-1755, Bréde (Bordeaux). Fr. schrijver : Lettres Persanes (1721); Considerations sur les causes de la grandeur et de la decadence des Remains (1734).

Montfoort (A.van), 1532-1583, Mont-foort. Schilder. De Hemelvaart van Maria,

INEonteolfler 10 (y.), 1740-1810 en 2° zijn broeder (E.), 1745-1799. Uitvinders van den luchtbal.

Montrado. Zie Borneo.

montuur, v. (..uren). Monteering. JRijdier, rijbeest. Ingevattesteenen, enz. monument, o. (-en). Gedenkteeken.

) MOOR

Gedenkstuk. Gedenkzuil. Kunstgebouw.— Monumentaal, bn. Grootsch. Duurzaam.

mooi, bn. bijw. Schoon, fraai. Bevallig, aardig, lief. Braaf, goed : dat vind ik niet mooi van u. o. Gij kijkt er al het mooi af. — Mooiheid, v. — Mooiigheid, v. (..heden). Fraaie zaken of voorwerpen. — Mooiprater, m. (-s). Vleier. —Mooipraat-ster, v. (-s). — Moois, o. Mooie voorwerpen. — Mooitjes, bijw. Niet leelijk. Nog al aardig.

91ooherliel(d)e, v. Landstreek tus-schen Limburg en Gelderland. lem. naar de Mookerbeide, naar de maan wenschen. Lodewijk van Nassau werd er verjlapen door Requesens en was onder het getal der gesneuvelden (1574).

mookhstmer, m. (-s). Moker.

Moor, m. (-en). Bewoner van noordwestelijk Afrika. Zwarte. Neger. Ethiopiër. Zwarte dagvlinder. IJzeren of koperen waterketel met pijp. — Moorekop, m. (-pen). — Moorendans, m. (-en). — Moo-renhoofd, o. (-en). — Moorenland, o. (-en). — Moor in, v. (-nen). — Moorkop t m. (-pen). Zwart paard. — Moor os, ra. (-sen). Zwarte os. — Moorpaard, o. (-en). Zwart paard. — Moorman, m. (-nen). Moor. Zwarte. — M^orsch, bn.

moor, v. Modder.

moor, o. (..oren). Soort van zijden stof. Zekere wollen stof.

moord, m. (-en). Opzettelijke doodslag. Hij weet van den moord. Moord en brand schreeuwen. — Moordaanslag, m. (-en). Poging tot moord. — Móórdban, m. Vogelvrijverklaring. — Moordbesluit, o. (-en). — Moordbyl, v. (-en). — Moord-brand, m. (-en). Brandstichting met moord.

— Af oordbrander, m. (-s). — A/oordda-cfo^,bn.bijw. Wreed, bloeddorstig: moorddadig dier. Dood en verderf brengend : moorddadig gevecht. — Moorddadigheid, v. — Moorddadig lijk, bijw. — Moord-drank, m. (-en). Vergiftige drank. — Moorden, bw. moordde, heeft gemoord. Opzettelijk om het leven brengen. — Moorquot; denaar, m. (..aren, -s). — Moordenaar' ster, v. (-s). — Moordenares, v. (-sen). — Moor denary, v. (-en). — Moord feest, o. en v. (-en). — Moordgat, o. (-en). Schietgat in eenen vestingmuur. — Moordge-r oep, o.— Moordgeschreeuw, o. — Moord' geschrei, o. — Moordgespan, o. Komplot van moordenaars. — Moordgeiueer, o. (..eren). — Moordgeweld, o. Geweld met moordi — Moordgierig, bn. Bloeddorstig.

— Moordgierigheid, v. — Moordgroef, v. (..ven), moordgroeve, v. (-n^, moordhol, o. (-en). Verblijf van moordenaars. — Moordjaar, o. (..aren). Het 63° levensjaar. — Moordklok, v. (-ken). — Moord' kuil, m. (-en). — Moordspelonk, v. (-en).

— Moordlust, ra. — Moor dines, o. (-sen).

— Moordpoging, v. (-en). — Moor dp ook, m. (..oken). — Moordpriem, m. (-en). — Moordrumoer, o. — Moordschavot, o. (-ten). — Moordslag, ra. (-en). (Vuurw.) Kleine springbus. — Moordstaal, o. — Moordtooneel, o. (-en).—Moordtrompet, v. (-ten). — Moordvlieg, v. (-en). Vlieg {laphria), die insecten bemachtigt en uit-


ocr page 516

MORG — ^

zuigt. — Moordwapen, o. (-en). — Moordziek, bn^ Bloeddorstig. — Moordzwaard, o. (-en).

Moore [Th.), 1779-1852, Dublin. Eng. dichter, Lalla Rookh (1817).

moorcu, v. mv. Smalbladig wollegras, moos, v. Slijk. — Mooskar, v. (-ren).

— Aloosmeier, m. (-s). Vuilnisman, moot, v. (-en). Afgesneden deel (van

visch) : eene moot zalm.

mop, v. (-pen). Groote gebakken metselsteen. Zeker hard koekje. Inktvlak. Aardigheid, gekheid, kwinkslag. Moppen tappen : grappen verkoopen. — Mopsteen, m. (-en).

mop, m. (-pen), mops, m. (-en). Zie Hond. — Mopneus, m. (..zen). Stompe neus. — Mopneus, m. en v. (..zen). lem., die een stompen neus heeft. — Mopshond, m. (-en). — Mopsneus, m. (..zen). Mopneus. — Mopspooten, m. mv. Gezwel aan de achterpooten (van een paard).

mopmuts, v. (-en). Vrouwennacht-xnuts.

moppeboon, v. (-en). Spaansche boon.

moppen, v. mv. Klinkende munt. Zij hebben moppen : zij zijn rijk.

moppen, ow. mopte, heeft gemopt. Pruilen. Knorrig zijn. — Mopper, m. (-s).

— Alopperen, ow. mopperde, heeft gemopperd- Zachtkens pruilen. —Mopping, v. — Mopster, v. (-s).

mopsiiH, m. (-en). Lomperd. Dwaas, mopu Un, m. Lekwijn.

moru (in-), bijw. uitdr. lem. in mora stellen : iemands verzuim vaststellen, iem. aanzeggen dit of dat binnen een bepaalden tijd te d( en.

mornsamp;l, v. Zedenleer. Zedenles. — Moraliseeren, ow. moraliseerde, heeft gemoraliseerd. Zedelijke beschouwingen maken. — Moralist, m. (-en). Zedenleeraar. Zedenprediker. — Moraliteit, v. Zedelijkheid. Zedenles. Zedelijke zin. Zedelijk gedrag. — Moreel, bn. Zedelijk.

iüoralea (Z.. de), 1509-1586, Badajoz. Sp. schilder.

more, v. Zie Moor (2® art.).

More:«ii [J. V.), 1763-181;, Morlaix. Fr. eeneraal. Stond op tegen den itt consul. Werd gebannen. Ging tot den vijand over en sneuvelde te Dresden.

Moreelso {P.), 1571-1638, Utrecht. Portretschilder.

morel. v. (-len) (vrucht). Groote bruine kers; m. (boom) : cerasus vulgaris. — Morelleboom, m. (-en). — Mor ellenbier, o. — Morellenbrandewyn, m. — Morel-lenwy'n, m.

morendo, bijw. (Muz.). Wegstervende.

morgana, v. Zie Fata morgana. m*rKanatlseli, bn. Morganatisch huwelijk : huwelijk met de linkerhand. Zie Linkerhand.

morden, o. (-s). Landmaat. Zie Bijgevoegde Tabellen. —Morgental, o. Zeker aantal morgen lands.

mor^eu, m. (-s). Tiid tusschen den nacht en den vollen dag. Ochtenstond. Begin van den dag. Tijd van het krieken van

o — MORR

den dag tot 's middags 12 uur. Goeden morgen ! als begroeting. De eerste levensjaren. Begin van eenig tijdperk, enz. : de morgen der vrijheid gloorde toen reeds. (Dicht.) Het Oosten. Bijw. Op den eerst-volgenden dag : hij zal morgen komen. o.: toekomst. God heeft het morgen in zijne hand. — Morgenafstand, m. (-en). (Ster-renk.). —Morgenavond, bijw. — Morgen-bad, o. (-en). — Morgenbeurt, v. (-en). — Morgenbezoek, o. (-en). — Morgenboot, v. (-en). —Morgendauw, m. — Morgendienst, m. (-en). — Morgendrank, m. (-en). — Morgendroom, ra. (-en). — Morgeneten, o. — Morgengave, v. (-n). Bruidsschat. — Morgengebed, o. ( en). — Morgengewaad, o. — Morgengezang, o. (-en).

— Morgenglans, m. — Morgengroet, m. (-en). — Morgenjak, o. en m. (-ken). — Morgenjapon, v. (-nen). — Morgen/as, v. (-sen). — Morgenjurk, v. (-en). — Mor-genkloh, v. — Morgenkoelte, v. — Morgenland, o. Het Oosten. — Morgeti-landsch, bn. — Morgenlicht, o. — Morgenlied, o. (-eren). — Morgenlucht, v. — Morgenmaal, o. (..alen). — Morgenmiddag, bijw. Op den middag van morden. — Morgenmuziek, v. en o. — Morgennevel, m. — Morgenochtend, bijw. — Morgenoffer, o. (-s). — Morgen post, v. — Morgenpraatjes, o. mv. — Morgenpreek, v. (-en). — Morgen punt, o. Oostpunt. — Morgenregen, m. — Morgenrood, o. — Morgenschemer, m, — Morgenschemering, v. — Morgenschuit, v. (-en). — Morgenslaap, m. — Morgenspraak, v. — Morgenstar, ..ster, v. (-ren). Lucifer. Planeet Venus opgaande voor de zon. Soort van knots met prikkels (matrozenwapen).

— Morgenster, v. Zie Vogelmelk. — Morgenstond, m. De vroege ochtenduren^ Jeugd. De morgenstond heeft goud in den mond. — Morgenstudie, v. — Mor gen tijd, m. — Morgentoilet, o. (-ten). — Morgen-trein, ra. (-en). —Morgenuur, o. (..uren),.

— Morgenwaak, v. (Mil.). — Morgen-wacht, v.— Morgenwandeling, v. (-en),

— Morgenwekker, m. (-s). — Morgen-wensch, m. ( en). — Morgenwerk, o. — Mor ge n wijdte, v. (Sterrenk.). —Morgenwijn, ra. — Morgenwind, ra. — Morgenzang, ra. (-en). — Morgenzegen, m. — Morgenzitting, v. (-en). — Morgenzon, v,

Moriaan, ra. (..anen). Moor (r® art.).

Iflörike [E.), 1804-1875, Ludwigsburg» Duitsch dichter. Gedichte [lütfi). Novellen en vertellingen.

morille, v. (-s). Zwamsoorf-. Behoort tot de vlieszwammen. Wordt als bijvoegsel bij andere spijzen gebruikt. — Morilsteenr m. (-en). Versteende paddenstoel.

mormeldier, o. (-en). Zeker diersoort (b. v. marmotten).

morplaine, v. AlcaloVde van opium. Zeer sterk vergif en pijnstillend genees^ middel.

morrelen, ow. morrelde, heeft gemorreld. In den donker werken. Op den tast verrichten. Knoeien.

morren, ow. morde, heeft gemord. Knorren. Ontevreden zijn. — Morrig, bn»


ocr page 517

MOSE — 4:

Knorrig. Misnoegd. Verdrietig. — Morrtg-iiri — Morring, v. „ . . ,

^ïorroii (C. F. A.)y 1807-1859, Belgisch p' .1» • kundige. Hoogle»*.raar (Luik).

niorsciood, bn. Hij viel morsdood : h:i viel steendood.

Ifloi'He (5. F. 5.), 1791-1872, Charles-town. Amerik. natuurkundige. Een der prondleggers der elcctrische telegraphie. Zie Telegraaf.

morHCii, ow. bw. morste, heeft gemorst. Kladden, vlakken, vuilmaken. Storten. Od onzindelijke wijze met iets omgaan : het kind morst met zijn eten. Verkwisten : hij morst met zijn geld Tersluiks doen. Oneerlijk handelen. In het klein verrichten (inz. in den handel). — Mors, v. (-en). Vuil vrouwmensch. — Morsbeer, m. en v. (-en). Vuil mensch — Morsebel, v. (-len). Mors. — Morsery, y. ( en). — Mor-st'jr, bn. bijw. — Morsigheid, v. — Morsig-lijk, bijw. — Morsjurk,v. (-en). — Mors-keuken, v. (-s^. — Morsmouw, v. (-en). — Morspak, o. ( ken). —Morspot, m. en v. Vuil mensch.

mortsMlcl, v. (-len). Groote Italiaan-sche worst.

91ortsti. Moluksch eiland, mortaliteit, v. Sterfte.

moi-lel, v. Kalk met zand en water gemengd. Steengruis. Stof: te mortel slaan.

— Mortelbak, m. (-ken). — Mortelen, mortelde, heeft en is gemorteld. Ow. (zijn) In mortel vallen. Bw. Vergruizen. — Mor-

bn. Korrelig. Kruimelig. — Mortel-molen, m. (-s).

mortcpaal, m. (-en). Man, die be-drifglijk op de scheepsrol geplaatst is. Loos stuk geschut.

mortier, m. (-en). Koperen of ijzeren enz. weiktuig, om er iets in fijn te stampen. Bomketel. — Mortierbatterij, v. (-en).— Mortiersp ie gel, m. (-s). (Art.). — Mortier-stamper, m. (-s). — Morttentok, m. (-ken).

— Mortierwagen, m. (-s).

Mortis [Th.), 1480-1^35, Londen. Kanselier van Hendrik VIII. Weigerde dozen vorst als hoofd der Anglikaansche Kerkte erkennen. Werd onthoofd. Utopia.

morzel, m. (-en, -s). Stuk van iets, dat verbrijzeld is. — Mor zelen,morzelde, heeft gemorzeld. Aan stukken slaan. Vermorzelen. Morzeling, v. Het morzelen, (-en) Stuklt;e. Splinter.

moK, o. (-sen). Mossen .-kleine, sierlijke plantjes, die groepsgewijze en meestal in aanzienlijke hoeveelheid bij elkander groeiende voorkomen. — Mosachtig, bn. Als mos. Bemost. Met mos bedekt. — Mos-heertje, o. (-s). Microscopisch diertje {arc-iiscon tardigradum), dat in het mos van dakp annen, enz., des zomers wordt aangetroffen. — Mosdteren, o. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk). — Mossig, bn. — Mosstengel, m. (-s). Stengel van jeen mosplantje. — Moszwam, v. (-men). Soort van kampernoelie.

moaeli. Zie Musch.

Blöfter [A.), 1835, Göttingen. Duitsch lyrisch en episch dichter. Gedichte (1868) ; Nacht und Sterne (1872) ; Schauen und Schaffen (1881); Singen und Sagen (1889).

i — MOST

moslielde, v. Ook beziëidra^ende heide geheeten, naar de zwarte, besachtige steenvrucht.

moakampcruoelie, v. (-s). Kleina paddenstoel : agaricus pt unulus.

monkeo, v. (-ën). Tempel (der Maho-medanen). —Moskeetoren, m. (-s).

mosket, m. (-ten). Mannetje van den sperwer.

moKklet. Zie Muskiet.

moskrabber, m. (-s). Zeker werktuig der tuiniers.

Moskon (Mo-kwa), 750,000. (Oudt.) Hoofdstad van Rusland. (Thans) Tweede residentie des keizers. Werd door Napoleon ingenomen en door de Russen in brand gezet (1812).

iiiosknil, m. (-en). (Zeew.) Groot© houten hamer.

mosroos, v. (..ozen). Soort van roos {rosa mnscosa). Wordt als sierstruik in onze tuinen gekweekt.

mossel, v. (-en, -s). Plaatkieuwi^ weekdier. De eewone, eetbare mossel: niyïgt;l.us edulis. Wordt in de Middell. Zee, in de Noordzee en vooral aan de oevers der Schelde aangetroffen. Slijmerig speeksel (uit den mond geworpen). —Mossel bank, v. (-en). — Mossel geld, o. Kleingeld. — Mosselkraam, v. en o. (..ainen).—Mosselkrabbetje, o. (-s). Krabbetje, dat in de schelpen der levende mosselen huist. — Mosselkreek, v. (. eken). — Mosselkruter, m. (-s). — Mossellijn, v. (-en). (Wisk.) Schulptrek. — Mosselman, m. (-nen). Koopman in mosselen. — Mosselman, v. (-nen). Vaartuig voor de mosselvangst. — Mosselmeid, v. (-en). — Mosselplaat, v. (..aten). —Mosselput, m. (-ten). — Mosselschelp, v. (-en). — Mossel schuit, v. (-en). — Mosselvanger, m. (-s). —Mosselvangst, v. — Mosselvloot, v. (..oten). — Mosselvrouw, v. (-en). — Mosselwagen, m. (Zeew.) Ruimte tusschen twee betings. (-s). Mosselkraam.— Mosselwijf, o.(..ven).

mossuoek, m. (-en). Naam van een zeer grooten snoek.

.most, m. Nieuwe wijn, eer hij gegist heeft. Uitgeperst suikerachtig sap van zekere vruchten.

moütaard, mosterd, m. Planten-geslacht {sinapis), tot de kruisbloemigen behoorende. Twee soorten komen voor : de witte mostaard (j. alba), zomergewas, dat bij ons op zware gronden veelvuldig geteeld wordt; de zwarte mostaard (s. nigra), wordt vooral in N.-HollanJ gekweekt. Groeit ook algemeen als onkruid, 't Zaad van beide planten wordt gemalen en met azijn enz. gemengd en bij sommige spijzen genuttigd. Die bereiding zelve. —Most er d-bquot;S, v. (-sen). — Mosterddoop, v. Soort van schrale saus. — Mosterd fabriek, v. (-en). — Mosterdjongen, m. (-s). — Mosterdkorrel, v. (-s). — Mosterdlepeltje, o. (-s). — Mosterdman, m. (-nen). — Mosterdmolen, m. (-s). — Mosterdche, v. Mosterd plant, v. (-en). — Mosterdpleister, v. (-s). — Mosterdpot, m. (-ten).— Mosterdsaus, v. — Mosterdvrouw, v. ( en). — Mosterdzaad, o.

Ztlostaert [J.), i474-*555'?)i Haarlqja.


ocr page 518

— 472 —

MOTI

MOZE

Schilder. Gebeurtenissen uit hef leven van S. Benedictus; de AIo*der-Maa%'i,

mot, y. (-ten). De motten maken eene familie uit in de orde der vlinders. Hare

a. Vrouwelijke vlinder, b. Mannelijke vlinder, c. Pop. d. Rups. e. Pophuhel.

rupsen leven voornamelijk in kleederen, tapijten, bont of koren. Er is de mot in : de zaak is bedorven. De mot in de maag hebben : honger hebben. — Matzat, o. (-en), motte sat, o. (-en). — Mot/ekruid, o. (Plantenk.) Zachtharigeganzevoct. — .M?/-tengras, o. Varkensgras. — Mottenkruid, o. Naam van onderscheidene kruiden, als rosmarijn, enz.bn. Motterig hout : eikenhout, dat ongeschikt is voor werken onder water. — Mot testeek. m. (..eken). — Mottestuk, o. (-ken). — Mottig, bn. Door de mot beschadigd. Pokdalig. Morsig, ruil. Leelijk. Misselijk. Mistig. — Mot fitheid, v.

mot, v. Fijne regen. Mist. — Motregen, m. Fijne regen. Dikke mist. — Motregenen, eenpw. motregende, heelt gemotregend. — Motten, eenpw. motte, heeft gemot. Motregenen.

mot. o. Turfmolm. Afval en spaanders van hout. — Mothok, o. (-ken).

mot, v. (-ten). Mouw. Iels in de mot hebben : lucht van iets hebben, bemerken, motdistel, v. (-s). Melkdistel. motbuif, v. (..ven). Vuile nachtmuts. — Motpruik, v. (-en). Oude, slechte pruik.

naotie, v. (..iën, -s). Voorstel (in eene vergadering).

motief', o. (..ven). Reden, beweegre-reden, oorzaak, drijfveer, beweeggrond. (Toonk.) Hoofddenkbeeld. (Schild.) In beeld voorgesteld onderwerp. — Motivee-ren, bw. motiveerde, heeft gemotiveerd. '

Gronden. Met beweegredenen ondersteunen. .Beweegredenen bijbrengen. Een voorstel moiiveeren, op redenen steunen.

JHotley {J. Z.), 1814-1877, Dorchester. Amerikaansch geschiedschrijver. The Rise of the Dutch Republic (1856); History of the united Netherlands (i860).

motor, m. (-s, en). Beweger. Stoom-beweger.

mot», m. (-en). Paard of hond, welks ooren men heeft afgesneden.

mot He, v. (-n). Schippers-overbroek. motsen, bw. motste, heeft gemotst. Knotten.

motto, o. Kenspreuk. Zinspreuk, moud, v. (-en). Zie Mouw (i® art.), moude (molde), v. Zeer fijne aarde, mousse, m. (-s). Scheepsjongen. Kajuitwachter.

moiisseeren, ow. mousseerde, heeft gemousseerd. Schuimen. Opbruisen. Parelen (van wijn, enz.).

monsseliiie, v. Neteldoek. — Mousselinen, bn.

moustaelie, v. (-s). Knevel. Snor. Snorbaard.

mout, o. Gekiemde en gedroogde gerst, om er bier van te brouwen. — Mout azijn, m. Bierazijn. — Mout bak, m. (-ken). — Mouteest, m. (-en). — Mouten, moutte, heeft gemout. Ow. Mout maken. Bw. Met mout voorzien. — Moutert m. (-s). — Mouterij, v. Het mouten, (-en) Plaats, waar men mout maakt. — Moutkiem, v. (-en). — Moutoven, m. (-s). — Mout stok, m. (-ken)^ — Moutwijn, m. Gistende wijn. Ruwe jenever.

mouvement, o. (-en). Beweging. Opstand.

mouw,v. (-en). Langwerpige, holronde bak uit éen stuk. (Drukk.) Houten, steenen bak, waarin het papier wordt vochtig gemaakt.

mouw, v. (-en). Deel van het kleed, dat den arm dekt. lem. iets op de mouw spelden, hem wat wijsmaken. Hij weet er geene mouw aan te zetten : hij weet het niet te helpen. In de mouw houden : bedekt handelen. Het achter de mouw hebben : zijnen aard bedekken, slim, geslepen zijn. De aap komt uit de mouw : de ware aard komt voor den dag. lem. de mouw vegen, strijken, hem vleien. — Mouwstre-pen, v. mv. — Mouwstrijker, m. (-s). Vleier. — Mouwtje, o. (-s). Manchet. — Mouwveger, m. (-s). Vleier. — Mouwvest, o. en v. (-en).

moveeren, moveerde, heeft en is gemoveerd. Ow. (ziin) Verschrikken : hij was er van gemoveerd. Bw. Bewegen. In beweging zetten. Ter sprake brengen, opperen.

mozaïek, o. Ingelegd werk. Legwerk. Musiefwerk. — Mozaïekwerk, o. — Mo-zatekwerker, m. (-s), mozaïst, m. (-en).

Mozart [j. C. IV. G.), 1756-1791, Salzburg. Duitsch toondichter. Don Juan (1787); Zauberflöte (1791) ; Figaro; Requiem (1791).

mozcgrstt, o. (-en). Gat (in de keuken), dat het vuil water doorlaat.

IVlozes. Aanvoerder en wetgever van Gods volk, dat hij yan Egypte naar Pales-


ocr page 519

MUIS — 4

tina geleidde (1491-1451 voor Chr.). Overleed op den berg Nebo, in het zicht van het land van belofte. — Mozaïsch* bn. Van de leer van Mozes. Daartoe behoorende.

mozesboom, m. (-en). Stekelige mispelboom : mcspiluspyracantha,

mud, v. en o*. (-den), mud de, v. (-n). Inhoudsmaat = hectoliter. Bij de mud : in menigte, in hoeveelheid. — Mud' degeld, o. — Mudszak, m. (-ken). Zak, die eene mud inhoudt.

mar, bn. Wat naar vochtigheid of schimmel riekt. — Mtifachiig, bn. — Miiffen, ow. mufte, heeft gemuft. Muf zijn of worden. Muffig rieken. De lip laten hangen.

— Muffig, bn. — Muffigheid, muf he id, v. muffcldiei*, o. ( en). Wild steen-

schaap : o vis rmismon.

mugr, v. (-gen). De muggen vormen eene onderorde onder de tweevleugelige insecten. De meeste bekende inlandsche soorten zijn : culex pipiens, de gewone zingende mug; culex cantans, met ongevlekte vleugels en geringelde pooten (vooral in Gelderland) ; culex annalaius, de berfstmug, die veel grooter is, gevlekte vleugels en geringelde pooten heeft. De mug vliegt reeds om de kaars : het zal haast met hem gedaan zijn. — Muggebeen, o. (-en). (Plantenk.).—JMuggeheet,va., (..eten).

— Muggebyter, m. (-s). Spaansche vlieg.

— Muggen doek, o. — Mugg eng eg ons, o.

— Muggendot dijn, v. (-en). — Muggen-kruid, o. Waterpeper. — Muggenscherm, o. (-en). — Muggenvangen, o. Gedurige beweging van de vingers eens zieken, alsof hij de deken wilde afpluizen. — Muggen-zien, o. Het flikkeren voor de oogen als van zwermen muggen. — Muggenziften^ ow.muggenziftte, heeft gemuggenzift.Haar-klooven. Streng vitten. — Muggenzifter, m. (-s). — Muggenzifterij, v. (-on). — Muggepoot, ra. (-en). Poot eener mug. v. Windvangend struisgras : apera spica venti. —Muggesteek, ra. (..eken).

muido, v. (-n). (Zeew.) Mond. Mon-ding.

muil, m. (-en). Bastaarddier, uit paarden- en ezelsgeslacht. — Muildier, o. (-en). — Muildrijver, m. (-s). — Muilezel, m. (-s). — Muilezelin, v. (-nen). — Mui los, m. (-sen). Bastaarddier uit ezels-en rundergeslacht. — Muilpaard, o. (-en).

Muilzad'l, m. ( s). Zadel voor eenen muilezel.

muil, v. (-en). Zeker schoeisel, halve pantoffel.

muil, m. (-en). Bek der groote dieren. Mond. Muilen maken : leelijke gezichten trekken. Opening : de muil des afgronds.

— Muilband, m. (-en). — Muilbanden, bw. muilbandde, heeft gemuilband. — Muilen, ow. rauilde, heeft gemuild. Morren.— Muilenmaker, xru (-s). lera., die muilen maakt. lera., die leelijke gezichten trekt. — Muilyzer, o. (-s). — Muilkorf, m. (..ven). — Muilpeer, v. (..eren). Slag in het aangezicht. — Muilprang, v. (-en).

— Muilpranger, m. (-s).

muls, v. (..zen). Onderste vleezige deel van den duira. — Muisleder, o.

muls, v. (..zen). De muizen maken

3 — MUIT

eene familie uit onder de knaagdieren. Tot deze familie behooren : de huismuis {mus musculus), de groote veldmuis [mussylva-ticus), de dwergmuis (mus minutus). (Zeew.) Knoop in een touw, om het doorschieten te beletten. Opgeschoten touw. Riembeslag. Kabelaringknoop. De muis is in de val ; de man is geknipt. Het schip is met man en muis vergaan, ten eenenmale verongelukt. —Muisdoorn, m. (-en), ..doren, ra. (-s). Soort van steekpalra. — Muis-grauw, bn. Grijsachtig. — Muishond, m. (-en). Hond, die muizen vangt. — Muisjaar, o. (..aren). Muizenjaar. — Muisje, o. (-s). Kleine, jonge rauis. Dat muisje zal een staartje hebben : die zaak zal groote gevolgen nebben. — Muisjes, o. mv. Soort van vroege aardappelen. Soort van suikerkorrels.— Muiskat, y. (-ten).— Muiskleu-rig, bn. — Muisstil, bn. Doodstil. Zeer stil. — Muisvaal, bn.Muiskleurig. —Mui-ze (nj drek, m. — Muizekeutel, v. (-s). — Muizekop, m. (-pen). — Muizen, ow. muisde, heeft gemuisd. Muizen vangen. Wel muizen ; goed eten. Peinzen, denken. Bw. (Zeew.) De kabelaring beslaan. — Aluizendoorn, ra. (-en). Muisdoorn. — Muizengat, o. (-en). — Muizengerst, v. Soort van gerst, welke bij ons in 't wild voorkomt. — Muizengif, o. — Muizen-haar, o. — Muizenhol, o. (-en). — Muizenis, v. (-sen). Muizenissen in 't hoofd hebben : vol sombere inbeeldingen zijn. — Muizenjaar, o. (..aren). Jaar, waarin vele muizen zijn. — Muizenkeutels, v. mv., muizenkeuteltj'es, o. rav. Soort van suikerkorrels.—Muizenkoekje, o. (-s). Koekje om muizen te vangen. — Muizenmaal, o. (..alen), muizeninaallyd, m. (-en). Eten zonder drinken. — Muizennest, o. en m. (-en). Nest eener rauis. Het hoofd vol muizennesten hebben, zie Muizenis. — Muizenoor, o. en v. Plant (hieraciutn pilo-sella), tot de saraengesteldbloemigen behoorende. Komt zeer algemeen op hooge zandige gronden voor. Wordt noch door paarden noch rundvee genuttigd. — Muizenval, v. (-Xeri). —Muizenvalk, ra. (-en). Buizerd. — Muizenvanger, m. (-s). Torenvalk. — Muizepoot, ra. (-en). — Mui-zerd, m. (-s). Naam van den gewonen buizerd. — Muizestaa' t, m. (-en). Staart eenerrauis. — Muizestaart, v. Plant (myo-sorus minimus), die op vochtige zandgronden en in weiden voorkomt. Behoort tot de ranonkelachtigen. Bloeit in April. — Muizevel, o. (-len). — Muizing, v. (-s). (Zeew.) Verdikking op de kabelaring.

Hlnlsis ((7. li), 1272-1352, Doornik. Benedictijner. Kronijkschrijver.

mulstercn, bw. rauisterde, heeft ge-rauisterd. Onderzoeken.

muit, v. (-en), multo, v. (-n). Vogelkooi. — Muiten, ow. muitte, heelt gemuit. Ruien.

matten, ow. muitte, heeft gemuit. In stilte eenen oproer verwekken. Oproerig worden. —Muitachtig, bn. Oproerig. — Muite, v. Twist: muite maken. — Muiteling, ra. en v. (-en). Oproermaker. Oproer-maakster. — Muitelinge, v. (-n). — Mui-t(ejmaker, m. (-s). Ruziemaker. - Mui-


ocr page 520

MUNT — 4:

ter, m. (-s). Muiteling. — Muiiery, v. (-en). Oproer. — Muitmeester, ra. (-s). Leider van eenen oproer. — Muitwilltg, muit ziek, muitzuchtig, bn. — Muitzucht, v.

mul, bn. Los, fijn : mulle grond. — Mul, v. Aarde, zand. Molm, turfmolm. Meekrapbast. — Mulheid, v. — Muilen, ow. mulde, is gemuld. Tot kleine stukjes vallen. — Mullip, bn. — Muilig he id, v.

mulat, m. (-ten). De mulatten : gemengd menschenras (voortgesproten uit blanken en zwarten).— Mulattin,v. (-nen).

mulder, ra. (-s). Meikever. Molenaar. Middeldeur.

Mullt;ler (•£.), 1822, 's Gravenbage. Letterkundige. Jan Faessen (hist, roman, 1856) ; Een lief vers (blijspel, 1881) ; (met Lindo) Afdrukken en indrukken (1854).

mulct, v. (-ten). Zeker Portugeesch vaartuig.

Muller (.F. M.), 1823, Dessau. Duitscb taalgeleerde. Hoogleeraar (Oxford). Sacred Books of the £quot;«5/ (i879-'85); Biographies of vords and the home of the Aryas {1S8S).

Muller (P. L.], 1842, Koog a/Zaan. Hoogleeraar (Leiden). Letterkundige en gescbiedkenner.

multiformig, bn. Veelvormig. Veelvoudig. — Multiplum, o. (Rek.) Veelvoud.

mummelen, ow. mummelde, beeft gemummeld. Mommelen.

mummie, v. (..icn, -s). Gebalsemd en gedroogd lijk (bij de oude Eir^ptenaren). Dood en uitgedroogd lichaam (In dc zandwoestijnen, Afrika). Dor, uitgedroogd me- scb : 't is eene mummie. Droogstok.

Mun {A, de), 1841, Luniij»ny (Scne et Marne). Redenaar. Leider der Franscbe antisoci.nal-democratcn. Discours; discours et e'crits divers.

Münolien, 230,000. Hoofd- en residentiestad (koninkrijk Beieren).

munioiigt;aal, bn. Gemeentelijk. S^e-deliik. — Municipaliteit, v. (-en). Gemeentebestuur. Gemeenteraad.

munitie, v. Zie Ammunitie.

munk, m. (-en). Verborgen hoekje, enz. waar men iets verbergt, als geld, fruit, enz.

Munkaesy [M^, 1846, Munkacs (Hongarije). Schilder. De laatste dacen van eenen veroordeelde (1870); Christus voor Pilatus (1881) ; de laatste oogenblikken van Mozart (1887).

munnik. Zie Monnik.

munHtor. Zie Monster (3* art.). Mün«ter, 40,000. Stad (Westfalen). De Wcstfaalsche vrede werd er gesloten (1648'. Zie Viede.

munt, v. (-en). Geslagen geld : zilveren, koperen munt. Klinkende munt: contante penningen. Stempel op muntstukken. Plaats, waar het geld gemunt wordt. Iets voor goede munt aannemen : gelooven wat men zegt. Munt uit alles slaan : overal voordeel uit trekken. — Munt beeldenaar, m. (-s). Boekje, dat de waarde aanwijst van het gangbare geld. — Muntbiljet, o. (-ten). Papieren geld. — Muntboek, o. en ra. (-en).

\— MURW

— Muntbriefje, o. (-s). — li ftin ten, bw. muntte, heeft gemunt. Tot munt maken. Geld slaan. — blunter, m. (-s). — Muntgeld, o. Loon voor het munten. — Munt-ger eedschap, o. (-pen). — Muntje zei, m. (-len). — Munthamer, m. (-s). — Munthuis, o. (..zen). — Munting, v. (-en).— Muntkabinet, o. (-ten). — Muntkamery v. (-s). — Munt kruid, o. Penningkruid.

— Muntkunde, v. — Munt loon, o. en ra. (-en). — Muntmeester, ra. (-s). — Muntmeesterschap, o. — Muntolie, v. Olie, uit rauntkruid. — Muntpers, v. (-en). — Muntplaatje, o. (-s). — Muntrecht, o. (Eert). — Munt schaaltje, o. (-s). — Muntschaar, v. (..aren). — Muntschelp, v. (-en). Zekere schelp, die den vorm heeft van een muntstuk. — Muntschroef, v. (..ven). — Muntslag, ra. Het slaan van munten. — Muntslager, m. (-s). — Munt-smjder, ra. (-s). — Muntsmj'dster, v. (-s). —Muntsnoeier, ra. (-s).— Muntsnoeister,. v. (-s). — Muntsoort, v. (-en). — Muntspecie, v. (..iën). Gemunt geld. — Muntstelsel, o. (-s). —Mnquot;tstempel, m. (-s).— Munt stof, v. — M un/stuk, o. (-ken).. Geldstuk. — Muntteeken, o. f-s). — Muntunie, v. — Muntvervalscher, m. (-s). — Muntvervalsching, v. (-en).—Munt vijl, v. (-en). — Dfuntvoet, ra. Standaard van deraunt. — Muntvonn, m. (-en). — Munt-•waag,v. (..agen). Muntschaaltje. — Muntwezen, o. Al wat het geldslaan betreft.

munt, v. Plantengeslacht \mentha), tot de lipbloemigen behoorende. De soorten van munt hebben een eigenaardigen specorijachtigen reuk. De smaak is heet, kamferaebtig en later eenigszins koud.

munten, bw. muntte, heeft gemunt. Beoogen, doelen : hij heeft het op u gemunt. Hij heeft het op uw leven gemunt: hij wil u om het leven brengen.

muragre, v. (-s). Muurwerk. — Muren, bw. rauurde, heeft gerauurd. Met rauren omringen.

Murat (y.), 1767-1815, La Bastide (Lot). Zwager van Napoleon. Maarschalk van Frankrijk. Koning van Napels. Werd gefusilleerd te Pizzo.

murf, v. (..ven). (Plat) Mond. Smoel, miirik, v. (Plantenk.) De gemeene muur (2# art.).

Murillo (5.), 1618-1682, Sevilla(?), Spaansch schilder. De h. Antonius van-Padua (1656) ; de Hemelvaart van Maria ; de h. Joannes met het Lam.

murmolen, murmelde, heeft gemurmeld. Ow. Zacht ruischen : het murmelende beekje. Bw. Iets binnensmonds zeggen.

murmureeren, ow. murmureerde, heeft gemurmureerd. Morren. Ontevreden zijn. — Murmureer der, m. (-s). — Mur~ mureering, v. (-en). — Mu rmur eer ster, v. (-s).

Murner (Th.), 1475-1537, Straatsburg. Duitsch hekeldichter. Narrenteschw'd-rune (1512).

murw, bn. Tegenstelling van vast. Zacht. Week. Zachtgemaakt. — Murwen% raurwde, heeft en is gemurwd. Bw. Murw maken. Ow. (zijn) Murw worden. —Murw»


ocr page 521

MUSI — 4

heid, v, — Murwij^s, bijw. Murwtjes gekookt : lekker gekookt.

mufiicadUn, ni. (-en). Pronker. Modegek. Praalhans.

moacli, v. (..sschen). Behoort tot de familie der vinkachtigc vogels. Bij ons komen slechts twee soorten voor : de huismusch (frtugiUa dome*ticd\ ; de ring- of boommusch [frin^illa montana).

— Muschachtt'g, bn. De muschachtige vo-

fels. —els. — Muschzvortel, v. (-en).Zekereeen-iladige bloem : passerina. —Musschequot;ei, o. (-ers, -eren).— Musschenha^el, m. Fijne soort van hagel om op musschen te schieten. — Musschenkan, v. (-nen). — Afus-schenkruid, o. Musschenhagel. — Jl/us-schennest, o. en in. (-en). — A/usscbeti' pof, m. (-ten). — Musschenstof, v. Musschenhagel. — Mussc henver schrik kef, m. (-s). — Mussche7gt;eer,\. (-en).

museliclkstlk, v. Grijsachtige soort van kalksteen.

muftcug, v. Een product van het mus-Cusdier. Komt in den handel voor in den vorm van korrels, die verschillende grootte bezitten, met zwarte kleur en eigenaardi-gen geur. Men kent ook een kunstmatige xnuscus, verkregen door inwerking van salpeterzuur op barnsteen. — A/uscusbal/en, m. mv. — Muscusblaas, v (..azen). — Muscusbloem, v. (-en). Muscusplant. — Muscusciiroetty m. (-en). Groote, kruidige, welriekende citroen. — A/uscusdier, o. (-en). De muscusdteren {moschus) maken eene groep uit in de familie der herten onder de herkauwende zoogdieren. Onder hen is er s'echts éen, moschus mosckife-rus, dat de muscus oplevert. Leeft in Tibet en Siberië. — Afuscusdoosje, o. (-s). — Muscuseend, v. (-en). — Muscusgeur, v.

— Muscuskat, v. (-ten). Civetkat. — Mus-cuskleur, v. — AI use us koekje, o. ( s). — Aluscuskruid, o. Plant {ad^.va moschatel-lina), die in bosschen en op beschaduwde

laatsen groeit en die, daar de bloemen en laderen den reuk van muscus verspreiden, dikwijls in tuinen wordt aangekweekt. — Muscuslucht,\Aluscuspeer, v. (..eren).

— Aluscusplant, v. (-en). Plantje \mimu-lus moschatus), met gele bloempjes. Riekt naar muscus. — Afuscusrat, ..rot,v. (-ten). Zekere waterrat (N.-Amerika, Canada) {mus pilo rides). Geeft een sterken geur van zich. Leeft in troepen en bouwt overdekte woningen in 't water. — Afuscus-reuk, m. — Afuscusstier, m. (-en). Wilde stier (oyibos moschaius) (N.-Amerika). Verspreidt, als hij gedood is, een zeer sterken geur.— Afuscuszaad, o. — A/uscus-zwyn, o. (-en). Kleine zwijnsoort [dicoty-les (Z.-Amerika).

muNoum, o. (-s, ..ea, museën). Openbaar gebouw, enz. aan kunst of wetenschap gewijd. Kunstkabinet. Kunstverzameling. Kabinet van voorwerpen der natuurlijke historie, enz.

musicna, m. (..ci). Toonkunstenaar.

— Af us ice er en, ow. musiceerde, heeft gemusiceerd. Muziek spelen of maken.

mualefipoad, o. Verbinding van zwavel met tin. Goudkleurige stof om hout te bronzen. — Afusiefwerk, o. Mozaïek. —

5 — MUTS

Afusiefzilvert o. Mengsel van tin, bismuta en kwikzilver.

munk, v. Muscus.

muNkïiat, m. Muskaatwijn. — Afus-kaa/, V. Vrucht van den muskaatboom. — Afuskaa/bloern, v. ( en). Foelie. — Afus-kaatboom, m. (-en). Boom [myrisfica aro-matica oim. moschata), tot de laurieren behoorende. Groeit vooral op de Moluk-sche eilanden. — Afuskaatboter, v. — Afuskaathyacint, v. (-en). Zekere hyacint : hyacinthus tnuscart. — Af uskaat' noot, v. (..oten). — Afuskaatolie, v. — Afuskaatpeer% v. (..eren). — Afuskuat-roos, v. (..oz^n). — Afuskaatwijn, m. — Afuskadel, v. (-len). Muskadeldruif. Druif, waaruit de muskaatwijn wordt bereid. — Af us ka del peer, v. (..eren). — Afuskadel-(lenjivyn, m.

luuMkcercn, bw. muskeerde, heeft ge-muskeerd. Welriekend maken (met muscus).

muMkol, v. (-s, -en). Spier, muakcljsiat, o. Muscus. — Af us kei-kat, v. (-ten). Civetkat. — Afuskelreuk, m. Muscusreuk.

muHket, o. (-ten). Oud schietgeweer, dat met eene lont werd afgeschoten. Schietgeweer. — Afusketgat, o. (-en). Schietgat.-

— Af us ^e fier, m. (-s). — Afuskefkogel, m. (-s). — Af uskef loop, m. (-en).—Afuske-ton, m. (-s). karabijn. Schietgeweer. — Afuske 'schot, o. (-en). — Afusketvuur, a,

miiHkict, m. (-en). Afuskiefen noemt men in warme landen verschillende muggensoorten, wier steek zeer hinderlijk en lastig is en zelfs nu en dan door bijkomende irritatie gevaarlijk worden kan.

muMkUN, v. Zie Muscus.

IVIunNOlicr {Af. van), 1645-1705, Rotterdam. Portretschilder.

10 {L. C. A. de), 1810-1857, Parijs. Fr. lyrisch dichter. Stances; f Esp oir en Dieu ; la Confession d'un enfant du siècle (1838); Rolla (1833). — 20 Zijn bioe-der(/,. de), 1804-1880, Parijs. Fr. letterkundige. Romans en drama's.

mut, v. Groote hoeveelheid. Menigte. Daar is het hutje met het mutje : daar is heel het spel, daar is alles.

matntlc, v. (..iën, -s). Verandering. Eigendomsovergang. Verwisseling van plaats of bediening. — Afufafierecht, o. (-en). Overgangsrecht.

mats, v. (-en). Hoofddeksel van wol, enz. voor mannen. Hoofddeksel van gaas, tule, enz. voor vrouwen. Tweede maag der herkauwende dieren. Metalen punt, waarop eene sluisdeur draait. Het schort hem onder de muts : hij is half gek. Hij is zoo gek niet als hem de muts staat, als hij wel gelijkt. — Afufseband, m. (-en). Band, waarmede de muts op het hoofd wordt vastgehouden. — Afufrebol, m. (-len). — Afuisenband, ra. (-en). Band voor mutsen.

— Afufsenlint, o. — Afufsenmaaksfer, v. (-s). — Mutsenmaker, m. (-s). —Afufsen-makery, v. —Afutse;/stijfster, v. (-s). — Mutsenwaschsfer, v. (-s). — Afufsje, o, (-s). Kleine muts. (Oudt.) Vochtmaat = 0,144 liter.

mutsuavd, mutnerd, m. (-s). Tak-


ocr page 522

MUSI — 4

kenbos. Rijsbos. — Mutsaardbinder, ra. (-s). — Muisaardfiaard, o. (-en). Werktuig, waarmede takken tot mutsaards worden gebonden.

mutteu, m. (-s). Zeer jong kalf. maar, m. (..uren). Afscheiding opgebouwd van steen en kalk (tusschen de nui-zen, kamers, enz.). Blinde muur : muur zonder venster of deur. De soldaten stonden als een muur, waren niet terug te drijven. Met het boofd tegen den muur loopen: zich vruchteloos tegen iets verzetten. — Muurankert o. (-s). — Muurbloem, v. (-en). Plantengeslacht. Behoort tot de kruisbloeraigen. De gemeene muurbloem {chetranthus cheiri) wordt bij ons in 't wild aangetroffen. — Af uur boog-, ra. (..ogen). — Muurbreker, m. (-s). — Muurdraak, m. (..aken). Soort van hagedis. — Muurgat, o. (-en). — Muur geel, o. Zekere waterverf. — Muurhagedis, v. (-sen). Zekere grauwe hagedis. — Mutirhaviks-kruid, o. Gulden longkruid : hieracium murorum. — At uur kalk, v. —Muurkast, v. (-en). — Muurkeel, v. (..elen). Einde van een dak tegen een h oogeren muur. — Muurkers, v. (-en). —Muurknikbloem, v. (-en^. Muursalade. — Muur kroon, v. (..onen). (Rom. bist.). — Muur kruid, o. Murik. Glaskruid. — Muurkruiper, ra. (-s). Zeker vogeltje (Z.-Europa). — Muur-mantel, ra. (-s). — Muurnachtegaal, m. (-s). Roodstaartje.—Muurpeper, v. Zekere vetplant: sedum acre. — Muurplaat, v.quot; (..aten). — Muur ruit, o. Soort van varen : asplenium ruta muraria. — Muursalaae, v. Zekere samengesteldbloe-mige plant: lactuca muralis. — Muursalpeter, o. — Muur specht, m. (-en). Muurkruiper. — Muur spin, v. (-nen). — Muzirtapyt, o. (-en). — Muurtrekken, o. (Schermk.) Blind pareeren. —Muurvalk, m. (-en). Torenvalk. — Muurvast, bn. Zoo vast als een muur. Zeer vast. — Muurwerk, o. — Muur zout, o. Salpeter. — Muur zwaluw, v. (-en). Soort van zwaluw : cypselus apus.

mnar, v. Onkruid [stellaria media). Komt voor in tuinen, op bouwlanden en weilanden, waar de graszode is weggenomen. — Muur bed, o. (-den).

Muyltlcrmans (J.), 185S, Kapellen-op-den-Bosch. Kanunnik. Opziener van het godsdienstig onderwijs. Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Regeltjes (met Bols, 1883) ; Nederd. Bloemlezing (met Bols, 1886) ; Bijdragen tot taal- en stijl-zuivering^^.

muze, v. (-n). Godin der schoone kunsten en wetenschappen. Zanggodin. — Muzenberg, ra. —Muzentempel, va. (-s). — Muzenzoon, m. (..onen).

Muzelman, m. (-nen). Volgeling van Mahomed.

muziek, v. en o. Toonkunst, zangkunst: de muziek aanleeren. Voortbrengselen der tnuziek : de muziek van Beethoven. Uitvoering van muziekstukken : hij hoort gaarne muziek. Geschreven of gedrukte

6 — MYTH

muziekstukken : muziek verkoopen. Muziekanten : de muziek speelt heden. (Dicht.) Aangenaam geluid : de muziek der zee. — Muziekbeoefenaar, m. (-s). — Muziek-beoefenaarster, v. (-S). —Muziekblad, o. (-en). — Muziekboek, o. en m. (-en). — Muziek bord, o. (-en). — Muziekdirecteur, m. (-s). — Muziekdrukker, m. (-s).

— Muziekdrukkery, v. (-en).—Muziekfeest, o. en v. (-en). — Muziekgeleerde, ra. (-n). — Muziekhandelaar, m. (..aren, -s). — Muziekinstrument, o. (-en). — Muziekkunst, v. — Muziekladder, v. {•i). — Muzteklessenaar, m. (-s).— Mw ziekliefhebber, ra. (-s). — Muziekliefhebster, v. (-s). —Muziekmaker, ra. (-s).

— Muzieklynen, v. rav. — Muziekmeester, ra. (-s). — Muzieknoot, v. (..eten). — Muziekonderwijzer, m. (-s). — Muziekonderwijzer es, v. (-s). — Muziekpapier, o. — Muziekschaal, v. (..alen). — Muziekschool, v. ^..olen). — Muziek sleutel, ra. (-s). — Muziekstuk, o. (-ken). — Muziekuitvoering, v. (-en). — Muziekzaal, v. (..alen). — Muzikaal, bn. Toonkunstig. Wat tot de toonkunst behoort. — Muzikant, ra. (-en). Muziekspeler. Speelman.

myope, bn. Bijziende. Bijzicbtig. — Myopie, v.

myrla, tienduizendvoud. — Myriade, v. (-n). Tienduizend. Tallooze menigte. — Mynagram, o. en ra. (-raen). —Myria-liter, m. (-s). — Myriameter, m. (-s). — Myriastere, v. (-s).

myrrhe. Zie Mirre.

mysterie, o. (..iën, -s). Geheim : 't is een mysterie. Geheimenis, verborgenheid. « Waarheid, waarvan een geschapen verstand door zijn eigene krachten noch het bestaan ontdekken, noch de natuur begrepen, en zelfs, nadat God er het bestaan van

feopenbaard heeft, de natuur begrijpen an ». —eopenbaard heeft, de natuur begrijpen an ». — Mysteriespelen, o. mv. (Middel.) Geschiedenissen uit het Oude en Nieuwe Testament, maar vooral uit het leven des Zaligmakers werden in de kerk voorgesteld. Dit waren de mysterie- of mirakelspelen. Het oudste, in onze taal overgebleven, dagteekent van het begin der JQV* eeuw. « Die eerste blidscap van Maria » werd in 1429 opgevoerd. — Mysterieus, bn. Geheimzinnig. Raadselachtig. Duister. Verholen. — Mysticisme, o. Mystiek. — Mystiek, bn. Geheim, verholen, verborgen. Mystiek testament : testament in besloten vorm. Zinnebeeldig, mystieke roos : geestelijke roos. (Dicht.) Geheimzinnig : de zon wierp een mystiek licht door het raam. — Mystiek, v. Leer der geheimenissen. — Mystisch, bn. Mystiek.

mystlflceeren , bw. mystificeerde, heeft gemystificeeid. Foppen. Bedotten. — Mystificatie, v. (..iën, -s).

mytlie, v. (-n), mytlios, m. Verdichtsel. — Mythisch, bn. Verdicht. Fabelachtig. — Mythologie, v. (;ën). Godenleer. Fabelleer. — Mythologisch, bn. Fabelachtig. — Mytholoog, ra. (..ogen).


ocr page 523

— 477 —

NAAK

NAAM

n, v. (n's). 14® letter van het alphabet.

na,'bijw. Nabij, dicht, in de onmiddellijke nabijheid. Op éen na : allen behalve éen. Op weinig na. Op verre na niet. Vz. Achter : hij komt na u. Na elkander : de een achter den ander. Later dan : na Christus' geboorte. Over : na drie jaar moest hii terugkomen. Na dezen : na dit oogenblik, voortaan.

naad, m. (..aden). Wijze van naaien : overhandsche naad. Flaats, waar doormiddel van naald en draad twee stukken ver-eenigd zijn : het kleed is aan den naad

Êescheurd. Plaats, waar twee of meer stuken te zamen verbonden worden : de naden van een schip. Plaats in de opperhuid, die, opengesneden, wederom toegegroeid is : zijn aangezicht ligt vol naden. Zijnen naad naaien : stil zijn voordeel zoeken. —escheurd. Plaats, waar twee of meer stuken te zamen verbonden worden : de naden van een schip. Plaats in de opperhuid, die, opengesneden, wederom toegegroeid is : zijn aangezicht ligt vol naden. Zijnen naad naaien : stil zijn voordeel zoeken. — Nquot;ad-haak, m. (..alcen). (Zeew.). — Naadje% o. (-s). Breinaadje achteraan eene kous. — Naadpresennings, v. mv. (Zeew.) Geteerd zeildoek tot dekking van de naden en luiken.

naaf, v. (..aven). Middelste gedeelte van een rad, door welk de as gaat en In welks omvang de speeken staan. — Naaf-band, m. (-en). — Naafboor, v. (..oren). — Naafbus, v. (-sen). — Naaf gat* o. (-en). — Naafhout, o. — Na af ring, m. (-en).

naaien, bw. ow. naaide, heeft genaaid. Door middel van naald en draad samenhechten, bewerken : hemden naaien, met korte steken naaien. — A'aajïa/z/t, v. (-en). (Boekb.). — Naat'bout, m. (-en). (Zeew.).—Naaidoos, v. (..zen). — Naater, m. (-s). — Naaigaren, o. — Naaiing, v. Het naaien, (-en) (Zeew.) Verbinding der oogen aan de touweinden door ander touwwerk. — Naaikamer, v. (-s). —- Naaika-toen, o. — Naai kind, o. (-ers, -eren). Leermeisje op eenen naaiwinkel. — Naaikistje, o. (-s). — Naaikussen, o. (-s). — Naaimachine, v. (-s). Zie Machine. — Naaimand, v. (-en). — Naaimeisje, o. (-s). Naaikind. — Naainaald, v. (-en).— Naaiplank, v. (-en). — Naairing, m. (-en). — Naaischool, v. (..olen). — Naai-sel, o. Naaiwerk. Het genaaide. — Naaister, v. (-s). — Naaisters-werk, o. —Naaitafel, v. (-s). — Naaivrouw, v. (-en). — Naaiwerk, o. — Naaiwinkel, m. (-s). — Naai zak, m. (-ken). — Naaizyde, v.

naalct, bn. bijw. Ontbloot van alle bedekking : hij had geen kleeren om het naakte lijf te bedekken. Zonder haar of pluimen : een naakte vogel. Bloot: met naakte voeten. Minder gekleed dan gewoonlijk : welke gedachte van zoo naakt te loopen! Slecht gekleed : hij loopt naakt over de straat. Arm, behoeftig. Naakte slakken, zonder schelp. Naakte rotsen, zonder plantengroei. Naakt veld, zonder gras. Zonder versiering : naakte muren. Ledig : naakte kamer. Openbaar ; voor

God is alles naakt. Zuiver, onbewimpeld r de naakte waarheid. — Naakte, o. (Schild.) Het naakte lichaam. — Naaktelyk, bijw. Onbewimpeld. Ronduit. — Naaktheid, v.

— Naaktzadigen,m. mv. Zekere planten-klasse.

naald, v. (-en). Dun stalen werktuigje om te naaien, te borduren, enz. Heeft aan de eene zijde een spitse punt en aan de andere een oog om eenen draad door te trekken. Dun, gewoonlijk lang en puntig staafje van metaal om door iets heen te steken, enz. : breinaald, haarnaald. Wijzer van een kompas. (Timm.) Sluitlijst van eene vleugeldeur. (Bouwk.) Spits gebouwd voorwerp : de naald van eenen gevel, de naald van eenen toren, ^edenkgrafnaald. Naaldvormige bergtop. Blad van eenen naaldboom. Naaldvormige kristallen. Voor elke naald eenen draad hebben. Iets vertellen van naald tot den draad. — Naaldaar, v. Plantengeslacht {setar ia), tot de grassen behoorende. — Naaldboom, m. (-en). Plantenfamilie. Ontleent haren naam aan de gedaan te harer blader en. Hare vruchten hebben den vorm van kegels. — Naal-dekop, m. (-pen). — Naaldendoos, v, (..zen). — Naaldenfabriek, v. (-en). — Naaldenfabrikant, m. (-en). — Naal-dengeld, o. — Naaldenkoker, m. (-s). — Naaldenkoop, m. (-en). — Naaldenkoo-per, m. (-s). — Naaldenkoopster, v. (-s).

— Naaldenkussen, o. (-s). — Naaldenlap, m. (-pen). — Naaldenmaker, m. (-s).

— Naaldenoog, o. en v. (-en). — Naal-denverkooper, m. (-s). — Naaldenver' koopster, v. (-s). — Naaldenwerk, o. — Naaldenwerken,ow.n!amp;.ldenwerkte,heett genaaldenwerkt. — Naaldenwinkel, m. (•s). — Naalderts, o. Verbinding van bismuth met lood en koper. — Naaldhout, o. Hout van naaldboomen. — Naaldpapiert o. (Art.) Patroonpapier. — Naaldprik~ king, v. (-en). — Naaldswyze, ..wijs, bijw. Als eene naald. — Naaldvisschen, m. mv. Behooren tot de orde der troskieu-wige visschen. Zijn lank, slank, aalvormig en met langwerpige knobbelstrepen bedekt. De kleinste naaldvisch (syngnathus Ophidion) leeft aan onzekusten.—Naald-vormig, bn.

naam, m. (..amen). Woord, waarmede een persoon of eene zaak wordt aangeduid. Benaming. Voorwendsel: onder den naam van vriendschap. Trouw, eerlijkheid : goederen op iemands naam vragen. Naspraak : ik wil men naam niet hebben. Eer, faam, roem : een goeden naam hebben. Hij heeft den naam, maar zijn broeder heeft de daad.

— Naambord, o. (-en). — Naambuiging, v. (-en). (Taalk.) Verbuiging der naamwoorden. — Naamchristen, m. (-en). Christen in naam. Niet oprecht christen. — Naamcijfer, o. (-s). — Naamdag, m. (-en). — Naamdicht, o. (-en). — Naamfeest, o. en v. (-en\. — Nqqmge^, bn. —


ocr page 524

NAAS — 4

^Naamgenoot, m. (-en). — Naamgenoote, v. (-n). — Naam^efal, o. (-len). — Naam-

fevin?,evin?, v. — Naamhaft, ..haftig, bn.

Jeroemd. Vermaard. — Naamhaftig-hetd, v. — Naamyzer, o. {-s). — Naam-letterkeer, ra. (-en). — Naamlijst, v. (-en). — Naamloos, bn. — Naamloosheid, v. — Naamrol, v. (-len). — Naamroof, ra. — Naamroovend, bn. — Naamroover, ra, (-s). — Na a m roofster, v. (-s). — Na a nt ruch tig, bn. Beroemd. Vermaard. — Naamstempel, ra. (-s). — Naamsverandering,-?, (-en). —Naams-•wijze, bn. bijw. — Naamteeken, o. (-s). — Naamtrek, ra. (-ken). — Naamval, m. (-len). Naamvallen : verschillende vor-raen, welke de naamwoorden aannemen ■om aan te duiden in welke betrekking zij in de rede voorkomen. Er zijn vier naamvallen, in de Nederl. taal. — Naatnver-ta ling, v. (-en). — Naamwisseling, v. (-en). — Naamwoord, o. (-en). Woord, dat eenen persoon of eene zaak noemt, bepaalt of aanduidt : zelfstandig, bijvoeglijk naamwoord. — Naamzi'k, bn. Eene voorliefde hebbende voor zekere namen.

nuamp;pcn (i), bw. Uitwendige handelingen, gelijk de apen, nabootsen. — Naafier, xn. (-s). — Naaapster, v. (-s). — Nadpertj, v. (-en).—Naatgt;ing,v. (-en).

natar, vz. Duidt een beweging aan ra de richting van eenig voorwerp : naar huis gaan. Drukt ook eene genoegelijkheid oit: naar welbehagen handelen. Volgens: naar iemands raad handelen. Zonals men verkiest: dat gaat naar zijnen zin. Ten aanzien : naar zijne jaren, is hij kloek. Naar het uiterlijk oordeelen. Dat riekt naar olie. Vw. Zooals, gelii'k : naar men zegt. — Naardien, vw. Dewijl. Omdat. Vermits. — Naarmate, vw. Volgens. In verhouding (van of tot).

naar, bn. bijw. Akelig, ijselijk : nare geschiedenis. Treurig, droef: nare tijden. Slecht: naar weer. Doodsch, somber : de nare nacht. Vervelend : een naar boek. Onpasselijk: hij werd er naar van. — Naargeestig, bn. bijw. Treurig. Droevig. Ellendig.— Naargeestigheid, v.—Naarheid, v.

nasirbelden, ow. Arbeiden na een andt r. Voortarbeiden. — Naar en, ow. Korenaren op het veld nalezen.

naars, v. Aars.

naarstlgr, bn. bijw. Ijverig. Vlijtig. Leergierig. Oplettend. — Naarstigheid, v. — Naarstiglifk, bijw.

naast, vz. tfabij, dichtbij, nevens. Bn. Kortste ; de naaste weg. Hij is mijn naaste buurman : zijn huis staat het dichtste bij het mijne. Hij is mijn naaste bloedverwant. Eerstkomende : de naaste gelegenheid. Laagste : de naaste prijs. De naaste zijn (tot) : het meeste recht hebben (op). Ten naaste(n) bij : ongeveer. — Naastbe-staande, ra. en v. (-n). Bloedverwant. — Naaste, ra. en v. (-n). Evenmensch. « Alle redelijke schepselen, die met ons deel kun-

(i) De samengestelde werkwoorden met na zijn scheidbaar.

8 — NABO

nen hebben in de goddelijke glorie. » — Naasten, bw. naastte, heeft genaast. Toe-ëigenen. Naar zich nemen voor den aangegeven prijs. — Naasting, v. (-en). — Naastgelegen, bn. — Na ast in grecht, o. (Recht.) Nader-of verkoopsrecht.—Naast-komend, bn. —Naastvol^end, bn.

nababbelen, bw. Nababbelaar, ra. {•s). Nababbelaarster, v. (-s). — uabaf-fen, bw. Achter iem. haften. Ow. Baften na een ander. — nabalcken, bw. Achterna bakken. Nabootsen. Ow. Door overblijvende hitte klaar komen. — nabal-ken, bw. ow.

nabanket, o. (-ten). Prachtig nagerecht.

nabaHien, bw. ow. Nabassen. — nabauwen, bw. Iemands stem en woorden nabootsen. Ow. Weergalmen. Nabauwert m. (-s). Nabauwing, v. Nabauwster, v. (-s). — n aba zul nen, bw. ow.

nabedenken, o. Het nadenken, overwegen.

naberlelit, o. (-en). Wat men achter aan een boek of eenen brief heeft aan te merken.

naberouw, o. Spijt. Wroeging, nabestaande, ra. en v. (-n). Bloedverwant.

nabetalen, bw. Later betalen dan op vastgesteld tijdstip. Bijbetalen. Nabetaling, v. (-en). — nabelraeliten, bw. Overwegen. Nabetrachting, v. (-en). — nabidden, bw. Het gebed, dat iem. voorzegt, nazeggen. Iemands bidden navolgen. Ow. Na een ander bidden. Nabid-ding, v.

nabier, o. Dun bier. Leksel.

nabt|gt; bijw. Dichtbij. Niet ver verwijderd. — Nabijgelegen, bn. — Nabijheid, v. — Na bijkomend, bn. Weinig verschillend.

nabinden, bw. Bindend nabootsen. Ow. Later binden. Nabinder, ra. (-s) Na-bindster, v. (-s). — nabladderen, ow. Kwaadspreken. — nablaflen, bw. ow.

— nablaten, bw. ow. — nablazen, ow. Blazen na een ander. Bw. Iem., die vertrekt, op eene trompet, enz. achterna blazen. — nableeken. Bw. Opnieuw bleeken. Ow. (zijn) Later bleeken. Nablee-king,\. — nablUven, ow. (hebben, zijn) Achterblijven. Nagelaten worden. Naderhand overblijven. Na de anderen blijven. Nablyver, ra. (-s).

nabloed, o. Nakomelingen, nabloeden, ow. Nog bloeden. Voort« gaan met bloeden. Nab toe ding, v. (-en).

— nabloeien, ow. Bloeien (achter andere boomen of planten). Nabloeier, ra. (-s). — naboenen, bw. Naboening, v.

— naboetiteeren, bw. Boetseerende navolgen. — naboomen, bw. (Achter een ander met eenen boom een vaartuig) voortstuwen. — nabootsen, bw. In was, klei, enz. namaken. Nadoen. Namaken. Nabootser, m. (-s). Nabootserij, v. Nabootsing, v. (-en). Nabootsster, v. (-s).

— naborduren, bw. ow. Naar een model borduren. Borduren als (ook na) een ander. — naboren, bw. Achterna boren. Iets wijder boren. Opnieuw boren, —


ocr page 525

NACH — 4

naborstelen, bw. Opnieuw borstelen.

— nabouwen, bw. Bouwend namaken. Opnieuw bouwen. — nsamp;brsibbelen, bw. Nabrabbelaar, m. ( s). Nabrabbe-ling, v. Nabrabbelaarster, v. (-s). —na-brstnden, bw Andermaal branden. Ow. Langer branden dan iets anders. — na-breien, bw. ow. Breiend namaken. — nabrengreu, bw. lem. iets brengen na zijn vertrek. — nabriescben, bw. ow.

— nab rod «leien, bw. — nabrom-men, ow. bw.

nabroodje, o. (-s) . Broodje, dat men, na eene bijeenkomst, bij iem. eet.

nabrnleu, bw. Nagooien. Ow. (zijn) Naloopen.

nabniiloft, v. (-en). Feestmaal na de Tjruiloft.

■■abrnisen, ow. Nogmaals, langer bruisen. — nabrnllen, bw. ow. — naballen, bw. Buigend maken. Ow. (zijn) Achterna gebogen worden. — nabuite-len, bw. ow. (zijn). — nabulken, bw. ow.

Nab«ebolt;iono«or II (606-562 yóor Chr.). Konine: der Chaldeërs. Bemachtigde Jeruzalem. Daniël voorzeide hem, dat hij gedurende zeven jaar buiten allen omgang met de menschen gesloten, met de dieren zou leven ; en, dat hij later zijn verstand en zijnen troon zou terugkrijgen.

nabili-ier, bn. Nabijgelegen. Omliggend. — Nabuur, m. (..uren). Buurman.

— Nabuurschap, v. — Nabuurstad, v. ^..cden).

naebt, m. en v. (-en). Tijd, gedurende welken de zon onder den horizon is. Tijd, gedurende welken men slaapt. Duisternis : -de nacht overviel ons. Het onbekende : in den nacht der tijden, 't Was nacht in zijne strijdende ziel. Het aardrijk uit den nacht des onverstands trekken. Wat nacht u om-geve, wees vroom en kloek. In eenen nacht van rampen. De nacht des grafs, de eeuwige nacht. — Nachtaap, m. (..apen). Snuitaap. — Nachiariker, o. (-s). — Nachtbezoek, o. (-en). — Nachtblaker, ra. (-s). — Nachtblind, bn. In de schemering slecht kunnende zien. — Nachtblind, o. (-en), nachtblinde, v. (-n). Vensterluik, dat *5 nachts gesloten wordt. — Nacht-blinde, m. en v. (-n). — Nachtblindheid, v. — Nachibloeiend, bn. — Nachtbloem, v. (-en). — Nachfboog, m. (Sterr.). ~ Nachtbraken, ow. nachtbraakte, heeft genachtbraakt. 's Nachts werken. Den nacht in slemperij overbrengen. — Nachtbraken, o. — Nachtbraker, ra. (-s).—Nachtbraking, v. (-en). — Nachtdas, v. (-sen).

— Nachtdoek, m. (-en). — Nachtdief, m. (..ven). — Nachtdienst, m. —Nacht-dieverij, v. (-en). — Na ch tduivel, m. (-s).

— Nachtelijk, bn. Als de nacht: nachtelijk duister, 's Nachts gebeurende: nachtelijk rumoer. — Nachtevening, v. (-en). Tijd, wanneer dag en nacht elk 12 uren lang zijn (21 Maart, 21 September). — Nachtevemn^spunt, o. (-en). Punt,waarin de zonneweg den evenaar snijdt. — Nachtfloers, o. (Dicht.). — IVachtgast, m. en v. (-en). — Nachtgebaar, ..geraas, „gerucht, o. — Nachtgebed, o. (-en). —

9 — NACH

Nachtgedachten, v. mv. — Nachtgedrocht, o. (-en). —Nachtgeest, m. (-en).

— Nachtgespuis, o. — Nachtgewaad, o. (..aden). — Nachtgezang, o. ( en). — Nachtgezicht, o. (-en). — Nachtglas, o. V..zen). — Nachtgoed, o. — Nachthalsdoek, m. (-en). — Nachthemd, o. (-en).

— Nachthuis, o. (..zen). — Nachthuislamp, v. (-en). — Nachthut, v. (-ten). — Nachtjak, o. en m. (-ken). —Nachtjapon,-^. (-nen). —Nachtkaars, v. (-en).— Nachtkapel, v. (-len). Nachtvlinder. — Nachtkever, m. (-s). — Nachtkrab, v. (-ben). Krab, die men zich 's nachts in den slaap geeft. — Nachtkroeger, m. (-s).— Nachtkwartier, o. (-en). — Nachtlamp, v. (-en). — Nachtleger, o. (-s). Nachtverblijf. Slaapplaats. — Nachtlicht, o. (-en).

— Nacht lijf Je, o. (-s). — Nachtlooper, ra. (-s). — Nachtloopster, v. ( s). — Nracht-luchl, v.— Nachtmaal, o. —Nachtmaal' ganger, m. (-s). — NachtmaaIgangster, v. (-s). — Nachtmaalsbeker, m. (-s). — Nachtmaalsbrood, o. — Nachtmaalstafel, v. (-s). — Nachtmaalszang, m. (-en).

— Nachtmaaltijd, m. (-en). — Nacht, mannetje, o. (-s). Spook. Geest. — Nacht-mantel, m. (-s). — Nachtmerrie, v. Ziekelijke droom, veroorzaakt door volbloedigheid, overspanning van het gemoed, slapen op den rug, enz. — Nachtmuts, v. (-en). — Nachtmuziek, v. en o. — Nacht-post, v. (-en). — Nachtraaf, v. (..aven). Nachtreiger. — Nachtraaf, ra. (. aven). Die veel 's nachts werkt. Die degt;n nacht in losbandigheid doorbrengt. — Nachtratel, m. (-s). Gewone nachtzwaluw. — Nachtraven, ow. nachtraafde, heeft genacht-raatd. 's Nachts werken. Den nacht in losbandigheid doorbrengen. —Nachtreiger, m. (-s). Vogel {ardea nycticorax), tot de steltloopers behoorende. Bewoont waterrijke streken van Midden- en Zuid-Europa. Komt ook in Azië en Afrika voor. Is zeer zeldzaam bij ons. — Nachtreiziecer, m. (-s). — Nachtrok, m. (-ken). — Nachtronde, v. (-n). —Nachtroofvogel, m. ( s).

— Nachtroom, m. Room van éenen nacht, (op de melk). — Nachtrust, v. — Nachtschade, v. Kruidachtige, overblijvende vergiftige plant latropa belladonna), tot de familie der nachtschaden behoorende. Groeit aan den rand van bosschen. Bloeit in Juni en Juli. Heeft glimmende zwarte bessen. — Nachtschaden,\. mv. Planten-familie. De nachtschaden zijn verdoovende, scherpe gewassen. In de keerkringslanden komen zij voor als boom- en heesterachtige gewassen. De vrucht is of eene bes of eene zaaddoos. — Nachtschaduwe, v. Nachtschade. — Nachtschildwacht, m. (-en). — Nachtschoone, v. (-n). Plantie [mirabiltsjalappa) met fraaie, gele, rooae of witte bloemen, die eerst tegen den avond opengaan. Wordt in onze tuinen als sierplant gekweekt. — Nachtschot, o. (-en).

— Nachtschuit, v. (-en). — Nachtsein, o. (-en). — Nachtslot, o. (-en). Dubbel slot. — Nachtspook, o. (..oken). — Nachtstilte, v. — Nachtstoel,m. (-en). — Nachtstudie, v. (..iën, -s). — Nachtstuk, o. (-ken). Schilderij, waarin de voorstel Hm:


ocr page 526

NADE — 4!

door de maan, enz. wordt beschenen. — Nachitabbaardy m. (-en). — I\iachttafelt v. (-s). — Nachiteekens, o. mv. (Sterr.).

— Nachtuil, m. (-en). Katuil. — Nachtuiltje, o. (-s). Nachtvlinder. — Nachtverblijf, o. — Nachtvizher, nachtviool, v. (..olen). Bloem \hesperis matronalis). Heeft een zeer aangenamengeur.—-VacA/-vlinder, m. (-s). Vlinder die 's nachts vliegt. — Nachtvogel, m. (-s). — Nachtvorst, v. — Nachtvrouwtje, o. (-s). Soort van spook. — Nachtwaak, nachtwake, v. — Nachtwacht, v. (-en). Het wachthouden bij nacht. De gezamenlijke wachters. m. (-s). Klepperman. — Nachtwachter, m. (-s). — Nachtwagen, m. (-s). — Nachtwaker, m. (-s). — Nachtwandelaar, m. (-s). lem., die 's nachts opstaat en als wakende rondloopt. — Nachtwandelaarster, v. (-s). — Nachtwandelen, o.

— Nachtwerk, o. — Nachtwerken, ow. nachtwerkte, heeft genachtwferkt. De sekreten ruimen. — Nachtwerker, m. (-s).

— Nachtwijzer, m. (-s). (Zeew.).—Nachtwind, m. (-en). — Nachtwitje, o. (-s). Nachtuiltje. — Nachtworm, m. (-en). Zekere glimworm. —Nachtzorg, v. (-en). — Nachtzwaluw, v. (-en). Geitenmelker.

na ebt egaal, m. (..alen, -s). De zangvogel (sylvia luscinia) bij uitnemendheid. Bewoont Midden- en Zuid-Europa. Overwintert in N.-Afrika. Komt bij ons in 't midden van April aan en vertrekt weer in September. Uitstekend, beroemd zangeres. Hollandsche nachtegaal: kikversch.

— NachtegaaIskooi, nachtegaalskouw, v. (-en). — Nachtegaalskruid, o. Wilde kervel. —Nachtegaalsnest, o. enm. (-en).

— Nachtegaalsslag, m. —Nachtegaals-stem, v. (-men). — Nachtegaalstong, v. (-en). — Nachtegaalstoon, m. (..onen). — Nachtegaalszang, m.

nacy fcrcti, bw. O verrekenen, naoouraiit, nakrant, v. (-en). Buitengewoon nommer van een dagblad.

nadasr, m. (-en). Tijd, gedurende welken iera., na volbrachten leertijd, nog als leerling moet werkzaam zijn, om de verzuimde dagen te vergoeden. Nakermis.

nadalcn, ow. (zijn) lem. volgen, die nederdaalt. — nadansen, bw. Het dansen navolgen. Ow. Achter iem. dansen.

nadat, vw. Drukt eene tijdsopvolging uit : nadat hij gesproken had.

Kadaud ((?.), 1820-1893, Roubaix. Liedjes- en toondichter. Chansons (1849); Pand ore, ou les deux Gendarmes.

nadeel, o. (-en). Schade, verlies : hij heeft u nooit schade gedaan. Schande, oneer: gij kunt niets tot zijn nadeel zeggen. — Nadeelig, bn. bijw. Schadelijk. Schandelijk. Zijne zaken zijn in een nadee-ligen, slechten toestand. — Nadeeliglijk, bijw.

nademaal, vw. Vermits. Naardien, nadenken, bw. Denken (over). Bepeinzen. — Nadenken, o. Overdenking. Achterdocht, vermoeden. — Nadenkend, bn. —Nadenker, m, (-s). — Nadenking, v, (-en). Nadenken.

nader, bn. bijw. Dichterbij, minder verwijderd.Korter. Juister.Nieuwer. Nauw-

gt; — NAGA

keuriger. Later. Verder. Uitvoeriger. — Naderbij, bijw. — Naderen, naderde, is

fenaderd. Dichterbij komen. Tot de tafel es Heeren naderen. —enaderd. Dichterbij komen. Tot de tafel es Heeren naderen. — Naderhand, bijw. Daarna. Vervolgens.— Nadering, v. (-en), nadeunen, bw. Neuriënde herbalen, nadezen, bijw. Hierna. — Nadien, bijw. Van toen af: ik heb hem nadien nooit meer gezien.

nadir, o. Voetpunt. Het nadir staat lijnrecht tegenover het zenith.

nadiseh, m. Nagerecht.

nadoen, bw. Naar het voorbeeld van een ander doen. Na doener, m. (-s). — nadonderen, eenpw. Nog voertdonde-ren. Ow. Voortgaan met razen en tieren. Bw. Iem. met donderende stem achterna roepen. — nadoraelien, bw. Nog een» dorschen. Ow. Later dorscben.

nadorst, m. Dorst, die naderhand komt, inz. na eene braspartij.

nadraalen, bw. Iets naar een model draaien. Ow. Na de anderen draaien. — nadragen, bw. Iets achter iem. dragen. Ow. Nageven, beschuldigen : men draagt hem na, dat hii aan 't spel verslaafd is. — nadraven, bw. Naloopen. Nastreven. Ow. (zijn) In den draf navolgen. — na-drentelen, bw. Iem. drentelend vol-gen. Ow. (zijn) Drentelende achteraanko-men. — nadreunen, ow. — nadrib-belen, ow. (hebben, zijn) Al dribbelende nagaan. — nadrUven, ow. (2ijn) Achteraan drijven. Bw. Drijvend doen volgen. — nadrofiren, bw. Nog eens drogen. Ow. ^zijn) Na iets anders drogen.— na-drosMen, ow. (zijn) Iem. naloopen, die zich vt-rwijdert. — nadrui|»cn, ow. (zijn) Aanhouden met druipen, btil heengaan. Bw. Iem. in het ontvluchten volgen. — nadrukken, bw. Naar een voorbeeld drukken. Nog eens drukken. Tegen den wil van den uitgever iets opnieuw drukken. Nadruk, m. Kracht, klem * hij sprak met veel nadruk. Kleurtoon Gewicht, belangrijkheid. Nadruk, tii. Het nadrukken» (-ken) Nagebootste druk. Nagedrukt boek. Aadrukkelyk, bn. bijw. Met veel nadruk. Krachtig. Nadrukker, m. (-s). Nadruk-sel, o, (-s). Nadrukster, v. (-s). — naduiden, bw. Naderhand uitleggen, verklaren. Iem. iets naduiden, hem van iets beschuldigen. — naduiken, ow. (zijn) Iem. in het duiken volgen. — naduwen, bw. — nad wellen, bw. — naëgrgen, bw. Nog eens eggen. Ow. Later of langer eggen.

naërfffenaam, m. en v. (..amen). Hij, die de naaste is, als de ware erfgenamen ontbreken. —Naërfgename, v. (-n).

naer Oostlant willen wi varen. Uitwijkingslied uit de XII0 eeuw, toen duizenden Vlamingen naar Oostland, d. i. naar het Noorden van Duitschland weken.

naëten, ow. Na anderen eten. Opnieuw eten. — naëtaen, bw. Etsend namaken. Ow. Na anderen etsen.

nafeest, o. en v. (-en). Tweede feest, nafladderen, ow. (zijn) Fladderend volgen. — nafluiten, bw. ow. Fluitende navolgen. Iem. met fluiten enz. vervolgen. Fluiten na een ander. — nagaan, bw.


ocr page 527
ocr page 528
ocr page 529

NAGE — 4!

ow. (hebben, zijn) Achter iem. gaan. Be. spieden, bewaken. Zorg dragen (voor) Ter harte nemen. Overdenken. Nazien, on derzoeken. Berekenen (de gevolgen van iets). Zich voorstellen : gij kunt nagaan, hoe vreemd hij opkeek. Begrijpen : dat kunt gij nagaan. Hem gaat na, dat... : men vertelt van hem, dat... Te langzaam gaan (van een uurwerk). Nagaande, bn. Overdenkende. Mistrouwend. — iiagalmeii, ow. Weerklinken. Bw. Vertellen wat reeds door een ander verteld is. Nagalm, m. Weerklank. NagaZtnt'ng, v. (-en). —na-ffalpen, bw. Iem. achterna roepen, nasrang:, m. Voetspoor.

nagapen, bw. Met open mond staan te bezien,

nasrebnur, m. (..uren). Buurman, nagredaclitc, v. (-n). Nadenking. Overweging. — Nagedachtenis, v. Het aandenken aan eenen overledene.

nasnel, m. (-s, -en). Hoornachtig bekleedsel op de bovenzijde der laatste vingerleden van hand on voe: (ook aan de pooten van sommige dieren). Onderste steelachtig versmalde deel van sommige bloembladen. Kleine dunne spijker. Dat is een nagel aan zijne doodkist: dat zal zijnen dood verhaasten. Kruidnagel. — Nagelbank, v. (-en). — Nagelbloem, v. (-en). Anjelier. — Nagelboom, m. (-en). Kruid-nagelboom. — Nagelboor, v. (..oren). — Nagelborstel, m. (-s). — Nageldraaibank, v. (-en). — Nageldraaier, m. (-s). — Nagelen, bw. nagelde, heeft genageld. Met nagels vastmaken. — Nagelgat, o. (-en). — Nagelgaten, o. mv. Huidziekte : ecthyma. Zweren, die over gansch het lichaam zich uitbreiden en die, als de toppen verdroogd zijn, uitvallen en gaten laten in vel en vleesch. (Zie S1 Elooi's nagels.) — Nagelhoevigcn, m. mv. —Nagelhout, o. Hout van den kruidnagelboom. Rook-vleesch. — Nagelijzer, o. (-s). — Nageling, v. —Nagelkeep, v. (..epen). — Na-gelkrutd, o. Plant {geum nrbanum), tot de roosachtigen behoorende. De wortelstok bevat looizuur, vluchtige olie, hars, gom, enz. — Nagelmaag, m. en v. (..agen). Bloedverwant in den 7quot; graad. — Nagel-mal, o. ( len). —Nagelmesje, o. (-s).— Nage'neep, v. (..epen). — Nagelttieuw, bn. Splinternieuw. — Nagelproef, v. (..ven). Eene nagelproef doen : een glas zoodanig ledigen, dat er niet meer in overblijft dan om op den nagel een druppeltje te laten vallen. — Nagelrun, v. Nagelschors. — Nagelschaar, v. (..aren). — Nagclschelfi, v. (-en). Volksnaam van sommige schelpen. —Nagelschors, ▼. Zeker ongemak aan de vingers. — Nagel-smid, m. (..eden). — Nagelstof, v. — Nagelvast, bn. Vastgehecht met nagels. Aarden nagelvast. — Nagelvlek, v. (-ken). — Nagelvlies, o. (..zen). Wit vliésje in het oog, dat zich soms over het doorschijnend hoornvlies uitbreidt. — Nagelvormig, bn. (Van planten, enz.). — Nagelwater, o. Nagel(kruid)drank. — Nagelwortel, m. (-s). Punt van den aanvang des nagels, v. Wortel van hetnagelkruid.

uagelag:, o. O vergelag.

[ — NAHU

nasreiuaakt, br. Kunstmatig. Valsch. uaK:cnolt;»s:, bijw. Ongeveer. Bijna, ■■asrepeins, o. Stille overweging over eene zaak. Vermoeden.

nag^ercclit, o. (-en). Wat na de gerechten ter tafel komt.

nagrcsclial, o. Weerklank, na^cslaclit, o. (-en). Nakomelingen, gen.

uagretosren, verl. deelw. van natie-itHgeveii, bw. Naderhand geven. Beschuldigen : men geeft hem na, dat hij gierig is. — Nagevingy v. Toegeeflijkheid, (-en) Beschuldiging.

naKowas, o. Tweede gewas. Tweede oogst.

naffezanfi:, o. (-en). Gezang, welk op het einde van eene godsdienstoefening wordt uitgevoerd.

nagieren, ow. bw. Draaiende, wankelende iem.volgen. Iem. ach ernaschreeu-wen. — nagicten, bw. Gietende namaken. Ow. Na een ander gieten. Nagieting, v. Nagietsel, o. (-s). — nabillen, bw. Iem. naschreeuwen. Ow. Na een ander gillen.—-najjlsten.ow. Nogeenigen tijdlang gisten. Nagisting, v. — najflUden, ow. (zijn) (ïlijdmde iem. volgen. Achter iem. glijden. — nsiBliiron, bw. Met de oogen bespieden. — iiaj^ouzen, ow. (hebben, zijn) Gonzend volgen. Nog eens gonzen. Bw. Met gegons nagooien. — naeoolen, bw. No^ eens gooien. Gooien na anderen. Achter iem. aan gooien.

uasri'as, o. Gras, dat na het eerste maaien groeit.

nas ran wen, ^w* Achter iem. grauwen. Het grauwen navolgen. — na^ra-reeron, bw. Graveerend navolgen. Ow. Na anderen graveeren. — nagraven, bw. Gravend volgen. Ow. Na anderen grave». — nagi'typen, ow. — nag-rom-m«n, bw. ow. — nabaken, bw. Naar een voorbeeld haken. Ow. Na anderen haken. — naharkim, bw. ow. — na-hekvlon, bw. Nog eens hekelen. Ow. Nog een* poos hekelen.

Nactgrla* {F.), 1821, Utrecht. Letterkundige. Iets over de volksvermaken (bekroond. 1866) ; Zelandia illustrata (1866-

'85) •

ualicrfftf, m. Het late najaar. Aangename dagen voor in den winter.

11 aliQgen, ow. Najagen. — nabln-ken. ow. (hebben, zijn) Hinkende volgen. — nahippelen, ow. (hebben, zijn) Na-hippen. — nahippeu, ow. (hebben, zijn) Hippende navolgen. Eenigen tijd na een anaer hippen.

nalioede, v. Achterhoede, nalioepelen, ow. Na een ander hoepelen. — iialioereeron, ow. Afgodisch navolgen. — naliollen, ow. (hebben, zijn) Hollende raloopen. — nahompelen, ow. (zijn) Iem. hompelende volgen.

nahooi, o. Hooi, dat van het nagras voortkomt.

nahouden. bw. Iem. langer houden dan anderen. Verwijten : iem. iets nahouden. — nabnllen, bw. Huilend naroepen. — nahnnkeren, bw. Begeerige blikken werpen op iets, dat zich verwijdert.


ocr page 530

NAKI — 4

— iiahuppelen, ow. (hebben, zijn) Huppelende volgen.

Nalmyii (jï/. graaf van Horsimar Ahaus), 1832-1895, Utrecht. Penningkundige. Geschiedenis der fenningen en munten onder de regeering van Lode-•wijk Napoleon (1856); Geschiedenis der Nederl. penningen en munten onder het Franse he keizerrijk (1863).

naïef*, bn. Eenvoudig, openhartig, onschuldig, ongekunsteld. — Naïeve te it, v. Eenvoudigheid. Openhartigheid. Onschuld, (-en) Eenvoudige dicgen. Onnoozel gezegde.

nuilleu, ow. (zijn) IJlend naloopen. Iemands spoor vol en.

naQver, m. Onophoudelijke vlijt om anderen gelijk te komen. Nijd. — Naijverig,hn. Nijdig. Jaloersch.

Naïm. Stad (Palestina). Jezus verwekte er den eenigen zoon van eene weduwe van den dood.

najaar, o. (..aren). Nazomer. Herfst.

— Najaarsblad, o. (-en, -eren). — Najaar sbloevi, v. (-en). — Najaarsdraden,

m. iuv. Herfstdraden. — Naj'aarskleu-ring, v. (Plantenk.). —Najaarskoorts, v. (-ep). — Na ja a rs loover, o. — Naj'aars-mis, v. (-sen). Jaarmarkt in den herfst gehouden. — Naja arsnachtevem ng, v. (-en). — Najaarsregen, ra. (-s).— Na-jaarsveHing, v. (-en). — Najaarsvergadering,^. (-en).—Na ja a rsweder, ..vu eer, o. —Najaarsziekte, v. (-n). — Naj'aars-zon, v.

najaebt, v. Tweede, latere iacht. najade, v. (-n). (Myth.) Nimf. Beschermgodin en bewoonster der bronnen en kleine rivieren. — Najaden, v. mv. Familie van zoetwaterplanten.

najagren, bw. In groote haast achtervolgen. Zeer behartigen. Sterk begeeren. Najager, m. (-s). Najangster, v. (-s). Na-jaging, v. (-en). — uajammeren, bw. ow. — najanken, ow. jankende naloopen. Bw. Het gejank nabootsen. — na-Joelen, bw. lem joelende navolgen. — najouwen, bw. Jouwende naloopen. — najulelien, bw. ow. Juichende navolgen. Blijven juichen. — nakaatfien. bw. ow. lem. nabootsen in het kaatsen. Voortgaan met kaatsen. Na een ander kaatsen.

— nakakelen, bw. ow. Het kakelen nabootsen. Kakelend volgen. Blijven kakelen. — n»kiillen, bw. Naderhand vertellen. Napraten. — nakainmen, bw. ow. — na keffen, bw. Het gekcf nabootsen. Ow. Keffende volgen.

naken, ow. naakte, is genaakt. Naderen. Naderbij komen. — Nakend, bn. — Naking, v.

nakend, nakendifir, bn. Naakt, nakermen, bw. Schreien nadat iera. vertrokken, het lijk van iem., vervoerd is, enz.

nakerm is, v. (-sen). Dagen aan de kermis toegevoegd.

nakUken, bw. Volgen met de oogen : zij keken den luchtreiziger na. Nazien, overzien, onderzoeken : eene rekening nakijken. — Nakijking, v.

nakind, o. (-eren). Kind uit een

2 — NALA

tweede, derde huwelijk. Kind na 's vaders dood geboren.

nakladden, bw. Slordig namaken, naschrijven, enz. — naklagen, bw. Na-kennen.

naklank, ra. Weerklank. Aanhoudend geluid.

naklappen, bw. Vertelllen wat men vernomen heeft. Ow. Met eene zweep achter iem. klappen. — naklauteren. «»\v. (zijn) Klauterend volgen. — nakiim-men, ow. (zijn) Klimmend volgen. — naklinken, ow.Klinkendevolgen.Achter iem. aanklinken. Ow. Blijden klinken.

— nakloppen, bw. Nog eens kloppen. Ow. N(.g eene poos kloppen. — nakloit-•en, ow. (zijn) Klossende achter iem. ioo-pen.

nakluelit, v. (-en). Kluchtig naspel op het tooneel.

nakluiven, bw. Nog eens kluiven, naknag-insf, v. (-en). Naberouw, naknappen, bw. — nakneden, bw. Opnieuw kneden. — nsiknorren, bw. ow. — nakoeleren, bw. Kromtongen. Gebrekkig spreken nabootsen. — nakoken, ow. bw. Iets na iets anders koken. Nog eens koken.

nakomelins:, m. en v. (-en). Afstammeling. Nazaat. — Nakomelinge, v. ( n).

— Nakomelingschap, v.

nakomen, ow. (zijn) Volgen : ga

maar, ik zal nakomen. Bw. Naleven, volbrengen : zijne belofte nakomen. — Nakomer, m. (-s). Nakomeling, opvolger. Uitvoerder. — Nakrming, v.

nakoop. ra. Latere koop. nakraaien, bw. ow. Naschreeuwen. Het gekraai (van den haan) nabootsen. — nakrabbelen, bw. Krabbelende na-ra aken.

navrant, v. (-en). Nacourant. nakreet, ra. Te late kreet. Kreet, die op een anderen volgt.

nakrUgren, ow. Nog langer oorlog voeren.— n ak ry sell en, b w. ^ aschreeu-wen. — uakt'Ulcn, bw. Nahuilen. nakroost, o. Nageslacht.

nakrulen, bw. Iets achter iera. op eenen kruiwagen vervoeren. Ow. Nog eenigen tijd kruien (van eene kruiende rivier).

— nakruipen, ow. (hebben, zijn) Kruipende volgen. Na een ander kruipen. — nakruisen, ow. (Zeew.) Kruisende navolgen. — nakuleren, bw. ow. (zijn) Nawandelen. — nakuiselien, bw. Nog eens kuischen. Nabootsen. — naktva-ken, bw. ow. — nakwelen, bw. Het gekweel (eens vogels) nabootsen. — na-ku Unen, ow. — nalaelien, bw. Lachend iera. nabootsen. Lachen op een ander. Spottend iera. achter den rug naschreeuwen. — nalaten, bw. Achterlaten (bij overlijden) : hij heeft niets dan schulden nagelaten. Overleveren : zijne kinderen een ongerepten naam nalaten. Laten : die onhebbelijkheid moet gij nalaten. Verzuimen, veronachtzamen ; doe al het noodige zonder iets na te laten. Laten varen : hij heeft sinds lang het spel nagelaten. Ow. Ik kan niet nalaten : ik kan rag niet onthouden. Nalatenschap^ v. (-pcn)c


ocr page 531

NAME — 4

'Boedel. Erfenis. Erfgoed. Nalatig, bn. bijw. Verzuimachtig. Onachtzaam. Vergt etachtig. Nalatigheid, v. Nalating, v.

nalecii, o. (-en). Leen, dat van een hooger leen afhangt.

nalckkou, ow. Nog eenigen tijd aanhouden met lekken.

nalonte, v. De laatste dagen der lente. Einde van 't voorjaar.

naleppcu, bw. ow. Dikwijls en met kleine teugjes drinken. — naleven, ow. lem. overleven. Bw. Nakomen, in acht nemen : iemands bevelen naleven. Naïever, m. (-s). Naleef ster, v. (-s). Naleving, v. — nalezen, bw. Nogmaals doorzoeken (korenvelden, enz.). Ow. In het lezen volgen. Na anderen lezen. Nalezer, m. (-s). Naleesster, v. (-s). Nalezing, v. (-en). — nallcliten, bw. Achter iem. gaan met licht. — nallegreii, bw. Valschelijk nageven. Op eene bedriegelijke manier nabootsen. — nalikken, bw. Noe eens likken. — nalobberen, ow. Na een ander in 't water plassen. — naloelen, bw. ow. — naloeren, bw. Scherp nakijken. — naloeven, ow. (zijn) Zachtjes navaren. —nalooi»eu,bw. ow. (hebben, zijn) Achter iem. loopen : zijn hondje liep hem altijd na. Toezicht houden (op), nagaan, behartigen : hij kan niet alles naloo-pen. Te langzaam loopen (van een uurwerk). Stremmen, dik worden. Naloop, m. Toeloop (van menschen). Geloop, moeite : die zaak heeft veel naloop.iVa/öo/lt;?r,m.(-s). Naloopertje, o. Naloopertje, krijgertje spelen. Na looping, v. Naloopster, v. (-s).

naloot, v. (..oten), nalot, o. (-en). Nascheut.

naluiden, naluien, ow. Later luiden. Blijven luiden. — naluisteren, ow. Met aandacht luisteren. In de richting van iem., die weggaat luisteren.

naniaagr, m. en v. (..agen). Naaste bloedverwant. — Namaagschap, v. Na-magen. o. Vermaagschapping.

namaaien, bw. ow. Achter iem. maaien. Andermaal maaien. — Namaai-ing, v. (-en). —Namaaisel, o. (-s).

namaaln, bijw. Hierna: namaals wordt de deugd geloond.

namaand, v. De laatste dagen der maand.

namaken, bw. Navolgen : porselein namaken. Nateekenen, naschilderen, naschrijven. Nabootsen : iemands gebaren namaken. Namaak, v., namaaksel, o. (-s). Namaker, m. ( s). Namaakster, v. (-s). Namaking, v. (-en). — namalen, bw. Naschilderen. — namalen, bw. ow. Opnieuw malen. Later malen. — namanen, bw. Eene schuld invorderen, welke reeds betaald is. Namaning, v.

namarkt, v. Het laatste der markt, nam au wen, bw. ow. Het ge mauw (der katten) nadoen. — Namauwing, v. namelQk, bijw. Te weten, namelken, bw. ow. Later melken. Nog eens melken.

nameloos, bn. Onnoemlijk. Niet uit te spreken. — Nameloosheid, v.

namen, bw. naarade, heeft g^-yund. Noemen.

gt;3 — NAPJ

Namen. Provincie (België). Rechterl. arr. : Namen, Dinant. Bestuurl. arr. : Namen, Dinant, Philippeville. 15 kantons, 352 gemeenten. Hoofdpl. Namen.

namennen, bw. ow. Later mennen. Nog eens mennen.

namens, bijw. In den naam (van). Uit naam (van).

nameten, bw. Overmeten. Opnieuw meten. —Nameting, v. (-en).

namiddas:, m. (-en). Tijd tusschen den middag en zonsondergang. — Namiddagbeurt, v. (-en). — Namiddag-dienst, m. (-en). — Namiddagfreek, v. (-en). — Nam id dagslaap, m.—Namid-dagwacht, v. (-en). (Zeew.).

namis, v. (-sen). Herfst-jaarmarkt. nanacht, m. en v. ( en). Laatste gedeelte van den nacht.

naneef, m. (..even). Kleinzoon. Na-komelincf. De naneven : de nakomelingschap, de volgende geslachten. — Na-mcht, v. (-en).

naneuriën, bw. Het neuriën (van iem.) nadoen. — naneuzen, bw. Nauwkeurig opnemen. Onderzoeken.

Nanking:, 450,000. Hoofdplaats der Chineesche provincie Kiangsoe. — Nan-kinet(te), v. Fijne, naar nanking gelijkende katoenen stof. —Nanking, o. Chineesche roodgele katoenen stof. nanoemen, bw. Later noemen, nanoen, m. Namiddag.

nannt, o. Vermaak, dat men neemt na eene vergadering.

naoogen, bw. Volgen met de oogen. — Naooging. v.

naoojtrst, m. Tweede oogst. — Naoogsten, bw. ow. — Naoogstinq, v. (-en).

nap, m. (-pen). Ronde, uitgeholde houten bak.— Napiat, m. (-ten). Iem., die niet loopen kan en zich in oenen houten bak laat voortvoeren. — Napkruiper, m. (-s). Napgat. —Nappen draaier, m. (-s).— Napschelp, v. (-en).—Napslak, v. (-ken).

napeinzen, bw. ow. Peinzende nadenken. — Nape in z ing, v.

Napels, 500,000. Hoofdplaats (provincie Napels). Voormalige residentiestad van het koninkrijk der beide Siciliën. Handelstad. — Napelsgroen, o. Groene verfstof. Vermencing van chromaatgeel met Ber-lijnsch blauw.

napersen, bw. ow. Later persen. Na-per stug, v. (-en). — napeuren, ow. (hebben, zijn) Naloopen.

naplillia, v. Aardolie. Is helder als water ol donkerbruin en zelfs zwart. Is zeer brandbaar. — Naphthaline, v. Bij het gefractionneerd distilleeren van steenkool-teer verkrijgt men naphthaline, welke een tal van gekleurde verbindingm oplevert, die in de wol- en zijdeweverijen gebruikt worden.

napiepen, bw. ow. Het piepen nabootsen. Achter iem. piepen. Na een ander piepen. — napUpen, bw. ow. Nafluiten. Napier. Zie Neper.

napje, o. (-s). Schutblad. — Napjes* dragenden, v. mv. Plantenfamilie, waartoe behooren de beuk, de kastajjje, de eik, de hazelnoot, enz.


ocr page 532

NAPR — 4:

naplcistcron, bw. ow. Later pleisteren. Nog eens pleisteren. — naploctpcn, bw. ow. Later ploegen. Nog eens ploegen. — iisipluizeii, bw. ow. Later pluizen. Nog eeus pluizen. Nauwkeurig onderzoeken. Napluizer, m. (-s). Napluizing, v. (-en). Napluisster, v. (-s). — naplute-Iceu, bw. ow. Plukken wat nog over is. Plukken na een ander. IVapluk, m. Het naplukken. Wat nageplukt is.

uapok, v. (-ken). Pok, die na de andere pokken uitbreekt.

Napoleon I {Bonaparie), 1769-1821, Ajaccio. Keizer van Frankrijk (1804). We-

Napoleon I.

reldberoemdkrijgsheld en staatsman. Veldtochten : Italië (1796 en 1800), Egypte (1798), Spanje (1808), Rusland (1812). Veldslagen (1800), Austerlitz (1805), Tena (1806), Eylau (1807), Friedland (1807), Eckmübl (1809), Wagram (1809), Smolensk (1812), Lützen (1813), Bautzen (1813), Leip-rig (i8i',), Waterloo (1815). Concordaat (z. d. w.) metPius VII (1801). Werd gebannen (Elba 1814, St0 Helena, waar bijover-leed). — Napoleon //, 1811-1832, Parijs. Zoon van Napoleon I en Mane Louise. Koning van Rome. Hertog van Reicbstadt. — Napoleon III, 1808-1873, Parijs. Zoon van Lodewijk Bonaparte en Hortense de Beaubamais. President der Republiek (1848). Keizer van Frankrijk (1852). Krim-oorlog. Solferino (18^9), Magenta (1859), Sedan (1870). Overleed te Cbistleburst (Engeland). — Napoleon, m. (-s). Fran-scbe gouden munt = 20 frank. — Napo-leontden, m. mv. Nakomelingen, verwanten van Napoleon.

napoltjfttcii, bw. ow. Napolystingy v. — napolscn, bw.

napost, v. (-en). Postwagen, die na de laatste post aankomt, m. (-en) Postbode, die later komt. Post, die later geboekt is.

napraten, bw. ow. Achter iemands rug praten. Uit spotternij iem. in 't praten nadoen. Nazeggen. Later praten dan een ander. Napraat, m. Naprater, m. (-s). Napraatster, v. (-s). Naprating, v. — napreeken, bw. Eenen predikant nabootsen. Ow. Na een ander prediken, Na-

^ — NARO

preek, v. (-en). — naprenten, bw. Nadrukken.

napret, v. Vermaak, na het vertrek der genoodigden genoten.

nar, m. (-ren). Potsenmaker. Kluchtspeler. Hofnar. Gek. Zot. Dwarsdrijver. — Narrenbel, v. (-len). — Narrenkap, v. (-pen). — Narrenpoets, narrenpots, v. (-en). — Narrenschoenen, m. mv. — Narrenwerk, o. — Narrcrif, v. Dwaasheid. Gekheid.

nar, v. (-ren). Narreslee. — Narren, ow. narde, heeft genard. Met eene nar rijden. — Narreslee, v. (-en), narreslede,. v. (-n). Fraaie slede, waarmede men op de sneeuw of het ijs rijdt. — Nar» etuig, o.

naraden, bw. Te laat eenen raad geven. Naraad, m. Narading, v. — naraden, bw. — naranimelen, bw. ow. Achter den rug praten. Rammelend napraten. — naratelen, bw. ow. Achter iem. ratelen. Naderhand ratelen.

narcis, v. (-sen). Plantengeslacht [narcissus}. Daartoe behooren : de gewone of gele narcis (w. pseudo-narcissus), bezit scherp-verdoovende eigenschappen ; de n, faretta, heeft uiterst welriekende bloemen ; de witte narcis («. poeticus), bezit eveneens welriekende bloemen. Al deze planten worden veelvuldig als sierplanten gekweekt. — Narcisachtig, bn. Narcisachtige planten.— Narcisbloem, v. (-en).

— Narcislelie, v. (..ien). Lelienarcis. — Narcissebol, m. (-len). — Narcissenbedt o. (-den). —Nar cis se steel, m. (..elen). — Narcissesteen, m. (-en). —Narcissesten-gel, ra. (-s).

ICarcUsns, m. (Myth.) Schoon jongeling, die in eene bloem veranderd werd. (-sen). Beeldschoon jongeling.

narcotiseli, bn. Verdoovend, verlammend, bedwelmend. Slaapwekkend, krampstillend.

nardnn, v. Plantengeslacht {nardus), tot de borstel grassen behoorende. — Nardus, v. Kostbare en welriekende balsera van plantaardigen oorsprong. — Nardusgeur, ra. —Nardusolie, v.

narede, v. (-nen). Slotrede. Besluit, nareizen, bw. Achter iem. reizen om hem in te halen. Ow. (zijn) Iem. op zijne reis volgen. —narekenen, bw. Iemands rekening herbeginnen. Volgens iemands manier rekenen. Iemands uitgaven ot onkosten berekenen. Narekening, v. (-en),

— narekken, bw. — narennen, ow. (hebben, zijn) Te paard iem. volgen, hard naloopen.

narielit, o. Bericht. Onderrichting. Waarschuwing.

narislieid, v. (..heden). Naarheid. narUden, ow. (zijn), bw. Rijdende-navolgen. Dwingen, noodzaken. Ik zal hem aat wel narijden, duur betaald zetten. — narUgren, ow. Later rijgen. — narypen, ow. (zijn) Laat rijp worden.

— narUven, bw. ow. Naharken. — na-roeien, bw. ow. (zijn) Voortgaan met roeien. Iem. roeiend nakomen. — naroepen, bw. Naschreeuwen. Iem. achter den rug met scheldwoorden bejegenen. Ow. Roepen na een ander. Naroep, ra. Het


ocr page 533

NASC — 41

«aroepen. Groot gerucht. — naroffe-len, bw. Ruw namaken. — narollen, ow. (zijn) Nog eenigen tijd rollen. Bw. Rollend nakomen. Nog eens rollen. Rollend namaken. — narooken, ow. Later Tooken. Blijven rooken. — naroomeu, ■bw. Nog eens roomen. — narosseu, ow. Met snelheid najagen. Ow. Nog eens rossen.

uarouw, m. Naberouw.

naronwcn, ow. Langer dan den bepaalden tijd den rouw dragen.

narrig» bn. Gemelijk. Knorrig. Verdrietig. — Narrigheid, v. (..heden).

uarnkkco, ow. (zijn) Achter iem. aanrukken.

narwal, m. (-S, -len). Behoort tot de orde der walvisschen [monodon monoce-■ros). Leeft in de noordelijke IJszee. Zijn hoorn wordt tot het vervaardigen van verschillende voorwerpen gebruikt. — Nar-ivalshoorn, m. (-s, -en), narwalshore7i, xn. (-s).

nasaal, bn. Door den neus uitgesproken. — Nasaal, v. (..alen). Neusletter. — Nasaalklank, m. (-en).— Nasaalletter, v. (-s).

naschallen, ow. Naklinken. — na-«cliaven, ow. Nog eens schaven. — na-■ckoldcn, bw. Met scheldwoorden naschreeuwen. Ow. Schelden na een ander.

— nasckctsen, bw. Schetsende namaken.

nasclicüit, m. (-en). Late scheut, nascliictcn, bw. ow. (hebben, zijn) Schieten na een ander. Naijlen. Plotseling navallen : de muur viel in en het dak schoot na. — nascliUnen, ow. — nasclilk-ken, bw. — nascliilderen, bw. Schilderende namaken. Een portret maken. Ow. Langer op schildwacht staan. Na-schildering, v. (-en). — nascliimpcn, bw. ow. Naschelden.

nasclilp, o. (..epen). Schip, dat na de andere in de haven komt. Altijd met een nascheepje komen : nooit tevreden zijn, altijd nog iets te vragen hebben.

nasclioppcu, bw. ow. — uaseliou-wen, bw. Nazien. Naschouw, v. Na-schouwing, v. (-en). — nasclirabben, bw. — nasclireenwen, bw. ow. Met .geschreeuw naroepen. Blijven schreeuwen.

— nasclireien, bw. Met geschrei naroepen. — naMchrUdcn, ow. (zijn) Met groote stappen opvolgen. — nasclirU' Ten, bw. Door schrijven namaken ; een voorschrift naschrijven. Iemands woorden opschrijven ; zijne rede naschrijven. Wat in het schrijven verzuimd is, naderhand invullen : hij zal het overige wel naschrijven. Iem. na zijn vertrek schrijven. Overal opzoeken : men schreef den moordenaar na. Naschrift, o. (-en). Bijvoegsel tot eenen brief. Naschrijfster, y. (-s). Naschrijver, m. (-5). Naschrijving, v. — naschrobbcn, bw. Later schrobben. Nog eens schrobben. — nascliudclcu, bw. Nog eens schuddén. — nasckuie-rcn, bw. — nasckuifclen, ow. Schuifelend nablazen (van slangen). — na-■cliuimcn, bw. ow. Opnieuw schuimen. .Na andere zeeschuimers stroopen op zee.

5 — NASP

Nog eene poos schuimen. Nuschuimer, ra. (-s). — nasckniven, bw. Achter iem. schuiven. Achteraan schuiven. Nog eene schijf spelen (in 't damspel). Ow. (zijn) Wegsluipen. — nascknrcn, bw. ow.

— naslaan, bw. Eenen stempel namaken. Valsche munt maken. Opslaan, opzoeken, nazien (in een boek, enz.). Ow. Te laat slaan (van een uurwerk). Na anderen slaan (in het kolfspel). Naslag, m. (-en). Slag na het uur. Slag, die naderhand treft. Slag, welke na andere gedaan wordt. Nageslagen teeken of merk. — nnsioepen, bw. Achter zich sleepen. (Een schip) op het sleeptouw hebben. Nasleep, m. Stoet. Gevolg. Met al den nasleep van dien : met al wat er uit volgt. — naslenteren, ow. (zijn) Slenterend achteraan komen. — naslepen, ow. Slepend volgen. — nasleu-ren, bw. Nasleepen.— naslierent ow. (zijn) Achter iem. slierend aankomen. — naslepen, bw. Nog eens slijpen. Na-slyping, v. — naslincereu, bw. Met eenen slinger nawerpen. Ow. (hebben, zijn) Slingerend achteraan komen. — nasluipen, ow. (zijn) Sluipende volgen. — nasmaken, ow. Eenen nasmaak hebben. m. (..aken). Smaak, welke van eene genutte zaak in den mond blijft. Naberouw : de nasmaak van verboden genot. — nasmakken, bw.

nasmart, v. Smart, die naderhand komt.

nasmeilen, bw. Door smeden namaken. — nasmelten, bw. ow. (zijn). — nasmUtcn, bw. — nasinullen, ow.

— nasnappen, bw. Naklappen.

nasnede, v. (-n). Tweede of laatste

snede van gras of klaver.

nasnellen, ow. (zijn) Ijlings volgen.

— naMiiyden, bw. Door snijden namaken. Nog eens snijden. — nasiuoclen, bw. Opnieuw snoeien. — nasnorren, ow. (zijn) Snorrend navliegen. Bw. Nauwkeurig nazoeken. — nsisnullelen, bw. Doorzoeken. Uitpluizen. Nauwkeurig nagaan. Nasnuffelaar, m. (-s). Na snuffelaar ster, v. (-s). Nasnuffelin%, v. (-en).

nasopje, o. (-s). Tweede sop (bij het wasschen).

naspatten, ow. (zijn) Spattende na« springen. — naspelen, bw. Spelende nabootsen. Een tweede stuk spelen. Ow. Aanhouden met spelen. Later spelen. Naspel, o. (-en). Spel, dat het laatst gespeeld wordt (op het orgel). Klein stuk, dat na een grooter (op 't tooneel) wordt opgevoerd. Het op de hoofdhandeling volgend drama. — naspellen, bw. (Een woord) spellende herhalen. — naspeuren, bw. Op het spoor nazoeken : het wild naspeuren. Nauwkeurig nagaan : de geheimen der natuur naspeuren. Naspeur der, m. (-s). Naspeuring, v. (-en). Naspeur lijk, bn. Naspeur ster,v. (-s).— naspoeden, ow. (zijn) In haast iem. volgen. — naspoelen, bw. Later spoelen. Nog eens spoelen. — nasponsen, bw. Namaken door het sponsen met houtskool. Nog eens met de spons wasschen. — nasporen, bw. Het spoor (van iem. of iets) volgen. Onderzoeken. Doorgronden. Naspoor der.


ocr page 534

NAT — 4

ta. (-s). Nasporing, v. (-en). — nasporen, ow. (zijn) Met den spoorwagen narijden. — njiMpreken, bw. Iets nazeggen. Achterklappen. Met geveinsdheid nabootsen. Naspraak, v. Kwaad gerucht. Slechte naam. — naspvenkelen, bw. — na-•prln^en, ow. (zijn) Later springen. Springende volgen. — na5»prokkclen, bw. ow. Later sprokkelen. Nog eens sprokkelen. — naspugon, bw. lem. mèt speeksel nawerpen. — uuspniiton, bw. Achter iem. spuiten. — naapuwcn, bw. Achter iera. spuwen. — naHtainelcn, bw. Stamelend nazeggen. Nas tame ling, v.— naKtaiupcn, bw. — nastappen, ow. (hebben, zijn) lem. met groote schreden volgen. Bw. Navolgen : hij stapt zijnen meester na. — naatarcn, bw. Starend staan na te zien. — nasteken, bw. Door uitkeken namaken. Ow. Later steken. — nastevenen, ow. (zijn) Najaren. Na-zeilen. — nafttOgrcn, ow. (zijn) Achter iem. klimmen. — nastikken, bw. ow. Met de naald nabootsen. Na een ander stikken. — uastinken, ow. Een onaan-genamen reuk achterlaten. Nasiank, m.

— nastippen, bw. — nastotTen, bw.

— nastoomen, ow. (zijn) Met eene stoomboot of eenen spoortrein volgen. — nastooten, bw. Later stooten. Nog eens stooten. m. (Bilj.). — nastor-men, ow. (hebben, zijn) Met groot geweld nakomen of navolgen. — nastor-ten, bw. Stortende nagieten of nawerpen. Ow. (zijn) Stortend navallen. — nasteven, bw. ow. — nastreven, ow. (zijn) Strevend naijlen. Bw. Trachten na te vol-

fen. —en. — nasti'Ukon, bw. Nogmaals strij-en. Ow. (zijn) Strijken na een ander. Zich na een ander uit de voeten maken. Na-siryking, v. — nasiroomen, ow. (zijn) Blijven stroomen. Achter iera. stroomen. Bw. Als in eenen stroom volgen. — na-stroopen, bw. ow. Nastrooper, m. (-s). Nastroopery, v. (-en). Nastro aping, v. — nas tul ven, ow. (zijn) In vliegende haast volgen.

Nassau. Voormalig zelfstandig hertogdom. Behoort tot den Duitschen Bond.

naatuk, o. (-ken). Naspel.

nasturen, bw. Nazenden. Ow. Na een ander aan 't roer staan. — nasuk-kelen, ow. (zijn) Sukkelend navolgen, (hebben) Zich ziekelijk bevinden. — na-•ullen, ow. (zijn) Glijdend volgen.

nat, o. Vocht: het nat loopt er van de muren. Vloeistof. Water : voorzichtig, daar ligt nat. Regen : dees jaar is weinig nat gevallen. Drank: liefhebber zijn van het nat. Zee : het wijde, zilte nat. Sop, vleesch-nat: krachtig nat van kreeften en vogelen. Nat en droog : drinken en eten. — Nat, bn. Doortrokken met eene vloeistof, vochtig : natte spons. Regenachtig, met veel regen : een natte zomer. Vloeibaar : natte en droge waren. Natte wangen. — Nat-achtig, bn. — Natgierig, bn. Begeerig naar drank. — Na tg ierigh eid, v. Dronkenschap. — Nathals, ra. en v. (..zen). Drinkebroer. — Natheid, v. Vochtigheid.

— Natmaking, v. — Natte, v. Natheid. Natigheid. — Natten, bw. natte, heeft

6 — NATU

genat. Nat maken, bevochtigen : papier-natten. Betten. Bekoelen (het geschut). —-Nattig, bn. Natachtig. — Nattigheid, v. Natheid. Het natte.

natatelen, ow. Na anderen aan tafel blijven.— nateckencn, bw.Teekenendo nabootsen. Eene teekening aftrekken. Na-teekening, v. — natelen, bw. Later voortbrengen. Nateling, v. — natellen, bw. Opnieuw tellen. Overtellen. Na-teller, m. (-s). Natelling, v. Natelstquot;r, v. (-s). — nutemen, bw. Temend napraten.

nater, v. (-s). Kruipend dier. Behoort tot de orde der slangen. Houdt zich vooral op in houtrijke en rotsachtige plaatsen. — Nater kruid, o. Slangenwortel. — Nater-tong, v. — Nat er viertel, v. (Plantenk.).

nateren, bw. Opnieuw met teer bestrijken.

natie, v. (..iën, -s). Volk : de Belgische natie. Volksstam, geslacht. Hij is van de natie : hij is een jood. Ambacht, gilde, nering : de naties der stad Antwerpen. — Nationaal, bn. Vaderlandsch : nationaal feest, nationale vlag. — Nationaliseer en, bw. nationaliseerde, heeft genationaliseerd. Als lid opnemen (in eene natie). Nationaal maken. — Nationalisatie, v. (..iën, -s). — Nationaliteit, v. (-en). Volkseigenaardigheid. Volkskarakter. Volksgeest. Hij is van Belgische nationaliteit, van Belgischen oorsprong. — Nationaliteitsgevoel, o.

natlef, bn. Aangeboren. Geboren, afkomstig. — Nativiteit, v. Geboorte-uur. Toekomstig lot. Verhouding van het aantal geboorten tot het aantal inwoners.

natiesen, ow. (hebben, zij'n) Nagaan, Natrekken, ('t Verl. deelw. komt soms noe voor.)

natQd, m. Tijd, die nakomt. Najaar. Herfst.

natlmmeren, bw. Door timmeren namaken.

natoebt, ra. Achterhoede.

natorsen, bw. Met moeite nadragen.

— na trachten, bw. Sterk najagen. — natreden, ow. (zijn) Volgen. Acliterna-komen. Bw. Iemands voetstappen drukken. Natred, m. Stap, na een anderen. — natrekken, bw. ow. (zijn) Nareizen. Trekken na een ander. Achter een weggaande voorttrekken. Naspelen : eerst klaveren spelen en dan schoppen natrekken, Nateekenen : met eene pen natrekken. Natrekking, v. — natrippelen, ow. (hebben, zijn) Trippelend naloopen.

natrium, o. Een in de natuur aeer verbreid metaal, komt voor in zeewater, steenzout, enz. Werd voor 't eerst door Davy verkregen (1807).

natuimelen, ow. (zijn) Tuimelend narollen.

naturallën, v. mv. Onbewerkte natuurvoortbrengselen. — Nattirahënkabi-net, o. (-ten). —- Naturaliseer en, bw. naturaliseerde, heeft genaturaliseerd. Het burgerrecht of burgerschap verleenen, inburgeren. Woorden in eene taal opnemen.

— Naturalisatie, v. (..iën, -s). —Natu-ralisatiewet, v. (-ten). — Naturalisme^


ocr page 535

NATU — 4f

o. Natuurgeloof. Natuurgodsdienst. — Na-furalist^m. (-en). Natuurkundige, natuurkenner. Belijder van den natuurlijken godsdienst. — Naturel, v. (-len), naturelle tie, o. (-s). Pruik. — Natuur, v. Al de geschapene wezens dezer wereld : heel de natuur prijst den Schepper. Het wezen der dingen, aard : ieder dier heeft zijn bijzondere natuur. Wat eene zaak in zich zeifis : de ziel met het lichaam maakt de natuur uit van den mensch. De werkende kracht eens lichaams, naar den aard zijner samenstelling : het is de natuur der lucht, dat zij zich Iaat uitzetten. De oorspronkelijke gesteldheid van iets, met uitsluiting van alle verandering : in den stand der natuur leven (zonder burgerlijke verbintenissen). De lichamelijke dingen der aarde : de drie rijken der natuur. (Sch.) Modelvoorbeeld door de natuur geleverd : naar de natuur geteekend. Het werkelijke in tegenstelling met het ideaal : zich getrouw aan de natuur houden. Tegenstelling van het ge-dwongene, het gekunstelde : alles aan hem is eenvoudige natuur, (..uren) Natuurlijke gesteldheid,eigenschap,aard:ijverig zijn van natuur. Bekwaamheid, vatbaarheid : daar heeft hij geen natuur voor. Inborst, karakter : dat is tegen zijne natuur. Geestesnei-ging : verdorven natuur. Lichaamsgestel : een sterke natuur. Van nature : in overeenstemming met het wezen van iem. of iets. — Natuurbeschouvier, m. (-s). — Natuur beschrijver, m. (-s). — Natuur-beschouiving, v. (-enK — Natuurbeschry-ving, v. (-en). — Nat uur boek, o. en m. (-en). —Natuurdrift, v. en m. (-en). — Nat uur druk, m. Zelfdruk. —Natutirge-loof, o. — Natuurgenoot, m. (-en). Me-demensch. — Natuurgenoote, v. (-n). — Natuurgodsdienst, m. — Natuurkenner, m. (-s). — Natuurkennis, natuurkunde, v. Wetenschap van de wetten en oorzaken der natuurverschijnselen, in zoo ver deze niet van organische of chemische grondkrachten afhangen. — Natuurkracht, v. (-en). De natuurkrachten beheerschen de stof en zijn de oorzaak der verschijnselen, welke de lichamen opleveren : aantrekking, warmte, licht, magnetisme en electriciteit. — Natuurkundig, bn. bijw. — Natuurkundige, m. en v. (-n). — Natuurleery v. Het geheel der wetten, die tot eene en dezelfde klasse van verschijnselen behooren. — Natuurlijk, bn. bijw. Wat de natuur betreft, tot de natuur behoort: natuurlijke historie. Door de natuur voortgebracht : een natuurlijke magneetsteen, natuurlijke grenzen. Natuurlijke dag, van zonsop- tot zonsondergang. Wat met de natuur overeenkomt: natuurlijke dood. Ingeschapen, aangeboren : natuurlijk verstand. Wat met den regelmatigen gang der natuur overeenkomt : de natuurlijke loop der zaken. Verklaarbaar, begrijpelijk: natuurlijke wensch. Het is natuurlijk, dat...: het spreekt vanzelf. In tegenstelling met aangebracht, 7iagemaakt : natuurlijke houding. Overeenkomende met de werkelijkheid : schildering op natuurlijke grootte. Onecht : natuurlijk kind. Ongedwongen, niet gekun-

' — NAVE

steld : natuurlijke taal. — Natuurlykketd, v. Eenvoudigheid. Ongedwongenheid. — Na tuurlijker wij ze, b ij w.—Natuuronderzoeker, ra. (-s). — Natuurrecht, o. — Natuurrijk, o. (-en). De drie natuurrijken zijn : het dierenrijk, het plantenrijk en het delfstoffenrijk. — Natuurstaat, m. — Na-tuurtheorie, v. (-ën^. Natuurleer. — Natuurverschijnsel, o. (-en, -s). Elke verandering, die in den toestand eens lichaams plaats heeft, zonder de samenstelling van dat lichaam te veranderen : een lichaam, dat valt; water, dat bevriest. — Natuurvoortbrengsel, o. (-en, -s). — Natuurwerking, v.(-en). —Natuurwet, v. (-ten). Zie Wet.

nnturen, bw. Nazien. Nakijken. Naii«let (^7.), 1786-1878, Parijs. Fr. geschiedschrijver.

nmttlek, v. Scheepswezen. Zeevaartkunde. — Nautisch, bn.

nmitilus, ra. Weekdier. Behoort tot de koppootigen.

nauw, bn. bijw. Eng, niet wijd : nauwe weg. Smal : die schoenen zijn te nauw. Dicht aansluitende (bij) : in nauw verband. Hartelijk : nauwe vriendschapsbnuden. Karig, gierig, armtierig : hij leeft zeer nauw. Bepaald : iets in een nauwen zin nemen. Streng, nauwkeurig, het zal er zoo nauw niet op aankomen. Zorgvuldig : iets nauw bewaren. Dat luistert nauw, er raag maar weinig aan ontbreken. Gij moogt zoo nauw niet kijken. Scherp : nauw dingen. Nauwgezet : nauw geweten De stad werd nauw ingesloten. Nauwelijks ; hij durfde nauw antwoorden. — Nau~.v, o. Zeeëngte. Angst, verlegenheid : in het nauw zijn, Iem. in het nauw, in verlegenheid brengen.

— Nauivbezet, bn. Gierig. —Nauweliikst bijw. Ternauwernood. Pas. Even. — Nauwen, nauwde, heeft genauwd. Bw. Nauwer maken. Eenpw. In verlegenheid geraken : hetnauwt hem zeer. —Nauwgezet^ bn. Nauw, teeder van geweten. Twijfelachtig. Stipt: hij is in alles evea nauwgezet. Eerlijk : een nauwgezet ambtenaar. — Nauwgezetheid, v. — Nauwheid, v. Engheid. Karigheid. — Nauwkeurig, bn. bijw. Stipt. Zorgvuldig. — Nauwkeurigheid, v. — Nauw keurig lijk, bijw. — Nauwlettend, bn. bijw. Zeer oplettend.

— Nauwlettendheid, v. — Nauw nemend, bn. Al te oplettend. Lichtgeraakt.

— Nauwte, v. Nauwe plaats. Enge straat. Nauwe doorvaart. Nauwe invaart. Berg-engte. Zeeëngte. Nauwe opening in eeno vischfuik. Angst. — Nauwtjes, bijw. Een weinig nauw. Inhalig. — Nauwziend, bn. Al te oplettend. Karig. Gierig.

navallen, ow. (zijn). — navaren» ow. (zijn) Met een schip volgen. Laten varen.

nave, v. Naaf.

navegaar, v. Avegaar.

navegen, bw. ow. Later vegen. Nog eens vegen.

navel, ra. (-s). Kleine ronde knop in het midden van den buik. Kruintje van appels en peren. —Navelader, v. (-s). — Naveladerbreuk, v. (-en). — Navelbandt m. (-en). — Navelbreuk^ v. (-en). — Afo-


ocr page 536

NA WE — 4

velbreukband, ra. (-en). — Navelb7-eu-ktg,hn. —Naveldoek, ra. (-en). — Na-velkruid, o. Volksnaam van verschillende planten. — Navelmerk, o. (-en). (Pla-tenk.) Teeken van den zaadnavel. — Na-velpleister, v. (-s). — Nave lp tint, o. (-en). —- Navelsnoet', o. (-en). — Navelstreng, v. (-en). — Navelswij ze, ..vuys, bijw. — Navelteeken, o. (-s). Navelmerk. —Na-velvaten, o. rav. — Navelvlek, v. (-ken). —- Nave Ivor mig, bn. — Navelzaad^ o. Kleefkruid.

uavcnant, bijw. Naar evenredigheid, naverbatleu, bw. Iets verhalen of vertellen, dat men gehoord heeft. Overbrengen. Herhalen. Naverhaal, o. — na.ver* tellen, bw. Naverhalen. Navertelling, v. Navertelsel, o. (-s). — na verven, ow. Later verven. Nog eens verven. Bw. Naar een voorbeeld verven.

naverwant, ra. (-en). Nabestaande.

Naverwante, v. (-n). — Naverwantschap, v.

3Vavez (i^.), 1787-X869, Charleroi. Portret- en historieschilder. Agar in de woestijn ; de Spinsters van Fundi.

navijlen, ow. Later vijlen. Nog eens vijlen. Bw. Door te vijlen namaken. — naviHKclien, bw. Nog eens visschen. Onderzoeken.— navleohten,bw. Vlechtende namaken. — navlieden, ow. (zijn) Navluchten. — navliegen, ow. (zijn) Vliegende volgen. Achterna ijlen, navloed, ra. Het laatste van den vloed, navloeien, ow. Latervloeien. Blijven vloeien.Navloeiing, v.(-en).— navlool-en, bw. Opnieuw vlooien. Iets navlooicn, in de kleinste bijzonderheden onderzoeken. — navluchten, ow. (zijn) Vluchtende volgen. — na voetleren, bw. Later voederen. Nog eens voederen. — navoeren, bw. Navoederen. — navol-Ken, bw. Achter iera. volgen, na hera komen. Vervolgen : eenen dief navolgen. Opvolgen. Nabootsen, namaken : iemands voorlieeld navolgen. Navolgbaar,hr\. Ara-volgend, bn. Navolgenswaardig, bn. A^z-volger, ra. (-s). Navolging, v. (-en). Navolgster, v. (-s). — navornelaen. bw. Zorgvuldig navragen .onderzoeken. U i tplui-zen. Navorscher, ra. (-s). Navorsching, v. {-en),Navorschster, v. (-s). — navou-wen, bw. Later vouwen. Vouwen naar iets anders. — navragen, bw. Vragende onderzoeken. Navraag, v. Navraging, v. (-en).

navrnclit, v. (-en). Late vrucht, nawaden, ow. (zijn). — naivaKgre-

len, ow. (hebben, zijn) Al way-gelcnde volgen. — nawandelen, ow. (hebben, zijn) Achter iem. wandelen. Bw. Zich naar iemands voorbeeld gedragen. — nawaren, ow. (hebben, zijn) Zwevende navolgen. Bw. Iem. in het oog houden. — na-waMHelien, bw.

nawee, o. (-ën). Onaangename gewaarwording in het lichaam na het een of ander geleden ongemak : naweeën van de jicht. Smartelijke gevolgen : de naweeën van den oorlog.

na week, v. De laatste dagen der week. naweeken, bw. Andermaal weeken.

8 — NAZD

— naweenen, bw. Weenend nastaren. Weenen na iemands vertrek. Ow. Weenen na een ander.

nawees, ra. en v. (..zen). Kind, na 's vaders dood geboren.— Naweeze,v. (-n).

nawegen, bw. Herwegen. Iem. nawegen : nogmaals wegen om te zien of men het gevraagde gewicht heeft gegeven. Ow. Later wegen. —Aaweging, v.

nawelde, v. Nagras.

na wentelen, ow. — nawerken, bw. Eenig werk «abootsen. Ow. Langer werken. Nawerk, o. Nawerking, v. — nawerpen, bw. Werpen na een ander. Achter iera. werpen. — na weven, bw. Wevende namaken. Ow. Weven na een ander.

nawUu, ra. Spoelwijn. nawt|zen,bw. Naar iem. of iets wijzen, nawlnter, ra. (-s). Winterachtige dagen in 't vooijaar.

uawlftschen, bw. Nog eens wisschen.

— nawltten, bw. Nog eens witten. — nawryven, bw. Nog eens wrijven. — nawroegen, bw. Achterna wroegen. Nawroeging, v. (-en). — nawroeten, bw. Later wroeten. Uitpluizen. Nauwkeurig onderzoeken. — nazaat en, bw. Later zaaien. Weder zaaien. Nazaaiing, v.

nazaat, ra. (..aten). Nakomeling, afstammeling. Erfgenaam.

nazainelen, bw. Later zamelen. Nog eens zamelen. Nalezen. —Nazamehng, v.

nazang, ra. (-en). Slotzang, Refrein, slotrijra.

Nazaretli, 9,000. Stad (Palestina), waar de Heiland raet zijne ouders verbleef tot zijn dertigste jaar. — Nazareër, ra. Christus. — Nazareërs, Nazarenen, ra. rav. Naara eener Joodsch-Christelijke secto (Palestina). Naara der eerste christenen.

nazeepen, bw. Later zeepen. Nog eens zeepen.

nazegen, ra. Zegen, die naderhand komt.

nazeggen, bw. Herhalen wat een ander gezegd heeft. Naze^ger, ra. (-s). Nazegging, v. (-en). Nazegster, v. (-s).— nazeilen, ow. (zijn) Zeilende volgen. — nazenden, bw. Achternazenden. Nazending, v. — nazetten, bw. In der haast iem. najagen. Naar een voorbeeld zetten. Nazetting, v. — nazien, bw. Met de oogen volgen : hij zag u na met betraande oogen. Onderzoeken, overzien : eene rekening nazien, drukproeven nazien.

nazin, ra. (-nen). (Taalk.) Het laatste gedeelte eener periode.

nazingen, bw. Nog eens zingen. Zingende nabootsen. Ow. Na anderen zingen.

— nazinken, ow. (zijn). — nazitten, ow. Blijven zitten als anderen reeds zijn opgestaan. Bw. Vervolgen. Nagaan. — nazoeken, bw. Onderzoeken. Iets opzoeken (in een boek). Nazoek, o. Nazoeking, v. (-en).

nazomer, ra. (-s). Zomerdagen in 't begin van den herfst.

nazorg, v. (-en). Zorg of kwelling, die achterna komt: voorzorg voorkomt nazorg.

nazonten, bw. Later zouten. Nog eens zouten. — nazulveren, bw. — na-


ocr page 537

NEDE — 4J

zwemmaen, ow. (hebben, zijn) Zwemmende volgen. — uazwcrcn, ow. Voortgaan met zweren (van eene wond). — ua-* weren, bw. Eenen eed herhalen. — naz weven, ow. (zijn) Zwevende volgen.

naz wieren, ow. (zijn) Zwierende volgen. Blijven zwieren. — nazwingelen, ow. Langer zwingelen dan een ander.

neb, v. (-ben), nebbe, v. (-n). Lange, spitse bek (van vogels). (Scheepsb.) Bovenarm eener knie, die tegen eenen balk komt. — Nebaalt m. (..alen), nebheling, v. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.) Aal met een langen spitsen bek. — Nehyzer, o. (-s). Ploegijzer. — Nebschuit, v. (-en). Boot. Vlotschuit.

Neclcer (N. J. de), 1729-1793, Roese-lare. Kruidkundige. Mefhodus Muscorum.

neerolosrle, v. (-ën). Levensbeschrijving van eenen overledene. Lijst van afgestorvenen. Doodsbericht. — Necroloog, m. (..ogen). Levensbeschrijver van afgestorvenen.

nee plus ultra. Door niets overtroffen.

nectar, m. Uitgezochte fijne drank, neder, neer, bijw. (Zoo ook in de meeste samenstellingen.) Naar beneden. Naar omlaag. Ter neder : omver, naar beneden. Op en neder : van boven naar beneden en omgekeerd, van het een eind tot het ander.

nederblgrsrelen, ow. (1) (zijn) Naar beneden biggelen (van tranen).— neder-bllksemen, bw. Met den bliksem, met geweld naar beneden werpen. — neder-bofTen, bw. Meteenen bofnederwerpen. Ow. (zijn) Met eenen bof nedervallen. — nederbonzen, bw. Met eene bons nederwerpen. Ow. (zijn) Met eene bons nedervallen. — nederbotsen, ow. (zijn) Botsend naar beneden vallen. — neder-breniron, bw. Naar beneden brengen.

— nederbruten, bw. Met eenen orui naar beneden werpen. Ow. (zijn) In der haast naar beneden komen. — neder-brulsen, ow. (zijn) Bruisend neerstorten. — nederbulgen, bw. Naar beneden buigen. Naar beneden doen vallen. Buigende naar beneden brengen. Zich ne-derbuigen, ww. Knielen (voor). Ow. (zijn) De takken buigen neder. Nederbuiging, v. (-en).

nederbulk, m. Onderbuik, nederbultelen, ow. (zijn) Buitelend neervallen. Ne der buiteling, v. —ned er-bukken, ow. (hebben, zijn^ Nederbui-gen. Vooroverbukken. Nederbukkinq, v.

— nederdalen, ow. (zijn) Naar beneden dalen. Neder daling, v. (-en). — ne-derdauwen, ow. (zijn) Als dauw naar beneden komen. — nederdoen, bw. Naar beneden doen vallen. — neder-dompelen, bw. Onder water dompelen. Neder dompeling, v. — neder donderen, bw. ow. (zijn). — nederdouwen, bw. Naar beneden douwen. — neder-

(1) De samengestelde werkwoorden met [neder zijn scheidbaar*

) — NEDE

dragren, bw. Naar beneden dragen. — nederdrQven, bw. Met geweld nederwerpen. Ow. (zijn) Naar beneden afdrijven.

— nederdringren, bw. Naar beneden afdrijven. — nederdrlngen, bw. Naar beneden dringen. Onder den voet dringen.

— nederdruipen, ow. (zijn) Afdruipen. Afloopen. — nederdrukken, bw. Naar beneden drukken. Onderdrukken. Neder drukker, m. (-s). Neder drukking, v. —nederdnlken, ow. (zijn) Onderduiken. Neder duiking, v. (-en).

nederduitseb, bn. Tot het Neder-duitsch behoorende. — Nederduitsch, o. Zie Duitsch. —Nederduitscher, m. (-s).

nederduwen, bw. Met eenen duw nederstooten.

nederelnd, o. (-en), nedereinde, o. (-n). Lagereind. Minder eervolle plaats.

nederflansen, bw. Slordig nederwerpen. Slordig nederschrijven.— ned er-fluiten, bw. Door fluiten naar beneden doen komen. — neder^aan, ow. (zijn) Naar beneden gaan. Bw. Aftrappen (zijne schoenen). Neder gang, m. Nederdaling. Helling (van eenen berg). Ondergang (inz. der zon). — nederjjeven [zich), ww. Zich nederwaarts begeven. Gaan liegen.

nedergrewaad, o. (.'.aden). Neder-kleed.

nedersrieten, bw. Naar beneden, op den grond gieten. — nederg-lljden. ow. (zijn) Naar beneden glijden. Glijdende nedervallen. — nedergolven, ow. (zijn) Golvende naar beneden dalen. — nedor-ipoolen, bw. Naar beneden, op den grond gooien.

nederbaal. Zie Neerhaal, nederbagrelen, bw. Door den hagel doen nedervallen : het onweer heeft al het graan nedergehageld. Ow. (zijn) Als hagel nedervallen. — nederhaUken, bw. Door hakken nedervellen. Nedersabelen. Aftrappen (zijne schoenen). — nederha-len, bw. Naar beneden halen of trekken. Omverhalen (een huis, enz.), nederbaler. Zie Neerhaler. nederhangren, ow. Benedenwaarts hangen. Op den grond slepen. Verwelken (van bloemen).

nederbeld, v. Geringheid. Lagestaat. nederhelen, bw. — nederliellen, ow. Vooroverhellen. Neder he Hing, v. nederbof. Zie Neerhof, nederliouden, bw. Omlaag houden.

— nederhouwen, bw. Door houwen op den grond doen vallen. Nedersabelen. Nederhouwing, v. — nederltuiken, ow. Nederhukken.

nederliulü, o. Onderhuis. Neerhuis, nederbukken, ow. (hebben) Op de hurken zitten. Neder hurking, v.

nederige, bn. bijw. Laag bij den grond: nederig kruid. Wat weinig voorkomen of pracht neeft: een nederig huis. Eenvoudig, zedig : een nederig mensch. Ootmoedig, bescheiden : nederig gemoed. Slecht, gering : den arme van zijn nederig voedsel berooven. — Nederigheid, v. Bescheidenheid. Ootmoed.

nederjagfen, bw. Naar beneden ja-j:en. — uederkawiueiij b\v. .Naar be-


ocr page 538

NEDE — 4

neden kammen. — nederkappeu, bw. Nedervellen.—noderkülfcu» ow. Naar brneden kijken. — nederkladdcn, bw.

Slordig schrijven. Slecht schilderen, uederklc-cd, o. (-eren). Broek, iioderkliniiuen, ow. (zijn) Naar beneden klimmen. Neder klimming, v. — uedorklinlicn, bw. Met geweld neder-stooten. Meteenen hamer nederslaan. — iicdei'kHiel«*ii, ow. (hebben, zijn) Op den grond knielen. Op de knieën vallen. JVedeikn ie ling, v. — no«lerkomeii, ow. izijn) Naar beneden komen. Dit zal op hem nedcrkooien : hij zal er voor moeten boeten. Dit komt neder op : dit is hoofdzakelijk. — nedcrkrabbclcn, bw. Slecht opschrijven. — ncderkrUffcn, bw. Naar beneden krijgen. — ncder-kriii|gt;lt;'ii, ow. (zijn) Naar beneden kruipen. Zich kruipende nederleggen.

ncdcrlsiag:, v. (..agen). Daad van neder te liggen. Toestand van een leger, dat verslagen is. De nederlaag krijgen : het onderspit delven.

Nederland, o. (-en), n provinciën : Groningen, Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland,Utrecht,Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland, Noord-BraV.ant, Limburg. Drijft voor meer dan 3 milliarden handel en bezit rijke en schoone koloniën in Oost- en West-Indië (z. d. wJ. Van afkomst zijn de Nederlanders Germanen en wel hoofdzakelijk nakomelingen van de vroegere Friezen, Saksen en Franken. Naar den godsdienst onderscheidt men de bewoners in Roomsch-katholieken, Protestanten en Israëlieten. Hoofdstad : Amsterdam.—Nederlander, m. (-s).—Nederlanderschap, o. — Ne der la ndsc/i, bn. — Ne der la ndsch, o. De beschaafde (schrijf-en spreek)taal voor de Nederduitsche dialecten van Nederland, Vlaamsch-lielgic, Transvaal, Oranje-Vrijstaat en de Kaapkolonie. Is ook de ambtelijke taal in de Nederlandsche koloniën. Die naam bestaat sedert de i6e eeuw, ook in België, maar veelal (in België) onder den vorm : « onze Nederlandsche Nederduytsche tale ».

nederlaten, bw. Naar beneden laten. Laten vallen. Zich nederlaten, ww. Ne-derlating, v. — uederloffj^on, bw. Op den grond, op de oppervlakte van iets leggen. De wapens nederleggen : zich over-eeven. De kroon nederleggen : afstand doen van de regeering. Zijn ambt nederleggen. In bewaring geven : eene som gelds in iemands handen nederleggen. Zich nederlrgc,en, ww. Gaan liggen. Neder-leg ging, v. — uederlckkeu, ow. (zijn). — uetlerliggeu, ow. Op den grond lig-

fen. Te bed liggen. —en. Te bed liggen. — ncderlokkeu, w. Naar beneden lokken. — ucdei'lou-ken, ow. Naar beneden lonken.—11e-derloopen, ow. (zijn) Naar beneden loopen. Bw. Loopende omverwerpen. — neder 111 aken, bw. Dooden. Vellen. — nederpersen, bw. Naar beneden persen. De vouwen of naden van een kleed wegstrijken. — noderplakken, bw. Ter aarde werpen. Ruw nederzetten. — nederplanten, bw. Plantend nederzetten. Vestigen. — nederploflTeu, bw.

o — NEDE

Hard op den grond doen vallen. (Scheik.) Doen zinken. Ow. (zijn) Hard op den grond vallen. (Scheik.) Nedergedreven worden. Neder ploffing, v. — nederplompen, ow (zijn) Met eenen plomp in het water vallen. — nederplonzen, bw. Met eenen plomp in het water werpen. Ow. (zijn) Met eenen plomp in het watervallen.

— iiederraken, ow. (zijn) Op den grond vallen. Onder den voet raken. — neder-redenen, ow. (zijn) Door de regen omvergeworpen worden. Het manna regende in de woestijn neder. — nederrUden, bw. Omverrijden. Ow. (zijn) Omvergereden worden.

Neder-SQn, m. Zie Rijn.

nederroepen, bw. Door roepen naar beneden doen komen. — nederrollen, ow. (zijn) Naar beneden rollen. Bw. Naar beneden doen rollen. — nedermkken, bw. Naar beneden rukken. — neder.na-belen, bw. Met de sabel nederhouwen en zoo dooden.

NederMakalseh, bn. — Nedersak-stsch, o. De taal der Nedersaksen.

nederaehieten. bw. Met een schot doen nedervallen, dooden. Ow. (zijn) Zich plotselings en zeer snel nederwaarts bewegen. Neder schieting, v. — nederweliU-nen, ow. Van boven naar beneden schijnen. — nederseliokken, bw. Met eenen schok nederwerpen.Ow. (zijn) Schokkend nederwaarts gaan. — nedersehrU-▼en, bw. In geschrifte brengen. — ne-derncliudden.bw. Door schudden doen vallen. — neder«eliiiiveii, bw. Naar beneden schuiven. Ow. Uijn) Schuivende naar beneden gaan. Nedeisch7living, v.

— nederftUpelen, ow. (zijn) Neder-druppelen. — nederslaan, bw. Op den grond werpen : de hagel heeft hlt; t graan nedergeslagen. Vellen : eenen boom nederslaan. Dooden : zijnen vijand nedt-rslaan. Vastzetten op den grona : zij sloegen er hunne tenten neder. Zijne oogen nederslaan : de oogleden laten zakken (van. schaamte). Benemen : iemands hoop nederslaan. Fnuiken : het onrecht nederslaan. Moedeloos maken : iem. nederslaan. Zich nederslaan, ww. Zich metterwoon vestigen. Ow. (zijn) Nederstorten. Nederzak-ken. Nederslap, m. Het nederhouwen,. vellen. Manslag. Neerslag.— neder^lee-pen, bw. Naar beneden sleepen. — ne-dersmakken, bw. Met eenen smak ne-derwerpen. Ow. (zijn) Met eenen smak nedervallen. — nederNmtlten, bw. Op den grond smijten. Nederwerpen. — ne-dersnorren, ow. (zijn). — neder» ■patten, ow. (zijn) Spattende nedervallen. — nederNprelden, bw. Op den grond uitspreiden. — nederHpringren, ow. (zijn). Naar beneden springen. — ne-derstanipen, bw. Naar beneden stampen. — nederatelien, bw. Nederzetten, Plaatsen. In geschrifte brengen. — neder-■tQffen, ow. (zijn) Afstijgen. — neder-stommelen, bw. ow. (zijn) Met een do£ gedruiscb naar beneden stooten of gestoo-ten worden. — nederstooten, bw. Naar beneden stooten. Omverstooten,Dooden (met een scherp wapen). Nede.rstoo»


ocr page 539
ocr page 540
ocr page 541

NEDE — 4

ting, v. — nedorstormcii, ow. (zijn) Met geweld nederkomen. Bw. Met geweld ter aarde werpen. — noderslorteu, bw. Naar beneden storten. Ow. (zijn) Door instorting nedervallen. Met geweld ter aarde geworpen worden. Zich nederstor-ien, ww. Met geweld op iem. nederkomen. Van eene hoogte springen en ter aarde vallen. Ne der storting, v. — nedcrstra-len, ow. (zijn) Stralen nederwaarts schieten. — ncalcrfttrekkeii, bw. Op eene oppervlakte uitstrijken. — nedcrstrU-ken, bw. Effen, glad strijken. Naar beneden strijken. Naar beneden halen. Ow. (zijnj Naar beneden vliegen (van vogels) en zich nederzetten. — noderstrooicu, bw. Op den grond strooien. — nedcr-stroomen, ow. (zijn) Naar beneden strooraen. —nederstroopeu.bw.Naar beneden stroopen. Afstroopen. — iioder-stroikclcn, ow. (zijn) Door struikelen voorovervallen. — uelt;lcrf»taiveii, ow. (zijn) Naar beneden stuiven. Zich snel naar beneden begeven. — ncdcrsiillcn, ow. (zijn) Naar beneden sullen. — ncdertcl-len, bw. Aitellen. Voortellen. — neder-trappen, bw. Naar beneden trappen. Onder den voet trappen. Door trappen omverwerpen. Aftrappen (schoenen). — nedertrc-deu, bw. Nedertrappen. — nedcrf rakken, bw. Naar beneden trekken. Omvertrekken. Neder/rekking, v.

— nodcrtrooiK'n, bw. Naar beneden troonen. Nederlokken. — nedertuimc-len, ow. (zijn) Naar beneden, op den

?:rond tuimelen.:rond tuimelen. — iiedcrvsillcii, ow. zijn) Op den grond vallen. Instorten. Van boven nederkomen. Nederstrijken (van vogels). Bezwijken : onder eenen last nedervallen. Nederknielen : zij vielen voor zijn aangezicht neder. Nederval, m. Neder-valling, v. — ncdervarcn, ow. (zijn) Naar beneden varen. — neder vellen, bw. Met geweld ter aarde doen vallen : eenen boom nedervellen. Dooden : den vijand nedervellen. Ne der velling, v. — nedervliegeu, ow. (zijn) Naar beneden vliegen. Haastig de trappen afloopen. Ne-dervlieging, v. — nedervllefen, ow. (zijn) Naar beneden vlieten. Nedervlie-ting, y. — nedcrvlUen, bw. In orde en zoo dicht mogelijk naast elkander neder-leggen. Zich nedervlyen, ww. Zich zacht nederleggen. — uedervloeien, ow. (zijn) Naar beneden vloeien. — neder-Toeren, bw. — nederwaaien, bw. Door den wind omverwerpen. Ow. (zijn) Door den wind omvergeworpen worden, nederwaarts, bijw. Naar beneden.

— Nederwaartsch, bn. nederwentelen, bw. Afwentelen. —■

nederwerpen, bw. Naar beneden, op den grond werpen. Omverweipen. Zich neder tv er pen, ww. Knielen. Nederwer-pivg, v. — nederzakken, ow. (zijn) Naar beneden zakken. Neder zakking, v. (-en). — nederzeilen, ow. (zijn) In een nederwaartscbe richting zeilen. Bw. Om-verzeilen. — nederzenden, bw. Naar beneden zenden. Doen nederkomen. — nederzetten, bw. Op den grond of op eene oppervlakte zeiten : zet uwen last

i — NEER

neder. Tot bedaren brengen : iem. neder--zetten. Zich nederzetten, ww. Gaan zitten. Zich vestigen op eene plaats. Neder' zetting, v. Het nederzetten, (-en) Vestiging. Kolonie. Volksplanting. Factorij. — nederzien, ow. De blikken naar beneden vestigen. — uederzUfiren, ow. (zijn) Langzaam nederzakken. — nederzin-ken, ow. (zijn) Naar beneden zinken. Ne derzinking, v. — nederzitten, ow. Gezeten zijn. — nederzuicen, bw. Zui-

tende naar zich toehalen. Ow. Zuigende alen (van waterloopen, enz.).ende naar zich toehalen. Ow. Zuigende alen (van waterloopen, enz.). — n«Mler-zwalpen, ow. (zijn) Zwalpend neder-stroomen, —uederzwelden, bw. Door zwelgen naar beneden drukken. —neder-zweven, ow. (zijn) Zwevend nederdalen, — nederzwieren, ow. (zijn) Prachtig en statig nederkomen.

neet', m. (neven). Broeders- of zusterszoon. Nakomeling ; uw verste neven zullen dit zien. — Neef schap, o. Betrekking van neef tot neef of van neef tot oom. Begunstiging van nabestaanden, v. De neven. — Neefsdochter, v. (-s). — Neefszoon, m, (..onen, -s).

neefje, o. (-s). Mugje.

Neet» (/*.), i578-iÓ56(?). Schilder van binnenzichten van kerken.

Neelemans {E. L.), 1820, Eekloo. Letterkundige. Geschiedenis der stad Eekloo (i859-'65) ; Geschiedenis der gemeente Levibeke en der vrije heerlyk' heid van Ave schoot (1872). neemaelitigr, bn. Geneigd tot stelen, neen, bijw. Druktontkenninguit.Wordt ook gebruikt om zich zelf te verbeteren : hij is nu dertig, neen een en dertig jaar. o. Ontkenning, afwijzing. Neen verkoo-pen: niet voorhanden hebben wat gevraagd wordt.

neop, v. (nepen). Nijping : eene neep in den arm geven. Het indruksel door nijpen veroorzaakt : eene blauwe neep. Schade : iem. eene neep geven. Verlegenheid : in de neep zijn. Hij heeft de flesch eene duchtige neep gegeven : hij het ft er braaf wat uit gedronken. — Neepjeskapje, o. (-s). —Neepjesmuts, v. (-en .

neer, v. (neren). Dorschvloer.

neer, v. (neren). Tegenstroom. Draaikolk. Hij is in de neer : zijne zaken gaan achteruit.

neer, v. Nering. (Alleen in) de teer naar de neer zetten.

neer. Zie Neder. — Neerhaal, m, (..alen). Het dikke van eene letter. — Neerhaler, m. (-s). (Zeew.) Touw. — Neerhof, o. (..ven). Hofstede of boerderij bij een kasteel, toebehoorende aan dit kasteel. — Neer huis, o. (..zen). Gebouw bij een buitenverblijf, dat tuinmanshuis, stal, koetshuis, enz. bevat. — Neerslachtig, bn. Terneergeslagen. Treurig. Moedeloos. — Neerslachtigheid, v. — Neer-slachtiglyk, bijw. — Neerslag, m. Het nederslaan. Manslag.—Neerslag, v. (-en). Soort van riastbed. — Neerslag, o. (-en), (Scheik.) Bezinksel. —Neer stik, o. (-ken). Zeer fraaie borstlap.

Keer {van der) 10 (^.), i6..(?)-i6..(?J, Hollandsch landschapschilder. 20 iLijnjsoojj.


ocr page 542

NEGE — 4lt;

(E.) 1643-1703, schilder van huiselijke ta-fereelen.

v. (neten). Luizenei. —Neeivor-

mtg, bn.

neef, niet, (-en). Platgeklonken nageltje (in eene schaar)'. — Neeten [m'eten), bw. neette, heeft geneet. (Een nageltje) platklinken.

neetoor, m. en v. (-en). Lichtgeraakt mensch.

neffen», hijw. Nevens.

nefiT» v. (-gen). Negge.

neureeren, bw. negeerde, heeft genegeerd. Ontkennen. Loochenen. — Negatie, v. (..iën, -s). Ontkenning, loochening. Ontkenningswoord. — Negatief, bn. Ontkennend. Zie Electriciteit. — Negatief, o. (..ven). (Photogr.) Beeld, dat in de camera ontstaat.

neggen, grondgetal: 9. v. (-s). —Ne-genbladig, bn. (Plantenk.). — Negen-daagsch, bn. — Negende, rang. telw. — Negendehalf, telw. Acht en half. — Ne-genderhande, negenderlei, bn. Van negen soorten. — Negendooder, m. (-s). Grauwe klauwier. — Negen dubbel, bn. bijw. — Negendut'zendste, rang. telw. — Negenendertiger, m. (-s). Man, die negen en dertig jaar oud is. — Negen/ielmig,on. (Plantenk.). — Negenhoek, m. ^-en). (Meetk.). — Negen hoekig, bn. —Negen-i honderd, telw.— Negenhonderdste, rang. telw. — Negenjarig, bn. — Negenkuilen, I ow. negenkuilde, heeft genegenkuild. (Zeker kinderspel) spelen. — Negenmaal, bijw. — Negenmaandsch, bn. —- Negenman,va. De groote kegel, in het midden van het kegelspel. —Negenmanneken, o. (-s). Oude munt = 1 duit. — Negenmannig, bn. Negenhelmig. — Negenoog, v. (-en). Zie Prik (2® art.). — Negenponder, ra. (-s). Kogel van negen pond. Stuk geschut, dat zulke kogels uitwerpt. — Negen proef, v. (Rekenk.). — Negenstek, o., negensteek, m., negen stik, m. Spel met negen schiiven.

— Negenstek ken, ow. negenstekte, heeft genegenstekt. Het negenstek spelen. — Negental, o. (-len). — Negentallig, bn.

— Negentien, telw. : 19. — Negentiende, rang. telw. — Negentiende half, telw. Achttien en een half. — Negentiender-hande, ..lei, bn. — Negentienhonderd, telw. — Negentienjarig, bn. — Negen-tienmaal, bijw. —Neventig, telw. : 90.— Negentiger, ra. (-s). lera., die negentig jaar oud is. —- Negentigjarig, bn. — Negentigmaal, bijw. — Negenvoud, o. (-en). — Negenvoudig, bn. — Negenwerf, bijw. — Negenwyvig, bn. (Plantenk.) Met negen stijltjes. — Negenzif-dig, bn.

neger, m. (-s). Negers : (in 't algemeen) volken, welke 't grootste gedeelte van Afrika bewonen. —Neger handel, m. Slavenhandel. —N gerhuis, o. (..zen). — Negerhut, v. (-ten). —Negerij, v. (-en). Negerhuis. Negorij. — Negerin, v. (-nen).

— Neger kamp, o. (-en). — Neger kapitein, ra. (-s). — Neger koren. o. Zwarte gierst. — Neger land, o. — Negerschip, o. (..epen). — Negerslaaf, m. (..aven). —

..Negervriend, m. (-en). — Negorij, v.

5 — NEME

(-en). (Oudt.) Plaats, waar negers verkocht werden.

negreren, bw. negerde, heeft genegerd. Mishandelen. Belasteren. lera. negeren, hem tegenwerken.

negrge, v. (-n). Klein paard.

négrliffé, o. Morgengewaad. Ochtendkleed. Huisgewaad.

negrlisreeren, bw. negligeerde, heeft genegligeerd. Verwaarloozen. Veronacht-zamen. verzuimen. Nalaten.

negotleeren, bw. negotieerde, heeft genegotieerd. Verhandelen, onderhandelen, bewerken, bemiddelen, bezorgen, tot stand brengen. Verkoopen : wissels negotieeren. — Negotiant, ra. (-en). Handelaar, koopman. — Negotiatie, v. (..iën, -s). Onderhandeling. Bemiddeling. — Ne-

fotie,otie, v. (..iën, -s). Handel. Koophandel, tedrijf. Nering.

neiscn* ow, neigde, heeft geneigd. Bw. In schuinsche richting, naar beneden brengen : het hoofd neigen. Zijne ooren naar iemands rede neigen, er met aandacht naar luisteren om er zich naar te gedragen. God neigt, beweegt de harten. Ow. Hellen : de dag neigt ten avond. Overhellen : deze rauur neigt naar gene zijde. Wenden : zifn hart tot iets neigen. — Neiging, v. Het neigen, (-en) Helling. Begeerte. Lust. Genegenheid.

nek, ra. (-ken). Achterste deel van den hals. — Nekhaar, o. — Nekholte, v. (-n). — Nekken, bw. nekte, heeft genekt. Doo-den, vermoorden. (Eenen haas, een konijn) door de hand in den nek te slaan dooden. Vellen (eenen boom). Tergen. Een glas nekken, breken. Hij is genekt: zijne kracht is gebroken. — Nekpijn, v. ( en). — Nekslag, m. (-en). — Nekspier, v. (-en). — Nekstuk, o. (-ken). — Nekzenuw, v. (-en), nel, v. (-len). (Kaartsp.) Troefnegen. Nelson (//. burggraaf), 1758-1805. Burnham-Thorpe. Eng. admiraal. Wem doodelijk getroffen te Trafalgar, waar hij over de Franschen en Spanjaarden triomfeerde.

nemen, bw. nam, heeft genomen. Vatten en nabij brengen. Aanvatten. Vatten en houden. Zich in 't bezit stellen (van). Zich toeëigenen. Eene vrouw nemen, huwen. De vrijheid nemen, zich veroorloven. (Kaartsp.) Eenen slag neraen , lem. gevangen nemen. Een bad nemen, nemen, zich baden. De vlucht nemen, vluchten. Een besluit nemen : besluiten. Dienst nemen : gaan dienen. Rust neraen ; rusten. Wraak neraen : zich wreken. Een einde neraen : eindigen. Afscheid neraen : vaarwel zeggen. Zijnen intrek nemen : zich vestigen. Het woord nemen : beginnen te spreken. De moeite nemen : de moeite doen. Ter harte nemen : behartigen. In oogenschouw nemen : bezien. In acht nemen. Zich in acht nemen. In overweging nemen : overwegen. Kwalijk nemen : euvel duiden. Iets voor lief nemen : tevreden zijn (met). Iets op zich nemen : zich met iets belasten. Ontnemen : het brood uit den mond neraen. lem. het leven nemen, van het leven berooven. Opvatten : een woord in verkeerden zin nemen. Veronderstellen:


ocr page 543

NEST — 4

neem nu eens, dat... — Nemer, m. (-s). — Neemster, v. (-s). — Neming, v.

Nemrod. Kleinzoon van Cham., Stichter van Babylonië (XXV® eeuw vóór Chr.) Groot liefhebber der jacht.

neologrfo, v. Invoering van nieuwigheden (inz. van nieuwe woorden). — Neolo-gt5tnel o. (-n). Nieuw woord. Nieuwe uitdrukking. Taalnieuwigheid. — Neoloog, m. (..ogen). Woordensmeder.

Neper of Nnplei* l^.), 1550-1618, Merchiston (Schotland). Wis- en sterrenkundige. Vond de logarithmen uit. Mtri-fici logarithmorum canonis consiructio (1618).

nepotiftme, o. Neefbegunstiging. Familiebegunstiging.

neppe, nippe, v. Kattenkruid. Neptunns, m. Planeet. Zie Maan. God der zee. (Dicht.) De zee. (Oude scheik.) Lood met ijzer en spiesglans bereid. — Nepiuntscn, bn. De vorming van het water betreffende. Neptunische grond: door bezinking ontstane grond. — Neptu-nist, m. (-en). —Neptunusposi, m. Me-dedeeling van berichten door flesschen, die men bij eene schipbreuk in zee werpt.

nerf, v. Zijde van het leder, waarvan het haar is afgeschaafd. Korst op 't hoofd van pasgeboren kinderen. — Nerfijzer, o. (-s). — Nerfkant, m. — Nerf zit de, v.

nerf, v. (..ven). (Plantenk.) De nerven vormen met de aderen het geraamte van het blad. — Nervig, bn. _

nersrens, bijw. On, in geene plaats : hij is nergens te zien. Niets : hij geeft nergens om.

nerlnamp;r, v. (-en). Bedrijf of middelen, waardoor men in den burgerlijken stand zijn bestaan zoekt. Klandizie : goede nering hebben. Vertier : er is veel nering. Nering en hanteering : koophandel en nijverheid. Haringvangst : ter nering varen. De vrije nering doen : op zeeroof uitgaan. De tering naar de nering zetten : zijne uitgaven naar zijne inkomsten regelen. — Neringachtig, bn. Beklant. — Neringdoende, m. en v. (-n). — Neringgierig, bn. Tuk op klanten. — Neringhuis, o. (..zen). — Neringloos, — Neringloosheid, v. — Neringrifk, bn. — Nering-ziek, ..zuchtig, bn. — Nerin^zuchf, v.

Kero (54-68). Romeinsch keizer. Berucht om zijne wreedheden. Deed zijne vrouw, zijne moeder, zijnen broeder omkomen. Zette Rome in brand. Was de eerste vervolger der christenen, (-'s) Wreedaard. Dwingeland.

nervens, bn. Zenuwachtig. Gespierd. — Nervositeit, v. Zenuwachtigheid._

NerTler*, m. mv. Volksstam, die ten Oosten van de Schelde tot over de Sambre, in Henegouw, Brabant en het land van Aalst gevestigd was (50 jaar vóór Chr.).

nes, v. (-sen). Waterlaagte, zijp. Schor. Aangeslijkt land.

nesoli, nlscli, thibcIi, nesk. bn. bijw. Vochtig. Week. Nesch ei ; zacht gekookt ei. Dwaas. Onnoozel. — Neschheid, v. Dwaasheid. —Neskebol, m. (-len). On-noozele zot.

nest, o. en m. (-en). Vereeniging van

3 — NET

rijsjes, mos, stroo, enz., dienende voor de vogelen om hunne eieren uit te broeden. Woonplaats van andere dieren : een nest met acht muizen. Leger (van wild). Roo-vershol. Bed. Armzalige woning. Onaanzienlijk stadje of dorp. Vod, prul. Ondeugend meisje. (Mijnw.) Hoop of klomp erts buiten de richting eener mijnader. Twist, ruzie : zoek geen nesten. Verlegenheid : in de nesten zitten. — Nestachtig, bn. Als een nest. Leelijk. Vuil. — Nest ei, o. (-eren). — Nestelen, ow. nestelde, heeft genesteld. Een nest maken. Talmen. Zich nestelen, ww. Zich vestigen. Zich verbergen. — Nestelaar, m. (-s). Talmer. Draler. — Nesteling, m. (-en). Jong© vogel. — Nesteltak, m. (-ken). Tak, geschikt voor een nest. — Nesten, ow. nestte, heeft genest. Een nest maken.

— Nes ter ij, v. (-en). Vodderij. — Nest-haar, o. — Nestig, bn. Leelijk. Vuil,

— Nestigheid, v. Leelijkheid. Vuiligheid, (..heden) Vuile zaken. — Nest korf, m. (..ven). — Nestkuiken, ..kieken, o. (-s).

— Nestpluimen, v. mv. — Nestvederen, ..veeren, v. mv.—Nestvogel, m. (-s).— Nestvol, o. Al de vogelen enz. in een nest.

— Nestzwam, v.

neutel, m. (-s, -en). Veter, rijgsnoer : nestels in de schoenen steken. Sieraad op de schouders van officieren (inz. adjudanten).— Nestelbesla?, o. — Nestelbesla-ger, m. (-s).—Nestelen, bw. nestelde, heeft genesteld. Toerijgen (met eenen nestel).

— Nesteling, m. (-en). Nestel. — Nesteling, v. (-en). Toerijging. —Nestelgat, o. (-en). — Nestelkruid, o. Gemeen zeegras.

nestellus:, m. (-en). Vischje [cypri-nus alburn us),tot dekarperachtigen onder de weekvinnige visschen behoorende.Lseft in de zoete wateren van Europa.

Nestor, m. Naam van zeker zeer oud geworden koning van Pvlos. Voorzichtig en eerwaardig grijsaard. Oudste. De Nestor der geleerden,

XestoriuM t 439- Patriarch van Con-stantinopel. Beweerde, dat er in Christus twee personen zijn. — Nest or ia an, m. (..anen). Aanhanger van de leer van Nesto-rm*.

net, bn.bijw. Blinkend, rein, zindelijk :. eene nette kamer. Fraai, sierlijk ; zij draagt nette bloemen op haar kleed. Beschaafd: hij schrijft eene zuivere en nette taal. Bijw, Nauwkeurig : gij hebt het net geraden. Juist: het is net acht uren, het is net 'drie gulden, net zooveel verlies als winst. — Net, o. Netschrift : in het net schrijven. — Netheid, v. — Netjes, bijw. Keurlijk. Sierlijk. Fraai. — Netschrift, o. Copie van het klad. — Nette lijk, bijw. Netjes. — Netten, bw. nette, heeft genet. Reinigen. Schoonmaken. —Nettigheid, v.

net, o. (-ten), Strikwerk, om vogelen, visschen enz. te vangen. Zak van draden of touw met mazen vervaardigd : net over eenen luchtbal. Web : het net der spin. Hoofdhulsel (van vrouwen). Wat zich als een net over iets uitspreidt : een net van straatwegen. Ruitvormig in rechte hoeken kruiselings over elkander getrokken lijnen (tot het schetsen van teekeningen, enz.).


ocr page 544

NETT — 4

(Ontl.) Een op een net gelijkend samenstel van vaten, aderen of zenuwen. Eigenaardige voortzetting van het buikvlies, In het uet zijn : verschalkt zijn, lem, het net over het hoofd halen, tegen wil en dank tot iets overhalen. Achter net net visschen : zijne kans verkeken hebben. Dat valt in mijn net : dat gelukt mij. — Netbreuk, v. (-en). (Heelk,). — Netdarmbreuk, v, (-en). (Heelk.) — Netklep, v, (-pen). — Net-kleuver, m, (-s). — Net stok, ra. (-ken). — frettenbreien, o. — Nettnnbreier, ra. (-s).

— Nettenbrei'ster, v. (-s). — Netten-knoopen, o. — Nettenknoeper, m. (-s).

— Nettenknoopster, v. (-s). — Netten-maker, m. (-s). — Netvleugelig, bn. Met vliezige vleugels. — Netvleugeligen, ra. mv, Netvleugelige insecten. — Neivlieg, v. (-en). —Netvlies, o. Vlies, dat de binnenvlakte van het oog bekleedt. Zie Oog.

— Netvormig-, bn. — Netwerk, o. — Net zak, m. (-ken).

netel, v. (-8, -fn). De netels vormen een plantengeslacht uit de familie der netelachtigen. Daartoe behooren de brandnetel, de doovenetel, de hennepnetel,— Nefelacktigshn.'RetQWg.—Netelachtigen v. rav. Tweelobbige plantenfamilie, — Ne-telachtighetd, v. — Netelboom, m. (-en). Olravormige lotusboom : boom met zwart, vast en buigzaam hout en eene welsmakende kersvormige vrucht. — Neteldoek, •o. Lijnwaadachtige katoenen stof. — Ne-Iteldoeksch, bn, —Netelen, bw. netelde, heeft geneteld. Met netels steken, — Ne-telgaren, o. Garen uit vezels van eenige notelplan ten vervaardigd, — Netelheide, v. (-n). Heide, mt-t (brand)netels bedekt.

— Netelhennep, m. Hennepnetel,—Netelig, bn. Vol netels. Stekelig, Korzelig, wonderzinnig : een netelig mensch. Moeilijk, bedenkelijk : hij bevindt zich in netelige omstandigheden. — Neteligheid, v. — Net e Ikon inkje, o. (-s). Koninkje. —Ne-tel koorts, v. (-en). Snel verloopende koortsige uitslagziekte. — Netelkruid, o. Groote brandnetel. — Netelplanten, v. mv. Netelachtigen . — Netel roos, v, Netel-koorts.

netenkam, m. Fijne haarkam. — Netenkam, m. en v, (-men), netenkop, ra. (-pen). Neetoor.

Netsclier, 10 (£?.). 1639-1684, Heidel-berg. Portretschilder. J-lad twee zonen (71), 1661-1732 en (C), 1668-1722, die beiden de vaderlijke loopbaan volgden.

Netnelier {F.), J864, 's Oravenhage. Letterkundige, Menschen om ons (1888) ; Egoïsme (1893).

nettel, v, (-s), iiettelkrul«l, o. Groote brandnetel.

Nettement {A. F.), 1805-1869, Parijs. Geschiedschrijver. Histoire de la Restau-ratio* (ih6o-'96).

netten, bvsr. nette, heeft genet. Nat, vochtig maken. Bevochtigen. — Netbakje, o. (-s). Bakje raet water, waarin de spinsters hare vingers nat maken, — Netbord, o. (-en). (Boekdr,) Plank, waarop het papier wordt nat gemaakt.

netto, bijw. Zuiver. Netto winst : zuivere witst.

j. — NEUS

Nencliatel (N), i52o(?)-i6oo, Bergen = Lucidel. VI. portretschilder.

neulen, ow. neulde, heeft geneuld. Preutelen. Zaniken.

nouren, bw. ow. neurde^ heeft ge-neurd. Neuriën.

nenrii1!!, bw. ow. neuriede, heeft geneuried. Halfluid zingen, Kwinkeleeren (van vogels).

neus, m. (..zen). Vooruitstekend deel van het aangezicht (bij menschen en vele

a. Voorhoofdsholte, h. Zenuw tak. c. Reukzenuw. d. Schedelbodem. e. Zenuw-

tak. f. Neusgat, g. Wiggebeensholte.

h. Opening der Eustachische buis»

i. Gehemelte.

zoogdieren), dat de zetel en het zintuig is van den reuk. Het reukvermogen (inz. van eenen hond). Vooruitstekende punt van eenig voorwerp. Vooruitstekende punt van de voorsteven eens schips. Punt van eenen schoen. ITzeren haak, waarachter de klink valt. Uitstek aan het vooreind eener schaaf. Hoogere gedeelte van een ongelijk brandende pit eener lamp. Die zijnen neus schendt, schendt zijn aangezicht: diekwaad van zijne naaste bloedverwanten spreekt, spreekt zijn eigene schande. lem. bij den neus leiden : iem. misleiden. Den neus over alles laten gaan : alles onderzoeken en beoordeelen. —Neusaap.m. (..apen). Langneuzige aap (simia rostrata). Leeft op Borneo. — Neusballetje, o, (-s). Top van den neus. — Neusbeen, o. (-en). — Neusbloeden, o. — Neusbloeding, v. (-en). — Neusdier, o. (-en). Zoogdierengeslacht (nasua) uit de familie der beren. Leeft in Z.-Amerika,—Neusdoek, m, (-en). Zakdoek. — Neusdrop, ..druip, ..drup, ra. Neusgat, o. (-en). — Neusgezwel, o. (-len). Neushaar, o, — Neusholte, v. (-n), —Neushoorn, neushoren, m. (-s), neus hoor ndier, o. (-en). Zoogdier (rhinoceros unicornis). Behoort tot de orde der dikhuidigen en veelhoevigen. Draagt eenen hoorn op den neus, waarin het eeno


ocr page 545

NEUV — 4

-■buitengewone kracht bezit. — Neushoorn-kever, m. (-s). Kever [oryctes tiasicorni's), tot de familie der bladsprietigen behoo-rende. Wordt in overvloed in en bij de broeikassen aangetroffen, binnen welke de larve in de run leeft. — Neus hoor nv-'gel, m. {-s). Een klimvogel {buceros). Heeft eene verhevenheid op den snavel. — Neusje, o. (-s). Kleine neus. riet neusje van den zalm : het beste, het lekkerste. — Neuskijker, m. (-s). Matroos, die op den neus van het schip op den uitkijk staat. — Neusklank, m. (-en). —Neusklinker, m. \-s). — Neusknyperij'e, o. (-s). Bril zonder veer en. — Ne us leer, o. Voorste gedeelte van eenen schoen. —Neusletter, v. (-s). Door den neus uitoesproken letter, b: v. : m, n. —Neuslysf, v. (-en). Kroon-lijst, die de looden goot draagt. — Neus-nyper, m. ( s). Kaproen. (Hoefsm.) Neus-pranger. Bril zonder veeren. — Neuspo-liep, v. (-en). ^Geneesk.). — Neuspraam, m. (..amen), neuspranger, ra. (-s). (Voor paarden). — Neusregister, o. (-s). Zeker orgelregister. — Neusriem, m. (-en). — Neusring, m. (-en). — Neusscheidsel, o. \-s), neusschot, o. (-ten). — Neusspier, v. (-en). — Neusuilzvas, o. — Nezisuitwer-jgt;ing, v. ( en). — Neusvleugel, m. (-s). — Neusvogel, m. (-s). Behoort tot de zangvogels. Leeft in Afrika. Heeft een zeer erooten bek. — Neuswarmer, ra. (-s). Kort pijpje. — Neuswijs, bn. Waanwijs. Ingebeela. Verwaand. — Neuswijze, m. (-n). — Neuswijsheid, v. — Neuswortel, m. (-s). — Neusz'nuw, v. (-en). — Neus-zuil, v. (-en). Neusbeen. — Neuzelen, neuzelde, heeft geneuzeld. Bw. Neuzen. Ow. Door den neus spreken. — Neuzelaar, ra. (-s).— Neuzelaarster, v. (-s). — Neuzen, neusde, heeft geneusd. Bw. Iets inden neus krijgen. Nauw besnuffelen. Ow. Door den neus spreken.

]feu»trlë (Middel.) Westelijk gedeelte -van het Frankisch rijk. Strekte zich uit van •den mond der Schelde tot aan de Loire. Na de ioquot; eeu.v, toen Karei de Eenvoudige het land aan de Noormannen had afgestaan, werd Neustrië, Normandië genoemd.

neut, v. (-en). Noot (boomvrucht). (Timm.) Ingelascht stuk. (Mets.) Onderstuk van eenen stijl. (Zeew.) Houten of ijzeren rol, om het verschuiven te beletten van twee stukken hout, die op elkander geplaatst zijn.

neutel, m. (-en). Dreutel. Klein mannetje.

nentelen, ow. neutelde, heeft geneu-teld. Futselen. Talmen. — Neutelaar, ra. {•%). — Neutelaar ster, v. (-s). —Neute-lary, v. (-en). —Neutelig, bn. Talmachtig. Verdrietig. — Neuteligheid, v.

neutraal, bn. Onzijdig. (Scheik.) Neutrale zouten : middelzouten. — Neutrali-seeren, bw. neutraliseerde, heeft geneutraliseerd. Onzijdig raaken. Werkeloos, krachteloos of onschadelijk maken. — Neutralisatie, v. — Neutraliteit, v. Onzijdigheid.

Neuville {A. M. de), 18^6-1885, S4 Omer. Fr. schilder van krijgstafereelen. De Jjatstepat. om n.

5 — NEY

uevel. m. Waterachtige en door de koude verdikte dampen in de benedenlucht. (-s, -en) Wolk. Damp. Mist. Sluier; iets, dat iets anders bedekt, verbergt : do nevelen van het bijgeloof. — Nevelachtig, bn. — Nevelbeeld, o. (-en). Zeker optisch verschijnsel. — Nevelboog, ra. (..ogen). — Nevelen, eenpw. nevelde, heeft geneveld. Misten. — Nevelig, bn. — Neveling, v.

— Nevelkraai,v. (-en). Aschgrauwe kraai {corvus comix). Haar kop, staart en vleugels zijn zwart. — Nevelviist, ra. — Ne-velrook, ra. —Nevelsteen, m. (-en). Steensoort, welker doorzichtige kristallen in salpeterzuur nevelig of wolkig worden. — Nevelsterren, v. inv. Vaste sterren, die op zekere plaatsan in nevelvlekken zich vertoonen. — Nevelvlek, v. (-ken). Klein lichtwolkje aan den hemel. — Nevelwolk, v. (-en).

9reTclius:oiilie«l , Nibelunjfon-lielt;l, o. De Germaansche Ilias. Werd gedicht na Clovis' dood. Eene Noordscho sage, tot hoogere oudheid opklimmende, bevat echter de kiem van het lied. De hoofdtrekken : Siegfried, koning van Nederland, huwt Chrirabilde, eene Gallische koningsdochter. Gunther, haar broeder, trouwt Brunehilde, een athleet in vrouwengestalte, die doortooverraiddelen van Sieg-fried wordt geterad. Zij verblijven te Worms. Eene zóo hevige tweedracht ontstaat tusschen beide schoonzusters, dat Brunehilde besluit Siegfried te doen ombrengen. Dit geschiedt. Nu vervolgt Chrim-hilde Gunthers geslacht met al hare wraakzucht, totdat het heel en gansch is uitgeroeid.

neveuas, v. ( sen). (Meetk.) Zekere rechte lijn. — Nev nman, ra. (-nen). Soldaat, die vlak naast een anderen staat. — Nevens, vz. Dichtbij. Naast. Met. Tegelijk met. Benevens. — Nevenssch ik ken d, bn. (Spraakk.). — Nevensschikking, v.

— Nevenschip, o. (..epen). Schip, dat bij een ander moet gehouden worden (als men in breede linie zeilt). — Nevensgaand, bn. Hierbij gevoegd : nevensgaande brief.

Ne wcoinui en. Engelsch werktuigkundige (einde der XVII* eeuw).

Newman (^. H.), 1801-1890, Londen. Kardinaal. Godgeleerde en geschiedschrijver. The Pope and th* revolutions (1866); Essays critical and historical (1871).

Newton (/.), 1642-1727, Woolstorpe (Eng. graafschap Lincoln). Wiskundige en de grondlegger der nieuwere theoretische sterrenkunde. Ontdekte de wetten der zwaartekracht en ondervond, dat deze kracht steeds in omgekeerde verhouding werkt van de vierkanten der afstanden. Opties, or a treatise on the reflexions, inflexions and colours of light (1704).

New-Yorb. Staat (N .-Amerika) t 5,080,000. Hoofdst. New-iork, 1,200,000, op den Atlantischen Oceaan, aan den mond van de Hudson. Een der belangrijkste zeehavens der wereld.

Ney {M.), 1769-1815, Sarrelouis. Maarschalk van Fiankrijk. Ondeischeidde zkh in de veldtochten van het keizerrijk. Werd ter dood veroordeeld, om, na zijn «oord


ocr page 546

— 49Ö —

NIEU

NIER

gegeven te hebben aan Lodewijk XVIII, tot Napoleon te zijn overgegaan.

HHccollnl {G.), 1771-1842, Piacenza. It. componist.

Nicbolson, i753-18r5, Londen. Scheikundige en natuurkundige.

nlcbt, v. (-en).Kleindochter. Broeders-of zustersdochter. Aangehuwde vriendin. — Nichisdochter, v. (-s). — Nichtszoon, m. (..onen, -s).

Nlcolaï [W. F. G.)t 1829-1896, Leiden.

Toonkunstenaar. Componist. Bonifactus (oratorium); Handleiding bij 't onderwijs

inde theorie der muziek.

nicollue, v. Tabakstof. Zeer sterk vergif. Wordt verbonden met citroen- en appelzuur in de tabak gevonden. ,

I€ic«lermoy«r, 1802-1861, N3'on (Zwitserland). Componist.

vnw. Geen man. Cjeen mensch. — Niemandsvriend, m. (-en). — Niemendal, bijw. Niets.

Nlepco (7. N.)y 1765-18^31 Chalons-sur-Saone. Uitvinder van de pho»«graphie.

nier, v. (-en). Nieren : twee klieren in het dierlijk lichaam, liggende onder de milt en de lever en dienende Ier afscheiding van de pis. (Delfsl.) Zekere klomp erts. God, die de harten en nieren doorgrondt. — Nierbed, o. (-den). Vet, dat de nier omgeeft. — Nierbekken, o. Nierbloedva en, o. mv. — Niergras, o. Zekere water- of moerasplant {triglochin éalusiris). — Nier gr a veel, o. — Nierharst, m. (-en). Nierstuk (van een kali). — Nier jicht, v. — Nier kelk, m. (Ontl.).— Nierkoekje, o. (-s). Zeker gebakje. — Nier koliek, o. — Nier pijn, v. (-en). — Nier slagader, v. (-s). — Niersteen m. (-en). (Geneesk.). — Nierstuk, o (-ken).

Stuk vleesch met de nier. — Niervaren^ v. Vareogeslacht. Vijf soorten komen bij ons in 't wild voor. —Niervormig, bn. — Nierwee, o. — Nierziekte, v. — Nier-zuchtig, bn.

nieskruid, o. Plantengeslacht {helle-borus), tot de ranonkelacntigen behoo-rende. 't Groene nieskruid {h. vin dis) komt bij ons in 't wild voor. Het zwarte nieskruid \h. niter) wordt als sierplant gekweekt. — Niesmiddel, o. (-en). — Niespoeder, o. (-s). — Nieswortel, v.. Nieskruid.

niet, bijw. van ontkenning : hij zal niet komen. (Dient soms om eene bevestigende uitdrukking te versterken : wat heeft de Zaligmaker niet geleden !) —Niet, o. God heeft de wereld uit niet geschapen (zonder voorbestaande stof te gebruiken). — Niet, v. (-en). Nommer, waarop geen prijs gevallen is (in de loterij). — Nie teling, m. Onbeduidend mensch. — Nietig, bn. Zonder kracht: een nietige uitvlucht. Zonder waarde, gering : eene nietige zaak. — Nietigheid, v. Krachteloosheid. Waardeloosheid. (..eden) Beuzeling. Zaak zonder waarde. — Niets, vnw. Geen enkel ding. Geen enkele zaak. Bijw. In 't geheel niet. Volstrekt niet. o. Niet. — Nietsbeduidend, nietsbeteekenend, bn. — Nietswaardig, bn. Zonder waarde. Slecht, gemeen. — Niettegenstaande, vz. Ondanks, in weerwil van. Vw. Ofschoon, hoezeer. — Niettemin, bijw. Echter. Toch. Evenwel.

niet, v. (-en). Neet (2® art.). Klinknagel. Spijker. — Niet hamer, m. (-s). — Niet kapper, m. (-s). Werktuig van den hoefsmid.

niet, v. (-en). Bloem van koper. Erts-asch.

Xletzaclie (F.),1844, Roecken. Duitsch wijsgeer en dichter. Also sprach Zara-thustra.

nieuw, bn. bijw. Tegenstelling van oud: d»* Nieuwe Wereld, het Nieuw Verbond. Watnog niet lang bestaat: een nieuw huis. Wat nog niet lang gekend is : de nieuwe burgemeester. Wat nog niet lang gebeurd is : eene nieuwe ontdekking. Onbedreven, onervaren : hij is nog nieuw in die zaak. Ander : zij trekt dagelijks een nieuw kleed aan. Versch : nieuw gekarnde melk. Ongewoon, vreemd : die zaak is hem nog nieuw. Nieuwerwetsch : gij moet u een nieuwen hoed koopen. Hedendnagsch : de nieuwe bouwkunst. Benieuwd, nieuwsgierig : ik ben er nieuw naar. Nieuwe aardappelen : de eerste aardappelen. Vernieuwd, Irisch : met nieuwen moed beginnen. Van eenen tijdkring, die nadat hij geëindigd is weer begint : het nieuwe jaar. o. Nieuwe kleederen : in het nieuw zijn. — Nieuw-achtig, bn. — Nieuwbakken, bn. Versch : nieuwbakken brood. — Nieuwbekeerde, m. en v. (-n). — Nieuwelyks, bijw.Sedert kort. — Nieuweling, m. en v. ( en). Pas aangekomene. Onervaren mensch.— Nteu-welinge, v. (-n). — Nieuwelings, bijw. Sedert kort. — Nieuwemaan, v. Zie Maan. — Nieuwers, bijw. Nergens. — Nieuwerwets, bijw. Naar den laatsten smaak. Naar de mode. — Nieuwerwetsch,


ocr page 547

NIEU — /

bn. — Nieuwgfhonden, bn. — Nieuwgeboren, bn. — Nieuwgebouwd, bn. — Nietiwgehuwd, bn. — Nieuwgehuwde, m. en v. (-n). — Nieuwtievtaakt, bn. — Nieuwgemuni, bn. — Nieuwgetrouwd, bn. — Nieuivgeverfd, bn. — Nieuwgevormd, bn. — Nieuw-Guinea, o. 't Westelijk gedeelte der Australische eilanden, bestaande uit het hoofd eiland Nieuw-Guinea en onderscheidt-n^ groepen van kleine eilanden. Oppervlakte 14,235 vk. geogr. mijl, met de bijbehoorende eilanden. 14,646 vk. geogr. mijl. Bevolking 2 1/2 mil Hoen inw. — Nieuwheid, v. — Nieuw-Holland, o. 't Vaste land van Australië. Oppervlakte 138,000 vk. geogr. mijl. — Nieuwigheid, v. (..heden). Het nieuwe. Iets nieuws. Een nieuwtje. Nieuwe spreekwijze. Verandering. Nieuwe wijze van bewerken. — Nieuwigheidsbejaer, o.

— Nieurvigheidsdryver, m. (-s). — Nieu-wigheidskramer, m. (-s). — Nietiwi^-heidszuchf, v. — Nieuwjaar, o. Eerste dag van het nieuwe jaar. Geschenk ter gelegenheid van het nieuwjaar. — Nieuwjaarsavond, m. (-en). — Nieuwjaarsbezoek, o. (-en). — Nieuwjaarsbrief, m. (..ven). — Nieuwjaarsdag, m. (-en). — Nieuwjaarsdicht, o. (-en). — Nieuw-j'aars fooi, v. (-en). — Ni'uw jaarsgeschenk, o. (-en). — Nieuwjaarsgift, v. (-en). — Nieuwjaarsgroet, m. (-en). — Nieuwjaarskoek, v. (stofn.) ; m. (-en; (voorwerpsn.). —Nieuwjaarsmorgen, m. (-s). —Nieuwjaarsmaand, v. —Nieuw-jaarsprent, v. (-en). — Nieuwjaars-vuensch, m. (-en).—Nieuwj'aarwenschen, o. — Nieuwkoop, m. (-en). Paard, dat men pas gekocht heeft. — Nieuwlichter, m. (-s). Protestant, voorstander der heden-daagsche orthodoxie. — Nieuwlichterij, v. — Nteuwrnare, ..maar, v. (..aren). Nieuwstijding. — Nieuwmodisch, bn. bijw.

— Nieuws, o. Versch bericht, onbekende tijding : hebt gij het nieuws vernomen? Geen nieuws, goed nieuws. — Nieuwsbericht, o. (-en). — Nieuwsblad, o. (-en). Dag-, weekblad. — Nieuwsbode, m. en v. (-n). — Nieuwsgierig, bn. bijw. Verlangende om te weten : iem. nieuwsgierig maken.Vraagachtig,onbescheiden : nieuwsgierig aagje. — Nieuwsgierigheid, v. — Nieuwsgier lijk, bijw. — Nieuwskramer, m. (-s). Die nieuws vertelt. — Nieuwspapier, o. (-J^n), Dagblad. — Nieuwspost, m. Liefhebber en verspreider van nieuwtjes. — Nieuwstijding, v. (-en). — Nieuwsverteller, m. (-s). —Nieuwsverteister, v. ( s). — Nieuwtje, o. (-s). Wat nieuw is. Iets zeldzaams. Tijding. Het nieuwtje is er af : dit is geen nieuws meer. — Nieuwtjesbezorger, m. (-s). — Nieuw-tj'esoplooper, m. (-s). — Nieuwtj'esvenier, m. ( s). — Nieuw-Zeeland, o. Britsche kolonie (Australië).Bestaat uit tweehoofd-eilanden (Noord-eiland en Zuid-eiland) en ondeischeidene kleine eilanden. Bevolking : 607,380 inw., oppervlakte : 4,qo8 vk. gco{.r. mijl. — Nieuwzilver, o. Metaal-me; gsel: zink, koper en nikkel. — Nieuw-zilverblik, o. — Nieuwzilver draad, o.

Nieuwland (P.), 1764-1794, Diemer-

)7 — UIK

meer. Wiskundigv. en dichter. Hoogleeraar (Leiden). Gedichten (1788) ; A'agela-ten gedichten.

Niovolt {C. van), 1843, Delftshaven. Leit-'rkundige en dagbladschrijver. Phan-tasiën (1871); Herman IVolsink (1^89). nievlt;'rs, bijw. Nieuwers.

nicxcn, ow. niesde, heeft geniesd. Do lucht met eene sterke beweging, bij eene krampachtige samentrekking der spieren door prikkeling der reukzenuwen veroorzaakt, uit den neus stooten. — Niezer, ra. (-s). — Nieztng, v. (-en). — Niesster, v. (-s).

iiiliiligmo, o. Zie Socialisme. — AV-hilist. m. (-en). —Nihiliste, v. (-n).

■iU«l, m. Ongeregelde droefheid over het treluk en het goed van den naaste, omdat dit tjeluk ^in onze gedachte) ons geluk vermindert. Afgunst. — Nijdig, bn. bijw. Vol nij i. Afgunstig. Zeer boos. — Nijdigaard, m. (-s). Bcnijder. —Nijdigheid, v.

— Nudigltjk, bijw. — Nijlt;isch, bn. iiUlt;ligt;aKrel, m. (-s). Klinknagel. Woekering van opperhuidsweefsel naast of achter den rand van 't nagelbed van de huid. — Nyduleesch, o. Nijdnagel.

nUr^lon, bw. nijfelde, heeft genijteld. Iets diefachtig wegnemen.

ow. neeg, heeft genegen. Groeten (niz. van vrouwen). Eerbied betoonen»

— Nijging, v. (-en).

Xül , m Stroom (Afrika). Ontstaat in het meer Victoria. Verdeelt zich in Witten en Blauwen Ni/I. Stort zijne wateren uit in de Aliddellandsche Zee. Lengte ; 6,470 kilomet. — Nijlpaard, o. (-en). Dikhuidig en veelhoevig zoogdier (hippopotamus), dat men vooral in Midden- en Zuid-Afrika aantreft. — Nijlreiger, m. (-s). Heilige ibis. Behoort tot de steltloopers. Werd hoog door de Egyptenaren vereerd. ■iUhskstcI. Zie Nijdnagel.

■■UpcMi, bw. neep, heelt genepen. Knijpen. Vast samendrukken. Smart veroorza ken. Ongemak aandoen. De koude nijpt, is zeer fel. Het begint er te rijpen : het ziet er zeer gevaarlijk uit. — Nijpend, ba

— Nij per, ra. (s). Die nijpt. Tang. Schaar (van eenen kreeft). (Kuip.) Hoeptang. Zeker heelmeesterswerktuig. — Nijphoutje, o. (-s). —Nijping, v. (-en). — Nypna^el, ra. ( s). Nijdnagel. — Nypster, v. ( s). — Nijptang, v. (-en). Gereedschap om spijkers, enz. uit te trekken. — Nijp vel, o. (-len), nypvleesch, o. (..zen). Nijdnagel.

■lijver, bn. bijw. Zeer naarstig. Zeer ijverig. ArheidzcLzm. —Nyveraar, m. (-s). Eigenaar van eene groote nijverheidsonderneming. Fabrikant. — Nijverheid, v. Gezamenlijke pogingen om de voorhanden rijkdommen te vermeerderen, om nieuwe rijkdommen te voorschijn te roepen. Volksvlijt. De waardeverhooging der natuurproducten door technische bewerkingen teweeggebracht. — Nijverheidsman, m. (-nen). — Nijverheidsonderneming, v. (-en). — Nijverheidsproducten, o. mv.— Nijverheidsvoortbrengselen, o. mv. — Nijverig, bn. Nijver.

■■ik, m. (-kengt;. Hik. Snik.

ulkt ra. (-ken). Knik. — Nikken, ow.


ocr page 548

NOfi — 49

nikte, heeft genikt. Eene herhaalde beweging met het hoofd of de oogen maken.

— Ntkkop, m. en v. (-pen). Die met het hoofd nikt. — Nikkoppen, ow. nikkopte, heeft genikkopt. Met het hoofd knikken.

nikkel, v. Nikker (20 art.).

nikkel, o. Zeker metaal van zilverwitte kleur. Is zeergeschikt om te polijsten.

— Nikkelen, bn.

nikker, m. (-s). Verdicht waterspook, dat, naar het zeggen van het volk, de zwemmende personen onder water zou halen. Zwarte nikker ; duivel.

nikker, v. Zeker onkruid in het koren. Wilde slaapbol. Zwarte korenroos.

niks, bijw. (Gemeenz.) Niets.

nimbus, m. Lichtkrans, stralenkroon (om het hoofd der heiligen). Glans. Regenwolk. Zie Wolk.

nimf, v. (-en). (Fab.) Halfgodin, die zich bii stroomen, bergen, bosschen, enz. ophield. Gekorven diertje, dat in zijn nud-delstaat is. Jong, aanvallig meisje. Licht meisje. — Nimfelijtt, o. (-s). Jonge nimf.

— Nimfenstoet, m.

nimmer, bijw. Nooit (alleen voor de toekomst).—Nimmermeer, bijw. Nooit. Nooit meer. .

Nlnlve. Hoofdstad van Assj-në. Zie Jonas.

nlnnen, ow. ninde, heeft genind. Met smaak drinken.

nlppe, v. Zie Neppe. .

nippen, ow. nipte, heeft genipt. Twisten. Krabben (van kinderen).

nippen, ow. nipte, heeft genipt. Met kleine teugjes drinken. — Nippertje, o. (•s). Teugje.

nippen, o. Op het nippen staan : op het punt staan iets ta doen. — Nippertje, o. (-s), Nijpertje. Het is op het nippertje : de zaak lijdt geen uitstel.

nlii, v. (-sen). Holligheid in eenen muur, enz. Muurvak om daarin een beeld enz. te zetten.

nlscli, bn. Nesch.

nltro-slycerlne, v. Zie Glycerine, nlvesamp;u, o. Waterpas, waterpaslijn. Peil. Werktuig om iets goed vlak te maken, Meetsnoer. — Nivelleer en, bw. nivelleerde, heeft genivelleerd. Waterpas maken. Effenen. Effen-, gelijkmaken. — Nivelleering, v. (-en). — Nivelleer werktuig, o. (-en).

nobel, bn. Edel. Edelmoedig, deftig, voornaam, verhevea. — Nobel, ra. (-s, -en). Denkbeeldige munt = 1/3 pond sterling (Engeland). — Nobile, biiw. (Muz.) Edel.

— Nobiliteit, v. Adel, adeldom. Ridderschap. Beroemoneid. — Noblesse, v. Adel. Adelstand. Edeldom.

nooli, vw. Duidt eene ontkenning aan. Ook niet.

nochtauft, vw. bijw. Evenwel, niettemin. Toch.

Nodler (C. £quot;.), 1780-1844, Besan^n. Fr. letterkundige. Dictionnaire universe l de la lanjfue frangaise (1829); CEuvres (1832).

Noë, 2948-1998 voor Chr. Aartsvader. Bleef behouden tegen den zondvloed in de Ark, welke hij op Gods bevel had opge-

— NOME

tiramerd. De Heer beloofde hem het aardrijk door het water niet meer te verdelgen.

noemen, bw. noemde, heeft genoemd. Eenen naam geven : een kind naai z^nen vader noemen. Eenen naam uitspreken : ik zou hem wel honderdmaal noemen. Benoemen ; hij is tot dit ambt genoemd. Bestempelen, betitelen. — Noembaar, bn.

— Noemenswaard, ..ig, bn. — Noemer, m. (-s). (Rek.) Getal (eener breuk) dat aanwijst in hoeveel gelijke deelea het geheel is verdeeld.

noen, m. (Oudt.) Negende uur van den dag (van zes uren 's morgens gerekend, dus drie uren 's namiddags). Thans : middag.

— Noenmaal, o. —Noenrust, v. — Noen-slaap, m. — Noenstonden, m. mv. — Noentijd, ra.

noesek, bn. bijw. Schuin. Schuins.

noeftt, oe«t, ra. (-en). Knoest. Weer.

— Noesterig, bn. Knoestig. —Noesterig-heid, v.—Noestig, bn. Knoestig. Ingewikkeld. — Noestigheid, v.

noest, bn. bijw. Naarstig. Ijverig. Arbeidzaam. — Noestheid, v. — Noestig, bn.

— Noestigheid, v.

nogr, bijw. Tot nu toe : leeft uw broeder nog? Daarenboven : dit zal na duizend jaar nog bestaan. (Dient soms om aan de uitdrukking meer kracht bij te zetten : al is hij nog zoo rijk, ik acht hem niet). — Nogal, bijw. Tamelijk. Vrij wel. Vrij wat.

— Nogmaals, bijw. Weder. Wederom. Opnieuw. Nog eens.

nok, v. C-ken). Toppunt (van een gebouw, enz.). (Zeew.) Het bovenste van eene ra, van een zeil. — Nokbalk, ra. (-en).—Nokbindsel, o. (-s). (Zeew.). — Nokbint, o. — Nokgordingen, nokgordings, v. rav. (Zeew.). — Nokhoek, ra. (-en). —Nokken, ow. nokte, heeft cenokt. De razeilen vastmaken. — Nokkleuver, ra. (-s). — Noklood, o. — Nokpaard, o. (-en). (Zeew.) Zeker touw. — Nokpan, v. (-nen). — Nokplaat, v. (..aten). —Noktakel, ra. (-s).

nok, ra. (-ken). Het nokken. Snok. Snik. — hokken, ow. nokte, heeft genokt. Snikken. Weenen. —Nokking, v.

nol, v. (-len), nolle, v. (-n). Zeewering, die zich dwars in zee uitstrekt.

Kolet de Bran were van Steeland (y. C. //.), i8i5-ifc88, Rotterdam. Dichter en criticus. (1840); Ambio-

rix (1841); hetgroote dietsche Vaderland

(1857).

Kollet (y. A.), 1700-1770, Pimpré (Oise). Fr. natuurkundige. Lef ons de physique {x-j Essais sur Télectricitê

Nomaden, ra. rav. Rondzwervende volken. Rondzwervers. — Nomadisch, bn. Rondtrekkend. Zonder vast verblijf.

nomenelatunr, v. (..uren). Naamlijst. Naamsopgave. — Nominaal, bn. Namelijk. Nominale waarde : waarde, welke bij de uitgifte (van geld of staatspapier) door den Staat is bepaald (tegenstelling van wezenlijke waarde). — Nominalisme, o. Philosophisch stelsel, volgens hetwelk de termen, die de algeraeene begrippen uitdrukken, slechts benamingen zijn, die met geene wezenlijkheid overeenkomen. —


ocr page 549

NOOD — 4

TJominalisi, m. (-en). Aanhanger, voorstander van het nominalisme. — Nominatie, v. (..iën, -s). Benoeming. — Nominatief, m. (..ven). (Spraakk.) Een der naamvallen. — Nominator, m. (-en). Benoe-mer. (Rek.) Noemer. — Nomineeren, bw. nomineerde, heeft genomineerd. Noemen. Benoemen.

nomnier, nummer, o. (-s). Getalmerk. Cijfer. De persoon of zaak door zeker nommer aangeduid. Waren van goed nommer, van goede soort. lem. op zijn nommer zetten : scherp terechtwijzen. — Nommer aar, ra. (-s). — Nommer briefje, o. (-s). — Nomineren [nnvimeren), bw. nommerde, heeft genommerd. Van een nommer voorzien. — Notnvieryzer, o. (-s). — Nommerinz, v. (-en). — Notnmer-teeken, o. (-s). — Nomtnerveruiler, m. (-s), nommer verwisselaar, m. (-s). — Nommer vlinder, ra. (-s). Zeer schoone dagvlinder.

non, v. (-nen). Geestelijke dochter, kloosterzuster. Gedraaide arra aan een spinnewiel. Tol, top. Vlinder (liparis mo-nacha). Is als rups een der grootste vernielers van het dennenhout. — Nonne-cel, v. (-len). — Nunneke(n), nonnetje, 0* (■s)- Jonge of kleine non. Duikeend {mergus albellus). Behoort tot de zaag-bekken. — Nonnenaap, m. (..apen). Bonte Afrikaansche aap {simia monn). Heeft twee witte vlekken ter weerszijden van den staart. — Nonnengervaad, o. — Nonnenkleed, o. (-eren). — Nonnenklooster, o. (-s). — Nonnenleven, o. — Nonnenorde, v. (-n). — Nonnenslnier, «n. (-s).

nona, v. Soort van slaapziekte, nonstoticf, bn. Onwerkzaam. Niet in werkelijken dienst. — Nonactiviteit, v. Onwerkzaamheid van dienst. — Nonacti-viteits-traktement, o. (-en).

noiK'lialstnt. bn. Achteloos. Zorgeloos. Slordig. — Nonchalance, v.

nonaens, ra. Onzin. Zotteklap. Zotte-praat. Wartaal.

nonvalcur, ra. (-s). Onwaarde. Oninbare gelden. Oninvorderbare schuld.

nood. ra. (-en). Behoefte, gebrek : klagers hebben zelden nood. Armoede : iem. in den nood laten. Lijfsgevaar : de vis-schers waren in nood. Gevaar : het schip was in nood. Angst, benauwdheid. Persing tot stoelgang. Van den nood eene deugd maken ; zich naar de omstandigheden schikken. Nood leert bidden. Nood breekt wet: in den nood let men nergens op. In geval van nood : wanneer het niet anders kan. — N'odadres, o. (-sen). (Kooph.). — -Noodanker, o. (-s). — Noodbede, v. (-n). — Noodbestuur, o. Schikking, leiding (in tijd van nood).—Nood borg, ra. (-en). — Noodbrug, v. (-gen). — Nood buur, ra. (..uren). —Nooddam, m. (-men). — Nood-deur, v. (-en). — Nooddienst, ra. (-en). — Nooddyk, ra. (-en) — Nooddoop, ra. — Nooddru ft, v. Behoeftigheid : iem. in zijne nooddruft bijstaan. Noodig levensonderhoud : hij heeft zijne nooddruft niet. — Nooddruftig, bn. Behoeftig. — Nooddruftigheid, v. — Nooddwang, m. Uiter-

9 — NOOR

ste nood. Dringende noodzakelijkheid. — Nooddwitigen, bw. nooddwong, heeft noodgedwongen. Noodzaken. — Nood*, noo, bijw. Met tegenzin. Ongaarne. — Noode {van), bijw. uitdr. Iets van noode hebben : behoefte hebben aan iets. Van noode zijn : noodig zijn. — Noodeloos, bn. bijw. Onnoodig. — Noode loosheid, v. — Noodgeschrei, o. — Noodgording, v. (-en, -s). — Noodhaven, v. (-s). — Noodhelper, m. (-s). — Noodhulp, ra. en v. (-enK — Noodig, bn. bijw. Vereischt wordende : de noodige toebereidselen maken. Hebt gij geld noodig : hebt gij behoefte aan geld. Het is niet noodig : het behoeft niet. — Noodige, o. Wat noodig is. Wat er raoet zijn. — Noodjaar-, o. ( .aren). — Noodklok, v. (-ken). — Noodkreet, ra. (..eten). — Noodleugen, ..logen. v. (-s). Leugen om bestwil. — Noodlijdend, bn. Het noodig levensonderhoud missende. Gebrek lijdende. Behoeftig. — Noodlijdende, m. en v. (-n). — Noodlot, o. Lot. Deel. Beschikking. Fataliteit. — Noodlottig, bn. bijw. Door het noodlot beschikt. Onvermijdelijk. Rampzalig. Jammerlijk. — Noodlottigheid, v. — Nood lot tig lijk, bijw.

— Noodmast, ra. ( en). — Noodmoord, ra. (-en). Moord, tot lijfsbehoud gepleegd. — Noodmunt, v. (-en), noodpenning, ra. (-en). Geld in tijd van nood geslagen. Spaarpenning. — Noodrem, v. (-men). — Noodroer, o. (-en). — Noodschip, o. (..epen). — Noodschot, o. (-en). — Noodsein, o. (-en). — Noodstal, ra. (-len). Hoefstal. — Noodtalie, v. (-s). — Noodtee-ken, o. (-s). — Noodtij, o, (-en). Zeer hoog tij water. — Nood tuig, o. Waarloos tuige

— Noodvlag, v. (-gen). — Noodweder, ..weer, o. Gevaarlijke storm. Hevig onwe-der. — Noodweer, v. Zelfverdediging (in den nood). — Noodwendig, bn. bijw. Wat zeker geschieden raoet. Ö'hvernnjdelijk. — Noodwendigheid, v. Onvermijdelijkheid.' (..heden) De eerste levensbehoeften. — Noodwendighjk, bijw. — Noodzaak, v. Dwang.—Noodzakelijk, bn. bijw.Volstrekt noodig.—Noodzakelijkheid, v. Eigenschap van wat noodzakelijk, noodig is. (Godgel.^ Noodzakelijkheid des gebods : noodzakelijkheid van zekere punten des Geloofs te kennen op straf van zonde. Noodzakelijkheid des middels : noodzakelijkheid van zekere punten des Geloofs te kennen, wil men tot de eeuwige zaligheid koraen. — Noodzaken, bw. noodzaakte, heeft genoodzaakt. Dwingen. Verplichten (tot).

nooricn, bw. noodde, heeft genood. Uitnoodigen. — Noo der, m. (-s).

noodlson, bw. noodigde, heeft ge-noodigd. Uitnoodigen. — Noodiger, m. (-s). — Noodiging, v. (-en). — Noodigsfer, v. (-s).

nooit, bijw. Te geener tijd : dat zal hij nooit doen. Niet meer.

BTooni» (/?.)gt; i6i2(?)-i667. = Zeeman. Amsterdam. Schilder van zeegezichten.

noopUzer, o. (-s). Puntige ijzeren stang, waarmede koeien, enz. worden geprikt.

Noor, m. (..oren). Iem. uit het Noorden, inz. uit Noorwegen. — Nor in, v.


ocr page 550

NOOR — 5(

(-nen). — Noord, büw. Tegenstelling van zuid. — Noord, v. De noordelijk gelegen landen. — Noord, o. Het Noorden. — Noord-Brabant, o. Provincie (Nederlaud). Rechterlijke arr.: 's Hertogenbosch, Eindhoven, Breda. x8 kantons, 185 gemeenten. Hoofdpl. : 's Hertoeenbosch. — Noord-brabantsch, bn. — Noordelijk, bn. bijw. Uit, in, van of tot het Noorden. — Noordelijken, ow. noordelijkte, is genoorde-lijkt. Naar het Noorden loopen (van den wind). — Noordeling, m. en v. (-en). lem. uit het Noorden. — Noordelinge, v. (-n).

— Noorden, o. Gedeelte der wereld, dat tegenover het Zuiden ligt. Streek, noordelijk gelegen van de plaats waar men zich bevindt. Middernachtspunt. Ten Noorden : roordelijk. — Noordenwind, m. (-en). Wind, die uit het Noorden waait. Gure, koude wind. — Ne r der as, v. 't Noordelijkste gedeelte van de as der aarde. Noordpool. — Noor der aspunt, o. Noordpool. — Noorderbreedte, v. Zie Breedte. —Noor-derdeel, o. — Noorderkwartier, o. (-en).

— Noorderlicht, o. Natuurverschijnsel, bestaande uit een breeden, helder lichtenden boog, die in 't Noorden ontstaat en zicb traag boven de kim verheft. Van geel wordt hij groen, purper. Ontelbare vuurstralen, van onder rood, in 't midden groen en van boven bleek geel, schieten len hemel cn vereenigen zich tot eene vurige koepel aan het zenith. — Noorder-strocm, m. (-en). — Noorderwerelddeel, o. —Noorderzon, v. Ontstentenis der zon. quot;Middernacht. — Noord-Holland, o. Provincie (Nederland). Rechterlijke arr.: Am-Rterdam, Haarlem, Alkmaar, Hoorn. 18 kantons, 144 gemeenten. Hoofdpl. : Haarlem. — Noordhollandsch, bn. — Noord-hoorn, m. (-s). Zekere slak. Is witacht:g geel of grijsachtig bruin van kleur. Wordt gt;ij Tessel in de iree aangetroffen. — Noordkant, m. — Noordkaper, m. (-s). Walvisachtig zoogdier. Leeft op de kusten van Noorwegen en IJsland. — Noordkust, v. (-en).— Noordnoordoost, bijw. o.—Noord-1100* dwest, bijw. o. — Noordoost, bijw. o.

— Noordoostelijk, bn. bijw. — Noordoosten, o. — Noordoosteren, ow. noord-oosterde, is genoordoosterd. Naar het noordoosten loopen (van den wind). — Noordoostering, v. Afwijking der kompasnaald van het Noorden naar het noordoosten. — Noord-oost-ten-Noor den, bijw. o. — Noord-oost-ten-Oosten, bijw. o. — Noordpool, v. Noorderaspunt der aarde. Noordpool van den magneet : punt der magneetnaald, die steeds naar het Noorden draait. Punt op de aarde, waarheen de noordpool der magneetnaald wijst. — Noordpoolcirkel, m. Denkbeeldige cirkel, die op 23 1/20 afstand van de noordpool getrokken is. — Noordpoolexpeditie, v. (..iën, -s). — Noordpoolgewesten, o. mv.

— Noordpoollanden, o. mv. — Noordpoolreis, v. (..zen^. — Noordpoolreiziger, m. (-s). —Noordpoolster, v. (-ren). Noordster. — Noordpooltochiy m. (-en). — Noordsch, bn. Uit het Noorden. Noordelijk. — Noords/ar, ..ster, v. (-ren). Bevindt zich in het sterrenbeeld den Kleinen

3 — NOOT

Beer aan het uiteinde van den staart. Leidsman. Gids. Baak. — Noordsteen, m. Zeilsteen. — Noor dvaarder, m. (-s). Schip, dat naar het Noorden vaart. Gezaghebber van zulk een schip.— Noordwaarts, bijw. Naar het Noorden. — Noordwest, bijw. o. — Noordwestelijk, bn. bijw. — Noordwesten, o. — Noordwestenwind, m. — Noordwesteren, ow. noordwester-de, is genoordwesterd. Naar het roord-westen loopen (van den wind).—Noord-westering, v. Afwijking der kompasnaald van het Noorden naar het noordwesten. — Noor d-west'ten-Noor den , bijw. o. — Noord-west -ten-Westen, bijw. o. — Noordzee, v. Gadeelte van den Atlan-tischen Oceaan tusschen Engeland, Noorwegen, Denemarken, Nederland en België. — Noordzijde, v. — Noorman, ra. (-nen). Noormannen : woeste volkeren uit Zweden, Noorwegen en Denemarken. Na den dood van Karei den Groote begonnen zij alhier hunne strooptochten. Onder Lodewijk den Goede werd Antwerpen met verscheidene andere steden geplunderd en verwoest. Gedurende 80 jaren maakten deze roovers onze landouwen tot het too-neel hunner gruwelen. De schrik werd algemeen en zóo groot, dat men in de Groote Litanie begon te bidden : « van de woede der Noormannen, verlos ons. Heer! Arnulf, koning van Lotharingen, kwam ons vaderland te hulp, versloeg de Noormannen en verwoestte ganscn hun leger te Leuven (891). — Noorsch, bn. Noor-weegsch. o. Noorweegsche taal. — Noor-weegsch, bn.Van, uit Noorwegen, o. Noor-weegsche taal. — Noorwegen, o. 't Westelijkste der beide koninkrijken van 't Scandinavisch schiereiland. 2,000,000 inw. Oppervlakte 5,916 vk. mijl. Hoofdstad : Christian ia. Zie Zweden.

Noort (A. van), 1562-1641, VI. schilder. Tolpenning van ó' Pie ter.

nooMlUk, bn. bijw. Spijtig. Jammer. Jammerlijk.

noot, v. (noten). Aanmerking, aantee-kening (in een boek, enz.). (Muz.) Teeken, waardoor de tonen zichtbaar worden voorgesteld, muzieknoot. Veel noten op zijnen zang hebben. — Notenbalk, ra. (-en). De vijf lijnen, waarop en waar tusschen de muzieknoten geschreven worden. — No-tenboek, o. en m. (-en). — Notendruk, ra.

— Notenlijnen, v. (-en). — Notenpapier, o. — Notenschaal, v. (..alen). — Noten-schryver, m. (-s). — Notenwijzer, ra. (-s). (Muz.) Teeken onder op de bladzijde, ora te doen zien welke noot op den anderen kant volgt.

noot, v. (noten). Soort van harde boomvrucht. Naam van drie sterren (in Orion). Voorwerp, dat eene ronde verhooging en tevens eene rende verdieping heeft : de noot van een gewelf. Knopje : de noot van eenen snaphaan. (Bouwk.) Neut. Balkstut.

— Noot, v. (noten). De Japaansche noot: sierplant, met fraai roode vruchten en schitterend groene, veelal geel gevlekte bladeren. — Noot dragend, bn. — Nootjeskolen, v. mv. Soort van steenkolen. — Nootjesvrucht, v. (-en). Zekere bezie-


ocr page 551

NOTA — 5

vruclit. —Nootmuskaat, v. Muskaatnoot. — Nootolie, v. — Nooivormtg, bn. — Notebolster,m. (-s).— Noieboom, m. (-en). Boom (juglans regio), afkomstig uit Per-*ië. Groeit thans algemeen in Europa. Wordt gekweekt om zijne vrucht en zijn uitstekend en sierlijk hout. — Noteboomen, bn. — Noteboomenhout, o. — Note dop, m. (-pen). — Notelaar, m. (-s). Note-boom. — Note muskaat, o. (stofn.) ; v. (..aten) (voorwerpsn.). Muskaatnoot. — Notenhout, o. — Notenhouten, bn. — Notenkraker, ra. (-s). Tang om noten te kraken. Vogel {nztctphraga caryocatac-tes), tot de familie der raven behoorende. Leeft m Europa en Azië. Voedt zich met hazelnoten, eikels, enz. — Noteschït, v. (-len). —Noteschelp, v. (-en).

'Noot (J. van der), i538(?)-i5-(?). Brecht. VI. dichter.

Noot [H. K. N. van der), 1731-1827, Brussel. Een der aanleiders der Brabant-sche omwenteling. Poogde een bestuur in voege te brengen in name der Staten zonder invloed van het volk.

nop, v. ( pen). Pluis op wollen stof. La-kenvlok. — Nopijzer, o. (-s). —Nopjes, o. mv. Kleine nop. Hij is in zijne nopjes, is zeer tevreden. — Nopjesgoed, o. — Nopjeslaken, o. — Noppen, hw. nopte, heeft genopt. Het laken, enz. van noppen zuiveren. — Nopper, m. (-s). — Nopptg-, bn. Vol noppen. Oneffen. — Nopschaar, v. (..aren). —Nopster, v. (-s). — Noptang, v. (-en).

nopen, bw. noopte, heeft genoopt. Steken, prikken. Aanhitsen. Aanmoedigen. Dit noopt mij : dit brengt er mij toe. — Noping, v.

nopens, vz. Betreffende. Aangaande. Norbertns (A.), 1080-1134. Xanten. Koorheer van Xanten. Hoveling van keizer Hendrik V. Aartsbisschop van Maagdenburg (1126). Doorreisde Duitschland, Frankrijk en Nederland als boetprediker. Herstelde te Antwerpen de gehoorzaamheid aan de Kerk, geschokt door den vrijzinnigen Tanchelinus. Vestigde zich te Prémontré (Frankrijk), waar hij de stichter werd der Premonstratenzers.

NordenHkjöld {N. A. E., vrijheer van), 1832, Helsingfors. Zweedsch poolreiziger. Vond de doorvaart naar den Stillen of Grooten Oceaan.

norin, v. Zi*Noor.

norm», v. Regel. Voorschrift. Richtsnoer Voorbeeld. — Normaal, bn. Regelmatig, gewoon : normale toestand. — Normaalschool, v. (..olen). Kweekschool voor onderwijzers. —Normaliteit, v. Behoorlijke toestand.

noi'HOli, bn. bijw. Stuursch. Barsch. — Norschrlyk, bijw. — Norschheid, v. Stuurschheid. Barschheid. (..heden) Stuur-sche handelingen.

nof», v. (-'s). Aanteekening. Aanmerking : nota's nemen, nota houden (van). Rekeningske. — Nota bene (N. B.). Let wel.

notnbel, bn. Merkwaardig. Gewichtig. Aanzienlijk. Belangrijk. — No'abele, m. (-n). Aanzienlijke : de notabelen van

I — NU AN

het dorp. — Notabiliteit, v. (-en). Aanzienlijk persoon. Man van gezag.

nolaris, m. (-sen). Ambtenaar, wien bij uitsluiting 't vervaardigen is opgedragen van zekere authentieke akten. — Ne tar ia at, o. (..aten). Notarisaml t. Kantoor van eenen notaris. — Notarieel, bn. No-tarieele akte : akte opgemaakt ten overstaan van eenen notaris. — Notarisambty o. — Notariskantoor, o. (..oren). — Aro-tarisklerk, m. (-en). — Notarisschap, o.

note, v. (-n). Akkervrucht, beschouwd als product tot nut van menschen en dieren. Gewonnen akkervrucht.

noteeren, bw. noteerde, heeft genoteerd. Aanteekenen, opteekenen. Bemerken, opmerken. —Noteering-, v. (-en).

No tor \P. F. de), 1779-1842, Waalhem. Landschapschilder.

Notffer. De eerste prins-bisschop van Luik (972-1008). ^

notie, v. (..iën, -s). Begrip. Kennis. Denkbeeld.

notifi(o)eeren, bw. notifi(c) eerde, heeft genotifi(c)eerd. Aankondigen. Bekendmaken, te kennen geven. Beteekenen. — Notificatie, v. (..iën, -s).

notitie, v. (..iën, -s). Bericht, aanteekening. Ik zal er notitie van houden : ik zal er acht op geven. Korte beschrijving, opgaaf.

notoriteit, notorijtteit, v. Alge-meene bekendheid. Akte van notoricteit: verklaring, dat iets algemeen bekend is, akte van bekendschap.

notulen, v. mv. Kleine aanteekenin-gen. Schriftelijk verslag. — Notulenboek, o.en m. (-en).

notweg:, m. (-en). Breede rijweg, nonveainteit, v. Nieuwigheid, no vaal, bn. Braak. Novaal land : nieuw ontgonnen en bezaaid land. Novale tienden : tienden, welke op zulk land geheven werden.

Novalis = G. F. P. vrijheer van Hardenberg, 1772-1801, Wiederstedt. Duitsch dichter. Godsdienstige liederen en hymnen ; Heinrich von Of ter dingen.

novelle, v. (-n). Klein romantisch Verhaal. — Novellist, m. (-en). Schrijver van novellen.

November, m. De u® maand van 't jaar. Slachtmaand.

novene, v. (-n, -s). Negendaayscho plechtigheid of oefening. Negendaagsch ge-

novice, m.env. (-s).Nieuweling.Proef-leerling. Proefkloosterling. — Noviciaat, o. Proeftijd. Proefjaren. Leerlingstaat. — Noviciejaren, o. mv.

Noyeile (C. de), 1615-1686, Brussel. Generaal-overste der Jezuïeten (1682).

nn, bijw. Tegenwoordig. Op het oogen-blik. Van nu (a?) aan : voortaan. Hij komt nu eerst aan, is even aangekomen. Onder deze omstandigheden : wat zal hij nu aanvangen? Vw. Daar, aangezien : nu ik dat weet, zal ik heengaan. Tw. (om op te wekken) Welaan : nu dan, verder! o. H^t tegenwoordige oogenblik.

nuance, v. (-s, -n). Schakeering. Kleurspeling. Kleurmengeling. — Nuaw


ocr page 552

OBER — 5(

ceeren, bw. nuanceerde, heeft genuanceerd. Schakeeren. Een zachten overgang maken. Schaduwen.

nuclitcr, bn. bijw. Wat in den vroe-

Sen morgen is, daarop betrekking beeft^ of aarin gegrond is : de nuchtere dauw. Nog niets gegeten of gedronken hebbende : eene nuchtere maag. Niet beschonken : hij is nooit nuchter. Nuchter kalf : kalf, dat nog niet gezogen heeft; kalf jonger dan drie weken. Laf: nuchtere spotternij. Bezadigd, ingetogen; nuchter gedrag. —en morgen is, daarop betrekking beeft^ of aarin gegrond is : de nuchtere dauw. Nog niets gegeten of gedronken hebbende : eene nuchtere maag. Niet beschonken : hij is nooit nuchter. Nuchter kalf : kalf, dat nog niet gezogen heeft; kalf jonger dan drie weken. Laf: nuchtere spotternij. Bezadigd, ingetogen; nuchter gedrag. — Nuchteren-monds, bn. — Nuchterheid, v.

nuditeit, v. Naaktheid. Blootheid, nuf, v. (-fen). Onnoozel vrouwtje. Neuswijs meisje. — Nufachtig, bn. Waanwijs. Talmachtig. — Nuffeit, ow. nufte, heeft genufc. Talmen. — Nuffig, bn. Nufachtig. — Nuffigheid, v.

nUKffcr, bn. Zindelijk. Snugger, nuk, v. (-ken). Kuur. Eigenzinnigheid. Looze trek. — Nukkig, bn. Vol kuren. Eigenzinnig. —Nukkigheid, v.

nul, v. (-len). Niets. Het cijfer o. Hij is eene nul in 't cijfer : hij beteekent niets. Van nul en geener waarde. — Nulliteit, v. Nietigheid, ongeldigheid, onwettigheid, (-en) .Man zonder verdiensten. Onbeduidend mensch. — Nulpunt, o. Zie Thermometer.

numerair, bn. Naar het getal. Numeraire waarde : omloopwaarde van de munt. o. Gemunt geld. Klinkende munt.

numereeren, bw. numereerde, heeft genumereerd. Nummeren. Tellen. — Nu-meratie, v. (..iën, -s).

numero, o. Nommer. — Numerotee-ren, bw. numeroteerde, heeft genumero-teerd. Nommeren. Talmerken.

numiMinatiek, v. Munt-, penningkunde. —Numismatieker, m. (-s). Munt-, penningkenner. — Numismatisch, bn.

o, v. fo's). 15® letter van het alphabet, o. tw. Drukt verwondering uit (o, welk een man!), eene aangename gewaarwording (o zoetheid van het leven !), eene onaangename gewaarwording (o ontrouwe vriend !), cenen wenscb, eene begeerte (o mocht ik ddt beleven !), eene. uitboezeming van het hart (o, Heer, gij zijt mijn toeverlaat!). O, o. (o's). Wordt veelal als versterking verbonden met een anderen uitroep, vooral in het gebed : o, groote God, wees ons genadig 1

osifie, v. (-n), oanis, y. (-sen). Bewoonbare plaats in de woestijn. Liefelijk rust-

fiunt, liefelijk plekje. Aangename afwisse-ing tin een dorren of eentoonigen arbeid).iunt, liefelijk plekje. Aangename afwisse-ing tin een dorren of eentoonigen arbeid).

o-beenen, o. mv. Kromme beenen, waarvan de knieën min of meer uitwaarts staan.

4»l»eliNli,ni. (-en) Gedenknaald.Pronknaald.

OberliiiKler {A. A.), 1845, Regensburg. Duitsch humoristisch teekenaar. ver-vaaidigde teekeningen in Fliegende Blat-

\ — OBLI

nummer, o. Zie Nommer.

nun, v. (-nen). Zuigpijpje. Pijpkan. — Nunnen, bw. nunde, heeft genund. Aai* een pijpje zuigen.

nuntius, m. (-sen). Pauselijke gezant. — Nuntiatuur, v. Pauselijk gezantschap.

nurk, m. (-en). Knorrig mensch. — Nurkachtig, bn. — Nurken, ow. nurkte, heeft genurkt. Knorren. — Nurkig, bn. — Nurkigheid, v. — Nurksch, bn. Nurkachtig. — Nurkschheid, v.

nusselen, ow. nusselde, heeft genus-seld. Talmen. Beuzelarijen verrichten. — Nusselaar, m. (-s). — Nusselaarster, v. (-s). —Nusselary, v. Hetnusselen. (-en) Hetgeen iem. nusselt.

nut, bn. Nuttig. — Nut, o. Nuttigheid, voordeel. — Nutbaar, bn. Nuttig. —Nutbaarheid, v. — Nut set, o. Voedsel. — Nutslezing, v. (-en). — Nutsvoorlezing, v. (-en). —Nutsvergadering, v. (-en). — Nutsverhandeling, v. (-en). — Nuttelyky-bijw. Voordeelig. — Nutteloos, bn. bijw. Zonder nut. Vruchteloos. — Nutteloosheid, v. — Nutten, nutte, heeft genut. Bw. Gebruik maken (van voedsel). Ow. Dienen, dienstig zijn (tot). Het nut niet : het baat niet. — Nuttig, bn. bijw. Nut aanbrengende. Voordeelig. — Nuttigen, bw. nuttigde, heeft genuttigd. Gebruiken (spijs of drank). — Nuttigheid, v. — Nuttigheide bejag, o. — Nuttigheidsbejager,. m. (-s). Die er op uit is nuttig te zijn.— Nutting, nuttiging, v. — Nuttiglyk, bijw.

nuun, v. (nunen). Ledige zeeschelp. Nuyenn (IV. F.), 1823-1804, Aven-horn. Geschiedschrijver. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Het katholicisme in betrekking lot de beschaving van Europa (1856) ; Algemeene geschiedenis des Nederlandse hen volks {ifyi-'fo).

ter. Bekend is zijn ; Obet la 'der-Album

(IS79-'8;)).

Olgt;lt;'i;maii {A.), 1781-1845, Amsterdam. DierenschllUer. Obi. Molukskeiland.

object, o. (-en). Voorwerp, ding, zaak. Doel, oogwit, einde.

objectie, v. (..iën, -s). Tegenwerping. Opwerping. Tegenspraak.

objeetief, bn. Voorwerpelijk. Tot het voorwerp behoorend. Wat op de voorgestelde zaak of het begrip betrekking heeft.

— Objectief, o. (..ven). Doel, dat men tracht te bereiken. Voorwerpglas. — Objectiviteit, v. Voorwerpelijkhe d. Bestaan der voorwerpen buiten ons. Uiterlijkheid.

oblie, v. (-ën). Zeer dun wafeltje. — Obliebakker, m. (-s).— Obliebus, v. (sen).

— Obliedoos, y. (..zen). — Obliedraaier, m. (-s). — Obliedraa ister, v. (-s).— Oblie-ij z^r, o. (-sj. — Oblie koek, m. (-en). — Oblieman, m. (-nen). — Oh liever koopergt; m. (-s). — Obliever koopster, v. (-s). — Oblievrouw, v. (-en).


ocr page 553

OCEA — 5(

obligaat, bijw. (Muz.) Duidt aan, dat van do met obltgato geteekende partijen in bet stuk geene kan worden weggelaten, zon i- r de harmonie te verstoren : hij speelt in da' stuk obligaat.— Oblt^nat, o. (..aten). Panij of muziekstuk, waarin eene of andere stem, een of ander instrument, de hoofdstem is, die alleen of met begeleiding deze uitvoert. Concertstuk, voor éen instrument bepaaldelijk gezet, om met begeleiding uitgevoerd te worden, — Obligaat-stem, v. (-men). Hoofd- of melodiestem in een muziekstuk.

obligrccrcu, bw. obligeerde, heeft geobligcerd.Verplichten,verbinden. Dwingen, noodzaken. Aanzetten, aansporen. Dienst bewijzen. — Obligatie, v. (..iën, -s). Verplichting, verbintenis. Schuldbe-kt ntcnis, schuldbrief, rentebrief. Dank, erkentelijkheid.— Obligatoir, obligatorisch, bn. Verplichtend.-- Oblt\eant, bn. Dienstvaardig. Gedienstig. Beleefd.

oblitoratlo, v. (..iën, -s). Uitwis-sching, doorhaling, vernietiging.(Geneesk.) Verstopping van kanalen. Verzwakking, obolus. obool, m. Penningsken. Obrio (?.), 1849, Gent. Hoogleeraar (Gent). Rechtsgeleerde. Werkend lid der K. VI. Academie. De wet op de verzekeringen (1874); het Nederlandsch Wetboek van Strafrecht (1886); de Neder-landsche rechtstaal in Noot d- en Zuid-Nederland (1889).

observeorcn, bw. observeerde, heeft geobserveerd. Bespieden, waarnemen, opmerken. Naleven. De wetten obseryeeren, in acht nemen. — Observatie, v. (..iën, -s). Waarneming, beschouwing, bespiegeling. Opmerking, aanmerking, bedenking. — Observat ie leger, o. (-s). Verkenningsle-ger. — Observator, m. (-en). Waarnemer, onderzoeker, toeschouwer. Onderhouder. Bespieder. — Observatorium, o. (-s, ..ia). Sterrenwacht. Sterrentoren.

obüignatic, v. (..iën, -s). Verzegeling. Inbeslagneming.

obMtakel, o. (-s). Hindernis, hinderpaal. Belemmeiing. Beletsel. Tegenstand.

obstinaat , bn. Hardnekkig. Halsstarrig Stijfhoofdig. Eigenzinnig.

occasie, v. (..iën, -s). Gelegenheid. Geschikte tijd. De occasie maakt den dief. — Occasioned, bijw. Gevallig, toevallig. Bij gelegenheid.

occnpceren, occupeerde, heeft geoccupeerd. Bw. Bezighouden : 'k zal mij met uwe zaak occupeeren. Bewonen : een huis occupeeren. Bezit nemen (van): de vijand occupeert de hoogten der stad. Bekleeden : een ambt occupeeren. Innemen ; de ondervraging heeft de geheele zitting geoccupeerd. Ow. Aangesteld zijn, optreden : Meester X. occupeert voor mij in deze zaak. — Occupatie, v. (..iën, -s). Bezigheid. Inbezitneming. Bezetting. — Occupatie leger, o (-s). Bezettingsleger.

oceaan, m. (..anen). Wereldzee. De Atlantische, Indische en Groote Oceaan. Zee. Onmetelijkheid, menigte, afgrond : de waarheid, uit eenen oceaan van schriften oplt;'evischt. — Ocea nië, 0. Zie Australië.

5 — OCTR

ocb, tw. Drukt smart of droefheid uit.

— Och, o. (-s). Uitroep van smart of droefheid. — Ocharm, ocharynen, tw. Helaas. Ach.

Ocliozias. Koning van Israël (888 voor Chr.) Koning van Juda (884 voor Chr.K

oclitonlt;l, nclitciKi, m. (-en). De vroege morgen. De morgen bij het aanbreken van den dag. De morgentijd. De voormiddag. Te ochtend, bijw. uitdr. — Ochtendbeurt, o. (.en). — Ochtendbezoek, o. (-en).— Ochtendconcert, o. (-en). — Ochtenddauw, m. — Ochtenddienst, ra. — Ochtenddrank, ra. (-en). — Ochtendgebed,o. (-en).—Ochtendgezvaad, o.(..aden).

— Ochtendglans, m. — Ochtendgroet, ra. — Ochtendhemel, ra. — Ochtetidja-pon, v. (-nen, -s). — Ochtendjurk, v. (-en). — Ochtendkerk, v. Ochtenddienst.

— Ochtendkleed, o. (-eren). — Ochtend-kleeding , v. — Ochtendkostuum, o. (..urnen, ..umes).—Ochtendlied, o. (-eren).

— Ochtendlucht, v. — Ochtendmaal, o. (..alen). — Ochtendmelk, v. — Ochtend-muts, v. (-en). — Ochtendpost, v. (-en).

— Ochtendpreek, v. (-en). — Ochtendrood, o. — Ochtendschemering, v. — Ochtendschuit, v. (-en). — Ochtendstond, ra. (-en). Het uur van den vroegen morgen. Het uur van het aanbreken van den dag. De eerste uren van den morgen. Begin, aanvang. — Ochtendstuk, o. (-ken). Ontbijt. — Ochtendtrein, ra. (-en). — Och-tenduur, o. (..uren). — Ochtendwagen, m. (-s). — Ochtendwandeling, v. (-en). — Ochtendzang, m. (-en). — Ochtendzon, v.

O'C'oiineli (Z?.), 1775-1847, Cahir (Kerry). lersch volksleider, redenaar ea staatsman.

octaaf,v. (..aven). Achtdaagsche kerk-feeslviering. Achtdaagsche plechtigheid. Acht dagen. (Muz.) Achtste toon van een aangenomen grondtoon. Omvang van acht tonen. Orgelregister, de verschillende pijpen van een orgel, die tot eenerlei stem beliooren. — Octaafdag, m. (-en). — Octaaffluitje, o. (-s). Fluitje, waarvan de noten eene octaaf hooger klinken dan op de groote fluit.

octaëder, o. (-s). Achtvlak.

octant, v. (-en). Afstand van 45 graden. Hoogtemeter.

octavo, bn. Ten achtste. In-octavo, in-80 ; vel papier, in achten gevouwen. — Octavo, o. (-'s). Boekformaat van acht bladen per vel. — Octodecimo, o. (-'s). Boekformaat van achttien bladen per vel.

— Octavootje, o. (-s).

October, m. (-s).De tiende maand van 't jaar. Wijnmaand. — Octoberachtig, bn. bijw. — October avond, ra. (-en). — Octo* b er bui, v. (-en). — Octoberdag, m. (-en).

— October koude, v. — Octoberlucht, v.

— Octobcrmaand, v. — Octobernachf, ra. (en). — Oct obervergadering, v. (-en).

— Octoberweer, o. — Octoberwind, ra.

— Oct ober zon, v.

octogonaal, bn. Achthoekig. — Oc-togoon, ra. (..onen). Achthoek.

octrooi, o. (-en). Machtiging, vergunning, verleening. Stedelijke oelasting.


ocr page 554

OEKE — 5

stadstol, stadsrecht. — Octrooieeren, bw. octrooieerde, heeft geoctrooieerd. Imvilli-en, vergunnen, verleenen. — Octrooi-rief, m. (. ven). — Octrooirecht, o. — Octrooistelsel, o. — Octrooiwet, v. (-ten).

oeulsair, bn. Het 00% betreftende. Oculaire inspectie : oogenschouw. — Octt-list, m. (en). Oogmeester. Oogarts.

«culeercn, bw. oculeerde, heeft geoculeerd. Enten. Inenten. Gnlïelen. — Ocu-latie, v. (..iën, -s). Griffcling. Ente.

olt;lsiliNk, v. (-en). .* slavin

nen van de vrouwen in den harera.

«»lt;!«, v. (-n). Lierzang, lierdicht: dichterlijke uitdrukking van een diep en bepaald gevoel. — Odemnchter, ra. (-s).— Odendichteres, v. (-sen). — Odenstyl, ra.

0«levaei*o [J. D 1778-1830, Brugge. Historie- en portretschilder.

Oclysscst, v. Heldendicht van Homerus. Behelst de lotgevallen van Odysseus of Ulysses op zijnen terugtocht van Troje naar Ithaka. Langdurige tocht.

oeconomie, v. Staathuishoudkunde. Spaarzaamheid. — Oeconomisch, bn. — O economist, m. (-en). — Oeconoom, ra. (..omen).

ooonmeniscli, bn. Algemeen. Oecumenisch concilie : algemeene kerkvergadering.

oef, tw. Uitroep van benauwdheid. — Oef, o. (-s). Uiting van benauwdheid.

oofeueu, bw. oefende, heeft geoefend. Door herhaalde bewegingen of gedurige behandeling tot zekere vaardigheid brengen : de troepen in den wapenhandel oefenen. Feitelijk doen gelden: invloed oefenen (op,1. Plegen, verrichten, vol trekken : wraak oefenen. In praktijk brengen ; den christenplicht oelenen. Geduld oefenen : geduld betoonen. Tot de vereischte kunstvaardigheid opleiden ; kinderen oefenen in het lezen. Versterken en ontwikkelen : zijne krachten oefenen. Zich oefenen, ww. Zich bekwamen (in). . — Oefenaar, ra. (-s, ..aren). — Oefenaarster, v. (-s). — Oefendag, ra. (-en). — Oefengraat*, bn. — Oefening, v. Het oefenen, (-en) Daad, werkzaamheid, waardoor men een ander, zich zei ven, enz. in iets oefent. — Oefe-ninghouder, ra. (-s). — Oefeninghoudster, v. (-s). — Oefeningskamp, o. (-en). — Oefeningsplaats, v. (-en). — Oefenka-tner, v. ( s). — Oefenperk, o. (-en).— Oefenplaats, v. (-en). — Oefenschool, v. (..olen). — Oefempel, o. (-en). — Oefen-ti/d,m. — Oefenuur, o. (..uren). — Oefenzaal, v. (..alen). — O ejemu ster, v. (-s). oe^Ht. Zie Oogst.

oeli, tw. Uitroep van afkeer, waardoor het gevoel van weerzin, walging, afschuw wordt uitgedrukt. — Oeh, o. (-s). Uiting van afkeer.

Oelilensclilagrer [A. G.), 1779-1850, Frederiksberg (bij Kopenhagen). Deensch dichter en prozaschrijver. N'tordsche gedichten (waarin zijn vermaard dichtstuk HakonyarlvourVomt, 1805).

oei, tw. Drukt smart of pijn uit. — Oei, o, (-s). Uiting van pijn.

oekeu, ow. oekte. heeft geoekt. Brommen. Mcmpelen. Pruttelen.

4 — OEST

oele, tw. Och kora !* Ta, 't mocht wat! Gekheid I oelzaad, o. Heulzaad.

oer, o. Ijzerhoudende aarde. — Oer-achtig, bn. — Oerbank, v. (-engt;. — Oer-grond, ra. (-en). — Oerig, bn. — O er la ag, v, (..ajgen). — Oerweg, ra. (-en). Weg, die met sintels en uitgebrand oer wordt bestraat.

oeros, ra. (-sen). Oorspronkelijk wild rund {bos urus), zeer groot en sterk van leden. Leefde tot in het begin der vorige eeuw in de wouden van N.- en M.-Europa. Wordt thans slechts aangetroffen in Lit-tauwen.

Oeriried (//. C.), 1777-1851, Rudkö-bing. Zweedsch natuurkundige.

oest, oeMtigr- Zje Noest, Noestig. oeKt. Zie Oogst.

oester, v. (-s, -en). De oesters raaken eene familie uit in de orde der plaatkieu-

Oester.

a. Mond. b. Maag. c. Darmkavanl. d. Hersenen, e. Zefiuwvezelt/es. f. Zenuwknoop der ingeivanden. g. pran-jeboordvan het vliezigvhes.h. Kieuw. i. Aars. k-1. Hart.

wige schelpdieren. Meest bekend is de gewone of eetbare oester {ostrra edulis). Komt voor in de Noordzee en Middelland-sche Zee. (Scherts.) Kwalster, fluim. — Oesterachtig ,hn. Van oe.lers houdende.

— O'Sterbaard, ra. (-en). — Oester bak, ra. (-ken). — Oesterbank, v. (-en). — Oesterbed, o. (-den). — Oesterheurs, v. Verzamelplaats van handelaars in oesters.

— Oesterbuik, ra. en v. (-en). Liefhebber, liefhebster van oesters. — Oestereter, n\. (-s). — Oestereetster, v. (-s). — Oester-handel, ra. — Oesterhuis, o. (..zen). — Oester kooper, m. (-s). — Oest er koopster ^ v. (-s). — Oesterkor, v. (-ren). — Oester-kor fi m. (..ven).— Oesterkreek,v. (..eken).


ocr page 555

- 505 -

OFFE

OFFI

■— Oestermaal, o. — Oes/erntan, m. •(-nen). — Oestermand, v. ( en). — Oester-meid, v. (-en). — Oestermeis/e, o. (-s). — Oestermes, o. (-sen). — Oester tiet, o. (-ten). — Oesterpartij, v. ( en). — Oester-bastei, v. (-en). — Oester park, ..perk, o. (-en). — Oesterplaat, v. (..aten).— Oesterput, ra. (-ten).— Oesterschelp, ..schulp, v. (-en). — Oesterschotel, m. (-s). — Oes-terschuit, v. (-en). — Oestersteen, m. (-en). Zekere delfstof. — Oester ton, v. (-nen). — Oestervanger, m. (-s). — Oes-terverkooper, m. (-s). — Oesterverkoopster, v. (-s). — Oesfervisscher, m. (-s). — Oestervormig, bn. — Oestervrouw, v. (-en). — Oester-wyf, o. (..ven). — Oester-zaad, o.

ocMtig^. Zie Noestig.

oever, m. (-s). Zoom, die een stilstaand of strooraend water begrenst. Landstreek, langs eene rivier, een meer enz. Landstreek aan zee. Strand, kust. Kant, rand : Üj staat op den oever van bet graf. — Oever aas, o. Zie Haft. — Oeverbewoner, m. (-s). — Oever bewoonster, v. (-s). — Oevergras,o.— Oevcrhaa7n,vcv. (..amen).

— Oeverkant, m. f-en). — Oeverkruid, o. Waterplantje {litor el la lacustris). Behoort tot de vvaterweegbreeën. — Oever-licht, o. (-en). — Oeverlooper, m. (-s). Vogel {actitis hypoleucos). Behoort tot de strandloopers. Wordt langs de oevers van rivieren, enz. aangetroffen. — Oeverloos. bn. — Oevermijt, v. (-en). — Oeverpieper, m. (-s). Zangvogeltje {anthus rupes-tris). Doet bij het opvliegen het geluid piep-piep hooren. — Oeverplant, v. (-en).

— Oeverrand, m. (-en). — Oeverriet, o.

— Oeverstiip, v. (pen). — Oever staat, m. (..aten). — Oeventad, v. (..eden). — Oe-'verstrand, o. — Oeverval, ra. (-len). Verzakking, afschuiving van grond (aan ee-nen dijk of oever). — Oeververlichting, v. De gezamenlijke oeverlichten. (-en) Oever-licht. — Oevervogel, ra. (-s). — Oever-vuur, o. (..uren). — Oeverwantsen, v. mv. Familie van insecten. Leeft aan waterkanten. — Oeverzand, o. — Oeverzoom, m. — Oeverzwaluw, v. (-en). Zwaluw {hirundo 1 iparia). Nestelt in holen aan dei; waterkant.

oexemoeze, v. (Plantenk.) Muur.

of, vw. Geeft eene twijfelachtigheid te kennen, inz. als deze vragend wordt voorgesteld; beproef eens of hij toestemt. Drukt eene toestemming, eene toegeving uit ; of gij dat zegt, het kan niet baten. Wordt als uitsluiting, onderscheiding gebruikt : of ik ol gij. Alsof : hij deed of bij er niets van wist. Anders gezegd : mijn zwager, of, zusters man. Omtrent : een pond of zes, zeven. Indien : of hij wil of niet.

Offenbaoli (y.)t 1819-1880, Keulen. Fr. operetten-componist. Orphée aux enfers; la belle Hélène; les con les dJloffmann.

oft'eiiMie, v. (..iën, -s). Beleediging. Aanval. — Offensief, bn. Beleedigend. Aanvallend. Een offensief en defensief verbond : een verbond tot aanval en verdedi-fiirg.

offer, o. (-s, -en). (Oudt.) Elke zichtbare zaak, welke men de godheid opdroeg, om hare macht te erkennen en hulde ié brengen. (Thans) Hulde, welke men de godheid doet; gebeden, welke men haar toestuurt; versterving, welke men zich oplegt ter eere Gods; alles wat tot instandhouding van den godsdienst of van zijne priesters gegeven wordt. Inz. offergeld, offergift : ten offer gaan. Sacrificie. Het offer (slachtoffer) zijn zijner edelmoedigheid. Iets ten offer brengen : iets afstaan, opofferen. Aanbod. Bieding. Aanbieding Voorslag. — Offeraar, ra. (..aren, -s). — Offeraarster, v. (-s). — Offeraltaar, o. en ra * (..aren). — Offerambt, o. (-en). — Offerande, v. (-n). Offer. Deel dermis : de voorbereiding van het brood en den wijn tot het Sacrificie. Offergeld, offergift.

— Offerband, ra. (-en). — Öffer bee ld, o. (-en).— Offerbeest, o. en v. (-en). — Offerbijl, v. (-en).— Offerbloed, o.— Offerblok, o. en ra. (-ken). Kistje voor aalmoezen, in de kerken aan pilaren, enz. opgehangen.

— Offerbrood, o. — Offerbus, v. (-sen).

— Offerdaad, v. — Offerdag, m. (-en).

— Offerdienaar, v. (..aren, -s) _

Offerdienst, m. (-en). — Offerdier, o. (-en). — Offeren, offerde, heeft geofferd. Bw. Een offer aan de godheid brengen : het Sacnftcie der Mis wordt aan God den Vader geofferd. Uit eerbied schenken • God zijnen dank offeren. Geven, schen-ken : hij offerde hem zijne wapens. Moe-ten geven : hij moest geld offeren. Prijsge-ven : hij offerde goed en bloed voor zijne vrienden, üw. De priester offert dagelijks doet dagelijks de Mis. Ten otler gaan ■ hier wordt in alle missen geofferd. Hij offert aan zijnen hoogmoed, geelt er zich aan oyer. Aan Themis offeren : zich met de studie der rechtsgeleerdheid bezighouden. — Offer/eest, o. en v. (-en). — OJfergave v. (-n). — Offergebed, o. (-en). — Offergeld, o. — Offergewaad, o. (..aden*. — Offergift v. ( en) - Offering, v. (-en).

— Offerkelk, ra. (-en). — Off rkist, v. (-en). — Offerkleed, o. (-eren). — Offerknaap, m. (..apen). — Offerkoek, m. (-en). — Offerkuil, m. (-en). — Offer lam, o. (-meren). — Offermaal, o. (..alen). — Offermes, o. (-sen). — Of-ferpenmng, m. (-en). — Offerplaats, v. (-en). — Offerplechligheid, v. (..heden).

— Offerpriester, ra. (-s, -en). — Of-ferschaal, v. (..alen). — Offers/een, m. l-en). — Offerstier, m. (-en). — Offerte, v. (-s). (Kooph.) Aanbieding van koopwaar tot vastgestelden prijs. Aanbod, aanbieding, voorstel. — Offervaardig, bn. — Offervaardigheid, v. — Offer-vat, o. (-en). — Offervee, o. — Offer-vleesch, o. — Offervuur, o. — Offerwet v. (-ten). — Offerwijn, m. — 'Jfferwiï-lig, bn.

ollieiaut, ra. (-en). Dienstdoende. Dienstdoende priester.

oflieie, o. (..iën, -s). Araht, bediening, betrekking. Kerkdienst, getijden : zijn officie lezen. Heilig officie, zie Inquisitie.

ofiieieel, bn. bijw. Van ambtswege, ambtelijk. Geloofwaardig, echt : een oifi-


ocr page 556

OGIE — 5c

cieel bericht. Officieel blad : het orgaan der regeering.

ofliolcd'di, ow. officieerde, heeft geofficieerd. Den dienst, de mis doen.

oflicicr, m. (-en, -s). Ambtenaar, beambte. Overste. (Krijgsw.) Die eenig bevel over krijgsvolk voert. Er TXyngene7-aal-offictef g't (generaals, luitenant-generaals en genf raal-majoors), hoofdojfficiereii (kolonels, luitenant kolonels en majoors) en officieren (kapiteins, eerste en tweede luitenants). Zie Leglt; r. — Officierensocic-teit, v. (-en). — Officierschnp, o. — Officiersdegen , m. (-s). — Officiersepaulet, v. (-ten). — Officierskinrf, o. (-eren). — Officterskleeding, v. — Officierskok, ra. (-s). — Officiersmonieering, v. (-en). — Officierspensioen, o. (-en). — Officiersplaats, v. (-en).— Officiersrang, m. (-en). — Officiersroeier, m. (-s). (Zeew.). — Officiersslo-p, v. (-en). — Officierstafel, v. (-s). — Officierstemie, v. — Officierstraktement, o. (-en). — Officiersuniform, v. — Officiersvrouw, v. (-en).

ofiicieaa, bn. biiw. Gedienstig, bereidwillig, wellevend. Op eene bloote mede-deeling vanwege de regeering berustende : een officieus blad.

ofilclna, v. (-'s). Werkplaats. Fabriek. Inz. apotheek, boekdrukkerij. — Officinaal, ..neel, bn. Geneeskrachtig. Toebereid, gereedgemaakt. — Officinalia, v. mv. Apothekeiswaren.

oflTreeren, bw. offreerde, heeft geoffreerd. Bieden. Aanbieden.

offtclioon, vw. Hoewel. Alhoewel, ofte, vw. Of (alleen in) ofte niet, ofte wel, nooit ofte nimmer.

ofpief, o. (..ven). (Bouwk.) Kruisboog

Ogief.

▼an een gewelf enz., waarvan de uitspringende armen, enz. elkander diagonaalsge-

. — OLDE

wijze in den top kruisen. Puntsp.tsboog. — Ogtefboog, m. (..ogen). — Ogivaal, bn. Spitsbogig. Puntbogig.

(^r-)gt; 1618-1689, Antwerpen. Blijspeldichter. De Seven Hooft-sonden speels-ghe wi/'s, vermakelijck en de leer-saetn vtor-gestelt (1682). — Zijne dochter {B.), 1648-1720, Antwerpen. Vervaardigde treurspelen, blijspelen, kluchten.

O Sier van Ardennen (749-820). Held uit de Karelromans, die zich onder den grooten keizer met kriigsrfiansroem overdekte en zijn leven in geur van heiligheid eindigde in 't klooster te S. Faron (Meaux).

obo, tw. Drukt luchthartige en plaagzieke spotternij uit.— Oho, o. (-'s). Uiting van spotternij.

oi, tw. Uitroep van smart, pijn, verbazing.

oir, o. Afstammelingen, nakroost in de rechte lijn.

ojief, o grief, o. (..ven). Lijstband, waarvan de kromming in dwarsdoorsnede half hol, half bol is. Is het bovenste gedeelte hol en het onderste bol, dan heet het klokojief of rechtojief en bij omgekeerde verhouding, hielqjief of verkeerd ojief. Sieraadsband aan het geschut. — Ojief, v. (..ven). Ojiefschaaf. — Ojief-schaaj, v. (..ven). Schaaf, waarvan de beitel den vorm van een ojief heeft. — Ojiefsgewyz e, ..vijs, bijw. — Ojief vorm, m. (-en). — Oj'iefvorntig, bn.

ober, v. (-s). Natuurlijke oker : ijzerhy-droxyde vermengd met leem of kalk. Wordt wegens zijne gele, roode of bruine kleur als verfstof gebruikt. — Okerachtig, bn. — Okerbleeh, bn. — Okergeel, bn. — Oker-kleur, v. — Okerkleurig, bn.

oklcernoot, okernoot, v. (vrucht); m. (boom) (..oten).— Okkernoteboom, m. {-en).Notchoom.—OkkernotelaarfTn.{-s). oksaal, o. (..alen). Hoogzaal.

oknei, m. (-s, -en). De holte onder den arm. De hoek, door twee verschillende deelen eener plant gevormd. Okselstuk. — Okselblad, o. (-eren). — Okselbloem, v. (-en). — Okselhaar, o. — Okselholte, v. ■n). — Okselreuk, m. — Okselschrooi, v. •en). Okselstuk. — Oksels pier, v. (en). — Okselstand, m. (Plantenk.). — Oksel' standig, bn. — Okselstank, m. — Okselstuk, o. (-ken). Lap, die in een hemd onder de oksels zit.

ok8lioof«i, o. (-en). Vochtmaat voor wijn, sterke dranken en bier. Als wijnmaat = 232,836 lit.; als maat voor sterke dranken = 225 lit.; als biermaat = 235,876 lit. Houten vat of ton, houdende ongeveer een okshoofd, vooral van wijnvaten gebruikelijk.

OidenbarneTeit^* van), 1547-1619, Amersfoort. Advocaat en Staatsman.Werd van landverraad beschuldigd, gevangengezet en onthoofd.

olderman, m. (-s, -nen, ..lieden). (Oudt.) Benaming van verschillende overheidspersonen (rechters, hoofden van gilden, enz.) in de Friesche en Saksische landstreken. — Older mansboek, o. en m. (en-). — Older manschap, o.


ocr page 557

OLIE — s

oleander, m. (-s). Veelsoortige, altijd groene heester. Groeit in Z -Europa en m W.-Afrika in 't wild. Wordt bij ons om de fraaie roode en witte bloemen als sierplant gekweekt. Eéne soort is vooral bekend, de getneene oleander {nerium oleander). — Oleanderachtig, bn. — Oleanderblad, o. (-eren). — O le ander bloem, v. (-en). — O le ander gr oen, o. — Oleander heesier, m. (-s). — Oleander knop, ra. (-pen). ■— Olennderpylstaart, m. (-en). Avondvlinder [sphinx nerii). Komt voor in Z.-Europa. Zijne rups voedt zich met oleanderbladeren. — Ó lean der struik, m. (-en).

oleaster, ra. (-s). Wilde olijfboom.

oloïne, v. De glycerineaether van 't oliezuur. Is een kleur-, reuk- en smaak-looze vloeistof, onoplosbaar in water, maar oplosbaar in aether of alcohol.

olie, v. (..iën). Vette, licht brandbare en gemeenlijk vloeibare stof, die uit velerlei lichamen getrokken wordt. De h. Olie, lie Oliesel. Dat is ol:e in het vuur : dat maakt de driften nog oploopendcr, den toorn heviger, den tw ist feller.— Olieachtig, bn. — O lie ach tigh eid, v. — O'iebak, m. (-ken). — Oliebeurs, v. (..zen). Verzamelplaats van handelaars in olie. — Olie-blok, o. en ra. (-ken). — Oliebol, m. (-len). Oliekoek. — Olie dik, o. — Oliedoek, m. (-en). — Oliedom, bn. bijw. Zeer dom.— Olie dop, ra. (-pen). Deksel van den oliekop. — Oliedroesevt, ra. — Oliedroppel, m. (-s). — Olie- en azijnstelletje, o. (-s).

— Ohejabriek, v. (-en). — Olie/iesch, v, (..sschen). — O lie gas, o. — Oliegat, o. (-en). Opening van den oliekop. — Oliegehalte, o. — Oliegevend, bn. — Oliegever, m. (-s). Olienaald. — Oliehandel, m.

— Olie hef, v. — Oliehoorn, m. (-en). — Olifhoudend, bn. — Oliejager, ra. (-s). Makelaartje in olie. — Oliej'as, v. (-sen). Geoliede regenjas. — Oliekelder, ra. (-s).

— Oliekoek, m. (-en). Rond koekje, bestaande uit meel enz. in raapolie gebakken. Raap-, lijnkoek. — Oliekoekenbakker, m. (-s). — Oliekoekenbakster, v. (-s). — Oliekcekenkraam, v. en o. (..amen).— Oliekoop, m. (-en). Benaming van rondzwervende Duitsche en Hongaar-sche kwakzalvers. — Oliekooper, ra. (-s).

— Oliekop, ra. (-pen). (Stoomw.) Trechtervormig olievat, dienende tot het smeren van eenig deel van het werktuig. Soort van pijpekop. Manspersoon, wiens gezicht als een oliekop gebruind is. — Oliekruik, v. (-en). — Olielakvernis, o. — Olielamp, v. (-en). — Olielap, m. (-pen). — Olieloop, m. (-en). (Stoomw.). — Oliemaal, o. (..alen). Maal, door de dekens aan de geestelijken gegeven, als deze de nieuwge-wijde h. Olie komen halen. — Oliemaat, v. (..aten). — Oliemoer, v. — Oliein--len, m. (-s). — Oliën, bw. oliede, heeft geolied. Met olie bestrijken of daarmede laten doortrekken.— Olienaald, v. (-en). (Horl.) Naald, waarmede olie ineen uurwerk wordt gebracht. — Oliepapier, o. Doorschijnend papier. — Oliepers, v. (-en). — Oliepit, v. (-ten). — Olieplaiit, v. (-en). Olieachtige plant. — Oliepot, m. (-ten). — Olierijk, bn. — Oliesel, o. « Een Sacrament, in

7 - OLIJ

hetwelk door de h. Zalving de zieken iii' hunne ziekten en hunnen uitersten nood verlicht en geholpen worden. » — Olieslager, ra. (-s). — Olieslagerij', v. (-en). —-O He slim, bn. bijw. Oliedom. — Oliesprei, v. (-ën). Olieloop. — Oliespuit, v. (-en). (Stoomw.). — Oliestamper, m. (-s). Olieslager. — Oliestampery, v. (-en). — Olie-steen, ra. (-en). Zachte slijpsteen, die met olie bevochtigd, gebruikt wordt tot het scherpen van scheermessen, enz. — Oliestel, o. (-len). — Oliestclletje, o. (-s). — O He suiker, v. Oliezoet. — Olieton, v. (-nen). — Olievat, o. (-en). — Olieverf, v. (..ven). Verfstot met olie vermengd en fijn gewreven. — O lieverkooper, ra. (-s).

— Olieverkoopster, v. (-s). — O liever nis, o. — Olievet, o. Oleïne. — O lie vlak, ..vlek, v. (..ken). — Olieweger, m. (-s).

— Oliewijding, v. (-en). — Olie-winkel, ra. (-s). — Oliezaad, o. Zaad, waaruit olie wordt verkregen. — Oliezoet, o. (Scheik.) Kleurlooze vloeistof. Is reukeloos en heeft een suikerzoeten smaak. Scheidt zich uit de meeste vetsoorten bij verzeeping af. — Oliezuur, o. (Scheik.) Eénbasisch zuur, dat kleur-, reuk- en smaakloos in zuiveren toestand is, bij 40 vast wordt en oplosbaar is in alcohol en aether.

ollfan t, ra. (-en). Een der grootste zoogdieren. Behoort tot de snuitdieren. Is door zijn verwonderlijk lichaamsgestel, zijne sterkte en leerzaamheid een van de merkwaardigste dieren. Bezit een zeer langen snuit, geene hoektanden en wel snijtanden in de bovenkaak, welke bijzonder lang zijn en slagtanden genoemd worden. De Afri-kaansche olifant: elephas Africanus, de Sumatraansche olifant: elephas Sumatra' nus, de Indische olifant: elephas Indicus. Van eene mug eenen olifant maken. — Olifant a ch tig, bn. — Olif a n tenja ch t, v. (■en).— O li fantenj'ager, ra. (-s).— Oli-Jantenkraal, v. (..alen). Afgeschutte plaats, waarin zich olifanten bevinden. — O/ifantenvanger, m. (-s).— Olifantenvangst, v. — Olifantsbeen, o. (-deren), Been van eenen olifant. Dik been. Elpenbeen, ivoor. — Olifantshuid, v. (-en). — Olifantskever, ra. (-s). Zeker schadelijk insect. — Olifantsleider, m. (-s). — Oli-fantsluis, v. (..zen). — Olifantsorde, v. (-n). Uenaraing van twee ridderorden, eene van Denemarken en eene van Siam. — Olifantspapier, o. Zekere groote soort van papier, inz. teckcnpapier. — Olifants-ridder, m. (-s).— Oiifantssnuit, ra. (-en).

— Olifantstand, ra. (-en). — Olifantstor, v. ( ren). Olifantskever. — Olifantstromp, v. (-en). — OHJontsvoet, ra. (-en). Klimplant (testudinaria elephantipes). Groeit aan de Kaap de Goede Hoop. Wordt door de Hottentotten in geval van nood gegeten. — Olifantsziekte, v. Knobbelachtige raelaalschheid.

olig-sireliie, v. _ Adelsregeering. — Oligarchisch, bn. bijw.

oiur, v. (vrucht) ; ra. (boom) (..ven). — Olijf ach tig, bn. — Olijf acht igen, v. mv. Planten familie. — Oliffachtigheid, v. — O lijf bak, ra. (-ken). — Olijfberg, ra. (-en). Berg, met olijfboomen beplant. Berg, be-


ocr page 558

OM — 5

oosten Jeruzalem, waar de Zaligmaker, door Judas verraden, aan de soldati n werd overgeleverd. — Olijfblad, o. (eren, ..blaren). — Olvfboom, m. (-en). Boom {olea enrqpcEo). Wordt algemeen in 'tZui-aen van Europa gekweekt. Groeit langzaam en bereikt een hoogen ouderdom. De vleezige vruchten zijn donker bruinachtig groen en leveren de olijfolie op. Tak van den olijfboom. — Olyfbosch, olyvenbosch, o. en m. (..sschen). — Olyfbrtiiit, bn. o.

— Olijfgaard, olijvengaard, ra. (-en). — Olijf gom, v. — Olijfgroen, bn. o. — OlyJ-hof, m. (..oven). — Ölyfkleur, v. — Olyf-k leur tg, bn. — Olijfkrans, m. (-en). — Olijfolie, olijven olie, v. — Oly fschelp*, v. (-en). Olijfvormige schelp. — Olijfsteen, m. (-en). — Olijf struif, m. (-en). — Olijftak, ra. (-ken). — Oliffvervig, bn. — Ohj/vortnjg, bn. — Olijven, bw. olijfde, heeft geolijfd. Eene olijfkleur geven. — O lijve ngn arde, v. (-n). — Olijvenhoui, o. — Oly venmoes, o. — O lijve n oogst, m. (-en). — Oly venters, v. (-en). — Oly-venplantsoen, o. (-en). — Olijventyd, m.

— OlyventuiM,m, (-en).

Olingrer i^.), 1794-1873, Bettborn (Groothertogdom Luxemburg). Priester. Franseh- Vlaemsch en Vlaemsch-Fransch Woordenboek (1843).

ollsi-podrida, v. Mengelmoes.Poespas. Hutsepot.

olm, m. (-en). Plantengeslacht {ulmus). De meest belangi'ijke soort bij ons is de gewone olm (ulmus carnpestris). Bereikt eene hoogte van 20 a 30 met. Wordt vooral gekweekt om zijn hout. — Olni-boont, m. (-en). — Oltnbosch, o. en ra. (..sschen). — Olmboomen, bn. — Olmen, bn.— Ohnenbosch, o. en ra. (..sschen).— Olmhout, olmenhout, o.

olm, v. Roode olm : een der gevaarlijkste ziekten in het timmerhout. Witte olm : minder verderfelijke ziekte dan de roode olm.

ologrrsipliisell, bn. Eigenhandig : een olographisch testament.

01tm:iiiN [J. F.), 1806-1854, 's Graven-hage. Romanschrijver, 't Slot van Loeve-stein (1833); de Schaapherder I1838).

Olymi», m. (Oudt.) Benaming van eenen berg in Thessalië (thans Lacha genoemd). (Myth.) Woonplaats der goden. (Dicht.) Al de goden. — Olympisch, bn.

0111, vz. Drukt de betrekking uit van voorwerpen, die zich bewegen, enz. in eenen kring, ten opzichte van een ander voorwerp, dat zich binnen den kring bevindt (hij heeft eenen gordel om het lijf); nabijheid (hij zit den heelen dag om mij) ; herhaling (om de maand); afwisseling (beurt om beurt); verwisseling (oog om oog en tand om tand) ; de beweegreden eencr handeling (doe het om deze reden); een doel (bidden om hulp) ; bestemming (de mensch is bestemd om te sterven); eene strekking (hij is geschikt om dienst te nemen). Om de Noord, naar de noordelijke streken varen. Omstreeks, omtrent : om den middag. Ongeveer : hij is om de zeventig. Om den dood niet : volstrekt niet. Om niets ter wereld : voor geenen prijs hoege-

8 — OMBE

naamd. 'tls mij om het even : 't is mij volkomen hetzelfde. lem. om het leven, om (den) hals brengen, helpen : iem. van het leven berooven. Bijw. Doe gauw uwen mantel om (het lijf). Om zijn : langer zijn dan een andere (van eenen weg). Voorbij : het uur is om. Van richting veranderd zijn : de wind is om. Van meerderheid veranderd zijn : de Kamer is om. Om en om : beurt om beurt.

oma, v. (-'s). Grootmama, omsidcmeu (Sch.) bw. Met eenen ademtucht omveiblazen. (Onsch.) Rondom beademen. — omaUUeron (Sch.) bw. Omploegen. Omwerken. Omakkering, v.

OmnliiiN «Tllalloy (J. B. J. d')t 1783-1875, Luik. Geoloog. Geologie universe 11* .

omsii'beldcn (Sch.) bw. Zóo bewerken, dat de grond wordt omgewoeld. Omploegen. Omwerken. Omarbeiding, v. — omstrmen (Onsch.) bw. Met de armen omsluiten, als teeken van liefde of gehechtheid. Den dood omarmen : onbeschroomd te gemoet gaan. Omarming, v. (-en). — omurren. Zie Omnarren. — omstse-men (Sch.) bw. Omademen. — ombstb-bclen (Sch.low. Her- en derwaarts babbelen (over). Erin ombabbelen : in 't wilde over iets babbelen. Bw. Iets babbelend rondvertellen. — ombakMOit (Sch.) bw. (Zeew.) Zijdelings richten (een stuk geschut) .

omballingr, v. Al wat tot het inpakken van koopwaren gediend heeft. Afval van een geslacht beest. Onnut huisraad. Bijkomende zaken van geringer waarde.

ombsmeii (Sch.) ow. Omslenteren, omdrentelen (in studententaal). — omba-zulneii (Sch.) bw. Door de bazuin aankondigen. Met ophef rondvertellen. — ombedcleii (Sch.) ow. Bedelende rondzwerven. — ombellcu (Sch.) bw. Door de bel bekendmaken.

omber, v. (-s). Donkerbruine vette aardsoort. Wordt als verfstof gebezigd. — Omber bruin, bn. — Omberkleur, v. — Omber kleurig, bn.

omber, m. Zeker kaartspel, van Spaan-schen oorsprong, (-s) De persoon, tegen wien de twee andere spelers spelen. — Om-beraar, m. (-s). Oraberspeler. — Omber-aarster, v. (-s). —Omberdoos, v. (..zen).

— Omberen, omberde, beeft geomberd. Ow. Eene partij omber spelen : willen wij nog wat omberen. Bw. Een spel omber spelen. — Ombergezelschap, o. (-pen). — Omber kaar ten, v. mv. — Omber krans % m. (-en). — Omberparty\ v. (-en). — Omberspel, o. (-en). Gewone benaming van omber. — Omberspel, o. (-len). Spel kaarten, om mede te omberen. — Omber-speler, m. (-s).— Omber speelster, v. (-s).

— Ombertafel, v. (-s).

ombervlaeli, m. (..sschen). Veelsoortige familie van visschen. De gewone soort komt in de Middell. Zee en in de Noordzee voor.

ombervosd, ra. (-s). Zekere moerasvogel (scopus umbretta). Behoort tot de familie der reigers (Z.-Afrika).

ombeukeu (Sch.) bw. Door beuken


ocr page 559

OJIBR — 5

om v PT werpen. — ombcuxclon (Sch.) ow. Beuzelend omloopen. Met nietigheden den tijd dooden. — omby ten (Sch.) ow. Zich omwenden en bijtf n. — oiiil»i»4ieii (Sch.) bw. Rondom zich of iets anders binden. Iets anders binden, opd;it het beter bevestigd weze. (ünsch.) Bw. Iets of iem. meteenen band omsluiten. Ombinr/tng, v. (-en). Ombindsel, o. (-s).—

(Sch.) ow. Omslaan (een blad van een boek). — outlgt;laidc 1*4*ii (om bS si ren) (Sch.) ow. Hier en daar in een boek kijken. Bw. De bladen van een boek hier en daar omslaan. — ontbladeren (Onsch.) bw. Iets, vooral het hoofd, met bladeren omkransen. — ontblaxen (Sch.) bw. Omverblazen. Met een blaastuig alom bekendmaken. — om blijven (Sch.) ow. (zijn) Om het lijf blijven (van kleedin^stukken, enz.). — otnblikken (Sch.) ow. Omzien. Omkijken. — omblinken (Onsch.) bw. (Dicht.) Met blinkenden lichtglans omgeven. — ontbloeien (Onsch.) bw. (Dicht.) Met bloemen en bloesems omringen (een veld, heuvels, enz.). — ontbloten (Onsch.) bw. (Dicht.) Blozend omgeven (van pers. en zaken).

omboelit, v. (-en). De omgebogen kant van een voorwerp.

ontboenen (Sch.) bw. Overal boenen. Door boenen doen vallen. Otnboening, v. — omboeren (Sch.) ow. De kaarten omgeven, totdat elk der spelers eeneu boer gekeerd is. — ombollen (Sch.)ow. (zijn) Van meening of partij veranderen. Bw. Bollend omwerpen : eenen staa»c ombollen.

ombolHterd, bn. Met eenen bolster omsloten (van vruchten). Ongevoelig.

oinbolwerkon (Onsch.) bw. Met een bolwerk omsluiten. Beschermen, beschutten. Aan alle kanten insluiten. — om-bonken (Sch.) ow. In alle richtingen bonken ^op). — ontbonzen (Sch.) bw. Met eenen bons omverwerpen, doen vallen. Ow. (zijn) Bonzend omvervallen. Met eenen bons omstorten. — omboomen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met een vaartuig al boomende varen langs eene aangewezen plaats, — omboorden (Sch.) bw. Rondom met een boordsel beleggen. In den ▼orm van eenen boord of rand maken. (Onsch.) Bw. Met eenen boord omsluiten. Met eenen zoom van eene andere stof of kleur beleggen. Als met eenen boord omgeven ; eeuwig ijs omboordt de kroon der Alpen. Omboord, bn. (VVapenk.) Omgeven met eenen rand, die smaller is dan de gewone zoom. Omboording, v. Otjiboord-sel, o. (-s, -en). — ombottelen (Sch.) bw. Flesschen, enz. overgieten. Oi/ibotte-ling, v. — om boutven (Sch.) bw. Ingeval van misgewas opnieuw bouwen.(Onsch.) bw. Met gebouwen omringen. Ombon-wtrtg, v. — ombrassen (Sch.) bw. Door middel van den bras (de ra en het zeil) omhalen. — ombrcicn (Sch.) bw. Omvlechten. Omkransen.

ombrelle,v. (-s). Zonnescherm, ombrens^*» (Sch.) bw. Rondbrengen : nieuwspapieren ombrengen. (Zeew.) Omwenden: den steven ombrengen. Doorbrengen, verkwisten : waarmede zou hij

9 — OMDR

zijnen tijd ombrengen? Om het leven brengen : van het leven berooven. Ombrenqer, m. (-s). OmbreyigtfiQ, v. Ombrengs/er, v. (-s). — ombrieMelten (Sch.) ow. Brie-schend omloopen. (Onsch.) Bw. Brieschend rond iets heen loopen. — oiitbrommou (Sch.) ow. Brommend her- en derwaarts loopen. — ombrnien (Sch.) bw. Onbesuisd omverwerpen. Ow. (zijn) Plotseling omvallen. Met geweld omverstorten. — om bruisen (Sch.) ow. Bruisend omvloeien (inz. gezegd van den bloedstroom, van hartstochten, enz.). (Onsch.) Bw. Ora iets heen stroomen met aanhoudend gebruis. — ombrulten (Sch.) ow. Brullend rondloopen. (Onsch.) Bw. Om iets heen loopen met aanhoudend uebrul. — ombriiHnen (Sch.» bw. Ombruien. — onibuigren (Slt;h.) bw. Iets, dat recht :s in eene bocht zetten. Iets, dat gebogen is eene andere richting geven. O . (zijn) Buigen. Een gebogen stand bekomen. Om-butgvig, v. (-en). — om bui telen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Buitelend omvallen. Eene buiteling maken. Ombnitelin^, v. (-en). — ombulten (Sch.) bw. Ruilen. Ow. Eenen ruil doen.— onibulderen (Sch.) ow. Razend en tieren 1 omloopen. (Onsch.) Bw. Om iets heen bulderen. — omeirkelen (Onsch.) bw. Iets met eenen cirkel omsluiten.— omdammen (Onsch.) bw. Met eenen dam omzetten. Omdamming, v. (-en). — om dansen (Sch.) bw. Dansend (iem. of iets) onder den voet werpen. Ow. (hebben zijn) In de rondte dansen. Om iets heen dansen. In 't wilde rondspringen. IOnsch.) Bw. Iets of iem. dansend omgeven. Omflikkeren, omspelen (van licht, enz.). — omdartelen (Sch.) ow. Dartelend om iets heen loopen. Her- en derwaarts dartelen. (Onsch.) Bw. Iem. of iets dartelend omgeven.

omdat, vw. Vermits. Dewijl. Naardien, ontdaveren (Onsch.) bw. Een daverend geluid om iets heen aanheffen. — ontdeelen (Sch.) bw. Ronddeelen. Omdeeler, m. (-s). Omdteling, v. (-en). Omdeehter, v. (-s). — ontdelven (Sch.) bw. Zoo delven, dat de aarde onderstboven gekeerd wordt. (Onsch.) Bw. Iets als met eene uitgegraven gracht omringen. Aan alle kanten met iels over-dekkeu. Omdelving, v. — omdUken (Onsch.)bw. Met eenen dijk omzetten. Ovi-dijking, v. (-en).—omdobberen ^Sch.) ow. Zonder stuur of koers op en neder drijven. Her- en derwaarts drijven. — omdoen (Sch.) bw. Omwinden, omslaan : zij deden hem een purperen mantel om. Los omwinden : doe er een doekje om. Omploegen, omwerken,omspitten.— omdolen (Sch.) ow. Omdwalen. Omzwerven. (Onsch.) Bw. Om iets heen dolen. Omdoling, v. (-en). — omdonderen (Sch.) ow. (zijn) Met een donderend geraas omverstorten. Plotseling en met geweld omvallen. Bw. Met donderend ireweld omverwerpen. — omdossen (Onsch.) bw. Iets als met eenen dos bekleeden. — «kniel ouwen. Omduwen. — omdraaien (Sch.) ow. (zijn) In de rondte draaien. Oia


ocr page 560

OMEG — 5

zijne as of in eencn cirkel bewogen worden. In tegenovergestelde richting draaien: de wind is omgedraaid. (Zeew.) Wenden, opnieuw wenden : achter zijn anker omdraaien. Van gezindheid of partij veranderen. Bw. Iets in de rondte draaien, om zijne as bewegen zoodat het den geheelen kring doorloopt. Iets draaiend bewegen. Eenen hoek omdraaien : onder het rijden, loopen, enz. eenen draai maken en daardoor om eenen hoek heengaan. Het slot omdraaien : de deur openen met den sleutel links of rechts te draaien. Den hals, den nek omdraaien : dooden. Zich omdraaien, ww. Het hoofd of het lichaam achterwaarts draaien. Omdraai, m. (-en). Het omdraaien. Omdraaiing. Plaats, waar een weg eenen omdraai maakt. Omdraai-ing, v. (-en).—oiiKlragcn (Sch.) bw. Ronddragen. Dragend ombrenpen. In processie dragen. Onidracht, v. Het omdragen. Het plechtig ronddragen van heilige zaken, (-en) Processie met het Allerheiligste. Omdraiiing, v. — om draven (Sch.) ow. (zijn) Dravend rondloopen. Her- en derwaarts draven. Bw. Dravend omverwerpen. — oiiKlrcntclcu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Her- en derwaarts drentelen. — oiitdribbclcn (Sch.) ow. (hebben, zijn) Dribbelend her- en derwaarts loopen. — omdruveu (Sch.) ow. (zijn) Om ie:s heen gedreven worden. Door den wind langs den hemel rondgedreven wor-dm. Her- en derwaarts drijven. Bw. Iets ot iem. ergens omdrijven. Iets door aanwending van kracht in de rondte bewegen. Iets her- en derwaarts drijven. (Onsch.) Bw. Iets (vooral gouden of zilveren voorwerpt n) met drijlwerk voorzien. — om-dril Icn (Sch.) bw. Iets met de hand snel ronddraaien. Ow. (zijn) Drillend ronddraaien. — omdrlnsrcu (Sch.) bw. Door dringen in de rondte drijven. Door dringen omverwerpen. — omdriukcM (Sch.) ow. Naar de rij afdrinken (vroeger, als de romer nog rondging). Bw. Den romer aan tafi-1 laten rondgaan. — om drogen (Sch.) bw. Aan alle kanten drogen. — omdrnipen (Onsch.) bw. Rondom bedruipen. — omdniliken (Sch.) bw. Omverdrukken. Door drukken in eene andere richting brengen. (Onsch.) Van alle kanten drukken. — oiiidulkeleu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Zich duikelend ronddraaien. Omvallen, omrollen. — omdul-ken iSch.) ow. (zijn) Vooroverbukken en z:ch plotseling omwenden. — omduwen (Sch.) bw. Door duwen omverwerpen. Met eenen duw omstooten. — omdwalen (Sch.) ow. Dwalend omgaan. Omzwerven. De aandacht over allerlei onderwerpen laten gaan : met zijne gedachten in het verledene dwalen. Omdwaling, v. (-en). — omdwarrelen (Sch.) ow. Dwarrelend her- en derwaarts bewogen worden. Om dwarreling, v. — omd wellen (Sch.) ow. Rondslenteren. — omdwln-BTen (Sch.) bw. (Van een paard, enz.) Met kracht dwingen zich om te wenden.

omeura, v. (-'s). Naam der laatste letter in het Grieksch alphabet. Zie Alpha, omes^en (Sch.) bw. Zóo met de egge

3 — OMGI

bewerken» dat de grond omgewoeld en geslecht wordt. — Omezging, v.

omelet, v. (-ten). Eierkoek. Eierstruif,

omen, o. Voorteeken.

omfladderen (Sch.) ow. Her- en derwaarts fladderen. (Onsch.) bw. Zich fladderend om iem. of iets bewegen. — om flikkeren (Onsch.) bw. Iem. of iets flikkerend omgeven. — omflodderen. Omfladderen. — omfloersen (Onsch.) ow. Iets met een floers omhangen of omgeven.

— o in flonkeren (Onsch.) bw. Iem. of iets met zacht schitterenden glans omstralen. — omflniten (heb.) ow. Al fluitende rondloopen. — omfutneleit (Sch.) ow. Futselend omloopen. Met nietigheden den tijd dooden. — omgaan (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om zijne as draaien : het rad is tweemaal omgegaan. In eenen kring rondgaan : alles scheen met mij om te gaan. Eenen weg ommaken : hij is twee uren omgegaan. Gebeuren, geschieden ; er gaat daar heel wat om! Voorbijgaan : de nacht ging om. Her- en derwaarts gaan : hij gaat om als een brieschende leeuw. Rondgaan, omloopen : zij zullen in de straten omgaan. Met kinders omgaan. Behandelen : met paarden omgaan. Verkeeren: hij gaat altijd met den grooten man om.Bejegenen: vriendelijk met iem. omgaan. Met leugens omgaan : gewoon zijn te liegen. Ombuigen (van de snede van een mes). Omvallen * gij zult de lamp doen omgaan. (Onsch.) Bw. (Dicht.) In eenen kring om iem. of iets heengaan : Jezus omging alle steden en vlekken. Omgang, m. Het omgaan. Gezellig verkeer. Verkeer, (-en) Gang,waarop men om een gebouw kan gaan. Plechtige optocht langs een vooral bepaalden v.eg, inz. plechtige processie. Om£aquot;gskermis, v. (-sen). Omgangskruis, o. (-sen). Omgangstaal, v. Dagelijksche spreektaal, O mg ank (e) lijk, bn. Gemakkelijk van omgang. Gezellig in het dagelijksch verkeer.

— oinsrapen (Sch.) ow. Met open mond her- en derwaarts om zich henen zien.

omgrelanden, m. en v. mv. Evenaars of eigenaressen van de landen om een water, enz. gelegen.

omi^eleffen, bn. Rondom gelegen. Omliggend : de omgelegen dorpen.

omgrespen (Sch.) bw. (Van lijfssieraden, enz.) ze een ander of zich zeiven om het lijf of om een lichaamsdeel gespen.

oniKetogen, veil. deelw. van om-tiegen.

om geuren (Onsch.) bw. Iem. of iets met eenen geur omringen. — omgeven (Sch.) In het rond geven : wie moet de kaa. ten omgeven. (Onsch.) Iets of iem. van alle kanten omringen : de ridders omgaven den vorst, de ruime mantel omgaf zijne gestalte. Rondom iem. of iets voorvallen : hoeveel gevaar omgaf ons! Zich omgeven (met) : maken, dat men aan alle kanten omringd is. Omgeving, v. Het omgeven. De kring, waarin zich iem. beweegt. De personen, in wier midden men verkeert. Gevolg.

omgezetenen, m. en v. mv. Omwoners.

omgleren (Sch.) ow. (zijn) Zich draai-


ocr page 561

OMHA — 51

end rondom een middelpunt bewegen. — oiuKiorcii (Sch.) ow. Zich gierend, huilend of loeiend bewegen ; de stormvlaag

f'crde om door het bosch. (Onsch.) (Dicht.)'crde om door het bosch. (Onsch.) (Dicht.)

en gierend geluid om iets heen doen hoo-ren. Omgiei', m. (-en). (Dicht.) Omwenteling (om een middelpunt). — omtfietcit (Sch.) bw. Overgieten in een ander vaatwerk. Door hersmelten in een anderen vorm gieten. (Onsch.) Bw. Aan alle zijden begieten. Omgieting, v. — om glanzen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met glans omgeven.

— (Sch.) ow. (zijn) Om iets heen glijden. Glijdende omdraa-'cn, omloo-pen. Allengs voorbijgaan. Uitglijden en omvallen. Bw. Glijdend omverwerpen. — omgrlinsteren (Onsch.) bw. Met een schitterend licht rondom beschijnen. _ — omvloeien (Sch.) ow. De koorts gloeide om in zijn hoofd. (Onsch.) bw. (Dicht.) Meteenen gloed omgeven. — omi^loreu (Onsch.) bw. (Dicht.) Met eenen gloor omgeven. — omsrioriën (Onsch.) bw. (Dicht.) Met heerlijkheid en luister omgeven. — omg-liiipoii (Sch.) ow. Gluipend omloopen. — omkI 11 reu (Sch.) ow. Glurend achterwaarts zien. — om grol ven (Sch.) ow. Golvend zich heen en weer bewegen. (Onsch.) bw. Iets in golvende bewfging rondom bespoelen. Iets in sierlijke plooien om iets anders hecuhanyen. Óm golving, v. —om^rooelielou (Sch.) bw. Iets door goochelen in iels anders vernnderen. (Onsch.) Bw. lem. met iets omr ngen en begoochelen. — omi^ooieu (ScK) bw. Met geweld omverwerpen. Ow. Met iets omgooien : er op eenc ruv^e wijze mede omgaan.— omg:or«l«-llt;gt;n (zxc/t), •ww. Zich omgorden. — omKortlen (Sch.) bw. Om de heupen, om de middel vastbinden (van kleedingstukken, enz.). (Or sch.) Met eenen gordel of band omsluiten (van lichaamsdeelen). Zich omgorden, ww. Zich eenen gordel of band om de heupen binden. O nig or ding, v. — omgrMb-belen (Sch.) ow. Grabbelend rondtasten.

— omsrmuvren (Onsch.) bw. (Dicht.) Jets met eene grauwe kleur omgeven. In duisternis hullen. — om Kratven (Sch.) bw. Door graven dooreenwerken, omwerken. Ow. In iets omgraven, er in omwroeten met een werktuig tot graven bestemd. (Onsch.) (Vestingb.) Met gegraven werken omgeven. Omgraving, v. (-en). — omgrenzen (Onsch.) bw. Met grenspalen rondom insluiten. Van alle kanten begrenzen. Omgrenzing, v. (-en).—omgrtln-zen (Onsch.) bw. lem. grijnzend aanstaren of bedreigen. — omgrijpen (Sch.) ow. Her- en derwaarts grijpen. In 't wilde rondtasten om iets te grijpen. Achter zich grijpen. (Onsch.) Met oenen greep omvatten. Omgryping, v. — om grim men (Onsch.) bw. (Dicht.) Met grimmige blikken van alle kanten bedreigen. — omgroeien (Onsch.) bw. (Dicht.) Aan alle kanten begroeien. — oniKroenen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met groenend loof rondom versieren. — 0111 groepen (Onsch.) bw. Groepswijze omgeven. Om-groeping, v.

omhaal, m. Omslag. Drukte. Zonder

i— OMHE

(veel) omhaal van woorden : kort en bondig. (..alen) (Schoonschrijfkunst) Sierlijke krul. Bocht, kronkeling.

omliaken (Sch.^ bw. Anders haken. Met haken nederhalen. (Onsch.) bw. lem. of iets met kracht omklemd houden. — omlialiken (Sch.) bw. Door hakken doen omvallen. Met de hak of het houweel omwerken. Ow. In of op een voorwerp omhakken, er zonder orde hier en daar in op hakken. Omhakking, v. (-en). — om-lialen (Sch.) bw. (Zeew.) Zóo wenden (een schip), dat het met de andere zijde naar den wal komt te liggen. Zóo doornt.-len (raas, enz.), dat zij over de andere zijde komen te staan. Omverhalen, omver doen vallen. Omgraven, omwerken (grond). Dlt; «Cen-, overhoophalen. Zonder orde of maat te pas brengen : wat heeft hij in dit boek eene geleerdheid omgehaald. Tot eene andere meening of partij overhalen. Eene streep zetten om iets wat geschreden of gedrukt is. Geld inzamelen. Omhaling, v. (-en).

omlialig:, bn. bijw. Met veel omhaal. Met veel drukte en omslag. — Omhahg-heid, v.

omhalzen (Sch.) bw. (Zeew.) Door middel van halzen het schip voor den wind omwenden. Ow. (zijn) Plotseling omwenden. — omhangen (Sch.) ow. bw. Anders hangen. Om iets hangen. (Onsch.) Omgeven met iets, dat hangt. Omhang, m. Omkleedsel. Omhulsel. Het lichaam of het sioftclijk omhulsel der ziel. Bijzaak. Partij. Volgelingen. Omhangerig, bn. Geneigd om in eene lustelooze houding nu hier dan daar te staan, te zitten, enz. Om-h a 11 £ frig he id, v. Omhanging, v. (-en). Omhangsel, o. (-s, -en). Omhulsel. Hangend omhulsel. Bijzaak. — omhaspelen (Sch.) ow. Met of in iets omhaspelen, er zonder orde onhandig en slordig mede te werk gaan. — omhebben (Sch.) bw. Om het lijf hebben, dragen. Hebt gij dien boom nog niet om (gehouwen) ? — om-hechten (Sch.^ bw. Om het lijf of om een lichaamsdeel hechten (van kleedingstukken, enz.). (Onsch.) Bw. (Dicht.) lem. of iets omgeven door er zich rondom aan vast te hechten.

omheen, bijw. Rondom : de dorpen, die eromheen liggen.

omheinen (Onsch.) bw. Met eene heining omgeven. Omheining, v. (-en). Omheinse/, o. (-s). — ombellen (Sch.) ow. (zijn) Door te groote hellinif omslaan. — omhelpen (Sch.) bw. Helpen omdoen. lem. om het leven helpen, van kant helpen, hem ombrengen of laten ombrengen. — omhelzen (Onsch.) bw. Met de armen om den hals vatten (als teeken van liefde, enz.). Omvatten : hij omhelsde het kruis. Vrijwillig aanvaarden : den dood omhelzen. Aannemen : een wijsgeerig stelsel omhelzen. Ter harte nemen : iemands belangen omhelzen. In beoefening brengen : de deugd omhelzen. Omhelzing, v. (-en).—omhen gelen (Sch.) ow. Metden hengel visschende een vischwater langsgaan. Her- en derwaarts hengelen (Onsch.) Bw. (Dicht.) Omzweven.


ocr page 562

OMHU — 5

omlior, bijw, Her- en derwaarts. Naar de rij af.

onilieyclcu (Onsch.) bw. (Dicht.) Met een dikken damp of nevel omhullen.

— oiiiliiukclcn (Sch.) bw. ow. (zijn) Omhinken. — oinliliikcn (Sch.) bw. De jongen kan al de kamer omhinken. Al hinkende doen omvallen. Ow. (zijn) Her- en derwaarts hinken. — om-liippclcn (Sch.) ow. (hebben, zijn) Omhippen. — omliippcii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Omhuppen. —omliocpc-len (Sch.) ow. (hebben, zijn) In de rondte hoepelen. Om iets heen hoepelen. Her- en derwaarts hoepelen. Met den hoepel spelen. Bw. Al hoepelende doen vallen. (Onsch.)Iets met eenen hoepel of meerhoe-pels omsluiten. — onihoepeii (Onsch.) bw. Eenen of meer hoepels om iets leggen.

— omliokkcu (Sch.) ow. Als in een hok met iem. leven. — oniliollcu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om eene aangewezen ruimte heen hollen. Her- en derwaarts hollen. Bw. In hollende vaart omverwer-pen.

oiuIiooüT, bijw. Naar boven. Boven.

— Omhoogbeuren, bw. (i). — Omhoog-blazen, bw. — Omhoosdryven, bw. Om-hoogdryving, v. — Om hoogdruk ken, bw.

— Omhoog-duwen, bw. — Otnhooggaan, ow. (zijn). — Omhooghalen, bw. — Om-hoogheffen, bw. — Omhooghouden, bw.

— Omhoogjagen, bw. — Omhoogkijken, ow. — Om h oog ra ken, ow. (zijn). — Om-hoogricht' n, bw. — O ju hoog m zen, ow. (zijn). — Om h oogsch iet en, bw. ow. (zijn).

— Omhoogslaan, bw. ow. (zijn). — Omhoogspringen, ow. (zijn). — Om h oogst a a n, ow. — Omhoogstaren, ow. — Omhoogsteken, bw. ow. — Omhoogstijgen, ow. (zijn). — Omhoogstuiven, ow. (zijn). — Omhoogtillen, bw. — Omhoogtrekken, bw. — Omhoogtiiren, ow. — Omhoogvliegen, ow. (zijn). — Omhoo?voeren, bw.

— Omhoogzverken, bw. Zich omhoog-•voerken, ww. — Om h oog werpen, bw. — Omhoogrvrtkken, bw. — Oinhoogwrin-gen, bw. Zich omhoogwringen, ww. — Omhoogzien, ow. — Om hoogz it te n, ow.

— Omhoogzwaaien, bw.

omliooren (Sch.) ow. Rondgaan

om naar iets te vernemen of inlichtingen in te winnen. — omlioult;len (Sch.) bw. Niet afleggen of afdoen. — omlionwon (Sch.) bw. Door houwen doen omvallen. Ombouwer, ra. (-s). Omf'ouwing, v. — omliulleii (Sch.) ow. Huilend omloopen. Huilend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. Een huilend geluid om iem. of iets heen doen hoo-ren. — oniliufTcn (Onsch.) bw. (Dicht.) Omsluieren. Omhullen. — omliuiz^u (Sch.) ow. Samenwonen (in slechten zin).

— oniliulloii ^Onsch.) bw. Omwinden : zijn hoofd met een sieraad o ubullen. Iets als met eenen sluier omgeven en voor het oog verbergen : een stofwolk omhulde hen.

(i) De samengestelde werkwoorden met

omhoog zijn scheidbaar.

2 — OMKE

Zich omhullen, ww. Zich met iets omklee-den. Omhulltng,\'. (-en). Omhulsel, o. (-s,. -en). — omlKimkcreii \Sch.) ow. Naar iets omhunkeren : rusteloos naar iets verlangen. — omliii|»|»lt;klen (Sch ) ow. (hebben, zijn) In de rondte huppelen. Om iets heen huppelen. Her- en derwaarts huppelen. (Onsch.) Bw. Iem. of iets huppelende omgeven. — omliuppen (Sch.) ow. Her- en derwaarts huppelen. — om -liutMeleu (Sch.) bw. Omschudden. Dooreenschudden. — oiiiliiitM4gt;n (Sch.) bw. Omhutselen. — omyioii (Sch ) ow. (hebber, zijn) Ijlings om een aangewezeneruimte neen loopen of rijden.

omiiieuii, bn. Onheilspellend, oiiiitfoeren, bw. omitteerde, heeft, geomitteerd. Vergeten. Uitlaten. Weglaten. Overslaan. — Omissie, v. (..iën, -s).

oiujasrcH (Sch ) bw. ow. (zijn) Terug jagen. In de rondte jagen. Om iets heen jagen. Jagend eenen omweg maken. — o mj stni in eren (Sch.) ow. Met weege-klaag omloopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Jammerend omgeven. — oiujstnkeu (Sch.) ow. Jankend her- en derwaarts loopen (van honden, enz.). Met vervelend gehuil omloopen. — oinjoelen (Sch.) ow. Joelend her- en derwaarts loopen. (Onsch ) Bw. (Dichi.) Joelend omgeven. — omju-beleu (Sch.) ow. Jubelend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Jubelend omgeven. — omksiaioii (Sch.) ow. Langs de kaai rondslenteren. — om-kstatKeu (Sch.) bw. Door kaatsen omverwerpen. — omkabbeleii (Onsch.) bw. (Dicht.) Kabbelend omstroomen. — om-kaden (Onsch.) bw. Met eene kade omgeven. Omkading, v. (-en). — omkal-len (Sch.) bw. Ompraten.

omkaiit, bn. Met eenen kant omsloten. Met eenen rand omgeven.

omkanfclen (omkeiifc-lcn)(Sch.) bw. Door kantelen omwentelen. Ow. (zijn) Kantelend omvallen. Omkanteling, v. (-en).— o nik au ten (Sch.) bw. Iets van een behoorlijken kant voorzien. Ow. (zijn) Kantelend omvallen. Omkaniiizer,o. (-s).

— omkappen (Sch.) bw. Doorkappen nedervellen. (Eenen akker) omhalen, omwoelen, ten einde het onkruid uit te roeien. Ow. In iets omkappen, er zr-nder orde hier en daar in kappen, Omkapping, v. Omkapt, bn. (Dicht.) In eene kap gehuld. — omkeeren (Sch.) bw. Onderstboven keeren. Het binnenste buiten brengen. Het achterste voorwaarts zetten. Omwenden, omdraaien : het hoofd omkeeren. Zich omkeeren, ww. Zich omwenden. Geheel en al van aard, toestand of gedaante veranderen Zich zóo wenden, dat men op eene andere zijde komt te liggen. Ow. (zijn) Om iets heen keeren. Keerende van plaats veranderen. Uitdrukking van walging, enz.: het hart^keert me om (in 't lijf). Veranderen : hij is heelemaal omgekeerd. Van gezindheid veranderen. Teiugkeeren, teruggaan, zich omkeeren en teruggaan. Omkeer, ommekeer, m. Omdraai. Verwoesting. Gewelddadige omwenteling. Alge-heele verandering. Omkeering, v. ( en).

— omkegelen (Sch.) bw. Kegelend©


ocr page 563

OMKN — 5

omverwerpen. Ow. Met iets kcKelrn, woest er mede omspelen. — omkentclcu. Omkantelen. — oiukcntot'cit (Sch.) ow. (zijn) Te ver op zijde gaan en daardoor omslaan (van schepen). — omkUken (Sch.) ow. Achterwaarts kijken. Omzien. Her- en derwaarts kijken, om zich heen kijken : rondzien. — omklsuldcn (Sch.) ow. Omknoeien — omklee«lcii (Sch.) bw. Anders kleeden. Zich ovtklcedf.n, ww. Andere kleederen aantrekken. (Onsch.) Met een kleed, enz. omgeven. Iets aan alle kanten bekleeden. Otnkleeding, v. (-en). Omkleedsel, o. (-s, -en). — om-klemmcu (Onsch.) bw. Met kracht en klem omvatten. Aan alle kanten stijf vastklemmen. (Dicht.) Aan alle kanten drukken en bezwaren. Omklemviing, v. (-en). —omklem meren (Onsch.) bw. (Dicht.) Stevig omsluiten. — oiiikle|»|»eii (Sch.) bw. Aan alle kanten met de klep bekendmaken. — omkletsen (Sch.) bw. Onbesuisd omsmijten. Met ijdel g«*klap overal bekendmaken. Ow. (zijn) M» t eenen klets op den grond neerkomen. Her- en derwaarts over iets kletsen. Op iem. of iets omkletsen, er in 't wilde hier en daar op kletsen. In iets kletsen, er zonder orde hier en daar in kletsen. — omkleven (Onsch.) bw. Klevend on3glt;-ven. — om-klimmen (Sch.) ow. (hebben, zijn) In de rondte klimmen. Om iets heen klimmen. Klimmende eenen kring om iets beschrijven. — omklinken (Sch.) bw. Door klinken (eenen nagel, enz.) omslaan. Door het klinken der bel overal bekendmaken. Ow. Met de glazen in een gezelschap rond-klinken. (Onsch.) Rondom beklinken. Om-klinking, v. (-en). — omklongelen. Omklungelen. — omkloppen (Sch.) bw. Doorkloppen rondmakt-n, ombuigen, omslaan. Ow. In iets omkloppen, er zonder orde hier en daar in kloppen. Omklopping, v. — omklOHsen. Om-klotsen. — omklofNen (Sch.) ow. Klotsend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Klotsend omgeven. —om-kluifcteren (Onsch.)bw. (Dicht) Krachtig omvatten. — omkluiven (Sch.) ow. Op i^ts omkluiven, en nu hier dan daar op kluiven. — onikliiii^elen (Sch.) ow. Met nietigheden den tijd dooden. — omklnlMen (Sch.) bw. Dooreenklutsen. Ow. In iets omklutsen, er in omkloppen. Omklulsing-, y. — omkimlkltelen (Sch.) ow. Op iets omknabbelen, er hier en daar lt;p knabbelen. — omknstsren (Ons(h.) bw. Rondom afknagen. (Dicht.) Bw. Langhaam wegschuren (van stroomend water). Omknagitig, v. — om knullen (Onsch.) bw. (Dicht) Iem. of iets knallend omgeven. — omknsiuwen (Sch.) ow. Op iets omknauwen, er r u hier dan daar op knauwen. — omkneden (Sch ) bw. Opnieuw kneden. (Onsch.) bw. Met een deeg omgeven. Zich omkneden, ww. (Dicht.). Om kneding, v. — omknellen (Onsch.^ bw. Krachtig omklemmen. Stijf ingesloten houden en beknellen. Om-knriling, v. (-en). — omknetteren (Onsch.) bw. Iets met een knetterend ge-luidomgeven. — omknevelen (Onsch.)

; — OMKR

bw. (Dicht.) Vast omknellen. — omknie-len (Onsch.) bw. (Dicht.) Om iem. of iets heen knielen. — omk niezen (om-knUzen) (Sch.) ow. Ontevreden mokkend omloopen. — omknupeii (Onsch.) bw. Iets knijpend omvatten. (Sch.) Ow. In iets omknijpen : hier en daar er in knijpen.

— omknikkeren (Sch.) bw. Door knikkeren doen omvallen. Ow. Her- en derwaarts knikkeren. Zonder orde met de knikkers spelen. — omknippen (Sch.) bw. Door knippen omverwerpen. Ow. In iets omknippen, er hier en daar zonder orde in knippen. Omknipping, v. — omknoeien (Sch.) ow. In, op, met iets omknoeien, er onhandig en slordig mede te werk gaan. In iets omknoeien, er met streken of kuiperij in knoeien. — omknofTe-len. Omknuffelen. — omknoopen (Sch.) bw. Om het lijf knoopeu. Anders knoopen. Nog eens overknoopen. Om-knooptng, v. — om knorren (Sch ) ow. Knorrend omloopen. (Onsch.) bw. (Dicht.) Knorrend omgeven. — oinkiiiiflelen (Sch.) ow. Met iem. of iets omknuffelen, er hardhandig of onbesuisd mede omgaan.

— omknut^elen (Sch.) ow. Met iets omknutsclen, er zouder orde mede knutselen, er met moeite en geduld aan werken.

— omkoeteren (Sch.) ow. Met iem. omkoeteren : koeterend met iem. zich onderhouden. Met iem. of in iets omkoeteren, er koeterend mede omspringen.— om korrelen (Sch.) Met eenen kogel omwerpen, Ow. Met iets omkogelen, er her- en derwaarts mede kogelen. — omkomen (Sch.) ow. eenpw. (zijn) Om iets heen komen. Rondkomen (met), genoeg hebben (aan). Ten einde komen : drie uren wachten ! hoe komt die tijd toch om! Toereikend zijn : het komt er poovertjes om. Om het leven komen : het leven verliezen, Ovikomst, v. Het rondgaan. Afloop ; na omkomst van drie jaren. Het verlies van het leven.— omkonkeleu (Sch.) bw. Door konkelen of babbelen van gevoelen, enz. doen veranderen. Omkon/celitig, v.

— omkoopen (Sch.) bw. Door geld, enz. tot zijn gevoelen, zijne partij, zijn voordeel brengen. Omkoop, m. Het omkoopen. Omkoopbaar, bn. Omkoopbaarheid, v. Ofnkoopeli/k, bn. Omkooprr, m. (-s). 07n-koopenj, v, (-en). Omkoopgoud, o. Omkoop mg , v. (-en). Omkoopprys, m. Om-koopster, v. (-s). — om kooien (Sch.) bw. Met kooten omverwerpen. Ow. Heren derwaarts kooten. Zonder orde met kooten omspelen. — omkorsten (Onsch.) bw. Met eene korst omsluiten. Als een korst omgeven. Omkorst, bn. Met eene korst omgeven of bedekt. Omkorsting, v, (-en).

om kond, bijw. Er omkoud zijn : reddeloos verion n zijn, het leven kwijt zijn.

om kouten (Sch.) bw. Door kouten van gevoelen, enz. doen veranderen. Om-kouting, v. — om kraaien (Sch.) ow. Kraaiend her- en derwaarts loopen. Bw. Met veel ophef aan iedereen mededeelen. omkmbbelcn Sch.) ow. In of op iets omkrabbelen, er nu hier en dan daar in of op krabben. Omkrabbeling, v. — om-


ocr page 564

OMKR — 5

krul» beu (Sch.)bw. Door krabben door-eenwerken, omwoelen, losmaken. Ow. In of op iets omkrabben, er her- en derwaarts in of op krabben. Omkrabbiug, v. Oin-krnbsel, o. — omkra^en (Onsch.) bw. (Dicht.) Met eenen kraag omsluiten. Als een kraag omgeven. — omkrulcn (Onsch.) bw. (Dicht.) Met kralen omgeven. Als kralen omgeven. — omkruu-8oii (Onsch.) Met oenen krans omgeven. Als een krans omgeven. Zt'ch omkransen, ww. Omkransing, v. (-en). — omkransen (Sch.) ow. In of op iets krassen, er zonder orde hier en daar in of op krassen. Met een krassend geluid omvliegen (van vogels). (Onsch.) Bw. (Dicht.) Al krassende omgeven. — omkrsitiwcu (Sch.) bw. ow. Omkrabben. — ouikreelcu (omkrioleii) (Onsch.) bw. Met eene kreel omzoomen. Als eene kreel omgeven.

omkreits, ommekreits, m. Omtrek. De ommekreits der aarde : de aarde in haren geheelen omvang.

oiukroukclcn (Sch ) bw ow. (zijn) Omkreuken. — omk reit keu (omkro-ken) (Sch.) bw. Iets met eene kreuk omvouwen. Ow. (zijn) Zich kreuken. Met eene kreuk zich omvouwen. — omkreu-nen (Sch.) ow. Kreunend her- en derwaarts loopen. — omkrielen (Sch.) ow. quot;Wemelen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Krielend omgeven. — omkrieleu. Omkreelen.

— omkrUsreu (Sch.) bw. Om het lijf krijgen. Om iets heen krijgen. Gedaan krijgen. Omver krijgen. Omdoen. —omki-y-ftclien (Sch.) ow. Krijschend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Krijschend omgeven. — omkryten (Sch.) ow. Krijtend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Krijtend omgeven.

— oiukriuKCleu (Onsch.) bw. (Dicht.) Kringswijze omgeven. — omkriiig:eu (Onsch.) bw. (Dicht.) Met eenen kring omgeven. Als een kring omgeven. Omkrtng, ommekring, m. (-en). Kring om een voorwerp of eene plaats getrokken. Omtrek. Omkringd, bn. — omkroczcn (Sch.) ow. (zijn) Zich krullend ombuigen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Kroezend omgeven. — om-kroken. Omkreuken. — omkrollen. Omkrullen. — omkromiuen (Sch.) bw. Krom ombuigen. Ow. (zijn) Eene kromming krijgen. Kromtrekken. Om-kromming, v. Het omkrommen. (-en) Kromme bocht. — om kronen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met eene kroon, enz. omgeven. Als eene kroon omgeven. — omkronkelen (Sch.) bw. In kronkels ombuigen. Ow. (zijn) In kronkelende beweging om iets heen loopen (van water, enz.). In kronkels ombuigen (vanbuigz. voorw.). Zich omkronkelen, ww. (Onsch.) bw. (Dicht.) Kronkelende omgeven. Om iets heen kronkelen. Omkrenkeling, v. (-en).

— omkruien (Sch.) bw. Rondkruien. Door kruien doen omvallen. Om iets heen kruien. Ow. (zijn) Met eenen kruiwagen heen en weer loopen. Kruiend eenen omweg maken. — omkruinielen (Sch.) ow. Met iets omkruimelen, het zonder orde aan kruimels breken. Met of in iets om-kruimelen, er kruimelend mede te werk

|. — OMLA

gaan. —omkrninen (Onsch ) bw. Met eene kruin, eenen kring haar, omsluiten.

— omkruipeu (Sch.) ow. (zijn) Rondom iets kruipen. Her- en derwaarts kruipen. Traag en langzaam omloopen : de uren kruipen om. Bw. Kruipend omstoo-ten. (Onsch.) Bw. Kruipende omgeven. — omkruisen (Sch.) ow. Hier en daar met een gewapend schip op zee varen. — omkrniven (Onsch.) bw. Met eene kruif omgeven.—om kruHen 'om k rol • len) (Sch.) bw. Krulswijze ombuigen, üw. (zijn) Zich krulswijze ombuigen. (Onsch.) Bw. Krullend omgeven. Omkrullin^, r. (-en). oinknieren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Op zijn gemak om iets heen wandelen. Zonder bepaald doel kuieren. Kuierend eenen omweg maken. Omkuieringt v. (-en). — omkuipen (Sch.) ow. Kuipende rondloopen. (Onsch.) Bw. Met banden en hoepels omgeven. — omkiinnen (Sch.) ow. bw. Wordt slechts gebruikt met weglating van een ander vverkw. : die das kan niet om (gedaan worden). — om-kuMMen (Sch.) ow. Op iem. kussen, in 't wilde op hem kussen. In de rondte kussen. — omktvaken (Sch.) ow. Kwakend omloopen. — omkivsikkelen (Sch.) ow. Voortdurend kwakkelen. — om-kwstkken (Sch.) ow. (zijn) Zoo hard omvallen, dat het eenen kwak geelt. Met iets omkwakken, er zonder orde mede te werk gaan, zoodat het met eenen kwak op den grond nederkomt. Bw. Met kracht omwerpen, zoodat het eenen kwak geelt. — omkwunselen (Sch.) ow. Ruilen. Ow. Eenen ruil doen. — om kwezelen (Sch.) ow. Kwezelend met iem. omgaan. — om-knlNpelen (Sch.) ow. Kwispelend omloopen. (Onsch.) Bw.Kwispelend omgeven.

omluafir, bijw. Naar de laagte. Naar beneden. Nederwaarts. — Omlaagbren-gen, bw. (i). — Omlaaqbmgen bw. — Omlaagdalen, ow. (zijn). — Omlaag-drukken, bw. — Omlaagduwen, bw. — Omlaaggaan, ow. (zijn). — Omlaaghou-den, bw. — Omlaagkyken, ow. — Om-laagnemen, bw. — Om laag rukken, bw.

— Om la ngsch ielen, ow. (zijn). — Omlaagslaan, bw. ow. (zijn). — Omlaag-seringen, ow. (zijn). — Omlaagstor/en, bw. ow. (zijn). — Omlaagirappen, bw. ^ Om la ag treden, bw. ow. (zijn). — Om-laagvallen, ow. (zijn). —0gt;?ilaagvagt; en, ow. (zijn), — Omlaagvliegen, ow. (zijn). —Omlaagvoeren, bw.—Omlaagzien, ow.

omlsi«len (Sch.) bw. Overladen. Anders laden. Ontlading, v. — omlanden (Sch.) bw. Rondgeven. — oinlaten (Sch.) bw. Niet afdoen. Wordt ook gebruikt met weglating van een volgeud werkw. : moeten wij dien paal om laten (liggen) ? — omlauweren (Onsch.) bw. Met lauweren omgeven, bekronen. — om-laveeren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Heren derwaarts zeilen. Laveerend rondzei-len.

(i) De samengestelde werkwoorden met omlaag zijn scheidbaar.


ocr page 565

OMLO — 5

omlcfir, m. (-gen). Zijwaartsche ombuiging. Omslag, zoom.

(Onsch.) bw. Met een leger omsli iten. Omringen door er om heen gelegerd te zijn. Omringen. O/nlegering, v. (-en). — oiulcggen (Sch.) bw. Rondom leggen, omgeven. Overleggen ; eenen slag omleggen. Anders leggen : leg die

f»lank om. Óp zijde leggen : een schip om-eggen. Wenden : eene schuit omleggen. Omslaan : e(ajen spijker omleggen. Omdee-len : de kaarten omleggen. ö\v. Uit eene anJere richting beginnen te waaien.»lank om. Óp zijde leggen : een schip om-eggen. Wenden : eene schuit omleggen. Omslaan : e(ajen spijker omleggen. Omdee-len : de kaarten omleggen. ö\v. Uit eene anJere richting beginnen te waaien. Zich cw/é^^^ww.(Onsch.)bw. Rondom beleggen, omgeven. Omlegging, v. Oinlegsel, o. (-s, -en). — omleido» (Sch.) bw. Eenen omweg doen maken : het water omleiden. Met zich in gezelschap omvoeren : hij leidt overal zijn zoontje met zich om. Rondleiden : iem. in de stad omleiden. Om iets heen leiden. Verschalken, bedriegen : hij wist hem aardig om te leiden. Omleiding, v. (-en). — ouilekkcii. Omlikken. — omleppcii (Sch.) bw. Omschoppen. Ow. In of op iets omleppen, er nu hier en dan daar in of op leppen.— omleutercn (Sch.) ow. Leuterend omloopen. Met iets omlenteren, er zonder orde beuzelend mede te werk gaan. Her- en derwaarts over iets leuteren. Er in leuteren : in 't wilde over iets leuteren. — omleveu (Sch.) ow. Zonder plan enz. voortleven. Met iem. of iets omleven, er zonder plan of doel mede leven. — oiulezeii (Sch.) ow. Zonder orde hier en daar lezen : in e ^n boek om-lezen. — oiulieliien (Onsch.) bw. (Dicht.) Lichtendomgeven.— omliegeu (Sch.) ow. Er in omliegen : in 't wilde over iets liegen. — omli^ifeu (Sch.) ow. Omgevallen zijn : het rijtuig lag om. Zijwaarts omgebogen en daardoor stomp zijn : de snede van het mes lag om. Anders gaan liggen. Rondom liggen : de landen, die om de stad liggen. Omliggend, bn. Rondom liggend. Omgelegen. — oiulÜMteu (Onsch.) bw. Met eene lijst omgeven. Om-lysiinR, v. Plet omlijsten, (-en) Lijst. — omlikken (Sch.) bw. Aan alle kanten belikken. Door belikken omgooien. Ow. In of op iets omlikken : nu hier dan daar in of op likken. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Likkend omgeven. — omlispelen (Onsch.) bw. (Dicht.) Lispelend omgeven. — om-lobberen (Sch.) ow. Omploeteren. — omloddereu (Sch.) ow. Doelloos lodderen. — omloeien (Sch.) ow. Loeiend • omloopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Loeiend omgeven. — omloeren (Sch.) ow. Loerend rondzien. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Ter sluik aan alle kanten bekijken. — omlol-len (Sch.) ow. Lollend her- en derwaarts loopen.— omlommeren (Onsch.) bw. Met lommer omsluiten. Met schaduw omgeven.

omloor«l, bn. Met loof omgeven.

omloofien (Sch.) ow. (zijn) Om zijne as loopen : het rad is vanzelf omgeloopen. In eenen kring loopen : hij is de stad driemaal omgeloopen. Hier en daar loopen : overal met de schaal omloopen. Eenen o oweg maken : drie uren omloopen. Eene andere richting nemen : de wind is omge-

5 — OMME

loopen. Het hoofd loopt mij om : ik word er duizelig van. Bw. Door loopen omverwerpen : hij liep er alles om. (Onsch.) Bw. Om iets heen loopen. Omloop, m. Het omloopen. Het omvloeien. Het omgaan van hand tot hand : goud geld is weinig in omloop, (-en) Rondloopende galerij aan de buitenzijde van een gebouw. (Geneesk.) Fijt : omloop aan den vinger. Deel van het buik vlies (bij runderen en schapen), waaraan de ingewanden bevestigd zijn. Kring, waarin iem. zich beweegt. Om-looóet', m. (-s). Rondlooper. Broek der trelcpaarden. (Weverij) Kettingboom. 07n-loopery, v. Om looping, v. Omloopster, v. (-s). Omloopstijd, m. (-en). — oitilooveren (Onsen.) bw. Met loovers omgeven. Als met loovers omgeven. — omlniden (omlnien) (Sch.) bw. Met klokgelui bekendmaken. — omluieren (Sch.) ow. Luierend omloopen. — omluiken (Onsch.) br.*. Omsluiten. — omliiipen (Sch.) ow. Luipend, gluipend omloopen.

— omluisteren (Sch.) ow. Luisterend her- en derwaarts loopen. — o ml ui.s teren (Onsch.) bw. (Dicht.) Met luister, glans omgeven. Zich omluistercn (met) : zich aan alle kanten met iets als met eenen glans omgeven. — omlnllen (Sch.) ow. Er in omlullen : in 't wildo over iets babbelen. — omlanimelen (Sch.) ow. Lummelend her- en derwaarts loopen. — onilunderen (Sch.) ow. Lunderend omloopen. — omluiven (Onsch ) bw. Met luwte omgeven. — ommsiken (Sch.) bw. Omploegen. Omgraven. Omspitten.— om-inulen (Sch.) ow. Als in eenen maalstroom in de rondte bewogen worden. Suffend en mijmerend omloopen. Met iets ommalen, er doelloos mede omtalmen. — ommnllen (Sch.) ow. Mallend omloopen. — ommunsrelen (Sch.) bw. Ruilen. Ow. Eenen ruil doen. — ommmite-len (Onsch.) bw. (Dicht.) Met wallen, dijken, enz. omsluiten. Ommanteling, v.

— omnistrclieeren (Sch.)ow. (hebben, zijn) Om iets heen march et-ren. Her- en

derwaarts marcheeren. Langs eenen omweg marcheeren. —ominnrtelen (Sch.) ow- Met eenen mensch of een dier ommar-telen, er wreedaardig mede handelen. Met iets ommartelen, er knoeiend doelloos mede te werk gaan. Omuiarteling, v.

— ominsiuwen (Sch.) ow. Mauwend omloopen.

omine, vz. Om (alleen in) omme en bij : ongeveer, omstreeks. — Omme kant, m. (-en). Ommezijde. — Ommeland, o. (-en). Land, gelegen rondom eene plaats. Bataviasche ommelanden : eene der beide onderafdeelingen van de residentie Batavia. — Ommelander, m. (-s). — Omme-lander,hn. Uit, van de ommelandtn. — Ommelandsch, bn. — Om me ring, m. Omtrek. — Ommestaand. Omstaat d. —

— Ommezien, o. Een ommezien ; een oogenblik. Ineen ommezien : in eenen oogwenk. — Ommezientje, o. In een ommezientje. — Ommezijde, v. (-n). Keerzijde.

— Ommezwaai. Omzwaai.

OmmeifsiueZ*: (/?.), .755-1826, Antwerpen. Landschap- en dierenschilder.


ocr page 566

OMPE — 5

ommennen (Sch.) bw. In 't mennen eene wending maken. In 't mennen omverwerpen. — ommesten (ommistcn)

(Onsch.) bw. Rondom bemesten. — omnieten (Sch.) bw. Rondom meten. Om iemands lijf de maat nemen voor een klee-dingstuk. — ommftmeren (Sch.) ow. Mijmerend omloopen. — ommisten. Ommesten. — oininoeten (Sch.| ow. bw. (Wordt slechts gebruikt met weglating van een ander werkw.) : moeten de armbanden ook om (gedaan worden) ? — om-mogren (Sch.) ow. bw. (Wordt slechts gebruikt met weglating van een ander werkw.) : waarom mochten die armbanden niet om (gedaan worden)? — ommoor-de»! (Sch.) ow. Er in ommoorden : in 't wilde moorden en doodslaan. — om-moraen (Sch.) ow. Morsende iets verrichten. In ol met iets ommorsen, er slordig en vuil mede te werk gaan. — oninin-ren (Onsch.) bw. Met eenen muur omgeven. Als met eenen muur omgeven. Ommuring, v. (-en). — omnnaien (Sch.) bw. Naaiend omslaan.Omzoo men. (Onsch.) Rondom benaaien.— omnarren (Sch.) ow. (zijn) Her- en derwaarts narren. Bw. Narrende omverwerpen. — omueetvn (oninielen) (Sch.) bw. (Hoefnagels, bij het beslaan dor paarden) ombuigen. — om-nestelen (Onsch.) bw. (Dicht.) Om iets heen nestelen. —omnenlen (Sch.) ow. Neulend her- en derwaarts loopen. — om-neuriën (Sch.) ow. Neuriënd her- en derwaattsloopen.—oniueveIen(Onsch.) bw. (Dicht.) Met nevels omsluiten. Als met eenen nevel bedekken. Benevelen. Ztc/i omnevelen, ww. Omncveltng, v. Het omnevelen, (-en) Duisternis.

omnihuH, m. (-sen). Rijtuig, waarin ieder voor een vasten en geringen prijs plaats kan nemen.

omnieten. Omnecten. — omnUpen (Onsch ) bw. ^Dicht.) Nijpend omvatten.

omoog-, o. en v. (-en). Oogje, aan den omtrek van een kantwerk.

oni|gt;:t:irleu. Omparelen. — omps*-Ifasiien (Sch.) ow. (zijn) Met de pagaai omroeien. Bw. lom. of iets ergens heen met de pagaai roeien. — ompaklcen (Sch.) bw. Overpakken. Anders pmkken. Ompakking, v. — ompalen (Onsch.) bw. Met palen afzetten. Ompaling, v. Het ompalen, (-en) Paalwerk. Ompaalde ruimte. — om palmen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met palmen omgeven. Als een krans van palmtakken omgeven. —ompampelen (Sch.) ow. Zonder bepaald doel rondslenteren.—om panieren (ompantaeren) (Onsch.) bw. (Dicht.) Met een pantser omsluiten. Als een pantser omsluiten. Zich ompanseren, ww. Ompanseriug, v. — ompappen (Onsch.) bw. Met eenc pap rondom beleggen. — omparelen (Onsch ) bw. Metparelen rondom bezetten.

— omparen {zich), (Sch.) ww. (Dicht.) Zich anders paren. (Van stofdeeltjes) Eene andere (chemische) verbinding aangaan.

— ompasfien (Sch.) hw. lem. iets om het lijf doen, om te zien of het passend is.

— ompegelen (Onsch.) bw. (Dicht.) Als pegels of pegelswjjze omgeven. —

6 — OMPR

ompellen (Sch.) bw. De pel, enz. van het voorwerp, waarom zij bevestigd is, aftrekken en omvouwen. — omperken (Onsch.) bw. Meteen perk omsluiten. Door eene omheining, enz. van de belendende ruimte afscheiden. (Dicht.) Beperken. Om-perking, v. Het omperken. (-en) Omheining, schutting, ruimte daarbinnen. — om-pen teren (Sen.) ow. In of op iets om-peuteren, er met den nagel, enz. in of op peuteren. Met iets ompeuteren, er zonder orde mede te werk gaan. —'omplaat-sen (Sch.) bw. Van plaats doen verwisselen. In elkanders plaats stellen. Anders plaatsen. Van plaats doen veranderen. Omplaahing, v. — omplagrg-on (Sch.) bw. (Inz. van boschgrond) Met de spade omleggen. Omplagging, v. — om plakken (Sch.) bw. Anders plakken. Opnieuw beplakken. (Onsch.) bw. Rondom beplakken. Om iets heen plakken. Omplakking, v. — Omplaksel, o. (-s). — omplanten (Sch.) bw. Anders planten. Verplanten. (Onsch.) bw. Met eenen kring van planten omgeven. Omplanfing, v. Het omplanten. (-en) Kring van planten. Ruimte daarbinnen. Omplantinkje, o. (-s). — om piassen (^cn.) ow. In of door iets omplassen^ er zonder orde hier en daar in ol'door plassen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Met een plassend geluid of een plassen den stroom aan alle kanten bespoelen. — omplviion (Sch.) bw. Door ple:tcn van gevorlen d«.en veranderen. — omploegen (Sch.) bw. Met den ploeg onderstboven keert-n. Met den ploeg omwerken. Omploeging,(en). — omploeteren (Sch.) ow. Ploeterend her- en derwaarts zich bewegen. In of met iets omploeteren, er zonder orde hier en daar in of mede ploeteren. Met iets omploeteren, er zonder orde mede te werk gaan. — omplotlVn (Sch ) ow. (zijn) Met eenen pief omvetvallen. Bw. Met eenen plof omverwerpen. Ontploffing, v. — omplompen (Sch.) ow. In of door iets omplompen : plompend zich bewegen in of door iets. Bw. Door plompen in een anderen toestand brengen. — ontplooien (Sch.) bw. Iets zoodanig plooien dat het eene andere ligging krijgt. Om het lijf plooien. (Onsch.) Bw. Plooiend omgeven. Ontplooit v. (-en). Omkrullende plooi. Oniplooiinq, v. — omplnizen (Sch.) ow. Op iets ompluizen, er nu hier dan daar op pluizen. — omplnkken (Sch ) ow. Op of in iets ompiukken, er nu hier dan daarop of in plukken. — ompoetMen (Sch.) ow. Op iets ompoetsen, er herhaaldelijk en aanhoudend op poetsen of wrijven. — ompooien (Sch.) ow. In de rondte pooien. — ompoten (Sch ) bw. Anders poten, zoodat het eene in de plaats van het andere komt. (Onsch.) Bw. Met eenen kring van jonge gewassen omgeven. Onipoting, v. — omprakkezeeren (Sch.) ow. Op iets omprakkezeeren, er altijd meer over nadenken. — omprangen (Onsch.) bw. (Dicht.) Prangend omgeven. Omknellen. — ompraten (Sch.) ow. In iets ompraten, er bij verschillende personen over spreken. Er in ompraten : m 't wilde over iets praten. Bw. Pratend


ocr page 567

OMRI — 51

rondvertellen. Door praten van gevoelen, enz. doen veranderen. Ompraat, m. Otn-f rater, m. (-s). Ompraatster, v. {-s). Om-prating, v. — oiU|gt;rc*»Neii (Onsch.) bw. (Dicht.) Pressend omgeven. — omprc-Tclcu (Sch.) ow. Prevelend her- en derwaarts loopen. — omprUkcu (Onsch.) bw. (Dicht.) Rondom versieren. — oui-pruttelcu (Sch.) ow. Pruttelend her- en derwaarts loopen. — 0111 purperen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met purper omgeven.

— omradeu (Sch.) ow. Er naar of er in omraden : in 't wilde naar iets raden. — ommgren (Sch.) bw. Aan alle kanten ragen. Door ragen omgooien. Ow. Op of in iets omragen, er zonder orde op of in ragen. — omrakeu (Sch.) ow. (zijn) Met moeite om iets heen raken. Ten einde komen : de tijd raakte om. Allengs om het lijf raken. Ongemerkt omvallen of neerkomen. — omraiuiueieu (Sch.) Met de rammei doen omvervallen. Ow. Op iets omrammeien, er zonder orde hier en daar op rammeien. — om rum men (Sch.) bw. Met den stormram doen omvervallen.

— omranden (Onsch.) bw. Meteenen rand omsluiten. Met oenen rand beleggen. (Dicht.) Iets als een rand omgeven. Omrand, ommerand, m. (-en). Omloopende rand. Om* anding, v. (-en). — omran-Icen (Sch.) ow. (zijn) Met ranken zich omslingeren. (Onsch.) Bw. (Dicht.)Met ranken omsluiten. — omranHelen (Sch.) ow, Op iem. omranselen, duchtig op hem om-kloppen. — omraMterrn (Onsch.) bw. Met een rasterwerk omsluiten. Omrastering, v. Het omrasteren, (-en) Rasterwerk. Ruimte daarbinnen. — omraic-len (Sch.) ow. (zijn) Ratelend her- en derwaarts loopen. Bw. Door te ratelen openbaar bekendmaken.

omrede v. (-nen). Omschrijvend voorstel.

omreien (Onsch.) bw. (Dicht.) Reiende omgeven. — omrelken (Sch.) bw. Naar de rij ai aan elk der personen van eenen kring aanreiken. Ow. Achter zich -om reiken. Eenpw. Het reikt (even, net, enz.) om : het is (meer of min ruim) toerei-ker.d. — omreizen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen reizen. Rondreizen. Largs eenen omweg reizen. Omreis, v. (..zon), omreize, v. (-n). Omreizing, v.— ontrennen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen rennen. In 't wilde rondrennen. Bw. Doen omvallen door er tegen aan te rennen. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten vijandig aantasten (van eene stad). Om-renning, v. — omrUden ow. (zijn) Om iets heen rijden. Her- en derwaarts rijden. Jn de rondte rijden. In het rijden eenen omweg maken. Bw. Doen rondrijden. Met een voertuig naar alle kanten rijden. Rijdende omwerpen. Omploegen. — omrU-ten (Sch.) ow. Met haken, enz. omverhalen. Met geweld neerbalen. — ontrin-Selen (Onsch.) bw. Omsingelen. Rondom insluiten. — omringen (Sch.) bw. In ringen zetten. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten omgeven. Omsingelen. Zich omringen (met) : a's in eenen kring rondom zich jplaatsen. Omring, Zie Oramering. Om-

7 — OMSC

ringdijk, m. (-en). Omringend, bn. Om-ringer, m. (-s). Omringing, v. (-en). Om-ringkade, v. (-n). — omrinliinkeu (Sch.) ow. Rinkinkend her- en derwaarts loopen. — om riolen (Sch.) bw. Riools-of greppelswijze met de spade enz. bewerken.

omrit, m. (-ten). Het rondrijden. Het rijden her- en derwaarts. Het rijden langs oenen omweg.

omroeien (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen roeien. Her- en derwaarts roeien. Langs eenen omweg roeien. Bw. Door roeien om iets been brengen. Roeiende omstooten. — omroepen (Sch.) bw. In 't openbaar op de straat bekendmaken. In 't openbaar doen bekendmaken. Omroeper, m. (-s). Omroepersbaantje, o. (-s). Omroepersbekken, o. (-s). Omroepersplaats, v. (-en). Omroepetspost, m. (-en). Oinroeping, v. (-en). Omroepster, v. (-s). — omroeren (Sch.) bw. Door-eenroeren. Door roeren dooreenmengen. Omwerken : den grond omroeren. Dooreenwerken, omzetten: graan op den zolder omroeren. Ow. In iets omroeren, er her- en derwaarts in roeren. Omroer ma, v. (-en). Omroersel, o. (-s, -en).— omrollen (Sch.) bw. In de rondte rollen. Op-, ineenrollen. Rollend omwerpen. Zich omrollen, ww. Zich omwentelen. Ow. (hebben, zijn) Zich rollend in de rondte bewegen, omwentelen. Rollend omvallen. In cl op iets omrollen : in of op iets her- en derwaarts rollen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Rollend omgeven. Omrolling, v. (-en).— o ui ronden (Onsch.) bw. (Dicht.) Aan alle kanten omgeven.

omronnen bn. (Dicht.) Omronnen met bloed, daarmede omvloeid.

omruiken (Sch.) ow. Ruikende rond-loopen. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten beruiken. — omruilen (Sch.) bw. Onderling ruilen. Ow. Eenen ruil doen. Omruil, m. Omruiling, v. (-en).— omrui-selion (Onsch.) bw. (Dicht.) Ruiscbend omgeven. — omrukkeu (Sch.) bw. Met eenen ruk omwenden. Met eenen ruk ach-terovertrekken of omhalen Ow. (zijn) Met gezwinden marsch om iets heen rukken (van krijgsvolk). Omruk king, v. — om-aabeleu (Sch.) bw. Door sabelslagen nedervellen. Ow. Op iem. omsabelen, in 't wilde er niet de sabel op slaan. Er in omsabelen, in 't wilde onder eenen troep vijanden sabelen. — omtiammeleu (Sch.) ow. Sammelend omloopen. Met iets omsammelen, er zonder orde, talmend mede te werk gaan. — omsf lisamp;au tveu. Omschaduwen. — omiicliaeiiereu (Sch.) ow. Schacherend rondloopen. Met iem. omschacberen : in allerlei zaken handel drijven. — omsoliaduwen (Onsch.) bw. Met schaduw omgeven. Om sch a du-wing, v. — oniKelialEen (Onsch.) bw. (Dicht.) Schallend omgeven.— omseiial-men (Onsch.) bw. (Dicht.) Metschaimen omsluiten. Omschalming, v. — oui-NeliaiiMen (Onsch.) bw. Met schansen omringen. Zich omschansen, ww. Om-schansing, v. Het omschansen. (-en) Schanswerk. Ruimte daarbinnen. — om*


ocr page 568

OIISC — 5

soli aren (Onsch.) b\v. (Dicht.) Als eene schaar omgeven. — omscliarrelou (Sch.) ow. (hebben, zijn) Scharrelen langs den omtrek van iets. Scharrelend her- en derwaarts loopen. Met feestvieren, enz. den tijd zoekmaken. Met iets scharrelen, er met moeite en gehaspel mede te werk gaan. — oniHCliaterou (Sch.) ow. Schaterend her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Schaterend omgeven. *— om-scliavcn (Sch.) bw. Door schaven afstompen. Door schaven doen omvallen. Ow. Op iets omschaven, er her- en derwaarts op schaven.

oniHolicld, bn. (Dicht.) Omgeven met bast of schors.

omsclivlleii (Sch.) bw. Ondiep omploegen. Otnschelling, v. — omsclio-uicren (Sch.) ow. Met in een schemerdonker te zitten den tijd dooden. (Onsch.) Bw. (Dicht) Schemerend omgeven. O/n-schemering, v. — onisclicnkcii (Sch.) bw. Rondschenken. Om- of overgieten. OverscLenken. Om schenking', v. — om-(Sch.) ow. Omvaren. Bw. Verschep n. Overschepen. Ovischeping, v. — (Sch.) ow. Rondschep-pen. Met eenen lepel enz. overscheppen.

— oiiiMflicppcii (Sch.) bw. Anders schepp' n. Tot iets anders maken (Onsch.) Bw. (Dicht.) Scheppend omgeven. Om-schrpping, v. (-en). — oniMClicren (Sch.) bw. Een loopend touwwerk verspannen, verplaatsen. Omschering, v. — oin-selieren (Onsch.) bw. (Van het hoofd, enz.) In de rondte scheren. — omsclier-nieii (Sch.) ow. Her- en derwaarts loopen te schermen. In 't wilde omschermen : in 't wilde over iets redetwisten. Er in om-schei men : in 't wilde redetwisten. — 0111-■clienrcii (Sch.) bw. Met geweld scheuren en omrukken. Omspitten. Omploegen. Ow. In of met iets omscheuren, er met eene ruwe wijze mede omgaan, zoodat het scheurt. Omscheuring, v. — ouiselilo-tci» (Sch.) bw. Omverschieten. (Zeew.) Een touw anders omrollen. Ow. (zijn) Haastig om iets heen komen. (Van den wind) Plotseling van richting veranderen. Er in omschieten : in 't blinde op eene menigte schieten. — omsclilctcii (Onsch.) bw. Rondom omgeven met een houten beschot. — oniHclitjiicu (Onsch.) bw. Aan alle kanten beschijnen. Op eene luisterrijke wijs omgeven. — omMcliikkcn (Sch.) ow. (zijn) Schikkend of schuivend van plaats veranderen. Ofnschikktng, v. — oiiiNC*liil«lcrcu (Sch.) ow. Heen en weer loopen, terwijl men op schildwacht staat.

— oiMKCliittereii (Onsch.) bw. (Dicht.) Met een schitterend» n glans omgeven.

— oniAelkOcien (Onsch.) bw. (Dicht.) De voeten met schoeisel omgeven. — oinsclioficlcii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Langzaam gaan. — omsolioffo-len (Sch.) tw. Door schoffelen onderstboven werpen. Met de schoffel afsteken. Met de schoffel het onkruid losmaken. Omsc heffe ling, v. — oniMCliokkon (Sch.^ ow. (zijn) Pier- en derwaarts schokken. Door te schokken omvallen. Met eenen schok om vervallen. Bw. Doorschok-

3 — OMSC

ken omver doen vallen. Met eenen schok omduwen. — oniselioleii (Sch.) ow. Samenscholend omloopen (van muitend volk). (Onsch.) Bw. Troepswijze omringen.

— o in m oli o in in lt;'l 4k ii (Sch.) bw. Dooreenschudden. Overhcop halen. Ow. (hebben, zijn) Al et waggelenden gang om iets heen gaan. Met waggelenden gang rond-loopen. Omschommeling t v. — om-HClioiiKcIen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met waggelenden gang om iets heen gaan. Met waggelend garg rondioopen. — om-Hdioolcn (Sch.) ow. Rondioopen om te bedelen. — omMoliopiicn (Sch.) bw. Omverschoppen. Ow. Op iets omschoppen, er op eene ruwe wijze op schoppen. Om-schopping, v. — om schorsen (Onsch.) bw. Met eene schors omsluiten. (Dicht.) Als eene schois omgeven. omschor-5en, ww. — omseholsen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met schotsen oms uiten. Als met schotsen omgeven. — oniseliouuen (Sch.) ow. (Dicht.) Rondzien. — oui-selirabben (Sch.) bw. Aan alle kanten sch ral ben. Doorschrabben reinigen. Ow. Op iets omschrabb« n, er aanhoudend op schrabben. — om sell ra fel en (Sch.) bw. Door schrafelen dooreenwerken. Los-krabben en omwoelen. Ow. In of op iets omschrafelen : omwoelen, omkrabben met de nagels (van vogels, inz. van hoenders).

— omselirapen (Sch.) ow. Op iets om-schrapen, er her- en derwaarts op schrapen. — omselireeuiven (Sch.) ow. Schreeuwend her- en derwaarts loopen. Schreeuwend omloopen. Bw. Schreeuwend naar alle kanten omroepen. — omsolirH-ven (igt;ch.) bw. Om iets heen schrijven. Terug schryven. Nogmaals schrijven. De namen rondom opschrijven. Ow. In of op iets omschrijven, er in 't wilde in of opschrijven. (Onsch.) Bw. Rondom b schrijven : eenen driehoek meteenen cirkel omschrijven. Nauwkeuriger kenbaar maken : zoudt gij mij dien persoon niet willen omschrijven. Omschrijf, o. (-en). Omschryf-baar, bn. Omschryver, m. (-s). Omschrijving, v. (-en). — omscliudrien (Sch.), bw. Onderstboven schudden. Dooreenschudden. Omverschudden. Ow. Met iets. omschudden, er her- en derwaarts mee schudden. Omschnddinz, v. — ora-seliuicren (Sch.) ow. Op iets omschuie-ren, er her- en derwaarts op schuieren. — omsclmifelen (Sch.) ow. Omkruipen met een sissend geluid (van slangen),. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Schuifelend omgeven. — oniseliulmen (Onsch.) bw. (Dicht.) Schuimend omgeven. — om-seliuiven (Sch.) bw. Ter zijde schuiven,. In eenen kring opschuiven. Doorschuiven doen vallen. Ow. (zijn) Zich schuivende zijdelings verplaatsen, Omschuiving, v,

— omseliiili»en (Sch.)bw. Schulpswijz© ombuigen. Aan de kanten uitschulpen, Omsch nlping, v. (-en). — om solui reu (Sch.) bw. Aan alle kanten schuren. Ow. Op iets omschuren, er her- en derwaarts op schuren. — oniselmlten (Onsch.) bw. Met een schut omsluiten. Als een schut of schutting omgeven. Omschutsely o. (-s). Omschutting, v. Het omschutteru.


ocr page 569

OMSL — 51

(-en) Schutting. Omheining. — omRiJfo-len (Sch.) ow. Omkruipen met een sissend geluid (van slangen). (Onsch.) Bw. Siife-lend omgeven. — oni.sin^clcii (Onsch.) bw. Aan alle kanten omsluiten. Dicht omringen. Rondom insluiten (om aan te vallen, enz.). Omsingeling, v. (-en). — om-Kjoltken (Sch.) ow. (hebben, zijn) Sjokkend her- en derwnarts loopen. — om-pjoiiwon (Sch.)bw. Sjouwende rondvoeren. Sjouwende her- en derwaarts voeren. Ow. Sjouwend her- en derwaarts loopen. Sjouwend omloopen. — omMlsiaii (Sch.) bw. De trom omslaan : bij trommelslag bekendmaken. Omverslaan. Om het lijf slaan : zijnen mantel omslaan. (Breiw.) Den draad omslaan. Ombuigen, omvouwen : een blad omslaan. Verstuiken : den voet omslaan. Omklinken : eenen spijker omslaan. Ow. (zijn) Op iem. of iets omslaan, erin 't wilde hier en daar op slaan. Met iets omslaan, er in 't wilde hier en daar mede slaan. Er in omslaan, er in't wilde onder slaan. Snel om iets heen eaan : linllt;s, rechtsomslaan. Eenen hoek of draai maken : de weg sloeg daar om. Een omgevouwen stand bekomen : die rand is te slap, hij slaat om. Zijwaarts omloopen : de windwijzer was omeeslagen. Vei anderen van richting (van den wind). Veranderen (van het weer, ook van personen, hunne gezindheid, enz ). Omvallen. (Onsch ) Bw. (Dicht.) Met de handen of armen omvatten. Aan alle kanten eensklaps omringen. Omgeven (van kleedingstukken, enz.). Omslachtig, bn. fVan pers.) Veel omhaal en drukte hebbende. (Van handelingen, enz.) Met veel omslag Lastig, hinderlijk, wijdloopig, breedvoerig. Bijw. Met veel drukte (van huishoudelijke zaken. Wijdloopig. Om-slachiigheid, v. Omslag, m. Omhaal. Drukte. Beslommering. Breedvoerigheid. Omslag, m. en o*. (-en). Toestel tot het aanbrengen eenerdraaiendebeweging(aan eene boor, enz.). Kompres. Omgebogen rand of boord. Boord of rand, van verschillende kleur of stof aan den hals enz. (van kleedingstukken). Bekleedsel of bedeksel van papier enz. om een boek, enz. Papieren bekleedsel, waarin brieven, enz. gesloten worden. Omslag, m. (-en). Zetting van gemeene belastingen. Omslagboor, v. (..oren). Omslagdoek, m. (-en). Ovisla-

Cer,er, m. (-s). Sjaal. — oniAlecpcu (Sch.) w. Sleepende rondvoeren. Her- en derwaarts sleepen. Met zich sleepen. — om-Mlcnfercii (Sch.) ow. «hebben, zijn) Om iets heen slenteren. Slenterend her- en derwaarts loopen. — oumlepcn, ow. Her- en derwaarts slepen. — omslcu-ren (Sch.)bw. Sleurend rondvoeren. Heren derwaarts sleuren. Met geweld over den vloer voortsleepen. — o 111 hli 11 reu (Sch. )bw. Haastig omslaan of omwerpen (om net lijf). Met een slingerenden zwaai doen omloopen. Her- en derwaarts slingeren. Met kracht heen en weer slaan. Ow. (hebben, zijn) Slingerend omvallen. Zich om iets heen kronkelen. Zonder bepaald doel rondloopen. Ordeloos hier en daar verstrooid liggen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Slingerend omgeven. Zich omslingeren, ww.

1 — OMSP

Omslingering, v. — omftlobbercn

(Sch.) ow. In of op iets omslobberen, er nu hier dan daar in of op slobberen. — om-.slo«llt;lereii (Sch.) ow. Her- en derwaarts slodderen. Niet op zijne plaats liggen.— oniNlofren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Sleepvoetend om iets heen loopen. Sloffend her- en derwaarts sloften. Met iets omsloffen, er langzaam mede voortgaan. — 0111 hIorpe 11 (oiiiHlur|»«n) (Sch.) ow. In of op iets omslorpen, lt;-r nu hier dan daar in ofops'orpen. — oniMloveu (Sch.) ow. Voortdurend sloven. Bw. Eenen akker om-sloven, met zwaren arbeid omspitten, omploegen. — 0mm 111 i4* 1*4' 11 (Onsch.) bw. Met eenen sluit r omveven. Aan het oog onttrekken. Bidektelijk voorstellen. Zich omsluieren, ww. Omsluiering, v. (-en). — omteliaipon (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen sluipen. Sluipend her- en derwaarts zich bewegen. — oniHliiitou (Onsch.) bw. Aan alle kanten insluiten. In zich bevatten. Met kracht omvatten. Vast aneensnoeren. Zich omsluiten, ww. Omsluiting^. (-en). — oin.Hluizt'ii (Onsch.) bw. Met sluizen omsluiten. Omsluizin%, v. — omnliirpcn. Omslorpen. — om-Riiiakkeii (Sch.) bw. Met geweld omvergooien. Ow. (zijn) Met eenen smak neder-storfen. — oniHiiieilcii (Sch.) bw. Om het lijf smeden (van kluisters, enz.). Anders smeden. Hersmeden. Omsmeding, v. — oniMiiielten (Sch.) bw. Opnieuw smelten. Hersmelten. (Fig.) Omwerken, herscheppen. Omsmeltiiig, v. — om*meren (Sch.) ow. Op iets omsmeren, er zonder orde hier en daar op smeren. (Onsch.) Bw. Rondom besmeren. — oiiiNiiiütlt;'u (Sch.) bw. Naar alle kanten smijten. Met geweld omwerpen. Vernielen, verwoesten. Omwenden. Om het lijf smijten. Zich omsmijten, ww. Ow. Met iets omsmijten, er op eene ruwe wijze medquot; omgaan. — om-Riiïamp;kken (Sch ) ow. Naar iets omsnak-ken : hijgend naar iets snakken (inz. van visschen).

oiiiKiielt;1e, v. (-n), oniRnee, v. {-'én). Snede over de geheele dikte van een brood.

oniMuelloii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen snellen. Snel omloopen. Snel voorbijgaan. — omnii||«leii (Sch.) bw. Snijden en omdeelen. Ow. In of op iets omsnijden, er hier en daar in of op snijden. Omsnyder, m. (-s). Omsnyding, v. — omsnoeren (Sch.) bw. Om het lijf snoeren. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Met een snoer omgeven. — oniHnorren (Sch.) ow. (zijn) Snorrend om iets heen gaan. Met een snorrend geluid rondvliegen. Bw. Schielijk omwenden. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Snorrend omgeven. — oniMiiuflclon (Sch.) ow. Her- en derwaarts snuffelen. Nieuwsgierig rondloopen. In iets omsnuffe-len, er zonder orde hier en daar in snuffelen. Omsnuff'ehng, v. ( en). — oniMiiui-ven (Sch.) ow. Rondloopen onder aanhoudend gesnuif (van paarden, enz.) — omnollen (Sch.) bw. (Dicht.) In woeste vaart omdrijven. Ow. Omdrijven. quot;Met eenen persoon of (een dier erz.) omsollen, sollend met hem omgaan. — om»pst«Ien (omspazamp;ien) (Sch.) bw.Omgraven.Om-


ocr page 570

OMST — 5

spitten. — omspiintioii (Sch.) b\v. Anders spannen. — (Onsch.) bw. Met ds uitgestrekte band omvatten. (Dicht.) Zich in eene gebogen lijn om iets uitstrekken. Met iets omspannen : omsluiten met een gespannen voorwerp. 0»i-spanntng v. (-en). — om*igt;«Mseereii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met aigemeten gang om iets heen wandelen.

oDispaut, v. (Scheepsb.) Omloopende spantwerk.

onii*i»ai*(eIeu (Sch.) ow. Her- en der-waai ts spartelen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Spartelende omgeven. —

(Sch.) ow. Her- en derwaarts spatten. In spatten in de rondte vliegen (van vonken, enz.). (Onsch.) Spattend omgeven. — omspelden (Sch.) bw. Door middel van spelden om het lijf bevestigen. Anders spelden. (Onsch.) Iets met spelden om iets ardors bevestigen. — omspelen (Sch.) ow. Spelend omloopen. Met iem. of iets omspelen, er spelend mede omgaan. Op een muziekinstrument omspelen, er zonder orde, kennis, enz. cp spelen. (Dicht.) Spelend omvloeien (van eenen stroom). Zich vlug heen en weer bewegen. Bw. (Bilj.) Eenen bal, enz. omspelen. (Onsch.) Bw. Spelend omgeven. — onifcpieselen (Onsch.) bw. (Dicht.) Spiegelend omgeven. — omspinnen (Onsch.) bw. Om iets heen spinnen. Zich omspinnen, ww. Omspinning, v. (-en). Omspinsel, o. (-s).

omspitst, bn. (Dicht.j Omgeven met scherpe punten.

omspitten (Sch.) bw. Den grond met de spade omgraven. Omspitting, v. (-en).

— omspoelen (Sch.) bw. Aan alle kanten spoelen. Van binnen afspoelen. Omverwerpen door er tegen aan te spoelen. Ow. Rondom spoelen. (Onsch.) Spoelend omgeven. Omspoeling, v. (-en). Omspoelsel, o. — omspoken (Sch.) ow. Spokend rondwaren. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Spokend omgeven.

omsprank, v. Oiuschrijvlng. Iets in omspraak brengen : iets ter bespreking brengen in eene vergadering.

onisprellt;lei: (Sch.) bw. Om het lijf enz. spreiden. Zich omsprcidev, ww. (Dicht.) Zich naar alle kanten verspreiden.

— omspringen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heei) springen. Her- en derwaarts springen. Met iem. ol iets zus of zoo omspringen, handelen. Springende omkeeren (van een slot, enz.). Bw. Omver-springen. (Onsch.) Bw. Springend omgeven. — omstaan (Sch.) ow. Zich omkeeren. Om iets omstaan, er met afgewend gelaat om raden. Gaan omstaan : onderling van standplaats verwisselen. Iem. omstaan leeren : iem. weten te drillen. Omstaand, ommestaand, bn. Rondom staande. Het ommestaande : hetgeen staat op den ommekant, de keerzijde. Omstand, omviestand, m. Breedvoerigheid. Gezamenlijke omstanders. Omgeving. Omstandigheden. Omstandelijk, bijw. Omstandig. Omstander, m. (-s). Omstaand persoon. Omstandig, bn. bijw. Van velerlei bijzonderheden vergezeld gaande. Breedvoerig. Volledig. Nauwkeurig. Wijdloo-

o — OMST

dig. Omstandigheid, v. Breedvoerigheid, (..heden) Bijkomend feit. Gesteldheid van zaken, in welke iem. zich bevindt. Staat. Toestand. Verzachtende of verzwarende omstandigheid. Omstan digi ijk, bijw. Omstandig.— oiustapelen (Sch.) bw. Anders stapelen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Met eenen stapel omgeven. Omstapeling, v.— omstappen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met gelijkmatige schreden om iets heen loopen. Stapvoets om iets heen rijden. Stappend her- en derwaarts loopen. Bw. Langs eenen omweg stappen. Stappende omwerpen. — omstaron (Sch.) ow. Heren derwaarts staren. Achterwaarts staren.

— omateisreren 'Sch.) ow. (hrbben, zijn) Steigerend om iets heen rijden. In 't wilde rondsteigeren. Bw. Steigerende omverwerpen. — omsteken (Sch.) bw. Anders steken. Omwerken : graan omsteken. Omspitten. Met een sche-p voorwerp oniversteken. Ow. In of op iets omsteken, er hier of daar in of op steken.

omstel, m. Omslag. Omhaal.

omittelpen (Sch.) Omstulpen. — ora-stelpen (Onsch.) bw. Aan alle kanten omringen en overdekken. — om.Ht?m-men (Sch.) ow. Naar de rij at stemmtn. Bw. In eene andere stemming brengen. Van gezindheid doen veranderen. Opnieuw stemmen (van rauziekinstrumt-nten). Om-stemming, v.— omsteni pelen (Sch.) bw. Opnieuw stempelen. Een ander aanzien geven (aan). (Onsch.) Bw. Met stempelwerk omsluiten. — omstevenen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stevenen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Stevenend iets omgaan. — omstieren. Omsturen.

— oniHtikken (Sch.) bw. Met de naald rondom boiduren. (Onsch.I Bw. Rondom bestikken. Met een opgestikten rand be-naaien. Omstikking, v. Omstiksel, o. (-s).

— omntoeien (Sch.) ow. Stoeiend heren derwaarts loopen. Met iem. omstoeien, er stoeiend mede omga n. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Stoeiend omgeven. — oniMtoften (Sch.) bw. Aan alle kanten stoffen. Onder het stoffen doen omvallen. Ow. Her- en derwaarts loopen te stoffen. Op iets omstofïen, er aanhoudend op stoffen.

— omstommelen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stommelen. Stommelend her- en derwaarts loopen. Bw. Stommelend omverwerpen. — omstooinen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stoomen. Her- en derwaarts stoomen. Langs eenen omweg stoomen.— omstoo-ten (Sch.) bw. Omverstooten. Meteenen stoot doen omvallen. Verijdelen, vernietigen : een bewijs omstooten. Omverwerpen. Doen mislukken. (Bilj.) Omspelen. Ow. Op iem. of iets omstooten, er in 't wilde hier en daarop stooten. Omstoot-baar, bn. Omstooting, v. — oniKtor-men (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stormen. Her- en derwaarts stormen. Door de kracht van den storm omslaan. Bw. Door de kracht van den storm doen omvallen. Door een stormgevaarte doen omvallen en instorten. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten stormenderhand aantasten. Bestormen. — omstorten (Sch.) bw. Op


ocr page 571

OMSU — 5

■den grond storten. Met geweld omverwerpen. Ow. (zijn) Omvallen en ter aarde storten. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Stortend omgeven. Omstorttng, v. — omstou-wcn (Sch.) bw. Anders stouwen. Om-stouwing, v. — oniHfraleii (Sch.) ow. (Dicht.) Rondom stralen ui'schii-ten. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten bestralen. Als een stralenkrans omgeven. Met schitterenden luister verheerlijken. Omsira-lingy v.

omstreek, v. (..eken). Het omliggende land : in de omstreken van Brussel. I)e personen, die het omliggend land bewonen. De bewoners van den omtrek.

— Omstreeks, vz. In de nabijheid, in den omtrek (van) : dit gebeurde omstreeks Amsterdam. Omstreeks den middag, kort daarvoor of kort daarna. — Omstreeks, bijw. Omtrent. Ongeveer.

omsti'eiiscloii (Onsrh.) bw. Om iets been strengelen. Ou kronkelen (van slangen, enz.). Zich om iets heen winden (van sierplanten, enz.). Stevig omsluiten (van banden, enz ).Omvatten,omklemmen (van tien arm). Omstrengeling, v. — om-«treugreu (Onsch.) bw. (Dicht.) Omstrengelen. — oiuslrepcii (Onsch.) bw. Met eene streep omgeven. (Jmstrtpiug, v. — omatreven (Sch.) ow. (hebben, zijn) (Dicht.) Om iets heen streven Heren derwaarts streven. (Onsch.) Bw. (D.cht.) Strevend omgeven.— ouiKti'vkeii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met snelheid in rechte vaart om iets heen loopen. Op iets omstrij-ken, er zonder orde hier en daar op strijken. (Onsch.) Bw. Aan alle kanten bestrijken. — oniHti-ikkeii (Sch.) bw. Om het lijfstrikk» n. Anders strikken. (Onsch.) bw. Met stükken omgeven. Omstf ikking, v.

— oiiiHti'Oiupeleu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen strompelen. Strompelend her- en derwaarts loopen. Bw. Strom-pelend omverwerpen. — oumlrooicu (Sch.) bw. Rondstrooien. Uitstrooien. Ow. Met iets omstrooien, er zonder orde in 't wilde mede strooien. (Onsch.) Bw. Rondom bestrooien (met). — omstroomen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stroomen. Her- en derwaarts stroomen. (Onsch.) Bw. Stroomend omgeven. — «m-•troopou (Sch.) bw. Afstroopen en omslaan. Opstioopen en omslaan. Omstroo-pinq, v. Het omstroopen. ( en) Omge-stroopte rand. Omslag. — oiiiNtuikcu (Sch.) ow. (zijn) Stuikend om vervallen. — ouifitiiileu (Sch.) ow. (zijn) Terugstuiten. Stuitend omvervallen. Ornstuiting, v.

— omstuivcu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen stuiven. Her- en derwaarts stuiven. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Stuivend omgeven.— onmtulpeu (omstcKgieu) (Sch.) bw. Onderstboven keeren (van vaatwerk, enz.). Omstulpinfr, v. — omstu-rei» (Sch.) bw. Om ietsheen sturen. Rondsturen. Overal heen zenden. — oiustu-«vcii (Sch.) bw. Duwend omwentelen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) In dichten drom omgeven. Omstuwing, v. — oiiikiiIFen (Sch. ow. Suffend her- en derwaarts loopen. Op of over iets omsuffen. er suffend mede omloopen. — omsuizcu (Sch.)

[ — OMTR

ow. Her- en derwaarts suizen (van den wind). (Onsch.) Bw. (Dicht.) Suizend omgeven. — oiiiRiikkeleii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen sukkelen. Her- en derwaarts sukkelen. Met iem. omsukkelen : niet zonder moeite met iem. omgaan. Met iets omsukkelen, er met moeite m de voortgaan. Er mede omsukkelen, er aanhoudend mede sukkelen. Bw. Omdrijven (van de zee, van gevaren, enz.). — om.sukko-len (Sch.) ow. Voortdurend sukkelen. Omsukkeling, v. — oumullcu (Sch.) ow. (zijn, hebben) Om iets heen sullen. Her- en derwaarts sullen. Uitglijden en omvallen. Bw. Suilend omverwerpen. — ouitsklmcn (Sch.) ow. Talmend omloopen. Met iets omtalmen, er zonder orde talmend mede te werk gaan. — omtasten (Sch.) ow. Her- en derwaarts tasien. Achter zich tasten. In iets omtasten, er met de volle hand in 't wilde in tasten. (Onsch.) Bw. Tastend omgeven, omvatten.

— omtellen (Sch.) bw. Naar de rij aftellen. Rondtellen. Omtelling, v. — om-tiegren (Alleen in den verleden tijd en het verleden deelw.) (Sch.) bw. ow. (zijn) Omtrekken. (Onsch.) (Vooral in 't verl. deelw.) Omgeven. Bedekken. Bekleeden.

— omtiereu (Sch.) ow. Tierend her- en derwaarts loopen. — omtimmereu (Sch.) ow. In of op iets omtimmeren, er zonder orde hier en daar in of op timmeren. (Onsch.) Bw. Rondom betimmeren. — omtiiiteleu (Onsch.) bw. (Dicht.) Tintelend omgeven. — omtoltbou (Sch.) ow. Voortdurend tobben. Met iem. omtob-ben, met moeite enz. met hem voortkomen. Met iets omtobben, zonder orde er mede tobben.

omtoclit, m. (-en). Plechtige optocht langs een vooraf bepaalden weg. Omgang.

omtogreu, verl. deelw. van omtiegen. (Onsch.).

omtokkelen (Sch.) ow. Op iets om-tokkelen, er zonder orde op spelen. — oiulollen (Sch.) bw. Als een tol omdrijven. Ow. (hebben, zijn) Omdraaien. Heren derwaarts tollen. — omtoniien (Sch.) bw. Vertonnen. (Onsch.) Bw. Metzceton-nen omgeven.-- omtoomeu (Sch.) bw. Omslaan en optoomen (van den rand van eenen hoed). Anders toomen (van paarden). — omtooveren (Sch.) bw. Door toovermiddelen herscheppen of vervormen. Als met eenen tooversl.ig herscheppen of vervormen. Door tooverkracht omverwerpen. Omtoovering, v. (-en).

om topt, bn. Met toppen omsloten.

omtrappeleu (Sch.) ow. Her- en derwaarts trappelen. — omtriippeu (Sch.) bw. Omvertrappen. Door herhaald trappen omwoelen. Ow. Op iets omtrappen, er op eene ruwe wijze hier en daar op trappen. In iets omtrappen, er in 't wilde bier en daar in trappen. — oiiitred«'it (Sch.) ow. (zijn, hebben) Met bedaarden tred om iets heen gaan. Omtredf, v. (..eden), omtree, v. ^..eden, -ën). Plank met eenen uitstek, boven eene sloot, ter zijde van een hek geplaatst en dienende voor den voetganger, om, zonder het hek te openen, erom heen te treden. — om-


ocr page 572

OM VA — 5

trelife-ïn (Sch.) bw. Door trekken in de rondte voortbewegen. Naar eene andere plaats trekkon. Oravertrekken. Anders aantrekken. (Van lijnen) In de rondte om trekken, teekenen, enz. Ü\v. (zijn) (Van menschen) Trekken lanps den omtrek rener aangewezene ruimte. (Onscb.) Bw. Trekkend omgeven. Oms'uiten (met muren, enz.). Afteekenen. Afbakenen. Afperken. Omtrek, m. (-ken). Trlt;k, om eene ruimte daarbinnen te bepalen. Kennelijke wezenstrekken van eene beeltenis. De omtrek van zijnen geest. Bepaalde ruimte, welke men zich als een omkring rondom iets anders voorspelt. Omstreek, nabijheid. Uitweiding, omhaal. Omtrekking, v. Omtrek-lyn, v. (-en).

omIrent, bijw. Rondom. In de nabijheid. X-uhij. Ongeveer, omstreeks, vz. In de nabijheid (van). Kort daarvoor of daarna. Ten opziente (van). Voor zooverre betreft. Aangaande.

oiult;rcii7.el«'ii (Sch.) ow. Treuzelend omloopen. Treuzelend verrichten. Met iets omtreuzelen, er zonder orde treuzelend mede te werk gaan. — oinirippolen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Trippelen langs den omtrek eener ruimte. Trippelend heren derwaarts loepen. — om trommelen (Sch.) bw. Bij trommelslag bekendmaken. Ow. Op iets omtrommelen, er zonder orde hier en daar op trommelen. Om-trommelinz, v. —om trommen (Sch.) bw. Omtiommelen. Otntronimm^, v. — om trom petten (Sch.) bw. Door trompetgeschal bekendmaken. v. — omlnilen (Onsch.) bw. (Dicht.) Met eenen tuil omgeven. Als een tuil omgeven.— omtnimrlen (Sch.) ow. (zijn, hebben) Tuimelend omvallen. Tuimelend her- en derwaarts gaan. Voorovertuime-len. Plotseling verandiren (van partij, enz.). Omtuimeling, v. ( en). — omtuinen (Onsch.) bw. Met eenen tuin of heining omgeven. Omtuining, v. (-en). •— omvariemen (Onsch.) bw. Met do uitgestrekte armen omvatten. Met den blik of den geest omvatten. Omyademtrtfc, v. —omvnllen (Sch ) ow. (zijn) Omslaan en op den grond enz. nederkomen. (Van randen, ei z ) Zoo vallen, dat zij om komen te liggen. (Van den grond, door den ploeg omgewerkt) Zijwaarts vallen. Omvallen van schrik, enz. Omval, m. Men). Het omvallen. Plaats, waar een gebouw omgevallen ligt. Oud gebouw, dat omgevallen is. — onivsingren (Onsch.) bw. Omringen. Omarmen. Aan alle zijden beknellen. Omgeven. Omvang, m. Omtrek. Uitgestrektheid. Hoegrootheid van de ruimte, die iets beslaat. (Van 't lichaam) Grootte of dikte. Omtrek. Omvangrijk, bn. Veel omvang of uitgebreidheid hebbende. — omvaren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om of langs iets heen varen. Her- en derwaarts varer. Langs eenen omweg varen. Bw. Omver varen. Omvaart, v. Omvarinc, v. — omvatten (Onsch.) bw. lem. om den hals, enz. omsluiten. Mtt de ariten, enz. omsluiten. Een lichaamsdeel omsluiten. Aan alle kanten omringen. Binnen zijne grenzen bevatten. Iets met het oog of den

2 — OMVL

geest omvangen. Omvatten ?, bn. Omvat' ting, v. — om vellen (Sch.) bw. Overal te koop aanbieden. Omveiling, v. (-en),

— omvellen (Sch.) bw. Doen omvallen (boomen). Omveiling, v. — om venten (Sch.) bw. Overal rondventen. Omven-ting, v. (-en).

omver, bijw. Duidt de verandering aan van een staanden in een liggenden of omgeworpen stand. Onderstboven. (Komt alleen voor in samenstellingen met werkwoorden). — Omverbeuken, bw. (i). — Omverblazen, bw. — Om ver bom ba rdee-ren, bw. — Omverbonzen, bw. — Om' vrbruien, bw. ow. (zijn). — Omverdan-

sen, bw. — Omver donder en, bw. ow._

Omverdraven, bw. — Omver dringen, bw. — Omver drukken, bw. — O 7m) er duwen, bw. — Omvergif/den, ow. (hebben^ zijn). — Omvergooien, bw. — Ornverhakken, bw. — Omverhalen, bw. — Omverhelpen, bw.— Omver/tinken, bw.— Omverhoepelen, bw. — Omverhollen, bw,

— Omvrhouwen, bw. — Omverjagen, bw. — Omverkaatsen, bw. — Omverkan' telen, ow. (zijn). — Omverkappen, bw.

— Omverkegelen, bw. — Omverkente-ren, bw. ow. (zijn). — Omverkletsen, bw.

— Omver kloppen, bw. — Omver krijgen r bw. — Omverliggen, ow. — Omver hopen, bw. — Omver maaien, bw. — Om-verraken, ow. (zijn). — Omverrammeny bw. — Omverrennen, bw. — Omverrif-den, bw. — Omverrukken, bw. — Om-verschieten, bw. — Omverschoppen, bw.

— Omverslaan, bw- ow. (zijn). — Om-versleepen, bw. — Omver slingeren, bw.

— Omversmakken, bw. — Omver smijten, bw. — Omverspringen, bw. — Omver steken, bw. — Omverstooten, bw. — Omver star vien, bw. —■ Omie? storten, bw. ow. [zijn). — Omvertooveren,bvj. — Omvertrappen, bw. — Omvertreiken,

bw. — Omver tuimelen, ow. (zijn). _

Omvervallen, ow. (zijn) bw. — Omver-vellen, bw. — Om vervliegen, ow. (zijn)

bw. — Omverviaaien, ow. (zijn) bw. _

Omverwaggeleji, ow. (zijn). — Omver-werken, bw. — Omverwerpen, bw. Omverwerping, v. — Omver-wippen, bw. ow. (zijn). — Om verwrikken, bw. — Om-verwroeten, bw. — Omverzakken, ow. (zijn).

omvlasrgren (Onsch.) bw. (Dicht.) Met vlaggen omgeven. — omvlammen (Onsch.) bw. (Dicht.) Vlammend omgeven.

— omvleeliten (Sch.) bw. In de rondte vlechten. Vlechtswijze in de rondte winden. Zich omvlechten, ww. (Onscb.) bw. Met een gevlochten voorwerp omwinden. Zich als een vlechtwerk om iets heen winden. Omstrengelen. Omvatten. Omvlfchting, v. — om vI eexcn (Onsch.) bw. (Dicht.) Met een vleeschelijk of stoffelijk omhulsel omkleeden. Omvlee-zinc;, v. — om vier keu (Onsch.) bw. (Dicht.) Als met vlerken omgeven. —

(i) De samengestelde werkwoorden met omver zijn scheidbaar.


ocr page 573

OMWA — c

oniTlenpelen (Onsch.) bw. Met vleugelen omgeven, rondom bedekken. Zich omvleugelen , ww. Ornvleugelinz , v.

— omvlietleu (Sch.) ow. (zijn) IJlend om iets heen loopen. (Van den tijd) Spoedig verstrijken. — omvliegen (Sch.) ow. (heoben, zijn) Om of langs iets heen vliegen. Her- en derwaarts vliegen. Met snelheid om iets heen gaan. Met snelle vaart omwentelen. (Van den tijd) Spoedig verstrijken. Snel heen- en weder-loopen. Spoedig her- en derwaarts zich bewegen. Bw. Omvervüegen. (Onsch.) Bw. Vliedend omgeven. — omvlieten iSch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen vlieten. Zich omvloeien (in). (Onsch.) Bw. (Dicht.) Vlietend omgeven. — omvUeu (Sch.) bw. Om het lijf vijen (van kleedingstukken, enz.).

om vloed, m. (-en). Zijdelingsche waterafleiding (van eenen watermolen).

omvloeien (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen vloeien. Zacht omloopen (in). Her- en derwaarts vloeien. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Vloeiend omgeven. Aan alle kanten beschijnen (van licht, enz.). Om-vloeiing, v. — omvlokken (Onsch.) bw. (Dicht.) In vlokken omgeven. — omvlotten (Sch ) ow. (zijn, hebben) Om iets he« n vlotten. Her- en derwaarts vlotten. Omdrijven. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Vlottend omgeven. — omroeren (Sch.) bw. Om itts heen voeren. Her- en derwaarts voeren. Met een voer- of vaartuig om of door iets heen voeren. Langs eenen omweg voeren. Overal met zich voeren. Omvoertng, v. — omvoeren (Sch.) bw. Anders voeren (van kleedingstukken, enz ). (Onsch.) Rondom van voering voorzien. Omvoering, v. — om vonkelen (Onsch.) bw. Vonkelend omgeven. — om-vomelien (Sch.) ow. Rondgaande vor-schen (naar). Omvorsching, v. — oni-vonwen (Sch.) bw. Anders vouwen. Het binnenst buiten of buitenst binnen vouwen. Ow. (ziin) Een omgebogen stand bekomen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Om iets heen vouwen. Omvouw, v. (-en). Ontvouwing, v. — om vr a {pen iSch.) bw. Naar de rij afvagen. Ow. Rondgaande vragen (naar). Omvraag, umvrage, v. Omvraging, v. (-en).—omvrlezen (Onsch.) bw^Dicht.) Rondom door vriezen verstijven. — om-wstaien (Sch.^ ow. (zijn, hebben). Waaiend her- en derwaarts zich bewegen. Om-verwaaien. Bw. Omverwaaien. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Waaiend omgeven. — om-wneTRrelen (Sch.) ow. (zijn, hebben) Waggc lend omvallen. Om iets heen waggelen. Waggelend her- en derwaarts loopen. — om vi allen (Onsch.) bw. Met wallen omringen. Als een wal omgeven. Zich omwallen, ww. Omwalling, v. (-en).

— omwalmen (Sch.) ow. Her- en der-waai ts walmen. (Onsch.) Bw. -Met eenen walm omgeven. Als met eenen walm omgeven.

oinivaiul, bn. Omgeven met wanden.

omwstiKlelen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om itts heen wandelen. In verschillende richtingen wandelen. Lanes eenen omweg wandelen. Onder de menschen

53 — OM WE

verkeeren : toen Jezus op aarde omwandelde. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Wandelend omgaan (eene ruimte). 0?nwandelingt v. (-en). *

omivandingr, v. (-en). Wand, waarmede eene ruimte is omsloten.

om wapperen (Sch.) ow. Her- en derwaarts wapperen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Wapperend omgeven. — om waren (Sch.) ow. Om iets heen waren. Her- en deiwaarts waren. (Onsch.) Bw. Warend omgeven. — omvi asMOlien (Sch.) bw. Van binnen en van buiten wasschen. Om-wasscking, v. (-en). — omnaNMen (Onsch.) bw. Wassend omgeven. — om-wateren (Onsch.) bw. Met water omgeven. Aan alle kanten met water omsluiten, omweg-, m. (-en). Langere weg dan de gewone. Dwaalweg. Uitvlucht. Voorwendsel. Iets zonder omwegen zeggen : openhartig spreken.

omweilt;len (Sch.) ow. Her- en derwaarts weiden (inz. van vee). — om welven (Onsch.) bw. Als een gewelf omgeven. Om welving, v. (-en). — om wemelen (Sch.) ow. Her- en derwaarts wemelen. (Onsch.) Bw. Wentelend omgeven. — omwenden (Sch.) bw. Andersom wenden. Achterwaarts wenden (van paarden). Omkeeren, omdraaien (van :t hoofd). Het roer omwenden : het schip van richting doen veranderen. Ow. (zijn) Zich achterwaarts wenden, omkeeren. Zich omwenden, ww. Omwending, v. (-en). — omwentelen (Sch.) bw. In de rondte wentelen. Aanhoudend omdraaien. Het onderstboven wentelen. Ow. (zijn) Zich wentelend in de rondte bewegen. Als in wentelendebeweging omloopen. Zich omwen-telen, ww. Omwenfelaar, m. (-s, ..aren). Omwenteling, v. (-en). Het omwentelen. Algeheele omkeering van de orde der instellingen, stelsels, enz. Tatercel der gebeurtenissen, die met die omkeering gepaard gaan. _De omwentelingen onder Filip II en zijne landvoogden staan geboekt om hare vreeselijkheden. De Bra-bantsche omwenteling : keizer Jozef II had de gemoederen quot;in Nederland door zijne willekeurige wetten en ondraagbare belastingen derwijze verbitterd, dat de Belgen in oproer kwamen. De Patriotten kwamen op. Jozef II werd vervallen verklaard en de Oostenrijkers werden verslagen te Turnhout (1789). De omwenteling van iSjo : koning Willem I misnoegde de Belgen door willekeurige akten en benoemingen, door overgroote belastingen, maar vooral door kwellende maatregelen tegen den katholieken godsdienst. Brussel kwam in opstand (1830). De Hollandsche bezettingen werden weldra gedwongen schier aide Belgische steden te ontruimen. De onafhankelijkheid van België werd uitgeroepen in het nationaal congres (1831). Omwentelingsas, v. (-sen). Omwente-hngsgeest, m. Omwentelingsgezind, bn. Omwentehngskoorts, v. Omwentelingslied, o. (-eren). Omwentelingslichaam, o. (..amen). (Meetk.). Omwentelingstij'd, m. (-en). Omwentelingsvlak, o. (-ken). (Meetk.). — omwerken (Sch.) bw. Op


ocr page 574

OMWR — 5

eene andere wijze bewerken. Omspitten, omploegen. Dooi een werken (van graan). Ow. Op iets omweiken, er zonder orde sloi dig op werken. (Onsch.) Bw. Rondom bewerken. Omwerking, v. (-en). — om-rpcii (Sch.) bw. Ter aarde doen vallen. Verwoesten, vernielen. Overhoopwer-pen (van legers). Het roer omwerpen, het na;ir eene andere zijde wenden, veranderen van partij. Haabtig oru het lijf werpen (vankleedingstukken, enz.). Zich omiver-fen, ww. Om-jjetping, v. — ouMveveu (Oiisch.) bw. Met een weefsel omgeven. Als een weefsel omgeven. Omweving, v. — OBfitn'ibbelcu (Sch.) ow. (zijn) Wib-beKndomvallen. — omiviegeleii (Sch.) ow. Her- en derwaarts wiegeltn. — om-Mic{r4'ii (Sch.) bw. Op den grond doen nedetkomen door te hard te wiegen. — oniu icleu (Sch.) ow. (zijn) (Dicht.) In eene draaikolk omdraaien. — om wilt-liolon (Sch.) bw. Om het lijf wikkelen (van kleedingstukken, enz.). ^Onsch.) Bw. Romdom inwikkelen. Bewimpelen. Omsluiten. Zich umzvi/ikelen, ww. Omwikkeling, v. (-en). — omwiileu (Sch.) ow. (Slechts gebruikt met weglaiing van een ander werkw.) : het rad wil niet om (draaien). Bw. Om (het lijf) willen (hebben). — omu iMi|»eleii (Onsch.) bw. Bedektelijk vooibteiien. Omivtmpeling, v. (-en). — om\« iult;1 clou (Onsch.) bw. uSIet windsels omsluiten. Als een windsel omgeven, — omiviiideu (Sch.) bw. Om iets heen winden. Alwinden en opn euw opwinden. Ow. (zijn) Omkronkelen. Zich cinwinden, ww. (Unsch.) Bw. Rondom bewinden. Als een windsel omgeven. (Van eene slang enz.) Met hare kionkels omsluiten . Bewimpelen. Zich omwinden (mit), ww. Omwinding, v. (-en). Otn-wi/idsel, o. (-s, -en). — omwippvii (Sch.) bw. Door wippen doen omvallen. Ow. (hebben, zijn) Om iets heen wippen. Wippend omvallen. — omtvi.ssclieii (Sch.) bw. Aan alle kanten afwisschen. Ormvtssching, v. — omu iMselou (Sch.) bw. Van plaats verwisselen. Onderling ruilen. Ow. Met elkander wisselen, Omwis-se/ing, v. (-en).— omwitten (Sch.) bw. Aan alle kanten witten. Ow. Op iets om witten, er her- en derwaarts op witten. — om «voeden (Sch.) ow. Her- en derwaarts woeden. — omwoelen (Sch.) bw. Het onderstboven woelen. Woelend omverwerpen. Ow. Woelend her- en derwaarts zich bewegen. In iets omwoelen, er in 't wilde in omwroeten. Zich omwoelen, ww, (Onsch.) Bw. Met koorden, touwen, enz. omgeven.— «tinwolken (Onsch.) bw. Met wolken omsluiten. Als met wolken omgeven. Zich omwolken, ww.

omwoueiul, bn. Rondom eene stad, een dorp, enz. wonende, — Omwoners, m. mv. Personen, die om een aangewezen punt heen wonen. Bewoners van een punt van den aardbol, dat tegenovergesteld is aan dat, waarvan gesproken wordt.

omwreken (Sch.) bw. Door wrikken omhalen. — om wricmelfn (Sch.) ow. H» r- en derwaarts wriemelen. (Onsch.) Bw. Wriemelend omgeven. — omwi'ü-

l ~ OMZI

ven (Sch.) ow. Op iets omvrijven, er heren derwaarts op wrijven. —omwrikkem (Sch.) bw. Door wrikken omhalen. Om-wrikbaar, bn. — omwringreu (Sch.) bw. In de rondte wringen. Door wringen omdraaien. Door wringen omdraaien (den nek, enz.) en daardoor dooden. Door wringen doen omvallen. (Zeew.) Het roer omwringen. Zich omwgt;ingen, ww. (Onsch.) bw. (Dicht.) Wringend omgeven. — omwroeten (Sch.) bw. Dooreenwroeten. Door wroeten ter aarde werpen. Omwroe-ling, v. — oinwnlven (Onsch.) bw. (Dicht.) Wuivend omgeven. — om wurmen {omwormen) (Sch,) ow. Met of in iets omwurmen, aanhoudend er mede of in omknoeien, — omznnlen (Onsch.) bw. Rondom aan de kanten bezaaien. Dicht omzetten (met). — omz»«leleu (Sch.) bw. Van zadel doen verwisselen. Van een anderen zadel voorzien. — om-xatren (Sch.) bw. Door zagen doen omvallen. Ow In of op iets omzagen, er zonder orde hier en daar in of op zagen. — omzakken (Sch.) ow. (zijn) Op zijde vallen. — omzakkon (sch.) bw. In een anderen zak doen.

omzaten, m. en v. mv. Omgezetenen.

omzegramp;^'i1 (Sch.) bw IMondeling bekendmaken (iemands overlijden, enz.). Omzeg, m. 0/megging,v. — omzeilen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Langs iets heen zeilen. Her- en derwaarts zeilen. Langs eenen omweg zeilen. Bw. Zeilende omwerpen. (Onsch.) bw. Langs den omtrek zeilen (van). Omzeiler, m. (-s). Omzeiling, v. (-en). — omzeilden (Sch.) bw. Langs den omtrek eener aangewezene ruimte zenden, om eene boodschap over te brengen, enz. Naar alle kanten zenden. Rondzenden. OmzendbrieJ, m. (..ven). Openbare brief, die wordt rondgezonden. Omzending, v. (-en). — omzeilen (Sch ) bw. Van plaats doen verwisselen. Anders zetten. Met de spade, enz. diep omwerken. Dooreenwerken (van ko:en, enz.). Ombuigen en tegen het voorwerp aanvlijen (van randen enz.). (Scheik.) Door gisting wordt suiker in alcohol en koolzuur omgezet. (Muz.) Van de eene toonsoort in eene andere overbrengen. (Van geld enz.) Wisselen of ruilen tegen andere muntstukken, enz. Tot andere gedachten breneen. Eene verandering doen ondergaan. Zich omzetten, ww. (v an wijn) Troebel worden. Ow. (zijn) Haastig langs iets heen aankomen. (Onsch.) Bw, Rondom insluiten. Rondo n bezetten. Omzet, ra. (Omzettingen) Het omzetten van geld of koopwaren. Handel op markt of beurs. Omzet ijzer, o. (-s). Omzetsel, o. (-s, -en). Omzet spade, v. ( n). Om zetting, v.(-en).

omzielif igr, bn. bijw. Voorzichtig. Behoedzaam. — Omzichtelijk, bijw. — Omzichtigheid, v. Het omzichtig zijn (..heden) Omzichtige handeling. — Omzichtig-lijk, bijw.

omzien (Sch.) ow. Achterwaarts zien. Overal zien, om iets te bekomen : naar cenen dienstknecht omzien. Belangstelling wijden : hij zag veel naar ons om. Met voorzichtigheid te werk gaan : dit zal hem


ocr page 575

OMZW — 5

leeren omzien. Doe wel en zie niet om. Men moet rijden en omzien. Die niet omziet, is haast te niet. Omzien, o. Ommezien. Geen omzien naar iets hebben, er niet behoeven voor te zorgen. Omziend, bn. (Wapenk.) — omziltou (Sch.) ow. Anders gaan zitten. Zich omdraaien in het zitten. Omztt/end, bn. Rondom zittende. OmziHcnden, m. cn v. mv. Omzitiers, m. mv. — o in zoelte ii (Sch.) ow. Zoekend rondloopen. In of op iets omzoeken, er zonder orde hier en daar in of op zoeken. Bw. Doorzoeken. Omzoefiins,v.

oinzonst, bijw. Voor niet. Zonder reden. Zonder doel. Vergeefs.

omzoomon (Sch.) bw. Eenen zoom leggen (om). Met eenen zoom omnaaien. (Onsch.) Bw. Met eenen zoom omgeven. Zich omzoomen (met), ww. Omzooming, v. (-en). — omzwaaien (Sch.) bw. In de rondte zwaaien. Her- en derwaarts zwaaien. Omzwenken. Ow. (hebben, zijn) Eenen zwaai maken. Met eenen zwaai om iets heen loopon. Een slingerenden draai maken. In de rondte zwaaien. Met eenen zwaai omkeeren. Omslaan. (On*ch.) Bw. (Dicht.) Zwaaiend omgeven. Omzwaai, ommezwaai, m. Zwaaiende beweging in een wijden lering. Omhaal, omslag. Breed-voerigneid.Snelle omwenteling (van voorw. om hunne as). Omkeering. (-en) Draai, bocht. Omzwaaiing, v. (-en). — om-zwabbeloii (Sch.) ow. (zijn) Zwabbe-lend omvallen (van kleine vaartuigen).— omzwnbltcii (Sch.) ow. (zijn) Zwab-bend omkantelen (van kleine vaartuigen).

— oinz^vabliervn (Schow. Her- en derwaarts drijven (van vaartuigen). — oiuznabboron (Sch.) bw. (Van vaartuigen) M et de scheepsdweil schoonmaken. Ow. Op iets omzwabberen, er her- en derwaarts op zwabberen. Omzivabbering, v.

— omzwni'lif elon (Onsch J Metzwachtels omwinden. Bewimpelen. Omzwachteling, v. (-en). — omzwalken (Sch.) ow. Her- en derwaarts zwalken. Omzwerven. Omzwalking, v. (-en). — omzwsil-pen (Sch.) ow. Her- en derwaarts zwalpen. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Zwalpend omgeven. — oiiizwai|»]»eit (Sch.) ow. (zijn) Omkantelen (van kleine vaartuigen). — omzwarreleu (Sch.) ow. Her- en derwaarts zwieren. — oiiiziveeiicu (Sch.) bw. Met de zweep omdrijven. Als met de zweep her- en derwaarts drijven. — om-zweniiueu (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen zwemmen. Her- en derwaarts zwemmen. Langs eenen omweg zwemmen. Bw. Zwemmend omwerpen. (Onsch.Zwemmend omgeven. — oniziveukeii (Sch.) ow. (zijn) Meteenen zwenk om iets heen gaan. Met eenen zwenk zich zijwaarts wenden. Af et eenen zwenk zich achterwaarts wenden. In gedrag, enz. eene andere richting nemen. Bw. Vlug omwenden. Omzwenking, v. (-en). — omzwermen (Sch.) ow. Her- en derwaarts zwermen. In groote menigte her- en derwaarts loopen. (Onsch.) Bw. Zwermend omgeven. Om-zweim, m. — omzwerven (Sch.) ow. Zwervend omdolen. Zwervend omreizen. Her- en derwaarts zwerven. (Onsch.) Bw.

5 — ON A A

(Dicht.) Zwervende omgeven. Omzwer-ver, ra. (-s). Omzwerving, v. (-en). — omzweven (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen zweven. Her- en derwaarts zweven. In de rondte zweven. (Onsch.) Bw. Zwevend omgeven. Als zwevend omgeven. Omzweving, v. — omzwiepen (Sch.) ow. (zijn) Overhellen en daardoor omvallen. — omzwieren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen zwieren. In do rondte zwieren. Her- en derwaarts zwieren. Bw. Met eenen omzwier draaien. Doen vallen door er tegen aan te zwieren. (Onsch.) Bw. (Dicht.) Zwierend omgeven. Omzwier, ra. — omzwikken (Sch.) ow. (zijn) Door zwikken ombuigen, omslaan. Door zwikken omvallen. Omzwik-king, v. — omzwiiKlelen (Sch.) ow. (zijn) Omdraaien om zijne as. Als op een rad omwentelen. (Van geesten, enz.) Heren derwaarts zweven. Het hoofd zwindelt (mij) om : het hoofd schijnt mij rond te draaien. Bw. Laten omzwindclen (den geest, de zinnen, enz.) : ze laten verbijsteren. — omzwiiMlen (Sch.) ow. (zijn) Omdraaien. Omwentelen. — omzwirre-len (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen zwieren, er in snelle beweging om heen draaien of vliegen. In snelle vaart omzwieren. — omzwoeKen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Om iets heen zwoegen. Aanhoudend zwoegen Met ot op iets omzwoegen, er zonder orde mede zwoegen.

on. (Alleen in) on of even. Wat raadt gij on of even (paar of onpaar) ?

on, voorv. Geeft eene afwezigheid te kennen van het begrip, uitgedrukt door 't woord,waaraan het is toegevoegd.Wordt gebruikt bij naamw. (ondeugd, onmensch), bij bijv. naamw.(onaangenaam, onaandachtig), bij deelw. (onbeduidend, onbezorgd), bij bijw. (ongaarne). — oiiaanilarli-tlgquot;, bn. bijw. Zijne aandacht op iets niet bevestigd houdende. Niet met aandacht geschiedend. Onaandachtigheid, v. O'i-aaudachtiglijk, bijw. — onaandoen-lük, bn. bijw. (Van ziel of lichaam.) Ongevoelig. Onaandoenlijkheid, v. — on-aangredaan.bn. bijw. (Van het gemoed) Niet getroffen. Niet bewogen. — onaangediend, bn. (Van pers.) Niet aangemeld. — onaansrekleed, bn. Niet aanhebbende (inz. de bovenkleederen). — onaaiiffelennd, bn. (Van troepen) Niet geplaatst in de nabijheid van een dek-kingspunt.— onaangemeld, bn. Onaangemeld binnenkomen : binnenkomen zonder voorafgaande aankondiging. — on-aang-emerkt, bn. bijw. Ni«*t opgemerkt. Niet opmerkzaam beschouwd. Onopgemerkt: iem. onaangfmerkt laten gaan. Vz. Niettegenstaande. Ondanks. Vw. Alhoewel. — onaanerenaam, bn. bijw. Onbehaaglijk. Ongemakkelijk. S'uuryrh, bits, gemelijk. Verdrietig. V« rvelcnd. Onaangenaamheid, v. Hoedanigheid \an onaangenaam, (..heden) Iets, dat onaangenaam is. Twist, onmin, ruzie. — onaangeraakt, bn. Iem. of iets onaangeraakt laten, niet aanraken. — onaangeroerd, bn. — onaangesiiroken, bn. — onaangestoken, bn. — onaau-


ocr page 576

ONAF — 5;

frcfsist, bn. — oiman^cvallen, bn.

— oiaaaiigcvocliten, bn. — onaan-

bn — oiistaiigreze^d, bn. — onaaiiifczet, bn. — onaaiigozlcii,

v\v. Alho wrl. Vz. Niettegenstaande. — 011 aan sezoelit, bn. — oii:iaBisrozul-ver«l, bn. — oiiaanloklieiyk, bn.

bijw. Weinig bekoorlijk, verleidelijk. On-annlo/ckelykhetti, v. — onaanmerke-lUk, bn. bijw. Niet verdienende aan- of opgemerkt te worden. — oiiaamionie-lük, bn. Onaannemelykheid, v. — 00-2tsiiii*au(llgt;aar, bn. Onaanrandbnar-Jtetd, v — ouaaimprakelUk, bn.Niet in rechten vervolgbaar om toegebrachte schade. Niet verantwoordelijk. Otiaan-s/gt;' akelykheid, v. — ouaaunpreko-lÜk, Ln. Niet aan te spreken. Ongenaakbaar. — onaaiiMfootelUk, bn. bijw. Nu-t ergerlijk. Niet hinderlijk. Onaansfoo-ielykheid, v, — onatanlaiiibaar, bn. (Van rechten, enz.) Niet opgevorderd kunnende worden. Onbereikbaar voor eenen aanval. Onaan/asibaarhetd, v. Onaan-tastehjk, bn. Onaantastbaar. — ouaan-tri kiiolük, bn. Niet aanlokkelijk. Niet licht gekrenkt. Niet prikkelbaar. Ongevoelig. — onaanTaard, bn. (Van erfenissen, enz.) Niet in bezit genomen. — 011-aauvalbaar, bn.— onaaiivnlbaar, bn. — oiaaauzionlOk, bn. bijw. Niet in aanzien zijnde. Tot de lagere standen be-hoorerde. Gering. Onaaiizignlijkhnd, v.

ouaardigr, bn. Slecht van aard. Boos van inborst of geaardheid. Van een goeden aard verbasterd. Boos, onedel, onwaar-dig.

onaardig^, bn. bijw. Niet geestig. Niet grappig. (Van kinderen, enz.) Niet lief, onbevallig. (Van zaken) Onbevallig, lee-lijk. (Van personen) Onaangenaam, onbeleefd. Ongevallig, onplezierig. Onvriendelijk. Iets heel onaardig vinden, het on-heusch achten. (Van hoeveelheden, enz.) Niet onaardig : nog al aanmerkelijk. — Onaardigheid, v. (..heden). — Onaar-digjes, bw. — Onaardtglyk, bijw.

onabel, bn. bijw. Onhandig. Onbekwaam. Onbedreven. Ongeschikt. Onknap.

^oiiaelitbaar, bn. Geene achting waardig. Gering. — O nacht baarheid, v.

onaebtzaani, bn. bijw. Achteloos. Getuigende van gebrek aan oplettendheid enzor^'. — Onachtzaamheid, v. Onoplet-terdh» id. Achteloosheid, (..heden) Achte-looze handeling.

onadelUik, bn. Niet tot den adel be-hoorende. Wat met den aard des adels niet strookt. Burgerlijk. — Onadellyken, m. en v. mv. Lieden, die niet van adel zijn.

onafgebakend, bn. — ouaramp;e-bor.slt;el«l, bn. — onafgrebrokeii, bn. bijw. Niet afgebroken. Geheel aanwezig. Zonder tusschei.poozen, voortdurend. — onaffcredaan , bn. Onvoltooid (van werk). Niet vol/laan (van schulden). — 011-afiredeeld, bn. — onafgeliaiideld, bn. —oi3at'{feliiinrlt;l, bn. — oiiafsre-kondi^cl. bn.— onargeleverd, bn.

— lt;»nar{gt;-ei:i:isikt, bn. — onafg'e-perl« t, b i. — onafceseliaafd, bn. — onarjgrefgt;neden, bn.—onafgrewend.

3 — ONBE

bn. — onafgewerkt, bn. — onar-

liaiik(e)lük, bn. bijw. Van niemand afhankelijk. Aan niemand onderworpen. Vrij, inz. met betrekking tot den maat-schappelijken toestand. Onafhanke'yk' heid, v. — onafkeerbstar, bn. bijw.

— onafkoopbaar, bn. Onafkoopbaarheid, v. — onafleifbaar, bn. «— onaflo.«ib:tar, bn. Niet afgelost kunnende worden. Niet vrijgemaakt kunnende worden door afbetaling (van goed dat verpand is, van schulden). Onaflosbaar heid, v.—onafuieef baar, onafinefelUk, bn. Niet afgemeten kunnende worden. Alle maat te boven gaande. Onaf meetbaarheid, onafmetehjkheid, v. — onaf-selieidbaar, ouafNelioideiyk, bn. bijw. Onafscheidbaarheid, onafscheidelijkheid, v. — onafNeliefsbaar, bn.

— onafselirikbaar. bn. — onafweerbaar, bn. — onstfweiidbaar, bn. — onafu Unbaar, bn. — ouaf-wiHbaar. bn. — «»iiafzetlgt;3tar, on-afzelteiyk, bn. On afz et bp arh eid, v,

— onafzienbaar, bn. bijw., onaf* zienlyk. bn. Niet afgezien kunnende worden. Te uitgebreid om in zijn geheel ta worden overzien. Onafzienbaarheid.

onargrliMtig-, bn. bijw. Onarglistig' heid, v. O na r% listig lijk, bijw. — onargr-Traneud, bn.

onbaafziiclitig:, bn. bijw. Belangeloos. — Onbaatzuchtigheid, v.

onbandi;?, bn. bijw. Wild, woest : een onhandig dier. Toomeloos ; onhandige overwinnaars. Teugelloos : hij werd gezweept door de onhandigste hartstochten,

— Onhandigheid, v. (..heden), onbarinliarfig:, bn. bijw. Onmee-

doogend. Ongevoelig. Wreed. Hard. Ongenadig. Ellendig. In uiterst groote mate.

— Onbarmhartigheid, v. Onmeedogendheid. Wreedheid, (..heden) Ombarmhar-tige handeling. — Onbarmhartiglyk, bijw.

onbeainbt, bn. Ambteloos. — on-beangfKt, bn. Onbeangstigd, bn. — on beantwoord, bn. — onbearbeid, bn. — onbebouwd, bn. — onbeey-ferbaar, bn. — onbedaarbaar, bn., onbodaïM'iyk, bn. bijw. Onbedaard, bn. bijw. Niet bedaaid. Onstuimig. Hevig.

— onbedaelit, onbedaebfzaam, bn. bijw. Onnadenkend. Onbezonnen. Onvoorzichtig. Onbedachtel/jk, bijw. Onbedachtheid, 'rdachtzaamheid, v. Onnadenkendheid. (..heden) Onbedachtzame handeling. — onbedeeld, bn. — on-bedeeiM', bn. bijw. Onbedeesdheid, v.

— onbedekt, bn. bijw. — onbeden-keiyk, bn. Niet hachelijk. Niet gevaarlijk. l*i. bijw. Ondenkbaar. Bijzonder groot, verbazend. Onbedenkelijkheid, v. — on-bederfba:«r, onbederfeiyk, bn. — onbelt;lieii«l, bn. Nogniet voorzien (van).

— onbedykt, bn. — onbedorven, bn. Onbedorvenheid, v. — onbedreven, bn. Onervaren. Ongeoefend. Onbedrevenheid, v. — onbedriegrbaar, bn. Onbedrieglijk, bn. bijw. On bedrieglijkheid, v. —onbedroefd, bn. — onbe-dnelit, bn. bijw. Geene beduchtheid of vrees gevoelende. Onbevreesd. Onbekom-


ocr page 577

ONBE — 5

merci, onbezorgd. Onbeduchtheid, v. — onbeduidcml, bn. bijw. Weinig betee-kenend. Beuzelachtig. Van gering aanzien. Wezenloos. Dom. Klein, teer, tenger. Doelloos. Nutteloos. Onbelangrijk. Onbe-duidendheid, v. (..heden). — oiilgt;c-diviiigrbsisir, «iibcdwiiigrolUk, bn. Te sterk, te fier, enz. om door dwang ten onder gebracht of getemd te worden. On-wederstaanbaar. Niet stuiten. Onbe-dïvingbaarheid, v. Onbrdivoiigen, bn. bijw. Vrij. Door niets weerhouden. Onbelemmerd. Onverhinderd. Onbrdrvongen-heid, v. — oiil»oöodig-lt;1r bn. Niet door •eenen eed verbonden. — oiiltol'simiid, bn. — onbetfuufd, bn. Niet ruim bedeeld met gaven van geest, vernuft of verstand. Onbegaafdheid, v.— onbeguaii-basamp;r, bn. Onbegaafibaarheid, v. — on-begreerd, bn. Niet begeerd. Onbe^eerig, bn. Niet begeerig (naar). Niet onbegee-rig : nog ad begeerig. Onbegeerigheid, v. Onbegeerlijk, Kin. OnbegeerlifJcheid, v. —_ on begeven, bn. (Van ambten, enz.) Niet aan iem. geschonken. Onvervuld, onbezet. — onbegoed, bn. Niet begoed. •Onvermogend. Onbegoedheid, v. — on-begronnen, bn. Zonder begin (van God, eeuwigheid, enz.). — oubeirrsiveii, bn. — onbegrensd, bn. bijw. Niet door duidelijk zichtbare grenzen van de omliggende ruimte afgescheiden. Grenzenloos, onmetelijk : de onbegrensde hemel. Onbeperkt, eindeloos : een onbegrensd vertrouwen. In onbegrensde mate : zich onbegrensd doen gehoorzamen. Onbegrensdheid, v. —on-begrepen, bn. Onbegrypbuar, bn. Qn-begrypehjk, bn. bijw. Onbegrijpbaarheid, v. (..heden). Onbegrypeli/khetd, v. — on-bes:roolbsiai*,bn.—onbeliasiglük, bn. bijw. Onbehaaglif'thetd, v. — onbe-linard, bn. — onbeliabbeld, bn. bijw. Onbehouwen. Onhebbelijk. Lomp. — onbeliandeld, bn. — onbelistngen, bn. — onblt;k]i«gt;erd, bn.— onbehelpe-lUk, bn. Niet in staat zich zei ven te helpen.

Onhandig. On redzaam.Ow^/W/V/yX-Af^/,

v.— onbelien«lig, bn. bijw. Onbeken-digheid, v. — onbelioed, bn. Onbe-hoedza-'tn, bn. Onbeh edzaam he id, v. — oiibeli«»l|»eii, bn. Zich niet wetende te helpen. On andig. Stumperig. Plomp. Onbeholpenheid, v. — onbeboorlUli, bn. Onbetamelijk. Ongepast. Verkrerd. Onbehoorlijkheid, v. (..heden). — ,o*v.belioii-den, bn. Onbeteugeld. Teugelloos. Onbe-houden zijns rechts : zonder voorbehoud van zijn recht. — on belton we^i, bn. Niet doo' beitel, enz. gladgemaakt. Ruw. Lomp. Ongemanierd. Onbehouwenheid, v. — onbelinlpzanm, bn. Onbehulp-zaamheid, v. — onbejnard, bn. — on-bekeerbastr, bn. Onbekeerd, bn. On-bekeerlyk, bn. Onbekeer lijk h eid, v. — onbekend, bn. Niet gekend. Niet bekend. Onbekend maakt onbemind. Onbekendheid, v. (..heden). — onbekluagd, bn. Onbe klaaglijk, bn. Niet beklagenswaard. Onbeklaagli/kheid, v. — onbekleed, bn. — onbeklemd, bn. (Van goederen) Niet in rechten aangesproken. Niet door beslaglegging bezwaard. (Van

' — ONBE

de borst, enz.) Vrij. Ruim. (Van den geest, enz.) Onbeangst. Opgeruimd.Vroo'ijk. On-bekUmdheid, v. — onbeklinibaur, bn. Onbeklimbaarheid, v.— onbeknib-beld, bn. — «»nbek4»inelUk, bn. ^Van spijzen, enz.) Te zwaar om goed vei teerd te worden. — onbekommerd, bn. Niet gedrukt door kommer en zorgen. Onbezorgd. Onbekommerdheid, v. — onbekookt, bn. bijw. Niet voldoende gekookt. Ondoordacht, oppervlakkig, ijdel. Onbekooktheid, v. — onbekooriyk, bn. bijw. Onbekoorli/kheid, v. — onbo-kraelitijfd, bn. — onbekrennd, bn. Onbekommerd. Onbezorgd. Onbekrennd-heid, v. — on bekrompen, bn. bijw. Overvloedig, mild, vrijgevig. Flink van handeling of bedoeling. Onbekrompenheid, v. — onbekroond, bn. — onbe k^vstsim, bn. Zonder bekwaamheid. On-voegelijk : onbekwame reden. Onbehoorlijk : op onbekwame wegen gaan. Onbekwaamheid. v. Onbekwame lijk, bijw. — onbeladen, bn. Niet met eenen last bezwaard. Onbezorgd, onbekommerd. — on-belangi'ök, bn. bijw. Onbelangrijkheid, v. Onbelangzuchtig, bn. bijw. — onbelast, bn. Onbelastbaar, bn. Onbelastbaarheid, v. — onbeleedigd, bn. — onbeleefd, bn. bijw. Onheusch. Onvriendelijk. Onbeschaamd. Ruw, wreed, onmenschelijk. Onbeteefdelnk. bn. Onbeleefderik, ra. (-en). Onbelce J mensch. Onbeleefdheid, v. Gebrek aan beleefdheid. (..heden) Onbeleefde bejegening in daden of woorden. — onbelegd, bn. — onbeleesbaar, bn. — on belegen, bn. (Van brood en bier) Al te nieuwbakken, ai te versch. — onbelemmerd, bn. Door niets belemmer!. Ongehinderd. Vrij. Onbelemmerdheid, v. — onbelet, bn. Niet belet. Niet belemmerd. Ongehinderd.— onbelezen. bn. Niet belezen. Weinig kennis hebbende uit de boeken. Onbelezenheid, v. — onbelleliaamd, bn. — onbeloerd, bn. bijw. — on belogen, bn. (Van pers.) Onbelastbaar. (Van zaken) Niet gelogenstraft. — on belommerd, bn. — onbelompvii, bn. Onbehouwen. Ruw. Lomp.— onbeloon-baar, bn. Onbeloond, bn. — onbeliiMt, bn. Niet belust (op). Geenen lust hebbende (in). — onbemaagd, bn. Geen maagschap bezittende, dat bekend is. Onbe-maagschapt, bn. — onbemand, bn. Niet bemand. Niet van bemanning voorzien. — onbemast, bn. — onbemerk-baar, bn. bijw. Niet bemerkt kunnende worden. Onbemerkt, bn. bijw. Niet bemerkt. Door niemand opgemerkt. — on-bemest, bn. — onbemiddeld, bn. Ongegoed. Geen vermogen bezittende. — onbemind, bn. Onb'minfnejlijk, bn. bijw. Niet geschikt om bemind te worden. On bent in hjkh eid, v. — onbemnnrd, bn. — onbenaderbaar, bn. — onbe-nanwd, bn. —onbenemeiijk, bn. — onbenepen, bn. Niet benepen. Onbeklemd. Vrij. — on bene veld, bn. bijw. Niet beneveld. Helder. Klaar. — onbe-nUd, bn. bijw. Geene afgunst -opwekkende. Vreedzaam. Onbenydbaar, bn. —


ocr page 578

ONBE — 52

oii1gt;eiiocm1gt;aav, bn. (Van peis.) Onbevoegd om benoemd te worden. (Van 7a-ken) Niet te benoemen. Onbeiioeinbaar-hetdy v. Onbenoemd, bn. (Van pers.) Niet benoemd. (Van getallen) In het afgetrok-kene beschouwd : tien is een onbenoemd getal. — «gt;ulgt;euoo(lig:lt;'gt; bn.

onbeuul, m. en v. (-len). Dommerik. Stumper. — Onbenullig., bn. bijw. Dom. Stumperachtig. — Onbenulligheid, v:

oiilgt;c'ooi*«lccl«l, bn. — onbepaalbaar, bn. Niet bepaald kunnende worden. Onbrpaaibaarheid, v. Onbepaald, bn. bijw. Onbegrensd, eindeloos uitgestrekt : de onbepaalde ruimte des hemels. Buitengewoon groot: een onbepaald gr zag uitoefenen. Volkomen : een onbepaald vertrouwen hebben. Onzeker ; de tijd was nog onbepaald. Onzeker, twijfelachtig : een onbepaald gevoel. Onbepaald voornw., onbepaald lidw., onbepaalde wijs. Onbepaalde-lijk, bijw. Onbepaaldheid, v. Onbepalend, bn. — onbeperkt, bn. bijw. Niet beperkt. Onbegrensd. Onmetelijk. 0quot;be-f erktheid, v. — onbeploegrbaar, bn.

— onbeproefdl, bn. — onberaden, bn. bijw. Onbezonnen. Onbedacht. Onvoorzichtig. Onberadenheid, v. — onbe-i'eelit, bn. — onbereden, bn. (Van paarden, wegen, enz.) Niet bereden. (Van pers.) Onbedreven in het rijden. Niet van een paard voorzien : een onbereden cavalerist. — onberedeneerd, bn. bijw. Niet ('oor de rede geleid of bestuurd. Onbedacht. Onbezonnen. Onberecteneerd-heid, v. — onbereid, bn. — onbereikbaar, onbereikeiyk. bn. Oti-bemkbaarheid, v. — onb^reiMd, bn. (Van landen, enz.) Niet bezocht door reizigers. (Van pers.) Niet gereisd hebbende.

— onberekenbaar, bn. bijw. Onbe-rekfnd, bn. Niet vooraf overlegd en vastgesteld. Ongedwongen, natuurlijk : eene onben-kendc vriendschap. Ongeschikt, ongepast : hij bedreef eene onberekende dwaasheid. Onberekendheid, v.— onbo-rQdbaar, bn. — onbvrUind, bn. — onlx-riopeliik, bn. bijw. Geenerlei aanleiding gevende tot berisping. Zoo schoon, zoo goed, enz., dat er niets op aan te merken valt. Onberispelyl'heid, v. — onberoemd, bn. Niet beroemd. Bijw. Onberoemd gesproken : zonder ophef gesproken. Onberoemd heid, v. — 011 beroepbaar, bn. Onberoepbaarheid, v. — on-beroerbaar,onberoeriyk, bn. Onberoerd, bn. bijw. Niet beroerd.

onberonn', o. Het tegendeel van berouw. Onberouwd, bn. Onberonwelyk, bn. bijw. Niet kunnende berouwen.— on-beaebaard, bn. Niet beschaafd Oneffen. Kuw. Onbeschaafdheid, v. Het gemis van beschaving, (..heden) Iets, dat onbeschaafd is. — onbemcliaamd, bn. bijw. Zonderschaamte. Onbeschaamdheid, v. Gebrek aan schaamte, (..heden) Iets, dat onbeschaamd is. — onbeneliadigrd, bn.

— onbegebadaTTd, bn. — onbe-■elianNt, bn.

onbeselieid, o. Onverstand. Gebrek aan oordeel en verstand. Dwaashrid. On-heusch aht.voord. Onvriendelijke bejege-

1 — ONBE

ning. Stug gedrag. — Onbescheiden, bn. bijw. Onverstandig. Niet met oordeel te werk gaande. Aanmatigend en onwellevend. Ongepast. Vermetel. Onvoegzaam. Onredelijk. — Onbescheidenheid, v. Gebrek aan bescheidenheid, (..heden) Onbescheiden handeling. Ongepaste handelwijze. — Onbescheidenlijk, bijw.

onbesclienen, bn. Niet door licht beschenen. — onbeHcliermd, bn. — onbeseliietbuar, bn.

onbeftcboft, bn. bijw. Wanstaltig. Lomp. Grof. — Onbeschoftheid, v. Ruwheid. Lompheid, (..heden) Onbeschofte bejegening.

onbeseliolden, bn. Ongelaakt. On-berispt. — onbewelireld, bn. Onbe-weend. Onbetreurd. — onbesolireven, bn. Niot beschreven. Onbeschrijfbaar, bn. bijvr. Niet beschreven kunnende worden. On besch rijj ba ar he id, v. Onbe^chry fe-lijk, bn. bijw. Niet te beschrijven. Alle beschrijving te boven gaande. — 011 be-«eliroomd, bn. bijw. Niet verlegen. Niet bedeesd. Vrijmoedig. Onbeschroomde lijk, bijw. Onbeschroomdheta, v. — onbeMCbut, bn.— onbescf baar, bn. bijw., onbesefl'elük, bn. Het met sche-lijk verstand te boven gaande. Ondoorgrondelijk. Boven bedenking groot. — on-beslst^en, bn. Zonder hoefijzers. (Van land) Niet bemest. (Van de tong) Schoon, helder. Onbeslagen op het ijs komen : iets ondernemen zonder behoorlijk voorbereid te zijn. — onbenlapen, bn. —oubc-sleelit, bn. —onbeMliNt, bn. Niet uitgemaakt. Onzeker. Tw ij f»-lach tig. Weifelend, aarzelend. Onbeslistheid, v. — on-bcAlonunerd, bn. Onbeslonimerdheidy v. — onbesloten, bn. (Van zaken) Nog onbepaald. (Van pers.) Weifelend. Onzeker. — onbesmet, bn. Onbezoedeld. Vlekkeloos. Zuiver. Rein. Onbesmette lijk, bn. — onbesneden, bn. Onbesnedene, m. en v. (-n). Heiden. Onbekeerde. — on-besnoelbaar, bn. Onbesnoeid, bn. Niet besnoeid. Ruw. Onbeschaafd. Onbesnoeid-heid, v. — onbespeeld, bn. — o 11 bespeurd, bn. — onbespied, bn. — 011-beapraakt, bn. Niet onbespraakt : wel ter tale. Onbespraaktheid, v —oeibe-sprekelUk, bn. Onberispelijk. Niet in rechten aangesproken kunnende worden, onbesproken, bn. bijw. Zoo zuiver, dat er niets op aan te merken valt, onberispelijk: een onbesproken gedrag. Onbetwist : zijn gezag was onbesproken. Onbesprokenheid, v. — onbestaanbaar, bn. bijw. Onbestaanbaarheid, v. — onbestand, bn. Niet kunnende bestaan of staande blijven. — onbestand, o. On-bestendigheid.Wisselvalligheid. Vlt; rander-lijkheid. — onbesteed, bn. (Van pers.) Niet in den kost besteld. (Van zaken) Niet gebruikt. — onbesteld, bn.—onbestendigquot;, bn. Geenen stand houdende bij eene zeilde zaak. Ongestadig. Wispelturig. Wuft. Onbestendigheid, v. Onbestendig-ly'k, bijw. — oubestierd, bn. — onbe-stüffbaar, bn. — onbestookt, bn. Onbestookt laten : niit aanvallen. — onbestorven, bn. Niet door den dood van.


ocr page 579
ocr page 580
ocr page 581

ONBE — 5

ouders tot den staat van weezen gebracht. Niet door versterf aan anderen overpe-gaan. Te versch (van vleesch). Nog niet droog en bard (van metselwerk). — oiil»e-«tovon, bn. — bn. —

onbOAtrafbaai*, bn. Niet te straffen. On bestraffelvk, bn. Onberispelijk. Rein.

— onbck8ti'clt;lcii, bn. — oubcKiiiNtl, bn. bijw. Dóldril'tier. Teugelloos. Woest. Wild. Roekeloos. Onberaden. Onstuimig. Onbesm'sdelyk, bijw. Onbesuisdheid, v. Woeste drift. Onberadenheid, (..heden) Onbesuisde handeling. — onbofaal-baar, bn. bijw. Onbetaald, bn. Niet betaald. Oi gestraft. Ongewroken. — onbo-faiiilt;gt;lük. bn. bijw. Strijdende met de wetten der betamelijkheid. Niet welvoeglijk. Onvoegzaam. Onbehoorlijk. Onbeta-

Ongepastheid. Onvoegzaamheid (..heden) Onbetamelijke handeling of gezegde. — oubetcekenonri, bn. — oubotombaar, bn. O n be tem baarheid, v. Onbctemd, bn.— oubctoiijBrelbaar, bn. Onbeteugeld, bn, — oubeteufer«l, bn. bijw. Onverschrokken. Kloekmoedig. Zijne volle tegenwoordigheid van geest bezittende. Vrijmoedig. OnbeteJiterdheid, v.

— onbelliiiiiior*!, bn. — onbotoog:-baar, bn. Onbetoo^baarheid, v. — on-bef ooinbnar, hx\.\i\yft.Onbetoombaar-hetd,\. Onbetoomd, bn.— oubclraaiKl, bn. — onbctraolif, bn. (Van plichten) Niet betracht. Niet vervuld. — oiibclre-den, bn. (Van land, wegen, enz.) Niet betreden. Onbekend. — oiibctroni'd, bn. — oiibetromvbaar, onbetron-Ttolük, bn. — oiibotuifirtl, bn. Zich niet onbetuigd laten : niet nalaten getuigenis van zich te geven. — onbof iiind, bn.— onlM'lu y fVlba:)r, bn. bijw. — onbetwist, bn. bijw. Niet betwist. Door iedereen erkend. Onbetwistbaar, bn. bijw. Onbetuistbaarheid, v. — onbevaarbaar, bn. (Van rivieren, enz.) Niet bevaarbaar. (Van schepend Niet geschikt om er op te varen. Onbevaarbaarheid, v. — onbevallig, bn. bijw. Onbehaaglijk. Onbekoorlijk. Onaangenaam om te zien of te hoóren. Onbevalligheid, v. — onbevaren, bn. (Van wateren) Niet gebezigd om er op te varen. Niet door vaartul-

Sen bezocht. (Van pers.) Niet gevaren ebbende. Ongeoefend in het varen. — en bezocht. (Van pers.) Niet gevaren ebbende. Ongeoefend in het varen. — onbevatbaar, onbevattelijk, bn. Niet te bevatten (van God). Te duister, te ingewikkeld om verstaan te worden (van zaken). Niet licht begrijpende (van pers.). Onbevattelijkheid, v. — onbe-vlekbaar, onbevlekkelUk , bn. Onbevlekt, bn. Onbesmet, zuiver, rein. Onbeneveld, helder, klaar. Onschuldig. Zonder vlek ontvangen. Het onbevlekt •Lam : Christus. De onbevlekte Maagd : Maria, die nooit bezoedeld is geweest door de vlek der erfzonde. Zie Ontvangenis. Onbevlektheid, v. — onbevoeh-ten, bn. — onbevoegd, bn. Niet gerechtigd. De vereischte bekwaamheid, kennis, enz. missende om een beslissend oordeel te vellen (over een onderwerp van kunst, enz.). Onbevoegde, m. en v. (-n). Onbevoegdheid, v. — onbevolen, bn.

) — ONBE

bijw. — onbevolkt, bn.— onbevooroordeeld, bn. Niet ingenomen (metof tegen iem. of iets). — onbevoorreobt, bn. — onbevredigd, bn. Niet bevredigd. On verzoend. Onvoldaan. Onbevredigdheid, v. Onbevredigend, bn. — onbevreesd, bn. Niet bevreesd. Stoutmoedig. Koen. Onbeschroomd. Vrijmoedig. Onbevreesdheid, v.— onbevrienbaar, bn. — onbevroed, bn. — onbevroren, onbevrozen, bn. — onbe-vrnelit, bn. — onbewaakt, bn. — onbewald, bn. — onbewansen, bn. Niet met planten, enz. bedekt. Kaal. — onbeweegbaar, bn. Onverzetbaar. Onwrikbaar. Stijf. Strak. Onbeweegbaarheid, v. Onbeweeg/yk, bn. bijw. Bewegingloos. Roerloos. Onverzettelijk. Onverbiddelijk. Ongevoelig. Standvastig. Onverschrokken. Onbeweeglijkheid, v. — on-bevreend, bn. — onbeiveidbaarr bn.— onbewerkt, bn.— onbewerktuigd, bn. Niet can levenswerktuigen voorzien. — onbewezen, bn. — onbe-wierookt, bn. — onbew Usltaar, bn. Onbewijsbaarheid, v. De onmogelijkheid om bewezen te worden, (..heden) Iets, dat onbewijsbaar is. — onbewimpeld, bn. bijw. Onverbloemd. Openhartig en oprecht gesproken.— onbewogen, bn. Onver-wrikt. Onverzettelijk, vast. Stil, effen, kalm. Onverschrokken, koelbloedig, kloekmoedig. Onberoerd, rustig. — onbewolkt, bn. (Van den hemel, enz.) Niet bewolkt. (Van licht, enz.) Niet verdonkerd. (Van het gelaat, enz.) Helder, vroo-lijk. (Van het gemoed, enz.) Blijde, opgeruimd. — onbewoonbaar, bn. Onbewoonbaar heid, v. Onbewoond, bn. — onbewroclit, bn. — onbewnst, bn. Niet tot zijne kennis doorgedrongen. Onbekend. Onwetend. Des onbewust : zonder het te weten. Zich zeiven onbewust : geen bewustzijn van zich zeiven hebbende. (In de bedrijvende beteekenis van onwetend b« heerscht onbewust den 2n naamv. : hij is der zake gansch onbewust; in de lijdende beteekenis van onbekend, den 3« naamv. : denkt gij, dat die ondernemingen mij onbewust zijn?). Onbewustheid, v. — onbezaaid, bn. — onbezadigd, bn. bijw. Niet rustig en kalm. Wild. Woest. Onbezadigdheid, v. — onbezeerd, bn.

— onbezegeld, bn.— onbezeiibaar, bn. Onbezeiibaar heid, v. Onbezeild, bn. (Van wateren) Niet door zeilvaartuigen bevaren. (Van pers.) Niet geoefend in het varen. (Van schepen) Ongeschikt om te zeilen. Slecht zeilend. Onbezeildheid, v.

— onbezet, bn. Niet bezet. Ledig. Onvervuld. (Van het gemoed) Onvooringenomen. — onbeziebtigd, bn. — onbezield, bn. Niet bezield. Levenloos. Gevoelloos. Zonder ziel en leven. Koud. — onbezien, bn. Niet bezien. Niet onderzocht. Onbeziens, bijw. Zonder de zaak te zien of gezien te hebben. — onbezorbt, bn. — onbezoedeld, bn. — onbezoldigd, bn. — onbezondigd, bn.

— Zonder zonde. Vlekkeloos. — onbezonnen, bn. bijw. Onbedachtzaam. Onberaden. Lichtvaardig. Onbezonnen-


ocr page 582

ONDA — s;

held y v. Hoedanigheid van onbezonnen. (..heden) Iets, dat onbezonnen is.

— onbezorgd, bn. Niet bezorgd. Niet aan het adres overgebracht. Onbesteld.quot; Onbezorgdheid, v. — oubczvrasird, bn. Onbezorgd. Onbekommerd. Niet met schulden, enz. bezwaard. Vrij van lasten, inz. van hypotheken. — oubeztvsilkt, bn. Onbewolkt, onbeneveld. Helder, glanzend. Onbesmet, vlekkeloos, rein. — on-bozwstug^erd, bn. — oiibezwelcen, bn. (Van pers.) Niet bezweken. Volhardend. Standvastig. (Van zaken) Onver-slapt, onverzwakt. Onbvzwijkflijk, bn.

oiilgt;yb('lH(*li,bn. Nietinovereenstemming met den Bijbel, lu stdjd met den Bijbel. ^

otibillQk, bn. bijw Onredelijk. Onrechtmatig. — Onbilhjkheid, v. Onredelijkheid. (..heden) Onbillijke behandeling of bi-jegening.

onbloedig, bn. Zonder bloedvergieten geschied of geschiedende : het onbloedig Offer der Mis.

onbliiNclibnar,bn. Niette blusschen.

— Onbltischbaarhetd, v. oiiboelvnsamp;rdifi:, bn. Niet boetvaardig. Geen berouw gevoelende. Verstokt.

— Onboe/voaT-digheid, v. — Onboetvaar-dtglyk% bijw.

onbraiKlbaar, bn. Niet brandbaar.

— Onbrandbaarheid, v.

onbr«.gt;clilgt;aar, bn. Niet breekbaar.

— Onbi eekbaarheid, v. — Onbrekelyh, bn. Niet te breken. Onbreekbaar.

«nbrocderlUk, bu. bijw. Niet broederlijk.

onbruik, o. Het niet gebruiken (van). In onbruik raken : buiten gebruik komen. —- Onbruikbaar, bn. — Onbruikbaarheid, v.

onbuigbaar, bn. bijw. Niet te buigen. Onverzettelijk. Hardnekkig. Onwrikbaar. — Onbuigbaarheid, v. — Onbuigzaam, bn. Niet buigzaam. Stijf. Onverzettelijk. Hardnekkig.— Onbuigzaamheidfi.

onburgerlijk, bn. bijw. Niet als een burger levende. Niet aan eenen burger passende. Onbeschaald. Boersch.

oncc, v. (-n). Voormalig medicinaal

fewicht=i/i2 van een medicinaal pond. ie Ons.ewicht=i/i2 van een medicinaal pond. ie Ons.

oncbriMclUk, bn. bijw. Niet christelijk. Strijdende met de leer en den geest des Christendoms. — Onchrisielykheid, v. — Onchrisien, ni. (-en). Benaming van on-gelcovigen, afvalligen, ongodisten.

oik'Uiiftbaar, bn. Niet aan cijns of schatting onderworpen. — Oncynsbaar-heid, v.

ondaad, v. (..aden). Wandaad. Gruwelstuk.

ondank, m. Gemis ran dank : iem. met ondank betalen. Ongenoegen, misnoegen : ondank weten van iets. Ondank is 's werelds loon. — Ondankbaar, bn. Niet dankbaar. Goed met kwaad vergeldende.

— Ondankbaarheid, v. Gemis van erkentelijkheid. (..heden) Handeling enz., waardoor men zich ondankbaar toont. — Ondanks, vr. Niettegenstaande. In weerwil of quot;in spijt (van). Desondanks : ondanks dit.

)— ONDE

ondccg, v. (Alleen in) te ondeeg zijn : niet in orde zijn, niet zijn zooals het behoort, onpasselijk zijn.

ondecl, o. (-en). Atoom. Ondeelbaar stofje. Ondeelbaar klein deeltje. Een gering deeltje van iets. — Ondeelbaar, bn. bijw. Niét deelbaar. Niet gedeeld kunnende worden. — Ondeelbaarheid, v. — Ondeelnemend, bn. bijw.

ondeeelUk, bn. (Van pers.) Oppervlakkig. Lichtzinnig. (Van zaken) Oppervlakkig.Onbeduidend.—Ondei^elijkheidyV.

ondom pbaar, bn. Niet gedempt kunnende worden.

ondenkbaar, bn. bijw. Niet gedacht kunnende worden. Zeergroot. Verbazend. — Ondenkbaarheid, v. — Ondenkelijk, bn. bijw. Ondenkbaar.

onder, vz. Beteekent eenen stand van diepte, met betrekking tot iets dat omhoog is (onder den grond); rene plaatselijke betrekking (hij woont onder de boeren) ; onderwerping, onderdanigheid (hij staat onder zijnen broeder); een lageren prijs (onder den prijs verkoopen) ; eene during van tijd (onder het gevecht). Onder de menschen wonen. Onder deze voorwaarde. Onder den schijn (van). Onder ons gezegd. Dat blijft onder ons. Voorz. Onder ons. Hij woont onder Haarlem. Onder eene vlag varen. Onder zijnen schepter brengen. Onder zeil gaan. Onder sloom zijn. 10e stad staat onder water. Onder de oogen (van). Onder vier oogen. Onder schot zijn. Onder de zinnen vallen. Onder den invloed staan (van). Onder den indruk (van). Onder de bescherming. Onder het masker. Onder den schijn (van). Onder den naam (van). Onder verbindtenis (van). Onder verband (van). Onder belofte. Ondei beding (van). Onder opzicht (van). Onder dit opzicht. Bijw. Aan de benedenzijde (van). Dit blad is van onder geel. Naar onder. Van onder. Van onder op. Hij woont onder, zijne slaapkamer echter is boven. Onder in huis. Laat den vreemdeling naar onder komoo. De zon is nog niet onder (gegaan).

onderxtMU, bijw. Aan den onderkant. Aan bet benedeneinde Op de laagste plaats.

onderaandeel, o. (-en). Een der kleinere aandeelen, waarin de aandeeleo eener maatschappij gesplitst wórden.

ouder Hunne nier, m. (-s). Aannemer, die een onderdeel van een werk op zich heeft genomen.

onderaardiieli, bn. Onder de aarde gelegen. Onder de aarde geschiedende. Onder dc aarde verblijvende.

onderadjndant, ra. ( en). Onderofficier, die in rang boven den sergeantmajoor of opperwachtmeester staat. — Onderadmiraal, m. (..alen, -s). Thans; vice-admiraal.

onderaf, bijw. Van onder af. onderafdeeling;. v. (-en) Kielnoro afdeeling eener hoofdaideeling.

onderarm, rn. (-en). Gedeelte vaa den arm, zich uitstrekkende van den elleboog tot het handgewricht. — Onderarm-been, o. (-en). — OnderanHpi/p, v. (-en).


ocr page 583

ONDE — 5;

ondcrbaadjo, o. (-s). Boezeroen van wol, enz.

oiidcrbKsts. m. (..azoc). Meester-kmecl-.t.

oitd«rl»au8, v. (..azen). Voetstuk van eenv n pilaar.

oiidcrbstg-fircrou (Sch.) bw. (Van hennep, enz.) Met bagger overdekken. — Onderbaggering, v.

oudcrbsamp;llc, m. (-en). Balk, waarop een ander balkwerk rust.

ondcrbsind, m. (-en). (Heelk.) Onderste verband. (Weverij) Band, ■waarmede de stukken garen worden onderbonden. (Geweerm.) De benedenste der banden, die den loop aan de lade bevestigen. (Bouwk.) Eene lagere rollaag.

onderbstnk, v. (-en). Lager staande bank. Inrichting, van eene hoofdbank afhankelijk.

oiiderbankot, o. (-en). Verhooging aan de binnenzijde eener borstwering, waarop de manschappen staan te vuren.

ouderbztKt, m. (-en). Bast, die zich onder de schors bevindt.

oiiderb»l(crUgt; v. (-en). Geschutlaag op schepen, die het dichtst bij de waterlijn geplaatst is.

onderbed, o. (-den). Bed onder de matras.

onderbeek, v. (..eken). Lager liggende beek.

onderbeb, m. (-ken). Onderste gedeelte van den bek.

onderbekken, o. (-s). Benedenste gedeelte van het bekken.

onderberslioat,o.(-en). (Scheepsb.) Onderste berghout.

onderberm, m. (-en). Berm aan de onderzijde van den dijk.

onderbesoliult, v. (-en). Gedeelte van eene beschuit, dat op de plaat gelegen heeft.

onderbenl, m. (-en). Beulsknecht, onderbevelhebber, m. (-s). Bevelhebber, die onder den opperbevelhebber Staat. — Onderbevelhebber schap ^ o.

ouderbibliotheosamp;rls, m. (-sen). Ondergeschikte ambtenaar van den eersten bibliothecaris.

onderbikkel, ra. (-s). Bikkel, tus-schen de groote en kleine kooten gelegen.

onderbfl, v. (-len). Benedenste deel van de bfl (eener koe).

onderbinden (Sch^) bw. Onder iets anders binden. (Onsch.) Bw. Eenen baud leggen aan het onderste (van). — Onderbinding, v. (-en).

onderblad, o. (-en^. Onderste blad van de long eener koe. Onderste gedeelte van het schouderblad. Onderste blad van een snarenspeeltuig.

onderblijven (Sch.) ow. (zijn) Onder de voeten blijven. Onder water blijven. Niet tot zijnen wasdom komen : die boom is ondergeoleven. Ondergebleven brood : brood, dat niet goed gerezen is. Onder iemands macht, enz. blijven. (Onsch.) Ow. (zijn) Achterwege blijven : de wedstrijd is onderbleven. — Onderblyfsel, o. (-s). Wat friet wel opgroeit. Dwerg. Onderkruipertje.

— ONDE

— Onderblyueling, m. en v. (-en). Onder-blijfsel.

onderboekbonder, m. (-s).Tweede boekhouder.

onderboom, m. (-en). (Weverü) Boom, om welken de geweven stof wordt opgewonden.

onderboord, m. (-en). Boord onder aan een voorwerp.

onderboord, o. (-en). Plank aan de benedenzijde van een vaartuig.

onderbootsman, m. (..lieden, ..lui). Tweede bootsman.

onderborg:» m. (-en). Die zich borg gesteld heeft voor den borg des hoofdschuldenaars.

onderborst, v. (-en). Benedenste gedeelte der borst. — Onder borstrok, m. (-ken). Borstrok, die onder een anderen gedragen wordt.

onderbouwen (Sch.) bw. Onder den grond werken, om den akker opnieuw te bebouwen. (Onsch ) Bw. Steunen. Onderstutten. — Onderbouw, m.

onderbraak, v. (..aken). Onderstel der braak.

onderbreken (Onsch.) bw. De voortduring van iets voor eenige oogenblikken beletten, verstoren : hij heeft onze vreugde onderbroken, iemands sl tap onderbreken. In de rede vallen : luister en onderbreek mij niet. Onderbreking, v. ( en). — onderbrengen (Sch.) bw. Naar eene plaats brengen, die beneden is. Onder zijne macht enz. brengen : heel een land onderbrengen. Onder dak, in veiligheid b.en-gen : hij heeft die arme kinderen bij zijnen oom ondergebracht.

onderbroek, v. (-en). Broek, die onder eene andere broek, enz. gedragen wordt.

onderbnik, m. (-en). Gedeelte van den buik, dat onder den navel ligt. — Onderbuikskwaal, v. (..alen*. — Ouder-buikssbier, v. (-en). — Onderbuiksstreek, v. — Onderbuiksziekte, v. (-n).

oikderbuis, o. (..zen). Buis, dat onder een ander gedragen wordt.

onderburg:enieesiler,ra.(-5).(Eert.) Plaatsvervangende burgemeester. — On-der burgemeester schap, o.

oirderbnur, m. (..uren). Benedenbuur. — Onderburin, v. (-nen).— Onderbuurman, m. (..buren). — Onderbuurvrouw, v. (-en).

onderoonimisMarii«,in. (-sen).Tweede commissaris van politie. Ondercom-missarisschap, o.

ondereonsul, m. (-s). Tweede consul. — Onder consulaat, o. — Ondercon-su/schap, o.

onderdaagH, bijw. Kort geleden : my is onderdaags nog verhaald. Binnen kort: onderdaags moogtgij mij verwachten.

onderdaan, m. en v. (..auen). Tem., die aan een ander onderworpen is, (Doch uitsluitend gezegd van) lem., die aan de oppermacht van den vorst of den Staat ondergeschikt, onder hun cebied, bew-ind of gezag staat. (Scherts.) Mijne onderdanen, mijne beenen begeven mij. — On-derdane, v. (-n). — Onderdanig, bn.


ocr page 584

ONDE — 5

bijw. Onderworpen. Gehoorzaam. Nederig, Dienstwillig. — Onderdanigheid, v.

onderdas, v. (-sen). Das, die men beneden de gewone draagt.

onderdoe], o. (-en). Benedenste gedeelte van een voorwerp. Inz. onderste helft van het lichaam. Het gedeelte onder de middel. Gedeelte van een hoofddeel. Evenmatig deel, dat ondergeschikt is aan de eenheid : de decimeter, de centimeter zijn onderdeden van den meter. Iets in deelen en onderdeelen splitsen.

onderdok, o. (-ken). Bedekking der liggers eener brug. (Scheepsb.) Dek, beneden het bovendek gelegen. — Onder' de As, bijw. — Onderdeksplank, v. (-en).

onderdoken, m. (-s, -en). Die in rang op den deken volgt.

ondordekeii, v. (-s). Deken, welke men onder eene andere gebruikt.

onderdokkoii (Sch.) bw. Onder eene deken of een ander deksel toedekken. — ondordolven (Sch.) bw. Onder den

grond delven. (Onsch.) bw. Ondergraven.rond delven. (Onsch.) bw. Ondergraven.

Ondermijnen.

onderdeur, v. (-en). Benedendeur. Benedenste gedeelte eener deur.

onderlt;liakeii, m. (-en, -s). Subdiaken. — Onder diakenschap, o.

ouderdies, onderdo», bijw. Intus-schen. Ondertusschen.

ondordftk, m. (-en). Benedenste gedeelte van eenen dijk.

onderdyken (Sch.) bw. (Aan düks-kosten) Zóóveel beneden het bedrag blijven. — Onderdyking, v. (-en).

onderdook, m. (-en). Doek, welken men onder een anderen draagt.

onderdoen (Sch.) bw. ow. Onder de voeten doen (inz. van schaatsen). Onderzetten. Brengen (onder) : hij heeft er het ruur ondergedaan. Bukken, wijken, zwichten : hij moest voor zijne tegenstrevers on-derdcen. Achterstaan : hij doet in bekwaamheid voor niemand onder. — ouderdom pelen (Sch.) bw. Onder water of eenijic andere vloeistof steken. Met water ov« rstorten of overstroomen. Zich ott-derdompelen, ww. Zich met het hoofd onder water storten. — Onderdompeling, v. (-en).

onderdoor, bijw. Onder iets door : er is daar eene opening, kom er maar onder door. Onder en door iets : er onderdoor loopen. — Onder doorgaan (i) (zijn). — Onder door draven (zijn). — Ónderdoor-glijden (zijn). — Onder door kruipen (zijn).

— Onder door loopen (zijn).— Onderdoor-ryden (zijn). — Onder doorsluipen (zijn).

— Onderdoor spelen (hebben). — Onder-doorsporen (zijn). — Onder doors toornen (zijn). — Onderdoorvaj-en (zijn). — Onderdoor vliegen (zijn). — Onder door zeilen (zijn). — Onderdoorzweinmen (zijn).

onderdorpel, m. (-s). Benedendor-pel.

2 — ONDE

ouderdrompel, ra. (-9). Onderdorpel.

onderdrukken (Sch.) bw. Door drukking onderdoen, nedervellen. (Onsch.) Bw. Door onrecht of willekeur in bedwang houden. Vernederen. Door drukking beletten, dat iets te voorschijn korae : het bloed, dat uit eene wond vloeit, met eenen doek onderdrukken. Het ontstaan van iets verhinderen : hij had zijne wraak kunnen onderdrukken. De verschijning van iets verhinderen : zijne brieven werden onderdrukt. Uitlaten : eene letter onderdrukken. De ontwikkeling van iets verhinderen: zijn karakter was onderdrukt. Iets in zijne uiting bedwingen : eene gedachte onderdrukken. Verzwijgen : de waarheid onderdrukken. Onderdrukker, m. (-s). Onder-drukking, v. (-en). Onder drukster, v. (-s). — onderduiken (Sch.) ow. (zijn, hebben) Naar beneden duiken. Onder wa»-ter duiken. Ondergaan. Bw. Naar beneden doen duiken. Onderduiking, v.

ondorduiinst, bijw. In het geheim, onderduwen (bch.) bw. Naar beneden duwen.

ondordningeland, m. (-en). lem., die een ander in zijne dwingelandij ter zijde staat.

ondereen, bijw. Het eene onder het andere. Onder elkander. Doon . n. — On-dereenbraden, bw. (i). — Ondet eendotn-vtelen, bw. ow. — Ondereengooien, bw. — Ondereenhaspelen, bw. Ondereenhas-peling, v. — Ondereenklutsen, bw. — Ondereenknoeien, bw. — Onder*enko-ken, bw. — Ondereenlappen, bw. — On-dereenmalen, bw. — Ondereenmengelen, bw. Ondereenmengeling, v. — Onder-eenmengen, bw. Zich ondereenmengen, ww. Ondereenmeiigivg, v. — Ondereen-plengen, bw. — Ondereenroeren, bw. — Ondereensmelten,\iVi. ow. (zijn). — On-dereensmijien, bw. — Ondereenvlechten, bw. — On de re en vlieten, ow. (zijn). — Ondereenwarren, bw. Ondereen-warring, v. — Ondereeniverpen, bw.

ondereg:g:on (Sch.) bw. Met de egge onder den grondwerken (van uitgestrooid zaad). — Onderegging, v.

oudereinde, o. (-n), ouderend, o. (-en). Het onderste uiteinde van iets. Lagere plaats aan tafel.

ouderen, bijw. Naar onderen : naar de onderzijde. Benedenwaarts. ^lt;7« onderen : van beneden. Uit de laagte. Tot onderen : tot aan de benedenziide (van), tot beneden. (Alleen in) van boven tot onderen : van boven tot beneden. Zich ten onderen geven : zich onderwerpen. Ten onderen houden : in bedwang houden.

onderdaan (Sch.) ow. (zijn) Onder den gezichteinder gaan. Naar den grond gaan, zinken. Vernietigd worden : de koninkrijken zullen eens onder. aan. Ten onder gaan. (Onsch.) Bw. Doorstaan, verdragen : manmoedig heeft hij die gevaren


(i) De samengestelde werkwoorden met (i) De samengestelde werkwoorden met nderdcor zijn scheidbaar en onzijdig. ondereen zijn scheidbaar.

ocr page 585

ONDE — S3

«ondergaan. Op z:cb nemen en torsen : het juk der Romeinen ondergaan. Vervangen : tonen, die elkander ondergaan. Heimelijk roeken machtig te worden. Trachten te bewegen. Behendig den voet lichten : zij ondergingen hem met zoete woorden. lem. ondergaan, hem den pas afsnijden, hem verhinderen in het bereiken van zijn doel. — Ondergang, m. Het ondergaan. Het ten gronde gaan. Val. Verwoesting. Verderf. — Ondergang, v. (-en). Gang in het benedenhuis of onder den grond.

oudcrirast, m. (-en). Gast, die onder anderen staat (inz. bij eene brouwerij).

ouclerffebit, o. (-ten). Onderste gedeelte van het gebit.

oiMlergcdcelto, o. (-n). Benedenste gedeelte.

oiKicTfirci, v. (-en). (Scheepst.) Touw onder de gei aangebracht.

ouclergro^'iiikt, bn. Aan eenen persoon of macht onderworpen. Afhankelijk. Onderhoorig. Onzelfstandig. Iets ondergeschikt aan iets anders maken : laten onderdoen. Iets van ondergeschikt belang, van gering belang. Eene ondergeschikte rol spelen: eene mindere rolspelen. (Spraakk.) Ondeigeschikte zin ; zin, die slechts dient om eenen hoofdzin aan te vullen. — Ondergeschiktheid, v.

oiidoclioven, bn. (Vangeschriften, leerstelsels) Valsch. Onecht. Een ondergeschoven kind : kind, dat voor een echt kind heimelijk in de plaats wordt gesteld.

oiidcrg:osolircvlt;)ue, m. en v. (-n). Ondergeteekende.

oudcrffcstel, o. (-len). Benedenste

gedeelte van den haard bij de hoogovens, 'nderste gedeelte van eene schraag, van eenen wagen. Beenen : rijn ondergestel is versleten.edeelte van den haard bij de hoogovens, 'nderste gedeelte van eene schraag, van eenen wagen. Beenen : rijn ondergestel is versleten.

ondeix^Mtoken, bn. Ondergeschoven.

oudoi-eotockcude, m. en v. (-n). Dient tot aanwijzing van den persoon, die een schrijven met zijnen naam onderteekent.

OHdei'cewMatd, o. (..aden). Gewaad, dat men onder een ander draagt.

ouder^ewas, o. Wat onder aan «enen boom, enz. uitwast.

ondvrKicteu (Sch.) bw. Door gieten doen onderloopen.

ondorKilliiiff, v. (-en). (Zeew.) Gilling, die ae richting van het onderlijk van een zeil bepaalt.

ondei glut, v. De op den bodem neergeslagene gist. — Ondergisting, v. De bij lagere temperatuur langzaam verloopende gisting.

OMderfflatn, o. (..zen). Glasruit beneden in een vensterraam.

onderif4gt;d,m. (-en). Godheid van minderen rang. — Ondergodin, v. (-nen).

oudergoed, o. Lijfgoed. De onderste en de daarop volgende bladeren der tabaksplant.

omloriffooicii iSch.) bw. Lomp doen onderloopen. Met geweld naar beneden gooien.

oudcrerordel, m. (-s). Gordel, die -onder de kleederen gedragen wordt.

; — ONDE

ondersrorden (Onsch.)bw.Meteenen gordel steunen. — Ondercordtng, v. Het ondergorden. (-en) M.ddel om te onder-gorden.

oudergrouvcnieiir, m. (-s). Gouverneur. die onder een anderen staat.

ondergraaf, m. (..aven). (Eert.) Graaf, die onder een anderen stond.

onderjyraatsicli, bn. Ondergraatsche spier : spier, die onder de graat van het schouderblad ontspringt.

oudersrauw, o. Metselsteen, die bij de onderste lagen van metselwerk wordt gebruikt.

ondersrraven (Sch.) bw. Begraven. (Onsch.) Bw. Ondermijnen. In 't geheim aan de vernietiging van iets werken. — Onder^raz'ing, v. (-en).

ondergrond, m. (-en). Grond, die door den bovengrond bedekt is. — Onder-grondsch, bn. — Ondergrondsploeg, m. (-en).

onderhaam,o. (..amen).Haamkussen, onderliagelen (Sch.) ow. (zijn) Geheel met hagel bedekt worden. — ondor-lialen (Sch.) bw. Naar beneden tot zich trekken. (Onsch.) Bw. Eenen haal met de pen onder iets maken. Onverwachts inhalen. Onder/taling, v. Het onderhalen, (-en) Het onderhaalde.

onderlialf, telw. Anderhalf, onderhals, m. (..zen). Benedenste gedeelte van den hals.

onderliand, v. (-en). Benedenste gedeelte van de hand.

onderliandelen (Onsch.) ow. Onderling met elkander handelen. Eene zaak met elkander bespreken of behandelen. — Onder kandelaar, m. (-s, ..aren). — Onderhandelaarster, v. (-s). — Onderhan-delares, v. (-sen). — Onderhandeling, v. Het onderhandelen, (-en) Onderlinge bespreking. — Onderhandelingsvlag, v. (-gen).

onderliand». Zie Ondershands, onderliandscli, bn. In het geheim geschiedende.

onderliave, onderhaaf, v. Hondsdraf.

onderliaTenmee«ter,m.(-s).Tweede havenmeester.

onderliavisr, bn. Waarvan men nu

spreekt, nu handelt.

onderliebben (Sch.) bw. Onder de voeten hebben. Onder zich op den grond hebben. In zijne macht hebben. — Onder-hebbend, bn. Onder zijn bevel staande. — Onderhebbenden, m. en v. mv. Personen over welke iem. het bevel voert.

onderlieien (Sch.) bw. (Eenen heipaal) onder den grond drijven. (Onsch.) Bw. (Door heipalen) den grond stevig maken. — onderhelpen (Sch.) bw. Door medehulp iets onder iets anders helpen. Iem. aan den kost helpen.

onderliemd, o. (-en). Hemd, dat men op het bloote lijf draagt.

onderlicvig, bn. Lijdende (aan) : onderhevig zijn aan de koorts. Onderworpen (aan) : wij zijn allen den dood onderhevig. Aan twijfel onderhevig : twijfelachtig. — Onderhevigheid, v.


ocr page 586

ONDE — 5:

ondcrliooTcu (Sch.) ow. Behoeven onder de voeten te zijn.

onderlioofd, o. (-en). Onderste gedeelte van het hoofd. Tweede aanvoerder.

oii(llt;Ri*lioo$;lgt;ootNiuaii, m. (..lieden). Tweede hoogbootsman.

ondorlioorcu (Onsch.) bw. Ondervragen. In 't verhoor nemen.

oiKlcrlioorisr, bn. Ondergeschikt. Onderworpen (aan). Afhankelijk. — On-de' koortje, m. en v. (-n). — Onderhoo-righeidy v. Het onderhoorig zijn. (..heden) De onderhoorig heden eecer plaats : de gronden, enz., die onder het rechtsgebied van die plaats behooren.

o ii lt;1 o rli op man, m. (..lieden, -s). (Eert.) Officier, die onder eenen hopman Itond.

oiidcrlioudcn (Sch.) bw. Onder of beneden iets houden. Onder zijn bedwang, in zijne mscht honden. Onder de voeten houden. (Onsch.) Bw. Door alle noodige hulpmiddelen bewaren. lem. in zijne levensbehoeften voorzien. lem. verzorgen, verplegen en voeden. Gaande houden. Doen voortduren. Zich onderhouden, ww. In zijne levensbehoeften voorzien. Zich onderling bezighouden. Een gesprek met elkander voeren. — Onderhoud, o. Verzorging, voeding, verpleging : het onderhoud des levens. Wat tot de instandhouding van eene zaak behoort. Omgang tus-schen twee of meer personen. Gesprek tusschen twee of meer personen.— Onder-houdend, bn. bijw. — Onderhoudendheid, v. — Onderhouder, m. (-s). — On-derhouding, v. — Onderhoudplichtig, bn. — Onderhoudplichtigheidy v. — On-derhondplichtigen, m. en v. mv. — Onderhoudskosten, m. mv. — Onderhoudster, v. (-s).

onderhout, o. Houtgewas, beneden hoog hout groeiende.

ondorhoaw, m. Eerste houw op eene vijl.

onderlinid, v. (-en). Huid, onder de opperhuid gelegen. — Onderhuidsch, bn.

ondcrlinls, o. (..zen). Benedenste gedeelte van een huis.

ondcrlinrcn (Onsch.) bw. In het geheim, door meerdere huur te beloven iem. in het huren onderkruipen. — Onderhu-ring, v. (-en). — Onderhuur, v. Huur uit de tweede hand. — Onderhuurder, m. (-8). — Onder huurster, v. (-s).

onderijzer, o. (-s). ITzeren tap aan het ondereinde van eene molenspil, enz. onderin, bn. In het onderste gedeelte, onderjas, v. (-sen). Tas, die onder eene andere gedragen wordt.

onderUaalc, v. (..aken). Benedenste gedeelte van de kaak. Ondersta kakebeen. — Onderkaaksbeen, o. (-deren). — Onderkaaksbreuk, v. (-en). — Onderkaaks-klicr, v. (-en). — Onderkaakszfnuw, v. (-en).

onderkabbelen (Onsch.) bw. Door de weiking van den golfslag ondermijnen, onderbam, m. (-nen).Lel. onderkamer, v. (-s). Benedenkamer. onderkauselier,m. (-s,-en).Tweede kanselier.

^ — ONDE

onderkant, m. (-en). Onderste kant. Benedenkant. Benedenzijde.

onderkap, v. (-pen). Kap, die onder eene andere gedragen wordt.

onderkapitein, m. (-s).Tweede kapitein.

onderkast, v. (-en). Benedenste gedeelte van eene kast. — Onderkastletters, v. mv. Gewone lettersoort, waartoe geene kapitalen, cijfers, enz. behooren.

onderkeizer, m. (-s). Tweede keizer, onderkelderen (Onsch.) bw. Door den grond van onderen uit te graven van eenen kelder voorzien. Ondergraven. Ondermijnen. — Onder kelder, m. (-s). — Onder kelder ing, v.

onderkennen (Onsch.) bw. Onder of uit anderen kennen.— Onderkenning,v.

ouderkerk, v. (-en). Onderaardsche kerk.

onderkenken, v. (-s). Keuken in de keldervertrekken.

onderkenrs, v. (..zen). Geregen onderlijfje.

onderkiendintriet, o. (-en). Onderdeel van een hoofdkiesdistrict.

onderkiimveffer, m. (-s). Zekere scheepsplank.

onderkin, v. (-nen). Benedenste gedeelte der kin. Dubbele kin.

onderklauw, ra. (-en). Koot. onderklaTier, o. (-en). Benedenste klavier.

onderkleed, o. (-eren, ..kleeren). Kleed, dat men onder de bovenkleeren draagt, (-en) Vloer- of tafelkleed, dat onder een anaer wordt gelegd. — Onder-kleeding, v.

onderkok, m. (-s). Tweede kok. — Ondr'-koksmaat, m. (-s).

onderkomeling:, m. en v. (-en). Dwerg. Onderkruipertje. — Onderkome-linge, v. (-n).

onderkomen (Sch.) ow. (zijn) Onder dak komen. Onder de voeten komen. Onder water komen. Onder iemands bedwang of macht komen. — Onderkomen, o. Huisvesting. Herberging.

onderkoning:, m. (-en), 's Konings stedehouder. — Onderkoningschap, o.

onderkooi, v. (-en). Kooi, die zich lager bevindt dan eene andere.

onderkoopen (Onsch.) bw. In 'tgeheim, door meerder aanbod, een eersten kooper onderkruipen. — Onderkooper, m. (-s). — Onderkooping, v. ( en). — Onderkoopman, m. (..lieden, ..lui).

onderkorst, v. (-en). Gedeelte van brood, enz., dat op de plaat gelegen heeft.

onderkoster, m. (-s). Tweede koster.

onderkous, v. (-en). Kous, die onder eene andere gedragen wordt.

onderkrassen (Onsch ) bw. Onderstrepen. Onderhalen. Onderschrappen.

onderkropen (Sch.) bw. Ónder de voeten krijgen (inz. van schaatsen). Onder zijne macht doen bukken.

onderkrop, m. (-pen). Kossem, onderkruier, m. (-s). Windmolen, die van onderen kruit.

onderkruipen (Sch.) ow. (zijn) Te


ocr page 587

ONDE — 5-

bed gaan liggen. (Onsch.) Bw. Listig trachten te verdringen. Heimelijk en bedrieglijk een voordeel afwinnen. Heimelijk en listig benadeelen. — Onderkruiper, m. (-s). Die een ander onderkruipt. Wat niet wel opgroeit. Dwerg. — Onderkrtiipery, v. (-en). — On der kruipertje, o. (-s). Onderkruiper (2° beteek.). — Onderkrui-pinc, v. (-en). — Onderkruipsier, v. (-s).

— Onderkruipsteri/e, o. (-s). ouderkuil, v. Turfsoort, dieonderin

het veen wordt uitgegraven.

omlcrbuniicii iSch.) ow. Onder de voeten kunnen gedaan worden (inz. van Schaatsen).

oii«SerkiiKscii, o. (-s). Kussen, dat onder een ander gebruikt wordt.

oiulerlsias:, e,v. (..agen).

Tegenstelling van bovenlaag. Onderste geschutlaag van een schip. Laag, waarop iets rust.

oiilt;lc-i*l»kcn, o. (-s). l aken, dat onder een ander gebruikt wordt.

ondcrlaiixlvooamp;d, m. (-en).Tweede

landvoogd.— Onder landvoogdes yV. (-sen).

— Onder landvoogdij, v.

oiKlorlïingM, bijw. Van onderen langs

Iets.

oiuIci'laHt, m. Last, d^e endee in het schip geladen is.

ondcrlsttcn (Scb.) bu*. Onder de voeten laten (inz. van schaatsen).

oiidvrlccu, o. (-en). Leen uit de tweede hand. — Onder leenheer, m. (-en).

— Onder leenman, m. (-nen). onderlegd, onderleid, bn. Behoorlijk voorbereid voor het leven of voor verdere studie. Voorzien (van) : de meid was wel onderlegd, wel van kleederen voorzien.

oudcvloKfiren (Sch.) bw. Ond^r iets anders leggen. Overwinnen. (Onsch.) Bw. Steunen door er iets onder te legeen. Steunen, ond«rsteunen, bevestigen. Behoorlijk voorbereiden voor het leven of voor verdere studie. Aanvangen. Ondernemen. Zich onderleggen, ww. Zich voorzien van wat men tot zijn onderhoud noodig heeft.

— Onderlegger, m. (-s). Voorwerp, dat onder een ander ligt. Liggende balk, tot steun van een bouwwerk of van zware lasten dienende. — Onderlegsel, o. (-s).

ouderlckken (Sch.) ow. (zijn) Door lekken onder water, enz. geraken, onderlcl, v. (-len). Benedenste lel. oiidorlig-s:eii (Sch.) ow. Onder iets liggen. Overwonnen zijn. Bezwijken. Onder water liggen. — Onderliggend, bn. — Onderligger, m. (-s). Balk, die onder een anderen ter versterking wordt gelegd.

oudorlüf, o. (..ven). Gedeelte van het lijf onder de middel. Onderkeurs.

onderlijk, o. (-en). Touw, waarmede de onderkant van een zeil omboord is.

onderlijnen (Onsch.) bw. Onderhalen. Orderschrappen. Onderstrepen. — Onderlijning, v. (-en).

onderlijzeil, o. (-en). (Scheepsb.) Onderste lijzeil.

onderling:, bijw. Onder elkander. Ondereen. Onder, jegens, met elkander.—0;z-der ling, bn. VVederkeerig. Wederzijdsch.

, — ONDE

onderlinnen, o. Linnen ondergoed, onderlip, v. (-pen). Benedenste lip. onderloopen (Sch.) ow. (zijn) Door water, enz. overstroomd worden. — 0«-derloopsch, bn. Van waterkeerende werken, die water onder door laten loopen. — Onderloopschhcid, v.

onderloopen (Onsch.) bw. Achterhalen. Stuiten, onverwachts verstoren,doen ophouden.

ouderluelit, v. Luchtlagen, die het dichtst bij de aarde zijn.

onderniaaiiNela, bn. Aardsch. Vergankelijk. Wisselvallig. — Ondermaan-sc/te, o. De aarde en de aardscha dingen.

onderinasti, v. Maat onder of beneden de vroeger bepaalde maat.

onderinaken (Sch.) bw. Onderden grond werken (van koren, enz.).

on cl erin al ras, v. (-sen). Matras, die onder eene andere ligt.

ouderniafrcs, v. (-sen). Tweede matres.

onderniee*ter, m. (-s). Hulponderwijzer. — Ondermeesteres, v. (-sen).

onderineik, v. Melk, die overblijft, wanneer de room is afgeschept.

ontlermengen (Onsch.) bw. Iets met iets andc;s vermengen. Iets onder i :s anders mengen. Ondermenging, v. — onderin U11 en lOnsch.) bw. Iets van onue-rea uithalen om het te doen springen of te laten instorten. Door list verzwakken, krenken. Zich ondermijnen, ww. Zijn levenskrachten uitputten. Ondermynet-, m. (-s). Ondertnyniug, v. (-en). Ondermijn sier, v. (-s^.

ondermolen, m. (-s). Molen, die het water onmiddellijk uit den polder opmaalt.

ondermouw, v. (-en). Mouw, die onder eene andere gedragen wordt.

ondermnren (Onsch.) bw. Onder-■teunen niet eenen muur.

ondermntN, v. (-en). Muts, die onder «ene andere gedragen wordt.

ondermnur, m. (..uren). Onderste gedeelte van eenen muur.

ondernaaien (Onsch.) bw. Van onderen benaaien (van kleedingstukken). — ondernemen (Onsch.) bw. Iets, dat gewichtig is voornemen en het dadelijk aanvangen. Op zich nemen. Aanvangen. Wagen. Beproeven. Onderneemster, v. (-s). Onderneemziek, bn. Onderneem-zucht. v. Ondernemend, bn. Ondernemer, ra. (-s). Onderneming, v. (-en). On-dernemings»'*'est,m. Ondernemingsijver, m. Ondernemingszucht, v.

ondernok, v. (-ken). Onderste nok. omleroflieler, ni. (-en, -s). Soldaat, die tusschen de officieren en de gemeene soldaten gerangschikt wordt. — Onderofficier ssi reep, v. (..epen).

onderom, bijw. Om den onderkant, onderoni, o. en v*. (-s). Gedeelte van een vrouwenjak (aan het einde van den

rug)-

onderonsje, o. (-s). Eigen, huiselijk kringetje. Gedichtjes, die zici tot het huiselijk leven beperken.

onderoosr, o. en v. (-en). Benedenste oog, bot, enz. aan den voet van geneu twijg.


ocr page 588

ONDE — s:

onderooglid, o. (..eden). Benedensteooglid. — Onderoogsch, bn.

ondcropzlcliter, m. (-s). Tweede opzichter.

omlerovcn, m. (-s). Benedenste gedeelte van eenen oven.

omlerpxolitou (Onsch.) bw. Uit de tweede band pachten. lem. op slinkache wijze van zijn recht van pachter berooven. — Onderpacht, v. Pacht uit de tweede hand. — ónder pachter, m. (-s). — Onder-Pachting, v. (-en). — Onderpachtster, v. (-s).

oiiderpaml, o. ( en). Zaak, door of vanwege eenen schu'denaar aan zijnen schuldeischer in handen gesteld tot zekerheid van de betaling der schuld. Peisonen, handelingen of omstandigheden, tot waarborg dienende van t-ene verbintenis, enz. of van de waarheid, enz. van datgene waarvan sprake is.

oiMlcrpstfltoor, m. (-s). Priester, die eenen pastoor in zijne bediening bijstaat.

omlerpUp» v. (-en). Been (bij koeien, enz.) tusschen de knieschijf en het kogelgewricht.

ondcrpikcur, m. (-s). Tweede pikeur.

oiulorplsiat, v. (..aten). Plaat, die zich un er eene andere bevindt. Vuurplaat, die op ien grond ligt.

oii«r.lt;'rploeiccu (Sch.) bw. Doorploegen onderden giond werken. Onderptoeging, v. — oiMlerplonipeu (Sch.) bw. Naar beneden plompen. Üw. uijn) Met eenen plomp onder uater valquot;en. Onder-plomping, v. — oiKlei'itompcn (Sch.) bw. Order water pompen.

oiKacrpreicot, ra. (-en). Tweede prefect. — Onderprejectuur. v. (..uren).

onderprior, m. (-s). Tweede prior. — Onderpnoi'es, v. (-sen).

ondcrproevcnlczcr, m. (-s). Tweede proevenlezer.

ouderra, v. (-as). Onderste ra aan eiken mast.

oiidorraaklün» v. ( en). Zeker gedeelte van de as eener kepelsnede.

oii«llt;ki'i*siaiu, o. en v. (..amen). Onderste gedeelte van een raam.

on derrak ou (Sch.) ow. (zijn). Onder dak raken. Huisvesting vinden. Allengs onder komen te liggen. Allengs onder water komen.

onderrand, ra. (-en). Onderste rand van iets.

onderrecliter, ra. (-s). Lagere rechter.

onderreep, ra. (-en). Touw aan een vischnet, waaraan de looden zijn bevestigd.

onderreeel, ra. (-s). Onderste balk van eene sluisdeur.

ondorres^'nen (Sch.) ow. (zijn) Door den regen onder water komen.

onderrefpent, ra. (-en). Tweede regent. — Ondet regentes, v. (-sen). — Onder? egcntschap, o.

onderrekenen (Sch.) bw. Naar beneden rakelen (van brandende kolen), — onderrielilen (Onsch.) bw. Onderwijzen. Inlichten. Onderricht, o. Onderwijs.

6 — ONDE

Inlichting. Bericht. Mededeeling. Onderrichter, ra. (-s). Onderrichting, v. (-en). Onderwijs. Lastgeving.

onderriem, ra. (-en). Onderste van twee riem papier.

onderraden (Sch.) ow. (zijn) Overstelpt worden door hevige stortzeeën (van schepen). — onderraden (Sch.) bw. Onderploegen.

onderrok, ra. (-ken). Rok, welken men onder een anderen draagt.

onderrollen (Sch.) ow. Rollend onderraken. — onderrooken (Onsch.) bw. Van onderen berooken.

onderruim, o. (Zeew.) Diepste van het ruim.

onderHclieid, o. Verschil tusschen voorwerpen of zaken. — Onderscheiden (Onsch.) bw. Het onderscheid aanwijzen. Zich onderscheiden, ww. Boven anderen uitsteken. Uitmunten. — Onderscheiden, bn. bijw. Verschillend. Verscheiden. — Onderscheidenheid, v. — Onderscheidenlijk, bijw. — Onderscheiding, v. (-en). Het onderscheiden. Oordeel. Achting. Uitmuntendheid.— Onderscheidingsgave, v.

— Onderscheidingskarakter, o. — Oquot;-dersch etding skracht, v. — Onder schei-dingsteeken, o. (-s, -en). — Onderscheidingsvermogen, o.

onder.«»4'lienkel, ra. (-s). Benedenste deel van den schenkel.

ondrrNclicpprn (Onsch.) bw. Opvangen. Bc letteu voort te gaan. Inhalen. Voorkomen. Zorgen, dat iets in geene andere handen valt : brieven onderscheppen. Onderschepping, v. (-en). — onder-ftehieten (Sch.) ow. (zijn) Schielijk onder water verdwijnen.

ondersfliip, o. Benedenste gedeelte van een schip.

ondersehoren (Onsch.) bw. Met eenen schoor ondersteunen, onderstutten.

— Onderschoorsel, o. (-s). — Onderschoring, v. Het onderschoren, (-en) Wat onderschoort.

onderscliont, m. (-en). Tweede schout.

onderBChrasr^n (Onsch.) bw. Met eene schraag ondersteunen, onderstutten. Helpen. Bijstaan. Onderscht aging, v. (-en). Steun. Hulp. Bijstand. — oixler-•ckrappen(Onsch.) bw.Onderhalen.Onderstrepen.— onder«ehrü ven (Onsch.) bw. Zijne handteekening zetten (onder). Goedvinden. Zich vereenigen (met). On-derschrift, o. (-en). Onder-, handteekening. Onderschrijving, v. (-en). — on-dersclmilen (Sch.) ow. Schuilen onder. Er schuilt daar kwaad onder. —onder-•eliniven (Sch.) bw. Iets, dat onecht of valsch is, heimelijk in de plaats van het echte of het ware stellen. — Onderschuiving, v.

onderseliniver, m. (-s). Soort van ijsbreker.

ondemecretaris, ra. (-sen). Tweede secretaris.

ouder«liand«, bijw. In het geheim.

onderslag:, m. (-en). Scheut, die aan den voet van eenen boom opschiet. (Wev.)


ocr page 589

ONDE — 5,

Inslag. Water, dat door zijnen stroom een molenrad in beweging brengt.

oudcrslccpc'ii (Sen.) bw. Doen zinken.

omlersuiytou (Scb.) bw. (lem.) zóo ter aarde snjijten, dat hij onderlinge. oiidci*f»iio«le, v. lt;-n), oii«l«'i*Hiice,

v. (-ën). bnede der onderste zijde van het brood.

oiidcrsnceu^vcii (Sch.) ow. (zijn) Geheel met sneeuw overdekt worden. — oiidei'HpsMlcii (Sch.) bw. Met de spade •nder den grond brengen. — onder-•panuen (Onsch.) bw. Van onderen bespannen.— oiidorMpitleu (Sch.) bw. l3oor spitten onder den grond brengen. Onderspit, o. Laatste spitting. Laatste spit. Het onderspit delven : de ondeiste lagen ^bij graafwerk) losmaken en opwerpen, het slechtst van eene zaak afkomen, overwonnen worden.— ondvrBpoclcii (Sch.) ow. (zijn) Onder waicr spolt; len. oiidci*»t, bn. Benrdenst. Laagst. ouderHtstiiii ^Sch.) ow. Onder water staan. (Onsch.) Bw. Zich verstouten. Onderzoeken . Ondernemen. Zich onder staan, ww. Het wagen. Lijden. — Onderstaand, bn. Hierachter. Hieronder. Hier-volgend.

ondcrsiadlioiider, m. (-s). Tweede stadhouder.

onderHtaiid, m. Bijstand. Ondersteuning. Hulp. — Onderstandschuldig, bn.

— Onder stand (s) geld, o. (-en). ouder»t(«)boven, bijw. Met het onderste naar boven gekeerd. Omver, overhoop.

onderste, o. Benedenste gedeelte, oiidorsteken (Sch.) bw. Iets zóo steken, dat het onder iem. of iets staat of liet. Inlijven (krijgsvolk). Onderschuiven. (Onsch.) Bw. Doorschieten (kaarten). In het geheim besteken. — Ondersteek, m. (..eken). Steek van onderen. Bedekte poging. Bedrog. Iem. ondersteek doen, hem den \oet lichten.— Ondersteek, o. (..eken), ondersteekbekken, o. (-s), onder steeksel, o. (-s). Bekken, ten gebruike in het ziekbed. — Ondersteking, v. (-en).

oudcrNtel, o. (-len). Onderste gedeeltevan iets, waarop iets anders rust.

oudci'Htelleu (Onsch.) bw. Voor 't oogenblik als waar aannemen. — Onderstelling, v. (-en). Gissing, die mogelijk o'f waarschijnlijk is. Aangenomen stelling.

ondersteunen (Onsch.) bw. Van onderen steunen. Voor vallen of instorten behoeden. Onderstand o! bijstand verlee-nen. Bevorderen. Staven door bewijzen, enz.Ondersteuning,(-en). Ondersteun-sel, o. (-s). — onderstrepen (Onsch.) bw. Onderschrappen. Onderhalen. Onderstreping, v. ( en). — onderstroonien (Sch.) ow. (zijn) Door eenen stioom overdekt worden.

onderstuk, o. ( ken). Onderste gedeelte.

onderst ut teu (Onsch.) bw. Ondersteunen. Schoren. — Onder stut,xn. (-ten).

— Ondei stutsel, o. ( s). onderstuuriuaii, m. (..lieden, ..lui).

Tweede stuurman.

7 — ONDE

ondertand, m. (-en). Tand in het

onderste kakebeen.

ondertasten (Onsch.) bw. Onderslaan. Toetsen. — onderteelcenen (Onsch.) bw. Zijnen naam onder iets zetten. Iets met zijne handteekening bekrachtigen. Onderteekenaar, m. (..aren, -s). Ondertsekening, v. (-en).

ondertyds^ bijw. Nu en dan. ondertrekkeu (Sch^ bw. Onderwater trekken. (Onsch.) Bw. Onderschrappen. Onderhalen. — oudertroeven (Sch.) ow. Eene lagere troefkaart spelen. — ou-dertrouiveu (Onsch.) bw. In ondertrouw verbinden. Ondertrouw, m. «Eene enkele belofte van elkander te trouwen op bekwamen tijd. » Ondertrouwde, m. en v. (-n). Ondertrouwiquot;g, v. (-en).

ondertusselien, vw. Terwijl. Bijw. Middelerwijl.Inmiddels.Niettegenstaande.

onderuit, bijw. Van onderen uit. ■— onderuitt^iydeu (Sch.) ow. (zijn) Uitglijden.

ondervat, o. (-en). Lekvat. ondervest, o. en v. (-en). Zeker mans-kleedingstuk.

ondervinden (Onsch.) bw. Door de zinm n waarnemen. Door de ervaring kennen of leeren kennen. Ow. Men ondervindt vaak, dat. Ondervinding, v. (-en). —ondervloeien (Sch.) ow. (zijn) Onder water loopen.

on «Ier vloer, m. (-en). Lager gelegen vloer.

ondervoorzitter, ra. (-s). Tweede voorzitter.

ondervragen (Onsch.) bw. Door vragen onderzoeken. Verhooren. — Ondervraagster, v. (-s). — Ondervrager, m. (-s). — Ondervraging, v. (-en), ondenvaarts, bijw. Naar onderen, onderwal, m. (-len). Onderste gedeelte van eenen wal.

onderwant, o. Want der ondermasten.

onderweg, m. (-cn^. Lagere weg. — Onderweg, bijw. Terwijl men op weg is. Op den Wee, waarlangs men gaat. — On-derwege, bijw. Onoer weg. Iets onder-wege laten, nalaten, niet voltooien.

onderivelven (Onsch.) bw. Van onderen welven.

onderwereld, v. Verblijf der gestorvenen.

onderwerp, o. (-en). Stof van behandeling eener rede. Zaak. Omstandigheid. (Spraakk.) Woord, dat in eenen volzin het voorwerp, waarvan iets gezegd wordt, vertegenwoordigt. — Onderwerpelijk, bn.

onderwerpen (Sch.) bw. Op den grond werpen (bij het vechten, enz.). (Onsch.) Bw. Onder zijn gezag brengen. Iets aan iemands oordeel onderwerpen, er zijn gevoelen of meening overvragen. Zich ww.Gehoorzamen. Iemands gezag erkennen.— Onderwerping,?, (-en). onderwielit, o. Te geringe gewicht, onderwül, bijw. Inmiddels. Onder-tusschen.

onderwUs, o. Het leeren. Leering. Onderricht. In België en Nederland zijn drie graden in het ouderwijs : het lager.


ocr page 590

ONDO — 5;

middelbaar en hcogcr onderwijs. Zie Universiteit. — Onderzuyztn (Onsch.) bw. Onderwijs geven. Leeren. Onderrichten.

— Onderwyzet'y m. (-s). — Onderïuyze-res, v. (-sen). — Onderwyztng, v. (-en).

omlerwlmlen (zzc/i), wv.. Iets moeilijks wai;en. Durven. Ondernemen.

oiKlci-ivorpcliiig:, m. en v. (-en). Die onderworpen is of wordt. — Onderworfie-linge, v. (-n). — Onderworpen, bn. Gelaten. — Otiderzvofpen/iei'd, v.

oult;lei'wroel«Mi (Onsch.) bw. Van onderen iets omwroeten.

oult;1orz2amp;at, m. (..aten). Onderdaan. oiKlcrzccsoli, bn. Onder de oppervlakte der zee levende of zich bevindende.

onderzeil, o. (-en). Onderste der razeilen.

oiKlerzotteii (Sch.) bw. Onderwater zetten. (Onsch.) Bw. Ondersteunen. Verpanden. Onderzetsel, o. (-s). Onderzet-tinci, v. (-en). Hypotheek. — onderzlu-bou (Sch.) ow. (zijn^ Onder water zinken. Ordergaan (van de zon). — onderzoeken (Onsch.) bw. Den aard of gesteldheid eener zaak trachten te weten. Met iets trachten bekerd te worden. Ondervragen. Verhooren. Eeue wond onderzoeken, peilen. Onderzoek, o. Onderzoeker, m. (-S). Onderzoeking, v. (-en). Onderzoek-ster, y. (-s). — onderzireminen (Sch.) ow. Onder de oppervlakte des waters zwemmen.

ondeusrd, v. (-en). Genegenheid der ziel, door dewelke de mensch kwaad of zonde doet. Booze reiging. Slechte ge-st« Idheid. Opzettelijk booze daad. — Ön-detigd, m. en v. (-en) Ondeugend mer.sch. Sioute jongen. — Ondeugdelijk, bn. bijw.

Ondeugdzaam, bn. — Ondeugend, bn. Slecht. Schalk sch. Lasterlijk. Vuil. — Ondeugendheid, v. (..heden).

ondielit, o. Proza.

ondielit, bn. Niet dicht. — Ondichtheid, v.

oudieliterlijk, bn. Niet dichterlijk.

Alledaagsch.

ondienst, m. (-en). Slechte dienst. — Ondiensibaar, bn. — On dienstbaarheid, v* — Ondienstig, bn. bijw. Niet dienstig. Nutteloos. Ongezond. — On dien stig h eid, v* — Ondienstvaardig, bn. — Ondienst-vaardigheid, v.

ondiep, bn. Niet diep. Oppervlakkig.

— Ondiepte, v. (-n). Gebrek aan diepte. Plaats, waar weinig water staat. Verholen klip ol bank.

ondier, o. (-en). Gedrocht. Monster. Slecht, zedeloos mensch.

ohlt;l i 11^-, o, (-en). Nietsbeduidend voorwerp. Heisenschim.

ondoelnialig-, bn. bijw. Niet geschikt voor het beoogde doel. — Ondoeltreffend, bn.

ondoenbaar, bn. Niet doenlijk. — Ondoenlyk, bn. Niet doenlijk. Onmogelijk. — Ondoenlijkheid, v.

ondooThaar, bn. Niet uit te dooven. ondooi-darlif, bn. Zonder door te denken. N'et voorzichtig beraamd. — ondoordrinffhaar, bn. Niet te dooi-dringen. Ondoordringbaarheid, v. (Na-

\ — ONEI

tuurk.) Algemeene eigenschap der lichamen , krachtens welke twee stoffelijke elementen niet gelijktijdig dezelfde plaats der ruimte kunnen innemen. — on.-door^ankelUk, bn. Niet door te gaan (van wegen, enz.). — ondoorgrond, bn. Wat niet doorgrord is. Ondoorgrondelijk, bn. bijw. Wat niet te doorgronden Is. Onbegrijpelijk. Ondoorgrondelijkheid, v. — o n d 00 i-li o mo-Uik,bn.N iet door te komen. —oudoor-luelitig:, bn. Niet doorluchtier.Ónadellijk. Ondoorluchtigheid, v. — ondoorsehO-nend, bn. Niet doorschijnend. Ondoorschijnendheid, v. — ondoorwaad-baar, bn. Ofidoor waad baarheid, v. — ondoorworstelbaar, bn. — on-doorzielitig-, bn. Niet doorschijnend. Niet schrander. Ondoorzichtigheid, v. — ondoorzoelit, bn.

ondraagbaar, bn., ondraaglQk, bn. bijw. Niet gedragen of geleden kunnende worden. — Ondraaglijkheid, v.

ondrinkbaar, bn. Niet te drinken. Walglijk. — Ondrinkbaarheid, v.

ondubbelzinnig, bn. — Ondubbelzinnigheid, v.

ondnidelQk, bn. bijw. — Onduidelijkheid, v. (..heden).

onduilseli, bn. Niet goed Neder-landsch. — Ondu it sch h eid, v.

onduldbaar, bn. — Onduidelijk, bn. bijw.

oneelit, bn.Buiten echt geteeld. Valsch, nagemaakt. Onechte breuk ; breuk, wier teller grooter is dan de noemer, zonder er een veelvoud van te zijn. — Onecht, m.

— Onechtelijk, bn. bijw. — Onechtheid, v.

onedel, bn. bijw. Niet edel. Burgerlijk. Gemeen, slecht. Onedele metalen, zie

Metaal. — Onedelaardig, bn. bijw' _

Onedelheid, v. — Onedelmoedig, bn. bijw. — Onedelmoedigheid, v.

oneenig, bn. bijw. Niet eensgezind. Oneenig worden : twist krijgen. O71 eenig-li eid, v. Tweedracht, (..heden) Twist. — oneenparig, bn. bijw. Oneenlarig. he id, v. — oneens, bijw. Oneenig. Niet in goede verstandhouding. —o 11 een * gezind, bn. Oneensgezindheid, v. — on-eeiifttemmig, bn. Oneenstemmigheid, v.

oneer, v. Gemis van eer. Smaad. Schande. — Oneerbaar, bn. bijw, — Oneerbaarheid, w. — Oneerbiedig, bn. bijw.

— Oneerbiedigheid, v. (..beden). — On-eerbiediglifk, bijw. — Oneerlijk, bn. bijw. Strijdig met de goede zoden. Onrein. Diet-achtig. — Oneerlijkheid, v. Eerloosheid. Diefachtigheid, (..heden) Daden van oneerlijkheid.

oneetbaar, bn. Niet te eten.

oneflen, bn. Hobbelig. Ruw. Nit t wel voegend. Geen effen getal uitmakende. — Oneffenheid, v. (..heden).

oneigen, bn. bijw. Niet eigen. Oneigenaardig. — On'itrenaardig, bn. bijw.. Niet eigenaardig. Niet passend. — Oneigenaardigheid, v. — Oneigenlijk, bn. bijw. Figuurlijk. In overdracntelijken zin. Oneigenlijke breuk : breuk, waarvan de


ocr page 591

ONGE — s:

teller een veelvoud is van den noemer. —

Oneigenlijkheid, v.

oncimlifr, bn. bijw. Geen einde hebbende. Buitengemeen groot. — Oneindige, m. God. — Oneindige, o. — Oneindigheid, v. — Oneind'gmaal, bijw.

oncrens, bn. Drukkend. Bezwarend. Lastig. Ten onereusen titel : onder eene bezwarende voorwaarde.

oiier£:lt;lenlceiic1, bn. Niet wantrouwig. Argloos. — Onergerlijk, bn. bijw. Geenen aanstoot gevende.

oiierkciifl, bn. Niet erkend. — On.' erkentelijk, bn. bijw. — Onerkentelijk-heid, v.

oucrvarcu, bn. bijw. Zonder ondervinding. Niet bedreven. — Onervarenheid, v.

oneven, bn. Niet door twee deelbaar (van getallen). — Onevenheid, v. — Onevenmatig, bn. Onderling ongelijk. — Oneven ju a tig/i eid, v. — Onevenredig, bn. bijw. — Onevenredigheid, v.

onfatsoenldb» bn. bijw. Niet fatsoenlijk. Onbeleefd. — Onfatsoenlijkheid, v. (..heden).

onfeilbaar, bn. bijw. Niet feilbaar. Niet kunnende dwalen. — Onfeilbaarheid, v. De onteilbaarheid der h. Kerk behoort den Paus ex cathedra sprekende, d. i. sprekende als opperhoofd der h. Kerk, over zaken van Geloof en zeden en met het inzicht al de leden der h. Kerk tot het Geloof te verplichten ; den Paus te zamen met de bisschoppen in een algemeen concilie vergaderd; den Paus te zamen met de bisschoppen de wereld door verspreid, eenpa-riglijk het volk in het Geloof onderwijzende. (Concilie van het Vaticaan, 1870.)

onlriscli, bn. Niet frisch. — Onfrisch-heid, v.

ongaaf, bn. Niet gaaf. Niet ongeschonden.

ongaar, bn. Niet genoeg gaar. — Ongaarheid, v.

ongraarne, bijw. Niet gaarne. Met tegenzin.

oncalük, bn. bijw. Zich niet willende schikken. Moeilijk. Lastig. Onaangenaam. Onvoegzaam. — Ongalijkheid,y.

ongangbaar, bn. Niet in omloop (van geld). — Ongangbaar he td, v.

onganseh, bn. Ziekelijk. Misselijk. — Onganseh, o. Zekere schapenziekte.

ongastvrU, bn. Niet gastvrij. Onherbergzaam. Onveilig. Karig. — Ongastvrijheid, v.

ongeaelit, vz. Niettegenstaande, onfireaeht, bn. Niet in aanzien. — ongi'atleld, bn. — ongeaderd, bn. ontfi'liaaud, bn.Niet gebaand. Hobbelig. 0*igebaandheid, v. — ongebaard, bn. Baardeloos. — ongebakken, bn. — ongeballasf, bn. — ongebal-«enid, bn. — ougebeden, bn. Niet

febeden. Niet genood.ebeden. Niet genood. — ongebeeld, n. Zonder beeld. — ongebeft, bn. — ongebenrlUk, bn. Niet kunnende gebeuren. Onmogelijk. — ongebezigd, bn. — ongebieebt, bn.— ongeblan-ket, bn. — ongebleekt, bn. — ongebloemd, bn. (vanstoffen) Nietmetbloe-

) — ONGE

men bewerkt. (Van den stijl) Onopgesmukt. — oiigebliisebt, bn. — ongeboeid, bn. Zonder boeien. (Zeew.) On-beplankt. — ongeboekt, bn. —onge-boend, bn. — ongebogen, bn. — on-gebol.sferd, bn. — ongebonden, bn. Niet ingebonden : ongebonden boeken. Loshangend : ongebonden haarlokken. Ongeboeid. Ongebonden stijl: proza, bn. bijw. Uitgelaten, losbandig, ongeregeld. Ongebondenheid, v. (..heden). — ongehoord, bn. — ongeborduurd, bn. — ongeboren, bn. Nog niet geboren. Nog in wording. — onge-braakt, bn. — ongebreideld, bn.

— ongebroken, bn. Niet stukgemaakt. Ongebroken lading: lading in haar geheel. Onvcrbroken : ongebroken trouw.

— ongebrnikelUktbn. Niet in gebruik. Ongebruikelijke, onechte breuk. Ongebruikelijkheid, v. Ongebruikt, bn. Niet gebruikt. — ongebrnineerd, bn. — ongebnild, bn. — ongedaan, bn. Niet gedaan. Niet afgedaan, onvoltooid.

— ongedaan, bn. Er ongedaan, er ziekelijk, slecht uitzien. Ongedaanheid, v.

— ongedaelit, bn. bijw. Onverwacht. Onvoorzien. Ongedachtig, bn. Niei denkende (aan). — ongedeeld, bn. — ongedeerd , bn. Zonder letsel. — onge-deenemd, bn. — ongedekt, bn. Zonder hoofddeksel. Zonder tafellaken Open, bloot. — ongedienstig, bn. bijw. Niet gedienstig. O nge dienst ikheid, v. Onge-dienstiglyk, bijw.

ongedierte, o. Schadelijk gedierte. Alle roofdieren, die aan den wildstand schade doen. Insecten (op het lichaam van menschen, enz.). Gespuis.

ongedoopt, bn. — ongedopt, bn.

— ongedorMebt, bn. — ongedragen, bn. (Van kleedingstukken). — on-gedrongen, bn. Niet gedrongen. Loopend (van schrift). Los (van den stijl). — ongedroogd, bn. —ongedroonid, bn. Niet gedroomd. Niet gedacht. — ongedrukt, bn.

ongeduld, o. Opwelling van gevoel, dat geen wachten toelaat. Drift. Gebrek aan gelatenheid. — Ongeduldig, bn. bijw.

— Ongeduldigheid, v. — Ongeduldig lijk, bijw.

ongedurig, bn. bijw. Van korten duur. Onbestendig. Ongedurig knaapje : knaapje, dat geen oogenblik rustig is. Ongedurigheid, v. On^eduurzaam, bn. Ongedurig. Ongeduurzaamheid, v. — ongedwongen, bn. bijw. Niet gedwongen. Los. Natuurlijk. Ongekunsteld. On-gedzufln^en/ietd, v. — ongeëerd, bn. — ongeëtlend, bn. — ongeëgd, bn. — ongeënt, bn. — ongee.Htig. bn. Niet geestig. Zouteloos. — ongeëvenaard, bn. — ongeratsoeneerd, bn. — 011-gefoelied, bn. — ongetormeerd, bn. — ongegiHt, bn. — ongeglansd, bn. — ongegoed, bn. Zonder grondeigendom. Niet bemiddeld. — on gegomd, bn. — ongegord, bn. — on-gegrendeld, bn. —ongegrond, bn. bijw. Zonder grond. Onbillijk. Onjuist, onwaar, valsch. Ongegrondheid, v. — on-


ocr page 592

ONGE — 5,

Sros:roiidTe«t, bn. — oiiffceund, bn.

— oiiKCliaard, bn. — ouifeliard, bn.

— oii|pcliarkt, bn. — oug-eliaruast, bn. — ongeliaispcld, bn. — ougeli.i-Teiid, bn. — oiisr^lickcld, bn. — on-Kdiiudcrd, bn. Zonder binder. — lt;gt;n-ftrc'lioopt, bn. Niet gehoopt. — 011 jfc-lilt;»urd, bn. Niet genoord. Zóo wreed, zoo slecht, dat men nooit iets dergelijks gehoord heeft. Ongehoordheid, v. — on-Rolioornd, on^elioreud, ba.— ou-

Ëelioorzaam, bn. Niet gehoorzaam.elioorzaam, bn. Niet gehoorzaam.

alsstarrig. Ongehoorzaamheid, v. (..heden). — outsreliopt, bn. — ou^cliouden, bn. Is iet verplicht. Ongehouden-heid, v. — ong^buiclield, Oprecht gemeend. — ougeliuwd, bn. — ongro-kamd, bn. — ongrekapt, bn. Zonder hoofddeksel. Zonder kap (van gebouwen). Niet gekapt (van het haar). Niet in stukken gehouwen (van hout). — ongekamd. Dn. — ougekarteld, bn. — onbekend, bn. Niet gekend. Voorbeeldeloos.

— ong-ekeperd, bn.— ougekeleud, bn.— ongekeurd, bn. — onbekleed, bn. — ongekleurd, bn. — onge-kluisterd, bn. — ong^eknakt, bn. — ougrekneuKd, bn. — ougeknield, bn. — ongeknot, bn. — ongekookt, bn. — on gekoperd, bn. — 011 gekorven, bn. Niet door menschenhanden bewerkt. — ongekrenkt, bn. — ongekreukt, bn- — ongekroond, bn.

— ongekruid, bn. — ongekruiat, bn. Niet vermengd. — ongekuifd, bn. —^ ongrekuiNelif, bn. Niet gereinigd. Niet fijn (van den stijl). — ong-ekuiiH-teld, bn. Natuurlijk. Eenvoudig. Kunsteloos. — ongeknrkt, bn. — ongekweld, bn. — ongekwetst, bn.

ong:el, v. Gesmolten vet van slachtbeesten. — Ongelachtig, bn. — Ongel-achiighetd, v. — Ongelig, bn. — Ongeligheid, v. — Ongelkaars, v. (-en). — Ongelkuip, v. (-en). — Ongelmes, o. (-sen). — Ongelpot, m. (-ten). — Ongel-reuk, m. — Ongelsmaak, m.

ongelaakt, bn. — ongelaai-Md, bn. — onbeladen, bn. — ong^elakt, bn. — ongelapt, bn. — ongelaMerd, bn. — ongreiaten, bn. Niet onderworpen. Ongeduldig. Ongelatenheid, v. — ongrelauwerd, bn.

ong:eld, o. (-en). Belastingen. Lasten. Kosten. (Zeew.) Kleine averijen.

ongreldig:, bn. Niet geldende. — Ongeldigheid, v. — ongeleed, bn. (Plan-tenk.). — ongeleend, bn. — ongeleerd, bn. Zonder geleerdheid. Zonder kennis. Ongeoefend. Onwetend. Ongeleerdheid, v. Ongeleerde, m. en v. (-n).

— ongelegen, bn. bijw. Kwalijk gelegen. Afgezonderd. Te onpas. Ongelegenheid, v. (..heden), üngunsiige glt; stehiheid (inz. door geldgebrek). — ong-elelf erd, bn. Onbedreven in de letterkunde. Ongeleerd. Ongeletterde, m. en v. (-n). — on-Ifdevei «I, bn. — ongrelezen, bn.

ongreiyk, bn. bijw. Verschillend. Oneffen. Hobbelig. Niet gepaard. Buiten vergelijking : uw hof is ongelijk grootcr dan 'de mijne. — Ongelijk, o. Onrecht. Eene

) — ONGE

daad, eene handelwijze, een woord strijdig met iemands strikt recht. Onbillijkheid : ongelijk hebben. Dwaling. — Ongelyk-aardig, bn. — Ongelijkaardigheid, v. — Ongelijkbeenig, bn. (VVisk.). — Ongelijke lyk, bijw. — Ongelijkheid, v. Verschil, (..heden) Oneffenheid. — Ongelijkhoekig, bn. — Ongelijktnatig, bn. — Ongelijkmatigheid, v. (..heden). — Ongelijk nam ig, bn. — Onge/ijkslachtig, bn. — Ongelyk-slachtigheiu, v. — Ongelijksoortig, bn. — Ongelijksoortigheid, v. — Ongelijk' vloeiend, bn. Ongelijkvloeiend werkw. — Ongelijkvormig, bn. — Ongelijkvormigheid, v. — Ongelijkzijdig, bn. — Ongelijk zijdigheid, v.

ongelUind, bn. — ongelöud, bn. Niet van lijnen voorzien (van papier). — ongrelikt, bn. Ongepolijst. Onbeschaafd. Ruw. Een ongelikte beer : een ongemanierd mensch. Ongeliktheid, v. —onge-linieerd, bn. — ongelobd, bn. (Plan-tenk.). — ongelog-4'n, bn.— ongvlo-ken, bn. Niet gesloten. — ongelokt, bn. — ongeloocliend, bn.

ongeloof, o. Het nietgelooven (aan). Vrijwillige verwerping van geheel de goddelijke veropenbaring. — Ongeloofbaar, bn. Niet geloofd kunnende worden. Buitengewoon groot. — Ongeloof baarheidt v. — Ongeloofelyk, bn. bijw. Onaannemelijk. Buitengewoon groot. — Ongeloofe-lykheid, v. — Ongeloofd, bn. Niet geloofd.— Ongeloofwaardig, bn.— Ongeloofwaardig heid, v. — Ongeloovig, bn. Niet geloovende. — Ongeloovige, m. en v. (-n). Ongeloovigheid, v.

ongeloofd, bn. Niet geprezen. — on-g:eIoogd, bn. — ongelooid, bn. — ongeloMt, bn. — ongelonterd, bn.

«kugreluk, o. (-ken). Tegenspoed. On-gunstige toestand. Onheil. Jammer. Ramp. Bij ongeluk ; door een ongunstig toeval. — Ongelukkig, bn. bijw. In het ongeluk ver-keerende. Rampspoedig. Ongunstig. Jammerlijk. Ellendig. — Ongelukkige, m. en v. (-n). — Ongelukkigerwijze, ..wijs, bijw. — Ongelukkiglijk, bijw. — Ongeluksbode, m. en v. (-n). lem., die met slecht nieuws komt. — Ongeluksdag, m. (-en). — Ongelukskind, o. (-eren). — Ongeluksprofeet, m. (..eten). — Ongeluksstichter, m. (-s). — Ongeluksvogel, m. ( s). Vogel, die een ongeluk aankondigt, lem., wien alles tegenloopt.

ongreniaaid, bn. — ongemaakt, bn. bijw. Natuurlijk. Ongekunsteld. Ongezocht. Oprecht. Ongemaaktheid, v. — ongein«4elillgd, bn.

ougreinak, o. (-ken). Last. Hinder Moeilijkheid. Ongeval. Twist. Zwarigheid. Ziekte. Beletsel. (Zeew.) Averij. — Ongemakkelijk, bn. bijw. Niet gemakkelijk. Lastig. Moeilijk. Onpasselijk. — Ongemakkelijkheid, v.

ong4-nialen, bn. — ongeman-geld, bn. — ong-einanlerd, bn. bijw. Onbeleefd. Onbeschaafd. Ongemanierd' hetd, v. (..heden). — ongenutrnierd, bn. — ongematigd, bn. Ongeinati^d-heid, v. — ong'4'nieen, bn. bijw. Niet alledaagsch. Buitengewoon. Zeldzaam.


ocr page 593

ONGE — 54

Zeer groot. Ongemeenheid, v. — ongrc-mecnd, bn. — oiiffeiuciiffd, bn. Niet gemengd. Niet vervalscht. — ongemerkt, bn. bijw. Niet gemerkt. Niet ge-teekend. Niet opgemerkt. — oneemegt, bn. — ongemeten, bn. Onmetelijk. Oneindig (van tijd). — 011 gemeubeld, bn.

— oiig:eiiieiibileerlt;I, bn. — onse-muterd, bn. — oiifi:emoei«1, bn. Ongehinderd. Ongestoord. — ong'eiiiiill-bnnlt;1, bn.— oiigoiBiuut, bn. — 011-grenstakbanr, bn. Niet te naderen. Niet toegankelijk. Stuursch. Trotsch. Ongenaakbaarheid, v. Ongenakeltjk, bn. On-genakelykheid, v.

oneeuude, v. Ongenoegen van eenen meerdere tegen eenen mindere : in ongenade vallen. Zich op genade of ongenade, zich onvoorwaardelijk aan eenen overwinnaar overgeven. Guurheid van het weder : tegen de ongenade van de lucht beveiligd.

— Ongenadig, bn. bijw. Ruw. Hard. On-meedoogend. Zeer : t is ongenadig koud.

— Ongenadiglyk, bijw.

ongreiieeitbsi»!*, bn. Niet te genezen.

Ongeneesbaarheid, v. Ongeneeslijk, on-genreselyk, bn. Ongeneeslijkheid, v. — ongreneKen, bn. Ongezind (tot). Afkee-rig. Niet houdende (van). Ongenegenheid, v.—onjfenei^dybn. Ongeneigdheid, v.

on Ken engte, v. (-n). Ongenoegen.

ongenoegen, o. Misnoegen. Afkeer. Onaangenaamheid. Woordentwist; ongenoegen met iem. krijgen. — Onqenoeglyk, bn. bijw. Geen genoegen verschaffende. Onaangenaam. — Ongenoegzaam, bn. bijw. Niet genoegzaam. Ontoereikend. — Ongenoegzaamheid, v.

ongenoemd, hn. Ongenoemde, m. en v. (-n). — ongenommerd, bn. — ongenood, bn. — ongeuoodigd, bn. — ongeoefend, bn. Ongeoefendheid, v. — ongeolied, bn. — ongeoorloofd, bn. Ongeoorloofdheid, v. — ongeopenó, bn. — ongeordend, bn. —ongepasird, bn. — ongepast, bn. bijw. Ondoelmatig. Onbetamelijk. Ongepastheid, v. — ongepekeld, bn. — ongepekt, bn. — ongepeld, bn.— ongopeperd, bn. — ongeplaatst, bn. — ongeplaveid, bn. — onge-plelnlerd, bn. — ongeplet, bn. — ongeploegd, bn. — ongepluimd, bn. — ongepolijst, bn. Niet gepolijst. Ruw, onbeschaafd : een ongepolijste kerel.— ongeprezen, bn.— ongepunt, bn. — ongeraden, bn. Onraadzaam. Ongeraden heid, v. — on gerand, bn.

— ongereelit, bn. Onrechtvaardig. Onbillijk. Ongerechtig, bn. bijw. Onrechtvaardig. Ongerechtigheid, v. Onrechtvaardigheid. Goddeloosheid. Zonde, (..heden) Onrechtvaardige daad. Goddelooze daad. — ongereed, bn.

ongereede, o. (Alleen in) in het on-gereede, in onbruik geraken.

ongeregeld, bn. bijw. Niet geregeld. Zonder orde. Ongeregeldheid, v. Het ongeregeld zijn. (..heden) Iets, dat ongeregeld is. — ongereinigd, bn. — ongerekend, bn. Niet gerekend. — ongerept, bn. Onaangeroerd. Onaangespro-

[ — ONGE

ken. In maagdelijken staat. Ongeschonden,

— ongerezeu, bn.

ongerief, o. Last. Hinder. Ongemak.

— Ongeriefelyk, bn. bijw. Niet gemakke-li|k. Geen gemak gevende. — Ongt riefe-ly'kheid, v. (..heden).

ongerUnid, bn. bijw. Met het gezond verstand in strijd. Belachelijk. Zonderling, Ongerymdelyk, bijw. Ongerijmdheid, v. (..heden). — ongerimpeld, bn. — ongeroepen, bn. — ongeroerd, bn. —• ongeroosterd, bn. — ongerust, bn. bijw. Onrustig. Angstig. Bekommerd. On-gerusielyk, bijw. Ongerustheid, v. — ongeHaiiHt, bn. — ongeseliaatd,bn.

— ongeseliapen, bn. Niet geschapen. Het ongeschapen Wezen : God. — onge-selieiden, bn. — ongeMolieurd, bn. ongeselilft, bn. — ongescliikt, bn. bijw. Niet geschikt. Onbetamelijk. Niet bewaam (tot). Ongeschiktelyk, bijw. Ongeschiktheid, v. — ongesehoeld, bn.

— ongeseltokt, bn. — ongeselion-den, bn. Niet geschonden. Ongerept. Rein. Zuiver.Geheel. Ongeschondenheid, v. — ongeselioren, bn. — onge-seliubd. bn. — ongeslepen, bn. — ongeNloten, bn. — ongesluierd, bn. — ongesmeerd, bn. — onge-smolten, hn.— ongesnoeid, bn. — ongesnoerd, bn. —ongespannen, bn. — ongespleten, bn. — ongesplitst, bn. — ongesponuen, bn.— ongestadig, bn. bijw. Niet bestend'g. Veranderlijk. Wispelturhr. Ongestadigheid, v. Ongesladiglyk, bijw. — lt;»11 gestampt, bn. — ongesteeld, bn. — ongesteld, bn. Onpasselijk. Niet gezond. Ongesteldheid,(..heden). — ongestempeld, bn. — ongesteven, bn. — ongestiebt, bn. — ongestoffeerd, bn. — ongestoord, bn. bijw. Rustig. Kalm. — ongestraft, bn. Ongestraftheid, v. — ongestreept, bn, (Muz.) Ongestreept octaaf : klein octaaf.

— ongestudeerd,bn.— ongestuim, ongestnimig, bn. Onstuimig. — ongesuikerd, bn. — ongetabbaard, ongetabberd, bn. — ongetakt, bn.

— ongetand, bn. — ongeteekend, bn. Niet onderteekend. Niet gemerkt. — ongeleerd, bn. — ongeteld, bn.— ongetemperd, bn. Onverflauwd. Onverminderd. — ongetergd, bn. — ongetiteld, bn. — oiigetoomd, bn. — ongetroost, bn. — ongetrouw, bn. bijw. Niet getrouw. Ontrouw. Ongetrou-zvelijk, bijw. Ongetrouwheid, v. — ongetrouwd, bn. üngetroinvde, m. en v. ( n). — ongetweernd, bn. —onge-twüfeld, bn. bijw. Zonder twijfel. — on-getwUnd, bn.

ongeval, o. (-len). Onverwacht ongeluk. Ongelukkige gebeurtenis. — Ongevallig, bn. Onbevallig. Onwelgevallig. Onaangenaam. — Ongevalligheid, v. on gevederd, bn.

ongeveer, bijw. Bijna. Omstreeks, ongeveinsd, bn. bijw. Oprecht. — Ongeveinsdheid, v.

ongeverfd, bn. — ongevernist bn. — ongevind, bn. — ongevleid


ocr page 594

ONGO —

bn. — ongcTlckt, bn. — ongevlerkt, bn. — ougr^vlcnjrcld, bn.

oiijjevoeg:, o. Onvoegzaamheid. Ongeluk. — Onvoeg lijk, bn. bijw. Ongepast. Onbetamelijk. — Ongevoeglykheid, v. — Ongevoeszaaniy bn. Ongevoelig. — On-gevoegzaamheid, v.

ou^«^voos;(|, bn. — ougcvoellCTj bn. bijw. Niet gevoelig. Onaandoenlijk. Ongevoeligheid, v. Ongevoelig li/kt biiw.

— OMgeToerd, bn. — ongrcvold, bn.

— onsrovonnist, bn. — ongcvor-dci*«l, bn. — ougevormd, bn. — on-Srevouwen,bn. —ongevraagd, bn.

— oiigen'sturMoliiiiivlt;ll bn. — onge-wapeiiil, bn. Zonder wapenen. (Plan-tenk.) Zonder stekels, enz. Het ongewapend oog, zonder vergrootglas, enz. — ong-eivarlg, bn. — ong-e wasgehen, bn. Niet gewasschen. lem. iets ongewas-schen zeggen, tem scherp hekelen. — on-gotvaNl, bn. — ongetvaterd, bn. — oiigeweekt, bn. — ougetveigerd, bn. Niet geweigerd. Ongevraagd is onge-weigerd. — ongc^vend, bn. Niet gewend. Ongewend, ongedaan. — onge-wenNclif, bn. .— ongewerveld, bn.

— oug-eweven, bn. — ongewied, bn. — ongewifd, bn. Niet gewijd. Ongewijde geschiedenis. — ongewild, bn.

— ongewillig, bn. bijw. Onwillig. Niet gedienstig. Ongcwilligneid, v. — ongewis, bn.mjw. Onvast. Onzeker. Ongewisheid, v. (..heden). Ongewisse lijk, bijw. — ongewlHseld, bn. — ongewit, bn. — o»gewond, bn. — ongewoon, bn. bijw. Niet gewoon (aan). In strijd met de gewoonte. Niet alledaagsch. Buitenge-moen. Zeldzaam. Ongewoonheid, v. („heden). Ongewoonte, v. — ongewroken, bn. — ongewrongen, bn. Niet gewrongen. Natuurlijk. Onge-wongenheid, v. — on gezaagd, bn. — ongezaaid, ba. — ongezadeld, bn.

— ongezalfd, bn. — ongezegeld, bn. — ongezegHik, bn. Zich niet latende gezeggen. Hoofdig. Halsstarrig. On-gezeglijkheid, v. — ongezellig, bn. bijw. Niet spraakzaam. Niet vriendelijk. Stuursch. Ongezelligheid, v. — ongezien, bn. Niet gezien. Niet geacht,

— ongezift, bn. — ongezind, bn. Niet genegen (tot). Niet wel gezind (jegens). — ongezoolit, bn. Niet gezocht. Natuurlijk. Ongezochtheid, v. — ongezond, bn. Niet gezond. Ziekelijk. Schadelijk, nadeelig voor de gezondheid. (Scheopsb.) (van hout) een begin van verrotting vertoonende. Ongezondheid, v. — ongezoold, bn. — ongezooind, bn

— ongezouten, bn.— ongezuiverd, bn. — ongezuurd, bn. Zonder deesem. —- ongezwaveld, bn.

^ongoddelijk, bn. bijw. Niet goddelijk. Ongodsdienstig. — Ongodist, m. (-en). Godloochenaar. — Ovgodistendom, o. — Ongodisiery, v. Godloochening. — On-godsdienstig, bn. bijw. Niet godsdienstig. Vijandig aan den godsdienst. — Ongodsdienstigheid, v. — Ongodvruch-tig, bn. bijw. — Ongodvruchtigheid,

2 — ONKI

on graag, bn. bijw. Niet graag (naar). Ongaarne.

ongrondwettig, bti. In strijd met de grondwet. — Ongrondwettigheid, v.

ongunst, v. Ongenade. Misnoegen. Afgunst. Nijd. — Ongunstig, bn. bijw. Niet gunstig. — Ongunstigheid, v.

onguur, bn. Onaangenaam, ruw (van het weder). Stuursch. Barsch. — Onguurheid, v. (..heden).

onliandelbaar, bn. Niet met de hand te besturen. Eigenzinnig. Koppig. — Onhandelbaarheid, v.

onliandlg, bn. bijw. Niet handig. Lomp. — Onhandigheid, v. (..heden).

ouiiarmonlseli, bn. bijw. Niet harmonisch.

onlaebbelUk, bn. bijw. Onbehoorlijk. Lomp. Ongemanierd. Onbeschoft. — Onhebbelijkheid, v. (..heden), onheelbaar, bn. Niet te heelen. onlieil, o. (-en). Zwaar ongeluk. Onheilsbron, v. — Onheilspellend, bn.

onliellig, bn. bijw. Niet heilig. Ongewijd. Ongodsdienstig. Goddeloos. — Onheiligheid, v. — Onheiliglijk, bijw.

onlierbergzaam, bn. bijw. Ongastvrij. Onherbergzaam oord: woeste, onvruchtbare streek. — Onherbergzaamheid, v.

onlierkenbaar, bn. Niet te herkennen. Onherkenbaarheid, v. — ouker-klesbaar, bn. Onherkiesbaarheid, v. — onherleidbaar, bn. Onherleidbaarheid, v. — onlierroepbaar, bn. bijw. Onherroepelijk. Onherro'pbaar-heid, v. — onherroepelUk, bn. bijw. Niet herroepen kunnende worden. Onvermijdelijk. Onherroepelijkheid, v. — on-lieraielbaar, bn. bijw. Niet te herstellen.

onlieuglUk, bn. Zóo lang geleden, dat men er geene heugenis van heeft.

ouheuacli, bn. bijw. Onwellevend. Qnbeleefd. — Onheuschheid, v. (..heden).

oulioflTelUk, bn. bijw. Onwellevend. Onbeleefd —Onhoffelijkheid^, (..heden).

onhollandseh, bn. Met den aard, de gewoonten, enz. der Hollanders in strijd.

onlioudbaar, bn. Niet te houden. Onverdedigbaar. — Onhoudbaarheid, v.

onliout, o. Houtvoor timmerwerk niet bruikbaar.

onhtiiH(e)ltlk, bn. bijw. Weinig gehecht aan zijn huis. Niet gezellig. Verkwistend. — OnhuisfeJ lijk heid, v.

oningebonden, bn. Niet ingebonden (van boeken). — oningeënt, bn. — oningelirlkt, bn. — oniugeniaakt, bn. — on ingenaaid, bn. In losse bladen (van boeken). — oningepakt, bn. —oningevuld.bn.—onlngowUd,bn.

onjood, m. (..oden). Die tot het jodendom niet behoort. Heiden.— Onjoodsch,hn.

onjuist, bn. bijw. Niet juist. Ongegrond. — Onjuistheid, v. (..heden), onkel, m. (-s). Oom.

onkenbaar, onkennelUk, bn. Niet te kennen. — Onkenbaarheid, onkennelijkheid, v.

onklescli, bn. Niet fijngevoelig. Niet


ocr page 595

ONME — 5^

nauwgezet. Onzedig. — Onkiesckkfid, v. (..heden).

onklasir, bn. bijw. Troebel ; die wijn is onklaar. Duister, onduidelijk : een onklaar bewijs. Niet gered om gebruikt te worden : die lijm is onklaar. Onveilig : het is daar onklaar. Het is onklaar : de zaak is in de war. — Onklaarhei'i, v. onknstp, bn. bijw. Niet knap.

onkoMl, m. (-en). Onnoodigebezwaarlijke uitgaaf. (Gewoonlijk in 't meerv. gebruikt.)

onkrcnkltanr, bn. bijw. Niet gekrenkt kunnende worden. Ongekrenkt. Ongerept.— Onkrenkbuarheid, v.

onkreukbaar, bn. bijw.—Onkreuk-baarhei'd, v.

onkruid, o. (-en). Nutteloos of schadelijk kruid. Onkruid vergaat niet.

onkniitcli, bn. Ontuchtig. Wellustig. —Onkuise he lijk i bijw.— Onkuisch heidjr.

onkunde, v. Gebrek aan kennis, enz. Onwetendneid. — Onkundig, bn. bijw.

onkivetwbaar, bn. Niet gekwetst kunnende worden.— Onkwetsbaarheid, v.

onland, o. (-en). Land, dat niet bebouwd wordt of daartoe niet gebruikt kan worden.

onlang:*, bijw. Kort geleden, onledig:, bn. Niet zonder bezigheid : zich onledig houden (met).

onleeHbaar, bn. Niet te lezen. Duister. — Onleesbaarheid, v.

onlejielibaar, bn. Niet te lesschen. onllelianM'lük, bn. Niet stoffelijk, onlief, bn. bijw. Niet lief. Onaangenaam.

onlödbaar, onlUdelük, bn. Niet te lijden. — On lij del ijk he id, v.— Onlifd-2fl:aw,bn. Ongeduliig.

onloorlienbaar, bn. bijw. Niet te loochenen. — Onloochenbaarheid, v.

onloHhaar, bn. Niet in te lossen (van panden). Niet in eens afgekocht kunnende worden (van renten).

onlust, m. Tegenzin : onlust hebben in zijn werk. Verdriet, kwelling: dat baarde hem veel onlust, (-en) Oneenigheid. Beroering in eenen staat. — Onlustig, bn. bijw. .Lusteloos. Droevig. Neerslachtig. — Onlustigheid, v.

onmaatttcliappclUk, bn. In strijd met de wetten of gebruiken der samenleving.

onmaolil.v.Onvermogen.Machteloos-heid. Bezwijming, flauwte. — Onmachtig, bn. bijw. Onvermogend. Machteloos.

onmanieriyk, bn. bijw. Ongemanierd. — Oninanierlykheid, v. (..heden).

onnian(ue)lük, bn. In strijd met de vaardigheid van eenen man.

onmalig:, bn. bijw. De maat te buiten gaande. Ongeregeld. Buitensporig. Buitengewoon groot. — Onmatigheid, v.

onmeedoog:eud, bn. bijw. Meedoo-genloos. Onbarmhartig. Wreed.— Onmee-doogendhrid, v.

onmeetbaar, bn. Niet te meten. Onmetelijk. — Onmeetbaarheid, v. — Onmetelijk, bn. bijw. Oneindig groot. Zeer groot. — Onmetehjkheid, v.

onmeug:baar, bn. Niet gemengd

1 — ONOM

kunnende worden.— Onmengbaarheid, v.

onmenHOli, o. (-en). Wreedaard. — Onmenschelyk, bn. bijw. Wreed. Bar-baarsch. — Onmensche lijk het d, v. (..heden).

onmerkbaar ,bn. bijw.Onwaarneem-baar.

onmiddelbaar, bn. Onmiddellijk.

— Onmiddellijk, bn. Rechtstreeksch.Bijw. Aanstonds.

onmin, v. Oneenigheid.

onmiMbaar, bn. bijw. Niet kunnende missen. Niet gemist kunnende worden. — Onmisbaarheid, v.

onmiskenbaar, bn. Niet te ontken^ nen. Onwedersprekelijk. — Onmiskenbaarheid. v.

onmogrelUk, bn. bijw. Niet mogelijk.

— Onmogelijkheid, v. (..heden), onmondig:, bn. Minderjarig. — Ou-

mondigheid, v.

onnadenkend, bn. bijw. Ongeneigd tot nadenken. Oppervlakkig. — Onnadenkendheid, v.

onnaspeurbaar, bn. Niet na te gaan. Ondoorgrondelijk. — Onnaspeurlijk, bn. Onnaspeurbaar. — Onnaspeurlijkheid, v. ( .heden).

onnaliiuriyk, bn. bijw. Niet natuurlijk. Gedwongen. Ontaard. — Onnatuurlijkheid, v. (..heden).

onnauwkeurige, bn. bijw. Niet of weinig nauwkeurig. — Onnauzekewigheid, v. {..heden).

onnavolifbaar, bn. bijw. Niet nagevolgd kunnende worden. — Onnavolgbaarheid, v.

onnederlandHeli, bn. In strijd met de taal of den aard der Nederlanders.

onneembaar, bn. bijw. Niet ingenomen kunnende worden.

onnoembaar, onnoemelijk, bn. bijw. Niette noemen. Niet uit te spreken. Onuitsprekelijk groot of veel.

onnoodig-, bn. bijw. Niet noodig. Overtollig. Nutteloos. — Onnoodighetd, v. — Onnoodiglyk, bijw. — Onnoodwendig, onnoodzakelijk, bn. bijw. Niet noodig. Overtollig.

onnoozel, bn. bijw. Onschuldig. Onschadelijk. Eenvoudig. Zwak van geest. Beuzelachtig. Laf. Gering. — Onnoozel-heid, v. — Onnoozelijk, bijw.

onnut, bn. Niet van nut. Ondienstig. Nutteloos. — Onnuttelijh, bijw.— Onnuttig, bn. Niet nuttig. — Onnuttigheid, v.

onomaadeou, o. (-s). Verklarende woordenlijst.

ouomdUkt,bn.—onomgearbeld, bn. — onomgrebogren, bn. — onom-grebouwd, bn. — ononigedeeld, bn. — onomgredolveu, bn. — onom-ffedraaid, bn. —ouomgeglt;»oi«i,bn.

— o no m gegraven, bn. — ononigre-liak(, bn. — onomg-eliouwen, bn.

— onomgekapt, bn. — onomgre-keerd, bn. — onomg-eklonken, bn.

— onomgekoelat, bn. — ouonigre-kromd, bn. — ouomgelegerd, bn.

— onomgenaaid, bn. — onomge-ploegd, bn. — onomgeroepen, bn.

— ouomgeroerd, bn. — oiiomge-


ocr page 596

ONPE — 5.

«oliticl, bn. — onoius:cslafi:cngt; bn. — onomsresmclcn, bn. — onoiuge-

spoold, bn. — oiiuing^eivoiKl, bn.— ouoiiiffeivcnteld, bn. — oiiouigro-worfion, bn. — oiiomgrcxot, bn. — ononiliciucl, bn. — onoiukoop-listsir, bn. Niet om te koopen. Onverbiddelijk. Otiontkoopbanr/ieii/, v. — ouom-M('li:iiiNf, bn. — oiioiaiNClircvoii, bn. Zonder omschrijving. — oiioiiistooto-lük, bn. bijw. Niet omver te stooten. On-weJerlegbaar. — 0110111 vutbaur, bn.

— 0110 inwon don, bn. — ouom-zoild, bn.

4»u«»iidcrworigt;cii, bn. Niet onderworpen.

«tnoiitbccriy Ic, bn. bijw. Niet gemist kunnende worden. Ottontbeerlykheid, v.

— oiiontbiiidbsiar, bn. bijw. Onont-bivdbaarhei'*, v. — ouoiitdokt, bn. — onoiKsrouneii, bn. — oiiontvluiu-b:i:tr, bn. OnonivlambaarheiJ, v. — oiiontwUkbaar, bn. — ououtwllc-kold, bn.

oiioog:l(]k, bn. Onaangenaam voor het oog. Afzichtelijk. — Otiooglykhrid, v.

oiiolt;»rbastr, bn. bijw. Niet gepast. Niet geoorloofd. — Onoorbaarheid, v.

onoordeelkundig:, bn. Zonder oordeel. Oppervlakkig.

onopengesueden, bn. (Van boeken.)

onopgrelost.bn.—onopgemaakt, bn. — onopgemerkt, bn. bijw. — oiiopsreHniukt, bn. — onopfire-sno«len, bn. — onop^etoomd, bn.

— 4»nopsretiiisrlt;l. bn. — onop^c-Tood, bn. — onopgeivekt, bn. — ono|gt;lioiidelUli, bn. bijw. Zonder ophouden. Gedurig. Onophoudend, bn. bijw.

— onoplettend, bn. bijw. Onoplet-iendheid, v. — onoploiibaar, bn. Onoplosbaarheid, v.— onopmerkzaam, bn. bijw. Onoptnerkzaarnhgid, v. — on-opreelit, bn. Onoprechtheid, v. — ou-0|»/.ettelt)k, bn. bijw.

onordelUk, bn. bijw. Zonder orde. Verward. Lomp. — Onordelijkheid, v. (..heden). — Onordentelijk, bn. bijw. On-fatsoenlijk. Onwellevend. — Onordcnte-lijkheid, v. (..heden).

onoverdaelit, bn. bijw. — onoverdekt, bn. — onoverjrankelUk, bn. (Spraakk.). — onoTerkomoiyk, bn.

— onoverlogd, bn. — onovertrefbaar, bn. Onovertroffen, bn. — on-overwinbaar,bn. Onoverwin(nejlijk, bn. Onoverwinlijkheid, v. Onoverwonnen, bn. — onoverzienbaar, bn.

onpaar, bn. bijw. Oncften. Ongelijk. Wat raadt gij, paar of onpaar?

onpsirtjUdig:, bn. bijw. Onbevooroordeeld. Zonder ingenomenheid (voor of tegen).— Onparty'digheid, v. — Onpartij-diglijk, bijw.

onpas, bijw. (Alleen in) Te onpas : niet op een geschikt ©ogenblik. Te onpas zijn : onpasselijk zijn.

onpaHselUk, bn. Ongesteld. Misselijk. Geneigd tot braken. — Onpasselijkheid, v.

onpeilbaar, bn. bijw. Niet te peilen.

4 — ONRU

Ondoorgrondelijk. — Onpei'baarheid, v. .

onpersoonlijk, bn. Zie Eenpersoons lijk.

onpllelitis:, bn. Onschuldig. — On-plichtigheid, v.

onpraotiMoli, bn. Niet practisch. Niet voldoende aan de eischen van het practi-sche leven.

onproflJtelQk, bn. bijw. Niet voor-deelig. — Onprojijlelijkheid, v. — On-projijlis, bn. Zonder profijt.

onraad, m. Verwarring. Oneenig-heid. Ongelden. Gevaar : onraad ontmoeten.

onraadzaam, bn. Niet aan te bevelen. — Onraadzaarnheid, v.

onreelit, o. Ongelijk. Onrechtvaardigheid. Onbillijkheid. Verkeerde handelwijze. Ten onrechte, bijw. uitdr. Verkeerdelijk. — Onrecht, bn. bijw. Niet billijk. Niet rechtvaardig. — Onrechtmatig, bn. bijw. In strijd met het recht. — Onrecht-matigheid, v. — Onrechtvaardig, bn. bijw. In strijd met de rechtvaardigheide

— Onrechtvaardigheid, v. Het onrechtvaardige. (..heden) Onrechtvaardige handeling. — Onrechtvaardiglyk, bijw.

— Onrechtzinnig, bn. bijw. Niet rechtzinnig. Anders dan de ware leer ver-eischt of toelaat. — Onrechtzinnige., m. en v. (-n). — Onrechtzinnigheid, v. Het onrechtzinnige, (..heden) Iets, dat met de ware leer in strijd is.

onredbaar, bn. Niet te redden. onredelUk, bn.bijw. Redeloos. Beestachtig. Onbillijk. — Onredelijkheid, v. (..heden).

onredzaam, bn. Onhandig. Onbeholpen. — Onredzaamheid, v.

onregelmatig:, bn. bijw. Ongeregeld. Verward. Dooreen. (Spraakk.) Onregelmatig werkwoord. — Onregelmatigheid, v. (..heden).

onrein, bn. bijw. Onzindelijk, vuil. Onheilig. Onzedelijk, onkuisch. Onreine dieren : dieren, welke de Joden niet mogen eten. — Onreinheid, v. (..heden). — On-reinigheid, v. (..heden).

onreiMbaar, bn. Niet reisbaar, onrekkelük, bn. Stijf. Niet inschikkelijk.

onridderluk, bn. bijw. Niet ridderlijk. Onedelmoedig. Laaghartig.

onrUm, o. Proza.

oni-Up. bn. Niet Rijp. Ondoordacht. — Onrijpheid, r.

onroerend, bn. Onverplaatsbaar, vast : onroerende goederen.

onroomseli. bn. Niet tot de Room-sche Kerk behoorende. Protestantsch.

onrnMt,v. Beweging, beroering. Angst, gejaagdheid. Verlegenheid, (-en) Zeker wieletje in een horloge, m. en v. (-en) Ongedurig mensch. Ongedurig kind. — Onrusten, m. mv. Onrustvlinders. — Onrus-//£•, bn. bijw. Woelig. Beangst. Verlegen. Ongedurig. Oproerig. — Onrustigheid, v.

— Onrustmaker, onruststoker, onrustzaaier, m. (-S). — Onrustvlinders, m. mv. Maken eene familie der avondvlinders uit. Zijn hunnen naam verschuldigd aan hunne ongeloofelijk snelle beweging.


ocr page 597

ONST — S

ou», o. (-en). Hectogram. (Niette verwarren met once).

ons. Pers. voornw. i0 pers. meerv.

ou». Bezitt. voornw. oiiNstmenli:tii{;cnd, bn. bijw. Zonder onderling vt rband.

oiigcliudciyk, bn. bijw. Geen nadeel kunnende verooi zaken. lem. onschadelijk maken, hem buiten staat stellen om nadeel te veroorzaken. — Onschadelijkheid, v.

oiiHCliuppoiyk, bn. bijw. Onordelijk. Onredelijk. — Onschappehjkheïd, v.

on»lt;rliallgt;si]ir, bn. bijw. Nietteschat-ten. Onwaardeerbaar.

onamp;C'lioidbniii*, bn. bijw. Niet te scheiden. (ïaalk.) Onscheidbaar voorzetsel. — Onscheidbaarheid, v.

ouNClicudbanr, bn. bijw. Niet geschonden kunnende worden. De koning is onschendbaar, kan niet ter verantwoording geroepen worden. — Onschendbaar-heid, v.

ousolirirtmatis:, bn. Strijdig met de b. Schrift, er niet mede overeenstemmende.

— Onschrifiinaiigheid, v. — Onschriftuurlijk, bn. Strijdig met de h. Schrift.^

onscbuld, v. Schuldeloosheid : zijne onschuld is bewezen. Toestand, waarin men de werkende, noch de aanleidende oorzaak van eene misdaad is : zich op zijne onschuld beroepen. Kinderjaren : zij zijn in hunne onschuld. Onschuldige persoon : de onschuld beklimt soms het schavot. Verschooning : hij wist niets tot zijne onschuld bij te brengen. — Onschuldig, bn. bijw. Schuldeloos. Argeloos. — Onschuldtg-lyk, bijw.

oiisicrlU1^» bn. bijw. Niet sierlijk. Leelijk. — Onsierlijkheid, v.

outtlö^^uar, bn. Niet te verslijten, outtiiiakclük, bn. Van een slechten smaak. Bn. bijw. Onaangenaam. Walglijk. — Onsmakelijkheid, v.

oiiHiucltbuur, bn. Niet kunnende gesmolten worden. — Onsmeitbaarheid,v.

oiiHpocd, m. (-en). Tegenspoed. On-geluk.

ouMtsamp;atkuiidig:, bn. bijw. Niet in overeenstemming met de regelen der staatkunde. Onkundig in politiek. Onverstandig.

ouNlade, v. (Alleen in) Te onstade, te onpas komen.

ouMtandvaKtlsr, bn. bijw. Niet standvastig. Veranderlijk. Wankelbaar. — Onstandvastigheid, v. — Onstandvastig-lijk, bijw.

oiittlcrfclUk* bn. Niet aan den dood onderworpen. Onvergankelijk.—Onsterfelijkheid, v.

onsterk, bn. Niet sterk. — Onsterkheid, v. — Ons/erkte, v.

onstiolitelUk, bn. bijw. Niet stichtend. — Onstichtelijkheid, v. (..heden).

— Onstichtig, bn. bijw.

onstilbaar, bn. Niet te stillen. onstolTelUk, bn. Niet uit stof bestaande. Zedelijk. — Onstoffelijkheid, v.

onstrafbaar. onstraffelUk, bn. bijw. Geen straf verdienende.

onstuini, onstuimige, bn. bijw. Hevig. Stormig. Wild (van het weder). Hef-

5 — ONTD

tig, hartstochtelijk. — Onstuimigheid, v, (..heden).

onstaitbuar, bn. Ni«t te stuiten.

out, voorv. (Komt alleen in samenstellingen voor). — ontaarden, ow. (i) (zijn) Zijn goeden aard verliezen. Verbasteren. Ontaard, bn. Verbasterd. Wreed. Ontaardheid, v. Ontaarding, v. (-en). — ontadelen, bw. Van den adelstand berooven.Zedelijk verlagen. öw/rtöW/V/^v.

ontaliyk, bn. Talloos. Ontelbaar. — OntaHijkheid, v.

ontankeren, bw. (Bouwk.) Van de ankers berooven.

ontastbaar, bn. Niet tastbaar. Niet te vatten.

ontbaarden, bw. De baarden (van visschen) afsnijden. De gietnadeu enz. wegnemen.

ontberen, bw. Missen. O-'tbeerl/jk, bn. Ontbeerlykheid, v. (..heden), üntbe-ring, v. (-en). — ontbieden, bw. lem. laten weten, dat hij komen moet. Ontbieder, m. (-s). Ontbieding, v. (-en).— ont-by ten, ow. Het ontbijt nemen. Ontbijt, o. (-en), 't Eerste voedsel, dat men na het opstaan nuttigt. Ontbijtkamer, v. (-s). Ontbijtkoek, m. (-en). Ontbijtservies, o. (..zen). Ontbijttafel, v. (-s). — ontbinden, bw. Wat gebonden is losmaken : eene schoof ontbinden. De bcstanddeelen scheiden ; het water ontbindt de suiker. Bevrijden, ontheffen : 't hart van zwarigheden ontbonden. (Taalk.) Ontleden. Vernietigen (een contract, enz.). Ow. Bevallen. Ontbindbaar, bn. Ontbinding, v. (-en). — ontbladeren, bw. Van bladeren berooven. Zijne bladeren verliezen. Ontbladering, v. — ontblooten, bw. Blootmaken. Blootleggen Ontnemen. Het hoofd ontblooten : den hoed, enz. afnemen. Het zwaard ontblooten, uitdescheede trekken. Zich ontblooten, ww. Ontbloot, bn. Onvoorzien. Beroofd. Ontblooting, v. (-en). — ontboeien, bw. Van boeien ontdoen. Ontboeiing, v. — ontboezemen, bw. Lucht geven (zijn hart). Ont' boezeming, v. (-en). — ontbolsteren, bw. Van den bolster ontdoen. Beschaven. Ontbolstering, v. — ontbranden, ow. (zijn) In brand geraken. Vuur vatten. Door geweldige hartstochten worden aangetast. Ontbrandbaar, bn. Ontbrandbaarheid, v. Ontbranding, v. (-en). — oiitbre» ken, ow. Niet aanwezig, niet voorban, den zijn. Het ontbreekt hem aan geen verstand. Er ontbreekt niets aan. Ontbre-king, v. — out burgeren, bw. Het burgerrecht ontnemen. — onteyteren, bw. iets, dat met cijfers of geheime teekens geschreven is, verklaren. Hij kon met moeite uwen brief ontcijferen, lezen. Uitleggen ; een geheim ontcijferen. Ontcitferaar, ra. (-s). Ontcijferbaar, bn. OntcijJeringy v. (-en).

ontdaan, bn. Ontsteld.


1

De samengestelde werkwoorden met ont zgn onscheidbaar.

ocr page 598

ONTG — 54

bn. Het is mij ontdacht : ik bet» liet vergeten.

oiil il o k keu, bw. Het deksel afnemen. Het hoofd ontdekken ; den hoed afnemen. Iets vinden, dat nog niet bekend was. Ontsluieren. Openbaren. Bekendmaken : eene samenzwering ontdekken. In vertrouwen bekendmaken : hij ontdekte mij zijn hart. Ontdekker, m. (-s). Ontdekking, v. (-en). Ontdekkingsreis, v. (..zen). Ontdekkingstocht, m. (-en). — onf «lol ven, bw. Door delven wegnemen. Opdelven. Uitgraven. Ontdf-lving, v. — ouf «liHHolen, bw. Den dissel afnemen.

— oiiiiloeii, bw. Tc niet doen. Losmaken. Aldoen, uitdoen. Zich ontdoen, ww. Zich van iem. ontdoen : iem. verwijderen. Zich van zijne kleederen ontdoen. — ontdooien, ow. (zijn) Van den staat van bevriezing ontdaan worden. Bw. De hardheid, door de vorst veroorzaakt, wegnemen : de zuidenwind heeft de rivier ontdooid. Ontdooiing, v. — oitf «Ivsisiieu, bw. Draaiende losmaken. Heimelijk wegnemen. Ow. (zijn) (Alleen in) Hijj is het ontdraaid : hij heeft zich stillekens uit de voeten gemaakt. Ontdraaiing, v. — ont-«1 ra go n, bw. Dragende wegnemen. Stelen. — oiitlt;lraveii, ow. (zijn) Dravende ontsnappen. — outdriven, bw. Al drijvende, jagende ontnemen. Met geweld ontnemen. Ow. (zijn) Al drijvende ontsnappen.

— oiillt;lulgt;l»eleii, bw. (Zeew.) Van dubbeling ontdoen. Ontdnbbeling, v. — Ont-«luiken, ow. (zijn) Door duiken ontkomen. Bw. Ontwijken. Vermijden. 0*itdiii-kint;, v. (-en). — ontedelen. Ontadelen. — onf eeren, bw. Van zijne eer be-rooven. Sch«nden (eene maagd). Ontheiligen : Gods naam ontecren. Onteerder, m. (-s). Onteerend, bn. Onteering, v. (-en).

oiitegeiiftprekelUk gt; outegren-zoslük* bn. bijw. Onwederlegbaar. — Ontegensprekelijk he id, ontegenzeglijk-heid, v.

onteisroneii, bw. Den eigendom ont-semen (tegen schadeloosstelling). Uit het kez'it van iets stooten. — Onteigening, v. (-en). — Onteigeningswet, y. (-ten).

ontelbaar, ba. bijw. Tallees. — On-telhaarheid, v.

o^itéiubaar, onteiumelQlc, bn. Niet te temmen. — Ontetnbnarheid, v.

Onterven, bw. Niet laten deelen (in aijne erfenis). Zich onterven, ww. Zich van zijne goederen ontdoen. Zich ontdoen (van). — Onterving, v. (-en).

ontevreden, bn.bijw. N-iet tevreden. Misnoegd. — Ontevredenheid, v.

oditfernien {zich), ww. Medelijden hebben (met). Barmhartigheid betoonen (ami). Ontfermer, m. Ontferming, v. — 0(11.1 l'roii«en, bw. Ontriinpelen. Zich ontfronsen, ww. — oulful*ellt;»n, bw. Heimelijk wegnemen. Ontfutseling, v. (-en). — «Vnisraan, ow. (zijn) Zich van eene plaats verwijd«ren. In het gaan te voren komen. Ontsnappen. Uit het geheu-

fen verliezen : zijn naam is mij owtgaan. leoe onaangename omstandigheid ontwijken : een,kwaad pogen te ontgaan. De ©r-en verliezen : zijn naam is mij owtgaan. leoe onaangename omstandigheid ontwijken : een,kwaad pogen te ontgaan. De ©r-fenis ontging hem, ging voer hem rerloren.

. — ONTH

— ontsrallen, bw. Van de gal ontdoen (van v sch). — oiils:eldeii, bw. Met geld boeten. Bekoopen. Bezuren. Ontgelding, v. — onlgeNpen, bw. Losgespen.

— ontjjeven [zich), ww. Laten varen, uit het hoofd zetten (eene gedachte). — out ffinnen, bw. Beginnen aan of in iets te snijden : een brood ontginnen. Eenen grond geschikt maken voor bebouwing. Delfstoffen uit de mijnen halen. Aanvangen. Ontginner, m. (-s). Ontginning, v. (-en). — ontglijden, ow. (zijn) Al glijdende ontsnappen. Onwillekeurig ontsnappen. Verloren gaan. — ont$;lininieu, ow. (zijn) Beginnen te ontbranden. — Ontg-liinpen, bw. Iets van den hals schuiven. — ont8:lii»i»en, ow. (zijn) Glippend ontsnappen. Ontgaan. Ontglijden. — oufg-loeien, bw. Doen ontbranden. Ow. (zijn) Gaan gloeien. In vuur geraken. — ontgrooclielen, bw. Door goochelen ontfutselen. Uit den waan helpen. Ontgoocheling,v. (-en). — Ontpraten, bw. Van de graten ontdoen (van visch). — ontgrraven, bw. Gravende uithalen en wegnemen. Ontgraving, v. (-en). — ontgrrendeien, bw. Den grendel losdoen. OnfgrcHdeling, v. — ontgroeien, ow. (zijn) Ontwassen. Uitgroeien. — ontsrroenen, bw. Van bladeren bcrooven. Eenen student ontgroenen, hem na den proeftijd als student erkennen. Ontgroening, v. (-en). Ontgroen-party, v. (-en). — onlg-ronden, bw. Ontginnen. Den grond van onderen wegnemen. Ontgronding, v. (-en). — ontgunnen, bw. Misgunnen. — ontlia-ken, bw. Wat gehaakt is, losmaken. Ont' hukmg, v. — Ontlialen, ow. Iem. ontvangen als gast. Trakteeren. Iem. op een dichtstukje onthalen. Onthaal, o. Ontvangst van iem. als gast. Spijs en drank, waarop men iem. vergast. Zijne woorden ronden een goed onthaal, werden gunstig opgenomen. Onthaling, v. — Ontlial-stvron, bw. Den halster afdoen.— out-lialzen, bw. Onthoofden. Onthalzing, v. ( en). — ontlianden, bw. Van de handen berooveu. In verlegenheid brengen. Outrievcn. — ontliaren, bw. Van haar bcrooven. — onllistspelen, bw. Van den haspel afwinden. Ontwikkelen. Onthazpeling, v. — ontlioehten, bw. Losmaken.— ontlielien, bw. Ontlasten. Kwijtschelden. Verlo.ssen. Ontheffing, v. (-en). — omlieillgen, bw. Iets, dat heilig is schenden. Onteeren. Bezoedelen. Ontheitiger, m. (-s). Ontheiliging, v. (-cn). — onilielMtercn, bw. Van helderheid, enz. berooven. Vernielen. Verwoesten. Ontheislering, v. — ontlier-pieuen, bw. Van de hersenen ontdoen. Van schranderheid ontblooten. — ont-lienpen, bw. Aan de heup ontwrichten. Krachteloos maken. Ontheiiping,v.—ont-liollandftetien, bw. Het Hollaudsch karakter wegnemen. — ontliollen, ow. (zijn) Door hollen ontloopen. — ont-lioofden, bw. Het hoofd afslaan. Ont-h o afding, v. (-en). — ontliouden, bw. In zich houden. In het geheugen bewaren, Torughouden : den werkman zijn loom qnt-


ocr page 599

ONTK — 54

houden. Zich onthouden^ \vw. Nalaten iets te doen : onthoud u daarvan. Zich ergens ophouden. Onthoud, o. Geheugen : hij is goed van onthoud. Verblijfplaats. Onthouder, m. (-s). Onthouding, v. — Oiitlinldeii, bw. Van hulde, van eer, enz. berooven. Onthulding, v. — Ont-tiuldi^en, bw. Niet met hulde bejegenen. Onthuldiginz, v. — ontlmllcn, bw. Ontdekken. Zichtbaar maken. Van het hulsel ontdoen. Ontsluieren. Openbaar-maken. Iets ontdoen, in 't openbaar, van 't kleed, waaronder het verborgen is. Onthulling, v. — ontluippclcn, ow. (zijn) Huppelende zich verwijderen. — outliut-■cn, bw. Verbazen, ów. (zijn) Verbaasd . staan.

outUd, m. (-en). Onbehoorlijke tijd. Ongelegen oogenblik. Ten ontijde ; buiten tijd, ongelegen. — Ontijdig, bn. bijw. Niet op gewonen tijd. Op een ongeschikt oogenblik komende. Onbetamelijk. Vuil. Onrijp : ontijdige vrucht. — Ontijdigheid, v. — On tijdig lijh, b ij w.

ontQleii, ow. (zijn) Ontvlieden.

Ontilbstar, bn. Niet getild kunnende worden. Ontilbare have : onroerend goed.

— Onttlbaarhsid, v.

cfcnljageii, bw. Met geweld ontnemen. Ow. (zijn) Door snel te rijden ontkomen.

— onf ksiiMincn, bw. Loskammen. — oiitkstpen, bw. Ontfutselen. Ontha-

Jgt;ing, v. (-en).— öntkeuucn, bw. Niet erkennen. Niet bekennen. Loochenen. Ontkennend, bn. bijw. Ontkenner, m. (-s). Ontkenning, v. (-en). Ontkentenis, v. Ontkenning. — ont kerkeren, bw. Uit den kerker verlossen. Ontkerkering, v. — ontketenen, bw. Van ketenen be-rrijden. Losmaken. Ontketening, v. _— ontkiemen, ow. (zijn) Beginnen te kiemen. Ontstaan. Voortspruiten. Ontkieming, v. — Oiitkleeden, bw. Ontdoen van kleederen. (Zeew.) De bekleeding (van een touw) wegnemen. Zich ontklesden, ww. Zijne kleederen uittrekken. Men moet zich niet ontkleeden, eer men naar bed gaat: men moet zijn goed niet verdeelen voor zijnen dood. óntkleeding, v. — ontkleuren, bw. Van kleur berooven. Ont-v. — öntkllmnien, ow. (zijn) Khmmende ontsnappen.— ont klinken, bw. Het zoomwerk (van een vaartuig) wegnemen. — ontklniMteren, bw. De kluisters afnemen. Verlossen. Ontkluiste-ring, v. — Ontknevelen, bw. Ontboeien, Afpersen. Ontkneveling, v. — OntknOOpen, bw. Losknoopen. Oplossen. Eindigen (een verhaal, enz.). Ontknooping, v. (-en). —_ ontknoppen, bw. Losknoopen (eene jas, enz.). — ont-knOppen, ow. (zijn) Uitbotten. — ontkolen, bw. Week maken (van staal) door het koolstof te doen verliezen. Ontkoling, v. — Ontkomen, ow. (zijn) Ontsnappen. Ontkoming, v. (-en). — OutkOopen, bw. Vriikoopen. — ontkoppelen, bw. Het gekoppelde losdoen. Ontkoppeling, v. — Ont korrelen, bw. De zaaddoozen der katoenheesters ontdoen van het zaad.

— Ontkorsten, bw. De korst afnemen. Ontkorsting, v. — ontkrachten, bw.

7 — ONTM

Van kracht berooven. Ontkrachting, v.

— ont kruipen, ow. (zijn) Door kruipen ontsnappen. — ont kul pen, bw. Door kuiperij ontnemen. Onderkruipen. — ontkurken, bw. De kurk afdoen. Ont-kurking, v. — ontladen, bw. Den last of de lading afnemen. Van electri-citeit ontdoen. Ontlaadtang, v. (-en). Ontlader, m. (-s). Ontlading, v. (-en).

— ontlasten, bw. Ontdoen van ee-nen last. Bevrijden. Zijn hart ontlasten, uitstorten. Zich ontlasten, ww. Zich ontdoen van eenen last, enz. Zijn gevoeg doen. Uitloopen (van rivieren, enz.). Ontlastend, bn. Ontlasting, v. Ontlastingsbuis, v. (..zen). Ontlastingspyp, v. (-en).

— ontlaten, bw. Loslaten. (Gehard staal) weekmaken. Verzachten. Bevredigen. Ow. (zijn) Zachter worden (van het weder, den grond, enz.). Ontlating, v. — ontleden, bw. De deelen van een lichaam lid voor lid afsnijiien en onderzoeken. Onderscheidene deelen van een geheel stuk voor stuk aantoonen. Verdeelen. Onderscheiden. (Taalk.) Hi't verband aanwijzen tusschen de verschillende zinnen van een samengestelden volzin en de bijzondere deelen, waaruit elke zin bestaat. Toonen tot welk rededeel ieder woord van eenen zin behoort. Ontledend, bn. Ontleder, m. (-s). Ontleding, v. (-en). Ontleedkamer, v. (-s). Ontleedkunde, v. Ontleedkundig, bn. Ontleedkundige, m. en v. (-n). Ontleedkunst», v. Ontleedmes, o. (-son). On tlee dp laats, v. (-en). Ontleedtafel, v. (-s). Ont» leedzaal, v. (..alen). — ontledigen, bw. Ledigmaken. Bevrijden. Ont lediging, v. (-en). — ontleenen, bw. Van iem. to leen nemen. Putton (uit). Ontleening, v. (-en). — ontleeren, bw. Afleeren, Ontwennen. — ontlecifen, bw. Doen vergeten.— ontleken, bw. De lijken (van een zeil) afnemen.— ontlijven, bw. Van het leven berooven. Ontlijfster, v. (-s). Ontlyver, m. (-s). Ontlijving, v. (-en). — ontlokken, bw. Dooi lokken verwes-ven. Afdwingen. — ont lood en, bw. Uit het lood nemen.— ontloopen, ow. (zijn) Door de vlucht ontkomen. Ontsnappen. Ontzeilen. Ontvloeien. Zij zullen elkander niet veel ontloopen : zij schiflei niet veel. Ont looping, v. (-en). — ont' looveren, bw. Van bladeren berooven.

— ontluiken, bw. Openen (van bloemen). Ow. (zijn) Zich openen (van bloemen). Ontluiking, v. — ont 1 uittteren, bw. Van luister berooven. Ontluistering, v. — ontmaken, bw. Ontdoen. Uit elkander nemen. Onterven. Zich ontmaken, ww. Zich ontdoen. Ontmaking, v. — ontmannen, bw. Lubben. Ontmanning, v. — ontmantelen, bw. Van mantel ontdoen. Slechten (vestingwerken). Ontmanteling, v. (-en) — ontmaHke-ren, bw. Van het masker o.-tdoen. In de ware gedaante voorstellen. Ontmaskering, v. (-en). — ontma»ten, bw. Van masten ontdoen. Ontmast, bn.

outmensclit, bn. Onmenschelijk. Wreed.

ontmei^eld, bn. Ontzenuwd.


ocr page 600

ONTR — 5^

ontmenbelcu, bw. De meubels (ergens) wepnemen. Onimeubeltug, v. — ontinoetdfiron, bw. Den moed ontnemen. Onimoediging, v. — oulmocton, bw. ow. (zijn) Tegekomen. Aantreffen. Overkomen. Bejegenen. Ontmoeting, v. (-en). — outnasiien, bw. Lostornen. — oiitiicdcrl:inlt;l*clicn, bw. Hot Ne-derlandsch karakter wegnemen. — ontnemen, bw. Afnemen. Benemen. Ontstelen. Ontneming, v. — onfnoppen, bw. Denoppen wegnemen.-Verslijten. — ontunchleren, bw. Nuchter maken. Een ontbijt geven. Ow. (zijn) Nuchter worden. Ontnuchteri7igt v. (-en).

ontoejK'ankelUk, bn. Niet te genaken. Ontoegankelijkheid, v. — ontoc-yevend, bn. Ontoegevendheid, v. — on t o e re i k e n lt;1, bn. On toereik en dh eid, v. — ontoerekenbaar, bn. Ontoerekenbaarheid, v.

ontoomliaar, bn. Niet te bedwingen, ontoonbaar, bn. Niet kunnende getoond worden. Slordig.

ontpakken, bw. Uitpakken. Onipak-king, v. (-en). — ontpappen, bw. (Katoenw.) De pap wegnemen. — ont-per.«*en, bw. Uit de pers nemen. Door persing ontnemen. Door aandoening ontlokken. — oiHpIanken. bw. Van de planken ontdoen.— onlpleisleren,bw. (Heelk.) De pleisters wt-gnemen. — ont-pl« 'iten, bw. Door pleiten doen ontgaan.

— ontplofTen, ow. (zijn) Met eenen plof ontbranden of barsten. Ontploffing, v. (-en). — ontplooien, bw. van de

£ looien ontdoen. Ontvouwen. Ontrollen, .aten wapperen. Zich ontwikkelen. looien ontdoen. Ontvouwen. Ontrollen, .aten wapperen. Zich ontwikkelen. Zich ontplooien, ww. Zich ontvouwen (van eene vlag). Ontplooiing, v. — ontplniken, bw. (Dicht.) Openen. Ontplooien. Ontploften, bn. Een arend met ontploken vlerken.

— onlpliiizen, bw. Wegnemen. Onderzoeken. Ontpluizing, v. — ontplnk-ken, bw. Aiplukken. Ontnemen. — ont-poorteren, bw. Van het poorterschap ontzetten. Ontpoortering, v. —ontpra-clien, bw. Afbedelen. — ontpraten, bw. Door pn-tendoen afzien (van). Afraden. — ontraden, bw. Afraden. Ontra-der, m. (-s). Ontrading, v. — ontrafelen, bw. Losrafelen. — ontrakken, bw. (Scheepst.) De rakken losmaken.

ontranipenoerd. bn. Beschadigd. Ontredderd (van een schip).

ontredderd, bn. Buiten staat om behoorlijke bewegingen te maken (van schepen).

ontreinigren, bw. Bezoedelen. Ont-reiniging,y. (-en), — ontremmen, bw. Den spanriem, enz. aan een wagenrad losmaken.— ontrennen, ow. (zijn) Rennend ontkomen. — ontrieven. bw. Het ncodige onthouden. Berooven van zijn gerief. Zich ontrieven, ww. Als gij mij mededeelt,moogt gij u echter niet ontrieven. Ont-rieving, v. — onf i-lBroeien, ow. (zijn) Ontsporen. Ontriggeling,\. (-en). —ont-r||den, ow. (zijn) Rijdende ontkomen.— ontrUsren, bw. Losrijgen. — ontrim-pelen, bw. De rimpels wegnemen. Ont-rimpeling, v. — on troelen, ow. (zijn,'

I — ONTS

Roeiende ontkomen. — ontroeren, bw. Aandoen. Treffen. Ow. (zijn) Aangedaan worden. Ontroerd, bn. Aangedaan. Bewogen. Ontroering, v. (-en). — ontrollen, bw. Losrollen. Openrollen. Ow. (zijn) Rollende opengaan. Rollend ontvallen : een traan ontrolde aan zijn oog. Ontstelen (van zakkenrollers). Zich ontrollen, ww.

— oiitronaelen, bw. Ronselend ontnemen. — ontroomen, bw. Den room afnemen. Ontrooming, v.

ontroostbaar, bn. Niet te troosten»

— Ontroostbaarheid, v. — Ontrooste-lifk, bn.

ositrooven, bw. Door roof ontnemen. In zijne macht brengen : hij heeft die erfenis ontroofd. Die ziekte zal hem zijne krachten ontrooven. — Ontrooving, v.

ontrouw, v. Trouweloosheid. Verraad. •— Ontroinv, bn. Trouweloos. Verraderlijk. — Ontrouwe Lijk, bijw. — On-trouzv igh e id, v.

ontrninien, bw. Plaats maken door iets weg te nemen. Ledigmaken. Verlaten: de troepen hebben de stad ontruimd. Een huis ontruimen, metterwoon verlaten. Doen openvallen : een ambt met den dood ontruimen. Ontruiming, v. (-en). — ontrukken, bw. Door rukken verwijderen. Uit de handen (van een ander) losrukken. Met geweld ontnemen. Afdwingen. Iets aan de vergeteldheid ontrukken. Ontruk-king, v. — ontrnnten, bw. Onrust verwekken. Iemands rust benemen of storen. Zich ontrusten, ww. Zich ongerust maken. Ontrustifig, v.— ontffrhaehelen. ontnebaeheren, bw. Doorschacheren ontnemen. — ontschaken, bw. Ontrooven. Door schaking ontvoeren. Ont-schaker, m. (-s). Ontschaking, v. (-en).

— ontseliepen, bw. Uit het schip zetten of nemen. Ontscheping, v. (-en). — ontsebenren, bw. Door scheuren of met geweld losrukken. — ontHoUieten, ow. (zijn) Ontglijden. Ontsnappen. Uit het geheugen verdwijnen. Niet bekomen : het ontschoot hem. Anders zijn dan men gedacht had. Ontschieting, v. — ontnehip-peren, bw. Ontslaan (eenen schipper). Van aanzien, enz. berooven. — ont-Nclioeien, bw. Van schoeisel ontdoen. Ontschoeiing, v. — ontschorsen, bw. Van de schors ontdoen. Ontschorsing,

— ontschroeven, bw. Losschroeven. Losmaken. — ontnchnüen, bw. Schuil houden. Ow. (zijn) Zich schuilende verbergen.— ontschnldlsen, bw. Van schuld vrijspreken. Zich ontschuIdigen, ww. Zich vrijpleiten. Ontschuldiging, v. (-en). — ontsieren, bw. Schoonheid en aantrekkelijkheid verminderen. Ontsiering, v. (-en).- ontslaan, bw. Het beslag opheffen ; de aangehouden goederen werden ontslagen. Wegzenden, afdanken : zijnen knecht uit den dienst ontslaan. Uit de gevangenis verlossen : iem. onder borgtocht ontslaan. Van eene verbintenis ontheffen : iem. van zijnen eed ontslaan. Van iefs drukkende bevrijden : van eene zorg ontslaan. Zich ontslaan, ww. Zich ontdoen (van). Ontslag, o. Vrijgeving. Opheffing van een ambt. Afdanking. Vrijstelling.


ocr page 601

ONTS — 5.

Kwijtschelding. Handeling, waarbij iem. van eene schuld, enz. wordt ontheven : ontslag van rechtsvervolging. Ontslagbrief, m. (..ven). Ontslag neming, v. (-en). — ontMlakcn, bw. Losmaken. Ontsla-ktng, v. — ontfilapcai, ow. (zijn) In slaap vallen. Een zacbten dood sterven. Ontslaping, v. — onlHlstven, bw. Uit de slavernij verlossen. Vrijmaken. — out-•llbbcren, ow. (zijn) Slibberend ontglü-den. — outslippon, ow. (zijn) Slippende ontvallen. — ontsltiiorou, bw. Van den sluier ontdoen. Aan het licht brengen. Ontsluiering, v. (-en). — onfsluime-ren, ow. (zijo) Ontslapen. Ontsluime-ring, v. — ow. (zijn) Weg

sluipen. Ontsluiping, v. — oiitaluiten, bw. Opendoen : de deur ontsluiten. Loslaten : gevangenen ontsluiten. Ontluiken. Ontslutier, m. (-s). Ontsluiting, v. Ontsluit ster, v. (-s). — ontHiueltou, bw. De smetstof wegnemen. Onbesmettelijk maken. Zuiveren. Ontsmetting, v. (-en), ontsnaard, bn. Van snaren beroofd, oniftiiappeu, ow. (zijn) Schielijk en onopgemerkt ontkomen. Ontsnapping, v. ^en). Ontsnappingswerk, o. Gedeelte van het uurwerk, dat den slinger met het raderwerk in beweging zet. — ontsiioïleii, ow. (zijn) Snel ontvluchten. — outsuoe-ren,bw. Losbinden. Losmaken. Ontsnoe-ring, v. — outttpaunen, bw. Wat gespannen is, loslaten : eenen boog ontspannen. Afspannen : de paarden ontspannen. Den geest ontspannen. Zich ontspannen, ww. Zich verpoozen. Ontspanning, v. (-en).— ontftparfclen, ow. (zijn) Door spartelen ontkomen. — ontopelden, bw. Wat gespeld is, losmaken. — ont-•pinncn, bw. Wat gesponnen is, losmaken. Ztch ontspinnen, bw. Zich ontwikkelen. — onlt;»piiifen, bw. Van spint ontdoen.— ontsporen, ow. (zijn) Uit het spoor raken. Ontsporing, v. ^en). — ont-•pring:on, ow. (zijn) Springend opstaan Opsprineen. Met opborreling voor den dag komen.Met eenen sprong ontkomen. Voortvloeien : geluk en ongeluk ontspringen aan éene bron. — ontspruiten, ow. (zijn) Beginnen uitte spruiten. Ontstaan. Voortkomen. — ontstaan, ow. (zijn) Beginnen. Voortspruiten. Veroorzaakt worden. Gebeuren, zich voordoen : er ontstond oproer. Volstaan, voldoen : men weet niet boe men het ontstaat. Ergens vrij van zijn : rij ontstonden het met de vrees. — ont-•tapelen, bw. Stuk voor stuk van eenen stapel afnemen. Ontstapeling, v. — ont-•tappen, ow. (zijn) Stappende ontkomen. — ontsteken, bw. Opensteken : een vat ontsteken. Doen ontbranden : een enkele vonk ontsteekt het buskruit. Aansteken : eene sigaar ontsteken. Ow. (zijn) Vuur vatten: de lamp is ontstoken. Gaande

Ëeraken : hij ontstak in liefde voor hem. )e wond is ontstoken, is rood opgezwollen.eraken : hij ontstak in liefde voor hem. )e wond is ontstoken, is rood opgezwollen. Ontstekend, bn. Ontsteking, v. (-en). Ontstekingskoorts, v. (-en). Ontstekingsmiddel, o. (-en). Ontstekingswijze, v. (-n). Ontstekingszirkte, v. (-n). — ontstelen, bw. Diefachtig wegnemen. Ont-ffooven. Heimelijk outuemen. Iem. zij-

)— ONÏV

nen tijd ontstelen. Iem. zijn hart ontstelen. óntsteling, v. — ontstellen, bw. De goede gesteldheid wegnemen : een speeltuig ontstellen. Ontroeren : die tijding ontstelde hem. Ow. (zijn) Ontredderd worden. Verschrikken. Verschrikt worden. Zich ontstellen, ww. Van zijn stuk raken. Ontsteld, bn. Ontzet, verslagen. Niet in zijn gewonen staat zijnde : ontsteld uurwerk. Ziekelijk : ontstelde maag. Ongere- . geld : ontstelde pols. Miswijzend : ontsteld I kompas. Ontsteldheid, v. Ontstelling, v. Ontsteltenis, v. Verwarring. Ontroering.

— ontstem men, bw. De vereischte toonhoogte doen verliezen (van muziekinstrumenten). Gemelijk maken. Ow. (zijn) Ontsteld worden. Ontsfrmd, bn. Ont-stem dh eid, v.

ontstentenis, v. Gemis, ontsterven. ow. (zijn) Overlijden. — ontstieliten, bw. Ergeren. Ontstichte' lijk, bn. bijw. On tstich te lij kheid, v. Ontsticht er, m. (-s). Ontstichting, v. Ontsticht ster, V. (-S). quot; yi \

ontstoken, bn. Ontstoken wond : rood opgezwollen wond.

ontstoppen, bw. Den stop afnemen. Ledigen. (Geneesk.) Openen. Verzachten. Ontstopping, v.— ontstrenfirelen, bw. Wat vastgestrengeld is, losmaken. — ontstrijden, bw. Door strijden ontrooven. Uit het hoofd praten. — ontstrikken, bw. Wat vastgestrikt is, losmaken. — ont-stroomen, ow. (zijn) Stroomende wegvloeien. Ontstrooming, v. — onttakelen, bw. Van het tuig ontdoen (een schip). Alles wegnemen. Ow. (zijn) Zijn tuig kwijtraken. Onttakeling, v. (-en). — ontlanden, bw. De tanden wegnemen. — ont-tellen, ow. Mistellen.

onttofiren, bn. Onttrokken, onttooveren, bw. Van betoovering ontdoen. Onttoovering, v. — onttornen, bw. Lostornen.— onttrekken, bw. Aftrekken. Wegtrekken. Onthouden. Zich aan iets onttrekken : zich van iets onthouden. Onttrekking, v. — onttroar-Srelen, bw. Aftroggelen.— onttronen, bw. Van den troon berooven. Onttroning, v. (-en). — onttroonen, bw.quot; Aftroggelen. — onttronwen, ow. Gescheiden worden (vanechtgenooten). — onttuien, bw. (Zeew.) Het tuianker binnenhalen.

— ont tuieren, bw. Van het tuig ontdoen (een schip). Van trekking ontdoen (van paarden, enz.).

ontuelit, v. Zedeloosheid. Onkuisch-heid. Losbandigheid. — Ontuchtelijk, bijw. — Ontuchtig, bn. bijw. — Ontuchtigheid, v. Onkuischheid. (..heden) Ontuchtige handeling.

on tuis:, o. Uitschot. Afval. Onkruid. IJdelheid. Onzin. Gespuis.

ontvademen, bw. Den draad uitnemen : eene naald ontvademen.

ontval, o. (Alleen in) Veel gehals, veel ontvals : wie veel praat, verpraat zich licht.

ontvallen, ow. (zijn) Uit de hand glijden. Ontglippen. Bij vergissing of onbedacht iets zeggen : dit woord is hem ontvallen. Vergeten : dat is mij ontvallen. Zijn rijkdom is hem ontvallen. De moed


ocr page 602

ONTW — si

ontvalt hera. Ontsterven : zijne vrouw is hem ontvallen. — ontvmifireii, bw. In rijn bezit, in zijne macht krijgen. Innen j(gcld). Onthalen. Personen bij zich toelaten. Bekomen : vergiltenis zijner zonden ontvangen. Ow. Zwanger worden. CM/-vang-, m. Het ontvangen. Ontvangbaar^ bn. Ontvangbak, m. ( ken). Ontvangenis^ v. Het feest der Onbevlekte Ontvangenis wordt gevierd den K*1 December. Ontvanger^ m. (-s). Ontvangrr^/cantoor, o. (..oren). Ontvangrrsfilaats, v. {-en). Ont-vangerspflst% m, ( en). Ontvanging, v. Ontvangst, v. (-en). Met ontvangen. Wat men ontvangt. Onthaal : iem, eene goede ontvangst doen. Ontvankelijk, bn. Ontvangbaar. Ontvankelijkheid, v. — oilt-▼aron, ow. (zijn) Vaiende ontsnappen.

— ontvcolifen, bw. Door te vechten ontnemen. — 4»iit wlli^vn, bw. Onveilig maken. OntveiUging, v. — out-Toinzen, bw. Door te veinzen verborgen houden. Niet uitkomen (voor). Ontvin-zing, v. — ontvallen, ow. (zijn) Zijn vel verliezen. Ontvelling, v. (-en). — ontvlaïiniftdien, bw. Het Vlaamsch karakter wegnemen — onl vlammen, bw. Vlam doen vatten. Ontsteken : dat deed zijne gramschap ontvlammen. Ow. (zijn) Beginnen te vlammen. Vlam vatten. Onivla7nbaat ,hr\. Ontvlambaarheid, v. Ontvlamming, v. — onlvleolilen, bw. Wat gevlochten is, losmaken. Onti/lech-ting, v, —ontvloezoii, bw. Van vleesch ontdoen. Ontvleezing, v. — onf vleieii, bw. Door vleien verkrijgen. —

dcn. ow. (zijn) Ontvluchten. Ontvlieding, v. — oBitvliosen, ow. (zijn) Vliegende ontsnappen. Uit het geheugen gaan: lijn naam is mij ontvlogen. — onlvllo-teu, ow. (zijn) Vlietend ontspringen. I£en traan ontvloot haar oog. —onl vl4»eion, ow. (zijn) Vloeiende ontgaan. Ontvloeiscl, O. (-s, -en). — oufvlnolilou, ow. (zijn) Door de vlucht ontkomen. Ontvlnchting, V. (-en). — ontToeron, bw. Roovende wegvoeren. Met geweld wegnemen. (Jnt-V o er der, m. (-s). Ontvoering, v. (-en).

— ontvolken, bw. Van bevolking ont-blooten. Ontvolking, v. — onlvollic-ren, bw. (Dicht.). — ontvonken, bw. In brand steken. Veroorzaken. Ontvlammen : de moed ontvlamt zelfs den ouderling. Ow. (zijn) Vuur vatten. On tv on king,

— ontvoogden, bw. Uit de voogdij ontzetten. Ontvoogding, v. — ontvormen, bw. Den vorm wegnomen. Bederven. Ontvorming, v. — ontvouwen, bw. Iets dat gevouwen is, ontplooien. Verklaren. Uitleggen. Ontvouvuing, v. — ontvreemden, bw. Ontnemen. Afhandig maken. Ontvreembunr, bn. Ont-zreemding, v. (-en). — ontvrUen, bw. (Eene minnares) listig bemachtigen. — ont wastien, ow. (zijn) Door den wind Weggenomen worden. Uit het geheugen gaan. — ontwaken, ow. (zijn) Wakker worden. Tot nadenken komen : zijn sluimerend geweten is ontwaakt. Ontwaking, v. — ontwslt;ponen, bw. De wapenen doen afleggen of ontnemen. Van geschut ^Ontdoen : een schip ontwapenen. Kalmte

3 — ONTZ

ontwapent de drift. Ontwapening, v. —-ontwaren, bw. In 't oog krijgen. Gewaarworden. Bespeuren. —ontwarren, bw. Uit de war doen. Uitleggen, verklaren. Uit eene moeilijke zaak nelpen. Offt* warring, v. — ontwasHen, ow. (zijn) Te groot voor iets worden : hij is zijne jas ontwassen. Iemands macht ontwassen, er zich aan onttrekken. Hij is de roede ontwassen : hij is te groot om nog geslagen te worden. — onlwei(d)en, bw. Van het ingewand ontdoen (van visch, enz.). Ont-vjeiing, v.— ontwel dijden, bw. Met geweld ontnemen. Oniweldiger, m. (-s). Ontweldiging, v. — ontwennen, bw. liene gewoonte afnemen. Ow. (zijn) Afwennen. Ontwenning, v. — ontwerpen , bw. Een ontwerp maken (van). Eea voornemen vormen. Ontwerp, o. (-en). Plan Schets. Afbeelding. Eerste opstel. Bestek. Voornemen. Ontwerper, m. (-s), Ontwerping, v. Het ontwerpen, (-en) Ontwerp. — ontwijden, bw. Heilige-voorwerpen, personen of zaken door onvoegzame handelingen ontheiligen. Oni-wyder, m. (-s). Ontwifding, v.

ontwUtelbaar, bn. bijw. Niet te betwijfelen. — Ontwijfe/baarheid, v.

ontwijken, bw. Wijkend ontgaan : hij ontweek den slag. Ow. (zijn) Met bedaard overleg ontgaan. Ontwijkend antwoord : antwoord, dat noch bevestigend noch ontkennend is. Ontwijk, o. Wijkplaats. Ontwijking, v. — ontwikkelen, bw. Wat ingewikkeld is, losmaken. Ophelderen. Uitbreiden. Doen benemen. Ontwikkeling, v. (-en). Ontwikkelingsgang, m. Ontwikkelingsgeschiedenis, v. Ontwikkelingstijdperk,o, (-en). Ontwikkeling s toestand, m. — ont winden, bw. Loswinden. Duidelijk maken. Verklaren. Ontwinding, v.— ontwoekeren, bw. Door woeker verkrijgen. Met inspanning van krachten verkrijgen : land aan de zee ontwoekeren. Ontwoekering, v. — ont— woelen, ow. (zijn) Zich uit eene verlegenheid redden.

ontwolkt, bn. Onbewolkt, ontworstelen, ow. (zijn) Door worstelen ontkomen. Zich ontworstelen, ww. Zich uit iemands macht losrukken. Ontworsteling, v. — ontwortelen, bw. Met wortel en al uithalen. Van de grondvesten losrukken. Vernietigen. Ontworteling, v. — ontwrichten, bw. Uit het gewricht rukken. Ontwrichting, v. (-en). — ont wrikken, bw. Loswrikken. Ont' wrikking, v. — ontwringfen, bw. Loswringen. Uit de handen wringen. Afpersen. — ontzadelen, bw. Den zadel afnemen. Uit den zadel lichten.

ontzaff, o. Eerbiedige schroom. Macht. Grootheid. Invloed. — Ontzaglijk, bn. bijw. Vrees en eerbied inboezemende. Uitstekend. Geducht. Indrukwekkend.— Ontzaglijkheid, v. — Ontzag verwekkend, ontzagwekkend, bn.

ontzakken, ow. (zijn) Zakkende ontvallen. Al zakkende verdwijnen. — ont* zegelen, bw. Het zegtl afdoen. De zegels lichten. Ontzegeling, v. (-en). — ont» zegrsen, bw. Met woorden afslaan. W61--


ocr page 603

ONUI —

geren. Verbieden. Den dienst opzeggen. ÏTeen verkoopen : wat al waren heeft hij heden moeten ontzeggen. Ontzegging, v. — outzeileii, ow. (zijn) Zeilende ontkomen. — ontzeil uwen. bw. Van de zenuwen ontdoen. Verzwakken. Krachteloos maken. Ontzenuwing, v. — onls.ettcii, bw. Verwrikken : zijnen arm ontzetten. Uit het bezit zetten, afzetten : iem. van zijn ambt ontzetten. In nood te hulp komen : eenen mecsch, die in levensgevaar verkeert, ontzetten. Eene belegerde stad ontzetten, van den vijand bevrijden. Verbazen : uwe woorden ontzetten mij. Ow. (zijn) Uiteengaan, uiteenvallen : dit schip is gansch ontzet. Zich ontzetten, ww. Door schrik verbijsterd worden. Ontzet, o. Bevrijding, in/, van legers, vestingen, enz. Ontzet, bn. Beschadigd : een ontzet schip. Ontzet baar, bn.Te ontzetten. Licht schrikkende. Ontzettend, bn. bijw, IJselijk. Verschrikkelijk. Ontzet ter, m. (-s). Ontzetting, v. (-en). — outzieleu, bw. Van het leven berooven. Ontzie ting, v. — ontzien, bw. Eene eerbiedige vrees hebben (voor) : zijne ouders ontzien, Verschoo-nen : iemands zwakheid ontzien. Niet ruw bejegenen : men moet hem wat ontzien. Vreezen : hij ontziet geen gevaar. Zich ontzien, ww. Voorzichtig zijn. Niet durven.— ontzUcen, ow. (zijn) Doorneder-zijgen ontvallen.

ontzind, bn. bijw. Van het verstand beroofd. — Ontzindheid, v.

ontzinken, ow. (zijn) Zinkende ontgaan, ontvallen. Ontzinking, v.— ont-zonriisen, bw. De zonde wegnemen. Vergeven. Onizondiging, v. — ontzul-S^en, bw. Door te zuigen onttrekken. — ontznireren, bw. Ontheiligen. Besmetten. Ontzuivering, v. — ontzuren, bw. De zuurheid wegnemen. Ow. (zijn) Van iets beroofd worden, daar het te vroeg zuur wordt. Ik zal het mij niet laten ontzuren : ik zal er mij niet van laten berooven. Ont zuring, v. —onlzwaolitelen, bw. De zwachtels wegnemen. Ontwikkelen. Aan den dag brengen. Ontzwachteling, v. — ontzwsiTelon, bw. Van zwaveldeelen zuiveren. Ontzwaveling,v. —ontznvei-len, ow. (zijn) De zwelling verliezen. Bw. Uitledigen (iets, dat uitgezet, opgeblazen wa^). Ontzwellin?, v. — ontzuem-men, ow. (zijn) Door te zwemmen ontkomen. — ontzweven, ow. (zijn) Zwevende ontsnappen,

on«itblu»elibaai',bn.O«w7/3/7lt;5£-/i-

haarheid, v. — ounitbluaftelielUk» bn. — on witdoof baar, bn. — onuit-«Irubbaar, ouuitdrukkelUk. bn. — onuitgedoofd, bn. — onnitse-clrukt, bn. — onuitgreseven, bn.— oiniitgekleed, bn. — oniilts:cl«-zen, bn. — onuiteeloot, bn. — onuitgemaakt, bn. — onuitgeput, bn. — onuitgesproken, bn. — on-tiitgevoerd, bn. — onuitgewerkt, bn. — onuitgezoebt, bn. — onuit-

Ïmtbaar,mtbaar, bn.— onuitputtelUk, bn.

iijw. Onuitputtelykheid, v. — onuitroeibaar, bn. — onuitsprekelijk, bn. bijw. Onuitsprekelijkheid, v. — on-

i — ONVE

nitstaanbaar, bn. bijw. On uitstaan' baarheid, v. — onuitvoerbaar, bn. Onuitvoerbaarheid, v. — ouuitvoer-l|lk, bn. O nu itvoerlykh eid, v. — onuit-vorselibaar, bn. — on uit wi Heli-baar, bn.

onyaarbaar, bn. Niet te bevaren (van rivieren, enz.). Onvaarbaar weer : weer, dat niet toelaat uit te varen.

onvaderiandseb, bn. Niet eigen aan het vaderland. Strijdig met den geest, enz. des volks.

onvast, bn. bijw. Niet vast. Los. Wankelend. Besluiteloos. Vergeetachtig. — Onvastheid, v.

onvatbaar, bn. Niet te vatten. Niet geschikt : hij is onvatbaar voor verbetering. Niet duidelijk waarneembaar : een dof en schier onvatbaar rumoer. — Onvatbaarheid, v.

onveilig, bn. bijw. Niet veilig. Gevaarlijk. — Onveiligheid, v.

onver, bn. bijw. Niet ver. onveranderbaar, bn. Onveranderd. Onveranderlijk, bn. bijw. Onveranderlijkheid, v. —onverantwoord, bn. Niet gerechtvaardigd. Deze som is onverantwoord, er is geen rekenschap van gegeven. Onverantwoordelijk, bn. bijw. Niet te verschoonen. Onvergefelijk. Op eene wijze, die de hoogste afkeuring verdient. Niet verantwoordelijk. Onverantwoordelijkheid, v. — onverbasterd, bn. — onverbeterbaar, bn. Onverbeterlijk. Onverbeterbaarheid, v. Onverbeterd, bn. Onverbeterlijk, bn. bijw. Niet te verbeteren. Onherstelbaar. Zeer slecht. Niet verbeterd kunnende worden. Voortreffelijk. Uitmuntend. Onverbeterlijkheid, v. — onverbiddelijk, bn. bijw. Niet te verbidden. Niet om te zetten. On-verbiddelijkh quot;id, v. — on verbleekt, bn. — onverbloemd, bn. bijw. Niet figuurlijk. Eenvoudig, Oprecht. — onverboden, bn. — onverbogen, bn. Niet gebogen. (Spraakk.) Niet verbogen. — onverbonden, bn. Niet verbonden (van gekwetsten). Niet verplicht (tot). — onverborgen, bn. —onverbrand, bn. Onverbrandbaar, bn. — onverbreek-baar, bn. bijw. Onverbreekbaarheid, v. Onverbrekelijk^ bn. bijw. Omierbre-kehjkheid, v. — onverbuigbaar, bn. (Samp;faakk.). Onverbuigbaarheid, v. — on-vertlaebt, bn Niet verdacht 'op). Niet onder ve-denking staande.— onverdedigbaar, bn. Onverdedigbaarheid, v. Onverdedigd, bn.— onverdeelbaar, bn. Onverdeelbaarheid, v. Onverdeeld, bn. bijw. Onverdeeldheid, v. — onver-delgbaar, bn. Onver delg baar he id, v, — onverderfelijk, bn. Onverderfelijkheid, v. — onverdielit, bn. Niet ve'dicht. Niet verzonnen. — onverdiend, bn. bijw. Niet verdi *nd. Ten onrechte. Onverdienstelijk, bn. bijw. Niet onverdienstelijk : niet van verdienste ontbloot. — onverdoof baar, bn. Niet te verdooven. Onverdoof baarheid, v. Onverdoofd, bn. — on verdord, bn. — onverdorven, bn. Niet verdorven. Zuiver (inz. van 't gemoed). Onver dorveit*


ocr page 604

ONVE — 51

he id, v. — onTerclraafirlQlc, bn. biiw. Niet te verdragen. Onuitstaanbaar. On-ver draag lijk heid, v. Onverdraagzaam^ bn.Niet verdraagzaam. w-

Jietd,v. — onvcrclroten, bn. bijw Onvermoeid. IJ .erig en volhardend. Opge-ru md. — onTCigt;lt;liiistcrlt;1, bn. — ou-▼ereculpljnar, bn. Onvereenigbaar-heid, v. Onvf reenigd, bn. — onTer-flaund, Ln. bijw. — onverfoclled, bn. — onvcrgrald, bn. — oiiTorg-an-bciyic, bn. Niet vergankelijk. Niet voorbijgaand. Onvergankelijkheidt v. — on-▼erffeelUJk.onversefelUfc.bn.bijw. Onvergeejiykheid, v. — oiivergelülc-baar, bn. bijw. Onvergelykelyk, bn. bijw. Onvergelijkelijkheid, v. — ouver-Srenoegrd, bn. bijw. Niet tevreden. Misnoegd. Onvergenoegdheid, v. — onver-Sretciyk, bn. Niet te vergeten. Onver-geten, bn. — onTorgrezeld, bn. — on-verglaaftd, bn. — on ver goed, bn. Onvergoedbaar, bn. Onvergoelijkt, bn.

— onvergolden, bn.— onvergroot, bn. — onverguld, bn. — on verhaalbaar, bn. Niet verhaald kunnende worden. — onverliard, bn. — onverliel-pel|jk, bn. — onverliinderd, bn. bijw.— lt;» nverlioeds.bijw.Onverwacbts. Onverh edsch, bn. Onverwacht. Plotseling. — onverholen, bn. Niet verholen. Openlijk. Rondborstig. — onverhoopt, bn. bijw. Niet gehoopt.— onverhoord, bn. — onverhnurhaar, bn. Onver-huurden. — onverjaard, bn. — onverkiesbaar, bn. Niet verkozen kunnende worden. Onver kiesbaarheid, v. OnverkiesfeJli/k, bn. Niet de voorkeur verdienende. Onverkieslijkheid,v. —onverklaarbaar, bn. Onverklaarbaarheid, v. Onverklaard, bn. — onver-kleedt bn. — onverkleinbaar, bn. Niet verkleind kunnende worden. (Rekenk.) Onverkleinbare breuken : breuken, welke niet vereenvoudigd kunnen worden. Onver kleinbaar heid, v. — onverkocht, bn. — onverkoopbaar, bn. — onverkort, bn. Niet korter gemaakt. Onverminderd. — onverkrQgbaar, bn.

— onverktvikkelUk, bn. onverlaat, ra. ^..aten). Slechte kerel.

Snoodaard.

onverlakt, bn. — onverlegd, bn.

— onverlegen, bn. — on verleid, bn. —_onverle|»t, bn. — onverlet, bn. bijw. Onverhinderd, onbelemmerd. Ongedeerd, zonder letsel. Onaangeroerd : iets onverlet laten. Ten onverlette : zonder tijdverlies. Zonder zijn werk te verletten.

— onverlieht ,bn.— onverliesbaar, bn. On'oi?liesbaarheid, v. — onver-maakt, bn. — onvennaard, bn. On-vermaardheid, v. — on vermagerd, bn. — onyermakelUk, bn. bijw. Onvermakelijkheid, v. — onvermeld, bn.— on vermengbaar, bn. Om er-mengbaarheid, v. Onvermengd, bn. Niet vermengd. Zuiver. Onvermengd genot : genot, dat door niets gestoord wordt. — onverinUdbitar, bn. Onvennijdbaar-heid, v. Unvermijatlijk, bn. bijw. Onver mydelijkheid, v.— onverminderd.

!— ONVE

bn. Niet verminderd. Vz. Behoudens. — onverminkt, bn. — onvermoeibaar, bn. bijw. Onvermoeibaarheid, v. Onvermoeid, bn. bijw. Niet vermoeid. Zonder zich te vermoeien. Onvermoeibaar. Vlijtig.

onvermogen, o. Gebrek aan verrao* gen. Zwakheid. Niet bemiddelde toestand. Onvermogen om te betalen : niet in staat te betalen. — Onvermogend, bn. Niet vermogend. Zwak. Niet bij machte. Onbemiddeld.

onvermomd, bn. — onvermnrw baar, bn. Onvermurwbaar held, v. On-vermurwd,hn. — onvernielbaar, bn.

— onvernietigbaar, bn. — onver-nlenwd, bn. — onveroordeeld, bn.

— onverouderd, bn. —onverover-baar, bn. Onveroverd, bn. — onver-paeht, bn. — onverpand, Ln. — on-verplant, bn. — onverplicht, bn. — onverpoosd, bn. bijw. Zonder ophouden. Onophoudelijk. — onverrieht, bn. Niet verricht. Onverrichter zake : zonder dat de zaak uitgevoerd of het doel bereikt is. — onversa agd, bn. bijw. Zonder vrees. Moedig. Stout. Onversaagdheid, v.

— onverschillig, bn. bijw. Vrij. Zonder bepaalde keuze. Gevoelloos, donder geestdrift. Onverschilligheid, v. — onverschoonbaar, bn. bijw. Onver-schoonbaarheid, v. Onvegt;■ schoonlijk, bn. bijw. Onverschoonlijkheid, v. — onverschrokken, bn. bijw. Onversaagd. Onverschrokkenheid, v. — lt;»11 verschuldigd, bn. — onverwierd, bn,

— onverslagen, bn. Niet ontsteld. Niet overwonnen. Onverslagenheid, v. — onverslapt, bn. — onver*lUtba:ir, bn. Onverslyfelyk, bn. — onversneden, bn. — onverstaald, bn. — onverstaanbaar, bn. bijw. Onverstaanbaarheid, v.

onverstand, o. Onwetendheid. Domheid. Dwaasheid. Misverstand. — Onverstand, m. (-en). lera., die zich dwaas gedraagt. — Onverstandig, bn. bijw. Zonder verstand. Dom. — Onverstandigheid, v.

— On versta n diq lijk, bijw. onverstcrteiyk, bn. Onsterfelijk.

Onvergankelijk. Wat niet bij erfenis ten deel kan vallen. — onversterkt, bn.— onverstoorbaar, bn. bijw. Onverstoorbaarheid, Onverstoord, bn. O fiver sta or lijk, bn. bijw.— onverstorven, bn. Niet bij versterf toegevallen. — onvertaalbaar, bn. Niet vertaald kunnende wordan. Niet te vertalen. Onvertaalbaarheid, v. Onvertaald, bn. — onverteerbaar, bn. Onverteerd, bn. — on vertind, bn. — onvertogen, bn. Oogenblikkelijk. Onbetamelijk, onfatsoenlijk. — onvertroostbaar, bn. bijw. Ónvert7-oostbaarheid, v. Oquot;vertrooste-lijk, bn. bijw. Onvertrocstelijkheid, v. ~ onvervaardjbn. bijw. Onbevreesd. On-vervaa r de lijk, bijw. On vervaar dhetd, v,

— onvervalscht, bn. — onvervoeg-baar, bn. Onvervnegbaarheid, v. — onvervoerbaar, bn. — onvervreemd, hn.Onvervreemdbaar,hn.Onvervreemdbaarheid, v. — onvervulbaar^ bn.


ocr page 605

ONVO — 51

Onvervuld, bn. — oiivcrwnctit, bn. Niet verwacht. Onverwachts, bijw. Plot-felingr. Zonder op iets voorbereid te zijn.

— onvonvsiriiMl, bn. — onvcrwelk-ttaur, bn. Onverwelkbaar/teid, v. On' verwelkelyk, bn. Onverwelkt, bn. — onverwcrpdlik, bn. — ouverwo-zcii, bn. Niet veroordeeld. — onver-wyid, bn. bijw. Onmiddellijk. Zonder uitstel. — oiivertviiilgt;:«:«!■, bn. Oirer-TVinbaarheid, v. Onverwin(ne)lijk, bn.

— oiivorivittigrlt;l, bn. — on verwonnen, bn. — onverwrikbaar, bn. bijw. OttverTvrtkbaai-heid,\. Onverwrik-kelyk, hn. bijw. — on bn. Onverzadigd. bn. bijw. On-verzadelyk, bn. bijw. Onverzadehjkheid, v. Onverzadigbaar, bn. Onverzadigd, bn. Niet verzadigd, — onverxeerd, bn. —o n verzegeld, bn.— onverzekerd, bn. — onverzeld. bn. — onverzet-bnar, bn. Niet te verzetten. Niet verpand kunnende worden. Onbuigzaam. Eigenzinnig. Onverbiddelijk. Onverzetbaarheid, V. Onverzettelijk, bn. bijw. Onverzetbaar. Onverzettelykheid, v. — on verzoekt, bn. — onverzoeuXmar, bn. bijw. Onverzoenbaarheid, v Onverzoend, bn. Onverzoenlijk, bn. bijw. Ofiverzoenlyk-heid, v. — onverzorgd, bn. — onver-zwnatrd, bn. — onverzwakt, bn. — onverzwegeu, bn. — onverzwelg-baar, bn.

onvindbaar, bn. Niet kunnende gevonden worden.

onvlaaniMek, bn. In strijd met den Vlaamsct en volksaard.

onvoeKz^aam, bn. bijw. Onbetamelijk. Ongepast. — Onvoegzaamheid,v.

onvoelbaar, bn. Niet kunnende gevoeld worden.

onvolboiiwd,bn.— on vol bracht, bn. — onvoldaan, bn. Onvervuld. Onbetaald. Misnoegd, Ontevreden. Onvol' daan he id, v. —onvoldoend, bn. Onvoldoendheid, v. — onvoldragen, bn.

— onvoleind, bn. Onvoletndigd, bn.

— onvolkomen, bn. bijw. Onvolmaakt. Gebrekkig. Niet volledig. Onvolkomenheid, v. (..beden). Onvolkomenlijk, bijw. —- onvolledig, bn. bijw. Niet geheel. Onvolkomen. (Spraakk.) Onvolledige vol-rin. Onvolledigheid, v. —on volleerd, bn. — onvolmaakt, bn. Niet volmaakt. Onvoltooid. Gebrekkig. Onvolmaakt verleden tijd. Onvolmaakte lijk, bijw. Onvol-maaktheid, v. Het niet volmaakt zijn. (..heden) Gebrekkigheid. — onvolprezen, bn. — onvoltallig, bn. Onvol-ialligheid, v. — onvoltooid, bn. — onvoltrokken, bn. — «nvolvoerd, bn. — onvolwassen, bn. — onvol tvroebt, bn.

onvoorbedaelit, bn. bijw. Niet voorbedacht. Zonder opzet. Onvoot bedachte-ly'k, bn. bijw. — onvoorbereid, bn. bijw. — on voordeel! g, bn. bijw. On-voordeelttgt;heid, v. — onvoorkoino-iy k, bn. Niet te voorkomen. Onvlt; rmijd»--lijk. — onvooi'Mpoetlig, bn. bijw. Onvoorspoedig li/k, bijw. — onvoorwaar-deiyk, bn. bijw. Zonder eenige voor-

j — ONWE

waarde. Zonder tegenspraak. Volstrekt : onvoorwaardelijke gehoorzaamheid.— on-voorzielitig, bn. bijw. Onvoorzichtigheid, v. Het onvoorzichtig zijn. (..he en) Onvoorzichtige handeling. Onvoorzichtig-lijk', bijw. — onvoorzien, bn. Ni«t voorzien. Onverwacht. Onvoorziens, bijw. Onverwachts.

onvorstclQk, bn. bijw. Niet als een vorst.

onvrede, m. Twist. Oneenigheid. on vriend, m. (-en). Vriend, die een vijand geworden is. — Onvriendelijk, bn. bijw. Niet vriendelijk.On wel levend. Barsch. Onaangenaam : onvriendelijk weder. Somber ; onvriendelijke kleuren. — Onvriendelijkheid, v. — Onz'riendschapfiélyk, bn. bijw.

onvrU, bn. bijw. Niet vrij. Gedwongen. Niet veilig. Deze kamer is onvrij : men kan erdoor anderen bespied worden. Onvrije goederen: goederen onderworpen aan tol of andere lasten. — Onvrijheid, v.

onvrijwillig, bn.bijw. Niet vrijwillig. Gedwongen. Oa willekeurig. — Ónvry-uuilliglyk, bijw.— Onvrijzinnig, bn. bijw.

— Onvrij zinnigheid, v.

onvroed, bn. Onverstandig, onvroom, bn. bijw. Niet vroom, In

strijd met de eischen der vroomheid, — Onv rome lijk, bijw. — Onvroomheid, v.

onvronwelük, bn. bijw. Niet aan eene vrouw passend.

onvruektbaar, bn. bijw. Weinig of geene vruchten voortbrengende. (Plan-tenk.) Geen stuifmeel bevattende. Ongeschikt voor bevruchting. Zonder vrucht, vruchteloos. Niet hatende : eene onvruchtbare discussie. — O'ivruchtbaayheid, v. onwaar, bn. bijw. Niet waar. Valsch.

— Onwaarachtig, bn. Valsch, Verzonnen. — Omvaarachtigheid, v. — On-•waarachtiglyk, bijw. — Onwaarheid, v, (..heden). — Onwaarschijnlijk, bn, bijw.

— Onwaarschijnlijkheid^, (..heden), onwaard, bn. Niet waard. Van geene

waarde, Onwairdig, — Onwaarde, v. Waardeloosheid. Nietigheid. — Onwaardig, bn. bijw. Niet waardig. Verachtelijk. Geene waarde hebbende. — Onwaardigheid, v. (..heden).— Onwaardigly'k, bijw.

onwaardeerbaar, bn. bijw. Niet te waardeeren. Niet te schatten. — Onwaardeerbaarheid, v.

outvankelbaar, bn, bijw. Onwrikbaar, Standvastig. Onomstootelijk. — Onwankelbaarheid, v.

onweder, o. ( s^, onweer, o, (-en). Beroering van den dampkring, met donder en bliksem gepaard gaande. Uitbarsting van toorn, enz. Er is een onweer aan de lucht : er zal braaf gescholden worden. — Onweer en, eenpw. onweerde, heeft geonweerd. Donderen en bliksemen, — Onweersbui, v. (-en). — Onwee*shoos, v. (..zen), — Oi'weerslucht, v. — Onweersvlaag, v, (,.agen). — Onweersvogel, m. (-s). Stormvogel. Ongeluksvogel. — Onweerswolk,v. ( en),

omvederlegbaar, bn. bijw. 0quot;7ve-derlegbaarheid, v. — onwederrocpe-lUk,bu.bij\v. — onweder«igt;rekel|jk.


ocr page 606

ONZE — 5

bn. bijw. — onwedorstaanbaar, bn.

bijw. OHVuederstaanbaarheid, v.

onweerbaar, bn. Ongeschikt tot verdediging. — Onweerbaarheid^ v.

ouwel, bijw. Ongesteld. Onpasselijk. ou*veli;evalli{£, bn.— onwelkom, bn. — ouwelleveiKl, bn. bijw. Onwel-levendhetd, v. — onwellnideiKl, bn. bijw. Onwelluidendheid^ v. — onwel-riekend, bn. — onwelMprekeml, bn. Ou welsprekendheid, v. — onwel-voe^mii, bn. bijw. Onwelvoeglijkheid, v. — onwelwilleiid, bn. bijw. Onwelwillendheid, v.

011 werkzsiain, bn.Werkeloos.Traag.

— Onwerkzaamheid, v.

onwelend, bn. bijw. Geen kennis bezittende. Onkundig van iets. Zonder te denken. Hij beeft onwetend gezondigd. — Onwetendheid, v. — Onwetens, bijw. Zonder te weten wat men doet. — Onwetenschappelijk, bn. bijw. Niet met de wetenschap overeenkomende. Niet volgens de wetenschap.

onwetfelQk, bn. bijw. Tegen de wet. Strijdig met de wet. Niet echt. Ongeoorloofd. — Onwettelijkheid^ v. — Onwettig, bn. bijw. Onwettelijk. — Onwettigheid, v. — Onwettig lijk, bijw.

onwezenltlk, bn. In werkelijkheid niet bestaande.

onwUK^hn. bijw. Niet wijs. Onverstandig. Dom. — Onwijsheid, v. — Onwy-sfej li/k, bijw.

onwUHSeerlf;, bn. Niet wijsgeerig. — Onwijsgeerigheid, v.

onwil, m. Het niet willen. Tegenzin. Ongenegenheid. Nijdigheid, boosheid. — Onwillekeurig, bn. bijw. Niet opzettelijk.

— Onwillens, bijw. Zonder het te willen. Met tegenzin. Willens of onwillens. — Onwillig, bn. bijw. Niet gewillig. Onopzettelijk. Met tegenstribbeling. — Onwilligheid, v. — Onwilligtijk, bijw.

onwinbaar, bn. Niet te winnen. Niet te bemachtigen. — Onwinbaar heid, v. — Onwin(nejlijk, bn.

onwiH, bn. bijw. Niet geheel zeker. Onbetrouwbaar. Onzeker.— Onwisheid,v.

onwraakbaar, bn. Niet gewraakt kunnende worden. Onwederlegbaar.—On-wraakhaarheid, v. — Onwrnakziichtig, bn. bijw. — Onwraakzuchtighrid, v.

onwrikbaar, bn. bijw. Niet verwrikt kunnende worden. Onomstootelijk. Onwankelbaar. — Onwrikbaarheid, v.

onyx, m. (-en). Edelgesteente met witte of lichtgrijze strepen, die met donkere strepen afwisrelen. — Onyxsteen, m. (-en).

onzaelit, bn. bijw. Niet zacht. Hard. Wreed. Onhcusch. — Onzachtheid, v.

onzalig?, bn. bijw. Uiterst ongelukkig. Ellende veroorzakende. — Onzaligheid,v.

onze.vnw.Ons.— Onze-Lieven-Heersbeestje, ..Heere-beestje, o. (-s).Volksnaam voor vei schillende soorten van zeker scbild-vleugelige insecten.—O uze'Lieven-Heers-haantje, o. (-s). Onze-Lieven-Heers-beestje. — Onze-Lieve-Vrouw, v. De h. Maagd Maria. Beeld, de h. Maagd voorstellende. — Onzer-Lieve- Vrouwen-Bed-stroo, o. Overblijvend plantje {aspcrula

4 — OOG

odorata). Bloeit in Mei en Juni. Komt zelden bij ons in 't wild voor.— Onzer-Lieve-Vrouwen-distel, v. (-s). Zekere gevlekte distel {carduus tnarianus). Wordt veel in de duinen gevonden.— Onzrr-Lteve- VroU' wen-Handschoen, m. Volksnaam van de genu ene akelei.— Onzer-Lieve- Vrouwen* Mantel, m. Gemeene leeuwenklauw [al-c him ill a vulgaris). — Onzent {ten), bijw. uitdr. Bij ons te huis. In onze streek. In ons land. — Onzenthalve, bijw. Wat ons betre ft. — Onzentvrege (vnn), bijw. uitdr. Uit naam van ons. Van onzen kant. — On-zentwtl {om), bijw. uitdr. Ter wille van ons. — Onzerzijds, bijw. Van onzen kant.

— Onze-Vader, o. (-s). Het gebed des-Hceren.

onzedeltyk) bn. bijw. In strijd met de goede zeden. — Onzedelijkheid, v. — Onzedig, bn. bijw. Oneerbaar. Niet ingeto-

§en. —en. — Onzedigheid, v. — Onzediglijky ijw.

onzegltlk, bn. bijw. Niet te zeggen. Onuitsprekelijk. — Onzeglijkheid, v.

onzeilbaar, bn. Niet bezeild kunnende worden.

onzeker , bn. bijw. Twijfelachtig. (Rechtsw.) Afhankelijk van kans of toeval. Onveilig : onzekere plaats. — Onzekerheid, v. (..heden).

onzelfHfaiKligr, bn. Geene zelfstandigheid bezittende. Afhankelijk. — Onzelfstandigheid, v,

onzleli (baar, bn. bijw. Nietkunnende gezien worden. Onmerkbaar. — Onzichtbaarheid, v. — Onzienlijk, bn. bijw. Onzichtbaar. Bn. Slordig. Vuil. Haveloos. Leelijk. — Onzienlijkheid, v.

onzUdifi:, bn. bijw. Onpartijdig. België is een onzijdig grondgebied. Zijne onafhankelijkheid werd bij het tractaat te Londen opgemaakt (1831) gewaarborgd. (Spraakk.) Onzijdig werkwoord. Onzijdig geslacht. (Plantenk.) Geslachteloos : onzijdige bloem. — Onzijdigheid, v.

onzin, m. Onverstaanbare taal. Zotteklap. Wartaal.

onzlndelUk» bn. bijw. Niet zindelyk. Bevuild. Morsig. — Onzindelijkheid, v.

onzinnelijk, bn. Niet onder het bereik der zinnen vallende.

onzinnis:» hn. bijw. Zot. Dwaas. Onverstandig. Ongerijmd. — Onzinnigheid, v. (..heden).

onzoenba'ar, bn. Onverzoenbaar, onzoet, bn. bijw. Niet zoet. Niet vriendelijk; Onaangenaam.

oiizondii;, bn. Zonder zonde. — Onzondigheid, v.

ouzorsrvnldig1. bn. bijw. Zorgeloos. Onnadenkend. — Onzorgvuldigheid, v. onzout, bn. Niet gezouten. Laf. onzuiver, bn. bijw. Niet rein. Vuil. Valsch. Vervalscht. Vermengd. (Muz.)Wat niet juist samenstemt. — Onzuiverheid, v. (..heden).

ooft, o. Alle eetbare vruchten uit het plantenrijk. Fruit. Inz. appelen en peren.

— Ooftboom, m. ( en). — Ooftmarkt, v. (-en). — Ooftverhooper, m. (-s). — Ooft-verkoopster, v. (-s).

oost, o. en v. (-en). Orgaan van bet


ocr page 607

OOG - S

gezicht bij raenschen en dieren. Blik. Gezicht. Elk oogvormig voorwerp. Ronde figuur ojd eenen pauwestaart. Kleine hol-ligkeid in brood, kaas, enz. Opborreling

a. Bovenste ooglid, b. Buitenste rand van het regenboogvlies, c. Oogappel, d. Lens. d. Doorschijnend oogvlies, g. Waterachtig vocht. h. Regenboogvlies, i. Onderste ooglid, k. Het Petit-kanaal, rondom de lens loopende. 1. Opheffende spier van het bovenste ooglid, m. Ondoorschijnend hoornvlies (wit 7,an het oog). n. Adervlies. o. Netvlies, p. Bovenste rechte spier. q. Glasachtig vocht. r. Gezichtzenn-w. s. Onderste rechte spier.

van vet enz. op de soep. Hoofd van een gezwel. Opening eener naald. Maas van een net. Gebogen stukje metaal, waardoor bet haakje wordt gestoken. Opening eener letter. Opening of gat aan de kanten van een zeil, van eenen strop, enz., dienende om er iets door te halen. Stip of punt op dobbelsteenen en kaarten. Sieraad. Luis-,er. Er zijn twee oogen te veel, als men in de tegenwoordigheid van een kind niet duidelijk mag spreken. Oogen in het hoofd hebben : snedig en voorzichtig zijn. Een oog in het zeil houden : op alle onverwachte zaken nauw toezicht nemen. Zijne oogen uitkijken : met nieuwsgierigheid staan te zien. Uiter oogen, uitcr harte. — Oogader, v. (-en, -s). — Oogappel, m. (-s).

— Oogarts; m. (-en). — Oogas, v. (-sen).

— Oogbal, m. (-quot;lenK — Ooqbindsel, o. (-s).

— Oogboi, m. (-len). — Oogbout, m. (-en). Bout van een oog voorzien. — Oogdeksel, o. (-s). — Oogdokter, m. (-s). — Ooge-Ipn, o. (-s). Oogje. (Dicht.) Oogappel. Zeer geliefd voorwerp. — Oogen, oogde, heeft geoogd. Bw. Nauwkeurig toezien. Beschouwen. Ow. Mikken. Opiem. oogen, hem in het oog houden. Op iets oogen : iels begeeren. — O ogenblik, o. en m*. (-ken). Het sluiten der oogleden. Zeer kort tijdsverloop. Ommezien. .Minuut. — Oogen-blikkelyk, bn. bijw. Slechts éen oogenblik durende. Op het tegenwoordig oogenblik

; — OOGS

aanwezig : er was geen oogenblikkelijk gevaar. Onmiddellijk. Dadelijk. Plotseling.

— Oogendienaar, m. ( s, ..aren). Vleier.

— Oogendienst, m. Lage vleierij. — Oogendracht, v. — Oogenklaar, o. Volksnaam van de stinkende gouwe. — O ogen-loop., m. — Oogenpaar, o. — Oogenschemering, v. — Oogenschyn, m. Oogen-schouw. Naaroogenschijn : blijkbaar, waarschijnlijk. — Ooqenschynlyk, bn. bijw. Klaarblijkelijk. Duidelijk.— Oogenschiin-lijkJeetd, v. — Oogenschonw, v. Bezicnti-gon : een terrein in oogenschouw nemen. Inz. van troepen : de koning zal de ruiterij in oogenschouw nemen. — Oogen spraak, v. — Oogentaai, v. — Oogentrocst, v. Kleine plant onzer heide- en zandgronden {euphrasia officinalis). Werd vToeger gebezigd tegen ontsteking van het bindvlies der oogen. — Oogetter, m. — Ooggetuige, m. en v. (-n). — Ooggezwel, o. (-len). — Oogglas, o. (..zen). — Ooghaar, o. — Oogheelkunde, v. — Oogheelkundige, m. (-n). — Ooghoek, m. (-en).— Oogholte, v. (-n). — Oogje, o. (-s). Klein oog. lem. oogjes geven. — Ootrjesgoed, o. Stof, waarin oogjes geweven zijn. — Oogkamer, v. (-s).

— Oogkas, v. (-sen). — Oogkuil, m. (-en).

— Oogkwaal, v. (..alen). — Ooglap, m. (-pen).— Oogleder, o. (-s). — Oogleer, o. (-en). — Ooglid, o. (..leden). Elk der beide beweegbare kleppen van het oog. — Ooglijder, ra. (-s). — Ooglijk, bn. Aangenaam voor het oog. — Oogluikend, bn. Iets oogluikend toelaten : doen alsof men het niet ziet. — Oogluiking, v. — Oogmaat, v. Het schatten raet de oogen. — Oo.meester, ra. (-s). — Oogmerk, o. (-en). Doelwit. Bedoeling. Inzicht. — Oogmiddel o. (-en). — Oogontleding, v. — Oogontsteking, v. (-en). — Oonof'slag, ra. — Oogpijn, v. (-en). — Oogpink, m. Oogopslag, Oogenblik. — Oogpinker, ra. (-s).— Oogpunt, o. (-en). Punt, waarop het oog zich op zekeren afstand richt en vestigt. Wijze van beschouwing. Oogmerk. Doel. — Oogrand, ra. (-en). — Oogring, ra. (-en). — Oogrok, ra. (-ken). Oogvlies.— Oogscheel,. o. (-en). Ooglid. — Oogslag, m. (-en). Blik.

— Oogspiegel, ra. (-s). — Oogspier, v. (-en). — Oogstraal, ra. (..alen). — Osg-tand,-ra. (-en). Hoektand der bovenkaak.

— Oogverblindend, bn. — Oogvlies, o. (..zen). — Oogwater, o. (-s). — Oogwenk, ra. (-en). Wenk der oogen. Snelle blik. Oogenblik. — Oogwimper, v. (-s). — Oogwit, o. — Oogzalf, v. (..ven). — Ooqzeer, o. — Oogzenuw, v. (-en). — Oogziekte, v. (-n).

oogst, m. Inzameling (inz. van veldvruchten). Het maaien, verzamelen en binnenhalen der granen. Aanzienlijke hoeveelheid. Tijd van den oogst, (-en) Opbrengst van den oogst. — Oogst brood, o. (-en). — Oogstdag, ra. (-en). — Oogsten, bw. oogstte, heeft geoogst. Den oogst binnenhalen. De granen maaien, verzamelen en binnenhalen. — Oogster, ra. (-s). — Oogstinc, v. (-en). — Oogstkoek, ra. (-en).

— Oogstmaal, o. (..alen). — Oogstmaand, v. Augustus. — Oogstster, v. (-s). — Oogsttijd, ra. — Oogstzon, v.


amp;

ocr page 608

- 556 -

OOR

OORD

ooi, v. (-en). Wijljesschaap. — Ooilam, O. (-meren).

ooievaar, m. (-s, ..aren). De ooievaars maken een geslacht uit van de familie der reigers in de orde der steltloopers. De Tuitte ooievaar [ciconia alba) plaatst rijn nest op huizen, enz. quot;Wordt overal geëerbiedigd en is oij allen welkom. De zwarte ooievaar {cicon ia nigra) is wild en •wreed en bouwt zijn nest op de hoogste pijnboomen. — Ooievaarsbeen, o. (-en). Been van eenen ooievaar. Lang, dun been. m. en v. (-enj Persoon met lange, dunne teenen. — Ooievaarsbek, m. (-ken). Bek van den ooievaar. Zeker werktuig. (Plan-tenk.) Pelargonium. — Ooievaarsbos, m. (-sen). Klein bosje hout.— Ooievaarsei, O. (-eren). — Ooievaarshals, ra. (..zen).

— Ooievaarskop, m. (-pen). — Ooievaarsnest, o. en m. (-en).— Ooievaarsvlucht,v.

ooit, bijw. Te eeniger tijd. Wie h'.eft dit ooit gehoord : wie heeft dit in zijn leven gehooid?

ooit, vw. en bijw. Insgelijks. Desgelijks. Daarom. Deswege.

oöliet, m. (-en). Kalksteen, uit kleine korrels bestaande.

ootük, bn. bijw. Doortrapt. Loos. Een oolijk hoekje : een slim uitgezocht hoekje.

— Oolyfterd, m. (-s). Slimme kerel. — Ooli/kheid, v.

oom, m. (-s, -en). Vaders oi' moedersbroeder. Oom Hein : de dood. Jan oom, oom Jan : de lommerd. Daa ligt oom Kool, wanneer iem. opstraal struikelt en valt. — Oomsdochter, v. (-s). — Oomszoon, m. (-s). — Oomzegger, m. (-s). Neef. — Oomzegster, v. (-s). Nicht.

ooneu, ow. oonde, heeft geoond. Jongen werpen (van schapen en varkens). — Oonschaap% o. (..apen).

oor, o. en v. (-en). Orgaan ter opvan-

Oor.

a. Oorschelp, h- Gehoorbuis, c. Aanbeeld, een der beentjes in de trommelholte van V oor. d. Half kringvormige kanalen. e. Hamertje, een der beentjes in de irommelhtlte van 't oor. g. Slakkenhuis (van den doolhof in het oorj, h. Trommelvlies, i. Trommel, k. £ us lach ische buis.

ging der geluiden bij menschen en dieren. Handvatsel. Hengsel. Vouw in den hoek eener bladzijde. Klamp : de ooren aan de masten. Punt: de ooren van een anker. In het oor blazen : stillekens medcdeelen. Do ooren opsteken : waderspannig zijn. De ooren laten hangen : den moed laten zakken. Den wolf bij de ooren houden : in eeno netelige omstanaigheid zijn. Kleine potjes hebben ook ooren : de kinderen hooren meer dan men denkt.—Oor aap, m.(..apen). Soort van halfaap [otolicnusgalago). Heeft een grooten kop en groote, vliezige, kale ooren. Behoort te huis in Afrika. — Oor-bafTj v. (-gen). — Oorbeest, v. (-en). Oorworm. — Oorbel, v. (-len). — Oorbiecht, v. — Oorblazen, o. Kwaad van iem. in 't geheim zeggen, om daardoor tweedracht te brengen tusschen goede vrienden. — Oorblaasster, v. (-s). — Oorblazer, m. ( s). — O orb lazerij', v. — Oorblazing, v.

— Oordoekje, o. (-s). — Oorgat, o. (-en).

— Oorgeruisch, o. — Oorgetuige, m. en v. (-n). — Oorgeztuel, o. (-len). — Oor-gier, m. (-en). Soort van gier (vultur au-ricularis). Wordt aldus genoemd naar ziine ooren. — Oorhanger, m. (-s). — Oorheelkunde, v. — Oorheelkundige, m, (-n). — Ooryzefj o. (-s). — Oorklep, v. (-pen). — Oor klier, v. (-en). — Oorknop, m. (-pen). — Oorkoter, m. (-s). — Oorkussen, o. (-s). — Oorlap, ra. (-pen). — Oorlel, v. (-len). — Oorlelletje, o. (-s).— Oorlepel, m. (-s). — Oorlijder,m. (-s). — Oor liet, v. (-ten). Oorhaogttr. — Oorontsteking, v. (-en). — Ootpeuter, m. (-s). — Oorpeutertj'e, o. (-s).— Oorpijn, v. (-en).

— Oorrand, m. (-en). — Oorring, m. (-en). — Oorschelp, v. (-en). — Oorsieraad, o. (..aden). — Oorslinger, m. (-s).

— Oorsmeer, o. — Oorspuit^ v. (-en). — Oorsuizing, v. (-en). — Oorveeg, m. en r. (..egen), oorvijg, v. (-en). Slag in het aangezicht. — Oorverdoovend, bn. •— Oorverscheurend, bn. — Oorvlies, o. (..zen). — Oorvormig, bn. — Oor water t o. (-sj. — Oorworm, ra. (-en). Rechtvleu-gelig insect [for/icula auricular ia). Benadeelt de vruchten van abrikozen, perziken, enz. — Oorziekte, v. (-n).

oor. Zie Oir.

oorbaar, o. Nut. Voordeel. — Oorbaar, bn. Nuttig. Voordeelig. Gepast. — Oorbaarheid, v.

oord. Zie Oort (i® art.).

oord, o. (-en). Onbepaalde ruimte. Streek. Landstreek.

oordeel, o. Vermogen, om uit waargenomen verschijnsels gevolgtrekkingen te leiden omtrent de wezenlijke gesteia heid der dingen, (-en) Verstand. Meening Gevoelen. Af- of goedkeuring. UitspraaF Beslissing. Vonnis. Inz. het vonnis, d/»» Christus zal uitspreken op het einde der wereld over de levenden en de dooden. Het laatste of algemeen oordeel. De dag des oordeels. Het bijzonder oordeel : vonnis door God uitgesproken over den mensch terstond na den dood. Een leven als een oordeel: een helsch lawaai.— Oordeelaart m. (-s, ..aren). — Oordeelen, oordeelde, heelt geoordeeld. Bw. Veroordeelen. Von-


ocr page 609

— 557 -

OOST

OORL

nissen. Ow. Een oordeel vellen. Eene mee-nins uitspreken. — Oordeelkunde, v. — Oordeelkundig, bn. — Oordeelsdag, m. — Oordeehgaaf, ..gave, v. — Oordeelskracht, v. — Orrdeel'velling, v. (-en).

oorkon«1e, v. (-n). (jtezaphebbend Stuk, dat door bevoegde machten, lichamen of personen is afgegeven. — Oorkonden-boek, o. en ra. (-en).

oorlam, m. (-men). Ervaren zeeman. O. (-men) Rantsoen jenever (op de schepen). Borrel.

oorlof, o. en ra. Verlof om uitte gaan. Vergunning. Vrijheid. Hij nam oorlof : afscheid. — Oorlofsdagen, m. mv. — Oorlof sf yd, ra. — Oorlofswerk, o. — Oorloven, bw. oorloofde, heeft geoorloofd. Veroorloven. Vergunnen.

oorlog*, m. (-en). Openbare krijg, waarbij elke partij hare vermeende rechten door de wapenen zoekt te handhaven. Vijandschap tusschen twee personen : in oorlog met iem. leven. De merkwaardigste oorlogen in België en Nederland gevoerd : de Koeoorlog. Wordt aldus genoemd, omdat het ophangen van eenen boer om het stelen eener koe er de oorzaak van was. Barstte uit onder Jan I van Brabant. De hertog zelf, de graven van Namen en Luxemburg en de Luikenaren namen deel aan dien twist, waarbij 15,000 menschen het leven lieten; — de Gemeenteoorlogen (1280-1384). Werden gevoerd onder het bestuur van Gewijde van Dampierre, Lode-wijk van Nevers en Lodewijk van Male. Heiden : Gewijde, Breydel, de Coninck, Zannekin, Jacob en Filip van Arte velde, Frans Ackerman, enz. Veldslagen : Groe-ningen-kouter, Mons-en-Puelle, Kassei, West-Rozebeke; — de Tachligj'arige /^(1568-1648). Inneming van Brielle, beleg van Haarlem, beleg van Alkmaar, slag op de Zuiderzee, beleg van Leiden, bevrediging van Gent, Unie van Utrecht, inneming van Maastricht, belegering van Steen wijk, verovering van Breda, het i2jarig bestand, enz. Aanvoerders : Filip II, Alva, Parma; Willem I, Lodewijk en Maurits van Nassau, Frederik Hendrik, enz. ; — de erfenisoor lotgt;. Oostenrijk betwistte aan Filip V, kleinzoon van Lodewijk XIV, het erfrecht op Spanje en begon in 1702 tegen hem en zijnen grootvader met Engeland en Nederland den successie- of erfenisoorlog, waarvan België het tooneel werd. De vrede werd geteekend te Utrecht (1713). Spanje bleef aan Filip en de Nederlanden werden aan de kroon van Oostenrijk gehecht. —

Oorlogen, ow. oorloogde, heeft geoor-^ loogd. Oorlogvoeren. Strijden. — Oorlogs-bmuin, v. (-en). — Oorlogsbedrijf, o. Krijgsbedrijf. — Oorlogsbegrooiing, v. (-en). — Oorlogsbelasltng, v. (-en). — Oorlogsbende, v. (-n). — Oorlogsbliksem, m. (-s). Groot en geweldig krijgsman. — Oorlogsdaad, v. (..aden). — Oorlogs-dengd, v.— Ojrlogsfakkel, v. (Fig.). — Oorlogsgeweld, o. — Oorlogsgezind, bn.

— Oorlogsgod, ra. Mars. — Oorlogsgodin^ v. Bellona. — Oorlogsheld, m. (-en). — Oorlogskans, v. (-en). — Oorlogskas, v. (-sen). — Oorlogskosten, ra. rav. — Oorlogskreet, ra. (..eten). — Oorlogskunst, v. Öorloglasten, ra. rav. — Oorlrgslist, v. (-en). — Oorlogsmacht, v. (-en). — Oorlogsmoed, ra. — Oorlogsramp, v. (-en). — Oorlogsrecht, o. — Oorlogsroem, ra. — Oorlogsschip, o. (..epen). — Oorlogstan-daard, ra. (-s). — Oorlogstijd, m. — Oor-/ogstooneel, o. (-en). — Oorlogstuig, o. — Oorlogsvaan,^, (..anen).— Oorlogsvaartuig, o. (-en). — Oorlogsveld, o. — Oorlogsverklaring,-^. (-en). — Oorloogsv'ootf v. (..oten). — Oorlogsvuur, o. — Oorlogswapen, o. (-en). — Oorlogswet, v. — Oorlogswoede, v. — Oorlogszaken, v. mv.

— Oorlogszwaard, o. (-en). — Oorlogvoerend, bn. — Oorlogzuchtig, bn.

oorKproiifr, ra. (-en). Ontstaan, aanvang, begin. Afkomst. Herkomst. Afleiding : de oorsprong van een woord. Kiem. Werkende oorzaak. — Oorspronkelijk, bn. bijw. Eerst in zijne soort : oorspronkelijke taal. Niet nagemaakt of nage volgd : een oorspronkelijk werk. Een oorspronkelijk schrijver : schrijver, die niet aan andere schrijvers ontleent, die niet vertaalt. — Oorspronkelijkheid, v.

oort, o. (-en). (Eert.) Vierde deel van oenen siuiver. Vierde deel van eene inhoudsmaat : een oort jenever. — Oortje-dood, ra. Gierigaard. — Oortjesbroodje, o. (-s). — Ooi tjesprent, v. (-en). — Oortjesstekker, ra. (-s). Iem., die naar wedrennen, enz. zich begeeft om geld te winnen.

oortc, v. (-n). Verwarde bundel goed en lang stroo. Bundel dorre blaren met een touw, «nz. vastgebonden.

oorznsik, v. (..aken). De zaak, waaruit eene andere ontstaat. Reden, aanleiding, beweegreden. Oorsprong. Uitvoerder. Werktuig. — Oorzakelijk, bn. — Oorzakelijkheid, v.

oomt, biiw. Tegenstelling van west. — Oost, o. Het Oosten. — Oost, v. Nederlands Indische bezittingen. — Oostelijk,


Fig. i. Doorsnee van een gepantserd oorlogsschip.

a. Voorsteven.

b. Achtersteven.

c. Stoomroer.

d. Schroef.

e. Machines.

f. Stoomketel.

Ê. Gepantserd beschot. . Bewaarplaatsen. . Gepantserd beschot. . Bewaarplaatsen. i. Kajuit der onderofficieren.

k. Licht dek. 1. Tusschendeks. ra. Kajuit der officieren.

n. Keuken.

o. Batterij van den achtersteven.

p. Reduit-battery. q. Kajuit van den kapitein.

r. Jachtstuk (kanon)% s. Mtddelbank. t. Draaikanon. u. Kajuit of dek. v. Aftochtsstuk (kanon) * w. Bankbatterij. x. Revolver-kanonnen.


Fig. 2. Het vaartuig van voren gezien. — Fig. 3. Hetvaartuig van achterenjjezicD,

ocr page 610
ocr page 611

OOÏM — se

bn. bijw. Uit, in, van of tot het Oosten. — Oosten, o. Gedeelte der wereld, dat tegenover het Westen ligt. Streek, oostelijk gelegen van de plaats waar men zich bevindt. De Levant. — Oostenryk-Hongarye. Keizerrijk (Europa). Bestaat uit Oostenrijk (23,500,000 inw.; oppervlakte vk.

geogr. mijl. Hoofdstad, Weenen) en ïlon-garije (17,500,000 inw.; oppervlakte 5,871 vk. geogr. mijl. Hoofdstad, Buda-Pesth).

— Oostenwind, m. (-cn). Wind, die uit het Oosten waait. — Oosteren, ow. oosterde, is geoosterd. Naar het Oosten afwijken. — Oostergevel, m. (-s). — Onstergoo, o. Oud-Friesland was verdeeld in Oostergoo en Westergoo. — Oostergrens, v. (..zen). — Oosterhoek, m. — Oosterkim, v. — Oosterling, m. en^ v. (-en). Inboorling van Oostland. Inz. inwoner eener hanzestad. Inboorling van Azië. Nederlander, die in de Oost woont of gewoond heeft. — Oos-terlinge, v. (-n). — Oosterlucie, v. Plant met lichtgele bloemen [aristolochia cle-matïtis). Groeit aan hagen en op zandgronden. — Oostrrsch, bn. bijw. van, uit het Oosten. — Oostertrans, m. (-en). — Oosterzon, v. — Oostfn'esch, bn. — Oost-Friesland, o. — Oost-Indië, Oost-inje, o. Zie Indië. — Oostindievaarder, Oosttnjevaarder, m. (-s). — Oostindisch, bn. De Oostindische compagnie, opge-richt in 1602, voerde het bewind over de koloniën in den Indischen archipel. — Oostkant, m. (-en). — Oostkust, v. (-en).

— Oostland, o. (-en). Oostelijk gelegen land. (Eert.) De landen om de Óostz.ee. — Oostnoordoost, bijw. o. — Oostnoordooste-lyk, bn. bijw. — Oostpunt, o. — Oost-Vlaander ett, o. Provincie (België). Rech-terl. arr. : Gent, Dendermonde, Oudenaarde; bestuurl. arr. : Gent, Eekloo, Dendermonde, StNicolaas, Aalst, Oudenaarde. 32 justitie- 47 militie-kantons. 296 gemeenten. H«ofdpl. Gent. — Oostvlaamsch, bn. o. — Oostvlaming, m. (-en). — Oosl-viaarts, bijw. Naar het Oosten. — Oostzee, v. Baltische zee. — Oostzijde, v. — Oostzuidoost, bijw. o. — Oostzuideostelyk, bn. bijw.

Oost (van). Vijf schilders van Brugge hebben dezen naam gedragen. De voornaamste zijn 10 (y.), 1600-1671, de oude. Schilder van portretten en godsdienstige tafereelen. De geestelijke, die een epistel aan een jongen klerk dicteert; Meditee-rende •wijsgeer. — 20 Zijn zoon (J.), 1639-if 13, de jongere.

OoslcrivUk {M. van), 1630-1693, Nootdorp. Bloemschilderes.

Ooatcrzco (J-J-van), 1817-1882, Rotterdam. Iloogleeraar (Utrecht). Redenaar en letterkundige. Op reis. Bladen uit de Portefeuille (1873); Uit niy'n levensboek (i87i-'8i).

oot, v. Wilde of gebaard® haver.

oofjo, o. (-s). Kleine o. Kringetje in verschlllerdekinderspelen. lem. in 'tootje nemen : iem. voor den gek houden. — Ootje-bot, ootje-strop, ootje-trek, ootje-têijs, o. Zeker kinderspel.

ootmoed, m. Nederigheid van gemoed. Onderwerping. — Ootmoedig, bn.

) — OPBL

bijw. Nederig. Onderworpen. — Ootmos-

digheid, v. — Ootmoediglifk, bijw.

op, vz. Drukt eenen tijd uit (op eenen zondag), eene richting, eene beweging in de hoogte (op eenen boom klimmen), de richting der werkzaamheid van het gemoed (boos op iem. zijn), het oogmerk der handeling (iets op den koop maken, op buit uitgaan). Gedurende : op de reis. Aan : Antwerpen ligt op de . chelde. Na : op iem. volgen, op het eten wandelen. In : bier op flesschen tappen. Bij : hij verbleekte op die vraag. Naar : zich op het land begeven. Ter: op de wereld komen. Tot; iets op de helft aanvullen. Volgens: op die manier. Op eenen stoel zitten. Iets op de tafel zetten. De deur op slot zetten. (Zeew.) Op den wind liggen. Het schip ligt op stroom. Op schaatsen rijden. Op klompen, op mui-lea loopen. Bijw. Berg op, berg af. _Hij is de trap al op (gegaan). Hij is nog niet op (gestaan). De zon is op (gegaan). Op zijne eer. Op zijn best gekleed zijn. Op zijn teederst.

opstsamp;l, o. (stof) ; m. (..alen) (steen). Melkblauw edelgesteente. — Opaalsteen, m. (-en).

opaderen, bw. (1) (Schild.) De aderen beter doen uitkomen. — opbaggc-reu, bw. Met een baggernet ophalen. Iets weer opbaggeren : opnieuw van iets gewa-

fen.en. Opbatgerivg, v. — opbakeren, w. In de luiers wikkelen.— opbakken, bw. Alles verbakkon. Opnieuw bakken. — opbaliëu, bw. Met eene scheeptobbo uit het schip scheppen — opbauen, bw. Eenen weg opbanen, verbeteren. Opba-ning, v. — opbarHlen, opbersten, ow. (zijn) Barstende openspringen. Op-barsting, v. (-en). — opbedelen, bw. Al bedelende opzamelen. — opbellen, bw. Wakker bellen. — opbergen, bw. Bergen. Wegsluiten. — opbeuren, bw. Optillen. Weder krachten bijzetten. Uit verval redden. Opbeuring, v. — opbleekten, bw. Bekennen. — opbieden, bw. Een hooger bod doen. Opbieding, v. (-en). — opbyteu , bw. Met de tanden openen. Met bijtnim-delen openen. — opbüteu, bw. Het ijs openen door er eene bijt in te hakken. — Opbik hen, bw. Door bikken verfraaien.

— Opbillen, bw. Door billen verbeteren. — opbinden, bw. Naar boven omslaan en vastbinden. Het koren opbinden, in schooven binden. Toe-, samenbinden : andijvie opbinden. Opbinding, v. — opblazen, bw. Door inblazen van lucht doen opzwellen. Door blazen in de hoogte drijven. Wekken (door te blazen op een instrument) : de bevolking opblazen. Ow. Op een blaastuig beginnen te spelen. Boos worden. Zich opblazen, ww. Zwellen. Trotsch worden. — opbleeken, bw. Opnieuw bleeken. Ow. (zijn) Bleeker worden.

— opblüreu, ow. (zijn) Niet naar bed gaan. Blijven branden (van kaarsen, enz.).

(1) De samengestelde werkwoorden met op zijn scheidbaar.


ocr page 612

OPBR — 5

— opnobbelen, ow. (zijn) Bobbelende oprijzen.

opbod, o. Het opbieden. Hooger bod.

opbocdcleii, bw. Opredderen.— opboeien, bw. Opbinden : de takken van eenen boom opboeien. De staande boorden van een vaartuig hooger maken. Op-boet'sel, o. (-s). (Scheepst.) Vloer. Looze stelling. — opboeueu, bw. Door boenen glanzendermaken. Schoonmaken (met eenen bezem, enz.). (Huidvettersw.) Het boenen der huid ten einde brengen. — Opboeien, bw. Opstoken (het vuur). — opbollen, bw. Losser maken. O w. (zijn) Losser worden. Voortgaan met bollen. Opbolling, v. — opbonzen, bw. Bonzende opnemen. Door bonzen doen ontstaan. — opbooinni, bw. Met eenen boom doen vooruitkomen (een vaartuig), (VVev.) Hetyewevone op den onderboom winden. — opbOrén, bw. Openboren. Eene geboord*- opening wijder maken. Opnieuw boren. O; boring, v. —opborrelen, ow. (zijn) Borrelend oprijzen. Ontspringen. Opborreling, v. — opborstelen, bw. Omhoog borstelen. 5let eenen borstel schoonmaken. Opvegen met eenen borstel. — opboHseu, bw. Aan bossen binden. Aan garven binden. — opbouwen, bw. Optrekken. Herstellen. Aan-kweeken. Bevorderen. Opbouw, m. Op-bonwer, m. (-s). Opbowwing, v. — op-brnden, bw. Opnieuw braden. Licht braden. Ow. Door het braden verteren. — opbranden, bw. Door branden verbruiken. Met een gloeiend ijzer merken. Ow. (zijn\ Door de vlam verteerd worden. Opnieuw branden. Opstijgen (van vlammen).— opbrassen, bw. Door brasserij verteren. — opbms.Hen, bw. (Zeew.) De raas aanhalen (om de snelheid van het schip te vertragen). — opbreeawen, bw. Opnieuw breeuwen. Verbreeuwen. — opbreien, bw. Door breien verbruiken.

— opbreken, bw. Brekend opendoen : eenen brief opbreken. Uit elkander doen en verplaatsen : kramen, tenten opbreken. De straatsteenen uithalen : eene straat opbreken. Een beleg opbreken : ophouden met het insluiten cener vesting. (Zeew.) De kabelaring dwingen terijzen. O.v. (zijn) Heengaan : hij is met zijne kraam opgebroken. Opengaan, losspringen : het ijs is opgebroken. In de keel opstijgen : die spijs zal u opbreken. Opbreker, m. (-s). (Zeew.) Opbreking, v. — opbrengen, bw. Op iets anders brengen. Naar boven brengen : spijzen uit den kelder opbrengen. Opdienen, opdisschen : de meid heeft het eten opgebracht. Als gevangene medevoeren : de dieiider bracht hem op. Verschaffen , opleveren : dit land brengt weinig op. Belastingen betalen : het volk moet er te veel opbrengen. (Zeew.J De bramraas optuigen. Een schip oporen-gen : een schip op zee genomen, naar eene haven brengen. Grootbrengen, opvoeden : hij brengt zijne kinderen wel op. Opbrenger. m. (-s). Opbrenging, v. Opbrengst, v. (-enl. Het voortgebrachte. Het geleverde. quot;Wat ontvangen is. — op-bronzen, bw. Opnieuw bronzen. — op-

o — OPDO

bronnen, bw. Onnieuw brouwen. — opbrninen, bw. Opnieuw bruin maken. — opbruisen, ow. (hebben, zijn) In de hoogte bruisen. Vlug toornig worden. — opbuigren, bw. Buigende openen. Ow, (zijn) Naar de hoogte buigen. — opbul-deren, ow. Zeer hard bulderen. Opnieuw bulderen. — opbulken. ow. Zeer hard bulken. Beginnen te bulken. — opbun-delen, bw. Aan bundels binden. — op-bun«eleii, bw. Opbundelen.

opeent, m. (-en). Percentsgewijze ver* hooging der belasting.

opeUferen, bw. Met cijfers aanteeke-nen. Ow. Beginnen te cijferen. — opda-Srn, bw. Oproepen.— opdag-en, ow^ (zijn) Verschijnen. Voor den dag komen. Beginnen. Eenpw. Beginnen dag te worden,— opdammen, bw. (Eenen stroom, enz.) doen rijzen door het leggen van eenen dam. — opdampon, ow. (hebben, zijn) Dampend oprijzen. Beginnen te rooken. Bw. Eene sigaar opdampen. — op dansen, ow. (zijn) Naar boven dansen. Be-; ginnen te dansen. Bw. Door dansen verslijten.

opdat, vw. Ten einde.

opdanwen, ow. (zijn) Als dauw opkomen. — opdolven, bw. Wat bedolven is weder te voorschij'n halen. Navorschen, zoeken : een stuk uit de oudheid opdelven. Eenen weg opdelven : eenen weg door opgravingen bijna onbruikbaar maken. lem. eenen weg opdelven, hem in zijn voornemen tegenwerken. Opdelver, m. (-s). Opdelving, v. (-en). — opdeunen, bw. ow. Beginnen te zingen. — opdienen, bw. Opdisschen. — opdiepen, bw. Dieper maken : eene gracht opdiepen. Op eene versletene plaat opnieuw graveeren. Eene sterkere schaduw geven (aan een schilderstuk). Een gevallen steek wederom op de breinaald brengen. Iets opdiepen, met moeite vinden. Hij kan die onkosten niet opdiepen, niet betalen. Opdieping, v. — opdyken, bw. Verhoogen (eenen dijk)» Opdyking, v. (-en). — opdirken, bw. Tooien. Opschikken. — opdissehen, bw. Spijzen op de tafel brengen. Onthalen. Allerlei aardigheden opdisschen. Opdts-scher, m. (-s). Opdissching, v.— Opdisch-sfer,v. (-s). — opdobberen, ow. (zijn) Dobberend bovenko iien. — opdoeken, bw. Samenvouwen : de zeilen opdoeken.

— opdoemen, ow. (zijn) Verschijnen door de breking der lichtstralen. Zich twijfelachtig aan den gezichteinder vertoonen. In de verte als uit nevelen en dampen oprijzen : het land doemde op voor hunne oogen. Opdoeming, v. Zie Fata morgana.

— opdoen, bw. Opendoen : eenen brief opdoen. In de hoogte doen. Naar boven brengen. Indoen. zich voorzien (van) : kolen, aardappelen, enz. opdoen. Opdisschen : het eten is opgedaan. Opscheppen : de soep opdoen. Opnemen en aan eene zijde zetten : de tafel opdoen. Ontdekken ; zij deden drie schepen op. In orde brengen : de wasch opdoen. Opschikken : hij wist zijne waren wel op te doen, mutsen opdoen. Opboenen : den grond opdoen. Opnemen : vuiligheid opdoen. Zich op den


ocr page 613
ocr page 614
ocr page 615

OPDR — 5

hals halen : eene ziekte opdoen. Verkrijgen : gij zult er riet veel opdoen. Verkwisten : hij heeft al zijn geld opgedaan. Zich of doen, ww. Zich openen : de aarde deed zich op. Zich vertoonen : vier mannen deden zich op in de verte. Zich aanbieden : als de gelegenheid zich opdoet. Opdoe-ntng, v. — opdobken, bw. Geld geven. Betalen. Hij zal moeten opdokken : hij zal er met geene kleine som af zijn. (Zeew.) Het dok ontsluiten. — opdoiKlcrcu, ow. (zijn) Met getier naar boven komen. Bw. Donderend gooien : donder hem de straat op. — opdonk^rcn, bw. Donkerder maken. Ow. (zijn) Donkerder worden.

— oiMloomcn, ow. (zijn) Opdoemen. — optloppen, bw. Opnemen (van bloed, water, enz.). — opdouwen, bw. Openduwen. Naar boven duwen. Stoomop duwen. — opdraaien, bw. Open-, losdraaien : een touw opdraaien. Èoven op iets vastdraaien. lem. iets opdraaien, hem wat wijsmaken. Ow. (zijn) Zich draaiende bewegen. Hij is er voor opgedraaid : hij heeft het niet kunnen gedaan krijgen. Voor iets moeten opdraaien, er voor moeten boeten. — opdras:lt;gt;n, bw. Het eten opdragen, up tafel zetten. (Drukk.) Den inkt opdragen, op den vorm aanbrengen. Het h. Sacrificie der Mis opdragen. Op-Jeggen : kleuren opdragen. Aanbevelen : iem. iets opdragen. Een werk aan iem. opdragen (als bewijs van eerbied of achting). In eigendom overgeven : hij heeft zijn huis aan zijnen neef opgedragen. Opdracht, v. (-en). Aanbeveling. Last, bevel. Toeëige-ning, toewijding. Overdracht. Opdrachts-brief. Opdrachitg, bn. Rood en gezwollen (van aangezicht). Op drach tig he id, v. Opdrager, m. (-s). — opdraven, ow. (zijn) Naar boven draven. Beginnen te draven. — opdreunen, bw. Op een-toonige wijze voortlezen. Ow. Beginnen te zingen. — opdraven, bw. Naar boven drijven. Opjagen : hij heeft dit schilderstuk zeer opgedreven (in prijs). Door middel van een drijfijzer beeldwerk op

Soud, enz. maken. (Scheik.) De vluchtige eelen eener zelfstandigheid door de wer-kiug der warmte omhoog doen komen, zoodat zij zich vasthechten aan het vat, waarin zij besloten zijn. Ow. (zijn) Naar boven drijven. Met den vloed drijven.oud, enz. maken. (Scheik.) De vluchtige eelen eener zelfstandigheid door de wer-kiug der warmte omhoog doen komen, zoodat zij zich vasthechten aan het vat, waarin zij besloten zijn. Ow. (zijn) Naar boven drijven. Met den vloed drijven. Op-dryyer, m. (-s). Opdrijf ster, v. (-s). Opdrijving, v. — Opdrillen, bw. Opschikken. Slaan. Opdril, m. (-len). Oorveeg.— opdringen, bw, Opendringen ; eene deur opdringen. Met sterke bf weegredenen iem. iets doen aannemen. Met kracht iem. iets aanwrijven : hij wilde dit kwaad aan anderen opdringen. Aandringen om iets te doen nemen. Ow. ^hebben, zijn) Met kracht naar boven stijgen. Met kracht naar voren trachten te komen. Zich opdringen, ww. Ongevraagd en op eene onaangename manier bij iem. toekomen of hem van dienst willen zijn. Opdringer, m. (-s). Opdringing, v. Opdringster, v. (-s),

— opdrinken, bw. Door drinken opmaken — opdrogren, bw. Droogmaken. Ow. (zijn) Dioog worden. Opdrogend, bn. Opdroging, v. — opdrommen, ow.

i — OPEN

(hebben, zijn) Met kracht nas r voren trachten te komen. — opdroHMen, ow. (zijn) Wegsluipen. — opdrukken, bw. Drukken (op*. Opendrukken. Eenen last opleggen. Opdrukking, v. — opduiken, ow. (zijn, hebben) Boven water komen. Verschijnen. Aan den dag komen. — oplt;llinnen, ow. (zijn) Dunner worden. In aantal verminderen. — opduwen, bw. Opdouwen. — opdwaraen, bw. (Zeew.) Opknappen. — opdweilen, bw. Met eene dweil schoonmaken. — opdwingen, bw. Met geweld opdringen.

opeen, bijw. Het eene op het andere. Op elkander. Dicht bij elkander. — Opeen-drijven, bw. (i) — Opeengooien, bw. — Opeenhoopen, bw. — Opeenhooping, v. (-en). — Ópeenjagen, bw.— Opeeninden, bw. — Opeenleggen, bw. — Opeen liegen, ow. — Opeenpakken, bw. — Opeenplaatsen, bw. — Opeenplakken, bw. — Op-eensmijten, bw. — Opeenstapelen, bw. — Opeenstapeling, v. (-en). — Opeenvolgen, ow. (zijn). — Opeenvolging, v. (-en). — Opeenwerpen, ow. — Opeemetten, bw. — Opeenzitten, ow.

opesrjfen, bw. Opnieuw eggen.—op-eisolien, bw. Terugeischen. De overgave eischen (van). Opeisch, m. Opeischtng, v. (-en).

open, bn, bijw. Niet gesloten, niet overdekt: open venster. Vlak : in het open veld. Open water: water niet met ijs bedekt. Onbemuurd, onversterkt: eene opene plaats. Niet bezet, niet vervuld : dit ambt is open. Openbaar: open brief. Onbepaald: opene rekening, open krediet. Verklaard : open oorlog. Herbergzaam : open tafel houden. Vol: open zee. Gunstig : met open wind varen. Open tijd : tijd, gedurende welken de h. Kerk de huwelijken toelaat. Gulhartig : iem. met open armen ontvangen. Ongeveinsd : een open karakter. Rondborstig, edelmoedig : open hart. Met open kaarten spelen : toonen wie men is.

openbaar, bn. bijw. Voor iedereen open en bloot : een openbaar feit. Algemeen bekend : een openbaar geheim. Voor iedereen toegankelijk : openbare weg, openbare verkooping. Openbare school : school, waarin het onderwijs vanwege de gemeente gegeven wordt. Het openbaar onderwijs. De algemeene aangelegenheden betreffend : openbaar ambt. Openbaar persoon. Openbare meening. Openbare rust. Het openbaar ministerie is belast met de handhaving der wetten, met de vervolging der misdrijven, met het opzoeken der plichtigen en het doen uitvoeren der strafvonnissen. Verklaard : hij is uw openbaar vijand. — Openbaar, o. In 't openbaar : voor het oog van iedereen. — Openbaarheid, v. — Openbaarmaken, bw. maakte openbaar, heeft openbaargemaakt. Algemeen bekendmaken. — Openbaarmaking, v. — Openbaren, bw. openbaarde, heeft geopenbaard. Doen blijken.

(i) De samengestelde werkwoorden met opeen zijn scheidbaar.


ocr page 616

OPEN — 56

Oper.Laarmaken. Ruchtbaar maken. Me-dedeelen. (Bovennatuurlijke waarheden) bekendmaken. Zich openbaren, ww. Zich vertoonen, aan den da»; komen : het kwaad openbaart zich spoediger dan het goed. — Openbaring,y. (-en). Het openbaren. Het geopenbaarde. Verkondiging, mededee-ling van iets, dat nog onbekend is. De goddelijke openbaring : bekendmaking eener waarheid door God op eene bovennatuurlijke wijze gedaan. De openbaring van den h. joannes : een der boeken van het N.-T.

openbarsten, opcnberHtcu (1), ow. (zijn). Openbarsting, v. — open-beuken, bw. — openbijten, bw. — openblazen, bw. — openbonzen, bw. — openbreken, bw. ow. (zijn). Openbreking, v. — opendoen, bw. — opendouwen,bw.— open«i rastien, bw. — opendringen, bw. — openduwen, bw. — opengaan, ow. (zijn). — opengooien, bw. — openiiatiken, bw. — openiionden, bw. — open-liouwen, bw. — openkammen, bw.

— openkappen, bw. — openklet-■en, bw. — openkloppen, bw. — openknabbelen, bw. — openkna-gen, bw. — openknUpen, bw. — openkrabbelen, bw. — openkrabben. bw. — openkrauwen, bw. — openkrügen, bw. — Openlaten, bw. — openleggen, bw. — openliggen, ow.— openloopen, bw.—openmaken, bw. — openntJpen, bw. — openpersen, bw. — openpeuteren, bw.— openpikken, bw.— open-ploegen, bw. — openprikken, bw.

— openrijten, bw. — openrukken, bw. — openseliaven, bw. — open-Helieuren, bw. — opensebieten, bw. — openneboppen, bw. — open-Heliuiven, bw. — openwlaan, bw. ow. (zijn). — opennluiten, bw. — openftniüten, bw. — opeiiMiiUden, bw. — opentipalkeii, bw. — open-spreiden, bw. — openspringen, ow. (zijn). Openspringend, bn. (Plan-tenk.). — openstaan,ow. Openstaand, bn. — opeiiatanipen, bw. — opensteken, bw. — opeimtellen, bw. — opeiiMtooten. bw. — opentarnen, bw. — opentrappen, bw. — Opentrekken, bw. — openvallen, bw. ow. (zijm. — openvülen, bw. — openvliegen, bw. — openvouwen, bw.

— openwaaien, ow. (zijn). — open-wanselien, bw. — openwrtyven, bw.

— openuringen, bw. — openza-gen, bw. — o pen zeilen, bw. — openzetten , bw.

openen, bw. opende, heeft geopend. Openmaken. Opendoen. Ontsluiten. Ontzegelen. Ontkurken : eene flesch openen. Ontginnen : den grond openen. Uitbreiden : de armen openen. Zijn hart openen : zijne gedachten bekendmaken. Dit opende hem de oogen : dit deed hem zijne dwa-

(1) De samengestelde werkwoorden met open zijn scheidbaar.

— OPFR

ling zien, dit ontdekte hem het geheim. Uitleggen : de h. Schrift openen. Ontleden : een lijk openen. Het lichaam « penen : de verstopping wegnemen. Aanvangen, beginnen : eene vergadering, eene school, eenen veldtocht openen. Zich openen, ww. Opengaan (van bloemen). — Openend, bn. (Geneesk.). — Opener, m. (-s). (Katoenw.) Zeker werktuig. — Ope-ning, v. Het openen. Begin, (-en) Scheur. Spleet. Barst. Bres. Mond : opening der maag. Ontleding : opening van een lijk. Openingen doen : onderhandelingen aanvangen. lem. opening van zaken geven, hem er op de hoogte van brengen. — Ope-ningsrede, v. (-nen).

openliartig, bn. bijw. Oprecht.Rondborstig. Hartelijk. — Openhartigheid, v.

— Openhzrtiglijk, bijw. — Openheid, v. Openhartigheid.

openlük' bn. bijw. Openbaar. In 't openbaar geschiedende.

openluebtig, bn. Helder, klaar (van het weder). Een openluchtig huis : huis, waar de lucht zuiver is. Met luchtgaten : een openluchtig torentje.

openten, bw. Enten.

Openteren, ow. (zijn) (In het want) opklimmsn.

opera, v. (-'s). Zangspel of muzikaal tooneelspel. Opera buffa, opera comique : vroolijk zangspel. Schouwburg, waarin opera's opgevoerd worden. Moeilijk werk, lastige zaak : 't is een heele opera. — Operette, v. (-s). Klein luimig zangspel. — Operazanger, m. (-s). — Operazangeres, v. (-sen).— Operazang-ster, v. (-s). — Operisten, m. mv. Operazangers.

opereeren, bw. Bewerken. Behandelen. Uitvoeren. Snijden.— Operateur,m. (-en, -s). Heelmeester. Tandmeester. Tandentrekker. Kwakzwaiver. — Operatie, v. (..iën, -s). — Operatiekamer, v. (-s). — Operatielijn, v, (-en). (Krijgsw.). — Operatietafel, v.(-s).

operment, o. Verbinding van zwavel en arsenik. Wordt als verfstof gebruikt.

opeten, bw. Dooreten opmaken. Verkwisten : zijn kapitaal opeten. Verteren : de roest eet bet ijzer op. lem. geheel opeten : zijn gansch vermogen verteren. De nijd eet zijn hart op : hij vergaat van nijd. Men zou dat kindje opeten, zoo lief is het. Opeter, m. (-s). Ópeetster, v. (-s). — opfladderen, ow. (zijn) Fladderend opstijgen. — opflakkeren, ow. (zijn) Zich flakkerende verheffen (van vlammen). — opflansen, bw. Boven op iets flansen. — opfleuren, ow. (zijn) Tot vorigen welstand geraken. Bw. Vervroolijken. Op-Jleuring, v. — opflikken, bw. Herstellen ikleedingstukken). Opschikken. Opflik-king, v. — opflikkeren, ow. (zijn) Flikkerend opstijgen (van vlammen). Bw. Vervroolijken : iem. opflikkeren. Op/likke-ringy v. (-en). — opfluiten, ow. bw. Beginnen te fluiten. — opfokken, bw. Aankweeken (inz. van vee). Op fokker, m. (-s). Opfokking, v. — opfriHHeben, bw. Friscb. maken. Ow. (zijn) Frisch worden. Op/rissching, v.


ocr page 617

OPGL — 51

opg'naf, v. (..aven), öpeavo, v. (-n). Het opgeven. Aangifte. Verklaring. Lijst. Werk (om af te maken). Vraagstuk.

oppaan.ow. (zijn) Opwaarts gaan, rijzen. Opkomen van de zon. Opgegeten of opgedronken worden. Opraken. Beginnen. Onder dienst gaan. De vlieger zal niet opgaan : de onderneming zal niet gelukken. Opgaand, bn. Omgang, m. (-en). — oplfartcreii, opgrarcn, bw. Opzamelen. Opgaarder, m. (-s). Opgaar ster, v. (-s). Opgartng, v. (-en).— opgaliucu, bw. Galmend opzeggen. Ow. Beginnen te galmen.

opffcblazen, bn. Gezwollen. Bn. bijw. Hoogmoedig. Trotsch. Verwaand. — óp-.geblazenheid, v.

opsreltrniken, bw. Alles gebruiken, opffclioopt, bn. Samengepakt. Opeengestapeld.

opjfelcii, bw. (Zeew.) De zeilen door touwen inkorten en samenbinden.

opgeld, o. (-en). Geld, dat men boven de waarde van eene muntsoort ontvangt of betaalt. Agio. (Bij verkoopingen) Percentsgewijze bijbetaling.

opfrcruiiiKl, bn. bijw. Blijgeestig. Vroolijk. Oógrrutmdheid, v. — opgc-«clioopt, Sn. Met iem. opgescheept zijn : iem. tot last hebben. — opfireiu-liikt, bn. Gesierd. Getooid. Opgesc/iikthei'd, v. — opsesohoton, bn. Opgelaten : opgeschoten vlieger. Rijzig : een opgeschoten jongen. — opsresuiiibt, bn. Opgesierd. Gezwollen: opgesmukte rede. Opgesymikt-heid, v.

opsrespeu, bw. Hooger gespen, opgctogeu, bn. Verrukt. — Opgetogenheid, v.

opgeven, bw. In de hoogte geven : stroo opgeven. In de hoogte werpen : geef dien bal eens op. Spuwen : fluimen opge-Ten. (Drukk.) Den inkt op de vormen doen. Laten varen : een proces opgeven. Over-

Ïeven : een schip na eon gevecht opgeven, 'er verrichting opdragen : iem. oene taak opgeven. Ter aanteekening mededeelen : zijnen naam opgeven. Ow. Vochten doorlaten : bij regenachtig weder geeft de vloer op. Grootspreken : hij geeft li oog en breed van zijne rijkdommen op. Rijzen : dit deeg geeft niet op. —even : een schip na eon gevecht opgeven, 'er verrichting opdragen : iem. oene taak opgeven. Ter aanteekening mededeelen : zijnen naam opgeven. Ow. Vochten doorlaten : bij regenachtig weder geeft de vloer op. Grootspreken : hij geeft li oog en breed van zijne rijkdommen op. Rijzen : dit deeg geeft niet op. — Opgever, m. (-s). — Opgeving, v.

opsrewekt, bn. bijw. Opgeruimd. Genegen : ik voel mij daartoe niet opgewekt. Opgewektheid, v. — opgewonden, bn. bijw. Aangevuurd. Grammoedig. In geestdrift. Opgezvondetjheid, v. — opgezet, bn. Opgezwollen.

opgezetene, m. en v. (-en). Landbewoner.

opgezwollen, bn. Dik geworden. Hoogdravend (van stijl). — Opgezwolleti-j heid, v.

opgieten, bw. Water op iets doen. Water doorgieten. (Apoth.) Laten trekken of weeken. — opgisten, ow. (zijn) Door gisting rijzen. Opgistmg, v. — opglanzen, bw. Een nieuwen glans geven (aan). lt;5 Opglanzinq, v. — opglimnien, ow. (zijn) Opnieuw beginnen te glimmen. — 0Pglinsteren, ow. (zijn) Glinsterend

j — OPHE

opstijgen. — opgllppen, bw. Eene spleet maken (in) : eene pen opglippen. — opgloeien, ow. (zijn) Opnieuw gloeien. Bw. Opnieuw gloeiend maken. Opgloei-ing, v. — opgloren, ow. (zijn) Opnieuw gloren. — opgooien, bw. Omhoog gooien. — opgorden, bw. Omhoog gorden. Opgording, v. — opgralibe-len, bw. Oprapen (wat te grabbel is gegooid). — opgraven, bw. Door graven naar boven brengen. Door graven openen. Die weg is nog niet opgegraven. Zie Opdelven. Opgraver, m. (-s). Opgraajster, v. (-s). Opgraving, v. (-en). — opgrüpen, bw. Ving opnemen. — opgroeien, ow. (zijn) Opschieten. Grooter worden. Toenemen. Hij is er niet tegen opgegroeid : hij zal het niet kunnen doorstaan. Ik ben tegen u niet opgegroeid : ik kan mij tegen u niet verweren. — opgvoenen, ow. (zijn) Opnieuw groen worden. — opliaken, bw. Met haken ophouden. Hooger haken. Ophaking, v. — opliakken, bw. Door hakken eene opening maken. Alles hakken. Ow. Bluffen. Opflakker, m. ( s). Ophak-kt'rig, bn. Blufferig. Ophakkerigheid, v. Ophakkerij, v. (-en). Blufferij. Ophakking, v. — oplialen, bw. Opwaarts halen, optrekken : eenen last ophalen. Door opsnuiven opwaarts balen : een snuiQe ophalen. Bovenwaarts bewegen : zijne schouders ophalen. Laken ophalen, kaarden, Hooger maken : eenen muur ophalen. Vatten : er zijn twee dieven opgehaald. Inzamelen : eieren ophalen. Openscheuren : hij heeft zijnen voet aan eenen spijker opgehaald. Opleiden : eenen gezant ten hove ophalen. Verhalen : ik zal 't bedrog niet ophalen. Aantoonen : er zijn waarheden, die niet moeten opgehaald worden. Iem. bij den rug ophalen, hem belasteren. Den neus ophalen tegen iem., hem spottend aanzien. Zijn hart ophalen : zich vermaken, zich te goed doen. Ophaal, m. (..alen). Fijne gedeelte eener schrijfletter. Ophaalbrug, v. (-gen). Ophaalnet, o. (-ten). Ophaler,va. (-s). Ophaling,v. ( en).

oplianden, bijw. Het is ophanden : het zal weldra geschieden. De winter is ophanden, staat voor de deur.

opliangen, bw. In de hoogte hangen. Aan de galg hangen. Openlijk te koop aanbieden. Ow. Over iets hangen. Te vuur hangen. Ophanging, v. (-en). Op hangpunt, o. ( en). Ophangvcerk, o. (Uurw.) Ophaugwyze, v. (-n). — opliappen, bw. Happende in den mond nemen en opeten. — opkarken, bw. Bijeenhar-ken. Opnieuw harken. — opkstHpelen, bw. Op den haspel brengen. Ow. (zijn) Moeilijk opkomen (van zieken). — op-liebken, bw. Op het hoofd hebben. Opgebruikt, verteerd hebben. Hij heeft wat op : hij heeft te veel gedronken. Veel met iem. ophebben ; veel van iem. houden. — oplieffen, bw. In de hoogte heffen. Oplichten, optillen. Opdrijven. Prijzen : gij heft dien man te hoog op. Afschaften : het beslag op schepen opheffen. Schorsen ; eene zitting opheffen. Ow. Aanvangen (van den zang). Ophef, m. Aanheffing


ocr page 618

OPIN — 5

(van een gezang). Overdreven lof. Veel ophef van iem. maken : icm. te veel prijzen. Op heffer, ra. (-s). Ophejfingy v. (-en). Opheffingsspier, v. (-en). (Ontl.). — op-lickelcu, b\v. Alles hekelen. Opnieuw hekelen. — oplaoltlcrcu, bw. Helderder maken. Een nieuwen glans geven (aan). Toelichten. Verklaren. 0\v. (zijn) Helder worden. Opheldering, v. (-en). — opliclpcn, bw. Helpen om op te staan. Helpen opnemen. Bijstaan. Ondersteunen. — opbemel«i:, bw. Hemelhoog verheffen : iemands verdiensten ophemelen. Reinigen. Schoonmaken. Opsieren. Met iets opgehemeld zijn : met iets ingenomen zijn. Ophemeling, v. (-en).

ophicleïdc, v. (-s). Blaasinstrument, van kleppen voorzien. Werd omstreeks 1806 uitgevonden.

opliiclcn, bw. (Zeew.) Twee touwen verbinden. — opliUHlt;*licu,bw. Omhoog-hijschen. — opliitMon, bw. Aanhitsen. Prikkelen. Aanmoedigen. Tergen. Ophitser, m. (-s). Ophitsing, v. (-en). Op hits-ster, v. (-s). — opliocpolen, ow. (zijn) Beginnen te hoepelen. Gaan loopen. — ophocston, bw. Door hoesten uitbraken. — opliokken, bw. Op het hok zetten. — ophoosrou, bw. Hooger maken. Verhoogen. Een hooger bod doen (in eene openbare veiling). Ophooging, v. (-en). — oplioopon, bw. Opeenen hoop leggen. Opaarden. Vermeerderen. Verzwaren. Iem. met weldaden ophoopen. Bewijzen ophoopen. Schatten ophoopen. Het werk hoopt zich op, wordt voortdurend meer. Ophooping, y. (-en). — oplioo-x*cu, bw. Aandachtig toeluisteren. — op-liouricn, bw. Omhoog houden : hij kon niet langer zijn hoofd ophouden. Ondersteunen : eenen muur met eenen balk ophouden. Openhouden : de hand ophouden. Boven op iets houden : den hoed ophouden. Den loop of voortgang stremmen : den loop van het water ophouden. Niet laten loopen : zijn water ophouden. Openhouden : eene school ophouden. Jem. den jnond ophouden, hem voeden. Ow. Uitscheiden, niet voortgaan : het houdt op met regenen, ophouden raet spreken. Bedaard worden ; de wind zal weldra ophouden. Pleisteren : aan eene herberg ophouden. Zich ophouden, ww. Verblijven : hij hield zich lang te Amsterdam op. Zich bezighouden (met) : ik zal mij niet langer met die zaak ophouden. Zien vermaken

gaet) : zich met beuzelingen ophouden.aet) : zich met beuzelingen ophouden.

mgaan : zich met gemeen volk ophouden. Ophouden, o. btaking. Stilstand. Zonder ophouden ; gedurig. Ophouder, m, (-s). (Scheepst.) Touw, dienende om een blok tegen de ra aan te houden. Ophouding, v.

oplitalmie, v. Oogziekte.

ophuppelen, ow. (hebben, zijn) Opspringen van vreugde.

opiaat, o. Slaapmiddel. Pijnstillend middel.

opüken, bw. Van 't ijkmerk voordien.

opineoren, ow. opineerde, heeft ge-Ojpineerd. Meenen. Van meening zijn. Zijne meening, enz. doen kennen. — Opi-

^ — OPKN

7iie, v. (..iën, -s). Meening. Gevoelen. Goeddunken.

Opltz (/!/.), 1597-1639, Bunslau (Silezië). Duitsch dxchier.Satjifntliche lVerAe(i66o), opium, o. Ingedroogd en verdikt sap van de papaver sovmiferuni. Bezit eene sterk verdoovende kracht. — Opitim-handel, m. — Opiumhandelaar, m. (-s).

opjagen, bw. In de hoogte jagen : iem. de trap opjagen. Doen rijzen : de wind heeft het water opgejaagd. Aanhitsen : honden tegen elkander opjagen. Door bieden den prijs verhoogen : hij heeft dit land opgejaagd. In de verte drijven : een hert opjagen. Uit zijn leger jagen : eenen haas opjagen. lera. opjagen, hem noodzaken op te staan of weg te gaan. Opjagers, m. mv. Wildopjagers.—opk:iar«leii, ow. Beginnen te kaarden. Opnieuw kaarden. Op-kaarder, m. (-s). Opkaardster, v. (-s).— opkalauderen, bw. Opnieuw glanzen, opkamer, v. (-s). Bovenkamer, opkammen, bw. Opwaarts kammen. Zeer roemen. — opkappen, bw. Door kappen openen. Opkammen. In orde brengen (hethaar). — opkatien, bw. Ophalen (een anker). — opkuuwen, bw. Kauwende opeten. — opkeeren, bw. Tegenhouden en doen omkeeren. — op-feoifKen,bw. Met keggen omhoogwerken. —• opkieinen, ow. (zijn) Naar omhoog kiemen.— opkUken, ow. Naar de hoogte kijken. Veibaasd de oogen opslaan. — opklkken, opkikkeren, bw. Opwekken. Aanzetten. — opkiitten, bw. Hooger maken : eenen dijk opkisten. Op-kisting, v. (-en). Glooiing (van eenen dijk). Bovenste deel van een venster (in een laag vertrek). — opkladden, bw. Kladden maken (op). — opklampen, bw. Met klampen vastmaken. — opklappen, bw. Vertellen. — opklaren, ow. .zijn) Helderder worden. Bw. Helderder maken. Verklaren. Opklaring, v. — opklauteren, ow. (hebben, zijn) Naar boven klauteren. Klauteren (op). — opklnnwen, bw. Opharken. — opkleppen, bw. Door kleppen doen opstaan. — opkleuren, bw. De kleuren beter doen uitkomen. Ow. (zijn) Eene betere kleur krijgen. — opklimmen, bw. ow. (zijn) Naar boven klimmen. Langzaam ontstaan. Met moeite tot iets geraken. Hooger stijgen (in rang, enz.). Duurder worden. Opklimming, v. (-en).—opklinken,bw. Vastslaan (op). Al klinkend wekken. Ow. Naar boven klinken. — opklooven, bw. Kloovend openen. —opkloppen, bw. Kloppende wekken. Kloppen op iets, om het te doen rijzen : kussens opkloppen. — opkloH-sen, bw. Hooger maken (door het onderleggen van klossen). Op klossen opwinden. Op klossen afwinden. — opklulven, bw. Oppeuzelen. — opknagen, bw. Kna-

§ende verteren.ende verteren. — opknappen, bw. choonmaken. Opschikken. Redderen. Opeten. Ow. (zijn) Knapper worden. Beter worden. Opknapping, v. (-en). — op-kntfpen, ow. (zijn) (Zeew.) Zoo veel mogelijk bij den wind opwerken. — op-knoopen, bw. Met eenen knoop opbinden. Ophangen. Opknooping, v. [-en), •—


ocr page 619

— 565 —

OPLO

OPKU

-opkoelen, bw. Koel maken. Ow. (zijn) Koel worden. Opkoeling, v. — opbocs-tereu, bw. Door koestering tot zich zeiven doen komen. Zorgvuldig grootbrengen. Aankweeken. Doen bloeien. Opkoeste-ri*'g, v. — opliofrei-on, bw. In eenen koffer sluiten. — opkoken, bw. Zachtjes laten koken. Opniruw koken. Sterk laten koken. Glanzig maken (goud, enz.). Opkoking, v. Opkooksel, o. (-s). — opkomen, ow. (zijn) In de hoogte komen. Opgaan : de zon komt op. Beginnen te koken : de melk komt op. Uitspruiten : de tarwe komt goed op. Van eene ziekte herstellen : hij komt reeds op. Ontstaan : er komt een onweder op. Overkomen, gebeuren : dat is mij opgekomen. Bij overkomende gelegenheid verschijnen : de leden komen tweemaal in de week op. Vorderen. Bloeien. Zich verzetten : hij kwam hevig tegen dit gevoelen op. Kom op : laat ons gaan. Tegen iem. opkomen, hem aanvallen. Opkomeling, m. (-en). Opkomend, bn. Het opkomend geslacht: de jeugd. Opkonier, m. (-s). Opkomst, v. Begin. Aanvang. Oorsprong. Herstel (eener ziekte). Vooruitgang (.in aanzien, enz.). — opkooien, bw. In eene kooi sluiten. (Boekdr.) De vormen vastkloppen. — opkoopen, bw. ow. Inkoopen (meestal om den prijs te doen stijgen). Opkoop, ra. Opkooper, m. (-s). Op looping, v. (-en). Opkoopsier y v. (-s).

_opkorten, bw. Korter raaken. Ow.

(zijn) Korter worden. Opkorting, v. — opkraaien, ow. Beginnen te kraaien. Bw. Door kraaien wekken. Veel ophef maken (van). — opkrabbelen, bw. Openkrabbelen. Ow. (zijn) Uit eene ziekte opkomen. — opkrabben, bw. Openkrabben. Eene versletene plaat herstellen. Ge moet die zaak niet opkrabben ; ge moet geen oude koeien uit de sloot halen. Öpkrabbing, v. (-en). — opkramen, ow. (zijn) De kraam opbreken. Inpakken. Zich uit de voeten maken. — op-kraNHen, bw. Met een krasijzer ophalen. Ow. (zijn) Zich wegpakken. Opkrasser, m. (-s). — opkranwen, bw. Openkrabben. lien oud zeer opkrauwen : aan iets onaangenaams doen herinneren. — op-kreppen, bw. Opnieuw kreppen. — op-ki'Uffen, bw. Vau den grond opnemen. Opmaken. Oppeuzelen, — opkrimpen, ow. (zijn) Door krimpen korter worden. Kromtrekken (van metalen). Verminderen : zijn geld begint op te krimpen. Tegen den wind opkrimpen : bijna tegen wind inzeilen. Opkritnping, v. — opkroe-sen, bw. Doen krullen (het haar). — opkroppen, bw. Te gulzig eten. Verbergen ^verdriet, enz.). Opkropping, v. — opkruien, bw. Opwaarts kiuien. Ow. (zijn) Ophoopen (van ijsschotsen). Zich uit de. voeten maken. — opkruipen, ow. (zij-») Naar boven Kruipen. — opkrullen, bw. Weder doen krullen. Ow. (zijn) Omkrullen. — opkuipen, bw. Een oud vat herstellen. Bij het kuipen gebruiken (hout. enz.) In vaten doen. — opkui-■elien, bw. Reinigen. Schoonmaken. — ópkunnen, ow. (Meestal gebruikt met '.weglating van een ander werkw.) Hij kon het niet op (eten of drinken). Hij kon et niet op (klimmen). Hij kan niet tegen hem op : hij is niet tegen hem opgewassen. — opkweeken, bw. Koesteren. Met veel zorg grootbrengen. Opkweeker, m. (-s). Opkweekster, v. (-s). — opkrikken, bw. Verkwikken. Optooien. Opkwih-king, v.

oplaag, v. (..agen), oplage, v. (-n).

Getal afdrukken (van een werk, enz.).

oplaaien, ow. (zijn) Opvlammen. — opladen, bw. Laden (op). Iem. eenen last opleggen. Oplader, m. (-s). Oplading, v. (-en\. — oplanden, bw. Bovenhalen. In de hoogte toereiken. Op langer, m. (-s). (Zeew.) Verlengstuk der inhouten. — oplappen, bw. Ruw verstellen. Oplap-ping, v. (-en). — oplaten, bw. Doen bovenkomen. Niet afnemen : gij moet uwen hoed oplaten. Loslaten : duiven oplaten. Doen opstijgen : eenen vlieger oplaten. Laten opblijven : de kinderen tot acht uren oplaten. — oplareeren, ow. (zijn) Laveerende vooruitkomen.— oplesf ffen. bw. Leggen (op) : eene pleister op de wond opleggen. Hooger leggen : een biervat opleggen. Bij betalen : hij moest vijf frank opleggen. Meer bieden. Ter perse leggen. Inleggen : erwten opleggen. Aantijgen : iem. eene misdaad opleggen. Tot iets verplichten : iera. eenen eed opleggen. Doen betalen : zware lasten opleggen. Doen ondergaan : eene straf opleggen. Opdoen : eenen voorraad van hout opleggen. Wegleggen : geld opleggen. Het stilzwijgen opleggen : verbieden te spreken. Oplegblad, o. (-en). Oplegger, m. (-s). Oplegging, v. Op leg lijst, v. (-en). Oplegsel, o. (-s). Oplegwerk, o. — opleiden, bw. Opwaarts leiden. Ten dans leiden. Op het tooneel brengen. Voorbereiden (tot). Opleider, m. (-s). Opleiding, v. (-en). Opleidingsschip, o. (..epen). — opletten, ow. Achtgeven. Aandachtig luisteren. Zich toeleggen (op). Oplettend, bn. biiw. Oplettendheid, v. Opmerkzaamheid, (..heden) Bewijs van oplettendheid. Opletter% ra. (-s). — opleven, bw. Verbruiken : hij heeft alles opgeleefd. Ow. (zijn) Herleven : hij leefde op in zijn kroost. — opleveren, bw. Leveren, afleveren. Opbrengen. Oplevering,v.(-en).— iïiAoxcn, bw. Met luider stem lezen : de namen eener lijst oplezen. Verzamelen : korenaren oplezen. Oplezer, m. (-s). O pleesster, v. ( s). Oplezing, v. — oplichten, ow. (zijn) Helderder worden. — oplieliten , bw. Optillen, opbeuren. Gevangennemen. Schaken. Bedriegen. Oplichter, m. (-s)# Oplichterij, v. (-en). Oplichting, v. ( en). Op'ichtster, v. (-s). — oploeven, ow. (zijn) (Zeew.) Dichter aan den wind doen komen. — oploopen, ow. (zijn) Naar boven loopen. Opwaarts loopen. Opzwellen. Vermeerderen : die koopsom zal hoog oploopen. De zieke loopt al op, kan reeds het bed verlaten. Bw. Door loopen naar boven brengen. Loopen de naar boven hij-schen. Openloopen. Waar heeft hij dat nieuwtje opgeloopen, opgedaan? Oploop, m. Opschudding. Samenscholing. Opzwelling. Oploop, m. (-en). (Scheepst.) Voort-


I

ocr page 620

OPNE — 5(

tetting van hlt; t zaadhout. Oploopend, bn. Driftig. Op\ liegend. Licht toornig wordende. Oploopendheid, v. Ofilooper, m. (•s). Oplooptngt v. Oploopster, v. (-s). — oplosHcii, bw. Losmaken. (Scheik.f De deelen scheiden en vloeibaar maken. Verklaren, ophelderen. Uitwerken. Ontleden. Oplosbaar, bn. Oplosbaarheid, v. Oplossend, bn. Oplosser, m. (-s). Oplossing, v. (-en). Oplossingsmiddel, o. (-en). Oplossingsieeken, o. (-s). (Muz.) Her-stellingsteeken. Oplosster, v. (-s). — opluiken, ow. (zijn) Opengaan (van bloemen). Opfrisschen (van kinderen). Opltii-king, v. — opluiHtcre», bw. Glans bijzetten. Luister bijzetten. Ophelderen. Beroemd maken. Verheerlijken. Opluiste-ring, v. — oplusten, bw. Kunnen opeten. — opmaken, bw. Openmaken. In perkament binden. In orde brengen : mutsen opmaken. Opschudden : een bed opmaken. Gereedmaken : eene rekening opmaken. Schrijven : een besluit opmaken. Samenstellen : eenen inventaris opmaken. Ophitsen, opsteken : iem. opmaken. Verkwisten. Hij maakt daaruit op : hij besluit daaruit. Zich opmaken, ww. Zich gereedmaken tot de reis. Opmaker, m. (-s). Opmaakster, v. (-s). Opmaking, v. — opinaleii, bw. Door malen doen stijgen (water). Alles opmalen. Optnaling, v. (-en). — opniarelieeren, ow. (zijn) Optrekken (van krijgsv.). — opmerken, bw. Achtgeven (op). Waarnemen. Gadeslaan. Opmerkelijk, bn. biiw. Opmerking waard. Zonderling. Vreemd. Opmerkenswaard, ..dig, bn. Opmerker, m. (-s). Op-merlcing, v. (-en). Het opmerken. Hfet opgemerkte. Opmerkzaam, bn. bijw. Oplettend. Opmerkzaamheid, v. — opmeten, bw. Uitmeten. De oppervlakte, den inhoud meten. Opmeter, m. (-s). Opme-ting, v. (-en). — opmetselen, bw. Opwaarts metselen. Metselend verbruiken. Opmetseling, v. — opmetsen, bw. Opmetselen. — opmoeten, ow. bw. (Alleen met weglating van een ander werkw.) Dit vleesch moet op (gegeten worden). — opmogen, ow. bw. (Alleen met weglating van eeu ander werkw.) Het kind mag nog niet op (staan). — opmonteren, bw. Opschikken. Opvroolijken (van zieken). Opmontering, v. — opnaaien, bw. Door een opnaaisel korter maken. Door naaien verbruiken. Opnaaiing, v. Opnaaisel, o. (-s). Omslag op een kleed. — opnemen, bw. In de hoogte heffen. Oprapen : geld opnemen. Opbreken : plaveisel opnemen. Opdweilen : den vloer opnemen. Meten en in teekening brengen : een stuk land opnemen. Leenen : geld opnemen. Beoordeelen : een werk opnemen. Optellen : eene rekening opnemen. Uitleggen : iets kwalijk opnemen. Ontvangen : in genade opnemen. Herstellen : een gevallen steek opnemen. Aannemen om uit te voeren : hij heeft dit op zich genomen. Verdedigen : het voor iem. opnemen. Opteekenen : de namen opnemen. Een artikel in een dagblad opnemen. Zich eene gewoonte maken iets te doen of te zeggen. Ow. Gelukken : dit werk zal niet

gt; — OPEP

goed opnemen. Opname, v. Het opnemen. Wijze, waarop iets opgenomen, beoordeeld wordt. Opneemdoek, m. (-en). Opneemvod, v. (-den). Opiieemsel, o. Gewoonte van iets te doen ofte zeggen. Opneemster, v. (-s). Opnemer, m. (-s). Opneming, v. (-en). — opnestelen, bw. Met nestels opbinden, verjagen. Opnesteling, v.

opnieuw, bijw. Nog eens. Van vo-renaf.

opnoemen, bw. Na elkander noemen. Stuksgewijze optellen. — Opnoeming, v. (-en).

opodeldoc, v. Zalf. Wordt bij rheu-matische aandoeningen gebruikt.

opotTeren, bw. Als een offer opdragen. Toewijden. Zich offeren, ww. Zijn leven, vermogen wijden (aan). Opoffering, v. (-en). — opontbieden, bw. Iem. gelasten te komen. Al zijne krachten opontbieden, in 't werk stellen. Opontbie-ding, y. (-en). Opontbod, o. Last om te verschijnen.

opontliond, o. Verlet. Gedwongen rust. Kortstondig verblijf.

oppakken, bw. Samenpakken. Oplichten. In hechtenis nemen. Ow. (zijn) Vertrekken. Oppakking, v. — oppal-inen, bw. Inpalmen. — oppassen, bw. Beproeven of iets op iets anders past. —

— oppassen, bw. Bedienen. In dienst zijn (bij). Verzorgen. Waarnemen. Gadeslaan. Ow. Zorg dragen. Achtgeven. Vlijtig zijn. Oppas, m. Het oppassen. Zorg. Bezorging. Oppassend, bn. Oppassendheid, v. Oppasser, m. (-s). Oppasseres, v. (-sen). Oppassing, v. Oppasster, v. (-s).

opper, m. (-s). Hooistapel op het veld.

opper, opperd,m. (-s). Schuilplaats, Luwte.

opper, bn. (Alleen in samenstellingen). Eerste. Hoogste. Voornaamste. (Aardr.) Hooger gelegen. — Opper admiraal, m. (..alen). — Opperarm, m. (-en). — Opperbest, bijw. Allerbest. — Opperbestuur, o.

— Opperbestuurder, m. (-s). — Opperbevel, o. — Opperbevelhebber, m. (-s). — Opperbevelhebberschap, o. — Opperbewind, o. — Opperbewindhebber, m. (-s).

— Opper boekhouder, m. (-s). — Ópper-broodmeester, m. (-s). (Aan het hof). — Opperdeel, o. (-en). — Opperdek, o: (-ken). — Opper gaai, v. — Oppergebied, o. — Oppergebieder, m. (-s). — Oppergebiedster, v. (-s). — Oppergerecht, o. — Oppergerech tshof, o. (..ven). — Op pergevel, m. (-s). — Oppetgezag, o. — Oppergezaghebber, m. (-s). — Oppergezag-hebster, v. (-s). — Opperheer, m. (-en). — • Opper heerscher, m. (-s). — Opperheerschappij, v. — Opperhoofd, o. (-en). — Opperhuid, v. — Öppe'Jachtrecht, o. — Opperjager, m. (-s). — Opperjagermeester, m. (-s). — Opperkamergerecht, o. — Opperkamerheer, m. (-en). — Opper kamer ling,m. (-en).— Opper kamervrouw*. v. (-en). — Opperkanselier, m. (-s). — Opper kanselier schap, o. — Opperkleed, o. (-eren). — Opperklerk, m. (-en). — Opperknecht, m. (-en). — Opperkok, m. (-s). — Opperkoopman, m. (..lieden). — Opperlast, m. (-en). Last (op het dek). —


ocr page 621

OPPR — 56

Oppp* leev, o. (-en). — Opperlernheei',m. ( en). — Oppermacht, v. — Opperninch-tia, bn. bijw. — Opperniojrsfeit, v. — Opperman, m. (..heden, ..lui). (Mets.) Handlanger. — Oppennefister, ra. (-s). — Opperpastoor, m. (-s, ..oren). — Opper-cjficier, m. (-en). — Opperposhneesier, ra. (-s). — Opperpriester, ra. ( s). — Opperpriesterlijk, bn. — Opperpriesterschap, o. — Opperrabbijn, m. (-en). — Opperrechter,n\. (-s).— Opperschenker, m. ^sl. (Aan het hof'. — Opperstalmeester, m. ( s). — Opperste, bn. Eerste. Hoogs'e. Voornaamste. — Opperste, o. (-n). Zolder (onder het dak). — Opperste, m. ( n). — Opperstunrvian, m. ( .lieden). — Oigt;pertot zicht, o. — Oppertoeziener, m. (-s). — Opperveldheer, m. (-en). — Opperveldoverste, m. (-n). — Oppervlak, o. (-ken). Bovenste vlak.— Oppervlakkig, bn. bijw. Niet grordig. Niet diep indringend. JLosjrs. Vluchtig. Ni(t degelijk. — Oppervlakkigheid, v. (..heden). — Op-pet vlakkiglyk, bijw. — Oppervlakte, r. ( n). Bovenste vlakte. — Oppervoogd, m. (-en). — Opprrvocgdy, v. — Opperwal, ra. (Zeew ) Wal aan de zijde van den wind. — Opperwater, o. — Opperwezen, o. — Opperzaal, v. (..alen).

Opperen, bw. opperde, heeft geopperd. Aan hoppers zetten. (Hooi). Te berde brengen. Gewagen (van).Ow. (Mets.) Kalk en steen aanbrengen. — Oppering, v. (-en).

oppersen, bw. Opnieuw persen. —

oppersing, v. (-en).

oppeuzelen, bw. Langzaam en smakelijk cpeten. — oppikken, bw. Pikkende opnemen. Door pikken openen. Opeun. — opplsiliken, bw. Iets op iets anders vastplakken. Opplakking, v. — opploeg:*'!!, bw. Doorploegen opwaarts brengen. Omploegen. Ontginnen. Opptoeging, v. — oppoetsen, bw. Schoonmaken. — oppotten, bw. Opproppen (inz. met spijs). — oppoken, bw. Met den pook het vuur sterkt r doen branden.

opponeeren, bw. opponeerde, heeft geopponeerd. Tegenstellen. Inbrengen (te-

fen).Tegenwerpingen maken. Wederstand ieden. —en).Tegenwerpingen maken. Wederstand ieden. — Opporient, ra. (-en). Tegenstrever. Bestriider. Verweerder. — Opposant, m. (-en). Opponent. — Oppositie, v. (..iën, -s). Tegenstand. Tegenstelling. Verzet. Tegen een vonnis in oppositie gaan, er zich tegen verzetten. Tegenpartij. — Oppositieblad, o. (-en).

opporren, bw. Oppoken. Aanzetten, opportuniteit, v. Geschikte tijd. Gepaste gelegenheid. Gunstig oogenblik. — Opportunisme, o.—Opportunist, ra. (-en).

oppotten, bw. Besparen (geld). — op-preukelen, bw. Opstoken.

opprinieeren.bw.oppriraerrde,heeft geoppt iraeerd. Verdruk ken.Onderdrukken. — Oppressie, v. (..iën). Verdrukking, onderdrukking. Beklt radheid.

opprobatie, v. (..iën). Smade. Schande. Beschimping.

oppronkt-n, bw. Optooien. — opproppen, bw. Door proppen opvullen. Vols.oppen (inz. de maag). De stad was

1 — OPRO

opgepropt raet vreemdelingen, wemelde van vreemdelingen. Otgt;pgt; op ping, v. —-oppnilen, ow. (zijn) Opzwellen. Optgt;ui-Ung, v. (-en). — opmkelen, bw. Naar boven rakelen. Een ouden twist oprakelen, herinneten. Oprakeling, v, (-en). — opraken, ow. (zijn) Opgebruikt worden.—

o pr:nn ineie 11. oprammen,bw.Door

rammeien opi nen. — oprapen, bw. Van den grond nemen : raap die naald op. Opnemen : gevalb-n steken (bij het breien) oprapen. In der haast bijeenbrengen : een opgeraapt leaer. Verzinnen : waar heeft hij die praatjes opgeraapt? Dat is geen oprapens waard. Opraaps'l, o. (-s). Verzinsel.

opreelit, bn. bijw. Ongeveinsd. Echt, wezenlijk. Welgemeend. — Oprechtelyk, bijw. — Oprechtheid, v.

opredderen, bw. In orde brengen. Opreddering, v. — opreiken, bw. Aanreiken. T. ereiken. — oprekenen, bw. Bijeenrekenen. Samentellen. Opreke-ning, v. (-en). — oprekken, bw. Open-rekken. Uitrekken. Alles rekken. — op-rieliten, bw. In de hoogte heffen. S u n-ten, tot stand brengen. Instellen, vestigt a. Moed ingeven. Zich oprichten, ww. Zich verheftrn. Overeind komen. Oprichter, ra. (-s). Oprichting, v. Oprichtster, v. (-s). — oprijden, bw. Door rijden wonden, enz. Inslaan : eenen weg oprijden. Ow. (zijn) Opwaarts rijden. Beginnen te rijden. Voortrijden. Oprij, ra. Oprijlaan. Oprit. Oprijlaan, v. (..anen). — oprQ-ten, bw. Openrijten. Ow. (zijn) Scheurende losgaan. Openspringen. — oprU-ven, bw. Opharken. — oprUzen, ow. (zijn^ Opstaan : uit eerbied voor iem. oprijzen. Hooger rijzen : het haar rees hera van schrik op. Zwellen : het deeg rees op. Ontstaan : er rees een on weder op. Zich voordoen : er rezen zwarigheden op. Oprij' zing, v.

opril, v. (-len\. Hellende oploopende weg over eenen dijk.

oprispen, ow. Den smaak weder krijgen van hetgeen men gegeten heeft. — Oprisping, v. (-en).

opril, ra. (-ten). Het oprijden.

opritNen, bw. Aanhitsen : iem. tot oproer opritsen. Opritsing, v. (-en). — oproeiieien, bw. Rochelend opgeven. — oproeien, bw. Door roeien hooger opbrt ngen : een schuitje tegen den s room oproeien. Ow. (zijn) Tegen wind of stroom roeien. Tegen iets niet kunnen oproeien, de k« sten er van ni^t kunn» n bestrijden. — op roe pen, bw. Roepen ora op te staan. Tot eene handeling ontbieden üijeenroe-pen. Openbaar verkoopen ; een huis laten oproepen. Oproep, m. Het oproepen. Bij oproep veilen : op opbod verkoopen. Oproeping. Beroep : eenen oproep doen tot het volk. Oproeper, ra. (-s). Oproeping, v. (-en).

oproer, o. en ra. Beroerte onder het volk. Opstand. Groot rumoer. Getier. — Oproerig, bn. bijw. Tot oproer geneigd. In oproer zijnde. Uit oproer voortgekomen. — Oproerigheid, v. — Oproerig lijk, bijw. — Oproerkreet, ra. (..eten). — Op-


ocr page 622

OPSC — 5(

roer ling, m. en v. (-en). — OproerlütRe, v. (-n). — Oproermaker, m. (-s). — Op-roermaak^ier, v. ( s). — Oproerstichter, m. (-s). — Oproer stichting, v. — Oproer-stichtster, v. (-s). — Oproervaan, v. (..anen).

oproeien, bw. Door roerén naar boven brengen. — oprokken, oprokkc-

ncii, bw. Op het spinrokken winden. Ophitsen. Opruien. Oprok ketting;, v. — oprollen, bw. Op of om iets rollen. Oprot-Ier, m. (-s). Oprolling, v. — oprooste-i*cn, bw. Opnieuw roosteren.—opruien, bw. Opstoken. Ophitsen. De opgeruide baren : de onstuimige baren. Opruier, m. (-s). Opruiing, v. (-en). Opruister,v. (-s). — opruimen, bw. Ruim en schoon maken. Wegruimen. In orde schikken. (Timm.) Opzuiveren, gelijkmaken. Opvroolijken. Opruimbeitel, m. (-s). Oprzdimboor, v. (..oren). Opruimer, m. (-s). Opruiming, v. (-cn). Opruimster, v. (-s). — oprukken, bw. Naar boven rukken. Openrukken. Ow. (zijn) Voorwaarts tiekken. Oprukking, v. — opNeliafTen. bw. Opdis-schen. Verschaften. Opschafftng, v. — opseliakelen, bw. Bij schakels opschorten. Opschakeling, v. — opsebarre-len, bw. Scharrelend verkrijgen. — op-•cliavcn, bw. Schavende gladmakt-n. Opnieuw schaven. — opseliellen, bw. Wakker schellen. — opnelienken, bw. Water schenken of gieten (op). Ledig schenken. — opseliepen, bw. Inschepen. Lastig vallen (met). Daar zit hij mooi mee opgescheept: dat is een heele last voor hem. — opsefaeppen, kw. -Met eenen lepel enz. opnemen. Breed opscheppen : goed onthalen. Opschepper, m. (-s). Opschepster, v. (-s). — opselieren, bw. Scheren. Met eene schaar opsnoeien. — opscherpen, bw.Scherpermaken. Aanzetten, aansporen. Opwekken. Doen toenemen. Opscherping,v. (-en). — Opnolieu-ren, bw. Openscheuren. Ow. (zijn) Losgescheurd worden. Opscheuring, v. (-en).— opseliieten, bw. Met een schot openen : een huis opschieten. Naar de hoogte schieten : vuurpijlen opschieten. Uit de hand laten vliegen : duiven, eenen vlieger opschieten, üw. (zijn) In de hoogte schieten, opwassen : die boomen schieten goed op. Opschuiven : zijne hemdsmouwen zijn opgeschoten. Naderen, aanlanden : de boot schiet nog niet op. Vorderen : het werk schiet op. Korten : de tijd begint op te schieten. Driftig worden. Ópschietend,bn. Driftig. Opschteting,v.— opiveliikken, bw. Optooien. In orde schikken. Ow. Opschuiven. Zich opschikken, ww. Opschik, m. Het opschikken. Tooisel, versiersel. Opschikking, v. — opHCliilderen, bw. Opnieuw schilderen. Door schilderen verbruiken. Opschildering, v. (-en). — op-■eliOeien, bw. Met planken of aarde ophoogen. Opsthoeiins?, v. (-en). — op-■eliofTelen, bw. Met de schoffel losmaken. Bw. ow. Eenen bal voortdrijven (in 't kolfspel). — opschokken, bw. Door •chokken opwaarts brengen.—opscliom-melen, bw. Alles doorsnuffelen (om iets te vinden). — opsehooien, bw. Bede-

! — OPSL

lende verzamelen. — opsclidppeii, bw. Openschoppen. Schoppende opwaarts drijven. — opHCliorRcn, bw. Uitstellen. Verdagen. Aanhouden. Opschorsing, v. (-en).— opseliorten, bw. Hoogerschor-ten. Opstroopen. Hooger hangen. Uitstellen. Eene betere gelegenheid afwachten. Opschorter, m. (-s). Opschorting, v. (-en).

— opschotelen, bw. In schotels doen. Opschoteling, v. — opHclirabben, op* schrapen, bw. Openkrabben. Met een ijzer, enz. schrapen. Opscht abbing, op-schraping, v. —opBChrandercn, bw. Schranderder maken. Ow. (zijn) Schranderder worden. — opMclirancieii, bw. Alles opvreten. — opaclirUven, bw. In geschrifte brengen. Eene lijst maken. Aan-teekenen. Opschrift, o. (-en). Wat op iets geschreven is. Adres. Titel. Hoofd. Aanhef. Uithangbord. Spreuk. Bijschrift. Opschrijfboek, o. en m. (-en). Op schrijver, m. (-s). Opschrijf ster, v. (-s). Op-schryving, v. (-en). — opschrikken, bw. Van schrik doen opspringen. Ow. (zijn) Van schrik opspringen.—opuchrol» ben, ow. Door schrobben reinigen. Openkrabben.

— opschroeTen, bw. Vastschroeven. Opschroevine,v.{-CT\).—opschrokken, bw. Gulzig opeten. ÖPschrokker, ra. (-s).

— opschudden, ow. Door schudden hoog en zacht maken. Oproerig maken. Opschudding, v. (-en). Het opschuddes. Sterke beweging. Oploop. Veel opschud-ding :grootetoebereidseleB.—opscli nieren, bw. Met eenen schuier schoonmaken. Opschuierin?, v.— opschuimen, ow. Door het schuim opwerpen. Bw. Waar heeft hij dat opgeschuimd, opgedaan ? Op-schuiming, v. j— opschuiven, bw. Open- of losschuiven. Uitstellen. Ow. (zijn) Opschikken. Plaats maken. Opschuiving, v. (-en). — opschuren, bw. Blinkend schuren. Door schuren wonden. Nog eens schuren. — opschulten, bw. Tegenhouden (met eene sluis). Opschutting, v. — opseïzen, bw. (Zeew.) De kabelaring vastmaken (aan het zwaar touw). — opsieren, bw. Opsmukken. Optooien. Opsiering, v. (-en). Opsiersel, o. (-s, -en). — Opsjorren, bw. (Zeew.) Omhoog sjorren. Opsjorring, v. — opslaan, bw. In de hoogte slaan : eenen bal opslaan. In elkander zetten, nederzetten : eene tent opslaan. Omslaan, opstroopen : zijne mouwen opslaan. Eenen hoed opslaan, den rand opzetten. Ergens zijne woning opslaan : zich ergens voor goed node-zetten. Naar de hoogte wenden : zijne oogen opslaan. Openslaan, opendoen, openleggen : een boek opslaan. Den prijs verhoogen : zij hebben hunne waren opgeslagen. Pacht-ofhuuiloon vermeerderen: hij heeft zijne dienstboden opgeslagen. Uit kabelgaren touw vervaardigen. Beginnen : een breiwerk opslaan. Ow. (zijn) Voortkomen ; dit kruid slaat vanzelf op. Vocht opgeven : 't zal regenen, de steenen slaan op. Duurder worden: de koffie slaat op. Met iem. opslaan : iemands zin doen. Opslag, m. (-en). Verhooging in prijs. Hooger bod. Opgeslagen deel van een kleed, enz. Het opslaan der oogen. Scheut aan den wortel


ocr page 623

OPSP — 5

yan eenen boom. Bij den eersten opslag : in het eerste oogenblik. lera. van den opslag geven : iem. duchtig afrossen. Opsla-

terery m. (-s). — Opslcolitcu, bw. Op-nappen. — opHlecpon, bw. Opwaarts sleepen. Stroomopwaarts sleepen. — Op-slcutorcii, ow. (zijn) Al slenterende omhooggaan. — opHlcnrcu, bw. Naar boven sleuren. — opslibbcn, ow. (zijn) Aanslibben. — oi»Hiykoii, bw. Vullen (met slijk). Ow. (zijn) Aanslijken. Opsly-king, v. — opnllipcu, bw. Opnieuw slijpen. Op sly ping, v. — opslik keu, bw. Gulzig opeten. — opslobberen, bw. Slobberend opdrinken. — opslolt-Iten, bw. Opslikken. Ops lokker, m. (-s).

— Opslootoii, bw. Omringen (met slooten]. — opsloovou, bw. Opstroo-pen : zijne mouwen opslooven. — opslorpen, bw. Slorpende innemen. Opslorping, v. (-en). opsluitrn, bw. Openen wat gesloten is. Wegsluiten. Vastzetten. Zich opsluiten, ww. J let verkeer der menschen schuwen. Opsluiting, v. (-en). Opsluitkeg, v. (-gen). Opsluitschiff, v. (..ven). Op-sluitwig-, v. (-gen). — opslurpen, bw. Opslorpen. — opsmeden, bw. Smedende vastmaken (op). Smedende verbruiken. — opsmellen, bw. Smeltende verbruiken. Opnieuw sme'ten. — opsmeren. bw. Smerende verbruiken. — op-MintJfen, bw. Opwaarts smijten. Door smqlcn openen. Opsmyting, v. — op-siniikk4'n, bw. Versieren. Opsieren. Tooien. Zich opsninkkfii, ww. Opsmuk, 111. Tooisel. Opschik. Opsmukking, v. — opsmnlien, bw. Met smaak opeten. Gulzig cpeten. Met smullen doorbrengen : zijn fortuin opsmnlien. — opanappen, bw. Gulzig opeten. Schielijk binnenslaan. Opsnapprr, m. (-s). Gulzigaard. Opsnnp-ping, v. Opsnapster, v. (-s). — opttnd-c]lt;gt;n1 bw. Beninr.en te snijden. Voorsnijden. Door snijden openen Alles snijden. Opzeggen : verzen opsnijden. Ow. Snoeven : bij zat geweldig op te snijden. Opsnijder, m. (-s). Op\mjctery, v. (-en), liet snoeven. Op snijdi (-en).— opsnikepen, bw. Snoepende opmaken. — opsnorren, bw. Opzoeken : nieuwtjes opsnorren. — opsnuflelen, bw. Opsporen. — opsnuiven, bw. In den neus ophalen. Door snuiven verbruiken. Opspo-rtm. Dit mag hii opsnuiven : dit mag hij zich voor gezegd h'-uden. Opsnuiving, v.

— opsommen, bw. Verscheidene dingen achtereen noemen. Optellen. Opsom-fuing, v. (-en). — op*paiklt;kn, bw. Met spalken omzetten of vasthouden. Wijd lt;jpe,nzetten : den mond, de oogen opspalkt n. Opspalking, v. — opspannen, bw. Vastspannen (boven). Spannend vastmaken (op). Ow (zijn) Uitzetten. Opgespan-m n worden. Opspanniug, v. (-en). — opsparen, bw. Besparen. — opspelden, bw. Vastspelden (op). Hooger vaststeken (met spelden). — opspelen, bw. Uitspe-Icn (in 'tkaartspel). Ow. Uitvaren. Razen. Tieren. — ophperren, bw. Wijd openzetten. Opsperring, v. — opsp^zen, bw. Opeten. — opHpinnen, bw. Alles spinnen. Spinnende vei bruikeu. Door spin-

3 — OPST

nen wonden, enz. — opspitsen, bw. Met eene spits maken. — opspitten, bw. Door spitten bovenbrengen. Aan een spit rijgen. — opsplijten, bw. Splijtende openen. Ow. (zijn) Opengespleten worden. Opsplyting, v. — opspoelen, bw. Vluchtig spoelen. De zeep enz. uit het goed spoelen. Opnieuw spoelen. Spoelende opwerpen (van de zee). — opsporen, bw. Het spoor volgen (van). Door vlijtig zoeken ontdekken of vinden. Opsporing, v. (-en). — opspouwen, bw. ow. (zijn) Opensplijten.

opspraak, y, Naspraak. Berisping. Afkeuring. Hij is in opspraak gebracht: er wordt ongunstig over hem gesproken. — Opsprakelyk, bn. bijw. Laakbaar, opspreiden, bw. Opmaken (een bed).

— opspreken, ow. Beginnen te spreken. — opspringen, ow. (zijn) In de hoogte springen. Terugstuiten (van eenen bal). Schielijk opstaan. Zich plotseling verheffen. Huppelen van blijdschap, enz. Openspringen. Scheuren, bersten krijgen.

— opsprniten, ow. (zijn) Ontkiemen. Ofgt;spruiting, v. Opspruitsel, o. (-s). — opspnisren, bw. Spugende opbrengen.

— opspuiten, bw. Opwaarts spuiten. Ow. (zijn) Naar boven spuiten. Opspui-ting, v. (-en). — opstaan, ow. (zijn) Recht staan. Staan (op): de stoel staat op den vloer. Zich oprichten : van eene bank opstaan. Het bed verlaten : hij staat vroeg op. Op het vuur staan : het gebraad staat reeds op. Geschreven, gegrift staan : zijn naam staat op zijn boek. Tc voorschijn komen : valsche profeten zullen opstaan. Verrijzen : van den dood opstaan. Tegen iem. opstaan : zich tegen hem verzetten, hem beschuldigen. Hij zal er niet meer van opstaan : hij zal er niet meer van genezen. Opstaand, bn.

opstal, m. (-len). Gebouw zonder het erf. De masten van een schip. Drukpers met al wat er toe behoort.

opstallen, bw. Op stal zetten. — Op-stalling, v.

opMtand, m. (-en). Het opstaan. Oproer. Teekening van iets, zooals het zich aan het oog voordoet. — Opstandeling, m. en v. (-en). Oproermaker. — Opstan-delinge, v. (-n). Opstanding, v. Verrijzenis. Opstanding uit de zonde.

opstapelen, bw. Aan stapels zetten. Bijeenzamelen. Opstapelaar, m. (-s). Opstapeling^. (-en). — opstappen, ow. (zijn) Stappende opwaarts gaan. Weggaan,

— opMteigreren, ow. (zijn) Zich op de achterste pooten stellen. — opstoken, bw. In de hoogte steken ; de vlag, de hand opsteken. Spelden opsteken (op een kussen). Openen : een slot opsteken. In de scheede steken : een zwaard opsteken. Wegleggen : geld opsteken. Beginnen te tappen : een vat opsteken. Aansteken : eene kaars, eene sigaar opsteken. Opzetten : een varken opsteken. Heimelijk zeggen : iem. zijne les opsteken. Züne vingers opsteken : eenen eed afleggen. Zijne ooren opsteken : aan het razen geraken. Het hoofd opsteken : zich trotschelijk verheffen, zich veel laten voorstaan. Den neus


ocr page 624

OPTE - 57

opsteken. Ow. (hebben, zijn^ Heviger worden : de wind steekt op. (Zeew.) Bij den wind opkomen : bij den wind opsteken. Hij heeft opgestoken : hij ging boven zijnen staat gekhed. Hij heeft bet op.esto-ken : bij herf: zich uit de voeten gemaakt. Opsteker, m. (-s). Opsteekster, v. ( s). Opsteking, v. — opstellen, bw. Een opstel maken. Ontwerpen. Vervaardigen . Aanteekenen . Opschrijven. Opstet, o. (-len). Ontwerp, vertoog. Eerste handschrift. Stijloefening. Opsteller, m. (-s). Opstelling, v. (-en). — op-stemmen, bw. Hooger stemmen (eene vior.I, enz.). Onderling: afspreken. — op-•ttlsen, ow. (zijn) Opwaarts stijgen. Te paard stijgen. Oprijzen. Vt-rheven worden. Opst.;giiig, v. ( en). — oi»*lüven, bw. Opnieuw siijfmaken. Ow. (zijn) Stijf worden. In hevigheid toenemen (van den wind). Opstyving-, v. — o put» Hen, bw. Reinigen (van stof). — opstttkeu, bw. Aanstoken. Verbranden. Ophitsen. Opsto-ker, m. (-s). Opstokerif, v. (-en). Opstoking, v. (-en). Opsteek ster, v. (-s).— op-A too ten, bw. Opvaarts stooten. Met «enen stoot openen. Door stooten wonden. Door eenen stoot doen opstaan. Opjagen : eenen haas opstooten. Een luien matrwos doen werken. Ontmoeten, aantreffen. Of-stooter, m. (-s). Opstooting-, v. Op:tlt;wtje, o. (-s). Volksoploop. — opstoppen, bw. Volstoppen, opvullen. Stoppende verbruiken. Het water opstoppen : opdammen. Verstoppen, tegenhouden. Ow. (Geneesk.) Kaneel stopt op. Opstopper, m. (-s). Die opstopt. Oorveeg. Opstopping, v. (-en). Het opstoppen. Belette darmbeweging. — opstoven, bw. Opnieuw steven. Opsto-ving, v. — opstreTen, ow. (zijn) Trachten voorwaarts te komen. — opMtr|ilt;len, bw. Willen overtuigen. — op«tr-yicou, bw. Opwaarts strijken. Gladstrijken. Opnieuw strnken. Strijkende opnemen. Ontvangen. ópstryking, v. (-en). Opstrijk-mes, o. (-sen). — opatrompeleu, ow. (zijn) Strompelend opgaan. — opetroo-pen, bw. Opslaan : de mouwen opstroo-pen. Afstroopen. Doorstroopen wonden. Opstrooping, v. (-en). —opsluiten, bw. (Ijzer) in zijne lengte ineendringen. Op-stuit, m. Het opspringen \van een steentje in 't water). — opsluiten, ow. (zqn) Opwaarts stuiven. Opvliegen.Toornig woi -den. — opntaren, bw. Opzenden. — opsluiten, bw. Door stutten staande houden. — opstuwen, bw. Tegenhouden, doen rijzen, in zijnen loop stremmen (water). Opsturver, m. (-s). Opstuwing, v. — optakelen, bw. Met takels opbij-schen. Optui^eii (schepen). Optakeling, v. (-en). — oplarnen, bw. Door tarnen losmaken. Ow. (zijn) Losgaan. — oplassen, bw. Ophoopen. Opstapelen. Verza-jmelen. — opteekenen, bw. Afmaken (eene teekening). Door teekenen verbrui-Iken. Opschrijven. Voor straf aanteekenen \ (indeschooX).Opteekenaar,m. (-s). Optee-henaarster, v. (-s). Opteekening, v. (-en).

opteeren, bw. opteerde, heeft geopteerd. Kiezen. Verkiezen. Keus doen (tus-schen). — Optie, v. Vrije keus. Keur.

o — OPVA

optellen, bw. Sament- Hen. Oprekenen. Achter elkander opnoemen. Opt*l-ler, m. (-s). Optelling, v. (-en). Optelster, v. (-s). — opteren, bw. Opnieuw terea. Terende verbruiken. — opteren, bw. Verteren. Opmaken.

optiea, optiek, v. Gezichtkunde. Lichtleer. Doorzichtkunde.— Options, m. (..ci), opticien, m. (-s). Gezichtkundige. Vervaardiger van natuurkundige instrumenten. Brillenmaker. — Optisch, bn.

optUsfen, bw. Betichten. Optyginv, v. (-en). — «tplillen, bw. In dt» h/ o^te heffen. Met moeite opnemen. Optilling, v.

optiniisnie, o. Wijsgreerige stelling, bewerende dat deze wereld in al hare bijzonderheden volkomen is. Neiging om al., s van goede zijde te beschouwen. — Optimist, m. ( en).

optimmeren, bw. In de hoogte timmeren. Opbouwen. — Optimmering, v. (-en).

optoelit, ra. (-en). Het optrekken (van een leger). Stoet.

optoelsen, bw. De toetsen (eener teekening) opwerken. — optooien, bw. Opsmukken. Versieren. Optoeiing,v. (-en). Optooisel, o. (-s, -en). — optoomeu, bw. (Een paard) den toom aandoen. (Den rand van eenen hoed) opslaan. Opt oming, v. (-en). — optoppen, bw. (Zeew.) Rechtstandig zetten : de raas optoppen. — optornen, bw. Optarnen. Ow. (zijn) Opdraaien. Het schip tornt op : het anker ligt vast. Hij zal er voor moeten optornen, zal er verantwoordelijk voor moeten zijn.

— optreden, ow. (zijn) Naar de hoogte treden. Op hettooneel treden. Als schrijver, enz. optreden. Met kracht optreden : zich krachtig doen gelden. Optreding. v. (-en).

— optrekken, bw Naarbover trekken, ophalen.Opbou-.ven. Hoogermaken. Opentrekken. Touwen, enz. trekken (over). Bij-eentellen. Doen stijgen in rang. Ow. (zijn) Opgehaald worden. Wegdampen, helder worden. Heengaan. Eenen tocht aanvangen. Op de wacht trekken. Optrek, m. (-ken*. Klein verblijf, waar men slechts nu en dan eens vertoeft. Optrekbrug, v. (-gen). Optrehker, m. (-s). Zwierbol. Optrekking, v. (-en). — optroeven, ow. Troef opspelen. — optrommelen, bw. Door trommelen wakker maken. Ow. Beginnen te trommelen. — optuisren, bw. Tuig aanleggen ; een paard optuigen. (Schepen) van tuigage voorzien. Opttiiger, ra. (-s). (Zeew.) Optuiging, v. (-en).

opulent, bn. Vermogend. Schatrijk.

— Opulentie, v. Weelde. Overvloed.

opvangen, bw. Iets in zijnen loop of

zijne vb ebt vangen. Een venieren val tegenhouden. Grijpen. Onderscheppen. Vatten. Verzamelen. — opvaren. ow. (zijn) Opwaarts, tegen stroom varen. Ten hemel stijgen. Bw. Doorvaren openen. Opvaart, v. Het opvaren (eener rivier). Opstijging (inz. ten hemel). Opvarend, bn. Opvliegend. Opvarende, m. en v. ( n). Opva-rendheid, v. — opvallen, bw. Vatten en opnemen. Begrijpen, verstaan, beschouwen. Eenen Steele opvatten, opnemen. Iets kwalijk opvatten, er ongur.stig over oor-


ocr page 625

OP a^A — 57

(ie£\ex\. Ofivafttng, v. (-en). — opTesreii, bw. Bijeenvegen. Door vegen reinigen. Opvee^sel, o. — opveilen, bw. Bij opbod verkoopen. Opv ei ling, v. — opverven, bw. Nog eens verven. Vervende verbruiken. Opverving, v. (-en). — opveteren, bw. Met veters omhoog bevestigen, lem. de broek opveteren, hem doorhalen.

— opvülen, bw. Met eene vijl gladmaken. Opnieuw vijlen. Eene zaag opvijlen, de tanden er van scherpen. Opvijling, v.

— opvtfzelen, bw. Met vijzels opwinden. Tot in de wolken verheffen. Opmjze-laar, m. (-s). Opvijzeling, v. (-en). — opvijzen, bw. Doen rijzen. Aanhitsen. lem. iets opvijzen : iem. iets wijsmaken. —op-vlHHelien, bw. Uit het water halen. Met moeite vinden. — opvlammen, ow. Vlammend opstijgen. Opnieuw beginnen te vlammen. Bw. Met vlammen verven: eene tafel, enz. opvlammen. — opvleeliten, bw. Alles vlechten. Vlechtende hooger brengen. — opvliegen, ow. (zijn) Opwaarts vliegen. Schielijk opstaan. Snel loo-

en. Schielijk opengaan, geopend worden.

n de lucht vliegen. Opstuiven. Driftig worden. Opvliegend, bn. Driftig. Oploopend. Opvliegendheid, v. Opvlieging, v.

— opvlUnien, bw. Openen (met eene vlijm). Opvlyviing, v. — opvoeden, bw. Voedsel en onderhoud verschaffen. De zeden, het hart en den geest vormen. Opvoeder, m. (-s). Opvoeding, v. (-en). Opvoedingsgesticht, o. (-en). Opvoedings-kunst, v. Opvoedkunde, v. Opvoedkundig, bn. Opvoedkundige, m. en v. (-n). Opvoedster, v. (-s). — opvoeren, bw. Opwaarts brengen. Doen opstijgen. Ver-hoogen (eenen grond). Iem. doen vooruitkomen. Prijzen, roemen. Duurder maken. Alles voeren. (Naaist.) Met voering steviger maken. Uitvoeren, voorstellen : een tooneelstuk opvoeren. Opvoering, v. (-en).

— opvolgen, bw. ow. (zijn) In iemands plaats komen : hij heeft zijnen vader opgevolgd. Involgen, voldoen : zijnen wraaklust opvolgen. Zich overgeven (aan) : zijne driften opvolgen. Nakomen : iemands bevelen opvolgen. Otvolger, m. (-s). Opvol-ging, v. (-en). Opvolgster, v. (-s). — opvorderen, bw. Opcischen. Opvorde-ring, v. (-en). —opvouwen, bw. Toevouwen. In vouwen leggen. Opvouw int?, v. — opvragen, bw.Terug^vragen. Doen opzeggen : de lessen opvragen. — opvreten, bw. Gulzig opeten. Verteren : de roest vreet de metalen op. Verarmen : hooge belastingen vreten een land op. Opvreter, m. ( s). — opvroolUken, bw. Verheugen. Verblijden. Opbeuren. Op-vroolyking, v. — opvullen, bw. Geheel vullen : een vat met wijn opvullen. Opproppen : zich met spijs opvullen. Opzetten : vogels opvullen. Öpvuller, ra. (-s). Opvul-ling, v. (-en). Opvulsel, o. (-s). Opvu Is ter, v. (-s). — opwaaien, eenp. ow. (zijn) Hard, sterk waaien. Waaiend opwaarts

gevoerd worden. Opengaan door den wind.evoerd worden. Opengaan door den wind.

Iw. Opwaarts doen waaien. Waaiende opvoeren. Door waaien openen.

opwaarts, bijw. Omhoog. Naar bo-;ven. Bergop. — Öpzvaarisch, bn.

I — OPZA

opwaoliten, bw. Naar iem. wachten : hij wachtte mij op aan de trap. Plechtig ontvangen : ik zal de eer hebben u morgen op te wachten. Opvuachter, m. (-s). Opwachting, v. — opwaken, ow. (zün) Ontwaken. — ontwakkeren, ow. (zijn) Sterker worden (van den wind). Toenemen. Bw. Aanmoedigen. Opwekken. Opwakke-ring, v. — opwarmen, bw. Weder warm maken. Weder ter sprake brengen : een ouden twist opwarmen. Ouden kost weder opwarmen : telkens over dezelfde zaak spreken. Iem. wat opwarmen : iem. wat wijsmaken. Opwartning, v. — op-wasselien, bw. Door wasschen reinigen : het linnen opwasschen. Lichtjes wasschen. Met water van den grond opnemen : bloed opwasschen. Door wasschen verbruiken .Door wasschen wonden. Opwassching, v. (-en). — opwasaen, ow. (zijn) Opgroeien. Opschieten : tegen iem. opgewassen zijn, hem kunnen weerstaan.

opwater, o. Opperwater.

opwegen, bw. Ophalen. Optrekken. Alles wegen. Iets tegen goud opwegen, er zeer veel voor betalen. — opwekken, bw. Wakker maken. Aanmoedigen. Vroo-lijk maken. Opvuekkelijk, bn. Gevoelig. Aandoenlijk. Opwekkend, bn. Opwek-king, v. (-en). — opwellen, bw. Opgeven. Naar de hoogte voeren. Zachtjes koken. Ow. (zijn) Opborrelen. Driftig worden. Opwelling, v. (-en). — op wen telen, bw. Wentelende naar de hoogte brengen. Opwenteling, v. (-en). — opwerken, bw. Werken (op). Naar boven werken. Met moeite naar boven krijgen. Een schip tegen stroom opwerken. Afwerken. Werkende verbruiken. — opwerpen , bw. Door werpen openen. Driftig openen. Oprispen. Overgeven. Gravende naar boven brengen. Omhoog-werpen. Opperen : eene vraag opwerpen. Aanleggen, maken : eene schans opwerpen. (Zeew.) Opvaren met behulp van werpankers. Zich tegen iem. opwerpen, tegen hem opstaan. Opwerping, v. 1-en). Het opwerpen. Tegenwerping. — opwiegen, bw. Beginnen te wiegen. Grootbrengen. Onderrichten. — opwik-kelen, bw. Opklossen. — opwin«len, bw. Winden (op). Opvijzelen. Ophijschen. Aan den gang brengen : een uurwerk opwinden. Aanzetten. Verschalken. Oforvin-der, ra. (-s). Opwinding,-?, (-en). Op7vind-ster, v. (-s). — opwippen, bw. Met eene wip opwaarts brengen. Ow. (zijn) Met eene wip opwaarts gebracht worden. Haastig opstaan : van zijnen stoel opwippen. De trap opwippen : naar boven loopen. — op-wiMHelien, bw. Opvegen. — opwiMMe-len, bw. Wisselen. Door wisselen verzamelen. Opwisseling, v. — opwitten, bw. Opnieuw witten. Door witten verbruiken. — opwrijven, bw. Door wrijven doen opengaan, wonden, schoonmaken. Doorwrijven verbruiken. Boenen. Opwri/-ving, v. — opwroeten, bw. Loswroe-ten. Opgraven. — opzadelen, bw. Den zadel opleggen. — opzagen, bw. Door zagen openen. Door zagen wonden. Alles zagen. Ow. Slecht bespelen (de viool). -—


ocr page 626

OPZI — 5;

«opznklceii, bw. In zakken doen : tanve opzakken. Heimelijk in den zak steken. ópznkking, v. — opzamelen, bw. Bijeenbrengen. Bewaren tot men veel van «ets heeft. Opnemen : stemmen opzamelen. Opzamelaar, m. (-s). Opzamelaarsfer, v. «-s). Ofizameling, v. (-en). —opzeseeu, bw. Luide oplezen : verzen opzeggen. Uit het hoofd zeggen : eene les opzeggen. Intrekken, herroepen : iem. eenen koop opzegden. Ontzeggen : de huur opzeggen. quot;Wegzenden : eenen dienstbode opzeggen. Opzeg, m. Opzegging. Opzegbaar, bn. Opzegbaarheid, v. Opzegging, v. — opzeilen, bw. Opwaarts zeilen : eene rivier opzeilen. Uitvoeren ; hij zal dit niet kunnen opzeilen. Ow. (zijn) Verder zeilen. — opzenden, bw. Opwaarts zenden. Ergens heen zenden. Naar wal zenden. Opzending, v. — opzetten, bw. Openzetten : eene deur opzetten. In de hoogte zetten : houthoopen opzetten. Zetten (boven of op) : den hoed opzetten. Op het vuur zetten : spijzen opzetten. Beginnen : breiwerk opzetten. Opzwellen : de waterzucht heeft gansch zijn lichaam opgezet. Geregeld plaatsen : kegels of schijven opzetten. Aannemen : eenen knecht opzetten. Aankweeken om te vetten : een varken opzetten. Opvullen : de huid van gestorven dit ren opzetten. Hij heeft zijn koorn moeten opzetten, hij heeft het op de markt niet kunnen verkoopen. Wagen : geld in een spd opzetten. Aanhitsen : den zoon tegen den vader opzetten. Bedriegen : iem. opzetten. Onverwacht komen bezoeken : wij zullen u dezen winter wel eens komen opzetten. Opzet, m. ( ten). Het opgezette. Zeker toestel (bij kanonnen en houwitsers gebruikt). Opzei, o. Beraamd plan. Besluit. Voornemen. Niet met opzet : zonder te willen. Opzeidoos, v. (..zen). Opzettelijk, bn. bijw. Voorbedachtelijk. Opzetter, m. (-s). Opzetting, v.

opziolit, o. Zorg (voor of over). Beheer, bestuur : hij heeft het opzicht over de landen. Menschelijk opzicht : vrees voor bet oordeel der menschen. (-en) Betrekking, aanzien : in dit opzicht, in ieder opzicht, te dien opzichte, ten opzichte (van). Ten opzichte van mij, te mijnen opzichte : ten aanzien van mij, jegens mij. — Opzich-telijk, bn. bijw. Opzichtig.— Opzichtelifk, vz. JSlet opzicht (tot). Ten opzichte (van). •— Opzichtehjkheid, v.— Opzichter, m. (-s). — Opzichtig, bn. bijw. Sterk in het oog loopend. Te veel aandacht trekkend.

— Opzichtigheid, v. — Opzichtster, v. (-s).

opzieden, bw. Opnieuw laten koken. Ziedende koken. — opzien, ow. Omhoog zjen. De oogen opslaan. Van verwondering naar omhoog zien. Opzien, o. Oogopslag. Blik. Veel opzien maken : gerucht maken, veel van zich doen spreken. Opziener, m. ( s). Die het opzicht heeft (over). Op zienersambt,o.Opzie nerspost, m. (- en). Opzienster, v. ( s). — opzUn, ow. (zijn) (Alleen gebiuikt met weglating van een ander werkw.) het brood is op (gegeten).

— opzingen, bw. Beginnen te zingen. JLuid zingen : een lied opzingen. In verzen

2 — ORAN

uitdrukken : 's konings lof opzingen. Op-zinger, m. (-s). —opzitten, ow. (zijn) Opgericht zitten. Zitten (op). Niet in bed zijn. Opblijven. Op de achterste pooten zitten. Iem. doen opzitten, hem tot rede brengen. Zich verneaeren, kruipen. Opzit-ter, in. (-s). Vleier. — opzoeken, bw. Naarstig zoeken (naar). Zoeken en vinden. Wild opzoeken (met honden). Opzoeking, v. (-en). — opzoeten, bw. Gladschaven. Opzoctbeitel, m. (-s). — opzolderen, bw. Op zolder leggen. Op zoldering, v.

Opzoomer i0 (C. IV.), 1821-1892, Rotterdam. Letterkundige, rechtsgeleerde en wijsgeer. Hoogleeraar (Utrecht). De JVeg der Wetenschap (1851); Wetenschap en Wijsbegeerte (1857); t Wezen en de Grenzen der Kunst (1875). — 20 Zijne dochter {A. S. C.) 1856 = Wallis. In dagen van strijd(1877); Vorstengunst (1883).

opzouten, bw. In het zout leggen. Laten liggen : ik zal die balen tabak nog wat opzouten. Opzouting, v. — opzuig-en, bw. Zuigend tot zich nemen. Door zuigen openen. — opzuipen, bw. Gulzig opdrinken. Aan den drank verteren. — opzuiveren, bw. Geheel en gansch zuiveren. — opzuren, ow. Oprispen. — op-zwaalen, ow. (zijn) (Zeew.) Van een vast punt door stroom of wind zwaaien. — opzwabberen, bw. (Zeew.) Met den zwabber schoonmaken. — opzwaipen, bw. Zwalpend opwerpen.— opz weepen, bw. Door slagen met eene zweep harder doen loopen. Met de zweep wonden. Op-zzveeper, m. (-s). — opzwellen, bw. Inzwelgen. Door zwelgen gebruiken. — opzwellen, ow. (zijn) Dikker worden. Zich uitzetten. Uitermate trots worden. Te hoogdravend zijn (van stijl). Van boosheid opzwellen. Opzwelling, v. (-en). — opz wem in en,ow. (zijn) Opwaarts zwemmen.— opzweren, bw. Toeëigenen (met eenen eed).

oraal, bn. Mondeling. Woordelijk, orakel, o. (-s,-en). Godspraak. Plaats, waar de orakels werden gegeven. Zeer wijze man of vrouw. Hij spreekt als een orakel.— Orakelblad, o. (-en). — Orakel-spJ euk, v. (-en).— Orakelstem, v. (-men). — Orakeltaal, v.

orangr-oefangr, m. (-s). Boschmensch. Zeergroute aap {simia satyr us). Bewoont de bosschen van Borneo en Sumatra.

oranje (-s), v. (vrucht); m. (boom). — Oranje, o. Eene der regenboogskleuren. Roodachtig geel. Verf. Naam van het re-geerend vorstenhuis in Nederland. Oranje boven: leve het huis van Oranje. — Oranje, bn. — Orangeade, v. Oranjewater. — Orangisten, iu. mv. Aanhangers van het huis van Oranje. lersche Protestanten. — Ot anjf.achtig, bn. — Oranjeappel, m. (-s, -en). — Oranjebloem, v. (-en). — Oranjebloesem, m. — Oranjeboom, m. (-en). Boom {citrus aurantium), oorspronkelijk in China voorkomende. Is vandaar naar Z.-Europa overgebracht. Levert de oranjeappels op. Aan de takken komen geene doornen voor, waardoor hij zich onderscheidt van de citrus medica, die de citroenen oplevert. Eene variëteitj fLe ci-


ocr page 627

- 573 -

ORDE

ORDE

frus auranUum sinensis, levert den chi-naasappel of de appelsina op. — Oranjedrank, m. — Oranjegezind, bn. — Oranjegezinde, m. en v. (-n). — Oranj'ehnis, o. Huis van Oranje, (..zen) Oranjeiie. — Oranjekisi, v. (-en). — Oranjeklani, m. en v. (-en). Aanhanger van het huis van Oranje. — Oranjekleur, v. — Oranjekleurig, bn. — Oranje kop, m. (-pen). Veenmol. — Oranjelint, o. (-en). — Oranjeman, m. (..lieden). Verkooper van oranjeappelen. — Oratij'enian, m. (-nen). Aanhanger van het huis van Oranje. — Oranjeolie, v. — Oranjeparijj, v. — Oranjepeer, v. (..peren). — Oranjerie, v. (-ën). Tuinhuis. Vertrek voorplanten en gewassen. — Oranje sap, o. — Oranjeschil, v. (-len). — Oranjesnippers, m. mv. — Oranjesirik, m. (-ken). Strik van het oranjelint. — Oranjevaan, v. (..anen).

— Oranjevlag, v. (-gen). — Oranjewater, o. Aftreksel van oranjeschillen.

oi*ant, v. (Plantenk.) Leeuwenbek, orsitic, v. (..ien, -s). Gebed, bede. Redevoering. — Oraiorisch, bn. Redekunstig. — Oraiorimn, o. (-s, ..ia). Geestelijk drama, meestal van bijbelschen inhoud, voor uitvoering door zang en orkest bestemd. Bidvertrek.

orbcren, bw. orberde, heeft georberd. Iets gebruiken, nuttigen om het voor ver-waarloozing of bederf te bewaren.

Orbljfny [d') 1° {A. D.), 1802-1857, Coueron (Loire-Inf.), Fr. natuurkundige.

— 2° Zijn broeder {CA.), 1806-1876, Coueron. Natuurkundige. Diciionnaire uni-versel d'histoire naiurelle.

Orcagrna, 1329-1389, Florence. Schilder, beeldhouwer en bouwkundige.

orclicMtrlum, o. (-s). Orkestorgel. ^ ordaliëu, o. mv. Godsgericht. Zie Proef.

ordo, v. Geregelde toestand. Regeling. Regelmatigheid : bij is een man van orde. Tucht, rust : orde in de school. Een stuk van orde : een administratief stuk. De maatschappelijke orde : de geregelde gang in de maatschappij. Aan de orde komen, volgen. Iets aan de orde brengen, maken dat men er zich mede bezighoudt. Tot de orde roepen. Dat is aan de orde van den dag. Eene motie van orde stellen. Tot do orde van den dag overgaan, (-n) (Bouwk.) Regelmatige samenstelling van uitspringende deelen. Er zijn yijf bouworden : do Toskaanscbe, de Dorische, de Ionische, de Korintische en de samengestelde orde. ('t Is vooral de kolom, die iedere bouworde kenmerkt). Vereeniging van personen, dio onderling door dezelfde regeling en wetten verbonden zijn : kloosterorde. Kloosterorde ; eene door de h. Kerk goedgekeurde vereeniging van geloovigen, die door regelen en wetten onderling verbonden zijn en door de drie eeuwigdurende geloften van armoede, kuischheid en gehoorzaamheid trachten volmaakt te leven. Er zijn vier groote kloosterorden : de orde van den b. Basilius (in het Oosten); de h. Augusti-nus wordt de insteller genoemd van de orde der Augustijnen (de Dominicanen zijn tot deze orde te brengen); de h. Benedictus stichtte de orde der Benedictijnen (later hervormd door den h. Bernardus : worden dan ook Bcrnardijnen genoemd), en de h. Franciscus van Assisi richtte de orde in der Minderbroeders. Onder de dienaars der h. Kerk zijn zeven orden : het Ostia-riaat, het Lectoraat, het Exorcizaat, het Acolytaat, het Subdiaconaat, het Diaconaat en het Priesterdom. Decoration en orden. 10 {België) Het ijzeren kruis (1831) (aan de gekwetsten van 1830); de Leopoldsorde (1832), met zinspreuk « eendracht maakt macht » (eeretitels : ridder, officier, commandeur, grootofficier, grootlint) (voor diensten aan 't vaderland bewezen) ; me' dailies voor daden van moed en zelfopoffering (1818); medaille voor de nijverheid en den landbouw (1847); commemoratiej kruis en medaille (1856) (voor 25 jaar dienst in de burgerwacht of het leger); burgerkruis en medailles (1867) (twee krui-' sen en drie medailles. — Aan ambtenaars


ocr page 628

OREL _ 5;

van gemeente of provincie of Staat. Ook voor moed en zelfopoffering) ; covtmemo* ratieve decoratie (1884) (aan de ambtenaars van het ministerie van binnenland-sche zaken en van spoorwegen) ; militaire kruis (1885) (aan de officieren van bet leger voor 25 jaar dienst); orde der Kroon (1897) (yoor diensten aan 't Afrikaansch beschavingswerk bewezen). 20 {Nederland} De orde van den Nederlandschen Leeuw (1815J, in drie klassen (aan de burgers, die bewijzen gegeven hebben van bcpropfde vaderlandsch liefde) ; de militaire JVil-lems-orde (1815) (v oor moed, beleid en trouw), de Luxemhni'gsclie orde van de Eikenkroon, \vi vijf klassen (voor burgerlijke en militaire diensten en aan uitstekende kunstenaars) ; de orde van den gouden Leeuw van Nassau (1858). De orde van Oranje-Nassau. Het metalen kriiis werd dezen geschonken, die den tiendaagschen veldtocht in 1830 hadden meegemaakt. (Middel.) Geestelijke ridderorden : de leden waren verbonden, naar voorschriften door den Paus bekrachtigd, tot een gedurigen strijd tegen de on-geloovigen, tot het verleenen van gastvrijheid en tot regelmatige godsdienstoefeningen (de orde van Alcantara, van Avis, van Calatrava, de Duitfche orde, de orde der Joannieten en der Tempelheeren). (Nat. gesch.) Zie bijgevoegde l abellen. — Orde-bandy ra. (-en). — Ordelint, o. (-en). — OrdeKeten, v. (-sj. — Or de kruis, o. (-en). — Ordelievend, on. — Ordelievendheid, v. — Ordelijk, bn. bijw. Geregeld naar zekere orde. Die orde volgt. Die geregeld leeft. — Ordelijkheid, v. — Ordeloos, bn. bijw. — Ordeloosheid, v. — Ordenen, bw. ordende, heeft geordend. In orde brengen . schikken. In eene orde opnemen. Wijden '^enen priester). — Ordening, v. (-en). — Ordentelijk, bn. bijw. Wellevend. Fatsoenlijk. Vrij goed. Redelijk. — Ordentelijkheid, v. — Ordeteeken, o. (-s).

order, v. (-s). Bevel. Lastgeving. Regel : alles is in order. (Kooph.) Voor mij aan den heer X. of order, of aan dengene, die hem vervangt. — Orderbriefje, o. (-s). ordinaal, m. (..alen). Lichtglas. ordinair, bn. bijw. Gewoon, gebruikelijk, alledaagsch. Gering. Gemeen.

ordinari», v. (-sen). Opentafel. Gaarkeuken.— OrdinanShouder, m. (-s).

ordinecrcn, bw. ordineerde, heeft geordineerd. De priesterwijding geven. — Or din at ie, v. (..iën, -s).

ordonncereii,bw. ordonneerde,heeft geordonneerd. Bevelen. Gelasten. Gebieden. Verordenen. Voorschrijven. — Ordonnans, m. (-en). Krijgsbode. Dienstwacht. — Ordonnantie, v. (..iën, -s). Schikking:, regeling. Bevel, gebod, voorschrift. Aanleg, samenstelling : de ordonnantie eener schilderij. Dienstwacht (van eenen krijgsoverste). — Ordonnatetir, m. (-s). Opziener. Verordenaar.

oreeren, ow. oreerde, heeft georeerd. Eene redevoering houden.

ore co, v. Soort van grove marjolein : origanum vulgare.

orelliue, v. Zie Orleaan.

t — ORIO

oreinns = Laat ons bidden. Hetisdaai) oremus : het is daar jammerlijk gesteld. 1

oreraan, o. (..anen). Zintuig.Tusschen-komst, bt middeling, tolk. — Organiek, organisch, bn. Bewerktuigd, zintuigelijk, levendig. Inrichtend, werkstellig makend,' in voege brengend. — Organiseet en, bw.' organiseerde, heeft georganiseerd, bw. Inrichten. Tot stand brengen. In voege brengen. Vormen. — Organisatie, v. (..iën, -s). Inrichting : de organisatie van den Staat. Samenstelling : de organisatie der planten. Bewerktuiging. — Organisme, o. (-n). Bewerktuiging, samenhang der dee-len van een geheel.

orgreade, v. Gerstedrank. Amandelmelk.

orgel, o. (-s, -en). Toonwerktuig. Bestaat uit eene vereeniging van blaasinstrumenten, die in den vorm van groote en kleine pijpen op windladen staan en geluid geven, wanneer zij door geopende kleppen toevoer van lucht ontvangen. In 't algemeen elk instrument, dat op deze wijze toon geeft: draaiorgel, straatorgel. — Organist, m, (-en). Orgelist. — Orgelblaasbalg, m. (-en). — Orgelblazer, m. (-s). — Orgelconcert, o. (-en), — Orgeldeur, v. (-en). — Orgeldraaier, m. (-s). — Orge-len, orgelde, heeft georgeld. Bw. Op het orgel uitvoeren. Ow. Het orgel bespelen. Zingen (van vogels). — Orgelgeschut, o. Oud geschut, waarbij op een en hetzelfde affuit verschillende loopen vereenigd waren. — Orgelist, m. (-en). Orgelspeler. — Orgelkast, v. (-en). — Orgelkist, v. (-en),

— Orgelklank, m. (-en). — Orgelklavier, o. (-en). — Orgelkoor, o. (..oren). — Or-gellood, o. — Orgelmaker, m. (-s). — Orgelmuziek, v. en o. — Orgelpijp, v. (-en). — Orgelpunt, o. Aangehouden bastoon, waarboven eene opeenvolgende 1 eeks akkoorden voortgaat, waarvan slechts het eerste en het laatste met dien aangehouden toon in harmonische betrekking behoelt te staan. Teeken (/T\) boven eene noot geplaatst, aanduidende, dat die noot langer aangehouden moet worden dan haar volgens hare waarde toekomt. — Orgelregister, o. (-s). — Orgelspel, o. — Orgelspeler, m. (-s). — Orgeltoon, m. (..onen).

— Orgeltrapper, m. (-s). — Orgeltreder, m. (-s).

orgie, v. (-n). Braspartij. Slemperij.

oriënt, o. Het Oosten. Morgen. — Oriëntaal, bn. Oostersch. — Oriëntalist, m. (-en). Kenner van Oostersche talen. — Onënteeren {zich), ww. oriënteerde zich, heeft zich georiënteerd. Zich oostwaarts keeren. Den weg herkennen. Naar den weg zoeken. Berichten inwinnen.

origineel, bn. bijw. Oorspronkelijk. Eigenaardig. Zonderling. — Origineel, o. (-en). Oorspronkelijk stuk. Oorkonde. Zonderling mensch. — Originaliteit, v.

Origene», 185-254, Alexandrië. Kerkvader. Bib Hor um tretrapla, exapla, oc-tapla.

oriinl»aar, orinbaar, m. (..aren).

Jong matroos.

Orion, m. Het schoonste en schitterendste gesternte, tusschen den noordelij-


ocr page 629

ORTO — 575 — OS

ken en zuidelijken hemel, aldus geheeten naar een reusachtigen held en grooten jager uit de Grieksche raj-thologie.

orkstan, m. (..anen). lievige stormwind.

orkest, o. (-en). Plaats der muzikanten (of z.mgersi, bij de uitvoering van muziekstukken. De uitvoerders zei ven. — Orkest-directeur, m. (-en). — Orkestmeester, m.

(-s). — Orkestorgel, o. (-s). Orgel, dat de plaats van een volledig orkest vervangt. —

Orkestpartij, v. (-en). — Orkeststuk, o.

(-ken).

o. Weeke, kneedbare, bruin-roode massa. De kleurstof heet orelline.

orloaiiM, o. Zeker geweven stof (voor vrouwenkleeding).

orii:*at, o. Plechtgewaad. Priesterkleed. — Ornament, ornement, o. (-en).

Sieraad. Versiersel. Opschik. Tooi. Versiering. — Orneeren, bw. orneerde, heeft georneerd. Versieren. Tooien. Opschikken.

Orpiiciis. Een der oudste en beroemdste Grieksche zangers. De Sage verhaalt van hem, dat hij door zijne lier leeuwen en tijgers tt mde, rotsen en steenen bewoog.

Ortelius of OrtclH {A»), 1527-1598,

Antwerpen. Aardrijkskundige. Theatriirn or bis terrarnm (f570).

orlliodox, bn. Rechtzinnig. Rechtge-loovig. — Orthodoxe, m. en v. (-n). Rechtzinnig.». Rechtgeloovige.— Orthodoxie, v.

orf liog-rapliic, v. Kunst om wel en ■juist te schrijven, (-en). Opstand (van een gebouw). — Orthographisch, bn.

oriolaaii, m. (..anen). Vogel [embe-riza hortulana), tot de familie der vinken beLoorende. Bewoont de zuidelijkste dee-

Os.

a. A'quot;/. b. IVang. c. Halsstuk. d. A ch ter ha Isstu k. e. Middelstuk, f. Achterste bo^enschouderstuk. g. Mergpijp, h. Borsts/uk. i. Schenkel. k. Kniestuk. 1. Buikstuk, m. Platte ribben, n. Stuk van de onderste lende. o-p. Haas, spirrstuk. q r. Lendenstuk, s. Staartstuk, t. Bilstuk. u. A ch tervieren deel. — De cijfers duiden de hoed.i nig heid van hel vleesch aan.

len van Europa, voornamelijk de kusten langs de Middell.-Zee. Doch stijgt ook zeer ver noordelijk. Wordt voor eene lekkernij gehouden.

os, m. (-sen). Gesneden stier. Domoor, ezelskop. Van den os op den ezel springen : geene streek houden in hetgeen men zegt of schrijft. — OssefnJdrek, m. — Ossegal, v. — Ossegebraad, o. — Osse-klauw, m. (-en). — Ossekop, m. (-pen). — Osselapjes, o. mv. — Ossefnjleer, o. — Osse(n)leeren, bn. — Osselever, v. (-s).

— Oss''(nJmerg, o. — Ossetnest, m. — Ossemuil, m. (-en). — Ossenbloed, o. — Ossenbreker, m. (-s). Stalkruid. —- Ossen-dooder, m. (-s). Zeer vergiftig insect. — Ossen drift, v. (-en). Een aantal ossen bij elkander. — Ossendrijver, m. (-s). — Os-senek, m. (-ken). — Ossengeslacht, o. — Ossenhaar, o. — Ossenhaas, m. (..zen),

— Ossenhals, m. (..zen). — Ossenhandcl, m. — Ossenhandelaar, m. (-s). — Ossen-harst, m. (-en). — Ossenhoorn, ..horen, m. (-s).— Ossenhuid, v. (-en). — Ossen-koop, m, (-en). — Ossenkooper, m. (-s). — Ossenmarkt, v. (-en). — Ossenoog, o. en v. (-en). — Ossenoor, o. en v. (-en).— Ossenpikker, m. (-s). Geslacht {buphaga) van vogels. Behoort tot de spreeuwachti-gen. De gewone ossenpikker {b. africand) heeft de grootte van eene lijster. Leeft in 't Zuiden van Afrika. — Osse(n)stront, m.

— Osse(n)vleesch, o. — Ossenweide, v. (-n). — Ossenweider, m. (-s). — Ossepens, v. (-en). — Osserib, v. (-ben). — Osse-snuit, m. (-en). — OasefnJstal, in. (-len).

— Ossetand, m. (-en). — Ossetong, v. (-en). Tong van cenen os. Ruwbladige

ocr page 630

OUD — 57

plant {anckusa officinalis). Komt bij ons vooral op drooge gronden voor. — Osse-voet, m. (-en). — Os se wag en, m. (-s). _

Os {J. van), 1741-1808. Holl. schilder van stillelevcns.

oscillccrcn, ow. oscilleerde, heeft geoscilleerd. Schommelen. Slingeren. Zwaaien. — Oscillatie, v. (..iën, -s).

osiiiiiini, o. Mt't.'ial, waarvan het platina gewoonlijk vergezeld is. Werd ontdekt doorTennant (180^.

OHsian. Keltische bard in Schotland. Leefde in de 3® eeuw. Was een zoon van den krijgshaftigen koning Fingal. Had eenen zoon Oscar, die in het veld sneuvelde en welken bij in treurliederen herdacht. Gedichten : Fingal (heldendicht) ; Tetnora (heldendicht).

OstsMlc {va?i) i0 (//.), 1610-1685, Haarlem. Schilder van volks- en boerentoonee-len. Het boerengezin ; de Kegelspelers; de Boerendans. — 20 Zijn broeder (/.), 1621-1649, Haarlem. Schilder van landelijke tooneelen. De Reizigershalte aan de poort eener afspanning; de Halte ; toe-gevrozen Vaart in Holland.

ostentatio, v. Praalzucht. IJdelheid. Pronkerij. Grootspraak. Pocherij.

ostiariaat, o. Eene der vier lagere orden in de h. Kerk. Geeft de macht den tijd der kerkelijke bijeenkomsten aan de geloovigen bekend te maken, de klokken te luiden, het huis Gods te openen en te sluiten en dezen die geen deel mogen nemen aan de goddelijke diensten buiten te houden.

ostracismc. o. Schervengericht: gericht, waarhij men op scherven den naam schreef (inz. te Athene) van dezen, dien men wilde verbannen. Het streng weren van iets of iem.

Otfried. Waarschijnlijk een Franken-lander. Schreef als monnik (Benedictijn) eene dichterlijke Harmonie der Evangeliën of levensbeschrijving van Jesus Christus (5 boeken, 868).

otter, m. (-s). Verscheurend zoogdier {lutra vulgaris). Behoort tot de marter-achtigen. Heeft zwemvliezen- tusschen de teenen. Voedt zich met visch, enz. Komt in vele rivieren van Europa en Azië voor. Hij ziet zoo scheel als een otter : hij is zeer scheel. — Otter haar, o. — Ottervanger, m. (-s). — Ottervangst, v. — Ottervel^ o. (-len).

ottomane, v. (-sj. Turksch rustbed. — Ottomanisch, bn. Turksch.

oubollifi:, bn. Toornig. Zonderling, ond, bn. Een zekeren leeftijd hebbende: dit kind is zes dagen oud. Niet jong, bejaard, een hoogen leeftijd hebbende : hij is tachtig jaar oud. De hooge leeftijd, ouderdom : voor den ouden dag zorgen. Eeni-gen tijd durende, bestaande en als degelijk gebleken : uit oude vriendschap. Een oude vriend, op wien men zich kan verlaten. Iem. van den ouden stempel, in hooge mate degelijk. Ervaren : een oud zeeman. Niet jong: oude wijn. Geruimen tijd bestaande : eene oude stad. Niet nieuw : oude boeken. Min of meer versleten : oude ^leeren. Niet versch : oud brood. Vroe-

— OUD

ger : in den goeden ouden tijd, de oude mode. Reeds bekend : dat is oud nieuws. Wat vroeger bestaan heeft : de oude volken. Oude talen en letteren, inz. der Grieken en der Romeinen. De oude geschiedenis : de wereldgeschiedenis tot den ondergang van het Westersch Romeinsche rijk. Een oud woord, in onbruik geraakt. Het Oude Testament, zie Testament. De oude wereld. Een oude schelm : een doortrapte schelm. Een oude zondaar : iem., die in de zonde verhard is. Mijn oude heer : mijn vader. Zijne oude vrouw : zijne moeder. Uwe oude lui : uwe ouders. Eene ouwe ziel : een oud vrouwtje. Men moet geen oude boomen verplanten. Hij ging zijn ouden gang. Op den ouden voet voortgaan.

— Oudachtig, bn. — Oudbakken, bn. — Oudburgetneester, m. (-s). Gewezen burgemeester. — Oudduitsch, bn. — Oud-duitsch, o. — Oude, m. en v. (-n). — Oudejaar, o. Laatste dag des jaars. — Oude~ jaarsavond, m. (-en). — Oude-kleeren-markt, v. — Otide-kleerkoop, m. (-en).

— Oude-kleerkooper, m. (-s). — Oude-kle er koopster, v. (-s). — Oude-kleerkoo-perij, v. — Oude-manncnhuis, o. (..zen).

— Öudemarkt, v. (-en). — Ouderdom, m. Verloopen jaren. Ouderdom van de maan : getal dagen, sedert de nieuwemaan verloopen. — Ouderdomskwaal, v. (..alen). — Ouderen, m. mv. — Oziderhart, o. — Ouderhuis, o. — Ouderliefde, v. — Ouderlijk, bn. — Ouderling, m. (-en). — Ouderlingenbank, v. (-en).— Ouderlingschap, o. — Ouderloos, bn. — Oridermin, v. — Ouderpaar, o. — Oudf*'s, ouderen, m. mv. Vader en moeder. (Wordt ook in 't enkelv. gebruikt : een ouder kan veel verdriet hebben van een kind). — Ouder-vreugd(e), v. — Ouderwets, bijw. Naar den ouden trant. — Ouderwetseh, bn. — Ouderwetsch he id, v. — Oude-vodden-kooper, m. (-s). — Oude-vodde*ikoopster,. v. (-s). — Ou de-voddenmarkt, v. (-en). — Oude-vrouwenhuis, o. (..zen). — Oudewijvenpraat, m; — Oudg^st, m. (-en). Iem., die lang in Indië gewoond heeft. Conservatief in de Oostindische politiek.

— Oudgasterij, v. Conservatisme in de Oostindische politiek. — Oudgediende, m. (-n). — Oudgrootmoeder, v. (-s). — Oudgrootvader, m. (-s). — Oudheid, v. Ouderdom. Toestand van iets, dat zeer lang bestaan heeft. Lang verleden tijd. (..heden) Voorwerp, uit de oudheid tot ons gekomen. — Oudheidbeminnaar, m. (-s). — Oudheidkenner, m. (-s). — Oudheidkunde, v. — Oudheidkundige, m. (-n). — Oudheidschrijver, m. (-s). — Oudhollandsch, bn. — Oudhollandsch, o. — Oudje, o. (-s). Oude man of vrouw. Oudjes : ouders.— Oudmoei, v. (-en). — Oudnederlandsch, bn. — Oudneder-landsch, o. — Oudnoordsch, bn. — Oud-no or dsch, o. — Oudonkel, m. (-s). — Oudoom, m. (-s). — Oudouderling, m. (-en).— O udovergroot modder, v. (-s). — Oudovergrootvader, m. (-s). — Oudroestr o. Oude, versleten ijzeren voorwerpen. — Oudroest, m. Op- en verkooper van oudroest. — Oudroestverkooper, m. (-s). —


ocr page 631

OVER — 5:

Ouds {van), bijw. uitdr. Lang geleden {vanouds verdient de voorkeur). — Oudste, m.^-n). — Oudtante, v. (-s). — Oudtijds, bijw. Voorheen. Eertijds. In vroeger dagen. — Oudvader, m. (-s). Aartsvader. Kerkvader. — Oudvaderlyk, bn. Zeer oud. — Oudwyfsch, bn.— Oultngs, bijw. Eertijds. — Ouwe, m (-n). (Zeew.) Kapitein (aan boord). Vader. Patroon. — O'i-uoelyk, bn. Oudachtig. Met een oud voorkomen.

Oudaan (y.), 1628 1692, Rijnsburg. Treurspeldichter.J4«wlt;? Gray (1648}; Haag-sche broedermoord (1672).

Oiilt;louisiii8 [A. C.), 1798-1874, Dordrecht. Schoolopziener. Gemengde taalkundige bijdragen en bedenkingen (1845); Bijdrage tot een Middel- en Oud-Nederlandse h Woordenboek (i869-,74).

outaar, o. (..aren), outer, o. (-s). Altaar.

ouverture, v. (-n, -s). (Muz.) Voorspel. Openingstuk.

Ou water (.4. z/aw). De eerste Holland-sche schilder. Men gelooft, dat hij tijdgenoot was der van Eyck's. Landschappen.

ouwel, m. (-s). Dun gebak, bestaande uit bloera en water en dienende tot bodem voor suikergebak. Omhu sel voor zeker geneesmiddel. Middel om brieven, enz. dicht te maken. Hostie. — Ouwelbakker, m. (-s). — Ouweldoos, v. (..zen). — Ouwelen, bw. ouwelde, heeft gcouweld. Met eenen ouwel sluiten. — Ouwelkan, v. (-nen). — Ouwelkastje, o. (-s).

ovaal, bn. Eivormig. Eirond. — Ovaal, o. ( .alen). Figuur, dat een ovalen vorm heeft.

Ovarium, o. (..ia). Eierstok. Vruchtbeginsel.

ovatie, v. (,.iën, -s). Eerbetooning. Openbare hulde.

oven, m. (-s). Beslotene ruimte om iets in te bakken. Stookplaats. Haard. Kachel. Tegen eenen oven gapen : spreken zonder aangehoord te worden. Dit gaapt als een oven : dit is geheel onwaarschijnlijk. — Ovendeur, v. (-en). — Ovendweil, v. (-en). — Ovengaffel, v. (-s). — Overgaf, o. (-en). — Ovengebak, o. — Ovenhout, o. — Ovenhuts, o. (..zen). — Ovenkoek, m. (-en).— Ovenkrabber,m.. (-s). — Ovenpaal, m, (..alen).— Ovenplaat, v. (..aten). — Ovenschop, v. (-ptn). — Ovenstok, m. (-ken).— Ovenwisch, v. (..sschen).

over, m. (-s). (Zeew.) Spoor van eenen boegspriet.

over, vz. Overheen, op : een tapijt over de tafel spreiden. Boven: het onweer hangt over de stad. Langs : van Antwerpen over Mechelen naar Brussel. Aan : over iets bezig zijn. Aan gene zijde (van): over de rivier, van den eenen naar den anderen kant : over de straat loopen. Binnen : over twee weken. Gedurende : over den maaltijd. Meer dan : over de helft. Van : over alle dingen spreken. Hals over kop : door elkander. Over de kling laten springen : dooden met het zwaard. Tot over de ooren in de schuld zitten : overgroote schulden hebben. Iets over zijn hart laten gaan, er niet aan denken. Over aarde liggen ; nog

'— OVER

niet begraven zijn. God laat zijne zon opgaan over boozen en goeden. Bijw Tegenover : hij woont hier vlak over. Naar de andere zijde : den dijk over. Overig : geld over hebben. Beschikbaar : als ge een uurtje over hebt. Meer dan genoeg : te over. Voorbij : het onweder is over. Over en weer. De stad is over (gegaan), overaardig:, bn. bijvv. Zeer aardig, overacleiuen , overasemen (Onsch)bw.Zijnen adem laten gaan (over).

overal, bijw. Op alle plaatsen. — Overal, tw. (Zeew.) Om te wekken 's morgens. Overal houden : de bemanning op het dek doen blijven ('s nachts). Overal maken : gereedmaken.— Overalomfegen-woordig, bn. — Over a lomtegenw oor digit e id, v. — Over a ltegen w oor dig, bn. — Overaltegenwoordigheid, v.

overalpiHOli, bn. Aan gene zijde der Alpen.

overaii«ler, bn. Beurtelings een van twee. — Over ander 1 enj daag s, ..dagsch, bn. Anderdaagsch.

overazeu (Onsch.) bw. Te veel aas geven. Zich over azen, ww. Te veel eten.

— overbabbelen (Sch.) bw. Vertellen wat niet raag verteld worden. Kwaadspreken. (Onset.) Bw. Door babbelen overschreeuwen of tot zwijgen brengen. Over-babbeling, v. — overbagrirereu (Sch.) bw. Opnieuw baggeren. Zich overbagge-7-en (Onsch.) wvv. Door baggeren vermoeien, enz. — overbaklifii (Sch.)bw, Meer bakken dan noodig is. Opnieuw bakken. — overbalsemeu (Sch.) bw. Balsemen. Opnieuw balsemen.

Overbeek {J. F.), 178918Ó0, Lübeck. Schilder van tafereelen uit de Biibelsche geschiedenis. Grajlegging van Christus (1845).

overbed, o. (-den). Dekbed, overbeeu, o. (-deren). Beenachtig uitwas.

overbekend, bn. Zeer bekend. Overbekendheid, v. — overbeleefd, bn.

bijw. Overbeleefdheid, v. — overbe-Hlt;*liaafd, bn. Overbeschaafdheid, v. — overbevolkt, bn. Overbevolking, v.

— overbezig:, bn.

overbidden (Sch.) bw. Opnieuw bidden.— overbikken (Sch.) bw. Opnieuw bikken. — ««verbinden (Sch.) bw. Over iets heen binden. (Onsch.) Bw. Bindend bedekken (raet). Over binding, v. — over-blatlen (Onsch.) bw. Harder blaffen (dan). — overblsizen (Sch.) bw. Nog eens blazen. (Onsch.) Bw. Blazend overdekken (metbladgoud,enz.). Overblazin^, v. — overbleeken (Sch.) bw. Opnieuw bleeken.

overblU, overblüde, bn. Zeer blij. overblüven (Sch.) ow. (zijn) Ongebruikt blijven. Blijven bestaan. Niet op tijd naar huis gaan. Ergens vernachten. Overleven. Overblijfsel, o. (-s, -en). Overblijver, m. (-s). — overbluften (Onsch.) bw. Met scherpe woorden tot zwijgen brengen. Overbluffing, v. (-en).

overbodig, bn. bijw. Meer dan noodig is. Te veel. Overtollig. Meer dan geboden is. — Overbodigheid, v. (..heden).


ocr page 632

OVER — 57

ovorboeken (Sch.) bw. Op een ander boek schrijven. Ove?-boektng, v. (-en). — orerboeuen (Sch.) bw. Opnieuw boenen.

ororboord, bijw. Overboord vallen, werpen : van 't schip vallen, werpen. Het is overboord : het is verloren.

orerbordureu (Sch.) bw. Opnieuw borduren. — ovorborreleii (Sch.) ow. (zijn) Overloopen. Overstroomen. Over-borrelingy v. — overborstelou (Sch.) bw. Opnieuw borstelen. — overboHsen (Sch.) bw. Opnieuw bossen. Beter bossen. — OTerbotercn (Sch.) bw. Opnieuw boteren. — OTerbotsen (Sch.) ow. (zijn) In zekere richting botsen. — overbouwen (Sch.) bw. Opnieuw bouwen. (Onsch.) Over iets heen bouwen. — overbradeu (Sch.) bw. Opnieuw braden . — overbraudeu (Sch.) bw. Opnieuw branden. — overbrsisfien (zich) (Onsch.) ww. Zich door brasserij ziek maken. Overbrassintr, v. — ovor-broenu-eu (Sch.) bw. Opnieuw breeu-wen. Overbreeuwingy v. — o verb releu (Sch.) bw. Opnieuw breien. Steken van de eene naald op de andere breien. — over-bronsreu (Sch.) bw. Naar iera. brengen. Boodschappen. Bekendmaken. Aan den dag brengen. Ontdekken. Overvoeren. Berichten door telegraal of telephoon. Vertalen. Lijden : hij heeft al wat overgebracht. Overbrenger, ra. (-s). Overbrenging, v. (-en). Overbrengster, v. (-s). — overbrieven (Sch.) bw. Door raiddel van eenen brief bekendmaken, raededeelen. Vertellen. Inz. schriftelijk verklikken. Overbrief ster, v. (-s). Overbriever, ra. (-s). Overbrieving, v. (-en).

overbroeb, v. 1-en). Bovenbroek, overbrouwen (Sch.) bw. Voor de twerde maal brouwen. — overbrucsen (Onsch.) bw. Eene brug over iets heen bouwen. Overbrugging, v. (-en). — over-bruiKen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Bruisend overloopen. — overbiiigen (Sch.) bw. Naar eene zijde krombuigen. Ow. (zijn) Naar eene zijde gebogen worden. Overbuying, v. (-en). — overbultelen (Sch.) ow. (hebben, zijn) O vertuimeien. — Averbukken (Sch.) ow. Over iets bukken. — overbusaelen (Sch.) bw. Opnieuw in bossen binden.

overbuur, ra. ( .uren). Buurman aan de overzijde. — Overbuurman, ra. (-nen), overellferen (Sch.) bw. Opnieuw cijferen.

overcompleet, bn. Meer dan compleet. Overtallig.

overdaad, v. Meer dan genoegzame hoi veelheid. Verkwisting. Weelde. Onmatigheid. — Overdadig, bn. bijw. Verkwistend. Onmatig. Buitensporig. — Overdadigheid, v.

overdansen (Sch.) bw. Dansend herhalen. Dansend heengaan (over). Zich cverdansen (Onsch.) ww. Te veel dansen. — overdeelen (Sch.) bw. Opnieuw dee-len. Over dee ling, v.

o ver dek en, ra. (-s). Opperste deken, overdekken (Onsch.) bw. Van boven dekken. Geheel bedekken. Overladen :

5 — OVER

iera. raet schaamte overdekken. Overdek, o. (-ken). (Zeew.) Bovendek. Overdekking,-^. (-en). Overdeksel, o. (-s).— overdenken (Onsch.) bw. Bepeinzen. Overwegen. Nadenken. O ver denk er, ra. (-s). Overdenking, \. (-en).

o verdeur, v. (-en). Deur, tegenover eene andere.

overdikken (Onsch.) bw. Dikker maken (van letters). Over dik, bn. Te dik. Meer dan dik genoeg. — o verdobbelen (Sch.) bw. Opnieuw spelen (eene partij met het dobbelspel). — overdoen (Sch.) bw. Opnieuw doen. Overlaten (wat men gekocht heeft). (Onsch.) Bw. Overdekken : iets raet eene stof overdoen.— o verdoezelen (Sch.) bw. Opnieuw doezelen. Overdoezeling, v. — overdoopen (Sch.) bw. Opnieuw doopen.— overcfor-selieu tSch.) bw. Opnieuw dorschen. Zich over dorschen (Onsch.) ww. Over-dorsching, v. — overdragen (Sch.) bw. Dragend overbrengen. Overbrengen (van het eene boek op het andere). Afstaan. Oververtellen, verklikken. Zich overdragen (Onsch.) ww. Zich door te lang dragen nadeel doen. Overdracht, v. (-en). Het overdragen. Overdrachtelyk, bn. bijw. FigxiurUjk.OneigenWik.Over'Srachtsbrief, ra. (..ven). Overdrager, ra. (-s). Over-draagster, v. (-s). Overdrawing, v. (-en). — overdraven (Sch.) ow. (hebben, zijn) Dravende gaan (over). — overdribbe-len (Sch.) ow. (hebben, zijn) Dribbelende over (iets) heen gaan. — overdrente-len (Sch.) ow. (nebben, zijn) Zeer langzaam gaan (over). — overdrUveii (Sch.) bw. Over iets en naar de overzijde drijven. Ow. (zijn) Naar de overzijde gedreven worden. (Onsch.) Voortdrijven. De grenzen der waarheid, deir billijkheid, enz. te buiten gaan. Vergrooten. Overdreven, bn. bijw. Meer dan werkelijk is. Vergroot. Buitensporig. Uiterst. Overdrevenheid, v (..heden). Over drijver, ra. (-s). Overdrijving, v. (-en). — overd rinkeu (zich) (Onsch.) ww. Zich in den drank te buiten gaan.

overdroevigr» bn. Zeer droevig, overdrogen (Sch.) bw. Opnieuw drogen. — Overdroo •, bn. Zeer droog.

overdruk, bn. Te veel bezigheden hebbende.

overdrukken (Sch.) bw. Drukken (op). In zekere richting drukken. (Onsch.) Bw. Over iets drukken. — Overdruk, ra. (-ken). Afdruk, inz. van een opstel, uit een tijdschrift, enz.

overduidelijk, bn. bijw. Zeer duidelijk.

overduivelen (Onsch.) bw. Overbluffen.

overdun, bn. Zeer dun. — over-duurzaam, bn. Zeer duurzaam.

o verduwen (Sch.) bw. Van de eene zijde naar de andere duwen.

overdwars, bn. bijw. Dwars. lem. overdwars aanzien : iera. raet minachting aanzien.

overdwarsen (Onsch.) bw. Dwars-boomen. Belemmeren. — overdweilen (Sch.) bw. Opnieuw dweilen.


ocr page 633

OVER — 5

overeen, bijw. Over elkander. Op •elkander. Eensgezind. — Overeenbrengen (i), bw. Doen overeenstemmen. Het verschil wegnemen. — Overeenkomen^ ow. (zijn) Het eens zijn of worden. Afspre-ken. Gelijk zijn (aan). Geschikt, gepast zijn. Overeenkomend, bn. Overeenkomst, v. (-en). Het overeenkomen. Afspraak. Regeling. Verdrag. Overeenstemming. Eensgezindheid. Övereenkomsiig, bn. bijw. Overeenkomsiigheid, v. — Overeenstemmen, ow. Dezelfde stem, denzelfden toon hebben. Gelijk zijn (aan). Bij elkander behooren. Van hetzelfde gevoelen zijn. Overeenstemmend, bn. Overeenstemming, v.

ovorcerg-istereii, bijw. Den dag voor eergisteren.

overeeriyic, bn. Zeer eerlijk, overeestcn (Sch.) bw. Opnieuw eesten. — overegKou (Sch.) bw. Opnieuw eggen. Overegging, v.

overeind, bijw. Rechtop, op een der uiteinden : overeind staan.

overelsclieit (Onsch.) bw. Te veel eisrhen. Overeischer, in. (-s). Overei-sching, v. (-en). Overet'schster, v. (-s). — overenteu 'Sch.) bw. Opuicuw enten, overenmtlg-, bn. Zeer ernstig, overerven (Sch.) ow. (hebben, zijn) JBij erfenis overgaan. Overerving, v. — overeten {zien) (Onsch.) ww. Te veel eten. — OTeretAcn (Sch.) bw. Opnieuw etsen.

overfijn, bw. Zeer fijn. overflonkereu (Onsch.) bw. In glans overtreffen. •— overflisisteren (Sch.) bw. Zeer stilletjes iets oververtellen. — ovei-flnilen (och.) bw. Opnieuw fluiten. Nog eens spelen (op de fluit). (Onsch.) Bw. Harder fluiten dan een ander. Zich over-/luiten, ww. Te lang of te hard fluiten, — ovorfoellën (Onsch.) bw. Met foelie bedekken.

overforsoli, bn. bijw. Zeerforsch. — overfrnal, bn. bijw. — overfriaeli, ba.

overgaan (Sch.^ ow. (zijn) Zich van 4e cene naar de andere plaats begeven. Van de eene naar de andere zijde overzak-ken. Verdwijnen, ophouden : hetonweder ging weldra over. Overgehaald worden en daardoor geluid geven : de bel gaat niet over. In zekeren toestand geraken : tot bederf, tot verrotting overgaan. Steiven : tot een beter leven overgaan. Aannemen : tot iemands gevoelen overgaan. Een ander gevoelen aannemen. Van iets beginnen te spreken : wij zullen tot wat anders overgaan. Overloopen ; lot den vijand overgaan. De stad is tot den vijand overgegaan. Eene straat, eene brug, enz. overgaan. (Onsch.) Bw. Al gaande voorbijstreven . hij overging mij aan dö kerk. Overstrijken : de tafel overgaan met eenen doek. Lezen : hij moet zijne les maar twee maal overgaan om ze te kennen. Afrossen : iem. met

(i) De samengestelde werkwoorden met overeen zijn scheidbaar.

9 — OVER

eenen stok overgaan. Streng berispen : ge moet dien jongen eens overgaan. Zich overgaan, ww. Zich door veel gaan vermoeien. — Overgang, m. (-en). — Over-gangsexa?nen, o. (-s) — Overgangsjor-matie, v. (-s). Zekere lagen der aardkorst.

— Overgangsgebergte, o. (-n). Gebergte, hoofdzakelijk uit kalk en gips bestaande.

— Overgangskalk, v. Kalk, uit de overgangsgebergten. — Ove jga nQsmaatregel, m. (-en, -s). — Overgan^sfinnt, o. (-en).

— Overgangsrecht, o. — Overgangstijdperk, o. (-en). — OverganQS7lt;oi'm, m. (-en). — O verg a nkehjk, bn. (Spraakk.) Overgankelijk werkwoord.

overgjaar, bn. bijw. Te gaar. overval in on (Onsch.) ow. Harder galmen. — ovcrgrjipon (Onsch.) bw. Wijd genoeg Rapen om iets in den mond te krijgen. Zich over gapen, ww. Te wijd gapen. — overvaren (Sch.) bw. Door vergaren overhouden.

overjranw, bn. Zeer gauw. —over-Redien.stigr, bn. — overgedwee, bn. bijw.

overgegeven, bn. Ter hand gesteld. Bn. bijw. Boos. Slecht. — OvetgegeTen-heid, v.

overgelag, o. (-en). Nagelag. overgelukkig bi. Zeer gelukkig.— overgonoeg, bijw. Meer dan genoeg.

overgeven (Sch.) bw. In iemands handen of macht stellen : eenen brl f, eene stad overgeven. Overreiken : geef mij het vleesch eens over. Afstaan: zijn recht overgeven. Overlaten om te vonnissen : eene zaak aan een schrander man overgeven. Braken (dan ook ow.). Zich overgeven, ww. Zich overwonnen bekennen. Zich verslaven (aan). — Overgaaf, overgave, v.

— Overgeving, v. (-en).

overgevoelig, bn. Zeer gevoelig. —

Overgevoeligheid, v.

overgewicht, o. Meer dan het ver-eischte gewicht.

overgierig, bn. Zeer gierig, overgieten (Sch.) bw. Gieten van het eene voorwerp in het andere. Door gieten doen overloopen. Opnieuw gieten. (Onsch.) Bw. Overal gietend bedekken : de planten overgieten. Van hetzelfde nat overgoten zijn : gelijk de anderen zijn. Zich overgieten, ww. Te veel gieten. Overgiet^ntjjier, m. (-s). Overgieting, v. — overgipHen (Sch.) bw. Opnieuw gipsen. (Onsch.) Bw. Geheel met gips bestrijken. —overglO-den (Sch.) ow. (zijn) Glijden (over). Naar éene zijde glijden. — overgloeien (Sch.) bw. Opnieuw doen gloeien.

overgoed, bn. bijw. Zeer goed. o vergoed, o. Bovenkleeren. overgolven (Onsch.) bw. Golvend overstroomen. Golfswijze overgieten. — overgoninien (Sch.) bw. Opnieuw gommen. (Onsch.) Bw. Met gom overdekken.

— overgooien Sch.) bw. Gooien (ov«r). Naar deze zijde gooien. — o verg m vee-ren (Sch.) bw. Opnieuw graveeren. — o vergraven (Sch.) bw. Opnieuw graven. Zich overgraven (Onsch.) ww. Door graven vermoeien, enz. — overgrUpcn (Sch.) ow. Op viool, enz. dc hand over do


ocr page 634

OVER — 5!

greep reiken om sterker en hooper tonen voort te brengen. (Onsch.) B\v. Grijpende omvatten. — over prooien (Onsch.) Lnv. Groeiende overdekken. — ovcrjffron-d«n (Sch.) bw. Opnieuw eene grondverf strijken (over).

overgroot, bn. Zeer groot. — Over-grootynreder* v. (-s). Grootvaders of grootmoeders moeder. — Overgrootouders, m. mv. — Overgrootvader, m. (-s).

ovcrguiftcii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Vlieten (van water). Gutsend stroomen (over). — OTcrhasiHtcn (Onsch.) bw. Te zeer haasten : eene zaak overhaasten. Zich overhaasten, ww. Overhaastig., bn. biiw. Overhaasting, v.— ovcrlisis'clcquot; (Onsch.) ow. Met hagel bedekt worden. — ovorliakoii iSch.) bw. Opnieuw haken. — o verlui Ie 11 (Sch.) bw. Halen (over). Naar de overzijde halen. Spannen : den haan van een geweer overhalen. Doen overslaan : dit zal de schaal w-1 overhalen. Overbrengen : iem. tot zijn gevoelen overhalen. (Scheik.) Scheiden (vloeistoften van vloeistoffen en deze van vaste lichamen). Overhaal, m. (..alen). Het overhalen. Plaats, waar men overhaalt. Overhaal-%las, o. (..zen). (Scheik.) Over ha alsch u it, v. (-en). Overhaalster, v. (-s). Overha-ler, m. (-s). Overhaling, v. (-en).

overlimid, v. Meerdere macht. De overhand hebben : boven iem. staan. De overhand bekomen : toenemen in gezag, enz., overwinnen. — Overhandigen (Onsch.) bw. Met de hand toereiken. Ter hand stellen. — Overhandiging, v. — Overhands, bijw. Overhands naaien. — Overhondsch, bn. Overhandsche naad, overhandsche steek.

overliangen (Sch.) ow. Overhellen : die muur hangt over. Bw. Over iets hangen (inz. over het vuur) : hang den ketel over. Overhanging, v. — overharkeu (Sch.) bw. Opnieuw harken. — overliebben (Sch.) hw. Meer hebben dan noodig is. Niet alles verteerd hebben. Kunnen missen. Veel voor iem. overhebben : veel van iem. houden.

overheen, bijw. Over of op iets anders : leg er eenen doek overheen. Ik kan daar ?oo licht niet overheen stappen, het 200 licht achten, er zoo licht toe besluiten. Bovendien ; hij had reeds veel gedronken, en nam er nog eene flesch over-|heen.

overlieeren (Onsch.) bw. Als heer regeeren. Veroveren, overwinnen. Intoo-men : zijne driften overlieeren. — Over-heer, m. (-en). Opperheer. Meester. —

Overheering, v.

overlieerllfk» bn. bijw. Buitengewoon heerlijk. Voortrefielijk.

overlieernelien (Onsch.) bw. Heer-schen (over). Beheerschen. — Overheer-scher, ra. (-s). — Overh eer sch er es, v. (-sen).— Overhcersching) v. (-en), overlieet, bn. Zeer heet.

overheid, v. Personen of lichamen, aan wt Ike in Kerk of Staat het openbaar gezag is toevertrouwd : de geestelijke en •vereldlijke overheid, (..heden) Lid van zulk een lichaam : de Paus, de Vorst, enz.

0 — OVER

— Overheidsambt, o. (-en). — Overheids~ persoon, m. (..onen).

ovorliekcleu (Sch.) bw. Opnieuw hekelen. Zich overhekelen (Onsch.) ww. Zich door hekelen overwerken. — Over~ hekeling, v.

overheid er, bn. Zeer helder, overhellen (Sch.) ow. Overhangen s die muur helt over. (Zeew.) Op eene zijde liggen. Neiging toonen (tot) : naar het kwade overhellen. De overwinning helde naar den vijand over. — Overhelling, v.

overhemd.o. (-en). Halihemd. Hemd tot sieraad. — Overhemdsknoop, m. (-en).

— Overhemdsmouw, v. {-en). overhetiMrh, bn. Zeerheusch. overhünK'hen {zich) (Onsch.) ww.

Zijne gezondheid benadeelen (door te veel of te lang te hij;chen).

overhoel',m.(..ven). Uitwas van eenen paardenhoef.

overhoeks, bijw. Van den eenen hoek tot den anderen. Hoekswijze. — Over-hoeksch, bn.

overhoop, bijw. Op eenen hoop. Door elkander. Onderstboven. In wanorde. — Overhoopgooien (Sch.) bw. — Overhoophalen (Sch.) bw.— Over hoop liggen (Sch.) ow. — Overlmopraken (Sch.) ow. (zijn). — Overh onpsch iet en (Sch.) bw.—Overhoop-smi/ten (Sch.) bw. — Overhoopwerpen (Sch.) bw.

overhoOren (Onsch.) bw. Laten opzeggen (eene les). Opnieuw hooren (getuigen). Overhooring, v. (-en). — overhouden (Sch.)bw. Overig houden. Goed houden. In goeden toestand bewaren. — o verhouwen (Sch.) bw. Van eenen nieuwen houw voorzien (vijlen). Ovrhou-•wing, v. (-en).

overisr, bn. Overgebleven. Nog voorhanden. Nog onvei bruikt. Nog onverteerd.

— Overige, o. — Overigens, bijw. Voor het overit c.

overüken (Sch.) bw. Opnieuw ijken.

— overijlen (Sch.) ow. (zijn) Oversnel-len. Zich overijlen (Onsch.) ww. Zich te veel haasten. Met overhaasting te werk gaan. — Overijling, v.

OverUsel. Provincie (Nederland). Arr.: Zwolle, Deventer, Almeloo (Stad-). 13 kantons en 61 gemeenten. Hoofdpl. : Zwolle.

overlfverlg, bn. Zeer ijverig. Te ijverig.

overjachten Onsch.) bw. Te veel

haast maken. Zich overjachten, ww. Al te haastig te werk gaan. — overjag-en (Sch.) bw. Oyerietsheen jagen. (Onsch.) Bw. Te sterk jagen. Zich overjagen, ww. Zich met jagen vlt; rmoeien. — overjitrenr (Onsch.^ ow. (zijn) Meer dan een Jaar oud zijn. Verjaren. Over/nard, bn. Vervallen (na zeker tijdsverloop) : die schuldvordering is verjaard. O verjaar sch, bn. Meer dan een jaar oud. Overjarig, bn. Meer dan een jaar oud. Boven de jaren (om nog te trouwen, enz.). Overjarigheid, v.

overjan, v. (-sen), jas, die over eene andere gedragen wordt. — overjnrk, v. (-en).

overkaarden (Sch.) bw. Opnieuw.


ocr page 635

OVER — 58

kaarden. — OTcrkaatftcu (Sch.) bw. Opnieuw een kaatsspel spelen. Zich over-kaatsen (Onsch.) w\v. Zich door kaatsen te veel vermoeien. — overkakolcn (Sch.) bw. Overbabbelen. (Onsch ) Bw. Harder kakelen dan een ander. — ovorkalkcn (Sch.) bw. Opnieuw kalken. (Onsch.) Bw. ivletkalk overdekken. — overkammen (Sch.) bw. Opnieuw kammen.

overkant, m. Overzijde.

overksiuteleu (Sch.) ow. (zijn) Over den kant omvallen. Bw. Doen omvallen.

— overkappen (Sch.) bw. Opnieuw kappen. — overkappen (Onsch.) bw. Met tene kap bodekken. Overkapping, v. (-en). — overkamen (Sch.) bw. Opnieuw karnen. — overkamven (Sch.) bw. Opnieuw kauwen. — overUejjeleii (Sch.) bw. Opnieuw icn kegelspel spelen.

overkenrit;, bn.bijw. Zeer keurig.

overbUken (Sch.) bw. Nog eens bekijken. Nog eens nazien. (Onsch.) Bw. Overzien. Zoover de uitgestrektheid reikt de blikken laten gaan. — overkisten (Sch.) bw. In eene andere kist doen. — overkladden (Sch.) bw. Slecht overschrijven. (Onsch.) Bw. Geheel bekladden.

— overklappen (Sch.) bw. Overbabbelen. — ovcrklanteren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Over iets heen klauteren. — overklaiitveii (Sch.) bw. Overharken.

— overkleeden (Sch.) bw. Anders kleeden. (Onsch.) Bw. Met zekere stof bedekken. Overkleed, o. (-eren, ..kleeren). Kleed, dat boven een ander gedragen wordt. Overkleed, o. (-en). Dekkleed. Vloer- of tafelkleed, dat op een ander ligt. Overkleediut*, v. (-en). Overkleedsel, o. (-s).

overklein, bn. Zeer klein.

o verkleuren (Sch.) bw. Opnieuw kleuren. — «^verklikken (Sch.) bw. Overbrieven. Oververtellen. — oyer-kliiumen (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen klimmen. Overspringen. Zich over-klimmen (Onsch.) ww. Zich door klimmen bezeeren. Overklimming, v. — over-klinken (Sch.) ow. Opnieuw klinken. In zekere richting klinken. (Onsch.) Bw. Harder klinken dan een ander. — overkne-den (Sch.) bw. Opnieuw kneden. Zich overkneden (Onsch.) ww. Zich met kneden vermoeien. — overknikken (Sch ) ow. Opnieuw knikken. — overknippen (Sch.) bw. Door t enen knip mei de vinger laten vliegen (over). Opnieuw knippen (met de schaar).— overknoopen (Sch.)bw. Opnieuw knoopen. Knoopen (over iets heen). — overkoken (Sch.) ow. (hebben, zijn) Bij het koken overloopen. — overkolven (Sch.) ow. Opnieuw kolven. — overkomen (Sch.) ow. (zijn) Van elders komen. Over iets heen komen. Zich overgeven. Hij moet overkomen, betalen. (Onsch.) Ow. (zijn) Gebeuren, overvallen ; hem is een ongeluk overkomen. Overkomeiyk, bn.Te overkomen. Uit den weg te ruimen. Overkomsi, v. Het overkomen. Bezoek, volk : hij heeft overkomst.

overkop, bijw. Hals over kop.

overkoperen (Onsch.) bw. ÏSIetko-

— OVER

Êerbekleeden. —erbekleeden. —overkoi ütcii (Onsch.) w. Met eene korst overdekken, overkort, bn. Te kort. ^

overkom», v. (-en). Kous, die over eene andere gedragen wordt.

overk ra alen (Onsch.) ow. Door kraaien. Harder kraaien (dan). Bw. Door schreeuwen tot zwijgen brengen. Over-kraaier, m. (-s). Overkraaiir.g, v. Over-kraaister, v. (-s). — overk rabbelen (Onsch.) bw. Onleesbaar overschrijven.

overkraelitigr, bn. bijw. Zeer krach-tig.

ovcrkrOffcn (Sch.) bw. Over iets heen krijgen. Naar zich toe krijgen. Hij krijgt familie over : hij krijgt bezoek. — overkroppen (Onsch.) bw. Te veel voedsel geven (aan vogels, enz.). Te veel spijs gebruiken. Overladen (de maag, enz.). Met werk overkroppen : te veel werk geven. Een overkropt gemoed : gemoed, dat te veel aangedaan is. Overkroppin^, v.

— o verkruien (Sch.) bw. Over iets heen kruien : aardappelen het veld overkruien. Eenen molen overkruien, beter op den wind zetten. Ow. (zijn) Hij is de markt overgekruid. (Onsch.) Bw. Kruiende overdekken : de ijsschotsen, die het land overkruien. Zich overkruien, ww. Zich door kruien te veel vermoeien. — overkrul-pen iSch.) ow. (hebben, zijn) Over üets) heen kruipen. — overkuieren (Sch.) ow. (hebben, zijn) Over (iets) heen kuieren. — overknipen (Sch.) bw. Opnieuw kuipen. — overk 11 nnen (Sch.) ow. (Alleen met weglating van een ander werkw.): hij kan van avond niet over (varen). — overkwikkeu (Onsch.) bw. Met kwikzilver bedekken. — overlaaien CSch.) ow. (zijn) Al vlammende verteren : krullen zijn dadelijk overgelaaid.

overlaarM, v. (..zen). Bovenlaars. overlaat, m. (..aten). (In eene rivier). Rechthoekige opening in dunne wanden, wier bovenkant gelijk komt met den waterspiegel. Minder boog gedeelte van eenen dijk, dat bij hoogen waterstand een groot deel van het water overlaat. — Overlaatsdyk, m. (-en). Dijk, die als overlaat werkt.

overladen (Sch.) bw. In een ander vaar- of voertuig overbrengen. (Onsch.) Bw. Te zwaar laden. Te veel opgeven (werk, enz.). lem.met weldaden overladen, hem zeer veel weldaden bewijzen. — Over-lading, v. (-en).

overland, bijw. Te land : overland naar Rusland reizen. — Over landmail, v.

— Overlandpost, v. — Over landreis, v. (..zen).

overlang, bijw. Voor lang. Lang geleden.

overlansren (Sch.) bw. Overreiken. overlauKT», bijw. In de lengte. — Overlangsch, bn.

overlanf~zaain. bn. Zeer langzaam. Overlappen (Sch.) bw. Opnieuw lap-

fien. — overiaftfen (Onsch.) bw. Over-aden. Hinderen.ien. — overiaftfen (Onsch.) bw. Over-aden. Hinderen. Overlast, m. Tc zware last. Hindernis, moeite. Alle overtollige zaken aan boord. Over lastig, bn. Te zwaarbelast. Hinderlijk Zet r lastig. Over-


ocr page 636

OVER _ si

iastin%, v. — overlaten (Sch.) bw. Overig laten. Laten overblijven. Afstaan : zijne goederen aan iem. overlaten. Opdra-

f^en : iets aan iem. overlaten. Over iets aten gaan, enz. Niemand wordt overgelaten ; niemand mag door of over.^en : iets aan iem. overlaten. Over iets aten gaan, enz. Niemand wordt overgelaten ; niemand mag door of over. Overlating, v.

overleden, bn. Gestorven.— Over-lede tig, m. en v. (-n).

overledcr, overleer, o. Dit deel van den schoen, dat den bovenvoet bedekt, overleep, bn. bijw. Zeer leep. Overleeren (Scb.) bw. Opnieuw lee-ren. Herbalen \het geleerde). — over-lefffiren (Sch.) bw. Aan eene andere zijde legden. Veranderen : de zeilen overleggen. Mededeelen : stukken in eene vergadering overleggen. Ter zijde leggen. Besparen. Ow. Een langeren vinger over een korte-ren heenzetten (in 't bespelen van een instrument). Den eenen voet beurtelings over den anderen zetten (in 't schaatsenrijden). (Onscb.) Bw. Overdenken. Overwegen. Zich eene zaak in gansch haren samenhang voorstellen om er zijn gedrag naar te regelen. Overleg, o. Het nadenken. Overwegen. Beleid. Overlegging, v. (-en). — o ver lei den (Sch.) bw. Ergens overheen leiden. Herwaarts leiden. OverlekUer, bn. Zeer lekker, overletteren (Sch.) bw. Opnieuw letteren. — oyerieunen (Sch.) ow. Zich over iets buigen. — overleven (Onsch.) bw. Langer leven dan een ander. Hij zal dat verlies niet overle/en. Zijnen roem overleven. Overlevende, m. en v. (-n). Overleving, v. Over lev ingscontr act, o. (-en).

overlevendii», bn. Zeer levendig, overleveren (Sch.) bw. Overgeven. Overhandigen. Ter handstellen. Iem. aan het gerecht overleveren. Over lever aar, m. (-s). Overlevering, v. (-en). Het overleveren. Het overgeleverde. Verhaal, dat mondelings van het eene lot het andere geslacht is overgebracht. — overlezen (Sch.^ bw. Niet bemerken onder het lezen. Nogmaals lezen. Over lezing, v. — overlieden (Onsch.) bw. Valschelijk beschuldigen. — oyerllsTg-en (Sch.) ow. Over (iets) heen liggen. Blijven liggen. (Zeew.) Langer dan den bepaalden tijd liggen. Op een anderen boeg liggen. — overiyden (Onsch.) ow. (zijn) Sterven. Overlijden, o. — overlQmen (Sch.) bw. Opnieuw lijmen. — overly nen (Sch.) bw. Nog eens lijnen. — overlikken (Sch.) bw. Nog eens likken. — overlokken (Sch.) bw. Naar de andere zijde lokken. — overlommeren (Onsch.) bw. Overschaduwen. — overlooden (Onsch.) bw. Met lood overdekken.—overlooden (Onsch.) bw. Met loog overgieten.

overioon, o. en m. (-en). Loon boven het gewone.

_ overloopen (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) lu en loopen. Naar de overzijde Iro-pen. Overgaan van den een tot den ander : tot den vijand overloopen. Overvloeien : de moor loopt over. Bw. Vluchtig overje-zen. (Onsch.) Bw. Onderden voet loopen. Te dikwijls iem. bezoeken : iem. overloo-

5 — OVER

pen. Zich overloopen, ww. Door te sterk te loopen zich vermoeien. Overloop, m. (-en). Overloopen, o. Overlooper, m. (-s). Overlooping, v. (-en). — overloven (Onsch.) bw. Te veel loven. Overvragen. Over loving, v.

overlitclitlfir, bn. Zeer luchtig. Zeer opgeruimd.

overluid, bijw. Zeer luid. Hardop, overlnlden, overlnien (Sch.) bw. Opnieuw luiden. (Onsch.) Bw. De klokken luiden (bij een steifgevai). — over-manien [zich) (Onsch.) ww. Zich door maaien te veel vermoeien.

overnmaseta, bn. Aan de andere zijde van de Maas.

overmaat, v. Meer dan de vereischto maat. Buitensporigheid. Tot overmaat van ongeluk, van smart, van ellende.

overmaelit, v. Grootere macht. — Over 7it ach lig, bn.

overmaelitisen (Onsch.) bw. Veroveren. Ovgrniachtiging, v. — overmaken (Sch.) bw. Opnieuw maken : een opstel overmaken. Overzenden : iem. geld overmaken. Meer maken dan bepaald is. Verdrijven, doen overgaan : de tandpijn overmaken. — o vermalen (Sch.) bw. Opnieuw malen. Overtnaling, v.

overman, m. (..lieden, ..lui). Hoofd van een gild. Aanvoerder. Buurman aan de overzijde. Medespeler tegenovei.

overmangrelen (Sch.) bw. Opnieuw mangelen. — overmannen (Onsch.)' bw. Door meerdere kracht of macht overwinnen. Eindelijk overmande hem de slaap. Overmand worden : voor de meerderheid moeten onderdoen. Door droefheid enz. overmand.

overmantel, ra. (-s). Mantel, die over andere kleeren gedragen wordt.

ovormarclieeren (Sch.) ow. (zijn) Trekken over (iets) heen (van soldaten). — o ver marineren (Sch.) bw. Opnieuw marmeren.

overmaat, bn. Te hoog van mast. overmatig:, bn. bijw. De maat te boven gaande.

overmatig:, bn. Zeer matig. Te matig, overmalten (Sch.) bw. Opnieuw matten. (Onsch.) Bw. Geheel met matten bedekken. — overmeesteren (Onsch.) bw. Overweldigen. Bemachtigen. Bedwingen ; zijne hartstochten overmeesteren. Overmeestering, v. — o vermenden (Sch.) bw. Opnieuw mengen. — o vermerken (Sch.) bw. Opnieuw merken.— ovenneftten (Sch.) bw. Opnieuw mesten. — overmeten (Sch.) bw. Opnieuw meten. Overmaat geven. Over meting, v. (-en). — ovcrmetselen (Sch.) bw. Opnieuw metselen. Te veel metselen. Over (iets) heen metselen.

overmidden, bijw. Over het midden heen.

overmits, vw. Dewijl. Aangezien,

Omdat.

overmoed, m. Roekeloosheid. Roe» keloos bestaan. Trotschheid. Vermetelheid. — Overmoedig, bn. bijw. — Over-moedigheid, v.

©vermoeten (Sch.) ow. (Alleen met-


ocr page 637

OVER — 5?

weglatinp van een ander werkwoord) : hij moest de brug over (loopen, enz.). — over-inogren (Onsch.) bw. Door grooter vermogen te boven gaan. — ovcrinOiiste-ren (Sch.) bw. Opnieuw monsteren, overmooi, bn. Zeer mooi. OTcrmorsrcn, bijw. De dag na morgen.

OTermonw, v. ( en). Mouw over eene andere.

ovormnnfcu (Sch ) bw. Opnieuw munten. Meer munten dan noodig is.

owrnsisul, m. (..aden). Naad over eenen anderen.

overnaaien (Sch.) bw. Over (iets) heen naaien. Opn euw naaien. Overnaai-sel, o. (-s). — overnacliteu (Onsch.) bw. Den nacht eigens doorbrengen. Overnachting, v.

ovcrn;»nwkourlg1, bn. bijw. Zeer nauwkeurig. Te nauwkeurig.

overneigren (Sch.) bw. Doen overhellen. — oYerneiuen (Sch.) bw. Aannemen. Voor zijne rekening nemen. Aan zich laten overdragen. In bezit nemen. Zich gewennen (aan). Naschrijven. Overname, v. Het overnemen. Overnaviïn^, v. (-en), overneming, v.

o vernet, bn. Zeer net.

overneuriëu (Sch.) bw. Binnensmonds herhalen.

overnoeniing:, v. (-en). (Redek.) Naamverwisseling.

overnommeren (Sch.) bw. Opnieuw norameren. Anders nommeren. — over-Moppen, bw. Opnieuw noppen. — over-oliën (sch.) bw. Opnieuw met olie bestrijken. (Onsch.) Bw. Beoliën.

overoud, bn. Zeer oud. — Overoud-grootmoeder, v. (-s). — Over oudgrootvader, m. (-s). — Overoudmoei, v. (-en). Moei eens grootvaders of eener grootmoeder. — Over oudonkel, m. ( s). — Over-oudootn,m. (-en). — Over oudtante,(-s).

overpad, o. (-en). Pad, datdwats over i«ts heen loopt.

overpakken (Sch.) bw. Van het eene in het andere pakken. (Onsch.) Bw. Omvatten. Zich overpakken, ww. Zich door pakken bezeeren. Overpakkiquot;g, v. ( en).

— o ver palmen (Onsch.) bw. Met de hand omvatten. Over palming, v. — o verpappen (Sch.) bw. Opnieuw pappen. — overpasaen (-ch.) bw. Opnieuw passen. Overpassing, v. — overpejyelen (Sch.) bw. Opnieuwpegelen. — overpei-len (Sch.) bw. Opnieuw peilen. — Overpeinzen (Onsch.) bw. Overdenken. Nadenken. Overwegen. Overpeimer, m. (-s). Overpeinzing, v. (-en). — overpekken \Sch.) bw. Met pek bestrijken. — o verpersen (Sch.) bw. Opnieuw persen. — oTerplaalaen (Sch.) bw. Verplaatsen. Elders plaatsen. Overplaatsing, v. (-en).

— overplakken (Sch.) bw. Opnieuw plakken. (Onsch.) Bw. Beplakken. Over-plakking, v. (-en). — overplamuren (Sch.) bw. Oi nieuw plamuren. — over-planken (Onsch.) bw. Met planken bedekken. — overplanten (Sch.) bw. Elders planten. Overplanting, v. (-en).

— overplelsteren (Sch.) bw. Op-

j — OVER

nieuw pleisteren. (Onsch.) Bw. Bepleisteren. Overpleistering, v. (-en). — o verpletten (Sch.) bw. Opnieuw pleiten . (Onsch.) Beter pleiten dan een ander. — overpletten (Sch.) bw. Opnieuw pletten. — overploegen (Sch.) bw. Opnieuw ploegen. Over ploeging, v.

— o ver plooien (Sch.) bw. Opnieuw plooien. — o verpoederen (Sch.) bw. Opnieuw poederen. (Onsch.) Bw. Geheel poederen. — overpoetnen (Sch.) bw. Opnieuw poetsen. — overpoHJatoo (Sch.) bw. Opnieuw polijsten. — overpompen (Sch.) bw. Door pompen doen overloopen.

o verpond, o. (-en). Meer dan het ver-eischte gewicht.

overpoten (Sch.) bw. Opnieuw poten,

— overpotten (Sch.) bw. Overgaren. overpraclitlsr, bn. bijw. Zeer prachtig.

o ver praten (Sch.) bw. Vertellen.

(Onsch ) Bw. Overreden.

o ver priester, m. (-s). Opperpriester, overprikkelen (Onsch.) uw. Levenskracht veroorzaken (in eon orgaan). Over-prikkeling, r. (-en). — over ral» beien (Sch.) bw. Rabbelend lezen. — overrjt-ken (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen raken. Aan den anderen kant komen. Ophouden, niet langer duren. — overreden (Onsch.) bw. Door woordelijke voorstelling invloed op iem. oefenen om hem tot zekere handelingen te bewegen, of van zekere handelingen af te houden. Overredend, bn. Overreding, v. Overredingskracht, v. — overreiken (Sch.) bw. Reikend overgeven. Overreiking, v. — overrekenen (Sch.) bw. Opnieuw rekenen. (Onsch.) Bw. Berekenen. Overre-ttening, v. — overrekken (Sch.) bw. Opnieuw rekken.Z/cA overrekken (Onsch.) ww. Zich door rekken bezeeren, enz. Over-rekking, v. — overrennen (Sch.) ow. (zijn) Óver (iets) heen rennen. Naar de andere zijde rennen. Opnieuw rennen. (Onsch.) Bw. Omverrennen. — over repelen Sch.) bw. Opnieuw repelen. — overröden (Sch.) ow. (zijn) bw. Over (iets) heen rijden. Naar de andere zijde rijden. Opnieuw rijden. (Onsch.) Bw. Omverrijden. Te sterk rijden.

overrQk, bn. Zeer rijk. overrliiineli, bn. Aan de andere zijde van den Rijn.

overrQp, bn. Zeer rijp. Te rijp. overroeien (Sch.) ow. (hebben, zijn) bw. Naar de andere zijde roeien. Zich overroeien (Onsch.) ww. Zich door roeien vermoeien, enz. — overroepen (Sch.) ow. bw. Roepen, dat men het aan de andere zijde kan hooren. Toeroepen. Ontbieden. (Onsch.) Bw. Harder roepen dan een ander. Zich overroepen, ww.

o verrok, m. (-ken). Rok, die over een anderen gedragen wordt.

overrollen (Sch.) bw. ow. Over (iets) heen rollen.— overrompelen (Onsch.) bw. Verrassen. Overvallen. Overrotnpe-ling, v. (-en). — overrooken (Scrt.) bw. Opnieuw rooken. — overroten (Sch.) bw. Opnieuw roten (vlas). ___


ocr page 638

OVER — s

«verruim, bn. Zeer ruim. Te ruim. oversaiiseii (Onsch.) bw. Geheel sausen- — overaeliuduwen \Sch.) bw. Opnieuw «=chaduwen. (Onsch.) Bw. Met ziine schaduw bedekken. Beschermen. Overschaduwittg, v. — ovcrHCliatteu JSch.)bw. Opnieuw schatten. (Onsch.) Bw. Te hoog schatten. Overschaitingy v. — oversells*ven (Sch.)bw. Opnieuw schaven. Overschaving;, v. — overMolien-keu (Sch.) bw. Te vol schenken. Te veel schenken. Door schenken doen overloo-pen. Van het eene in het andere schenken. Overschenking, v. (-en). — overselic-peu (Sch.) bw. Overbrengen (in een ander schip). Ow. Overvaren. Overscheping, v. (-en). — overHelieppen (Sch.) bw. Van het eene voorwerp in het andere scheppen. Over schepping, v. — ovcrseliereu (Sch.) bw. Opnieuw scheren.

oversclierp, bn. bijw. Zeer scherp. Te scherp. Zeer streng.

oversctactsen (Sch.) bw. Opnieuw schetsen. — overseliieten (Sch.) bw. Over (iets) heen schieten. Met aarde bedekken. Ow. (zijn) Overig zijn. Blijven. Overschat, o. (-ten). Overblijfsel. Wat overig is. Stoffelijk overschot : lijk. Gij hebt me. r dan overschot, meer dan gelijk. — overMehOnen (Onsch.) bw. Beschijnen. — over»eliillt;lereii (Sch.) bw. Opnieuw schilderen. (Onsch.) Bw. Beschilderen. Overschildering, v. — overselilm-inelen (Onsch.) ow. (zijn) Met schiraiuel overdekt worden. — overMelillleren (Onsch.) bw. Sterker schitteren dan iels anders. Uitmunten (boven een ander).

overselioen, m. (-en'). Schoen, die over een anderen gedragen wordt.

overselioflTeleii (Sch.) bw. Opnieuw schoffelen.

overselioon, bn. bijw. Zeer schoon, overseliort, v. (-en). Schort, die over eene andere gedragen wordt.

overselirs«2tl, bn. Zeer schraal. overselireeiMven (Onsch.) bw. Door harder te schreeuwen tot zwijgen brengen. Overschreeuwing, v. — overtoil rijden (Onsch.) bw. Schrydelings over (iets) heen stappen. Verder gaan dan men kan of mag. Te buiten gaan ; de grenzen der matigheid overschrijden. Iemands bevel overschrijden, er tegen handelen. Overschrijding, v. (-en). — oversellrUven (Sch.) bw. Afschnjven. Herschrijven. Op-niiuw schrijven. Overdragen. Overschrijver, in. (-s). Overschrijving, v. (-en). — Overselirikkelen (Sch.) bw. Overslaan. Overspringen, — oversell rob-lgt;en (Sch ) bw. Opnieuw schrobben. — ovea'seliii«l«len (Sch.) bw. Opnieuw schudden. — oversell nieren (Sch.)bw. Opnieuw schuieren. — overselmluien (Sch.) ow. (hebben, zijn) Schuimende over-loopen. — oversehniven (Sch.) bw. Over (iets) heen schuiven. — overscliu-ren (Sch.) bw. Opnieuw schuren. overseliiMv, bn. bijw. Zeer schuw, overseinen (Sch.) bw. Door seinen doen overkomen. Seinende berichten. — oversjotiucu (Sch.) bw. Sjouwende over (iets) heen brengen. Zich overyou-

4 — OVER

wen (Onsch.) ww. Zich met sjouwen vermoeien. — overslaan (Sch.) ow. (zijn) Overhellen.O vervallen.Tot den vijand overslaan, zijne partij kiezen. Aanzettend zijn : de typhus slaat dikwijls over. Bw. Over (iets) slaan. Over iets hangen. Eenen overslag maken. Onwillens voorbijzien. Opzettelijk voorbijgaan. Uit-,weglaten. (Boekdr.) Overzetten. De gezette bladzijden behoorlijk in den vorm vereenigen. Overslag, ra. (-en). Iets, dat over iets anders heengeslagen wordt, Oraslag (aan kleedingstukken). Rand, Berekening van kosten. Verdeeling van de belasting. Ov er slager, m. (-s). groote halsdoek.

overstap, bn. Zeer slap. Te slap.

oversiapen (Sch,) ow. Slapen bij eenen vriend, dien men bezoekt. Zich oversiapen (Onsch.) ww. Te lang slapen.

— oversieepen (Sch,) bw. Over (iets) heen sleepen. — overslenren (Sch.) bw. Oversieepen. — overslllgt;l»en (Onsch.) bw. Met slib bedekken, Overslibbing, v.

— overslUpen (Sch,) bw. Opnieuw slijpen, Overslyping, v,— oversiiiiffereH (Sch.) bw. Over (iets) heen slingeren. Ow. (zijn) (Zeew.) Overhellen. Overslinge-ring, v.

oversloof, v. (,,ven). Sloof, die over eene ander« wordt gedragen.

ovvraln Iken (Sch,)bw. Smokkelende binnenbrengen. — overMlnipen (Sch.) ow. Stilletjes over (iets) heen gaan.

ovorsni»!. bn. Zeer smal. Te smal.

over*in•«!en (Sch.)bw.Opnieuwsme-den. — overKiuellen (Sch.) hw. Opnieuw smelten. Over smelting ,v. — over-Hiuer«ii (Sch.) bw. Opnieuw smeren. (Oosch.) Bw. Smerend overdekken. Over-smerm?, v. — overMinUten (Sch.) bw. Ovrr (iets) heen smijten. — oversmolc-helcn (Sch.) bw. Oversluiken. — over-MtiMppon (Sch.) bw, Overbabbelen. — 4»v«*i-iineeu wen (Onsch.) ow. Met sneeuw bedekt worden. — overnuellen (Sch.) ow. 'zijn) Snel over (iets* heen loo-pen. — overanoeien (Sch.) bw. Op-nieuwsnoeien.— oversnoeven (Onsch.) bw. Door snoeven tot zwijgen brengen. Harder snoeven dan een ander.

oversnood, bn. bijw. Zeer snood. Te snood.

oversnorben (Onsch,) bw, Oversnoe-ven.— oversoldeert-n (Sch,) bw. Op-nieuwsoldeeren.— oTer»|»auneu (Sch.) bw. Van het eene rijtuig voor het andere spannen. (Onsch.) Bw Met eene span bedekken. Te sterk spannen. Te sterke pogingen aanwenden. Over sponnen, bn. Zeer gespannen. Te veel gespannen, Over~ spanning, v, (-en). — oversparen (Sch.) bw. Besparen. Oversparing, v, — overspatten (Onsch,) bw. Geheel bespatten,

overspel, o. Echtbreuk. — Overspeelster, v. (-s). — Overspeler, m. (-s).

— Overspelig, bn.

overspelden (Sch.) bw. Opnieuw

spelden. Overspelder, m. (-s). Halsdoek, enz., dien men over iets heen speldt, — overspelen (Sch.) bw. Opnieuw spelen.

— overspeileu (Sch.) bw. Opnieuw


ocr page 639

OVER — 5}:

spellen. — OTcmpUkcrcn (Sch.) bw. Over (iets) heen spiik«-rfn. Opni«*ii\v spijkeren. — OTerftpikSiolon (Onsch.) bw. Bespikkelen. — ovoi*N|gt;iiiiioii (Sch.) bw. Te veel spinnen. (Onsch.) Bw. Spinnende bedekken. — overal»!Iteit (Sch.) bw. Opnieuw spitten. — overspocdou (Sch.) ow. (zijn) Ov' nellen. — ovcr-S]»oolcu (Sen.) bw. ^ieuw spoelen. — overnporeu (Sch.) ow. (zijn) Met eenen spoortrein overrijden. Eenen weg met den spoortrein afleggen. Bw. Met den spoortrein overvoeren,

ovcrHprei, v. (-en^. Dekkleed. _ ovci'spreiden (Onsch .) bw. Over ^iets) heen spreiden. Bekleeden (niet). Overspreïdnip, v. — OTOi'hproiiUeleu (Onsch.) bw.Besprenkelen.—ovorsprlu-pK'ii (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen springen. Losgaan: de haan van het schiet-

§eweer sprong over. Bw. Overslaan (bij et lezen) : gij hebt eenen regel overgesprongen.eweer sprong over. Bw. Overslaan (bij et lezen) : gij hebt eenen regel overgesprongen. overspringen (Ünsch.) ww. Zich door springen bezeeren. Oversprong, m. — ovempuitcu (Onsch.) bw. Spuitend bedekken. — ovcrittaun iSch.) ov. Langer staan blijven dan noodig is. Blijven slaan. Duren. Tegenwoordig zijn als getuige. Rusten : laten overslaan. Overstaan, o. Ten overstaan (van) : in tegenwoordigheid (van^.

over-ilatg1, bijw. (Zeew.) Overstag gaan, wmden ; over een andereu borg gaan. Een schip overstag werpen, het schielijk wenden en tegrn den wind inhouden. Icm. overstag werpen, hem schrik aanjagen, hem dc/i mond sloppen.

OT('r«l:lt;Urn (Sch J bw. Van deneenen in den anderen stal brengen. — ovcr-filsiiupvn (Sch.) bw. Opnieuw stampen. Zich overs/ampen (Onsch.) ww. Zich door stanijj^n ve;moeien, enz. — oversfitpe-Itiii (Sch.) bw. Opnieuw stapelen. — over-Kla|»plt;*ii (Sch.) ow. (zijn) Naar de overzijde stappen. Óver (iets) h'*«'.n slappen. Bw. Ongemerkt laien voorliiijjaaii. Zich overstappen (Onsch.) ww. Zich doorstappen vermoeien, enz. Overstapping, v.

overste, m. (-n). Hoofdoflicier. Aanvoerder. Bestuurder. Geestelijke en wereldlijke oversten. — Overste, v (-n).

oversteken (Sch.) bw. Toesteken. Nog eens steken. Overtappen : wijn oversteken. Ow. (zijn) Over (iets) he n steken. Aansteken. Uilsteken. Zich naar de overzijde begeven. Ruilen : ik zou niet hem niet willen oversteken. Oversteekt/, o. (-s), overstek, o. (-ken). Oversteking, v. Het oversteken, (-en) Oversteekscl. — overstelpen (Onsch.) bw. Overdekken. Overladen : overstelpt met geschenken, overstelpt van droelheid. Overstelping, v. — overstennnen (Sch.) ow. Opnieuw Stemmen. (Onsch.) Bw. Door nierrder-heid van stemmen de overhand krijgen. C ver stemming, v. (-en). — overNlnu-]»lt;'leii (Sch.) bw. Opnieuw stempelen. Over stempeling, v.

oversterk, bn. bijw. Zeer sterk. overMtier, bijw. Te laat. Na het ge-Stelde uur.

overslUC bn. Zeer stijf. Te stijf.

; — OVER

oversturen (Sch.) ow. Over (ietsgt; heen stijgen. (Onsch.) Bw. Hooger stijgen. Te boven gaan. Overstating, v. —over-8tüven(Sch.) bw. Opnieuw stijven.

«verstof, v. (-fen). Stof, waarvan het buitenste der kleedingstukken wordt v»r-vaardigd. Winterstof.

ov«*rstoonien (Sch.) ow. (hebben, zijn) Met eenen stoomtrein, enz. overrijden. — overstooten (Sch.) bw. Over (iets) heen stooten. Opnieuw stooten. — overstoppen (Sch.) bw Opnieuw stoppen. — overstorten (Sch.) bw. Van het eene vat in het andere storten. Ow. De muur stortte naar de andere zijde over. (Onsch.) Bw. Stortende bedekken (met). Ove rladen : die woorden overstonten hem met schaamte. Overstorting, v.

ovrrsf ont, bn. Zeer stout. Te stout, overslritlen (Onsch.) bw. Overal bestralen. In glans enz. overtreffen.

overslreng:, bn. bijw. Zeer streng. Te streng.

overstrQden (Onsch.) bw. Strijdende overwinnen. — overHtrük4-n (Sch.) bw. Opnieuw strijken. (Onsch.) Bw. B stnjt en. (Zeew.) Van bove'i met planken b legden : het dek overstrijk«*n. — oversÊroinpe-len (Sch.) ow. (hebben, zijn) Strompelende over (iets) heen gaan. Naar de over-zijde strompelen. —overstroolen gt;Sch.) bw. Over (iets) heen strooien. Opnieuw strooien.(Onsch.) Bw. Bestrooien.— ovei-stroomeu (Sch.) ow. Over den rand stroomen. Vol zijn : zijn mond stroomde over van dankzeggingen. (On'-ch ) Bw. Onder water zetten. Stroomend bedekken. Overstrooming, v. (-en). — ov« r.«tu-cleerrn (Sch.) bw. Opnieuw s.u e-rer.

— overatniven (Sch.) ow. (zijn, S u ven-de overvliegen. Snel overloopen. (Cnscn.) Bw. Met stof overdekken. — ovn-*t;iil-pen (Onsch.) bw. Overdekken (met e ;ne stulp). Overstutping, v. —oversluren (Sch.) bw. Overzet den. Oversturimgt;, v. Overstuur, bijw. (Zeew.) Overeen anderen boeg. Het is overstuur : het is « r al in de war. — overniiIkeren (Sch.) bw. Opnieuw suikeren. (Onsch.) Bw. Mrt suiker overdekken. — oversukkelen (Sch.) ow. (zijn) Sukkelende ov-.;rg.iarj. Bw. Sukkelende overbrengen (dei tijd) — o%ertakeien (Onsch.) bw. (Zeew.) Van te veel takels voorzien.

overtal. o. Getal boven het vereischte.

— Overt a I lie, bn. Meer dan vereischt wordt. Meer dan genoeg. Te veel.

overlappen (Sch.) bw. Van het eene vatiu het andere lappen. Opnieuw tappen. Overtapping, v. — overteekenen (Sch ) bw. Nateekenen. Opnieuw teekenen. Over (iets) heen teekenen. Overteekening, v. — overteles-raplieeren (Sch.) bw. Telegrapheeren. — overtellen (Sch.^ bw. Opn euw tellen. Overtelling, v. (-en).

overtent, v. (-en). Dek van zeildoek (t» geu de. zonnehitte).

!gt;verteren (Sch.) bw. Opnieuw teren. O: ertering, v. — overtillen (Sch.) bw. Tillende over (iets) heen brengen. Zich overtillen (Onsch.) ww. Zich door tillen bezeeren. — o vertimmer en (Qnjfh.)


ocr page 640

OVER — 5i

bw. Over (iets) heen timmeien. — over-tiimou (Onsch.) bw. Vertinnen.

overloolit, ra. (-en). Het overtrekken. Reis (inz. te water). Het afleggen van eenen afst nd.

ovortojjeu, bn. Overdekt (met) ; met schaamrood overtogen.

overtollig:, bn. bijw. Boven het ver-eischte getal. Te veel. Overvloedig. Onnuttig. — Overiolligheid, v. Het te veel zijn. (..heden) Wat te veel is.

overtonneu (Sch.) bw. Van de oene ton in de andere doen. Nog eens tonnen.

OTertoom, m. Soort van brug op rollen (om vaartuigen van het eene water in het andere te brengen).

over to oreren (Sch.) bw.Tooverende overbrengen.

overtopt, bn. (Wapenk.) Gedekt. gt; aOvertr»liëii (Onsch.) bw. Met traliën bedekken. — overtraippen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Over (iets) heen trappen. Nog eens trappen. — overtreden (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen treden. Tot iem. overtreden : iemands partij kiezen. (Onsch.) Bw. Verbreken, schenden : geboden ot wetten overtreden. Overtreder, m. (-s). Overtt eedstery-v. (-s). Overtreding^. (-en).— overtreffen (Onsch.) bw. Te boven gaan. Voorbijstreven. Overtreffend, bn. (Taalk.) Overtredende trap — overtrekken (SchJ bw. Het eene over het andere trekken. Overhalen. Over eene plaats trekken. Ow. (zijn) Over (iets) heen trekken. In zekere richting trekken. (Onsch.) Bw. Bedekken. Bekleeden : kussens overtrekken. Overtrek, o. (-ken). Wat men over iets anders trekt. Overtreksel, o. (-s). — overtrippelen (Sch.) ow. (zijn) Trippelende over (iets) heen

faan. —aan. — overtroeven (Onsch.) bw. lene hoogere troefkaart opleggen. — overtuiffen (Onsch.) bw Klaar en duidelijk bewijzen. Tot het toestemmen in iets bewegen. Overtuigend, \sn. Overtuiging, v. (-en). — overtniinelen (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen tuimelen. — over-vnllen (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen vallen. Aan de andere zijde vallen. Overgaan. (Onsch.) Bw. Overrompelen. Aanranden. Verrassen. Overval, m. (-len). Onvoorziene aanval. Overval, o. (-len). Plotselinge ongesteldheid. Toeval. Overvalling, v. — overvaren (Sch.) ow. (zijn) Naar de overzijde varen. Bw. Met een vaartuig overzetten : iem. overvaren. Overvaart, v. Het overvaren. Afstand te water. Plaats, waar men overvaart. — overvegren Sch.) bw. Opnieuw vegen.

oververfiJiKl, bn. Zeer verfijnd. Te veel verfijnd. — Oververfijning, v,

oververnisiten (Sch.) bw. Opnieuw vernissen.

oververstnndig:, bn. Zeer verstandig.

oververtellen (Sch.) bw. Opnieuw vertellen. Aan een ander vertellen. — oververven (Sch.) bw. Opnieuw verven. Oververviug, v.

oververzadigd, bn. Zeer, meer verzadigd.

i — OVER

o vervet, bn. Zeer vet. Te vet. Meer dan vet.

overvQlen (Sch.) bw. Opnieuw vijlen, — overvleeliten (Sch.) bw. Opnieuw vlechten. — overvlengrelen (Onsch.) bw. Omsingelen : het vqandelijk leger overvleugelen. Overtreffen : iem. overvleugelen. Overvleugeling, .v. — overvlie-den (Sch.) ow. (zijn) Over iets heen vlieden. — overvliegen (Sch.) ow. (zijn) Over (iets) heen vliegen. Tot iem. overvliegen, in haast bij hem komen. Overvlieger, m. (-s). Zwaarste schrijfpen. Iem., die boven anderen uitmunt. Hij is geen overvlieger : hij munt niet bijzonder uit. Overviiegster, v. (s). — o vervlieten (Sch.) ow. (zijn) Vlietende buiten de oevers treden. — Over?) lie ting, v.

overvloed, m. Grootere hoeveelheid dan veieischt wordt. In overvloed : in zeer ruime mate. In overvloed leven : zeer on-bezo gd leven. Ten overvloede : daarenboven. — Overvloedig, bn. bijw. Meer dan noodig is. In overvloed. Overtollig. — Overvloedigheid, v.

overvloeien (Sch.) ow. (hebben, zijn) Buiten de oevers treden. Overvloed hebben. In ruime hoeveelheid voorhanden zijn. Vol zijn (van). Waar het hart van vol is, vloeit de mond van over. Overvloeiing, v. — overvlHohten (Sch.) ow. (zijn) Vluchtende over (iets) heengaan. Naar de overzijde vluchten.

overvlugr, bn. Zeer vlug. overvoeden (Onsch.) bw. Te veel voeden. Overvoeding, v. — o vervoederen, overvoeren (Onsch.) bw. Te veel voederen. Overvoedering,v.— over-voeipen (Sch.) bw. Opnieuw voegen. — overvoeren (Sch.) bw. Over (iets) heen voeren. Overvoering, v.

overvol, bn. Zeer vol. — Overvol' doend, bn. — Overvolledig, bn.

overvormen (Sch.) bw. Opnieuw vormen. — overvonwen (Sch.) bw. Opnieuw vouwen.

overvraelit, v. (-en). Overlast, ovorvragen (Sch.) bw. Nog eens vragen. (Kaartsp.) Hooger vragen : vraagt hg zulk een spel over? (Onsch.) Bw. Te veel vragen. — Overvraging, v.

overvriendelQk, bn. Zeer vriendelijk. Te vriendelijk.

overvrnehtbanr, bn. Zeer vruchtbaar.

overwaag, v. Meer gewicht dan ver-eischt wordt.

overwaaien (Sch.) ow. (zijn) Door den wind overgevoerd, verdreven worden. Overgaan, verdwijnen : die kwade luim zal wel overwaaien.

overwaakzaain, bn. Zeer waakzaam. Te waakzaam.

overwaard, ..Ig-.bn.Meer dan waard, ovorwageelen (Sch.) ow. (zijn) Waggelend overgaan. — overwaken {zich) (Onsch.) ww. Te veel waken. Zich vermoeien door waken. — over walmen (Sch.) ow. (zijn) In zekere richting walmen. (Onsch.) Bw. Door walm omhullen. — over walsen (Sch.) bw. Al walsende over (iets) heen gaan. Opnieuw walsen.


ocr page 641

OVER — 5{

Zich over walsen (Onsch.) ww. Zich door ■walsen afmatten. — ovorwaiKlolcn (Sch.) ow. ^hebben, zijn) Wandelend over (iets) heen gaan. In zekere richting wandelen. Zich overzv an delen (Onsch.) ww. Zich vermoeien door te veel te wandelen. — ovorwMimoii (Sch.) bw. Opnieuw wannen. — oTorwsirmcii (Sch.) bw. Opnieuw warmen. Ovef-zvarm, bn. Warm genoeg;. Te warm. — overtvnHcmcn ^Onsch ) bw. Met wasem bedekken. — overwiiaftoUoii (Sch.) bw. Opnieuw wasschen. Overwassctiinr, v. — ovcr-Tra»ften (Sch.) ow. (zijquot;) Naar eene zijde wassen. lOnscb.) ow. \zijn) Met iels was-sends bedekt worden. O ver zu as, o. Uitwas. — overw (Sch.) bw. Opnieuw met was bestrijken. — OTerweoUen (Sch.) bw. Opnieuw weeken. Üt/tfrw^/t,bn. Zeer week.

overvroy, m. (-en). Weg over een anderen heen — Ot erzceg-, btjw. Met iem. overweg kunnen, kunnen o nu aan.

ov*iquot;rr [Sch ) ow. Te »eel wegen.

TezWiturzijn. Uw Opnieuww»tenAOnsch.) Bw. Overdenken, ovfrl«ffen : jets rijpelijk overwegen. Ovrrwr^fnd, bn. Ovrr-TueRÏng, v. Url overw^joo. ( en) Beweegreden. — OYOi'w•l«llt«fgt;ii^Onst h.) bw. Met gewold o*eriB«*sleren. Zith aanmatigen (gezag, enz.)* Overwehiiger, m. l-s). OverzvelJtgtPig, v. Ovsr-welJififer, v. (-s). — u vei-wol ven lt;ov«rwiilveiO (Onscb.) bw. Met een gewelf overdekken. Over-welfsel, o (-s). Over welving, v.— over wen Hou (Sch.) ow. (Zeew.) Opnieuw wenden. OverwenJing, v.— over-wentelen (Scb.) bw. Over (iets) heen wentelen. — ovevwerhen (Sch.) ow. Langer werken dan verristbt wordt. Bw. Over (iets) heen werken. Opnieuw werken. Zich overwerken (Onsch.) ww. JJoor te veel te werken zich vermoeien, enz. Over-•werk, o. Werk boven het gewone. Over-vuerhing, v. — o ver werpen (Sch.) bw. Over (iets) heen werpen. Naar de andere zijde werpen. Omverwerpen. — over-wetton (Sch.) bw. Opnieuw wetten.

OT«rwlclit, o. Wat boven een bepaald

Swicht is. Grooterc invloed. Meer macht.wicht is. Grooterc invloed. Meer macht.

eeraanzien. — Over wichtig,hn. Zwaarder van gewicht dan verciscbt wordt. Van den grootsten invloed. — Overiuichtig-keiJ, v.

overwlcden (Sch.) bw. Opniei v wie-den.

ovem Ult;l hn. Zeer wijd. Te wijd.

otoi-wüquot;, bn.bijw. Zeer wijs. Te wijs.

overwlltUen (Onsch.) bw. Overwegen. — uverwillen (Sch.) ow. (Alleen met weglating van een ander werkwoord): ik wil de brug over (gaan).— over winden (Sch.) bw. Opnieuw winden. — overwinnen (Sch.) bw. Meer winnen dan men verteert. Telen. (Onsch.) Bw. Overmeesteren. De zege behalen. Bedwingen. Ten onderen brengen. Overwinnaar, m. (-s, ..aren). Over winnares, v. (sen). Overwtn(ne]lyk, bn. Overwinning, v. (-en). Overwinst, v. (-en). Overwon-nelitig, m. en v. (-en). Die overwonnen is. Overwonnelinge, v. (-n). — over win-

- — OVER

teren (Onsch.) ow. Den winter overbrea» gen. Des winters verblijven. Overwinie' ding, v. — overwippen (Sch.) ow. (hebben, zijn) Over (iets) heen wippen. — overwltten (Sch.) bw. Opnieuw witten. Ovedzoitting, v. (-en).

overwreeil,bn. Zeer wreed.Te wreed, overwrüven (Sch.) bw. Opnieuw wrijven. — overwnlven, bw. Overwelven.

— overznaien (Sch.) bw. Opnieuw zaaien. (Onsch.) Bw. Bezaaien. Bestrooien. Overzaating, v. — overzabbereu (Onscb.) bw. Bezabberen.

overzaelit, bn. bijw. Zeer zacht, overzakken (Sch.) bw. Van den eenen zak in den anderen doen. — overzakken (Sch.) ow. (zijn) Naar eene zijde zakken. O ver zakking, v. (-en). — over-zalven (Soh.) bw. Opnieuw zalven. (Onsch.) Bw. Met zalf bestrijken. — over-zamelen (Sch.) bw. Bijeenzamelen en overhouden.

overzedljr, bn. bijw. Zeer zedig, overzeepen (Sch.) bw. Opnieuw zeepen.

overzeesch, bn. Aan de overzijde der zee.

overzenden (Sch.) bw. Opnieuw zegelen. Overzegehvg, v. — overzeg-fsren (Sch.) bw. Nog eens zeggen. Overbabbe-len. — overzeilen (Sch.) ow. (zijn) Zeilende overtrekken. lOnsch.) Bw. Op het vaartuig aanzeilen, dat het ten gronde gaat. Omverzeilen. Overzeiler, m. (-s). Die overzeilt. Graadboek. De groote overzeiler : groote kaart van den Oceaan. Over* zelling, v. (-en), — overzenden (Sch.) bw. Over (iets) heen zenden. Toezenden. Overzender, m. (-s). Overzending, v. (-en). — overzetten (Sch.) bw. Overvaren. Met een vaartuig ergens been brengen. Naar eene andere zijde zetten, verplaatsen. Vertalen, overbrengen. Overlaten, overdoen. (Zeew.) Lichten. Ow. De vingers over den duim zetten op het klavier. (Boekdr.) Smetten afgeven : versch gedrukte vellen zetten over. Overzetboot, v. {-*u),overzetschouw,v. {-en), overzet' 5chuit,v.(-en).Overzetter,m.(-s),Over zet' ting, v.(-en). Overzetster, v. (-s). — overkleden (Sch.) bw. Overkoken. — ««verzien (Sch.) bw. Over (iets) heen zien. Over de gansche oppervlakte heen zien. Overlezen, verbeteren, herzien. Overlezen om van builen te leeren. Over het hoofd zien. (Onsch.) Bw. Van alle zijden bezien. Beschouwen. Berekenen. Overzicht, o. (-en). Het overzien. Uittreksel. Korte opgave. Beknopt verhaak Overzienbaar ^ bn. Over ziener, ra. ( s). Overziening, v. (-en). — overzirien (Sch.) bw. Opnieuw ziften. Overzifting, v.

overzUde, overzü, v. Tegenovergestelde zijde. — Overz'jdsch, bn.

overxilveren (Onsch.) bw. Met zilver bedekken. — Overzilvering, v.

overzindelUk, bn. bijw. Zeer zindelijk.

overzinffen (Sch.) bw. Opnieuw zingen. — overzitten (Sch.) ow. Blijven zitten.

overzoc t, bn. Zeer zoet. Te zoet.


ocr page 642

588 -

PAAR

PAAL

overzoldcrcn (Onsch.) bw. Van den

eenen op den anderen zolder brengen. — oviTxomcron (Onsch.) ow. Den zomer doorbrengen Overzoniertn^, v. — over-xooui011 (Sch.) bw. Opnieuw zoomen. — ovcrzouten (Sch.) bw. Opnieuw zouten. Overzout, bn. Zeer zout. Te zout,

ovcrzuiiiig1, bn. bijw. Zeer zuinig. Te zuinig.

overzulks, bijw. Daarom. Om deze reden.

ovcrzwastr, bn. bijw. Zeer zwaar. Te zwaar.

overzwsilpcu (Onsch.) bw. Plotseling door eenen gt;;oif overstroomd worden. — ovcrzwarteu (Sch.) bw. Opnieuw zwarten. — overzvrccpcu (Sch.) bw. Met ecne zwt-ep overjagen. — overzwem-111 lt;'ii (Sch.) ow. (hebben, zijn) Zwemmende overtrekken. Zich overzwemmen (Onsch.) ww. Zich door zwemmen vermoeien. — ovorzwikkcu ^Sch.) ow. (zijn) In zekere richting zwikken : laat het kind niet overzwikken l

p, v. (p's). i6e letter van het alphabet.

Igt;a. Papa.

pasMljc, o. (-s). Klein pad.

I»:asii, m. (-en). Oud man. Bestevaar. Oudste matroos. — Paaiskist, v. (-en). (Zeew.).

pastion bw. paaide, heeft gepaaid. Betalen. Voldoen. Tevredenstellen. Met schoone woorden of beloften iu slaap wiegen.

l»aal,m. (..alen). Lanqwerpig hout, tot opzetten of inslaan bestemd : op palen bouwen, met palen omringen. Steenen suit of afscheiding. Grenspaal. Stijl. Staak. Afstandsmaat (in België = 1 kilomet.). Ovenpaal. Ovenschop. Hij heeft den paal door den oven gewerkt. (Wapenk.) Loodrechte breede streep midden over een wapenschild. Paal en perk aan iets zetten : iets te keer gaan. lem. paal en perk stellen, hem beteugelen. Dat gaat de palen te buiten : dat gaat te ver. — Paalbrug, v. (-gen). — Paal fuik, v. (-en). — Paalgeld, o. (-en). Geld, voor het onderhoud van paalwerk te betalen. —Pa a Ig or ding, v. (-en, -s). Rij paleu (b. v. in het water tot afsluiting eener haven). — Paalhoofd, o. (-en). — Paalhouder, m. (-s). Vierkant stuk hout, dat men op den heipaal zet. — Paalkist, v. (-en). Verzameling van palen, dienende om het geweld van den golfslag te keeren.

— Paal meester, m. (-s). — Paalmensch, m. (-en). Bewoner van eene paalwoning.

— Paalmrlen, m. (-s). Molen, die op palen staat. — Paalmossel, v. (-en). Paalworm. — Paalschans, v. (-en). — Paalschoen, m. (-en). IJzeren paalhouder.— Paalspijker, m. (-s). — Paalsteek, m. (..eken). (Zeew.) Soort van knoop, die gemakkelijk los te maken is. — Paalsteen, m. (-en). Grenssteen. Opstaande steenen grenspaal. Afstandsmaat (in België = 1 ki

Ovldina Naso (P.), 43 voor tot 17 na Chr. Sulmo. Romeinsch dichter. Meta-morphosen ; Fasti.

oxy«I«, o. Zuurstofverbinding. — Oxy-deereti, ow. oxydeerde, is geoxydeerd.Verzuren. Verkalken. Met zuurstof verbinden. — Oxydatie, v. (..iën, -s). Verkalking. Verzuring. — Oxygeen, o. Zuurstof. — Oxymeter, m. (-s). Zuurmeter.

0.y© {E. van), 1840, Thor hout. Dichter. Morgenschemer (gedichten, 1874) » Daphne (cantate, bekroond, 1883) ; Vonken en sh alen (1870-76).

Ozstnsim {A.^ F.), 1813-1853, Milaan. Fr. geschiedschrijver en wijsgeer. Een der oprichters van de vereeniging van den h. Vincentius a Paulo. Dante et la philoso-pk ie catholique an XIII9 siècle (1839) ; Etudesgermaniques (i847-'49); lespoètes ft anciscains en Italië au XIII9 siècle (1852).

OzistH. Koning van Juda. Wilde het priesterambt uitoefenen en werd met me-laatschheid geslagen.

lomet.). — Paalvast, bn. Zoo vast als een paal in den grond staat. Zeker. Onbetwistbaar. Standvastig. — Pa a l ver sch a nsing, v. (-en). — Paalwerk, o. (-en). Afschutting van palen. — Paalwoning, v. (-en). Woning, welke de oudste bewoners van Europa op palen boven meren, enz. bouwden. — Paalwor?n, m. (-en). Plaatkieuwig weekdier [teredo navahs), dat in palen en schepen de grootste verwoestingen aanricht. — Paalwortel, m. (-s). Wortel, die in loodrechte richting in den grond dringt.

paan, v. Soort van fluweel. — Paan-achtte, bn. Fluweelachtig. — Panen, bn.

p:aaii, m. (..anen). Schort (der negerinnen).

paander, v. (-s). Teenen korf met hem sel. Broodmand. Blikken korf.

paap, m. (..apen). (Spott.) Geestelijke. Scheldnaam voor eenen Roomsch-katho-lieke. — Paapje, o. (-s). Verkleinwoord van paap. Vogeltje isaxicola rubetra). Wordt bij ons van Mei tot September in droge met laag hout begroeide streken aangetroflen. — Paap sch, bn. — Paapse he, m. en v. (-n). — Pa apschg ezin d, bn. — Paap'schgezindheid, v.

paar, bijw. Paar of onpaar : even of oneven.

paar, o. (..aren). Twee bij elkander behoorende zaken, die samen eene eenheid vormen : een paar schoenen. Tweetal lichaamsdeelen, die aan een normaal ontwikkeld lichaam vooikomen : een paar oogen. Twee bij elkander behoorende schepselen van beiderlei geslacht : een paar duiven. Bruid en bruidegom. Jonggetrouwden. Twee : een paar ossen. Eenige : geef hem een paar appelen. Bij paren gaan: twee aan twee.

psiarlt;1, o. (-en). Sterk en fraai viervoetig last- eu trekdier {eguuscaballus). Heeft


ocr page 643

589 —

PAAR

PAAR

ongespleten hoeven, staande ooren, lange staartharen en manen. Behoort tot de eenhoevige zoogdieren. Het paard in een schaakspel. Lange springbok (in de gymnastiek) .Onderdeel van verschillende werktuigen. Touw, dat in eene bocht onder de raas hangt. lem. te paard helpen, bevoor-deelen. lem. over het paard tillen, te veel van hem verwachten. Hij is geweldig op zijn paard : hij wordt zeer drifcig. Het paard achter den wagen spannen : te laat koraen met iets, de zaak verkeerd beginnen. Het paard, dat de haver verdient, krijgt ze niet: de waardigsten ziet men over het hoofd. — Paardebek, m. (-ken). — Paardebil, v. (-len). —Paardeborstely m. (-s). — Paardfdeky o. (-ken). Dekkleed der paarden. — Paardedekeny v. ( s). — Paardfgordel, m. (-s). — Paar de kam, m. (-men). — Paar de keutel, v. (-s). — PaarJeklaziw, v. (-en). Paardenhoef. (Plantenk.) Hoefblad. — Paardekleed, o. (■en). — Paardekop, m. (-pengt;. — Paardeler acht, v. (-en). De kracht van een paard als maatstaf. Werkeenheid, inz. bij stoomwerktuigen gebezigd, welke eene kracht aanwijst, die in crue seconde een ge wicht van 75 kilogr. ter hoogte vau cenen meter kan opheffen : eene machine van 40 paardekracht. — Paar de (11J leer, o. — Paar de (n) leer en, bo. — Paardebjn, v. (-en). — Paardentang, v. (..agen). — Paar demo len, m. (-s). — Paarden, bw. paardde, heeft gepaard. (Een vaartuig) door paarden laten voorttrekken. — Paar-denarbeid, m. — PaardenartSy m. (-en). — jP aarden artseny, v. (-en). — Paar den-ar» stiiijkunde, v. — Paar den artsenijschool, v. (..olen). — Paardenberyder, m. (-s). — Pa arden berijdster, v. (-s). —

Paar denbeschermer t m. (-s). — Paar» denbeul, m. (-en). — Paardenbloem, v. (-en). Plant (leontodon taraxacum), tot de samengesteldbloemigen behoorende.De bladeren zijn vinspletig en grof getand. De gele bloemhoofdjes komen aan 't einde van een hollen, naakten stengel, 't Vruchtje is van een gesteeld zaadpluis voorzien. Komt voorop alle bouw- en graslanden. — Paar' denbloemsalade, v. Molsla. De jonge uitspruitsels der paardenbloem, die als groente gegeten worden.— Paardenboer,m. (-en).

— Paar denboon, v. (-en). Peulvrucht {faba vulgaris). Wordt ook veldboon genoemd.

— Paardendief, m. (..ven). — Paar dendieverij, v. (-en). — Paardendistel, v (-s). Soort van' hoogstammige distel met groote bladeren en harde stekels. — Paar-dendooder, m. (-s). — Paardendokter, m. (-s). — Paardendracht, v. — Paarde (n) drek, m. — Paardenfokker, m. (-s).

— Paardetifokkerij, v. (-en). — Paar-dengeld, o. — Paar den geslacht, o. — Paardenhaam, o. (..amen). — Paardenhaar, o. — Paardenhals, m. (..zen). — Paar denhalster, m. (-s). — Paardenhaw del, m. — Paardenharen, bn. — Paar-denhoej, m. (..ven). —Paar denhor zei, v. (-s). Soort van groote horzel. —Paar denkastanje, v. (-s). Zie Kastanje. — Paardenkenner, m. (-s). — Paardenkennis, V.

— Paardenknecht, ra. (-s). — Paarden-keuring, v. (-en). — Paardenkooper, m. (-s). —Paardenkracht, v. Kracht als van een paard. — Paardenkutser, m. (-s). — Paarden loop, m. — Paardenmarkt, v. (-en).— Paardenmeester, m. (-s). — Paar-de(11)mest, m.— Paardenmiddel, o. (-en).

— Paardenoog, o. en v. (-en). Oog van een paard. (Zeew.) Knoop in het paard.


1. Kop.-

2. Lijf.

3. Beenen.

a. Ooren.

b. Bles.

c. Voorhoofd.

d. A'eusgat.

e. Onderste kakebeen.

i. Benedendeel quot;• au de onderste kinnebak. g. Oog-groef.

b. Manen.

a. Voorhoofdsriem.

b. Ooglap.

c. Toom.

d A'eusriem.

e. Mondsmk,gebit.

f. Kinketting.

g. Spring tengel.

h. Halsriem.

i. Kinketting riem. j. Gareelhout.

Fig. A. Paard.

i. Schalt.

j. Hals.

k. Schouder.

1. Borst.

m. Bovenbeen,

n. Knie.

0. Bquot; en pijp.

p-s. Koot.

q. Kroon.

r. Hoef.

t. Hoornachtige uitwas, u-x. Schenkel.

Fig. B. Paardetuig.

k. Gareel.

1. Halve springteugel. ra. Draagboom, treem. n. Streng.

o. Buikriem. p-q. Draagriem. r. Kassen.

s-u. Broek.

t. Gesp.

v. Dubbele broekriem. Fig. C.

v. Toomvand.

w. Sprong^ezuricht.

y. Staart.

z. Heup.

a'. Rug.

b'. Lendenen,

c'. Kruis.

d'. Zijde.

e'. Buik.

P. Benedenschenkel. g'. Vet lok van de koot.

w. Lis.

x. Teugel.

y. Staartriem.

z. Heup.

a'. Kn ir.

b'. Schuiver van het kopstuk,

c'. Rozet.

d'. Kopstuk.


1. Gewone gang, stap. 2. Galop. 3. Draf,

ocr page 644
ocr page 645

PAAS — 5lt;

VijfErankstuk.— Paar denpeen, v. (..enen). Soort van groote witte peen. Dient tot paardenvoeder. — Paardenras, o. (-sen).

— faardensalade, v. Paardenbloem. — Paardenschouw, v. (-en). — Paar-denslachter, m. (-s). — Paardenslnch-tery, v. (-en). — Paardensmid, m. {..eden). — Paardenspel, o. Men). — Paarde fnj s/al, m. (-len). — Pa ar denstoet, m. (-cn). — Paar denstoeterij, v. (-en), Inrichticg tot het aanfokken van paarden. — Paarde (n) stront, m. — Pa arden strqo, o. — Pa ar de 7iteelt, v. — Paarde (n)t'uiq, o. — Paardentuïscher, m. (-s). Handelaar in paarden. — Paardentni-Sching, v. — Paar denviller, m. (-s). — Paar de ('n)vleesch,o. — Paardenvlieg, v. (-en). Twe«vleugclijj insect, welks maskers op het lijf der paarden, enz. leven. — Paardenvoeder, o. — Paardenvolk, o. Ruiterij. Zie Leger. — Paar denvracht, v. (-en). — Paardenwachtertje, o. (-s). Witte kwikstaart. — Paardenwed, o. (-den). — Paardenwerk, o. — Paarden-Tvik, v. (-ken). — Paardenzalf, v. — Paar denziekte, v. — Paardepoot, m. (-en). Poot van een paard. Horrelvoet. Duivel. —Paardestaart, m. (-en). Staart van een paard. (Plantenk.) Hermoes. — Paardestaaftachtigen, v. rav. (Plantenk.). — Paardevijg, v. ( en). —Paarde to oin, m. (-en). — Paardevoet, ra. (-en). Paardepoot. — Paardezadel, ra. (-s). — Paardezoen, ra. (-en). Slag met den hoef. Harde oorveeg.—Paardmensch, m. (-en). (Fab ) Monster, half mensch en half paard. — Paardrijden, o. — Paardrijder, m. (-s). — Pa a rdrijdster, v. (-s).

— Paardsblnetnen, v. mv. Zwartkoorn.

Zie Parel.

pstui'lcinoor, igt;arelui oer, o.Glanzige inwendige deelen van vele soorten van schelpen, welke op velerlei wijze tot versiering worden gebn ikt. — Paarlemoerachtig, bn. — Paarlemoeren, parelmoeren, bn. — Paarlevioermossel, v. (-s). Parelmossel. — Paarlemoerpapier, o. — Paarlemoer schelp, v. (-en). — Paar le-mtervlinder, m. (-s). Volksnaam van ■cer esoort van dagvlinders.

paai'Iiiig:, v. (-s). (Scbeik.) Stof, waarmede een zuur is verbonden.

bn. Violetkleurig. — Paars, o. ..nUzo, bijw. Bij paren.

paart, o. ( en). Zie Part (ie art.)

paanrliarbteu, o. Zondag na Pas-chen.—Paaschavond, ra. (-en). — Paasch-beest, o. en v. [-en). — Paaschbest, o. Mooiste zondagskleeren. — Paaschbest, bijw. Hij was op zijn paaschbest gekleed.

— Paaschbeurt, v. (-en). —Paaschbiecht, v. — Paaschbloevi, v. (-en). Madelief.— Paaschbrood, o. (-en). — Pa as ch co m in u -nie, v. — Paaschdaz, ra. (-en). — Paasch-ei, o. (-eren). — Paaschfeest, o. en v. (-en).—Paaschgezang, o. (-en).— Paasch-kaars, v. (-en). — Paaschkoek, v. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.). — Paasch lam, o. (-meren). — Paaschlelie, v. (..iën, -s). Gele narcis. — Paaschmaandag, ra. — Paaschinarkt, v. (-en). — Paaschnacht,

t — PAED

ra. — Paaschos, ra. (-sen). — Paasch' plicht, ra. en v. —Paaschpreek, v. (-en).

— Paaschpronk, ra. Paaschbest.—Paasch-tijd, va. — Paaschvacantie, v. (..iën, -s).

— Paaschvuur, o. (..uren). — Paasch-week, v. — Paaschzondag, ra. [•en).

paalt;Jc, o. (-s). Verkleinwoord van pa. parlist, ra. (-'s). Turksch staatsambtenaar, die in naam van den grooten Heer het bewind voert in de provinciën, paoliomctcr, ra. (-s). Dikteraeter. parlit, v. (-en). Huur (van land, huizen, enz.). Huurprijs. Pachttijd. — Pacht-acte, v. (-n). — Pachtbrief, ra. (..ven). — Pachtcedel, v. (-s). — Pacht ceel, v. (-en).

— Pachtcontract, o. (-en).—Pachtboer, m. (-en). —Pachten, bw. pachtte, heeft gepacht. Huren. In pacht nemen. — Pachter, m. (-s). — Pachterij, v. (-en). Pachthoeve. — Pachtersdochter, v. {-s). — Pachter se, v. (-n). Pachtersvrouw.— Pachtersvrouw, v. (-en). — Pachterswoning, v. (-en). — Pachterszooti, m. (..onen). — Pachtgeld, o. (-en). — Pachtgoed, o. (-eren). Pachthoeve. — Pachthoeve, v. (-n). — Pachthuur, v. (..uren). — Pachting, v. (-en). — Pachtj'aar, o. (..aren). — Pa chtpenn in ge n, ra. rav. —Pachtsom, v. (-raen). — Pachtspel, o. (Middel.) Verpachting met behoud van zekere heerendiensten. Ook, zeker spel. —Pachtster, v. (-s). — Pachttijd, ra. (-en).

pariren, bw. pacifi(c)eerde, heeft gepacifi(c)eerd. Bevredigen. Verzoenen.Sussen. — Pacificatie, v. (..iën). Bevrediging. Pacificatie van Gent: Noorden Zuid-Nederland verbonden zich elkander te helpen om de verwijdering der Spaansche bezettingen en de geloofsvrijheid te behouden (1576). — Pacijiek, bn. Vreedzaam. Vredelievend.

parolille, v. Pak en zak. Vrachtgoed, part, o. (-en), partum, o. (pacta). Verdrag. Verbond. Overeenkomst.

ParuvliiH, 23o(?)-i4o(?) vóór Chr. Brundisium. Latijnsch dichter. Dulorestes (treurspel).

pad, o. (-en). Weg. Baan. Voetpad. Jaagpad. Het pad der deugd.

pa«l, v. (-den), palt;l«lo, v. ( n). De pndden maken eene familie uit in de orde der kikvorschachtigen. Hebben korte ach-terpooten, tandenloozen mond en een raet wratten overdekt dik lichaam. Bij ons komen voor : de gewone pad [bufo vulgaris) en de groene pad {bufo calamita). — Pad-debloot, bn. Naakt. Kaal. — Paddenbla-den, o. mv. Groot hoefblad. — Padden-bloem, v. ( en). Volksnaam der stinkende kamille. — Paddenbrood, o. (-en). Paddenstoel. — Paddengij(t), o. — Padden-nest, o. en ra. Nest van padden. Morsig oord. — Paddenstoel, ra. (-en). De paddenstoelen behooren tot de familie der zwammen. Onderling verschillen zij oneindig in vorm en kleur. Groeien op aarde, die rijk is aan organische stoffen, op hoornen, enz. Vele zijn eetbaar; andere zijn zeer schadelgk en vergiftig. — Padden-vergif (t), o.

l'ariang. Zie Sumatra, pardagogle, v. Onderwijskunst, op-


ocr page 646

PAK — 59

Toeding-leer. Opvoedingsgesticht. — Pae-dago giek, v. Opvoedingsku st. — Paeda-gogisch, bn. Tot de opvoedkunde behoo-rende. Opvoedkundig. — Paedagoog, m. (..ogen). Leermeester. Opvoeder. Schoolvos.

Psamp;elinck (^). 1781-1839, Oostakker. Historieschilder. Kruisvinding.

paf, tw. Klanknabootsing, waardoor een zachte val, het geluid van een geweerschot, enz. wordt uitgedrukt. — /gt;a/, m. (-fen). Slag. Oorveeg. — Paf, bn. Opgeblazen (van veel eten of drinken). Lusteloos. Loom. — Paffen, pafte, heeft gepaft. Ow. Opzetten (van vet l eten en drinken). Schieten, afvuren. Bw. Afrossen.—Paf-farig bn., Paf. Opgeblazen. — Pafferigheid, v. — Pajftg, bn. Paf. — Paffigheid, v. —Pafzak, m. env. (-ken). Dikmensch, die op den adem is aangedaan.

v. (-en). Roeiriem, op de oorlogsschepen en bij de Indianen in gebruik. — Pagaaien, bw. ow. pagaaide, heeft gepagaaid. Met de pagaai roeien. — Pa-gaaier, m. (-s). Die paeaait. Geitouw.

pagralt;let, v. (-ten). Soort van duif. Heeft roode oogen en een vle zig uitwas op dfn bek. Behaagzieke vrouwe modepop. Oorveeg, — Pagadetterig, bw., Gedoken zittende als eene pagadet. Zich onwel gevoelende. Lardernr.

Pagranlui (AM, 1784-1840, Genua. Vioi Ispeler en componist. Carnaval de Vtnise.

patco, m. (-s). Edelknaap. Hofjonker. Lijfjoi ker.

pag:e, v. (-s). Bladzijde. — Pagina, v. ( 's). Bladzijde. — Pagina-papier, o. (Boekdr.) — Paginatie, v. ( s), paginatuur, v. (..uren). Volgorde der bladzijden. Bladnummering. — Pagineer en, bw._ pagineerde, heeft gepagineerd. De bladzijden nummeren. Van volgnummers voorzien.— Pagineering, v. (-en).

paicipolen, ow. paggelde, heeft gepag-geiü. Lastig en onbehendig gaan (inz. van kindt-nn). —Paggelaar, m. (-s). — Pag-gelgat, m. env. (-ten). Paggelaar

pagrocle, v. (-n, -s). Tempel. Bidplaats. Indiscne tempel.

paicnivut, o. (-en). Betaling. Gedeelte : iem. met paiementen betalen.

paillctteu, v. mv. Loovertjes. Goud-loovertjes.

pair, m. (-s). (Middel.) Edelman, die uit d« nzelfden stand ais de vorst was en het na;ist aan den troon zat. (Eert.) Lid der eerste Kamer (Frankrijk). Lid van het EnKelsch Hoogerhuis. — Pair esse, v. (-n). Pairschap, o. n ^ T

Paiaiello (G.), 1741-1816, larente. It. opera componist./.a mulinara ; il Bardiere di Seviglia.

pak, o. (-kern. Gelijke of verschillende voorwerpen bij elkander gebonden, in elkander gerold, enz. : een pak brieven. Last: ik zal u van dat pak ontlasten. Stel klee-ren : bij heeft een nieuw pak aan. Twee riem papier. Met het pak gaan : rondgaan om koopwaren uit te venten. Met pak en zak : met al zijne have. Een lastig pak : een moeilijke taak. Dat lag als een pak op

1 — PALA.

mijn hart. — Pakdoek, o. Grof linnen. — Pakdrager,pakkedrager, m. (-s). —Pa-ket. Pakket. — Paketboot, v. (-en). Snelzeilend vaartuig, dat op gestelde tijden de brievenmaal overbrengt en passagiers overvoert. Snelvarend stoomschip tot vervoer van personen en goederen. — Paketvaartt v. — Pakezel, m. (-s). — Pakgaren, o. — Pakgeld, o. (-en). — Pakgoed, o. (-eren).

— Pakhaak, m. (..aken). — Pakhuis, o. (..zen). Bergplaats voor koopwaren. Magazijn. — Pakhuisbaas, m. (..azen). — Pakhuishuur, v. (..uren). — Pakhuisjongen, ra. (-s). — Pakhuisknecht, m. (-s, -en). — Pakhuismeester, m. (-s). — Pakijs, o. Grootehoeveelheid drijfijs. — Pakjey o. (-s). Klein pak. Omhelzing inz. tegen kinderen gezegd) : geef mij eens een pakje.

— Pakjesdrager, m. (-s). — Pakkage, v. (-s). Reisgoederen. —Pakkamer, v. (-s).— Pakkast, v. ( en). —Pahkelder, m. (-s).

— Pakken, bw. pakte, heeft gepakt. Verschillende voorwerpen ordelijk in eene daartoe bestemde ruimte bijeen veegen,zoodat er een pak ontbtaat : kleeren in eenen koffer pakken. Eene ruimte ordelijk daarmee vullen : eenen koffer pakken. In tonnen doen : haring pakken. Iets in grauw papier pakken, daarmee omwikkelen. Tot zich nemen : hij pakt al wat hij krijgen kan. Nemen : eenen borrel pakken. Stevig grijpen en vasthouden : hij pak:e den dief bij den kraag. Aanhouden, achter slot zetten : eenen moordenaar pakken. Treffen : het zien van die arme weezen pakte mij. Ow. Zich vasthechten : de inkt pakt niet op vet papier. Indruk maken : zijne woorden pakten niet op het volk. — Pakken-drager, m. (-s). — Pakker, m. (-s). — Pak ker rj, v. Het pakken. ( en) Plaats, waar ingepakt wordt. — Pakket, o. (-ten). Pak, Klein pak. Brievenmaal. — Pakket-post, v. — Pakking, v. Het pakken. (-engt; (Stooraw.) Opvulsel van hennep rondom den stoomzuiger. — Pakkingbus, v. (-sen).

— Pa kki ngri ng, ra. (-enj. — Pu k king zuiger, ra. (-s). — Pakkist, v. (-en). — Pak-koord, v. (-en). — Paklinnen, o. (-s). — Pakma?id, v. (-en). — Paknaald, v. (-en).

— Pakpaard, o. (-en). - Pakpapier, o. (-en).—Pakriem, m. ( en).— Pakschuit,v~ (-en). — Pakspeld, v. (-en). —Pakster,v. (■s). — Pakstquot;k, m. (-ken). — Pak touw r o. (-en). — Pakwagen, ra. (-s). — Pakzadel, ra. (-s). — Pakzolder, m. ( s).

pal, m. (-len). Eikenhouten of metalen pen of klamp om eene spil ol rad vast te zetten. — Palhaak, ra. ^..aken). — Pal-klamp, m (-en).

pal, bijw. Onbeweeglijk. Voor den vijand pal staan, hem onverschrokken het hoofd bieden. lem. pal zetten : iem. door redene- ring den mond snoeren.

paladüquot;, m- (-en). Ridder uit het gevolg van Karei den Groote. Dapper en hoffelijk held.

Palamedcs. Een der Grieksche helden in den Trojaanschen oorlog.

PalaimMle» 10 {A.), 1600-1673, Delft. Schilder van portretten en binnenhuizen. 20 Zijn broeder (Palamedes, Palamedesz.), 1607-1638, Londen. Schilder van veldsla-


ocr page 647
ocr page 648
ocr page 649

Jquot;ALJ _ 5

gen, gevechten man tegen man en ruiterij-aanvallen.

paluitk, v. (-en). (Vestingb.) Paalver-schansing.

palziukU») ni. (-s). Draagstoel (in Azië).

m. (-s). (Eert.) Naam der voornaamste Hongaarsche baronnen. — Pa la tijn sc A ap, o. — Palat maat, o. De Palts. Paltsgraafschap.

palatine, v. (-n). Halskraag. Manteltje voor dames.

palc-alo, v. Soort van Kngelsch bier. palceren. Pareercn.

paiei. v. (-en). Katrol. (Oudt.) Foltertuig. — Paleikoord, v. (-en). — Paleizeel, o. (-en).

galeis, o. (..zen). Koningshuis. Hof. Uitgestrekt en fraai ingericht gebouw. Paleis van justitie ; gerechtshof. Paleis voor volksvlijt,. Zijn huis is een paleis, l'alciiibanjf. Zie Sumatra.

palcu, ow. paalde, heeft gepaald. Grenzen, raken (aan).

l'alvHlina. Landstreek in Azië, waar de Joidaan loopt. Wordt ook Cüanailn, Beloofde Land, judea en Heilig Land genoemd. Daar is de Heiland voor het menschdom geboren en gestorven.

Paleiilrina [G.P.A. lt;/«), 1524-1594. Romeinsch toondichter. JZ/wa PapaeMar-celh; Stabat Mater.

palet, v. (-ten). Kaatsplankje. — Paletten, ow. palette,heeft gepalet. Raketten, palel, o. (-ten). Verlbordje.

paletot, v. (-s). Overjas.

palfrenier, m. (-s). Koetsbediende. Stalknecht.

l*allgt; ii \J.), 1650-1730, Kortrijk. Ontleedkundige. Hoogleeraar (Gent). Schonk de verlostang en de lepels aan de vroedkunde.

paliusr, ni. (-en) (voorwerpsn.) ; v. (stotn.) Welbekende soort van aal [an-guilla vulgaris). Komt in nagenoeg alle zoete wateren van Europa voor. Lang en mager persoon. Jongen, die altijd ongedurig is. — Palingbroodje, o. (-s). — Palingfuik, v. (-en). — Palingkaar, v. (..aren).

— Pa ling korf, v. (..ven). — Palingkruid, o. Specerijkruid [origanum viajorana). Komt in onze moestuinen voor. — Paling-net, o. (-ten). — Palingschaar, v. (..aren).

— Pahngsteken, o. — Palingsteker, m. (-s). — Palingtrekken, o. — Palingvel, o. t-len). —Palingvrouw, v. (-en).

paliuuur, m. (..uren). Stuurman. Schipper. Len palinuur van Staat : een kundig staatsman.

paliHsade, v. (-n). Staketsel. Paalwerk.— Palissadeeren, bw. palissadeerde, heeft gepalissadeerd. Met palissaden om-of afsluiten. — Palissadeering, v. (-en).

palissauder, o. Fijne, harde, en dichte houtsoort. Is donkerbruin van kleur.

— Palissander boom, m. (-en). — Palissanderhout, o. — Palissanderhouten, bn.

paljas, m. (-sen) Hansworst. Potsenmaker.

paljas, v. (-sen), paljasse, v. (-n). Stroozak ; op eene paljas op den grond slapen.

3 — PALM

palladium, o. (-s). Schild, heiligdom, heiligst kleinood : de vrijheid is het palladium der volken.

palladiiiiii, o. Blauwachtig wit metaal, ontdekt in 1803.

1'alladiO {A.), 1518-1580, Vicenza. It. bouwkundige.

pallas, m. (-sen). Vierkant kartonnen deksel met lijnwaad o vei trokken. Ligt op den kelk in de Mis.

patliiM, m. (-sen). Ruiterssabel.

pallen, ow. palde, heeft gepald. Ingrijpen. I i vallen (van den pal van een schakelrad).

pal lieeren, bw. pallieerde, heeft ge-pallierrd. Verzachten. Bewimpelen. Vergoelijken. — Palliatief, o. (..ven). Verzachtend of pijnstillend middel. Bewimpeling. Uitvlucht.

pallium, o. (-s). Schoudermantel der aartsbisschoppen. Wordt soms uit bijzondere gunst door den Paus aan de bisschoppen gegeven.

palm, v. (-en). Vlak der hand. Zekere lengtemaat = 1 decimeter. E^ne kubieke palm = 1 liter. (Zeew.) Maat volgens welke de diameter van het masthout wordt berekend. — Palmatus, bn. (Plantenk.) Handvormig. — Pahnen, bw. ow. palmde, heeft gepalmd. Hand over hand hijschen. — Palmslag, m. (-en). Slag met de hand in die van een ander (ter bevestiging van eenen koop, enz.). — Palmspier, v. (-en).

palm, m. (:en). Palmboom. Palmtak. Hulst : de huizen waren met palm versierd. — Palm, v. Kruid. Buks. — Pal-macieten, m. mv. Versteende palmtron-ken. — Palmblad, o. (-eren). — Palmboom, m. (-en). Zie Palmen. — Palmboo-men, bn. —Palmboompje, o. (-s), Oneig. benaming van den buksboom. — Palmen m. mv. Eonzaadlobbige plantenfamilia [palmoe), uit de orde der kolfbloemigen. Omvat alleen boomvormige gewassen van eigenaardige gedaante. Deze gewassen onderscheiden zich door een onvertakten, houtigen stam, welke in breede bladerkroon uitloopt en dooreen bundel wortelvezels in den grond bevestigd is. De eigenlijke schors ontbreekt. In plaats daarvan heeft men ringvormige litteekei.s der afgevallen bladeren, of ook een vezelig of doornig overtreksel, het overblijfsel der bladscheeden. Komen in 't algmieen tusschen de keerkringen voor. In Europa treft men enkel den dadelpalm en den dwerg palm aan.— Palmenwoud, o. (-en).

— Palmhennep, m. Vezels der palmbladeren.— Palmhof, m. (..ven). — Palmhout, o. — Palmhouten, bn. — Pa lm iet, o. Palmmeel. Palmmerg. — Palmkermis, v. (-sen). Kermis omtrent Palmzondag. — Palmmarkt, v. — Palmmeel, o. — Palmmerg, o. — Palmolie, v. (..iën). — Palm-riet, o. Spaansch riet. — Palmrieten, bn.

— Palmstruik, m. (-en). — Palmtak, m. (-ken). — Palm tronk, m. (-en). — P.ilm-veifn, m. —Palmwortel, m. ( s). — Palmzondag, m. Zondag voor Paschen. De Heiland deed op dien dag zijne pl- chtige intrede in Jeruzalem. Palmtakken (eig.


ocr page 650

PANA — 5c

takken van den buksboom) worden op dien dag in de kerken gewijd.

(y. H. van d'f), 1763-1841, Rot-terdam. Huogleeraar (Leiden). Karselre-denaar. Bijbel voor de jeugd (1811-1834) ; Salomo (1813) ; Geschied- en redektindig gedenkschrift van Nederlands verlossing Redevoeringen (1810).

pnSma, v. (-'s). Zeker Oostindiscb vaartuig.

Pstlma 1° (G), i48o(?)-i548(?gt;. De oude. It. schilder. De vlucht naar Egypte; een jonge herder in aanbidding voor V Christuskind. 20 (G.), i544(?)-i628, Venetië, de jonge. Schilder. H. Benedict us; Vinding van V Kruis.

pstlitiitine, v. Een der hoofdbestand-dt-elen der meeste vetten.

l»»lster, m. (-s^, palstcrstok, m. (-ken), psilifterstuf, m. (..ven).Pelgrimsstok. — Paltrok, m. (-ken). Pelgrimsrok. Soort van zaagmolen.

l*sill]tc {J.), 1719-1769, Deventer. Porti etschilder.

v. Naam van twee vroegere Du't^cbe staten : Opper- en Bcnedenpalts. — Paltsgraaf, m. (..aven). —Paltsgraafschap, o. —Paltsgrafelijk, bn. — Paltsgravin, v. (-nen).

pstlul. v. (-len). Vod. Lap. l'itiustksiMHan Ziejava.

psimfleti, o. (-ten). Vlug-, smaad- of sc.nmpscl'.rift. Schotschrift. — Pamflettist, ni. (-en). Smaadscbrijver. Schotschriftschrijver.

pntnp»'», v. mv. Boomlooze grasvlakten in Zu:d-Amerika.

pstuip**!**!!, bw. pampelde, heeft ge-iam})rlu. Kreukelen. Frommelen.

psoiipeniocljo, v. (-s). Soort van paddenstoel.

pstii, v. (-nen). Bekkenvormig keuken-geri edschap. Wat op eene pan Kelijkt: 4e pan van een oud geweer. Holligheid van bet slot: kruit op de pan doen. De pan van een mortier, waarin de spil draait. Oewrichtsholte. Hersenpan. Dakpan. — Panaal, ra. (..alen); v. (stofn.). — Panap-jel, ra. (-lt;n, -s). — Panboor, v. (..oren). — Panboring, v. (-en). — Panharing, ra. (-en) (voorwtrpsn ); v. (stofn.) Versche, groene haring. — Pan kruit, o. — Panlat, v. (-tt-n). — Pan(ne)likken, ow. panlikte, beeft gcpanlikt. Talelschuiraen. Op de kap loopen. — Pan (ne) likker, ra. (-s)._ — Pan(nejlikster, v. (-s). — Panlikkery, v. ( en). — Pannebrood, o. (-en). —Pannedeksel, o. (-s). — Panne koek, m. (-en). Soort van ronden, dunnen koek. — Pannekoeken, ow. pannckoekte, beeft gepan-nekoekt. Lanterfanten. Lang staan te wachten. — Pannenbakker, ra. (-s). — Pan-nenbakkerij, v. (-en). — Pannendak, o. ( en). —Pafinendekker, ra. (-s). — Pan-tnejvisch, ra. (..sschen) (voorwerpsn.) ; v. (stofn.).—Panvlies, o. (..zen). Vlies boven de hersenpan.

pansiarzcn, bw. panaarsde, heeft ge-panaarsd. Getselen. — Panaarzing, v. (-en).

panacoa, v. Algemeen geneesmiddel. Wondermiddel.

I — PANO

paiiaclio, v. (-s). Vederbrs. Pluimbos, panoai i, v. (-n). Plakbrief. Plakschrift. Plakkaat.

pand, o. (-en). Zijstuk (van eene jas of rok).

paii«], o. (-en). Iets, dat aan eenea schuldeischer tot waarborg der betaling wordt gegeven. Iets, dat aan een ander wordt gegeven ter verzekering van eene verbintenis of belofte. Voorvverp, dat men bij het pandverbeuren afgeeft. Alles wat tot pand dit-nen kan. Lijf en loven te pand zeltlt; n ; alles wagen. (Oudt.) Plaats, waar de schrijnwerkers hunne vervaardigde stukken bijeenbrachten om verkocht te worden. (Oudt.) Pakhuis. — Pandbelee-ner, m. (-s).— Pandbeslag, o. —Pand-bezitter, ra. (-s). — Pa na bezitster, v. (-5).

— Pandbrief, ra. (..ven). — Panden, bw. pandde, heeft gt-pand. Beslag 1- ggen op goederen. Goederen gerecht/lijk laten verkoopen ter voldoening van schuld. In pand geven. Beleenen. —Pander, ra. (-s). lem., die iets in pand geeft of neemt. Deurwaarder. — Pandhouder, m. (-s). — Panding, v. (-enh — Pandjeshuis, o. (..zen). Bank van leening voor kleine panden. — Pandlieden, m. rav. Gijzelaars. — Pand lossing, v. — Pandrecht, o. — Pandschuld, v. (-en). — Pandschuldenaar, m. (..aren). — Pand-schuldenaarsier, v. (-s). — Pandspel, o. (-en). — Pandverbeuren, o. Zeker gezelschapsspel.

paii«l, ru. (-en). Galerij om do, binnenplaats van een klooster. — Pandhtf, m. (..ven). Hof door dezegab-rij omringd.

paudecleu, v. mv. Verzan.eling van werken over het oud-Romeinsch recht.

pandoei*, m. (-en). Hongaarsch krijgsman. Lomperd. Zeker kaartspel. (Oudt.) Muntstuk = 0.22 1/2 frank. — Pandoeren, ow. pandoerde, beeft gepandoerd. Zeker kaartspel spelen. — Pandoering, v. (-en). Pak slagen. — Pandoer kaar t, v. (-en).

puucel, o. (-en). Houten beschot, dat als in een raam is gevat. Achterstuk vao eenen spiegel of eene schilderij. Houten blad, waarop men schildert. — Paneelhout, o. —Paneelraam, o. en v. (..amen).

— Paneelschilder, ra. (-s). — Paneelwerk, o. (-en). — Paneelzager, m. (-s).

— Paneelzolderiquot;g, v. (-en). paueff.Tricn», m., paitcsryrivk, v.

(-en). Lofrede. Lofdicüt. — Panegyrist, ra. (-en). Lofredenaar.

paiiick, v. Plotselinge en ongegronde schrik. Algeraecne angst. — Panisch, bn. Panische schrik.

pauikeras, o. Plantengeslacht {pa-nicum). Drie soorten komen bij ons in 't wild voor. — Panikgrassen, o. rav. Eene groep der grassen.

panjo, v. (-s). (Zeew.) Beteeid stuk zeildoek. Wordt door de visschers op den rug gedragen, als zij eene schuit op het hout helpen.

panuo, v. Trijp. Fluweel. — Pannen, bn.

pauopticum, o. (-s). Inrichting, waar beroemde en beruchte personen in was geboetseerd, worden tentoongesteld.


ocr page 651

PANT — 5lt;

I»anorania,o.(-'s).Algemeen schouw-■tooneel.

pstDHcr. Pantser.

puntailou, ra. (-s). Hansworst. —/'aw-talonnnde, v. (-n). Poets, klucht. Gekke -uitvlucht.

pantzilon, v. (-s). Brock, waarvan de pijpen tot op de hielen afdalen.

Pantsir. Soenda-eiland.

panter, m. (-s), puuterdier, o.

(-en). Roofdier {felis par dus) y tot de familie der katten behoorende. Leeft in Afrika. Is moeilijk te onderscheiden van den lui-.paard. — Panter haat, m. (-en). Getijgerde haai: sqtialus canicula. — Panter hrk, o. (-ken). —Panter huid,v. (-en).

— Panter jacht, v. (-en). — Panter kat, v. (-ten). Soort van kleine panter. Leeft in -Z.-Amerika. — Pantervel, o. (-len).

pautlie'ÏMmc, o. Volgens dit philoso-phisch stelsel bestaat er geen echt onder-scr.eid tusschen de wereld en haar beginsel : alles zou wezenlijk deelhebben aan de goddelijke natuur. Onder de pantheïsten zijn er die beweren, dat de wereld uit haar beginsel voorkomt door uitvloeiing; ande--ren houden voor, dat de wereld een samenhang is van openbaringen en toevallen van eene al-éene zelfstandigheid, die door hare werkende kracht onder de onderscheiden-ste vormen zich vertoont. Deze twee stelsels worden verdeeld in idealistisch en realistisch pantheïsme. Volgens de idealisten zou de uit- en invloeiing der goddelijke zelfstandigheid zich openbaren in de gedachte. Vorens de realisten zou zij ook de verschijnsels van de buiten-wereld bevatten. Voornaamste pantheïsten : Spi-noza, Fichte, Scheling, Hegel, Schopen-hauwer, Haitmann, enz. — Pantheïst, m. (-en).

Psmnieon, o. Tempel in het oude .Rome den goden toegewijd. (Thans) Gebouw tt-r gedachtenis van beroemde mannen opgericht.

psmioorstiic, v. Alleenheerschappij, psmtoirel, v. (-s). Slof. Muil. — Pan-toffelhoutboom, m. (-en). Kurkeik. — Pantoffelhout, o. — Pantoffel ijzer, o. (-s). Hoefijzer zonder kalkoenen.

punto^raaf', ra. (..afen). Teekenaap. Toestel om teekeningen na te maken, te vergrooten of te verkleinen.

paiktouielcr, m. (-s). Hoekmeter, pantomime, v. (-n, -s^. Gebarenspel.

— Pantoviimtek, v. Gebarenkunde. — Pantomimisch, bn. — Pantomimist, ra. (-en).

pautopliaag:, bn. Met alles zich voedende. — Pantophaag, m. (..agen). Veelvraat.

paultier, o. (-s). Kuras. Harnas. IJzeren bekleedsel (van schepen). — Pantser-dier, o. (-en). Gordeldier, — Pantseren, bw. pantserde, heeft gepantserd. Met een kuras of harnas bekleeden. Een gepantserd schip : vaartuig geheel met ijzer beslagen. — Pantserfort, o. (-en). — Pantser-handschoen, m. ^-en). (Heelk.) Hand-schoenverband. —Pantserhemd, o. (-en). Soort van maliënkolder. — Pantsermaker, m. (-s). — Paniierjlaat, v. (..aten).

l, — PAPE

— Pantserstof, o. Stof, waaruit de schilden der insecten bestaan. — Pantser-visch, m. (..sschen). Zekere visch, wiens lichaam met beenachtige schubben is bedekt.

pap, v. (-pen). Kooksel van meel, brood, enz. met melk. Pap om te plakken. Stijfselwater. Gom. Vischlijm. Ver/achtend middel op zweren, enz. lera. de pap in den mond geven : iem. doen gevoelen hoe hij handelen, spreken moet. — Papachtig, bn. — Papbaard, m. en v. (-en). Die verzot is op pap. Die morsig pap eet. — Papbeschuit,v. (-en) (voorwerpsn.); o. (stofn.). — Papbrood, o. — Papeten, o. Zeker volksspel. — Papeter, m. ( s). — Papeetster, v. (-s). — Papje, o. (-s). Dunne pap. Iem. een papje koken : iem. vergif bereiden, iera. eene poets spelen, bedriegen. — Pupkind, o. (-eren, -ers). — Pap-kommetje, o. (-s). — Paplepel, ra. (-s). — Papmusch, v. (..sschen). — Pappen, bw. papte, heeft gepapt. Deze of gene dingen raet pap aan elkander hechten : twee bladen papier samen pappen. Iets raet pap aanvullen en steviger maken : linnen pappen. Met pap of door pap weeken (eene zweer, enz.). — Pappig, bn. — Pappigheid, v. — Papping, v. (-en). — Pap-p'eister, v. (-s). — Pappot, m. (-ten). — Papschotel, ra. (-s). — Pap set, o. (-s). — Paptaart, v. (-en). — Papzak, ra. en v. (-ken). Iera., die gaarne pap eet. Dik, zwaar mensch.

papa, pa, ra. (-'s). Vader.

papaal, bn. Pauselijk.

papaver, v. (-s). Plantengeslacht uit de familie der papaverachtigen. Bezit ver-doovende eigenschappen. Tot dit geslacht behooren : papaver somniferuj/i (slaapbol, maankop), waarvan twee variëteiten voorkomen : p. somnifcrum nigrum en p. somniferum a Hum. —Papaverachtig, bn. Papaverachtige planten. —Papaverbloem, v. (-en). — Papavermel/z, v. — Papaverolie, v. — Papaverplanten, v. rav. — Papaversiroop, ..stroop, v. — Papaverzaad, o. — Papaverzuur, o.

papegaai, m. (-en). De papegaaien (psittacus) maken eene familie uit onder de kliravogels. Leven bijna alle in 't zuidelijk halfrond. In de gevangenschap leerea sommige soorten de raenschelijke stem en 't fluiten nabootsen. De fraaist gekleurd® soorten komen uit Brazilië en de Üostin-dische eilanden. Klappen als een papegaai : klappen zonder verstand. Hij :s een ware papegaai: hij spreekt of bauwt alles na. — Papegaaiachtig, bn. — Papegaai-duiker, ra. (-s). Zwemvogel {mormon fra-tercula). Is zoo groot als eene duif. Heeft eenen papegaaisbek. Leeft in N.-Amerika, en de noordelijke helft van Europa. — Papegaaiekof, ra. (-pen).— Papegaaien-kruid, o. Duizendschoon. — Papegaaien' nest, o. en m. (-en). — Papegaaietong, v. (-en). — Papegaaisbek, ra. (-ken). JBelc van eenen papegaai. IJzeren schaar, bevestigd boven op eenen staak, dienende ora dunne takken van de hoornen af te knippen bij middel van een touw, waaraan men trekt om de schaar te doen knippen.


ocr page 652

PAPI — 5(

Zekere schaaf. Versteende mossel. Soort van tulp._— Papegaai'skoot, v. (-en). — Pap ega ai sneus, m. (..zen). — Papegaais-stoky m. (-ken).

papelcnl, v. (Plantenk.) Nachtschade.

— Papekullekens, o. mv. (Plantenk.) Klein huislook. — Papenaad, m. (..aden). (Zeew.) Naad tusschon de zeilen. — Pa-fetibloem, v. (-en). Paardenbloem. —Pa-éendont, o. (Minachtend) Alle Roomsch-Katholieke geestelijken. Hunne denk- en handelwijze. — Papengebroed, ..sel, o. — Papen hoed, ra. (-en). — Papenkap, v. (-pen). — Papenkrtiid, o. Paardenbloem.

— Papenkwaad, o. (Plantenk.) Soort van duizendknoop. — Papenmuts, v. (-en). (Vestingh.) Dubbel tangwerk tegenover een bolwerk. — Papensioelen, m. mv. Paardenbloem. — Papery, v. Papendom.

paporaMHcn, v. mv. Scheurpapier. Oude papieren.

paamp;petorio, t. (-ën). Papierhandel. Doos met schrijfbehoeften.

papier, o. (-en). Zelfstandigheid, eertijds uit de papierplant, later uit katoenen en linnen lompen, boombast, stroo, hout, enz. vervaardigd. Stuk papier. Geschreven grooter of kleiner blad : zijne papieren zijn in orde. Dagblad : de Fransche papieren. Geldswaardig papier: zijn gansche vermogen bestaat uit papier. Wissels : duizend frank in papier. Papier aan toonder: schuldbekentenis, waarbij de schuldenaar op zich neemt,niet aan een bepaalden persoon,maar aan ieder, die op een gegeven tijdstip houder van dat stuk mag zijn, zekere verbintenis te vervullen. — Papierachtig, bn. — Papier bederver, ra. (-s). Slechte schrijver.

— Papierbekladder, ra. (-s). — Papierblad, o. (-eren). Bladpapier. — Papier-bloem, v. (-en^. Stroobloera. — Papier-bfom, ra. (Oudt.) Papyrus.—Papierdra-gend, bn. (Plantenk.) — Papieren, bn. Van papier. Papieren geld : papier, dat een wettigen koers of geldswaarde heeft. De papieren wereld : geldwereld, fondsen. Papieren mannetje : zwak ventje. Papieren kind : letterkundig werk (ten opzichte van den schrijver). — Papierfabriek, v. (-en). — Papierfabrikant, ra. (-en). — Papierhandel, ra. — Papierhandelaar, m. (-s). — Papier handelaar ster, v. (-s).

— Papierkast, v. ( en). — Papierknipper, ra. ^-s). — Papierknipster, v. (-s\. — Papierknipsel, o. (-s). — Papierkooper, m. (-s). — Papierkraam, v. eno. (. amen).

— Papierkramer, ra. (-s). — Papier kuip, v. (-en). — Papierkttfist, v. Prenten. Kunst van den papierknipper. — Papier-lade, \. {-v).— Papierluis, v. (..zen). — Papier7/ingazyn, o. (..zen). — Papiermaker, ra. (-s). — Papiermaakster, v. (-s).

— Papiermerk, o. (-en). — Papiermolen, jn. (-s). — Papiermet, v. (-ten). — Pa-piernatten, o. — Papiernatter, ra. (-s).

— Papiernautilus, m. (-sen). Koppoo-tig weekdier jargon aula ar go), dat een schelpje zoo dun als papier bewoont. — Papierolie, v. (..ien). — Papierpap, v. — Papierplant, v. (-en). Papierriet. — Papierriet, o. (-en). Papyrus. — Papier-schaar, v. (..aren). — Papiersnipper, m.

5 — . PARA

(-s). — Papierstamper, m. (-s). —Papier-stof, o. — Papierstrook, v. (-en). — Pa' piertje, o. (-s). Stukje pap er. Briefje, notitie. Papillot. — Papierverkcoper, ra. (-s). — Papierverkoopster, v. (-s). — Pa-piervorm, ra. (-en). — Papierwinkel, m, (-s).— Papierworm, ra. (-en). Soort van raot (die 't papier verteert). Arrae klerk.

papillot, v. (-ten). Papiertje tot het oprollen der haren. Karbonades in papillotten, die in papier gewikkeld worden gebraden. Papillottenstijl : opgepronkte stijl. — Papilloteeren, bw. papilloteerde, heeft gepapilloteerd. In papillotten wikkelen. Overdreven, bloemrijk spreken.

Papin (Zgt;.), 1647-1714» Blois. Fr. natuurkundige. Uitvinder van den Papini-aanschen pot. — Papiniaansch, bn. Papi-niaansche pot : pot door een schroefdeksel luchtdicht gesloten, zoodat de waterdamp geenen uitweg vindt.

papist, ra. (-en). Paus- of Roomschge-zinde. — Papisten/, v. (-en).

papje, o. (-s). Kleine papegaai. Papoea's, ra. rav. De donkerbruine bewoners van Nieuw-Guinea. (In't algemeen) De negers in Australië.

pappei, ra. (-s). Populier. Witte pap-pel : heerast.

papyrus, ra. Plantengeslacht, tot de familie der cypergrassen behoorende. De voornaamste soort is de papierplant, een

èmet. hoog cypergras. De Egyptenaren ezigden deze plant tot het vervaardigen van vlechtwerk, touw, enz. Uit de vezelen der halmen bereiden zij papier,met. hoog cypergras. De Egyptenaren ezigden deze plant tot het vervaardigen van vlechtwerk, touw, enz. Uit de vezelen der halmen bereiden zij papier,

paraaf, v. (..afen). Pennetrek. Verkorte handteekening. Waarmerk. — Pa-rafeeren, bw. parafeerde, heeft geparafeerd. Merken met eene paraaf. Van de handteekening voorzien.

parabel, v. (-en, -s). Gelijkenis. Zie Apoloog. — Parabolisch, bn. bijw.- Bij wijze van gelijkenis. (Wisk.) In de gedaante eener parabool. — Parabool, v. (..olen). Kegelsnede, welke evenwijdig loopt met eene zijde des kegels. Ingebeelde lijn door eene bom, enz. in de lucht beschreven, paraelmte, v. (-s). Valscherm, paraeleet, ra. Rader, bemiddelaar. Trooster, de h. Geest.

parade, v. (-s). IJdele vertooning : dat staat daar enkel om parade te maken. Optocht in de beste kleeding (inz. van krijgsvolk). Wapenschouwing. Paradeplaats. De soldaten, die op de parade verschijnen. (Schermk.) Het afweren van eenen stoot. — Paradebed, o. (-den). Praalbed. — Paradeeren, ow. paradeerde, heeft geparadeerd. Pralen, p-onken : hij paradeert raet zijne geleerdheid. Parade houden : de troepen paradeeren vandaag.

— Paradekleed, o. (-eren). Statsieklfed.

— Parademarsch, ra. (-en). — Paradepaard, o. (-en). Pronkpaard. — Paradeplaats, v. (-en).

paradigma, o. (-'s, ..ata). Voorbeeldt paradljft, o. Verblijf van zaligheden en wellusten, dat door het eerste raenschen-paar werd bewoond. Verblijf der gelukzaligen. (..zen). Bekoorlijk verblijf. Geringste plaats in eenen schouwburg. — Para-


ocr page 653

PARA — 5S

dys, m. (..zen). Paradijsappel. — Paradij sappel, m. (-en). Groote appel, met eene schoone ro( de kleur. — Paradysge-schiedenis, v. — Paradij'shout, o. Aloë.

— Paradyskorrel, v. ( s). Soort van peper.

— Paradysraaf, v. (..ven). Witte paradijsvogel.—Paradysvyg, v. (-en).— Paradys-vygeboom, m. (-en). Banaan. — Paradys-vcRely ra. (-s). Zeer fraaie Indische vogel, uit Guinea alkomstig. Sterrenbeeld. — Paiadysvreugde, v. Zalige vreugde. — Pa) adysweeuwtje, o. (-s). Soort van vlasvink.

paradox, v. (-en). Schijnbare tegenstrijdigheid, zonderlinge mecning, gedwongen wijsgeerige stelling. Wonderspreuk.

— Paradox, paradoxaal, bn. Wat als eene paradox klinkt. Gezocht. Vreemd. Wonderspreukig. —Paradoxie, v. Voorstelling van paradoxen.

paraerraaf, v. (..afen). Afdeeling. Af-declingsieeken (§).

parallel, bn. Evenwijdig. Gelijkloo-

£end. —end. — Parallel, v. (-len). Parallelcirkel, .ijn, die evenwijdig loopt raet eene andere. Vlak, dat evenwijdig loopt raet een ander.

— Parallelcirkel, ra. (-s). Cirkel, die evenwijdig raet den evenaar is getrokken.

— Parallelepipedum, o. (-s). Kantzuil, [waarvan de eindvlakken even als de zijvlakken parallelograranien uitmaken. — Pat allelogram, o. (-men) .Vierhoek,waarvan de overstaande zijden evenwijdig zijn.

/ZZ/

Parallelogram.

paralynccren, bw. paralj-seerde, quot;beeft geparalyseerd. Verlammen. Ontzenuwen. Verzwakken. Krachteloos maken.

— Par alysie, v. (..iën). Verlamming. Beroerte. — Paralytisch, bn. Verlamd.

Paramaribo, 20,000. Stadsdistrikt (Suriname). Zelel des Gouverneurs.

paranimf, m. (-en). Bruidgeleider. Speelnoot. Candidaatsgeleider (bij eene promotie).

parapet, o. (-ten). (Vestingb.) Borstwering.

paraplirase, v. (-n). Omschrijving. Uitbreiding. — Paraphrase er en, bw. paraph raseerde, heeft geparaphraseerd. Omschrijven. Uitbreiden. — Paraphrast, m. (-en). Omschrijver. Uitlegger. Verklaarder.

paraplulo,v. (-s), paraplu, v. (-'s). Regenscherm.

paraMiet, m. (-en). Tafelschuimer. Schuiralooper. Woekerdier. Zie Bijgevoegde Tabellen. — Parasiet, v. (-en). Woekerplant. — Parasitisch, bn. Woekerend.

paraNol, v. (-s). Zonnescherm. paraMtateu, ra. mv. Zijpilaren. Zij-IcoToraraen.

' — PARE

parafouuerre, ra. (-s). Donder-scherra. Bliksemafleider.

paraveut, ra. (-s). Wiudscherra.Wind-stut.

parceol, o. (-en). Deel. Deeltje. Zie Perceel.

paroimouleus, bn. bijw. Vrekkig. Karig. Zuinig. — Pai cimonie, v.

parrfaf, pardoel', tw. Klanknabootsing van iels, dat valt of losbrandt, pardai', m. Cichorei. Suikerij. pardel, m. (-s). Panter.

paigt;lt;loeu, v. ( s). (Zeew.) Lang touw, dat van den raasttop naar het want loopt, waaraan het wordt vastgemaakt.

pardon, o. Vergiffenis. Vergeving. Kwijtschelding. Genade. Verschooning l Met uw verlof! — Pardonnabfl, bn-. Verschoonbaar. Vergeeflijk. — Pardonnee-ren, bw. pardonneerde, heeft gepardonneerd. Verbeven. VergifFt-nis scht-uken. VerschooLcn.Verontscbuldigen.Tcn goede houden.

pareeren , pareerde, heeft gepareerd. Bw. Sieren. Tooien. Opsmukken. (Scherrak.) Afwenden : eenen stoot met den degen pareeren. Ow. Parade maken. Vertoon maken. Schitteren. — Pare?gt;ien-ten, o. mv. Optooisels. Tooi. Opschik. Belegsels. Belegstukken.

parel, v. (-en, -s), paarl, v. {-en). Voortbrengsel van de parelmossel, dat als juweel wordt gedragen. Wat eenigermate op eene parel gelijkt : parels van zweet stonden op zijn voorhoofd. Tiaan : in haar oog blonk eene groote parel. Dauwdroppel : aan ieder blaadje schitterde eene parel. Luchtblaasje : oe parels van den wijn. Knobbelvonnig uitwas aan het gewei van herten, enz. Wat zoo te waardeeren is als parels : dat is eene parel aan zijne kroon. ^Heelk ) Witte vlek : eene parel op betoog. Knoopje in kant. Kleine druklettersoort. — Parelachtig, bn. — Pareladder, v. (-s). Soort van adder. — Parel-asch, v. Zuiverste en volkomen witte pot-asch. —Parelbank, v. (-en). Plaats, waar men pareloesters aantreft. — Parelboor, v. (..oren). — Pareldruif, v. (..ven). Kleine soort van druiven. — Parelduiker, ra. (-s). Visscher van parelen. Werktuig tot de parelvisscherij georuikt. Zekere watervogel. — Parelen, ow. parelde, heeft gepareld. Parelvorraige blaasjes opgeven : de wijn parelt in het glas. In droppels te voorschijn koraen : het zweet parelde op zijn voorhoofd. Hoe parelt de dauw in den kelk der roos? — Parelgarst, v. Zeer fijne garst. — Parelgras, o. Familie der grassen {ntelica). ■— Parelgrijs, bn. — Parclgruis, o. Kleinste soort van parelen.

— Parelhaan, ra. (..anen). Zie Parelhoenders. — Parelhandel, m. — Parelhande* laar, ra. (-s). — Parelhandelaarster, v. (-s). — Parelhoenders, o. mv. Behooren tot de familie der fazantachtigen in de orde der hoenderachtige vogels. Komrn in Afiika in 't wild voor. De bekendste soort {nuniida meleagris) wordt gewoonlijk poelepetaat genoemd. — Parelkleur, v-

— Parelkleurig, bn. — Parelknobbel, ra. (-s). Parel aan bet gewei van herten, enz.


ocr page 654

PARK — je

— Parelkrans, ra. (-en). — Parel/troon, v. (..onen). — Parelkruid, o. Plantenge-.slacht [lithospermum). Behoort tot de ruwbladigen. Wordt aangetroffen in de duinen en op zandig bouwland. — Parel-letter, v. (-s). Zie Parel. — Parelmaat, v. (..aten). — Parelmoer, o. Paarlemoer. — Parelvioeren, bn. — Parelmoerpapier, o. Paarlemoerpapier. — Parelmosscl, v. (-en). Koploos weekdier. Verschaft het paarlemoer. Leeft in de Perzische golf en op de kusten van Ceylon. — Parelnaald, v. (-en). — Pareloester, v. (-s). Soort van oester, die de parelen voortbrengt. Leeft in de Perzische golf, op de kusten van Ceylon, enz. — Parelolie, v. — Parelöeer, v. (..eren). Soort van peer. Is rijp in September. — Parelpop, v. (-pen). — Schoone vrouw, bchoon meisje. — Parelschelp, ..schulp2 v. (-en). — Parelschrift, o. Zeer klem schrift. — Parelslak, v. (-ken). — Parelsnoer, o. (-en). — Parelspeld, v. (-en). — Parelsteen, ra. (-en), boort van delfstof. —Parelstikker, ra. (-s). Die in of met parelen werkt. — Parelslikster, v. (-s). —■ Parelstof, v. Hoofdbestanddeel van eenige vetsoorten. — Parelvanger, m. (-s). — Parelvangst, v. (-en). — Parel-visscher, m. (-s). — Parelvisschery, v. (-en). — PareIvlieg, v. (-en). quot;Waterjuffertje. — Parelvormig, bn. — Parelwater, o. (Apoth.). — Parelzaad, o. Kleine parels. Parelkruid. — Parelzand, o. Zand, waarin parels gevonden worden. — Pa-rclziektr, v. Soort van tuberculose (bij het rundvee). — Parelzyde, v. Schoone Perz.sche zijde.— Parelzwart,o. (Schild.) Zweedsch zwart.

pstreu, paarde, heeft en is gepaard. Bw. Twee onderscheidene personen, dieren of zaken met elkander vereenigen : hij paart zijne dapperheid met wijs beleid. Ow. (zijn) Zich onderling in paren koppelen. — Paring, v.

IKaronflicsc, parcnilicsis, v. Tus-schenzin. Tusschen twee haakjes. Tekst haakji-s ().

patrforoc, bijw. Met geweld. — Par-forcejacht, v. (-en). Loop-, renjacht.

1»»i fiiin, o. Zeer aangename geur. Reukwerk. — Parfumeeren, bw. parfumeerde, heeft geparfumeerd. Met een aan-genamen geur vervullen. Welriekend maken. — Parfumerie, v. (-en). Reukwerken. Welriekende waren.

pari, o. Honderd voor honderd. Op pari : op zijnen prijs, op zijne waarde.

paria, ra. en v. (-'s). Verworpeling. Verstooteling.

pariecrcn, bw. parieerde, heeft gepaneerd. Wedden.

ParUs, 2,344,500. Hoofdstad (Frankrijk). Werd belegerd (i87o-'7i). — Pa-njsch, bn.

pariteit, v. Gelijkheid: met pariteit van stemmen.

park, o. (-en). Dooi een hek afgeslo-tene ruimte. Diergaarde. Sluittuin. Artillerie-park : plaatt waar het geschut staat met al zijne toebehooren, volledig stel kanonnen.

parket, o. (-ten). Het gerecht, de wet.

5 — PARO

de heeren van de wet. Kleine omheining-

in de gerechtzalen, waar de rechters gezeten zijn en de advocaten hunne plaats hebben. Ingelegde vloer. Ruimte in eenen schouwburg tusschen de stalles en het parterre. — Parketeeren, bw. parketeerde, heeft geparketeerd. Van inlegwerk voor zien. Inleggen. — Parketvloer, ra. (-en). Ingelegde vloer.

parkiet, ra. (-en). De parkieten maken eene groep uit van kleine papegaaien. Komen voor in Indië, de Soenda-eilandea en Z.-Amerika.

parlemeut, o. (-en). Rijksvergadering. Hoog gerechtshof (in Fi ankrijk vóór 1790).—Parlementair, m. (-s,-en). Onderhandelaar (tusschen twee legers, enz.).

— Parlementair, bn. bijw. Kaar de wijze van een parlement. Met de regelen ea gebruiken der Kamers overeenkomstig. Parlementaire vlag: onderhandelingsvlag.

— Parlementeer en, ow. parlementeerde, heeft geparlementeerd. Onderhandelen. In onderhandeling treden. — Par-lementen. ow. parlementte, heeft geparlement. Praten, babbelen. Redetwisten. — Parlementsgebouw, o. (-en). — Parlementshuis, o. (..zen). — Parle-mentsgezinde, m. (-n). — Parletnents' heer, m. (-en). — Paf/ementsltd, o, (..eden). — Parlementsvergadering, v. (-en). — Parlesanten, pariasanten, ow. parlesantte, heeft geparlesant. Babbelen. Snappen. Veel woorden denhals breken.

— Par loir, v. (-s). Spreekkamer. Spreekplaats.

Parma, 45,000. Stad (Italië). HoofdpL der provincie Parma. Aloud hertogdom.

— Parmezaan, m. (..anen). Inboorling van Parma. — Parmezaan, v. (..anen). Kaassoort, in de omstreken van Parma bereid. —Parmezaankaas, v. (..azen).— Par7?iezaansch ,hn,

parmant, parmantigr, bn. Deftig, statig : hij heeft een parmantig voorkomen. Sierlijk uitgedost. — Parmentelyh^ permentelyk, bijw. Zeer duidelijk ; hij heeft het parmentelijk gezien. Stellig : het is parmentelijk waar. Klaar en duidelijk. — Parmantigheid, v.

Pariia»,Pariias8i]fi, m.Zie Helicon, parua», ra. (-sim), paruassyn, m. (-s). Bestuurder eenersynagoge.

pariia8kriiilt;l, o. Allerliefst plantje [parttassia palustris). Groeit in onze veenstreken, heigronden en duinen.

parochie, v. (..iën, -s). Kerspel. Kerkelijke gemeente. — Parochiaal, bn. — Parochiaan, ra. en v. (..anen). — Paro~ chiekerk, v. (-en). — Parochiepriester,. m. (-s).

parodie, v. (-ën). Boertige omwerking. Bespotting. Klucht. — Parodieeren, bw. parodieerde, heeft geparodieerd. Boertig navolgen. Boertig omwerken. Iets ernstigs kluchtig voordragen.

paroniem, bn. Stamverwant. — Pa-roniem, o. (-en). Stamverwant woord.

parool, o. (..olen). Wachtwoord. Herkenningswoord.

paroxysme, o. Hoogste graad. Toppunt. Uiterste.


ocr page 655

PART — 5c

l»arti, o. (-en). Deel, gedeelte, aandeel. Voor mijn part : wat mij aangaat. Van mijn part : van mijnentwege. — Parten, b\v. partte, heeft gepart. Deelen. Verdee-len.

part, v. (-en). Listige trek. Gril. Zotten: ij. lem. parten spelen : iem. zoeken te foppen.

part, o. (-en). (Zeew.) Loshangend touw.

parterre, o. Platte vloer. Onderste verdieping. Gedeolte in eenen schouwburg, «lat zich gelijkvloers achter het parket bevindt. TuinbcJ, bloembed.

partlionon, o. (-s). Tempel aan Minerva gewijd. Kunsttempel.

partijial, bn. bijw. Partijdig. Eenzijdig. — Partialiteit, v.

partienlarihiue, o. Het beschermen van bijzondere belangen. — Particnla-rist, m. (-en).

particulier, bn. Bijzonder. Afzonderlijk : iem. in het particulier spreken. Particuliere woning : huls, dat geen stads-of pi bliek gebouw is. Eigen : iemands particuliere zaken. Eigenaardig, wonderlijk : particuliere gedachten, 't is particulier. Particulier weder : uitnemend schoon weder. — Particulariteit, v. (-en). Bijzonderheid. Eigenaardigheid. — Particulier, m. (-en). Ambteloos burger. — Particuliere, v. (-n).

psirtieel, bn. Gedeeltelijk.

pstrtü, v. (-en). Deel, stuk : eene partij zaailand. Zekere hoeveelheid : eene partij koffie. Gezindheid : de katholieke partij. Iemands partij trekken : iem. verdedigen. Lrgerafdeeling voor het een of ander doel uitgezonden : eene partij op verkenning uitzenden. Nut, voordeel : partij trekken uit kts. Spel : hij won de partij. Gedeelte van een muziekstuk : de panijen uitschrijven. Uitspanning : eer.e jachtpartij. Gezelschap : van de partij zijn. Belangheb-bendc men kan met tevens rechter en

Sartij zijn. Huwelijk : eene goede partij artij zijn. Huwelijk : eene goede partij oen.—Partijbelang, o. (-en).— Partijdig, bn. bijw. De belangen van iem. op partijdige, onbillijke wijze voorstrtar.de. Vooringenomen. Eenzijdig.— Partijdigheid, v. — Partijganger, m. (-s). Volgeling. Aanhanger. Bevelhebber over vrijbuiters. — Pa* tijgeest, m. Blinde drift voor eene staatspartij. — Party ge ld, o. — Partijhaat, ra. — Partijhoofd, o. (-en). — Partijleus, v. (-en). — Partijman, m. (-nen). — Partijnaam, m. (..amen). — Partijschap, v. (-pen). Verdeeldheid. Woeling. Kuiperij. — Partijstemming, v. (-en). — Par tij woede, v. — Partyzucht, v. Partijschap.

psirtQke, v. Plantengeslacht. De genu ene partijke: wilde kattestaart.

partikel, o. (-s). Rededeel. Bijwoorden, voorzetsels, voegwoorden, tusschen-werpsels noemt men partikels.

partisan, m. (-s). Aanhanger. Partijganger.

partitie, v. (..iën, -s). Indeeling. Verdeeling. Partituur.

partituur, v. (..uren). De onder elkander voeging van al de partijen van een

) — PAS

meerstemmig toonstuk, waarnaar de leiding geschiedt.

partner, m. (-s). Medespeler. Maat. Dansgenoot. Medehandelaar.

partuur, o. (..uten). Persoon, die geschikt is om met e^n ander een paar te maken. Iemand, die tegen een ander is opgewassen. Gelijke wederga. Evenknie, puruik, v. (-en). Pruik.

parvenu, m. (-'s). Nieuwe rijke. Iem., die van niets iets geworden is. Opkome-ling.

pa», m. (-sengt;. Tred, trede. Schrede, stap. Afstand tusschen de voeten bij het loopen. Telgang. Smalle doorgang : iem. den p is afsnijden. B -rgengte. Zeeëngte. Paspoort, vrijbrief. Het passen. — Pas, o. Tijdstip. Keer. Gelegenheid. Op dit pas : dezen keer. Dat geeft geen pas ; dat is niet wel voeglijk. Op zijn pas : juist genoeg. Iets van pas maken, maken dat het past. Dat schip is op zijn pas geladen, zoo geladen dat het gemakkelijk zeilt en stuurt. — Pas, bijw. Zooeven : hij is pas aangekomen. Nu eerst: hij heeft pas gedaan. Het kleed pas is, is niet te wijd oi te nauw. Te pas, bijw. uitdr. Te pas biengen : op di;ii rechten tijd doen volgen. Te pas komen : op het geschikte oogenblik komen. Dat komt ni. t te pas : dat is onbehcMulijk. Ik ben wel te pas, zeer gezond. Hij voelt zich kwalijk ie pas, niet wel. — Pas, o. ( sen). Biljet, waarop de prijs van het brood is aangegeven. Dat det-l van eene vrouwenmuts, dat het hootd bedekt tusschen het voorhoofd en den schedel. —Pasgang, m. (-en). Telgang. — Pasganger, m. (-s). Telganger. — Pasgeboren, bn. Nog niet lang geboren. — Pasgehuwden, m. mv. — Pasgeld, o. Kleingeld. —Pasget' ouwden, m. mv.— Pasje, o. (-s). (Letterz.) LtaaQe, dat de noodige ruimte tusschen de woorden aangeeft. — Pasj'es, bijw. Zooeven. Nauwelijks. Passelijk. — Paskaart, v. (-en). Soort van zeekaart. (Kaartsp ) Kaart om te passen. — Pasklaar, bn. Zoo klaar, dat het opheel past. —Paslood, o, (-en). Draad met een looden balletje (inz. door metselaars gebruikt). Peillood. — Pas-maat, v. (..aten). Werktuig, ter afmeting van den pas bij het voetvolk. — Pasmunt, v. Kleingeld. — Paspoort, o. (-en). Vrijgeleide-brief. Vrijbrief. Verlofbrief. Iem. zijn paspoort geven, hem wegzenden. Zijn paspoort onder de voeten nemen : het hazenpad kiezen. — Passelijk, bn. bijw. Redelijk. Taraeliik. — Passen, paste, heeft gepast. Bw. Pas maken, evenen, meten. Eenen hoed, schoenen passen, opzetten of aantrekken om te zien of zij goed zijn. Juist zooveel betalen als men moet: kunt gij het niet passen? Met een warm ijzer effenstrijken : eenen naad passen. (Zeew.) De kaart passen : op de paskaart den afstand tot eene zekere plaats bepalen. Ow. Juist zoo zijn als het zijn moet : die kloeren passen mij niet. Die kurk past op de flesch. De sleutel past op de deur. Die planken passen in elkander. Bij elkander beboeren : het een past bij het ander. Overeenstemmen : die menschen passen niet bij elkander. Die meid past mij niet, staat mij


ocr page 656

— 600 —

PASS

PASS

Diet aan. Betamen : die woorden passen met in uwen mond. (Spei) Niet spelen. Zich wachten (voor) : met hem uitgaan, daar zal ik wei voor passen. Acht geven lt;op) : op zijne woorden passen, np zijne zakken passi-n. Dat past op hem : dat slaat op hem. iMft passen en meten wordt de meeste tijd gesleten. Wien de schoen past, die trekke iiem aan. — Passend, bn. — Passing-, v. (-en).

Patioal (B.), 1523-1662, Clermont.Wijs-glt; er, wiskundige, natuurkundige. Provin-Ci'iles (1658) ; Pensees su?- la religion (1667). Hem is de grondgedachte der hy-draul.schepers te danken.

l'stNOlist, o. (Bij de Joden) Feest ter herinnering aan de verlossing uit Egypte. — Paschen, v. (Liij de Christem-n) Feest ter gedachtenis aan de verrijzenis van Jezus. Zijne Paschen houden : omtrent Fasen en ter Communie gaan.

l»a»b wil, o. (-1 en). Schotschrift. Schimp-schritt. Pdskwiltnakev, m. (-s). —- Pas-krvilschrijver, m. ( s).

lgt;i»»«aat,Tn. (..aten), passaalwlult;1, m. (-en). Zie Wind.

passage, v. ( s). Doorgang,doorvaart: eene gevaarlijke passage. Glazen straat. iJrukto, verkeer : hier is veel passage. Fassage nemen, plaats bestellen op een schip. Gedeelte, volzin (uit een werk of een muziekstuk) : lees die passage nog een?-, v ersiering der melodienoten. —Pas-sagebiljet, o. (-ten). — Pas-sagegr d, o. — Passage-instrument, o. (-en). Me-ridiaat'kijker. — Passage-punt, o. Punt in den meridiaan, waardoor het middelpunt eener ster been-gaat.

paHsaeier. m. (-s).Rei ziger. — Passagieren, ow. passagierde, heeft gepassagierd. Voor eenen dag aan wal gaan. — Passagiers-boot, v. (-engt;. — Passa-giersdienst, m. — Passa-giersgoed, o. (-eren). — Passagierstrein, m. (-en).

passé,v.(-n). (Schei mk.) Uitval.

passccliesjc, o. Dobbelspel, waarbij men met drie dobbelsteenen Loven tien en daarbij op twee steenen evenveel oogen moet werpen. — Passedie-zen, ow. passediesde, heeft gepassediesd.

pasHcorcn, bw. ow. (zij» ) passeerde, heeft en is glt;p;issecrd. Doorbrengen, Slijten : 't is om den tijd te passeer* n. Verlijden : eene akte passeeren. Sluiten : eene n kening pass-eren. Biengtn: eene som in re-kenirg passeeren. Aangeven i asseer mij a. u. b dien schotel. Afleggen : een examen passeeren. Geven ; bij

Passer.

heeft zijn woord gepasseerd. Voorbijgaat^ overtrekken, overvaren : de linie p issee-ren. Doorgaan : bij eene maansverduistering passeert de aarde de zon. Verwelken : die bloem is gepasseerd. Vervliegen ; die wijn is gepasseerd. Gebeuren, voorvallen ; wat is er daar gepasseerd. De gepasseerde week : de verledene week. Hij is gepasseerd : men beeft een ander (die minder aanspraak had) benoemd, hij is overleden- — Passant, m. (-en). Dooin-izende. Voorbijganger. E;i passant : in 't voorbijgaan. Terloops : en passant zeide hij. — Passantenhuis,o. (..zen).

paNscmcnt, o. (-en). Boordsel. Belegsel. — Passé ment maker, m. (-s). — Pas-sementfnaakster, v. (-s). — Passement-werk, o. — Passementwerker, m. (-s). — Paasementzverkerij, v. (-en). — Pas-sementuerkster, v. (-s). — Passe?nent-winkel, m. (-s).

passc-partout, m. ( s). Looper. Hoofdsleutel. Dievensleutel.

paNMcr, m. (-s). Werktuig om cirkels te beschrijven en bij teekeningen gebruikt te worden. — Passerbeen, o. (-en). — Passerdoos, v. (..zen). — Passer schroef, v. (..ven).—Passertrek, m. (-ken).

paMKio, v. Lijden van Christus. Geschiedenis van 't lijden van Cliristus. Tijd, waarin over dit lijden gepreekt wordt. Als de vos de passie preekt, boeren wacht uw ganzen : eener huich. laar mag me i niet vertrouwen. — Passiebloem, v. ( euj. Plan-

Passiebic em.

t^ugeslacht (passijlora) in tropisch Amerika. Voornaamste soorten : de vierhoekige passiebloem (/. quadrangular is) en de laurieibladige passiebloem {p. lauri* folia). — Passieboek, o. en m. (-en). —


ocr page 657

PATE — 6

passiepreek, y. (-en). — Passiespel, v. (-en). — Passieweek, v. —Passiezondag, m. (-en). Zondag voor Palmzondag.

psiMNie, v. ( s, . iën). Drift. Hartstocht. pzmHiof', bn. Lijdend. Lijdelijk. pstHsicr, o. Schuld, nadeel, tekort : het actief en het passief.

I» ha lei, v. (-en). Gebakkene spijs, in de gedaante van een koekje (Letterz.) Door elkander gevallen zeisel. — Pasteibakker, ra. (-s). — Pasteibakkerij, v. (-en). — Pasteibakkersgast, ra. (-en).

— Pasteibakster, v. (-s). — Pasteibakkerstafel, v. (-s). — Pasteideeg, o. en m. — Pasteigebak, o. — Pas lei korst, v. (-en).

Itastcl, v. Plant {Isat is tinctorid). Komt in 't wild voor. llare bladeren leveren eene schoone blauwe kleurstof. — Pastel, o. (-len). VeifstiJt. Schilderstift.

— Pastelkleur, v. — Pastelschilder, ra. (-s). — Pastelschilderen, o. — Pasteist ij t, v. (-en).—Pastelteekrnaar, ra. (-s).

— Paste Itee keu ing, v. (-en). — Pastel-verf, v. (..ven). — Pastelwerk, o. (-en).

PatttoiiB' (Z.), 1822-1895, Dole. Doctor in natuurlijke wcrtcnsehappen. Maakte zich bekend door zijne studiën over de ziekten der zijwormen, over de gisting van wijn, bier. azijn, enz. Onderzocht de bacteriën of bacillen van de kippen-cholera, van den rooden loop der varkens en van 't miltvuur. Piiste in elk geval dezer ziekten zijne inentingsmethode raet goed gevolg toe. Door de inenting tegen hondsdolheid verkreeg hij schitterende uitkomsten.

lgt;aMlilIc, v._ (-S). Meelballetje. Reukballetje. Pilletje. Borstplaatje. Suikerplaatje.

pstMtinak, v. (-en). Schermbloemige plant {pastinaca sativa). Heeft een vlee-zigen wortel, die bij sommige gerechten wordt opgedischt. — Pas tin aken bed, o. (-den). — Pastinakenwortel, in. (-s). — Pastinnkenzaad, o.

pastoor, ra. (-s, ..oren). Geestelijk op-perhoofd van eene parochie. Herder. Zie Priester. — Pastoorshuis, o. (..zen). — Past oorskleeding-, v. (-en). — Past oors-meid, v. (-en). — Pastoorsplaats, v. (-en).

— Pastoorswoning, v. (-en). — Pastoraal, bn. Herderlijk. Landelijk. — Pastoraal, v. Herderslied. Herdersdans. — Pastorie, v. (-ën), pastorij, v. (-en). — Pastorijgoederen, o. rav.

I pataaf, v. (..aten), patat, ra. (-ten), palater, m. (-s). Aardappel.

palsikou, m. (-s). Spaansche munt = 2,5° gulden.

palas. v. (-sen). Klein vaartuig, dat tot den dienst van groote schepen wordt gebezigd.

patecl, o. (-en). Plateel.

pateen, v. (..enen). Verguld schoteltje, dat bij het Misofler wordt gebruikt.

pstlcnl, bn. bijw. Rond en eerlijk (van peisonen). Opperbest: dat is patent.

paleut, o. (-en). Bewijs van beroeps-uitoefeni 'g. Beroepsbelasting. Bezegelde brief. — Patentbelasting, v. (-en). — Pa-ienteei en, bw patenteerde, heeft gepatenteerd. Een patent geven. —- Patentenka-

i — PATR

vier, v. (-s). — Patenthacel, ra. Soort van schiethagel. — Patenthouder, m. (-s). — Patentijzer, o.. Beste soort ijzer. — Pu-tentohe, v. Gezuiverde raapolie. — Pa-tentplichtig;, bn. — Patentrecht, o. (-en).

— Patentwet, v. (-ten). — Patentzegel, o. (-s). •

paler, m. (-s). Vader. Kloosterling, die priester is. Soort van waterkever {hy-dr op hi lus piceus). Vlinder, ook schoenlapper genoemd. (Spott.) Deugdzaam mensch. — Paterniteit, v. Vaderschap.

— Paternoster, o. (-s). Onze Vader. Rozenkrans. Rozenhoedje. Handboei, üo-genblik. — Paternosteren, bw. paternosterde, heeft gepaternosterd. De handboeien aanleggen. — Paternoster kraal, v. (..alen). — Paternoster kruis, o. ( en).

— Paternosterwerk, o. Machine om water op te voeren. Emmerkeiting van eene baggermachine. Kuiken paterm sterwerk : snoer kurken tot ophouding der netten. — Pa tersbier, o. Beste bier. — Pat ei's kap, v. Monnikskap. — Paterstuk, o. (-ken). Tusschenrib (van een rund). — Paters-vaatje, o. (-s). Uit 't patersvaatje tappen : den besten drank geven, die in den kelder is. —Patervleesch, o. Gerookte osserib.

palliolog^ic, v. Ziektenlcer. — Pathologisch, bn.^— Patholoog, ra. (..ogen). Ziektenkundige.

palliOR, o. Het aandoenlijke (in uitdrukking). Hooge gevoeligheid (van eenen redenaar of dichter). Hoogdravendheid. Gezwollenheid. — Pathetisch, bn. Aandoenlijk. Roerend. Hartroerend. Hoogdravend.

Pal i. Zie Java.

paliënt, ra. en v. (-en). lem., die onder 's dokters handen is. — Patiënte, v. (-n).

palieulio, v. Geduld, verduldigheid, lijdzaamheid. Tw. Nu, tot daar! Patig. (-s) Zeker gebak. — Patiëntiewerk, o.

palig:, v., palik, o. Wilde plant (r«-mex patient ia). Komt voor op grazige plaatsen, tusschen kreupelhout.

patlua, o. Antiek brons. Roest op bronzen voorwerpen. Kunstmatig verwekte roest.

Patinier (.J. de), i4..(?)-i524, Bouvi-gnes. Vl. landschapschilder. Doop van Christus; Vlucht naai- Egypte.

patois, o. Boerentaal. Platte volkstaal. Straattaal.

palriareli, ra. (-en). Aartsvader. Oud-vader. — Patriarchaal, bn.

palrieiër, ra. ( s). Adellijk burger (in het oude Rome). Aanzienlijke. Groote. — Patricisch, bn.

pali-y*, m. (..zen). Soort van vogel {perdtx ct'nerea), tot de hoenderachtigen beboerende. Levert een allersmakelijkst wildbraad op. (Letterg.) Gesneden st -rn-pel, waarmede de matrijs vervaardigd wordt. — Patrysbalk. ra. (-en). (Zeew.).

— Patrijshaan, ra. (..anen). — Patrijshond, ra. (-en). Zie Hond. — Pat rij sue t, p. — Patrijspoort, v. (-en). (Zeew.) Poortje in de batterijpoort. — Patrijzciiei, o. (-eren). — Patnj'zenj'acht, v. (-en). — Patryzennest, o. en m. (-en). — Patry-


ocr page 658

PAUS — 60

tenoog, o. en v. (-en). Oog van eenen patrijs. Zekere boom in China. Soort van schurftkruid. Likdoorn tusscben do teenen. (Delfst.) Naam van ond-iscbeidcne stee-nen. — Patryzenvanger, m. (-sl.

I»ntrim4»iiiii]ii, o. Vaderlijk erfgoed. — Patrimoniaal, bn.

putriof, m. (-ten). Vaderlander. Vaderlandlievend man. (Eert.) Tegenstander van het huis van Oranje [in Nederland). Zie Jozef II.—Patrioiisch, bn. Vaderlandlievend. Vaderlandsch. — Patno/is-vie, o. Vaderlandsliefde. — Patriotsch, bn. De Patriotsche partij.

l»atronstst(, o. (..aten). Bescherra-schap. Begevingsrecht. — Patronage, v. (-s, -n). Bescheimschool. — Patrones, v. (-senK patronesse, v. (-n). Beschermheilige. Schutsvrouw. —Patroon, m. (..on« n, -s). Beschermheilige.Baas. Meester. Schipper. — Patroonschap, o. Patronaat.

pnfroon, v. (..onen). Koker, die zoo-vet-1 buskruit vervat als men voor een schot nooilig heeft. Losse patroon, alleen met kruit gevuld. Scherpe patroon, met kruit en projectielen gevuld. — Patroon, o. (..ont-n). Leest. Vorm. Voorbeeld. — Pa-troonfabriek, v. (-enl. — Patroonkoker, m. (-s). — Patrooinnaker, m. ( s). — Pair oon7naakster, v. ^ s). —Patrnonrolder, m. (-s), patroonstok, m. (-keu). (Vuurw.) Stokje om patronen te rollen. — Patroon-tasc/i, v. (..sschen). — Pairoonriem, m. (-en).

patrouille, v. (-s). Wacht. Nachtwacht. — Patrouilleeren, ow. patrouilleerde, heeft gepatrouilleerd. De wacht optrekken.

pats, v. (-en). Slag : iem. eene pats geven.

pauk, v. (-en). Halve bol van hout of koper, met kalfs- of ezelsvel bespannen, dat er door middel van een ijzeren raam is opgespannen en bij 't slaan (dat met eenen houten, met flanel of leder overtrokken hamer geschiedt) eenen toon geeft, welken men door schroeven hooger of lager kan stemmen. — Pauken, ow. paukte, heeft gepaukt. Op de pauk slaan. — Paukenge-schal, o. — Pauker, m. (-s).

Paula {Fr. de). Zie Miniem.

Psiulo (V. a.) (h.), 1576-1660, Ranqui-nes. Slichtte de congregatie der missie (der Lazaristen), de vondelingshuizen, enz. Zijn doel was het Evangelie onder de armen te

Erediken en 't landvolk door leer en voor-eeld ten goede te leiden.rediken en 't landvolk door leer en voor-eeld ten goede te leiden.

Paulus [k.) —de gr oote Apostel. Eerst vervolger der christenen onder den naam van San his, werd bij later in een ijverigen voorstander herschapen. Predikte in Klein-Azië, in Griekenland en te Rome. Werd onthoofd te Rome (67 of 68). Brieven.

pauperisme, o. Staat. Toestand der armen.

paus, m (-en). Geestelijk opperhoofd der h. Kerk. Heilige Vader. « De eigen stadhc.uder van Christus op de aarde en de wettige navolger van den h. Petrus, op wien Christus zijne Kerk getimmerd heeft». De huidige Paus : Leo XIII. — Pausdom, o. Pauselijke regeering, — Paus(e)lijkt

:— PEEL

bn. Tot den Paus behoorende. Van den Paus. — Pausgezind, bn. — Pausschap, o. Waardigheid van den Paus. Duur eenet pauselijke regeering.

paus, pauze, v. (..zen). Rustpoos, verpo».zng, stilstand, rustpunt. (Muz.) Rustleeken. — Patiseeret, ow. pauseerde, heeftgepauseerd. Rusten. Stilhouden. Ver-poozen. — Pauseering, v. (-en).

pauw, m. (-en). Vogelgeslacht [pavo)t tot de hoenderachtigen behoorende. De bekendste soort is de Beng lalsche pauw (p. cristatus). Wordt in Lui opa tot sieraad in tQinen, enz. gehouden. Vrouw met een trotschen gang. — Pauwachtig, bn. — Pauwenei, o. (-eren). — Pau~venhok, o. (-ken) —Pauwennest, o. en m. (-en),— Patiuenoog,o. en v. (-en). — Pauwepen, v. (-nen). — Paunestaart, m. ( en). — Pauweveer, v. (-en). — Pauwevoet, m. ( en). — Pauttiin, v. (-nen). — Pauwoog-pijlstaart, m. (-en). Groote blauwachtig*} groene rups. Leeft in 't najaar op wilgen en populieren. — Pauwspiegel, m. (-s). Zekere dagvlinder [papiho io).

Pauw (Jhr. JV. dquot;), 1835, Gent. Advocaat-generaal bij het Hof van beroep (Gent). Werkend lid der K. VI. Academie. De rekeningen der stad Gent (met Vuylsteke, i872-'85); Dit is die Is tory van Troyen (met Gailliaid, 1889-'02).

pan wies, m. ( .zen). Vogelgeslacht (crax), tot de hoenderachtigen behoorende. Leeft in West-Indië.

pavane, v. (-s). Oude Spaansche dans. Trotsche gang. — Pavaneet en (zich), ww. Eene hooge borst zetten. Zich trotsch aanstellen.

pavedette, v. (-n). Brievenduif. Postduif.

paviljoen, o. (-en). Tent, veldtent, legertent. Eerste kajuit in een vaartuig. Vlag. Zomerhuisje, lustprieel. Draaghemel, waaronder de priester het h. Sacrament draagt.

peauter, o. Piauter.

pooeatlille, v. (-n). Kleine zonde. Gering vergrijp. Vergeeflijke misstap.

pecco, v. Fijne en geurige Chineesche theesoort.

pecunia, v. Geld.^Vermogen. — Pe-culaat, o. Geldverduistering. — Pecuniair, pecunieel, bn. Het geld betreffende. Pecuniair belang : geldelijk belang.

pedaal, o. (..alen). Voettrrde aan draaibanken, enz. Trapper aan een rijwiel. Voetklavier aan het orgel of piano. — Pe-daalharp, v. (-en). De meest volkomen soort van harp.

pedant, bn. Schoolmeesterlijk. Waanwijs. Verwaand. — Pedant, m. (-en). Schoolvos. Wijsneus. Waanwijze. — Pedanterie,v. ( ën). Schoolvosserij. Waanwijsheid. — Pedantisch, bn.

pedel, m. (-s, -len). Bediende bij wetenschappelijke inricht ngen, inz. bij Hoo-gescholen. — Pedelskamer, v. (-s).

pedoslal, piedestal,o. (-len). Voetstuk. Voetzuil.

pee, v. (-ën|.Peen (2®art.).

peel, v. (pelen). Breede haarband, peel, v. (pelen). Moerassig land. —•


ocr page 659

PEGE — 61

Pee Hand, o. Streek moerassig veen op de grens van N.-Brabant en Limburg.

Peel [R.), i;88-i85o, Brury. Eng. staatsman.

peeni, v. (pemen). Lange peesachtige mortel van zekere grassoonen, inz. van het hondsgras. De pemen zijn de plaag der akkers. — Peeinboer, m. (-en). Onachtzaam landbouwer, wiens land vol pemen staat.

peen. Zie Pene.

peen,v.(penen). Piant {daucuscarota^, tot de schcrmbloeiuigen behooreude. Draaft ook den naam van gele of roode woitel. Heeft een vleezistcn zoeten wortel, die als toespijs en tot \eevoeder wordt gebruikt. Witie peen : pastinak. — Peen-bed, o. (-den). — PeenqraSy o. (Plantenk.) Kweek. — Peenloof, o. — Peenzaad, o. (..aden).

Peeno (//. van), 1811-1864, Kaprijke. Gineeshecr. quot;1 ooneelschrijver. Jacob van Arievelae (diania, 1841) ; Roosje zonder doornen (drama, 1842) ; Vondel (tooneelspel, 1861).

peer, v. (pert-n). Vrucht van den pereboom; m. (-en). Pereboom. Voorwerp, dat den vorm eener peer heeft. — Peersmaak, m. —Peervorjn ig, bn. — Peer zoet, bn. o.

pee», v. (pezen). Grofste soort van zenuw. Wordt ook trekker genoemd. Dient om de ledematen te bewegen. Trek-wortel van den boom, dien men velt. Dunne, lange wortel van hondsgras. Snoer van eenen boog : de pijl vloog van de pees. Aan de pees, aan den arbeid zijn. — Peesachtig, bn. — Peesgezivel, o. (-len). — Peesknoop, m. (^en). Opzwelling eener pees door opneming van waterdeelen. — Peesknoopachtig, bn. —Peesvleugeligen, m. mv. Zekere orde van insecten. — Pees-vlies, o. (..zen).

peet, m. en v. (peten). Peter. Meter. — Peetdochter, v. ( s). — Peetgeschenk, o. (-en). — Peetlap, m. en v, ^-pen). Plaatsvervangende peet. — Peetoom, m. (-s). — Peetschap, o. — Peettante, v. (-s). — Peetzoon,m. {•£).

peetci'muii, m. Zeker bier.

Peelers (.#.), 1614-1652, Antwerpen. Zeeschilder.

Peeters {H. B.), .1825, Antwerpen. Dichter en tooneelschrijver. Maria van Brabant (tooneelspel, 1846) ; KareiStolk (drama, bekroond, 1886); ae Dochter van den Roover (1887).

Pejfasus, m. (-sen^. (Fab.) Gevleu-

feld paard der dichters. Zeker sterren-eeld.eld paard der dichters. Zeker sterren-eeld.

pegel, m. (-s). Merk of knopje boven in eene meetkan, enz. om aan te wijzen hoever zij moet gevuld worden om zekere hoeveelheid drank of ander vocht te bevatten. Zulk eene kan.—Ptgtltn, bw. pegeidt;, beeft gepegeld. Merken. JJken. Veel drinken. Het eten pegelen : spaarzaam bedee-len. Die moeder pegelt het drinkgeld barer zonen. — Pegelachtig, bn. Spaarzaam en nauwkeurig. — Pegeier, m. (-s). Ijker (van vochtmaten). Dnnkebioer. —Pegel-stok, m. (-ken). Stok, om den inhoud van een vat, enz. te meten.

5 — PEKE

peignoir, m. (-s). Morgenkleed. Ochtendkleed.

peil, o. (-en). Hoogtemerk van den waterstand : boven, beneden peil staan. Diepgang : bet peil van een schip. Brugj-schaal. Vloedschaal. Zekere maat : dit bier is niet op zijn peil gebrouwen. Dagwerk, taak : zijn peil hebben. Maat : dit gaat het peil te boven. Zijne kennis is beneden peil, onvoldoende. Gnd schenkt uit goedheid zonder peil o- s het eeuwig leven. — Peilen, bw. pe:lde, h- eft gepeild. Hoogte of diepte \an het water opnemen. Jenever enz. peilen, de sterkte er van onderzoeken. Eene wond p ilen : da diepte er van onderzoeken. De hoogte van de zon, van eenen toren, enz. peilen. Iemands grond peilen : achter iemands meening of geheim komen. Dooigronden ; iemands hart peilen. Wie peilt de diepte hunner ellende ! — Peiler, m. (-s). — Peil' glas, o. (..zen). (Stoomw.). — Pei'ing, v. (-en). Het peilen. Diepgang. — Peilkquot;' ten, v. (-s, -en). — Peiihetting, m. (-en).

— Peilkompas, o. (-sen). — Peilkr aan, v. (..anen). (Stoomw.). — Peillood, o. ( en). Dieplood. — Peilschaal, v. (..alen).

— Peilstok, m. (-ken). — Peiltoestel, m. en o*. (-len).

peine, v. Moeite : het is de peine niet waard.

peinzen, ow. peinsde, heeft gepeinsd. Diep en ernstig over iets denken. Kaden-ken. Overdenken. Mijmeren. — Peinzend, bn. — Peinzer, ra. (-s). — Peinzing, v. (-en). — Peinster, v. ( s).

peis, v. Vrede : in peis leven.

peisteren, bw. ow. Voeden. Weiden. Ow. Pleisteren. — Peistet ing, v.

pek, piSc, o. Kleverige en brandbare zelfstandigheid (uit dennen- of pijnboomhout). Hij is zoo zwart als pek, zeer zwart. Wie met pek omgaat, wordt er roede besmet : wie met slechte menschen omgaat, wordt zelf slecht. — Pekachtig, pikac/itig, bn. — Pekboom,pikboom, m. ( en). Pijn-, harsboom. — Pekbrander, pikbrander, ra. (-s). — Pekbroek, m. ( en). Zie Pikbroek. — Pekdraad, m. (..aden). Zie Pikdraad. — Pekken, pikken, bw. pekte, heeft gepekt. Met pek besmeren. — Pek-ketel, pik ketel, m. (-s). — Pekkleed, pik-kleed, o. (-en). — Pekdoek, pikdoek, m. (-en). — Pekkig, bn. — Pekkquot;ol, pikkoolt v. (..olen). Soort van steenkool. — Pekkrans, pikkrans, m. (-en).—Pek kwast, pikkuuast, ra. (-en). — Peklap, piklap, ra. (-pen). Stuk lijnwaad, waardoor de schoenmaker zijn garen trekt. (Spott.) Schoenmaker. Bezoeker, die van geen vertrek weet. — Peklappen, piklappen, ow. pek-lapte, heeft gepeklapt. Van geen opstaan weten.—Pekolie, v. —Pekoven, m. (-s).

— Pekpati, v. (-nen). — Pekpleister, v. (-s). — Pekpot, ra. ( ten). — Peksteen, m. (-en). — Pekton, v. (-nen). — Pektoorts, v, (-en). — Pekwyn, m. (-en). — Pek-zwart, bn. Zie Pikzwart.

Pekalongnn. Zie Java.

pekel, v. Water, waarin zout is opgelost om spijzen tegen verderf te bewaren. Zoutig vocht. In de pekel blijven steken :


ocr page 660

PELL — e

in een onaangenamen toestand verkeercn. lem. in de pekel zetten, in verlegenheid brengen. O. (Dicht.) De zee. — Pekelach-tig, bn. — PekelbroJi, v. (-en). Zoutbron.

— Pekelen, pekelde, heeft gepekeld. Bw. In de pekel leggen. Met zout besprenkelen. Ow. Met zout doordrongen worden.

— Pekelharing, m. (-en) (voorwerpsn.) ; v. (stofn.). Gepekelde haring. — Pekelharing, m. Grappenmaker. Magere snoeshaan. — Pekelnat, o. — Pekelsaus, v. (-en). — Pekelschuim, o. — Pekelspek, o.

— Pekelveld, o. De zee. — Pekelvleesch, o. — Pekelworst, v. (-en). — Pekelzonde, v. (-n). Oude zonde. Peccadille.

I'ekisig:, 1,000,000. Hoofdstad (China). Igt;ekiu(£. v. Zekere zijden stof. p«5l, v. (-len), pelle, v. (-u). Dop, vises (van boonen, eieren, enz.). — Pel-eru t, v. ^-eni. — Pelhenneb, m. — Pel /en, bw. pelde, heeft gepeld. Van dt% pel omdoen. Met iem. een eitje te pellen hebber.— Pelmolen, ra. (-s).

Polsi^iuM (Ve eeuw). Engelsch mon-ui' . LoochtnJe de erfzonde en beAe.rde, dat de mensch uit eigen kracht kan zalig worden. — Pelagianen, m. mv. Aanhangers van Pelagius.

]iolarfiroiiiniii, v. (-s). Ooievaars-bek. Plantengeslacht. Is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Bevat een groot aantal soorten, die bij ons als sierplanten voorkomen : pelargonium zonale, met pr. chtige roode bloemen ; p. rosenm, met kleine rozenroode bloemen; p. tricolor; p. capitatum; p. inquinans. (Ten onrechte noemt men vele planten, die tot dit ges acht behooren, in 't dagelijksch leven geranium).

pelder, m. (-s). Baarkleed.

l»cleii, bw. peelde, heeft gepeeld. Van de haren ontdoen.

pelei iuc, v. (-s). Mantelkraag. Itelgrini, m. (-s). Bedevaarder. — Pelgrimage, v. ( s). Bedevaart. —Pelgrims-flesch, v. (..sschen). — Pelgrimsgeivaad, o. (..aden). — Pelgrimshoed, o. (-en). — Pelgrims kap, v. (-pen). — Pelgrimskleed, O. (-eren). — Pelgrimsmantel, m. (-s). — Pelgrimsreis, v. (..zen). — Pelgrimsstaf, m. u.aven). — Pelgrimsstok, ra. (-ken).

— Pelgrivistasch, v. (..sschen). — Ptl-grims'ocht, ra. (-en).

pcliKnaii, m. (..anen). De pelikanen maken eene familie uit onder de zwemvo-g« Is. Hebben lange snavels met een vliezi-cen zak, waarin de gevangen yisch kan bewaard worden. De gewone pelikaan [pe-liCanns onocrotalus) heeft roodachtig vitte veeren. De gekuifde pelikaan {p. ertspus) heeft gekroesde nek- en schedel-veeren. Kromme tang ora tanden te trekken. (Oudt.) Zeker geschut. Distillet rkorf.

— Pelikaanachtig, bn. — Pelikaanskrop, m. (-pt'n).

I»€)ll«, v. (-n). Baarkleed.

pclleii, o. (-s). Pellengoed. (Oudt.) Kleedmgstuk van pellcngoed vervaardigd.

— Pellengvd, o. Met figuren gewerkt linnen ivuor hai ddoeken, enz.)« — Pellen-yotver, m. (-s).

1'c-llvistu {P. C. ^*.), 1813-1884,Maiue-

gt;4 — PEN

Bertrand. Fr. schrijver en staatsman. Heu' res de /ranail (1854) : les Droits de Vhomme (1858) ; la Decadence de la monarchie frangaise (i86ogt;-

Pcllioo (S.), 1788-1854, Saluzzo. It. dichter. Francesca da Rimini (treurspel, 1818); /ginia d'Asti/ Ester d*Engaddi; Mie p rigioni (183 3).

poules, v. (..zen). Met bont gevoerde vrouwenmantel.

peloton, o. (-s). Afdeeüng : een peloton schutters. Afdeeling (in 't leger). Zie Leger. — Pelotons commandant, ra. (-en).

— Pelotonsgewyze, bijw. — Pelotonsvuur, o. (..uren). Gelijktijdige losbranding der geweren van een peloton.

pels, ra. (..zen). De raet haren bezette huid van sommige roofdieren. Het vel van die dieramp;-), dat met de haren er op gelooid is. Jas met bont gevoerd of omzet. Iem. den pels uitkloppen, afrossen of harde verwijt.ngen doen hooren. Eene luis uit zijn eigen pels poten : zich zeiven last oi nadeel berokkenen. — Pels dier, o. (-en). — Pelser, ra. (-s^. Kleine visch [clu-pea finta). Leeft aan de Engelsche kust in net Kanaal. — Pels handel, ra. (-s).— Prls-jas, v. (-sen). — Pelskever, ra. (-s). Spek-kever. — Pelsmaker, ra. (-s). — Pelsmaakster, v. (-s). — Pelsmatitel, ra. (-s).

— Pelsrrk, ra. (-ken). — Pelswerk, o. — Pelswerker, ra. (-s). — Pelswerkster, v. (-s). — Pelterij, v. (-en). Bont-p-lswerk.

— Pelterij fabriek, v. (-en). — Pcitery-handel, ra. — Pelterijkooper, ra. (-s).— Pelterykoopman, ra. (..lieden). — Pel' terijwinhel, m. (-s). —Pelzen, bn.

pol uw, v. (-en). ZiePeuluw.

pon, v. (-nen). Lange, stevige veder (van vogels). Schrijfpen. De pen opvatten : beginnen te schrijven. De pen nedeileggen : niet raeer in het openbaar schrijven. (Tirara.) Houten nagel. Pin. IJzeren spijkertje zonder kop. Dun nageltje. Stekel aan eenen egel. (Zeew.) Stuk boat om in eene keep in te laten. — Penachtig, bn.

— Pengras, o. Peengras. — Pen hamer, m. (-s). Hamer, waarvan het eene einde in eene lange punt eindigt. — Penhorenslak, v. (-ken). Soort van slak met een langen snuit. — Pennekunst, v. — Pennelikker, ra. (-s). Kladschrijver. Klerk. Tafelschuimer.— Pennelikster, v. (-s). — Pennernes, o. (-sen). — Pennen, ow. pende, heeft gapend. Gedurig schrijven. Met pannen of pinnen vastmaken. — Pennenbah, ra. (-ken). —Pen nen bereider, ra. (-s).— Pennenbereidster, v. (-s). — Pennen-doosje, o. (-s). — Pennenarager, m. (-s).

— Pennenhouder, m. ( s). — Pennenko-ker, ra. (-s). — Pennenkooper, ra. (-s). — Pennenverkooper, ra, (-s). — Pentienwin-kei, m. (-s). —Penner, ra. (-s^. Schrijver,

— Pentie. chacht, v. (-en). — Pen nest rijd, m. — Pennetrek, ra. (-ken). — Penne-veer, v. (-en). — Penne%isschrn, m. mv. Zekere vissc en raet van penachtige stekels voorziene huid. Leven in de zeeën tus-schen de keerkringen. — Pennevoerder, ra. (-s). Secretaris. — Pennevrucht, v, (-en). — Penrad, o. (-eren). (Zeew.) Rad, dat op eene pen draait. — Penster, v. (-s).


ocr page 661

PENS — e

— Penvoet, m. (-en). Zeker raderdiertje, peiimil, bn. Lijfstraffelijk. De penale

wetten : de strafwetten. — Penaliteit, v. Straf. Strafbepaling. Strafbaarheid.

pen»ut, o. (-en). Muurstijl. Ruimte tusscheu twee vensters. — Penantkastje, o. (-s). — Penantspiegel, m. (-s). — Penanttafel, v. (-s).

Penaten, m. mv. Huisgoden. Eigen baard.

peneliant, o. (-s). Neiging, lust. Verslaafdheid (aan).

Wpendant,pendant, o. (en). Tegenhanger, eerga.

pendule, v._ (-s). Slingeruurwerk. Staand pronkklokje.

pene, v. (-n). Straf. Boete : op pene

(van)- , ,

pcnetreeren, bw. ow. penetreerde, heeft gepenetreerd. Doordringen. Door-

Éronden. Uitvorschen. —ronden. Uitvorschen. — Penetrant, bn. gt;oordringend. Scherpzinnig. Schrander, penibel, bn. Pijnlijk. Moeilijk. Lastig. Bezwaarlijk.

penitent, m. (-en). Boeteling. Biechteling. — Penitente, v. (-n). — Peniten-tians, m. (-sen). Boetrechfer. Biechtvader. — Penitentie, v. (..iën, -s). Berouw, leedwezen. Boete, straf, boetvaardigheid. Biecht.

Pennine. VI. dichter. Vertaalde in verzen (begin der 13° eeuw) den roman IValewein. Plet werk bleef onvoltooid en werd door P. Vostacrt voleindigd.

penning:, m. (-en). Gemunt, gestempeld (meestal rond) plat stuk metaal: eere-penring, gedenkpenning. H ollandsch muntstukje = 1/16 stuiver. Geld : geenen penning in t'e wereld hebben. Zekere waardebepaling : de vijfde penning, van de vijf penningen éen. Iets tegen den penning zestien verkoopen, zeer duur verkoopen. lem. den penning gunnen : iem. de klandizie gunnen. — Penningblad, o. Penningkruid. — Penning bloem, v. (-en). Breedbladige violier. Penningkruid. — Penningkabinet, o. (-tem. Verzameling van oude munten, enz. — Penningkruid, o. Plant [lysimachia nummular ia). Behoort tot de sleutelbloemigen. Komt voor op vochtige, beschaduwde plaatsen. — Penningkunde, v.^Kennis der oude munten, enz. — Penningkundig, bn. — Penningkundige,va. (-n). — Penningmeester, m. (-s). Schatbewaarder. — Penningmeesterschap, o. — Penningswaar de, v. Juiste waarde. — Penningverzamelaar, m. (-s). —- Penny, v. (pence) Engelscbe stuiver.

pens, v. (-en). Eerste afdeeling der maag van de herkauwende dieren. Buik. Ingewand. — Pensbuik, m. (-en). Zwaarlijvig man. — Pensenaris, m. (-sen). Pens-verkooper. — Penset i/, v. Ingewand. Ge-darmte (der dieren). — Penshal, v. (-len).

— Pensjager, m. (-s). Wildstrooper. — Pensmarkt,-?, (-en). — Pensmes, o. (-sen).

— Pcnsnai, o. — Pensrollen, v. mv. — Pensver koop er, m. (-s). — Pensverkoopster, v. (-s). — Penstvyf, o. (..ven). — Penszak, m. (-ken). Buikvlies. — Pens-zak, m. en v. (-ken). Dikbuik.

5 — PEPE

pensee, v. (-s), pensecbloem, v.

(-en). Viooltje.

pen Heel, o. (-en). Fijn kwastje om te schilderen, enz. Trant, wiize van schilderen ; het penseel van Rubens, van Rembrandt.— PenseeIbakje, o. (-s). — Pen' seeldoeken, m. mv. Doeken, waarvan men zich bedient om de penseelen enz. af te vegen. — Penseelen, bw. perseelde, heeft gepenseeld. Met een penseel nat maken. Met een penseel laven. Schilderen. —• Penseelhaartje, o. (-s). —Pensee/kunst, v. — Penseellafje, o. (-s). — PenseeIma-ker, m. (-s). — Penseelschry'ver, m. (-s).

— Penseelsch ri/Jster, v. (-s). — Pen se el-steel, m. (..elrn). — Penseelstreek, m. (..eken). — Penseeltrek, m. (-ken). — Pensee Ivormig, bn.

pensier, bn. Nadenkend. In gedachten verzonken.

pensioen, o. (-en). Rustgeld, jaargeld : op pensioen gesteld zijn. Kostgeld, leergeld. — Pensioenfonds, o. (-en). — Pensioenkas, v. (-sen). — Petisioenreglenient, o. (-en) — Pensioemvet, v. (-ten).

— Pensionaat, o. (..aten). Kostschool. — Pensionaris, m. (-sen). Bezoldigd rechtsgeleerde. Raadsman. — Pensionnaire, m. en v. (-s, -n). Kostganger. Kostleerling. — Pensionneeren, bw. pensionneerde, heeft gepensionneerd. Op rust-, op jaargeld stellen.

pensum, o. (-s). Straftaak. Strafwerk (in eene school).

peut:t. (Slechts in samenstellingen) = 5.

— Pentaëder, m. (-s). Vijfvlak. — Penta* goon, m. (..onen). Vijfhoek. — Pentameter, m. (-s). Vijfvoeüg vers. — Pentateuch, m. De vijfhoeken van Mozes.

penterliaak,m. (..aken). Zware ijzeren haak om den ring van het anker te vatten, als dat uit het water komt. — Pentertalie, v. (-s). Talie om ankers te verwerken .

penurie, v. Gebrek. Dringende behoefte. Schaarschheid.

pepel, m. (-s). Vlinder.

peper, v. en m. Prikkelende specerij-korrel van den peperstruik. Peperstruik. Peper en zout : grauw en wit gespikkelde stof, b. v. half witte en half zwarte sajet. Dat ruikt naar peper : dat is zeer duur. Daar zal hij peper aan eten : dat zal hem di ur te staan komen. — Peperachhg, bn.

— Peperbaai, v. (..alen). — Pepetbo m, m. (-en).Peperstruik. — Peperboompje, o. (-s). Vergiflige heester (daphne mtze-reuni). Heeft fraaie lichtroode bloemen en roode bessen. — Peperbos, peperbus, v. (-sen). — Peperdoos, v. (..zen). — Pe-per droog, bn. Zeer droog. — Peperduur, bn. Zeer duur. — Peperen, bw. peperde, heeft gepeperd. Met peper bestrooien. Dui:r verkoopen. — Pepereter, m. (-s). Pepervreter. — Pepergewas, o. (-sen). Peperstruik. — Peperhuisje, o. (-s). Pun-tigpapieren zakje. — Peperino, m. Grauwe ofgroene tufsteen (in de vlakte van Rome).

— Peperkers, v. Peperkruid. — Peperkoek, m. (-en). Soort van zoetekoek. Dat smaakt als peperkoek, is bijzonder lekker. — Peperkoekbakker, m. (-s). —


ocr page 662

PERE — 6

peperkorrel, v. (-s). — Peperk'uid, o. Groot peperkruid : kruisbloemige plant {leptdium latifolium). Groeit aan de zee-klisten op de Hollandsche duinen. — Peperkust, v. Deel van de kust van Opper-Guinea. —Peperland, o. Oost-Indie, inz. de Molukken. — Peperling, v. Soort van boomzwam met bijtenden smaak. — Pe-er molen, m. (-s).—Pepermunt, ..ment, v. Soort van munt [men/ha piperita). Groeit in Engeland in 't wild op moerassige plaatsen. Zeker suikergebak. Zekere likeur. — Pepermuntdoosje, o. (-s). — Pepermuntolie, v. — Peper munt smaak, m. — Pepermuntthee, v. — Pepermunt-water. o. — Pepernoot, v. (..oten), pe-erneut, v. (-en). Kleine stukjes peperoek in den vorm van dobbelsteenen. — P'peiplant, v. (-en). — Pepersaus, v. (-en\. — Peperstruik, m. (-en). Struik {piper nigrum). Groeit in Üost-Indië. I^evert de bekende peper op. — Pepervogel, m. (-s), pepervreter, ra. (-s). Vogel, liehoort tot de klimvogels. Nauw verwant aan den papegaai. Leeft in Z.-Amerika. — Pepervcortel, m. ( s). Plant {cochlearia .armoracia). Behoort tot de kruisbloemi-f;cn. Woidt in onze moestuinen aangekweekt om de vluchti. e prikkelende eigenschappen van den wortelstok, die als toe-spijs g« nuttigd wordt.

PepUn. Zie Holmeester.

popocn, v. (-en). P -mpoen.

peppel, m. (-s). Populier. — Peppe-len, bn. — Peppelenhout, o.

pepmino, v. Bestanddeel van het niaag^ap, dat de vertering der spijzen bewerkt. — Pepion, o. (-en). Eiwitachtige stoften, w.narop de pepsine ingewerkt heelt. Kunstmatig pepton : voedingsmiddel voor zwakke magen.

per. vz. 1'er exempel : bij voorbeeld. Per spoorweg : nu t den spoorweg. Per voiture : in rijtuig. Per couvert : onder omslag. Per schip : te water. Per zee : over zee. Per nummer : het nummer. Per

i'aar : 's jaars. Per week ; in de week, we-clijks.'aar : 's jaars. Per week ; in de week, we-clijks.

pereeel, parceel, o. (-en). Stuk land. Vast goed. Gebouw. Huis met erf. — Perceehcewyze, ..gezvys, bn. bijw.

pcreent, o. (-en).Ten honderd. Winst. •— Perceiitsgewyze, ..gewj/c, bn. bijw.

pereeptle, v. (..ien, -s). Ontvangerij. Gewaarwording. — Percepteur, m. (-s). Ontvanger. — Perceptiekosten, m. mv.

pcreuteeren, bw. percuteerde, heeft gepeicutcerd. (Geneesk.) Bekloppen (tot t.nderzoek der borst, enz.). — Percussie, v. (..ien). Slag, stoot, schok. (Geneesk.) Beklopping. — Percussiedopje, o. (-s). Slaghoedje.—Percussiei,rezL-ecr,o.[.,erQ.n). Slaggeweer. — Percussiehnmer, ra. (-s). (Geneesk.). — Percussie slot, o. (-en). Slot van een percussiegeweer.

pertlilie, v. Verderf. Ondergang, perdoen, v. (-s). Pardoen. perebloeHein, ra. (-s). — Pereboom, m. (-en). Boom (pirus communis), waaraan peren groeien. — Pereboomen, bn. — Pei eboomhout, o. — Percboomvlieg-, v. (-en). Insect, wiens larve de bladluizen na-

6 — PERM

jaagt. — Perelaar, ra. (..aren, -s). Pereboom. — Perendrank, m. — Perenhout, o. — Perenmoes, o. — Perenmost, m. — Perensap, o. — Perenstroop, v. — Pe-rentaart, v. (-en). — Perenveyn, m. — Per e pit, v. (-ten). — Pereschil, v. (-Ien), pei-eg-rinsttie, v. (..iën, -s). Omzwerving. Omdoling.

pereiulie, v. Verval. Verjaring. Pe-remtie van den aanleg : verval van den aanleg.

pereiutorittch, bn. Afdoend. Beslissend.

perenMeereud, bn. Het geheele jaar door bestaande : perenneereude plan • ten.

perel, v. (-s). Zie Parel.

perfeet, bn. bijw. Volmaakt. Volkomen. Gehrel. —Perfectie, v.

Pergroleae (G.), 1710-1736, Jesi. It. toondichter. Stabaf Mater; la. Serva pa-drona ; OI imp iade (opera).

Perlelcs, t ^29. btaatsraan en redenaar van Oud-Griekenland.

perikel, o. (-s). Gevaar. Nood. — Perikelens, bn. Gevaarlijk.

perimeter, m. ( s) Omvang. Omtrek, periode, v. (-n). Tijdruimte, tijdvak. Volzin met voor-, tusschen- en nazinnen. — Per iodenbouw, ra. — Periodiek, bn. Op gestelden tijd terugkeerend.

perlplirafte, v. (-n). Omschrijving. peripuIyg-oniMeli, bn. Veelhoekig. Veelkantig.

perislyle, v. (-n). Zuilengang.

perk, o. (-en). Zie Park. — Perken, bw. perkte, heeft geperkt. Met een perk omsluiten. Beperken.

Perk Kj. F. H.), 1859-1881, Dordrecht. Dichter. Mathilde (x88o-'8i); /ris (1881).

perkaul, percale, v. De dichtste lijnwaadachtige weelsels uit katoen. — Perkalen, bn.

perkament, perkement, o. Bereide huid van hamels, kalveren, enz., geschikt om er op te schrijven. Len op pi rk..ment geschreven stuk.— Perkamentachtig, bn. — Per kamen tbereider, m. ( s). — Perkametilb'reidster, v. (-s). — Perkameutm, perkementen, bn. — Perkamenten fabriek, v. (-en). —Perkamentenmaker, m. ( s). — Perkamentenmaakster, v. (-s). — Per ka 7nen ten makerij't v. (-en). — Perkamentenpapier, o.

perkei, v. (-s). Wilde perzik. — Per-kelbvom, m. (-en).

perm, v. (-en). KleinTurksch vaartuig, permanent, bn. bijw. Bestendig. Voortdurend. Blijvend. Aanhoudend. Zich permanent verklaren : niet uiteengaan (van landsvergaderingen, enz.). Bestendig : permanente deputatie (z. d. w.).

permanentie, v. (..iën, -s). Wachtzaal (der politie).

permitleeren, bw. permitteerde, heeft gepermitteerd. Toestaan. Vei oorloven. Gedogen. Toelaten. Permitteer : met uw verlof! — Permis, o. Verlof. Gtleibriefje. — Permissie, v. Verlof. Vergunning. Met permissie : met verlof, permuteereu, bw. permuteerde.


ocr page 663

PERS — 6

teelt geperi.'ut'-erd. Ruilen, verwisselen. Omzetten, verplaatsen. — Permutaiie, v. (..iën, -s).

pei'iiit'ic'iiH, bn. bijw. Verderfelijk. Nadeelijj. Schadelijk.

Igt;erigt;eti4lilt;'iil:tir, bn. Loodrecht. Rechtst.n.di.;. In d- n haak.

porpedieel, bn. Bestendig. Altijddurend : pt-rpi-'ueele rente. Levenslang.

porplox, bn. bijw. Onthutst, bedremmeld. vt-iblult, verbijsterd. Versuft. — Perplexiteit, v.

perqtii.sitio, v. (..iën, -s). Gerechtelijk onderzm*k.

Perr^ult (C), 1628-1703, Parijs. Fr. dichter en prozaschrijver. Par alle' e nes anciens et des modernes (1681-1696); Con-tes de la tnère V O ie {1697).

perro», o. (-s). Stoep. Steenen trap. perrtikier, m. Kapper. Pruikenmaker.

per», v. (-en). Werktuig om te persen, te drukken, enz. Inz. drukpers. Alle geschriften, d e gedrukt worden, inz. dagbladen cn tijdschriften : het oordeel van de pers. Schrijvers, journalisten. Glans, door het persen bekomen : het laken heeft de pers verloren. (Kleerm.) Zwaar strijkijzer : de pers moet er nog over. Hydraulische pers. Zie quot;Waterpers. — Perstaar, bn. — Persbaarheid, v. — Persbalk, m. (-en).

— Persbeugel, m. (-s). — Persblad, o. (-enj. —Pegt; sbo'-in, m. (-en). — Persbord, o. (-en). — PerscyUnder, m. (-s). —Perscorrectie, v. (..iën, -s).—Persdeksel, o. (-s). — Persdoek, m. (-en). — Persen, bw. perst- , heeft gt perst. In eene pers of met een persijzer samendrukken. Door samendrukken zekere gedaante aan iets geven : metalen voorwerpen petsen. Door samendrukken doen glanzen : laken persen. Door samendiukken van de vochtigheid ontdoen : papier tusschen vilt persen. Sterk drukken om het sap te winnen : druiven persen. Sterk drukken om er olie uit te winnen : zaad persen. Dwingen, noodzaken : iem. tot iets persen. De smart perste tranen uit hare oogen. — Persen, o. — Perser, m. (-s). — Persgeld, o. (-en). — Persgestel, o. (-len). — Persglans, m. (-en). — Pershuis, o. (..zen). — Pershut, v. (-ten). —Persyzer, o. (-s). — Persing, v. (-en). — Penkuip, v. (-en). — Pers-loon, o. en m. —Persoverzicht, o. (-en).

— Persplank, v. (-en). — Perspomp, v. (-en). Zie Pomp. — Persschroef, v. (..ven).

— Per spun t, o. Middelpunt van drukking.

— Pet sster, v. (-s). — Persvrijheid, v. — Perszak, m. (-keni.

pers, ni. ( en). Per/ikboom. — Perse-loom,\\\. (-en). Pirzikboom.

porM, v. ( en). Staak. Stang. Roede. — Pet seboonen, v. mv.

Igt;«r«elining:. Zie Presenning. perftU-o, v. Brandewijn op perzikpitten.

pcrAienno, v. (-s). ZoaneLlind. pei sifleeron, bw. persifleerde, heeft gepersifleerd. Uitjouwen, uitschuifelen. Bespotter. Voorden zot of den gek houden.

— Persiflage, v. (-S).

per8oiKns-e,v. enu*.(-s).Man,ineiisch,

7 — PESS

groot man. Een raar personage : een wonderlijk mensch. Hooge personage : aanzienlijk man. Voorname personages : voorname. lieden. (Toon.) Medespelende. — Personaliteit, v. (-en). Persoonlijkheid. Persoonlijke belfediging. Scherpe zet. —• Personeel, bn. Persoonlijk. Personeele belasting : hoofdelijke belasting, hoofdgeld.

— Personeel, o. Personeele be!asting. De gezamenlijke personen, aan een openbaren dienst gehecht : hrt personeel van dea spoorweg. — Personificatie, v. (..iën, -s), Persoonsverbt-elding. — Persoon, m. en v. (..onen). Redelijke natuur, die op zich zelf, of onafhankelijk van anderen, bestaat en handelt : iedere menscheiijke natuur is lt; en persoon. In de goddelijke natuur zijn drie Personen : de Vader, de Zoon en de h. Geest. In de werkw. is een ie, een 2® en een3Bpersoon enkel- en meervoud. (Toon.) Medespelende. — Persoonlijk, bn. bijw. Den persoon betreffende. Iem. persoonlijk, in rigen persoon kennen. (Taalk.) Persoonlijk voornaamwoord. — Persoon-lijkhtid, v. (..heden). Hoedanigheden, eigenschappen en karaktertrekken, waardoor iem. zich tot een persoon stempelt. Een persoon zelf. — Persoonsverbeelding, v. (-en^. Toekenning van eene zinnelijke eigenschap aan een onzinlijk begrip. — Persoonsverwisseling, v. (-en).

pcrspcclicf, v. Doorzichtkunde. — Perspectief, o. (..ven). Verschiet. Vergezicht. De afbeelding van een vergezicht. Vooruitzicht. Toekomst.

pcr.üpicuvileii, v. Scherpzinnigheid. Schranderheid.

perlij;, bn. Lief. Fraai. Bevallig. — Pertigheid, v.

pertinent, bn. (Recht.) Tot do zaak behoorende. Bijw. Beslist : hij weigerde pertinent. Onbeschaamd : pertinent liegen.

pertixsiau, v. (..anen). Sooit van hellebaard. — Per/izaandraqer, m. (-s). Perusino. Zie Vannucci. perversiteit, v. Verdorvenheid. Perzië. Koninkrijk in Voor-Azië. 29,967 vk. mijl. 7,500,000 inw. Met Cyrus aan het hoofd voerde Perzië heerschappij over heel Azië, doch bezweek voor de krijgskunst van Alexander den Groote.— Pers, ra. (..zen). Inboorling van Perzië. — Perzisch, bn. — Perzisch, o. De Perzische taal.

perzik, v. (-en). Vrucht; tr», (-en) boom. — Perzik-abrikoos, v. (..ozen) — Perzikblad, o. (-en, -eron). — Prrztkfe)-boom, m. (-en). Vruchtboom {amyg -nlus persico). Behoort tot de amandel hiigen. Levert eene sappige en heerlijk sm ikende vrucht. —Perzikbrandewijn, m. Peisico.

— Perzikpit, v. (-ten). — Perziksteen, ra. (-en).

peseta, v. (-s). Spaansche zilvere» raunt.

Pesoeroevcan Zie Java.

peHseni. v. Kweek.

peHftimimne, o. Wijspeerige stelling, bewerende dat deze wereld door en door slecht is. Neiging om alles van slechte zijde te beschouwen. — Pessimist, ra. (-en). — Pessimistisch, bn.


ocr page 664

— 608 —

PETI

PEUT

peat, v. {-er). Snelopkomende en be-smettelijke ziekte, gekenmerkt door etteren koudvuurachtige ontsteking der in- en uitwendige watervaatklieren, beleediging en ontaarding der weefsels, hevige opzwelling der milt, aanvoer en zelfs bloeuuittre-ding in verschillende weefsels en ingewanden. Heeft meestal een doodelijken afloop. Heerscht vooral in Azië. Zedcnbedei vend misbruik : de jenever is de pest der maatschappij.Gevaarlijk,on verdra:iglijkmensch: hij is eene ware pest in huis. lem. schuwen als de pest. — Pesfachitg, bn. — Pestazijn, m. — Pest blaar, v. (..arengt;. — Pestbuil, v. (-en). — Pestgezwel, o. {-len).

— Pestkool, v. (..olen^. — Pestdamp, m.

— Pesthol, o. (-en). — Pesthuis,o. (..zen).

— Pestig, bn. Verpestend. Besmettelijk.

— Pestilentie, v. (..ien). Pest. — Pestilentiewortel, v. Groot hoefblad. — Pest-kneop, m. ( en). — Pest koorts, v. — Pest-krntti, o. Pestilentiewortel. — Pestlijder, m. (-s). — Pest lijder es, v. (-sen). — Pest-luc/it, v. (-en). — Pestman, m. (..lieden, ..lui). — Pestmeester, m. (-s). —Pest pokken, v. mv. — Pesttijd, m. (-en). — Pestvogel, m. (-s). Vo.'tl {bovibycilla gar-fula). Behoort tot de vliegenvangers. Heelt de grootte van eenen spreeuw. Leeft in onbewoonde bosschen. — Pestwortel, v. Pestilemiewortel. — Pestzieke, m. en v. (-n). — Pestziekte, v.

poKtol, m. (-s). As van een molenrad, pet, v. [-ten). Muts met klep. Soort van poel on eene lage veenjich'ine weide). — Ptttekwast, ra. (-en). — Pettencced, o. — Pettenmaker, ra. (-s). — Pettenstof, v. — Pet ten winkel, m. (-s).

pfafnrlt;l, ra. (-en). (Vuurw.) Zwermer. Sprmgbus.

poliitcii, m. mv. Aardappelen. p»*le, v. (-n). Peet. Grootmoeder. — Petegift, I-en). — Petekin-i, o. (-eren). Doopkind. — Petemoei, v. (-en). — Peter, m. (-s). Man, die een kind ten Doop heft of tot het Vormsel geleidt. — Peteroom, m. (-en). — Peterschap, o.

pctorolic, v. Petroieum. peterselie, pietei'Kelie, v. Plant (afium petroselinum). Behoort tot de schermbloeinigen. De gewone peterselie wordt als soepgroente gebruikt. — Peter-selieachtig, bn.—Petersehebed, o. (-den).

— Peterselie blad, o. (-eien). — Peter se-hedruif, v. (..ven). Zekere druiveboom.

— Peterseliegeur, m. — Peterseliekaas, m. — Peterseliepeer, v. (..eren). — Pe-tersehereuk, m. — Peterseliesaus, v. (-en). — Peterseliesntaak, m. — Peterse-Itesoep, y. — Paters- hrwcrtel, m. (-s). Verschi idenheid van de gewone peterselie. Wordt bij het eten van visch gebruikt.

— Peterseliezaad, o. (..aden).

PelerKeit {IV. A/.), 1791-1862. Slut-

ningen (Lij Sanderam). Deensch taalgeleerde tn geschiedschlijver. Hoogleeraar (Kopenhagen). Geschiedenis der Deensch e, Noorweegsche en Zit eedsche talen (1829-'30) ; Geschiedenis t an Deneviar-krn in oen heldentijd.

pelitionneereia, ow. pt titionneerde, hetit gepetitionneerd Ei u verzoekschrift indienen. —Petitie, v. (..iën, -s). Smeek-,, verzoekschrift. — Petitierecht, o. — Pelt tic fine e ring, v. (-en), petitionnement, o. (-en).

lquot;etöli {A.), 1822-1849 ?), Kiskörös. = Petrovics. Horgaarschdichter Gedichte; Liebesperlen; Sternenlose Nach te; Wolken.

Petraren (P.), 1J03-1374, Arezzo. Geleerde en lierdichter. Africa (epos 13^1). Werd op 't kapitool te Rome als dichter met eene lauwerkroon versierd.

petroleum, petrolie, v. Steenolie. Zelfstandigheid, die vet, kleverig op het gevoel, een eigenaardigen reuk verspreidt en licht ontvlambaar is. (vooral in N.-Amerika en Rusland). — Petrolrum-bron, v. (-nen). — Petroleumdavip, m. (-en).—Petroleu7nfornuis, o. (..zen). — Pet role u m h a n del, m. — Petrclemnha-ven, m. (-s). — Petroleumkachel, v. (-s).

— Petroleumkan, v. (-nen). — t'etro-leumkomfnor, o. (..oren). — Petroleuvi-koo/doestel, m. en o*. {-Ien). — Petroleumlamp, v. (-en). — Petroleumlicht, o.

— Petroleumlucht, v. — Petr'deumschip, o. (..epen). — Petroleumsmaak, m. — Pett oleumstank, m. — Petroleumvat, o. (-en). — Petroleumvlam, v. (-men). — Petroleumwagen, m. (-s). — Petroleum-wel, v. v-len).

Pelrus (/;.). Stond aan het hoof.1 der Apostelen. Was de eerste Paus van Rome en werd aldaar met het hoofd omlaag gekruisigd ^65». Brieven.

petto {/«).In 'tgeheim. Bij zich zelven. petuuisi, v. (-'s). Sierplant met trechtervormige, rood en violetkleurige bloemkronen en openspringende, veelzadige doosvruchten.

peulc, v. (-en). Vod.

peukei, pukkel, v. (-s). Puistje. Bobbeltje.

peul, v. (-en). Met twee kleppen openspringende doosvrucht met eene rij van zaden. Inz. de vrucht van de peulerwt. — Peuldop, m. (-pen). — Peulen, v. mv. Peulerwten. — Peulerwt, v. (-en). Soort van erwt, waarvan de peulen mede gegeten worden. —Peulgewas, o. (-sen). Peulvruchten. — Peulvrmig, bn. — Peul-vruchtdragend, bn. — Peulvruchten, v. mv. Plantenfamilie, die een groot aantal kruiden, boomen, heesters, enz. bevat.

peuluw, peul, v. (-en). Langwerpig onderkussen. —Peuluwen, bw. peuluwde, heeft gepeuluwd. Slaan. Kloppen.

peur, v. (-en). Verscheidtne aardwormen iu eenen tros aan eer en stok vastgemaakt, waarmede aal en paling gevangen wordt. — Peur angel, m. (-s). Hengel^ waarmede men peurt. — Peurbak, ra. (-ken). — Peurder, ra. (-s . — Peuren, ow. peurde, heeft gepeurd. Aal, paling met de peur vangen. Ergens aan peuren, beginnen. — Peur stok, ra. (-ken). — Peur-wormen, ra. rav.

peuteren, ow. peuterde, heeft gepeuterd. Den vinger, enz. ergens insteken om iets uit te halen : in de tanden peuteren. Aan iets peuteren : aan iets werken (met de vingers of kleine werktuigen). — Pen-


ocr page 665

PHIL — 6c

ter, m. (-s). Pijpenuithaler. Kleine persoon. Wordt liefkoozend van en tot een kind gezegd. — Peuteraar * ra. (-s). — Peuterig, bn. bijw. Op de kleinste kleinigheden lettend. Kleingeestig. — Peutering, v. (-en). — Peuteriuerk, o.

peuzeleu, bw. ow. peuzelde, heeft gepeuzeld. Langzaam en met smaak eten. Talmen. — Peuzel, ra. (-s). Kleine persoon. Talmer. — Peuzel aar, ra. (-s). — Peuzelaarster, v. (-s). — Peuzeling, v. Het peuzelen. Zotteklap. — Peuzelwerk, o. Kleingoed. Treuzelwerk.

pezerlh, ra. (-en). Varkensroede, enz. Wordt gebruikt om zagen te snieren.

lgt;ozow«Teii, ow. pezeweefde, heeft gepezeweefd. Talmen. Dralen. — Peze-ljvever,m. {-s).

plisteuOmeen, o. (..ena). Verschijnsel, luchtverschijnsel. Wonder.

plistëton, ra. ( s). (Myth.) Naara van den zoon van Apollo. (Sterrenk.) Wagen-man : zeker noordsch sterrenbeeld. Zekere keerkringsvogel {phaëfon aethereus). Heeft de grootte van eene duif. Hoog, licht rijtuig op vier wielen. Ook, zeer lichte open kales op twee wielen. pliulaiiMfëre, v. (-s). Volkskeuken, pliulaux, v. (-en, phalangen). Gesloten krijgsbende.

pli.mfaseereu, ow. phantaseerde, hetlt gephantaseerd. Zich aan allerlei droomLeelden overgeven. Zich door de verbeelding laten leiden. Allerlei grillen voeden. JJlen (in dgt;- koorts). — Phantasie, v. (-ën). Verbeelding. Inbeelding. Droombeeld. Verdichtsel. Gril. Beuzeling, kleinigheid. Muziekstuk, waarvan de vorm aan de keuze en den smaak van den componist is overgelaten. — Phantasmagorie, v. (-ën). Schimvertooning. Zinsbedrog. — Ph a n tastisch, bn. Tooverachtig.

Pli arao = koning, vorst. Naara der oud-Egyptische koningen.

phariuacent, ra. (-en). Artsenijkenner. Artsen ijbereider. — Ph ar ma ceutisch, bn. Artsenijkundig. — Pharmacie, v. Artsenijkunde. Arsenijwinkel.

plianiM, m. Vuuitoren. Baak. pliaMo.v. (-n,-s) Schijngestalte,lichtgestalte. Afwisselend verschijnsel. Gedaante. Nieuwe toestand.

plicbuit, plioebuM, ra. Zonnegod. Hoot dravende schrijftrant.

phenol, v. Zie (Jarbolzuur. plionylzuur, o. Zie vJarbolzuur. Phidla» 5oo(?)-43i (vóorChr.) Athene. De uitstekendste beeldhouwer der Oudheid. Alinervabeelden; het beeld van den Olympischen Ze us.

pbilantliroop, ra. (..open). Men-schenvriend. — Philanthropie, v. Men-schenliefde. Menschlievendheid. — Phi-lanthropisch, bn.

pliilolofpic, v. Taalwetenschap. Taalkunde. — Philologtsch, bn. — Philoloog, ra. (..ogen). Taalgeleerde. Taalkundige.

ptitloftopliic, v. Wijsbegeerte. — Philosoof, ra. (..ofen). Wijsgeer. Leerling in de wijsbegeerte. — Philosopheeren, ow. philosopheerde, heeft gepnilosopheerd. AVijsgeerige vraagstukken behandelen.Ver-

— PIAN

standig denken en navorschen. Haarkloo» ven. — Ph ilosoph isch ,bn.

pliocitix. Zie Feniks. i

plioitetiHvli, bn. Klankuitdrukkend.

— PhonograaJ, v. (..afen). Toestel, dat de klanken en geluiden opneemt, en die later kan wedergeven.— phonometer, ra. ( s). Klankmeter.

pliotiplaoruf», m. ^fetalloïde, dat wegens zijne groote affiniteit tot zuurstof niet in vrijen toestand in de natuur voorkomt. Licht ontbrandbare stof, die door scheikundige verbindingen verkregen wordt (inz. uit de beenderen der dieren) In zuiveren toestand is hij doorzichtig, kleurloos en week. — Photphorescentie, v. Lichtgevende dieren. — Phosphorstekske, o. (-n). Lucifer.

Photlus, 820{?)-89T, Constantinopel. Was oorzaak der scheiding tusschen de Oostersche en de Westersche Keik.

pliotofirrapliio, v. Kunst ora dooc werking van het licht de beelden der voorwerpen voort te brengen, (-ën) Lichtbeeld.

— Photograaf, ra. (..afen). — Photouram, o. (-men). Lichtbeeld. Portret. — Photo-grapheeren, ow. photographeerde. heeft gephotographeerd. Lichtbeelden vervaardigen. — Ph o tog taphisch, bn. — Photogravure, v. Middel om teekeoingen te reproduceeren. Drukplaat, gravure hiermede gedrukt. — Photometer, m. (-s). Lichtmeter. — Photoscoop, ra. en o*. (..open). Lichtmeter. — Photos/eer, v, (..eren). Lichtkring, lichthulsel om de zon.

— Phototechniek, v. Verlichtingskunst. — Phototypie, v. Kunst om lichtbeelden te vervaardigen, inz. om door middel van de photographie teekeningen op metalen platen over te brengen.

pbrase, v. (-n, -s). Zin. Volzin. Uitdrukking. Het zijn holle phrasen, schoonklinkende maar zinledige woorden. — Phraseologie, v. (..iën). Verzameling van eigenaardige zegswijzen. Zinledig gepraat, holle klanken. — Phraseur, ra. (-s).Woor-denkraraer.

plaryffisclio muts, v. (-en), Roode rauts (der vrijheid, der republikeinen).

pliylloxera, v. Druifluis : eene bladluis, die den wijnstok verwoest.

pliyHlea, pliyniek, v. Natuurkunde. Natuurleer. —Physic us, ni. (..ci). Natuurkundige. — Physiek, o. Uiterlijk voorkomen. Lichaamsgesteldheid. — Physiek t bn. bijw. Natuurlijk. Zinnelijk. Lichamelijk. — Physiologie, v. Natuurleer. Levensleer. Schets, beschrijving. — Physio-logisch, bn. — Physio long, m. (..ogen). — Physionoviie, v. (-ën). Gelaat, aangericht. Eigenaardigheid, kenmerk, voorkomen, uitzicht. — Phystsch, bn. Natuurkundig.

piano, v. (-'s). Muziekinstrument met snaren en klavier, en soms met pedaal. — Pianino, v. (-'s). Soort van rechtstandige piano. — Pianino, bijw. (Muz.) Zacht.— Pianissimo, bijw. (Muz.) Zeer z icht. — Pianist, m. (-en). Pianospeler. — Pianiste, v. (-n), — Piano, bijw. (Muz.) Zacht, Zwak. —Pianoconcert, o. (-en). — Pia-nofabriek, v. (-en). — Piano fabrikant*


ocr page 666

PIL.' — 6:

m. (-en). — Piano for ie, v. (-s). Piano. — Pianoforfo, bijvv. (Muz.) Zacnt sterk. — Piaftokrtih, v. (-ken). — Pianoles, v. (-sen). — Pianomeester, m. (-s). — Piano-tnuziek, v. en o. — Pianospel, o. — Pianospelen, o. — Pianospeler, m. (-s). — Pianostemmer, m. (-s).

pisiHtcr, m. (-s). Zekere Spaansche, Turksclie munt.

pinuler, pcanter, o. Mengsel van lood en tin, waarvan zeker vaatwerk wordt vervaardigd.

l*i»zzl {G.), 1746-1826, Pcnte. It. sterrenkundige. Lezioni element ar i di astro-nomia (1817).

l'ieciui (iV.), ^28-1800, Bari. It. componist. Ze?labia ; Cecchina ; Olimpiade; Dido.

lgt;lcklcs, v. mv. Zeer sterk gekruide plantenspijzen in azijn ingemaakt.

picliBiiolc, m. Gemeenzame maaltijd, waartoe iedereen het zijne bijdraagt. Eet-kransje. Engelscbe koekjes.

pick-poekct, m. (-s). Beurzensnijder. Gauwdief. Zakkenroller.

l»ico, m. (Kaartsp.) Duidt aan, dat men éenen slag moet halen.

o. (-len). Pedestal, piefpafpocf, tw. Bootst het geknal van geweerschoten na.

piek, v. (-en). Lans met platten ijzeren punt, waarmede eertijds het voetvolk gewapend was. (Zeew.) Gaffel, spriet, waaraan men het smakzeil vastmaakt. Spriet, die met eenen klauw door de kraanlijn aan den bezaansmast is vastgemaakt. — Piek' drager, piekenier, m. (-s). — Pieken, bw. piekte, heelt gepiekt. (Zeew.) De raas in 't kruis zetten. — Piekeval, o. (-len). (Zeew.) Touw, dienende om de piek op te houden of te strijken. — Piekfijn, bn. bijw. Zeer fijn. — Piek gr as, o. Grassoort (glyce-ria spectabilis). Groeit langs vaarten, slooten, enz.—Piekschacht, v. (-en).— Piekstok, m. (-ken). — Piekstuk,o. (-ken). JLanssteel.

piel, m. (-en). Jonge eend. l»icMuigt;»iui»oeult;jc, o. (-s), ple-piiu^v, m. (-en). Ünze-Lieven-Heers-haantje.

i'ieuomstu 10 [J. IV.), 1779 1853, Ab-koude. Nederl. historie- en portretschilder. Slag by Quatre-Bras; Slag van Waterloo. 2° Zijn zoon (A^.), 1810-1860, Amersfoort. Historie- en portretschilder.

piep, tw. Bootst het geluid van muizen, musschen, enz. na. — Piepen, ow. piepte, heelt gepiept. Een scherp geluid geven (als muizen, musschen, enz.). Schreeuwen. Kraken : de deur piept. Zooals de ouden longen, zoo piepen de jongen. — Piepend, bn. — Pieper, ra. (-s). Rieten fluitje. Lokfluitje. Hij, die piept. Piepende kus. Rood kevertje, dat veel in de leliën zit. — Pieperig, bn. Piepend. — Pieperigheid, v. — Piepers, m. rav. Geslacht van vogelen {anthus), tot de kwikstaartachtigen behoorende. Bij ons komen vijf soorten voor, waaronder de groote pieper [antktis richardti), die in 't najaar uit 't Zuiden komt overvliegen. — Piepjong, bn. Zeer

o - PIJL

jong. — Piepkuiken, o. (-s). Jong kuiken.

— Piepster, v. (-s).

pier, v. (-en). Aardworm. Hij is zoo dood als eene pier, alle leven is er uit. Lang en betrekkelijk smal steenen land-hoofd, in zee vooruitstekende. — Pieren, pierde, heeft gepierd Ow. Pieren vangen. Iets zeer kleins bekijken. Bw. Foppen, bedriegen. —Pierenbakje, o. (-s). —Pieren-kruid, o. Wormkruid. — Pierenver-schrihkertj'e, o. (-s). Borrel. — Pierig, bn. Wormstekig : die peer is pierig. — Piernaakt, bn. Geheel naakt,

piere, v. (-n). Duivenkijker.

pierrot, ra. (-s). Hansworst.

I*iel, m. (-en). Mansnaam. lem., die den grooten heer uithangt. Hij is altijd Pietje de voorste. Piet Snot: iem., die niet veel te beteekenen heeft. — Pieterig, bn. Netjes: wat ziet ge er pieterig uit.—Pietje, o. (-s). Verkleinwoord van Piet. Oud muntstuk = 6 1/2 stuiver. Als pietje bij paaltje komt: als het er op aankomt, als de rekening betaald moet worden. —Pietj'es-wagen, ra. (-s). Groote wagen, waarin men voor een pietne meereed. — Pietlut, m. en v. (-ten). Kleingeestig mensch. — Pietluttig, bn. — Pietluttigheid, v.

piëtoit, v. Vroomheid, godsvrucht. Kinderlijke liefde. Liefdevol aandenken.

— Piëtisme, o. Leer eener Lutheraan-sche secte, om hare strengheid bekend. Die secte zelve. — Piëtist, m. (-en). Overdreven vrome. Aanhanger van het piëtisme.

— Piëtistery, v. Schijnvroomheid. Het handelen der Piëtisten.

pieterman, m. ( s) (voorwerpsn.) ; v. (stofn.). 't Geslacht pieterman [trac/ii-nus) behoort tot baarsachtigen onder de stekel vinnige visschen van de orde der beenvisschen. Men treft twee soorten aan in de Noordzee : irachintts draco (de grootste) en trachinus vipera.

pietcriii3iii,m. Zeker Brabantsch bier. pieterselie. Peterselie. IMeterHpeiiiiiug: {S*). ra. Vrijwillige gift, door de leden der h. Kerk ten behoeve van den Pauselijken Stoel bijeengebracht. Heeft zijnen oorsprong in Vlaanderen. pieiiH, bn. Vroom. Godvruchtig, piezometer, ra. (-s). Drukkingsnie-ter : toestel om de samendrukbaarheid der vochten te meten.

lgt;ifjgt;at*, tw. Bootst den klank na van een schietgeweer. — Pijpaffen, ow. pif-pafte, heeft gepifpaft.

pigrmeiit, o. Verfstof. Kleursel.— Pigmentkorreltjes, o. rav. — Pig Ju entpapier, o.

1»Ü, V. (-en). Grove wollen stof. Kleed van zulke stof. — Pijachtig, bn. — Pijjakker, m. (-s). Wambuis. — Pijlaken, o. Baai. — Pijrok, ra. (-ken).

l»ÜSfiC»(-s)gt; (Kaartsp.) = Schoppen. Pül, m. (-en). Dun wapentuig, dat aan het eene einde met vederen is bezet en aan het andere voorzien is van een scherpen of afgeknotten hoorn. Wat eenigermate den vorm van eenen pijl heeft : zij droeg gouden pijlen in het haar. Wat als een pijl wordt voortgeworpen, voortgeschoten : vuurpijl. (Plautenk.) Stam, stengel. (Wi^k.^


ocr page 667

PIJP — 61

Straal (van eenen boog, eenen cirkel). Zeker noordsch sterrenbeeld. De pijlen van den laster. Als een pijl van den boog : ■zeer snel. Die pijl is uit uwen koker niet gekomen . — Pijladder, v. ( s). Eeno zich snel bewegende slang [coluber jaculus) in Suriname en Z.-Afrika. — JHjlboog, m. (..ogen). — Pijlboom, m. (-en). Hondsboora . — Pijldraak , m. (..aken). Gedrochtelijke zeedraak. — P//-lenbtcndel, m. (-s). — Pijlenmaker, m. (-s). — Py'ler, ra. (-s). Zuil. Pilaar. —Pijlhout, o. Hondsboora. Hout van eenen pijl. Hout geschikt ora pijlen van te maken. Alle hout is geen pijlhout. — Pylijzer, o. (-s). — Pijl kast, v. (-en). — Pijlkoker, ra. (-s). — Pijlkruid, o. Plant {sag it tar ia sa-gittifolia). Behoort lot de waterweeg-Dreeën. Komt in slooten en moerassen voor. Bloeit in Juli en Augustus.—Pijl-kruis, o. (Wapenk.). — Pijlnaad, ra. (..aden). (Heelk.) Pijlvormige naad, welke de beenderen des voorhoofds verbindt. — Pijlrecht, bn. Zoo recht als een pijl. Zeer recht. — Pijlschoot, m. (..oten). Dracht van eenen pijl. Afstand zoo ver een pijl vliegt. — Pijlschot, o. (-en). Schot met eenen pijl gedaan. — Pijlslans, v. (-en). Pijladder. — Pijlsnel, bn. bijw. Zeer snel.

— Pijlsnoek, ra. (-en). Soort van snoek. — Pijlstaart, ra. (-en). Achtereind van den pijl. Staart in den vorm van eenen pijl. Soort van zweraeend {anas acuta). Vaartuig, breed van voren en smal van achteren. — Pijlstaartje, o. (-s). Staartmees. — Pijlstaartrupsen, v. rav. Onrustvlinders.

— Pij 1stok, ra. (-ken). — Pjjlvisch, ra. (..sschen). Naaldvisch. — Pijlvormig, bn.

— Pijlwortel, ra. (-s).

v. Smartelijke gewaarwording. Smart. Wee. Zielelijden. Moeite. De eeuwige pijn : de pijn van schade, of het derven van het goddelijk aanschijn en de pijn des gevoels of van het vuur. — Pijnbank, v. (-en). Foltering. Hevige marteling. — Pijnder, ra. (-s). lera., die straft. Beul. — Pijnen, bw. pijnde, heeft gepijnd. Drukken. Persen. Zich pijnen, ww. Zijne krachten inspannen. Zijn best doen. — Pijnigen, bw. pijnigde, heeft gepijnigd. Pijn veroorzaken. Martelen. Zich pijnigen, ww. Zich pijnen. — Pijniger, ra. (-s). —Pijniging, v. (-en). — Pijnkamer, v. (-s). Kamer, waar een beschuldigde op de pijnbank gelegd werd. — Pijnlijk, bn. bijw. Smart veroorzakende. Moeilijk. Onrustbarend.— Pijnlijkheid, v. (..heden). — Pijnloos, bn.

— Pjnraam, o. en v. (..amen). —Pijnstillend, bn.

l»Ün, ra. (-en). Pijnboom. — Pijnappel, m, (-, -en). — Pijnappelkern, v. .(-en).— Pynappelklier, v. (-en). (Geneesk.) Zekere klier boven in de hersenen. — Pijnboom, ra. (-en). Plantengeslacht (pinus), tot de kegeldragenden behoorende. De den en de spar behooren tot dit geslacht.

— Pijnhars,\. en o*. — Pijn kern, v. (-en).

— Pijnnoot, v. (..oten). — Pijnwoud, o. (-en).

PUnackcr {A.), 1621-1673. Pijnakker. Nederl. Landschapschilder.

l»ül». v- (-en)- van hout, aarde, rae-

i — PIK

taal, enz. Hol been. Steel raet kop ora tabak in te rooken. Gang, die tot een dassen-, vossen-, konijnenhol lc:dt. Soort van langwerpig vat om wijn. olie. enz. te verzenden. Plooi eener rants. Staafje : eene pijp lak. Dat gedeelte der broek, waarin het been zit. Fluit. Buis, die door het inblazen van lucht een schel geluid geeft : de pijpen van een orgel. Naar iemands pijpen dansen, alles doen wat hij begeert. Daar kan hij een leelijke pijp aan rooken : dit kan hem duur kosten. De pijp aan Marten geven : iets laten steken. — Pijpaarde, v. Soort van fijne klei, inz. tot het bakken van pijpen dienende. — Pjp-bloem, v. (-en). Plantengeslacht {aristolo-chia). De gemeene pijpbloera (a. clema-titis) komt voor als onkruid in Midden- en Z.-Europa. —Pijpbloemig, bn. Met pijp-vorraige bloemen. — Pjpboom, m. ( en). Witte pijpboom : jasmijn. — Pijpdrop, o.

— Pijpebeslag, o. \-cn). — Pjpedop, ra. (-pen). —Pijpekas, v. (-sen). — Pjpekop, ra. (-pen). — Pijpekoter, ra. (-s). — Pijpen, ow. peep, hoeft gepepen. Op de fluit blazen, fluiten. Piepen. — Pijpen, pijpte, heeft gepijpt. Ow. Eene pijp rooken. Bw. Pijpen of plooien maken. — Pijpenbakker% ra. (-s). — Pijpenbakkerij, y. (-en). — Pijpenben, v. (-nen). — Pjpenboor, v. (..oren). — Pjpenbord, o. (-en). Plank in een orgel, waarin de orgelpijpen staan. — Pijpendraaier, m. (-s).— Pypen dra aie rij, v. (-en). — Pijpenfabriek, v. (-en). — Pij. Pen fabrikant, ra. (-en). — Pypenketel, ra. (-s). Soort van stoomketel. —Pij taenia je, v. (-n). — Pypenmaker, m. (-s).— Pijpenmaker ij, v. (-en). — Py penmand, v. (-en).—Pypenplank, y. ( en). — Pj-penrek, o. (-Ken). — Pijpenstander, m. (-s).—Pijpenstelier, ra. (-s). — Pypen-stelster, v. (-s). — Pjpenstok, m. (-ken). —Pjpenuitha'er, ra. (-s). — Pypenvorm, ra. (-en). — Pijpepeuter, ra. (-s). — Pijper, ra. (-s). Fluitspeler. — Pijperoer, o. (-en).

— Pijpesteel, ra. (..elen). — Pij pastopper, ra. (-s). — Pijpewroeter, ra. (-s). — Pijpgast, ra. (-en). Lulleman. — Pypgat, o. (-en). — Pijpgezwel, o. (-len). Fistel. — Pijphout, o. 'Duighout. — Pypifzer, o. (-s). — Pijpkan, v. (-nen). — Pijpkaneel, o. Kaneel in bast. — Pijpkoraal, o. (..alen). Valsche koraal. — Pijpkruid, o. Wilde kervel. — Pypmuts, v. (-en). — Pijpplooi, v. (-en). — Pijpriet, o. (-en). Rjet, waarvan men fluitjes snijdt. — Pijip' schaar, v. (..aren). — Pypsleutel, ra. (-s). Sleutel, die uitgeboord is. — Pypslot, o. (-en). Slot, dat raet eenen pijps'.eutel geopend wordt.— Pypvoerder, ra. (-s). Lulleman. — Pijpwerk, o. (-en).— Pijpzak, ra. (-ken). Doedelzak. — Pypzweer, v. (..eren). Fistel.

l»ilc, o. Zie Pek. — Pikachtig, bn. — Pikbroek, ra. (-en). Luie raatroos. — Pikdonker, bn. Stikdonker. Zeer duister. — Pikdraad, ra. (..aden) (voorwpsn.) ; o. (stofn.) Garen raet pik bestreken. — Pikken, bw. pikte, heeft gepikt. Pekken. — Piklappen, ow. piklapte, heeft gepiklapt. Van geen opstaan of weggaan weten. — Pikzwart, bn. Zeer zwart. Zeer duister.


ocr page 668

PIL A — 61

pik, m. Het pikken van eenen vogel. Het eten met eene vork. Het is fijne pik : het is iets fijns. — Pikje, o. (-s). Kleine slag met den bek (van vog-ls). Mondvol. Hapje. Vorkje.— Pikken, pikte, heeft gepikt. Ow. Met den bek slaan (tegen) (van vogels). Trekkebekken. Op bedekte wijze hoonen. Eten (van vogels, van men-schen).

pik, m. Wrok : eenen pik op iem. hebben. — Pikant, pikantig, bn. bijw. Prikkelend. Scherp. Schamper. Nijdig. Hoo-nend. Beleedigend. Eene pikante saus : eene zure saus. Treffend, aandoenlijk : die geschiedenis is zeer pikant. — Pikanterie, v. (-en). Broodnijd. Afgunst. Bitsheid. Scheipte van toon. Verholen vijandschap. Iem. pikanterieën, gevoplige beleedingen zeggen.— Pik a pik, bijw. Nijdig, wrokkig. —* Pikeer en, bw. pikeerde, heeft gepikeerd. Prikken. Kantoorboeken onderling vergelijken. Gevoelig trefWi, tergen, bedekteiijk hoonen. Hij is gepikeerd : hij acht zich beleedigd.

pik, v. (-ken). Kleine zeis met korten steel (in den graanoogst, enz. gebruikt). — Pikhaak, m. (..aken). — Pikhouweel, o. (-en). —Pik keling, pikkerhng, m. (-en). De korenhalmen, die de pikker in zijnen haak bijeenhaalt en in eens op den grond legt. — Pikken, bw. pikte, heeft gepikt. Het koren met eene pik maaien. — Pikker, m. (-s).

piket, o. (-ten). Veld-, legerwacht. Zeker kaartspel. — Piketspel, o. — Piketten, ow. pikette, heeft gepiket. Piket spelen.

pikot, m. (-ten), plkcfpaal, m.

(..alen). Stijl. Staak. Baak. Paal. Stok, dien men in den grond steekt om iets af te bakenen. — Piketteeringen, v. mv. Aangepunte paaltjes, welke schuins in den grond worden geslagen om den voortgang van den vijand moeilijk te maken.

pikeur, ra. (-s). Kijmeester. Africhter van paarden. Aanteekenaar, opteekenaar (op de spoorwegen). Opzichter, toeziener (van stadswerken, enz.).—Pikeurschap, o. pikke«iillcn, v. mv. Peccadillen. pikkel, m. ^-s). Voet eener tafel, eens stoels. --Pikkelstoel, m. (-en). Stoel, meubel op drie voeten rustende.

pikkel, m. (-s). Bikkel. — Pikkelen, ow. pikkelde, heeft ijepikkeld. Bikkelen.

pikol, o. ( s). Handelsgewicht in Oost-Indic = 61,76 kilogr.

pil, v. (-len). Klein balletje, dat als geneesmiddel wordt toegediend. Dit is eene harde pil om te slikken : die zaak is pijnlijk om te volbrengen, die tijding is hard te vernemen. De pil vergulden : met zoete woorden iets zeer pijnlijks zeggen. — Pil-kruid, o._ Watervaren {pilularia gtobu-lifera). Komt ook bij ons voor. —Pillendoos, v. (..zen). —Pillendraaier, m. (-s). (Spott.) Apotheker. — Pillenmachine, v. (-s). — Pil lens likker, m. (-s). — Pillen-slik ster, v. (-s). — Pillenvormer, m. (-s).

— Pilvormig, bn.

pilaar, m. (..aren)) Pijler. Zuil. Steun.

— Pilaarbijter, m. (-S). Schijnvrome. — Pilaar bijterij, v. (-en), — Pilaar bijtster.

2 — PINA

v. (-s). — Pilaarheilige, ra. (-n). Kluize naar, die een groot gedeelte van zijn leven op den top van een zuil doorbracht. — Pilaarhoofd, o. (-en). Kapiteel. — Pt-laarkap, v. (-pen). Dekstuk van eenen pilaar. —Pilaar lijst, v. (-en). — Pilaar-schacht, ..schaft, v. (-en). — Pilaarvoet, m. (-en).

pilaster, ra, (-s). Muurpijler. Vierkante, platte zuil.

Pi la tan (P.). Landvoogd van Judea onder keizer Tiberius. Leverde den Heiland aan de Joden over om Hem den dood des kruises te doen ondergaan. Iem. van Pontius naar Pilatus zenden. — Pila~ tusvischje, o. (-s). Pitvisch.

pilau, v. Rijstmoes. Geliefkoosde spijs der Turken, enz.

pilo, v. (-n). Hoop, tas, stapel. Pijler, brugpijler, stander. Stuk: eere pile vleesch.

pillegelrt, o., pilleg-ift, v. (-en)» Doopgeschenk.

piloot, m. (..oten). Loods. Stuurman..

— Pilotaris, ra. (-sen). Havenmeester, pilmier, o. Soort van bier.

plmeiit, o. Onrijpe, gedroogde vruchten van den piraentboom. — Pirnentboom, ra. (-en). Hooge, schoone boom. Komt vooral op Jamaica voor. — Pimentolie, v.

— Piment saus, v. (-en).

pini pain poen, pieinpampoeu., ra. (-en). Zonnekever.

pimpel, m. ( s), pimpeliueeg, v. (..zen). Blauwmersje. Zeer levendig en vroolijk vogeltje (parus coeruleus). Heeft de grootte van een sijsje. Wordt in geheel Europa gevonden. Zwak mannetje. Het is-eene pimpelmees, een drinkebroer. — Pimpelaar, ra, (-s). Drinkebroer. — Pimpelaar ster, v. (-s). — Pimpelen, ow. pimpelde, heeft gepimpeld. Veel drinken. — Pimpelpaars, bn. Zeer paars. — Pimpeltje, o. (-s). Likeurglaasje.

piiuperboom, ra. (-en). Pistacheboom.

pimpernel,v. (-len). Plant(/£?/lt;?»-/«w sanguisorba)', tot de roosachtigen behoo-rende. Bloeit in Juli. Groeit op zandige gronden. Wordt als toekruid gekweekt en als schapenvoeder geroemd. — Pimpernelroos, v. (..ozen). Langstamraige rcos raet gele dorens en gladde bladen [rosa luted). — Pimpernelreuk, ra. —Pitnper-nelsmaak, ra. — Pimpernelwortel, ra. (-s). — Pimpernoot, v. (. oten). Pistache.

— Pimpernoteboom, ra. (-en).

pin, v. (-nen). Stuk afgerond hout of metaal, soms met eene punt en meestal zonder kop. Zie Pen. Eene soort van spiering. — Pin hamer, m. (-s). — Pinnemuts, v. (-en). Mansslaapmuts. — Pinyien, bw. pinde, heeft gepind. Met pinnen ol pennen vastmaken.

pinacotheek, v. (..eken). Verzameling van schilderijen.

pinang:, (-en), v. (vrucht); m. (boom).

— Pinangboom, ra. (-en). Palraboorn, algemeen voorkomende in Oost-Indië. — Pinangnoot, v. (..oten). Vrucht van den pinangboora. Heeft de grootte en gedaante van een klein ei en is geelachtig en glad»

— Pinangpalm, ra. (-en). Pinangboom,


ocr page 669

PINS — 6]

pinas, v. (-sen). Lange en smalleschoe-oer, die zeer snel zeilt.

pineo-ncz, m. Knijpbril.

plncot, o. (-ten). Nijper. Tangetje. Piudsirus, 522(?)-542(?) (vóor Chr.). Thebe. Lierdichter. Oden.

piugrcl, v. (-en). Zoete noot van eene soort van pijnboom {pinuspinea), voorkomende in Z.-Europa.

piiiS«lgt; m. (-s). Dunne reep. Lange sterke koord : de gaaipers wordt met drie of vier pingels vastgemaakt.

piusreloii, ow. pingelde, heeft gepingeld. Afdingen. Afbieden. — Pingelaar, m. (-s). — Pingelaars/er, v. (-s).

pingrniu, v. (-en). De/z«,gw«^« maken in de orde der zwemvogels eene familie uit. Hunne vleugels zijn geheel ongeschikt tot vl egen en hunne pooten staan 200 ver mogelijk naar achteren. Leven in Z.-Afrika en Z.-Amerika.

pink, m. (-en). Kleinste vinger. — Pinkje, o. (-s). Kleinste vinger. Langwerpige naairing. Gebakje in dezen vorm. — Pinkering. pinkring, m. (-en). — Ptnke-vasf, bn. Kneukelvast.

pink, v. (-en). Soort van visschers-vaartuig.— Pinknet, o. (-ten). Soort van .net.

pink, m. en v. (-en). Eenjarig kalf. pink, v. (-en). Soort van snip.

pinken, pinkelen, ow. pinkte, heeft gepinkt. Flikkeren. Glinsteren. Tintelen.

pinken, ow. pinkte, heeft gepinkt. Met de oogen knippen. — Pinkers, m. mv. De haren der oogleden. — Pinkhaar, o. (..aren). Wimper. —Pinkoogen, ow. pinkoogde, heeft gepinkoogd. Pinken.

pinker,m. (-s). (Kindersp.) Aan weers-■zijden puntig stokje, waarop men aan den eenen punt slaat om het alzoo te doen ■opspringen. — Pinkeren, ow, pinkerde, heeft gepinkerd. Met den pinker spelen. — Pinkstokje, o. (-s).

Pinkster, Pinksteren, v. Feest ter herinnering aan de nederdaling van den h. Geest over de Apostelen. Wordt vijftig dagen na Paschen gevierd. —

ster anjelier, m. (-s). Soort van grijzen anjelier {dianthus plumarius). — Pinksterappel, m. (-en, -s). — Pinksteravond, m. (-en). — Pinkster beurt, v. (-en). — Pinksterbloem, v. (-en). Bloem, die met Pinksteren bloeit.— Pinksterdag, m. (-en).

— Pinksterfeest, o. en v. (-en). — Pinksterlelie, v. (..iën, -s). Witte narcis. — Pinksterlied, o. (-eren). — Pinkster-maand, v. (-en). — Pinkstermaandag, m. (-en). — Pinkstermorgen, m. — Pinksternacht, m. —Pinksternakel, v. (-s). Soort van brood. Pastinak — Pinksterpeer, v. (..eren). — Pinkster preek, v. (-en). — Pinksterroos, v. (..ozen). — Pinkster tijd, m. (-en). — Pinkstervacan-tie, v. (..iën, -s). — Pinkstervreugde, v.

— Pinkstervuur, o. — Pinksterweek, v. (..eken). — Pinksterzang, in. (-en). — Pinksterzondag, m. (-en).

pinskek, spinsbek, o. Geel, naar goud gelijkend, smeedbaar metaalmengsel. Bestaat uit koper, zink en ijzer. — JPinsbekkcn, bn.

\ — PIS

pinseu, pinste, heeft gepinst. Bvv. Knn-pen. Scherp nijpen. Ow. Lene snerpende pijn veroorzaken.

pint, v. (-en). Vochtmaat, zeer verschillend van inhoud (gevvoonl. = 1/2 liter).

— Pint ede k, ra., pintedekking, v. Gebruik, waarbij een herbergier iedere pint bier gratis bedekt raet eene mastelle, enz.

— Pintelen, ow. pintelde, heeft gepinteld. Veel drinken. — Pinter, m. (-s). Drinkebroer. — Pintyiesch, v. (..sschen). — Pintglas, O. (..azen). — Pintkan, v. (-nen). — Pintroemer, ra. (-s).—Pintschotel, m. (-s).

pioen, v. (-en), pioene, v. i-n). Groote en fraaie bloem \pa20nia officinalis) met onaangenamen g«;ur. — PiOefnach-tigen, v. mv. Onderafdeeling der r inon-kelachtige gewassen. — Pioenroos, v. (..ozen). Pioen.—Pionieroos, v. (..zen). Pioen.

Plombe [S. del), 14S5-1547, Venetië. Historieschilder. Opwekking van Lazarus; de Marteldood van S* Agatha. pion, m. (-s). (Schaaks.) Boer. pionier, m. (-s). Schansgraver, delver. Baanbreker, grondlegger : de pioniers der beschaving. Voetknecht.

piot, m. (-ten). (Scheldn.) Soldaat te voet. Piotten: voetvolk.

pip, v. Ziekte der vogelen : verstopping der neusklieren en verharding van de punt der tong. —Pipsch, bn. Met de pip behept. Niet fiksch, ongesteld. — Pipschheid, v. pipst, v. (-'s). Surinaamsch»' padde. pippeling-, m. (-en), pippius, m. (-en), boort van zoeten appel.

piqué, o. Dichte katoenen stof met regelmatige stipjes en figuren.

piraat, m. (..aten). Zeeroovsr. — Pi-raterie, v. Zeerooverij.

piramide, pyramiile, v. (-n). Veelzijdig spitstoeloopend gebouw met ge-meene basis : grafmonument der Egyptische koningen. (Meetk.) Lichaam, dat eenen veelhoek tot grondvlak heeft en waarvan de zijvlakken driehoeken zijn. — Pirarnidaal, pyramidaal, bn. Als eene piramide. Overgroot, overdreven.

pirouette, v. (-n). Snelle draai. Draaisprong. — Pirouetteeren, ow. pirouetteerde , heeft gepirouetteerd. Draaien. Zwenken. Draaisprongen maken.

pis, v. Wateruitwerpsel (van menschen en dieren). Slechte, slappe drank. — Pisachtig, bn. — Pis afdry vend, bn. — Pisbak, ra. (-ken). — Pisblaas, v. (..zen). — Pisbroek, m. en v. (-en). — Pisdoek, ra. (-en). — Pisflesch, v. (..sschen). — Pisgang, ra. (-en). Pisleider. — Pisglas, o. (..azen). — Pishoek, ra. f-en). — Piskijker, ra. (-s). Arts, die uit de pis de ziekten meent te onderkennen. Kwakzalver. — Piskijker ij, v. — Pis kous, v. (-en). — Pis-lap, m. (-pen). — Pisleider, ra. (-s). Buis, welke de pis uit de nieren naar de pisblaas leidt. — Pisloozing, v. (-en). —Pisluier, v. (-s). — Pis tuur, v. (..uren). — Pispot, m. (-ten). — Pispotten, v. mv. (Zeew ) Bras aan de bezaansroede. — Pissebed, v. (-den). Paardenbloem. — Pissebed, m. en v. (-den). — Pissebloem, v. (-en). Paardenbloem. — Pissen, piste, heeft gepjst.


ocr page 670

Pius — e

Ow. Zijn water loozen. Bw. Wateren. Loo-zen. — Pisstof, v. — Pissuiker, v. — Pisvloed, m. — Piswe?, m. (-en). — Pisweger, m. (-s). — Piszuur, o. —Pis-zout, o. (Scheik.).

l»iH-»Ilcrt o. Het ergste geval. Het mislukken. Ten slechtste genomen.

piNaiig:, (-s), v. (vrucht); m. (boom).— Pisangboom, m. (-en). Soort van banaan.

— Pisangvrucht, v. (-en), piscicultuur, v. Kunstmatige visch-

teelt. — Piscine, v. (-n). Vijver voor zulke teelt. Waterbak.

pisluclio, v. (-s). Welsmakende vrucht van den pistacheboom. Wilde pistache : pimpernoot. — Pistacheboom, m. (-en). Groene amandelboom {pistacia vera). Groeit in 't Oosten en Z.-Europa.

pintolet, o. (-s). Pistool (2® art.). (Fijn) broodje.

piston, m. (-s). Zuiger. Luchtklepje. Klephoorn.

plAtool, v. (..olen^. Oude Spaansche gouden muut = 12 gulden.

pistool, v. en o*. (..olen). Schiettuig met korten loop. Vuistroer. Gehuurde kamer in eene gevangenis. — Pist00Igreep, v. (..epen). — Pistoolkogel, m. (-s). — Pistoolkoker, m. (-s). — Pistoolloop, v. (-en). —Pistoolmaker.m. (-s). — Pistoolschoot, m. (-en). Dracht van een pistool.

— Pistoolschot, o. (-en). Losbranding van een pistool. — Pistoolslot, o. (-en). — Pistooltje, o. (-s). Klein pistool. Zekere nachtvlinder.

pit, v. (-ten). Zaadkorrel (der ooft-soorten en bessen). Kern in den steen. Schijven, geld : hij heeft pitten. — Pit, v. (-ten). Katoen (eener lamp of kaars).

— Pit, o. Merg. Kracht. Innerlijke waarde, het beste : het pit uit een boek nemen. — Pittig, bn. bijw. Vol pitten. Vol merg en kracht. Geestig, snedig. — Pittigheid, v. —Pitvisch, m. (..schen). Visch [lionymus lyra). Leeft in het Kanaal en op ae kusten der Noordzee. — Pitvrucht, v. (-en). Plantenfamilie, waartoe behooren : de appel, de peer, de mispel, enz. Kern» vrucht.

pltoor, putoor, m. (..oren). Roerdomp.

pitscu. Pinsen. — Pit stang, v. (-en).

Nijptang.

pifttjaar, m. (..aren), pltsjsiars-Tlagr, v. (-gen). Commando-vlag, seinende, dat men zich aan boord moet begeven. — Pitsjaren, ow. pitsjaarde, heeft gepitsjaard. De pitsjaarsvlag uitsteken. Zich voor ecnen dag aan land begeven.

Pitt i0 KlV.), 1708-1778, Roconnock = Lord Chatham. Eng. Staatsman en redenaar. 20 Zijn zoon (^K.), 1759-1806, Londen. Staatsman en redenaar.

pilforcslc, bn. bijw. Schilderachtig. PiuH. Negen Pausen hebben dezen naam gedragen. Pi us VII teekende het concordaat met Napoleon (1801). Werd uitgenoodigd tot de keizerlijke kroning van Napoleon (1804). Werd gevangen weggeleid naar Grenoble, Savona en Fon-tainebleau (1812). Pius IX. Werd gedwongen te vluchten naar Gaëta (1848).

[4 — PL A A

Het dogma der Onbevlekte Ontvangenis werd afgekondigd (1854), dat der onfeilbaarheid (1870). Hem werden zijne kerkelijke Staten ontnomen (1870).

pizzicato, bn. bijw. (Muz.) Geknipt. Duidt aan, dat de snaren van een strijkinstrument moeten getokkeld worden.

plaafir, v. (..agen). Ziekte, besmettelijke ziekte : de plaag is in de aardappelen gekomen. Kwelling, verdriet : de p agen van den geest, van het lichaam. Onheil, ramp : besmettelijke ziekten en andere plagen. Kastijding, straf: de tien plagen van Egypte. Geesel : de oorlog is eene ware plaag voor de volken. lem., die veel van plagen houdt : hij is een echte plaag.

— Plaagal,Tci.eviv.— Plaagbast, m. 'v-en), plaagbeest, o. en v. {-Qn),plaagduive/, m. (-s).,^/rtfl^^s/',m.(-en).Kwelduivel. It-m., die veel van plagen houdt. — Plaagstok, m. (-ken). Plaaggeest, — Plaagziek, bn.

— Plaagzucht, v.

plaanboom, m. (-en). Plataanboom.

plaat, v. (..aten). Geplet stuk metaal. Gereedschap om iets in den oven te bakken. Haarovloer onder den schoorsteen. Plat en breed stuk marmer. Dekstuk van een slot enz. Achter- of onderstuk cener drukpers. Wijzerbord. Koper, staal, enz. waarop gegraveerd of ge teekend is. (Phot.) Het negatief. Afdruk, prent. Zandbank. De plaat poetsen : zich uit de voeten maken. — Plaat, v. (..aten). Pladijs. — Plaatbal, m. (-len). Inktbal van den plaatdrukker. — Plaatbrood, o. (-en). — Plaatdruk, m. —'Plaatdrukken, o. — Plaatdrukker, m. (-s). — Plaatdrukker?/, v. (-en). — Plaatetser, m. (s). — Plaatet-ster, v. (-s). — Plaatgrendel, m. (-s). — Plaathandel, m. — Plaatijzer, o. — Plaatkieuwigen, m. mv. Zekere klass© der weekdieren. — Plaatknie, v. (-en). — Plaatkoek, m. (-en). — Plaat kraam, v. en o. (..amen). —Plaatpapier, o.— Plaat-pers, v. (-en). — Plaatslijper, m. (-s). lem., die platen slijpt. Lediglooper. — Plaaislypster, v. (-s). — Plaatsnijden, o.

— Plaatsnijder, m. (-s). — Plaatsnijdster, v. (-s).—Plaatsnykunst, v.— Plaat-stoof, v. (..oven). — Plaatwerk, o. (-en).

— Plaatwijzer, m. (-s). (Van een uurwerk). — Platenmaker, m. (-s). — Pla» tenvormer, m. (-s).

plaats, v. (-en). Opene plek : voor- 01 achterplaats. Ambt, betrekking : naar eene plaats staan, hij heeft daar eene goede plaats. Aanhaling uit een werk : deze plaats uit Bilderdijk is schoon. Punt: og die plaats heb ik pijn. Stad, dorp : kent gij eene schonnere plaats? Ruimte, zitplaats : hier is nog plaats. Plaats vinden, grijpen, hebben : gebeuren, voorvallen. Eene bede plaats geven, haar toestaan. Plaats: uit den weg ! — Plaatsaanwyzer, m. (-s). — Plaatsaanvyzing, v. (-en). — Plaatsbegever, m. (-s). — Plaatsbegeefster, v. (-s). — Plaatsbeklseder, m. (-s).

— Plaatsbekleedster, v. (-s). — Plaatsbepaling, v. (-en). —■ Plaatsbeschrijvend, bn.— Plaatsbeschrijver, m. (-s).— Plaats-beschrijfster, v. (-s). — Plaatsbeschrijving, v. (-en). — Plaatsbestemming, v-


ocr page 671

PLAK — 6

(-en). — Plaaisbetvaarder, m. (-s). — Plaatzbeivaarster, v. (-s). — Plaaisbe-TX'ijs, o. (..zen). — Plaatsbriefje, o. (-s).

— Plaatscominandanty m. (-en).— Plaatselijk, bn. bijw. Dat tot zekere plaats behoort of zich daarbij bepaa t. — Pliat-sen, bw. plaatste, heeft geplaatst. Eene plaats geven (aan), stellen, zetten : waar zullen wij die meubelen plaatsen. lem. op den troon plaatsen, hem tot vorst verkiezen. Dienstboden plaatsen, aan eene betrekking helpen. Eene advertentie plaatsen, in den krant doen opnemen. Zijn geld plaatsen, op intrest zetten. Koopwaren plaatsen, verkoopen. Zijn hart is wel geplaatst ; hij heeft eene goede inborst. Zich plaatsen, ww. — Plaatsgebrek, v. —Plaatsgeheugen, o. — Plaatsgeld, o. (-en). — Plaatsgesteldheid, v. — Plaatshond, m. (-en). Kettinghond. — Plaatshottder, m. (-s). — Plaatshoudster, v. (-s). — Plaatsing;, v. (-en). — Plaatskaartje, o. (-s). — Plaatsmajoor, m. (-s).

— Plaatsniam, m. (..amen). — Plaatsopneming, v. (-en). — Plaatsruimte, v. (-n). — Plaatsschouwing, v. (-en). — Plaatsverandering, v. (-en). — Plaatsvervangend, bn. — Plaatsvervanger,vcl. (-s). — Plaatsvervangster, v. (-s). — Plaatsvervanging, v. (-en). — Plaatsvervulling, v. —Plaatsverwisselend, bn. — Plaatsvulling, v (-en).

plsicet, o. Koninklijke toestemming. Inwilliging der landsregeering. — Placet, o. (-ten). Stoeltje zonder leuning. Smeekschrift, verzoekschrift.

plutlU», plsiddU*» v. Soort vanplat-visch [pieumnectes platessd).

plsifreiiiur, v. (..uren). BlafFetuur. plafond, o. (-s). Zoldering, inz. gepleisterde of beschilderde zoldering. — Plafonneeren, bw. plafonneerde, heeft ge-plalonneerd.Beplakken.Bepleisteren (eene zo\ücr\n\T).—Plafonneerdertpla/onneur, m. (-s).

l»lasr,v. (-gen), plaggre, v. (-n). Dikke min of meer vierkante lap. die van een dichtbegroeid heideveld wordt afgestoken om tot brandstof of tot strooiing onder het vee te dienen. — Plaggen, ow. plagde, hee't geplagd. —Plaggenschop, v. (-pen).

— Plaggensteker, m. (-s). — Plaggen-zicht, v. (-en).

plagrcn, bw. plaagde, heeft geplaagd. Kwellen. Lastig vallen. — Plager, m. (-s).

— Plaagster, v. (-s). — Plagerij', v. (-en), plagiaat, o. (..aten). Letterdieverij,

Menschenroof. — Plag ia ris, m. (-sen), plalntc, v. (-s). Klacht. Aanklacht, plak. v. (-ken). Plat, dik stuk klophout. Breede, dunne liniaal (eert. in de school als strafwerktuig gebruikt). Schijf van eenen appel, van vleesch, enz-. Plagge. Groote inktvlak. Dunne bladen fijn hout (waarmede meubelen opgelegd worden).

— Plakalmanak, m. (-ken). — Plakboek, o. en m. (-en). — Plakbord, o. (-en). — Plakbrief, m. (..ven). — Plakbroek, m. (-en), lem., die van geen weggaan weet. — Plakhamer, m. (-s). — Plakyzer, o. (-s). — Plakjsngen, m. (-s).

— Plakkaart, v. (-en). Kaart, die opge-

5 — PLAN

plakt moet worden.—Plakkaat, o. (..aten). Plakbrief. Verordening, beve.schrift : de plakkaten van Vlaanderen. — Plakkaat-boek, o. en m. (-en). — Plakkage, v. (-s). Oplegwerk. — Plakken, plakte, heeft geplakt. Bw. Doen kleven (op). (Meubelen) opleggen. Gevangenzetten : iem. in de gevangenis plakken. Nederploffen : ik plakte hem tegen den grond. Met kracht smijten (tegen) : iem. tegen den muur plakken. Ow. Kleven : die stijfsel plakt niet. Lang ergens blijven : hij bleef er plakken. Üp krediet koopen, borgen. — Plakker, xa. (-s). Plafonnterder. Iem., die van geen weggaan weet. Zekere vlinder {lip ar is dis par). — Plakker if, v. (-en). — Plakkerig, bn. — Plak leem, o. — Plakletter, v. (-s). — Plak-mörtel, v. — Plakpapier, o. — Plakplaatje, o. (-s). — Plakpleister, v. (-s). — Plakschrift, o. (-en). Plakkaat. — Plak-schuld, v. (-en). — Plaksel, o. — Plah-ster, v. (-s). — Plak stijfsel, v. — Plak-v oer der, m. (-s). Iem., die de plak voert.

— Plakwerk, o. — Plakzegel, o. (-s). — Plak zode, v. (-n).

plammotcu {plammoteren, plam-muistcren), bw. plammootte, heeft ge-plammoot. Bevlekken. Met vuile handen bezoedelen.

plamuren, bw. plamuurde, heeft geplamuurd. De oneffenheden van hout vol-smeren. De grondverf leggen.— Plamuur, o. — Plamuuf sel, o.

plan, o. (-nen, -s). Ontwerp, schets : het plan van een gebouw. Voornemen : hij is in zijn plan mislukt. Vlak. Plattegrond, voorplan : voorgrond; achterplan : achtergrond. — Plannenmaker, m. (-s). Warhoofd. Gelukzoeker. — Plannenmaak-ster, v. (-s).

planclier, v. (-s). Houten vloer.

plancliet, o. (-ten). Platte balein in een rijglijf. Meettafeltje.

Planoquacrt (/i ), 1863, Wortegem. Lette:kundige. De Dood van Karei den Goede (drama, bekroond 1889).

PlancqncK (J. des), I478-I535- Kloosternon en VI. dichteres.

planeet, v. (..eten). Hemellichaam, dat zich langs eene elliptische baan om eene vaste ster beweegt en er licht en warmte van ontvangt. Mercurius, Venus, de Aardbol, Mars, Jupiter, Sa turn us, Uranus, Neptunus. Er zijn meer dan 200 kleine planeten. Lot, noodlot, voorbeschikking : hij is onder eene ongelukkige planeet geboren. — Planeetbaan, v. (..anen). — Planeetboek, o. en m. (-en).

— Planeetjaar, o. (..aren;. Omlooptijd eener planeet om hare zon. — Planeet' kenner, m. (-s). Sterrenwichelaar.— Pla-neetkennis, v. —Planeetkijker, m. (-s). Sterrenkundige. Telescoop. — Planeetlezer, ra. (-s). Waarzegger. — Planeetlees-ster, v. (-s). — Planeetloop, ra. —- Planeetnieter, m. (-s). — Planeten lijst, v. (-en). —Planetarisch, bn. Ronddwalend. Planetarische dieren : dieren, die op de laagste trappen van het dierenrijk staan.

— Planetarium, o. ( s). Planetenlijst. Kunstmatig toestel, waardoor den omloop


ocr page 672

PLAN — 6

der planeten om hare zon wordt voorgesteld. — Planetenstelsel^ o. — Planeten-in fel, v. ( s). — Planet- ïden, v.mv.Kleine planeten.

planigrlobe, v. (-n). Voorstelling der aarde op een vlak.—Plairisfeer, v. (..ei en). Voorstelling van den sterrenhemel op een vlak.

plnnk, v. (-en). Hout uit de volle breedte van eenen boomstam gezaagd. Deel van zulk hout. Verhoogde plank (om iets op »e zetten,enz.): de planken van eene boekenkast. De plank aanslaan (van een huis), het te huur zetten. Dit laken is als eene plank, zeer dik en stevig. Op de planken komen : als tooneelspeler optreden. De plank mis zijn : zich vergissen. — Planke»beschotj o. (-ten). — Planken-huis, o. (..zen). — Planken loods, v. (-en).

— Plankenschuur, v. (..uren). — Plankenvloer, m. (-en). — Planket', ra. (-s). Leverancier van losplanken. — Planket, o. (-ten). Plankenvloer. Plankenbeschot. Latwerk (voor leiboom en). Meettafeltje.

— Planketsel, o. (-s). Plankenbeschot. — Plankier, o. (-en). Plank, die voor de stoep tot dekking eener goot ligt. Houten bevloering over het water achter de huizen. Houten bevloering aan plaatsen, waar vaartuigen aanleggen. Zoom, met steenen belegd langs een huis, eenen stal, enz. — Plankzverk, o. (-en).

plant, v. (-en). Bewerktuigd wezen, waaraan gevoel en vrijwillige beweging ontbreekt. Tong gewas, inz. wanneer het verzet wordt (meestal in samenstellingen) : slaplant, koolplant, enz. — Plantaarde, v.

— Plantaardig, bn. Plantaardige delfstoffen : brandbare delfstoffen, afkomstig van vroegere planten. Plantaardig voedsel : voedsel uit planten of van planten. — Plantage, v. ( s). Planterij. Boomkwee-kerij. — Plantdier, o. (-en). Straaldier. — Planten, bw. plantte, heeft geplant. In aarde, in den grond zetten (inz. om te doen groeien). Het geschut planten. Den standaard planten. De vaan des opstands planten. — Plantenalbum, o. (-S). — Plantenbed, o. ( den).—Plantenbeschrijver, m. (-s). — Plantenbeschrijving, v. (-en).

— Plantenboek, o. en m. (-en). — Plantenbus, v. (-sen). — Pla;;teneizvit, o. — Plantenetend, bn. — Plantengelei, v. — Plantengif, o. — Plantengroei, ra. — Plantenkaasstof, v. — Plantenkalender, m. (-s)'. — Planten kenner, m. (-s). — Plantenkennis, v. — Plantenkietn, v. (-en). — Plantenkunde, v. Wetenschappelijke kennis der planten. —Plantenkundige. m. (-n). —Plantenkweeker, ra. (-s).

— Plantenkweekery, v. (-en). —Plan-tenku'eekster, v. (-s). — Plantenleer, v.

— Plantenleven, o. — Plantenlym, v. — Platitenolie, v. (..iën). — Plantenrijk, o. Een van de drie rijken der natuur. — Plantensap, o. (-pen). — Plantenslym, o. — Plantenstcf, v. — Plantensteen, m. (-en).

— Plantenstelsel, o. (-s). — Plantenteelt, v. —Plantentuin, ra. (-en). — Planten-•vezel, v. (-en, -s). — Planten vezelstof, v.

— Plantenvloo, v. (-iën). Soort van vloo (podura), die op planten leeft. — Plan-

5 — PLAT

tenivereld, v. — Plantemaad,o. (..aden).

— Plantenziekte, v. (-n). — Plantenzout, o. (-en). — Plantenzniger, m. ( s). In» sect, dat de planten het sap afzuigt. — Plantenzuur, o. — Planter, m. (-s). Die plant. Eigenaar eener planterij. Kolonist.

— Planterij, v. (-en). — Plantgewas, o. (-sen). — Plantgoed, o. Goed, dat men plant : jonge oesters, jonge tabaksplanten, enz. — Plant hof, ra. (..oven). — Plant-hoitt, o. — Plant ijzer, o. (-s). — Planting, v. (-en).— Plantklaar, bn. — Plant-luis, v. (..zen). — Plantpapier, o. — Plaiitraap, v. (..apen). Koolraap. — Plantsoen, o. (-en). ]onge spruit van boo-raen, welke men in den ^rond steekt ora wortel te doen schieten. Grond met planten bezet. — Pla ntwording, v. — Plant-zaad, o. Aardappels, boonen, enz., besterad ora geplant te worden.

PlautlJu (C.), 1514-1589, Saint-Aver-tin(?) (Frankrijk). Vestigde zich in België. Richtte eene boekdrukkerij op te Antwerpen. Zijne drukpersen, handschriften, schilderijen, enz. werden door de stad Antwerpen aangekocht en tot het Museum Plan-tijn ingericht (1876).

plappereu, ow. plapperde, heeft ge-plapperd. Slobberen, ploeteren (zouals de watervogels doen in 't water bij 't zoeken naar voedsel).

pist», m. (-sen). Ruimte met water of ander nat bedekt: een plas water, een plas bloed. Poel door uitvening ontstaan. De wijde, de groote plas : de zee. — Plasdankje, o. (-s). Dankbetuiging met bijoogmerken. — Plasregen, ra. (-s). Slagregen. Stortregen. — Plasregenen, eenpw. plasregende, heeft geplasregend. — Plassen, piaste, heelt geplast, üw. Plorapen. Ploeteren. Door 't water gaan. Opspatten : oenen steen in 't water gooien, dat het plast. Die raeid houdt van wasschen en plassen. Bw. Plassen maken : water op de trappen plassen. — Plasser ij, v. — Plas-•water, o.

pls*»iic*itelt, v. Vorrabaarheid. Aanschouwelijkheid. — Plastiek, v. Boetseerkunst. Beeldhouwkunst. — Plastisch, bn. Beeldend : plastische kunsten. Aanschouwelijk : plastische voorstelling.

plastron, o. (-s). Borstdasje. Borstdoek.

pla^v. (-s). Gerecht. Schotel.

plat, bn. bijw. Vlak, effen : het platte land. Een plat vlak, zonder bocht. Plat te bed liggen : zoo ziek zijn, dat men het bed niet verlaten kan. Gemeen, zouteloos, onedel : eene platte uitdrukking. — Plat, o. (-ten). Plat dak, gewoonlijk met zink of lood bedekt. Terras. (Krijgsw.i Hoog aardewerk, dat boven plat is. Vlak, platte zijde : het plat van den degen. — Platachtig, bn. —Pla tof, bijw. Ronduit.

— Platbek, ra. (-kenK Soort van rausch. — Platboomd,platbodemd, bn. (Zeew.) Plat van bodera. — Platdak, o. (-en). — Platdrukken, bw. diukte plat, heeft platgedrukt. — Platduitsch, o. — Plate-forme, o. (-s). Plat. Platdak. — Platgat, ra. (-ten). Schip met een platten achtersteven. Kleermaker. Knoeier. — Platgoed, o. (In den


ocr page 673

PLAT — 61

bandel) Allerhande platv-sschen.— Platheid, v. (..heden). Lafheid. Geraeene taal.

— Platje, o. (-s). Klein plat. Rond open plekje. K.wantje, guitje. Wandluis.— Plat-kevers, m. rav. Soort van insecten. — Plat klinken, bw. klonk plat, heeft platge-klonken. — Platkloppen, bw. klopte plat, faeeft platgeklopt. — Platkop, m. (-pen). (Scheepsb.) Soort van spijker. Zekere visch. Zeker insect. — Platleggen, bw. legde plat, heeft platgelegd. — Platlood, o. (Zeew.) Deklood voor het zinkgat van het kanon. Lood in bladen. — Platluis, v. (..zen). Luis, die in de behaarde doelen van het lichaam eene ondraaglijke jeukte veroorzaakt. — Platluizenzalf, v.— Plat-maken, bw. maakte plat, heeft platgemaakt. — Platviaking, v. (-en). — Plat-meting, v. (-en). Vlakmeting. — Platnetis% m. en v. (..zen). — Platrond, bn. — Plat-schaaf, v. (..aven).—Platschieten, bw. schoot plat, heeft platgeschoten. — Platslaan, bw. sloeg plat, heeft platgeslagen.

— Platteband, m. (-en). Bovenhand eener broek. (Bouwk.) Vierkante lijst, welke meer hoogte dan sprong heeft. — Platte-boon, v. (-en). Zekere peulvrucht : faba major, — Plat te-drie hoekstneling, v. — Plattegrond, m. (-en). Teekeningr van den grond eener stad of van een gebouw. — Platteland, o. Zie Land. — Plattelands-heelmeester, m. (-s). —PI a ttela n ds sch u t-tery, v. — Platten, bw. platte, heeft geplat. Pletten. — Platting, v. (-s). (Zeew.) Platte streng, van een oneften getal draden

gemaakt. —emaakt. — Plattrappen, bw. trapte plat, eeft platgetrapt. —Platt*it, byw. —Plat-visschen, m. mv. Familie van visschen {i leur one c ti da e], tot de weekvinnige on-aer de beenvinnige visschen behoorende. Schijnen overdwars dicht bij de rugge-streep platgedrukt. —Platvoet, ra. (-en). Brecde voet. — Platvoet, m. en v. (-en). Die platvoeten heeft. —Platvoet, m. Platvoetwacht. — Platvoeten, ow. platvoette, heeft geplatvoet. Lang staan te wachten op iem. (Zeew.) Tegen zijnen zin op en neder gaan. — Platvoetig, bn. — Platvoetwacht, v. Wacht aan boord van 4 tot 8 uren 's avonds. — Platweg, bijw. — Plativorm, m. (-en). De plat wormen vormen eene klasse onder de wormen. Hebben een langgestrekt, min of meer plat lichaam. — Platzaad, o. Collectieve benaming voor platte zaden (lijnzaad, enz.).

— Platzak, m. (-ken). Jager, die zonder wild huiswaarts keert. — Platzetter, ra. (-s). (Drukk.) Zetter, die altijd aan boekwerk bezig is.

plataau, ra. ( .anen). De vormen eene plantenfamilie. Slechts éen geslacht {platanus) behoort tot deze familie. Bij ons worden gekweekt de platanus occidentalis (afkomstig uit N.-Ame-rika^ en de platanus orientalis (afkomstig uit G riekenland).

plateau, o. (-'s). Bergvlakte. Hoogvlakte. Schaal.

Plateau [J. A. F.), 1801-1883, Brussel. Hoogleeraar in de natuurkunde (Gent). Bekend door zijne onderzoekingen omtrent vloeistofviiezen.

7 — PLEE

plateel, o., plateelsToed, o. Allerlei aardewerk, Hollandsch aardewerk, aardewerk van Delft. — Plateel, o. (-en). Voorwerp van plateel. — Plateelbakker, m. (-s). — Plateelbakkerij, v. (-en). — Plateeljabriek, v. (-en). — Plateellikker, m. ( s). Gulzigaard. —Plateelwerk, o.

Platen-ilallenuuud (A. graaf von), 1796-1835, Annsbach. Duitsch dichter. Der romantische CEdipus (1829) ; Lyrische gedichten; die Abassiden (1835); Oden.

platiua, o. Edel metaal, dat door Spaansche goudzoekers in Z.-Amerika gevonden werd (1748). Is lichtblauw van kleur, overtreft het goud in zwaarte en is op zich zelfonsmeltbaar. — Platinadraady-m. (..aden). — Platinaerts, o. — Plati-nahoudend, bn. —Platinalamp, v. (-en). Waterstoflamp. — Platinaspons, v. — Platinazwam, o. — Platineeren, bw. platineerde, heeft geplatineerd. Met een laagje platina overdekken.

pla tiu if, v. (-en). Plat houten bekleedsel van eenen wal.

Plato, 429-3.1; (vóór Chr.), Athene. Een der beroemdste wijsgeeren der Oudheid. De werken van Piato zijn alle in den dialogischen vorm gekleed. — Platonisch, bn. Platonische liefde : bovenzinnelijke liefde.

platter, ra. (-s). Blei.

platterd, ra. (-s). Doraoor. Ongeletterde.

plavei, v. (-en). Vloer-, straatsteen, vloertegel. —Plaveiblok, o. en ra. (-ken). — Plaveien, bw. plaveide, heeft geplaveid. Bevloeren. Bestraten. — Pla-veier, ra. (-s). — Plaveiin^, v. (-en). — Plaveisel, o. (-s). — Plaveisteen, ra. (-en).

plebs, o. Laagste volksklas. Grauw. — Plebejer, ra. (-s). Onadellijke (bij de Romeinen). Burgerman. —Plebejisch, bn. — Plebej'isme, o. Gemeen gedrag. — Plebisciet, o. (-s). Volksbesluit.

pleclit, v. (-en). Klein voor- of achterdek op een vaartuig. Klein afschutsel van planken voor of achter op een licht vaartuig.— Plecht, v. (-en). (Zeew.) Kusting (van een schip). — Plechtanker, o. (-s). Noodanker. Behoud. Uiterst middel. — Plechtankertouw, o. (-en).— Plechttouw, 0* l*611)'

pleelitlipgt; bn. bijw. Aanzienlijk, statig, deftig, feestelijk. Ik verklaar het u plechtig (heilig). Eene plechtige stilte. (Muz.) Ernstig en eenvoudig. — Plechtgewaad, o. (..aden). —Plechtigheid, v. (..bedenk. Statigheid. Feestelijkheid. — Plechtiglyk, bijw. — Plechtmatig, bn. Met plechtigheid. — Plechtstatig, bn. Hoogst plechtig. Zeer deftig. —Plechtstatigheid, v.

pleegvader, ra. (-s). Vader, die iem. als zijn kind heeft aangenomen. Verzorger. — Pleegbroeder, ra. (-s). — Pleegdochter, v. (-s). — Pleegheer, ra. (-en). — Pleegkind, o. (..eren). — Pleegouders, ra. mv. — Pleegmoeder, v. (-s). —Pleegzoon, m. (-s, ..onen). —Pleegzuster, v. (-s).

pleet, o. Koper, met een laagje goud of zilver overdekt. — Pleetwerk, o._—


ocr page 674

PLEK — f

Plee/zilver, o. Zeer dun verzilverd koper.

— Pleten, bn.

plegen, ow. placht. Gewoon zijn : hij placht veel ter kerke te t;aan.

plog-on, bw. pleegde, heeft gepleegd. Bedrijven, begaan : eene misdaad plegen. Met iem. raad plegen : met iem. te rade gaan. — Plegiug, v.

plci, v. (-en). Vooruitstekende landpunt fusschen twee armen eener rivier. Zeker foltertuig.

v. mv. Zevengesternte, ploidooi, o. (-en). Pleitrede. Verdediging.

plein, o. (-en). Vlakte. Opene plaats. pleiKtorcn, bw. pleisterde, heeft gepleisterd. Met pleisters beleggen. Met fijne kalk, gips, enz. bestrijken. — Pleister, v. (-s). Geneeskrachtig middel, dat op linnen, enz. gestreken, op eene wond of op de huid gelegd wordt. Verzachting, troost. — Pleister, o. Fijne kalk. Gips. — Pleiste-raar, m. (-s). — Pie isi crack tig, bn. — Pleisterbeeld, o. (-en). — Pleistergewelf, o. (..ven). — Pleistetgroeve, v. (-n). — Pleistering, v. (-en). — Pleisterkalk, v.

— Pleister kast, v. (-en). —Pleissterkuli, m. (-en). — Pleisterwerk, o. (-en). — Pleisterwerker%m. (-s). _

pIciHtereii, ow. pleisterde, heeft gepleisterd. Korte rust houden (op reis). — Pleistering, v. (-en). — Pleisterplaats, v. (-en).

pleit, v. (-en). Zeker plat vaartuig, pleiten, ow.'pleitte,heeft gepleit. Voor eene rechtbank eene zaak voeren, behandelen, bepleiten. Dat pleit voor hem : dat spreekt voor hem. — Pleit, o. Rechtsgeding. Twist : het pleit is beslist. — Pleitbezorger, m. (-s). Ministerieele officier, die de partijen bijstaat en vertegenwoordigt bij de burgerlijke rechtbank. — Pleitdag, m. (-en). — Pleitend, bn. — Pleiter, m. (-s). — Pleiterij, v. — Pleitgeding, o. (-en) .Gerechtszaak,waarover gepleit wordt.

— Pleithandel, m. Proces. Pleit. — Pleithof, o. (..ven). Gerechishof. — Pleitka-mer, v. (-s). Kamer der terechtzittingen.

— Pleitkunst, v. — Pleit' ede, v. (-nen).

— Pleit ster, v. (-s). — Pleitvogel, m. (-s). Die gedurig procedeert. Twistzoeker. — Pleitzaak, v. (..aken). — Pleitzaal, v. (..alen). — Pleitziek, ..zuchtig, bn. — Pleifziekte, ..zucht, v.

piel zier, plezier, o. (-en). Vermaak. Verzet. Verlustiging. Vreugde. Uitspanning. Met plezier : met genoegen, volgaarne. Iem. een pleizier doen, eenen dienst bewijzen. — Pleizier boot, v. (-en).

— Pleizier en, plcizierde,heeftgepleizierd. Ow. Pleizier maken. Bw. Pleizier doen. — Pleizierig, bn. Vermakelijk. Kluchtig. Prettig. — Pleiziermaker, m. (-s).— Plei-zierpaard, o. (-en). — Pleizierpartif, v. (-en). — Pleizierreis, v. (..zen). — Pleizier tocht, m. (-en). — Pleiz ier trein, m. (-en). —Pleiziervaart, v. (-en).

plek, v. (-ken). Plaats. Ruimte. Vlek. Blauwe plekken op den arm, roode plekken in 't aangezicht. In plek (van) ; in p'aats (van). — Plekje, o. (-s). Kleine plek. .Kleine hofstede. — Plekken, bw. plekte,

8 — PLIN

heeft geplekt. Met vlekken maken. Vlekken veroorzaken.

plemp, v. (-en). Soort van vischschuit. plein pen.bw.plempte, heeft geplempt. Slijk opwerpen tegen dijken, enz. Met zand opvullen.

pleiiKren, bw. plengde, heeft geplengd. Gieten, vergieten, storten, uitstorten. Wijn plengen (ten offer). Tranen plengen. — Pleng feest, o. en v. (-en). — Plenging, v. (-en). — Plengoffer, o. (-s). — Pleng' •wijn, m.

plenipotentistris, m. (-sen). Gevolmachtigd gezant of minister.

plennni, o. Volle vergadering. pleonsiKine, o. (-n). Overtollige uitdrukking. Woordovertolligheid (b. v. een dood lijk). — Pleonastisch, bn. Overtollig (in woorden).

plets, v. (-en). Slag. — Pletsen, ow. pletste, heeft gepletst. Plonzen. Plassen. Kletsen.

pletten, bw. plette, heeft geplet. Plat-maken.Verbrijzelen Vergruizen. (Boekdr.) Onder de pietpers b engen. — PletcyUnder, m. (-s). — Plethamer, m. (-s). — Plettnolen, m. (-s). — Plet pers, v. (-en).

— Pletrol, v. (-len). — Pletsteen, m. (-en).

— Pletter, m. (-s). — Pletter, m. Te pletter trappen. Te pletter slaan. Te pletter vallen. — Pletteren, bw. pletterde, heeft gepletterd. Platslaan. Stukslaan. — Plet-tery, v. (-en). — Pletwerk, o.

plenrz», v. Borstvlies ; vlies, dat de borstholte inwendig en de longen uitwendig bekleedt. — PleurtYtiJs, y. en o. (-sen). Ontsteking van het borstvlies. Kenmerken : pijn in de zijde, kortademigheid, koorts en hoest. — Pleuro-pneumonie, v. Ontsteking van het borstvlies en van de longen.

pllelit, m. en v. (-en). Een zedelijk moeten, dat boven de zinnelijke en beperkte natuur van den bijzonderen raensch verheven is : de plicht des onderdaans, der kinderen, enz. — Plichtelyk, bn. bijw. —

— Plichtenleer, v.—Plichtgebod, o. (-en). Hoogst gebod. — Plichtig, bn. (Alleen in samenstellingen): dienstplichtig,enz. Schuldig. Overtuigd van misdaad. — Plichtig-he id, v. Schuld. —Plichtmatig, bn. bijw. Volgensden plicht. Verbindend. — Plicht-pleger, m, (-s). — Plichtpleegster-, v. (-s).

— Plichtpleging, v. (-en). — Plichtsbesef, o. —Plichtsbetrachting, v. (-en). — Plichtschuldig, bn. Verplicht. — Plichtshalve, bijw. Uit plicht. — Plich tv a a rdig, bn. bijw. — Plich tv er ge ten, bn. bijw. — Plichtvergeter, ra. (-s). — Plich /vergeet-ster, v. (-s). — Plichtverzuim, o. — Plichtvry, bn.

Plinius Seenndii» (C.) de oude, 23-79, Corao. Geleerde en staatsman. His-tona nafuralis. Kwam om 't leven bij eene uitbarsting van de Vesuvius. — Pli-nius Ccecilius Secundus (C), 62-115, Como. Neef van den voorgaande. Geleerde en staatsman. Brieven; Lofrede (op Trajanus).

plint, v. en o*. (-en). Houten bekleeding aan den voet der wanden in gangen en kamers.


ocr page 675

PLOE — ö

plissecren, bw. plisseerde, heeft ge-plisseerd. Plooien. In plooien leggen.

plod, v. (-den), ploddo, v. (-n). Vod. m. Luiaard. Deugniet.

ploddcrcn, ow. plodderde, heeft ge-plodderd. Plassen : in 't water plodderen.

plocfir, m. (-en). Landbouwwerktuig om de aardoppervlakte om te keeren. De

quot;bed /? / /

Fig. i. — a. Regelaar, b. Kouter, c. PIoeg-balk. d. Stut. e. Ploegstaart, g. Stryk-bord. h. Ploegschaar.

Fig. 2 —a.. On dei aardsch afvoer-havaal. b. Wijze van ploegen.

ossen achter den ploeg spannen : eene zaak verkeerd aan v.atten. — Ploeg, v. (-en). Groeve, plooi : ploegen in het voorhoofd hebben. — Ploeg, v. (-en). Ploegschaaf. Messing (2® art.). — Ploegas, v. (-sen). — Ploegbaar, bn.— Ploegbalky m. (-en). — Ploegboovi, m. (-en). — Ploegen, ploegde, heeft geploegd. Bw. Het land met eenen ploeg omwerken. De zee ploegen, bevaren. Met de ploegschaaf messingen aan eene plank schaven. (Boekb.) De bladen afranden met het ploegmes. Ow. Met den ploeg aan het werk zijn. Zwaar, nutteloos werk doen. — Ploeger, m. (-s). — Ploeg-hak, v. (-ken). — Ploeg hout, o. (-en). — Ploegijzer, o. (-s). — Ploeging, v. (-en). — Ploegkouter, o. (-s). — Ploeg land, o. (-en). — Ploegloon, o. en m. (-en). — Ploeg machine, v. (-s). — Ploegmes, o. (-sen). (Boekb.)- — Ploegos, m. (-sen). — Ploegpaard, o. (-en). — Ploegrad, o. (-erenj. — Ploegschaaf, v. (..aven). Lange schaaf om planken te ploegen. — Ploegschaar, v. f..aren). — Ploegschyf, v. (..ven). (Boekb.). — Ploegstaart, m. (-en).

— Ploegsteel, m. (..elen). — Ploegster, v. (-s). — Ploeg stok, m. (-ken). — Ploeg stoker, m. (-sgt;. — Ploegstreek, v. (..eken). Diepte van de voor. — Ploegvoet, m. (-en).

— Ploegvoor, v. (..oren). — Ploegvor-mig,hn.

ploeg:, v. (-en). Aantal werklieden, die gezamenlijk een bepaald werk verrichten

)— PLOO

en afdoen. — Ploecbaas, m. (..azen). — Pleegsgewyze, bn. bijw. Bij ploegen.

ploert, m. (-en). Losbol. Guit. Grootspreker. Gemeene kerel. Huisbaas van eenen student. — Ploertachtig, bn. bijw. Als een ploert, gemeen, laag. Bekrompent alledaagsch. — Ploert a ch tigh eid, v. (..heden). — Ploertenstreek, v. (..eken). — Ploerterij, v. (-en). — Ploertig, bn. bijw.

— Poerttgheid, v. (..heden).

ploeteren, ow. ploeterde, heeft geploeterd. Slobberen, snateren (van watervogels). In het water plassen. Hardwerken. — Ploeteraar, m. (-s). —Ploeteraar' ster, v. (-s).

ploflen, ow. plofte, heeften isgrploft. Ow. Met eenen plof nedervalkn. Eenen plof geven. Bw. Met eenen plof m ersmij-ten. — Plof, tw. Plof! daar lag hij op den grond. — Plof, m. (-fen). Dof geluid. Slag, smak.

plok, m. (-ken). Handvol. Pluk. Plok-geld.— Plokgeld, o. ^plokpenning, m.(-en). Geld aan den meestoiedende bij etne at-mijning van huizen, enz. gegeven.

plombeereu, bw. plombeerde, heeft geplombeerd. Looden. Verlooden. Met lood opvullen. Met eene hard wordende zelfstandigheid vullen : tanden plombee-ren. — Plombeer der, m. (-s). — Plombes-ring,\. (-en). — Plombcersel, o. (-s). — Plombeerster, v. (-s).

plomp, m. (-en). De plompen vormen eene plantenfamilie [nymphaea). 't Zijn kruidachtige waterplanten met een kruipenden of knolligen wortelstok en lang gesteelde hart- of schildvormige, meestal drijvende bladeren. Twee soorten komen bij ons voor : de witte plomp («. alóa) en de gele plomp (»z. lutea). Beide zijn overblijvende planten en bloeien in Juni en Juli. — Plompeblad, o. (-eren).

plomp, tw. Klanknabootsing van het geluid, waarmede een zwaar voorwerp in het water valt. — Plomp, m. (-en). Geluid, dat een zwaar voorwerp bij zijnen val in het water maakt. — Plomp, bn. bijw. Grof, zwaar. Onhebbelijk. Onbeleefd, lomp. Stomp. Dom, ruw. Onhandig. — Plom-paard, plomperd, m. (-s). Lomperd. — Plompen, plompte, heeft en is geplompt. Ow. Met een dof geluid in 't water valley, springen. Bij 't visschen met eenen stok in 't water slaan. Bw. Met een dof geluid in 't water werpen. — Plompheid, v. (..heden). — Plompverloren, bijw. Onverwachts. Hol over bol. — Plompweg, bijw. Botweg.

plondereii. Plunderen.

pi on h, tw. Plomp. —Plons, m. (..zen).

— Plonsstok, m. (-ken). Pols. — Plonzen^ ow. bw. plonsde, heeft en is geplonsd. Plompen. Met half ontbloote beenen in 't water plassen.

plooi, v. (-en). Vouw : iets in de oude plooien vouwen. Wending : eene goede plooi aan iets geven. Zijn aangezicht in da plooien zetten : een ernstig voorkomen aannemen. — Plooibaar, bn. — Plooibaarheid, v. — Plooibotit, ra. (-en). — Plooien, bw. ow. plooide, heeft geplcoid. Vouwen. Plooien inleggen. Ow. Schik-


ocr page 676

PLUI — 6

ken. Bedekken. Goed doen voorkomen»

— Plooier, m. (-s). — Plooiing, v. (-en). — Plooiloos, bn. — Plooi muts, v. (-en). —Plooisel, o. (-s). — Plooister, v. (-s). — Plootvleugeligeii, m. mv. Groep van netvleugeligeinsecten.— Plooiwerk,o.%

ploten, bvv. plootte, heelt geploot. Schapevellen, enz. scheren. — Plootwol, v. — Plot er, m. ( s). — Ploiery, v. Het ploten, (-en) Plaats, waar men ploot.

plots, tw. Klanknabootsing : geluid, dat men bij het vallen van een lichaam plat op den prond hoort. — Plots, hijw. Onverwacht. Eensklaps. — Plots, m. Geluid, dat men bij het vallen van een lichaam plat op den grond hoort. — Plotselyk, bn. bijw. Onverwacht. Schielijk. — Plotseling, on. Onverwacht. Schielijk. — Plotseling, plotselings, bijw. Onverwacht. Eensklaps. — Plotsen, ow. plotste, heeft en is geplotst. Met eenen plots vallen.

pluclie, v. quot;Wolfluweel.— Pliic/ien,hn.

plug:, v. ( gen). Bom, stop (op ec-n va?). Mondstuk. Houten nageltje, waarmede de schoenmakers de hielen vastslaan. (Zeew.) Kleine prop, die in den kop der houten nagels gedreven wordt. — Plugijzer, ra. (-s). — Plugtrekker, m. (-s).

plug:, m. (-gen). Ploert.

pluim, v. (-en). Veder. Vederbos : een hoed met pluimen. Kwastje. Staart van eenen haas of een konijn. Zekere bloei-wijze van sommige planten. Sieraad in den vorm eener pluim. Hij zit er mee in de pluimen : hij is met de zaak verlegen. — PI u ün ach tig, bn. — Pluimage, v. (-s).— Pluimaluin, v. Zekere delfstof. — Pluimbal, m. (-len). —PluimbaIspel, o. (-len).

— Pluirnbereider, m. (-s). — Pluimbe-reidster, v. (-s). — Pluimbezem, m. (-s).

— Pluim borstel, m. (-s). — Pluimdrager, ra. (-s). Soort van kleine slak {valvata). — Pluimeloos, pluimloos, bn. bijw. — Plui-men, bw. pluimde, heeft gepluimd. Van pluimen of vederen berooven : eenen vogel pluimen. Een gepluimde hoed : een hoed met pluimen. Aftroggelen, ontnemen ; zij hebben hem deeilijk gepluimd. — Pltii-menbed, o. (-den). — Pluimesch, m. (. .sschen) .Soort van esch {fraxinus ornus). Groeit in 't Zuiden van Europa. — Plui?n-gedierte, o. — Pluimgraaf, m. (..aven). (Oudt.) Opzichter van het wild. — Pluimgras, o. boort van gras {agrostis spica-venti). Groeit veelal in 't koren. — Pluimmuts, v. (-en). _— Pluimpje, o. Kleine pluim. Vederbosje. Soort van kleinen anjelier. Lof, compliment: hij heeft daar een pluimpje gekregen. — Pluimriet, o. Soort van struisriet. Komt algemeen voor aan waterkanten en op belommerde grasgronden. — Pluimstaart, ra. (-en). — Pluimstrijken, bw. pluimstrijkte, heeft gepluimstrijkt. Vleien. Lafte complimenten maken.

— Pluimstrijker, m. (-s). — Pluim strijkster, v. (-s). — Pluimstrijkerij, v. (-en).

— Pluunvaren, v. Een der schoonste varens, welke in Nederland voorkomen. — Plunnivit, o. Uiterst fijne talk.

pluis, o. Vezeltje. Vlokje. Geplozen touwwerk. De ruwe, wollige zijde.—Pluis, v. (..zen). Wolfluweel. — Pluisachtig, bn.

o — PLUT

— Pluisel, o. — Pluisfluweel, o. Paan.

— Pluiskruid, o. Gemeen kruiskruid. — Pluismesje, o. (-s). — Pluisrok, m. (-ken).

— Pluisster, v. (-s). — Pluistouw, o. (-en). (Zeew.) Hernieuwd touw. — Pluü zent bw. ploos, heeft geplozen. Tot pluisjes, vezeltjes trekken. Uitrafelen. Van pluisjes, stofjes ontdoen. De vederen uittrekken : eenen vogel pluizen. Oppeuzelen : een hoentje pluizen. Langzaam voorteten. Nauwkeurig navorschen. Iemands beurs pluizen. — Pluizen, ow. pluisde, heeft gepluisd. Pluizen afgeven. Peuteren.

— Pluizer, m. (-s). — Pluizerig, bn. — Pluizery, v. Het pluizen, (-en) Plaats, waar geplozen wordt. — Pluizig, bn.

I»lul8t bn. Behoorlijk. Hij is niet pluis : hij is niet gemakkelijk, hij deugt niet veel. Het is daar niet pluis : er zit daar wat achter, er schuilt daar iets kwaads.

plukken, bw. Aftrekken (van oenen tak, enz.): peren plukken. Inzamelen : de vruchten plukken. Uit den grond trekken : vlas plukken. Tot vlokken trekken, uitpluizen : wol plukken. De veeren uittrekken : eene kip plukken. Verwerven : welke vruchten kan hij daarvan plukken ? Zij hebben hem daar leelijk geplukt, hem langzamerhand veel geld afgezet. — Pluk, m. Het plukken. Inzameling der boomvruchten. Pluksel. Goede som: die erfenis bracht hem een heelen pluk aan. Moeite, werk : hij heeft er eenen pluk aan. — Plukhaak, m. (..aken). — Plukharen, ow. plukhaarde, heeft geplukhaard. Handgemeen zijn. Vechten. — Plukker, m. (-s). — Plukkerf, m. (..ven). — Plukking, v, (-en). — Plukmand, v. (-en). — Plukpen-ning, m. (-an). Plokpenning. — Pluksel^ o. (-s). Linnen of katoen tot draden, vezeltjes uitgehaald (voorwonden). — Pinkster, v. (-s). — Pluktijd, m. — Plukvet^ o. Darm vet. — Plukvogel, m. (-s). Schuim-looper. Geldafhaler. — Plukvrucht, v. (-en). Rijpe vrucht. — Plukwol, v. (Leerl.J Afval van huiden.

plumcau, m. (-x). Piuimborstel. Stof borstel.

pluiiipuddini;» m. (-en). Pudding met pruimen of rozijnen.

plunderen, bw. plunderde, heeft ge plunderd. Alles weghalen. Buitmaken Rooven. Stelen. Eenen schrijver plunde ren. — Plunderaar, m. (-s). — Pluw deraar ster, v. (-s). — Plundering, v. (-en). — Plunder kamer, v. (-s). Voddenkamer. — Plundermarkt, v. (-en). Vod denmarkt. — Plunder ziek, bn. — Pluw derzolder, m. (-s). Zolder, waar oud goed. enz. bewaard wordt.

plunje, v. Kleeding, inz. van zeelieden. — P/unjekist, v. (-en).

plurzilis, m. en o*. Meervoud. — Pluraliteit, v. Meerderheid. Grootste getal.

plus, bijw. (Wisk.) Staand kruisje (-}-), dat eene optelling aanduidt. Zie Minus. — Plusmakerij, v. Geldsnoeierij. Te hooge opvoering van belastingen. Oneerlijke praktijken. — Plustee ken, o. (-s).

Plutarclius, 50-120, Chaeronea. Grieksch wijsgeer en geschiedschrijver. Le-


ocr page 677

POED — 6.

vens en vergelijkingen van beroemde Grieken en Romeinen.

Pluto. (Myth.) Oppergodheid der Hel.

— Plu tonisch, bn. In het binnenste der aarde ontstaan en daaruit opgerezen. — Plulonisl, m. (-en).

Plntos, ra. (Myth.) God des rijkdoras.

— Plutocratie, v. Geldheerschappij. — Plutocratisch, bn.

pluvier, v. (-en). De pluvieren vormen een geslacht van vogels [charadrius) en behooren tot de steltloopers. Leven in vlakke landen en aan de oevers der rivieren.

plnvloinetcr, m. (-s). Regenmeter, puounmtick, v. Leer der luchtbeweging. — Pneigt;7)intisch, bn. Pneumatische pomp : zie Luchtpomp. — Pneumatologie^ v. Leer der lucht en dei grassoorten.

pnoumonio, v. Longontsteking. — Pleuro-pneumonie, v. Zie Pleuris, pocliel, ra. (-s). Hooge rug. Bochel, poolicu, ow. pochte, heeft gepocht. Slaan. Zwetsen, roemen, grootspreken. — Pocher, m. (-s). — Pocherij, v. (-en). — Pochhans, ra. (..zen). Grootspreker. — Pochhamery, v. (-en). — Pochkaart,v. (.en). — Pochspel, o. Zeker kaartspel. — Pochster, v. (-s). — Pochzverk, o. (-en). (Mijnw.) Stampmolen.

poco, bijw. (Muz.) Weinig. — Poco a poco, bijw. (Muz.) Lanpzamerhand.

podsif^ra, o. Voetjicht. Zie Flerecijn.

— Podagreus, bn. Met de voetjicht behept. — Podagrist, m. (-en). Jichtlijder.

polt;llt;lo, v. Vuil. Onzindelijkheid. — Poddebnard, ra. (-en). Vlasbaard. — Pod-debladen'o. rav. Groot hoeiblad. — Pod-dehaar, o. Vlas ora de kin.

poddiuff, puddlngr, m. (-en). Stijve meelspijs met allerlei toevoegsels en prikkelende zelfstandigheden. — Poddingpoe-der, o. (-s). — Poddingsteen, ra. (-en). — Poddingvorm, m. (-en). — Poddingzak, ra. (-ken). Zak, waarin men eertijds pod-dingen liet gaar koken. (Zeew.) Wrijf-worst. „

Poe (E. A.), 1809-1849, Boston. Arae-rikaansch dichter. The Raven (zijn meesterstuk, 1845); The Bells ; Annabel Lee.

poedel, m. (-s). Poedelhond. Misschot (bij het schieten). Mis worp (bij het kegelen). Een leelijken poedel maken : een groven misslag begaan. — Poedelhond, m. (-en). — Poedelnaakt, bn.

poefier, poeier, o. (-s). Fijn gruis. Zeer fijne korreltjes. Iets, welks deeltjes zoo fijn zijn, dat zij lichtelijk wegstuiven. Buskruit. (Tuin.) Droge mest. — Poeder, ■poeier, v. (-s). Fijn gestampt geneesmiddel-

— Poederbus, v. (-sen). — Poederdoos, v. (..zen). — Poederen {poeieren), bw. poederde, heeft gepoederd. Met poeder bestrooien. — Poederhemd, o. (-en). Poederkleed. — Poeierig, bn. — Poederka-mer, v. (-s). Kamer, waarin men zich poederen laat. — Poederkleed, o. (-en). Kleed, dat men bij het haar-poederen omslaat. — Poederkwast, m. (-en). — Poedermaker, m. (-s). — Poedermaakster, v. (-s). — Poe der 7}i a n iel, ra. (-s). Poeder-kleed. — Poedersuiker, v. Geraspte of

i — POET

fijngestampte suiker. — Poederverkooper, ra. (-s). — Poederverkoopster, v. (-s). — Poedervormig, bn. — Poederzak, m, (-ken).

poëet, ra. ( en). Dichter. — Poëma, o. (•ta). Dichtstuk. — Poëtaster, m. (-s). Pruldichter. Rijmelaar. — Poëtastenj, v. Rijmelarij. — Poëtery, v. Het dichten. — Poëtisch, bn. bijw. Dichterlijk. — Poëtiseer en, bw. poëtiseerde, heeft gepoëtiseerd. In dichtmaat brengen. Dichterlijk behandelen. — Poëzie, poëzy, v. Dichtkunst. Dichterlijk gevoel. De lyrische poëzie : zie Lierdicht. De epische poëzie bevat het heldendicht, den roman, het herdersdicht, de apoloog, de vertelling, de legende, de romance, de ballade, enz. De dramatische poëzie bevat het treurspel, het blijspel, het melodrama, de opera, de vaudeville. Tot de didactische poëzie behoort het leerdicht, het hekeldicht, het puntdicht, het kniedicht, enz.

poet*. Zie Pof.

pöeieriiig:, v. (-en). Pak slagen.

poel, ra. (-en). Moeras. Stilstaand water. Diepte. Vijver. Afgrond : een poel van rampen. — Poelgras, o. Rietgras. — Poelmees, v. (..zen). Soort van mees (/a-rtis palustris). — Poelreiger, m. (-s). Soort van reiger {ardea palustris). — Poelruit, o. Waterruit. — Poelslak, v. (-ken). — Poelsnip, v. (-pen). Zie Snip. — Poelvisch, m. (..sschen). — Poelvgel, m. (-s). — Poel-water, o.

Poel {E. van der), 1621-1664, Delft. Schilder. Branden; Boerenhuis; Boeren-binnenhuis.

poelepetaat, ra. (..aten), poelepe-taue, m. (-n). Parelhoen.

poelier, ra. (-s). Koopman in gevogelte. Koopman in wild. — Poeleniers-winkel, ra. (-s). — Poelje, v. (-s, -n). Jonge hen.

poeu, ra. (-en). Geld : om den poen is het al te doen. Ploert. — Poenig, bn. Als een poen. Onbeschaafd, onhandig.

poep, m. ( en). Wind, veest. Scheldnaam voor eenen man van plompe onbeschaafdheid. — Poepen, ow. poepte, heeft gepoept.

poeren, ow. poerde, heeft gepoerd. Peuren. — Poer lood, o. (-en). Poerwakarta. Zie Java, Poerwaredja. Zie Java.

poes, v. (-en). Naam voor eene kat. Roepnaam voor eene kat. Pelswerk, dat vrouwen bij koud weder om den hals dragen. — Poeslief, bn. bijw. Zoo lief als do poes. Overdreven lief.

poes, o. Uitslag van de kalk. poesliaver, v. Soort van haver (vooral in Groningen).

poespas, ra. Dooreengekookte spijs. Rommelzoo.

poesien, ow. poestte, heeft gepoest. Blazen. — Poester, m. (-s). Blazer. Blaas-

balamp;* .. Tr

poets, v. (-en).Trek. Snakerij. Klucht; iem. eene poets spelen, bakken. — Potsenmaker, ra. (-s). — Poetsen makerij, r. l-en). — Poetsig, bn. bijw. Grappig. Kod--dig.


ocr page 678

POK — 6J

poel», V. Zwart (van de kaars). Spinrag, stof (in eenen hoek).

poctseu, b\v. poetste, heeft gepoetst. Zuiver en glanzeud maken. De plaat poetsen : vluchten. — Poetsborstel, m. (-s). — Poetser, m. (-s). — Poetsgoed, o. Benoo-digheden tot poetsen. — Poetskatoen, o.

— Poetslappen, ra. mv. — Poetspoeder, o.

— Poetszak, m. {-ken),

poezel, poezelig, bn. Mollig. Zacht-vleezig. — Poezelighetd, y.

pof, tw. Klanknabootsing van iets dat valt of dat men slaat. — Pof, ra. (-fen). Dofte knal. Slag. Klap. Stoot. — Pof, bn. Opgezet. Bol. Gezwollen. — Pof, v. (-fen). Bol staande plooi. Brok veengrond, die als turf gebruikt wordt. — Pof, m. Goed geluk : op den pof overkomen (van soldaten). Krediet: op den pof koopen. — Poffen, pofte, heeft gepoft. Ow. Met een doffen slag op den grond neerkomen. Blazen. Rooken. Met eenen poffer schieten. Op krediet verkoopen. Bw. Met een doffen slag op den grond doen neerkomen. In de heete asch, enz. braden : kastanjes poffen. Duwen. Met gebalde vuisten stompen uitdeden. (Naaist.) Zoo naaien, dat het bol staat. Op krediet koopen. — Pofkleed, o. (-en). — Pofmouw, v. (-en).

polier, ra. (-s). Zakpistool. Pocher.

polTerd, ra. (-s). Pocher. — Pof hans, ■ei. (..zen).

poirerlje, o. (-s). Klein luchtigkerrais-gebak. — Poffertjeshuis, o. (..zen). — Pofferskraant,v. en o. (..anen). —Poffertjespan, v. (-nen).

pogeu, bw. poogde, heeft gepoogd. Trachten. Middelen in 't werk stellen om iets te doen, te verkrijgen, enz. — Poging, v.(-en).

Poirtern {A.), 1605-1674, Gosterwijk. Jezuïet. = Katholieke Cats. Dichter en prozaschrijver. Ydelheitdes uuerelts (1Ó45); het Masker van de wereldt afgetrocken (1646) ; het Duyfken in de steenrots (1660); het heylig Hof van keyzer Theo-dosius.

pok, v. (-ken). Etterpuist. Zweer. De fokken (kinderpokken, echte pokken) ; Koortsachtige en aanzettende ziekte. Kenmerken : zwaarmoedigheid, stijfheid, hevige pijn in den rug en de lenden, misselijkheid en braken. Puistjes verschijnen op verschillende lichaamsdeelen en laten lit-teekens na. De ge-vijzi^d' pokken [vario-hden) worden aangetroften bij ingeënte personen en laten doorgaans geene liltee-kens na. De -waterpokken (valsche pokken, windpokken) : aanzettende ziekte, heel en gansch verschillend van de kinderpokken, levert geen doodsgevaar op. De koepokken worden veroorzaakt door het inenten van koepokgifop menschen.Schurft der schapen. — Pokachtig, bn._ — Pok-daal, v. (..alen). Litteeken der kinderpokken. — Pokdalig, bn. — Pokgif (t), o. — Pokhout, o. — Pokhoutboom, ra. (-en). Altijd groene boom (Gtiajacum officinale). Komt voor op S1 Domingo en Jamaica. 't Hout is zeer bard en zwaar. De l)ast en de hars worden tot bestrijding van

erschillende soorten tan uitslag gebezigd.

ï — POLI

— Pokhouthars, v. en o*. — Pokinenting, v. (-en). —Pokken, ow. pokte, heeft gepokt. De pokken hebben. — Pokkig, bn.

— Pokkoorts, v. (-en). — Pokpuist, v. (-en). — Pokput, m. (-ten). — Pokstof, v.

— Pokziekte, v. (-n).

poken, ow. pookte, heeft gepookt. Met eenen pook in het vuur roeren. — Pokeren, ow. pokerde, heeft gepokerd. Poken, pokkei. Peukel.

pol,m.(-len).Stronk,struik: een pol gras, pol, m. ( len). Handje: geefraij eenen pol, lief kindje.

Polsamp;k, ra. (-ken). Pool (ie art.), polstkker, ra. (-s). Vrachtvaartuig (op de Middell. Zee). — Polakker mast, ra. (-en). Mast uit drie afzonderlijke raasten samengesteld.

polsirisnlie, v. Het mededeelen of aannemen der polariteit. Wijziging, die de lichtstralen ond-.-rgaan, waardoor zij, na eenmaal teruggekaatst of gebroken te zijn, ongeschikt worden om andermaal teruggekaatst of gebroken te worden.

polMrileit, v. Neiging van vrij zwevende magneten naar de magnetische polen der aarde.

polder, ra. (-s). Staak met een strooien dak van boven, op de wijze van een open regenscherm, waaronder de hoenders rusten op stokken.

polder, ra. (-s). Aangespoeld en ora-dijkt land. In de polders (kleiachtige en zeer lage gronden) van België en Nederland, die vooral de kustgewesten beslaan, treft raen welige weiden, vruchtbare bouwlanden en kweekerijen van .allerlei aard aan. — Polderbestuur, o. (..uren). — Polderdijk, ra. (-en). — Poldereiland, o. (-en). — Poldergast, m. (-en). — Polder-jongen, ra. (-s). — Polderkoorts, v. (-en). Kwade en dikwijls doodelijke koorts (in de polders). — Poldermeester, ra. (-s). — Polder7Kolen, ra. (-s). — Polderregle-nient, o. (-en). — Poldersluis, v. (..zen).

— Polderstoel, ra. (-en). Polderbestuur. — Polder tarwe. v. — Polder werk, o. — Polderwerker, ra. (-s).

polei, piel, v. (Oudt.) Folterwerktuig (tot uiteenrekking der beschuldigden).

polei, v. Plantengeslacht. Behoort tot rauntachtige lipbloemigen.

polemiek, v. Pennestrijd. Pennetwi t.

— Polemisch, bn. Twistend : polemische schriften. — Polemiseer en, ow. polemiseerde, heeft gepolemiseerd. Pennestrijd voeren. —Polemist, ra. (-en).

polemiet, o. Soort van gladde effene stof.

Polen. Weleer zelfstandig rijk. Werd verdeeld tusschen Frederik van Pruisen, Catharina van Rusland en Maria Theresia van Oostenrijk (1772). Thans benaming eener Russische provincie.

polieliinel, ra. (-s). Hansworst. Jan-Klaassen.

poliep, v. (-en). Straaldier (zie Bijgevoegde Tabellen). (Geneesk.) Ziekelijke woekering, meestal van peervormige gestalte, die met zeer dun einde op het slijmvlies van eene lichaamsholte (inz. van den neus) zit.


ocr page 679

POLS — «

pollet, bn. Beleefd. Wellevend.

poluAtoii (folteren), bw. polijstte, heeft gepolijst. Glanzen. Glad en glanzig maken. Beschaven, verfijnen, veredelen.

— Polijster, m. (-s). — Po lysth a in e r, m. (■s). — Polijst hout, o. (-en). — Polystyzer, o. (-s). — Polysiing, v. (-en). — Polyst-kolf, v. (..ven). — Polystmolen, m. (-s).

— Polystpapier, o. — Polystschyf, v. (..ven). — Polysfsel, o. — Polyststaal, o. (.;alen).— Polijststeen, m. (-en). — Po-lystster, v. (-s). — Polysttand, m. (-en).

— Polystvyl, v. (-en). — Po lijstwerk, o.

v. (-sen). Verzekeringscontract, ie, v.Staatsorde. Stadsorde. Volkstucht. Toezicht op de openbare orde.

— Politieagent, m. (-en). — Politiebeambte, ra. (-n). — Politiebureau, o. (-x). — Politie-commissaris, m. (-sen).

— Politiedienaar, m. (..aren). — Po' lit ie dienst, ra. (-en). — Politie-inspec-teur,m. (-s). — Politiekamer, v. (-s).— Politiemaatregel, m. (-en). — Politiemacht, v. — Politic muts, v. (-en). — Po-litieovertreding-, v. (-en). — Politiepost, ra. (-en). — Poiitiereglement, o. (-en). — PoliticstraJ, v. (-fen). — P.ilHieverordening, v. (-en). — Political.'acht, v. (-en).

— Politieivet, v. (-ten). —Politiewezen^ o. —Politiezaak, v. (..aken). — Politiezaal, v. (..alen).

politiek, o. Burgerkleeding : de soldalen waren in politiek.

politiële, v. Staatkunde, staatswetenschap. Sluwheid. — Politiek, bn. Staatkundig. Siuw. Schrander. — Politisch, bn'. bijw. Politiek. — Politiseer en, ow. politiseerde, heeft gepolitiseerd. Over staatszaken of staatsaangelegenheden spreken. Met slinkscbe streken, raet draaierijen omgaan.

pol i lt; o e r, v.Gladheid ,glans. Beschaafdheid. — Politoer, politoersel, o. Vloeistof om te polijsten. — Politoeren, bw. politoerde, heeft gepolitoerd. Met politoer polijsten. Glad en glanzig maken.

polk, m. (-en). Kuil : de kippen maken polken in het zand, de polk van eenen haas. Hol in eenen hooiopper, enz., waarin mengeld, fruit enz. verbergt en bewaart. Een polk aardappels, zooveel als men in zijne twee handen dragen kan. — Polken, polkte, heeft gepolkt. Uw. Graven (met de hand) in de aarde, enz. Bw. Al polkende uithalen : aardappels polken.

]»olK:t, v. (-'s). Bekende dans van vlugge, springende beweging, een Bo-heemsche nationaaldans.

poll, m. Kiezing. Stemming.

pollstk, ra. (-ken). Zekere yisch uit de Noordzee [merlanguspnllachtus). pollen, v. rav. (Plantenk.) Stuifmeel, pollepel, ra. (-s). Groote houten keukenlepel.

pöllevu, v. (-en). Hiel, achterlap van eenen schoen.

polonuiHe, v. (-n). Bekende dans van een deftige beweging, een Poolsche nationaaldans. Deel eener daraeskleeding.

pols, ra. (en). Klopping, welke men gevoelt, wanneer men bij levende dieren de hand op eene groote slagader

— POMP

legt. Polsader. Streek van den handwortel. lem. den pols voelen, om uit den polsslag op te maken of hij koortsig is of niet; iem. uithooren. — Polsader, v. (-en, -s). Groote slagader. — Polsadergezwel, o. (•len). — Polsen, bw. polste, heelt gepolst. Den pols voelen. Uithooren. — Polsgolf, v. (..ven).— Polskamer, ra. (-s). Waterhamer. — Polsing, v. (-en). — Polsklopping, v. (-en). — Polsmeter, ra. (-s). — Polsmofje, o. (-s). — Polspleister, v. (-s).

— Polsslag, ra. ( en). — Polsstilstand, ra. (-en). —Polstrilling, v. (-en). — Polsvoe' len, o. — Polswaar zeggerij, v. (-en).

pols,ra. (-en). Springstok.Stok,gebruikt om visschen uit het riet,enz. te jagen. Spring niet verder dan uw pols lang is : onderneem niets boven uw vermogen. — Polsen, ow. polste,heeft gepolst. Met eenen springstok over eene gracht springen. In 't water roeren om den visch op te jagen. — Pols-stok, ra. (-ken). — Polszak, ra. (-ken).

polsen, v. rav. Lischdodden.

polterjïee.st, ra. (-en). Booze geest, die raet veel gedruisch in een huis rondspookt. Iem., die bij zijn werk veel geraas maakt.

poltron, m. (-s). Bloodaard. Lafaard.

polyamlrie, v. Veelmannerij. — Polychromie, v. Het schilderen van bouwen beeldhouwwerken raet bonte kleuren.

— Polyeder, o. (-s). Veelvlak. — Polye-drisch, bn. — Polygamie, v. Veelwijverij.

— Polygonaal, bn. — Polyqonanlgetal-len, o. mv. Veelhoekige getallen. — Po-fygoon, ra. (..onen). (Vest.) Veelhoek. Stetreschans. — Polygraaf, m. (..afen). Veelschrijver. — Polynesië, o. Zie Australië. — Polytechniek, v. Leer der gezamenlijke kunsten, inz. der nijverheid en der mechanische kunsten. — Polytechnisch, bn. Polytechnische school : algemeene kunstschool. — Polytheïsme, o. Veelgoderij : vorm van godsdienst, waarbij men zich onderscheidene, onderling onafhankelijke wezens voorstelt, welke men als goden wil doen doorgaan. — Polytheïst, m. (-en). Aanhanger van het polytheïsme,

pomerans, y. (-en). Knopje. Stoot-einde van den biljartstok. — Pomeransen, bw. pomeranste, heeft geporaeranst. (Bilj.) Den bal met éenen stoot maken, zonder de banden te raken.

pomerans, v. (-en). Soort van oranjeappel. — Pomeransbitter, o. — Pomeranselixir, o. (-s).

pommade, v. (-s). Zalf, inz. voor het haar. — Pommadeeren, bw. pomma-deerde, heeft geporaraadeerd. Met pommade insmeren.

pomp, v. (-en). Werktuig, dienende om het water door opzuiging ol door drukking of door beide werkingen vereenigd omhoog te voeren. De zuig pomp (fig. i) bestaat uit eene pompbuis a en eenen zuiger b, waaraan een stang is vastgemaakt om hem eene op- en neergaande beweging te kunnen geven. Dit in beweging brengen geschiedt door den arm of slinger r. De zuiger heeft een doorgaande opening, die door de scharnierklep d afgesloten wordt, welke klei) van beneden


ocr page 680

^ /!ƒ./ fif Z-

Pomp.

water gedompeld is, dat moet opgevoerd worden. Do zuiger is massief. De zuig- en perspomp (fig. 3) doet het water te gelijk door zuiging en persing oprijzen. Hij weet van pomp noch pompstok : hij weet niets, hij. is zeer dom. Loop naar dc pomp : loop heen en doe uw werk. — Povtpbak, m. (-kenï. — Pomp boor, v. (..oren). — Pomp~ bouf, vc\. (-en). — Pompbuis, v. {..zen). — Pompbiis, v. (-sen). — Pompcylinder, m. m. (-s^.— Pomp daal, v. (..alen). (Zeew.) Kleine bu:s op het dek, die het water ontvangt. — Pompebladen, o. mv. Witte plompen. — Pomöebloem, v. (-en). Dot-trrbioem. — Pomp emmer, m. (-s). — Pompen, pompte, heeft gepompt. Bw. De pomp doen werken. Door pompen verwijderen ; water uit een schip pompen, lucht uit de klok pompen. Geld pompen : van alle klanten geld zoeken te leenen. Ow. Aan de pomp staan. Arbeiden, wtrken. — Pompenmaker, m. (-s). — Pomper, m. (-s). — Pomp Rat, o. (-en). — Pompgeh, m. (-ken). Arm der pomp. — Pomphaak, m. (..aken).

— Pomphart, o. (-en). Benedenklep in de pompbuis, onder den zuiger. — Pompha-mer,va. ( s). — Pompier, m. (-s). Brand-blusscher. Brandspuitgast. — Pmpier-korps, o. (-en). Brandwacht. Brandweer.

— Pompier, m. (-s). Kleermakersknecht, die verstelwerk (pompjes geheeten) verricht. — Pompijzer, o. (-s). — Pomping, v. _ Pompkast, v. (-en). — Pomp ketel,

(.S), — Pomp kleed, o. (-en). Bekleeding der pomp. — Pompklep, v. (-pen). — ■PamPknie, v. ( ën). (Zeew.) Pompmik. —

POMP — 6

l — PONT

Pomp koker, m. (-s). — Pompkraan^ v-(..anen). — Pompkrabber, m. ( s). — Pomp lamp, v. (-en). Soort van olielamp»

— Pompput, m. (-ten). — Pomp schoen, ra. (-en). Onderste deel der pompbuis bovea het pomphart. — Pompschrnper, m. (-s)»

— Pompslag, m. (-en). — Pomps lingerr m. (-s). —Pomp stang. v. (-en). —Pomp-steel, m. (..elen). — Pompster, v. (-s). — Pompstok, m. (-ken). — Pompwater, o.

— Pompwerk, o. (-en). Kunstwerk om water naar de hoogte te voeren. — Pomp-zode, v. (-n). (Zeew.) Houten schotwrrk, waardoor de pompen beveiligd zijn tegen-het stooten van ingestuwde voorwerpen.

— Pompzuiger, m. (-s).

]gt;oiii|», m. (-en).Pompoen.

poj 11 h 106-48 (vó^r Chr.)

de Groote. Romeinsch consu'. Oorloogde tegen Caesar, werd verslagen te Pharsalus. (48) en verm* ord in Egypte.

lgt;oiii|»c'liiioeN, v. (..zen). Soort van Oostindiscbechinaasappel.

l»orUgt; v. Pracht. IJdele praal. IJdelheid.

l»om|»ernikbel, m. (-s). Zwaar grof brood (in Westphalen).

pompoen, ra. (-en). Kalebas (de plant en de vrucht). — Pompoenvormig, bn. poiu|gt;on, ra. (-s). Vederbos. Hoedbos. pomposo, bijw. (Muz.) Prachtig. Schitterend.

ponciueel, bn. bijw. Stipt. Nauwkeurig.

poml, o. (-en). Eenheid van gewicht in Nederland 3= 1 kilogr. Een oud-Ara-sterdamsch pond = 0,494 kilogr. Een, Vlaamsch pond of een pond groot = 6 gulden. Een Parijsch pond = 0,50 gulden. Een pond sterling = 12 gulden (25 fr.)^ Loon van eene dienstmeid = 6 gulden. Schat: zijne ponden in de aarde begraven.

— Potidemaat, v. Oud-Friesche vlaktemaat = 36,7 are. — Pondgaarder, ra. (-s).. Korenmakelaar. — Pondgaren, o. (-s)» Zeer grof garen. — Pondgeld, o (-en). Scheepsbelasting, naar het aantal ponden berekend. — Pondhuis, o. (..zen), pondkamer, v. (-s). Plaats, waar het pondgeld. betaald wordt. — Pondpapier, o. Papier, dat bij het pond verkocht wordt. — Pondsgewijs, ..ze, bijw. Bij het pond. — Ponds-

ondsgewijs, ..ze, bijw. Naar evenredig-eid. — Pondspeer, v. (..eren). Zware, groote peer.

ponder, m. (-s). Unster.

ponjanrd, m. (-en). Dolk. Korte degen. — Ponjaardeeren, bw. ponjaar-deerde, heeft geponjaardeerd. Doorsteken (met eenen ponjaard).

ponk, m. (-en), ponkc, v. (-n). Spaarpot. Geld, fruit, enz., dat men spaart en verbergt.

pons, v. Punch.

pons, ra. (-en). Drevel. Doorslag. — Ponsen, bw. ponste, heeft gepocst. Drevelen. Doorslaan.

pont, v. (-en). Vlotbrug. Veerschuit. — Pontbrug, v. (-gen). — Pontegat, v. Gat, waarin de pont ligt. — Ponteveer, o. (-en). —Pontgast, ra. (-en). — Pontgeld, o. (-en). — Pontklep, v. (-jen). —- Pottin


ocr page 681
ocr page 682
ocr page 683

poor — £

man, m. (. lui). — Pontree/), ni. (-en). Koord, waarlanps ct*ne pout getrokken wordt. — Putitschipper, m. (-s). — Pontvoerder, m. (-si. — Pont zeil, o. (-en).

poiilekovk, v. Broodkoek, die bij het gewicht verkocht wordt.

Pontistusilc. Zie Borneo, puntieello, v. (-'s). Kam op snareninstrumenten.

pontifex, ra. Opperpriester. Paus. — Pontifiiaal, bn. Pauselijk. Pontificaal gewaad : plechtgewaad. — Pontijicaal, o. Staatsiegewaad van don Paus. Staatsiekleed. Boek, dat de gebeden en ceremoniën bevat door den bisschop te doen bij kerkwijdingen, enz.

lionton, v. (-s). Groote, zware pont (tot het slaan van pontonbruggen). — Pontonbrug, v. (-gengt;. — Pontonnier, ra. (-s). Brugdraaier, brugwachter. Schipbruglegger. Veerman. — P,gt;ntogt;itrein, m. (-en).

— Pontonvlot, o. (-ten). — Pontonvormig, bn. —Pontonwagen, ra. (-s).

m. (-'s). Soort van klein paard, pooien, bw. pooide heeft gepooid. Drinken. Zuipen. — Pooier, ra. ( s). — Pooister, v. (-s).

pook, m. en v. (poken). Ponjaard. Puntig ijzer ora vuur te roeren. Groote naai-naald. lem., die te klein is voor zijne jaren.

Pool, rn. (Polen). Inboorling van Polen. — Poolsch, bn. — Poolsch, o. De Poolsche taal.

pool, v. (polen). Aspunt. Ieder der beide punten van de as, waarom de aarde in 24 uren schijnt te draaie n Punt, waar de zeilsteen het sterkst aantrekt. Iedere magneet, de kurstmatige zoowel als de natuurlijke, heeft ten mii.sfe twee polen en mag er slechts twee htbben cm regulier te zijn. — Poolbeer, ra. (..eren). Ijsbeer. — Pool cirkel,va. (-s). Cirkel, welken raen zich op den aardbol voorstelt getrokken te zijn op eenen afstand van 23 1/2 graad van iedere pool. — Poold* aad, ra. (..aden). Metalen draad bij eene galvanische kolom.

— Poolexpeditie, v. (..iën, -s). — Poolgewest, o. (-en). —Poolijs, o. —Poolkat,\. (-ten). Soort van kat in dc Poolstreken. — Poolkt int?, ra. (-en). — Poollanden, o. rav. — Poollander, m. (-s). — Poollicht, o. Noorderlicht. — Poolmeter, ra. (-s). — Poolpunt, o. —Poolsafstand, ra. (-en). — Poolse hip, o. (..epen). — Poolshoogte, v. Boog tusschen het poolpunt en het loodrecht daar beneden liggende punt van den gezichteinder. Het ware Noorden op het noordelijk halfrond en omgekeerd. — Poolstar, „ster, v. (-ren). Noordstar. Gids. Toeverlaat. — Poolstreek, v. (..eken).—

— Poolstroovi, ra. (-en). Luchtstroom, vloeiende van de polen naar den evenaar.

— Poolvos, m. (-sen). Zie Hond. — Pool-zee, v. (-ën). IJszee.

poon, v. (-en). Platbodemd vaartuigje (op de Nederlandsche kanalen). — Poonschuit, v. (-en).

poOn, ra. (-en). Knorhaan.

poort, v. (-en). Doorgang, ingang : de poort van een kasteel. Groote deur : koetspoort. Stadspoort. (Middel.) Eene door wallen en muren omgeven en door poorten

5 - pop

afgeslotene plaats. Nauwe toegang tot een hofje. Verzameling van kleine arbeiderswoningen, doorgaans in slechten toestand. Opening, waarin de mond van het gescf.ut ligt. Toegang. De poorten des hemels, de poorten der hel. — Poortader, v. (-en, -s). Ader, die het aderlijk bloed uit net spijsverteringskanaal naar de legt;/er voert. — Poortbeslag-, o. (Zeew.). — Poort' drempel, m. (-s). (Zeew.). — Poorter, ra. (-s). (Middel.) Burglt;-r. Stedeling. — Poor-teren, bw. (Middel.) poorterde, heeft ge-poorterd. Het burgerrecht verleenen. — Poort ei-ij, v. (-cn). (Middel.) Burgerij. — Poort er meester, .... (-s). (Middel.) Burgemeester. — Poorterrecht, o. ( en). — Poorterschap, o. — Poortgat, o. (-en). (Zeew.). — Poorthaak, ra. (..aken)» (Zeew.). — Poortier, ra. (-s). Portier. — Poortkamer, v. (-s). — Poort klamp, ra. (-en). (Zeew.). — Poortklep, v. (-pen). (Zeew.).— Poortklok, v. (-en). — Poort-krans, ra. (-en). (Zeew.). — Poortlakenr o. Duffel, enz. (tot kalefaten). — Poortlegger, ra. (-s). (Zeew.). — Poortluik, o. (-en). (Zeew.). — Poortring-, ra. (-en). (Zeew.).— Poortschinkel, ra. (-s). (Zeew.). —Poortschrijvcr,ra. (-s). Stadspoortwach-ter. — Poortsluiten, o. — Poorttalie, v. (..iën). (Zeew.). — Poorttouw, o. (-en). (Zeew.). — Poortvleugel, ra. (-s). — Poort-zv ach ter, ra. (-s).

poos, v. (poozen). Tusschentijd. Rusttijd. Wijl. Bij poozen : van tijd tot tijd.

poot, ra. (-en). Been, voet (van een dier, tafel, passer, enz.). (Minachtend) Hand of voet van eenen mensch. Iets op zijne pooten zetten, in behoorlijke orde brengen. Op zijnen poot spelen. Hij schrijft een leelijken poot : hij schrijft slecht. — Pootband, m. (-en). — Pootelen, ow. poo-teldc, heeft gepooteld. Met de handen (pooter) betasten en vuilmaken. —Pootig, bn. Van pooten voorzien. Wel gespierd èn sterk. Handig. — Pootje, o. (-s). Kleine voet oi hand. Jicht, voeteuvel. Opzitten en pootjes geven : zeer gedwee zijn. — Poot-zeer, o. Zekere schapenziekte.

poot, v. (poten). (Plantenk.) Stekje. Loot. ]ong boompje. — Pootaardappel,xt\* (-s). Plantaardappel. — Pootgoed, o. Goed,, dat raen poot. — Poothout, o. (-en). — Pootyzer, o. (-s).—Pootvisch,m. (..sschen) (voorwerpsn.); v. (verzamel w.). Vischbroed-sel. — Pootvijver, m. (-s). — Poot zalm, ra. (-en).

Poot IH. Csz.), 1689-1733, Abtswoude. Dichter van het Stille landleven. Mengeldichten (1716); Gedichten.

poorer. Dn. bijw. Armoedig. Armtie-t ig. Schraal. Gebrekkig. — Pooverheid, v. — Pcovertjes, bijw.

poovertje, o. (-s). Roodborstje, poozen, ow. poosde, heeft gepoosd. Verwijlen. Verblijven. Zich ophouden.

pop, v. (-pen). Klein opgeschikt en aangekleed beeldje, waarmede de kir deren spelen. Figuur in het marionettenspel. Wijfje der vogelen. Ingewikkelde vlinder of rups. Rupsennest. Propje aan het uiteinde van eenen schermdegen. Licnen doekie met kruiden, dat men in eenig vocht


ocr page 684

POR — 6

te weeken legt. Inwendige ziekte van de graankorrel, inz. van de tarwe. Karakterloos raensch. De poppen zijn aan 't dansen : de twist is uitgebarsten. — Popachtig, bn. — Poppegezicht, o. (-en). — Foppe-goed, o. — Poppejonker, m. (-s). Ingebeelde zot. Pronker. — Poppejurk, v. (-en). —Poppen, ow. popte, neeft gepopt. Met eene pop spelen. Poppen maken. — Poppengck, ra. (-ken). — Poppengtzicht, o. (-en). — Poppenhenid, o. (-en). — Pop-penhoed, m. (-en). —Poppenkast, v. (-en). Pcppekleeren, o. mv. — Poppekop, ni. (-pen). — Poppenkraam, v. en o. (..amen).

— Poppenkramer, m. (-s). — Poppenkfa-mery, v. (-en). — Poppenleggers, ra. mv. Soort van insecten. — Poppenmaker, ra. (-s). — Poppenschool, v. (..olen). Klein-kinderschool. — Poppenspel, o. — Poppenspeler, ra. (-s). — Poppenspeelster, v. (-s).

— Popigt;enwerk, o. (-en). — Poppenwin-kel, ra. (-s). — Popperig, bn. bijw. — Pop-perok, ra. (-ken). — Poppig, bn. bijw. — poppifj'es, bijw.

I*oi»o \A.), 1688-1744, Londen. Dichter en wijsgeer. Essay on Criticism; Essay cn Man.

popel, ra. (-s). Populief. — Popelblad, o. (-eren).

I»opclcu, ow. popelde, heeft gepopeld. Snel kloppen (van het hart). — Popeiing, v. (-en).

popel^Uc, popol5«U, v. Beroerte.

poplüu, v. (-en). (Zeew.) Lijn tot het ■ophalen van een zeil.

populair, bn. Volksgezind. Voliclie-vend. Door het volk bemind. Verstaanbaar voor het volk ; populaire voordrachten. — Populariseerm, bw. populariseerde, heeft gepopulariseerd. Op de hoogte der volksbegrippen brengen. Zichpopnla-riseereu, ww. Zich bij het volk bemind, zich vcor het volk verstaanbaar maken. — Populariteit, v. Volksgunst. Volksgezindheid. Verstaanbaarheid voor het volk. — Populatie, v. (..icn). Bevolking. — Popu-leus, bn. Volkrijk. Sterk bevolkt.

populier, ra. (-en). Plantengeslacht {óopulus), tot de wilgaentigen behoorende. De boomen hebben zacht hout, dat veel door den klompenmaker euz. gebruikt wordt. Voornaamste soorten : de zwarte

f)opulier)opulier ip. nigra), de canadasche popuier [p. inonilif'ra), de Virginische populier (/. virginica), de Italiaanse he populier {p. iialica), de witte populier \p. alba), de rate [populier (p. tremula), enz. — Populierblad, o. (-eren). — Populierboktor, v. (-ren). Zekere tor, op de staramen van populieren voorkomende. — Populierboom, ra. (-en). — Populürbosch, o. en ra. (..sschen). — Populieren, bn. — Populier(en)hcut, o.— Populierlaan, v. (..anen). — Populierplantsoen, o. (-en).

— Populierroos, v. (..ozen). Stokroos.— Populierwoud, o. (-en). — Populier zalf, v. (..ven).

por, v. (-ren). Steek met eenen dolk. Stoot met de vuist, enz. Put, dien men met de punt van eenen top in een anderen top maakt. Pokdaal. — Porder, ra. (-s). — for ijzer, o. (-s). — Porren, porde, heeft

6 — PORT

gepord. Ow. Hef vuur omhalen. Het vuur opstoken. Hard werken. Bw. Stooten, steken : iera. porren. Met de vuist duchtige stooten toebrengen. Wekken door kloppen op de deur. Iera. wakker porren, zoo lang stooten tot hij wakker wordt. Aanzetten, aandrijven : de nijd porde hem om dien gruwel te bedrijven. — Porring, v. (-en).

— Por ster, v. ( s).

porfier, porfiersteen, o. Purpersteen : fijnkorrelige bruine of grauwe era-nietsoort. — Porfierach*ig, bn. — Porfieren , bn.

porie, v. (..iën). Huid-, zweetgaatje.

— Poreus, bn. Sponsachtig. Vol gaatjes.

— Poreusheid, v. — Porositeit, v.

pork, m. (-en). Kind, dat te klein is

voor zijne jaren.

poruoifrapliie, v. Het schetsen van onzedelijke tooneelen.—Pornographisch, bn.

porftelein, o. (-cn). Het fijnste aardewerk : mengsel van glasachtige en leera-achtige aarde. Was vanouds bij de Chi-neezen bekend. — Porseleinaar de, v. — Porseleinachtig, bn. — Porseleinen, bn.

— Porseleinen, bw. porseleinde, heeft ge-porseleind. Gladmaken. Bewerken als porselein. Zoodanig beschilderen. — Porseleinfabriek, v. (-en). — Porseleingoed, o.

— Porseleinhandel, ra. — Porsel inhoen-tje, o. (-s). Soort van waterhoen {^alli-nula por zand). — Porseleinkapelletje, o. (-s). Zeker vlindertje. — Porseleinkas, v. (-sen). — Porseleinkast, v. (-en). — Por se le in krab, v. (-ben). Soort van zeekrab. — Porseleinkrammer, ra. (-s). — Porseleinkramster, v. (-s). — Porselein-maker, ra. (-s). — Porseleinmossel, v. (-en, -s). Porseleinslak. — Porseleinoven, ra. (-s).— Porseleinschelp, v. (-en). Schelp van de porseleinslak. — Porseleinschilder, ra. (-s). — Porseleinschilderen, o. —Porseleinslak, v. (-ken). Weekdier {cypraea ar%us). Leeft op den bodera van den In-dischen Oceaan. Hare schaal is soras raet de fraaiste kleuren geteekend. — Porseleinver kooper, m. ( s). — Porseleinverkoopster, v. (-s). — Porseleinwinkel, m. (-s).

porselein, postelein, v. Plantengeslacht {portulaca). Bloeit van Juni tot September. Deportulaca sativa wordt in moestuinen aangekweekt en als groente genuttigd. — Porseleinachtig, bn. De porseleinachtige planten. — Porseleinbed, o. (-den).

port, o. (-en), porto, o. (-'s). Vrachtloon (van eenen brief of andere postverzending). — Portvrij, bn. — Portzegel, ra. en o*. (-s). Soort van postzegel.

port, ra. Portwijn. —Portwijn, ra. Zekere fijne wijn (van Oporto).

port, ra. Haven. Toevluchtsoord, portaal, o. (..alen). Afgesloteneruimte aan den ingang van een gebouw, voorzien van eene of meer deuren.

Portaels {J, F.), i8i8-i895,Vilvoorde. Schilder. Cottvoi funèbre dans le dêsert; Caravane surprise par le Simoun.

Portulis [J. E. M.), 1801-1855, Baus-set. Fr. rechtsgeleerde. Een der opstellers


ocr page 685

POSE — 6

•van de Code civil. De Pusage ei de Pabus •de Pesprit philosophique durant Ie iS* siècle.

portutcu, v. mv. Zeelijst (van ingekomen goederen).

portsUicf, bn. Draagbaar.

port «I'iti'mcn, m. Jachtpatent. Jacht-brief.

Porto, v. De verheven Porte, titel van den sultan van Turkije. De Ottomansche Porte : het Turksche rijk, de ïurksche regeering.

porte-cigMrc, ra. (-s). Sigarenpijp.

— Porie-crayon, m. (-s). Teekenpen. — .Portefeuille, v. (s). Brieventasch. Mi-nisterarabt : de portefeuille van binnen-landsche zaken. — Por te-lettres, ra. Brieventasch. Papierkoker. —Porte-manteau, ra. Kapstok. — Portemonnaie, v. (-s). Geldtaschje. Geldbeugel. — Por te-plume, m. (-s). Pennestok.

portee, o. Schotwijdte (van een geweer, enz.). Drijlkracht. Belangrijkheid «ener zaak.

porteeren, ow. (Alleen in) zich voor iera, porteeren, voor hem in de bres springen. Voor iera. geporteerd, zeer genegen zijn.

por leien, ow. portelde, heeft geporteld. Koken. Borrelen. Pruttelen. — Por-telaar, ra. (-s). — Porielbier, o. Schuimend bier. — Portelt ebbe, v. (-n). — Porte hvei, v. Zure melk. Water, dat op de melk komt.

porter, ra. Soort van sterk Engelsch bier.

portie, v. (-s, ..iën). Maal. Gerecht. Aandeel. Zekere hoeveelheid spijs. Middagmaal : wij bleven bij baar op de portie, portiek, v. (-en). Zuilengang, portier, ra. (-s). Deurwachter. — Portierschap, o. — Porttershuisje, o. (-s). — Portierster, v. (-s). — Por tiersvrouro, v. (-en). — Portierswoning, v. (-en).

portier, o. (-en). Koetsdeur. Koets-•venster. — Portiere, v. (-s). Koetsdeur. .Deurgordijn. — Portierglas, o. (..azen).

— Portier luik, o. (-en), porllsoid-feineni, o. Zekere metselspecie. Wordt veel in de bouwkunst gebruikt, oradat liet spoedig hard wordt en in water hard blijft.

portrel, o. (-ten). Beeltenis. Persoonsbeschrijving. Een lastig portret, wijf. — Portret li/st, v. (-en). — Portretschilder, m. (-s). — Portretteeren, bw. portretteerde, heeft geportretteerd. Afbeelden. Iemands beelt-. nis maken.

Porlugal, 4,500,000. Koninkrijk (Europa). Oppervlakte : 1,686 vierk. geogr. mijl. Hoofdstad : Lissabon. —Portugees, ra. (..zen). Inwoner van Portugal. — Por-tugeesch, bn. — Portugeesch, o. De Por-tugeesche taal.

portiiurlUiigt; v. (-en). (Zeew.) Zeker lang touw, dat door den kraanbalk loopt en het anker bij den ring vasthoudt.

potte. v. (-s). Houding. — Posé, bn. Gezet. Bedaard. — Poseeren, ow. poseerde, heeft geposeerd. Gekunstelde of gemaakte houding aannemen : het is zijne gehuld niet, dat hij altijd poseert. Zitten,

7 — POST

staan : als model poseeren. Zetten (in het dominospel) ; wie moet er poseeren? — Poseur, ra. (-s). Beslagmaker. — Positiey v. (. iën, -s). Stelling, stand, ligging, gelegenheid. Staat, toestand. Houding.

positief, bn. Vast, zeker : ik weet het positief. Positief recht : het stellige recht. Positieve electriciteit : zie Electricueit. (Phot.) Het positieve beeld : het goede beeld. — Positief, positivus, m. (..ven). (Taalk.) Stellende trap. — Positief, o. (..ven). Klein orgel zonder pedaal. (Phot.) Het positieve beeld. — Positieve, v. Niet recht bij zijne positieve zijn : niet wel bij zijne zinnen zijn. — Positivisme, o. Stellige wijsbegeerte. Wijsgeerig stelsel, door A. Cfw/é-vooruitgezet,waar bij niets wordt aangenomen dan wat Klaar bewezen is.

— Positivist, m. (-en). Aanhanger van het positivisme. — Positivistisch, bn.

posito, bijw. Aangenomen, gesteld (dat).

possem, v. Gagel (i# art.), possessie, v. (..iën, -s). Bezit. Bezitting. Genot.

post, v. (-en). Openbare instelling, tot het vervoer van brieven, enz. Postkantoor. Postwagen. Postpaarden. Posthuis. — Post, ra. (-en). Postbode. — Pust, o. Postpapier.

— Postambtenaar, m. (..aren, -s). — Post-band,m. (-en). — Postbeambte, ra. (-n).

— Postbediende, na. (-n). — Postbewijs, o. (..zen). — Postblad, o. (-en). — Postbodet ra. (-n). — Postb^ek, o. en ra. (-en), — Postboot, v. (-en).—Postdag, m. (-en;.— Postdienst, ra. (-en). — Postdirecteur, ra. (-en). Hoofd van het postkantoor. — Postduif, v. (..ven). — Postduivendienst, ra. (-en). — Posten, bw. postte, heeft gepost. Naar de post brengen. Op de post doen.

— Poste-restante, bijw. Aan het postkantoor blijvende berusten (ora afgehaald te worden). —Pesterij, v. (-en). Postwezen. Postkantoor. Paardenpost. — Postfor-maat, o. (..aten). — Post formulier, o. (-en). — Postgeld, o. (-en). — Pos tg ids, m. (-en). — Posthoorn, ..horen, m. (-s). — Posthuis, o. (..zen). — Postiljon, ra. (-s). Postrijder. — Postiljonshoorn, ..horen, ra. (-s). — Post in komsten, v. rav. — Pos tin rich tin g, v. (-en). — Postjongen, ra. (-s). — Postkaart, v. (-en). — Postkantoor, o. (..oren). — Postkarre-tje, o. (-s). — Postknecht, ra. (-en).

— Postkoets, v. (-en).— Postlijst, v. (-en).

— Postlooper, m. (-s). — Postmeester, m. (-s). —Postm eest er es, v. (-sen). — Postmeesterschap, o. — Postmerk, o. (-en).

— Postmerken, bw. postmerkte, heeft ge-postmerkt. Het postmerk op de brieven drukken. — Postrnijl, v. (-en). Mijl = ongeveer 4,000 meters. — Postovereen komst, v. (-en). — Postpaard, o. (-en). — Postpakket, o. (-ten). —postpapier, o. Papier om brieven op te schrijven. —Postquitan-tie, v. (-s). — Postrecht, o. — Post reis, v. (..zen). — Postrijder, ra. (-s). — Postrit, ra. —Postschip, o. (..epen). —Postschip-per, ra. (-s). — Postschrijver, ra. (-s). — Postschuit,^, (-en). —Post sjees, v. (..zen).

— Poststal, ra. (-len). — Postspaarbankt v. (-en). — Postst»aarbankboekje, o. (-s).


ocr page 686

POT — 6

— Poststation, o. (-s). — Poststempel, m. (-s). — Post tarief, o. (..ven), — Posityd, m.—Posltijding, v. (-en). — Posttrein, m. (-en). — Postuur, o. (..uren). — Postverbinding'. v. (-en). — Postverdrag, o. (-en). — Postvereeniging, v. (-en). — Postverkeer, o. — Postverordening, v. (-en). — Postverzending, v. (-en). — Postvoorschrift, o. (-en). — Postzvaarde, v. (-n). — P- stwafen, m. (-s). —Postwagen-dienst, m. — Postweg, m. (-en). — Post-wet, v. (-ten). — Postwezen, o. Beheer der brieven- en paardenposten. Alles wat daartoe behoort. — Postwissel, m. (-s). — Postzak, ra. (-ken). — Postzegel, m. en o*. ( s). — Postzegelalbum, o. (-s). — Postzegel-. erzaniehng, v. (-en).

poHt, v. Ga^el (10 art.).

pont, m. (-en). Deurstijl. — Postament, o. (-en). Voetstuk van eene zuil, enz.

post, ra. (-en). (Ocrl.) Uitgezette wacht, schildwacht. Standplaats voor zulk een wacht. Post vatten : op zekere plaats gaan staan. Verloren post : uiterste voorpost. Zware last : hij heeft daar een zwaren post. Ambt, bediening : hij bekleedt den post van boekhouder. — Post eer en, posteerde, heeft en is geposteerd. Bw. Plaatsen. Stellen Ow. (zijn) Post vatten. Zich pos te er en, ww. — Po *tjcsjager, ra. '-s).

post, ra. (-en). Onderdeel eerer begroo-ting van ontvangsten en uitgaven. Te betalen of betaalde geldsom.

poHtlt;lsit4'crcii, bw. postdateerde, heeft gepostdateerd. Later dagteekenen. ponteloin. Zie Porselein.

posten, m. rav. Soort van kleine kogels.

postorlori [a), bijw. Van Achteren. Later. Nader.

postcritoit, v. Nakomelingschap. postflK'riptiiiu, o. (-s, ..pta). Naschrift (in brieven).

postiilccren, bw. postuleerde, heeft gepostuleerd. Naar eene plaats dingen. Aanvragen. — Postulaat, o. (..aten). Ver-eischte. Proeftijd. — Postulant, ra. en v. (-en). Verzoeker. Aanvrager. Plaatsvrager. — Postulante, v. (-n).

postuur, o. (..uren). Houding. Lichaamshouding. Zich in postuur, in verwerende houding stellen. Een aardig postuur : iem., die klein van gestalte of misvormd is.

pot, m. (-ten). Benaming van menigerlei vaatwerk, uit aarde, porselein, ijzer, enz. vervaardigd. Kookpot en de inhoud er van. Papiniaansche pot : zie Papiniaansch. Zeker bepaalde oude, maat, iets meer dan een liter : een pot bier. Geld, inleg.: den pot winnen. Bakje, waarin de inleg wordt gelegd : vijf centiemen in den pot zetten. Spaarpenningen : zijnen pot verkwisten. Den hond in den poe vinden : na het eten komen. Bij iedereen in den pot kijken : alles gaarne afneuzen. Hij is zoo dicht als een pot: hij weet zijne geheimen goed te bewaren. — Potaarde, v. — Potbloem, v. (-en). — Poiboom, m. (-en). — Potboter, v. — Petbuis, v. (..zen). Korte buis van gebakken aarde. — Potdek, o. (-ken). (Zeew.) Schampdek. — Potdeksel, o. (-s).

— Potdicht, bn. Luchtdicht. Zeer geheim.

18 — POTE

— Pot doek, m. (-en). — P'tduiker, m, (-s). Riool in de straat. — Potdoof, bn. Zeer doof. — Potflesch, v. (..sschen). — Potgeld, o. — Potgewas, o. (-S( n). — Potgieter, ra. (-s). Pottenbakker. — Potgoot, v. (..eten). — Pothengsel, o. (-s). — Pot-huis, o. (..zen). Schotelhuis : plaats, waar de boeren hun eten plachten te koken. Werkplaats van eenen schoenlapper, enz.

— Potje, o. ( s). Kleine pot Een potje maken : zijn ge d besparen. Kleine potjes hebben ook ooren : kinderen luisteren scherp toe. Een potje te vuur hangen : iem. gaan aanklagen, overdragen. — Pofjebeu-ling, v. Gort met rozijnen gekookt. — Pot-

jeskermis, v. — Potjeslatijn, o. Slecht Latijn. — Potjesmarkt, v. (-en). — Polkaas, v. (..azen). Versche kaas. — Potkachel, v. (-s). —Potkijker, m. (-s). Lekkerbek. Janhen. — Potklei, v. — Potkrau-wer, m. (-s). — Potlepel, m. (-s). Pollepel.

— Potmispel, v. (-s). Soort van mispel. — Potmusch, v. (..sscncn). Musch, die in een opgehangen bloempot nestelt. — Potnat, o. lAlleen in) 't is éen potnat: zij zijn het volkomen met elkander eens. — Pot oven, m. (-s). — Potpastei, v. (-en). — Pot penning, m. (-en). — Potmos, v. (..ozen).— Potscherf, v. (..ven). Stuk van eencn gebroken pot. — Potschraapsel, o. — Pot-schraper, ..schrapper, m. (-s). — Potstuk, o. {-Vcvi).—~ Pot suiker, — Pottebezem, m. (-s). — Potteboender, ra. (-s). — Pot/en, bw. potte, heeft gepot. Geld of zeldzame munt bewaren. In potten doen of zetten.

— Pottenbakker, ra. (-s). — Pottenbakker if, v. Het bakken van potten. Bedrijf des pottenbakkers, (-en) Plaats, waar men potten bakt. — Pottenbakkersklei, v. — Pottenbakkersleem, o. —Pottenbakkers' oven, m. (-s). — Pottenbakkersschyf, v. (..ven). — Pottenbakkerswiel, o. (-en). — Pot ten bakker winkel, ra. (-s). — Pott en-bank, v. —Pottengoed, o. — Pott enk ast, v, (-en).—Pottenkraam, v. eno. (..araen). — Potten magazijn, o. (-en). — Pottenmarkt, v. (-en). — Pottenmeid, v. (-en). — Pot-tenschip, o. (..(pen). — Pottenschint, v. (•en). —Pottenvent, m. (-en).— Potten-wijf, o. (..ven). — Pottenwinkel, m. \-s).

— Potter, ra. (-s). — Pottevuller, m. (-s). Boerenboon. — Potster, v. (-s). — Polver-teren, o. Het verteren van een gemeen-schaprelijken pot. — Polver tering, v.

potafiro, v. (-s). Soep. Groentesoep. Vlceschsoep. —Pota^ehof, m. (. oven).

potascli, v. Zie Loogzout. —Potasch-blauw, o. Berlijnsch-blauw. — Potasch-loog, v. — Po la sch vi aker, ra. (-s). — Pot-aschmakerij', v. (-en). —Potaschmetaal, o. Potassium. — Pl ta sch zie de ry, v. (-en).

potnsslnm, o. Metaal met zilverwitte klcxir. Heeft eene groote aantrekkingskracht tot zuurstof, chloor, enz.

poten, bw. pootte, heeft gepoot. Jonge lootjes van boomen in den grond zetten. Planten : boonen, erwten poten. Jonge visschen in eenen vijver zetten : visch poten. — Poteling, m. (-en). Plant, die gepoot wordt. — Poter, m. (-s). Planter.-— P:^r, m. (-s). Aardappel om te poten. — Poting, v.


ocr page 687

— 629 —

PRAE

POUR

potentstat, m. (..aten). Mogendheid. Gekroond hooid. Gezaghebber. — Potentie, v. Macht. Vermogen.

potcruc, v. (-s). Sluippoort (in eene vesting).

poteslaat, m. (..aten). (Eert.) Landvoogd van Friesland.

Potgrleter {E. J.), 1808-1875, Zwolle. Letterkundige. Het Noorden in omtrekken en tafereel^n (i836-'4o) ; Liedekens uan Bontekoe (1840) ; Proza (i837-,45) ; Poëzy (1868 -' 69).

potlood, o. Zie Graphiet. (-en) Een doorgaans van hout omgeven staafje potlood om te schrijven, te teekenen, enz. — Potloodachtig, bn. — Poiloodbo7-stel, m. (-s). — Potlooden, bw. potloodde, heeft gepotlood. Kachels enz. met potlood inwrijven. — Potioodpen, v. (-nen). — Pot-loodstift, v. (-en).

l*otoc*ki [J. graaf), 1761-1815, Ola-dowka. Poolsch geschiedschrijver.

potpom-ri, o. (-s). Mengelmoes. Allegaartje. Hutspot. Muziekstuk van verschillende, meestal bekende melodieën voor een of meer instrumenten.

pols, v. (-en). Muts.

pols, v. (-en). Poets (ie art.). — Potsachtig, bn. Grappig. Aardig. — Potsen-viaker, m. (-s). Hansworst.. — Potsenmaker!/, v. (-en). — Potsen maker sdansy m. (-en). — Potsierlijk, bn. Ivluchüg. K.o-miek.— Potsig, bn.bijw.Potsierlijk. Kluchtig. Aardig.

]gt;olHlt;laui, 54,200. Stad (Brandenburg^. Tweede residentie van den keizer.

l'ollor [P.), 1625-1654, Enkhuizen. Landschap- lt;n dierci.schilder. Herders-.hnt (1645O; de jonge Stier (1647); het Spiegelend Kortjr (1648).

l'ol Ier {F de, , 1834, Gent. Bestendige secretaris der K. VI. Academie. Geschiedschrijver. Geschiede'. igt; der NederInnd-sche letterkunde in België, sedert hei begin dezer eeuw (bekroond, i860) ; Geschiedenis van de gtmeenlen der provincie Oost-1 laan deren imet J. Broeckaert, 1864-..); An toon van Dyck en zy'ne werken (met J. Broeckaert, bekroond, 1873); Geschiedenis van hei schependom in de Belgische gewesten (bekroond, 1881); Gent van den vroegsten tijd tot heden (iSÏte-'go).

l*oivin (O, 1818, Ut rgen. Letterkundige. Jacques a''A'tevelde (1861^; f Art flamana v 1? 6b)

polvisrii, m. (..sschen). Soort van gn» ten zeivibch. Behoort tot de walvis-achtigen. Wordt soms 25 met. lang. De kop bedraagt een derde van de lichaams-■ leryte.

]gt;oiilt;*liliiiic [A. graaj), 1799-1837, S. PeiersL'ur^. Russisch dichter en proza--schr ijver. A'mslan et Lioudvula; Eugène One gin e (i825-,28).

l»o«illt;*, v. (Bilj.) Spel met een kegeltje. Zekere dansfiguur

lgt;oiirigt;Uk. 10 [P.), i5io(?)-i5R3. Gou-da(?gt;. i0 Zijn zoon {F. de oudste), 1545-1581, Brugge. Je sus lusschen de schrtf tgeleer-den (1571). 3° Zoon van (F.) {F. de jonge), 1569-1622, Antwerpen. Schilders van portretten en godsdienstige onderwerpen.

pourparler, o. (-s). Gesprek : iq pourparlers treden.

l*oiissiii (Ar.), 1594-1665, Andelys. Fr. schilder. Les Bergers d'Arcadie; le Dè* Inge; Moïse sauvé des eaux; la Fuite en Egypte.

Praagr, 182,500. Hoofdstad van 'tOos-' tenrijksche kroonland Bohemen. Voorma^ lige residentie der Bohee ; sche koningen.

praaien, bw. p aaide, heeft gepraaid. Op zee ontmoeten en toespreken (door den roeper). Kaar booid terugroepen : zijna sloepen aan boord praaien. De bestemming, de lading, enz. afvragen van een koopvaardijschip, dat uitvaart of binnenkomt. — Praaibeurt^ v. (-en). — Praai-schuit, v. (-en).

praal, v. en m. Pracht. Pronk. Vertooning. Luister. — Praalbed, o. ( den).

— Praalbeeld, o. (-en). Standbeeld. — Praalboog, m. (..o^en). Eereboog. — Praalgewaad, o. (..aden). — Praalgraf, o. (..aven).— Praalhans, m. (..zen). Pronker. Pocher. — Praalhanzery, v. (-en). — Praalkoets, v. (-en). — Praatstoel, m. (-en).— Praalstoet, m. — Praalvertoon, o. — Praalwagen, m. (-s). — Praatzelel, m. (-s). — Praalziek, bn. — Praalzucht, v. — Praalzuchtig, bn.

prstam, m. Beklemming, (..amen) Werktuig om iets vast te klemmen. Neus-knijper van een paard, enz.

praam, v. (..amen). Plat vaartuig. Plat kustvaaituig met acht of tien stukken geschut. - Praanischuit, v. (-en).

praal, m. Gesnap, gebabbel. Gesprek. Het spreken. Het praten. — Pt aatachtig, bn. — Praat al, m. en v. (-len). Babbelaar. Babbelaarster. —Praatgraag, m. en v. (..ageh). — Praatje, o. (-s) Gemeenzaam gesprek. Vertelseltje. — Praatkous, m. en v. (-en). — Praatmoer, v. \-s). — Praatstoel, m. Hij zit weder op zijnen praatstoel : hij is weder aan het babbelen.

— Praatvaar, m. (-s). Babbelaar. — Praatziek, bn. — Praatzirkte, v. — Praalzucht, v. — Praatzquot;chtig, bn.

prarlieu, ow. prachte, he ft gepracht. Vleiend bedelen. Smeekend afvragen. — Pracher, m. (-s). — Pt acherjj, v. (-en).

— P'rachster, v. (-s).

praelit, v. Praal. Heerlijkheid. Luister. Glans. — Prachtalbum, o. (-s). —Prachtband, m. (-en). (Boekb.). — Prachtexemplaar, o. (..aren). — Prachtig, bn. bijw. Heerlijk. Rijk. Luisterrijk. — Prachtigheid, v. — Prachtiglyk, hijw. — Pracht-kever, xa.. (-s). Ossendooder. —Pracht-lelie, v. (..ien, -s). — Prachtuitgave, v. (-n). — Prachtvertoon, o. — Prachtver' tooning, v. —Prachtwerk, o. (-en).

praclieus, m. (-sen, ..ci . Ervaren beoefenaar. — Practijk, v. Uitoefening eener kurist. In toepassing brengen wat de theorie leert. — Practisch, bn. Uitoele-nend. Werkdadig.

Pra«lier (y.), 1794-185?, Genève. Fr. beeldhouwer.

praeeeplor.preceplor.m (..oren). Leermeester.— Pgt; arceptot aat, o. (..aten).

praodicaal, o. (..atea). (Taalk ) Gezegde.


ocr page 688

PRAT — 6

praeflx, o. (-en). Voorvoegs'el praepsirecren, bw. praepareerde, heeft gepraepareerd. Bereiden. Gereedmaken. Voorbereiden. — Praeparaat, o. (..aten). Kunstmatig toebereid middel.

praescng, o. (ïaalk.) Tegenwoordige tijd.

praenes, m. (praesides). President. — Praesidi'aal, bn. Tot het voorzitterschap behoorende. — Praesidium, o. Voorzitterschap.

praetor, m. (-en). (Rom. gesch.) Landvoogd. Opperhoofd. — Praetorschap, o. — Praetmir, v. Ambt van den praetor.

prsagriiiutiscli, bn. bijw. \Verkdadig. Algemeen nuttig. Feitelijk : de geschiedenis pragmatisch behandelen. Pragmatische sanctie ; koninklijke kerkregeling, koninklijke kerkverordening, regeling der erfopvolging : de pragmatische sanctie van Ka-rel VI.

prairie, v. (..iën). Grasland. Graswildernis in Nbord-Amerika.

prstkhezeeren, bw. prakkezeerde, heeft geprakkezeerd. Verzinnen. Bedenken. Uitvinden.

prakiyk,v. (-en). List. Slinkschheid. Handeling. Kwade praktijken : ongeoorloofde handelwijze, looze streken.

praktyk, v. Beroepswerkzaamheid, nering, bezigheid, werk ; die geneesheer heeft veel praktijk. Klant, koopvriend.

praktizeereu, praktizeerde.heeftge-praktizeerd. Ow. Uitoefenen. Als rechtsgeleerde, notaris, geneesheer werkzaam zijn. Bw. Uitdenken. Verzinnen. — Prak-itzeerequot;d, bn. — Praktizyn, m. (-s). Rechtskundige. Zaakwaarnemer. — Praktizyn s bedien de, m. (-n). — Prakiizyus-kaniocr, o. (..oren). — PraktizynskIerk, v. (-en). — Praktizynswerk, o. (-en).

pralen, ow. praalde, heeft gepraald. Prijken. Schitteren. Vertoon maken. Zich op iets beroemen ; met zijne geleerdheid pralen. — PraIer, m. (-s). — Praatstery v. (-s). — Pralerij, v. (-en).

prameu.bw. praamde,heeft gepraamd. Drukken. Persen. Kwellen. Den praam opzetten : een paard pramen. — Praming, v.

prammen, ow. pramde, heeft ge-prarnd. Zuigen.

pransr, v. (-en). Drukking. Kwelling, onderdrukking.— /Vaprangde, heeft geprangd. Bw. Knellen, drukken : mijne schoenen prangen mij. Benauwen : dit prangde mijnen boezem, Ow. De nood prangt. (Zeew.) Scherp bij den wind blijven. — Pranger, m. (-s), prangyzer, o. (-s).Schandpaal.Neusknijper voor paarden. Kleinschroef der smeden, enz. Molenpran-ger. (Timm.) Kleinhaak. — Prangmolen, m. (-s). Molen met eene prang. — Prang-wertet, m. Stalkruid.

prat, bn. bijw. Hoovaardig. Fier. Trotsch. — Pratheid, v.

praten, ow. bw. praatte, heeft gepraat. Spreken. Babbelen. Snappen. — Prata-tief, Bn. Praatlustig. — Prater, m. (-s).— Praatster, v. (-s). — Pratery, v. — Pratersbaas, m. (..azen). Aangename prater.

o — PREF

prater, o. Openbare wandelplaat^-(Weenen).

pratten, ow. pratte, heeft geprat. Prui-lén. Weifelen. Prat zijn (op). — Pratziekte% v. Kwijnende ziekte.

prauw, v. (-en). Lang, smal en ondiep vaartuig der Indianen, om de lading te lossen of aan boord te brengen.

praiiTvel, v. (-s). Dunne ijzerkoek. Wafel. —Pr a xiuuelyzer, o. (-s).

praxis, v. Uitoefenende geneeskunde» Praktijk (20 art.).

Prayou-Tan Zuylen {A. M. N.), 1848, Gent. Advocaat. Briefwisselend lia der K. VI. Academie. Hel Nederlandsch voor onze rechtbanken (1875); hetNeder-landsch als rechtstaal (1888) ; de Belgische taalwetten toegelicht (bekroond., 18-2).

prazelen, ow. prazelde, heeft gepra-zeld. Mompelen. Brommen.

preadvies, o. (..zen). Voorafgaand uitgebracht gevoelen.

prealabel, bn. Voorafgaande, préambule, v. (-s). Voorafspraak,. Inkiding.Omhaal (van woorden). Pre:iiisrer-refi;entneliap. Zie Java. prebende, v. (-n). Kerkelijk inkomen.-precies, bn. bijw. Juist, nauwkeurig r precies te zes uren. Nauwlettend : die man is wat precies. Gierig. — Precisie, v. Juistheid.

precieus, bn. Kostbaar, kostelijk. Gemaakt, gedwongen : precieuse manieren. Feue precieuse : eene opgepronkte, behaagzieke vrouw.

predeslineeren^w.predestineerde,,. heeft gepredestineerd. Voorbeschikken. Voorbestemmen. — Predestinatie, v.

prediken, predikte, heeft gepredikt. Bw. Het woord Gods verkondigen. Ow. Een sermoen, enz. doen : hij' predikt nooit te lang. — Predikambt^ m. (-en). — Predikant, m. (-en). —— Predikantenblad, o. — Predikanten' vereeniging, v. (-en). — Predikants-plaats, v. (-en).— Pre iibantslraktement, o. (-en). — Predikantswoning, v. (-en}..

— Predikatie, v. (..iën). Preek. Prediking. — Predikbeurtenblad, o. (-en). — Predikdienst, m. — Prediker, m. (-s),. Predikant. De Prediker van Salomon. — Predikheer, m. (-en). Preekheer. — Prediking, v. (-en). — Predikstoel, m. (-en). Preekstoel.

predilectie, v. (..iën). Voorliefden-Vooringenomenheid.

pree, m. Soldij. Dagloon. Weekgeld, preekeu, bw. ow. preekte, heeft gepreekt. Prediken. — Preek, v. (-en). — Pr eekenmaker, m. (-s). Prediker. (Spott.) Vervelend prediker. — Pree kei', m. ( s).

— Preekheer, m. (-en). Dominicaan. — Preekheerenklooster, o. (-s). — Pgt; eek* manier, v. (-en). — Preekstijl, m. — Preekstoel, m. (-en). — Preektoon, m. — Preektrant, m. (-en). — Pree km ij'ze*. v. (-n).

preeuwen, bw. preeuwde, heeft go» preeuwd. Heimelijk wegnemen.

prefect, m. (-er;). Bestuurder, land» voogd ^Frankrijk). Hoofdman. — Prefect


ocr page 689

PRES — 6

tiiur, ▼. (..uren). Landvoogdij. Ambt, paleis van den prefect.

preferecrco, bw. prefereerde, heeft geprefereerd. Verkiezen. De voorkeur geven (aan). — Preferabel, bn. Verkieslijk.

— Preferent, bn. Preferabel. De preferente schulden : de voorafgaande schulden in eenefailliete.—Preferentie^, (..iën, -s).

prei, v. (-en). Soort van look [allium porrum). Wordt als toekruid gebruikt. — Pr ei bed, o. (-den). — Preiprol, v. Prei en aardappelen met azijn gekookt. — Preisoep, v.

prelaat, m. (..aten). Kerkvoogd. —

Prelaatschap, o.

premie, v. (..iën, -s). Belooning. Prijs Buitengewone toelage. Aanmoediging. — Premie leening, v. (-en). Geldleening, die met prijzen in geld uitloot. — Prennelot, o. (-en). — Premteplaat, v. (..aten). Plaat, die als premie bij eene inteekening wordt gegeven.

Premonstratenzers, m. mv. Orde van Reguliere Kanunniken, onder den regel van den h. Augustinus. Werd gesticht door den h. Norbertus, omstreeks 1120. Deze orde heeft ook vrouwenkloosterc en een derden repel voorleeken in de wereld.

prent, print, v. (-en). Gedrukte en gewoonlijk gekleurde plaat. Teekening, afbeelding, plaatje.— Prentachtig, bn. — Prenten, bw. prentte, heeft geprent. Drukken. Indrukken. — Pr entenbijbel, m. (-s).

— Prentenboek, o. en m. (-en). — Prentenkabinet, o. (-ten). — Pr entenkoop er, m. (-s).—Pt enten kraam, v. en o. (..amen).

— Prentenwinkel, m. ( s).— Prentkunst, v. Graveerkunst. — Prentverbeelding, v. (-en). — Prentverkooper, m. (-s). — Pr entverkoopster, v. (-s).

prepareeren, bw. prepareerde, heeft geprepareerd. Bereiden. Gereedmaken. Voorbereiden. — Preparatie, v. (..iën, -s). — Preparatief, o. (..ven). Toebereidsel. Toebereiding.

prerocratier, o. (..yen). Voorrecht, presbiet, bn.Verrezichtig.Verreziend.

— Presbypie, v.

prescriptie, v. (..iën, -s). Verjaring. Voorschrift (van eenen geneesheer*.

presennins:, v. (-s). (Zeew.) Geteerd zeildoek, dat men over luiken of goederen werpt om ze van 't water te vrijwaren.

prewent, bn. Aanwezig. Tegenwoordig. Present zijn : nuchter, ook helder van geest zijn.

present, o. (-en). Geschenk : iem. iets presen t geven.

presenter ren,bw.presenteerde, heeft gepresenteerd . Aanbieden , vertoonen . Voorstellen. Voordragen. Toereiken. Het geweer presenteeren, voorhouden, vooruit-houden. Hij presenteert zich goed : hij heeft een goed voorkomen, — Presenteerblaadje, o. (-s). — Presentabel, bn. Vertoonbaar, fatsoenlijk uitziende. — Presentatie, v. (..iën, -s). Aanbod, aanbieding. Voorstelling, vertooning. O.-L.-Vrouw-Presentatie : O.-L.-Vrouw-Opdracht. — Presenteer doosje, presenteertrommeltje, o. (-s). Koekdoosje. — Presentie, v. Aanwezigheid. Tegenwoordigheid : in presen-

i— PREU

tie (van). — Presentiegeld, o. — Presentielijst, v. (-en).

preserveeren, bw. preserveerde, heeft gepreserveerd. Bewaren. Bevrijden. Behoeden. Beschermen. — Preservatie, v. — Preservatief, o. (..ven). Voorbehoedmiddel.

presgang, m. Het pressen van zeevolk. Soldaten (in Engeland), d^e rondgaan om jongelingen tot den zeedienst te pressen. — Pr es ganger, m. (-s). — Presmees' ter, m. (-s).

presitleeren, ow. presideerde, heeft gepresideerd. Voorzitten. — President, m. (-en). Voorzitter. — President-arm-vooed, m. (-en). — President-co?nmissa-r/v. m. (-sen). — Presidentschap, o. Waardigheid van president, (-pen). Gebied van eenen president. — Presidentshamer, m. i-s). — Presidentsplaats, v. (-en). — Presidentsstoel, m. (-en).

presseeren, bw. presseerde, heeft gepresseerd. Drukken. Dringen. Gepresseerd zijn : haast hebben. Zich presseeren, wvv. Zich haasten. Spoed maken. — Pressant, bn. Dringend. Haastig. Spocd-eischend.

preMnen, bw. preste, heeft geprest. Met geweld noodzaken (tot). Dringen. Aanwerven tot den krijgsdienst, met geweld of list (inz. in Engeland in oorlogstijd). — Pressor, m. (-s). — Pressie, v. (. iën, -s). Drukking. Pressie op iem. uitoefenen. — Pressing, v.

prestige, o. Begoocheling. Toover-macht. Invloed : hij heeft zijn prestige verloren.

presto, bijw. (Muz.) Zeer vlug en snel.

— Prestissimo, bijw. (Muz.) Zoo snel en vlug als mogelijk.

p r esnm eeren ,bw.presumeerde,heeft gepresumeerd. Vermoeden. Gissen. Veronderstellen. — Presuin(p)tie, v. (..iën, -s). Vermoeden, gissing, veronderstelling. Verwaandheid, eigenwaan.— Presum(pJ-tief bn. Vermoedelijk.

pret, v. Vreugde. Vermaak. Grappen.

— Pretmaker, m. (-s). Vroolijke kwant.

— Pretmaakster, v. (-s). — Prettig, bn. bijw. Grappig. Vermakelijk. Aangenaam.

— Prettigheid, v.

pretentieeren, bw. pretendeerde,

heeft gepretendeerd. Vorderen, eischen, verlangen. Beweren, voorwenden. — Pretendent, m. (-en). Iem., die op iets aanspraak maakt (inz. op den troon, waarvan zijne voorouders verdreven zijn). — Pretensie, v. (..iën, -s). Vordering, verlangen. Schuldvordering. Aanmatiging. Verwaandheid.

pretexteeren, bw. pretexteerde, heeft gepretexteerd. Voorwendt n. Voorgeven. — Pretext, o. (-en). Voorwendsel.

prenkelrn, ow. preukelde, het ft ge-preukeld. Met den pook in 't vuur roeren.

preutelen, ow. preutelde, heeft gepreuteld. Borrelen ; de pap begint te preutelen. Knorren. Mompelen. Prevelen. — Preutelaar, m. (-s). — Preutelaarster, v. (-s). — Preutelgeld, o. Kleingeld. — Preutelig, bn. bijw. — Preuteling, v. — Preutelwerk, o. Beuzelingen.


ocr page 690

— 632 —

PRIE

PRIK

proutsoh, bn.bijw. Fier, trotsch.Over-zeuig, gemaakt e e rb aar. —Pretitschh eïd, v. preuve. Zie Prove.

prcuve, v. (-n). Bewijs : 'k zal u eene preuve geven. Proef : de preuve doen of nemen van iets. Proefblad, drukproef.

lgt;rovalvoren, o\v. prevaleerde, heeft geprevaleerd. De overhand hebben : zijn gevoelen preva'eerde.

prevelen, bw. prevelde, heeft gepreveld. Binnensmonds brommen. Mompelen. — Prevelaar, m. (-s). —Prevelaar-s/e?-, v. (-s). — Prtvelary, v. (-en). — Preveling, v. — Pt evehnis, v. (-sen). Gelezen mis.

preveiiieeren , bw. prevenieerde, heelt geprevenieerd. Verwittigen, waarschuwen. Voorkomen, verhinderen, beletten. — Preventie, v. (..iën, -s). Beschuldiging, betichting : iem. in preventie stellen. Vooraf opgevatte meening, voorinpeno-menheid. Vooroordeel. — Preventief, bn. bijw. Voorkomend, voorbehoedend : preventieve maatregelen. Voorloopig : preventieve gevangenschap.

previeliën, ow. previeliede, heeft ge-revielied. Aan den rand omnaaien, om et rafelen te voorkomen.

previnie, v. (..iën, -s). Vooruitzicht, verwachting (van mogelijke gebeurtenissen).

prevooHl, m. (-en). Schermmeester, prieel, o. (-en). Tuinhuisje. Zomerhuisje.

priejjelen, bw. priegelde, heeft gepriegeld. Hevig slaan. Afro sen. — Priegel, m. Afrossing. — Prie^elaar, m. (-s).

— Priegel aarster, v. (-s).— Priegeling, v. l»riel, m. (-en). Nauwe doortocht tus-

schen zandbanken.

priem. m. (-en). Klein dun rond voorwerp van ijzer of staal om gaten te boren. Wetpriem. Moordpriem. Breinaald. — Priemdenker, bn. Pikdonker. — Priemen, bw. priemde, heeft gepriemd. Gaten maken (met elt; nen priem). Doorborm. ! Smart verooi zaken. — Priem- en praal-geld, o. tScheepst.). — Priemgetal, o. (-len). Getal, alleen door de eenheid of zich zeiven deelbaar. — Priemkruid, o. Plant, die eene heldere gele kleur oplevert. — Priemvormtg, bn.

priester, m. ( s). Gezalfde persoon, aangesteld en macht hebbende om sacrificiën aan God op te dragen. Treedt bijgevolg op als middelaar tusschen God en het menschdom. « De pastoors en pries ers zijn wettige navolgers van de twee en zeventig discipelen van Christus. » — Priesterambt, o. — Priesterdom, o. « Een sacrament, door hetwelk de dienaars der h. Kerk macht ontvangen en gratie om hun ambt bekwamelijk te bedienen. » Priesterschaar.

— Priesteres, v. (-sen). — Priesterge-Tjuaad, o. (..aden).—Priesterheerschappy, v. —Priesterkaste, v. (-n). — Priesterkleed, o. (-en, -eren). — Priesterlijk, bn. bijw.— Priest* rorde,\'.— Priester schaar, v. (..aren). — Priesterschap, o. Priesterlijke waardigheid, v. Al de priesters. — Priesterwijding, v. (-en). — Priesterzegen, m.

prtf, v. (-en). Aas. Kreng. Al wat verachtelijk is. Boos wijf.

prüken, ow. prijkte, heeft geprijkt. Pronken. Pralen.

prU», v. Verovering. Bait : een schip prijs maken. — Prijsgeld, o. Aandeel in de opbrengst van den buit. — Prijsgeven, bw. gaf prijs, heeft prijsgegeven. Weerloos overgeven. — Zich prijsgeven, ww. — Prijsmeester, m. (-s). Opziener van veroverde schepen. — Prysrechter, m. (-s). Die de verdceling van het pr ijsgeld bepaalt.

— Prysschip, o. (..epen). Veroverd schip, prüa, m. (..zen). Waarde.Koets. Geldswaarde. Loon : eenen prijs uitloven. Bekroning, lof, roem : den eersten pi ijs behalen. Belooning (in den vorm van een boekwerk, enz.) : de beste leerlingen krijgen eenen prijs. (In eene loterij) Nummer, waarop men iets wint : eenen prijs trekken. Prijs op iets stellen : waarde aan ilt; ts hechten. Ten prijs van zijn bloed : ten koste van zijn bloed. Eenen prijs op iemands hoofd zetten : eene som golds uitloven aan hem, die zekeren persoon overlevert of hem ter dood brengt. — Piysbederver, m. (-s . — Pry\bederfster, y. ( s). — Prysbehaler, ra. (-s). — Prysbehaalster, v. (-s). — Prysbepaler, ra. (-s). —Prysbepaalster, v. (-s). — Prijsbepaling, v. (-en). — Prijsberekening, v. (-en). — Prijscourant, v. (-en). Lijst van te verkoopen voorwerpen, met aai wijzing der prijzen. — Prysdee-ling, v. (-en). — Prijsdicht, o. (-en). — Prysfejlyk, bn. bijw. Te prijzen. Loffelijk. — Pryshoudend, bn. — Prijsje, o. (-s). Kleine prijs. Hij heeft het voor een prijsje, goedkoop. Pluimpje : hij heeft een prijsje verdiend. — Prijsfcainp, m. ( en).

— Prijslijst, v. (-en). Prijscourant. — Prijsmeester, m. (-s). — Prysnominer% o. (-s). —Prijsopgave, \. (-n). — gt; nj's-o fis lag, ra. — Prijsstof, v. (-fen). — Prysuitdeeling, v. ( en). — Prijsuitloving, v. (-en). — Prijsverhandeling^

(-en). — Pt ijsver hooging, v. (-en).

— Prijsvermindegt; ing, v. (-en). — /'rijsver schil, o. (-len). — Prijsvraag, v. (..agen). — Prijswaardig, bn. Geldswaarde hebbende. Priizei swaardig.—Prijzen, bw. prijsde, heelt geprijsd. Waaidee-ren. Schatten. — Pryztn, l-w. prees, heeft geprezen. Loven. Roemen. \ erheerlijken.

— Prijzenswaard,..ig, I n. Wraard geprezen te worden. — Prijzig, bn. Kostbaar. Duur. — Prijzigheid, v. — Pnjzij, v. Be-grooting. Schatting. Waardeering : de prijzij doen van vruchten op den akker.

prik, ra. (-ken). Strek met een puntig vooiweip. Werktuig om te p ikken. Zooveel men met eene vork kan opprikken : een prikje salade. Hij \eistaat uit op een prikje : hij is er zeer in bedreven. Op den prik : juist, volkomen goed — Prikken, bw. piikte, heeft geprikt. Steken (met een puntig voorwerp). —■ Prikker, m. (-s). — Prikking, v. — Prikneusje, o. (-s). Gekroonde koekoeksbloem. — Prikslede, v. (-n), prikslee, v. (-ën). Kleine slee, die met prikstokken op het ijs wordt voi rtge-dre\en. — Prikstok, ra. (-ken). Stok niet eene punt. — Priktol, ra. (-len). Werptol.


ocr page 691

BRIO — 6

prik, m. (-ken). Lamprei (2®art.). Men moet de prikken levend houden : men moet zorgen, dat onze zaken vooruitgaan.

— Prikvisschen, m. mv. Familie van vis-schen.

l»rik, m. (-ken). (Plantenk.) Knol. prikkelen, ow. prikkelde, heeft geprikkeld. Steken, bramien op de tong (van vochten). Steken (met een puntig voorwerp). Aanzetten, aansporen. — Prikkel* m. (-s, -en). Angel, punt, enz. om te steken. Prikstok. (Plantenk.) Stekel. Ver-voerbare weegtoes'el (voor vaten, enz.). Aanli'idende oorzaak voor het gewaarworden. Aansporing, sp gt;orslag. — Prik-telbaar, bn. — Prt'ckrlbaarhetd, v. — Prikkelend, bn. — Prikkeling^ v. (-en).

pril, bn. Vroolijk, vlug. Vroeg, jeugdig, frisch.

primasit, m. (..aten).Opperkerkvoogd.

— Primantschab, o.

primilief, un. bijw. Oorspronkelijk, •aanvankelijk, allereerst. Eenvoudig, on-■noozel : zoo primitief als een kind.

primu», m. (-sen). De eerste : de primus van Leuven. Opperprijs (XVe eeuw).

prineipatal, bn. bij a'. Voornaam. Hoofdzakelijk. — Principaal^ m. (..alen). Oveiste (van sommige onderwijsinrichtingen). Hoofdsom : principaal en intresten. Lastgever (bij zaakwaarnemers).

priueipe, o. ( s). Begin. Grondbegin. Oorsprung, oorzaak : God is het principe van alles wat bestaat. Grondstelsel, grondregel. — Principieel, bn. Oorspronkelijk. Overeenkomstig met de grondregels.

priii.**, m. (-en). Vorst, bestuurder van een prinsdom. Kind of bloedverwant van een regeerenden vorst. Prins van Oranje : titel van den vermoedelijken troonbfkhm-mer (Nederland). Hij heeft den prius gezien, gesproken : hij is boven zijn bier. Hij leeft er als een prins, zeer rijk, weelderig.

— Prinsdom, o. ( men). — Prinselijk, bn. bijw. — Pgt; insendoppers, m. mv. Gewone prinsendoppers : doperwten. — Prinsenhof, o. — Prinsenleven, o. — Prinsen-vlag, v. — Prinses, v. (-sen). —Prinsessenbier, o. Soort van wit bier. — Prinses-senblauzu, bn. o. lierlij nsch-blauw. — Prinsessenboon, v. (-en). Peulvrucht (ook suiker-, salade- en heerenboon genoemd): phaseolus tumidus. — Prinsesjenkoekje, o. Zeker gebak. — Prinsgezind, bn. — Prinsgezinde, m. (-n). — Prinsjesdag, m. (-en). Feestdag, ter eere van den prins. — Prtnsjesman, m. (-nen). Oranjeman. — Prinsmetaal, o. Metaalmengsel door Robert, prins uit de Palts gevonden. Bestaat tlit koperen zink.

PrinM 10 [si. Winkler), 1817, Voorst. Letterkundige. Gedichten; Geïllustreerde Encyclopadie (ibóg-'^a). — 20 Zijn zoon (7. Winkler). 1849, Tjallebert. Dichter. Son tietten (1 ^ 85); Nieuwegedich ten (1886); Nienixe gedichten en gezangen (1887).

PriiiH l^-), i860. Schiedam. = ^4. Coop-landt. Letterkundige. Uit het leven (1885). print. Zie Prent.

prior, m. (-s). Overste van een klooster. (In kloosters waar een abt is) de persoon, die onmiddellijk op den abt vol^t.

j — PROC

— Priores, v. ( sen). — Priorin, v. (-nen).

— Prioraat, priorschap, o. — Priorij', v. (-en).

priori (a), bijw. Te voren. Van voren aan. Vooraf.

prioriteit, v. Voorrang. — Priori-teitsschulden, v. mv. Schulden, die vooraf moeten betaald worden.

prlseeren, bw. pris^erde, heeft ge-pnseerd. Schatten. Prijzen. — Priseer-der, m. (-s). — Priseering, v. (-en). — Priseertang, v. (-en). — Pnseur, m. (-S).

prisma., o. (-'s, -ta). Kantzuil. Driezijdig geslepen glas (Natuurk.) Doorschijnende middelstof, begrensd door twea vlakke, schuins op elk .nder gerichte zijden.

— Prismabeeld, o. (-en). Kleurenspectrum. — Prismatisch, bn. Kantig. Hoekig.

prison, v. Gevangenis.

l»rivnat, bn. Bijzonder, eigen, afzonderlijk (in tegenstelling met openbaar). Leven als een privaat persoon, als een ambteloos burger. — Privaatbezit, o. —

— Privaatdocent, m. (-en). Leeraar aan eene onderwijsinrichting, zonder aanstelling. — Privaatgcbruik, o. Afzonderlijk gebruik. — Privaat leven, o. Ambteloos leven. — Privaatrecht, o. Gedeelte van het recht, dat de betrekkingen regelt tus-schen bijzondere personen. — Privatief, bn. Uitsluitend, eigen : privatieve jacht.

privastt, o. (..aten;. Geheim gemak. Bestekamer.

privilege, o. (..iën, -s). Voorrecht. Vrijdom. Vergunning. Het groot privilege: overeenkomst door Maria van Bour-gondië met hare onderdanen getroffen (1477). Zij beloofde geen huwelijk te zullen aangaan, geen 001 log te zullen voeren, geene verandering in de munt te brengen, in geene zaken van gewicht te zuiien beslissen zonder de goedkeuring van -le Staten. — Privilegieeren, bw. privile^-serde, heeft geprivilegieerd. Bevoorrechten.

proltiiat, bn. bijw. Echt. Deugdelijk. Beptoeid.

probeereu, bw. probeerde, heeft geprobeerd. Beproeven, toetsen, onderzoeken. Bewijzen. Goedmaken. — Pr quot;beer-kunst, v. Toetskunst. — Probeernaaldt v. (-en). Tortsnaald. — Probeersel, o. (-s). Proef. — Probeersteen, m. (-en). Toetssteen.

probitoit, v. Rechtschapenheid. Eerlijkheid. Goede trouw.

probleem, o. (..emen), problema, o. ( ta). Vraagstuk. Raadsel. Voorstel. — Problematiek, problematisch, bn. Raad-selachiig. Twijfelachtig.

IVobolinK'iffO- Zie Java.

proeeni, o. Percent.

proeew, o. (-sen). Geding, rechtsgeding. Wijze, waarop iets toegaat: een chemisch proces. Verloop eener ziekte. — Prccedeeren, ow. procedeerde, heelt geprocedeerd. Handelen, te werk gaan. Een geding voeren, pleiten. — Procedure, v. (-n,-s). Rechtsgeding. Rechtspleging.lMeit-handel. — Proceskosten, m. mv. — Processtukken, o. mv. — Proces-verbaal, o. (-sen verbaal). Verslag. Ambtelijk ver-


ocr page 692

PROE — t

Blag. — Proceszaak, v. (..aken). — Pro-cesziek, bn.

procesülo, v. (..iën, -s). Plechtige omgang met of zonder het h. Sacrament binnen of buiten de kerk. — Processieèoek, o. en m. (-en). — Processteswijze, ..wys, bijw. In statigen optocht of omgang.

proelstinovroii, bw. proclameerde, heeft geproclameerd. Afroepen. Uitroepen. Afkondigen. — Proclamatie, v. (..iën, -s).

procurntio, v. (..iën, -s). Volmacht. Lastbnef. — Procuratiehouder, m. (-s). Gevolmachtigde van een handelshuis. — Procurator, m. (-s, -engt;. Lasthebber. — Procureur, m. (-s). Magistraat, belast met het openbaar ministerie bij elke rechtbank van eersten aanleg. — Procureur-crimineel, m. (-s-crimineel). — Procureur-generaal, m. (-S-generaal). Magistraat,belast met het openbaar minister!»» bij het Hof ▼an cassatie en bij ieder Plof van beroep. — Procureur schap, o. — Procureurs-kantoer, o. (..oren). — Pocureursklerk, m. (-en).

prodnet, o. (-en). Voortbrengsel, opbrengst. Uitkomst eener vermenievuldi-ging. — Productie, v. (..iën, -s). Voortbrenging, het voortgebrachte. (Recht.) Overlegging. — Productief, bn. Voortbrengend. vmehtbaar. Winstgevend. — Productiviteit,\ .V oortbrengende, scheppende kracht. Vruchtbaarheid.

proef, v. (..ven). prooT-o, v. (-n). Onderzoek om de rechte ceschapenheid van iets te kenden : iem. op de proef stellen. ^Rekenk.) Berekening om zich van de nauwkeurigheid eener andere berekening te overtuigen. (Nat.) Waarneming : natuurkundige proet. Gedeelte van iets, waaruit men over de gesteldheid van het geheel kan oordeelcn : eenige proeven wijn. Smaak : hij heeft eene goede proef (voor wijn, enz.). Sterkte of graad van geestrijke dranken. Merk op goud of zilver. Lettor-kundig opstel : pioeve van woordverklaring. (Drukk.) Voorloopige afdruk van het zetsel : eene proef ralezen. Bewijs, blijk : dat is eene proef van vriendschap. Ge stelt mijn geduld op eene zware proef. — Zie Godsgericht. Bij de vuurproef moest de beschuldigde zijne bloote hand een gewissen tijd in het vuur houden ; of hij ging in zijn hemd door een brandenden houtstapel; of men deed hem een gloeiend ijzer in de hand dragen of blootvoets betreden : in elk geval was verbrand zijn een toeken van schuld. Bij de waterproef wierp men eenen ring of steen in eenen ketel vol kokend heet water, de beschuldigde morst er hem met oniblooten arm zonder letsel uithalen, anders werd hij schuldig verklaard. Ofwel men stortte den beschuldigde in een stilstaand water : dreef hij boven, zoo was hij schuldig; ging hij naar onderen, dan werd hij voor onschuldig gehouden en men trok er hem uit. Bij de kruisproefrwwsXnxi beide twisters met uitgestrekte armen onbeweeglijk aan een kruis staan. Die de eerste handen of armen bewoog was verloren. De luapenproef- was een tweegevecht, waarbij de aanklager en zijn tegenstrever

4 — PROF

beide met de kling in de hand elkander bevochten : die de nederlaag had, was de schuldige. — Proejbank, v. (-en). Bankr waarop men de geweerloopen onderzoekt.

— Proefblad, o. (-en). Drukproef. — Pr oef dag, m. (-en). Dag van onderzoek. Proefdagen : quarantaine. — Proef druk, m. — Proejffleschje, o. (-s). — Proef garen, o. (-s). — Proefgetal, o. ( len). — Pr oef gewicht, o. (-en). — Pr oef goud, o.

— Proefhoudend, bn. Echt, van goed gehalte. — Proefjaar, o. (..aren). Jaar van» beproeving, onderzoek. — Proefkraan9 v. (..anen). Waterpeilkraan van eene stoommachine. —Proefkunst,^. — Proef-lepel, m. (-s). — Proefles, v. (-sen). — Proeflokaal, o. (..alen). Tapperij.— Proefmaat, v. (..aten). — Proefmortier, m. {-en). — Proef munt, v. (►en). Model der geslagen munt. — Proefnaald, v. (-en). — Proefneming, v. (-en). — Proefntimmer, o. (-s). — Proefondervindelijk, bn. bijw. Door waarnemingen onderzocht, daarop zich grondende. — Proefplaat,.\. (..aten).

— Proefpreek, v. (-en). — Pr oef reis, v. (..zen). — Proefrit, m. — Proefrol, v. (-len). — Proefschyfjc, o. (-s). — Pr oef-schot, o. (-en). — Proefschrift, o. (-en).

— Pr oef slot, o. (-cn). Slot met geheim werk. — Proef smeltkroes, m. (..zen). — Pr oef som, v. (-men). — Proefspel, o.— Proefsteen, m. (-en). Toetssteen voor goud en zilver. — Proefstuk, o. (-ken). Meesterstuk bij de gilden. Proefstuk eener munt (ten bewijze van het gehalte). — Proeftegel, m. (-s). — Proeftijd, m. Tijd van beproeving, onderzoek. — Proeftinr o. Gewoon tin. — Proeftuin, m. (-en). Tuin, waarin men moesgroenten, euz. tot proet verbouwt. — Proefveld, o. (-en). Veld, waar landproducten tot proef gezaaid worden. — Proefwerk, o. — Pr oef-wijn, m. — Proefzending, v. (-en), — Proefzilver, o. —Proeven, bw. proefde,, heeft geproefd. Smaken, den smaak onderzoeken. Den mond ergens aanzetten. Goud,, enz. proeven, hot gehalte onderzoeken. (Haatdr.) Eene proef trekken. Ondervinden : nu proeft hij wat het is. — Proeven-lezer, m. (-s). (Drukk.) Die proeven opleest, enz. — Proeven/eesster, v. (-s). — Proevenlezing, v. (-en). — Proever, m-(-s). — Pr oef ster, v. (-s). —Proeving, v.

procHtcu, ow. proestte, heeft geproost. Snuiven (van paarden). Hard niezen. Zij proestten van het lachen : zij braken in een heftig lachen los.

profisinccrcii, bw. profaneerde, heeft geprofaneerd. Ontheiligen. Ontwijden.Ont-eeren. — Profaan, bn. bijw. Oningewijd. Heiligschennend. —Profaan, m. (..anen)» Oningewijde. — Profanatie, v. (..iën,-s)»

profeet, m. (..eten). Iem., die voorzeggingen doet. De groote Profeten : Daniël, Ezechiël, Isaïas, Jeremias. De kleine Profeten : Abdias, Aggaeus, Amos, Ha-bacuc, Joël, Jonas, Malachias, Michaeas,. Nahum, Osee, Sophonias.Zacharias. Waarzegger. Voorspeller van de toekomst. — Profeteeren, bw. ow. profeteerde, heeft geprofeteerd. Voorspellen. Voorzeggen. — Profetenbroodfe, o. ( s). Zeker luchtigjje-


ocr page 693

PROM —b

bak. —Profetenkoek, m. Soort van fijnen koek. — Profetes, v. (-sen). — Profetie, v. (-ën). Voorzegging. Voorspelling. — Profetisch, bn. bijw.

professeereu, bw. pro fesseerde,heeft geprofesseerd. Leeren. Belijden.— Professor, m. (-en, -s). Leeraar. Inz. hoogleeraar. —Professoraal, bn.Tot het hoogleersambt behoorende. Deftig, geleerd : een professoraal voorkomen. — Professoraat, o. (..aten). Leeraarschap. Hoogleeraarsambt.

professen, bw. profeste, heeft geprofest. lem. na den proeftijd als lid van een klooster inwijden en zijne gelofte laten doen. — Profes, o. Kloostergelofte.

professie, v.Beroep, handwerk. Kloostergelofte. — Professioneel, bn. Professioneel onderwijs : onderwijs in ambachten en handwerken.

proficiat, tw. Wel bekome het u! Geluk er mee! Geluk : ik wensch u proficiat.

profiel, o. (-en). Op zijde geteekend beeld. In profiel : op zij.

profijt, o. (-en). Voordeel. Winst. Genot. Baat. Profijtelijk, bn. bijw. Voordeelig. Winstgevend. — Profijtelijk he id, v. —Profijter ije, o. (-s). Standaardje om er eindjes kaars op te laten uitbranden. — Profijtig, bn. Voordeelig (van zaken). Spaarzaam ; zij is eene profijtige huismoeder. — Profiteer en, profiteerde, heeft geprofiteerd. Bw. Voordeel, baat, winst of nut uit iets trekken. Nutten, gebruiken : gaat gij iets profiteeren? Ow. Baten. Helpen, vorderingen maken, goed leeren.

profnsie, v. Overvloed : in profusie, progrramma, o. (-'s). Opgave, feestblad, feestkaart, lijst. Blootlegging van beginselen.

pro gres, v. (-sen). Voortgang. Vooruitgang. — Progressie, v. (..iën, -s). Voortgang.Opklimming. (Rekenk. )Reeks. (Muz^) Voortschrijding, klimming.— Progressief, bn. bijw. Trapsgewijs opklimmend, toenemend. — Progressist, m. (-en). Vooruit-strever. Voorstander van den vooruitgang. — Progressistisch, bn.

project, o. (-en). Ontwerp, bestek. Bedoeling, voornemen. — Projectenmaker, m. (-s).

Sjrojeetle,jrojeetle, v. (..iën, -s). Afteekening, ets, teekening. Uitstraling. Worp. De projectie van Mercator heelt toenemende breedte graden, deze groeien aan in dezelfde verhouding, waarin de lengtegraden afnemen, zoodat de betrekkelijke grootte overeenkomt met de werkelijkheid, projectiel, o. (-en). Werptuig.

prol, v. Appelbrij. — Prolbroek, m. Kort, dik ventje. — Prollig, bn. Dik, gestremd (als prol).

Wproletariër,proletariër, m. (-s). Arme werkman, roeter. Loonslaaf. — Proletariaat, o. Werkende stand. Laagste volksklas. Loonslaven.

proloog, m. (..ogen). Voorrede, in-leidingsrede. Voorspel.

promesse, v. (-n). Belofte. Promesse van betaling. , , r

promoveercn, promoveerde, heeft en is gepromoveerd. Bw. Bevorderen. Ow.

5 — PROP

Bevorderd worden (tot). — Promotie, V. (..iën, -s). — Promotor, m. (-s, -en). Bevorderaar.

prompt, bn. bijw. Vlug, vaardig, snel, gezwind. Stipt, nauwkeurig. Spoedig ; prompte betaling.

promnlireercu, bw. promulgeerde, heeft gepromulgeerd. Afkondigen. Bekendmaken. — Protnulgatiquot;, v. (..iën, -s).

prondel, prongel, m. (-s). Lappen en vodden, oud ijzer, oude boeken, enz. — Prondelgoed, o. — Prondelkast, v. (-en).

— Prondelviarkt, v. (-en).

pronken, pronkte, heeft gepronkt.

Ow. Vertooning maken. Pralen. De pauw pronkt, spreidt zijnen staart waaiervormig uit. Pruilen. Zich verongelijkt rekenen. Do lucht pronkt, is met wolken overdekt zonder dat er regen komt. Bw. Versieren. —

— Pronk, m. Sieraad : dit is zijn pronk. Overdreven opschik : er heerscht meer pronk dan goede smaak daar in huis. Roem, glorie : hij is de pronk van het gewest. Te pronk, te zien staan. — Pron-kaard, pronkerd, m. (-s). IJdel jonkman.

— Pronkappel, m. (-s). Kalebas. — Pronkbed, o. (-den). — Pronkbeeld, o. (-en). — Pronkbehangsel, o. (-s). — Pronkbloem, v. (-en) — Pronk bok, m. (-ken). Soort van Antilopenbok. — Pronkboon, v. (-en). Groote roode boon, met zwarte spikkels. — Pronkdegen, m. (-s). — Pronkdeken, v. (-s). Sprei. — Pronker, m. (-s). Die pronkt. ^NIoppe-boon. — Pronkerig, bn. bijw. Overdreven mooi. — Pronkerigheid, v. — Pronkerij, v. (-en). — Pronkgewaad, o. (..aden). — Pronkgraf,o. (..ven). Praalgraf.— Pronk' juweel, o. (-en). — Pronkkamer, v. (-s).

— Pronk kast, v. (-en). — Pronkkleed, o. (-eren). — Pronklelie, v. (..iën, -s). Fraaie uitheemsche bloem {methonica gloriosd),

— Pronknaald, v. (-en). Eere-, grafnaald.

— Pronknaam, m. (..amen). —- Pronk' paard, o. (-en). — Pronksieraad, o, (..aden).— Pronkster, v. (-s).— /'ronk-stuk, o. (-ken). Stuk tot pronk. Juweel, sieraad. —Pronkwagen,m. (-s). — Pronk» werk, o. (-en). — Pronkzetel, m. (-s). — Pronkziek, bn. — Pronk ziekte, v. — Pronkzucht, v.

pronselen, bw. ow. pronselde, beeft gepron eld. Knoeien. Ruilen. Kwanselen.

— Pr onselaar, m. (-s). — Pr onselaar ster, v. (-s). — Pronselgeld, o. Zakgeld. — Pronselwerk, o. Broddelwerk.

pront. Prompt.

prooi, v. (-en). Alles wat met geweld of list verkregen is : de tijger wierp zich op zijne prooi. Het huis werd eene prooi der vlammen. Het schip werd de prooi der golven. Ter prooi zijn aan wroeging.

proost,m. (-en). Kloostervoogd. Geestelijke, die eene parochie bedient, welke tot eene kerkgemeente nog niet verheven is. (Middel.) Geestelijke ambtenaar van kerkelijke goederen, leenen of vrije bezittingen. — Proosdij, v. Ambt van eenen proost, (-en) Plaats, waar een proost zijn ambt uitoefent. Woning van eenen proost.

— Proostschap, o.

prop,v.(-pen). Stop, die in eene opening


ocr page 694

PROT —(

ingedrukt of vastgeslagen wordt, om deze dichtte maken. Papier enz. dat men op de lading van een schietwerktuig steekt. Rond stuk hout, dat in een kanon wordt gestoken om het indringen van eene vloeistof te belettt n. Bolletje deeg om het gevogelte te mesten. — Prop, m. en v. (-pon). Kort, dik en zwaarlijvig mensch. — Propdarm, m. (-en). Veelvraat. — Propgai, o. (-en).

— Proppen, bw. propte, heelt gepropt. Stoppen. Vullen. Vogels met proppen voeden. — Proppenschieier, m. (-s). Klapbus.

— Pr oppentrekker, m. (-s). Krasser. — Propvol, bn. Zeer vol.

ItropsicdeutiMcli, bn. Voorbereidend : propaedeutisch examen. — Propae-deutisch, o. Examen van voorbereiding.

propsiersmdsi, v. Voortplanting. Propaganda maken: aanhangers werven. Werven. — Pr opagat ie, v. Voortplanting. Uitbreiding.

proper, bn. Net, rein, zindelijk, zuiver. Eigen : proper goed. — Properheid, v. — Propertjes, bijw.

propoiieercii,bw. proponeerde,heeft geproponeerd. Voorstellen. — Proponent, m. (-en). —Proponentsformule, v. — Proponentsplaats, v. (-en).

propoost, o. (-en). Rede, gesprek, woord. Besluit, voornemen.

proportloiieercn, bw. propor-tioneerde, heeft geproportioneerd. In evenredigheid of verhouding brengen. Evenredig maken. —Proportie, v. (..iën, -s). Evenredigheid. Verhouding. Afmeting.

— Proportioneel, bn. In evenredigheid (met). In verhouding (tot). Evenmatig.

propoHilie, v. (..iën, -s). Voorstel, voorslag, aanbod. (Wisk.) Stelling.

propriëteit, v. (-en). Eigendom. Eigenschap, — Propriëtans, m. (-sen). Eigenaar. Grondeigenaar.

proweripfi«, v. (..iën, -s). Verbanning. Vogelvrijverklaring.

proweliet, m. (-en). Nieuwbekeerde. Bekeerling. — Proselietenmaken, o. — Prose Hete timaker, m. (-s). — Pr oselie ten-ma ketij, v.

pro*olt;lic, v. Leer der verschillende versmaten. Klankmaat.

proKpeettiM, o. (-sen). Inteekenings-bericht. Voorloopig bericht van een uit te geven boekwerk, van eene te vestigen inrichting, enz.

proHftcn, bw. p oste, heeft geprost. Knoeien. Kwellen. Villen. Morsen. — Prosput, m. (-ten). Riool.

prol, m. (-ten). Wind. Veest. — Prollen, ovv. protte, heeft geprot. — Protter, ra. (-s).

proie«lt;ceren,ow. protc steerde, heeft gepiotesteerd. Zich verzetten (tegen). Verzet aanteekenen. Opkomen (tegen). Tegenspreken. — Protest, o. (en). Tegenspraak. Verzet. Protest aanteekenen : in verzet komen. Rechtsvoorbehoud. Akte van weigering van betaling. — Protestant, m. ( en). Tegenspreker. Hervormde. — Pt ( testantenbond, o. — Protestantendom, o. — Prctestantisme, o. Geloofsleer der Hervormden. — Prolestansch, bn. bijw. — Prolestansgezinde, m. en v.

6 — PROV

(-n). — Prolestatie, v. (..iën, -s). Betuiging. Openlijke verklaring. Vrijwaring, voorbehoud van rechten. Zie Protest. — Protestdag, m. (-en). — Protestkoslen, ra. mv. — Prolestlyd, ra.

protocol, o. (-len). Verslag eener staatsvergadering.

protocollen, ow. protocolde, heeft geprotocold. Uitvoeren, knoeien : wat zitten zij nu weer te protocollen? Gij hebt hier niets te protocollen, niets te zeggen.

protMeu, bw. protste, heeft geprotst. Een stuk geschut op het affuit zetten. — Prolsgat, o. (-en). — Protskelting, ra. (-en).

prottcn, ow. protte, heeft geprot. Morren.

prove, prenve, v. (-n). Zekere kerkelijke verzorging. Zeker jaarlijksch inkomen van eene geestelijke stichting. Geestelijk ambt, waaraan een deel dei kerkin-korasten is toebedeeld. Onderhoud, dat iem. zich in een proveniershuis voor zijn leven bezorgt. Gift aan den arme bij eene uitvaart, jaargetijde enz. — Provenier, ra. (-s). Die een kerkelijk inkomen geniet. Die zich het verbiijf en de verzorging in een gesticht heeft gekocht. — Proveniershuis, o. (..zen).

Provenee. Voormalige provincie van Z.-Frankrijk. Bestaat tegenwoordig uit de departementen : Hautes-Alpes, Basses-Al-pes, Bouches-du-Rhone, een gedeelte der dep. Drome, Var en Vaucluse. — Proveti-faal, m. (..alen). Bewoner van Provence. Minnezanger. — Provengaalsch, bn. — ProvengaaIsch, o. De Proven^aalsche taal.

provinn«leeren, bw. proviandeerde, hei it geproviandeerd. Van levensmiddelen, van mondvoorraad voorzien. — Proviand, v. Vcorraad. Mondvoorraad. Teerkost. — Proviandeering, v. (-en). — Proviandhuis, o. (..zen). —Proviandmees- . ter, ra. (-s). —Proviandschip, o. (..epen).

— Proviandwagen, m. (-s).

provincie, v. (..iën, -s). (Oudt.) Wingewest. (Thans) Onderdeel van een rijk. Gewest, dat door eenen gouverneur, eenen provincialen Raad (o: provinciale Staten) en eme bestendige Deputatie wordt bestuurd. België heeft negen, Nederland elt provinciën. — Provinciaal, bn. Gewestelijk. — Provinciaal, m. (..alen). Bewoner van het platteland. Bestuurder eener geestelijkeprovincie (bij zt-kere kloosterl.ngen),

— Proviquot;ciaalschap, o. — Provincialisme, o. (-n). Gewestwoord. Gewestelijke uitdrukking — Provinciehout, o. Soort van rood verfhout. — Provincieroos, v. (..ozen). Vleeschkleurige roos {rosa provin cta lis). Stamsoort van uitmuntende veisclu idenheden der roos.

proviMte, v. (..iën, -s). Voorraad (van levensmiddelen, brandstoffen, enz.). Bij provisie : voorshands, voorloopig. — Provisiekamer, v. (-s). — Provisiekast, v. (-en). — Provisiekelder, m. (-s). — Provisioneel, bn. bijw. Voorloopig. Voorshands. Bij voorbaat. — Provisor, m. (-s). Opziener, waarnemer. (Apoth.) Eerste bediende.

provocatie, v. (..iën, -s). Uitdaging.


ocr page 695

PRUI — b;

provooHt, m. {-engt;. (Oudt.) Rechts-beambte. — Provoost, v. (-en). Soldatengevangenis.

proxlmltelt, v. Nabijheid.

prozsi, o. Ongebonden «tijl (in tegenstelling met poëzie'. Ondxhterlijke stijl. — Prozaïsch, bn. bijw. In onrijm. Alle-daagsch. Gemeen. Ondichterlijk. — Prozaïst, m. (-en), prozasc/iryver, ra. (-s), — Prozastijl, ra.

bn. Preutsch. Schijnzedig. — Priide, v. (-n). Schijnzedige vrouw. —Pnc-derie, v. (-en). Pr ulschhrid.

Prud'lioii {P. P.), 1758-1823, Cluny. Fr. historieschilder. De ondeugd door de gerechtigheid en de wraak vervolgd.

pruik, p:iriiili. v. (-en). Hoofddeksel van kunstig samengevoegde haren. Gekruld hoofdhaar. — Pruik, ra. (-en). Man \an hooge jaren. Persoon, die aan het oude verkleefd is. Ouderwetpch man. — Pruikebcl, ra. (-len). — Pruikedoos, v. (..zen). — Pruiken, ovv. pruikte, heeft ge-pruikt. Eene pruik dragen. — Pruikenmaker, ra. (-s). — Pruikensti/l, m. (Onder de regeering van Lodewijk XV en Lodewijk XVI). — Pruikentijd,v\. —Pr utke n w in -kei, ra. (-s). — Pruikerig, bn. Oud. Aloud.

— Pruikerigheid, v.

pruilen, ow. pruilde, heeft gepruild. Zwijgende boos zijn. —Pruileniuilen, ow. pruilemuilde, heeft gepruilerauild. Pruilen.

— Pr ui Ier, ra. (-s).— Pruilhoek, ra (-en).

— Pruilitig, v. {-en). — Pruilviond, ra. en v. (-en). lom. wiens mond tot pruilen staat. — Pr ui 1st er, v. (-sgt;.

pruim, v. Vrucht van den pruime-boom. Een weinig tabak om op te kauwen.

— Pruim, m. (-en). Pruimeboom. — Prui-meboom, ra. (-en), pruimelaar, m. (-s). Plantengeslacht (.prunus), tot de aman-delachtigen behoorende. De gewone pruimeboom : prunus domestica. — Prui-meboovien, bn. — /V14imebonmenhnut, o. Pruimedant, v. (-en). Gekonfijte pruim. — Pruimekern, v. (-en). — Pruimellen. prumellen, v. mv. Gekonfijte pruimpjes. — Pruimen, bw. ow. pruimde, heeft gepruimd. Tabak kauwen. Veel en lekker eten. — Pruimenbladroiler, ra. (-s). Zekere vlinder {theela pruni), welks rups tusschen samengesponnen bladeren op de pruimeboomen enz. leeft. — Pruimenconjituur, v. (..uren). — Prui-■mendrank, ra. (-en). — Pruimenkever-tje, o. ( s). — Pruimenmoes, o. — Prut-7nensap, o. — Pruimentaart, v. (-en). — Pruifnepit, v. (-ten|. — Pruimer, m. (-s).

— Pruim er ij, v. (-en). Lekker eten. — Pruiviesteen, m. (-en). — Prutmsch, bn. Niet vroolijk. — Pruimster, v. (-s). — Pruimtabak, v.

Pruisen, o. Voornaamste Staat van het Duitsche Rijk. Bestaat sedert 1866 nagenoeg uit een samenhangend gebied, dat een klein aantal Staten omsluit. Bevolking : 30,000,000 inw. Oppervlakte : 6,324 vierk. geogr. mijl. Hoofds'ad : Berlijn. De koning van Pruisen werd keizer van het Duitsche Rijk uitgeroepen te Versailles (1871). — Pruis, ra. ( en). Inwoner van Pruisen. — Pruisisch, bn. Het zal er Prui-j — PSAL.

sisch zijn : het zal er niet goed afloopen. —» Pruistsch-blauw, o. Berlijnsch-blauw. — Pruisisch-zuur, o. (Scheik.) Zeer vergiftig zuur.

prniscn, ow. pruiste, heeft gepruist. Bruisen.

prul, v. (-len). Ding van geene waarde, vod. Nietig mensch : dat is een prul van een vent. lem. prullen ophangen, hem wat wijsmaken. Beuzeling, nietigheid. — Prul-achtie, bn. bijw. Nietier, onbeduidend. — Pruldichter, ra. (-s). Rijmelaar. — Pi ui-leman, m. (-nen). Prullevent. — Prullen-boel,m. Prullerij.— Prullenhok, o. (-ken).

— Prullenkast, v. (-en). — Prullenkist, v. (-en). — Prullenkooper, m. (-s). — Prullen koopster, v. (-s). — Prullenkraam, v. en o. (..amen). — Prullenmand, v. (-en). — Prullenmoer, v. (-en). Prullenkoopster. — Prullenvaar, ra. (-s).

— Prullerij, v. (-en). Vod. Nietigheid. — Prullevent, m. (-en). Nietswaardig man.

— Prullewerk, prulwerk, o. (-en). — Prullig, bn. — Prulpoëet, ra. (..eten). — Prulschrift, o. (-en). — Prulschrijver, ra. (-s). — Prulschrijfsfer, v. (-s).

pruincl, prunel, v. (-len). Gekonfijte pruim (van Provence).

prunelzout, o. (Sch.) Mengsel van salpeter en zwavel.

pr.ut, v. Wat door lang koken dik geworden is. Dikke karnemelk. Wrongel. Droesem van walvischtraan. — Prut, bn. Verdikt. Al de melk is prut, is bedorven. Zij is niet prut, deugt niet veel. — Prut-kooper, prutverkooper, v. (-s).— Prut-oog, o. en v. (-en). Leepoog. — Prut oog, ra. en v. (-en). — Pruttelaar, ra. (-s). — Pruttelaarster, v. (-s). — Pruttel ar tj, v. (-en). — Pruttelen, ow. pruttelde, heeft geprutteld. Zachtkens koken. Borrelen, Knorren, morren. — Pruttelgeld, o. Zakgeld. — Pruttelig, bn. Knorrig. — Prutter ig, bn. Niet zuiver, maar raet klonters : prutterige gelei.

pruts, ra. (-en). Ding van geene waarde, vod : den pruts verkoopen en het beste voor zich houden, pruts van volk. — Prutselen, ow. prutselde, heeft geprutseld. Knoeien. Beuzelen. Aan eene schilderij prutselen. Met eenen zieke prutselen. — PrutseIwerk, prutswerk , o. Knutselwerk. Knoeiwerk. — Prutsen, ow. prutste, heeft geprutst. Prutselen. — Prutser, ra. (-s). —Prutster, v. (-s).

pssilm, ra. (-en). Loflied. Het boek der Psalmen bevat eene verzameling van honderd vijftig godsdienstige gezangen, waaronder : lofpsalmen, profetische psalmen, dankpsalmen, boetpsalmen, bidpsalmen, leerpsalmen en historische psalmen. Do meeste zijn afkomstig van David, doch Mozes, Asaph, de Korachieten en anderen hebben er ook opgesteld. — Psalmberijming, v. (-en). — Psalmboek, o. en ra. (-en). — Psalmdichter, ra. (-s). — Psalm-zezang, o. (-en). — Psalmist, ra. (-en). Dichter of zanger van psalmen. — Psalmodieeren, ow. psalmodieerde, heeft gepsal-modieerd. Psalmen zingen. Zangerig lezen* Eentonig zingen. — Psalmzingen, o. — Psalmzinger, ra. ^-s). — Psalter, o. (-s)r


ocr page 696

PUIN — 6

Verzameling van psalmen. (Oudt.) Soort -van snarenspeeltuig.

puciKloiiiem, o. (-en). Valschenaam. Verdichte naam. Schijnnaam. — Pseudo-nimiteit, v.

l»*f, t\v. Om iem. te roepen of zijne aandacht te trekken.

pM^ oliolosrie, v. Zielleer : gedeelte van de wijsbegeerte, dat over den aard en de eigenschappen der menschelijke ziel handelt. — Psychologisch, bn. Zielkundig.

Ptolcmacus (C.). Wis-, aardrijks-en sterrenkundige. Leefde in de eerste helft der 2quot; eeuw te Alexandrië. Bekend door 't naar hem genoemde planetenstel-fel.

pnblioccren, bw. publiceerde, heeft eepubliceerd. Afkondigen, bekendmaken. Uitgeven, in het licht geven. — Publicatie, v. (..icn, -s). — Publicist, m. ^-en). Staatsrechtkenner. Dagbladschriiver. — Publiciteit, v. Ruchtbaarheid. Bekendheid. Openbaarheid. — Publiek, bn. Openbaar : publieke wegen, publieke zitting. Ruchtbaar, algemeen bekend : iets publiek maken. Algemeen: de publieke opinie. — Publiek, o. Het volk, de menschen, iedereen. Vergadering, lezers, toehoorders, toeschouwers.

piiddiiifi:, m. ( en). Podding.

puf, v. Trek, lust. Geen puf op iets hebben, er niet veel van verwachten. Bluf. — Puffen, ow. pufte, heeft gepuft. Blazen : zij zaten te puffen van de warmte. Snoeven, pochen. — Pufferig, bn Geneigd tot blazen. Snoeverig, trotsch.— Pufferigheid, v.

Pugret (P.), 1622-1694, Slarseille. Fr. beeldhouwer en schilder. Milan de Cro-tone ; Persée dèhvrant Androviède.

pul, v. (-en), puie, v. (-n). Benedendeel van den gevel. Gevel. Plaats van een Stadhuis, waar men de besluiten enz. afleest. — Puiraam, o. en v. (..amen). Raam boven eene huisdeur.

pui, m. (-en), puid, m. (-en), puit, m. (-en). Bruine kikvorsch.

puik, bn. Best, uitmuntend, keurig : puike haring. — Puik, o. Het beste, het uitgelezenste, de bloem : het puik der jongelingen.— Puikdichter, m. (-s). Uitmuntend dichter. — Puikjuweel, o. (-en). Juweel van het eerste water. Pronkjuweel. — Puikschilder, m. (-s). — Puiksieraad, o. (..aden). — Puik stuk, o. (-ken). Meesterstuk.

puikcl, m. (-s). Fuik.

puilen, ow. puilde, heeft gepuild. Uitsteken. Uitpuilen. — Puilader, v. (-s). — Puiladerig, bn. — Puiloos, o. en v. (-en). Uitpuilend oog. — Pu Hoog, m. en v. (-en). 1— Puiloogig, bn.

puimfttlt;keii, m. (-en) (voorwerpsn.); o. (stofnj. Vulkanisch gesteente, van een sponsachtig voorkomen. Wordt tot poliis-ten, enz. gebruikt. — Puimen,hvr. puimde, Jheeft gepuimd. Met puimsteen gladwrijven. — Puimsteenachtig ,hn. —Puimsteetien, bw. puimsteende, heeftgepuimsteend. Puimen.

puin, o. en v.* (-en). Afval van metselwerk, muren, enz. Onbruikbare gebrokene •Bteenen. Het huis stortte in puin. — Puin-

,8 — PUNT

bak, m. (-ken). — Puingras, o. Kweek.

— Puinhoop, m. (-en).

puist, v. (-en). Klein gezwel: zijn aangezicht is vol puisten. Afkeer : hij heeft er eene puist aan. — Puistachtig, bn. — Puistenbijter, m. (-s). Zeker netvleugelig insect. — Puistig, bn. — Puistigheid, v.

— Puistvormig, bn.

puit, m. (-en). Pui (2® art.). Veenboer in Zeeland. — Puitaal, m. (..alen). Visch {zoarces viviparus). Behoort tot de stekel vinnigen. Leeft op de kusten der Noordzee.

pukkel, peukel, pokkcl, v. (-s). Puistje. Bobbeltje.

pui, v. (-len). Kan, kruik. Zuigkan-netje. — Pullebroer, m. (-s). Zuiper. — Pullen, ow. pulde, heeft gepuld. Drinken. Zuipen.

pulken, ow. pulkte, heeft gepulkt. Peuteren : in den neus pulken.

pulTer, o. Stof, asch. Poeder, buskruit. — PuIverdamp, m. Kruitdamp. — Pulveriseeren, bw. pulveriseerde, heeft gepulveriseerd. Tot poeder vermalen, stampen. In stol doen verkeeren. Vergruizen.

puneh, v. Zekere likeur, die scherp zoet is. — Punc hg las, o. (..zen). — Punchkom, v. (-men). — Punch lied, o. (-eren), puneli, m. Hansworst (in Engeland], punctuatie, v. Het plaatsen der zin-en scheiteekens. Leesteekens.Rustteekens. punctueel, bn. Stipt. Nauwkeurig, punt, v. (-en). Spits, uiteinde : de punt eener naald. Uithoek, landpunt : de uitstekende punten van een land. Soort van gebak. Sluitteeken aan het einde van eenen volzin. Stip op eene i of if. (Muz.) Teeken naast eene muzieknoot geplaatst, om aan te duiden, dat die noot de helft van hare waarde langer moet aangehouden worden. Teeken boven eene muzieknoot, om te kennen te geven, dat de toon moet afge-stooten worden. Zekere maat voor visch : schol per punt verkoopen. Iem. voor de punt eischen, tot een tweegevecht uitdagen. De puntjes op de «zetten ; zeer nauwlettend te werk gaan. — Punt, o. (-en). Uiteinde eener lijn. Zeer kleine stip : punten en streepjes. Zeer weinig : een puntje suiker. Plaats, die door het een of ander juist bepaald is : het punt, waar de zon opgaat. Plaats : de schoonste punten van een land. Standpunt. Tijdstip : hij was op het punt te vertrekken. (Spel) Eenheid, waarnaar het winnen oi verliezen berekend wordt : twintig punten maken. Deel van een onderwerp : dit punt behandelde hij goed. Zaak, stof: op dit punt moet gij hem onderzoeken. —Punt ach tig, bn. — Puntbaard, m. (-en). — Puntbeitel, m. (-s).

— Puntboor, v. (..oren). — Puntdeur, v. (-en). Zekere sluisdeur. — Puntdicht, o. (-en). Epigram. — Puntdichter, m. (-s).

— Puntdiertjes, o. mv. Behooren tot de infusiediertjes van de groep der straaldie-ren. — Puntdraad, o. Gedraaide stalen draden met punten. — Punteer en, bw. punteerde, heeft gepunteerd. Afpunten, afstippen. De eerste punten (van een verdrag) opteekenen. Naar een punt richten. Met punten bezetten, teekenen. — Pun-


ocr page 697

— 639 —

QUAC

QUAD

deeryzer, o. ( s). — Punieering, v. C-en).

— Punteer si a tig, v. (-cn). — Punteer-staaf, v. (..aven).— Punteloos, bn. Stomp.

— Punten, b\v. puntte, beeltgepunt. Eene puntmaken (aan). — Punter,xu. (-s). Soort van schuit. — Piinthaak, ra. (..aken). — Punt hamer, m. (-s). — Punthouweel, o. (-en). — Puntig, bn. — Puntigheid, v. (..heden). — Puntiglijk, bijw. — Punt-yzer, o. (-s). — Puntkogel, m. (-s). — Punt lood, o. (-en). Soort van schietlood.

— Puntrede, v. (-nen). Puntspreuk. — Puntschaaf, v. (..aven). — Puntsgewijze, bijw. Punt voor punt. — Puntspreuk, v. (-en). Kernspreuk. Bondig gezegde. — Punts tuk, o. (-ken)-.

pu»tuur, v. (..uren). (Boekdr.) Stiftje, pupil, v. (-len). Oogappel.

pupil, m. en v. ( len). Pleegkind. — Pupillenschool, v. (..olen). School, waar kinderen van soldaten, enz. worden verzorgd en opgevoed.

purcu, bw. puurde, heeft gepuurd. Zuiveren, louteren. Uithalen : boonen puren.

purgccrcii, bw. ow. purgeerde, heeft gepurgeerd. Zuiveren (den buik). — Pur-gatie, v. (..iën, -s). Buikzuiverend middel.

— Purge er doorn, m. (-s). Duindoorn.— -Purgeerdrank, m. (-en). —Purgeerend, bn. — Purgeerkruid, o. — Purgecrviid-del, o. (-en). — Purgeernoot, v. (..oten).

— Purgeer pil, v. (-len). — Purgeerpoe-der, ..poeier, v. (-s). — Purgeer vlas, o. Klein éénjarig plantje {linum catharii-cum). Komt voor op onze venen en veenachtige heidevelden.

purim, o. Zeker feest (bij de Joden). puriMiiK', o. Taalzuivering.— Purist, m. (-en). Overdreven taalzuiveraar. — Pu-ristery, v. Taalzuivering.

puritein, m. (-en). lem., die streng naar de regels der geloofsleer of der zedelijkheid leeft.

purper, o. Donkerroode verfstof. Kleed, dat in purper geverfd is. Bisschopskleed. Koningskleed. — Purper, bn. Donkerrood van kleur. — Purperachtig, bn.

— Purperblauw, bn. o. — Purperbloem, v. (-en). — Purperen, bn. — Purperen, bw. purperde, heeft gepurperd. Met pur-perverf schilderen.— Purperhoenders, o. mv. Vogelgeslacht {porphyria). Behoort tot de steltloopers. Verscheidene soorten worden in Afiika aangetroffen. — Purperhoutboom. m. (-en). Palissanderboom. — Purperkapel, v. (-len). Kleine dagvlinder {melibeus). — Purper kleed, o. (-eien). — -Purperkleurig, bn. — Purperkoorts, v.

q, (q's). 17® letter van het alphabet. Quatok (//. P. G.), 1834, Zetten. Oud-hoogleeraar (Amsterdam). Directeur der Nederlandsche bank. Buitenlandsch eerelid der K. VI. Academie. De doorgraving •van Heiland op zijn smalst ( 862) \ Mar-tinus des A mor ie van der Hoeven (1869); I)e Socialisten (1875-1895).

Schailakenkoorts. — Purperreiger, m. (-s). Vogel, tot de steltloopers hehoorende. Heeft zeer fraaie roodbruine tinten. — Purperrood, bn. o. — Purperschelp, v. (-en). Schelp van de purperslak.—Purperslak, v. (-ken). Buikpootig weekdier. Brengt een kleurloos vocht voort, dat door de lucht en het licht eene donkerroode kleur verschaft. — Purpersteen, o. Porfier. — Purperverf,v. (..ven). —Purper-vervig, bn. —Purperwier, o. Soort van zeegras.

put, m. (-ten). Groeve : putjes in 't gezicht. Kuiltje : putjes in de wangen. Gegraven of geboorde diepte, waarin men een gestadigen toevloed van water vindt. Zulke eene diepte van binnen met steen bekleed. Als het kalf verdronken is, dempt men den put. — Putbaas, m. (..azen). Opzichter over eene ploeg aardwerkers, enz.

— Putboor, v. (..oren). — Putdeksel, o. (-s). — Putdelver, m. (-s). —Putemmer, m. (-s). — Putgalg, v. (-en). — Putgraver, m. (-s). — Puthaak, m. (..aken). — Put-keten, v. (-s). — Putketting, m. (-en).— Putrad, o. (-eren). — Putruimer, m. (-s).

— Putten, bw. ow. putte, heeft geput. Water uit eenen put ophalen. Halen (uit). Ontleenen (aan). — Putter, m. (-s). Die put. Drinkebroer. Distelvink. — Putting, v. Het putten, (-s) (Zeew.) Touwwerk, dat dient om hetstengewant te zetten. — Putster, v. (-s). — Putwater, o. — Put zwengel, m. (-s).

putoer, m. (-s). (Oudt.) Zeeofficier van lagerenrang.

putoor. Zie Pitoor.

puts, v. (-en). Scheepsemmer. — Putsen, bw. putste, heeft geputst. Water met de puts scheppen.

puur, bn. Zuiver, louter : dat is de pure waarheid. Bijw. Geheel en al : hij is puur arm. Hij deed het puur om hem te behagen, alleen daarom.

pi ramide. Zie Piramide, pyrometer, m. (-s). Vuurmeter. —

— Pyrotechnic, v. Vuurwerkerskunst. Kunst om vuurwerk te maken. — Pyro-technisch, o

I*yrrlio. Grieksch wijsgeer. Stichter der oudere sceptische school. Leefde omstreeks 340 vóór Chr.

Py tli» go ras. Grieksch wijsgeer. Geboren te Samos omstreeks 585 vóór Chr.

pytliou, m. (-s). Soort van reuzenslang op de Soenda-eilanden. (Myth.) Geducht monster, door Apollo overwonnen.

quadrsisit, o. (..aten). (Meetk.) Vierkant, regelmatige vierhoek. (Wisk.)Tweede macht van een getal. (Drukk.) Letter-staafje, om bij het drukken de witblijvende ruimten aan te vullen. Zeker toestel bij electrische proeven. Groot quadraat; zeker vierkant, door groote sterren gevormd. — Quadraat, bn. Vierhoekig. Vierzijdig. —


ocr page 698

— 640 —

RA

RAAD

Quadraatgefaly o. (-len). Vierkant getal. — Quadraatzvoriel, m. (Wisk.). — Quadrant, o. (-en). Vierde gedeelte van een geheel, inz. van eeren cirkel. Hoekmeter. Hopgtemeter. — Quadratuur, v. Verandering in een vierkant. Quadratuur des c-irkels : herleiding van den cirkel tot een vierkant van gelijken inhoud; iets, datniet uit te voeren is. — Quadreeren, bvv. qua-dreerde, heefc gequadreerd. Vierkant maken. Den inhoud van ren vlak berekenen. Een getal niet zich zeil vermenigvuldigen. Passen, schikken. — Quadrille, v. ( sj. Dans met vier personen. Zeker kaartspel met vier spelers. — Q tnilrilleeren, ow. quadrilleerde, ïieeft gequadrilleerd. In eene quadrille dansen. tKaartsp.) Quadrille spelen. — Quadrillioeti, o. (-en). Duizend trillioen. — Quadrumanen, m. mv. Vierhandige lt; ieren. — Quadrupeden, m. rav. Viervoetige dieren. — Quadrtipel, bu. Viervoudig. — Quadruplerren, bw. qua-drupleerde, heefc yequadrupleerd. Verviervoudigen. Viermaal yrooter maken.

«lusl4^Hlic, v. (..iën, -s). Vraag, vraagstuk : dat is de quaestie. Zaak : eene belangrijke quaestie. Spraak : er is geene qua* stie van. Twist, gej-chil : met iem. in quaestie zijn. Quaestie zal hij komen : wie weet ol hij zal kom» n. — Quaestieus, bn. Onzeker. Twijfelachtig. — Quaestor, m. (-en). (Rom. pesch.) Titel van een overheidspersoon, die op den laagsten trap der boogt re eereambtcn stond. — Quaestuur, v. Ambt, waardigheid van quaestor.

bw. quHlifi(c)eerde, het Ic gequalifi(c)eerd. Noemen. Benoemen. Eene eigenschap toekennen. Gequa-lifieerde diefstal : diefstal met verzwarende omstandigheden. — Qualificatie, v. (..iën, -s). Toekenning eener hoedanigheid. Betiteling. (Recht.) Aanduiding of bepaling der daden, waarvoor de betichte vervolgd wordt.

«liialitcit, v. (-en). Hoedanigheid. Gesteldheid. Eigenschap. Aard. — Qualtta-tief, bn. Volgens de waarde. Naar den aard, het gehalte.

«liiantifcit, v. (-en). Hoeveelheid. Aantal. — Quantitatief, bn. Naar de hoeveelheid, grootte. — Quantum, o. Maat. Bedrag. Aandeel. Hoeveelheid.

«liistraiilsUiic, v. Ligtijd : gedwongen oponthoud (oorspronkelijk op 40 dagen bepaald) van schepen en reizigers, die uit landen komen waar eene besmettelijke ziekte heerscl t. De plaats, waar zulke schepen blijven liggen.

quart, o. (-en). Vierde toon van den. grondtoon in de diatonische toonschaal. Interval van vier trappen. Zie Kwait. — Quartet, o. (-ten), qziatuor, o. (-s). Vierstemmig muziek- ol zangstuk. — Quart-Jiuit, v. (-en). — Quarto, o. (-'s). Boekformaat, waarbij hetdrukvel vier bladen heeft.

— Quarto formaat, o. — Quatertemper, m. (-s). Drie geboden vastendagen, den woensdag, vrijdag en zaterdag eens in ieder der vierjaargetijden te onderhouden.

— Quatrain, o. (-s). Vierregelig gedichtje.

— Qnatre-vtains, v. Pianostuk, voor vier banden gezet.

qusisi, bijw. Nagenoeg. Ongeveer. Bijkans.

Hucll.yn. 10 (/T.), 1607-1678, Antwerpen. Historieschilder. De Rust in Egypte; S1 Rock us. 2° Zijn zoon (^. £.), 1634-1715, Antwerpen. Historieschilder,

— 30 (^.), i6o9-iC68, Antwerpen. Beeldhouwer.

«luétclct (L. A. J.), 1796-1874, Gent. Wis- en sterrenkundige.

quiëfIniuo, o. Gemoedsrust. Volko-mene berusting in Gods wil. — Quiëlist, m. (-en). Aanhanger van het quiëtisme. — Quiëtistery, v. (Spott.) Quiëtisme. — Quiët/stisch, bn.

Huiiickliardt (^. il/.), 1688-1772, Rees. Holl. portretschilder.

[£.), 1803-1875, Bourg. Fr. dichter, geschiedschrijver en wijsgeer. CEu-vres completes (1856- '59).

quiu«inet, v. (-s). Lamp (raar den naam van den uitvinder). — Qui-tiquet-oh*, v.

quiiit, v. (-en). Vijfde toon van den grondtoon in de diatonische toonschaal, interval van vijf trappen. — Quintaal, o. (..alen). Centenaar. — Quintet, o. (-ten). Vijfstemmig muziekstuk.

quintcHMeuec, quintcHHeiiM, v. Het fijnste, het beste, het edelste, het voornaamste.

quipropo, o. (-'s). Vergissing. Misgreep. Misstap.

ti 1 riuaal, o. Pauselijk paleis (Rome). quïteeren, bw. quiteerde, heeft ge-quiu-erd. Als voldaan onderteekenen. Verlaten, laten varen. — Quit an tie, v. (..iën, -s). Kwijtbrief. Kwijtschrifc.

quitte, bn. Elten. Kwijt.

quorum, o. Vereischt getal.

quota, v. (-'s). Aandeel.

quo tiëut, o. (-en). (Rekenk.) Uitkomst eener deeiing.


R

r, v. (r's). 180 letter van het alphabet, ra, v. (raas). Lange, ronde steng, krui-se ings aan de masten van groote schepen hangerde en dienende om de zeilen uit te spannen. Zie Mast. — Raketting, m. (-en). (Zeew ) Ketting, die de ra vasthoudt. — Ra lijk, v. (-en) (Zeew.). — Raly'n, v. (-en). (Zeew.).— Raring, ra. (-en). (Zeew.).

— Raschip, o. (..epen). — Ratouw, o» (-en). (Zeew.). — Razeil, o. (-en). (Zeew.).

raad, m. (..aden). Aanbeveling om iets te doen of te laten : goede, wijze raad. Middel, hulp : daartoe weet ik geenen raad. Overleg : met raad te werk gaan. Besluit : de vergadering besloot dezen raad. Zeker aantal personen, die te zamen


ocr page 699

RAAK — t

beraadslagen over hetgeen moet gedaan worden. Zeker aantal personen met besturende of rechtsprekende macht. Gemeenteraad, stadsbfstuur. De Raad van State : staatslichaam, ran hetwelk alle vooistellen door een vorst aan de Staten-Generaal of omgekeerd gedaan, benevens alle alge-meene maatregelen van inwendig bestuur onderworpen moeten worden. De Raad van Indië: soort van raad van State voor Indië- De hoogeRaad:hct hooge gerechtshof. De hooge Raad van Adel / geeft adviezen in zaken, den adel betreffende. iVo-v in et'a le Ra a d: r ech tstr eeks gekozen volksvertegenwoordigers, die de belangen eener provincie ter harte nemen, voor hare geldzaken zorgen , reglementen vaststellen, over de gemeenten waken. E\argelische raden : « deugden, die niemand schuldig is te aanvaarden, maar die nochtans van Christus aangeprezen zijn, te weten : gewillige armoede, eeuwige zuiverheid en volkomen gehoorzaamheid. » — Raadgevend, bn. — Raadgever, m. (-s). — Raadgeefster, v. (-s). — Raadgeving, v. (-en).

— Raadhuis,o. (..zen). Stadhuis. Gemeentehuis. — Raadkamer, v. (-s). — Raad-Pensionaris, m. (-sen). (Eert.) Aanzienlijk staatsambtenaar van Holland en West-Friesland. — Raadplegen, raadpleegde, heeft geraadpleegd. IBw. Om raad vragen. Ow. Overleggen, overwegen. — Raadpleger, m. ( s). — Raadpleging, v. — Raadsbesluit, o. (-en). — Raadsheer, m. (-en).

— Raadsheerlijk, bn. — Raadsheerschap, o. — R'tadslag, m. (-en). — Raadslid, o. (..eden). — Raadsman, m. (..lieden). — Raadsvergadering, v. (-en). — Raadszit-ting, v. (-en). — Raadvragen, o. — Raad' vraging, v. — Raadzaal, v. (..alen). — Raadzaam, bn. Geraden. Dienstig. Nuttig. — Raadzaamheid, v.

raadsel, o. (-en, -s). Omschrijvende voorstelling van een ongenoemd voorwerp, enz., dat te raden, te zoeken is. — Raadselachtig, bn. bijw. Duister. Ingewikkeld. Twijfelachtig. — Raadselachtigheid, v.

— Raadselboek, o. en m. (-en). — Raadselwoord^. (-en).

rasil', rave, v. (raven). Vogel {cor-vus corax). Behoort tot de familie der cor-vidae. Neemt in die familie door zijne grootte de eerste plaats in. Leeft in Europa, N.-Az ë en N.-Amerika. Het is eene witte raaf, iets zeer zeldzaams.

raas-bol, m. (-len), raaeborstcl, m. (-s), ••:iaK («Oliool'lt;I, o. (-en). Langharige borstel om spinrag weg te nemen.

— Raagstok, m. (-ken).

raai, v. (-en). Smalbladige hennepne-tel : galeopsts grandiflora.— Raaz'gras, o. (-sen). De beste grassoort voor weiden.

raak, bn. Geraakt. Getroffen. — Raak-gooten (^ch.^ bw. — Raaklijn, v. (-en). Rechte lijn, die met den omtrek eens cirkels maar éen punt gemeen heeft. Zie Cirkel — Raakpunt, o. (-en). — Raakschie-ten (Sch.) bw. — Raakslaan (Sch.) bw. — Rn aksmij ten (Sch.) bw.

raak, v. (raken). Tref. Achterste gedeelte van het nehemelte.

raak, v. (raken). Hark.

[i — RABB

raam, ra. Raming. Mikpunt.

raam, o. en v. (ramen). Vensterraam. Werktuig om er iets in of op te spannen. Houtwerk van eene zaag. Grondslag en samenstelling van een schip. — Raam-boovi, m. (-en). (VVev.). — Raamgestel, o. (-len). — Raamkoord, v. (-en). —Raampa-pier,o. — Raamstoel,m. ( en). (Stoomm.).

— Raamzaag. v. (..agen).

raap, v- Plantensoort {drassica rapa). Behoort tot de kooien. —Raap, v. (..apen). Eetbare knol van de raap. In iemands rapen zitten, hem onderkruipen. — Raapak-ker, m. (-s). — Raapkoek, m. (-en). Koek van uitgeperst raapzaad. — Raapkool, v. (-en). Koolsoort. — Raapkruid, o. Het groene aan de rapen. — Raapland, o. (-en). — Raap loof, rape loof, rapenloof, o. — Raapolie, v. — Raapstelen, m. mv.

— Raapvorviig, bn. —Raapzaad, o. raapbord, o. (-en). (Mets.) Plankje

met een handsvat. — Raapgraan, o. Het geraapte graan. — Raap hoen, o. (-ders). Veldhoen. — Raapkalk, v. Pleisterkalk.

— Raaptartue, v.

raar, bn. Zeldzaam,zonder1ing,vreemd, wonderlijk : een rare vogel. Bijw. Zelden : 't is raar dat zulks gebeurt. — Raarheid, v.

raaMbolleu, ow. raasbolde, heeft ge-raasbold. Leven maken. Schreeuwen. — Raasbol, ra. (-len). — Raaskallen, ow. raaskalde, heeft geraaskald. Ijlhoofdig zijn. Ongerijmde taal uiten. — Raaskallend, bn. — Raaskalling, v. — Raas kop, ra. (-pen). — Raasmaandag, m. Koppermaandag.

raat, v. (raten). Honigraat.

raat, v. Ratel.

raband, m. (-en). (Zeew.) Touw om voorwerpen samen te binden.

rabarber,v. Plantengeslacht [rheum). Behooittot de veelknoopigen. De wortel van verschillende soorten wordt als maag middel en tot buikzuivering gebruikt. _

Rabarberpil, v. (-len). — Rabarb*---poeier, o.

rabal, o. Afslag, prijsvermindering, korting. (-ten) Bel (door geestelijken, rechters en hoogleeraren gedragen). Smalle strook boven eene gordijn. Lederen rand aan de kap eener koets ter beschutting tegen den regen. Omslag (aan een kleed). Smal tuin~ of bloembed. — Rabatijzer,o. (-s). (Zeew.) öpijkerijzer met halfcirkelvormige keep. — Rabatrekening, v. — Rabatte haaf, v. (..aven). — Rabatteeren, bw. rabatteerde, heeft gerabatteerd. Korting geven (bij eene betaling).—Rabatten, bw. rabatte, heett gerabat. (Zeew.) De van pek ontbloote naden met het rabatijzer platkloppen en met pek laten volloopen.

rabant, m. (-en). Deugniet. Schelm. Wellusteling. — Rabauten, ow. rabautte, heeft gerabaut. Den rabaut uithangen. — Rabautenstuk, o. (-ken).

rabauw, y. (-en). Grauwe renet. m. (-en). Rabauweboora. — Rabauweboom, ra. (-en).

rabbelen, ow. rabbelde, heeft gerabbeld. Zoo schielijk spreken, dat men onverstaanbaar wordt. — Rabbelaar, m. ( s).— Rabbelaarster, v. (-s). — Rabbejanj', v.


ocr page 700

RADC — 64

(-en). — Rahbeling, v. (-en). — Rabbel-kous, m. en v. (-en). — Rabbelschrift, o. Slecht en onleesbaar geschrift. — Rabbel-iaal, v. Koeterwaalscu. Verbasterde taal.

— Rabbeizak, m. en v. (-ken). Rabbelaar. Rabbelaarster. Hij zit in den rabbalzak, is haast altijd ziek.

rstbbi, m. (-'s).Titel van eenen rabbijn, als men hem aanspreekt. — Rabbijn, m. (-en). Joodsche geestelijke. — Rabbijtien-dom, o. — Rabbynsch, bn. — Rabbin nat, o. (..aten). — Rabbim'st, m. (-en). Aanhanger der rabbijnsche leer.

RabclalH (F.), 1493quot;1553. Chinon. Pastoor te Meudon. Wijsgeer. Geleerde. Taalkenner. Gargantua en Paniagruel.

mboordon, v. mv. Lischdodden.

o. (-ten). Keersluis (in eene beek of eenen waterloop).

rabotte, v. Slemperij, brasserij. Op rabotte gaan : drinken, zuipen.

rabrakcii. Radbraken.

rabuit. Rabaut.

raeatllo, rakalje, o. Gemeen volk.

Janhagel.

Racine, 10 [J. ^.), 1639-1699, LaFerté-Milon. Fr. dichter. Andromaque (1667) ; Britannicus (1669) ; Plaideurs (1669) ; Esther 11689); At ha lie (1691). 20 Zijn zoon (Z.), 1692-1763, Parijs. Dichter. Religion (1742).

rad, o. (-en, -eren). Wiel. (Oudt.) strafwerktuig, waarop men iem. radbraakte. Het rad van avontuur. Het rad der fortuin. Het vijfde rad aan eenen wagen : die of wat overtollig is, hinderlijk is. Onder het rad raken : zich in groote verlegenheid bevinden. — Rad, bn. bijw. Snel, vlug, gezwind : alles gaat hem rad af. — Radband, m. (-en). — Radbarometer, m. (-s). Zie Barometer. — Radbeslag,o. (-en). — Radbraken , bw. radbraakte, heefc geradbraakt. De leden breken van eenen misdadiger op een rad, soms op een kruis. Iets in den grond bederven. Zeer slecht spreken : eene taal radbraken. — Raddiertjes, o. mv. Raderdieren. — Raddigheid, v. Radheid. — Raddraaier, m. (-s). — Radenmaker, m. (-s). — Radenmakerij, v. Het wielenmaken. (-en) Plaats, waar men wielen maakt. — Raderas, v. (-sen). — Rader-baar, v. (..aren). Baar op raderen (om zieken te vervoeren). — Rader balk, m. (-en). (Zeew.). — Raderboot, v. (-en). — Raderdieren, o. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen. — Raderen, bw. raderde, heeft geraderd. Radbraken. — RaJerkast, v. (-en). (Scheepsb.). — Rader stoomjacht, o. (-en). — Rader stoomboot, v. (-en). — Ra-derstoomschip, o. (..epen). — Raderwerk, o. — Radheid, v. Vlugheid. Snelheid. — Radlijn, v. (-en). (Meetk.) Zekere kromme lijn. — Radnaaf, v. (..aven). — Radreg, v. (-gen). (Zeew.;.—Radscheen,v. (..enen).

— Radschijf, v. (..ven). — Radspaak, v. (..aken). — Radspeek, v. (-en). — Rad-sparre, v. (-n). — Radvelg, v. (-en). — Radvormig, bn.

Radcliffe (^1.), 1764-1823, Londen. = Ward. Eng. romanschrijfster. Romance of the Forest (1791) ; the Mysteries of the Castle of Udolpho

2 — RAFF

radelUlc, bn. Wijs. Schrander, radelooii, bn. Geen raad wetend. Wanhopig. — Radeloosheid, v.

raden,ried, heeltgeraden; ook, raadde. Bw. Door gissen te weten komen : gij hebt het geraden. Raad geven : hebt gij hem dat geraden ? üw. Gissen : naar het toekomende raden. Hij raadt er maar naar : hij weet het niet zeker. — Rader, m. (-s). — Rading, v. — Ran'ingspel, o. (-en).

radiraal, bn. bijw. Ingeworteld, diep: eene radicale fout. Grondig, volkomen, heel en gansch : hij is radicaal genezen. De radicale partij. (Wisk.) Radicaal tee-ken ; wortelteeken.—o. (Scheik.) Grondstof. Hoofdvereischte. Voorraamstó eigenschap. (Recht.) Titel. Benaming. — Radicaal, m. (..aleii). Aanhanger van het radicalisme. — Radicalisme, o. Staatspartij, die alles grondig op democratische wijze wil veranderen.

radU1*) v. Plantengeslacht [raphanus). Behoort tot de kruisbloemigen. — Radijst v. (..zen). Knol van een verscheidenheid van de gewone radijs. — Rad jibed, o. (-den). — Radijsboompje, o. (-s). Plant [symphoria racemosa). Behoort tot de kamperfoelieachtigen. De vruchten gelijken op middelmatige radijzen. — Radijs-kool, v. (-en). Raapkool. — Radijsloof, o. — Radijszaad, o.

radiomoier, m. (-s). Stralenmeter. Poolshoogtemeter.

radix, m. (..ces). Wortel. Wortelgetal. Radoux (.7. T), 1835, Luik. Componist. Le Juif errant; le Be'arnais; la Coupe enchantée.

Racpgaet (7. J.), 1750-1832, Oudenaarde. Oudheidskundige en geschiedschrijver. Schets tot d^historie van den oor-spronk van de vader/undschc rechten der Nedt rlanders.

raf, v. Rugvinnen van heilbot, welke ingezouten en gedroogd worden.

RaTaoI Manzio \RaffaelSanti),X4%y 1520, Urbino. It. schilder, bouwkundige en beeldhouwer S. Joris en S. Mie hiel; Drie Gratiën; Heilige Familie; .Mndonna's; de h. Maagd met het kind; Transfiguratie.

rafelen, rafelde, heeft en is gerafeld. Bw. Den inslag van eene gewevene stof tus-schen de schering wegrukken. Ow. (zijn) Losgaan (van draden).—Rafel, v. (-s). liet loslaten der draden van eene gewevene stof. Plaats, waar die draden loslaten. Die draden zeiven. — Rafeiachtig, bn. — Ra-fcldraad, m. (..aden). — Rafeling, v. Het rafelen. Pluksel. (Zeew ) Kabbeling in het water. — Rajelkant, m. (-en). — Rajel-zijde, v.

rafelen, ow. rafelde, heelt gerafeld.

Rijfelen,

raffelen, ow. raffelde, heeft geraffeld. Rabbelen.

raflineeren, raffineerde, heeft geraffineerd. Bw. Louteren, zuiveren, verfijnen : suiker rafflneeren. Ow. Op iets raffineeren : listig iets bedenken. Een geraffineerde, doortrapte kerel.— Roffinade,\. Zuivering (der suiker). Gezuiverde suiker. — Rajfi-nadery, v. (-en). — Raffinadeur, m. (-s).


ocr page 701

RAKE — 6,

— Rafliitnge, v. — Raffinemenf, o. Sluwheid. Verfijning.

rag-, o. Spinneweb. — Ragebol, m. (-len). Raagbol. — Ragen, bw. raagde, heeft geraagd. Spinnewebben, enz. met den raagbol wegnemen. — Rag er, m. (-s).

— Raagsler, v. (-s).

ragout, m. (-s). Opstoofsel. Sterk gekruid vleescbgerecht.

Ralil [K^], 1812-1865, Weenen. Schilder van portretten en historische taferee-len.

raliout, o. (-en). (Zeew.) Sent van de gilling.

rail, v. (-s]. Spoorstaaf. Naam der aaneensluitende ijzeren strooken, over welke de raderen der locomotieven, enz. rollen.

— Railway, railroad, m. Spoorbaan. Spoorweg.

railleorcn, ow. railleerde, heeft gerailleerd. Schetsen. Den gek scheren (met).

— Raillerie, v. (-en). Scherts. Boert.

raiMonnccrcu, bw. raisonneerde,

heeft geraisonneerd. Redeneeren. Oordee-len en besluiten. —Raisonnabel, bn. Redelijk. Billijk. Verstandig. — Ratsonne-ment, o. (-en). Redeneering. Oordeelvelling.

rak, o. (-ken). Rechtuitloopende streek (van eenen weg, eene vaart, enz.). Eind weg, dat men nog te zeilen heelt. Bocht (eener rivier). Rek : schotelrak, hoender-rak. (Zeew.) Touwmetleder bekleed, waarmede de ra tegen den mast, enz. gehouden wordt. — Rakbeugel, m. ( s). (Zeew.).— Rakkestrop, m. (-pen). (Zeew.). — Rak-ketalie, v. (-s), rakketoww, o. (-en). (Zeew.). — Rakketros, m. (-sen). (Zeew.).

— Rakring, m. (-en). (Zeew.).

rake, v. (-n). Hark. — Raken, bw. raakte, heeft geraakt. Harken.

rakelen, bw. rakelde, heeft gerakeld. Bijeenharken. (Het vuur) omroeren. — Rakel, m. (-s), rakelijzer, o. (-s), rakelslok, m. (-ken).

raken, raakte, heeft en is geraakt. Bw. Treffen. Door eenen slag, een schot, enz. bereiken. Betreffen : dit raakt mij niet. Grenzen (aan), belenden : onze huizen raken elkander niet. Vermaagschapt zijn (met) : hij raakt mij niet. Betamen : het raakt de ouders hunne kinderen soms te straffen. Aandoen : dit heeft zijn hart geraakt. Ow. (zijn) Geraken (tot), vallen : in ongunst raken. In brand raken : vlam vatten. Van zijn stuk raken : verlegen ■worden, steken blijven (in eene rede, enz.). Uit het geheugen raken : vergeten. Uit de mode raken : niet meer in zwang zijn. Van den weg raken : verdwalen. In verlegenheid raken, komen. In zee raken, loopen. Slaags raken : handgemeen worden. Om lijf en goed raken : zijne bezittingen en zijn leven verliezen. — Rakelings, bijw. De zwaluwen vlogen rakelings ©ver net water, zoodat zij het bijna raakten. — Raking, v. (-en).

raket, v. Plantengeslacht (sisybrium), tot de kruisbloemigen beboerende. Ook, plantengeslacht {cakile), tot de kruisbloemigen beboerende. — Rakeitekrnid, o. Wilde reseda.

3 — RAMM

raket, v. (-ten). Vuurpijl, die in straleq uiteenspat. •

raket, o. (-ten). Kaatsnet. — Raketbal, m. (-len). —Raketmaker, m. (-s). — Raketslag, m. [-cn).— Raketspel, o. (-en).

— Raketten, ow. rakette, heeft geraket. Het raketspel spelen.

rakker, m. (-s). Dievenleider. Deugniet. Inz. iem., die veel en lang op straat loopt.

rallen^ ow. ralde, heeft gerald. Snappen. Babbelen. — Ralle, v. (-n). Babbelaarster.

ralleutendo, bijw. (Muz.) Langzamer.

ram, m. (-men). Mannetje van het schaap, der marters, wezels, enz. (Oudt.) Krijgstuig, stormram. Een der teekens van den Dierenriem. — Ramshoofd, o. (-en).

— Ramshoorn, ..horen, m. (-s). — Rams-kooi, v. (-en). — Ramskop, m. (-pen). — Ramsstaart, m. (-en). — Ramsvacht, v. (-en).

ram, m. (-men), ramblok, o. en m. (-ken). Zwaar en vierkant stuk, dienende om een schip in beweging te brengen, dat van stapel moet loopen.

Ranihoux (/'/.), 1858, Antwerpen. = Hilda Ram. Dichteres. Een klaver ken uit 's Levensakker (1884); Bloemen en Bladen (1886); Verhuizen (1888); Gedichten (1889); Nog een klaverken uit 's Levensakker (1894).

i'anien, raamde, heeft geraamd. Bw. Met eene juist afgemetene richting grijpen, treffen. Bepalen. Schatten, berekenen. Raadplegen overleggen. Gissen. Ow. Eene juist afgemetene richting aannemen om iets te grijpen of te treffen. — Raming, v. (-en).

ramenaM, v. (-sen). Eene verscheidenheid van de gewone radijs. De knol dezer vrucht. — Ramenas(sejloo/, o. — Rame-nassmaak, m. — Ramenaszaad, o.

rainenaNsen, bw. ramenaste, heeft geramenast. De gewrichten drukken en de leden wrijven om vermoeidheid of pijn weg te nemen.

rammei, v. (-en). Stormram. —Ram' meien, bw. rammeide, heeft gerammeid. Met eene rammei omverstooten, beuken.

rammelen, ow. rammelde, heeft gerammeld. Ritsig zijn (van hazen, enz.). Leven, rumoer maken. Met geld rammelen : geld doen klinken. Hij rammelt van den honger. Beieren. Bw. ow. In het wild praten. — Rammel, ra. (-s). Klokkenspel. Kinderbel. — Rammel, m. en v. (-s), rammelaar, m. (-s^, rammelaarster, v. (-s). Babbelaar, babbelaarster. — Rammelaarf m. (-s). Mannetje van het konijn, van den haas. — Rammelaar, m. (-s). Kinderbel.

— Rammelappel, m. ( en, -s). Kalvijn. — Rammeling, v. Het rammelen. — Rammeling, v. (-en). Pak slagen. — Rammelkast, v. (-en). Oude, ontstemde piano. Groot rammelend rijtuig. — Rammelkees, m. (..eezen). Babbelaar. Prater. — Ram-melkous, m. en v. (-en). Babbelaar, babbelaarster.

rammen, bw. ramde, heeft geramd.


ocr page 702

RANO — 6

Wegbonzen (de palen bij het afloopen van schepen).

raimp, v. (-en). Onheil.'Groot ongeluk. — Rampspoed, m. (-en). Wederwaardigheid. Tegenspoed. Onheil. — Ramp-spoedig, bn. Ongelukkig. Noodlottig. — Rampsfioediglyk, bijw. — Rampzalig, bn. bijw. Noodlottig. IJselijk. Zeer jammerlijk, armoedig. — Rampzalige, m. en v. (-n).

— Rampzaligheid, v% (..heden).

rnmpamMl, o. (-en). (Zeew.) Scheeps-

affuit.

rsimpaard, o. (-en). Wal (in de for-

raiuponeoron, bw. ramponeerde, heeft geramponeerd. Honen, bespotten, vernederen, beschadigen, onbruikbaar maken, vernielen.

rancnue, v. (-s). Wrok.

rand, m. (en). Buitenste omtrek van iets. Omgeving. Omlijsting. Uiterste grens. Aan den rand des grafs : den dood nabij. (Zeew.) Top van den mast. — Randen, bw. randde, heeft gerand. Van eenen rand omgeven. Eenen rand maken (om). — Randgaar, v. (Scheepsb.) Buitenverband.

— Randglosse, v. (-n). Kanttcekening(van eenig drukwerk, enz.). — Ran dij ze r, o. (-s). Zeker gereedschap van glasblazers, enz. — Randlyst, v. (-en). (Timm.). — Randschrift, o. (-en). — Randsteen. m. (-en). Steen van eenen put. — Randswyze, rands-wys, bijw. — Ra n die eken ing, v. Randglosse. — Randwal, m. (-len). Ophooping van puin.

rans, m. (-en). Ord •, rij, reeks. Aanzien, waardigheid. Schikking, regeling. Plaats. — Ranggetal, o. (-len'. — Rang-lijst, v. (-en). — Rangorde, v. — Rangregeling, v. (-en). — Rangschikken, bw. rangschikte, heeft gerangschikt. Regelen. In eene rij plaatsen. De volgorde bepalen. Eene plaats aanwijzen. In orde brengen. (Spraakk.) Rangschikkend telwoord. — Rangschikking) v. (-en). — Rangstryd, ra. Twist over den voorrang. — Rang-zucht, v. — Rangznchtig, bn.

rank, v. (-en). List. Strtek. Booze trek. Honger zoekt ranken : armoede zoekt list.

rank, v. (-en). Stengel van boonen, erwten, druiven, enz. — Rank, bn. bijw. Dun, tenger : bij is rank van gestalte. Een rank vaartuig : vaartuig, dat bij den minsten wind overhelt. — Ranken, v. mv. Soort van duizendknoop. — Ranken, ow. rankte, heeft gerankt. Nieuwe ranken vormen en langs den grond voortkruipen of aan muren Omhoogklimmen (van planten, enz.). — Rankheid, v. — Rankpootigen, m. mv. Soort van schaaldieren.

Ranke (Z^. von), 1795-1886, Wiehe (Thürirgen).Hoogleeraar (Berlijn).Duitsch geschiedschrijver. Die römischeii Pdbste, ihre Kirche nnd ihr Staat int 16 und jy Jahrhundert (1834-'39); Deutsche Ge-schichte tin Zeitalt er der Reformation (1839-'4°); Weltgeschichte (i88i-,88).

ranonkel, v. (-s). Plantengeslacht, tot de familie der ranonkelachtigen behoo-irende. Hiertoe behoort de boterbloem, jtfoz. — Ranonkelachtigen,-?. mv. Planten-

\ — RAS

familie van meestal overblijvende planten.. Zijn veelal verdoovend en giftig — Ra-nonkelbed, o. (-den). — Ranoukelbol, m. (-len). — Ranonkelstengel, m. (-s).

rans, raiiMiK:, bn. Sterk smakend (van boter, enz.). — Ransheid, ransigheid, v.

ransel, m. (-s).Soldatenknapzak. Rug: iem. op zijnen ransel geven. Buik : op zijnen ransel vallen. Pak slagen : iem. wat-ransel geven. — Ranselen, bw. ranselde, heeft geranseld. Slagen geven. — Ranse-ling, v. (-en). Pak slagen.

rannnil, m. (-en). Nachtuil, rantsoen, ransoen, o. (-en). Losgeld. — Rantsoen, o. (-en). Hoeveelheid spijs of drank (voor soldaten, enz.). Hoeveelheid voeder (voor paarden). — Ran(t)-sceneeren, bw. ran(t)soeneerde, heeft ge-ran(t)soeneerd. Vrijkoopen . Op rantsoen stellen. — Rantsoenhout, o. (-en). (Scheepsb.).

rap, bn. bijw. Vlug. Gezwind. — Rapheid, v.

rap, o. Schurft. Roof eener wond. ]an Rap en zijn maat: gemeen volk. — Rappe-rig, rappig, bn. Schurftig. — Rapperig-heid, rappigheid, v.

rapalje, rapaille, o. Gemeen volk. Janhagel.

rapé, v. Soort van geraspte snuiftabak, rapen, bw. raapte,heeftgeraapt. Schielijk naar zich halen. Inzamelen, vergaren. Van den grond opnemen. (Mets ) Bepleisteren : muren rapen. — Rapeltug, ra. (-en^. Appel, peer, enz., die van den boom afgevallen opgeraapt wordt.

rstplioen, o. (-ders). Wijfje van een veldhoen.

rapier, o. (-en). Lange degen. Inz.

schermdegen.

raponsje, o. (-s). Plant, tot de klok-jesachtigen behoorende.

rappeleeren, bw. rappeleerde, heeft gerappelet-rd. Teiugroepen. Herinneren.

— Rappel, o. Terugroeping. Heroproeping. Herinnering. Waarschuwing. Vermaanbrief. Aanmaning.

rapporteeren. bw. rapporteerde,, heeft gerapporteerd. Verslag geven. Overdragen (ill ongunstigen zin). Opbrengen, opleveren. Inbrengen. — Rapport, o. Het terugbrengen, (-en) Verslag, bericht, me-dedeeling. Verband, betrekking, samenhang. — Rapporteur, ra. (-s). Verslaggever. Overdrager.

rapsodie, v. Zie Rhapsodie. rapnnsel, rapnntsel, o. Raponsje, rarekiek.m. (-en). Kijkkast, rarijflieid, v. Zeldzaamheid. Vreemdheid. (..heden) Vreemde, zeldzame zaken.

— Rariteit, v. (-en). Zeldzaamheid. Zeldzaam voorwerp. — Rariteitenkamer, v. (-s). — Rariteiten kast, v. (-en).

ras, o. Soort van gekeperde wollen stof (tot kleeding). —Rassen, bn.

ras, o. (-sen). Wiel. Draaikolk.

ras, o. (-sen). Soort, geslacht (van menschen of dieren). Slag, aard. Gemeen volk. — Rassenhaat, in. — Rassenstgt;ijd, m. —Rassenvermenging, v.

ras, bijw. Gezwind. — Rasch, bn. Snel.-Gezwind. Schielijk. — Raschhetd, v. —


ocr page 703

RATE — 6

jRasjcs, bijw. Gezwind. Schielijk. — Ras-schelijk, biiw.

Rsi.sk (/?. C.), 1787-1832, Brendskilde. Deensch taalkundige.

RaMpzill {F. V.), 1794-1878, Carpen-tras. Fr. Natuurkundige. Chintie organi-que (bekroond, 1835).

raspen, raspte, heeft geraspt. Bw. Met de rasp fijnmalcn. De korst van iets afras-pen. Ow. Zich met raspen bezighouden. — Rasp, v. (-en). Werktuig om iets fijn of tot poeder te maken. Sooit van vijl. Soort van heelmeesterswerktuig. — Rasper, m. (-s).

— Rasperdopfiers, m. rav. Soort van doperwten. — Rasp/iuis, o. (..zen). Tuchthuis.

— Rasphuisboef, m. (..ven). — Rasphuisoppasser, m. (-s). — Rasphuissfraf, v. (-len). — Rasphuisvader, m. (-s). Cipier.

— Rasping, v. — Raspmolen, m. (-s). — .Raspvijl, v. (-en).— Raspzaag, v. (..agen).

raNHiiraut, bn. Geruststellend, rastcel, o. (-en). Ruif.

raster, m. (-s). Breede, grove lat. Staande lat van een hekwerk. — Raster-draad, o. — Rastering, v. (-en), rasterwerk, o. Latwerk tot afscheiding.

rastraal, o. (..alen). Werktuig om eenen notenbalk in eens te trekken. — Rastreerwerk, o. Het lijntrekken in koopmansboeken.

rat, rot, v. (-ten). De ratten behooren tot de familie der muizen. Bij ons zijn bruine, zwarte, grijze, blauwe ratten, enz.

— Ratyzer, o. (-s). — Rattckeutel, v. (-s).

— Rattendooder, m. ( s). — Rattengif, o.

— Rattenhaar, o. — Ratlenhol, o. (-en).

— Rattenjacht, v. — Rattenklem, v. (-men). — Rattenknip, v. (-pen). — Rattenkruit, o. Zie Arsenicum. — Ratten-loop, m. .(-en). Rattenval. —Rattennest, o. en m. (-en). — Rattenval, v. (-len). — ■Rattenvanger, m. (-sgt; '— Rattenvangst, v. (-en). — Rattestaart, m. (-en). Staart van eene ral. Zekere kleine ronde vijl. Zeker raderdiertje. — Rattevel, o. (-len).

rata, v. Evenredig aandeel. Pro rata : naar evenredigheid (van) ; naar gelang (van).

rataplan, o. Klanknabootsend woord voor het geluid der trommels.

ratatouille, ratatoe, v. Soldaten-

kost. Hutspot.

ratel, m. (-s). Houten werktuig, waarmede een ratelend geluid wordt gemaakt. Molenklepper. — Ratel, v. (-s, -en), ratelaar, v. (-s). Plantengeslacht, tot de rin-kelbloemigen behoorende. — Ratelaar% m. ( s). Ratelpopulier —Ratelaar, m. (-s). Nachtzwaluw. — Ratelaar, m. (-s). Die ratelt. Babbelaar. — Ratelaarster, v. (-s). — Ratclnbeel, m. (-en). Soort van abeel. — Rateltn, bw. ratelde, heeft gerateld. ^let eem-n ratel geluid maken. Babbelen. — Rateling, v. — Ratelkous, m. en v. (-en). Ralelmond. — Rate lm an, m. (-nen). Klepperman. —Ratehnond, m. en v. (-en). Lastige babbelaar, babbelaarster.

— Ratelpopulier, m. (-s). Espeboom. — Ratelscheur, v. (-ent. Scheur, welke in de richting der middellijn naar binnen loopt (in eikenhout). — Ratelslag, m. (-en). Knetterende donderslag. — Ratelslang, v.

5 — RAZE

(-en). Zeer vergiftige en fraai geruite siang in Z.-Amerika. Kan een ratelend geluid, voortbrengen. — Ratelwacht, m. (-en). Klepperman.

ratifl(c)eeren, bw. ra tific) eerde, heeft gcratifi(c)eerd. Bekrachtigen. — Ratificatie, v. (..iën, -s).

ratyn, o. (-en). Zekere geweven friesachtige stof. —Rat ij nen, bn.

ratioiiaal, bn. (Wisk.) Ten volle uit-rekenbaar. — Rationalisme, o. Toepassing der rede bij het beoordeelen der dingen. — Rationalist, va. (-en). Aanhanger van het rationalisme. — Rationeel, bn. Redelijk. Op redelijke overtuiging gegrond. Wel doordacht.

ratjetoe, v. Ratatouille.

Raueli (C.), 1777-1857, Arolsen (Waldeck). Duitsch beeldhouwer.

rauw, bn. Ongekookt, ongebraden : rauw vleesch. Niet rijp : eene rauwe appel. Van de huid ontbloot : de borst van dit paard is heel rauw. Schor, heesch : met rauwe stem. Ondoordacht ; een rauw voorstel. — Rauwachtig, bn. — Rauw-achtigheid, v.— Rauweli/k,hn. (Rechtst.) Zonder verzachtende omstandigheden. — Rauwheid, rauwigheid, v.

ravebek, m. (-ken^. Bek van eene raaf. Naam van gereedschappen, die met kromme punten eindigen. (Heelk.) Soort van tang. (Zeew.) Noodhaak. — Ravenaard, m. — Raven aas, o. (..azen). — Ravengekras, ..gekrysch, o. — Raven-kok, m. (-s). Scherprechter. — Ravenko-ning, m. (-en). Vogel uit Armenië. Heeft veel overeenkomst met den pauw. — Ra-venkooi, v. (-en). — Raven kost, m. — Ravenmoeder, v. (-s). Ontaarde, wreede moeder. — Ravennest, o. en m. (-en). — Ravenzwart, bn. Zoo zwart als een raaf. Zeer zwart. — Raveveer, v. (-en). — Ra-vevoet, m. (-en). Zeker plantje.

ravelün.o. ( -en). Voorschans, buitenwerk een er vesting, dat min of meer in den vorm eener halve maan is gebouwd.

Ravesteyu [J. van), 1572-1657, 'sGra-venhage. Portretschilder.

Ravijn au (G. F. X. de Lacroix de), 1795-1858, Bayonne. Jezuïet. Fr. kanselredenaar.

ravlln, o. (-en). Holle weg. Bergkloof van aanzienlijke breedte en diepte.

ravotten, ow. ravotte, heeft geravot. Luidruchtig spelen, springen, loopen (van kinderen). — Ravotter, m. (-s). — Ravot-ster, v. (-s). — Ravotterij, v.

raygras, o. Plantengeslacht (lolium), tot de grassen behoorende. 't Gemeene raygras (/. perennr) komt voor op zanden kleigronden, levert een goed veevoeder op ; 't Italiaansche raygras (/. italicum) wordt bij ons als veevoedt-r aangekweekt; 't bedwelmende raygras (/. temnlentum) komt vooral ond»-r gerst, haver en vlas voor. 't Zaad heeft vergiftige eigenschappen.

razeereu, bw. razeerde, heeft gera-zeerd. Scheren. Slechten, sloopen.

razeleu, ow. razelde, heeft gerazeld. Raaskallen.

razeu, ow. raasde, heeft geraasd. Lo-


ocr page 704

RECE — 6

ven, rumoer maken. Een luid onstuimig getier maken (van wind en zee). Driftig worden. Ijlhoofdig zijn. Zingen (van water, dat begint te koken). — Razend, bn. bijw. quot;Woedend. Dol. In de hoogste mate krankzinnig. Buiten zich zelvcn van toorn, pijn, enz. Onzeglijk (verl'efd). — Razer, ra. (-s). — Razemij. v. Dolheid. Hondsdolheid. Krankzinnigheid in den hoogsten graad.

rnzist, razzist, v. (-'s). Strooptocht. Plundering.

razUn, v. (-en). Rozijn.

re, v. (re's). Tweede toon van de diatonische toonschaal.

reasil , m. (..alen). Rekenmunt (in Spanje, Mexico, enz.).

reaal, reëel, bn. Zakelijk, werkelijk, zeker bestaande. Gangbaar. Reale of reëele waarde : waarde der effecten volgens den koers. Reale defiuitie : zakelijke bepaling. — Realiteit, v. Werkelijkheid. Wezenlijkheid. De ware toestand.

Reael (i.), 1583-1637, Amsterdam. Gouverneur-generaal van Nederl. Indië. Hekel- en minnedichter.

reajjeeren, bw. reageerde, heeft gereageerd. Terugwerken. Tegenwerken. — Reactie, v. Terugwerking, tegenwerking. Op staatkundig gebied : het streven om den staat v.in zaken tot vroegere, verouderde toestanden te brengen. — Reaction-nair, bn. Terugwerkend. Tegenwerkend. — Re act ion nair, m. (-en). Tegenstrever. Voorstander van den ouden toestand. — Reagens, o. (..tia). (Sch.) Herkenningsmiddel. Terugwerkend ding of

realisecrcn, bw. realiseerde, heeft gerealiseerd. Verwezenlijken, uitvoeren, tot stand brengen. Te gelde maken, yer-koopen : effecten realiseeren. — Realisatie, v. (..iën, -s). — Realisme, o. Leer, die aan de dingen buiten ons een werkelijk wezen, onafhankelijk van onze voorstelling voorschrijft. — Realist, m. (-en). Aanhanger van net realisme. — Realistisch, bn. bijw.

Réanmnr (/?. A. F. dé), 1683-1757, La Rochelle. Fr. natuurkundige. Zie Thermometer.

rebelleeren, bw. rebelleerde, heeft gerebelleerd. Oproer maken. Tot opstand komen. Zich met geweld tegen het wettig gezag verzetten. — Rebel, ra. (-len). Opstandeling. Oproermaker. Muiteling. — Rebellie, v. Oproer. Opstand. Muiterij. — Rebellig, rebel sch, bn. Oproerig, Muitend. — Rebelligheid, v.

Reboul (y.), i756-i£64, Nimes. Fr. dichter. Poésies ( 836); Z.^ Mar tyre de Vivia (1850); les Traditionnelles (1857).

rebus, m. (-sen). Teeken- of beeldraadsel.

recenseeren, bw. recenseerde, heeft gerecenseerd. Optellen, opnemer. Beoor-deelen. Onderzoeken. — Recensentent, o. (-en). Opneming, optelling : recensement der bevolking. — Recensent, ra. (-en). Be-oordeelaar ^van boekwerken, enz.). — Recensie, v. (..iën, -s). Beoordeeling. Boek-beoordeeling.

S — RECH

recent, bn.bijw. Nieuw. Pas gebeurd'

of voorgevallen. Onlangs.

reeepiii, o. (-sen). Geschrift, waarbij een onderteekenaar verklaart iets ontvangen te hebben van een ander.

recept, o. (-en). Voorschrift (vaneenen geneesheer, enz.). —Receptenboek, o. en m. (-en).

receptie, v. (..iën, -s). Ontvangst, onthaal. Opneming, aanneming, toelating.

reces, o. Schriftelijk vergelijk, overeenkomst. Eindgevolg, afloop. Onbetaalde schuld, verzuimde^ betaling. Tijdelijke op-schorsing eener zitting. Op reces uiteengaan : tot nadere bijeenroeping uiteengaan .

reclit, bn. Niet krom, niet gebogen, niet scheef. Gelijk, effen : eene rechte baan, eene rechte lijn. Een rechte hoek : hoek van 90 graden. Oprecht : daar was rechte vreugde. Gepast : de rechte tijd. De rechte darm : endeldarm. Juist, eigenlijk,, echt, waar : dat is de rechte uitdrukking. In rechte linie van iera. afstammen. Een rechte (volle) neef. Bijw. Billijk, rechtma-tig, geoorloofd, wettig. Nauwkeurig, ten volle : iets niet recht weten, hij is niet recht bij zijn verstand. Ben ik hier te recht 1 moet ik hier wezen? — Recht, o. (-en)-Billijkheid : met recht kunt gij zeggen. Waartoe iem. bevoegd is, wat hem toekomt, waarop hij aanspraak heeft : dat is uw recht, recht om te kiezen, te vergaderen . Wat algemeen als recht erkend wordt: volgens recht en billijkheid. « Eene op de rede gegronde bevoegdheid, waardoor men iets, als het zijne, door alle wettige middelen mag behouden of eischen. » Wettelijke voorschriften en bepalingen, die de onderlinge betrekkingen tusschen de leden eener maatschappij regelen. Het goddelijke, het menschelijke, het burgerlijke, het kerkelijke recht. Het natuurlijke, het geschrevene, het positieve recht. Het Romeinsche recht. Het recht der volkeren. Rechterlijke uitspraak, rechtsbedoeling. Gerecht, gerechtshof. Belasting, tol,, accijns : de rechten op de suiker verlagen. De h. Communie, als zij aan eenen stervende wordt toebediend : hij heeft zijn recht ontvangen. Zijne heilige rechten, de laatste heilige Sacramenten ontvangen. — Rechtaan, bijw. — Rechtbank, v. (-en). Plaats, waar gerechtelijke uitspraken worden gedaan. De magistraten, die de uitspraak doen. —Rechtboek, o. en m. (-en). Recht buigen (Sch.) bw. Buigende recht-maken. — Rechtdag, ra. (-en). — Rechtdoener, m. (-s). — Rechtdraad, o. Stijf-linnen. — Rechtdraads, bijw. Naar den draad. — Rechtelijk, bn. bijw. Gerechtelijk. Volgens recht. Wettig.— Rechteloos,. bn. — Rechten, bw. rechtte, heeft gerecht. Rechtmaken. Rechtbuigen. Naar de wetten uitspraak doen over personen of zaken. Een doodvonnis, erz. voltrekken. Ow. Tegen iem. rechten, hem gerechtelijk vervolgen. — Rechten, bw. rechtte, heeft gerecht. Bedienen. Opdisschen. — Rechtens, vz. Volgens recht. — Rechter, ra. (-s, -en). Iera., die beslist wat recht is, inz. iera. aan wien de rechtspraak is opgedragen. De


ocr page 705

RECH — 6.

opperste Rechter : God. — Rechier-com-mtssaris, m. (-sen). — Rechterlijk, bn. bijw. — Rechtersavibty o. — Rechterschap, o. — Rechterstoel, m. Zetel van den rechter. De rechterstoel van het geweten. — Rechtgeaard, bn. Rechtschapen.— Rechtgeloovit*, bn. Het ware Geloof toegedaan. Rechtzinnig. — Rechtge-loovige, ra. en v. {-n). ~ Rechfzelnovig-heid, v. — Rechtheid, v. — Ret hi hoek, m. (-en). Vierhoek, die vier rechte hoeken heeft. — Rechthoekig, bn. Met eenen rechthoek : een n cht-hoekige driehoek. — Ree hé hof, o. (..ven;.

Gerechtshof. —

Rechthuis, o..___

(..zen). Rech- Rechthoekige driehoek. //4^«, bw. rech-

tigde, heeft gerechtigd. Recht geven. Machtigen. — Rechtyzer, o. (-s). — Recht-kamer, v. (-s). — Recht kanten, bw. rècht-kantte, heeft gerechtkant. Haaksch maken. — Rechtklotgt;pen (Sch.) bw. — Rechtkunde, v. — Rechtlijnig, bn. — Rrchtmaken (Sch.) bw.— Rechtmatig, bn. bijw. Bil-lijk. Rechtvaardig. Wettig:. — Rechtmatigheid, v. —Rech t matig lijk, bijw. — Rechtop, bijw. — Rech (opstaan d, bn. — Rechtover, bijw. Aan de overzijde. — Rechts, bijw. Naar, aan de rechterzijde. Links en rechts : overal. — Rechtsaf, bijw. Naar de rechterzijde. — Rechtsban, ra. —Rechts-bedeehng, v. — Rechtsbegrip, o. (-pen). —

— Rechtsbode, m. (-n). — Rechtsch, bn. Aan de rechterzijde. Hij is rechtsch, bedient zich bij voorkeur van de rechterhand.

— Rechtschaligen, m. rav. Zekere kop-pooti^e weekdieren. — Rechtschapen, bn. Oprecht. Eerlijk. Braaf. — Rechtschap, ti-hfid, v. —Rechtscollege, o. (-s). — Rechts-drvant*, ra. — Rechtsfeit, o. (-en). — Rechtsgebied, o. — Rechtsgebouw, o. (en). — Rechtsgebruik, o. (-en). — Rechtsgeding, o. (-en). — Rechtsgeldig, bn. bijw. — Rechtsgeleerd, bn. — Rechtsgeleerde, ra. (-n). — Rechtsgeleerdheid, v. — Rech tsgezag, o. — Rechtshan-del, ra. Proces. — Rechtsingang, ra. — Rechtskosten, ra. rav. — Rechtskundig, bn. — Rechtslaan (Sch.) bw. — Rechtsmacht, v. — Rechtsmiddel, o. (-en). — Rechtsom, bijw. Naar de rechterzijde.

— Rechtsomkeert, bijw. Rechtsomkeert maken. — Rechtspersoon, ra. en v. (..onen). — Rechtspleging, v. (-en). — hechtspunt, o. (-en). — Rechtspraak, v. Uitspraak eens rechters. Verzanieling van vonnissen, enz.— Rechtspreken, ow. sprak recht, heeft rechtgesproken. Gertchte-lijke uitspraak doen. — Rechtsschool. v. (..olen). — Rechtsstij'l, ra. — Rechtstaal, v. — Rechtstcmmig, bn. — Rechtstandig , bn. bijw. Loodlijnig. Loo.l-recht. — Rechtstandigheid, v. — Rechtsterm, ra. (-en). — Rechtstreeks, bijw. Regelrecht. Onmiddellijk. Niet zijdelings. —

• — RECH

Rechtstreeksch, bn. — Rechtsverdraai-ing, v. (-en). — Rechtsverkrachting, v. (-en). — Rechtsvervolging, v. ( en). — Rechtsverzmvi, o. — Rechtsvorderaar, ra. (-s). — Ree htsvorder aar sier, v. (-s).

— Rechtsvordering, v. (-er,). Eisch. Aanklacht.— Rechtsvorm,™., (-en).— Rechtsvraag,v. (..agen). — Rechtsu ege (van)y bijw. uitdr. — Rechtsweigering, v. — Rechtswezen, o. — Rechttandtg, bn. — Rechttoe, bijw. — Rechtuit, bijw. In rechte lijn. Onbewimpeld. — Rech!uitgaan (Sch.) ow. (zijn). —Rechtuitkijken (Sch.) ow. — Rechtuitloopen (Sch.) ow. (hebben, zijn)..

— Rech tn itry den (Sch.) ow. — Recht' vaardig, bn.bijw. Braaf, deugdzaam. Onschuldig. Billijk. Verdiend. — Rechtvaardigen, ra. en v. mv. — Rechtvaardigeny bw. rechtvaardigde, heeft gerechtvaardigd. Vrijspreken. Verdedigen. Rechtvaardig raaken. Zich rechtvaardigen, ww. Zich verdedigen. Zich verantwoorden. — Rechtvaardigend, bn. —Reehtvnardigheid, V.

— Rechtvaardiging, v. — Rechtvaardig-lyk, bijw. — Rech tv a a rdigm a ken d, bn,

— Rechtvaardigmaking, v. — Recht-rrr-krijgende, ra. en v. (-n). — Rechtvmge-rig, bn. — Rechtvleugeligen, rn. rav. Zie Bijgevoegde Tabellen. — Rechtzaak, v. (..aken).— Rechtzaal, v. (..alen).— Rechtzinnig, bn. bijw. Oprecht. Streng in het Geloof. — Rechtzinnige, ra. en v. (-n). — Rechtzinnigheid, v. — Rechtzinniglijk, bijw. —Rechtzweer, ra. en v. (..eren). Ik ben rechtzweer raet de kinderen van mijnen oom en van mijne moei.

reclitor, bn. Tegenstelling van linker.

— Rechterachterbeen, o. (-en). — Rech-terach ter poot, m. (-en). — Rechterarm, ra. (-en). — Rechterbeen, o. (-en). — Rechterborst, v. (-en). — Rechterdij, v. (-en). — Rechterduim, ra. (-en). — Rechtere llebooe, ra. (..ogen). — Rechter hak, v. (-ken). — Rechter hand, v. (-en). Hand aan de n chterzijde. Steun, hulp : gij zijt zijne n ch ter hand. lem. de rechterhand geven : (blijk van eerbied) aan zijne linkerzijde na;.st hem gaan of zitten. — Rechterhandschoen, ra. (-en). —Rechterheup, v. (-en). —Rechter hiel, ra. (-en). —Rechter-kaak, v. (..aken). — Rechter kakebeen, o, (-en). — Rechterkant, ra. — Rechter-kieuw, v. (-en). — Rechterknie, v. ( ën).

— Rechter koon, v. (-en). — Rechterkuit, v. (-en). — Rechterlaars, v. (..zen). — Reehtcrlies, v. (..zen). — Rechtermouwt v. (-en). — Rech te r n eusga t, o. (-en). — Rechter nier, v. (-en). — Rechterrever% ra. — Rechteroksel, ra. (-s). — Rechteroog, o. en v. (-en). —Rechten oogappel, ra. (-s). — Rechterooglid, o. (..leden). — Rechteroor, o. en v. (-en). — Rechter-pink, ra. (-en). — Rechterpols, m. (-en).

— Rechterpo'd, ra. (-en). — Rech terse heen, v. (..enen). — Rechterschoen, ra. (-en). — Rechterschouder, m. (-$.). — Rechterslaap, ra. (..apt n). — Rechterte-pel, ra. (-s). — Rechtervleugel, ra. (-s). — Rechtervoet, m. (-en). — Rechtervoor-been, o. (-en). — Rechtervoorpoot, m. (-en)- — Rechtervoorvoet, ra. ( en). — Rechterwade, v. (-n). — Rechterwang,


ocr page 706

REDD — b.

v. (-en). — Rechterwenkbrauw, v. (-en).

— Rechtevwreef, v. (..even). — Rechter-zak,m. (-ken). —Rechterzijde, v.

rccipicercu, b\v. recipieerde, heeft gerecipieerd. Opnemen. Toelaten.

rccltccreii, b\v. reciteerde, heeft gereciteerd. Opzeggen. Voordragen. Voorlezen. — Reciet, o. Voordracht van een gedicht of een opstel in ongrebonden stijl.

— Recitatief, o. (..ven). Eene in tonen gedeclameerde rede. Verhalende zang.

rec'lameercu,bw. reclameerde, heeft gereclameerd. Eischen. Terugvorderen. Aanspraak maken (op). Opkomen (tegen). Bezwaren indienen. Vergoeding vragen. — Reclamatie, v. (..iën, -s). — Reclamey v. (-s). Reclamatie. Aai.dachtwekkende aankondiging, aanbeveling, mededeeling (ter aanbeveling lt;•{ aanprijzing). — Reclamee-ring, v. (-en)

reeoernitie, v. (..iën, -s). Gerechtelijke erkenning. — Recognitie, v. Erken-niner. Vergelding. Belooning. Onderzoek.

Kecolïcct, m. (-tn). Zie ^linderbroe-der.

rocomiustudeci'oii, b\v. recommandeerde, heeft gerecommandeerd. Aanbevelen. Eenen brief recommandeeren, laten aanteekenen. Aanp:ijzen. — Recommandatie, v. (..iën, -s'.

reeonvalcHccut, m. (-en). Herstellende zieke.— Reconvalescente, v. (-n).

rvconvcutioiieel, bn. Ttgenvordc-rend. Eene leconventioneele actie : eene tegen vordering.

recreatie, v. (..iën, -s). Uitspanning. Speeltijd. Verlustiging.

reeruteereu, bw. recruteerde, heeft gerecruteerd. Werven. Aanwerven. — R, -cru'eering, v. — Recrutenschool, v. — Recruut, m. (..uten). Ongeoefend soldaat.

reetor, m. (-en). Bestuurd r, eerste leeraar aan eene Latijnsche school (Nederland). Rector magnificus : hoofd eener hoogeschool. — Rectoraal, bn. — Rectoraat, o. (..aten).

revu, o. (-'s). Kwijtbriefje. Schriftelijk bewijs van ontvang.

relt;ls*eteur, m. (-en, -s). Opsteller, schrijver (inz. van een dagblad, tijdschrift, enz.). Verzamelaar, rangschikkcr en uitgever van letterkundige bijdragen, enz. — Redactie, v. Verzameling, rangschikking van lettrrkundige bijdragen, enz. (..iën, -s) Persont-n met zulken arueid belast. De gezamenlijke schiijvers, enz. van een dagblad, enz. Plaats, waar zij arbeiden. Schrijfwijze, stijl.

re(l«leii, bw. redde, heeft gered. Uit allerlei ongelegenheid helpen. Verlossen. Uit de verlegenheid heipen. Ontwarren, vereffenen : een verwarden boel redden. Zich redden, ww. — Reddeloos, bn. bijw.

— Reddeloosheid, v. — Redder, m. (-s).

— Redster, v. (-s). — Redding, v. (-en). — Reddingfsjboei, y. ( en). — Reddingboot, v. (-en). — Redding leger, o.— Redding-maaischappy, v. — Reddingplank, v. (-en). — Reddingsloep, v. (-en). — Red-dingtoestel, m. en o*. (-len). — Redding-vlot, o. (-tem. — Redding-zeil, o. (-en). — Redmiddel, o. (-en).

8 — REDE

redderen, bw. redderde, heeft geredderd. Rangschikken. In orde brengen. Iemands schulden betalen. (Zeew.) De zeilen redderen, ze goed naar den wind zetten. — Redder aar, m. (-s). — Reddrr aarster, v. (-s). — Reddering, v. — Redder-moer, v. (-s). Vrouw, die altijd bezig is met rangschikken.

redditie, v. (..iën, -s). Overgave (van eene stad of eene vesting).

rede, v. (-n, in samenstellingen -nen : lofredenen, leerredenen). Gesprek, vertoog, toespraak, verhandeling. De deelea der rede : zie Rededeel. lem. in de rede vallen, hem beletten voort te gaan met spreken. — Rede, v. Denkvermogen. Oordeel. Gezond verstand. — Rededeel, o. (-en). Een der tien soorten, waarin de woorden onzer taal naar hunne beteekenis verdeeld worden. — Redekavelen, ow. redekavelde, heeft geredekaveld. Redeneeren. Praten (over). Twisten. — Redekaveling, v. (-en). — Redekunde, redekunst, v. Kunst, die leert wél te redeneeren. Welsprekendheid. Leerboek daarover. — Redekundig, bn. — Redekunstenaar, m. (-s), redekundige, m. (-T.). — Redekunstig, bn. Redekunstige figuren : wendingen, die men aan ae gedachte geeft, om deze met «les te meer nadruk of bevalligheid voor te dragen. — Redehcht, o. — Redelyk, bn. bijw. Met rede begaafd, verstandig. Billijk, voegzaam. Tamelijk, niet slecht. Behoorlijk. — Redelykerivijze, . wijs, bijw. — Redelijkheid, v. — Redeloos, bn. — Redeloosheid, v._ — Redematig, bn. bijw. Overeenkomstig met de rede. — Redema-ti^heid, v. — Reden, v. (-en). Drijlveer. Oorzaak. Beweeggrond. Om reden : ter oorzake (van). — Reden, v. (-s). Verhouding, betrekking tusscüen eene grootheid en eene andere. — Redt naar, m. (..aren, -s). lem., die eene rede uitspreekt. Spreker, woordvoerder. — Redenaarsgave, v. (-n). — Redenaarsgestoelte, o. (-n). — Redenaarstalent, o. (-en). — Rede-naarster, v. (-s). — Redeneer der, m. (-s). — Redeneerster, v. (-s). — Redeneeren, ow. redeneerde, heeft geredeneerd. Zijne meening ontwikkelen (over). In sluitredenen spreken. Tegenspreken.— Redeneering, v. ( en) — Redeneerkunde, redeneerkunst, v. — Redeneer kundig, ..kunstig, bn. — Redeneer kundige, m. (-n). — Redeneertrant, m. — Rede-neerwyze, v. — Redengevend, bn. — Redenswil (om), bijw. uitdr. — Rederijk, bn. Welsprekend. Sierlijk. Woordenrijk. — Rederijner, m. (-s). Beoefenaar der uiterlijke welsprekendheid. (Middel.) Rederij kers{ka7neristen) : « gliesellen », die in den beginne met de freren (geestelijken, kloosterlingen) de mysteriën speelden, en lat« r, in 't begin der X \ e eeuw, ook wereldsche vertooningen (moraliteiten, sinnespelen, tsbattementer) voor den volke hielden. De dichtkunst ook was bij hen in groote eer. De p* ins of keizer : de beschermheer. De deken ol ho fdman : de gewone bestuurder. De Jiscaal : de penningmeester. De factor : de dichter.


ocr page 707

REED — 6

De nar of zoi speelde de boertige rol in de tooneelstukken. De vaandeldrager. De knaap : de bode. — Rederijkerskamer, v. (-s). Vereeniging tot beoefening der uiterlijke welsprekendheid. De voornaamste rederijkerskamers : Alpha en Omega (leper), de Violieren (Antwerpen), Pax Vobis (Oudenaarde), het Marien Cransken (Brussel), de Fonteine (Gent), de Peoen (Mechelen), de Goudsbloem (S. Nicolaas), de Groeyende Boom (Lier), de Eglantier (Amsterdam). — Redery-. kers kunde, ..kunst, v. — Redrrykk eid, v. —Re de strijd, ..twist, ra. (-en). —Redetwisten, ow. redetwistte, heeft geredetwist. Elkander met redenen bestrijden. Zaniken. Ruzie maken. — Redetwister, ra. (-s). — Redevoerder, ra. (-s). — Redevoeren, ow. redevoerde, heeft geredevoerd. Eene redevoering houden. — Redevoering, v. (-en). Verhandeling. Aanspraak. Toespraak. — Redewisselen, ow. redewisselde, heeft geredewisseid. Elkander onderhouden. — Redewisseling, v. (-en). — Re de zij ten, ow. redeziftte, heeft geredezift. Kleingeestige aanmerkingen maken op hetgeen anderen gezegd hebben. — Redezifter, ra. (-s). — R'de-ziftery, v. (-en). — Redezifting, v. (-en).

KcMU'mptorifit, m. (-en). Lid eener geestelijke Congregatie, genaamd naar den Allerhciligsten Verlosser. Stichter : h. Alf. de Liguori (1732). Doel : het Evangelie, naar het voorbeeld van den Verlosser, verkondigen (inz. door sermoenen) aan den arme ten lande.

rctliifccrcu, bw. redigeerde, heeft geredigeerd. Opstellen. In orde brengen.

rcMliiiipote, v. (-n). Jas. Reisrok. Rijrok. O verrok.

redoute, v. (-s). Kleine veldschans. Vastenavondbal.

redowsi, v. (-'s). Zeker Boheerasche dans.

red re«»eeren, b w. redresseerde,heeft

Geredresseerd. Herstellen. Goedmaken. Veder in de orde brengen. —eredresseerd. Herstellen. Goedmaken. Veder in de orde brengen. — Redres, o. Herstelling.

red uit, m. (-s). (Vest.) Verborgen •schansje.

ree, v. (-en). Slank en schuw viervoetig dier [cervus capreolus). Behoort tot de herten. Komt in geheel Europa voor. — Reebok, ra. (-ken). — Reebout, ra. (-en). — Reegeit, v. (-en). — Reekalf, o. (..ven). — Reeposten, m. rav. Hagel om reebokken te schieten. — Reevleesck, reeënvleesch, o.

ree, v. (-ën). Afwateringslootje in on-gedraineerde bouwlanden.

ree, rede, v. Daad van rüden : het paard heelt eene lange r»e gedaan. Wat men rijdende overbrengt : eene ree bier. Spoor : de ree van den raol.

ree, reede, bn. Gereed. Klaar. Vaardig. — Ree, tw. (Zeew.) Klaar ora te wenden. — Reeden, reedde, heeit gereed. Bw. Bereiden , gereedmaken , vervaardigen. Uitrusten, timmeren \schepen). Ow. Deel hebben aan het uitrusten van een schip. Reed u daar niet aan, bemoei er u niet mede. Zich kleeden en reeden : in alles,

^ — REFE

wat zijne kleedeien betreft, voorzien. — Reeder, ra. (-s). — Reedery, v. (-en). — Reederskantoor, o. (..oren). — Reeding, v. (-en).

^ reede, v. (-n), ree, v. (-ën). Gedeeltelijk door land ingesloten zee, waar de schepen eene ligplaats hebben en min of meer tegen wind en stroom beveiligd zijn. Stad, die aan de reede gelegen is.

reedeu, ow. reedde, heeft gereed. Met de reeschaaf werken. — Reeschaaf, rei-schaaf, v. (..aven). Zekere schaaf.

reedn, bijw. Brreids. Aireede.

reëel, bn. bijw. Werkelijk, waarlijk. Echt, zeker, geloofwaardig. Zie Reaal.

reef, rif, o. (reven). (Zeew.) Smalle strook zeil, die bij te sterken wind moet worden ingenomen. — Reefbanden, ra. mv. (Zeew.). — Reefgaten, o. rav. (Zeew.). — Reeflenvers, ra. rav. (Zeew.). — Reeftalie, v. (..iën).

reek, v. (reken). Hark. Riek.

reek, reke, v. (reken). Rij. Reeks, reek», v. (-en). Rij van geregeld naast elkander geplaatste dingen : eene reeks boornen. Aaneenschakeling, keten : eene reeks bergen. Geregelde opvolging van grootheden of getallen, die naar eene ge-gevene wet af- of toenemen : rekenkunstige, meetkunstige, opklimmende, afdalende reeks. Groote menigte : eene reeks van bewijzen, van aanhalingen.

reeliiiisr,v.(-s). (Zeew.) Zie Regelingen, reep, ra. (-en). Lange, smalle strook : een reep papier, leder, enz. Touw, inz. touw over eene rivier gespannen, waarmede men eene pont, enz. voorttrekt. Klok-ketouw. Lood op den nok var. een leiendak. (Vissch.) Touw, waaraan op geregelde afstanden korte eindjes koord met ecnen angel bevestigd zijn. — Reep ongel, ra. (-s). Visscherslijn. — Reefdanser, ra. (-s). Koordedanser. — Ree pel, ra. (-s). Smalle strook. — Reepmaker, m., reep slager, ra. (-s). Touwslager. — Reepnet, o. (-ten). (Vissch.).

reep, v. (repen). Repel.

reep, ra. Hoepel. (Speelgoed voor kinderen).

reesel, reesem, ra. (-s). Rist.

reet, v. (reten). Scheur. Spleet. Nauwe opening.

reet, v. (reten). Root (i®art.). reetrekker, ra (-s). Metselaar, enz., die de afscheiding van naast elkander staar de gebouwen moet aanwijzen.

reeuw, o. Schuim op de lippen eens stervenden. Doodszweet. — Reeuwen, bw. reeuwde, heeft gereeuwd. Afleggen (een lijk). — Reeuwer, ra, (-s). — Reeuw ster t v. (-s).

refereereu, ow. refereerde, heeft gerefereerd. Berichten, verslag geven. Mij refereerendc (aan) : mij gedrage-nde (aan). Raad vragen, bevelen vragen aan eene overheid. — Referendaris, m. (sen), referent, ra. (-en). Verslaggever. Eerste ambtenaar na den algemcem-n secretaris (in een Holl. ministerie). — Referendum, o. Volksraadpleging — Referentiën, v. mv. Inlichtingen. G- tuigschriften.

refereiu, refreiu, o. (-en). Slot-


ocr page 708

REGE — 6;

rijm. Slotvers. Regels in een gedicht:, die

fewoonlijk aan het einde van eene strophe erhaald worden.ewoonlijk aan het einde van eene strophe erhaald worden.

reformcerou.bw. reformeerde, heeft gereformeerd. Hervormen, veranderen, verbeteren. —Reformatie, v.

reflor, m. (-s). Eetzaal (in kloosters, godshuizen, enz.).

refutfiC', m. (-'s). Uitwijkeling. Uitgewekene. Vluchteling.

refuiiM, o. (..uzen). Weigering. Weigerend antwoord. Afwijzing.

rcgasil, o. (..alen). Gastmaal. Feestelijke maaltijd. Smulpartij.

resccron, regeerde, heeft geregeerd. Bw. Oppermachtig besturen. Beheerschen. Bedwingen : zich zelf niet kunnen regee-ren. (Taalk.) De meeste voorzetsels regee-ren den vierden naamval. Ow. Alleen het gezag uitoefenen : hij wil alleen regeeren, strenge heeren regeeren niet lang. De cholera regeert (heerscht) in Azië. — Regeerder, m. (-s).— Regeerinz, v. (-en). Het regeeren. Bestuur. Bewind. Oppergezag. Overheid. Tijd, gedurende welken een vorst regeert. — Regeeringloos, bn. — Regeeringloosheid, v.— Regeeringsambt, o. ^-en). — Regeeringsbank, v. (-en). — Regeeringsblad, o. (-en). — Rr^eenngs-gebouw, o. (-ea). — Regeeriiigspnr ty\ v. (-en). — Regeeringsper*con, m. (..enen).

— Regeeringsfisfj m. (-en). — Reqee-ringsraad, m. (..aden). — Regeeringiiy'd, tn. — Regeeringsvorm, m. i-en^. — AV-geerinqswege ivanj, bijw. uitdr. — Ate-geerzfi(rszaaJe,v.{..zki-n).— Regeerkunde, v. — Regeer les, v. (-sen',. — R'ferlust, m. — Kfgeer ster, v. (-s). — Reg err ne*k, o.

recel, m. (-en, s). Liniaal. IJzeren sta-t. Zware lat. Rerks woorden naast elkand-r geschreven, gedrukt. Grondslag. Maatsui. Vooi-bpeld. Model. Bepaling. Voorrchrilt, waarnaar men zich richten moet. Kc-ikvoorschrift. Gewoonte. Tucht. Enee hoofdafdeeling der rekenkunde. De regel van drieën. — Regelaar, iu. {■amp;). lem., die alles regelt. Onrust in een horloge. — Regeldraads, bijw. Rechtstreeks. In rechte lijn. — Regeleer en, bw. i egeleerde, heeft geregeleerd. Lijnen trekken. Regelen. — Regeleenng, v. — Regelen, bw. regelde, heeft geregeld. Naar eenen regel schikken. In orde brengen. Besturen.

— Recelet, o. (-ten). Liniaal. — Regeling, v. (-en). — Regelingen, m. mv. (Zeew.) Deel van de galjoen wanden. — Regelings-commissie, v. (..icn). — Regelloos, bn. — Regelloosheid, v. — Regelmaat, regelmatigheid, v. Gelijkheid. Orde. Netheid. — Regelmatig, bn.bijw. Geregeld. Metorde. Zonderstoornis. (Taa k.) Regelmatig werkwoord. — Regelrecht, bn. Geheel recht. Op den man af. — Regelrechtmatig-lyk, bijw.

refgcit, m. Waterdruppels, die, door verdichting van den waterdamp ontstaan, op den aardbodem nedervallen. Druppelend vocht. Wat als regen neerkomt. Wat bij groote hoeveelheden neerkomt ; een regen van kogeh. Na regen komt zonneschijn . (-s) Regenbui, regenvlaag. — Regenachtig* bn. — Regenachtigheid, v.

► — REGI

— Regenbak, m. ( ken). — Re^enbeek, v-(..eken). — Regenboog, m. i.-oj. en). Lichtverschijnsel, dat zich vertoont, wanneer eene wolk zich in regen oplost en de waarnemer zich tusschen deze wolk en de zon bevindt. Doet zich voor als eene cirkelvormige band in den dampkring. Heeft tot oorzaak het weerkaatsen en straalbreken van het zonnelicht in de regendroppels, die uit eene zwarte wolk nedervallen. Op den regenboog ziet men de zes hoofdkleuren : rood, oranje, geel, groen, blauw en violc. — Regenböo^visch, m. (..sschen). Zekere visch \labins in lis). Bt hoort tut de lipvisschen. — Regenboogvlies, o. (..zen). Zie Oog. —Regenbui, v. (-cn). — Regen-dop, ra. (-pen). (Art.) Schroefdeksel. Kapje op het zand gat van een kanon. — Regendroppel, ..dtuppel, ra. (-en, -s). — Regenen, eenpw. regende, heeft geiegend. In droppels nedervallen \uit den hemel). Het regent steenen, kogels. Het recent er geld.

— Regenjiu iter, m. (-s). Regen vogel. — Regen gat, o. (-en). Regenhoek. — Re-ge n get y\ o. — Regengeul, v. (-en*. — Regenhoek, m. (-en). Windstreek, vanwaar de meeste regen komt. — Regen hoogte, v. — Regenjas, v. (-sen). — Regenkaartr v. (-en). —Regenkap, v. (-pen). — Regen-kleed, O. ( eren). — Regenmaand, v. (-en:. —Regenmantel, m. (-s). — Regenmeter, ra. (-s). — Regenpontp, v. (-en). — Regenput, m. ( ten). — Regenscherm, o* en m. (-en). — Regenschreeuwer, m. (-s). Pluvier. — Regenseizoen, o. — Regenstroom, m. (-en). — Regentent, v. (-en).

— Regentijd, ra. — Regenton, v. ( nen). — Regenval, m. — Regenvlaag, v. (..agen).

— Regenvleed, ni. (-en). — Regenvogef, ra. (-s).—Regenvorsch, m. (-en). — Regenwater, o.— Regenwaterbak, m. (-ken).

— Regenwaterpomp, v. (-en). — Regenwind, ra. (-en). Wind met regen. — Regenwolk, v. (-en). Zie Wolk.

ri'Sreut, m. (-en). Landvoogd, rijksbestuurder, bewindhebber. Bestuurder van een of ander geslicht. De grootste di.»mant in de Fransche kroon (zie Diamant). — Regentenkamer, v. (-s).— Reg e n ten lijst, v. (-en). —Regentenstuk, o. (-ken). Schilderij, de afbeeldsels van regenten voorstellende. — Regen He, v. Stadsbestuur, Gemeentebestuur. — Regentes, v. (-sen).

— Regentschap, o.

refirjrlt;Mi, bw. regde, heeft ^eregd. (Eenen mast) op zijnen ruglrggen.

rejric, v. (Kekenplicbti-) beheer, bewind. In regie (voo ■ rekening) besturen.

reginnj, o. (-s). Leefregel : een regime onderhouden. Getrouwd zijn onder het regime (het beheer) der wettelijke gemeenschap. Stelsel.

regiment, o. (-en). Legerschaar. (Zie Leger). Die vrouw voert in huis l et regiment, is daar baas. — Regiments-com-mandant, ra. (-en).— Regimentsdnkter, m. (-s). — Regimentsgoed, o. (-eren).

— Regimentskindy o. (-eren). — Regimentskwartiermeester, m. (-s). — Regiment smuziek, o. en v. — Regimentsoverste, ra. ( n). — Regimentsschool, v, (..olen).


ocr page 709

— 651 —

REIG

REIN

regiAiiciiis m. (-s). Beheerder. Too-neelbestuurder.

register, o. (-s). Boek, inschrijvings-boek, handboek. Registers van den burgerlijken stand : geboorte-, sterf- of dood-en trouwboeken. Bladwijzer. Trekker aan beide zijden van en boven de klavieren van een orgel. De verschillende pijpen van een orgel, die tot dezelfde stem behooren. Op het zwarte register staan : een slechten naam hebben. — Registeren, bw. registerde, heeft geregisterd. Op een register stellen. (Boekdr.) Zorgen voor de juiste overeenkomst van pagina's en regels bij schoon- en weerdruk. — Registerknop, m. (-pen). —Registerschip, o. (..epen). Ingeschreven vaartuig, dat verscheidene han-delsvoordeelen geniet. — Registratie, v. Aanteekening van eenig stuk in een daartoe bestemd boek. — Registratiekantoor, o. (..oren). — Registratiekosten, m. mv.

— Registratierecht, o. (-en). — Regis-treeren, registreerde, heeft geregistreerd. Bw. Boeken. Aanboeken. Overschrijven. Inschrijven. Ow. De verschillende registers van het orgel volgens de kunst weten te gebruiken. —Registreering, v. (-en).

regrl^c*'®*'» hw. regleerde, heeft gere-gleerd. Schikken, regelen. Passen : regleert u dien dag? (jedragen : ge moet u daarnaar regieeren. — Reglement, o. (-en). Verordening, bepaling, voorschrift.Standregelen.

— Reglementair, bn. Het reglement betreffende. Bij reglement bepaald. — Re-glementeeren, bw. reglementeerde, heeft gereglementeerd. Verordenen. Regelen. --Reglementeering, v. (-en). — Regularise eren , bw. regulariseerd *, heeft geregulariseerd. Regelen. Schikken. In orde brengen. — Regularisatie, v. (..iën, -s).

— Regnlariteit, v. Regelmatigheid. — Regulator, regulateur, m. (-en). Regelaar. Deel van een werktuig, dat aan 't werktuig een regelmatigen gang geeft. Onrust in een horloge. — Reguleer en, bw. reguleerde, heeft gereguleerd. Regieeren.

— Regulier, bn. Regelmatig. Ordelijk. Nauwkeurig. Reguliere troepen : staande leger, linietroepen. —Regulier, m. (-en). Ordesgeestelijke.

ResrunrU (.7. F.), 1655-1709, Parijs. Dichter. Le Joueur; le Légataire universe l; le Distrait,

Reduier i0 (.1/.), i573-i6i3» Chartres. Hekt Idiclui T.20Regnier-Desinarais,\6$2-1713, Parijs. Letterkundige en taalkenner.

rei, m. (-en). Reeks nevens elkander geplaatste zangers of oansers. Koor. Dans. Den rei aanvoeren : een voorbeeld geven, de e« rste zijn. — Reien, ow. reide, heeft gereid. Dansende zingen. In koor zingen. Dansi n

Keilt;i (Tquot;.), 1710-1796, Strachan. Wijsgeer. Hoogleeraar (Glasgow).

Kei Heiilgt;erg (/*'• baron de), 1795-1850. Hergt-n. Lrtteikum ige en geschiedschrijver . Annwiire ae la bibliothè-qur- t ovale de Helgtque (i840-'50) ; Do-ctintentspour set v r a lquot;quot;hi\toire des provinces tie A'muur, du Hainaut et de Luxembourg UÖi4-'48).

reiger, m. v—)• reigers maken eene familie uit in de orde der steltloopcr» onder de vogels. Hebben eenen krachti-gen, rechten, priemvormigen snavel. Leven aan de oevers van rivieren en meren. De soort, die bij ons het meest voorkomt: blauwe reiger (ardea cinerea). — Rei-gerachtig, bn. Reigerachtige vogels. — Rcigerbos, m. (-sen). — Reigersbosch, o. en m. (..sschen). — Reigereend, v. (-en). Tafeleend. — Reiger hals, m. (..zen). — Rfigerhut, v. (-ten). Plaats, waar de reigers hunne jongen uitbroeien. — Reiger' jacht, v. (-en). — Reigerpijp, v. (-en). (Tag.). — Reigersbek, m. (-ken). Zie Ero-dium. — Reigersnest, o. en m. ( en). —■ Reigersvalk, m. (-en). (Jag.). — Reigerveer, v. (-en).

reikeu, reikte, heeft gereikt. Bw. Strekken, uitstrekken. Reik mij de hand : geef mij de hand. Ow. Zich uitstrekken : zijne macht reikt zoo ver niet. Met de hand aan den hemel willen reiken : het onmogelijke willen. — Reikhalzen, ow. reikhalsde, heeft gereikhalsd. Den hals uitrekken om iets des te beter te zien. Vurig verlangen. — Reikhalzing, v. — Reiking, v.

reilen, ow. (Alleen in) Zooals het reikt en zeilt : zooals het daar is, met al wat er toe behoort.

reiltos», m. (-pen). (Zeew.) Vlagsestok, rein, bn. bijw. Zuiver, onbevlekt, onbesmet. Ongeschonden. Kuisch, eerbaar. Zindelijk. Lief. Van echt ras. Klaar, helder. Echt, waar. — Reinheid, v. — Reinigen, bw. reinigde, heeft gereinigd. Zuiveren. Schoonmaken. (Scheik.) Louteren. —■ Reiniger, m. ( s). — Reiniging, v. i-en). — Reinigingshak, m. (-ken). — Reini-gingsjeest, o. en v. (-en). — Reinigingsmiddel, o. (-en). — Reini^hjk, reinlyk, bijw. Zuiver. — Reinigster, v. (-s).

Re in wit, bijw. Oprecht.

Reinsert de Vos of Van den Vos Reinaerde. Dierenepos,oorspronkelijk (begin der XIII® eeuw) door Pierre de S^-Cloud, priester, in 't Fransch geschreven, naderhand door IVtllem (« die den Madoc maakte ») in 't Vlaamsch bewerkt. — Op een Pinksterfeest hield koning Nobel eenen rijksdag,waar alle dieren verschenen, behalve Reinaert, die te veel op zijn geweten had, om zich te durven vertoonen. Er was niemand, Grimbert alleen uitgezonderd, die niet te klagen had over Reinaert. Hij zou derhalve eerlang de welverdiende straf ondergaan. Doch de geslepen Vos bracht het met zijne looze streken zóo ver, dat hij niet alleen vrijgesproken, maar ook tot geheimen raadsman eu « Soeverein der baelju » over al des konings landen uitgeroepen Wi rJ. Naam der dieren, in het dierenepos voorkomende : koning Nobel (de leeuw), Reinaert (de vos), IJzegrim (de wolf). Bruin (de beer), Fi'rappel (de luipaard), Gi im-bert (de das). Paneer (de bever), BeUyn (de ram), Tibert (de kater), Cuivaert vde haas), Larnpreel (het konijn), Cantecleer (de haan), Coppe (het boem. — Re inar die j v. (-en). List. Streek. Sluwheid.

reiiieiie, v. (Plantenk.) Geitebaardr-Reuet.


ocr page 710

REK — 6£

reiii(c)vaar, v. (..aren). Plant eeiuin vulgaré). Behoort tot de samen-gesteldbloemigen. Komt voor langs wegen en dijken, vooral op zandige gronden.

Reinliiamp;rd [F. V.), 1753-1812. Bohen-Strauss (Beieren). Duitsch godgeleerde en kanselredenaar.

rein«vilgr, m. Keelkruid.

reit», rcizc, v. (reizen). Het gaan, enz. van de eene plaats naar de andere. Het afleggen van zekeren afstand. Tocht. Overvaart. — Reisapotheek, v. (..eken), — Reisbaary bn. Geschikt om te reizen. — Reisbed, o. (-den). — Reisbediende, m. (-n). — Reisbenoodigheden, v. mv. — Reisbeschrijver, m. (-s). —Reisbeschrijving , v. (-en). — Reisboek* o. en m. (-en).

— Reisbrief, m. (..ven). Verlof om te reizen (inz. voor geestelijken). — Reisdeken, v. (-s).—Reisgeld, o. — Reisgenoot, m. (-en). — Reisgenoote, v. (-n). — Reisgewaad, o. (..aden). — Reisgezel, ra. (-len).

— Reisgezellin, v. (-nen). — Reisgezelschap, o. (-pen). — Reisgids, ra. (-en). — Reisgoed, o. (-eren). — Reishoed, m. (-en).

— Reiskaart, v. (-en). — Reisk^p, v. (-pen). — Reiskelder, ra. (-s). — Reiskist, v. (-en). —Reiskleed, o. (-eren). — Reiskoets, v. (-en). — Reiskoffer, ra. (-s). — Reiskosten, ra. rav. — Reiskostuum, o. (..uraes). — Reiskous, v. (-en). — Reislaars, v. (..zen). — Reislust, ra. — Reis-maal, v. (..alen). — Reisviaat, ra. (-s). — Reismakker, ra. (-s). — Reismantel, ra. (-s). — Reismuts, v. (-en,-. — Reisorder, v. (-s). — Reispas, ra. (-s). — Reispenning, ra. (-en). — Reispet, v. (-ten). — Reisplan, o. (-nen). — Rcisrok, ra. (-ken).

— Reis stok, ra. (-ken). — Reistasch, y. (..sschen). — Reistuig, o. — Reisvaardig, bn. — Reisverhaal, o. (..alen). — Reiswagen, ra. (-s). — Reiswijzer, ra. (-s). — Reiszak, ra. (-ken). — Reisziekte, v. — Reizen, ow. reisde, heeft en is gereisd. Zich begeven van de eene plaats naar de andere. Vreerade landen bezoeken. —Reizend, bn. — Reiziger, ra. (-s). — Reizigster, v. (-s).

reia, v. (..zen). Keer, maal.

rok, o. (-ken). Latwerk ora goed, druk-vellen, enz. te drogen. Toestel ora er iets op te plaatsen. Hoenderrek. Einde wegs. Afstand, die galoppeerenda wordt afgelegd. — Rekken, ow. rekte, is gerekt. Op het rek gaan zitten (van hoenders).

rek, v. Kikkerrit.

rek, ra. Het rekken. — Rek, v. Rekbaarheid. — Rekbaar, bn. — Rekbaarheid, v. — Rekbank, v. (-en). — Rek-draad, ra. (..aden) (voorwerpsn.) ; o. (stofn.). Getrokken koperdraad. — Rek-einden, o mv. (Fabr.). — Rekhout, o. (-en). — Rekijzer, o. (-s). — Rekkelijk, bn. bijw. Gerekt kunnende worden. Zacht, raedegevend. Gedwee. Inschikkelijk. — Rekkelijkheid, v. — Rekken, rekte, heeft en is gerekt. Bw. Wijder of langer maken : linnen rekken. Door uitrekken dooden : een konijn rekken. Uitsmeden (ijzer). Uitstrijken ; zeemleder rekken. Een gesprek doen rekken. Den avond rekken. Den tijd rekken. Eene zaak rekken,

I — RELA

zoolang raogelijic laten duren. Ow. Wijacr oi langer worden. Harddraven (van paarden). Zich rekken, ww. : zijne ledematen al wringende uitstrekken. — Rekker, ra. (-s). — Rekkerig, bn. Geneigd zich steeds te rekken. — Rekking, v. — Reklaars, v. ..zen). — Reklefdjer, o. — Rek ster, v. -s). — Rekstok, ra. (-ken). — Rek tuig, o.

rekel, ra. (-s). Mannetje van den hond en den vos. Bulhond. Buffelachtig raensch. Ondeugende jongen. — Rekelachtig, bn. bijw. Lorap. Onbeschoft.

rekeueu, rekende, heeft gerekend. Bw. Tellen : het eene bij het andere rekenen. Begrijpen (onder) : iera. onder de geleerden rekenen. Schatten, begrooten : ra en rekent de schade op 1000 fr. Ow. Met cijfers werken, de cijferkunst beoefenen : hij kan lezen, schrijven en rekenen. Eene rekening vereffenen : raet iera. rekenen. Uit het hoofd rekenen. Vertrouwen, staat raaken (op) : op raijne hulp kunt gij rekenen. Zich rekenen, vvw. Zich beschouwen (als). — Rekenaar, ra. (-s). — Rekenaar' ster, v. (-s). — Rekenbaar, bn. — Reken-baas, ra. (..azen). —Rekenboek, o. en ra. (-en). — Rekenbord, o. (-en). — Rekenen, o. — Rekenfeil, ..fout, v. (-en). — Reke-ning, v. (-en). Het rekenen. Kekenkun-stige oplossing. Berekening. Het uitgerekende. Opgave van den schuldeischer aan den schuldenaar, het bedrag der scr uld aanwijzende. Winst. Voordeel. Effen rekening : ronde sora. Op rekening (in mindering) geven. Per slot van rekening : ten slotte, alles wel ingezien. Het is voor mijne rekening : ik ben daarvoor verantwoordelijk. Iets op iemands rekening stellen ; iets iera. te laste leggen. Het gaat niet naar zijne rekening, naar zijne gissingen en vooruitzichten. — Rekening-cour an f, v. (rekeningen-courant). — Rekenkamer, v. College, dat over het goed beheer van 's lands finantiën waakt. — Reken-kast^. (-en). — Rekenkunde, v. Kunde, die ons de getallen leert schrijven, bij hunnen naara noemen, samenstellen en ontbinden. Hoofdregels : optelling, aftrekking, vermenigvuldiging, deeling. — Rekenkundig, bn. — Rekenkundige, m. en v. (-n). —Rekenkunst, v. Cijferkunst. Rekenkunde. — Rekenkunstig, bn. — Reken-lei, v. (-en). — Rekenles, v. (-sen). — Rekenmachine, v. ( s). — Rekenniees.er, ra. (-s). — Rekenpenning, m. (-en) Legpenning. — Rekenplichtig, bn. — Reken-plichtige, ra. ^-n). — Rekenplichtigheid, v. — Rekfnraam, o. en v. (..araen). — Rekenschap, v. Verantwoording. Opheldering. — Rekenschool, v. (..olen). — Rekentafel, v. (-s). — Rekentuig, o. — Rekenuur, o. (..uren). — Rekenwijze, ..rvijs, v. (..zen).

rekeueu, bw. rekende, heeft gerekend. Met asch bedekken (het vuur), rekent. Zie Request.

rekke, v. (-n). Lange stok \an den vogelaar. (]ag.) Vrouwelijk reewild, rekkellufi:, v. Strook (van heilbot), rel, ra. Het rellen.

relaas, o. (..azen). Verhaal. Bericht. Verslaj. — Relatie, v. ^..iën, -s). Relaas.


ocr page 711

Ö53 —

REX

RELL

Betrekking, verkeer. Kennissen, vrienden : hij heeft veel relatie®.

relevcoren, releveerde, heeft gereleveerd. Bw. Ontheffen. Vrijspreken. Iets releveeren, meer aan het licht brengen, in waarde doen toenemen. Ow. Athankelijk zijn ; dit leen releveerde van den graaf.

reliëf, o. Verhevenheid. Verheven beeld- of snijwerk. Iets in reliüf stellen, doen uitkomen. — Reliëf-globe% v. (-s). — Reliëfkaart) v. (-en).

rcligric, v. (..iën, -sv. Godsdienst, geloofsleer, geloof. In religie, zuster X : met haren kloosternaam, zuster X. — Religieus, bn. bijw. Godsdienstig, godvruchtig, vroom. Nauwgezet, stipt. Gemoedelijk : hij heeft die zaak religieus behardeld. — Religieus, m. en v. (..zen). Kloosterling. — Religieuze, v. (-n). — Religioso, bijw. (Muz.) Plechtig. Aandachtig.

roliqnic, relikwie, v. (-ën). Overblijfsel der heiligen. Zeer kostbaar, dierbaar voorwerp — Reliquieënkast, v. (-en). Kast, waarin reliquieën bewaard worden.

rellen, ow. relde, heeft gereld. Snappen. Babbelen. — Relletje, o. (-s). Vertelseltje, dat van mond tot mond gaat. Kortstondige opschudding. Kleine ruzie : hij maakte er een relletje van. — Relviuis, v. (..zen). Zekere muis (myoxus glis). Leeft op boomen. (Zuiderstreken van Europa).

rem, v. (-men). Toestel om de beweging van een voertuig (inz. va«t «poorwa-' gens) te vertragen of te doen ophouden. — Remblok, o. en m. (-ken). — Remdienst, m. — Remhokje, o. {-%). — Remketting, m. (-en). — Remmen, bw. remde, heeft geremd. Met een remtoestel de beweging van een voertuig vertragen of doen ophouden. — Remmer, m. (-s). — Remschoen, m. (-en).— Remtoestel, m. en o*. (-len). — Remtouw, o. (-en).

Kembnug:. Zie Java.

Rembrandt van Rlin, 1606-1660. Leiden. Het hoofd der Hollandsche schilderschool. Afneming van het kmis^t^y Philosofen (1635); de Houthakker en zijn gezin (1635) ; de Famtli* van Tobias den ztjü even den engel veveerende (1637); Gelijkenis van den ivyngaard (1638) ; de' Aankondiging (1640); deh.Familie (1642); de Overspelige Vrouw (1644); Anatomie' les; Nachtwacht.

remedie, v. en o*. (-s, ..iën). Middel.' Hulpmiddel. Geneesmiddel.

remitteeren, bw. remitteerde, heeft geremitteerd. Terugzenden. Weder ter hand stellen. Kwijtschelden. Afslag geven. Verminderen. — Remise, v. (-s). Kwijtschelding, afslag, korting. Overgemaakt bedrag ^in geld of wissels). Koetshuis, wa-I genhuis.—Remissie, v. (.Aën, -sh Kwijtschelding.Opheffing van een verbod.

remoiiKtreeren, bw. remonstreerde,heeft geremonstreerd. Tegenwerpen. Tegenwerpingen ra aken. — Remonstrant, m. (-en).Tegenspreker. Zie Arminiaan. —Remonstr anten dom, o. — Remonstrantsch, bn. — Re monstra tie, remonstrantie,^, (..iën, -s). Tegenbetoog.

romonNtraiitle, r. (..iën, -s). Monstrans.

reinonfe, v. Aanvulling van paarden (bij het leger).

remontoir, o. (-s). Zeker zakuurwerk.

remplsieeeren , bw. remplaceerde, heaft geremplaceerd. Vervangen. — Revtplngant, m. (-en). Plaatsvervanger

(bij het leger).

llcnuiMat, 10 (J. p,.

A.), 1788-1832, Parijs. Beoefenaar der Ooster-sche talen. 20 [C. F. Af. graaf ^),1797-1875,Parijs. Publicist en Staatsman.

ren, m. (-nen). Snelle loop : het paard loopt cp eenen ren. Het loo-pen in eene renbaan ; hij struikelde in den eersten ren. Een bijzondere aanval der karnpvecix-r


ocr page 712

RENT — C

ters: hij trof hem in den eersten ren. — Ren-baan, v. (..anen). Afgebakende plaats voor paardloopen, harddraven, enz. — Ren-oode, m. (-n). Koerier.— Renloop,m. (-en). Galop. — Rennen, ow. rende, heeft en xs gerend. Galoppeeren. Zeer hard loopen. — Renperk, o. (-en). — Renprys, m. (..zen). — Renspeer, v. (..eren). — Ren-spel, o. — Ren strijd, m. (-en). — Renst rijder, m. (-s).

ren, renne, v. (rennen). Latwerk, waarin men hoenderen te vetten zet. reiisuMHsinec, v. Wedergeboorte.

yy. E.), 1823-1892, Tréguïer. Fr. taalkundige. Schrijver van het beruchte werk : Vie de Jésus.

rcii«lcz-vouB, o. Afgesprokene samenkomst, bijeenkomst.

roiKliojr, o. (-en). Hertensoort (cervus

tarandns). De wilde rendieren leven in troepen in 't Noorden van Amerika. Bij de Laplanders vervult het rendier de plaats van koe, schaap, geit en paard.

ronegrsistt, m. (..aten). Afvallige. Ge-loofsverzaker.

renet, v. (-ten). Groote, grauwgroene appelsoort. —Reneiteboorn, m. (-en).

Reui (G.), 157S-1642, Bologna. It. schilder. Paulus en Antonius; Ecce homo; fresco • sch ilderije n.

Renier {P. J.), 1795-1850, Deerlijk. Schoolopziener. Dichter. Uytgekozen verdichtselen (naar de la Fontaine, i832-,36); Vlaemsche mengeldichten (1843).

reuonceeren, ow. renonceerde, heeft gerenonceerd. Afzien, afstand doen, opgeven. (Kaartsp.) Niet bekennen, de kleur niet bijspelen. — Renonce, v. (Kaartsp.) Het verzaken ol missen eener kleur. De ontbrekende kleur.

Reiis(-F.), 1805-1874, Geeraardsbergen. Schoolopziener. Letterkundige en dichter. Gedichten (183')) ; Bladeren uit den Vreemde (1855) •

renscli. ZieRijnsch,

rente, v. (-n). Opbrengst van vaste goederen of belegde gelden : van zijne renten leven. — Rentbaar, bn. Rentegevend.

— Rentebedrag, o. (-en). — Rentebelasting, v. (-en). — Rentebetaling, v. (-en).

— Rentebewijs, o. (..zen). — Rentebrief, m. (..ven). Bewijs van recht op het genot van rente. — Rentegevend, bn. — Rente-

4 — REPU

loos, bn. — Renten, ow. rentte, heeft gerent. Rente opbrengen. — Rentenier, m. (-s, -en). Die van zijne renten leeft. — Rentenieren, ow. rentenierde, heeft gerentenierd. Van zijne rente leven. — Rentenierster, v. (-s). — Rentestandaard, ..v/oet, m. Vaststaand bedrag van rente. — Rentevoet, v. (-ten). — Rent kamer, m. (-s). — Rentmeester, m. (-s). — Rentmeesterschap, o. (-pen). — Rentschuld, v. (-en). Achterstallige rente.

renversaal, o. (..alen). Schriftelijke tegenbelofte.

renvooi, o. (-en). Verwijzing. Verzending.

rep, m. (Alleen in) in rep en roer : onderstboven, in opschudding, in opstand.

repareeren, bw. repareerde, heeft gerepareerd. Herstellen, verbeteren. Vergoeden. Schadeloos stellen. — Reparatie, v. (..iën, -s).

repel, m. (-s). Werktuig, bestaande uit lange tanden van gesmeed ijzer en dienende om het vlas van de zaadhulsels of knoppen te ontdoen. — Repelaar, m. ( s). — Repelaarster, v. (-s). — Repelbank, v. (-en). — Repelboom, m. (-en). —Repelen, bw. repelde, heeft gerepeld. (Vlas) van zijne zaadhulsels ontdoen. — Repel/and, m. (-en). —Repen, bw. reepte, heeft gereept. Repelen.

repetceren, bw. repeteerde, heeftge-repeteerd. Herhalen. Nog eens zeggen. Nog eens doen. — Repertoire, o. (-s), repertorium, o. Lijst, boek, uittreksel. Keus, verzameling. —Repetent, o. Herhaler. — Repetitie, v. (..iën, -s). Herhaling. Oefening. — Repetitiegeweer, o. (..eren). Geweer, met hetwelk mfen zeer snel kan vuren. — Repetitiehorloge, o. (-s). Zakuurwerk, dat de uren slaat. — Repetitor, m. (-s). Leermeester.

repliceeren, bw. repliceerde, heeft gerepliceerd. Wederleggen. Inbrengen (tegen). — Repliek, v. (-en). Wederantwoord. Wederlegging.

reporter, m. (-s). Berichtgever. Verslaggever.

reppen, repte, heeft en is gerept. Bw. In sterke beweging brengen. Ow. Aanroeren, aanraken, van deze zaak is niet gerept. Zich reppen, ww. Zich haasten, iets met grooten spoed verrichten.

representeeren.bw.representeerde, heeft gerepresenteerd. Vertoonen, voorstellen, opvoeren. Vertegenwoordigen. — Representant, m. (-en). Vertegenwoordiger. Volksvertegenwoordiger. — Repre-sentatie, v. (..iën, _-s). — Representatief, bn. Vertegenwoordigend.

reprise, v. (-s). Herovering, herneming. (Muz.) Herhaling.

repllliën, o. mv. Kruipende dieren, republiek, v. (-en). Gemeenebest. Staat, waar het volk de oppermacht door zijne vertegenwoordigers uitoefent. De republiek der letteren : de letterwereld. — Republikein, m. (-en). Gemeenebestge-zinde. Vrijheidsvriend. — Republikein sch, bn.

reputatie, v. Faam. Goede naan. Eer.


ocr page 713

RESS — 6

Rcqnescns (Z. de), 1526-1576. Sp. generaal. Vervine: Alva in het bestuur over de Nederlanden. Schafte den beroerte-raad at, verminderde de belastingen en stond eene algemeene kwijtschelding toe. Leed eene nederlaag voor Middelburg. Zegepraalde op de Mookerheide (1574). Werd bij het beleg van Leiden tot den aftocht gedwongen.

rcqticHtrecren, ow. requestreerde, heeft gerequestreerd. Een verzoekschrift indienen. Bij verzoekschrift vragen. — Request, o. (-en). Verzoekschrift. Smeekschrift. Vraag. Aanvraag. — Reguestrant, ni. (-en). Verzoeker. Vertooner. Aanvrager.— Reguestrante, v. (-n).

requiëui, o (-s). Zwarte mis. Zielmis.

— Requiem-niis, v. (-sen), rescontrcercn, ow. rescontreerde,

heeft gerescontreerd. Verrekenen. Vereffenen. — Rescoiiire, v. Verrekening. —Res-contre-dag, m. (-en).

rescript, o. (-en). Schriftelijk antwoord. Bevelschrift. Verordening.

rcgedst, v. (-'s). Plantengeslacht {reseda). Daartoe behooren ; de geurige reseda {r. odor aid), die om haar welriekende bloemen als tuin- en potplant wordt gekweekt; de gele reseda (r. luted), die in Juli en Augustus in 't wild bloeit, en de wouw (r. lute old), die eene gele kleurstof oplevert en ook in 't wild voorkomt.

reservcercn, bw. r« serveerde, heeft gereserveerd. Besparen, wegleggen. Voorbehouden. — Reservaat, v. (..aten). Voorbehoud. Wat voorbehouden is. Hetbedon-gene. — Reserve, v. (-s). Voorbehoud : onder reserve. Omzichtigheid, bescheiden-beid. Aanvullingsleger. — Reservefonds, o. (-en). Gelden, welke men weglegt, om er in tijd van nood gebruik van te maken.

— Reservekapitaal, o. (..alen), reservoir, o. (-s). Vergaarbak. Waterbak. Waterkom.

resideeren, ow. resideerde, heeft geresideerd. Verblijf houden. Wonen. Gevestigd zijn. — Resident, m. (-en). Gewestelijke bestuurder (Nederl.-lndië). Assistent-resident : onder-resident. — Residentie,v. (..iën, -s). Verblijf, woonplaats. Gewest onder beheer van eenen n sident (Nederl.-lndië). — Residentiestad, v. (..eden). — Residenlschap, o. (-pen).

resolutie, v. (..iën, -s). Besluit, beslissing. Vastberadenheid. Oplossing.

resoluul, bn. Vastberaden. Onverschrokken. Ronduit. Mild, vrijgevig.

respecteereu, bw. respecteerde,heeft gerespecteerd. Eeren, eerbiedigen, achten, hoogachten. Ontzien. — Respect, o. Eerbied, achting, hoogachting. Ontzag. In respect, in bedwang houden. — Respectabel, bn. Eerbiedwaardig. Achtbaar. Achtenswaardig. — Respectabiliteit, v.

respüt. o. Uitstel (oudt. van belasting, thans, van betaling). Zonder respijt : zonder tusschenpnozen, in eenen adem. Hij heeft geen uurtje respijt op eenen dag, geen uurtje dat hij iets voor zich zelf kan doen.

— Respijtbrief, m. (..ven). — Respijtdagen, m. mv. (Kooph.).

ressorteereu, ow. ressorteerde, heeft

5 — REUK

geressorteerd. Onder een rechtsgebied, tot eene rechtbank, tot een bepaalden vverk-kringbehooren.— Ressort, o. Veer, springveer. Drijfveer, veerkracht, spankracht. Gebied, rechtsgebied. Aanleg.

restnureeren.bw. restaureerde,heeft gerestaureerd. Herstellen.Versterken.Verkwikken. Zich restaureeren, ww. Zich verfrisschen. Iets tot versterking gebruiken. — Restaurant, m. (-en), restauratie, v. (..iën, -s). Gaarkeuken. Spijshuis. Opentalel. — Restaurateur, m. ( s). Hersteller (van gebouwen, enz.). Opentafel-bouder. — Restauratie, v. (..iën, -s). Herstelling. Troonherstelling.

resteereu (resten), ow. resteerde, restte, is geresteerd, gerest. Overblijven. Overschieten. Achterstallig zijn. — Rest, v. (-en). Overschot. Het overgeblevene. Het overige. Achterstand. — Restant, o. (-en). Overschot. — Restant, m. (-en). Achterstallige schuldenaar.

restilueereii, bw. restitueerde, heeft gerestitueerd. Teruggeven. Vergoeden. — Restitutie, v. (..iën,-s).

resiilleeren, ow. resuU'erde, is geresulteerd. Voortvloeien. Volgen (uit). — Resultaat, o. (..aten). Uitslag, uitkomst, gevolg. Afloop. Slotsom. Vrucht.

resumoeren, bw. resumeerde, heeft geresumeerd. Samenvatten. In 't kort weergeven of herhalen. —r Resumé, o. (-'s). Samenvatting. Beknopt overzicht. Korte inhoud. — Resumtie, v. Korte samenvatting.

reten, bw. reette, heeft geroet. Roten, relienle, v. (-s). Werkzakje. Gerief-zakje (voor vrouwen).

reti^r, bn. Vol scheuren.

retort, v. (-en). (Scheik.) Vat met omgebogen hals (tot het overhalen van vloeistoffen). Kolf. Kromhals.

retour, o. Het terngkomen. Terugkeer. — Retour, v. (-en). Terugzending (van geld of wissel). Tenigvracht. — Re-tourbiljet, o. (-ten). Kaartje voor de reis heen en weer. —Retour kaart, v. (-en). — Retourschip, o. (..epen). — Retourvloot, v.

retraite, v. (-s). Aftocht, teiugtocht. Geestelijke afzondering, biddagen. Eenzaamheid. Wijkplaats. Rustplaats. Toevluchtsoord. Jaarwedde. Rustg« ld. retrozljn, m. (-en). Rederijker. Kef % (J. F. P. de Gondi, kardinaal de), 1614-1669, Montmirail. Staatsman en letterkundige.

reu, m. (-en). Mannetje van den bond. reuk, m. Het vermogen om door middel der reukzenuwen eene gewaarwording te verkrijgen, (-en) Fijne uitwaseming van verschillende voorwerpen.Lucht (van wild). Reukwater. Hij staat in si. chten reuk : bij is niet gunstig bekend. — Reukaltaar, o. en m*. (..aren). — Reuktal, m. (-len). — Reukdoosje, o. (-s). — Reukeloos, bn. — Reukeloosheid, v. — Reukfleschje, o. (-s). — Reukgras. o. Gras {agt;1 'hoxanthum odoratuni). Komt op onze weilanden voor. Verspreidt onder 't drogen een aangena-men geur. — Reukkastje, . koffertje, o. (•s). — Reukmaker. ..menger, ra. (-s). — Reukoffer, o. (-s). — Reukpeer,(..eren).


ocr page 714

REVE — 6

— Reukpoeder, ..poeier, o. — Reukstof, v. (-fen). — Reukvat, o. (-en). — Reuk-water, o. (-en). — Reukwerk, o. (-en). — Reukwerker, m. (-s). — Reukwortel, v. Fijne wortelvezels van eene in O.-Indië voorkomende grassoort {andropogon mu-ricatum). Worden tusschen de kleederen gelegd, om daaraan een aangenamen geur mede te deelen. Worden ook gebruikt om kakkerlakken te verdrijven. — Reuk zeep, v. — Reukzenuw, v. (-en).

rciiiiie, v. (..iën, -s). Bijeenkomst.Vergadering.

rciiM, m. (..zen). Buitengemeen lang mensch : de reus Goliath. Al wat, in vergelijking met iets anders, overgroot is ; de olifant is een reus onder de dieren, de Witte Berg is een reus onder de bergen. — Reusachtig, bn. — Reusachtigheid, v. — Reuzenaard, m. — Reuzeuaardappel, ra. (-en. -s). (In Brazilië). — Reuzenarbeid, m. — Renzenbaars, v. (..zen). Soort van zeebaars [perca gigas). (Middell. Zee). — Reuzenbeeld, o. (-en). — Reuzenbtoem, v. (-en). Overgroote bloem (Sumatra). — Reuzengebergte, o. (-n). — Reuzenge-slacht, o. (-en). — Reuzengestalte, v. — Reuzenhaai, m. (-en). De grootste van alle visschen [squalus rnaxint us). Bewoont de zeeën aan N.-Europa. —Reuzen/tand, v. (-en). — Reuzcnketels, ra. rav. Zekere kuilen in bergen. — Reuzenkracht, v. (-en).— Reuzenplan, o. (-nen).— Reuzenschrede, v. (-n). — Reuzenslang, v. (-en). De reuzenslangen vormen eene familie van slargen. Onderscheiden zich door buitergewone grootte en kracht. Leven in Afrika en O.-lndië. — Reuzenstap, m. (-pen). — Reuzenstrijd, ra. — Rruzen-teimner, m.(-s).— Reuzenvoet,m. (-en).— Reuzenwerk, o. (-en).— Reuzin, v. (-nen). reiife, v. (-n). Root (ieart.).

reu lel, ra. Geluid der ademhaling (inz. van eenen stervende). — Reutel, ra. en v. (-s), reutelaar, m. (-s), reutetaartter,v. ( s). — Reutelen, ow. reutelde, heeft gereuteld. Snappen, praten. Knorren. Den ieutel hebben. — Reuteling, v.

reuter, m. (-s). Zeef.

Reuter {F.), 1810-1874, Stavenhagen. Platdnitsch dichter en humoristisch verteller. Lauschen und Rime Is (1853) ; Ollen kavielle.

reuzel, ra. (-s). Lichaamsdeel, v. Smeer in den buik der varkens (inz. als het uitgesmolten is). Vet in het raenschelijk lichaam. — Reuzelkoek, ra. (-en). — Reuzelpot, ra. (-ten). — ReuzeLvet, o. — Reuzelworst, v. (-en).

reuzelen (reuzen), ow. reuzelde, heeft en is gereuzeld. Rijselen. Ruischen.

reveille, v. Sein ora soldaten of matrozen te wekken.

revelatie, v. (..iën, -s). Openbaring. Ontdekking.

reveleu, ow. revelde, heelt gercveld. Raaskallen. Zottepraat uitslaan. Suffen. — Revelaa*-, ra. (-s). — Revelaarster, v. (-s). — ReTeting, v. — Revelstoel, ra. (-en). Praatstoel.

reven,bw. reefde, heeftgereefd.(Zeew.) Xnhalcn. Vastmaken (de zeilen).

6 — RIB

revenu, o. (-en). Inkomen, reverbamp;re, v. (-s). Straatlantaarn, reverentie, v. Eerbied, eerbetuiging. Groet, nijging, buiging.

reviwie. v. (..iën, -s). Herziening, revolteeren, revolteerde, heeft gerevolteerd. Bw. Opstand verwekken. Verontwaardigen, kwetsen : dat revolteert raij. Ow. In opstand komen. Aan het muiten slaan. — Revoltant, bn. Ergerlijk. Aan-stootelijk. — Revolte, v. (-n). Opstand. Oproer. Muiterij. — Revolutie v. (..iën, -s). Omwenteling. Geheele verandering. — Revolutionnair, bn. Omwentelingsgezind. Eigendunkelijk. — Revolutionnair, m. (-en). Omwentelingsgezinde. Opstandeling. Oproerling.

revolver, v. (-s). Draaipistool : vuurwapen van eene schroef voorzien, die om hare as beweeglijk is en vijf tot zes kamers voor evenveel ladingen bevat.

revue, v. (-n, -s). Wapenschouwing. Overzicht. Tijdschrift.

Re.Tiiold» (^7.), 1723-1792, Plympton. Eng. historie-, genre- en portretschilder.

rli»|»HO«lie, v. (-ën). Mengelmoes. Verzamelwerk. Rommelzoo.

rlietoriek, rlietlt;»riea, v. Redekunst. Leer der welsprekendheid. Kamer van rhetorica : rederijkerskamer. Latijn-sche klasse, waar de rhetorica wordt onderwezen. — Rhetor, m. (-en, -s). Redenaar. Leeraar der welsprekendheid. Leerling der rhetorica. — Rhetoryker, ra. (-s*. Rederijker. — Rhetorisch, bn. Redekunstig. Rhetorische figuren.

rlieuiuatiek, rlieuinatiHine, o. Eigenaardige aandoening des lichaams, die zinkingen, vloeiingen teweegbrengt, vooral in spieren en spierachtige deelen, in gewrichten, pezen, peesscheden en banden. — Rheuniatisch, bn.

rhinoceros, ra. (-sen). Neushoorn. rliolt;liuin, o. Metaal, dat een ige overeenkomst heeft met het platina. Werd ontdekt door Wollaston (1803).

rli0lt;l04lenlt;lruni, li o lt;1 od e n-dron, ra. i-s). Alproos. Bergroos.

rlionibuw, ra. (Meetk.) Ruit.—Rhom-bisch, bn.

rliyfliniuH, m. (Muz.) Indeeling der tonen, die elkander metkorteren oflange-ren duur opvolgen, in zekere tijdvormen, waardoor het oor en de geest ze gemakkelijk kunnen opnemen. KUmtoon, tijdmaat, beweging. Afdeeling, volzin, groep. (Lett.) Groepeering van lange en korte lettergrepen (in versregels). —Rhythmisch, bn.

rib, v. (-ben), ribbe, v. (-n). F.en van de dunne gebogen beenderen, die zich van de ru^gegraat raar het borstbeen middellijk of onmiddellijk uitstrekken en de borstholte omgeven : de ware of lange ribben, de korte of valsche ribbm. Stuk vleesch, dat aan de ribben gegroeid is. Inhout of balk, die samen het geraamte van een schip vormen. Balk. Spar. Krom stuk hout. Kleine dwarsbalk. Vezel (van kruiden, bladeren, enz.). Deel van eenen meloen. (Boekb.) Verheven lijn op den band van een boek. Dat kleeft aan de ribben : daar wordt men vet van. Dat zet wat aan de


ocr page 715
ocr page 716
ocr page 717

RIDD — 61

ribben ; dat geeft goed voordeel. — Ribbe-blad, o. Groot ribbeblad : groote weegbree. — Ribbebreuk, v. (-en). — Ribbe-ling, m. (-en). Soort van zoeten appel. — Ribben, bw. ribde, beeft geribd. Van ribben voorzien : den rug van een boek ribben. (Vlas) sterk uitstrijken met een bot-snedig lemmer. — Ribbenband, m. (-en). (Boekb.) — Ribbenkast, v. — Ribben-kruid, o. Gewoon duizendblad. — Ribben-kwallen, v. mv. Groep van buidzakdie-ren. 't Zijn zeedieren en de meeste komen in de warme streken voor. — Ribben la ge, v. (-n). Zoldering. — Ribbe smeer, o. Pak slagen. — Ribbe stoot, m. (-en). Stoot op de ribben. Barscb antwoord — Ribbestoo-ter, m. (-s). Wagen, die hevig schokt.— Ribbestuk, ribstuk, o. (-ken). — Ribbe-vlies, o. (-zen). — Ribbezakken, bw. rib-bezakte, heeft geribbezakt. Aansporen. Kwellen. — Ribbezenuw, v. (-en). — Ribbing, v. — Ribbing, m. (-en). Kibbeling.

Ribera (J. de), 1588-1659, S. Felipe = Espugnoletto. Sp. schilder en graveur. .

KicliaiMlfton (5*.), 1689-1761, Derby. Eng. romanschrijver. Pamela (1740); Clarissa HarloTXje I1749); Sir Charles Gran-dison (X753).

rioliel, v. (-s). Lat, dienende om er iets op te zetten. Bovenste rand (van verschillende voorwerpen). Lijst.

Kicliulicn (A. J. Duplessis, hertog van), 1585-1642, Parijs. Kardinaal. Staatsman. Minister van Lodewijk XIII. Spande in het binnenland al zijne krachten in om de edelen en de Hugenoten aan het koninklijk gezag te onderwerpen. Zijne bui-tenlandsche staatkunde had geen ander doel dan Frankrijk door verzwakking der Spaansche-Oostenrijksche macht tot de eerste mogendheid van Europa te verheffen. Stichtte de Fransche Academie

(1635».

rlolitcgt;n, bw. richtte, heeft gericht. Zekere strekking geven (aan) : het geweer op iem. richten. Leiden, besturen : het eerste gelid richten. Het woord tot iem. richten, hem toespreken. Zich richten, ww. : zich naar iets of iem. regelen. Richt u : zet u op de lijn. — Richtbaak, v. (..aken). — Richter, m. (-s). — Richtgat, o. (-en). — Richtig, bn. bijw. Juist, nauwkeurig, naar behooren. Zeker, veilig, zonder gevaar. — Richtigheid, v. — Richtig-lyk, bijw. — Richting, v. (-en). Het richten. Strekking. Zijde, waarheen iem. of iets geplaatst is, gesteld, enz.— Richtingslijn , v. — Richt lat, v. (-ten). — Richtlijn, v. (en). — Richt tin ia a l, v. (..alen). — Richtlond% o. (-en). — Richtsnoer, o. (-en). Koord, enz. om bij metselen, enz. in eene rechte lijn te blijven. Voorbeeld, regel, enz. ter navolging.

riolitcn, bw. lichtte, heeft gericht. Rechten. — Richter, m. (-s, -en). Rechter.

Itlolitcr [J. P.), 1763-1825, Wunsiedel. Duitsch humoristisch schrijver.

ridder, m. (-s, -en). (Middel.) Vrijgeborene, die verplicht was aan zijnen leenheer verschuldigden krijgsdienst in persoon en

1 — RIDD

op eigen kosten te volbrengen. De ridderlijke w aardigheid was niet erfelijk en moest door dapperheid en onbesproken levenswandel verworven worden. Van de 110 tot de 14® eeuw kon er ieder vrijgeborene naar dingen ; na dien tijd werd zij het voorrecht van den adel, uit den ridderstand voortgesproten. Om ridder te worden onderging men eenen proeftijd. De knaap trad op zevenjarigen leeftijd als hofjonker bij een aanzienlijken ridder in dienst. Bij zijn 15® jaar werd hij schildknaap en kreeg de lans en het schild van zijnen beer te dragen ; op zijn 17°, vertrok hij gewoonlijk ten krijg naar verre landen, en bij zijn 21», had hij de waaidigheid door dapperheid en deugd bekomen, werd hij plechtiglijk ridder geslagen. De nieuwe ridder legde den eed af van trouw aan de Kerk en den keizer, van achting voor de vrouwen, van bescherming van weduwen, weezen en verdrukten, en van eene christelijke en ridderlijke levenswijze. (Thans) Gedecoreerde met een ridderkruis. Eigenaar van een adellijk goed, welks vorige bezitters te paard in den krijg dienden. Ridderkapel. — Ridderacademie, v. (..iën). Ridderschool,

— Ridder bank, v. (en). — Ridderblad, o. Stompbladige zuring. — Ridderboek, o. en m. (-en). — Ridderdienst, m. (-en).— Riddereeuw, v. (-en). — Ridderen, bw. ridderde, heeft geridderd. Tot ridder slaan. Tot ridder benoemen. — Riddergeschiedenis, v. (-sen). — Riddergoed, o. (-eren).

— Ridderhof, o. (..ven). — Ridderkapel-len, v. mv. Soort van dagvlinders, met roede vlek op de borst. — Ridderkasteel, o. (-en). — Ridderkruis, o. (-en). Zie Orde. — Ridder leen, o. — Ridderlijk, bn. bijw. Wat eenen ridder betreft. Als een ridder. Moedig, Ridderlijkheid, v. — Ridderlint, o. (-en). Zie Orde. — Riddermatig, bn. bijw. Ridderlijk. — Ridderorde, v. (-n). (Oudt.) Vereeniging van geestelijke of wereldlijke personen die, met een geestelijk of staatkundig doel, zich onderling aan bepaalde wetten verbonden en beloofden het doel der orde met al hunne krachten te ondersteunen. (Thans) Zie Orde. — Ridderplicht, m. en v. (-en). — Ridderroman, m. (-s, -nen). — Ridderschap, o. Waardigheid van ridder, v. (-pen) De ridders. — Ridderschool, v. (..olen). — Ridderslag, m. Iem. den ridderslag geven, hem in de orde der ridders opnemen. — Ridderslot, o. (-en). — Ridderspel, o. (-en). — Ridderspoor, v. (..oren). Plantengeslacht {delphinium), tot de ranonkelachtigen behoorende. Daartoe behooren : de tamme ridderspoor [d. aja-cis), die veelvuldig als sierplant in onze tuinen wordt gekweekt; de wilde of veld-ndderspoor {d. consolida), eenjarige, in Juli bloeiende plant; de scherpe ridderspoor {d. staphis agna), die in Z. Europa, de Levant enz. voorkomt. Levert het sta-verzaad, dat gebruikt wordt om ongedierte bij mensch en vee te verdrijven. —Ridderstand, m. — Ridder tee ken, o. (-en\. Zie Orde. — Riddertijd, m. (-en). — Ridder-tocht, m. (-en). — Riddei woord, o.— Ridderzaal, v. (..alen).


ocr page 718

— 658 —

RIET

RIJG

rirlc, v. en m. (-en). Drietandige ijzeren vork.

rieken. Zie Ruiken. _

riem, m. (-en). Roeispaan : met den riem in 't waterslaan. Smalle, lange strook, inz. van leder : riemen snijden. Lederen gordel, inz. om er geld in te bergen : zich eenen riem om het lijf gorden. Lederen band aan schoenen, rijtuigen, wapenen, enz. Gereedschap om voorwerpen aan elkander te binden. Reep. Iets aan riemen snijden, kort en klein snijden. V.-m eens anders leder is het goed riemen snijdt n. lem. een hart onderden riem steken, hem moed inspreken. — Riem bank, v. (-en). Roeibank. — Riem be slag, o. — Rtemblad, o. (-en). —Riembloetn, v. (-en). Soort van kanperfoelie. — Riemen, riemde, heeft geri« md. Bw. Omgorden. Ow. Roeien.— Rievietimaker, m. (-s). — Rievter, m. (-s). Roeier. — Riemgat, o. (-en). — Riem-Jtlwip, m. (-en). — Riemtjes, o. mv. Plant {con igtule liitoralis). Groeit op vochti-gen zandgrond. — Riemslag, m. ( en). — Riemvormtg, bn. — Riemwet o. — Riemworm, m. (-en). Soort van ingewandsworm.

riem, m (-en). Twintig boek papier (elk boek van 24 vellen). — Riemgoed, o. Druk, dat bij den tiem verkocht wordt.

Itiemaeeber {A. de), 1845, Nukerke. Kanu' nik. Leerboek 7 an t ekeiékundr /en gebrvike der Normaalscholen (2® uitg. 1890); IJ is to ire et Genéalogie de la familie de Hemp tinne (1894).

riet, o. (-en), 't Gewoon riet, dekrief, slootriet {arundo phragmites) behoort tot de rietgrassen : een hu's, eene schuur met riet dekken, 't Spaansch riet {arundo donax) komt in Z.-Europa voor. Hieruit worden her eelroeden, rottingen, enz. vervaardigd. Hij beefde als een riet. Iets in het riet schuiven : iets doen mislukken. — Rietachtig, bn. — Rietakker, m. ( s).— Rietbosch, o. en m. (..sschen). — Rietband, m. (-en). — Rietbinder, m. (-s).— Riet bos, m. (-sen). — Rietdekker., m. (-s).

— Rietdijk, m. (-en). — Rieten, bn. — Rietfluitje, o. (-s). — Riet gans, v. (..zen). Zekere gans {anser segetum). — Rictge-•wassen, o. mv. — Rietgors, v. (..zen). Vogel \ fringilla mor. fa na). Wordt bij ons van April tot OctoLer langs de riet-kanten d« r grachten aangetroffen. — Rietgras, o. Rietachtig kanariegr.«s. — Rietgrassen, o. mv. Onverdceling der grassen.

— Riet hoen, o. (-ders). Soort van waterhoen {rallus). — Rietland, o. ( en). — Rietlij sier, v. (-s). Groote karekiet {tur-dusarundinaceus). — Rietmat, v. (-ten). —Rietmes, o.(-sen).—Riefmosch, ..rnusch, v. (..sschen). Rietgors. — Rietpark, o. (-en). Vischput (aan de zee). — Riet peer, v. (..eren). Soort van kleine pet-r.— Riet-pijp, v. (-en). Herdersfluit. — Rietp-uim, v. (-en). — Rietsnijder, m. (-s). — Riet-stok, m. (-ken). Rotting. — Rietsuiker, v. Soort van suiker, verkregen uit het suikerriet. — Rietveld, o. (-en). — Rietvogel, m. (-s). Karkiet. — Rietvlot, o. (-ten). — Rietvoren, ..voorn, in. (-s). Visch {cyfiri-nus t ryth 1 oph thalm us), lot de karpers behoorende. Komt bij ons in zoetwater voor. — Rietzanger, m. (-s). ^ gel, tot de rietzangers behoorende. Heeft ;en beval-ligen en afwisselenden zang. — Rietzan-gers, m. mv. Trekvogels Leven in het riet en langs de waterkanten.

RietNelioi {R.F. A.), 1814-1861, Pul»-nitz (Saksen). Duitsch beeldhouwer.

rif, o. (-fen). Lange, smalle zandbank. Verborgen klip. Geraamte.

rif. Reef.

RlgraiKl (//), 1659-1743, Perpignan. Fr. portretschilder.

rig^el, v. ( s . Spoorstaaf. Zie Rail. ritfiiroKu, bijw. (Muz.) Streng. Stipt, rü , v. (-en). Verscheidene voorweipet» naast elkander gc plaatst. Re«-ks, volgreeks. Rang, fc-elid. (Mets.) Lat om de st^enen behooilijk te plaatsen in een metselwerk.

rült;leii, reed, is en heeft gereden. Ow. Op den rug van eenig dier vervoerd worden : te paard rijden. Zich in eenig voertuig van de eene p'aats naar de andere begeven : in open rijtuig rijden. Mennen : met vier paarden rijden. Op schaatsen rijden. Op en neder yaan (can een schip, dat op anker ligt). Paren (van visschen). Op de tong rijden : het orderwerp van het gesprek zijn. Men moet lijden en omzien : men moet voorzichtig zijn. Bw. Ik heb hem twee uren ver gereden. Den wagen rijden. Een paard bekaf rijden. De duivel rijdt hem : hij is van den duivel bezeten. — Rijbaan, v. (..anen). — Rij bed, o. (-den). Deel van den ondermast. — Rijbeest, o. en v. (-en). — Rijbroek, v. (-en). — Rijder, m. (-s). Ruiter. (Oudt.) Gouden rijder =? 14 gulden, zilveren rijder = 3,15 gulden. — Rijdster, v. (-s). — RijkalfS, v. (-sen). — Rijkleed, o. (-eren). — Rijknecht, m. (-s).

— Rij koets, v. t-en). — Rijkunst, v. — Rij-kussen, o. (-s). — Rijlaars, v. \..zen). — Rijmantel, m. (-s).— Rijmeester, m. (-s).

— Rijpaard, o. (-en). — Rijpad, o. { en).

— Rijpartij, v. (-en). — Rijrok, m, (-ken).

— Ryschaaf, v. (..aven). Soort van groote schaaf. — Ry'schaal, v. (..alen). (Zeew.).

— Ri/schoenen, m. mv. Schoenen der schaatsenrijders. — Rijschool, v. (..olen). Plaats, waar het paardenrijden wordt aangeleerd. — Rijspoor, o. (..oren). — Rijtijd, m. Paartijd der visschen. — Rijtoer, m. (-en). — Rijtuig, o. '-en). — Rijtuigfabrikant, m. (-en). — Rijtuigmaker, m. (-$).

— Rijtuigmaatschappij, v. (-en). — Rij-tu igvereen ig i ng-, v. 1 - en). — Rij tu tg sch 11-der, ra. (-s). — Rijtuigverhuurder, m. ( s). — Rij7vagen, m. (-s). — Rijneg, m. (-en). — Rywtel, o. (-er). Kunstmatig voertuig, dat met de voeten wordt in beweging gebracht. — Ryzadel, m. (-s). — Rijzweep, v. (-en).

rUf. v. (..ven). Hark. Rasp.

rüloleii, ow. rijf. 1de, heeft gerijfeld. Met dobbelsteenen spelen. — Ryfelaar, m. (-s). — Rijfe laar ster, v. (-s). — Ry'fel-bquot;ker, m. (-s). — Ri/felbord, o. (-en). — Rij'Jelspel, o. (-en). — Rijfeltrechter, m. (-s).

rijgen, bw. reeg, heeft geregen. Doorboorde dingen, op eene lij aan een snoer


ocr page 719

RIJK — 6

•vastmaken : parels aan cenen draad rijgen. Jlet een snoer vastmaken : een keurslijf

gquot;gen. Met wijde steken vastnaaien : eenquot;gen. Met wijde steken vastnaaien : een

eed rijgen. Zich rijgen, ww. Een keurslijf dragen en het nauw toehalen. — R'Jg-draaa, m. (..aden), rygrr, m. (-s). — Ryglaars, v. (..zen). — Rygleiive* s, m. •mv. (Zeew.). — Ryglyf, o. (..ven). Keurslijf- — Rygnaad, v. (..aden). — Rijgnaald, v. (-en). — Rygnestel, m. ( s). — Ryg-Jen, ..pin, y. (-nen). — Rijgschoen, m. (-en). — Rijg snoer, o. (-«n). — Rijgveter, «n. (-s).

rtlk, bn. bijw. Overvloed van aardsche dingen bezittende. Overvloedig met allerlei goede dingen begiftigd. Ruim voorzien (van). Kostbaar. Prachtig. — Rijkaard, m. (-s), rijke, m. (-n). Kijk, vermogend man. — Rijkdom, m. (-men). Bezit van vele aardseue goederen. Schatten. Vermo-

5en. Overvloed. —en. Overvloed. — Rijkelyk, bn. bijw. leer dan genoeg. Overvloedig. Verkwistend. — Rijkelijkheid, v. — Rijkheid, v.

r||k, o. (-en). Heerschappij, regeenng. Staat, land door eenen vorst beheerd. Monarchie. Bewind. De drie rijken der natuur : het planten-, het dieren-, het delf-Jrtofiemijk. — Rijksacademie, v. (..iën, -s).

— Rijk sa del, m. — Rijksadelaar, m. (-s). Wapen eens rijks. — Rijksadvocaat, ra.. (..aten). — Ryksambl, o. ( en). — Rijksambtenaar, m. (. aren). — Rijksarchief, o. — Rijksarchivaris, m. (-st-n). —Ryks-.bagt;on, m. (-nen). — Rijksbelasting, v. (-en). — Rijksbestuur, o. — Rijksbeurs, ■v. (..zen).— Rijksbewind, o. — Ryksbo-dem, m. —Rijksburger, m. (-s). — Rijks-burggraaf, m. (..aven). — Rijksdaalder, m. (-s). (Oudt.) Nederl. rijksdaalder = zilveren dukaat. — Ryksdat», m. (-en). — 'Rijksentrepot, o. — Rijksgebied, o. J Rijksgenoot, m. (-en). — Rijksgesticht, », {ramp;Vi). —Rijksgezag, o. — Rijfogezinden, in. mv. — Rijksgraaf, m. (..aven). — ■Rijksgraafschap, o. — Ryks^t avin, v. (-nen). — Rijksgrens, v. (..zen). — Rijks-

„grond, m. (-en). — Rijks heer schappij, v.

— Rijkshofraad, m. (..aden). Zekere titel.

— Rijksinwoner, m. (-s). — Rykskamer-gerecht, o. Kamergerecht. — Rijkskanselier, m. {-s,-vvs).— Riikskroon,v. (..onen).

— Rijkskweekschool, v. (..olen). — Ryks-leen, o. (-en). — Rijksleger, o. (-s). — Rijks museum, o. (-s, ea, ..museën). — Rijksnormaalschool, v. (..olen). — Rijks-opperhoofd, o. (-en). — Ryksop-uolger, ra. (-s). Troonopvolger. — Rijksopvolging, v.

— Rijkspolitie, v. — Rijkspostspaarbank, v. (-en). — Ryksprins, ra. (-en). — Rijks-prinses, v. (-sen).—Rijksraad, ra. (..aden).

— Rijksschepter, ra. (-s). —Rijksstaf, ra. (..ven). — Rijksstad, v. (..eden). — Ryks-stenden, ra. rav. Staten van het (inz. het Duitsche) rijk. — Rijkstol, ra. (-len). — Rijksuniversiteit, v. (-en). — Ryksvee-arts, ra. (-en). — Rijksveeartsenijschool, v. (..olen). — Ryksveldwacht, v. — Rijksveldwachter, ra. (-s). — Rijksvergadering, v. — Rijksverzameling, v. ( en). — Rijksvolk, o. Krijgsvolk van den Staat. — .Rijksvorst, m. (-en). —Rijksvorstendom,

9 — RIJP

o._(-raen). — Rijksvorst in, v. (-nen). — Ryksvry, bn. Niemand onderdanig dan den keizer en het Rijk (in Duitschland). — Rijkswapen, o ( sj. — Rijkswege \van), bijw. uitdr.— Rijkswet, v. (-ten). — Ry'ks-zegel, o. — Rijkszorg, v. (-en).

rüiu, ra. Rijp (ie art.). — Rijmen, eenpw. Rijpen.

rijm, o. (-en). Overeenstemmende eindklank der dichtregels. Staand of mannelijk rijm : rum, waarbij de laatste lettergreep den nadruk krijgt. Slepend of vrouwelijk rijm : rijm raet vallende lettergreep. — Rymader, v. Dichterlijke geest. — Rijmdicht, o. (-en). — Rijmdichter, ra. (-s). — Rijmelaar, ra. (-s, ..aren). — Rijmelaar-ster, v. (-s). — Rijinelares, v. (-sen). — Rijmelarij, v. (-en). — Rijmelen, ow. rijmelde, heeft gerijmeld. Slechte verzen maken. — Rymeloos, bn. Rijraelooze verzen.

— Rijmen, rijmde, he eft gerijmd. Ow. Gelijken uitgang hebben (van slotwoorden). Overeenstemmen. Bw.Verzen (inz. slechte) maken. Overeenbrengen. — Rijmer, ra. (-s). — Rijmerij', v. (-en). — Rijmklank, ra. (-en). —Rijmkunst, v. — Rymlust, ra.

— Rijmregel, ra. ( s, -en). — Rijmslag, ra. (-en). Rijm. — Rijmster, v. (-s). —Rijmvers, o. (..zen). — Rijmwerk, o. (-en). — Rijmwoord, o. (-en). — Rijvnvoorden-boek, o. en ra. (-en). — Rijmzucht, v.

ra. (-en). IJzeren kruis (in den bovensten molensteen).

Rün, m. Stroom. Ontspringt in Zwitserland en vloeit door Duitschland en Nederland naar de Noordzee. Van Born tot aan de Noordzee wordt hij Neder-Rijn genoemd. — Rijnaak, ra. ( .aken). — Rijn-bloem, v. (-en). Goudgele welriekende bloem. Groeit langs dorre weg' n. — Rijndal, o. (-en). — Rijnforel, v. (-len). — Rjjngraaf, ra. (..aven). (Eert.) Zekere titel. — Rijngraafschap, o. (-pen). — Rijngravin, v. (-nen). — Rijnhaven, v. (-s). — Rijnkool, v. ( en). Wilde kool. Ak-kerkonl. — Rijnland, o. Gewesten aan den Rijn gelegen. — Rijnlander, ra. (-s).

— Rijnlandsch, bn. — Rijnoever, ra. (-s).

— Rijnprovinciën, v. rav. — Rijnsch, bn. Rijnsche wijn. — Rijnscherpvaart, v. — Rijnschip, o. (..epen). — Rynschipper, ra. (-s). — Rijnschuit, v. (-en). — Rijnspoorweg, ra. — Rijnsteur, ra. (-en). — Rijnstoomboot, v. ( en). — Rijnstreek, v. (..eken). — Rijnstroom, ra. — Rijnvaart, v. — Rynvlot, o. (-ten). — Rijnwater, o.

— Rijnwijn, ra. — Rijnzalm, ra. (-en). i'Uusoli. bn. Zuurachtig. Een weinig

scherp. — Rynschheid, v.

ryp, ra. Bekrozen dauw. Waas op de oppervlakte van zekere planten. — Rijpen, ow. rijpte, heeft gerijpt. Het rijpt: er valt rijp. In geringen g.aad vriezen. — Rijping, v.

rüp, v. (-en). Rups.

bn. In genoegzaam volkomen toestand om ingeoogst, geplukt of genuttigd te kunnen worden (van vruchten, enz.). Den manbaren leeftijd bereikt hebbende. De zweer is rijp, kan doorgestolen worden. Een rijp oordeel. Na rijp beraad. In rijpere jaren. De onderneming is rijp, kan


ocr page 720

RIJZ — 6(

aanvangen. — Rijpelijk, bijw. Nauwlettend. trnstig. Met aandacht. — Rijpen, rijpte, is en heeft gerijpt. Üw. (zijn) Rijp worden. Etteren (van eene zweer). Bw. F ijp maken. Rijp laten worden : men moet zijne gedachten laten rijpen. — Rijpheid, v. — Rypmakend, bn. (Geneesk.) Rijpmakende zalf. — Rijpwordinfr, v.

rÖH, o. (rijzen), longe boomspruit. Dunne takjes. Teen. Tuinstaak (inz. voor erwten). Buig het rijsje als het jong is. Jonge rijzen kan men buigen, maar oude Doemen niet. — Rysbank, v. (-en), rijsberm, m. (-en). Gevlochten houtwerk onderaan de dijken, om het inspoelen van het water te beletten. — Rysbezem, m. (-s). Bezem van dunne berketakjes. — Rys-bos, m. (-sen). — Rysbundel, m. (-s). — Rijsbosch, o. en tn. (..sschen). — Rijsdam, m. (-men). — Rijshout, o. Takken, twijgen (van wilgen, enz.). — Rij skeet, v. (-en). Plaats, waar het rijs bewaard wordt. — Rijswaard, v. (-en). Grond (tusschen eenen dijk en eene rivier), met wilgeboo-men beplant. — Ryswerk, o. (-en). Bekleeding van eenen dijk, enz. met rijshout.

— Rijzen, o. mv. Snoeihout aan bossen ebonden. — Ryzenbos, m. (-sen). Tak-enbos. — Ryzenmyt, v. (-en).

rUftdeu, ow. rijselde, heeft en is gerij-»eld. Uitvallen (van graankorrels, enz.).

rUst, v. Gewone rijst : eenjarige plant {oryza sativa), tot de grassen behoorende. Is afkomstig uit Z.-Azië. Wordt thans in alle keerkringslanden en onder de warmere gematigde luchtstreek gekweekt. Het graan dezer plant, dat als voedsel gebruikt wordt. — Rif staar, v. (..aren).

— Rystachtig, bn. — Rijstakker, m. (-S). — Rijstbouw, m. — Rijstebrij', v.

— Rystebrood, o. (-en). — Rijstemeel, o. — Rijstemelk, v. — Rij sten at, o. — Rijstepap, v. — Rystesoep, v. — Rijstetaart, v. (-en). — Rijstgrassen, o. mv. Onderafdeeling der grassen.— Rijstkoekje, o. (-s). — Rystkrrrel, v. (-s). — Rijstland, o. (-en). — Rijstoogst, m. — Rijstpapier, o. Chineesche papiersoort. — Rijst-plant, v. (-en). — Rijststroo, o. — Rijstveld, o. (-en). — Rijstuink, m. (-en), rijst-vogel, m. (-s). Vogel (/ring illa oryzi-vora). Behoort tot de vinken. Leeft in O.-Indië en China, enz. Doet aan de rijstvelden groote schade. — Rijstwater, o.

rlftcn, reet, heeft en is gereten. Bw. Scheuren. Vaneenrukken. Ow. Bersten. Splijten. — Rij tin z, v.

röve, v. (-n). Reliquifënkast.

rijven, bw. ow. reef, heeft gereven. Harken. Raspen.

rlixon, rees, is en heeft gerezen. Ow. (zijn) Hooger worden, stijgen : bet water rijst. Opstaan : hij rees ijlings overcinde. Opkomen : de zon rijst in het Oosten. Opstaan. Ontstaan : hier rezen nieuwe moeilijkheden. Voortkomen. Duurder worlt;len : de boter rijst merkelijk. De markt rijst: de marktprijzen stijgen. Gisten : dit brood is niet W' 1 gerezen. Vallen, afvallen. Dc haren rezen hom te berge. Bw. Ophalen : , eene plank laten rijzen. Rijshout aan erw» ^ten steken : erwten rijzen. — Rj'ztnd, bn,

gt; — RIMP

— Rijzing, v. Het rijzen, (-en) Helling,. Was (des waters). Vlucht (van eenen vuurpijl). — Rijzig, bn. Lang, slank. — Rijzigheid, v.

rikkelsikkcn, rikkikken, ow. rikkekikte, rikkikte, heeft gerikkekikt, gerikkikt. Geluid geven (als de kikvorschen).

rikketik, m. Zijn hart gaat van rikketik, klopt hard.

ril, v. (-len). Groeve. Vore. rilstHelaii«]o, bijw. (Muz.) Verminderende in snelheid.

rillen, ow. rilde, heeft gerild. Bevea (van koude, vrees, enz.). — Ril, m. Het rillen. Rilling. — Rilling, v. (-en).

rimpel, ra. (-s). Onregelmatige plooi in eenig voorwerp : dit papier is vol rimpels. Plooi in de huid : een gezicht vol rimpels. Iemands rimpels wegstrijken, hera zijne zorgen doen vergeten. —Rivipelach-tig, bn. — Rimpelen, rimpelde, heeft en is gerimpeld. Bw. Samentn-kken, plooien : hij rimpelde zijn vcorhoofd. Ow. Rimpels krijgen : zijn gelaat rimpelt. — Rimpelig,.


ocr page 721

RIXK — 6'

quot;bn. Met rimpels, met plooien. Ruw (van vruchten, enz.). — Rimpeligheid, v. — Rimpeling, v.

riiiirstni, m. IJdele praat.

riiiff, m. (-en). Ronde omtrek. Kring. Kringvormig voorwerp. Vingersieraad. Radnaaf. Band om een mes, enz. IJzeren kous in een touw. Opening langs den loop van een geweer, waardoor de laadstok gaat. Vervuring (van eikenhout). Wat eenigermate ringvormig is. Eenige bij elkander liggende en behoorende gemeenten (Hervormde Kerk). — Ringanker, o. (-s).

— Ringband, m. (-en). — Ring bestuur, o. (..uren). — Ringbeurt, v. (-en). — Ringbout, m. (-en). — Ringbroeder, m. (-s). — Ring dier en, o. mv. Gelede dieren. — Ringdijk, m. (-en), — Ringdoosj'e, o. (-s).

— Ringduif, ringelduif, v. (..ven). Wilde duif. — Ringelen, bw. ringelde, heeft geringeld. Met eenen ring omgeven. Met eenen ring beteugelen, temmen : varkens ringelen.—Ringelgans, v. (..zen). Gans met eenen ring om den hals. — Ringel-Tnusch, ringmusch, v. (..sschen). Zie -Musch. — Ringeloor en, bw. ringeloorde, heeft geringeloord. (Een dier) met eenen ring in het oor omleiden. Plagen, kwellen.

— Ringclrups, ringruis, v. (-en). Soort •van lange, slanke en dun behaarde rups. — Ringelslang, ringslang, v. (-en). Niet

vergiftige slang. Houdt zich op in weilanden en moerassen. — Ringen, ringde, quot;heeft geringd. Bw. Aan eenen ring vasthechten. Van eenen ring voorzien. Ow. Ringen dragen. — Ringfazant, m. (-en).

— Ringgebergte, o. ( n). — Ringkas, v. (-sen). — Kingkojfertje, o. (-s). — Ring-bolder, m. (-s).^laliënkolder. — Ringkraag, m. (..agen). Klein zilveren schild, dat op de borst wordt gedragen. — Ring-leeuwerik, m. (-en). — Ringlyster, v. (-s). — Ringloop, m. (-en). Zeker spel. — Ringmeel'le, v. (-n). — Ringmuur, m. (..uren). — Ringnagel, m. (-s). — Ringre-

jzlement, o. (-en). — Ringryden, o. Spel, waarbij te paard naar eenen ring gestoken wordt. — Ringryder, m. (-s). — Ring-schroej, v. (..ven). — Ringsloot, v. (-en).

— Ringspieren, v. mv. — Ringsteken, o. Ringrijden. — Ringsteker, m. (-s). —

.Rtngsvergadering, v. (-en). — Rings wijze, ..Tvy's, bijw. — Ring synagoge, v. (-n). —RingvaUc, m. (-en). —Ringvaren, v. Soort van varen. — Ringvinger, m. (-s).

— Ringvormig, bn. — Ringtual, m. (-len).

— Ringwormen, m. mv. Klasse van weekdieren, waartoe de bloedzuigers, enz. be -hooren.

riukel, m. (-s). Metalen plaatje om geluid te maken (b. v. in eenen rinkelhoepel). — Rinkelaar, ra. (-s). Zeker vaartuig. — Rinkelbel, v. (-len). Rammelaar (kinderspeelgoed). Ratel (3* art.). — Rin-kelbloeviigen, v. mv. Piantenfamilie. Eenige geslachten konn n bij ons voor. — Rinkelbom, v. (-men). — Rinkelen, ow. rinkelde, heeft gerinkeld. Met rinkels spelen. Geraas, getier maken. — Rinkelhoep, m. (-en), rinkelhoepel, ra. (-s). Hoepel, waarin van binnen loshangende stukjes .folik genageld zijn. — Rinkeling, v. Het i — RITT

rinkelen. Het klinken van tegen elkander stootende glazen. Leven, rurm.er. — Rinkelrooien. ow. rinkelrooide, heeft gerinkelrooid. Met gerammel van rinkels rondzwieren. — Rinkelrooier, ra. (-s) — Rin-kelrooister, v. ( s). Lichtekooi. — Rinkel' spel, o. — Rinkelwerk, o. Zeer klein beeldhouwwerk.

rinket, o. (-ten). Deur of schuif ia eene groote sluisdeur. _

riiikiuken, rinkinkte, heeft gerin-kinkt. Ow. Met een helderen toon bieken : de ruit is gebroken, ik hoorde het rinkinken. Bw. Met geraas breken, vernielen.

riiiHCli, bn. Rijnsch (20art.).— Rinsch' heid, v.

Rio «le Janeiro, 360,000. Hoofdstad (Brazilië).

riool, o. en v. (..olen). Goot onder den grond. Straatgoot.— Rioolbuis, v. (..zen).

— Rioolpyp, v. (-en).

Kipperdsfc ( W.). Friesch edelman. Beroemd door zijne heldhaftige verdediging van Haarlem (1572-'73).

ripH, o. Dichte lijnwaadachtige stof. riNico, o. Geraar. Gevaarlijke kans: op risico (van).

riepen, ow. rispte, heeft gerispt. Wind opwerpen uit de keel. ,

ri«t, v. (-en). Getakt uitspruitsel (van' eenen aalbessestruik, enz.), waaraan de bessen zitten. Verzameling van voorwerpen, aaneengeregen of vastgehecht aan eenen stok ol lat. Uienbundeltje. V/asbun-deltje. Eene hoeveelheid leien, op haren kant gezet, ter lengte van acht voet. — Ristbok, ra. (-ken). Plank om het vlas te risten. — Risten, bw. ristte, heeft gerist. Tot risten maken (uien, enz.). (Vlas) heen en weer trekken op den ristbok. — Ristuit v. (-en), ristuie, v. (-n).

riwter, o. (-s). Omgebogen blad, bezijden aan den ploeg. Strijkbord.

rit, m. (-ten). Het rijden. Wandeling, enz. te paard. Wedloop van een paard. — Ritmeester, m. (-s). Kapitein der ruiterij.

— Ritmeesterschap, o.

rileuuto, bijw. (Muz.) Vertragend, rilorucl, o. (-len). Voor- of naspel.

Versleten liedje.

ritH, tw. Bootst den klank na van iets, dat scheurt. — Rits, ra. (-en). Merk op een vat. Scheur. — Rits, v. (-en). Ritsijzer. — Ritsbord, o. (-en). (Scheepsb.). — Ritsen, bw. ritste, heeft geritst. In beweging brengen. Prikkelen. Vaten, enz. met het rits-ijzer merken. — Ritshout, o. (-en). (Timm.) Kruishout. — Ritsijzer, o. (-s). Merkijzer. Zeker kuipersgereedschap.

RitMekl {F. IV.), 1806-1876, Grosr-Vargula. Duitsch taalkundige. Hoogleeraar (Bonn).

ritselen, o.v. ritselde, heeft geritseld. Ruischen (ten gevolge eener lichte beweging, inz. van bladeren). — Ritseling, v. (-en).

rilHij;, bn. Tot paren geneigd. — Ritsigheid, v.

ritten, ritte, heeft gerit. Ow. Spelende heen en weer loopcn (van kinderen), Bw. Door hard loopen scheuren (kleeren, i nz. .


ocr page 722

ROBO — 6(

Ritftor (AT.), 1779-1859, Quedlinburg (Duitschland). De grondlegger der wetenschappelijke aardrijkskunde. Die Erd-kunae im Verhdltniss zur Natur und zur Geschichte des JSIenschen (i8i7-,i8, onvoltooid).

ritiiastl,o. (..alen). Kerkgebruik. Boek der kerkgebruiken. — Rtitiah'si, m. (-en).

— Ritueel y bn. — Rif us, m. Kerkgebruik.

rivier, v. (-en). Stroomend water, dat

in eencn vloed of stroom uitloopt. — Ri-vieraaly m. (..alen) (voorwerpsn.) ; v. (stofn.). — Rivierarm, ra. ( en). — i-vierbaars, ra. (..zen) (voorwerpsn.) ; v. (stofn.). — Rivierbed, o. (-den). — Rivierbedding, v. (-en). — Rivier bericht, o. (-en). — Rivier brasem, ra. (-s). — Rivierdijk, ra. (-en). — Rivierforel, v. (-Ion). — Rivierkarper, ra. (-s). — Rivier krab, v. (-ben). — Rivierkreeft, ra. (-en). — Riviermond, ra. (-en). — Riviermossel, v. (-s, -en). — Rivierotter, ra. (-s).— Rivier-paard, o. (-en). Nijlpaard. — Rivierpaling, ra. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.).— Rivierschip, o. (..epen). — Rivierschildpad, v. (-den). — Rivier snoek, m. (-en).

— Rivierstand, ra. (-en). — Rivieryisch, v. — Riviervogel, ra. (-s). — Rivierwater, o. — Rivierzand, o.

rob, ra. (-ben). Vinpootig verscheurend zoogdier (geslacht p/ioca). Leeft in de zeeën der gematigde luchtstreek, 't Meest bekend is de zeehond. — Robbenhuid, v. (-en). — Robbenjacht, v. (-en). — Robbentraan, v.

— Robbenvangst, v. — Robbespek, rob-benspek, o. — Robbevel, o. (-len). — Rob-bevellen, bn.

rob, v. (-ben). Maag van groote vis-schen.

rob, v. Verdikt vruchtensap met suiker gekookt.

robbcdocN, ra. en v. (..zen). Wild en uitgelaten raensch. — Robbedoezen, ow. robbedoesde, heeft gerobbedoesd. Wild zijn. Leven maken.

robbeknol, xn. (-s, -len). Dikke jongen. Vreter.

robber, m. (-s) Gereedschap van plaatsnijders (ora inkt op de platen te doen).

Robbia (Z. della), 1400-1448. It. beeldbouwer.

robe, v. (-s). Lang vrouwenkleed. Tabbaard. Ambtskleed.

robertMkruiil, o. Tweejarige plant {geranium Robertianum). Groeit op schaduwrijke plaatsen.

Roberfftou {IV.), 1721-T793, Bortwick (Schotland). Eng. geschiedsthrijver. History of the Reign of the Emperor Charles V (1769); History of America (1877).

RoboKplerre {M- J. /.), 1759-1794, Arras. Advocaat. Redenaar. Een der beruchtste mannen der Fr. Omwenteling. Stierf op 't schavot.

robQn, ra. (-en) (steen); o. (stof). Edelgesteente van rozeroode kleur. Volgt in waarde en hardheid op diaraant. — Robijnen, bn. — Robynzvuavel, v. (Scheik.) Rood arsenik.

Roboam (975-958). Zoon van Salomon. Onder zijne regeering kwam heel Israël in opstand. Twee geslachten : Juda en

2 — ROEI

Benjamin bleven den vorst getrouw. De-andere tien verkozen Jeroboam tot koning.

Robreelit. Naam van eenige graven-van Vlaanderen.

Robuntl (y.), 1512-1597. It. historie-en portretschilder.

robuust, bn. Kloek. Krachtig. Sterk. Gespierd.

Robins {F. A.), 18^6, Mielen. Schoolopziener. Druno (historische roman, 1867);. Sch ooiboe ken.

roeltel, v. (-s). Fluim. — Rochebel, v. (-len). — Rochelaar, ra. (-s). — Rochelaar' ster, v. (-s). — Rochelachtig, bn. — Ro-chelbakj'e, o. (-s). — Rochelen, ow. rochelde, heeft gerocheld. Fluimen opgeven.-Veel spuwen. — Rocheling, v. — Rochelpot, in. en v. (-ten).

Roelte» (y. des), 1740-1787, 'sGraven-hagc. Nieuwe Nederduytsche Spraek-konst (17^1) J Fransch-Nederduytsch en Necierduytsch - Fransch Woordenboek-(1763).

Roclmssen (C.), 1815-1894, Rotterdam. Schilder en graveur.

rococo, m. Ouderwetsche smaak. Verouderde slijl (uit den tijd van Lodewijk-XIV). — Rococostijl, ra.

Rodeubacli {A.), 1856-1880, Roese-lare. Dichter. Karei de Goede (drama, 18781 ; Eerste qedtchieu (1878); Gudrun (drama, Ix-kroond, 1879).

roebel, n». (-s). Russische munt. Zie. Bijgci ocgdc Tabellen.

roede, roe, v. (roeden). Dunne buig— xame boomspruit. Teentje. Molenroedo-Staart eencr komeet. Rirra, reep, zweep» Geesel. Strafwerktuig. Tuchtiging. Too-verstaf. IJzeren of koperen staaf. Zekere ra aan den bezaansmast. Zekere lengtemaat, zie Bijgevoegde Tabellen. Der roede ontwassen zijn ; niet meer onder de tucht. staan. De roede kussen : zich aan de tuchtiging geduldig onderwerpen.

roof, v. (..ven). Overdekte plaats in. eenc trekschuit. Schuin opgaand deksel. eener doodkist.

roof, tw. Duidt het geluid eener snelle-beweging aan : roef,'t is gedaan I

rooi, m. (-en), Ro» df. Riem. — Roei*-bank, v. (-en). — Roetbnrk, v. (-en). — Roeibeugel, m. (-si..— Roeiboot, v. ( en).

— Roe idol, m. (-len)-. Opstaande pen, om de roeien tegen te houden. — Roeien, roeide, heeft en is geroeid. Ow. De riemen-van eene boot op en neer doen gaan. De armen onder bet gaan heen en weer slaan. De vogels roeien door de lucht. Bw. Doormiddel van riemen besturen of voortstuwen : een vaartuig roeien. lem. door roeien^ overvoeren : roei mij naar de overzijde. Meten, peilen : wijn,enz.roeien.— Roeier* ra. (-s). — Roe ik lamp, m. (-en). — Roei-mik, v. (-ken). — Roeipen, ..pin, v. (-nen)#.

— Roeiriem, ra. (-en). — Roeischip, o.. (..epen).—Roeischuit, v. (-en). — Roeispaan, v. (..anen). — Roeister, v. (-s). — Roeistok, ra. (-ken). — Roe is trop, m,. (-pen). —Roeivaartuig, o. (-en). — vereeniging, v. (-en). — Roei wedstrijd,^ m. (-en).


ocr page 723

ROEP — 6

(-en),rookraaf, v. (..aven). Vogel {corvus frugilegus), tot de raven beboorende. Voedt zich met insecten, wormen en veldmuizen.

roekeloos, bn. bijw. Zorgeloos. Vermetel. Al te stout. — Roekeloosheid^ v. (..heden).

roekoeken, ow. roekoekte, heeft ge-roekoekt. Een geluid geven (als de duiven).

Roela mlal led Karelroman. Verhaalt de bekende episode uit de oorlogen van Karei den Groote tegen de Saracenen in Spanie, waarbij Roeland en Olivier door verraad omkwamen, en door den keizer, op Roeland's geweldig hoorngeblaas toegesneld, gewioken werden. — Roeland, m. Het is et-n razende Roeland : hij is zeer onstuimig en woest.

Koclofr (^K.), 1822, Amsterdam. Landschapschilder. De Regenboog.

roem, m. VoortreÜelijke naam. Gunstige bekendheid. Eer, lof. Aanzien. Achting. (Kaartsp.) Drie of meer opeenvolgende kaarten, vier azen, enz. — Roem-achligy bn. — Roembaar, bn. —Roemen, roemde, heeft geroemd. Bw. Luid verheffen, loven, prijzen, verheerlijken : meu zal zijne werken roemen. (Kaartsp.) Den roem vermelden. Ow. Roem op iets dragen. Pochen : hij roemde op zijne afkomst. — Roe-tnensvoaardig, bn. — Roemer, m. (-s). — Roemzterig, bn. — Roenigierighcid, v. — Roejuing, v. — Roemrijk, bn. — Roemruchtig, bn. bijw. — Roe vi tuchtig he id, v. — Roemruchtiglijk, bijw. — Roemvol, bn. bijw. — Roemvuaard, ..ig, bn. bijw. — Roenivuaardigheid, v. — Roemvuaardig-lijk, bijw. — Roemzucht, v. — Roemzuch-iig, bn.

Roemenië. Koninkrijk (O.-Europa). s;,5cü.oóo iiiW., £,197 vlerL.

quot;Hoofdstad : Bucharest.

roemer, romer, m. (-s). Wijnglas, roepaurd, o. (-en). Paard ter rechterzijde van een span.

Roepel (C.), 1678-1748, 'sGravenhage. Portret- en bloemschilder.

roepou, riep, heeft geroepen. Ow. Zich met eene luide stem laten hooren. Om hulp roepen. Zich heesch roepen. Toeroepen. Tot God roepen. Dat roept om wraak. Ieder ro« pt er over, dat het zoo mooi is. Openlijk afkondigen : men heeft doen roepen, dat die murt niet gangbaar is De koekoek roept. Op iem., op iets roepen. Bw. lem. wakker roeren. De nachtwacht heeft tien geroej en Moord, brand roepen. Volk roepen. Te hulp roepen. Ten strijde roepen. Iels ie koop roepen. Zijnen hond roepen. Eenen dokter roepen. De politie roepen. Pas op of ik roep mijnen broeder (om mij te helpen». Iem. voor den rechter roepen. Iem tot de orde roepen. Iem. ter zijde roepen. Ciod heeft hem tot zich geroepen. Mijne piichr, enz. toept mij. (Kaartsp.) Een aas loepen, \ragen. Noodigen : zij worden tot ht t n idda^maal geroepen. Eene huwelijksftfkondigir g doen : zii wordt zondag geroenen im t dlt;-n zoon van... Oproepen. — Roep, m. Het roepen. Nuuws, tijding De roep gaat, dat... Huwelijksaf-kond)ging. Opentare mcening : in 't heele

5 — ROER

land was maar éen roep. In kwaden roep staan : niet gunstig bekendstaan.. Roeping. — Roepend, bn. — Ro'per, m. (-s). Die roept. Spreektrompet. Strot, keel. Lokvogel. — Roeping, v. (-en). Het roepen. Innerliike aandrang : zijne roeping volgen. Aanleg, neiging, lust : geene roeping tot iets gevoelen. Ergens eene roeping vervullen : eene grootsche taak vervullen. — Roepstem, v. (-men). — Roep' ster, v. (-s). — Roepvogel, m. (-s).

roer, m. In rep en roer, bijw. uitdr. Zie Rep. — Roer, o. (-en, -s) Pijp, buis. Loop van een schietgeweer. Snaphaan. Karabijn.— Roer, o. (-en, -s).Toistel achteraan een vaartuig, dienende om er de vereischte wending aan te ge^en. Leiding, bestuur : het roer van Staat. Aan bet roer komen : aan het bewind komen. Hij is het roer van het schip : hij bestuurt alles. Het roer in het water houden : de zaak aan den gang houden. — Roer baar, bn. Roerend, til-baar. — Roerbak, m. (-ken). — Roerband, m. (-en). (Zeew.). — Roerdomp, m. (-en).

Roerdomp.

Vog^l {ar de a stellaris), tot de reigers beboorende. Leeft in met riet begroeide wateren. Voedtziwh metvisscheu,kikvorschen en insecten. — Roei drag*r, m. (-s). — Roeren, bw. roerde, hc-Jgeroerd. In beweging brengen, door elkander bewegen. Aanraken. Bewegen, treffen, het medelijden opwekken. De trom roeren : op de trommel slaan. Dat zijn zaken, waar men liefst niet aan roert. Zich roeren, ww. Zich bewegen. — Roerend, bn. Tilbaar, vervoerbaar : roerende go -deren. — Roerend, bn. Treffend, aandoenlijk. — Roerfluit, v. v-en). Zeker register in het orgel. — Roerganger, m. ( s). Man, die aan het roer staat. — Roerhaak, rn. (..aken). — Roerhard. bn. Moeilijk te stuken (van een schip). — Roerig, bn. Druk. Levend g. — Roerigheid, — Roering, v. Het roeren, (-en) Beweging. Buik'oop. Opscliu lding. Aandoening. Bi kieeding van den ankerring.' — Roerinstrumenteii, o. nu . B'aas-


ocr page 724

ROEZ — 61

instrumenten (van hout vervaardigd). — Roerketting, m. (-en). (Scheepst.). —

— Roer klomp, ra. (-ken). (Scheepst.). — Roer kruid, o. Plantengcsluclit {gfiapha-liuni), tot de saraentcstfldbloemigen be-hoorende. Eenige soort»-.n komen bij ons in 't wild voor. — Roer knip, v. (-en). — Roer lepe t, ra. (-s). — Roer lings, bijw. Rakt'lm^s — Roer loop, m. (-en). Loop van een schietgeweer. — Roerloos, bn. Zonder roer. Onbeweeglijk, onaandoenlijk. — Roerloosheid, v. — Roermaker, m. (-s).

— Roerimgel, m. (-s). — Roerom, v. (-men, -s). Gebak van gestadig omneroerd beslag. Pannokoek, die bij bi ukken uit de pan komt. Mengelmoes (inz. van groenten). — Roerpen, ..pin, v. (-nen). — Roer-ringy ra. (-en). — Roerschot, o. (-en). — Roerschtitfer, m. (-s). — Roerr.f-l, o. (-en, -s). Beweging. Aandrift.—Roer sleuf, v. (..ven). (Zccw.). — Roerspaan, v. (..;inen).

— Roerstang, v. (-cnU — Roer stel, o. (-len). — Roer stof, v. (Papic rm.). — Roerstok, ra. (-ken). — Roer strop, m. (-pen). — Roer touw, o. (-en). — Roertalie, v. (-s).

— Roervink, ra. (-en). Lokvink. Aanhitser, belhamel. — Roerwerk, o. (Org.) Tongwerk.

lloci'Mclt (Z.x, TB31-T891, Maastricht. Hoogleeraar (Luik). NVerkcnd lid der K. VI. Academie. Taalkundige. Omittgeqe-Tr.rt IJ td. gedicht van Janus Dousa (1087); li 'vvrdenlijst cp Alexanders Geesten van Jf-cob van Maerlant (1888).

x-ites, m. (..zen). Lichte bedwelming, door sterken d'ank veroorzaakt : zijnen rees uitslapen. Iets bij den roes (zoo het daar ligt) koopen of verkoopen.

o. ZuurstolVerbiuding, aan de oppervlakte van het ijzer cn eenigc andere metalen waar te. nemen. — Roest, ra. Het roesten. — Rees/, o. Wockciplantjes, die zich aan de bladeren, stengels en vruchten, ontwikkelen. Brand (in het koren). — Roest, v. en o*. (-en). Roeststok. — Roestachtig, bn. Als roest. Met roest bedekt. Brandig (van koren).—h'oesïen, o w. ro est te, is geroest. Met roest bedekt worden (van metalen). O ud c liefd c ro est niet. — Roesten, ow. roestte. Leeft geroest. Op stokken gaan zitten (van kippen). (Jag.) Het nachtleger nemen (van vliegend wild). — Roestig, bn.

— Roestigheid, v. — Ro- sting, v. — R- est-kleur, v. — Roest*ieufig, bn. — Roestmiddel, o. (-en). — Roestpapier, o.

— Roeststok, ra. (-krn). Stok, waarop de hoenders roesten. Nachtleger (van vliegend wild). — R estvlak, ..vlek. v. (-ken).

— Roestvogels, ra. rav. — Roestvrij, bn. roet, o. Schoorsteenzwart. Sinter, ossenvet, talk. Sluifaren (in gerst, haver, enz.). Woekerzwjuu. — Roetachtig, bn. — Roeterig, bn. — Roeterigheid, v. — Roetig, bn. —Roet ikheid, v. — Roet kleur, v., roetkleurtg, bn. — Roetzwart, o. — Roetzwart, bn.

rocxcmocxcn, ow. roezemoesde, heeft gt;»erlt;.ezemoelt;d Leven,geraas ti.aken.

— Roezevioezer, m. (-s).— Roezemoezig, bn. quot;Wild, onstuimig ; roezemoezig weer.

roezen, ow. roesde, heeft geroesd. Cy.er den bcop koopen of verkoopen.

\ — ROK

roczigr, bn. Half dronken. Woest, wild.

— Roezigheid, v.

rofl'el, ra. (-s). Schaaf, waarmede het ruigste der planken wordt afgeschaafd. — Roffel, m. ( Si. Zeer snel op elkander volgende korte slagen op de trom. Soldaten-straf, waarbij de plichtige onder het roffelen der trom door de spitsroeden moet loopen. Pak slagen. Berisping. — Roffel, v. (-s). Babbelaarster. — Roffelaar, ra. (-s). Knoeier. — Roffel aar ster, v. (-s). — Roffelen, roftclde, heeft geroffeld. Bw. Het ruwe van hout afschaven. Ow. Kakelen, babbelen. Slordig werken. — Roffelen, ow. roffelde, heeft geroffeld. Den roffel slaan. De trom roeren. Eenen soldaat door d • spitsroeden laten loopen. Berispen. — Roffel tg, bn. Ruw, onge-schaafd. Slordig bewerkt. — Roffeting, v.

— Rcffelschaaf, v. (..aven). — Roffelt uit, v. (-en). Vrouw, die slordig werkt. — Rof-felwerk, o. Knoeiwerk.

roifiocl, v. ( en). Klein gebak. Taartje.

rog:, ra. (-gen). Zekere zeevisch (rajo), tot dekaakbeenvisschen behoorende.Heeft een plat, schijfvormig lichaam. — Roggen-vangst, v. — Roggestaart, ra. (-en). — Roggevel, o. (-len).

rogse, rog:, v. Welbekende graansoort {secale cereale) : zomerrogge, winterrogge. — Roggebloem, v. (-en). Koorn-bloera. — Roggebloem, ..blom, v. Bloem van roggemeel. — Roggebloempap, v. — Roggebt uod, o. (-en).— Rlt;/^t;eb/ oodbak-ker, ra. (-s). — Roggedisiel, v. \-s). Melk-distel. — Roggeglui, v. Roggestroo. — Rogge halm, m. \-en) — Roggemeel, o. — Roggemeel bloem, v,—Roggemik, v. ( ken). Brood van roggebloem gebakken. — Rog-gestroo, o. — Roiigestt eek, v. (..eken). — Roggeveld, o. (en).

rok, ra. (-ken). Zeker kleedingstuk van mannen, als slaaprok, enz. Staatsierok : gekleed in rok en witte das. Zeker geplooid kleedingstuk bij vrouwen, dat van de heupen tot aan de voeten reikt. Onderstuk van een vrouwenkleed, dat van de heupen tot aan de voeten reikt. \Zee\v.) Bedeksel over tuigaadje getiokken. Zijm n rok (ora)kee-ren : van de eene partij tot de andere over-loopen. — Rokkenband, o. Band of lint voor rokken. —Roksband, ra. (-en). Band, waarmede een rok wordt vastgebonden. — Roksknoop, ra. ( en). — Rokskraag, ra. (..agt;gt;en). — Roksliff, o. (..ven). Keurslijf.

— Roksmouw, v. (-en). — Rokspand, o. (-fn). — Roksvoering, v. — Rukszak, ra. (-ken).

Kolirhaelicr (/?. F.), 1789-1856, Lan-gatte (Meurthe). Kanunnik. Godgeleerde en gcschiedschi ijver. Histoire uutverselle de l'E^hsecatholique.

rok, o. (-ken), roliken, o. (-s). Werktuig, om hetwelk men het vlas enz. windt# dat men spinnen wil. Vlas. enz., waai mede het rokken omwonden is. — Rokken, bw. rokte, heelt gerokt. Vlas, enz. op een spinrokken winden. Ontwerpen —Rokkenaar, m. (-s). Twiststoker. — Ro k ke naar ster, v. (-s). — Rokkenband, m. (-en). Band van papier om het vlas enz. op te rokken. — Rckkenb^nt, ci. .Zeker geweven stof. —


ocr page 725

665 -

ROMB

ROL

Jtokkeiien ,hw. rokkende, heeft perokkend. Rokken. Kwaad stoken. —Rokkenshoofd, o. (-en), 1 okkeuskop, m. (-penL Bovenste deel van een spinrokken. — Rokkenstok, m. i-ken).

rokvlcii, ow. rokelde, heelt gerokeld. Met het rakelijzer in het vuur roeren.

Kok oh {h.), 1621-1670?), Rotterdam, Schilder. Boerengezin; Keziken; Visch-■markt.

rol, v. (-len). Cylinder van hout, enz. Voorwerp, dat eenen cylindervorm heeft. Spil van eene windas. Deel van eenen mangel. Geschrift op perkament of papier, dat op eene rol gewonden is. Lijst van personen, die gedagvaard word n. Plaats, waar zulke menschen verhoord worden. Papier, waarop de rede, die een tooneel-speler te voeren heeft, beschreven is. Wat een tooneeUpeler te zeggen of te doen beeft. Lijst der namen en betrekkingen van al ue personen aan boord. Voorwerpen te 7,amen gevoegd in den vorm van eenen cylinder : eene rol matten. (Meetk.) Rol-zuil.— Rol, m. Het rollen. Aan den rol : aan 't feestvieren. — Rolaap, m. (..apen). Soort van aap. — Rolbaan, v. (..anen). — Rolhand, o. Wollen lint, dat in rollen verkocht wordt. — Rolbatik, v. (-en). — Rolled, o. (-den). —- Rolbeurt, v. (-en).—Rol-blok, o. en m. (-ken). — Rolbroek, v. (-en).

— Rolbrut, v. (-gen). — Roldoek, m. (-en). Handdoek. — Rolgordijn, v. en o*. (-en).

— Rolhonty o. (-en). — Rolklaver, v. Plantje [lotus ccrm'culatus), tot de vlin-derbloemigen behoorende. Komt bij ons op grazige zandgronden afs voederplant voor. — Rolkoets, v. (-en). — Rolkorf, v. (..ven). — Rolkousen, v. mv. — Rollaag, v. i..agen).— Rollebollen, ow. rol.ebolde, heeft gerollebold. Van eene helling afrollen. — Rolleeren, bw. rolleerde, heeft ge-roileeid. De rollen verdeelen. — Rollee-rifg, v. — Rol leg ar en, o. — Rollen, rolde, heelt en is gerold. Ow. Zich wentelende, draaiende bewegen (over iets heen). De oogcn rollen hem in 't hoofd. De wagens rollt n over de brug. De zee rolt: de golven gaan hoog en maken een dof geraas. In de verte rolt de donder, rommelt de donder. Door de wereld rollen : onbekommerd leven. Zii rollen, zwieren den heelen nacht. Bw. Rollende voortbewegen. Door rollende voorwerpen in 01 de brengen. Oprollen. Geldrollen, in papier rollen. Op behendige wijze ontstele i: in 't gedrang werd hem een norioge gerold. — Rollend, bn.

— Rollende, v. ( n). Opgerold stuk rund-vleesch. — Rolleng, v. Opgerolde stok-visch. — Roller, m. (-s). (Zeew.) Zware

folf. —olf. — Rolling, v. Het rollen. (Zeew.)

lewcging van het water. Deining. — Rolmeester, m. (-s). (Toon.). — Rol-netit, v. (-en). (Bouwk.) Wrong. Krul. — Rolpaard, o. (-en). Speelgoed) Paard op rollen. Affuit op rollen. — Rolpens, v. (-en). — Rolplank, v. (-en). — Rolpleister, v. (-S). — Rolrand, m. (-en). — Rolrond, bn. — Rolschelp, v. (-en). Schelp der rol-slak. — Rotschot, o. (-en). — Rolslag, m. Eigenaardige slag in het gezang (inz. van den nachtegaal). — Rolslak, v. (-ken).

Lang schelpdiertje. Komt in warmere zeeën voor. — Rol slang, v. i-en). Een der grootste reuzenslangen (Amerika). — Rolspaakj v. (..aken). (Art.) Korte handspaak. — Rolsteen, m. ( en). —Rolstoel, m. (-en). — Rolstok, m. ( ken). — Roltabak, v. — Roltafel, v. (-s). — Roltong, v. (-en).— Rolvast, bn. (Toon.\ — Rolvormig, bn. — Rol-•wagm, m. (-s). — Rotzeil, o. (-en). — Rolzon-nescherm, o. (-en). — Rolzuil, v. (-em. Lichaam ontstaan door omwenteling van eenen rechthoek om een zijner zijden.

Rollin (C.), 1661-1741, Parijs. Geschied-■ schrijver. Traité des

ï Etudes.

J ■gt;lt;gt; 111 :iaii sell, bn.

Van het oudromeinsch Rolzuil- afstammende. De Ro-maansche stijl : stijl, die zich uit den oudro-meinschen en den bijzantijnschen ontwikkelde (110 en 12® eeuw). De Romaansche talen : talen ontstaan uit een Romeinsch volksdialect door zijne vermenging met de taal der inlandsche stammen : Italiaansch, Spaansch, Portugeescb, Fransch. De Romaansche volken : de Wallaschijers, ]Moi-daviërs, enz. — Romaniseh, bn. Ro-maansch.

■■o in sin, m. (-s). Verdicht verhaal. (Middel.) Karei- en Arturromans : verzen, liederen, gedicbtgt;'n, waarin de volksverbeelding den roi-m van vele held* n overdroeg óf op Karei den Groote óf op Artur, vorst der Britten. De grondgedachte der Karelromans is christelijke vroomheid; der Arturromans, wereldsche ridderzin.Voornaamst-*Karelromans : Van den bere Wisselau, Roelandshtd, Caerl ende Elegast, Ogier van Ardennen, de Saksenkrijg, Willem van Oringhen, de roman van Lorreinen, Floris ende Biance-floer, de vier Heemskinderen, Malagijs, Aiol, Garrijn van Montglavië, Valentijn en Ourson. Voornaamste Arturromans ; de gedichten van den Grale en Merhjn, de bewerkingen van Lancelot, Walewein, Ferguut, de roman van Moriaan, de Wrake van Ragisel, de Ridder metter mouwen, de roman van Torec, de roman van Perche-val. — Romance, v. (-n, -s). Kort bevallig verhaal, in den vorm van een lied. — Romancier, m. (-s). Romanschrijver. — Ro-ynancière, v. (-s). — Romanesk, bn. bijw. Verdicht. Dweepachtig. Nukkig.—Romanheld, m.(-en).— Romanheldin,\. (-nen).— Romanschrijver, m. (-s).—Romansch' ijf-ster, v. (-s). — Romantiek, v., roman-tisme, o. Smaak der middeleeuwen (door nieuwere dichters weder opgewekt). — Romantisch, hn. Dichterlijk. Schoon.Ver-rukkehjk.Schilderachtig.-—/?öwzu«2«rA/,v.

rombout, m. (-en). Soort van een onzer grootste insecten.

RoiuboutM (J*.), 1597-1637, Antwerpen. Schilderde historie-, allegorie- en ze-' denstukken. Het kaartspel.

i


ocr page 726

ROND — 6(

Roni«gt;, 3co,ooo De reuwig ff stad. Hoofdstad van htt Romei- sche rijk, later van de kerkelijke Staten, thans van Italië. Zetel van den Paus. Domkerk van Pie-ter, Santa Maria Maggiore, het Vaticaan, het Quirinaal, enz. — Romein, m.

— Romein sell,, bn. Van of uit Rome. Ro-meinsche letters : I (J), II, III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X : i, 2, 3, 4. 5. 6, 7, 8, 9, 10. — L = 50, C = 100, D = 500, M = 1000.

romer, roemer, m. (-s). Wijnglas. Römer (O.), 1644-1710, Aarhmw. Deensch ste renkundige. Was de eerste, die de snelheid van het licht bepaalde.

Romeyn (JV.), i6..(?)-i6..(?). Nederl. landschap- en dierenschilder.

rommel, m. (-s). AU. rhande prullen onder elkander. — Rommel, m. en v. (-sj. lem., die alles in wanorde brergt. lem., die in zijn gesprek alles dooreenmenpt. Rommelary, v. (-en). Oud huisraad. — Rommelen, rommelde, heeft gerommeld. Ow. Een dof geluid geven : dc donder rommelt, bet rommelt hem in zijnen buik. Rommelen in iets : al hetgeen zich daarin bevindt overhoopwerpen. Bw. Alles over-hoopwerpen : gij rommtlt alles door elkander. — Rommeling, v. 1-en). — Rommelkamer, v. (-s). Kamer, waar alles dooreenli^t. — Rommelkast, v. (-en). Rommelkruid, o. Gemengde kruiderijen.

— Rommellade, v. (-n). — Rommelpot, m. (-ten). Por, bedekt met eene bla:.s, waarin een rietje steekt, dat, wrijvend open neergehaald, een zeker geluid geeft. Knorrepot. — Rommel schuil, v. 1-en). Schuit met oud huisraad, enz. gevuld. — Rommelzolder, m. (s). — Rommelzoo, ..zooi, v. (..zooien). Oud goed. enz. op eenen hoop dooreengesmeten. Veel voorwerpen op eene verkooping gekocht.

romigt;, m. (-er). Lichaam zonder hoofd, handen en voeten. Lijf (van een kleeding-stuk). Lichaam van een schip (van mast-werk, enz. ontbloot). Geraamte van een gebouw. Tremel (in eenen korenmolen). Afgeslagen stukken. Brok van kruidnagels en muskaatnoten.

rompelen, bw. rompelde, heeft ge-rompeld. Rimpelen.

rompelifp, bn. Hobbelig. Oneffen, rompftlomp, ni. Boel, die overhoop-ligt. Lastige omgeving : 't is daar een rompslomp. — Rompslomp, bijw. Ruw. Wild. Slordig.

roud, bn. bijw. Kogelvormig : de wereld is rond. Cirkelvormig : eene ronde plaats. Vleezig : ronde wangen. Een ronde toon, zeer zuiver en vol. Een rond getal. Een ronde som. Volkomen : een rond jaar. De ronde (zuivere) waarheid .Oprecht,openhar tig: rond antwoordenjrond met iem.omgaan. — Rond, bijw. In het rond. — Rond, vz. Rondom. — Rond, o. (-en). Rond voorwerp. Cirkel. — Rondachtig, bn. — Rond-achtigheid, v. — Rondas, v. (-sen). Rond-schild. — Rondheid, v. — Rondigheid, v. rondbazuinen, bw. (1) Overal ver-

(1) De samengestelde werkwooiden met rond zijn scheidbaar.

gt; — ROND

spreiden. — rondbedelen, ow. Al bedelende rondgaan. — rondblikken, ow. In 't rond olikken.

rondborstifirgt;bn. bijw.Oprecht,openhartig. Vrij, zonder achterhoudendheid. — Rondborstigheid, v.

rondbrengen, bw. Naar de rij al bezorgen (boeken, brieven, enz.).—rondbrieven, bw. Met eenen brief alom bekendmaken. Rondvertellen. —■ ronddansen, ovf. Dansend rondspringen. — 7onddeeleii. bw. Voorweipen, inz. kaarten in eenen kring uitdeelen. —ronddobberen, ow. Dobberend her- en derwaarts drijven. — ronddolen, ow. Heren derwaarts zwerven. Zich in onzekerheid her- en derwaarts richten (van oogen, gedachten, enz.).— rondlt;1 raaien, bw. Iets om eene as bewegen, zoodat het den geheelen kring doorloopt. Ow. (zijn) Om zijne as bewogen worden. — ronddraven, ow. (hebben, zijn) Draven langs den omtrek eener aangewezene ruimte. Heren derwaarts draven. — ronddrentelen, ow. Her- en derwaarts drentelen. — ronddrlfven, bw. Voortdrijven en daardoor doen ronddraaien. Ow. Her- en derwaarts drijven. — ronddwalen, ow. Ronddolen. — ronddweilen, ow. Be-hdionken rondloopen.

ronde, v. (-n, -s). Omtrek (van eenen cirkel). Omgang: bij was op zijne ronde. Rondgaande wacht. Rondedans. — Ron-dedans, m. (..zen). Dans hand aan band in 't rond. — Rondegang, v. (-en). (Vest.).

rondean, rondeel, o. Soort van klankdicht, bestaande uit 13 versregels met twee rijmuitgangen, een staanden en een slependen.

rondeel, o. (-en). Rond voorwerp. (Vest.) Rond buitenwerk. Ronde sterke toren. Ingesloten vlakte.

rondelUkgt; bijw. Oprechtelijk. rondement, bijw. Ronduit. Openhartig. Zonder omwegen.

ronden, rondde, heeft gerond. Bw. Rondmaken. Ow. De ronde doen. — Ronding, v. (-en).

rondfladderen, ow. Her- en derwaarts fladderen. — rondgaan, ow. (zijn) Rond iets heen gaan ; hij ging het huis rond. In de rondte gaan : het rad ging nog eenige malen rond. In de rondte om iets heen gaan : hij ging de stad tweemaal rond. Binnen eene aangewezene ruimte her- en derwaarts omloopen. — Rondgaand, bn. In omloop. — roud geven, bw. Rond laten gaan : kaarten rondeeven, spijzen aan eene tafel rondgeven.— rond-glnren, ow. Her- en derwaarts gluren. — rondffoolen, bw. Naar alle kanten heen gooien. — rondgrabbelen, ow. Grabbelend rondtasten.

rondliont, o. (Zeew.) Hout, dat rond is (masten, enz.).

rondje, o. (-s). Klein rond. Bodempje (in eene kindermuts). (Kaartsp.) Zooveel partijen, dat elk nog eenmaal geeft. Hij geeft nog een rondje : hij geeft nog een glas bier, enz. aan al de personen van het gezelschap.

rondkUken, ow. Om zich heen kij-


ocr page 727

ROND — 6

ken.— rondklOpp^n, bw. Kloppende rondmaken. — routlkomen, ow. (zijn) Bij ieder komen : hij zal rondkomen om de kaarten af te halen. Met eene tijdruimte rondkomen, er genoeg aan hebben om alles te doen. Goed rondkomen : iedereen op zijnen tijd betalen.

rondkop, m. (-pen). Zeker klein spijkertje.

rondkop, m. en v. (-pen). lem. met rond hoofd.

rondkrstalcn, bw. Met veel ophef aan iedereen vertellen. — rondkrnl-■en, ow. Her- en derwaarts kruisen (van gewapende schepen). Zonder bepaald doel ronddolen (van personen). — rondleiden, bw. Her- en derwaarts leiden. Overal met zich voeren of doen gaan. — rondleuren, bw. Rondventen. m. (-s). Rondlenrster, v. (-s). — rond-loopen, ow. (hebben, zijn) Om iets heen loopen ; hij liep het huis rond. In de rondte loopen. Her- en derwaarts loopen. Beurtelings bij elk der lodt n van eenen kring gaan. Ron dloop er, m. (-s). Rondloopsier, v. (-s). — rondmstken, bw. Iets zoo maken, dat het ro d wordt.

rondom, vz. Om iets heen, (iets) in-sluiter de : de reis rondom de wereld. Bijw. Zij liepen den ganschen dag rondom, rondreizen, ow. (hebben, zijn) Rond (iets) heen reizen. Her- en derwaarts reizen. Naar de rij af omreizen in zekeren kring. Rondreis, v. (..zen). Omreis. — rondrUden, ow. (zijn) Om iets heen rijden. Her- en derwaarts rijden. Zonder bepaald doel in verschillende richtingen rijden. Bw. Iets of irm. langs den omtrek eener ruimte laten rijden.

ronds, v. (-en) Rad eener drukpers. rondfM*lis«llen, bw. Iets mef geschal overal bekendmaken. — rondHvlien-ken, bw. Iedereen op zijne beurt schenken. — rondseliieten, ow. Met iets rondschieten : genoeg hebben om allen te voorzien. Met zijn geld kunnen rondschie-ten, er genoeg aan hebben om de noodige Bitgaven te doen. .

rondsetarift, o. Schrift, waarvan de letters rond zijn.

rondsel, o, (-s). Klein rad (inz. in een uurwerk), waarin de tanden van een groo-ter vatten. — Ronsel' ad, o. (-eren).

rondslenteren, ow. Slenterend heren derwaarts loopen. — rondsnuffelen, ow. Her- en derwaarts snuffelen, om door ruiken iets op te sporen (inz. van honden). Nieuwsgierig rondloopen om iets op te sporen (van menschen). — rondspoken, ow. Als een spook omwaren. — rondspringen, ow. Hrr- en derwaarts springen. Met vlugpe sprongen ronddansen. Omspringen — rondstrooien, bw. In het rond strooien. Naar alle richtingen strooien. Rondvertellen —rondsturen, bw. Bij verschillende personen binnen zekeren kring doen rondgaan (om ze te spre-\ en enz.). Naar de rij afsturen aan elk der personen, die een gezelschap, enz. uitmaken (van boeken, enz.). — rondsukke-len, ow. Sukkelende rondgaan. — rondtasten, ow. Her- en derwaarts tasten.

7 — ROOD

Met de handen in het rond voelen

rondte, v. (-n). Rondheid. Hetionde. Kring.

rondtrekken, ow. Her- en derwaarts-trekken. Zich naar verschillende plaatsen begeven. — rondtrOmpetten, bw. Door trompetgeschal bekendmaken.

ronduit, bijw. Vrij uit, zonder omwegen ; hij zei^t ronduit wat hij nu ent.

rondventen, bw. (Met koopwaren) overal rondloopen, om ze aan den man te brengen. Rondventer, m. (-s). Rondvent-ster, v. (-s). — rondvertellen, bw. Iets overal vertellen. — rondvliesren, ow» (hebben, zijn^. Rond iets heen vliegen. In verschillende richtingen vliegen (van vogelen, enz.). M. t groote snelheid rond iets heen loopen of rijden (van menschen, dieren, enz.). In woeste vaart heen en weer loopen. Een geheelen kring om het middelpunt doorloopen. — rondvoeren, bw. Iets of iem. her- en derwaarts voeren, overal met zich voeren. Doen ronddraaien (voorwerpen, die om eene as draaien). — rondvragen, ow. Vragende bij iedereen rondgaan. Rondvraag, v. — rond- -wandelen, ow. Zonder bepaald doel op zijn gemak rondgaan. — rondwaren, ow. Als een spook rondgaan. — rond wemelen, ow. In dichte menigte heen en weer krielen. — rondzaaien, bw. Naar alle richtingen zaaien. Uitstrooien, rondvertellen. — rondzenden, bw. Naar alle personen van zekere vereeniging, enz. op de beurt afzenden. Overal heen zenden^ — romlzien. ow. Om zich heen zien. Her- en derwaarts zien. — rondzwalken, ow. Zwalkend omloopen. — rondzwerven, ow. Her- en derwaarts zwerven. Rondzwerver, m. (-s). Rondzwerf-sit r. v. (-sgt;. — rondzwieren, ow. Zwierend rondloopen.

rong:, v. (-en). Een der vier staande sporten van eene waggenladder. — Rong--stok, m. (-ken).

ronken, ow. ronkte, heeft geronkt. Zwaar slapen en onder het slapen snorken. Een dommelend geluid geven (van bijen, enz.). Mompelen, morren : het volk begon te ronken. —Ronker, m. (-s). Die ronkt. Meikever. — Ronking, v. — Ronkstef*. v. (-s).

rons, v. (-en). Rad eener drukpers. Ronsard (A de), 1524-1585, uit Ven-dome. Fr. dichter. Defense et illustration de la langue frangaise (1549); Odes (1550); Amours (.155',).

ronselen, ronselde, heeft geronseld. Bw. Werven. Pressen. Ruilen. Ow. Kwanselen. — Ronselaar, m. (-s). —Ronseling, v. (-en).

ronzebons, v. (..zen). Marionnetten-spel.

rood, o. Hoofdkleur. Eene der regen-boogskleuren. Verf. Rotst (3® art.) komt voor op de bladen der groote boonen en der pereboomen. — Roo-*, bn. — Rood» aarae, v. Roodkrijt. — Roodaarden, bw. roodaan'de, heeft geroodaard. Met roodaarde inwrijven. — Roodachtig, bn. —• Roodarhtig/ieid, v. — Rooabanrd, m» (-en). Iem. met rooden baard. — RoodboJ**


ocr page 728

ROOI — 6

-ui. en v. (-len). lem. met rood haar. —

Roodbont, bn. Met rood doormengd (van kit ui). — Roodborstje, o. (-s). Vogeltje {luscim'a rubicula). Bewoont geheel Europa. Trekt 's winsters naar N.-Afrika. Enki-le paren overwinteren bij ons.— Rood-brvs% bn. Roodbros ijzer ; ijzer, dat rood-heot g» stookt, bros is. — Roodbruin, bn.

— Roodekool, v. (-en). — Roodekooris, v. Scliarlakenkoorts.— Roodeloop, m. Ziekte, waarbij men bloed afgaat. — Roodeloop-krniii, o. Robertskruid. — Roodgeel, bn.

— Roodgespikkeld, bn. — Roodgestreept, bn. — Roodgieter, m. (-s). Die roodkoperen voorwerpen giet. —Roodgloeiend, bn.

— Roodgloeihitte, v. — Roodgrond, o. Rondvonk. — Roodharig, bn. — Rood-heet, bn. —Roodheid,— Roodyzercrts, o. (-en). — Roodkleurig, bn. — Roodkop, in. en v. (-pen). lem., die rood hoofdhaar heeft. — Roodkoper, o. Zuiver koper (in tegenstelling met geelkoper). — Roodkoperen, bn. — Roodkapje, o. (-s). Vogeltje met roode plek op het hoofd. — Roodkryt, o. DelfstofT Bestaat uit klei en roodijzer-erts. Heeft de eigenschap van af te verven en kan tot teekenen en schrijven gebruikt worden. — Rood lak, o. — Roodtnaken, o.

— Roodmaking, v. — Roodneus, m. en v. (..zen). lem., die een rooden neus heeft. — Roodoog, m. en v. (-en). —Rond-Rusland, (Oudt.) Gedeelte van Polen. Omvatte Ga-lacië,LodomirieenChelm. — Roodschaar, v. (..aren). Soort van stokvisch. — Roodset, o. Wat rood is. Poeder om iets rood te maken. — Roodspecht, m. (-en). Groote, bonte specht. — Roodstaartje, o. (-s). Aschgrauw vogeltje met roode staarlpen-nen \lusciola phornicurus). Heeft een aangenamen en zachten zang. Wordt in geheel Europa gevonden. — Roodsteen, m. Zekere steensoort. Roodkrijt. — Roodner-ver, m. (-s). — Roodvm, v. (-neu). Visch met roode vinnen. — Roodvonk, o. Koortsachtige huiduitslag (scarlatina).— Rood-Zfos, m. (-sen). Paard, welks kleur sterk naar het roode trekt. — Roodwangig, bn. — Roodzijden, bn. Roodzijden kleed.

roof, m. Het rooven. Diefstal : van roof leven Het geroofde. Buit : den roof deelen. — Roofachtig, bn. — Roofachtigheid, v.j— Roofdier, o. ( en). Zie Bijge-Toegde Tabellen. — Roofgalei, v. (-en). Kaperschip. — Roof ge ld, o. — Roofgierig, bn. — Roofgierigheid, v. — Roofgoed, o.

— Roof haaien, m. mv. Geslacht van haaien. —Roofhoek, m., roof hol, o., roof-

. kuil, m., roofnest, o. en ra. (-en). Verblijf van roovers. — Roof meeuw, m. (-en). Soort van zwemvogel : lestris. — Roof-tnier, v. (-en). — Roofschip, o. (..epen).

— Roof spelonk, v. (-en). — Roofstaat, m. (..aten). Staat, die zeero «vers uitzendt. — Roofvogel, m. ( s). Zie Bijgevoegde Tabellen. — Roofziek, ..zuchtig, bn. — Roofzucht, v.

roof, v. (roven). Korst eener zweer, roof, v. (roven). Bovenste gedeelte van ,eenen klomp. Schuin opgaand deksel eener -doodkist.

rooien, bw. rooide, heeft gerooid. Mikken : iets goed rooien. In den regel

8 — ROOM

schikken : een huis rooien. Peilen : vochten rooien. Ontwortelen ; boomen rooien. Uit den grond halen : aardappels rooien. Uitgraven, uittrekken : wortels rooien. Ledigen : eenen grafkuil rooien. — Rooi, v. Het rooien. —Rooier, ra. (-s). — Rooiing, v. (-en). —Rooilijn, v. (-en). Rechte lijn, waarin gebouwen eener straat worden geplaatst.— Rooimeester, m. (-s). Bouwop-zichter. Ambtenaar, die den stand der gebouwen regelt. —Rooipaal, m. (..alen).

— Rooister, v. (-s). — Kooi tijd, m. Tijd, waarin de aardappels gerooid worden.

rook, m. Zichtbare damp, die bij het verbranden van lichamen opstijgt en onver-braude koolstof en vluchtige deelen van het verbrande lichaam bevat. Geen rook zonder vuur. Al zijne hoop is als rook vervlogen. — Rookachtig, bn. — Rookachtig-heid, v. — Rookagaat, o. Zwarte agaat.

— Rook altaar, o. en m*. (..aren). —Rookartikelen, o. mv. — Rookbeeld, o. (-en). Teekening op door den rook zwart gemaakt glas, enz. — Rookbenoodigheden, v. mv.

— Rookbus, v. (-sen). — Rookcenten, m. mv. — Rookdicht, bn. — Rookdoos, v. (..zen). — Rookduitfes, o. mv. — Rooke-l^os, bn. — Rooken, rookte, heeft gerookt. Ow. Rook van zich geven : de schouw rookt. Rook verwekken : het volk offerde en rookte nog op de hoogten. Tabaksroojc inzuigen en uitblazen : roukt gij niet? Dampen : dit paard rookt sterk. Bw. Tabak, sigaren, enz. rooken. In den rook hargen : spek rooken. — Rook end, bn. — Rooker, m. (-s). —Rookerig, bn. Vol rook. Naar rook smakende. — Rookerigheid, v. — Rookery, v. Het rooken van vleesch, enz. (-en) Plaats, waar vleesch enz. gerookt wordt. — Rookgat, o. (-en). — Rookhok, o. (-ken). — Rookhol, o. (-en). — Rook' hut, v. (-ten). — Rookig, bn. — Rooking, v. — Rookjager, m. ( s). Rookverdrijver.

— Rookkamer, v. (-s). — Rookkast, v. (-en). (Aan stoomw.). — Rookkolom, v. (-men). — Rook leider, m. ^-s). — Rooklucht, v. — Rooknest, o. en m. (-en). — Rookpilaar, m. (..aren). Dikke opstijgende rookwolk. — Rookscherm, o. (-en).

— Rook spek, o. Gerookt spek. — Rooktabak, v. — Rooktafeltje, o. (-s). — Rook-topaas, m. (..azen). Zwart bergglas. — Rookvang, m. (-en)._— Rookvenstertje, o. (-s).— Rookverdrijver, ra. (-s).—Rook-vleesch, o. Gerookt vleesch. — Rook waggon, m. (-s). — Rookzvolk, v. (-en). — Rookworst, v. (-en). Gerookte worst. — Rookzaal, v. (..alen). — Ronkzolder, m. ( s). — Rookzuil, v. (-en). Opstijgende rookwolk. — Rookzwart, o. Roet.

roolc, v. (rooken). Hooistapel.

room, m. De vette deelen der melk, waarvan men boter bereidt. Het fijnste. Het beste. — Roomachtig, bn. —Room-bak, ra. (-ken). — Roomboter, v. — Roo-men, roomde, heeft geroomd. Bw. Den room van de melk afscheppen. Ow. Roora afgeven (van me k). — Roomhoorn, ra. (-s). Taart in den vorra van eenen hoorn met room gevuld. — Roomijs, o. — Room-kaas, v. (..azen). — Roomkan, v. (-nen). — Room kom, v. (-men). — Roomlepel, m.


ocr page 729

ROOS — f

(-s). —Rooms fir its, v. (-en)-—Roomtaart, v. (-en) —Roomvla, v. (-as), roomscli.bn. Van den katholieken godsdienst. Daartoe behoorende. — Roovisch-gezind, bn. Den katholieken godsdienst belijdende. — Roomse hg e zin de, m. en v. (-n).— Roomsch-katholtek, bn.—Roomsch-kathoheke, m. en v. (-n).

roopstartl, o. (-en). Rolpaard. rooH,v. (rozen). Plantengeslacht {rosa\. De bloemen ht bben een schoonen vorm en dikwijls een liefeluken geur. Talrijke soorten zijn gewapend met scherpe stekels. Elk voorwerp, dat den vorm eener roos heeft. Mikpunt der schietschijf. Schijf van het kompas. Knop, waarin de naden van een gothisch gewelf samenloopcn. Dunne diamant van schoon water. Blos der wangen. Geen rozen zonder doornen : alles heeft zijne onaangename zijde. Slapen als eene roos : zeer gerust slapen. Hij wandelt op rozen : hij heeft alles wat hij wenscht. — Roos, v. (Geneesk.) Aandoening {erysipelas) der uitwendige huid. Kenmerken : roodheid der huid, spanning, zwelling, smartgevoel en wrange, bijtende warmte in 't aangetaste deel. Wordt belroos gehee-ten, als het aangezicht zich kleurt en de opperhuid er van als opblaast; bleinroos, als er vochtbellen onder de huid ontstaan. Dg gordelroos tast slechts eenen kant van den romp aan en breidt zich nooit over de middellijn des lichaams uit. — Roosachtig, bn. Als eene roos. Eeni^szins door de roos (ziekte) aangedaan. — Roosachtigheid, v.

— Roosjessnyder, m. (-s). Diamantbewerker, die roosjes snijdt. — Rooskleur, v. — Rooskleurig, bn. — Roosnageltje, o. (-s). Klinkplaatje. — Roosvervig, bn. — Roosvormig, bn. — Rozeblad, o. (-en, -eren, -blaren). — Roze boom, m. (-en). — Rozebottel, v. (-s). Bedekte vrucht der rozen. — Rozeknop, m. (-pen).

— Rozelaar, m. (..aren, -s). — Rozemarijn, m. Rosmarijn. — Rozenazijn, m. — Rozenbed, o. (-den). — Rozenblad-luis, v. (..zen). Zeer algemeen bekende bladluis (aphis roses). — Rozenbout, m. (-en). Ronde ijzeren bout. — Rozenfeest, o. en v. (-en). — Rozengaard, m. (-en). — Rozengeur, m. — Rozengeurig, bn. — Rozenhoed, m. (-en). Krans van rozen. — Rozenhoedje, o. (-s). Rozenkrans. —Ro-zenhoni(n)g, m. — Rozenhout, o. — Ro-zetthouten, bn. —Rozenjuffer, v. (-s). — Rnzenkevertj'e, o. (-s). Goudkleurig torretje aurata), dat in warme zomerdagen over het gras rondsnort. — Rozenkleur, v. — Rozenkleurig, bn. — Rozenkrans, ra. (-en). Krans van rozen. Geestelijke kroon van gebeden, bestaande uit vijfmaal tien wees gegroeten, afgescheiden door vijt Onze-Vaders (zoo in gebruik onder de geloovigen). Eigenlijk is de rozenkrans eene zekere wijze van bidden, waardoor men vijftienmaal het gebed des Hee-ren tusschen even zooveel tientjes van Wees-gegroeten inlascht, bij elk tiental eene godvruchtige overweging voegende over de geheimenissen onzer verlossing. Snoer koralen, bestaande uit vijfmaal tien kleine koralen, waarop telkens eene groote

gt;9 — ROQU

volgt. — Rozenlaurier, m. (-en). O'ean-der. — Rozenrnaagd, v. (-cn). — Rozen-maand, v. (-en). Juni. — Rozenmond, m. — Rnzenobel, ra. ( s). Oudengel-sche gouden raunt. — Rozenolie, v. — Rozenpommade, v. — Rozen tijd, m. — Rozentint, v. — Rozenwater, o. Altrek-sel van rozebladeren. — Rozenwyn, ra. Zekere aangename drank. — Rozenzvor-tel, v. Welriekend huislook. — Rozen zalf, v. — Rozerood, o. bn. — Roze stek, ra. (-ken). — Rozestok, ra. (-ken). — Roze-struik, ra. (-en). — Rozetak, ra. (-ken). — Rozig, bn. Opgezet, ontstoken, gezwollen (van 't aangezicht). — Rozigheid, v.

Roomch (iï/.)» iSjq, Antwerpen, Conservator van 't Museum Plantijn (Antwerpen). letterkundige. Plantijn en de Plan-tijnschedrukhery ifcékroond,x%-ji)'. Schetsenboek (1877); Geschiedenis der Ant-werpscheschilderschool (bekroond, iS^g); Nieuw schetsenboek (1882); Derde schetsenboek (1885).

roosten, bw. roostte, heeft geroost. Op den rooster braden. Steenachtige ertsen roosten. — Roostbief, o. Rundergebraad.— Rooster, m. (-s;. Keukengereedschap om er iets op te braden. IJzeren traliewerk om vuur op te leggen. Iraliewerk, waarop het vuur rust in eene kachel, enz. Traliewerk van hout of metaal, dienende tot dekking (van eenen put, enz.). Verzameling van houten, die tot grondslag dienen voor een schip in aanbouw. IJzeren traliewerk aan den voet der buitenmuren. Lijst van personen, die naar ambten en posten dingen en wier namen in de ver-eischte orde op elkander volgen. Lijst van de leden eener vergadering met zekere aanwijzingen. — Roosteren, bw. roosterde, heeft geroosterd. Roosten. — Roosterwerk, o. Traliewerk. — Rooster wijze, ..wijs, bijw. — Roosting, v. (-en). — Roostoven, ra. (-s). — Roostpan, v. (-nen.

root, v. (..oten). Plaats waar het vlas, enz. te roten ligt. — Rootput, ra. (-ten). ^ Rootwater, o.

root, v. (roten). Rij. Reeks.

Roolliann [j. F.), 1785-1853, Amsterdam. XXIe generaal overste der Jezuïeten.

roovcn, bw. roofde, heeft geroofd, lera. iets met geweld ontnemen. Plunderen. Onttrekken. Innemen : zij roofde mijn hart. (Kaartsp.) Het aas met de zeven roo-ven. Eenen vogel rooven, zijn nest uithalen. De hennen rooven, de eieren uit het nest nemen. — Roover, ra. (-s). — Roofster, v. (-s). — Roover bende, v. (-n). — Roovergeschiedevis, v. ( sen). — Roover-hoofdman, ra. (-nen, ..lieden). — Roo-verij, v. (-en). — Roover kap itetn, ra. (-s),

— Roovershol, o. (-en). — Rooverskoop, ra. 't Is rooverskoop ; 't is bijna voor niet.

— Rooversnest, o. en ra. (-en).

RooTcre [A. de), 11482. Brugge. Rederijker. Vervaardigde sinnespelen u:t de gewijde en de ongewijde geschiedenis.

ropUi v. (-en). Gouddn ropij = 18 gulden. Zilveren ropij = 0.16 a 0.20 gulden (Oost-Indië).

Roq«clfc(0.),i824..Krotr chin.Dui'sch dichter en lettcikundige. Waldmetsters


ocr page 730

ROSZ — 6

^Brauifahrl (1851); der Tag van Sankt Jacob (4® druk, 1879); Gedichte (3® druk, 1880).

ros, bn. Roodachtig. Roodbruin. — Rosachtig, bn. — Rosachtigheid, v. — Rosbaardy m. (-en). — Rosgeel, bn. — Rosharig, bn. — Roskleurig:, bn. — Rossig, bn. — Rossigheid, v. — Rosvaal, bn.

ro«, o. ( sen). Paard (in deftigen stijl). (Spott.) Slecht paard. — Ros, m. Slagen : ros krijgen.— Rosbaar, v. (..aren). Draagbaar, die tusschen twee paarden, enz. wordt gedragen. — Rosbaar, bn. — Rosbeier, ra. (-s) = Ros Beiaart. Zie Heemskinderen. Pronkpaard. (Spott.) Slecht paard. Wild schepsel. Woelige jongen. Kwelduivel. — Roskam, ra. (-raen). Paardenkara. Scherpe beoordeeling. — Roskammen,\gt;vi. roskamde, heeft geroskamd. Kammen (een paard). Afrossen. Scherp berispen. — Roskarnmer, tn. (-s). Die roskamt. Paardenkooper. — Roskammery, v. (-en). Paardenhandel. — Rosmolen, ra. (-s). fiolen, door een paard in beweging gebracht. — Rossen, roste, heeften is gerost. Bw. Kammen (een paard). Terdege afborstelen. Afrossen. Ow. Hard rijden : rijden en rossen.

Rofcu [S.), 1615-1673, Renella. It. schilder van landschappen en veldslagen.

Rosogriper iA A'.), 1843, Alpl. Populair Oositnnjksch novellist en dienter in de landtaal. Die Schriften des Waldschul-meisters (1875 ; das Volksleben in Steier-mark (6edr. 1888).

roHctto, v. (-n), rozet, v. (-ten). Kleine roos. Soort van diamant. Roosvor-mig sieraad.

roftinsirUo, rozciunrüquot;, m. Altijd

freene heester. Groeit langs de kusten der liddell. Zee op rotsachtige, zonnige hellingen bij menigte in 't wild. Welriekende plant met donkerblauwe lange bloemtrossen. —reene heester. Groeit langs de kusten der liddell. Zee op rotsachtige, zonnige hellingen bij menigte in 't wild. Welriekende plant met donkerblauwe lange bloemtrossen. — Rosmarynbocm, ra. (-en). —Ros-marynolie, y.— Rosmarynplant, v. (-en). — Rcsmarynwater, o. — Rosmarijn-uvyn, ra.

Ko.HHoelH (i?.), 1818, Antwerpen. Letterkundige en tooneddichter. Richilde (draraa, bekroond 1847) ; Dramatische Tver ken (1879).

ICoMftcili, 10 (Zgt;. G ), 1828-1882, Londen. Schilder en dichter. Balladen. Sonnetten. Schreef over Dante, enz. 20 Zijne zuster (C. G.), 1830-1895, Londen. Dichteres. Gobh71 -Alarket and other Poems (1862); Singsong (1872).

Koftsi (P.), 1787-1848, Carrara. It. staatsman,rechtsgeleerde en staathuishoudkundige. Traité du droit pénal (1828). Werd vermoord te Rome.

Roftsi (£. B. de), 1822-1894, Rome. Oudheidkundige. Inscriptiones christia-nae urbis Romae VIIsaeculo antiquiores (r857); Rotna sotterranea cristiana (1864-*7i)«

Rosftinl {G. A.), 1792-1868, Pesaro. It. opera-componiste Tancredi (1813); Bar-bière di Siviglia (1816,1; Othello (1816); Guillaume Teil (1829).

RoNzwitli». Geschiedschrijfster en dichteres (Xe eeuw). Bezong de daden van Otto I, den Groote.

gt; — ROTT

rot, v. (-ten). Rat. — Rottenknip, v. (-pen). — Rottenval, v. (-len). — Rótten-kruit, o. — Roitenuest, o. en m. (-en). — Rottestaart, v. (-en).

rot, o. ( ten). Hoop vereenigde men-schen. Manschappen onder eenen korporaal (zie Leger). Manschappen, die bij 't raarcheeren naast elkander gaan. Aanhang, partij. Kliek. Slechte lieden. — Rotgezel, ra. ( len). Lid eener bende. Wapenbroeder. — Rotmeester, m. (-s). — Rotsge-voijze, ..gemijs, bijw. Bij rotten (van soldaten). — Rotten, ow. rotte, heeft gerot. Samenscholen (met slechte bedoelingen). — Rottenvuur, o. Vuur, door eenige soldaten bij rotten gegeven. —Rottery, v. (-en). Samenscholing.

rot. bn. Bedorven. Verrot. — Rot, o. Bederf. Het verrotte gedeelte. — Rotachtig, bn. —Rotachtigheid, v. — Rolbak, m. (-ken). — Rolen, bw. rootte, heeft geroot. (Vlas, hennep) in het water leggen. — Rotheid, v. — Roting, v. — Rotkoorts, v. (-en). — Rotkuil, ra. (-en). — Rotneus, ra. (..zen). Snotneus. Paard niet den droes behept. — Rotten, ow. rotte, is gerot. Tot bederf overgaan. — Rotten, bw. rotte, heeft gerot. Roten. (Pap.) Lompen, enz. weeken. — Rottig, bn. Bedorven. Tot bederf overgaande. — Rottigheid, v. — Rot' ting, v. — Rotvisch, ra. (..sschen). Siijra-visch. — Rotvlak, ..vlek, v. ( ken). Vlak, die het rot aanwijst. — Rotzak, ra. en v. (-ken). Vuil, lomp rnensch. — Rotziekte, v. rotans, o. Spaansch riet.

rotatie, v. (..icn,-s) Wenteling. Draaiing. Omloop.— Rotatieloop, ra. (Plantenk.) Kringloop. — Rotatiepers, v. (-en). — Rotatietoestel, ra. en o*. (-len).

rotfir^ns, v. (..zen). Wildegans {anser bernicla). Wordt des winters aan onze stranden aangeirotïen. Verblijft des zomers in de noordelijke landen.

rotOiKle, v. (-n, -s). Rond gebouw. Terapelronde.

rots, v. (-en). Steenachtige verhevenheid van grond, boven de oppervlakte der aarde of dt-n bodera der zee. Toeverlaat. Veilige toevlucht. — Rotsachtig, bn. — Rotsachtigkeid, v. — Rotsbrok, ra. en v. (-ken). —Rotsen, rotste, heeft gerotst. Bw. Kunstmatige rotsen maken. Met zeker pleisterwerk bezetten : eenen gevel rotsen. Ow. Hard rijden. Zie Rossen. — Rotsgevaarte, o. (-n). Groote rotsen. — Rotshol, o. (-en).

— Rotsig, bn. — Rotsklovip, ra. (-en). — Rotskloof, v. (..oven). — Rotskristal, o.

— Rotsspelonk, v. (-en). — Rotsspleet, v. (..eten). — Rotssteen, ni. (-en). — Rotsstruik, ra. Geslacht van heideplanten. — Rotsivyze, ..wijs, bijw. Als eene rots. — Rotszvilg, ra. (-en). Heestertje [spirea Thumbergii) met zeer witte bloemen. Komt menigvuldig voor in Japan. — Rots-zout, o. Berg-, steenzout.

rotte, v. Meekrap.

Rotteniaiiiniei;, ra. (-s). Bewoner van Rotterdam, v. Buikloop, door het drinken van Maaswater veroorzaakt (vooral te Rotterdam).

rottiugr, m. (-en). Stok. Rictstr k.Wandelstok. — Rottingband, ra. (-en). — Rot-


ocr page 731

ROUW

ROZI

— 671

-Hngknop, m. (-pen). — Rottingolie, v. Stokslagen. — Rottingslag, m. (-en).

Ronconri (Zl J. E.), 1834, Diest. Pastoor, Btrchem (Antwerpen). Spraakkundige. Beknopte Spraakleer der Nederlandse he taal (1870); Eerste beginselen der Nederlandsche taal (1870).

rouleau, ra. (-x). Rol. Rolgordijn. _ roulette, v. (-s). Rolletje, rolschijfje. Kansspel met balletjes.

Boumauille Kj.), 1818-1891, S1 Re-my. Proven^aalsch dichter. Li Sounja-rello; Armaria prouvengau; Li Prou-vengalo.

Rousiie»!!, i0 {J. B.), 1671-1741, Parijs. Lierdichter. 20 (J. 5^-). I7I2-.I778, Geneve. Fr. wijsgeer en It-tterkundige. Nouvelle héloïse; Etnile; Omtrat social.

routine, v. Vaardigheid, vlugheid, ervarenheid. (in ongunstigen zin): gewoonte, sleur, slenter.

rouw, bn. bijw. Ruw.

rouw, ra. Droefheid, verdriet, smart (inz. over iemands afsterven) : zijne dood stortte ons allen in den rouw. Uiterlijke teekenen van rouw : den rouw over iem. dragen. Lijkstaatsie : den rouw volg» n. Tijd, gedurende welken raen den rouw draagt: zijn rouw is uit. Berouw : hij heeft er rouw van. — Rouw, ra. (-en). Rpuwkleederen (voor dienstboden). Geld, dat daarvoor aan de dienstboden wordt gegeven. Rouwkleedereu voor een huisgezin (bij raoderaaaksttrs).

Floers, dat als een teeken van rouw dient. — Rouw-■baai, v. — Rouwband, m. (-en). — Rouwbedt i/f, o.— Rouwbedryvende, ra. (-n).

— Rouwbeklag,o.— Rouwbrief, m. (..ven). —Rouw das, v. (-sen). — Rouwdrager, ra.(-s). — Rouw draagster, v. (-s). — Rouwen,

rouwde,heeft gerouwd. Ow.

Rouw dragen. Eenpw. Berouw hebbeu(van).—Rouw-floers, o. — Rouwgedicht,

o. (-en). — Rouwgeld, o.—

Rouwgewaad, o. (..aden).

— Rouwgoed, o. — Rouwhandschoen, ra. (-en). —

JRouwhoed, m. (-en).—

wig, bn. Bedroefd, treurig.

Berouwende. — Rouwkamer, v. (-s). — Rouwkapel, v. ^-len). — Rouwklacht, v. (-en). — Rouw-klagen, ow. rouwklaagde,

heeft gerouwklaagd. Treuren over iemands afsterven.

— Rouwklager, ra. (-s). —

Rouw klaagster, v. (-s). —

Rouwkleed, o. (-eren). —

Rouw k leeding,w—Rouwkoets, v. ( en). — Rouwkoop, ra. Geld, dat gegeven wordt om een gesloten koop te vernietigen.Uitkoopgeld.

_Rouwlied, o. (-eren). —

Rouwlint, o. (-en). — Rouw maal, o. (..alen). — Rouwmantel, ra. ( s). — R 'uw-muts, v. (-en). — Rouw paard, o. (-en). — Rouwrand, ra. (-en). — Rouwschoen, ra. (-en). —Rouw sleep, ra. — Rouwsluier^ ra. (-s). — Rouwstaatsie, v. (..iën). — Rouwstrik, ra. (-ken). — Rouwstrooken, v. rav. — Rouwtyd, ra. — Rouwwinkel, ra. (-s).

rouwen, bw. rouwde, heeft gerouwd. (Laken) glad en effen maken. — Rouuuer, ra. (-s). Lakenrouwer.

roven, bw. roofde, heeft geroofd. De roof (2® art.) afnemen.

royusU, bn. Koninklijk, vorstelijk.Edelmoedig, mild. — Royalisme, o. Koningsgezindheid.— Royalist, m. (-en). Koningsgezinde. Voorstander van den koninklijken regeeringsvorm — Royalistisch, bn. Koningsgezind, koninklijk. — Royaliteit, v. (-en). Edelmoedigheid. Mildheid.

Royer-Collurd {P. P.), 1763-1845, Soinpuis. Fr. staatsman, wijsgeer en letterkundige.

rozet. Zie Rosette.

Rozler (y. F.), 17^4-1795,Lyon. Landbouw- en kruidkundige.

rozUugt; rsizüu, v. (-en). Gedroogde druif. Zeker puistgezwel (aan den mond).

P. P. Rubens.


ocr page 732

RUG — 6

— Rozynekern, v. (-en). — Rozynenazyn, m. — Rozynrnbaard, m. — Rozynen-baard, m. en v. (-en). — Ro zi/n en brood, o. (-en). — Rozy'nenkorf, ni. (..ven). — Roz'inenzvyu, m. — Rozynepit, v. (-ten).

— Rozynerveten, v. mv.

roziusint, ra. Het paard van don Quichot. (-en) Slecht paard.

Rabons (P. P.), 1577-1640, Siegen (Duitschland). Het hoofd der Vlaam-sche schilderschool. Krui^rechting (1610); Krntsafdoening (16x1); Bekeering Dan S1 Bavo (16x4) ; Aanbidding der drie koningen (16x7) ; het laatste Oordeel(1617); Geschiedenis van Decius (16x7); de wonderbare vischvangst (xói8); de Leeuwenjacht (x6i8); de Comvitinie van St Fran-ciscus van Assist' (1619); Lanssteek (xóao); Marteldood van S1 Pieter (X638).

KiibiiiHtcin (A. G.), X830-1894. Wech-wotynez. Russisch klavier-vii iuoos en toondichter. Der Da)non (X875); der Turnt zu Babel (1872); Symphonieën.

rubriek, v. (-en). Aldeeling, klasse, soort. Opschrift. Regel, volgens welken de ceremoniën der Mis en andere kerkelijke diensten geschikt worden.

rueliolcn, ow. ruchelde, heeft geru-cheld. Balken (van ezels). — Ruchelin^, v.

riK-litburtr, bn. Algemeen bekend. Wereldkundig. — Ruchtbaarheid, v. — Ruchtbaamiaking, v.

Rückcrt (P.), 1788-X866, Schweinfurt. Duusch dichter en taalkundige. Deutsche Gedichte (x8x4); Gesamvielte Gedichte (X834); die Weisheit der Brahmanen (9® dr. 1875). #

rud iiucutn, v. Spraakkunst. Grondbeginselen.

rufir, m. (-gen). Deel van het lichaam (van mensch of dier), dat tegenover borst en buik gelegen is. Achterste gedeelte van vele dingen : de rug van een kleed, van eenen stoel, van een mes, enz. Bovenste : de rug van de hand, van eenen dijk, enz. lem. den rug toekeeren, hem verachtelijk laten staan. Hij heeft veel op den rug : hij heeft veel te zijnen laste. Hij heeft een bret den rn^ : hij kan veel verdragen. — Ruggebeequot;,0. (-en), ruggegraal,v. (..aten). De vereenigde rugwei veis. (Zeew.) Verbindingstuk van de scheg. —Ruggelen, ow. ruggelde, heeft en is geruggeld. Aarzelen.

— Ruggelings, bijw. Rug tegen ruj;. Ruggelings over ; achterover. — Ruggelingsch, bn. Achterwaarts.—Ruggemerg, o. Streng van zenuwzelfstandigheid, welke zich van de kleine hersenen naar 't einde der wervelkolom begeeft en in de holte van 't wervelkanaal is opgesloten. — R'iggeynergs-ontsteking, v. — Ruggemergstering, v. — Ruggen, bw. rugde, heeft gerugd. Een xug-steun geven. (Een boek) van achteren be-kleeden. —Ruggepaard, o. (-en). (Zeew.) Zeker touwwerk. — Ruggepyn, v. (-en). — Ruggepyp, v. (-en). — Ruggespraak, v. Cïesprek, onderhoud. Beraad (met iem.).— Rugrestt eek, v.—Ruggestrecp,v. (..epen).

— Rugges.'uk. o. Rugstuk. — Rughaar, o. (..aren). — R/ighout, o. (-en). Middel om iets op den rug to dragen. — Rugkleed, o. (-en). — Rugklier, v. (-en). — Rug korf.

2 — RUG

m. (..ven). — Rugleuning, v. (-en). — Rugmand, v. (-en). —Rugrietn, m. (-en),. — Rug spier, v. (-en). — Rugsteun, m.

K,

A. 1-7 : Hals'tvet velen. B. 8 x9 : Borst-wervelequot;. C. zo-2\ \ Lendeivervelen. D. Halfrond der hersenen. E. Kleine hersenen F. Verlengd merg;. G. Ruggemerg. H. Beenuitwas. I. Wervelbeenderen. K. Hersenen.


ocr page 733

RUIM — C

(-en).— Rugsteunen, bw. rugsteunde, heeft gerugsteu. d. Ondersteunen. Versterken.

— Rugsfuk, o. ( ken). Gedeelte van den rug (van een konijn, varken, enz.). Achterleuning van eenen stoel of bank. Keerzijdevan eenen penning. — Rugieekenaar, ra. (-s). Die op de keerzijde van eenen wissel zijne handteekening heeft geplaatst. — Ruggetering, v. — Rugvin, v. (-nen). — Rugwaarts, bijw. — Rugzvervelbeen, o.

— Rugwervelen, ..wervels, m. rav. — Rugwol, v. — Rugzaag, v. (..agen). —

— Rugzenuw, v. (-en). — Rugzuil, v. (-en). Ruggegraat.

rul, v. (-en). Gracht, waterloop. Rij, reeks.

ruiilig, bn. Met schurft bedekt. — Rui-

dtgheid, v.

ruien, ow. ruide, heeft geruid. Van vederen verwisselen (van vogels). De haren verhezen (van andere dieren). — Rui, ra. Het ruien. Ruitijd. — Ruitijd, ra. — Ruiing, v. (-en). — Ruikooi, v. (-en).

ruif, v. (..ven), ruiiel, v. (-s). Houten traliewerk (boven den bak in eenen paardenstal), waarachter raen hooi, enz. werpt.

ruis:, bn. bijw. Met haar, wol, enz. bezet. Harig. Ruw, borstelig. Ongelijk. Hard op het gevoel. Onbeschaafd, lomp —Ruig-boorschaaf, v. (..aven). — Ruigheid, v.

— Ruigpootig, bn. Met veeren aan de poo-ten. — Ruigschaaf, v. (..aven). — Ruigte, v. (-n). De ruige kant (van eenig voorwerp . Allerlei wild gewas. Slecht volk.

ruiken (rieken), rook, heeft geroken. Ow. Eenen geur van zich geven : die bloemen ruiken aangenaam. Een bedorven reuk van zich geven : dit vleesch ruikt. Bw. Door middel van den reuk gewaarworden. Bemerken, gewaarworden. — Ruikend, bn.

— Ruik erd, v. Reukgras. — RuikJleschje, o. (-s). — Ruikvtaker, m. (-s). — Ruik-maakster, v. (-s).

ruiker, ra. (-s). Eenige bloemen bijeengebonden.

ruilen, bw. ruilde, heeft geruild. Het eene voorwerp in de plaats van het andere geven of nemen. Verwisselen. —Ruil, m. 1-en). Het ruilen. — Ruildaar, bn. — Ruilbaarheid, v.— Ruilebuiten, ..builen, ow. ruilebuitte, ..builde, heeft geruilebuit, ..build. Ruilen. — Ruilebuiter, m. (-s). — Ruilebuit ster, v. (-s). — Ruiler, m. (-s).

— Ruilhandel, m. — Ruiling, v. (-en).— Rui 1st er, v. (-s).

ruim, bn. bijw. Geschikt om veel te kunnen bevatten, wijd, uitgestrekt : eene ruime kamer. Goed voorzieu : dat komt uit eene ruime beurs. Onbekrompen ; hij ontving eene ruime maat. De ruime, volle zee. Meloenen moeten ruim geplant worden, ver uit elkander. Een ruim geweten : geweten, dat zich niet licht bezwaart. De handen inim hebben, niet belemmerd zijn in zijne handelingen. Het niet ruim hebben : niet bemiddeld zijn. Ruim zooveel : meer dan dit. Ruim een jaar : raeer dan een jaar. — Ruim, o. Binnenste diepte van een schip. Tweede plaats in eene trekschuit. Inwerdi? deel eener kerk. — Ruimanker, o. (Zeew.) Noodanker. — Ruimbaan, v. (..anen). Ruime baan. Ruimte. Ruimbaan

3 — Run

maken : plaats maken. — Ruimbalk, m. (-en). (Zeew.). — Ruimelyk, bijw. In do ruimte. Overvloedig, rijkelijk. — Ruimen, ruimde, heeft geruimd. B^v. Plaats raaken. Ledigen : eene kamer ruimen. Schoonmaken : eenen put ruimen. Aan anderen overlaten. Verlaten : hij moet zijn huis ruimen. Wegnemen : uit den weg ruimen. Ow. In orde brengen, schikken : zij doet niets dan ruimen. (Zeew.) Gunstig worden (van den wind). — Ruimert m, (-s). — Ruimgast, ra. (-en). (Zeew.). — Ruimheid, v. — Ruimyzer, o. (-s). — Ruiming, v. (-en). — Ruimkraan, v. (..anen). (Zeew.). — Ruimnaald, v. (-en). — Ruimpen, v. (-nen). — Ruim pomp, v. (-en). — Ruimschoots, bijw. (Zeew.) Den wind raeer achterlijk dan dwars. In ruime mate. Mild. — Ruimschootsch, bn. — Ruimschotig, bn. bijw.Buitengemeen mild. Verkwistend. — Ruimschotigheid, v. — Ruimspraak, v. Overdrijving. — Ruim-ster, v. (-s). — Ruimte, v. (-n). De uitgestrektheid van 't heelal, waarin wij ons al wat bestaat voorstellen. Plaats tusschen lijnen, muren, enz. besloten. Open lucht, dampkring : vogels houden van de ruimte. Grootte, wijdte ; ruimte in den rok. Ruimte tusschen de wenkbrauwen. Holte: de ruimte der maag, der hersenen. Ruime zee : de ruimte kiezen. Opening ora het daglicht door te laten. Groote omvang. Overvloed.

ruin, ra. (-en). Gesneden hengst. — Ruinen, bw. ruinde, heeft geruind.

ruïne, v. (-n, -s). Bouwval, puinhoop. Verderf, ondergang, val. — Ruïneeren, bw. ruïneerde, heeft geruïneerd. Ten gronde richten. In het verderf storten. Tot armoede doen vervallen. — Ruïneus, bn. Verderfelijk.

ruis, m. (..zen). Ruisvoren. ruiselien.ow. ruischte, heeft geruischt. Een zacht en niet onaangenaam geluid maken : de bladeren ruischen. Een dof geluid maken : de storm ruischte in het woud. Mijne ooren ruischen : ik word een dof geraas gewaar in mijne ooren. — Ruischingy v. — Ruischpyp, v. (-en). Doedelzak. — Ruischpyper, m. (-s).

Ifcuisduel [van) 1° (5*.), i6io(?)-i670, Haarlem. JLandsctapscnilder. Pleisterplaats. — 2° (7.), i625v?)-i682, Haarlem. Landschapschilder.

ruiselen, ow. ruiselde, heeft geruiseld. Rijselen.

} ruismuizen , ruize -muizen, ruismuizen , ruize -muizen, ow. ruisrauisde, heeft geruismuisd.Roezemoezen.

ruisvoren,..voorn, ra.

(-s). Rietvoren.

ruit, v. (-en). (Meetk.) Vierhoek, die vier gelijke zijden heeft. Vierkante schijf vensterglas. Vierhoekig parkje op servetgoed. Vierkant perkje op een dam-,of schauk-bord. Vierkant in een wapen. Ieder vierkant van een wafelijzer. Rood vierkantje op eene speelkaart. Zijde of vlak-Ruit. te van edelgesteente. Sloot,


ocr page 734

RUMO — 6;

waarin men vlas, enz. te roten legt. — Ruiten, v. mv. Eene der figuren of kleuren van 't kaartspel. — Ruiten, b\v. ruitte, keeft geruit. Ruiten maken (op of in). — Ruitenaas, o. (..azen). — Ruitenacht, v. (-en). —Ruiienblad, o. (-en). — tenboer, m. (-en). — Ruitendrie, v. ( ën).

— Ruitenheer, m. (-en). — Ruiten-negen, v. (-s). — Ruitentien, v. (-en). — Ruttentwee, v. (-ën). — Ruitenvier, v. (-en). — Ruitenvijf, v. (..ven). — Ruitenvrouw, v. (-en). — Ruitenzes, v. (-sen).

— Ruitenzeven, v. (-s). — Ruitehlood, o. Loodreepen (voor glasruiten). — Ruits-quot;wijze, ..ivy's, bijw. Geruit. In den vorm van ruiten. — Ruitvormig, bn.

ruit, v. Schurft. — Ruiterszalf, v. Sterke zalf tegen de schurft.

ruit, v. Wijnruit. — Ruit achtig, bn. Ruitachtige planten : plantenfamilie, waartoe overblijvende kruiden en heesters be-hooren, die zeer aromatisch zijn. — Rttite-blad, o. (-eren). —Ruitedik, m. — Ruite-struik, m. (-en).

ruit, o. Uitgetrokken onkruid. Gras door behoeftige lieden langs akkers en heggen gesneden. B DI

ruiteu, bw. ruitte, heeft geruit, blunderen, rooven. Uitroeien, vernielen. — Rutter, m. (-s). Roover.

ruiter, ra. (-s). Paardrijder. Soldaat te paard. Een oude ruiter : een doortrapte vent. — Ruiter, m. (-s). Zwatte ruiter : zekere vogel {totanus fuscus). Leeft des zomers in de Noordpoolstreken der oude wereld. Bezoekt ons land in 't voor- en 't najaar. De groenpootige ruiter : vogel {tot anus glottis). Broedt in de koude streken van het noordelijk halfrond. Ruiterbende, v. (-n). — Ruiter drom, m. (-men). — Ruiter hoop, ra. (-«n). — Ruiterij, v. Paardenvolk. Zie leger. — Ruiter lans, v. (-en). — Ruiterlijk, bn. bijw. Vrij. Oprecht. Ongedwongen. — Ruitersch, — Ruitersjongen, m. (-s). — Rut tersmantel, ra. (-s). — Ruiterspaard, o. (-en). ~ Rut-terssabel, v. (-s). — Ruit ernst andbeeld, o, (-en). Standbeeld te paard. — Ruiter-trom, v. (-men).— Ruitervaan, v. (..anen). Ruit er ru acht, v.

ruitiii|£, v. Geklonterde melk. ruiting:, v. (-en). Degenkling, ruizeuiuizen, ow. Roezemoezen, rukkeu , rukte, heeft gerukt. Bw. Met geweld weghalen, aitrekken. Ow. Zich bewegen, optrekken : de troepen rukten ten strijde. Te velde rukken : zich gereed maken tot den strijd. — Ruk, ra. (-ken). Trek, haal, schok. Het trekken, schokken. — Rukking, v. (-en). — Rukwind, m. (-en). Plotseling felle wind.

rul, bn. bijw. Ongelijk, hobbelig ; het ijs lag rul. — Rulheid, v. —Ruhjs, o.

rul, v. (-len). Driftige toeloop van koo-pers. Buitengewoon groote afzet van koopwaren. . . ^

rum, v. Geestrijke drank, uit het sap van suikerriet bereid. — Rumflesch, v. (..sschen). — Rutnglas, o. (..zen). Rum-pons, v. — Rumstokerij, v. (-en)._

rumoer, o. (-en). Opschudding, verwarde beweging, doorgaans met luid ge-

l — RUST

tier gepaard : er ontstond een schrikkelijk rumoer onder het volk. — Rumoeren, ow. rumoerde, heeft gerumoerd. Rumoer maken. — Rumoerig, bn. — Rumoerigheid, v. — Runioermaker, m. (-s). — Rumoer-maakster, v. ( s).

run, v. Bast van eikenhout, die gemalen wordt, ten gebruike van leerlooiers. — Runkleurig, bn. — Runkoek, ra. ( en). — Runmolen, m. (-s). — Runschuur, v. (..uren). — Runnen, bw. runde, heeft ge- . rund. Huidvetten.

ruiKl, o. (-eren, -ers). Hoornbeest : de stier, de koe, het kalf, enz. zijn runderen.

— Rundergebraad, o. Gein aden rund-vl'ïesch. — Runder harst, ra. (-en). — Runder hart, o. (-en). — Runderhuid, v. (-en). —Runderlapjes, o. rav. — Runder-nier, v. (-en). — Runderpest, v. — Run-derrib, v. (-ben). — Runderslachter, ra. (-s). — Rund^rslachterij, v. (-en). — Ru»derstal, ra. (-len). — Rundervet, o.

— Runderworst, v. — Runderziekte, v.

— Rundvee, o. — Rundveti o. — Rund-vleesch, o.

rune, v. (-n). Rechtlijnige letter (der oude Germaansche volkeren). — Runenschrift, o. Naam der letter- of schrijftee-kens van de oude Germanen. — Runen-steenen, ra. rav. Niet behouwen graniet-blokken der oude Noordsche volken, welke tot grafsleenen, grensscheidingen, enz. dienden. —Runisch, bn. Oudnoorsch.

ruuueu, ow. runde, heeft gerund. Stollen, stremmen (van melk). — Run, ra. Het runnen. — Running, v. — Runsel, o.

rups, v. (-en). Vhnderlarve.— Rupsen-do ader, ra. (-s). — Rupsenei, o. (-eren). —Rupsenhaak, ra. (..aken). Rupsenschaar.

— Rupsenjacht, v. — Rupsennest, o, en ra. (-en). — Rupsenschaar, v. (..aren). Papegaaisbek. — Rupsenvanger, ra. (-s).

— Rupsenvangst, v. — Rupsklaver, v. Plantengeslacht {medicaid), tot de vlinderbloemigen beboorende. Tot de soorten behoort de lucerne, of Fransche klaver (»z. sattva), die als veevoeder zeer gezocht wordt.

ruMCli, m. (russchen). Steenbies of ge-raeene bies.—Ruschdyk, ra. (-en). Dijk raet russchen bedekt. — Ruschkleed, o. (-en). Dekkleed uit rusch vervaardigd. — Russchen, bn.

KuNlaud. Keizerrijk, dat geheel het oostelijk gedeelte van Europa, het noordelijk gedeelte van Azië en een gedeelte van Midden-Azie inneemt. 129,000,000 inw. ; 395,000 vlerk, geogr, mijl (oppervlakte). Hoofdstad : S1 Petersburg. — Rus, ra. (-sen). Inwoner van Rusland. — Rusle-(d)er, o. — Rusle(d)ei en, bn. — Russin, v. (-nen). — Russisch, bn. — Russisch, o. De Russische taal.

ruwt, v. Bewegingloosheid : de zee kwam in rust. Gerustheid, bezadigdheid : zijne wroegingen benemen hem alle rust. Rustteeken. Dood: hij is reeds in de rust. Verpoozing van verdriet, smart, moeite : hij moet rust hebben. De plaats, waar iem. rust; hier is zijne rust. Zeker deel van het slot eens schietgeweers: de haan staat in de rust. In rust (tevreden, ronder ttR*^


ocr page 735

— 675 —

SABE

SABB

leven. Zich ter ruste begeven, naar bed gaan. Steun. Hij heeft rust noch duur. — Rustaltaar, o. en m*. (..aren). — Rust-bank, v, (-en). — Rustbed, o. (-den).— Rustdag, m. (-en). — Rusteloos, bn. bijw.

— Rusteloosheid, v. — Rusten, rustte, heeft gerust. Ow. In rust zijn of verkceren. Kalm, bedaard zijn. Uitrusten. Dood zijn. Begraven liggen. Bw. Doen rusten : rust uw hoofd op mijnen schoot. Zich ten strijde rusten : zich tot den oorlog voorbereiden.

— Rustend, bn. Rustend leeraar. — Rust-

Celd, o. — Rust hout,eld, o. — Rust hout, o. — Rustig, bn. ijw. Gerust, kalm, bedaard. Wakker, fnsch. Geschikt (tot). —Rustigheid, v. — Rustigjes, bijw. — Rustiglyk, bijw. — Rusting, v. (-en). Wapenrusting. (Dichtk.) Caesuur. — Rustjaar, o. (..aren). —Rustkamer, v. (-s). — Rustlievend, bn. — Rustlijn, v. (-en). Touw of keten, die het anker ophoudt als het op den boeg ligt. — Rustmeester, m. (-s). Opzichter van een tuighuis. — Rustplaats, v. (-en). — Rustpunt, o. (-en). — Ruststoel, m. (-en). — Ruststok, ra. (-ken). — Rustteeken, o. (-s). (Muz.) Teeken, waarbij men rust of rusten moet. — Rusttijd, m. — Rustuur, o. (..uren). —Rustveer, v. (-en). Deel van een schietgeweer. — Rustverstoorder, m. (-s). —Rustverstoorster, v. (-s). —Rust' verstoring, v. (-en).

rust, v. (-en). (Zeew.) Zware planken, die aan het buitenboord van een schip, ter hoogte van het bovendek bevestigd zijn. — Rustyzer, o. (-s). (Zeew.).

rusticiteit, v. Boerschheid. Lompheid. — Rustiek, bn. Boersch, lomp. Landelijk.

Ruusbroec (^. van\, 1294-1381, Ruisbroek (Brussel). Mystieke schrijver. De vader van het Nederlandsch proza. Dat boec van den gheesteleken tabet nacule ; die Spieghel der ewigher salicheit; dat boec van VII trappen inden graet der gheesteleker minnen.

ruw, rouw, bn. bijw. Hobbelig, oneffen, ongeschaaid. Onbewerkt, ongeslepen. Ongebleekt. Wild, onstuimig (van het weder, enz.). Ontoebereid. Onaangenaam, onbeschaafd. Bits, barsch. — Ruwbladig, bn. — Ruwbladigen, v. mv. Zekere plan-tenfamilie. —Ruwe lijk, bijw. — Ruivha-rig, bn. — Ruwheid, v. (..heden). — Ruw-igheid, v. (..heden). — Ruw kruid, o. Plantengeslacht, tot de familie der ster-bladigen behoorende. — Ruw slijper, m. (-s). Slijper van ruwe diamanten. — Ruw-smid, m. (..eden). — Ruwwerker,m. (-s). ruwaard, m. (-s, -en). Landbestuurder. — Ruwaard-schap, o.

Ruyscli {R.), 1664-1750. Amsterdam. Schilderes van bloemen en vruchten.

Ruy ter(i'lt;?) i0(//'.), 's H er togen bosch. Ontrukte het slot Loeve-stein aan de Spaan-sche bezetting, en toen hij voor de overmacht moest zwichten, liet hij 't slot in de lucht springen (1570). — 20 {M. Adrsz.), 1607-1676, Vlissingen. Admiraal = de Redder oer Nederlanden. Zegepraalde op de Engelschen te Plymouth (1652). Versloeg de Zweden (1659). Triomfeerde tweemaal op de Franco-Èngelsche vloot (1Ó72). Sneuvelde in een gevecht tegen de Franschen (Sicilië).

ruzie, v. (-s). Twist, krakeel. Hoogloo-pend geschil, gekijf. — Ruzieachtig, bn. — Ruziemaker, m. (-s). — Ruziemaakster, v. (-s). — Ruziezoeker, m. (-s). — Ruziezoekster, v. (-s).

Kygselberijrlie [F. van), 1846-1893, Gent. Hoogleeraar (Gent). Bekend door zijne electrische uitvindingen en vooral door de verbeteringen aan telephoon en electrische verlichting teweeggebracht.

Kyswyck (7*2«), i0 (J. T.), 1811-1849, Antwerpen. Dichter. Balladen (1843) ; Politieke refereinen (1844); Volksliedjes (18 16). — 20 Zijn broeder (jt. Zf.), 1818-1869, Antwerpen. Dagbladschrijver en medestichter van den Nederduitschen Bond. (Antwerpen).


m, v. (s's), 19« letter van het alphabet. na, tw. Welaan ! komaan!

saai, o. en v*. (-en). Zekere wollen stof. — Saaien, bn. — Saaifabriek, v. (-en). — Saa ifa brie ka n t, ra. (-en). — Saaihal. v. (-len).

saai, bn. Langzaam.Vervelend. Droog. Langdradig. — Saaiheid, v.

saaiem, o. ( s). Net voor de garnalen-visscherij.

saam. Zie Samen. — Saamgezworene, m. (-n),

sabbat, m. (-ten). (Bij de Joden). Zevende dag der week, rusWag. Zondag. Bijeenkomst der heksen. — Sabbatdag, m. (-en). — Sabbatjaar, o. (..aren). (Bij de Joden). Zevende jaar, jatr, dat de velden moesten braak liggen. Rustjaar. — Sabbat-lamp, v. (-en).— Sabbatskleed, o. (-eren, ..kleeren). — Sabbatsknecht,m. (-en). — Sabbatsmeid, v. (-en). — Sabbatsreis, v. (..zen). Reis den sabbat bij de Israëlieten toegelaten (afstand = 2000 schreden). — Sabbatsrust, v. — Sabbats^chender, m. (-s). — Sabbat schendster, v. (-s). — .Sad-batschennis. v. — Sabbatsvrouw, v. '-en).

Sabbe {J.), 1846, Gent. Leeraar (athenaeum, Brugge). Letterkundige. Hef nationaal beginsel in de schilderkunst (1874); de KlokkeRoeland^gt;(^xoo^,\9,-]-])\ Brugge's ontwaking (1878).

sab A, v. (-s). Krom zwaard. — Sabel-boonen, v. mv. Kromme boonen. — Sabelen, bw. sabelde, heeft gesabeld. Houwen,


ocr page 736

SADO — (

hakken (met eene sabel). — Sabelhouw, xn. (-en). — Sabelkling, v. (-en). — Sabelkoppel, m. (-s). — Sabelkwast, m. (-en). — Sabelfluni, v. (-en). — Sabelscheede, v. (-n). — Sabelslag, ni. (-en). — Sabeliasch, v. (..sschen). — Sabelvormtg, bn.

Nnbel, m. (-s). Zoogdier [mttstela zt-belltna), tot de marterachtige roofuieren behoorende. Bewoont de bosschen van de Oude en de Nieuwe Wereld. Is b- kend om zijn glanzenden pels. Halsdeksel van het bont van den sabel. Halsdeksel van bont (in 't algemeen). — Sabel, o. Bont van de vacht van den sabel. — Sabelbont, o. — Sabeldier, o. (-en). — Sabeljacht, v. — Sabelmof, v. (-fen). — Sabelpels, m. (..zen). — Sabelstaart, m. (-en). — Sabelvanger, m. (-s). — Sabelvangst, v. — Sabelvel, o. (-len).

o. (Wapenk.) Zwarte kleur. i»uccli»roiueter, m. (-s). Suikermeter.

sacerdolastl, bn. Priesterlijk.

SacliM (//.), 1494-1576, Nuremberg. Duitsch volksdichter.

sacramciit, o. (-en). « Een uitwendig teeken van Christus ingtsteld, • beteeke-nende eene zonderlinge gratie, die ons door hetzelve gegeven wordt.* Er zijn zeven sacramenten : het Doopsel, het Vormsel, het h. Sacrament des altaars, de Biecht, het h. Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk. — Sacrninentboek, o. en m. (-en). — Sacramenteel, hu. Aangenomen en door het gebruik gewettigd. Gebruikelijk. Bfslisst nd. — Sacramentsdag, m. (-en). Feest ter eere van het h. Sacrament, den donderdag na de octaaf van Pinksteren gevierd. Werd ingesteld door Paus Urbanus IV (1264.) — Sacramentsschender, m. (-s). — Sacramentsschendster, v. (-s). .

«acrocroii, bw. sacreerde, heeft gesacreerd. Heiligen. Wijden. Zalven.

Hacrilicie, o. (-s). Opoffering. Inz. de opoffering \ an eene uitwendige zaak, die met zekere verni tiging, door een wettigen dienaar God wordt opgedragen, om Hem als den oppersten meester te erkennen, en ons, om de zonde, den dood schuldig te belijden. Die uitwendige zaak is ons leven en wat wij in de plaats van het leven zouden opdragen. — Sacrifi (c) eer en, bw. sa-crifi(c)eeide, heeft gesacrifi(c)eerd. Offeren. Opofferen.

aaerilCKe, o. (-s). Heiligschenderij. Heiligschennis.

nacriHtio, v.(-ën), .sacristti, v. (-en). Plaats aan de kerk, waar de gewijde vaten, kerkgewaden, enz. bewaard worden. — Sacrtstein, ra. {-en)fsacristiemeestert m. \-s). Koster.

J!»alt;llt;lfilt;aeër, m. (-s, ..eten). Sekte onder de Joden omstaan (30 eeuw voor Chr.). Loochende de onsterfelijkheid der ziel, de verrijzenis der lichamen, enz. — Saddu-ceesch, bn.

Sadi \S. 119J-1296, Sjiras. Per

zisch dichter en wijsgeer. Verzameling van Syrische Qedichten; Cu Listan — Rozenhof, zedenkundig werk.

Madovra. Vlek (Bohemen). Zegepraal

'6 — SAKS

der Pruisen over de Oostenrijkers (1866)..

Maf liaan, o. Marokijnleder.

Hallier, o. (stofn.); m. (-en) (steen). Helder en fonkelend edelgesteente van donkerblauwe kleur. — Saffierblauiu, bn. o. — Saffieren, bn. — Saffiersteen, m. (-en). Ongeslepen saffier.

salllo«r(M),o.Plant [carthamustinc-torins), tot de samengesteldbloemigen behoorende. De bloemen leveren eene roode en gele kleurstof op. Verfstof daaruit bereid. — Saffioersbouw, m. — Saffloers-geel, o. — Saffloersrood, o.

Maflraau, v. Zie Krokus. Specerij uit de gedroogde stempels en een gedeelte van het stijltje van de saffraan bereid. Gele verfstof uit de saffraan bereid.— Saffraan-achtig, bn. — Saffraanboww, m. — Saf-fraandrank, ra. (-en). — Saffraangeel, bn. o. — Saffraankleur, v. — Sa ffr aanplant, v. (-en). — Saffraanplanterij, v. (-en). — Saffranen, bw. saftraande, heeft ge«affraand. Met saffraan bereiden. Met saffraan verven. — Saffranen, bn. —Saf-franig, bn.

Saftloven 10 (C), i6c6-i68i, Rotterdam. Schilder. — 20 Zijn broeder (//quot;.), 1609-1685, Rotterdam. Schilder en etser.

Magraai, v. (-en). Lange spies der Negers, Kaffers, enz.

nagre, v. (-n). Volksoverlevering.

Na;;o, v. Merg van den sagopalm. Is voedzaam en gemakkelijk te verteren. — Sqgobloem, v. (-en). — Sagobloesem, m. (-s). — Sagomeel, o. — Sagomelk, v. — Sagopalm, m. (-en). Soort van palm (sagus rumphii). Komt voor op de eilanden van den Oostindischen Oceaan. — Sagnpap, v.

— Sagoplant, v. (-en). — Sa go soep, v. l-en)-

Kaliara, v. Woestijn in N.-Afrika. Strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan oostwaarts tot aan de Egyptische en. Nubische oasen.

Salntc-lfieuve (C. A.), 1804-1869,. Boulofjne-sur-Mer. Fr. letterkundige. Portraits littéraires; Portraits de femmes; Portraits contemporains; Causerie du lundi.

Kalut-SaëiiA [C- C.), 1835, Parijs. Organist en toondichter.

Kaint-Si mon, 10 [L. deRouvroy, due de), 1675-175'!, Pariis. Fr. staatsman en geschiedschrijver. Mémoires sur le siècle de Louis XIamp; et de la régence. — 2° (C. H. comte de), 1760-1825, Parijs. Nouveau Chnstiamsme (1825). Stichter eener so-cia'istische richting bet Saint-Simon isme.

— Saint-Simonist, ra. (-en).

Najct, v. en o*. (-ten). Getwijnd wollen garen. — Sijet/abnek, v. (-en). — Sajet-fabrikant, m. (-en). — Saj'etspinner, m. ( s) —Sajet spinnerij, v. (-en). — Saj'et-spinster, v. (-s). — Sajett, n, bn. — Saj et-wever, m. (-s). — Saj'f {winkel, m. (-s).

»ak, m. (-ken). Badjapon.

Hakerdaaithout.o. Houtsoort. Heeft eene bruine kleur en verspreidt een aange-namen geur. — Sakerdaanhouten, bn.

Kaki m. (-es). Aap met eenen vosse-staart \simiapithecia).

Sa li hc ii, o. Koninkrijk : Staat van het


ocr page 737

SALO — e

quot;Duitsche. Rijk. 3,500,000 inw. Hoofdstad : Dresden. — Sa/cs, m. (-en), Sakser, m. (-s). Inwoner van Saksen. — Saksisch, bn.

galsamp;de, wist, v. (saladen). Plantengeslacht, tot de samengesteldbloemigen be-boorende. Verscheidene soorten komen bij ors voor. Klein gesneden bladgroente, die men rauw nuttigt. Naam van sommige spijzen, die meniamp;oud nuttigt: sla van ansjovis. Poespas. — Saladebak. m. (-ken).

— Saladebed, o. (-den). — Saladeblad, o. (-eren). —Saladeboonen, v. mv. Prin-sessenboonen. — Saladeëmmer, m. (-s).

— Salade kom, v. (-men). — Saladelepel, m. (-s). — Saladeolie, v. — Saladeplant, v. (-en). — Saladeschotel, m. (-s). — Saladevork, v. (-en). — Saladezaad, o. ({..aden).

salamander, m. (-s). De salatnan-ders : orde der tweeslachtige dieren, 't Zijn weerlooze en niet giftige dieren. Volgens de Ouden : een gift en vlammen spuwend ondier. Scheldnaam. Vuurwerk, dat ecne kronkelende slang voorstelt. — Salaman-derhaar, o. Gedegen zilvererts, in fijne draden in den grond voorkomende. — Sa-lamanderruol, v. Amiant.

sal-amiuouiak, o. Salmiak, salarlf», o. (-sen). Bezoldiging. Vast loon. — Salarieeren, bw. salarieerde, heeft gesalarieerd. Bezoldigen.

Hal«lo, o. (-'s). Overschot. Slot van rekening. — Saide en'n, bw. saldeerde, heeft gesaldeerd. Vereffenen. — Saldo-betaling', v. (-en).

salep, v. Geneesmiddel, uit den wortel van het tweebladig standelkruid bereid.

SaleH {h. F. van), 1567-1622, Sales (bij Annecy). Bisschop (Genève). Stichtte met mevr. de Chantal de orde der Salesiane-rinnen of der Visitatie {ibiü). Philulet/ieon.

salet, o. (-ten). Kleine zaal, zijkamer. Gezelschap, bezoek. — Saletjonker, m. (-s). Pronker. Modegek. — Salet juffer, v. (-s). — Saletpop, v. (-pen). — Saletrekel, m, (-s). (Spott.) Saletjonker.

salie, v. Plantengeslacht {salvia), tot de lipbloemigen behoorende.' De gewone salie (s. officinalis) wordt bij ons veel gekweekt. Hare bladeren worden als een prikkelend, min of meer samentrekkend middel gebruikt. —Sahebed, o. (-den).— Salieblad, o. (-eren). — SaHebloem, v. (-en). — Saliemelk, v.— Salieplant, y. (-en). — Salie struik, m. (-en). — Salie-vaate-r, o. — Sahezaad, o.

sallseli, bn. Van de oude Saliërs. De Salische wet : zie Wet.

Sallaert» {A.), i585(?)-i647(?)» VI. schilder.

SalluHtlns (C. C.), 86-35 vóór Chr. Amiternum. Romeinsch gescbiedschrijver. De oorloven der Romeinen tereti Jugur-tha; de Samenzwering van Cat in na.

salmiak, salmoaiiak, v. (Scheik.) Verbinding van chloor met ammoniak. — Salmoniakbloem, v. (-en). Gezuiverde sal-moniak. — Sa Imon ia hge est, m.

Salomon (1015-975 vóór Chr.). Zoon van David. Koning Vitn Gods volk. Bezat

froote rijkdommen en groote wijsheid, tichtte, na den Tempel voltrokken teroote rijkdommen en groote wijsheid, tichtte, na den Tempel voltrokken te

7 — SAME

hebben. Palmyra en andere steden. — Sa-loynonslelie, v. (..iën). L-lienarcis. — Salomonszegel, v. Overblijvende plant (ccm-vallaria polygonatum., tot de asperge-achtigen behoorende. Bloeit in Al ei en Juni. Komt voor op de beschaduwde, houtrijke plaatsen.

salon, o. en m. (-s). Zaal. Ontvangzaal. Kunstzaal. —Salonameubletnent, o. (-en). —Salonboot, v. (-en). Keurig ingerichte passagiersboot. — Salonlamp, v. (-en). — Salonmuziek, v. en o. — Salon-spiegel, m. (-s). — Salontafel, v. (-s). — Salon-wagen, m. (-s). (Spoorw.) Wagen, als een salon ingericht.

salope, v. ( n). Vuil vrouwmensch, slons. Soort van ochtendkleed.

sstlpeier, o. (Scheik.) Verbinding van stikstol'zuur, sod a f n potasch. — Salpeter-aarde, v. — Salpeterachtiz, bn. — Sal-peterber cider, ni. (-quot;gt;). — Salpeter dampy ra. (-en).— Salpeter fabriek, v. (-en). — Salpetergas, o — S-i Ipetergeest, m. — Salpetergroef, v (..vm). — Salpeterhut% v. (-ten). —Sal/eterig, bn. —Salpeterig-zuur, o. (Scheik.) Vei binding van stikstof, zuurstof en waterstof. —Sulpeterkc' /W, ra. (-s). — Salpeterkoker, m. (-s). — Salpeterkokcy, v. (-en). — Salpeter-laag, v. (..agen). — Salpeterlepel, ra. (-s).

— Salpeterloog, v. — Salpeter lucht, v.

— Salpeterschuim, o. — Sa lp e ter z ieder, ra. (-s).— Salpeterzuur, o. (..uren). Sterkwater. Verbinding van Lcik- en zuurstof. — Salpeterzuur, bn.

sal 11 lt;*ei*en, bw. salueerde, heeft gesalueerd. Groeten. Begroeten. — Salut, o. Welzijn. Heil! Gi-groet. — Salutatie, v. (..iën, -s). Begroeting. Het militaire saluut maken. — Saluut, o. (..uten). Begroeting (opsoldatenwijze). — Saluutschot, o. (-en).

salvo, o. (-'s). Eerbewijs, begroeting door losbranding van vuurwapenen. Algemeen handgeklap.

samaar, v. (..aren). Lang, deftig vrouwenkleed.

Samarang:. Zie Java. Samarituueii, ra. mv. Bewoners van Saraaria (Midden-Palestina) na de Babylonische gevangenschap.

Sambas. Zie Borneo.

samen (le zamen), bijw. Bij elkander ; zij staan samen aan de deur. Allen bij elkander : nu wij hier samen zijn. Met elkander : samen op reis gaan. Zij zijn het samen eens : zij denken, handelen eenstemmig. — samenaarden (1), ow. Met elkander overeenstemmen. Samenaar-ding, v. — sameiilMtKlen, bw. Bij elkander binden. Bijeenbinden. Aaneenbin-den. Vereenigen imetalen*. Satnenbm-ding, v. — sameiilgt;l:iK«'ii, bw. Bijeen-blazen. Door de trompet bij elkander roepen. — satueiiblüven, ow. (zijn). Bij elkander blijver. Aaneer.blijven. — sa-menbreusren, bw. Bijeenbrenpen. Samenbrenging, v. — sameiibuigren,

(1) De samengastelde werkwoordea met samen zijn scheidkaar.


ocr page 738

SAME — 6;

bv. Buigende bij of tot elkander brengen.

Santenbtiiging, v. — MStuicndoou, bw. Bij elkander doen. Samensmelten. Ow. In vereeniging metiem. handelen.—snmeu-dra3«ion, bw. Ineendraaien. Samen-draaiing, v. — HamciKlraKcu, bw. Bijeendragen. — sanieiKlrUven, bw. Drijvende bijeenbrengen. Ow. (zijn) Drijvende bijeenkomen.— njtiiiendriiitreii, bw. ow- (zijn) Door dringen nader elkander brengen of komen. Samendringing, v. ■ameiMlrukkoit, bw. Op elkander drukken. Doordrukken aan elkander vastmaken. Tegenover elkander drukken : tekst en vertaling samendrukken. Samendrukbaar, v. SameudTukking, y. — «a-meiifluwen, bw. Duwende bijeenbrengen. Vast in elkander duwen. Sa7nendu-rvin?, v. — Aameiiflaiiseu, bw. Met baast samenstellen. Samen/lansing, v. — ■amciifromiiicleu, bw. In elkander frommelen. — samensrsiau, ow. (hebben, zijn) Met een of meer menschen tegelijk gaan. In overeenstemming handelen. Overet nkomen.

saiiieiiKOHtcl«1, bn. Niet enkelvoudig. Uit verscheidene deelen bestaande. (Taalk.) Samengestelde volzin.— Saynen-gesteldbloeviigen, v. mv. Talrijke planten-lamilif. Hebben samengestelde bloemen (iedere bloem is samengesteld uit verscheidene bloempjes). — Samengesielden, v. mv. Samengesteldbloemigen

sameuiflcten, bw.Bijeengieten. Gietende vermengen. Samengieting, v. — ■amciisrroelen, ow. (zijn) Aaneengroeien. Ineengroeien. Samengroeting, v. — samculialen, bw. Bijeenhalen. Sa-menhaling, v.

Hameiiliandcl, ra. Handelsvereeni-ging. Gemeenschappelijke handel.

aamculianeeu, ow. Verbonden zijn (aan). Vereenigd zijn (met). In verband staan (tot). Onderling verbonden zijn. 6a-menhang, m. Samenhangend, bn. — »a-mcnhecliten, bw. Hechtende bijeenbrengen. Bijeenvoegen. Samenhechtifig, v. — samcnlioopcu, bw. Ophoopen. Opstapelen. SamcnhoofiingyW,— ftaiiicu-kotcnen, bw. Met ketenen verbinden. Samenketening, v.

Hamenklank, m. Overeenstemming. sameiiklCTCii, bw. Klevende vastmaken. Ow. (zijn) Klevende vastzitten. Samenkleving, v. — Haiiieiikliilnen, bw. Ondereenklutsen. — Kamcukiiypcii, bw. Knijpende samendrukken.— santen-kuoopen, bw. Knoopende aaneenhechten. Samenknoojfring, v. — flamenko-moo, ow. (zijn) Bijeenkomen. Vergaderen. Samenkomst, v. (-en). Het samenkomen. Ontmoeting. Onderhoud. Schijnbare ontmoeting van twee dwaalsterren. — »a-mcukooion, bw. (Boekdr.) De vormen ineenslaan. — Hameiikoppclcii, bw. Aaneenkoppelen. Savienkcppelaar, ra. (-s).Samenkoppelaarster, v. Samenkoppeling, v.— saiiK'iilappen, bw. Op grove wijze aaneenmaken.— Baniculcs:-gren, bw. Bij elkander leggen. Vouwen (de handen). Sawnlegging, v. — «»-menlcvcu, ow. Met elkander leven. Te

; — SAME

zamen wonen. Samenleving, v. Het samenleven van menschen. — sanicnlQ-lucu, bw. Met lijm vasthechten. Samen-ly'mtng, v. — sanienloopen, ow. (zijn) Ineenloopen. Bijeenloopen. Met elkander loopen. Stremmen,klonteren, stollen. Medewerken (tot). Samenloop, m.—sanien-mcuKrelen, Mameuniens:en, bw.On-dereenmengen. Samenm enge ling, v. Sa-menmenging, v. Samenmengsel, o. (-s),

— samennaaicn, bw. Naaiende verbinden. — Kaiuciiigt;akkcn, bw. Bij elkander pakken. Ow. (zijn) Ophoopen (van wolkeu). Samenpakking, v. — sa-inenpcmcn, bw. Door persen samendrukken. Samenpersing, v. — samcn-plalikon, bw. Aaneenhechten (door stijfsel, enz.). Samenp/akkin?, v. — «a-menrapvn, bw. Bijeemapen. Samen» raaf-sel, o. (-s). Wat bijeengeraapt is. Mengelmoes. Sanienraptng, v. — «a-uk'iir|{g:cn, bw. Aaneenrijgen. Rijgend© vasthechten. Scimenri/ging, v.— Mamcn-roopcn, bw. Bijeenroepen. Samenroe-ping, v. — ftamenrollcn, bw. Bijeen-rolltn. Oprollen. Samenrollinz, v. — sa-mcnroltcn, ow. (hebben, zijn) Oproerig bijeenscholen. Troepsgewijze bijeenkomen. Samenrotting, v. (-en). — Hamcn-rnkken, ow. (zijn) Zich vereenigen. Bijeenkomen. — sameiiMcliakclen, bw. Aaneenschakelen. Santenschakeling, v.

— samenneliarrolcn, bw. Bijeenschrapen. — Haiueniu-liikken,bw. Bijeenvoegen. Samensc hik king, v. — *a-nienncliolcu, ow. (hebben, zijn)Troepsgewijze bijeenkomen. Samenscholing, v. (-en). Het samenscholen. Samengeschoolde menigte. — samcusclirapcn, bw. Bijeenschrapen. Samenschraapsel, o. (-s).— nam eniicli roeven, bw.Aaneenschroe-ven. — Hamenslaan, bw. Slaande aan elkander hechten. Ineenslaan. — sanicu-snielten, bw. Smeltend samen verbinden. Ow. (zijn) Ineensmelten.

fing, v. (-en). — samenftnoeren, bw. Met een snoer vereenigen. Sanunsnoe-rin?, v. — samenspannen, bw. Bijeenspannen. Ow. (zijn) Een komplot maken. Samenspanning, v. (-en). — sa-menspelden, bw. Met spelden vasthechten. — samen spreken, bw. In gesprek zijn. Een gesprek voeren. Sa-men-spraak, v. (..aken). Samensprekifig, v. (-en). — samenstellen, bw. Vervaardigen, maken. Schrijven, opstellen. Samenstel, o. Samensteller, ra. (-s). Samenstelling, v. (-en). Samenstelster, v. (-s). — sameaistemmen, bw. Overeenstemmen. Samensteinmend, bn. Samenstem-ming, v. — sameiiHtrenKrelen, bw. Aaneen-, bijeenstrengelen. Samenstren-geling, v.— samentrcfTen, ow. Toevallig gelijktijdig voorvallen. Toevallig ergens samenkomen. — samentrekken, bw. Trekkende samenvoegen. Bijeentrek-ken. Ow. (zijn) Trekkende samengevoegd worden. Zich bije« ntrekken. Verdikken (van dampen, enz.). Samentrekkend, bn. Samentrekking, v. (-en). Samentrekquot; kingsteeken, o. (-s). Teeken (A), aanwijzende, dat eene lettergreep uit de ineen-


ocr page 739

SAND — 67

smelting van twee lettergrepen ontstaan is.

— h Hm on vat ten, bw. Bijeenvatten. Samenvatting, v. — ■amenvlecliten,

bw. Ineen-,dooreenvlechten.^awz^w^'/»?^-

ting, v. (-en). Samenvlechtsel, o. (-s). — ■aineiivlocleii,ow.(2ijn) Bijeenvloeien. Satnenvioed, m. Samenvloeiing, v. (-en).

— samcnvocsrcn, bw. Bijeenvoegen. Vereenigen. Verbinden. Samenvoeging, v. (-en). Samen voegsel, o. (-s). — sauieii-voiifven, bw. Ineenvouwen. In elkander vouwen. Samenvonwine:, v. (-en). — sa-111 en walsen, ow. (zijn) Groeiende ver-eenigd worden. — »aiiicn worlten, bw. Met elkander werken. In overleg handelen. Medewerken (tot, aan). Samenwerking, v. — wanicnweven, bw. Wevende bijeenvoegen. Ondereen weven. Sa-vienweefsel, o. (-s). Samenzveving, v. — ■amenwindeu, bw. Te zamen tot een kluwen winden. — samenwonen, ow. Bij elkander wonen. Samenleven. Samenwoning, v.— samen wrö ven, bw.Wrij-vende samenvoegen. Samenwri/ving, v.

— samenwrlneen, bw. Wringende samentrekken. — namenzetten, bw-Samenstellen. Samenzetsel, o. (-s). — namen/.weren, ow. Een komplot maken. Samenzweerder, ra. (-s). Samen-zweerster, v. (-s). Samenzwering, v. ^-tn). Het samenzweren. Komplot.

Mammeien, ow. sararaeldc, heeft ge-samraeld. Talmen. Leuteren. Dralen. — Sammelaar, ra. (-s). — Samme laar ster, v. (-s). — Sovimelary, v. (-en). Hamoein, Hamnm, ra. (-s).Zie Wind. samoreus, v. (..zen) Lang schip met p'.atten bodem (op den Rijn gebruikt).

sampsm, ra. (-s). Klein Chineesch en lapaansch kustvaartuig.

Samson (nss-ïogs vóór Chr.). Rechter van Israël. Was een wonder van sterkte. Verbrijzelde de steunpilaren van Dagon's tempel en werd met 5000 Philistijnen onder de puinen begraven.

Samnël. Laatste rechter van Israël. Samuel {A ), 1824, Luik. Bestuurder van het conservatorium (Gent). Toondichter. Symphonieën; Christus.

Sanehez^.), 1552-1632, Bracara. Por-tug. wijsgeer. Tractatus philosophici.

sanetionneeren, bw. sanctionneer-de, heelt gesanctionneerd. Bekrachtigen. Bevestieen. Goedkeuren. — Sanctie, v. l..iën, -s).

Sand {George) (pseudoniemvan^4.Z..^. Dupm, baronne Dudevant), 1804-1876, Parijs. Romanschrijfster. Rose et Blanche (1831): Laura (1864); Mademoiselle Azote (1870); Conté et vne gr and'mere (1876).

sandaal, v. (..alen). Riemschoen. Snoerzool. Lichterschuit(aan de noordkust van Afrika gebruikt).

Mande Bahliuyzen (% J. van de), 1835, 's Gravenhage. Landschapschilder.

sandelboom,m. (-en). Zekere«yroote en schoone Indische boom. — Sandelhout, o. Zwaar, welriekend, hard en dicht hout. — Sandelhout-eiland. Soenda-eiland. — Sandelhouten, bn. — Sandelrood, o.

Kanderns, Sanders {A.), 1586-1664, Antwerpen. Kanunnik. Geschied chrijver.

) — SARA

Flandria illustrata (1641); Choragraphia sacra Brabantiae (i6s9).

sandrak, o. Droge doorschijnende geelwitte hars.

Sandwieh-ellanden, o. mv. Eilandengroep in de Stille Zee. Werden ontdekt door Cook (1778).

sanhedrin, o. Hooge Raad (der Joden).

sanskrlt, o. (Oudt.) Volkstaal in het Noorden van Vóor-Indië. (Thatts) Theologische en literarische taal van Indië. — Sanskritsch, bn.

sant, m. (-en). Heilige. — Santenboetiek^., santenkraam, v. en o. (..araen). De gansche kraara. Alles bij elkander. — Santin, v. (-nen). — Santje, sanctie, o. (•s). Beeldeken. Printje. Heiligenbeeldje.

santorle, v. Kleine santorie: duizend-guldenkruid.

sap, o. (-pen). Vocht, levensvocht (inr, in planten, enz.). — Sappeloos, saploos^ bn. — Sappeloosheid, v. — Sappig, bn. Vol sap. Smakelijk (van vruchten). — Sap' pigheid, v. — Saprijk, bn. — Sapri/k-heid, v.

sapaniiont, o. Zekere houtsoort. Is afkomstig uit Oost-Indië. Levert een zeer goed verfhout.

sapblauw, o. Zekere verfstof. — Sapgroen, o. Zekere verstof.

Saplio, Mitylene. Grieksche dichteres. Leefde tusschen 628 en lt;68 vóór Chr.

sappe, v. (-n). Bedekt werk, waarmede de belegeraar eener belegerde plaats tracht te naderen. — Saphaak, ra. (..aken). — Sappeer en ^ ow. sappeerde, heeft gesap-peerd. Sappen raak en. Ondermijnen. Ondergraven. — Sappeur, ra. (-s). (Mil.) Mijngraver. Schansgraver. — Sappeurs-baard, ra. (-en). — Saópevork, v. (-en).

ssirabande, v. Zekere Spaansche dans.

Saraeeen, ra. (..enen). Naara, met welken de Arabieren in Spanje en andere


ocr page 740

SAME — 6;

bw. Buigende bij of tot elkander brengen.

Saviettbut'ging, v. — Mauiendoen, bw. Bij elkander doen. Samensmelten. Ow. In vereeniging metiem. handelen.—szimcu-«Iraaien, bw. Ineendraaien. Samen-draaiing, v. — sanaciKlraeen, bw. Bijeendragen. — sanit'inli'üven, bw. Drijvende bijeenbrengen. Ow. (zijn) Drijvende bijeenkomen.— Hamcndi'iiiereii, bw. ow. (zijn) Door dringen nader elkander brengen of komen. Samendringing, v. ■amoitdrukkoii, bw. üp elkander drukken. Doordrukken aan elkander vastmaken. Tegenover elkander drukken : tekst en vertaling samendrukken. Samendrukbaar, v. Samendrukking, v. — samen «luwen, bw. Duwende bijeenbrengen. Vast in elkander duwen. Sainendu-wing, v. — «anienflanHen, bw. Met haast samenstellen. Samenjlansinz, v. — ■ amenfrommelen, bw. In elkander frommelen. — HamciiKstan, ow. (hebben, zijn) Met een of meer menschen tegelijk gaan. In overeenstemming handelen. Overe« nkomen.

samensrefitelcl, bn. Niet enkelvoudig. Uit verscheidene deelen bestaande. (Taalk.) Samengestelde volzin.— Sameti-gesteIdbloemigen, v. mv. Talrijke planten-tamili»-. Hebben s mengestelde bloemen (iedere bloem is samengesteld uit verscheidene bloempjes). — Samengestelden, v. mv. Samengesteldbloemigen

samenfficten, bw.Bijeengieten. Gietende vermengen- Samengieiing, v. — samengroeien, ow. (zijn) Aaneengroeien. Ineengroeien. Sameugroeiing, v. — samenlialen, bw. Bijeenhalen. ^quot;a-menhaltng, v.

samenliandel, ra. Handelsvereeni-ging. Gemeenschappelijke handel.

samenliangen, ow. Verbonden zijn (aan). Vereenigd zijn (met). In verband staan (tot). Onderling verbonden zijn. .Sa-ntenhang, ra. Samenhangend, bn. — sa-menlierliten, bw. Hechtende bijeenbrengen. Bijeenvoegen. Samenhechting, v. — samenlioopen, bw. Ophoopen. Opstapelen. Sammhooó ing, v.— sameu-kotenen, bw. Met ketenen verbinden. Samenketening, v.

samenklank, ra. Overeenstemming, samenkleren, bw. Klevende vastmaken. Ow. (zijn) Klevende vastzitten. Sa-menkleving, v. — samenklutsen, bw. Ondereenklutsen. — samenknUpen, bw. Knijpende samendrukken.— samen-knoopen, bw. Knoopende aaneenhechten. Samenknoo/ang, v. — samenkomen, ow. (zijn) Bijeenkomen. Vergaderen. Samenkomst, v. (-en). Het samenkomen. Ontmoeting. Onderhoud. Schijnbare ontmoeting van twee dwaalsterren. — ssamp;-menkoolen, bw. (Boekdr.) De vormen ineenslaan. — sanienko|gt;|»elon, bw. Aaneenkoppelen. Samenkoppelaar, m. (-s). Samenkoppelaarster, v. (.-s). Samenkoppeling, v.— samenlappen, bw. Op grove wijze aaneetimaken.— sainenlesr-gen, bw. Bij elkandtr leggen. Vouwen (de handen). Sanfnlegging, v. — sa-menleven, ow. Met elkander leven. Te

5 — SAME

zamen wonen. Samenleving, v. Het sa:-

menleven van menschen. — samenld-men, bw. Met lijm vasthechten. Samen-lyming, v. — samenloopen, ow. (zijn) Ineenloopen. Bijetnloopen. Met elkander loopen. Stremmen,klonteren, stollen. Medewerken (tot). Samenloop, m.—samen-mengelen, samenmengren, bw.On-dereenmengen. Samen m engel ing, v. Sa-menmenging, v. Samen mengsel, o. (-s).

— samennaalen, bw. Naaiende verbinden. — Kamenpstkken, bw. Bij elkander pakken. Ow. (zijn) Ophoopen (van wolkeu). Santenpakking, v. — samenpersen, bw. Door persen samendrukken. Samenpersing, v. — samen-plakken, bw. Aaneenhechten (door stijfsel, enz.). SametipZakking, v. — samenrapen, bw. Bijeeniapen. Samen-raatsel, o. (-s). Wat bijeengeraapt is. Mengelmoes. Samenraping, v. — samen r^ï gen, bw. Aaneenrijgen. Rijgend© vasthechten. Sametiri/ging, v.— samenroepen, bw. Bijeenroepen. Samenroe-ping, v. — samenrollen, bw. Bijeen-rolkn. Oprollen. Samenrollin?, v. — sa-menrolten, ow. (hebben, zijn) Oproerig bijeenscholen. Troepsgewijze bijeenkomen. Samenrotting, v. (-en). — samen-rnkken, ow. (zijn) Zich vereenigen. Bijeenkomen. — samenseliakelen, bw. Aaneenschakelen. Samenschakeling, v.

— ssimenseliarrelen, bw. Bijeenschrapen. — samenscliikken,bw. Bijeenvoegen. Samenschikking, v. — sa-menseliolen, ow. (hebben, zijn) Troepsgewijze bijeenkomen. Samenscholing, v. (-en). Het samenscholen. Samengeschoolde menigte. — samenseiirapen, bw. Bijeenschrapen. Samenschraapsel, o. (-s).— sanienscliroeven,bw.Aaneenschroe-ven. — samenslaan, bw. Slaande aan elkander hechten. Ineenslaan.— samensmelten, bw. Smeltend samen verbinden. Ow. (zijn) Ineensmelten. Samensmel-ting, v. (-en). — samensnoeren, bw. Met een snoer vereenigen. Samensnoe-rin%, v. — samenspannen, bw. Bij-eenspannen. Ow. (zijn) Een komplot maken. Samenspanning, v. (-en). — samenspelden, bw. Met spelden vasthechten. — ssimenspreken, bw. In gesprek zijn. Een gesprek voeren. Sa-men-spraak, v. (..aken). Samenspreking, v. (-en). — samenstellen, bw. Vervaardigen, maken. Schrijven, opstellen. Sa-menstel, o. Samensteller, m. (-s). Samenstelling, v. (-en). Samenstelster, v. (-s). — sameBistemmen, bw. Overeenstemmen. Savienstemmend, bn. Samenstem-ming, v. — sameiiMtrcngelen, bw. Aaneen-, bijeenstrengelen. Sametistren-gehng, v. — samenlrefTen, ow. Toevallig gelijktijdig voorvallen. Toevallig ergens samenkomen. — samentrokken, bw. Trekkende samenvoegen. Bijeentrek-ken. Ow. (zijn) Trekkende samenglt; voegd worden. Zich bije« ntrekken. Verdikken (van dampen, enz.). Samentrekkend, bn. Samentrekking, v. (-en). Samentrek' kingsteeken, o. (-s). Teeken (A), aanwijzende, dat eene lettergreep uit de ineen-


ocr page 741

SAND — 6?

smelting van twee lettergrepen ontstaan is.

— samenvatten, bw. Bijeenvatten. Samenvatting, v. — ■amenvlecliten, bw. Ineen-,dooreenVlechten.6quot;rtw«lt;?w^'/^A-ting, v. (-en). Samenvlechtsel, o. (-s). — ■amenvlocien,ow.(zijn) Bijeenvloeien. Samenvloed, m. Samenvloeiing, v. (-en).

— sainenvoegren, bw. Bijeenvoegen. Vereenigen. Verbinden. Samenvoeging, v. (-en). Samenvoegsel, o. (-s). — sanieit-vou^vcn, bw. Ineenvouwen. In elkander vouwen. Samenvouwing, v. (-en). — sa-inenwasscn, ow. (zijn) Groeiende ver-eenigd worden. — «amenwerfeen, bw. Met elkander werken. In overleg handelen. Medewerken (tot, aan). Samenwerking, v. — «amen we ven, bw. Wevende bijeenvoegen. Ondereen weven. Sagenweefsel, o. (-s). Samenweving, v. — samen winden, bw. Te zamen tot een kluwen winden. — samenwonen, ow. Bij elkander wonen. Samenleven. Samenwoning, v.— samenw rÖven,bw. Wrijvende samenvoegen. Samenwryving, v.

— samen wringen, bw. Wringende samentrekken. — samenzetten, bw-Samenstellen. Samenzetsel, o. (-s). — samenzweren, ow. Een komplot maken. Samenzweerder, m. (-s). Samenzweer ster, v. (-s). Samenzwering, v. ^-en). Het samenzweren. Komplot.

sammeien, ow. sammelde, heeft ge-sammeld. Talmen. Leuteren. Dralen. — Sammelaar, m. (-s). — Samme laar ster, v. (-s). — Sovtmelary, v. (-en), samoem, sainnin, m. (-s).Zie Wind. samoreus, v. (..zen) Lang schip met platten bodem (op den Rijn gebruikt).

sampsan, m. (-s). Klein Chineesch en japaansch kustvaartuig.

Samson (1155-1095 vóór Chr.). Rechter van Israël. Was een wonder van sterkte. Verbrijzelde de steunpilaren van Dagon's tempel en werd met 5000 Philistijnen onder de puinen begraven.

Samiiëi. Laatste rechter van Israel. Samuel {A ), 1824, Luik. Bestuurder van het conservatorium (Gent). Toondichter. Symphonieën; Christus.

SancheB (ƒ'.), 1552-1632, Bracara.Por-tug. wijsgeer. Tractatus philosophici.

sanetionneeren, bw. sanctionneer-de, het-it gesanctionneerd. Bekrachtigen. Bevestigen. Goedkeuren. — Sanctie, v. \..iën, -s).

San«l [George) (pseudoniemvan^4. Dupin, baronne Dndevant), 1804-1876, Parijs. Romanschrijfster. Rose et Blanche (1831): Laura (1864); Mademoiselle Azote (1870); Conté tTunegrand1 mere (1876).

sandaai, v. (..alen). Riemschoen. Snoerzool. Lichterschuit (aan de noordkust van Afrika gebruikt).

Sande ISaklinyzen (7* J- van de), 1835, 's Gravenhage. Landschapschilder.

sandeiboom,m. (-en). Zekere grooto en schoone Indische boom. — Sandelhout, o. Zwaar, welriekend, hard en dicht hout. — Sandelhout-eiland. Soenda-eiland. — Sandelhouten, bn. — Sandelrood, o.

Kantlerus, Sanders [A.), 1586-1664, Antwerpen. Kanunnik. Geschied chrijver.

) — SARA

Flandria illustrata (1641); Chorographia sacra Brabantiae (16^9).

sandrak, o. Droge doorschijnende geelwitte hars.

Sandwieh-eilanden, o. mv. Eilandengroep in de Stille Zee. Werden ontdekt door Cook (1778).

sanliedrin, o. Hooge Raad (der Joden).

sanskrit, o. (Oudt.) Volkstaal in het Noorden van Vóor-Indië. (Thans) Theologische en literarische taal van Indië. — Sanskritsch, bn.

sant, m. (-en). Heilige. — Santenboetiek,v., santenkraam, v. en o. (..amen). De gansche kraam. Alles bij elkander. — Santin, v. (-nen). — Santje, sanctie, o, (-s). Beeldeken. Printje. Heiligenbeeldje.

santorie, v. Kleine santorie: duizend-guldenkruid.

sap, o. (-pen). Vocht, levensvocht (in«. in planten, enz.). — Sappeloos, saploost bn. — Sappeloosheid, v. — Sappig, bn. Vol sap. Smakelijk (van vruchten). — Sap' pigheid, v. — Saprijk, bn. — Sapryk-heid, v.

sapanliont, o. Zekere houtsoort. Is afkomstig uit Oost-Indië. Levert een zeer goed verfhout.

sapblauw, o. Zekere verfstof. — Sap-groen, o. Zekere verstof.

Sapko, Mitylene. Grieksche dichteres. Leefde tusschen 628 en 568 vóór Chr.

sappe, v. (-n). Bedekt werk, waarmede de belegeraar eener belegerde plaats tracht te naderen. — Saphaak, m. (..aken). — Sappeeren, ow. sappeerde, heeft gesap-peerd. Sappen maken. Ondermijnen. Ondergraven. — Sappeur, m. (-s). (Mil.) Mijngraver. Schansgraver. — Sappenrs-baard, m. (-en). — Snppevork, v. (-en).

sarabande, v. Zekere Spaansche dans.

Saraceen, m. (..enen). Naam, met welken de Arabieren in Spanje en andere


ocr page 742

SATR — 61

landen van Europa genoemd werden. (Oudt.) Oigt;stlt; rling. — Samceensch, bn.

sareaMiiie, o. (-n). Bittereuitval. {Loo-nende spot. — Sarcastisch, bn. Bijtend. Spottend. Schimpend.

sarooplistsi^r, v. (..agen). Steenen doodkist. Praalkist. Praalgraf.

K3irlt;lMn, v. (-en), Ksivdolle, v. (-n). Vischje {chrpea sardina). Behoort tot de haringen. Wordt aangetroffen in de Alid-dell. Zee, den Atlantischen Oceaan en het Kanaal. W«.rdt ingezouten of in olijfolie in blikken doosjes ingepakt. — Sardyneufiet, o. — Sa r dy ti en va ng st, v.

Sartliiiië, 700,000. Eiland (Middel!. Zee). Behoort tot het koninkrijk Italië. Hoofdstad : Cagliari. — Sardonisch, bn. Boosaardig : sardonische lach.

sardonyx, o. (stofn.); m. (-en) (steen). Onyx, uit veelkleurige lagen bestaande. — Sat donyxsteen, in. (-en).

sargre. Zie Serge.

sarras, m. (-sen). Ruiterssabel. Krom 2 waard.

sarren, bw. sarde, heeft grsard. Tergen. — Sar der, m. (-s). — Sarring, v. — Sarrig, bn. Tergend. — Sarstrr, v. ( s).

sas, o. (-sen). Schutsluis. Draaikolk. Sluiskolk. — Sassen, bw. saste, heeft gesast. De sluisdeuren openzetten om het wat# r te laten afloopen. — Sasser, ni. (-s).

sa», v. (-sen). Elk mengsel van zuurstof afgevende stoften en brandbare zelfstan-dighlt; den. Soort van buskruit. — Sas lep el, ra. (-S). Lepel der vuurwerkmakers. — Sas-spaau, m. (..anen). Saslepel.

sasscfras, m. (-sen). Boom {/ar/rus sassafras) tot de laurierachtigen behoo-rende. Komt voor in N.-Amerika Zijn hout en bast worden in de geneeskunde gebezigd. o. Zekere drank. — Sas^efras-ioom, m. (-en).

sal an, m. (-s). Booze geest. Helsch wezen. Duivel.—Saiansch,hr\. bijw. l^elsch. Duivelsch. Vervaarlijk. — Satanskind, o. (-eren). — Satanswerk, o.

satelliet, m. (-en). Wachter, trawant: de maan is de satelliet der aarde. Lage huurling. Blind werktuig.

sater, m. (-s). Boschgod. Bokspoot. Misselijke, lage sater : potsenmaker. — Satersbek, m. (-ken). — Satersgezicht, o. (-en). — Saterskop, m. (-pen). — Saters-nens, ra. (..zen). — Saterspoot, ra. (-en). — Satersvoet, ra. (-en).

satQn, o. (-en). Glanszijde. — Satijn-achtig, bn. — Satijnen, bn. — Satijnwerker, ra. (-s). — Satijnwever, ra. (-s). — Satijnweverij, v. {-en).

salineeren, bw. satineerde, heeft gesatineerd. Glanzen. Glad en glanzig maken. — Satineer der, ra. (-s). — Satineer-ster, v. (-s).

satinet, o. (-ten). Zeer fijne satijnachtige stof.

satire, v. (-n, -s). Hekeldicht. Schimpschrift. Spotschrift. — Satiricus, m. ( .ei). Hekeldichter. — Sntn iek, satirisch, bn. bijw. Hekelend. Schimpend. Spottend.

satraap, ra. (..apen).Titel van de stadhoudersder provinciën (Oud-Perzië). Overmoedige en wellustige rijke. Willekeurige.

liën, v. rav. Roraeinsch volksfeest ter eere van Saturnus. Braspartijen, slemppartijen.

sauvQs, v. (..zen). Worst. — Saucijs-maker, m. (-s). •— Sa ucy ze broodje, o. (-s). Worstje met specerijen. — Saucijsverhooper, m. (-s). — Saucisse, v. (-n). Worst.

Sa til (1072-1055 voor Chr.). Eerste koning van Gods volk.

sans, v. (-en). Toebereid vocht ora bij de spijzen te eten. Zeker vocht, waarmede men tabak enz. besproeit. Scherpe berisping ; eene saus krijgen. Hetgene de aangenaamheid van een genot verhoogt: de saus van 't leven. Honger is de beste saus.

— Sausen, bw. sauste, heeft gesaust. Spijzen met saus bereiden. Tabak, enz. besproeien. Veraangenamen. Berispen. — Sauser, ra. (-s). — Sausing, v. (-en). — Sauskom, v. (-men). — Saus lepe/, ra. (-s).

— Sauilook, o. — Sauspan, v. (-nen). — Sauspot, ra. (-ten). — Saus ster, v. (-s).

Sauvajfe [F), 1785-1857. Boulogne-sur-Mer. Fr. natuurkundige. Uitvinder van de schroef (der stoombooten).

Savery (A'.), 1576-1639, Kortrijk.Landschapschilder.

Savoe. Soenda-eiland.

savonet, v. (-tent. Zeepbal. Zeepbol. savonnette, v. (-n). Bolrond horloge.

savooi, savooikool, v. (-en). Soort van kool (brassica oleracea bullata).

scala, v. (-'s). Toonladder. Schaal. Toonschaal.

scalpel, o. (-s). Snij-, ontleedmes. — Scalpeeren, bw. scalpeerde, heeft gescalpeerd. De huid van de hersenpan trekken.

scan«leeren, bw. scandeerde, heeft gescandeerd. Verzen meten. Naar de maat opzeggen. — Scansie, v. Het scandeeren.

Scandinaviscli, bn. Scandinavische talen : het Zweedsch en het Deensch.

scaplisuxler, m. (-s). Zwemgordel. Reddinggordel. Duikerstoestel.

scapulier, o. en ra. (-en). Schouderband (van zekere kloosterlingen), welks eene helft de borst bedekt, terwijl de andere over den rug hangt. Scapulier der zeven Weeën, invoering : verschijning der h. Maagd aan zeven edellieden te Florence (1239). Scapulier van den Karrad, invoering : verschijning der h. Maagd aan den h. Siraon Stock [i348(? ]. Scapulier der Onbevlekte Ontvangenis, invoering : verschijning der h. Maagd aan de eerbiedw. Ursula Benincasa (1617). De Bul van het scapulier (Zaterdaagsche Bul) werd door Paus Joannes XXlI uitgevaardigd (1322). scarabeeu, v. rav. Kevers.

) — SCAR

saturnus, ra. Planeet, door een licht-band omgeven. Zie Maan. — Saturna-


ocr page 743

— 681 —

SCHA

SCHA

Scarlatti {A.), 1649-17:5, Napels. It. componist.

Scarroii (P.), 1610-1660, Parijs. Luimig Fr. dichter. Typhon (1649), LeRoman coviique (1651).

scène, v. (-s). Tooneel, schouwtoonecl, afdeeling van een bedrijf. Opschudding, voorval. IJdel vertooning : luaak geene scones. Kuzie. Krakeel.

m. m\-. Tentbeworers. ifiKinc, o. Wijsgeerig stelsel der twijfelaars. — Sceptici si, m. (-en). Aanhanger van het scepticisme. — Sceptisch, Ln.

soli21. Zie Schade en Schaduw. iU'listsif, v. (..aven). quot;Wtrkiuig tot het glad e.i effen maken van I r ut. De grove schaal over iets laten loopt n : iets op grove wijze afwerken, ruw en krachtig opt e ;en.

— Schuafbanky v. (-en). — Sciiaafbeitel, m. ( s). — Schaaf gras, o. Schaatstroo. — Schaafijzer, o. (-s).— S'.haafkr tillen, v. mv. — Schaaf nies, o. (-sen). — Schaafsel, o. — Schaaf span nders, m. mv. — Schaaf staal, o. — Scii.iafsieen, m. (-en).

— Schaaf stroo, o. (Plantenk ) Ruwe paar-destaart {equisetum hyfinale) .Wordt door schrijn wei kers en draaiers geoezigd tot het gladschurt-n van hout.

o. Schaakspel. — Schaak. tw. Verplichte waarschuwing in hetschaak-spel, dat men den koning verplaatse . mot t. \mI men dat hij niet vastgezet wordt-.

— Schaakbord, o. ( et.). — Schaakgezelschap, lt;•. ( pen). —Schaakmat, bn. Stelling van den koning in het schaakspel, waardoor de partij verloren is. liij is schaakmat, weet geen uitweg. — Schaak-party, v. i-en). — Schaakpat, bn. — Schaakprobleem, o^ (..emen). — Schaakspel, o. (-len). Bekend spel. Het spelen van schaak. Al de stukken, die er toe be-hooren. — Schaakspelen, o. — Schaakspeler, m. (-s). — Schaakspeelster, v. ( s).

— Schaakstuk, o. (-ken). — Schaakwedstrijd, ra. (-en). — Schaakwerk, o. (-en). Boek over het schaakspel. (Zeew.) Neuten.

— Schaakzet, m. (-ten).

«cliaal, v. (..alen). Lijn, die in deelen wordt afgedeeld, waarmede meters, graden, mijlen, enz. worden voorgesteld, en die, op eene kaart, teekening, enz. gesteld, •dient ora de afstanden en hoegrootheden tot de ware grootte terug te brengen.Rechtstaande lijn om de diepte van een vaarwater aan te geven. Rechtopstaande lijn om den stand van barometer of thermometer aan te duiden. (Muz.) Toonladder. — Schaalverdeeling, v. (-en).

ftcliststl, v. (..alen). Kalkachtige schelp bij de weekdieren. Dop. Schil. Werktuig om te wegen. Bekken eener weegschaal. Platte schotel voor groenten. Drinkschaal. Bord, waarmede men liefdegiften inzamelt. (Zeew.) Schedel, wang. De eerste en laatste plank, die uit een ruwen balk of boom gezaagd worden. De schaal van Themis,zinnebeeld der gerechtigheid. — Schaalbijter, ra. (-s). Zie Scharrebijter. — Schaal-boter, v. Boter, die in 't klein wordt verkocht.— Schaalcollecte^. (-n).— Schaaldier, o. (-en). Zie Bijgevoegde Tabellen.

— Schaalhoren, m. ( s). Soort van slak.

— Schaalkettinlt;, m. (-en). — Schaalko-len% v. mv. Soort van steenkol. n. — Schaalt echten, o.m /. Differentieele rechten. Accijnzen.

NCliiiumstoEiti;;, bn. Lijw E. n weinig beschaamd. Bedeesd. Vol eerbaarheid. — Schaamachtigheid, v. — Sch a a in been, o. (-deren). — Schaambrok, in. en v. (-ken). Laatste stuk iu den schi.tel. — Schaamdeel, o. (-en). — Schaamlid, o. (. leden). — Schaamrood, bn. B'ozende van schaamte, o. Het blozen van schaamte.

— Schaamschoenen, m. mv. De schaamschoenen uittrekken : alle ei 1 gevoel verbannen. — Schaamte, v. Onaangenaam gevoel over een beganen misslag. Onaangenaam gevoel, dat men ondervindt als men dingen ziet, hoort of doet, die strijdig zijn met de eerbaarheid of zedigheid. Bedeesdheid. Schroomvalligheid.— Schaamteblos, m. — Schaamtegevoel, o. — Schaamteli/k,hn. bijw. — Schaamteloos, bn. bijw. — Schaamteloosheid, v.

HC*liasamp;i», o. (..apen). Woldragend dier {ovis), tot de herkauwende zoogdieren be-

Schaap.

hoorende. Arm, dom mcnsch, sukkel. On-noozelkind.Christen ten opzicht^ \ an zijnen herder : een coed herder zorgt voor zijne schapen. — Schaapachtig, bn. Als een schaap. Dom, onnoozel. — Schaaf-achtig-heid,v.—Schaapherder, m. ( s .— Schaapherdershond,m. i-en). —Schna fiherders-hnt, v. (-ten*. — Schaaphei derin, v. (-nen). — Schaapherdd sstaf, m. «..aven). — Schaapkameel, m. Lama (2® art.). — Schaapsch, bn. bijw. Dom. O.moozel. — Schaapschaar, v. (..aren). — Sen aap-schop, v. (-pen). — Schaafisdoorn, m. Prangwortel. —Schaapsdi avik, v. Schapengras. — Schaapshoofd, o. (-en). — Schaapsklaver, v. Gemeene rolklaver. — Schaapskleederen, o. mv Een wolf ia schaap^kleederen : boosaardig monsch.dio den schijn van zacht en vriendelijk aanneemt.—Schaapskooi v. (-en).— Schaapskop, m. (-p n). — Schaapsle(d)er, o. — Schaapslt(dje% en, bn. — Schaapipatig9


ocr page 744

SCHA — 6

v. Kleine wilde zuring. — Schaapspokken, v. mv. — Schaapsteentjes, o. mv. Gemeen kruiskruid. — Schaapsvacht, v. (-en). — Schaapsvel, o. (-len)

«clinar, v. (..aren). Werktuig, bestaande uit twee op elkander draaiende lemmers, en dienende om te snijden, te knippen. Breed scherp blad onderaan den ploeg. Knijper : de scharen der kreeften, enz. — Schaaryzer, o. (-s). Soort van hoefijzer, uit twee beweeglijke stukken bestaande. — Schaarslijp, m. (-en). Scha-renslijprr.

aclistar, v. (..aren). Menigte, verzameling (van menschen). Hoop. Rij.

scliaar, v. (..aren). Akkervedercistel. ■clia»i'lgt;elikeii, m. mv. Soort van meeuwen op de Antillen.

jvliaarboMCh, o. en m. (..sschen). Kreupelbosch. — Schaarhout, o. Hakhout in een kreupelbosch.

schaard, v. (-en). Ingekorvene of scherpe breuk in een mes of andei snijtuig. Scherf van aardewerk, steen. — Schaarden, bw. schaardde, heelt geschaard. Schaarden maken (in een mes, enz.). — Schaar dig, bn. Met schaarden.

scliaarman, m. (-nen). (Middel.) De schaarrnamien behoorden tot den minderen adel. Maakten 's heeren (van heerlijke of vorsteliike sloten) lijfwacht uit. Waren belast met de handhaving der openbare rust en stonden de rechters op zijde.

•cliaars, bijw. Nauwelijks. Ternau-werne od. Bijna niet. Zelden.— Schaarsch, bn. Weinig. Karig. — Schaarschheid, schaarschte, v.

««•liani'Hfok, m. (-ken), (Zeew.) Zekere boordplanken. — Schaarstrook, v. (-en). (Zeew.) Soort van houten mal.

soliaaiMTaolit, v. (-en). Ronde. Patrouille. — Schaarwachtrr, m. (-s). m ■cliaais, v. (-en). Platte houten cf ijzeren schoen van een ijzeren plaat voorzien om op het ijs te rijden. Zulke tchoen van rolletjes voorzien om op een gladden vloer te rijden. Stelt. — Schaatsbnnd, m. (-en). — Schaatsbeslag, o. — Schaaisett-baan, v. (..anen). — Schaatseninquot;ker, m. (-s). — Schaatsenrijden,o. — Schaatsenrijder, m. (-s). — Schn a /sen rijdster, v. (-s). — Schaatsenslijper, m. (-s). — Schaatshout, o. (-en). — Schaatsijzer, o. (-s). — Schaatslint, o. (-en). — Schaats-riem, m. (-en). — Schaatsroede, v. (-n). — Schaatsschoenen, y. mv.

HCtiab, v. (-ben). Lichte mantel of kleed. Versleten kleedingstuk. Schurft, scliabaat, tw. 't Zij zoo!

Hcliabbc, v. (-n). Kiel. (i0 art.). HCliabberifir, seliabbigr, bn. bijw. Armoedig. Kaal. Versleten. — Schab-b(er) igheid, v.

scliabel, v. (-len). Voet-, zitbankje. iicliabelctter,m.(-s).Politiebediendp. HCbabemak, scliabrak, v. en o*\ (-ken). Schaapsvel of een ander dekkleed op den rug van een paard. Zekere solda-tenmantel. Kleed. lem. bij zijn schaber-nak, bjj den kraag vatten.

sehnboiiivciük. scliabouwcrlgr, l)n. bijw. Aimzalig. Ellendig. Gevaat lijk.

2 — SCHA

«cliacli, m. (-s). Koning (van Perzlë).

•chaehclen. Schacheren.

«cfiachoreii, ow. schacherde, heeft geschacherd. Kleinhandel drijven. Ruilen. Woekeren (in 't klein). — Schacheraar* m. (-s). — Schacher aar ster, v. (-s). — Schachenj, v. (-en). — Schacherj'ood, m. (..oden).

schacht, schaft, v. (-en). Langwerpig dun voorwerp. Steel. Stok. Pijp. Middenstuk van eene zuil. Bovenstuk eener manslaars. De schacht van het roer.(Zeew.) Spier, steng. De schacht van eene veder. Vleugel. De schacht van eene mijn : de punt, waarin men afdaalt. — Schachtenbe-reider, m. (-s). — Schachtenkoker, m. (•s). — Schachienle(d)er, o. — Schachtenmaker, m. (-s). — Schachtleest, v. en m. (-en).

schadde, v. (-n). Zode. Soort van veen. Wordt gedroogd en als brandstof gebruikt.

schade, v. Schaduw.

schade, v. Nadeel. Verlies. Ongelijk. Hinder. Letsel. Zie Pijn. (Kooph.) Baten en schaden : voor- en nadeelen, winst en verlies. —Schadelijk, bn. bijw. — Schadelijkheid, v. — Schadeloos. Zie Schaloos. — Schadeloos, bn. bijw. Zonder schade te kunnen doen. — Schadeloos-he id, v. — Schadelooshoudtng, v. Vergoedingvan schade. — Schadeloosstellen, bw. stelde schadeloos, heefc schadeloosgesteld. De schade vergoeden. Zich ergens voor schadeloosstellen, op eene andere wijze vergoeden. — Schadeloosstelling, v. — Schaden, ow. schaadde, heeft geschaad. Schade, nadeel toebrengen. — SchafdeJ-vergoeding, v. (-en). — Sch a (de) ver halm^, v. (-en). (Recht.) Brieven van scha-verhaling (voor kaperschepen in geval van verlies).

Schadow {J. G'), 1764-1850, Berlijn. Beeldhouwer. — Zijne zonen 10 {Z. /?.), 1786-1822, Rome. Beeldhouwer. 20 {F. IV, von), 171:9-1861, Berlijn. Historieschilder.

schaduw, schaaiiw, v. (schaduwen). Onverlichte ruimte achter een li* chaam, dat in 't licht staat. Het daardoor ontstane beeld. Schaduwbeeld, schim : hij is bang voor zijne eigene schaduw. Zinnebeeld : de oude plechtigheden waren slechts schaduwen. Ons leven gaat als eene schaduw voorbij. Zwak beeld : hij is slechts eene schaduw van vroeger. Er blijft hem geene schaduw van hoop over. (Schild.) Donkere kleur, waardoor de verlichte voorwerpen meer op den voorgrond geplaatst worden. Koelte, frischheid : in de schaduw zitten. De nijrerheid bloeit in de schaduw van den vrede. — Schaduwachtig, bn. — Scha-dtiTubeeld, o. (-en). Beeld door de schaduw van een voorwerp gevound. Beeldquot; naar eene schaduw geteekerd. Schim. — Schaduwen, bw. schaduwde, heeft geschaduwd. Donxer teekenen of schilderen. — SchadurvgestalU, v. (-r). Schim. —Schaduwgevend, bn. — Schadnwhoed, m-(-en). — Schaduwing, v. (-en). — Schaduw koning, m. (-en-. Zie Hofmeestt r.— Schaduwloos, bn. — Schaduwloozen, m.


ocr page 745

SCHA — 6i

mv. Bewoners der tropische landen. — Schadiirvryk, bn. — Schaduwwolk, v. (-en). Stapelwolk. — Schaduwzijde, v.

Sclisicpmait (H. J. A. M.), 184^, Tubbergen. Doctor in de theologie. Bui-

tenlandsch eerelid der K. VI. Academie. D'chter en redenaar. De Paus {18G6); de Eeuw en haar Koning (1867); Vondel (1868): Pari/s (t870-'7i); Napoleon (1873); Aya Sofia (1886) ; Menschen en boeken (1898).

Kcbaflen, bw. schafte, heeft geschaft. Bezorgen. Opleveren Doen geschieden. Opdisschen : daar wordt wat geschaft. Raad schaffen, bezorgen. Ik heb niets met hem te schaffen : ik heb niets uitstaande met hem. Ergens middel in schaffen. Ow. Letten (op), opmerkzaam zijn. Op niets schaffen : alles verwaarloozen. — Schaf-fer, m. (-s). — Schaffing, v. — Schaf-ster, v. (-s).

Hchafleu, bw. schaftte, heeft geschaft. Eten. Opdisschen. — Sc ha ff gat, o. (-en). Gat in eene deur, waardoor men het eten schuift. — Schaftkl^k, v. (-ken). Klok, die het etensuur aankondigt. — Schaftli/st, v. (-en). Lijst van op te dienen spijzen. — Schaftmeester, m. (-s). — Schafttijd, m. Etenstijd. — Schaftuur, o. (..uren).

scbuft. Zie Schacht. — Schaftvsr-tnig, bn.

schalcal, m. (-s). Jakhals, «clialceeren» bw. schakeerde, heeft geschakeerd. Kleuren mengelen. Ineensmelten. Afwisselen : zang met snarenspel schakeeren. — Schakeerder, m. ( s). — Schakeerster, v. (-s). — Schakeer ing, v. (-en). — Schakeerxel, o. ( s).

Hcliakcl, v. ( s). Schalm of ring eener keten. Maas van een net. Schakelnet. Verbinding. Samenhang. Volgieeks. — Schakelen, schakelde, heeft geschakeld. Bw.

— SCHA

Door schakels aaneenhechten. In behoor-»' lijke orde op elkander laten volgen. Ow. Met het schakelnet visschen. — Schakeling, v. (-en). — Schakelnet, o. (-ten). Driedubbel gemaasd net. — Schakelrad, o. (-eren). (Horl.).

HCliaken, schaakte, heeft geschaakt.-Bw. Met geweld ontvoeren. (Zeew.) Vieren, opgijen : de schooten schaken. Ow. Schaak spelen. — Schaker, m. (-s). — Schaking, v. (-en).

■clisiko, v. (-'s). Krijgsmanshoed. «elisil, m. Galm. Toon. Geluid, selialecud, v. (-en). Scheleend, gclistlcn, bw. schaalde,heeft geschaald. (Zeew.) Met schalen versterken.

HClisilio, v. (..iën, -s). Lei. Deklei. — Schaliedak, schaliëndak, o. ( en). — Schaliedekker, m. (-s).

HC*]ialk,m.( en).(Oudt.)Knecht.(Thans) Looze guit. Pretmaker. — Schalk, bn, Schalksch.— Schalkachtig, bn. Loos. Guitig. — Schalkachtigheid, v. (..heden).— Schalkheid, v. (..heden^. — Schalknar, m. (-ren). Hofnar. — Schalks, bijw. — Schalksch, bn. Slaafsch. Gemeen. Slecht. Bedrieglijk. Slim.Loos,guitig.—Schalksch-heid, v. (..heden).

m. en o. (-en). Drie rechtstaande balken van boven met touwen te zamen gebonden. Geschoorde staak, waarlangs het htiblok glijdt.

Sclialken (G.), 1643-1706, 's Graven-hage. Genreschilder.

nclistllcbyter. Zie Scharrebijter. HCliallen, ow. schalde, heeft geschald. Galmen. Klinken.

sclialm, m. (-en). Schakel. Ketting-ring.

Hclisilmei, v. (-en). Herdersfluit.Veldpijp. — Schalmeiblazer,va. (-s). —Schalmeispeler, m. (-s). — Schalmeispeelstert-v. (-s).

sclialmen, bw. schalmde, heeft geschalmd. (Zeew.) De luiken schalmen : do presennintis vastmaken.

■clialuicn, bw. schalmde, heeft geschalmd. Iets van zijne oneffen of uitstekende deelen ontdoen met een scherp werktuig : de boomen worden gesnoeid, kreupelhout geschalmd. Eenen weg schalmen, er debovenkoistafsteken. — Schalm-geld, o. — Schalmhout, o. — Schalm-mes, o. (-sen).

Hclialoos, scliadcloos, bn. Werkeloos : schadeloos loopen. (Zeew.) Beschadigd.

Helialigt;Tiiit,o. (-en). (Natuurk.) Klank-

punt.

«oliamcl, bn.hijw. Schaamachtig, verlegen. Armoedig, behoeftig. Naakt. Gering. Eerbaar. — Schamelheid, v.

noBisiiiicI, m. (-s). Disseltang. —Scha-meibout, m. (-en) Naaf.

««•list moil {ztch), ww. schaamde zich, heelt zich geschaamd. Schaamte gevoelen (over of om). Blozen. Verlegen worden. h0I1 a 1111gt;, m. Houw, schot van ter zijde.

— Schainpelen, schamperen, eenpw. schampelde, schamperde, is geschampeld, geschamperd. Schampen. — Scha7)ipent eenpw. schampte, is geschampt. Even ra-*.


ocr page 746

SCHA — 65

ken en zijwaarts afwijken. — Schampschot % o. (-en). Schot, dat ter zijde afwijkt. Lichte wonde.

sclia^mpuvie , scliampuvii, v.

Schampavie spelen : gaan loopen.

«eliampdek, o. (-ken). (Zeew.) Dek nevens de verschansing.

■cliaiupor, bn. bijw. Bits. Bitter. Hoo-nend. — Schamperheid* v. (..heden). — Schampcrlyk, bijw.

Kcliampii;, bn. Glibberig. Glad. «lt;*liuiii|gt;|»aal, m. (..alen). Wrijfpaal. tiCliaiii|iMelicu(, v. (-en). Schamper gezegde. Elkander schampscheuten, steken onder het water geven.

■cliaixl, v. Schande. — Schandaal, o. (..alen). Aanstoot. Ergernis. Zaak of persoon, die aanstoot of ergernis geeft. —

— Schandaleus, schandalig, bn. Schandelijk. — Schandaliseer en, bw. schandaliseerde, heeft geschandaliseerd. Ergeren, ergernis verwekken, aanstoot geven. Schenden, bederven. Zich schandalisee-ren, ww. Ergernis opvatten. — Schand-bord, o. (-en). — Schanddaad, v. (..aden). Schennis. Snoodheid. Misdrijf. — Schande, v. Al wat den mensch in het oog van zijnen medemensch onteert. Toestand van iem., die zich in het oog van zijnen even-mensch onteert. Handeling, welke de wel-voegelijkheid kwetst. Eerkrenking. Een paard te schande rijden, het geheel bederven door lang en te hard te rijden. — Schandekoop, bn.^Zeer goedkoop. — Schandelijk, bn. bijw. Schande veroorzakend. Onteerend. — Schandelijkheid, v. (..heden). Eerloosheid. — Schandgeld, o. Oneerlijk verdiend geld. Spotprijs. — Schandgezvaad, o. (..aden).

— Schandkleed, o. (-eren). — Schandmerk, o. (-en). Schandteeken. —Schandmerken, bw. schandmerkte, heeft geschandmerkt. — Schandpaal, m. (..alen). Paal, waaraan zekere veroordeelden te pronk werden gesteld. Geeselpaal. — Schandprys, m. Spotprijs. — Sc hand-straf, v. ( fen). — Schandteeken, o. (-s, -en). Brandmerk. Alles wat tot schande op iemands naam kleeft. — Schandteeheneu, bw. schandteekende, heeft geschandtee-kend. Brandmerken. — Schandvlek, v. (-ken). Vlek, die iemands eer schendt of ontsiert. Oneer. — Schandvlekken, bw. schandvlekte, heeft geschandvlekt. Schande, oneer aandoen. Iem. schandvlekken, als schandelijk misprijzen.

seli»ii(lck, o. Schampdek.

■cliMn», v. (-en). (Vest.) Borstwering, wier vuurlijn een bepaald plan vormt. Bovenste achterdeel van 't schip, boven de kajuit. — Schansen, bw. schanste, heeft geschanst. Verschansen.— Schansgraver, m. (-s). — Schanskleed, o. (-en). Gekleurde strook laken, waarmede men de schepen tooit (bij leesten, enz.). Kleeding-stuk van den wacht bij nacht op de schans.

— Schanskorf, m. (..ven). Met aarde gevulde mand, tot bekleedingen der borstweringen gebruikt. — Schanslooper, m. (-s). Zeemanskapot. Lange sluitende jas welke door krijgslieden, die op de wacht staan, gedragen wordt. Oud paard. — Schansnet *

^ — SCHA

o. (-ten). (Zeew.). — Schanspaal, m. (..alen).

Hcliap, o. (-pen). Plank (inz. van eene boekenkast).

scliapebaucl, m. (-en). (Boekb.) Band van schapen- of kalfsleder. — Scha-peborst, v. (-en). — Schapebont, m. (-en).

— Schape(n)drek, m. — Schapekeutel, v. (-s). — Schapekop, m. (-pen). — Schapeen! leder, o.— Schapelf ver, v. (-s).— Schapelong, v. ( en). — Schape(njmest, m. — Schatgt;enaard, m. — Schopenblnem, v. (-en). Witte klaver. — Schapenboter, v. — Schaften fokker, m. (-s). — Schapen fokker y\ v. (-en). — Schapengal, v. (Plantenk.) Vergeet-mij-niet. — Schapengras, o. Soort van zwenkgras. Komt voor op heide- en duingronden. Voeder voor schapen. — Schapenhok, o. ( ken). — Schapenhorzel, v. (-s). — Schapenhuid, v. (-en). — Schapenkaas, v. (..azer). — Schapenke/ vel, v. Wilde kervel. — Schapenklaver, v. Gele klaverzuring. — Scha-penland, o. (-en). — Schapenluis, v. (..zen). — Schapenmarkt, v. —Schafien-melk, v. — Schapenras, o. — Schapen-ribbe, v. Ribstuk van een schaap. Gewoon duizendblad. — Schapenscheerder, m. ( s).

— Schapenscheren, o. — Schapenschot, o. (-ten). — Schapefnjstal, m. ( len). — Schapenteelt, v. — Schapefnj vet, o. — Schafenvoefdej r, o. — Schapenwei, v.

— Schapenweide, v. (-n). — Schapenwol, v. — Schapenwolkjes, o. mv. — Schapenzuring, v. Wilde zuring. — Schapepoot, m. (-en). — Schaper, m. (-s). Schaapherder. — Schapershond, m. (-en). — Schaf(7Jacht, v. (-en). — Scha-pei/el, o. (-len).— Schapefnjvleesch, o.

— Schapevlies, o. (..zen). Schapeyacht. scliappolük, bn. bijw. Redelijk,goedkoop : de prijs is nog al schappelijk. Ge moet het een weinig schappelijk met mij maken, mij niet te veel afnemen. Vrij goed : hij maakt het schappelijk goed. Fatsoenlijk, beleefd : een schappelijke kerel. — Schappelijkheid, v.

acliaprado, v. (-n), schapraai, v. (•en). Etenskas.

HOliar, v. (-ren). Platvisch {pleuronec-tes limanda). Heeft veel overeenkomst met de bot. Wordt gedroogd gegeten, scharbier. Zie Scharrebier. HcliarbilU'.v. (-n). Uitgebrande steenkool, die in den gloed opteert of nedervalt in de asch. 13r* scharbillen verschillen van de sintels (zinders) : de scharbillen brandt men wedeiom, de sintels werpt men weg. seliardün, v. (-en). Sprot. Mcliarcn.bw.schaarde,heeft geschaard. Ordenen. Raneschikken. — Scharing, v.

seliai'oiiMlUplt;'r, m. ( s). Iem., die zijn beroep maakt van het slijpen van scharen, enz. — Scharrnslijpsier, v. (-s).

BOliarlaken, o. i leider roode, fijne stof. — Scharlaken, bn. Hoogrood. — Schar lakenachtig, bn. — Scharlakenkleur, v. — Scharlakenkleurig, bn. — Scharlakenkoorts, v. (-en). Uitslagziekte, die in vorm 't midden houdt tusschen roodvonk cn mazelen. — Scharlakenluis, v. (..zen). Cochenille. — Scharlakenrood^


ocr page 747

SCHA — 6i

o. — Scharlakensch, bn. — Scharlakenverf,v. — Sc har lakenverver i m. (-s).— Schar lakenwever, m. (-s).

HCliurlei, solierlol, v. Kruid {salvia sclarea), dat aan den wijn eenen muskaat-smaak mededeelt.

solmrliiiii, ficlierluin, m. (-en). Schavuit. Schelm.

HCliuriiiinkol, Mclierminkcl, m. (-s). Lang en mager mensch. Geraamte.

8cbsi(r)iiiiiikelcn.

kclcii, ow. scha(r)minkelde, heeft ge-scha(r)minkeld. Een woelig gedruisch maken met ketels, bellen, enz. vergezeld van getier en geschreeuw. — Schafrjnnnke-littg, schefrjminkeling, v. (-en).

scbarulcr, o. (-en). Beweegbare ver-eeniging van twee stukken metaal, die in elkander grijpen en met e( ne doorloopende pin vereenigd zijn. — Scharnierblad, o. (-en). Een der twee stukken van het scharnier. — Scharniergevarn hi, o. (-en). Gewricht, waarbij de beenderen zoo vereenigd zijn, dat zij alleen buiging en uitstrekking toelaten.

sclisirrc, v. (-n). Ploegschaar, scharrebier, o. Dun, gerirgbier. HCliarrebüler, m. (-s). De siharre-byters vormen eene familie van schild-vleugelige insecten. Hebben groote voelhorens en uitstekende bo.ci lippen.

Nfliarrelen, scharrelde, hec ft en is gescharreld. Ow. Krabben (als de hoenders). Langzaam en mot ilijk loopen. Sleepvoetend gaan. Bw. Met moeite bijeenbrengen ; wat geld te zamen schai reien. — Scharrelaar, m. (-s). lem , die scharrelt. Vogel {coracias garrula). Leeft in de gematigde streken van Europa, Azië, enz. — Scharre'beenen, ow. scharrel-beende, heeft gescharrelbeend. Debeenen wijd uiteenzetten (onder het loopen). — Scharrelings, bijw. Schrijdelings.

HOliarteleu, ow. schaitelde, heeft ge-scharteld. Scharten. — Scharten, ow. schartte, heeft geschart. Krabben. Zij moeten zoo scharten om toe te komen : zij moeten naarstig werken en spaarzaam zijn om aan hun brood te komen.

scfaat, m. (-ten). Have of goed (roerend of onroerend). Groote hoeveelheid van iets kostbaars : een schat van kennis, geleerdheid, enz. Voorraad van kostbare dingen : eenen schat vinden. Rijkdom : schatten bezitten. Alles wat met zorg bewaard wordt : gezondheid is een schat. Geliefd persoon : mijn schat! Het is een schatje van een kind. — Schataakster, v. (-s). Vogel : grauwe klauwier. Komt in geheel Europa voor. — Schatbaar, bn. — Schaibaarheid, v. — Schatbewaarder, m. (-s). — Schatgraver, m. (-s). — Schatkamer, v. (-s). — Schatkist, v. (-en). Geldkist. 's Lands gelden. — Schatmeester, m. (-s). — Schaimeesterschap, o. — Schat-■plichiifr, bn. Cijnsbaar.—Schatrijk, bn. — Schatten, bw. schatte, heeft geschat. Daarvoor houden, meenen, achten : hoe oud schat gij hem? Van waarde achten : ziine rechtschapenheid wordt zeer geschat. Waardeeren : eenen inboedel schatten. JDen prijs bepalen : het brood schatten. Hij

; — SCHE

wordt op een millioen geschat: men beweert, dat hij een millioen rijk is. — Schatter, m. (-s). — Schatting, v. (-en). Het schatten. Belasting. — Schatiittgbaar, bn.

— Sch at tl ngge ld, o. (-en). — Schatting-kosten, m. mv. — Schattinspenning, m. (-en). — Sch a ttingphch tig, bn. — Sc halster, v. (-s).

scliateren, ow. schaterde, heeft geschaterd. Weerklinken (inz. van lachen).

— Schaterend, bn. — Schatering, v.— Schaterlach, m. — Schaterlachen, ow. schaterlachte, heeft geschaterlacht. Luidkeels lachen.

soli aveeion , scliavielen, schaveelde. heeft en is geschaveeld. Ow. (zijn) Plaats maken, opschuiven : als ieder wat schav» elt, is er plaats voor allen. Langzamerhand veranderen : de wind schaveelt. Door gestadige wrijving of schuring slijten : dat touw begint te schaveelen. Voor iets schaveelen, zorgen dat er geen onheil aan overkome. Voor iem. schaveelen : iem. verdedigen. Bw. Richten : de zeilen schaveelen. — Schaveeling, schavieling, v.

svliavelius:, m. (-en). Schaafsel. Schaafkrul.

««•liaven,bw. schaafde,heeft geschaafd. De ruwe deelen wegnemen (van), gladmaken: hout schaven.Afschaven : huiden schaven. Beschaven. Overzien, verbeteren. — Schaving, v.

soliaverdün, v. (-en). Schaats. — Schaverdijnen, ow. schaverdijnde, heeft geschaverdijnd. — Schaverdifner, m. (-s).

— Schaverdi/nster, v. (-s). seliavergoetlingr, v. (-en). Schadevergoeding. — Schaver haling, v. (-en). Sch.i de verhaling.

scliayot, o. (-ten). Stelling. Stellage. Snijderstafel. Inz. stellage, waarop veroordeelden hun vonnis, inz. de doodstraf ondergaan . — Schavotdanser, m. (-s). Gegeeselde. — Schavotdansster, v. (-s). — Schavotkleur, v. Hoogrood. Bloedrood. — Schavutpaal, m. (..alen), Geeselpaal. Staak voor de tepronkstellin-pen. — Schavotspringer, ra. (-s). (Spott.) Kleermaker. — Schavotstraf, v. (-fen).

— Schavotteeren, bw. schavotteerde, heeft geschavotteerd. Eene straf doen ondergaan op het schavot. Schande aandoen. — Scha-volleering, v. (-en).

soliavnit, m. (-en). Deugniet. Schelm.

— Schavuitenstreek, m. (..eken). — Schavuitenstuk, o. (-ken). — Schavuiten-werk, o. (-en).

Hcliedel, m. (-s). Beenig gedeelte van het hoofd, dat het omhulsel vormt der hersenen Hersenpan. Top, kruin (van het hoofd). Hoofd. — Schedelboor(..oren).

— Schedelbreuk, v. (-en). — Schedel-holte, v. ^-n). — Schedelhuid, v. (-en). — Schedelleer, v. Stelsel van F. J. Gall (1758-1828, Tiefenbrunn) om uit den.schedel iemands geaardheid, enz. te leeren kennen. — Schedellyn, v. (-en). Loodlijn.

— Schedelmeter, m. (-s). —Schedelnaad, m. (..aden). — Schedelpunt, o. Kruinpunt. — Schedelvlies, o. (..zen). — Schedelvorm, m. (-en).

solieede v. (-n), scliee, scliie, v.


ocr page 748

SCHE — 6

t(-ën). Lederen of metalen koker, waarin men snijdende voorwerpen steekt : de scheede van eenen degen. Wat eenigszins den vorm eener scheede heeft. (Plantenk.) Dop. Het zwaard in de scheede steken : den oorlog staken. — Scheedenfabrïek, v. (-en). — Scheedenmakery m. (-s). — Scheedeplant, v. (-en). — Scheedesnavel, m. (-s). Vogel (cht'onis) tot de strandloo-pers behoorende. — Scheedevleugeltg, Dn. Scheedevleugelige insecten.

soliccf, v. (scheeven), btukje v^n den houtachtieen stengel van vlas en hennep.

MClielt;gt;r. bn. bijw. Van de behoorlijke richting afwijkende : die muur is scheef. Schuinsch ; iets scheef snijden. Krom : dit hout is scheefgetrokken, tiij heeft scheeve beenen. Niet recht : scheel'opgroeien. De zaak gaat scheef, loopt verkeerd. Onjuist : scheeve begrippen. Verkeerd, valsch : scheef oordeelen. lem. scheef, boos aanzien. — Schee/been, m. en v. (-en). — Scheef bek, m. en v. (-ken). — Scheef-bloem, v. (-en). Plantengeslacht {tberis), tot de kruisbloemigen behoorende. Twee soorten worden bij ons in 't wild aange-troften : de schermdragende scheefbloem (*. 7imbellaia)en de bittere scheefbloem {t. amara), Èeide soorten zijn éénjarig, bloeien van Juni tot Aug. en worden als -sierplanten gekweekt. — Scheefhals, m. .en v. (..zen). — Scheefhalztg, bn. — Scheefheid, v. — Scheefhoek, m. (-en). (Meetk.) Vierhoek, waarvan de tegenovergestelde zijden gelijkloopend zijn en waarvan de hoeken niet recht zijn. — Scheefhoekig, bn. — Schee f kelk, m. (-en). Plantengeslacht {arabis), tot de kruisbloemigen behoorende. Eenige soorten komen bij ons in 't wild voor. — Scheejioopen, bw. liep scheef, heeft scheefgeloopen : zijne schoenen scheefloopen. — Scheefnek, m. en v. (-ken). — Scheef neus, m. en v. (..zem. — Scheef te, v. — Sc heef voet, m. en v. (-en).—Scheef zeiler ,ni. (-s).(Zeew.).

sclieel, bn. bijw. Scheef, uit den haak. Dwarsziende : hij is scheel. Dat geeft schele oogen, verwekt afgunst, nijd. lem. scheel, met afgunstige oogen aanzien. — Scheelaard, m. (-s). Die scheel ziet. — Scheelachtig, bn. — Scheelheid, v. — Scheeloog, m. en v. (-en). — Scheelzien, o.

Nctacel, o. (-en). Haarscheiding. Haar-scheel. Haarvlecht. — Scheelnaald, v. (-en), scheelpriem, m. (-en). Naald voor de haarscheiding.

«c*licel, o. (-en). Deksel. Ooglid. Molicel, o. (-en). (Bij runderen en schapen). Zie Omloop. — Scheelvet, o. Afgeschraapt vet (van de darmen).

Mclieole (Aquot;. W,), 1742-1786, Straal-sond. Zweedsco scheikundige.

•c*1iooIlt;mi, bw. ow. scheelde, heeft gescheeld. Scheiden. Wasschen. Zuiveren (darmen,\iz.xe.n,Gnz.)Scheeling,\. (-en).

•clieellioufdpUn* v. Gestadige pijn, vooral in den slaap van het hoofd.

■cliceii, v. (schenen). Voorste deel van het onderbeen van den mensch. Scheenbeen. Hoep van eenen ring. IJzeren band. Eikenhouten lat. (Boekdr.) Kooihoutje. Tooneelscherra. IJzeren plaat eener wa-

6 — SCHE

penrusting, waarmede de armen en de beenen beschermd worden. (Zeew.) IJzeren plaat in de kop van het roer, enz. Wat min of meer op een scheenbeen gelijkt, lem. iets voor de schenen werpen, hem onverwacht eenig verwijt doen. Eene blauwe scheen loopen : ergens in mislukken. — Scheenbeen, o. (-en). Pijpbeen in het onderbeen. — Scheenbordje, o., scheen-p lank je, o. (-s). Plankje om de beenen tegen het vuur te beveiligen. — Scheen-ifzer, o, (-s). Zeker straftuig. — Scheen-py'p, v. (-en). — Scheenschroeven, v. mv. (Oudt.) Zeker straftuig. — Scheenzadel, m. (-s). Soort van zadel voor lastdieren.

Heliecp, bijw. (Te) scheep gaan, (te) scheep komen : aan boord gaan, komen. Die scheep is, moet varen. — Scheepjesschelling, m. (-en). fEert.) Zilveren muntstuk = 0.30 gulden. — Scheep-ryk, bn. — Scheepsaandeel, o. (-enK — Scheepsbed, o. (-den). — Scheepsbehoef-len, v. mv. —Scheepsbeschuit, v. (-en). — Scheepsbestier, ..bestuur, o. — Scheeps-brwys, o. (..zen). — Scheepsbezem, m. (-s). — Scheepsbijl, v. (-en). — Scheepsblok^. eum. (-ken).Hijschblok.—Scheepsboord, o. (-en). — Scheepsbottelier, m. (-s). — Scheepsbouzv, m. — Scheepsbouwer, m. (-s). — Scheepsbouwkunst, v. — Scheepsbouwmeester, m (-s). — Scheepsbuik, m. (-en). Grootste binnenruimte van een schip. — Scheepsch, bn. Wat betrekking heeft op een schip of op de zeevaart. Geen scheepsch verstaan : de taal der zeelieden niet verstaan, geen kennis hebben van de scheepvaart. — Scheepsdek, o. (-ken). — Scheepsdweil, v. (-en). — Scheepsemmer, m. (-s). — Scheepsge-bruik, o. (-en). — Scheepsgelegenheid, v. (..heden). — Scheepsgrr eedschap, o. (-pen). — Scheepsgevecht, o. (-en). — Scheepsgezel, m. (-len). — Scheepsgoot, v. (..oten). — Scheepshaak, m. (..aken). — Scheepshuur, v. (..uren). — Scheepshuurder, m. (-s). — Scheepsjongen, m. (-s). — Scheepskameel, o. (-en). Voertuig te water om schepen te lichten en over ondiepten te brengen. — •Scheepskap, v. (-pen). — Scheepskapitein, m. (-s). — Scheepskelder, m. (-s). — Scheepskeuken, v. (-s). — Scheepskiel, v. (-en). — Scheepskist, v. (-en). — Scheepsklerk, m. (-en). — Scheepsklok, v. ( ken). — Scheepskok, ra. (-s). — Scheepskompas, o. (-sen). — Scheepskost, ra. — Scheepskroon, v. (..onen). — Scheepslading, v. (-en). — Scheepslantaren, v. (-s). — Scheepslapper, m. (-s). — Scheepslengte, v. (-n). — Scheepslijst, v. (-en). — Scheepsloon, o. en m. (-en). — Scheeps-maat, v. (..aten). Afmeting van een schip, ra. (-s) Jong matroos.— Scheepsmakelaar, ra. (-s). — Scheepsmat, v. (-ten). Geteerd zeil. _— Scheepsmossel, v. (-s). Schelpdiertje {lyrodon navis), dat zich vastzet aan de niet gekoperde schepen. —Scheepsofficier, ra. (-en). — Scheepsoverste, m. (-n).— Scheepspapieren, o. mv.—Sc heepspart, o. (-en). — Sc heepsportie, v. (..iën, -s). — Scheepsplunje, v. Kleeding aan boord. — Scheepspomp, v. (-en). —


ocr page 749

SCHE — 6

Scheepsraad, m. (..aden). — Scheepsrecht., o. — Scheepsreede, v. (-n). — Scheepsreeder, m. (-s).— Scheepsrnimie, v.— ScheepsschrobberyVCi. (-s).— Scheeps-slooper, m. (-s). Opkooper van oude schepen. — Scheepsstraf, v. — Scheepsstrijd, ra. (-en). Zetgevecht. — Scheepstagrijn, ra. (-en, -s). Koopman vanscheepsbehoet-ten. — Scheepsterm, m. (-en). — Scheepstimmerman,™.. (..lieden, ..lui).—Scheeps-timmerwerf, v. (..ven). — Scheepstocht, ra. {-en).~Scheepsbehooren, o.— Scheeps-toerusting, v. (-en). — Scheepstouw, o. (-en). — Scheepstouwwerk, o. — Scheepstuig,**.— Scheepsuitdrukking, v. (-en).

— Scheepsvteugel, ra. (-s). (Zeew.) Windwijzer. — Scheepsvloot, v. (..oten). — Scheepsvolk, o. — Scheepsvoogd, m. (• en). Gezagvoerder. Reeder. — Scheepsvracht, v. (-en). — Scheepswant, o. Takelage. — Scheepswerk, o. Arbeid aan boord. Scheepswerker, ra. ( s). — Sc heepswig, v. (-gen), ..wigge, v. (-n). — Scheeps-woord, o. (-en). — Scheepszeil, o. (-en).

— Scheepvaart, v. — Scheepvaartbeweging, v. — Scheepvaartkunde, v.

■cliecr, v. (..eren) Zandbank, die in twee uitstekende punten uitloopt. Inz. rotseiland op de kusten van Zweden voor ^Stockholm.

si'beerbaas, m. (..azen). Barbier. — Scheerbalk, ra. (-en). Dwarsbalk, waarop de makelaar rust in een scheergebint.

— Scheerbekken, o. (-s). — Scheer-borsteltje, o. (-s). — Scheerhout, m. (-en).

— Bout, die tot spijl dient. — Scheer-dag, ra. (-en). — Scheerder, ra. (-s).— Scheerderswinkel, m. (-s). — Scheer-doek, ra. (-en). — Scheer doos, v. (..zen). —Scheerdraad,m. (..aden). (Wev.) Draad der schering. — Scheergang, v. (-en). (Zeew.). — Scheer gar en, o. (-s). (Wev.) Garen, dienende ora den ketting te maken.

— Scheergebint, o. (-en). A-vormig gebint, om de gordingen, de kepers en den vorstbalk te dragen. — Scheergeld, o.— Scheergereedschap, ..goed, ..tuig, o. — Scheerhaak, m. (..aken). Haak, waarmede het laken op de scheertafel wordt gespannen. — Schccrhaar, o. — Scheerhouten, ..stukken, o. mv. (Wev.) Zeker gereedschap. — Scheer jongen, ra. (-s). — Scheerkam, m. (-men). — Scheerklant, ra, (-en). — Scheer koffertje, o. (-s). — Scheer koker, m. (-s). — Sc heer kwastje, o.^-s). — Scheerlijn, v. (-en). (Zeew.) Lijn, die zich op twee of meer einden verdeelt. — Scheerling, v. Dollekervel. — Scheerling, m. en o. (-en). Takje, dat onder 't scheren van eene haag is afgeknipt.

— Scheerling, v. De afgeknipte takjes van een geschoren haag. Afgeschoren wol van schapen. — Scheerlingbeker, m. — Scheerlingdrank, ra. — Scheerloon, o. en ra. (-en). — Scheermes, o. (-sen). — Scheermesriem, ra. (-en). — Scheermes-senmaker, ra. (-s). — Scheermessensli/-per, ra. (-s). — Scheermolen, m. (-s). (Wev.) Groote winde, waarop het garen der bobijnen wordt gewonden. — Scheerraam, o. en v. (..araen). (Wev.) Werktuig, waarop de wol geschoren wordt. —

7 — SCHE

Scheerriem, m. (-en). — Scheers, o. (-en). Scheermes. — Scheer schaar, v. (..aren). Verlostang. — Scheer school, v. (..olen). Scheerderswinkel. — Scheersel, o. Afgt-schoren haar, wol, enz. — Scheerspiegeltje, o. (-s). — Scheerster, v. (-s).

— Sch'erstyt, ra. (-en). Zwaar stuk hout, dat schuins rust op de muurplaat en van boven tegen den nokbalk aan den makelaar wordt vastgehecht. — Scheer stok, ra. ( ken). (Wev.) Zeker gereedschap. (Zeew.) Smalle loopplank. — Scheertafel, v. (-s). (Wev.) Tafel, waarop het laken geschoren wordt. — Scheertijd, m. — Sc heer tuig, o. — Scheerwater, o. — Scheer werk, o. Taak, peil: hij heeft zijn scheerwerk. — Scheerwinkel, ra. (-s). — Scheerwol, v.

— Scheerzeep, v. — Scheerzolder, ra. (-s). Bovenste verdieping van «*en huis.

selicet, ra- en v. (..eten). Veest, wind. Drek van vliegen, vlooien, enz. Het is geen scheet waard, niets waard.

«cliccwoi, seliciwci.y. Karnemelk, die nauwelijks aan 't koken is.

Soliefler {A.), 1795-1858, Dordrecht. Historie-, genre- en portretschilder.

sclicgr, v. (-gen), sclicgrKTO, v. (-n). (Scheepsb.) Knie aan 'tgaljoen. — Scheg' gelood, o. (Scheepsb.).

soliei, v. (-en). Scheede. Haarscheel. Scheiding. (Zeew.) Dwarshout.

MOlieiboter, v. Boter van de melk, die eene koe geelt, als zij pas in de weide is.

sclieidcn, scheidde, heelt en is gescheiden. Bw. Verdeelen : eenen boedel scheiden. Afzonderen : het kaf van het koren scheiden. Maken dat zii niet veree-nigd zijn : de Maas scheidt Brabant van Gelderland. De juiste grens trekken. Twee echtgenooten scheiden (door het gerecht). Van elkander verwijderen : twee vechtenden scheiden. Vereftenen, bijleggen : eenen twist scheiden. (Scheik.) Ontbinden door smelting, enz. : het zilver van het koper scheiden. Ow. (zijn) Bersten, springen, splijten : de berg scheidde door eene aardbeving- Uit zijn beroep scheiden, dit nederleggen. Iets te liefhebben om het uit te geven, te laten enz. : hij kan van 't geld niet scheiden, hij kan van zijne sigaar niet scheiden. Vertrekken, heengaan : zij scheiden vrij koel. Uiteengaan : de vergadering scheidde om 9 uren. Het vennootschap is gescheiden, ontbonden. Uit het leven scheiden : sterven. — Scheidbaar, bn. Afgescheiden kunnende worden. (Taalk.) Scheidbaar voorzetsel.— Scheidbaarheid, v. — Scheidboom, m. (-en). Grensboom.

— Scheidboor, v. (..oren). — Scheidbrief, m. (..ven). — Scheiddrank, ..dronk,'m. Afscheidsdrank. — Scheider, m. (-s). — Scheiding, v. (-en). — Scheidmerk, o. (-en).— Scheidpaal,vci.{..iL\vd).— Scheidsmaal, o. — Scheidsman, ra. (..lieden). — Scheidsmuur, m. (..uren). Tusschenmuur. Beletsel, hinderpaal. — Scheidspoor, o. (..oren). — Scheidsrechter, ra. (-s). — Scheidsrechterlijk, bn. — Schêidsteen, m.(-en). — Scheidster. v. (-s). — Scheidsvrouw, v. ( en). — Scheikunde, scheikunst, v. Leer van de stoffelijke verschfl*.» denheid der lichamen. Zij behandelt bua


ocr page 750

SCHE — b!

stoffelijk samenstel, bun ontstaan uit verschillende bcstanddeelen en nieuwe ontleding. — Scheikundig, bn. bijw. — Scheikundige, m. (-n). — Schellijn, v. (-en). — Scheinagel, m. ( s). tZeew.) Bout (aan de buitenhuid). — Schei(d)sel, o. (-s). — Scheisloot, v. (-en). — Schei feeken, o. *-s). (Taaik.) Lees-, zioteeken (punt, komma. enz.). — ScheiTcchty S- heiwater, o. (:cheik.) Vocht, tot h«rt scheiden van goud en zilver gebruikt. — Schrizvr^. m. ( -enh

Nchcl, v. (-len). LanKWcrpifc! klokje met klepel. — Schel, bn. bijw. ilolder, klaar van geluid.—Scheleend, v. (-cut. Kwaakeend. — Schelhci'f, v. — Sckelijzs*-, o. (-s). Klinkhamer i,werkt, uer kopo;s!a^cramp;\. — Schelklinkend, bv.. —Schelkoor d, v. (-en). — Schelleknofi, ngt;. '.-penV — Schellen, schelde, heeft schol trekken. Bellen. Bw. Den ki.ccbi schellen. — SchelUnd» nmtr, iii. v-s1. — Schel luidend, bn. — Scheltrompet, v. \-teii). Klaroen.

hcIioI, sclill, v. Men). Bast, omkleedsel. Bolster. Bekleedsel eener vrucht of plant. Dop (van ei). Vlies. — Schclcriv-ten, scheulerivten, v, mv. Peulcrwten. — Schellen, ow. schelde, heeft geschild. Schillen.

Sclieldc, v. Stroom. Ontspringt in Frankrijk, stroomt door België en stort zich in Nederland in de Noord-tee. De bijrivieren zijn : de Ivhone.llo, de I Iene, de Scarpe, de Leie, de Dender, de Dunne en de Rupel. Grolt;»tsic l reedte iin België) 700 met.; (in Nederland) 4,200 met.

Hclicl4l«'ii, b\v. ow. scluild, heeft gescholden. Hooncndo woorden uiten. Lasteren. Uitvaren. Tieren. — Scheldbrief, m. (..ven). — Schcldcr, m. (-s). — Scheiding, v. — Scheldnaam, m. (..amen). — Scheidschrift, o. (.-en). —Scheidster, v. (-s). — Scheld7voogt;-d, o. (-en).

Mclielcn, ow. eenpw. scheelde, heeft gescheeld. Verschillen : wij schelen niet veel in jaren. Ontbreken : wat scheelt er aan? Het kan mij niet schelen : ik geef er nietsom. Watscheeir, deert u. Het scheelt hem in den bol: hij is niet bij zijne zinnen.

Hlt;*Uclf, o. (..ven). Bies.Wier.— Schelf-zee, v. Eene golf der Roode Zee.

Nclicir, v. en m. (..ven). Hoop. Stapel.

Kcliclt'lioul U/.K 1787-1872, 's Gra-venhage. Landschapschilder.

■K'lidki iilil, o. Stinkende gouwe.

o. Wordt v» rkregen door gomlak en pisangbladeren. Komt in den handel in dunne p aaijes van eene roodbruine tot oranjekleur vctor.

MclielliiiK-, m. (-en). Oudnederl. zilveren muntstuk = 30 cent. (Thans) Eng. munt = 1,25 fr.

ftU'lielling: (F. W. J. von), 1775-1854, Leonberg. Duitsch wijsgeer.

neticlni. m. (-en). Schurk. Booswicht. Deugniet. Die arme schelm, drommel, ongelukkige ! (Liefk* ozend, van kinderen) 't is zoo'n schelmpje. — Schelmachtig, bn. bijw. — Sche.mnch//Vhetd, v. — Schelmerij, v. (-en). Schurkerij. Schurkenstreek. Bedriegerij. — Schelnisch, bn.

1 — SCHE

bijw. — Schelmstreek, m. (..eken). — Schelmstuk, o. (-ken). Schelmerij.

tK'licli», hcIiuIi», v. (-en). Hoornachtige zelfstandigheid, huisje der weekdieren.

— Schelpaarde, v. Schelpmergel. — Schelpbank, v. (-en). Bank met schelpdieren. — Schelpdieren, o. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen (weekdieren). — Schel-penvisscherij, v. — Schelp erwt en, v. mv.

— Schelpgoud, o. Gouapoeder, dat in schelpen verkocht wordt. — Schelpkalk, v. Kalk uit schelpen gebrand. — Schelp-kunde, v. — Schelpmarmer, v. Marmer, waarin versteeningen van schelpen voorkomen.— Schelpmergel, v. Bemestingsmiddel : mengsel van koolzure kalk en klei. — Schelpslak, v. (-ken). Huisjesslak. — Schelpsteen, m. (-en). — Schelpviach, ra. (..ss^ien), b. : mossels, oesters. — Schelpvormig, bn. — Schelp-weg, m. (-en). — Schelf werk, o. (-en). — Schelp-zjjde, v. Soort van zijde. — Schelpzilver, o. Zilver in den vorm van schelpen.

KolieKomsi (^ ), 1767-1835, Franeker. Geschied- en oudheidkundige. Staatkundig Nederland (1806); Rusland en de Nederlanden (1819).

nclieluw, bu. bijw. Scheef. Scheel. — Scheluivte.

««•In'lven, bw. schelfde, heeft ge-scbelld. Tassen.

nelielvlHoli, m. (..sschen) (voorwerpsnaam); v. (stofn.). Visch {gadus ae^lefi-nus\ tot de weekvinnige visschen behoo-rende. Komt voorin de Noordzee. Domoor. Stoute ffuit. — Schelvischovgen, o. en v. mv. Groote uitpuilende oogen. — Schel-vischvnngst, v.

hoIicI wortel, v. Stinkende gouwe.

HCliemai, o. (-'s). Schets. Ontwerp. Beeld. Voorbeeld.

sc-licniel, m. (-s). Voetbank van een rijtuig. (Wagenm.) Dwarshout,

HOliemcr, ra. Schemering. — Schemerachtig, bn. — Schemeravond, ra. (-en). — Schemerdonker, bn. Een weinig donker, o. Halfduister. — Schemeren, eenpw. schemerde, heeft geschemerd. Een flauw licht verspreiden. Nog een weinig donker zijn. Reeds duister worden. Onduidelijk, als door een floers zien : dat sterke licht doet mijne oogen schemeren. — Schemerig, bn. — Schemering, v. (-en). Zonlicht door de dampkringslagen naar de aarde teruggekaatst, wanneer de zon reeds-(of nog) onder de kim is. — Schemerlicht, o. Hall flauw licht. — Schemeroihtend, ra. — Schrmeroogen, ow. scheraeroogde, heeft gesrhemeroogd. Een beneveld gezicht hebben, ten gevolge van eenen al te sterken glans. Schrmeroogen van flauwte.

— Scheinertijd, ra.

neliondon, bw. schond, heeft geschonden. Bederven, ontsieren : planten schenden. Een stuk vleesch schenden, het ongeschikt opsnijden. Iemands eer schenden^ hem belasteren. Onteeren. Ontheiligen : den zondag schenden. Hij is geschonden van de pokken. Scheldnamen geven.scheldwoorden toevoegen. Wie zijnen neus schendt,schendt zijn aangezicht: wiekwaad spreekt van zijne bloedverwanten, onteert


ocr page 751
ocr page 752
ocr page 753

SCHE — 6

zich zeiven. — Schendbrief, m. (..ven).

— Schendbrok, m. en v. (-ken). Lasteraar. Lasteraarster. — Schendekeuken, m. en v. (-s). Die veel eet en drinkt en toch ma-jrer en bleek blijft. — Schendelyk, bn. Schandelijk. — Schendemat, v. ( ten). Schendster.— Schender, m. (-s). — Schenderij, v. (-en). — Schendeventen, ow. schendeventte, heeft geschendevent. Voor eenen spotprijs verkoopen. Onder den gewonen prijs verkoopen. — Schendig, bn. bijw. Schandelijk. Lasterlijk. Ecrroo-vend. — Schending, v. (-en). — Schendster, v. (-s). — Schendtong-, in. on v. (-en). Lasteraar. Lasteraarster. — Schendton-tiig, bn. — Schendziek, bn. Die gaarne schendt.

hc*IiciiIc, m. (-en). Naam van den steel der pijp (in de pijper fabrieken te Gouda).

•olieukel, Hlt;*liiiik«'l, ra. (-s). Deel van het Deen boven de knie. Grof siuk vleesch van de dij van een rund.

Mclieukcl, m. (-s). (Zeew.) Zie Schinkel.

gelieuben, bw. schonk, heeft geschonken. Uit- of overgieten : water in een glas schenken. In 't klein veskoopen : jenever schenken. Geven, begiftigen : wat zal hij u schenken? Overlaten : ik schenk u de rest. lem. zijne vriendschap schenken. lem. de vrijheid schenken. lera. het leven schenken. — Schenkage, v. (-s). Schenking. Geschenk. — Schenkambt, o. (-en). — Schenkblad, o. (-en). — Schenkbord, o. (-en). — Schenker, ra. (-s). —Schenking, v. (-en). — Schenkkanier, v. (-s). — Schenkkan, v. (-nen). — Schenkketel, ra. 1-s). — Schenkster, v. (-s). — Schenktafel, v. (-s). — Schenkvat, o. (-en).

Sclienkendorf (^. G.J/.), 178^-1817, Koningsbergen. Duitsch dichter. Christ-Itche Gedichte (1814).

Hebcniicn, bw. schon, heeft geschon-nen. Schenden. — Schennis, v. Schending. Ontheiliging. Wandaad. Snoodheid. Oi teering. Schande. — Schenziek, bn.

o. (-s). Inhoudsmaat voor droge waren. (Oudt.) = 1/4 van een Ara-steidarasch mud. (Thans) = 1 decaliter. Zooveel land als met een schepel koren wordt bezaaid. — Schepelstnand, v. (-en).

— Schepelszak, ra. (-ken).

MflM'poling:, m. en v. (-en). Al wie tot

de bemanning van een schip behoort. — Schepelinge, v. (-n). — Schepen, scheepte, heeft gescheept. Bw. Aan boord brengen. Ow. Varen.

Holiepen, m. (-en). (Middel.) Schepenen ; rechters. Werden aangesteld door Karei den Groote om met den graaf of den honderdman en tevens met 's graven va-sallen, te recht te zitten. Met twaalf waren zij voltallig en met zeven mochten zij vonnis strijken. (Thans) De schepenen onder en door de gemeenteraadsleden gekozen, maken met den burgemeester het schepencollege uit. — Schepenbank, v. (-en). — Schepenbrief, ra. (..ven). — Schepencollege, o. (-s). — Schependom, o. — Sche-pendomsrecht, o. Volgens het schepen-doms: echt werd eene nalatenschap zoo verdeeld, dat het goed terugkeerde naar

19 — SCHE

de zijde van waar 't gekomen was. — Schepenkamer, v. (-s). — Schepenkennis, v. (-sen). Hypotheek. Kusting. — Schapen-rol, v. — Schepenschap, o. — Schepens-piaats, v.

cteheppon,bw.schepte, heeftgeschept-Putten : water scheppen. Uithalen (niet eenen bak, enz.). Op- of inhalen : adem scheppen. Moed, behagen, vreugde, enz. scheppen. — Schep, m. (-pen). Zooveel men in eenmaal op kan scheppen. Teug, mondvol. — Schepbak, m. (-ken). — Schepbord, o. (-en). (Aan een watermolenrad). — Schept mnier, m. (-s). — Schep-gat, o. (-en). — Schepkorf, m. (..ven). — Scheplepel, m. (-s). — Schep licht, o. (-en). Vallicht. Lichtscherm. — Schepnet, o. (-ten). — Schepper, m. (-s), — Schep-plank, v. (-en). — Scheprad, o. (-en, -eren). — Schepschaal, v. (..alen). — Schepspade, v. (-n). — Schepvat, o. (-en).

bw. schiep, heeit geschapen. Iels van niet maken doorzijn enkelen wil; God schiep de wertld. Voortbrengen : die kunstenaar schiep groote dingen. — Schepper, m. God. (-s) Werkman (in eene papierfabriek). Schepvat. — Schep-ping, v. (-en). Het scheppen. A1 het gescha-pene. -— Scheppingsboek, o. en m. — Scheppingsdag, ra. (-en).— Scheppingsgeschiedenis, v. — Scheppingstheorie, v. — Scheppingsverhaal, o. (. alen). — Scheppingsvermogen, o. — Scheppings-•zverk, o. — Scheppingswoord, o. (-en). — Schepsel, o. ( en, -s . Al wat door God geschapen is. Scheldwoord (inz. tegen vrouwen). — Schepseldienst, m. Afgoderij.

Bolieptcr, m. (-s). Koningsstaf. Rijksstaf.

gclicren, schoor, heeft geschoren. Bw. Het haar of de wol afnemen : schapen scheren. Afbijten ; de schapen scheren het gras der weide. Laken scheren : de haartjes op gelijke lengte afsnijden. De heggen scheien : de takjes op gelijke lengte alsnij-den. Keilen : steentjes langs het water scheren. (Wev.) Den ketting scheren, op den boom spannen. Spannen : een touw, eene lijn sciieren. (Zeew) De planken scheren : het beloop der planken ordenen. De kabelaring scheren, om het spil leggen. Foppen : gij scheert mij. Den gek scheren met iem., hem plagen. Veel laten betalen : die baas scheert zijne gasten. Ow. Rakelings langs iets vliegen : de zwaluw scheert langs het watervlak. Snel heengaan : scheer je weg! — Sc herenv loot, v. (..oten). Loodsschepen (Zweedsche kust). — Schering, v. (-en). Het scheren. (Wev.) Die draden in eene gewevene stof. welke in eene rechte en onderling evenwijdige richting overlangs het stuk doorloopen. : chering en inslag : het geheel, alles waarop het rust. — Scheringdraad, ra. (..aden). — Scheringdrager, ra. (-s). (Wev.) Zeker werktuig.

Hdierf. v. (..ven). Brok, stuk van een gebroken aarden pot. — Schegt;fbord, o. (-^en . Hakbord. — ScherJijzer, o. (-s). Kerfijzer. — Scherf mes, o. (-sen). Kerfmes. — Scher/stukken, o. mv.

hcIicrlei, v. Scharlei.


ocr page 754

SCHE — 6lt;

HOlicrltiiu, v. Scharluin.

Hlt;'liei'iii, o. en ra. (-en). Al wat wij tus-scben ons cn eenen hinderpaal zetten : regen-, zonnescherm, eriz Tooneelgordijn : het scherm ophalen. Tooneelscherm : d.e schermen omdraaien. (Planti'nk.) Bloei-wijze, waarbij de gesteeld»* bloemen op eene zoo verkorte hoofdas zijn ingeplant, dat zij uit een enkt;l punt schijnen te ontspringen. Achter de schermen blijven : niet openlijk optreden. — Scherm, m. Bescherming. — Schennbloetntgen, v. mv. Plantenfamilie, wier bloemen tot schermen groeien. — Schermbrtcf, v. (..ven). Beschermbrief.—Schermdak, o. ( en).Schilddak (bij de Romeinen). — ScherrnUra-geiid, bn. De scherradragende gewassen.

schcrracu, ow. schermde, heeft geschermd. Naar zekere kunstmatige regels den degen, het floret, enz. hanteeren. In den wind schermen : snoeven, pochen.

— Schermdegen, m. (-s). — Schermer, m. (-s). — Schermhandschoen, m. (-en). — Schermkunst, v. — Scherm-lap, m. (-pen). Borstlap. —Schermles, v. (-sen). — Schermmasker., o. (-s). — Schermmeester, m. (s). — Sch er m sch ild, o. (-en). — Schennschoen, m. ( en). — Schermschool, v. (..olen). — Schermslag;, m. (-en). — Schermsieek, m. (..eken). — Schermsier, v. (-s). — Schermstoot, m. (-en). — Schermvereeniging;, v. l-en). — Schermzaat, v. (..alen).

Sckcrmor, v. Drooggemaakt meer (bij Alkmaar).

««bcruif nkel, ra. (-s). Scharminkel

schcrmuow. schermutselde, heeft geschei mutseld. Met kleine benden vechten. Lang heen en weer bieden (bij eenen koop). — Schermutselaar, m. (-s).

— Schermiitseling,v. (-en). Klein, onbeduidend gevecht, b. v. tusschen twee voorposten. — Sc her mutsen, ow. schermutste, heeft geschermutst. Schermutselen.

fK'liei'i», bn. bijw. Snijdend (in tegenstelling met stomp, bot) : een scherp mes. Smal en spits toeloopend : scherpe kanten. (Wisk.) Scherpe hoek : hoek, die kleiner is dan 90°. Prikkelend ; scherpe azijn. Vinnig : scherpe koude. Hard : scherpe woorden. Krachtig (van zintuigen) : scherp gehoor. Doordringend : scherp verstand. Getrouw : scherp geheugen. Bedoiveu : scherpe vochten. Het ging er scherp toe, er werd hevig gestreden. Een paard scherp zetten, met scherpe kalkoenen beslaan. — Scherp, o. Kogels, schroot. — Scherp, o. Scherpe zijde. — Scherp aarde, v. Mengsel van gemalen pijpaarde, zandsteen, enz.

— Sch erp ach tig, bn. — Scherpelyh. bijw. Op harde wijze. — Scherpen, scherpte, heeft en is gescherpt. Bw. Scherp maken, slijpen, wetten. Billen : eenen molensteen scherpen. Haren : eene zeis scherpen. Een paard scherpen, scherp zetten (om op sneeuw of ijs te gaan). Oefenen : het geheugen scherpen. Zich op iets scherpen, toeleggen, bevlijtigen. Ow. (Zeew.) Tegen-loopen : de wind begint te scherpen. — Scherper, m. (s). — Scherpheid, v. (..heden). — Scherphoekig, bn. — Scherping, v. (-en). — Scherpklinkend, bn. —

3 — SCHE

Scherpkort, bn. — Scherp kru id. o. Plant met ruwe scherpe bladeren {asperugo procumbens).— Scherplang, bn. (Taalk.)»

— Scherplutdend, bn. — Scherpnagel, m. (-s). — Scherprechter, ra. ( s). Uitvoerder van lijfstraiïelijke vonnissen. Beul.

— Scherprechtersambt, o. —Scherprech-terspost, m. — Scherpschutter, m. (-s). Uitstekend schutter. — Scherpachutters-vereenigtng, v. (-en). — Scherpsnijdend, bn. — Scherpster, v. ( s). — Scherpte, v. (-n). Scherpheid. — Scherpziend, bn. — Scherpzinnig, bn. bijw. Vernuftig. Verstandig. — Scherpzinnigheid, v. (..heden).

(P. J.), 1842-1892, Schinveld. Letterkundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Schets over den po-litieken toestand van Schinveld (1870); De invloed 'ter stereotypie in het druk' wezen (1873).

v. Boert. Klucht. Spotternij. Gemoedelijk scherts : humor. — Schertsen, ow. schertste, heeft geschertst. Boer-ten. Iets zeggen of doen voor de grap. — Schertsend, bn. bijw. — Schertsender-vui/ze, ..wijs, bijw. — Schertser, ra. (-s).

— Sc her tserij', v. (-en). Scherts.— Schertsing, v. (-en). — Schertsster, v. (-s).

«fliervoit, scherfde, is en heeft gescherfd. Ow. (zijn) Brokkelen. Splijten. Bw. Kerven. Klein snijden. — Schervenge-richt, o. Ostracisme.

fM'licrzo, o. Plet boertige (inz. van een muziekstuk), (-'s) Muziekstuk van boertig karakter en levendige beweging.

selicts, v. (-en). Eerst ontwerp, plan. Kleine teekening. Korte beschrijving. — Schetsboek, o. en m. (-en). (Schild ). — Schetsen, bw. schetste, heelt geschetst. Eene schets maken. Afteekenen. Beschrijven.— Schetser, ra. (-s). — Schetsing, v. (-en). — Schetsster, v. (-s). — Schetstee-keninq, v. (-en).

Kolietten, o. mv. Houten tralievorraige afsluitsels.

Mclietioren, ow. schetterde, heeft geschetterd. Een schel geluid geven : de trompetten schetteren. — Schetteraar, m. (-s). — Schetter aar ster, v. ^-s). — Schetterend, bn. — Schettering, v. (-en). — Schetter klank, m. (-en).

ftdieur, v. (-en). Barst, spleet : scheur in eenen muur. Vaneenrijting (in laken, katoen, enz.). — Scheut broek, m. ( en). IJzeren pinnen op vrijstaande muren, enz. om het overklimmen te beletten.— Scheurbuik, v. Zekere ziekte. Openbaart zich door weekheid, zwelling, paarskleurige roodheid en pijn van het tandvleesch en het losgaan der tanden. — Scheur der, m. (-s). — Scheur doek, ra. (-en). Slecht en versleten linnen. — Scheuren, scheurde, heeft en is gescheurd. Bw. Eene scheur raaken (in), vaneenrijten. Eenen akker, een stuk land scheuren, het voor de eerste raaal omploegen. Zich uit iemands armen scheuren, losrukken. Ow. Opensplijten : de grond scheurt. Die stof scheurt overal. — Scheuring, v. Het scheuren. Scheur, (-en) Verdeeldheid. Tweespalt. — Scheur Kalender, ra. (-s). Kaleuder, waarvan men


ocr page 755

SCHI — 69

dag voor dag de blaadjes kan afscheuren. — Scheur laken, o. Oud laken (dienende totlappen, pluksel, enz.) — Scheurlinnen, o.— Scheur7}iaker,rcv. (-s). Die twist zaait (inz. in de Kerk). Schismatieker.— Scheur-makerij, v. (-en).— Scheurpapier, o. Oud, gebruikt papier. — Scheursel, o. (-s). Het gescheurde. Scheur. — Scheurwor/el, v. Smeerwortel. — Scheurziek, bn. Twistziek.

sclieut, ra. en v. (-en). Uitspruitsel, loot : er zijn vele scheuten aan dien boom. Tong (aan een slot). Zooveel men in eens uit eene kan, enz. giet: een scheut azijn. Scheut krijgen : snel opgroeien. Scheut onder water : bedekt verwijt. — Scheutig* bn. Rijzig. Opgeschoten. Vrijgevig, — Scheutigheid, v. — Scheu/s. Binnen-scheuts, buitenscheuts, bijw. Binnen, buiten het bereik van een vuurwapen. — Scheiitvrij, bn. Buiten het bereik van een vuurwapen. — Scheutwi/n, m. Lekwijn.

selicvelbecu, o. (-en). Beenachtig uitwas (bij paardt-n).

seliiclit, ra. (-en). Pijl met punt. sclilclitis:, bn. Schuw. Vreesachtig. — Schichtigheid, v. (..heden).

seliiclitivolk, v. ( en). Zie Wolk. Schick (G.), 1779-1812, Siuttgart. .Duitsch historie- en landschapschilder, •cliic, v. (-en). Scheede.

scliieiyii, bn. bijw. Snel. Haastig. Plotseling. — Schielijkheid, v.

scliicmst», m (..lieden, ..lui). Onderofficier, die met hi t opzicht over de tuigage van het voorschip is belast. — Schiemannen, ow. schiemande, heeft geschiemand. Opredderen (inz. het tuig). — Schiemanschap, o. — Schiemansgaren, o. (Zeew.) Los, grof garen. — Schiemansgasf, ra. (-en). Uitkijker op het voorschip. — Schie-7nans7naat, m. (-s). Helper van den schieman. — SchiemansTJüiel, o. (Zeew.) Touw-winder.

scliicr, bijw. Bijna. Ongeveer. — Schier eiland,o. (-en). Land, dat slechts aan éene zijde met het vasteland is verbonden. Zie Landengte.

scliicr, bn. Bedorven (van eieren), scliicrbeitcl, m. (-s). Zeker timmer-mansgereedschap.

scliicriniior, m. (-s). (Middel.) Schte-ringers en Wetkoopers waren de namen, waaronder twee partijen elkander in Friesland bestreden. De Schieringers maakten de volkspartij uit,

_ scliierloos, bn. Onbezonnen.Onvoorzichtig. Roekeloos.

scliicMclauit, v. (-en). Soort van trekschuit.

scliielcn, schoot, heeft en is geschoten. Ow. Schielijk van plaats veranderen : de slang schoot m 't gras, de snoek schoot naar onderen. De wind schiet naar 't Zuiden, loopt snel daarheen om. De pannen schoten van 't dak, gleden, vielen van 't dak. Het mes schoot hem uit de hand, ontglipte hem plotseling. De piji schoot uit den boog, werd met kracht voortgewor-pen. De vlieger schoot in de hoogte, ging snel omhoog. De bliksem schoot door de lucht. Plotseling komen: daarschootmij wat

i — SCHI

door het hoofd. De tranen schoten haar in de oogen. In den lach schieten : plotseling hard lachen. Uit den slaap, wakker schieten : met schrik ontwaken. Plotseling vallen : voorover op den grond schieten. Opkomen, uitbotten, groeien : de aardappelen schieten. In het blad schieten: knoppen krijgen. In het zaad schieten : bloemen en zaad krijgen. In de aren schieten. Wortel schieten. Kuit schieten, werpen. Geschut of vuurwapens lossen : met een geweer schieten. Dit geweer schiet ver, juist, enz. Schietende op iets mikken : naar de schijf schieten, naar den vogel schieten. Zijne krachten schoten daarvoor te kort. Onze voorraad schoot te kort. Met spek schieten : bluffen, leugens vertellen. Bw, (Zeew.) Vieren, loslaten : een touw laten schieten. Loslaten : de teugels laten schieten. Uitwerpen : de netten schieten. Brood in den oven schieten. Geld schieten, met worpen tellen; ook, verschaffen, uitleenen. Wit papier tusschen de bladen van een boek schieten. Verwerken, omscheppen : koren schieten. Vlug delven : eene sloot schieten. De zon schoot hare stralen loodrecht op onze hoofden. lem. in het lijf, voorden kop schieten. Eene bres schieten. Hazen, patrijzen schieten. lem. laten schieten, laten gaan, zich met hem niet meer bemoeien. — Schietbaan, v. (..anen). — Schietbeitel, ra. (-s) — Schietboog, ra. (..ogon). — Schiet bout, ra. (-en). — Schietbus, v. (-sen). — Schiet draad, ra. (..aden). Inslagdraad. — Schieter, ra. (-s). Die schiet, schutter. Schietspoel. — Schieter, ra. (-s). Boekworm. Papierworm. — Schietgat, o. (-en). — Schietgebed, o. (-en). Kort gebed, — Sch ietgerst, v. Soort van zomer-gerst. — Schietgevaat te, o. (-n). (Oudt.) Werptuig. — Schietgeweer, o. —Sch iet-hagel, ra. — Schieting, v. (-en). — Schietkatoen, o. Boomwol, enz. met salpeterzuur bereid. Ontploft bij verwarming. — Schietlap, ra. (-pen). — Schietiijn, v. (-en). — Schietlood, o, (-en). Zie Paslood.

— Schietmot, v. (-ten) Zeker insect, tot de netvleugeligen behoorende. — Schietoefening, v. (-en). — Schiet pen, v. (-nen). Pen, die de schietschijf houdt. — Schiet-pijl, ra. (-en). — Schietschijf, v. (.,ven).

— Sch ietsc hou tv , ..schuit, v. (-en). Pakschuit in geregelde beurtvaart. — Schiet-slang, v. (-en). — Schietspel, o. (-en). — Schietspoel, v. (-en), (Wev,) Werktuig om de inslagdraden door te schieten, — Scniet-ster, v, (-s). — Schietstroom, ra. (-en). Overblijfsel van een voorraaligen waterval.

— Schiettuig, o, — Schietwedstrijd, m. (-en). — Schietwilg, ra. (-en). Schotwilg. — Schietworm, ra. (-en). Soort van mijt,

scliieivortcl, v. Schelkruid,

bcliiftcn, schiftte, heeft en is geschift. Bw. Scheiden : het koren van het kaf schiften, Afzonderen : het goede van het kwade schiften. Nalezen, uitpluizen : men moet alles zoo nauwkeurig niet schiften. Ow. (zijn) Dun en open worden (va-i zijden stoffen, enz.), — Schifter, 111, (-s). — Schift ting, v, (-en). — Schiftster, v. (-s).

acliil'teu, ow. schiitte, is geschift. Run-


ocr page 756

SCHI — 6c

nen. Zuren (van melk, enz.) — Schifting, v. (-en).

■cliüf* v- (.-ven). Dunne snede van een rond voorwerp : eenen appel aan schijven snijden. Platrord voorwerp quot; koperen, gouden schijven. Wat ren'gszirs aan eene schijf gelijkt : dan)Rchijf, enz. Kalfs- of varkensrollende. Tlatrond lichaam, door welks midden eene spil loopt, waarop het rondgedraaid wordt. Schietschijf, doelwit : naar de schijf schieten. Rondachtig plat been voor het kniegewricht. Deel eener bolplant, waaruit de wortelvezels ontspringen. Hij heelt schijven, veel geld. — Schyf-app'l, m. (-en, -s). Soort van platten appel. — Schijfgat, o. (en). — Schijf keper, o. Zuiver koper in ronde knobbelige platen.— Schyfpcer, v. (..eren). Soort van platte peer. — Schijfschieten, o. — Schijf-vormtg, bn.

sehibn, m. Lichtglans door vurige en stralende voorwerpen afgeschoten : bij den schijn eener lamp werken. Uiterlijk, doch onzeker voorkomen van iets : men moet naar den schijn niet cordeelen. Gestalte, vorm, aanzien. Voorwendsel : onder den schijn van vriendschap. Naar allen schijn : waarschijnlijk. Schijn (tener pet, muts, enz.). — Schijnbaar, bn. bijw. Den schijn hebbende ; eene schijnbare verontschuldiging. Zichtbaar : schijnbare horizon. — Schijnbaarheid, v. (..heden). — Schijnbeeld, o. (-en). Bedrieglijk beeld. Hersenschim. — Schijnbeweging, v. (-en). Schijnbare beweging. — Schijiibeuijs, o. (..zen). — Schynchristen, m. (-en). Christen in naam. Valsche christen. — Schijndeugd, v. (-en). — Schijndood, m. en v. Schijnbare dood.'— Schijndood, bn. — Schijndoode, m. en v. (-n). — Schijnen, ow. eenpw. scheen, heeft geschenen. Glans, gloed, licht van zich geven : de zon schijnt helder. Het uiterlijke voorkomen hebben (van) hij schijnt braaf te zijn. Het schijnt, dat hij

felijk heeft. Het schijnt te zullen regenen, laar het schijnt: waarschijnlijk. —elijk heeft. Het schijnt te zullen regenen, laar het schijnt: waarschijnlijk. — Schijngeleerde, m. (-n). — Schijngeloof, o. — Schijngeluk, o. — Schijngestalte, v. (-n). (Sterrenk.). — Schijngevecht, o. '-en). — Schijnglans, m. (-en). — Schijngoed, o. (-eren). — Schijngrond, m. (-en). Voorwendsel. Spitsvondigheid. — Schijnheilig, bn. bijw. Heilig, vroom in schijn. Geveinsd vroom. — Schijnheilige, m. en v. (-n). — Schijnheiligheid, v. — Schijn kon ing, m. (-en).Schaduwkoning. —Schijnovergang, m. Zekere redekunstige figuur. -— Schyn-phtlosoof, m. (..oten). — Schynphiloso-phie, v. — Schijnt eden, v. (-en). Valsche reden. Drogreden.— Schijnredenaar,m. (..aren, -s). — Schijnschoon, bn. Wat in schijn schoon is.—Schijnsel, o. (-s). Schijn. Licht. Straalflikkering. — Schijn strijdig, bn. bijw. — Schijn strijdigheid, _ v. — Schijn'je, o. (-s). Halfhemdje. Weinigje : een schijntje melk in de thee doen. Èr is geen schijntje van waar. — Schynverdien-ste, v. (-n). —Schijnverdrag, o. (-en).— Schijnvermaak, o. (..aken). — Schi/n-urede, v. — Schijnvt iend, ra. (-en). — Schi/nvriendin, v. (-nen). — Schijn' vriendschap, v. — Schijn vroom, bn.

I — SCHI

Schijnheilig. — Schijnvroomheid, v. — Schifnvrucht, v. (-en). (Plantenk.). — Schijnwijs, bn. — Schy'nwijsbegeerte, v.

— Schijn wijsgeer, ra. (-en). — Schijn-worm, m. (-enj. Glimworm. — Schijnzoet, o. Bedrieglijk genot.

soliUten, ow. scheet, heeft gescheten. Zijn gevoeg doen. Winden laten. — Sc hij t, v. en o. Ontlasting. — Schijter ij, v. — Schijtgeel, bn. o. Gele verfstof : verbinding van citroen, klei en gips. — Schy't-valk, ra. (-en). Soort van boomvalk {plau-tus sterco*-arius). Ingebeelde dwaas. —-Schytwortel, v. Soort van ganzerik.

soliihken, schikte, heeft en is geschikt. Bw. In orde brengen, regelen, rangschikken : boeken in volgorde schikken. God schikt alles naar zijn welbehagen. Voegen : zich naar iets schikken. Denken: wat schikt gij daarover? Zich naar iem. schikken : zich onderwerpen. Zich gereed maken : zich tot werken schikken. Ow. (zijn) Plaats maken : als ieder wat schikt, is er plaats voor allen. Zorgen : schik, dat gij gereed zijt. Vorderen, goed worden : het oegint met den zieke te schikten. — Schik, ra. Schikking, orde : het is alles op zijnen schik. Beschikking, regeling. Tevredenheid, genoegen : hij heeft er geenen schik mee. Hij is niet in zijnen schik, in eene goede luim. — Schikgodin, v. (-nen). (Fab.) De schikgodinnen : Clotho, Lache-sis en Atropos. Beslisten over 's menschen leven en sterven. —Schikkelijk, bn. bijw. Net, ordelijk : eene schikkelijke kanier. Toegevend: een schikkelijk raan. Betamelijk : 't is niet schikkelijk zoo te spreken. Redelijk : hij heeft een schikkelijk pensioen. — Schikkelijkheid, v. — Schikker, ra. (-s). — Schikking, v. (-en). Geregelde plaatsing. Ordening. Inrichting. Overeenkomst (in 't recht). — Sc hik ster, v. (-s).

BOliil, v. (-len). Schel (2® art.).

8Clilllt;l, o. (-en). (Oudt.) Schutwapen, dat aan den linkerarm gedragen werd, om het lijt tegen de vijandelijke pijlen en houwen te bedekken. Wat eene krachtige beschutting geeft : de Heer is mijn schild. Wapenbord : eenen adelaar in zijn schild voeren. Rugbekleedsel (inz. der schildpadden). Uithangbord. Bruine vlek op de borst van den patrijshaan. Munt, waarop een wapenschild is afgebeeld. Staande haardplaat. Ik weet niet wat hij in zijn schild voert, welke geheime oogmerken hij heeft.

— Sch ild ach tig, bn. — Schildbank, v. (-en). (Zeew.) Zware plank aan de einden van het braadspit. — Schildbloeni, v. (-en). Plantengeslacht \c he lone). — Schilddak, o. (-en). (Rom. gesch.) Dak, uit aaneenge-voegde schilden bestaande. — Schilddrager, ra. (-s). Schildknaap. — Schilddragers, m. mv. Geslacht van raderdieren. — Schildhcek, ra. (-en). Kwartier in een wapenschild. — Schildhoofd, o. (-en). (Zeew.). —Schildhouder, m. (-s). Schilddrager. (Wapenk.^ Beeld, dat het wapen draagt. — Schildkever, ra. (-s). — Schildklier, v. (-en). Klier aan de voorzijde van het strottenüoofd. — Schildknaap, ra., (..apen). Zie Ridder. — Schildknecht, ra. C-s). Schilddrager. — Schildknoop, ra.


ocr page 757

SCHI — 6

{-en). (Zeew.). — Scht'ldkraakbeen, o. (-deren). Schildvormig kraakbeen van het strottenhoofd. — Schildkrab, v. (-ben). — Schtldkreeft, v. (-en). — Schildkruid, o. Wilde mosterd. — Schildluizen, v. mv. Familie van halfvleugelige insecten. — Schildmos, o. (Plantenk.). — Schildmot, v. (-ten).— Schildpad,\. (-den). Zie Bijgevoegde Tabellen. Is met twee harde schilden bedekt, waarvan het bovenste het bekende schildpad oplevert. (Oudt.) Zeker stormtuig. (Zeew.) Plat blok, voorzien van een ijzeren hoekstrop. — Schildpad, o. Bewerkt rugbekleedsel der schildpad. — Schildpadachtig, bn. — Schildpadden, bn. — Schildpadden, bw. schildpadde, heeft ge-schildpad. Als schildpad bewerken. — Schildpadkapel, v. (-len). Zekere dagvlinder. — Schildpadkever, m. (-s). — Schildpadreiger, m. (-s). Nachtreiger. Nachtraaf. — Schildpadsoep, v.— Schildpleister, v. (-s). Schildvormi^e pleister. — Schildslah, v. (-ken). Naakte slak met een schild op den rug. — Schildstof, o. Pantserstof. — Schildvaren, v. Varengeslacht.— Schildvarken, o. (-s). Gordel-dier. — Schildvink, m. en v. (-en). De eigenlijke vink. — Schildvleugel, m. (-s). Vleugeldeksel. — Schildvletigelig, bn. Schildvleugelige insecten : insecten, wier voorste paar vleugelen hoornachtig zijn en dienen om het tweede paar, dat er onder gevouwen ligt, in de rust te bedekken. — Schildvo»mig, bn. (Plantenk.) Schildvor-mige bladeren. (Ontl.) Schildvormig kraakbeen : Adamsappel. — Schildwacht, m, (-en). (Oudt.) Wacht bij de schilden. Uitgezette post. Verloren schildwacht: verste schildwacht. Uiterste voorpost. — Schild-•wacht, v. Wachthouden : op schildwacht staan. — Schildwachthuisje, o. (-s). — Schildwagt;igig, bn. De schildwangigen : familie van visschen. — Schildwapen, o. (-s). Wapenschild. — Schildzaad, o. Plantengeslacht (alyssuvi), tot de kruisbloemi-gen behoorende. Bij ons komt het kelkdra-gende schildzaad (a. calycinum) op hoo-gen zandgrond voor.

schlldcrcn, schilderde, heeft geschilderd. Bw. Met het penseel afbeeldingen maken, verven, malen. Een buis schilderen : laten verven. Door een fraaien stijl beschrijven. Ow. Op schildwacht staan. Op en neerloopen. Wachten. — Schilder, m. (-s). — Schilderacademie, v. ( .ien, -s). Schilderachtig, bn. bijw. Als geschilderd. Uitnemend fraai. — Schilderachtigheid, v. — Schilderes, v. (-sen). — Schilderhuisje, o. (-s). Wachthuisje. — Schilder ij, v. (-en). Schilderstuk in lijst. o. Het geschilderde. Iets fraais. — Schilder ij kabinet, o. (-ten). — Schilderij kamer, v. (-s). — Schilderij hooper, m. (-s). — Schilde-rij lijst, v. (-en). — Schilderyverkooper, m. (-s). — Schilderijverzameling, v. (-en). — Schilderijzaal, v. (..alen). —-Schildering, v. (-en). Het schilderen, schilderij. Beschrijving. — Schilderkamer, v. (_s). — Schilderkunst, v. Zie Kunst. — Schildersambacht, o.— Schildersbedrijf, o. — Schildersbent, v. — Schilderschool, v. (..olen). — Schildersezel, m. (-s). —

3 — scm

Schildersgereedschap, o. (-pen). — Schil-dersknecht, m. (-en). — Schilderskoliek, o. — Schilderskzvast, m. (-en). —Schildersleven, o. — Schilder sly m, v. — Schildersmes, o. (-sen). — Schildersmo-del, o. (-len). — Schilderspalet, o. (-ten).

— Schilderspenseel, o. (-en). —- Schildersspaantje, o. — Schildersstok, m. (-ken). — Schilderstift, v. ( en). — Schil-der stuk, o. (-ken). Schilderij —Schilderswinkel, m. (-s). — Schilderwerk, o.

«oliillcr, scliellor, v. (-s). Dun blaadje (kalk, enz.). Hamerslag : schilfers van ijzer. Schin : schilfers op het hoofd. — Schilferachtig, bn. — Schilferen, ow. schilferde, is geschilferd. In dunne blaadjes gescheiden worden. In schilfers afvallen. — Schilferig, bn. — Schilfering, v. (-en).

— Schilfersteen, m. (-en). Soort van steen, waarvan fijne slijpsteenen worden vervaardigd.

seliillcn [schellen), bw. schilde, heeft geschild. De schil afnemen : eenen appel schillen. Ontbolsteren : noten schillen. Pellen : boonen schillen. Een appeltje met iem. te schillen hebben : eene bedenkelijke zaak met iem. te verhandelen hebben. — Schillenmand, v. (-en). — Schiller, m. (-S). — Schilling, v. — Schilniesfe, o. (-s).

— Schilster, v. (-s).

scliilleu, ow. schilde, heeft geschild. Verschillen : zij schillen niet veel in ouderdom. — Schilling, v.

Seliiller {J. C. F. von), 1759-1805, Marbach. Duitsch dichter en geschiedschrijver. Als dichter : Wallenstein (1706); A/aria Stuart (1800) ; Wilhehn Teil (1804). Als gescbifdschrijver : Geschichte des Abfalls der Vereinigten Niederlande (1792) ; Geschichte des Dreiszigjahri-gen Kriegs (1794).

scliim, v. (-men). Afschijnsel, schaduw : hij is bang voor zijne eigene schim. Geest van eenen afgestorvene. Spook. Hij ziet er uit als eene schim : hij is zoo mager als hout. —Schimmenrijk, o. (Fab.) Verblijf der afgestorvenen in de onderwereld.

— Schimvertooning, v. (-en).

BClilmmel, y. Microscopiscn kleine

plantjes, welke zich als vlokkige hoopjes van verschillende kleur overal ontwikkelen, waar organische stoffen op vochtige plaatsen tot ontbinding overgaan.— Schim-mel, m. (-s). Witachtig grauw paard. Zeker spel.— Schimmelachtig, bn.— Schimmelbles, m. ( sen). Wit paard, met eene bles op het voorhoof!. — Schimmelen, ow. schimmelde, heeft en is geschimmeld, (zijn) Beschimmelen, (hebben) Met het schimmelspel spelen. — Sch im melh a rig, bn. — Schimmelig, bn. — Schimmeling, v. — Sch immelkleur, v. — Schimmel-kleurig, bn. — Schimmelplantjes, o. mv. Schimmel. — Schimmelspel, o. Zeker ge-zelschapspel. — Schimvielverf, v. — Sch im m elvervig, bn.

Schimiucl (//. J.), 1825,''s Gravenland. Romancier en tooneeldichter. Bui» tenl. eerelid der K. VI. Academie. Hef gezin van baas Ommeren (1870); Sinfeut Semeyns (1875); Zege na Sir yd (1878); de kapitein der lijfgarde (1888).


ocr page 758

SCHI — 6c

Scliimmclpcnninck (/?. J.), 1761-1825. Werd door Napoleon, met den titel van raadpensionaris, aan het hoofd van Nederland geplaatst (1805).

BCliimpen, ow. schimpte, heeft geschimpt. Hoonen, schelden, uitvaren (tegen) : op de regeering schimpen.— Schimp% m. Beschimping. Hoon. Beleedigendespot.

— Schimpachtig, bn. —Schimpbrief, m. (..ven).—Schimpdicht,o. (-en).— Schimpdichter, m. (-s). — Schimpelyk, bijw. Op schimpende wijs. — Schimper, m. (-s). — Schimpery, v. (-en). — Schivipig, bn. bijw. — Schimping, v. (-en). — Schimp-kreet, m. (..eten). — Schimplied, o. (-eren). — Schim plust, m. — Schimpnaam, m. (..amen). — Schitnprede, v. (-ncn). — Schimpscheut, m. (-en). Bitse uitval. — Schimpschrift, o. (-en). — Sch impsch rijver, m. (-s).— Schimp ster, v. (-s). — Schimpswijze, ..wi/'s, bijw. — Schimptaal, v. — Schimpvogel, m. (-s). Spotter. Beleediger. — Schimpwerk, o. (-en). — Schimpwoord, o. (-en*.

sehin, v. Hoofduitslag (van kinderen).

8Cliin«lc, v. Vel. Schors. — Schinden, bw. schindde, heeft geschind. Het vel af-Btroopen. — Schinder, m. (-s). — Schind-ster, v. (-s).

McliiiKlolcn, ow. schindelde, heeft ge-schindeld. Blinken. Schitteren.

Kcliiiilc, m. (-en). Schinkel. Ham. — Schinkebeen, o. (-deren). —Schinkel, m. (-s). Zie Schenkel. — Schinkevet, o.

Neliinkc], «olicukcl, m. (-s).(Zeew.) Kort en dik touw om eenen mastkop. — Schinkelhaak, m. (..aken). (Zeew.).

Soliinkel {K. F.), 1761-1841, Neu-Ruppin. Duitsch bouwmeester.

sclilp,o. (schepen) {scheepje, o. (-s)]. Groot vaartuig met diepen, scherp toeloopenden bodem. Schip van in rang, van 120; schip van 2n rang, van 100; schip van rang, van 90; schip van 4n rang, van 80 stukken geschut. (Bouwk.). Ruim eener kerk. Het schip der woestijn : de kameel. Een groot schip heeft groote zeilen : wie op hoogen voet leeft, heeft veel noodig. — Schipbank, v. (-en). Roeibank. — Schipbek, m. (-ken). — Schipboom, m. (-en). Houten staak om een schip voort te stuwen.— Schipbreuk, v. (-en). Stranding. Verbrijzeling van een schip op eene klip, bank, enz. — Schipbreukeling, m. en v. (-en). — Schipbreukelinge. v. (-n). — Schipbrug, v. (-gen). — Schtphaak, m. (. aken). — Schiploon, o. en m. (-en). — Schipper, m. (-s). — Schipperen, schipperde, heeft en is geschipperd. Bw. Maken, uitvoeren : hij zal dat wel schipperen. Ow. (zijn) Schikken, vorderen. Het begint te schipperen, zich te herstellen. — Schipperij, v. (-en). — Schippersboek, o. en m. (-en). — Schippersboom, m. (-en). — Schippersbroek, v. (-en). — Schipper-schap, o. — Schippersche, v. ( n). Vrouw van eenen schipper. — Schippersdaghuur, v. (..uren). — Schippersdochter, v. (-s).

— Schippersgild, o. (-en). — Schippers-haak, ra. (..aken). — Schippershuis, o. (..zen). — Schippershui, v. ( ten). — Schippersjongen, m. (-s). — Schippers-

. - SCHO

knecht, m. (-s, -en). — Schippersknoopr. ra. (-en). — Schipperskooi, v. (-en). — Schipperskost, m. — Schippersloon, o. en m. (-en). — Schippersmuts, v. (-en). — SchippersPy, v. (-en). — Schipperssteek, ra. (..eken). — Schippersvrouw, v. (-en).

— Schipperszoon, m. (..onen, -s).— Schippond, o. (-en). (Oudt.) = 150 kilogr. — Schipreede, v. (-n). — Schipreeder, m.-(-s).Bevrachter, eigenaar van een schip.

— Schiproer, o. ( en). — Schipzand, o. Zandballast. — Schipzijde, v. (-n).

schiftnisi, o. (-s). Scheuring, verdeeldheid, twist, oneenigneid (inz. in de Kerk).

— Schismaticus, ra. (..ci), schismatieker, m. (-s). Scheutmaker. Sch iesma tie kers : « Die het Doopsel en het Geloof ontvangen hebbende, niet willen staan onder de gehoorzaamheid van het zienlijk hoofd der h. Kerk, den Paus van Rome. »

seliif teren, ow. schitterde, heeft geschitterd. Glinsteren, flikkeren. Stralen. Blinken. Pralen, uitblinken. — Schitterend, bn. — Schitterglans, m. — Schittering, v. (-en). — Schitterhcht, o.

Sehlcgcl [von) 10 {A. IV.), 1767-1845, Hannover. Duitsch dichter en criticus. — 20 Zijn broeder (A'. ïV. F.), 1772-1829, Hannover. Duitsch dichter en letterkundige.

Selimilt;l (C. 7;on), 1768-1854, Dinkels-bühl. Kanunnik. Duitsch verteller voor de jeugd. Genovtva;Rosa von Tannenbnrg; das Blumenkörbchen.

soliob. Zie Schub. — Schobbig, bn. Schubbig.

soliobbojak, m. (-ken). Deugniet. Schooier.— Schobbejakken, schobbej:ikter heeft geschobbejakt. Bw. Afjakkeren. Mishandelen. Ow. Den deugniet spelen.

Hohobbcn, bw. Schubben. Schuren, wrijven : het paard schobt zich tegen do krib.

schobberd, m. ( s). Schobbejak.

sobobbcrdebonk. Op schobberdebonk loopen : op de klap loopen.

sclioef, v. (.,ven). Omslag, kraag (van mantels, enz.).

«clioofclcn, ow. schoefelde, heeft ge-schoefeld. Op de klap loopen — Schoefy m. Op den schoef gaan : op de klap loopen. — Schoefelaar, m. (-s). — Schoefe-laarster, v. (-s).

Ki'liooicu, bw. schoeide, heeft geschoeid. De voeten bekleeden met schoenen, enz. Beplanken (den waterkant). Zij zijn allen op éene leest geschoeid : zij zijn allen gelijk, zij zijn het eens. — Schoeierr m. (-s). —Schoeiing, v. (-en). — Schoei-plank, v., ..bord, o. (-en). Plank, tot beschoeiing van wallen, enz. — Schoeisel, o. ( s). Voetbeklecdsel (van leder). Houten schoeisel : klomp, holsblok. — Schoetster, v. (-s).

selioellc, (-s), sclioolje, (-s), BOlBoddc, (-n), m. en v. Deugniet. Schurk. — Schoeljeachtig, bn. bijw. — Schoeljenstuk, o. (-ken). Boevenstuk. Schelmerij.

scliocii, ra. (-en). Schoeisel, dat den ganschen voet besluit. Wat rain of meer op eenen schoen gelijkt : de schoen eener sabelscheede, metalen orakleeding der


ocr page 759

SCHO — 6

punt; zuiger eener pomp; hiel eener piek; besiag nndt-r aan eenen paa!; ankerschoen. Smeerhout om masten te versjouwen. Wien »le sc oen pnst, tnkke hem aan. Vast in zijne schoenen s aan. Ik zou in zijue schoenen r.i«-t wi len staan. Hij gaat niet recht in zijne schoenen. — Schocnaanl» ekker, m. (-s). — Schoenband, m. (-en). — Schoenborstel, m. (-s).— Schoendraad,

m. (..aden) (voorwerpsn.). — Schoenenfabriek y v. (-en). — Schoenenkraam, v. en o. (..amen). — Sch oenen w in kei, m. (-s). — Schoengesp, m. en v. (-en). — Schoenhoorn, m. (-s). — Schoenlak, o. (-ken). — Schoenlakker, m. (-s) — Schoenlakster, v. (-s). — Schoenlap, m. (-pen). — Schoenlappen, o. — Schoenlapper, m. (-s). — Schoenlapper, m. (-s). Zekere dagvlinder met schoone vleugels [vanrssa io). — Schoenlapper spothuis, o. (..zen). — Schoenlapster, v. ( s). — Schoenle(d)er, o. — Schoenleest, v. (-e:gt;). — Schoenlint, o. Bo« rdl.nt. (-en) Lint om schoenen te binden. — Schoenmaken, o. — Schoenmaker, m. (-s).— Schoenmakersambacht, o. — Schoenmakersbaas, m. (..zen). — Sch oen m a kersdriesta l, ra. (-len), schoen-maket sdnevoet, m. (-en^. — Schoenmakersels, v. (..zen). — Schoenfnakersga-ren, o. (-s). — Schoenmakei sgezel, m. (-len). — Sch oen m a kersgild, o. (-en). — Sc/ioetimakersjongen, m. (-s). — Schoenmakersknecht, m- (-s*. — Schoetnnakers-korf,m. (..ven).— Schoenmakerskrukje, o. (-s). — Schoenmakersleer, o.— Schoen-7?iakersleerling, ra. (-en). — Schoenma-kershkhout, o. (-en). — Schoenmakers-maat, v. (..aten). — Schoemnnkersmaat, ra. (-s). — Schoenmakersmes, o. (-sen). — Schoenmakei snaald, v. (-t n).— Schoen-makerspek, o.— Schoenmaker spin, ..pen, v. (-nen). — Schoenmakerspothuis, O. (..zen). — Schoenmakersstijfsel, v. — Schoenmakers stoel, m. (-en).—Schoenmaker suuinkel, ra. (-s). — Schoenmarkt, v. (-en). — Schoennaad, ra. u.aden). — Schoennagel, ra. (-s). — Schoenpin, v. (-nen). — Schoenpoetsen, o. — Schoenpoetser, ra. (-s). — Schoenpoetsster, v. (-s). — Schoenriem, m. (-en). — Schoen-schuier, m. (-s). — Schoensmeer, o. — Schoenspykfr, ra. (-s). — Schoenvorm, m. (-en). — Schoenvormit;, bn. — Schoen-zvi'tkel, ra. (-s). — Schoenwisch, v. ■ ..sschen). —Schoenzool, v. (..olen).

Hchooiicr, Kcliooncr, m. (-s). Zeeschip met scherpt-n boeg, platten spiegel en twre masten.

ftC*liocp,v. (-en). Waterbord (van een waterrad).

Hi'liocr, ra. (-en). Onweersbui.

sclioer, ra. en v. (-en). Schouder. — Sc hoer m a n tel, ra. (-s).

Moliof, ra. (..ven). Schoft (2eart.).

Noliot', o. (..ven). Schoft (i® art.).

Mcliot', o. (..ven). Ailes wat bestemd is om ergens voor- of ingeschoven te worden. Schuif. Grendel (eener deur). Scheut (van een slot). Schuiflade. Valdeur van eene sluis. IJzeren plaat, die men in- of uitschuift in eenen oven om het vuur aan te jagen, enz. Balie om oenen doortocht

5 — SCHO

te beletten. Drijvende wolken, zwerk, HCliofleereu, bw. schofleerde, heeft geschoffeerd. Verkrachten. Onteeren. — Schoffeerder, ra. (-s). — Schoffeering, v. ( en).

.«K'hoifel, v. ( s). Houweeltje (bij de hoveniers enz. in gebruik). Plankje aan eene zonneblinde. Plankje aan een molenrad. Hooge zeebaar. — Schoffelaar, m. (-s). — Schoffelaar ster, v. (-s). — Schoffelen, bw. schoffelde, heeft geschoffeld. Met de schoffel arbeiden, schoonmaken. Gulzig eten. — Schoffeling, v. (-en). — Schoffel' ploeg, ra., schoffelzoagen, ra. (-s). Werktuig ora het onkruid op zijpaden los te maken.

HClioft, v. en o. '-en) Vi gt;tde gedeelte van eenen dag (bij de werklieden). — Schoften, ow. schofte, heeft geschoft. Rusten om zijn maal te nemen. — Schofttijd, ra. —Schoftuur, o. (..quot;uren).

ftchoft, v. (-en). Schouder, schenkel (inz. van dieren).

HClioft, m. (-en). Schoelje. — Schoft' achti^, bn. bijw. — Schofterig, bn. bijw.

Holiok, ra. ( ken). Stoot, bons : lt;;e schokken van een rijtuig. Scnudding : de schokken van eene aardbeving. Schrik, treffende ramp : de dood van zijne vrouw was een wreede schok. — Schok, o. (-ken). Zekere maat = 60, soms = onbepaalde hoeveelheid : bij het schok verkoopen. — Schok, v. (-ken). Boonerp-ul. — Schok-achtig, bn. Inhalig. Gierig. — Schokkc' bast, ra. en v. (-en). Gulziga ird. — Schok-keeren, bw. schokkeerde, heeft geschok-keerd. Smaden. Schimpen. Kwetsen. Be-leedigen. — Schokken, schokie, heeft geschokt. Bw. Stooten, schudden : de golven schokten het schip. Bij zestigtallen aftellen, scharen. Bw. ow. Gulzig eten. Ow. Schokken krijgen, hossel.ossen. Hevig aandoen. Nadeelig werken (op). Ow. (zijn) Van peulvruchten, die hulzen krijgen. — Schokker, m. (-s). Gierigaard. — Schokker, ra. (-s). Zeker visschersvaartuig. — Schokkers, ra. mv. Soorr van erwten. — Schokking, v. (-en). — Schokhnnen. o. Zwaar grof linnen, dat bij het schok wordt verkocht. — Schokschoiidlt;ren, ow. schokschouderde, heeft geschokschouderd. De schouders ophalen, optrekken. — Schok' ster, v. (-s). Inhalige vrouw.

KCliokkeljoeu, o. Soort van gerst {hordeum vulgart).

ftoliol, v. (-len). Drijvend groot stuk ijs. Groote platte aardkluit.

H0I10I, v. ( len). Sooit van platviscb (platessa lintanda). Komt veelal aan onze kusten voor. Is min smakelijk dan de tarbot en de tong. — Schollen7gt;angst, v. — Scholschuit, v. (-en). — Scholtyd, m.

fccliolareli, ra. ^-en). Bestuurder eener school.

Mcliolastlciig, ra. (..cii. Schoolgeleerde. Schoolsche godgeleerde. Schoolvos. — Scholastiek, v. Weienschap en wijsbegeerte der middeleeuwen. Schoolleer. Schoolsche wijsheid.

sclioIokamp;terHtV. mv. Geslacht van vogelen {haeMatopus),tot de plevk-rachtigen in de orde der steltloopers behoorende.


ocr page 760

SCHO — 6c

»olilt;Hoii,r.w. schooldp,heeft geschoold. In menigte bijeenzijn, bijei nkomen.

v. mv. Korte of langere verklaringen van Latijnsche of Grieksche sch rijvers.

Holiolior, m. (-en). Schoolkind. Kind, dat school gaat. Leerling, kwrckeling. — Scholiet e, v. (-n). — Scholierm, bw. scholierde, heelt gescholierd. Onderwijzen, onderrichten. Beginnen. — Scholierster, v. (-s).

Holiolken, ow. scholkte, heeft ge-scholkt. (Zecw.) Hol gaan. Onstuimig worden.

MCliollevstar, m. (..aren, -s). Watervogel (cardo cormoramis), tot de familie der pelikanen behoorende. Lomperd.

■clioli»gt;ci, Holiiilp-ci, o. (-ers, -eren). Gekookt ei. Dopei.

noIioIow. scholpte, heeft ge-scholpt. Tikken, zachtjes aankloppen. Kabbelen (van 't water).

Mclioll, m. (-en), Hclioltebocr, m. (-en). Boer, die cp eene eigene hofstede woont.

Hlt;*liolvlt;*r(lt;]), ra. (-s). Schollevaar.

Adioiumcl, ra. (-s). Toestel uit neerhangende touwen bestaande, onderaan van een bankje ot bakje voorzien, waardoor raen heen en weder kan bewogen worden. Hangend touw, waaraan et n matroos hangt, als hij aan 't werk is. — Schommel, v. (-s). Vrouw, die onophoudend wischt en reinigt. Lik vrouwspersoon. — Schommel, ra. en v. (-s). lem., die gedurig in beweging is.— Schommelaar, ra. (-s).— Schommelen, schommelde, heeft geschommeld. Bw. Schudden, roeren : men mag dieu drank niet schommelen. In cenen schommel been en weder doen zweven. Ow. Zich heen en weder bewegen. Op en neder gaan (van eenen slinger). Schoonmaken, reinigen. Overhoophah n (om iets te vinden). — Schommelend, schoinmelig, bn. — Sc hom mei ing, v. (-en). — Schommeljongen, ra. (-s). Jongen, die bij tien schora-rael staat. (Mets.) Maatje. — Schommelknecht, ra. (-s). Handlanger. — Schom-ynelkok, m. (-s). Kokjongen. — Schommelmeisje, o. (-s). Meisje, dat het vuilste werk doet. — SchomvieItouiv, o. en v. (-en).

«cUomiiermuilcii, ow. schomper-muilde, heeft geschompermuild. Grimlachen. Meesmuilen.

Schoug-aucr (iV.). Duitsch schilder (XVe eeuw).

MClioii^rel, ra. ( s). Schommel. — Schongelen, bw. ow. schongt-lde, heeft ge-scbongeld. Schommelen. — Schongeltng, v. (-en). — Schon^elton7v, o. en v. (-en).

scliouk, v. (-en). Groot, grot been. — Schonkig, bn. Met veel schonken.

■choof', v. (..ven). Garf. Duigen van het vaatwerk. (Zeew.) Verzameling van al de deelen, waaruit eene sloep is samengesteld. — Schoof cijns, ra. .zen). — Schoof-land, o. (-en). Land, waarvan de zesde schoof nog boven de tiende wordt betaald.

Ncliooicn, bw. ow. schooide, heeft geschooid. Bedelen. Als schooier rondloo-

. — SCHO

pen. — Schooier, m. (-s). — Schciery, v. (-en). — Schooister, v. (-s),

scliool, v. (scholen). Personen, inz. kinderen, die ergens onderwijs ontvangen. Gebouw, waar dit onderwijs gegeven wordt (dan ook onz.). Stelsel, leerwijze. De navolgers van groote meesters (in kunsten, enz.). De Hollandsche, de Vlaamsche schilderschool. — Sl h'olarrondissement, o. (-en). — Schoolatlas, m. (-sen). — Schoolbank, v. (-en). — Schoolbe hoef ten, v. mv. — Schoolbestuur, o. (..uren). — Schoolbezoek, o. (-en). — Schoolbibliotheek, v. (..eken). — Schoolblad, o. (-en].

— Schoolblijven, ow. bleef school, is schoolgebleven. — Schoolboek, o. en m. (-en).— Schoolbord, o. (-en). — Schoolcommissie, v. (..icn, -s). — Schooldistrict, o. (-en). — Schoolfeest, o. en v. (-en).— Schoolgaan, ow. ging school, heeft schoolgegaan. — Scho' Igebouzv, o. (-en). — Schoolgeld, o. (-en). — Schoolgeleerde, ra. (-n).— Schoolgeleerdheid, v. — School' gezel, m. ^-len). — Schoolhouden, hield school, heeft schoolgehouden. Bw. Na schooltijd houden. Ow. Onderwijs geven.

— Schoolhouder, m. (-s).— Schoolhoud-ster, v. (-s). — Schoolhuis, o. (..zen). — Schoolinspectetir, m. (-en, -s). — Schoolinspectie, v. (..iën, -s). — Schooljaar, o. (..aren). — Schooljeugd, v. — Schooljongen, ra. (-s). — Schooljuffrouw, v. (-en).

— Schoolkaart, v. (-en). — Schoolkamer, v. (-s). — Schc Irameraad, ra. (..aden).

— Schoolkast, v. (-en). — Schoolkind, o. (-eren, -s). — Schoolklok, v. (-ken). — Schoolleer aar, ra. (..aren). — Schoollokaal, o. (..alen). — Schnolliggen, ow. lag school, heelt schoolgelegen. Op kostschool zijn. —Schooltnakker, ra. (-s). — Schoolmat res, v. (-sen). — Schoolmeester, ra. (-s). — Schoolmeesterachtig, bn. bijw. Ingebeeld, verwaand. Gebiedend. — Sch o o lm eest ei -ach ti\i heid, v. — School-meesiet lijk, bn. bijw. Schoolmeesterachtig. — Schoolmeester schap, o. — School-meestersplaats, v. ( en). — Schoolmeester spost, ra. (-en). — Schoolmeisje, o. (-s).

— Schoolmei'bel, o. (-en, -s). — Schoolmuseum, o. (-s). — Schoolo?ider7vys, o.

— Schoolonderwijzer, ra. (-s). — School-onu er wijzer es, v. (-s). — Schoolopziener, ra. ( s). — Schoolopzi'nelt; spost, m. — Schoolorde, v. — Scnoolplicht, ra. en v. ( ei-). — Schoolplichtig, bn. — School-rechi, o. (-en). — Schoolreglement, o. (-en). — Schoolsch, bn. bijw. Van eene school. Volgens gebruik, naar de wijze eener schooi. De schoolsche leerwijze : de methodische (ook verwaande) leerwijze. — Sch ooi sch heid, v. — Schoolstof, o. — Schoolstrijd, ra. — Schooltijd, ra. (-en). — Schooltoezicht, o. — Schoollucht, v. — Schooluur, o. (..uren). — Schoolvacan-tie, v. (..iën, -s). — Schoolverlof, o. — Schoolvertrek, o. (-ken). — Schquot;olver~ Z7iim,o.— Schoolvos, m, (-sen). Betweter. — Schoolvosseri/, v. Betweterij. — Schoolvossig, bn. bijw. Verwaand. — Schoolvossigheid, v. — Schoolvrouw, v. (-en), — Schoolwerk, o. (-en). — Schoolwet, v. (-ten). — Schoolwetgeving, v. —


ocr page 761

SCHO — 6c

Schoolwezen, o. Alles wat tot de inrich-tirtf en het bestuur der scholen behoort. — Schoolwijsheid, v. — Schoolznnk, v. (..aken). — Schoolziek, bn. — Schoolziekte, v. (-n). — Schoolzerg, v. (-en).

HCliool, v. (scholen). Groote menigte, -verzameling : eene school visschen.

Nolioou, bn. bijw. Wat het gezicht aangenaam aandoet : schoone norden. Wat bet gehoor streelt : cene schoone stem. Wat ons aesthetisch gevoel aangenaam aandoet : een schcon gt-diclu. Wat ons zedelijk gevoel treft : schoone daden. Wat een aangenamen indruk maakt : schoon weder. Marierlijk, eerlijk : schoon te werk gaan. Geschikt : een-; schoone gelegenheid. Goed : eene schoone kans. Rein, zuiver : «choore kousen. Schoon papier, zonder vlakken, om beschreven, onbetee-kend. Zuiver, held r: schoon water. Het schoone eeslacht. Eene schoone hand schrijven, tteKenen. De schoone kunsten, zie Kunst. 5000 fr. schoon geld, na aftrek van alle onkosten. Groot, aanzienlijk : eene schoone sum geld. Het schoonste, het gekste, het vt rn;ak« lijkste van de grap. Het koren staat schoon, groeit welig. Geheel en al : alles schoon opeten. — Schoon, o.

— Schoon, vw. Ofsci oon. Alhoewel- — Schoonbijten, ow. beet schoon, heeft schoongebeten (van metalen voorwerpen).

— Schoonblad, o. (-en). (Drukk.) Afgedrukt blad. — Schoonbroeder, m. (-s). Bebuwdbroeder : broeder van den man of de vrouw. — Schoondochter, v. (-s). Behuwddochter : vrouw van den zoon. — Schoondruk, m. (Drukk.) De eerste gedrukte zijde. Afgedrukt blad. — Schoone, v. (-n*. Schoone vrouw of meisje. —Schoone, o. Hetgeen schoon is. — schoonde, heeft en is geschoond. Bw. Schoonmaken. Ow. (zijn) Schoon worden. — Schoonheid, v. (..heden).— Schoonheidsgevoel, o. —Schoonheidskijker,rci.[r€).Q2\Gi^os,coo^.

— Schoonheidsleer, v. — Schoonheidszin, m.— Schoonhouden, bw. hield schoon, heeft schoongehouden.—Schoonklinkend, bn. — Schoonmaak, v. — Schoonmaak-duivel, m. — Schoonmaakster, v. (-s). — Schoonmaaktijd, m. — Schoonmaken, bw. maakte schoon, heeft schoongemaakt.

— Schoonmaken, o. — Schoonmaker, m. (-s). — Schoonmoeder, v. (-s). Behuwd-moeder : moeder van den man of de vrouw.

— Schoogt; ouders, m. mv. — Schoonry-den, o. — Schoonpraat, m. en v. (..aten). Vleier. Vleister. — Schoonprater, m. (-s).

— Schoonpraat Eter, v. (-s). — Schoon' schijnend, bn. bijvv. —Schoonschrift, o. (-en). Net geschreven schrift. — Schoon-schryjkunst, v. — Schoonschrijver, m. (-s). — Schoontalig. bn. Welbespraakt. — Schoonte, v. Het schoone. De schoonheid.

— Schoontjes, bijw. Liefelijk. Vleiend. — Schoonvader, m. ( s). Behuudvader: vader van den man of de vrouw. — Schoon-zicht, o. Fraai u tzicht. Plaats, terras, koepel, waar men een schoon uitzicht heeft. — Schoonzoon, m. (..onen, -s). Behuwdzoon : man van de dochter. — Schoonzuster, v. (-s). Behuwdzuster : zuster van den man of de vrouw.

— SCHO

sclioonor Zie Schoener. — Schoo-nersbrik, v. (-ken). Brik als een schoener opgetuigd. — Schoonerstuig, o.

schoor, m. (..oren). Aangespoeld land. selioor, m. en v. (..oren). Stut, steun, schraag, steunbalk.— Schoor, bijw. Schrap, vast : zich schoor zetten. — Schooraas, o. .azen). Haft. — Schoorbalk, m. (-en), teunbalk. — Schoorhoek, ra. (-en). Gemetselde hoek tot steun. — Schoor hout, o. (-en). — Sc boorijzer, o. (-s). — Schooi'lat, v. (-ten). — Schoormuur, ra. (..uren). — Schoorpaal, ra. (..alen). — Schoorpijlert m. (-s). — Schoorpilaar, ra. (..aren). — Schoorplank, v. ( en). — Schoorpost, ra. (-en). Post onder eene dlt;»ur. —Schoorstuk, o. (-ken). — Schoorvoeten, ow. schoor-voette, heeft geschoorvoet. De voeten schoor zetten. Aarzelen. — Schoorvoetend, bn. bmv. Aarzelend. Langzaam, ongaarne. — Schoorwerk, o.

SoIroorl {J. van), 1495-1562, Schoorl. Hisiorit schilder. De Maagd met het Kindeken; Dood der Maagd.

Moliooi'Nfeon, ra. (-en). Opgaande gemetselde pijp om den rook van het \uur naar buiten te leiden. Gedeelte van den schoorsteen binnen het vertrek. Gedeelte van den schoorsteen boven bet dak. Schoorsteenmantel. Daar kan de schoolsteen met van rooken : dat geeft geene winst. — Schoorsteenband, ra. (-en). — Schoor' steenboezem, ra. (-s). Ruimte, ingang aan eenen schoorsteen. — Schoorsteenbrand, m. (-en). — Schoorsteengat, o. (-en). — Schoorsteenkap, v. (-pen). — Schoorsteen-kleed, o. (-en). — Sc Jt 001 steen krekel, ra. (-s). Wordt aangetroffen achter de haardplaten in boerenwoningen. — Schoorsteenmantel, ra. (-s). — Schoorsteenpijp, v. (-en). — Schoorsteenplaat, v. (..aten). — Schoorsteen raam, o. cn v. (. amen). — Schoorsteen' and, ra. (-en). — Schoor-steenregister, o. (s). (Stooraw.) IJzeren plaat, waardoor de trekking van den luchtstroom in den vuurhaard wordt geregeld.

— Schoorsteen roet, o. — Schoorsteen-schut, o. {-ten),schoorsteenstuk, o. ( ken).

— Schoorsteentong, v. (-en). Scheiding in eenen schoorsteen. — Schoorsteenval, v. (-Ion). — Schoorsteenvegen, o. — Schoorsteenveger, m. (-s). — Schaorsteenzwa-lu7f, v. (-en). Hirundo rust tea.

Nolioot, ra. (-en). (Zeew.) Touwaan den ben» denhoek van ieder zeil vastgemaakt en dienende om het te spannen. — Schootblok, o. cn m. (-ken). — Schootgat, o. (-en). — Schoothoren, ra. (-s). — Schootknechten, ra. mv. Hout, waaraan de schoo-ten verbonden worden.

KVlioot. m. (-en). Bocht aan het onderlijf van eenen mensch, inz. wanneer hij zit. Deel van een kleed, dat d en boe t bedekt. Zijstuk van eere japon of jas, pand. Het binnenste, hel hart ; de schoot der aarde. In den schoot, te midden zijner vrienden terugkeeren. Het hoofd in den schoot leggen : zijnen weerstand laten varen. — Schoothondje, o. (-s). — Schootkind, o, (-eren). —Schootsvel, o. (-len). Lederen voorschoot van werklieden.

«elioot, m. (..oten). Loot, spruit. Uit-


ocr page 762

SCHO — 6

•pruitsel (van aardappelen). Tong (aan een slot). Pijnlijke steek : schoot in de zijde. — Schootkramvieijey o. ( s). (In een slot). — Schootplaat, v. (..aten). Slotplaat.

.tcliootgraaii, ow. ging schoot, is schootgegaan. Zijn vlieger ging schoot, vloog weg. Wegloopen (met).

soltoollistriiig:, v. (stofn.); m. (-en) ,roorwerpsn.). Haring, die na het kuit-achieten gevangen is.

seliootvrü» bn. Bomvrij. Beveiligd voor gevaar.

Hclioot^vsamp;tcr, o. Rivierwater, dat in zee stroomt.

Koliooven, bw. schoofde, heeft geschoofd. In schooven binden. — Schoovrn-binder, ra. (-s).— Schooveiibi'udst-

Hclioovcrskoelfjcjv. (Zeew.) Zachte wind.

st'liooverzeil, o. (-en). Zeil aan den grooten mast.

scliop, v. (-pen). Schommel.—Schop-en, bw. ow. schopte, heeft geschopt, chommelen. —Schopstoel, m. (-en). Bakje aan den schommel. Op den schopstoel zitten : zijnen val nabij zijn. — Schoptouw% o. en v. (-en).

«cliop, v. (-pen). Werktuig om aarde, enz. op te nemen. Spade.

HCliop, m. (-pen). Trap, trede. Stoot (met den voet). lem, den schop geven, ontslaan, wegjagen. — Schoppen, bw. ow. schopte, heeft geschopt. Sctioppen geven. Achteruitslaan (van paarden). lera. in den nek schoppen, hem spottend bedriegen. — Schnpper, m. (-S). — Schopping, v. — Schnpster, v. (-s).

Scliopenliaucr (^4.),1788-1860,Dant-zig. Durtsch wijsgeer. Die welt als Wille und Vorstellung (1819).

Hclioppcia, v. mv. Eene der figuren of kleuren van het kaartspel. — Schoppenaas, o. (..azen). — Schoppenacht, v. (-en).

— Schoppenblad, o. (-en). — Schoppenboer, m. (-en). — Schoppandrie, v. ( ën).

— Schoppenheer, ra. ( en). — Schoppennegen, v. (-s). — Schoppentien, v. (-en).

— SchoppentTX'ee, v. (-en). — Schoppen-vier, v. (-en). —Schoppenvi/'f, v. (..ven).

— Schoppenvrouw, v. (-en). — Schoppenzes, v. (-sen). — Schoppemeven, v. (-s). — Schoppenzot,m. (-ten).

sclior, v. (-ren), Holiorrc, v. (-n). Lage slijkgronden buitendijks.

schor, bn. bijw. Heesch : schor geluid. Steil, kaal : schorre kusten. —Schorheid, v.

seliorcn, bw.^ schoorde, heeft geschoord. Stutten. Steunen. Schragen. — Schoring, v. (-en).

soliorl, m. (-en). Steenachtige, soms metaalachtige zelfstandigheid in de granietbergen, enz.

scliorpiocu, m. (-en). De schorpioenen maken eene orde uit der spinachtinen. Zie Bijgevoegde Tabellen. Men vindt deze gifdragende dieren in alle tropische gewesten en in de warmere streken der gematigde aardgordels. Scherpe en wondende geesel. Een der teekenen van den dierenriem. — Schorpioenachtig, bn. — Schor-pioenkruid, o. Zeker peulgewas, in het

8 — SCHO

Zuiden van Europa. Ook, muizenoor. — Schorpioenolie, v. — Schorpioensteek, m. (..eken). — Schorpioenvisch, ra. (..sschen). De schorpinenvtsschen vormen eene talrijke familie van visschen. — Schorpioen-vlieg, v. (-en). Zeker netvleugelig insect, Leelt van kleinere insecten. — Schorpioen-vormig, bn. — Schorpioenweegluis, v. (..zen).

scliorrcmori-ic, o. Rommelzoo. Gepeupel.

soltors, v. (-en). Buitenste bekleedsel van boomstammen, enz. Aan de schors hangen : alleen naar het uiterlijke zien. — Schorsachtig. bn. — Schorsdoek, o. Indische stof. Wordt vervaardigd uit boomschors. — Schorsen, bw. schorste, heeft geschorst. Van de schors ontdoen. — Schorslaag, v. (..ay:on). • scaliorsolivolt;*ii*lt;lagr, ra. (-en). Woensdag voor Paschen.

scliorscu, bw. schorste, heeft geschorst. Uitstellen : zijn oordeel schorsen. Tijdelijk sluiten : eene vergadering schorsen. Tijdelijk ontzetttr. (van een arabt).— Schorsing, v. (-en).

scliorseueel, v. (..elen), schorseneer, v. (..eren). Plant ract penvorraigen, vleezigen, uitwendig zwarten en inwendig witten wortel. Wordt algemeen gekweekt in de moestuinen. — Schor se neer bed, o. (-den). — Schorseneerwortel, ra. (-s).

schort, v. (-en). Voorschoot. — Schor-teband, m. (-en). Band van eene schort. — Schorteldoek, ra. (-en). Schootsvel. Schort.

— Schortelint, o. (-en). Lint van eeno schort.— Schortelkleed, o. (-en). — Schor-tenband, ..lint, o. Band, lint voor schorten. — Schortepinnetfe, o. (-s). Rijgpin.

— Schorthaak, ra. (..aken).

schorleu, schortte, heeft geschort. Bw.

Opschuiven, uitstellen : de betalingen schorten. Eenpw. Haperen, deren, hinderen : wat schort er aan ? O w. In elkander sluiten. Dat schip is wel geschort, zit van achteren goed ineen. —Schorting, v.

schortüzcr, o. ( s). Haal (2® art.).

schot, o. (-en). Losbranding van een vuurwapen. Uitwerksel der losbranding. Hoeveelheid kruit, hagel, enz., die men op een schiettuig laadt. Niet elk schot is een eendvogel ; niet alles, wat men onderneemt, gelukt. — Schot, o. Spoed, vooruitgang ; er raoet wat meer schot bij zijn. (Zeew.) Schot geven : de kabels vieren; iera. wat ruimte van tijd of middelen geven. Er is schot in de melk : de boter scheidt zich te vlug af. Het omhoog groeien : hij begint schot te krijgen. Opbrengst : de aardappelen zijn van een goed schot. — Schot, o. (-ten). Afsluiting, afscheiding van nlanken. Alscheiding : schot in den neus. Varkenskot. Schapenhok. — Schot, o. Belasting. Hoofdgeld. — Schot-balken, ra. mv. Balken om sluisdeuren, enz. te versterken. — Schotbeest, o. en v. (-en). Mestdier. Liederlijke persoon. —• Schotbout, ra. (-en). (Zeew.). — Schotdeur, v. (-en). Valdeur, tot sluiting van sluizen. — Schotdoorn, ra. (-en). Araeri-kaansche schotdoorn : acacia. — Schottig, bn. Scheutig. — Schotkruid, o. Witte of


ocr page 763

699 —

SCHR

SCHO

kleine huislook {sedum album). — Schot-spyker, m. (-s). Scheepsspijker met jonden kop. — Schotvaars, v. (..zen). Jonge koe.

— Schotvarken, o. (-s). Varken, dat in een schot gehouden wordt. Liederlijke persoon. — Schohverk, o. (-en). Schuttingen en toebehooren. — Schotruilg, m. (-en). Opgeschoten wilg.

scliotcl, m. (-en, -s). Ronde schaal met vlakken bodem en v'akken rand om er spijzen op te doen. Spijs (in den schotel) : zij hadden vier schotels, vier gerechten, (-s) Ovenpaal. — Schoteldiertje, o. (-s). Zeker rateldiertje {lepadella), — Schotel' doek, m. (-en). — Schotelen, bw. schotelde, heeft geschoteld. Op eenen schotel doen. Opdisschen. — Schotelhuis, o. (..zen). —Schotelkomfoor, o. (..oren).— SchoteHekken, ..likken, ow. schotellekte, heeft geschotellekt. Op de klap loopen. Tafelschuimen. — Schotelteken, o. — Scho-t*llikker, m. (-s). Tafelschuimer. — Schotelrak, ..rek, o. (-klt;7n). — Schotelring, m. (-en). — Schote Iran ter, o.

Schotel i0 {J. O, 1787-1838, Dor-drecWi Zeeschilder. — 20 Zijn znon (£?. D. J.), 1807-1892, Dordrecht. Geschiedschrijver. Geschiedenis der rederijkers in Nederland (1862); de openbare eercdienst der Nederl. Herv. Kerk in ds 16quot;, /7® en iSe eeuw (1871).

Scliotlsind, o. Zie Britarnië. — Schot, m. (-ten). Inboorling van Schotland. — Schotsch, bn. — Schotsch, o. De Schot-sche taal. — Schotsch, schrttisch, m. (-en). Schoische dans van gematigde beweging.

scliots, v. (^en). Drijvmde ijsklomp.

seliols, bijw. Op lompe wijze. — Schotsch, bn. Scheef. Lomp. Ruw. — Schotschheid, v.

HCliotMClivift, o. (-en). Schimpschrift.

geliotvrQ, bn. Schootvrij.

m. (-s, -en). Rond bovendeel van den arm tot den 1 als (bij den mensch). Deel van een kledingstuk, dat den schouder bedekt. Gedeelte van het lichaam boven de voorpootcn ibij viervoetige dieren). (Slag.) Schouderstuk. — Schouder ader y v. (-en, -s). — Schouderband, m. (-en). ^Ontl.). — Self ouderbeen, o. (-en). — Schouderblad, o. (-en). Driekantig been, waarin de bovenarm geleed is. — Schouder breedte, v. (-n). — Schouderbreuk, v. (-en). — Schouderen, bw. schouderde, heeft geschouderd. Op de schouders nemen. — Schouder haak, m. (..aken). — Schouder hoek, m. (-en). (Ontl.). — Schouderhoogte, v. — Schru-derj'ict't, v. — Schouderkwast, m. ( en).

— Schouderlap, m, (-pen). — Schouderlint, o. (-en). — Schoudermantel, m. (-s).

— Schoud*rnaad, ra. (..aden). (Ontl ). — Schouderophalen, o. — Schouder stoot, m. (-en). — Schouderstuk, o. (-ken). (Slag.) Stuk van den schouder, vooibout. (Naaist.) Stuk ter versterking van den schouder in een hemd. Stuk, dat den schouder bedekt (aan eene wapenrusting). — Schou(w)mantel, m. (-s). Schoudermantel.

sellout, m. (-en). Gerechtelijk beambte. Baljuw. (Midd«l.) Was belast n et de politie. Scholtcboer. — Schoutambt, o.

— Schout-by-nacht, m. (schouten-bijnacht, schout-bij nachts). Hoofdofficier m rang volgende op den onderadmiraal. — Schout-bi/'-nachtsschip, o. (..epen). —• Schout-bij-nachtsvlag, v. (-gen).— Schou-tin,v. (-nen).—Schoutschap,o.— Schoutsdienaar, m. (..aren). Agent van politie. — Schoutsrechtbank, v. 1-en). — Schoutsrol, v. (-len).

seliouw, bn. bijw. Schuw.Wild, woest: het girg er schouw toe. Liederlijk : hij leeft zeer schouw.

sclionw, v. (-en). Pont. Elke opene schuit : modderschouw. — Schouwman^ m. (..lieden, ..lui). Veerman. —Schouw recht, o. Veer-pontgeld. — Schouv.'spuii, v. (-en). Drijvende brandspuit. — Schouw-v oer der, m. ( s).

sclionw, v. (-en). Schoorsteen, inz, op een dak. — Schouwmantel, m. (-s).

solionw, v. (-en). Schouwing, onderzoek : wapenschouw. Toezicht inz. van grachten en wegen. De schouw rijden : den toestand van wegen, dijken en wateringen ondsrzoeken. Personen met de schouw belast. — Schouwburg, ra. (-en). Gebouw, waar tooneelvoorstellingen worden gegeven. Al de aanwezige aanschou-wers. — Schouwburgbezoeker, ra. ( s). — Schouwburgbrand, m. ( en). — Schouw burgorkest, o.j-en). — Schouwburgper-soneel, o. — Schouwburgpubliek, o. — Schouwbu-rgzaal, v. (..alen). — Schouw' cedel, v. ( s). Proces verbaal een er gerechtelijke lijkschouwing.—schouwde, heelt geschouwd. Bw. Bezien, bezichtigen, in ocgenschouw nemen. Een lijk schouwen : de oorzaak van den dood zoeken. Dijken schouwen, hunnen staat opnemen. Voor schuldig schouwen : iem. vuil schouwen. Schatten : hoe hoog schouwt gij dat wel? Ow. Zien. Blikken. — Schouwer, m. (-s). — Schouwing, v. (-en). Het schou-wen.Monstering.Lijksch omving.—

lustig, bn. — Schouwplaats, v. (-en). — Schouwster, v. (-s). — Schouwrecht, o. Recht om schouwing te houden (over). — Schouwspel, o. (-en). Handeling, welke tot vermaak van toeschouwende personen wordt verricht. Volgens de regelen der kunst ingerichte nabootsing van raensche-lijke hande lingen. Voorval, dat met eenige* belargstelling wordt aangezien : een roerend schouwspel. — Schouwspeler, m. (-s). Tooneelspeler. — Schouws,peelster, v. (-s)r

— Schouwtooneel, o. (-en). Schouwburg. Speeltooneel. — Schouw to ren, m. (-s).

KolioTcn ,ow. schoofde,heeftgeschoofd. Schoften.

v. (..agen). Steunsel van in-eengewerkte houten om iets te dragen. Stelling. Draagezel. — Schraagbalk, ra. ^-en). — Schraai;beeld, o. (-en). (Rouwk.) Zuilbeeld. — Schrnaghoquot;t, o. (-en). — Schraagstoel, m. ( en). — Schraaqswifze, ..wijs, bijw. — SchraagDorviig, bn.

Holiraag-, bijw. Schuin : iets schraag afzagen. Nauwelijks : er is schraag een halve meter. Schaars : alles was schraag.


ocr page 764

— 700

SCHR

SCHR

-«— Schraag/es, bijw. Krapjes. — Schraag-Je, v. Schaarschte.

MOlirasiI, bn. bijw. Mager : een lange en schrale hals. Weinig vet bevattende, armoedig : schrale kost. Dim, schraal bier. Onvruchtbaar: schrale gicmd. Het koren staat schraal, niet welig. quot;Weinig opleverend : een schrale dienst. Weinig voorzien : schrale beurs. Karig : iem. schraal beloo-nen. De winter is een schrale tijd, waarin niet veel te verdienen valt. Niet ruim : een schrale kas. Nifts beteektnende : een schraal bewijs. Schraal rondkomen : nauwelijks, met moeite rondkomen. Schraal meten : geene overmaat geven. Onge-schaafd : de schrale kant (van hout). Schor: hij is schraal op de borst. Ruw, koud, guur : schraal weer. — Schraal/tans, m. [..zen). Smalhans. — Schraalheid^ schraalte, v.

— Schraaltjes, bijw. Magertjes. Armoedig. Karig.

aeliraatp, v. (..apen). Het schrapen. Iem. eene schraap geven, hem doorhalen.

— Schraapachtig, bn. bijw. Inhalig, vrekkig. Schrapend (met de keel). — Schraap-achtigheid, v. — Schraapyzer, o. (-s). — Schraapmes, o. (-sen). — Schraapsel, o. (-s). — Schraapstaal, o. (..alen). — Schraapzucht, v. — Schraapzuchtig, bn.

«clirab, v. (-ben). Krab. Schrap. — Schrabbelen, bw. schrabbelde, heeit ge-schrabbeld. Schrabben. — Schrabben, bw. schrabde, heeft geschrabd. Schrabben maken (in). Een varken schrabben : het haar van de geschroeide huid afkrabben. — Schrabber, m. (-s). — Schrabbin%, v. — Schrabijzer, o. (-s). — Schrabrnes, o. (-sen). —Schrabsel, o. (-s).

selirstfelen, bw. schrafelde, heeft ge-schrafeld. Bijeenschrapen (inz. geld). — Schrafelnar, m. (-s). —Schrafelaarster, v. (-s). — Schrafeling, v.

Holirsagren, bw. schraagde, heeft geschraagd. Stutten. Steunen. Iem. in zijne Aroornemens schragen, hem helpen. — Schraging, v.

scliralcn, ow. schraalde, is geschraald. Inkrimpen. Min gunstig beginnen te waaien (van den wind).

scliram, v. (-men). Oprijtingder huid. Lichte wond. — Schrammen, bw. schramde, heeft geschramd. De huid even openrijten. Licht kwetsen.

hcIi ran der, bn. bijw. Vlug van doorzicht. Scherpzinnig. Snedig. Verstandig. — Schr ander heid,v.— Schrander lijk, bijw.

sclirank, v. (-en). Omtuiningmet staken of palen, die schraagswijze in den grond

fezet worden. Schraag. Iem. in schrank, ij zijnen plicht houden. —ezet worden. Schraag. Iem. in schrank, ij zijnen plicht houden. — Schrank, v. (-en). Bundel groen vlas, bestaande uit omtrent twintig handvollen, die kruiswijze de eene over de andere liggen. — Schr ankelaar, m. (-s). — Schrankelbeen, o. (-en). Krom, naar buiten gebogen been. — Schrankelbeen, m. en v. (-en). — Schran-kelbeenen, ow. schrankelbeende, heeft ge-schrankelbeend. Met kromme beenen loo-pen. De beenen kruiselings over elkander slaan. — Schrankelen, ow. schrankelde, heeft geschrankeld. Buiten den haak, scheef zijn. — Schranken, schrankte, heeft geschrankt. Bw. Met eene schrank omheinen. Kruiselings over elkander leggen of zetten : de armen, de beenen schranken. Kruisen : de treinen schranken elkander in de statie. Beurtelings nu het een en dan het ander zetten, planten : eene dreef planten met beuken en linden en deze boo-men schranken. Vervangen : elkander schranken in het waken bij eenen zieke. Voorbijgaan : van huis tot huis gaan zonder een te schranken. Vermijden in 't voorbijgaan : voerman, schrank den schutspaal. De tanden eener zaag schranken : beurte-liugs den eenen tand naar deze, den anderen naar gene zijde uitbuigen. Ow. Kromme, buitenwaarts staande beenen hebben : die man schrankt een weinig. (Timm.) Niet haaksch zijn. Kruisen (van personen of rijtuigen) : waar schranken de treinen ? Beurtelings afwisselen : de staarde rijmen schranken met de slepende. (Kaartsp. enz.) : het spel is met vier en wij zijn met vijf, dus moet er telkens een schranken. — Schranking, v. (-en).

Heliranscu, ow. schranste, heeft geschranst. Sterk, gulzig eten. Zich te goed doen. — Schranser, m. (-s). — Schran-senj, v. — Schransing,v. (-en).— Schrans-ster, v. (-s).

Sclirant (y. M.), 1783-1866, Amsterdam. Priester. Hoogleeraar (Leiden). Letterkundige. Leven van Jezus (1808); Geschiedenis des vaderlands voor de scholen (1^46).

«olirap, bn. Naarstig en profijtig om zijn brood te winnen : die gehuwden zijn beiden even schrap. Al le spaarzaam : een schrappe vent. Zeldzaam : de goede aardappels zijn schrap tegenwoordig. Koud, ruw, dor : schrap weer. Schrappe tijd : tijd, waarin niet veel te verdienen is. Bijw. Spaarzaam en zuinig : schrap leven. Het is er maar schrap in dit huis : men lijdt er nood.

sclirap, bgw. Scherp. Gereed (tot). Zich schrap zetten ; met een vasten voet eenen stand innemen tegen eenen aanvaller. Zijne zinnen schrap zetten : zich gereed maken om goed toe te luisteren.

«lt;*lirap,v. (-peni. Schrab, krab. Doorhaling. — Schrappen, bw. schrapte, heeft geschrapt. Schrapen. Doorh al en.—Schrapper, m. (-s). — Schrapping, v. (-en). — Schrapsel, o. (s) — Schrapster, v. (-s).

scli ra pen, sch raapte, heeft geschraapt. Bw. Met de gekromde vingers eener uitgestrekte hand bijeenhalen. Opstapelen. Vrekkig bijeenzamelen. Afkrabben. Ow. Met de keel schrapen : het slijm uit de keel zoeken los te maken. — Schraper, m. (-s). — Schraapster, v. (-s). — Schraperig, bn. — Schraperigheid, v. — Schraping, v. — Schrapyzer, o. (-s).

Melirelt;l, m. (-en). (Dicht.) Schrede.

sell red o, v. (-n). Tred, trede, stap : met rassche schreden gaan. Wijdte van eene schrede : het is maar een paar schreden van hier. Daad, gedrag : zet uwe schreden op het pad der deugd.

selireef, v. (..even). Streep, lijn, met potlood, enz. op iets getrokken. Doorhaling : trek eene schreef door zijnen naam.


ocr page 765

SCHR — 7

Halve opening : de deur staat op eene schreef. Dit gaat de schreef te buiten, gaat te ver.

schreeuwen, bw. ow. Een hard keel-

feluid geven, hard roepen, zeer luide spre-en : iem. iets in 'toor schreeuwen, moord en brand schreeuwen. Schreien : dat kind schreeuwt dag en nacht. Uitvaren, tieren : hij schreeuwde wat af. Pochen ; hij schreeuwt wel, maar doet niét veel. Die misdaad schreeuwt tot God, roept om wraak. Luid roepen (van sommige dieren): de pauw schreeuwt. ^Van kleuren) scherp tegen elkander aisteken : die kleuren schreeuwen tegen elkander. —eluid geven, hard roepen, zeer luide spre-en : iem. iets in 'toor schreeuwen, moord en brand schreeuwen. Schreien : dat kind schreeuwt dag en nacht. Uitvaren, tieren : hij schreeuwde wat af. Pochen ; hij schreeuwt wel, maar doet niét veel. Die misdaad schreeuwt tot God, roept om wraak. Luid roepen (van sommige dieren): de pauw schreeuwt. ^Van kleuren) scherp tegen elkander aisteken : die kleuren schreeuwen tegen elkander. — Schreeuw, m. (-en). Hard geluid met de stem. Gil. — Schreeuwachtig, bn. — Schreeuwbek, m. en v. (-ken). — Schreeuwend, bn. — Schreeuwer(d), m. (-si.— Schreeuwerig, bn. — Schreeuwerigheid, v. — Schreeu-wing, v. — Schreeuwleely'k, m. en v. (-en). Schreeuwer. — Schreeuwsmnel, m. en v. (-en). —Schreeuwster, v. (-s).

HChreieu, bw. ow. schreide, heeft geschreid. Schreeuwen, roepen, huilen. Tranen storten, weenen. — Schreiend, bn. — Schreier, ra. ( s). — Schreieng, bn. — Schreister, v. (-s).

sclirepol, bn. Mager. Schraal, «elirepen, bw. ow. schreepte, heeft geschreept. Krabben. Afkrabben : wortels schrepen. — Schrefier, m. (-s). Iets, dat dient om te schrepen. Schraper. Gierigaard, sclircnven, v. mv. Scharbillen. schrlek, m. (-en). Trekvogel (rallus aguaticus). Behoort tot de waterhoenders.

selirlel, bn. bijw. Kaal, karig, een schriel onthaal. Inhalig : schriel met alles zijn. Langen mager: datkind is erg schriel. Lang en spichtig : schriele planten. — Schrielheid, v. — Schrieligheid, v. (..heden).

selirlft, o. (-en). Het schrijven. Alles wat geschreven is of wordt : zijn schrift is niet leesbaar. Schrijfoefening : hebt gij uw schrift af? Schiijfboek : de schriften rond-deelen. Geschrift, werk, boek. Bewijs : ik heb een schrift van zijne hand. Schuldbekentenis : van hem heb ik geen schrift noo-dig. Zijne schriften : zijn letterkundige arbeid. — Schrift (h.), v. Gezamenlijke bijbelboeken. — Schriftelijk, bn. bijw. Gesclireven. In schrift Bij geschrifte. — Schrtfteloos, bn. — Schriftgeleerde, m. (-n). Die bedreven is in de h. Schrift (inz. bij de Israëlieten). — Schriftgeleerdheid, v. — Schrtftkenner, m. (-s). — Schriftmatig, bn. Overeenkomstig de h. Schrift. — Schriftmatigheid, v. — Schriftuur, v. (..uren). Geschreven stuk, inz. geschreven Woord Gods ; « Boeken, die zoowel in het Oud- als in het Nieuw-Testaraent, van heilige mannen, door het ingeven en den zonderlingen bijstand van den h. Geest,

Beschreven zijn, » —eschreven zijn, » — Schriftuurlijk, bn. ijw. Overeenkomstig de h. Schriftuur. — Schriftuurplaats, v. (-en). Aanhaling uit de h. Schrift. — Schriftvast, bn. In den Bijbel zeer belezen.— Schriftvervalscher. m. (-s). — Schriftvervalsching, v. (-en).

•clirtf bcencu, ow. schrijbeende, heeft geschrijbeend. De beenen wijd van elkan-

i — SCHR

der zetten (onder 't loopen). — Schrybee-' nen, o. — Scht yCdeJlings, bijw. De bee--nen uiteenzettend! of houdende. — Schry-(de)lingsch, bn. Met de beenen wijd uiteengezet. — Schrijden, ow. schreed, heeft en is geschreden. Schrijdelings loopen. Zich langzaam doch vast voortbewegen. —•' Schrijding, v. ,

HClirifn, o. en v. (-en). Kast van hm hout. Doodkist. Reliquieënkast. Zitbank langs den muur in eene kerk. — Schrijnen, bw. ow. schrijnde, heeft geschrijnd. Het vel afrukken : de schoenen schrijnen mij de voeten open. Brarden, gloeien (van wonden). In eene doodkist leggen en sluiten. —quot; Schrynhout, o. (-en). Hout voor meubels, enz. — Schryning, v. (-en). — Schrijnwerk, o. Kastenmakerswerk. — Schrijnwerken, ow. schrijnwerkte, heeft geschrijn-werkt. Meubels, enz. maken. — Schryn-werker, m. (-s). — Schrynwerkersbank, v. (-en). — Schrijnwerkersknecht, m. (-s). — Schrijnwerker slijm, v.

HClirliven, schreef, heeft geschrevens Bw. Met eene pen, enz. letters op papier of andere voorwerpen maken. Spellen ; hoe schrijft gij dat woord? Samenstellen : een boek schrijven. Ow. Beschouwingren mededeelen : over politiek schrijven. Tegen iem. schrijven, hem in een opstel, open brief, enz. bestrijden of aanvallen. Hij weet te schrijven : hij heeft een goeden stijl. Schriftelijk vragen, ontbieden : om iets schrijven. Afschrijven : hij wint zijn brood met schrijven. Wat geschreven is, is geschreven : wat men eenmaal heeft bepaald of geteekend, is onveranderlijk. Schrijven en wrijven. — Schrijf, o. Verkorting van schrijfpapier. — Sen* yfbakje, o. (-s). — Schrijf bank, v. (-en). — Schrijfbehoeften, v. mv. — Schrijfboek, o. en ra. (-en). — Schrijfbord, o. (-en). — Schrijfquot; dag, ra. (-en). — Schrijffeil, ..fout, v. (-en). — Schryfgeld, o. (-en). — Schrijfgereedschap, . gerei, ..goed, o. — Schryf* inkt, m. — Sch rijf jeukte, v. — Schrijf-kabinet, o. (-ten). — Schrijfkamer, ra. (•s). — Schrijfkantoor, o. (..oren). —• Schrijf kas,v. (-sen). — Schrijf kist je, o. (-s). — Schrijf knaap, m. (..apen). Jongste klerk. — Schrijf kramp, v. — Schrijf* kunst, w.— Scht ijfkunstenaar, m. (-s).

— Schrijf kunstenares^. ( sen).—Sc h rijf-lade, y. (-n). — Schrijfiei, v. (-en). — Schrijfles, v. (-sen). — Schijflesienaar, ra. (-s). — Schrijfletter, v. (-s». — Scht ijf-loon, o. en m. (-en). — Schnjfiust, m. —• Schrijfmachine, v. (-s). — Schrijfmeester, m. (-s). — Schrijfmes, o. (-Sf-n). Pen-nemes. — Schrijfpapier, o. — Schrijfpen, \.{-nen)Schnj'fpnem, ra. (-enj. ',Oudt.).

— Schrijf rol, v. (-jen). — Schrijf schalie, v. (..icn). — Schrijf school, v. (..oien). — Schrijf ster,y. (-s)Schrijfstift, v. (-en).

— Schrijfstijl, m. — Schrijfstof, v. (-fen).

— Schrijftaal, v. Geschreven taal. — Schrijftafel, y. (-s). — Schrijfteeken, o. (-s). — Schrijftijd, ra. — Schnj ft or, v. (-ren). Soort van tor, die onder de schors van doode boomen leeft. — Schn/ftrant, m« — Schrijftuig, o. — Schrijfuur, o. (..uren). — Schrijf veder, v. v-eu). —


ocr page 766

SCHR _ 7

^chryfvrrtrek ,o .{-ken),—Schrijf werk,o, —Schryf-wyze, ..zvij's, v. (..zen).— Schryf-tvoede, v. — Schrijf ziek, ..zuchtig, bn. — Schrijf ziekte, ..zucht, v. — Schrijven, o. — Schri/Tcr, m. (-sU — Schrijverij, v. (-en). Geschrijf. Gekrabbel. — Schrijver-ken, o. (-s). Zwartblinkend kevertje, dat krinkelend op het water vaart {gyrinus natans). — Schryversbent, ..gild, o. (Spott.). — Schryversproef, v. (..ven). Drukproef. — Schrijverschap, o.

soli rik, m. (-ken). Hevige ontroering, welke door de plotselinge aanschouwing of gewaarwording van iets, dat met gevaar dreigt, veroorzaakt wordt. Ontsteltenis. Ontroering. Afschrik : eenen schrik hebben van het kwaad. Wat schrik verspreidt : de Jeeuw is de schrik der wouden. Groote geweldenaar : Attilawasde schrik der volkeren. Zeer groote menigte: er was een schrik van volk, zulke onderneming vraagt eenen schrik van geld. — Schrikachtig, bn. Zich schrikkend. Schichtig (van paarden). — Schrikachtigheid, v. — Schrikbarend, bn. — Schrikbeeld, o. (-en). Gedaante, gestalte, die schrik inboezemt. Vogelverschrikker. Angstwekkende voorstelling. — Schrikbewind, o. Wreede, tirannische regeering : het schrikbewind van Robespierre, Marat en Danton (i793-,94). — Schrikdier, schrikgedrocht, o. (-en). Gedrocht. Monster. — Schrikkelijk, bn. bijw. ^selijk. Verschrikkelijk. — Schrikkelijk' heid, v. (..heden). — Schrikken, schrikte, heeft en is geschrikt. Ow. (zijn) Met schrik vervuld zijn. Van schrik opspringen. Ontstellen. Bw. Doen schrikken : iem. wakker schrikken. Iets wat heet is plotseling doen afkoelen : een gekookt ei schrikken. Visch schrikken ; in kokend water even laten koken. (Zeew.) Een gespannen touw voorzichtig voeren. — Schrikkig, bn. Schrikachtig. — Schrikking, v. — Schrik middel, o. (-en). — Schrikpoeder, ..poeier, o.

— Schrikrol, v. (-len). (Zeew.). — Schrikschans, v. (-en). Veldschans. Schaats. — Schrikshoeken, m. mv. Overstaande hoeken. — Schnkschoen, in. (-en). Schaats.

— Schnkvei'wekkend, bn. — Schrikver-wekker, m. (-s). — Schrikveruekster, v. (-s). — Schrikwekkend, bn.

sclirikkctlen, schrikkelde, heeft ge-schrikkeld. Voorbijgaan, overslaan : bij het lezen heb ik eenige bladzijden geschrik-keld. Ow. Verzuimen, nalaten : als hij in de stad komt schnkkelt hij nooit van mij te komen bezoeken. — Schrikkeldag, m. (-en). Dag, welke in de maand Februari van een schrikkeljaar wordt ingelascht. — Schrikkeljaar, o. (..aren). Zie Jaar. — Schrikkelmaand, v. (-en).

■oliril, bn. bijw. Angstvallig, beschroomd : schrille blik. Schelklinkend : schrille stem. Scherp afstekend : schrille kleuren.

■clirol»f»cercii, bw. schrobbeerde, heeft geschrobbeerd. Scherp berispen, verwijten. — Schrobbeering, v. [-en). '

selirol»I»vu, bw. schrobde, heeft geschrobd. AJen vloer met water en eenen schrobber reinigen.(Zeew.)lietdek schrobben, opzwabberen. Het schip van buiten

2 — SCHR

schrobben, hoggen. — Schrobber, m. ( s). Die schrobt. Korte en versleten bezem. (Zeew.) Hog. Zwabber. Vrek. Schavuit. — Schrobbing, v. — Schrob dag, m. (-en).— Schrobnet, o. (-ten). Sleepnet. — Schrob-netvisschcrij, v. — Schrobster, v. (-s).— Schrcbtyd, m. Tijd, wanneer de tarbot, enz. gevangen wordt. — Schrobvisschery, v. — Schrobvrouw, v. (-en). — Schrobzaag, v. (..agen). Soort van handzaag. Stootzaag.

««•liroef, v. (..ven). Enkelvoudig werktuig, uit eenen cylinder, waarrond slangswijze eene scherpe of platte schroefdraad loopt, en uit eenen koker {moer genoemd), waarin de cylinder sluit, bestaande. De cylinder alleen. Werktuig, dat met eene schroef geopend en gesleten wordt. Aan speeltuigen, houten pin om de snaren te spannen. Schroef van Archimedes : schroefvormige buis, door wier omwentelingwater kan gepompt worden. De schroef zonder einde doet door ingrijping in een tandrad dit rad omdraaien. De schroef der stoombooten,uit een paar bladen bestaande, door den stoom in beweging gebracht, geeft aan het schip eene vooruitgaande beweging. Iem. de schroeven op de duimen zetten, hem plagen, pijnigen. Die zaak staat op losse schioeven, is heel onzeker. — Schroefas, v. (-sen). — Schroefbank, v. l-eni. — Schroef blik, o. (-ken). (Vuurw.).

— Schroefboor, v. (..oren). — Schroef-boot, v. (-en). — Schroefbout, m. (-en). — Schroefdraad, m. (..aden). — Schroef-flesch, v. (..sschen). Flesch met geschroef-den stop. — Schroefgang, v. (-en). — Schi oefhoren, m. (-sj. Zeker schelpdier.

— Schroef kop, m. (-pen). Schroefmoer. — Schroeflijn, v. (-en). — Schroejmoer, v. (-en). — Schroefpers, v. (-en). (Drukk.).

— Schroefplaat, v. (..aten). (Vuurw.). — Schroef rad, o. (-eren). — Schroef sleutel, m. (-s). — Schroef sint,o. (-en).— Schroef-sluis, v. (..zen). — Schroef staart, m. (-en). — Schroefstoomboot, v. (-en). — Schroef stuk, o. (-ken). — Schroefswijze, ..w//.v, bijw. — Schroef tang, v. (-en). — Schroef tap, m. (-pen). — Schroefvormig, bn. — Schroef werk, o. (-en). Toestel met schroeven. Alle schroeven van iets. — Schroezeboom, m. (-en). Boom met schroef-vormige zaadhuisjes. — Schroevedraaier, m. (-s). — Schroeven, bw. schroefde, heeft geschroefd. Vastschroeven. Met schroeven vas; maken.

Heliroeicu, schroeide, heeft en is geschroeid. Bw. De haartjes, enz. van de oppervlakte van iets wegbranden : een geslacht varken schroeien. Zengen : hij heeft zijn kleed geschroeid. Sterk uitdrogen : de zon schroeide het loover. (Heelk.) Dichtbranden, uitbranden. Snijden, snoeien. Geld schroeien, aan den rand wat afnemen. Stroo schroeien, klein snijden. Ow. (zijn) Licht branden : er schroeit hier iets. Geschroeid koren, waar de brand in is. — Schroeier, m. (-s). — Schroeiyzer, o. (-s). — Schroeiing, v. — Schroeisel, o. (-s). Snoeisel. — Schroeister, v. (-s).

Helirokeii, bw. schrookte, heeft ge-schrookt. Schroeien, — Schroking, v.


ocr page 767

SCHU — 7lt;

sell ro If It o ii, ow. schrokte, heeft ge-•scbrokt. Gul/jg ettn. — Schrok, ra. (-ken). Gulzigaard. Vrek. — Schroknchfig, bn.

— Schrokdarm, m. (-en^, schrokker(d) 1 m. (-s). Schrok. — ^chrokkig, bn. bijvv. Gulzig. Gierig. — Schrokktgheid, v. — Sckroks/er, v. (-s).

sclirolleii, ow. schrolde, heeft ge-schrold. Knoi ren. Schimpen.

HCliro in en , schroomde, heeft geschroomd. Ow. Bevreesd zijn, beven ; voor vuen schroomt gij? Zwariglu id maken : wie zou niet schromen zulks te doen ? Bw. Vreezen, duchten, ontzien : hij schroomt het gevaar niet. — Schi-07rielijk, bn. bijw. Vreeselijk, ijselijk, naar : welke schromelijke tijding! Zeer, veel : zich schromelijk vergissen. — Schromehjkh*id, v. (..heden). — Schromeloos. bn. bijw. Onbeschroomd. — Schroyneloosheid, v.

— Schrotnïtr, bn. — Schroom, m. Beschroomdheid. Vrees. — Schroomachtig, ..hartig, ..vallig, bn. bijw. Beangst, bevreesd. Lafhartig. — Schroontachtigheid, ..hartigheid 1 ..valligheid, v.

«chroiu , ow. schrompelde,heeft

geschrompeld. Rimpelen. Kreuken. — Schrompel, v. (-s). — Schrompelig, ba.

sclirolt;gt;lt;llgt;eitel, m. (-s), ..Uzer, o. (-s). Schrooier.

aclirooicii, bw. schrooide, heeft ge-schrooid. Dwars of schuin doorsnijden. Stroo tot strooihngen doorsnijacn. (Zeew.) Touwen om vaten slaan om z«; in de boogte te rollen of af te laten. — Schrooier, m. (-s). Dieschrooit. (Smed.) Korte en breede beitel, die met zijnen steel in 't aanbeeld steekt. — Schrooiliiig, m. (-en). Haksehje van gesneden stroo. — Schrooimes, o. (-sen). — Schrooitouw, o. en v. (-en). Touw om een vat enz. in de hoogte te rollen of af te laten.

■cliroot, o. Brokjes ijzer, lood, enz., waarmede soms kanonnen, enz. geladen worden. Schiethagel. (..oten^ Muntpiaaije. (Timm.) Smal strookje hout voor plalon-neerwerk, enz. — Schrootbos, ..bus, v. (-sen).— Sch' oothamer,m. i -s).— Sc h root-JantareriyV. (-sen). (Zeew.) Kanon, waaruit men schroot schiet. — Schrrotstnk, o. (-ken). — Schrootvuur, o. — Schrootzak, m. (-ken).— Schrootzeef, v. (..even^.

schub, Nlt;'liiihlgt;c, v. (schubben). Dek-vliesje op de huid van visschen en son?, mi ge kruipende dieren, op de pooten der vogels, enz. — Schubachtig, bn. — Schut ben, bw. schubde, heeft geschubd. De schubben

; — SCHLT

afnemen (van visschen). — Jchubber, schubdrijver, m. (-s). Soort van drijfijzer. — Schubbig, bn. — Schubboom, m. (-en). Soort van versteende wolfsklauw.— Schub-dieren, o. mv. Vormen eene familie in de orde der tandeloozen onder de zoogdieren. Zijn met hoornachtige schubben bedekt. Leven in Azië en Afrika. — Schub kruid, o. Plantengeslacht Uepigonum), tot de muurachtigen behoorende. — Schubmes, o. (-sen). — Schubswyze, ..wijs, bijw. — Schubvinnigen, m. mv. Soort van stekel-vinnige visschen. — Schubvisch, m. (..sschen). Visch van schubben voorzien. — Schubvleugelig, bn. Met schubben op de vleugels. — Schubvormig, bn.

Scliubort {F. P.), 1797-1828, Weenen. Duitsch componist. Liederen; Sympho-nteën.

scli uclilcr.bn.bijw.Bedeesd. Schroomvallig. Schuw. — Schuchterheid, v.

scliiiiltlcbollcu, ow. schuddebolde, heeft geschuddebold. Het hoofd gedurig heen en wlt; der bewegen. — SchuddeboT^ ra. en v. (-len). — Schud (de) bundel, ra. (-s^. Armvol samengebonden stroo, hooi, enz., dat uit h. t langere is geschud. — Schuddelingen, m mv. Hoopje kruimels. Wat in eene ze- f blijft liggen. Schudde-bundels — Schuilden, schudde, heeft geschud. Bw. Met min of meer kracht heen en weder bewegen of doen bewegen. Opmaken : het bed schudden. De kaart schudden, zoodat de volgkaarten verspreid raken. Zoo schudden, dat iets valt : appels schudden. Schuddende doen uitvallen : het kortere stroo uit het langere schudden. Neen schudden : een ontkennend gebaar met het hoofd maken. Door elkander schudden : een drankje schudden. Zich het juk der slaverr ij van den hals schudden. Ow. In trillende beweging zijn : de lamp hangt te schudden. Beven, sidderen ; hij schudde v-n kou. Met het hoofd schudden, van ouderdom, ten teeken van afkeuring, enz. — Schudder, m. (-s). — Schudding v. (-en). — Schud haak, m. v-.aken). Haak om vruchten van boomen te schudden.— Schu 7hoofden, ow. schudhoofdde, heeft geschudhoofd. Schuddebollen. — Schud-str.r, v. '.-si.

SeSiucnunns (Z. _H/r.), 1821-1891, Kampenhout. Pastoor (Wj'sele). quot;Werkend lui der K. VI. Academie. Taalkundige. Alge/neen Vlaamseh Idioticon (i865-'70).

nelsiiieren, schuierde, heeft geschuierd. Bw. Borstelen. Vegen. Ow. Loslijvig zijn. Met eenen schuierwagen aarde op-votren. — Schuier, m. (-s). Borstel Loslijvigheid. Schuie:aar. — Schuieraar, m. {-s). — Schuier deel, v. ( .elen). Looper, waarlangs de dijkwerkers met hunnen schuierwagen rijden. — Schuiering, v. — Schuiermaker, m. (-sgt;. — Schuierplank, v. (-en). Schui r icel. — Sch niet wagen, m. (-s). Luiwagen. Kruiwagen (der dijkwerkers). — Schuierwinkel, m. ( s).

selmif, v. ( .ven). Het schuiven. Het voortschuiven. Alles wat men schuivende beweegt : gier.del, krip, schuif eener tafel, enz. Houten deksel, dat op eene doos


ocr page 768

SCHU — •}

geschoven wordt Deur, die men open- en toeschuift. Valdeur eener poort of water-keering. Ruimte, waarin it-ts geschoven wordt. Ruimte, waardoor iets heer geschoven wordt. — Schut/blad, o. (-en). — Schuifblind, o. (en). — Schuif brug, v. (-gen). — Schuifdeur, v. (-en). — Schuif-gordijn, v. en o*. (-en). — Schuif houten, o. mv. — Schuififzer, o. (-s). —Schuif-kar, v. (-ren). Kruiwagen. Handkar. — Schuif klep, v. (-pen). — Sch uij knoop, id. (-en). —Schuiflade, v. (-n). — Schuif-luik, o. (-en). — Schuif plank, v. (-en). — Schuif punt, o, (-en). — Schuifraam, o. en v. (..amen). — Schuifrad, o. (-eren).

— Schuif ring m. (-en).— Sch uifsch erm, o. (-en). (Toon.). — Schutfsledc, v. (-n), ..slee v. (-en) — Schuif slot, o. (-en). — Sch u if steen, m. (-en). Soort van slijpsteen. — Schuiftajel, v. (-s). Tafel, die men door inlepbladrn greoter kan maken. Lange en smalle tafel, waarop men zeker •spel met schijven speelt. — Schuiftang, v. (-en).— Schuifirlt;gt;inpet,y. (-ten .Zeker blaasspeeltuig. — Schuifvenster, o. en v. (-s). — Schutfuerk, o.

seli ui Tel been, o. (-en). Overheen. Schevelbeen.

seliuireU'ii, ow. schuifelde, heeft geschuifeld. Tafelschuimen. — S c hut fe laar, m. (-sgt;. — Schuifelaarster, v. (-s). — Sch u if el ach tig, bn. — Schuifeling, v.

seliuifelon, ow. schuifelde, h« eft geschuifeld. Blazen (van slangen). Fluiten. Een liedje schuifelen. De vogels schu felen in de hoornen. Zij schuifelen niet veel te gader : zij komen niet wel overeea. — gchuifeling, o. (-en). Klein tiuiije.

seliuilen, ow. school, oeeft gescholen ; ook, schuilde, heeft geschuild. Zich beschutten (tegen) : voor den regen schuilen onder eenen boom. De winr* gaat schuilen : het waait minder. Er schuilt iets bij u : er gaat -ets v« rborgei s om ia uw hart. — Schuilevinkje, vgt;. Schuilhoekje.

— Schuilgaan, ow. ging schuil, is schuilgegaan. Zich verschuilen. — Schuilhoek, m. (-en). — Scnutlhoekfe, o. (-s). Ver-kleinw van schuilhoel-. Zeker kinderspel : schuilhoekje spelen. — Schuilhol, o (-en).

— Schuilhouden (zich), ww. hield zich schuil, heeft zich schuilgehouden.—Schuilplaats, v. (-en). — Schutltoren, m. (-s).

— Schuilwinkel, m. (-s). Schuilhoek, sehuint, o- Blaasjes, door in- en uitwendige werking op de oppervlakte van eene vloeistof vereenigd : het schuim der zee, schuim van bier. Scheimachtig speeksel : het schuim stond hem op den mond. Opwerpsel van gesmolten metaal. Het laagste : het schuim (de heffe) des voIks. Geen goud zonder schuim : niets is volmaakt. — Schuimachtig, bn. — Schuivi-achtighetd, v.— Schuimbeestje, ..diertje, o. (-s). Zeker halfvleugelig insect {eer cop is spuntartd). — Schuimbekken, ow. schuimbekte, heeft geschuimbekt. Het schuim op den mond hebben. — Schuimbier, o. — Schuimboef, m. (..ven). Schuimllt;gt;oper. Snoodaard. — Schuimen, schuimde, heeft gescLuimd. Ow. Schuim opwerpen, dra-

gt;4 — SCHU

gen : dit bier schuimt sterk. Op zee schuimen : zeeroof plegen. Bw. Schuim afnemen : de soep schuimen. De tafel schuimen : alles opeten, op de klap loopen. De zee schuimen, van r^.overs zuiveren, ivoo-ven, wegkapen. — Schuimend, bn. — Schuimer, m. (-s). Die scimimt. Tafelschuimer. — Schuimgtps, o — Schuimig, bn. — Schuiming, v. — Schuitnkop, m. (■pen). Schuim op de kruin der golven. — Schuimkrul, v. (-len). Schuimkop. — Schuimlepel, m. (-s). — Schuimloopen, o. Op de klap looi en. — Schutvilooper, m. (-s). — ^chuimloopery, v. (-en). — Schuimloopster, v. (-s). —Schuimschop, v. (-pen). — Schuimspaan, v. (..anen). — Schuimsteen, o. (stofn.); m. (-en). Soort van druipsteen. — Schuimtafel. m. en v. (-s). Schuimlooper, schuimloopster. — Sj huif mout, o. (Zeew.).

bn. bijw. Niet loodrecht en niet waterpas. Hellt-nd. Scheef — Schuin-3a/£,ni.(-en). (WapenkJBrcede dwarslijn.

— zlt;z«^«,bw. schuinde, heettgeschuind. Schuin maken.—Schutnheid,v.—Schuins,. bijw. — Schuinsch, bn. — Sch u in sch heid, v. (..heden). — Schuinstaak,vi\. (..aken), (Wapenk.).— Schuinstreep, v. (..epen). (Wapenk.). — Schuinte, v, (-n).

Melinlt, v. (-en). Vaartuig op binnenwateren. Lichter. Praam. Aarden vat iets wijder van boven dan van onder. — Schuitboef, m. (..ven). Kaailoop^r. Kruier. — Scnuiteboer, m. (-en). Boer, die zijne waren met eigen schuit ter markt brengt.

— Schuitepraa'jr. o. (-s). Piaatjein eene schuit gehouden. IJdel gerucht. —Schuitevoerder, m. (-s). Schipper. Veerman. —-Schuitevracht, v. (-en). — Schuitgeld, o. (-eu). — Schuit gesprek, o. (-ken).— Schuithuis, o. (..zen). Overdekte ruimte, waarin men een booije ot boeier bergt. — Schuitjager, m. (-s). Die een jaagpaard, geleidt. — Schuitjr, o. (-s). Verkleinw. van schuit. Deel eener weef- ot naaimachine, waarin de schietspoel zit. Aland onder aan eenen luchtbal bevestigd. (Plan-te k.) Schuitvormig blaadje onder aan eene bloem. Met iem. in éen schuitje varen : dezelfde zaak willen. — Schuitjevaren, o. Spelevaren. — Schuitli/n, v. ( en). — Schuitmaker, m. (-s). — Schuitreis, v. (..zen). — Schuitschipper, m. (-s). — Schuitvormig, bn.

selmiven, schoof, heeft en is geschoven. Bw. Voortduwen. Verplaatsen. Overbrengen : eene schuld op iem. schuiven, leis van zijnen hals schuiven : zich aan eene beschuldiging zoeken te onttrekken. Iets op de lange baan schuiven : uitstellen. Ow. Met eene slepende of glijdende beweging van plaats veranderen : wij schoven wat nader. Schuivende bewegen : die grendel schuilt niet. Afschuiven : de pannen schoven van het dak. Vooruitgaan : de bouw van dit huis is ver geschoven. Verminderen : zijn geld begint te schuiven. Gaan schuiven : stilletjes heengaan. — Schuiver, m. (-s). — Schuifster, v. (-s),

— Schuivinf», v. — Sc hu iv uit, ra. (-engt;. Groote ooruil {stnxbubo).


ocr page 769

gt;5 — SCHU

I ven, raken ; touwen, die langs elkander schuren. Klotsen : de stroom schuurt tegen de oevers. Zich schuren, ww. — Schuring, v. — Schuurster,v. (-s).

schurft, v. en o*. Besmettelijke huid-zieke van menschen en dieren. — Schurft, bn. Schurftig. — Schurftachtig, bn. — Schurftdiertje, o. (-s). Diertje [sarcoptes scabiei), tot de spinachtigen behoorende. Nestelt zich in de buigvlakte der ledematen of in het weefsel der huid. — Schurftheid, v. — Schurft hoofd, o. (-en); m. en v. (-en). —Schurftig, bn. Van schurft aangedaan. Netelig, verward. Een schurftige zaak: zaak, die de eer van de daarbij betrokken personen in gevaar kan brengen. Een schurftig schaap bederft gansch de kudde. — Schurftigheid, v. — Schurft-kamer, v. (-s).—Schurftkop, m. (-pen); m. en v. (-pen). — Schut ft kruid, o, .Plantengeslacht (scabiosa), tot de kaardenach-tigen behoorende. — Schurft kwaal, v. (..alen). —■ Schurft middel, o. (-en). — Schurftrnyt, v. (-en). Schurftdiertje. — Schurftmos, o. Soort van mos {lepra-ria).— Schurftigt;uist,y. (-en).— Schurft-vlieg, v. (-en). Vlieg [musea leprae)% wier beet schurftig maakt.— Schurftzalf, v. (..ven). — Schurftziekte, v. (-n).

Noliurk, m. (-en). Schelm. Schavuit. Paal in de weide, waar tegen de beesten zich wrijven. — Schurkachtig, bn. bijw.

— Schurkachtigheid, v. — Schurken (z;ch), ww. Schurkte zich, heeft zich geschurkt. Zich wrijven (tegen) (inz. van beesten). — Schurkenstt eek, m. (..eken).

— Schurkenstuk, o. (-ken). — Schurken trek, m. (-ken). — Schurkenwerk, o.

— Schurkerij,v. (-en).

MClmt, o. Geschut. — Schutgat, o. (-en). Schietgat. — Schutgevaarte, o. Geschut. — Schutpoort,v. (-en). Geschutspoort. — Schutter, m. (-s). Die schiet. Gewapend burger. Solder der burgerwacht. Een der teekens van den dierenriem.— Schutterij, v. (-en'. Burgerwacht (Nederland). Zie Leger. — Schutterko-tiing, m. (-en). — Sch utterp lie h hg, bn.

— Schuttersboog, m. (..ogen). — Schuttersdienst, m. — Schuttersdoelen, m. (-s).

— Schuttersgeiucer, o. (..eren). — Schuttershof, o. (..ven). — Schuttersraad, ra. (..aden).— Schutterstasch, v. (..sschcn).

— Schutvulling, v. (-en). (Zeew.) Ruimt© tusschen de geschutpoorten.

neliut;, o. (-ten). Schutting. Scherm. Beschot. Hinderpaal. Soort van kaartspel.

— Schutberd, o. Wagenschot. — Schutblad, o. (-en). Onbedrukt blad voor en achter in een boek. (Plantenk.) Dekblad.

— Schutbord, o. (-en). Valdeur (eener sluis). — Schuthok, o. (-ken). Bergplaats van verdwaald vee. — Schutjassen, ow. schutjaste, heeft geschutjast. Zeker kaartspel spelen. — Schutklamp, m. (-en). — Schutkooi, v. (-en). Schuthok. — Schut-meester. m. (-s). Schutter van verdwaald vee.—Sch ut over loop, m. (-en) (Zeew.) Plecht. — Schutpaal, m. '..aleni.—Schut-platik, v. (-en). — Schutpoort, v. (-en). S'uisdeur. — Schuts, v. Beschutting. —

SCHU — 70

schuld, v. (-en). Wat mcu wtr^ecis 1 aankoop, leen, enz. behoort te betalen. Het verschuldigde Som, kapitaal door eenen Staat opgenomen tegen eene zekere rente. Begane misslag. Overtreding. Werkende oorzaak van iets kwaads. — Schtild-bekevtents, v. (-sen). Onderteekend geschrift, waarbij men eiki*nt zekere som schuldig te ziin. Obligatie. Fondsen. Belijdenis van schuld aan zekere misdaad. — Schuldbelydents, v. — Schuldbesef, o.

— Schuldbode, m. en v. (-n). (Oudt.) Deurwaarder. — Schuldboek, o. en m. (•en). — Schuldboete, v. (-n). — Schuld-boeting, v. (-en). — Schuldbrief, m. (..ven). Schuldbekentenis. Obligatie. — Sch uldeischer,m. (-s). — Sch uldei sch er es, v. (-sen). — Schuldeloos, bn. — Sch tilde-loosheid, v. — Schuldenaar, m. (-s, ..aren). Die ie-s schuldig is. — Schulde-naarster, v. ( s), schuldenares, v. (-sen).

— Schuldenlast, m. — Sc hulde nvt aker, in. (-s). — Schuldenviaaksier, v. (-s). — Schuldheer, m. (-en). Schuldeischer. — Schuldig, bn. Verschuldiga. Verplicht, gehouden. Misdadig, strafbaar. Des doods schuldig : den dood verdiend hebbende. In iemands schuld zijn : iem. geld schuldig zijn. Hij bleef hem het antwoord schuldig : hij gaf hem geen antwoord. — Schuldige, m. en v. (-n). — Schuldtglyk, bijw. — Srhuldlyst, v. (-tn). — Schuldoffer, o. (•s). Zoenoffer. — Schuldlost, m. (-en). (Handel.) Debetpost (in het boek). — Schuldregister, o. (-s). — Schuldrente, v. (-n). —Schuldsplitsing, v. —Schuldvereffening, v. — Schuldvergelijking, v.

— Schuldvergeving, v. — Schuldvergiffenis, v. (-sen). — Schuldvermenging, v.

— Schuldvoldoening, v. — Schuldvordering, v. (-en). — Schuldvry, bn.

MClmlp, v. (-en). Schelp. Schub (van visscheni. Sloester (van noten). Beitel hol van bek. De schulp van eene koorkap : geborduurd rond stuk, dat den bovenkant van de koorkap bedekt. Wierookvaas. — Schulpachtig , bn. — Sc hu lp boor, v. (. oren). — ^chulpen, schulpte, heeft geschulpt. Bw. Als schulpen bewerken, erin vatten. Groeven. Van de schulp ontdoen. Ow. Van de schulp afgaan : die noten schulpen gemakkelijk. — Sc huiper, m. (-s). Die schulpt. Pompboor. — Schulp hjfi, v. ( en). (Meetk.).— Schulpschaal, v. (..alen), schulpschotel, m. (-s). Schaal, schotel als eene schulp bewerkt. — Schulp-ster, v. (-s). — Schulptrek, m. (-ken), (^leetk.). — Schulpzvit, o. Onvervalscht loodwit. — Schulpzaag, v. (..agen). — Schuipzattd, o. schuurzand. Tuinzand.

Scliuiuaim (/?.), 1810-1856, Zwickau. Duitsch toondichter. Die BrautvonMes-sttia; Het ma-nn und Dorothea; Geno-vevn.

HClitiren, bw. schuurde, heeft geschuurd. In de schuur brengen.

MeEmreu, schuurde, heeft geschuurd. Bgt;v. Iets sterk wrijven om het schoon en glanzig te maken : het keukengoed, den vlner schuren. Door wrijven verwijderen :

ocr page 770

SOOT — 7C

Schutsbrief, m. (..ven^. Handvest. Octrooi. Leenbrief. — Schutsel, o. (-s). Scherm tusschen ons en eenen hinderpaal geplaatst. Bescherming. — Schutsengel, m. (-en). Beschermengel. — Schutsgod, m. (-en). — Schutsgodin, v. (-nen). — Schutsheer, ra. (-en). — Schutspatroon, m. (..onen). — Schutspatrones, v. (-sen).

— Schutsluis, v. (..zen). Dubbel gemetselde waterkeering (in kanalen). Sluis, die polders, enz. voor overstrooming beschut. — Schutstal, m. (-len). Schuthok.

— Schutsvrouw, v. (-en). — Schutsiua-pen, o. (-s). Wapen, tot bescherming of afweer dienende. — Schutten, schutte, heeft en is geschut. Bw. Binnen eenekooi, achter eene schutting opsluiten. Beveiligen. Afweren. Beletten. (Een schip) door eene sluis laten. Het spel schutten, winnen. Ow. Door eene sluis varen. — Schutter, m. (-s). — Schutting, v. (-en). Het schutten. Afsluiting. Omheining (van planken). Verhindering. Beletsel. — Schuttouwen, o. mv. (Zeew.). — Schutvlecht, v. (-en). (Zeew.).

Koliut (C.), 1597-1655, Antwerpen. Schilder en graveur.

scliutterifi:» hn. Beweeglijk. Zich telkens heen en weder wendend (inz. van vrouwen). — Schutterigheid, v.

Schutz (//.),1585-1672,Köstritz.Duitsch toonkunstenaar en componist.

MCbuur, v. (..uren). Gebouw (inz. op hofsteden), dienende tot berging der veldvruchten. — Schuurdeur, v. (-en).

■cbunrbak, m. (-ken). Bak tot berging van schuurgoed. — Schuurborstel, m. (-s).— Schuur doe fc,va. (-en).— Schuur-gerei, o. — Schuurgoed, o. — Schuur-hok, o. (-ken). — Schuur kanier, v. (-s).

— Schuur lap, m. (-pen). — Schuurmand, v. (-en). — Schuurpapier, o. Papier, waarop fijngestooten glas is gelijmd. — Schuur plank, v. (-en). — Schuursel, o.

— Sc huur steen, o. (stofn.); m. (-en) (voor-werpsn.). — Sc huur vod, v. (-den). — Schuurwortel,v. Smeerwortel.— Schuurzand, o.

Hcbuw, bn. bijw. Beschroomd. Beangst. Bevreesd. Schrikachtig. Schichtig (van paarden). — Schuwheid, v.

«cfanweii, bw. schuwde, heeft geschuwd. Uit vrees, uit afkeer vermijden : het kwaad schuwen. — Schuwing, v.

Scliwanthaler 10 {F.), ^ 1760-1820, Duitsch beeldhouwer. — 20 Zijn zoon (£. Af. von), 1802-1848, München. Beeldhouwer.

Schwartze (T1.), 1852, Amsterdam. Schilderes. Zingende meisjes.

Schwsirz (iM. Freiburg. 14® eeuw. Benedictijn.Vond,volgens de overlevering, het buskruit uit.

adat lm. o. Rheumatisme.

Scli»io. Naam eener Romeinsche familie. Scipio Africanus overwon Hannibal te Zama (202 vóór Chr.).

■corbut, o. Scheurbuik. — Scorbu-tiek, bn.

ScottiJV.), 1771-1832, Edinburgh. Dichter en romanschrijver. The lady of the

gt; — SEGE

lake; Waver ley ; Ivan hoe / Q tien tin Durward.

scriba, m. (-s). Schrijver. Klerk. Secretaris. — Scribent, m. (-en). Schrijver, afschrijver. Veelschrijver, prulschrijver. — Scribotnanie, v.

scropliula, v. Klierziekte. — Scro-phuleus, bn.

scrupel, o. (-s). Medicinaal gewichtje = 1,302 gram. Ook — 1 minuut.

scrupule (-s, -n). Bezwaar, gewetensbezwaar. Nauwgezetheid. Angstvalligheid. Te groote kieschheid. — Scrupuleus, bn.

scnlpteereu, bw. sculpteerde, heeft gesculpteerd. Beeldhouwen. Beeldsnijden. Beitelen. — Sculpteur, m. (-s). — Sculptuur,Beeldhouwkunst. Beeldhouwwerk, snijwerk.

Scbastopol, 30 oco. Oorlogs- en handelshaven aan de Zuuiwestkust van de Krim (Rusland). Werd ingenomen bij den Krim-oorlog door de vereenigde troepen van Frankrijk, Engeland, Turkije en Sardinië (1855).

secans, v. (..ten). (Meetk.) Snijlijn. Secclii {A.), 1818-1878, Reggio. Jezuïet. It. Sterrenkundige.

secotndant, m. (-eu). Helper, hulponderwijzer, onderme» ster. — Secondante. v. (-n). Helper. Ondermeesteres.

seconde, secuude, v. (-n). Zestigste deel van eene minuut. — Secondenwy-zar,m. (s).—Secondes ling er, m. (-s).

seconde, v. (-n). Tweede toon van de diatonische tuonschaal.

secreet, o. (..eten). Geheim. — SS-creet, bn. bijw. Heimelijk. Verborgen. Verholen. Bedekt. — Secretaire, v. (-s). Schrijftafel, schrijflessenaar. Ladekast. — Secretariaat, o. u.aten). Ambt, kantoor van den secretaris. — Secretarie, v. i-ën). Kantoor van den secretaris. — Secretaris, ra. (-sen). Geheimschrijver. Schrijvt-r. — Secretarisambt, o. — Secretarispost, m. (-en). — Secretarisschap, o.

sectie, v. (..iën, -s). Afdeeling, vak. Wijk. Insnijding, lijkopening. Doorsnede. Zie Leger.

sector, m. (-en, -s). Deel van eenen cirkel, dat door eenen boog en twee stralen wordt ingesloten. Ontleder.

securiteit, v. Zekerheid. Gerustheid. Vrijheid.

Sedan, 19 coo. Stad (Ardennes). Veldslag door de Duitschers op de Franschen gewonnen. Napoleon III werd er krijgsgevangen gemaakt (1870).

Sedecias (592-588 vóór Chr.). Laatste koning van het rijk juda. Weid onttroond door Nabuchodonosor II.

sedert, bijw. Hebt gij hem sedert nog gezien? Vz. sedert Paschen. Vw. Sedert hij hier is.

scct', seve, v. Smaak van iets : dat bior heeft eene goede seef.

seffens, bijw. Dadelijk, aanstonds : hij zal seffens komen. Tevens : hij stak de broodjes in den oven, eentje seffens.

Severs KG. J.), 1848, Hoogstraten. Leeraar (staatsnormaalschool. Lier). Briefwisselend lid der K. VI. Academie. Her-


ocr page 771

SEM — 7

garde (bekroond, 1875) ; in de Kempen (1882); Joost van den Vondel (1887).

segmeut., o. (-en). (Meetlc.) Deel van «enen cirkel, dat door eene koorde is afgesneden.

segrrllii, o. Hard en toch fijn bereid leder, dat met kleine verhevenheden als bezaaid is. — Segrynbereider, m. (-s). — Segrynbereidst'r, v. (-s). — Segrynen, bn. — Segrynle(d)er, o.— Segrynleeren, bn. — Segrynrog, m. (-gen). Soort van rog [raja sephen).

80I11, o. (-en). ïeeken. Wenk. — Seinboek, o. en ra. (-en). — Seinen, seinde, heeft geseind. Ow. Seinen geven : vruchteloos seinen om hulp. Bw. lem. door eenig sein gelasten : de schout seint ons bij nacht. Iets door seinen te kennen geven : men seinde 's vijands aankomst. Een schip seinen, te kennen geven, dat het nadert. — Seiner, ra. (-s). — Sein fluit, v. (-en). — Seingever, ra. (-s). (Telegr.). — Sein horen, ra. (-s). — Seining, v. — Sein-korj, v. (..ven). — Seinlantaren, v. (-s).

— Seinonivanger, ra. (-s). (Telegr.). — Seinpaal, ra. ( -alen). — Seinpost, ra, (-en). — Seinraket, v. (-ten). (Zeew.). — Seins chip, o. (..epen). — Seinschot, o. (-en). — Seinster, v. (-s). — Seinteeken, o. (-s, -en). — Seintoestel, ra. en o*. (-len).

— Se in tor en, ra. (-s).—Seintouzv, o. en v. (-en). — Seinvlag, v. (-gen). — Seinvuur, o. (..uren). — Seinvuur pijl, ra. (-en).— Seimvachter, ra. (-s). — Scinzvyzer, ra. (-s). (Telegr.). —Setnvitnpel, ra. (-s).

seizeu, bw. seisde, heeft geseisd. Dunne touwen ora zware touwen slaan. Vastsjorren. Vastzetten met krabbers. — Seizing, v. Het seizen, (-s) (Zeew.) Touwwerk om eenig voorwerp te seizen of te vatten.

■^Izoen, o. (-en). Jaargetijde. Geschikte tijd.

■ek, v. Soort van zware wijn. Wordt in Spanje en op de Kanarische eilanden gewonnen.

sekreet, o. (..eten). Gemak. Bestekamer. — Sekreetdeur, v. (-en), — Sekreet' pijp, v. (-en). — Sekreet put, v. (-ten). — Sekreetruimen, o. — Sekreetruimer, m. (-s), — Sekreetvlieg, v. (-en).

sekse, v. (-n). Geslacht, Kunne, sekte, v. (-n). Gezindheid. Aanhang. 'Geloofsgenootschap.— Sektaris, ra. (-sen). Aanhanger, volgeling eener sekte ^inz. eener nieuwe sekte). — Sektegeest, ra. (-en). — Sektemaker, m. (-s), — Sekten-haat, ra, — Sektenyver, ra. — Sekteschool, v. (..olen).— Sektestichter,m, (-s).

sekuur, bn. Zeker, nauwkeurig : hij is sekuur in alles wat hij doet. Fijn, kunstig : dit slot is heel sekuur gemaakt.

sellt;Ser|j, v. Schermbloeraiffe moes-plant (apium graveolens)Wordt als soepgroente gebruikt. — Selder ijplatit, v. (-en). —Selderij salade, v. —Seldery-sma*k, m. — Selderijsoep, v. (-en), — Selderij struik, m. (-en). — Selderijzaad, o. (..aden).

sellt;lrenieut,tw. Drommels! Sem (2446-1846, voor Chr.) Zoon van Noë. Voorvader der Oostersche volken. —

7 — SEPT

Semitisch, bn. Van Sem afstammende. De Semitische, Oostersche talen. — Se-7niet% ra. (-en). Afstammeling van Sem. Inz. Jocd.

semester, o. (-s). Halfjaar. — Semes-trant, bn. HalQarig,

semliistrie, o. (..iën, -s), seminarium, o. (-s, ,.ia). Kweek-, opleidingsschool voor geestelijken, — Seminarist, ra. (-en). Leerling van een seminarie.

semigt;el, ra. (-s). (Wev,) Gedeelte van het zijdegetouw. —Sempelsnoer, o. (-en). — Sempelstok, ra. (-ken).

Seusamp;ut, 111. (..aten). Raad (bij de oude volken).lierste kamer. Hoogerhuis. Hooge Kamer. — Senator, m. (-en). Lid van eenen senaat. Zie Macht.

seue, o. seiiel»ln«lc*ii, o, mv. Bladen eener Egyptische plant [cassia senna), die als purgeermiddel worden gebruikt. — Se-negroen, o. — Senepiant, v. (-en). — Senestruik, ra. (-en).

Seneea \J. 4.), 3-65, Cordova. Wijsgeer. Hem werd de opvoeding van Nero opgedragen. Werd beschuldigd van medeplichtigheid aan de samenzwering van Piso en ter dood veroordeeld.

Senefelder {A.), 1771-1834, Praag. Uitvinder der steendrukkunst,

seiiesclialk,ra. (-en).(Middel.) Hoog-arabtenaar aan het hof der Franksche koningen. Had onder hem den bottelier en den konstabel. Moest zorgen, dat er niets te kort was als de vorst naar eene andere plaats ging.

senior = de oudere. — Senioraat, o. (,.aten). Majoraat. Arabt van oudste.

seusulie, v. (-s). Opschudding. Opzien. Indruk, Algeraeene beweging. — Sensatiebericht, o. (-en).— Sensatieroman, ra. (-s). — Sensatiestuk, o. (-ken).— Sensatieverhaal, o. (,,alen),

MeiiMiiatllMme, o. Zinnelijkheid, Wellustigheid. — Sensualist, ra. (-«tn). Zinnelijk raensch. Wellusteling. — Sensualiteit, v. Zinnelijkheid. Wellust. Wulpschheid. — Sensueel, bn. bijw. Zinnelijk. Wellustig. Wulpsch.

sent, v. (-en). Lijst, tijdelijk dienende op het geraamte van een schip in aanbouw, ora de spanten op hunne plaats te houden.

sententie, v. (. iën, -s). Vonnis, rechterlijke uitspraak. Oordeel. Kernspreuk, zedespreuk. —Sententieus, bn. Kernachtig. Spreukrijk. Vol spraakwendingen.

sentiment, o. Gevoel. Meening, gedachte, oordeel. — Sentimentaliteit, v. Overdreven gevoeligheid. — Sentimenteel, bn. bijw. Teergevoelig, Aandoenlijk.

sepnrnnt, bn. Afzonderlijk, Gescheiden. — Separatie, v. Afzondering, Scheiding. (..icn, -si Alscht-idsel. — Separatisme, o. Zucht tot afzondering (in godsdienst en staatskunde). — Separatist, ra. (-en). — Separatistisch, bn.

sepist, v. Bruine waterverf, bereid uit het zwarte vocht van den inktvisch.

se|»ieren, v. rav. Zwezerikken. Kalf-borstjes.

September, ra Herfstmaand. De negende maand van 't jaar. — September»


ocr page 772

SERR — j

dag, m. (-en). — Sepfetnbermaand, v. (-en). — Septemberweer, o. — Septem-oerzon, v.

septet, septnor, o. Zevenstemmig muziekstuk.

septime, v. Zevende toon van eene octaaf.

sequester, o. Beslag. Inbeslagneming. Gerechtelijk beslag. — Seguestree-ren, bw. sequestreerde, heeft geseques-treerd. Beslag leggen (op). Opsluiten. Gevangenzetten.

seraf, m. (-s), serafrju, m. (-en). Hemelgeest, tot de negjen klt; ren der engelen behoorende. — Serafijnen-orde^ v. Orde der Franciskar.en. — Serafifnsch, bn. — Serafsstem, v. (-men). — Serafsvleugel, m. (-s). — Sc afsvlucht, v.

sei'ail, o. (-s). Paleis des Turkschen keizers. Woning der Grooten in het Oosten.

Serail gr. Zie Java.

serenade, v. (-s). Avondlied. Eerbewijs (met muziek).

sergre, sarpe, v. (-s). Lichte gekeperde wollen stof. — Sergen, bn.

sergeant, m. (-en, -s). Onderofficier. (Timm.) Klemhaak. — Sergeant-majoor, m. (-s). — Sergeantschapy o.— Sergeants-plaats, v. (-en). — Sergeantspost, m. — Sergeantsstrepen, v. mv serie, v. (-ën, -s). Reeks Rij.

serieus, bn. Ernstig, deliig : een se-rieuse jongeling. Bijw. Gemeend : 't is heel serieus. — Serieus, tw. Zoo waar 1

sering, syring. v. ( en). Plantengeslacht {syrtnga), totde olijfachtigen behoorende. De gewone sering (f. vulgaris) heeft blauwe, paarse bloemen. Bloem van den seringeboom. — Seringebloesem, m. (-s). — Seringeboom, m. (-en). — Seringestruik, m. (-en).

seriuoen, o. (-en). Preek. Vermaning. Keruion (//.), 1834, S1 Pieters-Leeuw. Letterkundige. Werkend lid der K. VI. Academie. De Vlaming en de Staat in het tegenwoordig België (1857); Historische en kritische schetsen 1875).

serpelingr, m. (-en). Visch Kcyprinus leuciseus), die in zoetwater voorkomt.

serpent, o. (-en). Slang. Slangevel, boos wijf. (Muz.) Slangvormig blaasinstrument. — Serpentblazer, m. (-s). (Muz.). — Serpentig, bn. Boos. Vinnig. — Serpen tij 11, v. (-en). (Geschut) Veldslang. — Serpentijn, serpentijnsteen, o. Mineraal, veelal van donkergroene kleur. Heeft een eigenaardige zachtheid en is tevens week en taai. — Serpenlijnynarmer, o.— Ser-éenty'nsteenen, bn.— Serpentist, m. (-en). ïSerpentl lazer. — Serpentsch, bn. bijw. Boos. Kwaadaardig. — Serpentslook, o. Zeker gewas tegen den slangebeet [allittm scorodnprastim). — Serpentstong, v. Gemeen pijlkiuid.

Serrure (C. P.), 1805-1872, Antwerpen. Hocgleeraar (Gent). Letterkundige. Kronyk van Vinenderen van 't ja er ^80-146^ (met Blommaert, 1840); Vader-iandsch museum voor Nederd. Letterkunde, enz. (1855-'63).

gt;8 — SI

sernni, o. Bloedwei. (Geneesk.) Ster-selmatig vergiftige b'oedwei (inz. van paarden). Wordt verkregen door inenting van zekere microben en gebruikt als geneesmiddel tegen de kropp, de roos, enz. servai, m. (-s). Tijgerkat.

servet, o. en v. (-ten). Mond-, vingerdoek (waarvan men zich aan tafel bedient)». Tafeldoek minder groot dan een tafellaken. — Servetband, m. (-en). — Servet' goed, o. — Servetring, m. (-en).

nervies, o. (..zen). Stel vaatwerk, waarvan men zich aan tafel (tot eten en drinken) bedient. Lepel en vork : een zilveren servies.

serviug, v. (-s). Bekleeding om zware touwen.

servituut, o. (;.uten). Dienstbaarheid. Eridienstbaarht id. Last, bezwaar, sesam, v. sesainliruiti, o. Oos-

tersch peulgewas (sesamum orientate). — Sesambeenfjes, o. mv. Twee kleine beentjes aan de handpalmvlakte. — Sesamolie,. v.—Sesamzaad, o.

sessie, v. (-s, ..ien). Zittijd (van landsvergaderingen, enz.).

Setli. Derde zoon van Adam.

seute, sutte, v. (-n). Vrouwspersoon,, met weinig verstand en behendigheid.

Sevens ^7!), 1848, Kinrooi. Bestuur Jer der gemeentescholen (Kortrijk). Letteroefeningen, verhalen, gedichten.

Sóvign^ {II. de Rabutm-Chan tal, marquise de), 1626 1696. Parijs. Fr. schrijfster. Lettres d* il/me de Sévigné a sa fi'le.

sextant, v. (-en). (Zeew.) Hoogtemeter. Werktuig, dat het 6° deel van eene^ cirkel omvat.

sexte, v. (-s). (Muz.) Zesde toon van de toonladder. Interval van zes toontrappen. — Sextet, o. (-ten). Muziekstuk voorzes instrumenten.

sexuaal, sexueel, bn. Het natuurlijk geslacht betreffende.

steer, v. (sferen). Bol, kogel, kring, hemelstreek. Hoogere sferen : bovenaard-sche werelden. Dat is mijne sfeer : dat is-de kring, waarin ik mij beweeg. Dat ligt buiten mijne sfeer, gaat boven mijn begiip. — Sferisch, bn. Bolrond. Kogelvormig.

stinx, v. (-en). (Myth.) Roofgierig monster dat op eene rots bij Tbebe zich ophield, den voorbijtrekkende een raadsel opgaf en ieder, die het niet kon oplossen,verslond. Raadselachtig mensch. Zeker avondvlinder.

Sliaicenpeare [IV.), 1564-1616. Strat-ford-on-Avon. Eng. dramatische dichter, Kinq Richard III; Romeo and Juliet; Hamlet; Othello; Macb- th; King Lear.

Slteliey {P. B.), 1792-1822, Feld-Place. Eng. lyriscn dichter. Queen Mab.

Siieridan (/?. B. /?.), 1751-1816, Dublin. Eng. redenaar en blijspeldichter. The school for scandal [\-]^o).

sherry, m. Witte wijn van de stad Xeres (Andalusië).

shocking, bn. Onaangenaam. Ergerlijk. Beleedigend.

si, v. (-'s). De zevende noot der toonladder.


ocr page 773

SIGN — 7

Si mil. Onafii.inkelijk rijk in Achter-Indië. 6.000.000 inw. 14.535 vierk. geogr. mijl. Hoofdstad : Bankok. — Stad van dit rijk : 45.000 inw. — Siameesch, bn. Van, uit Siam. 't Zijn de Siameesche broeders : 't zijn twee personen, die altijd bij elkander izijo.

Sibei'ië, o. (Noord-Azië.)22i,912 vierk. geogr, mijl. Verdeeld in Oost- en West-Siberië. Strafkolonie van Rusland.

SibereclitM (y.), i627-i703(?), Antwerpen. Landschapscbilder.

»lc, tw. Let wel! ei! zoo staat er.

Sicilië, 3 y o.ocoinw. 469 vierk. mijl. Het grootste eiland der INIiddell. Zee. 't Voormalig vereenigu koninkrijk der beide Siciliën werd in het koninkrijk van Italië opgenomen (1860). —Siciltaansch, bn.

sidderen, ow. sidderde, beeft gesidderd. Sterk beven : sidderen van koude. Trillen. Voor iem. sidderen : hem sterk vreezen. — Sidderaal, m. (..alen). Elec-trische visch (gymnoitis electricus), tot de weekvinnigen behoorende. Leeft in zoetwater (Z.-Amerika). — Sidder gr as, o. Gemeen trilgras. — Siddering., v. (-en).

— Sidderrog, m. ( gen). Rog met sterk electrisch orgaan {raja torpedo). Leeft in ■de Middell. Zee.

Slegrenbeek {M.), 1774 1854, Amsterdam. Taal- en letterkundige. Hoogleeraar (Leiden). Syntaxis der Nederduitse he taal (1810); Nederduitse he Spraakkunst lt;1814).

Miepei, v. (-s). Ui. Ajuin.

sier, v. Opschik. Goede sier maken : lekker opTriisschen. — Sieraad, o. (..aden, ..adiën). Tooi, tooisel, versiering. Opschik, opsmukking. Trots, eer ; hij is het sieraad der stad. — Sieraadsband, m. (-en). (Art.). — Sierage, v. (-s). Wat tot sieraad dient. — Sieren, bw. sierde, heeft gesierd. Tooien, versieren. Tot eer verstrekken. — Siering, v. (-en). — Sierl/jk, bn. bijw. Opgesmukt. Fraai, net, bevallig.

— Sierlijkheid, v. (..heden).

v. (-en). — Siersel, o. (-s). Sieraad. Versiering.

siesta, v. ('s). Middagslaapje. Dutje.

sigaar, v. (..aren). Rolletje tabak, tot rooken bestemd. — Sigarenasch, v. — Sigarenfabriek, v. (-en). — Sigarenfabrikant, m. (-en). — Sigarenha?idel, m.

— Sigarenhandelaar, m. (-s, ..aren). — Sigarenkist, v. ( en). — Sigarenkoker, ra. i-s). — Sigarenmagazijn, o. (-en). — Sigarenmaker, m. (-s). — Sigarenjhaakster, v. ( S;. — Sigarenpijpje, o. (-s). — Sigarenstandaard, ..standerd, m. (-s).— Sigarenwinkel, m. (-s). — Sigarenzakje, o. (-s). — Sigaret te, v. (-n). — Sigarct-tenpafiier, o. — Sigarettentabak, v.

sigrnsisil, o. (..alt-n). Siin. Waarschu-wingsteeken. Wachtwoord. — Signale-ment, o. (-en). Persoonsbeschrijving. Beschrijving van iemandsuit^rJijkvoorkomen.

signatuur, v. (..uren». .Merk, kentee-ken. Handteekening. Letter of cijfer aan den voet van elk drukvel. (Muz ) Cijfei boven de basnoten. E iquette (ie art.).

signet, o. (-ten). Handzegel.

9 — SING

slifVIcu, ow. sijfelde, heeft gesijfeld. Schuifelen.

MÖpeleu («üfX'reii), ow. sijpelde, heeft en is gesijpeld. Onmerkbaar doortrekken (van vochten).

m. (..zen). Snaak. Lichtzinnig

mensch.

süsjc. o. (-s). Vogeltje [fringilla spi-nus), tot de f tmilie der vinken behoorende. Heeft een aangenamen zany.

Mik,v. (-ken). Kinbaard.

Kik, v. ( ken). Geit.

Mik Kei, m. (-en, -s). Jocdich gewicht = 4 drachmen. Munt in net oude Judea : zilverling.

Kikkel, v. (-s, -en). Handwerktuig, waarmede men koren, gras, enz. snijdt. — Sikkelslag,ra. (-en).

sikkepitje, o. Beetje. Weinigje. Nilliouet, v, (-ten), silkouelte, v. (-n).Schaduwbeeld. Scbaduwportrei. Schaduwomtrek.

silicaten, o. my. (Scheik.) Kiezelaarde-verbindingen. Kiezelzure zouten. — Si-Heiden, o. mv. Ki« zelaarde-verüindingen.

— Si He turn, o. Kiezel.

Him, v. (-men). Top op de kurk (van een hengelsnoer).Snoer eener hengelroede.

sim, v. (-men). Aap. — Simmetieus, m. (..zen). Apeneus. — Simeneus, m. en v. (..zen). — Simviengeslacht, o. — Sim-vienkuur, v. (..uren). — Simmen ras, o.

— Simmentrek, m. (-ken).

sim men, ow. simde, heeft gesimd. Pruilen. Veinzen te schreien.

Kimon (y.), 1814-1896, Lorient (eig. J. F. S. Suisse). Fr. staatsman, philosoof en schrijver. Le Devoir (-854); VOuvrier (1863) ; Souvenirs du 4 septembi e iSyo (1874).

Himonie, v. (Naar den naam van Simon den Tovenaar). Het veikoopen van geestelijke zaken voor zooveel die geestelijk zijn.

Simons {L.L.), 1859, Roermond. Lee-raar (Athenaeum, Brussel). Briefwisselend lid der K.V1. A.caiamp;em\e.Napoleon-Cyclus (Poëzie, 1885); Prnt-ve eener syntaxis van denGothischen zin {iSSÜ)',Beowulf (1896).

simpel, bn. bijw. Eenvoudig, enkel : eene simpele vraag. Onderhandsch : eene simpele acte. Gewoon : een simpel soldaat. Onschuldig : de simpele duif. Sul, zwak, onnoozel : zij is simpel geworden. — Simpelaar, m. (-s). Sul. — Simpelachtig, bn.

— Simp el a ch tig gt;1 f id, v. — Simpelheid, v. — Simpellyk, l ijvv. — Simpeltjes, bijw.

simplankjci 0- (-gt;•)• Klos, waarom garen wordt gewonden tot het breiden van netten.

sindel, m. (-s). Sintel.

sinds, vz. bijw. Sedert. Van dien tijd. sineenui', v. (..uren). Werkelooze bediening. Gemakkelijk en vooideelig ambt. Luiaardspost.

Mineei, m. (-s). Strook grof touwweef-sel : de singels onder de kussenstoelen. Buikgordel (van een paard). Gordel (der geestelijken). .Buitenwal om eene stadsgracht. De gracht om eene stad. Met strandkeien bedekte plaats. — Sin gelen.


ocr page 774

simj — 7

bw. singelde, beeft gesingeld. Een paard singelen, het den buikriem omdoen. In riemen of koorden vastbinden : de soldaat singelt den ransel op zijnen rug.

Aiugelcu, bw. ow. singelde, heeft gesingeld. Wordt gezegd van eene bijtende koude : de vorst singelt het vel, mijne handen singelen van de koude.

•inffcls, gingrclgrroiid, ra. (-en). (Zeew.) Zand- en kiezelbank.

•inipiilariB, m. en o*. Enkelvoud. En-kelvoudsvorm.

singulier, bn. bijw. Zonderling. Vreemd. Wonderlijk. — Singulariteitt v. (-en).

Sinksen, m. Pinksteren. — StnAsen-dag,in. (-en).

•int, bn. Heilig. — Sin/, m. (-en). Heilige. — Sin/-Andrieskruis, o. (-en). (Wa-penk.) Liggend x-vormig kruis. (Timm.) Schoorbalk. — Sint-Antoniuskruid, o. Helmkruid. — Sinte-Katrijnwiel, o. Zekere huidziekte : herpes circinnaUis. — Sint-Elooisnagels, m. mv. Verzwering aan de vingers : panaris anthracoiJe. (Niet verwarren met nagelgaten.)— Sinterklaas, m. Feest van den h. rTicoIaas (kinderfeest, 6 December). — Sinterklaas, o. Soort van koek, gebak. — Sinlerklaas-avond, m. — Sinterklaasfeest, o. en v.

— Sinterklaasgave, v. (-n). — Sinterklaasgebak, o. — Sinterk/aasgeschenk, o. (-en). — Sinterklaasgoed, o. — Sinterklaaskoekje, o. (-s). — Sinterklaas-pre t, v. — Sinterklaasvreugd, v. — Sint-Jansbloem, v. (-en). Soort van groote madelief {chrysanthemum leucanthemum). Komt voor in weiden en bosschen. —Sint-Jansbrood, o. Vrucht van den Sint-Jansboom. — Sint-Jansboom, m. (-en). Boom {ceratonia siliqua). Komt voorin 't Oosten en Z.-Amerika. — Sint-Janskruid, o. Soort van Lertshooi [hypericum perforatum}', ook, smeerwortel. — Sint-Joris-wortel, v. Gemeene of wilde valeriaan. — Sint-Jozefslelie, v. (-s, ..iën). Sneeuwwitte lelie [lilium candidum). — Sint-Jozefszaaz, v. (..agen). Soort van handzaag. — Sint-Jutmis, v. Zie Jutmis. — Sint-Lambertsnoot, v. (..oten). Soort van groote hazelnoot. — Sint- Lauretistranen, m. mv. Sterrenregen (iou Augusti).

— Sint-Markoen, o. Koningszeer. — Sint-Martensyegel, m. ^). Soort van bonten houtspicht {picus major). — Sint-Mtchielszomer, m. — St-Nicolaas. Zie Sinterklaas. — Sint-Pieterskruid, o. Benaming van eenige plantsoorten : sleutelbloem, enz. — Sint-Pieterspenning, m. Zie Pieterspenning. — Sint- Veitsdans, Sint- Vitusdans, m. Zekere zenuwzieke.

Sintmiff. Zie Borneo.

sintel, m. (-s). Ijzerachtig en halfver-glaasd stuk, dat bij 't brauden van steenkolen gevormd wordt uit eene samenstelling van vreemde stoffen. Zie Scharbille.

sinas, m. (-sen). (Meetk.) Loodlijn, die uit het punt, waarin een straal den omtrek des cirkels snijdt, op een anderen straal valt. Boezem, schoot. Inham, golf, bocht.

gt; — SJOU

sip, bijw. Sip kijken : aardig op zijne»; neus staan te zien.

sipperlippen, ow. sipperlipte, heeft gesipperlipt. Met de lippen proeven (van).

sire, m. Titel, waarmede men eenea koning of keizer aanspreekt.

sirene, v. (-n). Meerrimf, zeenimf. (Muz.) Werktuig om het aantal trillingen van een gegeven toon te tellen. (Zeew.) Toestel om geluidsignalen te geven. — Sirenen lied, o. (-eren), ..zang, m. (-en). Verleidelijke zang. Verleidelijke woorden, siriiis, m. Ster. Zie Hond.

sirocco, m. (-'s). Zie Wind.

siroop. Zie Stroop (i® art.). SismoiMÜ ij. C. L. Sismonde de)t. 1773-Tamp;42, Genève. Geschied-, letter- en staathuishoudkundige. Histoire des répu-bliques italiennes (1808); Histoire des Fr an gais (i832-,42).

sissen, ow. siste, heeft gesist. Een fijn,, eenigermate scherp geluid als tusschen de tanden voortbrengen : de slang sist. Een sissend geluid veroorzaken : het vleesch siste in de pan. Het voortbrengen van een scherp geluid : de kogels sisten hem om de ooren. Suizen : mijn oor sist. Schurk ! siste hij. — Sisklank, m. (-en). — Sisletter, v, (-s). ^ en 2 zijn sisletters, — Sisser, m. (-s)^ Die sist. Wat een sissend geluid geeft. Zeker vuurwerk. Het zal wel met een sissertje afloopen : het zal tot geene dadelijkheid komen. — Sisser, v. (-s). Soort van grauwe erwt. — Sissing, v.

sits, o. (-en). Soort van gedrukt katoen.

— Sitsen, bn. — Sitsen win iel, m. (-s). — Sitspapier, o. (-en). Soort van gemarmerd,, bedrukt papier.

sjnnl, v. (-s), champ;le, v. (-s). Sluierdoek. Omslagdoek.

sjucbclen, sjacheren. Zie Scha-cheren.

sjalot, v. (-ten). Soort van kleine ui.

— Sjalottensaus, v. (-en). — Sjalottewor-tel, v.

sjapp®n» sjapte, heeft gesjapt.

Merken (o. v. te vellen hout).

sjappetonwen, ow. sjappetouwde, heeft gesjappetouwd. Lanterfanten. Straatslijpen. — Sjappetouvoer, m. (-s).

sjees, v. (..ezen). Zie Chais.—Sj'eezen,. ow. sjeesde, is gesjeesd. Mislukken (in een examen).

sjerp, v. (-en). Soort van gordel, sjilpen. Zie Tjilpen.

sjorel, bn. Kaal. Armoedig. — Sjofel-heid, v. — Sj'ofeltj'es, bijw.

sjokken, ow. sjokte, heeft en is gesjokt. Loom en slepend voortgaan.

sjorren, bw. sjorde, beeftgesjord. Vastmaken. Een touw slaan (om). —Sjor, m. Het sjorren. — Sj'orhoTit, o. (-en). (Zeew.)-

— Sjorklamp, m. (-en). (Zeew.). — Sjorring, v.— Sjortouw, o. en v.(-en). (Zeew.).

sjouwen, sjouwde, heeft gesjouwd. Bw. Zware lasten dragen. Aan boord roepen door het ophijschen eener sjouw. Ow. Moeilijk werk verrichten. Zwieren. Nachtbraken. — Sj'ouw, v. (-en). Zware last. Moeilijkheid. Opgerolde vlag, enz., die opgeheschen wordt om een ander vaartuig:


ocr page 775

SLAA — 7

aan boord te roepen. Aan de (op) siouw zijn : zwieren. — Sjouwer, m. (-s). — Sjomvenj, v. (-en).quot;— Sjouwerman, m. (..lieden, ..lui). — Sjouwermansknoop, m. (-en). — Sjouwwerk, o.

slcolct, o. (-ten). Geraamte. Rif. Zeer ma^er nif-nsch. — Skelet/eeren, bw. ske-Iciteerde, heeft geskeletteerd. Een geraamte reinigen en uitdrogen. Een dierlijk lichaam tot geraamte maken.

Nkink, m. (-en). Soort van hagedis.

hIsi. Salade.

Kls^af, m. (slaven). Lijfeigene door geboorte, verovering of aankoop. Iem.,_ die zeer harden arbeid moet verrichten. Blinde volgeling. Slaaf zijn zijner driften, er zich door laten medesleepen. — Slaafachtig, bn. bijw. — Slaafachtigheid, v. — Slaafs, bijw. — Slaafsch, bn. — Slaafsehheid, v.

HlaagT* n1- Slagen, klappen : slaag krijgt n. — Slaags, bijw. Aan het vechten : slaags zijn, worden, raken. (Oudt.) \an pas : gij komt hier slaags. — Slaan, bw. ow. sloeg, heeft en is geslagen. Slagen geven : eenen hond slaan. Persen : olie slaan. Dorschen ; koren slaan. Draaien : touw slaan. Munten : geld slaan. Do trom slaan : trommelen. Slachten : een zwijn slaan. Aan het kruis slaan : kruisigen. Een kruis slaan (bij het bidden). Het oog slaan (op) ; beschouwen. Uit het veld slaan : verjagen, pal zetten. Een sterk geluid geven : dit geweer slaat hard. Aanduiden : de klok slaat het uur. In de boeien slaan : met ketenen beladen. Tot ridder slaan, verheffen. De hand slaan (aan) : beginnen. Met de tong slaan. Zijne tong slaat ijzer, slaat kadul ; men hoort aan zijn spreken, dat hij dronken is. Klotsen : h« t water slaat tegen het schip, btorten : de golven slaan over het schip. Kloppen : het hart, de pols slaat. Hij slaat tegen den grond. De damp slaat mij op de borst. De regen slaat door het dak. De pokken, de mazelen slaan naar tinnen. Snel omdoen : eenen mantel om het lijfslaan. Vuur slaan. Met de vleugels slaan. Luid, ver hoorbaar en schoon zingen : de nachtegaal slaat. Eene brug slaan (over). De lucht slaan : vergeefsch verk doen. In den wmd slaan t zich niet bekreunen (om). Naar iets slaan, er naar raden. Den spijker op den kop slaan : het juist treffen. — Slaan, o. — Slaand, bn. Geluid gevende : met slaande trom vertrekken, een slaand l orloge. Straffend, kastijdend : GoJs slaande hand.

nlstak, o. (staken). Doorvaart, kil, natuurlijk kanaal. ,01 ,

filgtsip, m. 'slapen). Streek van bet hoofd tusschen de oogen en de ooren. — Slaapader, v. (-en, s,. — Slaap been, o. (-dtren). — Slaafispier,v. (-c^.—Slaap-streek, v. (..eken).

Klaap. m. Rust der ledematen en der zinnen. Toestand van v. rdooving, van ongevoeligneid, waarin veledien nen planten, inz. des winters verkeeren. Veidoo-ving van eenig lichaamsdeel : ik heb den slaap in 't been. De eeuwige sla;'p : de dood. — Slaapaatd, m. en v. ( s). Slaper, slaapster. — Slaapachtig, bn. — Slaap-

11 — SLAG

achtigheid, v. — Slaapbaas, m. (..zen). Die slapers houdt. — Slaapbank, v. (-en).

— Slaap bed, o. (-den). — Slaapbol, m. (-len). Zie Papaver. — Slaapbroek, m. (-en). — Slaapdeken, m. en v. (-s) Slaperig mensch. Druiloor. — Slaapdeun, m. (-en).— Slaapdoek, m. (-en). — Slaapdrank, ra. (-en). Drank, die den slaap bevordert. — Slaapdronk, m. Teug, alvorens men gaat slapen. — Slaapdronken^ bn. Dronken, bedwelmd van den slaap. — Slaapgeld, o. (-en). — Slaap goed, o. — Slaaphemd, o. (-en). — Slaap jak, o. (-keu). — Slaapkamer, v. (-s). — Slaapkoets, v. (,-en). — Slaapkoorts, v. (-en).

— Slaapkop, m. en v. (-pen). Die veel van slapen houdt. — Slaapkruid, o. Slaapbol. Slaapmiddel. — Slaaplaken, o. ( s-. — Slaapteer, v. (Genec-sk.). — Slaaplied, o. (-eren). — Slaaphjf, o. (..ven). — Slaap-luizen, v. mv. — Slaap lust, m. — Slaap-makend, bn. — Slaapmiddel, o. (-en). — Slaapmuts, v. (-en). — Slaapmuts, m. en v. »-on). Druiloor. — Slaappil, v. ( len).

— Slaappoeder, . .poeier, v. (-s). — Slaop-rat, v. (-ten). Viervoetig diertje (myoxus nitela). Is minder dan de rat en heeft een pluimstaartje. Doet veel schade aan het boomfruit. — Slaaprok, m. ( ken). — Slaaproos, v. (..ozen). Slaapbol. —Slaapsalet, o. (-ten). — Slaapsiroop, v. — Slaapstee,{-'én), slaapstede, v. (-n).— S laaphouder, m. (-s). — Slaap houdster, v. ^-s).— Slaapstoel, ra. (-en). —Slaap-tyd, ni. — S/aapuur, o. (..uren). — Slaap-v er a rij vend, lm. — Slaapvertrek, o. (-ken). — Slaapverwekkend, bn.— Slaapvrouw, v. (-en). Die slapers houdt. — Slaapwaggon, ra. (-s). — Slaapwandelaar, m. (-s). — Slaapwandelaarster, v. (-s). — Slaapwundrlen, o. — Slaapwekkend, bn. Slaapwercnd, bn. — Slaapzaal, v. (..alen). — Slaapziekte, v. (-n).

— Slaapzucht, v.

«lab, v. (-ben), «labbe, v. (-n). Eet-, morsdoekje (van kinderen). Voorschoot om vuil en morsig werk te doen. — Slabbe-duek, ra. (-en).

Nlalgt;lgt;akkcii (slaphakken), ow. slabbakte, heeft geslabbakt. Talmen, in ijver verflauwen, niet flink meer arbeiden : bij is aan 't slabbakken. Verminderen, afnemen : de wind begint te slabbakken, 't werk slabbakt. — Slabbakke, v. (-n). Talmster. — Slabbakker, m. (-s). Talmer.

— Slabbakkerif, v. (-en)

Hlalgt;lgt;e, v. (-n). Versche haring, in de Zuiderzee gevangen. — Slabber, m, (-s). (Oudt.) Soort van haringschuit.

Mlalgt;l»eii, bw. ow. slabde, heeft ge-slabii. Leppen, drinken (van dieren). Morsen onder het eten. — Slabheren, bw. ow. slabhcroe, heeft geslaübi rd. Slabben. — Slabbing, v. Het slabben. (Zeew.) Omwindsel der kabels in de kluiven.

Mlaclit, v. Het slachten, mz. voor eigen gebruik. — Slachtbaar, bn. — Slachtbank, v. (-en). Bank of blok, waarop de slachteis het klein vee ünz. de schapen) dooden. Moord. Slachting. — Slachtbeest% o. en v. (-en). — Slachtbijl, v. l-en). —


ocr page 776

SLAG — 7

Slachten, slachtte, heeft geslacht. Bw. Dooden, ombrengen : eene koe slachten. Ow. Zelf genieste beesten ombrengen en het vleesch inzouten : deze week slachten zij. — Slachter, m. (-s). Vleeschhouwer.

— Slachttry, v. (-en). — Slachtersha-mer, m. (-s). — Slachtersmand, v. (-en).

— Slachterswinkel, m. (-s). — Slacht-ge ld, o. (-en). — Slachthuis, o. (..zen). — Slachting, v. (-en). Het slachten. Moord, bloedbad. — Slacht loon, o. en m. (-en). — Slachtmaand, v. November. — Slacht-masker, o. (-s). — Slachtmes, o. (-sen).

— Slachtoffer, o. (-s). Ofter, dat ter eere der goden werd geslacht. Lijder, lijderes.

— Slachtofferande, v. (-n). — Slachtofferen, bw. slachtofferde, heeft geslachtofferd. Offeren. Ten offer brengen. — Slacht offering, v. (-en). —Slachtplaats, v. (-en). — Slachttijd, m. — Slachtvee, o.

— Slachtvlyin, v. (-en).

Mlaoliton, ow. slachtte, heeft geslacht. Gelijken : hij slacht (van) zijnen \ader.

sladoöd, laiiKv m. en v.

Lang en mager mensch (vooral van jonge menschen gezegd).

Klsig:, o. Soort.

NlatC, o. (-en). Schuif voor een duivenhok. Duiventil. Vogelknip.

Nlag-, o. (Wev.) Inslag.

Klsig?, o. (slagen). Iets, dat slaat of dient om te slaan : het slag van het uurwerk is de hamer, een slag om vuur uit eenen kei te slaan. Staand ol hangend horloge : het slag staat juist met den tijd.

hIus:, m. (-en) Stoot, schok : het gaf een geweldigen slag. Vtr«ekking van geluid, het geluid zelf : de slag van een geweer. Gezwinde en haastige beweging : hij deed eenen slag met de hand in de lucht. Winding (van touw), touwbelegging, lem. eenen slag (eenen klap) in het aangezicht geven, ook, iem grievende bcleedi-gen. Slaap van het hoofd. Tuchtiging : zijn kind krijgt te veel slagen. Wagenspoor : in dezen weg liggen diepe slagen. Plotselinge val : een slag tegen den grond. Wending : de slag van een rad. Hoor- en voelbare beweging van het bloed in hart en slagaderen. Luid gezang van zekere vogels : de slag van den nachtegaal. (Muz.) Maatslag. (Kaarts.) Drie slagen ophalen. Muntslag. Gang : korte, lange slagen doen. GeligCwheid : zijnen slag waarnemen. Gewoonte : den slp.g van iets hebben. Kwinkslag : slagen doen. St.ijd, gevecht, veldslag, nederlaaer. Nadet-l.tamp, verlies. (Gt-ncesk.) Beroerte. Zoiuier slag of stoot: zonder weerstand. Slag lu uden in 't dorschen : op zijne beurt slaan. Üp den slag, van pas komen. Met eenen slag : eensklaps. Ergens eenen slag inslaan : voetstoots bi'iekenen. Eenen slag van den molen hebben : niet wel bij zijn verstand zijn. — Slagader, v. (-en, -s). Slagiidet s : vaten, die het bloed van de hnkerkarner van 'thart raar al de doelen des lichaams stuwen en van de rechterkamer, naar de longen — Slaande* beschrijving, v. (-lt; n).

— Slagader bloed, o. — Slagader breuk, v. (-eu). —- Slagaderbuis, v. (..zen). —

2 — SLAG

Slagadergezwel, o. (-len). — Slagade? ig, slagaderlijk, bn. — Slagaderopening, v. (-en). — Slagbal, m. (-len). Kaatsbal. — Slag ba Ik, m. (-en). (Aan sluisdeuren).— Slagbed, o. (-den), slag bedding, v. (-en). Bedding voor een af te loopen schip. — Slagbeitel, m. (-s). — Slagboeg, m. (-en). (Zeew.). — Slagboom, m. (-en). Horizontaal liggend hout om eenen doorgang af te sluiten. Beletsel. — Slagbosch, o. en ra. (..sschen). Bosch, dat velbaar is. — Slagdeur, v. (-en). Kleine deur in eene groo-tere. —Slagdrempel, m. (-s). iluis-, ver-laatdeur. — Slagduif, v. (..ven). Duif, die tot eene duiventil behoort. — Slagflouw, v. (-en). — Slaggeweer, o. (..eren). — Slaghamer, ra. ^-s). — Slaghoedje, o. (-s). Geplet koperen dopje, dienende tot het ontsteken van de ladingen der draagbare wapenen. — Slaghoi lo^e, o. (-s).

— Slaghout, o. (-en). Kreupolbout. Schaarhout. Hout, waarmede men slaat ol klopt, inz. kort stokje door de hoedenmakers gebruikt. — Slaginstrumenten, o. mv. B. v. trommen, pauken. — Slagkooi, v. (-en). Vogelknip. — Slag-kruit, o. Soort van buskruit. — Slagkwik, v. en o*. Mengsel tenor oplossing van zuiver kwikzilver in salpyterzuur met alcohol en ether. — Slaglyn, o. (-en). Zwart gemaakt koord om lijnen, strepen op eenen muur te trekken. (Zeew.) Zeker touw. — Slaglings, bijw. In eenen slag. Plotselings. — Slaglinie, v. (..iën). Stelling, welke een leger inneemt om een terrein te bezetten. — Slagmuit, v. (-en). Slagkooi.

— Slagnet, o. (-ten). Zeker net om vogels te vangen. — Slagorde, v. (-n). Oide, volgens welke de tru. pen bij een gevecht, eenen v-iidslag, enz. gerangschikt worden.

— S.agpen, v. (-nen). Groote pen of veder van eenen vogel. — Slagplaat, v. ( .aten). (Bij goudsmeden). — Slagregen, .u. (-s). Harde regen. — Slagschaduw, v. (-en). Schaduw, welke een voorwerp, door de zon of een ander licht bescüenen, op den lichten grond veroorzaakt. — Slajtand, m. (-en). Groote voortand (van vele die-re,')• — Slaguurwerk, o. (-en). — Slagvaardig, bn. Gereed tot den slag. — Slagveder, ..veer, v. (-en). Slagpen. — Slogveer, v. (-en). Veer van een schietgeweer, die den haan doet overslaan. Veer van een slaguurwerk, waarmede het slagwerk in beweging wordt gebracht. Metalen smalle p.aat, die geplooid is op de wijze van eene V (in een slot, enz.). — Slagveld, o. (-en). Plaats, waar een slag geleverd is of wordt. — Slagvenster, o. en v. (-s). Buitenblind. — Slag verbn nd i o. Plaats in een oorlogsschip, waar de' gekwetsten verbonden worden. — Slagvink, m. en v. (-en). Gewone vink. —Slaqvleu-gel, m. (-s, - en). — Slagwater, o. Zogwater. Üpborreling. Siovtn vt-u.—Slagwerk, o. (-en) (Hori.). — Sla^uiek, v. (-en). Slagvleugfcl. Vin. — Slngzee, v. (-en). — S agzi/de, v. (-ngt;. Zwakke zijde van een schip (waarnaar het schip overhelt).— Slag-zu aard, o. (-en). Groot oorlogszwaard, dat met beide handen wordt gehanteerd.


ocr page 777

SLAN — 7

filsterel, m. (s). Groote houten moker.

m. (-s). Soort van aalgeer.

Mlstecu, ow. slaagde, is geslaagd. Geluk hebben (met). Zijnen wensch vervuld zien. Een gelukkig examen doen : hij is voor 't Latijn geslaagd.

Bluger.m.^.Vleeschliouwer.Vleesch-verkooper. — Slagerij, v. (-en). Slachterij.

— Slagersbank, v. (-en). — Slagersbyl, v. (-en). — Slagersblok, o. en m. (-ken).

— Slagersboekje, o. (-s). — Slagersgtld, o. (-en). — Slagershond, m. (-engt;. — Slagersjongen, ra. (-s). — Slagersknecht, ra. (-s). — Slagersmes, o. (-sen). — Slagers-priem, ra. (-en). — Slagersrekening, v. (-en). — Slagersstaal, o. — Slagersvrouw, v. (-en). — Slagerswinkel, ra. (-s).

slalc, slck, v. (-ken). Langwerpig, buikpootig weekdier. Zoo vet als eene slak : zeer vet. — Slakachtig, bn. — Slak gaten, o. rav. Gaten in sluismuren. — Slakhoren, ra. (-s). Voelhoren eener slak. Zeker weekdier, — Slakkeboor, v. (..oren). Drilboor. — Slakkeii/n, v. (-en). Schroeflijn. — Slakkendritibla 1, o. Slakkenkla-ver. — Slakkengang, ra. Gang eener slak. Kronkelende loop. Alles gaat hier den slakkengang, uiterst langzaam. — Sla*-kenhuisje, o. (-s). — Slak henklaver, v. Soort van luzerne. — Slnkkenmelk, v. Soort van kruid. — Slakkennog, o. en v. {-en). — Slakkensteen, ra. (-en). Steen (in den kop der slakken). Soort van mariner. — Shi k ken siroop, v. Zeker geneesmiddel. — Slakketrup, v. (-pen). Wenteltrap. — SlukkeTCer, v. (-en). Spiraal-veer. — Slakuormig. bn.

slak, v. (-ken). Glasachtige verbinding van aardsoorten of van metaaloxyden. — Slakachttg, bn.

8lsKk, bn. bijw. Slap, los, niet gespannen : die knoop is te slak. Niet kloek : slakke leden hebben. Slak voedsel : vloeibare, licht verterend* spijs. Niet vast, onzeker : slak weder. Toegevend : die vader is te slak voor zijne kind»-r-n. Vrij : ik heb mijne pacht betaald, nu ben ik weer slak voor een jaar. — Slakheid, v. — Slakken, slakte, heeft en is geslakt. Bw. Slap maken. In vrijheid st' llen. Ow. (zijn) Slap worden. Verminderen, verflauwen : de wind begon te s akken, ile duurte van 't graan zal slakken. — Slakte, v.

Nlstkcii, bw. slaakte, heeft geslaakt. Ontbinden : de zeilen slaken. In vrijheid stellen : de gevangenen slaken. Loozen : zuchten slaken. — S aking, v. . Hlameiir, o. Beslommering. Last. Moeite en zorg.

Hlampitmpen, ow. slampampte, heeft .geslampampt. Brassen. Slempen. — Slam-pamper, ra. (-s). — Slampampery, v. (-en). — Slampampster, v. (-s).

Hlsinfr, v. ( en). Bt hoort tot de kru;-pende dieren, zie Bijgevoegde Tabellen. Lange lederen buis eener bi andspuit. Soort van vuurwerk. Distill» erbuis. Zeker sterrenbeeld. Boos wijl': hij heelt eene slang van eene vrouw, lit no slanir aan den boezem koesteren : eenen snoodaard met weldaden overladen. — Slangaal, m. (..a'en).

3 _ SLAN

Soort van zeeaal {ophidittm barbatquot;m).

— Slangachtig, bn. — Slangbrandspuit, v. (-en). — Slangebeet, m. (..eten). — Slan^ekofgt;, m. (-pen). — Slangelijn, v. (-en). Slingerende lijn. — Slangemond, m. (-en). — Slangemuil, ra. (-en). — Slangenaanbidder, in. (-s). — Slangenaanbidding, v. (-en). — Slangenaat d, ra. — Slangenbeschrijver, ra. \-s). — Slangenbeschrijving, v. (-en).— Slangenbezweerder, ra. (-s). — Slangenbloem, v. (-en). Zeer schoone plant {-pilobinni angustifo-lium). — Slangenbroedsel, o. (-s). — Slangendiens/,m. — Slangenei, o. (-eren).

— Slangengeblaas, ..gesis, ..gesyjel, o. — Slangengebroed, o. — Slangengif(t), o.

— Slangen hok, o. (-ken), ..hol, o. (-en).

Slang.

a. Ki fr. b. Kop van de vpera aspis. c. Ta id. d. Haak tand. e. Gif uitvoerende taid.

— Slangen hoofd, o. (-er.), — Slangenhout, o. Hout, dat men tegen den slangenbeet gebruikt. — Slangenhoutboom, ra. (-en). {Strychnoscolubrina). —Slan-genkruid, o., slangekop, m. Zie Aronskelk. — Slangennest, o. en m. (-en). — Slangenoog, o. en v. (-eni. — Slangenpa-pier, o. Fijne soort van papier. — Slangenpoeder, ..poeier, v. (-s). — Slangensteen, va. (-en). Dunne lagen van grijzen of bruinachtig zwarten kalksteen in het albast. — Slange(ri)vet, o. — Slangenwortel, v. Soort van duizendknoop. — Slangemuil, m. ( en\. Zuil, die slangswijze zich verheit. — Slangespuit, v. (-en).

— Slangestaart, m. (-ent — Slangesteek, m (..eken).— Slangetand, m. (-en).

— Slangelong, v. -en). Tong eener slang. Lasteraarster. Gemeen pijlkruid. Soort van delfstof. — Slangevel, o. (-len). Vel eener sl^ng. Boos wijf. Kwaadsprekend wijf. — Slangstnk, o. ( ken)'. Soort van geschut»


ocr page 778

SLAV — 7

Zeker veldstuk. — Slangswijze, ..wys, bijw. Als eene slang. Slangvormig. — Slangvormig, bn.

slauk, bn. Lang, dun, buigzaam. Lang en recht gebroeid. Dun van lijf, los in bewegingen. Fijn, teer. — Slankheid, v.

ftlai», bn. bijw. Los neerhangend, niet stijf, niet gespannen : het touw hangt slap. Zacht, buigzaam : slap leer. Zacht: slappe winter. Niet krachtig : slappe soep. Licht verteerbaar : slappe kost. Slappe spieren hebben : nietkrachtig zijn. Zwak : uit zijne laatste ziekte is hij nog slap gebleven. Een slap mensch, zonder kracht, zonder geestdrift. Slappe tijd, waarin men niet veel verdient. De beurs was slap : de koersen waren laag. Het is slap in dien winkel, er komen weinig klanten. De handen slap laten hangen : den moed verliezen. — Slapachiig, bn.— Slap/takken. Zie Slabbakken. — Slaphartig, bn. bijw. — Slap-hartigheid, v. — Slapheid, v. — Slapjes, bijw. — Slaplenden, m. en v. (-s). Die slappe lenden of leden heelt. lem. zonder geestkracht. — Slap I en dig, bijw. — Slap-moedig, bn. bijw. — Slaprnoedigheid, y. — Slapoor, m. en v. (-en). — Slnpoo* ig, bn. — Slappe lijk, bijw. Eenigszins slap. Langzaam. Flauw. — Slappen, ow. slapie, is geslapt. Verslappen. — Slapping, v. Het slapper worden. Oud U uwwerk, om kabels te bekleeden. — Slappigheid, v. — Slapte, v.

Hl Apen, ow. sliep, heeft geslapen. In slaap zijn. Zich aan den slaap overgeven. Gaan slapen : zich ter ruste begeven. Ver-dooven (van ledematen» : mijn been slaapt. Hij slaapt als eene roos, zeer vast. Uver of op iets slapen : den nacht laten voorbijgaan, vooraleer een besluit te nemen. Onder den blooten hemel, op straat slapen. — Slapeloos, bn. bijw. — Slapeloosheid, v. — Slapend, bn. — Slapensiyd, m. — Slaper, m. (-s). Die slaapt. Gast, die overnacht. Oogvuil (na 't slapen in de ooghoeken).Droomer.Domoor. (Scheepb.) Versterkingsstuk. Standaard (maten en gewichten). Stutten van het braadspit. (Bouw.) Plaats, waar de hellende vlakken van twee daken elkander ontmoeten. Wat alleen in tijd van nood dient, b. v. een binnendijk. — Slaapster, v. ( s). — Slaperachtig, bn. Slaperig. — Slaperdijk, m. (-en). Tweede dijk, die dient om, in geval de eerste mocht bezwijken, het water op te houden. — Slaperig, bn. bijw. Vol slaap. Geneigd tot slapen. Droomend. Traag. Vervelend. — Slaperigheid, v. — Slaping, v. Bedding. Al wat dient om op te slapen.

Hlatten, bw. slatte, heeft geslat. Uitdiepen (van slooten). Baggeren. — Slatting, v. (-en).

Hlavcn, ow. slaafde, heeft geslaafd. Een slaafschen arbeid verrichten. Hard en aanhoudend werken. — Slavenaard, m. Slaafscbheid. —Slavenarbeid, m. — Slavendienst, m. (-en). — Slavenhaler, m. (-s). Schip, tot het vervoer van slaven gebezigd. Eigenaar, gezagvoerder van zulk een schip. — Slavenhandel, m. — Slavenhandelaar ,vix. (-s, ..aren).—Slaven-

j — SLEE

houder, m. (-s). — Slavenhuis, o. (..zen). — Slavenjuk, o. — Slavenkerker, ra. (-s). — Slavenketen, v. (-s, -en).— Slavenleven, o. — Slavenmarkt, v. (-en). —Slavenschip, o. (..epen). — Slavenstaat, ra-(..aten). — Slavenstand, m. — Slavenwerk, o. — Slavenziel, v. (-en). — verny, v. Dienstbaarheid. Ondraaglijke tucht. Lastige arbeid. — Slavin, v. (-nen).

HlavetH, v. (-en). Haveloos vrouwspersoon. — Slav etsen, ow. slavetste, heeft geslavetst. Lanterfanten.

slecbt, bn. bijw. Wat niet is gelijk het behooit of zooals men het wenscht : dat is slecht betaald. Onstuimig : slecht weer. Bedroevend: eene slechte tijding. Ondeugdelijk, onvoldoende : slecht papier. Ver-sletru : een slechte rok. Slechte, versleten tanden. Hij heeft een slecht gezicht, ziet niet goed meer. Verkeerd : eene slechte keuze doen. Ziekelijk, mager : hij ziet er slecht uit. De zieke ligt slecht, is doode-lijk ziek. De handel is slecht: er gaat niet veel om. Onvoordeelig : zijne zaken staan slecht. Wij beleven een slechten tijd. Verderfelijk : slechte boeken. Ondeugend,, kwaad, verdorven : een slechte kerel. Oneerlijk, onzedelijk : men moet iem. niet slecht maken. Gering : iem. van slechte afkomst. Van weinig waarde : slechte verzen. Goud, zilver van slecht allooi, van, gering gehalte. Eenvoudig : een slechte burger. Slecht en recht in al zijn doen eenvoudig en eerlijk. Eiien, glad : slechte-zee. Niet slecht : tameiijk wel. — Slecht~ aard, m. (-s). Slechte, gemeene kerel. — Slechtbijl, v. (-en). Bijl niet een breed vanvoren afgerond ijzer en konen steel. — Slechte lijk, bijw. Etnisszins slecht. Eenvoudig. — Slechten, slichtte, heeft geslecht! Bw. Effen maken : de wegen slechten. Het land slechten : de kluiu n aarde-met eene egge fijnmaken. Met eenen slechthamer bewerken. Sloopen, afb-eken : een huis slechten, de wallen slechten. Beslechten, bijleggen : een geschil slechten. Ow. Effen worden : de zi e slecht. Verflauwen, bedaren : de wind begint te slechten. — Slechterik, m. (-en). Booswicht» Boosaardig mensch. — Slechthamer, ra. (-s). Hamer om oneffenheden weg te ne-mm. —Slechtheid, v. Slechte hoedanigheid, verdorvenheid, boosheid. Eenvoudigheid. Effenheid. ( .heden) Gemeene,. lage streek. — Slechthoofd, m. en v. ( en). Slecht, koppig mensch. — Slechtigheidr v. (..heden). — Slecntyzer, o. (-s). Soort van drijfijzer. — Slechting, v. — Slechtjer o. (-s). Tusschenpoozing tusschen zee en wind. — Slechts, bijw. Alleen. Enkel» Niet anders dan. Bloot. Maar. — Slecht-weg, bijw. Zoo maar eenvoudig weg.

Hletlc, v. (-n), Hlce, v. (-en). Voertuig zonder wielen (inz. om over sneeuw en ijs-te glijden). Weiktuig tot afladen \van vaten, enz.). — Sledemenner, m. (-s). — Slede tuig, o. (-en). — Sledevaart, v. (-en).

slee, v. (-ën). Wilde pruim. — Sleeboom, m. (-en). Boom, waaraan sleeën groeien. — Sleedoorn, m. (-en). Soort van pruimeboom {prunus spinosa) : doornige


ocr page 779

SLEM — 71

neester, vooral in heggen en tusschen kreupelhout voorkomende. — Sleeórutm, m. (-en). Sleedoorn; v. (-en) Vrucht.

slco, bn. Zuur, wrang. Eggig, stomp (van tanden). —Sleeheid, v.

Kleccbx (7. L. D.), 1818, Antwerpen. Gewezen hoofdopziener (lager onderwijs). Taal- en letterkundige. Volledig Nederduitse h - Franse h en Franseh - Neder-duitsch woordenboek (met v. d. Velde, U852-'6I).

«leep, m. (..epen). Al wat sleept : de sleep van een vrouwenklee d. Stoet: een sleep van hovelingen. Reeks ; welk een sleep van rampen. Uusla^, gevolg : ik ken den droeven sleep des oorlogs. Deel van een kerkorgel. — Sleep berrie, v. (-s). Berrie, waarop men iets voortsleept. — Sleepboot, v. (-en). Stoomboot, die vaartuigen op sleeptouw neemt. — Sleep bord, o. (-en). Zeker werktuig (der landbouwers).

— Sleepdeken, v. (-s). Luie, vadsige vrouw.

— Sleepdrager, m. (-s). — Sleepdraag-ster, v. (-s). — Sleeden, bw. sleepte, heeft gesleept. Voorttrekken : zij konden met moeite de vracht sltepen. Aan een touw voorttrekken : zij sleepten de booten laugs den stroom. Langs den grond voorttrekken : iem. bij de haren over den grond sleepen. Met roofgierigheid wegvoeren : de roovers sleepten hunnen buit in de spelonk. Met geweld ergens heen brengen ; iem. naar de gevangenis sleepen. iem. door het slijk sleepen, hem grof beleedi-gen. — Sleeper, m. (-s). — Sleepersfooi, v. (-en). — Sleepersgeld, o. (-en). — Slee-persgild, o. (-en). — Sleepersknecht, m. (-s). — Sleepers loon, o. en m. (-en).— Sleeper spaar d, o. (-en). — Sleepersstal, m. (-len). — Sleeperswagen, m. (-s). — Sleeperswerk, o. — Sleepgewaad, o. (..aden). — Sleephelling, v. (-en). Helling, waar de scuepen (tot herstelling) worden opgesleept. — Sleeping, v. (-en).

— Sleepjapon, v. (-nen).— Sleepkleed, o. (-eren). — S-eepkoelsje, o. (-s). —Sleep-lenden, m. en v. (-s). Lui en vadsig mensch.

— Sleeploon, o. en m. (-tn). — S'eeptiet, o. (-ten). Soort van visch- ol vcgeluet.— Sleepsa bel,v.{-s).—Sleepstoombool . (-en).

— Sleeptouw, o. en v. (-cu). — Sleeptros, m. (-sen). Sleeptouw. —Sieepvaartdienst, m. — Sleepvoet, m. en v. (-en). — Sleepvoeten, ow. sleepvoette, heeft gesleepvoet. Met de voeten slepen. — Sleep zak, m. (-ken). Soort van sleepnet.

sleet, v. Het slijten, verslijten. Er is breuk noch sleet aan ; het is geheel nieuw. Vertier, verkoop in 't klein. Afgedankt schip. — S'eetseh, bn. Licht, spoedig verslijtend. Slordig. (Zeew.) Versleten. — Sleetschheid, v.

sleeuw, bn. Slee (2* art.). — Sleeuwheid, sleeuwigheid, v.

slegel, m. (-s). Slegge.

slegge, v. (-u). Groote houten hamer, om palen in den grond te slaan.

slei, v. (-en). SUepruim. Slegge. slek,v. (-ken). Zie Slak (ie art.).

slem, slim, bn. (Kaartsp.) Iem. slem maken : maken, dat hij niet eenen slag wint.

5 — SLEU

slempen, ow. slempte, heeft geslempt.-Brassen. Smullen. — Slemp, m. Het slempen. Brasserij. — Slemp, v. Drank met melk, eieren, enz. bereid. — Slempdag, •m. (-en). — Slemper, m- (-s). — Slempe-ry, v. (-en).— Slemphout, o. (-en). (Zeew.) Opstapeling van hout aan den voor- of achtersteven, dienende tot verband van kiel en steven. — Sleynplooper, m. (-s). Tafelschuimer. — Slemp loopster, v. (-s).

— Slempmaal, o. (..alen). — Slempmelkt v.—Slemppartij, v. (-en). — Slemppoe-der, o. — Slempster, v. (-s). — Slemp' tijd, m.

slendrlaan, m. Slenter (2® art.), slenk, v. (-en). Moddergat in den weg. slensen, ow. sltnste, heeft geslenst. Verslensen.

slenter, m. (-s). Lap. Lomp : zijn kleed was aan slenters.

slenteren,ow. slenterde,heeft en is geslenterd. Langzaam en traag gaan. — Slenter, m. (-s). Gewone, oude, trage gang : den ouden slenter volgen. Looze trek. Uitvlucht, list, bedrog : met slenters omgaan.

— Slenteraar, m. (-s). — Slenterbroer, m. (-s). — Slentergang, m.

slepen, ow. sleepte, heeft gesleept. Langs den grond gesleept worden : haar kleed sleept. Met de voeten slepen. Het anker sleept, pakt niet in den grond. Zeer langzaam gaan : hij sleept langs den weg. Zich langzaam voortbewegen : die uren slepen vooruit.— Slepend, bn. Wat sleept: een slepende gang. Langdurig : eene slepende ziekte. Langdradig : eene slepende voordracht. Traag sprekend : eene slepende stem. Slepend rijm, zie Rijm. — Sleping, v.

«let, v. (-ten). Flard, lap, vod. Haveloos, ontuchtig vrouwspersoon. — Sleter, m. (-s). Lap. Vod. — Steler en, bw. sle-terde, heeft gesleterd. Scheuren. — Slets, v. (-en). Slet. — Slettig, bn. Sleetsch. — Sletvink, m. (-en). Slordige vent. v. (-en) • Laag vrouwspersoon.

sleuf, v. (..ven). (Bouwk.) Groef. Keep. Uitholling.

sleuren, sleurde, heeft gesleurd. Bw. Ruw voorts'.eepen : iem. langs den grond sleuren. Iets laten sleuren : iets veronachtzamen (met of zonder inzicht), iets laten aanloopen zonder het eens goed af te werken of te voleindigen. Ow. Langzaaifa voortgaan : die zaak sleurt. — Sleur, v. Slenter (2® art.). — Sleurgebrd, o. (-en). Gebed uit gewoonte. — Sleurgodsdlenst, m. Eeredienst uit gewoonte. — Sleur-werk, o. (-en). quot;Werk der gewoonte.

sleutel, m. (-s, -en). Werktuig om iets • (inz. een slot, z. d. w.) te sluiten of te openen. Werktuig, waarmede eene scbroef open- of toedraait. Werktuig, waarmede men een uurwerk opwindt. Plaatje om den trek eener kachelpijp te regelen.(Schoenm.) Wig, die tusschen de twee helften eener leest wordt gtslagen. Sluitsteen van een gewelf. Stift, waaraan de snaren van verschillende speeltuigen vast zijn. Aanwijzing van den toon van een muzirkstuk : de ut-, de fa- en de solsleutel. Middel om -iets te ontcijferen: de sleutel van een ge- -


ocr page 780

SL1J - 7

heim, een raadsel, enz. De voornaamste toegang : die vesting is de sleutel des lands. Jem. de sleutels van eene stad aanbieden : de oppermacht eener stad aan iem. opdragen. Den sleutel op het graf leggen : eene nalatenschap afwijzen. — Sleutelader, v. (-s). (Ontl.). — Sleutelb jard, m. (-en). — Sleutelbeen, o. (-en). Been, dat het borstbeen met het schouderbeen ve.bindt. — Sleutelbeenbrenk, v. ( en). — Sleutelbeenspier, v. (-en). — Sleutclblcem, v. (-en). Plantengeslacht {primula). Tot dit

f:eslacht behonren fiaaie planten met sier-ijke, vaak welriekende bloemen. Bloeien in April, JMei. Bij ons komen voor : de stengel ooze (/gt;.:eslacht behonren fiaaie planten met sier-ijke, vaak welriekende bloemen. Bloeien in April, JMei. Bij ons komen voor : de stengel ooze (/gt;. acaulis), de hoogstenge-lige {p. elatior) en de gewone sleutelbloem {p. communis). — SLeuteIbloemtgen, v. mv. Plantenfamilie. — Sleutelbos, m. (-sen). — Sleuteldrager, ra. (-s). — Sleti-telgat, o. (-en). — Sleutelpyp, v. (-en).— Sleutelreeks, v. (-en). Sleutelbos. — Sleutel? eesem, m. (-s). — Sleute Ir iem, ra. (-en). — Sleutelring, m. (-en). — Sleutelschacht, v. (-en). — Sleutelschild, o. (-en). — Sleutelstuk,o. ( ken). (Scheepsb.) Wigvormig aanvu.lingsstuk. — Sleutel-vormig, bn.

Nlibbc, slibber, v. eno. Slijk. Modder. — Slibachtig, bn. — Slibbcr-achtig, bn. — Shbbei achtigheid, v. — Shbberbaan, v._ (..anen). Glijbaan. — Slibberen, ow. slibberde, ueeft gi slibberd. Uitglijden. — Slibberig, bn. Glad. Glibberig. — Slibberigheid, v.

Mlielitcn, bw. slichtte, heeft geslicht. Oi.lvleezen (de vellen). Afwrijven, afschaven (het leder). (W ev.) Pappen. Slechten, beslechten. — Slie hier, ra. (-s). — Stichting, v. — Slicht ka m, m. (-men). — Shcht-maan, v. (..anen), ..7ties% o. (-sen). — Slichtpap, v.

Klieren, slierde, heeft geslierd. Ow. Slingeren, zwaaien : langs de straten slieren. Gieren. Glijden : de kinderen slierden op bet ijs. Weg-, doorglijden : het touw slierde door mijne hand. Bw. Sleepen. Sleuren. Ontfutselen. — Slier, m. Het slieren. Eene slier aanhr bben : te veel gedronken hebben. — Slierbaan, v. (..anen). Glijbaan. — Slier sperde, slier-asperge, v. (-s). Soort van lange asperge.

Kliet, v. en o. (-en). Lange paal. Paal, •die de scheiding vormt tusschen de koeien ol de paarden in eenen stal. Ruimte tusschen twee slieten.

fciü. v. (-en). Zeelt.

feiyk, slik, o. S.ib. — Slijkachtig, bn. — Slijk ach tigh eid, v. — Siykerig, bn. — Slykerigheid, v. — Slijk gat, o. (-en). — Shjkgrond, ra. (-en). — Slijk kousen, v. rav. — Slijk kuil, ra. (-en). — Slijk land, . o. (-en). — Slijkmossel^ v. (-s). — Slijk-oester, v. (-s). — Shjkpul, ra. (-ten). — Sl'jkschelp, ..schulp, v. (-en). — Slijk-slak, v. (-ken).— Slijk spat, v. (-ten).— Slijk spoor, v. (..oren). — Slijkvisch, ra. (..sschen). — Slijkvoeten, ra. rav. — Slijk-vulkaan, ra. (..anen).

hIUiu, o. (en). Kleverige, taaie zelfstandigheid. 't Voortbrengsel der slijmvliezen. Kleverig vocht, waarmede de vis-

5 — SLIK

schen enz. bedekt zijn. Speeksel eener slang. — Slijmachtig, bn. — Slij machtigheid, v. — Slijmafdrijvend,..voer end, bn. — Slijm afscheiding, v. — Slijm beroer te, v. (-n). — Slijmbeurs, v. (..zen), (Ontl.). — Slijmdiertje, o. (-s). Zeediertje, tot de straaldieren behoorende. — Slijmerig, bn. — Slijmerigheid, v. — Slijmgast, ra. ( en). Onveischillige, die geen partij kiest. — Slijmgat, o. (-en). (Ontl.).

— Slijmgezwel, o. (-len). — Slijm graveel, o. — Slijmhoest, ra. — Sli/mholte, v. (-n). (Ontl.). — Slijm hu id, v. (-en). (Ontl.). — Slymig, bn. — Slijmigheid, v.

— Slijm klier, v. (-en). — Slijmkoorts, v. (-en). — Slymkwaal, v. (..alen). — Slijmpot, m. (-ten). Pot, waarin men het slijm uitspuwt. —Slijmpot, m. en v. ( ten). — Sly vip' op, v. (-pi-n). Vast stuk slijm. — Slymstof, v. — Slijm lei tug. v. — Sly'm-ver drijvend, bn. — Slymvisch, ra. (..sschen). De sly'mvisschen maken eene larailie uit onder de stekelvinnige visschen.

— Slijmvlies, o. (..zen). (Ontl.). — Slijmvloed, ra. — Slymvocht, o. — Sly'm-ziekte, v. (-n). — Slymzucht, v. — Slijm-zout, o. — Slijmzuur, o. — Slymzuur-zout, o.

Niypen, sleep, heeft geslc-pen. Bw. Wetten, scherpen : een ra-s slijpen. Dia-raant slijpen, er den vereiscliten vorm aan geven. Glad, effen maken : gl.is slijpen. Scherpen : het verstand, den geest siijpen. De straat slijpen : gedurig op straat loo-pen. Ow. Dit steentje slijpt goed, daarop kan men iets goed slijpen. — Slijp, o. Schuurzand. — Slijp bak, ra. (-keu). — Slypbank, v. (-en). — Slijpbo* d, o. (-en).

— Slijper, ra. (-s). — Slij, er ij, v. Het slijpen. ( en) Plaats, waar men slijpt. — Slijp-geld, o. (-en). — Slypgerecdschap, o. (-pen). — Slijping, v. — Slijp loon, o. en ra. (-en). — Slijpmolen, ra. ( s). — Slyp-piaat, v. (..aten). — Slypplank, v. (-en).

— Slijp poeder, ..poeier, o. —Slijprad, o. (-eren).—Slijp schijf v. (..ven). — Slijp-schotel, ra. ( s,'. — Slijpsel, o. — Sli/p-staal, o. — Slijpsteen, ra. (-en). — Sliip-ster, v. (-s). — Slijp trog, ra. (-gen).' — Shjpznnd, o.

siyteii. sleet, heeft en is gesleten. Ow. Door het gebruik kaal worden of doen worden : die jas is versleten. Langzamer-hand verminderen, in sterkt.; afnemen : de droefheid zal moeten slijten. Door gebruik in kracht of waarde verminderen : het touw slijt in het gebruik. Bw. Verslijten : een gat in zijne kousen slijten. Doorbrengen : zijn leven slijten. In het klein verkoo-pen ; drank slijten. Kwijtraken. Afbreken en voor afuraak verkoopen. Volgassen vruchten (inz. \las) uit den grond uittrekken : vlas, hennep slijten. — Sly tachtig, bn. — Sijtach tig he id, v. — Slijtage, v. Het verslijten. Verkoop in het klein. — Slijtdng, ra. (-en). — Slijter, ra. (-s). — Slijterij, v. (-en). — Sly terswinkel, ra. (-s). — Slijting, v. — Shjtpap, v. (-pen).

— Slijt ster, v. (-s).

slik, o. Slijk. — Slikkerig, bn, — Sliknat, bn. Doornat.

slilikeu, bw. slikte, beeft geslikt. Slok-


ocr page 781

SLIN — 7

ken, doorzwelgen : hij kan niets meer slikken. Verkroppen, verduren. Dat is oen harde pil om te slikken, een groot verdriet om te doorstaan. — Slik, m. Het slikken.

— Shkartseny, v. (-en). Artsenij vermengd met honig, enz. — Slikbrok, m. en v. (-ken). — Slikker, m. (-s). —Slik-middel, o. (-en). Slikartsenij. — Shkop, m. en v. (-pen). —Slikpot* m. (-ten). Zekere artsenij. — Slikster, v. (-s).

glim, bn. bijw. Krom, scheef: slimme beenen. Slecht, verkeerd : de zaken staan slim. Het slimste, het ergste van de zaak is, dat. Moeilijk : een slim werk. Sluw, loos : een slimme kertl. Schrander : een slim kind. — Slimbeen, m. en v. (-en). — Slttnhals, m. en v. (..zen). — Slimheid, v. — Slimmerd, m. (-s). lem., die slim is. — Slimmerik, m. (-en). Behendige ketel. — Slimmigheid, v. (..heden). — Slinivoet, m. en v.(-en).

Nliniiiiercn, ow. slimmerde, is ge-slimmeid. Erger worden.

Nli inmeriiigr, v. (Zeew.) Bederf, be-schadigii g van geladen goed. Averij.

sliiKien, bw. slond, heeft geslonden. Verslinden. — Slindachtigy bn. Kwistig. Verkwistend — Slindkolk, v. (-en). Draaikolk. (Ook fig.). — S.mdpetilling, m. en v. (-en). Verkwister, verkwistster.

Slinecneyer (£quot;.), 1823-1894, Loo-christi. Kunstschilder.

slinger, m. (-s). Het slingeren, slingering. (üudt.) Wapentuig, waarmede men (steenen) slingerde. Al wat slingert : de slinger (van een uurwerk), platte oorbel. Windsel, doek : zijnen arm 111 eenen slinger dragen. Zwei gel (eener pomp). — Slingeraap, m. (..apen). Aap, die zich van boom tot boom slingert. — Slingeraar, m. ^-s, ..aren). ^Oudt.) Die den slinger hanteerde. — Slingerheen, m. en v. (-en). Die met de beenen slingert onder het loo-pen. — Slingerboom, m. (-en). Kwalsterboom. — Slingerbusch, o. en ra. (..sschen). Bosch met slingerlanen. — Slingeren, slingerde, heeft en is geslingerd. Bw. Heen en weer bewegen : de wind slingerde ons schip langen tijd. Met eenen slinger werpen : David slingerde Goliath den steen in het voorhoofd. De golven slingerden \sloe-gen) het schip tegen de rots. Urn iets heen winden : het touw rond eenen paal slingeren Ow. Heen en weer bewogen worde n : hoe slingert het schip ! Slingerend vallen : de schipper slingerde van Let dek. Hij slingert als een beschonkene : hij loopt niet lechtuit. Kronkelen ; het beekje slingert door het veld. Door hoop en vrees geslingerd worden : beurtelings hopen en vreezen. Zich s!in^erm, ww. Zich schommelen : hij slingerde zich op de koord. Zich om een of ander voorwerp kronkelen : het klimop slingeit zich om den boom. — Slingerend, ün. — Slingering, v. (-en). — Slinger laan, v. ^..anen). Kronkelende laan. — Slinger Ie (dj er, o. Riem van eenen sling. r. — Slinger oorent o. en v. mv. Lange, nederhangn.de ooren.

— Slingerpad, o. (-en). Kronklt; lend pad. —• Slingerpardoen, v. (-s). (Zeew.). — Slingerplant, v. (-en). — Slingerplant,

7 — SLOB

v. (-en). De hop is eene slingerplant. — Slingerpunl, o. (-en). Punt, waaraan een slinger is opgehangen. — Slinqerriem, m. (-en). — SltngerrooSy v, (..ozen). — Slin-gersch om meling, v. (-en). — Slingerslag, m. Slingering. Wijze, waarop e^n touw aan iets is vastgemaakt. Hooge zeeslag. Hij is er met eenen slingerslag achtergekomen : hij heeft het door list ontdekt. — Slingerfdejslang, bijw. Geslingerd : dat pad loopt slingerslang. — Slingerstaart^ ra. (-en). — Slingersteen, m. (-en). — Slinger takken, m. mv. (Bouwk.). — Slin-gertyd, m. — Slinger trap, v. ( pen). — Slinger uurwerk, o. (-en). — Slinger' verband, o. (-en). — Slingervoet, m. en v. (-cn). Slingerbeen. — Slinger vuisten, ow. slingervuistte, heeft geslingervuist. Met de vuLten vechten. — Slingervaydte, v. (-n).

Mlink, bn. Linker. — Stinker, bn. Linker. — Stinkerhand, v. — Slinkerzijde, v. — Slinks, bijw. Links. — Stink se h, bn. Linksch. Doortrapt. Loos. Ondeugend. Slee .t. Verraderlijk. Slinksche wegen inslaan : zich van bedrog en valschheid bedienen. — Slinkschheid, v. (..heden).

Hiinkeii, ow. slonk, is geslonken. Inzakken (van zwellingen). Inkrimpen : dat vletsch slinkt bij het keken. Verminderen : onze voorraad begint te slinken. — Slin-king, v.

Hlip, v. (-pen). Hoek, uiteinde. Pand (van een kleed). Punt : de slip van eene das. — Sliphernd, o. (-en). — Slippedra-ger, m. (-s). (Bij eene begrafenis). — Slip-vormig, bn.

ow. slipte, is geslipt. Glippen. Ontgl ppeu. Doorglijden. Iets laten slippen ; iets opgeven. — Slipper, m. (-s). Eciicn slipper maken : zich sulletjes verwij-deien. — Slipperen, ow. slipperde, is ge-slipperd. Zich stilletjes wegmaken.

HlipMieeli. m. (..eken). Open strik om een voorwerp onder water te vatten. —• Sliptouw, o. en v. (-en). (Zeew.) Dun touw.

HliHMcn, bw. sliste, heeft geslist. Les-schen : zijnen dorst slissen. Beslechten, beslissen : eenen twist sLssen.— Slissing,v,

Mlol», v. Slib. — Slobbe, v. (-n). Vaatdoek. Vrouw, die het morsige werk ver-ricLt. Noodhulp. Lepeleend. — Slobberdoes, m. en v. (..zen). Morsig mensch. — Slobberen, bw. ow. slobberde, heeft ge-slobbtrd. Opslobberen. Opslurpen. Slordig werken. — Slobbering, v. Het slobberen. Voeder (voor varkens, honden, enz.). Geleiachtig gedeelte van 'ischkoppen. — Slobbig, bn. bijw. Morsig. — Slobeend, v. i-cngt;. L«peleend. —Slobkous, w. (-en). Beenbekleedsel van mannen, dat over de kous of ook over de broek wordt getrokken. — Slodde, m. en v. (-en). Sloddervos. — Slodder-, m. (-s). Morsig mensch. — Slodder ach tig, slodderig, bn. bijw. Morsig. Slordig. — Slodder broek ,v. (-en). Al te wijde broek. — Slodderen, ow. slod-o-rde, heeft geslodderd. Los en wijd om het lijf hangen. — Slodder igheid, v. — Slodder jurk, v. (-en). — Slodder kleedr o. (-eren). — Slodder kous, v. (-en). Al te


ocr page 782

-718 -

SLOO

SLOT

-^ijdekous. Slordig raeisje. — Sloddervos, jn. en v. (-sen). Morsigmensch.

Hloebcr, m. (-s). Morsigmensch.Lomp, grofmensch. — SLoeberen. Slobberen. — Slorbervolk, o. Slecht volk.

kl«gt;«iMCliooi*, m. (..oren). (Zeew.) Zeker houtwerk.

«lOep, v. (-engt;. Licht vaartuig met éenen mast, met of zonder dek en ingericht voor riemen. — Sloepdavids, m. mv. IJzeren staven, waaraan de sloepen opge-hantren worden. — Sloepmeester, m. (-sU — Sloeproeicr, m. (-s). — Sloepkraanbal-ken, m. mv. Sloepdavids. — ^loepsvlag, v. (-gen). — Sloep tent, v. (-en).— Sloep-touw, o. en v. (-en). — Stoep zeil, o. .(-en^.

Kloeron, bw. sloerde, heeft gesloerd. Meten, opnemen (een vaartuig).

»l«gt;er;c, Hlocriemocr, v. (-s). Slordig, haveloos vrouwmensch.

MloeHtcr, m. en v. (-s). Groene dop (eener noot). — Sloesteren, bw. sloes-terde, heelt gesloesterd. Ontbolsteren (noten). Snoepen. — Sloetering, v.

Hlof, v. Het sloffen. Slordigheid. — Slof, v. (-fen). Versleten pantoffel. — Slof, m. en v. (-fen). Slordig mensch. — Slof, bn. bijw. Slordig. Nalatig. Traag. — Slof-feu, ow. slofte, heeft geslof•. Op sloffen loopen. Met sleepvoeten gaan. Nalatig zijn. — Stoffig, bn. — Stoffigheid, v. -Stof hak, m. en v. (-ken). Die gestadig sloft. — Slofheid, v. —Slofstuk, o. (-ken). (Zeew.).

Klokken, bw. slokte, heeft geslokt. Slikken. Doorzwelgen. — Slok, m. (-ken). Het slokken. Het slikken. Teug. Borrel. Nauw gedeelte van iets. Kef 1. — Slok, ra. en v. (-krn). Slokop. — Stokachtig, bn. bijw. Gulzig. — SI' knehtigheid, v. — Slokdarm, m. (-en). (OntU Vliezige buis, die van de keel uitgaat en in de maag uitloopt. — Slokdarm, ra. en v. ( en). Gulzigaard. — Slokker(d), ra. (-s). Die slukt. Gulzigaard. Tafelschuimer. Anne drommel. — Slokking, v. — Slok lust, ra. — Slokop, ra. en v. ( pen). Die veel in eens eet. Gulzigaard.

«lom, bn. Niet recht. Scheef en krom. Krom en slora : geheel mismaakt.

Rloninicr, ra., slommerius:, v. Beslommering.

Hlomp, ra. (-en). Boel. hoop, menigte : een slomp boeken. Warklomp.

Nlomp, v. (-en). SU t.

sIoikIo, v. (-n). Keelgat. Morsdoek. Voorschoot. Afgrond, kolk.

hIoiim, v. (. zen). Havelooze vrouw. — Stonsachtig, bn. bijw. Haveloos. Slordig.

— Sionsachtigheid, v. — Slonsje, o. (-s). Verkleinw. van slons. Dievenlantarentje.

— Slonzen, ow. slonsdquot;, heeft geslonsd. Slordig te werk gaan (met).

sloof, v. (slooven). Boezelaar. Voorschoot.

«loof, v. (sloven). Vrouw, die in 't huishouden het hard werk verricht. Afgeleefde werkster. — Sloofachtig, bn. Afmattend. Moei ijk.

«looien, ow. slooide, is geslooid. Zijdelings van het schip afwijken. — Slooi-knie, v. (-en). Klamp, dienende om het slooien te beletten.

1

I!

sloop, v. (-en). Overtreksel van een hoofdkussen.

sloopen, hw. sloopte, heeft gesloopt. Afbreken : een huis sloopen. Uit elkander nemen en voor afbraak verkoopen. Roo-ven : een schip sloopen. Uitputten : zijne krachten sloopen. — Slquot;oper, ra. (-s). — Sloofigraag, m. — Stooping, v. (-en). — Stoopnagel, ra. (-s). IJzeren bout met platten kop, waarin een rond gat is. — Sloopster, v. (-s).

sloor, v. (-en). Slons. Deerniswaardige vrouw.

sloor, v. (-en). Bloeiend koolzaad. — Sloorzaad, o.

sloot, v. (-en). Gegraven waterscheiding (tusschen twee akkers). — Sloot en, bw. slootte, heeft gesloot. Slooten maken. — Slootkant, ra. (-en). — Slootriet, o.

Sloot (Ar. M. C.), 18^3, Samarang (Java). = Alafhitdr', Me'ati van Java, Romanschrijfster. Voor God en Koning (1872); de Jonkvrouw van Gr oenerode (1874); Verdwenen (1889).

slooven, bw. sloofde, heeft gesloofi. Opschorten, opstroopen ; de mouwen slooven.

slop, o. (-pen). Schuilhot k. Nauw steegje. Straatje zander uitgai g. Opening in eenen hooizolder, waardoor men hooi, enz. opbrengt.

KlortlevoH, m. en v. (-sen). Sloddervos.

slordig:, bn. bijw. Haveloos, onordelijk. Nalatig. — Slordigheid, v.

ftloren, ow. sloorde, heeft gesloord. Sleuren.

slorp, slurp, ra. (-en). Opslurping. Slok. — Slorp drank, m. (-en). — Storpet, o. (-eren).^— Slorpen, ow. slorpte, heeft geslorpt. Slurpen. — Stor-per, ra. (-s;. — Slurping, v. — Slorp ster, v. (-s).

sIohno, v. (-n). Huize van DOanen, erwten, enz. Sloester.

'v ( en^ T^rcïV' «s'iv'' -

1. Sleutelgat, b. Tong. c. Tonggat. d. Slot plaat. e. Pypsleutel. g. Bernard-steutet. h. Sleutelring, i. Sleutelschacht. k. Sleutelbaard.

X

\

v

r.;::cu i \ üv.'is 1

j

c.

0

/r

\

u 1


ocr page 783

SLUI — 71

deuren, ^nz. : doe de deur op slot. Kunst-xnatiRe sluitirgr : slot van een kerkboek. Sluiting of middel om te sluiten : aan deze doos is geen slot. Deel van een schietgeweer, dat dient om het af te schieten. lem. achter slot zetten, hem gevangenzetten. Iets achter slot (verborgen) houden. Het heeft slot noch zin : het hangt als droog zand aaneen. — Slot, o. Einde, besluit : het slot der zaak is. (-en) Saldo : batig, nadeelig slot. — Slot, o. (-^n). Kasteel. Ridder vei blijf. Sterkte. — Slotbaians, v. (-engt;. — Slotbewaarder, m. (-s). — Sloi-bewnarster, v. (-s). — Slotbeixiys, o. (..zen). — Slotdicht, o. Puntdicht. — Slo-tenmaken, o. — Slotenmaker, m. (-s). — Slotenmakersgereedschap, o. — Sloten-makersjnngen, m. (-si. — Slotenmakers-knecht, m. (-s). — Slotenvinkerswerk, o.

— Slot gat, o. (en). — Slotgevolg, o. (-en). Logische gevolgtrekking. — Slotheer, ra. (-en). — Slothout, o. (-en). (Zeew.). — Slotyzer, o. (-s). (Zeew.). — Slotklank, m. (-en). — Slotklinker, ra. (-s). Klinker, die op 't einde van een woord voorkomt. — Slotkram, v. (-men). — Slotletter, v. (-s).

— Slotmedeklinker, ra. (-s). — Slotoft-ziener, m. (-s). — Slotplaat, v. (..aten). — Slotpoort, v. (-en). — Slotrede, v. (-nen). Einde eener redevoering. — Slotregel, ra. (-s). — Slot rijm, o. (-en). — Slotroos, v. (..ozen), (Bouwk.). — Slotschroef, v. (..ven). — Slotsom, v. — Slotsteen, m. {-en). Sluitsteen. — Slottoren, m. (-s). — Slotval, m. (-len). (Muz ). — Slotvast, bn. — Slotverloi en, m. Ordeloos mensch.

— Slotverlorene, v. — Slotvers, o. (..zen).

— Slotvonnis, o. (-sen). — Slotvoogd, ra. (-en). — Slotvoogdes, v. (-sen). — Slot-■voogdij, v. —Slotvoogdyschap, o. — Slot-vrouvo, v. (-en). — Slotwoord, o. (-en). — Slotzang, m. (-en).

Hloveu, ow. sloofde, heeft gesloofd. Zwaar en morsig werk vcrrichtm. Voor karig loon werken. — Slover. m. ( s).

Hluirr, m. (-s). Doorzichtig weefsel, dat vrouwen dragen om zich het gezicht te b« dekken. Band tot ondersteuning van een gewonden arm. Armband, gordel van burgt-rlijke ambtenaren in plechtgewaad, van gildebrocders, enz. Gordel (der geestelijken). Den sluier aannemen : in een klooster gaan. Vermora-raing, bedekking : onder den sluier van den nacht, van het geheim. — Sluier-adder, v. (-s). Zekere adder (coluber vittatus) (Java).

— Sluierdoek, o.; ra. (-en). —- Sluieren, bw. sluieide, heeft gesluierd. Met eenen sluier bedekken. —Sluierflcers, o. ( en).

— Sluierstof, v. (-fen). — Sluieruil, ra. (-en^. Kerkuil.

sluieren, ow. sluierde, heeft gesluierd. Talmen, traagzaam iets verdichten : die veel sluiert, krijgt zijne zaken niet verricht. Langzaam voortgaan ; het is reeds twee jaar, dat die zaak sluiert. Iets laten sluiert n : iets laten sleuren (z. d. w.).

«Inik, bn. Plat op het voorhoofd liggend : sluik baar. Afhangend. Rank, mager : zij ziet er sluik uit. — Sluikheid, v.

■ liiikeu, bw. ow. s'ook, he^ft eeslo-kcn. Smokkelen. Belastingen ontduiken.

I — SLUI

Zich verschuilen. — Sluik, v. Het sluiken.

— Ter sluik, bijw. uitdr. Heirat lijk. In stilte. Ongemerkt. — Sluiker, ra. (-s).— Sluikery, v. (-en). Smokkelaiij. List, slinksche wegen. — Sluikhandel, ra. Smokkelhandel. — Sluikhandelaar, ra. (-s). — Sluikhandelaarster, v. (-s). — Sluiking, v. (-en). — Sluiks, bijw. Ter sluik. — Sluiksch, bn. Gluipend, loerend.

— Sluik spil, v. (-len). Zeker werktuig. — Sluik ster, v. (-s).

slui 111 lt;gt;■*lt;'11, ow. sluimerde, heeft gesluimerd. Zacht, doch onvast slapen. In dien jongen sluimert een voortn ffelijke aanleg. — Sluimer, ra. Sluimering. — Sluimer aar, m. (-s). — Sluimer a ur ster, v. (-s). — Sluimer a ch tig, bn. —Sluimerig, bn. — Sluimering, v. Het sluimeren,

— Sluimer kussen, o. (-s). — Sluimer rol, v. (-len).

Hluipen, ow. sloop, is geslopen. Behendig en ongemerkt ergens indringen. Op de teenen gaan. Gluipende voonloopen. — Sluip, v. Het sluipen. Ter sluip, bijw. uitdr. Verholen. — Sluipdeur, v. (-en). Verborgen deur. Kleine deur. Vestingpoortje. Uitvlucht. — Sluipend, bn. bijw.

— Sluiper, ra. (-s). Die sluipt. Indringer. Veinzaard. Soort van dunnen, langen spijker. — Sluiphaven, v. (-s). (Zeew. Vooronder. Haven, waar zeeroovers, enz. zich schuilhouden. — Slquot;iphoek, ra. (-en). Schuilhoek. — Sluiphol, o. (-en). — Sluip-kever, ra. (-s). Meelkever.—Sluipk^orts, v. (-en). Ongestadige koorts. — Sluipmoord, m. (-en). Verraderlijke, geheime moord. — Sluipmoordenaar, ra. (-s). — Sluiftmoorder, m. (-s). — Sluippad, o. (-en). Heimelijk pad. — Sluipster, v. (-s).

— Sluipswyze, bijw. Verholen. — Sluip-trap, v. (-pen) Verborgen trap. — Sluip-weg, m. (-en). Heimelijke, weg. List, slinksche wegen. — Sluipwesp, v. (-on). De sluipwespen maken eene familie uit in de orde der vliesvleugelige insecten.

Hluis, v. (..zen). Watrrkeering, dienaar believen geopend en gesloten kan worden. Inz. zulke waterkeering, welke het water ten minste door twee paar openslaande deuren ophoudt en geschikt is om vaartuigen op- of afwaarts te brengen. — Sluis-balk, ra. (-en). — Sluisbedding, v. (-en).

— Sluisdeur, v. ( en). — Sluis^eld, o, (-en). — Sluismeester, ra. (-s). —Sluis-molen, ra. (-s). — Sluispoort, v. (-en).

— Sluisvloer, m. (-en). — Sluiswachter, m. (-s) —Sluiswerken, o.rav.

Hluifttcron, bw. sluisterde, heeft ge-slu-sterd. ■'loesteren.

sluiten,sloot, heeften isgesloten. Bw. Toedoen, dichtmaken : deuren en ve» sters sluiten. Samendrukken : den mond, do lippen sluiten. Eenen brief «luiten, hem voltooien en verzegelen. Eindigen : eene rede sluiten. Eene rekening sluiten, er de eindelijke uitkomst van opmaken. Tot stand brengen : eenen koop, een verdrag, den vrede, een huwelijk s'uiten. Eene vergadering sluit'-n, hare werkzaamheden voor geëindigd verklan n De celederen sluiten, 7e dicht opoendringen. Eenen kring s'uiten : zich kringswijze scharen. Eenen treil»,


ocr page 784

SLU1 - 7

sluiten, er de achterste van zijn. Afsluiten, afzonderen. Dtn toegang versperren. Zijne band sluiten (tot eeue vuist). Heelen : eene wond sluiten. De oogen sluiten, toe-

rig. 3.

doen : sterven. De oogen voor of over iets sluiten : iets door de vingers zien. De ooren voor iets sluiten, er niet naar willen hoo-ren. lem. den mond sluiten, bem tot stilzwijgen brengen, hem beletten te sprrken. Zich shitieti, ww. Toegaan, dichtgaan (van wonden, bloemen, enz.). Ow. Toegaan : die deur sluit niet wel. Passen : die kleederen sluiten niet. Dichtgroeien : de kool, de saiade begint te sluiten. Uwe redeneering sluit niet, is ongerijmd. Dat sluit als eene tang op een varken : dat raakt kant noch wal, is ongerijmd. — Sh* it appel, m. (-s). — Sluiibalk, m. (-en).

— Sluitband, m. (-en). — Sluit ben, v. (-nen). — Sluitboom, m. (-en). — Sluit-bojtt, m. (-en). — Sluit deur, v. (-en). — Slutidoos, v. (..zen). —Sluiter, m. (-s .

— Sluitgat, o. (-en). (Timm ). — Slutt-geit, o. — Sluithaak, m. (..aken). — Sluif hek, o, (-ken). — Sluit heug sel, o. (-s . — Sluithocpel. m. (-s). — Sluit hout, o. (-en). —Sluit ijzer, o. ( s). — Sluiting, v. Het sluiten, (-en) Alles wat tot sluiting dient. — Sluitingsuur, o. (..uren). — Sluitjas, v. (-sen). —Sluit keg, v. (-gen).

— Sluitklamp, m. (-en). — Sluit klink, v. (-er). (Horl.). —Sluitklinker, m. (-s).— Sluit kool, v. {-en). —Sluit krop, m. (-pen).

— Sluitletter, v. (-s).— Sluztmand, y. (•en). — Sluitplaat, v. (. aten). — Sluit-plank, v. (-en). — SI uitrad, o. (-eren).

3 — SMAD

(Horl.). —- Sluitrede, v. (-nen). .Logisch bewijs, uit drie stellingen get'ormd meer der term, minderterm en gevolgtrekking) , waarvan de laatste uit de twee voorgaande als gevolg wordt afgeleid. — Sluitregel, m. (-s). — Sluitrym, o. ( en). — Sluitspier, v. (-«n). — Sluitsteen, m. (-en). — Siuitster, v. (-s). — Sluitstuk, o. (-ken). — Sluitteeken, o. (Taalk.) De punt. — Sluittoestel, m. en o*. (-len). — Sluit tuig, o. — Slui tv eer* v. (-en). — Sluitvenster, o. en v. (-s). — Sluitvers, o. (..zen). — Sluitwerk, o. — Slui twig, v. (-gen).

«lunerclen, ow. slungelde, heeft geslungeld. Zwaaiend loopen met slingerende armen. — Slungel, m. (-s). Lange, magere persoon.

Nlurf, v. (..ven). Snuit van den olifant. Hlurpcn, bw. slurpte, heelt geslurpt. Met hoorbare beweging der lippen opdrinken. (Zeew.) Eenen slurp leggen. — Slurp, m. (-en). Opslurping, slok. (Zeew.) Ineengedraaide punt van een touw. — Slurp drank, m. (-en). — Slurp ei, o* (-eren).

Slissc (/?. F. de), 1622-1685, Kanunnik (Luik). Wiskundige.

ftliiw, bn. bijw. Behendig. Listig. Geslepen. — Sluwheid, sluwigheid, v. (..heden).

m. Hoon. Beleediging. _

Smaadheid, v. (..heden). — Siuaadtiaam, m (..amen). Scheldnaam. — Smaadredey

v. (-mn). — Smaadschrijt, o. (-enK _

Smaadtaal, v. — Smaadwoord, o. (-en),.

Nnisiak, m. (smaken). Zintuig, waardoor de tong en het gehemelte des mond» bepaalde indrukken opnemer. Wat her smaakvermogen streelt of aandoet. Trek, lust : bij rookt met stuaak. Vermogen om over de schoonheden van een kunstwerk te uordeelen. Kunst-, schoonheidszin. Mode, kleederdracht : zij is ••ekleed naar den laatsten smaak. — Smaakje, o. (-s). Kwade smaak : dat vletsch heeft een smaakje. — Smaakloos, bn. (Slechtsgebiuikt in eig. zin).— Smaakloosheid, v. — Smaakte' peltj'e, o. (-s). — Smaakverlies, o. — Smaakvermogen, o. — Smaakvol, bn. bijw. —Smaakzenuw, v. (-en).

Nmnalriiclit, o. (-en). Hekeldicht. — Stnaalschrift, o. (-en).

Hnistclil, v. (-en). Afgesneden buik van eenen baring, enz.

smaolilen, ow. smachtte, beeft gesmacht. Van honger of dorst bijna omkomen. Reikhalzend en kwijnend verlangen. In de gevangenis smachten : daar reikhal-zerd verlangen naar de vrijheid. — Smachtend, bn. bijw. Wat doet smachten. Vurig verlangend : een smachtend verlangen. Druki ei d : eene smachtende hitte. — Sniachterig, bn. bijw. Smachtend. Haveloos, armoedig : er smachtig uitzien. Drukkend : een sniachterig weder. — Smachtlap, m. (-pen). Arme drommel.—Smacht-looper, m. (-s). Tafelschuimer.—Smacht-loopster, v. (-s).

bw. smaadde, her ft gesmaad. Hoonen. Beleedigen. — Smadelijk, bn. bijw. — Smadelijkheid, v. (,,heden}, —


ocr page 785
ocr page 786
ocr page 787

SMAR — 7

Smadendy bn. — Smader, m. (-s). — Smadig, bn. — Smading, v.

smab, v. Sumak.

Ninstk, v. (-ken). Soort van vaartuig, smnb, ra. Het smakken.

smak, m. (-ken). Val, bons. Harde plof.

smaken, smaakte, beeft gesmaakt. Bw. Proeven : toen hij dien drank gesmaakt had. Genieten : de genoegens van het leven smaken. Ondervinden : droefheid smaken. Ow. Den sraaak aandoen : dit vleesch smaakt lekker. Den smaak hebben (van) : die visch smaakt naar den grond. Een kwalijken smaak voortbrengen : die soep smaakt naar rook. Het smaakt hem : bij vindt het lekker. Zweemen (naar) : dat smaakt naar ongeloof. — Smakelyk, bn. bijw. .Lekker : smakelijke spijzen. Den eetlust opwekkend : het vleescn ziet er smakelijk uit. Met smaak, met eetlust: eet smakelijk ! Aangenaam : hij weet het hem zoo smakelijk te maken. Met genot : smakelijk eene sigaar rooken. Smakelijk vertellen. Smakelijk lachen. Bevallig : zij heeft een smakelijk voorkomen. — Smakelijkheid, v. — Smakeloos, bn. bijvv. (Slechts in overdr. zin). — Smakeloosheid, v.

Mtuakkeii, smakte, heeft gesmakt. Bw. Slaan. Met geweld werpen : hij smakte hem op den grond. Ow. Nederploffen : de mast smakte op het dek. Met eenen smak \allen. De lippen tegen elkander slaan onder het eten of drinken. Met de lippen klappen. — Smakker, m. (-s). Die smakt. Die niet veel gewoon is. Sukkelaar. — Smakmuil, m. en v. (-en). — Smakmni-len, ow. smakmuilde, heeft gesraakrauild. Smakken (met de lippen). — Smakschip, o. (..epen). Smak (20 art.). — Smaklatt-den, ow. smaktandde, heeft gesmaktand. Smakmuilen. — Smakwater, o. Zware golfslag. — Smakzeil, o. (-en). Zeil van een smakschip.

smal, bn. bijw. Het tegengestelde van breed ; smalle weg. Dun, rank. Mager. Gering, armoedig. De smalle gemeente : de schamele klasse. — Smalbekken, m. rav. Vogels met dunne snavels. — Smalbladig, bn.—Smalborstig, bn. Aamborstig. -- Smaldeel, o. (-en). Klein gedeelte. Eskader. — Smaldeelen, bw. smaldrelde, heeft gesmaldeeld. In kleine deelen scheiden. — Smn Idee ling, v. (-en). — Smal-doek, o. Smal linnen. Doek, dat smaller is dan zeildoek. — Smalhans, m. ( .zen). Vrek. — Smalheer, m. (-en). (Middel.) Heer van een klein ieen. — Smalheid, smaite, v. — Smalkant, v. — Smalletjes, bijw. Magertjes. — Smalligheid, v. — Smalspoor, o. (Op spoorwegen). — Smal-tiende, v. ( n). Kleine opbrengst, aan den leenheer te geven.

■malen, ow. smaalde, heeft gesmaald. Smaden, schimpen : op iem. smalen. — Smaler, m. ( s). — Smaalster, v. (-s). — Smaling, v.

smalt, v. Blauwe kleurstof, verkregen door het smelten van eene kobaltverbin-ding met glas.

snisti ag:lt;l, m. (-en) (steen); o. (stofn.). Edtl^tsu ente van eene fraaie, eigenaar-

i — SMEE

dige groene kieur, doorzichtig met een zwakke dubbele straalbreking. — Smaragden, bn. — Smaragdgroen, bn.

smatrt, sniert, v. ( en). Gevoeliee en. pijnlijke aandoening des lichaams. Wee. Gloeiing eener wond. Ontvelling achter de ooren en in de liez: n (van kinderen) Pijnlijke aandoening van het gemoed. Leed. Droefheid. Verdriet. Ongeduld : met smart iets verwachten. — Smartelijk, bn. bijw. Pijnlijk. Verdriet of leed veroorzakende. — Smartelijkheid, v. — Smarteloos, bn. — Smarteloosheid, v.— Smarten (smerten), bw. ow. smartte, heeft gesmart. Smart veroorzaken. (Hcelk.) Schrijnen, branden, gloeien. Ontvellen. Hinderen. Leed veroorzaken. Treffen. — Smarten, bw. smartte, heeft gesmart. Met zeildoek bekleeden. Vellen in den zweetkuil zetten om te ontharen. — S mar tig, bn. Open (van eene wond). Schrijnend — Smarting, v. (-en). Het smarten, schrijnen. — Smarting, v. (-s). Geteerd zeildoek, waarmede men eenen kabel enz. bekleedt. — Smartoor, o. en v. (-en). Smartend, zeer oor. — Smartoor, m. en v. (-en). — Smartsel, o. (-s). Open wond achter het oor, enz.

smetten, bw. smeedde, heeft gesmeed. (Metalen) door kloppen bewerken (meest in gloeienden staat). Al smedende bewerken : wapens smeden. Bedenken, beramen : plannen smeden, een verraad smeden. Verzen smeden : slechte rijmen maken. Woorden smeden : neologismen maken. Men moet het ijzer smeden, terwijl het heet is. — Smeder, m. (-s). — Smederij, v. Het smeden, (-en) Smidse. — Smedig, bn. Smijdig. — Smeding, v. — Smeedbaar, bn. — Smeedbaarheid, v.— Smeedbak, m. (-ken). — Smeedijzer, o. (-s). — Smeedkunst, v. — Smeedster, v. (-s). — Smeedwerk, o. — Smeegruis, o.

— Smeekolen, v. mv.

smeeken, bw. ow. smeekte, heeft gesmeekt. Zeer nederig verzoeken, ootmoedig vragen : iem. om hulp smeeken, om lijfsbehoud smeeken. — Smeekbede, v. (-n).—Smeekdicht, o. (-en).—S mee keling, m. en v. (-en). Die smeekt. — Smeekelinge, v. (-n). —Smeeker, m. (-sK

— Smeeker ij, v. — Smeekgebed, o. (-en).

— Smeeking, v. (-en). — Smeekschrifty o. (-en). — Smeekster, v. (-s). —Smeek-taal, v.

smeelen, v. mv. Duist (2# art.).

smeer, o. Vette zelfstandigheid. Inz. vet om de nieren en aan de darmen van slachtvee. Kaarsvet. — Smeer, m. Sier. — Smeer, bn. Tenger. Teer. — Srneerach-tig, bn. — Smeerader, v. (-en, -s). — Smeerbaar, bn. — Smeerbak, ra. (-ken).

— Smeerbal, m. (-len). — Smeerblnd, o. (-eren), smeerbloem, v. (-en). Dotterbloem. — m. (-len). Zeker gebak. — Smeerborstel, ra. (-s). — Smeerbuik, ra. (-en). Dikke buik. — Smeerbuik^ m. en v. (-en). — Smeer bus, v. (-sen;. — Smeerder, ra. (-s).— Smeerdoos, v. (..zen),. Doos, die sraeer bevat. — Smeerdoos, m, en v. (..zen). Morsige persoon. — Smeer-goed, o. — Smeergording, v. (-s). (ZeewJ; Looze gording. — Smeerhouten, o.


ocr page 788

SMER — 7

(Zeew.) Stukken dennenhout tot het vervoer van masten. —Smeerkaars, v. (-en).

— Smeerkalk, v. Pleisterkalk. — Smeer-klier, v. (-en). (Ontl.). — Smeer koek, m. (-en). Schijf vet, die aan het darmnet kleelt. — Stneerkruid, o. Smeerwortel.

— Smeerkwast, m. (-en). — Smeerlap, m. (-pen). Lap met smeer bestreken. Smerig mensch. Eerloos mensch. — Smeerlapperij, v. Smerigheid. Vuiligheid. —Smeer-lapperuerk, o. — Smeer ling, m. (-en). Riviergrondel. Slijkvisch. — Smeermaand, v. November. — Smeer/'lank, v. (-en). Plank, van welke men de lijken in zee laat glijden. — Smeet poes, m. en v. (-en). Morsig mensch. — Smeer hot, m. (-ten). — Smeerprop, v. (-penK (Zeew.^. —Smeer-puist, v. (-en). — Smeer rak, o. (-ken). (Zeew.).— Smeerschoen, m. (-en). Schoen-

Eoetser. Flikflooier. —oetser. Flikflooier. — Smeerschoenen,

w. smeerschoende, heeft gesmeersgt;choend. Flikflooien. Vleien. — Smeersel, o. (-s).

— Sm^ersteen, m. (-en). — Smeer ster, v. (-s). — Smeervlek, v. (-ken). — Smeer~ •wortel, v. Ruwbladige plant [Symphytum officinale). Groeit op vochtigen grasgrond langs slooten en grachten. Bloeit van Mei tot Aug. — Smeerzakjes, o. mv. —Smeer-zalf, v. (..ven).

•meet, m. (..eten). Worp. Gooi. — Smeet, v. (..eten). Slag : iem. eene smeet geven.

■meiereu, bw. ow. smeierde, heeft gesmeierd. Pletteren : aardappels smeieren met eenen vork ; voorzichtig, dat die pruimen niet smeieren ! — Smeiering, v.

•melt, v. (-en). Zeevisch, gelijkende aan eenen kleinen paling {ammodytes to-bianus). Komt zeer menigvuldig langs onze kusten voor. — Smeltnet, o. (-ten).

— Smeltvanqst, v. — Smeltvisscher, m. (-s). — Smeltvisschery, v.

«meiten, smolt, heeft en is gesmolten. Ow. Vloeibaar worden : de sneeuw smelt in de zon. Merkelijk verminderen : zijn leger is door de ziekte zeer gesmolten, 't Is of het geld hem in de handen smelt, door de vingers druipt. In tranen smelten : tranen storten. Bw. Vloeibaar maken : lood smelten. Doen ineenvloeien ; kleuren smelten. — Smelt, m. Het smelten. — Smeltbaar, bn. — Smeltbaarheid, y. — Smeltbak, m. (-ken). — Smelt buis, y. (..zen). — Smelter, m. (-s). —Smtlterig, bn. Licht smeltende. Zacht. — Smeltery, v. Het smelten, (-en) Plaats, waar gesmolten wordt. — Smelting, v. (-en^. — Sntelt-ketel, m. (-s). — Smeltkroes, m. (..zen).

— Smeltlepel, m. (-s). — Smeltmiddel, o. (-en). — Smeltoven, m. (-s). — Smelt-

tan,an, v. (-nen). — Smeltpeer, v. (..eren).

aprijke peer.

■mereu, smeerde, heeft gesmeerd. Bw. Eene vettige stof strijken (op, over). De maag smeren : veel eten. De keel smeren : veel drinken. Iem. de handen smeren, hem omkoopen. Dat smeert den pot, is voordeelig. Ow. Goede sier maken. — Smerig, bn. bijw. Met smeer bestreken, vettig. Vuil : smerige schoenen. Voordeelig ; een smerig baantje. Oneerlijk : eene smerige zaak. Gemeen, vuilaardig : sme-

2 — SMOD

rige taal. — Smerigheid, v. — Smerig* lijk, bijw. — Smering, v. (-en).

■mersrel, o. Amaril. — Smergclen, ow. smergelde, heeft gesmergeld. Met smergel slijpen.

•met-lUu, m. (-en). De kleinste soort van valk \falco cesalon).

•mert. Zie Smart.

■met, v. (-ten). Vlek. Iem. eene smet aanwrijven, hem van iets betichten. — Smetachtig, bn. Licht smettend. —Smet-lyn, v. (-en). Touw, waarmede het te zagen hout wordt afgeteekend. — Smetstof, v. (-fen). Stof, die besmet : de smetstof overbrengen. — Smettclyk, bn. Smetachtig. Besmettelijk. — Smette loos, bn. — Smetteloosheid, v. — Smetten, smette, heeft gesmet. Bw. Bemorsen, bevlekken. Met de smetlijn afteekenen : de zager smet den boom, welken hij zagen wil. Ow. Smetten aannemen. — Smettig, bn. Licht smettend.

Hiueulen, ow. smeulde, heeft gesmeuld. Aangeglommen zijn zonder te vlammen : het vuur smeult onder de asch. Heimelijk bestaan : er smeult eene samenzwering. — Smeulend, bn. — Smeuling, v.

nmitl, m. (smeden). Iem., die m« taal, inz. ijzer bewerkt. — Smidsaanbeeld, o. (-en). — Smidsarbeid, m. — Smidsbaas, m. (..azen). — Smidsbak, m. (-ken). — Smidsbeitel, m. (-s). — Smidse, v. (-n). Werkplaats van den smid. — Smidsgereedschap, o. ( pen). — Smidshamer, m. (-s). — Smidsjongen, m. (-s), — Smids-kar, v. (-ren). Vervoerbare smederij (bij het leger). — Smidsknecht, m. (-s). — Smidskolen, v. mv. — Smidsoven, m. (-s). — Smidsstal, m. (-len). — Smidstang, v. (-en). — Smidswagen, m. (-s). Smidskar. — Smidszvater, o. — Smids-•werk, o. — Smidswerkplaats, v. (-en). — Smidswinkel, m. (-s). — Smis, v. (-sen), smisse, v. (-n). Smidse.

■mient, v. (-en). Soort van slanke eend (anaspenelope).L.a.x\g, mager mensch.

gmtfcilBr, smedig:, bn. Licht te smeden ; smijdig ijzer. Lenig : smijdig leer. Zacht : smijdig laken. Goed doorkookt: smijdige soep. Zoet, vleiend : smijdige woorden. Zacht : een smijdig karakter. — Smydigen, bw. smijdigde, heeft gesmij-digd. Smeedbaar maken. Zacht, lenig maken. Verzachten. —Smijdigheid, v.

smUt» v. (-en). Touw aan het fokkezeil. •mUten, smeet, heeft gesmeten. Bw. Gooien, werpen : iem. op den grond smijten. Slaan : zij smeten elkander bijna dood. Ow. Achteruitslaan : nader dit paard niet, het zou smijten. Slaan : met vuisten smijten. Dobbelen : met dobbelsteen en smijten. Met steenen smijten. Met geld smijten : veel geld uitgeven. — Smijter, m. (-s). Die smijt. Die gaarne vecht. — Smij-tersbaas, ra. (..azen). Voorvechter. — SmyJing, v. — Smi/tster, v. (-s).

Smith(/i.), 1723-1790, Kirkaldy (Schotland). Staathuishoudkundige. Theory of moral sentiments (1759); Wealth of Nations (1776).

Hm«Mllt;lereii, bw. smodderde, heeft gesmodderd. Bemorsen. Bevuilen.—Smod-


ocr page 789

SMOU — 73

/Jerig, bn. bijw. Vuil. Morsig. — Smod-dermuily ra. en v. (-en). — Stnoddermut-leti, ow. sraoddermuilde, beeft gesmodder-inuild. Zich gedurig de lippen aflikken. — Smodderyisch, v. — Smoddig, bn. bijw. Smodderig.

■ moei, ra. (-en). Mond. Bek. Muil. ■mok, ra. (-ken). Sraekkende kus.— Smokken, bw. smokce, heeft gesmokt. Kussen.

■moken, smookte, heeft gesmookt. Ow. bw. Rooken : het smookt hier geweldig: zijn pijpje smoken. — Smokeer, m. (-s).

— Smoker tg, bn. — Smokerigheid, r. — Smoking, v.

■mokkelen, smokkelde, heeft gesmokkeld. Bw. Verboden goederen, of goederen waarvoor men rechten moet betalen, in het geheim in- of uitvoeren. Ow. Smokkelhandel drijven. Bedriegen (in het spel). Behendig wegmoffelen. Lustig en smakmuilend eten. — Smokkel, ra. Smokkelarij. — Smokkelaar, ra. (-s). — Smokkelaar ster, v. (-s). — Smokkelary, t. (-en). Smokkelhandel. — Smokkelgoed, o. (-eren). — Smokkelhandel, ra. — Smokkeling, v. (-en). — Smokkelkroeg, v. (-en).

— Smokkehchip, o. (..epen). — Smokkelwaar, v. (..aren). — Smokkelwif'n, smoftwyn, ra. (-en).

■mokkelen, ow. smokkelde, heeft

fesmokkeld. Stofregenen. —esmokkeld. Stofregenen. — Smok, ra. gt;ikke raist. Stofregen. — Smokkelregen, m. Smok. — Smokkelweer, o. Nevelig, mistig weer.

Smolensk, 35,000. Stad (Rusland). Zegepraal van Napoleon op de Russen (1812).

Kmook, ra. Dikke rook of darap (van smeulende voorwerpen). — Smook gat, o. (-en).

Hmoor, m. Damp. Mist. — Smoorachtig, bn. Mistig. — Smooren, smoorde, heeft gesmoord. Eenpw. Misten. Bw. ow. Rooken : zijn pijpje smooren. — Smoorder, ra. (-s). —Smoorster, v. (-s).

■moordronken, bn. Zwaar beschonken. — Smoor he et, bn. Zeer heet. Drukkend warm. — Smoorlijk, bijw. In zeer hooge raate : smoorlijk op iem. verliefd zijn. — Smoorvol, bn. Zeer vol. Eivol.

■moren, smoorde,heeft en is gesmoord. Bw. Doen verstikken : men heeft hem onder zijn bed gesmoord. Iets in eene dichtgesloten pan stoven. Onderdrukken, beletten : iets in de geboorte smoren. Ow. Het is hier om te smoren : het is hier verschrikkelijk warm. Van dorst smoren : grooten dorst lijden. Hij smoorde van het lachen, stikte haast van 't lachen. De locomotief smoorde in 't zand, bleef daarin steken. Het schip is achter zijne ankers gesmoord, is gezonken. — Smoorkuil, ra. (-en). Van zijn hart geenen smoorkuil maken : ronduit spreken. — Smoorpan, v. (-nen). — Smoor-Pot, m. (-ten). Doofpot. — Smoring, v.

■mot», v. (-en). Iets vuils. Vlek. Ge-meene, lage vrouw. — Smotsen, bw. smotste, heeft gesmotst. Bemorsen. Bevuilen.

— Smotsig, bn. Vuil. Smerig.

■mon», ra. (-en). Scheldnaam der Joden. Schacheraar. Bedrieger. Smoushond.

{ — SNAK

— Smousachtig, bn. bijw. — Smousen, ow. smouste, heeft gesmoust. Schacheren. Bedriegen. — Smnnsenaard, m. — Smou-sentaaf-, v. — Smousenwinst, v. — Smou-serif, v. (-en). Kleinhandel. Schacherij. Bedrog. — Smoushond* m. (-en). Kleine hond met fijn krullend haar. — Smousjassen, ow.smousjaste, heeft gesmousjast. Zeker kaartspel spelen.

■mout, o. Reuzel. Gesmolten vet. Vettigheid. Klein drukwerk. — Smoutachtigy bn. — Smoutbol, ra. (-len). Oliekoek. — Smoutdrukker, ra. (-s). — Smoutdruk-kery, v. (-en). — Smouten, bw. smoutte, heeft gesmout. Met smout besmeren of inwrijven. — Smouterig, smoutig, bn. — Smoutigheid, Smoutpeer, v. (..eren). Zeer sappige peer. — Smoutschrift, o. (-en), smoutwerk, o. Klein drukwerk. — Smoutzetter, ra. (-s).

■mnleen.ow. smuigde, heeft gesmuigd. Iets bedektelijk doen. Inz. zich heimelijk te goed doen. — Smuiger, ra. (-s). — Smuigster, v. (-s).

■mnlk, v. Ter smuik, bijw. uitdr. : ter sluik.

■makken, bw. smukte, beeft gesmukt. Tooien. Opschikken. — Smuk, m. Tooi. Opschik. Sieraad.

■muilen, ow. smulde, helt; ft gesmuld. Lekker eten. Brassen. Morsig eten (van kinderen).—Smul,v. en m. (-len). Het smullen. Brasserij. Morsjurk. — Smul-baard, ra, (-en). Kind, dat morsig eet. Lekkerbek.— Smulbroer,m. (-s).— Smuldag, ra. (-en). — Smulj'urk, v. (-en). — Smuller,m. (-s). — Smullig, bn. Morsig. Licht besrauld kunnende worden. — Smul' li^heid, v. — Smulling, v. — Stnulmoer, v. (-s). — Smulpartij, v. (-en). — Smul-iter, v. (-s). — Smulvriend, m. (-en), ■muts, ra., Hmutse, v. Stoot. Slag. ■naai, ra. (-en). Haal. Trek. Voordeel. — Snaaien, bw. snaaide, heeft gesnaaid. Krijgen. Bekomen. Verwerven.

■naak, ra. (..aken]. Kluchtig mensch. Man,kerel,knaap. —Snaaks,bijw. Kluchtig. Grappig.—, bn.— Snaaksch-heid, v. — Snaakshoofd, o. (-en). Misvormd beeldje. Dik ventje. — Snakerig, bn. Aardig. Grappig. — Snakerigheid, v.

— Snakery, v. Klucht.

■n»ar, v. (..aren). Draad, die gespannen «ijnde, door aanslag, tokkeling of strijking in trillende beweging gebracht wordt en een zekeren toon doet hooren. Die snaar moet raen niet aanroeren, hiervan moet men niet spreken. Alles op haren en

snaren zetten : hemel en aarde bewegen._

Snaar gezang, o. (-en). — Snareninstrument, o. (-en), — Snarenmaker, m. (-s).

— Snarensleutel, m. (-s). — Snaren-speelster, v. (-s). — Snarenspeeltuig, o. (-en). — Snarenspel, o. — Sn aren speler, ra. (-s). — Snarentuig, o. ( en).

■naar, v. (..aren). Schoonzuster, snakken, ow. snakte, heeft gesnakt. Hijeen : naar lucht snakken. Van honger snakken : grooten honger hebben. Hij snakt er naar, als een visch ntar het water : hij verlangt er zeer naar. — Snak, ra. (-ken). Het snakken. Bits woord. Onder-


ocr page 790

SNEB — 7:

stel van eene driewielige kar. — Snakking-, v.

snap, v. (-pen). Laatvlijm.

Hnapcr, m. (-s). Naaldvisch.

fin 21 pli si au, m. (..anen). Geweer.Vuur-roer. Gauwdief. Struikroover. (Zeew.) Knietje onder de raas. — Snaphaandra-ger, m. (-s). — Snaphaanschot, o. (-en).

— Snaphaanskogel, m. (-s).

iinsippon, snapte, heeft en is gesnapt.

Ow. Met eenen snap verspringen : het slot snapte dicht. Den mond met zeker geluid openen om iets te grijpen : de hond snapte naar het stuk brood. Haastig grijpen : snappen naar iets, dat valt. Babbelen, praten : zii snapt wat af! Bw. Vatten, grijpen. Zij hebben hem gesnapt, in hechtenis genomen. — Snap, m. Het snappen. Greep. Hij heeft te veel snaps : hij praat te veel. Het was in rent n snap, in een oogenblik gedaan. — Snapachtig, bn. Babbelachtig.

— Snapachtighetd, v. — Snapper, m. (-s). Mond : houd den snapper dicht. — Snapper, m. (-s). Babbelaar. — Snappery, v. (-en). Gesnap. — Snapreisje, o. (-s). Uitstapje. — Snaps, m. (-en). Borrel. — Stopster t v. (-sgt;.

•impa, m. Voordeel, winst: er is weinig snaps aan die bediening. Last, moeite, werk : er was veel snaps aan die onderne-ming.

Hiistr, bn. bijw. Bits. Vinnig. Hevig. — Snarheid, v. — Snarrig, bn. bijw. — Snarr igheid, v.

rninrigr, bn. Aardig. Geestig. — Sna-righeid, v.

HiisirN. sner», v. Grauw. Ziertje. Nietigheid. Roes : hij had eene snars aan.

«nafereu, ow. snaterde, heeft gesnaterd. Gelu d geven (van eenden, ganzen). Aanhoudend babbelen : die papegaai snatert aardig. — Snater, m. (-s). Mond, bek. Houd uwen snater : zwijg. — Snater aar t m. (-s). — Snater aar ster, v. (-s). — Snaterachtig, bn. — Snaterachtigheid, v. — Snaterbek, m. en v. (-ken). — Snatereend, v. (-en). — Snatering, v.

sumiw, v. (-en). Groot tweemastschip. Himuwen, ow. snauwde, heeft gesnauwd. Bits toespreken. Toespreken. Toe-grauwen. — Snauw, m. (-en). Toesnau-wing. Bits woord, bits verwijt. — Snauw-achttg, bn. bijw. — Snauwer, m. (-s). — Snauwerig, bn. — Snauwerigheid, v. — Snauwster, v. (-s).

mui vol, m. (-s). Bek, sneb (van vogels). Snuit (van sommige dieren). Mond, muil, neus. — Snaveldier, o. (-en), bnavelotter.

— Snavelkt okodil, m. (-len). —Snavelotter, m. ( s). Vogelbekdier [ornitorhyn-chns pai adoxus). Leeft op Nieuw-Hol-land. — Snavelsnel, m. en v. (-len). Snateraar, snateraarster. — Snavelvisch, m. (..ssclien). —Snavelvormig, bn. —Sna-velztekte, v. (-n).

Nna.TCr» (/*.), 1592-1667, Antwerpen. Schilder van veldslagen en landschappen.

Muol». v. (-ben), «nebbe, v. (-nj. Snavel. (Zeew.) Galjoen. Voorsteven. Schip mlt; t eene sneb. — Snebaal, m. (..alen). — Snebbig, bn. Snibbig. — Snebschip, o. (..epen). — Snebschuit, v. (-en).

I — SNEE

snede, v. (-n), snee, v. (-en). Het snijden. Vermogen om te snijden, scherpte; dit mes heeft geene snede meer. Scherpe, snijdende kant: de snee van een mes. Afgesneden kant : een boek verguld op snee. Gesneden opening : hij heeft eene snede in den vinger. Afgesneden stuk, schijf: eene snede brood. Gras van de eerste, tweede snede. Stemrust in een vers, verssnede. Wijze, waarop iets gesneden is : kleederen naar de nieuwe snede. Dat is eene snede over zijn aangezicht, eene viek op zijnen naam. Juist ter snede : op het geschikte oogenblik. Eene snee aanhebben : dronken zijn. — Snedig, bn. bijw. Scherp : het snedig kouter glimt. Schrander : snedig antwoord. Handig, vaardig : hij begint snedig te worden. — Snedigheid, v. sneee, bn. Snedig.

sneep, m. (-en). Weekvinnige viscb {Cyprinus nasus). Behoort tot de karper-achtigen. Wordt in al onze rivieren aangetroffen.

snees, o. (..zen). Twintigtal: een snees eieren. Onbepaalde hoeveelneid van aaneengeregen dingen : een snees ajuinen.

Snees, m. (..zen). Chinees. Schache-raar. Bedrieger. — Sneezen, ow. sneesde, heeft gesneesd. Schacheren.

sneeuw, v. Bevrozen damp. Blaasjes, die in witte en lichte vlokjes van boven nederkomen. o. Blankheid. — Sneeuwachtig , bn. — Sneeuwachtigheid, v.

— Sneeuwbaan, v. (..anen). — Sneeuwbal, m. (-len). Bal van samengepakte sneeuw. —Sneeuwbal, m. (-len) (heester); v. (bloem). Heester [viburnum opulus). Komt bij ons voor in boschachtige streken, vooral langs den duinkant. Eene verscheidenheid er van wordt in onze tuinen gekweekt. — Sneeuwbank, v. (-en). Sneeuwwolk. Bank van opeengestapelde sneeuw.

— Sneeuwberg, m. (-en). — Sneeuwbes, v. (-sen). Radijsboompje. — Sneeuwblank9 bn. — Sneeuwblind, bn. Blind door het kijken in of op de sneeuw. — Sneeuwblindheid, v. — Sneeuwbloem, v. (-en). Sneeuwklokje. — Sneeuwbui, v. (-en).

— Sneeuwen, eenpw. sneeuwde, heeft gesneeuwd. In vlokken nedervallen (van sneeuw). In groote menigte nederkomen : het sneeuwde bloempjes. — Sneeuwen,. bn. — Sneeuwjiguur, v. (..uren). Vorm eener sneeuwvlok. Figuur van sneenw gemaakt. — Sneeuwgans, v. (..zen). Hagel-gans.—Sneetiwgebergte A-n)Sneeuwgrens, v. ( .zen). — Sneeuwhoen, o. (-ders, -deren). Wilde, patiijs. — Sneeuwhoop, m. (-en).— Sneeuwig, bn. — Sneeuwig-

heid, v. — Sneeuw-jaar, o. (..aren). — Sneeuwjacht, v.

J/jvF Sneeuwbui met wind.

Jacht, op de sneeuw ydfwfjr gehouden. — Sneeuw-Wmï blokje, o. (-s). Plantje

wSSi /(galanthus nivalis), njaff Bloeit dikwijls reeds in

imËI Kwr V * Jrl ■^e^ruaquot;* — Sneeuw-Cw V M klomp, m. (-en). —

Sneeuwkristallen, o. Sneeuwklokje, mv. — Snecuwlinie*.


ocr page 791

SNER — 7

v. (..iën). — Sneeuwvlucht, v. — Sneeuwman, m. (-nen). — Sneeuw-mees, v. lt;..zen). Staartmees. — Sneeuw-pop, v. (-pen). — SneeuwrooSi v. (..ozen). Soort van rhododendron [rhododendron chrysanthemum). — Sneeuzaschaats, v. (-en). — Sneeuwschoen, m. (-en). — Sneeuwstorm, m. (-en). — Sneeuwstor-ttnf, v. (-en), sneeuzvval, m. (-len). Ontstaat in het gebergte, wanneer de vochtige sneeuw op of nabij den top zich losmaakt van de helling, langs deze voortrolt, daarbij gestadig toeneemt in massa en eindelijk met eroote snelheid en donderend ge-druisch nederstort in het dal. — Sneettw-sjlaag, v. (..agen). — Sneeuwvlokt v. (-ken). — Sneeuw vogel, m. (-s). Pestvogel. — Sneeuwwater, o. — SneeuwwHg, m. (-en). Rotswilg. — Sneeuwwit, bn. — Sneeuwwit, o. Zekere witte verf. — .Sneeuwwolk, v. (-en).

«nek, y. (-ken), suokrad, o. (..eren). Slakvormig rad, waarop men den ketting van een afgeloopen horloge windt.

suel, v. (-len), suello, v. (-n). Drinkkan, drinkglas = 1/2 pint.

■nel, bn. bijw. Gezwind, spoedig, haas-, vlug. Vaardig in zijn bedrijf, schrander: hij is snel in al zijn doen. Helder, levendig : snelle oogen. Welgemaakt en deftig : hij is een snel manskerel. Gezond en hupsen : snelle jongens. Frisch en bevallig : snel kind. Kloek en fier : wat snelle soldaten !

— Sneldicht, o. (-en). Puntdicht. — Sneldichter, m. (-s). — Snelheid, v. Spoed. Vlugheid, (..heden) Beweging. Snelheid van den klank = 340 met. per seconde. Snelheid van het licht = 77,000 uren per seconde. — Snellen, ow. snelde, is gesneld. Spoeden. IJlen. —■ Snelligheid, v. Snelheid. — Snellyk, bijw. —Snelloopend, bn.

— Snellooper, m. (-s). — Sneloogen, ow. sneloogde, heeft gesneloogd. Snel en levendig kijken. — Snelpers, v. (-en). — Snelpost, v. (-en).— Snelschrift, o. (-en).

— Snelschry fkunst, v., snelschrijven, o.

— Snelschrijver, m. (-s). —Sneltrein, m. (-en). — Snclvoet, m. (-en). Zekere snel-looigt;ende krab. — Snelvoetig, bn. — Snèl-waag, v. Unster. — Snelwanen, m. (-s).

— Snelzeiler, m. ( s).

Snellsicrl (/^. A.), 18061872, Kortrijk. Gcnlt; esheer (Gent). Letterkundige. Warm voorstander der Vl. Beweging. Verhandeling over de Nederl. dichtkunst in België (bekroond, 1838) ; Schets eener geschiedenis der IVederl. letterkunde (1849^.

Snclliuek (//.), 1549-1638, Mechelen. Historie- « n ^evechtenschilder.

snep. Zie Snip.

«no|»|M»i*, ro. {-s). Laatvlijm.

snei ken, ow. bw. snerkte, heeft gesnerkt. Braden. Pruttelen. — Snerking, v.

*nei'|M»ii, bw. ow. snerpte, heeft gesnerpt. Branden, pijn veroorzaken : de ^vonde snerpt. Duidt ook het geluid aan, hc-twelk eene roede, enz. onder het slaan verwekt. — Snerpend, bn. Pijnlijk. Door-lt;lrirgend : eene sm rpende koude.

Hiiers. Zie Snars.

snert, v. Erwtensoep.

5 - SNIJ

snenkelen, ow. sneukelde, heeft ge-sneukeld.In ontucht levlt;*n. — Sneukelaar, m. (-s). — Sneukelnarstrr, v. (-s).

sneuken, sneu keren, ow. sneukte, sneukerde, heeft sm ukt, gesneukerd. Zich met iets lekkers vermaken. Lekker-beetjes eten.

sneuTelen, ow. sneuvelde, is gesneuveld. In een gevecht, in eenen veldslag omkomen.

sneven, ow. sneefde, is gesneefd. Uitglijden, struikelen, vallen. Sneuvelen, omkomen.

snlbbe, v. (-n), snibbel, v. (-s). Sneetje : zij hebben geen snibbelken brood in huis.

snibbif», snebbig:, bn. Bits, vinnig (inz. van vrouwen).—Snibbe, v. (-n). Snibbige vrouw. Snibbig meisje. — Sntbbig-heid, v.

Snlelt;1ers i0 (ör R.), 1812-1888, Bla-del.Letterkundige. Geneesheer (Turnhout). Buitenlandsch eerelid der K. VI. Academie. Het Kind met den helm (1852); de Hut van IVartje Nulfih (1854); de Geuzen in de Kernpen (1875) ; de Scheerslijper (1881). — Ziin broeder {DT A.), 1825, Bladcl- Letterkunciige. Hoofdopsteller van het « Handelsblad » (Antwerpen). Werkend lid der K. VI. Academie. De Dorpspastoor (1853) ; de Gasthuisnon (1855) ; het Zuster ken der Armen (1867); Ome Boeren (1889).

snUlt;1en, sneed, heeft gesneden. Bw. Met een scherp voorwerp kerven of van-eenscheiden. Laken, stof, enz. naar do mode snijden, praveeren. Fatsoeneeren. Lubben. Versnijden : wijn, bier snijden. De beurs snijden. Duur laten betalen : hij weet zijne klanten goed te snijden. Ow. Scherp zijn : dit mes snijdt goed. Pijn veroorzaken : de wind snijdt in 't aangezicht. Grieven : het snijdt mij door de ziel. — Snijbank, v. (-en). — Snijboon, v. (-en). Soort van langwerpige boon [phaseolus vulgaris). — Snijboonyormi^, bn. — Sny-bord, o. (-en). — Snij (dej ling, v. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.). Afsnijdst-l. Inz. kortgesneden stroo (veevoeder). — Snijdend, bn. — Snyder, m. (-s). Die snijdt. Kleermaker. Mes. — Snyderm, ow. snij-derde, heeft gesnijderd Het kleermakersambacht in 't klein u toefenen. — Snijdersambacht, o. — Snij de rsbe enen, o. mv. — Snijdersgaren, o. — Snijdersgezel, m. (-len).— Snijdersgild, o. (-en;. — Snij-derstajel, v. (-s). — Sn ij de rs iv inhei, ra. (-s). — Snijding, v. (-en). Het snijden. Buikpijn : snijdingen in bet lijf. Opening '/.usschen twee huizen). Stnnrust (in verzen). — Snijdsel, o. (-s). Het gesnedene. Haksel. — Snydselkist, v. ( en). — Snijdster, v. (-s). — Snijkamer, v. (-s). — Snij koren, o. — Snij kunde, snijkunst, v. — Snijlijn, v. (-en). (Meetk.) Rechte lijn, die den omtrek des cirkels snijdt. — Snij' look, o. — Snijmachine, v. (-s). — Snijmes, o. (-sen). — Sny'paard, o. (-en). Langwerpige houten bak op drie pikkels om stroo, enz. te snijden. — Snyprrs, v. (-en). — Snijplank, v. (-en). — Snij punt % o. (-en). (Meetk.) Punt van doorsnede. —


ocr page 792

f

— 726 —

SNOE

SNOR

Snyrtem, m. ( en). TJchte roeispaan. — Snysalade, v. — Snijtafel, v. (-s). — Snijtand, m. (-en). Voortand. — Snytyd, m. (en).— Snij trog-, ra. (-gen). — Sny-tuig, o. (-en). — Sny'veldy o. (-en). Plaats, waar de visch gekorven wordt. — Snywa-ter, o. (Zeew.). — Snijwerk, o. Sieraden uit of in hout gesneden.

Miiik, m. (-ken). Het snikken. Hik. Den laatsten snik geven : sterven. (Muz.) Korte tijdruimte. Lange, breede beitel. — Snikheet, bn. Uitermate beet. — Snikken, ow. snikte, beeft gesnikt. Hikken.

snik, v. (-keu). Trekscbuit (in Friesland).

■nik, bn. (Slechts in) Niet snik : niet recht wijs.

snip, v. (-pen). Vogel tot de steltloo-pers in de familie der langsnaveligen be-noorende. Houtsnip : scolopax rusticula. Poelsnip : s. major. Watersnip: 5. galli-naga. Het bokje of haarsnip : s.gallinula.

— Snippeneb, v. (-ben).— Snippenei, o. (-eren). — 6quot;nippenjacht, v. — Snippennet, o. (-ten). — Snippen tijd, m. — Snippenvangst, v.

■nippel. Snipper. — Snippen, snlpte, heeft gesnipt. Snipperen.

■nip|gt;cr, v. (-s). Afknipsel. Afsnijdsel. Afval. Eene snipper op hebben : bedronken zijn. — Snipperaar, ra. (-s). — Snip-peraarster, v. (-s). — Snipperachtig, bn.

— Snipper bak, m (-ken). — Snipperen, bw. snipperde, heeft gesnipperd. In snip-

Sers snijden. Snippers laten vallen van iets at men fatsoeneert. In al te kleine deelen scheiden. —ers snijden. Snippers laten vallen van iets at men fatsoeneert. In al te kleine deelen scheiden. — Snipperig, bn. — Snipper-kist, v. (-en). — Snipperkoek, m. (-en). Koek met gekorfijte oranjeschil. — Snip-permand,\. (-en) —Snippernet,oA-ien). (Pap.). — Snipperuur, o. (..uren). Ledi^, verloren uurtje. — Snipperwerk, o. Gering, nietig werk.

«nir^en, ow. snirste, heeft gesnirst. Sissen (als water op heet ijzer). — Snirsing, v. ■nit, m. (-ten). Soort «an kerfbijl, ■nit, v. Snede. Fatsoen.

■noeien, bw. snoeide, heeft gesnoeid. (De oveitolligc bladeren, takken, enz.) afknippen, afsnijden, (öp misdadige wijze de randen van gemunt geld) afnemen : geld snoeien. Heimelijk vruchten uit eenen tuin ontstelen. lem. de vleugels snoeien : zijne macht inkorten. — Snc.i, m. Het snoeien. — Snoeieling, m. en •. (-en). Afgesnoeide tak of takje. v. Afgesnoeide tak-Icen. önoeihout. — Snoeier, in. (-s). Die snoeit. Snoeimes. — Snoeierig, bn. — Snoeihout, o. — Snoeiing, v. (-en). — Snoeikunst, v. — Snoei/ust, m. — Snoet-man nd, v. — Snoeimes, o. (-sen). — Snoei-ryzen, o. mv. — Snoeisel, o. {-s).—Snoei-ster, v. (-s). — Sneeitakken, m. mv. — Snoeiti/d, m. — Snoetwerk, o.

■nock, m. (-en) (voorwpsn.); v. (stofn.). Bekende roofvisch der zoete wateren {esox lucius). Eenen snoek vangen : in 't water vallen. — Snoekachtig, bn. — Snoekekop, m. (-pen). — Snoekelever, v. (-s). — Snoe-kenaas, o. — Snoekenangel, m. (-s). — Snoekenblad, o. Gemeen pijlkruid. — Snoekenvangst, v. — Snoekestaart, m.

(-en). — Snoek harig, bn. Van de kleur eens snoeks : een snoekharig paard. — Snoeks, biiw. Scherp : snoeks zien. — Snoeksch, on. Loos. Schrander. —Snoek-schimmel, m. (-s). Forelschimmel.

snoepen, bw. ow. snoepte, heeft gesnoept. In 't geheim lekkernijen eten. Iets lekkerskoopen om het op te eten. — Snoep, m. Snoeperij.— Snoepachtig, bn.— Snoep- : achtigheid, v. — Snoeper, m. ( s). — Snoeperig, bn. Snoepachtig. Lieftallig. — Snoeperigheid, v. — Snoepery, v. (-en). Het snoepen. Lekkernij. Lekker beetje. — Snoepgoed, o. Snoeperij. — Snoepig, bn.

— Snoepigheid, v. — Snoeping, v. (Zeew.) i Spleet tusschen de planken. — Snoeplust, m. —- Snoepmarkt, v. (-en). — Énoep-reisj'e, o. (-s). Pleziertochtje, in stilte gedaan. — Snoepsch, bn. Snoepachtig. — 1 Snoepschheid, v. — Snoepster, v. (-s). — Snoeptafel, v. (-s). — Snoeptijd, m. (-en).

— Snoepwinkeltje, o. ( s). — Snoep-zucht, v.

■noer, o. (-en). Koord. Gevlochten band. Meetsnoer. Het dunne einde van eene zweep. Hetgeen aan een snoer geregen is. lem. aan zijn snoer krijgen, tot zijne 9 partij overhalen. Snoer geven : met kracht 3 en driftigheid te werk gaan. — Snoeren, | bw. snoerde, heeft gesnoerd. Aan een a snoer rijgen. Met een snoer binden. Den mond snoeren : tot zwijgen brengen.

snoes, m. (..zen). Lieverd.

snoeshaan, m (. anen). Pocher. Zonderling mensch. — Snoeshanig, bn. bijw. snoet, m. (-en). Snuit.

snoeven, ow. snoefde, heeft gesnoefd. Sterk door den neus ademen. Pochen. Trotsch zijn (op). — Snoef taal, v. — Snoever,^. (-s). — Snoefster, v. (-s). — Snoeverij, v. (-en). Gesnoef. Pocherij.

snof, v. Hot snoffen. Verkoudheid (in den neus). — Snoffelen, ow. snofielde, heeft gesnoffeld. Snuftelen. — Snoffen, ow. snofte, heeft gesnoft. Snuffen.

snokken, snokte, ^ eeft gesnokt. Bw. Rukken : eene koord aan stukken snokken, Ow. Trekken : aan de schel snokken. — Snokking, v.

snol, v. (-len). Ontuchtig vrouwspersoon.

snollen, bw. snolde^ heeft gesnold. De tabakspijpen met een mengsel van was, zeep, enz. bestrijken.

snood, bn. bijw. Boos. Slim. — Snoodaard,m. (-s). Slecht mensch. Booswicht.— Snoodelyk, bijw. — Snoodheid, v. (..heden).

snor, v. (-ren). Knevel. — Snorbaard, m. (-en). Knevel. Man met een zwaren knevel.

snorken {snurken), snorkte, heeft gesnorkt. Hard snuiven in den slaap. Pochen.

— Snork, m. (-en). Het snorken. — Snork-achtig, bn. Grootsprekend. — Snorker, m. (-s).— Snorkery, v. (-en). Snoeverij.

— Snor kirg, v. — Swrkster, v. (-s). — Snorktaal, v. Pocherij.

snorren, ow. snorde, heeft en is gesnord. Een brommend geluid geven : do pijl snorde van den boog. — Snor, m. Snorrend geluid. Roes : eenen snor aanhebben..


ocr page 793

2JNU1 — 73

— bnorrehoi, o. (-ten), sno epfjp, v. (-en). Hor. — Snorrepypery, v. (-en). Beuzelarij. — Snor ring, v. — Snorwagen, m. (-s). Rijtuigie met éen paard.

■not, o. Slijmerig vocht, dat zich door den neus oitlast. —Snot, v. Droes (3* art.). Paard, dak de snot heeft. — Snotachtig, bn. — Snoietcktigheid, v. — Snotbaard, m. (-en). Onnootel« en onbeschofte jongen. — Snotdoek, m. (-en). — Snotjongen, m. (-s). Snotbaatd. —Snotmuil, (-en) m. en v. Snotbaard. —Snotneus, m. (..zen).

— Snotneus,ia. en v.Snotbaard.—

m. (..ven). Zeevisch (cy dopt er us lump us), tot de beenvisschen behoorende. — Snottebel, v. (-len). — Snotten, ow. snotte, heeft gcsnot. Snot loozen. Den neus in eenen zakdoek ledigen. — Snotter, m. Snot. (-s) Neus. Hij heeft het reeds in den snotter ; hij merkt het reeds. — Snotteren, ow. snotterde, heeft gesnotterd. Snot loozen. Schreien. — Snotterig, bn. — Snotterigheid, v. — Snotterik, m. (-en). Snotjongen. — Snottig, bn. — Snottigheid, v.

— Snottolf. Snotolf. — Snotvisch, m. (..sschen). Slijmvisch. — Snotvlits, o. (..zen).

snaf9 v. Het snuffen. Reuk, inz. slechte geur. Vermoeden, lucht : de snuf van iets weghebben. Mode : naar de snuf gekleed gaan. Snuifje.— Snuffelaar, ..aren),

— Snuffelaarster, v. (-s). — Snuffelen, ow. snuffelde, heeft gesnuffeld. Len reuk inademen (van). Navorschen, nazoeken. — Snuffeling, v. — Snuffen, bw. ow. snufte, heeft gesnuft. Door den neus blazen. — Snufje, o. (-s). Snuifje. Goedkoope waar. Dat vleesch heeft een snufje, is een weinig bedorven.

bn. bijw. Levendig, wakker, vlug (inz. van kinderen). —Snuggerheid, v.

■noif, v. (..ven). Gemalen tabak (om te snuiven). Poeder, stof (van iets, dat vermolmd is). — Snuif doek, m. (-en). — Snuifdoos, v. (..zen). — Snuifdoozenma-ker, m. (-s). — Snuifelen, ow. snuifelde, heeft gesnuifeld. Snuiven. — Snuiffa-briek, v. (-en). — Snuin'e, o. (-s). Vingergreep gemalen tabak. Zeer kleine hoeveelheid : een snuifje peper, zout. — Snuifmolen, m. (-s). — Snuif neus, m. (..zen).

— Snuif neus, ra. en v. (..zen). lem., d;e veel snuift. — Snuifpot, m. (-ten). — Snuifpot, m. en v. (-ten). lem., die veel snuift. — Snuifrasp, v. (-en). — Snuiftabak, v. — Snuif winkel, m. (-s). — Snuiven, bw. ow. snoof, heeft gesnoven. Den adem en met den adem den reuk in den neus ophalen. SnuiftabaK gebruiken. Brieschen (van paarden). — Snuiver, m. (-s). Die snuift. (Bouwk.) Schuin luchtgat. Brieschend paard. — Snuif ster, v. (-s).

■nuistcren, snuisterde, heeft gesnuisterd. Ow. Den snuit ergens in of aan steken : de hond snuistert in 't stroo. Opzoekingen doen : in een woordenboek snuisteren. Snoepen. Bw. Snoepen. Ontbolsteren. Stelen (kleinigheden). — Snuister aar, ra. (-s). — Snuister aar ster, v. (-s). — Snuister ge ld, o. — Snuister int:, v. — Snuis-tery, v. (-en). Speelgoed. Kleinigheid, nie-

r — oOCK

tigheid. — Snuisterpot, m. (-s). Snui»-ieraar.

■nnlt, m. (-en). Vleezig vooruitstekend deel des beks van sommige dieren, inz. van varkens en olifanten. Neus van den ménsch. (Werkt.) Vooruitstekende punt. (Zeew.) Voorsteven. — Snuit, v. en o*. Afval van vlas. — Snuitaap, m. (..apen). Naar de apen gelijkend dierengeslacht met den snuit van eenen vos. — Snuitdieren, o. mv. — Snuitdoek, ra. (-en). Neusdoek. — Snuiten, bw. snoot, heeft gesnoten. Afknijpen (met eenen snuiter). Den neus ledigen in eenen zakdoek. Het vlas snuiten : de afhangende vezels met de vingers wegnemen. lem. snuiten, meer doen betalen dan billijk is. — Snuiten, bw. snuitte, heeft gesnuit. Den snuit wegnemen (van een stuk hout).— Snuiter, va. (-s). Die snuit. Kwant. Werktuig om de verbrande pit eener kaarsaf te knippen. — Snuiterbakjey o. (-s). — Snuiting, v. — Snuif kever, ra, (-s). — Snuitmot, v. (-ten). — Snuitpape-gaai, m. (-en). — Snuitsel, o. — Snuit-spinner, m. (-s). — Snuit spinster, v. (-s).

— Snuit ster, v. (-s). — Snutttor, v. (-ren),

— Snuitvisch, m. (..sschen). — Snuit-vlieg, v. (-en). — Snuitvormxg, bn. — Snuitworm, m. (-en).

■nul, m. (-len). Sul.

■nurlcen. Zie Snorken.

Snyder^ {F.), 1597-1657, Antwerpen. Dierenschilder. Hertenjacht; Dood wild; Keuken met wild en groenten.

Snyer^ (Z5.), 1681-1752. VI. landschapschilder.

sobbelen. ow. sobbelde, heeft en !s gesobbeld. Struikelen.

■ober, bn. bijw. Matig, karig, zuinig. Schraal, bekrompen. — Soberheid, v. — Soberlyk, bijw. — Sobertjes, bijw. Sober, niet ruim : hij heeft het sooertjes.

Sobieaky (y.). Koning van Polen (1674-1696). Krijgsheld. Overwon de Turken en ontzette Weenen (1683).

■ooinliMine, o. Heeft voor doel gelijken welstand in de wereld onder de men-schen aan te brengen. Te dien einde zouden alle bijzondere eigendommen ontei* gend worden ten voo'deele van den Staat, welke gelast zou zijn met de verdeeling der opbrengsten van kapitaal en arbeid. Godsdienst cn huisgezin zouden afgeschaft woiden. Voornaamste stelsels ; 'Communism* : wil het eigendomsrecht a/schafte* en de gemeenschap der goederen, oekomen;

— Nihilisme : alles moet afgeschaft en niets mag voorgesteld worden om het huidige stelsel te vervangen, het volk zal, als het vrij zal zijn, over het beste stelsel beslissen; — Anarchisme : alles moet afgeschaft en niets mag in de plaats gebracht worden; — Collectivisme : rijkdom, werktuigen, enz. moeten der samenleving be-hooren. — Sociaal, bn. Maatschappelijk.

— S(ciaal-d-mocraat, ra. (..aten). — Socialist, m. (-en). — Socialistisch, bn.

■oeiëleit.v. (-en). Genootschap, gezelschap, vert er.ijiing. Vennootschap. Maatschappij. Samenleving.

Soerates (470-399 voor Chr.). Athene, Wijsgeer.


ocr page 794

728 _

SOLD

SOME

sftda, v. Zie Loogzout — Sêdakruid, v. Naam van verschillende zeeoeverplanten. — Sodaplant, v. — Sodawater, o. — So i'azeep, v. — Sodt'um, o. Geelachtig wit zacht metaal, getiokken uit de soda. Wordt zelden zuiver aangetroffen.

Sodom en Gonior* lisamp;. Steden (Palestina). Werden ten tijde van Abraham, wegens de goddeloosheid en de schrikkelijke euveldaden harer inwoners door het vuur des hemels vernield en onder de wateren der Doode-Zee bedolven. — Sodomie, v. — Sodomiet, m. (-en), sodomie/er, ni. (-s). — Sodrmietery, v.

Hoebuti«-is. bw. soebatte, heeft gesoebat. Vleiend viagen. Bidden. Smeeken. — Soebat/er, m. ( s). — Soebatster, v. (-s).

Soel». Moluksch eiland.

Soembawj». Soenda-eiland.

Moeutlsi-lt;'il:inden,o.mv. 26.000.000 inw.; 31,631 vink. geogr. mijl. Verdeeld in Oroote- en Kleine Soenda-eilanden. Zie Indië.

Hoep, v. (-en). Atkooksel van vleesch met groenten of andere spijzen bereid. — Soepachtig, bn. — Soepballetje, o. (-s). — Soepbeenen, o. mv. — Soepbord, o. (-en).

— Soepgroente, v. (-n). — Soepkokerij, v. (•en). — Soepkom, v. (-men). — Soeplepel, m. (-s). — Soepschotel, m. (-s). — Soep-t(erjrine, v. (-s). Soepkom. — Soep-vleesch, o.

soeperig, bn. Lstngwijlig. — Soepe-righeid, v.

Moepieren, v. mv. Sepieren.

Koei stbajn. Zie Java.

Soeniliarf samp;. Zie Java.

Moe», v. (..zen). Zeker luchtig gebak.

soeit, m. (..zen). Suizeling, bedwelming: hij krijgt soms eenen soes.— Soezen, ow. soesde, beeft gesoesd. Suizen. In bedwelming zijn. — Soezerig, bn. Dommelig. Sufferig. — Soezerigheid, v. — Soezig, bn. Soezerig. — Soezigheid, v.

■ofst, v. (-*s). Rustbank. Rustbed.

Hoja, v. Zekere prikkelende saus.

Mok, v. (-ken». Korte kous. — Sokach-tig, sokkertg, bn. Los. Flodderig.

Mokkel, m. (-s). Voetstuk. Voetzuil. Ondets el.

wol, v. ( len). Vijfde toon der diatonische toonschaal. —Solsleutel, m. (-s).

»lt;gt;1, v. (-len). Soort van bal.

Holaats, o. Verkwikking, verzachting in *t lijden.

sold, o. Soldij.

■oldaatr, m. (..aten). Krijgsman. — Soldaatschap, o. — Soldatenbrood, o.

— Soldatenherberg, v. (-en). — Sol-datenkind, o. (-eren). — Soldaten-kleed, o. (-eren). — Soldatenkleeding, v. — So Ida tenkroeg, v. (-en). — Soldatenleven, o. — Soldatenlied, o. (-eren).

— Soldatenrok, m. (-ken). — Soldatenschool, v. (..olen). — Soldatenstand, m. — Soldatentros, m. — Soldatenvolk, o. — Soldatenvrouw, v. (-en). — Solda-tenwy f, o. (..ven). — Soldaterij, v.

«oldccren, bw. soldeerde, heeft gesoldeerd. Aaneenhechten met soldeersel.

— Soldeer, o. Soldeersel. — Soldeerblok, o. en m. (-ken). — Soldeerbout^ m. (-en).

— Soldeeryzer, o. f-s). — Soldeerder, m-(-s). — Soldeerbout, o. (-en). — So Idee, ring, v. (-en). — Soldeerkolf, v. (..ven)

— Soldeer lamp, v. (-en). — Soldeer loo verlies, o.mv.— Soldeertiaad,m. (..aden)

— Soldeersel, o. ( s). Metaal of nu taal mengsel, dienende om twee verwarmde stukken metaal aaneen te hechten. — Sol-deerstaal, o. (..alen). — Soldeertin, o.— Soldeerwerk, o.

soldeereu, bw. soldeerde, heeft gesoldeerd. Betalen, vereffenen : eene rekening soldeeren. — Soldeering, v. (-en).

•oldtf, v. (-en). Krijq;sloon. Bezoldiging van soldaten. — Soldenier, m. (-en). Die soldij trekt. Soldaat. — Soldygeld, o. (-en).

solemneel, bn. bijw. Plechtig. Feestelijk. — Solemniteit, v. (-en). Plechtigheid. Feest.

solHiife, v. (Muz.) Notenleer.

solfer. Zie Sulfer.

Solferluo. Vlek in de It. provincie Mantua. Veldslag door de Franschen en Sardiniërs op de Oostenrijkers gewonnen (1859).

solidstlr, bn. bijw. Een voor allen en allen voor éen — Solidariteit, v.

solide, bn. bijw. Stevig, duurzaam. Hecht, vast, degelijk. —Solinteit, v.

solidee, m. (-ën). Zeker hoofddeksel der priesters.

sollebollen, bw. sollebolde, heeftge-sollebold. Storten. Werpen.

sollen, bw. solde, heeft gesold. lem. in eene deken opwerpen en weder opvangen. Heen en weer trekken. Plagen. — Soldeken, v. (-s).

solliclteeren, solliciteerde, heeft gesolliciteerd. Ow. Vragen, verzoeken : ik zal er eens naar solliciteeren. Bw. Naar eene betrekking dingen. — Sollicitant, m. (-en). — Sollicitante, v. (-n). — Sollicitatie, v. (..iën, -s).

solo, bijw. Alleen. — Solo, m. (-'s). Alleenzang. Alleenspel. — Solist, m. (-en). Solozanger. Solospeler. — Solopartij, v. (-en). — Solospeler, m. ( s). — Solostem, v. (-men). —Solozanger, m. (-s).

soloeeisme, o. (-n). Fout tegen de regelen der spraakkunst.

Solon 1638-559 vóór Chr.). Wetgever der Atheners. Een der zoogenoemde zeven Wijzen van Griekenland.

soloslem, soiosklm, m. (Kaartsp.) Eene hand dusdanige kaarten, dat men al de anderen slem kan spelen.

Solor. Soenda-eiland.

som, v. (-men). Getal, dat zooveel eenheden bevat als eenige opgegevene getallen te zamen. Rekenoefening : sommen maken. Beloop, bedrag ; hoeveel is de som van al wat ik schuldig ben?

somber, bn. bijw. Donker, duister, betrok en: somber weer. Neerslachtig, droefgeestig, zwaarmoedig ; hij ziet er somber uit. — Somberheid, v.

.Somer (P. van), i576(?)-i624, Antwerpen. Portretschilaer.

Someren (7. F. van), 1852, Zutfen. Letterkundige. Bibliothecaris der universiteit (Utrecht). Moderne kunst in Neder-


ocr page 795

— 729 —

SOPH

SPAA

land (iSSj-'Ss); Oude kunst in Nederland (i88ö-'go).

somma, v. Som.

sommceron, bw. sommeerde, heeft gesommeerd. Gerechtelijk aanmanen, op-eischen. — Sommatie, v. (..iën, -s).

■ommer, m. (-s). (Scbeepsw.) Zware eiken balk.

■ommle^i telw. Eenige. — Sommigen, mv. (van personen). Enkelen.

sommitoit, v. (-en). Voornaam,hooggeplaatst persoon.

somnambule, m. en v. (-s). Slaapwandelaar, slaapwandelaarster. — Som-ttambulisme, o.

somp. v. (-en). Moeras. — Sompig, bn. Moerassig. Drassig. — Somigt;ig-heid, v. — Sompschmt, v. (-en). Schuit met platten bodem, varende op kanalen en kleine rivieren. — S' VipVflgel, m. (-s).

soms, somfU(lM, somwQlen, bijw. Nu en dan. Misschien, wellicht. — Somtemets, bijw. Somwijlen.

sonate, v. (-n, -s). Compositie voor een of twee instrumenten, bestaande uit drie of vier muziekstukken, afdeelingen geheeten, welke onderling wel in karakter verschillen, maar op èene hoofdgedachte betrekking hebben. — Sotia/ine, v. (-n, -s). Sonate van kleinen omvang.

sondeereu, bw. sondeerde, heeft gesondeerd. Peilen. Polsen, uitvorschen. Gij moest hem daarover eens sondeeren : gij moest trachten hierover /.ijne meening te weten. — Sonde, v. ( s). (Heelk.) Peil-stift. Peillood. — Sondeerijzer, o. (-s).— Sondeering, v. ( en).

sonnet, o. (-ten). Klinkdicht. — Son-netdichter, m. (-s).

So ut, v. Zeeengte (inz. tusschen Zweden en Denemarken).

soort, v. en o*. (-en). Slag, Aard. Af-deeling. Van soorten : van verschillende soorten. Dat is de soort : zoo behooit het. Soort zoekt soort.— Soortrhjk, bn. Volgens de soort. Betrekkelijk . tie soortelijke zwaarte der lichamen onderling. — Soortgelijk, bn. Dergeli)k. — Soortnaam, m. (..amen). (Taalk.) Naam, welke aan alle voorwerpen van dezelfde soort gemeen is.

sop, 0* en v*- (-pen). Votht Nat. Sap. Soep. Beestenvoedrr met w.itei' gemengd. Het ruime sop kiezen : in zee steken. Het sop is de kool niet waard : de zaak is zooveel moeite niet waard. — Sopaehtitj, bn.

— Sopbrood, o. Brood in vleesuhnat. — Sopprdoppen, bw. en o\v. soppedopte, heeft geseppedopt. (Brood, enz. in saus) indoopen. — Sopfgt;rn, bw. sopte, heelt gesopt. Indoopen (in sop, enz.). Soppedoppen. Niet ruim soppen : het niet breed hebben.

— Sopper, m. (-s). — Sopperdegro*-nije, o. (-s). Soort van sappige peer. — Sopperig, bn. Sappig. — Sopperigheid, v. — Soppig, bn. Sappig. — Sappigheid, v. — Sops ter, v. (-S).

H4gt;i»]iiaiue, o. (-n). Drogreden. — Sophist, m. (-en). Drogredenaar — Scphis-ienj, v. (-en). Spitsvondigiieid, — Sophis-tisch, bn. Spitsvondig. Valsch. Bedrieglijk.

Kophocles (495-405 voor Chr.) Athene. Treurspeldichter. De woedend'! Ajax; Electra ; Antigone ; korting Oedipus f Oedipus te Colonus; de vrouwen van Trachinae; Philoctetes.

sopraan, v. (..anen). Bovenstem. Hoogste stem.

sorlgt;clgt;ooiu, m. (-en). Lijsterbesse-boom. — Sorbe, v. (-ni. Vrucht van den sorbeboom. — Sorbenhout, o. — Sorben-kruid, o. Plantengeslacht, tot de pimper-nelachtigen behoorende. 't Gewone sor-benkruid {sangutsorba officinalis) : overblijvende plant. Groeit in vochtig, veenachtig weiland. Wordt als sierplant gekweekt.

sorbet, o. Ververschende drank : rozijnen in water gekookt met citroensap en een weinig muskus.

Sorol (/4.), 1842, Honfleur. Fr. geschiedschrijver. His to ire diplomatique de la guerre franco-alletnande Kiüquot;]*,)', F Europe et la revolution frangaise

sorleerwu .sorteerde, heeft gesorteerd. Bw. Soort bij soort leggen, bijeenschikken, regelen, uitzoeken : de brieven sorteeren op een postkantoor. Ow. Schikken, passen : dat huis sorteert hem niet. — Sorteerder, m. (-s). — Sorteering, v. (-en).

— Sorteerster, v. (-s\

sotlernie, v. (..iën). Zie Spel. souper, o. (-s). Avondmaal. — Soupeer rn, ow. soupeerde, heeft gesoupeerd.

soutane, v. ( s). Priesterkleed. HOuverelu, bi. (-en). Vorst. (Oudt.) Goudstuk = drie dukaten. — Souverein, bn. bijw. Oppermachtig. Een souverein, een onleilbaar middel. — Souvereirnteit, v. Heerschappij. Oppermacht. Gebied.

Kouvestr«* (/?.), 1806-1854, Morlaix. Fransch romanschrijver en tooneeldichter. Un philosophe sous les toits.

spa. Zie Spade.

spaak, v. (..aken). Korte, dikke en stevige slaak. Korte hefboom. Eene spaak in het wiel steken : iets in zijnen loop stuiten.

spaak, bijw. (Slechts in) Spaak loopen: in de war loopen.

spaau, v. (..anen). Buigzame strook hout, waarvan men doozen, enz. maakt. Al val van hout. (Boekdr.) Zetlijn. Gereedschap om iets op of uit te nemen (b. v. om schuim af te nemen. enz.). — Spaandery m. (-s). Afval van gehakt hout. Het schip sloeg aan spaanders, werd geheel en al verbrijzeld.— Spaandershaak, m.(..aken).

— Spoandemyn, m. Op spaanders geklaarde wi|n. — Spaanjongen, ..rapery m. (-s). Timmermansjongen. — Spaan-matid, v. (-en). — Spanen, bn.

spaai-bauk, v. (-en). Inrichting, waar men geld in bewaring ontvangt en interest geeft. — Spaarbankboekje, o. (-s). — Spaarbek, m. en v. (-ken). lem., die altijd spaan. — Spnarbrkkrn, ow. spaarbekte, heeft gespaarbekt. Altijd sparen. — Spaar-bende, v. (-n). Aanvubingstroepen. — Spaarboekje, o. (-s^. —Spaargeld, o. — Spaargoed. o. — Spaarhaard, m. (-en).

— Spaarkachel, v. (-s). — Spaarkant, m. (-en^. Onderrand van een kleed. — Spaarkas, v. (sen). — Spaar kist, v. (-en).


ocr page 796

— 73° —

SPAR

SPAN

— Spaarlamp, v. (-en). — Spaaroven, m. (-s). — Spaarpenning, m. (-en). — Spaar-pyp, v. (-en). — Spaarpot, m. (-ten). — Spaarzaam, bn. bijw. Genegen tot sparen. Huishoudelijk. Zuinig. Karig : spaarzaam zijn met woorden. Zelden : de doodstraf wordt spaarzaam toegepast. — Spaarzaamheid, v.

■paalli, o. Onbepaalde naam voor verschillende ruitvormige mineralen met bla-derige, glanzige breuk. — Spaathach-//£•, Dn. — Spathig, bn.

spade. * pa, bn. bijw. Laat, ra den gewonen tijd : spade vruchten; looft den i4eer vroeg en spa. — Spadeling, m. (-en). Die laat komt. Dier, plant of mensch, die zich laat ontwikkelt.

■pa«le, ftpa, v. (spaden). Werktuig om te delven, te graven. — Spaden, bw. spaadde, heeft gespaad. Met de spade omspitten, delven. — Spadenyzer, o. (-s). — Spadesteek, m. (..eken). — Spadesteel, m. (..elen).

Npstdllle, v. (-s). Schoppenaas. Spatel.

ftpall«r, o. (-en). Een of meer vrucht-boomen, die langs eenen muur, enz. tegen latwerk zijn vastgebonden. Het latwerk zelf. — Spalierboom, m. (-en). Leiboom.

spalk, v. (-en). Stevig voorwerp om de breuk van een lichaamsdeel aaneen te houden. Stok om iets open te houden. — Spalken, spalkte, heeft gespalkt. Bw. Met spalken verbinden. Ow. Splijten. — Spalk-houder, m. (-s). — Spalk hout, o. (-en).— Spalking, v. (-en). — Spalkztvachtel, m (-s).

spalllnff, m. (-en). Varken beneden httjaar.

span, v. (-nen), spanne, v. (-n). Het spannen. Ruimte tusschen het uiteinde van den duim en den kleinen vinger. Klein stuk : eene span aarde.

span, o. (-nen). Twee of meer dieren, die nevens elkander gespannen zijn. Twee dingen, die juist bij elkander voegen. (Zeew.) Verdoeling van het staande want.

— Spanader, v. (-s). Zfnuw, spier. Tongriem : hij is van de spanader gesneden : hij is goed ter taal. — Spanaderig, bn. Moeilijk sprekende. — Span baars, m. (..zen). Kleine baars. — Spanbroek, v. (-en). Sluitende broek. — Spandienst, m. Dienst, waarbij men voorspannen moet. — Spangordel, m. (-s). — Spanketen, v. (-s). — Spankoord, o. (-en). — Spankracht, v. Samendrukbaarheid der gassen. — Span-lysthouten, o. mv. — Spanleder, o. (-s).

— Span na gel, m. (-s). — Spannen, spande, heeft gespannen. Bw. Uitrekken : doek op eene plank •• pannen. Met gespannen koorden, enz. vastbinden : paarden voor een rijtuig spannen. De hand spannen, deze zoo wijd men kan uiteenzetten. De vierschaar spannen : te recht zitten. De snaren te hoog spannen : zich te veel laten voorstaan. De kroon spannen : de kroon op het hoofd zetten. Dit spant de kroon, overtreft alles. De boog kan niet altiid gespannen zijn. Ow. Gespannen zijn : die rok spant mij te v« el. Het zal er spannen : bet zal er wreed tot ga an. Het spant er : de taken luopen tegen. Dat zal spannen ; het zal moeilijk gaan. — Spannend, bn. Hevig. Vlijmend. — Spanner, m. (-s). -— Spannet, o. (-ten). — Spanning, v. (-en) Het spannen. (Bouwk.) Keper. Lat of stok, waarmede de blinden gesloten worden. Opzwelling. Ongeduld. Angst. — Spanraam, o. en v. (..amen). — Spanriem, m. (-en). — Spanrups, v. (-en). Rups, die slechts van voren en van achteren pooten heeft. — Spansel, o. (-s). — Spanstok, m. (-ken). — Spanstnk, m. (-ken). — Spantouw, o. (-en). — Span-tuig, o. (-en). — Spanwant, o. — Span-werk, o. (Bouwk.) De kepers. — Spanzaag, v. (..agen). —Spanzeel, o. (-en).

Spandaw (//. A.), 1777-1855, Fr,es* Dichter. Poëzie (1809); Gt dichten (1838).

spanen, bw. spaande, heeft gespaand» Boter spanen, met eene spaan uitsteken, spans:, v. (-en). Ring, haak (inz. van

foud of zilver). Gebitknop. —oud of zilver). Gebitknop. — Spangma-er, m. (-s).

Spanje, o. Koninkrijk (W.-Europa), 17,000,000 inw., 9iCco vierk. geogr. mijl. Hoofdstad Madrid. — Spaansch, bn. — Spaansch, bijw. Dat klinkt spaansch, vreemd, zonderling. Armoedig : hij heeft het spaansch. — Spaansch, o. De Spaan-schetaal. — Sfaansche, v. ( n). Spaansche vrouw.— Spaansche-peper, v. Plant {capsicum annuum). Behoort tot de nachtschaden. Wordt als specerij gebruikt. — Spaansche-ruiter, m. ( s). Boomstam of balk van 2 of 3 met. lengte, geheel bezet met pinnen. Dient tot versperring van ingangen, enz. — Spaanschc vlteg, v. (-en). Insect {cantharis of Lytta vesica-toria). Behoort tot de schildvleugelige insecten. Wordt fijn ges:ooten tot zall bereid.

— Spaansche-vliegzalf, v. — $paa*'sch-gezind, bn. — Spaanschgezinde, m. (-n).

— Spaansch-groen, o. Kleurstof. Wordt verkregen door koper gelijktijdig aan de lucht en aan dampen van azijn bloot te stellen.— Spaansch leder, o.— Spaansch-v aar der, m. (-s). Schip, dat op Spanje vaart. Kapitein van zulk een schip. — Spaniool, Span/ooi, m. (..olen). Spanjaard, v. Spaansche snuif. — Spanjaard^ ( 8, -en). Inboorling van Spanje.

spanjolet, v. (-ten). Draaislot, draai-roede (tot deur- ot venstersluiting).

•panseeren, ow. spanseerde, heeft en is gespanseerd. Wandelen.

span*, o. (-en). Spanwerk van een dak. (Zeew.) De dikke en dubbele zijstukken, waaruit het geraamte van een schip bestaat. — Spanthout, m. (-en). — Spant-oplanger, m. (-s). — Spantstut, m. {-ten).

— Spantwerk, o.

spar, v. (-ren). Lange, dunne stang tot het geraamte van een dak en meer andere dingen gebruikt.

spar, m. (-ren). Zie Pijnboom. — Spar-reboom, m. {-tw).—• Sparrenbosch, o. en m. (..sschen). — Sparrenhout, o. — Sparrenhouten, bn.

sparen, spaarde, heeft gespaard. Bw. Bewaren : zijn geld voor den ouden dag sparen. Niet verteren. Niet verkwisten. Niet bezigen. Behouden. Spaarzaam gebruiken : zijne krachten sparen. Den vijand


ocr page 797

SPEC — 7

sparen, het leven geven. Ontzien : lij spaart niemand. De waarheid sparen : liegen. Ow. Spaarzaam leven. — Spaarder', m. (-s). — Spaar ster, v. (-s). — Sparing, v. — Spari%, bn.

■park, v. (-en). Vonk. Sprankel : e was geene spark vuur in den haard. — Spar kelen, ow. sparkelde, heeft gospar-keld. Sparken. — Sparken, ow. sparkte, heeft gesparkt. Sprankels werpen : er is hout, dat veel sparkt als 't brandt. Knetteren : zout sparkt in het vuur. De gloeiende asch in den oven omroeren, zoodat er gedurig vuurvonken uit opvliegen. Parelen, tintelen: champagnewijn sparkt.

spartelen, ow. spartelde, heeft gesparteld. Met armen en beenen heen en weer slaan. Zich geweldig bewegen. Allerlei kromten aannemen en springen (van visschen). Parelen, tintelen : dit bier spartelt in 'tglas. — Spar/elbeenen, ow. spar-telbeende, heeft gespartelbeend. Met de beenen spartelen. — Sparielig, bn. — Sparteling, v. (-en). — Spartelvisch, m. (..sschen).

•pat, v. (-ten). Af- of opspringend deel ▼an vocht, slijk; enz. Vlek. Klakkebus (speeltuig der kinderen). Knobbelachtig uitwas, voornamelijk aan het hoofd des scheenbeens (bij paarden). — Spatkleed, o. (-en). — Spat/ap, m. (-pen). — Spatpennetje, o. (-s). (Scheepsb.). — Spatten, spatte, heeft en is gespat. Bw. Vocht of slijk doen springen : gij spat mij water in |t aangezicht. Ow. Mijne p«n spat, stuit op iets, zoodat de inkt er uit springt. Uiteen-springen. — Spatterig, bn. Dat spat. — Spattig, bn. Met spatten (van paarden).

— Spatting, v. Hetspatten. (Zeew.) Hoek, dien de hoofdtouwen (het want) met hun-non mast maken. — Spat ziek, bn. Spattig.

■patel, v. (-f). Houten werktuig der Stukadoors. Strijkmes voor zalf. Tempermes. — Spatelvormig, bn.

■patfe, v. (-s). Ruimte. (Boekdr.) Schei-•tift. \Vittusschen de letters. — Spatieeren, bw. spatieerde, heeft gespatieerd. Vaneen-scheiden. Ruimte laten.

■peeerQ, v. (-en). Knrderij — Specerijachtig, bn. — Specerijgi;antien, o. mv. De Molukken. — Specerij handel, m.

— Specerijhandelaar, m. ( s). — Specerij kist, v. (-en). — Specerijkooper, m. (-s). — Specerykramer, m. ( s).

■pecht, m. (-en). De spechten maken eene familie uit in de oide d« r klimvogels. Leven vooral in bosschen, klimmen tegen de boorp*lt;»^itnen met de crooti-te behendigheid eigt; vttegen met rukken en n5^ ;ev^ Leven van insecten, welke zij klopp«ad^ uit de schors doen opkomen. — Specn-tenei, o. (-eren). — Spechtennest, o. en m. (-en).— Specht kraai, v. (-en). Zwarte specht.

■pedaal, bn. bijw. Bijzonder. Afzonderlijk, bepaald. — Specialiteit, v. (-en). Bijzonderheid, eigenaardigheid, bijzondere begaafdheid. Bijzondere handelstak. Bijzonder geneesmiddel. Hij is eene specialiteit in zijn vak.

■pecle, v. (..iën,-s). Klinkende munt, jereed geld. Aard, slag, soort (in tegen-

i — SPEE

stelling van geslacht). Misbrood. Bestanddeel van spijzen, artsenijen, enz. Spijs, let-terspijs. — Specieboekje, o. (-s). Boekje, waarin de waarden van onderscheidene munten opgegeven staan. — Speciebriefjet o. (-s). Nota eener uitbetaalde som. — Speciehandel, m. Handel in geld, in munten. — Specietafel, v. (-s). Tafel, waarop, de verschillende speciën beschreven staan. — Speciewissel, m. Inwisseling van znun-

Spechtl

ten. — Specificatie, v. (..iën, -s). Nauwkeurige opgave, uiteenzetting. — Speet' fifejeeren, bw. specifi(c)eerd©, heeft gespecificeerd. Uiteenzetten. Stuk voor siuk opgeven. Afzonderlijk vermelden. Nauwkeurig bepalen. — Specifiek, bn. Eigen. Bijzonder. Soortelijk : specifiek gewicht, ■pceimen, o. (-s, ..ina). Staal, proef,

Eroefwerk, proefstuk. Wijze /an bewering.roefwerk, proefstuk. Wijze /an bewering.

■pectator, m. (-s). Toeschouwer, ■pecnlaut, m. (-en). Ondernemer, Win-rbejager. — Speculatie, v. (..iën, -s)-

— Speculeeren, bw. speculeerde, heelt gespeculeerd, ondernemingen doen op winstbejag. Ergens op speculeeren : ergens zijne hoop op vestigen. Overpeinzen, nazien. Bespiegelen.

■peenlatle, v. Dunne droge koekjes, uit meelbloem, suiker en botergebakken.

■peek, v. (-en). Een der staven van een wiel, die de velgen met de naaf vereenifjen.

— Speeken,hv/. speekte, heeft gespeekt. Eene speek in een wiel steken. — Speek-li on f, o.

«peeksel, o. Mengsel, bestaande uit -


ocr page 798

bPEE — 7

aiondslijm en uit de afscbeidingen der speek-5elkli« ren. — Spieken, ow. speekte, heeft gespeekt. Waterachtig speeksel uitwerpen.

— SpeekselachtiK, bn. — Speekselklier, v. (-en).— Speekselkuur, v. (..uren). — Sperksrlvisch, ra. (..sschen). Slijmviscb.

— Speekselvloed, m.

MpeolsiclitiK, bn. Gaarne spelende. —

Speelachtigheid, v* — Speelavond, m. (-en). — Speelbaan, v. (..anen). — Speelhal, m. (-len). Werpbal. Het schip was de Bpetlbal der golven. Voorwerp van spotternij : bij was de speelbal van ganscb bet geze'schap. Hij gebruikt bem tot zijnen speelbal: hij doet met hem wat bij verkiest.

— Speelbank, v. (-en). — Speelbord, o. ( -en). — Speeldag, m. (-en). — Speeldin-Ren, o. Speelgoed. Kinderspeeltuig. — Speeldoos, v. (..zen). Doos met speelwerk.

— Speelduivel, m. Hij is van den speal-duivel bezeten. — Speelgeld, o. — Speelgenoot, m. (-en). — Speelgenocte, v. (-n).

— SpeeIgevechtt o. (-en). — Speelgoed, o. Voorwerpen tot tijdverdrijf van kiuderen.

Speelgoedwinkel, m. (-s). — Speel-heer, m. (-en). — Speelhol, o. (-cn). — Speglhondje, o. (-s). — Speelhouder, m.

(-s)--Speelhoudster, v. (-s). — Speelhof,

m. (..yen). — Speelhuis, o. (..zen). — Speeljacht, v. (-en). Jacht, waarmede pleziertochtjes gedaan worden op het water.

— speelkaart, v. (-en). — Speelkamer, v. (-s). — Speelkatneraad, m. en v. (..aden, -s). — Speelklok, v. (-ken). Klok met speelwerk. — Speelknecht, m. (-sK — Speeimaa^d, v. (-en). — Speelmakker, m. (-s). — Speelman, ra. (..lieden, ..lui). Muzikant (in herbergen, enz.). — Speel-fneid, v. (en). — Speelnoot, ra. (-en) — Speelnoote, v. (-n). — Speelnootschap, o. — Speelparty, v. (-en). — Speel-penningen, tn. mv. — Speelplaats, v. (-en). — Speelpop, v. (-pen). — Speelreis, v. (..zen). Plezierreis. — Speelruimte, v. Kuimte voor een lichaam om zich vrij te bewegen. — Spe else h, bn. bijw. Geneigd tot spelen. Tochtig. — Speelschh-id, v. — Speelschyf, v. (..ven).

— Speelschuit, v. (-en). — Speelschuld, v. (-en). — Speelseizoen, o. (-cd).— Speelswijze, bijw. — Speeltafel, v. (-s).— Speeltijd, m. — Speeltooneel, o. (-en). — Speeltuig, o. (-en). Speelgoed. Muziekinstrument. — Speelluigmaker, m. (-s). — Speeltuin, m. (-en). — Speeluur, o, (..uren).— Speeluurzverk, o. (-en). Horloge met speelwerk. — Speelvaart, v. Pleziertochtje op het water. ■— Speelvogel, ra. (-s). lem. inz. een -jongen, die gaarne speelt. — Speelvriend, ra. (-en).

— Speelvriendin, v. ( nen). — Speel--wagen, m. (-s). Plezierrijtuigje.— Speelwerk, o. ( en). Gedeelte van een uur-■werk, dat het klokkenspel voortbrengt. Lichte arbeid. — Speelziek, bn. — Speelzet, bn. — Speelzot, ra (-ten). — Speelzucht, v.

npceii, v. (spenen). Uier, tepel. Zie Aambei. — Speenader, v. (-s).— Speen-distel, v. (-s), speenkruid, o. Aambeien-kruid. — Speensel, o. (-s). Past geënte of gezette boomvrucht. — Speenvarken, o.

2 — SPEL

(-s). Zeer jong varken. — Speemweer, v.

(..eren).

Npeer, v. (speren). Spar, die van boven met een scherp ijzer beslagen is. Lans. Piek. Spies. — Speerdistel, v. (-s). Tweejarige plant {cirsiton lanceolatum). Bloeit van |uli tot September. — Speerhaai, ra. (-en). Behoort tot de haaien onder de kraakbeenige visscben [sgualus acan-thias). Komt veel voor in de Noordzee. — Speerhaak, va. (..aken). Soort van smids-aarabeeld. — Speerkruid, o. Valeriaan. Slangenkruid. — Speerruiter, m. (-s). —■ Speerwortel, v. Speerkruid.

■peet, v. ^speten). Werktuig cm te spitten. Boterspaantje. Wat afgespeetis (b. v. afgespete boter). Klein spit. — Speetjesaal, v. Aal, die aan het spit gebraden wordt. — Speetjespaling, v.

spek, m. (-ken). Zeker suikergoed : babbelaar.

«pek, o. Vet gedeelte inz. van var-kenvleesch. Vet van walvisschen, robben, enz. Spint. Met spek schieten : liegen. Met spek vangt men muizen : met ruime gaven kan men iedereen winnen. Dat is geen spek voor uwen bek : dat zult gij niet hebben, dat zult gij niet genieten. — Spekachtig, bn. — Spekbank, v. (-en). — Spek buik, m. (-en). Dikke buik. — Spekbuik, ra. en v. (-en). Speketer. Spekeetster. — Spekbuil, v. (-en). Soort van gezwel. — Spek-eend, v. (-en). Smient. — Speketer, m. (-s). — Spekeetster, v. (-s). — Spekgezwel, o. (-len). Spekbuil. — Spekhaak, m. (..aken). — Spek hals, m. (..zen). Dikke, vette hals. — Spekhals, m. en v. (..zen). quot;— Spekkamer, v. (-s). — Spekken, bw. spekte, beeft gespekt. Het vlecsch met spek vullen. (Zcew.) Korte kabelgarens dichtbij elkander door een stuk zeildoek steken. Eene goed gespekte (goed gevulde) beurs. — Spekker, m. (-s). — Spek' kerig, bn. — Spe klever, ra. (-s). Soort van insect (de*-mestes lardart'us). — Spekkig, bn. — Spekkigheid, v. — Spekking, v. — Spekkoek, ra. (-en). — Spek koning, ra. (-en). Die het spek der walvisscben in tonnen doet. — Spekkooper, ra. (-s). — Spek koopster, v. (-s). — Spekkuip, v. (-en). — Spekhjn, v. (-en). — Speklucht, v. — Spekmade, v. (-n). — Spekmes, o. ( sen). — Spekmuis, v. (..zen). Gewone vledermuis. — Speknaald, v. (-en). — Speknek, m. Spekhals. — Speknek, ra. en v. (ken). — Spek pan, v. (-nen). — Spek-panne koek, ra. (-en). — Spekslager, m. (-s). Spekverkoopcr. — Spekslagerij, v. (-en). — Spekslagerswinkel, ra. (-s). — Speksmaafe, ra. — Speksnijder, m. (-s). — Speksteen, m. (-en); v. (stofn.) Eene variëteit van talk. — Spekster, v. (-s). — Spckstt uif, v. (..ven). Eieren met spek gebakken. — Spektouw, o. (-en). — Spek-traan, v. — Spekverkorper, m. (-s). — Spekvets o. — Spekvet, bn. Zeer vet. — Spekworst, v. (-eni. — Spekwortel, v. Sraeerwortel. — Spekzwoord, o.

spektakel, o. ( s). Schouwspel, vertooning, tooneel, schouwburg. Opschudding, gedruisch, ruraoer : spektakel maken, speld, v. (-en). Puntig pennetje van


ocr page 799

SPEL — 7

ijzer- of koperdraad. Zijne speld uit het spel trekken : zich stilletjes aan eene zaak onttrekken. Er is geene speld tusschen te krijgen : er is niets aan de zaak te doen. — Spelde knop, m. (-pen). — SpeUekop^ m. (-pen). — Spelden, bw. speldde, heeft gespeld. Vastmaken met spelden. lem. iets op de mouw spelden, hem iets wijsmaken.

— Speldenbak, m. (-ken). — Spelden doos, v. (..zen). — Speldenfabriek, v. (-en). — Speldengeld, o. Buitengewone toelage aan eene vrouw van haren man of hare ouders. — Speldenkoker, m. (-s). — Speldenkussen, o. (-s). — Speldenmaker, m. (-s). — Speldensteekster, v. (-s). — Speldenwerk y o. (-en). Kunstig bewerkte kant.

— Speldenwerken, ow. speldenwerkte, heeft gespeldenwerkt. — Speldenwerkskussen, o. (-s). — Speldenwerkster, v. (-s). — Speldeprik, m. (-ken). —Spelde-punt, v. (-en).— Sf eldernieuw, bn. Splinternieuw.

■pelen, bw ow. speelde, heeft gespeeld. Zich vlug en luchtig bewegen : de zon speelt in het water. Ruimte hebben om rich gemakkelijk ergens in of tusschen te bewegen : de horlogekas is te nauw, de slinger^ kan niet spelen. Zich vermaken, verlustigen (inz. van kinderen). Zich met een spel bezighouden : schaak spelen. (Kaartsp.) Tegenstelling van passen. Onbehoedzaam speculeeren in fondsen ; op daling spelen. Grof spelen : om groote sommen geld spelen. IN iet in acht nemen : met zijne gezondheid spelen. Vervullen : eene rol spelen. Een instrument bespelen : het orgel spelen. In beweging zijn : de klokken zijn aan 't spelen. Bedoelen : zijne woorden spelen (op). Zweven : dit speelt mij steeds voor den geest. Op zijnen poot spelen : razen, tieren. lem. eene poets spelen, hem om den tuin leiden. — Spel, o. (-en). Vermaak, uitspanning : de spelen der kinderen. Verlustiging. Vertooning : de Olympische spelen. Beweging : het spelen der oogen. De kunstgrepen van eenen goochelaar. De poetsen van eenen hansworst. Het spelen van kaart-, dansspel, enz. Manier van een muziekinstrument te besj e-len. Het instrument zelf : zang en spel. Aanduiding van iels door gebaren, (-len) Plaats, waar gespeeld wordt. Verzameling van voorwerpen noodig om te spelen. Partij, die gespeeld wordt. — Gereedschap : mijn spel deugt niet. Speelbal : bet schip was het spc-1 der golven. Zijn leven staat op het spel, loopt gevaar. Alles op het spel zetten : alles wagen. — In de XIV® eeuw vormden zich de ghesellen van den spele, ook ghesellen van der consie, ge-heeten, die tooneelspelen uitvoerden. Waren deze tooneelspelen van ernstigen aard, dan noemde men ze abele spelen; waren het slechts kluchten, dan droegen zij den naam van soltemiën. Er zijn drie abele spelen : Esmoriet, Gloriant en Lanreloot, en zes sotterniën bewaard gebleven. Zie Mysteriespelen. — Spelbederver, m. (-s).

— Spelbreker, m. ( si. — Spelbreeksier, v. (-s). — Spelemeien, ow. spelemeide, heeft gespelemeid. Zich in de meimaand vermaken op het land of op het wa er. Den

5 — SPEU

meiboom planten. — Speler, m. (-s^. — Speelster, v. (-s). — Spelerijden, ow. heeft spelejrereden. (Slecnts in de onbep. wijs en in 't verl. deelw.) Voor vermaak uit rijden paan. — Spelersbaas, m. (..azen).

— Spelevaren, ow. spelevaarde, heeft gespelevaard. Zich met een vaartuig vermaken. Een pleziertochtje maken op het water. — Speling, v. (-en). Het spelen. Ruimte om zich vrijelijk te bewfgen : het touw heeft geene speling genoeg. Na-tuurvormingen : de speling der natuur. Toeval : speling van het lot.

•pellen, spelde, heeft gespeld. Bw. De letters en lettergrepen van een woord regelmatig schrn ven of opnoemen. De spelregels volgen. Aankondigen, beloven : dat spelt mij zijn naderenden dood. Ow. Gespeld worden : hoe spelt dat woerd? — Spelboek, o. en m. (-en). —Spelfout, v. (-en). — Spelkunst, v. Wetenschap, om eene taal en de klanken, welke bij bet uitspreken gehoord worden, met de uitgevoerde schrijfteekenen wel en regelmatig te schrijven. — Speller, m. (-s). — Spelling, v. (-en). Het spellen. Schrijfwijze naar de regels eener taal. Voorspelling. — Spelregel, m. (-s). — Spelster, v. ( s).

«pelonk, v. (-en). Berghol. Grot. — Spelonkachtig, bn.

•pelt, v. Soort van grove tarwe {triti-cunt spelta). — Speltakker, m. ( s). — Speltbier, o. — Speltbouw, m. — Spelt-gras, o. Slechte soort van spelt. — Spelthaan, m. (..anen). Sprinkhaan. — Spelt-land, o. (-en). — Speltmaand, v. September. — Speltmeel, o. — Spelt oogst, m.

— Spelstroo, o. — Speltveld, o. (-en), •peneer, m. (-s). Vestrok.

Spencer (//.), 1820, Derby. Eng. wijsgeer. On education (1861); the Study of Sociology (1872).

•pendeeren, bw. spendeerde, heelt gespendeerd. Besteden : veel geld of tijd aan iets spendeeren.

•penen, bw. speende, beeft gespeend. De Dorst ontwennen. Aan visch zuiver water geven. Zich spenen, ww. Zich onthouden. Matig leven. — Spenenvloed, m, ^-en). Aambeienvloeiing. — Spening, v. •per. Zie Spar.

•peree. Zie Asperge.— Spe gei kt uid, o. Wilde asperge.

•perren, bw. sperde, heeft gesperd. Wijd vaneenzetten : de beenen sperren. Afsluiten : eenen doorgang sperren. Vastzetten, remmen : een rad sperren. — Sper-boont, m. (-en). Slagketting. — Sperket-ting, m. (-en). —Spet ring, v. (-en).

•porwer, m. (-s). Vogel {astur communis) tot de valken in de orde der roofvogels behoo^ende. Komt in geheel Europa voor. Voedt zich met kleine vogeis.

— Sperwerbezie, v. (..iën, -s). Vrucht van den sorbeboom. —Sperwer bezieboom, m. (-en'. Sorbeboom. — Sperwersnest, o. en m. (-en).

•pelen, bw. speette, heeft gespeet. Aan een spit rijgen.

• peuren, speurde, heeft pesperrd. Bw. Bespeuren. Bemeiken. Ow. Niet nauw toezien : bij speurt niet nauw. — Speurhond, .


ocr page 800

SPIE — 7

jn. (-en). Afgerichte bond tot de jacht. Bespieder. Woeste handlanger.

■piuuüer. Zie Piauter.

■piclitiff, bn. Puntig en smal : bij is spichtig van gelaat, w chraal: spichtig gras.

— Sptchitghetd, v.

spio, v. (-ën), spU» v. (-en). Pin. Bout. Wigge. Stopwoord —Spieband, m. J en). (Bouwk.). — Spiehout, m. (-en). — Spiegat. Spuigat. — Spiemouw, v. (-en). (Zeew.) Overtrek van een spiegat. — Spiezak, m. (-ken).

■picden, bw. spiedde, heeft gespied. Bespieden. — Spie, ra. (-ën). Bespieder.

•plesr^li quot;»• (-s)- Cilas, metaal, enz., welks volkomen effenc of gepolijste oppervlakte regelmatig het licht terugkaatsten daardoor de beelden der voorwerpen, die men 't voorhoudt, doet ontstaan. Vlak achterdeel van een schip. Schijf, waarop de projectielen in den mortier worden geladen. De oogen zijn de spiegel van de ziel. Laat zijn voorbeeld u tot spiegel dienen

— Spiegelach tig, bn. — Spiegelbalk, m. lt;-en). (Scheepsb.) Balk tusschen de hek-Stukken. — Spiegelbeeld, o. (-en). Teruggekaatst beeld. Schijnbeeld. Schrikbeeld.

— Spiegelblank, bn. Zeer blank. — Spiegelboog, m. (..ogen). (Scheepsb.) Boven-Tijst van 't hakkebord. — Spiegeldraad, m. (..aden). Zie Hout. — Spiegeldrager, m. (-s). Soort van grooten vlinder [bombyx pap Ata). — Spiegeleend, v. (-en). Soort van wilde eend. — Spiegeleieren, o. mv. Gebakken eieren. — Spiegelen (zich), ww. spiegelde zich, heeft zich gespiegeld. Zich in eenen spiegel bezien. Zijn beeld in eenige vloeistof, als in eenen spiegel, ver-toonen : dit plantje spiegelt zich in 't water. Zich spiegelen (aan) : tot voorbeeld nemen. Ow. De zonnestralen laten terugkaatsen. Pralen (met). — Spiegelfabriek, V. (-en). — Spiegelfabrikant, m. (-en). — Spiegelgevecht, v. (-en;. Gevecht tot oefening, enz. Geveinsde vertooning. — Spie-qglgezichtkunde, v. — Spiegelgietjr, m. (-s). — Spiegelgieterif, v. (-en). — Spie-

felglad,elglad, bn. Zeer glad. — Spiegelglas, o. ,.zen). — Spiegelglasblazer, m. (-s). — Spiegelglasblazery, v. (-en). — Spiegel-granaat, v. (..aten). (Art.). — Spieget-handel, m. — Spiegelhars, v. en o*. — Spiegeling, v. (-en). — Spiegelkamer, m. (-s). — Sptegelkarper, ra. (-s). Soort van glanzigen karper (cyprinus rex cyprino-rum). — Spiegelkast, v. (-en). — Spiegel-kooper, ra. (-s). — Spiegelkoopster, v. (-s).

— Spiegelkraam, v. en o. (..amen). — Spiegellijst, v. (-en). — Spiegehnaker, m. (-s). — Spiegelmakerij, v. (-en). — S/gt;iegelmees, v. (..zen). Mees met glanzige veeren. — Spiegelmicroscoop, m. (..open). — Spiegelnet, o. (-ten). Soort van vogelnet. — Spiegelnieuw, bn. Fonkelnieuw.—Spiegelraam, o. en v.(..amen).

— Spiegelrug, m. (-en). — Spiegelschip, o. (..epen). — Spiegelspaath, o., spiegel-steen,m.{-en),v.(sto{n.) Soort van spaath.— Spiegelta feitje, o. (-s).— Spiegeltelescoop, m. (..open). — Spiegelvisch, m. (..sschen). Visch met glanzige schubben {tetrodon mola). — Spiegelvlak, o. (-ken). — Spie-

\ — SPIE

gelwinkel, m. (-s).— Spie^ elzonnewyzer, m. (-s).

Spicfirliel \H. Lsz.), 1549-1612, Amsterdam. Dichter. Hertsspieghel

«pier, v. (-en). Spieren .• vleezige trekkers, waarmede de beenderen van zoogdieren en vogels omkleed zijn. Zijn bet werkend bewegingtoestel van hft lichaam.

Tweekêofdige armspier met hare pees.

Hand- en armspieren.

a. Grooie borstspier, b. Delta-spier of driehoekige armspier, c. Tweehoofdige armspier, d. Lange handspier, ook ach-teroverbuiger genoemd, e. Voorover-buiger. g. Buigspier der vingeren.

Vleezigst deel van eenen vogel. Scheut, halm. (Zeew.) Stok. Steng. Gijk. Gierzwaluw. Ik geef er geene spier om : ik bekreun er mij niet om. — Spierachtig, bn. — Spier beugel, m. (-s). (Zeew.^. — Spierkracht, v. — Spier maag, v. (. agen). (Bij vogels). — Spiernaakt, bn. Moedernaakt. — Spiervogel, m. (-en). Gierzwaluw. —


ocr page 801

SPIT - 7;

Spierwit, bn. Zeer wit. — Spier zak, m. {-ken). Knapzak, — v. (-en).

Gierzwaluw.

«plering, m. (-en) (visch) ; v. (-s) (stotn.). [Spierinkje, o. (-s)]. Vischje (os-merus eperlanus). Behoort tot de zalm-achtigen onder de weekvinnige visschen. Wordt in de zeeën van N.-Europa aangetroffen . Eenen spiering uitwerpen om eenen kabeljauw te vangen. — Spieringeter, m. (-s). — Spieringeetster, v. (-s). — Spie-ringmaal, o. (..alen). — Spieringvangst, — Spieringvisscher, m. (-s).

•pies, spiets, v. (spietsen). Speer. Lans. Hellebaard. — Spiesdrager, ra. (-s).

— Spieshout, o. (-en). — Spiesijzer, o. (•s) — Spiesschacht, ..schaft, v. (-en). — Spiesstaf, ra. (..aven). — Spiesvolb, o. Spiesdragers. — Spietsen, bw. spietste, heeft gespietst. Doorboren met eene spiets.

spiesiflsms, o. Soort van half mefaal. Spiesglansgij(t), o.

spU-Zie Spie.

spUbelen, ow. spijbelde, heeft gespijbeld. Heimelijk de school verzuimen. spM«at. o. (-en). Spuigat.

MpUk, v, Grootelavendel. — SPykbal-tem, spijkerbalsem, m. Zalf, welke bij kneuzingen, ook bij ontsteking der huid, « winter » genoemd, gebruikt wordt. — Spykboompje, o. (-s).—Spif knar dus, y.

— Spijkolie, v. — Spijkvernis, o. — Spijk-vaater, o.

spUkei', ra. (-s). Nagel, pin, inz. van nit taal. Hij ligt met spijkers : hij heeft fortuin. Den spijker op den kop slaan : de zaak juist treffen. Iets aan den spijker hangen, het laten rusten. — Spy herbak, m. (-keu). — Spij kei boor, v. (..oren). — Spijkeren, bw. spijkerde, heeft gespijkerd. Spijkers inslaan. Met spijkers vastslaan. — Spy kei fabriek, v. (-en). — Spi) kerf abrikant, ra. (-en). —Spijkergat, o. (-en). — Spykerhandel, ra. — Spijkerhard, bn. Zeei hard. — Spijkerhuid, v. ( en). (Zeew.) Bespijkering der kiel. — Spijkerijzert o. ■— Spijkering, v. — Spijker kist, y. (-en).

— Spy ker hooper, ra. (-s). — Spijkerkop, m. (-pen). — Spijker lade, v. (-n). — Spij-kermaker, ra. (-s). — Spy ker makerij, v. (-en). — Spijkermand, v. (-en). ~ Spijker schrift, o. Schrift, weleer in Perzië en Medië in gebruik. — Spij ker smeder ij, v. (-en). — Spykersmid, ra. (..eden). — Spy-kervast, bn. Nagelvast. Zeer vast. Gierig.

— Spijkervat, o. (-en). —Spijker vormig, bn. — Spy her winkel, ra. (-s). — Spijkijzer, -o. (-s).

spUker, ra. (-s). Pakhuis. Schuur, sptfl, v. (-en). Puntig staafje : die ven-steis zijn raet ijzeren spijlen voorzien. Een der staafjes in eenen bijenkorf, waarop de bijen het werk doen rusten.

spQs. v. (..zen). Voedsel, eetwaar. Mengsel tot het gieten van drukletters, klokken, kanonnen, enz. — Spijsbereider, ra. (-s). — Spij sber eidster ,y. (s). — Spijs-bezorger, ra. (-s). — Spijsbezorgster, v. (-s). — Spijshuis, v. (..zen). Slokdarm. — Spijsgerecht, o. (-en). — Spijskaart, v. (-en). — Spijskamer, v. (-s). — Spijskas, v. (-sen). — Spijskast, v. ( en). — Spijs-

; — SPIL

kelder, m. (-s). — Spjjskoeh, ra. (-an). — Spyskooper, ra. (-s). — Spyskoopster, v. (-s). —Spijskorf, ra. (..ven). —Spyskruid, o. (-en).Moesgroente. —Spyslyst,v. (-en).

— Spijsloop, ra. Buikloop. — Spijsmarkt, v. (-en). — Spysmeester, m. (-s). — Spijs-meesteres, v. (-sen). — Spysproever, ra. (-«). — Spij sta fel, v. (-s). — Spysverkoo-per, ra. (-s). — Spijsverkoopster, v. (-s).

— Spijsvert'rinv. — Spijzen, spijsde, heeft gespijsd. Ow. Spijs gebruiken. Bw. Van spijs voorzien, voeden : dehongerlgen spijzen. (Bouwk.) Groeven of voegen vullen : eenen muur, een dak spijzen. — Spijzigen, bw. spijzigde, heeft gespijzigd. Van spijs voorzien, voeden. — Spijziging, v. — Spij zing, v.

spöt. V. en o. Leedwezen. Verdriet.Verkropte gramschap. Wrevel, wrok : hij draagt daarover nog altijd spijt in zijn hart. In spijt (van), te spijt (van) : ondanks. Hij heeft verstand, spijt (trots) den beste. — Spijten, eenpw. speet, heeft gespeten. Spijt veroorzaken. Onaangenaam zijn. Het zal u spijten : gij zult het u berouwen. — Spijtig, bn. bijw. Spijt veroorzakende. Onaangenaam. Misnoegd en bedroefd tevens. Dat is spijtig : dat is jammer. Bits, vinnig : iem. een spijtig antwoord geven. — Spijtigheid, v.

spikkel, ra. (-s). Vlekje, stip : spikkels der tijgerhuid. — Spikkelachtig, bn. Gespikkeld. — Spikkelen, bw. spikkelde, heeft gespikkeld. Spikkels brengen (op). Bespikkelen. — Sp ik he lig, bn. Gespikkeld.

— Spikkeling, v.

spikspeldernicuw , spikspllu-

ternieuw, bn. Geheel nieuw.

spil, v. (-len). Pin, waarop iets draait. As (van eenen windwijzer). Stander (eener wenteltrap). (Drukk.) Schroef. Winder. Staaf (van een spinnewiel, enz.). Halm (eener Korenaar). (Wapenk.) (Eert.) B' wijs van adeldom van raoedoisziide. Gruc.te twijg van eenen boom. Dit is aespily waarop alles draait : dit is het voorwerp waarvan alles afhangt, o. (-len) Kaapstander. Windas. — Spilbedde, v. (Zeew.) Gevaarte, waar het spil op rust. — Spilboom, ra. (-en). Windt oom Windspaak. — Spil-boor, v. (..oren). Drilboor. — Spilgat, o. (-en). — Spilgioen, ra. (-en). Spaansche patrijshond. — Spilhoufd, o. (-en). — Spil-koning, ra. ( en). (Zeew.) Stander van de spil. — Spi Ik op, m. ( pen). — Spillebeen, o. (-en). Dun, lang been. — Spillebeen, m. en v. (-en). — Spillebeenen. ow spille-beende, heeft gespillebeend. Met de bee-nen zwaaien onder het gaan. — Spilledeel, o. (-en), spilleleen, o. (-en). (Eert.) Deel, leen, dat ook tot de vrouwen overging. — Spillemaag, ra. en v. (..agen). Bloedverwant van de vrouwelijke zijde. — Spille-voeten, ow. spillevoetie, heeft gespillevoet. Spillebeenen. — Spil lev et vel, ra. 1,-s). — Spillezyde, v. Vrouwelijke linie. — Spil-pal, ra. (-len). (Zeew.). — Spilpan, v, (-nen). (Zeew.). — Spilplaat, v. (. aten).

— Spilvormig, bn. — Spilvuortel, m. i-s). Hoofdwortel van eenen boom.

spillen, bw. spilde, heeft gespild. Verspillen. — Spilpenning, m. (-en). — Spil-


ocr page 802

— 736 —

SPIT

SPIN

penning, m. en v. (-en). Veikwister, verkwistster. — Spilziek, bn. Verkwistend. — Spilzucht, v.

«plu, v. (-nen). Dzspinnen maken eene orde uit in de klasse der spinachtigen. De gewone huisspin \tegenaria domestica) spint haar web in boeken van muren en loert totdat zich een prooi in haar net verwart. — Spinaal, o. Soort van schoenmakersgaren. — Spinachtig, bn. Als eene spin. — Spinachtigen, v. mv. Zie^ Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk).— Spinbaar, bn. — Spinfabriek, v. (-en). — Spinhuis, o. (..zen). Huis waar gesponnen wordt. (Eert.) Tuchthuis. — Spinhuisboef, m. |..ven). Gevangene (in het tuchthuis). — Spinhuismoeder, v. (-s). — Spinhuisstraf, v. —Spin huisvader, m. (-s). — Sptnloon, o. en m. (-en). — Spinmachine, v. (-s). — Spinnekop, v. (-pen). Spin. (Zeew.) Zekere opgestoken lijn. — Spinnekopblok, o. en m. (-ken). — Spinnen, spon, heeft gesponnen. Bw. Tot draden vormen : wol spinnen. Uit draden vormen : de zijdeworm spint zijn eigen graf. De spinnekop spint baar web. Bladen rollen : tabak spinnen. Hooi spinnen, tot gedraaide bossen vormen. Floers spinnen : jalnersch zijn. Een wezentje spinnen : drcefneid of teleurstelling in het gelaat laten zien. Ow. Als spinner of spinster werkzaam zijn. De kat spint, doet een geluid hooren als een smorrend spinnewiel. — Spinnendooder, m. (-s). Insect, dat haar kroost met spinnen voedt.

— Spinnen jager, m. \-s). Ragebol. — Spinnenet, o. (-ten). —Spinner, m. (-s),

— Spinnerij', v. Het spinnen, (-en) Plaats, waar gesponnen wordt. — Spin (ne) vod de, v. (-n). Feeks. — Spinnevoeten, ow. spin-nevoette, heeft gespinnevoet. Spartelen met de voeten. — Spinnezveb, o. (-ben^. Weefsel der spin. — Spinnewebachtig, bn. — Spinnewebsvlies, o. (..zen). Derde hersenvlies. — Spinna weefsel, o. (-s). — Spinnewiel, o. (-en). Toestel om te spinnen. — Spinning, v. — Spinrag, o. Spin-neweb. — Spinrok, o. spinrokken, o. (-s). Windhout, waarop het vlas, de wol, « nz. wordt gedaan om gesponnen te worden. — Spinrokkenband, m. (-en). — Spinsbek, o. Pinsbek. — Spinsbekken, bn.

— Spinschool, v. (..olen). — Spinsel, o. ( s). Wat gesponnen is of wordt. — Spinster, v. (-s). — Spinstok, m. (-ken). Spinrokken. — Spinvlieg, v. (-en). Paardenvlieg. — Spinwol, v. — Spinzijde, v.

H|»inazie, v. Algemeen bekende moes-phrnt [spinazia olet acea). — Spinazie-bed, o. (-den). — Spinazieplant, v. (-en).

— Spinaziezaad, o. (..aden).

8s»iude, v. (-n). Spijskamer. Spijskast.

— . pindebrood, o. (-en). Brood, dat aan de armen wordt uitgedeeld. — Spinden, bw. spindde, heeft gespind. Uitdeelen. — Spin Je soep, v. (-en». — Spin de stuk, o. (-ken). — Spin ding, v.

«liinel, m. (-len). Een wegens zijnen glans, zijne kleur en hardheid uitmuntend mine» aal.

Hpinet, o. (-ten). (Oudt.) Snarenspeel-tuiir. dat met de vingers bespeeld werd.

Sikinuza (i?.)» 1632-1677, Amsterdam.

Joodsch geleerde en een der voornaamste voorstanders van het pantheïsme. Ethica.

spint, o. (-en). (Oudt ) Graanmaat.

hpl 111, o. Zie Hout. — Spintachtig, bn.

— Spin tig, bn. — Spintigheid, v.

splonnoeren. ow. spionneerde, heeft

gespionneerd. Bispieden. Beluisteren. Afloeren. — Spion, m. (-nen, -s). Bespieder. Geheime agent der politie. Verklikker. Speurhond. — Spion, o. ( s). Vensteispie-geltje. •

«piraat, v. (..alen), spiraallUn» v. (-en). Kromme lijn, die zich om een punt slingert en zich hoe langer zoo meer daarvan verwijdert. — Spiraalveer, v. ',-en). Veer van een horloge. — Spiraalvormig, bn.

KplrKinme, o. Leer voorhoudende, dat de geesten in rechtstreeksch verband zijn met onze stoffelijke wereld. — Spiritist t m. (-en). Aanhanger van het spiritisme. — Spiritualiën, v. mv. Geestrijke vochten. —Spiritualisme, o. Leer voorhoudende, dat 's menschen ziel eene enkele of zuivere geest is. — Spiritueel, bn. bijw. Geestig, geestrijk. Verstandelijk. — Spiri-tueus, bn. Sterk, geestrijk (van dranken)-

— Spiritus, m. Geestrijk vocht.

«pit, o. \speten, spitten). IJzeren keukentoestel, waaraan men vleesch, enz., braadt. Pijn, welke men plotseling in den rug of de lenden gevoelt. Diepte, welke men met eene schop in de aarde maakt. — Spitdraaier, m. (-s). — Spitdraaistery v. (-s).

«pitliert, o. (-en). Jong hert.

hp11h, bn. bijw. Puntig, schirp uitloopend. Vernuftig, scherpziniiig. — Spits, v. (-en). Punt, uiteinde, top. Gedenknaald. Voorhoede. (Zeew.) Schegge. — Spits, o~ Weerstand : het spits bieden. Het spits afbijten : de eerste in den aan val zijn. — Spitsachtig, bn. Puntig. — Spitsbaard, m. (-en). Puntige baard. lem., die zulken baard heeft —Spitsboef,m. (..ven). Schelm. Boosdoener. Looze guit. — Spitsboeven-streek, m. (..eken). — Spitsboeventaal, v.

— Spitsbogenstijl, m. ( en). — Spitsboog,. m. (..ogen). iBouwk.) Kruisboog. Ogief.— Spitsbooggeiuelf, o. (..ven). — Spitsboog-vormtg, bn. — Spitsboor, v. (..oren). — Spitsbroeder, m. (-s). Krijgsmakker. — Spitse l, o. (-s). Patroon voor hand werksters. — Spitsen, bw. spitste, heeft gespitst. Punten scherpen : een en paal spitsen. Opsteken : de ooien spitsen. Scherp doen uitloopen : een touw spitsen. Zijn verstand op iets spitsen : zich op iets toeleggen. Zich spitsen, ww. — Spitsheid, v. — Spitshond, m. (-en). Zie Hond. — Spitshoofd, m. en v. ( en). lem., die een puntig hoofd heeft. — Spitsig, bn^ bijw. Vol spitsen. Puntig. — Spitsigheid, v. — Spitskin, m. en v. ^-nen). — Spitsko-gel, m. (-s). —Spitskop, m. en v. (-pen). — Spitskruis, o. (-en). (Wapenk.). — Spitsmuis, v. (..zen). De spitsmuizen maken eene familie uit in de orde van de in?ecten-eters. De gewone spitsmuis : sorex vulgaris. — Spitsneus, m. (..zen). — Spitstieus, m. en v. (..zen). — Spitsrecht, bn. Volkomen rechtloopend. — Spitsroede, v. (-n)-


ocr page 803

SPLI - 7,

Oun, puntig rijshoutje. (Oudt.) Door de spitsroeden loopen : soort van geeselstraf aan de soldaten voltrokken ; zwaar gehekeld worden. — Sptfss/aart, m. (-en). — Spiisvijl, v. (-en), — Spiisvtn, v. Visch met spitse vinnen. — Spitsvindig, ..vtn-nig, ..votidig, ..zinnig, bn. bijw. Loos. Sluw. Scherpzinnig. — Spitsvondigheid, v. (..heden). — Spiiszinntgheid, v. (..heden). — Spitszuil, v. (-en). (Meetk.) Veel-

vlak, dat als grondvlak eenen veelhoek heeft en welks opgaande zijvlakken driehoeken zijn, die alle in een gemeen toppunt eindigen. Afgeknotte spitszuil : spitszuil, waarvan eene kleinere spitszuil volgens een vlak evenwijdig met het grondvlak is afgesneden.

«pitten, bw. spitte, heeft gespit. Met de spade delven. Met de speet afnemen. Met een puntig werktuig doorboren. — Spitter, m. (-s). — Spitting, v. — Spitster, v. (-s).

spitvarkon, o. (-s). Zeer jong varken.

■pleen, v. en o*. Miltziekte. Gemelijkheid. Verdrietelijkheid.

spleet, v. (spleten). Opening. Reet. Kloof. Scheur. Glip eener pen. — Spleet-veer, v. (-en). — Spletig, bn. Vol of met spleten.

splUteu, spleet, heelt en is gespleten. Bw. Doen vaneenspringen. Eene pen splijten : eene spleet in eene pen maken. üw. Barsten. Scheuren. Reten krijgen. — Splijtbout, m. (-en). Wig. — Splijthout, o. (-en). Wig. — Splijting, v. — Splijtmijt, splijt-penning, m. en v. (-en). Schraper. Vrek.

splint, o. Geld. Een meisje met splint, met een goeden bruidschat.

splinter, m. ( s). Splitsing. Langwerpig stukje, dat van hout, enz. afsplijt. Den splinter in eens anders oog zien en niet den balk in zijn eigen. — Splinterbreuk, v. (-en). (Heelk.). — Splinteren, splinterde, heeft en is gesplinterd. Bw. Tot splinters maken. Ow. Splinters afgeven. — Splinte-rig, bn. — Splinternieuw, bn. Geheel nieuw. — Splinterswyze, ..njys, bijw. In of bij splinters. — Splintertang, v. (-en). (Heelk.). — Splintertrekker, m. (-s). (Heelk.). V ;

split, o. (-ten). Spleet. Inz. opening van boven in eenen vrouwenrok. — Split-■bout, m. (-en). Bout, aan het vooreind gespleten. — Spit tg at, o. (-en). Opening,

' — SPON

inz. in vrouwenrokken. — Splitring, m. (-en). Ring, die zich in tweeën opent.

splitsen, bw. splitste, heeft gesplitst. Splijten, verdeelen : eene erfenis splitsen. Losmaken, scheiden. Losdraaien : een touw splitsen. Men moet splitsen en knoo-pen : men moet zuinig leven. Zich splitsen, ww. — Splits, v. (-en). Veerspie. Spleetspie. — Splitser, m. (-s). — Splits-gang, v. (-en). (Zeew.) Gespleten gang. — Splitshamer, m. (-s). Hamer om te splitsen.— Splitshonrn, ..ho* en, m. (-s). Werktuig om touwen te splitse n. — Splitsyzer, o. (-s). — Splitsing, v. (-en). — Splitssfer, v. (-s). — Splitstong, v. (-en). (Zeew.) Puntige wimpelhoek. — Splitsvaantje, o. (-s).

— Splitst'leugel, m. (-s). Soort van standaard.

splitten, bw. splitte, heeft gesplit. Splitsen. Splijten. — Splitter, m. (-s).

spoed, m. Haast. Gang. Voortgang. Haast en spoed is zelden goed — Spoeden, ow. spoedde, is gespoed. Spoed maken. In haast zich ergens begeven. Zich spoeden, ww. Haast maken. — Spoedig, bn. bijw. Haastig. Gezwind — Spoedig, tw. Komaan. Gauw. — Spoediglyk, bijw.

spoel, v. (-en). Buis, goot. Schietspoel. Weversklos. — Spoelbak, m. (-ken). Bak, waarin men vaatwerk, enz. spoelt. — Spoel drank, ra. (-en). — Spoelen, bw. ow. spoelde, heeften is gespoeld. (Wev.) Winden. Wasschen, reinigen. Uitspoelen.Wegspoelen. Spoelende wegnemen. Vloeien.

— Spoeler, ra. (-s). — Spoelhok, o. (-ken).

— Sboelyzer, o. (-s). (Wev.). — Spoeling* V. (-en). Het spoelen. Spoelwater. Draf. — Spoelingbak, m. (-ken). — Spoelingboer, m. (-en). — Spoelingpomp, v. (-en). — Spoelingschuit, v. (-en). — Spoelingspeky o. — Spoelkom, v. (-men). — Spoelrad, o. (-eren), spoelwiel, o. (-en). (Wev.). — Spoelsel, o. (-s). — Spoelster, v. (-s). — Spoelvarken, o. (-s). — Spoelvat, o. (-en).

— Spoelwater, o. — Sfioelworm, m. (-en).. Soort van ingewandsworm.

apogr, o. Speeksel.

Spolir (Z.), 1784-1859, Brunswijk. Duitsch vioolvirtuoos en componist,

spoken, ow. eenpw. spookte, heeft gespookt. Rondwaren, dolen als een spook. Als een spook verschijnen (van afgestorvenen). Onveilig zijn (op zee, enz,). Het spookt er tusschen man en vrouw : zij kijven en razen. — Spoker, m, (-s). — Spokerij, v. (-en). — Spookster, v. (-s).

spon, v. Bom van een vat. — Spon-boor, v. (..oren), — Spongat, o, {-en). — Sponzaag, v. (..agen).

sponde, v. (-n), spond, v. (-en). Beweegbare plank voor aan eene bedstede. Voorkant van een bed. Bedstede, Sponde van eenen steenweg : rij groote en lange steenen, die de kasseien beletten uit te wijken. Ieder van die stee- nen. Houten boord van eene bolbaan.

spomlaens, m. (spondaeën). Versvoet van twee lange lettergrepen.

spong-, v. (-en). Keep, opening, sponning (in hout). — Spongen,o. (-sen). (Kuipersgereedschap). — Sponning, v. (-en). Groeve, waarin iets sluit. Inz. groeve in do


ocr page 804

- 738 -

SPOO

SPOT

duigen van een vat, waarin de bodem sluit.

— Sponnittgschaa/, v. (..aven).

«l»ou8, v. (-en). De sponsen behooren

tot de vortnloozen, zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk). De spons, welke in den handel voorkomt, dient tot opslorping en behouding van vochten. Slukspons. (Teek.) Doorgestokene teekening op papier. Spons-zakje. (Schoenm.) Smeerborstel. — Spons-acniig, bn. — Sponsachtigheid^ v. — Sponsen, bw. sponste, heeft gesponst. Met eene spons reinigen. Eene doorgestokene teekening met gestampte houtskool wrijven, om die op iets anders over te brengen.— Sponsgezwe/, o. (-len). (Heelk.).

— Sponsing-, v. — Sponssteen^ m. (-en). Puimsteen. — Spons zakje, o. (-s). Zakje met gestampte houtskool.

spousaliëu, v. mv. Trouwbeloften. Plechtigheid der ondertrouw.

Spoutini {G. L P.), 1779-1851. Majo-lati. It. operacomponist.

Kpouturl', v. Turf van de zandlaag.

• pooi;, v. (spogen). Hetgeen men ineens uit den mond spuwt.

«pook, o. (..oken). Verschijnendeschim of geest. Gewaande terugkeerende afgestorvene. Vreeswekkend beeld. Zeer mager en leelijk mensch. Levendig kind, dat schalk en kwelziek is : wat aardig spook van eenen jongen. — Spookachtig, hix.— Spookdier-, o. (-en). Zeker afzichtelijk dier {tarsius), tot de hallape - behoorende. — Spookgeesten, m. mv. — Spookgeschiedenis, v. (-sen). — Spookhistorie, v. (..iën, •s). — Spookhuis, o. (. zengt;. — Spooksel, o. (-s). — Spookuur, o. — Spookverschijning, v. (-en). — Spookvertelsel, o. (-s).

■poor, v. (sporen). Prikkel aan den hiel van de laars eens ruiters, om een paard aan te hitsen. Prikkel achter de pooten van eenen haan. Al wat dient om aan te prikkelen : eigenbelang is eene machtige spoor.

— Spoorgat, o. (-en). (Zeew.). — Spoor-Jiaati, m. (..anen). — Spoorhen, v. (-nen).

— Spoorkoekoek, m. (-en). — Spoor ma- • ker, m. (-s). — Speorradje, o. (-s). — | Spoor riem, m. (-en). — Spoorslag, m. Prik met de spoor. Aanuioediging. — Spoorslags, bijw. In allerijl. — Spoorstok, m. (-ken). Dwarshout op den bodem der kleine booten, tot sieun dienende aan de voeten de.quot; roeiers. — Sponrvogel, m. (-s).

— Sporen, bw. ow. spoorde, heeft gespoord. Van sporen voorzien. De sporen geven (aan een paard). Aanmoedigen,

■poor, o. (sporen). Indruk door iem. of iets gelaten. Voetstap. Rail. Ruimte tus-schen de wielen van eenen wagen. Weg, langs welken een spoor loopt. Wagenspoor. Merkteeken : hier is geen spoor meer van den ouden bloei. Buiten het spoor treden : de behoorlijke regelmaat te buiten gaan. Hij is het spoor bijster : hij is den rechten weg afgedwaald. Weg, voorbeeld ; wilde hij dit spoor volgen. — Spoorbaan, v. (..anengt;. IJzeren spoorweg. — Spoorbalk, m. (-en). — Spoor bijster, bn. Verdwaald.

— Spoorboekje, o. (-s). — Spoorbreedte, v. (-0). — Spoor halte, v. (-n). — Spoorhond, m. (-en). Speurhond. — Spoorlijn, v. (-en). — Spoorloos, bn bijw. Zonder spoor. Zonder paal of perk. Hij is spoorloos verdwenen. — Spoorloosheid, v. — Spoorstaaf, v. (..aven).— Spoortrein, vn. (-en).

— Spoorverbinding, v. (-en). — Spoor-wagen, m. (-s). — Spoorweg, m. (-en). — Spoorwegbriefje, o. (-s). — Spoorwegdienst, m. (-en).— Spoorwe^gids, m. (-en).

— Spoorwegkaartje, o. ( s). — Spoorweg-lijn, v. (-en). — Spoorwegmaatschappij, v. (-en). — Spoorwegnet, o. (-ten). — Spoorwegonderneming, v. i-en). — Spoorwegwachter, m. (-s). — Spoor wijdte, v. (-n). — Sporen, ow. spooide, heeft en is gespoord. Met den spoorwagen rijden.

•poralt;liigt;ii'li, bn. Sporadische ziekte : ziekte, welke slechts enkele personen aantast.

■pork^ubooiu, m. (-en), gporkeu-lioiai, o. Hondshoom.

ftporrcliif, bn. bijw. Twistziek. —

Sporrehgheid, v. — Sporreling, v. (-en). Twist. Krakeel.

sport, v. (-en). Trede eener ladder. Spaak in eenen stoel. (Zeew.) Houten klamp in eene stormladder.

■port, v. (-en). Uitspanning, die kracht en stoutheid vei eischt (inz. het jagen, wed-loopen, paardenwedrennen, enz.).— Sportman, m. (-nen). Liclhebber van jagen, wedloopen, enz.

■ potteu. ow. spotte, heeft gespot. Schertsen. Boerten. Smadelijk, schertsen.

— Spot, m. Scherts, boert. Spotternij. — Spotachtig, bn. — Spotachtigheid, v.— Spotboef, m. (..ven). Iem., die gaarne spot. — Spot boeverij, v. (-en). — Spotdicht, o. (-en). — Spotfiguur, v. (..uren).

— Spotgedicht, o. (-en). — Spotgeest, m. (-en). — Spotgeld, o. Spotprijs. — Spot-lacn, m. — Spotlied, o. (-eren). — Spotlijster, v. (-s). Spotvogel. — Spotlust, m.

— Spotmeerle, v. (-n), spotmeeuw, v. (• ^n). Spotvogel.—Spotnaam, m. (..amen).

— Spotpt ent, v. (-en). — Spotórys, m. (..zen). Prijs bi neden de waaid»-. Zrer lage prijs. —Spotrede,\ .{-ueu). — Spotschrift, o. (-en). — Spotspreuk, v. (-en). — Spotster, v. (-s). — Spotswyze, ..wijs, bijw. — Spottend, bn. — Sp tter, m. (-s). — Spotternij, v. (-en). Scherts. Grap. Spottend gezegde. Heil'gschenn's. — Spotvogel, m. {-s). Vogel, die alle klanken misleidend nabootst. Iem., die met alles den spot drijft.

— Spotwerk, o. — Spotwoord, o. (-en). — Spotziek, bn. — Spotzucht, v.

■ pollen, ow. spotte, is gespot. Vlekjes krijgen (van lijnwaad, enz., dat vochtig iigt ol hangt). Wordt ook gezt gd van appelen.


1. Onderaardsche weg {tunnel).

2. Brug over een dal (viaduc).

3. Aarden darn

4. Uitgraving.

5. Draaischijf. ó. Railkussen.

7. Hoe eene rail wordt vastgelegd, a) Rail. b) Dwa*-slegger.

8. /neengelaschte rails.

9. Het kruisen der rails 10.Spoorwisseling. a) AV /7. b) Dwarslegger. c) Wissel.


ocr page 805
ocr page 806

SPRE — 7

die van binnen droge vlekjes krijgen; van planten, bladeren, die met gele of bleeke vlekjes bedekt worden. — Spot, v. en m. Het spotten. — Spotieren, ow. spetterde, is gespetterd. Spotten.

spoutvcn, bw. ow. spouwde, beeft en Is gespouwen. Splijten. Scheiden. Spuwen.

— Spouw, v. (-en). Spleet. — Spotiwer, m. (-s). Spuwer. — Spouwerfje, o. (-s). Beschuitje, dat zich gemakkelijk laat scheiden. Kind, dat kwijlt. — Spouwing, v. — Spouwwafel, v. ( s).

sprank, v. Vermogen van den mensch om zijne gt dachten en gewaarwordingen aan anderen door klanken mede te deelen. De daad van spreken. Taal. Taaleigen. Tongval. lem. herkennen aan zijne spraak. De spraak gaat : het gerucht loopt. — Spraakgebruik, o. — Spraakgeluid, o. (-en). — Spraakkundig, bn. — Spraakkundige, m. (-n). — Spraakkunst, v. Kennis der taalregels. De taalregels, (-en) Boek, waarin die regels bevat zijn, — Spraakkunstenaar, m. (..aren, -s). — Spraakkunstig, bn. — Spraakleer, v. Stelsel der taalregels. Boek, dat de taalregels bevat. — Spraakmeester, m. (-s). — Spraakmeesteres, v. (-sen). —Spraakorgaan yo. (..anen). — Spraakrecht, o. (-en).

— Spraaktoon, m. (..onen). — Spraakvermogen, o. — Spraakverwarring, v. (-en). — Spraakwending, v. (-en). — Spraakwerktuig, o. (-en). — Spraak-TJuijze, v. — Spraakzaam, bn. Genegen om te spreken. Vriendelijk. Minzaam. — Spraakzaamheid, v. — Spraakzintuig, o.

— Sprake, v. Er was sprake van : men sprak er over. Het kwam ter sprake : er werd over gesproken. Er is sprake van, dat: men zegt, dat. — Sprakeloos, bn. — Sprakeloosheid, v. — Spakelooze, m. en v. (-n).

spraugr, v. (-en). IJzeren bovendeel van eene gaaipers. Gaaipers.

sprauk, v. (-en). Vonk. Brandende splinter. — Sprankel, v. (-s). Sprank. — Sprankelen, ow. sprankelde, heeft gesprankeld- Vonkelen. — Sprankelvuur, o. (..uren). Seort van schapenziekte. — Sprankje, o. (-s). Verkleinw. van sprank. Greintje : geen sprankje gezond verstand.

spreekaclitigr, bn. Genegen om te spreken.—Spreekach tigh eid, v.—Spreekbeurt, v. (-en). — Spreekbuis, v. (..zen).

— Spreekgestoelte, o. (-n). — Spreekgezelschap, o. (-pen). — Spreekhoorn, ..koren, m. (-s).— Spreekkamer, v. (-s). — Spreekmanier, v. (-en).— Spreekplaats, v. (-en).— Spreekstoel,m. (-en).— Spreektaal, v. — Spreektralie, v. (..iën). — Spreektrant, m. — Spreektrompet, v. (-ten).— Spreekuur, o. (..uren).— Spreekvertrek, o. (-ken). — Spreekwijze, ..wijs, x. (..zen). — Spr eekwimpel, m. (-s). — Spreekwoord, o. (-en). Figuurlijk gezegde, dat iedereen in den mond heeft. — Spreekwoordelijk, bn. bijw. — Spreekwoordenboek, o. en m. (-en). — Spreekzaal, v. (..alen).

spreeuw, m. (-en). Vogel {sturnus vulgaris). Komt bij ons overal en op sommige plaatsen in zeer groote menigte voor.

o — SPRE

Spotter. — Spreeuwbezie, v. (..iën, -s)^ Lijsterbes. — Spreeuwbezieboom, m. (-en).

— Spreeuwebek, m. (-ken). — Spreeu~ wen, ow. spreeuwde, heeft gespreeuwd. Schertsen. Spotten. — Spreeuwenei, o. (-eren). —Spreeuwennest, o. en m. (-en)..

— Spr'euwschimmel, m. (-s). Socrt van geelachtig grijs paard.

sprei, v. (-en). Dekkleed overeen bed.

— Spreiden, bw. spreidde, heeft gespreid. Uiteendoen en vlak of effen leggen : de wasch op het gras spreiden. Opmaken : het bed spreiden. Uitspreiden, verspreiden ; de zon spreidt allerwegen haar licht. Effenen : een pad spreiden. (Zeew.) Schuin afsnijden of afzagen. — Spreiding, v. (-en).

— Spreidsel, o. (Zeew.) Zoomwerk : dun gezaagd hout. — Spreien, bw. spreide, heeft gespreid. Spreiden. — Spreivisch, m. (..sschen). Visch zonder buikvinnen {stromatevsjiatola).

spreken, bw. ow. sprak, heeft gesproken. Gedachten en gewaarwordingen in woorden hoorbaar uitdrukken. Zich van de spraak bedienen. Is mijnheer te spreken : kan men bij hem toegelaten worden ? Daarover valt niet te spreken : dat is bt slist. Dat spreekt vanzelf : dat is natuurlijk. Wij zullen hem spreken, onder de handen nemen. Wijzullen elkander wel spreken, wederzien. Dat portret spreekt, is wel gelijkend. Wie spreekt er heden ; wie geeft de voordracht? Een orgelpijp doen spreken, eenen klank doen geven. Geef hem eene aalmoes, hij spreekt toch zoo schoon. Te na spreken : beleedigen, lasteren, beschimpen.

— Sprekelyk, bn. Te spreken : hij is niet sprekelijk. — Sprekend, bn. Dat spreekt klaar, duidelijk : een sprekend bewijs. Hij gelijkt sprekend op zijnen vader. — Spreker, m. (-s). — Spreekster, v. (-s).

sprengren, bw. sprengde, heeft gesprengd. Sprenkelen. Vleesch sprengen, met zout bestrooien. — Sprengbekken, o. (-s). Wijwatervat. — Spr enger, m. (-s). — Sprenging, v. (-en). — Sprengkwast, m. (-en). — Sprengkwispel, m. (-s). — Spr engs ter, v. (-s). -- Sprengvai, o. (-en). — Sprengvleesch, o. Gezouten vleesch. — Spr eng water, o. Bronwater. Wijwater.

sprenkel, m. (-s). Rattenval. Vogelknip.

sprenkelen, sprenkelde, heeft gesprenkeld. Bw. Bevochtigen : eene kamer sprenkelen, wasgoed sprenkelen. Spikkelen, bespikkelen, een boek op snee gesprenkeld, Ow. Een weinig regenen. — Sprenkel, v. (-s). Sprank. Vlekje, spatje. (Zeew.) Spring. — Sprenkeling, v. (-en). — Spren-kelpot, m. (-ten). — Sprenkelvuur, o. Sprankelvuur.

spreuk, v. (-en). Kort en nadrukkelijk gezegde, dat letterlijk moet opgevat worden. Kern-, zinspreuk. Leus. Zedenles. De spreuken van Salomon. — Spreukachtig, bn. bijw. — Spreukenboek, o. en m. (-en).

— Spreukenman, m. (-nen). — Sprru-kenschryver, m. (-s). — Spreukenschrijfster, v. (-s). — Spt eukmatig, bn. Als eene spreuk. Spreekwoordelijk. — Spreukryky. bn.


ocr page 807

SPRI — 1.

spriet, m. (-en^. Stang, die van voren gesplitst is of van een puntig of plat ijzer is voorzien. (Zeew.) Lange mastboom om het zeil uit te spannen. Kwartelkoning. Voelhoorn der insecten. Deel van het lichaam, waar de dijen zich aan het onderlijf voegen. Deel van eene broek, dat den spriet bekleedt.— Sprietbeugel, m. (-s). (Zeew.).

— Spri'etboom,tc\. (-en). (Zeew.). — Sprte-ieling, m. (-en). Sprank. — Sprietoogen, ow. sprietoogde, heeft gesprietoogd. Twee voor een zien. — Spf iets/raat, v. (..aten).

— SpriettouTv, o. en v. (-en). — Spriet-weg, m. (-en). — Sprietzeil, o. (-en).

Hltriugrel, m. (-s). (Oudt.) Oorlogstuig, bij de belegeringen gebruikt om zware stee-nen, enz. met kracht voort te slingeren. — Springoal, m. (..alen). Springel.

si»ri iig-f-n, ow. sprong, heeft en is gesprongen. Met een zeker geluid plotseling breken : de ruiten sprongen aan stukken. Splijten, barsten : die deur is gesprongen. In de lucht vliegen : het schip is met man en muis gesprongen. De beenen boven den

frond verheffen : springen van vreugde.rond verheffen : springen van vreugde.

nel omhoog gedreven worden ; het water springt uit de bron. Opengaan van het vel door de koude. Door de hitte breken (van glazi n, enz.). Bankroet gaan : deze koopman is gesprongen. Uit zijn vel springen : buiten zich zeiven geraken (van toorn, enz.). Voor iem. in de bres springen, zijne zaken helpen verdedigen. Van den os op den ezel springen : plotseling van een punt tot een ander overgaan. — Spring, m. Het springen, (-en) Sprong. Springbron. Vogelknip. Mollenval. Oorsprong. (Zeew.) Lijn om een schip dwars te halen. — Springader, v. (-s). Waterader onder den grond.

— Springbron, v. (-nen). — Sprin^bul, m. (-len). — Springbus, v. (-sen). — Springend, bn. — Springe)-, m. (-s). — Springertje, o. (-s). Wippertje, dat bij 't bespelen van 't klavier de snaar aanslaat. — Spingfontein, v. (-en). — Spnnggarnaal, v. (..alen). — Springglas, o. (..zen). Snel afgekoelde en daardoor zeer broze glasdroppeltjes.— Springhaas, m. (..zen).— Spring hengst, m. (-en). — Springing, v.

— Sprivg-in-'tveld, m. en v. (-en). Lichtzinnig mensch. — Spring kever, ra. (-s). Kruiptor. — Springkolf, v. (..ven). Groot

?gt;rigt;ringglas- — Springkomkoyntner, v. (-s).

lant [momordica elaterium), voorkomende in Z.-Europa, vooral in Griekenland. Uit hare rijpe vruchten wordt een extract bereid, eene prikkelende werking op maag en ingewanden uitoefenende. — Springkoorts, v. (-en). — Springkreejt, m. (-en). — Spring kunst, v. (-en). — Springlading, v. ( en). — Springlevend, springlevenditr, bn. Vol leven. — Spring-fna tras, v. (-sen). — Springmuis, v. (..zen). — Springnet, o. (-ten). Soort van vogelnet.— Springpaard, o. (-en). (Zeew.) Touw, ha.ngcnde in eene bocht onder de raas en dienende den matrozen om er op te staan bij het vastmaken, enz. van de zeilen. — Springplank, v. (-en). Hellende plank, waarop men loopt om een verderen sprong te doen. — Springpoot, m. (-en). Spriitgproef, v. (..ven). — Springriem,

[ — SPRU

m. {-tT?).-~Springslot, o. (-en). — Spring* spin, v. (-nen). — Springstaart, m. (-en). De springstaarten maken eene famil.o uit in de orde der rechtvleugelige insecten.

— Springster, v. (-s). — Springstter, m. (-en). — Springstok, m. (-ken). Polsstok.

— Springstrik, m. i-ken). Knip voor kleine vogels. — Sprinzsfrop, m. (-pen). Springpaard. — Springtij, o. ( en). Zie Tij. — Springton, v. (-nen). (Zeew.). — Springveer, v. (-en). — Springvisch, ra. (..sschen). — Springvloed, m. (-en). — Springvrucht, v. (-en). — Spring vu n*-, o. Zekere huidziekte. Zeker luchtversc:ii:n-sel.— Springworm, m. ( en), — Spriir zaad, o. Éénjarige plant {impatiens tioii tangere). Bloeit in Juli en Augustus. Ive rijpe vrucht kan de ini^ste aanraking niet verduren zonder plotseling open te springen. — Sprinkhaai, ra. i-en). — Sprinkhaan, ra. (..anen). Behoort tot df recht-vleugelige insecten en de afdeeling oer springers. Leeft van plantaarui^e stoffen.

nprltseii, bw. spritste, heeft gespritst. Spuiten. Speeksel door de tanden uitwerpen.— Sprits, v. (-en). Gebak, dat door een werktuig gespoten wordt. — Sprits' bakker, ra. (-s).

«proeleu, bw. sproeide, heeft gesproeid. Droppelsgewgze uitstorten. Besproeien.

«proct, v. (-en). Vlekje op de huid. Inz. vlekje in het aangezicht. — Sproetachtig, sproetig, bn. — Sproetel, v. (-s). Sproet. — Sproeterig, bn.

«prok, bn. Sp okkig. — Sprokkel, ra. (-s). Afgebroken takje. — Sprokkel, v. Hondsboom. — Sprokkelaar, ra. (-s). — Sprokkelaarsier, v. (-s). — Sprokkel-bloetn,\. (-en). Gele ot gemeene narcis.

— Sprokkelen, ow. sprokkelde, heeft gesprokkeld. Dor hout of takjes garen. — Sprokkelhout, o. — Sprokkeling, v. (-en). Het sprokkelen.— Sprokkelingen, v. mv. Kleine letterkundige opstellen. — Sprok-kehnaand, v. (-en). Februari. — Sprokkig, bn. Broos. —Sprokkigheid, v.

apruke, v. (-n). (Middel.) Berijmd verhaal. — Sprookje, o. (-s). Vertelsel. Verdichtsel. Kort v rhaal. — Sprookjessch» ijver, m. (-s). — Sprookjesvrrtcller, m ( s).

Mprousr, ra. (-en). Het opspringen. Ruirate,die men kan overspringen. (Bouwk.) Uitstek. (Muz.) Interval. Beentje aan de achterpooten van hazen, katten, enz. Koppeling van paaiden. Stoep. Iets buitengewoons. Geene sprongen do. n : deu geregelder! gang volgen. Zijne rede was vol sprongen, er was geen samenhang in. Hij heeft een grooten sprong ged ian : hy heeit het in korten tijd ver gebracht.

sprot, v. (-ten^. vischje ycfupea sprat-tus), tot de familie der haringen beboerende. Komt voornamelijk voor aan de Z.- en O.-'iUSt van Engeland. Wordt versch gegeten, doch vooral gerookt en in bundeltjes in den handel gebracht.

Hpriiif, v. (-en). Kiem, knop, loot (van planten). Scheut van de spruitkool. Spruit-kool. Kind, telg, afstammeling. Uitloop in een riool. — Stgt;ruit, v. (-en). Pijp van eenen gieter. — Spruit, o. (-en). (Zeew.)


ocr page 808

STAA — 7.

Uitschietend touw. — SpruUbloh, o. en m. (-ken, -s). (Zeew.)- — Sfgt;ruiten, ow. sproot, is gesproten. Uitschieten. Loten schieten. Afstammen. — Spruitgewast o. Gewas, dat geenen stengel heeft. — Spruiting, v. — Spruitkool, v. (-en). Bekende soort van kool [bras sic a olera-cea bull ata). — Spruit se l, o. (-s). Wat uitspruit.

spruw, v. (Geneesk.) Zekere aandoening in de mondholte.

Hpnsren, bw. ow. spoog, heeft gespogen. Door den mond uitwerpen. Overgeven, braken.

spnl, o. (-en^. Soort van sluis met deuren. Verlaat. Zuigkuil.—Spuidok, o. (-ken). Kom, die bij hoog tij vol loopt en bij laag tij, met kracht ledig loopende, het zand dat voor eene haven ligt medevoert. — Spuien, bw. ow. spuide, heeft gespuid. Water door een spui laten stroomen. Uitdiepen (door middel van sluizen). —Spuigat, o. (-en). (Zeew.) Gat ter waterloozing op het verdek. — Spuiing, v. (-en). — Spui kraan, v. (..anen). — Spuipyp, v. (-en). — Spui sluis, v. (..zen).

npuit, v. (-en). Werktuig om water enz. door zuiging en drukking met eenen straal op zekeren afstand te doen vloeien. Brandspuit. Ontvluchtingsuitgang van konijnenholen. — Spuit artsenij, v. (-en). Artsenij, die door eene klisteerspuit wordt ingebracht. — Spuiten, bw. ow. spoot, heeft gespoten. Eene spuit laten werken. Water opvoeren of inbrengen. Vanzelf uitstralen : het water spoot uit de fontein.

— Spuitenhuis, o. (..zen). — Spuiting, v. (-en). — Spuiter, m. (-s). — Spuitgast, m. (-en). — Spuitnieester, m.

(-s). — Spuitmiddel, o. (-en). Spuitart-senij. — Spuitslang, v. (-en). — Stuit-ster,v. (-s). — Spuitvisch, m. (..sschen). Soort van inktvisch. — Spuitwater, o. Water om vensters, enz. te reinigen. Zeker kunstmineraalwater.

«purrle,v. Plantengeslacht (spergula), tot de_familie der muurachtigen behooren-de. Bij ons komen twee soorten in 't wild voor : de wilde spurrie (s. arvensis) en Mo-nson's spurrie (s. Jllorisonti). De gewone spurrie {s. sativa), eene verscheidenheid der wilde spurrie, is een zeer goed veevoeder. — Spurrieboter, v. — Spurrie land, o. (-en).

spans:, o. Speeksel. — Spuugdrank, m. Braakdrank. —Spuugsel, O.

spuwen, bw. ow. spuwde, heeft gespuwd. Uitwerpen (speeksel, bloed, enz. uit den mond). Braken. Uitwerpen (vuur enz. uit eenen krater). Vuur en vlam spuwen. Op iem. spuwen, hem verachten. — Spuwbak, m. (-ken). — Spinvdrank, ra. (-en). Braakdrank. — Spuwer, ra. (-s). — Spuwing, v. (-en). — Spuwpotje, o. (-s).

— Spuwsel, o. — Spuwster, v. (-s). sqiiaiM», v. (-s). Openbare plaats met

tuin. Wandelplaats.

«f, tw. Stil 1 sta. Zie Stade.

staaf, v. (staven), Langr» en naar evenredigheid smalle stang va i gegoten goud, z:lver en inz. van ijzer. Duig van een vat.

2 — STAA

— Staafgoud, o. Goud in staven. — Staa fhamer,ra. (-s). Plethamer. — Staaf-hout, o. Duighout. — Staafijzer, o. — Staaf spel, o. Spel met houtjes. — Staaf' vorm, m. (-en). Vorm om er staven in te gieten. — Staafvermig, bn. — Staafzilver, o.

Ntaagr, bn. bijw. Gestadig. — Staagj'es, bijw. Zachtjes. Langzaam.

staab, ra, (..aken). Lang en sraal stuk hout. Paaltje om er eenen boom, enz. aan te binden. Werktuig om het leder te rekken. Linie van een geslacht, tak een er familie. Lang en mager mensch. — Staah-boonen, v. rav. — Staakheining, v. (-en),

— Staaknet, o. ( ten). (Vissch.). — Staak-omtuining, v. (-en).

staal, o. Ijzer, dat een bepaald koolstofgehalte bevat. Om hard te zijn moet het getemperd worden. — Staal, o. (stalen). Werktuig van staal. Mes, dolk, zwaard, sabel, bajonet. Vuurslag. Naald. Schaats.

— Staalachtig, bn. — Staalader, v. (-en).

— Staalbruin, bn. — Staaldraad, ra. (..aden) (voorwerpsn.);o. (stofn.). —Staal-droppels, ra. rav. — Sta alerts, o. (-en). — Staalfabriek, v.— Staalhard, bn. Zeer hard. — Staalhut, v. (-ten). Staalfabriek.

— Staalmiddel, o. (-en). Zeker geneesmiddel. — Staaloven, ra. (-s). — Staalpil, v. (-len). Zeker geneesmiddel. — Staalplaat, v. (..aten). Gravure op staal. — Staalpoeder, ..poeier, v. (-s). Zeker geneesmiddel. — Staalsmedery, v. (-en). — Staalveer, v. (-en). Stalen veer. — Staal-vylsel, o. — Staalwater, o. — Staalwerk, o. (-en). — Staalwerker, m. (-s).

— Staal wijn, m. Versterkende wijn.

staal, m. (stalen). Grondslag van eenen

dijk. Met modder opgehoopte plaats.

staal, o. (stalen). Stukje stc f tot monster : goederen op stalen verkoopen. — Staalboek, o. en ra. (-en). — Staalhof, o. (..ven). (Oudt.) Plaats, waar de lakens van merken werden voorzien.—Staalkaart, v. (-en). — Staallood, o. (-en). — Staalmeester, ra. (-s). (Oudt.) Hij, die de loo-den aan de lakens moest hechten.

staan, stond, heeft gestaan. Ow. Zich overeind houden. Niet zitten of liggen. Zich bevinden. Staan blijven : niet vooruitkomen. Blijf hier staan, wachten. Op het vuur staan (van spijzen, enz.). Pal staan : niet wijken. Op zijn stuk staan : zijne bewering volhouden. Tot staan komen : zijne plannen verijde'd zien, zich. verbeteren. Het water staat bijna boven den dijk, is bijna tot boven den dijk gerezen. Het hoilo^e staat (stil). De deuren staan, zijn open. Er staat eene straf op : er is eene straf tegen bedreigd. Op schildwacht staan : de wachthouden. Onder water sta'.n : overstroomd ziin. Ten dierste staan ; beschikbaar zijn. Hoe staat (gaat) het met uwe gezondheid? Die rok staat (kleedt) u mooi. Dat staat u leelijk : dat strekt u tot schande. Duur te staan komen : veel geld kosten, er zwaar moeten voor boeten. Te boek staan : in het boek opgeschreven zijn. Te boek staan (als) : gehouden worden (voor). De winter staat (is)-voor de deur. De vrede staat, is op het.


ocr page 809

STAA

ST A A

punt gesloten te worden. Naar iets staan ; pogingen aanwenden om iets te verkrijgen. Lorg staan, zijn, blijven. Op interest staan : uitgezet zijn om renten te geven. Zoo lang de wereld staat, bestaat. Staan te kijken : verwonderd, verbaasd zijn. Hoe hoog komt dit u te st an : hoeveel kost het li? Te koop, te huur staan ; gekocht, gehuurd kunnende worden. Laat dat staan ; doe het niet. Het boek staat, bevindt zich op deze plank. Die vruchten staan te bederven, zijn aan 't bederven. Zijn glas laten staan, niet ledigen. Irm. raar het leven staan, hem het leven trachten te benemen. Wat staat mij nu te doen.quot;1 Als getuige staan, tegenwoordig zijn. Die pastoor staat (isi daar lang. Dat staat ertoe : zooveel moet het kosten. Tc par.de staan : verpand zijn, als onderpand gegeven zijn. 1m bloei staan : bloeien. De zaken staan wel. Op goeden voet staan met iem. : met hem in vriendschap leven. Gaan en staan zegt men van eenen zieke, die niet bedle-perig is. Hoeveel sta ik u schuldig : hoeveel moet ik u betalen ? Er staan : ergens kwalijk van afkomen, teleurgesteld zijn. Staan (om) : op het punt zijn ivan). Op stroo staan : niets dan stroo tot voeder krijgen (van rundvee). Bw. Betrouwen, staat maken (op) : het weder i? niet te staan, ik zou dien man niet staan. Zijnen man staan : zooveel doen als een man kan en behoort te doen. — Staand, bn. Overeind. Staande troepen : troepen, die altijd beschikbaar zijn. Staand hout ; ongevelde boomen. Staand koren : koren te velde. Staand uurwerk : eene klok. Staande hord, zie Hond. (Zeew.) Het staande want: het vaste touwwerk. Opgestoken : staarde zeil. Staande wind : wind, die steeds uit den zelfden hoek blijft waaien. Staand, stilstaand water. Staand schrift (in tegenstelling van looperdschrift). Staand rijm. zieRijm.Eene staande vuist : eene maat zoo hoog of zoo lang als de vuist me»; den uitgestrekten duim erbij. Op staan den voet : onmiddellijk. Staande en gelegen (bij de aanwijzing der plaats van een perceel). — Staande, bijw. Gedurende : staande de vergadering. Staande houden : beweren, handhaven. — Staander, m. '-s). Stander. — Staandevoets, staandsvoets, bijw. Onmiddellijk. — Staangeld, stageld, o. (-en). Geld,dat muet betaald worden voor het staan van een kraam, enz. — Staandplaats, v. (-en). Plaats, waar men staat. Plaats voor een kraam enz. aangewezen.

Htasir, v. 2Seer gevaarlijke oogziekte, die meestal den mensch blind maakt. — Staar blind, bn. — Sfaarbhndheid, v. — Staarbrtl, m. (-len). — Staar lichter, m. (-s). Oogmeester. — Staar lichting, v. (-en). — Staar lings, bijw. Strak. JVIet strakken blik. — Staarnaald, v. (-en). — Staai vlies, o. (..zen).

Htsistrl, m. (-en). Hangend deel van het achterlijf van vele dieren. Glanzige sleep van eene komeet. Sleep, uiteinde. Benedenstedeeleener letter. Achterhoede. Nasleep. — Staartaap, m. (..apen). — Staar tachtig, bn. — Staar/band, m. -•en). Band aan eene pruik. — Staart-been, o. (-en). — Staartblok, o. en m. (-ken). (Zeew.). — Staartbreidel, m. (-s). Staartriem. — Staarteind, o. (-en). — Staa*teloos, bn. — Staart haar, o. (..aren). — Staartje, o. ( s). Verkleinwoord van staart. Rest, overbliifsel ; er is nog een staartje bit-r in de. flesch. Dat muisje heeft een staartje : die zaak zal gevolgen hebben. — Staartkalf, o. (..ven). fArt.). — Staart klavier, o. (-en). _— Staartlint, o. (-en). Lint aan eene pruik, enz. — Staartmees, v. (..zen). Soort van mees [parus candatus) met korten snavel en lange staartvecren. Leeft in boschjes en tuinen. — Staartpagina, v. ('st. Bladzijde van een boekwerk, die niet volgedrukt is.

— Staartpapegaai, m. (-en). —S taart-pen, v. (-nen). — Staartpeper, v. Spaan-sche peper. — Staartpruik, v. (-en). — Staart» iem, m. (-en). Zie Paard.— Staari-schroef, v. (..ven). Schroef aan een geweer, enz. — Staartster, v. (-ren). Komeet.

— Staartstopper, m. (-s). (Zeew.). — Staartstuk, o. (-ken). — Staarttalie, v. (..icn, -s). (Zeew.). — Staartveder, v. (-en). — Staartvin, v. (-nen). — Sta n t-voeters, m. mv. Voge's, wier pooten geheel aan het achterlijf geplaatst zijn. — Staartivol, v. — Staartwortel,m. (-s).

Nf»s4t, m. (..aten). Stand. Toestand. Gesteldheid : zoo is de staat der zaken, de zaak is nog niet :n haren vorigen staat. Er is in de wereld geen staat van volkomen onafhankelijkheid. Echtelijke staat. Gezegende staat. Naar den staat van iemands gezondheid vragen. Staat van vrede, van oorlog, van beleg. In staat, bij machte zijn. Rol, lijst, inventaris ; staat van ontvangsten en uitgaven, staat van eenen boedel. Rang, hooge stand, aanzien, waardigheid : een man van staat. Vertoon making, staatsie, pracht. Een rijken staat voeren : op groo-ten voet leven. Op iem. staat maken, op hem rekenen. Stand : met zijnen staat tevreden zijn, naar zijnen staat leven. Rijk, gebied, bestuur. Kerkelijke staten : het gebied van den Paus. Provinciale Staten (Nederland) : provinciale raad. Zie Raad. De gedeputeerde Staten zijn met de Provinciale Staten belast met de uitvoerende macht en het gestadig toezicht op de provinciale belangen. Algenieene Staten, zie Algemeen. — Staat dame, v. l-s). Hofdame. — Staathouten, o. mv (Zeew.). — Staathuishoudkunde, v. Kennis van den menschelijken welstand, d. i. van rijkdom, vrede, rust, gezondheid, zedenleer en godsdienst. — Staathuishoudkundige, m. en v. (-n). — Staatj'onker, m. (-s). Hofjonker. Edelknaap. — Staatjoffer, v. (-s). Hofjuffer. — Staatkunde, v. Leer, die het doel, den aard en het wezen van den Staat, voorts de onderlinge betrekkingen der Staten, alsmede de betrekking van de regeering en de ingezetenen en van deee onderling behandelt. Overleg. Verstand.

— Staatkundig, bn. bijw. — Staatkundige, m. en v. ',-n). — Staatsalni'lt;cht, v.

— Staatsalmanak, m. ( ken). — Staatsambt, o. (-en). — Staatsambtenaar, m. (..aren). — Staatsarchief, o. (..ven\. -Staatsbankroet, o. (-en). — 6taatsbe-


ocr page 810

STAD — 7

antbie, m. (-n). — Staafsbedtende, ra. (-n^.

— Staatsbediening, v. (-en). — Staatsbe-ooting, v. (-en). — Staatsbeheer, o. —

Staatsbelang-, o. (-en). — Staatsbemoeiing, v. (-en). — Staatsberoerteni v. mv.

— Staatsbesl7iit, o. (-en). — Staatsbestuur, o. (..uren). — Staatsbewind, o. — Staatsblad, o. (-en). Officieel blad, waarin a.1 de wetten, besluiten, enz. van den sou-verein en van wetgevende kamers worden opgenomen. — Staatsbode, m. (-n). — Staatsbrief, m. (..\-en). — Staatsburgery m. (-s). — Staatsburgeres, v. (-sen). — Staatsburgerschap, o. — Staatsoliën, ra. mv. (Eert.) Die den Staat waren toegedaan.— Staatscourant, v. (-en). — Staats-dienaar, m. (..aren, -s). — Staatsdomein, o. (-en). — Staatse.xamen, o. (-s). — Staatsgebou7v, o. (-en). — Staatsgeheim, o. (-en).— Staatsgeboden, o. mv.— Staatsgevangene, ra. en v. (-n). — Staatsgevangenis, v. (-sen). — Staatsheraut, ra. (-en).

— Staatshervormer, m. ( s). — Staatshervorming, v. (-en). — Staatshulp, v.

— Staatsinkomsten, v. mv. — Staatsinstelling, v. (-en). — Staatskas, v. (-sen).

— Staatsleven, o. — Staatsloterij', v. (-en). — Staatsman, m. (..lieden). Die bedreven is in de zaken van Staat, in de staatkunde. Verstandig man. — Staatsmanskunst, v. — Staatsminister, m. (-s). Minister zonder portefeuille. — Staatsmisdaad, v. (..aden). — Staa'somv.ente-ling, v. (-en). — Staatsonlusten, m. mv.

— Staatspapier, o. (-en). — Staatspartij, v. (-en). Partij, die den Staat is toegedaan.

— StaaJspnrtyen, v. rav. Partijen in den Staat. — Staatsraad, ra. (..aden). Raad van State. Lid van dezen raad. — Staatsrecht, o. Recht van den eenen Staat tegenover den anderen. Staatkundig recht der burgers. — Staatsrechtelyk, bn. bijw. — Staatsregeering, v. (-en). — Staatirege-ling, v. (-en). — Staatsschool, v. (..olen).

— Staatsschrift, o. (-en).— Staatsschuld, v. (-en). — Staatsspoorweg, ra. (-en). — Staatstoezicht, o. — Staatsuitgaven, v. mv. — Staatsvergadering, v. (-en). — Staatsverhooging, v. (-en). — Staatsverraad, o. —^Staatsverrader, ra. (-s). — Staatsverwisseling, v. (-en). — Staatsvorm, ra. — Staatswege (van), bijw. uitdr. — Staatswet, v. (-ten). — Staatswetenschap, v. (-pen). — Staatszaak, v. (..aken). — Staatzucht, v. Buitensporige heerschzucbt. —Staatzuchtig, bn.

stasifgio. v. Uiterlijke pracht, praal, vertooning. Plechtigheid, welke met staatsie gevierd wordt.— Staatsiebed, o. (-den).

— Staatsiedegen, ra. (-s).— Staatsiegewaad, o. (..aden). — Staatsiegordijn, v. en o*. (-en). — Staatsiegraf, o. (..ven). — Staatsie kamer, v. (-s). — Staatsiekleed, o. (-eren). — Staatsiekoets, v. (-en). — Staatsiekussen, o. ( s). — Staatsiemantel, ra. ( s).—Staatsierok, ra. (-ken). — Staatsievertrek, o. ( ken). — Staatsiewagen, ra. (-s).

»t«ccato, bijw. (Muz.) Afgostcjten.

v. (..eden). Verzameling van huizen, die (eert.) door grachten, rauren en poorten omsloten was. De steden ontston-

I — STAD

den door uitbreiding der villas. De heilige stad : Jeruzalem. De eeuwige stad : Rome. Stad en land : het ganscbe land. — Stad-achtig, bn. — Stadbewoner, m. (-s). — Stadbewoonster, v. (-s). — Stadgenoot, ra. (-en).— Stadgenoote, v. ( n). — Stadhouder, stedehouder, m. (-s). Plaatshouder, plaatsvervanger ; de Paus i; de stadhouder van Christus op de aarde. Landvoogd. — Stadhouderh)k, bn. — Stad' houderschap, o. — Stadhoudersgezind, bn. — Stadhuis, o. (..zen). Raadhuis. Gemeentehuis. — Stadhuisachtig, bn.

— Stadhuisbode, ra. (-n). — Stadhuisklerk, ra. (-en). — Stadhuisklok,v. (-ken).

— Stad huis loopet-, m. (-s). — Stadhuispui, v. (-en). — Stadhuistoren, ra. (-s).— Stadhuistrap, v. (-pen). — Stadhuiswoord, o. (-en). Holklinkend woord. — Stadsaannemer, ra. (-s). — Stadsafslag, m. — Stadsafslager-, ra. (ts). Openbare verkooper. — Stadsambtenaar,ra. (..aren, -s). — Stadsarbeider, m. (-s). — Stadsarchitect, ra. (-en). — Stadsarmenschool,

v. (..olen). — Stadsbaas, ra. (..azen). _

Stadsbediende, ra. en v. (-n). — Stads bedien ing, v. (-en). — Stadsbelasting, v. (-en). — Stadsbestuur, o. — Stadsbibliotheek, v. (..eken). — Stadsbode, m. (-n).

— Stadsboek, o. en ra. (-en). — Stadsbol-werk, o. (-en). — Stadsbouwmeester, ra. (-s). — Stadsbus, v. (-sen). — Stadscourant, v. (-cn).—Stadsdienaar, m. (..aren).

— Stadsdokter, ra. (-s). — Stadsgebied, o.

— Stadsgebouw, o. (-en). — Stadsgebruik, o. ( en). — Stadsgeld, o. — Stadsgeneesheer, in. (-en^. — Stadsgoederen, o. rav.

— Stadsgracht, v. (-en). — Stadsgrond, m. —Stadsheelmeester, ra. (-s). —Stadsherberg, v. (-en). — Stadshuis, o. (..zen).

II uis, dat het eigendom is der stad. — Stadsjongen, m. (-s). — Stadskas, v. — Stadskelder, ra. (-s). — Stadskerk, v. (-en). — Stadskeur, v. (-en). — Stadskind, o. (-eren). — Stadsklok, r. (-ken).

— Stadsknecht, ra. (-en). — Stadslan-taarn, .Jaren, v. ( s). -- Stadslast, ra. (-en). — Stadsheden, m. mv. — Stadsme-ter, m. (-s). — Stadsmuur, m. (..uren). — Stadsmuziek m eest er, m. (-s). — Stadsnieuws, o, — Stadsomroeper, ra. (-s). — Stadsonderwijzer, ra. (-s).— Stadsonderwijzer es, v. (-sen). — Stadsontvanger, m. (-s). —Stadsoverheid, v. — Stadspas-toor, ra. (-s). — Stadspoort, v. (-en). — Stadspredikant, ra. (-en). — Stadsraad, m. (..aden). — Stadsrecht, o. (-en). — Stadsregeering, v. — Stadsregister, o. (-s). — Stadsreglement, o. (-en). — Stads-schatkamer, v. (-s). — Stadsschepen, m. (-en). — Stadsschool, v. (..olea). — Stads-schout, m. (-en). — Stadsschouwburg, m. [-eu). — Stadsschi jj'ver, m. (-s). — Stads-schuld, v. (-en). — Stadssecretaris, ra. (-sen). — Stadss/eutel, m. (-s). — Stads-slot, o. (-en). — Stadssoldaat, ra. (..aten).

— Stadstimmerwerf, v. Stadstoren, ra. (-s). — Stadsveearts, ra. ( en),

— Stadsvest, v. (-en). — Stadsvoorrecht, o. (-en). —Stadsvrijheid, v. (..heden). — Stadsvroedmeester, m. ( s). — Stads-vroedvrouw, v. (-en). — Stadswaag, v.


ocr page 811

STAL — 7

— Stadswal, m. (-len). — Stadswapen, o. (-s). — Stadswyze, bijw. — Stadszegel, o. (-s). — Stadvoogd, m. (-en), — Stadv oogdes, v. (-sen). — Stadvoogdy, v.

— Stadvoogdy schap, v. — Stadwaarts, stedewaar is, bijw.

«tade, sta. Te stade, bijw. uitdr. Van pas.

Htadie, v. (..iën). Afstand 'bij de oude Grieken) = 125 schreden. Afstandsmaat. Tijdstip in de aanvallen der ziekten : de ziekte is in hare tweede stadie.

Mlbn. Gestadig. —'Sladtgheid, v.

{A. L. G. Nocker, bat onue de), 1766-1817, Parijs. Scbiijfster van : Lettres sur le camctè. e et les ecrits de J. J. Rousseau (1788 .

(//.), 1857, Reninghe'st. Onderwijzer (Zele). De Soldaten 7'art Christus (1086) ; Een dutvels^h Huwelyk (be-krooi d, 1888); de Geesel onzer dagen (1895'.

«Isif, m. (staven). Stok. Roede. Schep-ter. De bevelhebber eener troepenafdee-ling met al de personen die rechtstreeks ondt r zijne bevelen staan. Steun ; de zoon moet de staf zijn zijner ouders. — S'afdt a-ger, staffier, m. (-s). — Stajijzer, o. (-s). Ijzer van de eerste gieting. — Stafkogel, m. (-s). (Zeew.). — Staf muziek, v. en o. (Mil.). — Stafofficier, m. (-en). — Staf-rym, o. ^-mt-n). Alliteratie, hierin be-stani de, dat de bijzonderste s'agen van een f.elfde vers denzelfden beginklank hebben /gebruikt in de Oudgerm. talen).

0 (-en). Zwaar touw, waarmede men de masten, de steng» n vastbindt. Over stag smijten: iem. van zijn stuk helpen. — Stagbh k, o, en in, ( ken, -s), — Stagen, ow. (Zeew.) Den wind van voren doen komen. Bw. Eene steng stagen : net stag van eene steng aanzetten. — Stagjok, v. (-ken). — Stagswyze, bijw. — Stagtakel, m. (-s). (Zeew.), — Stagzeil, o. (-en).— Stagzei Ir ingen, m. mv, — StagzeiIsval, m. (-len).

ülagro, v. (-n, -s). Proeftijd (van advocaten, enz,),

«laecld. Zie Staangeld.

«lasreeleu, ow, staggelde, heeft ge-staggehl. Up zijne voeten wankelen. Trippelen, Struikelen.

statrio, v, (,,iën, -s). Verdiep, verdieping (van een huis).

Mta^uallc, v. (..iën, -s). Stilstaand. Stremming,

Mtalieu, staakte, heeft gestaakt. Bw. Aan staken zetten : eene geit staken. Op staken spannen : een vel staken. Ophouden (mei) : zijn werk staken, Ow, Gelijk verdeeld zijn (van stemmen,gevoelens, enz,) : bij de beraadslaging staakten de stemmen. Het staakt : het is even. — Staking, v. (-en).

Mtakct, o. (-ten), htakoirel, o. (-s'i. Rij palen, dwars door eenen waterloop ingeslagen. Schut i g, uit onderling samen-verbonden pale ■ bestaande.

«tabkor(lt;I). ra. (-s). Iem , die niet voort kan. Sukkelaar.

wtal, m. (-len). Houten of steenen gebouw, dienende tot verblijf van vee of tot

; — STAM

bergplaats van hout, kolen, enz. Stand, rust : de waarheid vindt noch stal, noch kaard. Gestalte : een man hoog van stal.

— Stalband, m. (-en). — Stalbezem, m. (-s). — Stalboom, ra. (-en). Latierboom. — Staldepartement, o. Bestuur der stallen (van eenen vorst). — Staldeur, v. ( en). — Stalgeld, o. (-en). — Statgereedschap, o.

— Stalereep, v. (..epen). Soort van vork.

— Stalhengst, m. (-en). — Stalhouder, ra. (-s). — Stalhoudst'r, v, (-s). — Stalhouderij', v. (-en), — Stalhuur, v, (,.uren),— Staljongen, ra, (-s), — Stalkaars, v. (-en). Kaars tot verlichting van eenen stal. Groote kaars, welke bij plechtige uitvaarten op de vier hoeken der lijkbare gesteld wordt. Dwaallicht. — Stalknecht, ra. ( s). — Stalkruid, o. Plantengeslacht {ononis), tot de vlinderbloemigen behoorende. Bij ons komen voor : 't gedoomd stalkruid (o. spi-txosa) en 't kruipend stalkruid {o, repens). Beide zijn heesters. — Stallage, v. (-s). Stalling. — Stallantaarn, ../aren, v. (-s).

— Stalle, v. Pis dei paarden. (Veearts.) Pisvloed. — Stallen, stalde, heeft gestald. Bw. Op stal brengen. Ow. Op stal komen. Op stal staan. Pissen (van vee). Slecht met elkanderstallen ; niet goed overeenkomen.

— Stalles, v. mv. Koorgestoelte. De voorste plaatsrijen gelijkvloers (in eenen schouwburg). — Stallicht, o. (-en). Stalkaars. — Stalling, v. Het stallen, (-en) Plants, waar gestald wordt. Stalgeld, — Stalmeester, m. (-s),— Stalmeestet schap, o, — Stalmest, m. en o. — Stahnesting, v. — Stalpaal, m. (..alen». — Stalpersoneel, o, — Stalvoeiering, v. — Stal-ziek, bn.

Hl al. ra. en o, (-len). Vaststaand kraam of toonbank in bet stedelijk \ leeschhuis of onder eene galerij op de vischmarkt, — Stalletje, o. ( s; ,

Htalaclict, m. (-en), GewelfJropsteen.

— Stalagmiet, m. ( en). Bodemdropsteen. stalen, bn. Van staal. Een stalen, zeer

getrouw geheugf n, — Staten, bw. staalde, heeft gestaald. Het ijzer tot staal maken. Eenen lap in verf doopen om de tint te onderzoeken. Van looden merkteekens voorzien. Kracht bijzetten (aan). Ow. Bij elkander passen, bij elkander kunnen gebruikt worden (van paard.-n). — Staling, v.

Stallaert (Aquot;. f.), 1820-1893, Merch-tem. Letterkundige. Werkend lid der K. Vl. Academie. Ver handeling over den toestand der kunsten en wetenschappen in België, 1449146'] (bekroond, 1852); Glossarium van vet ouder de rechtstermen, enz. (1887).

Ktalpaort van «lor Wiele (y.), 1579-1630,'s Gravenhage. Priester. Evang, Schat van Christus Jezus ontdcckt (1621); Uemelryck (1621).

htam, ra. (-men). Deel van eenen boom, van den wortel tot aan de takken. Geslacht, afkomst. Woordstam, stamwoord. De appel \alt niet ver van den ïtam : kinderen aarden gemeenlijk naar hunne ouders. — Stambeschryver, ra. (-s). — Stamboek, o. en m. (-en), — Stamboom, in. (-en). — Stamboonen, v. m*'. Boonen, die aan staken groeien. —• St itngencot, ra.


ocr page 812

STAN — 7

( en). — Stamgenooie, v. (-n). — Stamgoed, o.^ (-eren). — Stamhouder, m. (-s). Mannelijke erfgenaam. — Stam hout, o. — Stamhuis, o. ( .zen). — Stamlijst, v. (-en). — Stamvien, ow. stamde, is gestamd. Voortspruiten. — Stammoeder, v. (-s). — Stamouders, m. mv. — Stamregister, o. (-s). — Stamrekenaar, m. (-s).

— Stamtafel, v. (-s). — Stamvader, m. (-s). — Stamverwant, bn. — Stamwapen, o. (-s). — Stamwoord, o. (-en). Woord, waarvan andere woorden zijn afgeleid.

St.imbovl, o. Zie Constantinopel.

«ilsinK'len, stamelde, heeft gestameld. Ow. Hakkelen. Stotteren. Gebrekkig spreken. Dit kind stamelt reeds, begint te spreken Bw. Stamelend uiten : bij heeft zijne rol maar gestameld. — Stamelaar, m. (-s).

— Stamelaarster, v. (-s). — Stamelbek, m. en v. (-ken). — Stameling, v. — Sta-melkees, m. (..zen). Stamelaar. —Stameltaal, v. — Stamel tong, m. en v. (-en).

stmneren, stamerde, heeftgestamerd. Stamelen.

Mtamef, o. (-ten). Soort van grove wollen stof. — Stametten, bn.

stnmün, v. Zeefdoek. De zeef zelve.

— Stamijnen, bn.

Btsmipeu, bw. ow. stampte, heeft gestampt. Met den voet hard op den grond slaan, btooten. Tot gruis maken. Zaad stampen : olie slaan. Den boeg in zee steken : dat schip stampt. Een geweer stampen, de lading vaststooten. Metalen stampen, uithollen. — Stamp, m. (-en). Siag, stoot met den voet of de voetzool. — Stam-page, v. Het stampen. —Stampeien, ow. stampeide, heeftgestamneid. Stampvoeten.

— Stamper, m. \-s). Die stampt. Werktuig, waarmede gestampt wordt. Laadstok. Orgaan der bloem, dai na den bloeitijd tot vrucht uitgroeit. Het onderste gedeelte. de eierstok of 't vruchtbeginsel bevat de zaadknopjes of eitjes; het middelste. draad- of cylindervonnig, is het stijltje, en het bovenste, dat het stuilmeel opvangt, de stempel.— Stampei y, v. l-en).

— Stamping, v. I-en). — Stampkot, o. (-ten, -en'. Stampmolen. — Stampkuip, v. (-en). —Stampmolen, m. (-s). Oliemolen.— Stamppaarlen, v. mv. Parelzaad.

— Stampryaen, stampstooten, o. Het stampen v.'in een schip. — Stampsel, o. Zware baar, die tegen den boeg van 't schip aanslaat. — Stampstag, o. (-en). Zwaar touw, dat bij onstuimig weer tot stag dient.

— Stampsteven, m. (-s). Brecde steven

— Stampstok, m. (-ken). — Stampion, v. (-nen). — Stamptrog, m. (-gen). —Stampvoeten, ow. stampvoette, beeft gestampvoet. Met de voeten nard op den grond stooten. — Stampvol, bn. Propvol. --Stam, werf:, o. Alolenwerk, dat stampers in beweging brengt. Dit werk met de stampers. — Stampzee, v. (-ën). Holle, hooge baar.

m. (-en). Wijze, waarop men staat, houding. lJlaafs, waar iets staat, gesteldheid, toestand. De stand der zon, waar zij zich aan den hemel bevindt. De standen der maan, de schijngestalten. De stand van bet water, hoe hoog, hoe ver bet staat. De

6 — STAN

stand van den barometer, hoe hoog hif staat. Koers : de stand der beurs. Eenigen tijd bestaan : iets in stand houden. Staat, wezen, bestaan : veel goeds tot stand brengen. _De hoogere, de mindere standen : de aanzienlijken, de mindere klasse. De stand der priesters, der geleerden, enz. De burgerlijke stand : het bureau op een gemeentehuis, waar de aangiften, betreffende de geboorten enz. moeten gedaan worden. Zie Staat.— Standbeeld, o. (-en). Beeld van iem. te zijner of te harer eere opgericht. — Standblok, o. en m. (-ken). Groot vierkant blok aan den voet der masten. — Standgeld, o. (-en). Staangeld. — Standhouden, ow. hield stand, heeft standgehouden. Blijven bestaan. Zich handhaven. — Standje, o. (-s). Ruzie : geen standjes maken. Berisping : een stanoje krijgen. — Standmatig, bn. Met den stand en rang overeenkomende. — Standolie, v. (..iën). Zekere olie, die spoedig droogt. — Standpenning, m. (-en). Standaard der munt. Modelmunt. — Standplaats, v. (-en). Plaats, waar men staat. Plaats, waar men eenen post, enz. waarneemt. — Standpunt, o. (-en). Plaats, waar men zich bevindt. Hoogte. Uitgangspunt. — Stand' recht, o. Buitengewone rechtbank in tijden van opstand. — Standsgelegenheid, v. (..heden). Toestand. Omstandigheid.— Standvastig, bn. bijw. Lang in stand blijvende. Bestendig, duurzaam. Volhardend. Hou en trouw. — Standvastigheid, v. — Standvastighjk, bijw. — Standverhef-ting, v. (-en). — Standverwisseling, v. (-en». — Standvogels, m. mv. Vogels, die in de streek blijven, waar zij uhg- broed zijn.

Kfsamp;ndsiard, m. (-en. -s), .«Uaintard,

m. (-s). Vaandelstok. Kuitersvaan. Vaandel, banier. Maatstaf, ijkmaat : standaard van den meter. De gouden standaard : uit goud geslagen standpenning. De zilveren standaard. — Standaarddi ager, m. (-s). — Standaard kaarsen, v. mv. Licht-eenheid, waa mede de lichtsterkte, mz.

van electnsch licht gemeten wordt. _

Stand aardwerk,o. (-en). Boek werk, waaraan blijvend gezag wordt toegeKetlt;lt;l.

•taude, v. (-n). Staande vac, uit duigen vervaardigd, van onbepaalde groctce doch altijd hooger dan wijd.

KtandelSifuid, o. Plantenfamiiie, in een groot getal soorten in de vochtige bos-scheu der tropische gewesten veispreid. Bij ons zijn ongeveer 28 soorten bekend, die het sieraaa uitmaken van onze warme kassen.

wfander, m. (-s). Groote spil, die tot steun van iets dient: de stander van eenen molen. Staande kapstok : een stander voor hoeden. Sierlijke bak van brons, enz. ; een stander \ oor paraplus. Groote kuip. Kandelaar.Staande plaat van eenen schoorsteen.

Htaiag:, v. (-en^. Metalen staaf—Stang-ladder, v. (-s). Ladder met slechts eenen stijl. — Stangpasser, m. (-s). Kruishout-passer. — Stanqschroef, v. (..ven). — Slangsteen, m. (-en). Topaas.

stauk, m. (-en). Zeer onaangename


ocr page 813

STAT —

reuk. Ondank : stank voor datik. Ruzie, twist: hij nia;ikt altijd stank. — Stank loos y bn. — Siankverdryvend, bn. — Stank-iverend, bn.

Ktnnley (//. Af.), 1840, Denbigh (Wales). = y. Roiulands. Ontdekkingsreiziger in Congoland.

stanz», v. (-'s). Afdeeling vaneen zeker getal verzen.

at»!», m* (-pen). Het stappen. Schrede. Indruk van eenen voet : stappen in het zand zien. Lengte van eenen stap. Telgang ; een paard den stap laten gaan. Dit paard heeft een zwaren, zacbten stap, zet de poot hard, zacht neder. Stap voor stap ; langzaam aan. Poging ; ik zal er geenen stap voor doen. — Stappen, ow. stapte, heeft en is gestapt. Met vasten tred gaan. Voonschrijden. Grcote schreden^ doen. Stapvoets gaan (van paarden). Wij zullen er maar overheen stappen, er verder niet over spreken, (ook), eene beslissing nemen.

— Stapper, m. (-s). — Stapster, v. (-s). — Stapswijze, ..rvys, bijw. Stap voor stap. Bij stappen. Allengs. — Stapvoets, bijw. Stap voor stap. Langzaam.

atapel, m. (-s). Een der drie of viar pooteu van eenen stoel. Stelling, waarop een schip wordt getimmerd : een schip op stapel leggen, van stapel laten loopen. Hoop : een stapel boeken, korenstapel, enz. Stapelplaats. Een werk op stapel zetten, er aan beginnen. — Stapelaar, m. (-s).

— Stapelbaar, bn. — Stapelblok, o. en m. (-ken). — Stapelhocht, v. t-en). Bocht eener scheepswerf. — Stapelen, bw. stapelde, heeft gestapeld. Aan stapels zetten. (Zeew.) Stouwen. — Stapelgek, bn. Stapelzot. — Stapelgoed, o. (-eren). Goed, aan stapelrecht onderhevig. — Stapelhuts, o. (..zen). Pakhuis voor stapelgoeüeren.— Stapeling, v. (-en). — Stapelkommies, m. (..zen). — Stapelmarkt, v. (-en), stapelplaats, v. (-en). Plaats, waar iets opgestapeld wordt. Plaats, waar zekere koopwaren het meest heengevoerd worden. (Eert.) Plaats, die het stapelrecht had. — Stapel-meester, m. (-s). — Stapelrecht, o. Belasting op stapelgoederen geheven. (Middel ) bommige koopwaren van elders in eene stad aangevoerd, moesten daar, hetzij geheel, hetzij ten decle verkocht worden.

— Stapelreede, v. (-n)._— Stapelstad, v. (..eden). — Stapelvryheid, v. Stapelrecht. — StapeIwaar, v. (..aren). Stapel-goed. — Stapelwolk, v. (-en). Zie Wolk.

— Stapelzot, bn. Allerzotst. Krankzinnig, star. Zie Ster.

atar, bn. Strak. Onbeweeglijk, ataren, ow. staarde, heeft gestaard. Strak voor zich uitkijken. — Staroogen, ow. staroogde, heeft gestaroogd. Staren. De oogen wijd opzetten.

Staring [A. C. IV.), 1767-1840, Gen-dringen. Dichter. Dichtoefeningen (1791); Nieuwe Gedichten (1827); Winterloof (1832).

Starter [J.Jsz.), 1594-16..(?), Londen. Nederl. dichter. Friese he Lusthof, beplant niet verscheyde siichtelyke viinneliede-hens,

at»te, m. Raad van State, zie Raad.

' - STEE

— State*} by bel, m. (-s). Hollandsche bijbel, eertijds op last der Algemeene Staten uitgegeven. — Statenhode, m. (-n). — Statencollege y o. — Statendom, o. Al de staten (vereenigd). — Staten-Generaal, m, mv. Vertegenwoordicen het geheele Ne-derlandsche voik. Zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer. — Statenkamer, v. (-s). — Statenpenning, m. (-en). Zekere gedenkpenning.

atatelUk, bn. bijw. Deftig. Grootsch, Prachtig. — Statelijkheid, v.

atater, m. (-s). Naam van verschillende oude gouden en zilveren munten.

atatien, atatiek, v. D^el der mechanica, dat de leer bevat van het evenwicht.

— Statisch, bn. Zie Electriciteit.

atatie, v. (..iën, -s). Station. Vereeni-

gingsplaats van vlootafdeelingen, enz. Eene der veertien verbeeldingen van den krui»-weg.

atatlgr, bn. bijw. Deftig. Stemmig. Hoogst ernstig. — Statigheid, v.

atafiou, o. (-s). Standplaats. Pleisterplaats. Streek aan oorlogsschepen aangewezen om voor de veiligheid der koopvaardijschepen te waken. Plaats van aankomst en vertrek (inz. der spoortreinen). Stationsgebouw. Aanlegplaats. — Station-7i air, bn. Stilstaande. — Stat ionneer en, ow. stationneerde, heeft en is gestation-neerd. stilhouden. Stilstaan. Blijven staan.

— Stationschef, m. (-s). — Stationsgebouw, o. (-en). — Stationsplein, o. (-en).

atatiatiek, v. Wetenschap om door middel van cijters en algemeene gegeven* tot eene vaste, doorgaans gemidueide uitkomst te geraken. — Statisticus, m. (..ci).

— Statistisch, bn.

atatu-quo, o. Blijvende staat, atatuur, v. Gestalte. Lichaamsgrootte, atatnut, o. (..uten). Wet. Grondregel.

Grondslag. Standregel.

atavaat (7/a«). Van stavast : groot, ferm, flink.

staven, bw. staafde, heeft gestaafd. Door middel van eene staaf vastzetten. Bevestigen, bewijzen, bekrachtigen. — Staving, v.

ataverzaad, o. Zie Ridderspoor, ateamer, m. (-s). Stoomboot, stearine, v. Hoofdbestanddeel der meeste vetten, die in de natuur voorkomea.

— Stearine fabriek, v. (-en). — Stearine-kaars, v. (-en). — Stearine zuur, o.

stede, stee, v. Stad. Plaats. Oord. Standplaats. — Stede, stee. In stede (van), bijw. uitdr. : in plaats (van). — Stedehouder, m. (-s). Stadhouder. — Stedehouderschap, o. — Stedekroon, v. (..onen). — Stedelijk, bn. — Stedeling, m. en v. (-en). Stadbewoner, ..bewoonster. — Stede-linge, v. (-n). — Stedemaagd, v. — Stedewaar ts, bijw. — Stee, v. (-ën). Plekje. — Steedsch, bn. — Steehuis, o. (..zen). Huis in de stad. — Steekind, o. (-eren). Stadskind. — Steevoogd, rc. (-en). — Steevoogdes, v. (-sen). — Steevoogdij, v. (-en).

— Steevrouw, v. (-en). — Steewaarts, bijw.

steeds, bijw. Gestadig. Gedurig. Aaa« houdend. Bestendig.


ocr page 814

STEE — 7

stecg, v. (stegen). Nauw straatje. Ach-^ tcrboog van eenen zadel.

Mteeg. bn. Stug, halsstarrig, koppig, onverzettelijk. Wat wederstand biedt. Waar ■men moeilijk in-, over- of doorschuift. Steeg hooren : een weinig doof zijn. De markt was steeg : de waren wilden aan den man niet. Die weg is steeg om gaan : dat is een lastige weg. Hij is steeg aan 't geven, is traag om iets te geven. Hü is steeg van begrip, begrijpt moeilijk. — S/eegheid, v.

Bleek, m. (steken). Het steken. Stoot met de punt van een scherp werktuig. Door-baling der naald met den draad. (Schoenm.) Zekere lengte, gelijk op hunne maat is afgebeeld. (Kaart.) Trek. (Zeew.) Vereeniging van twee samengevlochten touwen. Palen-staketsel, waardoor de zalmen, enz. gestuit en in de fuiken gedrongen worden. Driekantige hoed, inz. der priesters. Pijnlijke aandoening, enz. in de zijde. Verlegenheid : iem. in den steek laten. Dit was hem een steek door het hart : dit griefde hem innig. — Steekappel, m. Doornappel. — Steekbalky m. (-en). Balk, waarin de balken van eenen plankenvloer enz. gewerkt worden. — Steekbeitel, ra. ( s). — Steek-bekken, o. (-s). Ondersteekbekken. — Steek bes, v. (-sen). — Steekbijl, v (-en). — Steekblad, o. (-en). Handbedekkend gevest van eenen degen. Borstlap (bij velerlei ambachten in gebruik). — Steek boor, v. (..oren). — Steekbout, m. (-en). — Steek-brem, v. Steekpalm. — Steekbrief, m. (..ven). (Oudt.) Schriftelijke vordering om ontsnapte boosdoeners te doen vatten. — Stcekde^en, m. (-s). — Steekdicht, o. (-en). Hekeldicht. — Steekdistel, v. (-s). Onzer-Lieve-Vrouwtjn-distel. — Steek-doorn, m.(-en), ..dot en, ra. (-s).— Steek-elRer, m. (-s).—Steekend,o. (-en). (Zeew.) Kleine zwei. — Steekgaren, o. ïset tot het vangen van kwartels, patrijzen, enz. — Steekgrond, m. (-en). (Zeew.) Goede ankergrond. — Steek haam, o. (..amen). Kruisnet. — Steekhevel, m. (-s). Wijnkoo-gerspomp. — Steekhoepel, m. (-s). Zware ijzeren band, die om het schip gelegd wordt.

— Steekhoudend, bn. Wat steek houdt. Degelijk. — Sleeky zei', o. (-s). — S teek-jacht, v. (-en). — Steekkan/, ra. ( men). Gereedschap des speldenmakers om gaatjes in het papier te maken. — Steekkan, v. (-nen). (Oudt.) Vochtmaat = 19,403 lit. — Steekkar, v. (-ren). Kar, die voortgeduwd wordt. — Steekknie, v. (-en). (Zeew.) Be-

■.tingspeer. — Steeklijn, v. (-en). (Zeew.) «Beslagseizing. — Steekmug, v. (-gen). — Steeknet, o. (-ten). Zeker vischnet. — Steekpaal, m. (..alen). — Steekpalm, m. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.) Hulst. — Steekpan, v. (-nen). Ondersteekbekken.

— Steekpenning, ra., (-en). Godspenning. Geschenk (tot omkooping). — Steek pil, v. (-len). Zetpil. — Steekplank, v. (-en). — Steekpomp, v. (-en). (Zeew.) Kleine verplaatsbare pomp. — Steekprief/t, ra. (-en). Steekknie. — Steekring, ra. (-en). — Steekspeen, v. (..enen). Steekknie. — Steekspel, o. (-en). (Middel.) Spel aan de vorstelijke hoven bij sommige feestelijkhe-yden gehouden. —-Steekte, v. Pijnlijke aan-

r8 — STEE

doening, inz. in de zijde. — Steekturf, m. (..yen) (voorwerpsn.); v. (stofn.). — Steekvlieg, v. (-en). — Steekvry, bn. Onkwetsbaar. — Steekwagen, m. (-s). Wagen, die voortgeduwd wordt. — Steekwapen, o. (-en). —Steekwerk, o. (-en). Borduursel, enz. — Stee kwiek, v. (-en). (Heelk.) Pluk-selrol.

steel, m. (stelen). Stengel van eene plant, van een plantendeel. Het lange end der tabakspijp. Handvatsel van eenen hamer, eenen lepel, enz. Stok van eenen bezem. — Stee tachtig, bn. Als een steel.

— Steelbloem, v. (-en). — Stee'gat, o. (-en). — Steelhaak, ra. (..aken). (Zeew.).

— Steelkwast, ra. (-en). — Steelloos, bn.

— Steelmaker, ra. (-s). — Steelworm, m. (-en). Soort van poliep.

steelaelitiff, bn. Diefachtig. — Steel-baar, bn. — Steelswijze, ,.wys, bijw. Heimelijk. In stilte. — Steelzucht, v. — Steel-zuchtig, bn.

steemau, m. (..lieden, ..lui). Stadbewoner.

steen, m. (-en) (voorwerp); v. (collect, stofn.) ; o. (abstr. stofn.). Zekere harde delfstof, die tot bouwstof en tot bestrating wordt gebruikt. De gewone steen, metselsteen, wordt uit klei enz. in eenen vorm gemaakt, gedroogd en gebakken. Edelgesteente, diamant. Dobbelsteen.Hagelsteen. Grafsteen. Molensteen. Slijpsteen. (Oudt.) Een van hardsteen opgetrokken gebouw. Lithographische steen : op steen teekenen, drukken. Steenachtige massa in een dierlijk lichaam : steenen in de nieren. Harde pit van vruchten, kern. (Oudt.) Gewicht = 2,7 kilogr. — Steenaarde, v. — Steenachtig, bn. — Steenachtigheid, v.

— Steenader, v. (-en, -sj. — Steenafdry-vend, bn. —Steenahoorn, ra. (-en). Val-sche plataanboom. — Steenaluin, v. Roodachtige aluin. — Steenarend, m. (-en). Zie Arend. — Steenbaars, ra. (..zen). Houdt zich op tusschen steenen, enz. — Steenbakker, m. (-s). — Steenbakkerij, v. Het steenbakken. (-en) Steenoven. Plaats, waar steenen gebakken worden. — Steenbak-kersklei, v. — Steenbank, v. (-en). — Steenbedding, v. ( en).— Steenbeen, o. (-deren). Gedeelte van het slaapbeen. — Steenbeitel, m. (-s). — Steenbeschryvert m. (-s). — Stee nbesch rij ving, v. (-en). — Steenbeuk, m. (-en). Haagbeuk. — Steen-bijter, ra. (-s). Stekelgrondel {cobitis toe-nid\. —o. Gebikte steen. Sti*en« gruis. — Steenbikker, m. (-s). — Steen-bi kst er, v. (-s). — Steenblok, o. en m. (-ken). — Steenbok, ra. (-ken). Eene berggeit [capra ibex). Een der teekens van den dierenriem. — Steenbokskeerkring, m. Zie Keerkring. — Steenbolk, m. (-en). Soort van dorsch (gadus barbatus). — Steenboor, v. (..oren). — Steenbrasem, m. (-s). Soort van brasem {sparus salpa). — Steenbreek, ..breke, v. Plantergeslacht (saxifraga). Eenige soorten worden bij ons in 't wild aangetroffen. — Steenhreek-achtiqen, v. mv. Plantenfamilie. — Steen-brekend, bn. Steenoplossend. — Steenbreker, ra. (-s). Steengraver. — Steen-breuk^. (-en). (Heelk.) Kraakbeenbreuk.


ocr page 815

doorn. — Steendruk, m. (-ken). Kunst om op 3teen te drukken. Wat op steen gedrukt is. — Steendrukken, bw. steendrukte, heeft gesteendrukt. — Steendrukker, m. (-s). — Steendrukkerij, v. Het steendrukken, (-en) Plaats, waar gesteendrukt wordt. — Steendrukpers, v. ( en).

— Steendrukplaat, v. (..aten). — Steendrukwerk, o. — Steenduif, o. (..ven). Wilde duif, die op rotsen nestplt. — Steeneik, m. (-en). Soort van eik. Komt voor in ;t Zuiden van Europa. — Steenen, bn. — Steenesch, m. (..sschen). Wilde esch. — Steengal, v. (-len). Kniegezwel van een paard. — Steengang, v. (-en). Geopende steenader. — Steengeit, v. (-en). Wij^es-steenbok. — Steenglas, o. Mica. —Steenglooiing, v. {-en). Steengoed, o. Soort van aardewerk. — Steengraver, m. (-s).

— Steengroef, v. (..ven). — Steengrond, m. (-en). —Steengruis, o. Fijne steenkorreltjes. Puin. — Steengruizig, bn. — Steenhard, bn. Hard aïs steen. Zeer hard.

— Steenhoen, o. ( ders). Grieksche patrijs.

— Steenhoop, m. (-en). — Steenhouwen, o. —Steenhouwer, m. (-s) — Steenhouwerij, v. (-en). — Steenhouwersbeitel, m. (-s). — Steenhouwershamer, m. (-s). — Steenhourverswerk, o. — Steenig, bn. — Steenigheid, v. — Steeniqen, bw. stcenig-de, heeft gesteecigd. Met steenen dood-werpen. —Steeniging, v. ( en). — Steen-kalk, v. —Steenkar, v. (-ren). — Steenkarper, m. (-s). Zekeie karper {cyprinus carassius), die in de binnenwaters voorkomt. — Steenkenner, m. (-s).— Steenkern, v. (-en). — Steenkernplanten, v. mv. — Steenkers, v. Kie n bezemkruid {lepidiuvi ruderale). — Steenkever, m. (-s). Soort van kever. — Steenklaver, v. Soort van wilde klavei {tnfolium repens).

— Sfeenklip, v. (-pen). — Steenkliever, ..k/oover, m. (-s). — Steenkolenbedding, v. (-en). —Steenkolengas, o. — Steenko-

STEE

— Sieendog, m. (-gen). Soort van dog {cam's fricator). — S/een dood, bn. Geheel dood. — Sfeen doorn, m, (-en). Haag-

^ — STEE

lengroeve, v. (-n). — Steenkolen/lande-laar, m. ( s). — Steenkolenmagazijn, o. (-en). — Steenkolenmijn, v. (-en). — Steenkolenontginning, v. — Steenkolenwagen, m. (-s). — Steenkolen-werker, m. (-s). —Steenkool, v. (..olen). Brandbare delfstof, bestaande uit verkoolde plantgewassen, die in verschillende diepten onder de oppervlakte der aarde in lagen of beddingen gevonden wordt. — Steenkoolader, v. (-s). — Steenkoolasch, v.— Steenkoo-per, ra. (-s). — Steenkoud, bn. Zeer koud.

— Steen kruid, o. Parelkruid. — Steen-kuil, ra. (-en). — Steenkunde,v. — Steenlaag, v. (..agen). — Steenlegger, m. (s).

— Steenlegging, v. — Steenlepel, m. (-s). (Geneesk.). — Steenlijder, ra. (-s). — Steen lijm, v. — Steenlinde, v. (-n). Linde met kleine bladen (/ilia mier op hy lid).— Steenmand, v. (-en). — Steenmarter, m. (•s). Fluwijn. — Steenmeeuw, v. (-en). Sneep. —Steenmortier, ra. (-en). (Oudt.).

— Steenmos, o. (-sen). — Steenmot, v. (-ten). Keldermot. — Steenmusch, v. (..sschen). — Steenoester, v. (-s). — Steenolie, v. (..iën). Petroleum. — Steenoplos' send, bn. Wat den steen, het graveel opIosf. —Steenoud, bn. Stokoud. —Steenoven, ra. (-s). — Steenpek, v. — Steen-plant, v. (-en). — Steenpok, v. (-ken). Waterpok. — Steenpuist, v. (-en). Zeer harde puist. — Steenpnt, ra. (-ten). Steengroeve.Gemetselde waterput Beval kwelm-water, dat uit den grond opwelt. — Steenraket, v. Plantengeslacht {erysimum), tot de kruisbloemigen behoorende. Eenige soorten komen bij ons in 't wild voor. — Steenrtf, o. (-fen). — Steenrood, o. — Steenroos, v. (..ozen). Alpenroos.— Steenrots, v. (-en). —Steenrotskers, v. —Steen-ruit, v. Soort van streepvaren. — Steenschaap, o. (..apen). Soort van schaap (ovis ammon). Is in Sardinië, Griekenland thuis.

— Steenschrift, o. (-en). — Steen slijper, ra. (-s). —Steenslinger, ra. (-s). — Steenslingeraar, ra. (-s). — Steensnijder, m. (-s). — Steensnijding, v. (-en). — Steen-snijmes, o. (-sen). — Steensoort, v. (-en).

— Steenstuk, o. (-ken). Geschut om steenen te werpen. — Steentang, v. (-en). — Steenuil, m. (-em. Kerkuil. — Steenval, ra. (-len). — Steenvalk, ra. (-en). Rotsvalk {falco lithofalco). — Steenvaren, v. (-s). Reinevaar. — Steenver drijvend, bn.

— Steenviolier, v. ( en), steenviool, v. (..olen). Gemeene muurbloem. — Steen-vorm, ra. (-en). — Steenvormer, ra. (-s).

— Steenvorming, v. (-en). — Steenvos, ra. (-sen). Paard raet bruinros haar. — Steenvrucht, v. (-en). — Steenwagen, ra. (-s). — Steenweg, m. (-en). — Steenwilgf ra. (-en). Soort van wilg {salix arenaria).

— Steenwording, v. — Steenworp, m. (-en). — Steenzaad, o. Plantengeslacht (lithospermum) toi de ruwbladigen behoorende. Bij ons komen twee soorten in 't wild voor : 't gewone steenzaad (/. officinale) en 't akkers eenzaad (/. arvense). — Steen-zaag, v. (..agen). — Steenzager, ra. (-s),

— Steenzagerij, v. Het steenzagen. (-en) Werkplaats der steenzag^rs. — Steenzout, o. Hardste stuou vau zout. —Steenzout-


ocr page 816

— 75° —

STEK

STEK

troef, v. (..ven). — Steemouilaag, v. (..agen). — Steemuur, o. (Scheik.). — Steemrvaluw, v. (-cn). Muurzwaluw. — Steenzweer, o. (..eren). Bloedzweer, die niet overgaat tot ettering, ruaar langzaam verteert en verdwijnt.

ccn (C. van tien), 1566-1637, Bokholt. ^ C. a Lap 1 de. Jezuïet. Comvietaren op de h. Schrift.

Klt;ecn (y.), 1626-1679, Leiden. Genre-ichilder. Depapegaaiskooi; de Brouvoerij Va ft Jan Steen.

ftHecmvyk [H.van), 1550-1604, Steen-wijk. Schilder van binnenzichten van kerken, enz.

Mtceplo-cliaso, v. Wedren met hindernissen.

m. (-gen). Losse plank. Sloot-plank. Weg noch steg weten : verdwaald aijn.

ftie^el, ra. (-s). Stijgbeugel. — Stegel-reep, ra. (-en).

nlciiror, m. (-s). Aanlegplaats (oppaalwerk) voor schepen. Steigerschuit met daarop rustende brug. Stelling, door met-gelaars, enz. gebruikt, om hun werk in de hoogte te verrichten. — Steile* balk. m. (-en). — Steigeren, ow. steigerde, heeft gesteigerd. Op de achterste pooien overeind rijzen (van paarden). (Mets.) lüenen •teiger oprichten. Klimmen, stijgrn (van prijzen). — Steigering, v. (-en). — Steiger-gat, o. v-en).—Steigerpaal, m. (..alen).

Steigerplank, v. (-en).— Steigerschuit, V. (-en). — Steigertouw, o (-eu1.. — Steiger 7V er k, o.

■ loll, bn. Sterk hellend, sterk gtoniend : «teile rotsen. Min of meer loodrecht : die ladder staat te steil. Steile, schfirpn wind. Steile, ingewortelde begrippen. Slijf . steile houding. — Steilbonrschuaf, v. (..venj — Steilheid, v. — Steiloor, m. l-en). V.zel; m. en v. (-en) Stijfkop. Onhandelbaar mensch. — Steitoong, bn. Stijfkoppig. Hardnekkig. Licht de ooren opstekende (van paarden). — Steiloortgheid, v. — Steilte, v. (-n).

utclu««*cl, m. (-s). Koppig, onfatsoenlijk mensch.

Mtvk, ra. (-ken). Steek van iels, dat puntig is : de stek van eene naald. Bijtend gesegde : iem. eenen stek geven.

Mek, v. (-ken). Puntige stok, enz. in d-in grond geslagen om er een touw, enz. aan vast te hechten. (Mets.) Puntig ijzer in den muur bevestigd om cr eenen draad aan te spannen. Afgesneden boomscheut. Sul-ferstek. (Schoenm.) Puntig tapje of nagel.

— Stek she, o. (-11). Phosphorsukske. Kiek, o. (-ken). Bergplaats. Staketsel.

Voet bij stek houden : zich niet laten Lepraten.

ariekna», o. (..azen). Schietmot, «tekstde, v. (-n). Ponjaard, enz. in eenen stok verborgen.

■iekebliiul, bn. Geheel blind, ■lekei, m. (-s). Puntige uitwas op de huid van sommige dieren en op de schors van sommige planten. Vederdistel. — Stekelachtig, bn. Stekend, puntig. Bits,scherp.

— Stekelachtigheid^. (..heden). — Ste-/telöaats, m. (..zen). Klein vischje l^gaste-rosteus acuteatus), met puntige doornen op den rug. Komt in al onze wateren voor. — Stekelbes, v. (-sen), ..bezie, v. (..iën). Kruisbes. —Stekelboom, m. ( en). Boom met stekelachtigen bast. — Stekelbruin, m. (-en). Soort van gevlekt paard. — Stekelbuik, m. (-en). Zekere visch, met stekels op den buik en den rug. — Stekeldraad, o. Puntdraad. — Stekelhaag, v. (..agen). Doornhaag. — Stekelheide, v. Engelsche brem {genista annlica). Komt op onze heiden algemeen voor. — Stekelhuiden, v. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk). — Stekelig, bn. Vol stekels. Puntig. Netelig. — Stekeligheid, v. — Stekeling, m. (-en). Grondeling. — Stekeltrekker, m. (-s). — Stekelvarken, o

(■s). De stekelvarkens maken eene familie uit onder de knaagdieien. 't Huropeesih stekelvarken {hystrix crutaia) heeft een© huid bezet met haren en stekels. In angsi of toorn richt het zooveel mogelijk de stekels op. — Stekehnn, v. (-nen). Vm van stekels voorzien. — Stekelvinnigen, v. mv. Zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk). — Ste-kelvisch, m. (..sschen). — Stekelvormig, bn. — Stekelvos. in. (-sen). Soort van gevlekt paard.— Stekelvrucht, v. (-en). — Stekelzaad, o. Plantengeslacht {anlhris-cus), tot de schermbloemigen behoorende. Daartoe behooren de tuinkervel, de wilde kervel en 't kervelaardig stekelzaad, — Stekelzwijn, o. (-en). Stekelvarken.

stekeu, bw. ow. stak, heeft gestoken. Induwen : eenen paal in den grond steken. Ken scherp werktuig krachtig in iets drijven. Prikkelen, wonden. Iem. over-hocp steken, hem niet een scherp wapen dooden. Met puntige voorwerpen vasthechten : een strikje op de borst quot;teken. Bergen : eenen brief in den zak steken. Ergens in brengen : iem. in een klooster steken. Afsteken : turf steken. Ophalen met eene spaan : boter steken. Bier steken, door eenen hevel van het eene vat in het andere laten loopen, hierin het klein verknopen. Aal steken, met de aalschaar vangen. Aspenjes steken, onder den grond afsnijden. Monsters steken : uit een vat een gedeelte eener koopwaar als monster uitprikken. Stekende ergens heen brengen : hooi op den zolder steken. Doen ontvlammen : in brand steken. De trompet steken : op de trompet blazen. Een gevo.-l verwekken als van iets, dat steekt : de zon steekt. Zich in schulden steken ; schulaen


ocr page 817

STEL — 75

maken. Hij steekt in een kwaad vel : hij dreigt haast te sterven. In zee steken : zee kiezen. Over zee steken : naar de overzijde varen. lem. naar de kroon steken, hem op zijde streven, arts.) De kaart steken : de azen, lieeren, enz. bijeenstaken. Iets in zijn hoofd steken : zich iets inbeelden. Iets in 't dak steken : iets laten varen. Ergens geld, tijd, enz. in steken, er geld, tijd, enz. aan besteden. Een land onder water steken, zetter. lem. in de kleederen steken, hem de kleederen aandoen, hem foppen, voor den gek houden. Met de hoornen stooten : die koe stetkt. (Spel) Ring of den ring steken, naar den ring steken. De schuld op iem. steken, aanwrijven. Er steekt niet veel in, er is weinig aan gelegen. Het steekt er niet op, het komt er niet op aan. Het niet nauw steken : niet stipt, niet nauwkeurig zijn. — Steken, o. Steking. — Stekend, bn. — Steker, m. [s). Diesteekt.Stekel. (Zeew.) Balkstuk.Priem. Ponjaard. Hekelaar. — Steekiter, v. (-s).

— Steking, v. (-en).

Ntekkcii, bw. stekte, heeft gestekt. Takjes afsnijden en in aarde of water zetten. Hard pikken : de hennen stekken de korreltjes graan. Gretig grijpen : de vogelen stekken de wormpjes. Heimelijk wegnemen : iemands beurs stekken. Vastgrijpen : zij hebben den dief gestekt. Eenen stek geven, beleedigen. — Stekking, t. (-en). — Stekvogel, m. (-s). Roofvogel. Inz. sperwer.

«tel, m. Stand, orde. — Stel, o. ( len). Stelling, werf. Verzameling van bij elkander behoorende zaken. — Ste/blok, o. (-ken). (Zeew.) Groot blok onder 't achterstuk van een affuit. —Stelhamer, m. (-s). Stemhamer.—Stelhout, o. (Zeew.) Stelling van een kanon. — Stelijzer, o. (-s). Ijzer, waarmede het blad vau een en lessenaar, enz. hooger of lager gesteld wordt. Stelblok. — Stelkalf, o. (..ven). Staande kalf. — Stelkunst, v. Rekenwijze met letters en figuren, die de plaats van getallen bekleeden. Inz. Oplossing van rekenkundige voorstellen door vergelijkingen. — Stelkunstenaary m. (..aren, -s). — Stelkunstig, bn. — Stellage, v. (-s). Stelling.

— Stelle, v. (-n). Opgeworpen hoogte op schorgronden. — Stellen, bw. stelde, heeft gesteld. Doen slaan, plaatsen, zetten. Rangschikken : troepen in slagorde stellen. Vaststellen : de markt, de prijzen stellen. Overgeven : ter hand stellen. In geschrifte brengen : eenen brief stellen. Opschrijven : te boek stellen. Richten : een stuk geschut stellen. Brassen : de zeilen stellen. Openzetten : de netten stellen. Gelijk zetten : de snaren stellen. Stemmen : een speeltuig stellen. Arbeid geven : iem. in 't werk stellen. Prijs stellen (op): waarde hechten (aan). Maken : hij stelt het daar goed. Hij stelt het wel ; hij kan er goed leven. Iem. paal en perk stellen, hem de grenzen zijner macht of bevoegdheid aanwijzen. Iem. de wet stellen, hem voorschrijven hoe hij handelen moet. Laten zien : ten toon stellen. Zijne zinnen stellen (op), er verzot op geraken. Op zijde stellen : op sgde schuiven, niet achten. Doen : wat

i — STEM

hebt gij met hem te stellen ? (Taalk.) De stellende trap. Zich stellen, ww.— Stellen, o. — Steller, m. ( s). —Stellini:, v. i-en). Het stellen. Stel. Stt llage. Steiger. Wijze, waarop een werk of geschrift vervaardigd is. Grondgedachte. Theorema. Meerder-term eener sluitrede. — Stelpaard, o. (-en). Postpaard. — Stelplank, v. (-en). (Art.). — Stelregel, m. (-s). Aangenomen denkbeeld. Kern-, leerspreuk. Levensregel. — Stelschroef, v. (..ven). Richt-schroef. — Steister, v. (-s). — Stel wig, v. (-gen). Wig om mortieren te richten.

Nteleu, bw. steelde, heeft gesteeld. Van eenen steel voorzien.

Hteleu, bw. stal, heeft gestolen. Heimelijk ontvreemden. Zich eens andermans goed, enz. toeëigenen. Iemands hart stelen, zijne genegenheid winnen. Dat kind is om te stelen. — Steler, m. ( s). — Steelster, v. (-s).—Steling,(-en).

Ktellij;, bn. bijw. Zeker, bepaald, beslist. De stellige wijsbegeerte. Het^stellig recht. — Stelligheid, v. (..heden).

Ntellioiisml, o. Bedrieglijke verkoop.

stelpen, bw. stelpte, heeft glt; stelpt. Stillen, doen ophouden : bloed stelpen. Eene stulp zetten ^over). Dekken. Iemands droefheid stelpen, lenigen. — Stelping, v. (-en). — Stelpnet, o. (-ten).

sielMel, o. ( s). Aangenomen begrip. Verzameling van aangenomen begrippen. Grondbeginselen, waarnaar men handelt. Verzameling van verschillende voorwerpen die een gehee! vormen. Het t'endeelig stelsel. (Zeew.) Ijzerwerk aan het roer. Schenkblad met al het toebehooren : een porseleinen steisel. Kleine trapstellage, waarop men alle slag van postuurtjes enz. stelt. — Stelselloos, bn. — Stelselloosheid, v. — Stelselmatig, bn. bijw. Naar een stelsel. Volgens eene aangenomen orde. — Stelsel7)tatigheid, v. — Stelselzucht, v.

Nlolt, v. (-en) Lat, van een dwarshout voorzien, dienende om door water, slijk, enz. te gaan. Houten been. De wereld rijdt op stelten, alles is er onderstboven. — Steltenlooper, m. (-s). Iem., die up stelten loopt. — Steltlooper, m. (-s). De stelt too-pers maken eene orde onder de vogels uit.

stem, v. (-men). Vermogen van men-schen en dieren om uit mond en keel een geluid voort te brengen. Keelgeluid. Klank. Inz. de stem der menschen. De mensche-lijke stem als zangorgaan. Muzieknoten, die voor éene stem geschikt zijn. Aan iemands stem gehoorzamen : doen wat hij verlangt. De stem van 't volk is de stem van God. Blijk van gevoelen (voor of tegen) : de stemmen waren tegen hem. Toestemming ; zijne stem tot iets geven. Algemeen heerschend gevoelen ; er was maar éene stem over de zaak. De stem des bloeds, der natuur, der rede, van 't geweten. De stem des donders. Stem in 't kapittel hebben : ook iets te zeggen hebben.

— Stembaar, bn. — Stembatietje, o. (-s).

— Stemband, m. (Ontl.). — Stembiljet, o. (-ten). — Stembriefje, o. (-s). — Stembuiging, v. (-en). — Stembuigin^spunt, o, (-en). — Stembureel, o. (-en). — Stem-


ocr page 818

STEN — 75

burger, m. (-s). Stemgerechtigde.— Stembus, v. (-sen). —Stemcedel, v. (-S'. Lijst der stemgerecliiigden. — Stemdag, m. (-en). — Stem draad, m. (..aden). (Muz.).

— Stemgeluid, o. (-en). — Stemgerechtigd. bn. Recht hebbende om te stemmen.

— Stemgerechtigde, m. en v. (-n). — Stemgeschal, o. — Stemgever, m. ( s). — Stemhamer, m. (-s). Hamertje, bij de piano-stellers in gebruik. —Stemhebbend, bn. — Stemyzer, o. (-s). (Muz.).— Stem-leiding, v. — Stemlost, v. (-en). — Stemme loos, bn. — Stevimeloosheid, v.— Stemmen, bw. ow. stemde, heeft gestemd. Bij eene raadpleging uitspraak doen, beslissen : wat zult gij stemmen? Benoemen : zult gij mijnen vrin d stemmen? Een muziekinstrument in al zijre tonen tot zuiverheid en overeenkomst brengen : een orgel steramen. Bedaren : de gemoederen tot rust stemmen. Zijce st'm uitbrengen (voor of tegen). Genegen zijn : ik ben daartoe niet gestemd. lem. gunstig voor eene zaak strmmen, hem zoo weten te bewegen, dat hij de zaak bevordere. — Stemmer, m.. (.s), _ Stemmig, bn. bijw. Ingetogen. Bescheiden. Geregeld van gemoed en uiterlijk voorkomen. — Stemmigheid, v. — Stemmig/cs, bijw. Stemmig. — Stemming, v. (-en). Het stemmen. Toonhoogte van een instrument of orkest. Overeenkomst van toon van bet eene met het andere instrument. Gemoedsgesteldheid: hij is in eene goede stemming. — Stemoefening, v. (-en).— Stemomvang, m. — Stemêp-nemer, m. ( s). —Stemopneming, v. (-en).

— Stemrecht, o. — Stemregister, o. (-s).

— Stemsleutel, m. (-s). Stemvork. — Stemspleet, v. (..eten). ^Ontl.). — vSVW/z-spleetband, m. (-en). (Ontl.). — Stemster, v. (-s). — Steinval, m. — Stemverheffing, v. — Stemvork, v. (-en). Stalen tang, in den vorm eener U, de la aangevende en dienende om muziekinstrumenten te steramen. — Stemwig, v. (-gen). (Org.). — Stemwijze, ..uijs, v. (..zen).

fttcmpol, m. (-s) Stamper, waarin figuren of letters ingesneden zijn. Afdruksel van den ftempel. Keur op goud of zilver. Muntslag. Ijk van maten en gewichten. Zie Stamper. Een man van den ouden stempel : een rond, braaf man. Kenmerk : dat draagt den stempel der waarheid. — Stempelaar, m. ( s). — Stempelaarster, v. (-s). — Stempelbeeld, o. (-en). — Stem-pelbout, ra. (-en). (Zeew.) Drevel. —Stempelpoos, v. [..zw). —Stempelen, bw. stempelde, heelt gestempeld. Den stempel drukken (op). Met eenen stempel merken. Goedkeuren. (Zeew.) Uitdrijven : eenen boutstempelen. — Stempelhamer, m. ( sj.

— Stempelijzer, o. (-s). — Stempeling, v. (-en). — Stempelinkt, ra. — Stem el-jaar, o. (..aren), jaar, door den stempel aangewezen. — Stempslletter, v. (-s). — Stenipelpers, v. (-en). — Stempelplaats, v. (-en). —Stempelrecht, o. — Stempel-schroef, V. (..ven). — Stempels lag, m. (-en). — Stempelsnijder, m. (-s).

■tempen, bw.stempte, heeft gesterapt. Stelpen. — Stemping, v. ,

steudeu ra. mv. Stemgerechtigde le-

2 STER

den van land- of rijksdagen. Vergadering dier leden. Staten.

stcucn, ow. steende, heeft gesteepd. Zuchten. Klagen.

Htong:, v. (-en). Stang. Staak. (Zeew.) Maststaak. Bovenste gedeelte van den mast. Vlaggestok. — Stengewant, o.

Htcnsel, m.(-s). Dunne steel van bloemen, bladeren, enz. — Stengelblad, 6. (-eren).

stcnograpliieereii, bw. stenogra-phieerde, heeft gestenographieerd. Snel schrijven (door middel van teckens). — St(nagraaf, m. (..afen^. Snelschrijver. — Stenographic, v. — Stenographisch, bn.

KtcplianiiH [h.). De eerste martelaar# Werd gestlt; enigd te Jeruzalem (33).

Stepli«'ii«oi» 10 {amp;•), 1781-1848, Newcastle en 20 zijn zoon (/?.), 1803-1859, Wilmington, zijn bekend door het verbeteren der locomotievm en het aanleggen der eerste ijzeren-spoorwegen in Engeland.

Ntoppe, v. (-n) Hoogliggende, uitgestrekte vlakte slechts met grassen en kruiden begroeid (inz. in Rusland en Azië).— Sieppe 11 grond, ra. — Steppcnmeer, o. C-.eren).

Mtfer, mtstr, v. (-ren). Teder lichtend lichaam, dat zich buiten den dampkring der aarde be vindt,waarvan echter 'tspraak-gebruik, niet de wetenschap, de zon en de maan uitzondert. Wetenschappelijk gesproken, onderscheidt men de sterren in vaste sterren, planeten, wachters oi bijplaneten t kometen, val'etide of verschietende sterren. Elk ding, dat naar eene ster gelijkt. Eene ster van diamanten, stervormig sieraad. Stervormig bloembed : in die ster staan schoone bloemen. Stervormige scheur : hij viel eene ster in 't ijs. Bles op 't voorhoofd der paarden. Werktuigje der boekbinders. Stervormig ordeteeken : de ster prijkte op zijne borst. Stervormig onderscneidingsteeken : een kapitein heeft drie sterren op zijnen kraag. Zij is eene ster, eene kunstenares van den eersten rang. lem. tot de sterren verheffen, hem hemelhoog prijzen. — Steranijs, m. Altijd groene heester [illicium anisatum)-Komt in China en Japan voor. Zijne vrucht is in den handel onder den naam van stera-«ys bekend.—Steranijsolie,v.—Ster blind, bn. Stekeblind. — Stergewelf, o. (..ven). (Dicht.) Uitspansel. — Sterrebaan, v. (..anen). — Sterrsbloevi, v. — Sterre-bosch, o. en m. (..sschen). Stervormig plantsoen. — Sterredag, m. (-en). — Sterre-7aar, o. (..aren). Zie Jaar. — Sterrekers, v. Tuinkers. — Sterrekruid, o. Soort van aster. — Sterrekruis, o. (-en). (Wapenk.).

— Ster re lamp, v. (-en). Hanglamp, die geene schaduw werpt. — Ster remaand, v. (-en). — Sterremuur, v. Plantengeslacht {stellaria), tot de muurachtigen behoorende. — Sterrenbeeld, o. ( en). Gestarnte. Hemelteeken. Verzameling van sterren. — Sterrenbeschrijver, ra. (-s). — Sterrenbesch rit ving, v. (-en).

— Sterrendak, o. (Ditac.) Uitspansel. — Sterrengewelf, o. Uitspansel. — Sterrenhemel, ra. Al de zichtbare sterren te zaraen. Firmament. — Sterrenhoogteme-


ocr page 819
ocr page 820
ocr page 821

STER — 7

ter, ra. (-s). — Sterrenkaart, v. (-en).— Ster ren kenner, m. (-s). — Sterrenkyker, ra. (-s). Sterrenwichelaar. — Sterretikij-kery, v. (-en). — Sterrenkunde, v. Wetenschap van den loop, den stand, de grootte der hemellichamen. — Sterrenkundig, bn. — Sterrenkundige, m. (-n).

— Sterrenkunst, v. — Sterrenlicht, o. — Sterrenloop, rn. — Sier re n loopk nnde, v.

— Sterrenl- opkuyidig, bn. — Sterrenmeter, ra. (-s). — Sterrenregen, m. — Sterrentoren, ra. (-s). Toren, gebouw tot rvaar-neraing der sterren. — Sterrenzvacht, v. (-en). Gebouw tot waarneming der sterren. — Sterrenwichelarij, v. (-en). Kunst, door welke men meende uit den loop en den stand der sterren de toekomst en inz. het lot der menschen te kunnen voorspellen. — Sterrenwichelaar,m. (-s).

— Sterreschans, v. (-en). Kleine schans met 4, 5, 6 uitspringende hoeken. — Sier-reschot, o. Vallende, verschietende ster.

— Sterresteen, ra. (-en). Soort van zeeplant. Kattenoog. — Sterretje, o. (-s). Verkleinw. van ster. (Boekdr.) Aanmer-kingsteeken (*). Teeken, dat op den kraag der jas van officieren den rang aanwijst. — Sterrtg, bn. Vol sterren. Stervormig, — Sterscheuren, v. mv, Straalswijze of cirkelvormige spleten in boomen. — Sterverband, o. (-en). (Heelm.).— Stervormig Jan.

«tere, v. ^-n, -s). Maat om hout te meten = i kubieke meter.

Ktereomef rie, v. Lichaarasmeting.

HtereoHOoop, ra. (..open). Toestel, waarmede raen de beelden van voorwerpen op een plat vlak voorgesteld, met drie afmetingen in relief ziet. — Stereoscopic, v.

Htercofiep, bn. Onveranderlijk. — Stereoiiepdruk, m. Het drukken met vaste, onoeweeglijke drukvormen. — Stereotiepen, v. mv. Stereotiepe vormen, afdrukken. — Stereotiepplaat, v. (..aten).

— Stereotypeeren, bw. stereotypeerde, heeft gestereotypeerd. Vaste drukvormen vervaardigen. Met vaste drukvormen drukken. — Stereotypie, v.

Nterf bed, o. (-den). Bed, waarop men sterlt. — Sterf bericht, o. (-en). — Sterfdag, ra. (-en). — Sterfelijk, bn. Kunnende sterven. — Sterfelijkheid, v. — Sterfgeval, o. (-len). — Sterfhuis, o. (..zen). — Sterfjaar, o. ( .aren). — Sterfkamer, v. (-s). —Sterflijst, v. (-en). —Sterfplaats, v. (-enK — Sterfput, ra. (-ten). Put, waarin het water uitdroogt. — Sterfregister, o. (-s). — Sterfte, v. Het sterven. Inz. het sterven van velen omtrent denzelfden tijd

— Sterjtetafel, v. (-s). — Sterftijd, m. — Sterfuur, o. (..uren). — Sterf val, ra. (-len). Toegevallen erfdeel. — S'erf wol, v. Wol van aan ziekte gestorven schapen.

— Sterveling, ra. en v. (-en). Sterfelijk raensch. Mensch. — Stervelinge, v. (-n).

— Sterven, ow. stierf, is gestorven. Ophouden te leven. Uit het leven scheiden. Ontslapen. — Sterven, o. — Stervend, bn. — Stervensnood, ra. —Stervensstond, m. — Stervensuur, o (..uren).

Hterk, bn. bijw. Stevig, vast, duurzaam : een sterke muur. Krachtig gespierd : een sterk paard. Deugdzaam, dik :

3 — STEV

sterk linnen. Geweldig : sterke wind. Krachtig : sterke wijn. Geestrijk : sterke dranken. Zeer bijtend : sterke loog. Te veel prikkelend : sterke geuren. Talrijk : een sterk leger te been brengen. Sterke boter : boter, die te lang gestaan heeft. Gevoelig : dit maakte een sterken indruk op de gemoederen. Vermogend : de sterke arm der wet. Ervaren : sterk zijn in eene taal, Ik maak mij sterk, durf op mij nemen.

— Sterkbeemg, bn. — Sterken, bw. sterkte, heeft gesterkt. Sterk maken : een raiddel om 't lichaam te sterken. Opbeuren, troosten, aanmoedigen. — Sterkgebouvud, bn. — Sterkgespier(l, bn. — Sterkgeze-mnud, bn. — Sterking, v. — Sterkmid-del, o. (-en). Middel, dat sterkt. — Sterkte, v. Het sterke. Kracht. Gespierdheid. Vermogen. Getal : de sterkte van den vijand. Scherpheid (van smaak). Geest-rijkheid (van dranken). Vesting, fort. Troost, bemoediging, opbeuring. — Sterkwater, o. (Scheik.) Oplossing van salpeterzuur.

steriet, ra. (-ten). Soort van steur, die kaviaar levert.

Hterlins:. Zie Pond.

Sterne (Z,.), 17^-1768, Clonmell (Ierland), Eng. schrijver. The Life and Opinions of Tristram Shandy (i759-'66) ; Sentimental journey through France and Italy (1767).

Sterrebeeck {F. van), 1651-1693, Antwerpen. Kruidkundige.

stetlioseooi», ra. (..open). Werktuig ora de geluiden in de borst waar te nemen.

Nlcun, ra. (-en). Alles, waarop raen steunt. Schoor, stut. Hulp. Kostwinner. Verzorger. — Steunbalk, ra. (-en). — Steunblad, o. (-en). (Plantk.) Bladachtig aanhangsel. — Steunder, ra. (-s). \Zeew.) Houten verbindingsstuk. — Steunen, bw. ow. steunde, heeft gesteund. Ondersteunen : eenen muur steunen. Leunen (op, tegen) : op eenen stok steunen. Rusten : deze gewelven steunen op de zuilen. Vertrouwen stellen (in) : steun daar niet te veel op. Zich verlaten (op) : op iemands macht steunen. — Steuning, v. — Steun-middel, o. (-en).—Steunviuur,vci\,.wxexi),

— Steunpaal, ra. (. alen). — Steunpilaar, ra. (..aren). — Steunpijler, ra. (-s). — Steunpunt, o. (-en). —Steunsel, o. (-s).

— Steunstuk, o. (-ken).— Steunweger, ra. (-s). (Zeew.) Bovenkimweger.

Mteuucu, ow. steunde, heeft gesteund. Stenen.

Mteur, ra. (-en). Soort van welsraaken-den visch. Behoort tot de kraakbeenigen. De bekendste soort is acipenser sturio, — Steur haring, ra. (-en) (voorwerpsn.); v. (stofn.). Groote versche haring. Wordt in Sept. en Oct. ten Oosten der Engclsche klist gevangen. — Steurkrab, v. ( ben). Tienpootig schaaldier [palaemon tquilla). Wordt in zee, in de Schelde, enz. aangetroffen. — Steurkuit, v. — Steurvang st, v.

sten velen, ow. steuvelde, heeft ge-steuveld. Kibbelen.

stevel, ra. (-s). Laars. Inz. groote stijve ruiterslaars. (Org.) Voet, waarop de pijpen van een tongwerk staan. — Steve ten, bw.


ocr page 822

754 —

STIJ

STIE

stevelde, heeft gosteveld. Van laarzen voorzien. —Stevelkap, v. (-pen^. — Ste-velkwchf, m. (-s). Hr-uten werktuig om laarzen uit te trekken. — Stevelleer, o. — Stevehnahcr. m. (-s). — StevelzooL v. (..oler).

steven, m. (-s). Kromhout voor- en achteraan de kiel van een schip. Voorsteven : den steven werden, koers nemen (naar). — Sievenen, ow. stevende, is gestevend. Varen, zeilt n (vaar).— Steven-kroon, v. (..onen).

Steveiiisl, m. (-ei.). Aanhanger van de sekte, die aan de echtheid van het concordaat (1801) niet geloovende, zich afscheidde van d«- mecdi r) e:d der priesters en geloovigen en de goddelijke diensten in afzonderlijke huizen verrichtte.

■tcvisr, bn. bijw. Vast. Hecht. Stijf. Sterk. — Stevigen, bw. stcvigde, heeft gestevigd. Stevig maken. Süjven. — Sfe-v ikheid, v.

Sfevin {S.), 1548-1620, Prugge. Uitvinder der tiendeelige breuken.

Stewart (ZM, T75V1828, Edinburgh. Hoogleeraar (aldaar). Wijsgeer. Elements of the philosophy of the human mind (i794)'

Ste.raert 1647-1701, Zomergem.

Doctor in de godgeleerdheid. Theologies practicoe aphorisnii.

ntieht, Htil't, o. Geslicht, klooster. Abdij. Gebied van een«n ab':, eenen bisschop, enz. Het sticht (bisdom^ U trecht. Hij woont in het sticht, in de provincie Utrecht. — Stichtenaar. m. ( s, ..aren). Bewoner van het bisdom Utrecht. — Stichtenaar ster, v. (-s). — Stichtsch, bn. Tot een sticht of bisdom (inz. tot het bisdom Utrecht) be-boorende.

Mticliteüjk, bn. bijw. Geschikt om tot bet goede te wekkon. Tot godsdienstzin opwekkende. Godsdienstig. Treilend. — Stichtelijkheid, v. — Stichten, bw. stichtte. heeft gesticht. Vestigen : eene vereeni-ging stichten. Bouwen, oprichten : een klooster stichten. Aanleggen. Veroorzaken. Teweegbrengen. Verwekken. Stommen tot godsdienst en zedelijkheid. Troosten, zalven. Hij was er niet over gesticht, tevreden, voldaan. — Stichter, m. (-s, -en). — Stichting, V. ( en). — Stichtingsbrief, m. (..ven). — Shchtingsfeest, o. en v. (-en). — Stichtingsoorkonde, v. (-n).

— Stichtster, v. (-s).

«liefbroeder, m. {•amp;). Halfbroeder.

— Stiefdochter, v. (-s). Dochter van een eersten man of eene eerste vrouw. — Stiefkind, o. (-eren). — Stiefmoeder, v. (-s). Vrouw, die met eenen weduwnaar, reeds vader van een ol'nver kinderen getrouwd is. Wreede, hardvochtige vrouw. — Stiefmoederlijk, bn. bijw. Wreed, hardvochtig (van moeders ten opzichte van hare kinderen). — Stiefmoederschap, o. — Stiefvader, m. (-s). — Stiefvnderschap, o. — Stiefzoon, m. (..onen, -s). — Stiefzuster, v. (-s).

stiel, m. (-en). Bedrijf. Broodwinning. Ambacht. Handwerk.

stier, m. (-en). Mannetje vanhetrund-vae {bos tanrus). Steike en ruwe kerel.

Een der teekens vas den d'ererriem. — Stierachtig, bn. bijw. Als een stier. Onhandelbaar, ruw, lomp. — Stietthof, m. (-pen). — Stierengevecht, o. (-en). — Stierenhnid, v. (-en). — Stierenperk, o. (-en). — Stierefnjvet, o. — Stiere(n)-vleesch, o. — Stierkalf, o. '..vers, ..veren).

stieren. Zie Sturen.

Ktiet, v. (-en). (Ontl.) Stuit.

Htii't, v. (-en). Klein spits werktuig van hout of metaal. Pi n. Stilet.

stift, o. Zie Sticht. — Stift heer, m. (-en^. Kanunnik. — Stiftkerk, v. (-en).

styt', bn. bijw. Onbuigzaam : zoo stijf als eene plank. Onwrikbaar, onverzettelijk : hij staat stijf op zijne beenen. Krachtig : stijve wind. Onhandig ^stijve manieren. Onbevallig : eene stijve vertaling. Gedwongen, gemaakt: stijve complimenten. Koppi'g : hij houdt stijf en sterk staande. Ruim : het is stijf zes uren van hier. Stug : bij heeft een stijf karakter. Sterk : stijf in de handen zijn. Dik : het deeg stijf maken. Zeer, sterk, geweldig : hij is stijf ziek, het is stijf warm. — Stijfachtig, bn.

— Stiffachtigheid, v. — Stiff hals, m. en v. (..zen). Koppig en hardnekkig mensch.

— Stijfheid, v. (..heden). — Stijf hoofd, m. en v. (-en). Stijfiials. — Stijfhoofdig, bn.bijw.Onverzettelijk. Eigenzinnig. Hardnekkig. — Stijfhoofdigheid, v. — Styf-hauder, m. (-s). Steun. Steunpilaar. — Sty fknie, m. en v. (-en). Die stijve knieën breit. — Stijl kop, m. en v. (-pen). Stijf-hals. —Stijfkoppig, bn. bijw. — Stijfkoppigheid, v. — Stijflinnen, o. (-s). Gewast grof'linnen. — Stijf middel, o. (-en). — Stijf nek, m. en v. (-ken). Die eenen stijven nek heeft. Stijfhals. — Stijfsel, o. Gedroogd meel, dienende tot stijven van linnengoed, tot plakken, enz. — Stijfselach-tig, bn. — Stijf se Iblauw, o. — Stijfsel-borstel, m. (-s). — Stijfselen, bw. stijfselde, heeft gestijfseld. Met stijfsel besmeren. Doorhalen ilinnengoed). — Stijfsel-fabriek, v. (-en). — Stijf self abrikant, m. (-en). —Stijfselglans, o. — Stijfselkwast. m. (-en). — Sty pst l lepel, m. (s). — Stijfselmaker, m. (-s). — Stijfsehnakerij, v. (-en). — Stijtselpap,y. (-pen). — Stijfsel-pot, m. (-ten). — Stijfselton, v. (-nen). — Stijfselvat, o. (-en). — Stijf se Iverband, o. v-en). — Stijfselwate», o. — Stijfster, v. (-s). — Stijl te, v. — Stijfzinnig, bn. bijw. Stijfhooldig. — Stijfzinnigheid, v.

— Stijven, bw. ow. steef, heeft gesteven. Stijf maken of worden. Doorhalen (linnengoed). Vullen (de beurs, enz.). Bevorderen. Ondersteunen. Geen hoentje kunnen stijven : niet recht op ziine beenen kunnen gaan. — Stijven, ow. stijfde, heeft pestijfd. Versterken. De wind begint te stijven, heviger te W( rden. De markt is aan 't stijven, rijzen. Aanzetten, steunen (in) : iem. in het kwaad stijven. — Stijver, m, (-s). — Stijver ik, m. (-en). Grkookte aardappel, die tets en vast is. Onbuigzaam, omrien-delijk mensch. — Stijvigheid, v. — Stijving, v.

Ktüft, V. en o*. (-en). Twintigtal : een Stijg eien n.

slUffeu, ow. steeg, is gestegen. Naar

:


ocr page 823

STIL — 7;

I joven gaan, klimmen : in eenen wagen I itijgen, te paard stijgen. Van boven naar I jeneden gaan: uit eenen wagen stijgen, I 7an het paard stijgen. Verhoogen (der I marktprijzen). Rijzen (der koersen). Zijne I tvoc ie steeg ten top, bereikte den hoogsten I fraad. — Styg, m. Het stijgen. — Stijg-I leugel, m. (-s). Beugel, waarin de ruiter I den voet zet. Stijgbeugel met den stegel-I reep. Een der beentjes in de trommel-I aolte van 't oor. — Stijgbeugelriem, m. I ,'-en). — Siygbeuzelspier, v. (-en). — I Stijgblok, o. en m. (-ken). Steen, dienende ■ om te paard te stijgen. — Stijgen, o. — I Stijging* v. (-en).

1 MUI, m. (-en). Pilaar, stut. Deurpost. I Naald van een zonnewijzer. Stijlband, I xn. (-en). — Stijltje, o. (-s). Zie Stamper. I ftlül» (-en)* Stift, waarmede de Ouden I op hunne met was overdekte tafels schre-I ven. Wijze van zich in geschrilten uit te I drukken. Schildertrant, bouwtrant. De I oude stijl : tijdrekening vóór Gregorius I XIII. De nieuwe stijl : de Gregoriaansche I tijdrekening. Zie faar. Manier van hande-I len ; is dat een stijl van huishouden ? — I Stijleeren, bw. stijleerde, heeft gestijleerd. I Africhten (tot). Onderwijzen. Den stijl ver-I beteren. — Stijlleer, v. Voorschriften, die I men in acht moet nemen bij het vormen en I uiten van gedachten. — Stijloejennig, v.

I lt;'en)-

* fttikkcn, bw. stikte, heeft gestikt. Met I den voor- en achtersteek naaien. Bordu-I ren : met goud stikken. — Stik, m. Het I stikken. — Stikbes, v. (-sen). Kruisbes. — I Slikgat en, o. — Stikker, m. ( s). — Stik-! hing, v. — Stiklijn, v. (-en). (Zeew.) Ze-I ker dun touwwerk. — Stikmachine, v. i (-s). — Stiknaad, m. (..aden). — Stik-I naald, v. (-en). — Stiksel, o. (-s). Stik-1 werk. Stiknaad. — Stikster, v. (-s). — I Stikwerk, o. — Stikzijdc, v.

; Htikkcn, stikte, heeft en is gestikt. I Bw. Van de noodige luclit tot ademhaling I berooven. Ow. Van die lucht beroofd wor-i den, Meenen te bezwijken : hij stikte van I het lachen.—Stikdonker, bn. Volkomen I donker. — Stikgas, o. — Stikgrond, m. I (-en). Bodem van zware klei. — Stikheet, I bn. Stikkend heet. — Stikhoest, ra. — i Stikking, v. — Stiklucht, v. Lucht, waar-I in men niet of bijna niet kan leven. — Stik-I stof, v. Gassoort. Maakt met de zuu'stof I het hoofdbestanddeel uit van de damp-I kringslucbt. In gebonden toestand komt zij I voor in ammoniak, salpeterzuur, nitraten, I enz. — Stikstojznur, o. — Stikvol, bn. I Eivol. — Stikziend, bn. Zwaar bijziende. I — Stik zien dh eid, v. — Stikz iti k ing, v. I (-en, -s). (Geneesk.) Zinking, die doet stikken.

«lil, bn. bijw. Zonder beweging : stil water. Zonder geluid, gt-druisch : alles was stil rondom mij. Bedaard, kalm, vreedzaam, rustig: een stil mensch. De zee is stil, tusschen eb en vloed. Niet druk : het is nogal stil in den handel. Een stille spion : een geheime spion. Stille waters hebben diepe gronden : wacht u van dezen, die altijd zwijgen. — Stil, tw. — Stil, v. (-len). Stilletje. — StUachlig, bn. — Stilheid, v.

; — STIN

— Stilhouden (Sch.), bw. De beweging doen ophouden. Het voortgaan beletten. Verzwijgen : zij hielden de zaak stil. Een kind stilhouden, maken dat het niet schreit. Zich stilhouden, ww. ; geene beweging, geen rumoer maken. Zwijgen. Ow. Blijven staan: hij hield aan de deur stil. —Stillekens, bijw. — Stillen, stilde, heeft en is gestild. Bw. Tot stilte brengen : het geraas stillen. Tot rust brengen : hij weet het volk te stillen. Verzachten : de pijn stillen. Sussen : de slaap stilt de nijpendste pijnen. Bevredigen : om uwe nieuwsgierigheid te stillen. Ow. Stil worden : de wind stilt meer en meer. Bedaren : hij is al veel gestild. — Stilletje, o. (-s). Draagbaar gemak. — Stilletjes, bijw. — Stilleven, o. {-s). Schilderstuk, ziellooze voorwerpen (bloemen, enz.) voorstellende.—Stilliggen (Sch.),ow. Zonder beweging liggen. — Stilligheid, v. — Stilling, v. — Stilvi id del, o. (-en). (Geneesk.). — Stilstaan (Sch.), ow. Staan zonder te veroeren. Niet verder gaan. Ophouden te loopen. — Stihtaand, bn. — Stilstand, m. Het ophouden van beweging. Kalmte, rust. Stilstand van wapenen : schorsing der vijandelijkheden. Stilstand in den handel. — Stilte, v. — Stilte, tw. — Stilzitten (Sch.), ow. Zitten zonder zich te bewegen. — Stilzittend, bn. — Stilzzvij-gen (Sch.), ow. Niet spreken. — Stilzwijgen, o. — Stilzwijgend, bn. bijw. — Stilzwijgendheid, v. — Stilzwyg'ns, bijw.

sllI«Mkrcii, bw. stileerde, heeft gestileerd. Opstellen, inz. naar de eischen van den goeden stijl. — Stilist, m. (-en). Die een goeden stijl schrijft.

Btllel, o. (-ten). Kleine dolk, moordpriem. (Heelk.) Zeer dunne sonde.

stimulcercn, bw. stimuleerde, heeft gestimuleerd. Aansporen. Prikkelen. Opwekken. — Stimula'ie, v. (..iën).

Htinkcn, ow. stonk, heeft gestonken. Kwalijk rieken. Een walglijken geur van zich geven. Het stinkt er : de boel is er in de war. Hij is zoo lui, dat hij stinkt : hij is uiterst lui. —Stinkappel, m. (-s, -en).— Stinkappelboovi, m. (-en). Zeker tropische heester {cratnva gynandra). Groeit in Amerika. — Stink bloem, v. (-en). Stinkende kamille.— Stinkbok, ra. (-ken). — Stinkbunzing, m. (-s). — Stink boon, v. (-en). — Stinkdier, o. (-en). De stinkdieren maken een geslacht uit der zoogdieren {.mephitis). Verspreiden een eigenaardi-gen en schier on verdraaglijken stank. — Stinkend, bn. bijw. Kwalijk riekend. Verpestend. Ergens stinkend van afkomen, met schande en teh-urstelling. lem. uitmaken voor stinkenden visch, voor al wat slecht en eerloos is. — Stinker (dj, m. (-s). Eerlooze, trouwlooze, onbeschofte persoon. — Stinkerig , bn . Stinkend. Slecht. Gemeen.— Stinker igheid, v. — Stin kg at, o. (-en). Modderpoel. Vuile woning, m. en v. (-ten). Lage persoon. — Stinkhars, O. en v*. — Stink kever, m. (-s). Prachtkever. — Stink kolk, v. (-en). Modderpoel.—Stinknest,o.W\x\\e. woning. —Stiquot;kpoel,m. (-en)Stinkfiot,vn. (-ten).

— Stinksloot, v. (-en). — Stinkste^i, m. (-en). Soort van kalkgcsteente. Heeft een


ocr page 824

STOE — 7;

ammoniakalen en naar zwavelwaterstof

zweemenden reuk. — Stinkstok, m. (-ken). Slechte sigaar. — Stinkvilder, m. (,-s). Leerlooier. — Siinhvisch, ra. (..sschen).

— Stink vlieg-, v. (-en).— Stinkvogel, m. (-s). — Stinkivesp, v. (-en). Prachtkever.

Klip, v. (-pen). Klein, rond vlekje. — Stippel, v. ( sU Slip. — Stippelen, bw. stippelde, heeft gestippeld. Slippels maken. Spikkelen. — Stippeling, v. — Stip-pellim, v. (-en''.— Stippelsteen, ra. (-en).

— Stippen, bw. stipte, heeft gestipt. Stippelen. Aanstippen. Even indoopen. — Stiprekenaar, m. (-s). Gewaande waarzegger (uit slippen). — Stiprekenknndig, bn. — Stipr eken kunst, v. — Stipstappen, Ow. stipstapte, gestipstapt. Keilen.

«f ipt, bn.bijw. Nauwkeurig.Nauwgczet. Juist. — Stiptehjk, bijw. — Stiptheid, v.

■tipulecreu, bw. stipu eerde, heeft gestipuleerd. Bedingen. Vaststellen. Bepalen. — Stipulatie, v. (..iën, -s);

stobbe, v. (-n). Stronk, inz. wortelstronk.

stoeien, ow. stoeide, heeft gestoeid. Dartelen. Uit scherts raet elkander worstelen. — Stoeter, ra. (-s). — Stoeierif, v. (-en). — Stoeiig;, bn. — Stoeiparty, v. (-en). — Stoeister, v. (-s). — Stoeiziek, bn. — Stoeizucht, v.

stoel, m. (-en). Zitting, gewoonlijk raet eenen rug en vier pooten. Datgene, waarin iets rust: de stoel van den mast. Vruchtbodem van vele bloemen, steel, stronk boven den grond. De h. Stoel: de pauselijke re-geerirg, de Paus, het pausdom. — Stoel-balk, m. (-en). (Bouwk.). — Stoelbies, v. (..zen). — Stoelboonen, o. rav. Struikboo-nen. — Stoelbroeder, ra. (-s). Ambtgenoot in een dijksbestuur. — Stoelfenjdraaier, ra. (-s). — Stoelendraaierswtnkel, ra. ( s). — Stoelen, ow. stoelde, heeft gestoeld. Zich tot eenen stoel vormen : de kooien beginnen reeds te stoelen. — Stoelengeld, o. (-en). — Stoelenmaker, m. (-s). — Stoe-lenniarkt, v. (-en). — Stoelenviat, v. (-ten). — Stoelenmatten, o. — Stoelen-matter, m. (-s). — Stoelenviatster, v. (-s).

— Stoelenvlechter, ra. (-s). —Stoelenzet-ter, m. (-s). — Stoelenzetster, v. (-s). — Stoelgang, ra. Buikonllasting. — Stoel' geld, o. (-en). — Stcelfcleed, o. (-en). — Stoelkussen, o. (-s). — Stoelleuning, v. (-en). — Stoelvast, bn. Vast op zijnen stoel zittende. Niet gemakkelijk ontslagen kunnende worden. — Stoelvastheid^ v. — Stoelvert^adering, v. (-en). Vergidering van een dijksbestuur.

stoep, v. (-en). Steenen, treden voor een Luis.. Optrapje aan den waterkant. Hij is van geene hoo^e stoep gevallen : hij is van geen hooge afkomst. — Stoepbank, v. (-en). — Stoepen, ow. stoepte, heeft ge-sto- pt. Op dc stoep staan of zitten. — Stoepje, o. ( s). (Oudt.) Stadssoldaat.

stoot, v. (-en). Zie Stuit (ie art.). — Stoethaspel, m. ( s). Onhaudig raensch.

stoet, m. Menigte, schaar. Plechtige optocht. Gevolg van vorsten, enz. Luister, pracht.

stoetei'Ugt; v. Het fokken van paarden, (-en) Plaats, waar racn paarden fokt.

i — STOI

«tof, v. (-fen). Alles wat onder de zinnen valt. AUps, waarvan iets vervaardigd kan worden. Grondstof. Weefsel. Lompen, waarvan het papiergemaakt wordt. Onderwerp (tot eene verhandeling, enz.). Aanleiding, reden. Kort van stof zijn : snel zijn besluit nemen. — Stop, o. Ondeeltjes, die lichtelijk wegstuiven. Inz. ondeeltjes van aarde : in stof en asch vergaan. De raensch is stof, is vergankelijk. lera. uit het stof, uit een nederigen staat verheffen. — Stojach-tig, bn. — Stof bezem, m. (-s). — Stof boel, m. — Stofboo77i, ra. (-en). Onderboora.— Stofdeeltje, o. (-s). Stofje. Atoora. — Stofdoek, m. (-en). — Stofdraad, m. (..aden). Meeldraad. — Stoffage, v. (-s). Stof, waarvan iets vervaardigd wordt (laken, enz.). — Stoffeerder, ra. (-s). — Stoffeer en, bw. stoffeerde, heeft gestoffeerd. Met zijden stof bekleeden. Meubelen, eene kamer, enz. van al het noodige voorzien. (Schild.) Van bijwerk voorzien, versieren. Verzinnen, verdichten : een verhaal met leugens gestoffeerd. — Stoffeering, v. (-en). — Stoffeersel, o. (-s). —St off eerster, v. (-s). — Stoffelijk, bn. Van stof-Het tegenovergestelde van geestelijk, onlichamelijk. Slechts het geldelijk bezit betreffende : zijne stoffelijke belangen behartigen. — Stoffelijkheid, v. — Stof(fe)-loos, bn. (Dicht.) Onstoffelijk. — Stoffen, bn. — Stoffen, bw. stofte, heeft gestoft. Stof afnemen. — Staffenwinkel, ra. (-s).

— Stoffenwinkelier, ra. (-s). — Stoffen-winkelier ster, v. (-s).— Stoffer, ra. (-s). Werktuig om stof af te nemen. — Stcffe-rig, bn. — Stofferigheid, v. — Stoffig^an.

— Stoffigheid, v. — Stofgoud, o. Korreltjes goud, die als stof worden ingezameld. — Stojhagel, ra. Zeer fijne hagel. — Stof hagelen, eenpw. stofhagelde, heeft gestofhageld. — Stof kever, ra. (-s). Soort van kever. Zijne vleugelen schijnen raet fiju stof bestrooid te zijn. — Stof kist, v. (-en). (Papierra.). — Stofklomp, ra. (-en). Eene hoeveelheid stof. — Stofkolfje, o. (-s). Helmknopje. — Stofmaking, v. — Stof meel, o. Verstuivend raeel. — Stofnaam, ra. (..amen). Naara, die zekere stof aanduidt. — Stofregen, ra. Zeer fijne regen. — Stefregenen, eenpw. stofregende, heeft gestofregend. — Stofrommel, ra. — Stof scheider, m. (-s). — Stof scheiding, v. (-en). — Stof sneeuw, v. Zeer fijne sneeuw.

— Stof sneeuwen, eenpw. stofsneeuwde, heeft gestofsneeuwd. — Stofvarken, o. (-s). Handbezera. — Stofwinkel, m. — Stofwolk, v. (-en). — Stof zand, o. Stuifzand. — Stofzeef, v. (..even). (Art.).

stotrel, ra. (-s). Stommerik. Dom raensch. — Stoffe lach tig, bn. — S toffe l-achtigheid, v. — St'ffeitjes, bijw. Zoo echt dom en onnoozel.

stof(re)lier, ra. ( en). Stokviolier.

S to Hels (Z.), 1764-1853, Maaseik. Kruid- en natuurkundige.

stofTeii, ow. stofte, heeft gestoft. Pralen. Snoeven. — Stoffer, ra. (-s). — Stofster, v. (-s).

stoïcUii, ra. j-en). Leerling van den wijsgeer Zeno, die te Athene, in de stoa (zuilenzaal) zijne lessen gaf. Zijne aanban-


ocr page 825

757 -

STOM

STOK

;gers onderscheiden zich door strengheid van zeden en ongevoeligheid voor de rampen en genietingen des levens. Koelbloedige. Onverschillige. — Stoïcynsch, bn. — Stoïcisme, o.

stok,m. (-ken). Stengel. Dunnehoutige stam van struiken en heesters. Plant met zulk eenen stam. Atgesneden rechte lange stam of tak. Rotting, wandelstok. Polsstok. Kippenstok. Houten steel; bezem-, vlaggestok, enz. Uitgehold blok hout (tot bijenwoning dienende), bijenkorf. Staf. Roede. Zekere hoeveelheid : een stok turf. Verzameling van bij elkander behoorende dingen. (Kaartsp.) Kaarten, die na het rondgeven overblijven. Spring niet verder dan uw stok lang is : onderneem niets boven uwe krachten. Ergens een stokje bij steken : maken, dat iets geen voortgang meer maakt. Alle gekheid op een stokje, ter zijde gelaten. Hij is mijn stok en staf: mijn steun en hulp. — Stokbeeld, o. (-en). Standbeeld. — Stok beitel, m. (-s). Kloof-beitel. — Stokbeurs, v. (..zen), üuder-wetsche geldbeurs met handvatsel. — Stok-blind, bn. Stekeblind. — Stokboon, v. (-en). — Stokdegen, m. (-s). — Stok dood, bn. Volkomen dood. — Stokdoof, bn. Zeer doof. — Stok duif, v. (..ven). Wilde duif.

— Stokdweil, v. (-en). Ovendweil. (Zeew.) Zwabber. —Stokerwt, v. (-en).— Stok-geld, o. (-en). (Oudt.) Belasting op sterke dranken. —Stokgoed, o. (-eren). Erfgoed. Boedelgoed. — Stokhouder, m. (-s). Ambtenaar, die openbare verkoopingen aanricht. Hoofd eeneradvocatenorde. — Stokkaart^. (-en). Kaart, die overblijft, nadat de andere uitgedeeld zijn. — Stokken, stokte, heeft en is gestokt. Bw. ^Zeew.) Eenen stok in het anker zetten. Bijen stokken, in korven houden. Aan stokken binden : boonen stokken. Ow. (zijn) Blijven steken. Stollen. — Stokkerig, stok-kig, bn. bijw. HouLig, voos (van aardvruchten). Stijf, ongemanierd. — Stokkerigheid, v. — Stoklak, o. — Stoklantaarn, v. (-en), ..taren, v. (-s). — Stoknar, m. (-ren). Groote gek. Bot mensch.

— Stokoud, bn. Zeer oud. — Stokouder-dom, m. — Stokpaard, o. (-en). Stok met eenen paardekop, waarmede de kinderen spelen. Gelielkoosd onderwerp. Geliefkoosde bezigheid. Wat rijdt hij weer op zijn stokpaardje : wat is hij weer aan den gang!—Stokproef, v. (..ven). (Geldw.).

— Stokregel, m. ( s). Grondregel. Stelregel. — Stokroos, v. (..ozen). Soort van roos met dubbele bloem {althcea rosea). Wordt als sierplant in onze tuinen gekweekt. — Stokslag, m. (-en). —Stok' slang, v. (-en). — Stokstijf, bn. Stijf als een stok. Zeer stijf. — Stokstil, bn. Doodstil. Zeer stil. — Stoksuiker, v. — Stok-•violier, v. (-en). Tuinbloempje {cheiran-thus cheiri). Heeft welriekende goudgele of roode bloempjes. — Stokvisch, ra. (..sschen) (voorwerpsn.); v. (stofn.). Zie Kabeljauw. — Stokvischbeuker, ra. (-s).

— Stokvtschb enk ster, v. (-s). — Stok zetter, ra. (-s). lera., die het stokgeld omslaat. — Stokzetting, v.

Sf oke (Melis) = de arme clerk van graaf Floris V. Schreef eene rijmkronijk der graven van Holland, tot het jaar 1305.

stokcbrziiidcu, o. Onrust stoken. — Stokebrand, ra. en v. (-en).

stoken, stookte, heeft gestookt. Ow. Voor het vuur zorgen : gij stookt goed. Vuur hebben : wij stoken nog niet. Bw. Vuur onderhouden, branden : ik stook kolen. Overhalen, branden : jenever stoken. Zuiveren : de tanden stoken. — Stoker, ra. (-s). — Stokerif, v. Het stoken (inz. van jenever), (-en) Plaats, waar jenever, enz. wordt bereid. — Stoking, v. — Stook ster, v. (-s).

Stokliolm, 205,000. Hoofd- en residentiestad (Zweden).

Btollou, ow. stolde, is gestold. Stijf worden : het vet is gestold. Ophouden te vloeien : het bloed stolde hera in de aderen. — Stolling, v.

stolp, v. (-en). Glazen klok. Deksel over iets. Stulp. — Stolpen, bw. stolpte, heeft gestolpt. Met eene stolp dekken.

stolts, m. (-en). Werktuig (der leertouwers). — Stolt sen, bw. stoltste, heeft gestoltst. Huiden lenig maken raet den stolts.

stom, bn. Niet kunnende spreken, sprakeloos. Stomme letter : letter, die niet uitgesproken wordt. Stomme taal : gebarentaal. Stomme rol : rol, waarin niet gesproken wordt. Storanie orgelpijpen, die slechts tot sieraad dienen. Dora, gedachtenloos : wat een stomme jongen. Redeloos : het stomrae dier, vee. Arm, deerniswaardig ; plaag dat stomme dier niet. Stomme zonde : zonde zoo afschuwelijk, dat men ze niet raag noeraen. Het geld, dat stora is, raaakt recht wat krom is. — Stomdronken, bn. Zeer dronken. — Stomheid, v. Het stom zijn. (..heden) Domheid. — Stommey ra. en v. (-n). — Stommeknecht, ra. (-s). HoektafeUje. Hoedenstandaard. Lichtstander. — Stomme lijk, bijw. — Stommeling, ra. en v. (-en). Botterik. Domoor. —Stumvielinge, v. ( n). —Stommerik, in. (-en). Domoor. Lomperd. — Stomvietje, o. (-s). Uie stom is. Voor stommetje spelen : gebaren, dat men stom is. — Stommigheid, v. (..heden). Lompheid. Domheid — Stommiteit, v. (-en). Dorarae streek. — Stomzat, bn. Zeer zat.

stom, ra. Wijn, die niet gegist heeft. — Stommen, bw. stomde, heeftgestomd.Ver-valschen : wijn, sterkedranken, enz. stommen.

stomsicliiek, bn. Maagversterkend, stommel, ra. (-s). Blok brandhout. Kort pijpje.

stommelou, ow. stommelde, heeft gestommeld. Een dof en dommelend ge-druisch maken. — Stommeling, v. ( en).

stomp, bn. bijw. Afgesleten (het tegenovergestelde van scherp) : een stompe degen. Eggig : stompe tanden. Plat : stompe neus. Stompe toren : toren zonder punt. Stompe hoek : hoek, grooier dan een rechte hoek. Versuft, vermoeid (van hersenen). Met afgeronden top (van bladen). — Stomp, v. (-en). Kort en dik overblijfsel van iets : stomp van eenen boom, van eenen arm, enz. — Stomp, m. (-en).

!: li'

i!


ocr page 826

- 758 -

STOO

STOO

Stoot. Slag. (Zeew.) Kleine mast. — Stompbladifi) bn. — Stomp degen, m. (-s). Kort en breed zwaard. — Stompen, bw. stompte, heeft gestompt. Stomp maken. Stompen ge\ en. — Stompheid, v.— Stomp, hoekig, bn. — Stompje, o. (-s). Verkieinw-van stomp. Eindje kaars. Kort pijpje. — Stompneus, m.quot;(..2en). Stompe neus. Zekere krab. — Stompneus, m. en v. (..zen). — Stovipstaart, m. (-en). — Stompvoet, m. (-en). Stompe, misvormde voet. — Stompvoet, m. en v. (-en). — Stompzi'n-m'g, bn. bifw. Dom. ïïoi. — Stompzinnigheid, v.

stond, ra. (-er). Kleine tijdruimte, tijdstip, cogenblik. Van stonden aan : van dit oogenblik aan. — Stonden, v. mv.

stoor, V. (stoven). Oven, kookoven, kachel. Voetwarmer, geschikt om er een vuurpotje in te plaatsen. — Stoofappel, m. (-s). — Stoofhuis, o. (..zen). — Stoof ketel, m. (-s). — Stoof pan, v. (-nen). — Stoofpeer» v. (..eren). — Stoojpot, m.

(-ten). —Stoofsel, o.. {-s). Gestoofde spijs,

— Sioojtest, v. (-en). — Stoof vuur, o. stook gsit, o. (-en). Gat, waardoor da

brandstoffen in den oven worden gebracht.

— Sfoo/cgraag, m. en v. (..agen). — Stookhuis, o. (..zen). — Stookij'zer, o. (-s). -Stookkast, v. (-en). — Stookkunde, v. — Stook oven, m. (-s).— Stookplaats,?, (-en).

stool, ra. (stolen). Breede strook, die door de priesters bij zekere kerkelijke diensten om den hals wordt gedragen.

stoom, ra. Damp van kokend water. \V aterdamp, die tot het in beweging brengen der stoommachines wordt gebruikt.

— Stoomachtig, bn. — Stoomafvoer, ra. — Stoombad, o. (-en). — Stoombak-kery, y. (-en). — Stoomboot, v. (-en). Vaartuig door stoom voortgedreven. — Stoombootdienst, m. (-en). — Stoomboot-k'tartje, o. {-*).—Stoombootmaatschappi/ v. (-en). — Stoomboot tocht, ra. (-en). Stoonibootvaart, v. — StoomcyUnder, m. ( s). — Stoornen, stoomde, heeft en isge-


Stoomwerktuig»

amp;, Zwengel, b. Krukstang of koppelroede. c. Vliegwiel, d. Kruk. e. Hoofdas, i. Stoom-regelaar, door middelpuntvliedende kracht, g. Waterpomp, h. Voedingspomp, ï. Koud water» k. Luchtpomp. 1. Stoomverdichter. ra. Cylinder, n. Zuiger o. S toom leiding, p. Stoomsch uif. q. Zuigerstang,

ocr page 827

STOO — 75

stoomd. Ow. Damp opgeven. Met eene stoomboot varen, over den spoorweg reizen. Bw. Met stoom omgeven (b. v. in het dampbad). — Stoomfabriek, v. (-en). — Stoomfluit, v. (-en). — Stoovifregat, o. (-ten). — Stoomgemaal, o. (..alen). Werktuig om het overtollig water uit de polders te trekken. —Stooming, v. — Stoomjacht, o. (-en). —Stoomkap, v. (-pen). — Stcom-ketel, m. (-s). — Stoomklep, v. (-pen). — Stoomkracht, v. — Stoom leiding, v. — Stoommachine, v. (-s). — Stoommolen, m. (-s). — Stoompaket, v. (-ten). — Stoovi-pakrtvaart, v. — Stoompers, v. (-en). — Stoompijp, v. (-en). — Stoompleiteri/, v. (-en). — Stoomploeg, m. (-en). — Stoom-pomp, v. (-en). — Stocinregelaar, m. (-s).

— Stoomschip, o. (..epen). — St oom-schuif^. (..ven). — Stoomsieeper, m. (-s).

— S/ovmtram,v. ( s).— Stoomtrnmdienst, m. — Stoomvaart, v. — Stoomvaar tuig, o. (-en). — Stoomverdichter, m. (-s). — Stoomvermogen, o. — Stoomwagen, m. (-s). Locomotief. — Stoomwerktuig, o. (-en). Toestel, dienende om de spankracht van den waterdamp als beweegkracht aan te wenden. De stoom deelt door zijne spankracht aan den stoomzuiger eene afwisselende of heen- en weergaande rechtlijnige beweging mede, die vervolgens, met behulp van onderscheiden werktuigelijke inlichtingen , wordt omgevormd in eene onatgebrokene rondgaande beweging. Bestaat uit twee deelen : den stoomketel en het eigenlijk gezegde werktuig. — Stoom-zaagmolen, m. (-s). — Stoomziederif, v. (-en). —Stoomzuiger, m. (-s). — Stoom-zuigerstatig, v. (-en).

stoop, v. (-en). (Oudt.) Inhoudsmaat ■= 2,0464. lit. — Stoopskan, v. (-nen).

Stoop [D.), 1610-1686, Utrecht. Schilder. Halte bij de afspanning; Rustplaats bij de fontein.

stoorlooH, storeloos, bn. bijw. Ongestoord. Rustig. — Stoornis, v. (-sen). Storing. Hinder. Verwarring.

stootcn, stiet, heeften is gestooten; ook, stootte. Bw. Eenen stoot geven, stoo-tend raken : iem. met den voet stooten, iem. den degen door 't lijf stooten. Geweldig duwen : het hoofd tegen den muur stooten . Wegdringen : iem. van eene bank stooten. Door stooten van de plaats brengen : iem. van eene rots stooten. Stampen : tot

Soeder stooten. Ow. Stooten veroorzaken : at geweer stoot. Schokken : die wagen stoot. Stampen, bonzen : dit sthip stoot. Stooten toebrengen : die koe stcot. De legers stieten onverwachts op elkander. Ergernis verwekken : die handelwijze stoot. Dit gedicht stoot, is niet vloeiend. Zich stootcn (aan) : zich ergeren (aan). — oeder stooten. Ow. Stooten veroorzaken : at geweer stoot. Schokken : die wagen stoot. Stampen, bonzen : dit sthip stoot. Stooten toebrengen : die koe stcot. De legers stieten onverwachts op elkander. Ergernis verwekken : die handelwijze stoot. Dit gedicht stoot, is niet vloeiend. Zich stootcn (aan) : zich ergeren (aan). — Stoot, m. (-en). Het stooten. Duw. Ruk, schok(vanhetschip). Aanval (eenerziekte). (Bilj.) Den stoot goed aanbrengen. Verlies : hij kon dien stoot niet doorstaan. Zonder slag of stoot : zonder weerstand. — Stootbalk, m. (-en). (Art.). — Stootband, m. (-en). (Zeew.). — Slootbodem, m. ^-s). (Art.). — Stootbord, o. (-en). — Stootde-gen, m. (-s). — Stootend, bn. — Stooter, m. (-s). Die stcot. Springhengst. (Oudt.)

j — STOP

Zilveren munt = 12 1/2 cent. — Stooteritc, bn. — Stootgaren, o. (Zeew.1.— Stootig, bn. Geneigd tot stooten. Lichtgeraakt.

— Stootijzer, o. (-s). — Stooting, v. — Stootkant, m. (-en). Onderste kant van eenen rok, enz. — Stoot ka r, v. (-ren). Steekkar. — Stootkeg, v. (-gen). (Zeew.).

— Stootklamp,m. (-en). (Zeew.). — Stootlap, m. (-pen). (Zeew.). — Stoot mat, v. (-ten). (Zeew.). — Stootmes, o. (-sen). — Stootplaat, v. (..aten). (Aan eenen degen, enz.). — Stootsch, bn. Stootig. — Stootsch-heid, v.— Stootschaal, v. (..alen). (Zeew.).

— Stootster, v. (-s). — Stoottalie, v. (-s). (Zeew.). — Stootvel, o. (-len). (Der trommelslagers, enz/,—5y0ö/z'*sc7/,m.(..sschen). Groote modderkruiper. — Stootvogel, ra. (•s). Roofvogel. Inz. valk. — Stootvryr bn. Onkwetsbaar. — Stootwagen, m. ( s). Steekwapen. — Stootwig, y. (-gen).

stop, v. (-pen). Al wat dient om te stoppen : kurken, houten stoppen, enz. Zekere dichtraaiing : eene stop in eene kous leggen. Het zoo dichtgenaaide : zijne kousen zitten vol stoppen. — Stop, o. Besloten plaatsje, waarin een levende vink wordt opgesloten. De vink zelf. — Stop, tw. Houd op! Genoeg! —Stopanker, o. (-s), (Zeew.) Hoofdanker. — Stopbeetje, o. (-s). Nagerecht. — Stopblok, o. en m. (-ken). Deel van een hijschtoestel. — Stopdarm^ m. (-en). Blinde darm. — Stopdoek, m. (-en). — Stopflesch, v. (..sschen). — Stopgaren^. — Stohhamer, m. (-s). Kallaat-hamer. — Stophars, v. en o*. — Stophout, o. (-en). — Stopkalk, v. — Stopka-mer, v. (-s). (Zeew.) Breeuwkamer. — Stopkatoen, o. — Stoplap, m. (-pen). Stopdoek. Woord tot aanvulling (in een vers). Bladvulling. — Stop loon, o. en m. (-en). —Stopmes, o. (-sen). — Stopnaad, m. (..aden). — Stopnaald, v. ( en). — Sloppage, v. Het stoppen. — Stoppegeld, o. — Stoppen, bw. stopte, heeft gestopt. Dichtmaken : een gat stoppen, kousen stoppen. Eenig voorwerp in een ander induwen : eene pijp stoppen. Ruiten stoppen : glasruiten in een raam zetten. Doen ophouden : den buikloop stoppen. Tem. den mond stoppen : iem. tot zwijgen brengen. — Stoppend, bn. (Geneesk.).

— Stopper, m. (-s). — Stopperbout, m. (-en). — Stopping, v. (-en). — Stop-rad, o. (-eren). —Stopsajet, o. — Stopsel, o. (-s). Wat dient om er mede te stoppen. Werk. Het gt stopte. — Stopsteek, ra. (..eken). — Stopsteen, ra. (-en). — Stop-ser, v. (-s). — Stopstuk, o. (-ken). — Stopverf, v. Derg van wit krijt en olie (door glazenmakers, erz. gebruikt). — Stopverfmes, o. (-sen). —Stopt ers, o. (..zen). Vers tot aanvulling. — St opwas, o. Maagdenwas. — Stoprverk, o. — Stopwoord, o. (-en). Wcord tot aanvulling (in een vers, enz ). —Stopzijde, v.

stoppel, m. (-s, -cn). Wat van de korenhalmen, na den oogst boven den grond blijft staan. Kort en dik puntje van eene veder. Korten stekelig haar van den baard.

— Stopf elakker, ra. (-s). —Stoppelbaard, m. (-en). — Stoppelbrand, m. (-en). — Stoppelen, ow. stoppclde, heeft gcstoppeld.


ocr page 828

STOR — 7

Uitschieten (van den baard*. De stoppels omploegen. De stoppels branden. — Stoppelhaar, o. (..aren). — Stoppelig, bn. — Stoppelland, o (-en). — Stoppelrapen, v. rav. — S top pelveereii, v. mv. — Stoppelveld, o. (-en). — Stoppelvlam, v. (-men). — Stoppelzets, v. (-en).

storax, v. Bruinachtige, harsachtige, glanzende zelfstandigheid. — Storax hars, o. en v*. — Storax zalf, v.

store, v. (-s). Rolgordijn. Valgordijn, storen. b\v. stoorde, heeft gestoord. Beletten. Verhinderen. Belemmeren. Stremmen. Zich storen, ww. Zich gelegen laten (aan). — Storeloos. Zie Stoorloos. — Stoorder, m. (-s). — Stoor ster, v. (-s). — Storing, v. (-en).

stork, m. (-en). Ooievaar.

storm, m. (-en). Zeer harde wind. Vliegende storm : orkaan. Bestorming, geweldige aanval : met storm bemachtigen. Hevige drift. — Stormachtig, bn. — Stormachtigheid, v. — Stormbalk, m. (-en). — Stormband, ra. (-en). Band aan hoed enz., die bij stormachtig weer om de kin wordt gedaan. — Stormbui, v. (-en). —Stormdak, o. (-en). (Oudt.) Beweegbare dekking van schilden, waaronder men storm liep. — Stormdeur, v. (-en). Buitendeur aan zeesluizen. — Stormegge, v. (-n;. (Oorl.) Valhek. Valpoort. — Stormen. ow. eenpw. stormde, heeft gestormd. Geweldig waaien : de wind stormt hevig. Gewapenderhand aanvallen : de vijand stormde in de stad. Met geweld en snelheid aankomen, op hol gaan ; de paarden stormden. Hevig twisten : 't zal er stormen. Do stormklok luiden. — Stormenderhand, bijw. (Oorl.) Door bestorming. — Storm fok, v. (-ken). — Stormgat, o. (-en). Bres. — Stormgereedschap, o. (-pen). —Stormgevaarte, o. (-n). — Stormgolf, v. (..ven).

— Stormhamer, ra. (-s). Moker. - Stormhoed, ra. (-en). — Stor?nhoek, ra. (-en). (Zeew.) Punt, waar het altijd stormt. — Stormig, bn. — Stormkat, v. ( ten). Bresbatterij. Stormram. — Stormklok, v.(-ken). Alarmklok. Brandklok. — Stormkluiver, ra. (-s). — Stormladder, v (-s). — Siorm-loopen, ow. liep storra, heeft stormgeloo-pen. (Oorl.) Met geweld aanvallen. — Stormlooper, ra. (-s). — Stormmarsch, m. (-en). — Stormpaal, ra, (..alen). — Stormpas, ra. (-sen). — Stoi rnplank, v.

-en). Kleine stormegge. — Stormram, ra. -raen). Gevaarte, om eenen muur te doen instorten. — Stormscherm, o. (-en). — Stormschild, o. (-en).—Stormstroom, m. (-en).— Stormtoren, ra.(-s).— Stormtuig, o. (-en). — Stormvloed, ra. \ en).—Stormvogel, ra. (-s). De stormvogels maken eene familie uit in de orde der zwemvogels. De grootste Europeesche soort is de Noord-sche stormvogel {procellatia glarialis).

— Stormwefdjer, o. — Stormwind, m. (-en). — Storm zeil, o. (-en). (Zeew.).

storten, stortte, heeft en is gestort. Bw. Plotseling en met geweld van eene hoogte doen afvallen : iera. in eenen afgrond storten. Plotseling uitgieten : water storten. Vergieten : bloed storten. Tranen storten : weenen. Geld storten. Iera. in het

3 — STRA

ongeluk storten, hem ongelukkig maken, Ow. Van boven nedervallen : hij stortte van zijn paard. Nedergaan (van golven). — Stort, v. (-en). (Dijkw.) Plaats, waar raen de kruiwagens ledigt. —Stort, o. Ijzer, in of tot bladen uitgeslagen. — Stortbad, o. (-en). — Stortebed, o. (-den). Kunstmatige vloer voor een aanzienlijk waterwerk. — Stortgat, o. {-en). — Stortgoed, o. (-eren). Storting, v. (-en).— Stortkar, v. (-ren). — Stortplaats, v. (-en). — Stortregen, ra. (-s). Piasregen.—Stortregenen, eenpw. stortregende, heef t gestortregend. — Stort-schotel, ra. en v. (-s). Verkwister. Verkwistster. — Stortvat, o. (-en). — Stort-vaatje, o. (-s). — Stortvloed, m. (-en). Hevige stroom, gewoonlijk door eenen storm veroorzaakt. Een stortvloed van tranen, van scheldwoorden, enz. — Stort-ivyn, ra. (-en). Lekwijn. — Stortzee, v. '-en). Hooge zeegolf. Hooge zee.

stotteren, bw. ow. stotterde, heeft gestotterd. Stamelen. — Stotteraar, m. (-s). —Stotteraarster, v. (-s). — Stotterbaard, ra. (-en). — Stotterbek, ra. en v. (•ken). —Stottering, v.

stout, o. Soort van Engelsch bier.

stout, bn. bijw. Driest, koen, moedig, vermetel. Karei de Stoute. Gewaagd : stoute uitdrukking. Ondeugend, ongehoorzaam : stoute kinderen. — Stoutelyk, bijw.

— Stoutheid, v. — Stouterd, ra. (-s). — Stouter ik, ra. l-en). — Stouthartig, hn. bijw. — Stouthartigheid, v. — Stoutigheid, v. —Stoutmoedig, bn. bijw.— Stout' . moedigheid, v. — Stoutmoedigli/k, bijw.

— Stoutweg, bijw. Onbeschroomd. Ronduit.

stouwen, bw. stouwde,heeftgestouwd. (Zeew.) Goederen in het ruim pakken. Veel eten en drinken. — Stouwer, m. (-s).

stoven, stoofde, heeft en is gestoofd. Bw. Spijzen door matige warmte bereiden : vleesch stoven. Door zachte warrnte koesteren. Ow. Door matige warmte toebereid worden : staat het vleesch te stoven. Warmen. — Stovend, bn. — Stovengeld, o. (-en).—Stoven hok, o. (-ken). — Stoven-huisj'e, o. ( s) — Stovenmaker, m. ( s). — Stovenzetster,v. t-s). — Stoving, v.

sfrnsil. ra. (..alen). (Oudt.) Pijl. Angel eener bij. Steek met den bijenangel. Gesplitst puntje van eene schrijfpen. Punt, dat zwart schijnt te midden van het oog. Middelste deel in den hoef van een paard. Uit-


ocr page 829

STRA — ;€

schietend licht : de stralen der zon. Flikkering : een straal van hoop. Wat op eenen straal gelijkt : een straal water. (Meetk.) Recbte lijn, uit het middelpunt eens cirkels naar den omtrek getrokken. — Straal-ader, v. (-en, s^. (Veearts.). — Straal-band,m. (-en). (Ontl,). — Siraalbloetn, v. (-en). — Straalbrekend) bn. — Straal-breking, v. (-en). Afwijking, die de lichtstralen ondergaan, wanneer zij schuins uit de eene middelstof in de andere, h. v. uit de lucht in het water, of in elke andere doorschijnende middelstof overgaan. — Straalbundel, m. (-s). — Straaldier, o. (-en). Zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk). — Straalpyp, v. (-en). Pijp aan brandspuiten. — Straalsrvyze, ..tuys, bijw.

— Straalvormige bn. — Straalworm, m. (-en). Soort van darmworra.

Mtrasit, v. (..aten). Gebaande weg, inz. tusschen de rijen huizen in steden en dorpen. Dubbele lange rij huizen, door een beganen weg van elkander gescheiden. Zeeëngte. Op straat: in de open lucht. In 't openbaar. — Straatarmt bn. Zeer arm.

— Straatarbeider, ra. (-s). — Straatbengel, ra. (-s). — Straatbez'm, m. (-s). — Straatdeun^ m. (-en). — Straatdeur, v. (-en). — Straatgeld, o. — Straatgerucht, o. — Straatgespuis, o. — Straatgevecht, o. (-en). —Straathoek, m. (-en). — Straat-jouden, ra. (-s). — Straatklinker, m. (-s).

— Straatlantaarn, v. (-en), ..taren, v. (-s). — Straatliedje, o. (-s). — Straatloo-per, m. (-s). — Straatloopster, v. (-s). — Straatmadelief, v. — Straatmaner, m. (-s). — Straatmakerswerk, o. — Straatmeid, v. (-en). — Straatmuziekant, m. (-enj. — Straatnieuws, o. — Straatorgel, o. (-s). — Straatpolitie, v. — Straatprediker, ra. (-s). — Straatroover, m. (-s).— Straatroovery, v. (-en).— Straatrumoer, o. — Straatschans, v. (-en). — Straatschender, m. (-s). — Straatschenderij, v. (-en).—Straatschendstcr,\. (-s).—Straat-sljjpen ,o.— Straatslijper ,ra..(;s).l^ee\gt;\oo-per. — Straatslij ping, v. — Straatslijpster,{-amp;).— Straatsteen, m. (-en). — Straattaal, v. — Straatvaarder, m. (-s).

— Straatvarken, o. ( s). — Straatveegster, v. (-s). — Straatveger, m. (-s). — Straatverlichting, v. (-en). — Straatweg, ra. (-en). — Straatwerken, o. — Straatvuerker, m. (-s). — Straatzanger, ra. (-s). — Straatzangster, v. (-s).

Ktrsisitsbiirgr, 105,000. (Oudt.) Vrije Duitscbe rijksstad. (Thans) Hoofdstad van Elzas-Lorreinen.

, Htrsamp;bantig:, bn. bijw. Hardnekkig. Aanhoudend : het regent strabantig. Straf, sterk, stevig, fel, kloek, dapper, gewehlig : een strabante kerel, ze arbeiden strabant, het ging er strabant.— Strabantie, v. Heel de stad geraakte in strabantie, kwam in rep en roer. De meubels lagen in strabantie, overhoop.

{A.), 1644-1737, Cremona. Vervaardiger van violen. — Stradivarius, v. Viool, door Stradivarius gemaakt.

bn. bijw. Sterk, krachtig. Streng.

— Strafheid, v. (..heden). — Str affelijk, bijw. Zeer streng.

i — STRA

straf; v. (-fen), sfraflTo, v. (-n). Strenge of pijnlijke vergelding voor bedreven kwaad, enz. De eeuwige straffen : de straffen der hel. Spijt, verdriet : tot zijne straf moest hij dat zien gebeuren. — Strafbaar, bn. — Strafbaarheid, v. — Strafbepaling, v. (-en). — Strafdag, m. (-en). — Straffeloos, bn. bijw. — Straffeloosheid, v. — Straffen, bw. strafte, heelt gestraft. Straf opleggen. Kastijden. Eene geldboet doen betalen. Met het zwaard straften : onthoofden. Met de koord straften : ophangen. lem. met zijn eigene woorden straffen, wederleggen, tot zwijgen brengen.

— Straffer, ra. (-s). — Straffing, v. — Strafgericht, o. {-en^. — Strafgevangenis, v. (-sen). — Strafinrichting, v. (-en).

— Strafkolonie, v. (..icn). — Strafmiddel, o. (-en). — Strafoefening, v. (-en). — Strafontheffing, v. (-en). — Strafplaats, v. (-en). —Strafp7-eek, v. (-en). — Strafrecht, o. Gedeelte van het staatsrecht, de bepaling der straffen bevattende. — Strafschuldig, bn. bijw. — Strafschuldige, ra. en v. (-n). — Strafschuldigheid, v. — Str af ster, v. — Straf taak, v. — Straftijd, m. — Straftooneel, o. (-en). —Straftuig, o. — Str af uur, o. (..uren). —Straf-v aar dig, bn. — Strafverordening, v. (-en). — Str afvorder end, bn. — Strafvordering, v. (-en). — Strafvrij, bn. — Strafwaard, ..ig, bn. bijw. — Strafwaardigheid, v. — Str af waardiglijk, bijw.-— Strafwerk, o. —Strafwet, v. ( ten). Lijfstraffelijke wet. — Strafwetboek, o. en ra. (-en). — Strafwetgeving, v. — Strafzaak, v. (..aken]. — Strafzwaard, o.

Mtrak, bn. bijw. Stijf, gespannen : een touw strak houden. Sterk : iets strak aanhalen. Hard : strak gezwel. Stijf : iem. strak aanzien. Kort: iem. strak houden^— Strakheid, v. — Strakjes, s/raXrs, bijw. Aanstonds, dadelijk. Zooeven : hij was straks hier. Tot straks : tot aanstonds, als wij elkander weer ontmoeten.

«traleii, straalde, heeft gestraald. Ow. Stralen schieten : de zon straalt. Blinken : zijne oogen straalden van vreugde. Dat straalt, springt inde oogen. Instralen zich verdeelen : het bloed straalde uit de wond. Bw. Steken met den angel (van bijen). Gestraald zijn. — Stralend, bn. — Stralenkrans, m. (-en). — Stralenkroon, v. (..enen).—Straling, v,

Mtram, bn. biiw. Stijf, onbuigzaam : stramme beenen. Een stram slot, dat moeilijk geopend wordt. — Stramheid, stram-migheid, v.

stramien, v. Borduurgaas (tot tapijtwerk, enz.). — Stramienen, bn.

Htraiuyn, v. (-en). Aarden of houten schotel, met gaten doorboord.

siraiKl, o. (-en). Gedeelte der kust, dat bij den vloed onder water komt. — Strandbewoner, m. (-s). — Strandbe-woonster, v. (-s). — Stranddief, m. (..ven). — Str anddieverij, v. — Stranden, ow. strandde, is gestrand. Op het strand raken. Met zijn schip op strand loo-pen, vastraken. Mislukken. — Strandgoed, o. (-eren). — Strandhartng, v. (stofn.); ra. (-en) (voorwerpsn.). — Strandheer, m


ocr page 830

STRE — 7

(-en). — Stranding, v. (-an). — Strandjut, m. (-ten), strandjutter, m. {-s). Stranddief. — Strandkct, m. f-en). — Strandkrab, v. (-ben). — Strandkreeft, m. (-en).— Strandkrutd, o. — Strand-looper, m. (-s). Kustwerker. Siouwerman.

— Strandtooper, m. (-s). De strand/oo-pers {tringa) behooren tot de snipachtige vogels. Zijn verbreid over den geheelen aardbol. — Strandmes, o. (-sen). Mes, waarmede het walvischspek in stukken wordt gesneden. — Strandrecht, o. (-en).

— Strandrmter, ni. (-s). Kustwachter te paard. Een kleine strandlooper. Steltloo-per. — Slrandsnep, ..snip, v. (-pen). — Strand snij der, m. (-s). Die het walvischspek in stukken snijdt. — Strandvisch. tn. (..sschen). — Strandvogel, ra. (-s). — Strandvond, ra. (-en). Wat op het strand gevonden is. — Strandvonder, ra. (-s). Opzichter over hetgeen aan strand gevonden wordt. — Strandvonderij, v. — Strandztvaluw, v. (-en).

«trskiiKC, o. (-n). Strand. Zeeboezem met zijn strand.

•traiiffoljoon, o. Zie Droes (3® art.), •trntegfie, v. Krijgskunde. Kunst om een leger aan te voeren. — Strategisch, bn.

straten, bw. straatte, heeft gestraat. Bestraten. Plaveien. — Stra ter, m. ( s).

Struusz (J.), 1804-1849, Weenen.Cora-ponist van dansmuziek.

«Ireek, v. (..eken). Het strijken : eene str?ek op de viool. Streep, haal met de pen, het penseel, enz. Zecstreok. Kompasstreek. Windstreek. Luchtstreek. Land. Gewest. Richting, koers. Hij is van zijne streek, is ongesteld. Streek houden : in dezelfde streek blijven, den goeden weg niet verlaten.— Streek tafel, v. ( s). — Stteehfa-felboek, o. en m. (-en). — Streekivyzer, ra. (-s).

streek, m. (..eken). List. Sluwheid. Looze trek. Een vos verliest wel zijne baren, maar niet zijne streken.

tütreelen, bw. streelde, heeft gestreeld. Zcichtjes strijken (over). Vleien, liefkoozen. Aangenaam aandoen : die wijn streelt het gehemelte. — Streelend, bn. — Stree Ier, m. (-s). — Streeling, v. (-n). — Streel-ster, v. (-s).

•treen, v. (..enen). Streng garen, ■treep, v. (..epen). Lange smalle lijn. Rand. Haal. De strepen hebben : korporaal. sergeant zijn. — Streepjesgced, o. Gestreepte stof. — Streepswijze, ..vijs, bijw.— Strccpvarc7i, v. Een ^ aren^eslacht [aspleniinn). — Streepzaad, o. Plantengeslacht [erepis), tot de saraengesteldbloe-migen behoorende.

strek, m. (-kc-n). Stiik. Knoop.

strek, bn. Strak.

strek, v. (-ken). (Bouwk.) Steen, die plat gelegd wordt en met zijnen kant in t voorvlak valt. — Strek laag, v. (..agen). — Streksch, bn.

strekel, m. (-s). Strijkstok ter scherping van de zeis.

strekg;ran, o. Kiuipende tarwe, strekken, strekte, heeft gestrekt. Bw. Rekken, uitrekken : Jezus werd op het kruis gestrekt. Uitsteken, reiken : de hand

gt;2 — STRT

naar den hemel strekken. Ow. Zich uitstrekken : zijn rijk strekt van het Oosten tot het Westen. Dienen : waartoe zal hem ditstrekkenPTotvoorbeeldstrekken.Voor-deelilt;£ zijn in het gebruik. — Strekkelijk, bn. voordeelig. — Strekkend, bn. — Strekking, v. Het strekken. Wat voordeelig is in 't gebruik. Bedoeling, richting.— Strekmes, o. (-sen). Gereedschap (der ver-gulders). — Strekzaam, bn. Rekbaar. Voordeelig. — Strekzaamheid, v.

stremmen, stremde, heeft en is gestremd. Ow. Stollen : de melk stremt. Bw. Doen stollen : koude stremt de olie. Verhinderen, beletten : den doorgang stremmen. Beteugelen. — Stremming, v. (-en).

— Stremsel, o. — Stremstof, v.

slrenfir, bn. bijw. Hard, sterk : strenge

koude. Stipt, niet toegevend, niet zachtzinnig : hij heeft een strengen meester. — Strengelyk, bijw. — Strengheid, v. (..he-den^.

streng-, v. (-en). Een der dunne koorden, waaruit een touw is samengesteld. Gevlochten koord. Riem, reep, enz. waaraan een rijtuig door paarden \ oortgetrokken wordt. Zeker aantal draden garen, zijde, enz. te zamen gedraaid. Hij houdt sterk aan zijne streng, aan zijne meening. — Strengen, bw. strengde, heeft gestrengd. Stijf aanhalen. Tot strengen maken. Met eene streng vastbinden. — Strengkokery m. (-s). — Jquot;/» engleer, o., ..leder, o. (-s).

strengrelen, bw. strengelde, heeft ge-s'ren geld. Vlechten. Bijeenvoegen, vereenigen. Zich strengelen, ww. Zich slingeren. — Strengel, ra. ( s). Streng eener vlecht. — Strengeling, v. (-en).

strepcl, m. (-s). Strook.

strepen, bw. streepte, heeft gestreept. Strepen maken. Hekelen, doorhalen.

stretto, o. (Muz.) Het intreden van het antwoord (in eene fuga), nog vóór het einde van het thema. Bijw. De beweging verhaastend.

«trenvelen. ow. streuvelde, heeften is gestreuveld. Oprijzen. Rechtstaan (van haar of pluimen). — Streuveling, v.

streven, ow. streefde, heeft gestreefd. Alle krachten inspannen om hindern ssen weg te ruimen. Streven (naar) : trachten iets te verwerven. Te boven streven : overtreffen. — Streving, v.

stribbelen, ow. stribbelde, heeft ge-stribbeld. Zich aankanten (tegen).—Strib' belaar, m. (-s). — Stribbelaarster, v. (-s).

— Stribbelig, bn. Kibbelachtig. —Strib' beligheid, v. — Stnbbeling, v. (-en).

striem, v. (-en). Streep, door eenen zweepslag achtergelaten. Slag : felle striem met de zweep. Gang op het opperdek gelegd en over de geheele lengte van het schip doorgaande.

sti'üri, m. (-en). Gevecht: strijd te voet en te paard. Oorlog : de dertigjarige strijd. Strijd met woorden, geschil : zij zijn altijd in strijd. Gemoedsonrust : strijd in zijn binnenste. Afkeer : strijd met iets hebben. Om strijd : om het best, om het zeerst. — Stri/dbaan, v. (..anen). — Strijdbaar, bn.

— Strijdbaarheid, v. — Strijdbijl, v. (-er). — Strijden, ow. streed, heeft ge-


ocr page 831

STRI — ;(

streden. Vechten, kampen, oorlog voeren. Twisten, in tegenspraak zijn (met). Niet overeen te brengen (met). Kibbelen, tegenspreken. —• Strijdend, bn. — Strijder, m. (-s). — Strijdgenoot, m. (-en). — Strijd' gezfl,m. (-len). — Strijdhamer, m. (s).

— Strijdkandschoen, m. (-en). — Strijdig, bn. Niet overeenstemmende (met). Tegenovergesteld (aan). — Strijdigheid^ v. (..beden). — Strijdknots, v. (-en). — Strijdkolf, v. (..ven). — Strijdkracht, v. (-en). — Strijdleus, ..teuze, v. (..zen). — Strijdlust, m.— Strijdlusfig, bn.— Strijdmakker,va. (-s).— Strydpaard, o. (-en).

— Strijdros, o. (-sen). — Strijdperk, o. (-en).— Strijdplaats, v. (-en\.— Strijdschrift, o. (-en). Twistschrift. — Strijdvaardig, bn. — Strijdvaardigheid, v. — Strydveld, o. (-en). — Strijdvlag, v. (-gen). — Strijdvraag, v. (..agen). Twistpunt. — Strijdv.'agen, m. (-s).

Mtr|jkeii, streek, heeft gestreken. Bw. Afstrijken, afhalen : strijk het geld van de talel Bergen, nederhalen : de vlag strijken. Met lt;*en strijkijzer gladmaken : linnen strijken. Met hetstrijknet vangen : leeuweriken strijken. Zacht mei de hand, enz. over iets heengaan. Smeren : zalt op linnen strijken, Vellen, uitspreken : een vonnis strijken. Ow. Met de voeten langs den grond slepen. Sloffen. Zich uit de voeten maken : hij is gaan strijken. Slecht spelen : op eene viool strijken. Waaien : de wind. streek door de kamer. Langs den grond vliegen : de vogel streek over het gras. — Strijk, m. Het strijken. Strijk en zet: ieder oogenblik, dikwijls. — Strijkage, v. (-s). Veel strijkages, complimenten maken. — Strijk balk, m. (-en). (Bouwk.). — Strijk-band, m. (-en). — Strijkbloem, v. (-en). Zeker geneeskruid. — Stnjkblok, o. en m. (-ken, -s). Blok, waarmede men een zeil strijkt. Scort van schaaf. — Strij kb oom, m. (-en). (Bij leertouwers). — Strijk bord, o. (-en). Zie Ploeg. — Strykborstel, m. (-s).

— Stnjkdeken, v. (-s). Deken, waarop men litnen strijkt. — Strij kei, m. (-s). Strijkstok bij het meten. — Strijkelings, bijw. Rakelings. Even rakende. — St*.V' ker, m. (-s). — Strijkgeld, o. — Strijkgoed, o. — Strijk hoek, ra. (-en). (Vest.).

— Strijk hout, o. (-en). — Strijkijzer, o. (-s).— Strijking, v. (-en). — Strijkinstrument, o. (-en). — Strykka/k, v. — Slrijk-lap, m. (-pen). — Stnjkleder, o. (-s). — Strijklijn, v. (-en). (Vest.). — Strykmid-del,o. (-en).— Strijknet, o. (-ten). Trek-net. — Strijkplank, v. (-en). — Strijk riem, m. (-en). — St rijkroer, o. (-en). — Strijksel, o. (-s). — Strijksteen, m. (-en).

— Strijkster, v. (-s). — Strijkstok, m. (-ken). — Strijktnfel, v. (-s).— Strijk-voeten, ow. strijkvoette, heeft gestrijkvoet. Met achteruithalen der voeten zijne onderdanigheid bewijzen. Vleier. — Strijk-voetje, o. (-s). Een strijkvoetje maken : zich onderdanig toonen. — Strijkvuur, o.

— Strijkiveer, v. (..eren). Borstwering. — Strijkwerk,o. —StrijkzwaveUje, ..zwavelstok je, o. (•$}.

• (rik, m. (-ken). Schuiiknoop. Knoop, lusineenen doek, lint enz. genaaid, meestal

J — STRO

tot sieraad. Juweelen versiersel in den vorm van eenen strik. Ijzer- of koperdraad met een oog om wild te vangen. lem. strikken spannen of leggen. — Strikken, bw. strikte, heeft gestrikt. Tot eenen strik maken. Vaststrikken. Strikken vormen. In eenen strik vangen. — Strikkenspanner, m. (-s). — Strikken zetter, m. (-s). — Strikknoop, m. (-en). — Strikletters, v. mv.— Striklis, ..lus, v. (-sen). — Strikpen, ..fin, v. (-nen). — Strikrede, v. (-nen). Drogrede. — Striksnoer, o. (-en). — Strikswyze, ..wijs, bijw. — Strikvraag, v. (..agen). Listig gestelde vraag, strikkcl, v. Wilde spurrie.

strikt, bn. bijw. Streng. Nauwkeurig. Stipt. Nauwgezet. Strikt genomen ; alles wel beschouwd, ingezien. — Strikte lijk, bijw. — Striktheid, v.

strippen, bw. stripte, heeft gestript. (Tabak, enz.) van de stelen afnemen. — Stripmeid, v. (-en). — Sirippeling, v. Gestripte tabak. — Stripper, m. (-s). — Strips, v. mv. Slagen : strips krijgen. — Stripster, v. (-s). —Stripzolder, va. (-s).

Ntrobbc, v. (-n). Boven den grond uitstekend gedeelte van een gebroken of ge-hakten boom.— Strobbel, ra. (-s).Strobbe.

strobbeleu, ow. strobbelde, heeft gestrobbeld. Struikelen.

stroef, bn. bijw. Niet glijdend, verroest: dat slot is stroef. Koel, onvriendelijk : die man is altijd even stroef. Gewrongen, niet vloeiend : stroeve stijl, stroeve verzen. — Stroefheid, v.

st roeien, ow. stroelde, heeft en is gestroeld. Ruischend stroomen, inz. in stralen : het water stroelt uit het gootgat.

strompelen, ow. strompelde, heeft en is gestrompeld. Met moeite, gebrekkig zich bewegen. — Strompelaar, m. (-s). — Strompelaarster,v, (-s). — Strompelig,. bn. Oneffen. Hobbelig. — Strompeling,-?.

stronk, ra. (-en). Geknotte stam. Harde stengel van eene kool.— Stronkschouw, v. (-en).

stronkelen, stronkelvoeten.ow.

Struikelen. — Stronkeisteen, ra. (-en).-Steen, die doet struikelen. Ergernis.

stront, v. Drek. Uitwerpsel van men-schen of dieren. — Strontachtig, bn. —-Strontbij, v. (-en). — Stronterig, v. — Stronthoop, m. (-en). — Stront tg, bn. bijw. — Strontjager, ra. (-s). De strontjagers {lestris) behooren tot de zwemvogels. De grootste soort (/. catarractes) bereikt de grootte van eene raaf. Sekreet-ruimer.— Strontjongen,ra. \-s). (Scheldw.) Vuil,ondeugende jongen.—Strontkerel,ra. (-s). (Scheldw.) Laffe, nietswaardige kerel. — Strontmeid, v. (-en). (Scheldw.) Kleine, vuile meid. — Strontvent, ra. (-en). Strontkerel. — Strontvisch, m. (..sschen). Mod-dervisch.— Strontvlieg, v. (-en).— Strontvogel, ra. (-s). Ztkere roofvogel {vultur aura). — Strontnyf, o. (Scheldw.) Vuil, morsig wijf. — Strontzaak, v. (..aken). Vuile, nietige zaak.

stroiitisian, ra. Strontiaanaarde. — Ktrontiaananrdf, v. Aardsoort, die, met koolzuur verbonden, in het strontianiet voorkomt. — Strontianiet, o. (stofn.); m»


ocr page 832

STRO — 7

(-en) (voorwerpsn.) Blauwachtig groene, doorschijnende, vezelige steensoort (in Schotland).— Stronftuvi, o. Metallische basis der stronciaanaarde. Is iets harder dan lood en heeft eene fraai, goudgele kleur.

Hiroo, o. Halmen van gedorscht koren. Strooisel, waarop paarden, enz. in den stal liggen. lem. geen stroo in zijnen weg leggen, hem in niets hinderen. Zich met een stroo laten trekken : zich niet lang laten bidden. — Strocachiig, bn. — Stroo-band, m. (-en). — Siroobed, o. (-den).— Stroobinder, m. (-s). — Stroo bindster, v. (-s). — Stroobloem, v. (-en). Tgt;e stroobloe-men maken een geslacht [xeranthemtim) uit. Hunne bloembladen zijn glanzend en als stroo zoo droog. — Stroobos, m. (-sen).

— Stroobnndel, m. (-s). — Strooboter, v.

— Sttoodak, o. (-en).— Stroodekker, m. (-s). — Stroofakkel, v. (-s). — Strooflesch, v. (..sschen). — Streogeel, bn. — Stroo-haksel,o.— Stroohalm, m. (-en).— Stroo-handelaar, m. (..aren, -s). — Stroohoe-denmaker. m. (-s). — Stroo hut, v. (-ten).

— Strooibiljet, o. (-ten), strooibriefje, o. (-s). Biljet, dat op groote schaal verspreid wordt ter bekendmaking of aanbeveling van cenen persoon of eene zaak.— Strooie-ling, v. Strooisel. — Strooien, strooide, heeft gestrooid. Ow. Een strooien bed voor

vee spreiden : is er al gestrooid? Bw. Van strooisel voorzien : men moet de paarden geregeld strooien. Met loovers, bloemen, enz. bestrooien : bruid en bruidegom strooien. Ginds en derwaarts werpen : den vloer met zand strooien, bloemen op den weg strooien. Geld met volle handen strooien. — Strooien, bn. — Strooier, m. (-s). — Strooiing, v. (-en).— Strooyonker, m. (-s). Die bloemen strooit voor bruid en bruidegom.—Strooikorfje, o. (-s) .—Str ooilepel, m. (-s). — Strooimaagd, v. (-en).

— Str ooimandje, o. (-s). — Str ooimeisje, o. (-s).— Str ooipenning, m. (-en).—Strooisel, o. — Str ooister, v. (-s). — Strooisui-ker, v. — Strooizand, o. — Stroojonker, m. (-s). (Scheldw.) Kale jonker. — Stroo-kap, v. (-pen). — Strookleur, v. — Stroo-kleurig,\in. — Strooleqer, o. (-s). Stroo-bed. — Stroomagazyn, o. (-en). — Stroo-■pakhuis, o. (..zen). — Stroomatras, v. (-sen). — Stroomist, ..mest, m. — Stroo-papier, o. — Stroosnyder, m. (-s). — Stroosplitter, m. (-s). — Strootjessigaar, v. (..aren). — Strooverkooper, ra. (-s).— Strooverkoopster, v. (-s). — Stroovyl, v. (-en). Duitsche vijl. — Stroovuur, o. — Stroowisc/i, v. (..sschen). Platte bundel stroo. — Stroozak, m. (-ken).

Slroobant {E. E.), 1819-1889, Turnhout. Letterkundige. Werkend lid der K. VI. Academie. Een quot;winteravond in de Kempen (1844) gt; ^ Bloedvlek (drama, 1817); Gedichten (1855).

Htrook, v. (-en). Afgesneden reep. Sieraad eener vrouwenmuts. (Zeew.) Smal vooruitstekend stuk land.

strookcii, ow. strookte, heeft gestrookt. Overeenkomen, overeenstemmen: zijne daden strooken niet met zijne woor-4en.Strooking, v.

4 — STRO

Atrooken, bw. strookte, heeft gestrookt. Strijken, streelen. Vleien.

stroom, m. (-en). Het stroomen. Strooming. Hoeveelheid water, die zich in eene bepaalde richting beweegt en zich in de zee ontlast. Sterke beweging van een gedeelte der lucht, luchtstroom. Een stroom van tranen. Dat heeft strooraen bloeds gekost. Electrische stroomen. Een stroom van woorden. Een stroom volks. De regen viel bij stroomen neder. Den stroom volgen. Tegen den stroom opwerken. — Stroomachtig, bn. — Stroomafwaarts, bijw. — Stroombed, o. — Stroombreker, m. (-s). — Stroomen, ow. stroomde, heeft en is gestroomd. In eene en dezelfde richting sterk voortvloeien : het water stroomt naar de zee. In menigte zich ergens heen spoeden : het volk stroomde van alle kanten derwaarts. Vloeien : daar zal bloed stroomen. -— Stroomgebied, o. — Stroomgod, m. (-en). — Stroomgodes,y. (-sen). — Stroomgodin, v. (-nen). — Strooming, v. (-en). —Stroomkaart, v. (-en). —Stroom-keering, v. (-en). — Stroomkruik, v. (Dicht.) Oorsprong van eenen stroom. — Stroom(e)ling, m. (-en). Soort van haring. — Stroommaagd, v. (-en). — Sroom-meter, ra. (-s). — Stroomnimf, v. (-en).

— Stroomopwaarts, bijw. — Stroom rijk, bn. —Stroomswijze, ..wys, bn. — Stroom-visch, m. (..sschen).

stroop, v. (..open). Afkooksel van planten, enz. met suiker toebereid. — Siroopachtig, bn. — Stroopen, bw. stroopte, heeft gestroopt. Met stroop besmeren.

— Stroopkan, v. (-nen). — Strooplepel, m. (-s). — Strooplikken, o. — Strooplik-ker, m. (-s). — Strooplikster, v. (-s). — Stroopmond, ra. ( en). Mond metstroop besmeerd. — Stroopmond, m. en v. (-en).

— Stroopneus, m. (..zen). Neus metstroop besmeerd.— Stroopneus, m. en v. (..zen).

— Strooppot, m. (-ten). — Stroopsui-ker, v. — Stroopvat, o. (-en). — Stro-perigf bn. Stroopachtig. — Stroperigheid, v.

Ktroopen, stroopte, heelt gestroopt. Afstroopen : het vel van eenen paling stroopen. Trekken : de kousen over de broek stroopen. Ow. Op strooptochten uitgaan. Schuimen (op zee). Bw. ow. Zonder verlof visschen ofi.'igen.— Stroop, ra. (-en). Het stroopen. Roofzuchtige aanval. — Stroopbende, v. (-n). — Strooper, m. (-s).

— Stroopery, v. (-en). — Strooping, v. — Stroopkousen, v. mv. — Strooplust, m. — gt;troopnagel, m. (-s). Nijdnagel. — Stroopnest, o. en m. (-en). — Stroopparty, v. (-en). — Strooptocht, m. (-en). — Stroop-zucht, v.

strop. ra. en o. (-pen). Koord, enz. tot eenen strik gemaakt. Stropdas. Schalm. Trekker eener laars. Zeker scheepstouw, lera. tot den strop veroordeelen. Zich eenen strop om den hals halen : zich een te zwaren last op de schouders laden. — Stropdas, v. (-sen). — Str opgesp, ra. en v. (-en). — Stroppen, stropte, heeft gestropt. Bw. Bij middel van eenen strop vangen. (Zeew.) Eenen strop omleggen. Ow. Moeilijk doorschuiven : dit garen stropt niet. —


ocr page 833

STRU

Stropper, m. (-s). — Stroptouw, o. en v. (-en). (Zeew.).

strophe, v. (-n). Afdeeling van een gedicht. Couplet. — S'rophisch, bn.

fttrot, m. (-ten). Gorgel. Keel. — Strotader, v. (-s). — Strotklep, v. (-pen). — Strotlapje, o. (-s). — Strottenhoofd, o. Buis, die uit verscheidene kraakbeenen bestaat en van boven met het tongbeen en van onderen met de luchtpijp samenhangt.

stmbbeliug:, v. Moeite, bezwaar, beslommering : dat zal veel strubbeling geven.

strnctniir, v. (..uren). Bouwwijze. Bouwtrant. Bouw.

struif, v. (..ven). Eier-pannekoek. — Struif koek, m. (-en). — Struif pan, v. (-nen).

struik,m. (-en).Heestergewas.Stronk. Tak (van een geslacht of eene iamilie).

— Struikachtig, bn. — Struikboonen, v. mv. Soort van suikerboonen, groeiende in eenen struik, zonder ranken.

— Struikbosch, o. en m. (..sschen). — Struiken, ow. struikte, heeft en is ge-struikt. Veel scheuten of bladeren krijgen rond den stam tegen den grond (van planten). — Struikgewas, o. (-sen). — Struik-heide, v. — StruikhoJit, o. — Sruikroo-ven, o. Langs de landwegen of den openbaren weg rooven. — Struikroover, m. (-s).— Struikroovery, v. (-en). — Struik-waard, v. (-en). Polder met heesters omgeven. — Strutkwinde, v. (-n). Stinkende winde.

struikclon, ow. struikelde, heeft en is gestruikeld. Ten gevolge van een beletsel op den weg dreigen te vallen. Zich ergeren (aan). Een geringen misslag begaan.

— Struikelaar, va. (-s). — ^truikelaar-ster, v. (-s). — Struikelblok, o. en m. (-ken). — Struikeling, v. (-en). — Struikelsteen, m. (-en).

struilcu, ow. struilde, heeft gestruild. Stroelen.

struis, m. (-en). Struisvogel.— Struis-ei, o. (-eren). — Struisgras, o. Plantengeslacht (agrostis), tot de struisgrassen behoorende. — Struisgrassen, o. mv. Groep der grassen. — Struishoen, o. (-ders). Gehorende palamedesvogel. — Struismees, v. (..zen). Kuifmees.— Struisriet, o. Plantengeslacht, tot de struisgrassen behoorende. — Struisveer, v. (-en).— Struisveder, v. (-s,-en).— Struisvogel, m. (-s). De struisvogels maken eene familie uit in de orde der loopvogels. De Afrikaansche struisvogel [struthio came-lus) is de grootste ouder de levende vo-gels.

struis, v. Loodwit. — Struisdotje, o. (-s). — Struisen, bw. struiste, heelt ge-struist. Met struis bestrooien, enz.—Struis-zakje, o. (-s).

struis, m. (-en). Tros.

struiseli, bn. Gespierd. Kloek.Vroom.

— Struischheid, v.

strunipei, v. (-s\ Slobkous.

Strnvo [F. G. W. von), Altona. Sterrenkundige.

struweel, o. (-en), struwol, m. (-s). Heester-, struikgewas.

— 765 — STUI

Kti'ycliiiiiio, v. Alcaloïde met zeef vergiftige eigenschappen.

Miustrt. Naam eener Schotsche familie, die gedurende meer dan drie eeuwen eerst alleen in Schotland, daarna ook in Engeland, de koninklijke waardigheid bezat

Htnc, v. Gips. Pleisterkalk, gtudcorcii, bw. ow. studeerde, heeft gestudeerd. Zich toeleggen om iets te weten. te kennen. Zich inz. in de geleerde vakken oefenen. Van buiten leeren. Overpeinzen, overdenken. — Studeerjaren, o. mv. — Studeerkamer, v. (-s). — Studeer-lamp, v. (-en). — Sindeerstoel, m. ( en).

— Stïideertyd, m. — Studeervertrek, o. (-ken). — Student, m. (-en). Leerling (inzr die zich aan de hoogere wetenschap wijdt).

— Studentenbank, v. (-en). — Studentencorps, o. (-en). — Studentenfeest^ o. en v. (-en).— Studentengrap, v. (-pen).

— Studentenhaver, v. Amandelen, rozijnen, enz. — Studentetikleeding, v. — Studentenklucht, v. (-en).— Studentenleven, o. — Studentenlied, o. (-eren). — Stuquot; denfenmaal, o. (..alen). — Stjidenten-party, v. (-en). — Studentenpet, v. (-ten).

— Studentenrecht, o. — Studentenspcië' teit, v. (-en). — Studentenstreek, m, (..eken). — Studententafel, v. (-s). — Studententijd, m. (-en). — Studenten' vereeniging, v. (-en). — Studie, v. (..iën, -s). Oefening, inz. in geleerde vakken. Onderzoek, navorsching. (Schild.) Schets, niet geheel afgewerkt stuk. Opzet : iets met studie doen. Kantoor : studie van eenen notaris. — Studiebeurs, v. (..zen).

— Studiegeest, m. — Studiejaren, o. mv. — Studiekop, m. (-pen). (Schild.). — Studiekosten, m. mv. — Studietijd, m. — Studieus, bn. Leergraag, leerzaam. Vlijtig. Naarstig.

stug:, bn. bijw. Onbuigzaam. Onvriendelijk. Niet willig. — Stugheid, v.

Htuifaarde, v. Soort van aarde, die droog gemakkelijk tot stof wordt. Veen-aarde. Teelaarde. — Stuif beek, v. (..eken). Beek* die van eene hoogte stort en waar-

ocr page 834

STUI — ;(

van het water in fijne droppeltjes neder-komt. — Stuif kalk, v. — Stuifmeel, o. Zie Meeldraden. (Molen.) Zeer fijn meel. — Stuif mee Ikoj-tel, v. (-s). — Stuif wol, v. Fijne pluis op sommige planten. — Stuif-zaad, o. (..aden). Stuifmeel. — Stuifzand, o. Drijfzand. Zeer fijn zand. — Stuif-zwavt, v. Soort van paddenstoel {lycoper-don bovista).

stuik, m. (-en).(Zeew.)Zekerhoutwerk. stuik, m. (-en). (Ook mandel genoemd). Acht, tien, twaalf, zestien schoo-ven graan op het land tegen elkander geplaatst. — Stuik, m. (-en). Schudding. Stoot. — Stuiken, bw. ow. slu;kte, heeft gestuikt. Sap uit druiven persen (door ze in eene mand heen en weer te schudden). Aan eenen hoop zetten : koren stuiken. Verstuiken. Ijzer in de richting zijner lengte omsm«*aen. Doorstooting af- of neder werpen. Ncderstorten : hij stuikte van den zolder. Uit de hand knikkers, enz. in een kuilije stooten. — Stui king, v. — Stuik korf, m. (..ven). — Stuikmand, v. (-en).

stuindcr, m. (-s). Steun.

stuip, y. (-en). Stiiipen : hevige en onwillekeurige samentrekkingen van de spieren het geheele lichaam door, bij vlagen opkomende en met bewusteloosheid

Sepaard gaande. —epaard gaande. — Stuipachtig, bn. — 'tuipboom, m. (-en). Boom, welks bladeren bij de minste aanraking zich samentrekken. — Stuiptrekken, o. — Stuiptrek kiftg, v. (-en).

Hluipcu, stoop, heelt pestopen. Bw. NederL-uigen (van 't hoofd of het lichaam) : «tuip uw hoofd een weinig. Zich stuipen, ww. Zich buigen. Ow. (zijn) Nederbuiger»: -stuip wat, ik zal de vracht op uwe schouders leggen.

Muit, stoet, v. (-en). Snede brood, dun of dik, geboterd of niet. Langwerpig broodje.

sluit, ra. Poos : hij is een stuit bij mij geweest.

ntuilcn, stuitte, heeft en is gestuit. Bw. Tegenhouden : den loop der wateren stuiten. Beletten : het geweld stuiten. Hinderen. ergeren. Dat stuit mij tegen de borst, is mij hoogst onaangenaam. Ow. (Iets) in zijne vaart of zijnen va! tegen iets aanbotsen, zoodat het terugstoot. Bonzen, springen : de bal stuitte tegen den muur. Bikkelen , met knikkers spelen. Pochen, pralen. — Stuit, m. (-en). Het stuiten.

— Stuit, v. (-en), stuitbeen, o. (-en). Onderste deel van de ruggegraat. — Stuit-balk, m. (-en). Stut van eenen molenbalk.

— Stuitend, bn. Aanstoot geven. — Stuiter, m. (-s). Die stuit. Groote knikker. Pocher. — Stuiteren, ow. stuiterde, heeft gestuiterd. Met stuiters spelen, —Stuitge-zicht' n, o. mv. Gebroken vergezichten. — Stuithout, o. (-en). (Boekb.). — Stuiting, v. — Stuit klamp, m. (-en). (Zeew.). — Stuithnikker, m. (-s). — Stuitlip, v. (-pen). (Zeew.). — Sluitstuk, o. (-ken). Acl.t- rste vierdedeel (van slachtvee). — Stmtvoeters, m. mv. Vogels, welker poo-ten zoodanig achterwaarts zijn geplaatst, dat zij op den staart schijnen te loopen. —

i — STUK

Stuitvos, ra. (-sen). Pocher. — Stuitvos-sery, v. (-en). — Stuitzvind, m. (-en) Windvlaag, die tegen opkomende storra-wolken waait.

stuiveling:, v. Bevrozen en vermolmde tui f.

stuiven, ow. stoof, heeft en is gestoven. Stof veroorzaken. In stof vervliegen. Spoedig, driftig heengaan : hij stoof weg als de wind. 't Zal cr stuiven : 't zal er erg toegaan.

stuiver, m. (-sx. Muntstuk = (eert.) 1J20 gulden; (thans) 5 cent Nederl. — otuizerbrief, m. (..ven). Schuldbrief met inbegrip der rente. — Stuivergeld, o. (-en). Korting van eenen stuiver per gulden. Bedrag van zulke korting. — Stui-verkruid, o. Penningkruid. — Stuivers* magazijn, o. — Stuiververeeniging, v. (-en). Vereeniging, welker leden wekelijks eenen stuiver bijdragen. — Stuivertje, o. (-s). Een mooi stuivertje : een aanzienlijk sommetje. — Stuivertje-wisselen, o. Zeker kinderspel.

stuk. o. (-ken). Gedeelte van iets. Deel. Brok. Min ot meer groot gedeelte van een boek, eene redevoering, enz. Opstel. Samenstellend deel. Zeker aantal meters, laken. linnen, enz. Vat: een stuk wijn. Bij het stuk werken, betaald worden : naar hetaan-tal voorwerpen, dat men aflevert, betaald worden. Muntstuk. Kanonstuk. Figuur in hetschaakspel,inz. een paard. Voortbrengsel van kunst: schilderstuk, tooneelstuk, ge-dicht,enz. Bewijsstuk,akte,oorkonde.Daad, feit, misdrijf. Wekere oppervlakte gronds. Die zuil bestaat uit éen stuk, bestaat niet uitdeelen. Den heelen nacht heb ik aan éen stuk, onafgebroken geslapen. Een stuk van eenen schoenmaker : een onbeduidende schoenmaker. Hij verstaat zijn stuk, zijn beroep, zijn vak. Voet bij stuk houden : niet van zijn onderwerp afgaan. Hij heeft een stuk in zijnen kraag : hij is dronken. (-s) Exemplaar : twintig stuks vee. Een stuk of vier : ongeveer vier. — Stuk, bijw. Aan stukken : het speelgoed is stuk.

— Stukbreken, bw. (1). — Stukgaan, ow. (zijn). —Stukgoederen, o. mv. Goederen, die stuk voor stuk worden ingeladen. — Stukgooien, bw. — Strikkend, bn. Aan stukken : het speelgoed is stukkend. — Stukkerig, bn. Beschonken. — Stukmaken, bw. — Stukryder, m. (-s). Rijdende kanonnier. — Stuksgewijze, ..wijs, bijw.

— Stukslaan, bw. — Stuksmijteyi, bw. — Stuksmjden, bw. — Stukvallen, ow. (zijn). — Stukvat, o. (-en). Wijnvat van 24 ankers. — Stukwerk, o. (-en). Werk, dat bij stukken afgemaakt, betaald wordt.

— Stukwerker, ra., (-s).

slukatloreu, bw. stukadoorde, heeft

gestukadoord. Bepleisteren. Inz. met stuc half verheven versieringen aan plafonds, enz. maken. — Stukadoor, m. (-s). — Stukadoorriet, o. — Stukadoorswerk, o.

— Stukeeren, bw. stukeerde, heelt gestu-keerd. Stukadoren.

(1) De samerg.-stelde werkwoorden met stuk zijn scheidbaar.


ocr page 835

styx — ?(

•tul, ni. (-leu). Klomp boter, groot of klein.

v. (-en). Stolp. Boerenwoning. Hut. Nederig verblijf. — Siulpen, bw. stulpte, heeft gestulpt. Stolpen. Stelpen. — Stulpuft, o. (-ten). — Stulpvormïgjhn.

m. (-s). Bloed. Sukkelaar. Arme dron\rael. — Stumperachtig, bn. bijw. _— Stumperac/iiïghei'd, v. — Stumperig, bn. Stumperigheid, v. — Stumperwerk, o. Knoeiwerk.

Hturcn, stieren, stuurde, stierde, heeft gestuurd, geslierd. Bw. Zenden : iem. gevraagde koop\varen sturen. Uitzenden om eene boodschap te doen : ik zal u miï-nen knecht sturen. Iets in eene bepaalcle richting voorwaarts doen gaan, inz. vaartuigen. Ow. Stevenen. — Sturing, v. _— Stuur, o. Werktuig, waarmede een schip, «nz._ wordt bestuurd, roer. Toestel om een rijwiel te sturen. Het stuur van Staat : het landsbewind, üv^r stuur, in verlegenheid, ongesteld zijn. Over stuur, achteruit, in de war raken. — Stuurboom, m. (-en). — Stuurboord, o. Zie Boord. — Stuur-boordszvacht, v. (-en). — Stuur last, m. Verschil in diepgang van den voor- met den achtersteven. — Stuurlastig, bn. Stuurlastig schipgt; welks diepte van achteren grooter is. — Stuur lastigheid, v. Stuurlast. — Stuurmal, o. (-len). Mal van het roer. —Stuurman, m. (..lieden, ..lui). Hij, die aan het roer van een schip zit. De eerste in rang a.in boord na den gezagvoerder. De beste stuurlui staan aan wal : degene, die best eene zaak kennen worden voorbijgegaan. — Stuurmanschap, o., stuurmanskunst, v. — Stuurmansmaat, m. (-s). —Stuurpennen, v. mv. — Stuurplaats, v. (-en). — Stuurplecht, v. (-en). Halfdek voor het roer. — Stuurrad, o. (-eren). —■ Stuurreep, m. (-en). — Stuur-riem, m. (-en).— Stuurstoel, m. (-en).— Stuurstck, m. (-ken).

Btuf fcn, bw. stutte, heeft gestut. Schragen. Steunen. Schoren. Ondersteunen.

— Stut, m. (-ten). Steun , steunsel. Iem. of iets, di(j of dat ondersteunt. — Stutbalk, m. (-en),—Siutklamp, m. (-en).

— Stutmuur, ra, (..uren). — Stulp.ank, v. (-en). — Stutsel, o. (-s). — Stut steker, m. (-s). (Zeew.). — Siuttinv, v.

117,000. Hoofd- en residentiestad van hetkoninkrijk Würtemberg.

Hlmii', bn. Stuursch. — Stuursch, bn. bijw. Barsch. Norsch. Trotsch.— Stuursch-heid, v. (..heden).

Hliiwon, bw. stuwde, heeft gestuwd. Dicht opeenduwen. (Zeew.) Goederen in het ruim pakken. Het water stuwen, den doorloop stu ten. — Sluw, v. (-en). Dam. Waterkeering. Stuwage, v. Lading, in het ruim van een schip getast. — Stuwage-geld, o. — St ullage hout, o. — Stuwer, ra. (-s). — Stuwing, v.

Ktyl (5*.), 1731-1804, Harlingen. Dichter en kunstkenner. De Opkomst en bfoei der Vereenigde Nedet landen (1774); de Mityleners (treurspel».

Sly* , m. (Fah.) Stroom, die zevenmaal rondom het rijk van l'luto, de hel, kronkelt.

r — sue

subaltern, bn. Onderhoorig. Ondergeschikt. Afhankelijk.

Hubdiukonuni, o. De derde der groote orden indeh. Kerk. De macht om met den diaken den priester aan het altaar ter zijde te staan, den Epistel te zingen, den kelk aan te brengen en weg te dragen, den kelk en de kelkdoeken te reinigen. — Subdiaken, m. ( s). Die met hetsubdiako-naat bekleed is. — Subdiakenschap, o.

subiet, bn. bijw. Plotseling. Dadelijk.

subjeet, o. (-en). Onderwerp. — Srib-jectie, v. Onderwerping. — Subjectief, bn. Onderwerpclijk, het onderwerp betreffende. Innerlijk (in tegenstelling \\\c\. objectief). — Subjectiviteit, v.

subjunetier, siibjunetivr.ü, m. (..ieven). (Taalk.) Bijvoegende, aanvoegende wijs.

s u b 11 e m, b n. bij w. Verh e ven. G rootsch. Overheerlijk. —Sublimiteit, v. (-en).

siibliinusit, o. (..aten). (Scheik^ Het opgedrevene, het vervluchtende. — Sublimeer en, bw. sublimeerde, heeft gesublimeerd. Omhoog heffen. Naar boven drijven. Vervluchtigen. — Sublimeering, v.

subsidiair, bn. Ondersteunend. (Recht.) Zoo noodig te vervangen door.

subsidie, v. en o*. (..iën, -s). Hulpgeld. Toelage. Onderstand. — Subsidieeren, bw. subsidieerde, heeft gesubsidieerd. Hulpgeld verleeneu. Helpen, ondersteu-nen.

substantie, v. (..iën, -s). Zelfgt;tandig-heid, bestanddeel. Kern, pit, merg, kruim. — Substantieel, bn. Wezenlijk, zelfstandig. Voedzaam.

substantief, o. (..ven). Zelfstandig naamwoord.

substituant, m. (-en). Plaatsvervanger. Plaatsvervuller. — Substitueer en, bw. substitueerde, heeft gesubstitueerd. In da plaats stellen. De plaats vervangen.-5«^-stitutie, v. — Substituut, ra. (..uten). (Recht.) Plaatsbekleeder. — Substituut-grijjïer, m. (-s). — Substituut-ojjicier, m. (-s). t . -

subtiel, bn. bijw. Teer, fnn. lastig, sluw. (Godg.) De lichamen der heilige menschen zullen bij de verrijzenis subtiel zijn, d. i. : zij zullen leven als enkele geesten, en. is het noodig of betamelijk, dan zullen zij, door een mirakel Gods, de stoffelijke schepselen kunnen doordringen, juist gelijk de geesten. — Subtiliteit, v. -en). Het subtiel zijn. Fijnheid. Haarklooverij. Spitsvondigheid.

succes, o. Bijval. Goed, gelukkig gevolg. Goede uitslag. # _ f .

successie, v. Elfopvolging. Erfenis, erlgoed, nalatenschap. Zie Oorlog.

successief, successievelüb, bijw. Langzamerhand. De een na den ander. Onafgebroken. , , .

Muccuvsale, v. Hulpkeik, Hulphuis, bijliuis. Bijwinkel. Hulpbank. Hulpge-sticht.

SiKlerniann (//.), 1857. Matziken. Duitsch romanschrijver en dramatisch dichter.

Sue (Af. y. £■], 1804-1S57, Parijs. Ro-


ocr page 836

SUIK — 7

manschrijver. My stères de Parts (1842); Ie Juif errant (1845).

Suez, 11,000. Stad (Egypte). De Golf van Suez. Het Suez-kanaal verbindt de Middell. Zee met de Roode Zee (1869).

Maf', bn. bijw. Verstompt (van hersenen'. Kindsch, onnoozel. Bedwelmd. —Suffen, ow. sufte, heeft fresuft. Versuft zijn. Niet helder denken. Kindsch worden. — Suffer fd), m. (-s). — Suffery, v. (-en). — Suffing, v. — Sufheid, v. — Suf ster, v. (-s).

•iifllssint, bn. Voldoende, toereikend. Verwaand, waanwijs: een suffisant mensch.

— 5quot; uffisa 7i tie,

snfTrstgruun, m. (..anen). Wijbisschop. Hulpbisschop Onderbisschop.

suiker, v. (-s). Naam van een aantal in water oplosbare stoften, die alle een zoeten smaak hebben en uit koolstof, waterstof en zuurstof bestaan. Inz. de suiker uit suikerriet of uit beetwortels verkregen. Ruwe suiker : ongezuh erde suiker. — Suikerabrikoos, v. (. .ozen). — Suikeraccyns, m. — Suikerachtig, bn. — Suikerahorn, m. (-en). Soort van ahorn (acer sacchari-nuvt). Zijn sap levert eene voortreffelijke suiker op. — Suikeraluin, v. — Suikeramandel, m. (-en). — Suikerappel, m. (•s). -7 Suiker appelboom, m. (-en). — Suikerbakken, o. — Suikerbakker, m. (-s). — Suiker bakkerij, v. (-en). — Sui-herbahkerswerk, o. — Suikerballetje, o. (-s). — Suikerbeschuit, v. (-en). — Suikerboom, m. (-en). — Suikerboon, v. (-en). Prinsessenboon. Gesuikerde amandel. — Suikerbrandewijn, m. — Suikerbrood, o. (-en). — Suikerdeeg, o. en m. — Suikerdoos, v. (..zen). — Suikeren, bw. suikerde, heeft gesuikerd. Met suiker bestrooien. Met suiker zoet maken. — Suikererwt, y. (-en), fonge, fijne erwt. Erwtvormig suikerballetje. — Suikerfabriek, v. (-en). — Suikerfabrikant, m. (-en). — Suikergebak, ö. — Suikergoed, o. — Suikerhandel, m. — Suikerhuis, o. (..zen). Suikerfabriek. — Suiker ig, bn. — Suikerigheid, v. — Suiker-faa*, o. (..aren). — Suiker keuring,v. — Suiker kist, v. (-en). — Suikerklontjes, o. mv. — Suikerkoek, ra. (-en). — Suiker-koker, m. (-s). — Suiker kokerij, v. (-en).

— Suikerkorrels, v. mv. — Suikerlepeltje, o. (-s). —Suikermannetje, o. (-s).

— Suiker me leen, m. (-s). — Suikermes, o. (-sen). — Sutkerfueter, m. ( s). — Suikermolen. m I-s).— Suikernonkel, m. (-s). Ongehuwde oom, van wien men een erfdeel te verwachten heeft. — Suikerpan, v. (-nen). — Suikerpapier, o. — Suikerpeer, v. (..eren). — Suikerpil, v. (-len).

— Suiker plant, v. (-en).^ — Suikerplantage, v. (-sgt;. — Suikerpopje, o. (-s). Pop van suiker. Liefderijk woordje (tot een kind). — Suikerpot, ra. (-Un).

— Suikerpruim, v. (-en). — Suikerraffinaderij, v. (-en). Plaats, waar suiker gezuiverd en bewerkt wordt. — Suikerraffinadeur, m. (-s). — Suikerrasp, v. (-on). — Suikerriet, o. Plant [saccharum officinale), tot de gierstgrassen behooren-de. Wordt in de warme landen gekweekt.

8 — SUJE

— Suiker schaar, v. (..aren). — Suiker^ smaak, ra. — Suiker spek, ra. (-ken). — Suikerstof, v. (-fen). — Suiker strooier y m. (-s). — Suikerstroop, v. — Suiker-

tang, v. (-en). — Suikertante, v. (-s, -n). Ongehuwde tante, van wie men een erfdeel te verwachten beeft. — Suikervat, o. (-en). — Suikerzvater, o. — Suikerwerk, o. — Suikerwier, o. Wiersoort {'amina-ria saccharina),we\]ze eene zoetsmakende zelfstandigheid bezit. — Suikerwijn, ra. — Suikerwortel, ra. (-s). Plant (sium sisa-rum), tot de schermdragenden behoo-rende. — Suikerziekte, v. — Suikerzoet, bn. — Suikerzuur, o. Zeker zuur, dat uit de suiker wordt verkregen. — Suiker-zuur, bn.

sniberol, suiltorU, v. Zie Chicorei. suilen, bw. ow. suilde, heeft gesuild. Met een door paarden getrokken sleepnet visschen. Sleepen. Lanterfanten,beuzelen.

suilooren, ow. suiloorde, heeft ge-suiloord. De ooren laten hangen. — Suil-oor, o. en v. (-en). Hangend oor. — Suil-oor, ra. en v. (-en). — Suiloorig, bn. JBaloorig. Moedeloos.^

suisse, ra. (-n). Kerkwachter. Pijken-heer.

suite, v. Gevolg, sleep, stoet. Volgreeks van kamers.

suizebollen, ow. suizebolde, heeft gesuizebold. Half bedwelmd zijn. —Suizelen , ow. Suizebollen. Suizen. — Suize-lig, bn. Draaierig. Bedwelmd. — Suizeling, v. (-en). —Suizen, ow. suisde, heeft gesuisd. Zacht ruischen. Dommelen (in het oor). Tuiten. Zingen (van water, dat begint te koken). — Suizig, bn. Suizend. Ruischend. — Suizing, v. (-en).

sujet, o. (-ten). Onderwerp, vior-werp. Onderdaan. Tooneelkunstenaar. Ee,a slecht sujet: een slecht mensch, een doorbrenger.


ocr page 837

SUMA — 7

sukade, v. Gekonfijte schillen van meloenen, oranjeappelen, enz. —Sukadekoek, ra. (-en). — Sukadig, bn.

sukkelen, ow. sukkelde, heeft en is gesukkeld. Kwijnen, ziekelijk zijn. Een kommervol leven leiden. Traag en gebrekkig vooitgaan. Slecht vooruitkomen.

— Sukkel, m. Het sukkelen : hij is aan den sukkel. — Sukkel, sukkelaar, m. (-s). — Sukkelaarster, v. (-s). — Sukkelachtig, bn. — Sukkelary, v. (-enj. — Sukkeldraf, m. Korte, kleine draf. — Sukke/gatig, m. Langdurige kwijning.— Sukkeling-, v. (-en). Het sukkelen. Tegenspoed. GetaXra. — Sukkelpar/y, v. (-en). Sukkeling. Langdurige kwijning.

— Sukkeltrein, m. (-en). Trein, die aan ieder station stilhoudt. — Sukkelwerk, o.

sul, m. (-len). Bloed. Onnoozel mensch. Eenvoudige man of jongen. — Sulachtig, bn. bijw. Als een sul. Gedwee. — Sulachtigheid, v. — Sullebaaii, v. (..anen). Glijbaan. — Sullen, sulde, heeft en is gesuld. Bw. Voor den gek houden. Ow. Glijden.

— Sullig, bn. Glad. Sulachtig. — Sulligheid, v.

sulfer, solfer, o. en v*. Zwavel. — Sulfer, solfer, ra. (-s). Zwavelstok. — Sulfer achtig, bn. — Sulfer balsem, ra. (-s).— Sulfer damp, ra. (-en). — Sulfe-ren, bw. sulferde, heeft gesulferd. Zwavelen. — Sulferlym, v. — Sulferviyn, v. (-en). — Sulfer priem, ra. (-en). — Sulfer stank, ra. — Sulfer stek, ra. (-ken). — Sul ferm or tel, v. (-stofn.); ra. (-s) (voor-werpsn.). Zekere plant {peucedanum officinale'). — Sulfureus, bn. Zwavelachtig.

sultan, ra. (-s). Opperheer, gebieder in het Oosten (inz. Turkije).—Sultane, v. (-s). — Sultanifn, v. (-en), sultanine, v. (-n). Zekere gouden raunt (in Turkije).

— Sul tan in, v. (-nen). — Sultanshoen, o. (-ders). Purperhoen.

sumak, smak, v. Looiersboom.

Sumatra. Soenda-eiland. 8,035 vierk. geogr.raijl. (Nederl.bezittingen): 3,000,000 inw. (Zie Indië).

Residenties '

• I 1. Tappanoeli-havens : Siboeha,

Ö I Sinkel,Baroes,Natal, — eil.Nias. rt 3 • l2- Padang.-havens : Padang, Aij-quot;5 SjQ ï erbangis, Priaraan, Indrapoera, —eil. : Mentawei, Batoe, Nas-j* 3 « I sau, Pageh.

c /3- Padangsche bovenlanden,hoofd-^S I plaats Fort de Koek of Boekit-

5 \ Tinggi.

ö) Benkoelen, assistent-residentie, hoofdplaats, Benkoelen.

c) De Larapongsche Districten, hoofdpl., Telok-Betorg.

d) Palerabang residentie, hoofdpl., Pa-lerabang.

e) Djambi (De Sultan erkent Neder-landsch oppergezag).

f) Indragiri.

g) Sumatra's oostkust, residentie, hoofdplaats Delhi. Onderafdeelingen, Bankali, Siak en Assahan.

h) Atieh, gouvernement (eertijds onafhankelijk).

i) Riouw, residentie.

9 — SWAR

Rijst, koffie, tabak, vooral zwarte peper. Mupercagrs** m. (-'s). Opzichter eener lading.

superfijn, bn. Zeer fijn. Allerfijnst, superieur, bn. Hooger (in rang).— Superieur, m. (-en). Meerdere, hoogere. Overste, bestuurder van een gesticht.

superlatief, superlatlvus, m. (..lieven). (Taalk.) Overtreffende trap.

superstitie, v. Bijgeloof. « Het ongoddelijk gebruik van eenige woorden of teekenen tot een zeker werk, tot hetwelk deze geene kracht hebben noch uit de natuur, noch van God, noch door de instelling der h. Kerk. » — Superstitieus, bn. Bijgeloovig.

Suppé [F. von), 1820-1895, Spalatro, Oostenrijksch operetten-componist. Fati-nttza ; Bocaccio.

suppedlteeren, bw. suppediteerde, heeft gesuppediteerd. Verschaften. Aan do hand doen.

suppleereu, bw. suppleerde, heeft gesuppleerd. Aanvullen, bijvoegen, vol maken. Opleggen. — Supplement, o. (-en). Bijvoegsel, aanvulsel, aanhangsel. Bijlage. Opleg. — Suppletie, v. Aanvulling.

wuppoost, ra. (-en). Lid, medelid. Medestander. Onderhoorige. Helper (in het kwade).

Suriname. Nederl. Guiana. Zie Indië. 2.500 vierk. mijl. 70,000 inw.

surnumerair, ra. (-s). Overtollige. Onbezoldigde bediende, die op eene vaste aanstelling wacht.

surplls, v. Koorhemd.

surplus, o. Overschot. Het meerdere, surprise, v. (-s). Verrassing, surrosraat, o. (..aten). Plaatsbeklee-dend raiddel. Datgene wat iets anders vervangt, b. v. : suikerij voor koffie.

surséance, v. Opschorting van betaling. Rechterlijke uitstel.

su r vei lieeren, bw. o w. surveilleerde, heeft gesurveilleerd. Bewaken. Toezien. — Surveillance, v. Bewaking. Toezicht. Opzicht.— Surveillant, ra. (-en). Bewaker. Toeziener.

sus, tw. Stil 1 — Sussen, bw. suste, heeft gesust. Stillen, doen bedaren. Een kind in slaap sussen, het door zingen, enz. in slaap maken. lera. in slaap sussen, hem met fraaie beloften tevreden stellen. — Sussing, \.

SuManna. Toodsche vrouw, die val-schelijk beschuldigd door twee ouderlingen» door Daniël van den dood werd gered.

susceptibel, bn. Teergevoelig. Vatbaar. Lichtgeraakt. — Susceptibiliteit, v. suspect, bn. Verdacht.

suspensie, v. (..iën, -s). Schorsing (in een ambt). (Kerk.) Censuur, door welke een geestelijke van het gebruik der kerkelijke macht wordt beroofd. — Suspensie f,hn.

sutte, v. (-n). Seute.

Suttermans (.7.), 1597-168^ Antwerpen. Historie- en portretschilder.

snzerein, ra. ( en). Opperleenheer. — Suzereiniteit, v.

Swammerdam [J.), 1637-1680, Amsterdam. Ontleed- en natuurkundige. Su artli (//.), 1859, Amsterdam. Dich-


ocr page 838

— 770 —

TAAL

TAAL

Eenzame Bloemen (1884); Blamve Bloemen. ; Sneeuwvlokken (1888);

Blanke. Duiven (1895).

Sivcelluck (7« 1563-1621, Am

sterdam. Toonkunstenaar.

Swlft (y.), 1667-1745, Dublin. Eng. hekeldichter. The tale of a tub (1704); Gullivers travels (1726).

Swiubnriitt {A. C.), i837,Holmwood. Eng. lyrisch dichter. Poems and ballads.

«ybarlot, m. (-en). Verwijfde. Wellusteling. — Sybariefisch, bn. bijw.

Sybel (//. von), 1817-1895, Diisseldorf. Duitsch geschiedschrijver. Geschichte der Revolzitionszeit, ijSg-iSoo (iSsy'jq) ; Beg-rüudung des deutschen Reichs durch Wilhelm I (i889-'90).

Sydney, 225,000. Hoofdstad der Brit-sche-Australische kolonie Nieuw-Zuidwal-lis.

syllabe, v. (-n). Lettergreep. Syllstbna, m. Tafel, waarin al de beginselen en opvattingen der moderne maatschappij, welke in strijd zijn met de leer der Roomsche Kerk, zijn opgenoemd en veroordeeld. •

syllog^isme, m. (-n). Sluitrede. — Syllogistisch, bn.

Sylpbe, m. (-n). Luchtgeest. — Syl-phide, v. (-n). Luchtnimf.

symbool, o. (..olen). Zinnebeeld. — Symboliek, v. Leer der zinnebeelden. Beeldenleer. — Symbolisch, bn. Zinnebeeldig. — Symbolum, o. « Kort begrip van hetgene wij meest moeten gelooven » : het symbolum der Apostelen, het symbolum van het concilie van Nicaea (325), het symbolura van het concilie van Constan-tmopel (381), het symbolum van den h. Athanasius.

t, v. (t's), 20° letter van het alphabet, tasti, bn. bijw. Wat gemakkelijk buigt ronder te breken : een taaie tak. Hard, stevig, vast : dat is taai laken. Kleverig, samenhangend : pik is taaier dan was. Dat vleesch is te taai, en daardoor haast niet te

februiken. Een taai geduld : een geduld, at niet licht ophoudt. Een taai leven hebben : niet gemakkelijk sterven. Hij is taai : hij heeft eene sterke levenskracht, hij is karig, gierig. Zich taai houden : niet licht toegeven. —ebruiken. Een taai geduld : een geduld, at niet licht ophoudt. Een taai leven hebben : niet gemakkelijk sterven. Hij is taai : hij heeft eene sterke levenskracht, hij is karig, gierig. Zich taai houden : niet licht toegeven. — Taaiachtig, bn.— Taaierd, m. (-s). Iem. die taai is. Gierigaard. — Taaiheid, taaiigheid, v.— Taailap, v. (stofn.) ; m. (-pen), (voor-werpsn.) Zeker taai gebak. — Taainagel, m. (-s). Nijdnagel. Gierigaard. — Taaitaai, o. Naam van eene Friesche soort van koek.

taak,v. (..aken). Bepaald, opgegeven werk. Arbeid, die verricht moet worden.

taal, v. Wat gesproken is of wordt: iem. taal en antwoord geven. Het spreken, bet vermogen om te spreken : wel ter tale zijn. Al de woorden en uitdrukkingen, waarvan een volk zich bedient (dan mv.

symmetrie, v. Evenredigheid. Gelijkmatigheid. Evenmaat. Overeenstemming.

— Symmetrisch, bn.

Hymigt;sitble, v. (-en). Medegevoel.

Samenneiging. Gevoelsovereenstemming. Genegenheid. — Sympathetisch, sympathiek, bn. — Sympathiseer en, ow. Sympathiseerde, heeft gesympathiseerd. Met iem. eenstemmig denken of gevoelen. Medegevoel hebben.

sympbouie, v. (-ën). Muziekstuk voor orkest, in den vorm eener groote sonate.

symptoom, o. (..omen).Teeken, ken-teeken. verschijnsel. Ziekteteeken.

syiiasogre, v. (-n). Godsdienstige vergadering der Joden. Jodentempel. Jodenkerk.

syueope, v. Bezwijming. Weglating eener letter of lettergreep. (Muz.) Aanslag op de niet geaccentueerde noot.

syudi«*aat, o. (..aten). Vennootschap, synode, v. (-n). Vergadering wegens kerkelijke aangelegenheden. — Synodaal, bn.

synoniem, bn. Gelijkbeteekenend. Van gelijke beteeken is. Zinverwant. — Synoniem, o. (-en). Gelijkbeteekenend of zinverwant woord. — Synonymiek, v. Leer der zinverwantschap.

synoptiscb, bn. Beknopt. Bondig. Samengevat.

syntnxis, v. Deel der spiaakkunst : woordschikking, woordvoeging, zinbouw.

— Syntactisch, bn.

syrine» v. (-en). Zie Sering.

systeem, o. (..emen), systems*, o.

(-'s). Stelsel. — Systematisch, bn. Stelselmatig. — Systematiseeren, bw. systematiseerde, heeft gesystematiseerd. Wetenschappelijk rangschikken.

talen) : de levende, doode, beschaafde en onbeschaafde talen. De woorden en uit* drukkingen, waarvan eene volksklasse, een individu, enz. zich bedient : studententaal. Alles wat dient om gedachten of gevoelens uit te drukken : de taal der oogen. Geluid, waardoor verschillende dieren hunne gewaarwordingen uiten. Aan levenlooze din-

§en kent men soms, in eene zinnebeeldige eteekenis, spraak en stem toe : de taal der natuur, der bloemen, enz.Taal en antwoord, goed bescheid geven. Dat is niet de taal van eenen vriend: zoo spreekt geen vriend. Iem. zijne taal weineten, hem niet willen antwoorden. Taal noch teeken geven : geen teeken van leven meer geven.—en kent men soms, in eene zinnebeeldige eteekenis, spraak en stem toe : de taal der natuur, der bloemen, enz.Taal en antwoord, goed bescheid geven. Dat is niet de taal van eenen vriend: zoo spreekt geen vriend. Iem. zijne taal weineten, hem niet willen antwoorden. Taal noch teeken geven : geen teeken van leven meer geven.—Taalbederver, m. (-s). — Taaibede*fster, v. (-s). — Taalboek, o. en m. (-en). — Taaldeel, o. (-en).Rededeel.— Taaleigen, o. Bijzondere eigenaardigheden eener taal. — Taaieigenaardigheid, v. (..heden).— Taalfout, v. (-en). — Taalgebouw, o. De taal in haar geheel. — Taalgebrek, o. (-en). — Taalgebruik, o. — Taalgeleerde, m. (-n). — Taalgrond, m. (-en). Beginsel, hoofdregel eener taal. — Taalhervormer, m.j


ocr page 839

TABA — ;

(-s). — Taalhervorming, v. — Taalkenner, ra. (-s). — Taalkennis, v. — Taal-kunde, v. — Taalkundig, bn. — Taalkundige, m. en v. (-n). — Taalleeraar, m. (-s). — Taalman, m. (-nen, ..lieden). Vertaler. Vertolker. Tolk. — Taalmees-ter, ra. (-s). — Taalminnaar, ra. (-s, (..aren). — Taaioefenaar, ra. (-s, ..aren).

— Taaloefening, v. (-en). — Taalonderricht, o. — Taalonderwys, o. — Taalrechter, ra. (-s).— Taalregel, ra. ( s). — 2'aalryk, bn. — Taalschat, ra. — Taalschikking, v. — Taaltak, ra. (-ken). — Ta alteeKen, o. (-s). Toonteeken op cene letter.— Taalvitter, ra. ( s).— Taalvitterij, v. — Taalvoerder, ra. (-s).— Tnal-vorscher, ra. (-s).— Taalwet, v. (-ten).— Taalzifter, ra. (-s). — Taalziftery, v. — Taalzonde, v. — Taalztiiveraai-, ra. (-s).

taan, v. Roodachtige verfstof, van eikenschors gekookt.— Taanbloem,v. (-en). Reinvaar. — Taandery, v. (-en). — Taan-huis, o. (..zen). — Taanketel, ra. (-s).— Ta ankle ur, v. — Taankleurig, bn. — Taankring, ra., taanrond, o. Zonneweg.

— 7aanknip, v. (-en).

taart, v. (-en). Soort van fijn gebak. — Taartenbak, ra. (-ken). — laartenbak-ker, ra. (-s). — Taartendeeg, o. en ra. — Taartenschotel, ra. (-s).— Taartepan, v. (-nen). — Taartkoek, ra. (-en).

taarts, teert», v. (-en). (Zeew.) Groo-te houten marlpriem met ijzer beslagen.

taats, v. (-en). Korte spijker met groeten kop. IJzeren punt van eenen draaitol.

— Taatstol, m. (-Jen). Zeker kinderspeeltuig.

tabaifle, v. (-s). Rookplaats. Rookkamer.

tabak, v. (-ken). Plant [nicotiana ts-bacum), tot de nachtschaden behcorende. Is herkomstig uit Amerika. De bladen worden gebruikt tot rooken, snuiven en kauwen. — Tabaksakker, ra. (-s). — Tabaks-asch, v. — Tabaksblaas, v. (..azen). — Tabaksblad, o. (-en). — Tabaksbouw, ra.

— Tabaksbuil, ra. (-en). Tabakszak. — Tabaksdamp, ra. — Tabaksdoos, v. (..zen).

— Tabakseest, ra. (-en). — Tabaksfabriek, v. (-en). — Tabaksfabrikant, ra. (-en). — Tabaksgerei, o.— Tabakshandel, ra.—Tabakshandelaar, ra. (-s). — Tabakskamer, v. {-£).—Tabakskauwer,ramp;. (-s).—Tabaks-kervertm.l-s).— Tabakskervery,v. (-en).

— Tafraksfastje, o. (-s). — Tabakskhsteer, (-en). — Tabakskomfoor, o. (..oren). —

Tabakskooper, ra. (-s). — Tabaksland, o. (-en). — Tabakslood, o. — Tabakslucht, t. — Tabaksmannetje, o. (-s).— Tabaks-tnai, v. (-ten). — Tabaksmoleft, ra. (-s).

— 7abaksoogst, ra. — Tabakspapier, o.

— Tabakspers, v. (-en). — Tabakspijp, v. (-en). — Tabaksplant, v. (-en). — Tabaksplantage, v. (-s). — Tabaksplanten, o. — Tabaksplanter, ra. (-s). — Tabaks-plantery, v. (-en). — Tabaksplanting, v. (-en). — Tabakspot, ra. (-ten). — Tabakspruim, y. (-en). — Tabaksrasp, v. (-en).

— Tabaksreuk,m. — Tabaksrol, v. (-len).

— Tabaksroller, ra. (-s). — Tabaksrook, ra. — Tabaksrooker, ra. (-s). — Tabaksyups, v. (-en). — Tabakssap, o. — Ta-

i — TABE

bakssaus, v. (-en). — Tabaksschuur, v, (..uren). — Tabakssnyder, ra. (-s). •— 7a:-bakssnuiver, ra. (-s).— 7abakssmnfster, v. (-s). — Tabakspinner, ra. (-s).— la-

bakspinnery, v. Het spinnen vaa tabak, (-en). Plaats, waar tabak gesponnen wordt.

— Tabaksstank, ra. — Tabakssteel, m. (..elen). — Tabaksstof, v. — Tabaksstop. pertfe, o. (-s). — Tabaksteelt, v. — Ta-baksvat, o. (-en). — Tabaksveiling, v, ( en).— Tabaksveld, o. (-en). — Tabaks-ventje, o. (-s). — Tabaksverkooper, m.

(-s). — Tabaksverkoopster, v. (-s). _

Tabakswalm, ra. — Tab a k swat er, o. _

Tabakswinkel, ra. (-s). — Tabakswinkelier, ra. (-s). — Tabaksrvinkelierster, v. (-s).— Tabakszak, ra. (-ken).

tabbaard, tabber«l, ra, (-en, -s). Lang staatsiegewaad, inz. der rechters. Kleedingstuk, dat vooral in de studeerkamer wordt gedragen.

tabel, v. (-len). Tafel of lijst, een overzicht van iets bevattende. Invullingsstaat.

— Tabellarisch, bn. Als eene tabel. In den vorm eener tabel.

tabernakel, m.en o*. (-en, -s). Hut, tent, veldhut. Draagbare tempel, hekleed met kostelijke stoften «bij de Israëlieten). Was verdeeld in het Heilige en het Heilig der heiligen. Rijk versierd kastje boven het altaar, waarin het h. Sacrament bewaard wordt. (Zeew.) Plaats voor den


ocr page 840

— 772 —

TAK

TAFE

kommandant (eenergalei).— Tabernakelen, ow. tabernakelde, heeft getaberna-keld. Wonen. Verblijf houden.

tablln, o. (-en). Dicht gewerkte en gewaterde zijden stol. — Tabynen, bn. — Tabynwever, m. (-s). — Tabynwevery, v. (-en). ..

tableau, o. (-x). Tafereel, schilderij. Ontwerp. Lijst, rol.

tablc-d'höto, v. Open tafel, tablette, v. (-n). Schab, plank, bord. Schijf van stroop en suiker, die, te zaraen gesmulten, op een kouden steen gegoten en gesteven worden. — Tabletje, o. (-s). Zakboekje. Memorieboekje.

tabouret, v. (-ten). Stoeltje zonder leuning. Zitbankje.

taebtis* Grondgetal : 80. — Tachtigen, o. mv. Wij waren met xijn (ons) tachtigen. — Tachtiger, m. (-s). lem., die tachtig jaar oud is. Oorlogsschip van tachtig s'ukken geschut. — Tachtigjarig, bn. — TachtigDiaal, bijw.— Tachtigste telw. — Tachtigvoud, o. — Tachtigvoudig,^.— Tachtigwerf,h\]vj.

tacliyjcraaf, m. (..afen). Snelschrijver. — Ta chyg rap hie, v. — Tachygra-phisch, bn.

Taeiiu* (C. C.), 5.4-135». Interamna (Umbrië). Romeinsch geschiedschrijver. Annates; Historiarum librt; De situ, moribus et populis Gernianiae.

tact, m. Fijn gevoel. Gezond oordeel. Overleg.— Tactvol, bn.

tactiek, v. Krijgskunde. Middelen, die men gebruikt om in iets te slagen. — Tactisch, bn. _ , Tj_ Tadoliui (^4.), 1789-1871, Bologna. It. beeldhouwer. .

taf, v. (-fen). De allerlichtste zijden stof. — Ta ffen, bn. , , .

tafel, v. (-s, -en). Gewoon stuk huisraad : de tafel dekken. Maaltijd, kost : eene goede tafel houden. Open tafel : eethuis. Groene tafel : speeltafel, speelbank. Tafel, waaraan het bestuur zit. Breede werkbank bij ambachtslieden. Plaat van metaal, hout, steen, glas, enz. Register. Bladwijzer. Lijst. Tabel. Overzicht. Ter heilige Tafel naderen : het lichaam des Heeren rutten. (Middel.) Ridders van de ronde tafel; ridders van koning Artur. De tafel voor iemands deur brengen : iemands inboedel openbaar verkoopen. Ter tafel, ter sprake brengen. De steenen tafelen : de steenen platen .waarop de wet, door God aan-Mozes gegeven, geschreven was. De twaalf tafelen, waarop de wetten der Romeinen gegrift waren. — Tafelappel, m. (-en, -sï. — Tafelbediener, m. (-s). — 7a-felbediening, v. — Tafelbedienster, v. (-s). — Tafelbel, v. (-len). —- Tafelbeschuit, v. (-en). — Tafelbezem, m. (-s). — Tafelbier, o. — Tafelblad, o. (-en). — Tafelboekje, o. (-s). Zakboekje. — Tafelbord, o. (-en). — Tafelbroeder, m. (-s).— Tafeldans, m. — Tafeldekker, m. (-s). — Tafeldekstfr, v. (-s). — Tafeldienaar, ■m. (-s). — Tafeldoek, m. (-en). — Tafeleend, v. (-en). — Tafelen, ow. tafelde, heeft getafeld. Aan tafel zijn. Maaltijd houden. — Tafelet, o. (-ten). Aanteeken-blaadje. — Tafelgast, m. en v. (-en). — Tafelgebed, o. (-en). — Tafelgeld, o. (-en). — Tofelgemeenschap, v. — Tafel-genoot, m. (-en).— Tafelgenoote, v. (-n).

— Tafelgezel, m. (-len). — Tafelgezelltn, v. (-nen). — Tafelgerecht, o. ( en). — Tafelgereedschap, o.— Tafelgesprek, o. (-ken). — Tafelgezelschap, o. (-pen). — Tafelgoed, o. — Tafelhouder, m. (-s). — Tafelhoudster, v. (-s). — Tafelier, m. (-s). Kostganger. — Tafelkleed, o. (-en).

— Tafelknecht, m. (-en). — Tafelkoekjer o. (-s). — Tafelkonnfoor, o. (..oren). — Tafelhout, m. — Tafellade, v. (-n). — Tafellaken, o. ( s). — Tafellamp, v. (-en). — Tafelle(d)er, o. — Tafellied, o. (-eren). — Tafellikker, m. (-s). Tafelschuimer. — Tafellikster, v. (-s). — Tafellinnen. o. — Tafelniandje, o. (-s). — Tafelmatje, o. (-s). — Tafelmes, o. (-sen).

— Tafelmiddelstuk, o. (-ken). — Tafel-muztek, v. en o. — Tafelolie, v. — Tafelpeer, v. (..eren). — Tafelpoot, m. (-en).

— Tafelpraat, m. — Tafelpracht, v. — Tafelrede, v.-(-nen). — Tafelring, m. (-en). — Tafelscheidsel, o. Sponsachtige zelfstandigheid in het hersengestel. — Tafelschel, v. (-len). — Tafelschraag,v, (..agen). — Tafelschuimer, m. (-s). Die bij lem. toekomt op het oogenblik dat hij aan tafel gaat, met het doel ten eten gevraagd te worden. — Tafeltchuimerit, v.

— Tafelschuimster. v. (-s). — Tafelservies, o. (..zen). — Tafelspel, o. (-en). — Tafelsprei, v. (-en). — Tafelsteen, m. (-en). Dunne diamant. — Tafelstoel, m. (-en). Kinderstoel. — Tafeltijd, m. — Tafelvreugde^.— Tafelvriend, m. (-en).— Tafelzang, m. -en). — Tafelzilver, o. — Tafelzout, o.

tafereel, o. (-en). Houten tafel, waarop iets geschilderd wordt. Schilderij. Voorstelling. Aanschouwelijke voorstelling. Beschrijving. (Zeew.) Beschilderde plank aan den achtersteven.

taflement, o. (-en). Deel boven do zuilen en pilaren, het architraaf, het fries en de kroonlijst omvattende.

Tag-al. Residentie (Java) 850.000 inw. Rijst, koffie, suiker, enz.

tajcrUu, ra. (-en, -s). Koopman van oud ijzer, enz.

taille, v. (-s). Lichaamsgestalte. Middel. Vorm van het bovenlijf. Snedet

Taliie (//. A.), 1828-189^, VouzièrsvFf; letterkundige en geschiedschrijver.//*5/0*-re de la Ut tér at ure anglaise ; les Origi-nes de la France contemporaine.

tab, m. (-ken). Stevig uitspruitsel van eenen boom, enz. Wat zich als een tak van den stam, van de hoofdzaak verwijdert: de takken van hertshorens, van koralen, enz. Arm eener rivier. Gedeelte^ van eenen berg, dat zich ter zijde uitbreidt. Zie Aambei. Afdeeling, onderverdeeling.Stam, afdeeling eener familie. (Zeew.) K-leinstö gedeelte eener knie. — Takbout, m. (-en). (Zeew.) Bout met eenen weerhaak. — Takkeling, ra. (-en). Vogel, nog zoo jong, dat hij nauwelijks van tak tot tak kan vlie-pen. — Takken, takte, heeft en is getakt. Bw. Takkigraaken. Snoeien (eenen boom)..


ocr page 841

TALK — 1

Ow. Takken hebben, krijgen. — Takkenbos,xü.. (-sen).— Takketibossenmaker, m. (-s). — Takkeiibossenvtiur, O. (..uren). — Takkenkrans, ra. (-en). (Wapenk.). — Takkig, bn. Dichtgetakt. Veel takken heb-quot;bende. — Takmos, o. — Takzuerk, o. Al de takken van eenen boom.

takol, ra. (-s). Touwen en katrollen, welker samenstel dient om groote lasten met geringe krachtsaanwending op te rillen. — Jakelaar, m. (-s). Matroos, die zich verbuuit om het schip op te tuigen. — Take lage, v. (Zeew.) Staand en loopend want. — Takelblok, o. en m. (-ken). — Takelen, bw. takelde, beeft getakeld. Het eind van een loopend touw raet takelgaren bewinden. Een vaartuig takelen, van staand en loopend want voorzien. — Takelgaren, o. — Takel haak, m. (..aken).

— Takeling, v. Takelage. — Takelloods, v. (-en). Werkplaats, waar alles in gereedheid wordt gebracht om een schip op te tuigen. — Ta kelm eest er, ra. (-s) — Takel-iouw, o. en v. (-en). — Takelwerk, o. Takelage. — Takelzolder, m. (-s).

taken, bw. taakte, heeft getaakt. Aanraken.

taks, m. (-en). Dashond.

taks, v. (-en). Taak.

tal, o. Hoeveelheid. Aantal. Zonder tal : niet te tellen. Bepaalde hoeveelheid of gewicht: een tal haringen : 200 stuks.

— Talhout, o. Brandhout, dat bij het tal wordt verkocht. — Talletter, v. (-s). Ro-meinsche letter, enz. — Tallyk, bn. Telbaar. — Talloos, bn. — Talmerk, o. (-en).

— Talrijk, bn. bijw. Veel in aantal : talrijke menigte. Ruim in hoeveelheid : talrijke boeken. — Talrijkheid, v.

lt; talaau, m. (..anen). (Bouwk.) Holle lijst, bestaande uit twee tegen elkander geplaatste hielojieven.

talcu, ow. taalde, heeft getaald. Vra-

fen, vernemen ^naar). Groot verlangen ebben (naar).en, vernemen ^naar). Groot verlangen ebben (naar).

talont, o. (-en). (Bij de oude Grieken) Een bepaald gewicht, eene bepaalde geldsom. Begaafdheid, bekwaamheid, natuurlijke aanleg, natuurgave. — Talentrijk, bn — Talentvol, bn.

talsr^tok, ra. (-ken). Kerfstok.

talie, v. (-s). Takel. Touw. — Taliehaak, m. (..aken). — Taliën, bw. taliede, heeft getalied. Aan eene talie ophijschen.

— Taliereep, m. (-en). — Talieschenkel, m. (-s).

talie, v. (-s). (Eert.) Zestiende deel eener el.

talingr, m. (-en). De kleinste inheem-sche zwemeend (anas querqtiedula).

taliHinaii, m. (-s). Tooverbeeld. Too-vermiddel Tooverring. Voorbehoedmiddel tegen ongelukken.

talk, v. Vet, hard smeer waarvan men kaarse.j maakt. Gesteente, grootendeels uit kiezel- en talkaarde bestaande. Is glanzig en vettig op het gevoel. — Talkaarde, v. Bitteraarde. — Talkachtig, hu. — Talkbnom, m. (-en). Zekere boom in China (stillingia sebifera). Zijne zaadkorrels zijn met hagelwitte talk omgeven. — 7alk-Jgt;rood, o. (-en). — l^alkkaars, v. (-en). —

3 — TAMB

Talkolie, v. — Talksmeer, o. — Talkquot; steen, ra. (-en). — Talktrechter, m. (-s).

— Talkvat, o. (-en). — Talkvet, o. — Talkzuur, o.

Talleyrand-Pórlgord (C. M. de), 1754-1838, Parijs. Bisschop (Autun). Diplomaat. Lid der Nationale Vergadering.

Tallieu (J.L.), 1769-1820, Parys. Republikein. Bewerkte den val van Robespierre.

talmen, ow. talmde, heeft getalmd. Dralen, sukkelen, treuzelen (door luiheid of besluiteloosheid).— Talm, m. Getalm.

— Talm, ra. en v. (-en). Talmer, talmster.

— Talmachtig, bn. — Talmachtigheid, v. — Talmer, m. (-s). — Tnlmery, v. — Talmkous, ra. en v. (-en). Talmer, talmster. — Talmster, v. (-s).

Talmud, m. Wetboek der hedendaag-sche Joden, het maatschappelijke, burgerlijke en godsdienstige leven regelende en bevattende de Mis,chna of de wetten zeiven, en de Geviara of verklaringen van het werk. — Talmudisch, bn. — Talmudist, m. (-en). Aanhanger of kenner van den Talmud.

talon, ra. (-s). (Kaartsp.) Overschietende kaarten. Bewijs, waarop nieuwe coupons worden afgegeven. (Bouwk.) Lijst, waarvan de bovenste helft bol en de onderste helft hol is. — Talonneeren, bw. ta-lonneerde, heeft getalonneerd. Aanzetten, aandrijven, aansporen. Van talons voorzien.

talreep, m. (-en). (Zeew.) Zeker klein touw, dat door twee stagkousen loopt.

talstok, ra. (-ken). Zeker gereedschap der kanonniers.

talud, talus, o. Helling, glooiing, schuinte.

tam, bn. Niet wild, getemd : een tamme vogel. Gedwee, handelbaar : hij is zoo tam als een lam. Kunstmatig aangekweekt : een tamme boom. — Tamheid, v. — Tam-maker, m. (-s).— Tammaking, v. — Tam-migheid, v.

tamarinde, v. (-n). Boom [tatnarin-dus indica). Groeit in Afrika, Z.-Azië en Amerika. Zijne zaden worden als geneesmiddel gebruikt. Het geneesmiddel zelf. —-Tamarindeboom, m. (-en). — Tamarinden bosch, o. en m. (..sschen). — Tarnarin-denhout, o. — Tamarindenmerg, o. — Tamarindenzaad, o. — Tamarindevrucht, v. (-en).

tamarisk, v. (-en). Struikachtige boom (tamartx). Komt voor in het Oosten en in Z.-Europa. Zijn zoutrijke asch wordt tot looien en verven gebruikt. — Tamariskboom, ra. (-en).

tamboer, v. (-en). Trommel. — Tamboer, . m. (-S). Trommelslager. (Vestingb.) Afsluiting van palissaden, enz. Overdekte schutting vóór den ingang van aanzienlijke huizen. — Tamboereeren, tamboereerde, heeft getamboereerd. Bw. Borduren. Ow. Op iets tamboereeren, aandringen.— Tam-boereer raam, o. en v. (..amen). — Tam-boe} en, ow. tamboerde, heeft getamboerd. Op de trommel slaan. Op iets tamboeren, aandringen. Met gedruisch slaan en kloppen : ik heb ze heel den nacht hooren


ocr page 842

TAND — 7

tamboeren. Op iera. tamboeren, hem een duchtig pak slagen geven. — Tamóoeryn, v. (-en). Muziekinstrument : breede hoepel, van binnen met een trommelvel bespannen en aan den rand met belletjes of rinkels behangen. — Tamboering, v. (-en). Pak slagen. — Tamboer-majoor^ m. (-s). Opperste der tamboers.

1 simei Uk, bn. bijw. Redelijk, middel-matift. Billijk ; een tamelijke prijs.

ow. tampte, heeft getampt. Zoo luiden, dat de klepel maar langs eenen kant op de klok slaat.

tsuutnai, v. (-s). Oostersch slaginstrument : een groot en dik metalen bekken, dat met eene soort van hamer geslagen wordt.

tand, m. (-en). Tanden: harde, bee-

a. Snytanden, b. Hondstanden, C. Baktanden. e. Uitgesneden tand : i. Tand-zenuw. 2. Tandader. ?. Tandslagader. 4. Tandwortel. 5. Hals. 6. Kroon,

nige, wig- of beitelvormige lichamen, welke bij de meeste zoogdieren in de kinnebak cn het kakebeen bevestigd zijn en tot het aangrijpen, afbijten en vermalen der spijzen dienen. Het gebit bestaat bij volwassenen uit 32 tanden, die in vier groepen over de helften van het kakebeen en de kinnebak verdeeld zijn. Elke groep bestaat uit acht tanden : twee snijtanden, eenen hondstand, vijf baktanden, waaronder twee kiezen en drie maaltanden. Puntig, uitstekend deel van verschillende voorwerpen : de tanden van eenen kam, eene zaag, cene vork. Kerf,inkeping: de tanden van de rozebladen. (Mets.) Uitstekendesteenen op den kant van eenen muur. Van de hand in den tand : zoo gewonnen, zoo verteerd. Met eenen mond vol tanden staan : niet kunnen of durven spreken. Iets cp zijne tanden nemen : iets hardnekkig doorzetten. Haar op de tanden hebben : goed kunnen spreken, niet vervaard zijn. — Tandader, v. ( en).— Tawt/ar/s, m. (-en).

4 — TANT

— Tandbeen, o. (-deren). — Tandbytelv m. (-s). — Tandbrasem, m. (s). Zekere brasem [sparus dentex). — Tandeloos, bn.

— Tanaeloosheid, v. — Tanden,

heeft getand. Bw. Tanden maken (in). Van tanden voorzien. Scherpen (eene zaag). Met de tandschaaf schaven. (Zeew.) Met ijzeren haken omhalen. Ow. Tanden krijgen. — Tandenborstel, m. (-s). — Tandengeknars, o. — Tan denk alk, v. — Tan denkoter, m. (-s). — Tandenry, v. (-en). — Tandenschuier, m. (-s).— Tandenstoker, m. (-s). — Tandentrekken, o,

— Tandentrekker, m. (-s). — Tandgla-zzuir, o.— Tandhals,m. (..zen).— Tandhamer, m. (-s). — Tandheelkunde, v. — Tandherlknndige, m. (-n). — Tandhol* o. (-en).— Tandkas, v. (-sen). — Tandholte, v. (-n). — Tandhoren,m.{-s). Soort van schelp. — Tandig, bn. Getand. Van tanden voorzien. — Tandkas, v. (-sen). — Tandkroon, v. (..onen). — Tandlasch, v. (..sschen). Soort van haaklasch (aan werktuigen). — Tandletter, v. (-s). — Tandmeester, m. (-s). — Tandmiddel, o. (-en).

— Ttindmos, o. — Tandpyn, v. (-en). — Tandpifnstillend, bn. — Tan dp leister, v. (-s).— Tandpoeder, ..poeier, o. — Tandrad, o. (-eren).— Tandschaaf,v. (..aven),

— Tandschtlfer, v. (-s). — Tandsckrabber, m. (-s). — Tandschuursel, o. (-s). — Tandslagader, v. (-en). — Tandsivyze, bijw. — Tandtang, v. (-en). — Tandvijl, v. (-en). — Tandvleesch, o. — Tandvor-mig, bn. — Tandwerk, o. Gebit. Getand werk. De tanden van een rad, enz. Alles wat tandswijze gemaakt is. Snijwerk met tanden. — Tandwiel, o. (-en). — Tand-zvisseling, v. (-en). — Tandwortel, m. (-s). — Tandzaad, o. Plantengeslacht [bi-dens). Bij ons komen twee soorten in 't wild voor : het driedeelig tandzaad en het knikkend tandzaad. — Tandzaag, v. (..agen).

— Tandzweer, v. (..eren). — Tandzeep, v. — Tandzenuw, v. (-en).

tandem, o. (-s). Rijwiel voor twee personen.

tanen, bw. taande, heeft getaand. Het leder met run bereiden. Met taan verven.

tanen, ow. taande, is getaand. Verduisteren, zijnen glans verliezen.Bezwalkt, rosgeel worden. Beginnen te verminderen.

— Tanig, bn. Bruin. Verbrand door de zon. — Taning, v.

tang:, v. (-en). Gereedschap van twee om een punt draaibare staven, om voorwerpen er mede aan te vatten. Arm van het lamoen. Vinnig wijf: zij is een rechte tang. De tang ligt in 't vuur : er is haast bij het werk. Men zou hem met geene tang aanvatten : hij ziet er walglijk uit. — Tang-vol, o. — Tangvormig, bn. — Tangwerk, 0. (-en). Tangvormig vestingwerk, ^tanfirens, v. (..ten). (Meetk.) Raaklijn.

tang-ent, v. (-en). Klavierpennetje.

Tannen (A^j, Bremen. Nederduitsch volksdichter en schrijver. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Kritieke Voss (1861): Niederdeuisches Haupt und Heldenbuch (iSsh). ,,

t»ntaliseeren, bw. tantahseerdew


ocr page 843

TAPU — 7;

heeft getantaliseerd. Begeerten opwekken (bij iem.), die niet te bevredigen zijn.

tuutstlimu, o. Enkelvoudig metaal. Werd ontdekt door Hatchet en Eckeberg {1801 en 1802).

tante. v. (-s, -n). Moei.

tap, m. Het tappen ; bier bij den tap verkoopen. Plaats, waar men tapt. Het vat ligt op den tap, er wordt getapt. — Tap, m. (-pen). Kraan. Spon. Stopsel. Pen, die in een gat draait. Spil eener schroef. Een der ronde metalen uiteinden van eene houten molenas. Metalen klos, waarmede het kanon vastligt. Ijskegel. Lelletje achter de tong. — Tapbeugel, m. (-s). — Tapbout, m. (-en). — Tap^at, o. (-en). — Taphuis, o. (..zen). — Tapkan, v. (-nen).— Tapkast, w. (-en). — 2appelen, ow. tappelde, heeft getappeld. Tappelings uitvloeien. — Tappelings, bijw. Alsof het door een tapgat loopt. — Tappen, tapte, heeft getapt. Bw. Vocht laten loo-pen uit een vat door eene kraan : een kruik bier tappen. Wijn, bier, enz. in 't klein verkoopen.Eenen lijder aan waterzucht van het overtollige water ontlasten. Ow. Herberg houden. — Tappenboor, v. (..oren).

— Tappengat, o. (-en),— Tapper, m. (-s).

— Tapperij, v. Tappersbedrijf. (-en) Tapperswinkel. — Tappersnering, v. — Tapsleutel, m. (-s). — lapster, v. (-s). — Tap-temelk, v. Melk, die overblijft als de room er boven afgeschept is. — Tappersvuinkel, m- (-s). ..

tapeet, o. (..eten). Tapijt.

tapier, m. (-s). Tapuit.

tapüt, o. (-en). Vloerkleed voor kamers. Behangsel voor muren. Dekkleed voor tatels. üp het tapijt, ter sprake bren-

fen. —en. — Tdpytbezem, m. ( s). — Tapijten-lopper, m. (-s). — Tapijtfabriek, v. (-en).

— Tapijtmagazy n, o. (-en). — Ta pij/maker, m. (-s). — Tapijtnaald, v. (-en).— Tapijtwerk, o. —- Tapijtwerker, m. (-s).

— Tapijtwever, m. (-s).

tapioca, v. Fijn zetmeel, uit de wortels der Jatropha Manihot verkregen.

tapir, m. (-s). Behoort tot de onparig-hoevige zoogdieren. Is zoo groot als een ezei. Leeft in O.-Iudië en Zuid-Amerika.

tapisftcrie, v. (-en'. Tapijtwerk. Leg-werk. — Tapisseriewinkel, m. (-sU T:ipi»aiioelie. Zie Sumatra, taptou, v. (-s). Signaal, waarbij de soldaten 's avonds gewaarschuwd worden naarhunne kazernen ol kwartieren te gaan. tapnit, m. (-en,1. Vogeltje {saxicola

J — TASK

oenanthe). Heeft de grootte van een roodborstje. Leeft in Europa en N.-Afrika.

tarantella, taraiilcllo, v. Volksdans (Sicilië en Calabrië).

tarantula, v. (-'s). Vergiftige jacht-spin {lycosa tarantula). Komt voor in Frankrijk, Italië, Rusland, enz.— Taran-tuladans, m. Dansziekte. S'Veitsdans.

tarbot, v. (-ten). Zeer smakelijke plat-visch (pleuronectes maximus). Wordt in alle zeeën van Europa aangetroflen.

tarief, o. (..ven). Prijsopgave, prijslijst, vrachtprijs.

tarm, m. (-en). (Zeew.) Stut, boven de boorden van een schip uitstekende, tarnen. Zie Tornen.

tarok, o. Zeker kaartspel.— Tarok-kaart, v. (-en). — Tarokpartij, v. (-en).

tarra, v. Aftrek, vermindering van goederen (voor kisten, zakken, enz.). — Tarrarekening, v.

tartaan, v. (..anen). Klein,licht,overdekt vaartuig. (Middell. Zee). Zeker visch-net.

Tartaar, m. (..aren). Volksstam uit de Noordelijke landen der Zwarte Zee.

TartaruK, m. Rijk der verdoemden. Hel. Onderwereld. (Scheik.) Wijnsteen.

tarten, bw. tartte, heeft getart. Trot-seeren. Uitdagen. — Tarter, m. (-s). — Tart ster, v. (-s).

. tarlnffo, m. (-s). Hoofdpersoon in een der blijspelen van Molière. Huichelaar, schijnheilige. — Tartufferie, v.

tarwe, v. Plantengeslacht (triticum), tot de tarwegrassen behoorende. De voornaamste soort, de gewone tarwe {t. sati~ vnm) staat aan het hoofd van alle koren-planten. Kruipende tarwe. Zie Kweek.

— Tarwaar, v. (..aren). — Tarwachtigy bn. — Tarzvakker, m. (-s).— Tarwbouw, m. — Tarwebloem, v. — Tarwebrood, o, (-en). — Tarwenraan, o. — Tarwe gr as, o. Zeker grassoort. — Tarwegrassen, o. mv. Onderafdeeling der grassen. — Tar-wehalm, m. (-en). — larwekaf, o. — Tarwekorrel, v. (-s). — Tarwemeel, o.

— Tarwe mug, v. (-gen). Zeer kleine mug (cecidomya destructor). Komt voor in Europa. Brengt groote schade aan de tarwe toe. — Tarvuenoogst, m. — Tarwestroo, o.— Tarwezemelen, v. mv.

tas, m. (-sen). Opeengestapelde graan* schooven. in de schuur of op het veld. — Taslegger, m. (-s). — Tassen, bw. taste, heeft getast. Opeenstapelen. Tot eenen hoop maken.

tas, v. (-sen). Vrouwspersoon. Eene wakkere tas : eene handige vrouw.

tas, m. (-sen). Handaanbeeld.

tasoli, v. (..sschen). Platte zak of buidel (gewoonlijk uit stijve stof vervaardigd).

— Taschjeskruid, taschkruid, o. Eenjarige plant (bursa pastoris), tot de kruis-bloemigen behoorende. Komt bij ons zoowel op bebouwde als onbebouwde gronden voor. Bloeit van Maart tot November. — Taschkrab, v. (-ben). De meest gezochte zeekrab [cancer pagurus), — Taschvor-mig, bn.

taskers, v. Plantengeslacht, tot da kruisbloemigen behoorer-de.


ocr page 844

TE - 7

Tasmania, o. Eiland nabij den Oostelijken zuidhoek van Australië. Oppervl. : 1,233 ^eogr« vk. mijl. Werd ontdekt door A. Tasman (Nederl. zeeman, 1612) en ter eere van den gouverneur-generaal van In-die vau Diemeiisland genoemd.

TaNsaert 10 {J. P.), 1651-1725, Antwerpen. Schilder. — A.), 1720-1788, Antwerpen. Beeldhouwer.

taMNC, v. (-n), ta», v. (-sen). Kopje : eene tasse koffie.

TaftNo (T.), 1544-1595, Sorrento. It. dichter. Aniinta (1573); la Gerusalemme liberata (1575). „ „

tantfcn, tastte, heeft getast. Bw. Voelen, grijpen : iem. den pols tasten. Die leu-

Sen kan men tasten, licht bespeuren. Ow. Iet de handen zoeken om iets te grijpen : hij tastte in zijnen zak. Nauwkeuriger onderzoeken : dieper in eene zaak tasten. — en kan men tasten, licht bespeuren. Ow. Iet de handen zoeken om iets te grijpen : hij tastte in zijnen zak. Nauwkeuriger onderzoeken : dieper in eene zaak tasten. — Tast, m. Het tasten. Aanraking. Bevoeling. Bij, op den tast ; al tastende, op het gevoel. — Tas/baar, bn. — Tastbaarheid, v. — Tastelyk, bn. — Taster, m. (-s). — Tasting, v.

tateren, ow. taterde, heeft getaterd. Stamelen. Stotteren. Babbelen. — Tater, m. Gesnap. Gesnater. — Tater in?, v.

tatewalen, ow. tatewaalde, heeft ge-•tatewaald. De woorden slecht uitspreken (inz. van kinderen).

tatoneeren, bw. tatoueerde, heeft

fetatoueerd. De huid beprikken ofbeschil-eren.etatoueerd. De huid beprikken ofbeschil-eren.

Tatti (?.), 1477-1570, Florence. It. beeldhouwer en bouwkundige.

taufolofirie, v. (-ën). ünnoodige herhaling van éene en dezelfde gedachte met andere woorden, b. v. : ik was zeer verblijd en ten hoogste verheugd (over). — Tautologisch, bn.

taverne, taveerne, v. (-n). Drinkhuis. — Tavernier, m. (-s). Waard. Herbergier.

taxeeren, bw. taxeerde, heeft getaxeerd. Schatten, waardeeren. Aarslaan, belasten.— Taxateur, m. (-s). — Taxatie, v. (..iën, -s). — Taxe, v. Schatting. Vastgestelde prijs. Vrachtprijs. Hoofdgeld.

taxiA,m. (-sen). Heestergewas [taxus baccata), tot de kegeldragenden behoo-rende. Is afkomstig van de bergachtige streken van Z.-Europa. — Taxisblad. o. (-eren). — Taxisboovi, m. (-en). — Taxis-hegge, v. (-n). — Taxishout, o. — Taxis-tak, m. (-ken). — Taxiswortel, ra. (-s).

te, vz. Op, tegen : te middag. In ; te Antwerpen. Over : te land. In, naar : te bed. In : te boek. Ik vrees te (dat ik zal) vallen. Te vier uren of uur : juist op dat uur. Op : te water en te brood. Met : te vuur en te zwaard een land afloopen. Tot: iem. te vriend houden. Te niet doen : vernietigen. Te weten : zooals, namelijk. Bijw. Te kort, te lang, te weinig, enz. Te kort doen : benadeelen, verongelijken Te kort schieten ; achterlijk blijven, niet alles kunnen volbrengen. Zich te buiten gaan : meer doen dan men mag ol kan. Het te kwaad krijgen : in 't nauw gebracht worden. Zooveel Le meer. Des te mesr. Al te toegevend.

6 — TEEL

teelinlcns, m. (..ci). Kenner der uiterlijke kunstregelen. Deskundige in eenig industrieel vak. — Techniek, v. Kunstleer. Kunsttaal. — Technisch, bn. Kunstmatig. Volgens de regelen der kunst. Technische termen : kunstwoorden. — Technologisch, bn. Kunstbeschrijvend. Handwerkkundig.

— Technoloog, m. (..ogen).

Te-lgt;eiini, o. (-s). Lofzang bij kerkelijke plechtigheden.

tee(lt;le)r, bn. bijw. Uit zwakke en fijne deelen bestaande, niet vast, niet sterk, zwak. Fijn gevoelig, tenger. Wat spoedig aangedaan is. Netelig, lastig. Lief, verliefd, gevoelvol. — Tee (de)rgevoelig, bn. bijw. — Tee (de) rgevoeligheid, v. — Tee-(de) rhar tig, bn. bijw. — Tee(de)rhar-tigheid, v. — Tee(de)rheid, v. — Tee-derlyk, teedertjes, leertjes, bijw.

teef, v. (teven). Wijfje van den hond en den vos. Slecht vrouwspersoon. Kijfster.

teek, v. (teken), tiek, v. (-en). Soort van luis (op hondenen koeien).

teeken, o. (-en, -s). Iets, dat ons ter kennis brengt eener zaak, welke wii rechtstreeks niet kunnen kennen. Bewijs, merk, kenmerk. Sein. Getuigenis. Voorspelling : welk is het teeken, dat deze dingen zullen geschieden? Wonderteeken : hij deed teekenen en wonderen. Gebeurtenis, verschijnsel : let op de teekenen der tijden. Kenteekenen : de teekens eener ziekte. Zie Dierenriem. — Teekenaap, m. (..apen). Pantograaf. — Teekenaar, m. (-s). — 7 eekenaar ster, v. (-s). — Teekenacademie, v. (quot;..iën, -s). — Teekenbehoef-ten, v. mv. — Teekenboek, o. en m. (-en).

— Teekenbord, o. (-en). — Teekendoos, v. (..zen). — Teekenen, teekende, heeft ge-teekend. Bw. Met lijnen voorstellen, afbeelden. Door middel van een kenmerk onderscheiden : de schapen teekenen, die moeten verkocht worden. Zijnen naam onder iets schrijven. Inteekenen op een werk. Zich schriftelijk verbinden. Een merk plaatsen (op). Ow. Dit paard teekent niet meer, men kan aan zijne tanden zijnen ouderdom niet meer zien. Het water teekent, wijst aan hoe hoog het gestaan heeft.

— Teekengereedschap, o. — Tee kening, v. Het teekenen. (-en) Geteekend stuk, schets, afbeelding. Onderteekening. — Teekenkri/t, o.— Teekenkring, ra. Ecliptica. — Teekenkrul, v. (-len). — Teekenkunst, v. — Teekenkunstenaar, m. (-s).

— Teekenkool, v. — Teekenlap, v. (-pen).

— Teekenlei, v. (-en). — Teekenles, v. (-sen). — Teekenmeester, m. (-s). — Teekenmethode, v. (-n, -s). — Teekenonder-wifs, o. — Teekenpapier, c. — Teekenpen, v. (-nen). — Teekenplank, v. (-en). — Teekenpotlood, o. (-en). — Teekenschool, v. (..olen). — Teekenschrift, o. (-en).— Teekenvoorbeeld, o. (-en). — Teeken-werk, o. — Teekenwiize, v. (-n).

teel, v. (-en). Rond aarden vat, zonder .ooren, wijd en breed van boven en schuin vernauwende naar onderen.

teelaarde, v. Aarde, die voor den groei der planten geschikt is. — Teelge-ztas, o. (-sen).— Teelgrond,m. (-en). Bebouwbare grond. — Teelland, o. (-en). —


ocr page 845

TEGE — 7;

leelt, v. Het voortplanten, telen. Kwee-Icing (van vruchten, enz.). Het geteelde : •de jonge dieren, runderen, bijen, visschen. De geteelde planten. Kroost, nakomelingschap. — Teel lijd, m.

teem, ra. Het langzaam en vervelend spreken. — Teemachtig, bn. Langzaam (in het spreken, enz.). — Teemachtigheid, v. — Teemkous, ra. en v. (-en). Temer, teemster.

teems, v. (-en). Haarzeef (voor melk, meel, enz.). — Teemsen, bw. teeraste, heeft geteerast. Door eene teeras laten zijgen. Door eene teeras doorhalen.

teen, ra. (-en). Vinger van den voet. Van top tot teen : geheel. lera. op de tee-nen treden : iera. zwaar beleedigen. — Teengavger, m (-s).

teen, v. (-en). Twijg. Dunne en taaie boomloot : teenen om te vlechten. Zie Wilg.Laagstammigheestergewas. (Rüsch.) Roede. — Teenakker, ra. (-s). — Teen-boompje, o. (-s).— Teenbosch, o. en m. (..sscnen). — Teenen, bn. — Teen perk, o. (-en). — Teenrys, o. — Teenwilg, ra. (-en), teer. ZieTeeder.

teer, v. De teer (tering) naar de neer (nering) zetten. — Teer dag, m. (-en). — Teergeld, o. — Teer gezel, m. (-len). — Teerhuis, o. (..zen). — Teerkost, m. — Teer maal, o. (..alen). Feestmaal. Feest.

— Teerpartij, v. (-en). — 7eerpenning, m. (-en).— Teerzak, m. (-ken). Knapzak. Bedelzak.

teer, o. Donkerbruine, kleverige, half vloeibare zelfstandigheid (uit het hout van den pijnboom verkregen). Zwarte, kleverige, halfvloeibare stof (uit het steenkolen-gas verkregen). — Teerachtig, bn. — Teer bak, ra. (-ken). — Teer hok, o. (-ken).

— Teerkeet, v. (-en). — Teerketel, m. (-s).

— Teerkist, v. (en). — Teer kleed % o. (-en). — Teer koker, ra. (-s). — Teerkokerij, v. (-en). — Teerkooper, m. ( s). — Teerkwast, m. (-en). — Teerpil, v. (-len).

— Teerpot, ra. (-ten). — 'leerstoof, v. {..oven). — Teerton, v. (-nen). — Teertouw, o. en v. (-en). — Teertuin, m. (-en).

— Teer vat, o. (-en). — Teerwater, o. teerlinsr, ra. (-en). Kubus. Dobbelsteen. Blok bout of steen die eene kubieke gedaante heeft. Kubieke blok van saraen-

Sestelde steenen. De teerling is geworpen : e zaak is beslist. —estelde steenen. De teerling is geworpen : e zaak is beslist. — Te er lings worp, ra. (-en).— Teerliugswortel,x{i. (-s). (Wisk.).

— Teerltngvormig, bn.

Teerlinek {A.), 1776-1857, Dordrecht.

Landschapschilder.

teert», ra. ( en). Taarts.

teezeu, bw. teesde, heeft geteesd. Pluizen (wol enz.). Plagen. — Tee zing, v.

telTens, bijw. Tevens. Tegelijk. Gelijktijdig.

Tegstl. Zie Java.

teg^cl, ra. (-s). Platte vierkante vloersteen. Dakpan. Plat vierkant verglaasd steentje, ora muren te bekleeden. — Tegelbakker, m. (-s). — Tegelbakkerij, v. (-en). — Tegeldak, o. (-en). — Tegeloven, m. (-s). — Tegelsteen, ra. (-en). — Tegelvloer, ra. (-en). — Tegelvorm, m. (-en).

— Tegelwerk, o.

7 — TEGE

teeemoetkoniiiifi:, v. (-en). Kleine vergoeding. Gedeeltelijke schadeloosstelling.

tefiren, vz. Gericht zijn (naar, op) : tegen het Noorden, legen den muur loopen. Drukt eene aanraking uit : de ladder ligt tegen den muur. Getfteene vijandige gezindheid te kennen : tegen den vijand oprukken. Ter bestrijding (van) : pillen tegen de koorts. Ten opzichte (van) : ruw, barsch tegen iera. zijn. In strijd (met) : tegen de wet handelen. Voor : iets tegen matigen prijs verkoopen. Dtukt eene vergelijking uit : tegen dien man zijt gij maar een kind. Omstreeks : tegen het midden van het jaar. Omtrent: tegen den avond. In aanwezigheid (van) : zijn hart tegen iem. uitstorten. Met het hoofd tegen den muur loopen : het onmogelijke willen. Ik ben er tegen : ik zal er mij tegen vei zetten. Ik kan niet tegen boonen, mijne maag kan die niet verdragen. Tegen wil en dank : gedwongen. Tegen heug en meug : met afkeer. Bijw. De wind is tegen. o. Alles heeft zijn voor en tegen, zijn goeden en kwaden kant.

teerenaan, bijw. Dichtbij. tesreuaaiakoiidiKinif.v. (-en). Aankondiging in tegenovergestelden zin. Aan-, kondiging in antwoord (op). — tegren-aanmerkingr, v. (-en).

tegreuademen (1), ow. Ademen (te-1gen). In de richting ademen (van). I

tegrenafdriik, ra. (-ken). (Schild.).—j tefirenafdrukHel, o. (-s). — tegren-anttvoord, o. (-en). — tegrenarti-kel, o. (-en, -s). — tesenbaard, ra. (-en). (Van eenen sleutel).

tesrenbabbelen, bw. ow. Morrend; tegenspreken.

tesrenbatterU, v. (-en). Batterij, op-gewoipen tegenover eene andere. — to-grenbede, v. (-n).

tegrenbedenkelUk, bn. Aan tegen-bedenkingen onderhevig. — tegenbe-denking, v, (-en). # !

tegenbedingr, o. (-en). Wederzijd-sche voorwaarde. — tegrenbeeld, o. (-en). Tegenhanger van een ander beeld. Tegenstelling. — tegrenbeklag:, o.' (Recht.). — tegreubeleedlRing:, v. (-en). — tegrenbeleid, o. — teifenbe-lofte, v. (-n). — tegrenberielit, o. (-en). — tegrenbeseliik, o. — teg:en-beselilkklngr, v. (-en). — teg:enbe-seliuldlging:, v. ( en). — tegenbe-stel, o. — tegeubestunr, o. — tegenbetoog:, o. (-en). — tegen beurt, v. (-en). — tegenbevel, o. (-en). — te-genbewegring:, v. (-en). — tegenbe-wU», o. (..zen). — tegenbenind, o. — tegenbowoner, m. (-s). — fegen-bezending, v. (-en).— tegenbezoek, o. (-en). — tegenbezwaar, o. (..aren).

tegenbleden, bw. Bieden tegen een ander. Hooger bieden dan een ander. Opjagen (den prijs). — tegenblafTen, bw.


1

De samengestelde werkwoorden metj tegen zijn scheidbaar.

ocr page 846

TEGE _ 7

Tegen iem. blaffen. Door blaffen bedreigen. Hoonen, tergen. — tcgciiblatcn, ow. — tcsrcnblazen, ow. — toeen-bllbkou, bw. De blikken op iem. slaan, gevestigd houden. Tegen blik, m. (-ken).

— tejpcnbliiikeii, ow.

tcgrcnlxxl, o. Hoogerbod. —

boek, o. en m. (-en) Dubbel register. — tegreubovklioiKlor, m. (-s). — tc-enboert, v. — togrenboln erk, o. en). — tlt;'£:ckiiboiilt;l, o. tcfirenbooiuon, bw. Tegen iets aan-boomen (ren vaartuig). In tegenovergestelde richting boomen (een vaartuig).

tee:lt;'iibooi-«l, ra. (-en). (Zeew.) Tegenovergestelde boord.

tegroiiborcu, bw. Van den anderen kant doorboren. — tegrenbotsen, ow. (zijn). TeqenbotSy m. (-en). —- togen-brsiMHeii, bw. (Zeew.) (De zeilen) tegen den wind inbrengen. — togenbruinea, ow. — tcsrvubrullcu, ow. — tegcu-bulkcn, ow.

tegciibuurt, v. (-en). Tegenovergestelde buurt. Wederzijdsche buurt. — te-i?cuoaiilt;lilt;lu:it, ra. (..aten). — tegcu-«lecl, o. Het tegenoverglt; stelde. — to-greudeur, v. (-en), — 1 vgcudiclit, o. [-en). Wederlegging in verzen. — tegren-dienst, ra. (-en). — leg:onlt;1iiiecr, m. (-s). — tcfireudooi», ra. Herdoop. — tegreiKlorpcl, ra. (-s). Bovendorpel (eener deur).—tcg:oudi,aad,m.(..aden). Draad, die tegen een anderen inloopt. Te-

fWrWs.bijw.Nietgelijk met den draad, n strijd (met).WrWs.bijw.Nietgelijk met den draad, n strijd (met). Tegendraadsch, bn. Tegenstrijdig.

tegendrstaieu, ow. (zijn). In tegenovergestelde richting draaien. Tegenvallen. Bw. Tegenwerken — Tegendraai, m.

tog-ciKli-aiig;, in. Drang in tegenovergestelde richting. — tcgroudrauk, ra. (-en).

tcgreudraven, ow. (zijn). Iem. te ge-moet draven.

tescndrompel, ra. (-s). Tegendor-pel. — t«gt;$?lt;gt;ixl i i Tl. v. Tegenstroom. _ tci^eiidrüven, ow. (zijn). In de richting heendrijven (naar). Tc geraoet drijven. Bw. Dwarsbooraen. Tegenwerken. — tci;ciidriiig-lt;gt;ii, bw. — fcgeudriu-keu, ow. — tc£r«.'iidriiii»cu, ow. (zijn).

— tcsrcudruiMClK-ii, ow. — te gei»-drukken, bw. Tgendt uk, rn. Tegenwerking. (-ken) Weerdruk. — Tegendrtik-king, v. (-en). — teg^ndawen, bw.

tegrenebbe, v. Ebbe, die een schip tegenhoudt. — (egeneelio, v. (-'s). Echo, die het geluid eener andere herhaalt. — tesreneiK€;li, ra. (-en).

teg:eneleii, bw. Met tegenzin (iets) eten. Door te veel van iets te eten er eeneu tegenzin van krijgen.

te{?enflint, v. (-en). (Scherm.) Zekere stoot. — tegrenflank, v. (-en). Zeker vestingwerk.

tegrengraan, ow. (zijn). Te geraoet gaan. Bw. T gen werken. Beletten. Ver-Einderen.— Tegengntig, ra.

tegengaand»»rü, v. (-en).— tegren-gralerü, v. (-en).

tegrengraluien, ow. Weerklinken.Te

8 — TEGE

geraoet klinken. Tegengalm, ra. (-en^. Weergalm. Tegengalming, v. (-en). — tegengapen, ow. Gapende aanstaren.

tegengebabbel, o. — tegenge-blaat, o. — tegengedrvilseli, o. — tegengelmppel, o. — tegengeka-kel, o. — tegengekef, o. — tegen-geluid, o. — tegengeHebonk, o. (-en). — tegengesteld, bn. Lijnrecht tegenover. — tegengestellt;ie, o.

tegeiigeuren, ow. De bloemen geurden ons tegen.

tegengif, o. (-ten), tegengift, o. (-en). JMiddel, waardoor een vergift zijn schadelijk vermogen geheel of ten deele verliest. Middel ter wering (van).

tegengift, v. (-en). Tegengeschenk, tegengliinmen. ow. Tegenblinken, — tegenglinsteren, ow.

tegengoe.sting, v. Tegenzin. Afkeer» Walg.

tegengrautven, bw. Knorren (tegen). Tegenqrauw, ra. (-en). — tegen* graven, bw. Tegeng-aving, v. (-en). — tegengrininien, ow.

tegengroet, ra. ( en). Groet om een anderen te beantwoorden. — tlt;'gen-grond, ra. (-en). Argument ter bestrijding (van). — tegenguiiMt, v. (-en). — tegenhanger, m. (-s). Wat tegenover iets anders wordt gehangen. Weerga. Tegenstelling.— tegenbeid, v. (..heden). Wederwaardigheid, onheil, ongeval.

tegenliinniken, ow. Hinnikende tegenkomen.

tegenhoek, ra. (-en). Hoek aan de tegenovergestelde ziide. — t egenboofd gt; o. (-en). (Aan eene haven^

tegenbouden, bw. Öeletten voort te te gaan, vooruit te komen. Ophouden. Verhinderen. Zich verzetten (tegen). Ow. Dat laken houdt lang tegen, is niet gauw versleten. Rijst houdt niet tegen, :s spoedig verteerd. — Tegenhouding, v.

tegenliouur, ra. (-en). Houw om een anderen te beantwoorden.

tegeniiuilen, ow. Huilende te ge-moet loopen, aanzien, enz.— tegenlinp-pelen, ow. (zijn). — tegenylen, ow. (zijn).— tegenüveren,bw. Tegenyver% ra. — tegenjagen, bw. ow. (zijn). — tegenjankeu, ow. — tegenjube-len, ow. — tegenjuipben, ow.

tegenkaai, v. (-en), tegenkade, v. (-n). ■ Tegenoverliggende kaai. — t©-genkaart, v. (-en). (Kaartsp.)

tegenkakelen, ow. — tegenkam-pen, ow. Weerstand bieden. Bestrijden. Tegenkant/), ra. Tegenkaviptng, v. (-en).

tegenkaiiH, v. (-en). Slechte kans tegenover eene g.»ede. — tegenkant, m. (-en). Overzijde. Keerzijde.

tegenkstnten, ow. Tegenstreven. Zich tegen kan ten, ww. Zich verzetten (tegen). Tegenka nier, ra. ^-s). Trgenkari' ting, v. (-en). Tegmkantster, v. (-s).— tegenketfen, ow. Keffende te geraoet loopen. Tegenbabbelen.

tegenkeizer, ra. (-s). Mededinger tot den troon (in den tijd, waar het recht moest wijk'-n voor het geweld). — legen kerf, v. (..ven). — tegenklaebt, v. (-en;.


ocr page 847

lEGE — 7

— tcsrenhlank, ra. (-en). Weerklank, tefircnkliiiken, ow. — tcgrcuko-

nicii, ow. (zijn) Te geraoet komen. Ontmoeten. Tegenkoming, v. Tegenkomsf, v.

tegrcnkoningr, ra. (-en). Zie Tegen-keizer.

tesrcukraaien, ow. — tegronla-cken, ow. Lachende aanstaren. Dat lacht hem tegen.

tcgreulafit, ra. (-en). Last, die tegen een anderen opweegt. — legcEilocr, v. Leer, strijdende met cene andere. — te-geulieftlo, v. Wederliefde.

tcgenliffKcn, ow. Tegenover iets anders liggen, legen iets aanliggen.

tesrcnlist, v. (-en). List ora eene andere te bestrijden. — tesrculoop, ra. Wederwaardigheid. Ongeluk.

tegrenloopcn, ow. (zijn). Te geraoet loopen. (Zeew.) Schralen : de wind loopt tegen. Niet gelukken : alles schijnt hem tegen te loopen. Hij zal er tegenloopen : dat zal hem duur betaald gezet worden. Tegenloopgraaf, v. (..aven). (Vest.). — teKenmarclicoren, ow. (zijn). Tegen-ntarsch, ra. (-en).

tegenmcrk, o. (-en). Tweede raerk op koopwaren. Uitgangskaartie voor de tusschenbedrijven (in eenen scnouwburg).

— tekenmiddel, o. (-en). Middel ter bestrijding of voorkoming.

tcgreumQueu, bw. (Vest.). — Tegen-myn, v. (-en). — Te ge n myn ing, v. (-en).

tesrenmln, v. Wederliefde. Gedeelde liefde.

tegrenmompelen, ow. Mompelende tegenspreken. Mompelende iets weigeren of ongaarne doen. Tegenmompeling, v.

— tegenmorreu, ow. Tegenmorring, v. (-en).

tegrenmnnr, m. (..uren). Steunrauur.

— tegrennatuurlük, bn. bijw. — te-genomiventeling:, v. (-en). — tejjen-ontvrerp,o. (-en).— toeenopening-,

v. (-en).

tegenover, vz. bijw. Aan de overzijde : hij woont tegenover de kerk, de huizen hier tegenover. Ten opzichte (van) : tegenover raij is hij altijd beleefd. Plotseling stond ik tegenover hem. — Tegenovergelegen, bn. — Tegenovergesteld, bn,

— Tegenoverliggend, bn. — Tegenoverstaand, bn.— Tegenover stand, m. Stand tegen over iets anders. — Tegenoverstellen, (Sch.) bw. — 7egenoverstelling, v. (-en).

tcgrenpand, o. (-en). Wederzijdsch pand. — tesrcnpartU, v. (-en). Tegenstander, vijand. (Muz.) Partij, die tegen eene andere zingt. Partij, die tegen eene andere pleit. Tegenpat tijder, va. (-s). Tegenpartij dig, bn. bijw. — tegrenplan, o. (-nen). — tegcnpleiter, ra. (-s). — tegenpogring-, v. (-en).

tegenpraten, ow. Tegenspreken. Te-genpraat, ra. Tegen prater, m. (-s). — tegenprnttelen, ow.

tegenrede. v. Repliek. — tegenre-deu, v. (-en). Reden voor het tegendeel.

— tegenrekening, v. (-en), tege^rennen, ow. (zijn) Rennende

tegenkomen. Te geraoet rennen. — te-

5 — TEGE

genrUden, ow. (zijn).— tegenrollen/

ow. (zijn).

tegenrnimte, v. (-n). Ruimte tegenover eene andere.

tegenrniselien, ow. Te geraoet rui-schen. — tegenrnkken, bw. Naar eene tegenovergestelde zijde rukken. Iets rukkende tegenwerken. Ow. (zijn) Te geraoet rukken (van een leger, enz.). Tegenruk, ra. (-ken). — tegenselians, v. (-en). Vestingwerk ora de uitvallen van een garnizoen te beletten.

tegengehcineren, ow. Te geraoet schemeren. Tegenschenier ing, v. — te-gensckreenwen, ow. Tegeuschreeu' voer, m. (-s). — tegensekrüven, bw. Schriftelijk antwoorden. Wederleggen, bestrijden (in geschrifte). Tegenschrift, o. (-en).

tegensekroef, v. (..ven), tegenslaan, ow. (zijn). In tegenovergestelde richting slaan. Mislukken. Tegenslag,™. (-en). Tegenspoed. — tegen-sleepen, bw.

tegensmaak, ra. Missraaak. Afkeer, tegensnappen, ow. Tegenbabbden, Tegen snap, ra. — tegensnanwen, bw. Barsch toespreken. 7egensnauw, ra. (-en).

— tegensnellen, ow. (zijn). Ijlings te geraoet loopen. — tegenspartelen, ow. spartelende zich verzetten (tegen). Trachten te ontkomen. Tegen spar te ling, v. (-en). — tegenspelen, ow. Tegen iera. spelen. Tegenspel, o. (-len). Tegenspeler, va. (-s). legenspeelster,\. (-s).

tegenspoed, ra. (-en). Ongeluk, onheil, ramp. Ongunstige uitslag. — Tegen-spoedig, bn.

tegenspoeden, ow.(zijn).Tegenijlen. tegensporrelig, bn. Twistziek. Onverdraagzaam.— Tegensporrehng,v. (-en). Twist. Verzet. Tegenspraak.

tegenspreken, bw. Iets beweren in strijd met hetgeen door een ander wordt beweerd, betwisten. Zich zeiven tegenspreken : thans iets zeggen dat in strijd is met hetgeen raen vroeger zegde. Barsch toespreken. Tegenspraak, v. Tegenspreke-lyk, bn. bijw. Tegenspreker, ra. (-s). Tegenspreekster, v. (-s). Tegenspreking, v.

— tegensprlngen, ow. (zijn). — tegenstaan, ow. Tegenstand bieden. Walgen, eenen afkeer verwekken. Tegenstand, ra. Verzet : tegenstand bieden. Verhindering : tegenstand ondervinden. Het verweren, verdediging. Tegenstander, ra. (-s),

— tegensteken, ow. Afkeer verwekken. Walgen. Vervelen. — tegenstel-len, bw. Het eene tegenover het andere stellen (ter vergelijking, ter bestrijding, enz.). Tegenstellend, bn. Tegensteller, ra. (-s). Tegenstelling, v. (-en). — tegenstemmen, bw. ow. Eene afkeurende stera uitbrengen (tegen). Tegenstem, v. (-raen). Bas,contre-alto. Afkeurende stera. Tegenstemmer, ra. (-s).—tegenstoo-ten, bw. Schokken, bonzen (tegen).270-gen stoot, ra. (-en). Tegenstoot ing, v. — tegenstralen, ow.— tegenstreven, bw. Tegenwerken. Dwarsbooraen. Zich verzetten (tegen). Tegenstrever, m. (-s), Tegenstreejster, v. (-s). Tegenstrevig, bn»


ocr page 848

TEGE — 7

bn. bijw. Tegen streving, v. {-en). — te-K0nstiil»t»0leu, ow. Koppig:, halsstarrig zijn. Zich verzetten (tegen). Twist zoamp;-ken. Tecenstribbelaar, ra. (-s). Tegen-stribbelaarster^v. (-s). Tegenstribbeling, v. (-en). — te8:euMtrUlt;loii,ow. In strijd rijn^ (met). Niet overeenstemmen. Aan-druischen (tegen). Tegenstrijd, m. Tegen-strijder, ra. (-s). Tegenstrijdig, bn. bijw. Niet overeenstemmende (met). Tegenstrijdigheid, v. (..heden). — iegeiiströo-mon, ow. Tegenstroom, ra. (-en). Stroom, die het vooruitkomen van een schip belet. Algemeen verzet. Algemeene bestrijding.

tcfircustuil, ra. Terugslag.—tegreu-Htuk, o. (-ken). Stuk, dat bij een ander past. — ieBcnstut, ra. (-ten). Steun, houvast. — tegentUi o* (-en). Getij, dat de vaart van een schip tegenhoudt.

tcifciitrelrkcii, ow. (zijn). Te ge-moet trekken, gaan, enz. Bw. In eene tegenovergestelde richting trekken. — tc-gciivsilleii, ow. (zijn). Niet goed uitvallen. Mislukken. Tegenval, ra. 7egenyal-ler, m. (-s), tegenvallertje, o. (-s). Misrekening.

tceeirrenstcr, o. en v. (-s). Dubbel venster.— tcgrcuver8:if(t),o. {..ten).Te-gengif. —tcecnvcrklstriiii»! v. (-en).— tesrcirverscliaiamp;siiisr, v. (-en). — te-SrenvorwUtgt; o* — teBrenverjEekc-riusTi v* (-en). — tcfircuvleuK-, v. — te-eciiTlocd, ra. — tcsrcuvocteliug:, ra. (-en), tegenvoeter, ra. (-s). — te-Sreiivoorste], o. (-len).

teKeuwsiaieu, bw. ow. (zijn). In de richting van eenen komende waaien. — teg-eiiweren, ow. Zich verzetten tegen geweld. Tegenweer, v. — tegenwerken, bw. Pogingen doen om iets te beletten. Dwarsboomen. Ow. (Scheik.) Terugwerken. Tegenwerkend, bn. Tegenvuer-ker, m. (-s). Tegenwerking, v. (-en). Te-eenwerkster (-s). —tegen werpen, bw. Iets voor iemands voeten werpen. Bedenkingen maken. Tegenwerping, v. (-en).

tegen wiekt, o. (-en). Zwaarte tegenover eene andere. Wat het evenwicht bevordert. — Tegenwichtig, bn.

tegenwtizen, bw. Eene uitspraak doen (tegen). Den eisch ontz ggen.

tegenwil, m. Onwil. Wil in strijd met dien van een ander. — tegenwind, ra. (-en). Ongunstige wind.

tegenwoelen, ow. Zich verzetten (tegen).

tegenwoner, m. (-s). Tegenvoeter. — tegenwoord, o. Tegenspraak. — tegenwoordig, bn. Aanwezig : hij was daar tegenwoordig. De tegenwoordige vorst, die nu regeert. Wat doet hij tegenwoordig, wat doet hij nu. De tegenwoordige tijd : onze dagen, ook (taalk.). Tequot; genwoof digheid, v. Tegenwoordig lijk, bijw.

tegen worstelen , bw. Tegenstand bieden. Strijden (tegen). Tegenw or steling, v. (-en). — tegenwrUten. ow. Weder-staan.

tegenzang, ra. (-en). Tweede zang (van eenen rei). — tegenzee, y. (-ën). ■Xerugdeinzing van eene golf, die tegen

O — TEGE

eene rots, enz. geslagen heeft. —tegen-zegel, ra. (-s). Zegel naast een ander. Zegel tot bekrachtiging van een ander.

tegenzeggen, bw. Tegenspreken. — Tegenzeglyk, bn. bijw. Tegen te spreken. In strijd (met).

tegenzUde, v. (-en). Tegenovergestelde zijde. Keerzijde. — tegenzin, m. Afkeer, — tegenzorg, v. (-en).

tegenzuekten, ow. Met zuchten ontvangen. lem. zuchtende aanzien.

tegenzunr, o. (Scheik.) Zuur, dat de werking van een ander wegneemt of vermindert.

Tegner {E.), 1782-1846, Kyrkerud. Zweedsch dichter. Frithjofsaga.

tegoeds, te goed, bijw. Nog te vorderen hebben ; ik heb nog veel te goed.

tekuls, tlmis, o. Onderkomen : hij heeft geen tehuis meer. — Tehtiishomen, o. — Tehuiskomst, v. — Tehut'steis, v. (..zen).

teil, v. (-en).Teel.

teisteren, bw. teisterde, heeft geteisterd. Ruw behandelen en zwaar beschadigen. Mishandelen. Tergen. Wonden. Onheil veroorzaken. — Teister aart ra. (-s). — Teistering, v. (-en).

tekort, o. (-en). Hetgene te kort korat: een tekort van fr. 100. Tekortdoe-ning, v. (-en). — Tekortkoming, v. (-en), tekst, ra. (-en). Inhoud van een boek,

feschrift, enz. Gedeelte van den inhoud. )enige woorden en vooral die, waarover men wil uitweiden. Onderwerp van behandeling. Soort van drukletter. lem. van den tekst helpen, in verwarring brengen. Van den tekst raken : van zijn onderwerp afdwalen. Al te diep in den tekst dringen : te veel van iets zeggen. —eschrift, enz. Gedeelte van den inhoud. )enige woorden en vooral die, waarover men wil uitweiden. Onderwerp van behandeling. Soort van drukletter. lem. van den tekst helpen, in verwarring brengen. Van den tekst raken : van zijn onderwerp afdwalen. Al te diep in den tekst dringen : te veel van iets zeggen. — Tekstboekje, o. (-s).— Tekstenrol,v. (-len). — Teksthaak, ra. (..aken). Een der haakjes ( ), waar tusschen woorden in den tekst geplaatst zijn. — Tekstschrijver, ra. (-s). — Tekstuitgave^. (-n).—Tekstuitlegger, m. (-s).— lekstverbeteren, o. — 7ekstverdraaier, ra. (-s).— Tekstverdraaiing, v. (-en).— 7ekstzerhaal, o. (..alen).— Tekstverklaring, v. (-en). — Tekstvertaler, ra. (-s). — Tekstvertolking, v. (-en). — Tekstver-valsching, v. (-en).— Tekstwoord, o. (-en).

tel, ra. Telgang (van een paard). — Tel, v. (-len), telle, v. (-n). Paard, dat den telgang gaat.

tol, ra. Het tellen. Bij den tel, bij het getal verkoopen. Niet veel in tel zijn : niet veel geacht zijn. — Telbaar, bn. — Telbaarheid, v.

telastlegging, v. (-en). Beschuldi-ginS*

telegraaf, v. (..afen). Toestel om met teekens berichten op verre afstanden over te brengen. Inz. elecirische telegraaf. Optische telegraaf, waardoor berichten met lichtseinen overgebracht worden. Electri-sche telegraaf, waardoor berichten overgebracht worden bij raiddel van galvanische stroomen, die door metalen draden worden voortgeplant. De wijzer-telegraaf van Breguet; de schrijf- of druk-telegraaf van Morse; de druk-telegraaf van Hughes ; de xlectro-chemische telegraaf wamp;n


ocr page 849

781 -

TELG

TELE

vindt zich een draadblos b, gestoken opr eene kern van week ijzer, van 2eer dun met zijde omsponnen roodkoperdraad. Do beide einden van die dtaadwinding zijn verbonden aan dikkere draden dd', die

den stroom maakt en breekt op het station van afzending B; de seintooner die de teekens op het station van ontvang A zichtbaar maakt, cc1 = electro-magneten; dd' = aardplaat; gg* — hefboomen; /ï' = veeren; bb, = handvat. De negatieve pool wordt door eenen draad verbonden aan eene koperen plaat (aardplaat af), die beneden peil in den grond gegraven, of in het water van eenen put wordt geplaatst. De

Sositieve pool verbindt men met de lijn en eze eindigt aan het station van ontvang in den electro-magneet, waarvan dan het andere einde met eene dergelijke aardplaat ositieve pool verbindt men met de lijn en eze eindigt aan het station van ontvang in den electro-magneet, waarvan dan het andere einde met eene dergelijke aardplaat d* in verbinding is gebracht. Dc electrici-teiten loopen dan in den grond als gemeen reservoir, en in den draad ontstaat een stroom, even alsof er een draad van terug-geleiding was aangebracht. — Telegraafbode, m. (-n). — Telegraafdienst, m. — Telegraafdraad, m. (..aden). — Telegraaf kabel, m. (-s).— Telegraafkantoor, o. (..oren). — Telegraaflijn, v. (-cn). — Telegraafnet, o. (-ten). — Telegraafpaal, m. (..alen). — Telegraaf toestel, o. (-len). — Telegrafist, ra. (-en). — Telegram, o. (-men). Bericht per telegraaf overgebracht. — 7elegraafbesteller, m. (-s). — Telegraaf zegel, m. (-s). — Tele-grapheeren, bw. telegrapheerde, heeft getelegrapheerd. Door raiddel van de tele-graat berichten. — 1 elegraphie, v. — Te-legraphisch, bn.

tolen, bw. teelde, heeft geteeld. Voortbrengen. Kweeken ; aardappelen telen. Veroorzaken : ledigheid teelt ondeugd. — Teler, m. (-s). — Teling, v.

telcphoou, v. (..enen). Toestel om op verre afstanden geluiden en woorden over te brengen bij middel van galvanische stroomen, die door metalen draden worden voortgeplant. De raeest gebruikelijke is de telepVoon van Grahaw. Bell (1876). Bestaat uit eenen houten koker, aan het eene einde voorzien van ern wijder gedeelte of doos, waarvoor d * beker om in te spreken geplaatst wordt. In de doos be-eveneens geïsoleerd zijn en aan het tegenovergestelde einde uitsteken en daar in elkander gedraaid zijn. Tusschen den beker en den draadklos ligt een zeer dun ijzeren plaatje a op geringen afstand van de kern,doch er nog zoo ver van af, dat het deze niet kan raken, wanneer het in trilling wordt gebracht. In den koker tegen de kern bevindt zich eene staalmagneet c, die door een metalen plaatje aan den koker is bevestigd. De staalmagneet magnetiseert door zijnen invloed de kern, die derhalve in eenen magneet verandert. — Telephoneet««, b w. te-lephoneerde, heeft ge-telephoneerd. Door raiddel van de telephoon berichten. — Telephonie, v. — Tele-phonisch, bn. — Telephonist, ra. (-en).

— Te lep hoon dienst, m. — Telephoon-draad, m. (..aden). — Telephoonkabel, m. (s). — 7 e lep hoon kantoor, o. (..oren).

— Telephoonnet, o. (-ten). — Telephoon-nummer, o. (-s). — Telephoonpaal, m. (..olen). — Telephoonverbinding, v. (-en).

tclcscoop, m. (..open). Verrekijker, inz. astronomische verrekijker. — Telesco-pisch, bn. Alleen door telescopen waar te nemen.

teleurstellen, bw. stelde teleur, heeft teleurgesteld. Bedriegen in-eene verwachting. — Teleurstelling, v. (-en).

telff, v. (-en). Loot van eenen boom. Boorascheutje. — lelgkweeker, m. (-s),

— Telgkweekery, y. (-en).

telg, ra. en v. (-en). Afstammeling, telgrnan, o. Loopwijze, waarbij het dier de beide pooteo van eene zijde te ge-


ocr page 850

- 78J _

TEMM

TEMP

lijk oplicht en voortzet. — Telgang, m. —

Telganger, m. (-s). — Telpaard, o. (-en).

— Telpas, ra.

telliaHpcl, ra. (-s). Haspel, die het

^retal draden voor elke streng aanwijst. —

Telhout, o. Talhout.

teling:, ra. (-en). Taling.

teljoor, o. en v. (..oren). Tafelbord.

Eetbord. — Teljoorlikker, ra. (-s). Tafel-•schuimer.

tclkcniualc, telkenmaal, tel-kenreize, telkena, bijw. lederen keer.

Steeds, aanhoudend, gestadig.

tellen, bw. telde, heeft geteld. De eenheid en de hoeveelheden in hare natuurlijke volgorde opnoemen : tot tien tellen.

Door tellen de hoeveelheid bepalen : de bevolking tellen. Afrekenen, beginnen te rekenen van zekeren dag, enz. : wij beginnen van heden te tellen. Een zeker getal vormen : deze gemeente telt 500,000 inw. Rekenen : iem. onder zijne vrienden tellen. (Kaartspel) Gelden : heer en vrouw __ __ _

tellen voor 20. Dat telt # ^ # f # t o 0 0 • ® 9 • 0

wordt niet meegerekend. Ach- quot; quot; '

ten, eeren : men telt hem voor 8.

niets. — Telkunst, v. — Teller,

m. (-s). Die telt. (Rekenk.) Getal eener gewone breuk, aanwijzende hoeveel deelen men van het geheel, dat in gelijke deelen verdeeld is, genomen heeft, —

Telletter, v. (-s). Letter, die een getal aanwijst. — Telloon, o. en m. ^-en). — Telling, v. (-en),

— Telschaal, v. (..alen). (Rekenk.). — Teister, v. (-s). —

Telteeken, o. (-s). Cijfer. Getalmerk. — Telwoord, o. (-en).

Dient óf om het getal, óf ora den rang van afzonderlijke personen en zaken rain of meer bepaaldelijk aan te duiden : bepaalde en onbepaalde telwoorden.

tellurium, o. (-s). Toestel ora de beweging van maan en aarde aanschouwelijk voor te stellen.

tellurium, o. Zilverblank element. Wordt meestal in verbinding met lood, goud, enz. en in sommige mineralen aangetroffen.

teloorgaan, ow. ging teloor, is teloorgegaan. Verloren gaan.

temen, bw. teemde, heeft geteemd. De woorden langzaam en slepende uitspreken. Talmen.

— Temer, m. (-s). — Teemster,

v. (-s). — Temerig, bn. bijw. — • •V* 6 • 0 0 • • r1

Temery, v. — Temig, bn.

temet, bijw. Soms. Nu en dan. Misschien.

temmen, bw. temde, heeft getemd.Tam maken: eenen leeuw temmen. Gedwee maken, be- a. Voorplaats, b. Het Heilige, c. Heilig der heiligen^, a. dwingen ; een paard temmen. Drie verdiepingen, e. Reinigincsbad voor offeraars Beteugelen : zijne gramschap en offeranden, f. Brandofferaltaar. g. Plaats den temmen. — Tembaar, bn. — vrouwen voorbehouden. 1. Voorhof der Priesters. 2, Tembaarheid, v. — lemmer, VoorhoJ der Israëlieten. 3. Voorhof der Heidenen.

m. (-s). — Temviing, v. — Tems/er, v. (-s).

icmpecsf, o. (-en). Storm. — Tem-peesien, ow. tempeestte, heeft getempeest. Stormen. Tieren, razen.

tcuipel, m. (-s, -en). Openbaar gebouw, aan den godsdienst ere wijd. Heilige, gewijde plaats. Kerk. Vrije heerlijkheid, welke eertijds aan de orde der Tempelieren behoorde. De Tempel van Jeruzalem werd door Salomon ion vóór Cbr. begonnen en naar de aflijning van God zelf op zeven jaar door 163,600 werklieden voltrokken. — Tempelberg, m. (-en). — Tetn-pelbewaarder, m. (-s). — Tempelbe-tv aar ster, v. (-s). — Tempelbouw, m. — Tempeldak, o. (-en). — Tempeldeur, v. (en) — Tempeldienaar, m. (-s). — Tempeldienst, m. — Tempelen, ow. tempelde, heeft getempeld. Ter kerk gaan. — Tempelfeest, o. en v. (-en). — Tempelgereed-

TTTTT

1

/75r\

if iW * *

i2

1

i

P lll^

i—

Tempel van Salomon.

ocr page 851

- 783 -

TEMP

TENI

schap, o. — Tempelheer, Tempelier, m. (-en). Ridder eener geestelijke orde, die in 1118 te Jeruzalem werd gesticht en in 1312 geheven. — Tctnpclaffer, o. (-s). — Tempelorde, v. — TempeIpoort, v. (-en). — Tempelpracht, v. — Tempelpriester, ra. (-s). — Tempelpriesteres, v. (-sen). — Tempelridder, m. (-s). — Tempelstad, v. (..eden). — Tempeltin, v. (-nen). — Teyn-peltrappen, m. mv. — Tempeltreden, v. rav. — Tempelvoogd, ra. (-en). — Tempelvoogdes, v. (-sen). — Tempel-wacht, v. — Tempelwachter, m. (-s).

Tempel {A, •va7i den), 1622-1672, Leiden. Portretschilder.

tempersiment, o. (-en). Lichaamsgesteldheid. Gemoedsstemming. Natuurlijkeneiging. Geaardheid. Inborst.

teiupei'Mtuur, v. (..uren). Luchtgesteldheid. Warmte. Warmtegraad.

temperen, hw. ow. temperde, heeft getemperd. Verzachten, matigen : het licht temperen. Lenigen : iemands droefheid temperen. Kleuren mengen ora zachtere tinten te krijgen. Doen gloeien en plotse-lijk doen verkoelen : getemperd staal. Ee-nen temper maken om wafels of koeken te bakken. — Temper, ra. Het temperen, tempering. Temperament. Dun beslag van meelbloem, water of melk, gist, eieren, enz. om wafels of koeken te bakken. — Tempering, v. (-en). — Tempermes, o. (-sen). — Temperoven, m. (-s). — Temperpot, m. (-ten).

Temple {TV.), 1628-1698, Londen. Staatsman en schrijver.

tempo, o. (-'s). (Muz.) Tijdmaat. — Tetnporair, bn. Tijdelijk. Vooreenen tijd.

— Temporeel, bn. Tijdelijk. Aardsch. Wereldlijk. Vergankelijk. — Temporiseeren, ow. temporiseerde, heeft getemporiseerd. Dralen. Tijd winnen. Uitstellen.

tempteereu, bw. tempteerde, heeft getempteerd. Bekoren, in verzoeking brengen. Kwellen, plagen, lastig vallen. — Temptatie, v. (-s, ..iëo).

tems, v. (-en). Teems.

ten, vz. (= te den). Ten huize : in het huis. Ten deele : voor een deel of gedeelte. Ten aanzien (van) : rakende, betreffende. Ten eerste : vooreerst, in de eerste plaats. Ten andere : in de tweede plaats. Ten (naar den) hemel. Ten einde: opdat. Ten goede : met een goed doel, in een goeden zin. Ten Noorden : in de richting naar het Noorden.

tendeutie, v. (..ien, -s), tenlt;lenz,v.

Strekking. Neiging. Richting. Bedoeling.

— Tendemroman, m. (-s). Roman met zekere zedelijke strekking.

tender, m. (-s). Wagen achter de locomotief en waarop steenkolen en water voorhanden zijn.

tenero, (Muz.), bijw. Teeder. Mettee-derheid.

tengrel, m. (-s). Verbindingslat voor timmerwerk.

tender, bn.Teeder, rank (van lichaam);

tengere gestalte. Teeder, zwak : tenger kind. — Tengerheid, v.

Tenier» 10 (Z?. de oude), 1582-1640, Antwerpen. Schilder van ooerentoone®-len en historie in het klein. — 2° Zijn zoon (Zgt;. de jonge), 1610-1690, Antwerpen, ochilder. Schuttersgilde (1643); Gaaischieting;Kermis; Verzoeking van S* 1 Antonius/ IVac/itkamer; i Boerenherberg.


ocr page 852

TERE — 7,

tenlofdocnlug-, v. (-en). Vernietiging. Opbefling.

Touiiyftoii (A.), 1809-1892, Somerby. Eng. dichter. Kiioch Arden; Idylls of the king (1859-'70).

tenor, ra. (-s, -en). Hoogste raannon-stem. — Teno*-, tenorist, m. (-en). Tenorzanger.— Tenorsletiiel, ra. (-s).— Tenorstem, v. (-men). — Tenorzanger, ra. (-s).

tent, v. (-en). Soort van veiblrifpiaats, bestaande uit in den grond gestokpii palen, met linnen of eene andere stofbedekt. Veldverblijf (inz. van soldaten^. Hut. Hut op een vaartuig. Lcofbut (der Israëlieten). Kraam. Vervoerbare winkel (inz. op kermissen). Ergens zijne tenten opslaan, er gaan wonen. — Tentbewcuer, ra. (-s). — Tentdak, o. (-en). — Tentdoek, ra. (-en).

— Tentenmaker 1 ra. (-s).— Tentenmees-tert ra. (-s). Kwartiermeester. — Tent-koord, v. (-en). -T- Tentlinnen, o.— 7ent-paal, ra. (. alen). — Tentschuit, v. (-en).

— Tent stut ten, m. rav. (Zeew.). — Tent-wagen, ra. (-s).

tentamen, o. ( s, ..ina). Voorloopig onderzoek.

tenteeren, bw. tenteerde, heeft getenteerd. Ondervragen. In verzoeking brengen. Verlokken. Verleiden. — Ten-tatie, v. (-s).

tenten, bw. tentte, heeft getent. Peilen (eene wond). — Tentijzer, o. (-s).

tentoonfftenins-, v. (-en). Het ter bezichtiging aar.biedrn. Voonverpen ter bezichtiging sameugebraclit. — Tetitoon-sf rei ding, v. — Tentoonstellings-gebouw, o. (-en).

tenue, v. (-n). Krijgskleedirg. Hou-dirg, uiterlijk voorkomen.

tennitvoerbrengingr» v. (-en). —

Tenuitvoerlegging, v. \-en).

tenware, (onzUgt; vw. Indien. Wel te verstaan (als). Mits. Namelijk.

tenzelfden, aanw. vuvv. Terzelfder-tijde.

teorbe, v. (-n). Soort van luit met 16 snaren.

tepel, ra. (-s). Uitpuilend middelpunt van eene borst. — Tepelkruid, o. Wilde mosterd. — Tepelvormig, bn.

tepronkstelliu^-, v. (-en). Het te pronk stellen.

ter, vz. (= teder). Ter ecre (van) : om eer te bewijzen (aan). Ter (op de) wereld. Zich ter (ol te) ruste begeven : slapen gaan. Ter zake : wegers, om. Nu ter zake : sproken wij nu over de zaak zelve. — teranr-debestelliiiif, v. (-en). Begraving.

Ter bn rjc (6%), 1617-1681, Zwolle. Genre-en portretschilder. Leesles; Krygsvian, eene jonge vrouw goudstukken aanbiedende ; de Vaderlijke Raadgeving,

Tereeronen, m. rav. Kinderen van cenen Creool en eene Mulatin.

terdege, terdeeg, bijw. Goed.Flink. Geducht. — terdoodbrencrinBr, v. (-en).

terechtbrengen (i), bw. In orde

(i) De samengestelde werkwoorden met terecht zijn scheidbaar.

4 — TERN

schikken. Terugbrengen. Terechtb*en-ging, v. — tereebtbelpen, bw. De gewenschte inlichtingen geveu. Terecht' helping, v. — tereclitkomen, ow. De plaats vinden, waar men zoekt te komen. In orde komen. Geschikt worden. Goed atloopen. Gevonden worden. — tereelit-l»luat»iug, v. — tereebtstaan, uw. Als een beschuldigde of beklaagde voor de rechtbank verschijnen. — tereebt»tellen, bw. Voor eene rechtbank doen verschijnen. Eene straf aan iem. voltrekken^ Terechtstelling,-?, (-en). — tereobfivtf-zen, bw. Den weg wijzen- Onderrichten. Berispen. Terechtivyzing, v. (-en). — te-recblziltlng, v. (-en). Vergadering ee-ner rechtbank.

teven, bw. teerde, heeft geteerd. Met teer bestrijken. — Terig, bn. — Tering, v.

teren, bw. ow. teerde, heeft geteerd. Goede sier maken. Verteren (spijzen). Leven : op de kosten van een ander teren. Opzijn smeer teren : leven van hetgeen men. gespaard heeft. Mager worden, kwijnen.

— Terend, bn. — Tering, v. (-en). Vertering (van spijzen). Uitgave : do tering naar de nering zetten. (Geneesk ) Eigenaardig» ziekte aan de microbe van Koch {bacillus tuberculosus) toe te schrijven. Tast al de deelen en weefsels des lichaams in 't algemeen of in 't bijzonder aan. Long-, keel-, nier-, luchtpijp-, klier-, buik-, huidterioe^ enz.— Tet ingachtig, bn. — Teringachtig he id, v. — Teringkoorts, v. (-en). — Tet tngArvaal, v. — Teringlijder, ra. (-s).

— Teringlijder es, v. (-sen), — Tering-ziekte, v.

tergen, bw. tergde, heeft getergd. Plagen. Sarren. Verbitteren. Vertoornen. — Tergend, bn. — Terger, ra. (-s)»

— Terging, v. ( en). — Tergster, v. (-s),

— Tergmiddel, o. (-en). — Tergtaal, v.

— 'Iergivoerd, o. ( en). — Tergziek, bn. tor li a u d n 1 e 11 i n g, v. Het o v erreiken, terloengeving, v. (-en).

terloops, bijw. In 't voorbijgaan.

Vluchtig.

term, m. (-en). Woord, bewoording, uitdrukking, korte volzin. Stelling : de tep--raen eener sluitrede. Hij valt niet in de termen : hij behoort niet tot dezulken. Betrekking : ik ben met hem in goede termen, term, ra. (-en). (Zeew.) Tarm. termijn, ra. (-en). Bepaald tijdvak,, tijd. Uitstel.

termlfu, m« (-en). Kinderstuipje, termlneeren.bw. terraineerde, heeft geternüneerd. Eindigen, Voleindigen. Afdoen. Sluiten.— Terminatie, v, (.,iën, -s), terminologie, v. (-ën). Kunstwoordenleer, Kunstwoordenboek.

Ternate, Residentie (Moluk-eil.). ternauwernood, bijw. Nauwelijks^ terne, v. (-s). Drietal achtereen bezette en uitgekomen nomraers in de getallen-loterij.

ternederllggen (1), ow. — terne-dersebrUven, bw . — terneder-

(1) De samengestelde werkwoorden met terneder zijn scheidbaar.


ocr page 853
ocr page 854
ocr page 855

TERU — 7

■laan, bw. ow. — tcrnederwerpen, bw. — tcmcderzcttcn, bw. — ter-nederzlukcn, ow. (zijn). — terno-derzittc*n, ow.

TerncHt [K. L.), 1812-1887, Denter-gem. Onderwijzer (Wetteren). Geschiedenis van België(1845' i Beknopte uiispraek der Nederduitsche tael (bekroond, i860).

terp, v. (-en). Verhevenheid (Friesland), welke voor de indijkingen is aangelegd tot wijkplaats voor menschen en vee bij buitengewone hooge watervloeden.

terpentyii, v. Kleverig vocht, dat na 't insnijden van den bast uit de stammen van terpentijnboomen, pijnboomen, dennen, enz. vloeit. — 1 er pent ijnb alsem, m. —• Terpentijnboom, m. (-en). Boom (pista-cia ierebinthus). Groeit in 't Z. van Frankrijk, N.-Amerikaen O.-Indië.— Terpentijngeest, m.—Terpentijnolie,v.—Terpentij nvemis, o.

terras, o. (-sen). Aardheuveltje. Aardwal. Vlakte. Voorgrond, plat.

terrein, o. (-en). Grond, bodem : zijn buis beslaat een groot terrein. Gebied : kom op mijn terrein niet. Het terrein der wetenschap : de wetenschap met al wat op haar betrekking heeft.

terrine, v. (-s). Soepkom.

territoor, o. (..oren). Grondgebied. Rechtsgebied. — Territoriaal, bn. Het grondgebied betreffend. Territoriale eigendom : grondeigendom.

terHliiikN, flt;gt;r Hliiik^bijw. In 't geheim. In stilte. Ongemerkt.'

terstond, bijw. Aanstonds. Dadelijk, terfs, v. (-en). Derde toon van de toonladder.

Tertallianns [Q. S. F.}, i6o-23o(?), Carthago. Kerkvader. Rechtsgeleerde . Redenaar.

terug:, bijw. Achteruit, naar achteren, weder. tw. Achteruit 1 Maak plaats 1

terngrbegreereii (1), bw. Verlangen weder in 't bezit te komen (van). — terug:-bekomen, bw. Weder in 't bezit komen (van). — ternsrbetalen, bw. Betalen wat men geleend heeft. — terugbeven, ow. (zijn). — tern^bezorpreu, bw.

— teriiifbiyven, ow. (zijn) Achterblijven. Niet stipt betalen. — teru^bren-

Seii,eii, bw. Weder brengen. Uitgeleide □en. Terugbrenging, v. — terugdeinzen, ow. (zijn). Eene achterwaartsche bewegingmaken. (Iets) niet durven ondernemen. Bevreesd zijn (voor). Terugdein-zing, v. — terugrdcnken, bw. Denken over hetgeen voorbij is. Terugdenking, v.

— terugdraaien, bw. ow. (zijn) Achterwaarts, achteruit draaien. Zijne woor-den terugnemen. — terug^drU ven, bw. ow. (zijn) A chteruitdrijven. Terugdrijvend, bn. Terugdrijving, v. (-en). — terugdringen, bw. Doen achteruitwijken. — terugeiselien, bw. Weder eischen. Terugeisching, v. (-en). — ternggraan, ow. (zijn) Achteruitgaan. Terugkeeren.Tot

(1) De samengestelde werkwoorden met terug zijn scheidbaar.

5 — TERU

verval geraken. Teruggang, m. — terugr-greleiden, bw. — terugrgeven, bw.

Weder algeven. Teruggave, ..gaaf, v. — terugrlialen, bw. Weder halen. Terugbrengen. — terugriiebben, bw. Weder hebben. — terugbouden, bw. Achterhouden. Niet afgeven. Niet laten vertrekken. Beletten. Terughoudend, bn. Terughoudendheid, v. Terughcuding, v. — terugzien, ow. (zijn) IJlend terugkeeren.

— terugjagen, bw. Jagende terugdrijven. Ow. In haast weder vertrekken. — terugkaatsen, bw. (Den bal) terugwerpen. Ow Weerschijnen (van licht). Terugslaan (van klanken). Terugkaatsend, bn. Terugkaatsing, v. (-en). — terugkeeren, ow. (zijn) Weder gaan (naar). Terugkeer, m. Terugkeering, v. — terugkomen, ow. (zijn) Wederkeeren. Terugkeeren (op) : nog eens spreken (van). Terugkomen (van) : geen gevolg geven (aan),intrekken (een besluit, enz.). Terugkomst, v. — terugkoopen, bw. Weder afkoopen.— terugkregen, bw. Terug ontvangen. — terugleggen, bw. Weder op zijne plaats leggen. — terugleiden, bw. Terugleiding, v. — lerugloopen, ow. (hebben,zijn) Loopende achteruitgaan. Haastig teruggaan. — terugmarebee-ren, ow. (zijn) Den terugmarsch maken. Terugmarsch, m. Aftocht. — terugnemen, bw. Wedernemen. Opnieuw nemen. Wegnemen, wat men gegeven heeft. Weder in bezit nemen. Intrekken (zijn woord, enz.). Terugneming, v. — terugreizen, ow. (zijn) Wederkeeren. Terugreis, v. (..zen). Terugrit, in. — terugrijden, ow. (zijn) Rijdend wederkeeren. — terug-roeien, ow. (zijn) Achteruitroeien. Bw. Roeiende terugbrengen. — terugroepen, bw. Nog eens roepen. Weder doen keeren. Intrekken. Den schijndoode in het leven terugroepen. Iets in het geheugen terugroepen. Terugroeping, v. — terug-soltelden, ow. Schelden, om dat van een ander te beantwoorden. — terugNobnl-ven, bw. Opschuiven. Achteruitschuiven.

— terugslaan, bw. ow. Terugdrijven. Wrerkaatsen. Eenen slag teruggeven. Achteruitslaan (van paarden). De rook sloeg in de kamer terug. Terugslag, m. — terug-spoeden {zich), ww. Haastig wederkeeren. — terugspringen, ow. (zijn) Achteruitspringen. Terugslaan (van veerenr enz.). Terugstuiten. Terugspringing, v. Terugsprong, m. (-en). — terugstoo-ten, bw. Wederstoeten. Achteruitstoo-ten. Terugstoot,™, (-en). Terugstontend, bn. Terugstooting. v. — terugstuiten, ow. (zijn) Opspringen en achteruitwijken. Terugstuit, m. Terugstuiting, v. — te-rugtoelit, m. Elke beweging, waardoor een leger zich van den vijand verwijdert. Tehuisreis. — terugtreden, ow. (zijn) Achteruittreden. Terugtred, m. — terugtrekken, bw. Naar zich toetrekken : zijn been terugtrekken. Intrekken (eene belofte, enz.). Ow. (zijn) Achteruitwijken. Zich terugtrekken, ww. Zich aan iets onttrekken. — terugvallen, ow. (zijn) Neerkomen : die schande valt op u terug-. — terugvnreii, ow. (zijn) Huis-


ocr page 856

TEUG — 7*

■waarts varen. Terugvaart, v. — terng-Terlaiiyeii, bw. Terugbegeeren. — to-rugrvlndoii, bw. Wedervinden. — te-rusrvliegeren, ow. (zijn) Vliegende terug-■keeren. — terugvloeien, ow. (zijn) Achterwaarts vloeien. — lerugrvoereii, bw. Wedervoeren.— terugrvordereu, bw. Terugeischen. — teruffvrsiolit, v. Vracht op de thuisreis. — terugvrsisreii, bw. Terugeischen. — tex-n gr wandelen, ow. (zijn) Wandelende terugkeeren. — te-raswegr, ra. Weg naar huis. — teruj;-wenscfaen, bw. Terugverlangen. — te-rusrwerkeu, bw. Doen achteruitgaan. Ow. Eene wet werkt niet terug. (Scheik.) Reageeren. Terugwerkendy bn. Tertig-•zverking, v. — lerngwerpen, bw. Weder werpen. Achteruitwerpen. — terngr-wUken, ow. (zijn) Achteruitwijken. Te-rugwyking, v. — IcrufirwUzen, bw. Terugzenden. Weigeren. Terugmyzitig, v. — tern ^winnen, bw. Weder winnen. — ternezenen, ow. (zijn) Zeilende terugkeeren. — ternsrzeuden, bw. Weder verzenden. Terugzending, v. — terngrzlen, ow. Achter zich zien. Wederzien. Op zijn vroeger leven terug zien. — terngzwemmen, ow. (zijn) Zwemmende terugkeeren.

terwUl, vw. Gedurende den tijd dat. Bijw. Ondertusschen.

terzelfder, aanw. vnw. Terzelfder tijd. terzet, o. Muziekstuk voor drie zangsteramen.

terzOdelatine, v. Voorbijgang. — terz^destellini;. v.

teat, v. (-en). Kleine schotel met of zonder oor.

testament, o. (-en). Uiterste wil. Beschikking, waarbij iem. verklaart hoe, na lijn overlïiden, met zijne goederen raoet gehandeld worden. Geschrift, waarin de uiterste wil vervat is. Soorten van testamenten : het openbare, door oenen notaris met vier getuigen, of door twee notarissen met twee getuigen geschreven ; het eigenhandige, eigenhandig door den erflater

geschreven, gedateerd en onderteekend; eteschreven, gedateerd en onderteekend; et geheime, door den erflater geschreven of slechts onderteekend en verzegeld in de tegenwoordigheid van zes getuigen. Het Oud en het Nieuw Testament : de h. Schrift, het oud en nieuw Verbond. — Testamentair, bn. Den uitersten wil betreffende. — Testateur, m. (-s). Erflater. — Testatrice, v. (-s). Erflaatster. — Testeeren, bw. testeerde, heeft getesteerd. Zijn uitersten wil raaken. Getuigen.

testimonium, o. (-s, ..ia). Getuigschrift.

tetrarch, m. (-en). (Eert.) Vorst van het vierde gedeelte eens lands.

tets, tetslgr, bn. Deegachtig. Niet goed doorbakken. — Tetsheid, tetsigheid, v.

tetterisr, bn. tettigr, bn. bijw. Overdreven zindelijk. — Tetterigheid, tettig-heid, v.

teuff, v. (-en). Ademhaling. Wat men in eene ademhaling uitdrinken kan. Dronk.

tengel, m. (-s). Breidel, toom, gebit. Aan zijne driften den teugel vieren, den vrijen loop laten. De teugels der regeering

gt; — THEE

in handen hebben : het bewind voeren. — Teugelbaar, bn. — Teugelen, bw. teu-gelde, heeft geteugeld. Eenen toom aandoen. Met eenen toom in bedwang houden. Bedwingen. — Teugeling, v. — Teu-gelkoord,\, (-en).— Teugelloos, bn. Zonder teugel. Buitensporig. — leugelloos-heid, v.— Teugelreep, ra. (-en). — Teu-gelriem, ra. (-en).

teuten, teuterde, ow. teutte, peuterde, heeft geteut, geteuterd. Moeilijk, langzaam spreken. Talmen. — Teut, m. en v. (-en). — Teutachtig, bn.— Teutachtig-heid, v. — Teuter, ra. (-s).— Teuteraar, ra. (-s). — Teuterig, bn. — Teuterigheid, v. — Teutig, bn. — Teutkous, ra. en v. (-en).

Teutoonseli, o. Taal van de Teuto-nen, Germaanschen volksstam.

tevens, bijw. Tegelijk. Terzelfder tijd. tevergeefs, bijw. Vruchteloos, tevreden, bn. bijw. Bevredigd. Voldaan. — Tevredenheid, v. — Tevredenstellen, bw. stelde tevreden, heeft tevredengesteld. Voldoen. Bevredigen. — Tevredenstelling, v.

teweeg, bijw. Op weg. Van zin. teweegbrengen, bw. bracht teweeg, heeft teweeggebracht. Veroorzaken, textneel, bn. Letterlijk, woordelijk. Thackeray {W. il/.), 1811-1863, Calcutta. Eng. humorist. Vanity fair (1846).

tlialer, m. (-s). Duitsch muntstuk = fr. 3.75.

Thales. Zie Electriciteit.

thans, bijw. Nu. Tegenwoordig. In onze dagen. Op ditoogenblik.

theater, o. (-s). Schouwburg. Tooneel. Schouwtooneel. — Theatraal, bn. Too-neelmatig. Als op het tooneel. Met zeer veel vertooning.

Thebe. Aloude, groote, machtige stad in Opper-Egypte aan den Nijl. Middelpunt van den Araraonsdienst en de hoofdstad van het Egyptische rijk. Hare macht werd geknakt door Cambyses (527 vóór Chr.) en zij zelve verwoest door «5

(84 voor Chr.).

thee, v. (-en). Gedroogde bladeren van den theestruik. Aftreksel der tbee. Tijd, waarop men gewoonlijk thee drinkt. Middagpartij, waarop thee rondgediend wordt.— Theeachtig, bn.— Theeolad, o. (-en), theeblaadje, o. (-s). Blad, waarop de thee wordt opgediend. — Theeblad, o. (-eren). Blad van den theestruik. — Thee-bloet, v. Zeer goede soort van thee. — Theeboom, m. (-en). Theestruik. — Thee-bos, ..bus, v. (-sen). — Theedoek, ra. (-en). — Theedoos, v. (..zen). — Theeëmmer, ra. (-s). — Theegezelschap, o. — Theegoed, o. — Theehandel, ra. — Theehandelaar, ra. (-s). — Theeketel, ra. (-s). — Theekistje, o. (-s). — Theekopje, ..kommetje, o. (-s).— Theekomfoortje, o. (-s),— Theelepel, ra. (-s). — Theelood, o. — Theemakelaar, m. (-s). — Theemarkt, v. (-en). — Theeoogst, m. — Theepapier, o. — Thee-party, v. (-en). — Theepot, ra. (-ten). — Theerandje, o. (-s). Zeker beichuitje. — Theerechten, o. rav. — 7heeroos, v. (..ozen). Bleekgele roos. — Iheescho-


ocr page 857

- 787 -

THUI

THOM

ielljcy o. (-s). — Theeservies, o. (..zen). — Theestoof(..oven). — Thee struik, m. (-en). Altijd groene heester [fhea chinen-sis). Wordt in China, op Ceylon en Java gekweekt. — Theetafel, y. (-s).— Theevisite, v. (-s). — Theeveiling, v. (-en). — Theewater, o. — Theewinkel, m. (-s). — Theewt*tkeiier, m. (-s). — Theewinkelierster, v. (-s).

theïsme, o. Geloof aan eenen God. — Theïst, m. (-en),

tlieina, v. (-'s). Opstel, o. (-'s) Onderwerp. Grondgedachte.

TUemlit, v. Godin der gerechtigheid. TliomlslOelc» (535-'»70 vóór Chr.). Atheensch veldheer en staatsman.

llioocratie, v. Godsbestuur. Godsre-geering. — Theocratisch, bn.

Theocritus (280 voor Chr.), Syracuse. Grieksch dichter. Idyllen en tafereelen uit het landleven.

theodicea, v. Deel der philosophie, waarin van het bestaan en de eigenschappen van God gehandeld wordt.

f heolofle, v. Godgeleerdheid. — The-clcgant, m. (-en). — Theologisch, bn. — Theologiseer en, ow. theologiseerde, heeft getheologiseerd. — Theoloog, m. (..ogen).

theorema, o. (-'s). Leerstelling. Stelling. Zuiver bespiegelend voorstel.

theorie, v. (-en). Leer. Leer der grondregelen. Beschouwing. Beschouwende kennis. — Theoretisch, bn. Beschouwend. Bespiegelend.

therlakel, trlaltel, v. Tegengift door de Ouden als geneesmiddel tegen den beet van vergiftige dieren gebruikt.

thermometer, m. (-3). Warmtemeter. Toestel, dienende om de temperatuur te meten en hare veranderingen te bepalen. Berust op de uitzetting of inkrimping van kwik of spiritus, in eene nauwe glazen buis opgesloten. Bij do graadverdeeling onderscheidt men drie schalen : de hon-derddeelige schaal (a\ welke men verschuldigd is aan Celsius : o srneltent ijs, 100 kokend water; de schaal van Rèati-mur (A) : o smeltend ijs, 80 kokend water; de schaal van Fahrenheit (B) : 32 smeltend ijs, 212 kokend water. — jhermoine-ierbuis, v. (..zen). — Thermotnetergraad, m. ,..aden). — Thermometer hoogte, v. (-n). — Thermometer schaal, v. (..alen). — Thermonieterschuif,\. (..ven).— Thermometer stand, m. ( en).

thesaurie, v. (-en). Schatkamer. — Thesaurier, m. (-s). Schatmeester. Penningmeester. — Thesaurierschapj o. thesis, v. (theses). Stelling.

Thierry {J. N. A,), 1795-1856, Blois. Fr. geschiedschrijver. Lettres sur Vhis-Toire de France; Fecits des temf'S méro-vingiens; Histoire de la conquête d'Angle terre.

Thiers {L. A.), 1797-1877, Marseille. Fr. staatsman en geschiedschrijver. Histoire de la Revolution; Histoire du Con-sulatet de VEmpire (bekroond, i845-'62).

Thomas Aqiiiuas (h.), 1224-1274, Boccasica. Dominicaan. Godgeleerde. Summa theologice; Summa catholicce fidei adversus gen les.

Thermometer.

Tliorhoiit {A/. van). Schreef in do abdij van Eename : Legende van Sl* Maria van Egypt en en eenige levens van heiligen.

Thorvraldsen (Z^.), 1770-1844, Kopenhagen. Deensch beeldhouwer.

Tlmcydides, 471-.305 (vóór Chr.), Athene. Grieksch geschiedschrijver. Geschiedenis van den Feloponnesischen oorlog.

Ihnls, bijw. Tc huis. Voor u ben ik altijd thuis : gy zijtmij altijd welkom. In Amsterdam is hij thuis, daarvan is hij geboortig, daar weet hij goed den weg. In de geschiedenis thuis zijn, er veel van weten. Van alle markten thuis zijn : zeer geslepen zija. Die man is oud, hij is somtijds niet thuis, spreekt, handelt soms kinosch. — Thuisblijven, ow. bleef thuis, is thuisgebleven.— Thuisbrengen, ow. bracht thuis, beeft th«isgebracht. Naar huis brengen. Ik kan hem niet thuisbrengen, weet mij niet te herinneien, wie hij is. — Thuisha-len, bw. haalde thuis, heeft thuisgehaald. — 2huiskomst, v. — Thuiskrijgen, bw. kreeg thuiS, heeft thuisgekregen. — Thuis-iiggen, ow. lag thuis, heeft thuisgelegen. Bij iem. kost en inwoning genieten. — Thuisreis, v. (..zen).— Thuiswerk, o.— 2huiswerker, m. (-s).

Thor, m. Dondergod.

Thorbecke [J. F.), Zwolle.

Staatsman en schrijver.

A I

B.


ocr page 858

— 788 —

TIER

TIJG

tbyrs, m. (..zen). Nijlschildpad. Soort van werpspies.

tiara, v. Pauselijke driekroon. Tlbiillug [A.), 54-18 (voor Chr.). Ro-meinsch dichter.

tlebcl, ra. (-s, -en). Tegel. — liche-laar, ra. (-s). — Tichel aarde, v. — Tich el-bakker, ra. (-s^. — Tichelbafckery, v. (-en). — Ticheldak, o. (-en). — Tichel' dekker, ra. (-s). — Ticheloven^ m. (-s). — Tichelsteen, ra. (-en). — Tichelwerk, o.

tlekct, o. (-s). Kaartje. In- en uitgangkaartje. Toegangsbewijs.

Ticck (Z..), 1773-1853, Berlqn. Letterkundige.

tloipcn, ow. toog, heeft en is getogen. Trekken. (De onv. yerl. tijd en 't verl. deelw. zijn gebruikelijk.)

tiek. Zie Teek.

tien. Grondgetal : 10. mv. : tienen. — Tienarmit, bn. — Tiend, o. (-en). Tiende gedeelte der opbrengst van veldgewas, enz.— Tiendboek, o. en ra. (-en). — Tien-daagsch, bn. — Tiende, rangsch. telw. — Tiende, o. (-n). Tiende gedeelte. — Tien' deeti%, bn. In tien deelen gesplitst. Tien-deelig stelsel: reeks van getallen, waarin elke volgende eenheid tienmaal zooveel waarde heeft als elke voorgaande. — Tien-dehalf, telw. Negen en een half. — Tiend-eischer, ra. (-s). — Tienderhande, tienderlei, bn. — Tiendgaarder, ra. (-s). — Tiendherr, ra. (-en). — Tiend heffer, ra. (-S). — Tiendheffing, v. (-en). — Tiend-pachter, ra. (-s). — Tiendplichtig, bn. — Tien dpi ich tip e, ra. (-n). — Tiend* echt, o.

— Tiendrekening, v. (-en). — Tiendschuldig, bn. — Tien Jschuldige, ra. (-n).

— Tiendubbel, bn. bijw. — Tienduizend' ste, rangsch. telw. — Tiendverpachter, m. (-s). — Tienf7i, bw. tiende, heeft ge-tiend. Tienden heften. — Tienguldenstuk, o. (-ken). — Tienheid, v. (..heden). — Tienhehnig, bn. (Plantenk.).— Tien hoek, m. (-enK — Tienhoekig, bn. — Tienjarig, bn. — Tienmaal, bijw. — Tienmaandsch, bn. — Tienman, ra. (-nen). Een van tien mannen. Lid van een tienmanschap. — Tienmanschap, o. (Rora. pesch.) Staatsbestuur, uit tien leden samengesteld. — Tienponder, ra. (-s). Iets, dat tien pond weegt. Kanon, dat kogels werpt van tien pond. — Tienpootig, bn. — Tiensoortiq, Dn. — Tienstuiverstuk, o. (-ken). — Tiental, o. (-Ier). Het getal tien. De hoeveelheid van tifo. — Tientallig, bn.— Tientje, o. (-s). Tienguldenstuk. Tienstuiverstuk. AfdeHing van den Rozenkrans, bevattende éen Onzr-Vader, tien Wees-gegroeten en éen (ilorie zij den Vader, enz. — Tienvoud, o. (-en). — Tienvoudig, bn. bijw.

— Tien-werf. bijw.— Tiemi/dig, bn.

lier. v. Het opschieten, het gedijen

Groei. Welige aanwas.

liëreeeren, bw. tiërceerde, heeft ge-tiërceerd. Tot op een derde verminderen. Twee derden afnemen (van). — Tiërcee-ring, v. (-en).

Til^re [N. de), 1856, Eine. Tooneel-schrijver. Hermina (1888) ; Moederhart bekroond, 1889); Een spiegel (bekroond, 1892).

tier(e)l:inlUii(Je, o. (-s). Leeuwerik met zwanen kop. Versiering van weinig waarde. — Tierelieren, ow. tierelierde, heeft getierelierd. Een geluid maken als de leeuwerik. Zingen (van vogelen).^

tieren, ow. tierde, heeft getierd. Gedijen. Welig opgroeien. Gelukken. — Tierig, bn. bijw. Welig opkomende. Krachtig. — Tierigheid, v.

tieren, ow. tierde, heeft getierd. Leven, geraas maken.

tiersje, o. (-s). Vat, dat het derdedeel van een okshoofd inhoudt. Zekere hoeveelheid bij den verkoop (inz. van rijst), tingel, ra. (-s, -en). Tichel.

tü, o. ( -en). Duur van eb en vloed. Opkomend tij : wassend water. Afgaand tij : vallend water. Dood tij : flauw opkomend water. Hoog tij, wanneer het water het hoogste staat. Laag tij, wanneer de eb ophoudt. Springtij : hoogste tij bij nieuwe en volle maan. Vergast tij: geen tij.

t|]«l, ra. (-en). Duur. Tiidruirate. Tijdstip. Jaargetijde. Uitstel. Ouderdom. Ledige tijd. Gelegenheid. (Taalk.) De tijden der werkw. Op tijd koopen : om later te betalen. Zich naar den lijd, naar de omstandigheden schikken. Van tijd tot tijd : nu en dan. — Tydbeschrijver, ra. (-s). — Tifdbeschryving, v. — Tijdboek, o. en ra. (-en). — Ti/dehjk, bn. bijw. Niet eeuwig. Vergankelijk. Voorloopig. Wereldlijk. We-reldsch. Bijtijds. — Tydens, bijw. Gedurende. — Tijdgebrek, o. — Tydgebtuiky o. (-en). — Tydgenooty m. (-en). — Tijd-genoote, v. (-n). — Ty'dig, bn. bijw. Op zijnen tijd komende. Van pas. Vroegtijdig, Rijp. — Tijdigheid, v.— Tijding, v. (-en). Bericht. Nieuws. — Tijdkorter, ra. (-s). — Tijdkorting, v. (-en). — Tijdkring, ra. (-en). Zeker tijdsverloop.—Tijdlang (een-). Gedurende eenigen tijd. — Tijd lelie, v. (..ien). Gele of raoeraslisch. — Tijdmaat, v. (..aten). — Tijdmeter, ra. f-s). —

perk, o. (-en). — Tijdpunt, o. (-en). Uitgangspunt. — Tydregister, o. (-s). — Tijd' rekeninz, v. (-en). Ziejaartelling. — Tijdrekenkunde, v. — Tijdrekenkundige, ra. (-n). — Tijdreken aar, ra. (-s). — Tijd-ruimte, v. (-n). — Tijdroovend, bn. — Tijdsbepaling, v. (-en). — Tijdsbesparing v, — Tijdsbestek, o. — Tijdschrift, o. (-en). Werk, dat op bepaalde tijdstippen verschijnt. — Tijdsgewricht, o. (-en). Belangrijk tijdstip in de geschiedenis. — Tijds-omstandigheid, v. (..heden). — Tijdsorde, v. — Tijdstip, o. (-pen). — Tijdsverloop,. o. — Tijdvak, o. (-ken). — Tijdverbeuze' ling, ..verkwisting, ..verspilling, v. — Tijdverdrijf, o. — Tijdver drijvend, bn.

— Tvdverlies, o. — Tijdwijzer, ra. (-s).

— Tijdwinner, ra. (-s). — Tijdwinning, ..winst, v.

tUgrer, ra. (-s,-eu). Roofdier {jell's ti' gris), tot de familie der katten behooren-de. Behoort in Z.-Azië thuis. Dier, dat als een tijger gevlekt is. Wreedaardig mensch.

— Ti/geren, bw. tijgerde, heeft getijgerd. Vlekken. Spikkelen. — Tijger hengst, m. (-en). Als een tijger gevlekte hengst. — Tijgerhond, ra. (-en). — Tijgerhout, o. — Tijgerhuid, v. (-en;. — Tijgerin, (-nen)».


ocr page 859

TIMM — 7

— Tijger jacht, v. (-en). — Tijger kat, v. ^-ten). Kleine soort van tijger {felis par-dalis)- — Tygerpaard, o. (-en). » Ty-

fervel,ervel, o (-len). — Tygerrvolf, m. (..ven).

Loofdier (/^//5 ju6a/a\. Is roodbruin met rwarte vlekken (Z.-Afrika).

iOSTlsts, o. (..azen). Uurglas. Zandloo-per.

lült. O- (stofn.); v. (-en) (voorwerpsn.). Geweven stof (voor beddegoed). — Tyk-vuwe* ., m. (-s). — ly'kTvevery, v. (-en).

tUloon, v. (..zen). Plantengeslacht (f:^/-chictifn). De eenige soort, die bij ons voorkomt is de herfsttijloos (c. autumnalé). Wordt als sierplant gekweekt.

lt;Üm, m. Plantengeslacht {thymus), tot de lipbloemigen behoorende. — Tymmoes, o.— Tymmoesboomy m. (-en).

fU»lgt;oom, m. (-en). Juk (waaraan tonnen, enz. worden tredragen).

tUugt;igt; (..zen). Cijns.

tik, m. (-ken). Kleine, niet harde slag. Klopje : een tik aan de deur. Een tikje aan hebben : te veel gedronken hebben.

— Tikken, ow. bw. tikte, heeft getikt. Eenen tik geven. (Kindersp.) Een klapje geven. Een tikkenden toon laten hooren : 5e klok tikt. Zacht kloppen : aan de deur tikken. De glazen tegen elkander aanstoo-ten : laat ons tikk n. — Tikker, m. (-s). Die tikt. Geweten. — Tikster, v. (-s).

tlhiak, o. Geluid van eene horloge, enz. Zeker spel op een bord met schijven en dobbelsteenen.— Tiktakbord, o. (-en).

— Tiktakken, ow. tiktakte, heeft getiktakt. Bootst het geluid na van een horloge, enz. Op het tiktakbord spelen. — Tiktak-ker, ra. (-s). — Tiktakschyf, v. (..ven). — Tiktakspeler(-s).

tillen, bw. tilde, heeft getild. Met moeite oplichten. Opheffen. Aan iets tillen : zich met iets bemoeien. Hij tilt zwaar: bij besluit niet licht. — Til, m. Het tillen.

— Til, v. (-len), tille, v. (-n). Werktuig, dat opgelicht wordt. Vogelknip. Duiventil. Ophaalbrug. — Ttlbaar, bn. Beweegbaar, vervoerbaar. Tilbare have : roerende goederen. — Tilbrug, v. (-gen). Ophaalbrug.

tilbury, v. (-'s). Licht tweewielig rijtuig.

timber, m. (-s). Top des helms, waarop de ve letbos lust.

timiueren, bw. ow. timmerde, heeft :get mmerd. Timmerwerk maken. Spijkeren

19 — TINE

en ineenzetten. Houtwerk vervaardigen. Bouwen. — Timmer, m. Al de gebouwen eener hofstede. — Timmer, o. Gebouw. Vertrek. Wooing. — Timmer age, v. (-s). Getimmerte. Opgetimmerd gebouw. — Timmerbaas, m. (. azen). — Ti?nmerbyit v. (-en).— 7ivimetgereedschap, o. (-pen).

— Timmei gerei, o. — Timmerhout, o.

— Timmet huis, o. (..zen). — Tiinme-ring, v. (-en). — Timmer loods, v. (-en). — Timmerman, ra. (..lieden, ..lui). — Tint' memiansanibacht, o. — Timmermans' baas, m. (..zen). — Timinermansgereed' schap, o. — Timmer mansjongen,vci (-s).

— Timmermansknecht, m. (-s). — Tim' fne*'mansvak, o. (-ken).— Timmermans' werk, o. — Timmermanswinkel, m. (-s).

— 'Timmerplaats, v. (-en). — Timmer' spijker, m. (-s). - Timmertuig, o. — Tint' mertuin, m. (-en), liiiimrrwcrj,\. (..ven).

— Tünmmvei k, o.

Timor, Soenda-eiland.

Timor-Ijsiut Moluksch eiland, limpusm, o. (..anen). Drukpersraam :

vie. kant raam eener drukpers, waartegen het te drukken blad papier wordt gelegd.

timpje, o. (-s). Langwerpig broodje, dat aan weerskanten spits toeloopt.

tiu, o. Metaal van blauwwitte kleur. Ia zeer ueek en rekbaar. — Tinachtig, bn.

— Tinader, v. ( s). — Tinerts, o. — Tin' gyoen, o. — Tinfoelie, v. — Tinproeve, v. (-n). — Tinmijn, v. (-en). — Tinhandel^ m. — Tink alk, v. — Tin (ne) gieter, m. (-s). — Tinnegieterij, v. Het tinnegieten. (-en) Werkplaats van eenen tinnegieter. Tinnegieter svorm, m. (-en). — Tinnegie' terswerk, o. — Tinnegieterswinkel, m. (-s). — Tinnegoed, o. — Tinnekast, v. ( en). — Tinnekraam, v. en o. (..amen).

— Tinnen, bn. — Tinproeve, — T'invet' ling, v. ( en).— Timverk, o. — Tinzaad, o.

t ine tuur, v. (..uren). Altreksel van kiuiden.

Tiuel {E.), 1854, Sinaai. Componist.


ocr page 860

TITE — 7

Bestuurder der Muziekschool (Mechelen). Klokke Roeland (bekroond, 1878); Fran-ciscus (1890); Godelieve (1897).

tiMffol, m. (-s). Tengel.

tingel, v. (-s). Brandnetel.— Tingelen, ow. tingelde, heeft getingeld. Prikken (van brandnetels). Zich tingelen, w\v. Zich aan brandnetels prikken.

tinffoliiigelius:, tw. Klanknabootsing van het schellen, enz.

tlnko, v. (-n). Zie Zeelt.

tinkelen, ow. tinkelde, heeft getinkeld. Tinken.

tinben, ow. tinkte, heeft getinkt. Ee-nen cent enz. tegen den muur werpen om den cent, enz. van zijnen mededinger op de span eener hand nabij te komen.

tinne, v. (-n). Omheining op de bovenste oppervlakte van eenen muur. Plat dak. Bovenste van een gebouw.

tint, tinttvUn, m. Sterke Spaansche wijn.

tint, v. (-en). Kleur. Gelaatskleur. Zweem : er is geen tintje waarheid aan. — Tinten, bw. tintte, heeft getint. Eene tint geven.

tintel, v. Verbrande lompen, waarmede men vuur maakt.

tintelen, ow. tintelde, heeft getinteld. Fonkelen. Glinsteren : duizende sterren tintelden aan den hemel. Zachtjes prikkelen van koude : zijne handen tintelden. — Tinteling, v. (-en).

tinteloofiren, ow. tinteloogde, heeft getinteloogd. Met de oogen heen en weder knippen.

«P. m. (-pen). Spits toeloopend einde van iets. — Tipmuts, v. (-en). Puntige muts. — Tippen, bw. tipte, heeft getipt. Den tip of de tippen afsnijden.

tirade, v. (-s). Reeks volzinnen of verzen, onafgebroken door iein. voorgedragen. Woordenvloed. Uitweiding.

tirailleeren, ow. tirailleerde, heeft getirailleerd. Met scherpschutters aantasten, kruit vermorsen. Lastig vallen. Scjiud-den. — Tirailleur, m. (-s). Scherpschutter. — lirailleursvHur, o.

tiran, tyran, m. (-nen). Dwingeland. — Tirannenmoord, m. (-en). — Tiran-nenmoorder, ..moordenaar, m. (-s). — Tirannenschrik, m. — Tirannie, v. (-en), tiranny, v. (-en). Dwingelandij. — Tiranniek, tirannisch, bn. bijw Gewelddadig. Wreedaardig. Willekeurig. — Ti-ran niseer en, bw. tiranniseerde, heeft getiranniseerd. Onderdrukken. Mishandelen.

tiras, v. (-sen). Sleepnet om vogels te vangen.

tiras. Zie Tras.

tlretein, o. Stof van half garen en half wol. — Tireteinen, bn.

Titan, m. (..anen). (Fab.) De Titanen waren reuzen, die den hemel bestormden.

titanium, o. Metaal, dat onsmeltbaar is in 't smidsvuur.

titel, m. (-s). Opschrift van een graf, een standbeeld, enz. Opschrift van een boek. Eerenaam, die eene hooge geboorte of een voornamen stand aanduidt. Aanspraak, voorwendsel.— Titelblad, o. (-en). Eerste blad van een boek. — Titelen, bw.

♦

o — TODL

titelde, heeft getiteld. Eenen titel geven.

— Titelplaat, v. (..aten). — Titelprent, v. (-en). — Titelrecht, o.— Tttelvrerder, m. (-a). — Titulair, bn. Volgens den titel. Den titel van iets voeren, zonder er de waardigheid van te bezitten. — Titula-, tuur, v. (..uren). Den titel voluit. Al de titels van iem. — Tituleeren, bw. titu-leerde, heeft getituleerd. Betitelen. Eenen titel geven.

Xltiaan. Zie Vecelli.

titsen, bw. titste, heeft getitst. Met 't uiteinde van eene zweep, eene roede, enz. een lichten prikkelslag geven. — Tits, m. Het titsen.

tittel, m. (-s). Stip, punt : hij vergeet geenen tittel in zijn geschrift.

Tltus l^i-vins (59 vóór Chr. — 19 na Chr.), Padua. Romeinsch geschiedschrijver. Decaden (rom. geschiedenis).

tjalk, v. (-en). Zeker Friesch vaartuig, tjanken, ow. tjankte, heeft getjankt. Schreeuwen, huilen \als de honden).^ — Tjanker, m. (-s). — Tj ank ster, v. (-s). Tjeribon. Zie Java.

ljork,v. (-en). Tureluur.

tjilpen, ow. tjilpte, heeft getjilpt. Zacht piepen (als de vogels).

fjingelen, ow. tjingelde, heeft getjin-geld. Langzaam luiden.

tobbe, v. (-n). Kuip, waschkuip. Half-vat. Bak. (Zeew.) Koelbalie.

tobben, ow. tobde, heeft getobd. Zwaar werken, zich afsloven. Sukkelen. Zorg hebben. — Tobber(d), m. (-s). — Tobbe-rig, bn. — Tobberij, v. (-en). — Tobstert v. (-s).

tobiasviseh, m. (..sschen). Smelt. Tobias. Israëliet. Wordt als een wonder van verduldigheid aangehaald. Werd door zijnen zoon (ook Tobias genoemd) op den raad van den aartsengel Raphael van volkomene blindheid genezen.

toceadlelje, o. Italiaansch spel : tik-tak.

tocli, büw. Immers. Intusschen. Desniettemin. Uitdrukking van bevestiging, van smeeking, van ongeduld. Versterkt den zin. Ja toch : zekerlijk.

toelit, m. Trekking van den wind : 't is niet goed op den tocht te zitten, (-en) Trek, begeerte, hartstocht. Het trekken van de eene plaats naar de andere. Het optrekken van krijgsvolk. Een harden tocht doorstaan : veel te lijden hebben. Vruchtgebruik : hij bezit den tocht zoolang hij leeft.

— Tocht, v. (-en). Tochtsloot.— Tochten, eenpw. tochtte, heeft getocht. Trekken (van den wind).— Tochtenaar,m. (..aren). Vruchtgebruiker.— Tochtenares,v. (-sen).

— Tochtgat, o. (-en). — Tochtgenoot, m. (-en). Reisgezel.— Tochtgenoote, v. (-n).

— Tochtig, bn. Vol tochtlucht. Ritsig. Be-geerig, verlangend. — Tochtigheid, v. — Tochtlat, v. (-ten). — Tochtlucht, v. — Tochtpaard, o. (-en). Trekpaard. Tros-paard (der artillerie). — Tochtsloot, v. (-en). Sloot, waardoor water loopt of die water afvoert. — Tochtwind, m.

tod, v. (-den), todde, v. (-nj.Lomp. Vodde. Prul. — Toddenwijf, o. (..ven). Todlebeu [E. J. graaj von), 1818»


ocr page 861

TOED — 7c

1884, Mitau. Russisch generaal. Onderscheidde zich in den oorlog in den Kauka-sus, door de verdediging van Sebastopol, en de inneming van Plcwna.

toe, bijw. Aan, tot, om, voor, hiertoe, daartoe. Ér naar toe, ergens heen gaan. Dicht, gesloten : de deur is toe. Op den koop toe: boven den koop bijgevoegd. Toe, toe! haaat u wat!

tocbakorcn (i), bw. ow. Dicht-, inbakeren.—toebakkcu,ow. (zijn) Dichtgaan onder het bakken.

toebede, v. (-n). Wensch, verzoek ten gunste (van).

toebedcelen, bw. Verdeelen. Bestemmen. Dat lot was mij toebedeeld (beschoren). — toebcclliiamp;rcn, bw. Op den koop toe bedingen. — locbelioorcu, ow. Behooren (aan of tot). Het eigendom zijn (van). Toebehoor en, o. Al wat tot iets behoort om volkomen of volledig te zijn.

— toebereiden, bw. Gereed maken. Geschikt maken (tot). Toebereider, m. (-s). Toebereiding, v. (-en). Toebereidsel, o. (-s, -en). — loebescliikken, bw. Toebedeelen. Toebeschikking, v. — toe-betronwen, bw. Aanvertrouwen.

toebeurs, v. (..zen). Gesloten beurs.

toebldden, bw. Biddende toewen-schen. Toebidding, v. — toebieden, bw. Aanbieden. Meer bieden. — toebQ-ten, ow. De tanden zetten (in). Sterk bijten. Toesnauwen. Zich laten overhalen.

— toebinden, bw. Met eenen band, enz. vastbinden, dichtmaken. — toeblaf-fen, ow. Aanblaffen. Lomp (iets) zeggen.

— toeblsizen, bw. Dichtblazen. Blazende ergens heen drijven. — toeblljven, ow. (zijn) Gesloten blijven. — toebiik-ken, ow. Blikken werpen (op). — toe-blinken, ow. In de oogen blinken. — toebonzen, bw. Met geweld sluiten. — toebon wen, bw. Door bouwen sluiten, het uitzicht belemmeren. — toebmn-den, bw. Door brandmiddelen sluiten, heelen. — toebreenwen, bw. Door breeuwen dichtmaken. — toebreien, bw. Breiende sluiten.—f oebrensren,bw. Medebrengen. Bijdragen (tot). lem. eenen slag toebrengen, geven. — toebrom-men, bw. Brommende (iets) zeggen. — toebrnllen, bw. Brullende toevoegen.— toebnigen, bw. Buigende sluiten. Ow. (zijn) Buigende gesloten worden. — toe-duminen, bw. Door eenen dam of dijk afsluiten. — toedeelen, bw. Bij verdeeling toewijzen. Toedeeling, v. — toedekken, bw. Bedekken. Met een deksel sluiten. Bewimpelen. Afkloppen. — toedel-ven, bw. Gravende met aarde bedekken. Airossen. — toedenken, bw. Iets in zijne gedachten voor iem. bestemmen.

toedeiir, v. (-en). Gesloten deur.

toedieliten, bw. Toeschrijven.— toedienen, bw. Aanbieden. Bedienen. Toediening, v. — toedUken, bw. Met eenen dijk sluiten. — toedoen, bw. Slui-

(1) De samengestelde werkwoorden met toe zijn scheidbaar.

[ — TOEG

ten : doe uw boek toe. Bijdragen (tot) : hij heeft er veel toegedaan. Toedoen, o. — toedonderen, bw. Donderende toevoegen. Met geweld toewerpen. — toe~ draaien, bw. Draaiende dichtdoen : de kraan toedraaien. Toekeeren : iem. den rug toediaaien. — toedragen, bw. Aan-, bijdragen. Een verlies doen aan iets in plaats van winst: hij heeft er twee fr. aan toegedragen. Iem. achting toedragen, achting voor hem gevoelen. Gebeuren : hoe heeft die zaak zich toegedragen. Toedracht, v. Wijze, waarop iets gebeurt of voorvalt. — toedrUven, bw. Dravende doen naderen. Ineenkuipen. Ow. (zijn) Drijvende dichtraken. — toedrinjpen, bw. Dringende doen vooruitkomen. Ow. (zijn) Dringende toeschieten. Dringen. — toedrinken, bw. Eenen toost uitbrengen. — toedrukken, bw. Drukkende sluiten. — toeduwen, bw. Ergens heen duwen. Met geweld dichtdoen. Met geweld duwen. Op harden toon zeggen. In stilte toesteken : iem. wat geld toeduwen. — toeëjfsen, bw. Eggende vullen. — toe-eigrenen, bw. Als eigendom toekenm n.. Toeëige-ning, v. (-en). — looflappen, bw. Flappend sluiten. Ow. (zijn) Flappend gesloten worden. — tOefluittteren, bw. Iem. iets in het oor zeggen. — toefluiten, bw. Fluitende iem. roepen of toeroepen. Fluitende een sein geven. — toe-Saan, ow. (zijn) Gesloten worden. De-wond gaat niet toe. Gebeuren : hoe is dat toegegaan? Toegang, m. (-en). Plaats,, gelegenheid om te naderen : de toegangenwaren gesloten. Weg, die rechtstreeks ergens heen leidt. Toegang bij iem. hebben, bij hem mogen komen. Toegangsbezuys, o. (..zen). Toegangsbiljety o. (-ten). Toegangskaart, v. (-en). Toegangsprijs, m. (..zen). Toegankelijk, bn. loegankelijk-he id, v.

toegedaan, bn. Geneigd (tot). Gunstig gestemd (voor). — toegenegen, bn. Toegedaan. Welwillend. Goedgunstig gezind (voor). Toegenegenheid, v.

toegeHpen, bw. Met gespen vastmaken. — toegeven, bw. Inschikkelijk zijn. Met zachtheid behandelen. Onderdoen, Boven den koop geven. Toegeeflyk, toegefelijk, bn. Toegeeflijkheid, v. (..heden). Toegevend, bn. Toegevendheid, v. Toegeving, v. Toegift, v. (-en). Overslag. Overmaat. — toegieten, bw. Met gesmolten metaal dichtmaken. — toegrillen, bw. Gillende tot iem. spreken. Gillende iem. toeroepen. — toegoninien, bw. Met gom dichtmaken. — toegooien, bw. In zekere richting gooien. Met geweld dichtdoen. — toegorden, bw. Met eenen gordel sluiten. — toegrauwen, bw. Op bitsen toon tot iem. spreken. — toegraven, bw. Gravende sluiten. — toegrendelen, bw. Met eenen grendel sluiten,— toegrynzen, ow. Gezichten trekken, kuren maken (tegen iem.). — toegry-pen, ow. Geweld doen om iets te grijpen, — toegrimnien, ow. Knorrig zijn (tegen iem.). — toegroeien, ow. (zijn) Dichtgroeien. Groeiende zich sluiten. — toegrommen, bw. Barsch toespreken.


ocr page 862

lUBL — 7

— toelisilcen, bw. Met haken sluiten. — toclistlikon, ow. Met geweld hakken. Toehnkknig, v. (Zeew.) Het naderen der voor- en achtereinden \an de kiel. — too-listlen, bw. Toetrekken. Nauwer toeha-halen : inniger makm. —

ow. Happend toebijten. Een aanbod aanvaarden. Met graagte aannemen. — too-iK'libon, bw. Up den koop toekrijgen. — toclieicu, bw. Heiende af- of insluiten.

— loelioilieon, bw. Toewijden. 7oe-heiligtng, v. — loohoorcu, ow. Luisteren, aannooren. Toebehooren. Toehoorder, m. (-s). Toehcrderes, v. (-sen). Toe-ho or sier, v. (-s). — lt;oehoudcii, bw. Naar iets gericht houden. Gesloten houden.

toeliuin, o. (..zenU Gesloten huis. toctJIcu, ow. (zijn) Te geraoet loopen. •— l«gt;ojas:«'n, bw. In eene bepaalde rich-iiing jagen. Ow. Snel komen aanloopen. — 'toojuiolicn, bw. Juichende toeroepen. Met gejuich begroeten. Door toejuiching vereeren. Toejuiching, v. (-en). — toe-Icantscii, bw. In de richting van iem. kaatsen.— toekccrcn, bw. Keeren (tot, raar). Toekeer, m. Toekeering, v. — ioe-IcefTcn, bw. Nakeffen. Naschreeuwen.— tookciinon, bw. Erkennen, dat iets aan ■iem. toebehoort. Geven, schenken. Toekenning, v. — toektlken. bw. Kijken (naar). Aanschouwen. Tor kijker, m. (-s). Toekijkster, v. (-s). — tooklsiuipcii, bw. Met klampen dichtmaken. — toe-klemmen, bw. Klemmende vastmaken.

— toekletsen, bw. Met geweld dichtdoen. — toeklink*'!!, bw. Klinkende vastmaken. — toekuelleu, bw. Knellende dichtmaken. — toekuUl'eii, bw. Knijpende dichtmaken. — tookuik k«-u, bw. jem. aanknikken. Een toeken met het hoofd naar iem. maken.— toekuippeo, bw. Met eene knip dichtmaken. — too-knoopen, toekiioppeu, bw. Knoo-pende vastmaken. — toekomeu, ow. (zijn, hebben) Geworden : zijn de koopwaren toegekomen? Toebehooren : wien komt -dit land toe ? Dit komt ht m toe : daar heeft hij recht op. Genoeg hebben : zoudt gij biermee toekomen? Torkoniend, bn. Aanstaande. (Taalk.) De toekomende tijd. In het toekomende : voortaan, in 't vervolg. Toekomst, v. Tijd, die te komen is. 7«?^-kovistig, bn. Toekomend. — toekrü-gen, bw. Boven den koop krijgen. Gesloten krijgen. — toekrimpen, ow. (zijn).

toekriiilt;l, o. (-en). Kruid, dat bij een ander gegeten wordt.

toekruieii, bw. Met den kruiwagen aanbrengen. — toekulpen, bw. Dicht-kuipen. — toeknnuen, ow. De deur kan niet toe (gesloten worden). Met iets toekunnen (kunnen toekomen). Ergens naar toekunnen (kunnen toegaan). — toekur-ken, bw. Met eene kurk dichtmaken.

toelaag-, toelstsre, v. (..agen). Bijvoegsel, aanhangsel. Vermeerdering eener bezoldiging. Subsidie. Gratificatie.

toelsK'lteu, bw. Lachend aanzien. O w. Gunstig vertoonen : dat lacht u toe. — Éoelnkken, bw. Met lak dichtdoen toolHNt, m. ( en) Groot wijnvat, loelateu, bw. Gedoogen : dat moogt

12 — TOEP

gij niet toelaten. Den toegang vergunnen : hij laat niemand tot zich toe. Gesloten laten : laat de deur toe. Oogluikend toelaten ; door de vingers zien. Toelating, v.

— toelatteu. bw. Met latten dichtmaken.— toelegden, bw. Sluiten meter iets op te leggen : eenen put toeleggen. Toestaan : dit werd hem met moeite toegelegd. Verleenen : eene jaarwedde toeleggen. Aanvullen. Toevouwen. Ow. Bijdragen (tot) : iedereen moet wat toeleggen. Zich toeleggen, ww. Zich beijveren. Toeleg, m. Ontwerp. Voornemen. Onderneming. Aanslag. Toe legging, v. — toe-lieliten, bw. Verklaren. Duidelijk maken. Ophelderen. Toelichting, v. lt;-en]. — toeliifgeii, ow. Gesloten liggen. Vastliggen (door de vorst). — toe]|)mlt;gt;n, ow. Met lijm sluiten. — toelinpelen, bw. Lispelende toevoegen. — toelonken, bw. Vriende ijk met de oogen toeknikken. Toelonking, v. — toeloopen, ow. (zijn) Samenloopen. Loopen om iets te bereiken of zich naar iets te richten. Sterk doorloo-pen. Puntig uitloopen. Dit pad loopt toe, is korter dan andere paden. Toeloop, m. Het toeloopen (van menschen). Toeloo-pende menigte. — toeluiitteren, ow. Aandachtig luisteren (naar). Toelttisfe-ring, v.

loemaat, v. (..aten). Wat boven do maat gegeven wordt. v. en m. Etgroen. Nagras.— 7oemaathooi, o.

toemaken, bw. Sluiten. Dichtdoen. Dichtstoppen. Inleggen. Toe maker, m. (-s). Toemaakster, v. ;-s). Toemaking, v.

— toematen, bw. Malende toevoeren.

toemantl, v. (-en). Gesloten mand.

^toemeten. bw.In iemands tegenwoordigheid zooveel van iets meten als hij verlangt. Overmaat geven. Toemeting, v. — toemetftelen, toemetaen, bw. Met metselwerk sluiten, aisluiten. — loemoe-ten, ow. Dicht, gesloten moeten worden.

— toemotrelen, bw. Slordig inwikkelen. Ongemerkt overgeven. — toemo-gen, ow. Dicht, gesloten mogen worden.

— toemuren, bw. Met eenen muur afsluiten. — toeinurmeleu, bw. Half hoorbaar zeggen.

toen, bijw. Te dien tijde. Vw. In den tijd, dat. — Toenmaals, bijw. Indertijd. Destijds. — Toenmalig, bn. Van, in dien tijd.

toenaalcn, bw. Naaiende sluiten, dichtmaken.

toenaam, m. (..amen). Bijnaam.

toenaderen, ow. (zijn) Dichter bijkomen. Stappen doen tot verzoening, enz. Toenadering, v. (-en). — toenagrelcn, bw. Nagelende dichtmaken. — toenoi-gren, bw. In eene bepaalde richting neigen. Overhellen (tot). Toeneiging,v. (-en).

— toenemen, bw. Meer nemen dan noodig is of dat iem. toekomt Ow. (zijn) Aangroeien. Sterker worder. Uitgebreider worden. Vorderen. Erger worden (van ziekten). Toeneming, v. — toenllsr^n, ow. Eerbiedig buigen (voor). — toenU-pen, bw. Knijpende dichtmaken.— toe-pakken, bw. In pakken doen. Eenen pak sluiten. Toegrijpen. — toepalen.


ocr page 863

TOES — 7c

bw. Met palen afsluiten. — toepasson, bw. üebiuik maken (van). In overeenstemming brengen (met). Toepasselijk, bn. bijw. Toep a ssrlykh eid, v. Toepassing, v. (.en). _ ken, bw. Met pek dicht

maken. — toopviiiien, bw. Met pennen dichtmaken. — bw. Persen

de sluiten. — tocplakken, bw. Met lijm, enz. dichtmaken. — loeplaukcii, bw. Met planken dichtmaken.— loeplei.s-teren, bw. Met pleister toemaken. — Aoeploegen, bw. Dichtploegen. — loo-ploflen, bw. ow. (zijn) Met eenen plof dichtslaan. — toepruugon, bw. Dicht ineendrukken. — tooproppcu, bw. Met eene prop sluiten.

toer, m. (-en). Ronde, kring. Wandeling : eenen toer maken rond de stad. Beurt : elk op zijnen toer. Keer : 't is de laatste toer. Omvang en zwier van een kleed ; er is te weinig toer in die mouwen. Hoofdtooisel van valsch haar. Halssieraad, halssnoer. Kunstgreep, goochelkunstje. Aardigheid : hij steekt toeren uit. Het was een heele toer : het kostte moeite en inspanning. Poets : iem. eenen toer spelen. Dingen : dat zijn toeren. Draai, zwier : hij is weeral op zijnen toer.

toeraken, ow. (zijn) Dichtraken. — toereeliten, bw. Toehereiden. Kruiden (spijzen). — tcereeden, bw. (Zeew.) Optakelen. Uitrusten. Toereeding, v. — toeregrenen, ow. (zijn) Dichtgaan door den velen regen. — toereiken, bw. De hand uitstrekken om iets te geven. Ow. Genoegzaam zijn. Zich uitstrekken (tot). Toet-eikend, bn. Toereiking, v. — toerekenen, bw. Ten laste leggen. Wijten (aan). Inrekenen (vuur onder de asch). loerekenbaar, bn. Toerekenbaarheid^. Toerekening, v. — toeren, ow. Eene wandeling doen, vooral te paard of in een rijtuig. Rondvliegen (van duiven). — toe-rilden, ow. (hebben, zijn) Rijden met bekorting van den weg. Korter zijn (van eenen weg). — toerlf^en, bw. Meteenen veter toehalen.

toerdtuigr, o. ( en). Gesloten rijtuig. — toeriftt, m. ( en). Reiziger. Iem., die voor zijn vermaak reist. — tOerit, m. (-ten). Rit, die korter is dan een ander.

toeroepen, bw. Roepende iets toevoegen. Ow. Schreeuwende roepen. Toe-roeptnf», v. — toeroenten, ow. (zijn) Door het roesten dichtgaan. — toerollen, bw.Oprollen.ErgeLS been rollen. Ow. ■(zijn) Rollende naderen.—toerniselien, ow. — toernkken, bw. Met geweld dichtslaan. — toerusten, bw. Gereedmaken. Wapenen. Toerustingt v. (-en).— toeseliieten, bw. Toewerpen. Al schietende toestellen. Toeduwen : iem. eene schimpscheut toeschieten. Ow. (zijn) Toesnellen. Toeschiet fly k, bn Toegeeflijk. Toeschietelijk het d, v. — toehelilinen, ow. Eenen schijn geven. Als waarscbiinlijk voorkomen.— toesehikkeu, bw. Doen toekomen. — toesehou wen, ow. Aanzien. Beschouwen Toeschouwer, m. (-s). Toeschouwster, v (-s). — toeselireeu-wen, bw. Op een schreeuwenden toon toevoegen. — toe«elirUgt;'en, bw. Toe-

, — TOES

kennen. Toewijzen. — toeseliroelen* bw. Door schroeiing sluiten, loeschroei-ing, v. — toeseliroeven, bw. Met

schroeven dichtmaken.— toevelmiren, bw. Schuivende dichtmaken. Sclmucnde doen naderen of vooruitkomen. Iem. iets toeschuiven : zorgen, dat iem. iets kiijgt.

— toeseinen, bw. Door een sein bekendmaken. — toesjorren, bw. Dichtsjor-ren. — toeslaan, bw. Al slaande toevoeren. Met eenen slag toevouwen of sluiten. Den koop toeslaan : den koop met eenen palmslag, enz. sluiten. Ow. (heDben, zijn) De hand opheften en slaan. Hij slaat

?aarne toe, wordt spoedig handge meen. aarne toe, wordt spoedig handge meen. ^oeslag, m. Het toeslaan. Toewijzing van eenen koop. Ruime maat. Overwicht.

toeslede, v. (-n). Koetsslede.

toesleepen, bw. Ergens heen sleepen. — toealibben, ow. (zijn) Toeslijken. Toeshbbing, v, — toenlUken, ow. (zijn) Dichtgaan door het slijk. Tuesiy - ing, v. — toesliniferen, bw. Slingerend© toevoeren, doen naderen. — toe»luiten, bw. Dichtsluiten. Zich toesluiten, ww. Toesluiting, v. (-en). — toesmakken, bw. Met eenen smak sluiten. — toeMino-den, bw. Aan elkander smeden. Smedende sluiten. — toeitniereu, bw. Door smeren sluiten, aan elkander vastmaken.

— toeainUten. bw. Met geweld toeslaan. — toeNnauwen, bw. Op bar-schen toon toevoegen. Ow. Op barschen toon tot iem. spreken. — toeMiielien, ow. (zijn) O verhaast naderen.— toesnoeren, bw. Met snoeren dichtmaken. — toesoldeeren, bw. Door soldeeren dichtmaken. — toespelden, bw. Met spelden dichtmaken. — toen pelen, bw. ow. Meer spelen. Voortgaan met spelen. Aanhoudend spelen. Zinspelen. Toespeling,v. (-en). Zinspeling.

toesperren, bw. Den toegang belemmeren. — toespUkeren, bw. Met spijkers dichtslaan. Toesp')kering, v.

toespU», v. (..zen). Spijs, welke bij andere gegeten wordt. Tusschengerecht.

toespreken, bw. Tot iem. spreken. Het woord richten (tot). Aanspreken. Toespraak, v. Het toespreken, (..aken) Aanspraak. Rede. — toespringen, ow. (zijn) Met eenen sprong toesnellen. Springende iets trachten te bereiken. Door eene springveer gedrukt worden. Te hulpe springen. — toestaan, bw. Inwilligen, veroorloven, vergunnen. Ow. Gesloten zijn.

— toestamelen, bw. Stamelende iets zeggen. — toestampen, bw. Stampend dichtmaken.

toeMtaiKl, m. (-en). Staat. Gesteldheid Gelegenheid. Omstandigheden.

toesteken, bw. Met uitgestrekten arm toereiken. Bedektelijk geven. Stekende dichtmaken. — toestellen, bw. Vervaardigen. In gereedheid brengen. Zich toestellen, ww. Zich bevuilen. Toestel, m. en o*. (-len). Toebereidselen. Werktuig. Gereedschap. — toestemmen, bw. Inwilligen. Vergunnen. Goedkeuren. Toe-stemming, v. 1-en). — toestooten, bw. Stooteude doen naderen. Stootende dichtmaken.— toestoppen, bw. Met een*


ocr page 864

TOEV — 7

Stop dekken, sluiten. Door stoppen dichtmaken. In 't geheim iets geven. Kalfateren. Goed toedekken. lem. den mond toestoppen. Zijne ooren toestoppen. — too-Htntlen, bw. Stralende toevoeren. Ow. 'Stralende toekomen. — fooNlrykon, bw. Strijkende toevoeren. Met de hand naar zich toehalen. Door strijken dichtstoppen. Door strijken glad of effen maken.

— toestrikheu. bw. Door strikken verbinden. — tocHtrooicn, bw. Strooiende toevoeren, toewerpen.—focstroomcn, ow. (zijn) Stroomende toevloeien. In overvloed tot iem. komen. — tocMtuivcn, ow. (zijn) Stuivende naderen. Onstuimig naderen. — loc*turen, bw. Toezenden. Een schip in eene bepaalde richting doen naderen. — toetakelen, bw. Een schip van de noodigetakelage voorzien en daarmede uitrusten. Belachelijk opsmukken. Afranselen. Doorslagen en wonden misvormen. Toetakelaar, m. (-s). Toetakeling, v. — toelasteu, ow. De handen uitstrekken om iets te grijpen of aan te nemen. Krachtige maatregelen nemen. — toetellen, bw. In iemands tegenwoordigheid tellen.

toeten, ow. toette, heeft getoet. Op eenen hoorn, enz. blazen. Toetende bekendmaken. Tuiten (van de ooren). Hij weet van toeten noch blazen : hij weet nergens iets van. — Toeier, ra. (-s). — Toeteren, ow. toeterde, heeft getoeterd. Toeten. — Toethoren, ..hoorn, m. (-s). — Toetster, v. (-s).

toeteren, bw. Met teer dichtmaken. ■— toe timmeren, bw. Dichttimmeren.

— toetooveren, bw. Als door tooverij sluiten. Ongemerkt verschaffen. — toe-traliën, bw. Met traliën dichtmaken. — toet rappen, bw, Dichttrappen. — toetreden, bw. Dichttrappen. Ow. (zijn) Naderen. Deelnemen (aan). Toetreding, v. (-en). — toetrekken, bw.Trekkende sluiten. Ow. (zijn) Dicht worden. Dat trekt toe (van slagen, enz.).

toets, m. (-en). Beproeving van metalen. Beweeglijk stukje van een klavier, waarop de vinger drukt bij het bespelen van 't instrument. Proef : den toets doorstaan. — Toetsen, bw. toetste, heeft getoetst. Met den toetssteen aanraken. Beproeven. Onderzoeken. Polsen. — Toetser, m. (-s). — Toetsing, v. — Toetsnaald, v. (-en).— Toetssteen, o. (stoln.); m. (-en) (voorwerpsn.).

toetuigren, bw. (Zeew.) Optuigen.

toevaart, v. (-en). Vaart, die korter is dan eene andere.

toevallen, ow. (zijn) Door eenen val gesloten worden. Vallende dichtgaan. Zijne oogen vallen toe : hij kan haast niet zien van den slaap. Te beurt vallen. Krijgen. Zich voegen ^bij eene partij, enz.). — Toeval, o. (-len'i. Onvoorzien voorval. Lot. Bij toeval. Bezwijming : een toeval krijgen. — Toevallig, bn. bijw. — Toevalliger quot;rvy ze, ..wijs, bijw. — Toevalligheid, v. (..heden).

toeven, toefde, heeft getoefd. Bw. Doen wachten. Ow. Wachten. Blijven. — Toeving, v.

4 — TOEW

toeverlaat, m. Wijkplaats. Bescherming. Steun.

toevertrouwen, bw. Vertrouwen. Ia bewaring geven. In 't geheim mededeelen. — toevQzen, bw. Toeschroeven. — toe-vliesren, ow. (zijn). Vliegende toesnellen. Te hulpe snellen. Zich in der haast ergens heen begeven,

toevloed, m. Overvloed van water. Snelle stroom. Samendringende menigte.

toevloeien, ow. (zijn) Vloeiende naderen. Ergens heen vloeien. In overvloed komen. — Toevloeiing, v.

toevlucht, v. Vlucht tot iets of iem. om hulp. Wijkplaats. Steun. — ToevluchtS' oord, o. (-en).

toevoegen, bw. Bijvoegen. Ten dienste stellen, als hulp geven. Dichtstoppen, dichtstrijken. Het woord richten (tot). Toevoeging, v. (-en). Toevoeglyk, bn. Toevoegsel, o. (-s). — toevoeren, bw. Aanbrengen. Voorzien (van). Toevoer, m. Het toevoeren, (-en) Het toegevoerde. Toevoering, v. Toevoerschip, o. (..epen).

toevoorzlclit, o. Bewaking. Opzicht. Toezicht. Voorkoming van ziekte, enz.

toevouwen, bw. Samenvouwen. Vouwende dichtleggen.— toevragren, bw. Als toegift vragen. — toe vriezen, ow. (zijn) Gesloten worden door de vorst. — toevullen, bw. Door aanvulling dichtmaken.

toevnur, o. (..uren). Gesloten vuur (kachel, enz.).

toewaaien, bw. Door den wind toevoeren. Veroorzaken. Ow. (zijn) Door den wind toegevoerd worden. Door den wind dichtgaan.

toewagen, m. (-s). Gesloten, bedekte wagen.

toe wallen, bw. Door eenen wal afsluiten. Met eenen wal omringen. — toewassen, ow. (ziin) Dichtgroeien. Toe-ivas, m. Aanwas. Toeneming. Uitbreiding.-toewater, o. Besloten water. Water door de vorst gesloten.

toewegr, m. (-en). Weg, die korter is dan een andere.

toe wegen, bw. In de tegenwoordigheid van den kooper wegen. Bij het wegen meer geven dan men moet geven. — toe-welven, bw. Overwelven. — toewenden, bw. Keeren (tot, naar). — toewenken, bw. Eenen wenk geven. Door wenken te kennen geven. — toewen-schen, bw. Wenschen. Toervenschingt v. — toewerpen, bw. Werpende toevoegen. Als toegift geven. Dichtwerpen. Hard toeslaan.

toewieht, o. Overwicht. Toegift in het wegen.

toewijden, bw. Wijden (aan). Inwijden, inzegenen. Zich toewijden, ww. Zich. geheel overgeven 'aan). Toeiviiding, v. — toewUzon, bw. Toekennen,inz. bij rechterlijke uitspraak. Bij aanbesteding opdragen. Den meestbiedende tot kooper verklaren. Toewijzing, y. — toewinden, bw. Samen-, ineenwinden. — toewrQ-ven, bw. Wrijvende dichtmaken. Ow. Wrijvende dichtgaan. — toewringen, bw. Dichtwringen. — toewuiven, bw.


ocr page 865

TONG

TOLE

795 —

Op eenen afstand een teeken geven (met den hoed, enz.).

toozunf, m. (-en). Slotzang. Refrein, toezeipelou, bw. Met zegellak of ze gels sluiten. — toezefirsrcii, bw. Belo ven. Toezeg, ra. Toezegger. m. (-s). Toe zegging* v. (-en). Toez'gsfer, v. (-s). — Éoezendeii, bw. Zenden (aan, tot). Toe zender, m. (-s). Toezending, v. (-en). Toe zendster, v. (-s). — toozcttcii, bw. (Met eene prop, enz.] dichtmaken, sluiten. — toezien, ow. Aanschouwen. Gadeslaan Van nabij bezien. Het opzicht houden Oppassen. Toezicht, o. Het toezien. Op zicht. Zorg. Bewaking. Toeziend, bn. Toe ziener, m. (-s). — toezingen, bw. ow. Meer zingen. Een referein zingen. Ter eere van iem. ^in diens tegenwoordigheid) zingen. Voortgaan met zingen. — toeztii

Sen,en, bw. Zuigende dichtmaken. Ow. (zijn) nder het zuigen dichtgaan. — toezwaaien, bw.Zwaaiende toevoeren. Iem wierook toezwaaien : iem. bij uitmuntendheid prijzen. Zwaaiende komen (tot). — toezwellen, ow. (zijn) Al zwellende toegaan. — toezweren, bw. Met eed beloven of dreigen. — toezweren, ow. (zijn) Door verzwering dichtgaan.

toflel, v. (-s). Pantoffel.

tocra, v. (-'s). Tabbaard.

to^en. ZieTiegen.

toilet, o. (-ten). Opschik, tooi. Kapta-lel. — Toiletspiegel, m. 1-s). — Toilettafel, v. (-s). — Toiletteeren, ow. toilet-teerde, heeft getoiletteerd. Zijn toilet maken.

tolckelen, bw. tokkelde, heeft getokkeld. Gedurig aanraken. Met de vingers bespelen : de snarren tokkelen. — Tokke-laar, m. (-s).— 7okkeling,v. (-en).

tol, ra. (-len). In- en uitgaand recht. Invoer-, uitvoerrecht. Doortochtgeld. Tolhuis. Den tol der natuur betalen : sterven.

— Tolbaas, m. (..azen). — 2'olbeainble, m. (-n). — Tolbediende, xn. ( n).— Tol' boek, o. en m. (-en). — Tolbriefje, o. (-s).

— Tolbrug, v. ^-gen). — Tolgaarder, m. (-s). — Tolgeld, o. (-en). — Tolhek, o. (-ken).— Tolhuis, o. (..zen).— Jolkan-toor,o. (..oren).— Tolkommies,m. (..zen),

— Tollen, bw. tolde, heeft getold. De tolrechten betalen. — Tollenaar,10.. (-s).Tol-

faarder. (Bij de Joden) Groot zondaar. — aarder. (Bij de Joden) Groot zondaar. — ^oltnan, m. (-nen). — Tolmeester, m. (-s).— Tolontvanger, ra. (-s). — Tolop-ziener, ra. (-s). — Tolopbrengst, v. — Tolpaal, ra. (..alen). — Tolpachter, m. (-s). — Tolplichtig, bn. — Tolregister, o. (-s).— Tolschrijver, m. (-s). — Tolverbond, o. — Tolvrij, bn. — Tolvrijheid, v.

— Tolwezen, o.

tol, ra. (-len). Kinderspeeltuig, dat met eene zweep of koord in beweging wordt

Sebracht. Metalen punt, waarop eene sluis-eur draait. —ebracht. Metalen punt, waarop eene sluis-eur draait. — Tolkoord, v. (-en). — Tollen, ow. tolde, heeft getold. Met den tol spelen. — Tolsnoer, o. (-en). — Tolspeler, ra. (-s).

Tolblak. Stad (Oud Gallië), omstreken van Keulen. Clovis behaalde er de zege op de Allemannen (495). tolereeren, bw. tolereerde, heeft getolereerd. Verdragen. Dulden. Gedoogen. Lijden. Toelaten. — Tolerant, bn. verdraagzaam. Gedoogzaara. —To'erantie,-?.

•4

tolk, ra. (-en). Vertaler. Woordvoerder.

tolk, m. (-en). (Zeew.) Staafje om boutgaten te meten aan de schepen.

Tollens (//. Cz ), 1780-1856, Rotterdam. Nederlandsch volksdichter. Op den dood van Egmond en Hoorne (1805); Gedichten (1808); Volkslied : IVien Neer-landsch bloed (1817); Nieuwe gedichten (1822); Verstrooide gedichten (1840); Zaa^* ste gedichten (1848).

TolNtoï (Z,. N. graaj), 1828, Toela. Russisch wijsgeer en romanschrijver. Oorlog en vrede {i86$-'68); Anna Kar en in (i875-,77); de Macht der Duisternis (1SS7).

tomaat, v. (..aten). Liefdesappel. — Tomatenhas,v. (-sen).— Tomatensaus,^.

tombak, o. Metaalmengsel van eene roodachtig gele kleur.

tombe, v. (-s). Praalgraf. Grafteeken» Grafsteen.

tombola, v. (-'s). Loterij.

ton, v. (-nen).Gekuipthouten vat.Boei, tot afbaking van het vaarwater. Inhouds-j maat van een schip = 1,000 kilogr. Eene 1 ton gouds = 100,000 gulden. Het kost ton-1 nen schats, zeer aanzienlijke schatten.—| Tonmolen, ra. (-s). Schroef van Archimedes. — Tonnage, v. Scheepslading. Tonnengeld. — Tonneboei, v. (-en). (Zeew.).

— Tnnneboeier, ra. (-s). Vaartuig, dat boeien uitzet. — Tonneboter, v. — Tonnen, bw. tonde, heeft getond. In tonnen doen. — Tonnengeld, o. — Tonnenmaaf, v.— Tonnenman, m. (-nen, ..lieden). Die baken uitzet. — Tonnennieester, m. (-s).

— lonnenrecht, o. — Tonnenstelsel, o. (-s). — Tonner, ra. (-s). — Tonnezaad, o. — Tonster, v. (-s). — Tonvisch, v. — Tonvleesch, o.

tondel, tonder, o. Gebrand linnen in een doosje geborgen. — Tondeldoos, v. (..zen). . I

tong:, v. (-en). Vleezig orgaan, dat uit. een vlechtwerk van dwars gestreepte spier-L

Tong.

De tong, hare tepeltjes en spieren. — a. Tongspier : Hyoglosse. b. Tongkeel-spier. c. Drievoudige tongspier, d. Tongzenuw.

vezels bestaat. Ligt op den bodera der mondholte. De vrije vlakte, die naar het verhemelte gekeerd en met slijmvlies over-


ocr page 866

TOON — 7'

-trokken is, vervult de rol van tast- en smaakwerktuig. De tong kan aan de kauwen slikbewegingen deelnemen en medewerken bij het spreken tot het articuleeren dqr geluiden. Vlt ezig lid in den mond van sommige dieren. Wat op eene tong gelijkt: tong van eenen gfsp, naald eens evenaars, schot van een slot, deel eener orgelpijp, koperen mondstuk van blaasspeeltuigen, split van eenen standaard, uitstekende punt van eene landstrook. Kwade tong : lasteraar Taal van een volk, het volk zeil : vreemde tongen spreken. liet hart li^t hem op de tong : wat hij zegt, meent hij. üp de tong rijden : het onderwerp der gesprekkt n zijn. — Tongader, v. (-en). — Tongbaiid, in. (-en). — Tongbeen, o. (-deren). — longbiaar, v. — Tongeloos, bn. — Tong-gezwel, o. (-len). — To?igheldt m. (-en). Zwetser. — Tongkeelspier, v. (-en). — Tongklter, v. (-en). — Tongletter, v. (-s). B. v. : d, t. — Tongontsteking, v. — Tongpijn, v.— Tongriem, m (-en). Zenuw onder de tong. — Tongslagader, v. (-en). — Tongspier, v. (-en). — Tongval, m. (-len). Wijziging in het gebruik eener taal, die van streek verschillend is. — Tongvormig, bn. — Tongwerk, o. (Orgel.). — Tong-worm, m. (-en). — Tongzemiw, v. (-en).

tons:, v. (-en). Platvisch {pleuronectes solea). Komt in alle zeeën van Europa voor. Is een fijn gerecht.

Ton srkl iig. Fransche kolonie in Ach-ter-lndië. 1,818 vk. mijl; 12,000,000 inw. Hoofdstad Hanoi.

tonica, v. Grondtoon eener toonsoort. tonUn, m. (-en). Groote visch {scomber ihynnus). Behoort tot de makreelen. Leeft in de Middell. Zee. — Toni/nenvangst,v, toniscli, bn.Tonische middelen: maag-verstt-rkende middelen.

tonkaboom, m. (-en). Boom (dipte-rix odrrata). Wordt op Guyana aangetroffen. — Tonkaboon, v. (-en). Aromatisch rzaad van den tonkaboom. Wordt gebruikt . om geur aan de snuiftabak te geven, tonsuur, v. Kruinschering.

tontine, v. (-s). Soort van lijfrente, tooc, m. (-en). Toonbank.

tootj:, m. (togen). Toga.

toog1» ni. (togen). Teug. (Bouwk.) Boog. toog. Zie Tiegen.

tooKren. bw. toogde, heeft getoogd. Toonen. Aanwijzen.

toogrnaKcl, m.(-s).Treknagel. Klamp-pin. —Toogschaaf, v. (..aven). Boogschaaf.

tooi, m., tooisel, o. Opschik. Versiering. Sieraad. — Tooien, bw. tooide, heeft getooid. Opschikken. Versieren. Sieren.

tooni,m. (-en). Teugel. Gebit. Leireep. L,is : toom van eenen hoed. Broedsel : een toom kippen. — Toomeloos, bn. bijw. Zonder toom. Buitensporig. Onbtdwongen. — Toomeloosheid, v. — Toornen, bw. toomde, heeft getoomd. Met eenen toom optuigen. Bedwingen. — looming, v.

toon, m. Toonbank. — Toon, m. Het toonen. Vertooning : waren ten toon stellen. — Toonbaar, bn. — Toonbank, v. (-en). Uitstalbank. Winkeltafel. — Toonbeeld, o. (-en). Voorbeeld Uer navolging). — jToonbordj .0- (-en). Uithangbord. —

5 — TÜOS

Toonbrood, o. (-en). (Bij de Israëlieten).— Toonder, m. (-s). Houder (van geldswaardig papier). — Toonen, bw. toonde, heeft getoond. Wijzen, laten zien. Zich (oonen, ww. Zich laten zien, zich aanstellen. — looner, m. (-s). — Toonster, v. (-s).

toon, m. (-en). Teen. — Tonnwand, m. (-en). Scherpe voorkant aan den hoef van paarden, enz.

toon, m. (tonen). Zie Geluid. Afstand tusschen twee opeenvolgende tonen eener toonschaal. Toonhoogte : den toon aangeven. Stembuiging ; op zachten toon spreken. Kleurschakeering : dat landschap is uitmuntend van toon. Nadruk, klemtoon : de toon valt op de tweede lettergreep. De goede toon : de beschaafde manieren. Op hoogen (gebiedenden) toon spreken. — Toondemper, m. (-s). — Toondicht, o. (-en). — Toondichter,m. (-s). — Toongever, m. (-si. — Toongeving, v. — Tnort' knnst, v. Muziek. Zie Kunst.— Toonkun-stenaar, m. (-s). — Toonkunstenares, v. (-sen).— Toonkunstig, bn. — Toonladder, v. — Toonloos, bn. — Toonloosheid, v. — Toonmeter, m. (-s). — Toonop to tg ing, v. Toonafstand, m. (-en). — Toonschaal, v. (..alen), — Toonsoort, v. (-en). — Toon-tee ken, o. (-s). (Taalk.). — Toonvast, bn.

— Tootiwi/zer, m. ( s;. — Toonzetter, m. (-s),

tooneel, o. (-en). Plaats, waar iets merkwaardigs voorvalt, waar aller oogen op gevestigd zijn. Vertoonplaats in eenen schouwburg. Schouwburg. Deel van een bedrijf in een tooneelstuk. — Tooneelach-tig, bn. bijw. — Tooneeldans, m. (-en). — Tooneeldicht, o. (-en). — Tooneeldichter, m. (-s). — Tooneelgek, m. (-ken). — Too-neelgezeischap, o, ( pen). — Tooneelgor-difn, o. en v*. (en). — Tooneelheld, m. (-en) — Tooneelheldin, v. (-nen). — Too-neelist, m. (-en). — Tooneelkyker, m. ( s). — looneelkleed, o. (-eren). — Too-neelkoning, m. (-en). — Tooneelkonin-gin, v. (-nen). — Tooneelkunst, v. — Too-nee lkunsten aar, m. (-s). — Tooneelkun-stenares, v. (-sen). —• Tooneellaars, v. (..zen).— Tooneellist, v. (-en*.— Tooneel-tnatig, bn. bijw. — TooneeImeester, m. (■s). — Tooneelpoëzie, v. — Tooneelpnpt v. (-pen). — Tooneelscherm, o. ( en). — Tooneelschilder, m. (-s).— TooneeIschrifver, m. (-s). — Tooneelsieraad, o. (. .aden).

— Tooneelspel, o. (-en). — Tooneelspeler, ra. (-s). — Tooneelspeelster, v. ( s). — Tooneelstuk,o. (-ken).— Tooneeh/erbond, o.— Toonee Iver sier ing, v. (-en). — Too-nee Iv er tooning, v. (-en). — Tooneelzang, m. — Tooneelzot, m (-ten).

toorn, m. Gramschap. Woede. Opvliegendheid. — Toornen, ow. toornde, heeft getoornd. Toornig zijn. — Toornig, bn. bijw. — Toornigheid, v.

toorts, v. (-en). Fakkel. Flambouw. — Toorts, v. Plantengeslacht (verbascum), tot de toortsaebtigen behoorende Rijzige tweejarige planten. Bioeien in Juli en Augustus. — 7oortsachtigen, v. mv. Planten-iamilie. — Toortsdrager, m. (-s). — Toortslicht, o. (-en).

toost, m. (-en). Geroosterd broodje bg


ocr page 867

TOP — 7

de thee. Heildronk. — Toosten, ow. toostte, heeft getoost. Eenen heildronk instellen.

— Tooster, m. (-s).

toot, v. (toten). Pijp van eene kan, enz. Muil van een dier (Schertsend van den mensch). Kus. Tronie. Aangezicht. Grijns. Zeker vrouwenhulsel. Soort van horengeslacht.

toovcren, bw. ow. tooverde, heeft ge-tooverd. Wonderbare dingen verrichten door de tusschenkomst van den duivel. Door tooverij, door goochelarij voortbrengen. Een toovrrwerk uitoefenen. Talmen, sukkelen. — Tcov naar, in. (-s, ..aren).

— Toovenaarster, v. (-s). — Toovena-res, v. (-sen). — Tooverachtig, bn. — Tooverbeeld, o. (-en). — Tooverbeker, m. (-s). — Toovertestje, o. (-n). Oude heks. — Toover blik, m. (-ken). — Toover-boek, o. en m. (-en). — Tooverbriefje, o. (-s). — Toover cirkel, ra. (-s). — Tnover-doosje, o. (-s). — looverdrank, m. (-en).

— Tooveres, v. (-sen). — T over figuur ^ v. en o*. (..uren). — Tooverfluit,v. (-en).

— Tooyerjormult'er, o. (-en). — Toover-geSchtedems, v. (-sen). — Toover godin, v. (-nen). — Tooverheks, v. (-en). — Too-verhoutje, o. (-s). — Toovery, v. (-en). — Toover kaart, v. (-en). — Toover kast eel, o. (-en). — Toover kijker, ra. (-s). — Too-verklank, ra. (-en). — Toover knoop, m. (-en). — Tooverkol, v. (-len). Tooverheks.

— Toover kracht, v. — Toover kring, ra. (-en). — Tooverkrutd, o. (-en). — Toover-kunst, v. (-en).— loover lantaarn, ..lantaren,-^. (-s).— Tsoverletter, v. (-s). — Toover middel, o. (-en). .— Toovernimf, v. (-en). — Tooverpaleis, o. (..zen). — To over ring, ra. (-en). — Tooverroede, v. (-n). — Tooverschool, v. (..olen). — Too-verslag, ra. In of met eenen toovcislag : in eenen oogwenk. — Toover slot, o. (-en).

— Tooverspel, o. (-en). — Toover spiegel, m. (-s). — Tooverstaf, ra. (..aven). — Too-verstem, v. (-men). — Toover stokje, o. (-s). — Toover stuk, o. (-ken). — Toover-te eken, o. (-s). — 1 oovertr echter, m. (-s).

— Toover trommel, v. (-s). — Toovervier-kant, o. (-en). — Toovervoapen, o. (-en).

— Tooverrverk, o. — Tooverwoord, o. (-en). — Tooverwortel, ra. (-s). — Toover-zalf, v. — Tooverziek, bn.

top, m. (-pen). Het opperste. De kruin. Hoogste punt. Van top tot teen : van het hoofd tot de voeten. Toppunt ; de vreugde steeg ten top. — Topachtig, bn. — 2'op-bocht, v. (-en). Hoogste bocht (van een schip). — Top gewelf, o. (..ven). — Top-gyn, ra. (-en). (Zeew.). — Topg*-as, o. Nagras.— Tophelm, ra. (-en). — Tophoek, m. (-en).— TophuiJ,v. (..ven).— Tophnl-sel, o. (-s).— Topklep, v. (-pen). (Stoonim.).

— Topkring, ra. (-en). (Sterrenk.i.— Tappen, bw. topte, heeft getopt. Van den top oerooven. (Zeew.) In rechte lijn opzetten. Aanvaarden (een aanbod). — Toppenant, m. (-en), toppenend, o. (-en). (Zeew.) Touw aan de rnas om ze den stand te doen houden. — Toppenantsblok, o. en ra. (-ken). — Topper, ra. (-s). — 1 oppershoed, m. (-en). Mairozenhoed. — Toppunt, o. (-en). Hoogste punt. Kruin (van eenen

7 — TORN

berg). Hoogste trap (van eer, roem, enz.).-

— Toppardoen, v. (-en). (Zeew.). — Top' reep,m. (-en).— Topsieraad, o. (..aden). (Bouwk.). — Topstander, ra. (-s). (Zeew.).

— Toptakel, m. (-s). — Topwilg, ra. (-en)» Wilg, die niet getopt is. — 7opzeil, o. (-en). — Topzeilskoelte, v. — Topzwaar, bn. — Topzwaar te, v.

top, ra. (-pen). Tol (z® art.) — Toppen, ow. topte, heeft getopt. Met den top spelen. Draaien als een top.

top, tw. Ik stem toe ! het zij zoo ! topasiM, o. (stofn.^; ra. (..azen) (voor-werpsn.) Vuurgeel edelgesteente. — Top' azen, bn.

Töpffor {R.), 1799-1846, Genève. Roman schrij ve r. No u velles gen èvotses; Voyages en zigzatr; Presbytere.

toplek, v. Aanwijzing van plaats of vak. — Topisch, bn. Plaatselijk. Uitwendig : topisch geneesmiddel.

topogrzistf, ra. (..afen). Plaatsbeschrijver. — Topographie, v. — Topographisch.

tor, v. (-ren). Schildvleugelig insect. Gouden tor : spotnaam voor eenen officier.

— Torachtig, bn. — Tor bok, ra. (-ken). Zeker insect. — Torrengeslacht, o.

toreador, ra. (-s). Stierenbevech-ter.

toren, ra. (-s). Hoog uitstekend bouwwerk, dat eertijds op de versterkingsmuren geplaatst werd en thans tot sieraad dient van kerken, kasteelen en andere groote gebouwen. Gevangenis. Vuurtoren. Z» ker stuk in het schaakspel. — Torenachiig, bn. — Torenblazer, m. (-s). — Torenbouw,™. — Torenbrand, m. (-en). — To-rendak, o. (-en). — Torendeur, v. (-en).

— Torenduif, v. (..ven). — Torengevel, m. (-s). — Torenhoog, bn. — Torenklok,-v. (-ken). — Torenkruis, o. (..zen). — Torenmuur, ra. (..uren). — 7orennaald, v. (-en). — Torenspit*, v. (-en).— Tor en-stad,v. (..eden).— Torentrans, ra. (-en).

— Torenuil, ra. (-en). — Torenuurwerk, o. — Torenvalk, ra. (-en). Roofvogel [falco tinnuncuius). Nestelt vooral in torens. Voedt zich met veldmuizen, jonge vogels, enz.— Torenwacht, m. (-en). Torenwuch-ter. v. De gezamenlijke wachters. — To-renwachter, m. (-s). — Torenwifzer, m. (-s). — Torenzicht, o. — Torenzwaluw, v. ( en). Gierzwaluw.

Torf» 1° {K. L.), 1808-1868, Antwerpen. Geschiedkundige. Geschiedenis de? stad Antwerpen (met Mertens, i845-'53); A'/ffM-we Geschiedenis van Antit erpen (1862-'66). — 20 {J. A.), 1840, Langdorp. Schoolopziener. Letterkundige. Schreef voor onderwijs en opvoeding.

torkruid, o. Plantengeslacht [oenan-the), tot de scherrablot raigtn behoorende.

tormeiileeren, bw. tormenteerde^ heeft getormenteerd. Kwellen. Plagen. Folteren. — Torment, o. (-en). — Tor-ment at ie. v. (..iën, -s).

tornen, tornde, beeftgetornd. Bw.Losrukken, losmaken wat genaaid is : de voering uit een kleed tornen. Manen : ik torn hem weieens, maar hij betaalt niets. Belet-1 ten (een schip af te loopen).Ow. (hebben,1 zijn) Losg; an van het naaisel : uw goed is-


ocr page 868

TOUW — 7

bier getornd. Ergens aan tornen : zich met iets inlaten. Er valt veel aan te tornen : er is veel aan vast. Er valt niet aan te tornen : ©r kan niets aan veranderd worden. — Torn, m. (-en). Het tornen. Schok, nik. JCene zware torn : een moeilijke zaak. — Torn, v. (-en). Losgetornde naad.— Tom-mesje, o. (-s). — Torntouw^ o. en v. (-en). (Zeew.). — Tornwerk, o.

toruool, o. (-en). Steekspel. Ridderspel. — Tortiooibaan,v. (..anen). — Tornooien, ow. tornooide, heeft getornooid. Deelnemen aan een^tornooi. — Tornoot-kraag, m. (..agen). (Wapenk.). — Tor-nooiplaats, v. (-en). — Tornooispel, o. (-en). — Tornooiveld, o. (-en).

torpedo, v. (-'s). Sidderrog. Oorlogstuig om bij middel van onderzeesche ontploffing vaartuigen te doen springen. — Torpedist, m. (-en). Soldaat, belast met het leggen en lichten van torpedo's. — Torpedoboot, v. (-en). — Torpedogranaat, v. (..aten).

Torricelll (i?.), 1608-1647, Faenza (?). It. wis- en natuurkundige. Zie Barometer, tors, v. (-en). Bovenlijf. Romp. torsen, bw. torste, heeft getorst. Met moeite dragen (op den rug). Gebukt gaan (onder).

torsie, v. Het wringen, ineendraaien. Het gedraaide.

tort, o. Schade, nadeel. Ongelijk, tortel, m. en v*. (-s), torteldiiif, v. (..ven). Kleine soort van wilde duif \co-lumba turtur).

tortneHs, bn. Bochtig. Vol krommin-gcn.

tortnnr, v. Pijniging, foltering. Pija-bank.

tot, vz. Naar, bij, aan, voor, teg'cn. Hij is tot (als) koning uitgeroepen. Tot nog toe : tot heden, tot dusverre. Van dag tot dag : van den eenen dag op den anderen. Tot (totdat) ik kom.

tOt«al, bn. Geheel. Ten volle. — Totaal, o. (..alen). Gezamenlijke som. Geheel bedrag. — Totaliter, bijw. Gansch en al.

totdat, vw. Tot den tijd, dat. totebel, v. (-Icn). Zeker vierkantrisch-net. Vuil, slordig wijf.

totstaudbreiiiclnsr^v»—totstand-fcomincr, v.

Tourguenclf' (/. 5quot;.), 1818-1883, Orel. Russisch dichter en romanschrijver.

Tonrnefort (J. P. de), 1656-1708, Aiz. Fr. kruidkundige.

tonruOol. Zie Tornooi.

tonrnnre, r. (-s). Houding, gestalte. Wending : wij weten niet welke tournure de zaak zal nemen, de tournure eener zinsnede. Strook zijden stof tot opbolling van 't vrouwenkleed aan de heupen.

tonteren, ow. touterde, heeft getou-terd. Schommelen. — louter, m. (-s). Schommel. Schop. — Touterspel, o.

touw, o. en v. Samengevlochten hennep- of vlasdraden, (-en) Zulk draadwerk. Kabel. Daar is geen touw aan vast te knoo-pen : daaruit kan men niet wijs worden. — louw baan, v. (..anen). — Touvibrug, v.

8 — TRAK

(..gen). — Touivdraaien, o. — Touwdraaier,va., (-s).— Touwen, bn. — Touw-kooper, m. (-s). — Touwladder, v. (-s). — Touwmat, v. (-ten). — Touwpluis, o. — Touw ring, m. (-en). — Touwseiz ing, ▼. ^-s). (Zeew.). — Touwslager, m. (-s). — Touwslagery, v. (-en). — louwstopper, m. (-s). (Zeew ). — Touwtjespringen, o.

— Touwtoestel, m. en o*. (-len).— Touw-tuig, o. (-en). — Touwwerk, o. — Touw-winkel, m. (-s).

touweu, bw. touwde, heeft getouwd. Leder bereiden. (Zeew.) Boegseeren. Afrossen. — Touwer, m. (-s). — To uwe rif, v. (-en).

traag:, bn. bijw. Niet geneigd tot beweging. Langzaam. Lui. Onachtzaam. — 1 raagheid, v. — Traag loop er, m. (-s). (N. W.) Luiaard.

traau, v. Vet, olie (inz. van walvis-schen). — Traanachtig, bn. — Traanar-beider, m. (-s), traanbok, m. (-ken). — Traanketel, m. (-s).— Traankoker, m. (-s). — Traankokery, v. (-en). — Traan-keoper, m. (-s). — Traankruik, v. (-en).

— Traansmelter, m. (-s). — Tranig, bn.

— Tranigheid,v.

traan, m. en v. (..anen). Vocht, dat uit de oogen vloeit. In tranen wegsmelten : jammerlijk weeni'.n. — Traanbeen, o. (-deren). — Traanbuis, v. (..zen). — Traanfistel, v. (-s). Ooggezwel, dat voortdurend traant. — Traatigras, o. Grasplant met traanvormige zaden. — Traanklier, v. (-en). — Traanoog,o. env. (-en). Oog met tranen. Tranend oog. — Traau-ooge»i, ow. traanoogde, heeft getraanoogd. Tranende oogen hebben. — Traanpyp, v. (-en). — Ir aanstip, v. (-pen). — Traan-vormig, bn.— Traanzak, m. ( ken).

tracasseereii, bw. tracasseerde, heeft getracasseerd. Kwellen. Plagen. — Tra-casserie, v. (-en).

tracliten, ow. trachtte, heeft getracht. Zich beijveren, zijn best doen. Pogen. Streven (naar).

tractaat, o. (..aten). Verdrag. Verbond.

tracteeren, bw. tracteerde, heeft ge-tracteerd. Behandelen. Bejegenen, traditie, v. (.. ën, -s). Overlevering.

— Traditioneel, bn. büw.

trafiek, v. (-en). Handel, koopmansbedrijf, nering. Verkeer. — Trafikant, m. (-en). .

tragedie, v. (..iën, -s). Treurspel. — Tragisch, bn. Treurig. Droevig.

tragel, m. (-s). Weg langs den oever van eene vaart of stroom, waarop de scheep-trekkers gaan. Cirkel in eenen rosmolen, waarin het paard rondgaat.

train, m. Trein.

trajeet, o. (-en). Tocht, reis, weg. Overvaart, overtocht, doortocht.

traktaatje, o. (-s). Kleine verhandeling. Kort opstel. Vliegend blaadje.

trakteeren, bw. trakteerde, heeft getrakteerd. Onthalen. Vergasten. Het gelag betalen. — Traktant, m. (-en). — Traktante, v. (-n). — Traktatie, v. (-s).

— Traktement, o. (-en). Bezoldiging, j Onthaal, gastmaal.


ocr page 869

TRAN — 79

tralie, v. (-s, ..iën). Ineengevlochten koper- of ijzerdraden (voordeuren, ramen, enz.). Elke staak of pijl van zulke tralie. Achter de tralies zitten : in de gevangenis zijn. — Traliedeur% v. (-en). — Tralie-kant, v. — Traliën, bw. traliede, heeft getralied. Van tralies voorzien. — Tralie-schot, o. (-ten). — Tralieswyze, bijw. — Tralietafel, v. (-s). — Tralievenster, o. en v. (-s). — Traliewerk, o.

tram, v. en m. (-men, -s). Tramweg. Tramwagen. — Trambaan, v. (..anen).— Trambel, v. (-len). — Tram dienst, m. (-en). — Tramkaartje, o. (-s). — Tram-ly'n, v. (-en). — Trainmen, ow. tramde, ijpeft en is getramd. Met de tram rijden.

— Tramrijtuig, O. (-en).— Tramverkeer, o. — Tramwagen, m. (-s). — Tramweg, m. (-en). Tramway. — Tramway, ni. IJzeren spoorbaan, waarop de wagens aoor paarden, den stoom of de electriciteit worden voortgetrokken. — Tramzyde, v.

tram 011 tauc, v. Italiaansche benaming van de poolster. Noordenwind.

trampclon, trampelde, heeft getram-peld. Trappelen. Bw. Den grond effen trampelen. Ow. Hij stond te trampelen van ongeduld.

trstneu, ow. traande, heeft getraand. Zijne oogen tranen. Vocht loslaten : die wijngaard traant. — Tranenbrood, o. — Tranendal, o. Deze wereld. — Tranen-lach, m. — Tranenvloed, m.

traiiH, m. (-en). Torenomgang. Tinne. Rand. Het hoogste.

tranaactlc, v. (..iën, -s). Verdrag. OvereeiAomst. Minneliike schikking.

transept, o. (-en). Kruisbeuk. Dwarsbeuk.

trans!eeren,bw. transigeerde,heeft getransigeerd. Overeenkomen. Een vergelijk treffen. In der minne schikken. tranHitle, v. (..iën, -s). Overgang, transitief, bn. Overgankelijk, transito, o. Doorgang. Doorvoer. — Transito-handel, m.

transitoir, bn. Voorbijgaand. Tijdelijk.

translateeren, bw. tranelateerde, heeft getranslateerd. Vertalen. — Translaat, o. (..aten). Vertaling. Vertaa'd stuk.

— Translateur, m. (-s). — Translateur-schap, o.

transparent, bn. Doorschijnend. — Transparant, o. (-en). Doorschijnend tafereel. Papierlantaarn.

transporteeren, bw. transporteerde, heeft getransporteerd. Vervoeren, verzenden. Overdragen, afstaan. — Transport, o. (-en). Vervoer, verzending, verzendingskosten. Overdracht.— T* anspor-teur,m.(-s).

transpireeren, ow. transpireerde, heeft getranspireerd. Uitzweeten, uitwasemen. Ruchtbaar worden. — Transpiratie, v.

trant, m. Wijze (van handelen, leven, enz.). Gewoonte. Mode. Smaak. Soort. Orde. Stijl.

trantelen, tranten, ow. trantelde trantte, heeft getranteld, getrand. Lang' zaam gaan. Wandelen.

— TRAV

trap, m. Het trappen. Het treden met den voet. Stamp.Tred.— Trap, m. (-pen). Trede (eenertrap). Graad van opklimming in rang, enz. (Taalk.) De stellende, de vergrootende, de overtreffende trap. Van trap tot trap : langzamerhand. — Trap, v. (-pen). Al de treden te zamen. Trapladder.

— Trap, v. (-pen). Trapgans. — Trapdeur, v. (-en). — Trapgans, v. (..zen). De trapganzen : familie van vogels {otis), tot de steltloopers behoorende. De groote (p. tarda), de kleine trapgans {o. tetrax).— Trapgevel, m. (-s). Gevel met trapmuur.

— Trapjaar, o. (..aren). Ieder zevende jaar van 'smenschen leven. — Trapkleed, o. (-en).— Trapkruis,o. (-en). (Wapenk.).

— Trapladder, v. (-s). Ladder in den vorm van eene trap. — Trapleuning, v. (-en). — Traplooper, m. (-s). — Trapmuur,™.. (..uren). — , trappelde, heeft getrappeld. Ow. Met de voeten stampen. Bw. Iets trappelende betreden.

— Trappeling, v. — Trappen, trapte, heeft getrapt. Bw. Door eenen stamp met den voet drukken : turf trappen. Treden : den blaasbalg trappen. lem. op den teen trappen, hem beleedigen. Ow. Den voet op iets zetten. — TrupschaaJ, v. (..aven). — Trapspreuk, v. (-en). Trapswijze voortgaande redeneering. — Trapsgewijze, ..wijs, bn. biiw. Allengs. — Trapswijze, ..wijs, bijw. Op de wijze van eene trap. — Trapwagen, m. (-s).

trapezium, o. (-s). Vierhoek, waar-

Trapezium.

van twee zijden evenwijdig zijn. — trape-zOïde, v. (-s). Vierhoek, waarvan al de zijden en hoeken ongelijk zijn.

Trappist, m. (-en). Monnik van eene der strengste kloosterorden, in de IXquot; eeuw gesticht en hervormd door den abt de Rancé (1626-1700). — Trappistenbier, o.

tras, o. Cement. — Trasmaker, m. (-s).— Trasmolen, m. (-s). — Trasraam, o. (..amen). — Trassen, bw. traste, heeft getrast. Met tras metselen of bepleisteren.

travaat, m. (..aten). (Zeew.) Hevige windvlaag met stortregen (van korten duur).

travalje, v. (-s). Hoefstal.

traven, bw. traafde, heeft getraafd. (Zeew.) Stouwen, inpersen (wolzakken ia de schepen).

traverse, v. (-n), travers, v. (-en). Dwarsstuk, dwarsbalk. Dwarsweg. Wederwaardigheid.

traveriteeren, ow. bw. traverseerde.


ocr page 870

TREI — £

heeft getraverseerd. Doorgaan, overgaan. jDoorvaren, overvaren.

Érawaiat, m. (-en). Lijfwacht. Bijplaneet, maan.

treoliler, m. (-s). Buisvormig werktuig, van boven zeer wijd en dienende om er vloeistoffen of kleine voorwerpen door te laten loopen. — Trechtervormig, bn.

frelt;l,m. (-en). Hettreden.Tiede.Schre-de. Stap. Gang. — Trede, v. (-n^, tree, v. (-en). Schrede, stap, pas. Gang. Sport (ee-ner ladder). Deel van eene trap of stoep. Ijzer, waarop men den voet zet als men in of uit een rijtuig stapt. Deel V7ü een weefgetouw, waarop de \oct cezamp; ' 'dt. Kleine verhevenheid gewoonlijk, planken gemaakt. — Treden, trao, heelt en is getreden. Bw. Met den voet drukken : deeg treden. Paren. lem. onder de voeten treden, hem met verachting behandelen. Ow. (zijn) Den voet zetten (op). Gaan. Stappen. Zich begeven (naar). Op htt tooneel treden, verschijnen. In het huwelijk treden: huwen. In zijn twintigste jaar treden : zijn twintigste jaar beginnen. Hij trad in zijne voetstappen : hij volgde zijn voorbeeld, lem. op de hielen treden, hem van nabij volgen. — 1 reder, m. (-s).— Treedster, v. (-s). — Treebord, o. ( en). — Treedsel, o. (-s). — Treemolen, m. (-s). — Treerad, o. (-eren). — Treeiuiel, o. (-en). ^ treeft, v. (-en). Keukengereedschap : ijzeren drievoet.

treek, m. (..eken). Looze streek. List.

treem, m. (..emen). Ieder der twee houten stangen van een rijtuig, waartus-schen een paard gaat. Tremel (van eenen molen). — Treemkar, v. (-ren).

treflc'iyk, bn. bijw. Fraai. Uitmuntend. Voortreffelijk. — Treffelykheid, v.

tref re ii, bw. trof, heelt getroffen. Raken : de donder heeft hem getroflen. Bereiken ; hij heeft zijn doel getroffen. Den iuisten toon aanslaan : den toon treffen. Tot stand brengen : een vergelijk treffen, den vrede treffen. Aandoen : zij werden door die aanspraak g troffen. Overkomen : wat al onheil heeft deze familie getroffen. Gelijken : dat portret is goed getroffen. Dat treft u : dat gaat u aan. — Tref, m. Het treffen. Lukje : 't is een tret hem 's avonds thuis te vinden. — Treffen, o. Gevecht. Schok. Ontmoeting. — Treffend. bn. Aandoenlijk. Hartroerend. — Trejï'er, m. (-s). Wat treft. — Trefkans, v. f-en).— Trejpunt, o. (-en).

troll, m, (-en). Lijn, waarmede eene schuit woidt voortgetrokken. Zeil en treil : het gehe»'le tuig van een schip. — Treilen, bw. treilde, heeft getreild. (Eene schuit) doortrekken. Op sleeptouw nemen. — Treiter, m. (-s). — TreiLlijn, v. (-en). — Tretlpad, o. (-en).

troilliM, o. Tralie. Getralied hek. Tra-lievormig latwerk.

troiii, m. ( en). Gang, tred. Stel, achterstel, onderstel. Eenige stukken geschut met al wat er toe brhoort. Spoortrein. Een

frooten trein voeren : veel beslag maken, n trein geraken : in zwang komen. — rooten trein voeren : veel beslag maken, n trein geraken : in zwang komen. — Treinbeambte, v. (-n). — Treincompa-

)0 — TREK

gnie, v. (-en).— Treinsoldquot;at, m. (..aten).

trettcreu, bw. treiUrde, heeft getreiterd. Kwellen, plagen. — Treiteraar, m.-(-s). — Treiteraarster. (-s).— Treitering, v. (-en).

trek, m. (..eken). Poets. Looze streek, trekken, trok, heeft en is getrokken. Bw. Iets naar zich toehalen : men trok hem uit het water. Op sleeptouw nemen : eene schuit trekken. Uithalen : de zon trekt dampen uit den grond. Ontvangen : hoeveel hebt gij er van getrokken ? Vervaardigen : kaarsen trekken, gouddraad trekken. Uit eene bus, enz. halen : nom-mers trekken. Krijgen : eenen prijs trekken. Uit de scheede halen : den degen trekken. Berekenen : den vierkantswortel uit een getal trekken. Halen, rijzen : den draad door de naald trekken. Plukken : peren trekken. Drukken : hoeveel exemplaren moet gij trekken? Op- en nederha-len (van schrijfletters, krullen, enz.). Mijne schoenen trekken water : het water dringt er door heen. De hand van iem. trekken, hem aan zich zeiven overlaten. Iem. uit de verlegenheid trekken, helpen. Ow. Voortgaan met trekken : ik schuiven en gij trekken. Goed den wapenhandel kennen ; hij trekt goed. Gelijken : op iem. trekken. Doen ontvangen (van wissels) : trek op mij. Getrokken worden : wanneer trekt die loterij? Vochten naar zich halen : die pleister trekt geweldig. Krom worden : krom trekken. Zich begeven : het leger trok te velde. Reizen : hij trekt naar Amerika. Een afkooksel maken ; de thee is nog niet getrokken. Krullen opeen schrift maken : hij trekt meesterlijk. Tochten : die deur trekt. Aftrek hebben : de wollen stoffen trekken goed. — Trek, m. Het trekken. Ruk. Open nederhaal eener schrijfletter, krul met de pen, enz. Plooi, kenteeken van het gelaat. De schoonste trek, de schoonste daad van iemands leven. In trek zijn ; in den smaak zijn. — Trek, m. (-ken). Begeerte. Lust. Neiging. Roeping. Aanleg. Aftrek, vertier. — Trekband, ra. (-en). — Trek-bank, v. (-en). — Trekbeest, o. en v. (-en).

— Trekbeugel, m. (-s). — Trekbrug, v. (-gen). — Trek dag, m. (-en). — Trekdier, o. (-en). — Trekezel, ra. (-s). — Trekgaren, o. (-s). Treknet. — Trekgat, o. (-en).

— Trekgeld, o.^— Irekgift, v. (-en). — Trekgras, o. Kruipende tarwe. — Trekhaak, ra. (..aken).— Trekhamer, m. (-s).

— Trekhond, m. (-en). — Trekkar, v. (-ren).— Trekkast, v. (-en). — Trekke-beenen, ow. trekkebeende, heeft getrekkebeend. Het been sleepen. — Trekkebek9 m. (-ken). Soort van pruim. — Trekkebekken, ow. trekkebekte, heeft getrekkebekt. (Van duiven) Elkander door vereeniging van bekken liefkoozen. — Trekker, m. (-s). — Trekking, v. (-en), — Trekkoordr o. (-en). — Trekkracht, v. — Treklade, v. (-n). — Trekletter, v. (-s).— Treklijn, v. (-en). — Treklij ster, v. (-s). — Trekmuts, v. (-en). — Treknet, o. (-ten). _

Trekos, ra. (-sen). — Trekpaard, o. (-exi).

— Trekpad, o. (-en). — 7gt;ekpees, v. (..ezen). — Trekpen, v. (-nen).— Trekpleister, v. (-s). — Trekpot, m. (-ten.) —


ocr page 871

— 801 —

TREU

TRIL

Trekreep, m. (-en). — Trekschuit, v. (-en). — Treksely o. (-s). — Trekslecie, v. (-n). — Trekspïer, v. (-en). — Trekster, v. (-s). — Trektyd, ra. — Trek touw, o. en v. (-en). — Trekvaart, v. (-en). — Trekvogel, ra. (-s). Vogel, die op bepaalde tijden van 't jaar komt en gaat. — Trekweg, ni. (-en). — Trekzaag, v. (..agen\.

trenm, o. (-'s). ïoonteeken. Dient om klinkers, die anders in de uitspraak zouden ineenvloeien van elkander te scheiden, b. v. ; naapen.

tremel, m. (-s). Trechter van cenen molen. — Tremelschoeu, m. (-en). Bak, waaruit het graan op de molensteenen loopt.

trens, v. (..zen). Gevlochten koordeken of snoer van garen, zijde of wolle. Lis van trens geraaakt. Lis aan een knoopsgat. Vlecht. Kleine toom, welks mondstuk gee-ne stang heeft. Ruwe zijde. — Trenzen, bw. ow. trensde, heeft getrensd. In elkander vlechten : touw trenzen. Trens maken. (Zeew.) Touw met koorden omwoelen. — Trenzer, ra. (-s). — Trenzing, v. — Trensster, v. (-s).

trepaan, ra. (..anen). Panboor, schedelboor. — Trepaneerboor, v. (..oren) — Trepaneeren, bw. trepaneerde, heeft getrepaneerd. De hersenpan doorboren. — Trepaneertng, v. (-en).

Ires, v. (-sen). Goud-, zilverboordsel. Haarvlecht.

treuren, ow. treurde, heeft getreurd. Bedroefd zijn, verdriet hebben. Kwijnen : die plant treurt. Weeklagen : om, over iets treuren.— Treurberk, m. (-en). Berk met nedr rhangende takken {bet ut a pendula).

— Treur beuk, m. i-en). Beuk met neder-hangende takken. — Treurboom, m. ( en). Boom {tiyctauthes). Bloeit 's nachts. (O.-Indië). Iedere boom met cederhangende takken.— Treurcypres, ra. (-sen), ii.'oru [cupressus sevipervirens horizontalis).

— Treurdicht, o. (-en). Vers, ter gelegenheid van iemands afsterven, enz. — Treurdicht cr ,m. (-s). — Treitresch,m.(..sschen). Esch raet nederhangende takken (fraxi-nus pendula). — Treurgeestig, bn. — Treurgewaad, o. (..aden). — Treurig, bn. bijw. Verdrietig. Bedioefd. Droel heid veroorzakende. Akelig, naar. — Treurigheid, v. — Treuring, v. — Tretirkleed, o. (-eren). — Treurlied, o. ( eren).— Treur-linde, v. (-n). Linde raet nrdeihangende takken {ttlia argentea). — Treurmare, v. (-n). — Treurmarsch, m. (-en).

— Treurmuziek, v. en o. — Treur-psalm, ra. (-en). Boetpsalm. — Treurspel, o. (-er). Voorstelling van een merkwaardig feit, dat schrik of medelijden wekt. Treurtooneel. — Treurspeldichter, m. (-s). — Treur speldichter es, v. (-sen). — Treurspeler, m. (-s). — Treurspeelster, v. (-s).— Treurtoon,m. (..onen). — Treurtooneel, o. (-en). Bedroevend schouwspel.

— Treurwilg, ra. (-en). Wilgeboom met nederhangende takken [salix babylonica).

— Tt eurzang, va. (-en).

trensnens, v. (..zen). Nietigheid.

Kleinigheid.

treuzelen, treuzelde, heeft getreuzeld.

Bw. Ziften. Ow. Talmen. Dralen. — Treuzel, v. (-s). Triizel. Beuzeling. — Treuzel, ra. en v. (-s). Talmer. Talmster. — Treuzelaar, m. (-s). — Treuzelaarster, v. (-s).— Treuzelach tig, bn. — Treuze.och-tigheid, v. — Treuzelig, bn. — Treuzelig heid, v. — Treuzelkous, ra. en v, (-en). Talmer. Talmster. — Treuzelwerk, o. Werk, dat langzaam vordert.

Treveskanier, v. Kamer ('s-Graven-hage), waar eertijds de Algemeene Staten bijeenkwamen. — Treveszaal, v.

Trtvleren, ra. mv. Volksstam, die ruim eene halve eeuw voor Chr., over de Maas, in het Luxemburgsche gevestigd was.

trezoor, o. (..oren). Schat. — Trezo-rie, v. ( ën). Schatkamer. — Trezorier, ra. (-s). Schatmeester. Schatbewaarder. — Trezorierschap, O.

triakel. ZieTheriakel.

triangel, ra. ( s). Diiehoek. Zeker speeltuig. — Triangulatie, v. (. iën).

trlhulatie, v. (. .iën, -s). Tegenspoed. Wederwaardigheid.

tribunaal,o. (..alen). Rechtbank. Gerechtshof.

tribune, v. (-s). Spreekgestoelte, tribuun, ra. (..unen). (Rora. Gesch.) Gemeensman.— Tribunaat, o. Ambt van tribuun.

triefiine, v. (-n). Haarworm (in spek), trieot, o. Breiwerk. — Tricot, v. (-s). Gel r. id werk.

trietrac. Triktrak.

trieije, v. (-s). Soort van linnen stof.

— Trteijen, bn.

TrieMt {P. J.), 1760-1836, Brussel. Kanunnik (Gent\. Stichter der Zusters van Liefde, der Broeders van Liefde, der Broeders van den h. Joannes de Deo en der Zusters van de h. Kindsheid.

triestig, bn. Droevig. Somber. Verdrietig.

triKon«gt;nietrle,v. Driehoeksmeting.

— Trigonometrisch, bn.

trüp, o. Fluweelachtig weefsel van wol.

— Trijpen, bn. — Try (.wever, ra. (-s). — Trypweverij, v. (-en).

trüp, v.( -en). Ingewand van een slachtbeest.

trUs, m. (-en). (Zeew.) Bras van de bl.nde en schuifblinde ra.— Trysblok, o. en m. (-ken, -s). — Trijsen, bw. trijste, heeft get»ijst. Door touw en blok ophalen.

t rUzel, v. en ra. (-s). Grove zeef. v. (-s). Talmster. — Tri/'zelen, trijzelde, heeft ge-trijzeld. Bw. Zilien. Ow. Talmen.

triktrak, o. Zeker spel raet dobbel-steenen. — Tnktrakb rd, o. (-en). — Triktrakktn, ow. triktrakte, heeftgetrik-trakt. Triktrak spelen.

tril, ra. Aan, op den tril (dril; gaan ; zwieren.

trillen, ow. trilde, heeft getrild. Beven. Rillen. Sidderen. — Trilborstel, ra. (-s). — Trilgras, o. Overblijvende plant [briza media). Komt voor op droge gronden. Bloeit in Juni en ]uli. — Trilhaart o. (..aren). — Triller, m. (-s). (Muz.). — Trilling, v. (-en). — Trilnnald, v. (-en).

— Trilpopulier, ra. (-en). Ratelpopulier.


ocr page 872

TROE — 8lt;

Trilrog, m. (-gen). Krampvisch. — Trilslag, m. (-en). (jMuz.). — '1'rilstreept v. (. epen). (Grav.).

irillsooia, o. (-en). Duizendmaal (luizend millioen.

triiuoHtcr, o. (-s). Drie maand. Vie-rendceljaars.

trio, o. (-'s). Driestemmig muziekstuk, triole, v. (MuzJ Noot, die in plaats van in twee, in drie kleine noten, die even lang duren, is verdeeld.

triomf, trliimf, m. (triomfen). Zege, overwinning. Overwinningsfeest.— 7; iovi-fant, bn. Zegepralend. Zegevierend. — Triovifanielyk, bijw. — Triomfboog, m. (..•ogen).— Triomfdag,m. (-en).— Triom-feer der, m. (-s). — Triomfeeren, ow. triomfeerde, heeft getriomfeerd. Zegepralen. Zegevieren. Overwinnen. — Triomflied, o. (-eren). — Triomf poort, v. (-en). — Triomftocht, m. (-en). — Triomfwagen, m. (-s) — Triomfzang, m. (-en). — Triomfzuil, v. (-en).

trip,v. (-pen). Soort van vrouwenklomp. Hout, waarvan zulke klomp wordt vervaardigd. Duikelaartje (speeltroed).

trl|icl, bn. Drievoudig. Drieledig. — Tripel, o. Soort van fijne polijstaarde. Soort van bier.

Irippvlen, ow. trippelde, beeft en.is getrippeld. Met kleine stapjes gaan. Ee-nigszins kreupel gaan. — Trip^elm,ar, m. (-9). — Trippf laar ster, v. (-s). — Trippen, bw. ow. tripte, heeft getript. Springende trappen (op). Kleine stappen, sprongen doen. Met een duikelaartje spel» n.^— Ti'iptrappen, ow. triptrapte, heeft getrip-trap'. Trippelen.

ti ilH, v. (-en). Drietal. Drie geworpen dobb^'steenen met evenveel oogen op ieder. (Kaartsp.) Drie azen. — Tritsen, ow. tritste, he* ft getritst. Zeker dobbelspel met drie en meestal met viersteenen spelen.

f rliimvlr, m. (-s). Drieman.— Triumviraat ,0. Driemanschap.

Iriviiisil, bn. Alledaagsch. Gemeen. Laag. Plat. — Trivialiteit, v. (-en).

troolio'UH, m. [-sen). Zie Voet. — Troch a ïsch, b n.

troebel, bn. Drabbig. Onklaar. Geroerd. — Troebel, m. Beroering. Wanorde. Onlusten. — 7roebelachtig, bn. — Troebelheid, v.

trocf,v. en m. (..ven). (Kaartsp.) Kaart, waarmede men andere kaarten slaat of neemt. Troef, slagen krijgen. — Troefaas, o. — Troef acht, ▼. — Troefblad, o. — Troejloer, m. — Tr oef drie, v. — Troef-heer, ra. — Troefkaart,v. (-en). — Troef-ne^eti, v. — Troeftien, v. — Troef twee, v. — Troef vier, v. — Troef vijf, v. — Troef vrouw, v. — Tref zes, v. — Troef-xeven, v.

troep, m. (-en). Aantal, menigte. Gezelschap van muzikanten of tooneelspjelers. — Troepen, m. mv. Krijgsvolk. Krijgsmacht. — Troepenmacht, v. — Troepenvervoer, o. — Troeps^ewifze, ..wys, bijw. Bij troepen. — Troepswi/ze, ..wijs, bijw. Als een troep.

Iroetel, m. (-s). Gekleurde kwast, troelel, m. (-s). Kolenemmer.

2 — TROM

troetelen, bw. troetelde, heeft getroe teld. Streelen, liefkoozen. Vleien. Flikflooien. — Troetelaar, m. ( s, ..aren). — Troe elaarster, v. (-s). — Troeteling, v. (-en). — Troetelkind, o. (-eren). — Troetelwoord, o. (-en).

troeven, bw. ow. troefde, heeft getroefd. Troef spelen. Met eene troefkaart andere kaarten nemen. Afrossen. Een afdoend antwoord geven.

troflel, m. (-s). Metselaarsgereedschap, troff, ra. (-gen). Kneedhak. Kalkbak. Etensbak (voor de varkens).

trogrcelen, ow. troggelde, heeft ge-troggeld. Op listige en bedrieglijke wijze bedelen. — I rogge laar, m. (-s). — Trog' gelaarster, v. (-s). — 7 rogge la ch tig, bn.

— Troggel ar if, v. (-en). — Troggelvrouw, v. (-en). — Troggelwinst, v. (-en). — 7 roggel zak, m. (ken). Bedelzak.

trokken, ow. trokte, heeft getrokt. Zeker biljartspel spelen. — Trok, m. Zeker biljartspel. — 7'rokbal, ra. 'v-len). — 7^okspel, o. — Trokstok, ra. (-ken). — Troktafel, v. (-s).

trom, v. (-raen). Trommel.— Trom-mei, v. (-s, -en). Cylindervormig instrument, van weerszijden met een vel gesloten. Holte door het gehoorvlies bedekt. Cylinder in een horloge, om welken de ketting loopt. Zeker deel van eenen beiaard. Blikken dooi. (Zeew.) Cylindervor-niige doos, waarin de loten eener loterij lij gen. (Zeew.) Rol van 't stuurrad. .Met het fluitje gewonnen en het trommeltje \er-terrd : gemakkelijk gewonnen, is gemakkelijk verteerd. — Trommelaar, m. (-s).

— Trommelaarster, v. (-s). — 7\ovimel-buik, m. en v. (-en). — Trommeldans, ra. (-en). — Trommelen, trommelde, heeft getrommeld. Ow. Op de trommel slaan. Met de vingers op de tafel kloppen. Bw. Door de trommel bekendmaken. Slaan : eenen marsch trommelen. — 7Vommel-holte, v. (-n). Zie Oor. — Trommelschroef, v. (..ven). — Trommelslag, ra. (-en). — Trommelslager, m. (-s). — Trommelstok, ra. (-ken). — Trommelvel, o. (-len). — Trommelvlies, o. (..zen). Zie Oor. — Trommelzucht, v. Opzaraeling van lucht in de buikholte. — Tgt; ommen, ow. tromde, heeft getromd. Trommelen. — Tromt/ter, ra. (-s).— 7romslager, ra. (-s).

trombnl, ra. Groote trommel. Bom-trora.

trombone, v. (-s). Schuiftrompet. — 7rombontst,m. (-en).

tromp, v. (-en). Blaashoorn, waarmede een dofte en sterke klank wordt voortgebracht. Olifantssnuit. Vooreinde van een schietgeweer. Mondstuk van een kanon. Zeker kindet speeltuig — Trompblazer, m. (-s). — Trompen, ow. trompte, heeft getrompt. Op eene tromp blazen. Huilen. — Trompenaar, ra. ( s).

Tromp (J/. Hsz.), 1597-1653, Brielle. Nederl. zeeheld. Behaalde de zege op do Spai jaards, op de Engelschen en sneuvelde in een zeegevecht op de hoogte van Katwijk.

trompet, v. ( ten). Koperen blaasinstrument raet schetterenden toon. Spreek-


ocr page 873

TROT — 8

hoorn op de schepen. Zeker orgelregister. Trompet van Eustacbius : Eustachische buis. Zie Oor. — Tronipetblazer, ra. (-b).

— Trompeigeschal, o. — Trompetgeivelj, o. — Trompetten, trompette, heeft getrompet. Ow. Op eene trompet blazen. B\v. Met eene trompet bekendmaken. — Trojn-petter, ra. (-s).

tronie, v. (-s). Gelaat. Aangezicht, tronk, m. (-en). Afgeknotte boomstam, troon, m. (..onen). Proiikzetel van een en vorst, enz. Gezag. Keerschappij. — Tronen, ow. troonde, heeft getroond. Op den troon zitten. Heerschen. — Troonhemel, ra. (-s, -en). — Troonopvolger, m. (-s). — Troonopvolging, v. — Troofi-rede, v. (-nen). — Troonsbeklimming, ..bestijging, v. — Troonsioel, m. (-en). — v. (..alen).

t rooncn, bw. troonde, heeft getroond. 'Lokken. Verleiden.

troop, m. (..open). Oneigenlijke uitdrukking. Overdrachtelijke zegswijze. Verbloemde spreuk. — Tropisch, bn.

trooat, m. Het troosten. Vertroosting. Leniging van smart of droefenis. Verkwikking. Bijstand. — Troostbaar, bn. — TroostbrieJ, m. (..ven). — 2roostelyk, bn. — 2roosteloos% bn. bijw. — Troosteloosheid, v. — 7roosten, bw. troostte, heeft getroost. (Door woorden of daden) opbeuren. (Verdriet) trachten te lenigen. Zich troosten , ww. — Troostend, bn. — Trooster, m. (-s). — Troosten es, v. (-sen). — Troostgrond, m. (-en). Alles, waaruit men troost kan putten. — Troosting, v. — Troostlied, o. (-eren).— Troostrede, v. (-nen). — Troostrijk, bn.

— Troostschrijt, o. (-en). — Troostvol, bn.— Troostwoord, o. (-en).

Troont (C.). 1697-1750, Amsterdam. Portretschilder.

tropee, v. (-en). Zegeteeken. Wapenpraal. Wapenbundel.

tropiscli, bn. De keerkringen betreffend.

troppo (Muz.),bijw. Te veel.

trow, m. (-sen). Bundel van onderling vereenigde dingen : een tros bloemen, druiven, enz Pijlkoker. Lijn uit drie of vier strengen gevlochten. Bagage van een leger, met tie manschap, die er toebehoort. Kwispel, kwast. — Trosbloem, v. (-en). — Trospaard, o. (-en). — Trossen, bw. troste, heeft petrost. Tot. trossen, bundels maken. (Mil.i Hooi en stroo op de paarden pakken. — Trosvormig, bn. — Trosiva-gen, m. (-s).

trots, ra. Hoogmoed. Fierheid. Overmoed. Trots den beste : evengoed als de beste. — Trots, bijw. Hoogmoedig. Overmoedig.— 7rotsch, bn. Hoogmoedig. Fier. Verwaand. — Trof schaard, m. (-s). — Trotschelyk, bijw. — Trotschhart, m. en v. (-en). — Trotschhartig, bn. — Trotsch-hartigheid, v. — Trotschheid, v. (..heden). — Trotseerder, m. ( s). — Trotsee-ren, bw. trotseerde, heeft petrotseerd. Trotsen. — Troiseering, v. — Trot sen, bw. trotste, heeft getrotst. Tergen. Uittarten.

Iroltoir, o. (-s). Verhoogd voetpad (naast den rijweg).

5 — TUER

Iroobadour, ra. (-s). Minnezanger.

trou^v, bn. bijw. Getrouw : trouwe vrienden. Nauwkeurig : trouwe afbeelding. Deugdzaam : trouwe daad. Deugdelijk : trouwe stof. Hou en trouw : eerlijk, stipt.

— Irouvu, v. Getrouwheid. Stiptheid. Gegeven woord. Trouwbelofte. Huwelijk. Op trouw (krediet) verkoopen. Te goeder trouw : oprecht. (Middel.) Trouw des leen-rcans : belofte niets tegen 's leenheers leven, eer of bezit te zullen doen en zelf het kwaad af te keeren zooveel hij kon. — Trouw, ra. Het trouwen. Huwelijk. — Trouwbaar, bn. Huwbaar. — Trouwbelofte, v. (-n).— Trouwbericht, o. (-en).— Trouwdag, ra. — Trouwelijk, bijw. — Trouweloos, bn. bijw. — Trouweloosheid, v. (..heden). — Trouwen, trouwde, heeft en is getrouwd. Bw. Ten huwelijk nemen. Ow. Door den echt verbonden worden. — Trouwens, bijw. In waarheid. Overigens.

— Trouwhartig, bn. bijw. — Trouwhar-tig he id, v. — Trouwheid, v. — Trouwkleed, o. (-eren). — Trouwlustig, bn. — Trouwpapieren, o. mv. — Trouwplechtigheid, v. — Trouwring, ra. (-en). — Trouwverbreker, ra. (-s). — Trouwver-breking, v.— Trouwzaaf,v. (..alen).

Tro.yon (C), 1813-1865, Sèvres. Fr. dierenschilder. Boeiif allnnt au labour.

trnflel, v. (-s). Smakelijke paddenstoel {tuber cibarium). Groeit onder den grond (vooral in Z.-Europa). — Trujfeeren, bw. truHeerde, heeft getruffeerd. Met truffels bereiden.

trnl, v. (-en). Zcu?. Moerkonijn. Lichtekooi. Gebreide wollen borstrok.

TrnUenH [G. /?.), 1828 1893, Bokholt. * Jamar. Priester. Schrijver van godsdienstige werken. Maria Moeder van Jezus (3e uitg-, 1879); Ziedaar uwe Aioeder (1873); Eigenaardige conferentiën (1887).

trim te, v. (-n). Deugdzaam, vreesachtig en besluiteloos vrouwspersoon.— Trunt-achtig, bn. — Trunten, ow. truntte, heeft getrunt. Talmen.

IrutMelen, ow. frutselde, heeft gefrutseld. Talmen. Dralen.

truweel, o. (-en). Metselaarsgereedschap.

tsjirpen, ow. tsjirpte, heeft getsjirpt. Een geluid voortbrengen als de krekels.

tnlgt;samp;, v. (-'s). Koperen blaasinstrument met zwaren toon.

tiiberkel, m. (-s). Uitwas. Knobbel.

— Tuberculeus, v. — 2*uberculose, v. Tering.

tuberoos, v. (. ozen). Bolgewas [poly ant hes tuberosa), met witte, sterkgtu-rige lelievormige bloemen (O. Indië).

Inelit, v. Orde. Regel. Ordelijk gedrag. Kastijding. — Tuchteling, ra. en v. ( en). Die in een verbeterhuis is opgesloten. — Tuchtelinge, v. ( n). — Tuchteloos, bn.

— Tuchteloosheid, v. — Tuchthuis, o. (..zen). — 7uchtig,hr\. bijw. Zedig. Eerbaar. Deugdzaam.— Tuchtigen, bw. tuchtigde, heeft getuchtigd. Kastijden. Bestraffen. — Tuchtiging, v. (-en). — Tuchtmeester, m. (-s). — Tuchtroede, v. ( n).

Tnerlinekx {J. F.), 18.3, Glabbeek. Schoolopziener. Taalkundige. Bijdrage tot


ocr page 874

TUIN — 8

een Hagelandsch Idioticon (bekroond, 188 ^i).

tafsteen, o. (stofn.); m. (-en) (voor-werpsn.) Grauwe steensoort.

tul, v. (-en). Touw om iets vast te zetten. Iets op tui houden : tegenhouden. — Tuianker, o. (-s^. Anker, waaraan een schip bij ebbe vastligt.

tuiereu, bw. tuierde, heeft getuierd. Vastmaken : eene koe aan eenen paal tuieren. — Tuier, m. (-s). Band. Paal. — Tuiertouw, o. en v. (-en).

talg:, o. lt;-en). Al de riemen en koorden, waarmede een paard, enz. iets voorttrekt. Toestel om iets te verrichten of te vervaardigen. Geschut met alles wat er toebehoort. Geiuig. Toerusting. Zilveren of gouden ketting met schaar en naaldenkoker. Opschik. Veisicrsel. Sleclitgoed. Prullen. — Tuigage, v. Al wat tot de optuiging (inz. van een schip) behoort. — Tuigen, bw. tuigde, heeft getuigd. Van tuig voorzien. Optuigen. Toerusten. — Tuighuis, o. (..zen). Arsenaal. Wapenhuis. — Tui-ging, v. (-en). — Tuigmeester, m. (-s). — Tttigwagen, m. (-s).

tail, ra. (-en). Krans, ruiker (van bloemen).

tuil, ra. (-en). Schf rts. Jokkernij. Beuzeling. — Tuilen, tuilde, heeft getuild. Ow. Onoezonnen handelen. Zijnen tuil, zijn hoofd volgen. — Tuilen], v.

tuimelen, ow. tui ra 11de, is getuimeld. Het onderstboven rollen. Naar beneden rollen. Staat en rang verliezen. Bankbreu-kig worden. — Tuimel, ra. Tuimeling. Bedwelming. Verrukking. — Tuimelaar, m. (-s). Al wie ot wat tuimelt. Soort van duif, snip, dolfijn. (Oudt.) Oorlogstuig om zware steenen te werpen. Deel van een schietgeweer. Soort van raasteleinbrood. — Tuimelbank, v. (-en). Soort van wip. (Zeew.) Bank, wier ruggesteun omgetuimeld kan worden. — Tuimelgeest, ra. Geest van oproer. — Tuimelgeest, ra. en v. (-en). — Tuimeling, v. (-en). — Tuimtlvischje, o. (-s). Soort van kleinen karper. — Tuimel-zucht, v. Zucht naar oproer.

tuin, ra. C-en). Oratuininp, afperking, heining. Vlechtwerk voor afscheidingen, enz. Ruimte door eenen tuin afgesloten. Inz. afgesloten stuk land, waar bloemen, moesgroenten , enz. gekweekt worden. Speeltuin. lem. om den tuin leiden, hem bedriegen.— Tuinaarde, v. — Tuinbank, v. (-en).— Tuinbed, o. (-den). — Tuin-bloem, v. (-engt;. — Tuinbouw, m — Tuinder. ra. (-s). Tuinier. — Tuinen, tuinde, heeft getuind. Ow. Eenen tuin bewerken. In eenen tuin wandelen. Bw. Met eenen tuin omringen. — luinqewas, o. (-sen). — Tuinhuis, o. (..zen). Gebouwtje in eenen tuin. — Tuinier, ra. (-s, -en). Hovenier. — Tuinieren, ow. tuinierde, heeft getuinierd. Het bedrijf van hovenier uitoefenen. Uit liefhebberij in den tuin werken. — Tuinierster, v. (-s). — Tuinkamer, v. (-s). Kamer, die op den tuin uitziet. — Tuinklokj'e, o. (-s). Plantje met klokvor-' inige bloemen. — Ttiinkoninkje, o. (-s). Koninkje. — Tuit:ladder, v. ( s), ..leer, v. (-en). Dubbele ladder. — Tuinman, m.

^ — TURF

(..lieden, .lui). Hovenier. — Tuin mes, o. (-sen).— Tuinpad, o. (-en).— Tuintafel, v. (-s). — Tuinvermaak, o. — Tuinvrucht, o. (-en). — Tuinwerk, o. Tui-niersarbeid. (-en) Rijswerk. Rijsberm.

tulselicu, tuischte, heeft getuischt. Bw. Ruilen. Ow. Spelen. Dobbelen. Inz. valsch spelen. — Tuischer, m. ( s). — Tuischery, v. (-en). — Tuischhuis, o. (..zen). — Tuisching. v.

tuit, v. (-en). Spits toeloopend eindevan iets. Pijp eener kan. Puntige haarvlecht. Radvelg. Houten rolletje, waarop men garen wint. Zekere hoorn. Tepel. Lichtekooi. — Tuiten, ow. tuitte, heeft getuit. Op eenen hooren blazen. Ruischen (van deooren). — Tuit hoed, ra. ^-en). —-Tuith -om, m. (-s). — Tuiting, v. — Tuit-kan, v. (-nen). — Tuitpot, ra. (-ten). — Tuitschoen, ra. ( en).

tuitel«u, ow. tuitelde, heeft getuiteld. Dreigen te vallen. — Tuitelachtig, tuitelig, bn.

tnits, o. (-en). Tuianker. In stukjes gehakt touw-{om verbrand te worden).

tub, ra. List : ik ken zijne tukken. Dutje : een tukje doen. Inborst. Soort, ras. Aard. Stoot. — Tukken, bw. tukte, heeft getukt. Een harden stout geven.

tuk, bn. Gretig, bcgeerig ; tuk op rooi. Afgericht, geslepen.

tul, v. (-len). Pul. Tuit eener kan. Kaa nut lange pijp, waaruit men de kinderen laat drinken.

tulband, ra. (-en). Turksch hoofddeksel. Soort van gebak. — Tulbandsvorm, m. (-en).

Tuiden [T. van), i6o6-i676(?),'s Her-togeubosch. Schilder. De smidse van Vulcan us; Dorpskermis; Vergiftiging van eenen monnik.

tule, v. Zeer fijne en lichte kant. — Tu-len, bn.

tullen, ow. tuide, heeft getuid. Zich dronken drinken. — Tul, ra. (-len), tuilebroer, m. (-s).

tnlf», v. (-en). Plantengeslacht (/«//)gt;a), tot de lelieachtigen behoorende. Bloem er van. — Tulpeblad, o. (-eren). — Tulpe-bol, ra. (-len^. — Tulpenbed, o. (-den). — Tulpenhandel, va. — Tulpenkweeker, ra. (-s). — Tulpenzaad, o.

«uit, v. (-en). Zekere hoeveelheid balken. Deel van een houtvlot.

tumult, o. (-en). Opschudding. Volksoploop. Beroering. Rumoer.

tnniest. v. (-'s). Overkleed. Misgewaad van den onderdiaken.

tunnel, v. (-s). Onderaardr.che weg of

ga'ig.

tureluur, ra. (..uren, -s). Referein. Zangwijze. Luira.— Tureltiursch,\ix\.Wzt is ora tureluursch (dol, gek) te worden.

lureliiur, ra. (..uten, -s). Vogel (tota-nus calidris). Behoort tot de spinachtige vogels. Leeft in Europa en Azië.

turen, ow. tuurde, heeft getuurd. Met aandacht zien (op).

Turenne (//. «V la Tour d'Auvergne, vicomte de), 1611-1675. Sedan. Fr. maarschalk. Werd gedood ie Salzbach.

turr,v. (stofn.); ra. (..ven) (voorwerpsn.)»


ocr page 875

TUSS — 8(

ÏJruia zwartachtige brandstof, bestaande uit aarde en overblijfsels van zekere plantgewassen, — Turf acht ig, bn. — 7 urfak-Jter, m. ( s). — Ttirjboer, m. (-en). — Turfgraver % m. (-s). — Turf grond, m. (-en). — Turf hooper t m. (-s). — Turf-koopster, v. ( s). — Turfland, o. (-en).— Turfmand, v. (-en). — Turfschip, o. (..epen). — Turf schuit, v. (en). — Turfsteker, m. (-s). — Turf tijd, m. — Turfton, v. (nen). — Turf tonnen, o. — Turf tonner, m. (-s). — Turf tonster, v. (-s). — Turfvuur, o. (..uren). — Turven, ow. turfde, beeft geturfd. Turf opdoen.

TurlcUc- 't Turksche of O ^manische Rijk strekt zich uit over landen, die in Europa, Azië en Afiikageleg nzijn. 600,000 inw. 74,988 vierk. mijl. Hoofdstad Constan-tinopel. — Turh, ni. ( en). Inbooiling van 'Turkije. Mahomed aan. — lurhen, turkte, heelt geturkt. Bw. Geweldig plagen. Mishandelen. Ow. Handelen als een Turk. Tieren. Razen.— Turhsch, bn. — Turhsch, o. Turksche taal.

turkoois, o. (stofn.); ra. (..zen) (voor-werpsn.). Blauwgroen edelgesteente. — Turkooizen, bn.

tui'iustlUn, ra. Ceylonsche magneet. Steen, die behoorlijk gewarmd, zeer elec-trisch wordt.

turucu, ow. turnde, heeft geturnd. •Gyranastische oefeningen verrichten. — Turner, ra. (-s).

Turner M. Jïr.), 1790-1852, Londen. Eng. landschapschilder.

tuH.selion, vz. Tusschen elf en twaalf: na elf en voor twaalf uur. Tusschcn Brussel en Antwerpen : op den weg van Brussel naar Antwerpen. Tusschen licht cn donker : bij het vallen \an den avond, bij het krieken van den dag. Midden in : tusschen Paschen en Pinksteren. Tusschen raaien dwaas : noch zot noch wijs. Tusschen geel en groen : zoo naar het g-^el a!s naar het groen trekkende. Tussclu n ons : niemand anders dan wij (ik en gij) mogen het weten. Tusschen twee vuren : van weerskanten aangevallen worden. Tusschen twee stoelen in de asch zitten : in de uirerste verlegerheid zijn — Tusschcnbedryf, o. (..ven^.

— Tusschenbeide, bijw.— Tussencnbeurt, v. (-en).— Tusschendek, o. (-ken). (Zeew.) Onderdek. — Tusschendeks, bijw. — Tusschendeks, o. — TusscJicndeksbat-terij, v. (-en). — Tusschendijk. ra. (-en).

— Tusschendijks, bijw. — Tusschen-difhsch, bn. — Tusschendoot, bijw. — Tusschenerf o. (..ven). — Tusschenge-dachte, v. (-n). — Tti ssch enge lege n, bn.

— Tusschevgezang, o. (-en). — Tus-schenin, bijw. — Tussc h enk leur, v. (-cn).

— Tussc henkomend, bn. — lusschen-■ komst, v. — Tusschenkoiling, ra. — 1'us-schenkwartier, o. (-cn).— Tusschenlaag, v. (..agen). — Tusschenliggend, bn. — Tusschenmuur, ra. (..uren).— lusschen-

Jgt;ersoon, ra. en v. (..onen). — Tusschen-poos, v. (..zen). — Tusschenpoozend, bn.

— Tusschenpoozing,\'. {-cn). — Tusschen-rak, o. (-ken). — Tusschenrang, m. (-en).

— Tusschenras, o. (-sen).— 'I'usschenre-geering, v. (-en;. — Tusschenruimtc, v.

J — TWEE

(-n).— Ttisschetischoi, o. (-ten).— Tus-sche tl sluis, v. (..zen). — 7 usschenspel, o. (-en). — Tusschenspraak, v.— Tusschen-spreken, o.— 7usschenspreker, ra. (-s),

— Tusschenstaat, ra. — Tusschensfandt ra. (-en). — Tusschensteeg, v. (..e^en). — Tusschentwd, ra. (-en). — Tusschentyds, bijw. — Tusschentoon, m. (. onen). — Tusschenuit, bijw. — Tusschenuur, o. (..uren). — Tusschenvak, o. (-ken). —' 7usschenvlaag, v. (..agen). — Tusschen* voeging, v. — Tusschenvoegsel, o. (-s, -en). — Tusschcnztal, ra. (-len). — Tus-schemvaud, ra. (-en). — Tusschenweg, m. (..rgeji). — lusschenweger, ra. (-s). — Tusscheniverpsely o. (-s). — Tusschen-zang, m. (-en). — Tusschenzee, v. {-'én).

— Tusschen zin, m. (-nen). (Taalk.).

Itit, v. Vcischeidenheid der gewone

radijs.

(uili. Spel of zang van allen te gelijk.

Jtvastlf, telw. Grondgetal : 12. (..ven).

— T-zvaalfdaagseh, bn. — Twaalfde, rangsch. telw. — Twaalfdehalf, bn. Elf en half. — Tuaa 1 fder h au de, tuaalfderlei, bn. — IwaalJ doorn ig, bn.— Twaalfduizendste, rangsch. telw. — Twaalfhoek, m. (-en). — TwaalJhoekig, bn. — T.voalfhonderd, telw. — 'Jwaalfhon* derdste, rangsch. telw. — Twaalfjarig, bn. Zie Bi stand. — Twaaffmaal, bijw. — Tzfaalfponder, m. ^-s). Kanon, dat kogels uitwerp: van twaalf pond. Voorwerp, dat twaalf pond weegt.— Twaalftal, o. (-len). Dozijn. Twaalf personen, enz. — Twaalftallig, bn. — l'ïvaalfvingerdarm, ra. (-en^. Zie Darm. — Tivaaljvlak, o. { ken).

— Twaalfvoud, o. ( co). — Twaalfvou-dig, bn.

twee, telw. Grondgetal : 2. v. (-en). — Twe.t armig, bn. — 7weebak, v. Beschuit.

— Tiveeblad, o. Bastaavdstandelkiuid. — Tzuccde, rangsch. telw. — Tweedraadsch, bn. — Tweedracht, v. Verdeeldheid. On-eenighcid. Twist. — Tweedrachtig, bn. bijw. — Tweedrachtsappel, m. ('-s). Twistappel. — Tweeduizendste, rangsch. telw.

— Iweeerhande, tweeegt; lei, bn. — Tweegevecht, o. (-en). Gevecht van man tegen man, in tegenwoordigheid van twee of raeer getuigen, na voorafgaande afspraak van plaats cn wapens. — Tweehandig, bn.

— Tweehonderd, telw. — Tweehonderdste, rangsch. telw. — Tweehoofdig, bn.— Twee hoorn ig, bn. — Tweehuizig, bn. Zie Bloem. — Tweejarig, bn. — Tweek/ank, ra. (-en). — Tweekleurig, bn. — Tweeledig, bn. — Tweelettergrepig, bn. — Tweeling, ra. en v. (-en). Een van twee gelijk geborenen. Zie Dierenriem. — Tweelinge, v. (-n). — Tweelingbroeder, ra. (-s). — Tweelingzuster, v. (-s). — Tweehppig, bn. — Tweelobbig, bn. — Tweeloop, ra. (-en). Geweer met twee loopen.— Twee-mual, bijw.— Tweeman, m. (-nen). Een van twee bewindhebbers. — Tweemanschap, o.— Tweemaster, m. (-s). — Tweeregelig, bn. — 7weeschijfsblok, o. en m. (-ken, -s). — Tweeslachtig, bn. Van het mannelijk en vrouwelijk geslacht. Op het land en in het water levende. Zie Bloera.

— 'Tweesnijdend, bn.— Tweesoor tig, bn.


ocr page 876

UI — 1

— Tweespalt, v. Tweedracht. — Tweespan, o. (-nen). Gespan met twee paarden. — Twecspans, bijw. — Tweespraak, v. (..aken). Gesprek tusschen twee personen. — Tweesprong, ra. (-en): Plaats, waar een weg zich in tweeën scheidt. — Twee-sieminig, bn. — Tueesiryd, ra. Tweegevecht. Inwendige strijd met zich zeiven. — Tweetal, o. (-len). Twee. Twee stuks. — Tweetallis, bn. — Tueetandig, bn. — Tweetotigig, bn. Met twee tongen. Valsch, bedrieglijk. — Tweetong ig h etd, v.— Twee-vleugeltq, bn. — Tweevoetig,hn. — Twee-vorviig, bn. — Tweevoud, o. ( en). — Tweevoudig, bn. — Tweewerf, bijw. — Tweewoonst, v. (-en). — Tweezang, ra. (-en). — Tweezijdig, bn.

t-Treeni, m. Twijn. — Tweernen,bijw. tweernde, heeft getweernd. Twnnen.

Twente, o. Oostelijk gedeelte \Overij-»el). — Twentenaar, ra. (-s, ..aren). — Twentsch, bn.

twtlfel» m. Het twijfelen. Onzekerheid. Besluiteloosheid. Iets in twijfel trekken : het niet stellig gelooven. Het lijdt geenen twijfel : het is zeker. — Twijfelaar, ra. (-s). — Twyfelaarster, v. (-s). — Tni/Jel-acht ig, bn. bijw. — Twijfelachtigheid, v. — Twyfelary, v. Leer van Pyrrho (Grieksch wijseeer, 324-288 voor Chr.), die alles in twijfel trok. — Twyfelbaar, bn.

— Twijfelen, ow. twijfelde, heeft getwijfeld. In twijfel zijn, onzeker zijn : niet niet juistheid weten. — 2 wij feting, v. (-en). — Twyjelmoedig, bn. bijw. — Twijjelvioe-digheid, v. — Twijfelnummer, o. (-s). — Twyfelvol, br. — Twijfelziek, bn. — Twijfelzinnisc, bn. b'jw. — Twijfelzinnig-hezd, v. — Twijfelzucht, v. Twijfelarij. — Twijfelzuchtig, bn.

twÜs, v. (-en). Loot, spruit aan den tak eens booms. Teen : een bundel twijgen. — Twijgen, bn.

ni. Gedubbeld garen. Gedubbelde zijde. — Twynder, ra. (-s). — Twijn-dery, v. (-en). — Twijndraad, o. (stofn.); ra. (..aden) (voorwerpsn.). Getwijnd garen. Getwijnde zijde. — Twijnen, bw. twijnde, heelt getwijnd. Garen of zijde dubbelen. — Twyngaren, o. — Twijn haspel, ra. (-s).

— Twijnmolen, ra. (-s). — 1 wijnsier, v. (-s). — Twijn wiel, o. (-en).

twil, ra. (-len;. (Zeew.) Lage stukken hout tusschen het slemphout.

n, v. (u's). 21® letter van het alphabet, n, pers. vnw.

nohtend, ra. Ochtend.

Ulidc [F. von), 1848, Wolkenburg. Duitsch historie- en genreschilder. Laat de kleinen tot mij komen (1884); de heilige Nacht (1888).

Ulilaiid {J. Z.), 1787-1862, Tubingen. Duitsch dichter. Gedichten (1815); Ueber Walther von der Vogelweide (1822). ui, m. (-en). Ajuin. Grap. Kwinkslag. Uienbed, o. (-den). — Uienloof, o. —

)6 — UIL

twintig:, telw. Grondgetal: 20.—Twin-\ tiger, ra. (-s). Persoon, die twintig jaar-oud is. Lid eener sociëteit van twintig personen. Wijn van twintig jaar. Oorlogsschip; met twintig stukken geschut. — Twintiger han de, twin tiger lei, bn. — Twintigjarig, bn. — Twintigmaal, bijw. — Twintigponder, ra. (-s). Kanon, dat kogels uitwerpt van twintig pond. Voorwerp, dat twintig pond weegt. — Twintigste, rangsch. telw. — Twintigtal, o. (-len). Twintig. Twintig personen, enz. — Twintigvlak, o. (-ken). — Twintigvoud, o. (-en). — Twintigvoudig, bn.— Twintig werf, bijw.

twist, o. Machinaal gesponnen katoengaren.

twist, ra. Drank, uit bier, brandewijn en eieren bereid.

twist, ra. (-en). Geschil. Oneenigheid, Tweedracht. Verdeeldheid. Ruzie.—Twist-achtig, bn. — Twistachtigheid, v. — Twistappel, ra. (-s). (Fab.) De gouden appel van Er is, godin der tweedracht. Appel, waarom men twist. Geschilpunt. Aanleiding tot tweedracht. —_ Iwisten, ow. twistte, heeft getwist. Twist hebben. In twist zi;n. Krakeelen. — Twister, ra. (-s).

— Twistgierig, bn. bijw. Gaarne twistende. Onverdraagzaam. — Twistgierigheid, v. — Twist ig, bn. — Twist maker, ra, (-s). — Twistrede, v. (-nen). — Twistredenaar, ra. (-s). — Twistschrift, o. (-en),

— Twiststoker, ra. f-s). — Twistvuur, o.

— Twistzaak, v. (..aken). — Twistziekt bn. — Twistzoeker, ra. (-s). — Twistzucht, v. — Twistzuchtig, bn.

TyntlsUi (y.) gt; 1820-1893, Leighlin-Bridge (Ierland}. Eng. natuurkundige. Heat as a Mode of Mot ion (1863).

type, v. (-n). Drukletter. — Typograaft ra. (..afen). Letterzetter. Boekdrukker. — Typographic, v. Boekdrukkunst. ( ën) Boekdrukkerij.--Tyfgt;ografgt;hisch, bn.

— Typograviir^, v. (-s). Photographisch op zink overgebrachte plaat.

type, o. (-n). Grondbeeld, grondvorm. Afdruk,gietvorm. Voorbeeld. Eigenaardig mensch. — Typisch, bn.

typluis, ra. Zenuwkoorts. gewone typhus : aanhoudende koorts van besraet-telijken en aanzettenden aard. — Typheus, bn.

tyran, m. Zie Tiran.

Uienreuk, ra. — Uien salade, uiensla, v.

— Uiensaus, v. (-en). — Uiensoep, v (-en).

— Uienzaad, o. — Uieflant, v. (-en). — Uieschil, v. (-en). — Uiig, bn. Geestie. Grappig.

uior, ra. (-s). Melkvat der grootere zoogdieren. De uiers drukken : melken.

uil, ra. (-en). De uilen maken eene familie uit in de orde der roofvogels : boom-, nacht-, kerkuil, enz. Domoor : hij is een uil. De uil van 't spel zijn. Ieder meent zijn uil een valk te zijn : ieder houdt het zijne


ocr page 877

— 807 —

UITB

UITB

voor het beste. — Uilaap, m. (..apen). Kuifaap. — Uilachtig, bn. — Uilebek, ra. (-ken). — Uileklauw, m. (-en). — Uilekof, in. (-pen). — Uilennest, o. en m. ( en). — Uilenoog, o. en v. (-en). — Uilenvlucht, v. (Fig.) Avondschemering-. — Uilespiegel, m. Naam van den snaak, wiens schalkerijen en guitestreken beschreven zijn in het volksboek Tyl Uilespiegel. (-s) Schalk. Guit. — Uileveer, v. (-en). — Uilig, bn. — Uilskop, m. (-pen). Domoor.

— Uilskuiken, o. ( s). Uilskop. — Uiltje, o. (-s). Kleine uil. Zeker vlindertje. Èen uiltje vangen : een slaapje doen linz. na den middagh

uit, vz. Buiten : uit de stad. Uit (niet meer in) de mode. Uit de hand (niet cp ecne veiling of in eenen winkel) verkoo-pen. Uit eten gaan : buitenshuis eten. Dor.r : uit vrees. Hij weet het uit de courant, hij heeft het er in gelezen. Gedreven door : uit achting. Uit kracht :ten gevolge (van), gewettigd (door). Uit het geheugen : vergeten. Eeuw uit eeuw in : steeds. Uit het oog uit het hart : afwezigheid doet vergeten. Bijw. De kerk is uit, ledig na het verrichten van den dienst. Het boek is uit (gelezen).

iiiladvmcn (1), bw. ow. Den adem weder laten uitgaan. Uitwasemen. Uitademing, v. (-en). — uitbstK'tfcroii, bw. Door baggeren uithalen (van modder). Uitbaggering, v. —

11 en, bw. Afbakenen. — uitbsikkcn, bw. Door bakken de vetdeelen afzonderen. Ten einde bakken. —

bw. Met eene balie uitscheppen. — nif-bttlkcn, bw. Balkend uiten. — iiit1»stu-nen, bw. Verbannen. Uitbanning, v. (-en). — iiitlmi'Hfou, ow. (zijn) Vareen-barsten. Zich plotseling vertconen. Uitbarsting, v. (-en). — uitbsiziiiiicn, bw. Met bazuingeschal aankondigen. Overal niet grooten ophef bekendmaken. — oit-l»col(leii, bw. In beeltenis voorstellen. Uitbeelding, v. (-en). Uitbeeldsel, o. (-s).

— uitbeitelen, bw. Met eenen beitel uithalen. — nit bellen, bw. Uit het bed bellen. Door bellen bekendmaken. Overal vertellen. — nltbersten, bw. Uitbarsten. — 11 i(beHfelt;1en, bw. Buiten het huis besteden. Een aangenomen werk aan anderen overdoen. Uitbesteding, v. (-en).

— uitbetalen, bw. Alles betalen aan verscht idene personen (in de fondsen). Uitbetaler, m. (-s). Uitbetaling, v. (-en).— uitbelten, bw. Bettende zuiveren. Door betten wegnemen. — uit bidden, bw. ow. Ten einde bidden. — uitbieobten, bw. ow. Alles biechten. Ten einde biechten. — uitbuiten, bw. ow. (zijn) Bijtende wegnemen. Uithalen (van tanden, sche pe vochten, enz.). Kleur verliezen (van stoffend. Norsch behandelen en daardoor weg-jag n. Uitbifter, m. (-s). Uitbytster, v. (-s). — uitbuiten, bw. Het ijs enrei s weghakken. — uitbikken,bw. Bikkend

(t) De samergestelde werkwoorden met uit ziju scheidbaar.

uithollen. Eenen muur uitbikken : de kalk uit de voegen halen. — nitblakeren, bw. Door blakeren zuiveren. — uitblazen, bw. Ten einde blazen. Blazende van zich geven. Door blazen ledigmaken. Dooc blazen uitdooven. Door blazen aankondigen. Ow. Ademscheppen : laat de paarden eens uitblazen. — uitbleeken, bw. Door bleeken wegnemen. Ten einde bleeken. Ow. (zijn) Door bleeken gezuiverd worden. Uitbleekmg, v.— uil bleven, ow. (zijn) Niet komen, waar men verwacht wordt. Buiten huis vertoeven. quot;Wegblijven. Weggelaten worden. Zijne straf kan niet uitblijven, zal zeker volgen. Uttblifver, m. (-s). Uitblijf ster, v. (-s). Uitblijving, v. — uit-blikMeinen, ow. Ophouden van bliksemen. Ten einde vloeken, tieren. Bw. Bliksemend werpen : iem. zijn huis uitblikse-men. — uitblinken, ow. Boven iets anders glinsteren, schitteren. Overtreffen.

— uitbloeden, ow. (hebben, zijn) Ophouden te bloeden. Al zijn bloed verliezen. Uitbloeding, v.— uitbloeien, ow. (hebben, zijn) Ophouden te bloeien. Ten eirde bloeien. — uitbiusMelien, bw. De vlam of het vuur uitdooven. Den moed uitblus-schen : moedeloos maken. Uitblussching, v. — uitboeoeeren, bw. (Zeew.) Uit-sleepen. — uitboeken, bw. Uit het koopmansboek afschrijven. Uitboeking, v.

— uitboenen, bw. Door boenen reinigen. — uitboeten, bw. Bezuren. Ow. Uitgeboet worden. Ui 'boeting, v. — uit-boetweeren, bw. Boetse^rende afbeelden. Ten Ui/boetseering, v. (-en). — uitboezemen, bw. Met gevoel uiten. Eene innige gewaarwording in woorden uiten. Uitboezenting, v. (-en).

— uitboonien, bw. Boomende uitbrengen (van vaartuigen). — uil lx»ren, bw. Door boren uithollen. — uitborrelen, ow. (zijn) Borrelende te voorschijn komen. Bw. Sterken drank gebruiken : een glaasje uitborrelen. Uitborreling, v. — uitborstelen, bw. Met eenen borstel reinigen. Hekelen, doorhalen. Ow. Gedaan maken met borstelen. Uitborsteling, v. — uitbotten. ow. (zijn) Ontkiemen. Knoppen krijgen. Uitbottm^, v. — uitbouwen, bw. ow Verder bouwen. Ten einde bouwen. Het bovenste gedeelte van een schip naar bu ten bouwen. Uitputten (eenen akker). Uitcsuwing, v. Uitbowwsel, o. (-s).

uitbrnak, v. Het uitbreken uit eene gevangenis, enz.

uitbB'uden, bw. ow. Ten einde braden. Tetdege braden. Door braden doen verdwijnen. — uitbraken, bw. Brakende uitwerpen. Ten ein ie btaken. Zijne gal uitbraken : heftig uitkomen (tegen). Uit-broaksel, o. UHbrnk. n,-. v. — nitbmn-den, bw. Brandemii* uithollen. Hrandende rein gen. Ten einde brarden. Ow. (zijn) Dolt; r vuur uitgehold ■ f gezuiverd worden. Uitbrander, ni. -s U .v ; an ding, v. (-en), —■uitbreiden,bw Vaneenleggen Openslaan. Verspreiden. Door breedvoerige omschrijving ontwil-kt ien. Zich uitbreiden, ww. Meer algemeen worden. Meer ingang, meer toegang vinden. In aantal toenemen. Wijd eu zijd verspreid zijn. Uit-


ocr page 878

UITD — 8

brei der, ra. (-s). Uitbreiding, v. (-en). Uiibreidstei\ v. (-s).— uitbrokoii, b\v. Brekende wegnemen. Brekende ledigma-ken. (Jw. (zijn) Te voorschijn komen. Uit eene gevangenis, enz. breken. Zich vcrtoo-nen, woeden (van ziekten). Open-, losbreken wan zweren). Uitbreken in klachten : plotseling en hevig beginnen te klagen. Uitbi ektug, v. — ti ilbrengen , bw. Naar buiten, te voorschijn brengen. Ann den dag brengen. Uiten. Openbaren. Uii-brenger, m. (-s). Uitbreiiqïng, v. Uii-brengsier, v. (-s). — uilbrioven, bw. Bekendmaken. — uilbi oodoii, uitbroeien, tw. Ten tii.de brorden. Broedende doen uitkomen. Ow. (zijn) Met heet water reinigen. Uitbroeding, v. (-en). Uitbroed se l, o. (-s). — ultlirolikelen, ow. (zijn) Met stukken uitvallen. — uitbroiu-men^ bw. ow. Een brommend geluid geven. Ten einde brommen. Snoeven. Uitbrommei-, m. (-s). Uitbromming, v. Uit-bromster, v. (-s). — uitbrnien, bw. Naar buiten bruien. — uitbrullen, bw. Brullende uitgalmen. Ow. Ten einde brullen. — uitbulen, ow. Ten einde buien. — uitbuigen, bw. Buitenwaarts buigen. Ow. (rijn) Buitenwaarts gebogen worden. Uitbuiginsc, v. — uitbuilen, bw. Door builen scheiden. Builen uit metaal kloppen. —uitbuiten,bw. Zooveel mogelijk voordeel van iem. of iets trachten te behalen. Uitbuiter, m. (-s). Uitbuiting, v. — uitbulderen, bw. Bulderende aankondi-

Ïen. Op een bulderenden toon uiten. Ow. 'en einde bulderen.en. Op een bulderenden toon uiten. Ow. 'en einde bulderen.

uitbundig:, bn. bijw. Uitnemend. Voortreffelijk. Voorbeeldig. — Uitbundigheid, v. — Uitbundiglitk, bijw.

ultbuurt, v. (-en). Afgelegen gehucht.

ultetff®gt;*vgt;, bw. Ten einde cijferen. Uitrekenen. Met kunst overkvg» n en regelen. Uitci/feraar, m. (-s). Uitcyferaar-stfr, v. (-s). Uitcyfering, v. (-en). — uit-ducen, bw. Opeischen. Oproepen. Uitdager, m. (-s). Uitdaging, v. (-en). Uitdagingsbrie f, m.^ (..ven). — uil «lampen, ow. (hebben, zijn* In damp vervliegen. Ten ei'ule dampen. Uitdamping, v. (-en). — uitdeel en, bw. Ronddeelen. Aan ieder wr.r geven. Uitdeeler, m. (-s). Uitdeeling, v. (-en). Uitdeelster, v. (-s). — ultdel-Sr«'n, bw. Uitroeien. Uit delger, m. (-s). Uirdelging, v. — uitdelven, bw. Uitgraven. Opgraven. Ten einde delven. Uitdelving, v (-en). — uitdenken, bw. Denkende vinden. Verzinnen. Uitdenker, m. (-s). — uitdeuken, bw. De deuken wegnemen. — uitdienen, bw. Ten einde dienen. Ow. Zoolang dienen, dat men nutteloos wordt. — uitdiepen, bw. Dieper maken. Uitdieping, v. (-en). — ult-dU^»i ow- (zijn) Zwellen : dat vleesch zal in den pot uitdijen. Uitdijing, v. — uitdoen, nw. Uittrekken, afleggen. Uitvegen. Uitblazen. Doen verdwijnen. Delgen (eene schuld). — uitdoinpen, bw. Met oenen domper uitdoer. Dooven. — uit-donderen, eenpw. Ten einde donderen. Bw. Met geweld buitenzetten. — ult-dooven, bw. Het vuur, de vlam smoren, üw. (zijn) Vanzelf uitgaan. Verkoelen.

S — UITE

Uitdcoving, v. — uit do pp en, bw. Van de_ schil ontdoen. — uitdorreu, ow. (zijn) Uitdrogen. — uitdorselien, bw. De graankorrels uitk;oppen. Ten einde dorschen. — uildo.sMen, bw. Opschikken. Opsmukken. Uitdossing, v. (-en).— uitdrnnlen, bw. Draaiende losmaken. Draaiende uithollen. Uitdooven. Ow. (zijn) Ten einde draaien. Uitloopen : waarop zal dit alles uitdraaien ? Zich uitdra«ien, ww. Zich onttrekken (aan). Uitdraaiing, v.— uitdragen, bw. Naar buiten dragen. Ledigen (van meubels). Verklikken. Ten einde dragen. Ow. Geene vruchten meer voortbrengen. Uitdrager, m. (-s). Die gebruikt huisraad, kleederen, enz. koopt en verkoopt. Uitdraagster, v. (-s). Uitdra-gery, v. (-en), uitdragcrszvinkel, m. (-s). Uitdroging^ v. —uitdraven, ow. (hebben, zijn) Naar buiten draven. Ten einde draven.Ten einde praten.— uildrUven, bw. Naar buiten drijven. Door hamers uitslaan. Door drijfwerk afbeelden. Verjagen. Uit dryven d, bn. Uit drijver, m. (-s). Uit-dryfstrr, v. (-s). Uitdiyving, v. ( en). — ul(drinfi:en, bw. ow. (zijn) Naar buiten dringen. Verdringen. Onderkruipen. — uitdrinken, bw. Drinkende ledigen. — uitdrojfen, bw. Door uittrekking van sappen droge ik Door uitwissching droogmaken. Ow. (zijn) Door u tdamping droog worden. Vermageren, afteren. Vtrloopen (van de nering). Uitirogend, bn. Uitdroging, v. (-en). — uitdroomen, bw. Uitdenken. Ow. (zijnj Uitslapen.— ultdrop-pen, uitdroppelen, bw. Uitdruppen.

— uitdruipen, «gt;w. (hebben, zijn) Druipende uitlekken. Ten einde druipen. — uitdrnK ken, bw. Drukkende uitpersen. Te kennen geven. (Schild.) Afbeelden, vertoonen. Ten einde drukken Zich uit-drukkf.ii, ww. Zijne gedachten door woorden te kenn' n geven. Uitdrukkelijk, bn. bijw. Duidelijk en bepaald. Stellig. Bepaald. Uitdrukkelykheid,\. Uitdrukking, v. ( en). Uitdi uks-el, o. (-s).— uitdruppen, uitdruppelen, ow. (zijn) Bij droppels \ allen, doorzijgen. Ten einde druppen. — uitduiden, bw. Nauwkeurig aanwijzen. Beschrijven. Uitduiding, v. (-en). Uitduidsel. o. (-s). — uitdunnen, bw. Hier en daar uittrekken (van gewassen). Uitdunning, v. Uit dunsel, o. (-s). — uitduwen, bw. Naar buiten stoo-ten. — uit dweilen, bw. Met eene dweil schoonmaken.

uiteen, bijw. Vaneen. Van elkander. Gescheiden. — uiteenbarsten, ult-eenbei-Nten (i), ow. (zijn). — uiteendoen, bw. — uiteeiifirUven, bw.— uiteengaan, ow. ^/ij i). — uiteen-Ifoolen, bw. — uiieengroeien, ow. (zijn). — uiteenjagen, bw.— uiteen-loopen, ow, (zijn). Uiteenloofiend, bn.

— uit •'«'ii roll en, bw. ow. (zijn).— ult-eenslaan, bw. — uiteeiiMinUteu, bw. — uiteeiiHpatten, ow. izijn). — uiteenNpringen, ow. (zijn). — uit-

(i) De samengestelde werkwoorden met uiteen zijn scheidbaar.


ocr page 879

UITG — 8

«en Mini ven, ow. (zijn). — uiteen-jtrlt;i|»l»eii, bw. — uileenvallen, ow. (zijn). — nlteenvliegren, ow. (zijn). — uiteenvloeien, ow. (zijn). — uiteen-werpen, bw. — uiteenzetten, bw. Uitei nzetting, v. (-en).

ultetr^en, ow. Gedaan maken met cgpen. bw. Door eggen uithalen.

uiteinde, o. (-n). Einde. Uiterste punt. L iatste uur. Dood.

uKeu, bw. uitte, heeft geuit. Spreken. Te k( nnen geven. Zich uiten, ww. Zijne gedachten te kennen geven. — Uiting, v. (-en).

uil enten, bw. Tegenst. van inenten. Uitenting, v. (en). — uitenteren, ow. (Zeew.) Op de paarden langs de ra klimmen.

uitentreuren, bijw. Zeer lang. uiterbuurt, v. (-en). Buitenbuurt. Voorstad.

uiteren, bw. uiterde, beeft geuiter-l. Uitwendig overnaaicn.

( ulterlUk, bn. bijw. Wat aan de buitenzijde zich vertooLt. Ten langste : morgen of uiterlijk overmorgen. — Uiterlijk, o. Uitwendige gedaante. Voorkomen. — Uiterlijkheid, v. (..heden).

niternmte, bijw.Zeer. Buitengemeen, uiterst, bn. Afgelegenste : de uiterste

grenzen. Laatste : het uiterste levensuur, e uiterste wil. Grootste, zwaarste : uiterste nood. Best: zijne uiterste pogingen aanwenden. Hoogst : hij was uiterst verbolgen. —renzen. Laatste : het uiterste levensuur, e uiterste wil. Grootste, zwaarste : uiterste nood. Best: zijne uiterste pogingen aanwenden. Hoogst : hij was uiterst verbolgen. — Uiterste, o. (-n). Verste. Hoogste. Laatste. De uitersten des menschen : de dood, het oordeel, de hel, de hemelsche glorie. Levenseinde : hi] ligt op zijn uiterste. — Ten uiterste, bijw. uitdr. In de hoogste mate.

uiterton, v, (-nen). (Zeew.) Laatste baken.

uiteru aurd, v. (-en).Grond, tusschen dijk en rivier gelegen.

uiteten, bw. Etende ledigen. Etende uithollen, doorboren. Etende verarmen. Uiteter, m. (-s). Uiteetster, v. (-s). — ultetteren, ow. (zijn) Door etteringzuiveren. — uitflappen, bw. Gedachteloos iets zeggen. Uiiflapper, m. (-s). — uitfluiten, bw. Fluitende uitjouwen. Uitjiuiter, m. (-s). Uitfluitin?, v. Uit-Jliiitster, v. (-s). — uitTreezen, bw. Met de frees bewerken. Unfreezing, v. — uitgaan, ow. (zijn) Van huis gaan. Naar bulten gaan. Buiten 't land vervoerd worden. Naar buiten gericht zijn. Bekend gemaakt worden. Ten einde branden, uit-dooven. Uitgewischt worden. Ten einde loopen. Eindigen. Sterven: hij is uitgegaan als een kaaisje. De kerk gaat uit; de menschen gaan er uit Zich op weg begeven : op roof uitgaan. Uitgaand, bn. Uitgaande goederen, rechten, enz. Uitgaansdag, m. (-en). Uitgang, m. ( en). Het uitgaan. Uitgangsdag. Plaats, waar men uitgaat. Slotletter of letters. Einde van een tijdvak. Einde van het leven. Uitganger, m. (-s). lt;Wev.) Uitgangsdag, m. (-en). Uitgangspunt, o. (-en). — uitgalmen, bw. Galmende uiten. Uitgalmi?ig, v. (-en), ultsruve.v. (-n), ait^auf,y, (..aven).

9 — UITH

Het uitgeven. Hetgeen uitgegeven wordt. De druk van een werk. Oplage, editie.

uitipebreld, bn. Uitgestrekt. Wijd-loopig. Van grooten omvang. Uiti. cbreid-heid, v. (..heden). — uitgediend, bn. Buiten dienst zijnde. Nutteloos. Uitgediend soldaat. — uitsrelionjferd, bn. Zeer hongerig. Door honger v« rteerd, vermagerd. — uitgrelaten, bn. bijw. Te dartel. Teugelloos. Buitensporig. Uitgela-ttiihcid, v.— uit}£el«*etd, bn. Stokoud. Versleten. — uitgeleerd, bn. Hij is uitgeleerd, heeft zijnen leertijd volbracht. Zeer geleerd. — iiits:elei(de), o. Het uitleiden. — uitgreirz^n, bn. Uitstekend. Uitmuntend. Voortreffelijk. Uitgelezen-heid, v. — uitKremstakt, bn. Zeker. Onfeilbaar. — uitsfemergeld, bn. Krachteloos. — uits:lt;eiionien, vz. Behalve. — Uitgrestorvrn, bn. Zonderleven, ledig. Onbewoond. Dordsch. — uitsreNtre-lien, bn. Effen. Kalm.— nitgeHtrekt, bn. Uitgebreid. quot;Wijd van omvang. Uitgestrektheid, v. (..heden). — uitjfeNtu-deerd, bn. Ten einde gestudeerd. Sluw, listig. — uitffetakt, bn. Getakt. — uit-getogen, verl. deelw. van uittiegen.

uitgeven, bw. In andere handen geven. Verteren. In druk geven. Verspreiden. Zich uitgeven, doen doorgaan (voor). Itts voor waarheid uitgeven : beweren, dat iets waar is. — Uitgever, m. (-s). — Uitgeefster, v. (-s).

uitgewekene, m. en v. (-n). Die uit zijn vaderland wijkt, die het tijdelijk ontvlucht. — uitgewerkt, bn. Met zorg bewerkt. — uitgezoelit, bn. Keurig. Voortreffelijk. — uitgezonderd, \z. Behalve.

nitgieren, bw. Schreeuwende uiten. — uitgieten, bw. Gietenae u tstorten. Gietende ledigen. Door water te gieten uit-blus^chen. Uitgieting, v,

uitgift, v. (-enl, uitgifte, v. (-n). Uitgave (inz. van aandeelen, enz.).

uitgillen, bw. Gillende uiten. (Zeew.) Halvemaanswijze de zeilen uitsnijden. Uitgilling, v. (Zeew.). — uitgieten, ow. (zijn) Ten einde gisten. Bw. Zijnen toorn uitbraken. — ultgiibberen, uilgiy-den, ow. Glijden je vallen. Van de phiats glijden. Uitglijdt},g, v. — uitgliiiNte-ren, ow. Glinsterende uitstralen. Ten einde glinsteren. — uitglippen, ow. (zijn) Even.jes uitglijden. — uitgooien, bw. Ten einde gooien. Vlug uitdoen. Uitwerpen. Al gooiende ledigen. — ui tuurden, bw. Losgorden. — uKgraven, bw. ow. Ten einde graven. Gravende uithalen. Uitgraving, v. (-en).— uilernel-en, ow. (zijn) Ten einde groeien. Groeiende zich verspreiden. Zich buiten iets verheffen. Uitgroeisel, o. ( s). — ui te roeven, bw. Groevende, uithalen. Üitgroeving, v. (-en). — uitgulpen, bw. Gulpende ledigen.— uitliaken, bw. (E^nen haak) losmaken. — uitliakkeii, bw. Hakkende uitbalf-n. Uithollen. Uithak' king, v. (-en) Uilhnksel.o. (-s). — nit-lisilen, bw. Uit.quot;av- n. I.ediginaken. Nemen. Van huis buien. Redden uit het water, Visch uithalen : grommen. Eenen toon uit-


ocr page 880

UITK — 8

halen, zingende uitgalmen. Een schip uithalen, van de werl in 't water brengen. Nesten uithalen, rooven. Uithaal, m. (..alen). Het uilhalen. Vertooning, praal. Uithaaltajel, v. (-s). Schuiftafel. Uitkalf r, m. (-S). Uithaalster, v. (-s). Uit haling, v. (-en).

uitham, m. (-men). Landtong, nillianercn, bw. Aan de buitenzijde ophangen. Uilsttken. (Zeew.) Buiten boord steken. Goederen uithangen, ten verkoop. Linnengoed uithangen, om te drogen.Eene d( ur uithangen, uit hare hengsels lichten. Den grooten heer uithangen, zich er den schijn van peven. Ow. Daar hangt de schaar uit, het is er al zeer duur. Plet hangt mij de keel uit, ik heb er meer dan genoeg van. Wonen, zich bevinden : weet cij waar Koben uithangt? Uithangbord, o. T-en). — iiillicblicii, bw. Voleindigd neboen. Geledigd hebben. Gebluscht hebben. Bij iem. uithebben, zijne gunst verloren hebben.

nitlicemnclijbn. bijw. Buitenlandsch. Vreemd — Uith eemsch he id, v.

iiltlicfTeii, bw. Heffende naar boven brengen. — nitliclpon, bw. Helpen naar buiten brengen. Uit den nood, enz. helpen. Uithelfer, m. (-s). Ui/heipster, v. (-s). — nitliUMoluMi, bw. Hijschende uitbrengen. Uithijsching, v. — itilliott-bou, bw. Van hoeken voorzien. Uithoek, m. (-en). Afgelegen hoek. Gehucht. Eenzaam oord. Landtong. — uitliocstcn, bw. ow. Ten einde hoesten. Hoestende losmaken. Iem. uithoesten, hem minachten. — iiitliollon, bw. Hol maken. Ten eindehollen.— uilbw. Door honger tot het urteisie brengen. Ow. (zijn) Door honger tot het uiterste gebracht worden. Uithongering, v. — uillioorvn, bw. Een peheim zoeken te weten. Alles afvragen. Uithooring,\.— tiitliooxcu, bw. Ten einde hoozen. Hoozende ledigen.

— uitlioiKlcu, bw. Vaneent ouden. Uitgespreid houden. Verduren. Volhouden. Ow. Ergens lang blijven. Uithouder, m. (-s). Uithondster, v. (-s). — uifliou-wen, bw. Door houwen wegnemen. Door houwen uithalen. — iiitlmilcii, bw. Huilende uiten. Ow. Ten einde huilen.

uttliulzigr, bn. Gaarne van huis weg. Zelden te huis. — Uit hn iz ig h e id, v.

ultlinppclcn, ow. (zijn) Naar buiten huppelen. — uitluiivon, uitliutveiy-klt;'ii, bw. Ten huwelijk geven. Utthuzve-li/'king, v. uithuwing,v.{-en).—uKUzcn, b». Uit het ijs losmaken. Uity zing, v. (-en).

— uiljsigren, liw.Naarbuiten drijven.Ow. (zijn) Hard naar buiten drijven. Uitj-iging, v. — uitjsi«iimeren, bw. jammerende uiten. Ow. Ten einde jammeren. — uit-Janken, bw. Tankende uiten. Ow. Ten einde janken. — lailjoi'len, ow. Ten einde joelen. — nifjonwen. bw. Beschimpen. Uitjonwer, m. (-s). Uitjouwing, v. ( en). — uil kaartten, bw. Kaardende zuiveren. Ow. Ten einde kaarden. —- uifkaalaen, bw. Kaatsende uitslaan. Ow. Ten einde kaatsen. Uit kaatser, m. (-s). Uitkaatsing, v. (-en). — uitkabbelen, bw. Kabbelende uithalen. Ow. Ten

IO — UITK

einde kabbelen. — uit kakelen, bw. Kakelende uiten. Ow. Ten einde kakelen.

— uitkakkcii, bw. Kakkende uitbrengen. Ow. Ten einde kakken. — uitkal-len, bw. Kallende uitbrengen. Ow. Ten einde kallen. — uitkammen, bw. Kammende ontwarren en zuiveren. Uitkamsel, o. (-s). — uitkankeren, ow. (zijn) Kankerende wegteren. Uitkankering, v.

uitk:*nt, m. Grens.

uitkappen, bw. Door kappen wegnemen. Snoeien. — uitkamen, bw. Terdege karnen. — uitkauwen, bw. Kauwende uitzuigen. Losmaken (het werk uit de naden van een schip). Ow. Ten einde kauwen. Uitkauwing, v. Uitkauwsel, o. (-s). — uitkavelen, bw. Bij kavelingen verkoopen. Uitkaveling, v. — uitkee-ren, bw. Naar buiten keeren. Buiten houden. Afgeven. Betalen. Uitkeerder, m. (•s). Uitkeering, v. (-en). Uitkeerings-fonds, o. (-en). Uitkeer ster, v. (-s). — uitkepen, bw. Zóo iets uithouwen, dat men er kepen in maakt. Uit keping, v. — uitkermen, bw. Kermende uiten. Ow. Ten einde kermen. — uitkerven, bw. Kervende wegnemen. Kervende uithollen. Ow. Ten einde kerven. — nitkie-nien, ow. (zijn) Kiemende opschieten. Uitbotten. Uitkiei)iiiugt;, v.— nitkii'zen, bw. Zijne keus doen (onderi. Uitkiezert m. (-s). Uttkiezing, v. Uitkiesster, v. (-s).

— uitliIjken. ow. In zekere richting staren. (Zeew.) De wachthouden. Bw. Aanhoudend op iets staan te zien : zijne oogen uitkijken. Uitkijk, m. Uitzicht. Uitkijk, m. (-en). Wachthouder boven in den mast. Uitkijker, m. (-s). Uitkykster, v. (-s). — uitkippen, bw. Uitbroeien. Uitkiezen. Uitkipping, v. — uitkla«llt;len, bw. Kladdende uitwisschen. Ow. Ten einde kladden. — nilkiagen, bw. Klagende uiten. Ow. Ten einde klagen. — uitklappen, bw. Door dichtklappen blusschen.

— uitklaren, bw. (Zeew) Tot de uit-reize gereedmaken (een schip). In behoorlijke orde laden. Ow. (zijn) Helder worden (van het weder). Uitklaring, v. (-en). — uit klauteren, ow. (zijn) Klauterende verlaten. — uitkleeden, bw. Van kleederen ontdoen. Van alles berooven. Zich uitkleeaen, ww. Zich van alles berooven. Alles opofttren. Uit kleeding, v. — uit-kieien, bw. De klei wegnemen. Uitklei'

v.(-en).— uitkleinzen, bw. Kleinzende zuiveren. Ow. Ten einde kleinzen.

— uitkleppen, bw. Door kleppen bekendmaken. — uitklinimen, ow. (zijn) Klimmende uitkomen. — uitklinken, bw. Door klinken verkondigen. Uit klinker, m. (-s). — uitkloppen, bw. Kloppende uitdrijven (van spijkers, enz.). Door kloppen zuiveren. Laken verbreeden. De butsen uitdoen. Afranselen. Uitklopperr m. (-s). Uitklopping, v. Ui'.klopster, v. (-s). — uitknabbelen, uitknagren, bw. Knabbelende uithollen. — uitkne-«len, bw. Knedende doen uitzetten. Ow. Gedaan maken met kneden. — uilknit-pen, bw. Sterk uitnijpen. Knijpende ledigen. Knijpende, uithollen. Ow. (zijn) Stil

I uitknijpen : stil heengaan. — uitknip-


ocr page 881

UITL — 81

pon, bw. Knippende vormen. Het wit ▼an eene prent wegsnijden. Uitknipsel, o. (-s). —uitknoppen, ow. (zijn) Uitbotten. — uitkoken, bw. Kokende doen nitloopen. Door koking zuiveren. Ow. (zijn) Kokende zijne kracht verliezen. UHkooksel, o. (-s). — uitkolven, ow. Het eerst kolven. Ten einde kolven. Bw. Kolvende wegjagen. — uitkomen, ow. (zijn) ïe voorschijn komen. Uitbotten. Doorbreken (van tanden). Uitloopen. Getrokken worden in de loterij. Ontdekt worden. Juist akkoord zijn : de som komt uit. Dit komt hierop uit; dit is nagenoeg het volgende. Verschijnen, het licht zien ; wanneer komt zijn woordenboek uit? Uitkom, m. De Lente : in den uitkom herleeft de natuur. Uitkomst. Einde. Uitkomst, v. (-en). Einde, afloop, uitslag. Redding uit ongelegenheden. — uitkoopen, bw. Vrijkoopen. Omkoopen. Alles van iem. koopen. Den tijd uitkoopen, zoeken te winnen. Uitkoop, m. (-en). Uitkooping, v. — uitkoteren, bw. Door koteren zuiveren (van tanden).

— uitkraaien, bw. Kraaiende bekendmaken. Ow. Ten einde kraaien. — uit-krstbbelen, bw. Door gekrabbel onleesbaar maken. Uitkrabben. — uitkrabben, bw. Door krabben doen verdwijnen.

— uitkramen, bw. Ten verkoop leggen. Bieden. Pronken (met). Ow. Ophouden te kramen. — uitkrassen, bw. Krassende uiten. Door krassen onleesbaar maken. Door krassen afbeelden. Ow. Ten einde krassen. — ultkrauu en, bw. Uitkrabben (met nagels). — uitkrUjren, bw. Met inspanning ic-ts uithalen. Bevrijden, verlossen. Eindigen. Uitlezen. Uiteten. — uitkry ten, bw. Krijtende uiten. Openbaar maken (in slechten zin). — uitkruipen, ow. (zijn) Kruipende uitkomen. Uitkr uipsel, o. (-s). — uitkuieren, ow. (zijn) Ten einde wandelen. — uitkunnen, ow. Hij kan uit (gaan). Ik kan er niet uit : ik kan het niet lezen. Mijne schoenen kunnen niet uit (getrokken worden), enz.

— uitlaelien, bw. Lachende bespotten. Iem. vierkant uitlachen, zich om hem niet bekreunen. Ow. Ten einde lachen. Uitlach, m., uitlaching, v. Uitlachcr, m. (-s). Uitlachster, v. (-s).— uitladen, bw. Goederen, enz. uit een vaartuig, enz. halen. Uitlading, v.

uitlamler, m. (-s). Buiterlandsch mensch. Vreemdeling. —- Uitlandig, bn.

— Uit la ndigheid, v. — Uitfandsch, bn.

uitlaiifpen, bw. Naar buiten toereiken. — uitlat.f;»*- bw. Uitgeleiden. Tot aan dedeurgeieióe». quot;Veglat» n (eequot; '.voord, enz ). Niet aantrekken (klcedertn). Niet weder aanstekep _,..ar). Zich uitlaten, ww. Zich uiten. Uitlaat, o. (. aten). (Bouwk.) Uitstek. Ui'gang (op zij}. Uitlating, v. (-en). Ui'latingsteeken, o. I-s).— uitleenen, bw. Te leen gevep- Uitlee-ner, in. (-s). Uit leening, v. — ^Stlee-ren, bw. Alles leeren wat in «-en boek staat. Ow. Ten einde leeren. — uitleg:-j^en, bw. Uiteenlegden. Buitenwaartsleg-gen. Door vei breeding vergrooten. Een kleed uitleggen, de zoomen wegnemen en zoo langer maken. Veiklaren, toelichten,

i UITM

ontwikkelen. Ow. Eene bijdrage gev^n f uitleggen om kermis te houden. Uitleg, m. Uitlegger, m. (-s). Die uitlegt. (Zeew.) Lange rib of balk. Wachtschip. Uit legger s-hoofd, o. De uiterste knoop (voor aan 't galjoen). Uitlegging, v. (-en). Uitleg' kunde, v. Uitlegkundig, bn. Uitlegkundige, m. (-n). Uitlegster, v. (-s). — uitleiden, bw. Naar buiten leiden. Uitleiding, v, ^— uitlekken, ow. (zijn) Lekkende uitvloeien. Ruchtbaar worden. — uitiellen, bw.Uitbabbelen. — uitlepgt;. pen, bw. Door leppen ledigen. — uitloven, ow. Ten einde leven. Ophouden te leven.— uitleveren, bw. 0»/erleveren. Voortvluchtige misdadigers aan de bevoegde macht overleveren. Opleveren, ver» schaffen. Uitlevering, v. (-en). — uitlezen, bw. Doorlezen en uitzoeken. Ow. Ten einde lezen. — uitlieliten, bw. Met licht uifleiden. Eenen stervende bijstaan. Uitlichiing, v. (-en). — uillip^en, ow. Uitgespreid liggen. — nitlikken, bwi. Likkende zuiveren, ledigen. — uitlok* ken, bw.Naar buiten lokken. Aanlokken, Uitlokkelijk, bn. Aanlokkelijk. Uitlokker, m. (-s). Uitlokking, v. (-en). Uitloksel, o. (•s). Uitlokster, v. (-s). — uit loodsen, bw. Een schip in zee brengen door eenen loods. — uitloosren, bw. Door loogzuU veren. Ow. Ten einde loogen. — uitloopen, ow. (hebben, zijn) Ten einde loc-pen. Van huis loopen. Uit een vat vloeien. Afloopen. In zee steken. Uitbotten. Puisten voortbrengen. Uitloop, m. (-en). Uit-iooper, m. (-s). Uitloopery, v. (-en). Uit-loopsel, o. ( s). Uitloopster, v. (-s). — uit-loozen, ow. Het water storten in (van riolen, enz.). Uitl^ozing, v. (-en). — uitlossen, bw. Lossen. Ontladen. Uitlos-sing, v. — uitloten, bw. Uittrekken (eene loterij). Uitloting, v. (-en). — uitloven, bw. ^Eenen prijs, enz.) beloven bij mededinging. Uitlnving, v. (-en). — uit-lueliten, bw. Aan de lucht blootstellen. Uitschelden. — ultlui(d)en, bw. Door luiden aankondigen. Door luiden doen eindigen. Iem. uitluiden (bij eene begrafenis). (Zeew.) Stortgoederen uit een schip hij-schen. Ow. Ophouden van luiden. Uitlui' ding, v. — uitmaken, bw. ow. Vormen : dit maakt eene groote som uit. Bewijzen : dat hij gelijk heeft, is uitgemaakt. Uitschelden : iem. geweldig uitmaken. Beduiden : wat maakt dit uit? Uitmaker, m, (-s). Uitmaakster, v. (-s). — uitmalen, bw Door mal' n droogmaken. Ow. Ten einde malen. Uit waling, v. (-en). — uitmelken, bw. Melkende ledigen. Geld aftroggelen. Een geheim ontlokken. Uit-melker, m. (-s). Uitmelks/er, v. ( s). — uitmergelen, bw. Van merg ontdoen. Uitputter. Van krachten berooven. Verarmen. Uitmergeling, v. — uitmeten, bw. Door meten onderzoeken hoe lang, enz. iets is. In ;t klein vei koopen. Opgeven : iets breed uitmeten, 't Is te zien hoe hij daar zal uitmeten, hoe het daar met hem zal vergaan.

uitmiddelpunt i££,bn.Geen gemeenschappelijk middelpunt hebbende. — Uit-middelpuntigheid, v.


ocr page 882

UITR — 8

nKnioclcn, ultuioffen, ow. Worden slechts gebruikt met weglating van een ander werkw.

uitnioudinff, v. (-en). Monding (eenerrivier).

uitiiionstercu, bw. Bij eene monstering afzonderen. Afdanken. Afwijzen. Kraag en opslagen van eene andere kleur op eenen rok zetten. Optooien. Uihnonste-rt'ng-y v. — iiilmoordcii, bw. Allen vermoorden.— uitiiiimtoii, ow. Uitsteken. Uitblinken. Overtreffen. Uitinun-tend% bn. bijw. U it ju 11 quot;iendheid, v. L/it-muniet-yxu. (-s). — nitiienieii, bw. Nemen of hal^n (uit't. Uitzonderen. Ow. Uitmunten. Uitnemend, bn. bijw. Uitue-mendheia, v. Uiinerne*-, m.(-s). Uiineetn-ste*', v. (-s). — iiilnUlxquot;quot;) bw. Ni pende uitbrengen. — uiinooden, uiliioo-diffeu, bw. Verzoeken tot een test, eenen maaltijd, enz. Uitnoodiger, m. ( s). Uitnoodigtng, v. (-en). Uitquot;nodigster, v. (-s). — uitoefenen, bw. Bedrijven, als beroep in praktijk brengen. Uitoefening, v. — uitpakken, bw. Zoo ontpakken, dat alles uiteengelegd wonit. Uitpnkker, m. (-s). Uitpakking, v. UitpaKster, v. (-s). — uitpstlnien, bw. Langzaam uitvieren (een touw). — uitpelnxen, bw. Uitdenken. Ver/innen. — uitpeilen, bw. Door pellen uitbrengen. Ow. Ten einde pellen. — uit pennen, bw. Spannen ^net pennen. Ow .Ophouden van schrijven. — uitpersen, bw. Door persen uitbren-

?en, uitdrukken. Afdwingen. Afdringen.en, uitdrukken. Afdwingen. Afdringen.

Hip er sing, v. (-en). — uitpeuteren, bw. Door peuteren uitdoen. — uit peuzelen, bw. Peuzelende K digen. Ten einde peuzelen. — uitpikken, bw. Door pikken doen uitkomen. Door pikken uithalen. Uitkiezen (in slechten zin). Uitpikking, v. — uitploegen, bw. Door ploegen ui brengen, verdelgen. Met de ploegschaaf uithollen. Ow. Gedaan maken met ploegen. — uitpluizen, bw. Pluizende wegnemen, reinigen. Zeer nauwkeurig onderzoeken. Uitpluizer, m. (-s). Uitpluizing, v. (-en). Uitpluisster, v. (-s). — uitplukken, bw. Plukkende wegnemen, ontleden. — uitplunderen, bw. Plunderende verwoesten. Ledig plunderen. Uitplundering, v.— uit poet Hen, bw. Door poetsen van binnen zuiveren. — uitpo-ken, bw. Pokende ledigen. — uitpompen, bw. Door pompen ledigen. Pom-

Ëende uitdooven. —ende uitdooven. — uitpoolen, bw.

'oorpooien ledigen.—uit poten,bw. Poten. — uitpraten, bw. Uitbabbelen. Ow. (zijn) Ten einde praten. — uitproeMten, ow. In eenen schaterlach uiibarsien. — uitpuilen, ow. (hebben, zijn) Buitenwaarts uitsteken, zwellen. Uitpuilend, bn. Uitpuiling, y. (-en). — uitputten, b v. Puttende ledigen, wegnemen. Van kracht berooven. Krachteloos maken. Doen ver-.dwijnen. Uitputting,v.— uitrabbelen, bw. Rabbelende uiten. Ow. Ten einde rabbelen. — iiltratelen, bw. De rafels uithalen. In rafels doen schiften. Ow. (zijn) In rafels vallen. Uitrafeling, v. — ultra-g-cn, bw. Ragende wegnemen. — uitraken, ow. (zijn) Eindigen. Uitdooven. Ont-

2 — UITS

snappen. Geledigd worden. — uitrammelen, bw. Rammelende uiten. Uitgerammeld van honger : een verschrikkelij* ken honger hebbende. — ui trapen, bw. Schiften. Scheiden. — nitraHpen, bw. Doorraspen uithalen. — uitrazen, ow. Ten einde razen.

uitrede, v. Het uitrijden. Uitgang (voor kar en paard).

uitredden, bw. Verlossen. Bevrijden. Uitredder, m. (-s). Uitredding, v. (-en).

— uitreeden, bw. Toerusten, uitrusten (schepen). Uitree-ter, m. (-s). Uitrceding, v. (-en). — uitregenen, eenpw. Ophouden met regenen. Ten einde redenen. Ow. Door den regen den veldarbeid moeten verlaten. Door den regen uitgebluscht worden. — uitreiken, bw. Uitstrekken. Ronddeelen. Uitdeelen. Uitreiker, m. (-s). Uitreiking, v. (-en). Uitreikster, v. (-s).— uitreizen, ow. (zijn) Ophouden met reizen. Vertrekken. Uitreis, v. (..zen). Vertrek. — uitrekenen, bw. Berekenen. Becijferen.Narekenen. Onderzoeken. Uitrekening, v. (-en). — uitrekken, bw. Rekkende verlengen. Uitbreiden. Langer doen worden. Ow. (zijn) Door rekking langer worden. Zich uitt ekken,w. Zijne leden uitrekken. Uitrekking, v. (-en). — uitrennen, ow. (zijn) Rennende zich verwijderen. Ten einde rennen. — ult-rieliten, bw. Ten uitvoer brengen. Verrichten. Bewerken. Gedaan krijgen. Handelen. — uitr||den, ow. (zijn, hebben) Zich met paard of wagen van huis verwijderen. — nitrUzen, ow. (zijn) Opstaan : hij rees het bed uit. Rijzende zich verheffen (boven). — uilritlen, ow. (hebben, zijn) Uitrennen. Uitrit, m. Het uitrijden.

— uilroeien, bw. Uitrukken. Verdel-

gen.—en.— uitroeien, bw. Met de sloep uitrengen. Roeiende verlaten. Ow. (zijn) Ten einde roeien. Uitroeier, m. (-si. Uitroeiing, v. — uitroepen, bw. Met geroep uiten. Roepende bekendmaken. Erkennen, huldigen. Op het tooneel terugroepen. Roepende uitventen. Ow. Ten einde roipon. Bewonderende kreten doen hooren. Uitroep, m. (-en). Het uitroepen. Uitroeper, m. (-s). Uitroeping, v. ( en). Uitroepingsteeken, o. (-s). (Taalk.). Uit-roepster, v. (-s). — uitrollen, bw- Ontrollen. Ow. (zijn) Rollende ergens uitgeraken. — uitronden, bw. Van binnen rondmaken. Uiirondnig, v. — uitron-ken,bw. Uitslapen. Ow. Ten einde ronken.— uitrooken, bw. Door berooken zuiveren. Door rooken verjagen. Uitmaken : iem. uitrooken. Ow. Ten einde rooken. — uitrotten, ow. (zijn) Wegrotten, Ten einde rotten. — nitron «ven. ow. Geen rouw me r dragen. — uitruien, ow. (hebben, zijn) Ten einde ruien. — uitrukken, bw. Naar buiten rukken. Uit den grond rukken. Ow. (zijn) Trekken (van krijgsvolk). Uit' ukking,\.— uitrusten, ow. (hebben, zijn) Zijne rust nemen. Rusten. Uitrusting, v. (-en). — uitrusten, bw. Van 't noodige voorzien. Uitrusting% y. (-enl. — uitselianipen, ow. (zijn) Ter zijde schampen. — uitseltateren, cw. (hebben, zijn) Luidkeels lacLen. Ten


ocr page 883

UITS — 8

einde schateren. — nHaoliaveii, bw.

Schavende uithalen. C/i/schaving, v. — nitNclieidoii, o\v. (zijn) Ophouden. Eindigen. — tiitMclioldcn, bw. Uitjouwen. Met woorden hooncn. — niiNclieiiken, bw. Schenkende ledigen. — nifsoliop-pon, bw. Door scheppen ledigen. Uit-scheppifig, v.—ullfu-liereii, bw. (Zeew.) (Een touw) door eene opening halen. — nlfMOlicttcrcii, ow. Uitschateren. — nitsclicareu, bw. Scheurende uithalen, wegnemen. Ow. (zijn) Scheuren. Vancen-gaan. — nitsoliictou, bw. Schietende wegnemen. Schielijk uittrekken (van kleederen). Uit doen spiuiten. Voorschieten : geld uitschieten. Ow. (zijn) Uitspruiten. Uitglippen. Buitenwaarts uitsteken. Door veel schieten uitslijten. (Zeew.) Omloopen van dep wind. Naar buiten snellen. Uitvaren, zijne gramschap lucht geven. — ult-soliifteii, bw. Schiftende afzonderen. — nit^oliynon, ow. Ten einde schijnen. Ophouden van schijnen. Uitmunten. Zijn veistand schijnt zijre oogen uit. Zijn licht heeft uitgeschenen : hij is overleden. Uit-srhynspl, o. (-s). — iiitNClilIderen, bw. Schilderende voorstellen of afbeelden. Beschrijven.— uitNOliiirorcn, bw. Schilferende uithalen, wegnemen. Ow. (zijn) Ten einde schilferen. — uitHlt;*liittcren, ow. Uitblinken. Uitmunten. Ten einde schitteren. — nitwoliokkcu, bw. Door schokken doen uitvallen. Ow. (zijn) Schokkende uitvallen. — uilNflioppen, bw. Schoppende verdrijven.

nitseliot, o. (-ten). Het voorschieten (van geld). Het slechte, het onbruikbare (afgezonderd van het goede).

nilHclirsftbbcu , uitsclirappeu , bw. Schrabbende ledigen, zuiveren. Doorhalen. Uitdoen. Uitschrabbing, uitschrap-ping, v. (-en). Uitsch rabsel, ti itsch raps el, o. ( s). — ultscliraipen, bw. Schrapende ledigmaken, schoonmaken. Uitschraapsel, o. (-s). — nltüc'lirccuwcii, bw. Schreeuwende bekendmaken. Ow. Luidkeels schreeuwen. — uitnclireicii, bw. Door schreien als verliezen : zijne oogen uitschreien. Ow. Ophouden van schreien. Hard en aanhoudend weenen, — nlt-sclirUvcn, bw. Afschrijven. Naschrijven. Voorschrijven. Bekendmaken. Verspreiden. Verordenen. Bijeenroepen. Be-leggen. Opmaken. Tot mededinging, ter bewerking aanbieden : eene prijsvraag uitschrijven. Ten einde schrijven. Uitschry-ver, m. (-s). Uitschrijving, v. (-en). Uit-schri/fster, v. (-s). — uitscUrobkeu, bw. Door schrobben wegnemen, reinigen. — iiif)M'liiilt;llt;lcn, bw. Schuddende ledigen. Schuddende van stof, enz. ontdoen. Schielijk afleggen (van kleederen). Van alles berooven. Alle schaamte uitschudden. Zich uitschudden, wvv. (van honden, enz.). Uit schudding, v. — uitHeliuitTcn, bw. Schuierende reinigen. — uitsoliuivcn, bw. Buitenwaarts schuiven. Schuivende doen uitkomen. Schuivende verwijderen. Eere tafel uitschuiven. Uitschuiving,

ultscliiilfl, v. (-en). Uitstaande schuld. Som, welke men aan anderen moet. uilMCliulpcu, Lw. Met bekken voor-

5 — UITS

zien. Uitschulping, v. (-en). — uilsoliii^ ren, bw. Door schuren uitdoen. Schurende reinigen. Zeer goed uitwrijven. Uitschuring, v. (-en). — nltscliutton, bw.-Door eene sluis uitlaten. — nltHUpclen, ow. (hebben, zijn) Sijpelende ledigloopen.

— uitftlaan, bw. Slaande uitdrijven. Slaande reinigen. Uitkloppen. Het toege-slagene losdoen. Uitbreiden. Slaande ver-breeden. Slaande van zich verwijderen (in 't balspel). Laten vervoeren (uit een pakhuis, enz.). Uiten : mallepraat uitslaan. Ow. (zijn) Uitloopen. Uitschieten. Ten einde slaan. Den eersten slag geven (in 't balspel). Puisten of uitslag krijgen. Beschimmelen. Zich eenen uitgang banen (van vlammen). Uitslag, m. Het uitslaan (in de spelen). Puist» n, roodheid op de huid. Schimmel. Verkoop. Overw'icht Overmaat. Uitkomst. Gevolg. — nitMlnbbeu, bw. Slabbende ledigen (van honden). — nltslaoliten, bw. Vleesch verkoopen (van iem., die geen slachter is). — uitslapen, bw. Door slapen verdrijven : zijne hoofdpijn uitslapen. Ow. (zijn) Ten einde slapen. Hij is uitgeslapen : hij is sli*i, geslepen. — nltNleopen, bw. Naar buiten sleepen. — nilslibberen, uitslieren, ow. izijn) Uitglijden. — uitslijpen, bw. Slijpende wegnemen, uithollen. — uitslijten, ow. (zijn) Door 't gebruik verminderen. Afslijten. Vergeten worden. Bw. In 't klein verkoopen. Uitslijter, m. (-s). Uit-shjting, v. Uitslytster, v. (-s). — uit-slobberen, bw. Slobberend ledigen. — uitsloopen, bw. Door sloopen wegnemen. Ow. Ten einde sloopen. — uitslor-pen, uitslurpen, bw. Slorpende ledigen. — uitsloven (zich), ww. Vergeef-sche moeite doen. — ultsluipen, ow, (zijn) Sluipende heengaan. — uitsluiten, bw. Buitensluiten. Niet toelaten. Weren. Uitsluitelijk, bijw. Uitsluitend, bn. bijw. Uitshiitenderiuijze, bijw. Uitsluiting, v. Uitsluitsel, o. — uitsmeden, bw. Smedende pletten, vergrooten. — uitsmelten, bw. Door smelten zuiveren. Terdege smelten. Uitsmelting, v. •— uitAinUten, bw. Met geweld naar buiten werpen. Uitgooien. — uitMiiappen, bw. Snappende uitvertellen. Verklappen. — uitsneeu-wen, eenpw. Ten einde sneeuwen. — ui t-snellen, ow. (zijn) Naar buiten snellen.

— uitwnüilen, bw. Door snijden wegnemen. Snijdende uithollen. Beitelen. Gra-veeren. In 't klein verkoopen. Ow. (zijn) In stukken gesneden worden. Stillekens heengaan. Uitsnijder, m. (-s). Uitsnijding, v. (-en). Uitsnijdsel, o. (-s). Uit-snijdster, v. (-s). — uitsnoeien, bw. Door snoeien wegnemen. Uit snoeiing, v.

— uitsnorken, ow. Ten einde snorken.

— uitsiiuiten, bw. Snuitende ledigen. Door snuiten uitdooven.— iiitsnuiveii, bw. Snuivende ledigen. Den neus doorblazen. Ow. (zijn) Uitblazen ; Iaat de paarden maar uitsnuiven. — uitsoppen, bw. Soppende wegnemen, ledigen. — uitspanen, bw. Met de spaan ledigen. — uitspannen, bw. Door spannen wijder maken. Uit het gareel losmaken. Iem. uitspannen : zijne goederen door het recht


ocr page 884

UITS — 81

üoen verkoopen. Ow. Paarden in eene herberg uit het gareel losmaken. Zich uitspannen, ww. Zich vermaken. Uitspanning, v. (-en). Pleisterplaats. Verademing, vermaak. Uitspansel, o. Firmament. Hemel. — uitspstren, bw. Besparen. Uitsparing, v. (-en). — iiitHpsittcn, ow. (hebben, zijn) Spattende uitspringen. Zich buitensporig gedragen. Uitspatting, v. (-en). — nitHpclên, bw. Spelende uitbrengen. Ten einde spelen. Verrichten. Afdoen : zijne jas uitspelen, Ow. (Kaartsp.) Eene kaart nederwerpen. Het eerst spelen. — uitspellen, bw. Ten einde spellen.— nitsplniieii. bw. Afspinnen. Door spinnen uitbrengen. Ow. (zijn) Opbrengen door 'tspinnen. — iiilNpilieu, bw. Door spitten uithalen. — uitHpoelen, bw. Spoelende uithollen, reinigen. Door spoelen wogrnemen. Door loog, enz. halen. Ow. (zijn) Door bespoeling uitgehold worden. Uitspoeling, v. (-en). Uitspoelsel, o. (-s). — ultKpoken, bw. Spokende verjagen. Bewerken : wat heeft hij nu uitgespookt?

uitsporigr, bn. bijw. Buitensporig. — Uitsporigheid, v. (..heden).

uit spreiden, bw. Vaneenspreiden. Uitslaan (de vleugels). IJlÜeggen. Uitsprei-dinfi, v. — uitspreken, bw. Uiten.Opzeggen (een gebed). Vellen : een vonnis uitspreken. Ow. Ten einde spreken ; iem. laten uitspreken. Uitspraak, v. Wijze van uitspreken, (..aken) Tongval. Voordracht. Vonnis. — uitspringren, ow. (hebben, zijn) Naar buiten springen. Uitschieten. Uitsteken. Uitsprong, m. (-en). (Bouwk.) Uitstekende hoek. — uitspruiten, ow. (zijn^ Voortkomen. Opschieten. Ontspruiten. Uits fruiting, v. Uttspruitse., o. (-s). —- uilspujeren, bw. Uitspuwen. — uitspuit n, bw. Spuiende ledigen. Uitspui-ing, v. (-en). — uitspuiten, bw. Door spuiten ledigen, reinigen, blusschen. — uitspci^ven, bw. Spuwende uitwerpen. Uitsp-rving, v. Uttspuwsel, o. (-s). — uitstaan, bw. Verduren. Dulden. Lijden. Te vereffen, te vorderen hebben. Ow. Uit den grond opgeschoten of opgekomen zijn. Naar buiten staan. Tot winst of voordeel uitgezet zijn. Ik heb niets met hem uit te staan : ik heb geene zaken met hem — uitstallen, bw. Ten toon, ten verkoop zetten. Uitstalling, v. (-en). — uitsta-nielrn, bw. Stamelende uiten. — ult-Htanipen, bw. Door stampen verwijderen. dooven. Uitstaniping, v. — uitstappen, ow. (zijn) Afstijgen (uit een rijtuig, enz.). Heengaan. i/iWa/, m. (-pen). Kleine omweg. Toertje. Kleine reis. Uitweiding. — uitsteken, bw. Door steken wegnemen. Uithollen. Graveeren. Van zich afsteken : de beenen uitsteken. Door geschenken als verblinden : de oogen uitsteken. Ow. Ergens uitkomen. Uitmunten. Om iets uitsteken, wedden. Uitsteeksel, o. (-s). Uitstek, o. (-ken). Uithoek. Kroon-Jijst. Uitsprong. Bij uitstek : buitengemeen. Uitstekend, bn. bijw. Voortreffelijk. Uitmuntend. Uitstekendheid, v. — uitstellen, v. Verschuiven. Tot later bepalen. Uitstel, o. en m. Het uitstellen. Tijdver-lenging. — uitsterven, ow. (zijn) Door

4 — UITT

den dood vernietigd worden (van eene familie, enz.). Uitsterving, v. — ult-steveneu, ow. (zijn) Zeewaarts stevenen. — uitstüeren, ow. (zijn) Afstijgen (uit een rijtuig). — uitstoelen, ow. Zich van onderen uitbreiden (van planten). — uitstotTen, bw. Afstoffen.

— uit stoot en, bw. Stootende verplaatsen. Uitdrijven. Verstooten. Verjagen. 6Y/-stooting, v. — uitstorten, bw. Stortende uitwerpen. Verspreiden. Zijn gemoed aan iem. uitstorten : zijnen nood klagen en troost zoeken. Gebeden uitstorten : bidden. Zich uitstorten, ww. Vallen (van stroomen). Uitstorting, v. (-en). — uit-stotteren, bw. Stotterende uiten. — uitstoven, bw. Stovende ontlasten. Ow. (zijn) Stovende ontlast worden. — uitstralen, ow. (hebben, zijn) Stralen afschieten. Uitstraling, v. Uitstralingspunt, o. (-en). — uitstrekken, bw. Voor zich uitsteken : de armen uitstrekken. Zich uitstrek hét 7i, ww. Zich op den grond uitstrekken. Reiken (tot*. Uitstrekking, v.

— uitNtrepen, bw. Doorhalen. — uit-sti'tlden, bw. ow. Ten einde strijden. Door strijden tot eene beslissing komen. — uitstreken, bw. Strijkende gladmaken. Strijkende doen verdwijnen. Doorhalen. Bedriegen : iem. uitstrijken. Uit strijker, m. (-s). Uitstryhin%, v. Uitstrykster, v. (-s). — uitstrooirn, bw. Strooiende verspreiden. Verspreiden. Uit strooier, m. (-s). Uitstrooting, v. Uitstrooisel, o. (-s). Uitstrooister, v. ( s). — uitstroonien, ow. (hebben, zijn) Stroomende uitvloeien. In menigte heengaan. Uit strooming, v. — uitstroopen, bw. Stroopende uitklee-den. Uitplunderen. — uitstudeeren, bw. Ten einde stndeeren. Ow; (zijn) Terdege studeeren. Men is nooit uitgestudeerd. Hij is daarop uitgestudeerd : dat weet hij allerbest. — uitstuiven, ow. (zijn) Ophouden met stuiven. Heensnellen. — uitsturen, bw. Naar buiten sturen. Boodschappen laten doen. — uitlullen, ow. (zijn) Uitglijden. — u ittakelen, bw. Optakelen. — iiittakken, bw. Takswijze uitsnijden. — uittanden, bw. Van tanden voorzien. Tandswijze bewerken. Uit-tanding, v. (-en). — ulttappen, bw. Doortappen ledigen.— uittarnen, bw. Tarnende losmaken. — uittarten, bw. Tergende uitdagen. Trotseeren. Uittar-tinq, v. (-en). — ultteekenen, bw. In teekening al beelden. Beschrijven. Uittee-kening, v. (-en). — nitteezen, bw. Uitpluizen — uittellen, ow. bw. Voortellen. Ten einde tellen. Bij het getal verkoopen. — uitteren, bw. Terende doen verkwijnen. Ow. (zijn) Door tering verkwijnen en wegsterven. Uittering, v. — ulttiegreii, ow. Uittrekken (slechts in den onv. verl. tijd en in 't verl. deelw.). — uit-tieren, ow. Ophouden met groeien. Ophouden met razen. — uittinimeren, bw. Door timmeren uitbreiden.

uitteelit, m. (-en). Afreis. Vertrek.

uittoetrn, bw. Toetende, bekendmaken. — uittornen, bw. Uittarnen. — uittrappen, bw. Met den voet uitdoo-ven. — uittreden, bw. Uittrappen.Tre-


ocr page 885

UITV — 81

flende uitwisschen, uithollen, uitbreiden. Ow. (zijn) Zijn onts'a^ geven, nemen. Uittreding, v. — iiillrc'likcii, b\v. Met kracht uithalen Ow, (zijn) De kracht van zich geven. Vertrekken. Te velde trekken. Uittrekking, v. Uittreksel, o. (-s). Uit-trehtafel, v. (-s). — niltreurcn, ow. Ophouden te treuren. — iiittrommo-len. bw. Trommelend bekendmaken. — Mills 'o in igt;4'l I on, bw. Door trompetten bekendmaken. — iiitlrouweu, bw. Uit-houwelijken. — uitvsiardieroi* bw. Laten uitban n : een bevel uitvaardigen. Uit-vaar dicing, v.

uitvaesirt, v. (-en). Het uitvoeren, begrafenis. Plechtige dienst (na de begrafenis).

uitvsi{£Cii, bw. \V«gvegtn. Uitvaagsel, o. (-s). Wat wfggexergd kan worden. Slechtmensch. — uiivsillcu, ow. (zijn) Losgaan en nedervallen.Nedcrstorten. Uit eene belegerde plaats tegen den vijand aanrukken. (Schermk.) Hevig op zijne partij losgaan. Zoo of zoo gelukken. Hevig uitvaien. É/z'/zv?/, m. (-len). Uiivalpquot;ort, v. (-en). — uiivaroii, ow. (ziin, hebben) Ten einde varen. Wegvaren. Zich ijlings ergens uit begeven. In toornige woorden losbarsten.Tieren.— uilvasten, bw. ow. Door vasten verdrijven. Zich uithongeren. Ten einde vasten. — uitvosr*'!!, bw. Vegende reinigen. Uitwisschen (van de oo-en). lem.den mantel uitvegen .hem scherp erispen. Ow. Ten einde vegen. Uitveeg-set, o. (-s). — iiitycilcu, bw. Bij veiling aanbieden. Uitveiling, v. — uilvouen, bw. Venende uitgraven. Uitvemng, v. (-en). — isitveiitvn, bw. Rondloopende, te koop aanbied» n. Uitventer, m. (-s). Uitventing, v. Uitventster(-s).— ult--vorlialon, bw. Uitvertellen. — uitvci*-l£«»oi»«'ii, bw. ow. Alles verkoopen. Uitverkoop, m. Uitverkooper, m. (-s). Uitverkoopster, v. (-s).

uil verkoren, bn. Verkozen (boven). Uitgelezen. — Uitverkorene, m. en v. (-n). Geliefde. Gunsteling. De uitverkorenen : de gelukzaligen.

uitvcrtollcii, bw. Vertellende mede-deelen. Ow. Ten einde vertellen. — «it-verzoolsen, bw. Uitnoodigen. — uit-vetrren, bw. Scherp berispen. Uilvete-ring, v. (-en). — uilvczelen, bw. ow. (zijn) Uitrafelen. — uitviercu, bw. (Een touw) Naar buiten vieren. Om eene verkoudheid uitte vieren, moet men zich warm houden. Uityie* ing, v. — niivUlon, bw. Met eene vijl wegnemen, uithollen. Uitvif-litig, v. — uil vindon, bw. Iets, dat nog niet bestaat vinden. Volgens eene nieuwe wijze bewerken. Verzinnen, uitdenken. Hij heeft l et buskruit niet uitgevonden : hij is niet al te slim. Uitvinder, m. (-s). Uitvinding, v. (-en). Uitvindsel, o. (-s, -en).Wat uitgevonden is. Verzinsel. Uitvindster, v. ( s). — iiilviMHClien, bw. Door visschen ledigen. — ulivlakken, bw. Uitwisschen. Door vlakken onleesbaar maken. — nitvliogfon, ow. (zijn^ Vliegende zich verwijderen. Heinest verlaten. Zich heen-spoeden. Bw. Vliegende uitdooven. Uit-vlieger, m. ( s). — uil vlielen, ow. (zijn) Vlietende heensnellen. — uitvloeien,

— UITW

ow. (zijn) Vloeiende zich ledigen. Ten einde vloeien. Voortkomen (uit). Verspreiden. Uitz'lreitng, v. Uitvloeisel, o. (-s, -en). — uitvluolilon, ow. (zijn) Wegvluchten. Uitvlucht, v. (-en). Het uitvliegen. Plaats, waardoor men ontkomt. Plaats, waar men zich vermaakshalve heen begeeft. Valsche verontschuldiging. Verzinsel. — uitvoeren, bw. Buitenslands voeren. Uitwerken, volbrengen. Uitvoerende macht, zie Macht. Uitvoer, m. (-en). Het uitvoeren. Het uitgevoerde. Ten uitvoer brengen : bewerken. Uitvoerbaar, bn. Uitvoerbaarheid, v. UitToerder, m. (-s). Uitvoerig, bn. bijw. Breedvoerig. Omstandig. Uitvoerigheid, v. Uiivoeriglijk, bijw. Uitvoering, v. (-en). Uitvoer lijk, bn. Uitvoerlykheid, v. Uitvoerrecht, o. (-en). Uitvoerster, v. (-s). — uitvorsclien, bw. Door navorschingen, enz. aan den dag brengen. Ui tv orsc hing, v. — uitvo uiven, bw. Ontvouwen. — uitvra-ifen, bw. Door vragen aan den dag brengen. Trachten alles te weten. Ow. (zijn) Teneinde vragen. Hij is Leden uitgevraagd, uitgenoodigd. Uitvrager, m. (-s). Uit-r.'f aakster, v. ( s). Uttvraging, v. (-en),

— uitvreton, bw. Vretende ledigen, uithollen. Wegbijten. Verteren. Uitvreting, v. — nit«'i-llt;'zen, eenpw. Ten einde vriezen. Ow. (zijn) Vriezende zuiveren, verjagen. — uitivaalen, eenpw. Ten einde waaien. Ow. (zijn) Door den wind uitgerukt worden. Door waaien uitblus-schen. Wapperen.

uit waart», bijw. Buitenwaarts. — Uit' waartsch, bn.

uitivaken, ow. (hebben, zijn) Ten einde waken. Niet meer kunnen waken. — ultwantlelen, bw. Ten einde wandelen. Wandelende verlaten. Door wandelen verdrijven. Ow. (zijn) Zich wandelende verpoozen. — uitivannen, bw. Met eene wan zuiveren, ledigen. — uitivase-men, bw. ow. In wasem opstijgen, verdampen. Uitwaseming, v. (-en). — ult-^vasNelieu, bw. Door wasschen zuiveren. Uituassching, v. (-en). — ultivas-»en, ow. (zijn) Opgroeien. Opschitten. Uitwas, o. (-sen). Alles, wat buiten of uit iets groeit. — uitwateren, ow. (hebben, zijn) Zijn water loozen. Uitloopen (van rivieren). Uitwatering, v. (-en). Uitwateringssluis, v. (-en). — nitiveekon, Lw. Weekende losmaken, uitdrijven. Ow. (zijn) Verweeken. Uitweeking, v. (-en).— uitiveenen, bw. Weenende laten vloeien. Door weenen als 't ware verliezen : zijne oogen uitweenen. Door weenen als 't ware uitbrengen : zijne droefheid uitweenen. Ow. Ten einde weenen. — uitwegen, bw. In 't klein verkoopen. Ow. Opleveren : die koffie weegt goed uit. — uitwegen, ow. Eenen uitweg hebben. Uitweg, m. (-en). Weg om ergens uit te geraken. Middel om zich uit eene verlegenheid te redden. Uitvlucht. Uitkomst. — uitweiden, ow. Wijdloopig zijn. Uit-weiding, v. (-en).

ultwi*n«!i£r, bn. bijw. Van buiten. Uiterlijk. — Uitwendigheid, v. — Uitwen-digi ijk, bijw.


ocr page 886

UITZ — 8

nltwerken, bw. Bewerken. Gedaan snaken. Berekenen. Oplossen. Ow. Ten einde werken. Uitwerker, m. (-s). Uilwer-king, v. (-en). Gevolg. Invloed. Uitwerksel, o. (-s, -en). Uitwerkster v. (-s). — uitwerpen, bw. Werpende verwijderen. Wegjagen. Nederlaten. Braken, spuwen. Overboord werpen. Zijn anker uitwerpen : zich ergens vestigen. Uitwerping, v. Uitwerpsel, o. (-s,f-en). — «It-wleden, bw. Wiedende uithalen, zuiveren. — uit wil kon, ow. (zijn) Buitenwaarts wijken. Zich in vrijwillige ballingschap begeven. Uitwykeling, m. en v. (-en). Uitwijkelinge, v. (-n). Uitwijking, v. — nitwtlzen, bw. Door een teeken gebieden uit te gaan. Aan den dag brengen. Op eene beslissende wijze aanti onen. Zich uitwijzen, ww. Blijken . Uitix ijzing, v. — uitwinden, bw. Uitbijschen. Ontrollen. — uitwinnen, bw. Sparen.Voor-deel verwerven. Uitwinning, v. (-en).— uitwippen, bw. (Zeew.) Overboord zetten (met den wiptakel). Ow. (zijn) Snel verlaten. — uitwi«Kelien, bw. Door wis-schen reinigen, zuiveren. Afvegen. Uitwisse hing, v.— uitwisselen, bw. Bij wisseling overgeven. Uitwisseling,v. (-en). — nitwit ten, bw. Door witten doen verdwijnen. Geheel witten. — uitwoeden, ow. Ten einde woeden. Bedaren. — uit woekeren, bw. Door woeker verkrijgen.— uitwonen, bw. Door bewoning beschadigen. Niet in het ouderlijk huis wonen. — uitworteien, bw. Ontwortelen. — nitwrü ven, bw. Door wrijven wegnemen, reinigen. — uitwringen, bw. Door wringen van vocht ontlasten.— uitwroeten, bw. Door wroeten uitbrengen, zuiveren. — ultxnaien, bw. Zaaiende gebruiken. Uitzaaiing, v. — uitznjfen, bw. Door eene zaag wegnemen, uithalen. Ow. Ten einde zagen. — uitzakken, ow. (zijn) Zich zakkende verplaatsen. Uitzakking, v. (-en). - uitzee-men, bw. Zeemende reinigen. — uit-zescen, bw. Uitspreken. — uitzeilen, ow. (hebben, zijn) Wegzeilen. Voorbijzei-len. Vrij van elkander zeilen. Het eerst zeilen. Uitzeiling, v. — uitzenden, bw. Naar buiten zenden. (Om boodschappen) afzenden. Uitzending, v. (-en). — uitzetten, bw. Puiten zetten. Wegjagen. Plaatsen op interest. Vergrooten, uitbreiden. Uithuwelijken. Laken, vitten. Ow. (zijn) Zwellen, rijzen. Dik worden (van nienschen). Uitwijken (van muren, enz.). Uitzet, m. Soort van licht bier. Uitzet, o. (-ten). Voorraad van kleederen, enz. welken men iem. geefi, als men hem aan zich zeiven overlaat. Toerusting. Gave. Barsch antwoord. Uitzetbaar, bn. Uitzctbnar-heid, v. Uitzet ijzer, o. (-s). Uitzctsel, o. (-s^. Uitzettend, bn. Uitzetting, v. ( en). Uitzettingsdeoeet, o. (..eten). — uitxie-den, ow. Uitkoken. — uitzieken, ow. Doorziekte verzwakken. Door ziekte gezuiverd worden. — uitzien, bw. Met sterke inspanning zien : zijne oogen uitzien. Ow. Naar buiten zien. Het uitzicht hebben. Gelijken. Zoeken. Wachten. Het ziet er uit ('t schijnt) alsof het zou regenen.

6 — UNIE

Uitzicht, o. (-en). Het uitzien. Vergezicht, verschiet. Vooruitzicht. Verwachting. Uitzien, o. Schijn. Voorkomen. Uitzicht. — uitzitten, uw. Door ziften zuiveren. Nauwkeurig beoordeelen. Uit zifter, m. (-s). Uitzij ting, v. Uitzij tsel, o. Uitziftster, v. (-s). — uitzjJsren, bw. Zijgende ledigen. Ow. (zijn) Zijgende ledigf worden. — uitzlnsren, bw. ow. Ten einde zingen.

nitzlnnisr, bn. bijw. Ontzind. Van zinnen beroofd. Onbesuisd. — Uitzinnigheid, v.

uitzitten, bw. Tot het einde toe zitten : zijnen tijd uitzitten (in de gevangenis). Ow. Laat uitblijven. — uitzoeken, bw. Het beste zoeken. Uitkiezen. Uit zoeker, ra. (-s). Uitzoeking, v. (-en). Uit-zofkster, v. (-s). — uitzonderen, bw. Afzonderen. Uitnemen. Boven anderen verkiezen. Uitzondering, v. (-en). — ult-znigen, bw. Doorzuigen ledigen. Alles afnemen. Afpersen. Uitzuiger, m. (-s). Uitzuiging, v. Uitzuigiter, v. (-s). — uitzuliii^en, bw. Dcor zuinigheid vergaren. Uitzuiniging, v. (-en). — nifzui-peu, bw. Zuipende ledigen. — uitzuiveren, bw. Inwendig zuiveren. — uit-zuren, ow. (hebben, zijn) Tt-n einde zuren.— uitzwnvelen, bw. Zwavelende zuiveren. Uitzw ave ling, v. — ui tz wee-pen, bw. Door eene zweep verjagen. — iiitzweeton, bw. Zweetende verdrijven,, uitwasemen. Dit zal hij moeten uitzwee-ten : dit zal hem duur betaald gr zet worden. Ow. Zweetende gezuiverd worden. Uitzweeting, v. — nitzwellen, ow. (zijn) Naar buiten zwellen. Ten einde zwei-lep. — uil zwemmen, ow. (hebben, zijn) Naar buiten zwemmen. Het eerst zwemmen. — uitzweren, ow. (hebben, zijn) Zwerende zuiveren. Ten einde zweren. Uitzwering, v. — ultzwetsen, ow. bw. Uitbabbelen.

ukuze, v. (-n). Keizerlijk bevelschrift (Rusland).

ulasin, m. (..anen). Duitsch lansier, ulevel, v. (-len). Zeker suikergoede Caramel. — UlevellePapiertje, o. (-s).

Xlltllsis, 311-381. Bisschop der Gothen. Zie Gothisch.

171ft (y. van der), i627-i688(?), Gorin-chem. Landschapschilder.

ulster, m. ( s). Overjas, die met eenen band om het midden sluit.

ultimatum, o. Laaiste besluit. Laatste verklaring of aanzegging.

ultra, bn. bijw. Verder, aan gene zijde, aan den overkant. Overdreven. — Ultra, ra. (-'s). Aanhanger eener partij, die alles tot het uiterste wil drijven. — Ultrama-rijn, o. Bc rgblauw. Soort van zeegroen. — Ultramontaan, ra. (..anen). .Pausgezinde. — Ultraniontaansch, bn.

unaniem, bn. Eenstemmig. Eenparig Eensgezind. — Unanimiteit,v.

IJiigrer J. H. IV.), 1861, 's Graven-hage. Archivaris (Rotterdam). Letterkundige. Bibliographie van Vondels werken (iSSB); de Regeering van Rotterdantf 1328-1892 (x8q3).

unie, v. (-s). Verbond. Vereeniging^


ocr page 887
ocr page 888
ocr page 889

_ 817 -

VAAR

VAAN

Unie van Utrecht : verbond tusschen de provinciën van Nederland tegen Spanje (I5quot;9)- , „

uniek, bn. bxjw. Eenig. Merkwaardig.

nnifonn, bn. Gelijkvormig. Eentonig. — Uniform, v. (-en). Dienstkleedij. Dienst-gewaad. — Untformiteif, v.

universeel, bn. Algemeen. Allesomvattend.

universiteit, v. (-en). Hocgeschool. Staats-Hoogescholen : Gent, Luik. Vrije Hoogescholen : Leuven. Brussel. Rijksuniversiteiten : Leiden, Utrecht, Groningen. Gemeente-universiteit : Amsterdam, unjor, v. Akkerpaardestaart.

unster, v. (-s). Weegtoestel met ongelijke armen. De kortere arm dient om den last aan te hangen. Langs den lange-ren arm kan een gewicht verschoven worden.

Uranu»,m;Planeet (ontdektdoor Her-schell, 1781). Zie Maan.

urgent, bn. Dringend. Haastig. Spoed-eischend. — Urgentie, v.

urmen, ow urmde, heeftgeürmd.Tobben.

urne, v. (-n), nrn, v. (-en). Kruik, bus. Waterkruik. Lijkbus. Stembus.

usantie, v. (..iën, -s). usance, v. (-s). Gewoonte. Handelsgebruik.

uso.o. Hande'sgebruik. Wisselgebruik, usurpeeren, bw. usurpeerde, heeft geüsurpeerd. Overweldigen. Zich weder-

v. (v's), 22® letter van het alphabet, vansr, v. Vettigheid, weligheid van den grond. Bloei, jeugdigheid. — Vaagrecht, o. Recht op schadeloosstelling voor de vaag van een stuk land.

vaag, bn. Onbestemd. Onbepaald. Onzeker. — Vaagheid, v.

vaag, bn. bijw. Onbebouwd (van landen).

vaagsel, o. (-s). Uitvaagsel.

vaak, m. Geneigdheid tot slapen, vaak, bijw. Dikwijls.

vaal, bn. bijw. Licht roodachtig bruin. Ontkleurd. — Vaalachtigy bn. — Vaal-£0«/, bn.— Vaalbruin,\iXi.— Vaalgeel, bn. — Vaalgroen, bn. — Vaalheid, v. vaalt, v. (-en). Mestput. Mestkuil. vaam, m. env. (..amen).Vadem, vaan, v. (..anen). Stuk doek, enz., dat boven aan eene steng vastgemaakt, daarvan afwappert. (Eert.) Kriigslieden, onder éene vaan optrekkende. De vaan des op-stands planten : opstand verwekken. Ijzeren windwijzer. Maat van vloeistoffen = 4 mengel. — Vaandrager, vaandrig, m. (-s). — Vaandrigsplaats, v. (-en). — Vaanleen, o. (-en). (Middel.) Leen, dat iem. door het overreiken eener vaan werd gegeven. — Vaanstaart, m. (-en).

vaandel, o. (-s, -en). Vlag (met de steng). (Eert.) Krijgslieden, onder een vaandel optrekkende. Zekere hoeveelheid :

rechtfrlijk aanmatigen of toeeigenen. — Usurpatie, v. (..iën, -s).

ut, v. (-s). Eerste toon der toonschaal, utiliseeren, bw. utiliseerde, heeft ge-utiliseerd. Benuttigen. Ten nutte maken. Voordeelig aanwenden. — Utiliteit, v. — Utiliteitsbeginsel, o.

utopie, v. (-ën). Hersenschim. — Utopist,™. (-en).

Utrecbit. Provincie (Nederland). Arr.: Utrecbt, Amersfoort. Hoofdpl. Utrecht.

Utreclit [A. van), 1599-1651, Antwerpen. Genreschilder.

uur, o. (uren), ure, v. (-n). Tijdmaat t= 60 minuten. Het laatste uur (des levens). Eene uur gaans, rijdens, enz. : die stad is eene uur van hier. Alle uur : cm het uur. Te goeder ure, te kwader ure : op het geschikt of ongeschikt oogenblik. — Uur-aanzvjjzer, m. (-s). — Unrbloem, v. (-en). Bloem, die slechts een uur bloeit. — Uurbord, o. (-en). — Uurglas, o. (..zen). — Uurhoek, m. (-en). Den uurhoek, den tijd op zee berekenen. — Uur klok, v. (-ken). — Uurlooper, m. (-s). — Uurplaat, v. (..aten).— Uurwerk, o. (-en), werktuig tot aanwijzing van den tijd. — Uurwerkmaker, m. ( s). — Uurwijzer, m. (-s).

uw, bezitt. bn. (2® pers.). De uwen : vrouw, kinderen, bloedverwanten, enz.— Ten uw ent, bijw. uitdr. In, aan uw huis. — Uwenthalve, uwentwege,hi}TN. Om uwentwil, ten uwen nutte. — Om uwentwil, bijw. uitdr. Ter wille van u.

een vaandel haring. — Vaandeldrager, m. (-s). — Vaandelpeloton, o. (-s). — Vaandelschoen, m. (-en). — Vaa?idel-standaard, m. (-en). — Vaandelstok, m. (-ken).

vaar, ra. Vrees, angst : zonder vaar noch vrees.

vaaraal, m. (..alen). Aalsoort, vaarbaar, bn. Bevaarbaar. Gunstig voor het varen. — Vaarbaarheid, v. — Vaar beurt, v. (-en). — Vaar der, m. (-s). — Vaartuig, o. (-en). Schip. Schuit. — Vaarwater, o. (-s, -en). Water, waarin men vaart. Een gevaarlijk vaarwater : eene netelige zaak. Uit het vaarwater geraken : van zijn onderwerp afdwalen. Blijf in dit vaarwater : ga op die wijze voort. — Vaarweg, m. (-en).

vaardig, bn. bijw. Snel van beweging en werkzaamheid. Vlug, behendig, bedreven. Gereed, bereid. Gewillig.— Vaardigheid, v. — Vaardiglyk, bijw.

vaars, v. (..zen), vaarkoe, v. (-ien). Jonge koe.

vaarseliroef, v. (..ven). Spil, die in de moerschroef draait.

vaart, v. (-en). Het varen. Koers. Doorgang. Gracht. Kanaal. Tocht, reis, weg. Voortgang, spoed, snelheid.

vaarwel! tw. o. Heilwensch tot afscheid. — Vaarwelzeggen, ow. zeido vaarwel, heeft vaarwelgezegd, ..gezeid. Af-


ocr page 890

VADE — S

scheid nemen. lem. of iets vaarwelzeggen, or van afzien.

raas, v. (..azen). Min of meer keurig gewerkte pot, enz., gewoonlijk tot versiering dienende. — Vaasvomtig, bn. , vaatdoek, m. (-en). Wischdoek (voor vaatwerk, enz.). Morsig wijf. — Vaatgrld, o. Tonnengeld. — Vaatgestel, o. (-len). — Vaathout, o. Duighout. — Vaaisch, bn. Naar het vat smakende. — Vaafschhetd, v. — Vaatstelsel, o. (Ontl.) Verzameling van buizen, die vertakt en naar buiten geheel afgesloten zijn. — Vaatwater, o. — Vaatwerk, o. Allerlei vaten. Dischge-reedschap, schotels, borden, enz.

vacant, bn. Ledifj, onbezet, openstaande. Vacante erfenis : erfenis, die nog niemand geëischt heeft. — Vacatuur, vacature, v. (..uren, ..ures). Het onbezet zijn van eene bediening. Onvervulde, openstaande plaats

vacanlie, v. (..iën, -s). Rusttijd. Verlof. Schoolverlof.— VacantieJag, m. (-en).

— Va can tie in a and, v. (-en).— Vacaii-Jiereis, v. (..zen). — Vacantietyd, m.

(-en). — Vacantieweek, v. (..eken). — Vacant tewerk, o.

vacatie, v. (..iën, -s). Tijd en arbeid aan iets besteed. Zitting. Dienstvervulling.

— Vacatiegeld, o. (-en).

vaccinc, v. Koepokstof. Koepok-inenting. — Vaccineeren, bw. vaccineerde, heeft gevaccineerd. De pokken zetten, enten. — Vaccinatie, v. (..iën, -s).

vaceercu, ow. vaceerde, heeft gevaceerd. Zitting houden. Open, onbezet zijn. _ vacht, v. (-en). Huid met de wol er op (inz. van schapen).

Vaddcr {L. de), i6..(?)-i655, Brussel. Landschapschilder.

vadem, m. en v. (-en). Zooveel iem. met de uitgestrekte armen afmeten kan. Zekere lengtemaat. — Vademen, bw. vademde, heeft gevademd. Met den vadem meten, verlroopen. — Vademing, v. — Vademhi ut, o.

vadcmcctim, o. (-s). Zakboekje. Handboekje.

vader, in. (-s). De man, ten aanzien van zijn kind of kinderen. Opzichter van een liefdadigheidsgesticht.Ontwerper,voorganger : van Maerlant is de vader der Dietsche dichters, (-en) Voorouders. God de Vader : de i® Persoon der h. Drieëen-heid. Het Onze Vader. De hemelsche Vader. — Vaderachttg, bn. bijw. Vaderlijk.

— Vaderhart, o. (-en). — Vader/tuis, o. (..zen). — Vaderland, o. Geboorteland.

— Vaderlander, m. (-s). Minnaar van zijn geboorteland. — Vaderlandlievend, bn.

— V aderlandminuend, bn. — Va der-landsch, bn. — Vaderlandschgezind, bn.

— Vaderlandsch^ezind/ieid, v. — Vaderlands Heflt;.te, v. — Va der tan dsm in, v.

— Vaderlandsminnaar, m, (-s). — Vaderlief, m. Lieve vader, (-s) Soort van slaapmuts. — Vaderliefde, v. — Vaderlijk, bn. bijw. Van den vader. Als een vader. — Vaderloos, bn. — Vadermoord, m. (-en). — Vadermoorder, m. (-s). — Vadermoot dster, v. (-s).— Vadermoor-denares, v. (-sen). — Vadernaam, m. —

8 — VAL

Vaderons, o. (..zen). Onze Vader. — Vaderplicht, m. en v. (-en).— Vaderschap, O. — Vaderstad, v. — Vadervreugd, v.

— Va der vriend, m. (-en).— Vaderzegen, ra. — Vadet zorg, v. (-en).

vadsig-, bn. bijw. Loom. Traag. Achteloos. Lui. — Vadsigheid, v.

vagebond, ra. (-en). Landlooper.

vagen, bw vaagde, heeft gevaagd. Vegen.

vagevuur, o. « Eene plaats onder de aarde, in dewelke de zielen der geloovigen door het vuur en andere pijnen gezuiverd worden van al hunne zonden en schulden ».

Taillant {IV.), 1623-1677, Kijsel. VI. portretschilder.

vak, o. (-ken). Ledige ruimte. Afdee-ling in eene kast. Tak van wetenschap. Beroep. Middel van bestaan. — Vakgeleerde, m. (-n). — Vakgenoot, m. en v. (-en).— Vakgenoote, v. (-n).— Vakver-eeniging, v. (-en). — Vakzoldering, v. (-en). Zoldt ring in vakken.

vakeloos, bn. Slapeloos.— Vakerig, bn. Geneigd tot slapen. — Vakerigheid, v.

val, ra. (-len). Het vallen. De val der lichamen wordt veroorzaakt door de aantrekkingskracht der aarde. Nederstorting, tuimeling. Richting der bloemen, die het onderstboven staan op stoffegoed. Zedelijk verderf. Tegenspoed, ongeluk. Het tot zonde komen : Adams val. — Val, v. (-len). Afhangend strookje aan eenen schoorsteen, eenen bedhemel, enz. Knip om muizen, vogels, enz. te vangen. Neervallend deurtje. — Val, o. (-len). (Zeew.) Lijn, dienende om gaffels, raas, enz. op te hijschen.

— Valavond, m. Avondschemering. — Valbijl, v. (-en).— Valblind, o. (-en).— Valblok, o. en ra. (-ken, -s). (Zeew.) Hijschblok. — Valbrug, v. ( gen).— Val-deur, v. (-en). — Valduif, v. (..ven). Wilde duif. — Valgordyn, o. (-en). — Valhek, o. (-ken). — Valhoed, m. (-en). — Valk lep, v. (-pen). Pompklep. — Vallen, viel, is gevallen. Ow. Door eigen zwaarte plotseling nederwaarts gedreven worden. Van eene hoogte naar beneden komen. Struikelen. Sneuvelen. In onmacht vallen : bezwijmen. In duigen vallen. Iem. om den hals vallen, hem omhelzen. In de loting vallen : soldaat moeten worden voor zijn lot. Tot last zijn : het spreken valt hem moeilijk. Tot zonde komen : toen Adam viel. Die staat zie toe dat hij niet valle : men vertrouwe niet te veel op zijn geluk. In de asch vallen : mislukken. Met vallen en opstaan komt men door de wereld. Bw. Door vallen veroorzaken : hij viel een gat in zijn hoofd. — Vallend, Dn. Vallende ziekte : zenuwziekte. Kenmerken : plotseling verlies van het bewustzijn en het gevoel, gepaard met algemeene stuiptrekkingen, die enkele seconden aanhouden en gevolgd door krampen van de willekeurig© spieren. Na den aanval volgt slaapzucht en uitputting. Bij vallend water : bij de eb. Vallende ster : klein hemellichaam, dat wij maar ontwaren als het bliksemsnel door den dampkring vliegend, erin ontvlamt.— Valletje, o. ( s). — Vallicht, o. (-en). Licht, dat van boven invalt. — Valling, v.


ocr page 891

VAMP — 8

Het vallen. Ligging, strekking eener kust. (Zeew.) Hellende stand van den achtersteven. — Valluik, o. (-en). — Valmuur, m. (. uren). — Va Ine f, o. (-ten). — Val-poort, v. (-en). Vestingpoortje. (Zeew.) Luik, dat de geschutspoorten sluit. — Valreep, m. (-en). (Zeew.) Alhangend touw aan trap of ladder. Plaats, waar men open afstijgt. — Valscherm, o. en m. (-en). Toestel, waarmede de luchtreizigers behouden naar beneden kunnen komen. Zie Luchtbal. — Valse/tuf, o. (-ten). Valscherm. — Valslot, o. (-en). — Valstrik, m. (-ken). Strik of knip om dieren te van-

fen. Loos opzet. List. —en. Loos opzet. List. — Valtyd, ra. (Der

laderen). — Valtouw, o. en v. (-en). — Valvenster, o. en v. (-s). — Valwind, ra. (-en). Wervelwind.

Tale! Vaarwel!

Talcrisisin, v. Plantengeslacht tot de valeriaanachtigen behoorende. De gemee-ne of wtlde valeriaan {Valeriana officinalis) bloeit in ]uni en Juli. Wordt als geneesmiddel gebruikt. Tinctuur uit Valeriaan getrokken. — Valeriaanachtigen, v. mv. Plantenfamilie. Twee geslachten komen bij ons voor : de valeriaan en de veldsalade. — Valeriaanwortel, ra. (-s).

valcur, v. (-s). Waarde. Waardij.

Talidceren, bw. ow. valideerde,heeft gevalideerd. Geldig verklaren. Bekrachtigen. In rekening brengen.— Validatie, v. — Validiteit, v.

valies, o. (..zen). Reiszak.

Talk, m. (-en). Dagroofvogel (falcóS, zeer geschikt tot de jacht. — Valkeblik, ra. (-ken). — Valkenei, o. (-eren).— Val-kenet, v. ( ten). Soort van duif. (Eert.) Soort van geschut. — Valkenhof, ra. (..ven). Werd door Karei den Groote te Nijraegera gesticht. — Valkenier, nu (-en, -s). lem. die valken africht tot de jacht. (Eert.) lem., die de valken vasthield op de jacht.— Valkeniershandschoen, m. (-en).

— Valkenierstasch, v. (..sschen). — Valkenjacht, v. (-en). — Valkenjager, ra. (-s). — Valkenkap, v. (-pen). — Valkenoog, o. en v. (-en). — Valkenvlucht, v. — Valkerif, v. Valkenvangst. Kunst om valken af te richten, (-en) Huis, waar valken worden gehouden. — Valkeveer, v. (-en).

Valkenbor^li (Z. van), 1540-X625, Mechelen. Landschapschilder.

Tallel, v. (-en). Laagte tusschen bergen. Dal.

Tailinsr^ v. (-en). Ontsteking van het slijmvlies der keel. Verkoudheid (inz. in bet hoofd).

Talor, zie Valeur.

TalMeli, bn. bijw. Onecht, nagemaakt. Anders dan 't schijnt. Geveinsd. Omgekocht. Ongegrond. Toornig. Tegen de re-

gelen der muziek. —elen der muziek. — Valschaard, m. (-s).

reveinsd mensch. — Valse he lijk, bijw. Op valsche wijze. — Valscherik, m. (-en). Valschaard. — Valschhart, m. en v. (-en).

— Valschhartig, bn. — Valschhartig-heid, v. — Valschheid, v. (. heden). — VaIschtongig, bn. — Valschtongigheid, v.

Taluta, v. (-'s). Waarde (in papier, wissels, enz.).

Tam pier, m. (-s). Geslacht van vle-

9 — VANI

derrauiren (My/05/owrt),dieslapenderaen-schen en dieren verwonden en dooi do wond bloed uitzuigen (Suriname en Brazilië). Zeker bloedzuigend spook.

Tan, vz. Van (dezen) avond. Sedert : van dien tijd. Voortaan : van nu (af) aan. Van ter zijde : ter zijde. Van oudsher : van oude tijden. Van rechtswege : naar, volgens recht. Een man van zeventig jaar. Klein van gestalte. Traag van gang. Een man van talent. lem. van vermogen. Van tafel opstaan. Van huis gaan. Van het paard stijgen. Van Frankrijk komen. Van peslacht tot geslacht. Van eeuw tot eeuw. Van plaats tot plaats. Drukt de stof uit: van goud, van zilver, enz.

Tan,m. (-nen). Geslachtsnaam.

TaiKlaag:, bijw. Heden.

Vandaal, ra. (..alen). Vandalen : Duitsch-Gothischen volksstam, die Europa te vuur en t*1 zwaard afliep (V® eeuw). Woestaard. Vernieler. — Vandalisme, o. Ruwheid der Vandalen. Kunstverwoes-ting.

Tandaan, bijw. Van eene aangewezene plaats : ik kom er vandaan.

Tandaar, bijw. Van eene aangewezen plaats. Om die reden.

Tande(i*)liand»eli, bn. Van de hand af.

Taneen, bijw. Niet aan elkander. Uiteen. In stukken. — Taneenbaraten, ..bersten (Sch.), ow. (zijn). — Tan-eenrüten (Sch.), bw. — Tancenruk-ken (Sch.), bw. — TaneenNeiieiden (Sch.),bw. — TaneenMlt;*lieuren (Sch.), bw. ow. (zijn). — TaneensplUten (Sch.), bw. ow. (zijn).— Taneensprin-gen (Sch.), ow. (zijn).

Tang:, v. (-en). Rem eener machine. Klem van eenen windmolen. Vleezig deel van de dij van een rund.

Tanden, bw. ving, heeft gevangen. Vatten, grijpen. Pakken en vastzetten (eenen vluchteling, enz.). In zijnen voortgang stuiten. Bemeesteren, bemachtigen, lera. vangen, betrappen. Zich laten vangen, bedriegen. lem. in zijn eigen net vangen, door zijn eigen woorden overtuigen

— Vang, ra. Vangst. — Vangarm, ra. (-en). — Vangband, ra. (-en). — Vang-boom, m. (-en). — Vangbord, o. (-en).— Vangdatn, ra. (-men). — Vangdraad, ra. (..aden). — Vanger, ra. (-s). — Vangertje, o. (-s).— Vanghaak, ra. (..aken). — Vang-ijzer,o. (-s).— Vanglijn, v. (-en). (Zeew.).

— Pangrad, o. (-eren). — Vangst, v. (-en). Het vangen. Vischvangst. — Vang-ster, v. (-s). — Vangstok, ra. (-ken). — Vangtouw, o. en v. (-en). — Vangwatert o. — Vangwiel, o. (-en).

Tanbier, bijw. Van deze plaats. Om deze reden.

Tanlel.fe, v. Klimplant [vanilla aroma tica), tot de standelkruiden behoorende. Levert een geurige specerij op. (Z.-Araerika, Java). — Vanieljeboom, ra. (-en). — Vaniel/echocolade, v.— Van iel-jeys, o. — Van te Ije li keur, v. — Vaniel-jeolie, v. — Vanieljrplant, v. (-en». — Vanieljepoeder. o. — Vaniefjeroom, m.

— Va nieljestokje, o. (-s).


ocr page 892

VARK ~ 8:

Tauiteit, v. IJdelheid.

TsiituioiitVH, bijw. Opnieuw. — vanouds, bijw. Sedert lang, •—vanwaar, bijw. Van welke plaats.v ^ilke reden.

— vanwege, bijw. Aae^jtinde. Nopens. Uithoofde (van). — vanzelf, vauzel-ve, bijw. Natuurlijk : dat spreekt vanzelf.

Vniinueei (P.), 1446-1524, Castello della Pieve. = Perugino. It. schilder. Een der meesters van Raphael.

var, m. ( ren). Jonge stier. Mannelijk zwijn.

varen, v. (-s). Varens : familie van overblijvende planten, tot de cryptogamen behoorende. — Varenbed, o. (-den). — Varr?tkruidt o. — Varenkussen, o. (-s).

— Varenmos, o.

varen, ow. voer, heeft en is gevaren. Vooruitkomen op het water. Met een vaartuig ergens heen gaan. Als matroos varen, die: st dotn. Rijzen : ten hemel varen. Nederdalen ; ter helle varen. Zich wel of kwalijk bevinden : hoe vaart gij ? Iets laten varen, er van afzien. Waar is miin boek gevaren : waar is mijn boek te vinden? De duivel is in hem gevaren : hij is van den duivlt;l bezeten. Bij den wal varen : niets wagen. — Varensgast, m. (-en).— Varensgezel, m. (-len). — Var en sm an t ra. (..lieden, ..lui). — Var en st yd, m. — Varensvolk, o.

varen, eenpw. vaarde, heeft gevaard. Vreemd voorkomen. Een wonderen indruk maken. Een zonderling gevoel van lust of onlust verwekken : 't zal u varen, als gij in de stad zult wonen.

varia, v. mv. Allerlei mengelingen._ variant, v. (-en). Verschillende lezing (van eenen tekst).

varina», v. Soort van tabak, varioiiden, v. vm. Zie Pokken, varken, o. (-s). Zeker veelhoevig zoogdier (5«5 dotnesiiens). Wordt om zijn vleesch en spek geslacht. Wild varken : ■s Schrobber. Hand stoffer. (Zeew.)

Groot watervat. (Molen) Klein tandrad. (Timm.) Diepe grondschaaf. Morsig, liederlijk mensch. — Varkenachtig, bn. bijw. — Varkenen, bw. varkende, heeft gevark'-nd. Met den (scheeps)schrobber schoonmaken. — Varkensbak, m. (-ken).

— Varkensborstel, ra. (-s). — Varkensbrood, o. Brood voor varkens. Plant (ry-clamen europaemn). Hare wortels worden door de varkens gegeten. — Varkensdra/, ra. — Varkensdry ver, ra. (-s). — Varkensfokker, ra. (-s). — Varkensfok-kery, v. (-en). — Varkens?* as, o. Soort van duizendknoopavicularé).

— Varkenshaar, o. — Varkenshok, o. (-ken). — Varkenshuid, v. (-en). — Varkenskarbonade, v. (-^). — Varkenskers, v. Plantengeslacht (coronopus), tot de kruisblot migen behoorende. — Varkensklaver, v. Beemdkiavcr. — Varkenskoo-per, ra. (-s). — Varkenskop, m. (-pen). —

Varkenskost, ra. — Varkenskot, o. (-ten).

— Varkenskrap, v. (-pen). Varkenskarbonade. — Vm kenslefdjer, o. — Var-kensniaag,\. (..agen).— Varkensmarkt, v. (-en). — Varkensoog, o. en v. (-en).—

! Varkensoor, o. en v. (-en). — Varkens-

gt; — VAST

poot, ra. (-en). — Varkensreuzel, v. Varkensrib, v. (-ben). — Varkensrug, m» (-gen). — Varkensschot, o. ( ten). — Varkensslachter, ra. (-s). — Varkenssla-ger, ra. (-s). — Varkenssnuit, ra. (-en). — Varkensspek, o. — Varkensstaart, ra. (-en). — Varkensstal, ra. (-len). — Var-kenstrog, ra. (-gen). — Varkensvel, o. — Varkensvet, o. — Varkensvleesch, o. — Varkensworst,^, (-en).— Varkensziekte, v. — Varkenszwoord, o.

varaehebalie, zie Verschebalie. vast, bn. Niet los. Niet vloeibaar. Dicht. Samenhangend. Ineengewerkt. Onwrikbaar. Stevig. Onroerend. Standvastig.Eene vaste hand (in 't schrijven, enz.). Vaste, diepe slaap. Vast geld : bepaald inkomen. Vaste piijs : prijs, die niet te verminderen is. Vaste dienstbode : dienstbode, die inwoont. Vast werk : werk, waarop men voor zekeren tijd rekenen kan. Vaste sterren : sterren, die in schijn jegens elkander van plaats niet veranderen. — Vast, bijw. Zeker, stellig, iets vast beloven. Vast slapen : in een diepen slaap zijn. Sterk, hecht : dit huis is vast gebouwd. Intusschen : hij zal vast betalen. — Vastberaden, bn. Standvastig. — Vastberadenheid, v. — Vasteland, o. Zie Land. — Vastelyk, bijw. Zekerlijk. Onfeilbaar. — Vastheid, v. — Vastigheid, v. Vastheid, (..heden) Vast pand. Onroerend goed.

vastbakken (1), ow. (zijn). (In de samengestelde werkw. duidt vast eene aaneenhechting of sluiting zasi).— vastbinden, bw.—vastb]||ven,-ow. (zijn).

— vastboelen, bw. — vastdraaien, bw. — vastdrukken, bw. Zich vast' drukken, ww. — vaslgespen, bw. — vast giet en, bw. — vanl{~r(llgt;en, bw.

— vastgroeien, ow. (zijn). — vasthaken, bw. — vasthebben, bw. Vasthouden. Begrijpen. —vast beeli ten, bw.

— vastbonden, bw. Met de handen aanvatten, opdat het niet valle. Gevangen houden. De ankers houden den muur vast» Zich vasthouden, ww. Vasthoudend, bn. Gierig. Inhalig. Vasthoudendheid, v. — vastkeggen, bw. — vastketenen, bw. —vastklampen, bw. Zich vastklampen, ww. — vastklemmen, bw.

— vastkleven, ow. (zijn). — vastklinken, bw. — vastkïoppen, bw.

— vast kluisteren, bw. — vastk nellen, bw. — vastknevelen, bw. — vaslknoopen, bw. — vastkoppelen, bw. — vastkrulen, ow. (zijn). — vastlakken, bw. — vastleggen, bw.

— vastliggen, ow. — Tastlümen^ bw. — vastloopen, ow. (zijn) (Zeew.) Op strand loopen. Zich vastloopen : loo-pen, totdat men niet verder kan. — vastmaken, bw. — vastmetselen, bw.

— vastnaaien, bw. — vastnagelen, bw. vastnestelen [zich), ww. Vastraken. Zich vestigen. — vastpekken, bw.

— vastplakken, bw. ow. (zijn). —

(1) De samengestelde werkwoorden raet. vastziin scheidbaar.


ocr page 893

VATT — 82

▼a«tpleistcren, bw. — vaatpingr-

gat, bw. — vsiatpratcu, bw. lem. vast-praten, pal zetten. — vast prikken, bw.

— vaNfraken, ow. (zijn) Blijven vastzitten. Stranden. Blijven steken (in eene rede). — vasiredouoerou, bw. Vast-praten. — vastrUdeu, bw. ow. (zijn). — TaHtrUsreu, bw. — vastrocicn, bw.

— vastschrocieu, ow. (hebben, zijn).

— vastsfliroevcn, bw.— vastslaan, bw. —vagtsmeden, bw.— vastsuoo-ren, bw. — vaHtsoIdceren, bw. — vastspelden, bw. — vastspUkeren, bw. — vaststaan, ow. Onbeweeglijk staan. Volharden. — vaststeken, ow.

— vaststellen, bw. Iets vast doen staan. Bepalen : eenen dag vaststellen. Besluiten : de vergadering heeft niets vastgesteld. Vaststellingy v. — vaststikken, bw. — vaststrikken, bw. — vaststn-ren, bw. — vaststiMven, bw. — vast-ti 111 me ren, bw. — vasitrappen, bw.

— vastvaren, ow. (ziji*).—vastvleoli-ten, bw. — vastvriezen, ow. (zijn). — vastwerken, bw.— vastwisreren.bw.

— vastwoelen, bw. — vastivoriolen, ow. (zijn). — vastwringren, bw.

— vastzeilen, bw. Zeilende doea vastraken. üw. (zijn) Zeilende vastraken. — vastzetten, bw. Zoo zetten, dat het vaststaat. Gevangenzetten. lem. vastzetten, in't nauw brengen. — vastzitten, ow. Vastgehecht zijn. In de gevangenis zitten. Gestrand zitten. — vastzwaeli-telen, bw.

vasten, ow. vastte, heeft gevast. Zich geheel of gedeeltelijk onthouden van eten of drinken. « Vasten is zich wachten van ee-nige verboden spijs, en maar eens 's daags xijne nooddruft nemen ». — Vast dag, ra. (-en). Dag, waarop men vast. — Vasten, v. Vastentijd. De veertig dagen vóór Pa-«chen. — Vastenavond, ra. (-en). — Vastenavonden, ow. vastenavondde, heeft ge-vastenavond. — Vastenavondsgek, ra. (-ken). — Vastenavondsvreugd, v. —- Vas-tendvondszotje, o. (-s). Sneeuwklokje.— Vastendag, ra. (-eii). Dag van kerkelijke vasten. — Vastentijd, ra. — Vaster, ra. (-s). — Gastster, v. (-:•).

vat, o. (-en). Alles, wat iets bevatten kan : bord, schotel, pekuipte ton, enz. Vochtmaat = 1 hectoliter. Buis, waarin zich eene vloeistof beweegt (in 't lichaam van menschen, dieren, enz.) : bloedvaten.

— Vatachtig, bn. — Vat binder, ra. (-s). Kuiper. — Vaten, bw. vaatte, heeft gevaat. In of op vaten doen. — Vatenvoas-schen, o. — Vatgeld, o. (-en). Tonnen-

?eld. —eld. — Vat hout, o. — Vatspoelsel, o. — ratv uil, bn. Naar 't vat smakende. Vatieaan, o. Paleis van den Paus (Rome). De Paus. De pauselijke regeering.

Tuttel {E. van), 1714-1767, Couret. Zwitscrsch staatkundige. Droit des gens

vatten, vatte, heeft gevat. Bw. Vastgrijpen met de handen, raet een werktuig, enz. Gevangennemen.Inzetten : eeneschil-derij in eene lijst vatten. Hooren, verstaan : ik heb er niets van gevat. Begrijpen. Op-Idoen : eene verkoudheid vatten. Brgens

i — VEE

post vatten : zich ergens plaatsen. lem. bij den neus vatten, hem verschalken, bedriegen. Vuur en vlam vatten : in brand geraken. Ow. Zich hechten (op) : inkt vat niet op geolied papier. Wortel schieten. Grijpen, klemmen. Het anker vat niet, raakt niet vast.— Vat, m. Het vatten. Greep. Handvat. — Vatbaar, bn. Te vatten. Bevattelijk. Vatbaar zijn voor rede : rede verstaan. Hij is niet vatbaar voor verbetering. — Vatbaarheid, y. — Vatsel, o. (-s). Handvatsel. — Vattelyk, bn. Vatbaar.

Vauban (5quot;. Le Prestrcde), 1633-1707. S1 Léjjer (Bourgondië). Fr. maarschalken ingenieur.

Vaneanson {J. de), 1709-1782, Grenoble. Fr. werktuigkundige.

vaudeville, v. (-s). Blijspel met zang, vazal, m. (-len). Leenman.

Veeelli (T.), 1477-1576, Pieve di Ca-dore. De grootste meester der Venetiaan-sche schilderschool. Lav in ia (1546).

vechten, ow. vocht, heeft gevochten. Strijden. Kampen. — Vechtachtig, bn. — Vechtenderhand, bijw. — Vechteusge-zind, bn. — Vechter, m. (-s).— Vech te rif f v. ( en). — Vechtersbaas, ra. (..azen). — Vechtkunst, v. — Vechthist, ra.— Vechtpartij, v. (-en). — Vechtplaats, v. (-en).

— Vechtster, v. (-5). — Vechtvlag, v. (-gen).

vedel, v. (-s, -en), veel, v. (-en).

(Eert.) Viool. — Vedelaar, ra. (-s).— Vedelen, ow. vedelde, heeft gevedeld. Op de vedel spelen.

veder, v. (-en, -s), veer, v. (-en). Huidbekleedsel der vogels. Vleugel, wiek : veeren bij het teekenen gebruiken. Baard aan eenen pijl. — Vederachtig, bn. — Vederbos, ra. (-sen^. Pluira op eenen helra. — Veder distel,Plantengeslacht {cirsium)% tot desaraengesteldbloemigen behoorende.

— Vederloos, bn. — Vedervormig, bn.— Vederwolk, v. (-en). Zie wolk.

vedette, v. (-n, -s). Ruiterwacht. Uiterste post.

vee, 0. De redelooze dieren, inz. de tamme viervoetige dieren ^huisdieren uitgezonderd). Het vee van het veld : runden hoornvee (koe, stier, kalf, enz.) noemt men raestvee als het gemest, slachtvee als het (tot voedsel) gedood wordt. Grof vee ; koe, stier, enz. Klein vee : geit, schaap. Gewold vee : schapen. Geschubd vee : visschen. Gevederd vee : vogelen. Slecht volk, gespuis. — Veearts, ra. (-en). — Veeartsenijkunde, v. — Veeartsenij-kundig, bn. — Veeartsenijschool, v. (..olen). — Veeboer, ra. (-en). — Veedief, ra. (..ven). — Veedrijver, ra. (-s). — Veefokker, ra. (-s). — Veefokkerij, v. (-en).— Veehandel, ra.— Veehandelaar, ra. (-s). — Veehandelaarster, v. (-s).— Veehoeder, ra. (-s). — Veehoedster, v. (-s). — Vee honger, ra. Geeuwhonger. — Veehouder, m. (-s). — Veekeurder, ra. (-s). — Veekeuring, v. — Veekooper, m. (-s). — Veekudde, v. — Veeman, ra. (..lieden). — Veemarkt, v. (-en).— Veep acht, v. (-en). — Veepest, v.— Veeras, o. — Veerijk, bn. — Veestal, ra. (-len). — Veestapel, ra. (-s). Aantal runderen, schapen.


ocr page 894

VEEL — 82

enz. in een land aanwezig. — Veesterfie, v. — Veeteelt, v. — Veetentooustellxng, v. (-en). — Veeverzekerinz, v. l-oc).— Veevoeder, o. — Veezveider, in. (-s).— Veeziekte, v. (-n).

veegr» bn. bijw. Den dood nabij. Op sterven. Gevaarlijk. Netelig. Veeg land : verdorven land. — Veegheid, v.

veeg, m. en v. (vegen). Het vegen. Streek met eenen bezem, doek, enz. Oorveeg. Teug. Scherp verwijt. — Veegkruid, o. Lischdodde. — Veegmachine, v. (-s).

— VeeRtnes, o. (-sen). Mes der boefsme-den en leerlooiers.— Veegsel, o.

Teeg:, v. (vegen). Helleveeg.

▼eel (ale. telw.), bn. : van vele zaken verstand hebben. Bijw. van hoeveelheid en graad : dat is veel grooter. Vaak, dikwijls : veel werken. — Veelal, bijw. Meermalen. Dikwijls. — Veelarm, m. (-en). Poliep. Inktvisch. — Veelbelovend, bn. — Veelbemind, bn. — Vee Ibe tee kenend, bn. — Veelbladig, bn. — Veelbloemig, bn. — Veelbroederig, bn.— Vee Idee hg, bn.— Veeldoornig, bn. — Veeldruk, m. (-ken). (Boekdr.). — Veeleer, bijw. Eerder. Liever.— Veelgeliefd, bn.— Veelgodendom, o. — Veelgodery, v. — Veelhalviig, bn.

— Veelheid, v. Menigte. (Rekenk.) Verzameling van grootheden. — Veelhelmiigt;, bn. — Veelhoek, m. (-en). — Veelhoekig, bn. — Veelhoevig, bn.— Veelhoofdig, bn.

— Veeljarig, bn. — Veelkleurig, bn. — 'Veelkleurigheid, v.— Veelknocpigen, v. mv. Plantenfamilie, waartoe de duizendknoop en de zuring behooren. — Veelledig, bn. — Veelletteigrepig, bn. — Veellicht, bijw. Wellicht. — Veellid, o. Plan-tengfslacht. Behoort tot de molden. — Veellobbig, bn. — Veelmaal(s), bijw. Dikwijls. — Veelmaiinery' y. — Veel-ntannig, bn. — Veelmeer, bijw. Veeleer.

— Veelmin, bijw. Des te minder. — Veel-mondig, bn. — Veelnuvtig, bn. — Veel-pootig, bn. — Vee Iregelig, bn. — Veelschrijver, m. (-s). Broodschrijver. Oppervlakkig schrijver.— Veelschrijverij, v.— Veelslachtig, bn. — Veelsnarig, bn, — Veelsoortig, bn. — Veelspletig, bn. — Veelstekelig, bn. — Veelstemmig, bn. — Vee 1stylig, bn. — Veelstrepig, bn. — Veelszins, bijw. meer dan éen opzicht. Op meer dan L-*ne wijze. — Veeltakkig, bn. — Veelte, v. Veelheid. — Veeltijds, bijw. Dikwijls. — Veelvakkig, bn. — Veelvermogend, bn. — Veelvervig, bn. — Veeivin, m. (-nen). Visch, tot de snoeken behoorende. Leeft in den Nijl. — Veelvin-gerig, bn. — Veelvlab,0. (-ken). (Meetk.) Lichaam, door platte vlakken begrensd.— Veelvlakkig, bn. — Veelvoet, m. (-en). Inz. de duizendpoot. — Veelvoetig, bn. — Veelvormig, bn. — Veelvoud, o. (-en). Deelbaar getal : 9 is een veelvoud van 3. Gemeen veelvoud : getal deelbaar door eenige andere getallen. Kleinste gemeene veelvoud : kleinste getal door eenige andere deelbaar. — V eelvoudig, bn. Menigvuldig. — Veelvraat, m. (..aten). Marterachtig roofdier {ursus gulo). Gulzigaard. — Veelvuldig, bn. Talrijk. Bijw. Dikwijls. — Veelvuldigheid, v. — Veel-

! — VEER

wetend, bn.— Veelweter, m. (-s).— Veel— weetster, v. (-s). — Veelwetery, v. — Vee/wevery, v. — Veelwyvig, bn. — Veelwoordig, bn. — Veelzadig, bn. — Veelzijdig, bn. — Veelzijdigheid, v. —

Veelzijds, bijw. Van vele zijden. — Vele,. telw. Veel. — Velen, m. mv. Veel raen-schen. — Velerhande,, ..lei, bn. — Veler' wegen, bijw.

veem, v. en o*. (-en). Vereeniging menscben van dezelfde soort. Gezelschap. Gilde. Bent. Waagdiagersgild. Veemgericht.— Veemgericht, o. (-en). (Middel.) Vierschaar, voor welke de aangeklaagden in 't geheim en buiten hun weten gevonnist werden (Duitschl.). De rechters.— Veem-rechter, m. (-s).

veemol, m. (-en). Veenmol.

veen, o, (venen). Aard- of grondsoort, waaruit de turf wordt berrid. — Veen-aarde, v.— Veenachtig, bn. — Veenak-ker, m. (-s). — Veenarbeid, m. — Veenbaas, ni. (..azen). — Veenbes, v. (-sen), veenbezie, v. (..iën). Plant [vaccinium oxycoccus), niet donker, bruinroode, zure bessen. De b- s zlt;-lf. — Veenbeziestgt;nik, ra. (-en). — Veenboer, m. (-en). — Vren-bonk, m. (-en). — Veenbrand, m. — Veen-damp, m. Veenrook. — Veenderij, v. Het raaken van veen. (-er.) Turlgrond. Aanleg tot vervening. — Veetigraver, m. (-s). — Veengraafster, v. (-s). — Veengravery, v. (-en). — Veengrond, m. (-en). — Veen-land, o. (-en).— Veenman, m. (..lieden).

— Veenmol, m. (-len). Rechtvleugelig insect {gryllusgryHotalpa), zeer schadelijk aan land- en tuinbouw. Groote witte worm, waarvan de veenmol voortkomt. — Veen-plaats, v. (-en). — Veenput, m. (-ten). —

Veenrook, m. Lichte rook of nevel, welke somwijlen in de lente zich vertoont en welke, naar men meent, uit de veengronden ontstaat.— Veenwerker, m. (-s).

— Veenwerkster, v. (-s). — Veenwortel, v. Soort van duizendknoop.

Veen {O. van), 1558-1629, Leiden =* Otto Vaenius. VI. historieschilder. L«er-meester van Rubens. De Roeping van S*-Matt heus; de Opwekking van Lazat us.

veer, v. Veder. — Veerenbed, o, (-den). — Veerenkussen, o. (-s|.

voer, v. (-en). Platte metalen draad, die, wanneer hij gebogen wordt, eene terugwerkende kracht heeft. (Timm.) Zeer dunne lat. — Veerbuiger, m. (-s).— Vee-ren, ow. veerde, heeft geveerd. Terugspringen (van veeren). — Veerkracht, v.. Eigenschap der lichamen, wn ar do or zij hunne eerste gedaante of hun aanvankelijk:


ocr page 895

VEIL — i

volumen hernemen, zoodra de kracht, welke deze gedaante oi' dat volumen veranderde, ophoudt te werken. — Veerkrachtig, bn. — Veer passer, ra. (-s). — Veer-Ploeg, v. (-en). Zekere schaaf. — Veer slot, o. ( en). — Veertangetje, o. (-s).

veer, o. (veren). Overvaart. Plaats, waar men over een water wordt gezet. Plaats van vertrek en aankomst der beurtschepen. — Veerboot, v. (-en). — Veergeld, o. (-en).— Veerhuis, o. (..zen).— Veer loon, o. en m. (-en*. — Veerman, m. (..lieden, ..lui). Beurtschipper. lem., die de lieden over een water zet.— Veerpont, v. (-en). — Veerschip, o. (..epen). — Veerschipper, m. (-s). — Veerschout, veerschuit, v. (-en). — Veerwijf, o. (..ven)._

quot;Veer (//. dé), 1829-1890, Sommelstiijk. Letterkundige. Trou-ringh voor 't jonge Holland (1868); Kerstvertellingen. veertel, o. (-s). Vierendeel, veertieu. Grondgetal: 14, v. (-en).— Veer tien daagsch . bn. — Veertiende, rangsch. telw.— Veerttendehalf,hn. Dertien en een half. — Veertienderhande, ..lei, hn. — Veei tienhonderd, telw. — Veertienjarig, bn.— Veertienmaal, bijw.

— Veertienvoud, o. (-en). — Veertien-vo7/dig, bn.

veértlff. Grondgetal : 40, v. (-en). — Veertigdaagsch, bn. — Veertiger, m. (-s). lem., die veertig jaar oud is. Oorlogsschip van 40 stukken. Wijn van 't jaar '40. — Veertigerhande, ..lei, bn. — Veertigjarig, bn. — Veertigmaal, bijw. — Veer-tigponder, ra. (-s). Iets, dat 40 pond weegt.

— Veertigste, rangsch. telw. — Veertigtal, o. (-len). — Veertigvoud, o. (-en). — Veertigvoudig, bn.

veest, m. (-en). Wind (uit het lijf).— Veesten, ow. vecsitn, heeft geveest.

veete, v. (-n). Haat. Wrok. Vijandschap. — Veetebricf, m. (..ven). — Veete-loos, bn.

quot;Vega {F. Lepe de), 1562-1635, Madrid. Spaansch tooneeldichter. Coviedias.

vegren, bw. ow. veegde, heeft geveegd. Van stof reinigen. Borstelen. Met strijkende slagen trefflt; Afrossen. Doorhalen. Zeer snel loopen : dit paard veegt er goed van langs. — Veger, m. (-s). Bezem. Stoffer. lem., die veegt. Vlug werkman. — Veegs ter, v. (-s).

veil, o. Klimop. — Veilachtig, bn. — Veilblad, o. (-eren). — Veilhars, v. en o*. — Veilwortel, v. (stofn.); ra. (-s) (voor-werpsn.).

veil, bn. Tc koop. Omkoopbaar. Zijn leven veil hebben voor iem., bereid zijn het op te offeren voor hem. — Veilbaar, bn. — Veildag, m. (-en). Verkoopdag. — Veildmger, m. (-s). Uitdrager. — Veil-draagster, v. (-s).— Veilen, bw. veilde, heeft geveild. In 't openbaar verkoopen of te koop aanbieden.— Veiler, m. (-s).— Veilheid, v._— Veiling, y. (-en). Openbare verkooping. — Veiltyd, m. (-en). — Veiluur, o. (..uren).

veilig-, bn. bijw. Vrij van gevaar. Beveiligd. Behoed. — Veiligen, bw. veilig-de, heeft geveiligd. Beveiligen. -— Veiligheid, v.— Veiligheidshalve, bijw.— Vei-

3 — VELD

ligheidskaart, v. (-en). — Veiligheidsquot; klep, v. (-pen). Klep aan een stoomtuig, die door den damp geopend wordt om het springen te vermijden bij eene te sterke persing. — Veiligheidslavip, v. (-en). — Veiligheidsmaatregel, m. (-en).

veinzen, veinsde, heeft geveinsd. Ow. Huichelen. Zijne gedaciiten, enz. verhelen. Bw. Valschelijk vertoonen : vriendschap veinzen. — Veinzaard, m. (-s). — Veinzer, ra. (-s). — Veinzeres, v. (-sen). — Veinzerij, v. (-en).

vol, o. (-len). Huid van menschen en dieren. Blad papier. Een vel druks, van 16 tot 24bladzijden. Vlies over gekookte melk. Lap, vod. Kwaadaardig vrouwspersoon. Hij heeft maar het vel over de beenen. — Vellenkooper, ra. (-s). — Vellenkoopster, v. (-s). — Vellenploten, o. — Vellenplo-ter, m. (-s).— Vellenplootster, v. (-s). — Veilig, bn.

Velazquez {D. R. de Silva y), 1599-1660, Sevilla. Sp. schilder. Spinsters; S. Antonius; Zwijnenj'acht.

veld, o. ( en). Open land, vlakte buiten de steden en dorpen. Land. Akker. Weide. Slagveld. Grond van een wapenbord. Gebied : een ruim veld van studie. Te velde trekken : naar den oorlog gaan. Veld winnen : vorderen. — Veldachtig, bn. — Veld ajuin, ra. — Veld altaar, o. en ra. (..aren). Draagbaar altaar. — Veldane-moon, v. (..onen;. Anemonepratensis. — Veldarbeid, m. — Ve Ida r bei de *■, m. (-s).

— Veldarts, ra. (-en). — Veldbattery, v. (-en). — Veldbed, o. (-den). — Veldbewo-ner, ra. (-s). — Veldbevi'Oonster, v. (-s). — Veldbloem, v. (-en). — Veld boon, v. (-en). Paardenboon. — Veldbouw, ra. — Veld-duif, v. (..ven). Wilde duif. — Veldeere-prys, v. Wilde veronica {veronica arven-sis). — Veldeling, m. en v. (-en). Veldbe-woner. — Velde ling e, v. (n). — Veld' erwt, v. (-en). — Veldflesch, v. (..sschen).

— Veldgewas, o. ( sen). — Veldgezicht, o. (-en). — Veldheer, ra. (-en). Legerhoofd. Generaal. — Veldheerschap, o. — Veldhoed, ra. (-en). — Veldhoekmeter, m.

(-s). Hoekmeter, door den landmeter gebruikt ora eenen hoek op het veld te me-


ocr page 896

VEND — 8

ten.— Veldhoen, o. (-ders, -deren). Patrijs. — Veldkruisdistel, v. (-s). Paarden-distel. — Veldleger, o. (-s). — Veldlelie, v. (..iën). Lelie der dalen. Wilde lelie. — Veldmaarschalk, m. (-en). Algeraeene opperbevelhebber eens legers. — Veldvie-ter, m. (-s). Landmeter. — Veldmuis, v. (..zen). Aardmuis. — Veldmunt, v. Wilde munt.— Veldoverste, m. (-n). Veldheer.

— Veldprïester, m. (-s). Aalmoezenier bij 't leger. — Veldri'fder spoor, v. Zie Ridderspoor.— Veldroos, v. (..ozen). Wilde roos. — Veldsalade, v. Plantengeslacht, tot de valeriaanachtigen behoorende. Vier soorten komen bij ons in 't wild voor, o. a. de gemeene veldsalade. — Veldschade, v. (-n). — Veldslag-, m. (-en). Algemeen gevecht van twee legers. — Veldslang, v. (-en). Licht en langwerpig kanon. — Veld-spaath, o. Rood of witachtig gesteente, uit leem- en kleiaarde bestaande. Hoofdbestanddeel van het graniet en andere steensoorten. — Veldstoel, m. (-en). — Veldstuk, o. (-ktn). Zeker kanon.— Veld-teeken, o. (-s). (Oorl.) Sein. Standaard.— Veldtocht, m. (-en). Krijgsverrichtingen van een leger gedurende den oorlog. — Veldverniaak, o. (..aken). — Veldvhich-

bn. Voortvluchtig. — Veldvrucht, (-en).— Veldvoacht, v. (-en). (Oorl.). — Veldvuachter, m. (-s). Politieagent op de buitengemeenten. — Veldzicht, o. (-en).

Telde {van de), 1° {£.), 1587-1052, Haarlem. Schilderde landschapper. en gevechten. — 2° (7.), 1598-1660, Leiden. Graveur. — 30 {Iv. de oude), 1611-1693, Leiden. Schilder van zeegezichten. — 40 (J'V. de jonge), 1633-1707, Amsterdam. Schilder van zeegezichten. — 50 \A.), 1636-1672, Amsterdam. Landschapschilder. Rundvee; Ponteveer.

Velde (J. F. van de), 1743-1823, Beve-ren (Waas). Hoogleeraur (Leuven). Godgeleerde.

VeldeUe (//. van). De eerst gekende Nederl. dichter, uit het oude graafschap Loon (XII0 eeuw). S*Servatius-Legende; Eneïde; Lyrische Gezangen.

velen, bw. (Slechts in de onbep. wijs). Dulden. Verdragen.

Telg:, v. (-en). Buitenrand van een wie).

— Velgdrevel, m. (-s). — Velgen, bw. velgde, heeft gevelgd. De velgen in een wiel zetten.

velijn, veltJnpapler, o. Gesatineerd papier.

vellen, bw. velde, heeft geveld. Omhakken. Doen vallen. Recht uitsteken : velt het geweer! Uitspreken : een oordeel vellen. — Velling, v. (-en). — Veltyd, ra. (-en).

véloelpfcde, v. (-s). Rijwiel. — Véln-cipedist, ra. en v. (-en). Wielrijder, wiel-rijdster. — Velodrome, o. (-s). Renbaan voor wielrijders. Wielrijdersbaan.

vel on i-s, o. Fluweel.

velvet, o. Soort van zwaar fluweel, ven, v. (-nen). Klein meer in de heide. Weiland daar omheen.

vendel, o. (-en, -s). Vaandel, vendetta, v. Bloedveete. Bloedwraak,

^ — VERR

venditie, v. (..iën,-s). Veiling. Openbare verkooping.

vendu, v, (-en). Openbare verkooping.

— Venduhuis, o. (..zen). Verkoopzaal. — Vendumeester, ra . (-s). Stokhouder. Afslager. — Vendurecht, o. Verkooprecht.

venen, ow. veende, heeft geveend. Turf steken. — Venig, bn.

venerabel, bn. Eerwaardier. Eerbiedwaardig. — Venerabel, o. Het Hoogwaardige. Het Allerheiligste.

ven|]n, o. Vergif. Ongedierte, als rupsen, enz. Lastertaal. — Venijnig, bn. bijw. Vergiftig. Bits, boos. Lasterend, kwaadsprekend. — Veni/nigheid, v. — Ve-nyntnenger, m. (-s). — Venijntnengster, v. (-s).

venlzoen, o. Wild. Wildbraad. - Ve-nizoenpastei, v. (-en).

venh-el, v. Piant {anethum fcenicu-lurn). Behoort tot de schermbloemigen.

Venne {A. van de), 1589-1662, Delft. Schilder. Feest van het twaalfjarig Bestand.

vennoot, ra. (-en). Deelgenoot ec-ner maatschappij. — Vennootschap, v. (-pen). Overeenkomst van twee ol meer personen, die iets in gemeenschap brengen, om het daaruit vloeiende voordeel onder elkander te verdeelen. De wet erkent drie sooiten van vernootschs-ppen van koophandel : de vennootschap onder eene firma ; de vennootschap bij wijze van geldschieting; de naamlooze vennootschap.

venitter, o. en v. (-s, -en). Raam met glasruiten.Vensterluik, waarmede een venster van buiten gesloten wordt. — Venster-bank, v. (-en). — Vensterblind, o. (-en).

— Vensterboog, m. (..ogen}. — Venster-boom, m. (-en). — Vensteren, vensterde, heeft gevensterd. Ow. Aan het venster zitten. Bw. Van vensters voorzien. Berispen.— Vensterglas,o.— Venstergordijn, v. en o*. (-en). — Venster kruis, o. (-en).

— Vensterkussen, o. (-s).— Vensterluik, o. (-en). — Venstermuziek, v. en o. ---Vensterraam, o. en v. (..amen). — Vensterroede, v. (-n).— Vensterruit, v. (-en).

— Venster ziek, bn.Een weinig ongesteld.

— Vensterziekte, v.

vent, m. \-en). Man. Kerel. Echtgenoot : zij heeft een bravea vent. Minnaar.

— Ventjelief, o.

venten, bw. ventte, he. ft gevent. In 't klein verkoopen, inz. aan de huizen. — Ventbaar, bn. — Ventjagen, o. Rondloo-pen om koopwaren ter markt te brengen. Rondventen. — Ventjager, ra. (-s). — Ventjager ij, v.

ventilator, m. (-s). Luchttrekker. Luchtgat. Luchtververscher.

Venn*, v. (Fab.) Godin der schoonheid en der liefde. Planeet, morgen- en avondster genoemd. (Scheik.) Koper.

ver(re), bn. bijw. Afgelegen, verwijderd ; bet verre Oosten. Lang : een verre weg. Gevorderd : hoe ver is hij al? Verre bloedverwant. Hij zal niet ver meer loo-pen, niet lang meer leven. Dat is ver, aanmerkelijk beneden den prijs. Hij gaat te ver, is niet gematigd. Dat geweer draagt


ocr page 897

VERB — 8:

ver. Ver in zee zijn. Ver in een boek zijn. Ver met iets komen, er flink mede vooruitkomen. Hij heeft het ver gebracht, heeft fortuin gemaakt. Dat is ver gezocht. Hij is ver van rijk te zijn. Op verre ra. Iets, iem. ver beneden zich achten. — verasiiigo-nmuen (i),bw. Aangenaam maken. Ver-aangenaming, v. — veraanscliouwc-lUkcu, bw. Aanschouwelijk voorstellen. Veraa nsch ou zve lij king, v. — veraarden, ow. (zijn) Ontaarden.— veraeeU»-zen, bw. Accijns opleggen of betalen. Veraccynziug, v. (-en). — veraccor-deereu, bw. Met een accoordje verkoo-pen. Een vergelijk treffen. — veraclilo-loozen, bw. Verwaarloozen. Niet in acht nemen. Verachielooziyig, v. — Teraeli-ten, bw. Niet achten. Met minachting bejegenen. Vernederen. Verkleinen. Trotsee-ren. Verachtclyk, bn. bijw. Waard veracht te worden. Laag. Met verachting. Verachtelykhet'd, v. (..heden). Verachtend, hn. Verachter, m. (-s). Verachting, v. Vet achtster, v. (-s).— veraelitereu, ow. (zijn) Achteruitgaan. In waarde, in gehalte verminderen. Ver ach tering, v. — -verademen, ow. Weder adem scheppen. Tot kalmte komen. Verademing, v.

veraf, bijw. Op grooten afstand. — V era fge legen — Verafgelegenheid, v. verafselitoven, bw. Verachten, veranda, v. (-'s). Overdekte plaats (voorden voor- of achtergevel).

veranderen, bw. Eene andere gedaante. een anderen vorm geven. Verwisselen. Ow. (zijn) Anders worden. Een anderen vorm krijgen. Verandering, v. (-en). Veranderlijk, bn. Onbestendig. Ongestadig. Wispelturig. Veranderlijkheid, v. — verankeren, bw. Met ankers vastleggen. — verantwoorden, bw. Rekenschap geven (van). Verontschuldigen. Zich verantwoorden, ww. Zich verontschuldigen. Verantwoordelijki bn. Gehouden te verantwoorden. Aansprakelijk. Verantwoordelijkheid, v. Verantwoorder, m. (-s). Verantwoording, v. (-en). — verarbeiden, bw. Arbeidende verbruiken. — verarmen, bw. Arm of armer maken. Ow. (zijn) Arm of armer worden. Verarming, v. — verbabbelen, bw. Over-babbelen. Babbelende doorbrengen. — verbakken, bw. Overbakken. Bakkende gebruiken. — verbaliMeeren, ow. Gerechtelijk neerschrijven. Mondeling behandelen. Langdradig zijn. Verbaal, bn. Woordelijk. Verbaal, o. (..alen). Procesverbaal.

verband, o. (-en). Het verbinden. Verbintenis. Samenhang. Lasch. Voeg. Omwinding, zwachteling. Onder verband liggen : gehypothekeerd zijn. Betrekking : welk verband is er tusschcn hen? — Ver-bandbrie f, m. (..ven). — Ver bandhuis, o. (..zen). — Verbandkanier, v. (-s).

verbannen, bw. Uit een land zétten. Met den kerkban treffen. Verdrijven ; iets

(i) De samengestelde werkwoorden met ver zijn onscheidbaar.

; — VERB

uit zijne gedachten verbannen. Verbanning, v. (-en). — verbasteren, ow. (zijn) Ontaarden. Verbastering, v. ( en),

— verbazen, bw. Grootelijks verwonderen. Zich verbazen, ww. Verbaasd, bn. Verwonderd. Ontsteld. Verbaasd, tw. Verbaasdheid, v. Verbazend, bn. bijw. Verbazend, tw. Verbazing, v. — verbeelden, bw. Opeen ander bed leggen. Verbeddeuslijdf m. Verbedding, v. (-en).

— verbeelden, bw. In beeltenis voorstellen. Zich verbeelden, ww. Zich in-becllen. Zich houden (voor). Verwaand zijn. Vet heelding, v. Verbeeldingskracht, v. — verbeenen, ow. (zijn) Been worden.- verbeestelUken, ow. (zijn) Verdierlijken.—verbeesten, bw. Doorbrengen (in dronkenschap en wulpschhéid): zijn geld verbeesten. Verknoeien,bederven : die schoenmaker verbeest zijn leer. Ow. (zyn) Verdierlijken. — verbeiden, bw. Afwachten. Ow. Wacht» n. Toeven. Verbeide*, m. (-s). Verbeiding, v. — verbergen, bw. Aan het oog onttrekken. Verzwijgen. Helen : gestolen goed verbergen. Ergens achter zetten : eene batterij verbergen. Zich verbergen, ww. Zich schuilhouden. Verberger, m. (-s). Verberging, v. Verbetgster, v. (-s). — verbeteren, bw. Beter maken. Van fouten, enz. zuiveren. Herstellen. Ow. (zijn) Beter worden, In betere omstandigheden geraken. Zich verbeteren, ww. Verbeteraar, m. (-s). Verbeteraat ster ,\. (-s). Verbeterblad, O, (-en). Verbeterhuis, o. (..zen). Verbete-ring, v. (-en). Verbeteringsgesticht, o. (-en). — verbeurdverklaren, bw, verklaarde verbeurd, heeft verbeurdverklaard. In beslag nemen ten bate van de schatkist. Verbeurdverklaring, v. (-en),

— verbeuren, bw. Van de plaats verzetten . Overdragen naar eene ander© plaats. Verliezen door wangedrag, enz. Verbeurdverklaren. Verbeurbaar,hn. Ver-beurte, v. Verlies. — verbeuzelen,bw. (Tijd, geld, enz.) in dwaasheid of lichtzinnigheid doorbrengen. — verbid «ten, bw. Door bidden vermurven, overhalen. Verbidding, v. — verbieden, bw. Door een gebod beletten. Verbiedelyk, bn. Gehoorzaam. Verbiedend, v. — verbyMteren. bw. Bijster maken. In verwarring bren-

fen.en. Verbijsterd,bn.Verward.Bedwelmd, rerbysterdheid, v Verbijstering, v. — verboten, bw. Inhouden door op de lippen te bijten : zijnen lach verbijten. Ow, Door bijten bederven. Zich verbijten, ww. Op zijne tong bijten. Zich met moeite inhouden. — verbiljarten, bw. Met biljarten doorbrengen, verspelen. — verbinden, bw. Anders binden. Een windsel omdoen. Samenvoegen. Verplichten, Door den echt verbinden, vereenigen. Zich verbinden, ww. Op zich nemen. Zich verplichten. Borg zijn. Vet bindend, bn. Verbin-dinc, v. (-en). Ver binding-s klos, m. (-sen), (Zeew.) Draagbalk. Verbindingsroede, v, (-n). Ver binding steeken, o. (-s). Koppel-teeken. Verbintenis, v. (-sen). Samenhang, Verbond. Geteekende verplichting, Huwolijksvereeniging. — verbitteren, bw. Bitter, onaang^n ?gt; am maken. Vergram-


ocr page 898

VERB — 8

men. Bedroeven. Zich het leven verbitteren. Verbitterd, bn. bijw. Woedend. Vertoornd. Wrokkend, verbitterdheid, v. Verbittering, v. — vcrbleekcn, ow. (hebben, zijn) Bleek worden. Verschieten (van kleuren). Verbleekitrg, v. — verbiy-dcn, bw. Blijde maken. Verheugen. Zich verblijden, ww. Zich verheugen. Verblijdend, bn. Verblijding, v. — ver 1*1 ü-ven, ow. (zijn) Voortdurend zijn. Zich ophouden. Toewijzen (in openbare verkoopin-gen) : aan wien is het huis verbleven? Bw. Iets aan iem. verblijven, zich daan mtrent op iem. beroepen. Verbli/f, o. (..ven). Oponthoud. Woonplaats. Vergelijk. Toewijzing (in eene openbare verkooiiing». Ver-b l yfkoste w, m. mv. Ver blij tplaat};, v. (-en). Verblijving, v. — verbliudoii, bw. Blind maken. Begoochelen. Misleiden. Verblind, bn. Als met blindheid geslagen. Begoocheld. Verblindheid, v. (..heden). Verblinding, v. — verbloctlen, ow. (zqn) Doodbloeden. Verbloeding, v. — TcrbloemcMi bw. Bewimpelen. Ver-schooncn. Verbloemd, br. bijw. Figuurlijk, ovei drachtelijk. Bedekt, geveinsd. Verbloeming, v. (-en). — V4M Itluflou, bw. Bescnaamd maken. Ontmcedigen. Ver-bluffing, v. Verbluft, bn. Verlegen. Beschaamd. Onthutst.

verbod, o. Het verbieden, (-en) Bevel, waardoor iets verboden wordt. — Verbodsbepaling, v. (-en). — Verbodsdag, m. (-en). — Verbodsstelsel, o. (-s). — Ver-bodswet, v. (-ten).

verbodemen, bw. Eenen bodem maken (in). Van 't een schip,iu 't andere laten. Verbodemivg. v.

VerboerUlioven (-£■. J), 1799-1881, Waasten. VI. dierenschiltler.

verbo«'keu, bw. Üverbot kon. Ver-boeking, v. — verboeren, bw. In of met den akkerbouw verteren. Door brasse-rijen verkwisten.

verbolgen, bn. Kwaad, boos, vertoornd. Onstuimig : de verbolgen zee. — Verbolgenheid, v. (..heden).

verbond, o. (-en). Vereeniging. Verdrag. Overeenkomst. Het oude Verbond : de tijd voor Chr.; het nieuwe Verbond : de tijd na Chr. In 1565 werd in Nederland het Verbond der edelen gesloten om het invoeren derSpaansche inquisitie te beletten.

— Verbondbreker, m. (-s). — Verbond-breekster, v. (-s). — Verbondbreking, v. —Verbonden, bn. Vereenigd. Verplicht. Diepgaand : een diep verbonden schip. — Verbondenheid, v. — Verbondmaking, v. — Verbondsark, v. Zie Ark. — Ver-bondsbeker, m. (-s). — Verbondsboek, o. en m. (-en). — Verbondsbreuk, v.— Ver-bondsbrief, m. (..ven).— Verbondschen-der, m. (-s).— Verbondschendster, v. (-s).

— Verbondseed, m. (-en). — Verbondsgod, m. — Verbondskist, v. Verbondsark.

— Verbondsviaal, o. (..alen). — Ver-bondsaffier, o. (-s). — Verbondstafel, v.

— Verbondswet, v. ^-ten).

verboouien, ow. (zijn) Kloeker, sterker worden. — verboorden, bw. Nog eens boorden. JVIet boorden doorbrengen. (Een schip) van een nieuw boord voorzien.

6 — VERC

verborgen, bn. bijw. Geheim, ongezien. Geheimzinnig, raadselachtig. — Ver-borgenheid, v. (..heden).

verbon wen, bw. Anders bouwen. Bouwend verbruiken, vei teren. Verbouw, m. Verbouwing, v. (-en). — verbouwereeren, bw. ow. (zijn) Ontliutsen. Ontstellen. Verbouwereerd, bn. Ver' bouwereerdheid, v. — verbrubbe-len, bw. Verwarren. Met gebrabtiel opvullen : een vel papier verbrabbelen. — verbrnden, bw. ow. (zijn) Te veel braden. Bradende verbruiken. Door te lang braden bedorven worden. — verbranden, bw. Door vuur verteren, zengen. Door de zon bruin maken. Ow. (zijn) Door vuur verteerd, verzengd worden. Ver-frandbaar,hn. Verbrander, m. (-s). Ver~ branding, v.—verbrassen, bw. Verkwisten in overdaad. Doorbrengen. Ver-brasser, ra. (-s). Vet brassing, v. (-en), Vcrbrasster, v. (•$). — verb reeden, bw. Breeder maken. Verb' eeding, v. (-en). Verbreedingsstuk, o. (-ken). Verbreed-sel, o. (-s). — verbreiden, bw. Verspreiden. Bekendmaken. Zich verbreiden, ww. Ruchtbaar worden. Verbreider, m. (■s). Verbreiding, v. Verbreidster, v. (-s).

— verbreien, bw. Breiende gebruiken, doorbrengen. — verbreken, bw. Geheel en gansch breken. Schenden. Vernietigen. Herroepen. Verbreekbaar, bn. Verbreker, m. (-s). Verbreekster, v. (-s). Verbreking, v. Verbrekingshof, o. (..ven). Zie Cassatie. —verbrijzelen, bw. Aan stukken slaan. Tot gruis vermorzelen. Door leed of smaad tem» derdrukken. Verbrif ze-laar, m. (-s). Verbryzelaarster, v. (-s). Verbrijzeling, v. — verbroddelen, verbrodden, bw. In de war brengen. Verkeerd behandelen. Verbroddeling,ver-brodding, v. Verbrod der, ra. (-s). Verbrodster, v. ( s). —_ verbroederen, bw. In eene broederlijke betrekking brengen. Innig vereenigen. Zich verbroederen, ww. Verbroedering, v. (-en). Verbroederingsfeest, o. en v. (-en). — verbroeien, bw. ow. (zijn) Te veel broeien. Overbroeien (van hooi, enz.). Linnengoed verbroeien, er al te heet water op gieten.

— verbrokkelen, bw. In kleine stukjes breken, verdeelen. Verbrokkeling, v. — verbronwen, bw. Brouwend verbruiken.

verbruid, bn. bijw. Groot. Sterk. Erg, Ondeugend. Slecht, leelijk. Welverbruid ; drommels!

verbruien, bw. Bederven. Doen mislukken. — verbruiken, bw. In of door gebruik verteren. Een slecht gebruik maken (van). Verbruik, o. Verbruiker, ra. (-s). Verbruiking, v. Verbruikleen, o. (•en). Verbruikster, v. (-s). — verbui-gren, bw. Buigende uit zijne richting brengen. (Taalk.) Den uitgang veranderen naar naamval, geslacht, getal. Verbuigbaar, bn. Verbuigbaarheid, v. Verbuiging, v. (-en). — verbussen, bw. In eene andere bus doen. Van nieuwe bussen voorzien (een wiel). Een kanon verbussen, er eenen zundgattap inzetten. — verrUferen, bw. Met cijferen doorbrengen. Zich vercijfe-


ocr page 899

VERD — 8:

ren, ww. Zich misrekenen. — TercOn-zen, bw. In cqns uitgeven.

Vercoullle^.ijiSs^Oostende.Hoog-leeraar(Gent). Taalkundige.

woordenboek der Nederl. taaL (bekroond, 1890); Schets eener historische grammatica der Nederl. taal (1892) ; Nederl. Spraakkunst (1894).

verdacht, bn. Door kwade vermoedens gedrukt. lem. verdacht houden, hem verdenken. — Verdachtmaking, v. (-en).

Terds»gren* bw. Schorsen, verschuiven. Dagvaarden. Ow. (zijn) Eenen of meer dan eenen dag ergens overbrengen. — Ver daging tv. (-en).

Terdaamp;m (y.), 184$, Arasterdam. Hoogleeraar (Leiden). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Taalkundige. Seghelyn van Jherusalem (1878); Middelnederl. Woordenboek (1882).

verdampen, ow. (zijn) In damp vervliegen. Verdamping, v. (-en).— ver-danaen, bw. Door dansen verslijten, verteren. — verdartelen, bw. Dartelende doorbrengen. Verwennen. Ow. (zijn) Dartel worden. — verdedigen, bw. Verweren, beschermen (eene vesting). Pleiten (voor). Eene stelling verdedigen, staande houden. Verdedigbaar, bn. Verdedigend, bn. Verdediger, m. (-sj. Verdediging, v. (-en). Verdedigingslinie, v. (..iën). Verdedigingsmiddel, o. (-en). Verdedigingswapen, o. (-en). Verdedigster, v. (-s). — ver-«ieelen, bw. In deelen scheiden, splijten. Twist zaaien. Onrust stoken. Verdeeldheid, v. (..heden). Oneeiiigheid. Twist. Verdeeler, m. (-s). Verdeeling, v. (-en). Verdeelpunt, o. (-en). Verdeelster, v. ( s). —verdeemoedigen, bw. Beschamen. Tot ootmoed brengen. Zich ver-deemoedigen , ww. Verdeemoediging, v. (-en).

verdek, o. (-ken). Verdekken : horizontale vlakken, die een schip in een of meer deelen verdeelen. Deksel, bedekking. — Verdcksbalk, m. (-en). — Verdekt, bn.

verdelgen, bw. Uitroeien. Vernielen. Dooden. Verdelger, m. (-s). Verdelging, v. (-en). Verdelgster, v. (-s). — verde-meleeren, bw. Verdelgen. Verwoesten. — verdenken, bw. Kwaad vermoeden. Achterdocht hebben. Iemands goede trouw verdenken,er een slechtdenkbecld van hebben. Verdenking, v. (-en).

verder, bn. bijw. Verg. trap van ver. verdertigen, ow. (zijn) Door de dertigste verjaring verkregen of verloren worden. — verderven, bw. Onbruikbaar maken. Ondermijnen Vernielen. Dooden. Ow. (zijn) Onbruikbaar worden. Verderf, o. Hoogste graad van ongeluk. Ondergang. Vernieling, 't Eeuwig verlt;1 erf: de eeuwige verdoemenis. Verderfelijk, bn. Verderfe-litkheid, v. Verderfenis, v. Ondergang. Verdoemenis. Verdetver,™.^-*). Verderving, v. (-en).

Ver dl (G.), 1814, Roncole. It. operacomponist. Ernani (1844; ; II Trovatore (1853); Aid a (1871).

verdicliteii, bw. Dichter maken. Samendringen. Zich verdichten, ww. Zich

7 — VERD

samenpakken (van dampen). Verdichtingr v. Verdichtingstoestel, o. en m*. (-len)r

— Terdielilen, bw. Uitdenken. Verzinnen. Verdicht, bn. Verzonnen. Valsch. Verdichter, m. (-s). Verdichting, v. (-en),-Verdichtsel, o. (-en, -s).

verdict, o. (-en). Uitspraak.

verdienen, bw. Geld winnen. Loon krijgen. Zijn brood winnen. Aanspraak hebben (op). Waard zijn beloond of gestraft te worden. Verdiend, bn. Verdienste, v. (-n). Wat men door arbeid, enz. wint 01 ontvangt. Talent. Gaven. Verdtenstelyk, bn. bijw. Verdienstelijkheid, v. Ver dienstig, bn. — verdiepen, bw. Dieper maken. Zich verdiepen, ww. Ergens diep indringen. Zich met inspanning op iets toe-leggen. Verdieping, v. (-en), verdiep, o. Het verdiepen. Alles wat diep inloopt. (Bouwk.) Ruimte tusschen den vloer en de zoldering. Ruimte tusschen twee zolderingen. Verdiepschaaf, v. (..aven). — ver' dierlUken, bw. ow. (zijn) Tot dier maken of worden. Ver dier ly king, v. — ver-dietaclaen, bw. In 't Dietsch overbrengen. Dietsch maken. Verdietsching, v.

verdüd, bn. Verdoemd.

verdijen, bw. Hoegenaamd niet willen doen. — verdikken, bw. ow. (zijn) Dikker maken of worden. Verdikking, v. (-en). — verdobbelen, bw. Verspelen in het dobbelspel. Om iets dobbelen. — verdoeken, bw. Op een nieuw doek overbrengen. Verdoeking, v. (-en). —verdoemen, bw. Veroordeelen, verwijzen tot straf, inz. tot de eeuwige straffen der hel. Verdoemd, bn. Verdoemd, tw. Verdoemde, ra. en v. (-n). Verdoemelijk, bn^ Verdoemelivg, m. en v. (-en). Verdoetne-linge, v. (-n). Verdoemenis, v. Eeuwige straf. Verdoemenswaard, bn. Ver-

doemer, m. (-s). Verdoeming, v. Ver-deemster, v. (-s). — verdoen, bw. To niet doen. Herdoen. Om den hals brengen. Verkwisten, doorbrengen. Zich verdoen, ww. Zich om het leven brengen. Ver doener, m. (-s). Verdoenster, v. (-s),

— verdoffen, ow. (zijn) Doffer worden.

— verdokteren, bw. Aan den dokter kwijtraken. — verdolen, ow. (zijn) Verdwalen. Hij verdoolt in de namen. Verdo-ling, v. (-en). Verdoold, bn. Verdoolde, m. en v. (-n). Verdooldheid, v. — verdommen, bw. ow. (zijn) Dommer maken of worden. — verdonderen, ow. (zijn) Door den bliksem getroffen worden. Ver donderd, bijw. Uitermate. Verdonder d, tw. — verdonkermanen, bw. Ontvreemden. Wtgfutselen. Verdonker-maning, v. — verdonkeren, bw. Donker, onzichtbaarmaken.Wegmoftelen. Ow. (zijn) Donker worden. Zijn gelaat verdonkerde, werd betrokken. Verdonkering, v.-(-en). — verdoopen, bw. Anders doo--pen. Verdooping, v. (-en). — verdoo-ven, bw. Doof maken Onhoorbaar maken. Doen verflauwen (van vuur, enz.).Owr (zijn) Doof worden. Onhoorbaar worden. Verflauwen. Verdoofd, bn. Verdoovingr v. (-en). — verdorren, ow. (zijn) Dorr onvruchtbaar worden. Verdord, bn. Verdroogd. Geweldig. Ondeugend. Drom--


ocr page 900

VERD — 8

«nelsch. Eijw. Zeer. Verdord, tw. Ver-.dordheid, v. Verdorring v.

vcr«lorvcn, bn. Bedorven. Onzedelijk. — Verdorvenheid, v.

vcrclosscii, bw. Verkleeden. Smukken. Ver dossing, v. — vcrdrststien, bw. Verkeerd draaien. Heen en weer .draaien. Draaiend onbruikbaar maken. Verwringen, uit zijn verband rukken. De wet verdraaien, verkeerd uitleggen. Ow. (zijn) Draaiend uit zijnen stand geraken. Verdraaid, bn. Verdraaid, tw. Verdraaidheid, v. Verdraaier, m. (-s). Verdraaiing, v. (-en). — Tcrdraffen, bw. Overbrengen. Dulden, lijden : beleedigin-gen verdragen. Die spijs verdraag ik niet: zij verteert niet. Veel bier kuunen verdragen : veel bierkunnen drinken zonder dronken te worden. Zich verdragen, ww. Een verdrag onderling aangaan. Zij kunnen elkander niet verdragen : zij gaan slecht met eikander om. Ver draagbaar,hn. Verdraag lük, bn. Verdraagzaam, bn. Geduldig. Inschikkelijk. Lijdzaam. Verdraagzaamheid, v. Verdrag, o. (-en). Overeenkomst, inz. tusschen twee of meer natiën of souvèreinen. Met verdrag : met bedaardheid. Zonder verdrag, uitstel. Verdragin?, v. — verdricüubbeleii, bw. Driedubbel nemen. — verdrieten, eenpw. vei--droot, heeft verdroten. Hartzeer geven. Kwellen. Afkeer, weerzin baren. Verdriet, o.Zielesmait. Hartzeer. Verveling. Tegenzin. Verdrietelijk, bn. Verdrietelijkheid, v. (..heden). Verdrietig, bn. — verdrio-vondigreu, bw. Verdriedubbelen. — verdrijven, bw. Wegdrijven. Verjagen. Verdrijving, v. — verdringen, bw. Van de plaats dringen. Door dringen in 't nauw zetten. Onderkruipen. Verdrin-ger, m. (-s). Verdringing,-?. — verdrinken, bw. Drinkende doorbrengen, verdrijven, verteren. In het water doen omkomen. Ow. (zijn) In het water omkomen. Zich verdrinken, ww. Zich in het water doen omkomen. Verdrinking, v. (-en). — verdrogen, bw. Doen opdrogen. Ow. (zijn) Droog worden. Verdroging, v. — verdrnkken, bw. Drukkende gebruiken. Drukkende verbruiken.Over-.drukken. Geweld aandoen. Verdrukker, m. (-s). Verdrukking, v. (-en). Ver drukster, v. (-s). Verdrukt, bn. Verdrukte, m. en v. (-n)- — verdruppelen, ow. (zijn) Wegdruipen. — verdubbelen, bw. Dubbel maken. Herhalen. Versterken : zijnen moed verdubbelen. Zijne schreden verdubbelen : sneller loopen. Ow. (zijn) Dubbel worden. Vermeerderen. Verdubbeling, v. (-en). — verdnfifen, ow. (zijn) Duf worden. — verduldelUken, bw. Duidelijk maken. Ophelderen. Verduidelijking, v. — verduiken, bw. Verbergen, verschuilen. Verzwijgen. — ver-duiHteren, bw. ow. (zijn) Duister maken, worden. Ontfutselen. Behendig wegnemen. — Verduistering, v. (-en). — verduitselien, bw. Vertalen. Uitleggen. Ver du itsch er, m.(-s). Ver du itsch ing, •v. (-en).

verduiveld, bn. bijw. Helsch. Verfoeilijk. Tw. Drommels!

3 — VERE

verdnizendvondisren, bw. Duizendvoudig nemen.

verduldig, bn. bijw. Geduldig.— Ver' du Idigheid, v. — Verduldig lijk, bijw.

verdunnen, bw. Dun of dunner maken. Hier en daar eene plant uittrekken. Ow. (zijn) Dun of dunner worden. Vermageren. Afnemen. Verdunning, v. (-en). Verdunsel, o. — verduren, bw. Dulden, verdragen, lijden. Ow. In prijs stij-

Ëen.en. Verduring, v. — verdutten, bw.

•uttendedoorbrengen, slijten. Stomp, dom maken. — verduurKsimen, bw. Duurzaam maken. — verduiven, bw. Van de plaats duwen. Verteren (van spijzen). Dulden, verdragen. Vcrduivelijk, bn. Ver-duzving, v. — verdtvsilen, ow. (zijn) Dolen. Verdwaald, hn —verdwazen, bw. ow. (zijn) Dwaas maken, worden. «/waa^bn.Dwaas.Uitzinnig. Verdwaosd-heid, v. — verdwijnen, ow. (zijn) Onzichtbaar worden. Zijne hoop is verdwenen. Verdivijning, v. — veredelen, bw. Tot den adelstand verheffen. Van aard en hoedanigheid verbeteren. Edeler, fijner maken. Veredeling, v. — vereelten, bw. Tot eelt maken. Gevoelloos maken. Ow. (zijn) Tot eelt worden. Gevoelloos worden. Vereelt, bn. Vereeltheid, v. Vereelt ing, v. — vereenen, vereenipreu, bw. Verbinden. Samenvoegen. Paren. Verzoenen. Overeenbrengen. De zeven Ver-eenigde Gewesten (der Nederlanden). De Vereenigde Staten (van N.-Amerika). eenigbaar, bn. Vereeniger, m. (-s). Ver-eeniging, v. (-en). Vereenigingsbout, m. (-en). Vereenigingspunt, o. (-en). Ver-eenigingsteeken, o. (-s). Vereenigster, v. (-s). — 'vereenvoudigen, bw. Eenvoudiger, gemakkelijker maken. (Rekenk.) Eene breuk vereenvoudigen ; teller en noemer door een zelfde getal deeien. Vereenvoudiging, v. (-en). — vereenzelvigen, bw. Tot éene en dezelfde zaak maken. Tot éen maken. Vereenzelviging, v, — vereeren, bw. Eeren. Eerbewijzen. Vereerder, m. (-s). Vereerenswaard, ..ig, bn. Vereering, v. (-en). Vereerinkje, o. (-s). Vereerster, (-s). — vereeuwigen, bw. Eeuwig, langdurig maken. Onsterfelijk maken. Vereeuwiging, v. — vereffenen, bw. Effen maken. In orde brengen. Een einde stellen (aan). Vergoeden. Betalen. Vereffenbaar,\)n. Vereffening, v. (-en). — vereiHClien, bw.Ei-schen. Vragen. Vorderen. Vereisch, o. Vordering. Naar vereisch (van) : naar de zaak eischt. Vereischte, o. (-n). Het gevorderde. Het behoorlijke. — verengelen, bw. Tot iets engelachtigs maken. — verengen, bw. Eng, nauwer maken. Verenging, v. (-en). — verenkelen, bw. Enkel maken. Verdeden. — verergeren, bw. ow. (zijn) Erger maken, worden. Verergering, v. (-en). Vererge-nis, v. (-sen). Ergernis. — verefen, bw. Door eten doorbrengen. Etende verteren. Voor eten uitgeven. Zich veteten, ww. Te veel eten. — veretteren, ow. (zijn) Tot ettering overgaan. Te veel etteren. Verettering, v. — verevenen, bw. Vereffenen. Verevening, v. {-en).


ocr page 901

VERG — 8

Terf, v. (..ven). Stof, welke aan de voorwerpen, die er roede bedekt worden, zekere kleur geeft. — Verfbord^ o. (-en). — Verf borstel, m. (-s).— Verfdoos, v. (..zen).

— Ver/handelaar, m. (-s). — Verfhandelaar sier, v. (-s). — Verfhout, o. (-en).

— Verfje, o. — Verfkooper, m. (-s). — Verf koopster, v. (-s). — Verf kunst, v. — Ver/kwast, m. (-en). — Verfloon, o. en m. — Verfmes, o. (sen). — Ver f molen, ra. (-s). — Verf mos, o. Plant (rccella tinc-toria). Wordt tot de bereiding van lakmoes gebruikt. — Ver f poeder, „poeier, o.

— Verfpot, ni. (-ten). — Verfspatel, v. (-s). — Verf spikkel, in. (-s). — Verf steen, ra. (-en). — Ver f stift, v. (-en). — Verfstoffen, v. mv. — Verfverkooper, m. (-s).

— Verf verkoopster, v. (-s). — Verfiua-ren, v. mv. — Verf-winkel, m. (-s). — Verfuurijver, m. (-s).

vci'foostvicren, bw. Met ferstvieren doorbrengen. — vorfijnoii, bw. Fijn, fijner maken. Zum r maken. Allerbest beschaven. Verfijning) v. (-en). — ver-flsinwcn, ow. (zijn) Slap werden. Verminderen (in ijver). Verkoelen. Verflauwing, v. — vlt;m f8onsen, ow. (zijn) Verwelken. Ver flensing, v. — vcrl'ocien, bw. Dirp verachten. Verfoeienavaard, ..zj?, bn. Verfociing, v. (-en). Vegt; foeihjk, bn. bijw. Ver foei h]kh eid, v. (..heden). Verfoeisel, o. (-s). Verfoeilijk ding. — Tcrfoclii'n, bw. (Glas) met kwik tot spiegels maken. Verfoelicsel, o. — ver-r«»nirastien , verfomfooien , bw. Frommelen. Kreuken. — vorfomme-len. bw. Verkreukelfn. — verfranion, bw. Fraaier maken. Versieren. Ow. (zijn) Fraaier wordt-n. Verfraaiing, v. (-en). — Terfi-ansdien.bw.Een Franschen vorm geven (aan), ver franse hen, ww. Ver-frayisching, v. — verfriNsdioii, bw. Frisch maken. Ververschen. Verfris-schend, bn. Verfrisschivg, v. (-en). — verrrommelen, verfronselen, bw. Verkreukelen. — versrsian, ow. (zijn) Van zijne plaats ^aan. Weggaan. Verdwijnen. quot;Verongelukken (op zee, enz.). Te niet gaan. Onkruid vergaat niet. — verg-alieren, bw. Bijeenzamelen. Bijeeribien^en. Verzamelen. Ow. (zijn) Bijeenkomen. Vergadering, v. (-en). Vergaderplaats, v. (-en). Vergadertijd, m. Vergaderzaal, v. (..alen). — veramp;rallen, bw. Het galvlies (van eenen visch) doen barsten. Bitter maken. Vergalling, v. (-en). —verffstlop-peeren (zich), ww. Onvoorzichtig handelen, spreken.

vergranlcelUkgt; bn. Onbestendig. Bi oos. Sterfelijk. — Vergankelijkheid, v.

vergapen, bw. Te wijd gapen. Gapende doorbrengen. Zich vergapen, ww. Dwaas verliefd raken. Zich vergapen aan den schijn : zich door den schijn laten bedriegen. — vergaren, bw. Verzamelen. Opvangen. Opstapelen. Vergaarbak, m. (-ken). Vergaarder,m. (-s). Vergaarster, v. (-s). Vergaar se l, o. (-s). Vergaring, v. Het vergaren, (-en) Bijeenkomst. (Timm.) Verbinding van verschillende s'ukken tot een geheel. Verband. Lasch. Wijze van bijeenvoeging.— vergasten, bw. Ont-

9 — VERG

halen. Hii vergastte ons met een mooi verfhaal. Zich vergasten, ww. Zich genoegen verschaften. Zich vergasten (aan) : met smaak eten of drinken (van). Vergastingt v. — vergaimen, bw. Bedriegen.

vergeefllik, vergefelUk, bn. Verschoonbaar. Vergevensgezind. — Vergeef-lykhetd, v.

vergeefs, bijw. Vruchteloos. Nutteloos. — Vergeefsch, bn.

vergeetaelitig, bn. Niet goed kunnende onthouden. — Vergeetachtigheid) v. — Vergeetal, m. en v. (-len). — Vergeetboek, o. en m. (-en). — Vergeet-my-niet, vergeet-me-niet, v. (-en). Plantengeslacht (myosotis). Behoort tot de ruwbla-digen. De gewone vergeet-mij-niet {m.pa-lustris) wordt als sierplant gekweekt.

vergeldt n, bw. Beioonen. Vergoeden. Vergelder, m. (-s). Vergelding, v. (en). Verge Ids ter, v. (-s).— vergeleken, bw. Naast elkander zien, beoordee-len. Gelijkheid of verschil tusschen twee personen of zaken zien. Vergelyk, o. (-en). Overeenkomst, waarbij ieder toegeeft. Akkoord. Verdrag. Vergelykbaar,hn. Vergelijkend, bn. /' ergelijkenderwijze,.. vu ijs, bijw. Vergely king, v. (-en). Vergely kings-schaal, v. (..alen). Vergelijkingstabel, v. (-len). Vergelijkingstafel, v. (-s). — ver-gemalikeiyken, bw. Gemakkelijker maken.

vergen, bw. vergde, heelt gevergd.

Vragen. Eischen.

vergenoegen, bw. Bevredigen. Tevredenstellen. Zich Tergenoegen, ww. Tevreden zijn. Vergenoegd, bn. bijw. Vergequot; noegdheid, v. Vei genoeging, v. — vergeten, bw. (hebben, zijn) De herinnering, het geheugen verliezen (van). Iets uit onachtzaamheid laten liggen. Nalaten. Weinig of geen achting hebben (voor). Zich vergeten, ww. Buiten zich zeiven raken door toorn, smart, enz. Vergetelboek, o. en m. (-en). Vergetelheid, v. Zwakte van geheugen. Tot de vergetelheid doemen : doen vergeten. Aan de vergetelheid onttrekken : in herinnering houden. Ver-ge te lijk, bn. Licht te vegeten. Vergeetachtig. Verge lelijkheid, v. Vergeten, bn. Vergeter, m. (-s). Vergeetster, v. (-s).— vergeven, bw. Aan een ander geven: dit ambt is reeds vergeven. Verkeerd geven : de kaarten zijn vergeven. Opnieuw geven. Verpiflenis schenken. Door vergif om 't leven brt ngen. Bederven, verpesten : dit land is vergeven door 't onkruid. Zich vergeven, ww. Zich door vergif om 't leven brengen. Vergevensgezind, bn. Vergevensgezindheid, v. Vereever, m. (-s). Vergeefster-, v. (-s). Vergeving, v. (-en). Vergiftiging.

vergevorderd, bn. Op vergevorderden leeftijd.

vergewissen bw. Zeker maken. Verzekeren. Zich vergewissen, ww. — vergezellen, vergezeiseliappen, bw. Verzeilen.

vergeziclit, o. (-en). Gezicht in do verte. Teekening, enz. van een vergezicht. Vergezichtkunde, r. Doorzichtkunde. — vergieten, bw. Overgieten. Gietend ver-


ocr page 902

VERG — 8

■tiruiken.Storten (van vochten). Doenstroo-men : blotd vergieten. Vergieter, ra. (-s). Vergieting, v. (-cn). Vergiet ster, v. (-s). Vergiettest, v. (-cn). Gatenplateel.

wrglirewls, v. Kwijtschelding. Vrijwillige akte, waardoor de beleedigdo persoon van het rrcht afziet, dat hij tegen zijnen belediger heeft.

vcrgrliXlseii, verslften, bw. Vergiftig maken. Vergift toedienen. Verbitteren. Vergift, o. (-cn), vergif, o. (-ten). Stof, die reeds in kleine hoeveelheid ingenomen, nadeelig op organische wezens kan werken. Vergif tenteer, v. Vergiftig, bn. Vergift bevattend. Venijnig. Bits. Gevaarlijk. Verraderlijk. Vergiftige tong : lastertong. Ver giftiger, m. (-s). Vergiftiging, v. (-en). Vergij tipster, v. (-s). Vergift-menger, ra. (-s). Vergiftmengstcr, v. (-s1.

— Tei'^itiiicu [zich), ww. Gissende zich bedriegen. Dwalen. Het rais hebben. Vergissing, v. (-en). — vergisten, ow. (zijn) Door te sterke gisting bederven. Vergis-iing, v. — vcrglstzen, bw. In glas veranderen. Glazuur, vernis opleggen. Verglaasbaar, bn. Verglaasbaarheid, v. Verglaassel, o. Pohjstsel. Glazuur. Glans. p erg lazer, ra. (-s). Verglaassfer, v. (-s). Verglazing, v. —verduiden, bw. Glijdende doorbrengen. Ow. (zijn^ Van de plaats glijden. Zich verglijden, ww. Door glijden zich bezeeren.— vcrgrlininicii, ow. (zijn) Langzamerhand uitdooven. — verglimpen, bw. Eenen glimp geven (aan). — Tei*s:oclde](|kcii, bw. Als iets goddelijks voorstellen. Vergoddelijking, v. — vergrodcn, bw. Tot god of godin verheften. Bovenmatig vereeren. Vergader, ra. (-s). Veigoding, v. — vcrgoe-dou, bw. Goed raaken. Schadeloosstelling geven. Vergoeding, v. (-en).— vor-goel ü k en, bw. Verschoon en. Een schoon voorkomen geven. Vergoelijking, v. (-en).

— vorgrooieu, bw. Van de plaats gooien. Verkeerd, verloren gooien. Om iets laten gooien (met dobbelsteenen). Zich vergooien, ww. Zich verlagen.— vergronden, bw. Vergulden. — vergrammen, bw. Grara raaken. Ow. (zijn) Gram worden. Zich vergrammen, ww. Gram worden. Vergramd, bn. Boos. Vertoornd. Vergramdheid, v. — vergraven, bw. Andeis graven. Vergraving, v. — ver-grazen, bw. Van weide doen veranderen. — vergr^P®»» hw. Anders, verkeerd grijpen. Door grijpen verzeeren. Zich vererypen, ww. Zich te buiten gaan. Zich aan iem. vergrijpen : iera. aanvallen. Zich aan iets vergrijpen : stelen. Vergrijp, o. (-en). Misstap. Misslag. Overtreding. — vergrijzen, ow. (zijn) Grijzer worden.

— vergrimmen, ow. (zijn) Woedend worden. — vergroeien, ow. (zijn) Onder het groeien verdwijnen. Verkeerd, krom groeien. Vergroeiing, v. (-en). — vergrooten,bw. Grooter maken. Groo-ter doen schijnen. Vermeerderen. Verbree-den. Overdrijven. Vergrootend, bn. Ver-grooter, ra. (-s). Vergrootglas, o. (..zen). Microscoop. Vergrooting, v. (-enk Ver-grootster, v. (-s). — vergroven, bw. Grover raaken. — vergruizelen, ver-

d — VERH

gruizen, bw. Tot gruis raaken. Verbrijzelen. Aan stukken slaan. Vergruizeling, vergruizing, v. — verguizen, bw. Met diepe verachting bejegenen. Verguizing, v. (-en). — vergulden, bw. Met goudvlies bedekken. De zon verguldt de toppea der bergen. Eene pil vergulden. Met iets verguld zijn, er zeer raede ingenomen zijn. Verguld, bn. Vergulder,m. (-s). Vertui-derskunst, v. Vergulding, v. Verguldmes, o. (-sen). Verguldpenseel, o. (-en). Verguldsel, o. (-s). Verguldster, v. (-s). Verguldwerk, o. — vergunnen, bw. Toestaan. Schenken. Veroorloven. Vergunning, v. ( en). Vergunningsrecht, o.

— veriisiastcn, bw. Bespoedigen : dit verhaastte zijnen dood. Zich verhaasten, ww. Zich haasten. Verhaasting, v. — ver-habbezabken, bw. Niet achten. Slecht behandelen.

Terbaegben {P.), 1728-1811, Aar-schot. Historieschilder. Voorstelling in den Tempel.

verbagelen, bw. Door den hagel verwoestan. Ow. (zgn) Verhageld worden.

— verbaken, bw. Overhaken. Anders haken.— verbakkelen, bw. Verscheuren. Verlegen maken. — verhakken, bw. O verhakken. Verkeerd hakken. Tot brandhout hakken. Door omhakken versperren. Zich verhakken, ww. Zich in de war praten. Ver hakking, v. (-en). —ver-bakntukken, bw. (Schoenen) van nieuwe hielen voorzien. Hier is mets te verhakstukken, niets te verrichten. — verbalen, bw. Van zijne plaats halen. Van ligplaats veranderen (van schepen). Opnieuw halen. Zijne krachten herstellen. Vergoeding vragen. Ik zal wat ik u schuldig ben in uwen winkel verhalen, er winkelwaren voor nemen. Vertellen, mededeelen. (Recht.) ZKn verhaal nemen (op). Verhaal, o. Vergoeding, schadeloosstelling. Herstel van krachten. Verhaal, o. (..aien). Vertelling. Roman. Bericht. Verslag. Verhaalster, v. (-s). Verhaaltrant, ra. Vet-halenderwyze, ..vijs, bijw. Ver haler, ra. (-s). —verhalvezolen, bw. Nieuwe halve zolen leggen (op schoenen). — verbandelen, bw. Koopen en verkoopen. Behandelen, bespreken : wat heeft men in de vergadering verhandeld? Eene redevoering uitspreken (over): wat heeft hij verhandeld ? In de hand nemen : die gewend is brooze voorwerpen te verhandelen, breekt er niet vele. Verhandelaar, ra. (-s). Ver-handelaarster, v. (-s). Verhandelbaar, bn. Verhandeling, v. (-en). — verhangen , bw. Anders hangen. Ophangen. verhangen, ww. Zich bij raiddel van eenen strop ora het leven brengen. Verhang, o. Ongelijke stand eener watervlakte, door den wind veroorzaakt. Verhanging, v. — verhanselen, bw. Verstellen. Verkwanselen. Verknoeien. Verhanseling, v.

— verbar«ldraven, bw. Ten prijze uitloven bij het harddraven. —verharden, bw. ow. (zijn) Hard, ongevoelig raaken, worden. Verhard, bn. Hard geworden. Ongevoelig. Wreed. Verhardheid, v. Vet harding, v. (-en).— verhardzei-len, bw. Ten prijze uitloven bij het hard-


ocr page 903

VERH — 8

zeilen. — Tcrliaroii. ow. (zijn) De haren verliezen. Ruien (van dieren).— verlms-pcleu, b\v. Door onhandigheid bederven, verknoeien. Jrerhasflrli?v. (-en^.

— Terlkccliteu, b\v. vcrbmJcn (aan).

— vcrliecleit, bw. ow. (^ijn) Heel maken, worden. Vcrhceliu^y v. —

rcu, bw. Overmeesteron. Verwoesten. Ver heerder, ra. (-s). VcrhecrirH*, v. — verlicerg;civart«'B», bw. Een leen instellen. Laten besturen : icm. mot een land verheergewaden.— veilieei'HjUcBi, bw. Heerlijk maken. Verheftcn. Koemen, prijzen. l'er/ieerlj/ktug-, v. — TcrlicfTen, bw. Opheffen. Hooger stellen, plaatsen, maken. De stem verheffen : luider spreken. Zijne oogen ten hemel verheffen. Zijne ziel tot God verheffen. J-^evorderen : tot den adelstand verheffen. Roemen : iem. hemelhoog verheffen. (Rekenk.) Een getal tot de derde macht verheffen. Ztch ver-Jirffctiy ww. Omhoog stijgen. In kracht t« enemen. Opstaan, tegenstand bieden. Hoogmoedig zijn. VerheJJivR, v. (-en).

yerlicld, v. (..heden). Afstand. Verwijdering.

verlieidend, bn. Heidensch gemaakt, verlicldercn, bw. ow. (zijn) Helder maken, worden. Verhelde* iiig, v. — vor-liolcu, bw. Verbergen. Verzwijgen. Ver-hrler, m. (-s). Verheelster, v. ( s;. Ver-heling, v. (-en). — vcrlielpcn, bw. Verbeteren. Genezen. Verhelp mg, v. — vcr-iK'mcleii, bw. Ophemelen. Verheffen. Verhemelte, v. (-n). Gehemelte. — vcr-lieusrcii, bw. Verblijden. Vroolijk maken. Zich verheugen, ww. Blijde zijn. Verheugd, bn. Verheuging, v. (-en).

verliovcliiig:, v. (-en). Verschijnsel in den dampkring (alssneeuw, onweder, enz.).

Terlicvcii, bn. bijw. Boven (iels anders) uitstekend : verheven plaats. Verheven beeldwerk ; half verheven beeldwerk. Niet alledaagsch : verheven gedachten. Uitmuntend : een verheven verstand. Grootsch : verheven daden. Verheven stijl.

— Verhevenheid, v. (..heden). ¥erlieycu (^'.),1648-1710, Verrebroek.

Ontleedkundige. Hoogleeraar (Leuven). De coi'tgt;oris humanianatquot;Viia (1710).

verbinderen, bw. Beletten. Voorkomen. Verhindering, v. (-en).— ver-liiiteu, bw. Heet maken. Doen gloeien. Opwekken. Prikkelen. Zich verhitten, ww. Zich in 't zweet werken, enz. Zich zei ven opwinden. Verhit, bn. Verhitheid, v. Verhittend, bn. Verhitting, v. (-en).

— Terliocden, bw. Beletten. Voorkomen. Verhoeding, v. — vcrliocrwla-iceu, bw. Bouwland in slagen verdeelen. Ver hoef slaging, v. (-en). —vorlioele-leii,bw. Kreukelen. Eederven. Bemorsen.

verholen, bn. bijw. Verborgen. Geheim. — Verholenheid, v.

vertiollaudselien, bw. Een hol-landschen vorm geven (aan). Verholland-sching, v. — TerlionderdTOUdi^ren, bw. Honderdmaal nemen. — wrlionge-ren, bw. ow. (zijn) Uithongeren. Verhongering, v. — verlioog:«*■quot;, bw. Hooger maken. Den prijs vermeerderen. Verheffen, prijzen. Verhoog, o. Verhooging. Ver-

i — VERK

hooger, m. (-s). Verhoogiug, v. (-en). Ver-hoogingihoeh, m. l-en). (Art.). Vrrhoo-gingsteeken, o. (-sj. (Muz.). Verhoogsel, o. (-s). Ver hoogster, v. (-s). Verhoogstuk, o. (-kent. — «erlioorcu, bw. Gunstig aanhooren. In gehoor nemen, ondervragen. Vet hoor, o. l-en). (Recht) Ondervraging van gedaagden, beschuldigers en getuigen. Vrt hc-oi der, m. (-s). Verhoo-ring, v. (-en). —- verltuoyuardisren, bw. Hoovaatdig maken. Zich verhoo-vaardigen, ww. Tiotsch zijn (op). Ver-hoovaardigxng, v. — verliO|»eu, bw. Hopen. Ve* hoopt, bn. — verlioudeu, bw. Weerhouden. Zich verhouden, ww. Zich houden. In verhouding siaan (tot). Verhouding, v. (-en). (Wisk.) Betrekking van grootheden tot elkander. Afmeting : de verhouding van een gebouw. Evenredigheid : dat gaat alle verhouding te buiten. Verhoudingsher, v. — vorliiilzcii, ow. (zijn) Van woonst verandeien. Den dienst verlaten (van knechts, enz ). Sterven. Verhuisdag, m. (-en). Vet hu is (yd, m. Verhuiswagen, m. ( s). Verhuizing, v. (-en). — verlmren, bw. In huur geven. Verhuring, v. (-en). Verhuurder, m. (-s). Verhuurkantoor, o. (..oren). Verhuurster, v. (-s). Verhuurtyd, m. — TcrlmtMelen, bw. Schuddende verplaatsen. — vei*liyi»otliekcei'cii, bw. Op de hypotheek laten inschrijven.

Terill(c)eeren, bw. verifi{deerdef heeft geverifi(c)eerd. Nazien.— Verificateur, m. (-s). — Verificatie, v. (..ien, -s).

vertldelen, bw. Nutteloos maken. Doen mislukken. Verijdeling, v. — ver-Udeltiillen, bw. L chtzinnig doorbrengen (tijd, enz.) — veriutoreHten, bw. Op interest plaatsen. — verjagron, bw. Van zijne plaats jagen. Verdrijven. Verjaging, v. — Terjaren, bw. Iem. op zijnen verjaardag eerbewijzen. Ow. (zijiquot;) Een jaar ouder worden. Zijn verjaarfeest vieren. Derwijze verouderen, dat er geen recht meer op is. Ver/aard, bn. (Recht.) Verjaardag, m. ( en). Verjaardicht, o. (-en). Ver ja ar feest, o. en v. (-en). Ver-j a arg esch enk, o. (-en). Verj'aat via al, o. (..alen). Verjaring, v. (-en). Vetj'anngs-feest, o. en v. (-en). Verjat ingsgeschenk, o. (-en). — verjongreu, bw. ow. (zijn) Jonger maken, worden. Verj'onging, v. Verjongingskuur, v. (..uren).

verJUH, ver(d)julf», o. Sap uit onrijpe druiven. Onrijpe druif.

verkaarden, bw. O vet kaarden. Kaardende gebruiken. — verkaarlen, bw. Met kaarten doorbrengen, verkwisten. Om iets laten kaarten. — vork al» helen, bw. Afkabbelen. Wegspoelen. Verkabbe-ling, v. —verkakelen, bw. Kakelende bekendmaken. Kakel» nde dooibringen. Eegpen (» an kippen). Verklappen. — ver-kal(e)fateren, bw. Overkalefateren. Kalefaterende, verteren. — verkalken, bw. ow. (zijn) Tot kalk maken, worden. Verkalking, v. — verkallen, bw. Pratende doorbrengen. Vertellen. Verklappen. Zich verkallen, ww. Zich verpraten. —verkamnien, bw. Overkammen.Met kammen doorbrengen.—vrrkankerenv


ocr page 904

VERK — 8

ow. (zijn). Inkankeren. Kankerende verteren. Verkankeringi v. — verkstppeu, bw. Overkappen. Verkeerd kappen. Door kappen slijten, Verkafiping, v. (-en). — verksisseu, ow. (zijn) Verhuizen. Ver-kassinz, v. — verkuvclcu, bw. In kavels of loten leggen hetgeen onder verschillende personen te verdeelen is. Partijen maken van te verkoopen goederen. Bij partijen verkoopen. Verdobbelen. Ver-kaveling, v. (-en). — Terkoeren, bw. Anderskeeren. Veranderen. Ow. (hebben, zijn) Veranderen. Omgaan (met). Vrijen. Zich ophouden, zijn verblijf houden. Zich bevinden. Zich gedragen. Verkeer, o. Omgang. Verkeerbord, o. (-en). Triktrak, Verkeerd, bn. bijvv. Averechtsch. Omgekeerd. Onjuist, valsch. De verkeerde wereld. Hij is mijn vriend aan den verkeerden kant. Verkeerdelijk, bijw. Verkeerdheid, v. (..heden). Verkeerittg, v. (-en). Verkeerspel, o. (-len). Verkeerije, o.— Terkegreleii, bw. Kegelende doorbrengen, verliezen. Om iets laten kegelen. — verlieiinen, bw. Opnemen. De sterkte eener vesting, den toestand des vijands, eene of andere landstreek, enz. met een militair inzicht onderzoeken. Verkenbaar, bn. Verkenmerk, o. (-en). Verkenner, m. (-s). Verkenning, v. (-en). Verken-ningsmerk, o. (-en). Verkenningstrce-pen, m. mv. — verkerven, bw. Slecht kerven. Kervende slijten. Onbruikbaar maken. Bedorven. — verketteren, bw. Tot ketter maken. Tot ketter verklaren. Veroordeelen. Verkettering, v. (-en). — verken ren, bw. Opnieuw keuren. — verk euvel en, bw. Met keuvelen doorbrengen. Verklappen. — verkleien, bw. Van eene nieuwe kiel voorzien. Ver kieling , v. — verkiezen, bw. Kiezen. Eene keuze doen. De voorkeur geven. Uitkiezen. Wenschen. Willen. Verkiesbaar, bn. Verkiesbaarheid, v. Verkiesdag, m. (-en). Verkies(e)/ijk, bn. Verkiezing', v. (-en). Verkiezingsdag, m. ( en). Verkiezings-leer, v. Ver kiezing smaal, o. (..alen). Verkiezingsprogram, o. Verkiezings-•werk, o. Verkiezingswet, v. (-ten). — verkijken, bw.. Met kijken doorbrengen. De kans is verkeken, verloren. Zich verkijken, ww. Zich blt; driegen. — verkladden, bw. Bekladden. Door kladden bederven. Verkoopen (tot lage prijzen). — verklagen, bw. Aanklagen. Ver klager, m. (-s). Verklaagster, v. (-s). Verklaging, v. (-en). — verklappen, bw. Iets met klappen aan den dag bi engen. Verklikken. Verraden. Ziek verklappen, ww. Onvoorzichtig zijn geheim uitbrengen. Verklapper, m. (-s). Verklapping, v. (-en).- Verklapster, v. (-s). — verklaren, bw. Klaar, helder maken. Duidelijk, verstaanbaar maken. Oplossen. Min of meer plechtig afkondigen : den oorlcg verklaren. lem. schuldig verklaren. Getuieen. Zich verklaren, ww. Zich uiten. Verklaarbaar, bn. Verklaarder, m. (-s). Verklaarster, v. (-s). Verklarend, bn. Verklaring, v. (-en). — verkleeden, bw. Andeis kleeden. Door kleedirg ver-xnommen. Door kleeding verkwisten. Zich

2 — VERK

verkleeden, ww. Verkfeede, m. en v. (-n). Verkleeding, v. (-en).

verkleefd, bn. Gehecht, verknocht. Verslaafd. — Verkleefdheid, v.

verkleinen, bw. Klein maken. Kleiner doen schijnen. Op kleinere schaal maken (van kaarten, enz.). In eer en roem verkorten. Geringschatten. Met minachting spreken (van). Zich verkleinen, ww. Zich lager stellen dan m» n behoort. Ver-kleinaap, m. (..apen). (Teek.) Verklein.' baar, bn. Verkleiner, ra. (-s). Verkleinglas, o. (..zen). Verkleining, v. (-en). Verklein ings u t tg a n e, ra. (-en). Verkleinster, v. (-s). Verk'einvooord, o. (-en). (Spraakk.). — verklrmnen, ow. (zijn) Bevangen, stijf worden van koude. Ver-klenmd, bn. Verklejimdheid, v. Verkleuming, v. — verkleuren, bw. ow. (zijn) De kleur veranderen. De kleur verliezen. Verkleuring, v.— verklikken, bw. Op geheime wijze verklappen. Overdragen. Verraden. Verklikker, ra. (-s). Verklikking, v. (-en). Verklikster, v. (-s). — ve» kllt;»eken, bw. Versterken.Kracht bijzetten. Moed geven. Door list vangen : den vijand verkloeken. Zich verkloeken, ww. Zich verstouten. Ow. (zijn) Hij geneest, maar moet nog verkloeken. Verkloekingt v. — verklungelen, verklonjje-len, bw. Verbeuzelen. Verkwisten. Ver-klongelaar, m. (-s). Ver klonge laar ster t v. (-s). Verklongeling, v. — verkna-S:en, bw. Aan stukken knagen. Zich verknagen, ww. Zich kwellen. — verkneden, bw. Herkneden. Omwerken. Ver-kneding, v. — verkneukelen {zich)t ww. De handen wrijven van vrtugde, enz. — verkneuleren [zich), ww. Zich inwendig verheugen. Iets met voldoening zien.— verkneuzen, bw. Kneuzende breken. Plat kneuzen. Verkneuzing, v. — verkniezen, verknUzen {zich), ww. Van hartzeer gekwollen worden. — ver-knUpen, bw. Aan stukken knijpen. Zich ver knijpen, ww. Op de tanden bijten om niet te lachen, enz. Verknijping, v. — verknikkeren, bw. Met knikkeren verliezen. — verknippen, bw. In stukjes knippen. Aan stukken knippen. Knippende bederven. Uitknippen. Versnijden. Verknipping, v,

verknoelit, bn. Innig gehecht. Verbonden. — Verknochtheid, v.

verknoeien, bw. Door geknoei bederven. Met nietigheden zijnen tijd doorbrengen. Verknoeier, m. (-s). Verknoeiing, v. (-en). Verknceister, v. (-s). — verknollen, bw. Verbroddelen. — verknoopen, verknoppon, bw. Herknoopen. Anders knoopen. In de war knoopen. Verbinden. — verknuflVlen, bw. Verfrommelen. — verknulMelen, bw. Aan nietigheden verspillen. — verkoelen, bw. ow. (zijn) Koel, koeler maken, worden. Verflauwen. Verminderen, Verkoeldrank, m. (-en). Verkor/end, hn. Verkoeling, v. (-en). Verkoelinusrn/ddel, o. (-en). — verkoken, bw. Herkoken. Ow. (zijn) Kokende \-ïrminderen, vei dampen. Verkoking, v. — verkolen, bw, ow. (zijn) Tot kool maken, worden. Ver-


ocr page 905

VERK — t

koU'ng, v. — verkol ven, bw. Kolvende doorbrengen. Om iets laten kolven. — verkomeu, ow. (zijn) Herstellen : van eene krankheid verkomen. In betere omstandigheden geraken. — verkonden, verkondigen, bw. Bekendmaken. Prediken. Leeren. Ver konder, m. (-s). Per-kondiger, m. (-s). Verkondiging, v. Verkondigster, v. (-s). Verkonding, v.^ — verkondsehappen, bw. Onderrichten. Melden. Uitvorschen. Verkondschap-pi*'g, v. — verkonkelen, bw. Door konkelarij verkwisten. Ver konkeling, v. — verkoopen, bw. Aan zekeren prijs overlaten. Zich verkoopen, ww. Zijne diensten voor geld veil hebben. Verkoopt m. (-en). Het verkoopen. Koop en verkoop : handel. Verkoopbaar, bn. Ver-koopbriej, m. (..ven). Verkoopdag, m. (-en). Verkooper, m. (-s). Verkoophuis, o. (..zen). Verkooping, v. (-en). Verkoopprijs, m. (..zen). Verkoopster, v. (-s). Verkooptij d, m. Ver koopvoor-waarden,v. mv. Verkoopzaal, v. (..alen). — verkoperen, bw. Met koper bekleeden. Verkopering, v.

verkoren,bn.Verkozen Uitverkoren, verb om (en, ow. (zijn) Geheel korst worden. Meteene korst bedekken. —verkorten, bw. Korter maken. Een uittreksel geven (van). Verkor tenderu ij ze,..wijs, bn. Verkorter, m. (-s). Verkorting, v. (•en). Ver kor tingste eken, o. (-s). Ver-kortster, v. (-s).

verkouden, bn. Door koude aangedaan.— Verkoudheid, v. (..heden). Slijmvloed van den neus. Ongesteldheid, veelal door snelle wisseling van temperatuur, inz. door tccht veroorzaakt.

verkraeliten, bw. Overtreden. Geweld aandoen. Onteeren. Verkrachter, ra. (-s). Verkrachting, v. (-en). — verkreukelen, verkreuken, bw. Kreukelende bederven. Verfrommelen. Verkreukeling, verkreuking, v. (-en). — verkrijgen, bw. Bekomen, koopen. Verwei ven (door pogingen). Verkrijgbaar, bn. Verki ifger, m. (-s). Verkrijging, v. Verkty\ster, v. (-s). — verkrimpen, ow. (ziin) Door krimpen korter worden. Zich verkrimpen, ww. Hevige pijn, enz. uitstaan. Ver krimping, v. — verkrommen, bw. Krom maken. Het recht verkrommen : onrccht doen. Verkromming, v. — verkroppen, bw. Kroppende slikken. Door de keel duwen. Verduren (leed, enz.). Verkroppttig, v. — verkruien, bw. Kruiende vervoeren, verplaatsen. Ow. (zijn) Kruiende van plaats veranderen (van ijsschollen). I er kruiing, v. — verkruimelen, bw. ow. (zijn) Tot kruimels maken, worden. — verkruipen, ow. (zijn) Van de plaats kruipen. Zich verkruipen, ww. Zich verschuilen (van schaamte). — verkuilen, bw. In een anderen kuil doen. VerkuHing, v. — verkuipen, bw. In eene andere kuip overstorten. frer-k ui ping, v.

verkuiftelit, bn. Zuiver. Zindelijk. Met iets verkuischt, ingenomen zijn.

verk^vakkelen, bw. Verluieren. — verkwanselen, bw. Kwanselende ver-

,3 — VERL

spillen. Met verlies ruilen. Verkwanse-ling, v. — verkwezelen, bw. Als een kwezel doen handelen. Verbeuzelen. Ver' kivezeling, v. —verkuy leu, bw. Door kwijlen bederven. Ow. (zijn) Door kwijlen verzwakken. — verkwUnen, bw. Kwijnende doorbrengen. Ow. (zijn) Kwijnende verzwakken. Wegkwijnen. Verkwyningr v. — verkwikken, bw. Laven, verfris-schen. Opwekken, troosten. Verkvuikke-lyk, bn. Verkrvikkelijkheid, v. Verkwikkend, bn. Verkwikker, m. (-s). Verkwikking, v. (-en). Verkwikster, v. (-s). — verkwisten, bw. Kwistig doorbrengen. Verspillen. Wegmaken. Verkwistend, bn. Verkwister, m. (-s). Verkwisting, v. (-en). Verkwistster, v. (-s).

verlaat, o. (..aten). Soort van sluis. Zie Duiker.

verladen, bw. Herladen. Overladen. Laden. Verlading, v. — verlagen, bw. Lager maken. In rang en aanzien doen dalen. Zich vet lagen, ww. Ow. (zijn) Lager worden. Verlaging, v.

quot;Verlaine (P.), 1844-1896, Metz. Fr. dichter. Sagesse.

verlatkken, bw. Met verlak beklee-den. Foppen. Verlak, o. Lak, vernis. Soort van schoensmeer. VerlakkerVerlak king, v. (-en). Verlaksel, o. Verlak-ster, v. (-s). Verlakt, o. Verlak. Verlakwerk, o. — verlanimen, bw. Lam maken. Lam slaan. Ow. (zijn) Lam worden. Ontzenuwen. De veer is verlamd, heeft hare kracht verloren. Verlamd, bn. Ver-lamdheid, v. Verlamming, v. (-en). — verlanden, ow. (zijn) Land worden. Aanspoelen. Ver landing, v. (-en). — verlangen, bw. Wenschen, begeeren. Vorderen. Eenpw. Het verlangt mij, ik ben nieuwsgierig te weten. Verlangen, o. (-s). Verlanglijst, v. (-en). Ver langst, v. — verlanterfanten, bw. (Den tijd) nutteloos doorbrengen. — verlappen, bw. Versteilen. Lappende verslijten, gebruiken. Ver lapping, v. (-en). — verla-riën, bw. Verbeuzelen.

Verlat {M. K. AI.), 1825-1890, Antwer-

Sen. Landschap-, portret- en dierenschil-er.en. Landschap-, portret- en dierenschil-er.

verlaten, bw. Overgieten. Begeven. Daarlaten. Achterlaten. Afscheid nemen. Aan zekeren prijs laten. De wereld verlaten : in een klooster gaan, sterven. Zich verlaten, ww. verliet zich, heeft zich verlaten. Vertrouwen : ik verliet mij op zijn woord. Zich verlaten, ww. verlaatte zich, heeft zich verlaten. Te laat komen. Verlaten, bn. Eenzaam : verlaten woning. Ledig : verlaten huis. Verlaten kind : vondeling. Verlatenheid, v. Veriater, m. (-s). Verlaatster, v. (-s). Verlating, v.

verleden, voorleden, bn. Vroeger, vorig. Laatste. (Taalk.) Verleden tijd, verleden deelwoord. Bijw. Nog niet lang geleden. Onlangs. — Verleden, voor' ltden, o. Wat verleden is. De verleden tgd.

verledigen {zich), ww. Zich bezighouden 'met). — verleen, bw. Spoedig verdrieten : dat zal hem gauw verleen.— verleelüken, bw. ow. (zijn) Leelijk ma-


ocr page 906

VERL — 8

ken, worden. Ver lesly king, v. — vor-leenen.bw. Schenker. Toegeven. Toestaat . Ver/eening, v. — verleeivu, bw. Ontl'jeren. Afleeren. Doen verget -n. Afwennen. Ver leering, v. —vei'Iee«ton, bw. Op eene andere leest zetten. Zich aanschaffen om uitgaven te bestrijden hoe zulke som verleesten ? Vcnichtcn : hij weet niet wat verleesten.

verlejjexi, bn. Door te lang liggen bedorven. Onthutst. Angstig. Beschaamd. Verlegen wjn (om): behoefte hebben ^aan).

— Verlegenheid, v. Angst. Kommer. Geldgebrek.

verlegeren, ow. (zijn) Van legerplaats veranderen. — vcrleBTsrcn, bw. Van de eene plaats op de andere leggen. Anders leggen. Zoo iets leggen, dat men het niet meer vinden kan. Troepen verleggen, van legerplaats doen veranderen. Verlegöaar, bn. Verlegging, v. — verlellt;l«»ii, bw. Van den rtchten weg afleiden. Bekoren, verlokken. Onteeren. Verleidbanr, bn. Verleidelijk, bn. bijw. Verleidelijkheid, v. (..heden). Verleidend, bn. Verleider, jpa. (-s). Verleiding, v. (-en). Verleidster, m. (-s). — Tcrlcieu, bw. Beleenen. Met

fen Ifeen begiftigen.en Ifeen begiftigen. Verlei, o. Beleening. [et uitgeven van een leen. Verleiing, \. (-en). — verlekkeren, bw. ow. (zijn) Op lekkernijen vei zot maken, worden. Verlekkerd, bn. Ver lekker dheiJ, v. Ver le k-kering, v. —• verlengen, bw. Langer maken. Langer doen duren. Verlengbaar, bn. Verlenging, v. Verlengsel, o. ( s). Verlengstuk, o. (-ken).—verleppen, ow. (zijn) Ver.velken. Verflensen. Verlepping, v. Verlept, bn. Verltptheid, v. — verletten, bw. Verhinderen. Verwaar-loozen. Verzuimen. Niet letten (op). Ow. Tijd verliezen. Verlet, o. Beletsel. Uitstel. Tijdverlies. Ver letsel, o. (-$). — verleu-teren, bw. Verbeuzelen. —verleven, bw. Geheel verbruiken in IWeneonderhoud.

— vurlevendijten, bw. Levendig, levendiger maken. Verhelderen. Weder opwekken. Verlevendiging, v. — verlezen, bw. Uitlezen. Uitzoeken. Zich verlezen, ww. Verkeerd lezen. — yerlleh-te«i, bw. Van licht voorzien. Licht doen branden. Verhelderen. Wetenschap, kennis verspteiden. Minder zwaar maken. Opbeuren : iemands smart verlichten. Verlicht, bn. Helderdenkend. Wetenschappe-jijk ontwikkeld. Verlichtend, bn. Verlichter, m. (-s). Verlichting, v. Ver lichtst er, v. (-s). —verliederlijken {zich), ww. Zich aan spel, drank enz. overgeven.

— verlleven, ow. (zijn) Verliefd raken. Verzot worden. Verliefd, bn. bijw. Met lefde vervuld. Verzot. Verliefde, m. en v. (-n). Verliefdheid, v. (..heden). — verliezen, bw. Kwijtraken. Derven. Missen. Eenen slag, een proces, een spel, het verstand, hot leven, zijn geduld verliezen. Gij moogt nit t uit bet oog verliezen. Zich verliezen, ww. Verdwalen. Men verliest zich in gissingen. Verlies, o. (..zen). Het verliezen. Hetgeen men Verliezer, m. (-s). — verlifirfsren, ow. (zijn) Anders liggen. Door liggen bederven. Bw. Liegende kwijtiamp;ken : hii verligt soms een hal-

4 — VERL

ven dag. —verlUden, bw. (Eene akte, enz. voor eenen notaris) opmaken.

verlof, o. (..ven). Vergunning. Veroorloving. Vergunning, waarbij de soldaten voor eenigen tijd of voor altijd naar hunne haardsfódun mogen terugkeeren. Verloftijd. — Verlofbriej, m. (..ven). Verlofdag, m. (-en). — Verlofganger,tw. (-s).— Ver-lojfas, m. ( sen). — Verlofreis, v. (..zen). — Verloftijd, m. (-en).

verlokken, bw. Aanlokken. Verleiden. Verlokkelijk, bn. bijw. Verlokkelijkheid, v. (..heden). Verlokker, m. lt;-s). Verlokking, v. (-en). Verlaksel, o. (-en, -s). I er lokster, v. (-s). — verloochenen, bw. Loochenen. Ontkennen : zijn geloof verloochenen. Zijne geboorte verloochenen : beneden zijne afkomst handelen. Zich verloochenen, ww. Ontrouw worden aan zijne eigene beginselen. V er-loochenaar, m. (-s). Ver loochen ar es, v. (-sen). Verloochening, v. — verloo-den, bw. Herlooden. Met lood bedekken. Van een looden werk voorzien. Ver-looding, v. — verloOmen, ow. (zijn) Loom, moede worden. — v«rloopen, bw. Loopende verlaten. Doorbrengen : den ganschen dag verloopen. Met loonen verdreven : zijne hoofdpijn verloopen. Verliezen : eene goede gelegenheid verloopen. Zich verloopen, ww. Verkeerd loopen. Zich in iets te buiten gaan. Ow. (zijn) Niet goed gaan : mijn uurwerk verloopt. Voorbijgaan : de tijd verloopt snel. Uiteenloo-pen : de volkshoop verliep allengs. Afnamen, vermindereu : zijne zaken zijn verloopen. Veranderen : bet tij verloopt. (Boekdr.) Veranderen, verbeteren : de zetter heeft een paar regels overgeslagen, zoodat hij verloopen moet. Ontaarden : dit vlas is verloopen. Verloop, o. Het verloopen. Wegvloeiing. Teruggang van tij of vloed. Voortgang der ziekten. Het verstrijken van tijd. verval : verloop van zaken. Sterke windvlaag met regen. Verloopen, bn. Een verloopen student, die zijne studiën niet volbracht heeft. Een verloopen advocaat, die geene praktijk meer heeft. Een verloopen monnik.

verloren, bn. Vergeefsch. Nutteloos. Vruchteloos. Eenzaam : een verloren hoek. (Oorl.) Een verloren post : een post, zoo gevaartijk, dat men hem ais verloren raag rekenen. Diepgevallen : een verloren man. Alvcrkwister : de verloren Zoon. Verloren gaan : diep vallen, zich verdoemen. Een spel verloren geven. Men mag niets laten verloren gaan.

verlossen, bw. Loslaten. Bevrijden. Redden. In bet baren helpen. Ow. (zijn) Bevallen. Verloskunde, v. Verloskundig, bn. Verloskundige, m. en v. (-n). Verlosser, m. (-si. Verlossing, v. (-en). Verlossingswerk, o. Ver/osster, v. (-s). — verloten, bw. Door het lot toewijzen. Bij loten verdeden. Ver loot dag, m. (-en^. Ver lot er, m. (-s). Verloting, v. (-en). Ver loots ter, v. (-s). — verloven, bw. Door trouwbelofte verbinden. Verloofde, m. en v. (-n). Verloving, v. (-en). Verlovingsdag, m. (-en). Verlovingsfeest, o. en v. (-en). Verlovingstnaal, o. (..alen).


ocr page 907

VERM — 8:

— Tcrlncliien, b\v. Aan den wind blootstellen. Zich verluchten, \vw. Een luchtje scheppen. Verluchting, v. — verliicli-tiKen, bw. Üpgeiuimder, vroolijker maken. Verblijden. Verhichti'ging. v. — verii«l«Icgt;u, ow. Zich laten verluiden : te verstaan geven. — verluieren, bw. Luierende doorbrengen. Ow. Luier worden. Verflauwen. — verlu»ti|»eii, bw. Lustig, vroolijk maken. Zzch verlustigen, ww. Zich vermaken. Verlustiging, v. (-en).

— vermsiaifMelistppeii, bw.Doorbanden van maagschap verbinden. Zich vermaagschappen, ww. Vermaagschapping, v. (-en).

vei iii sturd, bn. Befaamd. Beroemd.

— VcrvtnarJheid, v. (..heden).

veruiUKeren, bw. ow. (zijn) Mager

maken, worden. Vermagering, v. —ver-lustkoii, bw. Anders maken. Herstellen (kleedingstukkcn, enz.). Bij uitersten wil schenken. Verlustigen. Verbinden : eene wond vermaken. Zwachtelen : een kindje vermaken. Dichtsluiten : eene deur vermaken. Versnijden : eene pen vermaken. Omheinen, afsluiten : eene weide vermaken. Zich vermaken, ww. Genoegen smaken. Ui.spanning genieten. Vermaak,^ o. (..aken). Genoegen. Vt-rlustiging. Plezier. Uitspa ui Zielstevredenheid. Omhei-uing. Afsluiting. Vei 7naakbaar%\in. Ver-maakshalve, bijw. Vermakelijk, bn. Ver-makelijkhetd, v. (..heden). Vermaking,v. (-en). — vei iu:«lelt;iy («Den, bw. lem. eeni/ kwaad, voor zooveel het kwaad is voor heni, toewenschen, God oi den duivel smeekende, dat deze wensch zou volbracht worden. Verwenschen, vervloeken. Ver-maledyj, bn. — vermalen, bw. Malende doorbrengen. Vergruizen (in eenen molen. en».). Vermaling, v. — vermallen, bw. Verkwisten. Verspillen. — vermanen, bw. Op dringende wijze voorhouden. Met redenen dringen. Waarschuwen. Herinneren. Vermaan, o. Vermaning. Vermaanbrief, m. (..ven). Vermaner, m. (-«.). Vet maanster (-s). Vermaning, v. (-en). Het vermanen. Aansporing tot het goede. (Geneesk.) Lichte aanval (van kooits enz.). Vermaningsbrief, m. (..ven). — vermangelen, bw. Man-gelecide doorbrengen. Ruilen. Verman-geiing, v. — vermannen, bw. Vermeesteren. Bemachtigen. Overweldigen. Zich vermannen, ww. Moed vatten.

vermast, bn. Te zwaar geladen. Overstelpt (van droefheid).

verin eenen, bw. Meenen. Veronderstellen. Vermeend, bn. — vermeerderen, bw. ow. (zijn) Meerder maken, worden. Vermeerder aar, m. (-s). Vermeerdering, v. ( en). — vermeervoudl-Ijon, bw. Meerder maken. —vermeesteren, bw. Overmeesteren. Bemachtigen. Aan heelmeesters betalen. Zich vermeesteren, ww. Zich bedwingen. Vermeesteraar, m. (-s). Vermeestering, v. — vermeiden, vermeien, bw. Met meitakken, enz. versieren. vermeien, ww. Zich in de open lucht vermaken. — vermelden, bw. Melden. Mededeelen. -Kennis geven (van). Vermeldenswaard,

5 — VERM

bn. Vermelder, m. (-s). Vermelding, V. (-en). Vermeldster, v. (-s).

vermemeld, bn. Vermolmd, vermenden, bw. Ondereenmengen. Samenmengen .Door menging vervalschen. Zich vet mengen, ww. Zich mengen. Zich bemoeien. Vermenger, m. (-s). Vermen-ging, v. (-en). Vermengster, v. (-s). —-verinenlBTVUldiKen, bw. In aantal doen toenemen. Vermeerderen. (Rekenk.) Een getal zoo dikwijls nemen als door een ander wordt aangeduid. Ow. (zijn) In aantal toenemen. Zich vermenigvuldigen, ww. Zich voortplanten (van menschen, enz.). Vermenigvuldiger, m. (-s). (Rekenk.) Getal, waarmede men vermenigvuldigt. Vermenigvuldiging, v. (-en). (Re-kenk.)Hoofdbe wet king. Vermenigvuldigtal, o. (-len). Getal, dat vermenigvuldigd wordt.—vermerken, bw. Bemerken. Anders merken. — vermeten, bw. Over-meten. Hermeten. Zich vermeten, ww. Zich in 't meten vergissen.—vermeten {zich}, ww. Zich verstouten. Vermetel, bn. bijw. In hooge mate stout. Stoutmoedig. Onberaden. Vermetele, ra. env. (-n). Vermetelheid, v. Vermetelifk, bw. Vermeten, bn. Vermetel. — vermetselfen, vermetsen, bw. Hermetselen. Door metselen doorbrengen, gebruiken, verteren. Vermetseling, v.

vermleelli, v. Deegdraadjes. Meel-pijpi'es.

vermUden, bw. Ontwijken. Schuwen. Vermijdbaar, bn. Vermydelyk, bn. Ver-myding, v. — vermij nieren, bw. Mijmerende doorbrengen. Zich ver my meren, ww. Zich door mijmeren ziek maken. — vermUten, ow. (zijn) Door mijten (wormen) geknaagd worden.—vermiljoenen, bw. Met vermiljoen kleuren. Ver-mitjoen, o. Hoogroodt-. kleurstof. Ver miljoen ach tig, bn. — verminderen, bw. Minder. Kleiner maken. Ow. (zijn) Minder, kleiner worden. In prijs verminderen, dalen. Zwakker worden. Vermindering, v. (-en). — verminken, bw. Mank maken. Van eenig lichaamsdeel berooven. Schenden. Snoeien. Verkrachten ; de wet verminken. Verminking, v. (-en). Verminkte, m. en v. (-n). — vermiuften, bw. Merken, dat iets ontbreekt, dat iem. afwezig is. Niet kunnen vinden.

vermits, vw. Omdat. Dewijl, vermodderen, bw. Met modder bevuilen. Verknoeien. — vermoeden, bw. Voor waarschijnlijk houden. Gissen. Denken. Vermoedelijk, bn. bijw. Waarschijnlijk. Vermoeden, o. (-s). Gissing. Argwaan. Achterdocht. Gevolgtrekking van een bekend tot een onbekend feit: er wegeu zware vermoedens op hem. — vermoeien, bw. Moede maken. Afmatten. Verzwakken. Zich vermoeien, ww. Ver~ moe id, bn. Vermoeidheid,?. Vermoeiend, bn. Vermoeienis, v. (-sen). Vermoeiing, v. — vermoflTen.bw. Met een Duitschen geest bederven ; de taal met germanismen vermoffen. Vermoffing, v. — vermogen, bw. De macht, de kracht, het recht hebben (tot) : God vermag alles, de kunst veim.Tg hier niets (bij eenen stervende).


ocr page 908

VERN — 8

Ow. Kunnen. Invloed hebben. Vermocen, o. (-s). Gezag, macht, bevoegdheid. Zielsvermogen, zielskracht. Gave des verstands. Rijkdom. Geld en goed. Vermogend, bn. — vermolmen, vcrmolscmcu, ow. (zijn) Tot molm vergaan. Vcrmolvid, bn. Wormstekig (van hout). Vermolmtng, v. Vermolsemïng, v. — vermommen, bw. Verkleeden. Geheim houden. Ontveinzen. Zich vermommen, ww. Zich verkleeden. Veinzen. Ve* movid, bn. Vermomde, m. en v. (-n). Vermomming, v, (-en).— ▼erniondeu, bw. Zeggen. Vertellen. Ow. Gezegd worden. Vermonding, y. (-en). — vermooleu, bw. ow. (zijn) Mooier maken, worden. — vermoorden, bw. Moorddadig ombrengen. Van het leven berooven. Verstoren : iemands rust vermoorden. Verbeuzelen: den tijd vermoorden. Ver moor der, m. (-s). Vermoor-ding, v. (-en). — vermorsen, bw. Door morsen bederven, verdoen. Nutteloos bederven, doorbrengen. Vermorsing, v. — vermorzelen, bw. Vergruizen. Verbrijzelen. Vermorzeling, v. — vermotten, ow. (zijn) Door motten geknaagd worden. Vermotting, v. — vermufTen, ow. (zijn) Door mufheid vergaan. Vermuffing, v. — vermulten, ow. (zijn) Ruien. Vermui-ting, v. — verm linten, bw. Hermunten. Muntende verbruiken. Vermun/ing, v. (-en). — vernmrven, bw. ow. (zijn) Murw maken, worden. Verteederen. Ver-inurving, v. — venmalen, bw. Over-naaien. Naaiende verbruiken, slijten. Slecht naaien. — vernneliten, ow. Den nacht doorbrengen. Koopwaren gedurende den nacht laten staan, zonder er rechten voor te betalen. — vernagelen, bw. Door middel van nagels sluiten. Een kanon vernagelen, het onbruikbaar maken met eenen nagel in het zundgat te slaan. Een paard vernagelen : eenen nagel in het gevoelige deel der hoeven slaan. Vernageling, v. — vernanwen, bw. ow. (zijn) Nauwer maken, worden. Vemarwing, v. (-en).

Verne (^*)» 1828, Nantes. Romanschrijver. Cifiq semaines en ballon (1863); les Enfants du capitame Grant; le Tour du monde en 80jours.

vernederen, bw. In aanzien, vermo-gf-n doen dalen. Oneer aandoen. Verlagen. Beneden de waarde rekenen. Zich vernederen, ww. Beneden zijne waardigheid, enz. handelen. Zich laag gedragen. Vernederend, bn. Vernedering, v. (-en). — vernemen, bw. Anders nemen. Gewaar worden. Hooren zeggen. Verneemal, m. en v. (-s. -len). Verneembaar

verliepen, bn. bijw. Klein : vernepen geschrift. Niet volgroeid: vernepen graan. Éen vernepen geest; iem. met bekrompen verstand, met bekrompen gedachten. Niet ruim : bij woont daar vernepen. — Verne-penheid, v. — Vernepeltng, m. en o. Iem. of iets, dat zijne benootlijke grootte niet heeft.

vernestelen, bw. Uit het nest halen. Ereens in vernesteld, verward zitten. —

Ver nes deling, v.

quot;Vernet 10 (C. J ), 1712-1789, Avignon. Schilder van zeegezichten. — 20 Zijn zoon

6 — VERO

(C.), 1789-1863, Bordeaux. Schilder vars krijgstafereelen.

verneuken, bw. Doen mislukken : het spel verneuken. Iem. verneuken, heitt benadeeligen, foppen. Zich verneuken^ ww. Zich kwellen. Zich leed aandoen.

vernenteld, bn. Dwergachtig. Klein» Gering.

vernielen, bw. Te niet doen. Verwoesten. Verdelgen. Vernielachtig, bn» Vernielachtigheid, v. Ve mie lal, m. en v. (-len). Vernielbaar, bn . Vernielend, bn. Vernieler, m. (-s). Vernieling, v. (-en). Vernielingswerk, o. Vernielster, v. (-s). Vernielzucht, v. — ver-nietifiren, bw. Te niet doen. Nietig maken. Krachteloos maken. Vernietigbaar, bn. Vernietiger, m. (-s). Vernietiging, v. Vernietigster, v. (-s). — vernieuwen, bw. Hernieuwen. Nieuw maken. Het onbruikbare, het versletene vervangen. Vernieuwer, m. (-s). Vernieuwing, v. (-en). Vernieuwster, v. ( s).. — vernieuwerivetselien, bw. Nieu-werwetsch maken. Vernieuwerwetsching, v. — vernikkelen, bw. Met nikkel beleggen. Bedriegen. — vernissen, bw. Met vernis bestrijken. Iets schooner voorstellen dan het is. Ontveinzen : de waarheid vernissen. Vernis, o. (-sen). Kunstglans. Verlaksel. Vernisbal, m. (-len). Ver-nisser, m. (-s). Vernissing, v. — vernoegen {zich), ww. Zich vermaken. Vernoegd, bn. bijw. Vergenoegd. Vernoegd-heid, v. Vern- eging, v. — vernoemen, bw. Hernoemen.lem.vernoemen : iemands naam noemen. Verspreiden, ruchtbaar maken : gij moogt dat niet vernoemen. Ver-noevitng, y. (-en). — vernueliteren,. bw. ow. (zijn) Nuchter maken, worden.

vernuft, o. Gave om iets uit te denken. Scherpzinnigheid, (-en) Verstandige persoon. — Vernuftig, bn. bijw.

veronaangenamen, bw. Onaangenaam maken. Veronaangenaming, v. — veronachtzamen, bw. Verwaarloo-zen. Veronachtzaming, v. — veronderstellen, bw. Onderstellen. Veronderstelling,v. (-en).

Veronese (P.), 1528-1588, Verona = P. Cagliari. It. schilder. De Bruiloftvan Can a; de Maaltijd by Simon.

verongeluk en, bw. Ongelijk aandoen. (Iem.) in het ongelijk stellen. Verongelijking, v. (-en). — verongelukken, bw. Aan een engeluk helpen : ienu verongelukken. Ow. (zijn) Omkomen (vooral in t water). Mislukken. Verongelukking, v. — verontlieiligen, bw. Ontwijden. Schenden. Verontheiliger, m. (-s). Ver ontheiliging, v. (-en). — verontreinigen, bw. Besmetten. Veront-reiniger, m. (-s). Verontreiniging, v, (-en). — verontrusten, bw. Ontrusten, Zich verontrusten, ww. Verontrusting, v. — verontseliuldigen, bw. Van schuld vrijspreken. Rechtvaardigen. Zich verontschuldigen, ww. Zich rechtvaardigen. Verschooning vragen. Verontschuldiging, v. (-en). — verontwaardigen» bw. Met een edel misnoegen vervullen. Zich verontwaardigen, ww. Gebelgd-


ocr page 909

VERP — 8

«ijn. Zich boos maken. Ver ontwaar diging, v.— veroordeelen, bw. Schuldig verklaren. Afkeuren. Vonnissen. Veroordeelaars m. (-s). Ver oor deelaarster s v. (-s). Veroordeelde, m. en v. (-n). Veroordeeling , v. (-en). — veroorloven, bw. (Aan oorlogskosten) uitgeven. — veroor-loveu, bw. Toestaan. Vergunnen. Zich veroorloven, ww. De vrijheid nemen. Veroorloving y v. — veroorzaken, bw. Teweegbrengen. Aanleiding geven (tot). Ver-'Oorzaker, ra. (-s). Veroorzaakster, v. (-s). Veroorzaking, v. — verootmoed i-

Sen,en, bw. Met ootmoed vervullen. Verne-eren. Zich verootmoedigen, ww. Verootmoediging, v. (-en).—verorberen,bw. Gebruiken. Nuttigen. — verordenen, bw. Bevelen, gelasten. Wettelijk bepalen. Schikken. Verordening, v. (-en). — ver-ordlneeren, bw. Verordenen. Bevelen. Verordineering.v. (-en). — verouden, verouderen, bw. ow. (zijn) Oud, ouder maken, worden. (Recht.) Verjaren. Verouderd, bn. Veroudering, v. — verouwe-lOken, ow. (zijn) Er ouder beginnen uit te zien. — veroveren, bw. Êeraachti-

f;en. Bemeesteren. Harten veroveren, door iefde enz. winnen.;en. Bemeesteren. Harten veroveren, door iefde enz. winnen. Veroveraar, m. (-s). Veroveraarster, v. (-s). Verovering, v. (-en). Veroveringszucht,-?. — verpachten, bw. In pacht geven, nemen. Aanbesteden. Verpachter, m. (-s). Verpachting, v. (-en). Verpachtster, v. (-s). — ver-

Etakken,takken, bw. Herpakken. Anders pak-en. Het hazenpad kiezen. Vet pakking, v. (-en). — verpanden, bw. In pand geven, nemen. Beleenen. Zijne eer, zijn woord, zijn leven verpanden. verpanden, ww. Zich ten nauwste verbinden. Verpanding, v. (-en). — verpappen, bw. Opnieuw pappen. Door pappen doen verdwijnen. Aan pap gebruiken. Verpap-Ping, v. — verpassen, bw. AI passende oesteden. (Kaartsp.) Laten voorbijgaan. Verkoopen. Verruilen. — verpebelen, bw. ow. (zijn) Herpekelen. Te vt-el pekelen. Door pekelen bederven. Tot pekel overgaan. Ver pekeling, v. — verpok-ken, bw. Herpekken. Overpekken. Verrekking, v. — verpesten, bw. Met de

fest besmetten. Bederven.est besmetten. Bederven. Verpestend, n. Vermesting, v. — verpUnen [zich), Ww. Zich afwerken. Veel verdriet hebben.

— verpikken, bw. Herpikken. — verpinken, verpinkoogren, ow. Hij staarde er op zonder eens te verpinken. — verplaatsen, bw. Naar eene andere plaats overbrengen. Van standplaats doen veranderen. Zich verplaatsen, ww. Van T)Uiats veranderen. Opschuiven. Verplaatsing, v. (-en). —verplakken, bw. Her-pllikken. Met plakken verbruiken. Te duur verkoopen. — verplanten, bw. Op eene andere plaats planten. Verhuizen. Ver-piantbaar, bn. Verplanter, m. (-s). Verplanting, v. (-en). Verplanister, v. (-s).

— verplassen, bw. Plassende bederven.

— verplegen, bw. Verzorgen. Verpleger, m. (-s). Verpleegster, v. (-s). Verple-ging, v. — %erp1elsteren, bw. Opnieuw pleisteren. Pleisterende doorbren-,gen, gebruiken. Ow. Ergens pleisteret. —

7 — VERR

verpletten, bw. Met pleiten doorbrengen, verteren. — verpletten, bw. Her-pletten. Overpletten. — verpletteren, bw. Verbrijzelen. Terneerslaan. Verplettering^. — verplicliten, bw. Noodzaken. Verbinden. Als plicht opleggen. Door gunstbewijzen genegen maken. Verplicht, bn. Verplicht, tw. Ik dank u. Ver-plichtend, bn. Verplichting, v. (-en).— verplooien, bw. Herplooicn. Anders plooien. Een ander vcorkomen geven.

verpondlngTi v. (-en). Grondbelasting.

verpoozen, bw. ow. Aflossen. Laten uitrusten. Zich verpoozen, ww. Rusten. Verpoozing, v. (-en). — verpoten, bw. Verplanten. Verpoting, v. (-en). — verpotten, bw. In een anderen pot zetten, leggen. Verpotting, v. — verpraten, bvv. Pratende doorbrengen. Al pratend© uitbrengen. Zich verpraten, ww. Onvoorzichtig zijn geheim uitbrengen. — ver-pronken, dw. Pronkende doorbrengen, verteren. — verprullen, bw. Pruilende doorbrengen, verliezen. — verraden, bw. Trouweloos handelen (tegen). Eenen aanslag smeden (tegen). Trouweloos bekendmaken. Uitbrengen. Zijne stem verraadt hem, maakt hembekend. Verraad, o. Het verraden. Verrader, m. (-s). Verrader es, v. (-sen). Verraderij, v. (-en). Verraderlik, bn. bijw. Verradersch, bn.

— verrafelen, bw. Rafelende uithalen. Ow. (zijn) Tot rafels worden. — verrammelen, bw. Verpraten. — verrassen, bw. Ras en onverwacht overvallen. Overrompelen. Onverhoeds betrappen. Onverhoeds verblijden. Verrassing, v. (-en).

verre. Zie Ver. — Verregaand, bn. Vergedreven. Overdreven. — Verreky-ker, ra. (-s). Werktuig om op grooten afstand te zien. — Verreweg, bijw. Zeer ver. Vooreen goed deel.— Verreziend, verziend, bn. Slechts van ver kunnende zien.

— Verreziende, m. en v. (-n).

verregenen, bw. Door den regen

verwoesten. Ow. (zijn) Door den regen bederven. — verreiken (zich), ww. Te ver reiken. —verrelzen, bw. ow. (zijn) Reizende verteren. Van de eene plaats naar de andere reizen. Vertrekken. — verrekenen, bw. Rekenend vereffenen. In rekening brengen. Zich vet rekenen, ww. Zich in 't rekenen vergissen. Verrekening, v. (-en). — verrekken, bw. ow. (zijn). Ontwrichten. Zich verrekken, ww. Verrekking-, v. (-en).

verrel, o. (-s). Viertel. Vierendeel.

verrleliten, bw. Doen. Uitvoeren. Verrichter, m. (-s). Verrichting, v. (-en). Verrichtster, v. (-s).

Verrlest {//. N.), 1840, Deerlijk. Pastoor. Dichter en redenaar.

verruwen, bw. Anders rijgen. Verkeerd rijgen. — verrQken, bw. ow. (zijn) Rijk, rijker maken, worden. Zich quot;verrijken, ww. Verrijking, v. — verrQzen, ow. (zijn) Zich rijzende verheffen. Uit het graf oprijzen. Verrijzenis, verrijzing, v.

— verrlnipelen, bw. ow. (zijn) Rimpels maken, krijgen. — verritselen, ow. Ritselen. Zich verritselen, ww. Zich ver»


ocr page 910

VERS — 8:

roeren. — vcrroolon, bw. Roeiende doorbrengen, verteren. Ow. (zijn) Weg-roeien. — verrovkcloozcii, bw. Door verwaarloozing en onachtzaamheid wegmaken, bederven. Verroekelnozing, v. — verroepen, bw.Naareeneandere plaats roepen. Zich verroepen, ww. Door roepen zich pijn doen. — verroeren, bw. Van zijnö plaats brengen. Omroeren. Zich verroeren, ww. Zich van zijne plaats bewegen. Verroering, v. — verroenten, ow. (zijn) Metroestoverdekt worden. Vastroesten. Verroesting, v. — verrollen, bw. ow. Anders rollen. Op rollen vervoeren. Wegrollen. Heenrollen. Verrolling, v. — verrommelen, bw. Wegruimen.

— verrouken, bw. Ronkende doorbrengen. — verronselen, bw. Tot den krijgsdieiist, enz. overhalen. Verruilen. Zich verronselen, ww. (Voor handgeld) dienst nemen. — verrooken, bw. Door rooken verteren, verdrijven. Ow. (zijn) In rook opgaan. Smeulen, — verrotten, ow. (zijn) Door invretende bestanddeelen bederven. Verrot, bn. Verrotting, v. — verrullen, bw. Kuilen. Verruiling, v. (-en). — verruimen, bw. Ruimer maken. Uitbreiden. Verruiming, v. — verrukken, bw. Met eenen stoot of ruk verschuiven. Wegrukken. Door hevige aandoeningen van vreugde, enz. als buiten zich zei ven voeren. Opgetogen doen zijn. Bekoren. Verrukkelif k,hn, bijw. Verruk-kelykheid, v. Verrukking, v. (-en).

vers, o. (..zen). Dichtregel, uit een ot meer voeten bestaande. Zie Riim en Voet. Gedicht. Dichtstukje. (Bijbel) Zinsnede uit een hoofdstuk. — Versbouw, m. — Versmaat, v. — Versregel, m. (-s). — Vers-snede, v. (-n). — Verssoort, v. (-en). — Verzenboek, o. en m. (-en). — Vcrzenlij' mer,m. (-s). — Verzenlijmerij, v. — Ver-zenlymster, v. (-s). — Verzenmaker, m. (-s). — Verzenmaakster, v. (-s). — Ver-zenmakeri/, v.

vermagen, bw. Ontstellen. Schrik aanjagen. Ow. (zijn) Den moed verliezen. Versaagd, bn. bijw. Ontsteld. Bevreesd. Verlegen. Versaagdheid, v. —versaAsen, bw. Van 't een sas in 't ander brengen. Verplaatsen. Ow. (zijn) Hij moet nogmaals versassen.

vermeil, bn. Pas gegroeid, uitgekomen, geplukt, gevangen, gebakken, geslacht, enz. Pas aangekomen. Frisch. Versche paarden : paarden, die uitgerust zijn. Bijw. Het ligt mij versch in het geheugen. Dit is nog versch geschreven. — Verschebalie, m. (-s). (Zeew.) Kuip, waarin vleesch of visch ververscht wordt. Persoon, hiermede belast. — Verschelyk, bijw. — Versch en, bw. verschte, heeftgeverscht. Ververschen.

— Verschheid, v. — Verschjager, m. (-s). Handelaar in zeevisch.

vermeilaelieren, bw. Tegen geringe waarde verruilen. — vermeliafl'en, bw. Bezorgen. Voorzien (van). Leveren. Ver-schaffing, v. — versehstlen, ow. (zijn) Vervliegen. Geur en kracht verliezen (van wijn, enz ). Verschaling, v. — vernelisil-ken, bw. Bedriegen. Foppen. Ontefren. Verschaiher, ra. (-s). Verschalking, v.

5 — VERS

(-en). Verschalkster, v. (-s). — ver— selisiuMen, bw. Met schansen omringen. Versterken. Zich verschansen, ww. Ver-schansiug, v. (-en). Het verschansen. Bolwerk. Sterkte. Hoog achterdeel van een schip.

verscliel«1cu,bn. Meer dan een. Verschillende. Telw. Vele. Talrijke. — Verscheidenheid, y. (..heden). Verschil. Onderscheid. Afwisseling. — Verscheidenheden, v. mv. Zaken van verschillenden aard. Beschouwingen van verschillende onderwerpen.

verselielden, ow. (zijn) Overlijden. Sterven. Verscheiden, o.— vcmelicien, ow. Verschillen. — verselienken, bw. Schenkende ledigen. Zich verschenken, ww. Doen overloopen. — verselieiien, bw. Met schepen vervoeren. Overladen. Verscheping, v. (-en). — verselierpen, bw. Scherp, scherper maken. Opnieuw scherpzetten (een paard). Het geheugen, het verstand verscherpen. Ow. (Zeew.) Voorbijschieten (van balken, planken). Verscherping, v. (-en). — verseliert-8en, bw. Schertsende doorbrengen. — verseherveu, bw. ow. Tot scherven maken. (Timm.) Lasschen. Samenvoegen. Verschef ving, v. (-en).

versoliet. Zie Frisket.

verselieuren, bw. Aan stukken scheuren. Vaneenrijtep. Stuk bijten. Verslinden. Vernietigen. Verscheurend, bn. Verscheuring, v.

vermoiiiet, o. (-en). Verscheidenheid. Verschot. Verre afstand. (Schild.) Vergezicht. Toekomst.

vermeliieten, bw. Schietende verbruiken : zijne pijlen verschieten. Verleggen : graan verschieten. Doorschudden : kaarten verschieten. Van ligplaats veranderen : eene schuit verschieten. Voorschieten : geld verschieten. Doen verbleeken : zijnen glans verschieten. Ow. (hebben, zijn) Snel van plaats veranderen. Verbleeken. Opspringen. Verschietende ster, zie Vallerde ster. Verschieting, v. — vermeliUnen, ow. (zijn) Zich veitoonen : de soldaten verschenen voor de stad. Opkom«n : voor den rechter verschijnen. Oproepen : geesten doen verschijnen. Vervallen : de interesten zijn verschenen. Het licht zien : de eerste aflevering is verschenen. De wissel verschijnt, moet betaald worden. De maand is versctienen, is voorbij. Ver schijn das?, m. (-en). Vervaldag (van wissels, enz.). Dag, waarop men voi r de rechtbank moet verschijnen. Verschijning, v. (-en). Verschijnsel, o. (-en, -s). Al wat verschijnt. Spook. Visioen. Iets zeldzaams. Luchiv er-heveling. — verselilkken, bw. Anders schikken. Uitstellen. Ow. (zijn) Zich verplaatsen. Verschikking, v. (-en). — ver-meliilderen, bw. Overschilderen. Schilderende doorbrengen, gebruiken. Doorbrengen met op schildwacht te staan. Verschildering, v. — vermelillferen, ow. (zijn) In schilfers vallen. — vermelilllon, ow. Zich onderscheiden (van). Afwijken (van). ^gt;r^-///7,o.(-len).Onderscheid.Overschot. Geschil, twist. Verschillend, bn, bijw. Onderscheiden. Ongelijk. Afwijkend.


ocr page 911

VERS — 81

Telw. Vcrscheidcne. Enkele. Verschillij, bn. Verschillend. Verschtllj'gkeitl, v.Ver-schilme'tr, m. {-s). (Zeew.) Werktuig tot meting der waterdracht. Versc/ulpuuly o. (•en). Verschihtuk, o. (-ken). — vcr-seliimniclen, ow. (zijn) Geheel door schimmel bedcrvrn. Versckimtnelin?, v.

— vers cliofTc 1lt;mi, bw. O verschoffel en. Schülïelenile doorbrengen. Wegschuiven. Achteruitschuiven. — vcrscliokkeii, bw. ow. (zijn^ Schokkende verplaatsen, verplaatst worden.—versdiomnielcn, bw.Schoinmelendegebruiken,slijten Stoo-tende verplaatsen. Ow. (zijn) Stoot( nde verplaatst worden. Verscho7?t7)ieliu^, v. (-en).

— vcrscliooncn, bw. Schoon, schooner maken. Schoon linnen aandoen. (Een bed) van schoone lakens voorzien. Vrijlaten : de dood verschoont niemand. Onaangeroerd laten : verschoon zijre b« urs niet. Verfraaien. Verontschuldigen. Vergoelijken. Bewimpelen. Zich verschoouen% ww. Schoon linnen aantrekken. Zich verontschuldigen. Verschoonbaar, bn. Verschoonbaarheid, v. Verschoonblad, o. (-en). Verschoondoeh, m. (-en). Verschoon-vel, o. (-len). (Drukk.). Verschconing, v. (-en^. Verschoonlyk, bn. bijw. Verschoon-lykheid, v. — ver» eh o p p e ïi , b w. Schoppend verplaatsen. Verachtelijk behandelen. Verwerpen. Verschoppeling, m. en v. (-en). Verschoppelinge, v. (-n). l-er-schopping, v.

vcrscliot, o. (-ten). Hoeveelheid dingen, waaruit men kiezen kan. Wat men voor een ander uitgeeft. Geschot.

vcrsdioveliiig-, m. en v. (-en). Die met minachting behandeld wordt. — Ver-schovelinge, v. (-n).

vorsdirabbcn, vcrsclirsippeu, bw. Herschrabben. H- rschrapen. — vor-sclirecnwcn {zicJC), ww. Zich overschreeuwen. Door schreeuwen zich pijn doen. — vorsclircleii, bw. Schreiende doorbrengen. Zie h vet schreien,wvj. Door schreien zich pijn doen. — vei Hi'lt ru von, bw. Herschrijven. Schrijvende gebruiken. Bij brieven bijeenroepen. Tot ondertniuw inschrijven. Zich verschrijven, ww. Zich schrijvende vergissen. Verschrijving:, v. (-en). — vcrsclirikkeii, bw. Doen schrikken. Ow. (zijn) Schrik grvoelen. Verschrikkelijk, bn. bijw. Schrik inboezemende. Ontzettend. Verschrikkehjkheid, v. (..heden). Verschrikker, m. (-s). Verschrikking, v. (-en). I'rrschriksier, v. (-en). — vemclirocioii: bw. Verbranden. Verzengt- . Ow. (ijr Verschroeid worden. Verse*- ueiivg, v.— »'lt;,i*Hlt;,In*lt;»e-Tcn, bw. Herschrottven. V ••rkeerd schroeven. VersC'iroeving, y. —verse li ■•om-pclcu, bw. ow (zijn) Kimpclen. J'er-schrombeling, v. - Yeritcliroiikc^leii, ow. (zijn) Ineenkronkelen — TerKC*liH«l-lt;lcii, bw. Anders, opn euw schudden. Door elkander schudden. Verschu-'ding, v. - TcrMOliuilcn, bw.Verbergen. Zich verschuilen, v w. Zich verbergen. Zich schuilhouden. — verMOliiiimeii, bw. Het schuim afnemen. Ow. (zijn) Schuim worden. In schuim vervliegen. — vcr-•clmiiieii, bw. Schuin maken. Schuins

) — VERS

plaatsen. — versoliuivcu.bw. Schuivende van plaats veranderen. Met minachting behandelen. Uitstellen. Ow. (zijn) Zien schuivende verplaateen. Verschuivend, bn. Verschuiving, v. l-en).

verfclt;'liiigt;(lig:lt;l, bn. Schuldig. Te vol-do n. T»- bewijzen.

vcrMcliiii'cn, bw. Herschuren. Schurende doorbrengen, gebruiken. Ow. (zijn) Door schuring afnemen. — versleren, bw. Verfraaien, tooren. Tot sieraad verstrekken. Met leugens opsmukken. Verzinnen, verdichten. Zich versieren, ww. Zich opschikken. Versierbloem, v. (-en). Versierder, m. (-s). Versiering, v. (-en). Versiersel, o. ( s,-en). Ver sier ster ,w. (-s)» verftifieatie, v. Versbouw.

vei'^.f omveu, bw. Sjouwende verdragen. Zich versjouzveti, ww. Doorsjouwen zich pijn doen. —verülaaii, bw. Anders slaan. Elders slaan. Verkeerd slaan. Slaande verwijderen. Lesschen : den dorst verslaan . Nederslaan, overwinnen. Onthutsen. Ow. (zijn) Verkoelen. Verschalen. Verslagen, bn. Neerslachtig. Verschrikt. Ort-hutst. Overwonnen. Verslagene, m. en v. (-n). Verslagenheid, v.

verslsinr, o. (-en). Opgave. Bericht. Kekenschup.— Verslaggever, m. (-s).— Verslaggeefster. (-s).— Verslagscht ijt, o. (-en). _ .

verHlstnipsimpen, bw. In nietigheden verdoen. — verslapen,bw. Slapende doorbrengen, verteren. Door slapen verdrijven. Zich verslapen, ww. Te lang slapen.— verslappen, bw. ow. (zijn) Slap, slapper maken, worden. Verflauwen. Verslapping, c. (-en). — verslaveny bw. Tot slavernij brengen. Zich verslaven, ww. Zich overgeven (aan). Zich laag onderwerken. Verslaafd, bn. Verslaafdheid, v. Verslaving, v. — verslecl;ten, bw. ow. (zijn) Slechter maken, wo'den. Erger worden (van ziekten, enz.). Verslechting, v. — versieepen, bw. Slee-pende overbrengen. — verslempen» bw. In nietigheden verdoen. — verslensen, ow. (zijn) Kleur en geur verliezen. Verwelken. Verslensing, v.— verslen-teren, bw. Slenterende doorbrengen.— versienren, bw. Sleurende wegbrengen. Verwaarloozen. — ^-«'i-sllMien, ow. (zijn) Verslijken. Verslibbing, v. (-en). — v^rsS^Ken, ow. (zijn) Vol slijk geraken. Ierslyktng, v. (-en). — verslUmen, ow. (zijn) Tot slijm worden. Door slijm bederven, verzwakken. B%. ^let slijm bedekken opvullen. Verslyniiug, v. (-en). — verslijten, bw. Door slijting doen ver-eaan, doorbrengen, verbruiken. Ow. (zijn) Vergaan. Afnemen.bn. Ver-sl ij tiaar, bn. Vcrslijtelijk, bn. V er sly-ting, v. — versliliken, bw. Slikkende innemen.Verduwen. Zich T'ershkken^vw. Door slikken zich pijn doen. Kwalijk in-zwelgen. Verslikktng, v. ( en). — ver-sli min eren, bw. ow. (zijn) Erger maken, worden. Verslimvteriug, v. — verslinden, bw. Opslikken. Verzwelgen, lem. met de oogen verslinden. Versljn-der, m. (-s). Verslinding, v. Verslind-ster, v. (-s). — verslluucren, bw. Slin-


ocr page 912

VERS — i

gerend wegwerpen. Door onachtzaamheid verliezen. Ow. (zijn) Verloren gaan. Wegraken. Op iets verslingeren, verslingerd zijn : daar verzot op worden. Zi'c/i verslingeren, ww. Verliefd raken (beneden zijnen rang). Verslingerdheid, v. Te groote verzotheid (op). —TerHlodderen, bw. Verslonzen. — versloflcn, bw. Sloffende verslijten. Verwaarloozen. — ver-■lonzcn, bw. Door onachtzaamheid bederven. Verwaarloozen. Er verslonsd, slordig, verwaarloosd uitzien. — vorslovcu, bw. Slovend doorbrengen. Zich versloven, ww. Zich afsloven. — versluizen, bw. Met eenes uis het water tegenhouden. Ow. (zijn) Versluisd, verstopt worden. — versmacliten, bw. Smachtende verstikken. Ow. (zijn) Smachtend omkomen. Grootelijks verlangen : van dorst versmachten. Lijden, treuren : in de gevangenis versmachten. Versmachiing, v. — versmaden, bw. Met smaad, verachtiquot;g beiege-nen. Beneden zich achten. Versmaad, bn. Versmaadheid, v. Versmader, m. (-s). Versntaadster, v. (-s). Vei stnading, v. — versmalt kon, bw. Smakkende verzetten.— versmallen, bw. ow. (zijn) Smal, smaller maken, worden. Versmalling', v. (^en). —versmeden, bw. Hersmeden. Smedende gebruiken, doorbrengen. Ver-smedivg. v. (-en). — versmelten, bw. Vloeibaar maken. Smeltende gf'bruiken. Ondereensmelten (van kleuren). Ow. (zijn) Vloeibaar worden. Wegsmelten. In tranen versmelten : sterk weenen. Versmelting, v. —versmeren, bw. Hersmeren. Sme-rende verbruiken. Verbrassen. Versmering, v. (-en).— versmeulen, ow. (zijn) Smeulende verteren. — versmilten, bw. Vergooien. Wegwerpen. Versmaden. — Versmoren, bw. In 't water doen ora-iromen. Doen stikken. Verbergen, onder-irukken. Ow. (zijn) In 't water omkomen. Stikken. Versmoring, v. (-en). — versmallen, bw. Met smullen doorbrengen. Verbrassen.

versnaperingr, v. (-en). Lekker beetje. Lekkernij.

versnellen, bw. In snelheid doen toenemen. Versnelling ,v.— versnerken, ow. (zijn) Snerkende verteren. — versneden, bw. Anders snijden. In stukken snijden. Snijdende verbruiken. Door snijden vermaken : eene pen versnijden. Door snijden bederven. Vermengen, verval-schen : wijn versnijden. Versnyder, m. (-s). Versnijding, v. (-en). Versnydster, v. (-s). — versnipperen, bvj. Tot snip-

Sers maken. (Den tijd) in nietigheden oorbrengen.ers maken. (Den tijd) in nietigheden oorbrengen. Versnippering, v. — versnoepen, b^r. In lekkernijen verkwisten. — versnoeren, bw. Anders snoeren. Vaster snoeren. — versnorUen, bw. Snorkende doorbrengen. Overbluffen : denkt gij hem te versnorken? — versol-len, bw. Sollende doorbrengen. Er ver-sold, verwilderd uitzien, — verspaden, bw. Herspaden. Uitstellen : zijne afreis ▼erspaden. Ow. (zijn) Verlaten : de ziekte verspaadt. — verspal ken, bw. Herspal-ken. — verspannen, bw. Herspannen. Anders spannen. Verspanning, v. (-en).

o — VERS

— versparbelen, ow. (zijn) Vonkelende verteren. Versparkeling, v. — verspelden, bw. Herspelden. Anders spelden. — verspelen, bw. Spelende doorbrengen, verliezen, in de war brengen. Laten vloeien : het water eener vaart in de rivier verspelen. Ow. Wegvloeien. Zich verspelen, ww. Zich in 't spel vergissen.

— versperren, bw. Door versperringen afsluiten. Den weg versperren : den doorgang belemmeren. Zich versperreu, ww. Versperring, v. (-en), — verspieden, bw. Bespieden. Verspieder, m. ( s). Verspieding, v. (-en). Verspiedster, v. (-s).

versplejaebt, o. (-en). Postschip. Adviesjacht.

verspillen, bw. Verkwisten. Nutteloos doorbrengen, verteren. Verspiller, m. (-s). Ver spilling, v. (-en). Verspilster, v. (s). — verspinnen, bw. Herspinnen. Spinnende doorbrengen, bederven. — verspitten, bw. Herspitten. Vet spitting, v.

— versplinteren, ow. (zijn) In splinters gaan. Ver splinter if tg, v. — ver-splltsen, bw. Hersplitsen. Anders splitsen. Versplitsing, v. — verspoelen, bw. Herspoelen. Ow. (zijn) Wegspoelen. Verspoeling, y. — verspreiden, bw. Uitspreiden, uitstrooien. Doen uiteengaan : eene volksmenigte verspi-eiden. Alom bekendmaken. Zich verspreiden, ww. Alom bekend worden. Hier en daar zich vestigen. Verspreider, m. (-s). Verspreiding, v. Ver*preidster, y. (-s). — verspre* ken {zich), ww. In 't spreken zich vergissen. — versprensren, bw. Sprengende verbruiken. — versprenkelen, bw. Sprenkelende verbruiken. — verspringen, ow. (zijn) Springende van plaats veranderen. W«gspringen. Lat-T komen : nieuwjaar verspringt jaarlijks eenen dag. Bw. Anders springen. Door springen ontwrichten. Zich verspringen, ww. Door springen zich pijn doen. Verspringing, v. — verspuiten, bw. Door spuiten verbruiken. — verstaan, ow. (zijn) Te lang, over den tijd staan. Door staan verslijten. Bw. Voor eene standplaats betalen. Verstaangeld, o. (-en). — verstaan, bw. Begrijpen. Te verstaan, te kennen geven. Wat verstaat gij daardoor: welke beteekenis hecht gij er aar ? Hoo-ren : men kon hem met moeite verstaan. Bedreven zijn (in): zijn bedrijf verstaan. Willen, verlangen. Meenen, bedoelen. Vernemen. Reden verstaan : daarnaar luisteren. Kunnen verdragen : hij verstaat gekheid en scherts. Zijne wereld verstaan. Zich verstaan, ww. Goed weten. Zich met iem. verstaan : met elkander raadplegen. Zij verstaan elkander als twee dieven op eene kermis. Verstaanbaar, bn. bijw. Begrijpelijk. Duidelijk. Hoorbaar. Verstaanbaarheid, v. Verstaander, m. (-s). Perstand, o. Begrip. Bevatting. Doorzicht. Geest. Verstai dhouding ; verstand met den vijand hebben. Vernuft. Kennis. Wetenschap. Met dien verstaande : onder die voorwaarde. Zijn verstand v»-iliezen : krankzinnig worden. Tem. iets aan 't verstand brengen, doen begrijpen, Met verstand, met overleg aan 't werk gaun. Ver-


ocr page 913

VERS — 8

stand gebruiken : met rede te werk gaan. (-en) Geest. Man van groot vernuft. Ker-stan de lijk , bn . bijw. Verstaudelyk-hrtt/,v. Verstandeloos, bn. bijw. Verstan-deloosheid, v. Verstandhottding, v. (-en). Geheime betrekking of brit-fwisseling (met). In goede verftandhouding : op voet van vriendschap. In goede, slechte verstandhouding met iem. leven. Vf rstandig, bn. bijw. Verstandiglyk, bijw. Verstandsont-■wikkeling, v. Verstandstand, m. (-en). Ver standsverbijster ing,\. — verstalen, bw. Totstaai maken. Verharden. Zich verstalen, ww. Onbeschaamd, ongevoelig worden. Verstaald, bn.Tot staal gemaakt, geworden. Onbeschaamd. Ongevoelig. Versta a Idheid. v. Versta ling, v. —ver-«talleit, bw. Naar een anderen stal brengen. Koopwaren naar een ander stalletje overbrengen. Ow. Van stal veranderen. Vertrekken. Verstalling, v. (-en). —ver-fltstpelen, bw. Herstapelen. — ver-sfnppen, ow. Stappende weggaan. Zich verstappen, ww. Stappende zich bezee-ren. Verkeerd stappen. — versteeneu, bw. ow. Izijn) Tot steen maken, worden. In de boosheid verharden. Versteend, hn. Versteenaheid, v. Versteenend, bn. Ver-steening, v. (-en). Het versteenen. Versteend voorwerp. — vei-Hlekeii, bw. Anders steken. Óp eene andere plaats steken. Verbergen, wegmoflelen. Overtap-

Een : wijn versteken. Doorschudden : de aarten versteken. Verstoeten, met minachting behandelen. Berooven : iem. van zijn recht versteken. Verbergen. Hij is van het noodige verstoken : hij moet het noo-dige ontberen.en : wijn versteken. Doorschudden : de aarten versteken. Verstoeten, met minachting behandelen. Berooven : iem. van zijn recht versteken. Verbergen. Hij is van het noodige verstoken : hij moet het noo-dige ontberen. Zich versteken, ww. Zich verbergen. Zich schuilhouden. Verstek, o. (Timm.) Schuine hoek van eene plank of lijst. (Recht.) Term, uitdrukkende, dat de cischer of de gedaagde op den bepaalden tijd voor het recht niet verschenen is : bij verstek veroordeelen. Verstekblok, o. en m. (-ken). (Timm.). Verstekeling, m. en v. (-en). Verstooteling. Verstekelinge, v. (-n). Verstekhaak, m. (..aken). Versteking^. Verstekregel, m. (-s).

versteld, bn. Onthutst, verbaasd, verschrikt. De wagen zit versteld, kan niet voort. — Versteldheid, v.

verstellen, bw. Op eene plaats brengen. Lappen, verbeteren. Stemmen : een orgel verstellen. Versteller, m. (s). Verstelling, v. (-en). Verstelster, v. (-s). Verstelwerk, o. — verstempelen, bw. Herstempelen. Ver stempeling, v. (-en). — vers terben, bw. Sterker, talrijker maken. Van versterkingswerken voorzien. Stijven. Opbeuren, bemoedigen. Bevesti-

fen, bekrachtigen.en, bekrachtigen. Zich versterken, ww. rersterk end, bn. Versterking, v. (-en). Het versterken. Hulp, bijstand. Vestingwerk. Versterkingsmiddelen, o. mv. Versterkingswerken, o. mv.— versterven, ow. (zijn) Overlijden. Uitsterven. Bij erfenis overgaan. Besterven : vleesch laten versterven. Bw. Kastijden, temmen : het lichaam versterven. Zich versterven, ww. Zich kastijden. Het vleesch dooden. Versterf, o. Afsterving. Dood. Uitsterving. Ver sterf baar,\in. Versterfenis, r. (-sen).

i — VERS

Nalatenschap. Versterfrecht, o. Versterving, v. (-en). Verstorven, bn. bijw. Toegevallen (door nalatenschap). Bestorven. Verstorven zijn van vader en mot der : ouderloos zijn. Verstorven bier : bier zonder kracht of smaak. Verstorvene, m. en v. (-n). Overledene. Verstorvenheid, v.

— verstUven, bw. ow. (zijn) Stijf maken, worden. Ver sty fd, bn. Versly / dh eid, v. Verstijving, v. (-en). — verstikkeu, bw. Doen stikken. Stikkend verbruiken. Ow. (zijn) Stikken. Verstikking, v. (-en).

— verstillen, ow. (zijn) Stil of stiller worden. — verst In ken, ow. (zijn) Door stank vergaan. — verstoeien, bw. Op een anderen stoel plaatsen. Kenen dijk verstoeien, hem verdeelen onder dezen, die hem onderhouden. Ver stoeling, v. (-en). — verstoken, bw. Aan brandstof verbruiken. Verstoking, v. — verstok' ken, bw. ow. (ziin) Verharden. Ongevoelig maken, worden. Verstokt, bn. Verhard. Ongevoelig. Verstoktheid, v. — verstommelen, bw. Wegmoffelen. — ver* toni in en, bw. Doen zwijgen. Ow. (zijn) Sprakeloos worden. Hoogst verbaasd staan. Verstomming,^.— verstoni|»en, bw. ow. (zijn) Stomp maken, worden. Ver-sto7)iping, v. — versfoomen, bw. Stoo-mende verbruiken. Ow. (zijn) In stoom op-

faan.aan. Ver stooming, v. — vers loot en, w. Stootende verplaatsen. Verwerpen. Verachten. Uit het huis drijven. Onterven. Verstooteling, m. en v. (-en). Verstoote-It'nge, v. (-n). Verstootinq, v. — verstoppen, bw. Andersstoppen. Opstoppen. Den doorloop van water belemmeren. Water-of luchtdicht maken. De spijsvettering beletten. Wegbergen. Ow. (zijn) Verstopt worden. Verstoppend, bn. Verstoppertje, o. (-s). Verstoppertje spelen. Verstopping, v. (-en). Verstoptheid, w.—verstoren, bw. Belemmeren. Hinderen. Tergen. Boos maken. Vernielen. Verstoorbaar,hn. Verstoord, bn. Vergramd. Verstoorder, m. (-s). Verstoordheid, v. Verstoorster, v. (-s). Verstoring, v. (-en). — verstorten, bw. Verkeerd storten. Overstorten. — verstonten, bw. Stout maken. Moed geven. Zich verstouten, ww. Vei stouting, v. — verstonnen, bw. Verstuwen.

Terstrsieten (A. M.), 1858, Wetteren, Jezuïet. Letterkundige. Vondels Lucifer, taal- en letterkundig verklaard (1885) ; Studiën over Vondel en zyn Jozef in Do than (1886).

verstrammen, bw. ow. (zijn) Stram maken, worden. I erstramming, v. — verstralen, bw. Anders bestraten. — verstrekken,bw.Toereiken. Verschaffen. Verstrekking, v. (-en). — vertil rijken, bw. Strijkende verplaatsen, verbruiken. Anders strijken. Ow. (zijn) S-iijkerde verloopen (vanden tijd).—verslriKlten, bw. Anders strikken. Met strikken omleggen. Lokken. Verschalken. Zich vet strikken, ww. Zich in ongelegenheid bn ngen» Verstt ikker, m. (-s). Verstrikkint», v. (-en). Verstrikster,\. (-s). —verstrooien, bw. Strooiende verbruiken. V» rsprei-den. Uiteendrijven. De gedachten afleiden. Uitspanning, verzet verschaften. Zich


ocr page 914

VERT — 84

vet'sit'ooien, ww. Zich verspreiden. Uiteengaan. Uitspanning zoeken. Verstrooid, bn. In het geheel niet of bijna niet lettende op hetgeen men doen moet. Verstrootii-keid, v. Versircoielzngen, m. mv. Zwervers. Vers/rooiittg, v. ^-en). — vorAlni-bcn, bw. Stooter.de zich pijn doen. Zich verstuiken, ww. Ik heb mij den vinger verstuikt. Vrrstuiking, v. (-en). — ver-stnivon, bw. Doen veivliegen in stof. Ow. (zijn) In stof vervliegen. Uitenloopcn. Versinivingy v. (-en).— vcrstu wen, bw. Anders stuwen. Herstuwen. Overpakken.— vorsufli'ii, bw. ow. (zijn) Suf, suffer maken, werden. Versuft, bn. Versuftheid, v. — vcrNiikkeloii, bw. Sukkelende doorbrengen. Plagen, kwellen. Ow. (zijn) Gekweld worden. Elt; n ellendig levfn leiden. Te zoek raken. — vcrtuhclcii, bw. Anders takelen. Van takelwerk voorzien. Zich vertakelen, ww. Van kleedcren, van zeden veranderen. Verfcikeltng, v. — vertakken (zich), ww. Zich in takken verspreiden. Vertakking, v. (-en). — vertuien, bw. In eene andere taal overbrengen. Vertaalbaar, bn. Ver taal fabriek, v. (-en). Ver taai loon, o. en m. (-en). Vertaalrecht, o. Vertaalwerk, o. Vegt; taai-woede, v. Vertaler, m. (-s). Vertaalster, v. (-s). Vertaling, v. (-en). Vertalin^s-recht, o. VertaHngswerk. o. —vertui-men, bw. Talmendedoorbrengen. — ver-tsi|»|ien, bw. Oveitappen. iSlet de maat verkoopen.Tappende ledigen. Vertapfing, v. — vertasten, bw. Hertassen. Tassende verbergen. — verlaiftten, bw. Anders tasten. Zich vertasten, ww. Mistasten. Misgrijpen. Vertas'ing, v. (-en), verte, v. Groote afstand. Verschiet, verteederen, bw. ow. (zijn) Zacht, lenig maken, worden. Gevoelig maken, worden. Vei teedering, v. — vertegen-woordigren, bw. Als tegenwoordig voorstellen. Optreden, handelen in den naam van een ander. Zich iets vertegenwoordigen : verbeelden. Vertegenwoordigend, bn. Vertegenwoordiger, m. (-s). Vertegenwoordiging, v. Vertegenwoordigster, v. (-s). — vertellen, bw. Hertellen. Zich vertellen, ww. Zich in 't tellen vergissen. — vertellen, bw. Verhalen. Wijsmaken. Vertellenswaard, ..ig, bn. Vrr-ielle*',m. (-s). Ve*telling, v. (-en). Vertelsel, o. (-s). Klein verhaal. Sprookje. Vertelster, v. (-s). — verteren, bw. Verbruiken : hij verteert al wat hij bezit. Aan gelag uitgeven : hij verteert dagelijks te veel. Opeten : in een oogenblik was alles verteerd. In zijne bestanddeelen ontbinden : zijne maag verteert die spijzen niet. Doorbijten, wegvreten : de mot verteert het linnen. Ow. (zijn) In zijne bestanddeelen ontbonden worden (van spijzen). Verbranden : verterend vuur. Vermageren. Wegkrimpen van nijd, verdriet, enz. Verteerbaar, bn. Verteerder, m. (-s). Ver-teerster, v. (-s). Vertering, v. '-en). — verteren, bw. Herteren. Terende verbruik t-n. — verteuten, bw. Teutende doorbrengen.

vertleual, bn. Loodrecht. Rechtstandig.

»— VERT

verf lenden, bw. Tienden heffen. Ia tienden verdeelen. Den tienden man straffen. Vertiender, m. (-s). Vertiending, r. (-en). — vertienvondigren, bw. Tienmaal nemen. — vertieren, bw. Verkoopen. Slijten. Vertier, o. Aftrek Verkoop. Vertiering, v. — vertikken, bw. Weigeren te doen. — vertillen, bw. Tillende verplaatsen. Zich vertillen, ww. Tillende zich pijn doen.— vertimmeren, bw. Hertimmeren. Timmerenue verbruiken, verteren. Vertimmering, v. ( en).

— vertinnen, bw. Met tin bedt-kken. Ver tinner, m. (-s). Vertinning, v. Ver-tingel, o. Ver tinster, v. (-s). — ver tippen , bw. Een anderen tip aanzette n. Den tip of de tippen vernieuwen. — vertob-l»en, bw. Tobbende doorbrengen. — vertoeven, ow. Zich ophouden. Wachten. Verbeiden. Vertoef, o. Het vertoeven. Uitstel. Vertoef plaats, v. (-en). — vertolken, bw. Vertalen. Uitleggen. Duidelijk maken. Vertolker, m. (-s). Vertolking, v. (-en). Vertolkster, v. ( s). — vertollen, bw. Tol heffen, b« talen. Aan tol onderwerpen. Vertolling,v. (-en).—vertonnen. bw. In andere tonnen doen. Verton-ning, v. — vertoogon, bw. Aantoonen, bewijzen. Vertoonen. Vertoog, o. (-en). Vertoogschets, v. (-en). Vertoogschrift, o. (-en). — vertoonen, bw. Toonen. Doen zien. Voorstellen (een tooneelstuk). Ter betaling aanbieden (van wissels). Vertegenwoordigen : hij vertoont den persoon des konirgs. Z/ch vertoonen, ww. Zich laten zien. Te zien zijn. Vertoon, o. Ver-toonbaar,hn. Ver toon dag, mA-cn), Vertonner, m. (-s). Vertoonirg, v. (-en). Vertoonplaats, v. (-en). Vertoonster, v. (-s).

— vertoornen, bw. Toornig maken. Vergrammen. Z'ch vertoornen, ww. Zich in gramschap stellen. — vertooveren, bw. Door tooverij vervormen. Vertoove-ring, v. — vertorsen, bw. Vertillen. — vertragen, bw. Traag, trager maken. Langzamer doen gaan. Uitstellen. Ow. (zijn) Traag, trager worden. Dralen. Vertraging, v. (-en). — vertrappelen, bw. Aan stukken trappelen. Vertreden. Onderdrukken. Vertrappelinz, m. en v. ( en). Vertrappelinge, v. (-n). — vertrappen, bw. Onder de voeten treden. Moedwillig overtreden. Onderdrukken. Vertrapper,m. (-s). Vertrapping, v. Ver-trapster, v. (-s). — vertreden, bw. Vertrappen. Tredende bezeeren, ontwrichten. Onderdrukken. Z/V/z vertreden, ww. Eene kleine wandeling doen. Zfch den voet verstuiken. Vertreder, m. (-s). Vertreding, v. Vertreedster, v. (-s).

vertrek, o. (-ken). Kamer. ^

vertrekken, bw. Van zijne plaats trekken. Uit zijn gewonen stand trekken. Ow. (zijn) Eene plaats verlaten. Zijnen dienst verlaten. Afreizen. Vertrek, o. Afreis. Vertrekking, v. (-en). —vertreuren, bw. Treurt nde doorbrengen. Zich vertreuren, ww. Van verdriet enz. wegkwijnen. —- vertrenzelen, bw. Treuzelende doorbrengen. Vei b» uzelen. Vertreu-zeling, v. — vertroetelen, bw. Verwennen. Vertroeteld, bn. Vert* oeteling.


ocr page 915

VERY — 84

v. — Tertrooslen, bw. Troosten. Vertroostbaar, bn. Vertroostend, bn. Vertrooster, m. ( s). Vertroosteres, v. (-sen). Vertrcosti'np, v. (-en). — vertrouwen, bw. Verwachten. Betrouwen. Ow. Vertrouwen stellen : op God vertrouwen. Zr'c/i vertroTweu, ww. Zich op iets of aan iem. verlaten. Vertrouzvd, bn. I ertrotnvde, m. en v. (-n). Vertrouwdheid, v. ïer-trowiuelyk, bn. bijw. Innig vertrouwd. Geheim. Vertrouwelijkheid, v. Vertrouweling, m. en v. (-en). Vertrouwelinge, v. (-n). Vertrouwen, o. — vertuien, ^w. (Een schip) tusschen twee ankers vastleggen. Ergens veituid liggen : frgens geraken, waar men moeilijk vandaan kan komen. Vertuianker, o. (-s). Vertuiing, v. — vertuiden, bw. Anders tuigen. Ver-tuiging, v.

vertiiiiiiiiB:, v. (-en). (Zeew.) Gebroken garg. Vertuind, bn. Van eene vertui-rring voorzien.

verl*vUfeloii, ow. Wanhopen. Vertwijfeld t bn. l.ijw. Wanhopig. Vertwijfeldheid, v. Vegt; twyfeltng, v.

vernitzlcud, bn. Veruitziende plannen.

vervasikt, bn. Vakerig. vervaar«l,bn. Bevreesd. Beschroomd. Angstig. — Vervaardheid, v.

vervaarlt;ligon, bw. Vaardig, gereed maken.Toebereiden. Samenstellen. Schrijven. Vervaardiger, m. (-s). Vei vaardiging,v. Vt rv aardigst er, v. (-sgt;.

vervstsiriy k, bn. bijw. Angstwekkend. Schrikkelijk, vreeselijk, ontzettend.— Ver-vaarlijkheid, v.

vervstllen, ow. (zijn) Bouwvallig worden. Afnemen. Verzwakken. Stranden. Invorderbaar worden (van wisse's). Op een anderen eigenaar komen. Afgezet worden. Verbeurd verklaard worden. Verval, o. Zakking. Verschil van diepte (des waters) bij vloed en ebbe. Verzwakking. Verarming. Verval, uitputting van krachten Verval, o. (-len). Voordeel. Toevallige winst. Vervaldag, m. (-en). Dag, waarop een wissel, enz. moet voldaan worden. Vervallen, bn. Bouwvallig. Vermagerd. Afgevallen. Verschenen. Vervallenheid, v. vervaltijd, m. — vcrvalwclieii, bw. Valsch maken. Namaken. (Eenen tekst) verdraaien. Met vreemde bestanddeelen vermengen. Vervalscher, m. (-s). Ver-vulschint;, v. (-en). Vervalschster, v. (-s). — vorvangen.bw. Begrijpen,inhouden. De plaats innemen (va.n). Onderscheppen. Aflossen : de werklieden vervangen elkander. Een woord door een anoer vervangen. Vervanger, m. (-s). Vervanging, v. Vervangster, v. (-s). — verbaren, vervaarde, heeft vervaard. Bw. Verschrikken. Ow. Verschrikt worden. — vervaren, vervoer, heeft en is vervaren. Bw. Te water verver ren. Varende doorbrengen, verteren. Ow. (zijn) Naar eene andere plaats varen. — vervaten, bw. Ii. een ander vat overgieten.—vervatten, bw. Anders vatten. Hervatten. Een bezoek vervatten, herhalen. Bevatten, inhouden. — ver-veclilen, bw. Vechtende veiliezen, derven. — vervederen,verveeren,ow.

; — VERV

(zijn) Ruien (van vogels). Verveering, v.-(-en). — vervelen, bw. Tot jast zijn. Plagen. Zich vervelen, ww. Niet goed gestemd zijn, omdat men geene bezigheid heeft. Niet weten wat doen. Vervelend, bn. bijw. Vervelendheid, v. Vet veling, v. — vervellen, ow. (zijn) Van vel veranderen. Vervelling, v. (-en).

verven, bw. verfde, heeft geverfd. Met verf bestrijken. — Verveloos, bn. — Verveloosheid, v. — Verver, m. (-s). — Verf ster, v. (-s). — Ververij, v. Het verven, (-en) Huis, waar geverfd wordt. — Verversambacht, o. — Verr ersgild, o. (-en). — Vet versknecht, m. (-s). — Vei verskuip, v. (-en). — Ververst eketting, v. (-en).— Vet verswinkelv m. (-s).

vervenen, bw. Turf uithalen. Vervening, v. ( en). — ververselien, bw.

Versch maken. Laven. Veskwikken, ver-frisschen. Zich ververschen, ww. Ver-verschingen gebruikt n. Ververschitig, v. (-en). — vervlerdnbberen, bw. Vierdubbel nemen. — vervUlen, bw. Her-vijlen. Vijlende verbruiken — vervlaam-selien, bw. Een vlaamschen vorm geven (aan). — vervlecbten, bw. Hervlech-ten. Vervlechting, v. — vervleezen, ow. (zijn) Tot vleesch worden. Vervlee-zing, v. ( en).— vervliegen, ow. (zijn) Wegvliegen. Wegsnellen. Uitdampen, uitwasemen. Verdwijnen : hunne hoop is vervlogen. Vervliegitig, v. —1 vervlieten, ow. (zijn) Wegvlieten. — vervloeien, ow. (zijn) Wegvloeien. Vergeten worden. Vervloeiing, v. — vervloeken, bw. Vloeken (op). Verfoeien, verwei schen. Den banvloek ui spreken. Z/ch vervloeken, ww. Zich verwecschen. Vervloeker, m. (-s). Vervloeking, v. (-en). Vervloek-ster, v. (-s). Vervloekt, bn. tw. — ver-vloeren, bw. Hervloeren. Tot vloeren-verbruiken. — vervluelitlsren, bw. (Scheik.) Vluchtig maken. Vervluchtiging,-v.—vervoederen, bw. Hervoederen. Voederende verbruiken. Te sterk voederen. — vervoegen, bw. Hervoegen. (Een werkwoord) naar personen, wijzen en tijden schrijven of opzeggen. Zich vervoegen, ww. Zich begeven. Vervoegbaar, bn. Vervoegbaarheid, v. Vervoeging, v. ( en). — vervoeren, bw. Tot voering verbruiken. Andere voering zetten (in). — vervoeren, bw. Naar eene andere plaats-voeren. Verver, o. Vervoerbaar, bn. Vervoerder, va. (-%). Vervoering, v. (-en). Het ven oeren. Hevige gemoedsbeweging. Vervoermiddel, o. (-en). Vervoerster, v. (-s). Verveer tuig, o. (en). — vervolgen, bw. Voortzetten. (Recht.) Betrekken, aanklagen. Plagen, kwellen. Verontrusten. Najauen. Vet volg, o. (-en). Het vervolgen. Wat tot voortzetting dient vaniets anders. In 't vervolg : later. Bij vervolg : naderhand. Vet volgbaar, bn. Vervolgbaarheid, v. Vervolgdeel, o. (-en). Vervolgens, bijw. Naderhand. Daarna. Vervolger, m. (-s). Vervolging, v. (-en). Vervolgingsgeest, m. Vervolglijst, v. (-en). Vc volgster, v. (-s). Vervolgwerk, o. (-en). Vervolgziek, bn. VervolgzuchfT


ocr page 916

VERW — £

-.v. Vervolgziicht{g,\)n. — verTOOcdeii, quot;bw. Onder voogdij stellen. Onder den duim houden. — vervorderen, bw. Doen vorderen. Bespoedigen. Zich vervorderen, ww. Zich verstouten. Vervordering, v. (-en). — vervormen, bw. Hervormen. Vervormer, m. (-s). Vervorming, v. (-en). — vervo»wen, bw. Anders vouwen. — vervrsteliten, bw. Bevrachten. (Zeew.) Vet huren. Vervrachter, m. (-s). Vervrachfing, v. (-en). — ver-Trecmden, bw. Vreemd maken. Ontvreemden. Verkoopen. In andere handen brengen. Verwijderen. Afkeerig maken. Ow. (zijn) Afkeerig worden. Vreemd worden (aan). Zich vervreemden, ww. Zich verwijderen. Vervreemdbaar, bn. Vervreemdheid, v. Vervreemding, v. (-en).

— vervreten, bw. Vretende doorbrengen, verkwisten. Zich vervreten, ww. Te veel, te gulzig eten. — vervriezen, ow. (zijn) Geheel bevriezen. Vervriezing, v.

— vervroegen, bw. Vroeger stellen of uitvoeren. Ow. (zijn) Vroeger komen. Vervroeging, y. (-en). — vervroolUkcn» bw. Vroolijk maken. Zich vervroolijken, ww. Vervroolyking, v. — vervullen, bw. ow. (zijn) Vuil maken, worden. Door vuilnis bederven. Vervuild, bn. Vervuild-heid, v. Vervuiling, v. — vervullen, bw. Vol maken. Nakomen. Volbrengen. Verwezenlijken. Vervangen. Vervuiler, jn. (-s). Vervulling, v. Verduister, v. (-s).

— vervuren, ow. (zijn) Bederven door het vuur (ziekte in het hout). Vervuring, v. — verwaaien, bw. Door den wind van zijne plaats brengen. Ow. (zijn) Door

. den wind van zijne plaats gedreven worden. Verwaaid, bn. Dour den wind verhinderd. Verwilderd : er verwaaid uitzien. Verwaaiing, v.

venvaand, bn. bijw. Laatdunkend. Waanwijs. Hoogmoedig. — Verwaande-iyk, tijw. — Verwaandheid, v. (..heden).

verwaarbor8:cU|bw.Borgzijn(voor).

Verwaar borg ing, v. (-en). — verwaardigen, bw. Waardig achten. Zich verwaardigen, ww. Niet beneden zich achten. Verwaardiging, v. — verwaar-loOzen, bw. Veronachtzamen. Verzuimen. Geen zorg dragen (voor). Verwaar-loozer, m. (-s). Verwaar loosster t v. {-s). VerWaarloozing, v. — verwaebten, bw. Afwachten. Verbeiden. Te gemoet jZien. Begeeren. Dulden. Verwachter, m. . (-s). Verwachting, v. (-en). — ver wak-lieren, ow. (zijn) Aanwakkeren. Ver-■wakkering, v.

verwal in d, bn. Met walm overtogen.

verwant, bn. Door maagschap verbonden. Overeenkomende (met). De verwante wetenschappen. — Verwant, m. /-en;. Lid eener familie. — Verwante, v. (-n). — Verwantschap, v. Familiebetrekking. Al de leden eener familie. Overeenkomst. Betrekking. (Natuurk.) Aantrekking, die tusschen ongelijksoortige stoften .-bestaat, waardoor de atomen worden samengehouden tot eene molecule. — Verwantschaft, bn,

verwaren, bw. Bewaren. Verwaring .y, (-en,. — verwarmen, bw. Warm,'

4 — VERW

warmer maken. Zich verwarmen, ww. Verwarming, v. Verwarmingstoestel, m. en o*. (-len). — verwarren, bw. In de war brengen. Het eene voor het andere nemen. Vermengen. Verlegen maken. In verlegenheid brengen. Zich verwarren, ww. In de war raken. Verward, bn. bijw. Verwar de lijk, bijw. Verwardheid, v. Verwarring, v. (-en). — ver wasem en, ow. (zijn) Verdampen. — verwassen, ow. (zijn) Krom groeien. Vergroeien. Verwassing, v.

verwaten, bn. bijw. Trotsch, opgeblazen. Stout, vermetel. — Verwatenheid, v.

verwateren, bw. Door water bederven. Slap, smakeloos maken. Ververschen met nieuw water : haring verwateren. (Zeew.) Met water vullen. Ow. Door water bedorven worden. Slap, smakeloos worden. Verwaterd, bn. Verwatering, v. — verwedden, bw. Eene weddingschap aangaan. Door wedden verliezen. — ver-weekeiyken, bw. ow. (zijn) Week, verwijfd maken, worden. Verweekelyking, v.

— verweeken, bw. ow. (zijn) Week, zacht maken, worden. Verweeking, v. — verweeren, ow. (zijn) De vastheid, enz. verliezen door den invloed van het weer. Verluchten. — verweeren, ow. (zijn) Eeltig worden. Verweering, v. — verwegen, bw. (Slechts in de onbep. wijs). Bewegen. — verweiden, bw. In eene andere weide brengen. Verweiding, v. — verwekken, bw. Voortbrengen. Veroorzaken. Wekken. Aansporen. Verwekker, m. (-s). Verwekking, v. Verwekster, v. (-s). — ver weid i-STen, bw. Overweldigen. — verwelken, ow. (zijn) Geur en kleur verliezen (van bloemen) Zijne fraaiheid, schoonheid, enz. verliezen. Verwelkbaar, bn. Verwelkbaarheid, v. Verwelkelyk, bn. Verwelking, v. — verwelkomen, bw. Welkom heeten. Verwelkoming, v. (-en),

— verwelven, verwulveu, bw. Van een gewelf voorzien. Verwelf, ver wulft o. verwelf sel, verwulfsel, o. (-s). Verwelving, v. — verwennen, bw. Afwennen. Ontwennen. (lem.) bederven door alles in te willigen. Ow. Verdwijnen : goede gewoonten verwennen mettertijd. ZtcA verwennen, ww. Verwenning, v. — ver-wenselien, bw. Kwade wenschen uiten (tegen). Vervloeken. Zich verwenschen, ww. Verwenschinf*, v. (-en). — verweren, bw. Verdedigen. Zich verweren, ww. Verweer, o. Verwering. Iets, waarmede men zich verdedigt. Verweerbaar, bn. Verweerd, bn. bijw. tw. Verdord, verduiveld. Verweerder, m. (-s). (Recht.) Gedaagde. Pleiter (tegen). Verweerschrift, o. (-en). Verweerster, v. ( s). Verwerenderwys, bijw. Verwering, v.

— verwerkelüken, bw. Verwezenlijken. Verwerkelijking, v. — verwerken, bw. Werkende verplaatsen, verbruiken. Door wciken benadeelen. Heiwerken. Dooreenmengen. Ow. Door gisting bederven (van bier). Zich verwerken, ww.Te voel, te hard werken. Verwerking, v. — verwerpen, bw. Verachtelijk af-


ocr page 917

VERW — 8.

werpen. Verstoeten. Afkeuren. Zich ver-werfirn, ww. Zich vergissen in het werpen. Verwerpelijk, bn. Verwerpelijkheid, v. Verwerpivg, v. — verwerven, bw. Verkrijgen. Verwerving, v. — verweven, bw. Herweven. Wevende verbruiken. Slecht weven. — verwezenlijken, bw. Tot wezenlijkheid, tot werkelijkheid brengen. Verwezen lij king, v. — verwigT' Spelen, bw. ow. Wiggelrnde bewegen, bewogen worden. Los staan (van tanden). — verwijden, bw. ovv. (zijn) Wijd, wijder maken, worden. Vcrwyaenrl, bn Verwijding, v. (-en). — verwüderen, bw. Verder plaatsen. Afzonderen. (lem.) den toegang van zijn huis ontzeggen. De harten verwijderen : oneenigheid veroorzaken. Zich verwijderen, ww. Vertrekken. Verwijderd, bn. Afgelegen. Verwijdering, v. (-en). — verwQlen, bw. Verschuiven. Uitstellen. Ow. Verpoozen. Verwijl, o. Verwyling, v.

Verwös (■£'•)• 1830-1880, Deventer. Taalkundige.Mederedacteur van het Woordenboek der Ned. Taal. J. van Vondels Leeuwendalers (1864); Jacob van Maer-lanVs der Naturen Blorme (i872-,75).

verwUten, bw. In iemands tegenwoordigheid kwaad zeggen dat valsch is of onbekend. Laken. Ten laste leggen. Depot verwijt den ketel, dat hij zwart is. Verwijl, o. (-en). Verwijter, m. (-s). Verwijting, v. (-en). Verwytster, v. ( s). — verwijven, bw. ow. (zijn) Week maken, worden (van karakter). Verwijfd, bn. bijw. Verwijfdheid, v. (..heden). — verwijzen, bw. Naar elders, naar een ander zenden. Verbannen. Veroordeelen. Vonnissen. Verwezene, v. en m. (-n). Verwijzing, v. (-en). — verwikkelen, bw. Verwarren. Verwikkeling, v. (-en). — verwikken, bw. (Slechts in de onbep. wijs) 't Is niet te verwikken of te verwegen. — verwilderen, ow. (hebben, zijn) Onbebouwd liegen (van land). Losbandig worden. Zonder opvoeding laten. Verwilderd, bn. Wild geworden (van land). Bn. bijw. Woest. Losbandig. Verwilderdheid, v. Verwildering, v. — verwiiliffen, bw. ow. Bewilligen. Ver williging, v. — verwinden, bw. Herwinden. Windende verbruiken. — verwinnen, bw. Overwin-nen. Overreden. Verwinbaar, bn. Verwinnaar, m. ( s, ..aren). Verwinnares, v. (-sen). V^rwinnelijk, bn. Verwinning, v. (-en). Verwonneling, ra. en v. (-en). Verwonnelinge, v. (-n). — verwinteren, bw. Overwinteren. Ow. (zijn) Den winter krijgen (in) : mijne handen verwinteren. Verwintering, v. — ver-wisftelen, ow. (hebben, rijn) Wisselen : van plaats verwisselen. Van kleederen verwisselen : andere kleederen aantrekken. Van kleur verwisselen : eene andere partij kiezen. Bw. Ruilen. Bij vergissing het eene voor het andere nemen. \Zeew.) Aflossen. Het tijdelijke met het eeuwige verwisselen : sterven. Verwisselaar, ra. (-s). Verwisselbaar, bn. Ver-wiss'ling, v. (-en). — verwitligren, bw. Berichten. Laten weten. Verwitti-ging, v.

; — VERZ

verwoed, bn. bijw. Woedend. Razen Tierend. — Verwoedheid, v.

verwoeaten, bw. Vernielen. Uitplunderen. Uitmoorden. Verwoest, bn. Verwoestend, bn. Verwoester, m. ( s). Ver-wnesting, v. (-en). Verwoestster, v. (-s). — verwonden, bw. Kwetsen. Zich ver-wonden, ww. Verwonde, m. en v. (-n). Verwonding, v. (-en). — verwonderen, bw. Met verwondering vervullen. Zich verwonderen, ww. Verbaasd zijn (over). Vreemd vinden. Verwonderd, bn. bijw. Nieuwsgierig. Verbaasd. Verwondering, v. Verwonderingsteehen, o. ( s). Verwonderlijk, bn. bijw. —verwonen, bw. Voor huurprijs betalen. — verworden, ow. (zijn) Bederven. Vuil worden. Verwording, v. — verworden, ver-wnrsren, bw. Door toewringing der keel doen stikken. Zich verworgen, ww. Verworging, verwurging, v. (-en). — verwonnen, ow. ^zijn) Door wormen verteerd worden. Bw. Den tijd verworraen ; zich te veel moeite geven.

verwor|»eiiiig-, m. en v. (-en). Die verworpen is. Ellendeling. — Verworpe-linge, v. (-n). — Verworpen, bn. Verachtelijk. Snood. — Verworpenheid, v.

verwortelen, ow. (zijn) Wortel schieten. Inwortelen. — verwrikken, bw. Wrikkende bewegen. Verrekken. Zich verwrikken, ww. Verwrikkin?, v. — verwringen, bw. Wringende verdraaien. Verdraaien : iemands woorden verwringen. Vegt; wringing, v. — verwnl-ven. Zie Verwelven. — verwurgen. Zie Verworgen. — verzaelaten, bw. Zacht, zachter maken. Verlichten. Lenigen. Ow. (zijn) Zacht, zachter worden. Verzachtend, bn. Verzachting, v. (-en). — verzaden, verzadigen, bw. Ten volle voldoen. Stillen. Zich verzadigen, ww. Zijnen honger stillen. Verzaadbaar, bn. Verzaadheid, v. Verzadelijk, bn. Verzadigbaar, bn. Verzadigdheid, v. Verzadiging, v. Verzading, v. — verzagen, bw. Zagende doorbrengen, verbruiken. Verkeerd zagen. — verzaken, bw. Verloochenen. Ontkennen. Troef verzaken, niet spelen ofschoon men ze heeft. Is er zak er, ra. (-s). Verzaakster, v. (-s). Verzaking, v. — verzakken, ow. (zijn) Wegzakken (van muren). Verzakking, v. (-en). — verzakken, bw. In andere zakken doen. — verzamelen, bw. Te zamen brengen. Ow. (zijn) Vergaderen. Zich verzamelen, vjvt. Bijeenkomen. Verzamelaar, ra. (-s). Verznmelaarster, v. (-s). Verzamelend, bn. Verzameling, v. (-en). Verzamelplaats, v. (-en). Verzamelwoord, o. (-en). (Spraakk.). — verza-men, bw. ow. (zijn). Verzamelen. — verzanden, bw. Met zand bedekken, opvullen. Ow (zijn) Volloopen met zand (van eene haven). Verzanding, v. (-en). — ver-zeeren,bw. Bez« eren.—verzeen wen, ow. (zijn) Zeeziek worden. Vet zeeuwd, bn. Zeeziek. — verzegelen, bw. Met eenen zegel sluiten. Met eer en zegel bevestigen, bekrachtigen. Met zijn bloed verzegelenr Perzegelaar, m. (-s). Verzfgelaarster, v. (-si. Verzegeling, v. (-en). — verzeg- quot;


ocr page 918

VERZ — 8.

ceu, bw. Door toezegging verbinden, beloven. Bespreken : de plaatsen zijn verzegd. Iets verzeggen, plechtig verklaren het niet te doen. Zich verzeggen, ww. Zich verbinden. — verzeilen, tnv. (zijn) Zeilende van plaats veranderen. Zeilende in ongelegenheid komen. Te land komen, waar men niet zijn moet. Bw. _Zeilende doen verongelukken. Iets verzeilen : als prijs om iets zeilen. Verzeiling, v. — vor-zekereu, bw. Zeker maken. Met overtuiging zeggen. Vastmaken. Vaststellen. De rust van een land verzekeren. Eene verzekering sluiten tegen de gevaren van brand, enz. Zich verzekeren, ww. Zich overtuigen. Bemachtigen. Verzekeraat, m. (-s). Verzekeraarster, v. (-s). Verze-kerbrief,m. (..ven). Verzekerd, bn. Verzekerde, m. en v. (-n). Verzekerdheid, v. Verzekergeld, o. Verzekering, v. (-en). Verzeker kantoor, o. \..oren). — ver-zellen, verzclscliappen, bw. Gezelschap houden. Begeleiden. Gepaard gaan (met). — verzeutlen, bw. Afzenden. Overzenden. Toezenden. Verzender, m. (-s). Verzending, v. (-en). Verzends/er, v. (-s).

verzenen, v. mv. Hielen.

verzensren, bw. Door zengen bena-deelen. Lichtelijk branden. Schroeien. Ver-■flensen. Verzenging, v. — verzetten, bw. Verplaatsen. Op eene verkeerde plaats zetten. Verpanden. Verwedden. Ontzetten, ontstellen. Verdrijven : zijne droefheid verzetten. Verlustigen, vermaken ; hij verzet iedereen. Zich verzetten, ww. Uitspanning nemen. Wedeistand bieden. Verkeerd zetten (in 't spel). Verzet, o. Rust, uitspanning. Tegenkantig, wederstand. Pand, dat men verzet heeft. Kaart, waarmede e«ne hoogere bezet wordt gel ouden. Tegen een vonnis m verzet komen. Verzet aanteekenen. Verzetje, o. (-s). Uitipan-nin»r. Afleiding. Verzettelyk, bn. Vermakelijk. Verzettelykheid, v. Verzetting, v. — verzieden, ow. (zijn) Verkoken. — verzien, bw. Voorbijzien. Betalen voor hetgeen men ziet. Zich verzien, ww. Verkeerd zien. Zich vergissen. — verzUpen, ow. (zijn) Zijpende verdwynen. Verzijp, o. (-en). Gatenplateel. — verzilveren, bw. Met zilver beleggen. Ver zilver a ar, m. (-s). Ve r zilver aar ster, v. (-s). Verzilvering, v. — verzinjf©**» bw. Zingende doorbrengen. Zich verningen, ww. Verkeerd zingen. Zich door zingen pijn doen.—verzinken, bw. Doen zinken. Spijkers verzinken, dieper inslaan. Ow. (zijn) Zinken. Wegzinken. Verdiepen: in

fedachten verzonken.edachten verzonken. Verzinkboor, v.

.oren). Verzinking, v. — verzinlU-ken, bw. Zinnelijk maken. Onder de zinnen brengen. Verzinlijking, v. (-en). — verzinnen, bw. Uitdenken. Verdichten. Zich verzinnen, ww. Zich vergissen. Eene feil maken. Verzifmer, m. (-s). Ver-zinning, v. (-en). Verzinsel, o. (-s,-en). Ver zinster, v. (-s). — verzitten, bw. Zittende doorbrengen, verteren. Zittende benadeelen. Voor eene zitplaats betalen. Ow. Allen moeten gaan verzitten, van plaats veranderen. Zich ver zitten t ww.

6 — VESP

Te veel zitten. — verzieken, bw. Een verzoek doen. Vragen, bidden. Uitnoodi-gen. Beproeven. Verzeek, o. (-en). Vér-zoeker, m. \-s). Verzoeking,v. (-en). Ver-zoekschrij t, o. (-eo). Ver zoekster % v. (-s). — verzoenen, bw De vriendschap herstellen. Bevredigen. God verzoenen. Zich vet zoenen, ww. Weder vrede maken (met elkander). Verzoenbaar, bn. Verzoenbaarheid, v. Verzoendag, m. (-en). Verzoenend, bn. Verzoetier, m. (-s). Verzoening, v. (-en). Verzoeningswerk, o. Verzoenster, v. (-s). — verzoeten, bw. Zoet maken. Troosten. Vergoeden. Geld verzoet den arbeid. Verzoeting, v. — verzolen, bw. Herzolen. Verzoling, v. — ver-zoomen. bw. Herzoomen. — verzorgen, bov. Zorgen (voor). Door zorgen van het noodige voorzien. Verzorger, m. (-s). Verzorging, v. Verzorgster, v. ( s). — verzotten, ow. (zijn) Verzot raken lt;op). Verzot, bn. Zeer gesteld (op). Verliefd. Verzotheid, v. — verzouten, bw. Te veel zouten. — verzuchten, bw. Zuchtende doorbrengen. Ow. Diep zuchten. Verzuchting, v. (-en).— verzuimen, bw. Niet bijwonen. Ongedaan laten. Laten voorbijgaan. Veronachtzamen. Verwaar-loozea. Verzuim, o. ( en). Verzuimin^, v. — verzuipen, bw. In drank vert' ren. Ow. (zijn) In het water omkomen. Zich verzuipen, ww. Verzuiper, m. (-s). — verzuren, bw. Zuur maken. Onaangenaam maken.Ow. (zijn) Zuur worden. Verhuring, v. — verzustereu, bw. Verzwageren. Verzustering, x. (-en). — ver-zwstareren, bw. Door huwelijk of maagschap verbinden. Zich verzwageren, ww. Verzwager iiig,\. — verzwnkken, bw. ow. (zijn) Zwak, zwakker maken, worden. Doen verminderen. Verminderen. Verzwakking, v. (-en). — verzwnren, bw. Zwaarder maken. Bezwaren. Ow. (ziin) Zwaarder worden. Verzwarend, bn. Verzwaring, v. — verzwelgen, bw. In-slokken. Zwelgende doorbrengen. Doorlaten. Verzwelger, m. (-s). Verzwelging, v. Verzwelgster,\. (-s). — verzwendelen, bw. Zwendelende doorbrengen. — verzweren, bw. verzwoer, heeft verzworen. Onder eed zich verbinden (tot). Zwerende weigeren. Zich verzweren, ww. Door eed zich verbinden. Verzwering, v. (-en). — verzweren, ow. verzwoor, is verzworen. Veretteren. Verzwering, v. (-eu). — verzwiepen, bw. Zwiepende verplaatsen. Verzwieping, v. (-en). — verzwieren, bw. Zwierende doorbrengen, verteren.— yerzwUffen, bw. Niet zeggen. Door zwijgen verbergen. Achteraf houden. Verzwyger, m. (-s). Verzwy-jing, v. Verzwijgsler, v. (-s). — verzwikken, bw. ow. (zijn) Verwrikken. Zich verzwikken, ww. Verzwikking, v. (-en). — verzwinden, ow. (zijn) (Dicht.) Verdwijnen.

Vesule {A.)% 1513-1564, Brussel. Geneeskundige. De vader der ontleedkunde van den mensch. De corporis huinani fa-brica librisrptem.

vesper, v. (-s). Vroeg-avond. Zie Avondster. Vespers kerkelijke getijden.


ocr page 919

— S47 —

VEST

VETT

A. Vesale.

brood. — Vespereien, ow. vespereide, heelt gevespereid. Het vesperbrood nemen. — Vespercityd. vespertijd, in.

■Ve«i»uecl(^.)gt;i45i-1512, Florence. Ontdelc-kingsreiziger.

vest, o. en v. (-en). (Mans)kleedingstuk: bo-venvest, ondervest. — \ estengoed, o. — Ves-ieiistof, v. (-fen). — Vesijesgoed, o. — Vest-, j'eszak, m. (-ken).

vest, v. (-en), veste, v. (-n). Sterke muur . . (eener vesting). Stads-

A. Vespucci, gracht. Vesting.— Ves-ien, bw. vestte, heeft gevest. Met vesten omringen. Vastmaken, vaststellen. — Vesting, v. (-en). Plaats met wallen en grachten omringd. — Vestingartillerie, v. — Vestingbouw, m. — Vesting geschut, o. — Vestinggracht, v. (-en). — Vestingstraf, v. '-fen).— Vestingwerk, o. (-en).

quot;Vestig v. (Fab.) Godin van het vuur en den buiselijken haard. — Vestaalsch, bn. Van Vesta. Aan Vesta gewijd. Vestaal-sche maagd : priesteres \an Vesta le Rome. Hield het geheiligde vuu»* b;andend in den tempel van Vesia. Voorbeeldig meisje. Vestaalsch vuur : geheiligd vuiu. — Vestale, v. (-n). Priesteres van Vesta. Voorbeeldig meisje.

die gewoonlijk na den middag gelezen of gezongen worden. — Vesperbrood, o. Namiddageten. — Vesper et, o. Vesper-

vestibule, v. (-s'. Voorzaal.

veslijje, v. (-s). Spoor. Overblijfsel, vestigcu, bw. vestigde, heeft gevestigd. Gronden. Oprichten. Bouwen. Tot stand brengen. Versterken. Vaststellen. Richten : ae oogen vestigen (op). Zich vestigen, ww. Gaan wonen. — Vestig er, m. (-s). — Vestiging, v. (-en). — Vestig-ster, v. (-s).

Vesuvius, m. Vuurspuwende berg (Napels). — Vesuviaan, m. Steensoort van den Vesuvius.

vet, o. (-ten). Verschillende stoffen in het planten- cn dierenrijk. Bestaan uit kool-, water- en zuurstof. Gewoon vet : vet van runderen Scherpe berisping: iem. zijn vet geven. Het vette, de overvloed, rijkdom der aarde.— Vet, bn. Wel gevoed. Vettig. Smerig. Vuil. Mollig, poamp;-zelig. Vruchtbaar (van den grond). Een vet (gemest) varken. Dik en breed: vette letters, vette lijnen. Een vet (winstgevend) ambt. — Vctachtig, bn. — Vetöladig, bn.

— Vetbol, m. (-len). -^Jfetdarm, m. (-en) .

— Vetgans, v. (-.zen). Pinguin. — Vetheid, v. — Vetjc, o. (-s). Vet lettertje. Voordeel. — Vetketel, m. (-s). — Vet-klier, v. (-en). — Vetkhmp, m. (-en). — Vetkoek, m. (-en). — Vetkooper, m. (-s). Die vet koopt. Zie Schieringer. — Vetlap, m. (-pen). Van vet doortrokken lap. m. en v. (-pen). Vuil, morsig mensch.— Vetle-der, o. — Vetleeren, bn. — Vetlegger, m. (-s). Vetweider. — Vetviaag, v. (..agen).

— Vet ma king, v. — Vetmesting, v. — Vetpan, v. (-nen). — Petptanten, v. mv. Plantenfamilie met vleezige, saprijke bladeren. — Vetpot, ra. (-ten). — Vetrok, m. (-ken). Vleezig vlies. — Vette, v. Meststof. — Vetten, vette, heeft en is gevet. Bw. Vet maken (van dieren). Mesten (van landen). Met vet bestrijken. Ow. (zijn) Vet worden.— Vetter, m. (-s). Huidvetter.— Vet ter ij, v. (-en). — Vettewarier, m. (-sj. Die vette waren verkoopt. — Vettewary, v. (-en). Winkel van vette waren.— Vettig;, bn. — Vettigheid, v. (..heden). — Vetvlies, o. (..zen). — Vctweide, v. {-n). Weide, waarin beesten grazen om te vetten. — Vetweiden, bw. vetweidde, heeft gevetweid. — Vetweider, ra. (-s). — Vet-weidet 7/, v. (-en). — Vetwijdster, v. (-s).

— Ve twin kei, ra. (-s). — Vetwortel, v. Smeerwortel. — Vetzak, m. en v. (-ken). Dikke persoon. — Vetzuur, o. (..uren). — Vetzuur zout, o.

veter, ra. (-s). Koord met nestel. — Veterband, o. — Veterbeslag, o. — Veteren, bw. veterde, heeft geveterd. Met eenen veter toeirjgen. Iem. veteren, bekijven. — Vete'gat, o. (-en). — Ve'ertna' ker, ra. ( s). — Veter maak s te*-, v. (-s). veteraan, ra. (..anen). Oudgediende, veterinair, m. (-en). Veearts. Veterinaire school : veeartsenijschool.

Veth (P. 7.), 1814 1895, Dordrecht. Hoogleeiaar (Leiden). Taa kundige. By-belsch woordenboek (1852 '56) ; Java (I873-'84).

veto, o. (-'s). Verwerpings-, ontben-ningsrecht. Verbod.

vettik, v. Veldsla.


ocr page 920

VICT — amp;

veiigoleii, ow. veugelde, het ft geveu-geld. Voorldur* nd betasten. Talmen.

Vouilloti0 {L. F. y.)t 1813-1883, Boy-ces). Fr. letterkundige en dagbladschrijver. Pèlerivages en Suisse (1838); Zes Parfums df. Rome. (1865); les Odeurs de Part's (1866). — 2° Zijn broeder (£*.), 1818, Boynes. Fr. letterkundige en dagbladschrijver. tl is l oir e des guerres de la Vendèe et de la Bretagne; la Cochincht'ne et le Tonquin (1859).

vcuiizcn, ow. veunsde, heeft geveunsd. Aangeplommen zijn zonder te vlammen.

veulen, o. (-s). ]ong paard. Jonge ezel. Jonge kameel. — Veulenen, ow. veu-lende, heeft gevculend.

Tenruc-Anibaelit, o. Dit gewest was begrensd : N. door de zee; O. door de kasselrij van leper en het Land van het Vrije; Z. dorr het ambacht van Kassei; W. door het ambacht van Bergen. Hoofdplaats Veurne. Fr waren 42 aan den graaf toebe-hoorende dorpen, staande onder twee vierscharen : Noord- en Zuid-Vierschaar.

veaceeren, bw. vexeerde, heelt gevexeerd. Kwellen. Verdrukken. Afpersen. — Vexatie, v. (..iëo, -s).

Tezel, v. (-en, -s). Harig of dradig deeltje of spiertje. — Vezelachtig, bn. — Vezelacht'gheid, v. — Vezelen, ow. vezelde, heeft en is gevezeld. Bw. Tot vezels maken. Ow. \hebien, /-ij •) In vezels uiteengaan. — Vezelig, bn. — Vezeligheid, v. — Vezel'nii, m. t-n o. Het vezelen, (-en) Vezi l. Vezilwortel. — Vezel/:/ aakbeen, o. (-deren). Kraakbeen, rondom de ce-wrichtshclt» n. — Vezeltop. m. (-pen).Top der belmdraden. — Vezehvortel, m. (-s). Fijnste worteltje (derplanten).

vezelen, ow. vezelde, heeft gevezeld. Fluistennde spreken. — Vezelaar, m. ( s). — Vezelaarster, v. (-s). — Vezeling, v.

vezilten, ow. vezikte, heeft gevezikt. Vezelen (2quot; ait.).

tI«, v. Weg. vz. Over, langs : via Antwerpen.

viaduct, v. (-en). Boogbrug.

viearifi, vleario», m. (-sen). Stadhouder. Plaatsvervanger. Onderpastoor. Apostolische vicaris : aanziei lijke geestelijke door den Paus gevolmachtigd tot het zelfstandig uitvoeren van en beslissen in bepaalde zaken. — Vicares, y. (-sen). Plaatsvervangster eener geestelijke overste. — Vicariaat, o. Ambt van \icaris. (..aten) Rechtsgebied van eecen vicaris.

vieo, bijw. Vice versa : heen en terug, over en weer. Vice in sarmnstel. = onder : vice-ad?gt;iirad, m. (-s), vice-consul, m. (-s), vice-voorzitter, m. (-s), vice-pre-sidrnt, m. (-en).

vieieuM, bn. Gebrekkig. Verkeerd, victoria regla, v. (-'s). Waterplant, tot de plompen beboerende. Is thuis in de heetste streken van Z.-Amerika. De bladeren hebben soms eeren omtrek van 4 meters.

vietorio, v. f..iën, -s). Overwinning. Zeg«pr.ial. — Victorieus, bn. Overwinnend. Zegepralend.

J — VIER

vlct(a)alie, v. (..iën). Levensmiddelen. Mondbehoeften.

vidiineereu, bw. vidimeerde, heeft gevidimeerd. Voor echt verklaren. Goedkeuren. Bekrachtigen. — Vidimatie, v. (..iën, -s).

Vieiiiietf^.,-^- G.), 1-/77-1868, Béziers. Fr. dichter. Epiires ; Fables.

vier. Grondgetal : 4. v. (-en). — Vier-beenig, bn. — Vierbladig, bn. — Vier-daaqsch, bn. Vier dagen oud. Dat vier dagen duurt. — Vierde, rangsch. telw. — Vierde, o. (-n). Vierdedeel.— Vierdee-lig, bn. — Vierdehalf, telw. Drie en een half. — Vierdendaagsch, bn. Om den vierden dag terugkt erende. — Vierdepart, o. (-en). — Vierderhande, ..lei, bn.

— Vier dra a dsch, bn.— Vierdubbel, bn» bijw. — Vier duitsbroodje, o. (-s). Broodje, dat vier duiten kost. — Vierduizend-ste, rangsch. telw. — Vierendeel, o. (-en|. Vierde deel, inz. van een pond, eene el. Vierde deel eener rorde. Kwart (van een uur). Drie maanden (van een jaar).— Vie~ rendeelen, bw. vierendeelde, Deeft gevierendeeld. In vier deelen fnijden, scheuren, enz. (Eert.) Met vier paarden vaneentrek-ken.— Vier h an dig, bn. — Vierhoek, m.. (-en). (Meetk.) Plat vlak, begrensd door vier rlt;chte lijnen. — Vierhoekig, bn. — Vierhonderd, telw. — Vierhonderdste, rangsch. telw. — Vierjarig, bn. — Vierkant, o. (-en). (Meetk.)

quot;Rechthoek met vier gelijke zijden. — Vierkant fit;J ,hn. Met vier kanten. Vierkant getal : getal door zich zelf vermenigvuldigd : 3 X 3 3* = 9. Een vierkante kerel t een kloeke vent. Bijw. lem.

Vierkant. vierkant (met kracht) de deur uitjagen. — Vierkanten, bw. vierkantte, heeft gevierkant. Vierkanten maken. — Vierkantswortel, m. — Vierkantsworteltrekking, v. — Vierkleur ig, bn. — Vierledig, bn. — Vier-lettergrepig, bn. — Vierlijn, v. (-en). Touw, waaraan eene hangmat hangt. — Vierling, m. en v. (-en). Een van vier te gelijk geborenen, m. Vierde gedeelte. — Vierlinge, v. (-n).— Vierlooper, m. (-s).. (Zeew.) Takel met twee dubbele haak-bloks, — Viermaal, m. bijw. — Vier-viaandelijksch, bn. — Viermaandig, bn»

— Vierponder, m. (-s). Kogel van vier pond. Stuk geschut, dat zulken kogel uitwerpt. — Vierpootig, bn. — Vierpuntigr bn. — Vierregelig, bn. — Vierschaar, v. (..aren). Rechtbank. Oorspronkelijk was 't eene plaats met steenen afgezeten een grooten steen in 'tmidden, waarop de rechter zat, soms onder eenen eik, meestal onder eenen lindeboom. Vermoedelijk werd die rechtbank door eene koord afgesloten. De vierschaar spannen : het recht uitvoeren. — Viersnarig, bn. — Vierspan, o. (-nen). Rijtuig met vier paarden. — Viersprong, m. (-en). Kruisweg. — Vierstemmig, bn. — Vier stoot, m. (-en). (Bilj.). — Viet tal, o. (-len). Het getal vier. vier eenheden. Vier stuks. — Viertallig, bn.

— Viertandig, bn. — Viertel, o. (-s).


ocr page 921
ocr page 922
ocr page 923

VIJA — 8j

(Eert.) Vochtmaat. — Vier tijdig, bn. — Viervakkig, bn. — Viervtngerig, bn. — Vier vlak, o. (-ken). (Meetk.) Lichaam met vier vlakken. — Viervlakkig, bn. — Viervleusgt;elig, bn. — Viervoet, m. (-en). Wat vier voeten heeft. Te viervoet : in galop, snel. — Viervoeter, m. (-s). — Viervoetig, bn.— Viervorst,m. (-en).Tetrarch.

— Viervorstendom, o. (-men). — Viervoud, o. (-en). Viermaal zooveel. — Vier-voudfig), bn. — Vierruekelijksch, vier-wekig, bn. — Vieryverf, bijw. — Vier-•wielig, bn. — Vierzijdig, bn. — Vierzui-lig, bn.

vieren, vierde, heeft gevierd. Bw. In rust doorbrengen : den zondag vieren. Met feestelijke vreugde vereeren : eene heugelijke gebeurtenis vieren. Icm. eer uewij-zen : iem. vieren. Ontzien : zijn naam wordt hoog gevierd. (Zeevv.) Den kabel vieren, laten schieten, loslaten. Den teugel vieren : den vrijen teugel laten. Ow. Rusten. — Vieravond, m. (-en). Heiligavord. — Vierdag, m. (-en). Feestdag. Rustdag. — Vierder, m. (-s).— Viering, v. — Vier-ster, v. (-s). — Viertijd, m.

vieren, ow. vierde, heeft gevierd. (Zeew.) Vuren opsteken. Lantaarns uithangen.

yleit, bn. bijw. Walging gevoelende. Kiesch, keurig. Uiterst zindelijk. Grillig. Wonderlijk. Zich vie-i houden : al te keurig zijn. Vieze kleur, die licht verschiet. Atkeerig : vies zijn van iem. Hij valt niet vies, niet keurig. — Viesheid, v. (..heden).

— Viesneus, m. en v. (..zen). Die van alles vies is. — Viezevazen, v. mv. Grillen.— Viezigheid, v. (..heden).

Vieiixleinpn (//.), 1820-1881, Ver-viers. Vioolspeler en toondichter.

vljfBen, o. (-s). Jong varken.— Vigge-nen, ow. viggende, heeft gevigyend.

vigilante, v. (-s). Huurkoets. Huurrijtuig.

vie:Helt;rrengt; ow' vigileerde, heeft gevigileerd. Waakzaam zijn. Op iets vigilee-ren : oplettend iets nagaan.— Vigilant ie, v. Waakzaamheid. IJver, vlijt.

vi jfiliedae:. m. (-en). Dag, een plechtig feest voorafgaande en dienende tot voorbereiding. — Vigiliën, v. mv. Gebeden, welke men in de kerk zingt daags voor eene begrafenis of uitvaart.

vignet, o. (-ten). Druksieraad. Titelprentje.

quot;Viji'Mola (G. /?.), 1507-1573, Vigtïola (Modena). Fr. bouwkundige. Rrgole delle cinqtie or dine d' at c/iitettura (1563).

ViBrny {A. de), 1797-1863, Loches (Tou-raine). Fr. dichter en romanschrijver. Poè-mes antiques et modernes (1822) ; Cinq-Mars (1826).

vi^roroMo, bijw. (Muz.) Stout. Vurig. v|jaii«l, m. (-en). Persoon, die iem. of iets haat en door woord en daad dit tracht te toonen. De gezamenlijke krijgers, die tegen een land optrekken. De Booze, Satan. Zij zijn vijanden : hunne vriendschap is gebroken. Een vijand van de waarheid, van het spel enz. zijn. Hij is vijand (afkee-rig) van werken. — Vyandelyk, bn. bijw. Als een vijand. Van den vijaud. — Vyan-

5 _ VIJL

delijkheid, v. (..heden). Daad, aanval_eens vijands. — Vijandig, bn. bijw. Met vijandschap bezield. Haatdracend. — Vijandigheid, v. (..heden). — Vijandin, v. (-nen),

— Vijandschap, v. (-pen). Gevoel van haat, afkeer, enz.

vOf. Grondgetal : 5. v. (..ven). — ó la dig, bn. — Vijf daagse hy bn. — Vijfde, rangsch. telw. — Vijfde, o. (-n). Vijfde deel. — Vijf dee ligt;gt;, bn. — Vijfde h alf, telw. Vier en een half. — Vijfdepart, ogt; (-en). — Vijf der h an de, ..lei, bn. — Vijf-draudsch, bn. — Vijfdubbel, bn. bijw. — Vijf duizendste, rangsch. telw. —

hoek, m. (-en).— Vijfhoekig, bn.— Vijfhonderd, telw. — Vijfhonderden, ow. vijlhonderdde, heeltgerijthonderd. Smousjassen. — Vijf honderdje, o. (-s). — Vijfhonderdste, rangsch. telw. — V{ifjarig, bn — Vijfje, o. (-s). Vijfde gedeelte. Geldstuk = vijf stuivers.— Vijjkant, o. Vijfhoek. — Vijf kantig, bn. — Vijfledig, bn.

— Vijflettergrepig, bn. — Vijfmaal, bijw.

— l'i/fmaandig, bn. — Vij f ponder, ra. (-s). Kogel van vijf pond. Stuk geschut, dat zulken kogel werpt.— Vijfregelig, bn.

— Vyfsnarig, bn. — Vj/fstemmig, bn. — Vi fstoot, m. (-en). (Biij.). — Vijftal, o. (-len;. Het getal vijf. Vijf eenhtden. Vijf stuks.— Vijftallig, bn. — Vij ft an dig, bn.

— Vijjvakkig, bn. — Vijfvingerig, bn.

— Vij f vinder kruid, o. Kruipende ganzerik (potentilla rep tans). — Vijfvoetig, bn.

— Vijfvoud, o. (-en). Vijfmaal zooveel. — Vijfvoudig, bn. — Vijf werf, bijw. — Vijfwouter, zvieu'outer, m. (-s). Zekere vlinder. — Vij f zij dig, bn. — Vijfzuih'g,hn.

vyrtien. Grondgetal : 15. v. (-en).— Vijftiende, rangsch. telw. — Vijftiende, o. (-n). Vijftiende deel. — Vij f tiendehalf^ telw. Veertien en een half. — Vijftiender-hande, ..lei, bn. — Vijftienhonderd, telw. — Vijftienjarig, bn. — Vijftienmaal, bijw. — Vijftienvoud, o. (-en).— Vij f tienvoudig, bn.

v|frti{£. Grondgetal : 50. v. (-en). — Vijftiger, m. (-s).Iem., die vijftig jaar oud is. Lid eener maatschappij van vijftig man. Schip van vijftig stukken. — Vijftigjarig, bn. — Vijftigmaal, bijw. — Vi/ftigpcn-der, m. (-s). Kogel van vijftig pond. Stuk geschut, dat zulken kogel uitwerpt.— Vijf-tigste, rangsch. telw. — Vijftigtal, o. (-len).— Vijftigvoud, o. (-en). — Vy'ftig-voudig, bn.

vlis, v. (-en. Vrucht van den vijgeboom. Vijgen na Paschen : iets dat te laat komt. Zie Jozef II. — Vijg, m. (-en). Vijgebcom.

— Vijgeblad, o. (-eren). — Vygeboom, ra. (-en). De vijgeboomen maken een plantengeslacht (Jïxus) uit. Komen voor in de tropische landen. De gewone vijgeboora {f. caricaS behoort in 't Oosten thuis; wordt ook aangetroffen in Z.-Europa. — VijgenkorJ', ra. (..ven). — Vygenmand, v. ^-en). — Vygenmat, v. (-ten).— Vijgepeer, v. (..eren). — Vygetomv, o. en v. ( en). — Vygfiuist, v. (-en). Zie Aambei.

vUI. v. ( -en). Stalen werktuig met inkepingen om metalen, enz. glad te maken. — Vijlen, vijlde, heeft gevijld. Bw. Met eene vijl bewerken. Afvijlen. Uitvijlen. Ow.


ocr page 924

VILT — 8

Door wrijving In stukken gescheiden worden : het touw vijlt daarop aan stukken. — Vyler, m. (-s). — Vy/r/ia, v. (-en). — Ky/-sel, o. (-s).

Vijgenboom.

vU9gt; v. (..zen), vyzc, v. (-n). Schroef. — Vyzen, bw. vijsde, vees, beeft gevijsd, gevezen. Schroeven. Met eene schroef vastmaken.

vöt, v. Zie Fijt.

vüver, m. (-s). Omsloten water (inz. in tuineu). Vischvijver.

TOzel, m. (-s). Koperen of ijzeren werktuig, om er iets in fijn te stampen.

Ttlzel, v. (-s). Soort van windas. — Vyzelen, bw. vijzelde, beeft gevijzeld. Met «ene vijzel opwinden. Verheffen. — Vyzei-molen, m. (-s). Schroef van Archimedes. Tllliout, o. (-en). Schippersboom, villa, v. (-'s). Lusthuis. Buitengoed. Buitenplaats. (Middel.) Groote hofstede, bewoond door den eigenaar of te zijnen voordeelf*, onderhouden, en hoofdzakelijk bestemd tot den akkerbouw en de veeteelt. De bevolking beliep tot vijf-, zeshonderd, soms tot duizend man toe.

Villcmain {/4. F.), 1790-1870, Parijs. Letterkundige. Cours de liitèrattire fran-faise (1864) ; Etudes de littérature an-cienne et etra*igère (1864).

villen, bw. vilde, heeft gevild. De huid afstroopen. Van vel ontblooten. Slecht voorsnijden. Slecht scheren. — Vilder, m. (-s).— Vildery, v. Het villen, (-en) Plaats, waar men vilt. — Vildersbedryf, o. — Vilderskar, v. (-ren). — Vilder spaard, o. (-en). — Vilderswerk, o. — Villing, v. (-en). — Vilmes, o. (-sen). — Vilster, v. (-s).

vilt, o. (-en). Door elkander gewerkte wollen vezels. Grof en los geweven stof, waarvan de vilten der papiermakers vervaardigd worden. — Vilt, v. (-en). (Pap.) Vilten lap. — Viltachtig, bn. — Vilten,

3 — VINK

bw. viltte, heeft gevilt. Tot vilt maken. — Vilten, bn. — Vilt fabriek, v. (-en). — Vilt*t uid, o. Wild wollekruid. — Vilt-kuip, v. (-en). (Pap.).— Viltmantel, m. (-s). Met vilt gevoerde mantel.

viiu, v. (-men). Regelmatig getaste stapel bout, hooi, enz.

vin, v. (-nen).Bewegingsorgaan dervis-schen. Soort van zweertje, bloedvin. — Vinpootig, bn. — Vinvoetig, bn. — Vin-vormig,hu.

Vinei (£. da), 1452-1519, Vinei (Florence) . It. schilder, beeldhouwer en bouwkundige. Laatst Avondmaal.

Vinoko Boon» (Z?.), 1578-1629, Me-chelen. Landschapschilder.

vinden, bw. vond, heeft gevonden. Door zoeken, enz. iets gewaarworden en er bezit van nemen : ik heb mijn boek gevonden. Ontmoeten, aantreffen : iom. thuis vinden. Bemerken : ik vind veel fouten in zijn opstel. Meenen, oordeelen : ik vind bet warm. Uitdenken : een voorwendsel vinden. Een raadsel vinden. Uitsparen ; den lijd vinden. Hebben : troost vinden. Verkrijgen: genade, gehoor vinden. Ten deele vallen ; eene goede ontvangst vinden. Erge^ s den dood vinden. Ik vind er geene baat bij. Veel of weinig vinden (in): veel of weinig ingenomen zijn (met). Er in vinden : gevoelig zijn (aan). Ik zal hem wel vinden, spreken, onder handen nemen, mij op hem wreken. Het met iem. vinden : eens worden. Zich vinden, zich laten vinden : inschikkelijk zijn. Zich ergens laten vinden : zorgen, dat men er tegenwoordig is. — Vinder, m. (-s). — Vinding, v. — Vindingrijk, bn. Vaardig in het uitdenken. Vernuftig. Geestig. — Vindingrijkheid, — Vindster, v. (-s).

vinfirer, m. (-s, -en). Ieder der uiterste ledematen van hand en voet. Dat gedeelte van eenen handschoen, dat eenen der vingeren bedekt. De vinger Gods. Iets door de vingers zien : toegevend zijn. Lange vingers hebben : diefachtig zijn. — Vingerbreed, o. De breedte van eenen vinger. — Vingerdik, bn. — Vingeren, bw. vingerde, beeft gevingerd. Met de vingers aanraken. — Vingergreep, m. (..epen). — Vinger handschoen, m. (-en). — Vingerhoed, m. (-en). Metalen hoedje, dat de naaisters op den vinger zetten. Vochtmaat = 1/100 liter. — Vingerhoedskruid, o. Plantengeslacht. Roode vingerhoedskruid (digitalis purpurea), tweejarige plant. Bloeit in juli en Aug. De bladeren zijn vergiftig. Wordt als sierplant gekweekt.— Vingerkap, v. (-en). Vingerling. — Vingerlid, o. (..eden). — Vinger lik, ra. — Vingerling, ra. (-en). Overtrek over eenen vinger. (Zeew.) Zware poorthengsels aan den achtersteven, die een deel van het roerstel uitmaken. — Vingermerk, o. (-en). — Vingerring, ra. (-en). — Vingersnel, bn. — Vingersnelheid, v. — Vingerspraak, ..taal, v. — Vingertop, m. (-pen). — Vingervormig, bn. — Vinger-zetting, v. (Muz.).

vink, m. en v. (-en). Behoort tot vink-achtige vogels. De gewone vink (fringilla coelebs) komt voor in 't grootste gedeelte


ocr page 925

VIOL — 8;

van Europa. — Vink acht tg, bn. De vink-achtige vogels maken eene familie uit. — Vinkekoot, v. (-en). — Vinkemees, v. (..zen). Koolmees.— Vinken, bw. vinkte,

Vingerhoedskruid.

a. Bloemen, b. Vrucht {t'n doorsnee), c. Stofkolfje, d. Zaad {t'n doorsnee). e. Kelk en stampertje.

heeft gevinkt. Vinken enz. vangen. — Vinkenbaan, v. (..anen). — Vtukenei, o. (-eren). — Vin ken hu isje, o. (-s). — Vt'n-kennest, o. en ra. (-en). — Vinkennet, o. (-ten). — Vinkenslag, o. (..agen). Vinkennet. — Vinkentyd, ra. — Vinkenvanger, m. (-s). — Vinkenvangst, v. — Vink er, ra. (-s). — Vinkes'ag, ra. Het slaan van den vink.

vinnisr, bn. bijw. Scherp. Bits. Hevig verbitterd, — Vinnigheid, v. (..heden).

vint, v. (-en). Kleine gevlekte elft {clu-igt;ea Jinta).

vloleercn, bw. violeerde, heeft gevio-leerd. Schenden. Overtreden. Verkrachten.— Violatie, v. (..iën,-sl.

violent, bn. Gewei Jig. Hevig. — Vio-lent ie, v. (..iën, -s).

violet, o. Eene der regerboogskleuren. Violette kleuren worden door eene vermenging van rood en blauw verkregen. Verf. — Violet, bn. — Violetblauw, ..bruin, ..rood, bn. — Violetklenr, v. — Violetkleurig, bn. — Violetvervig, bn.

i ~ vise

violet, v. (-ten). Wilde viool.— Vio*

lettenhoni(n)g, m.

violier, v. (-en). Sierplant raet veelkleurige, welriekende bloemen. — Vio-Herplant, v. (-en).

Vlollet-le-Igt;iic {E. E.), 1814-1879, Parijs. Bouwkundige.

viool,v. (..olen). Plantengeslacht,totdo vioolachtigen behoorende. Lentebloempje van welriekenden geur, met roode en donkerblauwe kleur. — Violenbed, o. (-den).

— Violenhonif njg, ra.— Violenstroop,v.

— Violenwortel, v. — Violemaad, o. — Vioolachtigen, v. rav. Plantenfamilie.

vlooi, v. (..olen). Speeltuig, met vier snaren bespannen, dat bespeeld wordt bij middel van eenen boog. Hij is de eerste, de tweede viool. Hij speelt de eerste viool. Gevangenis : in de viool zitten. — Vio line, v. (-s). Viool. Altviool.— Violist, violo-nist, ra. (-en). Vioolspeler. — Violiste, vio-loniste,y. (-n). — Violoncel, v. (-s). Kleine basviool. Knieviool. — Violoncellist, ra. (-en). Bespeler van eene violoncel. — Vioolbas, v. (-sen). Contrebas.— Vioolblok, o. en ra. (-ken). (Zeew.). — Vioolhars, v. en o*. — Vioolka7n, ra. (-men).

— Vioolkas, v. (-sen). — Vioolkast, v. (-en). — Vioolmaker, m. (-s). — Viool-schroef, v. (..ven).— Vioolsleutel, m. — Vioolsnaar, v. (..aren). — Vioolspel, o. — Vioolspeler, m. (-s). — Vtoolspeelster, v-(-s).— Viooltoon, ra. (..onen).

Vlottl [G. B.), 1755-1824, Fontana (Pieraont). It. vioolspeler en t/^ondichter. virago, v. (-'s). Mannin. Manwijf. quot;Vi roli o\v 1821, Schivelbein.

Duitscli geneeskundige. Stichtte : Archiv für patholog ische Anatomie undfiir klinische Medici 11.

Virgriliii.*» (T5. iil.), 70-19 vóór Chr. Andes (Mantua). Roraeinsch dichter. Eclo-gce; Georgica; Aenei's.

virtuit, o. Levenskracht. Levendigheid. Deugdelijkheid. Het virtuit is er uit: er is geene kracht raeer in.

virtuoos, ra. (..ozen). Uitstekend kunstenaar. Kunstraeester. — Virtuose, v. (-n). — Virtuositeit, v. Kunstvaardigheid. Bedrevenheid, volleeidheid in de kunst.

vla, ra. (-sen). Ingezonken deurhengsel. Knier. Scharnier.

vImc'Ii, v. (stofn.); ra. (..sschen) (voor-werpsn.). Gewerveld dier, raet rood, koud bloed. Beweegt zich door vinnen, aderat door kieuwen en leeft in 't water. Zoo gezond als een visch : zeer gezond. Leven als een visch in 't water: onbekommerd,onbezorgd leven. — Vischaak, v. (..aken). — Visch a as, o. — Visachtig, bn. — Visch-angel, ra. (-s). — Vischarend, ra. (-en). Zie Arend. — Visch bak, ra. (-ken). — Vischbank, v. (-en). — Vischbeen, o. (-deren).— Visch ben, v. (-nen).— Visch-beun, v. (-en). — Visch boek, o. en ra.

— Vischboer, ra. (-en). — Visch boot, v. (-en). — Visch buik, ra. (-en). Buik van eenen visch. ra. en v. (-en) lera., die gaarne visch eet. — Visch bun, v. (-nen).

— Visch dag, ra. (en). — Vischem-mer, ra. (-s). — Visch eter, ra. (-s). — Viicheetster, v. ( s). — Visch fuik, v. (-en),,


ocr page 926

— 852 —

vise

VITT

— Vischgarevy o. ( s). — Vtschgraat, v. (..aten). — Visehhaak, m. (..aken). — Vtschhnl, v. (-len). — Vischhandel, m.

— Vischhandelaartm. (-s).— Visehhaft'

......■■jr%

/ y

Visch.

a. Kieuwen, b. Schubben, c. Jiugvin, d. Staartvin, e. Ongepaarde vin. f, g. Gepaarde vinnen.

delaarsier,v. (-s).— Vischhoek, m. (-en).

— Vischhoeker. m. (-s'.— Visch houder, m. (-s).— Visch jager, ra. (-s).— Vischjc, o. (s). Kleine visch. iieentje, speelmerk.

— Vischhaar, v. (..aren).— Vischkakcr, m. (-s). — Vischkar, v. (-ren). — Visch-korf. ra. (..ven). — Vischlepel, ra. (-s). — Vischlytn, v. — Vischlyn, v. (-en). — Visch lood, o. (-en). — Vischmaal, o. (..aler).— Vischvian, ra. (-nen).— Vtsch-tnand, v. (-en). — Vischfnarkt, v. (-en).

— Vischrneid, v. (-en). — Vischnet, o. (-ten). — Vtschpasiei, v. (-en). — Visch pekel, v.— Vischpekeiaar, ra. (-s). — Visch-poting, v. — Vise hp lit, ra. (-ten).— Visch-rechi, o. — Vischryk, bn. — Vischryk-heid, v. — Vischschuit, v. (-en). — Visch-sloep, v. (-en). — Vischsnoer, o. (-en). — Vischsoep, v. (-en). — Vischspaan, v. (..anen). — Visch tee It, v. — Vtschtyd, ra. —- Visch tuig, o. (-en). — Visch va ngst, v.

— Vischverkooper, ra. (-s). — Visch verkoopster, v. (-s). — Vischvyver, m. (-s)»

— Vischvrouw, v. (-en). — Vischwanr, 0.

— Vischwater, o. ( s, -en). — Vischwyf, o. (..ven).— Visch w ijventa a I, v. — VtS' schen, ra. rav. Teeken van den dierenriem.

— Visschen, vischte, heeft gevischt. Bw. In het water opsporen en daaruit ophalen : karper visschen. Ow. Visch vangen met netten, enz. Naar iets visschen : iets in 't water opzoeken, trachten achter een geheim te komen. Achter het net visschen : te l.nat komen. — Visschen geslacht, o. — Visscher, ra. (-s, -en). — Visscherij, v. (-en). — Visscherman, ra. (. lui).— Vis-schersbedt yf,o.— Visschersboot, v. (-en).

— Visschersdorp, o. (-en). — Visschers-leven. o.— Visscherslied, o. (-eren).— Visscher spink,v. (-en).— Visschersring, ra. Rin^, waarmede de pauselijke brieven gezegeld worden. — Visschersschuit, v. (-en). — Visschersvrouw, v. (-en).— Vissch ig, bn. Vischrijk.

TiMoonli, 1° (A'.//.), 1751-1818, Rorao. Oudhcidkut'dige. — 20 Zijn zoon (Z.. T.J.), 1791-185^, Rorae. Fr. bouwkundige.

bw. viseerde, heeft geviseerd. Goedkeuren (eene akte) door er gezien onder te plaatsen. Mikken. Beoogen.

vi*io, v. Inzage : de stukken liggen ter visie.

visioo 11, o. (-en). Gezicht. Verschijnsel. Droombeeld, hersenschim.

viKltoeren, bw. visiteerde, heeft gevi-s'teerd. Bf zoeken. Onderzoeken, — Visi-totir, v. ( .iën, -s). — Visite, v. (-s).— Vi sitekaartje, o. ( s). — Visiteur, m. (-s). Bezoeker,.*irmenbezoeker.(Spoorw.)Schou-wer.

quot;Visselier 10 (/?•), 1547-1620, Arastor-dam. Dichter. '/ Lojf vande mutse ende vnn een blaeuwe scheen (1612); Brabbe-ling. 20 Zijne dochters: Anna Roemers., 1583-1651. Amsterdam, dichteres, bezorgde eene uitgave van Roemers Sinnepoppenf vertaalde de Honderd Christelijke Zinnebeelden; Maria 7 ess else ha de Roemers, 1594-1649, Amsterdam, dichteres. Gedichten.

visse, v. (-n). Bunzing.

viKMiiip:, v. (-s). Mastgat. Spilgat, vi.Huiii- o. Het geziene. De aanbKk. Oogenschijn.

vifeMse, v. Snelheid, Sneltrein, vitrine, v. (-s). Winkelvenster. Glazen werk, waarachter men allerlei koopwaren uitstalt.

'Vitrintrsi {A. J.}, 1827, Harderwijk. Letteikundige. Een bezoek by ^on Bismarck (1877); Nette menschen (1878); Oude ideeën in een nieuwe kleedy (1886).

vitriool, v. en o*. Inetende vloeistof, gevormd uit water, solfer en zuurstof. — Vitrioolachtig, bn.

vitse, v. ( n). Plantgewas, tot de wikke behoorende. Strekt tot veevoeder.

vitten, bw. vitte, heeft gevit. Laken. Berispen. — Vitachti^, bn. — Vitachtig-heid, v. — Vit lust, m. — Viller, ra. (-s).

— Vit ster, v. (-s). — Vitterig, bn. — Vitterigheid, v. — Vitterij, v. (-en). — Vitzucht. v.

vitline, v. (-en). (Bouwk.) Merk op


ocr page 927

VLAA — 85

«enen muur, eenen bakenstok, enz. om eene rechte lijn, eene hoogte, enz. aan te wijzen of te hervinden.

vivaco, bijw. (Muz.) Levendig. Met levendigheid. — Vi'vact'sstmo, bijw. Zeer levendig.

vivacitcit, v. Levendigheid.Vlugheid. Vurigheid.

vivat, o. (-s). Leve ! Hij of zij leve !

Vizier, ra. (-s, -en). Eerste Turksch minister.

vizier, o. (-en). Helmklep. Helmschuif. Plaa'je of puntje op een geweer, enz. waarnaar men ziet om te mikken. — Vizier korrel, v. (-s). — Vizierlijn, v. (-en). — Vizierliniaal, o. (..alen). — Vizierschot, o. ( en).

vla, v. (-as), vlatle, v. (-n). Toespijs, van melk, eieren, kancel,enz. bereid.

vlaagr, v. (vlagen). Voorbijvliegende bui. Stormbui. Aanval van toorn, ijlhoof-dight id, enz. Bij vlagen : bij tusschenpoo-zen. — Vlagen, eenpw. vlaagde, heeft ge-vla a ^'d.

vlstak, o. (..aken). Zandbank (inz. tus-sch- n Stavoren en Enkhui'.en).

vlaak, v. (..aken). Losse houten vloer. Horde, waarop men wol slaat, om ze los te makf-n.

VlaamKCh, bn. Van Vlaanderen. Tot Vlaanderen behoorendc. — Vlaamsch, o. De naam van het Nederduitsch dialect van Vlannderen (zoo reeds in Van Maerlant). Sedert het einde der XVI® eeuw werd bet in België de plaatsvervanger van den naam Dietse en geldt dus sinds dien tijd in VI.-Belg.ë als synoniem van Nederlandsch. Bepaaldelijk dient de naam om het Neder-lancsch aan te duiden, zooals het, met verschillende dialectische eigenaardigheden doorspekt, in Vlaamsch-België gebruikt wordt.— Vlaanderen, o. De eerste beginselen van Vlaanderen zijn te zoeken in Brugge en zijne omstreek, die oorspronkelijk alleen den naam voerde van Vlaanderen-gouw. Met den aanvang der IX® eeuw werd de geschiedenis van Vlaanderen belangrijk. Strekte zich uit ten Z. tot aan de Canche (Picardië) en de stad Bapaume, ten O. en N. tot aan de Schelde en ten W. toe aan de Zee. Werd van de vroegste tijden onderscheiden in ; Vlaanderen onder de kroon en Vlaanderen onder het Rijk.

— Vlaanderen onder de kroon was in twee deelen gesplitst door de Lei. Wat noordwaarts lag, noemde men Vlaamsch-Vlaander en (daarsprak men Nederduitsch) en bestond uit de kasselriien : Gent, Oudenaarde, leper, Kortrijk, Belle, Kassei, Bur-burg. Bergen, Veurne en het Vrije van Brugge. Wat zuidwaarts lag, heette men het Waalsch- Vlaanderen (het Fransch was daar overheerschend) en bestond uit de kasselrijen : Rijsel, Dowaai en Orchies. — Vlannderen onder het Rijk bestond uit het land van Over-Schelde, de Vier Ambachten, het land van Waas en dit van Aalst.

— Het allodiaal Vlaanderen, vrij eigendom der graven, bestond uit de neerlijk-heid van Dendermonde, het land van Bor-nem en de stad Geeraardsbergen. — Vla-tning, m. (-en).

3 - VLAS

vladen, bw. vlaadde, heeft gevlaad. Villen. (Mets.) De oppervlakte van eenen muur of ander metselwerk alhouwen. Afpersen. Iemands tong vladen, hem uit-hooren.

vlagr, o-Vezelachtige gewassen, die in den zomer de binnenwateren bedekken.

vlsig:, v. (-gen). Stuk doek, dat gemeenlijk de gedaante heeft van eenen rechthoek van verschillende klt-uren en afmetingen. Eenige ellen vlaggendoek om de middel gewonden. De zeemacht (eener natie). — Vlag gejo ng e n, m. (-s). Scheepsjongen op een oorlogsschip. — Vlaggejonker, m. (-s). Vaandrig. (Zeew.) Adelborst. — Vlaggekapitein, m. (-s). Kapitein, 't bevel voerende op het admiraalsschip. — Vlag-gekoord, o. (-en). — Vlaggely'n, v. (-en).

— Vlaggen, ow. vlagde, heeft gevlagd. Een of meer vlaggen uitsteken. — Vlaggendoek, o. — Vlaggen kaart, v. (-en). — VlagQenkist, v. ( en). — Vlagfgejschip, o. (..epen). Schip, dat de admiraalsvlag voert. — Vlaggestoel, ra. (-en). — Vlag-gestok, m. ( ken). — Vlaggetouw, o. en v. (-en).— Vlagofficier,vt\. (-en). Officier, die het bevel voert over een eskader.

vlak, bn. Effen, glad, zonder diepten en verhevenheden. Plat : de vlakke hand. Onbebouwd : een vlak terrein. Open : do vlakke zee. Bijw. Juist, recht, volkomen : hii woont vlak over de kerk. — Vlak, o. (-ken). Platte oppervlakte. Platte effenheid : het vlak der hand. Oppervlakte der zee : het vlak der baren. — Vlakgang;, v. (-en). (Zeew.) Boeiplank. — Vlakheid, v. (..heden). — Vlakken, bw. vlakte, heeft

fevlakt. Effen maken. —evlakt. Effen maken. — Vlak plank, v.

en). (Zeew.).— Vlakte, v. (-n). Plat land. Effen grond. Uitgestrektheid. Vallei. P atte zijde van iets. — Vlaktemaat, v. (..aten).

— Vlaktemeting, v.— Vlakverheven, o. Halfverheven. — Vlakweger, m. (-s). (Zeew.) Zeker houtwerk.

vlak, v. (-ken). Vlek. Smet. — Vlakken, bw. vlakte, heeft en is gevlakt. Bw. Bevlekken. Ow. Vlekken. — Vlakkerig, vlaJrkig, bn. — Vlakpapier, o. Vloeipapier.— Vlakziekte, v. (-n).

vlaken, bw. vlaakte, beeft gevlaakt. Wol kloppen.

vlam, v. (-raen). Gloeiende kolom gas of damp. Hoogrood. Hartstocht. Ader (ia marmer, enz.). — Vlavikleurig, bn. — Vlammen, vlamde, heeft en is gevlamd. Ow. In vlam ontbranden. Vlammen opwerpen. Zijne oogen vlamden van toorn. Zeer gesteld zijn (op) : op iets vlammen. Bw. Vlammen maken, teekenen (op marmer, enz.). — Vlammend, bn. — Vlam-mig, bn. — Vlamschilder, ra. (-s). — Vlamschildering, v. (-en). — Vlamvor-tnig, bn.

vla», o. {-sen).Plantengeslacht{linum), tot de vlasachtigen behoorende. 't Gewone vlas (/. usitatissimum) : eenjarige plant, uit wier bastvezels linnen, enz. wordt bereid. — Vlasachtig, bn. — Vlasachtigen, v. rav. Plantenfamilie.— Vlasakker, m. (-s).— Vlasbaard, ra. (-en). Eerste haar om de kin. Jonge knaap. — Vlasbloem, v. (-en).— Vlasboer, ra. (-en). — Vlasbouw,


ocr page 928

VLEE — 85

m. — Vlasbraak, v. — Vlasbreker, m. ( s). — Vlasdodder, ..dotter, v. (-s). Hut-tentut. — Vlasdot,v. (-ten).— Vlasdraad, m. (..aden). — Vlasfabriek, v. (-en). — Vlashaar, o. (..aren). Eerste haar om de kin.— Vlashandel, m.— Vlashandelaar, m. (..aren, -s).— Vlashekel, m. (-s). — Vlashekelaar, m. (-s). — Vlashekelaar-ster, v. (-s). — Vlashekken, o. (-s). Vierkante afsluiting, waarin het vlas te roten ligt. — Vlas*ooper, m. (-s). — Vlaskop, m. (-pen). Vlasrokken, m. en v. (-pen) Persoon met blonde haren. — Vlaskruid, o. Plantengeslacht, tot de leeuwenbekach-tigen behoorende. 't Gemeen vlaskruid (litiaf ta vulgaris) komt algemeen op zandgrond voor. — Vlasland, o. (-en). — Vlasmarkt, v. (-en). — Vlasplant, v. (-en). — Vlasrokken, o. (-s). — Vlassen, bn.— Vlassen, ow. vlaste, heeft gevlast. Tot of als vlas worden. Vlassen (op) : belust zijn (op). — Vlasser, m. (-s). — Vlas-sery, v. (-en). — X- lassig, bn. — V lasspin-nerij, v. — Vlassteng, v. (-en). — Vlasveld, o. (-en). — Vlasvink, m. en v. (-en). Groenvink. — Vlaswinkel, m. ( s). — Vlaszaad, o. (..aden).

vlceht, v. (-en). Al wat gevlochten is, inz. gevlochten haarlok.Trens, mat.Vlecht-vormig bloedvat. Zekere huidziekte. — Vlechtband, m. (-en). — Vlechten, bw. vlocht, heeft gevlochten. Kruiselings over elkanderslaan. Ineenstrengelen.— Vlechter, m. (-s). — Vlechting, v. (-en). — Vlechtmat, v. (-ten). — Vlechtriet, o. — Vlechtrys, o. (..zen).— Vlechtsel, o. (-s).

— Vlechtster, v. (-s). — Vlechtvormig, bn. — Vlechtiuerk, o.

Tledder, ra. (-s). Vlier.

▼lc(d)ermnl», v. (..zen). Devleder-muizen of bandvleugeligen maken eene orde uit onder de zoogdieren. In 't algemeen zijn het nachtdieren.

Tlccscli, o. Weeke en vaste bestand-deelen van raenschen en dieren, die zich tusschen vel en beenderen bevinden, inz. het magere dier bestarddeelen. Eetbare bestanddeelen van zoogdieren en vogelen. Eetbare gedeelte van fruit. De mensch : alle vleesch is sterfelijk, 's Menschen zinnelijke natuur, (vleezen) Soort van vleesch of vleeschspijs. — Vleeschachtig, bn. — Vleeschbal, m. ( len). — Vleeschbank, v. (-en).— Vleeschblok, o. en ra. (-ken).— Vleesch boom, m. (-en). Vleeschachtige uitwas van een slijmvlies, enz. — Vleesch-dag, m. (-en). — Vleeschdarm, m. (-en). Nuchtere darm. — Vleeschdeelen, o. mv.

— Vleeschelyk, bn. bijw. — Vleeschelyk-heid, v. — Vleesch etend, bn. — Vleesch-extract, o. — Vleeschgerecht, o. (-en). — Vleeschgezzvel,o. (-len).— Vleeschhaak, m. (..aken). — Vleesch hal, v. (-len). — Vleeschhouwer, ra. (-s). — Vleeschhou-wery, v. (-en). — Vleeschhuis, o. (..zen).

— Vleeschketel, ra. (-s). — Vleeschkeur, v. (-en). — Vleeschkeur der, ra. (-s). —

— Vleeschkleur, v. — Vleeschkleurig, bn.— Vleeschklomp,m. (-en).— Vleesch-kuip, v. (-en). — Vleeschmaal, o. (..alen).

— Vleeschmade, v. (-n).— Vleeschmand, v. (-en). — Vleeschfnarktf v. (-en). —

1 — VLEU

Vleeschnat, o. — Vleesch bastei, v. (-en).

— Vleeschpot, m. (-ten).— Vleeschprys, m. (..zen).— Vleeschschotel, m. (-s).— Vleesch soep, v. (-en). — Vleeschspyzen, v. rav. — Vleeschstande, v. (-n).— Vleesch-taart, v. (-en). — Vleeschtyd, m. (-en).— Vleeschverkooper, m. ( s). — Vleesch-vork, v. (-en). — Vleeschvorniig, bn. — Vleeschvretend, bn. — Vleesch7vonde, v. (-n). — Vleesch quot;wording, v. — Vleesch-worst, v. (-en).— Vleesch zetting, v. (-en).

— Vleezen, bn. — Vleezig, bn. — Vlee-zigheid, v.

vleet, v. (vleten). Mast- en tuigwerk. De haringnetten als zij in zee liggen. Kleineschuit. Zekere rog (raja batis). Slet, slons. Een net vol. Menigte. Bij de vleet : in overvloed.

vlegel, ra. (-s). Werktuig om te dor-schen. Boerenkinkel. Lomperd. — Vlegelachtig, bn. Lomp. Onbeschoft. Onbeleefd.

— Vlegelachtigheid, v. — Vlegelen, bw. vlegelde, heeft gevlegeld. Dorschen. — Vlegel kap, v. (-pen). — Vlegelklap, m. (-pen). — Vlegelknuppel, m. (-s).— Vlegel slag, ra. (-en). — Vle^elsteel, m. (..elen). — Vle^elstok, ra. (-ken).

▼lei^M, bw. vleide, beeft gevleid. Met woorden streelen. Naar den mond spreken. Flikflooien. lem. (of iets) schooner afschilderen dan hij (of het) is. Zich vleien, ww. Zich zeiven hoop geven (op). — Vleiend, bn. bijw. — Vleier, m. (-s). — Vleierif, v. (-en). — Vlei ster, v. (-s). — Vleitaal, v. — Vleiwoord, o. ( en). — Vleizucht, v.

vlek, o. (-ken). Verzameling van huizen, die eene afdeeling uitmaken van een dorp.

vlek, v. (-ken). Vuile plek. Gedeelte eener oppervlakte anders gekleurd dan de rest. Smet (op iemands naam). Het Lam zonder vlek. — Vlekkeloos, bn. — Vlekkeloosheid, v. — Vlekken, bw. ow. vlekte, heelt en is gevlekt. Met vlekken bezoedelen of bezoedeld worden.— Vlekken koorts, v. (-en). — Vlekkenwater, o. Water om vlekken uit te wisschen. — Vlekkig, bn.

— Vlekziekte, v. (-n).

vlerb, v. (-en). Vleugel van eenen vogel. Deel van het scheepswant. — Vlerken, bw. vlerkte, heeft gevlerkt. (Zeew.) De boegplanken over elkander slaan.

vlet, v. (-ten), i chuit met platten bodem. — Vletschuit, v. (-en). — Vletten,. bw. vlette, heeft gevlet. (Turf) plat leggen en evenen. Met eene vlet aarde aanbrengen. — Vletter, m. (-s). — Vlet ster, v. (-5).

vleug:, v. (-en). Vlam, flikkering. Richting van het haar eener stof: eenen hoed naar de vleug borstelen. Groote, ruime vogelkooi.

vleugel, ra. (-s, -en). Deel van het lichaam van vogels, enz., dat tot vliegen dient. Zijgedeelte van een gebouw, een leger, enz. Zijstuk van een net, enz. Molenwiek.Deel van eene schroef (aan scbroef-stoombooten). Deel van eene wan. Windwijzer. De vleugels van den neus. — Vleugeldeksel, o. (-s).— Vleugelen, bw. vleu-gelde, heeft gevleugeld. Knevelen. Binden (de armen).— Vleugelig,hn.— Vleugelloos, bn. — Vleugelpiano, v. ('s). —


ocr page 929

VLIE — 85

Vleugelsch tl cl, o. — Vleugelvorinig, bn.

Vlie, o. Doorvaart. Inz. vaarwater tus-schen Vlieland en Terschelling. — Vlie-boot, v. (-en). Schuit op de waters van het Vlie. Naam van de vaartuigen der Watergeuzen.

Tlioricn, vlood, heeft en is gevloden. Bw. Vluchten. Ontwijken. Ow. Uit vrees haastig wijken. Tot iera. vlieden : totiem. zijne toevlucht nemen.

vlicff, v. (-en). De vliege7i (tweevleu-

feligen) maken eene orde uit onder de ge-orvene dieren. Twee vliegen in éenen slag. lem. eene vlieg afvangen. —eligen) maken eene orde uit onder de ge-orvene dieren. Twee vliegen in éenen slag. lem. eene vlieg afvangen. — VLiege-kop, m. (-pen). — Vliggenaas, o. — VLie-gendrek, m. — Vlie gen ei, o. (-eren). — Vlieseneter, m. (-s). Soort van klein vogeltje.— Vliegengaas, o.— Vliegenkas, v. (-sen). — Vliegenkast, v. (-en).— Vlie-genkleed, o. (-en). — Vliegenlj/rn, v. — Vlie^enniasker, o. (-s). — Vliegennet, o. (-ten). — Vliegenpapier, o. — Vliegenvanger, m. (-s). lera., die vliegen vangt. (Plantenk.) Zonnedauw. De vliegenvangers maken eene familie uit onder de vogels. — Vlieg en va ngster, v. (-s). — VUe-

fenvergi/, o. — Vliegenvogel,envergi/, o. — Vliegenvogel, m. (-s). lolibrie. — Vlieg en waaier, m. (-s). — Vliegepoot, m. (-en). — Vliegescheet, m. (..eten). — Vliegestront, v.

vliegen, vloog, heeft en is gevlogen. Ow. Door middel van vleugels zich door de lucht bewegen. Door de lucht bewogen worden : de kogels vlogen hun om de 00-ren. Ontploffen : in de lucht vliegen. Plotselings ontvlammen : de halve stad is in brand gevlogen. Zich snel bewegen : hij liep, neen hij vloog. Snel bewogen worden : de bijl vloog van den steel. lem. om den bals vliegen. lem. in het aangezicht vliegen. lem. in het haar vliegen. De oogen vlogen hem door het hoofd. Laten vliegen : in eens losgooien. Er tegen vliegen : harde berispingen moeten hooren. Bw. De vogel heeft het glas stuk gevlogen. — Vliegend, bn. Los : vliegende haren. Ontrold : vliegende vaandels. Draagbaar : vliegende brug. Vliegende, hevige storm. Springend : vliegend vuur. Vliegende blaadjes : vlugschriften. Vliegende tering. Vliegende '.is-schen : visschen, die met hunne borstvinnen zich eenigen tijd boven 't water kunnen verheffen. — Vltegens, bijw. Zeer haastig. — Vliegensvlug, bijw. Zeer vlug. — Vlieger, ra. (-s). Die vliegt. Papieren kinderspeelgoed, dat in de lucht opgelaten wordt. (Zeew.) Middelstagzeil. — Vlieger-koord, o. (-en). — Vliegertouw, o. en v. (-en). — Vlieget, o. Soort van lichte tilbury zonder kap. — Vliegparti/\ v. (-en). Zeer snelle tocht. — Vliegsier, v. (-s). — Vlieg uit, m. Wilde jongen. — Vliegwerk, o. (Schouwb.) Toestel om het tooneel plotselings te veranderen. — Vliegwiel, o. (-en). Z e Stoomwerktuig.

vlier, v. Plantengeslacht [sambuctis), tot de kamperfoelieachtigen beboerende. Komen bij ons in 't wild voer : de lage vlier, de gewone vlier en de tro.-.dragende vlier. Aftreksel van vlier. — Vlierazyn, ra. — Vlier blo eisel, o. — Vlierbljem, v. (-en). — Vlierboom, m. (-en). — Vlier-

; — VLOE

hout, o. — Vlierhouten, bn. — Vliet-struik, m. (-en). — Vlierthee, v. — Vlierwortel, v. (stofn.); m. (-s) (voorwerpsn.).

vliering, v. (-en). Verdieping boven den zolder.

vlieN, o. (..zen). Schapenwol, vacht. Velletje. Oogvlies. Nieuwe huid op eene wond. Vel op gekookte melk. De ridderorde, het Gulden Vlies ^zinnebeeld van den rijkdom, die de wolüijverheid over Vlaanderen verspreidde) weid door Filip den Goede bij zijn huwelijk met Izabella van Portugal te Brugge ingesteld (1430). — Vliesachtig, bn. — Vliesheer, m. (-en), vliesridder, m. (-s). — Vliesvleugelig9 bn. — Vliesvormig, bn. — Vliezig, bn. — Vliezigheid, v.

vliet, m. en v. (-en). Vloeiend water. Beek. — Vlieten, ow. vloot, is gevloten. Vloeien. Langzaam stroomen. — Vlietend, bn. — Vlietwater, o.

vlUeu, bw. vlijde, heeft gevlijd. Voegen. Schikken. Tc pas komen : dat vlijt mij bijzonder goed. — Vlj/ing, v.

vlUm, v. (-en) . Soort van mes ora aders te openen. — Vlijmen, bw. vlijmde, heeft gevlijmd. Met eene vlijm openen, doorsteken.

vIy (, v. Naarstigheid. IJver. — Vijftig, bn. bijw. — Vlijttglijk, bijw.

vlinder, m. (-s). De vlinders maken eene orde uit onder de gekorvene dieren. Ongestadig mensch. — Vlinderbloem, v. (-en). — Vlinderbloemigen, v. mv. Plan-tenfamilie. Is over de gansche aarde verspreid. Bevat: de erwten, de boonen, de klaver, enz. — Vlinderpop, v. (-pen). — VUndet vormig, bn.

vloed, ra. (-en). Het vloeien. Groot stroomend water. Overstrooming. Wassend wator : eb en vloed. Den vloed dood-zeilen : de werking des vloeds te boven komen. Groote menigte woorden, enz. — Vloedryk, bn. — Vlocdwater, o.

vloeien, ow. vloeide, is en heeft gevloeid. Zich zachtjes voortbewegen (van vochten). Zich verspreiden (van inkt, enz.). Dragen, loopen : de wonde vloeit. Welluidend zijn (van woorden en tonen). Voort-komen : het eene vloeit uit het andere. — Vloeibaar, bn. — Vloeibaarheid, v. — Vloeibaar making, v. — Vloeibaarwor-dihg, v.— Vloeiend, ba. bijw. — Vloeiendheid, v. — Vloeiing, v. (-en). — Vloei-middel, o. (-en). — Vloeipapier, o. Papier, dat inkt opneemt. — Vloeiplank, v. (-en). Plank, vooraan eene deur, ora het water, als het hoog is. af te keeren. Ven-sterlijstje (aan de buitenzijde). — Vloei-spaat/i, o. Delfstof, die in gangen en beddingen van verschillende landen gevonden wordt en vergezeld gaat vooral met tin en kopererts. — Vloeispaathzuur, o. Verbin ding van fluoor met waterstof. Dient ongt; teekeningen, enz. op glazen voorwerpen te maken. — Vloeistof, v. (-fen). Alles wat vloeit. Vocht.

vloek, m. (-cn) Verwensching. Vloekwoord (zie Blasphemic). Voorwerp van vervloeking : hij is een vloek der nienschheid. Straf, ramp, geesel. — Vloekbaar, bn. — Vloekbeest, o. (-en), vloek bek, ra. en v.


ocr page 930

VLOT — 8:

(-ken), vloekdier, o. (-en). Vloeker. — Vloeken, vloekte, heeft gevloekt. Bw. Ver-wenschen. Den vloek uitspreken (over). Ow. Verweuschingen uiten. Godlasterende woorden spreken. — Vloeker, m. (-s).— Vloekgenoot, ra. (-en). Medeplichtige (in eene euveldaad). — Vloekgenoo/e, v. (-n).

— Vloekgenootschap, o., vloekgespan, o. Vereeniging van misdadigers. Medeplichtigheid. — Vloekster, v. (-s).— Vloekver-tuani, ra. (-en). Vloekgenoot. — Vloek-verTvante, v. (-n). — VIoekverivantschap, v.— Vloekv.'aardf igj, bn.— Vloekwaar' dtgheid, v. — Vt'oekrvoord, o. (-en). Godslastering. Verwensci.iiig.

vloer, ra. (-en). Bodera, grond, inz. van planken of steenen. — Vloerbol, ra. ( len). Sooit van kleinen krulbol. — Vloerbollen, ow. bolde vloer, heeft vloergebold. Met den vloerbol spelen. — Vloerder, ra. (-s).

— Vloeren, vloerde, heeft gevloerd. Bw. Van eenen vloer voorzien. Bedekken. Ow. Vloerbollen. — Vlomng, v. (-en). — Vloerkleed, o. (-en). Tapijt. — Vloermat, v. (-ten). — Vloersteen, ra. (-en).— Vlosr-ster, v. (-s). — Vloertapijt, o. (-en). — Vloertegel, ra. (-s). — Vloeruoerk, o. (-en). —- Vloerwerker, m. (-s).

vlogliaver, v. Wilde haver (avena fatua).

vlok, v. (-ken). Vluchtig, ahrescheiden deeltje. — Vlokachttg, bn. — Vlokbed, o. (-den).— Vlok haar, o. — Vlokken, vlok te, heeft en is gevlokt. Bw. Tot vlokken maken. Ow. Tot vlokken worden. Sneeuwen. — Vlokkig-, bn. — Vlokvulscl, o. (-s). — Vlokwol, v. — Vlokzijde, v.

vlonder, m. (-s). Losse brug over een klein water.

vloo, v. (-ien). Vleugelloos insect, dat zich met het bloed van ra« nschen en dieren voedt. Zie Menschenvloo. — Vlooiachttg, bn. — Vlo iebect, m. (..etf n). — Vlooien, bw. vlooide, heeft gevlooid. Vlooien vangen. Zich vlooien, ww. Zich de vlooien afvangen. — Vlooienkruid, o. Kruid, welks geur de vlooien vei drijft. — Vlooie-scheet, m. (..e'en).

vloot, v. (vloten). Verzameling van een aantal schepen. Stoet van menschen : daar korat de vloot aan. — Vloothonder, m. (-s). Die goed de vloot op zijde blijft.

— Vlootleider, m. (-s). Schip, d.t doorzeilt. — Vlootvoogd, ra. (-en). Aanvoerder eener vloot. — Vloteling, ra. (-en). Die tot eene vloot behoort.

vloof, v. (vloten). Vleet : zekere rog {raj'a ba fis).

vlooi, v. (vloten). Ondiepe tobbe. Dobber, drijver van een vischsnoer. — Vlootje, o.(-s).Bakje, kommetje (inz. in samenstell.).

vlos, o. Vloszijde. — Vlossen, bn. — Vlossig, bn. Los. Ongetweernd. — Vlossigheid, v. — Vloszijde, v. Grove, onge-tweernde zijde.

vlot, bn. bijw. Drijvend. Een schip vlot krijgen : van het droge afbrengen. Vloeiend, gemakkelijk : hij spreekt het Duitsch zeer vlot. — Vlot, o. (-ten). Samengebonden balken, boomen, enz,, die op het water drijven. Samengebonden balken, dienende om zekere dingen te water te ver-

)— VOCH

voeren. — Vlotbaar, bn. — Vlotbalk, ra. (-en). — Vlotbatterif, v. (-en). — Vlotboot, v. (-en). — Vlotbrug', v. (-gen). — Vlotgaand, bn. Een vlotgaand schip : schip, dat weinig waterdiepte heeft. — Vlotgras, o. Plantengeslacht [glyceria), tot de grassen behoorende. 't Gemeen vlotgras (?. /1 nit am.) : lang gras, welks slanke scheuten op de oppervlakte van 't water liggen. — Vlothout, o. (-en). — Vlotst hipper. ra. (-s). — l lot schuit, v. (-en). — Vlotten, vlotte, heeft en is gevlot. Bw. In vlotten vervoeren. Ow. Drijven, losraken (van vaartuigen). Van het droge afraken. Gemakkelijk gaan ; het zal wel vlotten. — Vlotter, rn. (-s). Die houtvlotten raaakt. Stuk hout of kurk boven aan een vischnet. Toestel om den waterstand in den stoomketel aan te geven. — Vlot-vaart, v.

vloten, bw. vlootte, heeft gevloot. Af-rooraen. — Vlotemelk, v. Afgeroomde melk.

Vloten [J. van), 1818-1883, Karapen. Geschiedschrijver en letterkundige. Over de leer der hervormde Kerk en hare toekomst (1849*; J. van Vondels volledige dichtwerken (i863-'66).

vlouw, v. (-en). Soort van net.

vlueliten, vluchtte, heelt en is gevlucht. Ow. De vlucht nemen. Op de vlucht gaan. Bw. Orahoog richten : een kanon vluchten. Verbergen (voor een naderend gevaar) : een deel zijner meubeleu vluchten. — Vlucht, v. Het vliegen der vogelen. (-en) Verzameling van vliegende vogels. Afstand tusschen de twee uitersten der uitgestrekte vleugels. Snelle voortgang in de lucht. Groote ruime vogelkooi. Eenen bal in de vlucht vangen. Het vluchten, het vlieden : den vijand ■ p de vlucht jagen. Vaart, hoogte : dich'erlijke vlucht. In de vlucht, ter vlucht, bijw. uitdr. Terloops.

— Vluchteling, m. en v. l-en). — Vluchtelinge, v. (-11). — Vluchthaven, v. (-s).

— Vluchtig-, bn. bijw. Vluchtende, voortvluchtig. Voorbijgaand, vergankelijk. Licht vervliegend, — Vluchtigheid, v. — Vluch-tigjes, bijw. Vluchtig. — VIquot; ch tig m a king, v. (Scheik.). — Vluchtoord, o. (-en).— Vluchtplaats, v. (-en).

vlug:, bn. bijw. In staat om te vliegen (van jonge vogels). Snel. Vaardig. Vernuftig. — Vlugheid, v. — Vlugschrift, o. (-en). Een terloops ontworpen en voorbijgaande stukje. — Vlug zand, o. Zeer fijn zand. — Vlugzout, o. Vluchtig zout.

voeststl, v. (..alen). Klinker. Klinkletter. — Vocaal, bn. Tot de steui behooien-de. Vocale muziek : gezang.

voenbitlaire, o. ^-s). Woordenlijst. Beknopt woordenboek.

vocatie, v. (..iën, -s). Roep. Roeping.

vocatief, vocativus, ra. (..ieven). Een der naamvallen.

voclit, o. (-en). Vloeistof. Nat. Sap. Sterk vocht : sterke drank. — Vochten, bw. vochtte, heeft gevocht. Vochtig, nat maken. — Vochtig, bn. Nat. Nattig. — Vochtigheid, v. — Vochtigheidsmeter, m. ( s). Toestel ora de vochtigheid van den dampkring te meten. — Vochtmaat, v.


ocr page 931

VOET

VOEL

(..aten). Maat voor vloeistoffen. — Vochtmetert m. (-s), vochtvueger, m. { s). Werktuig om de sterkte van dranken te bepalen.

vod, voridc, v. (vodden). Oude lap. Lomp. Prul. Slons. — Voddenbak, m. (-ken).— Voddengned, o.— Voddenhandel, m. — Vodden handelaar, m. (-s).— Voddenhandelaarstet, v. (-s). — Vodden-kooper, m. (-s). — Vod denkoopster, v. (-s).

— Voddenkraam, v. en o. (..amen). — Voddenkrabber, m. (-s). — Voddenman, in. (-nen). — Voddenmand, v. (-en). — Vodd' ntnarkt, v. (-en). — Voddenraper, in. (-s). — Voddenraapster, v. (-s). — Voddemvyf, o. (..ven). — Vodderij, v. (-en). Vodden. Lompen. Nietswaardig ding. Prulwerk. — Voddewertc, o. — Voddig, bn. bijw. Uit vodden bestaande. Rafelend. Vuil, slordig. — Voddigheid, v.

voeden, bw. voedde, heeft gevoed. Van voedsel voorzien. Koesteren : liefde voeden voor iem. Gevoelen : haat voeden te^en iem. Eene slang in zijnen boezem voeden : eenen verrader weldoen. — Voeder, m. (-s). — Voeder, o. Al wat tot voedsel dient (inz. van dieren). — Voeder, m. (-s). Groot wijnvat. — Voederbak, m. (-ken). — Voederen, bw. voederde, heeft gevoederd. Voeden (inz. van dieren). — Voeding, v. — Voedingsmiddel, o. ( en).

— Voedmiddel, o. (-en). — Voedsel, o. Al wat tot voeding dient. Onderhoud. Versterking. — Voedster, v. (-s). — Voedsteraar, m. (..aren, -s). — Voedsteren, bw. vor-di-terde, heeft gevoedsterd. Voeden. Kweeken. — Voedsterheer, m. (-en).

— Voeasterhina, o. (-eren). Kind ee; s anderen, dat men opkweekt. — Vocdster-hng, in. en v. (en). — VoeasterlinRe, v. (-nj. — Voedstervader, m. (-s).— Vord-stervrouTv, v. (-en). — Voedzaam, bn. Goed voedend. Gezond (van spijzen). — Voedzaamheid, v.

voeg:, v. (-en) Verband van twee dingen aan elkander. Reet, welke tusschen twee samengevoegde dingen overblijft. Naad. Sponning. — Voegblok, o. en m. (-ken). Voeghlt; ut. — Voege, v. Wijs, volgorde : in dier voege. In voege dat; zoodat. In voege : in zwang. — Voegen, voegde, heeft ge voegd.Bw.Onderling verbinden.Do ruimte tusschen de steenen opvullen. Vereenigen. Inrichten, schikken : gelijk God het zal voegen, üw. Passen. Betamen. Geschikt zifn. Zich voegen, ww. Zich aansluiten. Zich naar iem. voegen, schikken.

— Voeg hout, o. (-en). Molenbalk. — Voegijzer, o. f-sK (Mets.). — Voeglijk, bn. Voegzaam. — Voeg lijk heid, v.— Voegsel, o. (-s). — Voegwoord, o. (-en). (Taalk.).

— Voegzaam, bn. Geschikt. Passend. Betamelijk.— Voegzaamheid,^.

voei, v. (-en). Wijfjeskonijn.

voelen, voelde, heeftgevoeld. Bw. Betasten, bevoelen : den pols voelen. Ge-waarwoiden : pijn voelen. Begrijpen : ik voel mijne zwakheid. Inzien : ik voel, dat hij gelijk heeft. Ow. Doormiddel der zenuwen gewaarworden : alles wat leeft, voelt. Tasten : hij voelde in zijnen zak. Zich voelen, ww. Zich gevoelen. — Voelbaar, bn.

Tastbaar. Duidelijk. — Voelbaarheid, v.

— Vceldraad, m. (..aden). Voelhoorn. — Voeler, m. (-s). Die voelt. Voelhoorn. — Voelhoorn, ..horen, m. (-s). Hoorn, welken sommige diertjes vooraan op den kop hebben en tot werktuig dient van het gevoel. — Voeling, v. — Voelspriet, m. (•en). Voelhoorn. — Vcelster, v. (-s).

voeren, bw. voerde, heeft gevoerd. Voederen.— o. Voeder.— Voei age,

v. Beestenvoeder. — Voer meel, o.

voeren, bw. voerde, heelt gevoerd. (Met voering) beleggen. — Voet baai, v.

— Voering, v. (-en). Stof tot voeren. — Voerkatoen, o. — Voerlaken, o. — Vo*r-leder, o.— Voer linden, o. — Voernaad, m.(..aden).— Voe/stoJ, v. (-fen).

voeren, bw. voerde, heeft gevoerd Met een vaar- of tijtuig elders overbrengen. De paarden voeren, leiden, besturen. Het woord voeren : eene rede houden. Bevel voeren : bevelen. Oorlog voeren : in oorlog zijn. Titels vo- ren, hebben, dragen. Eer.e vlag voeren. In het schild voeren : beoogen, ten doel hebben. — Voer, o. (-engt;. Wagenvracht. — Voerder, m. (-s). —• Voering, v. — Voerloon, o. en ra. (-en).

— Voerman, m. (..lieden, ..lui). — Voer-mans jongen, ra. (-s). — Voermansknecht, ra. (-s). — Voermanspaard, o. (-en). — Voermanswagen, m. (-s). — Voertuig, o. '-en). — Voerwagen, m. (-s). — Voer-wezen, o. — Voet wiel, o. (-en). Drijfwiel. Gangwiel.

voet, ra. (-en). Onderste gedeelte van een been beneden den enkel. Alles wat tot steun dient. Onderste gedeelte ivan bergen, hoornen, enz.). Lengtemaat. Standaard van de mu it. Versmaat, ei n voet is een samenstel van twee «gt;f drie lettergrepen van gepaste maat : de jambus, eene korte lettergreep gevolgd van eene lange, geluk (het jambisch vers heeft van éen tot zes voelen); de irochaus, eene lange lettergreep gevolgd van eer.e korte, hemel (het trocbaisch vers is van twee, drie, vier en soms van acht voeten); de dactylus, eene lange lettergreep gevolgd van twee korte, wateren (daccylische verzen zijn zeldzaam); de amphibrachus, eene lange lettergreep tusschen twee korte, verlangen (de amphibrachische verzen hebben van een tot vier voeten); de nnapcedus, twee korte lettergrepen gevolgd van eene lange, liet gezang. (Anapaestische verzen zijn zeldzaam.) — Te voet: loopende, wandelende. Te voet dienen. Het leger te voet. Op voet van oorlog: toegerust tot den oorlog. Onder de voeten halen : afbreken. Dat zal voeten op de aarde hebben : dat zal moeilijk gaan. Iem. den voet lichten, hem onderkruipen. Op staanden voet: dadelijk. — Voetangel, m. (-s). — Voetbad, o. (-en). — Voetbal, m. (-len). — Voetbank, v. (-en). — Voetboei, v. ( en). — Voetboog, m. (..ogen).— Voetboog schut' ter, ra (-s). — Voetbreed, o. Zoo breed als een voet. — Voetbrug, v. (-en). — Voet-dzveil, v. (-en). — Voeteerder, ra. ( s). — Voeteeren, ow. Voeteerde, heeft en is ge-voeteerd. Te voet gaan. Eenen weg te voet afleggen. — Voeteerster, v. (-s). —


ocr page 932

- 858 -

VOET

VOGE

Voefeh'?is, m. (-en). Leest. Schoeisel van wol, katoen, enz. — Voeienetitdfe), o. Uiteinde van een bed, enz. — Voeteuvel, o. — Voei/lesck, v. (..sschen).— Voe/gau-ger, m. (-s). — Voetgangster, v. (-s). — Voetyzer, o. (-s). — l oeting, v. Grondslag, fondement. — Voetje, o. (-s). Vet-kleinw. van voet. Voetje voor voetje : zee-langzaam.— Voetjicht,v.— Voetklavier, o. (-en).— Voetkluister, v. (-s).— Voet, knecht, m. (-en). Soldaat te voet. — Voetkus, m. (-sen). — Voetkussen, o. (-s). — Voetlicht, o. — Voetmaat, v. (..aten). — Voetmat, v. (-ten).— Voetpad, o. (-engt;.

— Voetpunt, o. (-en). Nadir. — Voetreis, v. (..zen). — Voetschabel, v. (-len). — Voetschrapper, ra. (-s). — Voetslet, v. (-ten). — Voetspoor, o. (..oren). — Voetstap, ra. (-pen). — Voetsioof, v. (..oven).

— Vretstoots, bijw. Terstond. Iets voetstoots verkoopen : iets vcrkoopen gelijk het is, zonder te laten onderzoeken. — Voet strik, ra. (-ken). — Voetstuk, o. lt;-kcn). Onderstel van zuilen, beelden, vazen, enz. (Zeew.) Benedenste rand der galerij. — Voettoon, ra. (Muz.). — Voettrede, v. (-n). — Voetval, ra. (-len). — Voetveeg, m. (..egen). Voetmat. Voet-dweil. — Voetveger, ra. (-s). VoetdweiL Die de voeten afveegt. .Lage kruiper. — Voetveegster, v. (-si. — Voetvolk, o. Soldaten te voet. Zie Leger. — Voetvormig, bn. — Voetwarmer, ra. (-s). — Voetzvas-sching, v. (enK— Voet weg, ra. (-en). — Voetwisch,v. (..sschen).— Voehvisscher, ra. (-s). Voetveger. — Voetwortel, ra. (-s). (Ontl.). — Vcetzand, o. — Voetzool, v. (..olen).

vogel, ra. (-s, -en). De vogels mzkzn eene klasse uit onder de gewervelde dieren. Zie Bijgevoegde Tabellen. Houten vogel : gaai. Slimme vogel : sluw mensch. — Vogelaar, ra. (-s, ..aren). Vogelvanger. — Vogelaas, o. — Vogelbek, m. (-ken). — Vogelbekdier, o. (-er). Zoogdier (ornt-thorhynch7iSparadoxus). Heelt den bek van cene eend en 't lichaam van een mol-achtig zoogdier niet zwemvliezen tusschen de teenen. Leeft in Niruw-Holland. — Vogelbes, v. (-sen), vogelbezie, v. (..ien).


Vogel.

a. Bek. b. Punt van den bek. c. Kinnebak, d. Voorhoofd, e. Kabe-beequot;:J- Kaak. g. Keel. h. Krop. i. Borst.}. Stuurpennen. k. Buik. 1. Zyde m ly uin. n. Oogstrrek. o. Achterhoojd. p. Oorstreek, p. Viterhals.T. Rug. s. Schouder. t. lenden, u. Dekvederen des vleugels, v. Slagvederen, w. Onderste dekvederen van den staart, x. Onderbuik, y. Poot. z. Klauw.

ocr page 933

VOLB — 8'

Lijsterbes. — Vogelbeschryrer, m. (-s).— Vogelbesseboom, m. (-en). — VogeidieJ, m. (..ven). — Vogeldrekt m. — Voqeleï, o. (-ers, -eren). — Vogelen, ow. vogelde, heeft gevogeld. Vogels vangen. — Vogelenzang, m. (-en). — Vogelfiuifje, o. (-s).

— Vogelgekweel, o.— Vogelgezang, o.— Vogelgryp, m. (-en). — Vogelhatidel, m.

— Vogelhandelaar(-s).— Vogelha7i-delaarsler, v. (-s). — Vogeljacht, v. — Vogelkers, v. (-en). Wilde kriek. — Vo-gelklauw, m. (-en). — Vgelkntp, v. (-pen). — Vogelkooi, v. (-en). — Vogel-kooper, m. (-s). — Vogelkoopster, v. (-s).

— Vogelkruid, o. Muur (2® art.). — Vogelliefhebber ,vt\. (-s).— Vogellijm,v.— Vogelmarkt, v. (-en). — Vogelmelk, v. Plantengeslacht {ornithogaluvi), tot de lelie-achtigen behoorende. — Votiehnest, m. — Vogelnest, o. en m. (-en). Nest van eenen vogel. (Plantenk.) Kroontjeskruid. Wilde peen. — Vogelnet, o. (-ten). — Vogelop-zetter, m. (-s). — Vogelperspectief, o. Perspectief, op vogelvlucht genomen. — Vogelroede, v. (-n). — Vogelschieten, o.

— Vogelschrik, m. (-ken). — Vogelslag, o. (-en). Vogelknip.— Vogelslag, m. Gezang van eenen vogel. — Vogelstrik, m. (-ken). — Vogelstruis, m. (-en). Struisvogel. — Vogelszaad, o. — Vogeltuin, m. (-en). — Vogelvangen, o.— Vogelvanger, m. (-s). — Vogelvangster, v. (-s). — Vogelverschrikker ,m. (-s).— Vogelvlucht, v. (-en). Het vliegen der vogelen. Groote, ruime vogelkooi. — Vogelvlug, bn. bijvv.

— Vogelvoeder, ..voer, o. — Vogelvrij, bn. Buiten de wet verklaard. Aan ieders vervolging blootgesteld. Verbannen. — Vogelvrijverklaarde, m. en v. (-n). — Vogelvrijverklaring, v. (-en). — Vogelzaad, o. — Vogelzang, m. (-en).

Vogt (A'.), 1817-1895, Gieszen. Hoogleeraar (Genève). Wijsgeer en natuurkundige. De mensch, zijne plaatsin de schepping en in de geschiedenis der aarde. voile, v. (-s). Sluifr.

voititro, v. (-s). Rijtuig.

vokclaar, m. (-s). Geleganzenbloem. vol, bn. bijw. Zooveel van iets in zich bevattende, dat het geheel gevuld is. Gevuld. Volkomen. Overal bedekt. Bol : vol gezicht. Volledig : volle vergadering. Open : volle zee. Volle zeilen, die de ge-heele werking van den wind ondervinden. Volle aflaat, zie Aflaat. Geheel: eene volle week. Er vol van zijn : zich gaarne met iets bezighouden. De stad is er vol van : iedereen spreekt er van. Met den mond vol tanden staan. Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Ten volle, bijw. uitdr. Volkomen. Geheel en al. — Volheid, v.

volaurdc, v. Witte klei, door den voller gebruikt.

volstpub, o. Kunstmatige wereldtaal, volbloed, bn. Van onvermengd ras (van paarden). Met hart en ziel : een volbloed katholiek. — Volbloedig, bn. Rijk aan bloed. — Volbloedigheid, v.

volbouwen (Onsch.), bw. Ten einde bouwen. —volbraNseu (Sch.), bw. De brassen aanhalen om de zeilen te doen vol-

5 — VOLK

staan. — volbrenfireii (Onsch.), bw. Volvoeren. Voleindigen. Uitvoeren. Vol-brenger, m. (-s). Volbrenging, v. Vol-brengster, v. (-s).

voldaau, bn. Tevreden. — Voldaan* he id, v.

volder, m. (-s). Voller.

voldingen (Onsch.), bw. Dingende naar wensch doen afloopen. Voldingend, bn. Overtuigend. Beslissend. — voldoen (Sch.), bw. Vullen. —voldoen (Onsch.), bw. Afdoen, betalen : zijne scliulden voldoen. Genoegen geven : kinderen, die hunne ouders voldoen. Bevredigen. Smaken : voldoet die tabak u? Ow. Beantwoorden : aan zijnen plicht voldoen. Voldoend, bn. bijw. Toereikt nd. Genoegzaam. Bevredigend. Verplichtend. Vriendelijk. Vol' doendheid, v. Voldoener, m. (-s). Voldoening, v. Voldoeningsleer, v. Voldoen-ster, v. (-s). — voldragen (Onsch.), bw. Ten einde dragen. — voleinden, voleindigen (Onsch.), bw. Geheel ten einde brengen. Voltooien. Voleinder, m. (-s). Voleindiger, m. (-s). Voleindiging, v. Voleinding, v. Voleind ster, v. (-s). volgaarne, bijw. Zeer gaarne, volgeestig, bn. Scherpzinnig. Schrander.

volgen, volgde, heeft en is gevolgd. Bw. lem. achterna gaan, rijden, enz. Gehoorzamen. Een gevoelen aannemen. Iets ten regel van zijn gedrag maken. Involgen. Navolgen. Opvolgen. (Kaartsp.) Eene kaart bijspelen van dezelfde soort : ik speel harten, gij moet harten volgen. Ow. Achteraan komen. De koopman wilde de waren niet zonder geld laten volgen. Hieruit volgt: hieruit vloeit voort. — Volgbrief, ra. (..ven). — Volgeling, m. en v. (-en). Aanhanger, aanhangster. Leerling, leerlinge. — Volgelinge, v. (-n). — Volgend, bn. Volgenderwj;ze, ..wijs, bijw. — Volger, m. (-s, -en). — P o tg ing, v. — Volg-nommer, o. (-s). — Volgorde, v. (-n). — Volgreeks, v. (-en). — Volgry, v. (-en). — Volgschool, v. (..olen). — Volgzaam, bn. Gehoorzaam. Gedwee. — Volgzaamheid, v. — Volg ziek, bn. — Volgzucht, v. volgen», vz. Naar. Overeenkomstig, volgieten (Sch.). Gietende vullen. — volgooien (Sch.),bw.

volgroeid, bn. Volwassen. Rijp. volhandig, bn. Veel te verrichten hebbende. Drok. — Volhandigheid, v.

volliarden (Onsch.), ow. Volstandig blijven. Standvastig zijn. Volhardend, bn. Volharder, m. (-s). Volharding, v. Vol-hardsier,y. (-s). — volliouden (Sch.), bw. Ten einde toe voortgaan als men begonnen is : dat loopen kan hij niet volhouden. Handhaven. Blijven beweren. Niet opgeven. Op dezelfde wijze voorstellen als men begonnen is : eene rol volhouden. Volhouder, m. (-s). Volhouding, v. Vol-houdster,\. (-s).

volière, v. (-s). Groote, ruime vogelkooi.

volUverig, bn. Met veel ijver. — vol-jarig, bn . Meerderjarig. Volja rig he id, v.

volk, o. (-eren, -en). Bewoners van eei* land, onder dezelfde wetten levende. Na-*-


ocr page 934

VOLK — 81

-tie. Afstammelingen van denzelfdcn stam. Gogt;;s voik : de Israëlieten (Üud-Test.). De lagere standen eener natie : een man uit het volk. Krijgsvolk. Klanten, koopers in eenen winkel. Bezoek. De meester en meesteres \ an dienstboden : bij groot volk dienen. Arbeiders : veel volk in zijnen dienst hebben. Menigte, verzameling van menschen : er was veel volk op de been. — Volkenbeschrijver^ m. (-s). — Volke7ibe-schryving, v. (-en). — Volkenkundey\. —- Volkenrecht, o. Rechtsgrondstellingen, die de onderlinge betrekking der verschillende Staten regelen. — Volkenrechieiijk, bn. — Volkhouder, m. (-s). Slaapsteehouder. Herbergier. — Volkhoudster, v. (-sl.

— Volkje, o. (-s). — Klein .volk. Kinderen.

— Volklievend, bn. — Volkplanter, m. (-s). Die volkplantingen aanlegt. Kolonist.

— Volkplanting, v. (-en). Kolonie. — Volkrijk, bn.— Volkrijkheid, v.— Volksaard, m. — Volksbedrog, o. — Volksbe-grip, o. (-pen).— Volksbelang, o. (-en).

— Volksbeschaving, v. — Volksbestaan, o. — Volksbes/uur, o. — Volksbeweging, v. (-en). — Volksblad, o. (-en). — Volksboek, o. en m. (-en). — Volksbond, o. en m. — Volksconcert, o. (-en). — Volksdichter, m. (-s). — Volksdracht, v. (-en).

— Volksdrank, m. (-en). — Volksdwaling, v. (-en). — Volks dwang, m. — Volkseenheid, v. — Volksfeest, o. en v. (-en). — Volksgebruik, o. (-en). — Volksgeest, m. — Volksgeloof, o. — Volksgeluk, o. — Volksgert oonte, v. (-u). — Volksgezang, o. — Volksgezind, bu. — Volksgezindheid, v. — Volksgunst— Volkshaat, m. — Volkshoop, n\. (-en). — Volks-t7istelling, v. (-en). — Volksken, o. Gepeupel. — Volksklasse, v. (-n). — Volks-kleeding, v.— Volkslceraar, m. (-s). — Volksleider, m. (-s). — Volkslied, o. (-eren). — Volksliefde, v. — Volksmacht, v. — Volksman, m. (-nen). — Volksniee-nt'ng, v. (-en). — Volksmenigte, v. — Volksmenner, m. (-s). — Volksnaam, m. (..amen). — Volksonderwijs, o.— Volksoploop, m. (-en).— Volksopstand, va. (-en).

— Volksoptelling, v. —- Volksoverlevering, v. ( en). — Volkspart//, v. (-en). — Volkspraatje, o. (-s). — Volksredenaar, m. (-s). — Volksregeering, v. (-en). — Volksschool, v. (..olen). — Volksspel, o. (-en).— Volksspraak, v. — Volkssprookje, o. (-s). — Volksstam, m. (-men). —

Volksstem, v. — Volkstaal, v. — Volkstoon, m. — Volkstribune, v. (-s).— Volkstrots, m. — Volksuitdrukking, v. (-en).

Volksuitgave, v. (-n^.— Volksverdruk-.ker, m. (-s). — Volksvergadering, v. (-en). — Volksverhuizing, v. (-ent. — Volksvermaak, o. (..aken). — Volksvertegenwoordiger, m. (-s). Zie Macht. — Volksvertegenwoordiging, v. (-en). — Volksvijand, m. (-en). — Volksvlijt, v.— Volksvooroordeel, o. (-en). — Volksvriend, m. (-en). — Volkswil, m. — Volkswoede, v. — Volkswerver, m. (-s).

volkomeu (Onsch.), bw. Uitvoeren. JNakomen.

volkom on, bn. biüv. Waaraan niets ontbreekt. Volmaakt. Ten volle. — Vol-

3 VOLT

komenheid, v. — Volkomen lijk, bijw.

vollasamp;rd, m. (-s). Langwerpig krentenbroodje.

volledig:, bn. bijw. Volkomen. Geheel.

Voltallig. — Volledigheid, v. — volleerd, bn.

vollemaau, v. Zie Maan.

volle», bw. volde, heelt gevold. Walken. (Laken) bereiden. — Volkuip, v.

— Voller, m. (-s). — Volleri/, v. Het vollen, (-en) Plaats, waar men volt. — Vollersaarde, v. — Vollerskuip, v. (-en),

— Vollersmolen, ra. (-s). — Vollerswerk, o. — Volling, v. — Volmolen, m. (-s). — Voltobbe, v. (-n).

Volleuliove (y.), 1631-1708, Vollen-hove. Als redenaar : Leerredenen, Als dichter: Kruistriomph (1740).

yoliy vlg, bn. Zwaarlijvig. Dik. — Vol-lijvigheid, v.

volloopeu (Sch.), ow. Izijn) Het vat liep vol. — volmaolili^eii (Onsch.), bw. Machtigen. Volmacht geven. Volmacht, v. (-en). Overeenkomst of schriftelijk bewijs, waardoor men de volle macht verkrijgt iels in eens anders naam te verrichten. Volmachtbrief, ra. (..ven). Vol-7nachthebber, m. (-s). Volmachtontvan-ger, ra. (-s). Vol7nachtve7-leener, ra. (-s).

— volmsikeu (Onsch.), lgt;w. Voltooien. Volledigen; Volmaakt, bn. bijw. Volledig. Geheel. Uitstekend, voortreffelijk. (Muz.) Volmaakt akkoord. Volniaaktelijk, bijw. Volmaaktheid. (..heden). Volmaking,v.

voliiioiidifi:, bn. Onbewimpeld. Duidelijk. Rondborstig.

voloi», bijw. Overvloedig. Zij zijn volop aan 't werk. — Volop, o. Overvloed.

vol|gt;i*|jzeift (Onsch.), bw. Naar volle verdienste prijzen. — volnelieukeu (Sch.), bw. Schenkende vullen.

volsclioou, bn. Zeer schoon. — vol-wla^eii, bn. bijw. Volmaakt. Uitgemaakt.

vOlamp;mUtau (Sch.),bw. — volNtaan (Onsen.), ow. Voldoen. (Zeew.) De volle werking van den wind ondervinden.

volMtaudisr, bn. Standvastig. olstan-digheid, v. Volstandiglyk, bijw. — vol-Htrokt, bn. bijw. Onbepaald. St-llig. Zeker. V olstrektelijk, bijw. VolsU ektheid, v. volMtroomen (Sch.), ow. (zijn). Volta {A.), 1745-1827, Como. It. natuurkundige. Uitvinder der Voltasche kolom.

Voltaire (F. M. Arouet de), 1694-1778, Parijs. Wijsgeer, dichter, geschiedschrijver. Artémise (1720) ; VIndiscret li725).; Hennade (1726); Brutus (17^0) ; Na nine (1752); le Siècle de Louis XIV {I752)-

voltallig:, bn. In volkomen getal — Voltalligheid, v.

volte, v. Volheid. Gedrang (van vo'kl. volfeekeud, bn. De leening was vol-teekend.

voltiffeereii, ow. voltigeerde, heeft gevoltigeerd. Zwenken. Kunstsprongen maken. Al rijdende springen — Volte, v. (-s). Wending. Zwenking. — Voltigeur, ra. (-s). Kunstrijder. Lichte ruiter.

voll04»ieu (Onschbw. Geheel opwerken. Voleindigen. Voltooier, m. (-5).


ocr page 935

— 861 —

VOOG

VOOR

Voltooing, v. (-en). Voltooister, v. (-s).— ▼oltrokkcu (Onsch.), bw. Ten uitvoer brengen. Sluiten : een huwelijk voltrekken. Vieren: eene plechtigheid voltrekken. Voltrekker, m. (-s). Voltrekking, v. ( en).

Toluit, bijw. Ten volle. Zijnen naam voluit schrijven.

volume, o. Omvang Inhoud.— Volu-men, o. (..mina). Deel. Boekdeel. — Vo-lumzneuSjhn. Lijvig. Dik. O.nvangrijk. volupèaciiH, bn. Wellustig. Wulpsch. vrtlv;»j»rlt;li}r. bn. bijw. Volkomen gereed. — Volvaardigheid, v.

volvoeren (On?ch ), bw. Uitvoeren. Volbrengen. — Volvcerder, m. (-s). — Volvoering, v. — Volvoersfer, v. (-s).

vol voel isr, bn. Een volvoetig paard. Volvoeiighetd, v. — volw:»»scn, bn. Den vollen wasdom bereikt hebbende. Vol-Tvassene, m. en v. (-n).

vol tv er pen (Sch ), bw.

volivicliti);, bn. Het volle (wettige) gewicht hebbende. —volzalig:, bn. Zeer gelukkier.

volzee, bijw. Bij volle zee.

voIkIii, m. (-nen). Een zin of een samenstel van zinnen, waardoor men eene gedachte met al hare bestanddeelen te kennen geett.

vomeeren, bw. ow. vomeerde, heeft gevomeerd. Braken. Spuwen. Overgeven.

— Voniitief,o. (..ven). Braakmiddel.Spuw-drank.

Vonek {J. F.), 1743 1792, Baardegem. Advocaat. Werd gebannen gedurende de Brabantsche omwenteling.

voikI, m. (-en). Het vinden. Het uitvinden. Het gevondene. Vonden : list, streek. — Vondeling, m. en v. (-en). Gevonden kind. — Vondelinge, v. (-n). — Vondelingshuis, o. t..zen).— Voiidrecht, o. — Vondst, v. (-en). Vond.

von«lel, vomler, m. (-s). Vlonder, tondel \ van den), 1587-1679, Keulen. De koning der Nedfrlandsche dichters. Lierdichten, hekeldichten, vertalingen, tooneelstukken (meestal treurspelen), een episch werk 1 Const au tyn), leerdichten, een historisch dichtstuk [Joannes de Boetgezant) eu honderden gelegenheidsverzen.

vonkelen, ow. vonkelde, heeft gevonkeld. Vonken schieten of om zich verspreiden. — Vonk, v. (-en). Vuursprank. — Vonkdoek, o. — fonkeling, v. — Vonken, ow. vonkte, heift en is gevonkt. Glimmen. Beginnen te branden.

vonnis, o. (-sen); (Recht.) Uitspraak. Beslissing. Doodstrijd : in zijn vonnis lig- j gen.— Vonnissen, bw. vonniste, heeft ge- ' vonnist. Een vonnis uitsj reken (o*/er).— j Vonnissing, v.— Vonnisveller, m. (-s). I

— VonnisveUing, v. (-en). — Vonni^-wijzing, v. (-en). i

vont, v. (-en). Doopvont.

voogrd, m. (-en). lem. wien door de wet, door de overheid of door eenen familieraad de taak is opgedragen voor de belangen der minderjarige we«*zen te zorgen Toeziende voogd : iem., die aangesteld s om toe te zien of de voogd zich van zijne plichten kwijt, lem., die voor de belangen van anderen waakt : vlootvoogd, stad** voogd, enz. (Middel.) Wereldlijke ambtenaar in het bestuur der kerkelijke landgoederen. — Voogdes, v. (-sen). — Voogdij', v. (•en). — Voogdijschap, v. (-pen).

vooie, v. Klep van eene pet. Rand van eenen hoed. Wat naar den rand van eenen hoed gelijkt.

voois, v. (..zen). Stem,zangstem. Zangwijze. Stem (in de verkiezingen).

voor, v. (voren). Ploegvore.

voor, vz. Vroeger in den tijd zijn of geschieden : voor Paschen. Voor e«-n paar dagen : een paar daeeo geleden, gedurende een paar dagen. Geeft eenen tijdduur te kennen : hij heeft voor altijd genoeg. Tegenstelling \ an .• voor de deur. Ia de plaats (van): voor iem. betalen. Als : iem. voor een eerlijk man houden. Om, wegens : voor zijne fouten gestraft worden. Jegens : de liefde der ouders voor hunne kinderen. Aan, tegen : iets koopen voor fr. 10. Aan : met iets voor den dag komen. Hij bli ef voor dood liggen, alsof hij dood was. Voor anker (geankerd) liggen. Den wind voor hebben : gunstigen wind hebben. Vort voor voet: langzamerhand.Voor (in ht t aanschijn van) God zweren. In tegenwoordigheid van : hij stond voor mij. Voor iem. den hoed afnemen. Voor iem. vreezen, v uchten, enz. Voor iets waarschuwen. Geelt eene bestemming, een doel te kennen : goed voor de koorts. Met betrekking (tot) : gevoel voor de kunst hebben. Ten voordeele (van) : voor iem. strij-


ocr page 936

VOOR — 8

.den. Iets voor waar aannemen. Ik, voor mij : wat mij betreft. Vw. Eer: voor hij vertrok. Bijw. Voorgedaan en na bedacht. De meid is voor : voorin het huis. Voor en na : telkens. — Voor, o. Het voor en tegen hooren. Voorste gedeelte van een schip.

vooruan, bijw. Op de eerste plaats.

Vooraanzitting, v.

vooraf, bijw. Eerst. Alvorens.— Vooraf best aan (Sch ), ow.— Voorafbetaling, v.(-en).— Voorafgaan (Sch.), ow. (zijn).

— Voorafgaand, bn. — Voora/lichten (Sch.), bw. Vroeger opnemen.— Voorafrekening, v. (-en). — Voorajspraak, v. (..aken). Toespraak (als inleiding).

vooml, bijw. Voornamelijk. Bovenal.

— Vooraleer, vw. — Vooralsnog, bijw. Vooreerst.

voorarbeiden (Sch.), ow. Arbeiden voor een ander arbeidt. Arbeiden om iem. den arbeid te toonen. — Voorar-beid, m.

voorarm, m. (-en). Deel van den arm tusschen elleboog en pols.—voora voml, m. (-en). Begin van den avond. — voorbaan, v. Voorste deel der baan. — voorbaat, v. Voorloopige handeling. Bij voorbaat : voorloopig, vooraf.

voorbabbclcn (Sch.), bw. Babbelende voorzeggen.

voorbank, v. (-en). Voorste bank in een rijtuig, enz.

voorbarig, bn. bijw. Te haastig. Te vroeg. Onbedacht. — Voorbarigheid, v. (..heden). — Voorbariglijk, bijw.

voorbedaclit, bn. bijw. Vooraf bedacht of overlegd. Opzettelijk. — Vuorbe-dachtelyk, bijw. — Voorbedachtheid, v.

voorbede, v. (-n). Voorafgaand gebed. Voorspraak.

voorbedingen (Sch.), bw. Vooraf bepalen of vaststellen. Voorbeding, o. (-en). Voorwaarde. Onder voorbeding (voorbehoud) van. — voorbeduiden (Sch.), bw. Vooraf aanduiden. Voorbeduiding, v. (-en). Voorbeduidsel, o. (-s, -en). Voorteeken.

voorbeeld, o. (-en). Iets, dat nagevolgd wordt of moet worden. Toonbeeld. Model. quot;Voorbeeldeloos, bn. Voorbeeldig, bn. Voorbeeldigheid, v. — voorbeen, o. (-en). — voorbelioedend, bn. Bewarend. Beschermend. Voorbehoedmiddel, o. (-en). Voorbehoedsel, o. (-s, -en).

voorbebonden (Sch.), bw. Bij voorbeding voor zich vrij houden. Zich voorbehouden, ww. Voorbehoud, o. Voorwaarde, uitzondering : iets zonder voorbehoud beloven. Iets onder voorbehoud (zonder er zeker van te zijn) mededeelen. Voorbehoudens, bijw. Met voorbehoud. Voor behoudt ng, v. (-en). — voorbereiden (Sch.),bw. Vooraf bereiden. Iem. op iets voorbereiden, hem onderrichten. Zich voorbereiden, ww. Zich gereedmaken. Voorbereider, m. (-s). Voorbereiding, v. (-en). Voorbereidsel, o. (-s, -en).

voorbericht,o. (-en). Inleiding. Voorrede.

voorbeselilkben (Sch.), bw. Vooraf bepalen. Vooraf vermaken (bij laatsten

2 — VOOR

wil). Vooraf bestemmen. — Voorbeschikking^. (-en).

voorbestaan, o. Vroeger bestaan. voorbeMteminen (Sch.), bw. Vooraf bestemmen. — Voorbestemming, v.

voor beurt, v. (-en). Vroegere beurt.

— voorbezit, o.

voorbidden (Sch.), bw. Vooraf bidden. Bidden (tot voorbeeld). Ten aanhoo-ren van anderen bidden. — Voorbidder, m. (-s). — Voorbidding, v. (-en).

voorbieebt, v. Confiteor (voor de biecht gezegd).

voorbtf, vz. Nevens. Voor. Over. Langs. Bijw. Duidt eene beweging aan langs iem. of iets : het onweer trok voorbij.

— voorbUbrengen (i), bw. — voor-by dra gen, bw. — voorbU draven, ow. (zijn) —voorbUdry ven, ow. (zijn).

— voorbydringen, ow. (zijn). — vOorby fladderen, ow. (zijn).—voor-byg-aaa, ow. (hebben, zijn). Voorbijgaand, bn. Vergankelijk. Vluchtig. Voorbijgang, ni.( Sterrenk.). Voorbyganger,m. (s). Voorbijgangster, v. (-s).— voorbü-bijlen, ow. (ziin). — voorbyjagen, bw. — voorby komen, ow. uijn). — voorby lit ten, bw. —voorby leeren, bw. ow. (zijn). — voorbyieiden, bw.

— voorbyloopen, bw. ow. (zijn). — voorbymarebeeren, ow. (zijn). — voorby|gt;raten, bw. Zijnen neus voorbijpraten. Zich voorbijpraten, ww. — voorbyrennen, ow. (hebben, zijn). — voorbyryilen, ow. (hebben, zijn). — voorbysluipen, ow. (zijn). — voor-byHiiellen.ow. (zijn).— voorby^lap-pen, ow. (zijn). — voorby stevenen, ow. (zijn). — voorby Mtreven, ow. (zijn). — voorby trekken, ow. (zijn).

— voorby varen, ow. (zijn) . — voorby vliegen, ow. (zijn). — voorby-wandelen, ow. (zijn). —voorbUzet-len. bw. ow. (zijn). — voOrbyzien, bw. Over :t hoofd zien. Niet bemerken.

voorbinden (Sch.), bw. Aan de voorzijde vastbinden.

voorbode, m. en v. (-n). Voorlooper. Vooiteeken. Voorgevoel. — voorboezem, m. (-s).— voorbont. m. (-en).— voo rb ram ra, v. (-as). Voorbramsteng^ v. (-en). Voorbramzeil, o. (-en).

voorbrengren (Sch.), bw. Aan de voorzeide brengen. Voorstellen, vertoo-nen. Uiten.

voOrbroelc, v. ( en). — voorburg, m. (-en). — voorbniir, m. (..uren). Voor buurt, v. (-en).

voorc-y feren (Sch.), bw. Cijferen (om te laten nadoen). — Voorcijfering, v. voordaebt, v. Opzettelijkheid, voordansen (Sch.), ow. Het eerst dansen. Ter navolging dansen. Kreupel wil altijd voordansen. — Voordans, m. (-en).— Voordanser,1X1. {-*).— Voordanser es, v. (-sen).

voordat, vw. Alvorens.

(i) De samengestelde werkwoorden met

voorbij zijn scheidbaar.


ocr page 937

VOOR — 8

voordeel, o. (-en). Voorste deel. Wat iem. in eene verdeeling vooruit ontvangt. Winst,profijt, nut. Vooriieelantibreiigetid, bn. Voor deelt ff, bn. lijw. Winstgevend. Gunstig. Nuttig. Voot deeli^hetd, v. — voortleiir, v. (-t-n).— v4»lt;»r(1civind, m. Voordeelige wind. Voot dewind, bijw. voordezen, bijw. Eertijds. Vroeger, voortlieiioii iSch.), b\v. Eerst dienen. Voordisich en. Voorsnijden. Voordïe-ner, m. (-s). Voor dien in ff, v. Voordiensier, v. (-s). — voordiNNclieu (Sch.), bw. De spijzen opbrengt n.

voordochter, v. ( s). Dochter uit een vroeger huwelijk. Onwettige dochter.

voordoen (Sch.), bw. Vroeger doen. Voorhangen, voorbinden. Vei toonen. .Z/'c/z voordoen, ww. Zich voorstellen. Zich laten doorgaan (voor). — voordrnnien (Sch.), bw. Draaien (tot voorbeeld). Vooraf draaien. — voordragen (Sch.), bw. Vooruit dragen. Voorstellen. Opzeggen. Voorlezen. Voordracht, v. (-en). Het voordragen. Wijze, waarop men iets voordraagt. Hetgeen men voordraagt. — voor-drinliru *Sch.), ow. Vooraf drinken.

voOreb(be), v. Begin der ebbe. — vooreerglutorcu,bijw.—vooreerst, bijw. In den eersten tijd. Vooral nog. In afwachting (van). — vooreilstudeii, o. mv. De Antillen. — vooreinde, o. (-n).

voorgrsian (Sch.), bw. Voor iem. gaan. Iem. in het goede voorgaan. Eerder gaan : iem. naar een beter leven voorgaan. Ow. (zijn) Vroeger komen. Vroeter in rang zijn. De voorkeur hebben. Vooruit of harder loopen. Goed voorgaan doet goed volgen. — Voorgaand, bn. Vorig. Vroeger. Laatst verloopen. — Voorganff, ra. Het voorgaan. Voorbeeld. — Voonanger, m. (-s).— Voorganffs/er,v. ( s).

voorjfsasilM, bijw. Nog in zee, maar reeds bij den ingang eener haven, enz. — ■voorgebed, o. (-en). — voorgebergte, o. (-en). — Toorsreborclite, o. Voorgeborchte der oudvaders: plaats, waar de zielen der oudvaders en andere rechtvaardigen de komst van den Messias al-wachtten. Voorgeborchte der kinderen : plaats voor ongedoopt gestorven kinderen.

— voorgebouw.o. (-en), voorgemeld, voorgenoemd,bn.

Bovengemeld.

voorgererlit, o. (-en). Eerst gerecht.

— vooi geslaebl9 o. (-cn). — voor-gespmi, o. — voorgestel, o. ( len). Voorste det-l van een rijtuig. — voorge-•toelte. o. (-n). — voorgrlrelc, o. — voorgevsilleue, o. — voorgevel, m. (-s).

voorgeven (Sch.), bw. Voonrtgeven. Zeker voorrecht geven (in 't spel). Voorwenden. Beweren. — Voorgeven, o. — Voorgeving, v.

voorgevoel, o. Gewaarwording van iets, dat gebeuren of komen moet. — voorgezang, o. (-en).

voorgoed, bijw. Op beslissende wijze. Bepaaldelijk. Voor altijd.

voorgooclieleu (Sch.),bw; Goochelen (om te laten nadoen). Door zinsbedrog doen gelooven. Voorgoocheling, v. (-en).

3 _ VOOR

— voorgooien (Sch.), bw. Gooien voor iemands voeten. Verwijten. Voor god, v. De eerste gooi.

voorgr:iclittv. (-en).—voorgrond, m. (-en). Voorste gedeelte. Gedeelte van het tooneel, dat het dichtst bij het publiek is. Iets op den voorgrond stellen : iets boven iels anders in aanmerking doen komen. — voorlmar, o.

voorhalen (Sch.), bw. Naar voren halen.

voorhamer,m. (-s). Moker.—voorhand, v. (-en). Deel van de hand bij den pols. De deelen van een paard, die zich voor den ruiter bevinden. Aan de voorhand zijn : het eerst moeten uitspelen. De voorhand, de voorkeur hebben. Op voorhand : van te voren, vooraf. Voorhanden, bijw. Aanwezig. Te bekomen. Nabij. Voor-handsch, bn. Voorhandsche titel : verkorte titel (voor in een boek).

voorhaiigeu (Sch.), bw. ow. Hangen, ophangen (voor). — Voorhang-, m. (-en). — Voorhangsel, o. (-s, -en):

voorhar, v. (-ren), — voorhaven, v. (-s). Ingang eener haven. Reede.

voorhebben (Sch.),bw. Voor het lijf hebben. Vooruit hebben (in 't spel). Voor zich zien. Bedoelen, willen : wat hij voorheeft, moet er door. Hij heeft veel voor, veel in zijn voordeel.

voorlieen, bijw. Te voren. Eertijds. — voorliiHtoriNrh, bn.

voorhoede, v. (-n). Voorsteafdeeling van een leger of eene vloot. — voorhoof, m. (..ven). — voorhof, o. (..ven). Voorplein. Voorplaats. — voorhoofd, o. (-en). Vooiste gedeelte van 't hoofd boven de wenkbrauwen. Voorhoofdsbeen, o. (-deren).

voorhouden (Sch.), bw. Houden voor iem. of iets. Onder het oog brengen. Voorleggen. Verwijten.

voorhout, o. Bosch vóór een grooter.

— voorhuid, v. (-en). —voorliuls, o. (..zen).— vooryzer, o. (-s). Hoefijzer aan den voorpoot.

voorin, bijw. Aan den ingang. — Voor-In die, o.

voorinnemen (Sch.), bw. Gunstig

stemmen. Innemen. — vooringenomen, bn. Gunstig gestemd (voor). Partijdig. Vooringenomenheid, v.

voorjaar, o. (..aren). Lente.— Voor-jaarsbloem, v. (-en).— Voorjaarskoorts, v.(-en).— Voo rja a rsfiach teven ing,v. (- en).

— Voorjaarsregen, m. (-s).— Voorjaars-reis, v. (..zen). — Voorfaarswe(d)er, o.

voorkakelen (Sch.), bw. Kakelende voordragen.

voorkamer, v. (-s). — voorkasteel, o. (-en). (Zeew.).

voorkauwen (Sch.), bw. Voor een ander kauwen. Woord voor woord voorzeggen.

voorkennis, v. Vroegere kennis. Onderrichting. Wetenschap. — voorkeu-ken, v. (-s). — voorkeur, v. Keuze van het eene boven het andere. Bij voorkeur : liever. — voorkind, o. (-eren). Kind uit een vroeger huwelijk. Onwettig kind.


ocr page 938

VOOR — 8

'voörklappeit (?ch ), bw. Voorbabbelen. — voorldsintorcii (Scb.), ow. (hebben, zijn). Vooral' klauteren. Voordoen in het klauteren. — voOr lel luimen (Scb.)» ow. (hebben, zijn). Voor-klauteren. — voorkomen (Sch ), ow. (zijn). Eerder, vroeger komen. Verschijnen (voor 't gerecht, erz.). Zich voordoen. Voor oogen komen. Schijnen : dat komt mij aardig voor. (Onsch.), bw. Beletten. Afweren. Voorkomen, o. Wij/.e van zich voor te doen. Uiterlijk, aanzien, gelaat, gedaante. Voorkoviend, bn. Wat kan gebeuren. Vriendelijk, gedienstig. Voorkomendheid, v. Voorkoming, v. — voorkoopen (Sch.), bw. Vroeger koopen. Voorkoop, m. (-en). Voorkooper, m. (-s). Uoorkoop-sier,v. (-s). — voorki'üs-eii (Sch,), bw. Vroeger krijgen. Vooruit bekomen (in 't spel). Voor iets anders zetten, binden, enz.

vOorktvartier, o. (-en). Voorste kwartier.

TOorlsaatNl, bn. Een voor het laatste. yoorlaiKl, o. (-en). Or.ingedijkt land. Buitenpolder. Lot, bestemming. Dat is uw voorland ; daartoe zult gij mot-ten komen. Toorlitug-, bijw. Sedert lang. voorlaat, m. (Zeew.) Last aan de voorzijde. — Voorlastisc, bn.

loorlaten (Sch.), bw. Laten voorgaan. Toegang verleenen.

▼oorlellen. Zie Verleden. voorle(lt;i)er, o. Leer aan het voorste gedeelte (van).

voorlessen (Sch.\ bw. Voor iem. leggen. Onderwerpen. Doen: een e vraag voorleggen. Voorlegging, v. — voorleiden (Sch.), bw. Naar voren, naar buiten leiden. Voorleiding, v. — voorlellen (Sch.), bw. Lellende voordoen, — voorlozen (Sch.), bw. Vooraf lezen. Lezen ten aanhooren van een ander. Voorlezer, m. (-s). Voorlezeres, v. (-sen). Voorlezing, v. (-en). — voorllvliten (Sch.), bw. Licht uitdragen (voor). Onderrichten. Voorlichter, m. (-s). Voorlichting, v. Voorlichtster, v. (-s).

voorlieftle, v. Vooringenomenheid, voorlieden (Sch.), bw. Wijsmaken. — voorlissen (Sch.) ow. Voor iets anders ligglt; n.

voor Ui f', o. (..ven). — voorlijk, o. (-en). (Zeew.) Dunne touw, waarmede een stagzeil omboord is.

voorlü k, bn. Vroeg ontwikkeld. Over-treftend. — Voorlijkheid, v.

voorloopen (Sch.), bw. ow. (zijn) Vooraf loopen. Vooruitloopen. Sneller loo-pen dan het behoort. — Voorloop, m. Alles wat voorloopt. — Voorloop, v. Eerste aftreksel van jenever, enz. — Voorlooper, m. (-s). Die voorloopt. Voorbode. Grove Schaaf. Zeker klein stuk vlaggendoek. — Voorloopig, bn. Eerste. Voorafgaande. Voorshands. Voorloopig bestuur : bestuur, dat voor een ander, een geveatigd bestuur komt.

voorluik, o. (-en). Luik aanhet voor-

voormaal*, bijw. Eertijds. — Voor-tnahg, bn. Vroeger. Vorig.

4 — VOOR

voormaaml,v.(-en).Begindermaand. voormaken (Sch.), bw. Voordoen.

— voormalen (Sch.). Lw. Schilderen

(om te laten nadoen).

voorman, m. (..lui). Iem., die in eene lij voor een ander gaat. Die voor een ander zit, speelt, enz. Onderbaas. — voormars, v. (-en\. (Zeew.). Voormarszeil, o. (-en). — voormast, ra. (-en). vOormel«l, bn.Te voren vermeld, voornieten (Sch.), bw. Vooraf meten. Voor iemands oogen meten.

vOormi(llt;lsis:gt;ni. (-en).Urenlusschen den morgen en den middag. — voor-mlede, v. (-n). Godspenning. —voormolen, m. (-s). — voor mouw, v. (-en).— voormuur, m. (..uren). Vooruitstaande muur. Sterk verdedigingsmiddel, voorn, m. (-s). Voren.

voornaaien fSch.), bw. Vooraf naaien. Naaien (om te laten nadoen), voornaam, m. (. amen). Doopnaam.

— Vvornaamsverandering, v. (-en). — Voornaamwoord, o. (-en). (Taalk.).

voornaam, bn. Aanzienlijk. Belangrijk. Gewichtig,— Voornanflyk, bijw. In de eerste plaats. Hoofdzakelijk.

voornaelit, m. (-en). Begin van den nacht.

voornemen (Sch.), bw. Voce 'aebben. Besluiten. — Voornemen, o. (-s). Plan. Besluit.

voornoemd, bn. Hooger genoemd.

— Voornoemde, m. en v. (-n). voornoen, ra. Voormiddag. — vooroever, m. (-s). — vooronder, o. (-s). Benedendeel van het schip bij den boeg.

vooron«lerMlelIen(Onsch.),bw. Veronderstellen. Voor mogelijk houden. — Voorondersteld, vw. In de vooronderstelling.— Vooronderstelling, v. (-en).

vooroordeel, o. (-en). Te vroeg oordeel. Voorloopig oordeel.— Vooroordeel, o. (-en). Geloof zonder overtuiging.

voorop, bijw. Aan de voorzijde. Vooraf. Bovenal. — vooropsastn (Sch.), ow. (zijn). —vooroploopen (Sch.),ow. (zijn). — vooropi'üden (Sch.^, ow. (zijn). — vooropstellen (Sch.), bw. — vooropzetten (Sch.), bw.

voorouder», voorouderen, m. mv. Voorvaderen. Stamouders. — Voorouderlijk, bn,

voorover, bijw. Naar de voorzijde. Hellend. Gebukt.— vooroverbuigen (Sch.). bw.—vooroverbukken (^ch.), ow. — voorovergaan ( ch.), ow. — vooroverliansen (Sch.),ow. —voor-overliell«'n (Sch.), ow. — vooroverkouden (Sch.), bw. — vooroverlegr-sen (Sch.), bw. — vooroverllsrsen (Scb.), ow. — vooroverloopen (Sch,), ow. — vooro vers taan (Sch.), ow. — voorovervallen (Sch.), ow. (zijn). — vooro verzakken (Sch.), ow. (zijn). — vooroverzlitcn (Sch.), ow.

vooroverlijden, o. Vroeger sterven,

— Vooroverleden*, ra. en v. (-n). voorpaard, o. (-en). Paard, voor ee»

ander gespannen. — voorpand, o (-en),

— voorplaat, v. (..aten). — voorplaats, v. (-en). Plaats voor een gebouw.


ocr page 939

VOOR — 5

Eerste plaats. — voorplecht, v. (-en). (Zeew ). — voorpleiu, o. (-en). — voorpoort, v. (-en). — voorpoot, m. (-en). — voorportaal, o. (..alen). — voorpoftt, m. (-en).

voorpraten (Sch.), bw. Zeggen (om te laten nazeggen). — vóórprediken, voorpreken (Sch.), bw. Predikende vermanen. — voorprevelen (Sch.), bw. Prevelende voorzeggen, — voorproeven (Sch.), bw. Vooraf proeven. Van iets proeven, voordat het opgedischt wordt. Voorproef, v. (..ven). Voorafgaande proef. Voorloopige ondervinding. Voorproever, m. (-s). Voorproef ster, v. (-s).

voorraad, m. Hoeveelheid van iets, dat voorhanden is. Inz. levensmiddelen. Vtorraadhtiis, o. (..zen). Voorrnadka-mer, v. (-s). Voorraadmeester, m. (-s). Voorraadschuur, v. (..uren). Voorraads-wagen, m. (-en). — voorraam, o. en v. (..amen). — voorrad, o. (-eren). — voorrang, m. Eerste, hoogste rang. Voorkeur. — voorreelit, o. (-en). — voorrede, v. (-nen). Voorredenaar, m. (-s).

voorrekenen (Sch.), bw. Rekenen ten aanhooren van een ander. Rekenen (om te laten nadoen). Uiteenzetten, voorrieui, m. (-en). Voorste riem. voorrüden (Sch.), bw. Voorkomen (met een rijtuig). Ow. (zijn) Voorat rijden. Voot ryder, m. ^-s). — voorroepen (Sch.), bw.

voorschans, v. (-en). (Vest.) Buitenwerk.

voorselaenken (Sch.), bw. Voorschenker, m. (-s). — voomelileten (Sch.), bw. Iets voor iem. betalen. Geld leenen. Geld geven. Ow. Eerst schieten. Met snelheid voorwaarts komen. Voor-schicier, m. (-s).

voorsekQu. (te), bijw. uitdr. Voor den dag.

voorsckilderen (Sch.), bw. Schilderen (om te laten nadoen).

vooraehip, o. Boeg. (..epen) Schip, dat vooruitzeilt.

voorselioenen (Onsch.), bw. Het voorste gedeelte van eenen schoen vernieuwen. — Voorschoen, m. (-en).

voorschoot, m. (-en). Schort. Schorteldoek. — voorMekot, o. (-ten). Het voorschieten. Het verschoten geld.

voorsekrUven (Sch.), bw. Eerst schrijven. Schrijven (om te laten nadoen). Lessen, enz. ter navolging stellen. Een geneesmiddel voorschrijven, ten gebruike aanduiden. Voorschreven, bn. Voormeld. Voorschrift, o. ( en). Wat voorgeschreven wordt (om na te doen). Bevel. Les. Vemianing. Voors ch rij ving, v. — voor-aekuiven (Sch.), bw. — voorsckiit-ten (Sch.), ow. (zijn). Het eerst door eene schutsluis gaan. Voorschutting, v. vooramp;kands, bijw. Vooreerst, voorslaan (Sch.), ow. Eerst slaan. Te vroeg slaan. Een eersten slag geven (van eene klok). Bw. Vóór iets slaan. Voordoen met slaan : de maat voorslaan. Iem. een middel voorslaan, voorstellen. — Voor-slag, ra. (..agen). Het voorslaan. Eerste

gt;5 — VOOR

slag. Voorstel. — Voorslag, o. Enkele slag vóór het slaan (van eene klok).

voorslempkont, o. (-en). (Zeew.).

— voorsmaak, m. Vroegere sm.iak. Voorloopige gewaarwording.

voorsmUten (Sch.), ow. Eerst smijten. Voor een ander smijten, — voorsnijden (Sch.), bw. Eerst snijden. Snijden ter bediening der gasten. Snijden (om te laten nadoen). Voorsnijder, m. (-s). Voorsnijdster, y. (-s). Voorsnijmes, o. (-sen). Voorsnyvork, v. (-en). — voorspannen (Sch.), bw. Vooraf spannen. (Paarden) voor een rijtuig spannen. Voor-o- (-nen). —voorspelden (Sch.), bw.(Voor het lichaam, enz^spelden. Voor-spelddoek, m. (-en). Voorspelder, m. (-s).

— voorspelen (Sch.), bw. Spelende voordoen. Ow, Eerst spelen. Voor een ander spelen. (Muz.) Een voorspel spelen. Voorspel, o. (-en). Voorafgaand spel. Begin. Voorspeler, m. (-s). — voorspellen (Onsch.), bw. Te voren aankondigen. Voorspelling, v. (-en). — voorspellen (Sch.), bw. De letters voorzeggen. Voorspeller, m. (-s). Voorspelster, v. (-s).— voorspiegelen (Sch.), bw. Als in eenen spiegel laten zien. Voorspiegeling, v. (-en).

voorsplts, v. (-en). Spits uiteinde. Voorste voorhoede (van een leger). — voorspoed, m. Vooruitgang van zaken. Geluk. Voorspoedig, bn. Vooruitgaande. Gelukkig. Voorspoediglyk, bijw. — voorspook, o. (..oken). Veelbeduidend spook. Voorafgaande blijk van een naderend gevaar.

voorspreken (Sch.), bw. Eerst spreken. Iets ter navolging voorzeggen. Tot iemands voordeel, enz. spreken. Voorspraak, v. Het voorspreken. Verdediging. Voorspraak, m. en v. (..aken), voorspreker, m. (-s), voorspreekster, v. (-s). Voor-spreking, v. — voorHtaan (Sch.), ow. Voor iets staan. Aan de buitendeur staan of wachten. Bw. Verdedigen. Optreden (voor). Eenpw. Zich herinneren : het staat mij voor. Zich laten voorstaan : zich verbeelden. Voorstand, m. Voorstander, m. (-s). — Voorstandster, v. (-s).

voorstad, v. (..eden). Buitenwijk ee-nerstad.

voorstainelen (Sch.), bw. Stamelende voorzeggen. — voorstappen (Sch.), ow. (hebben, zijn).

voorste, bn. Meest vooruit. — Voorste, o. Voorste deel. — Voorste, m. en v. (-n). Die het meest vooruit is.

voorsteken (Sch.), bw. Voor iets anders steken. Boven anderen begunstigen. Voorbijleeren. Voo'steek, m. (..eken), (Kleerm.). — voorstellen (Sch.), bw. Voor iets anders stellen. Voorzetten. Ver-toonen. Voorhouden. Bekendmaken. Aan het oordeel, enz. onderwerpen. Op een tooneel vertoonen. Uiteenzetten. Verbeelden. Hij is aan den verst voorgesteld. Zich voorstellen, ww. Voorstel, o. Men) Het voorstellen. Het voorgestelde. (Wisk.) Werkstuk. Voorste deel van een rijtuig. Voorsteller, m. (-s). Voorstelling, v. (-en). Voorstellingsgave, v. Voorstellingskracht, v. Voorstellingsvermogen, o.


ocr page 940

— 866 —

VOOR

VOOR

Voorsfehfer, v. (-s). — voorstem men (Sch.), bw. Zijne stem uitbrengen (voor). Voorstemmer, m. (-s).

voorsleng:, v, (-en). (Zeew.) —voor-8tstfir, o. (-en). (Zeew.)' —voorsteven, m. (-s). (Zeew.). — voorstoot, v. Maagdenwas.

voorsfooten (Sch.), ow. Eerst stoeten. — Voorstoot, m.

voorslm»t, v. (..aten). Hoofdstraat. voorstr|jlt;len (Sch.), ow. Het eerst strijden. Verdedigen. — Voorstryder, m. (-s).

voorstuk, o. (-ken). Voorste gedeelte. Borststuk. Tooneelstuk, dat het eerst vertoond wordt.

voort, bijw. Terstond. Dadelijk. Op weg, vertrokken. Tw. Vooruit 1 — Voortaan, bijw. In het vervolg.

voortafel, v. (-s). Voorste deel eener tafel. Vroegere maaltijd. Voorgerecht. — voorlsiiKl, ra. (-en). Snijtand.

voortarbeilt;ten (i), ow. — voort-bnbbelt'ii, ow. — voort bazuinen, ow. — voortbeuzelen, ow. — voort-bewegren, bw. Zich voortbewegen, ww.

— voorlbilt;l«leu, ow. — voortblaf-len, ow. — voortblazeu, bw. ow. — voortblik»emen, bw. ow. — voortbloeden, ow. — voortbonzen, ow.

— voortboomen, bw. ow. — voortbouwen, ow. — voortbreien, ow.

— voorlbreken, ow. ibeoben, zijn). — voortbrengen, bw. Verder brengen. Telen. Uiten,spreken. Veroorzaken. Scheppen. Vooftbt fn er, ra. (-s). Voortbrenging,v. Voortbrengingskracht, v. Voort-b rengingsver in ogen, o. Voortbrengsel, o. (-s, -en). Voortbrengster, v. (-s).— voort-bullt;leren, ow. — voortrtansen, ow.

— voortdoen, bw. Voortgaan niet de verrichting van een werk. üw. Een goed werkman doet altijd voort. Voortdoen (aan), er altijd voort aan werken. Voortdoen (in), er steeds handel in drijven. Voortdoen (niet) : zijn werk voortzetten (met); zijne zaken doen (van iera. die eer te weinig dan te veel heeft). — voorttlon-deren, bw. ow. — voortdooien, eenpw. — voortdragen, bw. ow. — voortdraven, ow. ^zijn). — voort-drentelen, ow. (zijn). — voortdribbelen, ow. (ziin). — voortdrüven, ow. (zijn) Wegdrijven. Bw. Verjagen. Aanzetten. Aanzetten tot werken. Voortdrijver, \\\. (-s). Voortdry ving, v. Voort dryf-ster, v. (-s). — voortdrojjen, ow. — voortdroomen, ow. — voortduren, ow. A.anhouden. Blijven bestaan. Voortdurend, bn. Voortduring, v. Voort-afoMr.ra.—voortd uwen, bw.—voort-dwalen, ow. (zijn).

voorteelten, o. (-en, -s). Voorbeduidend teeken. Kenteeken eener zaak, die op handen is.

voorteeltenen (Sch.), bw. Teekenen (om te laten nadoen). — Voorteekening, v.

(i) De samengestelde werkwoorden met voort zijn scheidbaar.

voortefirseu, ow. Voortgaan met eggen.

voortellen (Sch.), bw. Vóór iem. tellen. — Voortelling, v.

voortempel, ra. (-s). Voorhof eens tempels. — vooi tent, v.

voorteten, ow. — voorletteren, ow. — voortlladderen, ow. (zijn). — voortrokken, ow. — voortgaan, ow. (zijn). Weggaan. Verdergaan. Voorwaarts gaan. Aanhouden. Voortzetten. Doorgaan. Voortgaan (met) : verder spreken. Gij moogt er op voortgaan, er zeker van zijn. Voortgang, m. (-en). — voort-getogen, verl. deelw. — voortgeven, bw. Verdergeven. Rondgeven. — voort-glIJden, ow. (zijn). — voortglippen, ow. (zijn). — voortgolven, ow. (zijn).

— voort gonzen, ow. (hebben, zijn).

— voortgraven, ow. — voorthaasten {zich), ww. Zich voortspoeden. -voortliagelen, eer.pw. — voortlia-len, bw. — voortlianilelen, ow. — voorthelpen, bw. Weghelpen. Ondersteunen. — voorthinken, ow. (hebben, zijn).— voorthoepelen, ow. (hebben, zijn). — voorthollen, ow; (hebben, zijn). — voort hom pelen, ow. (hebben, zijn). — voorthooien, ow. — voort-hopen , ow. — voorthnlehelen, ow. — voorthuppelen, ow. (hebben, zijn).

voortUd, ra (-en). Lente. Vroegere eeuwen. — Voortyds, bijw. Eertijds.

voortijlen, ow. zijn). Voortsnellen.

— voortuien, ow. Veider ijlen (in de koorts). — voortjagen, ow. (hebben, zijn). Verder jagen. Bw. Wegjagen. — voortkaar ten, ow. — voortkaat-sen, ow. — voortkampen, ow. — voortkarnen, ow. — voortkUven, ow. — voortklagen, ow. — voort-klappen, ow,— voort kloppen, ow.

— voortknabbelen, ow. — voortknikkeren, ow. — voortknoelen, ow. — voortkoken, ow. —voortkomen, ow. (zijn). Wegkomen. Vooruitkomen. Uitspruiten. Afstammen. Voortvloeien, volgen. In de wereld zien voort te komen : een bestaan zoeken. Voortkomen, o. Voortkoming, v. — voortkrUgeo, bw. — voortkrulen, bw. ow. (zijn). Voortkruiing, v. — voortkruipen, ow. uij'i). —voortkuieren, ow. (zijn),

— voortkweeken, bw. Kweekende te voorschijn doen komen : bloemen uit het zaad voortkweeken. Ow. Voortgaan met kweeken. — voortlaveeren, ow. (zijn, hebben). — voortleeren, ow.— voortlelden, bw.— voortleven, ow.

— voortleven, ow. —voortliegen, ow. — voortlokken, bw. — voort-loopen, ow. (zijn, hebben). Verder loepen. Voorwaarts loopen. Zich verspreiden. Vluchten. — voor tin aaien, ow. — voortmaken, ow. Vt-rder maken. Zich spoeden. Zich voprtntaken,vi\v. Vluchten.

— voortmalen, ow. — voortmar-telen. ow. — voortnemen, ow. — voort meten, ow. — voortmetse-len, ow. — voortmymeren, ow. — voortnaaien, ow.


ocr page 941

— 867 —

VOOR

VOOR

Toos'toclit, ra. (-en). Voorhoede. — -♦oorïooncel, o. (-en).

vooriooveren (Sch.), bw. Toove-

rende voordoen.

voortop, ra. (-pen). Voorste top. voort|»sikkeii {zzc/i), w\v. Zich uit de ■voeten maken. — voorfplanten, ow. Verder planten. Bw. Plantende vermeerderen. Voortbrengen. Verder verspreiden. Zich voor/planten, ww. Zich vermenigvuldigen. Aankweeken. Zich verbreiden. Vooriplanter, ra. (-s). I oortplanting, v. Voor iplant si er, v. (-s). — voort plei-teai, ow. — voortploesren, ow. — voort|»lukkeii, ow. — voortpom-pen,ow.—voortpruten^w.—voort-preiliken, ..preeken, ow.— voort-prenteleu, ow. — voortraken, ow. (zijn).

voortrap, v. Trap aan de voorzijde (van een huis).

voortreden (Sch.), ow. (zijn). Voorkomen. Naar voren stappen, voortredenecren. ow. yoortretfel||k,bn. bijw.Uitmuntend. Uitstekend. — Voortreffelijkheid, v. (..heden).

voort regenen, eenpw. — voortreizen, ow. (zijn).

voortrekken (Sch.), bw. Trekkende halen (voor). De voorkeur geven (aan), voortrekken, bw. Verder rekken.

— voortreunen, ow. (zijn, hebben). — voOrtr£]lt;leii, ow. (hebben, zijn). — voort roeien, ow. (hebben, zijn). — voortrollen, bw. ow. (zijn).— voori-rouken, ow. — voortrooken, ow.— voort rossen, o w. (zijn).— voortrukken, ow. (zijn). Verder rukken. Bw. Voorwaarts rukken. Wegrukken.

voorts, bijw. Bovendien.Wijders. Dan. Bn zoo voorts : en al wat er kan volgen.

voortseliarrelen, ow. (zijn). — voortselienken, ow. — voortselie-pen, ow. Verder schepen. Bw. lem. voortschepen, wegzenden. Zich voortschepen, ww. Te scheep gaan. Zich wegpakken. — voortselieren, ow. Zich voortscheren, ww. Zich wegpakken. — voortseliie-ten, bw. ow. (zijn). Verder schieten. Verder vorderen. Vooruitkomen. Welig opschieten. — voortsehilderen, ow. — voortseliillen, ow. — voortMeliof-felen, ow. — voortselioppen, bw. ow. — voortselireeiMven, ow. — voortselireien, ow. — voortselirü-den, ow. — voortselirUven, ow. — voo rtseiiui ven, bw. ow. (zijn). — voortseliuren, ow. — voortslaan, bw. Verder slaan. Met slaan wegdrijven. Ow. (hebben, zijn). Aanhouden metslaan. Zich uitbreiden (van ziekten). — voort-sleepen, ow. bw. Verder sleepen. Weg-sleepen. — voortslenteren, ow. (zijn).

— voortsleuren, ow. bw. — voort-slingeren, ow. bw. — voortslotren, ow. (hebben, zijn). — voortslnipen, ow. (zijn). — voortsnieden, ow. — voorthinelten. ow. (hebben, zijn). — voortsineulen, ow. — voortsmU-ten, bw. ow. — voortNinuilen, ow.

— voortsneenn en, eenpw.— voortsnellen, ow. (zijn). — voortsuüden, ow. — voort spit ten, ow. — voort-spartelen, ow. — voortspelen, ow.

— voortspinnen, ow. — voortspoeden, ow. (zijn). Verder spoeden. Zich voortspoeden, ww. Haast maken. Ijlings vertrekken. — voortspotten, ow. — voortspreken, ow. — voortsprin-gen, ow. (zijn, hebben). Verder springen. Wegspringen.Voortkomen. Voortspruiten.

— voortspruiten, ow. (zijn). Verder spruiten. Ontspruiten. Voortkomen. — voortstampen, bw. ow. — voortstappen, ow. (zijn, hebben). —voortstevenen, ow. (zijn).— voortstoken, ow. — voortstoomen, ow. (zijn). — voortstooten,bw. ow. — voortstormen, eenpw. ow. — voortstoven, ow.

— voortstreven, ow. (zijn). — voort-stribbelen, o V. (zijn). — voortstrü-den, ow. — voortHtrompelen, ow. (zijn). — voortstroomen, ow. (zijn, hebben). — voortstndeeren, ow. — voortstuiven, ow. (hebben, zijn). — voortsturen, bw. ow.— voortstuwen, ow. Voortstuwer, ra. (-s).— voortsukkelen, ow. (hebben, zijn).— voort-teekenen, ow. — voorttelen, ow. bw. Voortteling, v. — voorttellen, ow.

— voorttimmeren,ow. — voorttre-den, ow. (zijn). — voorttrekken, bw. Voorwaarts halen. Ow. ^hebben, zijn) Aanhouden raet trekken. Voorwaarts trekken (van legers). Vertrekken. — voorttrippelen, ow. (zijn). — voort tuimelen, ow. (zijn). — voorttuisten, ow. — voort varen, ow. (hebben, zijn). Voortvarend, bn. bijw. Driftig. 1J veng. Voort-varendheid, v. — voortvaslen, ow.— voortvertellen, ow. Voortgaan met vertellen. Bw. Verder vertellen. — voort-verven, ow. — voortvisselien, ow.

— voortvlieden, ow. (zijn).— voort-vliegen, ow. (hebben, zijn). — voort-vlieten, ow. (zijn). — voortvloeien, ow. (zijn). Verder vloeien, lletgevo' zijn (van). — voortvlueliten, ow. v-ijn). Voortvluchtig, bn. Vluchtend. Op de vlucht. Voortvluchtige, ra. en v. (-n). — voortvragen, ow. — voortvreten, ow. (zijn, hebben). — voort vriezen, eenpw. — voortvuren, ow. — voort-waaien, eenpw. ow. (hebben, zijn). — voort waggelen, ow. (zijn).— voort-wandelen, ow.(hebben, zijn).— voOrt-wasselien, ow. — voortweenen, ow. — voortwerken, ow. — voort-werpen, bw. — voort wieden, ow.

— voort willen, ow. — voortwoeden, ow. — voortwoeKeren. ow. (hebben, zijn). — voortn roeien, ow.

— voortzaaien, ow. — voorlva^en, ow. — voortzeggen, bw. Verder zeggen. Verspreiden.— voortzeilen, ow, (hebben, zijn). — voortzende*!, bw. ow. — voortzetten, bw. Aanhouden. Vervolgen. Voortzetter, m. ( s'. Voortzetting, v. Voortzetster, v. (-s). — voortzingen, ow. — voortzoeken, ow.— voortzondigen, ow. — V4»ortzueU-ten, ow. — voortzweepen, bw Met zweepslagen voortjagen. Voortslir.geren


ocr page 942

VOOR — i

(van schepen). — voortiwecten, ow.

— voorfzwoiniiien, ow. — voort-viveron, lt;gt;w. — voorfzwoeson, ow.

vooruit, bijw. Aan de voorzijde. Voor iem. of iets anders. Vroeger. Voorwaarts.

vooruitbowtcllcn (i),bw. Vooruit-besfelling-, v. (-enh—vooruitbetalen, bw. Vooruitbetaling, v. (-enh—voor-uitbreusroi, bw.—voorultüraven, ow. (zijn). — voorultrtrUven, bw. ow. (zijn). — voornitlt;lriu^eii, bw. ow. (zijn). — vooruitclu wou, bw.—vooruit aan, ow. (zijn). Voor een ander uitgaan. Vorderen. Zijne zaken gaan goed vooruit,verbeteren dagelijks. Vooruitgang, rn. — vooruil gre ven, bw. —vooruit-liebben, bw. Vroeger hebben. In zijn voordeelhebben. Ow. Uitsteken.—voor-uillielpeu, bw. — vooruittjlen, ow. (zijn). — voorulljageii, bw. ow. (zijn).

— vo«»ruitkoinen, ow. (zijn).— voor-uitloopeu, ow. (zijn). — vooruitnia-ken, bw. Vroeger maken. Bevoordeelen bij testament. Vooruitniaking, v. (-en).— vooruitnenien, bw. — vooruitra-tcen, ow. (zijn). — vooruitreizen, ow. (zijn). — vooruit rennen^ ow. (zijn). — voorullrUüen, bw.ow. (zijn). — voor-nilMuellen, ow. (zijn). — vooruit-■prinsen, ow. (zijn). Voorwaarts springen. (Bouwk.) Met eenen uitstek vooruitkomen. — vooruitsteken, bw. ow, — vooruitstreven, ow. (zijn). — voor-uitvlieiren, ow. (zijn). — vooruitzeilen, ow. (zijn). — vooruitzenden, bw. — vooruitzien, bw. Vroeger zien. In 't toekomende zien. Voorspellen. Vooruitzicht, o. (-en). Het vooruitzien. Hetgeen men vooruitziet. Verwachting. Vooruitziend, bn. Voorzichtig.

voorvader, ra. (-en, -s). Stamvader. Aartsvader. Voorzaat. — Voorvaderlijk, bn.

voorvallen (Sch.), ow. (zijn). Gebeuren. Voorval, o. (-len). Gebeurtenis. — voorveohten (Sch.), ow. Vroeger vechten. Verdedigen. Voorvechter, m. (-s). Kampioen. Kampvechter. Vechtersbaas. Ruziezoeker. Stout en roekeloos mensch. Verdediger. Voorvechtster, v. (-s).

voorvenster, o. en v. (-s). Venster aan de voorzijde. — voorvertrek, o. (-ken). — voorvinger, m. (-s). Wijsvinger. — voorvlak, o. (-ken).

voorvliegren (Sch ), ow. _ (hebben, zijn). Vooruit vliegen. Vroeger vliegen, voorvloed, m. Begin van den vloed, voorvoegen (Sch.), bw. Voegen voor iets. — Voorvorgitig, v. — Voorvoegsel, o. (-s). Het voorgevoegde. (Taalk.). voorvoet, m. (-en). Voorpoot.^ voortvaar, bijw. Zeker. Wel is waar. voorwstarde, v. (-n). Voorloopig beding. Verdrag. Pachtbrief. Pand, waarborg. — Voorwaardelijk, bn. bijw. Met of onder voorwaarde. (Taalk.) Voorwaardelijke wijs.

(i) De samengestelde werkwoorden met vooruit zijn scheidbaar.

— VOOR

voorwaarts, bijw. Vooruit. — Voor~ waarisch, bn.

voorwacht, v. ( en). Voorpost. — voorwagen, m. (-s). — voorwal, m. (-len).—voorwand, ra. (-en).

voorwegen (Sch.), bw. Vóór iem. wegen. — voorwenden (Sch.), bw. VaTschelijk voorgeven. Voorvending, v. Voorwendsel, o. f-s, -en). Schijn. Uitvlucht. Valsche verschooning.

voorwereld, v. De aarde, vóór dat zij door den raensch werd bewoond. — Voorwereldlijk, bn.

voorwerken (Sch.), ow. Een werk voordoen. Voorwerk, o. Verschansing voor eene andere. Inleiding tot een werk. Voorbericht. Titel. Voorplaat. — voorwerpen (Sch.), bw. Voorde voeten wer-

Ïen. Verwijt- n.en. Verwijt- n. Voorwerp, o. (-en). Zaak. ets wezenlijks of denkbeeldigs. Doel. Persoon. (Taalk.) Vierde naamval. Voorwer-pelijk, bn. len voorwerp zijnde. Voorwerping, v. Voorwerpglas, o. (..zen). Lens in eenen kijker, die naar het voorwerp is gericht. Voorwerpsel, o. (-s). Voorwerpsnaam, ra. (..araen).

voorweten, o. Voorkennis. — Voorwetend, bn. — Voorwet endheid, v. — Voorwetenschap, v.

voorwiel, o. (-en). Voorste wiel. — voorwimpel, ra. (-s). — voorwind, ra. — voorwinter, m. (-s). —voorwoord, o. (-en). Voorrede. — voor-worp, ra. — voorzaal, v. (..alen).— voorzaat,ra. (..aten). Voorvader. Voorganger (in een ambt, enz.).—voorzang, ra. (-en). Voorzanger, ra. (-s). Voorzan— gerschap, o.

voorzeggen (Sch.), bw. Opzeggen,, voorlezen (om te laten nazeggen of naschrijven). (Onsch.), bw. Voorspellen. — Voorzegger, ra. (-s). — Voorzegging, v. (-en). Het voorzeggen. Bepaalde aankondiging eener toekomende zaak, die in hare oorzaak nog niet bestaat en die derhalv© er niet uit kan gekend worden. — Voorzegster, v. (-s).

voorzeil, o. (-en). Voorste zeil. — Voorzeiler, ra. (-s). Schip, dat vooruit-zeilt.

voorzeker, bijw. Gewis. Zekerlijk, voorzetten (Sch.), bw. Voor iets anders zetten. Vooruitzetten. Ten toon stellen. Aanbieden (aan tafel). — Voorzet, m. Eerste zet (in 't spel). — Voorzetsel, o. (-s). (Taalk.).

voorzielitlg, bn. bijw. Vooruitziend. Omzichtig. Behoedzaam. — Voorzichtigheid, v. — Voorzichtigheidshalve, bijw. — Voorzichtigjes, bijw. — Voorzichtig-ly'k, bijw.

voorzien (Onsch.), bw. Vooruitzien. Verschaffen : iem. van geld voorzien. De booten van roeiers voorzien, ze bemannen. Een touw voorzien, bekleeden. In eene behoefte voorzien, daarin te geraoet komen. Ik zal daarin voorzien : ik zal er voor zorgen. Zich voorzien (van) : zich in *1 bezit stellen (van), zich (iets) aanschaffen. Voorziend, bn. — Voor ztenig ,hv .Vooruit zorgend. — Voorzienigheid, v. Het vooruitzien, verzorgen. Het onderhouden ea


ocr page 943

VORM — 8(

quot;bestieren van Gods almacht in al het ge-schapem*!. — Vüofzifntng, v. ( en).

voorxUlt;logt; v. (-n). — voorsiu, m. (-n^n). (Taalk.) Het eerste gedeelte eener periode.

voorziiisr^11 (Sch.), ow. b\v. Aanheffen. Zingen voor een ander. Ter navolging zingen. V oorztuffen, o. Voorzirtger, m. (-s). —voorzitten (Sch.), ow. Vooraan zitten. De eereplaats bekleeden. Aan 't hoofd eener vergadering zitten en deze leiden.oorzitier, m. (-s). Voorzitster, v. (-s). Voorzitterschap, o. Voor zit ters/ta-fficr, m. (-s). Voorzittersplaats, v. (-en). Voorzittersstoel, ra. (-en). Voot zittersze-tel, m. (-s). Voorzitting, v.

voorzoltlcr, m. (-s).— voorzomer, m. ( s). — voorzoom, m. (-en).— voor-zoou, m. (..onen, -s). Zoon uit een vroeger huwelijk. Onwettige zoon. — voorzorg, v. Het zorgen (voor), (-en) Voorbehoedmiddel.

voorziveuimcu (Sch.), ow. (hebben, zijn). Vooruit zwemmen. Zwemmende voordoen.

voom, bn. Bijna zonder sap en daardoor taai, sponsachtig. — Voosachtig, bn. — Voos/leidt v-

vorderen, bw. ow. vorderde, heeft gevo derd. E schen, vragen. Aanspraak maken (op). Wegnemen. — Vordering, v. (-en).

vordereu, ow. vorderde, is gevorderd. Vooruitkomen. Voortgaan. — Vordering, v. (-en).

vore, v. (voren). Insnijding van den ploeg. Groef. Rimpel.

voren, voOrn, m. (-s). Visch {/eucis-cns rutilus), tot de karpers behoorende. Leeft in zoetwater.

voren, bijw. (Wordt steeds voorafgegaan door : naar, van, tot, de).— Vorenstaand, bn. Wat vooraf staat.

vorifir, bn. Vroeger. Voorgaand.

vork, v. (-en). Werktuig van twee of meer tanden voorzien. — Vorken, bw. vorkte, heeft gevorkt. Met de vork aangeven. — Vorkesteel, m. (..elen). — Vorks-zvys, ...wi/ze, bijw,

vorm, m. (-en). Uiterlijke gedaante. Uiterlijk. Leest. Gestalte. Model. Werktuig om aan iets zijnen vorm te geven. Vierkant raam, waarin de drukletters van eene bladzijde worden gezet. Houten plaat met figuren, die op het katoen wordt gedrukt. Houten model van een stuk geschut, dat in klei wordt afgedrukt. Model, dat in lood moet afgegoten worden. Wijze van samenstelling (van contracten, enz.). Wijze van zich voor te doen. Naar, in den vorm : gelijk het behoort. — Vormbaar, bn. — Vormbaarheid,\.— Vormbak,m. (-ken). — Vorm draaier, in. (-s). — Vormelijk, bn. Gehecht aan vormen. — Vormelijkheid, v. — Vormen, bw. vormde, heeft gevormd. Eenen vorm geven. Onderrichten. Zich vormen, ww. Eenen vorm aannemen. Zich samenstellen. Zich beschaven. — Vormer, m. (-s). — Vormgieter, m. (-s). — Vormkracht, v. — Vormleer, v. Aanschouwelijke meetkunde. — Vor-711 fejloos, bn. — Vormloosheid, v. — Vorm-

9 — VOUW

maker, m, (-s). — Vormoog, o. en v. (-enj,

— Vormschool, v. (..olen). Normaalschool.

— Vormsnyder, m. ( s). — Vormster, v. (-s). — Vormzijde, v. (-n).

Vormsel, o. « Een Sacrament, dat van den bisschop wordt gegeven aan degenen, die gedoopt zijn, in hetwelk, door de zalving en de heilige woorden, gratie en sterkte wordt gegeven om het Geloof vas-telijk te belijden. gt; — Vor7gt;ien, bw. vormde, heeft gevormd. Het Vormsel toedienen. — Vormer, m. (-s). — Vorming, v. (-en).

vorseli, m. (-en). Kikvorsch. vorselien, ow. vorschte, heeft ge-vorscht. Onderzoek doen (naar).

vorst, m. (-en). Opperheer van een rijk. Inz. beheerscher van een vorstendom. De eerste in eenig vak : Vondel is de vorst der Nederlandsche dichters. De vorst der duisternissen : de duivel. — Vorstelijk, bn.

— Vorstendeugd, v. (-en). — Vorsten' dochter, v. (-s).— Vorstendom, o. (-men).

— Vorstenhof, o. (..ven). — Vorstenhuis, o. (..zen). — Vorstenkind, o. (-eren). — Vorstenkroon, v. (..onen). — Vorsten' moord, ra. (-en). — Vorstenpaar, o. — Vorstentelg, ra. en v. (-en).— Vorsten' zoon, m. (..onen, -s).— Vorstint\. (-nen).

vorst, v. (-en). Bovenste dakpan. Nok. vorst, v. Vriezend weder. — Vorstig, bn. Vriezend.

vorster, ra. (-s). Boschopziener, vos, ra. (-sen). Zoogdier [cam's vu lp es), Zie Hond. Is sluw, geslepen van aard en zeer diefachtig. Paard met bruinroode kleur. Mensch met roode haren. Listig raensch. De vos verliest zijne haren raaar zijne streken niet. — Vosachtig, bn. — Voskleurig, bn. — Pospaard, o. (-en). — VosseCnJüout, o. — Vossekop, m. (-pen).

— Vossengat, o. (-en). — Vossenhaar, o.

— Vossenhol, o. (-en).— Vossenjacht, v. (-en). — Vossenjager, ra. (-s). — Vossenjong, o. (-en). — k ossen klem, v. (-men).

— Vossenval, v. (-len). — Vossestaart, m. (-en). Staart van eenen vos. Plantengeslacht [alopecurus), tot de staartgrassen behooiende. — Vossevel, o. (-len).

Vos (.7.), 1620-1667, Amsterdam. Too-neelschrijver. Aran en Tit us (1641).

Vos (de). 10 {M.), 1532-1603, Antwerpen. Portretschilder. — 2° (C.), 1585-1651, Hulst. Portretschilder. — 30 {P.), 1590-1678, Antwerpen. Dierenschilder. —40 (Z^.), 1603-1676, Antwerpen. Portretschilder.

Vos [A. de), 1840, Egsaarde = JVaze-naur. Dichter en criticus. Werkend lid der K. Vl. Academie. Ee7i V/aamsche Jongen (18/8); In de Natuur (1884); Over veel schrijven in zaken van fraaie lette' ren (1889).

Vosmaer (C), 1826-1888, 's Graven-hage. Letterkundige. Rembrandt Har-mensz. van Rijn (1868); Londinias (1873); Nanno, eene Gr ie k sch e idylle (1882).

Vosz. (/?.), 1851,^ Neugrape. Duitsch dichter en romanschrijver.

votum, o. (-s). Gelofte. Stem,kiesstem. VotUiU van vertrouwen ; blijk van vertrouwen.

vouw, v. (-en). Plooi. Iets in de beste^


ocr page 944

VRED — 8

vouwe slaan, iu der minne schikken. — Vouw ba at-, bn. — V ouwbeen, o. (-en). Papierraes. — Vouw blind, o. (-en). — Vouwdeur, v. (-en).— Vouwen, vouwde, heeft gevouwen. Bw. In vouwen leggen. De handen vouwen. Ow. Gevouwen worden. — Vouwer, m. (-s). — Vowwiug, v. (-en). — Vouwmes, o. (-sen).— Vouwsler, v. (-s). — Vouwstoel, m. (-en). — Vouw-tajel, v. (-s).

voyageur, ra. (-s). Reiziger. Postduif.

vraag:, v. (..agen). Het vragen. Iets, waarop een antwoord moet gegeven worden. Woorden, die dienen om iets te vragen. (Kaartsp.) Spel, dat men wenscht te spelen. Catechisatie : naar de vraag gaan. (Kooph.) Er is veel vraag naar dit artikel.

— Vraagachtifr, bn. — Vraagal, ra. en v. (-Icn). — Vraagbaak, v. (..aken). Bus, waarin men geschreven vragen steekt. Ge-leerde(ook boekwerk) .welken men bij moeilijke vraagpunten raadpleegt. — Vraagpunt, o. (-en). Onderwerp ter beantwoording. — Vraagspel, o. (-en). Vragen opgeven. (-len) Van kaartspelers. — Vraagstaart, m. en v. Vraagal. — Vraagster, v. (-s). — Vraagstuk, o. (-ken). Vraag. Opgave. — Vraagswijze, ..wijs, bijw. — Vraagteeken, o. (-sj. Leesteeken ^). — Vraagwijze, v. — Vraagwoord, o. (-en).

— Vragen, vraagde, heeit gevraagd ; ook, vroeg. Bw. Eene vraag doen. Vernemen (naar). Raadplegen. Uitnoodigen. Begee-ren. Verzoeken. Ow. Zich bekreunen, bekommeren : ik vraag er niet naar. Bedelen : gaan vragen. — Vragenboek, o. en m. (-en).— Vr agenderwyzquot;, ..wijs, bijw.

— Vrager, m. (-s).

vraat, m. (..aten) .Gulzigaard.— Vraatachtig, bn. — Vraat a ch tigheid, v. — Vra a tlust, ra. — Vra at zucht, v. — Vraatzuchtig, bn. — Vra tig, bn. — Vra tigheid, v.

vracht, v. (-en). Lading van een vaar-of voertuig. Last voor eenen raensch of lastdier. Goederen, die tegen betaling vervoerd worden. Vrachtloon. — Vrachtboot, v. (-en). — Vrachtbrief, ra. (..ven). — Vrachtceel, v. (-en). — Vrachtgeld, o. (-en). — Vrachtkar, v. (-ren). — Vrachtloon, o. en ra. (-en). — Vrachtschip, o. (..epen). — Vrachtschipper, ra. (-s). — Vrachtschuit, v. (-en). — Vrachttarief, o. (..ven). — Vrachtvaarder, ra. (-s). — Vrachtvrij, bn. De vracht door den afzender betaald. — Vrachtwagen, ra. (-s).

Vranokx (5.), 1573-1647, Antwerpen. Schilder van krijgstafereelen en godsdienstige onderwerpen.

vrank, frank, bn. Ongedeerd. Vrij en vrank : volkomen vrij.

vrede, ra. Het tegenovergestelde van oorlog, twist, verdeeldheid. Vredesverdrag. Goede verstandhouding. Tevredenheid. Vergenoegdheid. Rust. Kalmte. — Boudewijn VII vergaderde den adel te leper en vaardigde er eene strenge rechts-verordening uit,onder den raam van leper-schen vrede (1112). De vrede van Minister (1648) stelde een einde aan den tachtigjarigen oorlog : de vereenigde Nederlanden werden als vrije en onafhankelijke

0 — VREE

staten erkend, doch de Schelde bleef voor België gesloten. Door den vrede van Utrecht (1713) kreeg Filip V Spanje en Indië; Nederland werd aan het huis van Oostenrijk afgestaan, en de kronen van Frankrijk en Spanje moesten gescheiden blijven. — (Middel.) Landvrede of heer' lijke vrede : de wetten door den graafr plechtiglijk met de leenmannen en kaste-leinen van Vlaanderen vergaderd, voorgeschreven om orde en tucht in 't land te brengen. Wettelijke vrede : bestand of wapenschorsing door de openbare raacht getroffen, wanneer een moord of ander groot vergrijp eenige familiën had in twist gebracht. Vriendelijke vrede : zulk bestand, zonder het openbaar gezag getroffen. Godsvrede: de wetten door de geestelijke overheden voorgeschreven, waarbij het, op straf van kerkelijken ban, verboden was oorlog te voeren en vijandelijkheden te plegen gedurende den Advent tot na Driekoningendag, gedurende de veer-tigdaagsche Vasten tot na Beloken Pa-schen, en tusschen zonsondergang van den woensdag tot zonsopgang van den volgenden maandag. — Vredebode, ra. en v. (-n).

— Vredecongres, o. (-sen). — Vredefeest, o. en v. (-en). — Vredegerecht, o. (-en).

— Vredelievend, bn. bijw. — Vredelievendheid, v. — Vredeviinnend, bn. — Vrederechter, ra. (-s). Rechtei, wiens bevoegdheid zich uitstrekt over het kanton in straf- en burgerlijk recht. — Vre-desbericht, o. (-en). — Vredesbfsluitr o. ( en). — Vredesonderhandeling, v. (-en). — Vredestempel, ra. (-s). — Vredestijd, ra. (-en). — Vr edesver bond, o. — Vredesverdrag, o. (-en). — Vredrsvoor' slag, ra. (-en).— Vredesvoorstel, o. (-len).

— Vredesvoorwaarde, v. (-n). — Vrede-te eken, o. (-s). — Vredevlag, v. (-gen);_— Vredevorst, ra. (-en). — Vredig, bn. bijw. Vreedzaam. Ongestoord. Ongemoeid. — Vrediglyk, bijw. — Vree, m. Vrede. — Vreedzaam, bn. bijw. In vrede. Kalra. Rustig. — Vreedzaamheid, v. — Vree» vuur, o. (..uren). _

vreemd, bn.bijw. Verwijderd : vreerad van raededoogen. Uitheemsch : vreemde volken. Ander : vreemde kinderen opvoeden. Onbekend : een vreemde handelaar. Ongewoon, zonderling ; vreemd voorkomen. Verbaasd : vreemd opzien. Vreemde zonde : « zonden, die hoewel zij doorande-reö geschieden,nochtans ons toegeschreven en aangerekend worden, omdat wij tot dezelve in eenige manier geholpen hebben.

— Vreemde {in den},\yipB.yx\\.üx.\vi het buitenland. — Vreemdelyk, bijw. — Vreern-deling, ra. en v. (-en). lera. uit het buitenland. Onverwachte gast. Onbekende. — Vreemdelinge, v. (-n). — Vreemdelingschap, v. — Vreemdelingsrecht, o. — Vreemdheid, v. — Vree7)1 digheid, v. (..heden).— Vreemdsoortig Jan.— Vreemdsoortigheid, v.

vrees, vreeae.v. (vreezen).Benauwdheid. Angst. Schrik. — Vreesachtig, bn. bijw. — Vreesachtigheid,'?, {..htfarü. — Vrees(e)lyk, bn. bijw. Schrikkelijk. Verbazend. Ontzettend. Zeer : vreeselijkslecht».


ocr page 945

VRIE — 8;

Tw. Wel vreeselijk ! — Vyeeselykheid, v. (..heden). Ijselijkheid. — Vreezen, bw. ow. vreesde, he- ft gevreesd. Bang zijn. Denken, dat iem. of iets eenig kwaad zal overkomen. Duchten. Ontzien.

Vroouo (W. de), 1.-69, Gent. Taalkundige. Hoogleeraar (Gent). Briefw. lid der K. VI. Academie. Zutdnederl. Taal- en Letterkundige IVetensc/iap (1891) ; de Gnl1 iet stil en in het Zti idnederla n dsch (1819); de Taal van Jan van Ruusbroec (1899).

vrek, bn. Gierig. — Vrek, ra. (-ken). Gierigaard. — Vrekachtt?, bn. bijw. — Vrehachtigheid, v. — Vrekheid, v. — Vrek/citr, bn. bijw. — Vrekkigheid, v.

proton, vrat, heeft gevreten. Ow. Gulzig eten. Bw. Tot voedsel gebruiken (inz. van dieien). — Vreetop, m. en v. (-pen).

— Vreetpartij, v. Zwelgerij. — Vreet-wolf, ra. (..ven), vreetzak, ra. en v. (-ken). Vraat. — Vreter, ra. (-s;. — Vreetster, v. (-s). — Vretery, v.

vrenj;«!(lt;*). v- Geviel, gewaarwording van blijdschap. Vroolijke aandoening der ziel. Voorwerp van vreugde, geluk. — Vreugdebedrijf, o. (..ven). Feestviering.

— Vreugdebetoon, o.— Vreugde feest,o. en v. (-en). — Vreugdegezang, o. (-en).

— Vreugdelied, o. (-eren). — Vreugdeloos,hn. bijw. — Vreugdevol,hn.— Vreug--devuur, o. (..uren). — Vreugdezang-, ra. (-en). — Vreugdig, bn. Verheugd.

vriend, vrin«l. ra. (-en'. Persron, waaraan men door vriendschap verbonden is. Persoon, die vol genegenheid is (\oor). Persoon, nietwien men handel drijf:. Persoon, welken men toespreekt. Lielhebber : een vriend van jagen. — Vriendelijk, \in. bijw. Voorkomend. Alinzaam. Zacht. Innemend — Vriendelijkheid, v. (..heden).

— Vriendendienst, ra. (-en). — Vriendenfeest, o. en v. (-en). — Vtiendrngroet, ra. (-en).— Vriendenkring, m. ( er.). — Vriendenmaal, o. (..alen^. — Vriendenrol, v. (-len). Album. — Vriendhoudend, bn.— Vriendhoudendheid, v.— Vriendin, v. (-nen). — Vriendinnenkring-, m. (-en). — Vriendlief, ra. — Vriendschap, v. Wederzijdsche liefde van goede ir--negenheid, welke raet eene mededeeling van eigene goederen en met eene ware d;: ar uit vloeiende gemeenzaamheid gepaard gaat. Iem. dien men niet kent; wie is die vriendschap? (-pen) Dienstbetoon : de eene vriendschap is de andere waard. — Vrien i schappelijk, bn. bnw. — Vriendschappe-lijkheid, v. — Vriendschapsband, m. (-en). — Vriendschapsbeker, m. ( s . — Vriendschapsbetoon, o. — Vriendschapsbetrekking, v. (-en). — Vriendschapsbetuiging, v. (-en).— Vriendschapsdienst, ra. (-en). — Vriendschapslied, o. (-eren).

— Vriendschapsplicht, m. en v. ( en). — Vriendschapsteeken, o. (-en).— Vriendschapsverbond, o. (-engt;.

Vrieiult {de), 10 (y.), 1841, Gent. Kunstschilder. Doornrozeken; hoe men bi/ '/ lijk van de h. Cecilia vaak te (18801; hoe de herderkens Jezus welkom zangen (1894). — 20 Zijn broeder {A.), 1843, Gent. Kunstschilder. Paulus III voor

i — VRIE

V beeld van Luther (1883); hoe de Gentenaars Karei V hulde brachten (1887); de Instelling van het Gulden Vlies,

'

L______

A. do Vjiexidt

Vries {de). lo j^.), 1777-1853, Arasterdam. Letterkundige. Proeven eener ge-sch ie den is der Nederd. dich tkunde (1810). — 2° (il/.), 1820-1892, Haarlem. Taalkundige en hoogleeraar (Leiden). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Lekenspiegel van Boendale (i844-'49). Met te Winkel: de Grondbeginselen der Nederl, spelling (3® dr. 1873) gt; Woordenlijst voor .


ocr page 946

vriezen, vroor, heeft gevroren en c:e-vrozen. Eenpw. Tot ijs worden. Ow. Van een vloeibaar in een vast lichaam overgaan door de vorst. Door vorst ontstaan : er is ijs aan zijnen baard gevroren. Door vriezen in zekeren toestand komen : het plas is stuk gevroren. — Vriespunt, o. Vaste punt van warmte, waarbij het water begint te vervriezen. —Vrt'estve(djer, o.

vrU,bn. bijw. Niet gebonden, los. Niet vers aafd. Onbedwongen. Niet gevangen. Onbeperkt. Aan geenen meester toebehoo-rende. Onbelast. Onbezwaard. Onbelemmerd. Onverhinderd. Wer keloos : een vrije dag. Tamelijk : dit artikel is vrij lang. Iets vrij, niet woordelijk vertalen. Ongedwongen : vrije stijl. Vrije verzen, v.in verschillende versvoeten, vrij en vrank, zie Vrank.

— Vrijaf, bijw. Vrijaf, verlof hebben. — Vrijelijk, bijw.

vrUblüven (1), ow. Izijn). vrUbomtie:, bn. bijw. Rondborstig.

— Vrijborstilheid, v.

vrübrief, m. (..ven). Verlofbrief. Geleibrief. Verlof, vergunning.

▼rUbuiten (Onsch.), ow. Op roof uitvaren. — Vrijbuit, m. — Vrijbuiter, m. (-s). Zeeroover. Kaperschip. — Vrijbuiterij, v. (-en).

vrUbui-g:, m. (-en). Versterkt kasteel. Schuilplaats.

TrUd»i»gt; m. (-en). Zesde dag der week.

— Vrijdagsch, bn. — Vrijdagsmarkt, v. ▼rO(d)cii, bw. vrijd(d)e, heeft gevrijd.

Bevrijden. — Vrij ding, v.

VRIJ

de Spelling der Nederl. faal (1865); het Woordenboek der Nederl. taal (1865-..).

vrOdenkcr, m. (-s). lem., die zijn eigen gevoelen, zijn eigen oordeel volgt in zaken van geloof en godsdienst. — Vf ij-denkerij, v. — Vrijdenkster, v. (-s).

(1) De samengestelde werkwoorden met vrij zijn scheidbaar.

2 — VRIJ

vrUlt;liquot;l«en, bw. Vrijpleiten. —vrUquot; lt;1 obbellt;'ii, ow. (hebben, zijn). Door dobbelen, ook door geluk ergens van vrijblijven.

ti*Ult;Ioiu, m. (-men). Vrijstelling van belastingen, enz. Voorrecht. Rechtsgebied eener vrije stad. — vi*Uogt; 0- Open lucht.

— vrtfe, o. (-n). Rechtsgebied eener vrije stad. Het Vrije van Brugge : ambacht op zich zelf bestaande en onathankeliik van de wet en het schependom van Bruerge (XIII® eeuw). Had voor grenzen : de Vier-Ambachten ; de kasselrijen. Gent, Korti ijk, leper; de Zee, en de Wester-Schelde. Telde 16 steden en eene menigte dorpen.

vrtleu. Zie Vrijden.

vrUeu, vrijde, heeft gevrijd; ook, vree, heeft gevreeën. Bw. Tot een huwelijk aanzoeken. Ow. Lielde betoonen. Aanzoek ergens om doen. Om iemands gunst vrijen.

— Vrijer, m. (-s).— Vrijerij, v. (-en). — Vrijerschap, o. — Vrijster, v. (-s). — Vi ij sterschap, o.

vrUgreboreu, bn. Niet in lijfeigenschap geboren. — Vrijgeborene, m. en v. (-n).

vrygreest, m. (-en). Vrijdenker. —

Vrijgeesterij, v.

vr||amp;relsiteue, m. en v. (-n). Vrij geworden slaaf.

vrUselelbrlef, m. (..ven). Brief,waardoor men doorgang verkrijgt totden vijand.

— Vrijgeleide, o. Gewapend geleide, vrlisreveu, bw. Verlof geven, vi'üfirevlsr, bn. bijw. Mild. — Vrijgevig het a, v.

vrUifezel, m. (-len). Ongehuwde. — vi'üfi'ïiar, m. (..aven). Veemrechter. Vnjgraafschap, o. — vrüliaven, v. (-s). Haven, die voor alle vlaggen openstaat en geheel of gedeeltelijk vrij is van belastingen. —yi'Ubeer, m. (-en). Baron. Vryheerlyk, bn. Vrijheerlijkheid, v. (..heden). Vrijheerschap, o. — Vrij' vrouw, v. (-en). — vi'Ubeid, v. Het tegenovergestelde van slavernij. Losheid, vaardigheid : die schilder heeft eene groote vrijheid in 't penseel. Maatschappelijke en burgerlijke onafhankelijkheid : vrijheid van drukpers, (..heden) Daad, die van den gewonen regel afwijkt: zich vrijheden veroorloven. Dichterlijke vrijheid : wijze van schrijven gelijk het den dichter past. Vrijmoedigheid. Vrijdom. Vrijheidlievend, bn. Vrijheidminnend, bn. Vrijheidsboom, m. (-en) Vrijheidsgeest, m. Vrijheidsgezinde, m. en v. (-n). Vrijheids-hoed, m. (-en). Vrijheidsliefde, v. Vrij-heidsmaagd, v. Vt jjheidsmin, v. Vrij-heidsinuts, v. (-en). Vrijheidsoorlog, m. (-en). Vrijheidsvaan, v. (..anen). Vrijheidszin, m. V'ijheidszoon, m. (..onen). Vrijheidszucht, v.

vi'üboudeii, bw. De kosten betalen voor een ander. Behoeden (voor). (Zeew.) Klaar houden. Vlottend houden.

vrUjaar, o. (..aren). Israël.). 7® of 49* jaar, g» durende hetv\ elk de akkers moesten braak liggen, of waarin men zonder loon moest dienen. — vrUkaart, v. (-en). Bewijs, dat iem. vrijen toegang geelt (tot). Kaart, waarmede men nog eenen slag kan halen (als de troef gespeeld is}.


ocr page 947

VROE — 8

vrQkcuiicii, bw. Vrijspreken. Vrij-kettttttig, v. — vrtfkoiiK'n, ow. (zijn). Ontslagen worden (van). Atkonien (van).

— vrükoopeu, bw Loskoopen. Door afkoop van belastingen vrijmaken. Zich vry koop fin, ww. Vrykcop, m. Vrykoo-

irtp, v. (-en).— vrQIxUen, bw. De vrij-eid geven (aan). Verlof geven (tot). Niet bezwaren. Vrij latv. (-en).

vi'Ulecn, o. (-en). Leengoed, waarvan de bezhter niet tot diensten was verplicht.

vi'lfling:, m. en v. (-en). Vrij of vrijgelaten persoon. — Vrylinge, v. (-n).

vrUloopen, ow. (zijn). — vr Ulo ten, ow. (hebben, zijn). Bij loting vrijkomen. Viylot, o. (-en). Lot, waarvoor men niet betaalt.

vrUmaclit, v. Onbeperkte macht. — Vrij machtig, bn. — Vrij vi a ch t ikheid, v.

vrümakcu, bw. De vrijheid geven lt;aan). Loskoopen. (Scheik.) Ontbinden.

— Vrymaker, m. (-s). — Vrijmaking, v. (-en).

yrUiuarkt, v. (-en). Markt met zekere vrijhedrn. — vi*tfmeti(ClaiaUgt; v. Geheim genootschap, over de gansche aarde verspreid. Werd hei haalde malen door de Kerk gedoemd. Vrymetselaar, m. (-s, ..aren). Vri/ m et sela arsch ap, o. Vrymet-selaarsloge, v. (-s). Vry metselaarsorde t v. (-n). Vry metselaar steeken, o. (-s). vi*0iuoc«lisr, bn. bijw. Onbeschroomd.

— Vry moedig/leid, v. (..heden). — Vry-tnoedtglyk, bijw.

vrüpiaat», v. (-en). Wijkplaats. Schuilplaats.

vrijpleiten, bw. Door pleiten vrijma-ken.

vi-ülgt;o8tisr, bn. bijw. Zeer vrij. Stout.

— Vrypostigheid,\.— Vryposiiglyk, bijw. vrUi'^ken, ow. (zijn). Vrijkomen. vrUox-'kool, v. (..olen). School voor

kostiloos onderwijs. — vrUsetiot, o. ^-en). Vrijschutter, ra. (-sj.

vrijspreken, b\v.Vrij, onschuldig verklaren. Vrijspraak, v. (..aken). Vjyspreker, m. (-s). Vry spreekster, v. (-s). Vrijspreking, v. (-en). — vrUataan, eenpw. De vrijheid hebben (van).

vrQctfaat, m. (..aten). Republiek. — vrtlufacl.v. (..eden).Rijksstad.Vrijplaats. vrljHtellvn, bw. Vrijstelling, v. (-en).

— vrütrekken, ow. Vrijloten.

vrUuit, bijw. Onbewimpeld.

vi'Uvallen, ow. (zijn). Openvallen. — vrövaren, bw. (Doorvaren) van schuld vrijmaken. — vrQveeliteu, bw. — vrü-verklaren, bw. Vrijverklaring, v. (-en).— vr||waren (Onsch.), bw. Den vrijdom \an iem. of iets waarborgen of ergens voor behoeden. Vrijwaar der, m. (-s). Vrijiu aar ster, v. (-s). Vrijwaring,v. ( en).

vrlfwilliST* bn. bijw. Uit vrijen wil. Ongedwongen. — Vrijwilliger, m. (-s).— Vrijwilligheid, v.

vrUxelten, bw. (Zeew.) Zóo zetten, dat het niet tegen iets anders stooten kan.

vrUzinnig:, bn. Liberaal. — Vrijzinnigheid, v.

vroed, bn. bijw. Wijs. Voorzichtig. Vroed maken : overtuigen, doen gelooven.

— Vroedheid, v. — Vroedvian, m. (..lie-

3 — VROU

den). Scheidsrechter. — Vroedschap, v. (-pen). Eigenschap van vroed te zijn. \Eert.) Stedelijke raad.— Vroedschap, m. ( pen). Lid van eene vroedschap.— Vroeu^chaps-bank, v. (-en). — Vroedschapspenning-f m. (-en). — Vroedschapsplaats, v. (-en).

— Vroedschapsvergadering-, v. (-en), vroedkiiiitle, v. Verloskunde. —

Vroedkundig, bn — Vroedkundige, m. en v. (-n). — Vroedmeester, ra. (-s). — Vroedvrouw, v. (-en). — Vroedvrouws-loon, o. en m.

vroeg, bn. bijw. Tegendeel van laat. Voor, bij of kort na zonsopgang. Een vroege dood. Vroege krrsen. Wij hebben een vroegen zomer.— Vroegbeurt, v. (-en). — Vroegb/pem, v. (-en). — Vroegdienst,rs\.— Vroegeling, m. (-en). Dier, in de leute geboren. Vroegtijdige vrucht. — Vroegeling, v. Plantengeslacht [draba) ,totde kruisbloe* migen behoorende. — Vroeger, bijw. Eertijds. — Vroegkei k, v. — Vroeg kost, m. — Vroegmis, v. (-sen). — Vroegpreek, v. (-en). — Vroegrijp, bn. — Vroegrijpheid, v. — Vroegte, .v. De vroege morgen. — Vroeg tydt\, b n, b ij w.— Vroeg tijdigh eid,v.

vroolUk, bn. bijw. Opgeruimd. Blijde. Verheugd. — Vroolyl-heid, v. (..heden).

vr«gt;om, bn. Godvruchtig, godsdienstig. Onschuldig. Gelaten. Lijdzaam. — Prome, m. en v. (-n). — Vromelijk, bijw.— Vromigheid, v. — Vroomheid, v.

quot;VrOom (//.), 1566-1640, Haarlem. Schilder van zeegezichten.

vroon, o. (-en), vroondieust, m. (-en). Heerendienst. — Vroongeld,o. (-en).

— Vraongred, o. (-eren). — Proonheer, ra. (-en).— Vroonland, o. (-en).— Vroon-meester, m. (-s). — Vroonrecht, o. (-en).

— Vroonvisscherij, v. (-en).— Vroonwater, o. (-en).

vrouw, v. (-en). Echtgenoote. Vrouwelijk persoon, die huwbaar is. Meesteres. Speelkaart met eene vrouw. Ouze Lieve Vrouw : de h. Maagd Maria. — Vrouwachtig, bn. bijw. — Vrouwachtigheid, v.

— Vrouwebeeld, o. (-en). — Vrouwelijk, bn. — Vrouwelijkheid, v. — Pr ouwen-aard, m. — Vrouwendag, ra. — Vrouwengek, m. (-ken). — Vromveukaar, o. Haren der vrouw. Soort van bladmos. — Vrouwenhand, v. (-en).— Vrouwenhater,m. (-s). — Vrouzverthoed,m. (-en). — Vrouwenhuis, o. (..zen). — Vrouwenkerk, v. — Vrouwenklap, ra. — Vrouwenkleed, o. (-eren). — Vrouwenklee-ding, v. — Vrouwenklooster, o. (-s). — Vrouwenkracht, v. — V rouwenleen, o. (-en). Zie Leen. — Vrouwenliefde, v. — Vrouwenlist, m. (-en). — Vrouwenmin, v.— Vrouwenmuts, v. (-en). — Vrouwennaam,m. (..amen). — Vrouwenpraat, m. — Vrouwenregeering, v. — Vrouwenrok, ra. (-ken).— Vrouw en roof, ra.

— Vrouwenschender, m. (-s). — Vrouwenschennis, v. — Vrouwenschoen, ra. (-en). — Vrouwenslaaf, m. (..aven). — Vrouwenstem, v. (-men). — Vrouwen-timmer, o. (-sU — Vrouwenvriend, m. (-en). — Vrouwenwerk, o. — Vrouwlief, v. — Vrouwmensch, o. (..lieden, ..lui). — Vrouwspersoon, o. (..onen). —


ocr page 948

VULL — 8;

Vrouwijelief, o. — Vrouwfjesappel, m. (-s). Soort van appel. — Vrouwvolk, o.

vrwclit, v. (-en). Deel der plant, dat uit het vruchtbeginsel ontstaat. Inz. eetbaarplantgewas. Natuurlijk voortbrengsel. Winst, voordeel. Gevolg, uitslag. (Godg.) Dft vruchten van den h. Geest. — Vrucht' boa?', bn. Veel vruchten voortbrengend. Rijk. Overvloedig. — Vrtichtbaarheid,v.

— Vruchtbaarmakend, bn. — Vrzicht' bezinsel, o. (-s). Zie Stamper. — Vruchtbekleedsel, o. (-s). Zaadhulsel. — Vruchtbladeren, o. mv. — Vruchtboom, m. {-en).

— Vruchtdragend, bn. — Vruchteloos, bn. bijw. Zonder vrucht. Vergeefs(ch).— Vruchteloosheid, v. — Vr uch ten oogst, m. — Vruchtgebruik, o. Recht om van eens anders goed de vruchten te trekken, zoo nochtans dat de zaak in stand blijve.

— Vruchtgebruiker, m. (-s). — Vrucht-gebruikster, v. (-s). — Vruchtgenot, o. —

Vruchthulsel, o. (-s).— Vruchtmaand, v. (-en). Augustus. — Vruchtmatid, v. (-en).— Vruchtscheede, v. (-n). — Vrticht-suiker, v. Suiker uit druiven, graan, enz. getrokken. — Vruchtvormig, bn.

vuclit(eiiboom), m. (-en). Roode den.

TDlff, bn. bijw. Gemeen. Laag. Slecht. Dierlijk. — puigheid, v.

vuil, bn. bijw. Morsig. Onrein. Leelijk. Met modder bedekt: vuile straten. Reeds gebruikt : een vuil mes. Vervuild : vuile maag. Slecht : vuile zaak. Onzedelijk : vuile taal. Zich ergens vuil aan maken : zijne eer bezoedelen. — Vuil, o. Vuiligheid. Vuilnis. — Vuil, m. (-en). Vuile grond, waarin het anker niet houdt. — Vuilaard, m.(-s). Vuilik. — Vuilaardig, bn. bijw. — Vuilaard/gheid, v. (..heden).

— Vuilbekken (Onsch.), ow. Vuile taal spreken. — Vuilbek, m. en v. (-ken). — Vuilbekkery, v. — Vuilboom, m. (-en). Hondsboom. — Vuilderik, m. (-en). Vuilik. — Vuilheid, v. (..heden). — Vuiligheid, v. (..heden). — Vuilik, m. (-en). Die morsig is. Zedeloos mensch. — Vuilmaken (Sch.), bw. — Vuilnis, v. Wat men samenveegt.— Vuilnisbak,m. (-ken).

— Vuilnishoop, m. (-en). — Vuilniskar, v. (-ren). — Vuilnisschuit, v. (-en). — Vuilspreker, m. (-s). — Vuihpreekster, v. (-s). — Vuilie, v. — Vuiltong, m. en v. (-en). lem., die gedurig lastert.

TulHt, v. (-en). Dichtgesloten hand. Voor de vuist spreken : onvoorbereid spreken. In zijne vuist lachen : in stilte zich over iets verheugen. Zware hamer der scheepsmeden. — Vuistgevecht, o. (-en).

— Vuisthamer, ra. (-s). Moker.— Vuistrecht, o. (Middel.) Recht van den sterkste.— Vuistroer, o. (-s,-en). Pistool.— Vuist slag,va., (-en).— Vuistvechter, m.(-s).

valgrsitsi, v. De erkendeLatijnsche bijbelvertaling.

imlKiiN, o. Gemeen volk.

vulkuaii, m. (..anen). Vuurspuwende berg. — Vulkaan, m. (Fab.) God des vuurs.— Vulkanisch,hn.

vullen, bw. vulde, heeft gevuld. Vol maken. Opvullen. Laken vullen : vollen. Een uitgenomen dier met iets volsteken.

^ _ VUUR

De wind vult de zeilen, doet ze zwellen en opstaan. — Vulbier, o. — Vulhaar, o. Opvulsel.— Vulhout, o. (-en). — Vulling, v. Het vullen, (-s) Opening langs de binnenhuid van een schip. — Vullmgsgat, o.

Vulkaan.

a. Krater, b. Lava. c. Onderscheidene grondlagen, d. Steenen en asch.

(-en). — Vullingsplank, v. ( en). — Vullingsstuk, o. (-ken). — Vulpomp, v. (-en).

— Vulsel, o. (-s). — Vutte, v. Overvloed.

— Vulwas, o. — Vulwijn, m. — Vul-Z'joord, o. (-en). Stopwoord.

vulli», o. Vuilnis._

vhua. bn. Vochtig. Muf. Slordig. — Vunsheid, v. — Vunzig, bn. — Vunzigheid, v.

vimr, o. (vuren). Verschijnsel, dat ontstaat door eene gelijktijdige ontwikkeling van licht en warmte. Brandende voorwerpen, inz. het vuur in eene kachel, eenen haard, enz. Vuurtoren, kustlicht. Drijvend vuur : vuurschip, dat tot baken dient. Het schieten met een vuurwapen : vuur geven. In 't vuur; in het gevecht gaan. Zie Zwaard (2® art.). Bliksem : het vuur van den hemel. Mengsel, dat onder veel lichtontwik-keling verbrandt : Bengaalsch vuur. Het vuur, de schittering van eenen diamant. Gloed, hitte : het vuur der koorts. Brand in het koren. Bederf in het hout. Drift, nadruk, levendigheid : met vuur spreken. Het vuur der jeugd. Vuur en vlam spuwen : in hevige gramschap zijn. — Vuren, ow. vuurde, heeft gevuurd. Een vuurwapen afschieten. (Zeew.) Lichten (van het water).

— Vuren, o. — Vuren, bn. Van vurenhout. — Vurenhout, o. Hout van den fijnen den. — Vurenhouten, bn. — Vurig, bn. bijw. Vonkelend, brandend, gloeiend. Brandig. Met huiduitslag : een vurig gezicht. Vurige oogen. Hartstochtelijk : vurig beminnen. — Vurigheid, v. (..heden). — Vuriglijk, bijw. — Vuring, v,

— Vuurachtrg, bn. — Vuurbaak, v. (..aken). Vuurtoren. — Vuurberg, m. (-en). Vuurspuwende berg. — Vuurbol, m. (-len). — Vu u r brak en d, bn. — Vuur-braker, ra. (-s). (Dicht.) Kanon. — Vuur-


ocr page 949

WAAI — 8

deksel, o. (-s). — Vuur drag er, m. (-s). — Vuur draagster, v. (-s). — Vuurgeest, m. (Fab.) Toovergeest. Salamander. — Vuurgloed, ra. — Vuurhaak, m. (..aken).— Vuurhaard, m. (-en). — Vuur houdend, bn. — Vuurijzer, o. (-s). — Vttur-kei, ra. (-en). — Vuurkleur, v. — Vtiur-kleurig, bn. — Vuurkogel, ra. (-s). — Vuztrkrlk, v. (-en). — Vuurkolom, v. (-men). — Vuurlak, o. Vernis, uit hars, terpentijn, enz. bereid. — Vuur lantaarn, v. (-en). — Vuurlijn, v. (-en). (Vest.).— Vuurmaker, ra. (-s). — Vuurmand, v. (-en). — Vuurmolen, ra. (-s). — Vuurmond, ra. (-en). Kanon. — Vuuroven, m. (-s). — Vuurpan, v. (-nen). — Vuurpijl, m. (-en). — Vuurplaat, v. (..aten). — Vuurpook, ra. (..oken). — Vuurpot, ra. (-ten). — Vuurproef, v. (..ven). Zie Proef.

— Vuurregen, ra. (-s). — Vuurroer, o. (-s, -en). Schietgeweer. — Vuurrood, bn.

— Vuurscherm, o. (-en). — Vuurschil-

5 — WAAR

der, ra. (-s). — Vuurschip, o. (..epen). — Vtiur schop, v. (-pen). — Vuur sein, o. (-en). — Vuurslag, o. (-en). Stuk staal, waarmede men vuur uit eenen keisteen slaat.— Vuursprank, v. (-en).— Vuur-sprankel, v. (-s). — Vuurspuwend, bn.

— Vuurstaal, o. — Vuur stede, v. (-n). Haardstede. — Vuursteen, ra. (-en). — Vtiurstof, v. — Vuurstraal, ra. (..alen).

— Vuurstroom, ra. (-en).— Vuurstang, v. (-en). — Vuurtoren, ra. (-s). Lichttoren vooraan in de zee of op de kusten.— Vuurvast, bn.— Vuurvogel, ra. (-s).— Vuurvonk, v. (-en). — Vuurwapen, o. (-s).— Vuurwerk, o. (-en). — Vjturwerker, vuurwerkmaker, ra. (-s). — Vuurzee, v.

T'nylsteko (j. P.), 1836, Gent. Letterkundige. Als dichter : Zwijgende Liefde (i860), Mijmeringen (20 uitg. 1887). Als prozaschrijver : de Rekeningen der stad Gent (raet de Pauw, i872-'85); Willems en het Willemsfonds (1878).


w, v. (w's). 23* letter van het alphabet, w»ad baai*, bn. Waardoor raen waden kan.

waas:gt; v. (wagen). Toestel om te wegen. Plaats, gebouw, waar van overheidswege goederen gewogen worden. Gewicht = 100 kilogr. In de waag houden : in twijfel laten. — Waagbalk, ra. (-en). — Waag-briefje, o. (-s). — Waagdrager, m. (-s). Werker in de waag.— Waaggeld, o. (-en).

— Waaggervicht, o. (-en). — Waagmraster, ra. (-s). — Waagschaal, v. (..alen). Een der twee bakken van de balans. In de waagschaal stellen : wagen.— Waagstand, m. (-en). Rust der balans. Evenwicht. — Waagwerker, ra. (-s).

waaghals, ra. en v. (..zen). lem., die roekeloos zijn leven waagt of gevaarlijke ondernemingen doet. — Waaghalzer j, v. (-en). Vermetelheid. Roekelooze onderneming. — Waagspel, o. ^-en). Kansspel. Waagstuk. — Waagstuk, o. (-ken). Roekelooze onderneming.

waaien, waaide, heeft gewaaid; ook, woei. Eenpw. Wind maken. Blazen (van den wind). Wapperen : \lag en wimpel laten waaien. Met alle winden waaien : niet elke bovendrijvende partij aanspannen. Laat waaien : het ga hoe het wil! Bw. Waaiende vei koelen. Waaiende wegnemen. — Waai, ra. Het w*aiet*. *^e takken van eenen boora. — Wlt;»aiborm, ra. (-en). Fruitboom, die langs geenen muur noch latwerk geleid is, maar in vollen wind staat.

— Waaier, ra. (-s). Die wind aanbrengt. Werktuig, dienende om waaiende verkoeling aan te brengen. Raam, gewoonlijk met traliën bezet, boven eene deur, enz. — Waaier boom, ra. (-s). — Wquot;aiet dragend, bn.— Waaier palm ^ ra. ( en),— Waaier-

lant, v. (-en). — Waaiersluis, v. (..zen), luis, waarvan de deuren bij eiken wederstand geopend kunnen worden. — Waaier-, vormig, bn.

waak, v. (waken). Het waken. Het wachthouden. Wacht. (Eert.) Tijdruimte in den nacht, gedurende welke men waakte. — Waakhond, ra. (-en).— Waakplaats, v. (-en). — Waakrol, v. (-len).— Waaksch, bn. Waakzaam.— Waak/oren, m. (-s).— Waakzaam, bn. bijw. Ijverig- wakende. Zorgvuldig. Opmerkzaam. — Waakzaamheid, v.

Waal, ra. (..alen). Inboorling eener Waalsche provincie. — Waalsch, bn. — ffim/sr/^o.DeWaalschetaal.— Waalsch-sprekend, bn.

waal, v. (..alen). Kant raet palen omgeven, waar de schepen in eene haven veilig kunnen liggen. Weel. — Waalredders, ra. rav. Dokraeesters.

waal, v. (..alen). (Art.) IJzeren raai. Vormplaat.

Waal, v. Een der armen van den Rijn (Nederland). — Waalkhnker, ra. (-s). waalmop, ra. (-pen). Steen langs de Waal gebakken.

waalwortel, v. Smeerwortel.

waan, m. IJdele raeening of gedachte.

— Waangeloof, o. Bijgeloof. — Waange-loovig, bn. — Waanwi/s, bn. Eigenwijs. Verwaand. Ingebeeld. Trotsch. — Waanwijsheid, v. — Waanwijze, ra. (-n). —■ Waanzin, ra. Verstandeloosheid. Krankzinnigheid. — Waanzinnig, bn. bijw. —•

— Waanzinnige, ra. en v. (-n).— Waanzinnigheid, v.

waar, bn. Niet valsch, waarlijk, we-zenlijkj echt : een ware vtiend. Behoorlijk, geschikt; de ware plaats. Bijw. Zoo waar als ik leef. — Waarachtig, bn. Eenigszins waar. — Waarachtig, bn. bijw. Waar. Zeker. Echt. — Waarachtig, tw. Waarachtig ! dat vind ik zeer vreemd. — Waarachtigheid, v. — Waar ach ttg lijk, bijw.

— Waarheid, v. Overeenstemming van het denkbeeld raet zijn voorwerp, van een verhaal met hetgeen gebeurd is, van wat


ocr page 950

WAAR — 87

jnen zegt met hetgeen raen denkt. In waarheid : inderdaad, lera. de waarheid zeggen, hem berispen, hem verwijtingen doen. ( .heden) Iets, dat waar, dat onbetwistbaar U. — Waarheidlievend, ivaarheid-minnend, bn. — ]Vaafheidslie/de, v. — Waarheidszin, ra. — Wnarheidszucht, v. — Waarlyk, bijw. Stellig. Zeker.

«vnar, bijw. In, op welke plaats. — wuuruuu, bijw. Aan wien, aan wat.— wststravlitcr, bijw. Achter wat. — ivnarbeiMMlcu, bijw. Beneden wat. — wanrbU. bijw. Bij wien, wat. —waarboven bijw. Boven wien, wat. — waardoor, bijw. Door hetwelk. Door wat? Hoe? Waarom?—waarlieoa, bijw. Naar welkeplaats? Waar naar toe ? — uaariii, bijw. In wat Gedurende hetwelk.—waar-laiiKN, bijw. Langs welke.— waanuo-«It», bijw. Met wat. — waarna, bijw. Na afloop of verloop (van). —waarnaar, bijw. Naar wat. —- waarnaar, bijw. Naast wat. — waaruevt'iiM, bijw. Nevens wat.— waarom, bijw. Om -■ elke reden? Met welk doel? Vw. Om deze reden. — waarouilii'eiK. bijw.— waar-omstreeks, waarc^mlreut, bijw. Omtrent welke plaats. Aangaande wat. — waaronlt;ler, bijw. Onder wien, wat. Beneden (iets). Tc midden (van). In gezelschap (van). — w a strop, bijw. Op o( na hetwelk. Boven (ietsK — waarover, bijw. Oyer wien, over wat. — u aar legen, bijw. Tegen wien, wat. — waartegenover, bijw. — waartoe, bijw. Tot wat. Ten welken einde. — waartii»-selien, bijw. Tusschen wat. — waaruit, bij^w. quot;Uit wat. — waarvan, bijw. Van ien, wat. — waarvoor, bijw. Voor wien, wat. —- waarzonder, bijw. .Zonder wat.

wasir, v. (..aren). Koopmansgoed. Goede waar prijst zich zelve.

waarbori;. ra. (-en). Borg. Borgtocht. Onderpand. Zekerheid. — Waarborgen, bw. waarborgde, heeft gewaarborgd. Instaan (voor). — Waarborging;, v. (-en). — Waa rborgni a a isch appij, v. (-en).

waard, ra. (-en). Herbergier. Huisbaas. De rekening buiten den waard maken : zich misrekenen. — Waardin, v. (-nen). — Waardschap, o. (-pen). — Waardshuts, o. ( .zen).

waard, v. (-en). Ingedijkt land. — Waarfdjsman, ra. (-nen). Lid van een .dijks- of polderbestuur.

waard, woord, wöerd, ra. (-en). .Mannetjeseend.

waard, bn. bijw. Waarde hebbende : dat is drie frank waard. Waardig : hij is -uw vertrouwen waard. Dierbaar : waarde •vriend. De kool is het sop niet waard. — Waarde, v. (-n). Waardij, prijs : onder de -waarde verkoopen. Kracht: te veel waarde hechten (aan). Ieder beschikbaar voorwerp. Bedrag. Handelspapier: wisselwaarde, geldwaarde. (Muz.) Tijdduur van iedere noot Jui-te beteekenis van een woord. De innerlijke waarde : de waarde, die iets altijd behoudt. A looi (van goud of zilver). In waarde l-.oulen : zorg dragen (voor), Bchten. — Waardebepaling, v. (-en). —

6 — WAAR

Waardeerbaar, bn.— Waardeerder,m. l-s). — Waardeeren, bw. waardeerde, heeft gewaardeerd. De waarde bepalen (van). Achten. Op prijs stellen.— Waar-doering, v. (-en). — Waardeer ster, v. (-s). — Waardeloos, bn. — Waardeloosheid, v. — Waardevermindering, v. (-en). — Waardig, bn. bijw. Waard. Kostbaar. Dierbaar, Zich iets waardig maken : toonen, dat men iets verdient. — Waardigheid, v. Hoedanigheid van iets, dat waardig is. Grootheid van handelen. Eervolle verdienste. Edelheid, (..heden) Aanzienlijke betrekking. Eerepost. — Waar-diglyk, bijw. — Waardi^heidbekleeder, ra. ( s). — Waardij, v. Waa de. Prijs. — Waardy'n, ra. (-en, -s). Onderzoeker van bet gehalte des gelds.

waardgreld, o. (-en). Belooning voor verrichten dienst. — Waardgelder, ra. (-s). (Eert.) lem., die geld trok om eene stad te beschermen.

waargeest, ra. ( en). Geest van eenen afgestorvene, die, volgens een oud bijgeloof, 's nachts in zijne vorige woning kwam waren of spoken.

waargoed, o. (Zeew.) Voorwerpen, die moeten hersteld worden.

waarloos, bn. Waarlooze voorwerpen : voorwt-rpen, die ingescheept worden om voorwerpen van gelijken aard des noods te vervangen.

waarmaken (Sch ). bw. De waarheid aan den dag brengen. Bewijzen. Waarvta-kiftg.v. (-en).—waarmerken (Onsch.), bw. Onderteekenen. Bekrachtigen. Waar-rnerk, o. (-en). Waarmerker, ra. (-s). Waarmerking, v. — waarnemen (Sch.),bw.Gewaarworden. In acht nemen. Bezorgen. Onderhouden. Met de zinnen opvangen : een gezang waarnemen. Vernemen, bespeuren : ik heb dit uit zijn schrijven waargenomen. De gelegenheid waarnemen, er gebruik van maken. Een ambt waarnemen, behartigen. Zünen tijd waarnemen, besteden. De wacnt waarnemen, houden. Doorstaan : wind en weer waarnemen. Waarneembaar, bn. Waarneembaarheid,v. Waarnemer, m. (s). Waa*--neemster, v. (-s). Waarneming,v. (-en). Waarnemingsplaats, v. (-en).

waarsehap, m. (-pen). (Eert.) Lid van het gemeentebestuur (N.-Holland). waarschap, v. Waarborg. Verzeke-

r^u§r-

waarsehUnlQk, bn. bijw. Vermoedelijk. Denkelijk. — Waarschynlykheid, v. Vermoedelijke waarheid, (..heden) Waarschijnlijk voorval.

waarschuwen (Onsch.), bw. Verwittigen. De aandacht vestigen (op). Vermanen. Waarschuwer, ra. ( s). Waar-schuwing, v. (-en). Waar schuws ter, v. ( s). — waarteekeuen (Onsch.), bw. Met een teeken van waarheid of echtheid merken. Waar tee ken, o. (-s). — waarzeggen (Sch.), bw. Het verborgene, de toekomst doen kennen, inz. door de tus-schenkomst van den duivel. Waarzegger, ra. (-s). Waarzeggerij, v. (-en). Waarzegging, w (-en). Waarzegster, v. (-s). waarzeil, o. (-en). Zeil in voorraad.


ocr page 951

WAGE — 8

waas, o. Zeker vocht, aan dauw gelijk, dat zich op vruchten enz. vertoont. Het waas (de blos) der schoonheid. Een waas (zweem) van.

WaatH. Het Land Tan IVaas, om zijne vruchtbaarheid en zijnen akkerbouw de hof van België genoemd, behoorde eertijds tot Vlaanderen onder het Rijk. 159,000 inw.: 56,438 hectaren; 32 gemeenten. Hoofdplaats : Sint-Nicolaas.

wacht, v. Het waken (inz. voor de veiligheid van iem. of iets), (-en) Plaats, waar gewnakt wordt. Gezamenlijke wachters. Waaktijd. Wachthuis. De wacht optrekken ; naar de wachtplaats gaan. De wacht hebben. Zijne wacht staan .De wacht aflossen. — Wacht% m. (-en). Iem., die de wacht houdt. — Wachten, bw. ow. wachtte, heeft gewacht. Ergens in zekere houding blijven tot iem. ol iets komt. De wacht hebben. Verbeiden. Bewaken, hoeden (koeien, enz.). Hem wacht eene zware straf : hij heeft eene zware straf te ondergaan. Daar wacht ik hem ; daar wil ik hem zien komen. Zzch wachten, ww. Zich hoeden, zich onthouden (van). — Wachter, m. (-s). Waker. Bewaker. Oppas er. Bijmaan. Bijplaneet. — Wachtgeld, o. (-en).

— Wachtglas, o. (..zen). (Zeew.) Zand-looper. — Wachthebbend, bn. — Wachthond, m. (-en). — Wachihonder, m. (-s).

— Wachthuis, o. (..zen). — Wachtkamer, v. (-s). — Wachtlijst, v. ( en). — Wachtloon, o. en m. (-en). — Wachtmeester, m. (-s). Onderofficier bij de ruiterij. — Wachtparade, v. (-si. — Wachtplaats, v. (-en). — Wachtpost, m. (-en).

— Wachtrol, v. (-len). — Wachtsch, bn. Waakzaam (van honden). — Wachtschip, o. (..epen). — Wachtstand, m. (-en). Wachtpost. — Wachtteeken, o. (-s). — Wachttoren, m. (-s). — Wachtvuur, o. (-en). — Wachtwoord, o. (-en). Herkenningswoord. Leus.

waclitel, m. (-s). Kwakkel.

Wiieliter (B. G. F. von , 1762-1852, Balingen. Duitsch historieschilder. Job en zijne Vrienden (1824).

walt;E, o. (-den). Ondiepte in het water. wstlt;lc, v. (-n). Holligheid boven de kuit van het been. — Waden, ow. waadde, heeft en is gewaad. Door het water, waarin men tot aan de wade inzinkt, gaan.

wa«lo, v. (-n). Lijkwide. Zeker visch-net. — Waden, bw. waadde, heeft gewaad. (Eenen doode) het lijkgewaad aandoen.

waffel, v. (-s, -en). Gebak, dat in een wafelijzer gebakken wordt. Slag in het aangezicht. — Wafelachtig, bn. — Wafel-bek, m. Het bakken van wafels.— Wafelhuis, o. (..zen). — Wafelijzer, o. (-s). Twee op elkander sluitende ijzers, die van binnen geruit zijn. Geruit bignet ter verzegeling van brieven. — Wafelkraam, v. en o. (..amen). — Waf eivormig, bn.

wassen, bw. waagde, heeft gewaagd. In de waagschaal stellen. Op het spel zetten. Ondernemen. Zich wagen, ww. Waag u niet op het ijs. — Wager, m. (-s). — Waagster, v. (-s). — Wagerit, v. wa^en, m. (-s). Rijtuig. Voertuig. Ge-

7 — WAKK

sternte ; de Groote Beer. — Wage* naar, m. (-s). Voerman. — Wagenas, v, (-sen). — Wagenboom, m. f-en). — Wa*

fendissel,endissel, m. (-s). — Wagen huif, v#

.ven). — Wagenhuis, o. (..zen).— Wa-getikap, v. (-pen). — Wagenkleed, o» (-en). — Wagenkot, o. (-ten). — Wagen-ladder, v. (-s). — Wagenlading, v. (-en).

— Wagenmaken, o. — Wagenmaker, m. f-s). — Wagenmaker^, v. (-en). — Wa-genniakerswifikel,m. (-s).— Wagenman, m. Zie Phaeton. — Wagenrad, o. (-eren).

— Wagenf eep, m. (-en). — Wagenschot, o. Soort van fijn eikenhout, geschikt tot klein huistimmerwerk. — Wa^enschottenf bn. — Wagenslag, m. (-en). Wagenspoor.

— Wagensmeer, o. — Wagenspoor, o, (..eren). Indruksel door de wielen van eenen wagen achtergelaten. — Wagenstelf o. (-len). — Wagenvracht, v. (-en). — Wagenweg, m. (-en). — Wagenwiel, o, (-en). — Wagemvyd, bijw. Zeer wijd : de poort wagenwijd openzetten.

waggrelbcencn, ow. wageelbeende, heelt gewaggelbeend. Niet vast staan op de beenen. Met de beenen slingeren .

wauirelftn, ow. waggelde, heeft en is gewaggeld. Niet vast staan. Heen en weder zwikken. — Waggelend, bn. — Wagquot; geling, v. (-en).

Jlt;srsr«gt;»gt; ni* (-s)* Wagen. Spoorwegwagen.

Wajjner {G. R.)t 1813-1883, Leipzig* Toondichter. Rienzi (1842); Tannhausef (1845) ; Lohengrin (1847) ; der Ring der Nibelungen (1809).

Wnjfrmn, 800. Dorp (Oostenrijk). Zegepraal door Napoleon op de Oostenrijkers behaald (1809).

wak, o. (-ken). Uitgestrektheid van water, die niet toegevroren is. Opening in het ijs.

wak, bn. Vochtig. — Wakken, wakte, heeft gewakt. Bw. ow. Wak maken of worden. — Wakheid, wakkigheid, v. — Wakte, v.

waken, ow. waakte, heeft gewaakt. Nie^ slapen. Zorg dragen (voor). Een wakend oog houden (op, over). Droog komen : die bank waakt met de eb. — Wakend, bn. Waakzaam. Wakende boei : boei, welke de plaats aanwijst, waar het anker ligt. Wakende bank : bank, die bloot komt met de eb. — Waker, m. (-s). — Waakster, v. (-s). — Wakersloon, o. en m. ( en). — Waking, v.

wakker, bn. bijw.Niet slapend. Waakzaam. Vlug. Bekwaam. Moedig : een wakker paard. Vroolijk : een wakkere knaap.


ocr page 952

WALV — 8;

Iels bij iera. wakker maken : iem. iets herinneren. Iets wakker, krachtig doorzetten. — Wakkert tw. Moed! — Wakkeren, wakkerde, is en heeft gewakkerd. Ow. Opsteken (van den wind). Goed gaan (van neringen, enz.). Bw. Aanwakkeren. — Wakkerheid, v.

will, ra. (-len). Ophooging van aarde, inz. rondom eene plaats ora die tegen den vijand te beschermen. Waterkant (eener kade, enz.). Oever, zoom, boord (eener rivier). Watergracht rondom eene hofstede, enz. Aan wal gaan. Aan wal blijven. Vau wal steken. — Walgang, v. — Walgraver, ra. (-s). — Walmuur, m. (..uren).

— Walscherm, o. (-en). — Waltrap, v. (-pen).— Walvoet,m. (-en).— Walvuur, o.

waltllioorn, ..lioroii, m. (-s). Jachthoren. — Waldhoornblazer,m. ^-s), ivald-hoornist, m. (-en).

wiilclulker, m. (•s).Tapuit.

wsamp;leu, ow. waalde, heeft gewaald. Be-

Ëinnen te verloopen (van het getij). (Zeew.) •raaien, ongestadig zijn. Weifelen, wankelen. —innen te verloopen (van het getij). (Zeew.) •raaien, ongestadig zijn. Weifelen, wankelen. — Waling, v. (-en).

ivalciisrsamp;ne:, v. Gang op groote sche-

Een, die op het koebrugdek tegen boord et schip rondloopt.en, die op het koebrugdek tegen boord et schip rondloopt.

WsilcN. Wal 11». Zie Britannië. Walewein. Arturroman.

waif;, v. en m. Alkeer. Weerzin. — Walgachtig, bn, — Walguchtigheid, v.

— Walgen, ow. walgde, heeft gewalgd. Walging veroorzaken. Zulken afkeer gevoelen, dat men genegen is tot braken. — Walging, v. (-en). Afkeer. Misselijkheid.

— Walglijk, bn. Walg verwekkende. — WaIglykheid, v. (..heden).

Wallialla, y. Verblijf der in den krijg gesneuvelden ibij de oude Germanen).

walken, bw. walkte, heeft gewalkt. (Hoedenra.) Het haar of vilt vast ineen-werken.— Walker, m. (-s). — Walkhamer, m. (-s). — Walkin?, v. — Walkmo-len, m. (-s). — Walkplaais, v. (-en). — Walks lok, m. (-ken).

Wallace (W.), 1276-1^05.De vrijheidsheld der Schotten. Werd in den Tower onthoofd.

walm, m. (-en). Damp. Dakstroo. — Waltnachtig, bn. — Walmen, ow. walmde, heelt gewalmd. Dampen. Wasem opgeven. — Walmgat, o. (-en). Hol gedeelte voor aan de roerschacht.— Walmig, bn.

— Walming, v. (-en).— Walmie,\. walnoot,v. ( .oten).Vrucht; m.(..oten)

Boom. Okkernoot. — Walnoteboom, m. (-en).

Walré [J, z/aw)». i759_i837i Haarlem. Dichter. De Vondeling (1794); Heidebloemen (1815).

walros, ..rus, m. (-sen). Narwal.— WaIrossenvangst, v. — Walschot, o. Walvischzaad.

wal», v. (-en). Soort van dans in 3/4 of 3/8. — Walsen, ow. walste, heeft gewalst. Eene wals dansen. — Walser, m. (-s). — Walser es, v. (-sen).

walstroo, o. Plantengeslacht {ga-lium), tot de sterkbladigen behoorende.

walviMOli, m. (..sschen). 't Grootste zoogdier, dat in 't water leeft. De eigen-

8 WANO

lijke walvisch [balaena mysticetus) bewoont de zeeën om de Noordpool. — Wal-vise nachtig, bn. — Walvisenbaarden, m. mv. — Walvischbeen, o. (-deren).— Wal-vischspek, o. — Walvischtraan, v. — Walvischvaarder, m. (-s). Schip, dat ter walvischvangst vaart. Gezagvoerder op zulk schip. — Walvischvanger, m. (-s).

— WaIvischt^xngst,v.— Walvischzaad, o. walwortel, v. Smeerwortel.

wam, v. (-men). Halskwabbe (der runderen). Walvischbaard. (Leerl.) Middengedeelte eener huid. Opengesneden buik (van visschen). — Wammen, bw. wamde, heeft gewamd. Het ingewand uithalen (der visschen). — Wamstuk, o. (-ken).

Wambaeli {B.), 1854, Arl. VI. toondichter. De Lente (1875); het Vaderland; Ilozes op den Nijl; Yolande.

waiubuiH, o. (..zen). Kleedingstuk, dat het lijf van den hals tot aan het middel bedekt. — Wammes, o. Wambuis.

wamen, ow. waarade, heelt gewaamd. De modder doen opwellen.

wan, v. (-nen). Werktuig om het koren te zeven. — Wanmand, v. (-en). — Wanmolen, ra. (-s). — Wannen, bw. wande, heeft gewand. Koren op eene wan schudden en daardoor zuiveren. — Wanner, m. (-s).— Wanning, v.

wan, o. (-nen). Lek. Ijzer, dat in het spongat der vaten gestoken wordt om die op te hijschen.

wanbedrijf. o. (..ven).Misdrijf. Overtreding. — wanbegrip, o. (-pen). Verkeerd begrip. — wanbeleid, o. Verkeerd overleg. — wanberaad, o. wanbcKef, o. (-fen).— wanbealuH, o. (-en). Slechte gevolgtrekking. — wan-bewtnur, o. Slecht bestuur. — wanbe-tallns, v. (-en). Slechte betaling.—wan-daad, v. (..aden), blechte daad. Misdaad. — wauerebriilk, o. (-en). Verkeerd gebruik. Misbruik. —waugedrafiTi o. (wangedragingen). Slecht gedrag. — wangedrocht, o. (-en). Afzichtelijk voorwerp. Monster. — wanerelaat, o. Leelijk aangezicht. — wangreloof, o. Ongeloof. Bijgeloof. Wantrouwen. Wan-geloovig, bn. — Wanc;eloovigheid, v. — wangeluid, o. (-en), — wangunst, v. Afgunst. Wangunstig, bn. Wanguns-ti(gt;heid,v.— wanliaven, wanliaviff, wanhebbelUk, bn. bijw. Haveloos. Slordig. Wanhebbelijkheid, v. (..heden).

— wanlioop, v. Het stellig weigeren het eeuwig leven en al wat daartoe helpen kan van God te verzoeken en te verwachten. Toestand, in welken men geene uitkomst meer ziet. Wanhopen (Onsch.), ow. Wanhopend, bn. Wanhopig, bn. — wan-liout. o. Slecht hout. — wankant, m. (-en). Wanzijde. Wankantig,hn. — wanklank, ra. (-en). — wanklinkend, bn.— wankoer», m.(-en). (Zeew.) Verkeerde koers. — wanluidend, bn. bijw. Wanluidendheid, v. — wanlust, m. Ongeregelde lust. Gebrek aan eetlust. Tegenzin. Wanlustig, bn. Wan lustigheid, v. — wanoofpRt, m. Slechte oogst. — wanorde, v. Gebrek aan orde. Ongeregelde toestand. Verwarring. Wanordelijk,


ocr page 953

— 8,9 —

WANK

WAPE

quot;bn. bijw. — wansc'liapen, bn. Misvormd. Gedrochtelijk. Wanschapenheid, v. — wauBClicitHol, o. ( s). Wangedrocht.— waiiscliikkoiyk, bn. bijw. Ongeschikt. Ongepast. Verward. Waii-schikkelykheid, v. — wansmaak, m. (..akenh Slechte smaak. IVinsmakelyk, bn. bijw. Wansviakeliikhcid, v. — wan-spclliugr, v. (-en). Verkeerde spelling.

— wanHpraalc, v. — ivaustallis:, bn. Misvormd. Monsterachtig. Wanstaltigheid, v. — waiifttaiKl, m. Leelijkheid.

— wantaal, v. Onjuiste woordschikking.

— wantü,o. (-cn). Tegenstroom.— wantrouwen, o. Gebrek aan vertrouwen. Kwaad vertrouwen. Achterdocht. Wantrouwen (Onsch.), bw. Wantrouwig, bn. bijw. Wantrouwigheid, v. — wan-vaus:i»t,v. Slechte vangst.— wanvoegr-1ÜI«, bn. bijw. Ongepast. Onbehoorlijk. Onvoegzaam. Wanvoeglykheid, v. — wan-Ti'udit, v. (-en). — wanzü.dOi v. (-n). Kuwe zijde (van hout). Wanzydig, bn.

waud, m. (-en). ^luur. Binnenzijde van een scWp. — Wandbeen, o. (-deren). Kruinbeen der hersenen. — Wandge-dtertr, o. — Wandlamp, y. (-en). — Wandluis, v. (..zen). Weegluis. — Wand-luizenkruid, o. — Wandschoor, m. (..oren).— Wandschildering, v. (-en).— Wandtegel, m. (-s).

Wandaal. Zie Vandaal, wandelen, ow. wandelde, heeft en is gewandeld. Tot uitspanning zich vermeien of ergens, heengaan. Zachtj» s gaan. — Wandel, m. Gedrag. Leefwijze. Omgang.

— Wandelaar, m. (-s, ..aren). — Wandelaarster, v. (-s). — li'andelórug, v. (-gen). — Wandeldreef, v. (..even). — Wandeling, v. (-en). Het wandelen.Wandelplaats. Afstand, welken men wande-

lijk. In de wandeling : in omloop (van geld. enz.). — Wandellaan, v. (..anen). — Wandelpad, o. (-en). — Wandelplaats, v.(-en).— Wandelrit,va. (-ten). — Wandelstaf, m. (..aven). — Wandelstok, ra. (-ken). — Wandeltyd, ra. — Wandel-we (d) er, o. — Wandelweg, ra. (-en).

wsoien, ow. waande, heeft gewaand. Zich iets inbeelden, dat niet zoo is als men het zich voorstelt.

wanur, v. (-en). Deel van het aangezicht, onder de oogen. Zijstuk : wangen aan eene vrouwenmuts, in een haardijzer, aan den mast van een schip. — Wat/gen, bw. wangde, beeft gewargd. (Zeew.) Met wangen \oorzien. Met zijstukken vastzetten. — Wangkuiltje, o. (-s).

wankelen, ow- wankelde, heeft gewankeld. Zich langzaam heen en weer bewegen. Onvast, onbestendig zijn. — Wankel, bn. bijw. Onzeker. 'Onbestendig. — Wankelbaar, bn. bijw. Onvast. Onbestendig. Veranderlijk. Aarzelend. — Wankel-baarheid, v. — Wankelheid, v. — Wankeling, v. (-en). — Wankelmoedig, bn. bijw. Onbestendig. Besluiteloos. — Wan-kelmoedigheid, v.— Mratiken, ow. wank-te, heeft gewankt. Wankelen.

wanneer, bijw. Op welken tijd. Vw. Indien.

wanlt;, vw. Vermits. Aangezien.

want, v. (-en). Handschoen met slechts eenen duim.

want, o. Visscherstuig, net. Al het touwwerk aan boord. Staand en loopend want : het vaste en losse touwwerk. — Want, o. Soort van grof laken.— Wanten, bw. wantte, heeft gewant. (Zeew.) Het touwwerk in orde brengen. — Want-haler, m. (-s).— Wantknoop, m. (-en). — Wan/schaar, v. (..aren). Droogscheer-derschaar. — Wants'ag, m. (-en). (Zeew.).

— Wantsnyder, m. (-s). Matrozenkleer maker. — Wantsnyderswinkel, ra. (-s)

— Wantstrop, ra. (-pen). — Wanttalie, v. (..iën). — Wanttros, m. (-sen).

wants, v. (-en). Weegluis.

Wap (J. I?.), 1806-1880, Rotterdam. Dichter. Mijne vaderlandsche zangen (1831); Mijne Reis naar Rome (1838): Bil-derdyk (1874).

wapen, o. (-en, -s). Werktuig, enz. waarvan men zich bedient tot aanval of verdediging. Wat den dieren tot aanval of verdediging dient. Zich een wapen van iets raaken : iets als krachtig middel aanwenden. — Wapen, o. (-s). Faiuilieteeken van een vorstelijk of adellijk geslacht. Blazoen. Figuur, welke h«*t voornaamste deel van zulk een teeken uitmaakt. — Wapen-balk, ra. (-en). — V/apenbeeld, o. (-en). — Wapenbijl, v. (-en). — Wapenbeek, o. en ra. (-en), — Wapenbroeder, ra. (-s). — Wapendos, m. (-sen). — Wapendrager, ra. {•amp;). Schildknaap. — Wapenen, bw.

lende aflegt. In de wandeling : gewoon- I wapende, heeft gewapend. Van wapenen

voorzien. In staat van tegenweer brengen. Zich wapenen, ww. Zich voorzien (van) : zich met stokken wapenen. Zich beschutten (tegen) : zich tegen de koude wapenen. — Wapenfabriek, v. (-en). — Wa-penfeit, o. (-en). — Wapengekletter, o,

— Wapengroet, ra. — Wapenhandel, ra. Oefening in 't gebruik van wapenen. — Wapenhuis, o. (..zen).— Wapening, v. (-en). — Wapenkamer, v. (-s). — Jl^a-penknecht, m. (-en). Schildknaap. — Wapenkreet, ra. (..eten). — Wapenkunde, v. Kennis der wapenschilden. — Wapenkundig, bn. — Wapenkundige, ra. (-n). — Wapenlijst, v. (-en). — Wapenloos, bn.

— Wapenmagazijn, o. (-en).— Wapenmakker, ra. (-s). — Wapen meester, m. (-s). — Wapenoefening, v. (-en). — Wa- ■ penplaats, v. (-en). — Wapenpraal, v. —

Wapenpracht, v. — Wapenregister, o. (-s). — Wapenrek, o. (-ken). — Wapen-riem, m. (-en). — Wapenroem, m. — Wa-penrok, m. ( ken). — Wapent usting, v. (-en). — Wapenschild, o. (-en). Bord,


Wapenrusting (XVI0 eeuw).

A. Hoofd. — 1. Vederbos. 2. Helm. 3. Vizier. Halsdeksel.,

B. Arm. — 5. Schouderplaat. 6. Armplaat. 7. Elleboogplaat 8. Strijdhandschoen.

C. Lijf. —9. Borstharnas. 10. Maliënrok. 11. Dijplaat. 12 Maliënkolder.

D. Been. — 13. Dyharnas. 14. a niest uk. 15. Beenstuk. 16. Stalen schoen.

a. Helm voor steekspelen (X VIe eeuw). b. Stormhoed van ge pol st ijzer (XVI* eeuw), c. Lichte helm (XVI9 eeuw), d. Stormhoed (XVII9 eeuw), e. Helm, die hoofd, gezicht en hals beaekte (XII 1° eeuw). f. Lichte helm (XI Veeeuw).

ocr page 954
ocr page 955

— 881 —

WARM

WASS

waarop een adellijk wapen is afgebeeld. — Wapeiischilder, m. Wnpenschor-

sinjf, v. (-en). — Wnpenschouiv, ..ichoii-quot;wttig, v. (-en). — VVafief/stHtd, m. (..eden).

— Mapenspreuk, v. (-en). — apcnslil-stand, m. — Wopenstuk, o. (-ken). — Wapentuig, o. (-en). — Wapenveld, o. (-en). Vak van een wapensrliild. — Wapen vlak, o. ^-ken). (Zeew.) Schildciingop den achtersteven.— JVtrpeftzaalty.{..a.lcn),

— Wapertzuil, v. (-en)

wapper, m. (-s). Wip eener ophaalbrug. Aar lt;van maïs, enz.).

wapperen, ow. wapperde, heeft gewapperd. Heen en weer slaan of waaien. In zijn gevoelen wapperen : onvast, besluiteloos zijn.

Wapper» [E. C. G. boron's, 1803-1874, Antwerpen. HisJoriesciiilder. Sr lamtfa.

war, v. Verwaninir. In de war : verward, overhoop. — IVarbccl, m. (-enU Verwarring. — IVardürrije, o. (-s). Infusiediertje» — Wargaren, o. Garen, dat in de war is. ( s) Verwarde zaak. Levendig kind of jongen. — War^cesf, m. (-en), lunrheofd, m. en v. (-en), wat kop, m. (-pen). Woelgeest. Rust-toordrr. — War-geestig, bn. — War hoop. m. (-en). — Warklomp, m. (-en).— Wamest, o. en m. (-en). — Warnet, o. (-ten). — Warren, warde, heeft geward. Rw. In de war brenger. Ow. In de war raken. Oneenig zijn. — Wa'-ring, v. — War/aal, v. Onverstaanbare taal. Woorden, die riet samenhangen. — Warztek, bn. Twistziek.

— Warzofker, m. (-s). Twistzoeker. — Warzoeksfer, ra. (-s). — Warztrchl, v.

warande, v. (-n). Diergaarde. Wandeldreef.

wa ratje, bn., warempel, wsirem-pell.|lt;gt;K, bijw.,wareotliff, wareuti^»

bn. Waarachtig.

waren, ow. waarde, lu-rft gewaard. Verschijnen, spoken. Ronddwalen.

waren, v. mv. Zie quot;Waar (3« art.).— Warenkennis, v.

waring-, v. (-en). Halfdek. Gangboord. Overloop rp kleine vaartuigen.

warltrnitl, o. Plantengeslacht [cus-cuta), tot de windeachtigen behoorende.

warm, bn. bijw. Van koude ontdaan, maar niet heet : warme spijzen. Warme (verwarmende) kleederen. Warme kamer : kamer, waarin de l uitenluc t weinig indringen kan. Hartelijk, welgemeend : eene warme vriendschap. Hevig, hartstochtelijk : erne warme liefde voor 't vaderland. Levendig : eene warme vrrbeelding. Er warm inzitten : goed bemiddeld zijn. lem. het hoofd warm maken, hem aanhitsen, hem lastig zijn. — Warn/rn, bw. ow. warmde, heeft gewarmd. Warm maken, worden. Zzr/t warmen, ww. Zich bij het vuur plaatsen om warm te krijgen. — War-mtng, v.— Warmkamer, v. (-s).— Warm-t/fV-i v' (-nen). — Warmpjes^ bijw. — Warmplaah, v. (en). — Watm/e, v. Oorzaak, die den mensch de pewaarwor-dmg geeft (b. v. bij het vuur), welke men insgelijks warmte roemt. Zekere weerge-st^ldheid.I^evendigheid.— Warmtegraad, m. (..aden). — Waf mieleer, v. — Wai m-temeter, m, (-s^. Thermometer. Werktuig om de soortgelijke warmte der lichamen te onderzoeken. — Warmtf stlt; f, v. — Warmtestraal, m. (..alen).—WV» inzaai. v. (..aler).

warmoeM, o. Moeskruid, v. Groentesoep. — Wnrmoeshof, m. (..ven). — War-moestnm, m. (-en). — Wartnoezenier, ïvarmcezier, m. (-s, -en). Die moeskruiden kweekt en verkoopt. — Wamioeze-nier ster, warmoezi' rit er, v. (-s).

warrelen, ow. warrelde, heeft srewar-reld. Heen en weer slingeren, draaien. In de war geraken. Woelen (van de zeej. — Wirrel, m. War : het garen is in den warrel. — Warreling, v. (-en). — Warrelklomp, m.J-en).— Warrelwind, m. (-en). Dwarrelwind.

war», bn. Afkeerig.

wartel, m. (-s). (Zeew.) Draaihaak. — Wartelblok, o. en m. (-ken), (/-eew.) DraaiI lok. — Wartelhank, m. (..aken).

— Warteltalie, v. (-s, ..icn).

waM, m. Grori. — Wiisdom, m. Groei. Toeneming. — Wassen, ow. wies, is gewassen. Groeien (van planter, enz.). Opkomen. borger worden (van 't water). Wassende maan : de maan als zij in omtrek schijnbaar toeneemt. — Wassenaar, m. (-s). Wassende maan. — Wassing, v.

was. o. Wecke, smeltbare en geelachtige zelfstandigheid. Wordt vooral door de bijen voortgebracht. — Wasachtig, bn.

— Wasajd\)uk, m. (-ken). — JVasatpel, m. (-s, -en). — Wasbat, m. (-len). — Wasbleek, v. (-en).— Wasbleeker, m. (-s).— Wasbleekcri;, v. (-en). — Wasbloem, v. (-en). — Was boom. m. (-en). Noordameri-kaanscbe heester {myrica ceriferd), uit welks vrucht groenachtig was wordt verkregen. — If^asdoek, o. — Wasdraad, xn. (..adenU— Waf fabriek, r. (-en).— Was-

jfabrikant, m. (-cn). — Wasgeel, bn.— Washandel, m. — Wasje, o. (-si. Was-rol. — Waskaars, v. (-en). — Wask/eu-rig-, bn. — Was koek, m. (en). — Was-la gt;, m. (-pen). — Waslicht, o. (-en).— Wasp alm, m. (-en). Palmboom [rer.xy-lon), die was voortbrengt (Z. Amerika). ^ Waspeer. v. (..eren). — Wquot;sprui?n, v. (-en).— Wasrnl, v. (-Icn). Rolletje met was omgeven, om lampen enz. aan testeken. — Wassckyf, v. (..ven). _ Wassen, bw. waste, heeft gewast. Met was bestrijken.— Wasset/, hn.— Waszalf, v. (..ven).

— Waszcep, v.

wa.scin, m. (-s). Uitwaseming. Damp.

— Wasemen, ow. wasemde, heeft gewasemd. Damp van zich geven. — Waseviig, bn.— Wasemt'' g, v.

WaMliInjrton, 231,000. Hoofdstad der Vereenijrde Staten van N.-Amerika.

WaHliinsrton (G.), 1732-1700, West-moreland (Virginie). Amer'ikaarsch generaalen grondlegger van de onafhankelijkheid der Vereer.igde Staten.

wa^Mrlien, wiesch, heeft gewasschenr ook, waschte. Bw. Door middel van vvater of andere vle)eistofzuiveren, schoonmaken, uitspoelen, enz. ^fet water verdunnen : de melk wasschen. Betten : de ot g» n was-schen. (Kaansp.) DoorscLuddcn. (Domi-


ocr page 956

WATE — 86

nospel) Dooreenschuiven. W ordt ook gezegd van eene zekere soort van teekenen met waterverf. De handen in iemands bloed wassclien, hem vermoorden. — Wasch, v. Het wasschen. (wasschen) Linnengoed, dat men wasclit of gewasschen heeft. — Waschbadi o. (-en). — Wasch-bak, m. (-ken). — Waschbeer, m. (..eren). Beer (nrsus lotor), die niets eet zonder het te wasschen (Amerika). — Waschbek-ken, o. (-s). — Wasch bleek, v. (-en). — Wasch dag, m. (-en). — Waschdoek, m. (-en). — \VaSchgeld, o. — JVaschgoed, o.

— Waschkm's, o. (..zen). — Wasch kan, v. (-nen). — Wcsc'/ike/el,m. (-s). — Wasch-ktiip, v. (-en).— Wi sch vi ach ine, v. (-s).

— Waschmand, v. ^-rn). — Waschstel, o. (-len). — Wasch.\fer, v. t-s).— Wasch-tafel, v. (-s). — Waschiobhe, v. (-n). — Waschvrouw, v. (-en). — Waschrcater, o. — Wasschen, o. — Wasscher, m. (-s).

— Wasschery, v. (-en). — Wassching, v. (-en).

wat. Vragend, betrekkelijk en onbepaald voornaamwoord.

wat, bijw. Ern wrinig. Eene korte poos. Wat, waarom lacht hij toch? ïw. Wat! komt hij niel?

water, o. (-en, -s). Doorschijnende vloeibare zelt'standighrMd, uit zuurstof en waterstof bestaandr. Kogen : er is veel water gevallen. Jioeverlh-sid water in sloo-ten, kanalen, enz. : een diep water. Waterachtige bestandileelen uit hel lichaam, als tranen, zwert. **nz. Waterzucht. Vloeistof, die er min of meer als water uitziet: reukwater. Golvende weerscMj \ van geweven stoffen. Glans, helderheid : diamant van het eerste water. Gods water over Gods akker laten loopen : zich om niets bekommeren. — Waterachtig, bn. —-Wa ter a ch tig h eid^ v. — Wa ter af dry-vend, bn. — Waterafleiding, v. (-en). — Wa ter a fta/gt;ping, v. (- en). — Waterbaan, v. (..anen). — Waterbak, m. (-ken). — Waterbekken, o. (-s). — Waterbekken (Onsch.), ow. Watertanden. — Waterbel, v. (-len). — Waterblaasje, o. (-s).— Wa-ter blauw, o. Kleur van water. — Water-blauw, bn. — Waterbouw, m. — Waterbouwkunde, v. — Waterbouwkundig, bn. — Waterbouwkundige, m. (-n). — Water buik, m. (-en). Waterzucht in den onderbuik. — Waterbuik, m. en v. (-en). — Waterdamp% m. (-en).— Waterdeel, o. (-en). — Waterdicht, bn. Ondoordringbaar voor het water. — Waterdier, o. (-en). — Watei dooigt;, m. — Water-dracht, v. (Zeew.) Diepgang.— Waterdrop, ..ddiup, m.— Waterdroppel, ..druppel, m. (-s). — Watereend, v. (-en). — Wateren, waterde, heeft gewaterd. Bw. Met water besproeien. Water geven, ofte water leiden : het vee wateren. Met water mengen. Verschillende stoffen van de gewone golvingen voorzien. Door middel van heete ijzers figuren indrukken. Loozen : bloed wateren. Uit het oog verliezen : de kust wateren. Ow. Met waterachtig vocht bedekt worden. Zijn water loozen. De mond watert mij daarvan, ik krijg er lust in. — Watergal, v. Maagslijmvloed. —

; — WATE

Wafergantr, m. (-en). Waterloop. (Zeew.) Dikke plank (aan weerszijden van het dek).

— Watergebied, o. — Wategt;gebit, o. (-ten). Mondstuk (voor paarden), uit ringen en kogeltjes bestaande — Watergety, o. Ebbe en vloed. — Watergeus, m. (..zen). Zie Geus. — Watergevogelte, o.

— Waterglans, m. — Waterglas, o. (..zen).— Waterhamer, m. (-s). Toestel, waarmede men eene vloeistof, door de drukking der lucht te vermeerderen, boven de ioo0 kan verwarmen, zonder dat de verdamping plaats heeft. — Waterhelder, bn. — Water hen, v. (-nen), waterhoen, o. (-dets). ^^waterhoenders vormen eene familie onder de steltloopers. 't Gewone waterhoentje igall inula ch lor opus) woont bij ons van April tot September. — Waterhond, m. (-en). Poedel. (Zie Hond). — Waterhoofd, o. ( en). Ziekelijke ophooping van waterachtige stof in de weivlie-zen van het hoofd. — Waterhoogte, v, — Waterhoos, v. (..zen). Zie Hoos. — Waterhoudend,^.— Waterig, bn. — Waterigheid, v. — Watering, v. Besproeiing. Drenkplaats (voor paarden, enz.). Groef onder den drempel van een venster, om den regen te beletten langs den muur at te vloeien. Waterstaat (3®beteekenis).— Waterjuffertje, o. (-s). De waterjuffertjes (hbellula) vormen eene familie onder de netvleugelige insecten. — Waterkan, v. (-nen). — Waterkanker, ra. Kankergezwel in den mond. — Waterkant, m. (-en). — Waterkeering, v. (-en). Dam. Dijk. Havenhoofd. Sluiswerken, enz. — Waterkers, v. Plantenneslacht {nasturtium), tot de kruisbloemigen behoorende. De geraeene («. officinale) draagt witte bloemen. Bloeit in Juni, Juli, Augustus. — Waterketel, m. (-s). — Waterkikvorsch, m. (-en). Zie Kikvorsch. — Waterkleur, v. — Water kleurig, bn. — Waterkom, v. (-men). — Waterkoud, bn. Kouden vochtig. — Water-kruik, v. (-en), — Water-kuip, v. (-en). — Watrrkunde, v. — Wa-terkundig, bn.— Waterkundtge, m. (-n).

— Waterkuur, v. (..uren). —Waterlaars, v. (..zen). Waterdichte laars. — Waterland, o. — Waterleer, v. — Waterlegger, m. (-s). (Zeew.). — Waterleiding, v. (-en). Loop van het water. Het opvoeren van water naar zekere plaats. De pijpen en buizen daartoe noodig. — Waterlelie, v. (..iën,-s). Plomp. — W at er lijn, v. (-en).

— Wat er lisch, o. Zwanenbloera. — Waterloop, m (-en). Richting van het water in zijnen loop. Gracht, sloot. — Waterloos, bn. — W' at er loot, v. (..oten). Onnutte, onvruchtbare loot of tak. — Water-loozen, o. — Water toezing, v. — Waterman, ra. (-nen). Verkooper van drinkwater. Zie Dierenriem. — Watermerk, o. (-en). Eigenaardig merk in pap;er. — Watermeter, m. (-s). — Wa'ermoltn, ra. (-s). Molen, die door 't water in beweging wordt gebracht. Molen, di-'nende om ergens het water uit te trekken. — Watermolenaar, ra. (-s). — Watrrnimf, v. (-en). Najade. Waterjuffertje. — Water-nood, ra. Gebrek aan water. -- Wateroog, o. en v. (en). Waterzucht in 't oog.—


ocr page 957

— 883 -

WATE

WATE

Watermolen.

vlakte van 't water. Gelijk. Effen. — IVafer-pashjn,v. (-en). — Waterpasmeter9m. (-s). — Waterpassen (Ousch.),

bw. Waterpas maken. On-derzoeken of iets waterpas is. — Waterpassing, v. /' i., (-en). — Waterpeilt o.

(-en). Werktuig om de waterhoogte te meten.— Wa-terpeilstok, m. (-ken). —

Waterpeper,v. (Plantenk.)

Scherpe duizendknoop. —

Waterpers, v. (-en). Is voor het eerst door Brantah te Londen vervaardigd (1796).

Dient om lakens te glanzen,

het sap der beetwortelen,

de olie uit deoliezaden te persen, om kanonnen,

stoomketels,enz. op deproef testellen, om zware lasten te verplaatsen, enz. a =

pompbuis; b = cylinder of perskolf; c = plaat, die rijst en daalt; d = onbeweeglijke plaat. (Tusschen c en d worden de voorwerpen geplaatst, welke men wil samendrukken); f =

hefboom; g = zuigerstang;

h = waterbak; /'= gietermondstuk ; k = klep; / =

buis; m — buis; n = stuk leder, dat in den vorm van eene omgekeerde U is omgebogen. — Waterpijp, v. (-en). — Waterplaats, v. (-en). — Waterplant, v. (-en). — Waterplas, ra. (-sen). — Waterplomp, v.

(-en). Witte plomp. — Waterpoel, m. (-en). —

terfgt;okken, v. mv. Zie Pok. — Waterpomp,(-en).—

Waterwaard,o. (-en).Nijlpaard,— Waier-éasy o. (-sen). Werktuig om te onderzoeken of iets waterpas is. — Waterpas, bijw. Dezelfde strekking hebbende als de opper

Water poot,v. (-en).— Waterpot, m. (-ten),

— Waterproef, v. (..ven). Zie Proef.— Waterproef, bn. Bestand tegen het water. — Waterproef, o. Stof, die tegen het water bestand is. — Waterpuist, v. (-en).

— Waterput, va. (-ten).— Waterraaf, v. (..aven). Schollevaar. — Waterrad, o, (-eren). — Waterranonkel, v. (-s). Plantengeslacht.Waterrat, v. (-ten). Zeker knaagdier. (Spott.) Zeeman. — Water-recht, o. —■ Waterrijk, bn. — Water-rym, m. Rijm, die na koude nachten op daken en planten ligt. — Waterrymen, eenpw. waterrijmde, heeft en is gewater-rijmd. — Waterroos, v. (..ozen). Witte plomp. — Waterrot, v. (-ten). Waterrat.

— Water ruit, v. Plant [thalictruvi fia-vuvi), tot de ranonkelachtigen behooren-de. Komt in moerassige streken voor. — Waterschap, o. ( pen). District, polder of heemraadschap, dat een bestuur heeft gelast met het nemen van maatregelen om overstroomingen te vermijden. — Water-schat, m. Overvloed van water. — Waterscheprad, o. (-eren).— Waterscheut, v. (-en). Watcrloot. — Waterschout, m. (-en). — Waterschroef, v. ( .ven). — Waterschuw, bn. Bevreesd voor water. Met de hondsdolheid behept. — Waterschuwer, m. (-s).— Waterschuwheid, ..schu-


ocr page 958

— 884 —

WEDE

WATT

iviftgy v.— \V citer slag, m. Reeks heldere tonen in den zang van den nachtegaal. — Watersnip, v. ( pen). Zie Snip.— JVa-ier snood, m. Nood, rampen en onheilen, dooi overstrooming veroorzaakt. — \Va-ier Spie gel, m. Oppt-r vlakte van het water.

— Waterspoor, o. (..oren). — ll'ater-sprofig, m. (-en). — Waterspui/, v. (-en). Brandspuit. — Waterstaat, ra. Gesteldheid van het water of van een land met betrekking tot het water. Aanleg_ en onderhoud van waterwerken. Administratie, welke over wee en en waterleidingen toezicht heeft. — Water staatsbelang, o. (-en).

— Waterstand,m. (-en). Hoogtestand van bet water (in een rivier, enz.). — JVatersteen, m. (-en). Gootsteen. — W» ter stof, v. Gas. Komt in vrijen toestand zelden voor ; is met zuurstof tot water verbonden algemeen verspreid. — W^aterstraal, m. (..alen). — Watertanden (Onsch.), ow. Groote begeerte hebben (tot), inz. tot spijs en drank. — Watertocht, m. (-en). — Waterton, v. (-nen).— Water toom, m. (-en). Paardenpebit, dat in 't midden plooit. — Watertwist: o. Soort van geweven wit goed. — Waterval, m. (-len). Plaats, waar het water van eene hoogte naar beneden valt. — Watervarens, v. mv. Plantenfa-railie.— Watervat, o. (-en). — Waterverf, v. (..ven). Soort van verf, welke in water met lijm, enz. vermengd, wordt opgelost. — Waterver heveling, v. (-en).— Waterver plaatsing*. (-en).— Water-verval, o. Verschil van diepte bij hoog of laag water. — Watervlaag, v. (..agen).— Watervlak, v. (-ken). Vlak door water veroorzaakt. o Oppervlakte van 't water. — Watervloed, m. (-en). Overstrooming. Zondvloed — Water vogel,— Watervrees, v. — Wat er vrij, bn. Vrij van water. Vrij van overstrocming. — Water-weegbree, v. Plantengeslacht, tot de waterweegbreeën behoo' ende.— Waterweeg-breeën, v. mv. Plantenfamilie. — Wa-terzveegkunde, v. Hydrostatica. — Wa-terveeegknndige, m. ^-n). — Waterweg, m. (-en). — Waterwever, m. (-s). — Water ver/:, o. (-eo). Bouwwerk, in het water opgetrokken. Waterkecring. Fontein, springbron. — Waterwerktuig, o. (-en). — Waterwyding, v. (-en). — Waterwild, o. — Wat er wilg, m. (;en). Soort van wilgeboom {saltx mm in a lis). — If^a-terznk, m. (-ken). — Waterzak, m. en v. (-ken). Iem., die veel water drinkt. — Waterzijde, v. (-n). Waterkant. — Waterzoo, v. Kooksel van palinc, baars, enz. m water met ajuin, peterselie, enz. — Waterzucht, v. Ziekelijke ophooping van waterachtige stoffen in de weefsjls of in de gesloten holten des lichaams. — Waterzuchtig,, ,0 1- ..

quot;Walt v^.), 1736-1819, Greenock (Schotland). Natuur-en werkiuigkuodige. Heeft het stoomwerktuig \erbetird en den condensator uitgf\onden.

(A.), 1684-1721, Valenciennes. Fr. schilder. Salon-, bal- en herders-tooneelen. ... 1

^vsitton. v. vm. Wol, zijde, katoen met lijrawaier tot een los vilt samengewerkt. —

Watje, o. (-s). Propje watten. — Watteeren, bw. watteerde, heeft gewatteerd. Met watten vullen, voeren.— Watten, bn. • Watten fabriek, v. (en).— Wattenfabri-kant, ra. (-en).

Wattfez (Z.. O.), 1857, Schoonsse. Lee-raar (Athen.fum, Doornik). Stemmen uit het Hart (1887); J-nge Harten (1890) ; het Witte hoek (1899).

Wan torn [E. C.), 1846, Brussel. Historie- en portretschilder.

wauw, bn. (Zeew.) Voordeehg (van den wind).

wauwelen, ow. wauwelde, heeft gewauweld. Lang en vervelend praten. — Wauwelaar, ra. (-s).— Wauwelaar ster t v. ( s).

Wealc (W. H. J.), 1832, Londen. Let-ter- en geschiedkundige. Buitenl. eerehd der K. VI. Academie.

wel», o. (-ben), webbe, v. en o . Weefsel. Geweven doek .Weefsel der spin.

Weber (C. M. F. t/ö//), 1786-1Ö26. Eutin. Toondichter. Der Frei*chütz (1822); Euryanthe; Ober on; Sonaten.

Weber (^ W.), 1813-1894, Allhausen (Westfalen). Duitsch dichter. Driezehn-hndeii (1878); Goliath (1892).

wed, o. ^-den. Waadbare plaats. Drenkplaats (voor vee). T5 1J-wetlde, v. (-n). Vast loon. Bezoldi-

gl wedden, bw. ow. wedde, heeft gewed. Iets, inz. geld bij afspraak toeleggen voor deze, die van beiden gelijk heelt : ik wed éen tegen tien.— Weddenschap, v. (-pen). Het wedden. — Wedder, m. (-s). — Wed-dtng, v. — Wedster, v. (-s).

weder, m. ( s), weer, m. (-en). Kara, weder, weer, o. Luchtsgesteldheid : koud, helder weder, enz. Wind en weder dienen hem : het gaat hem naar wensch.

weder, weer, (zoo ook in de meeste samenstellingen), bijw. Nok eens. Opnieuw. Terug. — wederaankleedeu (1), bw. Zich wederaankleeden, ww. — weder-Manmoedisen, bw. — wederaan-Mpannen, bw. — wederaantrelc-Ken, bw. — weileraanvuüleii, bw. — weJterafbreken, bw. — wederkomen, ow. (zijn). — weneraffcebrU-ven, bw. — wc«leral»»taan, bw. — _ wederafvaardlgt;r'Pn, bw. — wo-derafvallig:. in.— wederantwoorden, bw. Wederantwoorc'. o. (-en). — wederbedlngren, bw. Weder beding,

o. (-en). — wederbesreeren. bw —

wederbekonien, bw. ow ll eaer bekoming, v. — wederbeloonen, bw. Wederbeloming, v. (-on). — v.ederbe-bw. — we«lerbe«cliuldlgen,

bw. Wederbeschuldigzny, v. (-ei'), - we-derbetalinjr. v. ( en). IV* der betaal-ba..r, tn. - wctlorboliInv. -bw. Wed,,brenger, m. (-s). VVedet brtngwg, 1- Wederbreng-

(i) De samengestelde werkwowden met weder, bij welke peene vervoeging is aangeduid, zijn scheidbaar.


I

ocr page 959

- «S5 -

WEDE

WEEG

siert\. (-s).— M'tMlordieimt, ra. (-en).

— \ve(l4'i'lt;loo|ieii, b\v. Wf der doop) m. Weuf dooper, m. (-s). Wederdoopery, v. Wederdoopstery v. (-si. — wvderei-higt;li«*11, bw. Wedereisch, m. — gt;ve«lcr-«rkstutfeii, bw. — ^vc«lci'g:s4(4l)e, v. Een van twee dingen, die een paar vormen. Gelijke. Zonder wedergade : voor-becldeloos. — ^«'cdcrg-eltoorte, v. De heiboring lot het geestelijk leven door den h. Doop. Wedergeboren, bn. — we(l«ir-gevoii, bw. Weaergaaff ..gave, v. — wciK'rgrlocd, ra. — n'oderarroctcii, bw. Wedergroet, ra. — W4Mierg-iiiiHtgt;, v. (-en). — tvcderlizileu, bw. — wo-

quot;derlietoben, bw. — wodorlicirt, v. ^-en). Ken van twte de»-len. Eciitg noot, echtgenoote. — wctlei^lioori};, bn. Koppig. Weder hoor ig-heid, v. — wedcr-Isoudoii lünsch.), bw. Tegenhouden. Alhouden. Belenen.— wedvrinkoop, in. — ivedlt;^riiiHloi*liii|r« v. \Geueesk.).

— vredei'liscttseu, bw. Weerkaatsen.— wederkstUM, v. ^-en). — 'vvcderkstiit, in. Wt-erkant. — tvcdei*llt;elt;ki*on, ow. (zijn). Wederkeer, m. Wede/ 6, er /g-, bn. bijw. Van weerskanten komende. Underling. ^Taalk.) Weiderkeorig werkwoord. Wederkeerigheid, v. — wederkomen, ow. (zijn). Wederkomst, v. — weder-koopen, bw. — wedcrki Lgt;w.

— wetlei'lveren, bw. — we«ii'i'llt;*sr-s:ei« (ünsch.), bw. Als ongegrond legt-n-spreken. Beantwoorden met tegenbewijzen. Wederlegbaar, bn. WederIfgbnar-heid, v. Wederlegt:er% m. (-s). Weder-legginz, v. i-t-n). Wederlegster, v. (-s).

— WOderlevef«'ii, bw. We der lever ing, v. — «vcdwliefde, ..luiu, v. Weder-keerige liefde.— «vcderloou, o. en m.

— wtMleruonivn, bw. — wc«leriiOO-dlg-en, bw. Wedey iioodigttig, v. (-en).— wederom, bijw. Nog eens. Nogmaals. Terug. — wederontmoeting:, v, l-en).

— \«e(lei'oplgt;oim'en, bw. Wederop-bouiv, m. WederopbouTvtng-fV. — wedei-oprieliten, bw. Wederoprich(er, m. (-s). Wede» oprichting, v. — wederop-fttstnd'nsr, v. — wederopTatting:, v.

— wc^derpnriy, v. (-en). Tegeupauij. Tegenstrever. Wede* party der, m. (-s).

— wederr-eeliteiyk, bn. bijw. Onwettig. In sirijd met l.et recht. Wederrechtelijkheid, v. — wederroepen (Onsch.), bw. Herroepen. Intrekken. Wederroepelij k, hn. Wederroeping-, v. — weder-seliekden, bw. — wetlerspalt, v. Muiterij Wederspaltit:, bn. bijw. — we-derHpaKanig:, ün. bijw. Koppig. Ongehoorzaam. Wederspannehng, m. en v. (-en). Wederspanntg'iridf v. — weder-Mpoetl. m. Tegensput-d. — wedersproken (Onsch.), bw. Tegenspreken. We-dersptaak, v. Wederspreker, ra. (-s). Wederspreekster,\. ( s). Wedrrspt eking-, v. (-en). — wederMfsimi (Onsch.), ow. quot;Weerstand bieden. Zich verzetten (tegen). Wederstaanbaar, bn. Wederstand, m. Tegenstand. Verzet. Wederstander, m. (-s). Weder standsver rnogen, o. — we-4lerKtoot, ra. (-en). — welt;lerMlreven lOnsch.), bw. Zich verzetten (tegen). Be-leranieren. Verhinderen. Wederstrever, m. ( s). Wederstreefstur, v. (-s). Weder-strevig, bn. bijw. Koppig. Wcdersir evig-heid, v. Wederstf eving, v. (-en). — weder» turen , bw. — wedervaren (Onsch.), ow. (zijn). Overkomen. Gebeuren. Wederr'aren, o. — wederverfel-den, bw. Wedervergelding-, v. — we-«lerverkieMbaar, bn — wederver-koopen, bw. — wederverseliUnen, ow. (zijn). Wederverschijning, v. — we-derviiKlen, bw. — wedervraag, v. (..«gen). — welt;lerw:iardiulteid, v. (..htden). Onbehaaglijkheid. Verachting, Ramp, tegenspoed. — wederwoord, o. (-en). Antwoord. — wederwraak, v.

— wederzee, v. Tegenzee. — weder-xeggen (Onsch ), bw. Herzeggen. Weigeren. Tegenspreken.— wederzenden, bw. J \re der zending, v. — wetlerzien, bw. Wederzien, o. — wederzUde, v. Tegenovergestelde zijde. Wederzi/ds, bijw., 7vederzydscnt Ln. Van beide zijden. We-dtrk-eng.

wederik, v. Plantengeslacht {lysima-c/tia), lot de sleutelbloemigen behoorende. De roudbladig« w. of 't penningkruid (z. d. w.) komt bij ons 't meest voor.

wedy veren, ow. wedijverde, heeft gewedijverd. (Anderen) trachten te evenaren of ie overtreffen. Weigt;ijver, m. — wedloop, m. (-en). Het loopen om het hardst.

— Wed loop en, o. Wedlooper, in. (-s). Wed'oopster, v. (-s). — weilprjUs, m. (..zi n). Prijs bij het wedloopen. Prijs (eener weddenschap). — wedrvn, m. (-nen). Het rijden om het hardst.—wedwpel, o. (-en). Weddenschap. Wedloop.— wed-blrUd, ra. l-engt;. Stujd ora een uitgeloofden prijs te behalen. Strijd om te zien wie de sterkste is. Mededinging. Naijver.

wednwaal, m. (..alen). Zie Wielewaal.

weduwe, v. (-n), wednw. weenw,

v. (-en). Vrouw, wier man overleden is. — Weduwenfonds, weduwfottds, o. (-en).

— Wednwenkas, v. (-sen). — Weduw-geld, o. (-en). — Wedmvgift, v. (-en). — Weduzujaar, o. — Weduwlijk, bn. — Wednivnaar, m. (-s, ..aren). Man, wiens vrouw overleden is. — Weduwschap, o.

— Weduwstaat, ra. — Weduwvrouw, v. (-en).

wee, o. (-en). Smart. Pijn. Kommer. Verdriet. Ramp.— Wee, tw. Drukt droefheid ol smart uit. Wee u : ongeluk over u 1

— Weedom, m. Wee.

wee, bn. Flauwhartig. — Weeheid, v. weedaHela. v. Soort van potasch. weede, v. Plantengeslacht \isaiis), tot de kruisbloemigen behoorende. Verf, uit de weede verkregen. — Weedeblauw,o,

— Weede/-Zant, v. (-en).

weefde louw, o. (-en). Toestel, waaraan de wevers weiken.— Weef kunst,v.

— Weefsel, «gt;. ( s, -en). Wat gegeven wordt of is. Wijze, waarop iets geweven is. Organisch weelsel: weefsel der huid, weefsel der bladeren. Een weefsel van leugen en bedrog.

weeg:, m. f-en). Wand, muur van plankeu, van vlechtwerk, van klei.


ocr page 960

— 886 —

WEER

WEEN

weekblad, o., weo^brec, v. Plantengeslacht (plan/ago), tot weegbreeach-tigen behoorende. De meest bij ons voorkomende soort is de lancetbladige w. of hondsribbe (z. d.w.). — \Veegbreeachti-gen, v. mv. Plantenfamilie.

weegbriig:, v. (-gen). — iveegrprla», o. ^..zen). Vochtmeter. — wec^lisiakt m. (..aken). Unster. — ivcesktniric, v. Statica. — wcegsehaal, v. (..alen). — wceentccn, m. (-en).

weegluis, v. (..zen). Hafvleugelig insect {cimex lectuarius). Leeft in bedsteden en in spleten van muren en houtwerk.

— Weeghitzenkrutd, o.

weck, v. (..eken). Tijdsverloop van zeven dagen.— Weekbericht, o.— Weekbeurt, v. ( en). — Weekblad, o. (-en). — Weekgeld, o. (-en). — Weekloon, o. en m. — Weekmarkt, v. (-en). — Weekschrift^. (-en). — Weekstaat, m. (..aten).

— Wekelijks, bijw. — Wekelyksch, bn. ivcck, bn. Niet hard. Mollig, zacht.

Broos.Teergevoelig. Licht getroffen. Verwijfd, niet moedig. Niet sterk (van^ lichaam).— Week, o. Week gedeelte, inz. van den buik. — Week, v. Het weeken : linnen in de week leggen.— Weekachttg, bn. — Weekachtigheid, v. — Weekbak, m. (-ken). — Weekbakken, bn. jVan brood).— Weekbeen, o. (-deren). Kaakbeen. — Weekbeen tg, bn. — Weekdartn, m. (-en). — Weekdier, o. (-en). Zie Bijgevoegde Tabellen. — Weekelijk, bn. bijw. Zacht. Teeder. Verwijfd. — Weekehjk-heid, v. — Weekehng, m. en v. (-en). Vertroeteld mensch. — Weekehnge, v. {-n).— Weeken, weekte, heeft en is geweekt. Bw. Week doen worden. In de week zetten, leggen. Ow. Week worden. In de week liggen. — Weeker, m. (-s). — Weekhartig, bn. bijw. Zachtaardig. Medelijdend.— Weekhartigheid, v.— Weekheid, v. — Weekhoevig, bn. — Weeking, v. — Weekkuip, v. (-en). — Weekmaken (Sch.), bw. Weeken. Verteederen. — Weekmakend, bn. — Weekmaking, v. — Week moe dig, bn. bijw. Weekhartig. — Weekschalig, bn. — Weekster, v. (-s). — Week vinnig, bn. — Weekvleugeligen, m. mv.

wccklaclit, v. (-en). Jammerklacht.

— Weeklagen, ow. weeklaagde, heeft geweeklaagd. Jammeren.

weel, v. (weelen), waal, v. (walen). Poel. Overblijfsel van eene vroegere dijkbreuk.

weelde, v. Overdaad. Luxe. Dartelheid, wellust. Groote overvloed. Pracht. — Weelderig, weeldtg, bn. bijw. Wulpsch. Dartel. Zinnelijk. In overvloed vruchten dragende. — Weelderigheid, v.

weemoed, m. Treurige stemming van 't gemoed. — Weemoedig, bn. bijw. Licht aangedaan. Teergevoelig. Mistroostig. — Weemoedigheid, v. — Wee moedig lijk, bijw.

weenen, weende, heeft geweend. Ow. Tranen storten. Bw. Bittere tranen weenen — Weener, m. (-s), — Weening, v.

— Weenster, v. (■$,).

Weenen, 1,100,000. Hoofdstad (Oostenrijk). — Ween er, m. (-s). Inboorling van Weenen. — Weener, bn. Uit, van Weenen.

Weenix {J-), 1640-1719, Amsterdam. Schilder van dood wild.

weepfieb, bn. Zouteloos. Smakeloos.

— Weepschheid, v.

weer. Zie Weder (1® art.).

weer, o. en m. (weren). Eelt. Verharding der huid, inz. aan handen of voeten.

— Weerachtig, bn.

weer, v. Wederstand, verdediging tot lijfsbehoud. Vroeg in de weer zijn : vroeg aan den arbeid zijn. — Weer, v. (weren). Wal, muur, enz. waarachter men zich verdedigt. Haag. Afgetuinde plaats aan de zee . om visch te vangen. — Weerbaar, bn. Verdedigbaar. Strijdbaar. Houdbaar : die vesting is niet weerbaar. — Weerbaarheid, v. — Weer baar heidsbond, o. — Weergeld, o. (Eert.) Boete, die men wegens doodslag, enz. moest betalen.— Weerloos, bn. — Weerloosheid, v. — Weer-plicht, m. en v. Verplichting om de wapens tot de weerbaarheid van het land op te vatten. — Weerplichttg, bn. — Weer-plichtigheid, v.

weer. Zie Weder (2® art.). — Weerbericht, o. (-en). — Weerbloem, v. (-en).— Weergal, v. (-len). Rood wolkje, voorteeken van stormachtig weder. — Weerglas* o. (..zen). Barometer. Barometer en thermometer op éene plank. — Weerhaan, m. (..anen). Windwijzer. Onbestendig mensch.

— Weerhanery, v. Politieke weerhanerij : altijd van partij veranderende. — Weer-huisj'e, o. (-s). Vochtigheidsmeter in de gedaante van een huisje. — Weerkenner, m. (-s). — Weerkennis, v. — Weerkunde, v. — Weerkundigquot;, bn. — Weerkundige, m. en v. (-n). — Weerlicht, o. Geflikker van bliksem zonder donder. — Weerlicht, v. Als de weerlicht: zeer snel. Loop naar de weerlicht. — Weerlichten, eenpw. weerlichtte, heeft geweerlicht. Bliksemen (zonder donder).— Weerlichts, tw. Drommels. — Weerlichtsch, bn. — Weerman-netje, o. (-s). Mannetje van een weerhuis-je. — Weerplaat, v. (..aten).— Weerpro-feet, m. (..eten). — Weersgesteldheid, v. (..heden). —weerslafir, m. (-en). Don-dejslag. Weerslags, tw. Weerlichts. Weer-slagsch, bn. Weerlichtsch. — Weersverandering, v. (-en). — Weertajel, v. (-s),

— Weervoorspeller, m. (-s). — Weervoorspelling, v. (-en). — Weervrouwt/e, o. (-s) .Vrouwtje van een weerhuisje. — Weer-7vijs, bn. Bedreven in de weerkunde. — Weer wijzer, m. i-s). — Weer ziek, bn.

weer, bijw. Zie Weder (3® art.). — weeral, bijw. Alweder. — weerbar-stigr, bn. bijw. Koppig. Weerbarstigheid, v. — weer borstel, m. ( s). Haar, dat in andere richting groeit dan het overige. — weerbruiloft, v. (-en). — weerdruk, m. Herdruk. IVgenstolIing van schoondruk.— weerga, tw. Wat weerga: drommels ! Loop naar de weerga. Weetgaasch, bn. Drommelsch.— weergalm,m. Herhaling van het geluid in de lucht, ten gevolge van zijne terugkaatsing tegen een of ander beletsel : de geluiden maken weer-


ocr page 961

WEG — 8

galm op 17 met. afstand, de gearticuleerde klanken, op 34 met. Weergahnen (Onsch.), o\v. Eenen galm herhalen. — woorgra-Iooa, bn. Zonder gelijke. — ivccrglitus, ni. Terugkaatsende glans. Luister, roem, vermaardheid.—ivcgt;erliai3»k,ni. (..aken). Haakje aan een grooteren haak, dat, als het ergeus is ingedrongen, er met moeite kan uitgetrokken worden. Vischhoek. — ^vccrkualHeu (Onsch.), bw.Terugkaatsen. Weer ka a tsing, v. — weerltaiit, m. Tegenzijde. Van, aait weerskanten, bijw. uitdr.: aan beide ?ijden.—woerkauiveu (Onsch.), bw. Herkauwen. — weerklank, m. Herhaling van het geluid. Weerklinken (Onsch.), ow. Weergalmen.

— weeromreiN, v. (..zen). Terugreis.

— weeromstuit, m. Tegenstuit. — weerpüu, v. (-en). Pijn, door eene andere veroorzaakt. — weerseliUu» m. Weerkaatsing. Flikkering van eene kleur op eene andere. Weerschijnen (Onsch.), ow. Weer schijnsel, o. (-s).— weerslag-, m. (..agen). Het terugslaan. Terugslag. — weeramaak, m. Onaangename nasmaak . Tegenzin. Afkeer. — weerstroom, m. Kecrende stroom. — weerstuit, m. Het terugstu ten. — weersxtj-den. Van, aan weerszijden, bijw. uitdr.

— weeriy, o. (-en). Ebbe. — weer-vloed, m. Keerende vloed. — weerwil, m. Spijt. In weerwil (van) : ondanks. — wecrziu, ra. Tegenzin.

Weert de), i3..(?)-i362,leper.Heelkundige. Doctrinale of Spieghei der Son-den (1351?).

weerwolf, m. (..ven). Menschin wol-vengedaante. Onhandelbaar mensch. — Weerwolfsziekle, v. Soort van waanzin.

wees, m. en v. (weezen). Kind, dat vader of moeder of beiden verloro.i heeft. — Wee-ze,v. (-n).— Weesbezorge*,m. (-s).— Weeshuis,o. (..zen). — Weesjongen, m. (-s).— Weeskamer, v. (-s).— Weeskind, o. (-ers, -eren). — Weesmeester, m. (-s). — JVees-heer,m. (-en).— Weesmeisje, o. (-s).— Weesmoeder, v. (-s). — Weesschool, v. (..olen). — Weesvader, m. (-s). — Wee-zenfonds, o. (-en). — WeezengeUi, o. (-en). — Weezengoed, o. (-eren). — Wee-zenkas, v. (-sen). — Weezenkleeding, v.

— Weezenpen n in gen, m. mv.— Wee zen-staat, m. — Weezenverpleging, v.

wees-gegroet, o. ( en). De engelsche groetenis.

weesje, o. (-s). Priëeltje.

weet, v. Kennis, wetenschap : bij mijne weet. Kennisgeving : de weet van iets krijgen. Gewoonte, oefening : dit is maar eene weet. Nergens weet van hehben : voor alles ongevoelig zijn. — Weetal, m. en v. (-len). — Weetgierig, bn. bijw. — Weetgierigheid, v. — Weetgraag, bn. — Weetlust, m. — Weetniet, m. en v. (-en).

weeuwfje, o. Soort van duikeend. Zie Nonneken.

weg, m. (-en). Gedeeltegronds. dat gebaand is en geschikt om begaan of bereden te worden. Afstand van de eene plaats naar de andere. Doortocht. De wegen (de beschikkingen) der Voorzienigheid. ^liddel, manier : dat is de weg tot de glorie. Den

7 — WEGD

weg der deugd bewandelen. Naar den bekenden weg vragen. — Wegenschender, ra. (-s). — Wegenschender7/, v. — Weggezet, m. (-len).— Weggezellin, v. (-nen).

— Wegkant, m. (-en). — Wegkorting, v. (-en). — Wegmeter, m. (-s). — llsegopzic/i-ter, m. (-s). — Wegscheiding, v. (-en). — Wezschouzv, v. — Weg schouwer, m. (-s).

— Wegwerker, m. { s).— Wegwijzer, m. (-s). — Wegzijde, v. (-n).— Wegzuil, v. (-en).

weg, v. (-gen), wegge, v. (-n). Kluit : eene weg boter. Broodje in dezen vorm.

weg, bijw. Drukt eene verwijdering of vertrek uit. De hand weg, neem deze weg. Hoofd weg : pas op uw hoofd ! Tw. Verwijder u ! Weg (met)! — wegarbeiden (o, bw. Door arbeiden wegnemen. — wegbannen, bw. Verbannen. Verjagen. — wegbergen, bw. W'egsluiten. Wegsteken. Bewaren. — wegbyieu, bw. Bijtende wegnemen. Ow. (zijn) Door bijtmiddelen weggenomen worden. — wegblazen, bw. Blazende wegnemen. — wegbleven, ow. (zijn) Niet terugkomen. Uitblijven. Niet geplaatst worden. — weg-boegseeren, bw. (Een schip) aan de sleeptouw voorttrekken. — wegboeneu, bw.— wegboomen, bw. (Een vaartuig) met eenen boom wegduwen. — wegbor-steleu, bw. — wegbranden, bw. Brandende wegnemen. Ow. (zijn) Verbranden. — wegbreken, bw. Afbreken. Wegbreking, v. — wegbrengen, bw. Elders vervoeren. Verplaatsen. In verzekerde bewaring brengen. Wegbrenging, v. wegbruien, bw. Weggooien. Ow. (zijn) Heengaan. — wegryteren, bw. Door redenetring doen verdwijnen. Ontkennen. Wegcijfering, v. — wegdam-pen, ow. (zijn) In damp vervliegen. — wegdansen, bw. l ansende weg-, opnemen. Ow. (zijn) Dansende zich verwijderen. — wegdartelen, ow. (zijn) Dartelende weggaan. — wegdenken, bw. Zich voorstellen dat iets niet aanwezig is, of niet be«taat. —- wegdieven, bw. Stelen. — wegdoen, bw. Zich van iets ontdoen. Wegnemen. Wegsluiten. — weg-dooien, ow. (zijn) Door den dooi smelten. — wegdragen, bw. Naar elders overbrengen. Behalen : den prijs wegdragen. — wegdraven, ow. (zijn).— weg-dribbelen, ow. (zijn).— wegdrijven, bw. Drijvende verwijderen. Stelen : iemands vee wegdrijven. Ow. (zijn) (Zeew.) Afdrijven. — w'egdringen, bw. Door dringen verwijderen. D( or dringen ruirate of plaats maken. Ow. (zijn) Dringende zich verwijderen. — wegdrogen. ow. (zijn).

— wegdruipen, ow. (zijn) Droppelsge-wijze wegvloeien. Stil heengaan. — wegdrukken, bw. Door drukken wegnemen. — wegduiken, ow. (zijn). — wegduwen, bw Door duwen verwijderen. — wegdwalen, ow. (zijn). — wegdwel-len, bw. Met eene dweil wegnemen.

(1) De samengestelde werkwoorden met weg zijn scheidbaar.


ocr page 962

— 888 —

WEGS

WEGL

wcgredoorii, wetjodoreit, v. Plant

{rhammus cari/iarticus)t tot de vvege-doornachti^t-u behoorende. Komt bij ons aan den zeekant in de duinen voor.— We-geJoormichttgeii, v. mv. Plantenfamilie.

w«'KCl, m. ^-s), wekeling:, m. (-en). Smalle weg.

woog, heeft gewogen. Bw. De zwaai te, het gewicht van iets onderzoeken. Overleggen, overdenken : alles wikken en wegen. Ow. Zulke of zulke zwaarte hebben. Hij weegt niet zwaar : hij heeft niet veel verstand. — IVeger, m. (-s). Die wet-gt. (Zeew.) Plank, die van binnen een schip bekleedt.— Weger en, bw. wegerde, h'ftL gewegerd. Een schip van binnen beplanken. — IVegertngy v. — IVegiug, v.

wegüiis, vz. Uit hoofde (van). Ter oor-zake (van). Aangaande.

wojr«'It'll, bw. — w^srolloron, ow. (zijn). IVe^effet tfii?, v. — wegf rommelen, bw. Haastig wegstoppen. — wegr-grami, ow. Uijn) Heengaan. Vertrekken.

— weggruloppecren, ow. (zijn), wesrsre. Zie Weg (2® art.), weggeven, bw. Aan anderen geven.

Zich ontdoen (van). — wegrgieten, bw. Uitgieten (om niet meer te gebruiken). — wegrgrHlden. ow. (zijn). — wegrgroo-ehelen, bw Behendig doen verdwijnen.

— wejijfoolen, bw — wefifgraven, bw. Dooi graven wegnemen. JVegg* avtftg, v. — w«');K:rü|»en, bw. — woglmaiH-ten ww. — weglia^lcen, bw. IVeghakkmg, v. — wegliitlen, bw. Me-denemen. Ontvoeren. Weghaling, v. — weglinngen. bw. — wegrltnrkeu, bw. — weglielgt;lgt;en, bw. Reeds ontvangen hebben. Begrijpen, verstaan : hebt gij

t weg? Het weghebben : onpasselijk zijn, in zijne hersens gekienktzijn. — weghelpen, bw. — wegliinken, ow.(zi)n). — weglionden, bw. Verborgen houden.

— weglionwen, bw. Houwende wegnemen. — weglinpftelen, ow. (zijn).— wegUlcn, ow. (zijn). — wegjatgen, ow. Ontslaan, wegzrnden wegens wangedrag. — wegltnsitM«?n, bw. — wt-g-kubhelen, bvv. Kabbelende wegnemen. Ow. (zijn) Kabbelende weggenomen worden. — wegUmtkeren, ow. (zijn). kankermz, v. — weglinpen, bw. Heimelijk wegnemen. Buit maken (op zee). — wegkn|»|»eii, bw. — wegklelseii, bw. — wegkimgen, bw. Door knagen doen veidv. ijneu. Ow. (zijn) Doorknagen verteerd worden. — wvgknifpen, bw.

— wegknippen, bw. — wegkomen, ow. (zijn* Ontsnappen. Op de zoek, verloren raken. — wegkoopen, bw. Alles opkoopen. — negkrablivlfn, weg-krnhben, bw. — wegkrügen, bw.

— wegkrimpen, ow. (ziju) Door krimpen verminderen, korter worden.^ Ineenkrimpen. — wegkrnien, bw. Kruiende vervoeren. Ow. (zijn) Kruiende wegdrijven. — wegkruipen, ow. (zijn).

— wegknniien, ow. — wegkiiM-Hen, t'W. — w«'gkwUnen, ow. uiju) Kwijnende wegier« n. Weg/cwytiiug, v. — weglaten, bw. Overslaan. Achterlaten. Ver6eieu. Weglating, v. (-en). — weglsi-veeren, ow. (zijn).— wegleggen, bw.

Terzijde leggen. Beigen. Onder slot bewaren. In bed leggen. Spaien. Voor li era was die eer weggelegd. — wrgleiilen, bw. Wegleiding, v. — weglok ken, bw.

— wegloodsen, bw. — wegioopen, ow. (zijn) Doorgaan. Vluchten. Wegvloeien (van water). Met iem. of iets wegioopen, er veel iverk van maken. Weglooper, m. (-s). Weglocps/er, v. (-s). — wegmnni-en, bw. Wegmaaiing, v. — wegmaken. bw. Doen verloren gaan. Verkuisten. Vermaken bij testament, enz. Zich rvegDiakeu, ww. Stil heengaan. — weg-malen, bw. Wegfna/ine.v.— wegmar-elieeren, ow (zijn), ll^cgmat chtering, v. — wegmoflVlen, bw. Behendig w^e^-nemen. — wegmolmen, ow. (zijn) Tot molm overgaan. — negmolHemen, ow. (zijn) Wormstekig worden. — wegnemen, bw. Van ziine plaats nemen. Doen ophouden. Ontnemen. Verdrijven. Verhinderen. Wegneming, v. — wegpakken, bw.Grijpendewegi emen. Inpakken. Doen verdwijnen. Zic/z Tvegfiakken, ww. Stil heengaan. — wegpapprn, bw. — wegrplelsleren, bw. — wegplukken, bw. — wegpraten, bw — wegraken, ow. (zijn) Eigens vandaan raken. Verloren worden. — *vegr;ipeii, bw. — wegretleneeren, bw. Door redenee-reu vernietigen. —wegreizen, ow. (zijn). Vertrekken. Weg'eis, v. — wegreke-neu, bw. Vuur met asch bedekken. — w«grU«len, ow. (hebben, zijn) Rijdende vei trekken. — wegmeien, bw. Door roeien doen verwijderen. Ow. (zijn) Zich roeiende verwijderen. — wegroepen, bw. — wegroewfen,ovv. \zijii).— weg-rolleik, bw. Rollende verwijderen. Ow. (zijn) Rollende verwijderd worden. Rollende verloren gaan. — wegrooven, bw.

— wegrotten, ow. (ziji.). Wfgr oiling, v. — wegruimen, bw. Wegnemen om ruimte te maken. Zwarigheden wegruimen, doen verdwijnen. Wegruiming, v. — weg-ruhken, bw. Met eenen ruk wegnemen. Ten grave sleepen. Ow. (zijn) IJiings vertrekken.— wegMOliaken, bw. — weg-seliaven, bw. — wegMelienken, bw. Wegschenking, v. — wegHelilt;'|ftpen, bw. — wegHelieren, bw. Met eene schanr wegnemen. Zich quot;wegscheren, ww. Stil heengaan. — wegMelieuren, bw. ow. (zijn). — wegMOliieten, bw. Door een schot doen verdwijnen. Door schiétlt; n vcrbiuikm. Ow. (zijn) Ijlings heengaan. — wegMeliikken. bw. Schikken om plaats te maken. Ow. (zijn) Opschuiven. — weg-seliillen, bw. — wegMeliofieien, bw. Schoilelende wegnemen. Ow. (zijn) Heengaan. — wegMelio|gt;pen, bw. Met de schop wegnemen. Door schoppen verwijderen. — wegKelirabken, bw. — weg-gelirapen, bw. — wegHflirappen, bw. — wegseliuiliien, bw. Door schudden doen verloren gaan.— wegHeliuie-ren, bw. — wegselmiien, ow. (zijn) Zich verbergen. —wegiveliuimen, bw.

— wegseliniven. bw. Scliuivende verplaatsen. Ow. (zijn) Schuivende plaats maken. Wegschuiving, v. — wegsoliuren.


ocr page 963

— 889 —

WEGV

WEIF

bw. ow. (zijn). Wegschtiring, v. — wcg-■Upelou, ow. (zijn). — we^Mjoitwen, bw. Met moeite wegbreugen. Ow. Met moeite zich verwijderen. — wcffNlst»u, bw. Slaande verwijderen. Ow. (zijn) Weggeslagen worden. — bw. Sleepende wegbrengen. Wegrukken. Weg-slerpend, bn. Verrukkelijk. — ivecnleu-teren, ow. (zijn). — wfifMlUpen, bw.

— wcsrsiülen, ow. zijn) Afslijten, slytinx, v. — bw. Slingerende wegwerpen. Ow. (zijn) Slingerende beengaan. — wt'srtliiikeii, ow. (zijn) Verminderen. Dunner woiden. — wojj-ftluipeii, ow. (zijn) Stil heengaan. — fvc^KNluiteu, bw. Achter slot bergen. — lyegsltditing, v.— Tieifsmakkeu, bw.

— wesr^melten, ow. (zijn) Smeltende veneren. In tranen wegsmelten : bitter weenen. Wegsmelting, v. — wcg^iuy ten, bw. — weffNiiappcn, bw. Snappende wegnemen. Ow. (zijn) Heengaan.

— weffftiicllen, ow. (zijn). — wesrHiiU-«Icn, bw. Snijdende wegnemen. Ow. (zijn) Haastig heengaan. IVegsny'iiing, v. — w^STHuocien, bw. IVegxtioeting, v. — woifMiiorrcu, ow. (zijn). — woifsép;*!-ten, ow. (zijn). — wcgTspoedeu, ow. (zijn) Haastig heengaan. Zich quot;wegspoeden, ww. — w«ir*igt;lt;gt;elen, bw. Spoelende wegnemen. Ow. (zijn) Afkabbelen. Af-, wegdrijven. Wrgspcelingy v. — ivcsj-•porciK, ow. (zijn). — woK-spriiiKTeu» ow. (zijn) Springende zich verwijderen. Springende verloren gaan. — ivog^lup-pen. ow. (zijn». — bw. Stekende wegnemen. In den zi-k steken. Verbergen. — weg-stolen, bw. Oiutoo-ven. Zich lue^strlen, ww. Heimelijk l een-gaan. — weif»lei*veii, ow. (zijn) Langzaam sterven. — weK-sfttveueii, ow. (zijn). — vrefiTMtoflVii, bw. — weg-«tomiuelcu, bw. — vrcfcHtoiiir.'cu, bw. — weg-stoomen, ow. (zijn). — wec»loote»i, bw. — ^V4-);-Mi«»|»pon, bw. Verbergen. — bw. Weggenomen worden i.«loor den storm-winü). (Mil.) Met eeuen storm t.-iugdi ij-ven. Ow. (zijn) Met geweld heengaan. — weffHl rijken, bw. Naar 7ich toehalen (van geld). Ow. (gt;ijn) Ongemerkt heengaan. — wcffMirooieii, bw. — «'fg-•ti'4»oiiieii, ow. (zijn). — MCgrtttrOo-pen, bw. — ivcifMluivon, ow. (zijn) Stuivende verdwijnen. Onstuimig heen-

Ïaan. — wegTMturen, bw. Wegzenden.aan. — wegTMturen, bw. Wegzenden.

Fit de baven brengen (van schepen). — wcs;*ltiweu, bw. — wejrhiikkeleu, ow. (zijn). — «veiftimuM'reii, bw. — wcsloovcron, bw. Duor tOoverij doen verdwijnen. Behendig wegnemen. weg-bw. — we^rli'ïippen, bw. ow.

— wegtrekken, bw. Van zijne plaats trekken. Ow. ^zijn] Vertrekken. — wejj-treiiren, ow. (zijn; Treurende wegkwijnen. — \ve);lri|»igt;lt;gt;Ieii, ow. (zijn). — wesrfrooueu, bw. Weglokken. — weg:-Tuicen, bw. — ives-vstll«*ii, ow. (zijn) Van zijne plaats vallen. Niet meiegere-kend worden. Ophouden van kracht te zijn (van wetten, enz.). — wegvaiiireii, bw. - weipvai-cu, bw. Met een vaartuig vervoeren. Ow. (zijn) Met een vaartuig vertrekken. Vertrekken (van een vaartuig). Snel verdwijnen. —wefirwfir^u, bw.Met den bezem, enz. wegnemen. Onzacht verdrijven. Afwisschen : zijne tranen afvegen.

— wegrvUien, bw. — weeviMKclten, bw. — wegvlietleu, ow. (zijn) Vluchten. — wftfvlieKeu, ow. (zijn). — wedvlieten, ow. (zijn). — wei^vlüiuen, bw. — wes:vllt;Veieii, ow. (zijn). — wegr-vlueliten, lt;»w. uyn). — wegvoereu, bw. IVrgvoei ifig, v. — weuvt'eleu, bw.

— weK:wHSii«'ii, ow. vhebben, zijn), bw.

— weg:wau«leleiu, ow. (zijn). — wesr-wasNi-lieu, bw. — wegweuinelieu, bw. — wegweiitelen, bw. — webwerken, bw. Opruimen. — wegwerpen, bw. Van zich werpen. Niet aannemen. IVegivetpiug, v. — we^wU-ken, ow. izijn). — we^willen, ow.

— wegrwippen, ow. (zijn). — wegr-wi*Nelieii, bw. — wegwi'üv«Mi, bw.

— wegrr.asren, l w. — wegdekken, bw. In zxikkt'n wegnemen. Uw. (zijn) Zakkende ondt-r den grond verdwijnen. — wogrzolleu, ow. (zijn). — wegrxen-lt;len, bw. Heenzend n. Wegsturen. IVeg-ze7iding, v. — weg-xeiten, bw. Ter zijde zetten. Bewaren. — wegduwen, bw. ow. (zijn). — wegpinken, ow. (zijn». — wt^g:-xweepen, bw. — weg:y.wvinmen,ow. (zijn). — wegzweven, ow. (zijn).

wol, v. Waterachtige stof van melk en bloed. — Weiachiig^ bn. — Wtiachiig-heid, v. — Weiboer , m. (-en). — Weibo-ter, v. — Wei kaas, v. (..azen). — Wei' kniir, v. — Weivaatjei o. (-s). — Weivlies, o. (..zen). Dun, doorschijnend bindv\eel-srl. dat de wanden van inwendige holten bekleedt: het borstvlies,het buikvlies, enz.

wei, weide. v. (weiden). Gras, enz., waar:uedehet vee zich buiten voeut. Veld, land, waarop de beesten grazen. (Dicht.) Oppervlakte der zee. — Weidebloem, v. (-en), 7vetbloempje,o. (-s). — Wet (dj eg eldt o. — Weidegraaf, m. (..aven), weide-rechfer, m. (-S). Opziener der weilanden.

— Wridegras, o. — Weidcgroeti, o. — Weidehuur, v. — JVetdeklavei', v. — Weiden, weidde, heeft geweid. Bw. Naar de weide brengen. Laten grazen. Drijven. Zijne oogen weiden, laten rondgaan. Ow. Grazen. Voedsel zoekru (van vet). — Weide/ibouw, m. — Wriiepad, o. (-en).

— Weider, m. (-s). — Wetdet ij, v. (-en).

— Weideveld, o. (-en). — Weiding, v. (-en). — Weigroen, o. — Weiggt; •■nd, m. (-en). — Weiland, o. (-en). — Weiman, m. (..lieden, ..lui). ]atrer. — Weimes, o. (-sen). Jachtmes. — Weischuit, v. (-en». Jagersschuit. — Weitasch, v. (..sschen). Jagerstasch.

weide, o. In crewand.

weidseli, bn. Prachtig. Luisterrijk. Uitbundig. — Weidschheia, v.

wei leien, ow. weifelde, heeft geweifeld. Besluilelons zijn. Aarzelen. (Zeew.) Laveeren.— Weifelaar, m. (-s, .aren).

— Weifelaarstei, v. (-s). — Weifelachtig, bn. — Weifelig, bn. — Weifeling, v. (-en). — Weifehnoeaig, bn. — Weifel-moedigheid, v.


ocr page 964

WELB — 8

weifferou, weigerde, heeft geweigerd. Bw. Niet toestaan. Niet inwilligen. Al-slaan. Ow. Niet afgaan (van vuurwapenen). Haperen (van een schip).— Weigeraar, m. (-s, ..aren). -- Weigeraarster, v. (-s).

— Weigerachtig, bn. — Weigerig, bn. — Weigering, v. (-en).

WetI«Ieii {R.7jan der), 1400-1464,Doornik. Historie-schilder. Afdoening van het Kruis; hei laatste Oordeel; Geboorte van Christus.

Weiland (/M, 1754-184^ Amsterdam. Taalkundige. Neder du it* ch taalkundig Woordenboek (1793-1811); Kunstwoordenboek (1824); Woordenboek der Nederd. Synonymen (1825).

weinig:, bn. In geringe hoeveelheid. In weinig tijds : in korten tijd. Bijw. Niet veel : hij drinkt weinig. Niet dikwijls : hij

Êaat weinig uit. o. Eene geringe hoeveel-eid. —aat weinig uit. o. Eene geringe hoeveel-eid. — Weinig je, o. — Weinigte, v. Ongenoegzaamheid.

^ Weisseubruoli i0 (^0» 1822-1880, 's Gravenhage. Schilder van stadsgezichten. — 20 Zijn neef (//. J.), 1824, 's Gravenhage. Landschapschilder.

welt, v. Tarwe. Wilde weit: soort van zwartkoren.— Weit akker, m. (-s).— Wei-tebloem, v. — Weitebrood, o. (-en). — Weitekoek, m. (-en). — Weitemeel, o. — Weitestroo, o. — Weithalm, m. (-on).

weit, m. (-en), wei ten, m. (-s). Zie Wuit.

wekken, bw. wekte, heeft gewekt. Wakker maken. Verwekken. — Wekker, m. (-s) Die wekt. Inrichting van een uurwerk, dienende om iem. op een bepaald uur te wekken. Uurwerk, dat eenen wekker heeft. Enkele slag vóór het spelen van een klokkenspel. — Wekkeren, eenpw. wekkerde, heeft en isgewekkerd. — Wekker klok, v. (-ken). — Wekstem, v. (-men).

— Wekster, v. (-s).

wel, v. (-len). (Org.) Deel, dat den toets met de klep eener pijp verbindt.

wel, v. (-len). Plaats, waar water uit den grond opkomt. Gewone waterstand onder den grond. — Welgat, o. (-en). — Welgrond, m. (-en).— Welzand, o.

wel, bijw. Waarop niets te zeggen valt. Waaraan niets ontbreekt. Goed in orde. Zooals het behoort. Ik heb hem wel (bijna) in geen twee jaar gezien. Zou hij dit wel kunnen doen : zou hij in staat zijn het te doen?Zich wel bevinden : gezond zijn. Dit staat u wel, geeft u een goed voorkomen. Tw. Wel! wat hebt gij te zeggen? Wel hem (gelukkig hij), die... — welaan, tw. Lustig aan ! komaan ! — welbearbeid, bn.

— welbclMMiwd, bn.— welbedacht, bn..bijw. Welbedachtheid, v. — welbe-gTepen, bn. — welbebaag^Uk, bn. bijw. Aangenaam. — welbelia^en, o. Goedvinden. Welgevallen. Genoegen. — welbekend, bn. — welbeklant, bn.

— weibekOinen, o. Goede spijsvertee-ring. Go» deuitslag. — welbekookt, bn. Welbedacht. — welbemand, bn. — welbemind, bn. — welbeiniinrd, bn — welberaamd, bn.— welberaden, bn. — welbereid, bn. — welbespraakt, ba. Goed ter tale. Welbe-

D — WELK

spraaktheid, v. — welbesteed, bn. — welbevolkt, bn. — welbewaakt, bn. — wei bewerkt, bn. — welbe-woond, bn. — welbezeild, bn. Snelzeilend. Welbezeildheid, v. — welbe-zoclit, bn.

welboot, v. (-en). Soort van Holland-sche boot.

weldaad, v. (..aden'i. Goede, edele daad. Gunstbewijs. Iets, dat ons bijzonder aangenaam of nuttig is.— Weldadig, bn. bijw. Tot weldoen genegen en wlt; rkelijk weldoend. Voordeelig, nuttig, heilzaam.— Weldadigheid, v. — We Ida diglyk, bijw.

weldoen, bw. ow. deed wel, neeit welgedaan. Goed doen. Weldaden verspreiden. Behoeftinen, enz. bijstaan, ondersteunen. — Weldoen, o. — Weldoend, bn.

— Weldoener, m. ( s). — Weldoenster,

V. (-S).

weldoordacht, bn. — weidoor-kneed, bn. — weldoorvoed, bn.

weldra, bijw. Binnenkort. Zeer spoe« dig.

weledel, bn. Weledelheid, v. (..heden). — weledelgeboren, bn. — wel-edelffeMtrens:, bn.

weleer, bijw. Voorheen. Eertijds, weleerwaard, ..e, ..ijf, bn. — Wel' eer-waardigheid, v.

weltnel, o. (-en, -s). Gewelf. — Welf-boog, m. (..ogen).

welsraan, eenpw. ging wel, heeft welgegaan. Gelukken. Geenen tegenstand ondervinden (met).— Weigang, m. welgeaard, bn. — wel^ebekt, bn.

— welgeboren, bn. —welgebouwd, bn. — welgedaan, bn. Goed gedaan. Gezond van voorkomen. Welgedaan heidT v. — welgegoed, bn. Bemiddeld. — welgegrond, bn. — welgelegen, bn.

— welgeliefd, bn. — welgeiükend, bn. — welgelnkken, o. Goede uitslag,

— welgelukkig, bn. — welgelukzalig, bn. — welgemaakt, bn. Wel~ gemaaktheid, v. — welgemanierd^ bn. Welgemanierdheid, v. — welgemeend, bn. — welgemoed, bn. Opgeruimd. Tevreden. Welgemoedheid, v.

— welgemutst, bn. In eene goede luim.— welgeordend, bn. — welgeschapen, bn. — welgesteld, bn. Welgesteldheid, v. — welgetroffen, bn. — welgevallen, o. Welbehagen. Goeddunken. Welgevallig, bn. Welire-valligheid, v. — welgevocd, bn. — welgevormd, bn. — welgezeten, bn. — welgezind, bn. In eene goede luim. Met goede voornemens. Welgezindheid, v.

welhaast, bijw. Weldra.

welig, bn. bijw. Tierig. Vruchtbaar. Welig vleesch : vleesch, dat in eene wond aangroeit. — Weligheid, v.

welingericht,bn.—welklinkend, bn.

welk, vrag. en betr. vnw.

welken, ow. welkte, heeft gewelkt. Verflensen.— Welkig, bn.

welkom, bijw. bn. tw. Drukt eene betuiging uit van genoegen over iemands aankomst. — Welkom, o. — Welkomst^


ocr page 965

WELV — 8

v. Onthaal, begroeting bij iemands aankomst. Soort van drinkglas. — Welkomst-

fescheuk,escheuk, o. (-en). — Welkoms/groet^m. •en). — Welkomsimaal, ó. (..alen). — Welkomthtiis, o. Geschenk, dat men geeft bij zijne tehuiskomst.

Wellckcus (J. B.), 1658-1726, Aalst (VI.). Dichter en schilder. Dichtlïevende Uitspanningen (1711).

wellen, bw. ow. welde, heeft en is geweld. Bw. Licht opkoken. Gloeiende metalen aaneenhameren. Ow. Opborrelen. — Welgat, o. (-en). — Welgrond, na. (-en).

— Welling, v. — Welzand, o. wellevend, bn. bijw. Beleefd.— Wellevendheid, v.

welliolit, bijw. Misschien. Wellliiigtou {A. G. C. Wellesley, hertog van), 1769-1852, Duugancastle (Ierland). Veldmaarschalk. Behaalde de zege op Napoleon te Waterloo (1815).

welluilt;leiilt;l, bn. bijw. Aangenaam klinkend. — Welluidendheid, v. — Welluidendheidshalve, bijw.

wellust, m. (-en). Zinnelijk genoegen. Zielsgenot;. De hoogste graad van lust of genot. — Wellusteling, m. en v. (-en).— IVellustig, bn. bijw. — Wellustigheid, v. (..heden).

welmeenend, bn. Oprecht. — Wel-meenendheid, v.

welnemen, o. Welbehagen.

welnu, tw. Nu dan.

welopgrevoed, bn.

welp, o. (-en). Jong van leeuwen, beren, enz.

welriekend, bn. Welriekendheid, v.

— welftlasen, o. Goede afloop. — wel-smnkend, bn. — welsprekend, bn.

bijw. In staat om wel en goed te spreken. Indruk makende door taal en voordracht. Welsprekendheid, v.

welfttasamp;n, eenpw. stond wel, heeft wei-gestaan. Passend, behoorlijk zijn. Met iem. welstaan : in iemands gunst zijn. — Welstaanshalve, bijw. — Welstand, m. Toestand van voorspoed. Gunstige omstandigheden. Goed voorkomen.

welstellend, bn. In welstand zijnde.

— weltevreden, bn.

Welvaerts [T.J.), 1840-1892, Schijn-

del. Kanunnik-n gulier. Letterkundige.lt;7^-schirdenis der abdij van Postel (1880); de gemijterde Abten van Postel (1890).

welvaren, ow. voer el, heelt weigevaren. In welstand verkeeren. Gezond zijn. Bloeien, vooruitkomen. — Welvaart, v., welvaren, o. — Welvarend, bn. — Welvarendheid, v.

welven, bw. welfde, heeft gewelfd. Van boven boogswijze dichttimmeren of metselen.— Welving, v. (-en).

welverbonden, bn. — welveree-nlgd, bn. — welverknoelit, bn. — wel verdiend,bn.—welverselianst, bn. — welversierd, bn. — welversneden, bn.— wel verstaande, vvv. Wel te verstaan. Mits. — welver* t e rk t, bn. — welvoegrend, bn.— welvoeg-lUk, bn. bijw. Gtrnanierd. Beh eld. Betamelijk. Welvoeglijkheid, v. Welvoeglyk-heidshalve, bijw. — welvoorzien, bn.

I — WERE

— welwezen, o. Welzijn. — welwUs,.-bn. — welwillend, bn. Goedgunstig. Gedienstig. Welwillendheid, v. (..heden),

— welzalig:, bn. — welzUn, o. Geluk«-Voorspoed, Gezondheid.

wem, m. (-men). Ankertand. wemelen, ow. wemelde, heeft gewemeld. Door elkander zich bewegen (inz. van kruipende dieren). In overvloed voorhanden zijn ; zijn schrijven wemelt van fouten. — Wemeling, v.

wen, v. (-nen). Soort van gezwel, uitwas.

wen, vw. Wanneer.

Wendelin (G.), i58o-i66o(?), Herk. kanunnik (Doornik). Sterrenkundige.

wenden, wendde, heelt gewend. Bw. Keeren. Draaien. Eene andere richting geven. Iets keeren en wenden, aan alle kanten bezien. Ow. (Zeew.) Over een anderen boeg gaan liggen. Zich tot iem. wenden, hem aanspreken. Schrijven (om raad, hulp, enz.). — Wending, v. (-en).

wenken, bw. wenkte, heeft gewenkt. Met de oogen, handen of hoofd aantoonen hetgeen men wil. Een teeken geven met de hand. — Wenk, m. (-en). — Wenk' bratiw, v. (-en). Haar boven de oogen.

Wenker (G.), 1852, Dusseldorf. Bewaarder der k. universiteitsbibliotheek (Marburg). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie.

wennen, wende, heeft en is gewend. Bw. Gewoon maken. Ow. Gewoon woiden.

wenseh, m. (-en). Het uiten van een verlangen. Wat verlangd wordt. Geluk-wensch. — Wenschelyk, bn. bijw.— Wen-schehjkheid, v. — Wenschen, bw. ow.-wenschte, heeft gewenscht. Eenen wensch koesteren, uiten. Toebidden :iem. goeden dag wenschen. Verlangen en zijn verlangen uiten. —- Wensching, v. (-en).

wentelen, wentelde, heeft gewenteld. Bw. Door aanhoudend wenden van zijne plaats brengen. Iets gestadig wenden en keeren. Zich wentelen, ww. Zich om iets heen bewegen. Ow. Wentelende zich bewegen. -- Wentelaar, m. (-s). Meerval. — Wenteling,^, (-en).— Wentelspil,v. (-len).

— Wentelsteen, m. (-en). — Wentelstok, ■ m._(-ken).— Wenteltrap, v. (-pen). Golfs-wijze gemaakte trap. Slakkenhorentje (scalar ia pretiosa), in zee aan onze kusten voorkomende.— Wenleltrapvormig, bn.

wepel, bn. Ledig : het vat is wepel. Dit huis staat wepel, is niet bewoond. Eene wepele tafel, waarop niets ligt. Wepel land : land, dat niet bebouwd is. — We-f eldorenknop, m. (-pen). Sponsachtig uitwas van de wilde roes.

werda, tw. Wordt door den schildwacht een naderend persoon toegeroepen om te weten of hij vriend of vijand is.

wereld, v. (-en). Hemel en aarde met alles wat zij bevatten : God schiep de we-' reld in zes dagen. Deel der oneindige ruimte : de hemel met zijne tallooze werelden. De aarde : eene reis om ae wereld maken. De aarde als woonplaats der menschen : ter wereld komen. De menschen, die op de aarde leven : de heele wereld spreekt er van. Een gedeelte der wereld : de oude?-


ocr page 966

— 892 —

WERF

WERK

xle nieuwe wereld. Zekere klasse in de -maatschappij : de geleerde wereld. Goederen en genoegens : de wereld liefhebben. De wereld verlaten : in een klooster gaan. Naar de andere u ereld verhuizen : sterven. Zijne wei eld verstaan: beschaafde manieren heöben. Niets ter wereld bezitten : doodarm zijn.— Wereldas, v. (-sen). — IVe-reldóedwinger, m. (-s). — Wereldbe-hterscher, m. (-s). — Wereldberoemd, bn. — Wereldbeschcurver, m. (-s).— We-reldbeschouTving, v. (-en). — Wereldbeschrijver ^ m. (-si. — Wet eldbeschryviug, v. (-en). — Wereldbewoner, m. (-s). — Wereldbol, m. (-len). — Were ld bouw, m. — Wereldburger, m. (-s). Sterveling. Die zich aan geen vaderland hecht. — /7 ereldbtirgeres, v. (-sen). — WereJd-.burgerlyk, bn. bijw. — Wereldburger-. schap, o. Hoedanigheid van eenen wereld-burgt r. Algemeene menschenliefde zonder aanzien van het geboorteland. — Werelddeel, o. (-en). — Wereldgebeurtenis, v. (-sen). — Wereldgebouw, o. Het heelal. •— Wereldgeschiedenis,^.— Wereldhandel, m. — Wereldheerschappij ,v. — We-jeldkaari, v. (-en). — Wereldkennis,?.

wijs van dienstneming, inz. als matroos. — Wer/geld, o.— Werf huis, o. (..zen). — Werfkanfoor, o. (..oren). — Werfofficier, m. (-eii, -s).

Wtïi'fT[A. van der), 1659-1722, Kralingen. Historie- en portretschilder.

werk, o. Afval van gehekeld vlas. (Zeew.) Gepluisd touwwerk, om de voegen der planken dicht te maken. — Werken, bn.— Werkplukker, m. (-s). — Werk-plukster, v. (-s).

werlc, o. (-en). Gewrocht. Bezigheid. Handeling. Arbeid. Moeite. Voortbrengsel. Bouw, gebouw. Vestingwerk. Kunstig samenstel : het werk van een horloge. Wijze, waarop iets gemaakt is. Geschi ift, opstel, boek : een werk uitgeven. Muziekwerk : het werk van Beethoven. Verzameling van platen : het werk van Colart, Touwwerk : loopend werk, staand werk. (Godg.) Er zijn goede werken, liefdewerken, werken van barmhartigheid. Te werk gaan : handelen. Iets in 't werk stellen : aanwenden. Veel w« rk van iem. of ie s maken : veel belani; in iem. of iets stellen. — Werkachiiii, bn. — Werkbaas, ra. (..azen). — Werkbank, v. (-en). — Werk-


Wereldkunde, v. — Wereldkundig, bn. — Wereldliefde, v. — Wereldlijk, bn. Tot de wereld behoorende. (Tegenstelling van geestelijk.) — Wereldlijke, m. (-n).— Wereldling, m. en v. (-en). Wereldbewoner. Beminnaar van het wereldsch leven.— Wereldhn^e, v. (-n).— Wereld-rond, o. — Wereldruim, o. — Werelds, bijw. — Weteidsch, bn. — Wereldschepping, v. — Wereldschgezind, bn. — We-reltischgezindheid, v. — Wereldstad, v. (..eden). — Wereldstelsel, o. (-s). — We-reldstieek, v. (..eken). — Wereldten-tconstelline:, v. (-en). — Wereldzee, v.

weren, bw. weerde, heeit geweerd. Te keer gaan. Beletten. Zich weren, ww. Zijn b st doen, zich verdedigen. — Wering, v.

werf, v. (..ven). Verheven plaats, waarop een huis wordt gebouwd. Plaats, waar '^iout opgestapeld ligt. Kaai.

werf brief, m. (..ven). Schriftelijk be-beest, o. en v. (-en). — Werkbij, v. ( en). * Zie Bij. — Werkdadig, bn. Werkelijk. Werkzaam. Beoefenend. — Werkdadig-' heid, v. — Werkdag, m. ( .agen). — Wer-kehj'k, bn. Veel werk vereischende. — Werkelijk, bn. bijw. Inderdaad bestaande.

— Werkelijkheid, v. — Werkeloos, bn.

— Werkeloosheid, v. — Werkel uzen, m. mv. —- Werken, werkte, heeft gewerkt; ook, wrocht, heelt gewrocht. Bw. Teweegbrengen. Verrichten. Ow. Arbeiden. Uitwerking hebben : dit genet-smiddel wei kt niet. Uitzetten (van hout). Gisten (van vloeistoffen).Uitloopen, kiemen (vanplantgewassen). Het schip werkt, kraakt ten gevolge van de beweging der zee. Op i* m. werken : zijnen inxloed op iem. tracht» n te bezigen.— Werkend, bn. — Wer ker, m. (-si. — Werkezel, m. (-s). — Werk-gast, m. (-en).— Werk heer, m. (-en) — Werkheilig, bn. Geloovende zich zalig te maken door goede werken. — Werk hei-


ocr page 967

WER.P — 8;

ige, m. en v. (-n). — Werkheiligheid, v.

— Werk hout, o. (-en). — Werkhuis, o. /(..zen). — Werkif/Q, v. (-en). Het werken.

Uilwerking. Gevolg. — Werkinrichting, v. (-en). — Werkklok, v. (-ken). — Werkknecht, m. (-en). — Werkkracht, v. Uitwerking. Vermocen om te arbeiden, (-en) Arbeider. — Werkkring, ra. (-en). — Werkloon, o. en ra. (-en). — Werkman, ra. (..lieden, ..lui). — Werkmeester, ra. (-s, -en).— Werkmeid,v. (-en).— ll'erk' middel, o. (-en). — Werkpaard, o. (-en).

— Werkpak, o. ( ken). — Werkplaats, v. (-en) — Werkrechter, ra. (-s). Scheidsman (tusschen fabrikanten en arbeiders, enz.).— Werk sloof, v. (..oven). — Werk-speld, v. (-en). — Werkstaking, v. (-en).

— Werkstellig, bn. Werkstellig maken : in het werk stellen.— Werkster, v. (-s).

— ll'erkstoel, ra. (-en). — Werkstuk, o. (-ken). Verricht werk. Vervaardigd voorwerp. (Rekenk.) Vraagstuk. — Werktafel, v. (-s). — Werktijd, ra. (-en). — Werktuig, o. (-en). Tuig, waarvan men zich bij het werken bedient. Persoon of zaak, tot verrichting van iets dienende. — Werktuigkunde, v. Wetenschap der samenstelling van werktuigen. Zie Mechanica. — Werktuigkundig, bn. — Werk-tutgkundige, m . (-n) . — Werktuig' lijk, bn. bijw. Op de werktuigkunde be-tiekking hebbende of daarop steunende. Zie Kunst. Werktuiglijke beweging, waaraan de wil geen deel heeft. Werk-tuigliik samenstel der deelen van een lichaam. Zonder overleg, zonder overdenken. — Werktuiglijkheid, v. — Werktuigmaker. ra. (-s). — Werkuur, o. (..uren).

— Werkvermogen, o. — Werkverschaffing, v. — Werkvolk, o. — Werkvrouw, v. (-en). — Werkr/'?/ze, v. (-n). — Werkwinkel, m. (-s).— Werkwoord, o. (-en). (Taalk.) Stelt eene werking of iets, dat als eene werking gedacht wordt, als eene werking voor. — Werkzaal, v. (..alen). — Werk^zaam, bn. bijw. Genegen tot werken. Vlijtig, naarstig. — Werk-zn am he id, v. Vlijt, (..heden) vVat verricht wordt. Arbeid. Bezigheid. — Werkzijde,

( n).

werpen, bw. wierp, heeft geworpen. Met hevigheid door de lucht van zich afdrijven. Slingeren (naar eenen afstand). Gooien. Omverstooten. De dobbelsteenen werpen : met dobbelsteenen spelen. Jongen werpen. In de gevangenis werpen. Olie in h'!t vuur werpen ; iets erger maken. Zand in de oogen werpen : door een schoo-nen schijn verblinden. Zich voor iemands voeten werpen. — Werp, o., werpanker, o. (-s).— Werpdraad, m. (..aden). Inslag.

— Werpel, m. (-s). Dobbelsteen. — Werper, ra. (-s*. — Werpgaren, o. Inslag. —

Werping, v. — Wetpkoord, v. (-en). Lasso. — Werpkf acht, v. — Wegt; plans, v. (-en). — Werp hm, v. (-en). (Zeew.). — Werp lood, o. Dieplood. — Werpnet, o. (-ten). — Werppijl, ra. (-en). — Werpschicht. ra. (-en). — Werpschyf, v. (..ven).

— Werpspeer, v. (..eren). — Werpspel, o. (-eu). Spel niet dobbelsteenen.— Werpspie (i)s, v. (-en). — Werpstoot, ra. (-en).

; — quot;WESW

— Werbstrik, ra. (-ken). — Werptol, (-len). Tol, die opgewonden en voortge-quot; worpen wordt. — Wsrptop, ra. (-pen), Werptol. — Werptros, ra. (-sen). (Zeew.).

— Werptuig, o. (-en).

werto, v. (-n). Wrat.

wervel, ra. (-s, -en). Sluitingsmiddel (voor deuren, enz.). Wervelbeen. — Wer* velbeen, o. ( deren). Been der ruggegraat.

— Wervelen, bw. wervelde, heeft gewerveld. Met eenen wervel sluiten. — Wervelkanaal, o. (..alen). — Wervelkolom, v. (-men). Ruggegraat. — Wervelpoel, m. (-enk Draaikolk. — Wervelswyze. bijw.

— Wervelvormig, bn. — Wei vehvtnd, ra. (-en). Draaiende wind. — Wet velziek, bn- Onderhevig aan duizeling. — Wervel' ziekte, v. Duizeling.

werven, wierf, heeft geworven. Bw. In dienst nemen (soldaten, enz.). Tot zijne' partij brengen. Ow. Zich met werven bezig houden. — Werver, ra. (-s). — Werving, v. (-en).

werwaart», bijw. Naar welke plaats.

weshalve, vw. Daarom. Om deze reden.

wesp, v. (-en). Vliesvleugelig insect {vespa). De wijfjes ^n arbeiders zijn met eenen angel gewapend. — Wespenangel, ra. (-s). — Wespendief, ra. (..ven). Roofvogel {pernis apivorus), tot de valken behoorende. — Wespenei, o. (-eren). — Wespennest, o. en m. (-en). — Wespestee k, ra. (..eken).

west, bijw. Tegenstelling van oost. — West, o. Het Westen. — West, v. Nederlands Westindische bezittingen. — Westelijk, bn. bijw. Uit, in, van of tot het Westen. — Westelijken, ow. westelijkte, is gewestelijkt. Naar het Westen loopen (van den wind). — Westen, o. Gedeelte der wereld, dat tegenover het Oosten ligt. Streek, westelijk gelegen van de plaats, waar men zich bevindt. — Westenwind, ra. (-en). Wind, die uit het Westen waait.

— Westergang, v. (Zeew.).— Westergoo, o. Zie Öostergoo. — Westergrms, v. (..zen). — Westerhoek, m. — Wester-kim, v. (-men).— Westerlengte, v. (-n).

— Westerling, ra. en v. (-en). Bewoner, bewoonster van het Westen. — Wester-linge, v. (-n*. — West ft sch, bn. bijw. Van, uit het Westen. — Westerzon, v. — Westfriesch, bn. — West-Friesland, o.

— West- Indië, Westinje, o. Zie Indië.

— Westinaievaarder, westifjevaarder, ra. (-s). — Westindisch, bn. — Westkant, ra. — Westkust, v (-en). — West-land, o. — Westnoordwest, bijw. o. —• WestHrordwestelijk, bn.— Westpunt, o,

— Westvaarder, m. (-s). — West- Vlaanderen, o. Provincie (België). Rechterl. arr. : Brugge, Kortrijk, leper, Veurre. Be-stuurl. arr.: Brugge, Oostende, Tielt, Kortrijk, Roeselare, leper, Veurne, Diksmui-de. 30 justitie- en 51 militiekantons, 250 gemeenten. Hoofdpl. Brugge. — West-vlaamsch, bn. o. — Westvlaming. m. .(-en). — Westwaarts, bijw. Naar het Westen — Westzijde, v. — Westzutdrvest, bij\s ■). — Westzuidwesteiijk, bn.

wewwosc,vw.Daarora. Ora deze reden.


ocr page 968

WETE — i

wet, v. (-ten). Billijke verordening, van bestendigen aard, tot het gemeene welzijn verplichtend en uitgevaardigd door dezen, die recht hebben te regeeren ; eeuwige, natuurlijke, goddelijke en menschelijke wetten. Reglement van een genootschap, enz. quot;Vaste regel. Gewoonte. Deheeren van de wet : de overheidspersonen. lem. wetten -stellen, voorschrijven, hem gelasten wat hij te doen heeft. — De Nieuwe IVet (ook zalige Wet) : de leering van Christus. De Oude Wet : de veropenbaring, welke God vóór Chr. door Mozes en de profeten gedaan heeft. — De Kortenbergsche wetten, werden door Tan II, hertog van Brabant, uitgevaardigd om de rust te herstellen tus-schen de burgerij der steden en de adellijke iamiliën (1312). — De Salische Wetten werden opgesteld omstreeks 422. Strafbepalingen maken er den voornaamsten inhoud van uit. De vrouwen werden van de erfenis en de troonopvolging uitgesloten.

— Natuurwet : verhouding tusschen een verschijnsel en zijne oorzaak. — De Wet •van Archimedes : een lichaam in eene vloeistof g-edompeld verliest zooveel van zijn gewicht, als het gewicht bedraagt van de verplaatste vloeistof. — Wetboek, o. en m. (-en). Verzameling van wetten. — Wet-breker, m. (-s). — fvetbreuk, v. — Wetgeleerde, m. (-n). — Wetgeleerdheid, v. -gt;— Wetgetrouw, bn. — Wetgevend, bn. ■— Wetgever, m. (-s). — Wetgeefster, v. (-s). — Wetgeving, v. (-en). — Wethouder, m. (-s). Lid van het bestuur van eene

Semeente. —emeente. — Wethouderschap, o. Waar-igheid van wethouder, v. (-pen). De wethouders. — Wetkenner, m. (-s). — Wetmatig, bn. bijw. — Wetsartikel, o. (-en, -s). — Wetsbepaling, v. (-en). — Wet-fchender, m. (-s). — Wetschending, v. (-en).— Wetschendster, v. (-s). — Wetsherziening, v. (-en). — Wetsontwerp, o. (-en). — Wetsvoordracht, v. (-en). — Wetsvoorstel, o. (-len).— Wetsteller, m. (-s). — Wetsuitlegsing, v.— Wetsverandering, v. (-en). — Wettelijk, bn. bijw. Volgens, naar de wet. Overeenkomstig met de wet. Wettig. — Wettelijkheid, v.

— Wetteloos, bn. bijw. — Wette loosheidt ■v. — Wettenverzameling, v. (-en). —

Wettig, bn. bijw. Volgens de wet. Geldig. Echt. Behoorlijk toekomend. — Wettigen, bw. wettigde, heeft gewettigd. Wettig, echt maken of verklaren. — Wettigheid, v. — Wettiging, v. (-en). — Wettiglvk, bijw. — Wettisch, bn. Volgens de Wet Oods. — Wetverbreker, m. (-s). — Wet-verkrachter, m. (-s). — Wetverkrach-tin^. v.

w^ten, wist, heeft geweten. Bw. Met duidelijke kennis en bewustheid omvatten. Van wien weet gij dat: wie heeft u dat verteld? Laten, doen weten : onderrichten, bekendmaken. Iets van iem. weten : iets van iem. vernomen hebben, iets aangaande iem. weten. Dank weten : erkentelijk zijn. Ow. Niemand weet er van : niemand heeft het hooren zeggen. Hij beeft er niets van geweten : hij heeft er geen ongemak van gevoeld. Hij weet te geven en te nemen. Te weten : namelijk. Wel te weten : zoo

)4 — WICH

men alles overweegt. — Weten, o. Wetenschap, kennis. Buiten mijn weten : zonder dat ik er mede bekend ben. Naar mijn weten : voor zooveel mij bekend is. — Wetendheid, v. (..heden). Wetenschap. — Wetens, bijw. Met kennis. Willens en wetens : met opzettelijken wil. — Wetenschap, v. (-pen). Echte en beredeneerde kennis, waardoor men eene zaak in haar waarom leert kennen. Kennis. Geleerdheid. Handigheid. — Wetenschappelijk, bn. bijw. — Wetenschappelijkheid, v. — Wetenswaardig, bn.

wetering:, v. (-en). Waterweg tusschen of langs akkers.

wetten, bw. wette, heeft gewet. Slijpen. Scherp maken. — Wetplank, v. (-en),

— Wetpriem, m. (-en). — Wetstaal, o. (..alen). — Wetsteen, m. (-en). — Wetting, v.

weven, bw. weefde, heeft geweven. Een weefsel of doek vervaardigen. (Zeew.) De wevelingen scheren. — Wevel, wevel-draad, m. (Wev.) Ketting. — Wevelingen, v. mv. (Zeew.) Touwen om naar de mars en bramzaling te klimmen. — Wever, m. (-s). — Weefster, v. (-s). — Weverij, v. Het weven, (-en) Plaats, waar men weeft. — Weversambacht, o. — Weversboom, m. (-en).— Weversklos, m. (-sen).

— Wevers knoop, m. (-en). — Weversspoel, v. (-en). — Wevin^, v. (-en).

wezel, v. (-s). Roofdiertie (mustela vulgaris), tot de marterachtigen behoo-rende. Voedt zich met muizen, vogelen, eieren, enz.

wezen, ow. was, is geweest. Ziiu. Bestaan. — Wezen, o. (-s). Het zijn, net bestaan : Godgaf het wezen aan alles. Bestaan genieten : in wezen zijn. Datgene wat iets volstrekt moet hebben om te zijn wat het is. Schepsel. Het opperste Wezen : God. Uiterlijk, gelaat. Bewustheid, gevoel, aandoening : hij heeft er geen wezen van. — Wezenheid, v. Het zijn. Wezenlijkheid.

— Wezenkunde, ..leer*v. — Wezenlijk, bn. bii'w. Bestaande. Werkelijk. Waar, waarlijk. Hoofdzakelijk. Vol leven en vlug van oogopslag. — Wezenlijkheid, v. Bestaande toestand. Werkelijkheid. — Wezenloos, bn. bijw. — Wezenloosheid, v.

— Wezenstrek, m. (-ken). Gelaatstrek.

Wliestntone (C.), 1802-1875, Gloces-

ter. Natuurkundige. Vond den steteoscoop.

wliisl, o. Kaartspel, dat met 52 kaarten én gewoonlijk tusschen vier personen wordt gespeeld. Drank, samengesteld uit rooden wijn, thee, suiker, enz. — Whist, m. (-en). Maat. Medehelper. — Whisten, ow. whistte, heeft gewhist. Het whistspel spelen. — Whister, m. (-s). — Whist-kaarten, v. mv.— Whistspel, o. (-len).

wlclielen, ow. wichelde, heelt gewicheld. Uit de vlucht, het gezang der vogelen, enz. voorspellen, voorzeggen. — Wichelaar, m. (-s, ..aren). — Wichelaarskunst, v. (-en).— Wie heiaars'er, v. (-s).,

— Wichelarij, v. (-en). — Wichelroede, v. (-n).

wicht, o. (-en). Gewicht. — Wichthoudend, bn. — Wichtig, bn. De ver-eischte zwaarte hebbende. Belangrijk.quot; —


ocr page 969

— 895 -

WIEL

WIJF

Wichtigheid, v.— Wichije, o. (s). Gram. wielit, o. (-en). Klein kind.

Wlclef (?.), 1324-1384, uit het graafschap York. Engelsch kerkhervormer en Jcetter.

wie, vragend en betrekkei. vnw. wiebelen, ow. wiebelde, heelt gewiebeld. Heen en weer bew« gen. quot;Wankelen.

wied, o., wlede, v. Onkruid. — Wied-óaas, m. (..azen). — Wirdemaand, v. Juni. — Wieden, bw. wiedde, heeft gewied. Van onkruid zuiveren. — Wiedergt; m. (-s).

— ie dij ze r, o. (-s). — Wiedloon, o. en m. (-en). — Wiedmes, o. ( sen). — Wied-ster, v. (-s). — Wiedvolk, o.

wledewaal, m. (..alen). Wielewaal, wieg:, v. (-en). Rust-, slaapstede der kleine kinderen. Begin, oorsprong : eenen oproer in de wieg smoren. Geboorteplaats, bakermat. Prille jeugd. — Wiegckleed, o. (-en). — Wiegekoord, o. (-en,. — Wiegelen, ow. wiegelde, heeft gewiegeld. Onophoudelijk in beweging zijn. Schommelen.

— Wiegelied, o. (-eren). — Wiegeling, v. (-en).— Wiegel stoel, m. (-en). — Wiegen, bw. ow. wiegde, heeft en is gewiegd. In eene wieg of als in eene wieg heen en weer bewegen of bewogen worden. Een schip wiegen, bij 't afloopen aan 't glijden helpen. Een vaartuig met éenen riem roeien aan het achtereinde. lem. ii; slaap wiegen, hem metschoone woorden misleiden. — Wiegestel, o. (-len). — Wiegestoel, m. (-en). — Wiegetouw, o. en v. (-eu). — Wiegezang, m. (-en).

wiek, v. (-en). Vleugel. Een der vier vleugels van eenen molen. Pluksel voor eene wond. Middel om bloed te stelpen. Pit eener lamp.

wiel, o. (-en). Rad, draaiende om eene ■as. Gereedschap bij verschillende ambachten : spinnewiel, spoel-wiel. Hoeveelheid watervan eene overstroo-mingovergebleven. Eene spaak in het wiel steken : tegenwerken,ver-l ijdelen. — Wielband, \ m. (-en).— Wieldraai-\ey, m. (-s). — Wielen, r! ow. wielde, heeft ge-3 wield. Als een wiel 5 draaien. — Wirlenaar, 3 m. (-s). Die eenen wie-' Ier berijdt. — Wirier, m.(-s). Rijwiel.— li' teler baan, v. (..aneu).— Wieleren, ow. wieier-de, heeft en is gewie-lerd. Wielrijd» n . — Wielt yden, o. Rijden op een rijwiel. — Wielrijder, m. (-s). — Wiel-a.As.h. Vel?. rydster,\. ( s).— Wiel-C. S^eek. d. Naaf. tros, m. (-sen). (Zeew.)

Troslijn. — Wielvor-mig, bn. — Wielwerk, o.

Wieland (C. Af.), 1735-1813, Ober-holzheim Duitsch dichter en letterkundige. Agathon (i766(; die Abderiten, Ober on.

wlelewstal, m. (..alen). Inlandsche trekvogel {oriolus galbula), tot de raven behoorende. Voedt zich met vruchten. Brengt zijne jongen met insecten groot.

Wiel.

wieliugr, v. (-en). Draaikolk. Weifeling, onzekerheid.

wieme, v. (-n). Rookhok.

wier, o. (-en). Zeegras. — Wieren, o. mv. Algen. — Wierplant, v. (-en).

wieriff; bn. Vlug, levendig van voorkomen.— Wterighetd, v.

wlerlng^, v. (-en). Hooikade. wierook, m. Arabische gomhars, die als reukwerk wordt gebezigd. Rook van dit hats. — Wterookboom, m. (-en). Boom, die den wierook oplevert. — Wierookdamp, m. — Wirrookdrager, m. (-s). — Wierooken, wierookte, heeft gewierookt. Bw. Wierook jjlengen. Uitbundigen lof toezwaaien. Ow. Wierookdamp van zich geven. — Wierooker, m. (-s). — Wieroo-king, v. — Wierooklucht, v. — Wierook-schaal, v. (..alen). — Wierookvaas, v. (..azen;. — Wierookvat, o. (-en).

Wlertz (J. A.), 1806-1865, Dinant. Historieschilder. Patrocles (1839); Zegepraal van Christus (1848).

wiewstuwen, ow. wiewauwde, heeft gewiewauwd. In gedurige beweging zijn. wiewouter. Zie Vijfwouter.

wig:, v. (-gen); wigrge, v. (-n). Houten ot ijzeren spie, om hout, enz. te splijten. — Wi(gt; drijver, m. (-s). — Wigge been, o, (-deren). Zeker schedelbeen. — Wighart, o. (-en). Ongevoelig mensch.— Wigvormig, •wigsvoyze, ..tvijs, bn.

wlgrg-elen, wiggelde, heeft gewiggeld. Ow. Heen en weer sc:r udden. Wankelen. Bw. Heen en weer bewegen.

wö Pers. vnw. i0 naamw. meery. wüd, bn. bijw. Niet nauw. Niet eng. Uitgebreid. Ruim. Onbekrompen. Uitgestrekt. Verafgelegen. Wijd en zijd : overal.-Wijd en breed uitmeten : wijdloopig me-dedeelen. Wijd, ver, geheel openstaan. — Wyabeens, bijw. — Wydbefaatnd, bn. — Wijd beroemd, bn. — Wijden, bw. wijdde, heeft gewijd. Wijder maken. — Wijders, bijw. Bovendien. Overigens. — Wijdte-ducht, bn. — Wijdloopig, bn. bijw. Uitvoerig. Breedvoerig. — Wudloop igh eid, v. — Wi/dluftig, bn. bijw. Wijdloopig. — Wij dl ufti^hrid, v. — Wijdte, v. (-n). — Wilduitgestrekt,hn.— Wijdvermaard^^ .

wUden. bw. wijdde, heeftgewijd. Eene zaak heilig maken, tot den ditnst van God bestemmen. De priesterlijke waardigheid geven. Toewijden. Opdragen. — Wijbeeldje, o. (-s). — Wijbisschop, m. (-pen). — Wybrood, o, (-en). — Wijding, v. (-en). — Wy'en, bw. wijde, heeft gewijd. Wijden. — Wij'ing, v. (-en).— Wijkwast, m. (-en). — Wij olie, v. — Wypalnt, m. (-en). — Wijwater, o. — Wijwatersbakje, o. (-s). — Wywatersvat, o (-en), wljdouw, m. Wissen. Teenen. wQf, o. (..ven). (Minachtend) Vrouw, echtgenoote Btjaarde vrouw. — Wyf-achtig, bn. bijw. — Wyjnchtighcid, v. — Wijfjes,las« m. (-sen). — Wijfjeseend, v. (-en). — Wijfjes hennep, m. — Wi/fjesko-nyn, o. (-en). — Wijfjesp la nt, v. (-en). — Wy/sch, bn. — Wyvenbeul, m. (-en).— Wijvenpraat, m.


ocr page 970

WIJN — 8

wUk- v. (-en). Afdeeling eener gemeente. — IVyknteester, m. (-s).— Wijkmeester schap, o. — Wyksiuyze, bijw.

wUkcii, ow. weck, is geweken. Zich van zijne plaats bewegen. Achtergaan. Zich verwnderen. Vluchten. Voorde overmacht bukken. Toegeven. — WyA, v. Viucbt, toevlucht. De wijk nemen : zich ergens verbergen. — Wijkplaats, v. ( en). Toevluchtsoord. — IVykschans, v. (-en). wülgt; vw. Dewijl. Aangezien, wül, wUlc, v. (wijlen). Sluier. wUl* v. Poos. Bij wijleü : nu en

dan, somtijds

wUlcu, byw. O. xieden : wijlen koning Leopold I.

wQuie, v. (-n). Twij^ den wijdouw.

— Ibyvien, bn.

wU»« m. (-en). Drank, tiit druivensap bereid. Water in zijnen wijn doen : toegeven. Goede wijn behoeft geenen krans : wat goed is, behoeft geene aanprijzing. — Wijnachtig, bn. — Wynachti^heid, v. — Wynappel, m. (-s, -en). — Wijnazijn, m.

— Wynbak, m. (-ken). — Wijnbeker, m. (-s). — Wijnbezie, v. (..iën). — Wynbuzk, m. (-en). — Wijndrinker, m. (-s).— Wyn-druif,v.' .ven).— Wyn/iescktv.(..sschen).

— Wijugaardy m. (-en). Plaaïs, waar druiven groeien. Wijnstok. — i/ngaardenier,ra.. (-s). — Wyngaardluis, v. (..zen). Insect \phyloxera vastatrix). Verwoest den wiinstok.— Wyngaardplant, v. (-en).

— Wijngnardratik, v. (-en). — Wyn-

feest,eest, m. Vluchtige vloeistof, uit wijn, sui-er en meelachtige planten getrokken. — Wijngeesthoudend, bn. — Wyng/as, o. (..zen). — Wijnhandel, m. — Wijnhandelaar, m. ( s). — Wijnhuis, o. (..zen).

— Wijnjaar, o. — Wijnkan, v. (-nen).— Wijnkaraf, v. (-fen). — Wijnkelder, ra. (-s). — Wijnkenner, ra. (-s). — Wyn-kteur, v. — Wijnkleurig, bn. — Wyn-koofi, m. (-en). — Wynkooper, ra. (-s). — Wijnland, o. (-en). — Wijnlezen, o. Druilen inzamelen. — Wijnlezer, m. (-s).

— Wijnlezing, v. (-en). — Wijnmaand, v. October. — Wynmelcen, m. (-en). — Wijnmeter, ra. (-s). — Wijnmoer, v. — Wv'noogst, ra. — Wijnoogsten,o.— Wijn-oogstine, v. — Wijnpeer, v. (..eren). — Wijnpeilen, o.— Wijnpeiler, ra. (-s).— Wr/npenningen, ra. rav. — Wijnpers, v. (-en). — Wijnferzik, v. (-en). — Wijn-pijp. v. (-en). Langen smal wijnvat. (Zeew.) Slang der pomp. — Wijnpokken, v. rav. Windpokken. Zie Pokken. — Wijnpot, ra. (-ten) — Wijnproef,v. (..ven).— Wijnproever, m (-s).— Wijnpruim, v. (-en).

— Wijnrank, v. (-en). — Wijnrijk, bn.

— Wijnroeien. o. Gevulde wijnvaten meten. — Wijnroeier, ra. (-s). — Wijnroei-ing, v. — Wijnrnemer, ..roomer, ra. (-s).

— Wijnruit, v. Heester {ruta graveo-lens), tot de mitachtige planten behoo-rende. — Wiinsaus. v. (-en). — Wijn-schaal. v. (..alen). — Wijnsmaak, m. — Wijus'-ep, v (-en). — Wijnsoort, v. (-en).

— Wijnsteen. v. Wijnsteenzuur verbonden met potassium. — Wijnsteenachtig, bn. — Wijnsteenzuur, o. Organisch zuur, dat vrij ol met potassium verbonden, voor-

6 — WIK

al in het sap van de druiven operelost voorkomt. — Wijnsteker, ra. (-s). Wijrhande-laar. — Wijnstok, ra. (-ken). Klimplant {vitis vinijera), die ons de wijndruif levert. — Wijntapper, ra. (-s). — Wijntap-perij, v. ( en). — Wijnteelt, v.— Wyn-tij'd, ra. — Wynton, v. (-nen). — Wijnvat, o. (-en). — Wijnverlaten, o. Wijn oversteken. — Wijnver later, ra. (-s). — Wijnver snijden, o. Verschillende soorten van wijn mengen.— Wynvervalschen, o.

— Wy'nvervalscher, m. (-s). — Wyn-voorraaJ,™. — Wijnweger, ra. (-s).

wcuaiiffi {j.), i6oo(?)-i677(?), Haar-iv*n. Lc^dschapschilder.

wHj4», wyze, v. (wijzen). Manier. Gewoonte. Maatzang, zangtoon. (Taalk.) Wijzen der werkwoorden. Op geenerlei wijs : hoegenaamd niet.

wlis, bn. bijw. Verstandig. Veel wetende. Geleerd. Ervaren. Bedreven. Voorzichtig. Welberaden. Hij is niet wijzer : hij weet niet beter. ]k kan er niet wiis uit worden : ik begrijp er niets van. — Wijsbegeerte, v. Echte en beredeneerde kennis, die ons eene zaak in haar verstgaande •waarom leert kennen. — Wijselijk, bijw. Op verstandige wijze. Met voorzichtigheid.

— Wijsgeer, in. (-en). Die de wijsbegeerte beoefent. — Wysgeerig, bn. — Wij ^ gee-rig he id, v. — Wijsheid, v. (..heden;.— Wjshetdsschyn, ra. — Wijsheidstand, ra. (-en). Een der achterste tanden in den raond.-- Wijshoofd, ra. en v. (-en). Waanwijze. — Wijsmaken (Sch.), bw. Doen ge-looven. — Wijsneus, ra. en v. (. zen)» Waanwijze. — Wijsneuzig, bn. — Wijze, ra. (-n). Wijs raan. Geleerde. Wijsgeer. De drie Wijzen uit het Oosten : Melchior, Balthasar en Gaspar. De zeven Wijzen van Griekenland : Solon, Pittacus, Bias, Chilon, Cleobulus, Periander, Thales

wUte, v. (-n). Huif van kar of wagen.

— Wytewagen, ra. (-s).

wtHcii,bw. weet, heeft geweten. Beschuldigen. Ten laste leggen.

ivUtiu£r, v. (stofn.) ; ra. (-en) (voor-werpsn.). gt;oort van schelvisch {gadus merlangus) (Noordzee).

wüzc. Zie Wijs (i®art.).

wUzeu, wees, heeft gewezen. Bw. Too-nen. Doen of laten zien. Onderrichten. Terechthelpen. Een vonnis wijzen, vellen, uitspreken. Iets van de hand wijzen, verwerpen. Ovv. Hij wees met den vinger naar ons. Zich vertoonen. Zich voordoen. — Wijsvinger, ra. J-s). Eerste vinger naast den duim. — Wijzer, ra. (-s). Naald, di© den tijd aanduidt op uurwerken of zonnewijzers. — Wijzer barometer, ra. (-s). — Wijzer bord, o. (-en). Uurwerkplaat. — Wijzer n a a ld, v. (-en). — Wijzerplaat, v. (..aten). — Wyzertelegraaf, v. (..afen),

— Wyzerwerk, o. — Wijzing, v. (-en). Rechterlijk vonnis.

^Üzisren, bw. wijzigde, heeft gewijzigd. Richten. De wijze van uitvoering bepalen. Eene verandering brengen (in).— Wijziging, v. (-en).

wik, v. (-ken). (Zeew.) Kleine baai. wik, bijw. Ternauwernood. Het is wilc of wak, zus of zoo.


ocr page 971

897 —

WILD

WILK

wile, wikke, v. (wikken). Plantengeslacht {vieia), tot de vlinderbloemigen be-hoorende. — Wikkensiroo, o.

wikkelen, bw. wikkelde, beeft gewikkeld. Door eene gedurige beweging winden (om). Zich wikkelen (in) : zich bemoeien (met). Zich wikkelen (uit) : zich losmaken (uit).— Wikkeling, v.

wikken, bw. wikte, heeft gewikt. Tillen. In of op de hand wegen. Wikken en weeen : rijpelijk overdenken, nauwkeurig onderzoeken. Voorspellen. De mensen wikt en God beschikt. — Wik, v. (-ken). Zooveel als op de schaal der stadswaag gewogen wordt. — Wikgrlti, o. Geld, voor het wegen betaald. — JV/kker, m. (-s). Wichelaar. — Wikkery, v. (-en). — Wikking, v.

wil, m. \Willetje, o. (-s)]. Begeervermogen, waarvan het streven verbonden is met de verkrijgbaarheid van het verlangde. De daad van willen. Hetgeen men wil. Begeerte. Verlangen. Toestemming. Genoegen. Tegen wil en dank. Uiterste wil. Om Gods wil: uit liefde tot God. üm bestwil : ter voorkoming van gf schil. — Willekeur, v. Vrij besluit. Vtije verkiezing. Grilligheid. Naar willekeur : zonder acht te geven op wet of recht. — Willekeurig, bn. bijw. Eigendunkelijk. Eigenzinnig Als een dwingeland. — Willeketcrtgheid. v. (..heden). — Willeloos, bn. bijw. Wille-loosheid, v. — Willen, bw. ow. wilde, heeft gewild. Verlangen. Begeeren. Wen-schen. Eischen. Toestemmen : als hij wil, wil ik. Beweren en staande houden : men wil, dat hij de moordenaar is. Brteekenen : wat wil dat zeggen? Kunnen, vermogen : mijn horloge wil niet gaan. Zullen : willen wij gaan? — Willens, bijw. Met opzet. Willenszijn : voornemens zijn. Zie Wetens.

— Willig, bn.bijw. Bereid, genegen (tot). Vrijwillig, ongedwongen. Gedienstig:. Gehoorzaam. Gewild, gezocht. — Willigheid, lt;3. — Williglyk, bijw. — IPilsbe- . schikking, v.— Wilskracht, v.— Wiis-uiting, v. (-en). — Wilvaardig, bn. bijw. Gedienstig. — Wilvaardigkeid, v.

wiid, bn. bijw. Ongetemd : wild dier. Onbesnoeid : wilde plant. Onbebouwd : wilde streek. Onstuimig ; wilde zee. Onhandig : wild paard. Woest : wilde blikken. Onbeschaafd : wilde volken. Ruw, loszinnig, onbedachtzaam : een wild leven leiden. Levendig : een wilde iongen. Wild vleesch : vleesch, dat in wonden groeit. — Wild, o. Wildheid. Wilde itaat : deze planten groeien in 't wild.Ongeregeld,ordeloos. In het wild loopen ; in de bosschenzich ophouden, geene opvoeding ontvangen. — Wild, o. Wat op de jacht geschoten wordt.

— Wildachiig, bn. — Wildbraad, o. Geschoten wild tot voedsel bereid. — Wilddief, m. (..ven). — Wilddieverij, v. (-en).

— Wilde, m. en v. (-n). Onbeschaafde. — Wildebras, m. en v. (-sen). Wildejongen. Wild meisje.— Wtide ling, m. (-en). Wilde appel. Wilde boom. — Wildeman, m. (-nen). Woestaard. Ruw mensch. — Wildeman, m. ( s). (Wapenk.). — Wildernis, v (-sen). Onbeh» uwa en onbewoond oord. Woestenij.— Wildheid, v.— Wildkoren,

o. Duist (2« art.). — Wildkorf, m. (..ven). — Wildmand, v. (-en). — Wildpastei, v. (-en). — Wildschut, m. (-ten), -wildschutter, m. (-s). — Wildsmaak, m. — Wild-stroopen, o. Wilddieverij. — Wildstroo-per, m. (-s). — Wildstrooperij, v. — Wildvang, m. Dier op de jacht met eenen strik gevangen. Wild dier. Onbesuisd, zorgeloos mensch. — Wildvreer/id, bn. Geheel vreemd, onbekend. — Wildzang, tn. Zang der vogelen in 'twild. Slechte muziek. Wartaal. — Wildzang, m. en v. Losbol. Wild en gedachteloos meisje.

Willt;leiiN (y.), 1586-1653, Antwerpen. Schilder. Zichten ilt;nn Antvje*pen.

wilg, m. (-en). Plantengeslacht {salix), tot de wilgachtigen behoorende. De gele verscheidenheid der witte wilgen {s. alba), levert de teenen voor mandwerk, enz. — Wilgachtigen, v. mv. Plantengroep. — Wilgeblad, o. (-en, -eren). — Wilgeboom, m. (-en). — Wilgeloot, v. (..oten). — Wil-gen,hr\.— Wilgen bloesem, m.— Wilgen-bosch, o. en m. (..sschen). — Wilgenhout, o._— Wilgenlaan, v. (. anen).— Wilgen-rys, o. — Wi/genzwam, v. — Wilgetak, m. (-ken). — Wil^eteen, v (-en).

Wilhelm (/f.), i8i'5-i873, Schmalkal-den. Toondichter van Wacht am Rhe in » (gedicht van Schneck^nhuiger).

Willieiiiiinsi, 1^80. Koningin der Nederlanden. Regeerde onder het regent-

H. M. Wnnelmina.

schap en de vooerdij van H. M. Emma (1890-1898). Zie Bijgevoegde Tabellen. , Wiikle (Z?.). 17851841, Cults (Schotland). Schilder. De kaartspelers; de Betaling der Pacht.


ocr page 972

WIND — 8

Willaerta (^4.)» i577-i665(?), Antwerpen. Schilder. Feest op den Vyver te Ter-vuren.

Wlllebrordn» (/«.), 668-739, Northumberland. De Apostel van Nederland, inz. van Friesland.

Willem. Verscheidene roemwaardige mannen van dien naam hebben in Nederland als graaf, als stadhouder of als koning geregeerd. Zie Bijgevoegde Tabellen.

willcmpje, o. (-s). Tienguldenstuk.

Willems i® {J. F.)t 1791-1846, Boekhout (Antw.). « De Vader der VI. Bewe-

ging gt;. Taal- en letterkundige. Verhandeling over de Nederl. Tael- en Letter' kunde, opzigtelyk de zuydely.keprovin-tien der Nederlanden (i8i9-'24) ; Rei-naert de Vos (1834); Rymkronyk van jan van Heelu (1836) ; Belgisch Museum (i837-'46); de Brabandsche Veesten (1839-*43) ; van den derden Edewaert (1840) ; Oude Vlaemsche Liederen (1848). — 20 {F.), 1839-1896, Ooien. Schoolopziener. Briefw. lid der K. VI. Academie. .y/y/- en Letterkunde (i88i-,9i); Nederl. Spi-aak-leer (1886). — 3° (P. G. H.), 1840-1898, Maastricht. Hoogleeraar (Leuven). Werkend lid der K.Vl. Academie.Ta 1-, letteren geschiedkundige. Les Antiquitês Ro-maines (1870); le Se'nat de la République romaine (bekroond, 1885); Geschiedenis der stichting eener VI. Academie (1887).

Willi sen, ow. willigde, is gewilligd. Duurder woiden. In waarde stijge .

wimpel, m. (-s). Lange, smalle, meestal in twee punten uitloopende scheepsvaan, wimper, v. (-t). Ooghaartje.

win, v. Winst. — Winbaar, bn. Wind, m. (-en). Beweging van de damp-kringslucht. De fiassaatrcinden waaien in de keerkringsgewesten aan weerszijden den evenaar. \V aai en bet gansche jaar door bestendig in dezelfde richting. De periodieke zetnden w.sselen af óf regelmatig op bepaalde tijden van den dag {land-, zeewind), óf met uet jaargetijde {moesson).

8 — WIND

Zoolang de dag duurt waait de wind van de zee naar het vasteland {zeewind); 's nachts, van 't vasteland naar de zee {landwind). De moessons waaien op den Indischen Oceaan. Hiertoe behooren : de harmattan, op de quot;West-kust van Afrika; de samoen, in de zandvlakten van Arable; de chamsin, in Egypte; de sirocco, in Sicilië en Italië (allen heete winden). De veranderlijke winden waaien vooral in onze streken. Lucht : men kan van den wind niet leven. Opgehouden lucht in het dierlijk lichaam. Wind uit de keel : oprisping. Opgeblazenheid, gezwollenheid. De wind in het zeil: voordeelige wind. De wind op het zeil: tegenwind. Boven wind zijn : voorspoed hebben. In den wind slaan; veronachtzamen, zich niet bekommeren (om). Met alle winden waaien : volgens ieders gedachte praten. — Wind, m. (-en). Windhond. — Windachtig, bn. bijw. — Windachtigheid, v. — Windbreken, o. Pochen. Snoeven. — Windbrekend, bn. (Geneesk.).— Windbreker,m. (-s). Snoever. — Windbi eekster, v. (-s). — Wind-brekery, v. (-en). — Windbui, v. (-en). Rukwind.— Windbuil, m. (-en).Snoever. Loszinnige. — Windbuis, v. (..zen). — Winddroog, bn. In den wind gedroogd. — Windei, o. (-eren). Ei zonder schaal.— Winderig, bn. Met wind. Onstuimig. Opblazend. Gezwollen (inz. van stijl). Vol eigenwaan.— Winderigheid,v.— Windgat, o. (-en). Luchtgat. Opening (in het ijs). — Windgezwel, o. (-len). — Wind-haan, m. (..anen). Weerhaan. — Windhandel, m. Onzekere handel. IJdel gezwets. — Windhaver, v. Wilde haver. — Windhoek, m. Hemelstreek, waaruit de wind waait. — Windhond, m. (-en). Zie Hond. — Windhoos, v. (..zen). Zie Hoos (1® art.). — Windig, bn. Onstuimig. — Windkant, ra. Windhoek. — Windlade, v. (-n). (Org.). — Windmaker, m. (-s). Snoever. — Windmakerij, v. — Wind' meter, m. (-s). — Windmolen, m. (-s). — Windpokken, v. mv. Zie Pok.— Windroos, v. (..ozen). Kompasroos. — Wind-schade, v. — Windscherm, o. (-en). — Windschut, o. (-ten). — Windstil, bn. Zeer stil. — Windstilte, v. — Windstreek, v. (..eken). Het voorbijtrekken van den wind. Hemelstreek, waaruit de wind waait.

— Windvaan, v. (..anen). — Windvang, m. Toestel om den wind op te vangen of af te weren. Zeilwerk. — Wmdverwekkend, bn. — Windvlaag, v. (..agen). Hevige maar korte windbui. — Windwaarts,hïivi.

— Windweger, m. (-s). — Windwering, v. — Windwerk, o. — Windwijzer, m. (-s). — Windzak, m. (-ken). Doedelzak.

— Wind zij de, v. Windkant.— Windzucht, v. — Windtuchtig, bn.

windas, o. (-sen). Werktuig, waarmede zware lasten worden opgeheschen. — Windboom, m. (-en). Vierkant stuk hout, dienende om het windas rond te draaien.

— Winde, v. (-n). Windas. Katrol. — Winden, bw. wond, heeft gewonden. Omwikkelen. Garen tot kluwen maken. Met een windas opbijschen. Den kaapstander draaien. — Winder, m. {-s). — Winding


ocr page 973

WINN — 8

v. (-en). — Windreep, m. (-en). — Windsel, o. (-s, -en). Band om ergens om te winden. — Windspaak, v. (..aken). Windboom. — Windspil, v. (-len). Kaapstander. — Windster, v. (-s).

winde, v. Plantengeslacht {convolvulus), tot de windeachtigen beboorende. Deze planten slingeren zich om andere voorwerpen. — Windeachtigen, v. nw. plantenfamilie. — Windeplanten, v. mv. Yviutlel, m. (-s, -en). Zwachtel. Luur.

— Windelen, bw. windelde, heeft gewin-deld. In luren binden.

windlialm, v. Plantengeslacht, tot de grassen beboorende.

wingerd, m. (-enk Wijngaard. wlogewcBt, o. (-en). Veroverd gewest.

winkel, m. (-s). Plaats in eene schuur, waarin de graanschooven worden getast. Hoek : men heeft in alle winkels en hoeken gezocht. Oogholte.

winkel, m. (-s). Huis of gedeelte van een huis, waar voorwerpen te koop gesteld worden.Werkplaats van ambachtslieden.— Winkelbank, v. (-en). — Winkelbediende, ra. en v. (-n). — Winkeldeur, v. (-en). — Winkeldochter, v. (-s). — Winkelen , ow. winkelde, heeft gewinkeld. Ee-nen winkel houdrn. Winkelhaaks zetten.

— Winkelgeld, o. — Winkelgoed, o. (-eren). — Winkelhaak, ra. (..aken). (Meetk.) Rechte hoek. Werktuig om rechthoeken te meten. Rechthoekige scheur. — Winkelhaaks, bijw. — Winkelhouder, m. (-s). — Winkelier, ra. (-s, -en). — Winkelierster, v. (-s).— Winkeljongen, ra. (-s). — Winkeljuffrouw, v. (-en). — Winkelknecht, ra. (-s). — Wink elm a at, v. (..aten). — Winkelmeid, y. (-en). — Winkelmerk, o. (-en). — Winkelschuld, v.(-en).— Winkelvenster, o. en v. (-s).

— Winkelwaar, v. (..aren). — Winkel-wachters, ra. mv. Winkelgoed, datgeenen aftrek heeft.

Winkel (te-), i0 (Z. A.), 1806-1868, Arnhem. Taalkundige. Mede-opsteller aan het Woordenboek der Nederl. taal. Zie de Vries. — 2° (?.), 1847, Winkel. Letterkundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Jacob van Maerlnnt (1875)» Geschiedenis der Nederl.Letterkunde (1888). winket, o. (-ten). Klinket.

Winkler (J-), 1840, Leeuwarden.Taal-kundige. Buitenl. eerelid der K. VI. Academie. Algemeen Friesch- en Nederl. dialecticon (1874); de Nederl. Geslachtsnamen (1885); Oud-Nederland (1887).

winks, v. (-en). Schoudersieraad (bij soldaten).

winnen, won, heeft gewonnen. Bw. Verkrijgen en inzamelen (van akkervruchten). Voordeel behalen : een goeden stuiver winnen. Door geld verkrijgen : wij moeten dien man winnen. Door overtuiging, enz. bekomen : iemands genegenheid winnen. Doorarbeid, enz. verkrijgen, verdienen : den kost winnen, hoeveel wint uw knecht? Behalen : den prijs winnen. Den strijd winnen : zegepralen. Tijd winnen, insparen. Telen, verwekken. Ow. Ergens voordeel uit halen : hij wint aan die

) — WIP

waren niet. Ergens vordering of verbetering aan vinden : ik win dagelijks aan u. Op een ander schip winnen, het naderen. Die waagt, die wint. Die wint, die lacht. De winnende hand is mild. — Winnaar, winner, ra. (-s).— Winning, v.— Wtnst, v. (-en). Het winnen. Hetgeen men wint. Profijt. Voordeel. — Winstaandeel, o. (-en). — Winstbejag, o. — Winstderving, v. (-en). — Winstgevend, bn. — Winstgierig, bn. Begeerig naar winst. — Winst^ierigheid, v. — Winzucht, v. — Winzuchtig, bn.

winter, m. Het vierde der vier jaargetijden (van 2in December tot 2in Maart). Winterkoude. Eigenaardige ontsteking der huid, door de koude veroorzaakt (aan handen, voeten, enz.). Ouderdom, (-s) Winterseizoen. — Winterachtig, bn.

— Winterachtigheid, v. — Winteravond, ra. (-en). — Winterdag, m. (-en). — Winter dags, bijw. In den winter. — Winteren, eenpw. winterde, heeft gewinterd. Koud zijn. -r- Winterfeest, o. en v. (-en). — Wintergarst, ..gerst, v. — Wintergoed, o. — Winter haar, o. — Winterhanden, v. rav. — Winter haver, v.-- Winterhoed, ra. (-en). — Winterhuis, o. (..zen). — Winterjas, v. (-sen).

— Winterkers, v. (-en). Rondlobbige steenraket {barbarea praecox). Wordt als toevoegsel bij salade gebruikt. — Winter-kleed, o. (-eren). — Winterkoninkje, o. (-s). Zie Koninkje. — Winterkoren, o. Winter kost, ra. — Winterkoude, v. — Win ter ling, v. Dollekervel. — Winterlucht, v. — Wintermaand, v. (-en). — Wintervacht, m. (-en). — Winterpe*r9 v. (..eren). — Winterrogge, v. — Win-tersch, bn. Winterachtig. — Winterseizoen, o. — Winterslaap, ra. — Winterslaper, ra. (-s). — Win te rsp in a zie, v. — U- intertarwe, v. — Winter teekenen, o. rav. Hemelteekenen, door welke de zon gedurende den winter zich schijnbaaj: beweegt. — Wintertijd, ra. — Winterverblijf, o. (..ven). — Wintervogel, ra. (-s).

— Wintervoorraad,m.— Wintervrucht, v. (-en).— Winterwefdjer, o. — Win-terwoning, v. (-en). — Winterzon, v.

Winter (P. von), 1754-1825, Mannheim. Duitsch toondichter.

wip, ra. Het wippen. In eenen wip : in een oogenblik.— Wip, v. (-pen). Schudding. loestel om eene valbrug op en neer te laten. Werktuig om vaten van de wagens te lichten. Werktuig ora water te putten. Wipgalg. Plank, in evenwicht liggende, waarop men zich heen en weer laat wippen. Gaaipers. — Wip, tw. Wip! hij is weg. — Wipbrug, v. (-gen). — Wip-

talg,alg, v. (-en). — Wip hout, o. (-en). Hef-oora om zware lasten up te lichten. — Wipneus, ra. (..zen). Omgebogen neus. — Wipneus, ra. en v. (..zen). — Wippent wipte, heeft en is gewipt. Bw. Schielijk op en neer bewegen. Aan de wipgalg straffen. Ophalen : eene brug wippen. iVlet eenen hefboom oplichten. M!et eene wip in beweging brengen. lera. wippen, hem van zijn ambt, enz. berooven. Ow. Zich snel bewegen of ergens begeven. Met de wip-


ocr page 974

— 900 —

WOEK

WISS

plank spelen. Los liggen en naar boven of oeneden bewegen. — Wipper, m. (-s). Die wipt. (Zeew.) Hijschtalie. — Wippe-rig, bn. — IVipplatik, v. (-en). — Wip-5taarftm. (-en). Kwikstaart.— IVipho?, ra. (-gen). Werktuig, geschikt tot droog-houding.

wis, bn. Zeker. Stellig. Wisheid, v. — Wisselj/ky bijw.

wis, wisse, v. (wissen). Wiscb (10 art.), wisoli, v. (..sscben). Teen (2® art.). Zooveel hout als men in eene wisch samenbindt. — Wi^chbanden, ra. rav. ^Wiseman (iV. P.), 1802-1865, Sevilla. Kardinaal - aartsbisschop (Westwinster). Hersteller der R. K. Kerk in Engeland. Fabiola, oj de Kerk der Catacomben.

wisjewaitje, wissewasje, o. (-s). Nietigheid. Beuzeling. Hij zoekt wisjewasjes, twist.

wiskunde, wiskunst, v. Wetenschap of leer van de grootheden. Wordt verdeeld in meetkunde en rekenkunde. — Wiskundig, ..kunstig, bn. — Wiskundige, m en v. (-nl, wiskunstenaar, ra. (-s).

wispeilurigr.bn. bijw. Onstandvastig, veranderlijk. Wild, onrustig. — Wispelturigheid, v.

wisschen, bw.wischte, heeft gewischt. Vegen. Schoonmaken. — Wisch, v. (..sscben). Veegdoek. — Wischdoek, ra. (-en). — Wischlap, ra. (-pen). — Wisse her, m. {-£).

wisse, v. (-n). Eenheid der lichaaras-of ruimtematen, inz. voor brandhout = 1 kubiekmeter.

wisselen, wisselde, heeft gewisseld. Bw. Het eene voor het andere geven. Groot geld ruilen voor klein geld. Bankpapier ruilen voor klinkende munt. Woorden wisselen : met elkander spreken. Brieven wisselen : brieven over en weder schrijven. Eenen kogel wisselen : in tweegevecht gaan raet pistolen, üw. Veranderen : alles wisselt en vergaat. Wisselhandel drijven. Op een ander spoor overgaan (van spoorwagens). Wisselen, van tanden wisselen : andere tanden krijgen. Van paarden wisselen : versche paarden nemen. — Wtssel, ra. (-s). (Spoorw.) Beweegbare inrichting, waarmede men van liet eene spoor op het andere rijdt. — Wissel, ra. (-s). (Handel.) Ruiling, waardoor op de eene plaats eene som gelds worde ontvangen met verplichting die op eene andere plaats weder uit te betalen. Het geschrift zelf. Wisselkoers. Verandering, overgang. — Wisselaar, ra. (-s, ..aren). — Wisselagent, ra. (-en). — Wisselagentschap, o. — Wisselbaar,bn. — Wisselbaarheid, v. — Wisselbank, y. (-en). — Wisselbrie/, ra. ( .ven). — Wisselgeld, o. — Wisselhandel, in. — Wisselhandelaar, ra. (-s).— Wisselhond, va. (-en). — Wisseling, v. (-en). — Wissei-karts, v. (-en). — Wisselkantoor., o. (..oren). — Wisselkleed, o. (-eren). — Wisselkoers, ra. (-en). — Wisselkoorts, v. (-en). — Wisselmakelaar, ra. (-s). — Wisselnoot, v. (..oten). (Muz.) Noot, vreemd aan 't akkoord, die zich onder of boven 'takkoord b« vindt.— Wisse/paard, o. (-en). — Wisselplaats, v. (-en). Pleisterplaats. — Wisselprotest, o. — Wisselrecht, o. — Wisselt T/men, o. rav. Kruisrijmen. — Wisselruiterij, v. Pogingen van eenen op 't vallen staanden koopman, om zich voorshands door wissels te redden.

— Wisselspoor, o. (..oren). — Wissel' tand, ra. (-en). Nieuwe tand. — Wisselvallig, bn. bijw. Veranderlijk. Onbestendig.

— Wisselvalligheid,v. (..heden). — Wis-selvalliglyk, bijw. — Wisselwachter, m. (-s). (Spoorw.). — Wisselze^el, o. (-s). Ze-

fel ora op een ongezegelden wissel te plak-en.el ora op een ongezegelden wissel te plak-en.

wissewasje. Zie Wisjewasje.

wit, bn. Wit gekleurd (Tegenst. van zwart). Onbeschreven : wit papier. Witte populier. Witte wilg. Witte els. Witte wiin. Bleek : hij was zoo wit als de muur. Witte Donderdag : Donderdag vóór Pa-schen. — Wit, o. De witte kleur. Het witte. (Letterz.) Onbedrukte ruimte tus-schen de letters. Doelwit. Zie Me. Idauw,

— Witachtig, bn.— Witbaard, ra. (-en).

— Witbestoven, bn. — Witbier, o. — Witbont,hr\.— Wit ge ld, o. Zilvergeld.— Witgepleisterd, bn. — Witgloeiend, bn.

— Witgoed, o. — Wit goud, o. — Witharig, bn. — Witheid, v. — Without, o. Hout van zekeren Amerik. boom. — Withouten, bn. — Witje, o. (-s). Zeker dagvlinder. — Witkalk, v. — Wit kleurig, bn, — Witkop, m. (-pen). Vogel met witten kop. — Witkop, ra. en v. (-pen). Persoon raet witte haren. — Witkwast, ra, (-en) — Witpapier, o. — Witpoot, ra. (-en). Paard met witte pooten. — W itsel, o. — Witstaart, ra. (-en). Tapuit. Paard met witten staart. — Witst er, v. (-s). — Wittebrood, o. (-en). Fijn tanvf brood.— Wittebroodskind, o. (-eren). Bedorven kind. — Wittebroodsweek, v. (..eken). — Wittekool, v. (-en). Soort van kool met witte bladeren. — Witten, bw. witte, heeft gewit. Met witsel bestrijken. — Witter, m.(-s). — Witvisch,v. (stofn.);m. (..sscben) (voorwerpsn.). Kleine visch ra^troode vinnen. Allerlei kleine visch. — Witwerk, o. Voorwerpen van wit hout vervaardigd. — Witwerker, ra. (-s). — Witzyden, bn. Van witte zijde.

Wit (.7. de), 1695-1754, Amsterdam, Fresco-schilder.

Witii {Witte Csz. de), 1599-1658, Briel-le. Nederl. zeeheld. Sneuvelde in een gevecht tegen de Zweden.

Witte (P. de), 1541-1628, Brugge =3 Candido. Schilder, beeldhouwer en bouwmeester.

Wiltekind. Held der Saksers in hunnen oorlog tegen Karei den Groote.

woede, y. Opwelling van toorn, die iera. buiten zich zeiven voert. Hevige gramschap. Razernij, wreedheid. Diift. — Woe-deti, ow. woedde, hoeft gewoed. In gramschap zijn of geraken. Wreedheden plegen. Verwoestingen aanrichten. Heerschen (van ziekten). Onstuimig zijn (van wind, zee, enz.).— Woedend,hn. bijw.

woeker, m. Onwettige winst. Veel te hooge rente. — Woekeraar, ra. ( s, ..aren).

— Woekeraarster. (-s).— Woekerach-tig, bn. — Woeker ach tig he id, v. — Woe*


ocr page 975

WOL — 9

her dier fje, o. (-s). Diertje, dat op of in een ::nder dier en op diens kosten leeft. — Woekeren, woekerde, heeft gewoekerd. Bw. Door woeker verwerven. lem. arm woekeren. Ow. Ongeoorloofde winst najagen. Voordeel zoeken. Snel toenemen : het onkruid woekert daar. — Woeker geest, m.

— Woekergeld, o. — Woekerhandel, va.

— Woekert/', v. — Woeker tn ter est, v. — Woekerplant, v. (-en). Plant, die aan of op eene andere plant groeit en deze haar voedsel onttrekt. — Woeker winst, v. (-en).

— W oekerzucht, v. — Woeker zuchtte;, bn.

woelen, woelde, heeft gewoeld. Bw.

Woelende of wroetende (iets) in zekeren toestand brengen : de varkens woelen de wortels uit den grond. De rivier woelde een gat in den dijk. Vast winden : een touw om den mast woelen. Ow. Om en om draaien, onrustig zijn : slapeloos in zijn bed liggen te woelen. Spaitelen : het ondier woelde en worstelde lang. Wroeten ; de mol zal hier niet meer woelen. Het volk hield n et op te woelen. — Woelachttg, bn. Niet stil, onrustig. Onstuimig. Oproerig. — Woe Ier, m. (-s).— Woelery, v. — Woelgaren, o. — Woelgeest, m. (-en). Oproermaker. — Woelig, bn. bijw. Onrustig. Woelige straat: straat, waar veel verkeer is. — Woeligheid, v. — Woeling, v. (-en). Het woelen. (Zeew.) Omkleeding van eenen mast, enz. — Woelingen, v. mv. Onlusten.— Woelsel, o. (Zeew.) Woeling. Hetgeen men om iets woelt. — Woel-ster, v. (-s). — Woelwatert o. Woelend water. — Woelwater, m. en v. (-s). Onrustig kind. Onrustig mensch. — Woelzieken.— \Voelzucht,v.

woensdasr, m. (-en). Vierde dag der week. Aschwoensdag : eerste woensdag van de vasten. — Woensdagavond, m. (-en). — Woensdag markt, v. — Woensdagse h, bn.

woerd, m. (-en). Zie Waard (3® art.).

woerd, woert, v. (-en). Omperkt stuk land.

woerhaan, m. (..anen). Fazant. — Woerhen, v. (-nen).

woest, bn. bijw. Wild, onbeschaafd : woeste volken. Onbebouwd, onbewoond : ■woeste streek. Verwilderd : woeste blikken. Grof, lomp. Ongeregeld. Ongetemd.

— Woestaard, m. (-s). Wild, lomp mensch.

— Woe staar dig, bn. — Woesteling, m. en v. (-en). — Woesteling e, v. (-n). — Woestenij, v. (-en). Onbebouwde streek land. — Woestheid, v. (..heden). — Woes-ti/n, v. (-en). Onbewoonbare en van allen plantengroei ontbloote landstreek. In de woestijn, voor doove ooren preeken.

Wolil{;emiilli (Af.), i434(?)-i4..(?). Neurenberg. Duitsch schilder en beeldhouwer.

wol, v. Fijneen korte haren, waarmede vele planten en de bladen van zekere planten bedekt zijn. Lantje, meestal krullige ineengegroeide fijne draden, die het zaad veler planten omgeven. Fijne, kroeze en dooreengegroeide zachte haren van eenige zoogdieren (inz. der schapen). Wollen draden. (-len) Soort van wollen stof. Veel geschreeuw en weinig wol: veel getier om

i _ WOLF

eene onbeduidende zaak. — Wolachtig, bn. — Wolachtigheid, v. — Wolbaai, v. (..alen). — Wolbereiden, o. — Wolberei-der, m. (-s). — Wolbereiding, v. — Wol-bereidster, v. (-s). — Wolboom, m. (-en).

— Woldragen d, bn. — Wol fabriek, v. (-en). — Wolfabrikant, m. (-en). — Wolfluweel, o.— Wolhandel, m. — Wolhandelaar, m. (-s). — Wolkaarden, o. — Wolkaar der, m. (-s). — Wolkaar ding, v. — Wolkaarster, v. (-s). — Wolkammen, o. — Wolkamnier, m. (-s). — Wol-kamming, v. — Wolkamster, v. (-s). — Wolkooper, m. (-s).— Wolkruid, o. Naam van verschillende planten. — Wollegras, o. Plantengeslacht {eriophornm), tot de cypergrassen behoorende. — Wollen, bn.

— Wollenaaien, o. — Wollenaaister, v. (-s). — Wollengoed, o. — Wollig, bn. Wolachtig. Met wol voorzien. Harig. — Wolligheid, v. — Wolmarkt, v. (-en). — Wolplukken, o. — Wolplukker, m. (-s).

— Wolp Inks ter, v. (-s). — Wolscheiden, o. — Wohpinnen, o. — Wolspinner, m. (-s). — Wolspinnerij, v. (-en). — Wol-spinster^. (-s). — Wolverven, o. —Wolverver, m. (-s). — Wolver very, v. (-en).

— Wolvlok, v. (-ken). — Wolwasschen, o. — Wolweven, o. — Wolwever, m. (-s).

— Wolzak, ra. (-ken).

wolf, m. (..ven). Verscheurend zoogdier {cam's luflus), tot het geslacht der honden

Wolf.

tjenoorenae. insect in ae oijenkorven. Insect, dat de boomen beschadigt. Korenworm. Het niet zuiver klinken van piano's. Vretende wolf : kankerachtige zweer of zulk een uitslag. Zuidelijk sterren bi eld. Met de wolven huilen in hot busch : doen wat anderen doen. •— Woljachtm. bn. — Wolfkers, v. Nachtschade. — Wnlf-i «-gel, m. (-s). — Wolfsbalk, m. (-en . Wolfe-klem. — Wolfsboon, v. (-en). Vijaro- of boksboon. — Wolf seinde, o. (-n). Wolve-dak. — Wolfsgebit, o. '-ten). Gebit van eenen wolf. Geb't voor hardjj. bekte paarden. — Wolfsgehuil, o. — Wol/sgras, o. Soort van gras. — Wolfshond, m. (-en).

— Wolfshonger, ra. Razende honger. — Wolfshuid, v. (-en). — Wolfsyze», o. (-$). Voetangel era wolven te vaneen. — Wolfsklauw, ra. (-en).— v. Plantengeslacht {lycotgt;odium), tot de familie der wolfsklauwen uehoorende. Degeraeene wolfsklauw (/. clavatum) groeit op voch-tigen heigrond.— Wolfsklem. v. (-men).

— Wolfskleurig, bn. — Wolfskruid, o. Sraeerwortel.— Wolfskuil, m. (-en). Kuil om wolven te vangen. Putten, rondom


ocr page 976

— 902 —

WOLF

WOLK

cene verschansing:. Sloot aan 't einde van een park. — Wolfslevery o. — Wolfs-tnelft, v. Plantengeslacnt {euphorbia), tot de wolfsmelkachtigen behoorende. — IVolfsmelkachtigen, v. mv. Plantenfami-lie. — IVolJsmutl, m. (-en). — Wolf si els, m. (..zen). — Wolf spoot, m. (-en). — Woljstand, m. ( en). — Wolfsvel, o. Men). — Wolfsivortel, v. (Plantenr.) Monnikskap. — Wolvebeet, m. (..eten). — Wolvedak, o. (-en). Dak, dat met drie of vier hoeken schuin afloopt. — Wolvenaard, m. — Wolvenjacht, v. (-en). — Wolvenjager, m. (-s). — W olveprent,v. (-en), voolvespoor, o. (..oren). — Wolvin, v. (-nen).

wOlf, v.(..ven). (Zeew.) Draaikuil. Wolff (y.), 1834, Quedlinburg. Duitsch dichter. Till Eulenspiegel redivivus (1875); der Rattenfanger van Hameln ; der wilde Jager.

Wolff-ltckkcr [E.), 1738-1804, Vlis-«ingen. Romanschrijfster en aichteres. Zie A. Deken.

wolfram, o. Delfstof van grijs- en bruinachtig zwarte kleur. Komt zelden voor.

wolframlum, o. Metaal, dat als een donkergrauw poeder voorkomt.

Wolfvoet (V.), 1612-1652, Antwerpen. Historieschilder. Bezoek van Maria aan Elizabeth, wolk, v. (-en). Nevelmassa, die zich In de hoogere lagen des dampkrings vormt en door den opstijgenden luchtstroom zwevend gehouden wordt. Vederwolken (cirrus, vv): witachtige wolkjes, die er uitzien als katoen vlokken, pluimen of vederen, in regelmatige strepen aan den hemel verdeeld en gewoonlijk verandering van weder aanduiden. Schaduw- of stapelwolken (cumulus, vvv) zijn als opeengesta-

Eelde berger\, welker toppen met sneeuw edekt schijnen. Doen zich vooral in den zomer inz. in den morgenstond voor. elde berger\, welker toppen met sneeuw edekt schijnen. Doen zich vooral in den zomer inz. in den morgenstond voor. Schicht- of laagvormige wolken (stratus, v) : lange min of meer breede strepen aan den horizon. Vertoonen zich vooral in den herfst, bij zonsondergang. De regenwolken (nimbus, wvv) onderscheiden zich niet door eene bijzondere gedaante, maar enkel door hunne gelijkmatig grauwe kleur en bochtigen rand. (De gemiddelde hoogte der wolken is 's winters van 1200 tot 1400, 's zomers van 3000 tot 4000 meters). — Wolkachtig, bn. — Wolkboog,m. (..ogen). Regenboog. — Wolkbreuk, v. (-en). — Wolkdry ven d, bn. — Wolkenhemel, m.

— Wolkenkolom, v. (-men). — Wolkgevaarte, o. Dichtopeengestapelde wolken.

— Wolkig, bn. — Wolkje, o. (-s). Ver-kleinw. van wolk. Streepje in het wit van het oog. Vlek in edelgesteenten. Sombere


ocr page 977

WONE — qi

trek op het aangezicht. — Wolksruyze, bijw. — Wolkvanger, m. (-s). (Zeew.) Soort van overkleed,— Wolk zon, v. (-nen).

wond(e), v. (wonden). Beleediging der lichaamsdeelen, door eene werktuiglijke oorzaak teweeggebracht. Smartver-wekkende aandoening der ziel. Smartelijke herinnering. Verdriet. Dat is balsera voor zijne wond : dat is een troost voor hem. — Wondarts., ra. (-en). — Wond-ariseny, v. (-en). Heelmiddel. — Wondbaar, bn. — Wondbaarheid, v. — Wond-balsem, m. — Wonden, bw. wondde, heeft gewond. Beleedigen (een lichaamsdeel). Kwetsen. Grieven.— Wondtng, v.

— Wondheeler, ra. (-s). —Wondheelkunde, ..kunst, v. — Wondyzer, o. (-s).

— Wondkrutd, o. Plantengeslacht (an-thylUs), tot de vlinderbloemigen behoo-rende. 't Gemeene wondkruid {a. vulne-rarta) : overblijvend gewas. Bloeit in Juni en Juli op zanderige grasgronden.— Wondmiddel, o. (-en).— Wonduaad, m. (..aden).

— Wondtanjr, v. (-en). — Wondteeken, o. (-en).

wonder, o. (-en). Mirakel. Wonderwerk. Voorwerp of gebeurtenis, waardoor bewondering wordt opgewekt. Een wonder van geleerdheid : een buitengewoon geleerd mensch. Het geeft mij wonder : ik ben er over verwonderd. Geen wonder : het is natuurlijk. De zeven wonderen der wereld : de Egyptische pyramiden, de han-

Ïende tuinen van Babyion, de tempel van )iana te Ephesus, het beeld van den Olyra-pischen Jupiter, het mausoleum van Arte-mesia, de Colossus van Rhodus, de vuurtoren van Alexandrië. —ende tuinen van Babyion, de tempel van )iana te Ephesus, het beeld van den Olyra-pischen Jupiter, het mausoleum van Arte-mesia, de Colossus van Rhodus, de vuurtoren van Alexandrië. — Wonder, bn. bijw. Wat verwondering wekt. Buitengewoon. Vreemd. In hooge mate : hij is wonder gelukkig. — Wonderbaar, bn. bijw. — Wonderbaarheid, v. — Wonderbaarlijk, bn. bijw. — Wonderbaarlijkheid, v. — Wonderbeeld, o. (-en). — Wonderboom, m. ( en). Plant [ricinis communis), tot de wolfsraelkachtigen behoorende. Groeit in O.-Indië.— Wonderdaad, v. (..aden).— Wonderdadig, bn. bijw. — Wonderdadigheid, v. — Wonderdadiglyk, bijw. — Wonderdoend, bn. — Wonderdoener, ra. (-s). — Wonderdokter, ra. (-s). — Wonderen, eenpw. wonderde, heeft gewonderd. Verwondering verwekken. — Won-dergoed, bn. — Wondergroot, bn. — Wonderheid, v. (..heden). — Wonderjaar, o. (..aren). — Wonderkind, o. (-eren),— Wonder klein,hn. — Wonderlijk, bn. bijw. — Wonderlijkheid, v. (..heden).— Wonderschoon, bn.— Wonderspreuk, v. (-en). Zonderlinge, valsche stelling. — Wonderspreukig, bn. bijw. — Wo n der sterk, bn. — Wonderwel, bijw. Uitmuntend. Voortreffelijk. — Wonderwerk, o. (-en). — Wcnderzinnig, bn. bijw. Zonderling. Grillig. — Wonderzinnigheid, v.

wonen, ow. woonde, heeft gewoond. Gehuisvest zijn (in echten en fig. zin).-— Woner, ra. (-s). — Woning, v. (-en). Huis, enz. waarin men voorgoed verblijf houdt.

— Woon. ZieMettei woon.— Woonachtig, bn. Wonende. Gevestigd. — Woonbaar,

5 — WORG

bn. — Woonhuis, o. (..zen). — Woonkamer, v. (-s). — Woonplaats, v. (-en).— Woonstede, v. (-n). — Woonvertrek, o. (-ken).

woord, m. (-en). Zie Waard (3® art.), woord, o. (-en). Woorden : vormen, waarin wij ons denken voor anderen aan-sckouwelijk maken, hoorbaar of zichtbaar, d. i. door spreken of schrijven. Belofte^ ; zijn woord houden. Met éen woord : in 't koit. Het woord voeren : spreken in ✓ergaderingen, enz. Het hooge woord voeren : veel te zeggen hebben. lem. te woord staan, hem antwoorden. Een goed woord vindt eene goede plaats. Het woord Gods : Gods zaligmakende leering. Harde woorden : berispingen, verwijtingen. Woorden krijgen : in twist geraken. — 11/oordajlei-der, ra. (-s). — Woordafleiding, v. (-en).

— Woordafleidkunde, v. Etymologie. — Woordbuiging, v. (-en). — Woordelijk, bn. bijw. Letterlijk. Woord voor woord. — Woordenboek, o. en ra. (-en). Boek, in hetwelk de woorden met hunne beteekenis alphabetisch gerangschikt zijn. — Woor-denboekschryver, m. ( s). — Woorden-bouw, ra. — Woordenkeus, v. — Woordenkraam, v. Woorden zonder zin. — Woordenkramer, ra. (-s). — Woordenlijst, v. (-en). — Woordenpraal, v. — Woordenrijk, bn. — Woordenrijkheid, v. — Woordenschat, m. — Woordensme-der, ra. (-s). — Woordensmederij, v. — Woordenspel, o. — Woordenstrijd, tn.

— Woordentwist, m. — Woorden vit ter, m. (-s). Overdreven taalzuiveraar.— Woor-denvittery, v. (-en). — Woordenwisseling, v. (-en). Twist, gekijf. Discussie. — Woordenziften, o. Keurig zijn bij het gebruik van woorden. — Woordenzifter, m. (-s). Woorden vitter. — Woordenzif te rij, v. (-en). — Woordfiguur, v. (..uren).— Woordhoudend, bn. — Woordhouder, ra. (-s). — Woordhouding, v. — Woordhoudster, v. (-s). — Woordkundige, ra. (-n). — Woordomzetting, v. (-en). — Wr or do ntleding, v. (-en). — JVoordover-tolligheld, v. — Woordschikking-, v. Re-

felen, waarnaar de woorden eener taal tot et uitdrukken der gedachten gerangschikt worden. —elen, waarnaar de woorden eener taal tot et uitdrukken der gedachten gerangschikt worden. — Woordspeling, v. (-en). — Woordstam, ra. (-men). (Taalk.) Ook stam

fenoemd : zakelijk deel, waarin de hoofd-eteekenis en het ware wezen der woorden ligt opgesloten. —enoemd : zakelijk deel, waarin de hoofd-eteekenis en het ware wezen der woorden ligt opgesloten. — Woorduitlating, v. (-en). — Woordverbreker, ra. (-s). — Woordvoeging, v. — Woordvoerder, ra. (-s). — Woordvorming, v.

worden, werd, is geworden. Ow. Zekere hoedanigheid verkrijgen : hij wil geneesheer worden. In zekeren toestand komen : hij is arm geworden. Beginnen te zijn : het wordt zomer. Voortkomen : van water wordt ijs. Wat is er van hem geworden : welk lot heeft hem getroffen ? Hulpw.: hij wordt bemind. — Wordend, bn. — Wording, v. — Wordinqsleer, v.

worden, wurgden, bw. worgde, wurgde, heelt geworgd, gewurgd. Door het toe-wringen van den strot ombrengen. — Worg, ra. Benauwdheid in de keel. Keelontsteking (der paarden). — Worging,


ocr page 978

WORT — g

zvurging, v. — IVgt;*gkoord, o. (-en). —

Worgpaal, m. (..alen).

^vork, m (-en). Kikvorsch. — TVor-heti, ow. wi-rkte, heeft geworkt. Kwaken (van kikvoischen).

wonii, wiii-iii, m. (-en). Zie Dierenrijk (Bijxevofgde Tabellen). Worm in 's menschen lichaam. Ongrdiert.e, dat bet hout doorknaagt. Zekere zenuw onder de tong van honden. Soort van schurft (bij paarden». Een zet-r aan ht-t hoofd van kinderen. Wroeging : de ki agende worm des gewetens. — Wormachtig, bn. — Wor-men, ow. wormde, heelt gewormd. Wriemelen (als een worm). — Wormig, bn. — Wormkruid, o. Wild wormkruid : rein-varen. Heidensch wormkruid : guldenroe-de.— Wormnagel, m. (-s). (Zeew.) Paalspijker. — Worrnsttek, m. (..eken). — Wormstekig, bn. — Wonnstekigheid, v. — Wquot;rmszvt/ze, bn. bijw. — IPormvor-mig, bn. — Wormvry, bn.

wormer, v. Naam van eenen polder (N.-Holl.).

worp, m. (-er). Het werpen. Zooveel als er in eens geworpen wordt. Lracht(van dieren). — Worpsgewyze, bijw. Bij worpen.

Warp [J. A.), 1851, Almeloo. Letterkundige. Bewerkte de uitgave der gedichten van C. Huygens.

worst, v. (-en). Darm met gebakt vleesch, enz. gevu d. (Zeew.) End oud touw, waaruit kabelgarens worden gedraaid. Enden zwaar touw, buitrn boord gehangen om 't schuren te beletten. Grof doek met zand gevuld, om te beletten dat de schotels van tafel rollen. Kruitworst. — Worstebrooaje, o. (-s). — Worsten, ow. worstte, heeft gewoist. Worst maken. — Worstenmaker, ra. (-s). — Worste/en,v. v-nen). — Worste-, leesch, o. — Worsthoorntje, ..horentje, o. (-s).

worstelen, ow. worste;ie, heelt geworsteld. Elkander aanvatten. Vechten. Strijden (tegen). Tegen iem. of iets worstelen : zich daartegen met inspanning verweren. Worstelen (met): kampen (tegen), veel te lijden hebben (vam. — Worstelaar, m. (-s, ..aren). — Worsteldans, m. (-en).— Worsteling, v. (-en). — Worstelkunst, v. — Worstehneester, m. (-gt;). — Worstelperk, o. (-en). — Worstelplaats, v. ( eD). — Worstelspel, o. — Worstel-stryd, ra.

wortel, ra. (-s, -en). Gedeelte van boom of plant, waarmede zij in den grond bevestigd zijn en er hun voedsel uittrekken. Het onderste van iets, waarmede het vastgehecht is : de wortel der tanden. Zulk getal, dat t en of meermalen met zich zeiven vermenigvuldigd, het eerste getal oplevert : ^ is de wortel van 9 Vierkantswortel. Kubuswortel. (Taalk.) Woordstam. Oorsprong, begin. — Wortel, ra. (-s, -en). Peen (2® art.). — Wortelachtig, bn. — Wot leidraad, m. (..aden).— Wortelen, ow. wortelde, is geworteld. Wortel vatten. Zich vasthechten. — Wortelig, bn. — Worteling, v. — Wor teling s, bijw. Tot op. tot in den wortel. — Wortelletter, v. (-s). — Wortelscheut, v. (-en;.— M'ortel-

4 -- WRAT

schietend, bn. — Wortelspruit, v. (-en).

— Worteltafel, v. (-en). (Rekenk.). — Wortelteeken, o. (-s, -en). — Worteltrekken, o. Het berekenen van den wortel van een getal. — Worteltrekking, v. (-en),— Worteh'ezel, v. (s). — lb or teivormig, bn. — Wortelwoord, o. (-en). Woordstam.

woud, o. (-en). Zekere uitgestrektheid lands, met booraun en struiken beplant, die wild door elkander groeien. — Windachtig, bn. — Woudbemoner, ra. (-s).— Woudduif, v. (..ven). De grootste onzer inlandsche wilde duiven. — Woudheer, ra. (-en). — Woudmeester, ra. (-s). — Woudjrachter, m'. (-•).

won ter, m. (-s). Meerkol, wouterman, m. (-s). (Zeew.) Klamp. (Timm.) Draaglijstie.

wouw. m. (-en). Vrij groote roofvogel (milvus regalis). Komt bij ons slechts op den trek voor.

wouw, v. Zie Reseda. — Wouwen, bw. wouwde, heeft gewouwd. Met wouw verven.

Wouweriuan {F.), 1619-1668, Haarlem. Schilder. Veldslag; 't Vertrek naar de Jacht; Ruiterij-aanval»

wrststk, wrake, y. Het wreken. Begeerte om eene beleediging enz. in peisoon op den beleediger te straffen. De straf zelve. Begeerte om bedreven kwaad te vergelden of vergolden te zien. — Wraakbaar, bn. Ai' te keuren. Verwerpelijk. (Recht.) Niet toe te laten. — Wraakbaarheid, v. — Wraakgevoel, o. — W* aak-gierig, bn. Geneigd tot wraak. — Wraakgierigheid, v. — Wraakgoed, o. Uitschot. Afgekeurde voorwerpen. — Wraakharing, v. (stofn.); ra. (-en) (voorwerpsn.). Slechte haring. — Wraaklust, ra. — Wraaknetning, v. (-en).— Wraakzucht, v. — Wraakzuchtig, bn. — Wraakzwaard, o. — Wraken, bw. wraakte, heeft gewraakt. Verwerpen. Afkeuren. — Wraking, v. (-en).

wraak, v. (..aken). (Zeew.). Hoek van afdrijving. — Wraakiyn,v. (-en). (Zeew.).

— Wraken, ow. wraakte, heeft gewraakt. Afdrijven. Vanstreek gaan. — Wraking, v. (-en).

wraddel, m. (-s). Kossem.

wrak, bn. bijw. Beschadigd. Gebrekkig. Verminkt. Een wrakke boedel : boedel, waaruit de schulden niet kunnen betaald worden. Het staat wrak met hem : zijne zaken staan slecht. — Wrak, o. (-leen). Wat wrak is. Beschadigd en onbruikbaar schip. Stukken van een gestrand schip. Overblijfselen van iets. — Wrakgoederen, o. mv. — Wrakheid, v. — Wrakker, ra. (-s). Stranddief.

wrang:, bn. bijw. Zeer scherp of zuur. Bijtend. Onaangenaam. — Wrang, v. (-en). (Zeew.) Zeker houtwerk, ook buikstuk genoemd. — Wrange, v. (Plantenk.) Winde. — Wrangheid, v. — Wrang-kruid, o.Longkruid.

wrat, v. (-ten).Eeltachtig uitwas op de huid. Knobbel aan eene plant. — Wratachtig, bn. — Wrattenkruid, o. Soort van wolfskruid. — Wr attig, bn.


ocr page 979

WRIK — 9

wreed, bn. bijw. Hard, ruw (voor 't gevoel). Scherp (van smaak). Woest (van inborst). Slecht. Onbarmhartig. Bloeddorstig. Wat van wreedheid geiuii-t: wreede straffen. — Wreedaard, m. (-s). Ruw, onbarmhartig raensch. — Wreedaardig, bn. bijw. — Wreedaardigheid, v. •— Wreeda ar dig lyk, bijw. — Wreedelijk, bijw. — Wt eedheid, v. (..h* den).

wreef, v. (..even). Het bovenste van den voet.

wreef, wreve, v. Het wrijven. Kaakslag. Harde berisping.

wreken, bw. wreekte, heeft gewroken. Wraak nemen. Zich vcreken, ww. Zich over iets, op iem. wreken. — Wreker, m. (-s). — Wreekster, v. (-s). — Wreking', v.

wreuiel«'ii, ow. wremelde, heeft ge-wremeld. Writ melen. — Wrevieling, v.

wreuselicu, ow. wrtnschte, heeft ge-•wrensebt. Hinniken.

wrevel, m. Boosheid. Bitterheid. Bedwongen spijt. Misnoegdheid. — Wrevel, wrevelig, bn. Lijw. Misnoegd. Knorrig. Verbitterd. Kwaadaardig. — Wrevehg-heid, v. — Wi evehnoed, m. — Wrevelmoedig, bn. bijw.

wriemelen, ow^ wriemelde, heeft gewriemeld. Krielen. Krioelen. Jeuken, kittelen. — Wrier/ielittg, v.

wrlgrifeleu, bw. wriggelde, heeft ge-wriggeld. Wrikken.

wr|jf, v. (..ven). Wreef (i® art.). wrUten, ow. wrijtte, heeft gewrijt. Twisten. Tegenwerpen. — Wrijter, m. (-s). — Wr ij ting, v. — Wrytster, v. (-s).

wrijven, bw. wreef, heeft gewreven. Dikwijls over iets heen strijken. Tot poeder ot gruis maken. Iem. iets onder den neus wrijven, hem iets verwijten. Schrijven en wrijven : schrijven en overschrijven. Schuren (tegen de boomen). Zich aan iem. wrijven : omgang, gemeenschap met iem. hebben. — Wrijf bak, m. (-ken). — Wrijf borstel, m. f-s). — Wtitfdoek, m. (-en). — Wryfgoed, o. — Wrijfhout, o. (-en). — Wrijfkussen, o. (-s). — Wryf-lap, m. (-pen). — Wrijf mand, v. (-en). — Wrijf molen, m. (-s). — Wrijfpaal, m. (..alen). — Wrijfpakking, v. — Wryfrol, v. (-len). — Wrijfsteen, m. ( en). — Wrijf ster, v. (-s). — Wrijf was, o. — Wrijfworst, v. (-en). Zak met kabelgarens gevuld, buiten boord gehangen om 't schuren te beletten. — Wry'ver, m. (-s). — Wrijving, v. (-en). — Wry ving ssas, v. {-sen).

wrikken, bw. ow. wrikte, heeft gewrikt. Doen wankelen. Waggelen. Met eenen riem (aan het achtereinde van een vaartuig) roeien. Aan iets wrikken : pogingen doen om iets uit zijnen stand te krijgen.— Wr ikke len, bw. ow. wrikkelde, bet ft gewrikkeld. Frequentatief van wrikken. — Wrikker, ra (-s). — Wrikking,

5 — WURM

v. — Wrikriem, m. (-en). — Wrfkwiet, o. (-en).

wringen, wrong, heeft gewrongen. Bw. Door middel eener draaiende beweging in eendrukken. Rukken ; iem. iets uit de handen wrirgen. Eenen boomstam wringen, om hem af te scheuren. De handen wringen (als teeken van droetheid ol angst). Ieder weet waar de schoen hem wringt, waar het hapert. Ow. Die peer wringt, wil door de ket-l niet. — Wring-haak, m. ^..aken).— Wnnghout,o. (-en). — Wringing, v.

wrochten. Zie Wei ken.

wroegren, bw. wroegde, heeft ge-wroegd. Beschuldigen, kwellen ; zijn geweten wroegt hem. — Wroeging, v. (-en).

wroeten, wroette, heeft gewroet. Ow. Zoekende graven (gelijk de varkens). Zich afsloven om in zijn levensonderhoud te voorzien. Bw. Wroetende in zekeren toestand brengen. — Wroeter, m. (-s). — W roe ting, v. — Wroetster, v. (-s).

wrok, m. Bittere en ingewortelde haat.— Wrokken, ow. wrokte, heeft gewrokt. Inwendig haat en wraakzucht voeden. — Wrokkig, bn- Haatdragend.

wrong, v. (-en). Het wringen. Samen-gewrongen voorwerp. Vastineengedraaide touwen of haren. Samengewrongen doek, om het hoofd gedragen. Leguaan (2® art.).

wronsrel, v. Gestremde melk, waarvan kaas bereid wordt. — Wrongelen, wron-gelde, heelt en is gewrongeld. Bw. Doen stremmen. Ow. Stremmen. Tot wrongel worden (van melk).

wuft, bn. bijw. Licht van beweging. Veranderlijk. Wispelturig. — Wuftheid, v.

wui, v. (-en), wult, v. (-en). Haspel, waarop men het schiemansgaren vervaardigt.

wait, m. (-en), wuiten, m. (-s).Gaai (ieart.). Dwaze jongen. Mensch met weinig verstand.

wuiven, wuifde, heeft gewuifd. Ow. Heen en eer slingeren. Met den hoed, enz. zwaaien. Bw. Iem. met den hoed, enz. wenken. — Wuiving, v. (-en).

wulf, o. (..nen). Gewelf. Boog. Gewelfde zoldering. — Wulfsel, o. ( s). Gewelf.

wulp, o. (-en). Welp.

wulp, m. (-en). Wulpen : eeslacht {numenius), tot de steltloopers behooren-ae. Zijn trekvogels en leven gezellig in troepen. Onbedachtzame jongen.

wulp»eli, bn. bijw.Dartel. Weelderig, Zinnelijk. Wellustig.— Wulfschheid, v. wurgen. Zi-* Worgen.

wurm. Zie Worm.

wurm, m. (-en). Stumper. Sukkel. — Wurmen, ow. wurmde, heeft gewurmd. Moeite doen. Hard werken. — Wurmer, m. (-s). — Wurmerij, v.


ocr page 980

— 906 —

ZAAG

ZAAI

x, v. (x's). 24® letter van het alphabet. xanAlkiue, v. Gele kleurstof van de meekrap.

Xsiiitippe, v. De booze en plaagzieke vrouw van Socrates, (-s). Booze vrouw. Helleveeg.

Xavcrius (h. F.), 1506-1552, Xaz/t'ero (Navarre). Jesuïet. Apostel der Indiërs.

Xeuoplion. 450 (?) -363 (?) voor Chr. Athene. Grieksch wijsgeer, geschiedschrijver en veldheer. Cyropoedia \ Anabasis.

y, v. (y's). 25® letter van het alphabet, yaclc, yak, m. (-s). Soort van rundvee (dos grunniens'). Leeft in 't ild op de bergen, die Boetan van Tartarije scheiden.

yam, yam «wortel, m. Vormt een geslacht (dzoscorea) van tropische planten. Wordt als voedingsmiddel aangekweekt.

yankee, m. (-s). Spotnaam der Noord-Amerikanen.

as, v. (z's). 26® letter van het alphabet. _ zaad, o. (zaden). Planteneitje, dat, in de vrucht zijn vollen was- en rijpdom verkregen hebbende, bekwaam is om de plant wederom voort te brengen. Graankorrel. Het gezaaide, koolzaad, raapzaad. Geslacht. Nakomelingschap. Kiem, oorsprong. Schiethagel. Inzet (in de spelen).

— Zaadachtig, bn. — Zaadbak, m. (-ken),

— Zaadbede ksel, o. (-s). — Zaadbeen ij es, o. mv. Ieder der beentjes, die tusschen de gewrichten van vingeren en teenen zitten.

— Zaadbeursjet o. (-s). — Zaaddragend, bn. — Zaadetend, bn. — Zaadhanael, m.

— Zaadhandelaar, m. ( s). — Zaadhout, o. (-n). (Zeew.) Dikke balk, dienende tot versterking van het raam van het schip en tot gelijker verdeeling van het gewicht der masten. — Zaadhulsel, o. —Zaadkleed, o. (-eren). — Zuadknop, m. (-pen). Zie Stamper. — Zaadkooper, m. (-s). — Zaad' koopster, v. (-s). —Zaadkorrel, v. (-s).— Zaadlob, v. (-ben). Ieder der eerst ontwikkelde blaadjes eener pbjit, reeds volkomen gevormd in het zaad. — Zaad-pluimpje, o. (-s). — Zaappluis, o. — Zaadschieting, v. — Zaadstof, o. — Zaadwinkel, m. (-s).

zaagrgt; v. (zagen). Werktuig aan de eene zijde getand, dienende om hout enz. zuiver te verdeelen. — Zaag,m* en. v. (zagen) Zaniker. Zanikster. —Zaagbek^ra.

— Zaagbekken : geslacht [rnerg;us) van de

quot;xcrcs (wttn), m. Spaansche likeurwijn.

Xcrxes. 5quot; (?) -465.-. Koning van Per-zië. Onderwierp Tracië en Macedonië. Werd verslagen bij Salamis en omgebracht door Artabanes.

jl- stralen, m. nw. Electrische lichtstralen (doorRöngten ontdekt), waarmede men door ondoorschijnende stoffen heen kan photographeeren.

yard, m. (-s). Eneelscbe lengtemaat. IToen» (y.). Zie Kaproen.

Yonjje (c. A/.), 1823, Ottebourne. Eng. romanschrijfster. The heir of Redely, ff e (ïSjq).

Vonnsr (-fi1.), 1084-1765, Upham. Eng. dichter. The complaint or ni^ht-ihoughis (i742-'46).

eendachtige zwemvogels. — Zaagblad, o. Plantengeslacht {serratula),tot de samen-gesteldbloemigen behoorende, (-en). Deel eener zaag. — Zaagbok, m. (-ken). — Zaaghout, o. — Zaag kuil, m. (-en). — Zaagloon, o. en m. — Zaagmachine, v. (-s). — Zaagmeel, o. — Zaagmolen, m. (-s). — Zaagmolm, m. en o.*— Zaagmul, o. — Zaagsel, o. — Zaag stoel, m. (-en). — Zaagswyze, ..wijs, bijw. — Zaagvisch, m. (..sschen). Kraakbeenige visch, met eene zaag (een verlengsel van den kop). — Zaagvortnig, bn. — Zaagwerk, o. (-en) (Vestingb.).

zaaien, bw. ow., zaaide, heeft gezaaid. Zaad in den grond strooien. Verspreiden : hij zaait niet veel goeds. Tweedracht zaaien, stoken. Wie maaien wil, _moet zaaien. Wie wind zaait, zal storm maaien.— Zaai, m. Het zaaien : goed weer voor den zaai. — Zaaibaar, bn. — Zaaibloem, v. (-en). Bloem uit zaad gekweekt. — Zaai-boon, v. (-en). — Zaaier, m. (-s). Die zaait. Soort van aardappel. — Zaaigoed, o. — Zaaiing, v. (-en). — Zaaikleed, o. (-eren). — Zaaikoren, o. — Zaaikorf, m. (..ven). — Zaailand,o. (-en).— Zaailing^ m. (-en). Zaaiplant, soort van aardappel.— Zaailing, v. Soort van vlas of hennep. — Zaaiviaand, v. (-en). — Zaaimachine, v. (-s). — Zaaiplant, v. (-en). — Zaai-ploeg, ra. (-en). — Zaaisel, o. (-s). Wat gezaaid is. — Zaaitijd, m. — Zaaiveld^


ocr page 981

ZADE — 90

o. (-en). — Zaaiiueder, o. — Zaaizaad, O. (..aden). — Zaaizak, m. (-ken).

zaak, v. (zaken). Ding. Voorwerp. Aangelegenheid. Bezigheid. Onderwerp. Punt, dat betwist wordt en te beslissen is. Feit. Voorval. Rechtsgeding. De zaken : handelsbedrijf, omstandigheden. — Zaakbezorger, m. (-s). — Zaakgelastigde, m. (-n). Gevolmachtigde. — Zaakkennis

— Zaakrijk, bn. — Zaakrijkheid, v. — Zaakwaarnemer, m. (-s). Die voor een ander zaken verricht. — Zakelijk, bn. bijw. Wezenlijk. Belangrijk. De zakelijke inhoud, de hoofdinhoud van een boek. Juist, bondig (van stijl). — Zakelijkheid, v.

zaal, v. (zalen). Ruim vertrek in een huis, enz.

zaal, o, (zalen). Zadel.

zaan, v. Room van melk. Schuim van bier, champagne, enz. — Zaanachtig, bn.

zaat, zate, v. Zitting. Deel van den stoel, waaropmen zit. Stoel. Zitbank. Zit-

§ laats in het koor eener kerk. Werf. cheepstimmerwerf. laats in het koor eener kerk. Werf. cheepstimmerwerf.

zabbelen, ow. zabbelde, heeft gezab-beld. Zabberen. — Zabbelaar, m. (-s). — Zabbelaarster, v. (-s). — Zabbeling, v.

zabberen, ow. zabberde, heeft gezabberd. Kwijlen. Onmatig drinken. —Zabberaar, m. (-s). — Zabberaarsier, v. (-s).

— Zabberdoek, m. (-en). — Zabbering, v. zacbt, bn.bijw. Niet hard, week : zacht

hout. Niet stug, buigzaam : zacht leder. Wollig : zacht laken. Sappig : zachte peren. Mollig : eene zachte hand. Niet ruw: een zacht klimaat. Niet guur of koud : zacht weer. Niet streng: een zachte winter. Niet hevig: een zachte regen. Niet scherp : zachte wijn. Langzaam : zacht aidalende weg. Niet sterk : zachte overgangen. Half gekookt: een zacht ei. Zachte spijzen, die gemakkelijk verteren. Een zacht bed, waarin men inzakt. Wat de zinnen aangenaam aandoet: zachte kleuren, eene zachte stem. Haast niet merkbaar: zacht spreken. Niet ruw : iem. zacht behandelen. Verkwikkend : zacht slapen. Kalm, niet pijnlijk : een zachte dood. Niet snel : zacht loopen. Niet barsch : eene zachte vermaning. Niet hartstochtelijk : een zacht gemoed. Niet gestreng : eene zachte strat. — Zacht, tw. Niet zoo hard. Niet zoo schielijk. — Zachtaardig, bn. bijw. — Zacht-aardigheid, v. — Zachtaardiglyk, bijw.

— Zachtblad, o. Soort van wolkruid : mollugo, — Zachte lijk. bijw. — Zachtheid, v. — Zachtigheid, v. — Zachtjes, zachtkens, bijw. — Zachtkort, bn. (Taalk.).

— Zachtlang, bn. (Taalk.). — Zachtmoedig, bn. bijw. — Zachtmoedigheid, v. — Zachts, bijw. Lichtelijk. Ten minste. — Zachtzinnig, bn. bijw. — Zachtzinnigheid, v.

zadel, m. en o.* (-s). Zetel van leder, enz. op den rug van een rijdier. Draag-zadel. Kam (van snareninstrumenten).— Zadelbeen, o. (-deren). Gedeelte van het zeetbeen. — Zadelen, bw. zadelde, heeft gezadeld. Eenen zadel opleggen. — Zadelkussen, o. (-s). — Zadelmaken, o. — Zadelmaker, m. (-s). —Zadelmakerij, v. (-en). — Zadelpaard, o. (-en). — Zadel-

— ZALI

riem, m. (-en). — Zadelrug, m. (-gen)r Rug geschikt voor eenen zadel. Paard meteen hollen rug. — Zadeltuig, o. — Zadel-vast, bn. Vast in den zadel zittende.

zasen, zaagde, heelt gezaagd. Bw. Met eene zaag doorsnijden : hout zagen. Zagend voortbrengen : latten zagen, Ow. Met de zaag werkzaam zijn. Slecht op de viool spelen. Onophoudend over hetzelfde onderwerp spreken. Zaniken. Vervelend en gedurig iets vragen. — Zageman, m. (-s). Zaniker. — Zager, m. (-s). Die zaagt. Vioolkrasser. Zaniker. — Zagerij, v. (-en).

— Zagersbok, m. (-ken). Zaagstoel. zak, m. (-ken). Lederen, papieren, katoenen tasch om iets in te bergen of to vervoeren. Deel van een kleedingstuk, bestemd om er voorwerpen in te bewaren. Al wat in eenen zak vervat is. Mud. Wat eenigszins op eenen zak gelijkt: buidel, krop, enz. van sommige dieren. Gat in eene biljarttafel, waarin de ballen vallen. Blinde straat. Sluiphaven. Katten in zakken koopen: bij het koopen bedrogen worden. Naar den zak zaaien ; tering naar nering stellen. —ZakaltJtanak,m. (-ken).

— Zakband, m. (-en). Touw, waarmea© een zak wordt dichtgehaald. — Zakboekjet o. (-s). — Zakdoek, m. (-en). Doek om den neus in te snuiten. — Zakjormaat, o.

— Zakgat, o. (-en). — Zakgeld, o. — Zakhorloge, o. (-s). — Zakkenen, zakte, heeft gezalcc. In zakken doen. In den zak steken. — Zakkenband, o. Touw om zakken te binden. —Zakkendrager, ra. (-s)^

— Zakken/abrikant, m. (-en). — Zakken-linnen, o. Linnen, waarvan zakken worden gemaakt. — Zakkenrollen, o. — Zakkenroller, m. (-s). Gauwdief. Beur^ zensnijder. — Zakkenrollerij, v. — Zakker, m. (-s). — Zakkertje, o. (-s). Afzakkertje. — Zakking, v. (-en). — Zakmes, o. (-sen). —Zaknet, o. (-ten). — Zakneusdoek, m. (-en). Zakdoek. — Zakpijp, v. (-en). Doedelzak. — Zakpijper, m. (-s). — Zakpistool, v. en o.* (..olen).— Zakuit-gave, v. — Zakuurwerk, o. (-en). — Zakviool, v. (..olen). — Zakvormig, bn.

— Zakwoordenboek, o. enm. (-en), zakken, ow. zakte, is gezakt. Dalen.

Nederwaarts gaan. Zinken. Vallen (van water). Verminderen (in prijs). (Muz.). Niet op de juiste toonhoogte blijven. Het hoofd laten zakken : den moed verliezen.

— Zakking, v. (-en).

zalf, v. (zalven). Soort van smeersel, dat tot uitwendig geneesmiddel wordt gebruikt. — Welriekende stof, waarmede men eertijds de lichamen balsemde. Iets verkwikkends. Iets heilzaams. — Zalfquot; ach tig, bn.— Zalfachtigheid, v. — Zalfolie, v. (..ien). — Zalfwinkel, m. (-s). — Zalven, bw. zalfde, heeft gezalfd. Met zalf bestrijken. Met zalfolie overgieten. Wijden. Heiligen. —Zalvend, bn. Troostend : zalvende woorden. — Zalvertg, bn. — Zalving, v.(-en).

zalig:, bn. bijw. Hoogst gelukkig. Het eeuwig geluk genietende. — Zalige, m. en v. (-n). — Zaligen, bijw. zaligde, heeft gezaligd. Zalig maken. Zalig verklaren. — Zaliger, bn. Zijn vader zaliger gedachte^


ocr page 982

ZAND — 9

nis, zijn vader zaliger: rijn overleden vader.

— Zaligheid, v. (..heden). Het eeuwig geluk van het toekomende leven. De Gratie (heiligmakende Gratie.) De acht zaligheden : « eenige goede werken, voor dewelke Christus de eeuwige zaligheid beloofd heeft ». Hoogste tevredenheid. Aangenaamheid. lem. zijne zaligheid zeggen, hem sterk berispen. — Zaliging, v. — Zaïiglijk, bijw. — Zaligmakend, bn. — Zaligmaker, m. De Verlosser der wereld, Jesus-Christus. — Zaligmaking, v. — Zaligspreking, v. '—Zaligverklaring, v.

zaling:, v. (-s). (Zeew.). Dwarshout aan den top van den mast.

zalm, v. (stofn.); m.(-en) (voorwerpsn.) Weekvinnige visch [Salmo salar). Leeft in de noordelijke zeeën en rivieren. Zijn vleesch legert eene lekkere spijs op. Het neusje van den zalm : het beste van iets. — Zalmachttg, bn. —Zalmforel, v. (-len). Forel met rood vleesch {salmo trui fa). — Zalmkleurig,bn. —Zalmmoot( en).— Zalmti/d, m. — Zalmvangst, v. — Za.lm-visscher, m. (-s). — Zalmzegen, v. ( s). Soort van net voor de zalmvangst.

zalnw^ bn. Bleek geel. Vaal. Tanig. Zaluwachiig, bn.

zstnittleu, bw. zamelde, heeft gezameld. Bijeenbrengen. Vergaderen. — Za-melaar, m. (-s). — Zame laar ster, v. (-s).

— Zameling, v. (-en). — Zame lp laats. v. (-en). Plaats van bijeenkomst.

zaïnen (to), bijw.uitdr. Zie Samen.

zaud, o. Losliggend gesteente in kleine en fijne korreltjes, tusschen welke geen samenhang beslaat: fijn zand, grof zand, stuifzand. Op zand bouwen : ijdele plannen maken.lem.zand in deoo^en werpen, hem verblinden, misleiden, bedriegen.— Zand, o. (-en). Zandbank. Strand. Zandwoestijn. — Zandaal, m. (..alen). Smelt. — Zandachtig, bn. — Zandbaai, v. (-en).— Zandbak, m. (-ken). — Zandbank,v. (-en). (Zeew.). — Zandberg, m. (-en). Duin. — Zandboer, m. (-en).— Zandduin, v. (-en).

— Zandt n, bw. zandde, beeft gezand. Met zand bedekken. Met zand mengen. — Zanderig, bn. — Zanderigheid, v. — Zanderij, v. (-en). Zandgroef. — Zond' glas, o. (..zon). Zandlooper. — Zandgoed, o. Tabaksbladeren, die het dichtst bij den grond zijn. — Zandgraver, m. (-s). — Zandgroef,(..ven). — Zandgrond,m. (-en). — Zandhaver, v. Plantengeslacht, tot de grassen behoorende. —Zandheuvel, m. (-s). — Zandhok, o. (-ken). — Zandhoop, m. (-en). — Zandhoos, v. (..zen). Zie Hoos. — Zandig, bn. —Zandigheid, v. — Zandkai', v. (-ren). — Zandkorrel, v. (-s). — Zandkot, o. (-ten). — Zand-kruid, o. Plantengeslacht \arenarid), tot de muurachtigen Behoorende. — Zandkuil, m. (-en). — Zandlaag,y. (..agen). — Zandlooper, m. (-s). Tijdwijzer uit twee holle kegels bestaande, in een open buis en met de doorboorde toppen op elkander geplaatst. — Zandloopers, m. nw. Geslacht van rooftorren. — Zandman, m. (-nen). — Zandoever, m. (-s). — Zanapad, o. (-en) — Zandplaat, v. (..aten). —

JZandschip, o. (..epen). — Zandschipper,

8 — ZAVE

m. (-s). — Zandschuit, v. (-en). — Zandsteen, m. (-en). Rots- of steensoort, in den regel ontstaan door samenkleving van zand. —Zandsteenachtig, bn.— Zandstreek, v. (. eken). — Zandstrook, v. (-en). (Zeew) Brerde gan«: van den voornaarden achtersteven.— Zatidverkooper % m. (-s). — Zandvlakte, v. (-n). — Zand' vorm, m. (-fn). (Smelt). —Zandvormer, m. (-s). — Zandvroww, v. (-en). —Zand-Tvagen, m. i-s). — Zandweg, m. (-« nh — Zandwoestijn, v. (-en). — Zandwolk, v. ( en). — Zandzak, m. (-ken). — Zandzee, v. (-ën). Drijfzand in zee. Zandwoi stijn.

zang:, ra. Het zingen. Gezarg. G. kweel (der_ vogelen), (-en). Zangstuk. L ed. Af-deeling van een dichtstuk. — Zangberg, ra. Helicon. —Zangboek, o. en m. (-en),

— Zanger, ra. (-s). Die zingt. Lid van een rangkoor. Dichter. Zingende vogel. — Zangerenkoor, o. (-oren). — Zangeres, v. (-sen). — Za»geressenkoor, o. (-oren).

— Zangerig-, bn. Gezongen kunnende worden. Het zingen beminnende. Zoetvloeiend. — Zan, erigheid, v. — Zangersfeest, o. en v. (-en). — Zangfeest, o. en v. (-en). — Zanggezelschap, o. (-pen). — Zanggod, ra. Apollo. — Zanggodin, v. (-nen). Muze. — Zangkoor, o. (..oren). — Zangkunde, ..kunst, v. — Zangles, v. (-sen). — Zanglusf, m. — Zangmaat,v.

— Za ngm a a tsch appy, v. (-en). — Zang-meeste*-, m. (-s). — Zangmeesteres, v. (-sen). — Zangmethode,v. (-s). —Zang' muziek, v. — Zangoefening, v. (-en). — Zangschool, v. (..olen). — Zangspel, o. (•en). Muzikaal tooneelspel. — Zangstem, v. (-men). —Zangster, v. (-s). — Zang-strijd, ra. —Zangstuk, o. (-ken). — Zangtoon, ra. (..onen). — Zangvereeniging, v. (-en). — Zangvogel, ra. (-s). Vogel, die zingt. Zie Dierenrijk (Bijgevoegde Tabellen). — Zangwedstryd, m. — Zang' zoet, bn. Zangerig.

zaniken, ow. zanikte, heeft gezanikt. Aanhoudend en op eene vervelende wijze over iets praten. — Zanik, m. en v. (-en).

— Zanikachtig, bn. — Zaniker, ra. (.-s).

— Zanikerif, v. — Zanikster, v. (-s).

Zannokin, (iV.). 12.. (?) -1328, Lampernesse (?). Een der helden van Vlaande-rens gemeente-oorlogen. Sneuvelde bij Kassei.

zante, v. (-n). Handvol korenaren, na den oogst op den akker opgeraapt en samengebonden. — Zanten, bw. ow. zantte, heeft gezant.— Zanter, ra. (-s). — Zan ting, v. — Zant sier, v. (-s).

zat, bn. bijw. Verzadigd. Drenken. In overvloed : ik heb boeken zat. Moede : ik ben dien man zat. Des levens zat zijn : niet langer willen leven. —Zatheid, v, — Zattenk, ra. (-en). Dronken raensch.

zaivrdag, ra. (-en). Zevende dag der week. — Zaterdag, tw. Drommels. — Zaterdagavond, ra. (-en). — Za ter dog m or-gen, ra. (-s). —Zaterdags, bijw. 1 erdege. Verduiveld. — Zaterdagsch, bn. Van den Zaterdag. Op Zaterdag geschiedende. Dromraelsch : die zaterdagsche vent is overal.

zavel, o. en m. Zand. Inz. zand, dat


ocr page 983

rZEE — gZEE — g

uit den grond gedolven wordt en dient tot het leggen van steenwegen, bet maken van mortel, enz. Lichte en geelachtige akkergrond. — Zavelachtig, bn. — Zavel en, ow. zavelde, heeft gezaveld. — Zavelgrond, m. (-en). — Zavelig, bn. — Zavel-kuil, ru. (-tn). — Zavel put, m. (-ten).

zvboc, m. (-s). Oostindische bultos.

zcbrst, m. ('s). Fraai geteekend dier {equus zebra), tot het paardengeslacht behoort-nde. (Z - en N.- Afrika).

zc«lo, v. \Vijze. Gewoonte. Gebruik. — Zeden, v. mv. Gebruiken. Gewoonten. De goede zeden : zedelijkheid. — Zedelijk, bn. bijw. Üvereenkonistifr met de goede zeden. Braaf.Deugdzaam. Zedelijk wczt-n : wezen, dat in acht kan nemen wat wezenlijke verplichtinglt; n hem voorschrijven of verbieden (de zedelijke aanleg stelt den mensch daartoe in staat). Zedelijk onmogelijk : hetgeen door ardere dan uitwendige beletselen verhinderd wordt. — Zedelijkheid, v. — Zedelijkheidsgevoel ,o. — Zedeloos, bn. bijw. Zonder goede zeden. Losbandig van gedrag. Slecht. Ontuchtig. De ontuchtbevorderende. — Zedeloosheid, v. — Zedenbederf, o. — Zede w bede in end, bn. — Zedenbedet ver, ra. (-s). — Zedenbederf ster, v. (-s). — Zedenkunde, v. Beschrijvende wetenschap, handelende over de zeden gelijk zij zijn. — Zedenkundig, bn. bijw. — Zedenkundige, m. t-n).

— Zedenkzvetsend, bn. — Zedenleer, v. Wetgevende wetenschap, handelende over de zeden gelijk zij zouden moet«*n zijn. — Zedenleer aar, ra. (-s). — Zedenles, v. (-sen). — Zedenmeester, m. (-st.— Zedenmeesteres, v. (-sen). — Zedenpreek, v. (-en).— Zedenspreuk. (-en).—Zedig, bn. bijw. Bescheiden. Ingetogen : zich zedig kleeden. — Zedigheid, v. — Zediglifk, bijw.

zeo, v. De geheele samenhangende watermassa, die het vasteland der aarde van alle zijden omgeeft. Bedekt nagenoeg 3/4 van de oppervlakte der aarde. (-en). Elk afzonderlijk gedeelte der zee : de Noordzee, enz. Golf. Baar. Hooge zee : hoog water. Lage zee : laag water. Overvloed, groote menigte : eene zee van rampen, 't Is de zee om uit te drinken : 't is een eindeloos werk. — Zeeaal, m. (..alen). Soort van aal (conger vulgaris), in de meeste zeeën om Europa voorkomende. — Zeeaap, m. (..apen). Groote visch [chimaera mo 11 stro sa). Leeft in de Noord zee.— Zeealsem, ra. Zie Alsem. — Zeeanemoon, v. (..onen). Zeenetel. Soort van straaldier. — Zeearend, m. (-en). Zie Arend. — Zeearm, m. (-en). Lange, smalle inham. — Zeeatlas, m. (-sen). — Zeebaak, v.(..aken).—Zeebaar, v. (..aren).

— Zeebad, o. (-en). - Zeebank,\.{-zx\).— Zeebedding, v. (-en). — Zeebeer, m. (-en). Havenmuur ter breking van den golfslag.

— Zeebeer, m. u.^ren). Beer [phoca ursina), zich ophoudende aan of in de zee.

— Zeebericht, o. (-en). —Zee beschrijving, v. — Zeebeivind, o. — Zeebeivoners, m. mv. — Zt eb lik, m. en o. Het lichten der zee.— Zeebncht, v. (-en). — Zeebodem, m. (-s). — Zeeboek, o. en m. (-en). —

9 — ZEE

Zeeboezem, m. (-s). Diepe, wijde golf. —-Zeebonk, m. (-en). Zeeman, die lang gevaren heeft. — Zeeboodschapper, m. (-s).— Zecboot, v. (-en).— Zeeb- ak, o. Zeewater aan de kust. — Zeebrand, m. Branding der zee. Weerlicht zonder donder. — Zeebrief, m. (..ven). — Zeebuit, m. — Zeedaden, v. nw. — Zee damp, m. (•en). — Zee dienst, va. —Zeedier, o. (-en).

— Zeedijk, ra. (-en). — Zeedorp, o. (-en).

— Zeedrift, v. Aangespoelde voorwerpen uit zee. — Zeeduikers, m. mv. Maken eene familie uit in de orde der zwemvogels.

— Zeeduivel, ra. (-s). Zekere visch met monsterachtige vormen [lophius piscato-rius). — Zeeëend, v. 'v-en). — Zeeëngter

v. (-n). Nauwe doorgang der zee tusscherr twee landen. — Zeegast, m. (-en). Zeevarende matroos. — Zeegat, o. (-en). Monding der stroomen aan zee. Plaats, waar twee zeeën in gemeenschap zijn met elkander. — Zeegebruiken, o. mv. — Zeegedrocht, o. (-en). — Zeegedruisch, o. — Zeegerecht, o. — Zeegevaar, o. (..aren). — Zeegevecht, o. (-en). —Zeegewas, o. (-sen). — Zeegewest, o, (-en). — Zeegezicht, o. (-en). Scuilderstuk dat de zee voorstelt. — Zeegod, m. Neptunus. — Zeegolf, v. (..ven).— Zeegras, o. Plantengeslacht [zostera), tot dezichtbaarbloeien-den behoorende. 't Gewone zeegras (z. mar it lino) wordt tot het vullen van bedden, enz. gebruikt. — Zeegrijs, bn. — Zeegroen, bn. o. — Zeehaan, m. (..anen). Zeker vliegende visch. —Zeehandel, m. — Zeehandelaar, m. (-s). — Zeehard, bn. Bestand tegen de vermoeienissen der zee.

— Zeehaven, v. (-s). —Zeeheld, ra. (-en).

— Zeehond, m. (-en). Zie Rob. — Zeehoofd, o. (-en). Havenhoofd. — Zeehoos, v. ( .zen). Zie Hoos. — Zeehout, o. Boord van het schip. — Zeekaart, v. (-en). — Zeekalf, o. (..veren). Zeehond. — Zeekant, m. — Zeekapitein, m. (-en). — Zeekasteel, o. (-en). Kasteel, vesting aan zee. (Dicht.) Schip. — Zeekat, v. (-en). Ondiepte in zee. Koppootig weekdier, dat in een vleezigen zak een naar inkt gelijkend sap draagt. — Zeekleur, v. — Zeeklip, v, (-pen). — Zeekoe, v. (-ien). Lamantijnr


ocr page 984

ZEE — 9

Zeekompas, o. — Zeekool, v. Overblij-▼ende, kruisbloemige plant {cr ambe mart' tint a). De bladen, wanneer men ze voor den invloed van het licht bewaart, geven eene aangename groente. — Zeekraal, v. Plant (salicorrnia herbaced), tot de melden behoorende. Wordt op overstroo-mende plaatsen gevonden. — Zeekrab, v. i-ben). Zie Krab (ic art.) — Zeekreeft, m. Ven). Zie Kreeft. — Zeekust, y. (-en). — Zeekwallen, v. mv. Geleiachtige dieren. Hebben eene uiterlijke overeenkomst met paddenstoelen. Bewonen de zee. — Zeeland, o. Land aan of in zee gelegen. — Zeeland, o. Provincie (Nederland). Arr. : Middelburg, Goes en Zieriksee. 12 kantons, 112 tgt;emtenten. Hoofdpl. : Middelburg. — Zeeleeuw, m. (-en). Het grootste xier dieren Rotaria leom'a), die tot de robben behooien. — 2j**lieden, ..lui, m. mv.

— Zeelucht, v. —Zeemaat, v. (..aten). ZeevaarJersmaat. — Zeemaat, m. (-s). Matroos. — Zeemacht, v. Zie Leger. — Zeemaktlaar, m. (-s). — Zeeman, m. .(..lieden, ..lui). Matroos. — Zeemanschap, v. Zeevaartkunde. — Zeemanshuis, o. (..zen). — Zeemanstaal, v. — Zeemelk-kruid, o. Zie Melkkruid. — Zeemyl, v. (-en). Afstandsmaat ter zee. Nederlandsche en FranscLe zeemijl »= 5,555$ kilomet. Engelsche zeemijl 1.8515 kilomet. — Zeemonster, o. (-s). —Zeenaald, v. (-en). Kompas. — Zeeoever, m. (-s). — Zeeofficier, m. (-en). — Zeeoorlog:, m. (-en). — Zeeoverste, m. (-n).— Zeepaard, o. (-en). Paard van Neptunus. Walrus. Rivier-paard. — Zeepaling, m. (-en). Zeeaal. — Zeepas, m. (-sen). — Zeeplaats, v. (-enk

— Zeeplant, v. (-en). — Zeeprik, v. (-ken). Lamprei (a* art.). — Zeeraad, m. (..aden).

— Zeera7np, v. (-en). — Zeerecht, o. — Zeereis, v. (..zen). — Zeerob, m (-ben). Rob. Zeeman. — Zeeroeper, m. (-s). — Zeeroof, m. — Zeer oever, m. (-s). — Zeeroovery, v. — Zeerots, v. (-en). — Zeeschade, v. — Zeeschelp, v. (-en). — Zeeschilder, m. (-s). Schilder van zeegezichten. — Zeeschip, o. (..epen). — Zeeschuim, o. Schuim der zee. De schubben op den rug van den inktvisch. — Zeeschui-men, o. Zeerooven. — Zeeschuimer, m. (-s). — Zeeschuimery, v. — Zeeslag, m. (-en). — Zeesoldaat, m. (..aten). — Zeespiegel, m. (-s). Oppervlakte der zee. — Zeestad, v. (..eden). — Zeestilte, v. — Zeestoryn, m. (-en). — Zeestraat, v. (..aten). Zeeëngte. — Zeestrand, o. (-en).

— Zeestreek, v. (..eken). Deel eener zee, kustland. — Zeestrooming, v. (-en). — Zeekust,o. ( ken) Zeegezicht.— Zeeterm, m. (-en). — Zeetijding, v. (-en). — Zeetocht, m. (-en). — Ze et on, v. (-en). — Zeetrompet, v. (-ten). — Zeevaarder, m. (•s). — Zeevaardig, bn. Gereed om zee te kiezen, —Zeevaar dikheid, v. —Zeevaart, zeevaar dij, v. — Zeevaartkunde, v. — Zeevaartschool, v. (..olen). — Zeevaar-tuig, o. (-en). — Zeevader, m. (-s). — Zeevarend, bn. — Zeevarken, o. (-s). Bruinvisch. — Zeevast, bn. Bestand tegen de beweging der zee. — Zeeverzekeraar, in. (-s). — Zeeverzekering, v. (-en). —

O — ZEEP

Zeevisch, v. (stofn.); m. (..sschen) (voor-werpsn.). — Zeevlak, o. (-ken). — Zee-vlakte, v. (-n). — Zeevogel, m. (-sk — Zeevolk, o. — Zeevond, m. (-en). Zeedrift. — Zeevoogd, m. (-en). Admiraal. — Zeevoogdij,v, — Zeevrijbuitery m. (-s). — Zee7vaardig, bn. In staat om uit te zeilen.

— Zeewaarts, bijw. — Zeewater, o. — Zeewering, v. (-en). — Zeewervtng, v.

— Zeewetten, v. mv. — Zeewezen, o. Al wat op de zeevaart en den zeedienst betrekking heeft. — Zeewind, m. (-en). Zie Wind. — Zeewonder, o. (-en). — Zeewoord, o. (-en). — Zeezaken, v. mv. — Zeezand, o. — Zeeziek, bn. — Zeeziekte, v. Onaangename gewaarwording, door de schommelende en slingerende beweging van 't schip veroorzaakt. Ziekte aan zeevarenden eigen. Verveling. —Zeezog, o.

zeef, y. (zeven). Werktuig, dienende tot het ziften van voorwerpen, — Zeefachtig, bn. — Zeefbeen, o. (-deren). Been in het hoofd van den mensch, dat even als eene zeef doorboord is, — Zeefdoek^. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.).

— Zeefswyze, ..wijs, bijw. — Zeefvormig, bn.

zeesrgt; v. (Scheepsw.). Rondte, kromming : een schip, dat veel zeeg heeft.

zoekbaar, bn. Zedig. — Zeegbaarheid, v.

zeogjliaft, zeegrliaftiK, bn. bijw. Zegevierend. Overwinnend.— Zeeghaftig-heid, v.

zeek. Zeik.

zeel, o. (-en). Touw. Reep. Band. —

Zeeldraaien, o.— Zeeldraaier, m. (-s).

— Ze el dra a ierij, v. (-en).

zeelt, v. (-en). Slijmige visch [cyprinus tin ca), tot de karpers behoorende. Leeft in stilstaande en weinig stroomende wateren.

zeem, o. Leder van schapen- of geitenhuiden bereid, (-en). Stuk van zulk leder. Honigzeem. — Zeembereider, m. (-s). — Zeem bereiding, v. (-en). — Zee men, zeemde, heeft gezeemd. Ow. Huiden van schapen, enz. tot leder bereiden. Slepend en vleiend spreken. Bw. De glazen zee-men, met eenen zeemlap afwrijven. — Zeemén, bn. — Zeemgaren, bn. — Zeemlap, m. (-pen). — Zeeml^{d)er, o. — Zeemle{d)eren, bn. — Zeemzoet, bn. Honigzoet.

zeen, v. (Zenen). Zenuw. Harde pees (in 'tvleesch,.

zeep, v. (-en). Verbinding van vetzuren met bijtenae potasch (groene zeep) of bijtende soda (Spaansche zeep). — Zeepachtig, bn. — Zeepbak, m. (•'ken). — Zeepbal, m. (-len). — Zeepbekken, o. (-s). — Zeepbel, v. (-len). — Zeepblaasje, o. (-s). — Zeepboom, m. (-en). Boom [sapindus sap on ar ia), op de Antillen en m Z.-Amerika voorkomende. De vruchten leveren zeep op. — Zeepborstel, m. (-s) — Zeepbrood, o. (-en). — Zeepdoos, v. (. zen). — Zeepen, bw. zeepte, heeft gezeept. Met zeep besmeren. — Zeeper, m. (-s). — Zeeperig, bn. — Zeepery', v. (-en). Zeepziederij. — Zeeptg, bn. — Zeep kin netje, o. (-s). Zeepkist. — Zeep-


ocr page 985

ZEGE — 91

kist j v. (-en). — Zeep kruid, o. Plantengeslacht (saponaria), tot de sileuachtigen behoorende. — Zeepkwast, m. (-en). — Zeep loog, v. — Zeepwater, o. — Zeep-zieden, o. Zeepbereiden. — Zeepzieder, m. (-s). — Zeepziedery, v.^-en).

zeer, bn. bijw. Pijnlijk. Smartelijk. Schurftig: een zeer hoofd. Ontstoken: zeere oogen. — Zeer, o. Pijn. Smart. Kwaad zeer : schurft. Zeer doen. Zich zeer doen. — Zeere, v. (-n). Schurfachtige puist (van huidziekte). — Zeerheid, v. Uitwendige ziekte. — Zeerhoofdtg, bn. — Zeerig,hn. — Zeerigheid, v. Zeerheid.

meer, bijw. In hooge mate. Grootelijks. Al te zeer : buitengemeen, buitensporig.

— Zeergeleerd, bn. — Ze er ge streng, bn.

— Zeerst, bijw. Om het zeerst.

*eet, v. (zeten). Het zitten. Zitplaats. Kamertje. Dat heeft zijne zeet, zijne plooi genomen.

Zeeuw, m. (-en). Inboorling van Zeeland (Eert.) Zeeuwsche rijksdaalder = 2,60 gulden. — Zeeuwsch, bn. — Zeeuw-Vlaan der en, o. Zuidelijkste gedeelte van Zeeland.

seerer, v. en ra. Kwiji. Speeksel. Lichte mist. Fijne regen. Ongerijmde praat.

— Zeever aar, ra. (-s). — Zeeveraarster, ■v. (-s). — Zeeverbaard, m. (-en).— Zeeverdoek, ra. (-en). — Zeeveren, ow. zeeverde, heeft gezeeverd. Kwijlen. Misten en regenen. Ongerijmde praat vertellen. — Zeevering, v.

zefier, m. (-en), zefir, ra. j-s). Koele westenwind. Aangenaam koeltje. — Zefi-risch.

zes:, ra. Het zeggen. Uiting van zijne gedachte : zijnen zeg zeggen ; weinig, veel \an zegs zijn. — Zegachtig, bn. Babbelachtig.

zegre, v. Overwinning. Triomf. — Zegeboog, m, (..ogen). — Zegebrief, ra. (..ven).

— Zegedag, m. (-en). — Zegefeest, o. en v. (-en). — Zegegalm, m. — Zegekar, v. (-ren). — Zegekoets, v. (-en). — Zegekrans, ra. (-en). — Zegekreet, m. (..eten).

— Zegekroon, v. (..onen). — Zegelied, o. (-eren). — Zegelof, ra. — Zegeloon,o. en m. — Zegepalm, m. (-en). — Zegepoort, v. (-en). — Zegepraal, v. (..alen). Luisterrijke intocht eens overwinnaars. Triomf. Overwinning. — Zegepralen, ow. zegepraalde, heeft gezegepraald. Eene over-winning behalen. — Zegepralendj bn.

— Zegepraler, ra. (-s). — Zegeprys, m. {..zen). — Zegerijk, bn. — Zege schoten, o. mv. — Zegeteeken, o. (-en). — Zegetocht, ra. (-en). — Zegevaan, v. (..anen). — Zegevieren, ow. zegevierde, heeft gezegevierd.Den trioraf, de overwinning behalen. Moeilijkheden, enz. te boven koraen. — Zegevierend, bn. — Zege vlag, v. (-gen). — Zegevuur, o. (..uren). — Zegewagen, ra. (-s).— Zegezang,ra, (-en).

— Zegezuil, v. (-en).

xeffeS, o. (-s). Letters, figuur, familiewapen, enz. in metaal gesneden en dienende ora in een week lichaam afgedrukt te worden. Afdruk van zulk eene figuur. Stempel ten bewijze van echtheid. Merk, stempelraerk. Gezegeld blad papier. —

i — ZEIL

Zegelaar, ra. (-s). — Zegelafdruk, ra. (-ken). — Zegelbelasting, v. — Zegelbewaarder, m. (-s).— Zegelen,bw. zegelde, heeft gezegeld. Eenen zegel stellen (op). Eenen zegel op eenen brief drukken. — Zegelgeld, o. ( en). — Zegelhars, v. en o.*— Zegeling, v. (-en). —Zegelkosten, ra. rav. — Zegellak, o. — Zegellood, o. (-en). — Zegelmerk, o. (-en). — Zegelrecht, o. — Zegelring,m. ( en). — Zegelsnijder,vu. (-s). — Zegelstempel, ra.(-s).

— Zegelver breker, m. (-s). — Zegelverbreking, v. (-en). — Zegelwas, o. — Zegelwet, v. (-ten),

zegren, v. (-s). Soort van sleepnet.

zoggen, m. Het maken van het teeken des h. Kruises, over iets of iem. om 's hemels gunst te bekomen : iem. zijnen zegen geven. Uitwerksel van zulke zegening, 's Hemels zegen : de goddelijke bijstand. Heil. Geluk. Voorspoed. — Zegenaar, m. (-s). — Zegenen, bw. zegende, heeft gezegend. Den zegen geven. Inwijden. Gelukwenschen. — Zegening, v. (-en). Het zegenen. Zegenwensch. Wijding. Geluk. Heil. — Zegenrijk, bn. — Zegen-wensch, ra. (-en).

Ze{?eri», iG.), 1591-1061, Antwerpen. Historieschilder. Aanbidding der drie Koningen ; het Huwelijk der h. Maagd; St Eligius.

Tesfse, v. Plantengeslacht {carex), tot de cypergrassen behoorende.

zegrsren, bw. zegde en zeide, heeft gezegd en gezeid. Met woorden te kennen geven. Spreken. Beteekenen, beduiden : wat zou dit willen zeggen ? Oordeelen: wat heeft zij daarover gezegd? Aanmerken : er is mets op zijn gedrag te zeggen. Iem. dank zeggen, bedanken. Niets te zeggen hebben : geen gezag hebben. — Zegge lijk, bn. Wat gezegd kan worden.

— Zeggen, o. Volgens ziin zeggen : naar hij beweerd heeft. — Zegger, m. (-s). — Zegging, v. — Zeggingskracht, v. — Zegsman, ra. (..lieden, ..lui). Die iets gezegd heeft. Wie is uw zegsman : wie heeft het u verteld? — Zegslieden, ra. rav. Scheidsmannen. — Zegster, y. (-s). — Zegsvrouw, v. (-en). — Zegswijze, ..wijs, v. (..zen).

zeik, v. Pis. — Zeiken, bw. ow. zeikte, heelt gezeikt.

zeil, o. (-en). Doek van sterk linnen tot het opvangen van den wind op vaartuigen. Doek van zeildoek, van wasdoek, enz. over iets heen gespannen. Vloerzeil. Eene vloot van zestig zeilen, schepen. Alle zeilen bijzetten : alle krachten inspannen. Een oog in 't zeil houden : goed toezien, een wakend oog houden (op). Het waait hem in zijne zeilen : hij wordt door do fortuin begunstigd. — Zeilage, v. De zeilen. Vaart, loop van ©en schip. — Zeilbaar, bn. — Zeilblok, o. en ra. (-ken). — Zeilboeier, m. (-s). — Zeilboom, ra. (-en).

— Zeilboot, v. (-en). — Zeilbreedte, v. — Zeildoek, o. — Zeildoft, v. — Zeilen, zeilde, heeft en is gezeild. Ow. Met behulp der zeilen voortgedreven worden (inz. op het water). Bw. Door zeilen in zekeren toestand brengen : een schip in den erond


ocr page 986
ocr page 987

— 913 —

ZELF

ZEND

zeilen. Men moet zeilen terwijl de wind waait: met moet de gelegr-nheid waarnemen. — Zeiler, m. ^-sj. Zcileud schip. Zeevaarder. — Zeilgaren, o. — Zeiling, v. — Zeiljacht, o. (-en). — Zeilklaar, bn. — Zeilkleed, o. (-en). — Zeil{en)ina-ker, m. (-s). — Zeil{ert)makery, v. (-en).

— Zeilnaald, v. (-en). Magneetnaald. Zeekompas. — Zetlorde, v. Orde, waarin gezeild wordt. — Zeilpnni, o. Punt, waarop de werking van den wind op de zeilen zich moet richten. — Zeilree, Zeilvaardig, bn. — Zeilschip, o. (..epen). — Zeilschuit, v. (-en). — Zeilspriet, m. (-en). — Zeilsteen, o. (stofn.); m. (-en) (voorwerpsn.) Steen, die de eigenschap heeft het ijzer aan te trekken. Magneet.

— Zeiltocht, m. (-en). — Zeiltuig, o.— Zeilvaardig, bn. — Zeilvaartui?, o. (-en). —Zeilvoerend^n.— Zeilwe[d)ert o. — Zeilwedstrijd, m. (-en). — Zeilwerk, o. — Zeilwind, m. (-en).

zei», v. (-en), z«i»eu, v. (-en. -s). Werktuig, dienende om gras, enz. te maaien. — Zeisenkravier, m. (-s). — Zeisenmaker, m. (-s). — Zeisenstnederij, v. ( en). — Zeisensmid, m. (..eden). — Zeisvormig, bn.

zeker, bn. bijw. Gewis, stellig, vast. Gerust, veilig, buiten gevaar. Onbepaald : op zekeren dag. Zeker iem. : een onbenoemd persoon. Hij weet het van zekere (goeder)hand. — Zekerheid, v. — Zekerheidshalve, bijw. — Zekerheidsklep, v. (-pen). — Zekerheidsmaatregel, ra. (-s).

— Zekerheidsstelling, v. — Zekerlijk, bijw.

zei, m. Zelling.

zelden, bijw. Niet dikwijls. — Zeldzaam, bn. Niet dikwijls voorkomende. Zonderling, vreemd, ongehoord. — Zeldzaamheid^. (..heden).

zelf, zelve, bn. pers. vnw. : hij is de beleefdheid zelve, zij zelve zal komen. Van zich zelve(n), in bezwijming vallen. — Zelfbedrog, o. — Zelfbegoocheling, v. — Zelf behaaglijk, 'bn. — Zelfbehagen, o.

— Zei f be heer sch ing, v. — Zelfbehoud, o. — Ze Ij be lang, o. — Zelf beoordeeling, v. — Zelfbeproeving, v. (-en). — Zelfbeschuldiging, v. (-en). — Zelfbestaan, o.

— Zei/bewegend, bn. — Zelfbewust, bn. Met innerlijk besef. — Zelfbewustheid, v.

— Zelfbewustzijn, o. — Zelfde, bn. — Zelf einde, v. (-n). Zelfkant. — Zelfgenoegzaam, bn. — Zelfgenoegzaamheid, s. — Zelfgevoel, o. — Zelfhaat, m. — Zeifh eer sc her, m. (-s), — Zelfheersche-res, v. (-sen). Zelfheersching, v. — Zelfheid, v. — Zelfkant, m. (-en). Rand aan eenig weefsel. — Zelfkanten, bn. —

Zelfkastijding, v. (-en). — Zelfkennis, v. — Zelfklinker, m. (-s). Klinker. — Zelfkweller ,m. (-s). — Zelf kwelling, v. ( en),— ZelfmoOf d, m. (-en). Vrijwillige en opzettelijke moord aan zich zeiven begaan. — Zelfmoordenaar, zelfmoor-der, m. (-s). — Zelf moordenares, zelf-inoorderes, v. (-sen). — Zelfonderricht, o. — Zelfonderzoek, o. — Zelfontwikkeling, v. — Zelfopoffering, v. (-en). — Zelfoverwinning, v. — Zelfs, bijw. Ook dan. Tevens. Daarenboven. — Zelfstan* dig, bn. bijw. Op zich zelf staa' de. Onafhankelijk. Wezenlijk. Z« llstandig handelen ; vrij zijn van den invloed van anderen. Zelfstandig naaraw. (Taalk.). Zelfstandig werkw. (laalk.). — Zelfstandigheid, v. (..heden). Het op zich zelfbestaan. Natuur-stof. Bewerkte stof. Bestanddeel van artsenijen. — Zelfstrijd, ra. — Zelfverbranding, v. — Zelfverdediging, v. — Zelfverheffing, v. — Zelfver lading, v. — Zelfverloochening, v. — Zelfvernedering, v. — Zelfvertrouwen, o. — Zelf-vervelin% y. — Zelfverwijt, o. — Zelfverwijtingen, v. nw. — Zelfverzaking, v. — Zelfvoldoening, v. — Zelfwerkend, bn. — Zelfzucht, v. Eigenbaat. Baatzucht. — Zelfzuchtig, bn. bijw. — Zelfzuchtige, m. (-n).

zeik, v. (-en). Hoop asch uit zoutketen. Vuilnishoop. — Zelkasch, v.

zelliug:, v. (-en). Plaatsin den grond, waar een schip of anker vastgezeten beeft.

zeloot, m. (..oten). Geloofsijveraar. — Ze lot isme, o.

zemelen, v. nw. Grofste gedeelte van gemalen koren. — Zemelachtig, bn. — Zemelig,hn. — Zemelknoopen, ow. zemelknoopte, heeft gezemelknoopt. Muggenziften. — Zemelknooper, m. (-s). — Zemel-knoopster, v. (-s). — Zernelmeel, o. — Zsmelwater, o.

Xenlt;l, o. Taal, waarin de gewijde schriften der oude Iranen zijn opgesteld. — — Zendavesta, v. Het h. boek der oud® Iranen. Bevat de leer van Zoroaster.

zenden, bw. zond, heeft gezonden. Van de eene plaats naar de andt-re doen overbrengen, doen overkomen. Sturen. Van de noodige volmacht voorzien. — Zendbode, m. (-n). Afgevaardigde. — Zendbrief, m. (..ven). Naam van eenige schriften van het nieuwe Testament: de zendbrieven der Apostelen. Herdelijk schrijven eens bisschops. — Zende, v. (-n). Geschenk, dat men iem. doet inz. van var-kensvleesch. —Zendeling, ra. en v. (-en). Afgevaardigde. Iem. die in vreemde landen het Geloof gaat verkondigen. — Zendelinge, v. (-n). — Zendelingshuis, o


a. Kluiver.

b. Buitenkluiver.

c. Middenkluiver.

d. Starmkluiver,

e. Bovenbramzeil.

f. Bramzeil.

g. Vliegend voormarszeil.

h. Voormarszeil. Fokkenzeil.

k. Groot bovenbramzeil. 1. Groot bramzeil. m. Vliegend groot marszeil.

n. Groot marszeil. o. Schooverzeil. p. Bovenbramzeil. r. Bovenkruiszeil of grietje.

s. Vliegend kruiszeil. t. Kruiszeil, u. Bezaan.

v. Groote bezaan.

Stagzeil.

I!


ocr page 988

ZEST — Q

(..zen). — Ze n de Iingswerk, o. — Zender, m. (-s). — Zending, v. Het zenden, (-en). Taak, opdracht. Gezantschap. Geloofsverkondiging in vreemde landt-n. — Zendster, v. (-s).

zen «Ier, zinder, m (-s). Sintel. Eens:, v. (-en) (Zeew ) Plotselinge en kortstondige verheffing van den wind.

zens:cn, bw. zengde, heeft gezengd. Licht branden. Schroeien. Het harige van iets afbranden. — Zenging, v.

zenith, o. Punt des hemels, dat zich lood—cht boven het hoofd van den waarnemer bevindt. Toppunt.

Zeno. Zie Stoïcijn. — Zenonist, ra. (-en). Stoïcijn.

zenuw, v. (-en). De zenuwen bestaan uit een grooter ot kleiner aantal zenuwvezels, die eerst door los bindweefsel tot bundels en verder door stevige scheeden van bindweefsel tot strengen worden ver-eenigd. Pees. Kracht, sieikte.—Zenuw-aattdcentng, v. (-en). — Zenuwachtig, bn. Als een zenuw. Licht op de zenuwen aangedaan. — Zenuwachtigheid, v.

— Zenungestel, o — Zenuwkoorts, v. (-en). Typhus. — Zenuwkramp, v. — Zenuwkwaal, v. (..alen). — Zenuwlijdent o. — Zenuwlijder, m. (-s). —Zemiuilyde-res, v. (-sen). — Zenuw locs, bn. Zonder zenuwen. Kwijnend. Uitgeput. — Zenuwpijn, v. — Zenuwrijk, bn. — Zenuwstelsel, o. — Zenuwtrekking, v. (-en).

— Zenuwvezel, v. (-s). —Zenuwvezels : zeer fijne witachtige draden, door gansch het lichaam verspreid. — Zenuwweefsel, 3.— Zenuwziekte, v. (-n).

zerk, v. en m. (-en). Groote, vierkante steen, om gangen, enz. te bevloeren. Grafsteen. — Zerkenlichter, ra. (-s). zero, v. De nul.

zerp, bn. bijw. Zuurachtig. Wrang. Scherp. — Zertgt;heid, v. — Zerp zoet, bn.

ze». Grondgetal: 6; v. (-sen). — Zesbla-dig, bn. — Zesdaagsch, bn. — Zesde, Rangsch. telw. — Zesde, o. (-n). Zesde deel. — Zesdeelig, bn. — Zesde half, telw. Vijf en een half. — Zesderhande, ../ei, bn. — Zesdraadsch, bn. — Zesdubbel, bn. bijw. — Zes duizend ste, rangsch. telw. — Zeshelmig, bn. — Zeshoek, ra. (-en). — Zeshoekig, bn. — Zeshonderd, telw. — Zeshonderdste, rangsch. telw. — Zesjarig, bn. — Zeskant, m. (-en). — Zeskan-//i', bn. — Zesmaal, bijw. —Zrsmaan-delijksch, bn. — Zesmaandig, bn. — Zesmaandsch, bn. — Zesponder, m. (-s). Voorwerp, dat zes pond zwaar weegt. Kogel van zes pond. Kanon, dat zulke kogels uitwerpt. — Zesre^eliec, bn. — Zesschyn, m. — Zessnarig. bn. — Zesspan, o. — Zestal, o. (-len). — Zestallig, bn. — Zesthalf, m. (..ven). (E'-rt.) Hol-landsch muntstuk = o 27® gulden. — Zesvlak, o. (-ken). — Zesvoetig, bn. — Zesvoud, o. (-eii). — Zesvoudig, bn. bijw.

zeMien. Grondgetal: 16; v. (-en). — Zestiende. Ranusen. telw. — Zestiende, o. (-n). —Zes.tiendehalf, bn. Vijftien en een half. — Zestienderhande. ..lei, bn. — Zestienhonderd, telw. — Zestienjarig, bn.— Zestienmaal, bijw. -• Zestiental,

4 — ZETT

o. (-len). — Zestienvoud, o. ( en). — Zestienvoudig, bn.

xeHilfs. Grondgetal: 60. v. (-en). — Zestiger, ra. (-s). lem. die zestig jaar oud is. Lid eener vereeniging van zt-siig personen. Schip met zestig stukken geschut. — Zestigjarig, bn. — Zestigmaal, bijw. — Zestigponder, m. (-s). Voorwerp, dat zestig pond weegt. — Zestigste. Rangsch. telw. — Zestigtal, o. (-len). — Zestitgt;-voud, o. (-en). — Zestigvoudig, bn.

zetel, ra. (-s). Zitplaats. Stoel. Troon. Verbliifplaats van voorname personen : de koninklijke, de bisschoppelijke zetel, enz. Deze vereeniging heelt haren zetel, is gevestigd (te). — Zetelen, zetelde, heeft en is gezquot;*teld. Bw. Zetten. Doen zitte-n. Ow. Zitten. Gezeten zijn. Verblijf houden. Gevestigd zijn. — Zetelplaats, v. (-en). Verblijfplaats.

zetten, bw. zette, heeft gezet. Doen zitten : een kind op den schoot zetten. In een opgerichten stand plaatsen : alles op zijne plaats zetten. Doen staan : glazen op tafel zetten. Soldaten in gelid zetten. Eene bepaalde plaats geven : den hoed op het hoold zetten. Opsluiten : iem. in de gevangenis zetten. Eene kip op eieren zetten. Visch in eenen vijver zetten. Juweelen zetten, kassen. Eene schilderij in eene lijst zetten. De kachel zetten. Stoelen zetten, geregeld plaatsen. Hooi aan oppers zetten. Boomen zetten, planten. Gezaaide planten verdunnen: loof zetten, u.«n scheermes zetten, fijn slijpen en v»lt;jtte^. zaag

zetten, hare tanden scherpen. Een uurwerk zetten, regelen, zoodat het goed het uur wijst. Plet zetten (aan of op): beginnen. Bloedzuigers zetten. Een adres op eenen brief zetten. Iets in den krant zetten. Geld op rente zetten. Alles op het spel zetten. Brengen : het glas aan den mond zetten. Woorden op muziek zetten. Land onder water zetten. Bepalen : den prijs van het brood zetten. Verwedden : ik zet er eenen frank onder. Overvaren : iem. over de rivier zetten. Laten aftrekken : thee zetten. (Drukk.) Letters zetten : een drukvel zetten. Iets in azijn zetten, inmaken. Vastnaaien : knoppen aan eene broek zetten. Iem. op straat zt-tten. Aan wal zetten. De punten op de i zetten : zeer nauwgezet te werk gaan. Zet dal uit uw hoofd, denk er niet meer aan. Zijne zinnen zetten (op) : zich toeleggen (op). Iem. iets betaald zetten: zich wreken. — Zich zetten, ww. Gaan zitten. — Zet, m. (-ten). Het zetten. Het verplaatsen van een stuk op het schaakbord, enz. Duw, stoot. Fijne trek, list. Vond. Snedig gezegde. Woordspeling. In éenen zet : spoedig. — Zetangel, ra. (-s). — Zetbaar, bn. — Zetbaas, m. (..azen). Werkman, die den meester vervangt. Strooman. — Zetboer, m. (-en). Iem. die betaald wordt om den eigenaar in eene boerderij ie vervangen. — Zet-bord, o. (-en). Schotwerk langs de boorden eener sloep. — Zetfout, v. ( en). — Zetgang, v. (-en). (Zeew). Gang tegen de buitenoppervlakte d.-r inhouten. — Zethaak, m. (..ken) «Timm. en letterz.). — Zethamer,m. (-s). Hamer met vierkanten^


ocr page 989

ZEVE — 9

kop. — Zeiy'zer, o. (-s). — Zetlijn, v. (-en) (Diukk.). — Zetmaaty v. (..aien) (Bouwk.). — Zetmeel, o. Wit poeder, uit het sap van geperste kruiden verkregen.

— Zetpil, v. (-len). Zeker geneesmiddel.

— Zetplank, v. (-en). (Drukk.). — Zet-plant, v. (-en). — Zetpoters, m. n\v. — Plantaardappelen. — Zetregel, m. (-s). Grondregel. Korte spreuk. — Zet schipper, m. (-s). Schipper die een anderen vervangt. — Zetsel, o. (-s). — Zetsteen, m. (-en). Steen om scheernussen te zetten. Zetter, m. (-s). — Zetterij, v. (-en). (Drukk.). — Zettetshaak, m. (..aken). (Drukk.). — Zettiiig,v. (-en). — Zetwee-er, an. (-s). Zware beplankingen, die, op het dek, de binnenhuid v-an een schip beklee-den.

zongr, v. (-en). Wijfje van het zwijn. — Zeue[dtstel, v. (-s) Melkdistel.

zeulcu, zeulde, heeft gezeuld. Bw. IVIet kracht voonsleepen. Ow. Visschen met een net door een paard voortgetrokken. Sukkelen. — Zetiler, m. (-s). — JZeuliug, v. —Zeulster, v. (-s).

zcar, v. (-en). Vod, prul. Beuzeling, zeuren, ow. zeurde, heeft gezturd. Leed, droefheid veroorzaken. Lastig vallen. Zeuren (over) : lang spreken (over). !Niet eerlijk spelen. — Zeur, m. en v. (-en). Die zeurt. — Zetirder, m. (-s). — Zeurig, bn. Lastig. Onaangenaam. — Zeurigheid, v. — Zeurk us, m. en v. (-en). Die zeurt.

— Zeurster, v. (-s). — Zettrzak, m. Bedrieger in 't spel.

Zeuxl», (5e eeuw. vóór Chr.). Grieksch achilder.

'^eveoole (^. van), 1596-1642, Gent. D'quot;**-*quot;:, Emblemata ofte sinnebeelden, '**et dichten quot;versiert en andere verschey-den dichten. (1638).

zeven, bw. zeefde, heeft gezeefd. Ziften. — Zeve, v. (-n). Zift. — Zevenkramer, m. (-s). — Zevenmaker, m. (-s).

zeven. Grondgetal: 7; v. (-s, -en).— Zevenblad, o. Schermbloemige plant, die op belommerde plaatsen voorkomt. — Zevenbladig, bn.— Zev.nbloem, v. (-en).

— Zevenboom, m. Heester of heesterachtige boom {juniperus sabina). Heelt lange, opstngende takken. Groeit in Z.-Europa. Wordt ook bij ons gekweekt.

— Zevendaagsch, bn. — Zevende, bn. Rangsch. telw. — Zevetid{e)hal/, telw. Zes en half. — ZevenJer/iande, ..lei, bn. — Zevendhalfje, o. (-s). (Eert.) Muntstuk = 0.32 1/2 gulden. — Zeven-draadsch, bn. — Zevenduizendste. Rangsch. telw. — Zevengesternte, o. Sterrengroep in het sterrenbeeld de Stier.

— Zevengetijde, o. Riekende klaver. — Zevenhoek, m. (-en). — Zevenhoekiv, bn. — Zevenhonderd, telw. — Zevenhonderdste. Rangsch. telw. — Zeven-jaarsbloent, v. (-en). Tweehuizig roer-kruid. — Zevenjarig, bn. — Zevenklapper, m. (-s). Vuurwerk, dat zeven slagen geeft. — Zevenkletirtg, bn. — Zevenmaal, bijw. — Zevenmaandig, bn. — Zevenmaandsch, bn. — Zevenoog, v. (-en). Zeker gezwel. Soort van lamprei. — Zevenpondery m. (-s). Voorwerp, dat

3 — ZIEL

zeven pond weegt. — Zevenster, ..star, v. (-ren). Zevengesternte. — Zevenstoot, m. (-en) (Bilj.). —Zevental, o. (-len). — Zeventalli^, bn. — Zevenvoetig, bn. — Zevenvoud, o. (-en). — Zevenvoudig, bn. bijw. — Zeve{fi)zanger, m. (-s). Vogeltje met fijnen bek. Woont in kreupelhout. Zingt veel en op allerhande wijzen.

zeventien. Grondgetal: 17. v. (-en).

— Zeven tiendaagsch, bn. — Zeventiende. Rangsch. telw. — Zeventiende* //«//quot;,telw.Zestien en een half.— Zeventiende rhande, ..lei, bn. —Zeventienhonderd, telw. — Zeventienjarig, bn. — Zeventien-maal, bijw. — Zeventienvoud, o. (-en).

— Zeventienv iidig, bn. bijw.

zevenlisr. Grondgetal: 70. v. (-en). —

Zeventiger, m. (-s). lem. die zeventig jaar oud is. Schip, dat zeventig stukken geschut aan boord Leeft. — Zeventigjarig, bn.

— Zeventigmaal, bijw. — Zeventigste. Rangsch. telw. — Zeventigvoud, o. ( en).

— Zeventigvoudig, bn. bijw.

zeverzaad, o. Wormkruid.

zieli. Wederkeerer.d\oornw.

zielit, v. ( -en). Pik (,ie art.).

zielit, o. Het zien. V rtoon : op zicht.

— Zichtbaar, bn. bijw. G zien kunnende worden. Klaar, blijkbaar. — Zichtbaar-heid,v. — Zichteinder, m, G quot;'ichtt inder.

ziolileu, bw. zichtte, he fc gezicht Ziften.

ziedaar, tw. Uitroep om iemands aandacht te vestigen. — Ziehier, tw.

zieden, zood, heeft gezoden. Bw. Laten koken. Ow. Koken. — Ziedend-heet, bn. — Zie der, m. (-s). — Zieding, v.

— Ziedster, v. (-s).

ziegrezaifen, ow. ziegezaagde, heeft geziegezaagd. Op de viool krassen. Ve/-velend praten.

ziek, bn. Ongesteld. Onpassel^l., Krank. Ongezond. Zieke aardappel* n, tequot; aangestoken zijn. — Ziekacht.g, bn. — Ziekbed, o. (-den). — Zieke, m. en v. (-n).

— Ziekelijk, bn. — Ziekelijkheid, v. — Zieken, ow. ziekte, heeft geziekt. Ziek zijn. Wegkwijnen. — Ziekenbetvaarder, m. (-s). — Ziekenbezvaarster, v. (-s). — Ziekenbezorger, m. (-s). — Ziekt nbe-zorgster, v. (-s). — Ziekenboeg, m. (-en). Plaats in een schip ter verplegit g van zieken. — Ziekenbus, v. (-sen). — Zieken-dieiier, m. (-s). — Ziekendiemtegt; , v. (-s).

— Ziekenfonds, o. ^-en). — Ziekenhuis, o. (..zen). — Ziekenkamer, v. (-s). — Ziekenkas, v. — Ziekenkast, m. — Ziekenmoeder, v. (-s). — Ziekenoppasser, m. (-s).— Zieke nop passing, \Ziekenoppasster, v. (-s). — Ziekentroost, m — Ziekentrooster, m. (-s). — Ziekenvader, m. (-s).

— Ziekenverpleger, m. ( s). — Ziekenverpleegster, v. (-s). — Ziekenverpleging, v.— Ziekenverzorging, v. — Ziekenwagen,m. (-s). — Ziekenzaal, v. (. alen). — Ziekenzuster, v. (-s). — Ziekestoel, m. (-en). — Ziekte, v. (-n). Het ziek zijn. — Ziekte-aanbrengend, bn. —Ziektenkun-de, ..leer, v. — Zie kt en kundige, m. (-n).

— Ziektenverslag, o. (-en).— Ziekteverloop, o. — Ziekverlof, o.

Fj®*! v. (-en), ziele, v. (-n). Leven en


ocr page 990

ZIEN — 9

levenskracht van een levend wezen. Vermogen om gewaar te worden en te begee-ren. Zetel van het verstandeden wil en het gevoel, 's Menschen ziel : enkele geest, die kan bestaan zonder met het Hcbaam vereenigd te zijn en die onsterfelijk is. Persoon, mensch : gcene ziel zal dat weten. Inwoner ; die stad telt 20,000 zielen. Hoofdpersoon, leider: hij is de ziel der vergadering. Vrome ziel : brave, godvruchtige vrouw. Arme ziel : sukkel. Lichte ziel : loshoofd. Werkende kracht. Het voornajimste. Het onmisbaarste. Stuk leder tusschen de zolen. Deel van den bodem eener flesch, dat naar boven steekt en de inwendige ruimte vermindert. Binnendeel van een kanon, van eene pen, enz. Vliesje in den haring. (Slag.) Deel van den kraag van een rund. — Zielbraken, cw. ziel-braakte, heeft gezielbraakt. Zieltogen. Sterven. — Zie le lev en, o. — Zie le lijden, o. — Zielenadel, m. Edelheid van karakter. Verhevenheid, door uitstekende deugd verviorven. — Zielental, o. Aantal inwoners. — Zielerust, v. — Zielesmart, zielssmart, v. — Zielevreu^de, ziels-vreugde, v. — Zielkunde, v. — Zielloos, bn. — Zielmis, v. (-sen). Mis, die tot lafenis der ziel eens afgestorven en wordt gelezen of gezongen.—Zielroerendfcn.yyiqvi. Hoogst aandoenlijk. — Zielsangst, v. Onrust van 't gemoed. — Zielsbedroefd, bn. Zeer bedroefd. — Zielsbeminde, m. en v. (-n). — Zielsbly\de). bn. Zeer blij.

— Zielsgedachte, v. (-n). Diep verborgen gedachte. — Zielsgeliefde, m. en v. (-n).

— Zielsgenoegen, o. — Zielskracht, v.—

— Zielskwelling, v. (-en). — Zielsrust, v. Kalmte des gemoeds. — Zielsstrijd, m.

— Zielsveel, bijw. Zeer veel. — Zielsverdriet, o. Diep ingrijpend leed. — Zielsverhuizing, v. — Zielsverlangen, o. Vurige begeerte. — Zielsverrukking, v.

— Zielsvervoering, v. —Zielsvriend^ m. (-en). — Zielsvriendin, v. ( nen). — Zielsziekte, v. (-n). — Zieltogen, ow. zieltoogde, heeft gezieltoogd. Op sterven liggen. — Zieltogifg, v. (-en). — Zielverheffend, bn. — Zielverkooper, m. (-s). Woekerachtige werver van matrozen. Makelaar in plaatsvervangers voor het leger. — Zielvrkwikkend, bn.

zion, zag, heeft gezien. Ow. Zijn gezicht hebben : hij ziet goed. Van nabij zien. Van verre zien. Scheel zien. Door_ eenen bril, een vergrootglas zien. Uit eigen oogen zien. Zekere gestalte, uitzicht_ of voorkomen hebben : bleek zien. Uitzicht geven : dit venster ziet op de straat. Dat ziet op hem, geldt hem. Omzien : naar de kinderen zien. Naar eene wonde laten zien. Voor zich zien. Zien (om), teekens geven (van): het weder ziet om teregenen. Zien (op), gierig zijn: hij ziet^ op eenen cent. Zien (te), trachten : zie dit te bekomen. Zie! hier ben ik. Ik zie nu, dat gij gelijk hebt. Wij zullen zien. Bw. Met het gezicht waarnemen : geene hand voor oogen zien. Iets niet willen zien, niet willen opmerken. Iets door de vingers zien, onopgemerkt, ongestraft laten. Hij wil de wereld zien, ingaan. Het levenslicht zien :

i) — ZIJDE

geboren worden. Het licht zien (van boeken, enz.) : uitgegeven worden. Ik heb hem in geene eeuw gezien, ontmoet. Veel menschen zien : veel bezoek ortvangen. lem. gaarne zien, beminnen. Hij is niet gezien, geacht. Iets laten zien, vertoont n. Iets voor laten zien, toon en. Opmerken hij wilde mij niet zien. lem. in de oogen zien. lem. naar de oogen zien. Iets over het hoofd zien. lem. op de vingers zien. Gij zult het zien en ondervinden. Zij kan in hare kinderen geen kwaad zien. Ik heb het zien komen. — Zien, o. Het zien kost u niets. — Ziener, m. (-s). Die ziet. Die visioenen heeft. Profeet. — Zienersoog,o. en v. — Zienlijk, bn. bijw. Zichtbaar. — Zienswijze, ..ivy's, v. (..zen). — Ziezoo^ tw. Ziezoo ! dat is gedaan.

zier, v. (-en). Benaming van de allerkleinste diertjes.

zier, v. ziertje, o. (-s). Zeer kleine hoeveelheid.

zift, v. (-en). Zeef. — Ziflbeen, o. (-deren). Zeefbeen. — Ziften, bw. ziftte, heeft gezift. Door een zeef laten gaan of loopen. Nauwkeurig uitpluizen. Vitten. — Zijter, m. (-s). — Zift er ij, v. — Zifting,. v. (-en). — Ziftsel, o. (-s).

Zigeuuers, m. nw. Rondzwervend volk.

zigrgrel, v. (-s). Sikkel (2« art.).

ziffzuit:, m. (-s). Lijn, die uit- en inspringende hoeken maakt. — Zigzagswyze, ..wijs, bn. bijw. — Zigzagvormig, bn.

zö- Pers. vnw.

zQtle, zü, v. (zijden). Elke vlakte van een lichaam. De vlakke kant aan het men-schelijk lichaam van de armen tot de heupen. Iedere vlakte van iets, behalve de bovenste en de onderste : de zijde van eenen berg. Streek : aan gene zijde van het bosch. Ruimte buiten ons in de richting der zijden : op zijde gaan. Ruimte buiten ons in iedere richting : zij kwamen van alle zijden toegeloopen. Wijze, hoe zich iets vertoont of hoe men het aanziet: van eene gunstige zijde iets beschouwen. Linker- of rechterkant van een schip. Bladzijde. Eene zijde spek : het spek van eene der zijden van een varken. Het tegenovergestelde van rug en borst: den vijand op de zijde aangrijpen. Lijn van bloedverwantschap. Partij, inz. staatspartij : de rechter-, de linkerzijde. Iemands zijde kiezen, zich voor hem verklaren. Dat is zijne zwakke zijde. —Zijbalk, va. (-en). —Zijbeuk, m. (-en). — Zij blad, o. (-en). — Zijd, bijw. Zie Wijd. — Zijdak, o. (-en). — Zij dam, ra. (-men). — Zij\de)lings, bijw. — Zij de-lingsch, bn. — Zydepyn, v. (-en). — Zijdesteek, ra. (..eken). — Zijdeur, v. (-en). — Zijdewee, o. — Zij {de) wind, ra. (-en). — Zijdgeweer, o. — Zijg aan der ij, zijgalerij, v. (-en). — Zijgang, m. (-en). Het gaan naar eene zijde. Middel ora iets te bekomen (in 't geheim). — Zijgang, v. (-en). Gang ter zijde. — Zijgebouw, o. (-en). — Zijgr acht, v. (-en). — Zijkamer, v. (-s). — Zijlaan, v. (..anen). — Zijlijn, v. — Zijlinie, v. — Zijmagen, m. en v. nw. — Zijmuur, ra. (..uren). — Zijpaard, o. v-eu). — Zijpad, o. (-en).—


ocr page 991

ZILV — 9

Zypas, ra. (-sen). — Zyposi, v. (-en). (Buuwk.). — Zyraant, o. en v. (..amen).

— ZysproiiQ, m. (-en). — Zijstap, m. (-pen). — Zystrot, ra. (-en). — Zystraat, v. (..aten). — Zijstuk, o. (-ken).— Zijtak, m. (-ken). — Zijtje, o. (-s). Verkleinw. van (blad)zijde. — Zijvenstery o. en v. (-s).

— Zijvlak, o. (-ken). — Zijvleugel, ra. (-s). — Zyvüaarts, bijw. — Zijwaarisch, bn. — Zij-wang;, v. (-en) (Art.). — Zijweg, m. (-en). — Zyzak, ra. (-ken).

zUdo, zö. v. Het spinsel van de zijde-worraen. Zekere kostbare geweven stof (voor kleedingstukken, enz.). — Zijdeachtig, bn. — Zijde fabriek, y. (-en). — Zijde fabrikant, ra. (-en). — Zijdehandel, re. — Zijdehandelaar, ra. (-s). — Zijden, bn. — Zijdepapier, o.— Zijdeplant, y. (-en), Araerikaansche plant {asclepias synaca). Wordt ook in onze duinen aan-get'ofFen. — Zijderups, v. (-en). — Zijdespinner, m. (-s). — Zijdespinnerij, v. {-cv).-— Zydestuart, m. (-en). Pestvogel.

— Zijdestof, v. — Zy de twijn der, m. (-s).

— Zij de twijn de rij, v. (-en). —Zijdewerk, o. — 2.ij dew ever, m. (-s). — Zijdeweverij, v. (-en). — Zijdewinkel,ra. (-s). — Zij[de)-•worm, ra. (-en). Groene rups van eenen nachtvlinder {bombyx mori). Levert ons de zijde op. — Zyreeden, o. Zijde bereiden. — Zyreeder, ra. (-s). — Zijreederij, v. (-en). — Zy'reedster, v. (-s).

zöde, zögt; v. (zijden). Melkzeef.Melk-tetins. — Zijen, bw. zijde, heeft gezijd. hijgen.

zötron, bw. zeeg, geelt gezegen, tene vloeistof door een ondicht voorwerp laten vloeien om ze te zuiveren. — Zijgdoek, ra. (-en). — Zijging,— Zij gnat, o. — Zijg-jpapier, o.

zijgreu, ow. zeeg, is gezegen. In onmacht vallen.

zijl, v. (-en). Afloop van water. — Zylvest, o. (-en). Zekere betrekking in eei dijks- of poldejbestuur. — ZijIvestenij, v. (en). Waterschap.

zUugt; hulpw. Zelfst. werkw. Was, is geweest. Wezen. Bestaan. Zich bevinden. Voorhanden zijn. — Zijn, o. Het bestaan.

zQu, bezitt. vnw. — De zijnen : zijne bloedverwanten of betrekkingen. Zijn aanhang. — Te{n) zy'nent, bijw. uitdr. — Zynenthalve, bijw. — Zijnentwege, bijw.

— Om zijnentwil, bijw. uitdr.

zUp, v. (-en). Waterleiding.

zUpclcn. Sijpelen.

zlU(o), v. Huidziekte: kleine krevel-puistjes, die d.cht bij elkander staan : droge zilt, natte zilt. — Zil{tig), bn. Zout, Zoutachtig. — Zilt(ig)heid, v.

zilver, o. Ken der edele metalen. Onderscheidt zich van alle andere metalen door zijne witte kleur en den glans, dien het aannemen kan. Zilveren voorwerpen. Tafelgerief. Zilvergeld. — Zilverachtig, bn.

— Zilverblad, o. (-en). — Zilverblank, bn. — Zilver blik, o. Geplet zilver. — Zilverbhk, ra. (Scheik.). Het blikkeren van 't zilver. — Zilverdraad, ra. (..aden).

— Zilverdy-uk, m. — Zilveren, bn. Van zilver. Zilveren stem : zeer heldere stem. Zilveren haren : grijs haar. Zie Bruiloft. —

7 — ZIND

Zilveren, bw. zilverde, heeft gezilverd. Verzilveren. — Zilverfazant, ra. (-en). — Zilvergehalte, o. — Zilvergeld, o. — Zilverglans, ra. — Zilvergoe t, o. — Zilverhoudend, bn. — Zilverklank, ra. (-en). — Zilver kleur, v. — Zilver kleu-tt'c, bn. — Zilver klomp, ra. (-en). — Zilverling, ra. (-en). (Oudt.) Muntstuk der Joden = 1.25 fr. Zekere appel. — Zilvermijn, v. (-en). — Zilvermunt, y. (-en). — Zilverpapier, o. — Ziivenijk, bn. — Zilverschoon, bn. Glinsterend als zilver. — Zilverschoon, v. Soort van ganzerik {potentilla anserina). — Zil' verservies, o. (..zen). — Zilversmid, ra. (..eden). — Zilverstof, o. — Zilverstuk, o. (-ken). — Zilvervloot, v. Vloot, welke voorheen jaarlijks uit Spaansch-Amerika naar Spanje zeilde, om goud, zilver, enz. derwaarts over te brengen. Zie Hein. — Zilverwerk, o. — Zilverwilg, ra. (-en). Witte wilg (salix alba). — Zilverwit, bn.

zim, o. en v.* (Slechts in) lem. onder het zim, onder den duim houden.

ziu, ra. (-nen). Vermogen, om gewaar te worden en waar te nemen : gezicht, gehoor, gevoel, reuk, smaak. Zintuig. Verbeelding. Trek, begeerte. Beteekenis, geest, waarin iets moet opgevat worden. (Taalk.) Uitdrukking eener gedachte in woorden. Van zijne zinnen beroofd, gek, waanzinnig zijn. Ik zal uwen zin doen : ik zal doen wat gij verlangt. — Zinbouw, ra.

— Zindeel, o. (-en). (Taalk.). Deel eener periode. — Zinduiding, v. (-en). — Zingenot, o. — Zinledig, bn. —Zin[ne)lijk, bn. bijw. Onder 't bereik der zinnen vallende. Wulpsch. Gevoelig. Kiesch. Zeer keurig.

— Zinlijkheid, v. — Zinloos, bn. Zonder zin. — Zinnebeeld, o. (-en). Voorwerp, dat zinnelijk of door een beeld wordt voorgesteld. — Zinnebeeldelijk, bijw. — Zinnebeeldig, bn. bijw. — Zinneloos, bn. bijw.Beroofd van zinnen. Krankzinnig. Onzinnig. Dwaas. — Zinneloosheid, v. — Zinnelooze, m. en v. (-n). — Zinnen, ow. zon, heeft gezonnen. Peinzen. Nadenken.

— Zinnenwereld, v. Lichamelijke of stoffelijke wereld.— Zinnespel, o. (-en). Zie Rederijker. — Zinrijk, bn. bijw. —Zinrijkheid, v. — Zinsbedrog, o. — Zinsbegoocheling, v. (-en). — Zinscheiding, v.

— Zinsnede, v. (-n). Deel van eenen volzin. — Zinsontleding, v. (-en). — Zinspelen, ow. zinspeelde, heeft gezinspeeld. Schrijvende of sprekende iets of iem. bedoelen. Iets bedektelijk te kennen geven.

— Zinspeling, v. (-en).— Zinspreuk, v. (-en). Spreuk, waaraan men eene bijzondere beteekenis toekent.Kenspreuk. Leus. —- Zinspreukig. bn. bijw. — Zinsverband^ o. — Zinsverbijstering, v. — Zinteeken, o. (-s). Scheitetk^n. — Zintuig, o. (-en). Het oog is 't zintuig van 't gezicht. — Zintwisten, ow. zinLwistte, heeft gezin-twist. Twisten over den zin van een woord.

— Zintwisting, v. (-en). — Zinvanct, ra. Soort van beroerte. — Zinvermaak, o. (..aken). — Zinve» vant, bn. Synoniem.

zindelUIt.bn.bijw.Rein.K« t. Schoon. Op netheid gesteld. — Zindelijkheid, v.


ocr page 992

ZODE — c

zingen, bw. ow. zong, heeft gezongen. Eene muzikale opvolging van tonen door de stem voortbrengen, ii z. als men daardoor inwendige gew aarwordingen uitdrukt. Zingende in zekeren toestand brengen : iem. van de wijs zingen. Bezingen. Op een gemaakten en onnatuurlijken toon lezen. Geluid van sommige vogels, enz. Geluid van water, dat nabij het kookpunt is. — Zingbaar, bn. — Zigt;:£er,m. (-s).

zink, zenlc, v. Lage grtnd. — Zinken, ow. zonk, is gezonken. Langzaam naar de diepte gaan. Laten zinken, zakken. Den moed laten zinken : den moed verliezen. Hij is diep gezonken, zeer tot verval geraakt. — Zinking, v. (-s). Kwaal, bij welklt;gt;slcchtevochien naar een lichaamsdeel worden gevoerd en het pijnlijk aandoen, (-en).Teraardebestelling zonder uitvaart.— Zin'-indachtig, bn. —Zinklood, o. (-en). Peillood. Dieploop.— Zinknet, o. (-ten).

— Zinkput, m. (-ten).— Zinkrys, o. — Zink roer, o. (-s). Pistool. — Zinksel, o. (-s). — Zink stern, m. (-en). —Zinkstnk, o. (-ken) (Bij waterwerken).

zink, o. Blauwachtig wit metaal. — Zincographie,, v. (-en) Afbeelding op zink door chimische werking voortgebracht. Deze werking zelve. — Zink' achtig, bn. — Zinkboor, v. (..oren). — Zinken, bn. — Zink houdend, bn. —• Zink laag, v. (..agen). — Zink mijn, v. (-en). — Zinkwit, o. Zekere verfstof.

zitten, ow. zat, heeft en is gezeten. Gezeten zijn : aan tafel zitten. Ga zitten : neem plaats. De vogels zitten in de hoornen. Hij zit te lezen. Elkander zitten te plagen. Voor den schilder zitten : zich laten uitteekenen. Op de markt zitten, er koopwaren verkoopen. De ontvanger zit van 2 tot 4 uur, houdt dan zitting. De kamers zitten, zijn vergaderd. In het bestuur, in den raad zitten : lid van het bestuur, van den raad zijn. Op den troon zitten: als vorst regeeren. De kip zit te broeden. In de gevangenis zitten. Hij zit altijd thuis. Die weduwe bleef met drie kinderen zitten. Laten zitten: verlaten. De zaken laten zitten. Dit schip zit aan den grond. Die spijker zit los. Zit daar geld? Er zit slijm op de borst. Passen, staan : die jas zit u goed. Daar zit niets op, er is geen voordeel van te halen. Hij zit vol valschheid. Hij zit er warmpjes in. Ilij zit in nood. In schuld zitten. Op heetê kolen zitten. Iem. m 't haar zitten. Iem. op de hielen zi:t^n. — Zit, m. Het zitten.

— Zitbad, o. (-en). — Zitbank, v. (-en).

— Zitdag, m. (-en). — Zitkamer, v. (-s).

— Zitkussen, v. (-s). — Zitplaats, v. (-en).

— Zitstede, v. (-n). — Zittend, bn. — Zit ter, m. (-s). — Zitster, v. (-s). — Zittijd, m. Tijd, gedurende welken eene vergadering zitting houdt. — Zitting, v. (-en). Zitplaats, stoel, enz. Bekleedsel van stoelen, enz. Vergadering. Tijdperk, gedu-rend hetwelk de wetgevende Kamers vergaderen, Zitting houden : vergaderd zijn ; zich op eene bepaalde plaats bevinden om menschf n te spreken, geld te ontvangen, enz. — Zituur, o. (..uren).

zode. Zie Zoo (i® art.).

8 — ZOET

zode, v. (-n). Stuk grasland (afgestoken met eene spade). Dat brengt geen zoden aan den dijk : dat houdt geen voordeel in. Maagzuur. — Zodensnijder, m. (-s). — Zodenwerk, o.

zodink, m. Zie Dierenriem.

zoeken, bw. ow. zocht, heeft gezocht. Iets dat verloren is trachten te vinden. Trachten te verkrijgen : een ambt, eene gelegenheid zoeken. Eigen roem zoeken. De schaduw zoeken. Ruzie, twist, nesten zoeken. Naar iets streven : hij zoekt u te bedriegen. — Zoek, bijw. Te zoeken, verloten, weg: zijn hoed is zoek. — Zoek' brengen, (Sch.) bw. Vcrlilt;zcn (inz. tijd).

— Zoeker, m. (-s). — Zoekerbout, m. (-en) (Zeew.). — Zoekmaken, (Sch.), bw. Wegmaken, verliezen. Iets verbergen, zoodat men het moet zoeken. Ziek zoekmaken, ww. Stilletjes heengaan. — Zoekraken (Sch,), ow. izijn). Verloren raken.

zoel, bn. bijw. Benauwd. Eenigszins warm en bevangend. — Zoelheid, v. — Zoelte v. De zoelte speelt: het weerl cht zonder te donderen.

zoenen, bw. zoende, heeft gezoend. Kussen. Verzoenen. — Zoen, m. Verzoening. Verbetering, (-en) Kus. — Zoen* bloed, o. — Zoendood, m. en v. — Zo ener t m. (-s).— Zoengeld, o, — Zoenoffer, o. (-s), zoen offer a n de, v. (-n). Offer tot vergiffenis van zonden, — Zoenster, v. (-s).

zoet, bn,bijw. Den hoogsten graad van aan^enama gewaarwording op de smaakzenuwen veroorzakende. Wordt gezegd van de gewaarwording (die druiven smaken zoet) en van hetgeen die gewaarwording veroorzaakt (zoete peren). Het tegenovergestelde van zuur, zout, enz. Hoogst aangenaam voor het gehoor of den reuk : zoete tonen, zoete geur. Hoogst aangenaam: zoete droomen. Zachtaardig, biaaf : een zoet kind. Aardig, Iraai. Gedwee. Zoet zetten (scheermessen, enz.) : fijn slijpen en wetten, — Zoet, o. Het zoete. — Zoet, o. Schoorsteenroet. — Zoetachtig, bn. — Zoeieboter, v. — Zoete-kauw, m. en v. (-en), Iem., die veel van het zoet houdt. — Zoeteko'k, v. en m. Koek, zoet van smaak. Inz. peperkoek. — Zoetefaar, m. (-s, ..aren). -Marketenter. Iem. die drank cf levensmiddelen verkoopt bij 't leger. Iem., die met een kraampje op 't ijs staat. — Zietelaarsterr v. (-s). — Zoetelen, ow. zoeteide, herit gezoeteld.Spijs of drank verkoopen (bij 't leger, enz.).— Zoetelief, bn. Zoetelief kind.

— Zoeteliejje, o. (-s). Beminde. —Zoete lijk,h\}\v.— Zoetemelk,v.—Znetcvielksch, bn. — Zoetemelkspap, v. — Zoeten, zoette, heeft gezoet. Bw. Zoet maken. Ow. Zoet worden. — Zoe te pap, v. — Zoeterd, m. (-s). Braaf kindje. — Zoetheid, v. — Zoethout^ o. Plant (glycyrrhiza glabra). Behoort in Z.-Europa tLuis, De ki uipende wortelstok wordt in de geneeskunde gebruikt. — Zoetig,hn. — Zoetigheid, v. Het zoet zijn. Aangenaamheid. Bevalligheid. Voordeel, Winst, (..heden) Snoeperij. Lekkernij. — Zoetjes, bijw. — Zoetklinkend, bn. — Zoet luidend, bn. bijw, — Zoetluidend-heid, v. — ^oetmaxend, bn. — Zoetma-


ocr page 993

— 919 —

ZON

ZON

king, v. — Zoe/rasp, v. (-en). Rasp om te zoeten. — Zoetsafifiig, bn. bijw. — Zoei-sappigheidt v. — ZoetschaaJy v. (..aven). Schaat om zeer glad te schaven. — Zoet-spraktg, zoetsprekend, bn. — Zoetsteen, m. (-en). Oliesteen. — Zoetvijl, v. (-en). Zeer fijne vijl. — Zoetvijlen, (onscb.), bw.

— Zoetvloeiend, bn. bw. — Zoetvloeietid-hetd, v. — Znetvoerig, bn. — Zoetvoerig-heid, v. — Zoetwatei', o. — Zoetwater-visch, m. (..sscben).

zoeven, ow. zoefde, heeft gezoefd. Gonzen, snorren : rijden dat de wielen snoeven.

zos:, v. ( gen). Zeug.

zogr. o. Spoor, dat '•en varend schip in 't water achterlaat. Kielwater. Moedermelk. — Zo^water. o. (Zeew ).

ZoïIuh, (30 eeuw \óor Chr.), Ampbi-polis. Buu-re bcoojdeelaar van Homerus, PJato en Isocrates.

zolder, m. (-s). Hoogste vertrek in een buis. Bovenste bergplaats in eenen stal, enz. — Zolder deur, v. (en). —Zolderen, bw. zolderde, heeft gezolderd. Op den zolder brengen of leggen. Van eene zoldering voorzien. — Zoldering, v. Het zolderen, (-en). Verdieping van een gebouw. Bovenvloer. Plafond. — Zoldergat, o. (-en). —Zolderkamer,v. (-s). — Zoldertrap, v. (-pen). — Zolderval, v. (-len).

— Zoldervenster, o. en v. (-sK

Zola, [E.), 1840, Parijs. Romanschrijver. Les Rougon-Macquart, hist oir e naturelle rt sociale dquot;1 une familie sotis le second Empire (1871, ..).

zolen, bw. zoolde, heeft gezoold. Zolen onder de schoenen zetten.

zomer, m. Het tweede der vier jaargetijden (van 2in Juni tot 2in Sept.). De mannelijke ouderdom. Hij is achttien zomers (jaar) oud. (-s). Zomerseizoen. — Zomerachtig, bn. — Zomeravond, m. (-en). — Zomerbaan, v. (..anen). — Zomerdag, m. (-en). — Zomeren, eenpw. zomerde, heeft gezomerd. Waim zijn. — Zomerfeest, o. en v. (-en). — Zomer garst, ..gerst%vZomergoed, o. — Zomer haar, o. — Zomer haver, v. — Zomerhitte, v.

— Zomerhoed, m. (-en). — Zomerhuis, o. (..zen). Landhuisje. Buitenverblijf. Priëel.

— Zomer jas, v. (sen). — Zomerkleed, o. (-eren). — Zomerkoren, o. — Zomerlucht, v. — Zomermaand, v. (-en). — Zomermorgen, m. (-s). — Zomernacht, m. (-en). — Zomertogge, v. — Zomersch, bn. — Zomerseizoen, o. — Zomerspina-zie, v. — Zomertarwe, v. — 2.omerteeke-nen, o. nw. Heraelteekenen, door welke de zon gedurende den zomer zich schijnbaar beweegt. — Zomertijd, m. — Zoiner-verblijf, o. (..ven). — Zomervogel, m. (-s). — Zomervrucht, v. (-en). — Zomer-ivarmte, v. — Zomerive{d)er, o. — Zomerwind, va. (-er). — Zomerwoning, v. (-en). — Zomerzon,v.— Zomerzotje, o. (-s). Sneeuwklokje.

zon, v. Vurig-vlot-ibaar hemellichaam in witgloeienden staat, omgeven door een minder warmen dampkring, waarin vele zrlfstandigbeden, uit welke de kern bestaat, in dampvormigen toestand zich bevinden. Is de bron van licht en warmte der planeten en hater wachters. Heeft 11.800-maal de oppervlakte en 1,279,000-maal het volumen der aarde. Hare gemiddelde afstand van de aarde = 20,030,700 geogr. mijl. Draait om zich zelve van het Westen naar het Oosten in 25 dagen, (-nen). Vaste ster. Afbeelding der zon. Wat naar eene zon gelijkt. Aangestokene en ronddraaiende schijf van een vuurwerk. Zonnestralen : in de zon zitten. Scheur of plek in de kiel of in eenig ander scheepsdeel, dat verveloos gebleven is. — Zonachtig, bn. — Zoneclips, v. (-en). Zie Eclips. — Zonnebaan, v. (..anen). — 2^«-nebeeld, o. — Zonneblind, bn. — Zontie-blind. o. (-en). Gordijn, enz. ter bescherming tegen de zonnestralen. — Zonnebloem,-^. (-en). Plant (helianthus annuus), tot desamengesteldbloemigen behoorende. Wordt in onze tuinen gekweekt. De zaadkorrels bevatten eene uitmuntende olie. — Zonnecirkel, m. Zodiak, (-s). Periode van 28 jaren, na welke de dagen der week in dezelfd» volgorde terrgbr-eren.

— Zonnedag, m. (-en). Tijd, die verloopt tusschen twee op elkander volgende doorgangen van de zon door denzelfden meridiaan. — Zonnedak,o.{-va). —Zonnedek, o. (-ken). —Zonnedauw, m. Dauw, die voor zonsopgang of na zonsondergang valt. — Zonnedauw, v. Plantengeslacht (drosera), tot de zonnedauwaebtigen behoorende. — Zonnedauwnchtigeii, v. nw. Plantf nfamilie, — Zonneglans, m. —• Zonneglas, o. (..azen). Zonnekijker. — Zonnegloed, m. — Zonnegod, m. Apollo.

— Zonnehitte, v. — Zonnehoed, m. (-en),

— Zonnejaar, o. (..aren). Jaar, t«^ berekenen volgn s den omloop der aarde om de zon. —Zonnekijker, m. (-s). Heliuscoop.

— Zonnek'aar, bn. bijw. — Zonnekring, m. Zodiak. (Dicbt.) Jaar.—Zonnekrutd, o. Plantengeslacht, tot de cistusachtigen behoorende. 't Gemeene zonnekruid (cistus helianthemum) bloeit van ]uni tot Augustus. Heeft scboone, gele bloemen. — Zon{ne)licht, o. — Zonneloop, m. — Zonnemaand, v. (-en). Tijd, waarin de zon een der twaalf hemelteekenen doorloopt. — Zonnemeter, m. (-s). Helio-meter. — Zonnen, bw. zonde, heeft gezond. In de zon leggen of zetten. — Zonnepiard, o. (-en). (Fab.). —Zonne-schetm, o. en m. (-en). — Zonneschijf, v. — Zonneschijn, m. — Zonneschuw, bn. — Zonnestand, m. De twee tegenover elkander staande punten der ecliptica. — Zonnesteek, m. (..eken). — Zonnestelsel, o. (-s). De zon, de planeten, de wachters van sommige planeten, de kometen en eenige cosmiscbe lichamen. Leer der hemellichamen en hunner beweging. — Zotmestiistand, m. — Zonnestofje, o. (-s). Atoom.— Zonnestraal, ra. (..alen).

— Zonnetafel, v. (-s). — Zonnetent, v. (-en). — Zonnevlecht, v. Zenuwvlecht in den omtrek des onderbuiks. — Zonnevlek, v. (-keu). — Zonnevuur, o. — Zonne-w acht Cf, m. (-S). — Zonnewagen, m. — Zonneweg, m. — Zonnewende, v. Heliotroop. — Zonnewijzer, ra. (-s). — Zonnig^


ocr page 994

zoo — ?

bn. — Zonseventng, v. — Zonshoogte, v.

— Zonsondergang— Zonsopgang, m.

— Zonsverduistering, v. (-en). — Zon-vormig, bn.

Zon, {P. de Wacker van), 1758-1818, Amsterdam. Schrijver. Twee en dertig ■woorden of de les van Kotzebue (1805); Jan Perfect (1817).

zondag, m. (-en). Eerste dag der week. Rustdag, welke den dienst des Heeren moet toegewijd worden. — Zondagavond, m. (-en). — Zondagmorgen, m. (-s). — Zondagsbeurt, v. (-en). — Zondagsblad, o. (-en). — Zondagsch, bn. — Zondagsdienst, m. (-en). — Zondagskind, o. (-ere«). Gelukskind. — Zondagskleed, o. (-eren). — Zondagskost, m. — Zondags' letter, v. (-s). Letter die de zondagen aanwijst (in de almanakken). — Zondagspak, o. (-ken). — Zondagspreek, v. (-en). — Zondagsrust, v. — Zondagsschool, v. (..olen). — Zondagsite(d)er, o. — Zon-dagswerk, o.

zoude, v. (-n). « Een woord, werk, begeerte of verzuimenis tegen de wet en deu wil Gods. » De zonde is, « tweeërlei: de erfzonde en de dadelijke zonde; en onder de zonden, die met de daad geschieden zijn eenige doodelijke en andere dage-lijksche. » Er zijn zonden tegen de 10 geboden Gods, tegen de 5 geboden der h. Kerk, hoofdzonden, vreemde zonden, zonden tegen den h. Geest en wraakroepende zonden. Het is zonde : het is jammer. — Zondaar, m. (..aren, -s). — Zondares, v. (-sen). — Zondeloos, bn. — Zondeloosheid, v. — Zondenbok, m. (-ken). Bok, die, bij de Israëlieten, in de woestijn weid gejaagd, nadat hij met al de ongerechtigheden des volks was beladen. ïem. op wien anderen hunne taak of schuld schuiven. ïem., die 't voorwerp is van beschimpingen en plagerijen. — Zon-denrea is ter, o. (-s). — Zondeslaaf, m. — Zondig, bn. — Zondigheid, v. — Z ydi-gen, ow. zondigde, heeft gezor digd. Zonden begaan. Tegen de wellevendheid, enz. zondigen. — Zondvloed, m. Buitengewone groote vloed, die alles, behalve hetgeen de Ark van Ncë hield besloten, heeft verzwolgen (3,000 vóorChr.).

zonder, vz. Niet in het bezit (van): hij is zonder geld. Wie zonder zonde is : wie geene zonde bedreven heeft. Buiten : ik doe niets zonder u. Behalve : het boek kost 4 fr. zonder het verzenden. Zonder weerga: bepaald eenig. Zonder genade : zeer gestreng. — Zonder dat, vw, uitdr. Ik zal het doen, zonder dat hij het weet, buiten zijn weten.

zonderbnur, bn. Zonderling. — Zonderbaarheid, v. — Zonderling, bn. bijw. Niet alledaagsch. Vreemd. Óngewoon. — Zonderling, m. en v. (-en). — Zonderlinge, v. (-n). — Zonderlingheid, v.

zone, v. ( n). Aardgordel.

zonk, m. (-en). Diepte of laagte tus-schen twee heuve tj'S. Laagte of zakking op een veld, rene straat, enz.

zoo, z«»oi, v. (zooien), zode, v. (-n).

0 — ZORG

Zekere hoeveelheid van voedsel. Zooveel men in eens kookt (inz. van visch.).

zoo, bijw. Op deze, op die wijze : zoo warm is 't nog niet geweest. Zoo iets : iets van dien aard. Zoo iemand : iemand van dien aard, van dat uitzicht, enz. Minachtend : zoo'n bedrieger. Zoo is het niet. Spreek niet zoo luid. Hij is zoo oud als gij (zie Als). Zoo! wilt gij niet komen. Hij kan het heden niet doen, hoe zoo? Hebt gij wel geruft? zoo, zoo. Zoo en zoo. Zoo dikwijls, enz Ik ben zoo (pas thuis) gekomen. Zoo gezegd, zoo gedaan. Zoo gewonnen, zoo geronnen. Zie Zus. — Zoo, vw. Indien : zoo hij het wist. Zoo vervelend is het op den duur. Naar, gelijk : zoo ik hoor, zoudt gij vertrekken. — Zooals, vw. Gelijk. — Zoodanig, aanw. vnw. Zulk. Dergelijk. Bijw. Op zulke wijze. — Zoodat, vw. Derwijze dat. — Zoodoende, bijw. Op zulk eene wijze. — Zoodra, bijw. Onmiddellijk. Zoo spoedig mogelijk. — Zooevtn, bijw. Daar juist. Aanstonds. — Zoogenaamd, zoogenoemd, bn. — Zoogezegd, bn. — Zoogoed, bijw. — Zoohaast, bijw. Onmiddellijk. Vw. Zoodra. — Zoolang, vw. — Zoomin, bijw. — Zooveel, telw. Veel. Bijw. Zooveel te meer : des te meer. Zooveel is zeker : dat te minste is zeker. Voor zooveel ik weet. — ZooveeIste, rangsch. telw. — Zooverre), bijw. — Zoozvel, bijw. Op dezelfde wijze. Vw. Hij komt zoowel als gij. — Zoozeer, bijw. In die mate.

zoogden, bw. zoogde, heeft gezoogd. Laten zuigen. — Zoogdier, o. (-en). Zie Bijgevoegde Tabellen (Dierenrijk).

zooi, v. Menigte.

zool, v. (zolen). Onderste vlak van den voet. Onderleder van eenen schoen, enz. Sandaal. Onderstuk van eene affuit. — Zoolgan^ers, zooltreders, m. nw. De beren zijn zoolgangers. — Zoolle{d)er, o.

— Zoolriem, m. (-en). — Zoohpier, v. (-en).

zoölogie, v. Dierkunde. — Zoölogisch, bn. — Zoöloog, m. (..ogen).

zoom, m. (-en). Omgeslagen en vastgenaaide rard aa-i kleedingstukken. Zelfkant. Kant, Luiten rai d : de zoom van het bosch. Rand van het oor. — Zoomen, bw. zoonuli, helt; ft gezoomd. Van eenen zoom voorzien. Omboorden. — Zoomwerk, o. Dunne planken, dienende tot den bouw van lichte vaartuigen.

zoon, m. (..onen, -s). Kind van 't mannelijk geslacht, ten opzichte van vader en moeder. Afstammeling. Jongen. Knaap.

— Zoonlief, m. Lieve zoon. — Zoonschap, o. — Zoonsdochter, v. (-s). — Zoonskind, o. (-eren). — Zo -nsvrouw, v. (-en). — Zoonszoon, m. (..onen).

zoopje, o. (-s). Teugje. Slokje.— Zoop-j'esman, m. (..lui). Tapper.

zoor, bn. Droog. Ruw. Dor. Stram. — Zoor he id, v.

zorg:, v. (-en). Ongerustheid. Bekommering. Aanhoudende poging ter verkrijging en bewaring (van). Zorg dragen (voor) : gadeslaan, bewaken. Leuningstoel. — Zo tg, m. en v. (-en). ïem., die zeer bezorgd is. — Zorgachtig, bn. —


ocr page 995

ZOUT — lt;

Zorgland, m. (-en) (Zeew.). Strop aan het roer. — Zorgbarend, bn. — Zorgdragend, bn. — Zorgeloos, bn. bijw. — Zorgeloosheid, v. — Zorgen, ow. zorgde, heeft gezorgd. Zorg dragen. Zorg hebben. Gadeslaan. Behartigen. Ongerust zijn. Vreezen. Maken, dat iets gebeuren zal.

— Zorger, m. (-s). — Zorggras, o. Plantengeslacht [holcus). — Zorggrassen, 0. n\v. Plantenfamilie. — Zorgketting, m. (-en). Ketting, aan den zorgband. — Zorglijk, bn. bijw. Ongerust. Bekommerd. Gevaarlijk. Hachelijk. — Zorglijk-hcid, v.— Zorglijn, v. (-en) (Zeew.).— JZorgster, v. (-s). — Zorgstoel, m. (-en). Leuningstoel. — Zorgzuldig, bn. bijw. Zorgdragend. Oplettend. Nauwkeurig. — Zorgvuldigheid, v. — ZorgvuIdiglyk, bijw. — ZorgweA-kend, bn. — Zorgzaam, bn. bijw. Zorgvuldig. — Zorgzaamheid, v.

Zorilla y floral (*?.), 1817-1893, Vaüadolid. Spaansch dichter. Cantos del Tr ova dor (i840-'4i); don Juan Terrorio, (1866).

Zoros«Nter of Znrutliuiitra (7® (?)

eeuw voor Chr.). Bracht den zinnelijken natuurdienst der oude Iranen tot een zedelijk stelsel, waarvan de tegenstelling van 't goede en 't booze beginsel, van licht en duisternis, de grondslag uitmaakte.

Zorobubol. Geleidde de Joden bij hunne terugkomst uit de ballingschap en ontving van Cyrus de toelating den tempel weer op te bouwen (540 vóór Chr.).

zot, bn. bijw. Gek. Dwaas. Dom. Dartel. — ^ö/,m.(-ten). Dwaas. Krankzinnige. Hansworst. Tooneelzot. (Kartsp.) Boer. lem. voor den zot houden. —Zotheid, v. (..heden). —Zothoofd, o. —Zothuis, o. (..zen). — Zotskap, v. (-pen). Kap met bellen. — Zotskap, m. en v. (-penj. Zot. Zottin. — Zottebollen, ow. zottebolde, heeft gezottebold. Dartelen. Vroolijk zijn. Kortswijlen. — Zotteklap, m. — Zot te-raat, m. — Zotternij, v. (-en). Dwaas-eid. Domme streek. — Zottigheid, v. (..heden). — Zottin, v. (-nen).

zouaaf, m. (..aven). Soldaat te voet op Arabische wijze gekleed. Fransch soldaat te voet in Turksche kleederdracht ;(in Afrika). De pauselijke zouaven.

zout, o. (-en). Keukenzout: witachtige specerij natrium en chloor bevattende, (bcheik.) Lichaam gevormd door de verbinding van een zuur met eene basis. Het zinlijke, geest, pit (eener rede, enz.) Engelsch zout: bestanddeel van sommige minerale wateren. (Scheik.) Magnesiumsulfaat. Wordt gebruikt als pU' geermiddel.

— Zout, bn. Vele zoutdeelen bevattende. Zout van smaak. — Zoutachtig, bn. — Zoutbak, ra. (-ken). — Zoutdeelen, o. nw.

— Zouteloos, bn. Zonder zout. Zonder pit. Zonder kruim. Niet geestig. — Zouteloosheid, v. (..heden). — Zouten,^ bw. zoutte, heeft gezouten. Met zout bereiden, bestrooien. In zout leggen. Duur verkoo-pen. — Zouter, m. (-s). — Zouterij, v. (-en). Plaats, waar huiden, enz. gezouten worden. — Zoutevisch, v. — Zoutgeest, ra. (Scheik.). — Zoutgras, o. Plantengeslacht. — Zoutgras sen, o. nw. Planten-

II — ZUID

familie. — Zoutgroef, v. (..ven). — Zout-handel, ra. — Zouthandelaar, ra. (-s). — Zoutheid, v. — Zouthoudend, bn. — Zouthuis, o. (..zen). — Zout hut, v. (-ten). Zoutig, bn.— Zoutigheid, v. — Zouting, v. — Zoutkeet, v. (..eten). — Zoutkorrel, v. (-s). —Zoutmijn, v. (-en). — Zoutpot, ra. (-ten). — Zoutsteen, ra (-en). — Zout-ster, v. (-s). — Zot stof, v. — Zoutvat, o. (-en). — Zoutvrrkooper, ra. (-s). — Zout-verkoopster, v. (-s). — Zoutwater, o. Zeewater. — Zoutzak, ra. (-ken). — Zout-zee, v. De doode zee. — Zout zie den, o. —Zoutzieder, ra. (-s). — Zoutziederij, v. (-en). — Zoutzuur, o. bn. (Scheik.).

zuolit, m. (-en). Langzame en hoorbare in- en uitademing. Verzuchting. — Zuchten, ow. zuchtte, heeft gezucht. Zuchten loozen. Kermen van pijn. Sterk verlangen (naar). — Zuchtend, bn. — Zuchter, ra. (-s). — Zuchting, v. — Zuchtje, o. (-s) (Zeew.) Windje.

zii«*lit, v. Chronische ziekte (in samenstellingen). Opzwelling van eenig lichaamsdeel door te groote afscheiding van water. Overdreven begeerte. Sterke begeerte : de zucht tot de vrijheid. — Zuchtgezvuel, o. (-len). — Zuchtig, bn. Ongesteld ten gevolge van kwade vochten in het lichaam. Hij is ziek en zuchtig. — Zuchtigheid, v.

zuid, bijw. Tegenstelling van noord.

— Zuid, v. De zuidelijk gelegen landen.

— Zuid, o. Het Zuiden. — Zuid-Brabant, o. Brabant (België). —Zuideinde, o. — Zuidelijk, bn. bijw. Uit, in, van of tot het Zuiden. — Zuidelijken, ow. zuidelijkte, is gezuidelijkt. Naar h«'t Zuiden loopen (van den wind). — Zuiden, o. Gedeelte der wereld, dat tegenover het Noorden ligt. Streek, zuidelijk gelegen van de plaats waar men zich bevindt. Ten Zuiden : zuidelijk. — Zuidenwind, m. — Zuideras, v. Zuidelijkste gedeelte van de as der aarde. Zuidpool. — Zuideraspunt, o. Zuidpool.—Zuiderbreedte, v. Zie Breedte. —Zuiderdeel,o.— Zinder licht, o. Natuurverschijnsel, dat zich soms na zonsondergang met ongeraeene pracht in het Zuiden vertoont. — Zuiderzee, v. Bespoelt N.-Holland, Utrecht, Gelderland, Overijsel, Friesland. — Zuiderzon, v. — Zuid-Holland, o. Provincie. (Nederland). 6 arr. 25 kantons, 194 gemeenten. Hoofdpl. 's Gravenhage. — Zu id/i oil an dsch, bn.

— Zuidkant, ra. — Zuidkust, v. (-en). Zuidoost, bijw. o. — Zuidoostelijk, bn. — Zuidoosten, o. —Zuidoostenwind, ra. — Zuidoosterzon, v. — Zuidpool, v. Zuidas-puntder aarde. — Zuidpoolcirkel, ra. (-s). Denkbeeldige cirkel, die op 23 1/20 afstand van de Zuidpool getrokken is. — Zuidpoolexpeditie, v. — Zuidpoolgewesten, o. rav. —Zuidpoollanden, o.rav.— Zuidpoolreis, v. U.zen). — Zuidpoolreiziger, ra. (-s). — Zuidpooltocht, ra. (-en). — Zuidpunt, o. — Zuidwaarts, bijw. — Zuidwest, bijw. o. — Zuidwestelijk, bn.

— Znidwesten, o. — Zuidwestenwind, ra. — Zuidivester, ra. (-s). Breedgerande zeemanshoed. — Zuidwesterzon, v. — Zuidzee, v. Groote Oceaan of Stille Zee.


ocr page 996

ZUIV — C

— Zuidzeevaarder, m. (-s). — Zuidzijde, v. —Zuidzuidoost, bn. o. — Zuid-zuidwesten. o. — Zuien, o. Zuiden.

xuicu, ow. zuide, heelt gezuid. Neuriën. Een kind in slaap zingen.

zuiden, bw. ow. zoog, heeft gezogen. Sappen, vloeistoffen, enz. langzaam met den mond in zich trekken. Eene zuigende beweging met den mond maken: op de vingers zuigen. Langzaam in zich opnemen : de spons zuigt het water in zich. Naar zich toetrekken : die tak zuigt al het sap naar zich toe. Vasthouden : dat leder zuigt sterk. De bijen zuigen honig uit de bloemen. Iets uit den duim zuigen: iets verzinnen. Logens vercellen. — Zuigbuis, v. (..zen). — Zuigdier, o. (-en). —Zutg-doije, o. (-s). — Zuigeling, m. en v. (-en).

— Zuigelinge, v. (-n).— Zuiger, m. (-s). Die zuigt. Deel eenerpomp. Huid van een jong kalf. Soort van inlandsche tabak. Mastband. Deel van een stoomtuig (Zie Locomotief). Zekere zeevisch. Bijna onmerkbare opening in de dijken, waar het water doorsijpelt. — Zuigerstang, v. (-en).

— Zuigflesch, v. (..sschen). — Zuigglas, o. (..zen). — Zuiging, v. — Zuigkalf, o. (..ven). — Zuigkind, o. (-eren). — Ztiig-klep, v. (-pen). — Zuiglam, o. (-meren).

— Zuigpapier, o. — Zuigpijp, v. (-en).

— Zuigpomp, v. (-en). Zie Pomp. — Zuig spon ning, v. (-en). — Zuig ster, v. (-s).— Zuigt and, m. (-en). — Zuigvisck, m. (..sschen).

zuil, v. (-en). Rechtopstaande paal, inz. wanneer hij iets draagt. (Bouwk.) Sierlijk bewerkte rechtopstaande ronde pilaar. Alleenstaande pijler, welke tot een aandenken is opgericht. Persoon of zaak, welke tot ondersteuning dient. — Zuilengang, v. (-en). — Zuilenry, v. (-en). — Zuilenwrrk, o. — Zuilvoet, m. (-en). — Zuilvormig, bn.

znilcu, ow. zuilde, heeft gezuild. Sluimeren. — Zuil, m. Sluimering. — Zui-ling, v.

zuimcii, ow. zuimde, heeft gezuimd. Dralen. Nalatig zijn. — Zuimachtig, bn. bijw. — Zuimachtigheid, v.

zuiiiisr, bn. bijw. Spaarzaam. Matig. Zuinig kijken : verbaasd, boos zien. — Zuinigheid, v. — Zuinigje, o. (-s). Voorwerp op eenen kandelaar geplaatst, om een einde kaars tot bet laatste toe op te branden. — Zuinig jes, bijw.

ziiipon, zoop, heeft gezopen. Bw. Onmatig drinken. Ow. Aan sterken drank veislaald zijn. — Zuip, v. Onmatig gebruik van sterken drank. — Zuipachtig, bn. — Zuiper, m. (-s). — Zuip lat*, m. (-pen). Dronkaard. — Zuiplust, m. — Zuippartij, v. (-en). — Zuipster, v. (-s).

zuivel, o. Melk en alles wat van melk komt. Wat een ei bevat.

zuivei*, bn. bijw- Helder. Onver-valscht. Kuisch, rein. Zindelijk. Fijn bewerkt. Onbewolkt. Vrij van gebreken. Zonder gevaar : die kust is zuiver. Oprecht. 't Is daar niet zuiver, niet pluis. — Zuiver, bijw. Alleen. Met ernst. — Zuive-f aagt; , m ( s). — Zuiveraarster, v. (-s).

— Zuiveren, bw. zuiverde, heeft gezui-

2 — ZULT

verd. Schoonmaken. Reinigen. De fouten wegnemen. Verbeteren. Zich zuive* enr ww. Zich rechtvaardigen.— Zuiverheid, — Zuivering, v. (-en*.

zujen, ow. zuude, heeft gezuud. Zuien. zulk, aanw. vnw. Dusdanig. — Zulksr aanw. vnw. Dit. Dat.

zulle, zille, v. (-n). Drempel, zullen, hulpw.

zulte, v. Soort van aster [aster trifo-lium),

zulten, bw. zultte, hóeft e^zult. In


ocr page 997

ZWAA — 9

rout, in pekel leggen. — Zult, o. Hoofd-vleesch van varkens, runders, enz. Gepekelde spijs. — Zu. tb ooft en, v. nw. Ingelegde snijboonen. — Zulting-, v. — Znlt-kost, m — Zultipek, o. — ZuLtvleesch, o. Gezouten vleesch.

zuiKlgrat, o. (-en). Laadgat van een kanon, enz.

zuringr, v. Plantengeslacht {rumex), tot de veelknoopigen beboerende. Gewone zuring; moeskruid (r. acetosa). Kleine, wilde zuring (r. acftosella).

zurkel, v. Gewone, ook kleine zu-xing.

zua, bijw. Op zulk eene wijze : dit gaat zus en dat gaat zoo. Het scheelde zus of zoo (zeer weinig) of hij was te laat. Zus en zoo : tamelijk, redelijk.

zuster, ziih, v. (zusters, zusteren). Vrouwelijke peisoon, die met eenen andere van dezelfde ouders voortkomt. Er zijn eigen en halve zusters. Behuwd zuster : schoonzuster. Geestelijke vrouw. Non. De negen zusters: de negen zanggodinnen. (-s). Zeker gebak. — Zuster lyk, bn. bijw. — Zusterschap, o. (de betr. kking); v. (-pen) (vereeniging van zusters). — Zuster dochter, v. (-s). — Zusterkind, o. (-eren). —Zusterzoon, m. (-s),

znar, bn. bijw. Tegenstelling van zoet. Scherp van smaak, wrang : azijn is zuur. Die melk is zuur, bedorven. Die grond is zuur, door te veel vochtigheid verzuurd. Zuur voeder: voeder, dat op zuren grond groeit. Bezwaarlijk : het valt mij zuur. Onaangenaam, verdrietig : iem. het leven zuur maken. Zuur (niet gemakkelijk) verdiend geld. Hij heeft het zuur, verkeert in moeilijke omstandigheden. Norsch, onvriendelijk : zuur kijken. — Zuur, o. (zuren). Wat zuur is. Azijn. Ingelegde vruchten. Maagsap. (Scheik.). Zuren : verbindingen, welke met basts zouten kunnen vormen. — Zuren, bw. ow. zuurde, heeft gezuurd. Zuur maken, worden. — Zurigheid, v. — Zuring, v, — Zuurachtig, bn. — Zuurdeeg, o., zuwdeesem, m. Verzuurd deeg. Pap van lijnmeel. Partijbaat. — Zuurheid, v. — Zuurkyker, m. (-s). Iem. die onvriendelijk kijkt. — Zuurkool, w. Witte kool met azijn ingemaakt. — Zuurkruid, o., zuurlttig, m. Gewone zuring. — Zuurmuil, m. en v. (-en). — Zuurmuilen, (Onsch.). ow. Zuur zien. — Zuurstof, v. (Scheik.). Gas. Komt voor Vs in de samenstelling der dampkringslucht. Zie Waterstof. — Zuurtjes, bijw.— Zuurtoot,m. en v.(..oten).— Zuurvrij, bn. — Zuurzoet, bn. — Zuurzout, o.

znwo, v. (-n). Loeppad door een moeras.

zivazid, v. (aden). Zwad.

zivnsiicn, zwaaide, heeft en is gezwaaid. Bw. Met eenen zwaai bewegen : den hoed zwaaien. Keeren, wenden ; eenen wagen zwaaien. Den schepter zwaaien : heerschappij voeren. Ow. Slingeren. Geslingerd worden. Heen en weder bewogen worden. Als een dronkaard loopen. Niet rechthoekig zijn, scboef staan : die muur zwaait. Op den wind zwaaien : den voorsteven naar den wind keeren. — Zwaai,

\ — ZWAA

m. (-en). Het zwaaien. Zwaaiende beweging. Draai. Keer. — Zwaaihaak, m, (..aken) Zwei. — Zwaaiing, v. (-en).

zwnau, m. (..anen). Eendachtige vogel {cygniiS', met langen, dunnen bals. De gewone, de wilde, de kleine zwaan. Dichter. — Zwanebek, m. (-ken). Bek van eene zwaan. Schroeftang om eene wonde wijder te maken. — Zwane{n)dons, o. — Zwanenbloem, v. (-en) Sierlijke oeverplant {butomus umbellatus). — Zwanen-borst, v. (-en). — Zwanendrift, v. (-en).

— Zwanen ei, o. (-eren). — Zwanenhals, m. (..zen). — Zwanennest, o. en m. (-en). — Zwanepen, v. (-pen). — Zwaneschacht, v. (-en). — Zwanezang, m. Zang, dien de zwanen voor den dood zingen. Laatste zang van eenen dichter. Laatste werk.

zwaar, bn. bijw. Zwaartekracht hebbende : alle lichamen zijn zwaar. Wegen--de : tien kilos zwaar. Het tegenovergestelde van licht : zware last. Groots Plomp. Grof: zwaar geschut. Veel moeite of inspanning vorderende : zwaar van spraak zijn. Moeilijk : zware taak. Streng : zware straf. Dik : zwaar papier. Dicht r zware stof. Moeilijk te verteren : zware spijzen. Sterk, hoofdig : zwaar bier. Drukkend : zwaar weder. Erg: zware ziekte. Hoog : zware zee. Zware Kosten : aanzienlijke uitgaven. — Zwaai hoojd, m. en v. (-en). —Zwaarhoofdig, bn. bijw. Onge--rust. Zorgzaam. — Zxvaarhoofdigheid, v. — Zwaarlijvig, bn. — Zwaarlijvigheid, v. — Zivaarmoedig, bn. bijw. Droefgeestig. Stetds het ergste voorziende. — Zwaarmoedigheid, v. — Zwaarte, v. Kracl t, die al'.e lichamen, zoodra zij aan zich zeiven overgelaten zijn doet vallen, d. i. eene richting naar het middelpunt der aarde doet nemen. Het zware. Gewicht. Het ernstige eener zaak.

— Zwaartekracht, v. — Zw aar teniet er y m. (-s). — Zwaartepunt, o. Punt, aan welks weerskanten de twee deelen van een lichaam gelijke zwaarte hebben. — Zwaartillend, bn. Zwaarmoedig. — Zwaartillendheid, v. — Zwaartongig, bn.— Zwaarwichtig, bn. Veel wegende. Zeer belangrijk. — Zwaarwichtigheid, v-

zwaarlt;l, o. (-en). Zwoord.

zwaard, o. (-en). Blank wapen, bestemd tot houwen en steken, met eene rechte, breede, veelal tweesnijdende kling en een gevest zonder beugel. Een der breede borden, die aan beide zijden van een zeilschip in het water hangen, om het omslaan te vermijden. Bewijs van adeldom van vaderszijde (op een blazoen).. Het zwaard in de scheede steken : opl ou-den van oorlogen. Te vuur en te zwaard verdelgen : branden en moorden. Het zwaard van Damocles : een altijd dreigend gevaar. — Zwaard deel, o. (-en). Erfdeel van de mannelijke zijde. — Zwaarddrager, m. (-s). — Zwaard kruid, o. Plant {gladiolus communis'). Heeft zwaardvormige bladen. — Zwaardleen, o. (-en). Zie Leen. — Zwaardlelie, v. ( .iën)., Zwaardkruid. — Zwaardmaag, m. en v. (..agen). Bloedverwant(e) van mannelijk#'


ocr page 998

ZWAL — 9:

^ijde. — Zwaardniaanschap, v. — JZïv •ardrecht, o. — Zwaardslag, ra. (-en). —Zwaardvegen, o. Wapenen vervaardigen. — Zwaardveger, ra. v-s). — Zwaardvisch, in. (..sschen). Visch {xi-phtas gladius), tot de makreelachtigen behoorende. Heeft een zwaardvormig uitstekenden snavel (Middell. zee. Atl. Oceaan). — Zwaardvormig, bn. — Zwaardzijde, v. Bloedverwanten van vaderszijde.

zusamp;bber, ra. (-s) (Zeew.) Dweil van kabelgaren, enz. Scheepsjongen. — Zwabberen, zwabberde, heelt gezwabberd. Bw. Met eenen zwabber schoonmaken. Ow. Morsig werk verrichten. Plassen in 't water. — Zwabberkapitein, ra. (-s), zwabberpaai, ra. i-en). quot;jongen, die den zwabber moet schoonmaken.

Kwaielitel, ra. (-s). Windsel, waarin jor^e kinderen gewikkeld worden. Lange band, tot het verbinden eener wond, enz.

— Zwachtelen, bw. zwachtelde, heeft gezwachteld. Met eenen zwachtel omwinden.— Zw ach te ling, v.

zwnd, v. (-en), zwattle, v. (-nK Hoeveelheid gras, enz. in eens afgemaaid. Regel afgemaaid gras, enz.

Kwatl«lcr, ra. Slangenspog. Slijm van aal, piling, enz. Lastering. — ZTiadiie-rig, zwaddig, bn. Troebel. Vuil. Onrein.

'zwatdderen, bw. ow. zwadderde, heeft gezwadderd. Zeeveren. Brabbelen.

z^vuscr, ra. (-s). Behuwdbroeder. Schoonbroeder. — Zwager in, v. (-nen).

— Zwagerschap, v. en o.

zwak, bn. bijw. Niet sterk. ïeer. Broos. Slap. .Ziekelijk. No^ niet geheel hersteld van eene ziekte. Licut te overhalen. Al te toegevend. — Zxvak, o. Iets, dat zw«k is. Dat is zijn zwak : hieraan is hij overgegeven.

— Zwakheid,\van lichaamskrachten. Broosheid, (..heden). Te groote toegevendheid. — Zwakhoofd, ra. en v. (-en), lera., die weinig verstand heeft. — Zwak' yes, bijw. Lichtelijk, — Zwakkelijk, bn. bijw. Een weinig zwak. Aan de betere hand. Sukkelende. — Zwakkelykheid, v.

— Zwakkeling, ra. en v. (-en). Zwak mensch.— Zwakkelinge, v. (-n).— Zwakken, bw. ow, zwakte, heefc en is gezwakt. Zwak maken, worden. — Zwakte, v. Zwakheid.

zivak, bn. Vlug, gezwind, behendig, flink : een zwakke kerel.

zwalken, ow. zwalkte, heeft gezwalkt. Drentelende zich bewegen. Ronddolen. Op zee zwalken: verre zeereizen doen. — Zwalker, ra. (-s). Treuzelaar. — Zwal-king, v. — Zwalkster, v. (-s).

zwal in. m. Walm — Zwalmen, ow. zwalmde, heeft gezv\almd. Walmen.

zwalp, ra. (-en). Gulp. Dikke eiken plank. (Zeew.) Grenm ribbe.— Zwal pet, o. (-eren). Onbevrucht ol bedorven bii-broeid ei. Kwast. Drinkebroer. —Zwalpen, ow. zwalpte, beeft gezwalpt. Golvende zich verheften (van de zee). — Zwalpend, bn. Zacht golvende. — Zwalping, v.

zwaluw, v. (-en). Zwaluwen, \ tami-Jie (hirundo) onder de zangvogels. V;ic-1 — ZWAT

gen zeer snel. Eéne zwaluw raaakt den zomer niet. — Zwaluwen kruid, o. Schei-kruid. — Zwaluwennest, o. en ra. (-en).

— Zwaluwetong, v. Soort van duizendknoop. — Zwaluwstaart, m. _ (-en). Staart eener zwaluw. (Timm.) Wijze van verbinding voor houtstukken. (Vest.) Zeker buitenwerk. — Zwaluw staar tig, bn. — Zwaluwvtsch, ra. (..sschca). Soort van vliegenden visch.

zwam, v. (-men). Zwammen : planten zonder bUdgroenhoudende cellen. Uitwas aan boomen. Uitwas aan de voorpooten der paarden. — Zwam, o. Zwam, als raiddel om vuur te vatten. — Zwamachtig, bn.—Zwamdoos/'e,o.{-s).— Zwammig, bn.

zwans:, ra. Gebruik, gewoonte : in zwang zijn, komen,enz.

zwaii£-cgt;r, bn. In gezegenden staat. — Zwangerheid, v. — Zwangerschap, v.

zwstukeu, ow. zwankte, heeft ge-zwankt. Waggelen. Schudden. — Zwank-vedereu, v. mv. Slagvederen.

zwauM, v. (-en) Staart (inz. der dieren).

zwarislieid, v. (..heden). Moeilijkheid, bezwaar. Tegenwerping : zwarigheden maken. Gevaar.

zwart, bn. Wordt van de donkerste kleur gezegd.Duister.Donker. Vuil.Morsig. Zwart brood: roggebrood. (Muz.) Zwarte noot = */4 der ronde noot. Zwarte, uiterste armoede. Zwart verdriet : sombere droefheid. Zwarte gal : maagkanker. Zwart goed, zie Goed. Eene zwarte, snoode daad lera. zwart raaken : veel kwaad van hem zeggen. — Zwart, o. De zwarte kleur.—Zwartachtig, bn. —Zwartblauw, bn. — Zwartbont, bn. — Zwartbruin, bn.

— Zwarte, ra.en v. (-n). — Zwartekunst, v. Zie kunst. — Zwarten, bw. zwartte, beeft gezwart. Zwart raaken. Zwart verven. — Zwartepieten, ow. zwartepiette, heeft gezwartepiet. Zeker kaartspel spelen.

— Zwartgallig, bn. Droefgeestig. Knorrig. — Zwa 11galligheid, v. — Zwartgeel, bn. — Zwartgevlekt, bn. —Zwartgroen, o.— Zwartha» ig, bn. —Zwartheid, v.

— Zwartigheid, v. — Zwarttn, y. (-nen). Negerin. —Zwartkapje, o. (-s). Bastaardnachtegaal met zwarten kop. — Zwartkop, ra. en v. (-pen). — Zwartkopje, o. (-s). Soort van grasmusch : coluber melano-cephalus). — Zwartkoorn, ..koren, o. Plantengeslacht 'melampyrutn), tot de linkelbloemigen behoorende. De m. ar-vense groeit bij ons in 't wild en wordt dolik, paardsbloemen en wilde weit genoemd. — Zwartkryt, o. Zwart teeken-krijt. — Zwartlakensch, bn. — Zzvart-makend, bn. Lasterend. — Zwartma-king, v. — Zwartoog, m. en v. (-en). — Zwart org ig, bn. — Zwartrood, bn. — Zwartschimviel, m. (-s). Wit paard met zeer donkere vlekken. — Zwartsel, o. Zekere zwarte verfstof. Schoorsteenroet.

— Zwartselen, ow. zwaitselde, heeft gezwartseld. — Zwat tvaal, bn. — Zwart-vos, ra. ( sen). Paard dat pikzwart is. — Zwat tzyden, bn. — Zwartzucht, v. Hooge graad van geelzucht.

zwsiteleu, ow. zwatelde, heeft gezwateld.' (Dicht.) Zacht ruischen. Lispelen.


ocr page 999

ZWEL — 92

ivravol, v. Lichtgele, broze, licht ontvlambare delfstof. Wordt vooral in Sicilië aangetroffen. — Zuuavelachtig, bn. — Zwave/bak, va. (-ken). — Zzvavelbloetn, v. — Zwavelen, bw. zwavelde, heeft gezwaveld. Met zwavellucht laten doortrekken. In de zwavel doopen. — Zwave-lingf v. — Zwavelgeel, bn. — Zwavelhoudend, bn. — Zwavelig, bn. — Zwa-vellucht, v. — Zwavelstok, m. (-ken). Stokje uit den stam van hennep vervaardigd, welks uiteinde met zwavel is bestreken, dienende om vlam te vatten. — Zwa-veltje, o. (-s).

Zweden, o. 't Oostelijkste der beide koninkrijken van 't Scandinavisch schiereiland. 4,800,000 inw., 8.183 vk. mijl. Hoofdstad : Stokholm. Zweden is sedert 1814 met Noorwegen verbonden. —Zweed, m. (Zweden). — Zweedseh, o. De taal der Zweden.

zweeden, bw. zweedde, heeft gezweed. Huiden met kalkbrij behandelen.

zweeiu, m. Gelijkenis, betrekking. — Zweemen, ow. zweemde, heelt gezweemd. Eenige gelijkenis hebben. Overhellen (tot) van kleuren. — Zweernsel, o. Zweem.

zweep, v. (-en). Gedraaid of gevlochten snoer, van onderen spits toeloopende en van boven aan eenen stok bevestigd. — Zweepen, bw. zweepte, heeft gezweept. Met de zweep voortdrijven. Slaan. Voortstuwen : de wind zweept de baren. — Zweeping, v. — Zweepkoord, o. (-en). — Zweepslag, m. (-en). — Zweeptol, m. (-len). — Zweeptouw, o. en v. (-en), zweer, v. (zweren). Ettergezwel, zweet, o. Vocht, dat door de poriën der huid naar buiten dringt. — Zweetbad, o. (-en). — Zweet bank, v. (-en). Bank, waarop de soldaten in de wacht slapen. Plaats, waar men zweet van angst of vrees. — Zweetbed,o. (-den). — Zweetdoek, m. (-en). — Zweetdrank, ra. (-en).

— Zweetdroppel, ra. (-s). — Zweeten, zweette, heeft gezweet, üw. Zweet van zich geven. Vocht uitwasemen. Vochtig worden en uitslaan (van steen, hout, enz.). Bw. In de gedaante van zweet van zich geven : water en bloed zweeten. —- Zwee-ter, ra. (-s).— Zweeierig, bn. — Zweete-rtgheid, v. — Zweetgat, o. (-en). — Zweeting, v. (-en). — Zweetkamer, v. (-s). — Zweetkoorts, v. (-en). — Zweetkuur, v. (..uren). — Zweetlucht, v. — Zweetmiddel, o. (-en). — Zweet poeder, ..poeier, o. (Stofn.); v. (-s) ^Fijngestampt geneesmiddel). — Zweetster, v. (-s). — Zweetvoet, ra. (-en). — Zweetvos, m. (-sen). Roodachtig paard.— Zweetziekte, v.

zwel, v. (-en). Beweegbare winkelbaak.

zwelen, bw. zweelde, heeft gezweeld. Met de hark bijeenzamelen (hooigras, enz.). —Zweler,m. (-s).

zwelgren, bw. ow. zwolg, heefl gezwolgen. Slokken. Opslurpen. Brassen. — Zwelg, ra. Het zwelgen, (-en). Teug. — Zwelger, ra. (-s). — Zwelgerij, v. (-en).

— Zwelging, v. — Zwelgkuil, ra. (-en). Draaikolk. — Zwelgpartij, v. (-tn). —

— ZWER

Zwelgster, v. (-s). — Zwelgziek, bn. — Zwelgzucht, v.

zwellen, zwol, is gezwollen. Ow. Zich uitzetten (inz. in de hoogte). Bw. Doen zwellen. — Zweider, v. Zeraelpap. — Zwelling, v. (-en). — Zweipap, v.

zweiten, ow. zwolt, het ft en is ge-zwolten. Bezwijken door gebrek.

zwemmen, ow. zwom, heeft en is gezwommen. In eene vloeistof zich zwevende, op eene vloeistof zich drijvende houden en zich zoo voortbewegen. Geheel omgeven zijn (door): die visch zwemt in de boter. Vloeien : de wijn zwemt lan^s de tafel. Zijne oogen zwommen in tranen, stonden vol tranen. In het geld zwemmen : rijk zijn. In vreugde, enz. zwemmen. — Zwemblaas, v. (..azen). — Zwembroek., v. (-en). — Zwemgordel, m. (-s). — Zwemkleed, o. (-eren). — Zwemkunst, v. — Zwemmer, ra. (-s). — Zwemmerig, bn. Zwemmerige oogen : oogen, die er uitzien of ze in tranen zwommen. — Zwemplaats, v. (-en). — Zwempoot, ra. (-en). — Zwe7nschool, v.(..olen). — Zwemster, m. '-s).— Zwem toestel, ra. en o.* (-len).— Zwemvlies, o. (..zen). — Zwemvoet, m. (-en). — Zwemvogel, ra. (-s).

zwendelen, ow. zwendelde, heeft gezwendeld. Oneerlijken handel drijven. Bedriegen in handelszaken. — Zwendelaar, ra. (-s). — Zwendelaarster, v. (-s).

— Zwendelary, v. (-en). — Zwendel' handel, ra.

zwengr, v. (-en) Hout (van eenen wagen, enz.), waaraan de strengen worden vastgemaakt.

zwengrel, ra. (-s). Wiek van eenen windmolen. Wip van eenen waterput. Arm van de pomp. Kruk. Dwarshout, waaraan het klokketouw is vastgemaakt. Zweng. Wip, waarmede goederen uit en in een schip worden gedaan. — Zwengelhout, zwen^hout, o.

zwenken, bw. ow. zwenkte, heeften is gezwenkt. Draaien. Wenden. Keeren. Zwaaien. (Mil.) Zich wenden. Van partij, gedrag, enz. veranderen. — Zwenk, m. (-en). — Zwenker, ra. (-s). — Zwenkgras, o. Plantengeslacht (/estuca), tot de grassen behoorende. — Zwenking, v. (-en).

— Zwenkrad, o. (-eren).

zweren, ow. bw. zwoer, heeft gezworen. Eenen eed doen. Onder eed bevestigen. Vloeken. — Zweerder, ra. (-s). — Zweer ster, v. (-s).

zweren, ow. zwoor, heeftjjezworen. Zich tot eene zweer zetten, istteren. — Zwering, v. (-en).

zwerk, o. Drijvende wolken. Het blauwe zwerk : de nerael.

zwerm, ra. (-en). Menigte saraenvlie-gende bijen, die den ouden korf hebben verlaten. Drom. — Zwermen, ow. zwermde, heeft gezwermd. In zwermen uitvliegen. Om iets heen vliegen. Verspreid rondloopen. — Zwermer, m. (-s). Land-looper. Dweper. Zeker kunstvuurwerk. — Zwermpot, m. (-ten). Kunstvuurwerk.

zwervceB, ow. zwierf, heeft gezworven. Zonder vaste woonplaats zijn. Omdolen.

— Zwerftocht, ra. (-en). —Zwerveling,.


ocr page 1000

ZWIJN — 9.

m. en v. (-en^. — Zwervelinge, v, (-n). — Zwervend, on. — Zwerver, m. (-s). — Zwerfster, v. (-s). — Zw er ving, v. (-en).

zwetscu, ow. zwetste, heeft gezwetst. Veel en onbedacht spreken. Snoeven. Pochen. — Zwetser, m. (-s). — Zwetserij, v. (-en). — Zwetster,\. (-s).

z^veveu, ow zweelde, heeft gezweefd. Zich in de lucht of de ruimte bewegen. Over iets heenvaren zonder het te beroeren. Het zweeft mij voor den geest. Het zweef ie mij op de tong. — Zwevend, bn.

zivezcriU, m. (-en). Onontwikkelde borstklieren (van kalveren, enz.)

zwichten, zwichtte, heeft en is gezwicht. Bw. Zeilen, touwen, enz. inhalen of oprollen. Ontzien. Vermijden : gij moet dien man zwichten. Ow. wijken, onderdoen : Voor iem. zwichten. — Zwicht' .band,m. (-en) (Zeew.).—Zwichting, (Zeew.) Lijn om te zwichten

zwiepen, ow. zwiepte, heeft gezwiept. Veerkrachtig doorbuigen. — Zwiepend, bn. Veerkrachtig. Los. — Zwieper, m. •(-s). — Zwieping, v.

zwier, m. Draai, wending. Vrije bewe-ginj,;: hij heeft hier zijnen zwier nut om kui sten te doen. Opschik, tooi. Fijn votr-komen. Goede manierm. Op zwier gaan ; brassen. — Zwierbol, m. (-len). — Zwier-boLfn, ow. zwierbolde, heeft gezwierbold. Brasssen. — Zwieren, zwierde, heeft gezwierd. Ow. Zich wenden. Brassen. Bw. Slii t-eren : de armen zwieren bij het gaan.

— Zwierig, bn. bijw. Opgt schikt : zwierig gekleed gaan. Bevallig : een zwierigen ganu: hebben. Bloemrijk (van stijl). — Zwierigheid, v. — Zwierigjes, bijw.

zwUB«'quot;. zweeg, hei ft gezwegen. Ow. Zijne stem niet laten hooien. Niet spreken. Bw. Verzwijgen. De wind zweeg. Eene batterij tot zwijgen brengen. — Zwyjachtig, bn. — Zwijger, m. (-s). — Zwygster, v. (-s). — Zwygteeken, o. (-s).

zwUm, v. Bezwijming. — Zwijmel, m. Roes. — Zwymelbeker, m. (-s). Zwijmel-drank, m. (-en). — Zwijmeldronken, bn.

— Zwijmelen, ow. zwijmelde, heeft gezwijmeld. Duizelig worden. Buiten kennis raken. — Zwymelgeest, m. Roes. Groote ophjewondenheid. — Zwijmeling, v. — Zwijmelkelk, m. — Zwvtnen, ow, zwijmde, heeft gezwijmd. Bezwijmen. — Zwij-tninQ, v.

zwüii, o. (-en). Varkea. Vuil, morsig mensch. — Zwynachtig, bn. — Zwijn-egel, m. (-s). Stekelvarken. Zedeloos mensch. — Zwijnen, ow- zwijnde, heeft gezwijnd. Een liederlijk leven leiden. — Zwynenaard, m. — Zwynengras, o. Varkensgras. — Zwynetihaar, o. Overblijvende plant (nardus stricta), tot de grassen behoorende. Is een schadelijk onkruid. — Zwijnenhoeder, m. (-s). — Zwijnenhok, o. (-ken). — Zwijnenjacht, v. (-en). — Zwynenkost, m. — Zwijnen-

5 — ZWOO

kot, o. {-ten). — Zwijnenstal, m. (-lenj. — Zwynentroir, m. (-gen). — Zwijne{n)-vleesch, o. — Zwijnerij, v. Onreinheid. ( en) Vuile praat. — Zwijnjak, m. (-ken). Die zwijnt. — Zwijnsborstels, v. nw. — Zwijnshoofd, o. (-en). — Zwijnskop, m. (pen).

zwik, m. (-ken) Houten pin, die in een vat wordt gestoken om er lucht in te laten. Wrijfhout. — Zwikbnor, v. (..oren). — Zwikgat, o. (-en). —Zwikhout, o. Wrijfhout. — Zwikken, bw. zwikte, heeft gezwikt. Een vat zwikken, er eenen zwik inslaan.

zwikken, zwikte, heeft en is gezwikt. Bw. De lendenen breken. Zij zwikie het kind, het het achteroverslaan, zoodat de lendenen braken. Ow. Zich verstuiken. — Zwik, m. Het zwikken. Verstuiking. — Zwikking, v. (-en).

zwilk. o. Soort van tijk (geweven stof). Soort van gegomd linnen. — Zvuil-ken.

zwin, zwen, o. (-nen). Waterleiding. Beek, die het water afleidt naar een meerderen stroom. Kieek. Geul. Kil. — Zwin, o. (Eert.). Zeeboezt m,die nabij de Wester-Schelde, mijlen ver in het land strekte en aan welks uiteind Damme gebouwd was.

zwiiKiel, ra. (-s). Duizeling. — Zwindelen, ow. zwindelde, beeft gezwindeld. Onderhevig zijn aan duizelingen. — Zwin-delgeest, ra. (-en). Tuimelgeest. — Zwin-deïig, ün. Duizelig. — Zwtndeligheid, v.

zwingel, m. ( s). Soort van houten zwaard, waarmede men de lemen uit het vlas slaat. — Z7vingelaar, ra. (-s). — Zwingelaarster, v. (-s). — Zwingelbord, o. (-en). — Zwinge'en, bw. ow. zwingelde, heeft gezwingeld. Met den zwingel de lemen uit het vlas slaan.— Zwingeling, v. — Zwingelkeet, v. (..eten). — Zwin-gelkooi, v. (-en). — Zwingelkot, o. — Zwingelmolen, m. (-s). — Zwingelspaan, v. en o. (..anen). — Zwingelzwaard, o. (-en).

Zwinsrli, (£/.), 1484-1531, Wildhaus. Kerkhervormer en ketter. — Zwingliaan, ra. (..anen). — Zwinglianisme, o.

zwirrelen, ow. zwirrelde, heeft ge-zwirreld. Met snelheid hier en daar bewegen. Met geweld voorbijvliegen. Zich verhellen. —Zivirreltng, v.

Z witMerlaii«l, o. Bondsstaat (Midden-Europa). 3,000,000 inw., 753 vk. mijlen. Hoofdstad : Bern. —Zwitser, m. (-s). — Zwitsersch, bn.

zwoegen, ow. zwoegde, heeft gezwoegd. Sterk ademhalen. Moeilijk werk verrichten. — Zwoeger, ra. (-s). — Zwoe-ging, v. — Zwoegster, v. (-s).

^ zwoel, bn. Zoel (van 't weder). — Zwoelheid, v.

zwolp, v. (-en). (Bouwk.) Grondbalk. zwoord, o. (-en). Afgeschrabde huid van 't varken. —Zwoordachtig, bn.


ocr page 1001

Aanvullingen en Verbeteringen.

accoord, o. (-en). Zie Akkoord. Acqaoy. 1829-1897.

aTdreiden, bw. dreigde af, beeft afgedreigd. Door bedreiging met smaad, openbaring van een gebeim, enz. afpersen. — Afdreiging;, v. (-en).

Allegrriu. Lees Allezri.

Ar nol lt;1. 1832-1809. Werkend lid der K. VI. Academie.

Backer. 1814-1897.

baldakUu, m. en o*. (-en, -s).TroDn-hemel.

Beeelicr-Stötve. 1814 1896.

beed. Lees Beeld.

besturen. 7 ministers. Lees8 ministers. Bets. 1822-1897.

bOpIstneet, v. (..eten). Planeet, die om e«ne booldplaneet loopt.

Bismarok. 1815-1898.

Bonaparte. Lees : Zie Napoleon. Bourbons. Dit artikel valt weg' BraliniH. 1834-1897.

burf^er. — Burgerwacht, v. (-en). De gewapende burgers. Zie Leger.

Cosyn. 1840-1899.

lgt;audet. 1840-1897.

dynsono, v. (-'s). Verbeterd inductietoestel voor sterkere electriscbe stroomen. Ebers. 1837-1898.

Kmuu. Lees ; zoon van Isaac.

Fruin. 1823 1899.

firani. Lees (gatrulusglandarius). Itrareel. — Gareelmaker, m. (-s). Oénard. 1830-1899.

CiJbeldere. Werkend lid der K. Academie.

lt;]irotli. 1819-1899.

Hiel. 1834-1899.

.fansMenit. Werkend lid der K. Academie.

Mloos, {W. J. T.) 18^9. Amsterdam. Letterkundige. l/erzen{iSg4); Nieuwe verzen ^1895).

JCneipp. 1821-1897.

Konlnck [L. de). Briefwisselend lid der K. VI. Academie.

koninkje. Gangvogels. Lees : Zangvogels.

liooten (C) 1855. Noordpeene. Hoogleeraar (Rijsel). Buitenl. eerelid der K. VI. Academie.

Martin {£.), 1841. Jena. Hoogleeraar (Straatsburg). Buitenl. eerelid derK. VI. Academie.

Slirbeels. 1831-1897. Minderbroeder. Deze orde bevat enz. Lees : Deze orde bevat drie groote takken : de Minderbroeders (de Minderbroeders-Observanten, de Reformaten, de Alcantarijnen of ongeschoeide Minderbroeders, de Recollecten. Volgens de pauselijke constitutie Felicitate quad ant, 1897); deA'a/iM^/Ww.en deConventueelen. poedelbond. Lees : Zie Hond. Prayoii-vau Zuylen. Werkend lid der K. VI. Academie.

quipropo Lees : quiproquo. Samnël. 1814-1898.

VI.

VI.

ocr page 1002
ocr page 1003

Bijgevoegde Tabellen.

ocr page 1004

Ólil i

(Uit het Etymologisch JVoordenvot INDO-GERMAANSC

blirsTtci'

VU

uitga

üost-lndo-Ger-raaanscli of Arisch

Zuid-Europcesch

I

I

I

I

I

Indische Iranische Arm. Griek. Alban.

Keltische groep

Italische groep

groep

«^roep groep groep groep

Gadh lisch

I

Kymrisch 1

I I I I I

germ ar

Z I?

-8 o_

- 'c w -2 O u:

I 8 gt; I .2 quot;S.

— ^

rt 3 s n — —

O O O O

J3 v

u o ..

tc ri

§ H i3 § S ^ I

—• rt

ocr page 1005

I gt; I II J xoo..lt;

yniologisch JVoordenboMzquot; uitgave, door J. Vekcoltxie). IND O - GERMAAN SCI blirsitci

■ i\

I \\

11H:

West Indo-Germaansch

I

Europeesch

N oord-Europeesch

I

esch

I

Baltische groep

I

Keltische groep I

I

Slavische groep

I

:Â¥

Gadh lisch

I

I I I

Zuidoost-slavisch

West-slavisch

Oost-germaansch

Kymrisch

I I I

1

I

Gerniaansche groep

1

West-

germ aan sch

I

I I

3 3

o o

3 = 3

O I

O

(

II I

I

B £ 0 ?

2

£

z

m

m

3

C

m

b

Urn

1

.Z

|

m

o

c

z

quot;Z

£

quot;!

3

£

quot;u

quot;o

a

bA

■quot;

O

Si3

§

o

'■g

5

z

$

rt

Ü

o lt;o

3

p

3

N

Q

25

I1 i

ocr page 1006

— TV —

i

(h.) Petius 25 jaar. ,

(h.) Linus 12 jaar. lh.) Anacletus (Cletus) 12 j. (h.) Clemens 91 (?) -100 (?) (h.) Evaristus 100 (?) -109 (?) (h.) AUxander 109 (?) -119 (h.) Sixtus 119 (?) -128 (?) (li.) Telcspboru-ï 128 (?? -139 (h.) Hyginus 139-112 (?) (h.) Piiis 142 (?) -1^7 (?) (h.) Anicetus 157 (?) -168 (h.) Soter 168-176 (h/Eleulherius 177-190 (?) (h.) Victor 190 (?) -202 (h.) Zephyrinus 202-218 (h.) Callistus 218 -223 (h.) Urbanus 223-230 (h. Pontianus 230-235 (h.) Anterus 235-236 (h.) Fabianus 236 250 (h.) Cornelius 251-253 (h.) Lucius 253-254 (h.) Stephanus 254 257 (h.) Sixtus II 257-258 (h.i Dionysius 259-268 (li j Felix 269-274 (h.) Eutychianus 275-283 (h.) Cajus 283-296 (b.) ^larcelbnus 296-304 (b.) Marcel lus 308-3c 9 (b.) Eusebius 310 (?) -310 (?) (b.) Melcbiades 311-314 (b.) Sylvester 314-335 (b.) Marcus 336-336 (h.) Julius 337-352

Libenus 352-366 (b.) Damasus 366-384 (h.) Siricius 384-399 (b.) Anastasius 399-401 (h.) Innocentius 401-417 Oi.) Zosiraus 417-418 (b.) Bonifacius 418 422 (b.) Coclestinus 422-432 (b.^ Sixtus III 432-440 (!i 1 Leo 440-401 tb.) Hilarius 461-468 (b ) Simplirius468-483 (h.) Felix III 483-492 (b.) Gelasius492-496 fb ) Anastasius II 496-498 (b.) Svmraacbus498-514 (b.) Hormisdas5i4-523 (b.) Joannes 523-526 (b ) Felix IV -26-530 Bonifacius II 530 532 Joannes II 533*535 (b.) Agapitus 535-556 (b.) Silverius 536-537 Vigilius 537-5s5 Pelagius 556-561 Joannes III 561-574 Benedictus S7r,-57Q Pelagius II 579 590 (b.) Gregorius 590-604 Sabinius 601-606 Bonifacius 111 607 607 (b.) Bonifacius IV 608-615 (b.) Deusdedit 615-618 Bonifacius V 619-625 Honorius 625-638

'j\. L' ^ rV (naar Fr.

Scvcrinu? 640-640 Joannes IV 640 642 Theodorus 642-619 (b.) Martinus 649-653 (b.) Eugenius654-657 (b.) Vitalianus657 672 Adeodatus 672-676 Donus 676-678 (b.) Agatbon b78-£8i (b.) Leo II 6S2 683 (h.) Benedictus II 684 685 Joannes V 685 686 Conon 686-687 (h.) Sergius 687-701

]f)annesVI 701-705 JoannesVII 705-707 Sisinnius 708-708 Constantinus 708-715 (b.) Gregorius II 7I5-731 (h j Greyorius III 731-741 lb.) Zacbarias 741-752

Stephanus II 752-757 (b.) Paulus 757-767

Stephanus III 768-772 Hadrianus 772-795 ^b.) Leo 111 795-816

Stephanus V 816-817 (b.) Paschalis 817 824 Eugenius II 824-827 Valentinus 827-827 Gregorius IV 827-844 Sergius II 844-847 ,hj Leo I\' S |7

Benedictus 111 855 858 (h.) Nicolaus858-867

Hadrianus II 867-872 Joannes VIII 872-882 Marinus 882-884 Hadrianus III 884-885 Stephanus VI 885-891 F ormosus 891-896 Bonifacius VI 896 896 Stephanus VII896-897 Komanus 897-897 Theodorus II 897-897 Joannes IX 80S 900 Benedictus IV 900-903 Leo V 903-903 Christophorus 903-904 Sergius III 904-911 Anastasius III 911-913 Lando 913-914 Joannes X 914-928 Leo VI 928-929 Stephanus VIII 929-931 Joannes XI 931-936 Leo VII 936-939 Stephanus IX 939 942 Marinus II 942-946 Agapitus II 946-955 Joannes XII 955 963 Leo VIII 963-965 Joannes XIII 965-972 Benedictus VI 972-974 Benedictus VII 974-983 Joannes XIV 983-984 Joannes XV 985-996 Gregorius V 996-999 Sylvester II 999-1003 Joannes XVII1003-1003

JoanncsXVIII 1003-1009 Sergius IV 1001.1012 BcnedictusVIII 1012-1024 Joannes XIX 1024-1033 Benedictus IX 1033-1045 Gregorius VI 1045-1046 Clemens II 1046-1047 Damasus II 1017-1048 (h.) Leo IX 1048-1054

(/Jr. iVJSgtshrim). Victor II 105J-I057

{Geo har d).

Stephanus X. 1057-1058 Nicolaus II 1059-1061 Alexander II1061 1073 {A. Bci'lcuia). (b.) Gregorius VII 1073-1085 {llildebrandj.

Victor III 1086-1087 Urbanus II 1088-1099 Pascal II1099-1118 Gelasius II 1118-1119

{J. de Gaëte).

Callistus II 1119-1124 Honorius II 1124-1130 Innocentius II 1130-1143 Cix-lestinus II 1143-1144 Lucius II 1144-1145 Eugenius III 1145-1153 Anastasius IV 1153-1154 Hadrianus IV 1154-1159

{N. Break spear). Alexander III 1159-1181 Lucius III 1181-1185 Urbanus III 1185-1187

( y. Crivelli). Gregorius VIII 1187-1187 Clemens HI 1187-1191

(P. Scalaro). Coclestinus III 1191-1198

(//. Bobocard). Innocentius HI 1198-1216

{L. Segtri).

Honorius III 1216-1227

{C. Save Hi). Gregorius IX 1227-1241 Cce'.estinus IV 12:1-1241

(G. de Casii^lione!. InnocentiusIV 1243-1254

(S. Fieschi). Alexander IV 1254-1261 Urbanus IV 1261-1264

{jf. Pa71 fnleone). Clemens IV 1265-1268

{G. Foulqiics). Gregorius X 1271-1276

(7'. Visconti), Innocentius V 1276 1276

(P.de Tarcntaise). Hadrianus V 1276-1276

(Ottoboni).

Joannes XXI 1276-1277

[P. d*Espagne). Nicolaus HI 1277-1280

{J. Gar tan). Martinus IV 1281-1285

(5*. de Brion). Honorius IV 1285-1287

yJ.Savelli).

Nicolaus IV 1288-1292


ocr page 1007

— V —

IV

.us).

an nosXVIfl 1005-1009 rgius IV iooo ioi2 inedictusVIir 1012-1024 an n es XIX 1024-1033 ïiicdictus TX 1033-1045 e^orius VI 1045-104Ó omens II 1046-1047 iraasus II 1017-1048 o IX 1018-1034 Br. (VEgtshri?n). ctor II 1054-1057 Gebharrf),

e-phanus X 1057-1058 colaus II 1059-1061 exander II1061 1075 A. Ba'/ctQa).

'egorius VII 107; 1085 llildebrandj! ctorIII 1086-1087 banus II 1088-1099 seal IT 1099-1118 lasiusll niS-iiiQ J. dr Gacte).

Ilistus If 1119-1124 morius II1124-1130 locentius II 1130-1143 ■lestinus II 114 w 14 1 cius TI 1144-H45 genius III 1145-1153 ast.osius IV 1153 ■ 1154 drianusIV 1154-1150 'V. Breaksóear). ïxander III 1159-H81 -ius III 1181-118^

banus III 118^-1187 IS. Crtvcih'j.

ïgorius VIII 1187-1187 mens III 1187-1101 n. Scolaro).

lestinus III 1191-1108 TI. BoóocardJ. ocentius III 1198-1216 1. SrfHiJ.

norius 111 1216-1227 7. Save Ui J.

gorius IX 1227-12,\\ lestinus IV 12 ; 1-1241 d* Castiiilionel.

DMntiusiy 1243-125, • . rieschi).

xander IV 1254-1261 anus IV 1261-1264 f. Pantaleone).

nens IV 1265-1268 r. Foti/ques).

gorius A. 1271-1276

Visconti).

)ccntius V 1276 1276 *. de Torentaise). rianus V 1276-1276 111000712).

mes XXI 1276-1277

d*EspagneJ.

laus III 1277-1280 . Gar tan).

tin us IV 1281-1285 . dfi Br ion).

orius IV 1285-1287 . Save Hi).

laus IV 1288-1292

(h.) Coelestinus V 1294-1294 (P. de Mor one).

Bonifaeius VIII1294-1303 [B. Gactan\.

Ben edictus XI 1303-1304 (/V. Boca sin).

Clemens V 1305-1314 {B. dc Got).

Joannes XXII 1316-1334 (J.d'Euse).

Benedictus XII13-54-1342 Fonrnif .

Clemens VI 1342-1352 {P Rover).

Innocentius VI 1352-1562 {S. d'Albert).

Uibanus V 1362-1370 [IV. Grimoard).

GregoriusXI 1370-1378 (P. Rovet).

Urbanus VI 1378 1389 (B. Prignano).

[Clemens VII1378-1394 (A'. dc Geneve). ]

Bonifaeius IX 1389-1404 (P. Tomaceili).

[Benedictus XIII 1394-1409 [P.deLuna).] [1417

Innocentius VII 1404-1406 (C. Aleliorati).

Gregorius XII 1406-1415 [A Corrario).

Alexander V 1409-1410 [P. Philargo).

joannes XXIII 1410-1415 (B. Cossa).

Martinus V 1417-1431 (O. Colnnna).

Eugenius IV 1431-1447 (G. Conduhnaro).

Nicolaus V 1447-1455 (T. de Sarzano).

Callistus 111 1455 1458 {A. Borgia).

Pius II1458-1464

[A. S.Piccolomini).

Paulas II1464-1471 (P. Bar bo).

Sixtus IV 1471-1484 {P. d,Albescola).

Innocentius VIII1484-1492 (^. B. Cibo).

Alexander VI1492-1503 (P. Borgia).

Pius III 15C3 (Piccolomini).

Julius 11 1503-1553 [J. de In Rovere).

Leo X 1513-1521 (y. de Med.ids).

Hadrianus VI 1522 1523 gt;//. Dedel).

Clemens VII1523-1534 (J. de Medic is).

Paulas III i534quot;I549 (A. Parnèsc).

Julius III 15501555 (y. M. del Monte).

Marcellus II1555-1555

(il/. Cervini).

Paulus IV 1555-1559 fy. P. Caraffa).

Pius IV 1559-1505 (J. A. de Media's). (h.) Pius V 1566-1572 [M. Ghislieri).

Gregorius XIII1572-1585 {H. Bnoncompagnt).

Sixtus V 1585-1590

Per etti Mont alto).

Urbanus VII1590-1590 [y. B. Cartagna).

Gregorius XI V 1590-1591 (N. Sfondrate).

Innocentius IX1591-1591 {y. A. pachinctti).

Clemens VIII 1592-16C5 (H. A Idobra n din i).

Leo XI1605-1605 fA. O. de Medic is).

Paulus V 1605-1621 CC. Borghese).

Gregorius XV 1621-1623 (A. Ludovisi).

Urbanus VIII 1623-1644 (/1/. Bar berin i).

Innocentius X 1644-1655 [y. Pa nip hi It).

Alexander VII1655-1607 (P. Chigi).

Clemens IX 1667-1670 (y. Rospigliosi).

Clf mens X 1670 1676 [E. Alt ten).

Innccentii's XI 1676-1689 (B. Odescalcht).

Alexander VIII 1689-1691 {P. OttobonJ).

Innocentius XI1 1691-1700 (A. Pig n a telli).

Clenu ns XI 1700-1721 (y. P. AI bant).

Innocentius XIII 1721 1724 {M. A. Conti).

Benedictus XIII 1721-1730 (V. M. Orsini).

Clemens XII1730-1740 '\L. Corsint).

Benedictus XIV 1740-1758

\/\ Lambertini),

Clemens XIII 1758-1769 (C. Rezzonico).

Clemens XIV1769-1774 (Z. Gangaiielli).

Pius VI 177S-1799 (y. A. B rase hi).

Pius VII 1S00-1823 [G. B. Chiaramonii).

Leo XII 1823-1829 [A. delta Ceng a).

Pius VIII1829 1830 ' P. X. CastigIione).

Gregorius XVI1831-1846 [M. Capcl ari).

Pius IX 1846-1878 (y. M. MastaYPerretti).

Leo XIII 1878 fV, y. PecciK

Â¥


ocr page 1008

— VI —

Merovingers.

Clovis, t 511« I

•icderik I, t .t)34' Clodomer, t 524. Childebert I, f 558. ClolarisI, t 561. 1 quot; v I

1 __j_

Dicdbrechtl, t54®* Carebert, t 567, Guntram, i 593« Sigebert I, t 576. ChilpcrikI, 1584.

Diedbold, t 555- Childebert II, 15 6 Clotlris II, 1628.

1 I

Karei, t

D

Lodew

Diedbrecht II, f 612. Diederik II, f 613. 1- agobert I, t 638. Carebert, i6i

Clovis II, t 656.

I

Dagobertll, t679. Qotaris III, ^670. Chiiderikll, f Êj-;. Diederik III, 1691.

I. i_

Chilpenk II, f 720. Clovis III, t695. Childebert 111, f 711' Childerik III, 1755- Dagober't III, t 71 v

1

Lodewi

!

Sigebert II, t 656

Diederik IV, f 737.

Arnulf, f 640.

Karoli liters.

Pepijn van Landen, f 639 (?)

lil I

I ;

Pepijn, f 810.

I

Karei, t 811.

_1_ _1_

(j rimoald, f 656. Gertrudis ^h.), 1659. Begga (h.) Ansegisel, 1673. Chlodulf, 696.

Childebert, t 656. Pepijn van Herstal, f 714. Martinus, t 680.

Drogo, t 708. Grimoald, f 714. Karei Martel, f 741. Hildeorand.

_!__

Chiltrudis, t 754. Karloman, t 755. Pepijn de Kogt; /lt;?, f 768. Grippo, t 753.

Tasillo. Karei de (irooic, f 814. Karloman

Lodewijk de Vrome, f 840.

liernhard, t 818. Dochters Lotbarisl. Pepijn I. Lodewijk Karel Adelheid. Gifela. (uit eene dezer) : j t 838. de Diit/scher. dc Kale.

Guido, t 894. * Pepijn II. j j ^ ^

K-nu-ngardis, f 887.

I.odewijk III, dc Blinde, f 928. Karel Constantijn.

Lambert, f ^

v

Lodewijk de Duitscher, f 876.

ivodv wijk II, 1875. Lolbansll, f 809. K.in-l, 1863. Karloman, t88o. Lodewijkll, Karel, dc 1 I de Jonge, Z)iAA'e,i88i.

Arnulf, 1899. t 882. J

Bernard.

Lotharis I, t 855.

Zwendebout,t9-o* Lodewijk III, Glis'mondis, 1905.

het Kind,\C)i\. |

Koenraad I, f 918.

ocr page 1009

'I

Karel de Kale, f 877.

Rudolfl, t 911. Udo^SgS. Rotbert, t 923'

Hugo de Grooie, t956.

1561.

ChilpcrikI, t584.

I

Clotaris II, f 628. I

j t 638. Carebcrt, |6i:

jó.

Iifögi.

, I

Hugo Capet, t 996.

Lodewijk Ili,t88?. K irloman,t 884. Karel \\l, deEcuvoudiamp;e, \c)2().

__I_'

Lode\vi)k IV, van Over-Zee, t 954. Gisela.

Lotharis, t 986. Karel, t 991 •

Lodewijk V, de Nietsdoendc, 087. f-...—--7;—; , j -, . Ir..,

' y ' Otto, 11C05. Geibuga Lrmengardis,11044.

Adciheid.

Kartl,t886. Lodewijk II, Judith. de Stamelaar, f- 879.

Gisela, f 868.

I

lierengarius I, 1924. . I

Gisela. BerergariusII, t967. Adelbert.

Hedwigis, f 866.

I

Otto, t 912.

Hendrik I, de Vogelaar, f 936,

I

i- Childcbert III, tjii

Dagobert III, tk I

Diederik IV, f 737.

Otto I, de Grooie, f 973,

ulf, 696. inus, f 680. and.

Ïï0. t 753-'

Orjxvcn van Vlaanderen.

BOiidoivU» I, de IJzeren, f 879. ItoiKlou i,i 11 II, de Kale, f 918.

Radulf.

A dal ulf, f 933.

Adelheid. üifela.

Ani 111i'I, dc Oude, f 964.

JSoiKltMvUquot; de Jonge, t 961. Lutgardis. Am ill I'll, de Jonge, f 988.

ltou«l«wyu IV, Schoonbaard, 11036, BoucloivU» V, van Rijsel, f 1067.

I

Boiilt;l*%w||n VI, van Bergen, f 1070. Robri cht de tries. Mathilda.

^ I

Robrecht Korte-I\nte,

Willem van Normandië.

Arziiilf'III, de Ongelukkige, f 1071. Boude wijn van Jeruzalem.

I

Hohrcrfif I, de F/ tcs, f 1092.

u

SSohreeSi* II, van Jeruzalem, t mi. Adelheid. Getriruid. Filip.

I I . ! I

12. BoudcwMii VII,f 1119. Karel de Goede. Diedfr.k van den Willem va

Elzas. Loo.

cher, f 876.

jkll, Karel, dc Sf, Dikke, t88i.

T, I

1 'ern.-i-d. Glishiondis,fgo5. KoenraadI, 1918.

ocr page 1010

13-

— vin

Karei de Goede f 1127. Willem van Normaudië, 11128. lgt;i«clerlk van den Elzas. f 116S.

I

ISoikIvivUib IX, van Constantinopel, t 1205.

I

17. Mar^nrota van den Elzas, f ii94-

20. Margarcta van Constantinopel.

14-

15-10.

i8. 19.

Filip van den t 1191.

Izabella.

Filip.

•loamia vanConstantinopeJ, ti34i.

Jan van Avennes, f 1257. Boudewijn van Avennes. Willem, f 12 1. 21. eienyds? van Dam-

pierre.f 1305. Jan.

22. Robrceltt III, van Bethune, f iy.2 en andere kinderen.

23. van Creci, f 1346. Lodewijk van Nevers, j 1312. Robrecht van Kassei, 1 1331.

24. Ijoilewjlk van Male, t I384. Lodewijk van Cred.

I

25. ^lar^arota van Male, t 1405.

1

26. JxiiB zomier Vfees, Antoon van Burgondië, Filip van Burgondië. Margareta.

t 1419- t 1415- I

I Jacoba van Beieren.

27. Fiiip Goede, Jan IV.

Ora,-\-eii vttri I^enven.

1. liainbrcclit I, tnei den Baardt 1015. _!___

2. lIciKlrik I, de Oude, t 1C38. 4. Ijambrcelit Baldcrik, f 1062

. i .. I

3. (sterft, nog kind zijnde.) 5. lloiidrüc IT, \ 1076 (?).

6. II t'udriK 111, de Jonge, 11295. Ida, f 1139- mei den Baard. Adalbcio, 11128.

f

Hertogen va.11 JLot la uiringen en viiii. Urivtgt;iwit.

1. €j}««ïli'ied I, met den Baard, f quot;40

__I_

2. Crotïfriod II, de Jonge, 11143. Adelheid.

OoiirriocS lil, de Kloekmoedige, f 1190.

______I_

4. lleiKli ik I,deKry^ey, f 1235. Albrecbtvan Leuven, tii92. Willem van Leuven.

Maria van Leuven, t 1261. Margarela van Leuven, f 1231. 5. ik II, de Groohnoedtge, 11248.

'Adelheid van Leuven, f 1260 (?). 1 Godfried van Leuven, 11254. Mathilda van Leuven, f 1267.

ocr page 1011

lienririk III, de Goedertieren, t 1261. Mathilda van Brabant, t 1288. Beatrix van Brabant.

I

Hendrik van Leuven.

.Istii de Overxvinnaar, t 1294. Godfried van Brabant, t 1302. Maria van Brabant, f 1 gt;22.

II, de Vreedzame, t 1312. Margareta van Brabant, f ijti. Tan III, de Zeeg/ia/iiamp;e, t 1255.

m. Hendrik. Godfried. 10. .fosaiiiisi, t 1406. Margareta, ti368. Maria, f 1398.

_I _

in 1011 ins van Burgondië, t IMS- Margareta van Male, t iio5-

21. «1

■ quot; van Dam Pierre, f 1305. jan

'J'a en andere kinderen, ,rcciquot;v^KSd7^

l:in IV, f 1427.

13. Filij» van St Pol, 1430.

I' i 1 i 1» de Goede.

Orftveii van ilciio^oiiw.

Reiiiier I, Lank hals, t 91G.

1

en Elzas,

Fi]ip.

ta van CmsuIÜÏ^H;

Symphoriana.

Gislebert, t 949«

2. Keinier II, t 932 (?).

ItciiiierXII, t97i (?).

Rudolf.

,Dd,ë- MargaretTT Jacoba van Beieren.

Ifioiiiier IV, t gt;013. Reiiiier V, f 1036. ISicliit 1086.

I

Baldcrik, f iqo^

11076 (?).

^dajbero, f 112S.

■ Arnull III, de Ongelukkige, t 1071. |8.

7. ISlt;Milt;llt;'iviiii II, van yernzalevi, f 1098.

Drie dochters en drie zonen.

ISOIKlen'iill III, 11120.

Uii IV, de Bouwer, 117I.

_I___

Itoiiriouüquot; V, de Kloekmoedige, f 1195. Godfried, t 1163. Hendrik.

j l/abella, f 1190. Filip de Edele. Hendrik van Ilenegonw, t 121O. Kustaas.

ISoii.iowün van Const antina pel, t 1205. Yolendis, t 1219.

12. .Toaimu van Constantinopel,\\2\\.

13. van Constatitinopel, f 1279.

I

Lambrecht met den baard.

14. .Eau van Avesnes, t '304.

Jan, 11236.

B oudewijn.

Jan, t 1302. 15. Willem i, de Goede, ti337«

Joanna van Avesnes. Filippina vJn Avennes.

Zflargrarofa van Avesnes, f 135Ö.

Jan, t 1356.

Izabella.

16. Wil lont II, f 1345.

Lodewijk de Romein, t 1365. 18. Willem de Krankzinnige, f 1389.

19. Albreelil van Beieren, \ 1404.

Catharina, f 1400. Joanna, 11388. Albrecht. Jan, t 1425.

20. Willijn IV, f I417.

i

21. .BacoUa van Beieren, i 1436.

22. i'ilip de Goede.

Margareta, ti|23.

ocr page 1012

C*i*nvon (Intor nirLrlc^mx'cn) vnn anion.

Bcrciigruriu»», t 932 (?)

l£obi'0lt;*lil I, t 890 (?)

I

Adel bert 1, t 1000 (?)

I

Kobrerlit II, t gt;015 (?)

Hendrik.

5. Adelberf II, t io57'

Adelbert III, 1105 v?)

Adelheid. Ida. 7. ^aodlried, f 1139. Hendrik. Frederik. Adalbert.

Adelheid, t 1168.

Beatrix.

Cleraentia, f 1159.

8. IfeiKlrik I, de Blinde,\ 1196. Ermesinda.

nrrs VAX iiKXROorw ex vax «ourtkxaï.

9. Filip I, de Edele, f 1212.

10. Volc»«la.

__\___

11. Filip II, raft Com /enni, t 1226. Robrecht. 12. Ilemlrik zsau Courtenai f 1229. 13. rH;ii,u;n,el« vaji Courtenai. 4. Kdiiileuyn van Courtenai.

II LIS VAX Vli A AXDEREX.

15. ó.

CJewU de van Dampierre.

1, f 1330. Guido, t 1312. Hendrik, t 1337.

Jan 11, t ' US* 18. Citowöde II, t 1336.

AVilleml, de Rijke, \ 1391. Robrecht.

__I___

Vl'illem II, f 1418. 22. .Ian III, t '429.

Filip de Goede.

7-20.

23-

19. Filip III. Lode wijk.

Maria.


Oravon (Intor Hortogon) va.n LrixomlDiirg;.

Siegfried, f 998. I

Hendrik, t 1025.

2. Frederik, Diederik, t «019. f 1045.

Albero, Cunegondis ^h.), t 1037. t1040.

Frederik, t 10C5.

3. lt;iiiMlelgt;ert, t 1057. Albero, t 1073.

Hendrik, t 10 57. Otgiva, t 1030.

4. ICoenraad, t 1086. Herman, t 1080. 1

Ënuesinda, f 1143. Mathilda. 5. Willem, t 1128. Hendrik. Rudolf, 11099. Albero, 11098. 6. Koenrasid II, t 1136.

ocr page 1013

i-men.

El ITS VAX X OIKX.

1, de Blinde, f 119Ó. Ki'iiiCHiiidst, f 1247.

If UTS VAX liTHBURC}.

Izabella, \ I20g. 9. Hendrik 11, Blondhaar, f 1281. Geeraard, f 1300 (?) Catharina, f Ï255.

sderik. Adelbert

Adelheid, f 116.S.

Filippina, f 1311. 10. Homlrik III, t 1288. Walraven, 11287. Izabella, f 1298. 11. Hendrik IV, f 1313. Walraven, t 1311. Boudewijn, ti354-

^Nlaria, t 1324.

12. .T:iii de Blinde, 11346. Beatrix, t 1318.

i i. Hertog WenselOn, KarellV, Margareta, Jan, Bonne, Anna, 11388. t 1378. 11366. ti367- ti349- ti338

I

Joost van Moravic, 1411.

TltyfetldI f I 22Q.

Cojirienai.

Jan van Luxemburg, f I393«

5. Klix:ibetii van Gorlitz.

Sigismond, t 1437 Izabella, t 1447-

j. WciicesUiiis VI, t 1419-

Izabella, t 1505• de Goede.

Ladislaus, f I457«

Anna, t 1480.

Grrtiveia viLii Hollaocl,

)• Fili,, III. vijk.

lgt;irk I, (922-939?) lgt;irk 11, (939?-988].

I

Ai'iioikI 988-993). Egbert.

I

Siegfried.

IHrk III, (993-1030).

I

Floris I, (io49-'6i).

I

WirklV, (i039-'49).

Bertha.

JDirk V (io6i-'9i). Florid II, (1091-1122).

inegondis ^h.), 11040.

Otgiva, f 1030.

1

Igt;irk VI, (ii22-'57)

I

Fioris de Zwarte

FloriH III, (ii57-'9o).

Otto. Boudewijn. Dirk.

^Villein 1, (i203-'23).

I

Fioris.

Igt;irk VII, (1190-1203). Ada, (120^).

libero, f 1098.

Otto. Willem de yoogd,

FloriH IV, (i223-'35).

ocr page 1014

Jan.

Boucha

Gewijde.

Jan II, (i 299-1304).

I

Willoiii 1I; (i235-'5C). Florist Voogd (12^6-'5^). Adelheid.

I'loi-is V, (i2s6-'96).

I

.Ian I, (i296-'99).

Jan van Oostervant (t 1302). Willoin III, (i304-'37). Jan van Beaumo

Filippina.

Joanna,

Willem IV (i 337-,45).

^farsarcta (i345-'54)-

I

Lodewijk. Willem V (i345-'89). Albreolit (1189-1404).

Catharina.

Jan zonder Genade.

Ida.

Wllloin VI (1404-'i 7). Margareta. •Jacoba (i4i7-,33)-Filip de Goede»

1jt

I III

Marga

Om,quot;\ren on Ilortojiroi-i vrtn Oclclor.

Wil It

1

IVillc

Iiiei'liai'd I, (1085-1117).

Willi

Lod.

liierliaiMl II, (iii7-'3i).

I

lleiKlrik I, (ii^i-'Ö2).

I

Otto I, (1182-1206).

iiicrliaiMl III (120Ó-20). I

Otto. Adelheid.

Machteld.

Olio II, (i229-'7i). Hendrik. Margareta.

Adelheid.

Machteld.

Maria.

I

Rclnond I, (1271-1326). Iteinond II, (i326-'43).

R4gt;in4»ii«l III, (i343-,7l). Ediiarcl (^öi-^i).

Keinoud IV, (i402-'23).

joann: Mari,

Willem (1371-1402).

iVill.

(1817.

Willem van Egmond (1473-'/

Arnond (1423-73).

li!

Adolf (i465-'77N

I

Maria. Catharina (i477-,78). Margareta. Jan van Egmond.

Lamoraal, graaf van Egnv

liai'ol (1492 1538).

Filippina. Frans.

I i '

ocr page 1015

II LIS VAX XASSAU.

Boiu

van IBeauniol

Hendrik I, de Rijke, f 1254. I

Toannal

Walram Adolf (r292-,93).

Otto

Oito II, (kleinzoon). Engelbrecht (kleinzoon).

I

Johan.

der Ge na dr.

Johan Engelbrecht II.

Hendrik.

René van Chalons, f 1544-

Margareta. Willem, Jan. Lodewijk, t 1547. ^Nlaria. Adolf. Magdalena. Ht-ndiiK, 11574 prins van Oranje. Elizabeth. Catbarina. Julianna. Anna.

__I___

Filip. Maria. ItlsmritM, (1587-1625). Anna. Louisa. Elizabeth. Calharina. Charlotte. Emilia. Fre«icriic ileiMlrik, (i625-'47).

Willem de (Jude, f 15=9.

KVillcm II, (iö47-,50). Kvilleiii III, (1672-1702).

.Louise Henrittte.

Albertine Agnes. Henriette. -Maria.

Jan IV, (zoon van Willem den Oude) f i6c6.

iVillem (1584-1620). Johan. George. Filip, t 1595. KniMl

Lodewijk, f 1604. Guntber. Johan. Lodewijk. Machteld. (i62o-'3gt;).

Willem (I640-,64).

Amalia.

Ilemlrilc CaNimir, (i632-'4o).

Slends'ik C'siMimir 11, (166.4-'96).

Jan Willem Friao (1696-1711).

Sophia.

Izabella Cüarlotte.

Anna Charlotte. \\ illem IV, (Karei Hendrik Fiiso), (ijn-^i).

Carolina.

Willem V, (i75i-'95).

quot;redtrika Louisa. Willem I,

koning dtr Nederlanden (i8i5-'4c).

I

Willem George Erederik, t 1799.

Willem II. (i84o-'49).

Marianne, f 1849.

joann: Maria.

IVillem III, Alexander. Hendrik. Sophia. (i8i7-'9o).

Erederik, f 1870. Louise. Maria


Willem, (i840-'79). ^laurits Alexander (i843-'5o). Alexander (i85i-'84).

nJ (i473-'77! Jgmond. af van Egm(

1Ï. ^1. Willielminst (1880), koningin der Nederlanden.

I1Flt;;FFRFXIgt; F VOIÏSTFX (Bela-ië), Zie Familie (In het Woordenboek).

ocr page 1016

— XIV —

Oior'onriJ 1%..

III. Kmapeaide dieren.

(met rood, koud bloed, een hart met ^ twee boezems en eere enk' le of on- 1 volkomen gescheiden hartkamer. Ademen door longen of eerst door I kieuwen. Hebben eene naakte ot v met schubben bedekte huid. Leggen eieren).

IV. Visselien.

(met een hart met eenen boezem en | eene kamer, rood. koud bloed rn ^ kieuwen. Hunne ledematen zijn vin- | nen. Hun lichaam is veelal met j schubben bedekt. Leggen eieren). ^

Orden.

1. Tweehandigen,

2. vierhandigen,

3. handvleugeligen,

4. roofdieren,

5. knaagdieren?

6. tandeloozen,

7. twechoe\ igen,

8. eenhoevigen,

9. veelhoevigen,

10. walvischachtigen,

11. buideldieren,

12. vogelbekdieren.

- t. Roofvogels,

2. zang- of roestvogels, klimvogels,

4. hoenderachtige vogels,

5. duiven,

6. steltloopers,

7. zwemvogels.

iiooniar-«ivoiiiivrcii-

I Zoogdieren.

(mot rood, warm blood, een hart ; met twee boezems en twee kamers . en met longen. Zijn levenbarend en I meestal behaard).

u r.w I:K-v I.MH. Igt;l l ltl .N.

(met ocn inwen-

II. Voxels.

(met bloed, hart en longen, als de I zoogdieren. Zijn met vederen be- ^ kleed. Hebben vleugels. Leggen | eieren). v

di

aamte

waarvan de stam in de schedclhcl-te de hersenen, in de wervelkolom het ruglt;;e-merg bevat; met een volkomen vatenstelsel).

1. Schildpadden,

2. hagedissen,

3. slangen,

4. kikvorschachtigen,

5. salamanders.

1. Stekelvinnigen,

2. weekvinnigen,

3. vastkakigen,

4. troskieuwigen,

5. glansschubbigen,

6. dwarsbekkigen,

7. rondbekkigen,

8. smalhartigen.

gt;beenig.

/kraakbeer

V. Srliaaldieren.

(met eene korst of schaal bedekt, ^

zijn in ongelijke ringen verdeeld. ■

Sommigen hebben pooten; anderen, 1 . -

vinnenf Ademen tolr kieuwen). 8.

v ic. verschilpootigen.

(met een lichaam in twee orgeltjke j 3. schorpioenen,

'vüleelincen lt;1 in 1 TiderscheiJene J 4. hasterdschoipioencn,

gelfjke Hngen. (Hebben geen vlou-lt; 5. krocfop.nacht.gen,

iels.) Ademen door luchtzakken en I 6, miiton,

luchtbuizen. Ondergaan geen ge- ^ 7-slomppoo^ge .

1. Tienpootigen,

2. mondpootigen,

3. vlookreeften,

4. gelijkpootigen,

5. bladpootigen,

6. knodspootigen,

7. rankpootigen,

8. kruispootigen,

li. E B.I .I»! Igt;I i . isr.x.

(zmd^r geraamte. zijn symmetrisch van gc-r -------------- -

daante. Hebben ^ daanteverandermg).

ocr page 1017

— KV —

VII. Ockorvene dieren.

(hun lichaam heeft drie hoofdafdce' lirgen, de middelste met drie paar , pooten, veelal met vleugels. Hebben voelsprieten, eenvoudige en samengestelde oogen en luchtbuizen. Ondergaan gedaanteveranderingen).

lloolVlaf-dcel in ^en-

een geringd lichaam. 1 )e meesten bezitten een hoofd en lede-niaitMi nut ge-wiichtenj.

Orden.

1. Schildv!eugeligen,

2. rechtvleugeligen,

3. halfvleugeligen,

4. peesvleugeligen,

5. schubvleugeligen, 0. vli-svleugeligen, 7. tweevleugeligen, S, plooivleugeligen, 9. zuigfrs,

10. parasieten,

11. Iranjestaartigen,

12. duizendpooten.

1

/quot;gevleugeld.

vleugeld.


VIII. Wormen.

(met een week, door eene huid be- \ dekt lichaam, uit gelijke ringen be- j staande, met ongelede pooten).

IX. ISaderdierlJe»».

(met om eene schijf geplaatste trilharen, door wier beweging zij schijnen rond te draaien).

a) ringwormen.

6) ingewandswormen.

ƒquot; 1. borsteldragers, ■•v 2.zugers, v 3. draaiwormen.

/1. draadwormen, 2. st« kelkoppen, I 3. zu-gwornien, }. lintwormen.1. draadwormen, 2. st« kelkoppen, I 3. zu-gwornien, }. lintwormen.


WKKM-mERKX.

'zonder geraamte, met ledematen zonder ge-lt; wiichten , gewoonlijk zonder hoofd en met zeer onvolkome-ne zintuigen).

STIt A AIj-

(in zee levende, gewoonlijk re gelmatigen rond van gedaante met een in 't midden des li-chaams gelegen, straalsgewijs van draden omringden mond, en wceké , leder-ac'.tige of kalk-houdende huid).

X. Welt;'li4lilt;^i*('3i (in engeren

zin).

(met een week en los lichaam, glibberige huid, een volkomen vatenstelsel en meestal inéén of twee kalkach- I tige schelpen gehuisvest).

XI. of Iliiid/.»K-dieren.

(in een vliezigen zak met twee openingen besloten).

XIII. .HoNdiereii.

(in zoetwater en in zee levende, met lange, van trilharen voorziene armen of voeldraden en een afzonderlijk darmkanaal).

XIII. Siekelliuiden.

(met eene straal-, rol- of bolvormige { elal )

e-\

il.vdromediiNen. s

geleiachtig lichaam van J le vormen en eeno in- ^ Ite,welke tot maag dient). ^

1. Kalkpolif p?n,

2. bloempoliepen.

1. Afgietseldiertjes,

2. wortelpootigen,

3. gregarinen,

4. sponsen.

gedaante, eene lederacl tige, veel. stekelige huid, waarin zich kalk i verschillende vormen heeft afge scheiden)

XIV. lI.vdromediiMen.

(met een gel verschillende wendige holte

XV. ï eelvoelen.

(met een geleiachtig, rond lichaam, voorzien van een door vangarmen omringden mond. Veel diertjes zijn , door een gemeenschappeliik vlies tot lt; een vertakten , kalkachtigen stam ^ samengegroeid. Dat vlies scheidt kalk af. Zij zitten meestal vast).

XVI. Vormloozen.

(staan op den laagsten trap van be-werktuiging. Zijn microscopisch klein J of vormen massa's van onregelma- | tige gedaante). ^

1. koppootigen,

/2. buikpootigen, 3. vleugelpootigen, \ 4. armpootigen, I 5. plaatkieuwigen.2. buikpootigen, 3. vleugelpootigen, \ 4. armpootigen, I 5. plaatkieuwigen.

kop-dragende.

schelp-du ren.

1. Holothu riën,

2. actinozoën,

3. zeeleliën,

4. wijdmondigen,

5. nauwmondigen.

1. Buisdragers,

2. hydrovormigen,

3. zeenetels,

4. armloozen.


ocr page 1018

S g1 8 S? ^ 'lt;? o

d d d J 2 d d quot;

H

I

•i I

O i- «

quot;Hquot;

J quot;

3 a

-^l|S ii -s s: ^

HT

it S II-

O.E »5 ^ M w

-. ^

s, §

i5 ii w A »•; ic «'

in J 111

- - - I - - -

HI ill

d o 6 0 d o

I'lo

gt; C ^5 quot;«

fit 1 liquot; •s II

m

Ills

quot;SSS quot;8

IS

1 »rl

I

-11

if I'i

1

IIJl 'j

-=i'„

?1

1.

IIKI ^ I I I ||

«-» d d d d odd d d -f-

■t

II-3 2- =

•hri

ü 2 ii

Éi O i f-

E'S u £

quot;quot; s i

m ï

igg 2

S'ï

II

= s

; 5 rt gt;

|i- r

I 11 .=

■ijj'Siol' ï siïïiiquot; i

II s II ?II 8 'U S2^ c C quot; gt;

s II E II S- II §

if!I I t

laquot;-

S' i

ii

quot;—1 ■

ocr page 1019

SIU83

SiBHOQ

O COOrr O O w O h O 0 H-nOWO

uon^odo^

.1 o e CJ w ■* tl 100

s? at^s s, s § s? 'k g. s-ao

siaqao-^

o OOOvO 0 mmOhO gt;-lt; wmmwO

öDuaj

CN CC O - O MNir. M C^. tH rr N

s^quot;!ll!»lS

o m m i-i O H fl -o- O ri- N r^i tt O -r O Q

Suiii^s PuorT

O OOOH. OOOOOO O O O o O O

jaznaj^i

?• »a 8 S ■$gt; 5 SS

ujp[n3 oips ilfuuaisoo

O OOmC 0 — w C w — m ci fO ci ~ ü

OÖUIUUSJJ

^Tl

5 g.8S §■ 2

O MM MO M fO -1- O -i- Cl ro T O O O

S1UO

« Tl -ïl -N

!Ï 8S?S S §,£-2 as; ft i

suopino

— om CI o mnonm cm CJCOCMIoo

soiui}uo3

8 SIST-aa ?- o-S-S^ o ïvS'^S'g

uojjurj.j

m w m ci »r-, - -Mr: O «ON ir. u-, u-, m o

§

Q

«

3

ö

D

1 IMlHiiiiilillili i ®iif

g

5

y,

3

li c

i 1 41.1. il#.||,-i .s i

iiliJiJiililliililiiiiji

i £

I ^

ocr page 1020

I^cng-te- et

i0 voo 5elgi

i

y.

GEMEENTEN

Voel

Roelt;le

mieter

Kocdc

Igt;a»H

jciiie'

O £

in meters

in meters

in voeten

in voet.2

in roe

rued.

|Z

Brugge en voormalig Vrije

0,27425

3,84

3.646

196

3co

H S l

Bni^e en omstrt-ken (^roote

gt; ^ )

roede)

0,2744

5,488

3.644

400

100

Kot i) y/c en omstreken

0,2976

k. r. 2,976 8- r. 5,9'gt;2

3-360

k. r. 100 g. r. 400

Aa .v/en Geefaardsbergan

0,2772

4,544

3.6074

400

100

133 l/)

£(

Dftidei'iiiutide en omstreken

0,27557

5,787

3,6288

441

100

Gent en Land van ]lraas

0,2754

3 8550

3,6325

196

225

3°°

Oudenaarde en oms'.reken

si j

(stadsniaat)

0,2856

5'712

3,501

400

100

2'

Oudenaat de (Kasselaiij).

0,2851

5.787

3,507

441

. gt;

Aniwe* /gt;eiiy Lier, Kon tick

0,2868

5,736

3,486

400

100

i (

ll'-renihah. Malle, Wester loc

Sz)

en orijstreken

0,2847

5,748

3.48

400

100

Sg )

Merhelen , Heist - op - den -

Berg en omstreken

0,278

5,56

3,59quot;'

400

ICO

1 • .

Hasselt, Smt - Trniden en

'Éi 1

omstreken

0,2918

4,6688

3,427

256

100

- i (

Tongeren en omstreken

0,2918

4,596

3,427

248 1/16

Assche, Wolvet teint Londer-

/

zeel en omstreken

0,276

5,607

3,623

413 4/9

100

Bt nystl (litks van de Senne) • Anaer/echt, Laken en om

streken

0,2 ;6

4,504

3,623

266 9/7

100

1

Brussel (nchts van de Senne)

1

Schaai heek, Machelen en

1

omstn k( n

0,276

4,801

3,623

300 4/9

100

1

Bi ussel en omstreken (groote

•

roede)

0,276

5,515

3.623

400

100

x. y

Halleew omstreken

0gt;2934

5,868

3.41

400

100

- \

Leuven, Dies*, Tienen, Wa

£

ver rn omstreken (groote

— i

roede)

0,2855

5 7ÏO

3,502

400

100

1° 4,7!

ie 3,502

ie 272,25

Leuven, Diest, Tienen, Ji'n-

2° 4,906

2° 3.502

2e 306,25

100

ver en omstreken ikl. roede)

0,2855

3e 5,2817 4e 5,5072

3° 3,502

4e 3,502

3e 342,25

4° 380,25

Nijvel en oms'reken (beide

ir- r. 5,540

3,6I

r. 400

100

roeden)

0,277

k. r. 4,5705

k. r. 2,2,5

Vilvoorde, O. L- V.-Lombeek

en omstreken

0,276

5,056

3,623

336 gt;/9

100

2° VOO

Ne

Meter

Al

in n.

GEMEENTEN

Voel

in meters

Kocdo

in meters

Iflcter

in ellen

in roeden lengte

1.1

in met

A vist er da m

3,6807

i,4539

0,2716

0,687

7,3

Friesland

3.9128

0.2555

Gelderlati d

3.8073

0,2626

Groningen

4,0908

0,2444

0,694

's-Gra ven k as e

1,4403

0.2654

Rijnland

0,3139465

3,7674

Utrecht (sticht)

3,7559

0,2662

7,0

ocr page 1021

e

Vlaktematen.

O gt;

c

ïelgië

Igt;««n

in ro

It'111 ft

roed.-

ISUIKIOI-

in roed.2

Vierendeel

in roed.2

A re

in roed.2

lleetare

in roed.2

Aaumerkingeii.

IO()

100 100 225

10ü

100

ICO

ICO

ICü

100

100

100 100

ICO

100 100 100

,00

133 l/3

'

900 400

400 400 900

400 400 400

400

400

'CO

400

' 00

400

400

400 400

400 400

400

Jc. r. 400 g. r. 100

1 00 1 00

6,152 88 100

3,128 1 10 k. r. 11,2917 g. r. 2,8229 3,101 2/10 2,434 8 10

6.73

3.25 96 100 2,--48 4 lO 3,I5 7/,o

3,10 6,10

3.9»

4,150 4,182,177

3.74 5/1° 4.248

4.114

3.115 , 2,361 64,100

3.26 84 100 ie 4,137 8 10 2® 4,1 8/IO 3° 3«200

4° 3.86 ff- r. 3-103 k. r. 4,214

^78,33

332»10 k r. 1120,17 g. r. 282,29 325-125 298,266 6-3,25 100

306,200 27Q.0 6 10 303»373

302,264

323.200

458,190 473,ic8 4 io

318,74 8, io

492,246

437,219

328,300 290,170

306,284 1quot; 450,172 2° 400,180

3*358,159 ,

4quot; 322,244 5 10 K- r. 325,328 k. r. 478,190

100 kleine roeden en 25 groot c worden te Kort rijk en omstreken een Honderdlands of Menken genoemd. Te Brugge en voormalig Vrije noemt men 100 roed. vierk. eene Linie.

Te Ondenaarde werden 600 vierk. roed. een Alorgen genoemd. — Te Den derm on de en omstreken neemt men 50 vierk. roed. een Vaaizaad; te Gent en in 't Land van Waas is een Vaaizaad 100 roed. — Te Ap-pelterre-Eichem is de roede 100 vierk. voeten, te liaarde-fiem , Buggenhout, Meldert {Brusselscbe maat) 413 4/9; te Den dei uuindekc 400 ; te El zege m 400; te Meerbeke 336 1 9; te Mere 100; te Op dor h 300 4/9; te Overboelai e en Got fe.' dtnge 400. — In al deze plaatsen is liet dagwand 100 en het bur der 400 vierk. roed. — Te Ilassell, Sin/- Trniden, 1 ongei en en omstreken zijn 20 kleine vierk. roed. eene groote vierk. r0ede,20grq0-te vierk. roed. (400 kleine), een bunder; 5 groote \ erk. roed., een dagwand. — Om groote roed. tot kleine te 1 lengen vermenigvuldigt men ze door 20 ; om kleine tot groote te brengen, deelt men ze door 20.

TOO

1 400

3,3c69 ^0

391.105

VOO

Nederland.

EI

A re

A re

Korde

Voet

in mot

in roed.2

in voet.2

m ; ren

in aren

p p

7.38

1247,44

o,i35478

0,000802

In Rijnland is de duim 0,0261622 met.; een mori en 600 vierkante roeden ; « ene vierk.

roede 14,1929863 met.2 ;

7.0457

1014,59

0,14193

0,000986

ocr page 1022

FT

BELGIE.

l-^roA'iiiciön.

/tiwottej-s. 812,509 1,261,595 1,122,099 • • 2.39,665 83S.C31 219,676 350,4'« 1,025,018 802.82I

Antwerpen

Brabant

Henegouw

Limbuig

Luik

Luxemburg Namen

Oost-Vlaanderen Wt st-VIaanderen

lift Rijk 6,069,732

Hectaren. 2^3

372,166 241.201 289,48,

4-11,83

372,i6 41.200 485

41,835

366,024 300,028

2gt;945,5^9

A.

c.

68

75

92

22

57

47

64

65

15

0-!j

S3

18

11

56

14

81

64

Ó3


Gemeenten.

Aaigem (O.-V) (gt;) 1,843 Aalbeke (W.-V) 2,002 Aalst (Li) 489.

Aalst (1) (O -V) 29,251 Aalter(ü -V) 7,212 Aarschot (B) 6,882 Aarseele (W.-V) 3,000 Aartrijke (W.-V) 4.245 Aartselaar (A) 2,114 Abée (Lu) 630 Abolens (Lu) 432 Achel (Li) 1,205 Achene (N) 869 Achet (N) 549 Acosse (H) 1,245 Acossc (Lu) 315 Adepem (O.-V) 3,86; Adinkerke (W.-V) 2 Afsnee (O.-V) 358 Agimont(N) 568 Ainette (Lu) 240 Aische-en-Rt lail (N) 1,221 Aiseau (H) 3,015 Aisemont (N) 724 Aiken (Li^ 3,510 Alle (N) 607 Alleur (Lu) 1.422 Alsemberg (B) i,6'6 Alveringem (W.-V) 2,786 A may (Lu) 4,980 Amberloup (Lux) 820 Ambly (N^ 461

111

62

) 2,972

i 1

!

Ambresin (Lu) 783 Amengijs (O.-V) 016 Amonint s (Lux) ^77 Ampsin (Lu) 2,^78 Andenne (X) 7,725 Anderlecl t B) 43.174 Anderlues (H) 8,;2i Andrimont (Lu) 4,C6i Angleur (Lu) 8,158 Argre (H) 1,273 Angreau (H) 547 Anhée \N) 785 Anlier (Lux) 1,291 Anloy (Lux) 483 Annevoie-Rouillon (N) 699 Ans (Lu) 8,458 Ansegem (W.-V) 3,755 Anseremme (N) 949 ALserccul (H) 1,318 Anthee (N) 457 Antheit (Lu) 3,356 Anthisnes (Lu) 1,381 Antoing (H) 3,100 Antwerpen (A) 277,576 Anvaing (H) 1,352 Appels\0.-V) 1,687 Appelterre-Eicbem(O.-V) 1,589 Arbre (H) 747 Arbre (N) 553 Arbre-Fontaine (Lux) 729 Arc-Ainières (H) 1,370 Arcbennes (B) 672 Ardooie (W.-V) 6,238 Arendonk (A) 4,236

Argenteau (Lu) 876 Arl (Lux) 7.943 Arquennes (II) 2,573 Arsimort (N) 1,704 Arville lt; Lux) 891 Asch (l i) 623 Aspelare (O.-V) 1,311 Asper (O.-V) 1,893' Asquillit s (li 1 329 Assche (B) 7. -Assebroek (W.-V) 2,477 Assenede (O.-V) 5,213 Assenois (Lux) 1,052 Assesse (N) 1.236 Astene (O.-V) 1.602 Ath (H) 10,747 Athis (H) 514 Athus(Li'x) 2,379 Attenhove (Lu) 1,431 Attenrode iB) 777 Attert (Lux) 1,841 Attre (H) 659 Aubechies (H) 218 Aubel (Lu) 3,142 Aublain (Nj 458 Audrcgnies (H) 1,048 Aulnois (II) 754 Austruweel (A) 1,074 Autre-Eglise (B) 932 Autreppe (H1 415 Autrijve (W.-V) 1,249 Auvelois (N) 5,429 Ave-et-Aufte (N)322 Ave-Kapelle (W.-V) 648


^ 'v

1

Werd ingenomen door Turenne (1667).

ocr page 1023

Avelgem (W.-V) 3,960 Avennes (Lu) 036 Avernas-le-Baudouin (Lu) 664 Avin (Lu) 775 Awans (Lu)

Awenne (Lux) 630 Awirs (Lui 2,007 Aye (Lux) 1,120 Ayeneux (Lu) 1.346 Aywaille (Lu) 4,400 (•)

B

Baaigcm (Ü.-V) 694 Baal (B, 1,408 Baardegem 'vO.-V) 1,277 Baarle-Hertog (A) 2,119 JJaasrode (O -V) 4,313 Baclite - üaria -Leernc (O.V) [«.3°°

Bagimont (Lux) 163 Baileux 'VH) 970 Bailicvre (H) 310 Baillamont (N) 240 Bailleul (H) 6Ö2 Bailionville (N) 328 Baisieux UI) 840 Baisy-Thy (13) 2,696 Baiatre (Ni 784 Balegem ((J.-V) 3,037 Balen (A) 4,699 Balen (Lu) 2,201 Bambrugge (O.-V) 961 Bande (Lux) 765 Bat benton (H) 773 Barchon (Lu) 664 Baronvllle (N) 178 Barry (H) 901 Barvaux (Lux) 1,145 Barvaux-en-Condro/. (X) 575 Basècles (H) 4,445 Bas-Oha (Lu) 1,177 Basse-Bodoux (Lu) 572 Bassevelde [O -V) 3,721 Bas Silly (H) 1,221 Bastenaken (Lux) 2,628 Battice (Lu) 2,762 Baudour (11) 4,179 Bauflfe (H) 875 Baugnies (H) 789 Baulers (B) 831 Baeegem (O.-V) 1.192 Bavikhove {-} (W.-V) 1,558 Bazel (Ü.-V) 3,254 Beau fays (Lu) 1,007 Beaumont (H) 2,071 Beauraing (N) 1,837

Beausaint (Lux) 8c8 Beauwelz (H) 678 Beclers(H) 1,201 Beek (Li) 564 Beeringen (Li) 1,525 Beernem (W.-V) 4,546 Beerse (A\ 2,119 Beersel (A) 1,877 Beersel (B) 2,046 Beerst (W.-V) 1,369 Beert (B) 531 Beez (N) C66 Beffe (Lux) 472 Begijnendijk (B) 1,383 Beho (Lux) 1,156 Beigcm (B) ü^c Bekegem (W.-V) 916 Bekevoort (B) 1,740 Belocil (H) 2,750 Bckkenzeel (B) 328 Belgrade (N) 1,000 Beliaire(Lu) 1,420 Bellecourt (Mi 1,236 Bellefontaine (Lux) 953 BeLeiontaine (N) 145 Bellegem ' W.-V) 3,137 Bellem (O.-V) 2,024 Bellevaux (Lux) 337 Bellingen (B) 596 Belsele (O.-V) 3,7^1 Ben-Ahin (Lu) 2,654 Bende (Lux) 407 Berbroek (Li) 392 Berchem (A) 20,415 Berchem (O.-V) 2,269 Berendrecht (A) 2,522 Berg (Bi 1,208 Berg (Li) 435 Bergen (11) 25,585 Bergilers (Lu) 803 Berlaar (A) 4,315 Berlare (O.-V) 4,461 Berlegem (O.-V) 386 Berlingen (Li) 245 Berloz (Lu) 855 Berneau (Lu) 471 Bernissart (11) 2,215 Bersillies-l'Abbaye (H) 902 Bertem (B) 2,004 Bertogne (Lux) 841 Bertrée (Lu) 399 Bertrix (Lux) 2,800 Berzée (X) 8c 1 Beselare (W.-V) 3,017 Betekom (B) 2,152 Br-.itineourt (Lu) 501 lieuzet (N) 625 Bevekom (B) 1,906 Bevel (A) 580 Bever (il)'2,755

Beveren(Grenzen)(W.-\; 11,635 Bevereu (Kor trijk) (\V. - V)l, 502 Beveren (Ouden.) (O.-V) 1,784 Beveren(Roesel.,i(W.-V) 2,828 Beveren (Waas) (O.-V) 9,153 Beverloo (Li) 1,202 Beverst (Li) 931 Beyne-Heusay (Lu) 4,172 Bienne-lez-Happart (Hl 334 Bierbeek ( B) 3, -,73 Biercée (H) 497 Bierge (B)1,457

Bierk (B) 1,020 Bierset (Lu) 831 Bier wart (N) 436 Biesme (N) i,6g[

Biesmerée (N) 700 Biesme-sous-Thuin (H) 326 Bièvre (X) 821 Biez (B) 575 Bibain (Lux) 1,225 Bikschote(W.-V) 966 Bilsen (Li) 2.745 Bilstain (Lu) 752 Binche (H) 11,272 Binderveld (Li) 418 Binkom (B) 988 Bioul ^X) 1,766 Bissegem (W.-V) 1,740 Bitsingen (Li) 973 Blaasveld (A) 1,457 Blaimont (X) 197 Blandain (H) 2,385 Blanden (B) 635 Blankenberge (W.-V) 4,871 lilaregni^s (H) 783 Blaton (Hj 3,604 Blaugies (Hi 1,432 Bleharies (H) 1,088 Blehen (Lu) 324 Bleid (Lux) 1,237 Bleret (Lu) 370 Bliquy (H) 1,282 Boekbout (A) 2,998 Boekhout (Li) 272 Boékboute (O.-V) 2,703 Boëlhe (Lu) 354 Boenheinde (A) 2,2c 5 Boesinge (W.-V) 2,208 Bogaarden (B) 633 Bohan (X) 605 Boignce (H) 73°

Boirs (Lu) 1,074 Bois-de-Lessines (11) i,51o Bois-de-Villers (N) 1.478 Bois-d'Haine (H) 2,389 Bois-et Borsu (Lu) 913 Boisscbot (A) 2,732 Bokholt (Li) 2,243 Bolinne (X) 627 Bolland (Lu) 610 Bomal (B) 356 Bom al (Lux) 590 Bombaye (Lu) 524 Bommerschoven (Li) 517 Boncelles (Lu) 1,805 BoneÜe (X)t 417 Boninne (X) 682 Bonlez (B) 546 Bonnert iLux) 1,421 Bonsin (X) 485 Boom (A) 15,216 Boort-Aleerbeek (B) 1,922 Borcbt-Lombeek (B) 1,590 liorgerbout (A) 31,576 Borgloon (Li) 2,388 Borgworm (Lu) 3,7^7 Borlez (Lu) 519 Borlon (Lux) 1,023 Borloo (Li) 012 Bornem(A) 5,841 Bornival (B) 450 Borsbeek (A) 1,261 Borsbeke ((O.-V)) 1,229

1

w

h


7i:

1

Overwinning der Vlamingen op de Franschen* 1071).

ocr page 1024

— XXII —

quot;

Borsheim (Li) 1,203 Bossière (NT) 924 J iOssuit ( W.-V 1 C28 Bossut-Ci«»ttcchain iB) 1,5^4 Bosc(B) 725 Botney (N) 287 Bottelare (O.-V) 1,070 Bouffionlx (H) 4,29^

Bouge(N) ^40 Bou^nies (H) 361 JJouillon (Lux) 2,615 Bonders (H) 867 Jiourseigne-Neuve (N) 445 Bourseisne-Vieille (NJ 184 Boussoit (H) 887 Boussu (II) 10,689 Boussu-en-Fagne iN) 513 Boussu lez-Walcourt (Hj 862 Bons val (B) 1,481 Bouterseni (B) 997 Boutshoeke (W.-V) 153 Boutsvoorde - Watermaal (B) [6,412

Bouvignes(N') 1,199 Bouvignies \H) 646 Bcuwel (A) 764 Bovekerke (W.-V 1,3^8 Bovenistier (Lu) 409 Bovesse (N) 525 Bovigny (Lu) 1,411 Braffe \H) 598 Braibant (N) 408 Braives (Lu) 1,234 Brakel-Kastcel (B) i,6s^ Brancbon (N) 584 ]iras (Lu) 986 Bras (Lux) 864 Bras-Menil (H) 1,226 Brasschaat (A) 4,104 Bray (H) 480 Brecht (A.) 3.364 Bree (Li) 3,243 Breedene (W.-V) 2,902 Breendonk (A) 2,189 Bressoux fLui 6,242 Brielen (W.-V) 774 Broekhcm (A) 1,903 Broekom (Li) 208 Brugelette (H) 1.968 Brugge (W.-V) 51,226 Bruly(N) 573 Brüly-de Pesche (N) 180 Brussegem (B) 2,270 Brussel (Bt 207,910 Brusthem (1) (Li) 1,377 Bruyelle (II) 1,142 Brye (II) 382 Budingen (B) 1,459 Buggcnhout (O.-V) 5,749 Buisingen (B) 1,268 Buissenal (H) 938 Buissonville (N) 482 Buken (B) 438 Bulskamp (W.-V) 899 Bunsbeek (B1 1,258 Burclit (Ü.-V) 3,040 Burdinne (Lu) 996

I ii

Bure (N) 702 Burst (O.-V) 1,023 Bury(II) 913 Buvingen ^Li) 270 Buvrignes (H) 1,117 Buzenol (Lux) 357 Buzet (H) 1,282

Callenelle (H) 70^

Calonne (H) 1.001 Cambron-Casteau (H) 481 Cambron-St-Vmcent (H) 903 Carnières (*) (H) 7,155 Casteau(H) 2,040 Castillon (N) 488 Celles (Hj 1,482 Celles (Lu) 1,399 Celles (N) 898 Cerexbe-Heuseux (Lu) 828 Cerfontaine (N) 1,681 Ceroux Mousty (B) 1,46', Chaim ux (Lu) 1,289 Chairièie(N) 257 Champion (N) 1,974 Champion (Lux) 870 Chanly (Lux) 796 Chantemelle (Lux) 403 Chapflle-a-Oie (H) 53Ó Ctapelle-a-Watiines (H; 965 Cbapelle-lez-Herlaimont (H) [0,368

Chapon-Seraing (Lu) 58« Charleroi (H) 24,310 Charneux (Lu) 1,715 Chassepierre (Lux) 780 Chastrês (N) 468 Cbastre- Villeroux - Blanmont (B) 1,537

Chatelet(H) 11,483 Cbatelineau tH) 12,205 Chatillon (Lux) 734 Chaudfontaine (Lu) 1,862 Chaumont-Gistoux (B) 1,336 Chaussée-Notre-Dame Louvi-r [gnies (H) 1,189

Chenee (Lu) 8,601 C'herain (Lux) 867 Cheratte (Lu) 2,588 Chercq (H) 1,132 Cherskamp (ü.-V) 1,697 Chevetogne (N) 777 Chevron (Lu) 938 Chièvres (H) 3,156 Chimay(H) 3,446 Chiny (Lux) 924 Chokier (Lu) 1.004 Ciergnon (N) 489 Ciney (N) 4,567 Ciplet(Lu) 988 Ciply(H) 921 Clavier (Lu) 1,182 Clermont (Hoeii (Lu) 944 Clermont (Verviers) (Lu) 1,816

Clermont (N) 897 Comblain-au-Pont (Lu) 3,436 Comblain-Fairon (Lu) 976 Conneux (X) 543 Cprbais (B) 665 Corbion (Lux) 1,093 Cordes(H) 417 Corenne (N) 347 Cornesse (Lu) 2,077 Cornimont (N) 165 Corroy-le-Chateau (N) 841 Corroy-le-Grand (B) 1,152 Corswarem (Li) 713 Cortil-Noirmont (B) 1,239 Cortil-Wodon (X*) 930 Couillet (H) 9,483 Courcelles (II) 14,749 Courrière (N) 611 Cour-sur-Heure (H) 453 Court-Saint Etienne (B) 3,9*5 Couthuin (Lu) 3,144 Coutisse (N) 959 Couture-baint-Germain(B) 776 Couvaiu (N) 2.902 Cras-Avernas (Lu) 921 Crehen (Lu) 638 Crisnée (Lu) 536 Croix-lez-Rouveroj' (H) 2^3 Crupet (N) 606 Cuesmes (li) 8,737 Cugnon 1 Lux) 984 Cul-des-Sarts (N) 1,328 Custinne (N) 498

D

Dadizele (W.-V) 1,910 Dailly(N) 322 Daknam (Ü.-V) 775 Dalhem (Lu) 1,081 Darome(') (W.-V) 1,102 Dampicourt (Lux) 694 Dampremy (H) 9,813 Darion (Lu) 190'

Daussois (X) 630 Daussoulx (N) 49^

Dave (N) 687 Daverdisse (Lux) 326 Deerlijk (W.-V) 5,346 Dejnnge (O.-V) 1,699 Deinze (O. V) 4,^50 Denderbelle (Ü.-V) 1,583 Denderhoutero (Ü.-V) 4,362 Denderleeuw (O.-V) 3,11? Dendermonde (O.-V) 10.038 Denderwindeke fO.-V) 3,202 Denée (XT) 90H Dentergem (W.-V) 2,458 Dergneau (H) 530 Dessel (A) 2,237 Desselgem (W.-V) 2,364 Destelbergrn (O.-V) 4,353 Desteldonk (O.-V) 1,304 Deurle (O.-V) 1,030 Deurne (A) 9,482 Deurne (B) 436


(1) Karei de Stoute versloeg cr de Luikenaars (1467).

lil

(1) Hendrik de Blinde versloeg er den hertog van Lotharingen (1170).


1

Frankrijks vloot werd er in den grond geboord (1213).

ocr page 1025

Dhuy (N) 960 Diedenburg (Lux) 816 Diegem (13) 2,519 Diepenbeek (Li) 3,898 Diest (B) 8,877 Dietsche-Heur (Li) 34^ D kkelbusch (W.-V) 1,259 Dikkele (Ü.-V) 320 Dikkelvenne (Ü.-V) 1,736 Diksrruide (W.-V) 4,0^6 Diloeek (B) 2,412 Dilsen (Li) 1,350 Dinant l1) (Ni 7690 Dion (N) 295 Dion-le-Mont (B) 615 Dion-le-Val (B) 3 7 Dison (Lu) 12,80? Docharaps (Lux) 635 Doel (O.-V) 2,386 Dohan (Lux) 517 Doisclie (N) 663 Dolembrcux (Lu) 523 Dongelberg ^B) 551 Donk (Li) 744 Donseel (Lui 329 Donstiennes (H) 302 Doornik (-) (H) 36,380 Dorinnc (N) 500 Dormaal (B) 521 Dottcnijs (W. -V) 4,490 Dour (H) 11,047 Dourbes (N) 369 Dranoeter l W.-V) 1,073 Drchance (N1 414 Drogenbosch (B) 1,197 Drongen (O.-V) 5.282 DudzfU' iW.-V) 2,193 Duftel (A) 6,704 Duisburg (B) 1,320 Duras ^Li) 268 Durbuy (Lux) 392 Durnal(N) 733 Dworp iB) 5,221

E

Eben-Emaal (Li) 1,661 Ebly (Lux) 557

Ecaussinnes - d'Enghicn ( H) [6,929

Ecaussinnes-Lalaing (H) 1,130 Edegein (A) 2.124 Edelare (Ü.-V) 415 Edingen (H) 4.591 Eegem (W.-V) 1,882 Eeke (O.-V) 2,336 Eekereu (A) 5,660

Eekloo (O.-V) 13,032 Eelen (Li) 951 Eename(O.-V) 998 Eernegem (W.-V) 4,466 Eesen (\V.-V) 2,424 Egge waar ts- Kapelic (W-V) 4 5 2 Eghezèe (N) 8j8 Egsaarde (O.-V) 5,079 Ehein (Lu) 127 Eigen-Bilsen (Li) 1,072 Eigen-Brakel (B; 7,994 Eindhout (A) 1,055 Eine(O.-V) 2,965 Eisden (Li) 620 Eksel iLi) 1,595 Elene (O.-V) 793 Elewijt (B) 1,449 E ingen (Ei) 302 Elissem (Lu) 273 Ellemelle (Lu) 298 Ellezelles (H) 5,425 Ellignies-!ez-Frasnes (H) 138 Kliignies-Ste-Anne (H) 1,270 Ellikom (Li) 218 Elouges (H) 4,441 Elsene (Bi 57,707 Eist (O.-V) 1,211 Elverdinge (W.-V) 1,691 Elversele (O.-V) 1,191 Elzegem (O.-V) 1.273 Embourg 'Lu) 992 Emelgem (W.-V) 2,334 Emines (N) 943 Emmelen (A) 1,183 Engelmanshoven (Li) 363 Engis (Lui 'gt;,021 Enines (B) 448 Ensival (Lu) 6,543 Epinois (H) 516 Eppegem (B) 1,281 Eprave (N) 425 Erbaut (li) 409 Erbisoeul (H) 995 Ere (H) 805

Erembodegem (O.-V) 4,992 Erezée (Lux) 800 Ernage (N) 840 Erneuville (Lux) 604 Ernonheid ^Lu) 207 Erondegem [O.-V) 1,230 Erpe (O -V) 2,534 Erpent(N) 529 Er pion (H) 308 Erps-Kwerbs (B) 2,352 Erquelinnes (H) 1,813 Erquennes (H) 607 Ertvelde (O.-V) ^,424 Erwetegem (O.-V) 2,083 Escanaffles (H) 1,832 Esneux (Lu) 3,187 Esplechin (H) 1,369 Esquelmes(H) 206 Esschen (A) 4.632 Esschene(B: 1,^62 Estaimbourg (H) 1,010 Estaimpuis (H) 1,401 Estinnes-au-Mont (H) 1,980 Estinnes-au-Val (H) 721 Etalle (Lux, 1,273 Elbe (Lux) 1,801 Etikhovc (O.-V) 2,475 Ettelgem (W.-V) 1,013

Etterbeek (B) 19,981 Eugies (H) 2.526 Evegnée (Lu) 285 Evelette (N) 1,035 Everbeek(M) 3,808 Everberg (B) 1,524 Evere (B) 3.529 Evergem (O.-V) 7,829 Evregnies (H) 825 Evrehailles (N) 826 Ezemaal (B) 420

F

Fagnolle (N) 261 Faiaën (N) 820 Falisolle (Nquot;) 2,329 Fall ais (Lu) 865 Falmagnc (N) 460 Falmignoul (N) 585 Familleureux (H) 2,010 Farcienncs (H.) 7,283 l'aurueulx (li) 308 Fauvillers (Lux j 1,171 Fayt-le-Franc (li| 649 Fayt-les-Veneu s (Lux) 579 Fayt-lez-SenefFe (li) 4»074 Felenne (N) 963 Feluy (li) 3,151 Feneur (Lu) 248 Ferrières (Lu) 1,283 Feschaux (N) 478 Fexhe-le- fiaui-Clocher (Lu)

[65»

Fexhe-lez-Sliiis Lu) 1,012 Filot (Lu) 432 Finnevaux (N) 274 I'ize-Fontaine (Lu) 799 Fize-le-Marsal (Lu) 540 Flamierge Lux) 1,293 Flavion (N)^903 Flawinne (N) 2,298 Flémalle-Grande (Lu) 4,7°^ Flémalle-Haute (Lu) 3,388 Flénu (H) 4,765 Fléron (Lu) 2,370 Fleurus (*) (H) 5,250 Flöne (Lu) 219 Florée (N) 506 Florcffe (N) 2,66, FloreDnes(N) 2,654 Florenville (Lux) 1,975 Fioriffoux (N) 672 Flostoy (N) 93/

Focant(N) 376 Folx les-Caves (B) 627 Fontaine-l'Exoque (H) 5,633 Fontaine-Valmont (H) 862 Fontenelle (N) 180 Fontenoille (Lux) 534 Fontenoy (Hj 839

(1) Overwim ing der Spanjaards opdeProtestantcn(i622), dor Franschen op de Bondge-nooten (ló.n^, der Franschen op de Oostenrijkers (1791)' Na-po'.eon triomfeerde er over Biücher (1815).


1

Werd vernietigd door Filip den Goede (1466), door de Franschen (1554).

2

I793)'

3

Werd verwoest door de

ocr page 1026

XXIV

Fooz (Lu) 625

Forchies-Ia-Marche (H) 5,466 Foret (H) 778 Forct (Lu) 3,874 Forges (H) 1,029 Forrieres (Lux) 990 Forville (N) 7,182 Fosse (Lii) 826 Fosse (X) 3,402 Fouleng (H) 340 Fourbecbies (H) 282 Foy-Notre-Dame (N) 248 Fraipont (Lu) 1,587 Fraire VX) 1.084 Fraiture (Lu) 504 Frameries (H/ 11,461 Framont (Lux) 322 Francbimont (N) 306 Francorcbamp* (Lu) 937 Franc-Waret (N) 355 Franière (X) 818 Frasnes (N) 760 Frasnes-lez-Gossclies (II) 2,693 Frasncs-Iez-Buiss2nal(H)4,i8o Fi eeren (Li) 510 Freloux (Lu) 104 Frcux (Lux) 626 Froid-Chapelle (II) 1,953 Froidmont (H) 907 Fronville (X) 644 Froj-ennes (H) 1,291 Fumal (Lu) 917 Furfooz (N)27i Furnaux (N)432

Gaasbeek (B) 342 Gages (H) 496 Gallaix (II) 309 Galmaarden (B) 2,362 Gansboren \B) 2,538 Gaurain-Ramecroix (H) 3,607 Gaver (1) (O.-V) 1,898 Gedinne (X) 8ö8 Geel (A) 12,937 Geer (Lu) 406

Geeraardsbergen (O.-V) 11,995 Geest - Gerompont-Petit- Ro-[sière (B) 834 Geet-Bets(B) 2,036 Gelbressée (X) 607 Geldenaken (B) 4,438 Gelinden (Li) 928 Gellik (Li) 713 Gelrode (Bl 950 Geluveld (W.-V) 1,64]

Geluwe (W.-V) 4,748 Gembes (Lux) 453 Gembloers (-1 (N) 4,272 Gemmenich (Lu) 2,095 Genappe (B) 2,0^5

Genk (Li) 2,535 Genly (H^ 1,137 Genoels-Elderen (Li) 345 Gent (O.-V) 162,652 Gentbrugge (O.-V) 10,123 Gentinnes (B) 758 Genval (B) 1,496 Gerdingen \Li) 639 Gerin (N) 377 Gérouville (Lux) 1,097 Gerpinnes (tl) 2,166 Gestel (A) 204 Gesves (X) 2,026 Gbislengbien (H)663 Gblin (H) 6,007 Ghoy (H) 2,032 Gibecq (H) 493 Gierle (A) 1,177 • Gijverinkhove vW.-V) 628 Gijzegem ,0.-V) 1,481 Ciijzelbreclitegera (W.-V) 374 Gyzenzele ^O.-V) 576 Gilly (il j 22.874 Gmné • (N) 631 Gingelom iLi) 1,204 Gistel (W.-V) 3.321 Gits (W.-V) 3,224 Givry (H) 1,855 Glabais (B) 870 Glabbeek (B^ 1,329 Cxlabb^ek-Zuurbeemde (B) 911 Glain (Lu) 2,837 Gleixbc(Lu) 284 Glimes (B) 602 Glons fLu) 2,062 •

Cxocbenée (N) 411 Godarville (H) 1,671 Godinne (N) 326 Godveerdegem (O.-V) 715 Goé (Lu) 927 Goeferdingen (O.-V) 723 Gccgnies-Chaussée (H) 01 Goesnes (N) 423 Gomzé-Andoumont (Lu) 422 Gondregnies (H) 259 Gonrieux (X) 1,124 Gontrode iO.-V) 534 Goodsenboven (B) 955 Gooik (B) 3,172 Ciors-op-Leeuw (Li) 442 Gorsum (Li) 575 Gosselies (H) 9,870 Gottem (Li) 197 Gottem (O.-V) 928 Gottignies (H) 801 Gougnies (H) t62 Gourdinne (X) 711 Goutroux (H) 1,073 Gouy-lez-Piéton (H) 3,657 Gozee (H) 1,665 Grace-Berleur (Lu) 4,584 Graide (X) 832 Graramene (O.-V) 653 Grand-Axbe (Lu) 471 Grandglise (H) 1,222 Grand-Hallet (Lu) 1,019 Grand-Halleux (Lux) 1,165 Grand-Han (Lux) 976 Grand-Leez (N) 1,967 Grand-Manil (Nquot;) 822 Grand-!Menil (Lux) 707 Grand-Metz (tl) 869

Grand-Recbain (Lu) 862 Grand-Reng (H) 1,686 Gran -i- Ricu (H) 879 Grand-Rosière-Hottomont (B) [5 38

Grandville (Lu) 569 Grapfontaine (Lux) 1,034 Graty (H) 837 Graux (X) 223 Grazen (B) 370 Grembergen (O.-V) 2,865 Grez-Doiceau(B) 2,723 Grimbergfn Ji) 3,916 Grimtuin^e(O.-V) 563 Grivegrce (Lu) 10,496 Grobbendonk (A) 1,650 Groot-Bijgaarden (B) 960 Groot-Brogel (Li) 740 Cirootenbcrge (O.-V) 1,122 Groot-Gelmen (Li) 525 Groot-Loon (Li) 181 Groot-Spanwen (Li) 797 Grosaire (tl) 462 Gros-Fayt (N / 398 Gruitrode (Li) 897 Grune (Lux) 482 Grupont (Lux) 278 Gudsenhoven (Li) 306 Guignies (H) 1,130 Guihoven (Li) 435 Guirscb (Lux) 293 Gullegem (W.-V) 4,306

H

Haacbt (B) 2,571 Haaltert (O.-V) 4,025 Haasdonk (O.-V) •7,817 Habay-la-Xeuve (Lux) 1,878 Habay-la-Vieille (Lux) 984 Haccourt (Lu) 2,139 Hacquegnies (H) 736 Hailiot (N) 1,141 Haine-Saint-Paul (H) 5,644 Haine-Saint-Pierre (H) 5,509 Hainin (tl) 793 Hakendover (li) 991 Halen (Li) 2,030 Hallaar (A) 1,092 Halle (A) 789 Halle (B) 11,739 Halle-Bodenboven (B) 1,657 Halleux (Lux) 295 Halmaal (Li) 250 rialtinne(N) 1,042 Hamipré (Lux) 642 Hamme (13) 218 Hamme (O.-V) 13,464 Hamme-Mille (B) 1,014 Hamoir (Lu) 979 Hamois (N) 882 Hamont (Li) 2,392 H amp te au (Lux) 324 Ham-sur-Heure (H) 2,245 Ham-sur-Sambre (X) 2,649 Handzame (W.-V) 2,897 Haneile (Lu) 1,125 Hannecbe (Lu) 410 Hannut (Lu) 2,064 Hanret (X) 905 Hansbeke (O.-V) 2,115


1

Filip lt;/lt;? Goede versloeg er de Gentenaren (quot;453^.

ocr page 1027

— XXV —

Han-sur-Lesse (N) ^32 Hantes-Wihcries (H) 772 Hanzinelle (N) 6g8 ] fanzinne (N) 753 1 [archies (H ) 1,511 Harelbeke (\V.-V) 7,255 Haren (B) 1,780 Hargimont (Lux) Gtj Harmignies (H) 638 Harre (Lux) 991 Harsin (Lux) 503 Harveng (H) 085 Harzé (Lu) 1,087 Hasselt (Li) 14,015 Hastière-Lavaux (N) 805 Hastière par- deli (N) 307 Hatrival (Lux) 621 Haulchin (H) 1,297 Haut-Fayt (Lux) 791 Haut-Ittre (B) 610 Haul-le-Wastia (N) 444 Hautrage (H) 1,801 Havay (H) 836 Havelange (N)

Havinnes (H; 1,195 Havre (H) 3,283 Hcchtel (Li) 1.415 Heelenbosch (b) 252 Heer (N) 588 Heers (Li) 1,013 Hees (Li) 521 Heestert (W.-V) 2,204 Heffen (A) 1,087 Hei-Kruis (Bi 1,085 Heindonk (A) 611 Heischling (Lux^ 1,748 Heist (W.-V) 3,234 Hcist-op-den-Ëerg (A) 5,846 Hekelgem (B) 2,334 Heks (Li) 492 Helchteren (Li) 803 Heldergrm (O.-V) 1,275 Helkijn (W.-V) 1,352 Hellebecq (H) 777 Heraelveerdegem (O.-V) 417 Hemissen (A) 4,822 Hemptinne (Dinant) (N) 708 Hemptinne (Namen) (N) 761 Hemptinne (Philippeville) (N) [324

Hendriken (Li) 121 Henis (Li) 310 Hennuyères (H) 1,523 Henri-Chapelle (Lu) I1433 Henripont (H) 455 Hensies (H) 1,880 Heppen (Li) 688 Heppignies (H) 1,436 Herbeumont (Lux) 1,139 Herchies (H) 2,556 Herderen (Li) 578 Herdersem (O.-V) 1,598 Herent (B) 5,016 Herenthals (A) 7,025 Herenthout (A) 2,802 Herlelingen (B) 1,873 Herinnes (H) 1,933 Hei raalle-sous-Argenteau(Lu^ [1,466

Hermalle-sous-Huy (Lu) 923 Hermce (Lu) 1,245 Hermeton-sur-Bici t (N) 707

Hcrmeton-sur-Meuse (N) 449 Hern (Li) 316 Heme (B) 3,574 Heron (Lu) 1,074 Herquegnies (H) 419 Herseruw (W.-V) ^,140 Herselt (A) 4,168 Herstal (Lu) 17,249 Herstappe (Li) 129 Hertain (H) 246 Herten (Li) 93 Hertzig (Ltix) r.821 Herve (Lu) 4,843 Herwerding (Lux) 758 Herzele (O.-V) 2,«528 Hcule (W.-V) 4,775 Heure (N) 504 Heure-le-Romain (Lu) i,i;q2 Heurne (O.-V) 610 Hcusden (Li) 1,710 Heusden (O.-V) 3,341 Hcusy (Lu) 1.959'

Hcvei (B) 1,664 Hcveilée (B) 5,962 Hévillers (B) 911 Heyd (Lux) 858 Hillegem (O.-V) 1,678 Hingene (A) ^,89quot;;

Hingeon (N) 825 Hives (Lux) 552 Hoboken (A) 9,164 Hodeige (Lu) 687 Hodimont iLu) 5,062 Hodister (Lux) 874 Hody (Lu) 284 Hoegaarde (B) 4,058 Hoei (Lu) 15,163 Hoeilaart (B\ 3,350 Hoeke (W.-V) 218 Hoelbeck (Li) 291 Hoeleden (B) 1,116 Hoeselt (Li) 2,367 Hoe ven en (A) 1,333 Hofstade (B) 1,252 Hofstade (O.-V; 2,577 Hogne (N) 116 Hognoul (Lu) 571 Holdang (Lux) 2,152 Hollain (H) 1,402 Hollange (Lux) 8t:o Hollebeke (W.-V) 781 Hollogne-aan-Jekcr (Lu) 832 Hollogne-aux-Pierrcs(Lu)5,i70 Holsbeek (B) 1,^35 Hombeek (A) 2,233 Hombourg (Lu) 1,492 Horapré (Lux) 974 Hondelinsren iLux) 1,473 Honnay (N) 622 Hooglede (W.-V) 4.718 Hoogstade (W.-V) 697 Hoogstraten (A) 2,601 Horicn-Hozémont (Lu) 4,036 Hornu (H^ 10,367 Horpmaal (Li) 737 Horrues (H) 2,370 Hotton (Lux) 1,425 Houdemont (Lux) 540 Houdeng-Aimcrics (H) 7,284 1 ondeng-GoL-gnics (H) 7,301 Houdrcmont (N) 331 Houftalize (Lux) 1,405

Hour (N) 778 Housse (Lu) 968 Houtain (H) 886 Houtain-le-Val (6)9^3 Houtain - Saint - Simeon (Lu) [1,211

Houtem 'leper) (W.-V) 1,412 Houtem (Veurne) (W.-V)i,594 Houthalen (Li) 1,480 Houttave(W.-V) 758 Houtvenne (A) 660 Houwaart (B) 1,072 Houx (N) 290 Kcuyct (N) 1,306 Hove (A) 1,148 Hoves (11) 802 Howardries (H) 269 Hubertingen (Li) 1,218 Huccorgne (Lu) 743 Huise (O.-V) 2,970 Pluisingen (B) 1,261 Huissignies (H) 1,428 Huldenberg (B) 1,558 Hulshout (A) 1,228 Hulsonniaux (N) 338 Hulst»; (W.-V) 2,341 Humain (Lux) 645 Humbeek (B) 1,903 Hundelgem (O.-V) 600 Huppaye (B) 1,107 Hyou (H) 1,613

Ibingen (Lux) oóo Ichtegem (W.-V) 4,810 Iddcrgem (O.-V) 1,119 Ideg» m (O.-V) 1,052 leper (W.-V) 17,273 Impe (O -V) 664 Incourt(B) 772 Ingelmunster (W.-V) 6,641 Ingooigem (W.-V) 1,587 Irchonwelz (H) 968 Isières 1H) 1,085 Isnes (N) 782 Itegem (A) 2,213 Itterbeek(B) 989 Ittre (B) 2,760 Izegem (W.-V) 11,551 Izel iLux) 1,796 Izenberge (W.-V) 812 Izier (Lux) 743

Jabbcke (W.-V) 2,072 Talhay (Lu) 2,014 jallet (N) 232

iamagne (N) 364 arabes (N) 4,602 araiolle (N)amagne (N) 364 arabes (N) 4,602 araiolle (N) 147 amioulx (H) 892 amoignc (Lux) 1,222 Jandrain-]audrenouille (B)

[1,240

Jauc ie (B) 1,367 jauchelette (B) 413 javingue (N) 403 Tcbay-Bodegnée ^Lu) 1,39^


ocr page 1028

— XXVI —

tehonville (Lux) 784 jeraappes (H) 12,455 Temelle (N) 2,049 Temeppe (Lu) 10,075 Jemeppe (N) 3,006 Jenelre (Lu) 768 Jenefte (N) 407 jesieren (Li) 416 jettc (B) 8,Sn |euk (Li) 1,353

Jodoigne-Souveraine (B) 524 Iollaing-^ferlin (H) 764 joncrct (H) 421 Julémont (Lu) 310 Jumet (H) 24,799 Jupille (Lu) 5,409 Tuprelle (Lu) 778 quot;jurbise (li) 1,134 juseret(Lux) 758

K

Kaaskcrlce (W.-V) 608 Kachtem (W.-V) 1,634 Kaggevinne-Assent ^B) 2,052 Kain (H) 3,258 Kalken (O.-V) 5,353 Kalloo(O.-V) 3,103 Kalmthout (A) 3,937 Kampenhout (B) 3,106 Kanegem (WW) 1,633 Kanne (Li) 872 Kapellen (A) 3,918 Kapellen (Bgt; 782 Kapelle-op-den-Bosch (B)

[J.QSS

Kaprijke (O.-V) 3,735 Kaster (W.-V) 901 Kasterlee (A) 1,769 Keerbergen (B) 2,514 Keiem (W.-V) 1,246 Kemexhc (Lu - 536 Kenmiel (W.-V) 1,574 Kemseke (O.-V) 1,843 Kerkhove (W.-V) 919 Kerkom (B) 950 Kerkora (Li) 529 Kerksken (O.-V) 1,835 Kermt (Li) 642 Kerniel (Li) 509 Kersbeck-Miskom (B) 1,143 Kessel (A) 2,259 Kcssel-Loo (B) 7,152 Kessenich (Li) 726 Kester (B) 1,784 Keumiée (N) 534 Kieldrecht (O.-V) 3,328 Kinrooi (Li) 888 Klein-Brogel (Li) 322 Klein-Gelmen (Li) 277 Klein-Spauwen (Li) 549 Klemskerke (W.-V) 1,343 Klerken (W.-V) 5,150 Klinge (O.-V) 2,260 Kluizen (O.-V) i,öii Knesselare (O.-V) 4,180 Knokke (W.-V) 1,942 Kobbegem (B) 3^7 Koekelnre (W.-V) 5.336 Koekelborg (Bj 9 933 Kojisel (Li) 2,352

Kogsijde (W.-V) 1,338 Komen (W.-V) 5,628 Koninksheim (Li) 548 Koninkshoikt (A) 2,602 Kontich (A) 4,813 Kooigem (W.-V) 983 Koolkerke (W.-V) 1,892 Koolskamp (W.-V) 2,376 Korbeek-Dijle (B) 715 Korbeek-Loo (B) 1,309 Kortemark (W.-V) 4,531 Kortenaken (B) 1,317 Kortenberg (B) 1.423 Kortessem (Li) 1,245 Kortis (Li) 350 Kortrijk(1) (W.-V) 33,203 Kortrijk-Dutsel (B) 1,341 Kouliïle (Li) 751 Kozen (Li) 756 Kraaienhem (B) 1,189 Krombeke (W.-V) 1,160 Kruibeke (O.-V) 3,739 Kruishoutem (O.-V) 5,846 Kumtich (B) 1,476 Kuringen (Li) 1,631 Kuttekoven (Li) 146 Kuurne (W.-V) 4,485 Kwaad-Mecheleu (Li) 1,427

Laar (Lu) 531 Laarnó (O.-V) 4,244 LaBouverie (II) 6,^93 La Buissière (H) 1,056 Lacuisine (Lux) 627 Ladeuze (H) 1,124 Laforct(N) 250 La Glanerie (H) 1,222 I^a Gleize (Lu) 1,202 La Hamaide (H) 1,153 La Hestre (H) 4,007 Laken (B) 27,821 LaLouvière (H) 15,842 Lamain (H) 597 Lambcrniont (Lu) 1,918 Lambusart (H) 1,625 Lamine (Lu) 346 Lamontzée (Lu) 345 Lamorteau (Lux) qs7 Lampernisse (W.-V) 404 Lanaaie (Li) 886 Lanaken (Li) 3,052 Landegem (O.-V) 1,702 Landelies (li) 1,138 Landen (Lu) 2,537 Landenne (Lu) 2,138 Landskouter (O.-V) 497 Lanefte (N) 675 Langdorp (B) 2,565 Langemark (W-V) 7,199 Lanklaar (Li) ^62 Lanquesaint (H) 468 Lantin (Lu) 423

(1) Slac der Gulden Sporen, de Vlaamsche ambachten behaalden lt; r de z^-gi! op de troepen \z.ViFilipdt:nSchoOHe\\Tfgt;z)

Lantremange (Lu) 501

Laplaigne (H) 1,586 Lapschure (W.-V) 868 La Reid (Lu) 1,488 La Roche (Lux) 2,098 Lasne - Chapelle • St - Lambert [(B) 2,120

Latliuy (B) 747 Latinne (Lu) 1,064 Latour (Lux) 541 Lauw (Li) 1,081 Lauwe (W.-V) 3,664 Lavacherie (Lux) 474 Lavaux-Sainte-Anne (N) 449 Lavoir (Lu) 336 Lebbeke (O.-V) 7,273 Lede (O.-V) 5,053 Ledeberg (O.-V) 13,936 Ledegem (W.-V) 3,482 Leefdaal (B) 1,870 Leerbeek (B) 604 Leernes (H) 1,851 Leers-et-Fosteau (H) 421 Leers-Nord (H) 874 Leest (A) 1,495 Leeuwergem (O.-V) 722 Leffinge (W.-V) 1,824 L'Eglise (Lux) 834 Leignon (N) 1,550 Leizele (W.-V) 1,621 Leke (VV.-V) 1,507 Lembeek (B) 4,074 Lenibeke (O.-V) 2,790 Lemberge (O.-V) 465 Le Mesnil (N) 402 Lendelede (W.-V) 3,677 Lens (H) 2,020 Lens-aan-Jeker (Lu) 337 Lens-Saint-Remi (Lu) 1,116 J^ens-Saint-Servais (Lu) 402 Leopoldsburg (Li) 3,450 Le Roux (N) 655 Les Avins (Lu) 635 Les Bul les (Lux) 612 L'Escaillère (H) 320 Lesdain(H) 795 Lessen (H) 9,477 Lessive (N) 211 Lesve (N) 1,317 Les Waleftes (Lu) 1,060 Lettelhoutem (O.-V) 1,212 Lettelingen (H) 2,025 Leugnies (H) 448 Leupegem (O.-V) 1,143 Leut (Li) 802 Leuven (1) (B) 42,007 Leuze (H) 5,751 Leuze (N) 1,382 Leval-Chaudeville (H) 277 Leval-Trahegnies (H) 4,344 Liberchics (H) 995 Libin (Lux) 1,445 Lichtaart (A) 1,739 Lichtervc lde (W.-V) 6,602 Liedekerke (B) 3,846 Lieferinge (O.-V) 293 Liek (Lu) 945


1

Zie Noormannen (in het Woordenboek).

ocr page 1029

— XXVII —

Lier (A) 22,202 Lierneux (Lu) 2,920 Liernu (N) 814 Liers (Lu) 746 LiezelefA) 1,019 Ligne (II) r,ix6 Ligney (Lu) 457 Ligny (M (N) 1,742 Lille (A) 1.110 Lillois-Witterzee (B) 1,132 Lilloo (A) 1,513 Limal (B) 2,210 Limburg (Lu) 4,685 Limelette(B) 859 Limerlee (Lux) 1,479 Limont (Lu) 618 Lincent (Lu) 1,^47 Linchct(Lu) 113 Linde»i ^B) 1.199 Linkebeek (B) 1,773 Linkbout (Li) 7^1 Linsmeau (B) 525 Lint (A) 1,222'

Lippt-loo (A) 719 Lisogne (N) 078 Lissewege (W.-V) 2,601 Livlt; s (N) 426 Lixbe (Lu^ 780 Lobbes (H) 3.034 Lodelinsart (H) 7,63 Loenbout (A) 1,772 Lokere (W.-V) 8C0 Lokeren (O.-V) 20,872 Loksbergen (Li) 880 Lombartziidc- (W.-V) 976 Lombise (H) 471 Lommei (Li) 4,216 Lompret (II) 194 Lompret (Lux) 454 Loticin (Lu) 995 Londerzeel (B) 4.870 Longchamps (Liix'i ',439 Longchamps (N) 512 Longlier (Lux) 1.270 Lon^ueville (B) 5Kó Longvilly (Lux) 1,211 Lonzée(N) 1.428 Loo (W.-V) 1,810 Loo Christi tü.-V) 4,187 Loonbeek (B) 411 Loo-ten-Hulle (O.-V) 3,090 Loppem (W.-V) 2,065 Lorcé(Lu) 538 Loueite-Saint-Do: i-; iX) 540 Louette-Saint-Piera; (N) 472 Loupoigno (B) 1,4 Louveigné (Lu) 1,862 LovcnJogem (O.-V) 3,916 Lovinjoel (B) 784 Loverval (H) 637 Loyers (N) 598 Lubbeek (B) 3,081 Luik (^) (Lu) 169,202

(1) Napoleon versloeg er Blii-clier (1815).

(2' Werd veroverJ door Ka-rel den Stoute (1467), ingeno-mi'n dooi de Franschen (1675, 1084, 1691), door Marlbon»u»;li (1702),doordeFranschen (1794)

Luinge (W.-V) 1 940 Lummen (Li) 3,090 Lustin (N) 1,243 Luttre (H) 2,035

M

Maarke-Kerkhem (O.-V) 1,5 U Maaseik (Li) 4.712 ^labompré (Lux) 920 Macbelen (B) 1,772 Machelen (O.-V) 2,739 Macon (H) 1,125 Macquenoise (li) 710 Maffe (N) 656 Maffle (H) 1,564 !Mngi ée(Lu) 408 jVlaillen (N) 832 Alain vault (H) 2,002 Ala s ères (H) 1,443 Maissin (Lux) 455 Alaizi rct i N' gt; 253 Alald. gem 'O.-V) 9,873 Alalderen (B) 2,098 Malempré (Lux) 372 Malèves-Sainte-Marie-Wasli-[ucs (B) 932

Mali (Li) 415 Malonne iN) 2,892 Malvoisin (Nquot;^ 355 Manage (H) 3.531 Mannekensvere (W.-V) 400 Alaransart (B) 568 Marbais Bj 2,313 Marbais (H) 711 Marche (1) (Lux) 3.535 Marcbe-les Dames (N» 967 Marche - lez -Ecaussinnlt; s (M) [2,358

Alarcbienne-au Pont(H) 17,663 Al arch in (Lu) 5,647 Alarchipont (tl) 111 Afarchoveiette (X) 669 Alarcinelle (H) 12,695 Alarcourt (Lux) 1,099 Alarcq (H) 1,790 Man nne (Lux) 633 Alariakerke (A) 1.344 Alariakerke (O.-V) 1,871 Alariakerke (W.-V) 3,531 Alarie- bourg (N) 1,010 Alarilles(B) 870 Maike (W.-V) 2,257 Markegem (W.-V) 865 Alarmite (Lu) 796 Alarquain (li) 1,033 Alai telingen (Lux) 1,569 Alanersünde (Li) 347 ATartouzin Nruville (N) 247 Alasbourg (Lux) 407 Alasnuy Saint Jean (H) 1,533 Masnuy-Saint-Pierre (H) 404

Massemen (O.-V) 1,502 3.i.-!-s. nhoviMi (A) 342 Alaiagnc-la-( x.ande (X) 302 Alata^ne-ia-Petiie (N) 276 Alater ^O -V) 2,865 Alautrayill) 1,459 Alaulde (I I) 1,039 Alaurage (H) 2,097 Alazée (N) 603 Alazenzeel (B) 974 Alazy (X) 840 Móan (N) 444 Alechelen (A) 55,495 Alechelen-aan-AIaas (Li) 1,653 Alechelen ^Bi rgloon) (Li) 873 Aleefte (Lu) 878 AIeenen(1) (W.-V) 18,682 Aleensel-Kii segem ^B) 725 Aleer (A) 1,630 Aleerbeek (B) 740 Aleerbeke (O. V) 3,114 Alecrdor.k (O.-V) 2,437 Aleerhout (A) 4,623 Aleerle (A) 1,407 Aleesen (W.-V) 1,446 Aleeswijk (Li) 517 Aleetkerke (W.-V) 499 Afeeuwen (Li) 1,170 Alehagne (X) 499 Aleigem (O.-V) 1,107 Aleilegem (O.-V) 400 Aleise (B) 1,885 Aleix-devant-Virton (Lux) 812 Aleix-le-Tige (Lux) 680 Alelden (O.-V) 1,468 Aleldert (B) 1,084 Afeldert (Li) 764 Aleldert (O.-V) 2,398 Alelen (Lu) 1,206 Alélin (B) 1,462 Alelkwezeren (B) 418 Alelle (O.-V) 4,641 Alellery (B) 607 Alelles (H) 414 Alellet (H) 1,739 Alellier (Lux1» 779 Alelsbroek (B) 1,249 Alelsele (O.-V) 3,694 Alelsen vO.-V) 739 Alembach (Lu) 893 Alembre (X) 172 Alembruggen (Li) 533 Alendonk (O.-V) 414 Alerbes-le-Cbateau (H) 1,277 Alerbes-Sainte-AIarie (H) 492 Alerchten (B) 5,163 AIt rdo:p (Lu) 765 Alefe (O.-V) 3,162 Alerelbeke (O.-V) 5,350 Alerendre (O.-V) 2,026 Merkem (W.-V) 3,733 Aferksem (A) 11,710 AIlt; rksplas (A) 2,586 AIoslin-l'Evêque (H) 1,612 Al esnil-Eglise (X) 326 Alesnil-Saint-Blaise (N) 746

(1) Werd ingenomen door Turenne (1658), door Lodewijk XV (1744).


1

Werd verwoest door de Luikenaren (12^6, 1318), inge-notren dr-or Lodewijk XIV (i6h8 . Veldslag tusschen de Franschen en O c sten rijkers (1790).

ocr page 1030

— XXVIII —

Merlemont (N) 317 Mespelare (O.-V) 363 Messelbroek (R) 668 jNlesvin (H) 658 Mettekovon (Li) 194

Mettct (N) ^,106

Metzig(Lux) 2.124 Meulebeke (W.-V) 9,360 ^leux (N) 1,7.12 Méverpnies (H) 932 Michelbcke (O.-V) 925 Micheroux (Lu) 617 Middelburg: (O.-V\ 951 Middelkerke (W.-V) 1,804 Miècret (N) 718 Miclen-bovon-Aalst (I^i) 716 Mi^nault (H) 1,327 Millen (Li) 1,044 Milinort (Lu) 1,382 Minderhout (A) 848 Mirwart (Lux) 350 Modave (Lu) 657 Moelincen (Lu) 584 Moen \\V.-V) 2,146 Moeibeke (Geeraardsbergen) [(O.-V) 1.423 Moerbeke (Waas) (O.-V) 5,810 Morre (0'gt;siei;de) 1 W.-V* 1,178 Moeie (Veutm*) (W.-V) 258 Moerketke (W.-V) 3,286 Moerzeke (O.-V) 4,179 Moescbroen (W.-V) 18,438 Moha (Lu) 1,878 Mohiville (N 1 546 Moignelée (N) 1,216 Moircy (Luxi 420 Molembaix (ii 1 1.259

AIolenbeek-Wersbcek(B)i,053 Molen-Becrsel (Li) 1,322 Molle (A) 7,151 Mollem-Bollebeek (B) 1,043 Momalle (Lu) 1,162 Moiuignies (II) 2,147 Monceau (N) 353 Monceau-lnjbrechics (H) 390 Monceau-sur-bambre(H) 7,934

^lons (Lu) 3,731 Moistreux (li) 294 ^[ont (Lux) 1,046 Mout (N) 313 ^lontbliait 512 IMo.iie^née (Lu) 7.846 ^lontenaken (1) (Li) 1,54° Mönl-Gauti«'r (N) 714 Montignirs le Tilleul (11) 3-4^° Montij-n es-lez-Lens (If) 1,036 ^lontignies- baiut- Christopiie [lil.424

i\Iontignies-sur-Roc (W) 1,026 Montiijrnics-sur-Sainbrr (11) [18,288

Mont-le-Ban (Lux) 839 Montroeul-au-Bois (H) 813 Monirceul-sur-Haine (PI) 890 Moni-Saint-André (B) 714 Mont-Saint-Aubert (H) 1,088 Mont-Sainte-Aldegonde (H) [i,542

(1) Overwinning der Luikenaren op Hendrik 1 (1214).

Mont-Sainte-Genevieve (H) [439

Mont-Sainl-Guibert (B) 1,372 Mont-8ur-Marchienne(H)7,42i Montzeu (Lu) 2,006 Mooregem (O.-V) 662 Moorsel (O.-V) 3,569 Moorslede (W.-V) 7,341 Moortzele (O.-V) 707 Moorzele (W.-V) 4,258 Mopertingen (Li) 795 Moresnet (Lu) 1,071 Morhet (Lux) 744 Morialmé (N) 1,207 Morkhoven (A) 634 Morlanwelz (H) 7,875 Mormont (Lux) 853 Mornimont (N) 706 Mortier (Lu) 1,024 Mortroux (Lu) 481 Mortsel (A) 3,640 Morville (N) 686 Moulbaix (H) 804 Mourcourt (H) 1,434 Moustier (PI) 1,044 Moustier (N) 1,771 Mouzaive (N) 110 Mozet (N) 2,297 Moxhe (Lu) 728 Muizen (B) 2,850 Muizen (Li) 1^3 Mullein (O.-V) 656 Munkzwalm (O.-V) 1,218 Muno (Lux) 1.628 Munster-Bilsen (Li) 1,150 Munte (O.-V) 950 Musson (Lux) 1,706 Mussy-la-Ville (Lux) 931 My (Lux) 481

N

Naast (H) 2,238 Nafraiture (N) 356 Nalinncs (11) 2,587 Namecho (N) 1,102 Namen (*) (N) 32,203 Nandrin (Lu) 1,234 Naninne (N) 991 Naomé (N) 349 Nassogne (Lux) 1,19}.

Natoye (N) 1,115 Nazaretli (O.-V) 4,931 Nécliin (tl) 1,823 Nederboelare (O.-V) 659 Nederbrakel (O.-V) 4,626 Neder-Eename (O.-V) 787 Neder-Elter (Lux) 1,774 Nederhasselt (O.-V) 1,017 Nederbeim (Li) 5119 Neder-Okkerzeel (13) 1.227 Neder-0 verbeembeek (B)2,409

Necier-Waasten (Wr.-V'i 805 Nederzwalm-Hermelgera (O.-[V)943

Neer-Glabbeek (Li) 538 Neer-Haren (Li) 488 Neer-Heers (Li) 156 Neer-Heilissem (13) 1,728 Neer-Hespen (Lu) 402 Neer-Ysche (B) 1,202 Neerlanden (Lu) 393 Neer-Linter (B) 2,669 Neer-Oeteren (Li) 2,138 Neer-Pi 'lt (Li) 2,593 Neerrepen (Li) 216 Neer-Velp (B) 575 Neerwinden (l) (Lu) 589 Neigem (O.-V) 419 Nessonvaux (Lu) 1,266 Netben (B) 1,551 Nettinne (N) 231 Neufcbateau (Lu) 830 Neufcbateau (Lux) 2,251 Neufmaison (H) 616 Neufvilles (PI) 2,237 Neuville (N) 655 Neuville-en-Condroz (Lux) 670 Neuville-sous-Pluy (Lu) 167 Nevele (O.-V) 3,377 Niel (A) 7,006 Niel-bij-Asch (I^i) 269 Niel-Sint-Truiden (Li) 600 Nieukerken (O.-V) 3,235 Nieupoort (2) (W.-V) 3,364 Nieuwenhove (O.-V) 575 Nieuwenrode (B) 1,111 Nieuwerkerken (Li) 826 Nieuwerkerken (O.-V) 2,939 Nieuw-Kapelle (W.-V) 777 Nieuwkerke (W.-V) 2,400 Nieuwmunster (W.-V) 513 Nieuw-Rode (B) 1,541 Nijlen (A) 2,535 Nijvel (B) 11,464 Nil-Saint-Vincent-Saint-Mar-[tin (B) 1,218

Nimy (H) 2,855 Ninove (O.-Vj 7,420 Nismes (N) 1,584 Niverlée (N) 104 Nives (Lux 1,108 Nobrossart (Lux) 1,491 Nodebais (B) 558 Noduwez-Linsmeau (B) 1,005 Noirchain (H; 410 Noirefontaine (Lux) 326 Noiseux (N) 535 Nokere (0.-quot;V) 1,578 Nollevaux (Lux) 345 Noordei wijk (A) 1,413 Noordschote (W.-V) 620 Nossegom (B) 744 Nouvelles (H) 317 Noville (Lux) 1,177

(1) Overwinning der Franschen op de bondgenootcn

(^93) • . „

(2) Maunts van rsassau versloeg er aartshertog Albrecht

' (1600).


1

Werd ingenomen door LodewijkXIV (1692), door de Franschen (1746, 17.72), heroverd door de Oostenrijkers

2

(1793), opnieuw bemachtigd door de Franschen (1794).

ocr page 1031

— XXIX —

Noville (Lu) 364

Noville-les-Bois (N) 1,441 Noville-sur-Méhaigne (*) (B) [714

Nukerke (O.-V) 2,216

Obaix (H) 1,279 Obigies (H) 711 Obourg (H) 1,952 Ochamps (Lux) 740 Ocquier (Lu) 816 Otleigne (Lux) 537 Udcur (Lu) 342 üedelem (W.-V) ^,204 Oekene (W.-V) 1,734 Oelegem (A) 1,469 Oeren (W.-V) 155 Oeselgeru (W.-V) 970 üetingen (B) 1,824 CEudeKhien (H) 1,493 lt; )evel (A) 1,052 Offagne (Lux) 551 OeyjHl 1,143 Oham (B) 2,713 Obey (N) 1,148 Oignies (N) 1,530 Oisquercq (B) 578 Oizy (N) 3n Okegeni (O.-V) 1,063 Oldang (Lux) 843 üllignies (H) 1,470 ülloy (N) 1,104 Olmen (A) 1,525 ■ Olne (Lu» 3,167 Olscne(O.-V) 2,325 Omal (Lu) 378 Orabrot-Rawsa (Lu) 1,047 Omezée (N) 144 On (Lux) 1,028 Onhaye (N) 634 Onkcrzeie (O.-V) 1,767 Onnezies (H) 358 Onoz (N) 325

Onze - Lieve - Vrouw - Lombeek (B) 685 Onze-Lieve-Vrouw-Wavrt(A) [3,116

Ooigem (W.-V) 1,396 Ooike (O.-V) 1,201 Ooien (A) 2,281 Oombergen (O.-V) 821 Oorbeek (B) 31Ö Oordegcm (O.-V) 2,452 Oorderen (A) 1,408 Oostakker (O.-V) 5,519 Oost-Duinkerke (W.-V) 2,180 Oost-Eekloo (O.-V) 2,023 Oostende (1) (W.-V) 32,304

Oosterzele (O.-V) 2,929 Oostham (Li) 1,232 Oostkamp (W.-V) 6,482 Oostkerke (Brugge) (W.V) [1,048

Oostkerke (Diksmuide) (W.-V) [297

Oost-Malle (A) 1,110 Oost-Xieuwkerke (W -V) 2,718 On: t-Rozebeke (W.-V) 4,519 Oost-Vleteren (W.-V) 1,806 Oostwinkel (O.-V) 1,066 Ootegem (W.-V) 1,822 Opbrakel (O.-V) 1,^48 Opdorp (O.-V) 1,235 Op-Glabbeek (Lil 909 Op-Grimbij (Li) 637 Ophain - Bois - Seigneur -Isaac [(B) 1,582 Ophasselt (O.-V) 1,396 Op-Heers (Li) 317 Op-Heiliscm (Bj 790 Ophoven (Li) 1,445 Opitter (Li) 564 Op-Linter(B) 1,214 Op-Oeteren (Li) 739 Opont (Lux) 509 Opprebais (Bj 1,428 Op-Puurs (A) 1,101 Op-Velp (B) 905 Opwijk (B) 5,224 Orbais (B) 76S Orchimont (NT) 417 Orcq (H) 646 Ordingen (L) 403 Oret (N) 640 Oreye (Lu) 963 Orgco (Lux) 1,362 Ormeignies (H) 1,145 Orp-le-Grand (B) 1,760 Orroir (O.-V) 662 Orsroaal-Gussenhoven (B) 806 Ortho (Lux) 1,368 Ostiches (H) 931 Oteppe (Lu) 781 Othéc (Lu) 1,520 Ottenburg(Bj 1,197 Ottergem (O.-V) 535 Ottignies (B) 2,127 Oudegem (O.-V) 2,557 Oudekapelle (W.-V) 312 Oudenaarde (*) (O -V) 6,767 Oudenaken (B) 328 Oudenburg (W.-V) 2,534 Oudergem (B) 4,170 Oud-Heverlee (13) 1,095 Oud-Turnhout (A) 2,931 Ouffet (Lu) 1,720 Ougrée (Lu) 12,277 Oultre (O.-V) 2,088 Oupeye (Lu) 1,395 Outrelouxhe (Lu) 223 Ouweg em (O.-V) 1,300 Overboelare (O.-V) 2,341 Over-Hespen (Lu) 377'

(1) Werd belegerd door de Gentenaars (14^2 , ingenomen door de Franschen (1658, 1667, 1684, 1745). Marlborough versloeg er de Franschen (1708).

Over-IJsche (B) 6,078 Overmere (O.-V) 1,668 Over-Pelt (Li) 2,468 O verrepen (Li) 462 Over-Winden (Lu) 459

Paal (Li) 2,403 Pailhe (Lu) 546 Paifve (Lu) 400 Paliseul (Lux) 1,674 Pamel(B) 3,257 Papigntes (H) C90 Parike (O.-V) 816 Passchendale (W.-V) 3,847 Patignies (N) 259 Paturages (H) 10,883 Paulaathem (O.-V) 191 Pecq (H) 2,0 n Poer (Li) 2,451 Peissant(H) 727 Pt'llaines (Lu) 410 Pellenberg (B) ^93 Pepingen-Kt ringen (B) 1,334 P«2pinster(Lu) 2,oit;

Perk (B) 1.264

Péronnes (Doornik) (11) 1,314

Péronnes (Zonir.gen) (II) 1,9=50

Pêruwelz (11)8.573

Pervijze (W.-V) 1,344

Perwez (B) 2,618

Perwez i X) 579

Jresche (gt;.) 1,404

Pevsoux (N) 703

Petegera (Ueinze) (O.-V) 2,474 Petegem vOudenaarde) ((J.-V) [2,028

Petigny (N) 840 Petitr-Chapelle (Nquot;) 226 Petit-Fayt (N) 248 Petit-llallet (1.11)449 Petit-Rechain (Lu) 2,080 Petit-Rceulx- lea-Brainc (II) [699

Petit-Roeulx-lez-Nivelles (li)

Pelit-Thier (Lus) 573 tj43 Peuty (B) 1,049 Philippeville (Nr) 1,392 Pieringen (Li) 488 Pieton (II) 1,517 Piélrain (B) 1,333 Piétrebai ■ (B) 978 Pinte (O.-V) 1,372 Pipaix (H) 1,685 Pironchan'ps 11) 2,726 Pittem (W.-V) 5,160 Plainevaux (Lu) 914 Plancenoit (B) 816 Ploegsteert (W.-V) 4,298 Poederlee (A) 732 Poeke (O.-V) 1,057 Poesele (O.-V) ^50 Pollare (O.-V) 870 Poll. ur (Lui 1.319 Pollinklu) e 1 \V'. v) t,774 Pomnierceul (II) 1,665 Pondronu* iX) 714 Pont-a-Cflles (ili 4.865 Pont-de-Loup (11) 1,709


1

Werd belegerd door de Spanjaards (1601-1604), door de bondgenooten (1706).Werd veroverd door de Franschen (i745)-

2

Boudewijn V van Hene-gouw versloeg er den hertog van Brabant (1194).

ocr page 1032

— XXX —

Pontillas (N) 477

Poperinge (W.-V) 11,422 Poppel lA) 793 Popuell- s (II) 371 Porchert-sse (Lux) 420 Porcheresse (N) 307 Pottes (H) 1,92 {

Poucet (Lu) 374 Poulsi ur (Lu) 907 Poupehan (Lux) 338 Pousset (Lu) 724 Presles (1) (H) 871 Profondeville (N) 912 Proven (W.-V) 1,691 Pry (N) 651 Pulderbosch (A) 813 Pulle (A) 735 Purnode (N) 388 Pussemange (Lux) 363 Putte (A) 4,433 Puurs (A) 4,115

Quaregnon (H) 15,670 Quareniont (O.-Vj 1,407 Quartes (H) 388 Üuenast (Bgt; 2,416 Queue-du-Bois (Lu) 1.833 Quevaucanips (H) 2,841 Quévy-le-Grand (H) 846 Quévy-le-Pc'tit (H) 969 Quiévrain (H) 3,604

Raadshoven (Lu) 981 Ragnics (H) 704 Rabier (Lu) 590 Ramegnies (H) 234 Kamegnies-Chin (H) 812 Ramelot (Lu) 342 Raraet (Lu) 3,551 RamilHes-Offus (B) 769 Ramsdonk (B) 718 Ramsel (A) 1,709 Ramskapclle (Brugge) (W.-V)

Raniskapclie (Veurm } .-^ )

Ranee (H) 1,668 Ransart (H) 7,954 Ranst (A) 1.712 Ravels (A) 1,057 Rebaix (H) 1,000 Rebecq-Rognon (B) 3,986 Recogne (Lux) 834 Redu (Lux) 584 Reet (A) 1,552 Rekken» (Ld 1,631 Rekkem (W.-V) 2,985 Relegem (B) 499 Remagne (Lux) 504 Remersdaal (Lu) 516 Remicourt (Lu) 651

li i

ji i

li i

(r) Caesar overwon er d Nemers (57 jaar xóorCl.r )

Rendeux (Lux) 1,232 Ren in ge (W.-V) 1,862 Renirgelst (W.-V) 2,494 Renlies (il) 635 Reppel (Li) 318 Ressaix (H) 1,334 Ressegein (O.-V) 982 Reisteigne (N) 727 Retie(A) 2,822 Relinne (Lu) 1,515 Rèves(H) 1,522 Rhisne (N) 1,270 Richelle (Lu) 561 Riemst (Li) 356 Rienne(N) 747 Rièzes (H) 453 Rijke 1 (Li) 391 Rijkevorsel A) 2.863 Rijkhoven (Lii 666 Rijmenapi (A) 2,381 Riksingen (Li) 449 Rdlaar (Bi 2,46b Rivière (N) 319 Rixensart B) 4.667 Rtbechits(H) 237 Robermont (Lux) 510 Roclief(.rt (N) 3,012 Rochehaut (Lux) 441 Rocourt (Lu) 1,131 Roesbrugge-Hannge (W.-V) [2,044

Roesolare ^1) (W.-V) 22,481 Roeulx (H) 2,812 Roezig (Lux) Ó73 Rogrée (N) 367 Roi (Lux) 877 Roisin (H) 1,835 Roksem (W.-V) 742 Rollegem (W.-V) 2,236

Roller en)-Kapellc(W.-VT;i,236

Roloux (Lu) 423 Roly(X) 237 Komeree (r^) 411 Romersbo /en (Li) 407 Romsée (Lu) 2,300 Ronpy (H) 1,485 Ronqu^ères (11) 1,187 Ronse (O.-V) 19,423 Ronsele (O.-V) 394 Rooborst (O.-V) 679 Roosbeek (B) 797 Koost (I-u) 674 Kosée(N) 922 Roselies(H) S59 Kos.ères (1gt;) 629 Jvosmeer (Li) 589 Rossignol (Lux) 837 Rotheux-Rimièrc (Lu) 1,014 Rotseianr (B) 2,377 Rottem (Li) 1,131 Rouccurt (11) 1,253 Rouveroi (H) 502 Rouvreux (Lu) 1,281 Roux (II) 9.137 Roux-Miroir iB) 565 Rozebtke (O.-V) 421 Rozenaken (O. - V) 721

Ruddervoorde (W.-V) 5,229 Ruette (Lux) 716 Ruien (O.-V) 2,215 RuisLroek (A) 1,942 Ruisbroek (B) 3,863 Ruiselede (W.-V) 6.852

Rukkelingen - aan - Jeker (Li)

[.i»i33

Rukkelingen-bij-Loon (Li) 358 Rulles (Lux) 1,194 Rumbeke (W.-V) 6,281 Rumes (H) 1,910 Rumiilics 1II) 926 Runimen (B) 1,355 Rumsdorp (Lu) 174 Rumst (A) 4,147 Runkelen (Li) 273 Rupelmonde (O.-V) 3»3ii Runen (Li) 1,071

Saint-Amand (H) 1,205 Saint-Andrè (Lu) 559 Saint-Aubain (N) 690 Saint-Denis (H) 946 Saint-Denis (N) 884 Sainte-Cécile (Lux) 481 Salute-Marie (Neufchateau) [{Lux) 831 Sainte-Marie (Virton) (Lux) [1,276

Saint-Georges (Lu) 6,177 Saint-Géiard (N) 1,758 Saint-Germain (N) 518 Saint-Géry (B) 500 Saint-Ghislain (H) 4,098 Saint-Iiubert (Lux) 2,989 Saint-Léger (H) 1,083 Saint-Léger (Lux) 2,119 Saint-Ivlarc (N) 7.^0 Saint-Mard ;Lux) 1,521 Saint-Martin (N) 637 Saint-Maur (H) 502 Saint-Médard (Lux) 710 Saint-Nicolas (Lu) 7,828 Saint-Pierre (Lux) 1,372 Saint-Remi (H) 459 Saint-Remi (Lu) 976 Saint-Sauveur (H) 1,901 Saint-Servais (N) 4,019 Saint-Séverin (Lu) 720 Saint-Symphorien (H) 1,020 Saint-Vincent (Lux) 608 Saive(Lu) 1,420 Salies (11) 380 Samart(N) 178 Samrée (Lux) 932 Sailardinge (O.-V) 1,646 Sars-la-Bruyère (H) 690 Sais-la-Buissière (H) 955 Sart (Lu) 2,131 Sart-Bemard iN) 600 Sart-Custinne (X) 293 Sart-Dame-Avelines (B) 2.168 Sart-en-Fagne (N) 218 Sart Eust.iche (N) 315 Sart Saint-Laurent (N) 548 Sautrur (N) 384 Sauvenière (rs) 1.230 Saventem (B) 3,601


1

Overwinning dlt;'r Fran-scüen op de Ooslenrijki i\- 1794)

ocr page 1033

— XXXI —

Schaarbeek (B) 65,069 Schaffen (B) 2,689 Schalkhoven (Li) 196 Schaltin (N) 875 Schelderode (Ü.-V) 1.072 Scheldewindeke (O. -V) 2,315 Schelle (A) 2,163 Schellebelle (O.-V) 2,315 Schendelbeke (O.-V) 1,228 Schepdaal (B) 1,879 Scherpenheuvel (h) 3,176 Schilde (A\ 1,877 Schoonaarde (O.-V) 1,803 Schoore (W.-V) 444 Schoorisse (O.-V) 2,426 Schooten (A) 4,189 Schriek (A) 2,220 Schuilcrskapelle (W.-V) 1,305 Schulen (Li) 1,013 Sclayn (N) 2,136 Scy(N) 322 Seilles (Lu) 3,209 Selange (Lux) 7.}!

Seloignes (H) 1,318 Semst (B) 2,916 Seneffe (M (H) 3,369 Sensenruth (Lux) 363 Seny (Lu) .^80 Senzeille (N) 815 Seraing (Lu) 38,426 Seraing-le-Chateau (Lu) 341 Serinchatnps (N) 961 Serville(N) 294 quot;s-Graven-Brakel (H) 8,901 quot;s-Graven-Voeren (Lu) 1,279 's-Graven-Wezel (A) 820 's-Heeren-Eldcren (Li) 466 Sibret (Lux) 1,148 Sichem (B) 3,037 Sichen-Sussen on Bolré (Li) [1,586

Sijseele (W.-V) 2,405 Silenrieux (N) 1,014 Silly (H) 2,281 Sinaai (O.-V) 4,862 Sinsin (N) 499 Sint-Amand (A) 3,933 Sint-Amandsberg(0. - V) 12,858 Sint-Andries (W.-V) 4,177 Gint-Antelins (O.-V) 886 Sint-Baafs-Vijve (W.-V) 1,681 Sint-Blasius-Boekel lO.-V) 915 Sint-Cornelis-Hoo'ebeke (O.-

lV) 789

Sint-Denijs (W.-V) 3,404 Sint-Deniis-Boekel(Ó.-V) 1,106 Sint-Dcmjs-Westrem (O.-V)

[2,166

Sinte-Agata-Berclu m(B) 1,588 Sinte-Agata-Rede (B) oio Sinte-Katelijne-Lombeek (B)

(2,278

Sinte - Katelijne - Waver (A)

[4 900

Sint-Elooi's-Vijve(VV.-V) 1,443 Sint-Elooi's-Winkel (W. -V)

[2,380

(1) Condé versloeg er Willem van Oranje (1674).

Sinte-Margriete (O.-V) 1,031 Sinte-Margriete-Houttm (B) [481

Snite-IMaria-Hoorebeke (O.-[V^ 1,703

Sinte-Maria Laathem (O.-V) [631

Sinte - Maria-Lierde (O.-V) [2,056

Sinte -Maria - Oudenhove (O.-[V) 2,562 Sinte-Renelle (B) 2,374 Sint-Genesis-Rode (B) 4,491 Sint-Gillis (Dendennonde) (O.-

C- . r--n- tj [V) 4,872

Sint - Gillis - op-Brussel (B)

[.5i,690

Sint-Gillis (Waas) (O.-V) 5,172 Sint-Gooriks-Oudenhove (O.-TT .. [V) 1,188

Sint-Huibrcchts-Lillei Li* 1.004 Sint-Jacobskapelle (W.-V) 212 Sint-fan (W.-V) 934 Sint-Jan-Gei st (B) 749 Sint-Jan-in-Eremo (O.-V) 931 Sint-Jans-Molenbeek\B)551565 Sint-Job in 't Goor (A) 538 Sint-Joos-ten-Oode (B) 32,213 Sint-Joris (Brugge) (W.-V) [1,491

Sint-Joris (Veurne)(W.-V) 318 Sint-j oris-Weert (B) 776 Sint- foris- Winge (B) 1,405 Sint-Kruis (W.-V) 2,987

Sint-Kwintens-Lennik( 13)2,899 Sint-Larabrechts-Heik(Li)i,484 Siot-Lambrechts-Woluwe (B) [3,181

Sint-Laureins (O.-V) 3,758 Sint-Laureins-Berchem (B) 226 Sint-Lenaarts (A) 1,926 Sint-Lievens-Essché (O.-V) [2,635

Sint-Lievens-Houtem (O.-V)

[2,409

Sint-Martens-Bodegera (B) 977 Sint-Martens-Laathem (O.-V)

[1,426

Sint-MartensLeerne(0-V)6o4 Sint-Martens-Lennik (B) 1,513 Sint-Marlens-Lierde (O . - V) [1,405

Sint-IMartens-VocroniLuj.oo^ Sint-Michiels (W.-V) 2,262 Sint-Nicolaas (O.-V) 30,152 Sint-Pauwels (O.-V) 2,467 Sint-Pieterskapelle (H) 1,711 Sint-Pieterskapelle (W-V) 240 Sint-Pieters-Leeuw (B) 7,180 Sint-Pieters-op den-Dijk (W.-[V) 1,225 Sint-Pieters-Rode (B) 973 Sint-Pieters-Voeren (Lu) 372 Sint-Pieters-Woluwe (B) 2,264 Sint-Reruigius-Geest (B) 057 Sint-Rijke waard (VV.-V) 247 Sint-Stevens-Woluwe (ti) 1,603 Sint-Truiden (Li) 13,621 Sint-Uirik-Kapelle (B) 908 Sint-Vaast (H) 1,749 Sippenaken (Lu) 330 Sirault (H) 2,807

Sivry (H) 2,772 Sleidinge \0.-V) 5,370 Slijpo (W.-V) 1,327 Slins (Lu) ggo Sluizen (B] 476 Sluizen (Li) 640 Smeerhebbe-Vloersegem (O.-[V) 471

Snietlede (O.-V) 1,031 Snaaskerke (W.-V) '833 Snellegem (W.-V) 1,209 Sohet-Tinlot (Lu) 413 Sohier (Lux) 415 Soiron (Lu) 728 Solre-Saint-Géry (H) 935 Solre-sur-Sambre (H) 1,904 Scmbreffe (N) 2,738 Somme-Leuze (N) 557 Sommethonne (Lux) 486 Sommière (N) 472 Somzée(N) 536 Sorée (N) 517 Sorinne (N) 580 Sorinnn-Ia-Longue (N) 345 Sosoye (X) 627 Soulme (N) 275 Soumagne (Lu) 4,259 Souraoy (N) 235 Souvret (H) 3,138 Sovet (N) 711 Soy (Lux) 1,196 Soye (X) 832 Spa (Lu) 8,607 Spalbeek (Li) 478 Spiennes (H) 430 Spiere (W.-V) 1,143 Spontin (X) 642 Spriruont (Lu) 3,867 Spy (X) 3.401 Stabroek (A) 3,779 Staden (W.-V) 5,557 Stalhille (W.-V) 900 Stambruges (H) 1,835 Stave (X) 751 Stavele (W.-V) 1,327 Stavelot (Lu) 4.831 Steendorp ;0.-V) 3,094 Steene (W.-V) 2,415 Steenhuffel (B) 2,162 Steenhuize-Wijnhuize (O.-V) [1,781

Steenkerke (1) (H) 768 Steenki-rke (W.-V\ 864 Steen-Okkerzeel (B) 2,061 Steenvoórt (Li) 1,015 Stekene (O.-V) 7,682 Stembert (Lu) 2,484 Sterrcbeek (B) 1,458 Stokkom (I-i) 1,766 Stokroile (Lij 598 Stoumont (I^u) 634 Straimont \Lux) 70}

Stróe (H) 1,364 Stróe (Lu) i,oqi Strépy (H) 6,451 Strijpen (O.-V) 1,525


1

Overwinning der Fran-schen op de boudgenooten (1692).

ocr page 1034

— XXXII —

Strijtcm (B) 765 Stroombeek-Bever (B) 1540 Stuivckenskerke (W.-V) 388 Suarlée (N) 385 Sugny (Lux) 1,071 Sulsike (O.-V) 1,023 Surice (N) 1,260 Suxy (Lux) 737

Tailles (Lux) 43^

Taintignies (H) 3,147 Tamines (N) 4,115 Tarcienre (N) 593 Ta vier (Lu) 1,142 Taviers (N) 777 Tavigny (Lux) 1,282 Tcllin (Lux) 719 Templeuve (£1)3,213 Temploux fX) 1,360 Temsche (O.-V) 12,145 Tenneville (Lux) 1,090 Ter-Alfcne (B) 1,631 Ter-I lagen (A) 2,964 Ter-Hulpe (B) 2,581 Termes (Lux) 366 Ternat (B) 2,588 Tertre (H) 2,105 Ter-Vuren (B) 3,283 Terwagne (Lu) 446 Tessenderloo (Li) 3,978 Testelt (B) 1,227 Teuven (Lu) 562 Tlieux (Lu) 5,411 Thieu (H) 1,522 Thieulain (H) 786 Tbieusies (H) 990 Thimcon (H) 1,659 Thimister (Lu) 2,312 Thimougies (II) 360 Th in es (B) 305 Thirimont \H) 629 Thisnes (Lu) 1,609 Thon (N) 994

Thorembais-les-Béguines (B) [821

Thorembais-Saint-Trond (B) [1,072

Thoricourt (II) 679 Thuillies (H) 2,045 Thuin (H) 5,924 Thulin (H) 2,505 Thuraaide (H) 656 Thy-le-Baudouin (N) 367 Th} -le-Chateau (N) 1,482 Tliynes (N) 606 Thys (Lu) 432 Tiegem (W.-V) 1,799 Tielen (A) 1,057 Tielrode (O.-V) 1,835 Tielt (B) 2,295 Tielt (W.-V) 10,584 Tienen (B) 17,026 Tignée (Lu) 241 Tinange (Lu) 1,585 Tildonk (B) 1,412 Tilf (Lu) 2,580 Tillet (Lux) 1,189 Tilleur (Lu) 6,914 Tillier (N) 259

Tilly (B) 932 . Tintange (Lux) 617 Tintigny (Lux) 1,329 Tisselt (A) 2,026 Toernich (Lux) 1,043 Tohogne (Lux) 1,648 Tollembeek (13) 2,399 Tongeren (*) (Li) 9,356 Tongerloo (A) 2,116 Tongerloo (Li) 665 Tongres-Notre-Darae (H) 635 Tongres-Saint-Martin (H) 164 Tongrinne (N) 1,441 Tontelange (Lux) 638 Torgny (Lux) 488 Torhout (W.-V) 9,900 Tourinne (Lux) 332 Tourinne-la-Grosse (B) 1,236 Tourinne-Saint-Lambert (B) [1,845

Tournai (Lux) 1,150 Tourpes (H) 975 Transinne (Lux) 521 Trazegnies (H) 5,934 Treignes (N) 739 Trembleur (Lu) 2,172 Tremeloo (B) 2,114 Trivières (H) 2,014 Truielingen (Lu) 453 Turnhout (1) (A) 20,383 Twee-Akkeren (H) 3948 Tweebeek (B) 4,983

u

Ucimont (Lux) 387 Uikhoven (Li) 695 Uitbergen (O.-V) 1,391 Uitkerke (W.-V) 1,614 Ukkel(B) 17,161 Ulbeek (Li) 644 Upigny (N) 281 Ursel (O.-V) 2,380

Vaalbeek (B) 209 Val-Meer (Li) 1,151 Vance (Lux) 643 Varendonk (A) 208 Virsenare (W.-V) 1,184 Vaucelles (N) 219 Vaux (Doornik) (H) 2,113 Vaux (Thuin) (H) 136 Vaux-Chavanne (Lux) 428 Vaux-et-Borset (Lu) 999 Vaux-sous-Cbèvremont (Lu) [4,260

Vechmaal (Li) 710 Vedrin (N) 2,108 Veerle (A) 1,598 Velaine (H) 2,125 Velaine (N) 2,524 Veld-Wezet (Li) 1,471 Vellereille-le-Sec (H) 167 Vellereille-lez-Brayeex(H) 634 Velm (Li) 1.058 Velroux (Lu) 610 Velsike- Ruddershove (O.-V) [2,806

Veltem-Beisem (B) 1,408 Vencimont (N) 769 Vergnies (H) 300 Verlaine (Lu) 1,775 Verlée (N) 158 Verrebroek (O.-V) 1,339 Vertrijk (B) 662 Verviers (Lu) 52,445 Vesqueville (Lux) 425 Veulen (Li) 423 Veurne (2j (W.-V) 5,744 Vezin (N^ 1,994 Vezon (H) 1,523 Viane (O.-V) 1,571 Vichte (W.-V) 1,170 Vielsalm (Lux) 3,44°

Viemme (Lu) 703 Viersel (A) 568 Vierset-Barse (Lu) 1,976 Vierves (N) 818 Viesville (H) 2,085 Vieux-Genappe (B) 1,280 Vieuxville (Lu) 236 Vieux-WalefTe (Lu) 403 Villance (Lux) 555 Ville-en-Hesbaye (Lu) 761 Ville-Pommerccul (H) 857 Villerot (H) 539 Villers-aux-Tours (Lu) 507 Villers-de-Stad (B) 1,125 Villers-devant-Orval (Lux) 727 Villers-deux-Eglises ^N) 426 Villers-en-Fagne (N) 205 Villers-la-Bonne-Eau (Lux) [627

Villers-La-Louo (Lux) 615 Villers-la-Tour (H) 650 Villers-le-Bouillet (Lu) 2,618 Villers-le-Gambon (N) 415 Villers-le-Peuplier (Lu) 726 Villers-le-Temple (Lu) 1,090 Villers-l'Evêque (Lu) 1.333 Villers-lez-Heest (N) 570 Villers-Notre-Dame (H) 267 Villers-Perwin (H) 1,149 Villers-Potterie (tH 578 Villers-Saint-Amand (H) 598 Villers-Sainte- Gertrude (Lux) [350

Villers-Saint-Ghislain (H) 597 Villers-Saint-Simcon (Lu) 399 Villers-sur-Lesse (N) 684 Villers-sur-Semois (Lux) 685 Ville-sur-Haine (H) 997

(1) Filip de Schoone versloeg er Gewijde van Dampierre (1297).


1

Overwinning van Mau-rits van Nassau op de Spanjaards (1597),^ der Patriotten op de Oostenrijkers (1789).

2

Werd verwoest door de Franschen (4® eeuw), door At-tila (5®eeuw), door de Noormannen (9® eeuw), door Karei den Stonic (150 eeuw).

ocr page 1035

Vilvoorde (I gt;) 12,974 Vinalmont (Lu; 1,540 Vinderhoute (Ü.-Vquot;) 7^8 Vinkem (W.-V)58r Vinkt (Ü.-V) 1,081 Virelles (H) 002 Virginal-Samrae (13) 2,051 Virton (Lux) 2,466 Visé (Lu) 3,281 Vissenakm (B) 1,037 Vissoul (Lu) 276 Vitrival (N) 878 Vivegnis (Lu) 1,843 Vivy (Lux) 449 Vladsloo (w.-V) 2,142 Vlamertinge (W.-V) ï,'js;2 Vlekkem (O.-V) 292 Vlezenbeek (13) 1,503 Vliermaal (Li) 1,219 Vliermaairood (Li) 634 Vlierzele (Ü.-V) 2,294 Vlijtiugen (Li) 1,231 Vlimmeren (A) 469 Vlissegem (W.-V) 1,116 Vloesüerg \H) 4,140 Vodecée (N) 233 Vodelée (N) 250 Vogcnéc(X) 202 Volkegem [O.-V) 591 Vollezeel (13) 1,697 Vonèchc(N) 789 Voord (Li) 200 Voorde (Ü.-V) 1,060 Voormezele (W.-V) 1,366 Voroux-Goreux (Lu) 666 Voroux-lez-Liers (Lu) 437 Vorselaar (A) 2,051 Vorsen (Li) 369 Vorst (A) 2,490 Vorst (13) 8,033 Vosselaar (A) 1,241 Vosselare (O.-V) 771 Vossem (15) 979 Vottem (Lu) 3,635 Vrasene (Ü.-V) 5,990 Vrerade (A) 906 Vresse (N) 185 Vroenhoven (Li) 841 Vucht (Li) 506 Vurste (Ü.-V) 1,064 Vyle-et-Tharoul (Lu) 606

W

Waalhem (A) 1,290 Waanrode (B) 1,046 Waarbeke (O.-V) 353 Waardamme (W.-V) 984 Waarloos (A) 828 Waarmaarde (W.-V) 816 Waarschoot (Ü.-V) 5,879 Waasmunster (Ü.-V) 5,822 Waasmond (Lu) 953 Waasten (W.-V) 3,579 Wacbtebeke (O.-V) 5,440 Wadelincourt (H) 393 Wagnelée (H) 870 Waha (Lux) 1,639 Waillet(N) 221 Wakken (W.-V) 2,358

Walcourt (1) (N) 1,704 Walhain-Saint-Paul (B) 1,9^0 Wals-Betz (Lu) 272 Wals-Houtem (Lu) 1,109 Waltwilder (Li) 695 Wambeek (13) 1,567 Wancennes(N) 248 Wandre (Lu) 4,89 ^ Wanfercée-Baulet (H) 5,459 Wangenies (H) 1,219 Wanghe (Lu) 218 Wanlin (N) 551.

Wanne (Lu; 1,047 Wannebeek (H) 924 Wannegem-Lede 1Ü.-V) 1,202 Wansin (Lu) 383 Wanze (Lu) 1,137 Wanzcle \Ü.-Vquot;) 738 Warcnin (11) 530 Warcoing (H) 1,071 Wardin (Lux) 1,547 Waregem (W.-V) 7,715 Waret-la-Cbaussee (N) 079 Wart-t-l'.Evêque (Lu) 954 Warisoulx (N) 594 Warnant (N) 647 Warnaut-Dreye (Lu) 1,476 Warquignies (tl) 1,218 Waisage (Lu) 776 Warace (Lu) 488 Wasmes (H) 14,240 Wasmes - Audemez- Britficil [(H) 840

Wasmuel (H) 3,086 Wasseiges (Lu) 1,221 Waterland-Oudeman (O.-V)

[908

Waterloo (B) 3,880 Watervliet (Ü.-V) 2,627 Watou (W.-V) 3,764 Watlripont (li) 343 Waudrez (H) 1,039 Waulsort (N) 395 Waver (2) (B) 8,144 Wavreille (N) 487 Wayaux (H) 498 Ways (13) 667 Webbekom (B) 512 Wecher-ter-Zande (A) 572 Weelde (A) 1,204 Weerde (B) 749 Weert (A) 754'

Wegnez (Lu) 2,668 Weier (Li) 661 Weillen (Nquot;) 394

elden (O.-V) 1,231 Welkenraad (Lu) 3,171 Welle (O.-V) 1,695 Wellen (Li) 2,451 Wellin (Lux) 887 Wemmei (B) 1,566 Wenduine (W.-V) 453 Wépion (N) 1,541 Werbomont (Lu) 342 Wercbter (B) 2,320

Wcris (Lux) 792 Werken (W.-V) 1,510 Werm (Liï 213 Wervik (W.-V) 8,498 Wesemaal (B) 1,828 Wespelaar (B) 1,099 Westende \\V.-V) 812 Westerloo (A) 3,326 West-Herk (Li) 2,552 Westkapelle (W.-V) 1,487 Westkerke (W.-V) 1,239 West-Malle (A) 1,601 West-Meerbeek (A) 717 Westoutre (W.-V) 1,563 Westrem (Ü.-V) 806 West-Rozebeke (lj (W.-V) [2,308

West-Vleteren (^ .-V) 1,940 West-Wezel (A) 2,998 Wetteren (Ü.-V) 13,999 Wevelgem (W.-V) 7,348 W'ezenbeek (B) 1,367 Wezeren (Lu) 239 Wez-Vel vain (H) 1,345 Wibrin (Lux) 1,293 Wichelen (Ü.-V) 2,730 Widooi (Li) 291 Wiekevorst (A) 1,3^0 Wielsbeke (W.-V) 1,860 Wierde (N) 862 Wiers (H) 3,767 Wies me (N) 249 Wieze (O.-V) 2.183 Wihéries (H) 2,879 Wibogne (Lu) 359 Wijgmaal (Li) 647 Wijnegem (A) 3,342 Wijshagen (Li) 269 Wijtsgate (W.-V) 3,444 Wilderen (Li) 228 Willaupuis (H) 696 Willebringen ^B) 660 Willebroek (A) 9,346 Willemeau (H) 621 Willerzie (N) 551 Wilmarsdonk (A) 1,569 Wilrijk (A) 6,275 Wilsele (B) 2,720 Wilskerke (W.-V) 345 Wimmertingen (Li) 135 Winenne (N) 1,603 Wingene (W.-V) 8,192 Winkel (Ü.-V) 2,577 Winksele (B) 1,484 Wintershoven (Li) 257 Witry (Lux) 799 Wodecq (H) 2,087 Woesten (W.-V) 1,321 Wolvertem (B) 3,866 Wommelgem (A) 2,664 Wommersom (B) 842 Wondelgem (Ü.-V) 2,610 Wonk (Li) 1,705 Wontergem (Ü.-V) 867 Wortegem (O.-V) 2,531 Wortel (A) 736

(1) Karei VI, koning van Frankrijk, versloeg er de Vlamingen (1382).


1

Overwinning der bondge-nooten op de i' ranschen (1689).

2

Overwinning der Pruisen op de Franscben (1815).

ocr page 1036

quot;Woubrechte^em (O.-V) 077 Woumen (W.-V) 3,537 Wouter-Brakel (B) 1,464 AVouterinfjen (Li) 452 Wulpen (W-V) 99^ Wulvergem (W.-Vi 512 W^ulveringen (W.-V) 900

X

Xhendelesse (Lu) 979 Xhendremaal (Lu) 1,138 Xhoris (Lu) 828

Y

Yernée-Fraineux (Lu) 317 Yves-Goraezce (N) 1,380 Yvoir (N) i,coo

— XXXTV —

z

Zaffelare (O.-V) 3,626 Zandbergen (Ü.-V) 1,366 Zande (W.-V) 597 Zandhoven (A) 1,126 Zandvliet (A) 2,624 Zandvoorde (Ieper)(W.-V) 972 Zandvoorde (Oostende) (W.-[V) 963

Zarren (W.-V) 3,088 Zedelgem (W.-V) 4,940 Zeelhem (Li) 872 Zeevergem O.-V) 1,281 Zegelsem (O.-V) 1,663 Zele (O.-V) 12,456 Zellik (B) 989 Zelzate (O.-V) 6,030 Zcmmerzake (O.-V) 1,276 Zepperen (Li* 1,545 Zerkegera (W.-V) 1,381 Zevekote (W.-V) 711

Zevcnecken (O.-V) 2,044 Zeveren (O.-V) 035 Zillebeke (W.-V) 2,064 Zingem (O.-V) 2,550 Zittard-Lummen (B) 1,642 Zoerle-Panvijs (A) 616 Zoersel (A) 1,034 Zoetenaai (W.-V) 28 Zoetendaal (Li) 1,012 Zolder (Li) 2,177 Zomergem (O.-V) 5,950 Zonhoven (J^i) 2,893 Zoningen (H) 9,639 Zonnebeke (W.-V) 3,747 Zonnegem (O.-V) 562 Zottegeni (O.-V) 4,024 Zoutleeuw (B) 2,167 Zuidschote (VV.-V) 043 Zuienkerke (W.-V) 1,046 Zulte (O.-V) 2;464 Zwevegem (W.-V) 4,985 Zwevezele (W.-V) 5,976 Zwijnaarde (O.-V) 3,262 Zwijndrecht (O.-V) 5,725


ocr page 1037

(\

NEDERLAND.

W4

Jt^rovinciên.

Drente

Friesland

Gelderland .

Groningen .

Limburg

Noord-Brabant

Noord-Holland

Overijsel

Utrecht

Zeeland

Zuid-Holland

Aaglekerke (Z) {*) 600 Aalsmeer (N.-H) 4,696 Aalst (N.-B) 600 Aalten (G) 7,102 Aarden burg (Z) 1,950 Aarlanderveen (Z.-H) 3,195 Aarle Rikstel (N.-B) 1,581 Abbekerk (N.-H) 716 Abbenbroek (Z.-H) 690 Abkoude - Baambrugge (U) C^S28

Abkoude-Proosdij (U) 1,602 Achtkarspelen (F) 11,478 Achttienhoven (U) 605 Adorp (Gr) 1,455 Aduard (Gr) 2,028 Akersloot (N.-H) 1, -74 Aksel (Z) 4,039 Alblasserdam (Z.-H) 5,050 Alem, Maren ea Kessel (N.-B)

[1gt;257

Alfen (Z.-H) 4,630 Alfen en Riel (N.-B) 1,746 Alkemade (Z.-H) 4,349 Alkmaar (N.-H) 17,349 Almeloo (Ambt) (O) 6,619 Almeloo \Stad) (O) 9,222 Almkerk (N.-B) 3,199 Ambij (L) 1,063 Ameide (Z.-H) 1 541 Ameland (F) 2,204

Het Rijk

G-eineeiiten .

Araerongen (U) 2,467 Amersfoort (U) 17,979 Aramerstol (Z.-H) 1,187 Ammerzoden (G) 2,277 Amstenrade (L) S29 Amsterdam ^N.-ï-I) 494,189 Andel (N.-B) 1,006 Andijk (N.-H) 2,680 Angerloo (G) 2,086 Ankeveen (N.-H) 518 Anloo (D) 3,556 Anna-Paulowna (N.-H) 2,911 Apeldoorn (G) 22,942 Appelteren (G) 3,000 Appingedam (Gr) 4,447 Arcen en Velden (L) 2,139 Arkel (Z.-H) 806 Arnemuiden (Z) 2,174 Arnhem (G) 55.064 Asperen (Z.-H) 1,591 Assen (D) 10,649 Assendelft (N.-H) 3.470 Asten (N.-B) 3,331 Avenhorn (N.-H) 1,201 Averreest (O) 6,387

Baaksem (L) 713 Baarderadeel (F) 6,ci4 Baardwijk (N.-B) 1,600 Baarland (Z) 718 Baarle-Nassau (N.-B) 2,189

Hectaren» 205,238 33O.687

■193.431 234,384 220,260 485,973 27S.633 331.93= 138.470 167,723 301,090

3,244.827

Baarn (U) 6,295

Bafloo (Gr) 2,563

Bakel en Milheeze (N.-B) 1,693

Balgooie (Gr) 474

Barendrecht (Z.-H) 3,241

Barneveld (G) 7,690

Barradeel (F) 7,612

Barsingerhorn (N.-H) 2,102

Barwoudswaardcr (Z.-H) 809

Batenburg (G) 578

Batmen (O) 1,387

JBeduni (Gr) 5,101

Beegden (L) 065

Beek (L) 2,888

Beek en Donk (N.-B) 1,765

Beemster (N.-H) 4,582

Beers (N.-B) 791

Beerta (Gr) 4,244

Beesd (G) 2,467

Beets (N.-H) 566

Beilen (D) 4,802

Bellingwolde (Gr) 4,713

Belveld (L) 739

Bemelen (L) 285

Beramel (G) 5,784

Bennebroek (N.-H) 1,271

Benschop (U) 1,835

Benthuizen (Z.-H) 647

Berchem (N.-B) 1,993

Berg (G) 6,521

Bergambacht (Z.-H) 3,024

Bergeik (N.-B) 1,816

Bergen (L) 4,951

Bergen (N.-H) 1,486

Iiiwoners. 143,028 339.425 548.748

292,834 276,239 539.725 933.692 319.494 241,178 211,617 1,082,978

41928,658

ij

u


1

Verkortingen : (D) = Drente. (F) = Friesland. (G) =Gelderland. (Gr) =a Groningen.

ocr page 1038

— XXXVI —

Bergen-op-Zoom (N.-B) 13,524 Berg en Terblijt (L) 1,326 Bergharen (G) 1,543 Bergschenhoek (Z.-H^ 1,206 Berkel (Z.-H) 1,657 Berkel, Enschot en Heukelum [N.-B) 1,318 Berkenwoude (Z.-H) 624 Berkhout (N.-H) 2,331 Berlikum (X.-B) 2,741 Bost (N.-B) 2,437 Beuken en Rijkevoort (N.-B) [1,580

Beuningen (G) 2,391 Beuzichem (G) 1,788 Beverwijk (N.-H) 4,986 Bezel (L) 2,002 Bezooien (N.-B) 1,624 Bierum (Gr) 3,782 Biervliet (Z) 2,291 Biggekerkc (Z) 681 Bingelradc (L) 405 Bladel en Netersel (N.-B) 1,388 Blankenham (O) 520 Blarikum (N.-H) 866 Bleiswijk (Z.-H) 1,616 Bleskensgraaf (Z.-H) 902 Bloeraendaal (N.-H) 5,127 Blokker (N.-H) 1,695 Blokzijl (O) 1,502 Bocholz (L) 1,652 Bodegraven (Z.-H) 4,020 Boekei (N.-B) 2,382 Bokhoven (N.-B) 239 Boksmeer (N -B) 2,361 Bokstel (N.-B, 6,490 Bolsward (F) 6,212 Borger (D) 6,723 Borgharen (L) 699 Borkel en Schaft (N.-B) 523 Bokerloo (G) 4,048 Born (L) 1,649 Borne (O) 4,744 Borsele (Z) 1,070 Boschkapelle (Z) 1,214 Boskoop (Z.-H) 3,8|8 Bovenkarspel ^N.-ll) 1,812 Brakel (G) 1,425 Brandwijk (Z.-H) 870 Breda (N.-B) 25,168 Bteskens {Z) 1,750

Breukelen-Nijenrode (U) 2,266 Breukelen-Sint-Pieters ,U) 863 Brielle (1^ (Z.-II) 4,201 Broekhuizen (L) 827 Broek-in-AVaterland (N.-H)

0,584

Broek op-L.angendijk (N.-H)

[1,510

Broek-Sittard (L) 641 Brouwershaven (Z) 1 347 Bruinisse (Z) 2,544 Brummen iG) 7,^75 Brunsum (L) 1,192 Budel (N.-B) 2,409 Buggenum (L) 678 Buiksloot (N.-H) 1,109

Bunde (L) 1,035 Bunnik (U) 1,166 Bunschoten (U) 2,738 Buren (G) 1,852 Bur g (Z) é6l Bussum (N.-H) 5,519 Buurmalsen (G) 1,870

Chaam (N.-B) 1,340 D

Dalen (D) 2,766 Dalfsen (O) 5,307 Dantumadeel (F) 10,902 De Bilt (U) 2,871 Deil (G) 2,267 Delden (Ambt) (O) 2,883 Delden (Stad) (O) 1,874 Delft (Z.-H) 32,021 Delfzijl (Gr) 7,146 De Lier (Z.-H) 1,162 Den Bommel (Z.-H) 1,582 Den Dungen (N.-B) 1,340 Denekamp (O) 3,934 De Rijp (N.-Hi 1,050 Deurne en Liesel (N.-B) 6,227 Deursen en Dennenburg (N.-

[B) 385

Deventer (O) 25,527 De Werken en Sleeswijk (N.-[B) 2,851

De Wijk (D) 2,574 Diedam (G) 3,986 Dieden,Demen en Langel (N.-[B) 535

Diemen (N.-H) 1,478 Diepenheim (O) 1,580 Diepenveen (O) 4,029 Diesen (N.-B) 1,047 Diever (D) 1,993 Dingsperloo (G) 2,574 Dinteloord en Prinsenland (N,-[B) 3,044

Dinter (N -B) 1,636 Dirksland (Z.-H) 2,093 Doesburg (G) 4,498 Doetichem (Ambt) (G) 4,508 Doetichem (Stad) (G) 3,794 Dokkum (F) 4,072 Dumburg (Zi 1,069 Dommelen (N.-B) 361 Dongen (N.-B 5,156 Doniawerstal (F) 4,755 Doodewaard (G) 1,962 Doorn (U) 2,162 Doornspijk (G) 3,34° Dordrecht (Z.-H) 36,687 Dorenweerd (G) 412 Dreischor (Z) 1,231 Dreumel (G) 2,149 Driebergen (U) 3,044 Driel (G) 3,333 Driewegen (Z) 556 Drongelen, Haagoord, Gansooien en Doeveren (N.-B) 422

Drunen (N.-B) 2,881

Druten (G) 4,316 Dubbeldam (a.-H) 5,080 Duiven (G) 2,021 Duivendijke (Z) 558 Duizel en Steensel (N.-B) 563 Dassen (N.-Bi 2,981 Dwingeloo (D) 2,301

Echt (L) 5,306 Echteld (G) 2,574 Edam (N.-H) 6,458 Ede (G) 14,430 Ede (Z) 1,163 Eelde (D) 2,080 Eemnes (U) 1,291 Eenrum (Gr) 2,750 Eersel (N.-B) 1,003 E^mond-aan-Zee (N.-H) 2,501 Egmond-Binnen (N.-H) 1,524 Eibergen (G) 5,099 Eigelshoven (L) 558 Eindhoven (N.-B) 4,601 Eisden (L) 2,438 Elburg 'G) 2,672 Elkersee (Z) 484 Ellemeet (Z) 513 Ellewoudsdijk (Z) 697 Elsloo (L) 1,446 Eist (G) 6,636 Eramen (D) 17.682 Empel en Meerwijk (N.-B) 584 Engelen (N.-B) 401 Engwirden (F) 4,144 Enkhuizen (N.-H) 6,838 Enschede (O) 20,367 Epe (G) 8,158 Erraeloo (G) 6,763 Erp (N.-B) 2,377 Esch (N.-) 494 Escharen (N.-B) 1,032 Est en Op-IJnen (G^ 1,113 Etten en Leur (N.-B) 6,441 Everdingen (Z.-H) i,i94 Ewijk (G) 2,087 Ezinge (Gr) i,86S

Ferwerderadeel (F) 8,148 Fijnaart en Heiningen (N.-B)

Filippine (Z) 887 Finsterwolde (Gr) 3,088 Franeker (B) 7,133 Franekeradeel (F) 5,141 Fries (D) 3,100 Friezenveer (O) 3,97i

Gaasterland (F) 5,413 Gameren (G) 1,791.

Gassel (N.-B) 582 Gasselte (D) 2,313 Geertruidenberg (N.-B) 2,074 Geervliet (Z.-H) 1,134 Geifen (N.-B) 1,440


1

Werd veroverd door de Watergeuzen (1572).

ocr page 1039

— XXXVII —

ü

Gelderraalsen (G) 3,156 Geldrop (N.-B) 2,588 Geleen (L) 2,595 Gemert (N.-B) 4,51-/ Gendringen (G) 6,211 Genemuiden (ü) 2,850 Gennep (L) 1,931 Gent (G) 2,639

Gestel en Blaartem(N.-B) 2,932 Geul (L) 1,039 Giesen (N.-B) 515 Giesendam (Z.-H) 3,663 Giesen-Nieuwkerk (Z.-H) 865 Gieten (D) 2,308 Giethoorn (Oj 2,044 Gilze en Rijen (N.-B) 3,547 Ginneken en Bavel (N.-B)5,403 Goedereede (Z.H) 1,154 Goes (Z) 6,674 Goor (O) 3,105 Goorle (N.-B) 2,493 Gorinchem (*) (Gorkum) (Z.-[H) 11,865

Gorsel (G) 4,' qi Gouda (Z -H) 21,358 Gouderak (Z.-H) 1,701 Goudriaan (Z. H) 6.'5 Goudswaard (Z.-H) 1,164 Grafhorst (O) 649 Graft (N.-H) 1,491 Gramsbergen (O) 3,281 Gratem (L) 1,134 Grauw (Z) 2.017 Grave (N.-B) 2,427 Grevcnbicht (L) 1,181 Grijpskerk [Gr) 3,304 Grijpskorke (Z) 784 Groede (Z) 2,484 Groen loo (G) 2,737 Groesbeek (G) 5,584 Groningen (Gr) 62,295 Gronsveld (L) 1,977 Groot-Ammers (Z.-H) 1,486 Grootebroek (N.-H) 2,395 Grootegast (Gr) 5,060 Grubbenvorst (L) 1,826 Gulpen (L) 2,651

H

Haaften (G) 2,363 Haaksbergen (0)4,959 Haamstede (Zi 882 Haarlem (1) (N.-H) 60,788 Haarlemmerliede en Spaarn-[woude (N.-H) 3,090 Haarlemmermeer (N.-H)i6,io3 Haarzuilens (U) 456 Haastrecht (Z.-H) 1,702 Hagestein (Z.-H) g-iS Halen (L) 900 Halsteren (N.-B) 3,136 Haps (N.-B) 975 Hardenberg (Ambt) (O) 8,221 Hardenberg (Stad) (O) 1,554

Harderwijk (G) 7,417 Hardingsveld (Z.-Ii) 5,042 Haren (Gr) 4,422 Haren (N.-B) 1,760 Harenkarspel (N.-H) 2,052 Harlingen (F) 10,520 Harmeien ^U) 1,914 Maskeiland (F) 7,525 Hasselt (O) 2,49;

Hattem (G) 2,967 Havelte (D) 3,128 Hazerswoude (Z.-H) 3,392

Hedel (G) 1,735

Hedikhuizen (N.-B) 1,126 Heel en Panheel (L) 1,120 Heemskerk (N.-H) 2,235 Heemstede (N.-H) 4,536 Heenvliet (Z.-H) 1,341 Heer (L) 2,083 Heerde (G) 5,682 Heerenwaarden (G) 845 Heer-Hugowaard (N.-H, 2,735 Heer-Jans-Dam (Z.-H) 1,487 Heerlen (L) 5,539 Heesbeen, Eten en Genderen [(N.-B) 1,084 Heesch (N.-B) 2,148 Heeswiik (N.-B) 1,108 Heeze (N.-B) 1,783 Heidhuizen (L) 2,306 Hei- en Boeikop (Z.-H) 609 Heiloo (N.-H) 1,756 Heinenoord (Z.-H) 1,888 Heinskenszand (Z) 1,608 Heinoo (O) 2,056 Hekelingen (Z.-H) 973 Hekendorp (Z.-H] 654 Helden (L) 4,155 Helder (N.-H) 25,628 Hellendoorn (O) 7,038 Hellevoetsluis (Z.-H) 4,467 Helmond (N.-B) 10,187 Heivoort (N.-B) 1,672 Hemelumer-üldefaart en

[Noordwolde (F) 5,039 Hemmen (G) 205 Hendrik-ldo-Ambaeht (Z.-H) [2,969

Hengeloo (G) 3,480 Hengeloo (ü) «3,089 Hengstdijk (Z) O21 Hennaarderadeel (F) 5,274 Hensbroek (N.-H) 868 Herkingen (Z.-H) 731 Herpen (N.-B) 1,611 Herpt (N.-B) 516 Herten (L) 1,138 Herwen en Aard (G) 3,629 Herwijnen (G) 1,896 Het Bilt (Z) 8,668 Heteren (G) 3,188 Het Zand (Gr) 3,257 Heukelum (Z.-H) 1,525 Heumen (G) 1,545 Heusden (N.-B) 2,067 Hillegersberg (Z.-H) 5,307 Hillegom (Z.-H) 4,699' Hilvarenbeek (N.-B) 2,458 Hilversum (N.-PI) 16,499 Hindeloopen (F) 1,083 Hoedekenskerke (Z) 1,062 Hoek (Z) 2,164

Hoenkoop (U) 438 Hoensbroek (L) 1,320 Hoevelaken (G) 1,008 Hoeven (N.-B) 2)ó?2 Hof-van-Delft (Z.-H) 3.332 Holten (O) 2,833 Hontenisse (Z) 5,103 Hoofdplaat (Z) 1,447 Hoog-Blokland (Z.-H) 757 Hooge- en Lage-Mierde (N.-[Ö) 1,303

Hooge- en Lage-Zwaluwe (N.-[B) 4,328

Hoogeloon, Hapert en Kasteden (N.-B) 1,436 Hoogeveen (D) 12,020 Hoogezand (Gr) 9,867 Hoogkarspel (N.-H) 1,252 Hoogkerk (Gr) 1,784 Hoogland (U) 2,314 Hoogvliet (Z.-H) 1,059 Hoogwoud (N.-H) 2,118 Hoorn (N.-H) 10,625 Hoornaar (Z.-H) 598 Horn (L) 1,286 Horsen (G) 856 Horst (L) 4,475 Houtem (L) 1,199 Houten (U) 1,935 Huibergen (N.-B) 801 Huiseling en Neerloon (N.-B) [638

Huisen (G) 4,357 Huizen (N.-H) 4,580 Hulsberg (L) 1,623 Hulst (Z) 2,610 Hummeloo (G) 3,060 Hunsel (L) 1,048 Hurwenen (G) 596

Idaarderadeel (F) 5,452 lerseke (Z) 4,466 Ijlst (F) 1,437 Ijselmonde (Z.-H) 3,249 I selnuiiden (O) 2,344 Iselsteiu (U) 3,562 1 zendoorn (G) 580 r zendijke (Z) 2,840 I pendam (N.-H) 1,952

Itteren (L) 540 Ittervoort (L) 267

Jaarsveld (U) 1,637 Jabeek (L) 423 Jisp (N.-H) 782 Jutfaas (Ij) 2,540

K

Kadier en Keer (L) 818 Kadzand (Z) 1,125 Kallantsoog (N.-H) 627 Kamerik (ü) 1,831 Kampen (O) 29,688 Kamperveen (O) 641


1

Beleg van Haarlem(i572).

ocr page 1040

— XXXVIU —

Kantens (Gr) 2,246 Kapelle (N.-B) 2,524 Kapelle (Z) 1,907 TT , r7 K;ipelle-aan-den-IJsel iA.-n)

[3»^3quot;

Kastrikum (N.-H) 1,806 Kats (Z) 552 Kattendijke (Z) 1,055 Katwijk ^Z.-H) 7,843 Katwoude (N.-H) 232 Kcdichcm (Z.-li) 914 Kerkrade lL) 8,224 Kerkwerve (Z) 641 Kerkwijk (ü) 1,023 Kessel {L) 1,394 Kesteren ^Ci) 3,035 Ketel (Z.-H) 1,434 Klaaswaal (Z.-ti) 1,764 Klimmen (L) 1,224 Klinge (Z) 2,867 Kloetinge (Z) 1,296 Kloosterburen (Gr) 2,055 Klundert (N.-B) 3,651 Koedijk (N.-H) 1,111 Koevorden (D) 3,404 Koewacht (Z) 2,346 Kokkengen (U) »08 Kolijnsplaat (Z) 1,887 Kollummerland 'in Niouw-[Kruisland vl') 7.412

Koog-aan-de-Zaan\N 11)2,968

Kortenhofcf (N.-H) 1,053 Kortgene (Z) 1,107 Koten (U) 801 Koudekerk (Z.-H) i,407 Koudckerke (Z) 2,102 Krabbendijke (Z) 1.98° r

Krimpen-aan-de-Lek (Z.-iM

[^,389

Krimpen-a.an-den-ljsel (Z.-H)

[2,496

Krommenie (N.-H) 2,901 Kromvoort (N.-B) 520 Kruiningen (Z) 3,065 Kuik en Smte-Agatha (N.-Ji) [2,755

Kuilenburg (G) 8,200 Kuinre (O) 884 Kwadijk (N.-H) 501

Laag-Nieuwkoop (U) 425 Landsmeer (N.-H) 1,963 Langbrotk (U) 1,225 Langerak (Z.-H) 1,030

Lange-Ruige-Weide(Z.-H)öi6

Laren (G) 3,783 Laren (N.-H) 2,239 Leek (Gr) 5,087 Leende (N.-B) 1,256 Leens (Gr) 3,937 Leerbroek (Z.-H) 769 Leerdam (Z.-H) 4,787 Leersum (U) 1,142 Leeuwarden (F) 31,59® Leeuwarderadeel (F) 10,390 Leiden (Z.-H) 53,368 Leiderdorp (Z.-H) 1,791 Leimuiden (Z.-H) 1.534 Lekkerkerk (Z.-H) 3,537

Ltksmond (Z.-H) 1,698 Lemsterland (F) 5,970 Leusden (U) 2,005 Lichtenvoorde (G) 4,53°

Liemde (N. B) 1,427 Lienden (G) 4,197 Lierop (N.-B) 843 Lieshout (N.-B) 1,268 Limbrictit (L) 1,389 Limmcn (N.-H) 1,17°

Linden (N.-B) 509 Linne (L) 1,019 Linscboten (U) 1,415 Lisse (Z.-H) 3,489 Lit (N.-B) 1,246 Littooien (N.-13) 678 Lochem (G) 3.941Loenen (U) 1,392

Loenersloot (U) 476 Lonneker (O) 8,870 Loon-op-Zand (N.-B) 7,614 Loosdrtcht (U) 2,95» Loosduinen ^Z.-H) 5,149 Lopik lU) 1,675 Loppersum (Gr) 2,981 Losser (O) 6,111 Luiksgestel (N.-B) 857

M

Maarheeze (N.-B) 556 Maarn (U) 763 Maarsen (U) 2,037 Maarseveen (U) i,I49 Maasbracht (L) 1,599 ^laasbree (L) 6,43?

Maasdam (Z.-H) 1,74° Maashees en Over-Loon (N.-[B) 1,380 Maasland (Z.-H) 2,627 1 Maasniel (L) 2,416 Maassluis (Z.-H) 7,613 Maastricht i1) (L) 33,834 Made en Drimmelen (N.-15) [3.75-

Margraten (L) 1,06},

Markeloo (0) 4,187 Marken (N.-H) 1,305 Marum (Gr) 4,219 Maurik (G) 3,974 Medemblik UN.-H) 2,900 Meeden (Gr) 1,610 Meer (L) 838 Meerkerk (Z.-H) 1,018 Meerloo (L) 1,650 Meersen (L) 4.619,, , , Meeuwen, Hn en Babylonen-[broek (N.-B) 796 Meeen, Haren en Mac har en [(N.-B) 1,812

Meiel (L) 1,642

Melik en Herkenbosch(L)2,i62

(i)\VerJ verwoest door Atti-la (5C eeuw), door de Noormannen (881), veioverd door AU xander Farnese(i579).quot;oor Lodewijk XIV (1673), Franschen (1794)-

Meliskerke (Z) 548 Melissanc^ (7..-H) 1,489 Menaldumadeei (F) 10,269 Meppel (ü) 9,840 Merkelbeek (L) 637 Mesch (L) 256 ^Middelburg (Z) 18,477 Middelharnis (Z.-H) 4,111 Middelie (N.-H) 750 Middelstum (Gr) 2,377 Midwolde (Gr) 4,577 Mid woud (N.-H) 979 Mierloo (N.-B) 2,685 Mijdrecht (U) 3,655 Mijns-Heerenland \Z.-H) 1,^97 Mil en Sint-Hubert(NT.-B)2,365

MiUingen (G) 2,624 Moergestel (N.-B) 1,398 Moerkapelie (Z.-H) 581 Molenaarsgraaf (Z.-H) 5'?9 Monnikendam (N.-H) 2,637 Monster (Z.-H) 4,777 Montfort (L) 810 Montfoort (U) 1,821 Mook (L) 1,339

Moordrecht (Z.-H) 2,117 Muiden (N.-H) 2,14b Munstergeleen (L) 085 Muntendam (Gr) 3,194

N

Naaldwijk (Z.-H) 4,921 Xaarden (l) (N.-H) 3,34I Ncde (G) 3,578 Neder-Hemert (G) 810 Nederhorst-den-Berg (N.-H)

Li,335

Nederweerd (L) 5,076 Neer (L) 1,646 Neer-Itter gt;L) 674 j Nibbikswoud (N.-H) 1,125 1 Nichtevecht (U) 801 ; Nieuw-Beierland (Z -H) 1,560 I Nieuwendam (N.-H) 1,631 ! Nieuwenhagen (L) i,334

Nieuwenhoorn (Z.-H) 1.692! Nieuwe-N.edorp (N.-H) 1,5,4° ! Nu uw- en Sint-Jooslaud (J) [1,000

1 Nieuwe-Pekela (Gr) 5.^47

l Nieuwer-Amstel (N.-H) 5,110 Nieuwerkerk (Z) 1,490 Nieuwerkerk - aan - den - IJ se [(Z.-H) 2,431 Nieuwe- Schans (Gr) 1,588 Nieuwe-Tonge (Z.-H) ^-^ 5 Nieuw-Hellevoet (Z.-H) 1,9^3

Nu-uwkoop (Z.-H) 2,556 Nieuwkuik en ünzenaaru (-gt; •-

[B) 1 -Q'

Nieuwlan.d (Z.-H) 603 Nieuw - Lekkerland (Z.-H;

[2,806

Nieuw-Leuzen (O) 2,414 Nieuwpoort (Z.-H) 706


1

Werd ingenomen door de

2

Spanjaards (1572).

ocr page 1041

— XXXIX —

Nieuwstad (L) 824 Nieuwveen (Z.-H) 1,269 Nieuwvliet (Z) 617 Nieuw-Vosmeer (X.-l') 1,209 Niewolde ^Cxr) 2.332 Nijevecn (1-)) i,2üo Nijkcik (G) 7,996 Nijmcgeni yd) 38,576 Nisse ['/.) 02 j Nistelrode (K.-B) 2,193 Noorbeek (J-.) 735 Noordbroek (Ui) 2,388 Noorddijk (G') 1.5 | Noordeloos ^N.-h) 1,082 Noordgouwe (Z) 767 Noord - Scharv\oiide ^N. - II) [1,004

Noordwelle (Z ) 53^

Noordwijk (Z.-H) 4,910 Noordwijkerhout ['Z.-H) 1,880 Nootdorp (Z.-H) 763 Norg (D) 5,427 Nuland (N.-B) 1,074 Numansdorp (Z.-H) 2,245 Nunen, Gerwen en Ned'rwet-[tcn ^N.-B) 2,496 Nunheni (L) 244 Nut (L) 1,264

O

übbicht en Papenhoven (L)

[778

Obdam (N.-H) 912 üdijk (U) 411 üdoorn (D) 8,050 üefelt (N.-B) 1,022 Oegstgeest(Z.-H) ^,581 üerie (N.-B) 576 Ohee en Laak (L) 516 üidebroek (G) 5,621 üldekerk (Gn 1,316 Oldemarkt (O) 2,722 Oidenbove (Gr) 2,621 Oldeuzaal (O) 5,044 ülst (O) 4,674 Ommen (Ambt) (O) 3,928 Ommen (Stad) (O) 1,592 Ontswedde (Gr) 10,177 Ooien en Teelelen (N.-B) 808 Ooltgensplaat (Z.-H) 2,568 Oorsbeok (L) 1,039 Oorschot (N.-B) 3,953 Oostburg (Z) 2,015 Oost-Dongeradeel (F) 7,871 Oostel-, Middel- en Westel-[beers (N.-B) 1,041 Oost- en West-Souburg (Z) [2,066

Oosterhesselen (D) 1,423 Oosterhout (N.-B) 11,519 Oosterland (Z) 1,578 Oosterwijk (N.-B) 3.197 Oosthuizen (N -H.) 1,200 Oostkapelle (Z) 1,044 Oost-Stellingwerf (F) 9,372 Oost-Voorne (Z.-H) 1,850 Oostzaan (N.-H) 3,269 Ootmarsum (ü) 1,420 Op-Hemert (G) 1,241

Oploo, Sint-Antonis en Led -[akker (N.-B) 1,799 Opmeer (N.-H) 378 Opperdots (N.-H) 830 Opsteriand (F) 14,890 Os (N -B) 7,711 Ossfndrecht (N.-B) 2,539 Ossenisse (Z) 842 Oterlrek iN'.-H) 719 (Htersum (L) 2,163 Ottoland (Z.-II) 659 Oud-Alblas (Z.-H) 1,159 Oud Beierland (Z.-H) 5,277 Ouddorp (N'.-H) 851 Ouddorp (Z.-H) 2,807 Oudelande (Z) 637 Oudenbosch (N.-B) 4,682 Oudendijk (N -H) 526 Oudenhoorn (Z.-H) 896 Oude-Xiedorp (N.-H) 1,1^1 Oud-en Niciuv-lt; «astel (N.-B [4'23*!

Oudenrijn (U) 556 Oude-Pekela (Gr) 5,538 Ouder-Amstel (N.-H) 2,958^ Ouderkerk-aan-den i|sel (Z,-[H) 2,921 Oude-Tonge (Z.-H) 2,691 Oude water (Z.-H) 2,702 Oud-Heusden (N.-B) 839 Oudkarspel (N.-H) 1.565 Oudshoorn (Z.-H) 2,395 Oud-Valkenburg (L) 716 Oud-Vosmeer (Z) 1,968 Oud-Vroenhoven (L) 2,087 O uw er kerk (Z) 799 Over-Asselt \G) 1,844 Overschie (Z.-H) 4,316 Overslag (Z) 468 Ovezande (Z) 926

P

Pannerden (G) 1,040 Papekop (Z.-H) 330 Papendrecht (Z.-H) 3,254 Poize (D) 1,698 Pernis (Z.-H) 2,904 Petten (N.-H) ^41 Peursum (Z.-H) 369 Piershil (Z.-H) 815 Pijnakker (Z.-H) 1,696 Poederooien (G) 1,045 Polsbroek (U) 9^8 Poortugaal (Z.-H) 1,203 Poortvliet (Z) 1,550 Posterholt (L) M54 Prinsenhage (N.-B) 8,200 Purmereud (N.-H) 5,700 Putten (G» 5,383 Putten (N.-B) 1,180 Puttershoek (Z.-H) 2,030

R

Raalte (O) 5,799 Raamsdonk (N.-B) 5,^00 Ransdorp (N.-H) 1,756 Rauwerderhem (F* 2,907 Ravenstein (N.-B) 940

Reden (G) 15,212 Reek (N.-B) 836 Reewijk (Z.-H) 2,899 Renen (IJ) 5,398 Renesse (Z) 587 Renkum (G) 8,067 Renswoude (U) 1,320 Retranclu'iuent (Z) 807 Reuzel (N.-B) 1,235 Ridderkerk (Z.-H) 8,312 Riethoven (N.-B) 573 Rietveld ;Z.-H) 619 Rijkholt (L) 290 Rijnsaterwoude (Z.-H) 620 Rijnsburg (Z.-l I) 2,377 Riisbergen (N.-B) 1,526 Rijsen (0)5,237 Rijswijk (N.-B) 520 Rijswijk (Z.-H) 3,157 Rijzenburg (U) 470 Rilland-Bat (Z) 1,729 Rittem (Z) 640 Roden (D) 3,008 Roermond ;L) 12,700 Roggel (L) 1,688 Rokkanje (Z.-H) 1,888 Rolde (D) 1,874 Roon (Z.-H) 1,740 Roosteren (L) 942 Rosmalen (N.-li) 3,305 Rossuiu (G) 1,289 Rotterdam (Z.-H) 286,105 Rozenburg (Z.-H) 1,990 Rozendaal (G) 452 Rozendaal en Nispen (N.-B) [• 3.0.Si

Ruinen (D) 3,512 Ruinerwold (D) 2,370 Rukfen en Sprundel (N.-B) [4.332

Ruurloo (G) 2,785 Ruwiel (U) 497

s

Sambeek (N.-B) 1,510 Sappemeer (Gr) 5,977 Sassenheim (Z.-H) 1,784 Sas-van-Gent (Z) 1,504 Srhaaik (N.-B) 1,472 Schaasberg (L) 1,269 Schagen (N.-H) 2,920 Schalkwijk (Ui T.274 Scheemlt;la (Gr) 5,669 Schellir khout (N.-H) 472 Schelluinen (Z.-H) 362 Scnermerhorn (N.-H) 1,079 Scherpenisse (Z) 1,405 Scheip nzeel (G) 1.340 Sc:iiebroek (Z.-H) 498 Schiedam (Z -H) 26,627 Schiermonnikoog (F) 747 Schijndel (N.-B) 5,491 Schimmert (L) 1,482 Schinnen (L) 2,079 Schin-op-Geul (L) i,c8o Schinveld (L) 1,224 Schipluiden (Z.-H) 1,135 Schoondijke (Z) 1,889 Schoonebeek (D) 1,949 Schoonhoven (Z.-H) 4,491


ocr page 1042

— XL —

Schoonrewoerd (Z.-H) 939 Schoorl (N.-H) 1,277 Schore (Z) 779 Schoteu ^N.-H) 587 Sciioterland (F) 14,4*51 Serooskerke (Schouwen) (Z)329 Serooskerke (Walcheren) (Z) [1.215

Sevenum (L) 2,096 's-Clravendeel (Z.-II) 3,948 's-Graveiihage (Z.-H) 191,530 's-Gravei:land (N.-H) 1,560 's Gravenmoer (N.-Bj 1,332 's-Gravenpolder (Z) 875 's-Gravenzande (Z.-H) 5,548 's-Heer-Abtskerke (Z) 329 's-Heer-Arendskerke (Z) 2,979 's-Heerenhoek (Z) 1,011 's-Hertogenbosch (N.-3)29,584 Sijbekaispel (N.-H) 1,172 Simpelveld (L.) 2,080 Sinte Annaland (Z) 2,389 Sinte-Geertruide (L) 1,064 Sint-Filipsland (Z) 1,710 Sint-Janssteen (Z) 2,564 Sint-Kruis (Z) 670 Sint-Laurens (Z) 642 Sint-Marten (X.-H) i,cio Sint-Martensdijk (U) 2,328 Sint-Martensdijk (Z) 2,839 Sint-Michielsgt stel(N.-B)3,6i3 Sint-üdiliënberg (L) 1,051 Sint-Oedenrode (N.-B) 4,581 Sint Panktas (N.-H) 640 Sint-Pieter (L^ 1,351 Sittard (L) 5,938 SI een (D) 3,507 Slenaken (L) 516 Sliedrecht (Z.-H) 10,638 Slochtercn (Gr) 11,286 Sloten (F) 879 Sloten (N.-H) 7,697 Sluis (Z) 2,410 Smallingerland (F) 10,481 Smilde (D) 5,061 Sneek (F) 11,626 Snelerwaard (U) 502 Soerendonk, Sterksel en Gasbel (N.-B) 1,018 Soest (U) 4,235 Sommelsdijk (Z.-H) 2,764 Spaamdam (N.-H) 863 Spanbroek (N.-H) 1,491 Spaubeek (L) 623 Spijkenisse (Z.-H) 1,958 Sprang (N.-B) 1,975 Stad-aan-'t Haring vliet\Z.-H) [1,080

Standdaarbuiten (N.-Bj 1,608 Staphorst (O) 5,541 Stavenisse (Z) 1,601 Stavoren (F) 804 Stedum (Crr) 2,172 Steenbergen en Kruisland (N,-[B)7,248

Steenderen (G) 3,29^

Steenwijk (*) (0)5,497

(1) Werd belegerd door Ren nenberg (1580).

Steemvijkerwold (Ü) 5,947 Stein (L) 2,034 Stellendam (Z.-H) 1.248 Stenvensweerd (L) 1,099 St phout N.-H; 698 Stolwijk (Z.-H) 2,191 Stompwijk (Z.-H) 2,992 Stopprldijk (Z) i,560 Stoutenburg [IJ) 808 Stramprooi (L) 1,231 Stratum (N.-B) 3,832 Streefkerk (Z,-quot;H) 1,820 Strijen (Z.-H) 4,167 Strljp (N.-B) 2,055 Susteren (L) 2,141

Tegelen (L) 4,036 Ten boer \Gr) 4,931 Ter-Aar (Z.-H) 2,472 Terheiden (N.-B) 3,306 Termunten (Gr)3,668 Terneuzen (Z) 7,695 Terschelling (N.-H) 3,929 Tcssel (N.-H) 5,977 ieterirgen (N.-B.; 3,074 Tiel (G 10,237 Tienheven (U) 558 Tienhoven (Z -H) ^16 Tietjerksteradee (I*) 14,258 Tilburg (N.-B) 37,546 Tolen (Z) 3,009 Tongelre (N.-B) 1,118 Torn (L) 1,485 Tubbergen (Ö) 6,360 Tulen 't Waal (U) 465 Twisk (N.-H) 799

u

Ubach-over-Worms (L) 1,732 Ubbergen (G) 3,757 Uden (N.-B) 5,744 Udenhout (N.-B) 2,604 Uitgeest (N.-H) 2,762 Uithoorn (N.-H) 2,289 Uithuizen (Gd 3,701 Uithuizermeeden (Gr) 4,020 Ulestraten (L) 815 Ultum (Gr) 3,568 Urk (N.-H)2,636 Urmond (L) 1,252 Ursem (N.-H) 1,224 Uskwerd (Gr) 1,947 Utingeradeel (F) 5,119 Utrecht (U) 96,349

Vaals (L) 5,776 Valburg (G) 5,820 Valkenburg (L) 1,287 Valkenburg \Z.-H) 659 Valkerswaard (N.-B) 2,243 Varik (G) 1,184 Vechel (N.-B) 5,781 Veen (N.-B) 952 Veendam (Gr) 10,812

Veldhoven en Meerveldhov,

[(N.-B) I,r Veldhuizen (U)395 Velp (N.-B) 598 Velzen (N.-H) 8,969 Venendaal (U) 5,132 Venhuizen (N.-H) 1,870 Venloo (L) 13,833 Venraai (L) 0,039 Vere (Z) 838 Vessem,

Weesp

Lsci x,ia Wenicl

Veur (Z.-H) 1,156 Vianen (Z.-H) ^,553 Vierlingsbeek \X.-B) 1,430 Vierpolders (Z.-H) ''42 Vinkeveen (U» 3,902 Vlaardingen (Z.-H) 15,497 Vlaardinger-Ambacht (Z.-H; Westdlt; [ 1,29)1 Westei Vlachtwedde (Gr) 5,951 Weste

Vledder (D) 2,645 Vleuten \U) 1,546 Vlieland (N.-H) 711 Vlierden (N.-B) 572 Vlijmen (N.-Bj ^,37^

Vlissingen (1) (Z) 17,138 Vlist (2r.-H) 440 Vlodrop (L) 1,095 Voerendaal (L) 2,010 Vollenhove (Ambt) (O) 2,235 Vollenhove (Stad) (O) 1,685 Voorburg (Z.-H) 3,959 Voorhout (Z.-H) 1,544 Voorschoten (Z.-H) 2,602 Voorst (G) 9,803 Vorden (G) 2,949 Vreeland (U) 848 Vreeswijk (U) 1,673

Wijk Wijk Wijl Wijr Wijr Wijt

Vrijenban (Z.-H) 2,588 Vrijhoeve-Kapelle ^N.-B) 506 Vrouwenpolder (Z) 911 Vucht (N.-B) 5,502 Vuren (G) 1,590

w

Watergr Water in Waterla Wedde Weel (G Woerd Weerse Weesp

Werkei Werkh Wervei

Wessei Westbi W'est-1

W este Westk Westn West-West\ W est? Wichi Wierc Wieri Wier Wijd. Wij di Wije Wijk

i Waalre (N.-B) 930 Waalwijk (N.-B) 5,0.8 Waarde (Z) 784 Waardenburg (G) 1,246 Waarder (Z.-H) 845 Waddingsveen (Z.-H) 3,985 Wadenooien (G) i,s83 Wagenirgen (G) 8,762 Wamel (G) 5,074 Wanneperveen (O) 1,440 Wanroci (X.-B) 1,054 Wansum (L) 747 Warder (N.-H) 518 Warfum (Gr) 2,313 Warmenhuizen (N.-H) 1,458 Warmond (Z.-H) 1,573 Warnsveld (G) 2,601 Waspik (N.-B) 3,084 Wassenaar (Z -H) 3,481


ii

1

Werd gebombardeerd door de Engelschen (1809).

ocr page 1043

Watergraafsmeer (X.-H) 3,129 Wateringen (Z.-H) 1,895 W'aterlandkerkje (Z) 737 Wedde (Gr) 2,856 Weel (G) 2,278 Wcerd (L) 8,471 Wcerseloo (O) 4,592 Weesp (N.-H) 0,420 Weesperkarspel iN.-H) 2,496 Wemeldinge (Z) 1,978 Werkendam N.-Bi 2,966 Werkhoven (U) 978 Wervershoof (N.-H) 2,167 Wessem 1L) 937 Westbroek \U) 1,023 West-üongeradeel (F) 7,035 Westdorpe (Z) 1,844 Westerbork (D) 2,665 Westerhoven (N.-B) 555 Westervoort (G) i,7S7 AVestkapelle /) 1,885 quot;Westraaas 960

West-Stellingwerf (F 15,078 Westwoud (N.-H) 1,014 Westzaan (N.-H 2,233 quot;Wichen (G) 4,035 Wierden (O) 6,317 Wieringt-n (N.-H) 2,816 Wieringerwaard (N.-H) 1,150 quot;Wijdenes (N.-H 748 Wijde-Wormer \X.-H) 703 Wije (O) 4.130

Wiik-aan-Zce-en-Duin N.

[H) 2,17: Wijk-bij-Duurstede (U) 3,187 Wijken Aalburg (N.-B) 2,153 Wylre (L) 1,732 Wr ij m britse rad eel (F) 11,984 quot;Wijnantsrade (L) 488 quot;Wijngaarden (Z.-H) 406

rveldhov* S-.-B) 1,3

'n KnecB -B) i,iJ

— XLI —

Wildervank (Gr) 9,009 Wi.lemstad (N.-B) 2,094 Willeskop (U) 689 Willige-Langerak (U) 942 Wilnis (LT1 2,124 Wilsum (O) 724 Winkel (N.-H* i,8yS Winschoten (Gr» 8,925 Winsura (Gr) 2,234 Winterswijk (G) 10,291 ; Wisch (G) 6,722 ' Wissekerke (Z) 3,144 i Wittem (L) 3,965 Woensdrecht (N.-B) 3,033 Woensel (N.-Bi 5,576 , Woerden tZ.-H) 5,o53 : Wognum N'.-H) 1,684 j Wolfaartsdijk lt;Z) 2,105 ■ Wonseradeel (F) 12,933 , Workum (F) 4,135 : Wormer ^N.-H 1,830 I Wormerveer (N.-H) 5,747 ; Woubrugge (Z.-H) 1,972 : Woudenberg lU) 2,496 : Woudrichem (N.-B) 2,127 : Wouw (N.-B) 3,983

' Zaamslag (Z) 3,097 1 Zaandam (N.-H) 18,009 Zaandijk (N'.-H) 2,509 Zalk en Veekaten (O) 958 Zalt-Bommel (G) 4,070 Zandvoort 1 N.-H) 2,793 Zeeland (N.-B) 1,916 Zeelst (N.-B) 1,184 • Zegveld (U) 958 ' Zegwaard (Z.-H) 1,561

Zeist (U) 8,015 Zelhem (G) 3,865 Zes Gehuchten (N.-B) 1,037 Zevenaar (G) 4,318 Zevenbergen N'.-B) 6,853 Zevenhoren (Z.-H) 1,115 Zevenhuizen iZ.-H) 2,205 Zieriksee (Z) 0,905 Zijpe (N.-H) 4,377 Zoelen (G) 2,330 Zoetermeer Z.-H) 1,218 Zoeterwoude (Z.-H) 3,237 Zomeren (N.-B) 3,098 Zon en Breugel (N.-B) 1,534 Zonnemaire (Z 1,080 Zoutelande (Z) 668 Zuid-Beierland (Z.-H) 2,099 Zuidbruek (jr) 2,827 Zuiddorpe (Z) 074 Zuid- en Noord-Schermer (N.-[H) 1,085

Zuidh(»rn Gi) 2.874 Zuidland (Z.-H) 1,700 Zuidlaren (D) 2,518 Zuid-Scharwoude (N.-H) 1,483 Zuidwolde (D) 3,474 Zuidzande (Z) 1,104 Zuilen (ü) 913 Zuilichem (G) 954 Zundert (N.-B) 4,195 Zutfen (G 18.^53 Zwaag (N.-H) 1,128 Zalmen (L) 2,469 Zwammerdam (Z.-H) 1,806 Zwartewaal (Z.-H) 936 Zwartsluis (O) 3,800 Zweeloo (D) 1,258 Zwijndrecht (Z.-H) 5,257 Zwolle 'O) 30,165 Zwollerkerspel (O) 6,047


ocr page 1044
ocr page 1045
ocr page 1046

■V: ■

1

h

K '3 ; ,

i^__

mmi

% i'

ocr page 1047
ocr page 1048