ZüLLEIj WJJ NOG LANGER LIJDELIJK BLIJVEN TEGENOVER DE GRUWELEN DER
VIVISECTIE?
r' . r; / ' '
VRAAG AAN HET NEDERLANDSCHE TOLK
' v 1 ' ' door' ⢠. . â
de Redactie van âAndrocles, Maandblad aan de belangen der dieren gewijd'.
' s
(MET PORTRET EK VIGNETTEN.)
'S-GRAVENHAGE. â H, L. SMITS. 18 9 0.
Zonder aarzelen beschuldig ik de vivisectoren dat zij ons edel beroep in de oogen der menschheid onteeren. Mijn lang leven is tot nog toe gelukkig geweest, maar tegenwoordig is het vol bitterheid door hetgeen in naam der wetenschap geschiedt. Ach, zoo ik nog maar hopen kon dat het Christelijk publiek, als.eenmaal zijn geweten ontwaakte, een eind aan de quaestie maakte door de vivisectie voor goed af te schaffen.
Doctor May.
De mensch die onverschillig is voor het lijden der dieren, de mensch die zoo bedorven is dat hij er behagen in schept, zoo ontaard dat hij zelf kan martelen, is niet beter dan een moordenaar. Stel hem in de gelegenheid en hij zal bet worden! Wat de wreede wijzen van dooden betreft, het is hoog tijd er een eind aan te maken. Laat het volksgeweten ontwaken, en de misdadigers te recht stellen!
v de Gaspaein, La conscience.
Duizend doctoren keuren de vivisectie af, doch slechts onder vier oogen.
Dr. Grisanowski.
Als de vivisectie die zedelijk een misdaad, godsdienstig een lastering, wetenschappelijk een domheid is, recht moet heeten, dan bestaat er geen kwaad meer.
Dr. Edward Maitland.
De menschelijkheid is de eerste der deugden.
Elpisquot; Melena.
Zullen wij nog langer lijdelijk blijven tegenover de gruwelen der vivisectie?
VRAAG
a a x
11 Fi T N K D K I { I. ANUS O 11 E V O 1. K
D O O II
de Redactie van âAndroclcs, Maandb/ad aait dc belangen der dieren gewijdquot;.
'S-GRAYEXHAGE. â H. L. SMITS. 1890.
Zullen wij nog langer lijdelijk blijven tegenover de grnwelen der vivisectie?
VRAAG
AAN
hrt nedb:rlandsghe volk
D O O II
de Redactie van âAndroc/cs, Maandblad aan de belangen der dieren gewijdquot;.
'S-GEAVENHAGE. â H. L. SMITS. 1890.
DE VIVISECTIE,
DE BEGINSELEN, WAARDOOR ZIJ WORDT GEDREVEN,
en
DE WEG OM HAAR TE BESTRIJDEN.
Die wormen die gij dacht te treffen, Die wormen zullen 't hoofd verheffen En wmeten 't Reuzenbeeld ten val.
Tollens.
DE VIVISECTIE,
DK BEGINSELEN , WAARDOOR ZIJ WOEDT GEDREVEN EN DE WEG OM HAAR TE BESTRIJDEN.
Weet gij wat vivisectie is? Ziehier wat een ooggetuige ervauzegt: »In ons laboratorium offerden wij dagelijks van een tot drie honden op, zonder de konijnen en andere dieren mee te rekenen die op dezelfde wijze gebruikt werden; en na eene ervaring van vier maanden ben ik van oordeel dat geen enkele dier vivisectiën te verdedigen of noodzakelijk was. De gedachte om het menschdom nuttig te zijn had er niets mee te maken, en zoo iemand er van gesproken had, zou men uitgebarsten zijn in lachen; men dacht aan niets anders dan andere mannen van wetenschap te evenaren of te overtreffen, zij het ook ten prijs van de gruwelijkste martelingen die men arme dieren zonder noodzaak deed ondergaan. Gedurende drie campagnes heb ik wel zeer treurige vertooningen gezien, maar ik heb niets bijgewoond zoo hartverscheurend als wanneer men de op te offeren honden uit den kelder naar het laboratorium bracht. Zij toonden geenerlei vreugde dat zij weer in het daglicht kwamen, maar schenen aangegrepen van afgrijzen zoodra zij de lucht van de plaats roken, als raadden zij bij voorbaat het lot dat hen wachtte. Zij naderden de drie of vier personen die zich in het laboratorium bevonden , een stom, maar welsprekend beroep doende op het medelijder-van hunne beulen; maar de oogen, de ooren , de staart spraken te vergeefs. Ruw aangegrepen en op de snijtafel geworpen , hoorde men slechts een zacht gekreun, en zij gingen voort de hand te lekken die hen vastbond totdat de prop hun vast in den mond was gestopt, en hun niets meer overbleef als laatste middel om de barmhartigheid in te roepen dan zacht met den staart te kwispelen. Zelfs in hun doodstrijd toonden zij zich nog dankbaar als men hen liefkoosde, zijnde de eenige troost dien ik die arme martelaars kon brengen, wier dood alleen hun gruwelijke smarten zou eindigen. Als het gevoel der physiologen door de praktijk der vivisectiën niet verstompt was, zou het hun onmogelijk zijn hun handwerk voort te zetten. Als men hun verwijtingen doet over hun hardvochtigheid, toonen zij zich zeer gevoelig; maar zij zijn zoo in hun proefnemingen verdiept, dat
VI
zij toornig worden als het arme dier er door zijn verzet storing in brengt. Ik heb vaak gezien, als een dier zich wringende van smart, de weefsels verplaatste die zij met zorg ontleedden, dat zij het arme beest sloegen en met hardheid toespraken; andere keeren, als het dier de grootste smarten gedurende gansehe uren had doorgestaan, zonder te worstelen, en zonder zich anders te beklagen dan door een zacht gekreun , dat hij bij lange tusschenpoozen liet hooren , dan heb ik, wel is waar , gezien , dat men in plaats van het arme verminkte beest tot den anderen dag op den grond te lateu kruipen, om hem voor een tweede martelaarschap te bewaren ^ hem dadelijk doodde, omdat, naar het zeggen der physiologen, hij zich goed genoeg gedragen had om den dood te verdienen. Jk heb den professor dikwijls hooren zeggen, als ééne zijde van het dier zoo verminkt was en de weefsels door het gestolde bloed zoo verdonkerd waren, dat men met moeite het deel vond dat men zocht: «Waarom begint gij niet van de andere zij?» of, »neem een anderen hond; waarom zoo zuinig?» Maar het stuitendste dat er in het laboratorium geschiedde was de gewoonte, om een dier waarop de professor zijne proefneming had volbracht en dat nog overblijfselen van leven had, aan een zijner helpers te geven, opdat hij zich op het levende dier oefende om de slagaderen, de zenuwen enz. te vinden, of om daarop een dier proefnemingen te doen, die men in de brabbeltaal van het laboratorium «fundamenteele proefnemingen» noemt en die niets anderszijn dan een herhaling der wreedste proefnemingen die in de handboeken van physiologie worden aanbevolen. Wat de anesthetica (gevoelloos makende middelen) betreft, ik beschouw ze als een groot ongeluk voor de dieren, die aan de vivisectiën worden blootgesteld. Behalve dat zij te veel stoornis brengen in de natuurlijke levenstoestanden om nauwkeurige resultaten te geven, dienen zij meer om het geweten des volks ten opzichte der vivisectiën gerust te stellen, dan om de pijnen bij de geopereerde dieren te stillen. Er is nog een afschuwelijke handelwijze, waar het publiek volstrekt geen besef van heeft. Men houdt soms een dier stil door hem een vergift toe te dienen, het curare, dat de vrijwillige bewegingen verlamt, terwijl het de gevoeligheid verhoogt, en men onderhoudt het leven van het dier door middel van de kunstmatige ademhaling, in afwachting dat de werkingen van het vergift ophouden. Ik heb dikwijls dieren in dien toestand zien opereeren , voor een gehoor dat hen ongevoelig waande voor de pijn , omdat zij onbekwaam waren dié door bewegingen te toonen, terwijl de arme beesten, gedurende den ganschen tijd der operatie, een dubbel martelaarschap verduurden, opdat het gevoel van de toeschouwers zou worden gespaard. Na verhaald te hebben wat ik gezien heb, heb ik niet noodig er bij te voegen dat ik er meer dan genoeg van heb, en dat ik, na den kelk tot den droesem te hebben geledigd, bereid ben niet alleen de wetenschap, maar met haar het
VII
geheele menschom te zien vergaan, liever dan zulke middelen te gebruiken om het te behouden.
Dr. Hoggan , van de Universiteit te Londen.
Dat zulke praktijken mogelijk zijn, vindt daarin zijne verklaring dat de menigte in gemoede gelooft dat zij voor de praktijk der genees-cn heelkunde noodig zijn. Het zedelijk gevoel van het beschaafde jmbliek staat niet hoop genoeg om zuiver de vraag te stellen of zulke wreede proeven geoorloofd zijn; maar het zou toch niet ge-doogen dieren levend open te snijden, als zij niet vertrouwden dat de vivisectoren de artsen hielpen om kranken te genezen. Het is hun onbekend dat de eerste deskundigen het praktisch nut der vivisectie te eehenmale loochenen. Voor de Engelsche Koninklijke Commissie van 1875, verklaarde de beroemde Sir William Feegus-son : «Van de heelkunde kan ik met meer verzekerheid spreken dan van eenig deel van mijn beroep; en in de chirurgie ken ik geen enkele proefneming op lagere dieren die eenige verzachting van lijden of eenige vordering voor de heelkundige praktijk heeft aangebracht.»
Het beschaafde publiek zou nog meer verwonderd zijn, wanneer zij van de echte vivisectoren vernamen dat zoodanig praktisch nut zelfs niet bedoeld wordt. Professor Hebmann te Zürich omschrijft het doel der vivisectie aldus: «De bevordering der wetenschap, en niet het praktisch nut voor de geneeskunde is het ware en recht-streeksche doel van alle vivisectie. Geen waar onderzoeker denkt er bij zijne nasporingen aan om zijne waarnemingen voor de praktijk te benuttigen. De wetenschap kan deze rechtvaardiging, waarmee de vivisectie in Engeland verdedigd wordt, gerust versmaden.» (D i e Vivisectionsfrage, p. 16).
Bepalen wij ons dus tot het nut voor de abstracte wetenschap. Dan bevinden wij al aanstonds dat ook in dit opzicht verscheidene valsche beweringen in omloop zijn die door het onkundig publiek argeloos als goede munt worden aangenomen; maar in de literatuur van het onderwerp in hare onwaarde worden ten toon gesteld. Wij schrijven uit die literatuur een enkele bladzijde over.
«De voorstanders van vrijheid van onderzoek beroepen zich dikwijls op de vivisectie om te betoogen, dat daaraan de ontdekking te danken is van de functie der voorste en achterste ruggezenuw-wortels, en op grond van deze onderstelling, trachten zij niet alleen de rechtmatigheid der vivisectie te bewijzen, maar ook dat het belang der wetenschap dikwijls vordert, dat experimenten plaats vinden die hoogst p ij n lij k z ij n.
«De woorden echter waarmee Sir Charles Bell zijne ontdekking vermeldt, zijn daarmede geheel in tegenspraak en vormen een groot en verrassend contrast met de uitdrukkingen die gewoonlijk gebruikt worden om de nietige en nuttelooze proefnemingen te boek te stellen
viti
van diegenen die wel gaarne ook eens eene ontdekking zouden willen maken, maar die niet het genie van Sir Charles Bkll bezitten, en aan wie tevens de fijngevoeligheid ontbreekt die aan het genie eigen is, en waardoor het terstond zijn bestaan en zijn oorsprong verraadt. In zijn »Expositon of the Natural System of the Nerves of the Human Body» (Beschrijving van het zenuwstelsel des menschelijken lichaams) schrijft Sir Charles bell :
»Ik begreep dat het voldoende zou zijn indien ik voor zulk een proefneming een pas bewusteloos gemaakt dier gebruikte en dat, wanneer ik op een levend dier experimenteerde, de aanraking van een gevoels-zenuw een siddering zou kunnen doen oustaan, en ik deze beweging moeilijk zou kunnen onderscheiden van die welke direct van de bewegingszenuw zou uitgaan. Ik sloeg dus een konijn achter de ooren om het bewusteloos te maken en mijne proefneming bewees mij toen overtuigend dat de verschillende strengen, waaruit de zenuwwortels ontspringen, tot verschillende doeleinden dienen en dat de uit de anatomie afgeleide gevolgtrekkingen juist zijn.»
Elders zegt hij:
«Het zij mij vergund hier een paar woorden te zeggen ten gunste der anatomie, als ontdekkingsmiddel boven de vivisectie de voorkeur verdienende. De vivisectie is nimmer het middel geweest om ontdekkingen te doen en uit eene beschouwing van hetgeen de physiologic in de laatste jaren heeft verricht, blijkt duidelijk, dat het openen van levende dieren er meer toe bijgedragen heeft om dwalingen in het leven te roepen dan om de waarheden aan den dag te brengen die de studie der anatomie en der natuurlijke bewegingen ons leeren. In een buitenlandsch tijdschrift, waarin mijne vroegere geschriften besproken zijn, heeft men de resultaten van mijnen arbeid aan de vivisectie toegeschreven. Zij zijn, integendeel, de gevolgtrekkingen die ik uit de anatomie heb afgeleid en indien ik experimenten gedaan heb, zoo is dit niet geschied om daarop mijne eigene meeningen te vestigen, maar om die bij anderen ingang te doen vinden. Het moge in dit opzicht tot mijne verontschuldiging strekken, dat al mijne overredingskracht te vergeefs is geweest, zoolang ik mijne beweringen alléén op de anatomie baseerde. Ik voor mij kan niet gelooven dat het de bedoeling der voorzienigheid zou zijn, dat wreedheid het middel moet wezen om de geheimen der natuur te ontsluieren, en ik ben overtuigd, dat menschen die zich voortdurend aan wreedheid schuldig maken, niet in staat zijn de wetten der natuur naar waarde te schatten».
Voorts bemerkt hij in zijn opstel over: The Forces which circulate the Blood (De Krachten die het Bloed in omloop brengen):
«Zoowel in hetgeen nu volgt als in hetgeen voorafgegaan is, heb ik getracht de waarheid op te sporen door het onderzoeken van
IX
den licliaamsbouvv en het waarnemen tier levensverschijnselen, zonder daarbij levende dieren tc martelen. Het is een algemeen verspreide meening, dat in de physiologie de zekerste weg om een vraagstuk op te lossen, is het nemen van proeven op levende dieren, hoewel het zeker aan geen twijfel onderhevig is, dat het vermoedelijk resultaat van het experiment evenzeer den invloed ondervindt van het vooraf gevormde oordeel als dit ooit met het denkproces het geval kan zijn. Degene die proeven op dieren neemt kan geen aanspraak maken op den naam van philosooph, daar hij in tegenspraak handelt met het aangeboren menschelijk gevoel; noch kan men het hem ten goede duiden dat hij op. alle beoefenaars der geneeskunde den stempel der wreedheid drukt en daardoor de grenzen hunner nuttige werkzaamheid ten algemeenen nutte beperkt».
Sir Charles Bell voegt in een noot hieraan toe:
«Aan te nemen dat het geoorloofd is, wreedheden, die toch altijd in strijd zullen zijn met ons instinctief gevoel, te plegen ten einde de geheimen der Natuur te doorgronden, zou gelijk staan met eene aanklacht der Voorzienigheid. Daarom voel ik mij gelukkig in de overtuiging dat onderzoek van den natuurlijken lichaamsbouw en zorgvuldige waarneming der levensverschijnselen ons ruimer en juister begrippen van de physiologie zullen verschaffen dan het ontleden van levende dieren».
Deze nadrukkelijke verklaringen van den grooten ontdekker zeiven over de nutteloosheid der vivisectie als middel tot onderzoek maken het overbodig nog iets meer aan te voeren tot wederlegging van het beweren der voorstanders van de martelschool, dat hij tot hare aanhangers zou behoord hebben, terwijl hij integendeel hare leerstellingen zoo uitdrukkelijk verwerpt. Om echter door een onweerlegbaar voorbeeld de juistheid aan te toonen van zijne stelling dat men onmogelijk door middel van vivisectorische experimenten de physiologische verschijnselen kan verklaren en bewijzen, zij het mij vergund de navolgende mededeeling van Floürens aan te halen, als een vervolg op het meegedeelde over Sir Charles Bell's ontdekking:
«Magendie heeft 4000 honden opgeofferd om de juistheid aan te toonen van Sir Charles Bell's meening betreffende het onderscheid tusschen de gevoels- en de bewegingszenuwen; daarna offerde hij er nog 4000 op om te bewijzen dat hij zich vergist had. Ik heb toen zelf de experimenten ondernomen, en heb bevonden dat zijn eerste opvatting de ware was. Om tot dit resultaat te komen heb ook ik een groot aantal honden geviviseceerd». (1)
Dit is slechts een greep uit vele dergelijke voorbeelden die tot opheldering kunnen dienen van een spotternij, die reeds tot een
1
O u w et eus ch ap pelij k e Wet enso hap , door Dr. A. Ktngsfoed , vert. door J. C. van der Hdcht. 's Hage, H. L. Smits, 1886; bl. 30â22.
X
spreekwoord is geworden: «Dat de vivisectie slechts zoekt een zaak te bewijzen om straks door nieuwe hokatomben van gemartelde dieren het tegendeel te bewijzen».
Hen ziet, de verklaring van den grooten ontdekker is zoo stellig mogelijk: «De vivisectie is ninimer het middel geweest om ontdekkingen te doen». Hij is van oordeel dat lieden die aldus hun menschelijk gevoel verkrachten niet in staat zijn natuurwetten te ontdekken. Hij noemt het een Godslastering dat de Voorzienigheid wreedheid als het middel zou verordend hebben om ons de waarheid bekend te maken. Het standpunt zelf der vivisectoren wordt door hem verworpen en daarmeê aan hunne methode het recht van bestaan ontzegd.
De grondstelling die de geheele vivisectie beheerscht is, dat het doel de middelen heiligt. Maar de lieden die deze stelling in praktijk brengen begrijpen niet dat zij beginnen met hunne geestelijke natuur te vervalschen en dat zij door hun zedelijk gevoel te verkrachten hun verstand zelf doen ontaarden.
Verstand en zedelijk gevoel zijn verschillende vermogens der men-schelijke ziel, die echter bestemd zijn om harmonisch samen te werken. Door die samenwerking wordt het verstand wijsheid en het zedelijk gevoel deugd; van elkander afgescheiden en eenzijdig ontwikkeld verbasteren zij.
Het verstand is op zich zelf niet zedelijk. Het stelt zich even gewillig in dienst van den valschen munter, den giftmenger, den moordenaar, als van den hervormer en menschenvriend. Het verstand vraagt niet wat geoorloofd en menschwaardig, maar alleen wat doelmatig en voordeelig is. Maar eenzijdig ontwikkeld is het verstand steeds van zijne eigene ondeugden vergezeld, zijnde eigenliefde, hoogmoed, onverdraagzaamheid, wraakzucht, wreedheid. En ofschoon het verstand het vermogen is om de waarheid te ontdekken, loopt het door eenzijdige ontwikkeling gevaar zelfs de waarheid aan zijne zelfzuchtige bedoelingen op te offeren. Wie zijn zedelijk gevoel stelselmatig onderdrukt wordt onbeschaamd. En de ongelukkige die zijns ondanks op dezen gevaarlijken weg is verdwaald en den moed niet heeft het openbaar geweten te trotseeren wordt dubbelhartig en geveinsd.
De geschiedenis der wijsbegeerte heeft geleerd dat men door het eenzijdige verstand niet komen kan tot de kennis van God; daartoe is alleen, de Rede in staat, dat is het verstand harmonisch samenwerkende met het zedelijk gevoel. En het verderfelijke van de methode der vivisectoren is dat zij zich van huis uit op een atheïstisch standpunt plaatst en daardoor niet alleen van een vnlsche grondstelling uitgaat die onvermijdelijk tot een onware wereld- en levensbeschouwing moet leiden, maar ook hare bevoegdheid overschrijdt, daar zij in het onderwijs de begrippen der jonge lieden over zedelijkheid en godsdienst bederft.
De door den Staat beschermde en bezoldigde vivisectie is een sprekend
XI
voorbeeld van het kolossale misverstand, hetwelk ten ffrondslacc ligt
7 c5 O O
aan onze theorieën over de onzijdigheid van hot onderwijs en de bevoegdheid van den Staat. Dc strijd tusschen Joden en Christenen, tusschen Roomschen en Protestanten, tusschen Orthodoxen en Modernen wordt onbeduidend vergeleken bij de methode der vivisectoren, die het verstand tot de alleenheerschappij verheft, en het zedelijk gevoel niet slechts stelselmatig verloochent, maar ook door dagelijksche praktijk leert verkrachten en ontzielen. Wie tot de laatste oorzaak tracht door te dringen van de kwalen der maatschappij en de rampen die de mensch-heid teisteren , zal die oorzaak vinden in de zwakheid, de ontaarding en verlamming van het zedelijk gevoel. Het was aan onze negentiende eeuw voorbehouden om stelsels uit te denken , waarin het zedelijk gevoel wordt weggecijferd, en Academische laboratoriën te stichten, waar de jonge lieden zich dagelijks kunnen oefenen om het te verkrachten. Als men maar even wilde nadenken, zou men bevinden, dat als het zedelijk gevoel tot zwijgen is gebracht er niets meer is dat den mensch op den kwaden weg tegenhoudt. De afgoderij van het verstand is de eeredienst van de misdaad. En dit is niet louter een logische gevolgtrekking; neen ^ de jaarboeken der vivisectie zijn daarom de bewijzen voor die stelling in zulk een overvloed te leveren dat de menschelijk gevoelende lezer ziek wordt van walging. Maar dat zulk een methode door de Regeering wordt beschermd en bezoldigd is niet alleen op zich zelve ongerijmd, daar zij op die wijze de gevaarlijkste slang aan haren boezem koestert, maar bewijst ook dat die verstandsafgoderij tot zelfbedrog voert, daar zulk een praktijk m openbare tegenspraak is met de heerschende theorie omtrent de onzijdigheid van het onderwijs en de bevoegdheid van den Staat.
Het ligt in den aard der zaak dat vivisectoren het met hunne bewering, dat zij die wreedheden plegen ter bevordering der wetenschap zoo nauw niet nemen; en zij mogen niet verwachten dat wij hen op hun woord gelooven. Toen vóór eenige jaren in het Engelsche parlement de opheffing geëischt werd van de wet die de vergunning tot viviseceeren regelt, trad een voorstander der vivisectie op met een bewering, die bij een lid de verklaring uitlokte: «Ik twijfel aan dc geloofwaardigheid van ieder vivisector, omdat hij vivisector is.» Opgeroepen om zich te verantwoorden, zeide hij heel wijsgeerig: «Als bij iemand het zedelijk gevoel zoo verstorven is dat hij zonder wroeging wreedheden kan plegen, hoe zal hij er dan nog bezwaar in zien om de veel geringere misdaad te plegen om te liegen, als zijn belang dit medebrengt?»
En inderdaad, als de logika dit niet leerde, dan zou het gedrag der vivisectoren ons van zelf op die gedachte brengen. «Als iemand, zegt Grisanowski, uit verveling of om welke reden ook, een hond kokend water in de maag giet of een kikvorsch in een heeten oven opsluit, behoeft hij dit voor zich zelf niet te verontschuldigen, maar
XII
voor het publiek heet het, dat de weetgierigheid een eigenaardige behoefte is, die boven alle andere behoeften verheven is en tot iederen prijs voldaan moet worden. Zulke lieden worden dan bevorderaars der wetenschap evenals de gouddelver die naar Californië trok plotseling tot het inzicht komt dat hij een pionier der beschaving is».
Het heerschende karakter van de proefnemingen der vivisectoren is baldadigheid. De Parijsche hoogleeraar Brachet stak eerst zijn hond de oogen uit, â later benam hij hem het gehoor, daarna plaagde en martelde hij het arme dier nog maanden lang en op allerhande wijzen. En de slotsom was dat het dier hem niettegenstaande dit alles nog de handen lekte! Die zelfde rechtschapen man die niet minder dan 200 honden aan dergelijke belangrijke proeven opofferde, sneed een drachtige teef het lijf open, om de gewichtige daadzaak vast te stellen, dat de stervende moeder hare op zoo gruwzame wijze ter wereld gebrachte jongen nog lekte enz.
Met zulke baldadigheden zou men boekdeelen kunnen vullen, en met zulke boekdeelen zou men een bibliotheek kunnen vormen. Dat is niet de ernst der wetenschap; dat is hare waardigheid met voeten treden. Grisanowski zegt dan ook uit den rijkdom zijner smartelijke ervaring: «Duistere, dikwijls ruwe, onbeschaafde menschen willen hun dierbaar ik beroemd maken door als onderzoekers en ontdekkers voor tijdgenoot en nakomeling op te treden. Duizenden knoeiers woelen in de ingewanden van levende dieren, uit wier verlammingen, stuiptrekkingen, verstikkingen, verminkingen zij zich een soort van monument zoeken op te richten. Het is een zonderlinge smaak zijn naam in gezelschap van zulke dingen fan de wereld over te leveren». Ja, het is wel een zonderlinge smaak van die menschen. De hoogleeraar Schiff te Florence viviseceerde jaarlijks meer dan 700 honden, zoodat zijne handen eiken dag naar hondenbloed roken. Zijne eigene woorden luiden: «Ik ben genoodzaakt velen honden, onmiddelijk nadat zij in mijn laboratorium zijn afgeleverd, de stem-zenuw door te snijden, opdat hun nachtelijk huilconcert mijne physiologische studiën niet in kwaden reuk bij mijne buren brenge». (*) Dit hielp hem echter niet. Hij kreeg te Florence door zijne wreede vivisectiën zoozeer de openbare meening tegen zich dat de sjouwerlieden tegen hem samenspanden en zijn leven in ernstig gevaar verkeerde, zoodat hij zich gelukkig mocht rekenen een beroep naar Genève te krijgen en Florence te kunnen verlaten.
Het is die bedorven smaak der vivisectoren, het onvermijdelijk gevolg hunner eenzijdige verstandsoefening met krenking van het zedelijk gevoel, die als hoofdfactor in aanmerking komt voor de verklaring van dezen bloeddorstigen waanzin. Niemand zou deze dingen kunnen doen, schreef dezer dagen een Engelsche arts, als hij
(') Rapport vaii de Engeleche Koninklijke Commissie § 1287.
sin
er een walg van had; niemand kan in een bedrijf uitmunten, waar hij niet zijn gansche ziel in kan leggen. Tal van jonge lieden die in de geneeskundige scholen een experiment willen beproeven zijn niet in staat het te volbrengen, omdat zij de walging of het medelijden niet kunnen overwinnen, dat natuurlijk eigen is aan ieder rechtgeaard en waarlijk gezond gemoed». (1)
«De echte vivisector, zegt Cyon, moet een moeilijke vivisectie met dezelfde vroolijke opgewektheid, hetzelfde genot ondernemen als de chirurg een moeilijke operatie, waarvan hij een buitengewoon gevolg verwacht. Wie terugbeeft voor het ontleden van een levend dier, wie een vivisectie als een onaangename noodzakelijkheid aanvaardt, die zal wel de eene of andere vivisectie kunnen herhalen, maar zal nooit een kunstenaar in het viviseceeren worden. Wie niet met vroolijke spanning uren lang een fijnen, nauwelijks voor het bloote oog zichtbaren zenuwdraad in de diepte, zoo mogelijk nog tot een nieuwe vertakking vermag te vervolgen, wie geen genot voelt, wanneer hij hem eindelijk van de naburige deelen gescheiden en afgezonderd aan de elektrische prikkeling onderwerpen kan, of wanneer hij in een diepe holte, slechts door het tastgevoel van de vingerspitsen geleid, een geheel onzichtbaar vat onderbindt en doorsnijdt, dien ontbreekt het noodigste voor een degelijken vivisector. De vreugde over de overwonnen, vroeger voor onoverwinnelijk gehouden moeilijkheden â biedt altijd een der hoogste genietingen van den vivisector. En het gevoel dat de physioloog ondervindt, wanneer hij uit eene onoogelijke, met bloed en verstoord weefsel gevulde, wonde ergens een fijnen zenuwtak te voorschijn haalt en door prikkeling een levensverrichting voortbrengt die reeds was uitgedoofd â dit gevoel gelijkt veel op dat hetwelk den beeldhouwer bezielt, wanneer hij uit een vormeloos marmerblok schoone, levende figuren te voor-schija brengt», (f)
Dus de eerste voorwaarden om een degelijk vivisector te worden zijn liefhebberij in het vak en de eerzucht om een kunstenaar in het bedrijf te worden. Hierbij voegt zich nog een andere eerzucht. »Eenige van de wreedste proeven die ik ooit las, schrijft de pas genoemde Edward Beedoe , werden onlangs volbracht door den heer J. N. Langley op honden, ratten eu konijnen. Zij bestonden in het uitsnijden der nieren van levende diereu en de blootgelegde zenuwen met nicotine, het werkzaam beginsel van tabak , te bestrijken. Dit geschiedde om een vraag te beslissen over den loop en de vertakkingen van zekere zenuwdraden, wat niet het minste belang heeft
1
Edward Bf.rdoe, M. R. C. S. (Eug.) L. E. C. P. (Edhi.) The Zoophilist Juli 1, 1890, p. BG.
(f) Methodik der physiologischen Experimente, S. 15.
XIV
voor den praktischen arts. Door zulke uasporingen verkrijgen menschen als de heer Langley groote onderscheiding op zulke plaatsen als de Universiteit te Cambridge; eerbewijzen als het lidmaatschap van het Koninklijk genootschap, gouden medaljes en andere prijzen, waar geleerden voor ijveren, worden op hen uitgestort; maar genees- en heelkunde winnen er niets bij.»
Bij deze drijfveereu voegt zich nu nog de eerzucht om onder geen voogdij te staan en door geen vreemde machten in hunne vrijheid van handelen te worden beperkt; eene eerzucht die te grooter is omdat deze geleerden feitelijk souvereinen zijn. Dat het leeken-publiek het wagen zou, in naam der menschelijkheid, hun baldadigheden te breidelen, is hun ondragelijk, ja, schijnt hun belachelijk toe. En de vivisectoren verbinden zich door een eigenaardig esprit de corps om die aanmatiging af te weren. Toen de Nederlandsche Vereeniging tot bescherming van dieren in 1874 aan den Minister van Binnenlandsche Zaken een verzoek richtte om de Medische Faculteiten uit te noo-digen om de vivisectiën tot de volstrekt noodige te beperken en gebruik te maken van de bestaande middelen ter verzachting van dusdanige kunstbewerking, antwoordde Professer Harting honend »dat om dit adres geen enkele vivisectie minder zou geschieden, en dat het staatsgezag niets met vivisectiën of beperking daarvan te maken had, daar de eenige bevoegde autoriteiten in deze zaak de Hoogleeraren zelve zijn.» (1)
De Fransche Regeering is van een ander gevoelen. Terwijl het vroeger gebruikelijk was dat de Alfort tot 64 kunstbewerkingen op een zelfde levend paard werden verricht, heeft zij de hoogleeraren genoodzaakt dit getal tot 12 te beperken. Ook de Engelsche Regeering heeft door haar Licensing act getoond de absolute souvereiniteit der hoogleeraren niet te erkennen. En daar die wet het uitvloeisel is van een machtige volksbeweging, zoo zullen de Hoogleeraren zich aan het denkbeeld moeten gewennen dat zij met het Volksgeweten nog een zwaren kamp zullen te strijden hebben. Voor het oogenblik hebben wij alleen te onderzoeken door welke gevoelens de professorale souvereiniteit wordt bezield. Daarvoor moet men niet alleen de deftige manifesten lezen, waarmee de hooggeleerden voor het publiek optreden , die hun crediet hebben verloren om de schijnheiligheid die men er in heeft ontdekt, neen, de heerschende gezindheid der professoren dat zij op hun gebied geenerlei inmenging of bevoogding dulden, noch van de Regeering, noch van de tolken van het volksgeweten, noch van hunne ambtgenooten, die in gevoelen lijnrecht tegen hen overstaan, blijkt het best uit de vrije gevoelsuitingen der studenten die zij naar hun beeld en gelijkenis gevormd hebben.
1
Vivisectiën, Album der natuur, 1874 3e aflev.; Dagbl. v. Z.-Holl. eu 's Grar. Bijvoegsel 8 eu 9 Febr. 1874.
XV
In Le petit Marseillais van 15 April jl. leest men het volgende:
Men telegrafeert ons uit Parijs, 14 April: »De studenten houden er niet van dat men zich met hunne zaken bemoeit, en gisteren hebben zij hun gevoelen eens naar hartelust bot gevierd in een zaal van het quartier Latin, waar Mevrouw Huoï, secretaris van de leekenvereeniging tegen de vivisectie een poging wilde doen om hen tot hare leer te bekeeren.
»De arme confereneière werd door een gehoor bestaande uit meer dan 600 personen ontvangen met gekookte appelen, snijboonen, varkens van koekdeeg, broodkorsten en ander tuig. Men overstortte haar met een regen van rijstpoeder, en geheel met meel bedekt moest zij het tooneel verlaten. Men liet een opgezet konijn aan een koord dansen tot groote vreugde van het publiek, dat door fluiten, zingen, brullen en het uitstooten van alle mogelijke en denkbare geluiden aan zijn gevoel lucht gaf. »Mijne heeren, riep Mevrouw HroT uit, de dieren zijn onze broeders 1 . . ..» meer kon men niet verstaan, men wilde niets meer hooren. Het oproer hield eenige uren aan, waarna de zaal ontruimd werd en de studenten op straat opeen gedrongen nog langer dan een half uur bleven zingen; «Conspuez la ligue!» en «C'est Huot, Huot, e'est Huot qu'il nous faut.»
»Het is natuurlijk , zegt Vanessa in de W o m e n s P e n n y P a p e r van 3 Mei, dat voorstanders van praktijken die het daglicht niet verdragen, geen kritiek dulden en de vrije gedachte-uiting smoren. En hoe zouden lieden die zoo verstoken zijn van menschelijk gevoel nog besef hebben van ridderplicht jegens de vrouw?»
Maar met hoogmoed en woest getier wordt niets uitgemaakt omtrent het recht. Men herinnert zich dat dezelfde Mevrouw Huot eens een college bijwoonde, waar de hoogleeraar een levenden aap ontleedde en om de smartkreten van het gemartelde dier te doen verstommen , hem de stemzenuw doorsneed. De studenten zasren het
, o
rustig aan, vonden er misschien wel behagen in. Maar Mevrouw Huot rees op en gaf den hoogleeraar met haar parasol een slag in het gezicht, waarop zij met geweld uit de zaal werd verwijderd. Het Paleis van Justitie van dit voorval melding makende, zegt als z'jn gevoelen dat het voegzamer ware geweest zoo de sterke arm ware ingeroepen, om den hoogleeraar uit de zaal te verwijderen.
Nog minder kan zulk een woestaardij dienen als bewijs voor de zuiverheid der wetenschappelijke belangstelling, Wanneer een beroemd hoogleeraar klaagt dat hij zijne ideeën, die de vrucht zijn van jarenlange, grondige studie, en waardoor hij de grenzen onzer wetenschap heeft uitgezet, moet voordragen voor schaars bezette of ledige banken, terwijl integendeel als een hond wordt geviviseceerd, de zaal propvol is â dan komt men tot het besluit, dat liefhebberij in de vivisectie in omgekeerde reden staat tot ware wetenschappelijke belangstelling; en
XVI
kan slechts de weeklacht beamen, die deze ervaring hem afperste, dat de vivisectie het duivelsche in den mensch te voorschijn roept.
En kan men zich nu nog verwonderen , dat waar zoovele onzuivere drijfveeren vrij spel hebben , de belangstelling in de wetenschap geheel te loor gaat en zelfs een voorwerp wordt van spot?
Waarom, zoo vraagt Dr. An,va Kjngsfoed, is de vivisectië, in spijt van de talrijke dwalingen en de noodlottige verdoling, waartoe zij in hare toepassing op de praktische geneeskunde, zooals algemeen wordt toegestemd , aanleiding heeft gegeven , toch nog zoo krachtig en hardnekkig verdedigd door velen die hare werkelijke waarde het best kunnen beoordeeleu? â Dit zou voor mij een onoplosbaar raadsel zijn gebleven zonder de persoonlijke ondervinding, die ik gedurende zes jaren aan een hoogeschool van het vaste land heb opgedaan. De verklaring van dit verschijnsel zal men vinden in de volgende herinneringen van zekere gesprekken die op verschillende tijdstippen in mijne tegenwoordigheid gevoerd werden tusschen de professoren , hunne ambtgenooten en de studenten , met wie ik gemeenzaam verkeerde. Ik geef ze weer zoo getrouw als mijn geheugen ze heeft bewaard.
Mijn meester M. B., wiens lessen ik volgde gedurende mijne voorbereiding voor de gerechtelijke geneeskunde, verhaalde mij op zekeren dag dat hij met een leerling bezig was met een reeks van proefnemingen met alcaloïde vergiften op Indische varkens en konijnen. »Maar, zeide ik hem, hebt gij mij zelf niet herhaalde malen opmerkzaam gemaakt op de valsche gevolgtrekkingen uit zulke proefnemingen afgeleid, en hoe bedriegelijk het is daaruit besluiten op te maken voor het geval dat een mensch door alcaloïde vergiftigd is ?» â «Zeker, antwoordde hij, maar wij nemen die proeven niet met het doel dat gij onderstelt. Wij brengen een zeer belangrijk verslag uit dat een net hoofdstuk zal vormen van de proefondervindelijke ver-giftleer. Gij Engelschen wordt allen beheerscht door de nuttigheidswoede, en hebt volstrekt geen gevoel voor het zuiver en eenvoudig onderzoek uit het oogpunt van kunst. Is het niet belangwekkend, afgezien van de praktische geneeskunde, te weten wat onder zekere voorwaarden de uitwerking van bijzondere zelfstandigheden in zekere organismen is? Wij nemen proeven uit beweegredenen van kunst, en omdat de oplossing van bizondere vraagstukken en de waarneming van bijzondere verrichtingen ons belang inboezemen, onafhankelijk van alle toepassing onzer wetenschap op de praktische kliniek. Het werk van den physioloog is zuiver wetenschappelijk, en hij is zooveel beter kunstenaar als hij zich minder laat binden door overwegingen van nuttigheid.»
Men ziet, de verklaringen van dezen hoogleeraar en die van Professor Hermann te Zürich en Cyon te Jena dekken elkander volkomen.
I
XVII
Dr. A. Kingsfoed gaat aldus voort. Een ander lid van de Faculteit dien ik Professor G... zal noemen, drukte zich over hetzelfde onderwerp aldus uit. Ik kan er, tusschen twee haakjes, bijvoegen dat deze professor de algemeene lieveling zijner leerlingen was, en zich altijd minzaam, welwillend en vroolijk voordeed. «Ik beweer niet dat de vivisectie altijd onmisbaar geweest is voor het doen van ontdekkingen en voor hel vervolg verwacht ik er ook geen uitkomst van die iets beteekent. Het is niet omdat zij nuttig is of omdat wij meenen dat zij nuttig zijn kan dat wij ons recht om haar vrijelijk uit te oefenen moeten handhaven. De ware beweegreden is dat zoo wij aan de zedemeesters en de clericalen eenmaal veroorloven aan de wetenschap grenzen voor te schrijven, wij hun onze vesting overleveren. De zedelijkheid is een vraag van nationale gewoonten en gebruiken en wat in een land streng zedelijk is wordt in een ander als grof onzedelijk beschouwd.»
Hier gaf hij voorbeelden.
«De wetenschap is het eenige wettige, onvervreemdbare en bepaalde erfdeel van den beschaafden mensen en wij mogen niet de minste inbreuk op hare heerschappij gedoogen. Want in korten tijd, als het overige menschdom tot het verstandelijk peil van Frankrijk zal zijn opgevoerd, en de ware denkbeelden over de natuur van het leven door de groote menigte, die nu nog aan de leiding der geestelijken is onderworpen, zullen aangenomen zijn, zullen de thans heerschende platte en onnoozele begrippen over de zedelijkheid, de godsdienst, de ziel, de goddelijke voorzienigheid en zoo al meer geheel uitgeroeid zijn, en de gegevens der wetenschap zullen voor den verstandigen en beschaafden mensch het eenig richtsnoer zijn. Wij moeten dus zoo krachtig mogelijk en met den uitersten naijver iedere poging afweren om inbreuk te maken op het onbepaalde recht der wetenschap om hare eigen doeleinden op haar eigen weg te vervolgen, zonder zich door de lieden der kerk en de wijsgeerige zedeleeraars op het zondaarsbankje te laten plaatsen; want die lieden vertegenwoordigen de oude, wegstervende wereld, en wij, de mannen der wetenschap, vertegenwoordigen de nieuwe.»
Zoo men mij, zoo vervolgt Dr. A. Kingsford, vroeg, wat de ware stelling is door de kampvechters en aanvoerders der vrije vivisectie ingenomen, een stelling die voor het publiek verborgen wordt onder het voorwendsel dat zij overvloedig bijdraagt tot het heil der raenschheid, zou ik haar aldus omschrijven:
1°. Verwerping van de godsdienstige en sympathieke gevoelens, evenzeer als van de leer der zedelijke verantwoordelijkheid des menschen, als zijnde uitvloeisels van verouderd bijgeloof;
2o. Het weloverwogen besluit om zich van allen af te scheiden die hierin niet met hen overeenstemmen en om de praktijk van de vivisectie
11
XVIII
tot hun vereenigingspunt te maken als de uitdrukking van dit besluit. (1)
Dat door de proefnemingen op levende dieren eenige belangrijke aanwinsten voor de wetenschap zijn verkregen wordt door de bestrijders der vivisectie gereedelijk erkend. Het blijft echter een open vraag of die ontdekkingen niet op natuurlijken weg hadden gedaan kunnen worden? Maar het is geen open vraag dat door de verkrachting van het zedelijk gevoel het waarnemingsvermogen is verstompt geworden en de geneeskunde van hare natuurlijke banen afgeleid en op een weg van geweldenarij gevoerd een schade heeft geleden die niet te berekenen is. Het nut dat de vivisectie heeft aangebracht, vergeleken bij de ontelbare wreede proeven die niets hebben opgeleverd, is een uitzondering op den regel. Men verwondert zich dat een methode die in onbeperkte vrijheid en roet zulke middelen 2000 jaren in praktijk is gebracht, zoo bitter arm is gebleven in resultaten. En als men nu die luttele voordeelen overstelt aan de vele dwalingen die zij in de wetenschap ingevoerd, aan de heillooze misgrepen, waar zij de artsen en chirurgen toe verleid heeft, aan de roekelooze proefnemingen op argelooze hospitaallijders, waar praktizijns die in zulk een school van zedelijkheid waren opgevoed zonder bezwaar en als door een logisch gevolg toe overgingen, aan al de ongelukkigen die de slachtoffers werden van zulk een gevoelloosheid, aan de vreeselijke angst die zich van de menigte begint meester te maken om in de handen van zulke artsen te vallen, aan het verlies van achting en vertrouwen dat een overigens zoo achtbare- en weldadige stand bij allen die dieper doordenken en ook reeds bij de onbevangen menigte heeft geleden â dan sluit die nuttigheidsrekening met een ontzettend bankroet. Maar dit is niet het ergste. De bestemming des menschen ligt in de ontwikkeling van zijn zedelijk gevoel. De zedelijkheid alleen kan den vooruitgang der ware beschaving verzekeren, het ware geluk des menschdoms bevorderen. En kan men zich nu een grooter ongerijmdheid denken dan dat er stelsels worden uitgedacht om de rechten van het zedelijk gevoel te ontkennen, praktijken uitgevonden om het door dagelijksche oefening te verwoesten; dat er inrichtingen van hooger onderwijs worden geschapen or.i door zulke methoden de jongelingschap te vormen; dat zulke inrichtingen worden bezoldigd en beschermd door den Staat, en niet slechts een onbeperkte vrijheid genieten en aanspraak maken op volstrekte heerschappij, maar ook feitelijk die heerschappij in zulk een mate uitoefenen, dat zij al de
1
De l'inutilité de la vivisection, par Mme Anna Kiitosfobd, Dooteur en medicine de la faculté de Paris, Lausaune Imprimerie Corbaz et cfimp. 1883, uitgegeven door La Société contro les abus de la vivisection ïi Lausanne. Het oorspronkelijk opstel verscheen in The nineteenth century, Febr. 1882.
SIX
andere academische faculteiten, de regeering, de wetgeving, de rechterlijke macht, de kerk eu de openbare meening tot zedelijke onmacht hebben gebracht?
Het is zoover gekomen dat men zijne uiterste krachten moet inspannen om het volk als een nieuwigheid te leeren dat er geen vrijplaatsen, geen kweekscholen mogen zijn voor de misdaad. Eenst von Webee zegt: »De beroemde Parijsche hoogleeraar Magendie veroorloofde zich zulke afschuwelijkheden jegens zijne ongelukkige slachtoffers, dat ik hem reken te behooren tot de snoodste misdadigers die ooit op aarde hebben geleefd. Hij spijkerde b.v. op zekeren dag een fijn zenuwachtig patrijshondje dat hij op een publieke verkooping had gekocht, met vier pooten eu de lange zijdeachtige ooren op de tafel, wel te verstaan zonder het te bedwelmen, om zijne leerlingen op gemakkelijke wijze en ongestoord het doorsnijden der oogzenuwen het doorzagen van den schedel, het doorsnijden van den ruggegraad en het ontblooten der verschillende zenuwbundels te kunnen aantoonen. Daarna sloot hij het arme altijd nog levende diertje op, om het bij de proeven van den volgenden dag te gebruiken. Diezelfde man sneed een hond de maag uit en bevestigde een blaas in de plaats, om nauwkeurig de belangrijke physiologische verschijnselen te kunnen waarnemen , waarmee het langzaam sterven van dit dier gepaard ging.»
Het is echter niet mogelijk om bij vivisectoren de graden van wreedheid te bepalen. Het is een wedijver in onmenschelijkheid, waarbij elke maatstaf van vergelijking u uit de handen valt, daar het oordeel onder het afgrijzen bezwijkt. Wat alleen duidelijk is, is hun bewustzijn vau onbeperkte heerschappij. Mantegazza , schrijver van Dell Azione del dolore sulle Respirazione (over de werking der pijn op de ademhaling), weet dat hij zich voor geen macht ter wereld behoeft te ontzien, als hij de methode beschrijft, die hij heeft uitgevonden om verschillende graden van pijn bij het dier te veroorzaken. De volgende keurde hij de beste: het drijven van scherpe en talrijke spijkers in de pooten van het dier, op zoodanige wijze, dat het bijna bewegingloos gemaakt wordt, opdat het met elke beweging de foltering des te heviger zou gevoelen. Hij zegt verder dat hij om nog heviger pijn (doloro in ten so) te veroorzaken , verplicht was verwondingen aan te wenden. die ontsteking ten gevolge hadden. Een vernuftig uitgedacht werktuig stelde hem tevens in staat om elk lichaamsdeel van een dier met een tang van ijzeren tanden voorzien te grijpen en het slachtoffer hevig te drukken, van een te rijten en op te lichten, ten einde op alle mogelijke wijzen pijn te veroorzaken. Eene afbeelding van dit werktuig is bij de brochure gevoegd. De eerste reeks zijner proeven, zegt Signer Mantegazza, werden op twaalf dieren, voornamelijk konijnen en marmotten verricht, waarvan eenige jongen moesten werpen. Een arm diertje moest dolor i atrocissimi (allergruwelijkste smarten)
XX
uitstaan, zoodat liet onmogelijk was om eenige waarnemingen te doen, ten gevolge van zijne stuiptrekkingen. In de tweede reeks van proeven werden 28 dieren aan die behandeling onderworpen, waarvan eenige, van hunne jongen weggenomen, een of twee uren gemarteld en na een uur rust, weder in het werktuig geplaatst werden, om dooiden hoogleeraar telkens voor 2 of 6 uren verder hevig te worden gekneusd of van elkander gescheurd. In de tabel, waarin deze proeven vermeld zijn , worden de benamingen ; «mol to dol ore» en «crudeli dol ore» (veel pijn en felle pijnen) nauwkeurig onderscheiden, zijnde de tweede waarschijnlijk bestemd voor die gevallen, waarin de slachtoffers, zooals de hoogleeraar het noemt: «lardellati di chiodi^ (met spijkers gelardeerd) waren.
Ten slotte deelt de schrijver ons mede (bl. 25) dat deze proefnemingen alle met veel «amore» en«pazienza» volbracht werden».
En waar is de grens van de onmenschelijklieid ? Er is geen grens. Tijdens het verblijf van Professor Schiff te Florence, werd een nauwkeurige berekening gemaakt van de honden, die hem door de politie bezorgd werden en van de zakken met katten en duiven en de kisten met marmotten die voortdurend aan zijn laboratorium werden afgeleverd, en men kwam tot de schatting dat hij en zijne studenten in het geheel 70,000 dieren, waaronder 14,000 honden hadden geviviseceerd.
En nu zegt men wel, dat geschiedt in het buitenland, dat gaat ons niet aan ; maar zoudt gij die zoo spreekt u wel iets meer van de zaak aantrekken, als u werd aangetoond dat het kwaad ook bij ons wordt gepleegd?
Maar het is ook een valsche gerustheid als de huizen van uw buren in brand staan om te denken; dat gaat mij niet aan. De vivisectie is een internationale zaak, en er is onder de vivisectoren een gemeengeest, die door hun tijdschriften en geleerde werken onderhouden en gevoed wordt. De giftbronnen die in de verschillende landen ontspringen loopen in breede stroomen de wereld door; zij worden door het onderwijs opgenomen in de aderen der jonge lieden en bezwangeren den zedelijken dampkring met bestanddeelen gevaarlijker dan de baccillen die doodelijke ziekten kweeken. Weet gij hoever dat esprit de corps der vivisectoren gaat? â Wat beteekent die wedloop der vivisectoren om het Pasteurisme op te vijzelen ? Het geheele Pasteurisme is op vivisectie gebouwd; en de strijd der Pasteurianen is een strijd van zijn of niet zijn voor de vivisectie; van daar dat de bedoeling der Pasteurianen niet zoozeer is om een zekere methode tot genezing of voorkoming der hondsdolheid te vinden; want die is gevonden in de methode Buisson; (1) maar om door kolossale in
1
Pasteur, zijne methode en hare resultaten, door Ur. A. Kingsford en J. C. van der Huoht, zie beneden. Over de andere middelen die do natuur oplevert ter overwinning van het dolheidsgift, later.
XXI
het belachelijke loopende réclames en valsche statistiekeu het 2)ubliek te verblinden. En wilt gij nu volstrekt in uwe onverschilligheid, uwe onkunde, uw bijgeloovig ontzag voor de Academiën, uw gemakkelijk vertrouwen in de réclame volharden, wilt gij niet letten op de noodlottige sterfgevallen, die Pasteur telkens dwingen om zijne methode te veranderen , en die het bewijs leveren dat die methode eigenlijk een blind empirisme is, niet letten op de meer dan 162 patiënten, die, na door Pasteur behandeld te zijn, allen als slachtoffers der watervrees bezweken zijn, en voor een goed deel met kenmerken van de paralytische watervrees, die het gevolg is der kunstmatige inenting â draag dan de gevolgen, als ook u de dolheidsvrees zal bevangen hebben. Want ook dit is een der gevolgen van het modesysteem, dat de watervrees die uiterst zeldzaam is, vervangen is door een epidemische dolheidsvrees. (1) Maar genoeg om gezond verstand, zedelijk gevoel en geestkracht, die door de heerschappij der vivisectoreu met onmacht zijn geslagen, uit hunne verdooving wakker te schudden. De vivisectie is geen vraag meer, zij is zedelijk en wetenschappelijk vernietigd. Dit kunnen slechts zij betwijfelen die onkundig zijn gebleven van de rijke literatuur over dit onderwerp. Op die onkunde berust de heerschappij der vivisectoren, en zij weten dit zoowel dat zij de vivisectievraag eenvoudig behandelen als een vraag van macht. Lees de artikelen van Professor Haeting , (j) het advies der Academie van wetenschappen (geredigeerd door de Hoogleeraren Heijnsius te Leiden, Koster te Utrecht en Stokvis te Amsterdam) ingewonnen door de Regeering op het verzoekschrift der Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van dieren om een ontwerp van wet voor te dragen om de misbruiken der vivisectie tegen te gaan (1882) (§); lees de antwoorden door den Heer James Cowie ontvangen op zijne zending om ook onze Kegeering opmerkzaam te
1
Uit do onoverzienlijke literatuur vermeld ik hier alleen: Dr. Lütaud , Hc-
XXII
maken op de ontzettende eu volstrekt nuttelooze wreedheden die aan de veeartsenijscholen worden gepleegd (-j-), en gij zult bevinden dat nauwgezet onderzoek naar den toestand, degelijke bewijsvoering, logische redeneering en zuiverheid van beginselen aan de zijde zijn van de bestrijders, en dat de voorstanders het nauwelijks dei-moeite waardig achtten om haar ernstig te verdedigen, daar zij van het behoud van den bestaanden toestand genoegzaam verzekerd waren. Wie echter zijne heerschappij grondt op de tijdelijke verdoo-ving van het geweten der menschheid, slaapt op een vulkaan. Reeds vernemen wij keer op keer dreuuingen als die een uitbarsting voorafgaan. Toen ook de Prins van Wales zich had laten begoochelen om te Londen een Pasteur-Instituut op te willen richten , waarschuwde een predikant de voorstanders om niet al te onbeschaamd het volksgeweten te tarten. Hij wees op de Bastille die door de lang verkropte verontwaardiging des volks werd neergestormd en vraagt of men meent dat het Engelsche volk de 19e eeuw zal sluiten met zulk een monster-stichting lijdelijk toe te laten. De bestrijders maakten toen hun vermaarde lijst op van de 162 slachtoffers van Pasteur, die in groote letters overal te Londen aangeplakt, de verblinde menigte de oogen opende, zoodat het verderfelijk ontwerp in de kiem werd gesmoord. De gruwelen in het duister der hospitalen gepleegd, waar vivisectoreu gewetenlooze proeven namen op argelooze lijders, die ten gevolge dier proefnemingen jammerlijk bezweken, werden openlijk bekend gemaakt. De angst voor de hospitalen, door die onthullingen ontstaan, deed het denkbeeld opkomen om een hospitaal te stichten dat bestuurd zou worden naar deze beide grondstellingen:
1°. Aan het Hospitaal mag geen arts of ambtenaar worden toegelaten die zich met vivisectie afgeeft;
2°. Het hospitaal dient niet om jonge genees- en heelkundigen te vormen, of nieuwe genees- en heelkundige methoden te beproeven, maar om kranken te genezen of hun lijden te verzachten.
The Zoophilist maakte in zijn jongste nummer (Juli 1890) een lijst openbaar van alle artsen en chirurgen aan hospitalen , die zich met vivisectie afgeven, zoodat nu het publiek gewaarschuwd is. Er is dus genoeg gedaan om een uitbarsting te voorkomen. En ofschoon de schuld van een uitbarsting niet neerkomt op het zwaar getergde volk, dat zijne verontwaardiging niet langer bedwingen kan, maar op de bedrijvers van het onrecht, zijn toch volksoproeren zoo verschrikkelijk, dat men blind moet zijn om lijdelijk toe te zien, waar inrichtingen van hooger onderwijs stelselmatig het zaad der verontwaardiging strooien. Men huivert als men in de geschiedenis en de dagelijksche ervaring nagaat hoe bij personen en zedelijke lichamen
(t) De vivisectie als onderwijsmethode aau vee-artsenijscholen door een deskundige beoordeeld, Leiden J. J. Groen 1881.
XXIII
die de grondstelling: het d oei h e i 1 i gt d e ia i d d el en als richtsnoer volgen, de volstrekte heerschappij tot een schrikbewind voert dat bij hunne onderhoorigen alle zelfstandigheid knakt. Wanneer men de vivisectie als het kenmerk beschouwt van de materialistische richting in de natuurwetenschap, dan is die school te beschouwen als een geduchte internationale macht, die niet slechts haar stelsel heeft dat op de verloochening van het zedelijk gevoel berekend is, maar ook hare inrichtingen en praktijken, waardoor de jonge lieden zich methodisch leeren oefenen om hun zedelijk gevoel te verwoesten. Wilde men voor een kerk van het atheïsme een volledige theoretische en praktische organisatie uitdenken, men zou het voorbeeld gereed vinden in de laboratoriën der vivisectie. Maar dat zulke inrichtingen van hooger ouderwijs aanspaak maken op een wettelijk recht van bestaan, op bezoldiging en bescherming van den Staat, op grond dat zij de neutrale wetenschap vertegenwoordigen, is een misleiding zoo kolossaal, dat daar op nieuw uit blijkt, hoezeer zij, in het bewustzijn barer volstrekte heerschappij, verzekerd ziju zich tegenover de Regeering, tegenover de wetgeving, tegenover de andere Academische faculteiten, tegenover de kerken, en tegenover de openbare meening alles te kunnen veroorloven.
Het is dus een bewijs van een helderen blik op den eeuwgeest en de teekenen des tijds, dat de Bestrijders der vivisectie, die ook reeds een geduchte internationale macht zijn geworden, begonnen zijn met een literatuur te scheppen, waarin de vivisectie, haar wezen en beginselen, haar praktijken en gruwelen aan den dag worden gebracht. Verrassend is de indruk dien men door deze literatuur verkrijgt van het licht door ware wetenschap ontstoken. Terwijl de vivisectie als een bronzen Moloch dagelijks zijne hekatomben van bloedige offers verslindt en het geheele levende geslacht met zedelijke onmacht heeft geslagen, blijkt het nu dat de geduchte Reus een beeld is met leemen voeten; en dat een enkele krachtige stoot voldoende zou zijn om het van zijn voetstuk te doen storten. Zijn macht bestaat alleen in de drogredenen, waarmede hij het volksgeweten heeft verstrikt, in de onkunde die hij in naam der wetenschap heeft verbreid; maar zoodra de waarheid die sophismen beschijnt, verdwijnen de schrikbeelden, die in bet duister der onkunde werden gekweekt, gelijk de schaduwen van den nacht verdwijnen voor het licht van den morgen.
Juli 1890.
VOORLOOP1GE STATUTEN
VAN
DEN NEDERLANDSCHEN BOND
TOT
BESTRIJDING DER VIVISECTIE.
V00RL00P1GE STATUTEN
VAN
den Nederlandschen Bond tot Bestrijding der Vivisectie,
1. Er bestaat eeu Nederlandsche Bond tut bestrijding der vivisectie.
2. Leidende beginselen. Do bond verwerpt de leer dat de eenzijdige oefening van het verstand, met verloochening, krenking en verkrachting van het zedelijk gevoel, de weg zou zijn om de waarheid te ontdekken, de wetenschap te bevorderen, den mensch tot zijne bestemming te leiden of gelukkig te maken.
De harmonische samenwerking van verstand en zedelijk gevool is de voorwaarde van den waren vooruitgang. Zonder zedelijkheid is er geen geluk. De krachtigste drijfveer der zedelijkheid is de liefde die er naar streeft meer en meer alle menschen te omvatten; zij omvat ook de dieren, die min of meer met ons dezelfde behoeften, vatbaarheden, neigingen, eigenschappen en vermogens hebben, althans in de kiem. De algemeene liefde, waarvoor de mensch bestemd is, verheugt zich in het geluk van alle voelende, van hun toestand bewuste wezens, en het is haar een behoefte dat naar vermogen te bevorderen.
Het dier heeft recht op een menschelijke behandeling door den mensch, en de mensch die het recht heeft het dier voor zijn nut te gebruiken is tevens verplicht als een menschelijk voogd het dier te verzorgen en te beschermen, en verloochent zijne menschenwaarde door het dier gewetenloos aan zijne persoonlijke, veelal verkeerd begrepen belangen op te offeren.
De stelling dat de mensch in het vermeend of voorgewend belang der wetenschap zich alles jegens het dier mag veroorloven, is een afschuwelijke leer, die tot de laaghartigste praktijken leidt, verderfelijk voor mensch en dier beiden, een leer, die wij onvoorwaardelijk verwerpen en met alle kracht bestrijden.
3. Doel en middelen. De Bond stelt zich allereerst ten doel kennis te verspreiden omtrent de Vivisectie, haar wezen en beginselen, hare praktijken en gevolgen. Hij tracht dit doel te bereiken door geschriften van deskundigen over dit onderwerp uit te geven en te verspreiden, bibliotheken en leeskringen te vormen, vergaderingen
XXVIII
te houden, het publiek iu i.lagbladen en tijdschriften voor te lichten , en door bij elk zijner leden persoonlijke werkzaamheid en verantwoordelijkheid , en ook gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en onderlinge liefde te ontwikkelen en aan te kweeken,
4. Leden en donateurs. Wie met het streven van den Bond instemmende als lid wenscht toe te treden verbindt zich tot het storten van een jaarlijksche geldelijke bijdrage, die ieder naar goedvinden, tot een minimum van 25 cent, kan bepalen. Men voldoet zijne bijdrage dadelijk bij zijne toetreding en verder jaarlijks in de maand Januari. Wie minder dan een gulden jaarlijks bijdraagt neemt de verplichting op zich zijne bijdrage jaarlijks in Januari uit eigen beweging te voldoen, zonder de aanbieding van een quittantie ot aanmaning tot betaling af te wachten. Het bedrag der contributiën is aan het goedvinden der leden overgelaten om niemand wegens geldelijk onvermogen uit te sluiten, en omdat belangstelling en ijverige medewerking niet minder worden gewaardeerd dan geldelijke offers; maar bij lage bijdragen moeten de kosten van inning bespaard worden. En daar de Bond zijn kracht vooral zoekt in de persoonlijke toewijding zijner leden, wordt de spontane voldoening der contributie aan alle leden zonder onderscheid dringend aanbevolen.
Niettemin hebben het Hoofdbestuur en de plaatselijke besturen het recht jaarlijks in Februari of een der volgende maanden over de niet voldane contributiën te beschikken.
Men kan ook lid worden door een gift in eens te storten van niet minder dan f 25.â
Als een lid bij zijne toetreding de voorwaarde stelt dat zijn naam niet openbaar mag gemaakt worden, dan is hij die zulk een lid heeft aangeworven en het bestuur waaronder dat lid ressorteert, alsook het Hoofdbestuur, aansprakelijk dat die voorwaarde worde geëerbiedigd. Hetzelfde geldt, wanneer een lid een adres aanwijst, waaronder hij of zij de geschriften van den Bond wil ontvangen.
Elk lid heeft recht op 1 Exemplaar der geschriften van den Bond. Zij die boven het laagste bedrag contribueeren of aanzienlijke giften in eens hebben gestort hebben aanspraak op meerdere Exemplaren.
Zij die een gift in eens storten minder dan f 25.â ontvangen de geschriften van den bond voor een bepaald aantal jaren, in verhouding tot het bedrag van hunne gift. Na verloop van dien tijd wordt hun gevraagd of zij genegen zijn hunne betrekking tot den Bond voort te zetten.
Ieder lid dat meerdere Exemplaren ter verspreiding verlangt, wordt uitgenoodigd zich tot het Hoofdbestuur te wenden, dat naar gelang van de behoefte en den aanwezigen voorraad aan de aanvragen zal voldoen of overeenkomstig het belang van den Bond beschikt.
Bij de toetreding van nieuwe leden worden hunne namen, voor-
XXIX
namen, betrekkingen, woonplaatsen (in de steden en groote dorpen met opgave van straat en nummer), als mede het bedrag hunner jaarlijksche eontributiën of giften in eens, opgeteekend door de plaatselijke besturen , correspondenten, wervers of werfsters en onmid-delijk ter kennis gebracht van het Hoofdbestuur, dat daarvan aan-teekening houdt in een algemeen register. Te gelijk wordt opgeteekend jaar en dag van toetreding, de naam van den persoon die het nieuwe lid heeft aangeworven , en of het lid zijne contributie heeft voldaan. Ook de plaatselijke besturen, correspondenten, wervers en werfsters houden zulke Registers van de leden van hun ressort.
Verstrooide leden staan in rechtstreeksche betrekking tot het Hoofdbestuur.
5. Wervers en Werfsters. Zij die nieuwe leden hebben aangewonnen maken hen met hunne rechten en plichten bekend, houden toezicht op hen en nemen eenige verantwoordelijkheid op zich dat zij hunne plichten getrouw vervullen. Het wordt inzonderheid aan de wervers en werfsters opgedragen , zoo de door ben gewonnen leden van woonplaats veranderen, daarvan kennis te geven aan het plaatselijk bestuur, waartoe zij behooren, en te zorgen dat zij in hunne nieuwe woonplaatsen de belangen van den Bond behartigen. Zoo wervers en werfsters behoefte hebben aan geschriften ter verspreiding of om uit te leenen , mogen zij verwachten dat hunne aanvragen steeds gunstig worden overwogen.
(5. Het Hoofdbestuur. Het Hoofdbestuur wordt uitgeoefend door de Redactie van Androcles, die het initiatief heeft genomen tot vorming en inrichting van den Bond.
Alle brieven, aanvragen en mededeelingen aan het Hoofdbestuur worden gericht aan: De Redactie van Androcles, onder het adres van de firma H. L. Smits, boekdrukker-uitgever. Westeinde 135 's-Gravenhage.
Het Hoofdbestuur is met de algemeene leiding van den Bond belast en bevoegd tot bet nemen van de maatregelen die het noodig acht ter bevordering van het gemeenschappelijk doel. Het neemt die maatregelen zooveel doenlijk in overleg met de plaatselijke besturen en is gehouden van zijn beheer en administratie in een jaarlijksch verslag of voor een algemeene vergadering verantwoording af te leggen.
Het Hoofdbestuur ontvangt het volle bedrag van alle eontributiën en giften en is steeds bedacht om de inkomsten van den Bond te vermeerderen die het aanwendt:
1°. om de uitgave en verspreiding der geschriften en illustratiën te bekostigen;
2». om een bondsbibliotheek te vormen;
3°. om plaatselijke besturen, correspondenten, wervers en werfsters te hulp te komen in hunne behoeften;
XXX
4quot;. om de bestuurskosten te bestrijdeu.
Het Hoofdbestuur fungeert tevens als plaatselijk bestuur van 's Gravenhage.
7. Afdeelingen en plaatselijke besturen. Waar zich plaatselijke afdeelingen gevormd hebben met een eigen bestuur , is het plaatselijk bestuur de vertegenwoordiger van het Hoofdbestuur ; het bezorgt de schriften van den Bond aan de leden zijner afdeeling en ontvangt hunne contributiën; het tracht een bibliotheek te vormen van geschriften en tijdschriften over de vivisectie en door met oordeel gekozen lectuur de waarheden van den bond bij zijne leden ingang te doen vinden. Het is gerechtigd een reglement voor zijne bibliotheek, zijn leeskring en plaatselijke aangelegenheden te ontwerpen, overeenkomstig met deze statuten, 't welk na goedkeuring door het Hoofdbestuur voor de afdeeling verplichtend is.
De plaatselijke besturen kunnen met het Hoofdbestuur in overleg treden om een deel der plaatselijke inkomsten tot het vormen van leesbibliotheken, leeskringen en het houden van vergaderingen en bijeenkomsten te besteden.
8. Correspondenten. Waar de stof voor een plaatselijk bestuur ontbreekt, kunnen correspondenten door het hoofdbestuur benoemd en zooveel doenlijk met de uitoefening der rechten en plichten der plaatselijke besturen belast worden.
9. Verstrooide leden. Overal waar zich leden van den bond bevinden en de vereischte organisatie ontbreekt is het Hoofdbestuur met de uitvoering dezer statuten belast.
10. Stichters. Een bijzondere orde vormen de Stichters, dat zijn zij die f 100.â of meer aan den Bond hebben geschonken. Deze orde is blijvend en biedt aan vermogende menschen- en dierenvrienden de gelegenheid om op groote schaal het doel van den Bond te bevorderen.
's Gravenhage, Juli, 1890.
De Redactie van Androcles.
VERBORGEN GRUWELEN.
Feiten en Redelijke Gronden tegen de Vivisectie
DOOR
HERMANN STENZ.
UIT HET HOOGDUITSCH
DOOB
J. B. T. HUGENHOLTZ.
Predikant te Zuid-Beierlaud.
VERBETERINGEN.
Biz. 11 r. 1G v. b. staat: Glossopharingens, lees: Glossopharingeus. » 12 » 2 v. b. » lichaamspieren » lichaamsspieren. »gt; 15 » 29 v. b. » miuut » minuut.
VERBORGEN GRUWELEN.
Wantoestanden, die wij niet aanstonds uit den weg kunnen ruimen, moeten althans zoo duidelijk mogelijk aan het licht gebracht worden. Mirahe,uj.
Een verdediger der vivisectie (Philo) en een bestrijder daarvan (Aim) houden de volgende samenspraak. Wij nemen zwijgend aan hun gesprek deel, terwijl wij de wijze vermaning ter harte nemen, al het aangevoerde te onderzoeken en het beste te behouden.
Philo. Onlangs kwam het (jesprelc op de proeven, die door artsen en onder zoekers op levende dieren genomen worden. Daarvan heeft men vroeger toch nooit gehoord.
Anti. Het proefnemen op levende dieren (meestal kortweg vivisectie genoemd) is geenszins nieuw. Reeds ten tijde der oude Romeinen kwamen zulke proefnemingen voor, en sedert dien tijd zijn er altijd artsen geweest, die ze uitoefenden. Maar eerst in den nieuweren tijd begon deze onderzoekingsmethode grootere afmetingen aan te nemen. En heden ten dage heeft zij zulk eene uitbreiding gekregen, dat zij voor eene der gewichtigste bronnen van menschelijke kennis wordt gehouden. Men heeft als grondstelling aangenomen: «Het leven kan alleen aan het levende worden gekend.»
Philo. //' ie over deze vraag spreekt, dient zich voor alles moeite ie geven, de zaak hehoorlijk te omschrijven. Vivisectie Ijeteekeiit zooveel, als een in stukken snijden van het levende. Hat dekt de moderne wetenschappelijke proeven op dieren geenszins, geeft integendeel aanleiding tot onjuiste voorstellingen.
Anti. Wel is waar is het woord vivisectie onvoldoende. Want niet alle proeven vereischen bloedige grepen in het levend organisme.
2
Andere vorderen een laten verbranden, verschroeien, bevriezen, verhongeren en verdorsten, het toedienen van vergif, het toepassen van electriscbe prikkelingen, het besmetten met ziektestof enz. Maar door het gebruik van de uitdrukking âproef op dierenquot;, drukt men de zaak geen haar beter uit. Nu zullen de meesten denken, dat de vivisectie niet zoo vreeselijk is, terwijl zij in waarheid een overvloed van helsche martelingen voor de dieren in zich sluit. Laat dus de naam zijn, hoe hij wil, zoo wij slechts weten, wat wij daaronder hebben te verstaan. Weinigen helaas! weten wat vivisectie beteekent, en zij , die er nog van hebben gehoord, hebben dikwijls eene onduidelijke voorstelling. Het zou wel goed zijn de diepten van het onderwerp eens in het licht te stellen, en in een kort bestek de werkelijkheid samen te vatten.
Philo. Men kan heiceren, dat van de 100 proeven er namvelijlcs ééne wordt genomen, waarhij men let dier niet elke smart hespaart. In alle gevallen, waarin het resultaat door verdooving van het dier niet wordt benadeeld, nemen de geleerden tot dit middel de toevlucht.
Anti. De getuigenissen der feiten luiden anders. 1) worden alle vivisectische oefeningen in de veeartsenijscholen geheel zonder verdooving uitgevoerd. 2) zijn bij de meeste proeven op de geneeskundige hoogescholen de verdoovingsmiddelen meer of minder onbruikbaar, zooals b.v. bij alle proeven op de hersenen, het ruggemerg en de zenuwen, daar zij immers de werkzaamheid dezer organen ben ad eelen en verlammen! onbruikbaar voorts bij alle proeven tot vergiftiging, daar de verdoovingsmiddelen immers zelf uit gifstoffen bestaan, en als zoodanig de zuiverheid der proeven door andere vergiften bena-deelen! onbruikbaar voorts bij alle proeven met betrekking tot den hartslag, de temperatuur en de afscheidingen, daar de verdoovingsmiddelen immers ook hier door het middelst lid der zenuwen op dit gebied te storend werken! (Dr. Richard Nagel's Schrift quot;Der wissen-schiaftliche Unwerth der Vivisektion in allen ihren Ar ten.» Berlin, 1881.) Bovendien is 3) duidelijk, dat de oogenblikkelijke ongevoeligheid, zelfs al bestond zij, bij langere proefnemingen weer verdwijnt en van geen nut kan zijn bij dieren, die men dagen, weken en maandenlang ter waarneming bewaart, om den voortgang eener kunstmatig veroorzaakte stoornis waar te nemen.
Philo. Onmogelijk is het wel is waar, eene hewusteloosheid der dieren te hereiken. In vele gevallen echter is het mogelijk en icordt zij ook door Chloroform, Morphine, Curare enz. hewerkt.
Anti. Men late zich hierdoor niet misleiden! Wij bezitten: a.) werkelijk bedwelmende middelen zooals chloroform, aether, geest van salpeter, i) ver stompen de middelen , zooals Morphine, opium, chloraalhydraat,e)schijnbaar bedwelmende middelen.
3
zooals curare. Laat ons nu zien, hoe liet met de bruikbaarheid dier middelen gesteld is.
Wat Chloroform betreft, zoo halen wij de volgende uitspraak van Dr. Riegel aan: «In het geval in quaestie is liet gelukt, den hond althans gedurende een tijdlang in volkomen narcose te houden. D e r g e 1 ij k e proeven gelukken zelden voor lauge rent ij d; het is moeielijk, juist dien graad van narcotiseering der dieren te vinden, die, zonder diepergaande storingen dei functies te veroorzaken , liet centrum van het bewuste zieleleven volkomen opheft.quot; {Pflürjer's Ar dm far Physiologie, Bd. 6, Seite 661.)
Wat Morphine aangaat, zegt de beroemde vivisector Claude Bernard, »Morphine bedwelmt niet, maar verzwakt slechts de pijn. Wanneer men daarmee een hond heeft behandeld , dan tracht hij niet meer te ontvluchten; hij weet niet, waar hij is; hij bemerkt zijn' meester niet. Gevoel evenwel bezit hij nog, want als hij genepen wordt, beweegt hij zich en huilt. De Morphine brengt hem in een' toestand van onbeweeglijkheid, die toelaat, hem op de pijnbank te leggen, zonder hem te binden, of van een muilkorf te voorzien,quot; {Revw; de cours scienüjiques, Bd, 6, Seite 263.)
Wat de Curare betreft (Indiaansch pijlgift) citeeren wij eveneens het getuigenis van Claude Bernard, daar deze het eerst de werkingen van het vergif onderzocht en nog steeds als eerste autoriteit in dit opzicht gelden mag. Hij zegt: »De curare werkt slechts in zooverre op het zenuwstelsel, dat het de bewegingszenuwen verlamt, het gevoel echter onveranderd laat; het is geen bedwelmingsmiddel,quot; (Revue scientijiqve 1871 â1872, Seite 892), Ook Vulpian, na Claude Bernard de beste autoriteit ten opzichte van de curare, zegt in zijn geschrift: quot;Lecons sur Fappareil vasomoteun/ II, Band, Paris 1875, S. 660: De curare werkt niet op de gevoelszenuwen; althans hare werkzaamheid heft ze niet op. Hetzelfde bevestigt Cyon (Met/wdik der phyHiolog. Kiperimenfa und Vhheld.ionenn 1876, Seite 57).
De Physiologen weten zeer wel, welke pijnen de dieren bij de proeven te dulden hebben, en zij geven het hier en daar in hunne geschriften zelf toe. Zoo zegt Claude Bernard {PI//sio Joy ie opéra-toire, Ausgabe 1879, Seite 588) men moest »die dieren kiezen, die de pijn het best kunnen verdragen,»
Philü, Al te teer mogen wij niet zijn. U'avveer menschev de pijnen der operaties moeten verduren, toaarom zou het ongeoorloofd zijn, dieren aan zulke operaties te onderwerpen, waar het er op aankomt, de uitvoerbaarheid eener operatie te beproeven ?
Anti, Hierop heeft Dr, E. G. Hammer een voortreffelijk antwoord gegeven. Hij merkt op: «Daaruit, dat sommige vivisecties de perken eener chirurgische operatie niet te buitengaan, laat men het goed-
'i
geloovig publiek het besluit trekken, dat vivisecties in 't algemeen met chirurgische operaties te vergelijken zouden zijn, en er op zouden gelijken. In waarheid evenwel is het er aldus mede gesteld, dat de chirurgie ten doel heeft het behoud des levens en der organische ongeschondenheid, en zich door dit doel in hare handelingen laat beperken, terwijl de proefondervindelijke Physiologic, waarbij het alleen op verschijnselen aankomt, geen andere grens kent, dan het totaal afsterven van het dier, waarop de proef werd genomen....
Doorstaat het dier de proef, dan wordt het in een donker vertrek opgesloten en voor verdere proeven bewaard. Sterft het echter, dan neemt men een ander. â Eene chirurgische operatie is meestal binnen eenige minuten geeindigd, slechts weinige operaties duren één half uur. De duur der vivisectische proeven is onbekend, en den vivisector geheel onverschillig. Duurt de proef 5 tot 6 uur, dan laat hij zich door zijne assistenten aflossen; duurt zij langer dan 124 uur, dan gaat de professor naar huis en begeeft zich ter rust, want het dier is vastgeschroefd en gebonden, en kan nu zien, hoe het in zijn' verminkten toestand den nacht doorkomt.» (Dr. Hammer's schrift: quot;Die Vertheidiger der Vivisektion unci das Laien-Publikum.quot; Leipzig, 1879.)
Philo. Operaties zijn voor dieren niet in denzelfden graad pijnlijk, als voor menschen. Verliest eene spin een leen, dan kan zij daarom toch lenen.
Anti. Er is bij de vivisectie geen sprake van spinnen en motten, maar van veel hooger staande dieren, ja, voor het grootste gedeelte van zulke dieren, die door een fijn gevormd zenuwstelsel en door psychische eigenschappen den mensch nabij komen. Aan arme schepsels , die voor de vele diensten, die zij ons bewijzen, onze grootste zorg, dankbaarheid en ons medelijden verdienen, worden onnoemelijke martelingen opgelegd. Welk een fijngevoelig dier is toch de hond! En toch worden tallooze proefnemingen met betrekking tot de zenuwen, de pijnlijkste van allen, bijna altijd op honden uitgevoerd. Men bedenke, hoe ons reeds eene blootliggende tandzenuw tot wanhoop kan brengen, en men heeft eene fiauwe voorstelling van de pijnen der dieren bij proeven op de blootgelegde zenuwen. In den vollen omvang laten deze gewaarwordingen zich volstrekt niet meten, maaralleen uit de trekkingen der spieren en krampen in hare hoogte beseffen.
Philo. Be geleerden, die proeven op dieren nemen, zijn hoog he-schaafde mannen, en daarom kan men, met betrekking tot eene humane hehandeling der dieren in hen een vol vertrouwen stellen.
Anti. Wij zijn in staat bewijzen aantevoeren, waaruit blijkt,
dat do vivisectoren in 't algemeen de dieren niet als gevoelhebbende wezens, maar als voorwerpen van hout of steen behandelen.
»Reeds de beschouwing der z. g. »honden- of konijntjeshouders», toont ons, dat men weinig of veeleer zoo goed als in 't geheel niet op het lijden en de martelingen der dieren acht slaat, martelingen, die zij reeds hebben uittestaan door de wijze, waarop zij op een dergelijk marteltoestel worden vastgeschroefd. Het geheele, uit staal vervaardigde kunsttoestel, dat tot nederdrukking en bevestiging van het dier bestemd is, laat het oog van den meedoogenden toeschouwer te vergeefs naar eene soort van bekleeding of opvulling zoeken, waardoor de martelingen en kwellingen van het dier, dat bestemd is den offerdood voor de wetenschap te ondergaan, bij het bevestigen en opschroeven op de folterbank eenigermate verzacht zouden worden. Van alle zijden grijpt het met de grootste spitsvindigheid uitgedachte toestel met zijn naakte, onbekleede stangen, bouten en schroeven onmiddelijk de gevoeligste deelen van het dier aan, en wel niet alleen met de juistheid, maar ook met de brutaliteit van duimschroeven, en dwingt het weerlooze offer zonder eenige barmhartigheid â die zonder de zekerheid der proef te benadeelen, zeer wel kon in acht genomen worden â in zijne smartelijke en pijnlijke ligging neder.» (Dr. G. Voigt's Schrift quot;Für oder wider die Vivisektion ?» Leipzig, 1879.)
Een verdere omstandigheid, die van de afweïigheid van alle humaniteit bij de meeste vivisectoren getuigt, is het gebruik maken van de curare. Wij merkten reeds op, dat dit vreeselijk vergif alleen de beweging der dieren verlamt, maar niet de gewaarwording en het bewustzijn wegneemt. «Wanneer men de rust van het dier alleen op het oog had, dan zou men die kunnen bewerken door het Indiaansche pijlgif curare, indien de proefnemer daartoe wreed genoeg ware.» â Zoo zegt Prof. L. Hermann, die zelf een vivisector is. (Diens geschrift: quot;Lie Vivisektionsfragen, 1877, Seite 21.) Dat nu deze wreedheid feitelijk en menigmaal wordt gepleegd, volgt uit de reeksen van proeven, die in de geneeskundige tijdschriften beschreven zijn. Claude Bernard, die ons meedeelt, dat curare »het ontzettendst lijden veroorzaakt, dat de menschelijke phantasie zich denken kan, spreekt het geheel onbewimpeld uit: »De curare wordt tegenwoordig in vele gevallen gebruikt, om de dieren onbeweeglijk te houden. Er zijn weinige waarnemingen, welker beschrijving niet daarmee begint, dat zij op een gecurariseerd dier zijn gemaakt.» (Lecom de Phi/siologie Opérafoire. Paris 1879, p. 168.)
Het tergendst evenwel is de onverschilligheid der Vivisectoren, om de doodzieke, ontzettend verminkte dieren door nieuwe proeven nog tot het uiterste te gebruiken, in plaats van ze althans zoo spoedig mogelijk, vau hunne pijnen te bevrijden.
6
Waar blijft dan nu de zoozeer geroemde humaniteit? Prof. Hermann zegt ons met ronde woorden, dat de maat van 't geen van het dier wordt gevergd, niet van den proefnemer, maar van de taak der wetenschap afhankelijk is. (quot;Die Vieisektiomfraf/e.» S. '25.) En dit is ook de werkelijke stand van zaken. Ia 't algemepii wordt weinig of in 't geheel niet op de pijnen der dieren gelet , ja! het wordt rechtstreeks geloochend, dat liet lijden en het leven van het dier in 't algemeen zonden waard zijn, er acht op te slaan, wanneer het een wetenschappelijk onderzoek geldt.
Hoogst leerzaam zijn in dit opzicht de getuigenissen, die de Oostenrijksche Vivisector Dr. Emanuel Klein, als getuige gehoord, vóór de koninklijke commissie, die tot onderzoek der vivisectie was benoemd, den 28quot; October 1875 te Londen aflegde:
§ 3539. Indien gij zegt, dat gij alleen gemakshalve verdoovings-middelen gebruikt, bedoelt gij daarmee, dat gij u om het lijden der dieren niet bekommert? »Niet in het minst.»
§ 3540. Zijt gij bereid, dit als beginsel vasttestellen, dat gij billijkt? â »Ik geloof, dat een onderzoeker geen tijd heeft, om te vragen en te overleggen, wat het dier wel voelen of lijden zal. Zijn eenig doel is, de proefneming uittevoeren, zooveel mogelijk te leer en, en het zoo spoedig mogelijk te doen.»
§ 3546. Gelooft gij, dat het op het vasteland eeu algemeen gebruik is, geheel niet te letten op het gevoel der dieren ? â »D a t geloof ik.» â Deze bekentenis is aan het ambtelijk bericht der Commissie tot onderzoek ontleend.
Philo. De vivisectoren zijn even goed menschen als wij, en gaan evenzeer met een bezwaard gemoed tot de uitoefening der proefnemingen over, als wij er van hoor en.
Anti. Laat ons met betrekking hiertoe eenige vivisectoren van beteekenis zelve laten spreken. Wij vermelden er ook aanstonds bij, waar de aanhalingen te vinden zijn.
Prof. Cyon, schrijver eener beroemde quot;Methodih der ph/siolog. Experimente und Vivisektionenn (Gieszen und St. Petersburg, 1876) zegt op blz. 15 van zijn werk;
»De echte vivisector moet tot elke moeielijke vivisectie met dezelfde blijde opgewektheid, met hetzelfde genot overgaan, als de chirurg tot eene moeielijke operatie, waarvan hij een' buitengewonen uitslag verwacht. â Wie voor de sectie van een levend dier terugschrikt , wie tot eene vivisectie als tot eene onaangename nood-zakelijkheid overgaat, zal wel de eene of andere vivisectie kunnen herhalen, maar nooit een meester daarin worden. â Wie niet met
7
blijde spanning urenlang dezen of genen, nauwelijks voor het bloote oog zichtbaren zenuwdraad in de diepte zoo mogelijk nog tot eene nieuwe vertakking vermag te volgen, wie geen genot smaakt, zoo hij hem eindelijk, van de omliggende deelen gescheiden en af-'gezonderd, aan de electrische prikkeling kan onderwerpen, of indien hij in eene diepe holte, alleen door het tasten met de vingertoppen geleid, een geheel onzichtbaar bloedvaatje afbindt en doorsnijdt, dien ontbreekt het noodzakelijkste, om met goed gevolg vivisector te zijn.»
Prof. Claude Bernard quot;Mnleitung in das Stadium der Experi-mental-Phj/siologie'f, S. 180) zegt ons iets dergelijks: »De Physioloog is geen gewoon mensch, hij is een geleerde, een mensch, door eene wetenschappelijke gedachte gegrepen en er geheel mede vervuld. Hij hoort niet meer den smartkreet der dieren. Hij is blind voor het bloed, dat stroomt. Hem staat niets voor oogen, dan zijne gedachte en organismen, welke hem geheimen verbergen, die hij ontdekken wil.»
Maar wij willen nog een' klassieken getuige aanvoeren, een gevierd man, Prof. Mantegazza te Florence, Senator van het Koninkrijk Italië. Deze stelde het zich tot taak, de grootste pijnen te voorschijn te roepen, om daarover boeken te schrijven. {quot;Die Physiologie des Sclmerzesquot; und; '/J)ie Wirlcung des Sc/merzes auf die Athnungn, Florence, 1880.) O. a. gebruikte hij eene vernuftig uitgedachte machine, door middel waarvan hij elk gedeelte van het daarin gesloten dier naar goedvinden grijpen, doorboren, nijpen of verbrijzelen kon. De nauwkeurig beschreven bizonderheden zijn zóó afschuwelijk, en de proeven zóó satanisch, dat een onbevangen lezer huiverend terugbeeft. â Prof. Mantegazza daarentegen, in elk geval een gemoedsmensch, betuigt ons woordelijk: »Deze mijne proeven werden door mij met groot genoegen en veel geduld gedurende een geheel jaar voortgezet.»
Philo. Ach! dat men mij het verhaal van zulke dingen spare. Mijne zenuwen hunnen zoo iets niet verdragen. Ook heb ik noch de roeping, noch de kracht, om het te hunnen veranderen.
Anti. Zoo spreken helaas! velen. Het is een treurig feit, dat ontelbaar velen met een anders rechtschapen gevoel en medelijdend hart, van de gruwelen der vivisectie niets willen hooren. Zij weten, dat er gruwelijke dingen geschieden, maar zij wenden hunne oogen liever af. Zij kunnen niet eens de bloote gedachte aan de proefnemingen der vivisectie verdragen, maar verroeren desniettemin geen vinger, om zichzelve en hunne tijdgenooten met betrekking tot het ontzettende der vivisectie in te lichten.
Pjiilo. // ij mogen niet alle vivisectoren voor de gezindheid van enkelen hunner aansprakelijk stellen. Uitzonderingen vormen geen regel.
8
Anti. Nu, al is het ook, dat de vivisectoren in oubarruhartigheid niet allen aan elkaar gelijk zijn; eene loochening, dat de vivisectie met wreedheden gepaard gaat, heeft noch slot noch zin ! De vivisectoren hebben ons daaromtrent uitvoerige berichten meegedeeld. En de geleerde vaktijdschriften hebben die mededeelingen der vivisectoren steeds zonder een woord van afkeuring ter kennis van hunne lezers gebracht. Wij hebben talrijke voorbeelden gereed en willen ze toonen, opdat ieder zelf kan oordeelen.
Philo. Er wordt duur de vijanden der vivisectie zooveel overdreven en verkeerd voorgesteld, dat men zeer voorzichtig te werk moet gaan, om ohjeotief te blijven. Alleen gevallen, die nauwkeurig te lewijzen zijn, kunnen hier in aanmerking komen.
Anti. Wel is waar zijn vele proeven op dieren betrekkelijk onschuldig. Deze merkt men dan gaarne als normale voorbeelden aan, van wat de vivisectie eigenlijk beteekent, terwijl toch de mees'e proeven wreed, vele zelfs duivelsch zijn. â Eene veelomvattende verzameling van, bij acte vastgestelde vivisectische gruwelen, leverde in 't jaar 1876 de uit 6551 Paragraphen bestaande ambtelijke mededeeling op, waarin de Engelsche Commissie tot onderzoek de handelingen der vivisectoren in bijna alle physiologische Laboratoriums van Europa onthulde. â In Duitschland, gelijk in 't algemeen op het vaste land, werd het grooter publiek eerst in 1878 door Ernst von Weber's schrift quot;I)ie Folterkammern der Wissenschaftn met de vivisectie bekend gemaakt. (1)
Naast deze oudere verzamelingen staat ons nog uit de laatste jaren een zóó rijke stof ten dienste, dat wij daarmee geheele boekdeelen zouden kunnen vullen. â Alles, wat wij nu zullen aanvoeren, is werkelijk geschied. Bij elk geval wordt de plaats, waar het te vinden is, aangegeven.
Bij akten vermelde voorbeelden van proeven op dieren, die onder het voorwendsel der wetenschap werden genomen, maar in afschuwelijkheid alles overtreffen, wat slechte en verdorven menschen ooit dieren hebben aangedaan.
Dergelijke proeven telt men bij legioenen. Wij nemen uit geheele klassen slechts enkele, terwijl wij ook slechts proeven uit den nieuweren tijd aanvoeren. â Men zal hieruit zien, dat de verschrikkingen der inquisitie in onze verlichte en milde eeuw voor de dieren weer zijn aangebroken. â »Tot grootere eer der wetenschap» is men onvermoeid
1
Ernst von Weber: «Die FolterTcammern der Wissenschaft. Eine Sammlung von Thatsachen für das Laien publikum.quot; Mit 8 U lus tra t io n en. Leipzig 1879. 8 uitg. Prijs 0.15 (Is vertaald iu 8 talen). Dit geschrift heeft meer uitgewerkt, dan eeniir ander, om de kennis van de gruwelen der vivisectie te verbreiden. â Voorhanden bij de Intern. Vereeniging te Dresden. [Eene Hollandsche vertaling, uitgegeven door de Ned. Ver. t. b. v. ^d., zag het licht bij den uitgever van Androcles, in 1880.]
9
bezig, nieuwe martelmethoden te verzinnen, en het lijden der stervende dieren te vermenigvuldigen. â De vivisectie is internationaal. â De opwekkingen gaan over en weer, en elke nieuwe spitsvindigheid vindt navolging in alle landen.
Dr. Gartner heeft proeven genomen met betrekking tot urine-afscheiding. Hij zegt: »Ik ontzenuwde de nier (terwijl ik het orgaan uit zijn omhulsel nam en ook alle zenuwen doorscheurde) in de ehloroform-narcose, schoof dan de uier weer op hare natuurlijke plaats terug, sloot de buikwonde en liet het (lier uit (le narcose ontwaken; 4â5 uren later werd dan de eigenlijke proef-ueniiug uitgevoerd. (IFiener Med. Jahrhuch 1881, Seite 287.)
E. Aronsohn en J. Sachs te Berlijn hebben konijntjes, zee-varkentjes en honden deels gaten in den schedel gehoord en naalden in de hersenen gestooten, deels van uit de oogholte in de hersenen gestoken, zooals zij het noemen, een tot heden toe nog wel niet betreden weg tot de hersenen! â Het was te doen om de ontdekking van een »warratecentrum in de groote hersenen.» Vermeld zij, dat de dieren niet genarcotiseerd werden, dat bij een konijntje van eenige twintig naalden sprake is, die binnen zeven dagen van uit de doorboorde plaats in de hersenen werden gestoken en den ganschen tijd bleven steken, dat van een hond wordt bericht, die 8 uren lang vastgebonden werd gehouden. (Deutsche Med. Wochenschift 1884, Nquot;. 51).
Deutsclimann maakte dieren blind door de werking van het directe zonlicht op hot blootgelegde darmnet der oogen. (Grafe^s Arehiv. Band. 28, Seite 241.)
Koja liet katten 127 naalden inslikken, deels met de punt naar voren; twee er van bleven zitten, de overige waren binnen 4â140 uren langs den natuurlijken weg verdwenen. (Dr. Peyer's schrift: quot;I)ie Microscopie aw KranJcenlett.n Basel 1884.)
In eeue Polemiek met Prof. Munk over uitdelgiiig der groote hersenen bij lage zoogdieren zegt Prof. Christiani dato 29 Mei 1884; »Dat bij zijne wijze van opereeren de dieren niet uitgeput raakten. âHiertoe mogen do dieren echter noch door Narcotica, noch op eenige andere wijze kunstmatig voorbereid zijn.quot; Christian! beschrijft dan de vreeselijke, martelende operatie, die evenwel »zoo spoedig mogelijk» moet uitgevoerd worden. Allereerst de opening van den schedel, die het dier het meest aangrijpt; â »ten slotte breekt men het achterste deel van het hersenbeen af en men heeft daardoor eene ovale opening in den schedel van voldoende grootte verkregen, om de hersenen er uittenemen.» fSitziivf/sbericht der Berliner Academie der Wissenschaften.J
Ernst Scheurlin nam proeven aangaande het ontstaan en de voortbrenging van ettering door chemische prikkelingsmiddelen. â Hij gebruikte de volgende methode: hij vulde spilvormige haarbuisjes,
10
die deels I, deels 4 droppels vloeistof bevatten, met verschillende middelen tot prikkeling (01. Canthar. etc.), smolt de uiteinden dicht en bracht ze dan onder de huid van konijntjes over. Nadat de wonde was genezen, werd het glasbuisje in liet lichiiiiiu van het konijntje gebroken en het dier eerst 4â8 dagen later gedood. Er werden op 32 konijntjes proeven genomen. (Deutsche Medic. Wochenschrift 1885, N». 50.)
Wilhelm Marcuse heeft bevonden, dat de lever van den kik-vorsch de eigenschap bezit, melkzuur te vernietigen. »Een' grooten, op de pijnbank gespannen, kikvorsch werd de buik ter hoogte van de lever links van de middellijn door eene snede in de lengte ter grootte van één duim opengesneden, en door drukking in de zijde de lever er uitgeperst. Deze werd daarna tot op een kort stompje afgesneden, de versch doorgesneden vlakte daarvan door branden met een gloeiend stukje platina gedroogd, het stompje door de snede teruggedrongen en deze laatste dichtgenaaid. Na 12 uren was de blootgelegde blaas sterk gevuld en ontlastte heldere urine.» (Pfiilycrs Archiv. 1886, Seite 444.)
Dr. Busch heeft op jonge honden van groot ras proefnemingen gedaan met betrekking tot den wasdom der beenderen. â Te dien
O O
einde werden den dieren gaten in de onderkaak geboord, waarin hagelkorrels werden gelegd. â Ook werden kleine spelden in de beenderen gedreven. (Sitzuny der Berliner physiol. Ges. com 27 Fehruar 1885.)
J. Jegorow te Kasan nam proeven op de oogzenuwen. De dieren waren honden en deels ook katten. Honden met een' langen bek bleken wegens hunne langere »Orbita», tot de proef geschikter te zijn; «bovendien bevond ik , dat bij honden met glad en kort haar de zenuwen scherper uitkomen. De dieren waren allen gecurariseerd . ..» Nadat de schedel van boven geopend was en de beenderen der oogholte met eene tang er uitgebroken waren, had men »den oogappel met zijne spieren, vaatjes en zenuwen, in een omhulsel gesloten, vóór zich .... De zenmveii werden óf mechanisch door kneuzing of door een Indnctiestroom geprikkeld.quot; (Du Bois-Raymontfs Archiv. 1886.)
O. Langend orff en A. Seelig te Koningsberg hebben aangaande de stoornissen der ademhaling, die ten gevolge van hindernissen der ademhaling optreden (dus met betrekking tot den ademnood!) proeven genomen. Van gechlorariseerde konijntjes werd eerst de luchtpijp doorgesneden en daarna de aangebrachte elastieke buis door middel van een haan voor een tijdlang gesloten, of de dieren werden gedwongen, door eene nauwe (d. i. ontoereikende) glazen buis te ademen. Met liefdevolle toewijding hebben nu de beide geleerden den stikkingsangst der dieren bestudeerd , de getallen der ademhaling opgeteekend, en dan niet getalmd, hunne waarnemingen, die hen
11
zoo gelukkig maakten, op te schrijven, fPjliir/erx Aru/iiv. 1886, Seite 223 sqq.)
Prof. J. J eg o row te Kasan onderzocht op wreede wijze den invloed der Sympathicus-zenuwen op de pupil der vogels. Men legde bij kippen, duiven, kalkoenen e. a. de halsspieren en halszenuwen bloot, verwijderde de beenderen en sneed de spinale zenuwen door. âBij geen der proeven werd liet lt;fier genarcotiseerd.quot; Uit de nauwkeurige beschrijving der proeven geven wij het een en ander ten beste:
Proef 1. Gedurig herhaalde electrisehe prikkeling der zenuwen. »Bij de mechanische zoowel als bij de electrische prikkeling van de Ischiadic us, uitte het dier zijne pijnen door een' kreet en hevige lichaamsbewegingen.»
Proef 2. Zenuwprikkeling door toesnoeting en electriciteit. Nu werd de zen uw bundel er uit genomen en in ' t b i z o n d e r van de vagus en Glossopharingens geïsoleerd, waarbij het dier zich sterk bewoog. Bij de nu volgende prikkeling van den zen uw bundel bleef het dier a a n v a n k e lij k rustig, spoedig evenwel begon het zich hevig te bewegen, ook kermt het . . . . De prikkeling werd met denzelfden uitslag eenige malen herhaaldquot; enz. enz.
De meegedeelde proeven zijn ware voorbeelden van duivelsche wreedheid. Op blz. 337 wordt gezegd: Opereert men voorzichtig en langzaam, dan is er van eene hevige bloeding geen sprake . . . De Methode van operatie is bij alle soorten van dieren dezelfde alleen bij kleine dieren duurt de operatie nog langer, daar zij om gemakkelijk te begrijpen redenen, hier veel moeilijker is.quot;. (Vj'liigef* Archiv 1887, Bd. 41, Seite 329 sqq.) Claude Bernard enPavy brachten de schenkels van levende kikvorschen of de ooren van levende konijntjes in de niaaglistel van een hond over, om zoo door dezen verteerd te worden.
Johannes Prenzel {Biolog. Centmlblatt VI, No. 22, bevestigde een' kikvorsch op eene vorkvormige plank en dompelde dan het eene been in een mengsel van pepsine. Bij 38° liet zich de boveuhuid in korten tijd in stukken los, het vleesch om de spieren verdween al meer en meer, en binnen 1.1 uur waren de beenderen volkomen blootgelegd. Later werden ook deze vernietigd.
Dr. Ustimowitsch te Leipzig nam proeven op konijntjes en honden. Doorsnijding van het halsmerg â een allerhevigste druk op de pooten van een konijntje â⢠faradische prikkeling van de centrale uiteinden der zenuwen â aanhoudende legging in ijs met doorgesneden ruggemerg en blootgelegde ingewanden. ââ gt;;De vernietiging van het ruggemerg werd bewerkt door een aan de einden afgerond staafje van vischbeen, dat langs het geheele wervelkanaal tot aan de tegenovergestelde opening daarvan werd geleid en doorgetrokken, nadat
12
dit te voren zoolang gedraaid eu heen eu weer geschoven was, tot er geen trekkingen raeer in de lichaamspieren waren teweegtebrengen.quot;
Hierbij voegt Ustimowitsch nog de aanmerking: «Vroeger . . . . boorde ik een staafje van vischbeen door het wervelkanaal, dat van voren met een soort van stalen kurketrekker was voorzien.quot;
Uit het grootste aantal (!) zijner proeven geeft Ustimowitsch eenige voorbeelden, waar de dood spoedig intrad, d. i. na eene marteling van twee uren het arme schepsel aan zijne pijnigers ontrukte. »Maar, zegt Ustimowitsch, leerzamer zijn de proeven, die bewijzen, dat het leven de vernieling van het ruggemerg langen tijd kan verduren.» Hij beschrijft dan proeven, waarbij de vernieling van het ruggemerg stllksgewij/e geschiedde. {Ihi Bois-UwymoncVx Archw 1887, S. 185 sqq.)
Prof. T arch an off te Petersburg heeft op eenige honderd (!) kikvorsclieu ontzettend wreede onderzoekingen aangaande hun geslachtsleven ingesteld, die evenwel in verhouding tot de opgelegde helsche martelingen op zeer weinig beduidende vragen betrekking hebben. Hoe de proeven werden uitgevoerd, moge een voorbeeld toonen :
»Men kiest een paar, waarvan het mannetje het wijfje zeer vurig omarmt en het, ondanks hevige pijniging van de huid of gewelddadige pogingen ter verwijdering, niet loslaat. Van zulk een mannetje opent men den schedel en legt al de hersenen tot aan het ruggemerg bloot. Hoewel door deze operatie de geslachtsgemeenschap gewoonlijk in 't geheel niet wordt verbroken, werd, nadat zij geëindigd was, aan het dier een half uur rust gegund. â Na afloop van dezen termijn begint men verschillende deelen der hersenen met een scherpe naald te prikken, terwijl men elke keer loodrecht tot op den bodem van den schedel steekt.» {PjUh/er's Archw 1887. Seite 346.)
Dr. von Limbeck te Praag onderzocht de werking der zouten. De dieren werden, om vergelijkbare proeven op te leveren, tot de proeven voorbereid. Dit geschiedde daardoor: dat aan de dieren, die daartoe gebruikt zouden worden, gedurende 48 uren water en voedsel onthouden werden, en hun hierna op de twee volgende dagen elk 3 pCt. van het lichaamsgewicht aan droge haver werd gegeven, zoodat alle dieren eerst na eene voorbereiding van vier dagen tot de proeven werden gebruikt.»
»Het onthouden van water gedurende 4 dagen had bovendien dit voordeel, dat daardoor de diuretische werking der zouten sterker uitkwam, daar het optreden van diurese bij letterlijk uitgedroogde dieren meer schijnt te bewijzen , dan bij dezulken, die evenveel water inhouden.» â (Arc/iiv fur exper. Patholoijii; und Vlnirmalcolofjie, 1888, Seite 70.)
Dr. S. G r o 11 te Koningsbergen onderzocht het Heraoglobinegehalte
13
des bloeds bij volkomen uitputting der dieren. Het uithongeren begon onmiddelijk na de beëindiging der bloedproef, die als de eerste hongerdag dienst deed. De dieren kregen ook geen water. Dier Nquot; 6, konijntjes, 1(5 hougerdageu
|
Nquot; 7, kat. |
18 |
» |
|
N0 8, kat, |
11 |
» |
|
N0 10, kat. |
10 |
» |
|
Ne 12, kat. |
22 |
» |
|
No 13, kat, |
1» |
» |
|
N0 14, kat, |
10 |
« |
|
N0 15, kat. |
20 |
» |
|
N0 16, hond, |
21 |
» |
(Pfliige/s Arclnv 1888, Band 43, Seite 239 sqq.)
Dr. J. P. Paw low te Petersburg heeft met betrekking tot de centrifugale zenuwen van het hart proeven genomen. De ontzettendste dingen worden met eene onverschilligheid verhaald alsof er sprake ware van scheren of haarsnijden.
(Blz. 499.) »De dieren werden bij genoemde proeven grootendeels gecurariseerd.quot; Verschillende zenuwen aan den hals en in de borstholte werden doorgesneden. Daarna electrische prikkeling met het slede-inductorium.
(Blz. 502.) Proef c. »Het dier is niet door curare, maar door middel van doorsnijding van het ruggemerg 1) zonder voorloopige narcose onbeweeglijk gemaakt, de spijshuis weggenomen, het overige gelijk boven is beschreven.
(Blz. 510.) »Bij inachtneming van de genoemde voorzorgsmaatregelen gehikt het, om bij algeheele opening dei-borstholte gedurende twee tot vier uren aan het hart of de longen te werken.quot; En dat aan het onbedwelmde dier!!
(Blz. 517.) »De regel dezer proeven is dezelfde, als die der voorgaande. Het dier werd, eveueens zonder eenige voorloopige narcose, door middel van doorsnijding van het ruggemerg, alle beweging ontnomen , de spijsbnis eveneens menigmaal weggenomen, eindelijk werden dezelfde bloedvaten afgebonden en dezelfde zenuwen doorgesneden. Uit een groot aantal proeven bleek . . . .quot;
(Blz. 546.) »Om de proef nog overtuigender te maken, heb ik de anatomische doorsnijding door de physiologische, d. i. tijdelijke vernietiging der geleidingsgeschiktheid vervangen en kou op zulk eene wijze de doorsnijding meermalen herhalen, gelijk men de
prikkeling herhaalt.....De vernietiging der geleidingsgeschiktheid
werd verkregen door de zenuwen in sneeuw of ijs te leggen.»
1
Wij herimiercn er aan, wat iu Pjlügers Archiv 1874 (Baud S, Seite 468) te lezen staat: De iloorsiiijding van het i'iiggeiuerg is eene vrecselijke operatie
want hoeveel gevoelige deeleu worden daarbij gekneusd en in een' toestand vau ontsteking gebracht 1quot;
14
(Biz. 557.) «Gewoonlijk worden de harten der dieren gebruikt, waarop verscheidene (!) boven aangevoerde proeven werden genomen.quot; (/gt;« Bois-Reymonth Arcliv 1887.)
W. Ei nth oven te Leiden bestudeerde de gasspanningen in de pleuraholte. Van honden werd de buik geopend en in de rechter pleuraholte een gasmengsel geleid. De dieren waren »ra eer of m in der genarcotiseerd» en alle waren getracheotoneerd, d.i. de luchtpijp was ingesneden.
Op blz. 159 heet het: »Van invloed op de gasspanning in de pleuren vertoonden zich verder de willekeurige ademhaling van het dier en de graad der narcose, de laatste waarschijnlijk in samenhang met zijne temperatuur. Bij de proeven V. 3 en 4 haalde de hond onophoudelijk stootsgewijze adem, alsof hij huilde of hoestte.» (De keel was hem echter stuk gesneden.) De proeven duurden uren lang. Op blz. 161 is gezegd, dat bij de proeven VI. 4 het mengsel twintig uren lang in de pleuraholte van een' houd was gebleven en 1 uur 30 min. na den dood van het dier werd onderzocht. (Pjlw/ers Arcldv. 1888, Bd. 44.)
Dr. Rudolf Nickell te Koningsberg nam de gevoeligheid van het gezicht waar. Wij lezen:
(Blz. 552) »Het scheen mij aangewezen , door nieuwe onderzoekingen de plaats van het reflexiecentrum voor het sluiten van het ooglid juist te bepalen, en daarmee tegelijkertijd de vraag naar de beteekenis der dieper ontspringende deelen van de opstijgende Trigeminuswortel 1) voor de gevoeligheid van het gezicht, bepaaldelijk van het oog, te beantwoorden.»
(Blz. 555) »Iu vele gevallen was na doorsnijding van de halve zijde, gelijk reeds boven gezegd werd, de gevoeligheid van het oog, zoowel ais van de andere deelen des gezichts aan de zijde der doorsnijding, niet alleen behouden, maar ook aanzienlijk verhoogd.» Hieruit kan men tot de martelingen besluiten, welke de arme dieren moesten dulden. Ook op blz. 553 in de aanmerking lezen wij; «Bij een van deze gevallen gaf het dier duidelijke te eken en van smart, toen liet oog aan de geopereerde zijde geprikkeld werd.» {Pf ügers Archiv 1888, Band 42.)
J. Geppert en N. Zuntz te Berlijn namen proeven met betrekking tot de regulatie der ademhaling. (Blz. 196) »De gemakkelijkste en voor lange proefperioden meest bruikbare methode van meten,
1
Prof. Brüoke te Weeneu zegt bij de schildering der doorsnijding van de Trigeminus: nHeb eerste teeken, dat men de trigeminus heeft doorgesneden, is een luide, gillende kreet, dien het dier uit. Konijntjes zijn, üooals bekend is, niet zeer gevoelig (?), men kan alles met hen doen, zonder ze aan 't kermen te brengen, maar bij deze operatie stooten zij steeds, voor het geval dat ze is gelukt, een' aanhoudenden kreet uit.quot; {Yovlcsungen iiber Physiologic, Band 3, Seite 76.)
15
is die door middel van de gasklok. Het gebruik der gasklok bij de proef is zeer eenvoudig. Het dier wordt getracheotoraeerd (d.i. de luchtpijp wordt ingesneden), eene vorkvormige canule in de trachea gebonden, eu door gemakkelijk werkende ventilen de in- en uitade-mingslucht gescheiden. Dit laatste geschiedt door middel van de gasklok.»
Proef 1. »Een jonge hond van 2100 gram gewicht wordt te 9 uur 15 min. op de tafel gebonden, getracheotoraeerd, in Ae t hei-
na r c o s e het ruggemerg vaneen gescheiden.....Het dier
komt tot 10 uur in eene verwarmingskast van 36 graad Celsius, wordt er dan uitgenomen en met watten bedekt.»
De proef duurde tot 2 uur 's namiddags, dus bijna 5 uren. Ook den volgenden dag werden op hetzelfde, vreeselijk verminkte dier urenlange proeven genomen. {Pfiiif/ers Archiv 1888, Band 42.)
Dr. A. Loewij te Berlijn onderzocht de tonus van de vagus der long. (Blz. 274) «Allereerst ging ik aldus te werk, dat de dieren â als zulke dienden uitsluitend konijntjes â getracheotoraeerd werden (d.i. de luchtpijp ingesneden) en hun dan van uit de tracheaal wonde een prop in eenen van de beide takken der long werd geschoven. Als zulke proppen gebruikte ik kleine laminaria staafjes, die, al sloten ze ook niet aanstonds luchtdicht, toch langzamerhand zoo zwollen, dat ze de bronchus volkomen verstopten. Het beste criterium hiervoor, gaf de long van de verstopte zijde. Nam men ze namelijk waar, nadat een Thorax venster was aangebracht, dan zag men, hoe .... Dit tijdstip was na verloop van vele uren ingetreden.»
(Blz. 276.) »Bij de eerste van de door mij genomen proeven . . . bedroeg de frequentie der ademhaling van het niet tot de volle narcose gechloraliseerde dier 36 per minut . .»
»Bij de tweede, evenzoo uitgevoerde proef', waarbij evenwel de narcose werd vermeden, bedroeg de frequentie . . . .»
(Blz. 279.) »Een grijsachtig wit konijntje, ongeveer 1 kilo zwaar, slechts gedurende de voorbereidende operatie zwak met aether genarcotiseerd. Dus gedurende de eigenlijke proef niet! De proef echter â gelijk wij in de aanmerking lezen â »duurde verscheidene uren.» {Pfliigers Archiv 1888, Band 42.)
Prof. N. Simanowski te Petersburg heeft een onderzoek ingesteld naar de stembanden bij verlammingen der keelknobbelspieren, Blz. 110 zegt hij: »In het eene geval verwijderden wij deze spier volkomen, terwijl wij ze met een mes zorgvuldig uitschrapten, in het andere daarentegen sneden wij den overeenkomstigen uitwen-digen tak van de bovenste keelknobbelzenuwen door.»
(Blz. 111.) »Voor onze proeven moesten zulke dieren gekozen worden, wier keelknobbel in staat is, muzikale tonen van zekere kracht en zekeren duur voorttebrengen. Het best zijn, naar onze meening,
k;
liondeu daartoe geschikt. Van 7 tot dit doel geopereerde houden gelukte het ons wel is waar slechts 2 voor de proef bruikbaar te houden; deze laatste waren echter zangers in hun soort. Lagen zij gedurende de proef met open bek op de proeftafel vastgesnoerd, dan lieten zij uit eigen beweging, (zonder knijpen en veroorzaken van pijnen) voortdurend tonen van bepaalde hoogte en kracht hooren, en wel gedurende de geheele proef, die somtijds één uur of langer duurde. Zooals het schijnt, zijn voor dergelijke proeven vooral geschikt honden met een zenuwachtig temperament en meer verwende, b.v. patrijshonden of bastaardpatrijshonden. Terwijl zij geluiden voortbrachten, gaven zij voortdurend hunne onrust te kennen, daar zij zich gedurende de proef in eene zeer ongemakkelijke en hulpelooze houding bevonden. Men treft echter ook honden aan, die door niets te dwingen zijn, geluid te geven â de grootste pijn ontlokt hun slechts een zeer kort huilen.» {Pfiiigers Ar chic, Band 42 Jahrg. 1888.)
J. Cohnstein en N. Zuntz te Berlijn hielden zich bezig met de verwisseling der vloeistof tusschen bloed en weefsels. Wij noemen hier:
Proef 8 van den 3den December 1883.
10 uur 5 min. Een konijntje op de proeftafel gebonden. Rug naar boven.
11 » â Sedert 20 min. Ae ther-Narcose. Wervelkanaal bij
den 711 halswervel geopend.
11 uur 1-2 min. Het dier zooeven uit de Narcose ontwaakt. 11 uur 40 min. Doorsnijding van het ruggemerg. Het dier bevindt zich sedert eenigen tijd iu de verwarmingskast. Daarna wordt bij afwisseling het ruggemerg electrisch geprikkeld , ook viermaal bloed uit een oor genomen. Einde 2 uur.
Proef 25 van den llden Februari 1886.
Van het konijntje werd het ruggemerg doorgesneden, het laatste meermalen electrisch geprikkeld, en het dier dan met de etterende ruggegraatswonde verder «waargenomen.» Het leefde nog tot den 22sten Februari 1886. Niet minder dan 23 bloedige proeven werden er op genomen. Dit ongelukkige diertje heeft dus 11 dagen de gruwelijke martelingen van een doorgesneden ruggemerg, van bloedafpersing en electrische prikkeling der blootgelegde zenuwen moeten dulden. Men bedenke, hoe reeds bij eene onschuldige tandheelkundige operatie elke minuut der pijn, zich schijnbaar tot uren uitstrekt, en dan stelle men zich voor, dat dit dier elf volle dagen lijden moest! {PJIiicjeSs Archw 1888, Band 42, Seite 303 sqq.)
Dr. Thomas D rob nick te Koningsberg deed onderzoekingen
17
aangaande de gevolgen van de uitsnijding der schildklier. Hij nam proeven op 21 honden, deels in narcose (die evenwel door beroering 11 der hoogst gevoelige schildklier terstond verdween), drie-
1 ZIJ maal zonder narcose. Het vreeselijkst Avareu de gevolgen, die zich bij de dieren openbaarden.
(Biz. 14G.) »De dieren toonen een vrees voor wateren
voedsel. Zij hebben honger en dorst, trachten ook in 't
,eerst te eten en te drinken, maar elke poging,oinwater
of voedsel tot zich te nemen, heeft de hevigste trek-^1'*1 ⢠⢠â¢
kingen, allereerst van de kauw- en kaakspieren ten
eu' gevolge . . . .»
ru^,; (Blz. 148.) »Eene verdere ernstige stoornis van den algemeenen
^equot; toestand dezer dieren is eene eigenaardige Neurose, die zich in een voortdurend pijnlijk gevoel in de huid, waarschijnlijk een gevoel van jeuk openbaart. De daardoor aangetaste honden schuren 311zich den bek langs de muren stuk; de gevoeligste plaatsen aan den kop, zooals de punt van den neus, de hoeken van den bek, de huid rondom de oogen e n aa n d e o n d e r-161 ⢠kaak worden stuk geschuurd . . . .»
(Blz. 155.) »Het dier stierf daags daarna, nadat het 9 dagen lang door den vreeselijkstenjeuk, krampen en en. gebrek aan adem gepijnigd, geen v oed s el h ad g eb rui k t.»
Ijjj [Archiv fiir experiment. Pathologie and Flarmuhologie 1888 , Band 25.)
Het bekende feit, dat te warme spijzen voor de gezondheid schadelijk zijn, en de tot hiertoe gebrekkige fjj; beantwoording der vraag naar de grens en reden daarvan, gaf Dr. ja Spath aanleiding tot proeven, die hij zoo nam, dat hij verscheidene
Ij. konijntjes enz. telkens 60â120 graad heet water iu de maag n bracht. De inwendig ontzettend verbrande dieren leefden nog eenige
dagen.» Uit de proeven (zoo heet het woordelijk) trekt Spilth het praktisch besluit, dat temperaturen van 40 â 50 graad Celsius in 't algemeen het beste z ij n.» Heeft men dit vroeger ook niet geweten? En welk raensch eet dan ooit spijzen van 120 te graad Celsius? {Deutsche Med. Wochenschrift 1888, Seite 1020.)
Ie Van zulke en dergelijke gruweldaden wemelt de deskundige pers.
'i En wij hebben ook zelfs bij de ontzettendste proefnemingen niet de
n Hauwste aanduiding gevonden, dat de groote en beroemde deskun-
e digen , die de bladen uitgeven, deze d ui velsche werken ooit af keurden,
ii
Philo. GèJultMg zijn het altijd slechte weinig dieren , die hun leren e \ op het altaar der wetenschap ten. offer moeten brengen.
i
t Anti. Dat is een gevoelen, hetwelk door de tegenstanders der
1 vivisectie geheel beslist wordt tegengesproken. Op verre na niet
alle proeven komen in de bladen voor, waaruit wij toch
I 2
18
iilleen onze bewijzen kunnen putten. Vele particuliere onderzoekers nemen uitsluitend proeven voor zich, en het getal der door de studenten voor het doel hunner studie gebruikte dieren, laat zich bovendien niet berekenen. Maar nemen wij ook slechts de bekend gemaakte proeven in aanmerking, dan is zelfs het aantal dier dieren schrikwekkend groot. De gezamenlijke physiologisclie, pharmacologische en medische tijdschriften wemelen van vivisecties, en dikwijls zijn er vingerwijzingen gegeven, dat niet weinige, maar vele dieren geofferd werden. Zoo b.v. in de volgende gevallen:
»De classieke plaats voor onderzoekingen aangaande spinaal-Gangliên, het eerst door Waller aangegeven, is de tweede halszenuw bij honden en katten .... Daar ik tot andere doeleinden juist op deze plaats een groot aantal proefnemingen (!) heb gedaan, was ik eindelijk in deze operatie zeer geoefend . . . .» (Dr. Max Joseph in Lu Bois-Reymonds Archiv 1887, Seite .'302.) «Veelvuldig gevarieerde proeven op een groot aantal kikvorschen bewezen, dat de verlammende werking der Andromedotoxine een gevolg is
van......Dat de spieren door betrekkelijk groote hoeveelheden
niet worden verlamd, bleek uit een groot aantal proeven.» (Dr. de Zaaijer in Vflwjers Archiv für die (jes. Fhysiologie, Bd. 40, S. 492.)
»Deze geschilderde veranderingen hadden bij de vele proeven, die ik deed, bijna altijd plaats.» (Dr. L. Lewin im Archiv für e.rperimenteUe Pathol, und Pharmacologie 1888, Seite 407.) »Als dieren , waarop de proef werd genomen, werden hoofdzakelijk honden, maar ook konijntjes, katten, apen en andere dieren gebruikt. Ik zou het groot aantal der reeksen van proeven, die door de onderzoekers van bijna alle landen van Europa genomen zijn, willen voorbijgaan.» (Dr. Drobnick im Archiv für experiwientelle Pathol. und. Pharmacologic 1888, Bd. 25, Seite 137.)
»De Heer Prof. Goltz heeft mij de rijke middelen van het physiologisch Instituut voor deze kostbare onderzoekingen op de meest vrijgevige wijze ter beschikking gesteld.»
.... »Daar deze vogels (duiven) zoo gemakkelijk te krijgen zijn, gebruik ik daarvan een grooter getal, om mij met de kunst van opereeren vertrouwd te maken . . .» (Prof. Rich. Ewald in Pflüger's Archiv 1887, Bd. 41, B. 464 en 472.)
»Meer evenwel kan men tot verklaring eener zenuw niet doen, dan ik heb gedaan .... Ik heb ze ontelbare malen bij het levende dier geprikkeld . . . .» (Prof. Exner in Pflüger's Archiv 1888, Bd. 43, Seite 24.)
Philo. Pn al waren het ook hecatomben van dieroffcrs! 1000 honden wegen nog niet teejen een énkel menschcnleven op, dat men daardoor zou kunnen redden.
19
Anti. Of liet werkelijk waar is, dat men meusehenlevens dooide vivisecties redden kau, willen wij later uiteenzetten. Maar dat 10 0 0 ter dood gemartelde honden nog niet tegen één enkel menschenleven zouden opwegen, is een hoogmoed zonder wederga. Wij zeggen omgekeerd: er zijn vele dieren, die beter handelen en beter zijn, dan vele menschen. Heeft men vergeten, dat Frederik II, de groote koning van Pruissen, van zijne honden schreef, dat zij alle deugden der menschen hadden zonder hunne gebreken? Wie kent niet de trouw, de teederheid, den moed van den hond, louter woorden, die de menschen gaarne op de lippen nemen , maar die geenszins altijd in hunne harten wonen.
De allertrouwste vriend tcu allen tijd',
Wiens welkomstgroet u steeds oprecht gewijd,
Die argloos u vol liefde geeft zijn hart,
U zouder zelfzucht volgt iu vreugd' eu smart.
Slechts voor u leeft, u mint zelfs zouder grond.
Zonder eerzucht voor n sterft , het is
Uw hond.
(Willibald Wulff.)
En zulke edel begaafde dieren, snijdt en zaagt men, als een blok hout, in stukken! Dat is een onrecht, dat ten hemel schreit. »1)0 vivisecties zijn inoorden, die zich achter een geleerde» iiaiini verschuilen.» (Walter Scott.)
Piiilo. De wetenschap heef t het recht, zich te beroepen op de heiligende macht van het doel. Be vruchten komen immers weder der geheele menschheid ten fjoede.
Anti. Met andere woorden beteekent dit dus: «Indien het maar nut aanbrengt, is het geoorloofd de afschuwelijkste dadeu te verrichten; zoodra het tot het doel leidt, de afschuwelijkste
middelen te gebruiken.» (R. Knoche.) De verdedigers der vivisectie schijnen te meenen, dat het onzedelijke en slechte, dat op zich zelf in het martelen der dieren is gelegen, daardoor verontschuldigd en uitgewischt wordt, omdat het tot wetenschappelijke doeleinden sreschiedt; dat de bloote zucht naar kennis eene voldoende rechtvaardiging voor alle maar te bedenken wreedheden ware. Dan belet ons niets, ook op menschen de vivisectie toe te passen.
Philo. Wie de vivisectie f/ebruikt ah middel tot onderzoek, heeft niet het Jlauwste begrip van hare beteekenis voor de wetenschap. -Dooide proeven op dieren zijn de gewichtigste ontdekkingen en ervaringen op het gebied der Phjsiologie, der geneesmiddelleer, der Pathologie en chirurgie gedaan.
Anti. Eene meening, die voorgeeft, de waarheid te vervangen.
20
moet zoodanig zijn, dat zij den toets kan doorstaan, anders komt haar de rang, die ze bekleedt, niet toe. Wij beweren nu en kunnen bewijzen, dat de wetenschappelijke waarde der vivisectie tot hiertoe grenzen loos is overschat geworden, en dat tot op den huldigen dag de resultaten der vivisectie tegenover de bij massa's zoo smartelijk geofferde dieren, uiterst gering en onzeker, deels onvoldoende, deels onbruikbaar, deels zelfs bedriegeüjk zijn geweest.
Philo. Dwalingen en valscJie waarnemhi/jen Wijven wel is waar hij de vivisectie even mogelijk, ah hij eiken anderen tak der wetenschap, maar worden door nieuwe navorsclingen meestal spoedig gevonden. Dergelijke tegenwerpingen bewijzen derhalve niets tegen de methode in haar geheel.
Anti. Onze bezwaren betreffen de geheele methode. Zij is namelijk volstrekt geen wetenschappelijke methode; haar eigenlijk wezen is onwetenschappelijk.
Eerste hoofdreden tegen de Vivisectie.
»Het levende dier is geen machine, zooals een uurwerk, waaruit men de raderen wegnemen, de voornaamste veer veranderen, de schroeven draaien, en dan alles weder naar goedvinden in elkander zetten kan. Ieder orgaan, ietere nietige zenuwdraad in het levend lichaam heeft zijne eigene functies en de geringste stoornis of verminking van het zenuwstelsel, dat de geheele economie leidt en beheerscht, brengt gevolgen en invloeden met zich, die men noch vooruit zien, noch verhinderen kan. Elke klier, elk orgaan van het levend lichaam, is van een zóó fijn en zoo samengesteld zenuwweefsel doortrokken, doorregen en omgeven, dat het slechts door sterke vergrootglazen is waar te nemen, terwijl zijne vertakkingen, uiteinden en kunstige verbindingen zich over geheel het lichaam tot andere klieren, organen en gangliën uitstrekken. Daaruit zien wij, dat geen kwetsing, geen uitsnijding aan een gedeelte des lichaaras kan geschieden , zonder dat tegelijkertijd middelijk of onmiddelijk andere deelen en organen mede aangetast worden, voornamelijk de ruggemergzenuwen en de gangliën van het sympathisch systeem, waardoor resultaten verkregen worden, die zich volstrekt niet laten beoordeelen, indien men de oorzaken daarvan, de plaatselijke kwetsing, niet mede in rekening brengt. Buitendien is de vivisector, indien hij een orgaan, eene klier uit het lichaam neemt, genoodzaakt het zenuwweefsel, waardoor het omgeven is, te vernielen, hij moet van uit de huid naar binnen, spieren, bloedvaten en andere weefsels doorsnijden en verminken, om de plaats te bereiken, waarnaar hij streeft, zonder dat het hem toch mogelijk zal zijn, zich van de menigvuldige verhoudingen, die hij vernietigd heeft, zelf duidelijk rekenschap te
21
ge ven.' (Dr. A. Kingsford 1) in haar geschrift: «UnwissenscJia ft-liche // issemchafï.*)
Tweede hoofdreden tegen de Vivisectie.
»Indien het schepsel, waarop de proef genomen wordt, niet is verdoofd geworden , of indien het, zooals dit meestal het geval zal zijn, slechts eene geringe injectie heeft gekregen, waardoor hot wel verdoofd, maar niet van het gevoel van smart beroofd wordt, dan moeten wij bij den verwoestenden en vernietigenden invloed, dien zaag en ontleedmes op het lichaam van het dier uitoefenen, nog de werkzaamheid der refiexie rekenen van het door pijn en angst geprikkeld en verontrust zenuwstelsel. Wanneer echter het vergif curare vóór de operatie is ingegeven, wordt deze verwarring der zenuwen nog op onberekenbare wijze vergroot.
»Iudieu daarentegen het dier gedurende de proefneming volkomen bewusteloos is, â een geval, dat zich zelden voordoet â dan is deze toestand der zenuwen evenmin normaal, eu wij moeten wederom bij de gewelddadige uitwendige verminkingen en hunne bedriegelijke invloeden een ingrijpende stoornis der zenuwen voegen. In ieder geval bevindt zich het dier, hoe zijn toestand ook steeds zijn moge, niet in een normalen, ph3'siologischen toestand , en dientengevolge kunnen de door de vivisectie verkregen resultaten, logisch geredeneerd, nooit als in overeenstemming met de natuurlijke en normale levensverschijnselen worden beschouwd.» (Dr. A. Kings ford.)
Derde hoofdreden tegen de Yiviseetie.
»Bij mensch en dier ontstaan de ziekten, met uitzondering van uitwendige kwetsingen en ongelukken, door den wasdom van ziekelijke toestanden, die zich allengs van het orgaan of weefsel, dat het eerst werd aangetast, tot de daarbuiten liggende streken uitstrekken, en zoo voet voor voet de organische functie door de opheffing van de voeding der zenuwen en vaten vernietigen. De kwetsingen der vivisectie geschieden evenwel natuurlijk in omgekeerde richting, en bieden derhalve geen punt van overeenkomst aan met het door de ziekte ontstane proces; in tegenstelling hiervan, werkt de hand van den vivisector van buiten naar binnen en de daardoor veroorzaakte schendingen zijn niet het gevolg van langzame bederving of van eeue zelfstandig ingetreden verbrokkeling of der geheele daarmee samenhangende reeks van oorzaken en ziekteteekenen, maar
1
Di-. Aiiiia Kiiigsford van de Parijsclie faculteit: quot;Unwissenschaftliche Wissenschaft.i\ Guben 1885. Preis 30 pf. Dit geschrift is een van de beste, die over de vivisectie geschreven werden, onovertroffen in helderheid van gedachten en wegsleep en de vlucht der voorstelling. Voorradig bij de Intern. Vereeinging te Dresden, Marschallstrasse 39. â Eene hollandsche vertaling van dit geschrift, bewerkt door den Hr. J. C. v. d. Hucht, verscheen bij den uitgever van Androcles.
22
zij zijn plotseling eu gewelddadig door mechanische toebereidselen veroorzaakt, welker oogenblikkelijke, zoowel als laatste werking met den gang eener ziekelijke ontwikkeling in een lijdend organisme volstrekt geen overeenkomst heeft.» (Dr. A. Kingsford.)
»De dwaling bestaat daarin, dat men een ongezonden en gezonden toestand als gelijkstaande vooronderstellingen aanneemt, terwijl men van de werkingen, die in den eenen toestand worden teweeggebracht, tot die besluit, welke men in een anderen toestand ziet volgen. Deze dwaling wordt inderdaad helaas! maar al te dikwijls begaan en tallooze viervoeters en andere dieren in een toestand van volkomen gezondheid worden op duizenderlei wijze gemarteld, om te bepalen, wat nooit bepaald kan worden, al werden de proeven ook tot het einde aller dingen herhaald: ik bedoel de werking van zekere oorzaken op een zieken lichaamstoestand der menschen, naar haar invloed op den gezonden lichaamstoestand van een dier.» (Dr. H o o p e r's beroemden «Medical Dictionary,» 6 Auflage, Seitc 148 â149.)
Vierde hoofdreden tegen de Vivisectie.
Tusschen het organisme des menschen en dat van het dier bestaat liet grootste physiologische verschil. »Het is derhalve onaannemelijk, de ingewikkelde levensfuncties in den mensch door bloote proefnemingen op konijntjes, duiven, eenden, zeevarkentjes, honden en katten te willen navorschen en de verkregen zeer twijfelachtige resultaten dan op de levensfuncties des menschen toe te passen. Waar heeft de dwaling grootere speelruimte, wanneer op deze resultaten duizenderlei verschillende invloeden werken, voordat zij ook slechts bij benadering met de functies in den mensch kunnen vergeleken worden? Ademhaling, vertering, de in de zenuwen geregeld wederkeerende levenswerkzaamheid en vele andere functies, zijn bij al deze dieren zeer verschillend.» C. G. F1 e m i n g 's bekroond prijsschrift: » Die Vivisection. 1st sie nothwenclig oder zu entschuldigen?» Berlin, 1870, Seite 47.)
Phixo. Tut nog toe zijn nog de meeste deskundigen voor het behoud der proefnemingen op dieren. De stemmen van het betrekkelijk gering aantal van hen, die daarvan afwijken, kunnen niet als maatstaf dienen, daar er met betrekking tot elke menscheljke inrichting steeds verschillende meeningen zijn en zullen zijn.
Anti. »l)iit de meerder beid van een ander gevoelen is, bewijst niets voor de waarheid, want, daardoor, dat velen een valschen weg bewandelen, wordt hij nog lang niet recht.» (E. K n o d t.)
Pjiilo. Het recht der vivisectie-methode is een thema, waarover alleen onder deskundigen kan gediscutieerd worden, daar zij alleen
hiervoor den maatstaf der leoorcleelmf] bezitten. Wanneer de beroem date professoren ons zeyqen: ndit hebben toj nooditj, n dan heeft dat onvoor-loaardeljh meer waarde, dan wanneer eenige leelcen de vivisectie voor onnut ver ld ar en.
Anti. Iedere leoli zal aan liet wetenschappelijk recht der vivisectie zoolang mogen twijfelen, als hij zelf een aantal uitnemende en ervaren artsen de proeven op dieren ziet bestrijden. Maar gesteld het geval, er waren geen autoriteiten, die men zou kunnen aanvoeren, dan ware de zaak daarom nog niet minder duidelijk. «Hebben de proeven der vivisectie, zoo vragen wij met Dr. Albert Lefingwell, »zulke duidelijke vorderingen in de geneeskunde mogelijk gemaakt, dat wij in de afnemende sterfte aan eene bepaalde ziekte een zeker bewijs daarvoor hebben ? Kan men eene enkele ziekte noemen, die vóór 30 jaren aan alle geneesmiddelen weerstand bood, waarvoor echter de meer verlichte wetenschap onzer dagen hoop op herstel kan geven ?» Het antwoord op deze vraag is spoedig gegeven. Wat voor 50 jaren ongeneeslijk was, zooals: kanker, tering, Brightsche nierziekte, hartlijden, suikerziekte, cholera, epilepsie, dit alles is ook heden nog ongeneeslijk. In weerwil van de vele honderdduizenden der op de wreedste wijze ter dood gemartelde ditren staat de geneeskunde in bijna alle gewichtige gevallen nog steeds radeloos. Het eenige, wat zich met zekerheid laat bepalen is: dat de ziekten onverzwakt voortgaan, de menschen te pijnigen.
Philo. Men, heeft door de vivisectie in het wezen van vete ziekten een dieper inzicht geleregen. Is het dan zoo onverschillig, dat onze artsen de ziekten nu beter hennen ?
Anti. Ziekten kennen (Diagnose), en ziekten genezen (Therapie) zijn twee. Ook de geleerdste Diagnose levert nog lang geen Therapie Men moest overigens de vorderingen in de ziekte-Diagnose niet al te hoog roemen. Het publiek weet zeer wel, dat bij ernstige gevallen ieder arts eene andere meening heeft.
Philo. Kennen en genezen gaan hand aan hand. Wanneer de vivisectie toch van wetenschappeljl'e waarde Icon zijn, dan zullen hare vruchten ook niet zonder practische waarde in de geneeskunde zijn gebleven.
Anti. Voor de geneeskunde der menschen zijn de waarnemingen bij menschen in hunne gezonde en kranke dagen alleen maatgevend. Wilde men hondenziekten op den mensch bestudeeren, om daaruit te leeren, wat den hond zou kunnen baten, dan zou een ieder over zulk een onzin lachen. Niet anders evenwel is het, wanneer men menschenziekten op honden wil bestudeeren. «Iedere diersoort heeft hare ziekten,» zegt Dr. Grijsanowski. »De spontane dierenziekten
24
openbaren zich uiet spontaan bij menscheii en omgekeerd. Dit vooronderstelt een physiologischen toestand, die in den grond verschillend is, en uit dit grondverschil verklaart zich de onmogelijkheid, om me u s c h el ij k e ziekten kunstmatig bij dieren te veroorzaken.
Philo. Waarop zouden de werkingen der geneesmiddelen worden hestudeerd, indien niet allereerst op dieren? Er zijn vele stoffen die of als vergiften heleend, zijn, of eigenschappen bezitten, waarvan wen zich moet overtuigen^ voordat zij tot verlichting van het lijden des menschen hunnen gebrniht loorden. Natuurlijk zijn zulke proeven alleen op levende wezens mogelijk, en daarom neemt men de dieren, die tegenover den mensch in zekeren zin een materieel van mindere icaarde bieden.
Anti. Elke op dieren verkregen pharmacologische ervaring is voor de menschelijke Therapie volstrekt zonder eenige waarde: noch de vergiftigheid, noch de geneeskracht, noch de hoeveelheid van een geneesmiddel kunnen door proeven op dieren ontdekt worden; ja! de waarde van zulke proeven is ten eenenmale een negatieve, daar zij tot de allergevaarlijkste verkeerde gevolgtrekkingen kunnen verleiden. Wij willen deze bewering aanstonds bewijzen.
Ten eerste hebben de substanties eene verschillende werking, naar gelang zij aan een gezond of aan een ziek dier worden toegediend. Zelfs bij gezonde dieren van dezelfde soort heeft dit verschil van werking plaats. Bij wijze van voorbeeld lezen wij:
«Gelijke hoeveelheden van gelijk versche oplossingen (van Curare) van eene en dezelfde soort werken somtijds bij den eenen kikvorsch, bij den anderen niet.» {JJu Bois-Reymonds Archiv fur Physiologic. Jahrg. 1887, Seite 139, Anmerk.)
Teil tweede werken de substanties op dieren anders, dan op menschen. Er bestaat eene absolute ongelijksoortigheid tusschen dier en mensch. Dr. Grijsanowski 1) zegt: «Paarden kunnen een paar ons braakwijnsteen innemen zonder te braken, honden nauwelijks één gram. Omgekeerd werkt aloë bij kleine hoeveelheden op paarden ; op honden alleen in hoeveelheden, die achtmaal grooter zijn, dan men bij den mensch pleegt te gebruiken. Opium veroorzaakt mondklem bij kikvorschen, eenden, en duiven. Kippen daarentegen zijn door opium nauwelijks te dooden, en door Morphine alleen in ontzaglijke
1
Dr. med. et phil. E. Grijsanowski heeft in verscheidene geschriften, allen even zakelijk van inhoud, als fraai van vorm, de vivisectie van uit het standpunt der geleerden bestreden. Wij gebruikten boven in den tekst: vKurze Anleitung zur Gewinnung eines Standjpunktes in der Vivisectionsfrage.» Dresden 1882. Preis 10 pf. ))Ein Wort zur Verstandigung ubcr die Vivisectionsfrage.» Hannover 1885. Preis 50 pf. Beide werken zijn voorradig bij de Intern. Vereeniging te Dresden, Marschallstrasse 39.
25
hoeveelheden. Belladonna werkt zacht bij paarden, apen en ezels, bijna in 't geheel niet bij duiven en konijntjes (Ringcis Handhoole of Therapeutics. Seite 444, 454, 478.) Kippen verdragen tienmaal grootere hoeveelheden van strychnine, dan andere vogels. (Rei chert's Arch. (I. Annul. S. 630.) Ook zeevarkentjes en apen verdragen er groote hoeveelheden van. Muizen, geiten, schapen en paarden eten scheerling. Pieterselie is een doodelijk vergif voor papegaaien. Konijntjes verdragen moederkoorn, honden evenwel niet in de geringste hoeveelheden. Vingerhoedskruid werkt anders op het hart van den kikvorsch, dan op dat van den mensch. Honden en paarden verdragen groote hoeveelheden van Antimonium, en honden groote hoeveelheden van Mercurialien (kwik). Schildpadden verdragen zelfs blauwzuur en stekelvarkens canthariden.»
Deze ongelijksoortigheid van dier en ineusch zouden wij met vele aanhalingen kunnen staven. Om niet te vervelen, nemen wij slechts enkele.
Prof. Dr. Fröhner zegt: «Geheel anders dan de mensch verhouden zich de verschillende diersoorten tegenover de hyoscinc. Reeds het groote verschil van hoeveelheid wijst daarop. Terwijl men bij den mensch een milligram als maximum der hoeveelheid kan beschouwen, welks overschrijding zware vergiftigingsverschijnselen te voorschijn roept, kan men aan honden en katten het 100â300voudige dezer dosis en daarboven geven, zonder dat ze aan hyoscine-verdftilt;nng sterven. gt; (Deutsche Zeitschrift fur Thiermed. 1887,quot; Bd. 13, S. 249.)
Prof. Cyon, de bekende vivisector, zegt: »het is derhalve noodig, gedane waarnemingen slechts voor die klasse van dieren van waarde te beschouwen, die voorwerp der proefneming was.» {Meihodik der phys. Experhn. imd Vivis. Giessen 1876, Seite 502.) Ook Prof. Walden burg wacht zich bij de bespreking der Duitsche Pharmakopoe voor de gevolgtrekkingen uit proeven op dieren. Hij zegt: «Hoever is juist de proefneming op dieren er van ver wij derd , om in dit opzicht tot maatstaf te dienen! Want met hoeveel verschillende krachten hebben wij in de dierlijke en m e n s c h e 1 ij k e economie niet te doen.» {Bed. Klin. Wochen-schrift 1881, Nquot;. 2.)
Philo. Il'am/eer wen nieuwe geneesmiddelen niet eerst up dieren Jcan beproeven, zullen er weldra geen nieuwe middelen meer zijn.
Anti. De werkingen der geneesmiddelen, indien zij niet door toeval zijn bekend geworden, kunnen alleen door de ondervinding aan het ziekbed en door eigen waarneming ontdekt worden. Is overigens de menschlieid door de vele nieuw te voorschijnkomende geneesmiddelen reeds van de eene ot andere ziekte bevrijd
26
geworden J Inclieu dit, gelijk het feitelijk is, niet het geval is, dan moest men niet te zeer op het nut der nieuwe geneesmiddelen pochen, maar zich liever tot die methoden van genezing wenden, waardoor zieken gezond gemaakt worden, zonder folteringen en martelingen van arme dieren noodig te hebben. Heden ten dage wordt elke op de een of andere wijze buit te maken substantie aanstonds als een mogelijk geneesmiddel beschouwd , en nu worden tallooze proefnemingen met betrekking daartoe gedaan. Hemelhoog als geneesstof van wonderbare eigenschappen verheven , komt het nieuwe middel in de mode. Maar raen kome na een jaar eens terug. Dan is gewoonlijk het schoone middel reeds lang vergeten, daar het zich niet als doeltreffend heeft bewezen. Bij do meeste der met zooveel praal aangekondigde nieuwe geneesmiddelen, is het eenige positief verkregene, de marteling der arme dieren, wat evenwel niemand kan bevredigen, die het opleggen van smart en dood althans met een voordeel voor den mensch wil verbonden zien.
Philo. W aaraan zouden onze artsen de uitvoerbaarheid eeuer operatic hunnen heren heoordeehn, en waardoor zouden zij zich de noodige ge-sckiktheid verwerven, tenzij door proeven op levende diereu?
Anti. Do chirurg, die met den mensch te doen heeft, kan met het oog op het verschil van de relatieve ligging der weefsels en organen, als ook op het verschil der houding, waarin de operaties moeten verricht worden, geen groote waarde aan de vivisectie als middel hechten, om in de hanteering der instrumenten geschiktheid te verkrijgen of door samengestelde anatomische toebereidselen zeker en spoedig zijnen weg te vinden.» (C. G. F1 cm in g 's geschrift: quot;Die I ivi-sektion. 1st sie votkwendni oder zu entschuldigen?gt;/) Doch onze tegenstanders wijzen op de experimentaal-chirurgie, en zeggen: dat er, om de uitvoerbaarheid eener nieuw bedachte operatie bij menschen te leeren kennen, vooraf operatie-proeven op dieren noodzakelijk zijn.
Op ile folterbank, ondor sterke sohrocven ,
Liggen houden weerloos en stil,
De man der wetenschap, die de kunst wil 'oBproeven,
Grijpt uaiir het incs, en kerft, waar hij wil.
Het eene offer worden de oogen outnomen,
Het andere wordt in de maag gesneden,
Het derde in den buik, want.... geeu pijn wordt vermeden.
Moet dit niet ten biite der raenschheid komen?
O mensch! Zijt gij niet zeer verblijd?
De m;iii stiiat op de hoogte van zijn tijd;
Want nu er zooveel hondenbloed vergoten is.
Genezen alle kranken ook gewis! (?)
Eranz Skraphim.
[Moderne Walpurgisnaeht.)
Indien een paard of een hond de een of andere operatie goed
27
doorstaat, zoo volgt daaruit nog lang niet, dat ook de raensch ze goed zou doorstaan. De levensverhoudingen van beiden zija immers volstrekt verschillend. De meusch bv. zweet door de huid, de hond door do tong. En de afloop van roekelooze operaties (resectie van long- of maagdoelen, uitroeiing van den keelknobbel, van de nieren enz.) geeft ons recht, om te zeggen: de operatie ging voortreffelijk, maar de zieken stierven.
Phii.o. De geneesheer en der mensckeu kannen wel is waar de noodige geschiktheid duor operatie-oefeningen op hef menschienlijk verkrijgen, maar de veeartsen kunnen die oefeningen op lenend# dieren geenszins ontberen. Operaties op het duo/Ie lichaam verschaffen lang niet zulke voordeelen, als de chirurgische vivisecties, die de beoefenaars met de grootste zwarigheden der toer lelijke practijk [tjloedstortlng , tegenspartelen en zich verzetten der dieren) in aanraking brengen, en hem daaraan gewennen.
Anti. Iedereen moet toestemmen, dat, indien het lijk van een raensch voldoende is, om zich in operaties van den meest verschillenden en moeielijksten aard te oefenen, ook het lijk van een dier voldoende zal zijn, om de veeartsenijkundige operaties daarop te lecren. En hierin staan ons vele deskundigen tor zijde. Zoo zegt Fleming 1) »De anatomie leert alles, wat vereischt wordt ten opzichte van de ligging en betrekkingen der organen en weefsels, en de bedrevenheid verkrijgt men op het doode lichaam evengoed, als op het levende; eenige operaties, die bij de heelkunde der dieren voorkomen, worden zelfs beter op het doode, dan op het levende dier geleerd, terwijl andere door de slapheid der vaten en weefsels bij het eerste nog grootere geschiktheid veronderstellen. De chirurg en de Engelsche veearts verkrijgen hunne vaardigheid voor de intree in de practijk alleen op het doode lichaam, en niemand zal loochenen, dat zij in de behandeling van moeielijke operaties op menschen of diereu even ervaren zijn, als de vivisectoren!» (Fleming's geschrift: quot;J)ie Vivisektion, 1st sie nothwendig ocler zit entschuldigen?n)
Het Congres van Engelsche veeartsen, dat in 1881 te Londen gehouden werd, heeft eenparig het volgende besluit genomen: âDe veeartsen van dit land uemeu algemeen aan, dat zoowel in theoretisch als iu praktisch opzicht, hun beroep in alle richtingen op doode lichamen geleerd en bestudeerd kan worden, en zij vernemen met het diepste leedwezen, dat de leerlingen op het vaste land binnen hunnen studietijd praktische proeven op levende dieren nemen! Dit Nationaal Cougres is er vast van overtuigd, dat dergelijke operaties even
1
Fleming's geschrift werd 1867 door de Londensclie Vereen, tot dieren-bescherming met ecu prijs bekroond en brak de baan voor de beweging tegen de vivisectie in Engeland. De schrijver was destijds President van het Koninkl. Veterinair-college te Londen.
28
wreed zijn, als overbodig voor de wetenschap en de technische vaardigheid. Zijne leden verzoeken en sraeeken hunne ambtgcnooten in het buitenland allerdringendst, om, met het oog op het voldoende nut, de operaties op lijken, zooals de ervaring in ons land leert, te willen toestaan en de tot hiertoe wreede praktijk in de toekomst
op te willen geven.»
Wie zich op de hoogte wil stellen van de gruwelen op de veeartsenijscholen, die leze het kleine geschrift-; .Adresse van M. James
(jowje__vroeger Vice-President en Lid van het Komnkl. College
der Veterinair-chirurgie â gericlit tot het congres der Vetermair-artsen van Groot-Brittanië en Ierland.» (Preis 10 Pf. Dresden 1883.) Dit werkje bevat de bijeengebrachte beoordeelingen der beroemdste veeartsen ' van Engeland tegen de vivisectie. â Voor 't overige valt optemerken, dat ook de bekende vivisector Prof. Schift te Geneve (in een brief aan Cowie) en de vivisector Prof. Hermann te Zurich (in zijn boek: quot;IHe VivueMonsfragen, Seite 3(1) een cursus van operaties op levende dieren beslist verwei pen.
Philo De tegenwoordige 'tang van het medisch onderwijs rs een zooveel doenlijk 'aanschouwelijke. En zooals te hegrjpen u kan ook niets den jongen arts zoo vormen, als de aanschouwing der levende werkelijkheid. Een vreemd land zal men nooit uit hoeken leer en kennen.
Anti. Er zijn buitengewoon veel dingen, die de leerling, zonder ze te zien, op het zeggen van zijn leermeester gelooven kan, wiens ervaring hem tot borg verstrekt; dingen, die zich volkomen juist laten beschrijven. Aan den anderen kant kan men veel, wat men heden aan het levende dier toont, evenzeer aan het pas gedoode dier waarnemen. Ook zijn beeldhouwwerken en plastische voorstellingen goede hulpmiddelen.
Prof, Dr. Hyrtl te Weenen, een medische autoriteit van den
eersten rang, uit zich in zijn quot;Lehrhuch der Anatomie'/ (Ihen, ISSl 15. Auflage, Seite 20) als volgt: »Voor de vorming van praktische artsen en dit is toch het hoofddoel van de medische studiën, zou het alleen nuttig zijn, indien do Physiologic der school zich meer met den mensch, dan met kikvorschen, konijntjes en honden bezig hield en meer de behoefte van den arts in het oog vatte. \\ at bij levend geseceerde dieren wordt gezien, kunnen de vivisectoren ook
bi] pas gedoode zien..........⢠. a,.
Het moest bij de wet verboden zijn de gapende menigte m scholen openlijk met wreedheden te onderhouden, waarvan de resultaten elkander zoo dikwerf weerspreken. Het goddelijk ambt van den arts legt hem de verplichting op, dit verbod met allen nadru te eischen. Wie het bedaard mede aanzien kan, hoe de professor een' op de pijnbank gebonden tcef de jongen uit het lichaam snijdt.
29
en ze dan het een na het ander der moeder voorhoudt, die ze al huilend likt en zich in een stuk hout woedend verbijt, die moet villersknecht, maar geen arts worden.«
Zoo zegt ook Dr. Heu singer in zijne: Encjdopaedie der Medicin, Seite 228: »Ik onderteeken gaarne het oordeel van Prof. Dr. Cl ar us, dat vivisecties, pijnlijke operaties en verminkingen van levende dieren voor de natuurwetenschappelijke navorsching der waarheid even zulke dubbelzinnige resultaten geven, als de pijnbank voor het rechterlijk onderzoek. In ieder geval is het noch noodig noch raadzaam, dergelijke proeven in een zelfden cursus van voorlezingen te herhalen, aan den eenen kant, daar hierbij de noodige rust ontbreekt, aan den anderen kant, daar de dagelijksche gewenning aan de angstkreten en stuiptrekkingen der gemartelde dieren meer geschikt schijnt te zijn, beulen, dan artsen te vormen.»
Philo. De versckijnseleji des levens laten zich alleen Lij levende wezens hestudeeren, niet hij doode. liet lijk lean onmorjelijk datf/ene onthullen, tvat het niet meer hezit, namelijk: het organisch plaats vindende. Bij het insnijden kan men icel de samenstelling der machine zien, maar de 'werkzaamheid zelve kan men alleen leeren kennen, als het werk in gang is.
Anti. Op de reeds vroeger aangevoerde gronden is de vivisectie eene zeer onzuivere bron van waarheid. Wij kunnen het volgende met bewijzen staven:
I. De vivisecties, verre van iu de hoofdzaak nuttige ontdekkingen opteleveren, hebben meestal slechts daartoe gediend, nietsbeteekeuende daadzaken op te stapelen.
Zonder erbarmen wordt er met messen, zagen, boren, beitels, vergif, electriciteit, gloeiende hitte en ijskoude, honger en dorst, maar op de dieren onderzocht, om te zien, welke de uitwerking is, wanneer men deze kwelling of gene storing aan het organisme dei-ongelukkige dieren toevoegt. Uit dit tasten in het onzekere, is het dan ook te verklaren, dat de practische bruikbaarheid der gevonden resultaten meestal geheel niet in verhouding tot het lijden der dieren staat. Negen van de tien der opgeteekende proeven leveren niets beteekeneude, zonderlinge daadzaken op, zonder ooit toegepast te kunnen worden. De meeste proeven op dieren zijn louter tijdverbeuzeling.
A. von Grosdanovic heeft volkomen recht, als hij zegt: Wie de vragen iets nauwkeuriger beschouwt, tot welker oplossing men in de laboratoriën met het geheel, aldaar ter beschikking staand ontzettend toestel, overgaat, zal zich verbazen , om welk een onbeduidende kleinigheid het daarbij meestal te doen is. Het is natuurlijk, dat in het tijdperk der zoover gedreven verdeeling van den arbeid het kleinleven der wetenschap ook op physiologisch gebied sterk wordt
30
gekweekt. Maar daarbij bestaat het gevaar, dat de onderzoeker zich maar al te licht in oubeduideudheden verliest. Dit gevaar, waarin ook vorschers op andere wetenschappelijk gebied dikwijls geraken, is juist in de physiologic daarom zoo groot, omdat haar het correctief, n a in e 1 ij k de samenvatting der onderzoekingen op zich zelf tot een gemakkelijk te overzien totaalbeeld, bijna geheel ontbreekt. Bij gebrek aan eene systhematische doorwerking van het woeste en vormloos daar liggende kolossale materiaal en derhalve bij de onmogelijkheid, om tot een helder overzicht te geraken, ontbreekt den enkelen onderzoeker de maatstaf tot beoordeeling van het betrekkelijk gewicht van een verschijnsel, en van daar, dat hein ook het onbeduidendste, waarop juist zijn blik gericht is, voor hoog gewichtig geldt, dat hij zonder onderscheid alles en iedere kleinigheid met een' ernst behandelt, alsof het wel en wee der wetenschap, ja der menschheid zelf daarvan afhing. {Tkier- und Menschenfreund 1888, S. 94).
Wanneer men van de betrekkelijke onvruchtbaarheid der vivisectie spreekt ten opzichte van hare methode van onderzoek, mag men de ontelbare meuigte der mislukte proeven niet vergeten. Zoo zegt b. v. Dr. E. Stadelmaun in het Archiv für experiment. Paf kol. und PharmaJcol. 1888, Bd. 24. S. 272; »Het breken der dieren, nadat hun de Phosphor-Emulsie met het strotsondeerijzer was toegediend, leverde eeue geslaagde proefueniiug op bijiui geheel door eene gril en gunst van het toeval. Terwijl ik de
talrijke mislukte proeven geheel oversla..... Dr. Max E. G.
Schrader zegt in Pflügers Archiv. 1888, Bd. 44 S. 197: Munk verloor 8 0 pCt. van zijne proefdieren tengevolge der operatie, en van de 25 overlevenden was de operatie slechts 4 maal volkomen geslaagd.» En op blz. 198 zegt Schrader van zijne eigene proeven; «over 't geheel stierven 7 5 pCt. mijner proefdieren aan de gevolgen der operatie, zonder m ij waarnemingen van e e n i g e waarde te verschaffen.» â Welk eene menigte van martelingen is derhalve aan de vivisectie verbonden, waaruit ook niet het geringste nut voor de menschheid voortvloeit?
Aan het einde van zijn onbarmhartig leven moest Claude Bernard, de groote vi visector, getuigen: »o n z e handen z ij n nog ledig, maar onze mond is vol beloften voor de toekomst.» (Lemons sur la Diabete. Paris, 1877. Seite 43â44).
De beroemde Professor Felix Niemeijer zegt in zijne voorrede van de 7 ed. van zijn quot;Handhucl derpractisehen Mediein//, dat de p roeven op dieren, met medicamenten ondanks hare wetenschappelijke waarde, voor de behandeling van ziekten geheel onvruchtbaar waren gebleven, en over 't algemeen de geneesheeren heden ten dage om geen haar beter aan het ziekbed gewapend zijn, dan zij reeds vóór 50 jaren waren.
31
Hiertegenover heeft een vivisector eene sluwe uitvlucht gevonden: »Kenn is en niethet practisch nut voor de geneeskunde, is het ware en oprechte doel van allen vivisectischen arbeid. Geen waar onderzoeker denkt bij zijne onderzoekingen aan de practische waarde, en juist in het prijsgeven der dierenwereld, alleen met het einddoel, om menschel ijk lijden te lenigen, kan niets onedels en egoïstisch gevonden worden. (Hermann's werk: nlJie Vivisektionsf ragen. Leipzig, 1!S77.) Deze bewering, die alle meeningen dat de vivisectie zegen aanbrengt, omverwerpt, kan overigens ook geen proef doorstaan.
II. De vivisecties, verre van juiste waarheden opteleveren, zijn veel meer eene onuitputtelijke bron van valsche gevolgtrekkingen en geleerde twisten.
De onzekerheid der vivisectische resultaten is een punt, dat met talrijke bewijsplaatsen uit de geschriften der Vivisectoren zelve duidelijk bewezen kan worden. Het volk gelooft, dat de vivisectie eene nauwkeurige navorsching is en hare resultaten niet betwijfeld kunnen worden. De vivisectoren verkrijgen integendeel bij eenzelfde proef de meest elkaar weersprekende uitkomsten, en niemand mag de navorschingen van den ander als zeker aannemen, maar moet altijd nogmaals zelf onderzoeken, of het wel alzoo is. Men kan zeggen, dat de voornaamste bezigheid der vivisectoren in hunne wederzijdsche weerlegging bestaat. Wat bij de proeven aan zekerheid ontbreekt, beijvert men zich dooide menigvuldigheid der proeven te vergoeden, ofschoon toch de verkeerdheid eener methode van onderzoek niet door de massa der vermoorde offers op te heffen is.
»Iu het begin dezer eeuw is het lievelings object der vivisectoren, de hersen-physiologie in weerwil van wat zoowel de techniek der proeven, als de door de laatste gewonnen feiten, betreft, tot heden toe slechts zeer weinig sedert Legallois en Flourens verder gekomen.» [Prof. Cjjon. Methodiek, Seite 500.)
Het gebeurt niet dik w ij Is, dat ten opzichte van de physiologic der hersenen twee physiologen van hetzelfde gevoelen zijn. {Prof. GoU.z. PjUu/er.i Archiv, Bd. 13, Seite 9.) »De resultaten onzer proeven op katten (galvanisatie van de Sympathicus) zijn in hoogen graad twijfelachtig en van een zich zelf w eersprek en den aard. Er zouden eene menigte van dezelfde onderzoskingen moeten gedaan worden, om daaruit onfeilbare besluiten te kunnen trekken.» (J)entsclies Archiv fur K/in. Meel., 1876, Seite 55.)
»In den loop des tijds is het meermalen de vraag geweest, welke betrekking er bestaat tusschen de actie der geleiding en der prikkeling in den zenuwvezel. Wilde men intusschen gelooven, dat hare beantwoordingen eensluidend waren, dan zou men zich zeer bedriegen. Integendeel zien wij de verschillende schrijvers, niettegenstaande zij
32
zich bijna allen van dezelfde methode van onderzoek en van dezelfde werkmiddelen op de zenuwvezels bedienen, tot geheel tegenovergestelde resultaten, en ten gevolge daarvan natuurlijk tot verschillende meeningen geraken.» {Vjlgüers Arcldv 1886, Seite 75.)
»Bij de nieuwheid dezer zienswijze, die met de tot nog toe gangbare, vooral door Rosenthal in zijne studiën over adembewegingen verdedigde, in lijnrechten strijd is, scheen eene herhaalde proef mij geboden, des te meer, daar Marckwald's verhandeling het aan eene voldoende verklaring, waarom de vroegere schrijvers tot afwijkende resultaten gekomen zijn, had laten ontbreken.» Br. A. Loewj. Pjiiigers Arc/iiv 1888, Bd. 42, Seite 247.)
»Over het ontstaan van het urinezuur en over het orgaan, waarin het gèvormd wordt, heeft zich in het laatste tiental jaren eene reeks van verschillende beschouwingen ontwikkeld . . . Een groote reeks van onderzoekingen weersprak evenwel de door Zalewsky uitgesproken bewering. Strahl en Lieberkuhn ontnamen reeds veel vroeger nieren aan honden en katten, zonder tot gelijke en zekere resultaten te komen.» (/Jr. //. von Much. Arcldv fur experiment. Pathologie mul Tharmalcol. 1888, Seite 389.)
Gewichtig is ook, wat een vivisector zegt: âIk gelooi' (lat er langzamerhand genoeg kronkelgangen zijn doorsneden geworden. De 105 duiven, die Baginsky voor deze proeven offerde, zouden nog door hecatomben gevolgd kunnen worden, zonder dat onze kennis daardoor vermeerderd werd. De proeven zijn immers door Flourens reeds volkomen uitgeput. Het zinsorgaan, dat toch in ieder geval liet Vestibulum bevat, moet ten slotte naar fijnere methoden worden onderzocht, dan die der steeds wederkeerende doorsnijding, uitbreking of verbranding der Kanalen.quot; {Prof. T. Breuer in Pflugers Archiv 1888, Bd. 44, Seite 152.)
Hermann Lot ze, de beroemde Philosoof en tegelijkertijd arts, schrijver van de Microcosmos, geeselde den bedriegelijken schijn dei-vivisectie met de woorden: »Ik heb heimelijk reeds lang de statistieke opmerking gemaakt, dat de groote positieve ontdekkingen der exacte P hysiologie een gemiddelde levensduur van ongeveer vier jaren hebben.» [Voorrede sur Medicinischen Psychologie?)
Charles Bell, eene autoriteit van den eersten rang, zegt in het Nervous System II, Seite 184: proefnemingen zijn nooit middelen tot ontdekking geweest, en een overzicht van wat in de laatste jaren daardoor bewerkt is, zal bewijzen, dat het openen van levende dieren meer tot voortplanting der dwaling, dan tot bekrachtiging van juiste aan de anatomie en de natuurwetenschappen ontleende meeningen bijgedragen heeft.» â En verder zegt hij: de confusie is een geesel der wetenschap, en zij is het in 't oog
33
springendst resultaat der vivisectie.» â Lawson Tait1) eveneens eene grootheid van den eersten rang, zeidc in het jaar 1882 in eene voordracht, getiteld: »De nutteloosheid der vivisectie op dieren als wetenschappelijke methode van onderzoek», (Dresden, 1883, Preis 25 pf.) het volgend oordeel uit: »Ik hoop,-het nu behoorlijk duidelijk aangetoond te hebben, dat, hoe diep ik ook het gewicht der verschillende tegenwerpingen tegen de vivisectie gevoel, ik toch nog als een verreweg sterkeren bewijsgrond daartegen dien moet verklaren: dat zij zich als onnut en bedriegelijk heeft bewezen, en dat in 't belang der ware wetenschap aan hare toepassing paal en perk behoorde gesteld te worden, opdat hierdoor de energie en geschiktheid der wetenschappelijke onderzoekers op beter en zekerder sporen geleid worden.»
De vivisecties zijn eene onuitputtelijke bron van geleerde meeningen. Ieder onderzoeker heeft andere resultaten en eene andere opvatting. Talloos veel dieren worden gemarteld, om hypothesen te stellen, die later in 't geheel geen stand houden. â Voornamelijk maken jeugdige ij veraars gebruik van de vivisectie, om zich spoedig naam te maken. Deze of gene vroegere proef biedt het «wetenschappelijk» punt van uitgang, de universiteit levert de dieren, de vertrekken en toestellen, en de Professor de avriendelijke» leiding. Wanneer er dan eenige dozijnen honden, konijntjes of andere dieren ter dood gemarteld zijn, verschijnt er een opstel in het een of ander deskundig blad, waarin gezegd wordt, dat Claude Bernard of Ferrier of Ludwig volgende proef genomen en het volgende gevonden heeft, maar dat nu X, Y of Z de proef herhaald en integendeel het volgende heeft gevonden. â Deze groote daad wordt dan in alle overige bladen en jaarberichten verder verkondigd, en de heer X, Y of Z, staat in eens naast Claude Bernard, Ferrier of Ludwig. â Het doel is bereikt en de wetenschap levert daartoe slechts het voorwendsel. Hoeveel lange jaren zou de heer X, Y of Z in moeielijken, volhardenden en redelijken arbeid zich aan het ziekbed hebben kunnen aftobben, zonder nog een beroemd man te worden. Dan gaat het met eenige stuk gesneden honden toch spoediger b (5. Jahrfn-herich.t des Hannover. Vereins zur Bekdmpfuncj der roissenschafilichen⢠Thierfolter)
Philo. Maar men zal toch met willen beweren,, dut de vivisectie in 7 geheel yeen voordeel zou hehtjen aavr/eltrachf. â En zelfs slechts hij eeniy nut, zou de vivisectie als methode van onderzoek reeds recht van hestaan helhen.
1
De beteekenis van Lawson Tait blijkt hieruit, dat hij in 'tjaar 188ö tot president der nBritish Gynaecologicae Societyn en in 'tjaar 1887 tot vice-President der Internationale vereeniging van artsen te Philadelphia gekozen werd.
34
Anti. Hierover zegt Dr. A. Kingsford: »Ik ben bereid, toe te geven, dat verscheidene vivisectische onderzoekingen een grondslag hebben geleverd, waardoor ons eene aanzienlijke winst voor de abstracte wetenschap, zij het dan ook misschien niet voor het eigenlijk practisch doel tot genezing is aangebracht. â Maar wij moeten bedenken, dat de wetenschappelijke wereld sinds twee duizend jaren de vivisectie beoefent, en het zou wel is waar wonderlijk zijn, als eene met zooveel ijver en vlijt gedurende een zoo lange tijdruimte gevolgde methode in 't geheel op geen goed gevolg zou kunnen wijzen. â Het is alleen te verwonderen, dat daarvan zoo weinig aantetoonen is, en deze onvruchtbaarheid kan als waarmerk dienen, dat er geen beduidende resultaten van onderzoekingen te verwachten zijn, die ondanks hun ouderdom tot hiertoe zulke geringe vruchten gedragen hebben. Buitendien mogen wij bij de beschouwing der weinige voordeelen, die door de vivisectie sinds haar ontstaan, dat is, sinds twintig eeuwen, werden verkregen, de tallooze dwalingen , vergissingen en hindernissen niet vergeten, waardoor zij de medische wetenschap heeft opgehouden; wij moeten bedenken, tot welk een ontzaglijk hoogen prijs van het physisch lijden der dieren en liet psychisch lijden der menschen deze zeldzame en hoogst twijfelachtige voordeelen zijn gekocht geworden.»
Laten wij ons alleen door het beginsel der nuttigheid leiden, dan is ons door de proeven op levende dieren, die door alle tijden heen voortduren en bij toeneming verergeren, het zeker uitzicht op eene bron van oneindig lijden geopend. De scharen der slachtoffers en hunne martelingen zijn den vivisector onverschillig, voorzoover hij daardoor een wetenschappelijk resultaat verkrijgen, of ook slechts verwachten kan. â Maar is dat dan bovendien een menschel ijk standpunt? Kunnen wij deze onmenschelijkheid met ons gevoel van recht en billijkheid overeenbrengen ? Nu en nooit! â «Indien ons aangetoond werd», â zegt Dr. Paul Förster in de //Thier- u. Menschenfreundquot;, Jahrg. 1885, Seite 93, â »dat de dieren weinig of slechts korten tijd leden, dan zouden wij daardoor wel is waar de vivisectie niet verontschuldigen, maar toch zachter beoordeelen. Zijn de proeven intusschen slechts door lange en wreede martelingen mogelijk, dan verwerpen wij ze, zonder ons door haar voorgewend nut te laten verblinden.» Ja, al was liet bewezeu, (lat wij dooide foltering van leveude medescliepselen de grootste voordeelen konden verkrijgen, dan zonden wij de vivisectie ondanks dit alles verwerpen, daar wij ze voor een zware misdaad honden. â Is de vivisectie geoorloofd, dan is niets in de wereld boos. â Wij zijn overtuigd, dat het standpunt, waaruit de vivisectie alleen mag beoordeeld worden, het standpunt der zedewet is, die toch ook voor de geleerden geldt.
35
Philo. Zedeleer en wetenschap zijn twee gescheiden terreinen, die niets met elkaar te maken hebben. IFat heeft de zedeleer uittestaan met eene zuiver physiologische en medische vraag ?
Anti. De vivisectie is niet alleen eene wetenschappelijke vraag, maar ook en zelfs allereerst eene vraag van het zedelijk geoorloofde. Indien zij uitsluitend eene wetenschappelijke vraag was, dan ware het recht der vivisectische methode wel is waar een thema, waarover alleen door deskundigen gediscutieerd zou kunnen worden. Maar zóó is het daarmee niet gesteld. Evenmin als vroeger de pijnbank alleen eene zaak der rechtsgeleerden, en de slavernij alleen een zaak der slavenbezitters was, evenmin is hedentendage de vivisectie alleen eene zaak van artsen en onderzoekers. Zij is in hoogste instantie eene algemeen menschelijke aangelegenheid, in 't geheel geen vraag van het weten, maar van het geweten.
Het is een groot onderscheid, of' iets eeue weteuschappe-lijke vraag is, die door de rechtbank van het deuken, dan wel door het geweten behoort beslist te worden. Met het verstand denkt men er over na, of iets nut aanbrengt; met het geweten echter oordeelt men, of iets goed of kwaad, geoorloofd of ongeoorloofd is. Derhalve beslist in de vraag der vivisectie ten laatste niet het weten, maar het geweten. Dit is de vraag, of het in stukken snijden, het verbranden en dikwijls weken â ja, maanden lang martelen van zeer gevoelige dieren veroorloofd en te billijken is, maar niet, of de vivisectie nuttig of onnuttig is â op het standpunt der zedelijkheid is en blijft nu de vivisectie, voorzoover daarbij het offer in een bewusten toestand gepijnigd wordt, eene absoluut slechte en ongeoorloofde methode, die door geen in haar geroemde of van haar te verwachten voordeelen verontschuldigd kan worden. Terwijl wij ons tegenover de vivisectie op het standpunt der moraal stellen, verkrijgen wij een vast en onaantastbaar uitgangspunt, dat het alleen mogelijk maakt, met dezulken te strijden, die eeue menigte van technische geleerde beweringen voorwenden.
Philo. Indien de vivisectie-vraag eene vraag der zedeleer ware, dan zijn dm de vivisectoren onzedelijke menschen. Dat is toch een he wering, die zich met het oog op zulke beduidende en beroemde mannen , zelf vonnist.
Axti. De vivisectie is een kwaad niet alleen voor het dier, dat lijdt, maar ook voor den rnensch, die het doet; ze maakt hem slechter. Wat dit betreft, laten wij ons door het opnoemen van beroemde namen geen vrees aanjagen. De beroemdsten zijn geenszins altijd ook de besten. Prof. Go ld win Smith zegt in het Canadeesch tijdschrift Bystander: »Het is geheel ondenkbaar, dat het medelijden en medegevoel niet sterk in den mensch benadeeld zou worden,
36
die zich er aan gewend heeft, een onschuldig schepsel in een ijzeren toestel zoodanig te bevestigen, dat het noch kermen, noch van pijn zich krommen kan, en het dan met opzet urenlang martelt. Een arts, die eene operatie doet, weet, dat hij den zieke verlichting geeft, hij kan dus in zooverre zijn gevoel wel onderdrukken, om met vaste hand zijn werk te volbrengen. Maar de arme hond en het konijntje lijden ontzettende martelingen, zonder daarvoor later de eene of andere vergoeding te ontvangen, en derhalve moet in zulk een geval de onderdrukking van het natuurlijk gevoel, al bedekt men deze onderdrukking met nog zoo schoone, humane woorden, noodzakelijk een slechten invloed uitoefenen op het hart.» {Cf. quot;Thicr- unci Menschenfreundquot; 1885, Seite 15.)
Eu wij zien dezen invloed. Het gedurig terugkomen in de geneeskundige handboeken op proefnemingen op dieren, heeft alle barmhartigheid tegenover het dier volkomen uitgeroeid. â Wij lezen in de »A n k 1 a g e-schrift», die in 1888 aan den Duitschen rijksdag (vanwege de Internationale Vereeniging te Dresden) werd voorgelegd, volgende treffende plaats: »Gedood wordt op alle manieren, en het verloop des atervens met waanzinnige nieuwsgierigheid gevolgd. â Alles wordt nauwkeurig geboekt. â Wreedheid en onverbiddelijkheid vereeuigen zich met kinderachtige nieuwsgierigheid, alles te willen zien en beproeven, en met de akelige heimelijke vreugde in het ontzettende, de wellust van den pijniger, tot een afzichtelijk geheel. â Er is belangstelling voor alles en ingespannen oefening des verstands; maar gemist wordt elk spoor van menschelijk mededoogen voor het lijdende, het onschuldig gemartelde, en iedere stem des gewetens aangaande eigen doen.»
putlo. Naar onze meeniny moet alles, wat men anders ten opzichte ran de dieren in aanmerking neemt, zoodra het de wetenschap betreft, ondergeschikt verklaard worden. De vrijheid der wetenschap is veel te gewichtig, dan dat men ze ergens zou durven laten beperken.
Anti. Vatten wij het begrip der wetenschappelijke vrijheid zoo op, als ware der wetenschap nu zonder onderscheid alles geoorloofd dan is ook de toepassing der vivisectie op menschen (bv. kreupelen, misgeboorten, Idioten) niet te verwerpen.
Inderdaad kan niemand loochenen, dat door proefnemingen op 100 levende mannen en vrouwen meer geleerd zou kunnen worden, dan door het martelen van 1000 honden of 10000 katten. Wij ontkennen echter beslist, dat de zaak daarmee geeindigd is, als men toegeeft, dat door de vivisectie onze kennis kan worden uitgebreid â Onze meening is deze, dat eene wetenschappelijke methode van onderzoek, die in strijd is met de voorschriften der zedewet, nooit als geoorloofd gelden mag. Van ganscher harte stemmen wij in met de heerlijke
37
woorden van A. von G r o s d a n o v i c: wij zijn als inenschen ter wereld gekomen en kunnen ook slechts als inenschen onze levensbaan doorloopen, ons levensdoel bereiken. â De mensch is echter een zedelijk wezen; het behoud van deze zedelijke kern der menschelijke natuur, het behoud der menschelijke waarde in alle gevallen, onder alle omstandigheden: dat is de taak zoowel van den individueelen mensch, als van het gansche menschelijk geslacht. Hieruit volgt, dat het menschelijk leven niet ten doel kan hebben, schatten van kennis op te hoopen, want dan zou immers slechts een voorbijgaand deel der menschheid zijne bestemming bereiken â de geleerden. â Het is ecliter niet lt;le vraag, om geleerd te worden, maar 0111 goed te zijn, wat ieder kan. Adel van karakter, goedheid des harten, dat zijn eigenschappen, die den mensch zijne waarde verleenen, en niet de kennis, die het gebrek van edele karaktervorming nooit vergoeden kan.» {Thier- unci MemcJwnfreund, 1888, Seite 10.)
Pjflo. Als heer der dieren leeft de mensch het recht, deze tot zijn nut te gebruiken en te verbrui ken. Het komt bij de leoordeeling zijner handeling alleen hierop aan, of zij lestemd en geeigend is, een verstand,ig doel te hereiken. Bat is bij de vivisectie het geval.
Anti. Een mensch met een onbedorven gemoed kan de gedachte niet vatten, hoe men in 't algemeen zoover kan gaan, om hoog ontwikkelde, den mensch nabijkomende en met hem bevriende wezens bij deze gruwelijke proeven als voorwerpen te gebruiken, en zich bovendien zelfs intebeelden, dat men recht daartoe heeft. Een of ander bewustzijn van onrecht tegenover het dier, schijnt er niet te bestaan.
Op welke gronden steunt men dan zulk Kannibaalsch recht ? Wij ontkennen, dat de mensch recht heeft, om op zulk eene wijze met onschuldige medeschepselen te handelen! En al bestond liet misbruik ook reeds sedert menschenlieugnis, toch zijn 1000 jaren van onrecht nog niet één enkel uur van recht! âDe dieren hebben voor de vivisectoren alleen waarde als voorwerp van onderzoek. â Tot bewijsvoering wijst men ons met moeite op twee onbeduidende gronden;
Eerste grond: De mensch is het sterkere schepsel. â De natuur stoort zich ook aan niets. Het eene dier leeft van deu moord van het andere. â Dus de strijd om het leven is de hoogste wet. Wij behoeven derhalve niet beter te zijn, dan de natuur.
Ons antwoord: deu strijd om het leven in de natuur kunnen wij niet verhinderen. Maar volgt nu daaruit, dat wij de som des kwaads nog door de vivisectie moeten vergrooten? Indien wij er een afschuw van hebben, een in onze macht staand zwakker menschelijk wezen (idioten, misgeboorten of gebrekkig ontwikkelde kinderen) tot wetenschappelijke doeleinden te martelen, dan moeten wij er eveneens
38
een afschuw van hebben, een weerloos dier te martelen, dat niet eens weet, waarom en waartoe het gemarteld wordt. â »Laat ous hopen,» zoo schreef in 't jaar 1881 Dr. Mensching te Hannover, een beslist tegenstander van alle vivisectie, »dat weldra de dag der verlossing voor het medelijdenswaardig schepsel aanbreke, dat geen andere schuld heeft, dan die, van zwakker te zijn, dan zijne pijnigers.»
Tweede grond: De mensch is het volmaaktere schepsel. Het dier staat niet op die hooge trap van ontwikkeling, als de mensch. Het is in verhouding tot ons mensehen slechts van mindere waarde. â Zijne prijsgeving is derhalve geoorloofd. â Ons antwoord ; de dieren zijn in hoofdzaak en in werkelijkheid geheel hetzelfde, als wij, daar ze naar hetzelfde plan zijn gevormd, en slechts gradueel van ons onderscheiden zijn. â De vraag is niet: kunnen de dieren denken? maar; kunnen zij lijden? Hierin ligt het zwaartepunt in deze zaak. (Jeremias Bentham.)
Om overigens niets ongebruikt te laten , wat geschikt zou zijn, de wetenschappelijke martelingen der dieren in het juiste licht te stellen, deelen wij eene kleine beschouwing mede, die wij in een voortreffelijk artikel van vrijheer E. von Ludinghausen-Wolff vonden:
sgt;Nemen wij eens voor een oogenblik aan, dat de mensch niet de hoogste trap in de natuur innam, maar dat er boven hem nog eeue soort van wezens bestond, van wie hij van zijne zijde door eene gelijke kloof gescheiden ware, zooals hij het van de hooggeorganiseerde dieren is, en deze hoogere wezens â noemen wij ze engelen, of anders, hoe wij willen â bedienden zich van de men-schen ter bevordering hunner wetenschappelijke doeleinden geheel en al evenzoó, als het nu de menschen met de beneden hen staande dieren gewoon zijn te doen; dat zij hunne faculteiten hadden, hunne physiologische instituten, hunnen Goltz, hunnen Ludwig, die tegelijkertijd een aanzienlijk lid was van eene Vereeniging tot bescherming van menschen, hunnen Schiff, en hoe het talloos heir der vivisectoren heeten moge, en zij spanden ons, arme menschenkinderen, gecurariseerd op de martelbank, sneden ons bij levenden lijve open, verminkten ons, boorden ons schroeven in de hersenen, braadden ons in gloeiende ovens, begoten ons met brandende petroleum of lieten ons in ijswater langzaam ter dood toe bevriezen â wij vragen, hoe zouden wij wel zulk eene handelwijze beoordeelen ? â Zouden onze verdedigers van de Vivisectie dan ook zeggen: »Deze wezens staan verre boven ons, menschen, zij doen derhalve, wat recht en goed is, leve de wetenschap!» â Waarlijk, neen! â Juist degenen, die nu met zulk een gloeienden ijver voor de wetenschappelijke martelingen der dieren opkomen, gelooven wij, zouden de eersten zijn, die in den naam van moraal en recht tegen zulke wreedheden en zulk een misbruik maken van de macht, zouden protesteeren.» (Anwalt der Thi ere. Riga, 1885, S. 128.)
39
Philo. Overgroots zachtheid tegenover dieren slaat in hardheid tegen menschieu over. Daardoor overtreden wij zeker de gehoden van den godsdienst.
Anti. Wie op godsdienstigeu bodera staat, moest allerminst dezen grond tegen ons aanvoeren, want hij is een van de zwakste. Wel is waar dieren zijn geen christenen, maar houdt dan het christendom bij het vee op te bestaan ? Oort heeft ons niet twee zielen gegeven, de eene wreed tegenover de dieren, de andere welwillend jegens de menschen. Bij brutaliteit tegen dieren, en wreedheid tegenover menschen, bestaat slechts verschil van offer. Martelingen van dieren, hetzij zij wetenschappelijk worden gepleegd of niet, zijn een zware zonde.
De vroeg gestorven Gravin Agnes von Egloffstein, die in woord en daad eene vrome christin was, schreef met betrekking hiertoe; Mag een christen de vivisectie verontschuldigen? Waarschijnlijk hebben verreweg de meesten niet het minste begrip van de afschuwelijkheid dezer methode, anders zou zij niet altijd nog zooveel verdedigers vinden. Voor hem echter, die werkelijk aan een heilig en rechtvaardig God gelooft, moest de vraag niet bestaan, of ooit het doel het middel zou kunnen heiligen. Maar er zijn vele voortreffelijke en christelijke artsen en geleerden, die de vivisectie verdedigen! Hoe het ook zij, er waren in de middeleeuwen vele voortreffelijke en christelijke vorsten en rechters, en toch hebben zij tot ver in de vorige eeuw tegen de folteringen en uiterst wreede doodstraffen van dien tijd, hunne stem niet verheven; zij hielden ze voor noodzakelijk, juist zooals thans de artsen de vivisectie voor noodzakelijk houden. Wie kan de macht der vooroordeelen van den geest des tijds en des beroeps meten ? De christen evenwel behoort de vooroordeelen te overwinnen, al moet hij zich ook wachten, hen te veroordeelen, die dit niet vermogen. De christen weet, dat er geen noodzakelijkheid bestaat een onrecht te plegen, dat God middelen genoeg heeft, om ons bij te staan, zoo wij slechts op Hem vertrouwen, zoo wij Hem om wijsheid en zegen bidden. Kan de vivisector op God vertrouwen, kan hij Hem bidden om zegen op zijn werk ?» (Zie het kleine werk: nisi der Thierschutz herechtigt und nothwendig?quot; Berlin, 1883. Evang. Bach- und Tractai-Geseïhchaft)
De Godsdienst verbiedt ons de vivisectie. »Of wij God liefhebben en zijne geboden houden, erkennen wij daaraan, dat wij zijne schepselen liefhebben.» I Joh. 5: 2. Be godsdienst gebiedt ons juist, de vivisectie te bestrijden: »J)oe uwen mond open voor de stommen en voor de zaak van allen, die verlaten zijn.» Spr. 31: 8.
Philo. Be noodzakelijkheid der vivisectie-vraag laat zich op zijn mimt letiv'jfelen, zoolang er nog gansch andere martelingen van dieren zijn,
40
die alleen uit ruwheid geschieden en waar afschaffing veel eerder op hare plaats ware.
Anti. Wij richten ons tegen alle en elke marteling van dieren, of zij wetenschappelijk wordt gepleegd of niet. Gelijk echter de vivisectie slechts binnen gesloten deuren kan uitgeoefend worden, evenals de heimelijkste ondeugden, zoo verkeeren ook de vivisectoren in den droevigen toestand, al het slechte en wreede te moeten bij eenzoeken, om hunne handeling daarmee te vergoelijken en daarachter te verbergen. Ongetwijfeld bestaan er, behalve de vivisectie nog andere gruwelen, en wel zoo veel, dat het ons onmogelijk zou zijn, ze alle op te noemen. Zóó b.v. het lijden der werkdieren, de misbruiken der keuken, bij het mesten, bij het vervoer, bij het slachten, bij de vischvangêt, bij de jacht, bij het africhten, bij de sport enz. enz., maar zouden wij het martelen der dieren, dat in naam der wetenschap wordt gepleegd, daarom voorbijzien ? Het is juist het gevaarlijkste kwaad, daar men voorwendt, dat het een middel is tot behoud van den meusch.
Neen: Laat ous kaïnpen, laat ons strijden,
Tegen al bet wreede lijden,
Tot in plaats van deze zonden ,
l)e mensch meedoogend wordt bevonden.
(J. F. C. Kühtmann.)
De Vereenigingen tot bescherming van dieren zijn de geroepen banierdragers in dezen geestelijken strijd der verlichting en veredeling.
Eoue vereeniging tot bescherming vau dieren, die niet tegen de vivisectie strijdt, handelt o. i. iu strijd met haar doel.
Want wat beteekenen alle andere martelingen van dieren in vergelijking met de vivisectie, die een lijden veroorzaakt, dat alles overtreft, wat tot hiertoe slechte en verdorven menschen aan dieren hebben berokkend.
»Een van tweeën: of de vivisectie is goed te keuren, dan is de zaak afgedaan; of zij is aftekeuren. Is zij echter aftekeuren, en kan zij verhinderd worden, dan behoort zij tot de niet weinig verwerpelijke dingen, en men mag niet talmen, ze uit den weg te ruimen, omdat er buitendien nog veel afkeuringswaardigs bestaat, dat meu volstrekt niet of voor 't oogenblik niet verwijderen kan. Alles op zijn lijd.» (Lord Coleridge, hoogste rechter van Engeland, 1882).
Philo. Door een verbod tegen de vivisecties zou zeker het onderzoek ophouden. TJaarnaar te streven, zou noodlottig zijn en alleen nwkkers en anderen dompers ten goede kunnen komen.
Anti. Wij willen noch het onderzoek doen ophouden, noch de partij opnemen voor het obscurantisme. Maar voordat meu tot proefneimugeu op levende dieren overging, moest men zich o. i. althans vergewist hebben, dat het gevvenschte licht niet
41
langs ecu anderen weg te verkrijgen was. - âHebben wij â zoo vraagt Lawson Tait â een volkomen, zooveel mogelijk gebruik gemaakt van alle andere nuttige, niet betwistbare methoden T
Op de noodzakelijkheid der proeven op dieren zou niet de nadruk worden gelegd, indien er niet zoo veel lijden ware. De meeste ziekten en kwalen zouden echter door eene natuurlijkere leefwijze der menschen van zelf verdwijnen. In de zorg voor de gezondheid, zoowel der openbare als persoonlijke, is oneindig meer zegen gelegen, dan inde afschuwelijke vivisectie. â Derhalve moest alles aangewend worden om de krachten te versterken, die de gezondheid bewaren. Hoe weinig heeft de geneeskundige wetenschap in dit opzicht gedaan! Eerst de vegetariërs en afschaffers predikten den terugkeer uit de verbastering tot de natuur, en de officieele, hooggeleerde wetenschap kwam hinkende achteraan, toen het haar volstrekt niet meer mogelijk was, de goede gevolgen der natuurlijke leef- en geneeswijze dood. te zwijgen of te loochenen. â Het is een groot en roemenswaardig feit, dat de natuurlijke geneeswijze noch de vivisectie kent, noch haar noodig heeft. â Dr. Paul Niemeijer, de beroemde baanbreker der natuurlijke geneeswijze, en lid eener gezondheidscommissie, zegt; »Ik van mijne zijde beweer, dat de vivisectie voor de behandeling van zieken even weinig nut aanbrengt, als ter voorkoming van zieken.» â (Zie: Heft 27, Seite 69 nAerzlxche Sprechshinden.quot;
Onze onderzoekers moesten, in stede van levende dieren te martelen, liever van hen leeren, want ook de dieren passen de natuurlijke geneeswijze toe. Volgens de waarnemingen van Dr. Delaunay bekleedt bij de geneeswijze der dieren het water eene eerste plaats. Bij eiken koortsachtigen toestand gebruiken zij het inwendig en uitwendig. Een jachthond, die door eene adder in den bek was gebeten, zag men den kop herhaaldelijk in stroomend water dompelen, en hij genas inderdaad. Een andere, die door een wagen was overreden, legde zich neer in eene beek met eenig water en bleef daarin tot hij volkomen was genezen drie weken lang liggen, ofschoon het jaargetijde ruw en koud was. Hij verliet het voortdurend bad niet eens, om voedsel te gebruiken; men moest hem dat brengen. â Ook bij gevallen van rheumatische koorts, die bij dieren niet zelden voorkomt, gebruiken zij voortdurend koud water en men kan er zeker van zijn, dat bij al deze kuren meer ten grondslag ligt, dan de bloote instinctieve behoefte aan verkoeling en verfrissching.
Nog op een anderen weg, waarbij de vivisectie overbodig is, zouden wij de oplettendheid der onderzoekers willen leiden. â Dat is het Hypnotisme en het Heilmagnetisme. â *) De won-
(') Hypnotisme en heilmagnetieme. Een groote reeks van werken hieiover bevat de door den SiegismuudBohe boekhandel (Berlin W., Maurerstrasse 68) uitgegeven catalogus: sSiegismund's Vademecum dor gesammten Litteratur über Oecultismus.»
42
derbare hypnotische verschijnselen worden thans door de wetenschap erkend, nadat het blijkens de toenemende feiten onmogelijk geworden was, de methode der loochening langer voorttezetten.
Alleen van het buitengewoon wonderbaar gebied van het heilmag-netisme blijft de wetenschap nog verre, ofschoon het hare taak moest zijn, ook hier de banier vooruit te dragen, en niet al dralende achteraan te komen. Van vele zijden wordt hot betuigd, dat do'-r middel vnn het magnetisme genezingen worden bewerkt, die in haar aard en hare uitvoering op verrassende wijze aan de genezing dei kranken door Jezus herinneren.
Zulke dingen mogen al in het materialistisch leerstelsel van onzen tijd niet passen, maar mag men uit liefde tot een stelsel de feiten vervalschen ? â Voordat men dus een volkomen, grondig gebruik van alle andere zedelijk onbetwistbare methoden van onderzoek heeft gemaakt, kome men niet met de onmisbaarheid der vivisectie.
Philo. Na hetgeen in onze hesprelciny werd aangevoerd, geef ik loe, dat er wel iets waar is in H geen de tegenstanders van de proeven op dieren heiveren, â maar men moet ook hierin niet te vergaan.
Aim. De vrees om een stap te ver te gaan, leidt er bij velen daartoe, om in 't geheel geen stap te doen. Scholl zegt: «Verdraagzaamheid, gematigheid, onpartijdigheid zijn slechts somtijds deugden , in de meeste gevallen zijn het bloote j'hrasen, door de wijsheid der wereld verzonnen voorwendsels, om heimelijk met het kwaad een verbond te sluiten .»(J u 1 e s Charles S c h o 11' s werk : quot; Ayez pitié ! n Lausanne, 1881.)
In de zaak zelf kan van een te ver gaan nog in 't geheel geen sprake zijn. Het komt er toch op aan, eerst' een begin te maken. Zoolang de vivisectie in de publieke opinie steun vindt, kunnen wij slechts daarop werken, dat deze methode door beperking verzacht wordt. Onze eerste stoot moet allereerst tegen de openlijke misbruiken worden gericht; de op li effing van het gebruik blijft aan een andereu tijd voorbehouden. Dat er misbruiken plaats hebben, is bij de onbeperktheid van onderzoek gemakkelijk te begrijpen. Doel, aard, aantal, maat en duur der proeven zijn geheel en al willekeurig. Om de waanzinnigste denkbeelden kunnen thans onderzoekingen worden ingesteld, ofschoon reeds het spreekwoord zegt: «hoe geleerder, des te verkeerder,» en, »men vindt honderd geleerden, voordat men eenen wijze vindt.»
Bekentenis van een viviseclor. De bekende Prof. A. Eulen-berg schreef in een groot opstel (zie ngegenwartquot; van 19 April 1879) het volgende:
Men kan de misbruiken der vivisectie onderscheiden in qualitatieve en quantitatieve. Tot de eerste behoort het onoordeelkundig proefnemen
43
aangaande zaken, die eene dergelijke bewerking in 't geheel niet vereischen, hij welke bewerking hijgevolg ook niets of zoo goed als niets wordt gewonnen. Het ontbreekt niet aan ijverige beoefenaars der wetenschap, die de woorden «experimenteel» en «exact» letterlijk als synoniem schijnen te beschouwen en ook de onverschilligste in hun brein opgekomen vraag niet anders, dan door het vermoorden van eene menigte kikvorschen, konijntjes of zelfs honden meenen te kunnen beslissen .... Om niet van een laffe achterhoudendheid en zedelijke medeplichtigheid beticht te worden, wil ik als mijne subjectieve meening er bij voegen, dat er proefnemingen zijn en geweest zijn, die wegens hare wreedheid volstrekt verwerpelijk en ongeoorloofd zijn, zelfs al ware er een aanzienlijk wetenschappelijk of practisch nut aan verbonden. Quantitatief kan van de vivisectie misbruik worden gemaakt, en er wordt ongetwijfeld misbruik van gemaakt, wanneer dezelfde pijulijke, verminkende of doodelijke proeven meer dan noodig herhaald worden.»
Philo. liet Lesle is natuurlijk een vijand van het goede, en nutte-looze -wreedheden zal yeen humaan menseh goedkeuren. Hoe stelt men zich dan de 'wettige beperkingen der vivisectie voor?
Anti. Hiervan vinden wij een voorbeeld in de Engelsche wet van het jaar 1876. Deze wet bepaalt, dat proefnemingen op levende dieren zijn verboden, uitgezonderd in de volgende geoorloofde gevallen:
a. De proefneming moet ten doel hebben, door eene nieuwe, nuttige ontdekking de geneeskunde of physiologic te verrijken.
b. De proefneming raag alleen geschieden door iemand, die daartoe de toestemming van de overheid heeft verkregen.
c. Het dier moet gedurende den geheelen duur der proefneming sterk verdoofd zijn, opdat het niets voelt.
d. Het dier moet, als het zwaar gewond is geworden of als de pijn na de verdooving zou voortduren, vóór het ontwaken gedood worden.
e. De proefneming mag niet tot eene bloot aanschouwelijke voorstelling bij het onderwijs op geneeskundige scholen, universiteiten enz. dienen.
f. De proefneming mag niet als bloote oefening ter verkrijging van bekwaamheid dienen.
Alleen in geheel bizondere gevallen mogen ook deze perken overschreden worden; namelijk, indien door eene schriftelijke goedkeuring van zekere, in de wet genoemde, geleerde Vereenigingen bevestigd wordt, dat:
1. Het volstrekt noodig is, de proefneming hij eene voordracht te toonen , om de hoorders voldoende te onderrichten.
44
2. Het gebruik van verdoovingsmiddelen het doel der proefneming zou verijdelen.
3. Het doel der proefneming niet bereikt kan worden, indien het dier vóór het ontwaken werd gedood.
4. Het noodig is, de proefneming te herhalen, om eene reeds ge-gedane ontdekking te bevestigen.
De wet van Groot-Britannië bepaalt dan verder:
Curare wordt niet als v e rd o o vi n g s mi dd el erkend. Proefneiningeu zonder verdooving mogen slechts dan op honden en katten toegepast worden, indien door het oordeel van eene dier geleerde Vereenigingen bewezen wordt, dat het volstrekt noodzakelijk is, om tot het doel in quaestie honden of katten te gebruiken. â Eenhoevige dieren mogen in 't algemeen slechts dan tot proefnemingen gebruikt worden wanneer kan bewezen worden dat uitsluitend deze dieren daartoe gebruikt kunnen worden. Om toestemming tot proeven oji levende dieren te verkrijgen, wordt een oordeel van aanbeveling van eene der genoemde geleerde vereenigingen vereischt. De toestemming kan weer ingetrokken worden. Vergrijpen tegen de wettige bepalingen worden zwaar gestraft (tot 1200 gulden boete of 3 maanden gevangenisstraf.)
Van groot gewicht is het bij elke wet op de vivisectie, dat er, van regeeriugswege eene commisssie van toezicht worde benoemd, die van de medische faculteiten onafhankelijk moet zijn. Anders blijft de geheele wet slechts een stuk papier.
Philo. Indien het in Groot-Britannië mogelijk tous, de vivisectie door de toet te leperlcen, dan zal het in andere landen ook mogelijk zijn. â Een weldenkend rnensch moet reeds daarom eene wettige regeling wensehen, opdat eindelijh deze vraag uit den toeg worde geruimd.
Anti. Het laatste kan eerst geschieden, nadat de geheele zaak in den door ons voorgestelden zin is afgedaan. Eene bloote beperking, hoe welkom zij ons als vooruitgang op het tegenwoordige ook zij, kan ons nog niet nopen , om ons principieel standpunt te laten varen. Om verscheidene redenen niet;
Eerste reden: «wanneer wij voor een algeheel verbod van de vivisectie zijn, zoo kunnen wij onze verdediging op gronden der hoogste zedelijkheid steunen; wij kunnen ons beroepen op de edelste, reinste en onzelfzuchtigste gevoelens van ons wezen, en de ervaring heeft bewezen, dat zulke beroepen in den nieuweren tijd zelden te vergeefs zijn gedaan. â Wanneer wij evenwel slechts op eene beperking der vivisectie aandringen , dan kunnen wij ons in 't algemeen nauwelijks op het gevoel beroepen. â Wij kunnen noch eene zeer werkzame oproeping uitvaardigen, noch de eischen der zedelijkheid doen gelden, daar de omstandigheid, dat wij eene bloote beperking
45
der vivisectie wenschen, de gedachte in zich sluit, dat wij tot op zekere hoogte de vivisectie wegens haar nut goedkeuren.
«Erkennen wij evenwel de vivisectie tot op zekere hoogte als gerechtvaardigd, dan mogen wij ook hare wreedheden niet al te nadrukkelijk aantasten. Wij moeten onze veroordeeling daartoe bepalen, dat de vivisectie zich slechts tot op zekere hoogte laat rechtvaardigen, tot zoover namelijk, waar zij ophoudt nuttig te zijn; of dat tot boven zekere hoogte het evenwicht der nuttigheid tegen haar pleit, d. i. dat liet door de dieren te ondergane lijden, grooter is, dan het door den mensch verkregen nut. Onze oproeping moest derhalve minder tot de harten of het geweten van het publiek, dan wel tot het verstand gericht zijn, en dit te overtuigen, zal zeer moeielijk gaan.» (Mark Thornhill in quot;Thier- und Menscheufreund,n Jahrg. 1887, Seite 87).
Tweede reden. »Gesteld, wij verkrijgen de gewenschte beperkingen, dan blijft altijd nog de groote moeielijkheid over, deze op werkzame wijze gedwongen en verplichtend te maken. Wij kunnen, zooal misschien niet eene algeheele dan toch eene lijdelijke inachtneming der beperkings-maatregelen waarborgen, in zooverre er sprake is van een onvoorwaardelijk verbod. â Wij kunnen b. v. de openbare uitvoering der vivisectie in 't algemeen voorkomen. De vrees voor ontdekking en straf zou in hooge mate de niet geoorloofde particuliere vivisectie verhinderen. â Maar waar beperkingen bloote voorwaarden opleggen, daar hebben wij geen middelen, om ons te overtuigen, of deze voorwaarden ook nagekomen worden. â Wij kunnen er ons b. v. geen zekerheid van verschaffen, dat niet meer, dan het geoorloofde aantal dieren, aan de proefneming onderworpen, of dat de proefnemingen op de voorgeschreven wijze uitgevoerd worden. En dit is daarom niet mogelijk, omdat de meeste vivisectische proefnemingen niet in 't openbaar, maar in de Laboratoriën zonder eenigen getuige worden verricht.» (M ark Thornhill.)
Derde reden. »Elke te bedenken wet, die de vivisectie eeniger-mate rechtvaardigt, is niet slechts bedriegelijk wat de dierenbescherming betreft, maar ook demoraliseer end voor de mensch-heid, die deze practijk huldigt, en nadeelig voor de vereeniging, die vereenigingen tot bescherming van dieren sticht en de huisdieren als lievelingen, dienstknechten en speelmakkers behandelt, en tege-gelijkertijd wordt geroepen, mannen te rechtvaardigen, die diezelfde dieren als bloote stukken van beenderen of pezen levend stuk snijden. â De vivisectie moet of geheel en al afgekeurd en verboden en de geheele beweging ten voordeele der dierenbescherming opgegeven, of de huichelarij goedgekeurd worden, die heden een hond liefkoost, en morgen toestemt, hem levend in stukken te snijden. Zoolang wij een gevoelend en verstandig schepsel als een bloot mechanisch uurwerk beschouwen, dat wij
46
naar goedvinden mogen openen, om het binnenste te zien; zoolang wij ons de hersenen, die al de bewonderenswaardige neigingen en denkkrachten van den hond en den aap bevatten, slechts als een klomp grauwe stof voorstellen, die volgens Prof. Goltz, »als een aardappelveld» moet worden omgewoeld, om te zien, wat er na hare verminking plaats heeft; zoolang wij het kleine hart, dat bij den terugkeer van den geliefden meester van vreugde klopt of van verdriet breekt op zijn graf, als eene «spier» beschouwen, waarin het «interessant» moet zijn, een katheter neertelaten, om zijne juiste temperatuur te bepalen; zoolang wij de lichamen der dieren op deze wijze beschouwen, zal de geest van eenen Cyon als eene afschuwelijke pestilentie onder ons rondwaren. Alleen het volstrekte verbod eener practijk, die voor altijd met de meest roekelooze wreedheden is aaneengeschakeld en verbonden , kan de besmetting van het nieuwe kwaad van wetenschappelijke wreedheid tegenhouden. â Elk systeem van wet werkt inslaap wiegend op het openlijk geweten, en de staat zal, door elke toestemming, welke hij aan de eischen eener nieuwsgierigheid geeft, die noch deelneming noch medelijden kent, de menschheid opleiden tot materialisme, tot zelfzucht en verachting van de rechten der zwakken en hulpeloozen. F ra n c es Power Cobbe Thiersclmtz-Zeitschrift. «Die Taube.» Berlin 1886, Seite 563.)
Philo. JJe fioyrngm van zulk eene kleine minderheid, om de vivisectie uit te roeien, zullen tevergeefsch zijn. Evengoed zou men hunnen beproeven, de zee uit te scheppen.
Anti. Waarheid alleen hiervan is, dat wij oogenblikkelijk nog niet de meerderheid hebben. Maar volgt daaruit reeds: dat wij ze nooit zullen hebben ? Wij zeggen veeleer: ludieu heden, terwijl de gruwelen der vivisectie eerst slechts betrekkelijk weinigen bekend zijn, reeds duizenden zich rondom onze vaandels hebben geschaard, dan zullen onze rijen zeker bij honderdduizenden tellen, indien maar eerst de kennis van de wetenschappelijke onmenschelijkheid algemeen is verbreid geworden. Op deze verandering der publieke opinie hebben wij onze vereenigde pogingen te richten. â Op alle gebied en in alle tijden van een reformatorisch streven zijn er slechts onder de tegenspraak der autoriteiten van den dag vorderingen gemaakt; ofschoon de moeite en arbeid der apostelen ter bereiking van eene betere toekomst voor onzen kortzichtigen blik te vergeefs schijnen besteed te zijn, zoo is toch in waarheid geen geestelijke inspanning verloren. Goede ideeën zijn zaadkorrels, gelegd in de harten der menschen, waar zij, op een vruchtbaren grond gevallen , kiemen en opgaan en goede vruchten dragen. Laat ons derhalve den moed niet laten zinken! Laat ons onzen plicht als mensch vervullen, door de gruwelen te bestrijden, die onzer eeuw
47
tot schande strekken! Met ons is de rede, met ons de stem des gewetens, met ous het getuigenis der wijzen. Hebben wij zulke bondgenooten, dan zouden wij die aardschc â nacht willen zien, welke ons op den duur weerstand zou kunnen bieden!
-
_
___
bijblad.
NÃDERLANDSCHE BOND TOT BESTRIJDING DER VIVISECTIE.
Naamlijst der Leden, Donateurs en Stichters.
LEDEN.
|
AAGTEKERKE. P. J. Arexds. K. wlelemaker. AMSTERDAM. Mevr. L. A. BaëzaâCeemee. Mevr. H. Boissevainâtoe Laek. Mej. A. Brouwer. Mej. A. J. J. Ebelixg. W. B. Fricke. Prof. Dr. W. Geesink. Mevr. W. D. M. GeesinkâReuver. M. J. van Geyt. Mej. E. van Geyt. Jhr. C. Hartsen JBzn. Joukvr. E. Hartsen. Mevr. S. Herklots. Mej. v. Heukeloji. Mej. M. van Kemfest. P. J. Kerkhoven. Mej. A. C. E. Kerkhoven. Mevr. A. A. KirbergerâMack. E. Kruijmel. Prof. Dr. A. Kuijper. Mevr. Dr. A. KuijperâSchaay. KT. Kuijper, Seer. d. Sophia-Vereen. Mevr. Wedwe de Lanoyâvan Manen. Dr. E. Laurillard. Mevr. J. de Wed. Lehman de LehnsfeldâSchone. B. A. Matthes. J. Mees. Mej. Chr. de Moor. Mevr. H. de Neufvilleâvan Karnebeek. |
wedwe j_ de Neufville-Matthes. Mevr. A. S. Obreenâtoe Laer. J. W. Palies. J. Ruth. J. W. Rijnders, Voorz. derSo[)liia- Vereeniging. Wedwe J, J. Th. ScharffâSmits v. d. Goes. B. H. Schroder. Mevr. Schroderâde Neufville. J. Schuit. I. Stoppelsteen. Mej. I. de Vries. ANTWERPEN. Mevr. Wedwe Hoogendijkâ v. d. Meulen. C. E. Klumpes. Mevr. S. W. M. KlumpesâRoby. N. N. APELDOORN. Mej. A. Deinum. ARNHEM. Markies V. Ciccolini. Mevr. S. Ciccolini. Mej. C. Immerzeel. Mevr. W. F. H. van Riemsdijk. P. M. Scheurleer. Mej. W. S. Weimar. BORGER. Ds. J. C. v. Mantgem. BRITSWERD. Mevr. I. C. W. de Boer âRoorda v. Eysinga. |
|
BRUMMEN. Mevr. D. O. van Walree. BRUSSEL. Freule M. vox Keller. Mevr. S. KnageâPecqueur. Mevr. de Meeus. Kolonel Ch. Mueller. Mej. B. Perk. BUSSUM. Mej. M. Nolthenius. H. J. Schimmel. DELET. T. van Stolk, Student. DINTELOORD. Ds. G. de BrAAL. DOESBURG. J. W. Chevallier. DRIEBERGEN. Hugo Nolthenius. EDE (Gelderland). L. van Düijn. Praneker. Mevr. Roorda v. Eysinga. GINNEKEN. I. J. Brevet. Mevr. H. B. BrevetâLogger. Mevr. van HeerdtâBleeker. Mej. A. C. van Laars. GOES. Ds. P. Huët. Mevr. M. E. HuëtâRobbè. GOUDA. Dr. J. H. Gunning JHzn. J. P. van der Kleun. Ds. A. Wartena. GOUDSWAARD. Ds. J. A. van Tuijnen. |
's GRAVENDEEL. Ds. J. van Walsem. 's GRAVENHAGE. J. Anjema. Mej. E. Arens. i Mej. L. Arens. ' B. R. J. Arntzenius. ; Mevr. S. H. ArntzeniusâJohnstone. Mej. M. A. Beierman. Mej. H. C. J. J. v. d. Bergh. P. A. v. d. Bergh Jr. H. W. P. E. v. d. Bergh v. Eysinga , theol.-caud. Mevr. Wedwe P. F. BlomâSack. Mej. A. de Boer. J. C. v. Brakel. Mevr. N. van Brakel. Mevr. Clarkson â Goosen. Mej. C. W. S. Conradi. Mej. H. Conradi. Mevr. Wed^e J. J. Cremerâ Brouerius van Nidek. Mevr. EekhoutâScherer. Mevr. Elliot Boswell-Gijsberti Hodenpijl. Mej. A. A. Engelhart. Mej. L. W. Engelhart. Mej. J. Engelhart. Mevr. Wedwe Mr. Fokkemaâ Meinsma. Mevr. Fremery Kalff-de Blaauw. Mej. E. B. Fremery Kalpf. Mevr. Goosenâbarease y. Reede v. OuTSHOORN. Mevr. GoutâLeurdorst. Mevr. H. M. C. GreveâSnellen. Mej. L. H. Greve. Mej. A. M. Greve. Mej. M. C. Greve. Mej. A. E. Gimberg v. d. Hoeven. Mej. J. A. v. d. Haas. Mej. C. P. H. v. d. Haas. i Mevr. I. M. H. Henckens. |
3
|
C. C. HrRSCIIMANN. Douière C. M.v. Hoëvell-Lenting. Mr. P. Hofstede van Son. Mevr. Hofstede van Son. Mej. v. d. Hucht. A. E. Jacobs. M. J. de Jong. J. JoRDAAN. J. A. Jueriaanse, Lid van het Hoofdbestuur der N. V. t. B. v. D. Ketner. Mevr. KetnerâStark. Jhr. Mr. R. A. Kleeck, Voorz. van het Hoofdbest. der N. V. t. B v. D. C. E. Lans. C. K. Leman. Douairière A. LeyssiusâCruys. Mej. A. v. Loenen. Mej. J. v. Loenen. P. R. Los v. Aarlandeeveen. Mej. N. N. Mej. Nonni. Mej. C. H. A. Merz. E. Mefjer. Mej. J. v. Oostrum. J. G. Pontier. Mevr. Popâvan Oven. Mej. F. Pop. R. C. van Prehn Wiese. F. J. C. van Prehn Wxese. Mej. M. van Prehn Wiese. Mevr. A. M. de Prez, Mej. C. J. de Prez. Douière A. v. Rappard Brond-geest. Mevr. J.C. ter Reehorst-Schijf. Mej. C. ter Reehorst. Mevr. Wedwe I. P. Richelmâv. Reeds v. olttshoorn. P. Romijn. Mej. E. Rolandus. Mevr. M. A. Roorda v. Eyöingaâ Romijn. Mevr. R. van EysingaâDibbeïz. A. Ross. |
Mevr. Rouwenhorst Mulder Lenting. J. A. de Ruiter. E. V. Le Rütte. J. schadee. Mej. A. Schukking. H. L. Smits. N. A. Smits. Mej. C. Snel. Mevr. v. Son âvan Hall. Mej. S. van Son. Mej. A. van Son. E. C. A. Twiss. R. Twiss. Mevr. C. A. TwissâZillesen. Mej. S. A. Twiss. Mevr. v. WalüeghemâParasie. B. v. d. Wall. Mevr. v. d. WallâDamwijk. Mevr. Wed^e (j. J. v. d. Watering. Doulère v. d. Wijck â Rolandus. Mevr. van Usselstein. 's GREVELDUIN-CAPELLE. H. A. P. Brunt, Rijks-Veearts. HAARLEM. D. de Clercq. Mevr. R. A. HooftâRaedt v. Ol- denbarnevelt. Mej. M. Koolhoven. Mej. M. Petri. HEEMSTEDE. Mej. A. Polman â Mooy. DEN HELDER. Kapit. J. de Waal. WIEUW-HELVOET. O?. H. Cramer. HELLSV OETSLTJIS. J. B. Eekman. J. Rietdijk. JUTFAAS. G. W. K. Hugenholtz. Mej. H. A. H. Hugenholtz. |
4
|
KAMPEN. J. G. v. i). Hoogt. KNOLLENDAM. Mej. H. Knipscheer. KRALINGEN. Mej. C. A. Twiss. LEIDEN. Mej. C. E. Kisslig. MONTFOORT. Ds. J. T. W. van Teoostenburgh de BeUIJN. NUMANSDORP. Poortvliet. NIJMEGEN. Mej. S. Meins.ua. OVBRVEEN. A. Koolhoven. Mevr. A. Koolhoven âLonbar Petri. L. H. Koolhoven. Movr. C. C. Koolhoven â Lonbar Petri. L. Wurfbain. RANDWIJK. G. Hulsman, theol.-cand. SAN REMO (Italië). Jhr. v. Eys. Mevr. M. v. Eys. ROERMOND. Dr. J. M. A. Kramps. M. J. v. d. Mark. Mevr. v. d. Mark. ROOSENDAAL. Jhr. P. C. van der Does. ROTTERDAM. Afdeeling Rotterdam der Ned. Vereen, t. B. v. D. |
A. A. van Bemmelen. C. J. van Bentveld. H. de Bie. C. J. Brutel de la Rivière. B. J. Gerritsen. Mevr. A. G. Gerritsenâvan den Heuvel. L. A. Gleichman. A. de Jager Jzn. J. A. Klumpes. Mevr. W. E. Klumpes - Maarschalk. Ds. C. L. Laan. Mr. M. Mees. Dr. J. Riemens. C. Stam. N. v. d. Zwalm. RIJSWIJK. W. A. Baron van Pallandt. SANDPOORT. C. B. Lonbar Petri. Mevr. H. Lonbar Petri-Snijder. SCHEVENINGEN. Mevr. GeldermanâBoddaert. A. Hoogenraad. Mevr. Hoogenraad-Varkevisseb. Mevr. C. v. d. Hucht-Kerkhoven. Mej. L. V. Nagel. M. Oosthoek, Genees- heel- en verloskundige. Mej. C. W. van Rinsum. Mevr. Wed we H. van Stolkâ Groshans. SCHOONHOVEN. Mevr. C. Telghuijsâde Wilde. SMYRNA (Klein-Azië). Mentor Daponte. TWELLO. ; Ds. G. J. B. Gelderman. |
5
|
UTRECHT. J. Andeiessen. L. Aeisz. Mej. J. G. Badon Ghyben. Mevr. M. L. Beaujon. Mei. M. Bolwerk. Mr. A. W. van Beek Calkoen. Mej. L. Bouman. Mej. A. van Brederode. Mej. C. J. D. Carleben. J. L. Crap Hellingman. Mej. H. J. Dibbits. Ds. J. W. Felix. I. S. Göbel. Mej. L. C. G. C;i.1 si!erti-Hodenpi.il. P. Hess. D. de Jong. Mevr. Wed we prof1'. Millies-Strick v. Ltnschoten-N. N. N. N. Kapit. J. G. M. Schoch. Mej. A. Schoch. Ph. J. C. Tissen. G. J. A. van Tussenbroek. J. Vervloet. H. C. Wanting. Mej. E. Zijtsema. VEENENDAAL. Freule M. von Krippendorf. |
VOORSCHOTENquot;. C. J. Broers. WESTBROEK. J. H. de Waal Malefijt. WILHELMINAD ORP. G. J. v. d. Bosch. WORKUM. Mej. L. Deinum. ZANDVOORT. Mej. E. Biben. ZEIST. Hugo Nolthenius. ZUID-BEIERLAWD. Mej. C. Goosen. Mevr. M. HugenholtzâGeesink A. Weijers, theol.-stud. A. de Zeeuw. ZURICH. W. E. Hana. G. A. B. Hana. Mevr. A. von Schatteburg. ZUTPHEN. Mevr. Tutein NoltheniusâFet menger. |
6
DONATEURS EN DONATRICES.
|
AMSTERDAM. Jhr. C. Hartsen JBzn. Mevr. A. A. Kikberger â Mack. ANTWERPEN. Mevr. S. W. M. Klumpes â Roby. GINNEKEN. Mej. A. C. van Laars. 's GRAVENHAGE. Mevr. S. Banck. de BlAAUW. Mevr. v. Brakel-C'remer. J. v. d. Brandeler, Lid van het Hoofdbestuur d. N. V. t. B. v. D. Mej. G. Cheeiex. Mevr. Wedwe J. J. Cremer-Broue- rius van Nidek. W. Cremer. Dr. H. J. de Dompierre de Chau- fepié. Mej. E. B. Fremerv Kalff. Mevr. Fremery Kalff-de Blaauw. Mevr. bai-esse y. Hoëvell-Lenting. Mevr. Wedwe J. Hoogicveen â Brouerius van Nidek. |
Mej. J. Jochems. Jhr. Mr. R. A. Klerck, Voorz. v. h. Hoofdbestuur d. N. V. t. B. v. D. N. N. (1) Baron v. Weederen Rengers, Lid v. h. Hoofdbest. d. N. V. t. B. v. D. Rogator. Mej. M. Roorda. Mr. A. Seerurier , Lid van het Hoofdbestuur d. N. V. t. B. v. D. Mej. C. S. L. A. van Son. Mevr. J. Wilson â Giese. UTRECHT. Mej. H. Dibbits. Baresse de Gerard de Millet v. Coehoorn â Op ten jSoort. Mr. Grothe. Freule J. Op ten Noort. Mevr. Ragay â Romer. Graaf Schimmelpenninck v. d. Oye Ds. L. Schouten. Mr. W. G. F. A. v. Sorgen. ZANDVOORT. Mevr. J. BibenâArdesch. |
STICHTERS.
Redactie van Androcles........../'100
Mr. J. E. C. van Manen.........» 200
Baronnesse Espérance von Schwartz (Elpis Helena) te Kalepa, Eiland Kreta......» 240
M. D...............»250
1
N. N. is een zedelijk lichaam dat Æ 25 schonk voor de uitgave van ons eerste geschrift.
CATALOGUS
DER
BIBLIOTHEEK
van den NedcrlaiHlsrlien Bond ter bestrijdiut; dor Vivisectie.
NEDERLATTDSCH.
Wetten, besluiten, verordeningen enz. van Regeeringswege uitgegeven in verschillende Staten van Europa, Azië en Amerika tegen liet mishandelen van dieren, uitgeg. door de N. V. t. B. v. D. bii H. L. Smits, 's Hage 1869.
Hetzelfde, uitgave Nijgh en van Ditmar, Rott. 1869.
(Geschenk v. Mr. T. E. C. van Manen.)
Anna, door Marie Daal, 's Hage, H. L. Smits 1883 (geseh. v. d. schrijfster).
Het dier en ziin recht, door F. A. Garbs, naar het hoogd. 's Hage, G. C. Visser 1882.
De Folterkamers der Wetenschap, door Ernst von Weber, vert. d. W. Eombonts, 's Hage H. L. Smits, 8 Exempl.
De Vivisectie als onderwijsmethode aan de veeartsenijscholen door een deskundige beoordeeld, uitgeg. door de N. V. t. B. v. D. 9 Exempl.
Adres van het Bestuur der X. V. t. B. v. D. aan den Koning houdende verzoek tot wettelijke regeling der Vivisectie. 1883, 5 Exempl.
Een oordeel van Medici over Vivisectie, 50 Exempl.
Vivisectie door X. 13 Oct. 1882.
De Vivisectie, door Salomon.
Vivisectie, door Prof. Harting (overgedr. uit het Album der natuur).
Een paar bedenkingen naar aanleiding van het conflict ontstaan tus-schen Prof. Harting en de X. V. t. B. v. D. te 's Hage betrekkelijk vivisectie. H. L. Smits, 's Hage. 2 Exempl.
Pasteur, zijne methode en hare resultaten, door Dr. A. Kingsford, vert. e:i van een naschrift voorzien door T. C. van der Hucht, 'sHago, H. L. Smits, 1887.
Zijn de gevolgtrekking-en juist die inoii uit het verslag der Engelsohe Pasteur-commissie gemaakt heeft? door J. C. van dor Huolit, 's Hage, H. L. Smits, 1887.
Muilkorfdwang en Hondsdolheid, door J. C. van der Hucht, 1886.
De Nutteloosheid der vivisectie als methode van wetenschappelijk onderzoek, door Lawson Tait, uitgeg. door de N. V. t. B. D. 'sHage, H.L.Smits, 1883, 6 Bxempl.
Uit het leven der dieren, door Dr. Ludwig Büchner, vert, door E. E. de Haan.
Het leven der liefde in de dierenwereld, door Dr. L. Büchner, vert. door E. E. de Haan.
De inonsch en zijne plaats in de natuur, door Dr. L. Büchner.
(Deze 3 zijn geschenken van Mr. J. E. C. vau Manen.)
Een cellulaire gevangenis voor dieren, door Ernestine, 2 Ex.
Heb de dieren lief, naar het fransch, van Bourguin.
De Eoman van een hondje, door Aurelien Scholl, vert, door Salomon, 4 Ex.
Als er eens geen dieren waren, door Mevr. Mathilde van Eys, vert. door J. C. van der Hucht, 49 Ex.
Richard quot;Wagner en de wereld der dieren, naar het duitsch van Baron Hans von Wolzogen, door Hugo Nolthenius, Amsterd. Erven H. van Munster en Zoon, 1890.
Iets over het Vegetarianisme, naar het hoogd. v. Dr. Fr. Willi. Dock, met een voorwoord van Prof. Dr. J. W. Gunning,
Het Wetenschappelijk dierenmartelen, B. Knoche 3 Ex.
De klachten der dieren, door Jhr. Mr. R. A. Klerck.
EW G-ELSCH.
Dr. C. Bell Taylor, on vivisection, 1879.
Professor Lawson Tait, F. E. C. S. On vivisection, 1881.
The Inspectors Report on vivisection by Frances Power Cobbe. 1889.
Experiment versus Experience in relation to the healing art by surgeon general C. A. Gordon. 1890.
On the discovery of the circulation of the Blood and the error in attributing it to vivisection.
The Diversions of Priestly, by Augustine Chudleigh.
A bold stand for truth by the president of the American anti-vivisection society.
10
Breaches of the vivisection act, by Benjamin Bryan.
The Brown Institution, by George Candy.
Chloroform: how its anaesthetic properties were discovered without experimenting upon living animals, 1889.
The Rev. H. Sinclair Paterson, M. D. On Vivisection. 1890.
Dr. T. G. Vawdrey, L. E. C. P. On Vivisection.
Is the Cruelty to Animals act honestly and offlcienüy administered? by George Candy, Q. C.
Mr. H. Matthews, Q. C. Views of Prof. Rutherford's Recent Experiments. 1890.
The official view of a year's vivisection, by Benjamin Bryan, 1890.
Monkey's brains ouce more, by J. H. Clarke.
Notes on vivisection, by a Graduate in Medecine.
Sorcery in Science, by Edward Maitland, 3 Exempl.
Theosophical sittings; Vivisection N0. 5. Vol. III.
The Path, A Magazine devoted to the brotherhood of humanity etc. Vol. V N0. 4. Containing: The modern Inquisition, by Edw. Maitland.
Violationism or Sorcery in Science by Anna Kingsford, M. D.
The woman and the age, by sundry members of the international association for the total suppression of Vivisection, London E. W. Allen, 11 Ave Maria Lane 1881.
(Deze G laatste geschriften zijn geschenken van den heer Maitland te Londen.)
The British Vivisectors Directory, a black book for the United Kingdom by Benjamin Bryan. London, Society for the Protection of animals from vivisection, 20 Victoriastreet, S. W. Swan Sonnenschein amp; C0. Paternostersquare, 1890.
Pasteurs Prophylactic, by Charles Bell Taylor, M. D.
Hydrophobia, in relation to M. Pasteurs Method and the Report of the English Committee by Dr. A. Lutaud.
Hydrophobia and Vivisection by Benjamin Bryan.
Mr. Pasteur and Hydrophobia, Dr. Lutaud's new work reviewed by John H. Clarke.
The Mansion House Meeting and M. Pasteur's System. 1889.
M. Pasteur's System by Herbert J. Reid, f. s. a. F. R. L. L.
Kochism: Experiment, not Discovery, by Benjamin Bryan.
The oubliettes of Science.
Pasteur's Prophylactic in its true light, by Dr. Bell Taylor and Dr. Thomas Dolan, 1890.
11
Vegetarianism and Evolution.
Heart and Science, by Wilkie Collins.
«St. Bernard's», Swan Sonnenschein, Lowrey amp; Co, Paternoster Square, London, E. C.
Dying Scientifically. A. Key to «St. Bernards.» By Aesculapius Scalpel. Swan Sonnenschein amp; Co.
DUITSCH.
Dr. E. G. F. Grisanowsky, Mittheilungen aus seinem Leben u. seinen Briefen, von Elpis Melena, nebst einer Würdigung der Schriften Grisanowsky's, von Pastor Emil Knodt. Hanover, Schmorl u. v. Seefeldt. 1890. (Gesch. v. Mevr. v. d. Hucht.)
Hetzelfde, Gesch. v. Ds. J. B. Ã. Hugenholtz.
Verborgene Grauel, gesammelt von Hermann Stenz, 1889.
Der Wissenschaftliche Unwerth der Vivisektionen in alien ihren Arten, von Dr. Med. Richard Nagel. Berlin 1881, Felix Lobeck.
Fiir oder wider die Vivisektionen? von Dr. Med. G. Voigt. Berlin u. Leipzig, 1879, Verlag von Hugo Voigt.
Zoophilus, Bibelstudien, über Thierbestimmung, Thierleben u. Thier-schutz, von Emil Knodt. Dresden, Commissionsverlag des Internationalen Vereins zur Bekampfung der Wissenschaftlichen Thier-folter. 1881.
Die Vivisektionsgaukler, von Adolf Graf Zedwitz. Wien 1883, lm Selbstverlage des Verfassers.
Ein Vivisector auf dem Vivivisectionstisch, von Christoph Schulz, Berlin, 1889, Verlag von Theod. Barth.
Ein Beitrag znr Vivisectionsfrage von Christoph Schulz, Berlin 1881, Verlag van Theod. Barth.
Pasteur, Deutsche Uebersetzung der Schrift von Ch. Bell Tailor M. D.
Die Wissenschaftliche Thierfolter, Ein Mahnwort. 1886.
Die natürlichen Ursachen der Maul- nnd Klauenseuche und deren Beseitigung, von Graf von Zedwitz.
(De laatste 10 geschriften zijn geschenken van Ds. J. B. T. Hugenholtz.)
Das Seelenleben der Vögel, von Dr. F. Holle.
Das Recht der Tlüere, Agnes Rattig, Hannover, Schmorl u. v. Selfeld.
FR ANSCH.
Ayez Pitié. Quelques mots sur 1'urgence d'abolir totalement la vivisection. Appel a tous les Gouvernements par Jules Charles Scholl. Lausanne, Librairie et Imer Payot 1881.
M. Pastour et la Rage, par Dr. Lutaud, Rédacteur en chef du Journal de Médecine de Paris, 1887. (Deze 2 en verscheidene kleinere geschriften zijn door Mevr. v. d. H. in bruikleen aau do Bibliotheek afgestaan.)
Gemma, par Elpis Melena, 2 Ex. (Geschenken van de schrijfster).
De la Ligue contre les vivisections ou La Nouvelle Croisade, par un Anglais. Paris, Ernest Leroux, Rue Bonaparte 28. 1879.
Do 1'inutilité de la vivisection, par Mad. A. Kingsford. Lausanne, Corbay amp; 0°., 1883.
(Geschenken v. d. heer E. Maitland.)
Lumière dans les Ténèbres, par Francis Power Cobbe, trad, par Jules Ch. Scholl, avec figures.
Los crimes do la science juges par elle, Appel a la conscience par Arthur Masse, Paris 83.
Sus a la Vivisection! E. Deutu, Paris 81.
Vivisection, Shakespeare and Sir Walter Scott, par Elpis Melena, traduit de l'anglais en francais, italien et allemand.
Verschillende Manifesten, Jaarverslagen van Genootschappen, verschillende Jaargangen van Tijdschriften: Androcles (Nederlandsch), Androclus (Hoogduitsch), Der Thier- und Menschenfreund, Our Dumb animals. The Zoophilist.
De bewaarder der Bibliotheek is S. F. W. Rooeda van Eysimga, Em. pred., van Galenstraat 36, 's Hage.
Met dank aan die leden die mij reeds het bedrag hunner contributiën voor 1891 toezonden, verzoek ik de andere leden, gedachtig aan art. 4 en 5 onzer statuten, hetzelfde te doen, en bij overmaking per postwissel , het recu van het postkantoor als qnittantie te willen beschouwen.
gj ^ v* S. F. quot;W. Rooeda van Eïsinga,
PeuningmeeBter. v. Galenatraat 36, den Haag.
12
M. Pastour et la Rage, |iai' Dr. Lutaud, Rédacteur en chef du Journal de Módocine de Paris, 1887. (Deze '2 en verscheidene kleinere geschriften zijn door Mevr. v. d. H. in bruikleen aan do Bibliotheek afgestaan.)
Gemma, par Elpis Melena, 2 Plx. (Geschenken van de scluijtster).
De la Ligne contre les vivisections ou La Nouvelle Croisade, par un Anglais. Paris, Ernest Leroux, Rue Bonaparte 28. 1879.
De l'inutilité de la vivisection, par Mad. A. Kingsford. Lausanne, Corbay amp; C0., 18S3.
(Geschenken v. d. heer E. Maitland.)
Lumière dans les Ténèbres, par Francis Power Cobbe, trad, par Jules Ch. Scholl, avec figures.
Les crimes do la science Jugés par elle, Appel a la conscience par Arthur Massé, Paris 83.
Sus iquot;i la Vivisection! E. Deutu. Paris 81.
Vivisection, Shakespeare and Sir Walter Scott, par Elpis Melena, traduit de l'anglais en fraiiQais, italien et alleniand.
Verschillende Manifesten, Jaarverslagen van Genootschappen, ver-sclüllende Jaargangen van Tijdschriften: Androcles (Nederlandsch), Androclus (Hoogduitsch), Dor ïlder- und Menschenfreund, Our Dumb animals, The Zoophilist.
De bewaarder der Bibliotheek is S. F. W. Rooeda van Eysinga, Em. pred., van Galenstraat 36, 's Hage.
Met dank aan die leden die mij reeds het bedrag hunner contributiën voor 1891 toezonden, verzoek ik de andere leden, gedachtig aan art. 4 en 5 onzer statuten, hetzelfde te doen, en bij overmaking per postwissel , het reen van het postkantoor als quittantie te willen beschouwen.
,j, v, S. F. AV. Roorda vax Eysixga,
Penningmeester, v. Galenstraat 86, den Haag.
Werken over de Vivisectie.
Ayez Pit ié, quelques mots sur l'urgence d'abolir totalement la vivisection, appel è tous les Gouvernements par J. Ch. Scholl. Lausanne, Librairie Imer et Payot.
Dr. Lutaud , Rédacteur en chef du Journal de Médecine de Paris, M. Pasteur et la Rage. Paris, Jules Lévy.
Lumière dans les Ténèbres, par Frances Power Cobbe, trad. par Jules Ch. Scholl. Paris, Siège de la Société Francaise contre la vivisection, 4 Quai Voltaire.
. Die Vivisections-Gaukler von Adolf Graf Zedtwitz. Wien, Sebstverlag des Verf. 2e Aufl.
Hydrophobia and Vivisection, by Benjamin Bryan, published by Victoria Street Society, Offices, 20 Victoria Street, London S. W. 1889.
Der Wissenschaftliche Unwerth der Vivisectionen, in alien ihren Arten, von Dr. Med. Richard Nagel. Berlin, Felix Lobeck, Gartenstrasse 28, Buchhandl.
Dr. E. G. F. Grisanowski, von Elpis Melena , nebst einer Würdigung der Schriften Dr. E. G. F. Grisanowski's von Pastor Emil Knodt, Hannover, Schmorl u. von Seefeld, 1890.
Die Ansprüche der Physiologen von Dr. Grisanowski, Leipzig, Hugo Voigt, 1879.
Die Vertheidiger der Vivisection u. das Laienpublicum yon E. G.
Hammer, Dr. d. Medecin. Leipzig, Hugo Voigt, 187
V 1 quot;â ' ' ' ' '
Les crimes de la science jugés par elle, par Arthur Massé, Paris, Librairie Aug. Ghio, Lausanne, Imer et Payot enz.
I
Verschenen bij denzelfden uitgever:
De Folterkamers der Wetenschap, door Ernst von Weber, vert, door W. Rombouxs.
Onwetenschappelijke wetenschap, naar het Engelsch van Dr. A. Kingsford , door J. C. vak der Hucht.
Pasteur, zijne methode en hare resultaten, door Dr. A. Kings-ford, vert, en van een naschrift voorzien door J. C. van dér Hucht.
Zijn de gevolgtrekkingen juist die men uit het verslag der Engel-sche Pasteur-commissie gemaakt heeft? door J. C. van der Hucht.
De Nutteloosheid der Vivisectie als methode van wetenschappelijk onderzoek, door Lawson Tait, Fellow of the royal College of Surgeons of England, etc.
De Vivisectie als onderwijsmethode aan Veeartsenijscholen, door een deskundige beoordeeld.
Muilkorfdwang en hondsdolheid, door J. C. van der Hucht.
Een paar bedenkingen naar aanleiding van het Conflict ontstaan tusschen Prof. Harting en de V. t. B. v. D. te 's Gra-vonhage, betrekkelijk de vivisectie.
Een oordeel van Medici over de Vivisectie.
Het adres der N. V. t. B. v. D. aan Z. M. den Koning, houdende verzoek tot beperking en wettelijke regeling der vivisectie, benevens eene weerlegging van het rapport der Academie van wetenschappen over dit adres, door het Bestuur dier Vereenigitjg. -28 Sept. 1883. â â¢