-ocr page 1-
-ocr page 2-

CENTRALE OUD-KATHOLIEKE BIBLIOTHEEK.

Universiteits-bibliotheek, Utrecht.

-ocr page 3-
-ocr page 4-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN UIT HET HUIS ORANJE-NASSAU

-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

•h

F

Koningin Wilhelmina

(iu de kleeclij van Amalia van Solms.)

Naar de schilderquot; quot;quot;quot; '' «iff.v.n,-,

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2724 485 8

-ocr page 8-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

UIT HET HUIS

ORANJ E-N ASSAU

IN KARAKTERISTIEKEN

DOOR

DR. D. C. N IJ HO FF

MET REPRODUCTIES DER BEROEMDSTE VAN DE PRINSEN EN VORSTEN BESTAANDE PORTRETTEN

iM

f

A M S T E R D A M UITGEVERS-MAATSCHAPPY „ELSEVIERquot; 1898

-ocr page 9-
-ocr page 10-

en eenige gebeurtenis staat in dit jaar Nederland te wachten. Wat nog nooit plaats had, zal thans geschieden. Uit het huis Oranje-Nassau zal voor het allereerst eene Vrouw de teugels van het bewind ter hand nemen en zelf regeerende Vorstin zijn. Dat feit deed zich tot heden niet voor. Onze Prinsessen van Oranje schitterden tot nu toe alleen aan de zijde van haar echtgenooten, of waren hoogstens enkele jaren Voogdessen of Regentessen van minderjarigen. Van zulk eene Prinses als regeerende Vorstin zwijgen tot heden de annalen.

Het is den kenner onzer geschiedenis geen geheim, dat in de Middeleeuwen eene vrouwenregeering in ons vaderland volstrekt niet tot de zeldzaamheden behoorde; maar evenmin, hoe in dien grijzen voortijd zulk eene regeering steeds, zonder een enkele uitzondering, de volkshartstochten in heftige beroering bracht. Hoe gelukkig kunnen we ons dan rekenen aan het eind der ige eeuw, die trots al het kwaad dat er van gezegd wordt, toch in menig opzicht blijft de eeuw der humaniteit en der beschaving, dat nagenoeg de laatste schaduw van die

-ocr page 11-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

donkere wolken is verdreven. Hoe gelukkig, dat wij in dit jaar, dit welaangename jaar 1898, ons allen onverdeeld scharen om den troon van koningin WlLHELMiNA, van welken stand of welk geloof, van welke partij of welke richting wij overigens als Nederlanders mogen wezen.

Thans geene Ada van Holland, die bij den dood haars vaders in der haast door hare moeder werd uitgehuwd, ten einde haar de opvolging op den grafelijken stoel te verzekeren; en die door haar eerzuchtigen oom als eene hinde werd opgejaagd, waarvan de burcht te Leiden, het strand van Texel en haar vlucht naar Engeland getuigden; — maar eene jeugdige Vorstin, wier recht van opvolging door niemand wordt betwist en wier huwelijk niet zoozeer als haar bekwaamheid om te regeeren de eenige zorg Harer edele Moeder is geweest. Thans geene Margareta van Henegouwen, die door haar optreden als gravin de lont in het kruit wierp, om de diepste veeten der Middeleeuwen te doen ontbranden in hevige gloeiing; — maar eene jonge vrouw, wier wettig recht op den troon gesteund wordt door den jubelkreet van alle standen en rangen onzer maatschappij, die allen om strijd in Haar het verheven zinnebeeld zien van het ééne Vaderland. Thans geene Jacoba van Beieren, die op 17-jarigen leeftijd reeds zooveel illusies in rook had zien opgaan en die bij den dood van haar vader en haar eersten echtgenoot, den Kroonprins van Frankrijk, alleen stond in al haar vrouwelijke zwakheid tegenover al de ruwheid en baatzucht van haar

6

-ocr page 12-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

naastbestaanden; — maar een eveneens 17-jarige, die met blijden glimlach Haar achttiende levensjaar ziet naderen, om, gedragen door den algemeenen volksgeest, al Haar schoone idealen voor dat volk te verwezenlijken. Thans geene Maria van Bour-gondië, wier macht men vernietigde door het Groot Privilegie, wier raadgevers men doodde, wier huwelijk slechts een nieuwe bron werd van bangen strijd; — maar eene Vorstin, die zich bewust is, met het volk aan één en denzelfden wil te zijn gebonden, die in den grondwettigen regeeringsvorm den eenigen quot;quot;asten steun van Haar macht en grootheid heeft let /en kennen en Wier joyeuse entree allen met gelijke vreugde in dit jaar te gemoet gaan.

Wat wel de diepste grond moge zijn van die veranderde volksgezindheid, van die onverdeelde sympathie, van dien algemeenen jubelkreet: Leve WlLHELMINA! een kreet, die van Zuid-Limburg tot den Dollart, van Staats-Vlaanderen tot Texel, van de Noord-Zee tot aan de Oostelijke grenzen van ons land weergalmt door alle steden en dorpen, langs alle rivieren en meren, over alle weiden en beemden, door alle valleien en op alle hoogten ? Zonder twijfel — we zinspeelden er reeds op — is die alsemeene hulde te danken aan den geest

ö o

der ware beschaving en humaniteit, die bovenal in onze eeuw is begonnen, voor de vrouw den diep-sten eerbied te koesteren, in de vrouw als Konin-ginne een der schoonste idealen heeft leeren zien en die dus, wel verre van door eene vrouwen-regeering tot ijdelen mannentrots te worden geprik-

7

-ocr page 13-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

keld, daarin een der schoonste symbolen der toekomstige meer verzoende menschheid aanschouwt. Ook vindt die algemeene juichtoon voor een deel zijne verklaring in den jonkvrouwelijken gloed die van deze Vorstin reeds van haar jeugd af is uitgestraald, waar Zij zich ook in tegenwoordigheid Harer driewerf gezegende Moeder vertoond^ En toch! noch het een, noch het ander wijst op den diepsten grond dier algemeene hulde. Die is alleen in de geschiedenis te zoeken, alleen in het feit, dat wij in Koningin WlLHELMlNA de laatste afstammelinge zien van het huis Oranje-Nassau, dat de eeuwen door zoo innig met Nederland is verbonden geweest. Wat is dan natuurlijker dan om, staande aan den vooravond van de belangrijke gebeurtenis van de inhuldiging onzer Koningin, haar voorgeslacht, zoover het als Stadhouders of als Koningen over ons land heeft geregeerd, den volke nader te brengen, door in woord en beeld de rij der vorsten uit het huis Oranje-Nassau te teekenen?

Toen in de jongste maand October de beroemde Duitsche geleerde Kuno Fischer in tegenwoordigheid van Duitschland's meest bekende celebriteiten, een gedachtenisrede te Weimar uitsprak ter eere van de gestorven Groothertogin Sophie der Nederlanden, toen werden door dien geleerde de zeldzame gaven dier overleden Vorstin, al het typische, oorspronkelijke en grootsche, dat haar had gekenmerkt, als een erfdeel beschouwd, dat haar als loot van den stamboom der Oranje's was ten deel gevallen i).

8

-ocr page 14-
-ocr page 15-

Prins quot;Willem I.

Gegraveerd door J. Suyderhoef, naar P. Soutman.

-ocr page 16-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

9

Hij lichtte daartoe het gordijn der geschiedenis op en sprak met de hoogste bewondering en den diepsten eerbied over dat huis, zonder hetwelk de geheeie be-schavings- en ontwikkelingstoestand van den nieuwen tijd niet is te verstaan. Die hoog-vereerende toon, buiten de grenzen van ons vaderland aangeslagen, deed ons hart als Nederlanders van fierheid kloppen.

Hoe veel te meer reden hebben wij thans de gedenkboeken van dat Huis open te slaan. Gold het in Weimar de nagedachtenis van de vereerde zuster van onzen Koning Willem III, wier leven in 1897 een einde nam — thans geldt het binnen de grenzen van ons Vaderland de eenige dochter van dienzelfden Koning, Neerland's blijde hope, die in 1898 als regeerende Koningin optreedt. Waar dan de dood dier zuster in Duitschland zoo heerlijke gedachten omtrent het Oranjehuis deed ontboezemen, zouden wij dan, staande aan den ingang van de gansch nieuwe staatkundige periode, die met het optreden van die Dochter als Koningin begint, niet driedubbele reden hebben, haar voorvaderen uit hunne graven op le roepen en hunne beelden ons levendig voor den geest te stellen, ten einde onze trouw aan Oranje's laatste spruit tot in lengte van dagen te bestendigen?

B'Qfjtf n wiens beeld zou dan het eerst voor ons oog ver-felsiSI rijzen? Behoeft dit gevraagd? Staat niet bovenaan in de rij dier helden uit het huis Oranje-Nassau

-ocr page 17-

lo de stadhouders en koningen

hij, die zoo naar waarheid genoemd is: de vader des Vaderlands ? Toch vergete men niet, dat reeds lang voor den eersten Willem van Oranje de Nassau's tot de Nederlanden in betrekking stonden en reeds enkelen hunner het gewichtig ambt van stadhouder bekleedden. Ze zijn in de 16e eeuw maar niet zoo als vreemdelingen uit Duitschland gekomen; integendeel ook toen reeds hadden ze hier de rechtmatigste aanspraken. Reeds in den aanvang der 15e eeuw werd de band geknoopt tusschen de Nassau's en de Nederlanden. Toen huwde namelijk Engelbert van Nassau met de rijke erfdochter van den Heer van Polanen, een Hoeksch adellijk geslacht 2), dat in de nabijheid van Delft en 's-Graven-hage zijne kasteelen had en reeds Breda onder zijn bezittingen telde. En sedert ontstond er een Neder-landsche en Duitsche tak van den alouden Nassau-stam. Ten dage van Karei den Stoute en Maximiliaan van Oostenrijk vervulde Engelbert II reeds eene hoogst merkwaardige staatkundige rol in de Nederlanden. Zelfs diens neef, Hendrik van Nassau, was als stadhouder van Holland en Zeeland onder Karei V, reeds de staatkundige voorganger van Willem van Oranje. Bij het kinderloos overlijden van Réné van Chalons, de zoon van dien Hendrik, werd deze Willem, de oudste zoon van den Duit-schen graaf Willem van Nassau, overeenkomstig een vast familietraktaat, de erfgenaam van al de Neder-landsche bezittingen der Nassau's en van het Prinsdom Oranje. 3)

-ocr page 18-

UIT HET HUIS VAN ORANJE. I I

Ziedaar met korte woorden den oorsprong van de macht der Nassau's in ons vaderland. Doch wie zou ten jare 1544. toen Willem op elfjarigen leeftijd, als erfgenaam van Réné in de Nederlanden kwam, om aan het hof van Keizer Karei V zijn verdere opvoeding te ontvangen, wie zou toen hebben kunnen voorspellen de rol, die deze Nassau in ons vaderland zou vervullen en de plaats, die hij in de wereldgeschiedenis zou bekleeden? Waren de omstandigheden dezelfde gebleven en bovenal ware ten jare I5S5 Karei V opgevolgd door een zijner waardigen zoon; geen trouwer onderdaan, geen gehoorzamer vazal zou' wellicht de Koning van Spanje, als Heer der Nederlanden, gehad hebben, dan Willem van Oranje. Zoo ooit iemand door de omstandigheden, door de reeks van gebeurtenissen, die elkander met logische gestrengheid opvolgden, door het causaal verband der feiten is gevormd, dan wel de grondlegger van ons onafhankelijk volksbestaan, dan wel de Vader van ons Vaderland. Verre zij het van ons, daarmede te willen ontkennen het geniale van zijn grooten geest. Doch zelfs de voortreffelijkste aanleg en het hoogste genie hebben de medewerking der buitenwereld noodig, om zich te openbaren. Leonore's woord in Goethe's Tasso 4) is volkomen op Willem van Oranje van toepassing.

Es bilclet ein Talent sich in der Stille

Sich ein Karakter in dem Strom der Welt.

De stroom der wereld! Ja, die is het geweest, die van zelf bij den Prins heeft te voorschijn

-ocr page 19-

DE STADHOUDERS EIKKONINGEN

12

geroepen, wat in kiem in zijn bewustzijn voorhanden was, doch dat nooit wellicht tot ontwikkeling zou zijn gekomen, zonder de geweldige botsingen van de wereld rondom hem. Van den dag, dat Filips II voor goed het land verliet (1559) tot het jaar van Oranje's dood (1584), verliepen juist vijf en twintig jaren. En als wij ons de reeks van gebeurtenissen voor den geest brengen, die in die 25 jaren achtereenvolgens hebben plaats gehad, dan mogen ons aan de eene zijde zooveel overstelpende feiten binnen zulk een betrekkelijk korte tijdsruimte, als het kwart van een eeuw, verbazen, we begrijpen volkomen, hoe een ontfankelijke geest van een man als Oranje daardoor moet zijn gevormd. De stroom dier gebeurtenissen, die, schijnbaar nietig van oorsprong, allengs aangroeide tot een wild bewogen water, dat in zijn onbedwingbaren loop niet meer was te stuiten, die stroom, die ook over zijn eigen hoofd »bijstere baren van tegenspoed,quot; zooals Hooft zegt 5) deed henengaan, heeft, wel verre van hem neder te buigen of mede te sleepen in zijn dolle vaart, alle verborgen krachten bij hem doen opbruisen en hem gevormd tot dat onwankelbaar en groot karakter, dat in den leider van het verzet tegen den Spaan-schen despoot werd geëischt. Ware Filips II een ander man geweest, had evenals bij zijn vader het Nederlandsche bloed zijne aderen doorstroomd; dan waren de oorspronkelijke geestesgaven van den Prins zeker ook in kleiner kringen naar buiten getreden ; doch nooit was hij geworden de held onzer historie, de held der wereldgeschiedenis.

-ocr page 20-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

13

Willem van Oranje is niet te beschouwen als een van huis uit pasklaar karakter, niet als een bijzondere godsgezant, die in een wolk van heiligheid boven de gebeurtenissen zweefde. Een dergelijke voorstelling is geheel onhistorisch. Hij is de man, die allengs is geworden; hij is het karakter dat zich heeft gevormd, in en door den strijd met de wereld, tot de providentieele roeping, die hij te vervullen had. De bladen van zijne levensgeschiedenis zijn niet meer gesloten. Zij bewijzen ten volle, dat hij het in zijne jonge jaren noch met godsdienst, noch met zedelijkheid ernstig heeft opgenomen. Waren de omstandigheden dezelfde gebleven, het kan zijn, dat de brooddronkenheid van den toenma-ligen Nederlandschen adel, ook zijne geestesgaven allengs had ondermijnd. Hij genoot althans met volle teugen den zwijmeldrank mede, daartoe door zijn reusachtigen rijkdom in staat gesteld. Maar dat zijne zedelijke kracht door dat wilde leven, in het jaar 1559 niet was vernietigd, daarvoor staan twee belangrijke feiten uit dat jaar, in zijn uiterlijk en innerlijk leven, ons borg. Het uiterlijke feit was zijn krachtig protest, dat hij bij Filips' vertrek deed hooren tegen de handhaving der Spaansche troepen in het land, een protest, dat Filips hem nooit heeft vergeven ; terwijl in datzelfde jaar in Parijs, na de mededeeling van Hendrik II in het bosch van Vincennes omtrent zijn voorgenomen plan, om met Alva de ketterij in deze landen uit te roeien, gansch zijn innerlijk leven tegen die gewelddaad in opstand kwam en hij door medelijden getroffen met allen,

-ocr page 21-

14 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

die daarvan het slachtoffer zouden worden, het vaste besluit nam, om het »Spaansche ongediertequot; te helpen verdrijven 6).

Aan dit voornemen is hij getrouw gebleven. Wel moest hij, om daarin te slagen, met de grootste voorzichtigheid te werk gaan en hij laadde door die voorzichtigheid, die hem als Staatsman steeds kenmerkte, het verwijt van eene dubbelzinnigheid op zich, die zijne vijanden tot heden als huichelarij en valschheid hebben gebrandmerkt. Doch als Stadhouder des Konings over een belangrijk deel van de Nederlanden en als Lid van den Raad van State moest hij wel nu en dan een dubbel aangezicht vertoonen, zoo hij hoop wilde koesteren dat eenmaal aan de stem van zijn innerlijk leven de feiten zouden beantwoorden. Vandaar de voor het oog der wereld steeds zoo wankelende houding van den Prins onder het bestuur van Margareta, bij het smeekschrift der edelen, na den Beeldenstorm, tot aan zijn vlucht voor Alva in het jaar 1567.

In die gespannen dagen was echter ook die schijnbare zwakte voor een deel zijne kracht; die kracht werd vertiendubbeld door zijn vijfjarige ballingschap, toen hij ver van de Nederlanden verwijderd, in het land zijner vaderen steeds over nieuwe middelen peinsde, om zijn tweede vaderland te redden van het Spaansch geweld. Wie den grooten Oranje kennen wil, sta vooral bij die jaren stil, die jaren van den bangsten levenstrijd en van de bitterste beproevingen ook in zijn huiselijken kring. Die jaren hebben het krachtigst er toe bijgedragen, om

-ocr page 22-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

hem zedelijk te verheffen en zijn karakter te doen treden in het ware licht. Wie hem kennen wil, geve acht op de toenmalige onverpoosde betrekking, waarin hij staan bleef tot die enkelen in ons Vaderland, die den moed nog niet hadden verloren na Alva's zegevierenden intocht en zijn drukkende heerschappij. Hij lette op de eindelooze opofferingen, die hij en de zijnen zich getroostten, om, terwijl de Duitsche Vorsten in het algemeen hem alle ondersteuning weigerden, Nederland ter hulpe te komen. Hij volge hem in zijn plannen met zijn broeders, waarvan eerst Adolf, straks Lodevvijk en Hendrik hun leven voor ons vaderland opofferden. En dan sta het beeld van den grooten Bevrijder na de ontmoedigendste teleurstellingen hem bovenal helder voor den geest, als hij, zelfs niet uit het veld geslagen door den gruwelijken Bartholomeus-nacht, door slechts enkele getrouwen gevolgd, naar Holland kwam, om zooals hij zeide, daar zijn graf te vinden. In den uitersten nood, waarin het land in 1572 en volgende jaren verkeerde, werd hij de raadsman, de leider van allen.

Vragen wij, waardoor; dan was het zeker, om nogmaals met Hooft te spreken, »zijn rijpheid van oordeel en klem van heugenis, die zelden ver-zamen, maar die gepaard hem wondere wetenschap en vlugheidquot; gaven. Doch zijn veelzijdige menschenen wereldkennis, zijn doorgronden van buitenland-sche toestanden en staatkundige personen, waarvan zijne duizenden brieven op elke bladzijde spreken, zouden hem nooit alleen dien machtigen invloed

15

-ocr page 23-

16 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

geschonken hebben. Om in dat moeielijk tijdsgewricht leider van menschen te zijn, daartoe waren bovenal zedelijke eigenschappen noodig. Welnu deze bezat hij in hooge mate. Niet alleen won hij door zijn vriendelijken omgang van zelf de harten; maar in geduld en volharding was hij een eenige verschijning en bovenal zijne bange ervaringen hadden hem geleerd, dat in gelijkmoedigheid en kalmte van ziel de hoogste kracht in gevaren voor den mensch is gelegen. Saevis tranquillus in nndis. Dat was zijne leus in de bange dagen, die Haarlem beleefde, de geliefde stad, die hij met bovenmen-schelijke inspanning zoo gaarne had gered van het Spaansch geweld. En toen een dergelijk lot Leiden bedreigde, toen stond hij trots den jammervollen dood van zijn broeder Lodewijk op de Mookerheide, trots de geduchte legermacht, die Leiden omringde, trots den vijand ook binnen die veste, die met Spanje heulde, trots de kleinmoedige vrees van den land- en akkerbouw, getrouw aan die leuze pal, en al werd hij ook tijdens dat eeuwig gedenkwaardig beleg op een ziekbed geworpen, dat bijna zijn sterfbed werd, door de kracht van het water redde hij die parel, die kostbare parel van het land.

Doch waar wilde ik heen, zoo ik u dat geheele rijke leven in deze schets wilde verhalen? Slechts hier en daar kan ik een greep doen, om het karakter van dien eenigen held, die de grondlegger werd van ons volksbestaan, te doen begrijpen. Wat bewoog hem, om na vijf jaren lang van 1572—77 zich alleen aan Holland en Zeeland te hebben

-ocr page 24-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

gewijd, in het laatstgenoemde jaar naar het Zuiden te gaan? Was het ontevredenheid met zijn stadhouderschap over die provinciën en zuchtte hij naar meerder roem en eer ? Was het, om het paleis zijner vaderen in Brussel weer in bezit te nemen, waaruit hij tien jaren voorheen door Alva was verjaagd? Was het m. a. w. baat- en eerzucht, die hem dreef? Doch wij weten voldoende, dat hij alleen op den algemeenen volkswensch van het Zuiden eerst gevolg gaf aan dat voornemen. Dat Zuiden, dat door de Spaansche furie, door de blijvende verdeeldheid zijner edelen zoo bitter leed, zag met bewondering op naar het Noorden en wilde inden redder van Holland ook zijn eigen redder begroeten. Niet voordat de Prins wist, dat het volk hem begeerde, toog hij daarheen om er zijn schijnbaar hoogsten triomf te betalen.

Schijnbaar! Want het Zuiden bleef trots zijn verschijning jammerlijk verdeeld door de jaloezie zijner grooten en door de onverdraagzaamheid van de Calvinisten zoowel als van de Katholieken. Alles heeft de Prins in de jaren, dat hij in het Zuiden woonde, beproefd, om ook dat land te redden uit den muil van den Spaanschen Leeuw; doch zijn ideaal, uitgedrukt in de Pacificatie van Gent en in den Religievrede, het was niet te verwezenlijken. Zes lange en bange jaren heeft hij alles gedaan, wat in zijn vermogen lag, om de geesten in het Zuiden te verzoenen. Doch het is hem niet gelukt. Tegen Parma als veldheer was hij niet opgewassen, terwijl diens politiek, om het Zuiden te bevredigen.

17

-ocr page 25-

18 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

ook meer de sympathie van het naar vrede hakende volk wegdroeg, dan Oranje's poging, om den strijd tegen Spanje voort te zetten en aan Anjou de sou-vereiniteit op te dragen. In 1583 ging hij naar het Noorden terug, verdreven niet het minst door den haat der Zuidelijke Calvinisten.

Met dat Noorden was hij vooral door zijn broeder Jan in innige betrekking gebleven. Daar had de Unie van Utrecht in 1579 een voorloopigen band geslagen om de gewesten. Daar wilde hij den arbeid voortzetten; want ook daar dreigden nog aan alle zijden de gevaren. Slechts één jaar levens was hem echter meer weggelegd. Juist zou den door Holland vereerden en aangebeden vorst de gravenkroon worden geschonken, toen het verraderlijk lood, dat reeds eenmaal hem aan den rand van het graf had gebracht, zijn kostbaar leven uitbluschte. De Koning van Spanje, die den moord had bevolen, mocht meenen, dat met 's Prinsen dood het eind van den opstand zou daar zijn, de toekomst zou hem dien onnoozelen waan ontnemen. Want de groote mannen, doereden Prins gevormd, putten uit dien dood slechts nieuwe krachten, om voort te gaan met zijn arbeid en het land te behouden. De grondslag van den nieuwen staat was gelegd. De godsdienst- en gewetensvrijheid had zich een bakermat gekozen, van waar zij scheppend en bezielend haar verlossingswerk in de geheele wereld zou voortzetten. En dat alles was het werk van dat hoog karakter, dat zich in den stroom der wereld had gevormd en in zijn vollen rijkdom had ontplooid.

-ocr page 26-

UIT HET IlüIS VAN ORANJE.

19

Of zouden wij nog in deze schets dat hoog karakter moeten verdedigen tegen het wanluidend gekras van de nog altijd zijne nagedachtenis bezoedelende vijanden? Die verdediging ware hier niet ter plaatse. Doch luide herhaal ik met enkele woorden wat door mij 7) elders gezegd is omtrent die gewaande karakterloosheid des Prinsen. Zijn overgang tot het Calvinisme in het jaar 1572 was niet anders dan een reeds lang te voren beraamde stap, die, toen hij in Holland kwam, staatkundig noodzakelijk was geworden; doch overigens was hij zoo hoog boven eiken godsdienstvorm verheven, dat hij de verdraagzaamheid, de godsdienst- en gewetensvrijheid voor een onmisbaar goed van zijn volk en van de menschheid hield. Verre, oneindig verre was hij daarmede zijn tijd vooruit. En evenmin werpt zijn zoogenaamde Franschgezindheid op zijn karakter een smet. Beter dan iemand wist hij, dat de regeering van het land van den Bartho-lomeusnacht niet was te vertrouwen; doch Frankrijk moest hem alleen als middel tegen Spanje dienen. Als hij had mogen beleven het twaalfjarig bestand, .door den invloed van Oldenbarneveldt en Hendrik IV gesloten, dan zou hij in het toen bereikte eene vrucht van zijn arbeid ontdekt hebben, daar in 1609 ook met medewerking van Frankrijk Spanje's macht werd gebreideld. Eindelijk, indien we met da Costa vragen 8):

Wat drijfveer deed die reeks van deugden samen werken Tot een zoo grootsch bestaa^ tot een zoo heerlijk doel?

-ocr page 27-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

20

dan mag op die vraag zeker niet met dien dichter het antwoord luiden: Godsdienst was het alleen; dan zijn we ten volle geneigd, om bovenal aan zijn staatkunde zijn succes toe te schrijven; maar het was een staatkunde van hooger orde, die nimmer zijn persoonlijk belang, nimmer zijn eigen eer, maar altijd het heil van het Vaderland bedoelde. De bewijzen daarvoor liggen overal in zijn leven voor ieder, die niet bevooroordeeld is, bloot. Tot den laatsten penning toe heeft hij opgeofferd, om Nederland te redden, om de arme slachtoffers van het wreede despotisme te ontrukken aan de macht, die hen omkluisterde. Alle pogingen, die van Spaansche zijde werden aangewend, om hem persoonlijk schadeloos te stellen, mits hij het land verliet, leden schipbreuk op zijn vasten wil, dien hij honderd malen uitsprak, dat hij zijn leven niet wilde scheiden van dat van de burgers van dit land. Het koninklijk woord aan Don Juan geschreven, toen deze hem de voordeeligste aanbiedingen van Spanje deed, dat aldus luidde: »en laquelle vous semble consister le comble du bonheur et félicité de cette vie mortelle,quot; dat woord moest alle verdachtmaking in dit opzicht voor goed het zwijgen opleggen. Oranje's geluk hing van geheel andere dingen af, dan van uiterlijke welvaart en rust. Voor hem was geen geluk denkbaar, dan met de gewesten, die hem als een vader liefhadden. Ja, als een vader! Want evenmin als geld of goed zocht hij immers ooit roem, eer en grootheid. Na de afzwering van Filips als graaf, had het hem geen moeite gekost,

-ocr page 28-
-ocr page 29-

fn

DGamp;

Prins Maurits.

Gegraveerd door A. Stock (1623).

-ocr page 30-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

souverein te worden van de gewesten, die zijn zaak aanhingen. En in plaats daarvan deed hij niet anders, dan allerlei pogingen aanwenden, om aan Engeland of Frankrijk de souvereiniteit aan te bieden. Terecht zegt dienaangaande de jongste biograaf van den Prins 9): »Het is moeielijk, zijne nagedachtenis te verdedigen tegen de beschuldiging, dat hij onwillig was om openlijk als hoofd van het land erkend te worden, waartoe hij door de omstandigheden en door zijn volk van zelf was geleid.quot; En met volkomen instemming beamen wij dan ook het slotwoord van da Costa in zijn lied op Oranje:

«Wie twijfle, cl' Almacht zelf verklaarde hier haar oordeel,

Toen Holland's vrije maagd, beveiligd door zijn hand Meer uit erkentenis, dan tot haar eigen voordeel

Zijn kruin ging sieren met den Vorstelijken band 5 Toen was het einde daar van dat doorluchtig leven,

Waarnaar zoo menige arm tot dien dag vruchtloos dong. De kogel des verraads deed grooten Willem sneven

21

Hem was een martelkroon bestemd, geen gravenwrong.quot;

rie zonen liet de Prins bij zijn dood achter. Over zijne talrijke dochters moeten we hier het stilzwijgen bewaren; we kunnen echter niet nalaten te vermelden, dat tal van aanzienlijke fami-liën in Engeland, Duitschland en Frankrijk tot heden door de huwelijken dier dochters; en inzonderheid door dat van Louise Juliana, de meeste hedendaagsche vorstengeslachten van den grooten Oranje afstammen 10). De zonen waren Filips

-ocr page 31-

de stadhouders en koningen

Willem, Maurits en Frederik Hendrik. De eerste was in 1567 door Alva uit Leuven, waar hij studeerde, op verraderlijke wijze opgelicht, om aldus den gevluchten vader in den zoon te straffen. Hij was naar Spanje gebracht, had een geheel Spaansche opvoeding ontvangen en was dus daardoor vanzelf voor ons land verloren. De laatste, Frederik Hendrik, was de eenige zoon van Oranje's vierde gemalin Louise de Coligny en nauwelijks een half jaar oud, toen zijn vader vermoord werd. Gelukkig, dat de derde zoon op het oogenblik, dat die jammervolle gebeurtenis plaats vond, reeds tot jaren van onderscheid was gekomen.

Maurits was in 1584 zeventien jaar oud. Hij was de zoon van de tweede, zoo diep rampzalige echtgenoote van Oranje, Anna van Saksen en derhalve de kleinzoon van den beroemden Maurits van Saksen, die in den Smalkaldischen oorlog een rol van beteekenis vervuld. Keizer Karei V tot het verdrag van Passau genoodzaakt en daardoor den godsdienstvrede van Augsburg in 1555 had voorbereid. In Dillenburg had Maurits in 1567 het levenslicht gezien, kort nadat de Prins met de zijnen daarheen was gevlucht. Het wangedrag zijner moeder 11), dat haar ten eenenmale ongeschikt voor hare plichten maakte, was de oorzaak, dat hij onder de leiding van graaf Jan van Nassau te Dillenburg werd opgevoed en ook daar voorloopig bleef, toen de Prins in 1572 naar Holland ging. In 1577, dus op tienjarigen leeftijd, volgde hij zijn vader, die in Charlotte van Bourbon eene uitne-

22

-ocr page 32-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

mende derde gemalin en opvoedster zijner kinderen had gevonden. Slechts twee jaren bracht hij, van 1582 af, aan de hoogeschool te Leiden door, daar toen de plotselinge dood van Oranje hem van het veld der wetenschap tot den staatsdienst riep.

Terecht mocht in die bange dagen, die op 's Prinsen dood volgden, de Fransche gezant des Pruneaux den zeventienjarigen Maurits in een brief aan zijn Koning met den naam: «gentille espé-rancequot; betitelen. Want te midden van den alge-meenen rouw en de diepe verslagenheid was hij Holland's blijde hope. De hoofdleiders van de Staten van Holland dachten er zelfs een oogenblik aan, hem onmiddellijk tot Graaf te verheffen en hem alzoo de Souvereiniteit op te dragen, die zij zijn vader hadden toegedacht. Dit gebeurde evenwel niet, daar de Staten de hooge overheid aan zich trokken. Toch werd hij nog vóór de komst van Leicester tot stadhouder of liever — want dat was de uitdrukking, die men verkoos — tot Gouverneur van Holland en Zeeland aangesteld 12). Niet uit het oog verloren mag worden dat de naam Stadhouder, nu de Souverein niet meer buiten het land woonde, zijn eigenlijke beteekenis had verloren. De Staten zelve waren souverein en een plaatsvervanger, die in hun naam regeerde, hadden zij derhalve niet noodig. Buitendien stond de Stadhouder voorheen als ambtenaar van Keizer of Koning boven de Staten. Nu werd hij de ambtenaar van de Staten zelve en kon hij dus niet tegelijk hun meester en ondergeschikte zijn. Wellicht hebben daarom de

23

-ocr page 33-

24

Staten van Holland en Zeeland bij de aanstelling van Maurits den naam van Stadhouder vermeden. Toch is die naam ook voor hem en zijn opvolgers steeds in zwang gebleven en kan dit ook niet tot vergissing leiden, indien men slechts immer het verschil in beteekenis met vroeger dagen in het oog houdt. Te minder is de titel, dien de Oranje's in vroeger dagen voerden, van beteekenis, omdat die titel het niet is geweest, die hen tot hunne eminente positie in den staat heeft gebracht, maar alleen hun persoonlijkheid.

Was het die persoonlijkheid, die den eersten Prins zulk een veelbeteekenende macht in den opkomenden Staat had gegeven, ook zij, die hem onmiddellijk zijn opgevolgd, hebben eveneens aan hun persoonlijke gaven en talenten hun beteekenis te danken. Welke waren die van Prins Maurits?

Een staatsman was Maurits niet. Al waren er in de instructie, waarmede hij zijn ambt als Stadhouder aanvaardde, ook verschillende staatkundige verplichtingen hem opgelegd en staatkundige rechten toegekend; al werd hij ook binnen enkele jaren tot stadhouder van Utrecht, Overijsel en Gelderland aangesteld; al was hem ook van stonde af een plaats in den Raad van State toegekend; de draden der binnen- en buitenlandsche politiek waren niet in zijne handen gelegd. Hij was er de man ook niet voor; hij miste er de kennis en de talenten toe en zijn karakter was er niet op aangelegd. Door zijn stugheid en onvriendelijkheid was hij het tegenbeeld zijns vaders. Stil en inge-

-ocr page 34-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

trokken, leefde hij alleen voor de wetenschap, die hem belang inboezemde. Doch ziet! dit was juist eene wetenschap, die in dat tijdsgewricht den Staat meer dan iets anders te pas kwam. Terwijl de groote Landsadvokaat Johan van Oldenbarneveldt de ziel was van de geheele regeering en met zijn scherpzinnigen geest alle belangen der Republiek naar buiten en naar binnen regelde, toonde Maurits al spoedig, dat 'hij een militair genie was. En kon de Staat niet zonder politieke leiding bestaan, niet minder groot was toen de behoefte aan de verdediging en de uitbreiding van het grondgebied. ,Of wat zouden al de instellingen, door het staatkundig genie van Oldenbarneveldt in het leven geroepen, wat zouden al zijn maatregelen ten opzichte van gewesten en steden, wat al zijn staatkundige reizen en briefwisseling, wat zou dat alles beduid hebben, zoo er geen volk ware geweest, waarvoor dat alles geschiedde? En om het grondgebied van dat volk te verdedigen en uit te breiden, was geen man meer de rechte man op de rechte plaats, dan Prins Maurits van Nassau.

Het is .van algemeene bekendheid, hoe groot Maurits' voorliefde was voor de wiskunde en aanverwante vakken. Met zijn neef Willem Lodewijk, den oudsten zoon van Jan van Nassau, den Stadhouder van Friesland was hij door banden van vriendschap en door gemeenschappelijke beoefening van militaire wetenschappen ten nauwste verbonden. En toen het er op aankwam, die wetenschappen praktisch te beoefenen, toen diende zeker ook het

-ocr page 35-

26 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

geluk den Prins, in zoover als Parma, wien het waarlijk ook niet ontbrak aan militair genie, door Filips' plannen tegen Engeland en Frankrijk, in zijn actief optreden werd belet — doch de reeks overwinningen, waardoor van de inneming van Breda tot de overgave van Groningen »de tuin der Nederlandenquot; werd gesloten, schonken den jongen krijgsheld den rechtmatigsten lof van inboorling en vreemdeling.

Ons tegenwoordig geslacht, aan vredestoestanden gewoon en de zegeningen van vredewerken genietende, is niet licht meer tot geestdrift voor militaire daden te prikkelen. Doch nimmer mogen we vergeten, dat zonder dat onze grond met bloed was doorweekt, zonder het wapengekletter van den tachtigjarigen oorlog, ons volk niet zou zijn ontstaan en zijn hooggeroemde vrijheid een droombeeld gebleven. Hoe ellendig en armzalig zag het er bij den dood van den Vader des Vaderlands nog hier uit! Zonder een man als Maurits ware het te vreezen geweest, dat ook zijn werk zou zijn te niet gedaan. De grondslag van het gebouw was gelegd; maar het gebouw om in te wonen, moest nog geheel worden opgetrokken. Alle eer aan de staatslieden van dien tijd, die de inwendige huishouding daarvan regelden. Maar niet minder eere aan hem, die door zijn krijgsmansgenie, door de groote hervormingen, die hij in het leger bracht, door zijn scheppen van tucht en beleid, door zijn meesterlijke belegeringskunst een bewoonbaar huis van ons land heeft gemaakt. Maurits' wijze van

-ocr page 36-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

oorlogvoeren wekte de bewondering van geheel Europa op ; zijn legerkamp werd de leerschool van het geheele jonger geslacht, dat zich op de hanteering der wapenen toelegde. En die bewondering voor zijn hoog militair genie verdubbelde later nog, toen hij Varax bij Turnhout versloeg, toen hij den wereldberoemden slag bij Nieuwpoort won, toen hij den drie-jarigen kamp om Ostende leidde en toen Hij Sluis veroverde. Doch genoeg, om een denkbeeld te geven van de groote persoonlijke gaven van onzen tweeden Stadhouder en van de onverwelkelijke eerkroon, die hij zich daardoor voor tijdgenoot en nakomelingschap heeft verworven.

Des te meer is het te betreuren, dat diezelfde groote gaven de diepere oorzaak geworden zijn van de zoo jammerlijke gebeurtenis, die zijne regeering heeft bezoedeld. Als veldheer gewoon bevelen te geven en zich op zijn bevel gehoorzaamd te zien, kon Prins Maurits de burgerlijke autoriteit, die hem vaak belemmerde in zijn daden en plannen, moeielijk verdragen. In den eersten tijd van zijn optreden stond hij met Oldenbarneveldt op den besten voet, omdat hij diens rijpheid van oordeel en inzicht moest erkennen; doch het duurde niet lang, of er begon spanning te ontstaan in de verhouding tusschen de beide leiders van onzen Staat. Maurits kon de Gecommitteerde Raden, die hem zelfs in den oorlog wilden meesteren, niet verdragen. Jaren voor het rampzalig uiteinde van den grooten Landsadvokaat, stonden de denkbeelden en beginselen van beiden helaas! lijnrecht

27

-ocr page 37-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

tegenover elkander. Reeds de tocht naar Vlaanderen, om Duinkerken te veroveren, streed geheel tegen het inzicht van den grooten Veldheer; des te eervoller voor hem, dat hij, tot dien tocht gedwongen, de glorievolle overwinning bij Nieuw-poort behaalde. Diepgaand was ook beider verschil over den wapenstilstand met Spanje. Oldenbarne-veldt achtte dien terecht onmisbaar voor het belang van den Staat en evenzoo dacht Hendrik IV van Frankrijk er over. Maurits daarentegen was van meening, dat de oorlog met kracht moest wor, den voortgezet en heeft niets verzuimd, om die meening ingang te doen vinden bij het volk. Nogmaals des te eervoller voor hem, dat hij eindelijk van zijn tegenzin afzag en dat de Fransche gezant, toen de zoo voordeelige stilstand van wapenen was gesloten, zelfs aan zijn koning melden kon, dat dit had plaats gehad tot tevredenheid van allen, zelfs van Prins Maurits. Toch kennen wij het treurilt;j einde van dat verschil tusschen beide sjroote

O O

mannen. De rampzalige godsdiensttwisten tijdens het bestand brachten den onbuigzamen advocaat tot handelwijzen, die hem als staatsmisdaden werden toegerekend en die den grootsten Staatsman zijner eeuw op het schavot brachten. Begrijpelijk was de diepe verontwaardiging over dien gerechtelijken moord. Begrijpelijk de uitstorting van het overkropt gemoed van een Vondel in zijn onsterfelijke poezie aan de schim van den grijzen Advo-kaat gewijd. Begrijpelijk dat de nagalm daarvan meer dan een eeuw in dicht en ondicht is verno-

28

-ocr page 38-
-ocr page 39-
-ocr page 40-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

men en dat de tegenstanders van het huis Oranje vooral uit die droeve bladzijde eeuwen lang een wapen tegen dat huis hebben gesmeed. Doch voor onzen tijd is het weggelegd geweest, eerst een onpartijdigen blik te leeren slaan op de hoofdpersonen van die droeve gebeurtenis. Oldenbarneveldt's Scherpe Resolutie was niet te verdedigen 13). En Maurits' ontbinding van de Waardgelders was volkomen gewettigd. Doch, zelfs volgens Groen van Prinsterer had die afschuwelijke dood het eind niet mogen zijn. »Niemand zal ooit, naar Vondel's profetie, de wellen van dien moord geheel kunnen stoppen.quot; En toch vergete niemand ook trots deze droeve gebeurtenis, wat ons land aan Maurits verplicht is; met welk een kracht en succes hij het werk zijns vaders heeft voortgezet; hoe hij op den grondslag, door Willem van Oranje gelegd, het gebouw van onzen Staat door de kracht zijner wapenen heeft gevestigd. En evenmin als Vondel's poezie ter verheerlijking van Oldenbarneveldt de nakomelingschap uit de gedachten mag gaan, zoo blijve ook Vondel's woord over Maurits ontboezemd 14) leven in ons hart:

O on verwonnen Prince! O blocme van Oranje!

29

O grooten Kapitein! O tegengift van Spanje!

an het beeld van Maurits, slechts van ééne zijde beschouwd, den nakomeling tot bewondering dwingen, het beeld van den Oranje-vorst, die hem opvolgde, biedt twee kanten aan, waarop we met

-ocr page 41-

de stadhouders en koningen

eerbied en verrukking staren. Als legerhoofd en stedenbedwinger was Frederik Hendrik de gelijke zijns broeders, doch ook door zijn staatkunde heeft hij zulk een stempel op zijnen tijd gedrukt, dat de gouden eeuw terecht naar hem is geheeten.

Die eerste zijde van zijn persoonlijkheid kan niet pittiger en aanschouwelijker geteekend worden, dan in den onsterfelijken plastischen zang van Constantijn Huygens »de Scheepspraatquot;. De Staat der Nederlanden wordt daarin bij een vloot vergeleken, waarover „Schipper Mouringhquot; het opperbevel voerde. Doch die Schipper «zonder weergaquot; was gestorven (te koy ekropen) en het scheepsvolk treurt over dit onherstelbaar verlies. Alle zeilen en touwen en vlaggen zijn in diepen rouw gehuld. Het is »AIte-malen in den dutquot;. En dan legt de dichter aan den broeder van Maurits deze teekenachtige woorden op de lippen:

«Dutten, sprak mooi Heintje, dutten ?

Stille maets! een toontje min!

Dutten ? wacht, dat most ik schutten,

Ben ik anders dan ik bin.

'k Hebb' te lang om Noord en Zuyen Bij den Baes te roer estaen 'k Hebb' te veel gesnor van buyen Over deuze muts zien gaen.quot;

Inderdaad meer naar waarheid kon de secretaris van drie Oranjegeslachten Frederik Hendrik niet teekenen. Geheel in de school van Maurits was deze opgevoed. Het kostte zijne moeder Louise de Coligny, die aan haar lieveling zoo gaarne een

-ocr page 42-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

31

Fransche opvoeding had gegeven, menige bange traan, dat haar eenige zoon Maurits op zijne tochten moest volgen. Doch dit stemde geheel overeen met den aanleg en den lust van den jongeling. Toen de opperbevelhebber van het leger bij Nieuwpoort zijn vloot in zee zond, uit vrees die door brand te verliezen, toen wilde hij zijn zestienjarigen broeder niet wagen aan den slag, maar hem op de vloot in veiligheid laten; doch de jonge held smeekte Maurits het gevaar met hem te mogen deelen, hetgeen hem werd toegestaan. Wat was er van zulk een 25 jaar later, toen hij Maurits opvolgde, niet te wachten! Ook Frede-rik Hendrik was bovenal legervorst en stedenbedwin-ger. Zijne glorievolle regeering heeft het zegel gezet op al onze vroegere overwinningen van Spanje; zijn arbeid heeft dien van zijn vader en zijn broeder bekroond. Het was, alsof van alle zijden onder zijn bestuur de gloriezon door de nog immer over ons land zwevende wolken brak. Ook onze zeehelden begonnen in zijne dagen hun macht te toonen: daarvan getuigde Piet Hein's overwinning van de zilvervloot in 1628; de vernietiging van eene Spaan-sche armada in de Zeeuwsche stroomen en niet het minst de eeuwig gedenkwaardige zeeslag bij Duins onder Maarten Harpertszoon Tromp in het roemrijke jaar 1639. Dat in veertien dagen tijds aan dien zeeheld zooveel schepen ter ondersteuning konden worden toegezonden, het was niet het minst aan den invloed van den Stadhouder te danken, die zich zelf door zijn eeuwig gedenkwaardige belegeringen en overwinningen van Grol, Den Bosch en

-ocr page 43-

32

Maastricht onverwelkelijke lauweren om de slapen had gevlochten. Vooral de beide laatste zegepralen verhoogden terecht zijn roem. Zijn persoonlijke dapperheid, zijn onverschrokkenheid in gevaren gaven zelfs aanleiding tot de legende, dat hij onkwetsbaar was. En hoewel overigens van geheel ander maaksel dan zijn broeder Maurits, het scheepsvolk in het lied van Huygens, kon naar waarheid deze woorden zingen:

Weeran! riepen de matrozen 't Is een man, oft Mouringh waer P.

En de reeders. die hem kosen:

«Weeran! 't is de jonge vaer!quot;'

Geen wonder, dat dan ook door Frederik Hendrik de Spanjaard voor goed is verslagen en dat, al mocht hij zelf den dag niet meer beleven, de Vrede van Munster een jaar na zijn dood werd gesloten, die vrede, die aan ons vaderland voor goed zijn onafhankelijkheid, vrijheid en zelfstandigheid heeft gewaarborgd, die vrede, welks 250 jarige herinnering wij eveneens in dit jaar 1898 mochten vieren.

Doch met dezen éénen trek is het beeld van Oranje's jongsten zoon, onzen derden Stadhouder, niet voltooid. Frederik Hendrik was niet alleen evenals Maurits een held in de wapenen, een militair genie; hij was ook staatsman. Wel niet in de veelzijdige beteekenis van dat woord, zooals zijn vader Willem dat was, die door alle klippen der Europeesche politiek het schip van Staat in veilige haven leidde, die, bekend met de intiemste

-ocr page 44-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

33

gedachten van allen, die in zijne dagen de wereld beheerschten, daarvan het voordeeligst gebruik wist te maken bij de geboorteweeën van ons vaderland. In die hooge politiek was ongetwijfeld de zoon verre de mindere van den vader. Zijn verbond met Richelieu kwam ons zelfs duur te staan en hield jarenlang den zoo gewenschten vrede tegen. Doch er is staatkunde en staatkunde. Voor een Richelieu mocht Frederik Hendrik onderdoen, in zijne bin-nenlandsche politiek was hij onovertrefbaar. De latere levensjaren van Maurits hadden zich gekenmerkt door een kerkelijke staatkunde, die de onverdraagzaamheid had gewettigd. Frederik Hendrik was de belichaming van die verheven tolerantie, die de eenige vaste grondslag der beschaving is, en onder welker beschermende vleugelen kunsten en wetenschappen alleen kunnen bloeien. Onze gouden eeuw, de eeuw van Rembrand en Frans Hals, van Grotius en Spinoza, van Vondel en Hooft, van Jan Pieterszoon Koen en van Diemen draagt ook den naam van de eeuw van Frederik Hendrik. Zijn wijze, zijn verlichte, zijn verdraagzame, zijn kunstlievende geest heeft die eeuw ingewijd. Het hoogste op het gebied van stoffelijke welvaart en geestesarbeid, niet het minst van kunst, heeft ons volk onder zijn bestvur bereikt. Dat heerlijk tijdvak uit onze historie schittert met gouden glans den nazaat in de oogen. Zeker wie zal ontkennen, dat al die heerlijkheid geboren werd uit het rijk en vol gemoed van 's land's bewoners zelve, die na de eerste bange jaren van hun wor-

-ocr page 45-

34

stelstrijd, onder de aanvankelijke bezieling der vrijheid, al de poriën van hun geestelijk leven begonnen te openen. Doch wie zal ook loochenen het nauw verband, dat er bestond tusschen al die schoone uitingen en de hoog-edele gezindheid van den Stadhouder en zijn hof?

Van een hof in den eigenlijken zin van het woord was tot dien tijd bij de Oranje's geen sprake geweest. Wel heette ook de plaats, waar de Vader des Vaderlands het laatste jaar zijns levens doorbracht, het hof van Delft. Doch de kommerlijke omstandigheden van het land spiegelden zich ook af in den eenvoud van dat verblijf en in de betrekkelijke armoede van den Zwijger. Maurits was ongehuwd, leefde alleen voor zijn studiën en oorlogen en was daarbij afkeerig van al wat slechts zweemde naar weelde en pracht. Doch van de dagen af, dat Frederik Hendrik en zijn echtgenoote Amalia van Solms het Stadhouderlijk hof bewoonden, werd er vooral door den invloed van die Prinses van Oranje een hofleven ingewijd, eigenlijk in strijd met de afhankelijke positie van den eersten ambtenaar der Republiek; doch dat niemand in het land den hoog in aanzien zijnden Stadhouder benijdde. Overal, in alie standen en rangen was de lust ontwaakt om van den vollen rijkdom van het leven te genieten. Zou de Stadhouder dan daarin niet voorgaan? Zijn echtgenoote was het middelpunt van het veelbewogen hofleven in het stadhouderlijk kwartier. Haar wellevendheid en smaak, haar zucht om te schitteren en luister bij te zetten

-ocr page 46-

I

-ocr page 47-

Prins Willem 11.

Gegraveerd door H. R(okesz ?), naar de schilderij van G. van Honthorst.

-ocr page 48-

uit het huis van oranje.

aan het huis van Nassau en den naam »Son Al-tessequot;, die aan Frederik Hendrik het eerst werd geschonken, geen ijdele titel te doen worden, golden in de schatting van het volk als eene wijding van hetgeen men zelf in die gulden dagen zocht.

Het is hier niet de plaats, om den nadruk te leggen op de schaduwzijde van het eerzuchtig streven van Frederik Hendrik's gemalin. Het huwelijk van haar zoon met een dochter uit het huis Stuart heeft zij zelf en het volk later diep genoeg betreurd. Doch ook die eerzucht heeft den nau-wen band gevlochten tusschen de Oranje's en de Hohenzollerns. Door het huwelijk van hunne dochter, de beroemde Louise Henriette, met den grooten Keurvorst, werden Frederik Hendrik en Amalia eveneens de voorouders van Keizer Wilhelm II.

35

Kortom het tijdvak van het Stadhouderlijk bestuur van den jongsten zoon van Oranje werd het glorietijdvak van onze geschiedenis 15). De nagedachtenis van dezen bijzonder geliefden Prins van Oranje Nassau zal tot in lengte van dagen gezegend worden.

en lang leven is niet altijd noodig tot kenschetsing van iemands persoonlijkheid en karakter. Weinig jaren, onder veel arbeid doorgebracht, zijn daartoe dikwijls geheel voldoende. Dit geldt bij de beelden, door mij geschetst, inzonderheid van den zoon van Frederik Hendrik, van Willem II, die

-ocr page 49-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

36

slechts drie jaren stadhouder geweest is, en reeds op 24-jarigen leeftijd is gestorven. Toen hij 16 jaar oud was, behaalde hij bij Bergen-op-Zoom eene overwinning op eene Spaansche afdeeling cavallerie; en al zal de tijding, die Const. Huygens daarvan aan zijne moeder Amalia meldde, wel eenigszins overdreven zijn geweest, toch was Willem een schitterend officier, over wiens groote gaven, dapperheid en ondernemingslust de Fransche gezanten inzonderheid telkens uitweidden. Eerst na zijns vaders dood kwamen die gaven in het volle licht; want Frederik Hendrik hield zijn zoon klein en vond, misschien door jaloezie gedreven, het denkbeeld belachelijk, dat zijn 18- of 19-jarige knaap met het opperbevel van het leger zou worden belast. Nauwelijks had echter de vader het hoofd ter ruste gelegd, of de energie van den zoon vond naar alle zijden een vrij en open terrein. Als wij slechts denken aan zijn krachtig verzet tegen den vrede van Munster, aan zijn geweldige oppositie tegen het afdanken van troepen, aan zijn optreden in de Staten-Generaal tegen Holland, aan zijnen tocht naar de in oppositie verkeerende steden, aan zijn gevangenneming van 6 der voornaamste pensionarissen, aan zijn aanslag op Amsterdam en aan het enkele dagen voor zijn dood gesloten tractaat met Mazarin; dan zal niemand ontkennen, dat wij in dien stadhouder een hoogst energieke persoonlijkheid moeten begroeten, daargelaten ons oordeel over al die daden. Dat oordeel kan zeker niet gunstig zijn, hoewel we niet mogen vergeten, dat

-ocr page 50-

37

in de aanleiding daartoe, het afdanken van troepen, ongetwijfeld het recht meer aan de zijde van de Generale Staten en den Stadhouder, dan aan die van Holland was. Het is echter bekend, hoe de Prins er tijdens zijn leven en na zijn dood om veroordeeld is; hoe er maar één stem was onder het volk, die hem zijn schandelijke inbreuk op de rechten der steden verweet. En nogmaals, ook de nakomelingschap kan, zelfs bij het onpartijdigst vonnis, hem niet vrijpleiten van tirannieke maatregelen. Toch kan het niet luid genoeg gezegd worden, dat er aan al die maatregelen zooveel energie en karakter ten grondslag lag, dat wij, die de daden kalmer kunnen beschouwen, die eigenschappen wel mogen bewonderen. De onstuimigheid, waarmee hij dat alles bedreef, was slechts het gevolg van zijne jonge jaren. Ware hij in het leven gespaard, dan zouden de voortreffelijke eigenschappen, die zich daarbij openbaarden, indien ze door wijsheid in het rechte spoor geleid waren en door ervaring gelouterd, ons land ongetwijfeld ten goede hebben kunnen komen.

Vergeten mag daarbij niet worden, dat de tijd moest komen, dat de groote euvelen, waaraan de Staatsregeling der Republiek leed, zich in geduchte tegenstellingen openbaarden. De groote kwestie der Souvereiniteit moest zich elk oogenblik doen gelden. Volgens de Staatsregeling waren de steden, de losse deelen van het geheel, de Souverein; doch waar bleef, bij het consequent doortrekken van die lijn, waar bleef dan de Unie, waar de

-ocr page 51-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

38

macht, die alle deelen samenbond? Reeds in Mau-rits dagen had de strijd daarover het edelst bloed gekost en Frederik Hendrik, die zich overigens ook niet ontzag, al te onafhankelijke Raadpensionarissen te ontslaan, had alleen door zijn persoonlijken invloed dien strijd weten te ontwijken. Verwondert het ons dan, dat een jonge man van het onstuimig en hartstochtelijk karakter van Willem II, die daarbij door zijn huwelijk vermaagschapt was aan het gevallen huis van Stuart, aan den op het schavot gestorven Karei I, verwondert het ons, dat zulk een in botsing kwam met de eigenlijke machthebbers, die naar zijn innige overtuiging den band der Unie verbraken ? Doch het souve-reine volk der steden was in die dagen blind voor zulke argumenten en het juichte bij den plotselin-gen dood van den 24-jarigen Prins. Wij daarentegen brengen hem op een afstand van eeuwen onze hulde, nogmaals, niet voor zijne daden, maar voor zijn karakter, een karakter, dat hem tot den waar-digen afstammeling van zijn grootvader, Willem van Oranje, stempelde, en dat zich hereditair heeft overgeplant op zijn zoon illem III, die nog op geheel andere wijze aan het volk zou doen gevoelen, wat een Vorst, zonder souvereine macht, kon verrichten.

Sollet feest der inhuldiging van Koningin Wilhel-B.ü.a! mina is bovenal een vaderlandsch feest. Dit behoeft geen betoog. Voor den nadenkenden

-ocr page 52-

_:L

-ocr page 53-
-ocr page 54-

uit iiet huis van oranje.

Nederlander heeft het echter ook een wijderen zin en moeten onze gedachten zelfs op dat feest in breeder kring zich bewegen, om niet te midden van de vurigste vaderlandsche liederen tot een eenzijdig patriotisme te vervallen, maar onzen blik geopend te houden voor den innigen band, die ons met de volken van rondom vereenigt.

Welnu, geen beeld uit het huis Oranje-Nassau kan ons beter tegen chauvinisme hoeden en ons oog- ontsloten houden voor nocr hoogfere belang-en.

O O O O '

dan het vaderland, dan het beeld van den achterkleinzoon van Willem van Oranje, den koning-Stadhouder Willem III. 16)

Onmiddellijk aan hem vooraf gingen dagen, die tot de roemrijkste onzer private geschiedenis be-hooren. Nimmer mogen wij den tijd vergeten, die ons vaderland doorleefde tijdens de kommervolle jeugd van dezen Prins van Oranje, die toen door den haat der Staatsgezinde partij was uitgesloten van alle waardigheden zijner voorvaders. Nimmer mogen uit onze herinnering verdwijnen onze glorievolle zeeoorlogen tegen Engeland, noch de namen van een Jan de Witt en Michel Adriaanszoon de Ruyter. Doch hoe hoog deze helden en genieën ook blijvend moeten worden vereerd, voor één gevaar waren de leiders dier dagen blind; voor het gevaar, dat van de zijde van Frankrijk en van zijn koning, Lodewijk XIV, niet alleen ons vaderland, maar geheel de wereld bedreigde. En toen dan ook de belangrijke rol van de Witt hier was afgespeeld, toen was het providentieel, dat aan

39

-ocr page 55-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

het hoofd van 's lands zaken een man kwam te staan, die dat gevaar doorzag en de keering er van als zijn eenige levenstaak beschouwde.

Zijn optreden in 1672, toen hij Nederland bevrijdde van den reeds diep in ons land doorgedrongen koning van Frankrijk, was slechts het voorspel van de staatkunde, die hij gedurende zijn geheele leven heeft gevolgd. Dertig jaren heeft hij persoonlijk tegen de overheersching van Lodewijk XIV voor godsdienst en gewetensvrijheid gestreden en zelfs de Spaansche successieoorlog, die bij zijn dood begon, werd in zijn geest volvoerd en leidde tot de bereiking van zijn levensdoel, de vernedering van den machtigen koning der Franschen.

Voor ons Nederlanders was zeker het voorspel het gewichtigst. Want de inval der Franschen in ons land ten jare 1672 scheen niet veel goeds te beloven. Indien toen de jonge 21 jarige Prins niet als Stadhouder was uitgeroepen en tot kapitein-generaal van het leger was aangesteld, ons land ware verloren geweest. Zijn hooge moed, zijn beleidvol doorzicht en onvernietigbare geestkracht hebben het land tegen den ondergang behoed. Toen van alle zijden tot hem de schroomvallige taal werd gesproken: »Maar ziet gij dan niet dat de Republiek verloren is,quot; toen luidde zijn koninklijk woord, dat in elk Nederlandsch hart tot in lengte van dagen moet gegrift staan: »Ik ken een zeker middel, om dien ondergang niet' te aanschouwen: te sterven bij de verdediging der laatste gracht.quot; En aan dat woord was hij getrouw.

-ocr page 56-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

Reeds in 1673 hadden de Franschen weer ons land ontruimd.

Was echter daarmede het gevaar voor de vrijheid geweken? Wat Lodewijk XIV in zijn schild voerde, was reeds in 1667 ten duidelijkste gebleken. Hij wilde meester zijn van de Zuidelijke Nederlanden, zijn land naar alle zijden uitbreiden, om zijne suprematie in Europa te verzekeren. Vandaar dat Willem III, die nog grooter staatsman dan veldheer was, zijn levensdoel zocht in het stichten van eene machtige coalitie tegen den koning van Frankrijk, teneinde niet alleen ons vaderland, maar geheel Europa te behoeden tegen een herhaling van onderdrukking en gewetensdwang. Wat eene eeuw geleden door zijn overgrootvader tegen het despotisme van Spanje werd gedaan, dat deed thans de achterkleinzoon tegen dat van Frankrijk. Nu en dan werd wel de strijd afgewisseld door een vredestijdperk (vrede van Nijmegen 1678 en vrede van Rijswijk 1697); maar steeds klom de eer- en heerschzucht van den Franschen monarch en groeide het gevaar voor de staatkundige en godsdienstvrijheid van Europa aan. Vandaar steeds hernieuwde coalities, door den Stadhouder, sedert 1688 tevens Koning van Engeland geworden, met tal van Europeesche vorsten gesloten, om dat gevaar te bestrijden. En hoewel hij zelf den dag niet heeft mogen beleven, waarop die langdurige krijg tot vernedering van Frankrijk leidde (1713 vrede van Utrecht), aan Willem III, den Koning—Stadhouder komt de eeuwige eer toe, dat hij de tweede uit het huis Oranje-Nassau ge-

41

-ocr page 57-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

weest is, die voor ons werelddeel de vrijheid heeft behouden.

Als Koning van Engeland heeft hij zich daarbij een onsterfelijken naam verworven door de vestiging van het grondwettige staatsleven, dat de plaats innam van de willekeurige en absolute monarchie der Stuarts. Een gansch nieuw tijdvak vangt de geschiedenis van Engeland aan niet zijn optreden. Door zijn regeering zijn voor goed aldaar de rechten en vrijheden, de zelfstandigheid en de ontwikkeling van het volk gewaarborgd, met zulk een vastheid, dat dit land den invloed der Fransche omwenteling zelfs niet heeft noodig gehad.

En wat ons vaderland aangaat. Men heeft beweerd, dat Willem III ons land heeft opgeofferd aan de belangen zijner Europeesche politiek en hem den grooten schuldenlast geweten, die na den vrede van Utrecht ons drukte. Men heeft zich geërgerd ook over het souverein optreden tegen steden en staten van een stadhouder, die toch geen souverein was. Doch dergelijke klachten, ze mochten nu en dan ook tijdens zijn leven eens voorkomen en zelfs te Amsterdam eens geleid hebben tot misdadige onderhandsche overleggingen met den vijand; die klachten waren meer de uitdrukking van de gedachten der 18e eeuw, die, onvatbaar voor grootsche denkbeelden, alles toetste aan de regels van baat-en geldzucht. Wij mogen ze niet herhalen; we zouden daarmede slechts ons zeiven oordeelen. In zijne dagen werd de Stadhouder-Koning door de meeste staatslieden van ons land gesteund. Een

42

-ocr page 58-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

man als Heinsius zette, zonder aarzelen, zijn werk op dezelfde wijze voort. De burgerij was trotsch op dezen Oranje, die de leider van Europa was en met onwrikbare trouw volgde hem de Republiek op zijn verheven baan. Ons vaderland begreep in zijn dagen althans, dat er nog niets voor de vrijheid van ons grondgebied gewonnen was, al was het ook van vijanden gezuiverd, zoolang de denkbeelden van vrijheid en verdraagzaamheid nog in Europa gevaar liepen. Voor de tweede maal, spande het aan de hand van een Oranje, al zijne krachten in, om die edele goederen te verdedigen tegen geweld en heerschzucht. Waarlijk de man, die ons daarbij voorging, met bovenmenscheiijke inspanning, mag wel hoog in onze vereering blijven staan en op den dag der inhuldiging van eene Koningin uit zijn huis, mogen wij wel, hoe hoog ons vaderlandsch hart ook kioppe, gedachtig zijn aan de wet aller geschiedenis, dat zelfs boven het vaderland de mensch-heid gaat, boven onze bijzondere belangen het heil dier wereld, waarvan wij slechts een deel zijn en waaraan we door de wet der solidariteit zijn verbonden.

Het mag als zeker worden aangenomen, dat het tot heden nog eene onmogelijkheid is, eene volledige levensgeschiedenis van Willem III te schrijven. De meeste staatspapieren, zelfs die op ons vaderland betrekking hebben, rusten nog in de archieven van dat land, waar hij zelf ook begraven ligt. Er is nog veel onopgehelderd in zijne historie; veel duisters en ondoordringbaars. Doch in groote trekken en lijnen staat zijn beeld helder voor ons. Wie hij

43

-ocr page 59-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

overigens moge geweest zijn, hij was de groote staatsman, misschien wel de grootste van zijn tijd. Deze laatste mannelijke afstammeling van den Vader des Vaderlands was een evenknie van den grooten Zwijger.

et Willem III was de mannelijke linie van het huis van Oranje-Nassau uitgestorven. Gelukkig dat een andere tak van den Nassau-stam nog leefde, die evenals de Oranje Nassau's onberekenbaar groote diensten aan het Vaderland had bewezen, in andere gewesten van ons land den stadhouderlijken zetel had ingenomen en ook door vermaagschapping aan den Vader des Vaderlands innig verwant was. Toen Willem III stierf in 1702, was JOHAN Willem FrisO onder regentschap zijner moeder Stadhouder van Groningen en Friesland.

Zijn voorvader was de broeder van Willem van Oranje, Jan van Nassau, die door de stichting van de Unie van Utrecht, zich onsterfelijk voor ons Vaderland heeft gemaakt, zelf nog een poos tijds Stadhouder van Gelderland was, doch dit ambt nederlegde, omdat hij, als regeerend Vorst van Nassau, niet in Duitschland kon gemist worden. De oudste zoon van Jan van Nassau, Willem Lode-wijk, was in 1584 tot Stadhouder van Friesland verkozen. Hij was de neef en zwager, maar bovenal de vriend van Prins Maurits, wiens voorliefde voor krijgszaken hij geheel deelde. Zijn huwelijk echter met Maurits' zuster Anna was kinderloos gebleven;

44

-ocr page 60-

xf.*quot; cru fT*. xsjCtoftf tmëmi.

Joan Willem Friso.

Gegraveerd door J. Houbraken (1752), naar de schilderij van H. D

-ocr page 61-
-ocr page 62-

45

zoodat bij zijnen dood in 1620 zijn broeder ERNST KASIMIR zijn opvolger in Friesland werd. Ook in dezen leefde een vurige krijgsmansgeest. Reeds bij den slag van Nieuwpoort was hij een der onderbevelhebbers van Maurits. Hem trof bij die gelegenheid de ramp, waarmee de overwinning bij Nieuwpoort aanving, toen namelijk een derde van Maurits' leger, onder zijn bevelen staande, den onverwachts naderenden vijand trachtte op te houden, doch bij de brug van Leffingen geheel werd verslagen. Ook Frederik Hendrik werd steeds door Ernst Kasimir met groote dapperheid bijgestaan. Hij stond onder hem aan het hoofd van het leger van 40.000 man, dat in April 1629 den Bosch insloot. De tocht naar Maastricht in 1632 kostte hem het leven. Bij de belegering van Roermond werd hij doodelijk gewond. Twee zonen liet hij achter, die achtereenvolgens Stadhouder van Friesland waren. Eerst HENDRIK CaSIMIR van 1632 — 1640; ook deze stierf ten gevolge van den oorlog en daarna WlLLEM FREDERIK van 1640—1664. Daar deze Willem Frederik met de dochter van Frederik Hendrik, Albertine Agnes huwde, werden ook zijn nakomelingen in de vrouwelijke lijn afstammelingen van Oranje. In het geschil van Willem II tegen Holland stond Willem Frederik geheel aan de zijde van zijn neef en zijn dood in het jaar 1664, ten gevolge van een droevig ongeluk, was een groot verlies voor de Oranjepartij, wier steun hij was in de dagen van De Witt. Zijne weduwe, Frederik Hen-drik's dochter, Albertine Agnes, werd regentes van

-ocr page 63-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

den minderjarigen Hendrik Kasimir II, hetgeen zij tot 1679 bleef, toen haar zoon als regeerend Stadhouder in Friesland optrad. Nu en dan bestond er in de 17de eeuw wel eens spanning tusschen de beide takken van Nassau in ons land. De Hol-landsche Stadhouders streefden vaak naar uitbreiding van hun macht in het Noorden, met het gevolg dat Groningen en Drente zich meer dan eens onder hun gezag plaatsten. Hendrik Casimir II was de tijdgenoot van Willem III, den Koning-Stadhouder. De groote staatkunde van dezen werd door zijn Frieschen neef tegengewerkt, in zoover hij Friesland en Groningen stijfde in hun verzet tegen de oorlogslasten, die de politiek van den Koning van Engeland ook van de Noordelijke gewesten eischte. Hendrik Casimir II stierf in 1696 en zijn eenige zoon uit zijn huwelijk met Amalia v. Anhalt was Johan Willem Friso.

Als wij de beeltenis van Friso, door Houbraken gegraveerd, beschouwen en ons daarbij herinneren, wat de geschiedenis ons uit zijn korte leven verhaalt, dan kunnen we niet anders dan het diep betreuren, dat na den dood van Willem III de Hollandsche regenten zoo ongeneigd waren, om gevolg te geven aan den uitersten wil van den Koning-Stadhouder en zijne waardigheden in Holland niet op zijn neef hebben willen doen overgaan. Het is waar, door de wet er toe verplicht waren ze niet. De stadhouderlijke waardigheid was alleen onder Willem III in de mannelijke lijn erfelijk ver-

46

-ocr page 64-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

47

klaard en het huwelijk van Willem en Maria Stuart was steeds onvruchtbaar gebleven. Daarbij was Friso pas 15 jaar oud, toen Willem III stierf en stond hij zelf als Stadhouder van Friesland onder het regentschap zijner moeder, sedert den dood van Hendrik Casimir II. Ook ontbrak het ons land onmiddellijk na den dood van Willem III niet aan hoogst bekwame leiders. Nicolaas Heinsius, Jacob Hop, Frans Fagel en Simon van Slingelandt, het zijn allen namen van goeden, edelen en zuiveren klank. En toch, hoeveel ontbrak er niet aan de eenheid der Republiek, waarvan de Stadhouder het levend zinnebeeld kon zijn! Beschouwt van nabij de nobele trekken op het gelaat van Jan Willem Friso en herinnert u zijn glorievol optreden in den Spaanschen successieoorlog, toen hij onder het opperbevel van Marlborough als generaal van het leger der Republiek groote daden van dapperheid verrichtte en o. a. bij Malplaquet zich bijzonder onderscheidde en niemand zal ontkennen, dat het waarlijk geen oneer voor ons land ware geweest, zoo we ook Friso onder de stadhouders van Holland konden tellen. Doch de nobele Stadhouder van Friesland was als het ware voor het ongeluk geschapen. Niet alleen moest hij van de regenten van Holland de onverdrageiijkste beleedigingen en achteruitzettingen dulden; niet alleen was na 1702 de anti-stadhouderlijke gezindheid in Holland met zulk een nieuwe felheid ontwaakt, dat er geen denken viel aan Friso's verheffing. Maar ook in zijn particuliere belangen werd hij door den koning

-ocr page 65-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

48

van Pruisen, Frederik I, zeer benadeeld. Willem III had niet alleen Friso bestemd tot zijn opvolger in de stadhouderlijke waardigheid, maar na den dood van Maria had hij hem ook benoemd tot zijn eenigen erfgenaam. Daartegen verzette zich de koning van Pruisen, wiens moeder Henriette Louise een dochter was van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, op grond van den uitersten wil van Frederik Hendrik uit het jaar 1644, volgens welken diens nalatenschap bij gebreke van zijn zoon of van wettige afstammelingen van dien zoon moest vervallen aan zijne dochter Henriette Louise en dier wettige nakomelingen. Het verzet van den koning van Pruisen was derhalve wel te verklaren, te meer daar het alle bezittingen van het Oranjehuis en ook het Prinsdom Oranje gold. Voor Friso echter was het een hard gelag, dat de uiterste wil van Willem III, die hem alles had tbebeschikt, zulk een twistappel werd. Lange jaren heeft het geschil over die bezittingen geduurd; eerstin 1732 werd het beslecht, grootendeels ten gunste van de nakomelingen van Friso, doch met voorbehoud van belangrijke goederen en heerlijkheden, die aan den koning van Pruisen werden toegewezen (17) Friso zelf was toen reeds meer dan twintig jaar dood. Want in 1711 op een tocht van het legerkamp in de Z. Nederlanden naar den Haag, waar hij met den koning van Pruisen een samenkomst over dat verschil zou hebben, verdronk de veelbelovende 24-jarige Prins jammerlijk bij den Moerdijk.

-ocr page 66-
-ocr page 67-

Hendrik Friso,

en Nassau. , en Admiraal Generaal, Nederlanden, enz. «n*. «n*.

Willem Carel

Prin« van Oranje Erf' Stadhouder, Kapitein t der Vereenio-de

Prins Willem IV.

Gegraveerd door P. Tanjé (1753), naar de schilderij van J. Fournier.

-ocr page 68-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

49

einig weken na deze noodlottige gebeurtenis schonk de weduwe van Johan Willem Friso, Marie Louise van Hessen-Kassei (Maaiken-Meu, zooals ze in Friesland werd en nog wordt genoemd) het leven aan een zoon, genaamd Willem Karei Hendrik Friso, die als WILLEM IV Stadhouder van alle Nederlandsche gewesten zou worden. Het duurde echter tot 1747, eer hij als zoodanig werd erkend. Als erfstadhouder over Friesland bij zijn geboorte begroet, werd hij in 1718 stadhouder van Groningen en in 1722 van Drente en Gelderland. Holland, Zeeland, Utrecht en Overijsel bleven in hunne antistadhouderlijke gezindheid volharden. Wel ontbrak het ook daar niet aan stemmen, die voor hem opgingen, aan invloeden, die zijne verheffing trachtten te bewerken, doch de regenten in die gewesten, die zich allen koningen waanden, waren te baatzuchtig, te tiranniek en te aanmatigend, dan dat zij om de belangen van het ééne vaderland aan den jongen Friso de stadhouderlijke waardigheid wilden opdragen. Niettegenstaande gehuwd met de dochter van den koning van Engeland George II, ondervond hij van hen jaren lang de grofste beleedigingen, de bitterste achteruitzettingen, de pijnlijkste teleurstellingen 18) en scheen er alle kans te bestaan, dat deze Prins van Oranje nimmer zijne verheffing tot Stadhouder der voornaamste gewesten zou beleven. Buitenlandsche verhoudingen gaven ook hier, gelijk ten jare 1672, den doorslag. Toen ons volk, eindelijk min of meer uit zijn lethargie ontwaakt, aan den Oostenrijkschen successie-oorlog zijn sedert

-ocr page 69-

50 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

jaren verplicht deel begon te nemen, toen naderden de Franschen onze grenzen en het volk eischte de de verheffing van den Prins.

Slechts weinig jaren heeft Willem IV het Stadhouderschap bekleed. In 1747 uitgeroepen, stierf hij reeds in 175 1 op 40 jarigen leeftijd. De waarde van zulk eene korte regeering te bepalen, is derhalve niet gemakkelijk. Onbillijk is het, alleen acht te geven op de negatieve resultaten en Willem IV enkel hard te vallen over enkele zijner karakterfouten en de weinige kracht, die van hem is uitgegaan, om het volk te verlossen van de tirannie der regenten 19). Het kan zeker niet ontkend worden, dat het geniale van de vroegere Oranje's te vergeefs bij hem gezocht wordt. Hij was noch een militair genie, noch een staatkundig leider. Dat de inval der Franschen in 1747 niet zulke slechte gevolgen had, als men vreesde en dat de vrede van Aken in 1748 ons niet duur te staan kwam, is waarlijk niet te danken geweest aan zijne bekwaamheid. Doch dat zijn ander levensdoel, om het volk te bevrijden van den druk der tirannen in eigen boezem, niet is vervuld, kan evenmin hem alleen worden geweten. Dat was eene taak waarvoor het langdurig leven van een groot staatsman ware noodig geweest. Wij kunnen ons nauwelijks eene voorstelling meer maken van de huishouding van Staat in de eerste helft der 18e eeuw. Niet alleen alle gewesten, maar ook alle steden en grootere dorpen werden door louter particularistische belangen gedreven. Er heerschte nu en dan compleete

-ocr page 70-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

51

anarchie; familiebelangen golden als de hoogste wet; de tirannie aller plaatselijke koninkjes was grenzeloos en enkel baatzucht, zonder eenig besef van een algemeen belang, dat moest worden behartigd, was de drijfveer van allen en bij alles. Nogmaals, om in zulk een diep verdorven huishouden, als toenmaals Nederland was, waar al de kleine en grootere deelen steeds 't hoogste woord hadden en elk zijn zin wilde doordrijven, om in dien chaos orde te scheppen, daarvoor was een langdurig leven van een staatsman noodig geweest, die met straffe hand zijn doel wilde bereiken. Welnu, slechts vier jaren lang geeft deze Prins de teugels van het bewind in handen gehad en hij heeft zoo onvermoeid gearbeid, dat hij ten slotte het slachtoffer van zijn te groote inspanning werd. Mag men hem dan verwijten, dat hij niet is geslaagd ? Mag men de fouten van zijn karakter, die inderdaad onloochenbaar zijn, zóó breed uitmeten, dat men daarin alleen de oorzaak van zijne mislukking vindt? Het is gemakkelijk gezegd: Willem IV had onmiddellijk den Raadpensionaris Gilles moeten ontslaan, hij had alle contracten van correspondentie met één slag moeten vernietigen; hij had alle misbruiken van eeuwen her moeten aantasten. Doch daartegenover moet gezegd, dat er zooveel viel op te redderen, dat alleen de tijd in staat zou zijn, van al die verbrokkelde deelen een Staat, een Nederlandschen Staat te vormen. En daarbij mogen we niet vergeten, wat Willem IV gedaan heeft, om eenc betere toekomst voor te bereiden. Zijn houding in de zaak der

-ocr page 71-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

52

posterijen, voorheen de groote bate van de steden en de particulieren, is inderdaad voorbeeldig geweest. De meeste steden boden aan den Prins die baten aan; doch hij stond ze weder af aan de Staten. Het groote euvel van de pachterijen der belastingen, eerst te zwak door hem aangetast, heeft hij ten gevolge van oproeren onder het volk, opgeheven. De uitschrijving der »milde giftquot; was een maatregel van algemeen belang; en de poging, die hij in 1751 aanwendde om van Nederland een vrijhaven te maken, moet, al is ze door zijn dood geheel mislukt, worden beschouwd als de aanvang van de vrijhandelspolitiek, waaraan ons Vaderland tot heden zooveel goeds heeft te danken en getrouw is gebleven. 20) Brengen we daarbij nog in reke-kening, dat Willem IV de eerste Stadhouder geweest is van alle gewesten, dat ook in de vrouwelijke linie te zijnen dage het Stadhouderschap werd erfelijk verklaard, dan kunnen we niet alleen met Ranke 21) verklaren, dat Willem IV »de eigenlijke stichter van het Koningschap in Nederland is geweest, dat zich hier later onder den invloed van wereldgeschiedkundige gebeurtenissen heeft gevormdquot; ; maar ook dat de nationale eenheid door zijn regeering, hoe kort ook, een reuzenschrede heeft vooruit gedaan.

5^5lver geei'1 der Oranje's is een meer tegen-IS-Sgl strijdig oordeel van tijdgenoot en nakomelingschap geveld, dan over den laatsten Stadhouder

-ocr page 72-

Prins Willem V.

Gegraveerd door R. Vinkeles, naar de teekening van T. P. C. Haag.

-ocr page 73-
-ocr page 74-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

van de Republiek der Vereenigde Nederlanden. WlLLEM V gold in de schatting van de hem vijandige partij zijner dagen voor een geweldenaar, voor een tiran, die voor Filips II en Alva niet onderdeed ; terwijl zijne echtgenoote Frederika Sophia Wilhelmina van Pruisen met de bloeddorstige Mes-salina der oudheid werd vergeleken. In later jaren wijzigde zich dit oordeel van den tijdgenoot, onder den indruk van het rampzalig lot, dat het Huis van Oranje getroffen had en van de herstelling van dat huis in 1813, zoo geheel, dat de nagedachtenis van Willem V slechts onder de meest overdreven epitheta, als de edelaardige, de voorbeeldeloos-goede vereerd werd en zelfs de Anto-nijnen uit hunne graven werden opgeroepen, om evenbeelden van zooveel vorstelijke goedheid in de geschiedenis te vinden. 22)

Het licht, dat van vele zijden in onze dagen over den patriottentijd is opgegaan, heeft voor goed die beide tegenstrijdige meeningen als onhistorisch veroordeeld. De zoon van Willem IV, geboren in het jaar was tot het jaar 1^66 onder de voogdij

van den hertog van Brunswijk. Het is hier niet de plaats te onderzoeken, in hoever zijn Voogd schuld heeft gehad aan de verkeerde ontwikkeling van zijn karakter 23). Vrij algemeen staat het thans vast, dat, wat er ook aan zijn leiding heeft ontbroken, meer zijn aanleg dan zijn opvoeding daaraan schuld heeft. Kennis en geheugen had de Prins in voldoende mate, doch aan bekwaamheid om den geest van zijn tijd te verstaan, om rekening te houden met

S3

4

-ocr page 75-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

54

de veranderde tijdsbegrippen en daarnaar te regeeren, ontbrak het hem geheel. Trouwens, geen alle-daagsche talenten werden daarvoor in het eind der iS^6 eeuw geëischt. De democratische denkbeelden, ten grondslag liggende aan den Amerikaanschen vrijheidsoorlog en aan de Fransche Revolutie, vonden ook in ons vaderland hartstochtelijke aanhangers. De democratie, die zich ten dage van Willem IV nog slechts in enkele onsamenhangende gebeurtenissen had geuit, werd toen ook hier te lande eene geweldige strooming, die alleen door groote geesten in de ware bedding te leiden zou zijn geweest, doch die kleinere geesten meedoogenloos medesleepte in haar vaart. Willem V behoorde evenzeer als Lode wijk XVI tot de laatsten; hij was niet opgewassen tegen de reuzentaak, om die strooming te leiden. Zoowel de gevolgen van den opstand van Amerika tegen Engeland, als de vrijheidsbegrippen, die zich hoe langer hoe meer onder het volk een weg baanden, overrompelden hem. Opgevoed in den bekrompen gedachtenkring van de aristocratische oligarchie der regenten, daarbij stijf en strak vasthoudend aan zijne stadhouderlijke rechten, was hij er de man niet naar, om iets te verstaan van den nieuwen tijd, die aanstaande was. Ontegen-zeggelijk had hij groote deugden, maar niet ééne, die hem als Eminent hoofd van de Republiek moest versieren. Zijn goed- en edelaardigheid, die inderdaad hem tot zekere hoogte kenmerkten, gingen gepaard met eene besluiteloosheid, met een halsstarrigheid en wankelmoedigheid, die al zijne deugden

-ocr page 76-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

55

voor den Staat onvruchtbaar, ja heilloos maakten. Terecht is van hem gezegd 24) »indien Willem V slechts den noodigen zedelijken moed had bezeten, om zich los te maken van de vernederende voogdij, waaronder onze regenten-partij hem plaatste, indien hij zich van het despotisme der oligarchen slechts met volkomen eerlijkheid op de democratie had beroepen — hij zou het land gered en zich in de harten zijner onderdanen een onvergankelijke eerzuil hebben opgericht.quot; Aan de gelegenheid daartoe heeft het hem voor het noodlottige jaar 1787 niet ontbroken. Allerlei pogingen zijn aangewend van de zijde der democraten, om zich onder nieuwe vormen met hem te verzoenen. Doch alles, zelfs de poging van den lateren Raadpensionaris Schimmelpenninck, stuitte af op zijn stijfhoofdigheid en onwil. En toen volgde, na de stoutmoedige daad van zijne fiere echtgenoote en na hare aanhouding door de patriotten, het schandelijk beroep op de Pruisische wapenen, de niet minder schandelijke garantie van het erfstadhouderschap door Pruisen en Engeland en de grievende verbanning van 40.000 democraten uit het land. Dat al deze onteerende daden in 1795 hun vergelding zouden vinden in de vlucht van den Stadhouder, was niet anders dan natuurlijk. En hoewel we bij dat alles niet mogen vergeten, hoe ontzaglijk moeielijk de tijd was, en evenmin hoe roekeloos onze democratische vaders de Franschen in het land hebben gehaald, toch mag het niet worden verzwegen, dat het Stadhouderschap in Nederland roemloos is ondergegaan en wij met een kleine

-ocr page 77-

56 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

wijziging Hammerling's woord uit zijn »König von Zionquot; kunnen toepasselijk maken op Willem V en op ons volk in 't eind der iSquot;36 eeuw:

„Grosz ist die Zeit und gewaltig, doch welie, wenn unsre Merzea Kleinlich sind; wie sollen im riesigen Kampf wir bestehen rquot;

De smart van den Franschen tijd was noodig voor Oranje en Nederland beide, om zich boven die kleinheid te verheffen en met een nieuw en hooger ideaal in de ig^e eeuw weder naar ware grootheid te streven.

oen na de eindelooze smaadheid en ellende van den Franschen tijd Nederland in 1813 aan zich zelf werd teruggeven, was het een groot geluk, dat onze leiders niet ver behoefden te zoeken naar een man, in wien het herboren volk het symbool zijner eenheid met vertrouwen zou kunnen vinden. Achttien jaren had het huis van Oranje in den vreemde gezworven. In 1806 was Willem V te Brunswijk overleden ; een jonger zoon, de dappere Frederik, was als opperbevelhebber van het Oosten-rijksche leger in Italië in 1799 gestorven; doch de Erfprins, Willem Frederik, ten jare 1772 geboren, was nog in leven. Op hem waren de blikken in 1813 gericht en de een-en-veertigjarige Prins gaf aan de roepstem, die tot hem kwam, gehoor, en was gedurende een tijdperk van 27 jaren onze eerste Koning uit het huis Oranje-Nassau.

Aan restauratie van de oude staatsregeling viel

-ocr page 78-
-ocr page 79-
-ocr page 80-

uit het huis van oranje.

niet te denken, en dus ook niet aan restauratie van het stadhouderschap. Welke schoone dagen ons volk ook in de 17® eeuw onder de aristocratische regenten-republiek had beleefd, te veel waren in de 18e eeuw hare gebreken aan het licht gekomen, dan dat er aan herleving van dien ouden vorm mocht of kon gedacht worden. Buitendien waren de 18 jaren, sedert de vlucht van Willem V, niet geheel onvruchtbaar voor de staatkundige ontwikkeling van ons land geweest. Reeds de Bataafsche Republiek had na eindeloozen strijd het beginsel der eenheid van den Staat aangenomen en het groote euvel van het provincialisme vernietigd, terwijl de nooden en angsten van den Franschen tijd, bovenal het juk van Napoleon, het volk steeds nauwer hadden aaneengesloten. De ongerijmdheid zelve ware het dan ook geweest, weder in 1813 de regenten der steden te maken tot souve-reinen. Eén souverein moest er wezen, in wien de eenheid van het vaderland haar belichaming kon vinden. En wie was daartoe meer aangewezen, dan de afstammeling van dat Oranje-huis, welks invloed en macht in de Republiek steeds was vergroot, dat in de donkerste dagen meer dan eens onze redding was geweest en om hetwelk zich ook thans het volk als één man zou scharen, om het ééne vaderland te behouden?

Die historische roeping moest Willem Frederik als Koning Willem I vervullen. Zonder het geniale van de eerste Oranjevorsten uit de mannelijke lijn van den Vader des Vaderlands te bezitten, treffen

57

-ocr page 81-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

we vele trekken bij hem aan, die hij gemeen had met vroegere vorsten uit dat huis. Vele deugden kenmerkten onzen eersten Koning. Bij uitnemendheid werkzaam en ijverig, toegerust met een zeer helder verstand en een sterk geheugen, geleid door een plichtsbesef en een wilskracht, die ook van zelf «les défauts de ces qualitésquot; met zich voerden, was Willem I oprecht bezield van de begeerte, om het land, aan zijn zorg toevertrouwd, werkelijk groot en welvarend te zien. Niet alleen is het hem gelukt, de oude partijschappen voor goed te bezweren en alle Noord-Nederlanders als één man te scharen om zijn troon, maar onberekenbaar zijn de stoffelijke weldaden, die ons gansche vaderland in alle hoeken aan zijne zorg heeft te danken. Wanneer we ons den lagen stand van den vaderlandschen ondernemingsgeest in den aanvang onzer eeuw herinneren en ons daarbij te binnen brengen, dat het spoorwegverkeer nog niet bestond, dan zal niemand ontkennen dat door het graven van een menigte kanalen, het verbeteren van havens, de stichting der Nederlandsche handelmaatschappij, de instelling van de maatschappij van weldadigheid, de oprichting van tal van industrieele ondernemingen, kortom door alles wat onze volkswelvaart kon vermeerderen, ons vaderland groote verplichting heeft aan Koning Willem I, ook al waren zijne eigene belangen niet vreemd aan alles wat hij deed voor het volk.

Des te droeviger is het, dat een andere karaktertrek van dezen Oranjevorst zijne nagedachtenis heeft bezoedeld. Willem I was eerzuchtig en welk mensch,

58

-ocr page 82-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

welk vorst moet het niet zijn! Doch zijne eerzucht, in plaats van zich te begrenzen tot het volk, dat hem in 1813 als zijn Redder terugriep, koos zich te kwader uur veel wijder banen. Terwijl hij als Souverein Vorst van Nederland werd gehuldigd, was het hem reeds niet onbekend, dat men Nederland met België tot één Koninkrijk wilde vereenigen en met beide handen greep Willem I het voorstel aan, dat na den val van Napoleon op het Congres te Weenen voor goed zijn beslag kreeg, om Koning quot;der Nederlanden te worden.

Ongetwijfeld lag in dat plan eene grootsche gedachte. Of was het niet het ideaal van Willem van Oranje in de i6e eeuw geweest, de 17 Neder-landsche gewesten tot éénen Staat te vormen? Buitendien hoe dikwijls waren niet in den nieuweren tijd de Zuidelijke Nederlanden als het grensland van Frankrijk niet alleen het jammerlijk tooneel van den oorlog, maar ook de groote twistappel van de Europeesche Mogendheden geweest 1 Hoe begrijpelijk, dat de Europeesche diplomatie na den val van Napoleon in een vereenigd Koninkrijk van Holland en België den besten voormuur tegen Frankrijk zag! Doch Willem I had zelfkennis genoeg moeten bezitten, om te weten dat die taak zijne krachten te boven ging en met de geschiedenis rekening moeten houden, volgens welke de ver-eeniging van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden onder één bestuur een onoplosbaar probleem was. Terecht is gezegd, dat eerst de toekomstige geschiedschrijver van de jaren 1815—30 zal kunnen

59

-ocr page 83-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

uitmaken, welk aandeel Koning Willem I en welk aandeel het volk van Nederland en België gehad heeft aan het mislukken van de poging, om beide Rijken te vereenigen (25); maar ook zonder dat oordeel af te wachten, kan met grond beweerd worden, dat onze eerste Koning nooit die vereeni-ging onder zijn bestuur had moeten willen aanvaarden.

Om de vereeniging dier beide landen onder ééne regeering te doen gelukken, waren hoedanigheden noodig, die Willem I zeker niet bezat; ja zelfs hij had eigenschappen, die hem daarvoor ten eenen-male ongeschikt maakten. Toen de Erfprins in 1813 werd ingeroepen en hem de Souvereiniteit werd aangeboden, toen luidde wel zijn woord aldus: »Ik aanvaard wat Nederland mij aanbiedt, maar ik aanvaard het alleen onder waarborging eener wijze constitutie, welke Uwe vrijheid tegen volgende mogelijke misbruiken verzekert; ik aanvaard het in het volle gevoel der verplichting, die mij deze aanneming oplegt (26).quot; Het mag echter met grond betwijfeld worden of Willem I zich ooit van de plichten van een constitutioneel vorst heeft rekenschap gegeven. Zijn karakter kon zich niet schikken in de plooien van den constitutioneelen koningsmantel. Het te rade gaan met de neigingen en gezindheden van zijn volk lag niet in zijn aard en dit ware niet minder ten opzichte der Belgen dan der Noord-Nederlanders onmisbaar geweest. De grondwetten van 1814— 15 waren er dan ook grondwetten naar! Al wat zweemde naar staatkundige rechten was er zoo goed als uit geweerd. Geen vrije ver-

6o

-ocr page 84-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

kiezing der Staten-Generaal, geen openbaarheid in de behandeling der Staatszaken, geen toezicht op de financiën. Den Koning werden rechten toegekend, geheel in strijd met de eerste beginselen van een »wijze constitutiequot; (27). En het is bekend hoe afkeerig Willem I, ook na den droevigen afloop van onze vereeniging met België, van grondwetsherziening bleef. »Voor hem was de natie het levenloos voorwerp, waarop hij datgene beproefde, wat naar zijn oprechte overtuiging voor haar het nuttigst was.quot; (28) Ook de grondwet van 1840, die hem werd afgeperst, bevatte weinig verbetering. Zijn karakter strookte nu eenmaal niet met eene parlementaire regeering, noch met ministerieele verantwoordelijkheid.

Toch ware het onbillijk, om van die gebreken den Koning alleen de schuld te geven. Van ons tegenwoordig standpunt beschouwd, kan er van eene wijze constitutie van Willem I niet dan glimlachend gesproken worden. Doch het politieke leven van het volk stond in zijn dagen ook op zeer laag peil. Men nam in de publieke zaak geen deel. Men gaf zich eenvoudig vol vertrouwen over aan het wijs bestuur van den Vaderlijken Vorst; eerst in zijn laatste regeeringsjaren ontstond er oppositie tengevolge van 's Konings onverzettelijkheid en den hollenden achteruitgang van den financieelen toestand van het land. De eerste 10 jaren zijner regeering waren zeker de weldadigste voor de natie, vooral voor haar stoffelijke welvaart. De indruk naar buiten was zelfs in die dagen zeldzaam gunstig. Mad.

6l

-ocr page 85-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

02

de Stael sprak toen van het huis van Oranje, »welks vorsten nu zoowel als voorheen de verdedigers der onafhankelijkheid en de hoeders der vrijheid waren.quot; Na 1825 kwamen echter al de ellendige gevolgen van onze vereeniging met België aan het licht en N. Nederland bleef zelfs na de scheiding daaronder nog jaren lang zuchten. Doch hoe onbevredigend ook het laatste gedeelte van de regeering van Koning Willem I geweest zij, voor de herleving onzer nationaliteit, voor de eenheid van den N. Neder-landschen Staat en voor de stoffelijke welvaart van ons volk heeft ongetwijfeld zelfs die regeering met al haar schaduwzijden nog goede vruchten afgeworpen. En daarom, hoe gering ook onze sympathie voor onzen eersten Koning moge zijn, toch kan en moet ook zijn beeld nog tot ons blijven spreken.

egenover het onsympathiek karakter van Willem I heeft de ridderlijke figuur van zijn zoon Willem George Frederik Lodewijk, die slechts 8 jaren over ons land als Koning WILLEM II heeft geregeerd, steeds uitgeblonken. Terwijl zijn vader na den mislukten tocht naar Noord-Holland in 1799 nooit meer het zwaard uit de schede trok en zich zelfs een tijd lang door Napoleon liet schadeloos stellen door het vorstendom Fulda, was zijn oudste zoon, in 1792 geboren, reeds in zijn jongelingsjaren niet terug te houden van persoonlijke deelneming aan den strijd tegen den Keizer der Franschen. Tusschen de jaren 181 1 en 1813 maakte hij den

-ocr page 86-

WiLXEM

JKoninq örr (öraot-1)nrtoq ran

Gegraveerd door A. B. B. Taurel naar de schilderij van J. A. Kruseman.

-ocr page 87-
-ocr page 88-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

eeuwig gedenkwaardiger! oorlog in Spanje mede, die nog vóór den Russischen veldtocht tot Napoleons val heeft geleid. De lofwaardigste getuigenissen omtrent zijn ridderlijk gedrag gaf in die dagen de beroemde Engelsche opperbevelhebber Wellington. Twee jaar later verhoogde de slag van Waterloo zijn reeds gevestigden roem en hoe het bloed des dapperen door zijne aderen vloeide, werd tijdens de Belgische Revolutie voor ieder openbaar, toen hij drie dagen lang in de oproerige hoofdstad Brussel vertoefde, aan allerlei gevaren blootstond en met zijn broeder Prins Frederik den tiendaagschen veldtocht leidde.

Acht-en-veertig jaren oud, werd hij bij den troonsafstand zijns vaders (1840) diens opvolger als Koning. Het zou toen de vraag zijn, of de Ridder ook een Koning kon wezen. De grondwetsherziening van 1840 was tot stand gekomen; dus kon de nieuwe Koning met zijn volk een nieuw leven aanvangen. Want hoe weinig de grondwet ook was verbeterd, van de toepassing en van de meerder of minder ruime uitlegging daarvan hing alles in die dagen af. Kort duurde het, of daarbij openbaarde zich het zwakste punt van den nieuwen vorst. Reeds Wellington had bij hem in de dagen, dat hij aan zijne zijde in Spanje vocht, gemis aan zelfvertrouwen opgemerkt 29). En dat gemis, dat hem nooit de bewustheid gaf, door eigen vastheid te kunnen staande blijven, heeft ook op de achtjarige regeering van Willem II een zekeren stempel gedrukt. Wij zullen niet over 't hoofd zien het vele goede, dat

63

-ocr page 89-

64 DE STADHOUDERS EN KONINGEN

die korte regeering heeft gekenmerkt. Doch wat moesten er in de eerste jaren daarvan 'n begrootingen worden afgestemd en 'n ministers van financiën vallen, voor en aleer de koe bij de horens gegrepen werd en van Hall door zijn «vrijwillige leeningquot; het land van het staatsbankroet redde. En zoo ging het eveneens met de staatkundige hervorming in de dagen van Koning Willem II. Steeds meer ontwaakte het staatkundig leven en werd er om een grondwetsherziening geroepen, die niet langer de volksbelangen buiten den invloed van het volk zou plaatsen. Doch de Regeering en met name Willem II was daartoe alles behalve geneigd. Wel dankte hij het volk voor den goeden geest, dien het getoond had door het volteekenen van de inschrijving der vrijwillige leening en zelf droeg hij krachtig daaraan bij, maar datzelfde Nederlandsche volk te erkennen als burgers, die ook aanspraak hadden op hunne rechten, daartoe kon de Regeering van 1844 niet besluiten. Onbeschroomd gaf da Costa op de vraag, of het thans plicht was:

Dicht omwikkeld in den mantel van een angstig zelfbehoud Te gaan sluim'ren op de stapels van het aangebrachte goud,

dit antwoord:

Geen van beiden! geen van beiden waarborgt immer Neerlands lot. Neen geen sluimer, neen geen stilstaan, al wat leven mist, mist God!

Doch eer dat leven, dat nieuwe leven in de wetten kwam, moesten wederom vier bange jaren verloopen, totdat eindelijk het jaar 1848 den Koning

-ocr page 90-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

dwong, toe te geven en hem tot een ruime herziening der grondwet deed besluiten. Ook in dat talmen en toch eindelijk gedwongen toegeven, openbaarde zich 's Konings gemis aan zelfvertrouwen.

Toch is het een groot geluk, dat de grondwet van 1848 aan den naam van onzen tweeden Koning is verbonden. Voor zijn sterven, dat helaas! zoo spoedig (Febr. 1849) volgde op de afkondiging van die nieuwe fundamenteele wet (Nov. 1848), had Willem II zich daardoor onsterfelijk gemaakt voor zijn volk. Want hoe ook in later tijd weder nieuwe ontwaakte behoeften tot herziening dier grondwet leidden, die van 1848 was voor den tijd, waarin ze gemaakt werd, een »wijze constitutie.quot; Van de plichten van den grondwettigen Koning had Willem I niets begrepen; zijn zoon, hoewel ter elfder ure den tijdgeest verstaande, reikte door zijn geheel persoonlijke daad de hand aan het volk toe. Wat in andere landen door middel van oproer tot stand kwam, werd hier bewerkstelligd door den wil des Konings, die, hoe lang ook geslingerd, eindelijk toegaf aan den aandrang van het volk om ruimere toepassing van de vrije beginselen. De tijd is hem niet geschonken om de nieuwe wet op het volksleven toe te passen, doch zijn ridderlijke natuur zou hem ongetwijfeld bij langer leven met de grootste trouw die wet hebben doen vervullen. Nogmaals, de grondwet van 1848 is de groote historische verdienste van Koning Willem II, die al zijne persoonlijke gaven en deugden in de schatting van het volk heeft gewijd en zijn onverwacht sterven in de

65

-ocr page 91-

de stadhouders en koningen

66

kracht zijner jaren des te smartelijker maakte. Zijn goedhartigheid en minzaamheid, zijn oprechtheid en eenvoud, zoo duidelijk afgeteekend op zijne gelaatstrekken, waren zijne schoonste sieraden. En daarbij, hoe lief had hij de kunst! Wat had hij een heerlijke kunstschatten verzameld, door welker aanschouwing ook zijne dochter Sophie, de overleden hertogin van Saksen-Weimar, tot een kunstzin werd opgeleid, waarvan Duitschland zooveel schoone vruchten plukt. »Zoolang er, zeggen wij met Bosscha (30), eenig nationaal gevoel in volgende geslachten zal leven, zullen deze met dankbaarheid staren op zijn beeld als van den held, die twee malen de eer van den Nederlandschen naam heeft gewroken en van den Koning, wiens streven was, uit den toestand, dien hij had gevonden, een betere toekomst voor zijn volk te ontwikkelen.quot;

n nu ten slotte. Koning Willem III, die in 1817 geboren werd, in 1849 den troon besteeg en op den 23en November 1889 is overleden. Zijn beeld te schetsen, historisch getrouw, is ten eenenmale nog een onbegonnen werk. Moesten we bij de schets van onzen eersten Koning belijden, dat eerst de toekomstige geschiedschrijver, die over bronnen zal kunnen beschikken, voor ons nog ontoegankelijk, hem naar waarheid zal kunnen malen; hoe dichter we onzen tijd naderen, des te zwaarder wordt die taak; des te onmogelijker hare vervulling. En toch er zijn karaktertrekken ook in het beeld van onzen

-ocr page 92-

Koning Willem III.

(Naar een photographic.)

-ocr page 93-
-ocr page 94-

uit het muis van oranje.

laatsten Koning, die zoo sprekend zijn te voorschijn gekomen, dat we niet aarzelen, de beeldengalerij van de Vorsten uit het huis Oranje-Nassau met zijn beeld, al is het dan niet volkomen, te besluiten.

Wat is bovenal de groote karaktertrek van Willem Alexander Paul Frederik Lodewijk als Koning van Nederland geweest? Voor alle dingen was hij een voorbeeld van een grondwettig vorst. Was zijn grootvader nooit tot het bewustzijn van zulk een Koninklijk bestaan doorgedrongen; had zijn vader Willem II nog grooten strijd gehad, zich daarmede te vereenzelvigen ; van Willem III kan volmondig getuigd worden, dat hij als constitutioneel Koning een hoog voorbeeld van vorstelijke plichtsbetrachting heeft achtergelaten. Zeggen we niet, dat dit weinig beduidde. Want het moet dezen Koning met zijn Russisch bloed in de aderen, met zijn opbruisend karakter, vaak groote zelf beheersching gekost hebben, eigen persoonlijke meening op te offeren aan den uitgedrukten wil van het volk. Herinneren we ons daarbij, hoe het langdurig tijdperk zijner Regeering, door felbewogen partijstrijd is gekenmerkt, welke volkshartstochten er in 1853 in het spel waren, hoe op het gebied van het onderwijs en de koloniën de brandendste vraagstukken moesten worden opgelost j hoe gespannen de buitenlandsche toestanden vóór den Fransch-Duitschen oorlog waren en hoe gioot de gevaren, dat wij door de Luxemburgsche questie daarin gemengd werden — dan stijgt onze eerbied voor Willem III, die gesteund door wijze

67

-ocr page 95-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

raadslieden, zulk een langdurig vredes-tijdperk ons heeft geschonken.

Wat is daarbij niet met reuzenschreden ons volk sedert 1848 op stoffelijk gebied vooruit gegaan 1 De volksgeest was ontwaakt, maar ook de Koning liet niet na, veel te steunen, wat de welvaart kon vermeerderen. Bekend is, dat Willem III niet minder gaarne dan de Koning-Stadhouder Willem III op het Loo vertoefde. Evenzeer als de laatstgenoemde, van regeeringszaken in Londen of van zijne veldtochten afgemat, snakte naar de bosschen van het Loo, zoo leefde ook koning Willem III eerst recht, als hij op dat lustslot vertoefde. Ongaarne was hij zelfs in de hofstad, hetgeen waarschijnlijk de oorzaak was van zijn mindere populariteit aldaar. Op 't Loo daarentegen was hij zeer populair. Talloos zijn de verhalen omtrent zijn omgang en 'bekendheid met de dorpsbewoners van Apeldoorn en omstreken en als men tot de kern dier verhalen doordringt, dan blijkt daaruit, hoe veel goedheid er woonde onder de schijnbaar ruwe schors. Want driftig en opvliegend van aard was hij in hooge mate; dat is genoegzaam bekend en bij zeldzame ontmoetingen, als die zijde van zijn karakter naar buiten kwam, maakte dat een onaangenamen indruk. Langduriger vertoef echter maakte den Koning bemind — want dan kwam ook telkens de edelaardige zijde van dat karakter helder uit. Terecht is over die beide naturen van den Koning opgemerkt, hoe zelden die bij eenig vorst, als ze met elkander in strijd zijn, tot een harmonieus geheel

68

-ocr page 96-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

kunnen worden opgelost (31). Verscheiden inrichtingen, bovenal de school »Willem IIIquot; te Apeldoorn, strekken ten bewijze, hoeveel hart de Koning had voor alle zaken van openbaar nut. »Ik heb den Koning altijd bereid gevonden voor beste dingen,quot; zegt prof. G. J. Mulder van hem in zijn Levensschets. »Had Z. M. steeds vrije en onafhankelijke raadsleden gehad, Nederland zou een model hebben kunnen worden van protectie, verleend aan goede, openbare zaken.quot; Uit mededeelingen van denzelfden schrijver, die persoonlijk veel met hem in aanraking kwam, blijkt niet minder, dat Willem III wars was van vleierij en de eerlijke oprechte uiting der waarheid gaarne vernam.

Van algemeene bekendheid zijn het optreden van den Koning tijdens den watersnood in 1863, de gevaren, die hij toen trotseerde en de hulp door hem verleend. In verband met al het goede, dat hij op het Loo verrichtte, is de Fransche woordspeling op zijn gedrag tijdens dien watersnood, niet onaardig: »11 est grand par l'eau.quot; Zijne kunstliefde was een erfenis zijns vaders. Evenals deze een groot minnaar der schilderkunst, vroeg Willem III bijna ieder jaar schilders van naam bij zich op het Loo te gast en verzuimde hij nooit een bezoek aan de belangrijke schilderijen-tentoonstellingen. Toch deelde de muziek nog meer in zijn gunst; zelf was hij daarvan een getrouw beoefenaar en de steun, dien hij aan zangers en zangeressen van aanleg schonk, vervult tot heden menig hart nog van dank.

Hoevelen onzer tijdgenooten staat zijn zilveren

69

5

-ocr page 97-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

kroningsfeest in het jaar 1874 met al zijn luister nog voor den geest, terwijl ouderen zich eveneens nog het schitterend feest van 1863 herinneren. Kort echter na het eerstgenoemde feest, volgden de zwaarste slagen elkander op. Binnen enkele jaren stierven zijn hoog ontwikkelde eerste echtgenoote Sophie van Wurtemberg; de kroonprins, van wien zoo groote verwachting was gekoesterd, zijn broeder Prins Hendrik en zijn oom Prins Frederik. Het hofleven in den Haag was uitgestorven en een poos lang had het er allen schijn van, of de Koning zelf liep gevaar, onder al die grievende smarten onder te gaan; tot op eens de blijde mare Nederland doortrok: In Emma van Waldeck-Pyr-mont heeft zich Willem III een nieuwe levensgezellin gekozen. Het was, alsof het volk zelf door dien nieuwen echt met den Koning opleefde; vooral toen op den 3ien Augustus 1880 de roepstem weerklonk van stad tot stad en van dorp tot dorp: Eene Prinses is ons geboren. En sedert heeft de man aan de zijde van zijn tweede gemalin misschien

wel de gelukkigste jaren zijns levens gekend, omringd

door een liefhebbende echtgenoote en aangestaard door de blijde hope van Nederland. In 1889 stierf hij en zijn naam zal in Nederland's geschiedenis verbonden blijven aan de herinnering van een veertigjarig tijdperk in de \ge eeuw van vrede, bloei en vooruitgang. Wie hij overigens moge geweest zijn, daarover zal de toekomstige geschiedenis gericht houden; doch dat staat vast, dat hij gestreefd heeft om het schoone Koninklijk woord op te volgen,

-ocr page 98-

uit het huis van oranje.

door hem bij de grondlegging van het Gedenk-teeken van 1813 in 1863 ontboezemd; »Een Prins van Oranje kan nooit, neen nooit, genoeg doen voor het volk van Nederland!quot;

ij zijn overtuigd, dat dit ook de levensleus zal wezen van zijn eenige dochter wllmel-mina Helena Paulina Maria, die thans onze regeerende Koningin zal worden. Het gansche volk van Nederland treedt Haar met blijde jubelkreten tegemoet en waar Zij gedragen wordt op den troon door de onverdeelde volksliefde, daar zal het ook ongetwijfeld Haar bezielende levensgedachte zijn, dat eene Prinses van Oranje nooit, neen nooit, genoeg kan doen voor het Nederlandsche volk.

Voor het Nederlandsche volkl Ernstig, hoog ernstig zijn de tijden, die wij beleven, met het oog op het volksbewustzijn. Gevaar, om onze onafhankelijkheid te verliezen, bestaat er thans niet; maar des te grooter gevaar, om te vergeten, dat elk volk en dus ook het onze eene compacte gemeenschap moet wezen, waarvan alle deelen aan elkander ten nauwste verbonden en voor elkander aansprakelijk en verantwoordelijk zijn. In het begrip van natie ligt toch niet alleen de nationale maar even zeker de sociale gedachte Eere onzen vroegeren vorsten, stadhouders en koningen, die de nationale idee van het Nederlandsche volk. hebben willen verwezenlijken. Zoo ooit die idee weder gevaar liep, we zijn er van overtuigd, dat niet alleen het

71

-ocr page 99-

DE STADHOUDERS EN KONINGEN

72

leger maar het geheele volk zich om den troon van Wilhelmina zou scharen, teneinde onze onafhankelijkheid te verdedigen. Doch ook het volk als sociale gemeenschap kan in eene grondwettige monarchie zijn grootsten steun en bondgenoot vinden. Driewerf eere daarom zou Koningin Wilhelmina toekomen, indien Hare regeering de uitdrukking werd niet alleen van de nationale, maar thans vooral van de sociale idee onzer volksgemeenschap. Als die idee door onze nationale monarchie kloekmoedig wordt gesteund, dan eerst zal ons volk in al zijn vertakkingen en leden groeien en bloeien 1 Heerlijke toekomst zou het zijn, als onze jonge Koningin, zelf bestraald door den vollen zonneschijn van sociale rechtvaardigheid, het gansche volk in de warmte van dien zonneschijn liet deelen. Anders was de roeping van de Vorsten uit het Oranje Nassau-huis voorheen en thans. Moge het Wilhelmina gegeven worden, den geest des tijds te verstaan en als eerste regeerende Prinses van Oranje ons geheele volk als sociale gemeenschap ten zegen te komen. Het gerucht gaat van Haar uit, dat Zij is eene beminnares van de historie. Zoo dit waarheid behelsde, ik zou mij daarin oprecht verheugen. Want bovenal voor vorsten en vorstinnen is er geen beter leerschool dan de geschiedenis; niet wanneer deze hun dienen moet ter verheerlijking van een vervlogen tijdperk, welks luister ze herstellen willen, maar wanneer de historie ooji door hen gekend wordt als de machtige strooming, die ter beschaving voert. Die strooming heeft vaak in haar geweld ook vorsten

-ocr page 100-

UIT HET HUIS VAN ORANJE.

meegesleept; doch ze wijst ons ook op velen, die leidsterren van de cultuur zijn geworden. Mocht Nederland aan de hand van Koningin WlLHELMINA een nieuw gouden tijdperk van zijne geschiedenis te gemoet gaan! Met zooveel edele en groote voorgangers op den stadhouderlijken zetel en op den Koninklijken troon hebben wij van Hare Regecring de stoutste verwachting.

AANTEEKENINGEN.

1) Deze rede komt voor in de November-aflevering van het Tijdschrift: Kosmopolis en is vertaald opgenomen in het December-nummer van de Wetenschappelijke bladen.

2) Vgl. Wagenaar, Vaderl. Historie III, bl. 297.

3) Zie het geslachtsregister.

4) Goethe, Torquato Tasso ie Bedr. 2e Tooneel.

5) Woorden van Hooft uit zijne beschrijving van den Prins in zijn Nederlandsche Historiën.

6) In zijne Apologie van het jaar 1580 deelt de Prins die ervaring mede alsook de stem zijns gemoeds, die toen in hem sprak. Het kan zijn, dat die mededeeling eenigs-zins dramatisch is gekleurd; maar het feit zelf staat vast.

7) Zie mijne Staatk. Geschiedenis van Nederland en mijne bewerking van Miss Putnam's Willem de Zwijger.

8) Uitgave van J. P. Hasebroek, bl. 193.

9) Frederick Harrison, William the Silent Lond. 1897 P- 239.

10) Vgl. de genealogische tafels bij Fred. Harrison Appendix A.

73

-ocr page 101-

AANTEEKENINGEN.

11) Zie over Anna van Saksen mijne bewerking van Miss Putnam's Willem de Zwijger I, bl. 297—311.

12) Vgl. S. van Slingelandt, Staatk. Geschr. I, bl. 104 vlg.

13quot;) Prof. R. Fruin Gids 1858 II.

14) Uit Vondel's Lofzang op de Scheepvaart (1612).

15) Zie vooral het prachtwerk van Prof. P. L. Muller: Onze gouden eeuw.

16) Over Willem III vooral Macaulay, Prof. Fruin, Gids 1889. Generaal Knoop enz.

17) Zie Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland bl. 291.

18) Zie daarover bijzonderheden o.a. bij Jorissen, Historische bladen. De Republiek in de eerste helft der 18e eeuw bl. 224 vlg.

19) Aan die onbillijkheid maakt zich Jorissen in bovengenoemde studie schuldig. Ook mijne beschouwing over Willem IV in mijne Staatk. Gesch. van Nederland II, bl. 171—187 is eenzijdig donker gekleurd.

20) W. H. de Beaufort, Engelsche en Hollandsche Vrijhandelsplannen. Geschiedk. Opstellen I, 146—172.

21) Ranke, Briefwechsel Friedr. des Gr. mit Willi. IV, S. 14.

22) Bilderdijk.

23) Zie o.a. mijn geschrift: De hertog van Brunswijk.

24) Busken Fluet, Litt. Fant. IVe Reeks 9e dl. bl. 148.

25) Beaufort, Geschiedk. Opstellen II, bl. 188.

26) Uit de proclamatie van het Raadhuis van Amsterdam 2 Dec. 1813.

27) Zie vooral hierover het belangrijk boek van Prof. Teilegen. De wedergeboorte van Nederland. Gron. 1884.

28) Beaufort, Geschiedk. Opstellen, Dl. II, bl. 160.

29) Bosscha, Het Leven van Willem den Tweede, bl. 144. »He is very shy and diffident.quot;

30) — bl. 741, 742.

31) Joh, Gram, Willem III, bl. 33.

74

-ocr page 102-

Geslachtsregister van de Stadhouders en Koningen uit het Huis Oranje-Nassau.

Hendrik van Nassau. (broeders) Willem de Oude. (Stadh. t. Holland en Zeeland) (Graaf van Hassau)

Kéné van Chalons en Oranje.

(t 1544)

1. Willen* van Oranje.

(de Zwijger)^1559—1584.

O Marrit». 3. FicdciilTnendiik. -WillemLodewijk. Ernst Kasimir.

quot;i5'S3_]025. 1023-10«. (Stadh. v. Friesland) (Stadh. v^Fnesland)

4. Willem II.

1647—1650.

Albcrtine Agnes. gehuwd. Willem Frederik. Hendrik Kasimir.

(Stadh. v. Friesland) (Stadh. v. Friesland)

Hendrik Kasimir II. (Stadh. v. Friesland)

!

Jan Willem Fri«o.

(Stadh, v. Friesland) (t 1711)

5. Willem III.

1672—1702. [Kinderloos overleden)

6. Willem IV.

1747-1751.

1

7. Willem quot;V.

1766-1795.

8. Koniiiff Willem I.

1813 —1S40.

1

9. Konine Willem II.

1840—1S19.

1

10. Koninsf Willem III.

1840-1SS9.

Koningin Willielmina.

-ocr page 103-

GENEALOGISCHE AANTEEKENING.

Volgens de Grondwet (art. 14) is bij ontstentenis van zonen en dochters van een koning uit liet huis Oranje-Nassau, de prinses, die den laatstoverleden koning, in de lijn der afstamming van wijlen koning Willem Frederik (Willem I), liet naast bestaat tot den troon gerechtigd. Bij eventueel kinderloos overlijden van koningin Wilhelmina was derhalve Sof hie van Saksen-Weimar, zuster van koning Willem 111 en zouden thans, nu zij is gestorven, hare nakomelingen (art. 14, al. 3) de wettige opvolgers zijn. Dit is haar tweede kleinzoon Bernard Heinrich (geb. 1878) (vgl.

Grondwet, art. 23). _ • c 1

Bij ontstentenis van nakomelingen van prinses Sophte van bak-sen-Weimar, zou de dochter van prins Frederik, Marie, gehuwd met den prins von Wied de in art. 14 bedoelde prinses zijn, die recht tot opvolging heeft. Mochten ook hare nakomelingen ontbreken, dan zou wijlen prinses Marianne, zuster van koning Willem II en gehuwd met prins Albert van Pruisen, de aangewezene zijn en zouden de zoons van Albert, regent van Brunswijk, aanspraak hebben. Bij gemis van nakomelingen zelfs uit die lijn zouden volgens art. 15 van de Grondwet troonopvolgers zijn nakomelingen van prinses Caroline, zuster van prins \\ illem , gehuwd met den graaf van Nassau-Weilburg (18e eeuw).

Buitendien is koningin Wilhelmina aan de meeste vorstenhuizen van Europa verwant. Allereerst aan de Hohenzollems, met alleen door de huwelijken van Willem V en koning Willem I met Duitsche prinsessen, maar vooral door de gezamenlijke afstamming van den

Zwijger. De groote keurvorst toch (17e eeuw) was gehuwd met Louise

Henriette, dochter van Frederik Hendrik. Keizer Wilhelm II is. dus evenzeer als koningin Wilhelmina een afstammeling van den grooten Oranje. Czaar Nikolaas II is dit eveneens door het huwelijk van Nikolaas I met eene zuster van keizer Wilhelm I. Ook koningin Victoria, als afstammelinge van Ernst August van Hannover, gehuwd met een achter-kleindochter van den Prins van Oranje, is in den negenden graad aan den Vader des Vaderlands verwant. De meeste andere vorsten van Europa stammen in den loden of i iden graad van Oranje af, zoodat werkelijk diens bloed stroomt door de aderen der meeste vorstengeslachten van heden.

-ocr page 104-
-ocr page 105-
-ocr page 106-
-ocr page 107-