ocr page 1

NEDERLANDSCH

OOST- ES WEST-IHIE,

TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS,

DOOR

P. yVlTTON,

OUD-LEERAAR AAN HET GYMNASIUM TE 's-GRAVENHAGE.

ïierde, omgewerkte eii vermeerderde druk.

Met platen, kaartjes en grafische figuren.

ocr page 2

IND. STUD, oct.

233

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

t/

U. JLC A- m

NEDERLANDSCH

OOST- EN WEST-iNDIÈ,

P-

TEN DIENSTE VAN HET ONDERWIJS,

DOOR

I. ^UTTON,

Oud-Leemar aan het Gymnasium te 's-Gravenhacje.

Vierde, omgewerkte en yerieerderde druk.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1406 7627

P. NOOEDHOFP. — 1897. — GRONINGEN.

Fonds ten behoeve van Indolagische Studiën aan Rijks Universiteit t» Utrecht.

ocr page 6
ocr page 7

VOORBERICHT VAN DEN EERSTEN DRUK.

Gelijk in het Voorbericht van het „Beknopt Leerboek der Aardrijkskundequot; door den ondergeteekende werd yezegd, is het volgens zijne meening ivensche-lijk, de Koloniën en Bezittingen afzonderlijk en meer uitvoerig te behandelen.

De belangstelling in en de kennis van die streken, ivelke met ons vaderland in zoo menig opzicht nauw verbonden zijn, moet zooveel mogelijk tvorden bevorderd. Daartoe kan ook een afzonderlijk leerboek op de school medewerken.

Door aanhalingen uit de beste reisbeschrijvingen is hier en daar getracht de voorstelling levendig te maken. Ik geloof, dat die manier heilzaam werkt niet slechts voor het oogenblik van 'lt; lesuur, maar ook ter opwekking en verdere belangstelling in 't vervolg.

Bij de samenstelling ontving de ondergeteekende menigen. nuttigen wenk van den Heer A. W. Stem,wagen, leeraar aan het gymnasium alhier, wien de ondergeteekende daarvoor erkentelijk is.

Januari 1886. A.

VAN DEN TWEEDEN DEUK.

Een driejarig gebruik van het leerboekje schonk gelegenheid enkele zaken te wijzigen, waarbij ook met erkentelijkheid partij werd getrokken van opmerkingen van anderen.

Bevestigd werd ondergeteekende in zijne meening — tegenover die, uitgedrukt in het Verslag van het Aardrijkskundig Genootschap, Jaargang 1886, blz. 430 e. v. —, dat in een werkje als V hier aangebodene, geene uitvoerige orographische en geologische beschouwingen thuis behooren. Jlet is hier de plaats niet, dit gevoelen nader toe te lichten; wij hopen echter, dat steeds meer de belangstelling in de koloniën zal toenemen, vooral bij het jonge geslacht en hiertoe is — naast noodzakelijke topographische kennis, die bij voorkeur verworven moest worden van de menigvuldige goede kaarten onzer dagen —, het bespreken van toestanden van't volk, in verband met de natuur der woonplaats, zeker 't meest geschikt.

April 1889. A.

ocr page 8

VAN DEN DERDEN DRUK.

Het is een gelukkig feit, dat in de laatste jaren onze rijke bezittingen in Azië en Amerika in ruimeren kring belangstelling wekken; is dit misschien ten deele een gevolg van meerdere bekendheid met die landen, omgekeerd valt zeker daardoor bij 't onderwijs in de Aardrijkskunde meer en meer eene opzettelijke en wat uitvoerige behandeling aan Oost- en West-Tndië ten deel. Ken gelukkig feit, want niet alleen is de schoone en rijke natuur dier verre gewesten ruimschoots eene kennismaking ivaard, eene meer algemeene bekendheid met ons uitgestrekt koloniaal gebied is tevens de beste waarborg voor 't behoud dier rijke bezittingen ook in de toekomst.

Het komt ons voor, dat inderdaad bij 't onderwijs in aardrijkskunde, na en naast het moederland, gerust eene vrij ruime plaats mag ivorden toegewezen aan eene behandeling van Oost- en West-Indië, aan de hand ook van een der vele in de laatste jaren verschenen schooluitgaven.

Deze dei-de druk is herzien en tevens verfrischt door hier en daar eene nieuwe schets in te lasschen, terwijl aan 't slot van het werkje eenige illustraties zijn toegevoegd.

Juni 1893. A.

VAN DEN VIERDEN DRUK.

Voor deze nieuwe uitgave is het iverkje zorgvuldig herzien en omgi werkt. Eenige grafische voorstellingen — in den geest van die, welke voorkomen in het Beknopt Leerboek der Aardrijkskunde — zijn opgenomen, om misschien een meer blij venden indruk te geven van enkele grootte-verhoudingen, terwijl een groot aantal typische illustraties in den tekst zijn gevoegd, om de juistheid van voorstelling te bevorderen en de leesstof aantrekkelijker te maken.

September 1897. A.

ocr page 9

INHOUD.

Pag.

Hoofdstuk I. Overzicht van den Oost-Ind. Archipel.

§ 1- Ligging................................1.

§ 2. Grootte en Indeeliüg............3.

§ 3. Niet-Nederlandsch gebied..........5.

tj 4. Nederlandsch gebied............7.

§ 5. Nadere indeeling v. d. Buitenbezittingen.....8.

Hoofdstuk H. Bodem en rivieren van .Java.

§ 6. Het laagland..............9.

§ 7. Het bergland..............13.

§ 8. Het vulkanisme..............15.

Hoofdstuk III. Bodem en rivieren v. d. Buitenbezittingen.

§ 9. Soematra................19.

§ 10. Borneo................23.

§ 11. Selebes................25.

Hoofdstuk IV. Het klimaat.

§ 12. Temperatuur en wind...........26.

§ 13. Regen.................28.

Hoofdstuk V. De plantenwereld.

§ 14. Overzicht volgens Junghuhn.........30.

§ 15. Cultuurgewassen.............37.

§ 16. Specerijen................47.

§ 17. Olie, hout, verf, hars, gom.........60.

Hoofdstuk VI. Het dierenrijk.

§ 18. Zoogdieren...............53.

§ 19. Vogels, enz...............57.

Hoofdstuk VH. Het delfstoffenrijk.

§ 20. Delfstoffen...............62.

ocr page 10

Pag.

Hoofdstuk VIII. Ethnographic.

§ 21. Overzicht................66.

§ 22. Inlandscho bevolking............68.

§ 23. De Hindoe-periode.............70.

§ 24. De Arabieren en de Chineezen........73.

§ 25. De Europeanen in de Koloniën........75.

Hoofdstuk IX. Bestuur.

ij 26. Gouverneur-Generaal en Raad van Indië.....79.

§ 27. Algemeen burgerlijk bestuur.........80.

§ 28. Rechtspraak...............82.

§ 29. Land- en Zeemacht............83.

Hoofdstuk X. Nadere bijzonderheden over Java.

g 30. Bevolking................84

g 31. Dorpen en huizen der Javanen........85.

§ 32. Landbouw...............89.

§ 33. Staatshuishouding.............92.

§ 34. Zeden en gewoonten der Javanen........96.

§ 35. Residenties van Java............105.

§ 36. Middelen van verkeer............107.

§ 37. West-Java...............109.

§ 38. Midden-Java...............117.

§ 39. Oost-Java................121.

§ 40. Gemeenschap niet Buitenbez. en Moederland. . . . 125.

Hoofdstuk XI. Soematra.

§ 41. Natuurlijke gesteldheid...........126.

§ 42. Gouv. v. Soematra's Westkust.........127.

§ 43. Drie Residentiën van Zuid-Soematra.......132.

g 44. Het Gouvernement van de Noordkust......134.

§ 45. De Bataklanden.............136.

§ 46. De res. Oostkust van Soematra........137.

§ 47. De res. Riouvv en Onderhoorigheden......138.

Hoofdstuk XII. Borneo.

§ 48. Natuurlijke gesteldheid en bevolking......140.

§ 49. Producten...............144.

§ 50. Plaatsen................146.

Hoofdstuk XIH. Selebes.

§ 51. Overzicht................148.

§ 52. Res. Menado...............150.

§ 53. Gouv. v. Selebes en Onderhoorigheden......151.

ocr page 11

Pag

Hoofdstuk XIV. De Kleine Soenda-eilanden.

§ 54. Overzicht................152.

g 55. De res. Timor..............153.

g 56. Ees. Bali en Lombuk............155.

Hoofdstuk XV. De Moluksche Archipel.

§ 57. Overzicht................157.

g 58. De res. ïernate.............158.

§ 59. De res. Ambon..............161.

Hoofdstuk XVI. Nederl. West-Indië.

§ 60. Historische bijzonderheden..........164.

g 61. Overzicht................165.

Hoofdstuk XVII. Suriname.

§ 62. Ligging, bodem, rivieren..........166.

g 63. Klimaat, plantengroei, dierenwereld.......170.

g 64. Bewoners................173.

g 65. Immigranten...............175.

g 66. Europeesche bevolking ...........177.

g 67. Bestuur................181.

Hoofdstuk XVIII Gouv. v. Curacao en Onderhoorigheden.

g 68. Grootte en bevolking............182.

g 69. Natuurlijke gesteldheid...........183.

§ 70. Plaatsbeschrijving.............184.

g 71. Bestuur................186.

Overzicht van Java en Nederland..........187.

Overzicht van de Buitenbezittingen.........188.

Alphabetische lijst van plaatsen met bevolking.....189.

Overzicht van de Koloniale Mogendheden 192.

ocr page 12

Geheel in overeenstemming met dit werk en met Aitton's Beknopt Leerboek wordt de 2e druk bewerkt van R. BOS' Atlas der geheele Aarde in Kaart en Beeld, die binnen kort bij den Uitgever dezes verschijnt.

ocr page 13

HOOFDSTUK I.

Overzicht van den Oost-Indischen Archipel.

§1. Ligging. De Oost-Indische Archipel of Insulinde1) strekt zich ten Zuidoosten van Azië en ten Noordwesten van Australië uit en kan beschouwd worden als eene reusachtige eilandenbrug tusschen deze beide werelddeelen.

In ligging, klimaat, flora, fauna en bevolking vormt deze eilandenwereld een overgang, die in het Westelijke deel aan Azië herinnert; doch in het Oosten meer punten van overeenkomst met Australië vertoont.

De nabijheid van Azië was van veel meer belang dan die van Australië: in 't Zuiden en 't Oosten van Azië woonden volken met eeuwenoude beschaving, en deze volken — Indiërs en Chineezen — zonden weldra hunne kolonisten naar onderscheidene punten van het uitgestrekte gebied, waar de tropische zon rijkdom van producten kan geven, en waar zee en land in oneindige afwisseling tot handel en verkeer uitlokken.

Australië's nabijheid kreeg eerst beteekenis in onze dagen, toen de Engelsche koloniën van Nieuw-Zuid-Wales, Victoria, Queensland de wereld door eene snelle en groote ontwikkeling gingen verbazen.

Terwijl Insulinde nu een schakel vormt tusschen twee werelddeelen , is het tevens eene scheiding tusschen twee wereld-

1

De naam „Insulindequot; (van 'tLat. insula = eiland) werd het eerst door Multatuli aan Nederl.-Indië gegeven en is sedert algemeen geworden. Aitton , Oost- en West-India, 4e druk. 1

ocr page 14

zeeën, nl. den Grooten en den Indischen Oceaan. De ligging in en bij den Indischen Oceaan was altijd en is nog heden ten dage veel belangrijker dan die ten opzichte van den Grooten Oceaan.

Ten opzichte van de Enropeesche wereld kan men de ligging van Oost-Indië het best nagaan door:

a. te letten op de hoofdwegen, die er heen leiden: de weg om het Zuiden van Afrika, voor het eerst geopend in 1497 door Vasco da Gama, 11 jaren nadat Bartholomeo Diaz de Kaap had omgezeild, en die om het Zuiden van Amerika,

door de straat van.....(tusschen het vasteland en den

Archipel van Vuurland), voor het eerst gevolgd in 1519, door Magelhaens. De eerste weg draagt in de geschiedenis der ontdekkingsreizen den naam van Zuidoost-passage, de tweede dien van Zuidwest-passage; langs beide wegen is de afstand ongeveer even groot en vordert voor zeilschepen eene reis van ±; 90 dagen.

In onze dagen is die groote afstand aanzienlijk verminderd: de doorgraving van de landengte van Suez (het kanaal werd geopend in Nov. 1869) heeft den Zuidoostelijken weg voor stoomschepen tot op minder dan de helft van den bovengenoemden tijd verkort. Gemiddeld nemen dagelijks een tiental groote stoomschepen hun weg door het kanaal, op hun uit- of thuisreis tusschen de Europeesche havens en die van Z.-O. Azië.

Ook langs de tweede opgegeven richting zal de verbinding tusschen Europa en Indië aanmerkelijk versneld zijn, als een Panama- of Nicaragua-kanaal den Atlantischen met den Grooten Oceaan verbindt.

h. door het verschil in geographische lengte (afstand in graden tot den len meridiaan) na te gaan tusschen eene plaats in West-Europa, b.v. Amsterdam en het middelpunt van den Archipel, b.v. Batavia.

Opgaven:

1. Bepaal van de kaart dat verschil in lengte, en bereken daaruit het tijdsverschil tusschen Amsterdam en Batavia!

ocr page 15

2. Geef het verschil in lengte en in tijd op tusschen het Westen en het Oosten van den Archipel, b.v. voor Kota-Radja en Ambon!

3. Bepaal de breedte van de steden: Manila (Philip-pijnen), Pontianak (hoofdstad van Borneo's Wester-Afdeeling), Batavia en Koe pang (Timor).

§ 2. Grootte en Indeeling. Binnen de boven opgegeven grenzen beslaan land en water eene gezamenlijke oppervlakte, welke 5 van die van Europa bedraagt.

De oppervlakte van de gezamenlijke eilanden is zt 60maal die van Nederland of 4maal Frankrijk.

Het geheele vierkant de peheele Archipel. Het gearceerde de Ned. bezitt.

ü

Nederland.

De vele honderden grootere en kleinere eilanden kan men naar de ligging onder de volgende indeeling brengen: I. De groote Soenda-eilanden:

Borneo ±22 maal Nederland,

So e ma tra ±; 13 „ „ ,

C Selebes ± 5^ „ „ ,

Java (met Madoera) 4 maal Nederland.

1*

ocr page 16

Tot elk van deze eilanden worden de onmiddellijk daarbij liggende kleine eilandjes gerekend; het aantal van deze is zeer groot; deels zijn zij van alluvialen oorsprong, deels van Neptunische, vulkanische of nog oudere formatie en deels, nl. in het Oosten van den Archipel, ook door koraalvorming ontstaan.

Het belangrijkst zijn bij Java: de Duizend-eilanden, Onrust, Noesa Kamba/ngan 1), Noem Baroeng, Prinsen-eiland; bij Soe-

v/M.

W/M

M

■

Atjeh. Timor. Lombok. Nederland.

matra: Poeloe Bras (voor Atjeh), Nias, enz. (voor de Westkust), Bang ha, Billiton, Riouw-archipel, Beng kalis; tusschen Java en Soematra: Dwars-in-den-weg, Krakatau, bekend dooide uitbarsting in 1883, MeraJc, dat koraalsteen geleverd heeft voor de havenhoofden te Tandjoeng Prioek, enz.

II. De Kleine Soenda-eilanden; in eene rij van Bali tot Timor; dit laatste is onder al de kleinere eilanden van den Archipel het grootst en komt ongeveer met ons vaderland in grootte overeen.

III. De Molukken of „Specerij-eilandenquot;; hieronder vat men tegenwoordig alle eilanden samen tusschen Selebes, Timor en Nieuw-Guinea.

IV. De Philippijnen, waarvan de beide grootste niet veel van Java in uitgebreidheid verschillen.

1

Poeloe en Noesa = eiland.

ocr page 17

O

§ 3. Niet-Nederlandsch gebied. Een groot deel van Insulinde heet aan ons gezag onderworpen, doch is feitelijk onafhankelijk, b.v. de binnenlanden van Borneo en Xiemv-Guiuea, de Sultanaten in Oost-Soematra, de binnenlanden van sommige Kleine Soenda-eilanden, enz. Een heel klein gedeelte is ook in naam nog onafhankelijk: het rijk van den sultan van Broenei, dat het Noordwesten van Borneo inneemt; een deel der Batak-landen (in de bovenlanden van N.-Soematra) en een groot deel van 't daaraan grenzende Atjeh.

Voor 't overige behooren al de landen van den Indischen Archipel aan Europeesche staten.

Spanje beheerscht de Philippijnen, de Solok- of Soeloe-eilanden en Palawan.

De Philippijnen, zoo genoemd naar Philips II, zijn vruchtbare eilanden, waarvan Manila of Luzon het voornaamste is. Dit eiland, van de grootte van Java, behoort tot de schoonste tropenlanden, maar er is lang niet genoeg partij van de rijke natuur getrokken. De hoofdproducten zijn tabak, r ij s t en manila-hennep. Van dit laatste artikel — de vezels van den stam van eene wilde pisang-soort, waarvan fijne weefsels worden gemaakt — heeft de gemiddelde jaarlijksche uitvoer eene waarde van wel ƒ 25.000.000; naar Engeland gaat |, naar de Vereenigde Staten ^ van al deze vezelstof. De hoofdstad, Manila, voor eenige jaren door eene aardbeving gedeeltelijk verwoest, kan in vele opzichten met Batavia wedijveren en telt, met de voorsteden, bijna 200.000 inwoners; zij wordt geregeld door stoomschepen bezocht.

De geheele Spaansche bezitting vormt een Kapitein-Gene-raalschap, waartoe de Spanjaarden ook de Carolinen rekenen, over welke eilanden in 1885 moeilijkheden waren gerezen tusschen Spanje en Duitschland, en waar laatstgenoemd land thans den boventoon heeft.

De bevolking van de Philippijnen bestaat vooreerst uit de inboorlingen van Maleisch ras, de Tagala's, door de Spanjaarden los Indios genoemd; verder de blanken, hoofdzakelijk Spanjaarden; vrij talrijke kleurlingen, wel eens „mestiezenquot; geheeten; eindelijk talrijke Chineezen.

De kolonisten zijn reeds lang ontevreden met het bestuur van het moederland en in 1896 barstte een opstand los, die,

ocr page 18

al moge hij tijdelijk worden onderdrukt, wellicht eerlang gevolgd kan worden door afscheiding van Spanje.

Portugal heeft van zijn vroeger zoo uitgestrekte bezittingen alleen de Oostelijke helft van Timor en het eilandje Kambing overgehouden. De hoofdplaats van Portugeesch-Timor is het onbeduidende Dehli (Delli). De bodem van Kambing bevat koper.

Engeland bezit aan de straat van Malakka eenige punten, waaronder twee belangrijke havenplaatsen: Singapore en Penang. Verder voeren de Engelschen het gezag over Laboean en het N. van Borneo.

Het eiland Laboean is in 1848 door den Sultan van Broenei afgestaan. Engeland meende het als eene gewichtige handelsplaats te kunnen beschouwen (aan den weg van Singapore naar Hongkong) en richtte er een kolenstation op. Maar aan die verwachting heeft deze Kroon-kolonie niet beantwoord; het eenige gewicht bestaat in de ligging tegenover Broenei en de mogelijkheid door 't bezit van Laboean in den Sultan-staat invloed te krijgen, wat dan ook geschied is.

Naast deze bezittingen van vreemde Europeesche mogendheden bestaan ook nog die van vreemde (niet-Nederlandsche) particulieren, en wel sinds het midden van deze eeuw, ten Zuiden van Broenei het rijkje van Serawak, onder de afstammelingen van den Engelschman James Brooke (1843), die den titel van Radja voeren. Verder de landen van eene Britsche maatschappij, de Noord-Borneo-Compagnie, die in 't Noorden van Borneo van den Sultan van Broenei verscheiden bezittingen heeft verkregen. Deze Compagnie legt zich toe op tabaksplantages, gelijk de verschillende Deli-maatschappijen in O.-Soematra, en verder op mijn-ontginning (steenkool en goud).

Serawak, Broenei en de Landen der N.-Borneo-Comp. staan sedert 1888 onder Britsch protectoraat, zoodat ook in de toekomst 't geheele N.-W. des eilands aan onzen politieken invloed onttrokken blijft.

Veel is en wordt er gesproken over dergelijke pogingen; niet dat de Archipel geen ruimte zou aanbieden voor andere Europeanen naast de Nederlanders , maar velen zien er gevaar

ocr page 19

7

in voor ons gezag en het begin van het einde van ons bestaan als eerste koloniale mogendheid aldaar.

§ 4. Nederlandsch gebied. Nederland gebiedt in O.-Indië over eene oppervlakte, die vijftig maal zoo groot is als het moederland. Natuurlijk is de aard van ons gezag in het uitgestrekte gebied lang niet overal dezelfde: er zijn gewesten, waar de Neder-landsche regeering rechtstreeks haar gezag uitoefent, waar dus Nederlandsche ambtenaren besturen; er zijn ook landstreken, waar ons gezag slechts middellijk wordt erkend, waar ambtenaren toezicht houden; en eindelijk zijn er ook inlandscJte rijken, waarvan de vorst slechts door tractaten aan ons is verbonden. In dergelijke tractaten is altijd eene der hoofdbepalingen: het verbod om met eene vreemde mogendheid te onderhandelen en het niet toelaten van zeeroof of slavernij. Verder behelzen die tractaten bepalingen ten aanzien van handel, eerbewijs, enz.

Staatkundig kunnen wij ons gebied dus verdeelen in:

1°: Landen onder rechtstreeksch bestuur gebracht.

2°: Leenroerige landen.

3°: Bondgenootschappelijke landen.

Voorbeelden van deze categorieën zijn:

Voor 1: Java (uitgezonderd de Vorstenlanden).

„ 2 : De Vorstenlanden op Java, staatjes in Z.-Selebes, enz.

„ 3: De Sultanaten van Djambi, enz. in O.-Soematra.

De indeeling van Nederlandsch Oost-Indië, ten behoeve van het bestuur, is als volgt:

I. Java (met (Madoera), verdeeld in 22 residentiën.

II. De Buitenbezittingen, onder welken naam alle deelen buiten Java worden samengevat.

Java is, in tegenstelling met een groot deel der Buitenbezittingen, geheel en al onder rechtstreeksch Nederl. bestuur; alleen is een schijn van zelfstandigheid gelaten aan de vorsten van Soerakarta en Djogjakarta (Solo en Djokja).

Ook in andere opzichten verschilt Java veel van de overige deelen van Nederl. O.-Indië: Java is veel dichter bevolkt dan eenig ander deel van Insulinde, zelfs is Java zeer dicht bevolkt ; het gemiddeld cijfer per □ mijl bedraagt meer dan dat in Nederland en wedijvert in vele streken met dat van België en Saksen. Verder is Java veel meer dan de andere eilanden

ocr page 20

in cultuur gebracht; het is beter bekend, en er is veel meer partij getrokken van de rijke hulpbronnen, die de Indische natuur in 't algemeen aanbiedt. Eindelijk, en dit verklaart niet het minst het grooter belang van Java: de bewoners zijn meer dan de andere Indische volksstammen met vreemdelingen (meer speciaal de Hindoes) in aanraking gekomen en staan daardoor hooger.

25 millioen.

Java. I--1

Buitenbezittingen. |-1

Nederland. I-1

Fig. 3. Vergelijkend overzicht van het bevolkingscijfer van Java , de Buitenbezittingen en Nederland.

§ 5. Nadere indeeling van de Buitenbezittingen:

Hoofdplaatsen:

1. Het gouvernement van Soematra's Westkust (bestaande uit de residentiën Padangsche Benedenlanden, Padangsche Bovenlanden en Tapanoeli). Padang.

2. Het gouvernement van Selehes en Onderhoo-

rig heden. Makasser.

3. „ „ „ Atjeh en Onder!too-

rig heden. Kota-Radja.

4. De residentie Beng koelen. Beng koelen.

5. „ Lampongschedistricten. Telok-Betoeng.

6. „ Palembang. Palembang.

7. „ Soematra's Oostkust. Medan (vóór

1887: Bengka-lis).

8. „ Rioim en Onderhoo-

rig heden. Tandjoeng-Pi-

nang.

9- ,, Bang ka (Banka). Muntok.

10. De assistent-residentie Billiton (Blitoeng). Tandjoeng-Pan-

11. De residentie Wes ter-Af dee ling van dan.

Borneo. Pontianak.

ocr page 21

9

12. De residentie Zinder- en Ooster- 4f-

deeling van Borneo. Bandjermasin.

13. „ Menado. Menado.

14. „ Ternate. Ternate.

15. „ Ambon. Ambon.

16. „ Timor en Onderhoo-

rig heden. Koepang.

17. „ Bali en Lombok. Boeleleng.

In het geheel bestaan de Buitenbezittingen dus administratief uit 17 gewesten en wel:

3 gouvernementen (waarvan één op dit oogenblik nog onder militair gezag),

13 residenties,

1 assistent-residentie.

HOOFDSTUK II.

Bodem en Rivieren, in het byzonder van Java,

§ 6. Het laagland. De bodem van Java bestaat slechts voor i uit laagland.

Dit laagland ligt vooral aan de Noordzijde: een vlakke kust-zoom van ongelijke, dikwijls aanzienlijke breedte, op vele plaatsen moerassig, terwijl tot ver in zee zandbanken zich uitstrekken, die het bereiken, zelfs van de havens der groo-tere steden, bemoeilijken. Niet dan met groote geldelijke opofferingen bezit Batavia dan ook thans eene uitstekende, door de kunst aangelegde haven, Tandjoeng Prioek, door een spoorweg met de hoofdstad verbonden. En zoo moet de haven van Soerabaja met groote kosten worden open gehouden, terwijl de minder aanzienlijke havens aan Java's Noordkust dikwijls maandenlang onbereikbaar zijn.

ocr page 22

10

Aan deze Noordkust bevinden zich hier en daar groote wonden, vooral van palmen en rizophoren, d. i. worteldragers {mangrove, in Amerika ook wel „oesterboomquot; genoemd); bij de laatste verheft de stam zich op wortels, die boven den grond groeien.

De aanslibbing wordt door deze rizophoren belangrijk bevorderd , want de wortels vormen een netwerk, dat het slijk tegenhoudt. De kust neemt dan ook jaarlijks eenige voeten in uitgestrektheid toe; men heeft berekend, dat sedert de komst der Hollanders de jaarlijksche aanwas bij Batavia meer dan 6 M heeft bedragen, terwijl het alluvium aldaar volgens boring reeds eene diepte van meer dan 60 M heeft bereikt.

ocr page 23

11

Nog in historische tijden was Japara een eiland, bestaande uit den berg Moeria: eene breede, alluviale vlakte slingert zich in het Zuiden om zijn voet; die vlakte is grootendeels van gelijke hoogte als de zeespiegel en zeer moerassig (de „Groote Rawa.quot;). De tijd schijnt niet ver meer, dat ook Madoera een schiereiland van Java zal zijn, want het Nairn is ondiep en de Solo- en AViiri-rivieren voeren verbazend veel slib aan.

Aan Java's Zuidkust wisselen kalkrotsen, duinen en strandvlakten af. Over 't geheel is de Zuidkust veel steiler dan de Noordkust en eene hevige branding maakt ook hier de scheepvaart gevaarlijk. De gebergten, welke zich hier uit de wateren van den Indischen Oceaan verheffen, zijn meest van Neptunische formatie, dus gevormd onder den invloed van de zee en bestaande uit kalk- en zandgesteenten.

In de kalkgebergten zijn grotten en holen; eene zeer bekende „druipsteengrotquot; is de zoogenaamde Steenen Moskee op Noesa-Kam hang an, waar zich veel nesten van klipzwaluwen of salanganen bevinden. Deze nestjes worden met levensgevaar ingezameld (o. a. bij Rongkop en Karang-bolong) en zijn een handelsartikel, vooral voor den uitvoer naar China.

Over deze vogelnesten bij Van Rees, „Herinneringen van een Indisch-Officierquot;:

„Het gebergte aan de Zuidzijde van Karang-bolong zal zich ongeveer vijfhonderd voeten boven den waterspiegel verheffen. Loodrecht, neen meer dan loodrecht, gaat de bergwand voor uwe voeten naar beneden; meer dan loodrecht, want wanneer gij behoedzaam tot den uitersten rand zijt gekropen en niet zonder te ijzen uw hoofd over den duizeling-wekkenden afgrond buigt, zoekt uw oog tevergeefs naar den voet dei-rots. Die ontzaglijke steenmassa met goudgele bouwvelden, die gij straks doorliept, vormt een ondermijnd geheel, dat eenmaal een prooi der golven zal worden. Sedert eeuwen beukt de zee met afwisselend geweld dat ijzervaste rotsgevaarte, doet het splijten en scheuren, vormt er holen en grotten, arbeidt langzaam en rusteloos voort aan haar vernielingswerk en verzwelgt nu en dan een losgelaten brok.

Boven dien kokenden en schuimenden afgrond, in die spleten en scheuren, bouwen duizenden kleine zwaluwen hunne nesten, naar men beweert van eene lijmachtige zelfstandigheid, die zij in hun krop uit insecten bereiden. Voordat die nesten bevolkt zijn, komt de Javaan en plukt ze af.

ocr page 24

12

Hij hecht een rotanladder van honderden voeten lengte aan een boom dicht aan den rand des afgronds en laat dien langs de rots vrij uithangen. Voorzien van een zak en van eene speer met weerhaak gaat hij de ladder af. üwe haren rijzen te berge, als gij hem bij elke sport, die hij lager komt, steeds meer ziet slingeren; maar nog vermeerdert uwe ontzetting, als gij hem nastaart. Tweehonderd schreden

•xl

A-l

M

f- f

%\

i • i

Fig. 5. Het inzamelen van eetbare vogelnestjes

is hij reeds gedaald; meer en meer neemt de slingering toe; slechts bij tusschenpoozen kunt gij u overtuigen, dat hij zich nog op de ladder bevindt. Eindelijk ziet ge hem niet meer verschijnen; hij is verloren! . . . Integendeel, hij staat op vasten bodem. Van de laatste slingering gebruik makende, is hij op een rotspunt overgesprongen en

ocr page 25

13

dringt nu, altijd met de schuimende branding nog diep, diep onder zich, langs eene zwakke bamboe-stelling in eene wijde sleuf of grot.

Vroeger heeft hij, niet zonder doodsgevaar, zich daar eene stelling weten te bouwen; 't is zeer mogelijk, dat die thans niet meer in staat is het gewicht zijns lichaams te dragen, maar de opium van gisteren werkt nog en de Ratoe Kidoel (eene godin van Java's Zuiderkust) beschermt hem. Hij steekt met zijne speer de pas voltooide nestjes van de wanden en bergt ze in zijn zak. Reeds is zijn voorraad aanzienlijk, maar hij daalt nog meer af, tot hij geheel gehuld wordt in de wolken schuim, die voortdurend uit de kokende en sissende branding opstijgen, 't Gelukt hem in eene grot te dringen, die nu en dan door eene vervaarlijke golf met donderend geweld geheel gesloten wordt; in die hachelijke oogenblikken klemt hij zich krampachtig aan den wand. Is het gevaar voorbij, heeft hij de nestjes in zijn bereik geplukt, dan tracht hij zijne ladder weder te bereiken.

Velen zijn er, die nooit weer boven komen, de branding smoort het hulpgeschrei en de noodkreten der verongelukten en maakt den doodstrijd kort. Alleen Ratoe Kidoel weet, hoe zij omkwamen; Ratoe Kidoel zal voor hun toekomstig geluk zorg dragen.quot;

§ 7. Het bergland. Het 4/5 deel van Java is hoogland, dat, gelijk reeds is opgemerkt, voor een groot deel van Neptunische formatie is, vooral aan de Zuidzijde van het eiland. Door het midden des eilands loopteen vulkanen-gordel, met hier en daar eene hoogvlakte. Deze plateau's zijn omringd door en bezet met vulkanen en behooren tot de meest gezochte streken, daar zij door de hoogere ligging uit den aard der zaak een gezond klimaat hebben. Zoo vinden we in Oost-Java, rt 450 M boven den zeespiegel, de heerlijke hoogvlakte van Ma lang en in West-Java, op ± 650 M hoogte, de vruchtbare plateau's van Bandoeng en Garoet, twee oude meer-beddingen, die door de Tji Taroem en de Tji Manoek zijn leeggeloopen.

Opgave: Welke vulkanen vindt men om elk der genoemde 8 plateau's?

Tusschen den verticalen vorm van West- en Oost-Java bestaat verschil: W.-Java heeft meer samenhangend bergland, vooral in de Preanger; Midden- en O.-Java vertoonen alleenstaande bergen of berggroepen met daartusschen kleinere vlakten, waarvan sommige nauwelijks 50 M boven den zeespiegel. Wanneer b.v. de zeespiegel eens 200 M hooger

ocr page 26

14

kwam, zou van W.-Java één groot eiland overblijven, van O.-Java daarentegen verscheidene kleinere eilanden.

Dit verschil in terreinvorm heeft invloed op de lengte en de ontwikkeling der rivieren.

Opgaven:

1. In welk gedeelte van Java zijn de grootste rivieren , en waardoor komt dit?

2. Hoe is het te verklaren, dat aan Java's Noordkust veel meer en aanzienlijker rivieren uitmonden dan aan de Zuidzijde?

3. Welke beide rivieren monden uit aan de Zuidkust tegenover Noesa-Kambangan („bloemen-eilandquot;)?

4. Welke aan de Noordkust tegenover Madoera?

5. Welke rivier neemt de Solo of Bengdiuan op bij Ngawi f

165 geogr. mijl

Rijn |-1

Baritoe I-1 140

Kapoeas I--1 125

Maas I-1 100

Seine I-1 96

Moesi i--1 95

Wezer i-1 70

Solo (Bengawan) |-1 70

Suriname |-1 60

Schelde I-1 60

Kediri (Brantas) I-1 55

Theems I-1 30

Fig. 6. Betrekkelijke lengte van eenige rivieren.

Het aantal kleine rivieren op Java is verbazend groot: aan de Noordkust monden er honderden. De meeste hebben een zeer snellen loop, doordat het verval zoo groot is; slechts enkele zijn bevaarbaar en dan nog alleen voor prauwen. Zij voeren heel veel water af en in den regentijd (een bepaald gedeelte van het jaar) veroorzaken zij dikwijls overstroomingen, banjirs, waarbij somtijds de rivier in woest bruisenden loop eene geheele streek verwoest. Maar hier staat tegenover,

ocr page 27

1

15

dat zij den landman het noodige water geven om zijne sawahs te bevochtigen.

§ 8. Het vulkanisme. Het vulkanisme op Java openbaart zich vooreerst in het groot aantal vuurspuwende bergen {goe-noeng api, d. i. vuurberg); sommige zijn of heeten rustend, uitgebrand, andere zijn nog werkend. Die vulkanen verheffen zich voor 't meerendeel in de richting van 't Westen naar 'tOosten, dus langs de as van het eiland. In West-Java zijn het meest

bekend; de uitgedoofde Salak (2200 M), de hooge vulkaanklomp Ge de (3000 M), de zwarte, kale Goentoer (= don-derberg) en de Tangkoeban Prahoe (= omgekeerde prauw); in Midden-Java; de Tjérmé (ruim 3000 M), de Slamat (3400 M, de tweede top van Java), „de twee gebroedersquot; Sindoro (3100 M) en Soembing (3300 M), de Merbaboe (3100 M) en de onrustige Mërapi (2800 M); in Oost-Java: de majestueuze, drietoppige La woe (3200 M), de woudrijke Wilis (2500 M), de verraderlijke Këloet (1700 M), de Ar dj oen o (3333 M), de grootsche vulkaan-

I

ocr page 28

16

ruïne van den Tengger (2700 M), de Seméroe (3670 M, Java's hoogste berg), het hertenrijke en schoone berggevaarte van den Jang (3100 M) en de Rawoeii (3300 M.), een der reusachtige hoeksteenen van het stoute Idj èn-hoogland.

Java's vuurbergen maken een deel uit van den grooten vulkanen-gordel, welke reeds op Kamsjatka begint, over een krans van eilanden de geheele Oostkust van Azië volgt en door den Indischen Archipel ombuigt, om eerst op 't vastland van Achter-Indië (Birma) te eindigen.

Wel 150 vulkanen zijn er in Insulinde, waarvan alleen op Java meer dan 40 en onder welke verscheidene nog werkend zijn; de aanzienlijkste bereiken eene hoogte van 3 a 4000 M; sommige zijn zeer regelmatig kegelvormig, met steilen top, moeilijk te bestijgen; slechts enkele paden, dooide rhinocerossen in 't dichte bosch gemaakt, leiden naar boven, b.v. naar den T j ë r m é-krater. Andere, b.v. de Slamat (op de grens van en/...'. . ), zijn tot de

hoogte van een paar duizend M met ondoordringbaar woud bedekt en vertoonen daarna niets dan kale rotsen met talrijke spleten. De Goentoer (res. ) is geheel kaal; hij

werpt steeds zand, asch en steenen uit. De afwezigheid van geboomte geeft doorgaans aanleiding tot gebrek aan water.

De werkzaamheid van een vulkaan openbaart zich vooreerst in onderaardsch gerommel, soms gepaard met harde knallen; verder in damp-ontwikkeling (vooral waterdamp, zwaveldampen, enz.), hooge rookkolommen en vuur; aschregen; instortingen , b. v. van den kraterrand; vorming van nieuwe kegels en kraters. Zoo kan de berg zijne gedaante veranderen, gelijk b. v. de Tengger: de kraterbodem van dezen berg is een der grootste der wereld, met eene middellijn van ruim 6000 M; de bodem bestaat uit grijs zand, de Zandzee of Dasar, en uit het midden van deze zandwoestijn verheffen zich de nieuwe vulkaan-kegels, die zich daar gevormd hebben, o.a. de steeds rookende Bromo, welke dikwijls door fantastische luchtspiegelingen omtooverd is, maar ook vaak door vervaarlijke zandhoozen gegeeseld wordt.

Tot de geweldigste uitbarstingen in den Indischen Archipel behoort die van den Tambora, op Soembawa, in 1815, welke de grootste verwoestingen aanrichtte onder menschen

ocr page 29

17

en dieren. Honderden paarden, welke dieren voor een groot deel den rijkdom van Soembawa uitmaken, werden gedood. De asch viel tot bij Bengkoelen, Pontianak en Selebes. De geheele Archipel schudde weken lang. Bij de uitbarsting van den vulkaan Rakata of Krakatau in Aug. 1883 werden de kustlanden in straat Soenda door eene vloedgolf en uitgeworpen stoffen voor een groot gedeelte verwoest; 34000 men-schen verloren daarbij het leven.

Zware bewolking belet vaak de waarneming der uitbarstingen; dichte nevels omgeven den berg, terwijl hevige regens het beklimmen onmogelijk maken.

Voor de kennis van de geologie van den Indischen Archipel in 't algemeen en van Java's vulkanen in 't bijzonder was tot voor weinige jaren de beroemde Duitscher Junghuhn onze voornaamste bron. Hij bereisde en onderzocht geheel Java en gaf van de vulkanen eene uitvoerige beschrijving. In den lateren tijd werden belangrijke onderzoekingen gedaan dooide mijn-ingenieurs. Zoo verscheen over de uitbarsting van Krakatau een werk van den hoofdingenieur van 't N. I. mijnwezen, Verbeek.

Ook toonen herhaaldelijk voorkomende aardbevingen, waarvoor de inlanders eene bijgeloovige vrees koesteren, hoe zeer de onderaardsche krachten in Insulinde werken. De bodem is daarbij of in golvende, of in schokkende beweging. Aan zeekusten ontstaan hooge vloedgolven. De beweging duurt doorgaans slechts eenige seconden; doch verschillende schokken volgen op elkaar. Muren scheuren, huizen storten in en boo-men slaan tegen den grond.

Op onderscheiden plaatsen bevinden zich zoogenaamde mod-derbronnen of slijJcvulJcanen; b.v. bij Koewoe in de residentie Semarang, op Kambing, in de Minahasa, enz. Het zijn heuveltjes van 5 tot 10 M hoog. Uit eene opening stijgt ongeveer elke minuut eene gasbel op, die met een doffen knal uiteenspat en daarbij een zoutachtig slijk achterlaat.

Van Hoëvell deelt in zijn „Reis over Java, Madoera en Baliquot; het volgende over het merkwaardige verschijnsel bij Koewoe mede:

„Toen wij te Koewoe aankwamen, stond ik verbaasd bij den aanblik van een natuurtooneel, hetwelk niet kan missen op eiken beschouwer

Aitton , Oost- en West-Indië, 4e druk. 2

ocr page 30

18

een diepen indi-uk te maken. Verbeeldt u eene uitgestrekte vlakte, een halve paal lang en breed, iets hooger dan het omliggende landschap, maar waarop gij niets ontwaart dan de grijze kleur van weeken modder. Hier en daar ziet gij grootere en kleinere wellen uit dien altijd kokenden grond onophoudelijk opstuiven; maar vooral trekken twee plaatsen uwe aandacht, op een honderd passen afstands van elkander verwijderd, waar de modder met kracht eenige voeten naar boven wordt gedreven, met een donderend geweld weer neerploft en in den regentijd somtijds tot eene hoogte van twintig voet opspringt. Nu en dan ziet gij de gansche oppervlakte vóór u op en neer rijzen, al hooger en hooger, tot zij, in de twee brandpunten, met een doffen slag uiteenbarst en in het rond spat. Met behulp van op den weeken grond gelegde bamboezen vlotten en bruggen gaan wij een eind ver deze vlakte in. Overal rondom u, tot bij uwe voeten, rijst de bodem op en neer. Gij nadert eene der twee hoofd wellen tot op eenen afstand, waar de langste bamboe geheel in den grond kan worden geduwd; als eene zee wordt de bodem, waar gij u bevindt, bewogen, al heviger en heviger. Daar verheft zich de reusachtige kolom modder, spat uiteen en verspreidt een sterken zwavelrook in de rondte. De eene ontploffing volgt op de andere, soms sterker, soms zwakker, doch zonder lange tusscbenpoozen. In weerwil van den damp en den rook, die deze ontploffingen verspreiden, houdt de modder steeds haar gewone temperatuur. Een inlander kroop op handen en voeten nog dichter naar de wel, maar begon te zinken, zoodra hij zich maar een oogenblik stil hield of rustte en op een afstand van twintig pas kon hij niet verder. De kracht dezer wellen, ofschoon nog zeer belangrijk, schijnt in de laatste jaren aanmerkelijk te zijn afgenomen, daar men verhaalde, dat de slagen der ontploffingen vroeger tot op een afstand van negen palen konden gehoord worden.quot;

Op eenvoudige wijze worden hier uit het modderwater belangrijke hoeveelheden zout gewonnen, „aangemaaktquot; zooals het heet (jaarlijks ± 12.000 pikols; 1 pikol = 6l5 KG).

Bij andere gasbronnen stijgt soms een brandbaar gas op, zooals bij Goeboek, ten Z. van TJemaJc (res. Semarang), waaraan de inlanders den naam van het „Eeuwige vuurquot; of Moro-Api gegeven hebben. „Een open plek zwarte aarde, door bamboe beschaduwd, schijnt niets van den omliggenden alluvialen bodem te verschillen; maar graaft men den bovenkant eenige duimen weg, en raakt men de aarde met vuur aan, dan ontvlamt zij en brandt onophoudelijk en zonder ontploffingen, in den regentijd soms tot eene hoogte van 1

ocr page 31

19

a 2 voet, door. ,De vlam kan gemakkelijk door krachtig blazen of stampen of door water worden gebluscht. Men behoeft echter slechts korten tijd te wachten, om opnieuw de vlam te kunnen ontsteken, die krachtiger brandt, wanneer men eene bamboepijp in de opening steekt. Eene ontwikkeling van waterstofgas schijnt de oorzaak van dit verschijnsel te zijn, dat na lange droogte niet zoo krachtig werkt, en 's nachts natuurlijk duidelijker dan overdag te bespeuren is.quot;

In verscheiden streken op Java dringt ook uit spleten en gaten in den bodem eene menigte koolzuur naar buiten, dat ongeschikt voor de ademhaling is en soms zoo hoog opstijgt, dat het voor grootere dieren gevaarlijk kan zijn. In den regel vindt men in deze „stikvalleienquot; heele massa's doode insecten, echter zelden lijken van andere dieren. Zoo is het „Doodendalquot; een der meest bekende mofetten. Het wordt gevonden in het Diëng-plateau, de hooge grasvlakte, waarop de grenzen van vijf residentiën elkaar ontmoeten.

Talrijk eindelijk zijn op Java, en ook wel op verscheidene andere plaatsen in den Archipel, de minerale bronnen, waaide inlanders vaak genezing komen zoeken.

HOOFDSTUK III.

Bodem en rivieren van de Buitenbezittingen.

§ 9. Soematra. Voor zooverre de kleine eilanden betreft, is de bodem over het geheel bergachtig en vulkanisch. De groote eilanden vertoonen naast bergketens groote laagvlakten, door talrijke en breede rivieren besproeid.

Op Soematra loopt van het Noordwesten naar het Zuidoosten, dicht langs de Westkust, een steil, woudrijk gebergte, in Bengkoelen Boekit Barisan (= ketengebergte) geheeten. In verband met dit gebergte moeten ook de eilanden van Sim aio er tot Eng ga no beschouwd worden. Deze eilandenrij loopt

2*

ocr page 32

20

namelijk evenwijdig met de kust en is daarvan slechts gescheiden door eene ondiepe zee, waarin sommige kleine eilandjes, b.v. de Banjak-groep, op dwarsverbindingen wijzen, terwijl zij van den anderen kant de grens vormt van het diepe bekken van den Indischen Oceaan.

Evenals op Java verheffen zich ook op Soematra verscheidene vulkanen in eene rij. Zoo vinden we hier, van 't Zuiden af, den Keizerspiek of G. Tanggamoes (2280 M), den Demp o (3167 M), de G. Kor int ji of Piek van Indrapoera (3700 M, den hoogsten berg van Soematra), den Singgalang (2877 M), den Merapi (2888 M), den Sago (2240 M), den Ophir of Paseman (3000 M), enz.

Hier en daar bestaat het gebergte uit evenwijdige ketens, waardoor grootsche lengtedalen ontstaan. Achter de ketens vindt men vaak uitgestrekte hoogvlakten met aanzienlijke meren. Geen eiland in den Archipel is inderdaad zoo rijk aan plateau's als Soematra. In de Padangsche Bovenlanden vindt men het plateau van Ag am of Boekit Tinggi (900 M), waarop Fort de Koek ligt, en in de Bataklanden de uitgestrekte hoogvlakte van Toba met het groote meer van dien naam. Ook in de Padangsche Bovenlanden liggen meren, meest kraters van uitgedoofde vulkanen, en niet alleen belangrijk om hun natuurschoon, maar ook door den visch-rijkdom, o. a. het meer Singkarah.

Dikwijls -scheiden zich van de hoofdketen dwarsketens af in Oostelijke richting, b.v. in Atjeh en in de Bataklanden, waar het gebergte zelfs de Oostkust nadert.

Op enkele plaatsen is de Westkust moerassig, b.v. bij Ajer-Bang is.

De grootere Oostelijke helft van Soematra bestaat uit lagere bergstreken, heuvelland en laagland, dat met uitgestrekte moerassen in zee overgaat. De gebergten dalen, in tegenstelling met de Westelijke zijde van 'teiland, langzaam in de vlakte af; men spreekt van de Siaksche Bovenlanden, de Kwantansche, enz.

De Oostkust van Soematra komt in menig opzicht met de Noordkust van Java overeen. Ze vormt eene breede vlakte van aangeslibden grond, velerwegen moerassig en met wouden bedekt. Daarbij is ze dun bevolkt en weinig bebouwd.

ocr page 33

21

Voor de kust liggen modderbanken en talrijke lage eilanden.

Aan de Oostkust monden belangrijke rivieren uit: de Moesi met de Raiuas, Lemdtang, Ogan en Kómering, de Djambi met de Batang-Hari1), de B. Indragiri met de Ombilin, de Kam par, de Siak, de Rokan, De Baroemoen-Panai, enz., alle

met deltavorming. Vele er van zijn dagreizen ver landwaarts in bevaarbaar voor groote prauwen en zelfs stoombooten. Zij kunnen meer beteekenis krijgen, als de bevolking in de Bovenlanden voortgaat zich onder ons gezag te stellen, en wanneer onder onzen invloed aldaar veiligheid, cultuur en handel toenemen. Doch de monden zijn ondiep, vol modder, en

1

Batang = Stroom.

ocr page 34

22

uren ver in zee strekken zich de banken uit, terwijl 't land bedekt is met moerassige natuurwouden, de verblijfplaatsen van olifanten, neushoorns, apen, tijgers en andere wilde dieren. Dientengevolge vindt men hier slechts enkele kleine do es ons (= dorpen) en vestigingen van Chineezen, die de boschproducten van de inlanders opkoopen. Velerwegen wonen visschers.

Anders is het in 't Noordoosten: daar, bij de rivieren van Siak en Deli, heeft de cultuur de streek tot ontwikkeling gebracht. Van Medan gaat de spoorweg naar de kust en naar omliggende plaatsen.

ocr page 35

23

In tegenstelling met de Oostkust heeft de Westkust goede havens en ruime baaien. De haven van Siboga is eene van de schoonste der wereld; maar het belangrijkst zijn voor ons Padang en Bengkoelen. De gemeenschap van de kust met de binnenlanden is echter zeer moeilijk. Thans leidt van Padang een spoorweg door de Kloof, het dwarsdal van de kleine Anaï, langs Fort de Koek naar de Ombilin-Kolen-velilen; het eindpunt is Sawah-Loento. Voor 't overige zijn de wegen op Soematra van minder beteekenis dan die op Java. Slechts enkele wegen zijn er geheel voor rijtuigen bruikbaar. De weg langs de kust over Padang naar Bengkoelen is alleen te paard berijdbaar. Haast overal doen de rivieren als verkeerswegen dienst.

Onze kennis van de bovenlanden van Midden-Soematra dagteekent vooral van de Soematra-expeditie van 1877 (Schouw Santvoort, Veth e. a.). Sedert dien tijd hadden verscheiden onderzoekingen plaats, in verband met plannen tot spoorwegaanleg en ontginning van de steenkoolbeddingen bij de Om-bilin-rivier, een zijtak van de . De voltooiing

van die spoorwegen is voor de ontwikkeling van Midden-Soematra van groot belang geweest en zal dat nog meer zijn, wanneer ook de Oostkust in de verbinding zal zijn opgenomen. De rivieren van eenig belang aan de Westkust zijn de Gadis, de Taroe en de B. Sing kei.

Op de hoogvlakte stroomen de meeste rivieren in diep uitgeholde ravijnen, b. v. in het Karbouwengat bij Fort de Koek. (Zie fig. 9.)

Soematra behoeft noch in natuurschoon noch in rijkdom voor Java onder te doen; op Java heeft het bovendien een schat van mineralen voor (steenkolen, goud, zilver), zoodat door velen Soematra als het land der toekomst voor Indië wordt genoemd.

§ 10. Bornéo. Borneo heeft van alle Indische eilanden den meest gesloten vorm, de geringste kustontwikkeling. Daar ook verheffen zich de uitgestrektste bergketens van geheel Indië, en tusschen die bergketens liggen de grootste vlakten met de aanzienlijkste rivierstelsels.

Door de onderzoekingen van wetenschappelijke menschen,

ocr page 36

24

die op last van onze Regeering sommige gedeelten van het groote eiland hebben doorkruist, is de kennis van Borneo in de laatste jaren wel veel toegenomen, maar toch is de geologische bouw van het eiland nog zeer onvoldoende bekend.

In het centrum des lands heeft Prof. Molengraaff in 1894 een uitgestrekt, woest, vulkanisch terrein ontdekt. De gebergten strekken zich naar verschillende kanten uit en blijven meestal beneden de 2000 M. Het Westelijke gebergte verheft zich in den Boekit-Raja echter tot eene hoogte van ± 2500 M. Bovendien ligt in het Noorden het afzonderlijke berglandschap van den Kinibaloe (4170 M), het hoogste punt van Borneo. In de kalkgebergten komen druipsteengrotten voor, b.v. de bekende grot te Bangkalaan aan de Oostkust, waar een natuurlijke tunnel is van 3 uur gaans lengte. Een riviertje stroomt door dien tunnel; ontelbare klipzwaluwen houden er verblijf. In 't Zuiden en Oosten bevat de bodem steenkolen, in 'tZuiden en Westen diamanten, goud en koper.

De groote alluviale vlakten tusschen de bergketens zijn in het binnenland heuvelachtig, maar aan de kusten laag en moerassig. In den regentijd ontstaan hier zelfs talrijke groote, ondiepe meren. Langs andere gedeelten der kust liggen duinen, door den Zuidoost-moeson gevormd. Bij de inlanders heeten deze duinen hepak bapoetih, d. i. witte plek.

In het hart des eilands ontspringen 3 hoofdrivieren. De Baritoe of Rivier van Bandjermasin, met de zijrivieren Te we. Negara en Martapoera, is aan hare monding bijna een kilometer breed en vormt daar eene groote delta. De Kapoeas of Rivier van Pontianak, „een stuk zichtbare evenaarquot;, heeft tot zijrivier de goed bevaarbare Melawi en valt met twee breede armen in zee, die eene uitgestrekte, in vele eilanden verdeelde delta insluiten. De Koetei of Mahakam vloeit naar het Oosten. Andere belangrijke rivieren zijn: de Riv. van Sambas aan de Westkust; de Riv. van Kotaringin, de Pemboewang, de Sampit, de Mendawei of Katingan, de Kahajan of Groote Dajak-rivier en de Moerong of Kleine Dajak-rivier aan de Zuidkust; de Pasir, de Koer an of Berouw en de Boeloengan aan de Oostkust, de Red-jang en de Batang-Loepar buiten ons gebied aan de Noordkust.

ocr page 37

25

De rivieren hebben in haar langen benedenloop hetzelfde karakter als die van Soematra's Oostkust, maar zij nemen niet zooveel zijrivieren op als deze: de monden zijn breed en ondiep en er voor liggen groote zandbanken. Tot diep in de binnenlanden, dagreizen ver, zijn de rivieren bevaarbaar voor prauwen, ja zelfs voor stoombooten van geen tegrooten diepgang; en zelfs de meeste zijrivieren zouden als verkeerswegen groote diensten kunnen bewijzen, als van de rijkdommen des lands partij getrokken werd. Ook hier passen de inboorlingen de namen linker- en rechteroever andersom toe, als wij dat gewoon zijn. De Maleiers, die meestal de rivieren opgingen, rekenen namelijk van de zee af, als ze van kanan (= rechter) en kiri (= linker) spreken.

Velerwegen heeft de natuur kanalen of doorvaarten {antasan of poetoesan) gevormd, die eene kromming van de rivier afsnijden. Het stuk, dat van de rivier afgesneden is, verzandt dikwijls of wordt in den regentijd in een meer of moeras, danau geheeten, herschapen. Zoo is b.v. de D. Semajang bij de Koetei ontstaan. Bifurcaties vindt men tusschen de Baritoe en de Kahajan.

§ 11. Selébes. Selébes is als 't ware het geraamte van Borneo. Het bestaat uit vier schiereilanden, die gescheiden worden door de golven van Gorontalo of Tomini, van Tolo en van Boni. Alleen het Noordelijke en Zuidelijke schiereiland zijn eenigermate bekend. De steile kusten en de van het strand zichtbare pieken wijzen er echter wel op, dat het eiland een echt bergland is. In het Zuidelijke schiereiland nemen een tweetal bergketens een aanvang niet ver van de Zuidkust, waar zich de Lompobatang, door onze zeelieden Piek van Bonthain genaamd, tot eene hoogte van ruim 3000 M verheft. In het Noordelijke uiteinde, in het prachtige bergland van de Minahasa, verrijzen de Klabat (ruim 2000 M) en de Sopoetan, een werkzame vulkaan. Tal van berg-stroomen geven aan het land eene bijzondere bekoorlijkheid, die nog verhoogd wordt door de heerlijke bosschen, waarmee de bergen getooid zijn.

Tengevolge van de geringe breedte des eilands hebben de rivieren een korten loop. In 't Noorden stroomt de voor

ocr page 38

26

prauwen bevaarbare Rivier van Men ado, die het water afvoert van het bekoorlijke, vischrijke bergmeer van Tondano, dat bijna 800 M hoog ligt. In het centrum des lands ontspringt de Sadang, die in grootte niet veel voor de K. Solo of Bengawan onderdoet. Andere rivieren zijn; de Palos, de Gowa, de Tjenrana met de AVallannae en de Ba hoe-Solo. Fraaie meren, zooals het meer van Limboto, Pose, en Tempe geven aan het landschap eene verrukkelijke schoonheid.

HOOFDSTUK IV.

Het Klimaat.

§ 12. Temperatuur en wind. De eigenschappen, waardoor het klimaat in Indië zich kenmerkend van dat in ons Vaderland onderscheidt, zijn:

1. De hooge temperatuur, als gevolg van de ligging aan weerszijden van den evenaar. Deze warmtegraad verschilt in de onderscheiden maanden des jaars weinig (zie fig. 10): de zon schiet altijd hare stralen onder een bijna rechten hoek op Insu-linde, zoowel in ons zomerhalfjaar, wanneer zij boven den Noorderkeerkring, als in ons winterhalfjaar, wanneer zij boven den Zuiderkeerkring staat.

Wel echter verschilt de temperatuur van den nacht veel van die van den dag: ook de Indische nachten kunnen zeer koud zijn, vooral in de ^binnenlanden. Waardoor in de kuststreken minder?

Aan de kusten der groote eilanden waaien land- en zeewinden. Landwinden vormen luchtstroomen van het land naar de zee en waaien des nachts. De zeewinden voeren van den zeekant een luchtstroom naar het land; ze waaien van 's morgens 10 tot 's avonds 6 uur en matigen de hitte van den dag.

Dag en nacht duren in Indië bijna even lang, dus ongeveer

ocr page 39

27

12 uur. De schemering duurt hoogstens drie kwartier, zoodat de dag spoedig op den nacht volgt en omgekeerd.

2. De groote hoeveelheid regen en vooral de wijze, waarop deze over de tijden van het jaar is verdeeld.

Niet zooals bij ons vormt in Indië de meerdere of mindere warmte het voornaamste onderscheid tusschen de jaargetijden;

30° C.

3]

20° C.

4-

i4

10° C.

Ë

V

quot;7

0

0° C.

ÉH-ir5 'J3 ^

^ quot;S quot;ë gt; 9quot;

Fig. 10. Gang van de normale temperatuur te Utrecht en te Batavia. Door twee kruisjes is de gemiddelde jaarlijksche temperatuur voor beide plaatsen aangewezen, voor Batavia 25°,16 en voor Utrecht 9°,91.').

*) De hier opgegeven cijfers voor Utrecht zijn genomen naar de uitkomsten der waarnemingen, gedaan aan het Kon. Ned. Meteorologisch Observatorium aldaar; voor Batavia naar die aan het Instituut aldaar.

ocr page 40

28

dit zou volgens het reeds meegedeelde niet kunnen, daar de temperatuur in 't geheele jaar ongeveer gelijk is. Men onderscheidt er dan ook niet vier, maar slechts twee jaargetijden: den natten en den drogen moeson. „Moesonquot; (naar een Arabisch woord, dat „jaargetijdequot; beteekent) is eigenlijk de naam van de winden, die gedurende het ééne halfjaar meer uit den Westelijken, gedurende het andere halfjaar meer uit den Oostelijken hoek waaien. Deze geregeld waaiende winden brengen in hun gevolg regen of droogte mede, en vandaar, datiulndië jaargetijde en wind door hetzelfde woord worden uitgedrukt.

Gewoonlijk is de Oostmoeson de droge, de West- de natte moeson, maar hierop zijn in verscheiden streken van den Archipel uitzonderingen. De vraag, welke wind regen aanbrengt , hangt ook nauw samen met den verticalen vorm van elk eiland op zich zelf.

Als regel geeft men wel eens aan, dat in het jaargetijde, waarin de zon haren hoogsten stand bereikt, de West- of natte moeson waait, voor Batavia van October—April. Er bestaat echter groot verschil ten aanzien van het intreden der moesons en nog meer tusschen het kust- en het bergklimaat.

In een smallen gordel bij de linie wisselen winden uit alle streken van 't kompas af met windstilten, en ook in het Noordoostelijk deel van den Archipel zijn de moesons minder duidelijk. Verder blijkt uit de richting van den rook der vulkanen, dat men in bergstreken boven 2000 M. van de wisseling der moesons niets meer merkt. Hier heerscht het geheele jaar door de Zuid-Oost passaat. Het kan er 's nachts koud en overdag zeer heet zijn; sneeuw is er echter evenmin bekend als in de laagvlakte.

De maanden April en October zijn vrij algemeen de maanden van overgang, kentering geheeten. Die kenteringen zijn gekenmerkt door veelvuldige onweders en dikwijls hevige winden. Geldt in 't algemeen de tijd van den Oostmoeson voor het gezondste jaargetijde, de kenteringsmaanden zijn de ongezondste.

§ 13. Regen. Te Batavia is sedert 1866 een Meteorologisch Instituut gevestigd, en regenwaarnemingen worden geregeld verricht op omstreeks 200 stations, waarvan de helft op Java,

ocr page 41

29

terwijl de andere helft verspreid is over de Buitenbezittingen. Daardoor zijn tegenwoordig meer gegevens beschikbaar om met juistheid een oordeel over 't klimaat in onze Oost te vellen.

Duidelijk blijkt het, dat ook in den Oostmoeson wel regen valt, als wij eens letten op de volgende opgaven, getrokken uit het gemiddelde van de laatste jaren:

Waar-1 neming te

Hoogste regenval.

Laagste regenval.

Gemiddeld voor het jaar.

Batavia . . .

Jan. 441

mM

Aug. 38 mM

2062 mM

1 Buitenzorg .

„ 555

1)

,, 2b9, ,,

4987 „ [

i Soerabaja . .

T—lt;

co

})

„ 24 „

1773 „

Padang . . .

Oct. 544

ff

Juli 239 ,,

4605 „

Fort de Koek

„ 242

f)

„ no „

2146 „

Verder zien wij, hoe in Batavia meer dan 2000 mM 'sjaars -valt, terwijl dat cijfer voor Nederland slechts 700 mM bedraagt; — te Buitenzorg valt zelfs bijna 5000 mM en nog is die regen-hoeveelheid gering, als wij daarmee de ontzettende massa's water vergelijken, die in sommige plaatsen van Eng. Indië vallen, waar aan stations bij den Himalaja meer dan 14 M is waargenomen.

Dat te Buitenzorg, zt. 300 nieter hooger dan Batavia, ruim 2 maal zooveel regen valt als in laatstgenoemde stad, is een gevolg van den verticalen bouw van 't land: overal, waar gebergten de zeewinden tot opstijgen noodzaken, is een rijke neerslag; zoo ook is het voor Padang opgegeven cijfer verklaarbaar.

Eene regenbui in de tropen is heel wat anders dan bij ons; soms valt meer dan 300 mM regen in één etmaal!

Over 't geheel valt in Obst-Java minder regen dan in Westen Midden-Java. Aan de Zuidzijde valt 't meest in het gebied van Tjilatjap (meer dan 4 M).

De geringere regenval van Oost-Java openbaart zich nog sterker in de Oostelijker streken van den Archipel; hier is het droger, doch men merke wel op, „er is geen enkel ge-deelte, waar minder dan 1 M 'sjaars valt.quot;

ocr page 42

30

Ten aanzien van het aantal regendagen deelen wij als voorbeelden mede:

Batavia heeft ± 140 regendagen, waarvan ± 40 in

den drogen moeson.

Buitenzorg „ „ 220 regendagen; in de maanden Juni,

Juli, Aug. en Sept. verreweg 't minst.

Soerabaja „ „ 120 regendagen, waarvan tusschen

Mei en Nov. slechts 7.

HOOFDSTUK V.

De Plantenwereld.

§ 14. Overzicht. In Indië, gelijk doorgaans in de tropen, heerscht een weelderige plantengroei: de hooge temperatuur en de vochtigheid zijn daarvan de oorzaken; de bodem werkt dien plantengroei ook in de hand, doordat in de heete gewesten door het verrotten van planten en de vorming van teelaarde of humus de grond zeer vruchtbaar is.

Is in de koude landen van het hooge Noorden de mensch voor zijn bestaan geheel afhankelijk van de dieren, die daar nog worden aangetroffen, en waaraan de IJszeeën zelfs nog rijk schijnen te zijn; hebben in de landen der gematigde luchtstreek flora en fauna voor den bewoner gelijkelijk nut; in de heete keerkringslanden staat het plantenrijk in beteeke-nis voor den mensch ver boven het dierenrijk: het eerste verschaft hem in den ruimsten overvloed alles, wat hij voor zijne woning, kleeding en voeding behoeft.

Daar, waar de landbouw den bodem nog niet heeft in beslag genomen, groeien ondoordringbare bosschen of uitgestrekte graswildernissen; vooral is dit het geval op Soematra en Bor-

ocr page 43

31

neo, maar toch ook van Java is nog een groot deel met bosch bedekt, stellig meer dan de helft.

Ten einde een geregeld overzicht van Java's plantenwereld te krijgen, kan men nog altijd Junghuhn volgen. Hij verdeelt Java, naarmate van de verschillende bodemhoogte, in vier gordels of zonen, die zich van elkander zoowel door bijzondere cultuurgewassen, als door verschil in oorspronkelijke plantbekleeding onderscheiden.

Natuurlijk kan van plotselingen overgang geen sprake zijn: de gordels loopen aan de grenzen ineen. In de hoogste of koudste zone zien wij in het plantenleven het karakter, dat in vele opzichten aan den plantengroei der gematigde luchtstreek doet denken.

De eerste gordel begint aan de stranden der zee en reikt tot ± 600 M boven den zeespiegel; hij omvat dus het kustgebied, de laagvlakten en de lage, breede gedeelten der zachtglooiende berghellingen, 't Is de heete zone, met eene gemiddelde jaartemperatuur van 25 a 26° C., en gekenmerkt door groote vochtigheid en talrijke onweders (meest 's namiddags). Vooral in deze zone heeft de oorspronkelijke wildernis op veel grootere schaal dan in de hooger gelegen gewesten voor de cultuur plaats gemaakt; daarmee in verband is dit het dichtst bevolkte gebied van het eiland.

Tot de strandflora behooren vooreerst de vroeger reeds genoemde moerassige wouden van rizophoren en sommige palmsoorten, vooral de nipah- of dwergpalm met zijne groote bladeren, welke tot atap (dakbedekking) dienen. Onder de rawa-flora zijn opmerkelijk, naast waterplanten, gelijk ze ook in onze vaderlandsche plassen voorkomen, de lotus-soorten, wier fraaie bloem den inlander heilig is als de waringin.

Men zou dezen gordel de zone voor de rijst- en suikercultuur kunnen noemen. De rijst is het hoofdvoedsel van den Javaan en de natte rijstvelden of sawahs zijn voor 't grootste gedeelte in dezen gordel gelegen. De rietsuiker, na de koffie het hoofdproduct voor de Europeesche markt, wordt uitsluitend in de heete alluviale vlakten verbouwd. Daarnaast levert deze gordel andere belangrijke cultuurgewassen, b.v. indigo en katoen.

ocr page 44

32

Hier liggen dus de bebouwde velden en ook de steden en dorpen.

Maar een zeer groot deel, stellig meer dan de helft, draagt quot;nog zijn oorspronkelijk plantenkleed, hetzij als groote,

ondoordringbare tropische wouden, hetzij, waar deze door de eene of andere omstandigheid ontbreken, als uitgestrekte ^quot;quot;gr as wild er nis sen, a lang al a ng-velden. Deze zijn de prairiën van Indië, eenzame graszeeën met eilandjes van

ocr page 45
ocr page 46

34

t

g lag ah of wild suikerriet, de geliefkoosde verblijfplaats van de tijgers. Ook groeien hier talrijke bamboesoorten.

De Bamboe is in elk opzicht de meest grootsche vertegenwoordiger van de familie der Grassen: met hare sierlijke kronen vormt zij schoone boschjes, waarin de halmen — van aanzienlijke dikte en 20 en meer meters hoogte — een fluitend geluid doen hooren, als de wind er door speelt en zij tegen elkander schuren. Dikwijls groeien daartusschen kruipende en klimmende Eotans, soms een enkele donker gekleurde Areng-palm.

Bil van onbetaalbaar nut zijn de bamboesoorten voor den inlander: de Javaan bouwt er zijne woning van, de Maleier kiest de stevige stammen voor de masten van zijn vaartuig; in hardheid kan het soms met ijzer wedijveren, zoodat 'took wordt gebruikt — de stekelige bamboe-doeri — bij den aanleg van versterkingen. Talrijke voorwerpen van huiselijk gebruik worden er van vervaardigd.

Onder den rijkdom der tropische boomvormen merken wij alleen op de palmensoorten en de waringins; de laatste (zie fig. 12) laten nit hunne takken luchtwortels neer, die op hunne beurt stammen worden, zoodat één enkele waringin een bosch in 't klein gaat vormen; zij worden veel gebruikt tot versiering van de pleinen voor de woningen der regenten.

Gezellige wouden, uit één boomsoort bestaande, als in onze gematigde gewesten, komen in Indië minder voor.

Een grootsch karakter vertoonen de Indische wouden met hun dichten plantengroei, waartusschen slechts zelden een zonnestraal tot den bodem doordringt. Een vochtige, koele atmosfeer heerscht hier; gedurig hoort men water ruischen, maar krijgt dit bijna nooit te zien. Het loofgewelf vormt een gesloten dak, dat ternauwernood hier en daar een blik op den blauwen hemel toelaat. Dikke lagen mos bedekken de stammen der woudreuzen, terwijl de takken door eene menigte varens van verschillende soorten zijn omhuld. Overal maken rotan-soorten en andere lianen den doortocht schier onmogelijk; dikwijls zijn de stammen der hoornen onder de talrijke klimplanten ternauwernood te herkennen. In eindelooze verscheidenheid verheifen zich de boomen, dikwijls zeer hoog en dik, soms de kronen rijk met bloemen gesierd.

Zoowel in den heeten gordel, als in den volgenden, den gematigden, beslaan die oer-wouden nog groote uitgestrektheden. Vooral sedert 1870 is echter een groot deel der vroeger onafgebrokene bergwouden ontgonnen : de met eene zware humus-laag bedekte gronden werden in beslag

ocr page 47

35

f-: ■;lt;'

genomen door koffie- en kinacultuur. Na jaren lang rijke winsten te hebben gegeven, geraken echter die gronden uitgeput; reeds zijn vele koffietuinen, uit de eerste tijden van het cultuurstelsel, weder verlaten en is de opbrengst in andere uiterst gering. Als eenig middel om in de toekomst hieraan tegemoet te komen, wordt de aanleg van nieuwe wildhoutbosschen aanbevolen.

De dj ati-bosschen, die vooral in Rembang voorkomen, munten niet door natuurschoon uit; een groot gedeelte van liet jaar zijn de boomen kaal en doen aan den Europeeschen winter denken; maar de deugdelijkheid van het hout (naaiden botanischen naam „tectonaquot; wordt het in Engelsch-Indië en vele andere landen teakhout genoemd), waarvan men beweerde, dat het tegen de witte mieren bestand zou zijn, heeft gemaakt, dat deze bosschen aan geregeld staatstoezicht zijn onderworpen. (De opbrengst van het djati-hout vormt een post op de Indische begrooting.)

De tweede gordel of de gematigde zone reikt van ± 600 M tot 13 a 1400 M. Zij beslaat in oppervlakte nauwelijks Vso van de heete zone en strekt zich uit langs de berghellingen en op de plateau's. De gemiddelde temperatuur bedraagt 28° a 18° C.; doch hier is grooter verschil tusschen dag en nacht, en er heerschen hevige onweders en stortregens.

In rijkdom van tropische wouden evenaart dit gebied het vorige: dichte oorspronkelijke bosschen bedekken den bodem overal, waar de mensch den grond niet in beslag heeft genomen voor de cultuur.

De reusachtige rasamala-boom uit die wildhoutbosschen levert uitstekend timmerhout.

Met betrekking tot de cultuurgewassen kan men aan dezen gordel den naam geven van zone der koffiecultuur. De koffietuinen maken in sommige streken in de laatste jaren plaats voor de theeplantages; de thee was vroeger op Java minder belangrijk dan tegenwoordig. ^

Bij de dorpen groeit de kokos- en de arengpalm; tabak en d j a g o e n g (maïs) worden verbouwd en ook Europeesche groenten en aardappelen.

In dezen gordel, hooger nog dan de koffieheester, groeit ook de kinaboom. De kinacultuur is in 1854 in Nederlandsch Oost-Indië ingevoerd; het vaderland van den kinaboom ligt

ocr page 48

36

in de Andes van Zuid-Amerika. De talrijke kinaplantsoenen, zoo van het Gouvernement als van particulieren, zijn vooral in de Preanger-Regentschappen.

In de derde of koele zone, 1400—2500 M, is de cultuur van minder belang; de inlander bouwt gewoonlijk zijne dorpen niet zoo hoog. Toch bedraagt de gemiddelde temperatuur hier 18° a 13°. 't Gebied van deze zone omvat ongeveer '/ioo van den 2™ gordel, enkele hoogvlakten en berghellingen. In 't onderste gedeelte is de kinacultuur van belang; voorts tabak en Europeesche groenten. Tot de belangrijkste streken in dezen gordel behoort het Tenggêrsamp;h gebergte in de residentie fJi ; hier liggen de nijvere dorpen van de „heidenen van het Tenggerseh-gebergtequot;; en in de residentie Kedoe wordt op even aanzienlijke hoogte, op het Diëng-plateau, tabak geteeld, die voor de beste van geheel Java wordt gehouden.

Oorspronkelijke bosschen komen hier nog voor en aan ware woudreuzen is nog geen gebrek, maar vooral groeien hier de casuarinen (dennen- of pijnbosschen van Oost-Java). Jung-huhn en anderen vonden ook eiken en kastanjes, maar van de Europeesche soorten onderscheiden.

De vierde of koude zone omvat alleen de toppen der hoogste bergen. Toch heeft de dampkring hier nog eene temperatuur, die weinig lager is dan de gemiddelde warmtegraad in ons land of Noord-Duitschland: 13J a 8° C.; 's nachts daalt de thermometer soms tot onder 0°; motregen en een koude hagel vervangen hier den tropischen neerslag. In dezen gordel treffen wij Java's Alpenflora aan , en het is zeer merkwaardig, hoe deze overeenkomst vertoont met den plantengroei van onze Europeesche gematigde luchtstreek.

Boomgroei en vooral varens zien wij hier wel en nog vele fraaie bloemen, maar geen cultuurproducten.

In het algemeen karakter der Indische plantenwereld valt verder een duidelijk verschil op te merken tusschen het Westelijk en het Oostelijk gedeelte van den Archipel. De Engelsche reiziger en natuuronderzoeker Wallace heeft dit onderscheid het eerst duidelijk aangewezen. Hij trok zelfs eene lijn, die een Westelijk deel met geheel Aziatisch karakter van een Oostelijk deel afscheidt; in welk laatste deel de eilanden onderling veel meer verschillen en meer overeenkomst met Australië dan met

ocr page 49

37

Azië vertoonen. Die grenslijn trok Wallace door de straten van Makassar en van Lombok, dus tusschen de eilanden /U/.-A; en . 'i a-. » . . en . . en . . .r-. . . . . .

Ofschoon tegenwoordig geene bepaalde grenslijn meer wordt aangenomen, is het toch een feit, dat vooral Soematra, Java, Borneo een Indischen plantengroei hebben, de Mol ukken en Papoesche eilanden eene Australische flora, terwijl Selebes en de kleine Soenda-eilanden een overgangsgebied vormen.

Het onderscheid bestaat niet alleen in de natuurlijke plant-bekleeding, die in 't Indisch gedeelte veel weelderiger is, wij zien het ook bij de cultuurgewassen: zoo is in 't Westelijk deel rijst het hoofdvoedsel der bevolking; in 't middengebied

wordt de rijst minder, zoo in hoeveelheid als hoedanigheid, zoodat daarnaast veel sago voorkomt; in 't Oosten eindelijk is de rijst schaarsch en zijn sago en djagoeng 't hoofdvoedsel en daarnaast specerijen 't hoofdproduct.

Onder de boomvormen zijn in 't Australisch gedeelte vooral kenmerkend de eucalyptus of gomboom en de eentonige casuarine (tjemara; reeds vroeger genoemd). Ook in de dierenwereld zullen wij het onderscheid tusschen de verschillende gedeelten van den Archipel opmerken.

Fig. 13. Rijstaar of padi. § Cultuurgewassen. Ilieion

der brengen wij al die plantensoorten , welke wegens haar belang geregeld gekweekt worden, hetzij voor de volksvoeding, hetzij voor de Europeesche markt.

Sommige dier soorten komen ook nog wel in het wild voor.

Onder de voedingsgewassen neemt de rijst verreweg de eerste plaats in; zij is in het grootere, Westelijke deel van den Archipel het hoofdbestanddeel der voeding, waar meer dan 25 millioen menschen van deze graansoort leven. De rijst is eene moerasplant, die in talrijke verscheidenheden voorkomt:

ocr page 50
ocr page 51

39

er is b. v. witte, roode en zwarte rijst. De natte rijstvelden, sawahs, zijn hoofdzaak; de droge, tegals, worden alleen aangelegd, als voor de eerste de gelegenheid ontbreekt. Als de rijstoogst op het veld is afgeloopen, kweekt men voor inlandsch gebruik een tweede gewas, b.v. maïs, peulvruchten, suikerriet, tabak en indigo. Vooral in Oost-Java en op Selebes is maïs een belangrijk voedingsgewas.

In de Molukken en op Borneo is sago het voedsel van de inlandsche bevolking. De sagopalm bevat dat voedsel als merg in den stam; deze wordt omgehakt en gekloofd, het merg er uitgehaald en op eenvoudige wijze bereid {sagokloppen). De beste sagoboomen zijn in den Molukschen Archipel; op Seram zijn er groote bosschen van. De sago, zooals ze in den handel komt, moet meerdere bewerkingen ondergaan, die meest door Chineezen geschieden, o. a. in Singapore.

Onovertroffen is in de tropische luchtstreek de rijkdom der palmensoorten; meer dan honderd verschillende soorten zijn bekend. Een „weldoener voor den Javaanquot; is inderdaad de kokospalm of „klapperquot; {kalappa). Deze boom, die 10—25 M hoog wordt, ontbreekt zelden bij eene Javaansche woning; bij voorkeur groeit hij in de nabijheid der zee, waar hij soms uitgestrekte bosschen vormt. Letterlijk alles van stam, blad, bloem en vrucht wordt gebruikt. Het hout is bouwmateriaal. De bladeren, die eene lengte van 5 M kunnen bereiken, gebruikt men als dakbekleeding (atap); de jonge bladknoppen worden gegeten als „palmkoolquot;; de bloemkolven verschaffen palmwijn {toewak); uit de bastvezels der vrucht maakt men sterk touwwerk en matten, en de vrucht geeft gezonde spijs en drank, olie, boter en zeep. Uit de schaal der noot maakt men lepels, drinkbekers, inhoudsmaten, enz., en uit de bloem-scheeden scheplepels. Van de jonge, witte blaadjes vlecht men rijstmandjes, en van de middenribben der bladeren stelt men bezems samen, ja, zelfs omheiningen!

De are ca-palm of pinang verschaft de betelnoot voor het betel- of sirihkauwen; de boom geeft jaarlijks r. 300 noten. Deze zijn rijk aan looizuur. Deze palmen zijn vooral overvloedig op de Noordkust van Soematra (Betelnotenkust).

De arengpalm heeft een stam van 6—13 M. Deze palmsoort komt op / Java algemeen voor en levert hard en duurzaam

ocr page 52

40

hout. Aan den voet der bladstelen zit eene zwarte vezelstof, waarvan sterk touw gemaakt wordt. Verder levert deze boom D sago, suiker en palmwijn {sagawfr).

,• De votanpalmen hebben dunne, lange, klimmende, buitengewoon taaie stengels. Zij komen overal in Indië in groote verscheidenheid voor (hind- en stokrotans!) en worden gebruikt ! quot; J.,L voor 't maken van wandelstokken, stoelen, vlechtwerk, enz.

De pisang of banaan wedijvert in nut met den klapper. De stam is bekleed met over elkaar liggende bladscheeden en levert de fijne, onverslijtbare vezels, die als Manila-hennep in den handel bekend zijn. Aan de kolossale bloemtrossen van dezen hoogen boom ontwikkelen zich voedzame vruchten, die — hetzij rauw, gekookt, gebraden of geconfijt — voor

ocr page 53

41

gouvernements-culture, d. i. wordt voor rekening van de Regeering verbouwd. Op Java, in 't Gouvernement van Soematra's Westkust en de Minahasa, waar de gouvernements-koffie-cultuur bestaat, is de inlander verplicht, in de koffietuinen te arbeiden, het product aan de gouvernementspakhuizen in te leveren, en eerst na die inlevering ontvangt hij zijn plantloon , nl. ƒ 15 per pikol. De opbrengst der gouvernementsculture is zeer afwisselend: in 1892 bedroeg zij 795 807 pikols; in 1893 slechts 129 493 pikols en in 1895 weer 362 538 pikols. Door uitputting van den bodem, door ondoelmatige aanplanting, door koffiebladziekte, enz. blijft de gemiddelde opbrengst verre beneden die van een tiental jaren geleden. Dientengevolge wordt de tegenzin der bevolking in de gedwongen

ocr page 54

42

koffiecultuur steeds grooter. De voornaamste gewesten voor de gouvernementsculture zijn: Pasoeroean, de Preanger, de Padangsche Bovenlanden, Tegal, Probolinggo en Be-soeki. Gelukkig breidt de vrije koffiecultuur zich steeds uit. In 1892 bedroeg de geheele opbrengst der vrije cultuur 532 000 pikols, en tegenwoordig brengt de particuliere koffie-teelt reeds meer koffie ter markt dan die van 't Gouvernement. De gouvernementskoffie van Soematra wordt te Padang geveild, die van Java voor een deel te Batavia, terwijl de overige door bemiddeling der Nederl. Handelmaatschappij naar 't moederland wordt vervoerd, om daar in openbare veiling te worden verkocht.

Het suikerriet vormt een tweede hoofdproduct; maar dit artikel leed in de laatste jaren veel door de mededinging van de Europeesche beetwortelsuiker-fabricatie, vooral in Duitschland. Tot 1890 kwam het suikerriet ook nog als gouvernementsculture voor; de cultuur van het riet geschiedde in gedwongen arbeid; de bereiding der suiker uit het riet werd aan particulieren toevertrouwd. De bevolking plantte dus

ocr page 55

43

gezag, de fabrikant verwerkte, dikwerf we-in gedwongen arbeid werkende koelies, en de

staat verkocht de geproduceerde suiker. De wet van 21 Juli 1870 besloot tot geleidelijke opheffing van dit stelsel. — Sedert is eigenlijk pas de particuliere industrie ontstaan. De suikerfabrieken zijn vooral in de lage, alluviale vlakten van Middel- en Oost-Java. In 1893 waren er op Java 152, en toen bedroeg de geheele suikeropbrengst 8 \ mill, pikol. Plet suikerriet wordt niet door zaad, maar door stekken voortgeplant.

Met Java zijn 't voornamelijk de volgende landen, die de wereldmarkt van rietsuiker voorzien: Brazilië, de Westlndische eilanden — in 't bijzonder Cuba —, Guyana, Britsch-Indië, de Philippijnen, Mauritius, de Sandwich- en de Fidji-eilanden.

De thee was vroeger van minder be teekenis, daar zij met die van China niet kon wedijveren; tegenwoordig behoort zij tot de hoofdproducten. De voornaamste theeondernemingen vindt men thans in de omstreken van Soekaboemi (in 't W. van de Preanger Reg.) en Buitenzorg. Vooral ook zijn de Ledoksche theetuinen bij Wonosobo, in Bagelen, bekend.

De kina is in 1854 op Java ingevoerd. De aanplanting van dezen altijd groenen boom is krachtig bevorderd door J u n g h u h n, voor wien te Lembang bij de kinatuinen eene gedenknaald is opgericht. De voornaamste kinaplantsoenen vindt men in de Preanger Reg. op de hellingen van den Gede, den Tangkoeban-Prahoe, den Malabar en Pa-

hoog met

ocr page 56

44

toeha en verder in Pekalongan, Semarang en Pasoeroean. Kina is de bruingele bast van den boom. Uit die kina krijgt men door scheikundige werking o. a. de kristallijne, witte kinine.

De tabak wordt zoowel op Java als in Oost-Soematra op

talrijke plantages verbouwd. De tabaksoogst is zeer wisselvallig; de Java-tabak is thans, na eenige ongelukkige jaren, weder zeer gevraagd; er hebben zich in Besoeki, Probolinggo en de Vorstenlanden ondernemingen op groote schaal gevestigd. Maar hooger vlucht nam in de laatste jaren de tabakscultuur in Oost-Soematra; eerst in Deli (hoofdplaats: Me-dan), daarna ook in Langkat, vervolgens in Serdang en Asahan. In 1864 bedroeg de uitvoer van Soematra aan tabak ƒ 4000; in 1865 ƒ 40 000; in 1894 echter ƒ 35 millioen, en in 1895 niet minder dan ƒ 28 millioen. De tabaksproductie van Soematra overtreft dan thans ook verre die van Java.

De cacao-cultuur neemt steeds in beteekenis toe, b. v. in Semarang, de Preanger, Besoeki en Kediri; verder in de Min ah a sa en op de Ambonsche eilanden. De kleine roode bloesems zitten in bundels aan de stammen en takken van den boom (zie fig. 20). De vrucht lijkt op een komkommer. De vleezige vruchtwand droogt lederachtig op en bevat een 60-tal amandelvormige zaden of „cacaoboonenquot;.

Van de katoen of boomwol komen twee hoofdsoorten voor: de kapok en de kapas.

De kapok groeit op tot een boegen boom, met horizontaal

ocr page 57

45

staande takken en witte bloemen; de vrucht brengt eene massa wollige stof op; deze boomwol is echter te kort van vezel om haar te spinnen, doch van belang voor het vullen van kussens enz. Schier bij elke inlandsche woning , komt de , kapokboom voor; hij groeit snel en kan binnen weinige jaren

vrucht dragen. Langs den weg doen deze boomen dienst als levende telegraafpalen.

De kapas-struiken komen voor op bijna alle eilanden, maar doorgaans bepaalt zich de cultuur tot de behoefte der inlanders. De Vereenigde Staten van Noord-Amerika en Britsch-

ocr page 58

46

ll-V-

ocr page 59

47

stengellooze Agave heeft groote, vleezige bladen met zwarte, doornige tanden, zoodat deze planten dikwijls als heg gebruikt worden, om een terrein af te sluiten. Maar in hoofdzaak kweekt men de agave aan, om de glanzende, witte vezels, die de bladeren opleveren. Omdat deze vezels zoo goed bestand zijn tegen de inwerking van water, gebruikt men ze veel voor 't vervaardigen van zeildoek en touw voor visch-netten.

§ 16. Specerijen. Eene belangrijke plaats nemen voor den handel ook de specerijen in. De Oostindische-Compagnie heeft in de 17de eeuw , om zich van den alleenhandel te verzekeren, den aanplant der specerijboomen tot de Amhonsche en Bandasche eilanden beperkt. Om te beletten, dat deze cultuur ook elders

ocr page 60

48

geschiedde, werden zoogenaamde hongitochten uitgerust, waarbij de boomen op de andere eilanden werden uitgeroeid en strenge

straf werd opgelegd aan de inlanders, die op verboden eilanden de cultuur onderhielden. Zelfs werd de jaarlijksche be-

ocr page 61

49

ocr page 62

50

ze van den bolster ontdaan en in kalkwater gedoopt. Na vernieuwde droging is de noot voor de verzending gereed.

De muskaatnootcultuur is buiten den Archipel van belang op Mauritius en in Zanzibar.

Peper wordt vooral op Noord-Soematra geteeld. De havens aan de kust van Atjeh dragen den naam van „peperhavensquot; en onze eerste betrekkingen met Atjeh hadden in den peperhandel haren oorsprong; want de peper stond in die dagen onder de specerijen 't hoogst.

Verder zijn voor de peper cultuur belangrijk de R i o u w-Archipel en de Lampongsche districten.

Peperkorrels zijn de vruchtjes van een klimheester. Als de vruchtjes onrijp geplukt zijn , dan verschrompelt het vrucht-vleesch bij het drogen in de zon , en men krijgt zwarte peper. Zijn ze echter zeer rijp, dan laat dat vruchtvleesch los, en men bekomt witte peper.

Gambir is het hoofdproduct van den Riouw-Archipel. De bladeren van deze struik worden gekookt en uit het kooksel wordt een sap getrokken, dat rijk is aan looizuur en als zoodanig goede eikenschors vijf a zesmaal overtreft. De gambir-koekjes, die van het sap worden gemaakt, vormen een belangrijken tak van handel. In Europa worden ze gebruikt voor het looien van leder en het tanen van touwwerk. In Indië spelen ze eene groote rol bij het sirih-kauwen, waaraan de inlander verslaafd is.

Dit betelkauwen is een algemeen gebruik onder de bevolking van den Indischen Archipel. De betelpruim bestaat uit vier of vijf be-standdeelen: le. de bladeren van de sirih- of betelplant, die overal in de tuintjes der inlanders gekweekt wordt; 2e. de geurige noten van den pinang- of betelpalm (areca); 3e. gambirkoekjes, vervaardigd uit het gestolde sap van de gambir, die op Singapore en Bintang op groote schaal, hier en daar ook op Soematra en Malakka, maar tot dusverre zeer weinig op Java gekweekt wordt; 4C. tabak en 5e. zuivere kalk. Daar de gambir op Java en andere eilanden duur is , laat het zich gemakkelijk verklaren, dat dit bestanddeel niet algemeen wordt gebruikt. De tabak wordt niet altijd met de betelpruim gebruikt, maar dikwijls als toegift genoten.

§ 17. Olie, hout, verf, hars, gom. Onderscheidene oliën worden ook in den handel gebracht.

Hiervan is de kokosolie verreweg het belangrijkst. Ze wordt

ocr page 63

,k.. tJ- ^

|-f-7 '' ' si

bereid uit de rijpe pitten der vrucht en doet dienst in de keuken, voor kunstlicht en toilet. Ook bereidt de inlander uit zijne klapperolie eene soort plantenboter. De gedroogde kokos-kern, in den handel kopra of copperah geheeten, bevat 50 a 60 0/0 vet en wordt in Europa gebruikt voor het bereiden van zeep (kokoszeep).

De geneeskrachtige kajapoet-olie wordt gestookt uit de bladeren van den kaj oepoeti h-b oom, die veel op B o e r o e groeit en gemakkelijk te herkennen is aan zijn hoogen, witten stam en aan zijn dun gebladerte.

De kanari-olie, die voor keukengebruik zeer geschikt is, wordt getrokken uit de noten van den reeds genoemden kanariboom, die wegens zijn dicht lommer in het Oostelijk gedeelte van den Archipel veel wordt aangeplant.

De djarak-boom, die over geheel Indië verspreid is, levert de „wonderboomoliequot;, ricinus-olie, of castorolie, welke men uit het zaad perst.

Talrijk zijn de houtsoorten, die de Indische wouden leveren. Java en Madoera zijn voor de exploitatie der bosschen verdeeld in 13 b o s c h-d istricten. De bosschen worden onderscheiden in djati-bosschen en wildhout-bosschen. De eerste worden opzettelijk aangeplant en staan onder regeeringsop-zicht. Van staatswege worden jongelieden opgeleid in Pruisen voor Ambtenaren bij het boschwezen in Indië, bij voorkeur degenen, die het diploma hebben van de Rijks-Landbouw-school te Wageningen.

Het ijzersterke djati-hout heeft onschatbare waarde voor het bouwen van huizen, schepen en waterwerken. De djatiboo-men zijn bultig van stam, schraal van takken en staan een groot deel van 't jaar bladerloos. Vooral Rembang is rijk aan djatibosschen en ook op Rosengain (Banda-eil.) zijn gouvernements-dj atiaanplantingen.

Meubelhouten zijn vooral: het sandelhout, dat veel op Timor voorkomt, het zonnehout, het wortelhout van Ambon, het zware ebbenhout en het kamferhout (Soematra).

Het walikoekoen of vleeschhout is taai en duurzaam en zeer geschikt voor kromhouten, raderen, enz. Het laat zich moeilijk bewerken en staat bij de werklieden bekend als „Oost-indisch paardevleeschquot;.

4*

ocr page 64

Sommige houtsoorten zijn zoo hard als ijzer: de inlander maakt er zijn spijkers van, b.v. van ijzerhout en sapanhout. Andere houtsoorten daarentegen zijn zoo licht als kurk.

Onder de verfstoffen bekleedt de indigo eene voorname plaats.

De indigo was reeds bij de Ouden om hare zuiver-blauwe kleurstof bekend. Plinius beschrijft haar als na het purper 't hoogst gewaardeerd; maar hij meende, dat zij ontstond uit bet schuim der zee, dat zich aan planten en rotsen vastzette. Als zooveel andere kostbare producten werd zij door karavanen uit Indië aangevoerd. De reisbeschrijving van den Venetiaan Marco Polo (13e eeuw) deelt een en ander omtrent herkomst en bereiding mede; maar toch hielden velen haar, zelfs tot de 18c eeuw, voor eene delfstof.

Talrijk zijn de soorten van Ind igofera's, meest heesters, thuis behoorend in den heeten plantengordel en doorgaans verkregen door zaaiing, enkele soorten door stekken. De zaden zijn iets grooter dan die van mosterd. Van hetzelfde zaaisel worden twee oogsten verkregen in den tijd van den bloei der plant. Het gewas wordt gesneden , de stengels en bladeren in kuipen geweekt. Het dan gewonnen vocht ondergaat verschillende bewerkingen, waarbij ten slotte de indigo als eene vaste massa wordt verkregen, die in den vorm van koeken in den handel komt.

De meeste indigo komt uit Bengalen en Madras, uit China

en Centraal-Amerika. Java voert jaarlijks 200.000 KG uit, bijna uitsluitend naar Nederland. Vroeger behoorde de indigo tot de gouvernements-cultures, thans alleen tot den vrijen bouw. De ondernemingen liggen voornamelijk in de Vorstenlanden.

De drakenbloed-rotan en de sapan-heester geven roode verfstoffen.

ocr page 65

53

u

De wortelstok van de kurkema, eene plant, die door geheel Indië in de tuinen gekweekt wordt, levert eene gele kleurstof.

Eindelijk levert de Indische plantenwereld, vooral die van Soematra, nog harsen en gommen.

De reusachtige kamferboom van Soematra bevat in zijn zuil-vormigen, grijzen stam het bederfwerende kamfer.

De benzoë en tal van andere hoornen leveren hars of „d a m a rquot; en gom of „get ahquot;. Hars druipt van zelf uit den stam; gom vloeit uit de insnijdingen, die men in den stam maakt. Vele acacia-soorten zweeten echter ook gom uit. De Inlanders gebruiken de slechte harsen voor 't maken van kaarsen en olie. De benzoë geeft eene geurige olie (wierook), welke de Maleiers bij alle plechtigheden branden. Ten gevolge van roekelooze vernieling zijn de getahboomen niet zoo overvloedig meer als vroeger.

Caoutchouc, gomelastiek of getahpertjah {Pertjah is de inlandsche naam voor Soematra) is het dikke, kleverige melksap uit den stam van sommige f i c u s-soorten, dat, aan de lucht blootgesteld, verhardt. Een groot aantal harsboomen leveren fijne witte w a s.

De harsen , gommen en verfstoffen behooren in 't algemeen tot de zoogenaamde boschproducten, die door den inlander verzameld en aan de markt worden gebracht. Tot deze boschproducten behoort ook de boven besproken rotan, in wel 300 verschillende soorten aanwezig en voor verschillende doeleinden te gebruiken (meubelen , bindwerk , matten , stokken , enz.). Zoowel voor den Europeeschen als voor den inlandschen handel vormt de rotan een belangrijk artikel.

HOOFDSTUK VI.

Het Dierenrük.

§ 18. Zoogdieren. Veel minder belangrijk dan de plantenwereld zijn voor den mensch in de tropische landen over

i

f' I

lt;?

ocr page 66

54

't algemeen de dieren. Niet dat het dierlijk leven minder rijk dan dat der planten zou zijn vertegenwoordigd, maar de mensch in de heete luchtstreek leeft in hoofdzaak van plantaardig voedsel, en voor zijne kleeding behoeft hij bijna niets. Dientengevolge is de strijd van den mensch tegen het wilde gedierte in de tropen dikwijls te ernstiger.

De fauna van den Oostindischen Archipel houdt het midden i; y/, ( - tusschen die der aangrenzende werelddeelen. Evenals zulks met de plantenvormen het geval is, komen de dieren in het Westelijk gedeelte meer overeen met die van het vasteland van Azië, terwijl die van het Oostelijk gedeelte meer gelijken op de dieren van Australië. In degrootere. Westelijke helft vindt men dus eene meer ontwikkelde fauna, grootere diersoorten; in 'tOosten zonderlinge diervormen, gelijk ze nergens elders meer voorkomen. Dit verschijnsel is een gevolg van de ligging der eilanden en hangt waarschijnlijk samen met het ontstaan van dezen Archipel. Sommige diersoorten zijn echter over de beide deelen verbreid.

Terwijl op Soematra tal van apen leven, na verwant aan die van Achter-Indië, verdwijnen zij langzamerhand Oostwaarts, tot op Selebes en op Lombok de laatste apensoort wordt gevonden ; hier daarentegen beginnen de buideldieren, b.v. de ., koeskoes (zie de afbeelding in Hoofdstuk XIII), die Oost-waarts in aantal van soorten toenemen, om in Australië en Nieuw-Guinea bijna de eenige inheemsche zoogdieren-soorten te vormen.

Op Soematra, doch vooral op Borneo, leeft de orang-oetan, de hoogstontwikkelde apensoort. Verder zijn de volgende apensoorten de meest voorkomende: brulapen; de grijze meerkatten of monjets (de landtong „Apenbergquot; bij Padang heeft aan deze gezellige dieren zijn naam te danken); de loetoeng of zwarte aap; de wouwouw, genoemd naar zijn geluid.

Olifanten komen op Soematra en N.O.-Borneo voor. De kleine rhinoceros met twee horens wordt op Soematra gevonden , de groote rhinoceros met één horen leeft in het Westelijk gedeelte van Java.

Alleen in de bosschen van Midden-Soematra zijn de olifanten nog vrij talrijk; olifantspaden vormen er dikwijls nog de

ocr page 67

55

eenige wegen. De uitvoer van ivoor naar Europa is onbeduidend. De jacht op olifanten geschiedt met het geweer; ook tracht men wel het dier in kuilen te vangen.

De rhinocerossen zijn van meer belang dan de olifanten. De horens hebben een grooten naam als geneesmiddel, o. a. als tegengift bij slangenbeten. Het vleesch wordt gegeten en van de huid worden karwatsen, enz. gemaakt. Huid en hoorn van den rhinoceros zijn minstens ƒ 200 waard. Men tracht o. a. het dier te vangen door het plaatsen van scherpe, zeisachtige messen op zijn diep ingetreden bergpad, zoodat het zich den buik openrijt.

De tapir is inheemsch op Soematra en Borneo.

De gevaarlijke roofdieren zijn tijgers en panters. De / gestreepte- of koningstijger huist op Java en Soematra, wel minder dan vroeger, maar toch nog menigvuldig. De gevlekte tijger of panter leeft op dezelfde eilanden en op Borneo. Vele en groote tijgers komen voor in den Z.O.-hoek van Kediri.

Kleinere tijgerkatten komen ook op andere eilanden voor; sommige zijn niet grooter dan onze huiskatten.

In den regel vertoont de tijger zich weinig, over dag althans bijna nooit. Alleen door honger gedreven, komt hij uit zijn schuilhoek, en wanneer hij zich niet aan wilde zwijnen en herten kan verzadigen, waagt hij zich zelfs in de dorpen der inlanders en sleept menschen weg. Men tracht het gevaarlijke dier door vergif te dooden of het te vangen in eene stevige val, waarin eene geit tot lokaas dient. Bij volksfeesten , aan inlandsche hoven mocht een tijgergevecht niet ontbreken. Bovendien wordt op den tijger jacht gemaakt, om de door het Gouvernement gestelde premie te verdienen.

De moesang, eene soort van marter, snoept van de bessen in de koffieplantages.

Een verbazend groot aantal varkens leeft in Indië, zoowel tamme als wilde rassen. Bij den Mohammedaanschen inlander zijn alle varkens om godsdienstige redenen in minachting ; maar overal, waar Chineezen wonen, worden zij veel gefokt.

Na de varkens zijn ongetwijfeld de herten het veelvul-digst over den Archipel verspreid. Junghuhn spreekt in zijn

ocr page 68

56

3' deel van „Javaquot; over tienduizenden en nogmaals tienduizenden van herten, die hij op den Idjen (res. Besoeki) zag. Van zoo iets is tegenwoordig echter geen sprake meer. Er wordt veel jacht op gemaakt; zij leveren dengdeng (gedroogde reepen vleesch}, huiden en horens.

Zeer merkwaardig is het h e r t z w ij n of babiroessa (zie de afbeelding in Hoofdstuk XIII), dat alleen de Noordelijke helft van Selebes, de Soela-eil. en Boeroe bewoont. Dit vreemdsoortige dier heeft den kop van'een varken, terwijl zijn lange pooten aan die van een hert doen denken. Bovendien heeft het enorme hoektanden, die door den bovenlip heengroeien en als gekromde horens op den kop schijnen te staan. Dit dier vormt met den zwarten hondsaap en een antilope-achtigen buffel, door de Maleische kustbewoners sapioetan (wilde koe) geheeten, een merkwaardig drietal van groote landzoogdieren, die in hoofdzaak alleen op Selebes inheemsch zijn.

Het nuttigste huisdier is zonder twijfel de buffel of karbouw, in 't Maleisch kebo (Fig. 14). Hij wordt gebruikt bij het beploegen der rijstvelden ; hij moet zware lasten trekken voor de pedati of vrachtkar, langs dikwijls bijna onbegaanbare modderwegen; zijn vleesch dient tot voedsel, vooral bij feestmalen, en wordt ook gedroogd (dengdeng). Voor den Javaanschen landman is de buffel dus onmisbaar. De kleur is donkergrauw tot blauwzwart; hij is log en buitengewoon sterk. Na verrichten arbeid vereischt hij weinig voor zijn onderhoud: het voedsel zoekt hij zelf, waartoe hij gehoed wordt; de houten klokken hoort men reeds in de verte.

Het rund of de sapi vervangt in sommige streken den karbouw, o. a. in Oost-Java en op Bali. Het vleesch is smakelijker dan dat van den buffel; daarom komen in de nabijheid der groote steden groote kudden van sapi's voor. Ma-doera is de slachtbank voor Java. Oost-Java en Madoera hebben trouwens veel meer vee dan West-Java.

U . _ Wilde runderen (bantengs) komen voor op Java, Borneo

en Soematra. Er wordt drijfjacht op gemaakt; vroeger werden ze veel gevangen voor tijgergevechten.

De paarden bekleeden in den Archipel eene voorname plaats. Over het geheel zijn zij klein, doch zeer sterk. De

ocr page 69

57

schoonste soorten zijn: de Sandelhont-paarden, de Makassar en en die van Bi ma (Soembawa); bekend zijn ook de Bataksche paarden.

§ 19. Vogels, enz. De vogelenwereld is rijk aan bontgevederde soorten, wier stemgeluid niet aan het schoone uiterlijk beantwoordt. Vooral hoenders, duiven en eenden zijn in tal van soorten en kleuren aanwezig. Ze zijn van belang

ocr page 70

58

voor de voeding: de tamme kippen vormen een hoofddeel van de rijsttafel. Sommige duivensoorten zijn bij de inland-sche bevolking zeer gewild en worden zorgvuldig verpleegd. Groote liefhebbers zijn de inlanders van hanengevechten, waarbij de hanen aan de pooten soms nog van mesjes voorzien worden.

De pauw is de trouwe metgezel van den tijger, omdat hij op diens uitwerpselen aast; hij komt dus in dezelfde streken voor als deze.

Onder de kleine vogelsoorten zijn o. a. de rijstvogeltjes zeer algemeen. Zij maken het den landman lastig door hunne aanvallen op den oogst.

Papegaaien, kakatoe's^ loeri's komen vooral op de Oostelijke eilanden voor. Zij beginnen reeds op Lombok met eene enkele soort, doch zijn op Bali en Java onbekend. Daarentegen komt de pauw niet tot aan Lombok, omdat men hier geen tijgers of panters meer vindt.

De beroemde paradijsvogels leven vooral op Nieuw-Guinea en omliggende eilanden. (Zie de afbeelding in Hoofdst. XIV.)

In het Oostelijke deel behoort ook eene struisvogelsoort thuis, de kas nar is.

De meest algemeen voorkomende dieren in den Archipel zijn voorzeker de vledermuizen, waaronder eene zeer groote soort, de vliegende hond of kalong, op Java in-heemsch is. (Fig. 26).

Niet minder verspreid zijn een groot aantal slangen, waarvan echter slechts weinige soorten vergiftig zijn , en deze behooren juist tot de kleinste. Overdag laten zij zich weinig zien; gewoonlijk zijn zij dan op de takken der hoornen ineengerold, vooral langs de oevers der rivieren; dikwijls zien ze er uit als met mos begroeide takken.

Verbazend rijk is ook het dierlijk leven in de wateren.

Onder de walvischachtige dieren bevatten de Indische zeeën den potvisch of cachelot, die groote waarde heeft. De jacht is echter verwaarloosd en alleen in handen van Amerikanen. Verder wordt om het vleesch jacht gemaakt op de zeekoe.

Plaaien komen aan de kusten der grootere eilanden voor.

ocr page 71

59

ocr page 72

60

men tegen de wortels der moerasboomen op, om insecten machtig te worden; zij kunnen op die klimtochten blijven leven door kieuwwater, zelfs een paar dagen lang.

Van de talrijke schildpadden worden sommige soorten gegeten; andere leveren het schildpad (karet) voor den handel. De reuzenschildpad, die 300 KG zwaar wordt, vangt men op de kusten van Borneo. Op de Zuidkust van Java maken de wilde honden dikwijls jacht op schildpadden, die aan land komen, om in het duinzand eieren te leggen.

Onder de lagere diersoorten moet de t r i p a n g, eene zeekwal, vooral in de Moluksche zeeën voorkomende, vermeld worden; zij wordt gedroogd en is een artikel van uitgebreiden handel op China.

Het aantal Indische insecten is ontelbaar. Berucht zijn de lastige muskieten en de schadelijke witte mieren, die met hare scherpe kaken alles vernielen, wat niet ijzerhard is. De lakschildluis daarentegen is nuttig: ze stelt de nijverheid in staat tot het bereiden van schoone, roode verf en lakvernissen. De phasma's of spoken (Fig. 27) hebben het voorkomen van plantendeelen en schijnen wandelende bloemen, wandelende bladeren of wandelende takken te zijn. 't Zijn hoogst interessante voorbeelden van beschermende nabootsing in de natuur. Tal van groote, prachtig gekleurde kapellen fladderen overal rond, en 'savonds hoort men zoowel in de strandvlakte als in de bosschen op het gebergte het gegons, gebrom, gepiep, gekras, gesis en geklater van millioenen muggen, kevers, krekels, sprinkhanen en andere gevleugelde koristen, dat tot middernacht aanhoudt.

Opgaven:

1. Welke dieren behooren nu bepaald in Aziatisch-en welke meer in Australisch-Insulinde te huis? (Zie § 14.)

2. Welk verschil springt bij de fauna van 't eerste en 't laatstgenoemde gedeelte nog al duidelijk in 'toog?

ocr page 73

HOOFDSTUK VII.

Het Delfstoffenrijk.

§ 20. Delfstoffen. De bodem van Insulinde is rijk aan delfstoffen, en wellicht staat het delfstoffenrijk, in beteekenis voor de Europeesche markt en voor de bewoners van den Archipel zelf, boven de dierenwereld. De minerale rijkdom van Neder-landsch-Indië trekt in toenemende mate de aandacht. Bovenaan staan het tinerts en de steenkolen; alleen bij deze twee is sprake van ontginning op groote schaal, 't zij door den Staat, quot; 't zij door Europeesche maatschappijen. Andere delfstoffen worden voornamelijk door Inlanders en Chineezen, dus op kleine schaal, aangewonnen, b.v. goud en ijzer op Borneo, Soematra en Selebes; platina en diamanten op Borneo, enz.

Tin komt in hoofdzaak uit de tinmijnen van Bang ka en die van Billiton; de eerste voor rekening van het Gouvernement, de tweede voor die van eene particuliere maatschappij (de Billiton-maatschappij), welke daarvoor aan het Gouvernement eene jaarlijksche pachtsom betaalt. Er zijn op Bangka thans zt 250 tinmijnen. Ze worden bewerkt door Chineesche maatschappijen of kongsies, die het gezuiverde tin in blokken van ^2 pikol, schuitjes geheeten, aan het Gouvernement moeten afleveren voor 12 a 13 gulden per schuitje, terwijl onze Regeering er bij verkoop 30 a 35 gld. voor terugontvangt. Neemt men nu in aanmerking, dat Bangka jaarlijks van 160.000 tot 200.000 schuitjes oplevert, dan behoeft men niet meer te vragen, waarom Bangka voor ons land zoo belangrijk is. Billiton heeft ± 100 mijnen en brengt jaarlijks ongeveer 800.000 pikols op. In 1852 kreeg de Billiton-maatschappij concessie van onze Regeering voor de mijnontginning tegen uitkeering van 3 0/o der bruto-opbrengst. De maatschappij behaalde schitterende winsten. In 1892 kreeg zij opnieuw concessie tot 30 April 1927; maar volgens dit nieuwe contract

ocr page 74

62

moet aan het Gouvernement 5Is van het voordeelig saldo, waarmee de winst- en verliesrekening sluit, uitgekeerd worden.

Het eiland Billiton of Blitoeng bleef lang verlaten; «alzoo het een dor en woest eiland is», zegt eene Resolutie van de Oostindische Compagnie in 1757.

Nog in het midden van deze eeuw was de Billiton-archipel — ruim 150 kleine eilandjes liggen om 't hoofdeiland (84,5 G M2) heen — een waar rooversnest. Herhaalde nasporingen leidden toen tot de ontdekking van tinerts, in welk opzicht thans Billiton tot de rijkste landen der aarde behoort. Opmerkelijk is hier de overeenkomst met het goudland California , door de Spanjaarden als «woest en waardeloos» beschouwd. Maar toen de eerste mijnen in bewerking kwamen, in 1852, waren de inboorlingen nog zoo woest, dat ze de mijnwerkers overvielen en vermoordden om de eenvoudige katoenen kleeding dier lieden machtig te worden. Thans heerschen er orde en rust.

De mijnarbeid geschiedt door Chineezen; arme lieden, die in hun land geen voldoend middel van bestaan vinden, trekken jaarlijks bij honderden naar Billiton. Daar werken zij hard; met de voeten in 't water en de brandende zon op het hoofd en 't naakte bovenlijf, den ganschen dag door. Zijn zij ongelukkig in het trefien van rijke erts-plekken , dan hebben ze eenvoudig den kost: rijst, gezouten visch, groenten en, eene enkele maal, varkensvleesch. Dient hun het geluk, dan gaan ze soms na eenige jaren welgesteld naar hun land terug, om daar een stukje land te koopen of wel om handelaar te worden.

Het tinerts bevindt zich op vele plaatsen dicht aan de oppervlakte; elders moeten echter diepe mijnputten worden aangelegd. Om tin te verkrijgen is water schier even onmisbaar als tinerts: snel stroomend water wordt gebezigd om het erts te scheiden van de aarde; met water wordt het gewasschen; water wordt bij de uitsmelting gebruikt om de raderen in beweging te brengen , die de lucht in den oven moeten drijven. In dien oven wordt het erls gemengd met houtskool, welke in de bos-schen wordt gebrand. Het smelten heeft alleen 's nachts plaats; na een paar uren begint het gloeiende, gesmolten tin aan 't ondereind van den oven uit te druppelen in eene daarvoor bestemde kuil. Wanneer de kuil met gesmolten tin is gevuld, worden de er op drijvende asch en slakken afgespaand, vervolgens wordt het tin met een lepel uitgeschept en in vormen gegoten. Die vormen zijn afgedrukt in een gat, gevuld met vochtige, fijne aarde; aan den eenen kant is eene B gesneden, aan den anderen de letter der mijn. De tinblokken, koud geworden, heeten schuitjes-, zij wegen ,/2 pikol, worden in kruiwagens naar 'tpakhuis gevoerd, in afwachting, dat zij in stoomscheepjes naar Batavia gaan voor de veiling.

ocr page 75

63

Ook op Soematra, Borneo en Selebes komt tin voor. De Karimon-eilanden en Singkep (Lingga-Arch.) zijn zeer rijk aan tin. De „Singkep-tinmaatschappijquot; heeft de exploitatie op laatstgenoemd eiland.

Steenkolen vindt men op Soematra in de Ombilinvelden , in Z.- en O.-Borneo, opLaboean, Batjan (ten Z.W. van Halmahera) en Timor.

De Ombilin-steenkoolvelden, in het dwarsdal van de Ombilin (= zeer snelle stroom), de afvloeiing van het Singkarah-meer, bevatten naar schatting wel 200 millioen tonnen zeer goede steenkool. De ontginning geschiedt voor rekening van den Staat. Voor den afvoer is een spoorweg aangelegd van Sawah-Loento naar de Koninginnehaai. (Fig. 8).

Ten O. van Bandjermasin (bij Pengaron) ligt de gouvernements-steenkoolmijn „Oranje-Nassauquot;, en boven Sa-marinda liggen de uitgestrekte mijnen van de Oost-Bor-n e o-m aatschappij.

Goud wordt meestal in wasscheryen van de alluviale gronden gevonden.

Men vindt dit edele metaal in de Padangsche Benede lila nden, Mandeling (Tapanoeli), Palembang, in de Wester-Afdeeling en in 't Zuid-Oosten van Borneo (Pasir!) in het Noordelijke schiereiland van Selebes, op Batjan en op Timor. In de Wester-Afdeeling zijn de afdeelingen Montrado en Landak de middelpunten der goudvelden. De bewerking geschiedt door Chineezen, welke ook hier in vereenigingen (Kongsies) werken en onze Indische regeering dikwijls handen vol werk gegeven hebben wegens oproer en moordaanslagen op Maleiërs en Europeanen.

Uzer wordt gewonnen op Borneo, Billiton, hier en daar op Soematra en op de Oostkust van Selebes. De inlanders hebben het zelf op eenvoudige wijze ver in de ontginning en bewerking ervan gebracht. Ook het smeden verstaan zij goed; kunstig bewerkte wapens komen van Borneo en van Selebes over den geheelen Archipel in den handel.

Koper bevat de bodem van Soematra, van Borneo's Wester-Afdeeling, Batjan, Timor en Selebes.

De opbrengst van petroleum neemt in Indië in den laatsten tijd zeer toe; op Soematra vooral in Langkat, op Java in

ocr page 76

04

Rembang (b.v. in de omstreken van Toe ban) en in de residentie S o e r a b a j a. Hier is in W o n o k r o m o eene groote fabriek tot zuivering van petroleum.

Diamanten vindt men in het Westen en Zuiden van Borneo; b.v. in Landak in 't W. en in Koesan in 't Z. O.

Ook bevat de bodem van dit eiland antimonium, dat vooral van belang is bij de verbindingen of alliages van andere metalen, en platina; het eerste is een der artikelen, dieSerawak oplevert.

Het spreekt van zelf, dat bij den vulkanischen aard van den bodem, op vele plaatsen zwavel aanwezig is, terwijl in de Neptunische formaties kalk en andere bouwsteen, ook marmer, voorhanden zijn; maar weinig wordt hiervan ontgonnen. Veel marmer bevat b. v. de bodem in de omstreken van Patjitan en Panggoel (Kediri).

Onder de delfstoffen, welke door den inlander worden gewonnen , verdient het zout eene bijzondere vermelding. Reeds is op blz. 18 met een enkel woord gesproken over den zoutaanmaak in de modderwellen van de residentie Sëmarang, te Koewoe in 't Grobogansche. Veel belangrijker is echter de bereiding van zeezout. Deze zoutaanmaak is een gouver-nements-monopolie: in geheel Nederlandsch Indië (de genoemde afdeeling in Sëmarang, benevens de Vorstenlanden op Java uitgezonderd) zorgt het Gouvernement voor den aanmaak en de levering van eene voldoende hoeveelheid zout. De bevolking is verplicht deze levensbehoefte aan 's lands pakhuizen te koopen, waaruit eene belangrijke bron van inkomsten voor de regeering voortvloeit.

De meest belangrijke zoutbereiding is die op de Zuidkust van het eiland Madoera, vooral te Soemanep en Boender.

Omtrent den zoutaanmaak in het Regentschap Soemanep lezen wij in Van Hoëvells meer genoemde Reis het volgende:

„Achter de bewoonde streken strekt zich eene onafzienbare vlakte uit tot aan de zee. Zij is volkomen kaal en dor. Waar gij ook uwe blikken heenwendt, nergens ontdekt gij een enkel plantje of struikje; want er groeit niets in de ziltige aarde. Slechts hier en daar ziet gij eene dessa, bewoond door zoutmakers en hunne huisgezinnen, maar wier woningen

ocr page 77

65

niet in het koele lommer van vruehtboomen of bamboestruiken zich verschuilen , zooals de huizen der andere dorpen van Java en Madoera. De vlakte is verdeeld in vele, onderling in uitgestrektheid en vorm zeer onderscheiden vakken, omzoomd en van elkander gescheiden door kleine, een of anderhalf voet hooge dijkjes, galangan genaamd, evenals de sa-wahs der padivelden.

Die vakken zijn de zoogenaamde zoutpannen, of liever: drie of vier zulke vakken vormen een stel pannen, waarvan één de bak is, waarin het zeewater gekristalliseerd wordt. Er zijn hier 991 zulke stellen pannen. Langs leidingen wordt het zeewater naar binnen gelaten en in de onmiddellijke nabijheid van ieder stel gebracht. Dan schept de zout-maker, met behulp van een eenvoudigen toestel, het water uit deze leiding op het eerste vak. Nadat het hierop acht a tien dagen is blijven staan, wordt het water langs eene kleine opening in het dijkje op het tweede vak doorgelaten; de opening wordt vervolgens weer gesloten en het eerste vak opnieuw door overscheppen gevuld, en naarmate er meer of minder verdamping plaats heeft, wordt er gedurig water bijgeschept. Als hu het water in den tweeden bak weder eenige dagen gerust heeft, wordt het, mede langs eene opening in het dijkje, doorgelaten in een derden bak, die, ingeval het stel uit slechts drie vakken bestaat, de kristalleerbak is; deze is, vóór hij het water ontvangt, dicht ineen gestampt, waterpas gemaakt en met de meeste zorg bereid en in behoorlijken staat gebracht. Op dat vak blijft het, totdat de kristallisatie, die alleen door de zonnestralen, de verdamping, bewerkt wordt, geheel is afgeloopen.

Het zout, dat op den bodem gewoonlijk tot eene dikte van twee duim ligt, wordt nu ingezameld. Het wordt met de handen voorzichtig van den bodem gelicht en bij vrij groote brokken verkregen.

Op de overige plaatsen, waar zout gemaakt wordt, ligt het slechts tot nauwlijks eene dikte van 1 of % duim en wordt het met bamboezen schoffels bijeengeschraapt.

De geheele bewerking, van het oogenblik, dat het water in het eerste vak gelaten wordt, totdat het zont is ingezameld, duurt te Soemanep gewoonlijk 40 dagen. Na de inzameling wordt het zout eenige dagen, nabij de pan, op gelijken grond te drogen gelegd en als het regent met hadja'ng-1)mü.itm gedekt. Daarna wordt het door koelies in de hoofd-depöts overgebracht.quot;

5

1

Matten, van bladeren gevlochten, die ook veel gebruikt worden, om de wanden der bamboezen huizen van binnen te bekleeden.

Aitton, Oost- en West-Indië, 4e druk.

ocr page 78

66

Deze wijze van zoutaanmaak is zeer afhankelijk van de weersgesteldheid; maar toch brengt het jaarlijksche zoutde-biet aan het Gouvernement ± ƒ 7.000.000 op.

De zoutmakers zijn van de overige bevolking van Soemanep geheel afgescheiden. Zij tellen elf dessa's en de afscheiding van de inwoners dier dessa's is zoo groot, dat zij zich zelfs door huwelijken niet met die van andere dessa's vermengen.

HOOFDSTUK VIII.

Ethnographie.

/

§ 21. Overzicht. De bevolking van Nederlandsch Oost-Indië bestaat uit1):

1. Inlanders,

2. Europeanen,

3. Chineezen,

4. Arabieren,

5. andere vreemde Oosterlingen.

Wat de getalsterkte der bevolking betreft, geldt het volgende: alleen voor Java kan het cijfer der bevolking vrij zeker worden opgegeven; de eerste volkstelling had aldaar plaats gedurende het Engelsche tusschenbestuur (1811—'16 onder Raffles) en geschiedde in verband met de invoering van een stelsel van belasting, landrentenstelsel geheeten.

Het Koloniaal Verslag (verslag aangaande den staat en het beheer van de Koloniën, jaarlijks door de Eegeering aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal over te leggen) van '95 geeft voor Java's bevolking de volgende getallen aan:

1

Indeeling van het Koloniaal Verslag.

ocr page 79

67

Inlanders Chineezen

Europeanen Arabieren

andere vreemde Oosterlingen

ongeveer 25.000.000, 250.000, 50.000, *)

16.000, 3.000.


Het cijfer voor de Bevolking in de Buitenbezittingen kan tot heden slechts bij benadering worden opgegeven. Het Koloniaal Verslag zegt van sommige gewesten, dat het aantal inwoners vrij nauwkeurig bekend is; van andere wordt het getal bij benadering opgegeven, terwijl er ook streken zijn, waar het bevolkingscijfer op louter gissingen berust.

Met een totaal cijfer van 30 a 35 millioen inwoners voor geheel Nederlandsch Oost-Indië schijnen wij niet ver van de waarheid te zijn; Java heeft dus stellig twee derden van de bevolking.

Het bevolkingscijfer is op de eilanden buiten Java, Bali uitgezonderd, lang niet aan de grootte der oppervlakte ge-evenredigd.

Volgens het meergenoemd Verslag waren in geheel Nederlandsch Oost-Indië:

Chineezen 450.000,

Europeanen „ 60.000, *)

Arabieren - „ 24.000,

andere vreemde Oosterlingen „ 25.000.

Van „Koloniënquot; (d. i. volkplantingen) kan in den eigenlijken zin des woords bij Onze Oost dus geen sprake zijn; wij hebben hier te doen met „Bezittingen.quot; Wij zullen later zien, dat dit in West-lndië anders is: daar vormt het Europeesche élement de hoofdbevolking. Slechts enkele grootere middelpunten van Europeesche bevolking en beschaving, zooals Batavia, Semarang, Soerabaja en Paramaribo, hebben meer of min het karakter van ware volkplantingen.

Het spraakgebruik brengt echter mede, dat de naam Koloniën gebezigd wordt voor de geheele uitgestrektheid der overheerde gewesten, die door de zedelijke meerderheid der Europeesche volken worden in bedwang gehouden. (Koloniën in

') Leger en vloot zijn hieronder niet begrepen.

5*

ocr page 80

68

den waren zin des woords zijn b. v. die aan de Kaap de Goede Hoop, in Transvaal, in Canada, in Australië.)

§ 22. Inlandsche bevolking. De inlandsche bevolking van den Archipel bestaat uit een groot aantal thans zeer verschillende stammen. Volgens het meest algemeene gevoelen iser echter, vooral met het oog op de taal, geen oorspronkelijke rasverscheidenheid tusschen deze thans zoo verschillende volken. Vele treffende punten van overeenkomst in huiselijk en maatschappelijk leven, in plechtigheden en gebruiken, worden bovendien aangetroffen bij anders zoo verschillende volken als b. v. Javanen en Bataks. Veeltijds vat men hen samen als het Maleische ras; alleen op de eilanden in de buurt van Nieuw-Guinea, evenals op dit groote eiland zelf, leven de Papoea's. De overgang is niet scherp geteekend en, gelijk gezegd, de ethnologische onderzoekingen der laatste jaren schijnen meer en meer hen in 't gelijk te stellen, die deze indeeling in 2 rassen als onjuist beschouwen.

Het groote verschil, dat men thans in ontwikkeling, middelen van bestaan en maatschappelijke toestanden tusschen de verschillende volken aantreft, is te verklaren uit:

1. De verspreiding over eene uitgestrekte eilandenwereld en als gevolg daarvan afzonderlijke ontwikkeling.

2. Verschil van bodem, klimaat, bedrijf, voedsel.

3. Bovenal verschillende mate van invloeden door vreemden, in 't bijzonder de Hindoes, uitgeoefend.

De volgende inlandsche volken zijn de voornaamste:

De Javanen i op Java; zij zijn hoofdzakelijk land-

De Soendaneezen ) bouwers.

De Madoereezen, in Java's Oosthoek en op Madoera; door de mindere vruchtbaarheid van hun eiland zochten zij vooral op de zee hun bestaan als visschers, matrozen en zeeroovers. Toch zijn ook landbouw en veeteelt bij hen van gewicht.

De eigenlijke Maieiers, oorspronkelijk op Soematra; thans daar en in verschillende kuststreken van andere eilanden. Zij zijn echte zeevaarders, stoutmoedig, onverschrokken en dikwijls door hunne zeerooverijen berucht (zeeroof was gedeeltelijk de aanleiding tot den Atjeh-

ocr page 81

69

oorlog). Handeldrijvend en koloniseerend maken zij in alle kusthandelplaatsen, vooral van Soematra, Borneo en Java, een aanzienlijk deel der bevolking uit.

De Bataks, in de binnenlanden van N.-Soematra (plateau van Toba), gedeeltelijk nog onafhankelijk, maar hun gebied krimpt meer en meer in.

De Dajaks, op Borneo. Bij hen valt wèl te onderscheiden, of zij in 't kustgebied, aan de talrijke beneden-rivieren, wonen, dan wel in de binnenlanden verblijven.

, R • j op Z u i d-S e 1 e b e s en omliggende kleine

De Mak^assaren j eilanden; zij zoeken hoofdzakelijk hun ! bestaan in zeevaart en visscherij.

De Alfoeren; onder dezen naam worden verschillende volksstammen samengevat, op Noor d-S e 1 e b e s en in de Mo lukken. Zij zijn deels zoogenaamde „beschaafde Alfoerenquot; in de Mina has a, maar grootendeels zijn zij nog woeste natuurvolken.

Nog verder naar het Oosten de Papoea's, eerst tusschen andere stammen, dan als hoofdbevolking.

In de voornaamste inlandsche talen bestaan reeds woordenboeken , spraakkunsten, bijbeloverzettingen. De meeste inlanders bedienen zich tegenwoordig van papier met pen en inkt; alleen hier en daar volgt men nog de voorvaderlijke gewoonte. Zoo worden op Bali de letters met een puntig werktuig op geprepareerde lontarbladeren ingegrift.

DeMaleisehe taal is van alle talen in den Archipel het meest verbreid, doordat de Maleiers van oudsher handelskolonies en kuststaten stichtten {orang-melajne, d. i. „zwervers, vluchtelingenquot;); bovendien laat zij zich gemakkelijk door vreemden aanleeren.

Al spoedig echter werden in deze spreektaal allerlei vreemde woorden opgenomen en in de dagen van de Compagnie werd zij steeds meer eene handelstaal, die van het echte Maleisch geheel ging afwijken en alleen diende voor het onderling verkeer. In tegenstelling van het zuivere, zoogenaamde Hoog-Maleisch, heet de aldus ontstane taal Laag-Maleisch, eigenlijk geene taal, maar een mengelmoes, dat, vooral in kustplaatsen, door Europeanen tot inlanders wordt gesproken en dat Hollanders, Chi-neezen. Arabieren, Javanen, Soendaneezen, Madoereezen, Boegineezen en zoo vele anderen in staat stelt om, zonder elkanders moedertaal te leeren, onderling te verkeeren. Het is duidelijk, dat deze aldus voor de behoefte gemaakte taal slechts woorden bezit voor de meest gewone onderwei'pen, als die van de markt en het kantoor, de straat en de voorgalerij.

ocr page 82

70

Iets over de geschiedenis van den Archipel.

„Aan Java's strand verdrongen zich de volken;

Steeds daagden nieuwe meesters over 't meer: Zij volgden op elkaar, gelijk aan 't zwerk de wolken, De telg des lands alleen was nooit zijn heer.quot;

§ 23. De Hindoe-periode. Kort en duidelijk teekenen deze dichtregelen den hoofdtrek in de geschiedenis van Java's bevolking.

Het oudste tijdperk van de geschiedenis der volken in den Indischen Archipel is het Hindoe-tijdperk.

Vóór de komst der Hindoes stonden de Maleische volken op een uiterst lagen trap van ontwikkeling, waarschijnlijk op het standpunt van natuurvolken, en kwamen overeen met die volken van het Maleische ras, welke wij heden ten dage op de talrijke eilanden van den Grooten Oceaan (Polynesië) aantreffen, en die men samenvat als Malayo-Polynesiërs. Zij leefden van hetgeen jacht en vischvangst leverden en van het merg van den sagoboom; zij waren weinig of niet bekend met metalen: steenen wapenen en werktuigen zijn over den geheelen Archipel verspreid aangetroffen.

Waarschijnlijk dagteekent de aanvang der Hindoe-kolonisatie in den Indischen Archipel, meer bijzonder op Java, reeds uit het begin der Christelijke tijdrekening.

De naam „Javaquot; is van Hindoeschen oorsprong; cene korensoort — men weet niet zeker welke — werd er in de Sanskriet-taal door aangeduid. De Hindoes, en in 't algemeen de aardrijkskundigen en handelaren der oudheid, bedoelden met dezen naam (Djawa) de geheele Achter-Aziatische eilanden wereld; op den duur alleen 't eiland, dat heden dien naam draagt en dat in de dagen der Compagnie wel „Groot-Javaquot; heette en bij de Arabieren nog wel zoo genoemd wordt.

Alle ontwikkeling en beschaving uit den voortijd wijzen op Hindoeschen oorsprong: de rijstbouw, rijst is in Insulinde geen inheemsch gewas, want zij komt er nooit in het wild voor: het aanleggen van terrassen en waterleidingen voor dien rijstbouw; het bewerken der metalen; het spinnen en weven van katoenen stoffen; enz.

ocr page 83

71

Met het rijstgewas brachten de Hindoes aan Java de ka-toenplant en den buffel.

Onder hunne leiding bouwden de Javanen trotsche en door overvloedig beeldhouwwerk rijk versierde tempels, en legden zij wegen aan; van hen ontvingen zij hunnen godsdienst, hunne zeden, gebruiken en volksspelen. Dat het Javaansch, volgens 't algemeen oordeel, de meest ontwikkelde en beschaafdste taal is van den Maleischen stam, 't moet ongetwijfeld ook aan den Hindoe-invloed worden toegeschreven. De Javaansche letterteekens worden ook gebruikt bij het Soenda-neesch, het Madoereesch en het Balineesch.

Java werd het middelpunt der Hindoe-heerschappij en wel meer bijzonder Midden- en Oost-Java; daar ontstond een machtig Indisch rijk, Madjapahit, en van daar uit schijnt de Indische beschaving in meerdere of mindere mate ook naar andere eilanden te zijn overgebracht.

Grootsche monumenten waren toen op Java, meest opgericht ter eere van de voorwerpen van den Boedha-dienst. Een verbazend aantal tempelruïnen is hier overgebleven, met beelden van goden en helden. Het schoonste bouwgewrocht uit den Hindoetijd is de tempel Boro-Bo edoer, ten Z. van Magelang. Dit reusachtige bouwwerk is 150 M lang en 40 M hoog; het heeft 7 omgangen, versierd met nissen en allerlei beeldhouwwerk, waaronder 400 levensgroote steenen Boedha-beelden.

De oudheden van het Diëng-gebergte — door professor Veth met de overblijfselen van Pompeji vergeleken — behooren tot de merkwaardigste. Zij verrijzen op en in den omtrek van een met gras en houtgewas begroeid plateau, een paar duizend M boven den zeespiegel en omringd door trotsche bergkruinen. Indrukwekkende vulkanische verschijnselen maakten ook deze woeste en eenzame streek voor de Hindoes tot eene verblijfplaats van bovenaardsche machten en zij bouwden er tempels, waarheen over eene verbazende lengte steenen trappen toegang gaven. Eeuwen zijn sedert voorbijgegaan; lavabeddingen hebben de priestersteden bedolven en planten groeien tot zelfs tusschen de voegen der tempelsteenen. In onze dagen heeft eene nieuwe bevolking zich hier gevestigd, in een twintigtal Javaansche dorpen, en tegelijkertijd is men begonnen met opgravingen en ontcijferingen van deze monumenten uit den Hindoetijd, waarvan de ontdekking reeds in de dagen van Raffles valt.

ocr page 84

72

ocr page 85

73

§ 24. De Arabieren en de Chineezen. Ongetwijfeld was Mad-japahit het machtigste en aanzienlijkste rijk op Java, en het is tevens het eenige, waarvan enkele bijzonderheden tot ons zijn gekomen. De hoofdstad lag een paar dagreizen ten Zuiden van Soerabaja; talrijke overblijfselen geven getuigenis van hare aanzienlijke grootte. Deels zijn die overblijfselen gebruikt bij den bouw van Mohammedaansche begraafplaatsen,

deels leveren zij het materiaal voor suikerfabrieken, enz.

Tal van kleinere rijken hadden de opperheerschappij van Madjapahit erkend; kolonies waren schier overal gesticht.

Doch geleidelijk baande zich sedert het begin der löi: eeuw n de Islam een weg in den Archipel; niet door ^t zwaard,

maar door den rusteloozen arbeid van zendelingen. Kleine gemeenten van moslems werden gesticht door predikers, die — '• J met beleid handelden, zich aanzien onder de inlanders wisten /gt; ,^

f C-

te verschaffen, inlandsche vrouwen huwden, enz. Aanzien- /;: „ t , lijken en zelfs vorsten gingen vrijwillig tot den Islam over.

Een feit is het, dat later verschillende vorstenhuizen hunne afstamming afleidden van Arabische priesters.

Niet twijfelachtig is 't verder, dat Java in de 16L' eeuw getuige was van veel oorlogen. Tal van rijken trof men er aan, onder afzonderlijke vorstenhuizen; wanorde heerschte overal; de landen werden verwoest, het volk werd uitgezogen,

toen de Europeanen kwamen.

De belangrijkste Mohammedaansche staten waren op dit tijdstip: Jacatra en Tjeribon in West- en Mat ar am in Oost-Java. Van dit laatste rijk zijn de „Vorstenlandenquot; overblijfsels.

Het eiland Bali heeft het zuiverst het elders verdrongen Hindoewezen bewaard. Voor 't overige verdient de Archipel den naam „Indiëquot; eigenlijk niet meer.

De Islam is thans de heerschende godsdienst in den gehee-len Archipel; alleen de Ba.taks, de Dajaks en de meeste AIfoersche stammen, benevens enkele andere, ook op Java voorkomende, onvermengde afdeelingen van 't Maleische ras,

zijn nog heidenen en hebben een zuiveren natuurdienst. Ook onder hen maakt de Islam veel grooter vorderingen dan het Evangelie.

De Mohammedaansche godsdienst is evenwel niet diep

ocr page 86

74

doorgedrongen in het gemoed der Indische volken. Wel worden de vormen meer of minder trouw nageleefd, doch het bewustzijn is door allerlei heidensch bijgeloof verduisterd , en de inlander is nog altijd trouw gebleven aan zijne goede en kwade geesten in de bergen, rivieren, boomen (zie bij de beschrijving van het vogelnesten-inzamelen, bladz. 13); zijne voorteekenen gelooft hij nog even als vroeger.

In tegenstelling met den Chinees is de Arabier bij de in-landsche bevolking gezien, meer misschien dan eenig ander vreemdeling; waarschijnlijk omdat de Javaan in hem den vertegenwoordiger ziet van het uitverkoren volk van den profeet.

Hadhramaut (Zuid-Arabië) is het vaderland van bijna alle in Oost-Indië gevestigde Arabieren. Uit dat land gaan sedert eeuwen tal van personen naar alle oorden der Mohammedaan-sche wereld.

Vooral de Arabier, die Mekka en de andere heilige plaatsen bezocht heeft, staat in een bijzonderen reuk van heiligheid; de Mekkagangers, ook niet-Arabieren, heeten na hunne terugkomst hadji (van „hadj,quot; d. i. „bedevaartquot;); uit dezen worden bij voorkeur de priesters gekozen. Zij zijn zeer fanatiek en hebben grooten invloed op de inboorlingen, die zij dikwerf tegen de ongeloovigen aanhitsen.

Op Java zijn de meeste Arabieren te Batavia en in en bij Soerabaja; verder op Madoera; in de Buitenbezittingen vooral in Palembang.

De Chineezen zijn buiten Java het talrijkst op de Westkust van Borneo, in Deli, op Riouw en op Bangka en Billiton.

Hun aantal overtreft dat der Europeanen verre; de verhouding is als 8 : 1. Nog jaarlijks komen Chineezen uit hun vaderland in den Archipel aan: deze nieuwelingen worden aangeduid met den naam Sin-ké, d. i. „nieuwgastquot;, verkort tot Kee en dikwijls als scheldnaam gebezigd. Grooter is echter het getal der in den Archipel geboren Chineezen; daar echter vrouwen China niet mogen verlaten, zijn de eigenlijk Indische Chineezen van gemengd bloed en heeten wel „Chi-neesche liplappenquot;.

Geen tak van bestaan, die eenigszins goede inkomsten belooft, of de Chinees heeft er zich van trachten meester te

ocr page 87

75

maken en, het moet tot zijne eer worden gezegd, doorgaans met goed gevolg. In de goudwasscherijen van Borneo, de tinmijnen van Bangka, op de tabaksplantages van Deli, bij de peper- en gambircultuur op Riouw, overal is hij onmisbaar; en bovendien zijn de handel, zoo in 't groot als in het klein, amfioenpacht en de verkoop van het heulsap, in handen van de zonen van het „Hemelsche Rijkquot;.

Over 't geheel zijn zij bij de inlanders gehaat en gewantrouwd , maar toch kunnen deze niet buiten hen: de Chinees is de geldschieter, de toko-houder en de amfioen-pachter; niet zelden is dan ook de Javaan geheel afhankelijk van den Chinees.

§ 25. De Europeanen in de Koloniën en overheerde gewesten. In

de 16e eeuw waren Spanje en Portugal de groote koloniale mogendheden. Het eerste vooral in Amerika, het tweede in Afrika en de landen en eilanden bespoeld door den Indi-schen Oceaan*).

In 1498 zagen de Portugeezen hun langdurig pogen bekroond en landde Vasco da Gama op Voor-Indië's Westkust bij Calicoet (12° N.B.).

Slechts zeer weinige Europeanen waren, voor zoover ons bekend is, vóór dat tijdstip tot Insulinde doorgedrongen. Marco Polo, de beroemde Venetiaansche reiziger van de 13e eeuw, die meer dan twintig jaar in Oost-Azië doorbracht, bezocht eenige deelen van Soematra, maar kende Java alleen van hooren zeggen.

Goa, aan diezelfde kust, werd spoedig het middelpunt van den Portugeeschen handel en onder de dappere en stoutmoedige onderkoningen d' Almeida en Albuquerque werden ook verscheidene landstreken onderworpen. De laatste veroverde kort voor zijn dood (1515) reeds Malakka.

Van het vasteland werden de handelsbetrekkingen spoedig uitgebreid tot den Archipel; schepen werden gezonden en

') De Philippijnen waren echter Spaansch; ofschoon zij niet binnen de demarcatielijn van Paus Alexander VI lagen, plaatsten de Spanjaarden ze daar toch binnen, en zoo komt het, dat de Philippijnen op oude kaarten veel te ver naar 't Oosten liggen.

ocr page 88

76

weldra gelukte het den Portugeezen zich in de Mo lukken te vestigen, zoomede handelstractaten te sluiten met den Sultan van Atjeh en de vorsten van Bantam.

De plaats der Portugeezen zou echter spoedig worden ingenomen door de Hollanders, vooral toen deze werden opgewekt, den weg naar het Oosten te zoeken door de hinderpalen, die Spanje aan hunne vrachtvaart, de groote bron hunner welvaart, in den weg legde.

Na tevergeefs in drie altijd gedenkwaardige tochten de Noordoostelijke doorvaart beproefd te hebben, gehikte het Cornells Houtman in Juni 1596, na eene reis van 44H dagen, te Bantam te landen; deze reis bracht nog geen rechtstreeksch voordeel aan, maar de weg was gevonden, 't ijs gebroken.

In 1598 werd de grondslag gelegd voor den handel der Nederlanders in Oost-Indië: Van Neck kwam den 15en Juli 1599 in het moederland terug van de eerste welgelukte reis ; met een deel der schepen had hij in Bantam eene lading peper ingenomen van 100 last. 1)

De andere schepen waren doorgegaan naar de Mo lukken, de „Groote Oostquot;, de Specerij-eilanden, welke zeker meer dan eenig ander deel van den Oostindischen Archipel Holland

rijk hebben gemaakt;.....de schaduwzijde is, dat onze

landgenooten van de 17e eeuw in de Molukken met onmen-schelijke hardheid tegen de inboorlingen zijn opgetreden, die deels gedood, deels tot perkslaven werden gemaakt.

De goede ontvangst, die de Nederlanders aldaar van de zijde der vorsten, o. a. van den Sultan van Ternate (Moluco), en van de bevolking ondervonden, moet hoofdzakelijk aan den haat, dien men tegen de Portugeezen koesterde, worden toegeschreven. Door overdreven godsdienstijver hebben de Portugeezen aan hun eigen val gearbeid.

Met Atjeh werden reeds in 1600 vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt en handelstractaten gesloten, terwijl de Sultan afgezanten zond naar Prins Maurits, die deze gezanten ook ontving in zijn legerkamp voor Grave.

1

Op deze reis (in het heengaan) was het eiland do Cero ten Oosten van Madagascar aangedaan en „ter eere van den Prins-Stadhouderquot; in Mauritius herdoopt.

ocr page 89

77

In dezen tijd begint de worsteling van de Nederlanders om den alleenhandel in den Oostindischen Archipel, waarbij zij, beurtelings de Portugeezen en de Engelschen hebben te bekampen en strijd te voeren tegen de machtige inlandsche vorsten.

Ten einde de krachten gemeenschappelijk aan te wenden, werd in 1602 de Oostindische Compagnie gevormd uit de verschillende handelmaatschappijen, die in de laatste jaren waren ontstaan.

De eerste duurzame nederzettingen van de Compagnie waren in de Molukken en in Bantam. Daar werden loges (loodsen, pakhuizen) gebouwd.

In 1609 werd voor de eerste maal een Gouverneur-Generaal aangesteld, Pieter Both van Amersfoort. Zijn zetel en die van zijne beide naaste opvolgers was Avibon.

De vierde Gouv.-Generaal was Jan Pieterszoon Koen (1618— '23), die de Engelschen en Bantammers bestreed, Jacatra veroverde, Batavia stichtte en tot middelpunt van onzen handel eh ons gezag maakte.

Van 1626—'29 was Koen voor de tweede maal Gouverneur-Generaal.

Nadat Batavia aldus haar middelpunt was geworden, breidde de Compagnie hare betrekkingen en haren invloed gedurig verder over den Indi-sehen Archipel uit, ja, verwierf zelfs uitgestrekte bezittingen in andere deelen van Azië (Formosa , Des/ma , Malakka , Ceylon en punten op de kusten van Malabar en Coromandeï) en in bet Zuidelijk deel van Afrika [Kaap de Goede Hoop), die sedert alle weder voor Nederland verloren zijn gegaan. Schepen in dienst van de Compagnie deden ontdekkingen in Australië; geen reiziger van onze natie heeft zich daarbij meer onder-scheideu dan de energieke Abel Tasman, die verschillende kustgedeelten van het uitgestrekte Nieuw-Holland den naam gaf, voor 'teerst aantoonde, dat Nieuw-Holland niet met de Zuidpoollanden samenhing en die ook het schoone en gezegende, naar hem genoemde eiland ten Zuidoosten van Nw.-Holland ontdekte: Tasmania (2 maal zoo groot als Nederland), ook wel „Van Diemenslandquot;, naar den toen ter tijde regeerenden Gouverneur-Generaal.

De Compagnie dacht bij dat alles echter bijna uitsluitend aan hare handelsbelangen (waarin zij een streng monopoliesysteem huldigde). Van invloed op de ontwikkeling van den inlander is onder haar bewind, dat bijna twee eeuwen duurde, weinig sprake.

ocr page 90

78

In 1795 werd de Compagnie, die ongeveer 150 millioen gulden schuld had, opgeheven, en in 1798 gingen de bezittingen met de schulden over aan den Staat.

Eerst in het begin der 19e eeuw, nadat Daendels den groeten weg over Java had aangelegd (1808—'11), begon mende inlandsche bevolking beter te leeren kennen en drongen de Europeanen dieper door in de binnenlanden. Daendels deed veel voor den inlander, doch vergde ook veel van hem: zoo voor den pos-tweg als voor 't aanleggen van forten, het graven van kanalen, het droogmaken van moerassen werden drukkende „heerendienstenquot; (onbetaalde arbeid voor 't Gouvernement) gevorderd. Doch alle afpersingen werden streng tegengegaan; geschenken en dergelijke ten behoeve van ambtenaren afgeschaft, koffietuinen aangelegd, waar de inlander rechtstreeks voor den arbeid werd betaald. Dat Daendels bij dit alles met kracht optrad, getuigt reeds de naam hem door de inlanders gegeven: „Toean besar goentoerquot; (de „donderende groote heerquot;).

De politieke betrekkingen van de Nederlanders in Indië beginnen mede voornamelijk in deze eeuw; dit geldt althans voor de Buitenbezittingen.

Van 1811—'16 waren onze bezittingen in handen van de Engelschen: dit Engclsche tusschenbestuur heeft veel invloed gehad op de toestanden, zooals zij nu zijn.

De invloed, door de Europeanen op karakter en ontwikkeling van de Indische volken uitgeoefend, blijft intusschen ver achter bij dien van de Hindoes en Arabieren.

Gelijk reeds gezegd is, maakt ook de Evangelieprediking slechts langzame vorderingen. Veel heeft echter de Neder-landsche zending gedaan voor de kennis van land en volk in Indie.

ocr page 91

79

HOOFDSTUK IX.

Bestuur.

§ 26. Gouvernetir-Generaal en Raad van Indië. De beginselen en regels, volgens welke de koloniën en bezittingen in Oost-Indië worden bestuurd, zijn te vinden in het Regeeringsregle-ment van 1854, dat voor Indië is, wat de Grondwet is voor Nederland.

De Gouverneur-Generaal vertegenwoordigt de Koningin en heeft dus in hoofdzaak Hare rechten en verplichtingen. Hij wordt door de Koningin, op voordracht van den Ministerraad, benoemd.

Hij is opperbevelhebber over de land- en zeemacht en heeft het oppertoezicht over de verschillende takken van het algemeen bestuur.

Hij stelt verordeningen [Koloniale ordonnantiën) vast omtrent alle onderwerpen, die niet bij de Wet (door de wetgevende macht in Nederland), zooals b.v. de jaarlijksche begrooting van inkomsten en uitgaven, of bij Koninklijk Besluit zijn of worden geregeld.

En zelfs de hier bedoelde Wetten en Koninklijke Besluiten kan hij, in dringende omstandigheden, buiten werking stellen ; natuurlijk onder verplichting hiervan onmiddellijk aan de Regeering in het moederland kennis te geven. Het is duidelijk, dat door de versnelde en gemakkelijker gemeenschap tusschen Indië en Nederland en vooral door de telegraaf, de zelfstandigheid van den Gouv.-Generaal is verminderd.

Hij kan oorlog verklaren aan en vredes- en andere verdragen sluiten met Indische vorsten.

Hij benoemt de officieren der landmacht, beneden den rang van generaal-majoor, en bijna alle ambtenaren, behalve de leden van den Raad van Indië, den legerkommandant en den vlootvoogd, de presidenten der beide Hoven en van de Rekenkamer.

ocr page 92

so

Hij heeft liet recht van gratie of van vermindering van straf, na ingewonnen advies van het Hooggerechtshof.

De Gouverneur-Generaal wordt bijgestaan door den Raad van Indië, die uit een vice-president en vier leden bestaat, door de Koningin benoemd, terwijl de Gouverneur zelf als voorzitter eene adviseerende stem heeft.

Te allen tijde kan de Gouverneur het advies van den Raad vragen; in bepaalde gevallen moet hij het doen; en in sommige regeeringszaken is overeenstemming tusschen den Gouverneur-Generaal en den Raad van Indië gevorderd, b. v. om iemand het verblijf in Indië te ontzeggen , om drukkerijen te sluiten, enz.

Eene zeer belangrijke betrekking is verder die van Algemeen Secretaris, het hoofd van de „Algemeen^-Secretariequot;. Plij is de vraagbaak en voorlichter van iet béstuur; zorgt voor de redactie en registreering van de beschikkingen van den Gouverneur-Generaal, alsmede voor de samenstelling van het „Staatsblad van Nederlandsch-Indiëquot;.

§ 27. Algemeen burgerlijk bestuur. De verschillende takken van het algemeen burgerlijk bestuur zijn in Indië over 5 departementen verdeeld, aan wier hoofd Directeuren staan: 1. Binnenlandsch bestuur; 2. Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid; 3. Burgerlijke openbare werken; 4. Financiën; 5. Justitie.

Aan het hoofd van het departement van oorlog staat de luitenant-generaal, komma ndant van het leger. Aan het hoofd van het departement voor marine staat een daarvoor aangewezen Nederlandsch vlagofficier.

Het gouvernementsgebied in Nederl.-Indië wordt verdeeld in gewesten, door de Koningin aangewezen. In § 5 hebben we die gewesten genoemd, 17 in getal. Aan 't hoofd van elk gewest staat een Nederlandsch hoofdambtenaar met den titel van gouverneur, resident of assistent-resi-dent, en in 't algemeen aangeduid als „hoofden van gewestelijk bestuur.quot; Deze „Hoofdenquot; zijn rechtstreeks verantwoordelijk aan en ontvangen hunne bevelen onmiddellijk van den Gouverneur-Generaal, die hen ook benoemt. Hun rang is gelijk gesteld aan dien van Generaal-Majoor of Kolo-

ocr page 93

81

nel, en zij hebben het recht tot het voeren van den vergulden pajoeng, het zonnescherm.

De meeste geivesten zijn om hunne uitgestrektheid of belangrijkheid gesplitst in afdeelingen. Aan het hoofd van deze staan op Java en Madoera Assistent-Residenten; in de Buiten-bezittingen; Residenten, Assistent-Residenten, Controleurs of Posthouders.

Zooveel de omstandigheden het toelaten, wordt de inland-scbe bevolking onder de onmiddellijke leiding van hare eigen hoofden gelaten.

Deze worden door de Nederlandsch-Indische regeering erkend of aangesteld, voorts bezoldigd en onderworpen aan hooger toezicht.

Het best is dit bestuur op Java georganiseerd: daar staat de Regent aan het hoofd van het inlandsch bestuur. Hij wordt meest uit een aanzienlijk inlandsch geslacht gekozen, en zooveel doenlijk wordt steeds een der zonen of bloedverwanten van den Regent tot opvolger gekozen. Zijne verhouding tot den Resident of den Assistent-Resident is als die van een jongeren broeder tot een ouderen. Zijn invloed is zeer groot; want de inlandsche bevolking ziet in hem haar natuurlijk hoofd, terwijl de luister van de afstamming van de meeste Regenten hun aanzien nog verhoogt. De regenten mogen als de voorname handhavers van rust en orde worden beschouwd. Zij genieten aanzienlijke jaargelden.

Toch is de Regent gehouden, de bevelen van den Resident of den Assistent-Resident te gehoorzamen.

De titel van Regent is Raden Adipatih of Raden Toemen-goeng. Enkelen hebben den titel Pangéran (= Prins), doch deze titel wordt zelden verleend.

Onder den Regent staan het Distriets-hoofd {wedand) en het Onder-districtshoofd (tjamat), en onder dezen staat weder het Dorps- of Dessahoofd (hoewoe, loer ah, hekel, petinggi).

Het Dorpsbestuur bezit eene grootere zelfstand iglieid; het dessahoofd wordt door de dessabewoners gekozen. Het dorpshoofd is verantwoordelijk voor de geregelde betaling der landrente, voor eene behoorlijke uitvoering der verplichte heerendiensten, kortom, voor alles, waarin de dessa met het

AlTTON, Oost- en West-Indiè, 4e druk. 6

ocr page 94

82

gewestelijk bestuur in aanraking komt. De priesters zijn altijd leden van het dorpsbestuur.

De onderscheidings- en waardigheidsteekenen der verschillende inlandsche grooten en hoofden zijn nauwkeurig omschreven. Hoofdzakelijk blijkt de rang uit kleur en ring van den pajoeng.

De Oostersche vreemdelingen (Chineezen, Arabieren, Mooren) worden, waar zij een eenigszins aanzienlijk getal uitmaken, vereenigd in afzonderlijke wijken, die onder onmiddellijk bestuur van hun eigen hoofden staan. Die hoofden, welke rechtstreeks ondergeschikt zijn aan den Resident of Assistent-Resident, moeten waken voor de handhaving der orde in hunne wijken. Zij worden gekozen naar landsgebruik. Bij de Chineezen voeren zij den titel van Kapitein- of Luitenant-Chinees, op de hoofdplaatsen ook wel Majoor.

§ 28. Rechtspraak. De rechterlijke macht in Nederlandsch-Indië wordt, behoudens enkele uitzonderingen (b. v. over militairen), uitgeoefend door het Hooggerechtshof te Batavia, de Raden van Justitie te Batavia, Semarang, Soerabaja, Padang en Makasser; de Rechtbanken van Omgang op Java en Madoera; de Landraden; de Re-gentschaps- en Districtsgerechten.

De Raden van Justitie, en natuurlijk ook het Hooggerechtshof, bestaan uit den aard der zaak geheel uit Euro-peesche rechtsgeleerden; want voor hen staan te recht de Europeanen en met dezen gelijkgestelden (alle Christenen en verder zij, die zich vrijwillig hebben onderworpen aan het voor de Europeanen vastgestelde recht).

In alle residentiën zijn Rechtbanken van Omgang, met een in rechten gegradueerden Europeeschen ambtenaar als voorzitter , die verschillende gewesten onder zijn rechtsgebied heeft, welke hij op gezette tijden, vergezeld van een mede in rechten gegradueerden griffier, tot het houden van rechtszittingen bezoekt. Voorts bestaan deze rechtbanken uit de voornaamste inlandsche hoofden als leden, bijgestaan (geadviseerd) dooreen priester of pangheloe van hoogen rang en met een djaksa (inlandsch officier van justitie) als ambtenaar van het Openbaar Ministerie.

ocr page 95

83

De Landraden, die gevestigd zijn in alle hoofdplaatsen van residentiën of assistent-residentiën', zijn de gewone dagelijksche rechters van Inlanders en met dezen gelijkgestelden (met Inlanders worden gelijkgesteld Arabieren, Chineezen en andere vreemde oosterlingen, behoudens de boven medegedeelde uitzonderingen). Zij hadden vroeger als voorzitter den Resident of den Assistent-resident en een ambtenaar als griffier; verder twee inlandsche Hoofden als leden, den Hoofdpangoeloe als adviseur en eindelijk den Djaksa. Thans zijn bijna overal rechtsgeleerde ambtenaren aan 't hoofd van de Landraden gesteld. De Resident is tegenwoordig nog alleensprekend rechter in politiezaken.

Kleine overtredingen en burgerlijke gedingen van inlanders komen voor de regentschaps- en districtsgerechten. Deze zijn samengesteld uit inlandsche Hoofden onder voorzitterschap van gt; Regenten en Districtshoofden; verder uit een Pangoeloe en een Djaksa.

De rechtsbron, waaruit geput wordt door al de genoemde inlandsche rechterlijke colleges, is de adat, het „gewoonterechtquot;. De priester waakt, dat rekening gehouden wordt met de voorschriften en eischen van den godsdienst.

Wij zien dus, dat de Regeering bij de inrichting van het rechtswezen van dezelfde beginselen is uitgegaan als bij de inrichting van het bestuur; alles is gebaseerd op de godsdienstige wetten, de volksinstellingen en de gebruiken der inlanders.

§ 29. Land- en Zeemacht. Het leger had in 1896 eene sterkte van 40 000 man.

Het is samengesteld uit Europeanen en Inlanders, elk voor ongeveer de helft. Voor de eersten heeft de werving voornamelijk in Europa plaats; naast Nederlanders zijn het vooral Belgen, Duitschers en Franschen, die zich aanmelden. Een „Koloniaal Werf-depótquot; is te Harderwijk gevestigd, vanwaar van tijd tot tijd detachementen suppletie- of aanvullingstroepen naar Indië vertrekken; voorts bestaat te Nijmegen en Zutfen eene „Koloniale Reservequot; van 8000 man.

De inlandsche soldaten zijn vooral Amboineezen en ïerna-taansche Alfoeren.

De Afrikaansche soldaten, altijd een der beste bestanddeelen

6*

ocr page 96

84

van ons Nederlandsch-Indisch leger, zijn, tengevolge van onzen afstand van de kust van Guinea in 1872, langzamerhand uit de gelederen verdwenen.

De opleiding voor Indisch officier geschiedt in Nederland op de Militaire Academie te Breda en den Hoofdcursus te Kampen, vroeger ook op de Militaire School te Meester-Cornelis; deze inrichting dient thans alleen tot voorbereiding.

In tegenstelling met hetgeen van de landmacht werd medegedeeld , vormt het personeel der zeemacht in Indië een deel van de Nederlandsche marine. De vloot bestaat uit 18 schepen, met 140 kanonnen en 2225 manschappen.

De oorlogsschepen in de Indische wateren behooren deels tot het Indisch, deels tot een auxiliair-eskader.

De marine-etablissementen zijn gevestigd te Soerabaja.

Het is duidelijk, dat bij een zoo uitgestrekt gebied als dat van onze bezittingen in Azië, ons gezag niet alleen op de krijgsmacht kan zijn gebaseerd; integendeel, het berust in de eerste plaats op de zedelijke meerderheid, op het prestige van den Europeaan boven den Oosterling; in de tweede plaats op eene juiste keuze der middelen om ons gezag uit te oefenen; terwijl eindelijk de militaire macht bestemd is om, waar noodig, het gezag te steunen, orde te handhaven, opgestane landstreken te onderwerpen, aangegane tractaten te doen naleven. En in deze opzichten heeft de Indische krijgsgeschiedenis menige schoone bladzijde, menig schitterend bedrijf te vermelden.

HOOFDSTUK X.

Nadere bijzonderheden over Java.

§ 30. Bevolking. De drie volken, die Java bewonen, de eigenlijke Javanen, de Soendaneezen en de Madoereezen, behooren allen, zooals reeds werd opgemerkt, tot het Maleische ras. De Javanen vormen het gewichtigste bestanddeel èn door

ocr page 97

85

hunne getalsterkte, èn door hun uitgestrekt gebied over Midden- en Oost-Java, èn door hunne beschaving: hunne taal is de meest ontwikkelde; in litteratuur en kunst hebben alleen zij op belangrijke voortbrengselen te wijzen.

De Madoereezen, op Madoera en in het Oosten van Java, zijn in beschaving over 't geheel weinig van de Javanen onderscheiden, ofschoon hunne taal tegenwoordig toch van het Javaansch verschilt. Zij staan als laeftiger en gevaarlijker dan de beide andere volken bekend; 't zijn stoute visschers en zeevaarders, soms ook kustroovers; hun weinig vruchtbaar eiland lokte minder tot landbouw uit, doch er is aanzienlijke veeteelt.

De Soendaneezen bewonen het gebied, dat ongeveer door de Tji Losari en de Tji Tandoe^'i naar het Oosten wordt begrensd; bovendien is de bevolking van Zuid-Soematra (Lam-pongsche districten) Soendaneesch. Zij zijn in levenswijze, begrippen en taal minder dan de beide andere volken van het oorspronkelijk Maleische karakter afgeweken.

25 000 000

De dichtheid van bevolking in Java bedraagt--—- —— =

u 4UU

ruim 10 000 inwoners op 1 □ G. M. In Nederland is dat

5 000 000

cijfer---= 8 oOO ruim.

J 600

In het gebied der eigenlijke Javanen is de betrekkelijke dichtheid bijna tweemaal zoo groot als in West- en Oost-Java; zoo maakt ook in dit opzicht Midden-Java bepaald een afzonderlijk deel van het eiland uit, en wel het hoofddeel. Zie fig. 35 op pag. 107!

§ 31. Dorpen en huizen der Javanen. De Javaansche dorpen zijn verscholen in het geboomte en omgeven door uitgestrekte - rijst- of maïsvelden.

Volgens het gewone spraakgebruik der Europeanen worden alle dorpen van het eiland „dessaquot; genoemd, ofschoon die naam eigenlijk in de Soendalanden en buiten Java niet thuis behoort.

Een kampong is eene wijk of buurtschap; onderscheiden

ocr page 98

86

i wi.

kampongs vormen eene grootere gemeente of neg om- (uit 't Sanskriet „nagaraquot;, d. i. de plaats, waar een vorst met zijn volk zich vestigt; thans in 't Maleisch en Javaansch een aanzienlijk dorp. Veth). De dessa daarentegen is een op zich zelf staand geheel, dikwijls uit niet meer dan twintig tot veertig huisgezinnen bestaande. Iedere dessa heeft haar eigen, zelf gekozen dorpshoofd.

Elke woning ligt in het groen van vrucht- en bloemboo-men. De klapper, de pisang, en van de Indische bloemen vooral de melati, eene kleine, witte, welriekende bloem, ontbreken zelden.

De volgende schets, die wij in de meer genoemde reisbeschrijving van Dr. Van Hoëvell aantreffen, geeft eene duidelijke voorstelling:

„ ... . Tj i au dj oer, de hoofdplaats van de Preanger-regentschappen 1) Indien gij bij dit woord „hoofdplaatsquot; denkt aan eene stad in het vaderland, of waar ook in Europa, dan vormt gij u eene geheel verkeerde voorstelling. Wij rijden door eene soort van houten of steenen poort de negoro binnen, en wat zien wij nu? Natuurlijk huizen en gebouwen , nederige stulpen en paleizen, zult gij antwoorden. Niets van dat alles! Breede rechtlijnige straten, met kleine riviersteentjes begrint, en aan de kanten 7 of 8 voet hooge omheiningen of schuttingen {pagger), van bamboe gevlochten. Achter die schuttingen rust uw oog op altijd frisch en jeugdig groen van vrucht- en bloeinboomen, maar nergens bemerkt gij een huis of wat er naar gelijkt, want onder en tusschen dat groen zijn de woningen der inboorlingen verscholen. Slechts nu en dan wordt de eentonigheid der omheining afgebroken door de ingangen, die naar binnen leiden, door een gaarkeuken (ivarong), of door een winkel, waar de Javanen hunne benoodigdheden voor landbouw, huisraad, kleeding enz. kunnen koopen. Langs die straten rijden wij naaide Europeesche buurt; zoo noem ik de plaats, waar zich het Residentiehuis , het Logement en nog eenige andere huizen van Christen-ingezetenen bevinden.quot;

Deze beschrijving geldt niet alleen van Tjiandjoer, maar tevens van al de negoro's en dessa's op grootere of kleinere schaal. In de grootere, de hoofdplaatsen der regentschappen, valt nog het oog op de al oen-al oen, een groot, vierkant

1

Thans is Bandoeng de hoofdplaats.

ocr page 99

UJr

plein, in den regel met waringinboomen beplant en waar de -woning (dalem) van den Regent en de missig^it of Moham-medaansche tempel zich bevinden.

Het gewone inlandsche huis kan men zich voorstellen als eene kleine, vensterlooze hut, door den bewoner zélf vervaardigd. De gebruikelijke bouwstof is baviboe en voor het dak atap, bladeren van den nipah-palm of van andere boomsoorten, of ook wel alanggras.

J. lt;LUj.

Bij de Soendaneezen zijn de huizen, overeenkomstig het gewone type der Maleische woningen, op palen gebouwd, zoodat onder den vloer ruimte is voor kippen, eenden en geiten; bij de Javanen echter rust de vloer onmiddellijk op den grond.

Bij de gewone type heeft men dus eene trap of ladder met eenige weinige sporten noodig, om het huis te bereiken.

De oorsprong van dit verschijnsel is waarschijnlijk daarin gelegen, dat de bewoners van den Archipel van oudsher, als zeevaarders, hunne dorpen bij voorkeur vestigden aan de lage stranden en bij de mondingen der rivieren. De huizen op

87

/,

'JL

ocr page 100

88

palen te bouwen was daar het middel om ze droog te houden. Jammer, dat deze gewoonte tot groote onzindelijkheid aanleiding gaf; immers de ruimte onder het huis wordt ook gebruikt voor den afval en allerlei onreinheden, wat natuurlijk ongezond is.

Wellicht is het verschijnsel, dat de eigenlijke Javanen hunne huisjes onmiddellijk op den beganen grond oprichten, al weer een gevolg van den Hindoeschen invloed.

De daken zijn in den regel overhangend. Licht en lucht hebben alleen door de deur toegang. De waarde, die het geheele huis aan materiaal en arbeidsloon vertegenwoordigt, werd door Raffles !op drie tot zes gulden geschat. Van binnen zijn de woningen doorgaans vrij zindelijk; meestal zijner twee vertrekken: één voor de hoofden des gezins en één voor de kinderen. Veel huisraad behoeft de inlander niet; het volgens Wallace , onvolprezen bamboe verschaft al weder het noodige materiaal: allereerst voor de balé-balé of rustbank en verder voor de slaapplaats, waarover een mat is gespreid en waarop een met kapok gevuld kussen ligt. Stoelen en tafels zijn er niet.

Voor de spijsbereiding volstaan eenige aarden potten en pannen; de plaats van borden wordt ingenomen door pisang-of andere groote boombladeren.

Onmisbaar is de sirihdoos, waarin dikwijls een stel kleinere doosjes voor al de ingrediënten, vereischt voor de betelpruim.

Verder zijn er verschillende werktuigen voor het ontbolsteren van rijst en voor het spinnen en weven. De werkzaamheden worden altijd vóór het huis, door de vrouwen, verricht.

Er wordt in den regel niet meer dan het voor eigen gebruik benoodigde katoen geteeld en toebereid; de vrouwen zijn zeer bekwaam in het spinnen, weven en batikken, d. w. z. in het teekenen van bloemen en andere figuren met was op katoen. Voor sarong en hoofddoek wordt het goed gebatikt.

Maar kom nu ook eens kijken naar het huis van een aanzienlijke, b.v. naar dat van een Hoofd! Het is voor een groot gedeelte opgetrokken van djatihout. Op het plein er voor, een grasveld, dat aloen-aloen heet, vormt de onmisbare waringin een lommerrijk bosch. En het huis zelf is eene verzameling van gebouwen. Daar hebt ge eerst de pendopo

ocr page 101

89

of het voorhuis, bestemd voor de ontvangst van gasten en voor ■. 't geven van audiëntie; dan komt de pringgitan of het middelhuis voor poppenspelen, enz.; hierop volgt het eigenlijke woonhuis met de bijgebouwen voor loc/eer kamers, badkamers, keuken, bergplaats, stal voor koeien, buffels en paarden, rijstschuur, enz.

§ 32. Landbouw. Landbouw is bet hoofdbedrijf op Java.

,.De Javaan is uit den aard der zaak landbouwer; de grond waarop hij geboren wordt, die veel belooft voor weinig arbeid, lokt hem daartoe uit, en vooral is hij met hai't en ziel overgegeven aan het bebouwen zijner rijstvelden, waarin hij dan ook zeer bedreven is. Hij groeit op te midden zijner sawahs en gaga's en tipars, vergezelt reeds op zeer jeugdigen leeftijd zijn vader naar het veld, waar hij hem behulpzaam is in den arbeid met ploeg en spade, aan dammen en waterleidingen tot het bevochtigen zijner akkers. Hij telt zijne jaren bij oogsten; hij rekent den tijd naar de kleur zijner te veld staande halmen: hij gevoelt zich tehuis onder de makkers, die met hem padi sneden; hij zoekt zijne vrouw onder de meisjes der dessa, die 's avonds onder vroolijk gezang

ocr page 102

90

de rijst stampen, om ze te ontdoen van den bolster; het bezit van een paar buffels, die zijn ploeg zullen trekken, is het ideaal, dat hem aanlacht; — de rijstbouw is voor den Javaan, wat in de Rijnstreken en het Zuiden van Frankrijk de wijnoogst is.quot; (Max Havelaar.)

De Javanen worden als landbouwers misschien alleen door de Chineezen overtroffen. Hunne bekwaamheid blijkt vooral uit den sawah-houw. De tegals of ladangs, niet-geïrrigeerde velden, zijn over 't algemeen veel minder waard; terwijl de gaga-honw nauwlijks den naam van ontginning verdient, ja 't karakter van roofbouw draagt.

Het kenmerk van eene sawab, in tegenstelling met een tegal, ligt voornamelijk in de bedijking, waardoor het water er op kan staande gehouden worden.

De riviertjes, die overal met sterk verval van de bergen stroomen, bieden de gelegenheid aan, om de velden voor rijst en ook voor tweede gewassen (palawidja) en suikerriet kunstmatig te bevloeien.

„Door leidingen of sJokans wordt het rivierwater naar de velden gebracht en in kleine stroompjes verdeeld, welke later weer in eene rivier uitloopen. Meestal legt men ergens in den stroom een dam of' stuw, zoodanig dat de waterspiegel hoog genoeg wordt, om het water naar de velden af te leiden. Op een geschikt punt, de prise d'eau, wordt het water uit de rivier afgetapt in een kanaal, dat zich splitst in verschillende slokans, welke op hare beurt zich nog eens weer vertakken en zoo het water door duikers, sluizen enz. naar de bedijkte velden voeren. Het gebruikte water verzamelt zich in slooten, die het loozen op afvoerkanalen.quot;

Millioenen guldens heeft ons Gouvernement reeds voor het aanleggen van irrigatie-werken besteed; maar velerwegen is de opbrengst van den rijstoogst dientengevolge ook verdubbeld en zijn de landrenten aanmerkelijk geklommen. Bovendien worden die werken zoo aangelegd, dat ze een waarborg zijn tegen overstrooming. Vandaar, dat onze Regeering, na den hongersnood in Demak in 1873, ±: ƒ 8 000 000 heeft ten koste gelegd aan irrigatie-werken in die streken. Maar daarvoor is men nu ook tamelijk veilig voor overstroomingen en worden ruim 17 000 HA land bevloeid!

ocr page 103

91

De in terrassen langs de hellingen van heuvels en bergen als 't ware ten toon gehangen sawahs zetten aan het tropische landschap eene niet geringe bekoorlijkheid bij.

In volgorde zijn de werkzaamheden op de sawah: ploegen, onder water zetten, het overplanten van de kweekplantjes, hihiet (want bij de natte rijstteelt wordt de rijst nooit dadelijk gezaaid op het veld, waarop zij rijp wordt), water aftappen, na eenige dagen weder onder water. zetten, rijstvogeltjes verjagen, padi snijden (meest door vrouwen, halm voor halm, met een rijstmesje of ani-ani), oogsten (met verschillende plechtigheden gepaard gaande).

De behoeften van den Javaan zijn weinige: rijst, in den damp van water gekookt, is het hoofdbestanddeel der voeding. In den eersten tijd na den oogst — als de voorraad ruim is — wordt tweemaal daags gegeten; later komen er andere voedingsmiddelen bij, b.v. djagoeng (maïs) en eindelijk eet men niet meer dan eens per dag rijst. Een onmisbaar toevoegsel bij de rijst is echter de lombok of Spaansche peper. Deze struik ontbreekt zelfs niet bij de armste Javaansche hut. Er zijn verscheiden soorten, die inlandsche namen dragen, als „tjabéquot;, enz.

Onvermijdelijk zijn de feestmaaltijden; b.v. bij het begin en het einde van de groote vasten, bij het begin of het einde van het planten der padi, en vooral bij het begin van den oogst. Met overvloed van rijst, kippen, toespijzen en vruchten wordt dan feest gevierd.

Onder de boomen bij de Javaansche woning komt, met den reeds genoemden klapper, bijna altijd de pisang of banaan voor, om zijne welsmakende en voedzame vruchten, die op allerlei wijzen worden toebereid.

Van de vruchten behoort de doerian tot de meest bekende en merkwaardige, door den heerlijken smaak van het roomachtige vleesch, andanks een overweldigenden stank. De manggis of manggistan is onder de Indische vruchten doorgaans het meest bij de Europeanen geliefd.

Van de dj ambo e monjet of apenpeer eet men de noten en ook de peervormige, sappige vruchtstelen. De talrijke soorten van djamboe munten verder alle uit door haar geurig, malsch vruchtvleesch. De tamarinde vervult in de

ocr page 104

92

Javaansche keuken de rol van onze citroenen. De geurige pandang is eene framboos ter grootte van een menschen-hoofd. Ook de zuurzak is eene reusachtige vrucht; in 't midden er van is een steel met vele pitten, omgeven door een kleverig, doch aromatisch en verfrisschend vleesch, dat men er afzuigt. De edele mangga, eene steenvrucht, heeft een onaangenamen reuk, doch is zoowel rauw als toebereid bij den inlander zeer gezocht.

Ook tabak wordt dikwijls door den inlander voor eigen gebruik aangeplant, al rookt de geringe man weinig en dan nog maar eene stroosigaar, nl. wat tabak in een maïsblad.

§33. Staatshuishouding. Buiten de dorpen treft men meestal uitgestrekte woeste gronden aan, die wel bij de gemeenten zijn ingedeeld, doch door niemand in bezit genomen en voor een groot deel als domeingronden worden beschouwd.

Deze onbebouwde bosch- en prairiestreken waren vroeger veel uitgestrekter dan thans. Onophoudelijk worden, vooral

ocr page 105

93

in Oost-Java, gedeelten daarvan in cultuur gebracht en, hetzij in rijstvelden, hetzij in andere bouwgronden, herschapen, maar, gelijk reeds gezegd, is toch nog meer dan de helft van Java's bodem onontgonnen.

In 1870 is met betrekking tot de agrarische aangelegenheden eene belangrijke akkerwet tot stand gekomen, waarbij o. a. is vastgesteld, dat domeingronden in erfpacht aan particulieren kunnen worden afgestaan, doch voor niet langer dan 75 jaren. Hiervan wordt vooral gebruik gemaakt door Europeanen, die voornemens zijn ontginningen op eenigszins uitgebreide schaal te ondernemen.

In vele streken van Java is het grondbezit communaal, dat wil zeggen: de grond behoort aan de gemeente, de dessa; de leden der dessa hebben den grond in gemeenschappelijk gebruik, d. i. de bebouwbare grond wordt telken jare onder de sawah-bezitters verdeeld. Na den oogst is de grond weer communaal.

Dit gemeentebezit komt bij de meest verschillende en verst verwijderde volken voor: wij zien het in de Germaansche mark (ook in Nederland, in Drenthe en Gelderland zijn nog onverdeelde „markgron-denquot;), in 't oude Egypte, in het tegenwoordige Rusland, gelijk in de Javaansche dessa.

Waarschijnlijk is deze vorm van gemeentebezit voortgekomen uit een nog ouderen vorm: familiebezit, zoöals wij dat bij vele volken in hunne oudste geschiedenis aantreffen (nog heden ten dage bij sommige Zuid-Slavische volken). Trouwens er zijn landstreken in Indië, o. a. in de binnenlanden van Soematra, waar wij nog dezen toestand vinden.

Ten deele maakt het communaal bezit op Java reeds plaats voor individueel bezit. Dit laatste is eigeujjku'dig in de So end a-land en: daar woont de boer op zijn eigendom.

Geef van de kaart de residentiën op, die in dit gebied liggen.

Van groot belang voor het leven van den Javaan zijn verder nog eenige andere instellingen, waaronder wij vooreerst noemen de heerendiensten. Door de heerendiensten verstaat men den onbetaalden arbeid, dien de inlanders ten behoeve van hunne Hoofden of van het Gouvernement moeten verrichten. Van die diensten werd in vroegeren tijd dikwijls mis-

ocr page 106

94

bruik gemaakt, vooral van de zijde der inlandsche Hoofden.

Thans zijn de heerendiensten door het Gouvernement geregeld : zij worden alleen volgens bepaalde voorschriften gevorderd en zijn tot een minimum beperkt (hoogstens 42 dagen per jaar en dan niet langer dan 12 uur, heen- en teruggang daaronder begrepen). Toch schijnt er nog een ruim gebruik van te moeten worden gemaakt, hoofdzakelijk tot onderhoud van post- en binnenwegen en het bezetten van wachthuizen; voorts in geval van overstroomingen of tot afwending van ander algemeen gevaar.

Volgens de Koloniale Verslagen bedraagt het totaal-generaal der verrichte dagdiensten in het jaar ±i 20 millioen!

Naast deze verplichting rust op de inlandsche bevolking eene andere, nl. het opbrengen van landrente.

Voor elke dessa is de uitgestrektheid der bouwgronden nagegaan en de gemiddelde opbrengst van den oogst berekend. Naar dien maatstaf is de dessa verplicht aan het Gouvernement eene zekere belasting te betalen voor het gebruik van den grond, waarvan het Gouvernement als eigenaar beschouwd wordt.

De dorpshoofden zijn voor die belasting aansprakelijk; zij bepalen het aandeel, dat ieder dessabewoner moet opbrengen.

Het landrentenstelsel is ingevoerd tijdens het Engelsche tus-schenbestuur (1811—'16), door den gouverneur Raffles naar het model van een dergelijk stelsel in Britsch-Indië.

De opbrengst van de landrente bedraagt rt; 20 millioen gulden 'sjaars. En hoe krijgt de inlander 'tgeld, dat hij als landrente zal opbrengen? Veeltijds wordt het verdiend met de suiker- en koffiecultuur en met den arbeid op ondernemingen van nijverheid ; in sommige gevallen door 't verkoo-pen van padi of vee; ook van de „tweede gewassenquot; of van de opbrengst van erven of tuinen. Zij, die niet ver van de bosschen wonen, verzamelen de producten der wildernis: vruchten en kruiden; ze kappen bamboe en rotan en verdienen zoo 15 a 20 cents per dag; zij zoeken harsen en gommen, waarmee soms een gulden per dag, maar soms ook niets wordt verdiend; ook verzamelen ze vezelstoffen uit de bast of uit de bladeren van sommige boomsoorten. Niet zelden blijven zij eenige nachten in de wildernis, vaak in ploegen van 10 a 15

ocr page 107

95

man, met wat rijst, tabak, gambier en zout. Wisselvallig, dikwijls schraal, is de belooning van dit werk.

Ook de vrouwen werken ijverig mede; zij spinnen, weven, verven, soms in dagloon van anderen, waarbij zij 5 a 10 cents verdienen; of zij bereiden spijzen, lekkernijen en gebak, die zij met eene kleine winst verkoopen.

Van ingrijpend belang voor Java's bevolking zijn, naast de boven besproken heerendiensten, de reeds een paar malen ter sprake gekomen verplichte cultures. Het cultuurstelsel of landbouwstelsel werd in 1830 ingevoerd, onder het bewind van den Gouverneur-Generaal Van den Bosch, met het doel om den aanbouw van producten voor de Europeesche markt te bevorderen.

De grondslag was, dat elke dessa, die 1jó van hare rijstvelden bebouwde met door het Gouvernement aan te wijzen producten {koffie, suiker, indigo e. a.) *) en die producten op bepaalde voorwaarden aan de Regeering leverde, vrij zou zijn van landrente. De teelt der aangewezen producten mocht niet meer arbeid vereischen dan de rijstbouw, en misgewas kwam voor rekening van het Gouvernement. Bracht het gewas meer op dan de landrente zou hebben bedragen, dan zou dat meerdere aan de dessa terugbetaald worden. Iets, wat nooit is geschied!

Ook in sommige deelen van de Buitenbezittingen werden gouvernementscultures ingevoerd, als die van koffie in de Padangsche Bovenlanden en in de residentie Menado.

Dit stelsel bracht groote inkomsten op, vooral de teelt van de koffie: de onkosten door het Gouvernement te maken voor het verstrekken van de jonge boompjes, enz. zijn gering, en de prijzen, op de koffieveilingen gemaakt, zijn in den regel hoog. Zoo b.v. kan men uit de Koloniale Verslagen zien, dat de gemiddelde prijs, waarop de pikol koffie aan het Gouvernement te staan komt (tot in de strandpakhui-zen) ƒ 15 a ƒ 20 bedraagt, terwijl de opbrengst in Europa ƒ 60 of meer per pikol is! Reeds vroeger is medegedeeld.

') Bij het invoeren van dit stelsel was koffie niet de hoofdzaak, maar indigo, enz., om nl. spoedig product te hebben.

ocr page 108

96

hoezeer echter de koffieoogsten van verschillende jaren kunnen uiteenloopen. De baten, uit de koffie verkregen, beliepen van 1881—'90 ± f 200 000 000.

Maar tegenover die lichtzijde staat eene schaduwzijde: op den inlander drukte het stelsel somtijds zwaar; niet altijd werd genoegzaam rekening gehouden met zijn belang, als b.v. de beste gronden {en soms meer dan '/b) voor de gouvernementscultures werden aangewezen, zoodat de inlander zijne rijstvelden dan maar zooveel verder van de dessa moest aanleggen ; als hij nauwelijks tijd had die rijstvelden behoorlijk te verzorgen, enz. Dikwijls is beweerd, dat èn heerendiensten èn cultuurstelsel het lot van den Javaan bovenmatig drukten.

Intusschen is hierin veel verbetering gekomen; van de heerendiensten zagen wij dit reeds , en van de cultures zijn alleen die van koffie en kina behouden.

§ 34. Zeden en gewoonten der Javanen. Thans keeren wij terug tot het leven van den Javaan, om nog wat meer van hem te zien en o. a. kennis te maken met enkele belangrijke trekken uit de Javaansche zeden en gewoonten.

De godsdienst is de Mohammedaansche, doch al neemt de inlander de voorgeschreven plechtigheden en godsdienstplichten ook dikwijls met de uiterste nauwgezetheid waar, hij is inderdaad nog heiden met zijn geloof aan kwade en goede geesten, zijne gehechtheid aan voorteekens, enz.

Slechts weinigen, nl. de hadji's en geestelijken, hebben meer dan eene zeer oppervlakkige kennis van den koran. De godsdienst der massa openbaart zich slechts in uitwendige handelingen, als gebed en vasten, in het vermijden van hetgeen de koran als onrein beschouwt en dergelijke.

De Javaan vereert naast de geesten zijner afgestorvenen nog allerlei andere geesten, in bergen, bosschen en wateren. Aan die geesten dankt hij het goede, dat hem ten deel valt, aan hun toorn schrijft hij de rampen, die hem treffen, toe.

Dit alles neemt echter niet weg, dat millioenen Javanen bereid zijn tot opoffering en strijd voor hun geloof. De Javaan, van nature rustig, kalm en onderworpen, is als Mohammedaan

ocr page 109

97

blootgesteld aan invloeden, die den rustigen landbouwer in een staat van opgewondenheid kunnen brengen, waarin hij zich door zijne leiders tot alles laat gebruiken.

Omtrent het karakter en den aanleg der Javanen is het _ oordeel, dat men bij verschillende schrijvers aantreft, zeer uiteenloopend. De getuigenissen der oude reizigers zijn vrij eenstemmig hoogst ongunstig; zelden treft men bij hen een welwillend woord ten aanzien van den Javaan aan, en zelfs onder nieuwe schrijvers vinden wij menige ongunstige schets, o. a. bij Junghuhn.

Tegenover deze ongunstige karakterbeoordeelingen staan echter die van anderen, welke den Javaan menigen goeden trek toeschrijven en hem eene warme genegenheid toedragen.

De Javaan, en de Maleier in 't algemeen, geeft weinig uiting aan zijne gewaarwordingen en vormt in dit opzicht, volgens Wallace, het tegenbeeld van den Papoea. Hij is ingetrokken, schijnbaar ongevoelig voor levendige indrukken ; een gevoel van verrassing, verwondering of vrees vertoont zich nooit naar buiten. In zijn spreken is hij langzaam en bedaard, en zelfs als hij een onderwerp bepaaldelijk te behandelen heeft, komt hij slechts met veel omwegen tot de zaak. ' %

De Maleiers van hoogeren stand zijn uitermate beleefd en hebben id de gemakkelijkheid in den omgang en al de kalme zelfbeheersching der best opgevoede Europeanen.

In 't algemeen zacht van aard, kan onrechtvaardige behandeling of verdrukking den Maleier in een staat van woeste opgewondenheid brengen, waarin hij niets of niemand ontziet. Dezen toestand noemt men „amokquot;. Wallace geeft daarvan in zijn „Insulindequot; de volgende schets:

„Een man acht zich in zijne eer gekrenkt, verongelijkt; hij wil zich wreken op het menschdom en sterven als een held. Hij grijpt het gevest van zijn kris, en het volgend oogenblik trekt hij zijn wapen en doorsteekt den eerste, die hem tegenkomt. Hij holt voort met de bebloede kris in de hand en maakt een slachtoffer van ieder, die hem in den weg treedt. „Amok! Amok!quot; weerklinkt het dan door de straten. Lansen, krissen, messen, geweren, worden voor den dag gehaald, om den woedende onschadelijk te maken. Maar in dolle vaart snelt hij verder, doodt, wat hij kan, zonder jaren of sekse te sparen, en sterft eindelijk,

Aitton , Oost- en West-Indië, 4e druk. 7

ocr page 110
ocr page 111

99

door het aantal tegenstanders overmand, in eene opgewondenheid, gelijk aan die van eec veldslag.

Het is eene waanzinnige dronkenschap, eene tijdelijke razernij, waardoor alle gedachten, alle vermogens verzwolgen worden.quot;

Ofschoon de Islam de polygamie toelaat, komt het onder de volksklasse op Java zelden voor, dat de man meer dan ééne vrouw heeft, daar hij meestal de middelen mist, om een talrijk gezin te onderhouden. Anders is het bij de vorsten, die er doorgaans een harem op nahouden.

Wat de taal aangaat, deze is geheel gevormd onder den invloed van de Hindoes, althans voor zooveel het Javaansch betreft. Een opmerkelijk verschijnsel doet zich hierbij voor. Waarschijnlijk als gevolg van het groote onderscheid tusschen het ras der veroverende of koloniseerende Hindoes en dat van de groote massa der mindere bevolking onderscheiden wij bij het Javaansch eene hooge en eene lage taal, het Kromo en het Ngoko. Het laatste wordt door geringere lieden onder elkander en door den meerdere tot den mindere gesproken; daarentegen spreken aanzienlijken en personen van eenigen rang onder elkander het Kromo en steeds spreekt de mindere in Kromo tot den meerdere. Voor schier ieder begrip zijn in het Javaansch twee woorden voorhanden; Professor Veth maakt de verhouding tusschen de beide talen duidelijk door de volgende voorbeelden uit onze taal; paard, arend, kop, poot (N.); ros, adelaar, hoofd, voet (K.).

Volksspelen. De geliefde uitspanningen van het volk zijn de wajang en gamelan.

Bij de wajang-voorstelling (marionetten- of poppenspel) worden poppen gebezigd, uit buffelleder gesneden, fraai beschilderd en verguld, maar onbegrijpelijk wanstaltig. Deze poppen worden achter een verlicht scherm bewogen, en de vrouwen mogen alleen de schaduwen zien, doch de mannen zijn met den vertooner achter het scherm.

Het woord „wajangquot; beteekent eigenlijk schaduwen of schimmen.

De vertooner draagt stukken voor, o. a. ontleend aan de heldendichten der Indiërs (Mahabharata en Ramajana), waarnaar honderden mannen, vrouwen en kinderen van heinde

7*

ocr page 112

100

en verre komen zien en met aandacht zitten te luisteren tot laat in den nacht.

In de Soenda-landen vervangt de topeng den wajang. Daarbij zijn de poppen vervangen door personen met maskers. Het woord „topengquot; beteekent mmker, gemaskerde voorstelling.

De gamelan, een orkest van eentonige, droefgeestige, doch niet onwelluidende muziek, begeleidt de wajang- of topeng-voorstelling, maar ook bij alle andere feestelijke gelegenheden vervult de gamelan eene rol, zooals bij de optochten, die bij gewichtige huiselijke gebeurtenissen, als huwelijk, tandslijping e. a., gehouden worden. Vaak worden dan de gamelan-spelers nog voorafgegaan door tandakkers of voordansers („tandakquot; is het Mal. woord voor de inlandsche wijze van dansen, waarbij het verdraaien en wringen van lijf en leden hoofdzaak is).

Eene volledige gamelan heeft 24 spelers, die van blaas-, strijk-, schud- en s?a(/-iii struinen ten gebruik maken. De orkestmeester bespeelt gewoonlijk de rebab, eene soort van viool, gemaakt van eene halven klapperdop. Dit instrument heeft 2 snaren, die een quint verschillen. Hierop wordt de eigenlijke melodie aangegeven, die door de andere instrumenten wordt gevolgd.

De plaats van de gamelan wordt bij de Soendaneezen ingenomen door een korps van 15 è 20 man, die den ankloeng (een slaginstrument van bamboe) slingeren. De ankloengers worden voorafgegaan door eenige voordansers, van wie één eene trom slaat, terwijl de anderen kleine ankloengs in de hand hebben en al zingende allerlei bewegingen maken.

Bij feesten en voorstellingen treden ook dikwijls rongengs, „dansmeisjesquot;, op; aan inlandsche hoven maken deze zelfs deel uit van het personeel der hofhouding.

Gelijk alle volken van Maleischen stam, zijn ook de Javanen 'hartstochtelijke liefhebbers van de hanengevechten en de daarmede verbonden weddenschappen. Op Java is dit wreede spel thans in 't algemeen verboden, doch wordt bij enkele gelegenheden toegestaan en heeft ook nog wel in 't geheim plaats. Het fokken van vechthanen is een speciaal vak, dat niet minder zorg vordert dan b.v. het verzorgen en op-kweeken van de raspaarden voor eene Engelsche race.

ocr page 113

101

Van alle feesten is er geen, dat den inlander meer belang inboezemt dan een tijgergevecht. De volgende beschrij-ving van een tijgergevecht aan het hof te Soerakarta is ontleend aan het verhaal eener reis door Java 1);

„Reeds vroeg in den morgen zag men van alle zijden Javanen opkomen met lange scherge lansen gewapend en zich op de aloen-aloen vereenigen. De voorstelling zou bestaan uit een gevecht van een karbouw met twee tijgers, waarna men drie tijgers zou rampokken. Op het midden van het plein was een zeer groote kooi van bamboe, zoo ruim ineengevlochten, dat men er vrij in kon zien. In die kooi zag men een grooten karbouw staan, .die zich rustig bewoog. Nu werd een hok aangedragen, waarin zich eene groote koningstijger bevond; men opende eene schuif van het hok en van de bamboezen kooi en dwong den tijger de laatste in te gaan. Met één sprong stoof hij op eens als eene kat de kooi binnen, waarop de buffel hem onmiddellijk met zijn breed voorhoofd en horens trachtte te stooten. De tijger had echter geen lust om een gevecht te beginnen, maai- legde zich roerloos neder. Nu werd alles aangewend om den tijger op te jagen en den karbouw aan te hitsen. Puntige bamboezen, kokend water en eene soort van brandnetels, alles werd in het werk gesteld, om de twee dieren met elkander te doen strijden, die blijkbaar niets liever verlangden, dan in de vrije natuur te kunnen ontsnappen. Eindelijk werd. brandend stroo aangebracht en de tijger telkens genoodzaakt op te stuiven, waarbij de karbouw hem dreunende stooten toebracht, die de tijger beantwoordde met hem aan den kop te verwonden. Ten slotte werd het tijgerhok opnieuw geopend en de tijger vluchtte in zijn vroeger verblijf.quot;

In den regel is bij dit gevecht de buffel overwinnaar.

Treffender nog is het zoogenaamde rampokken:

„Om een zeer ruim vierkant waren drie gelederen piekeniers geschaard. In het midden der ruimte stonden drie hokken met stroo overdekt; in ieder lag een koningstijger. Nu verschenen drie Javanen in keurige sarongs met slendangs gekleed, het bovenlijf geheel naakt en met witte mutsjes op het hoofd; tandakkende kwamen zij binnen het vierkant, zich zeer langzaam naar de tijgerhokken begevende. Twee der tandak-kers hadden ieder eene brandende fakkel in de hand. Toen zij bij een der tijgerhokken gekomen waren, gingen zij met de beenen kruiselings onder het lijf op den grond zitten en maakten eene eerbiedige buiging,

1

Jhr. Mr. H. T. Gevers Deynoot. Herinneringen eener reis naar Neder-landsch-Indië in ISüQ.

ocr page 114

102

slamat, voor den Keizer. Daarop rees de Javaan zonder fakkel op, klom op het hok, haalde een groot mes te voorschijn en sneed de sluiting van de schuif voor het hok af, vatte daarop de schuif zelve met beide handen aan en wierp die met zekeren zwier ver van zich op den grond. Nu was het tijgerhok open, maar er hing nog voor de opening een van stroo gevlochten matje. De Javaan klom met de grootste bedaardheid van het hok af en zette opnieuw zich daarnaast op den grond, zijn slamat herhalende. Men zegt, dat de tijger op dat oogenblik wel eens den kop uit het hok gestoken heeft, zonder evenwel 'den tandakker aan te vallen. Kort daarop rezen de drie tandakkers op, met de fakkels werd het stroo, dat de tijgerhokken bedekte aan brand gestoken, en de Javanen keerden even langzaam dansende, zonder om te zien, terug naar den uitersten hoek der piekeniers, die zich openden om hen door te laten. Het tijgerhok geraakte weldra in lichte laaie, en ieder was in gespannen verwachting om het ondier te zien verschijnen. Op eens werd het strooien matje opgelicht en de tijger stoof in de ruimte. Bij het verschijnen van het dier werden de trompetten gestoken en hoorde men een onbeschrijfelijk gegil en woest gehuil. De eerste tijger kwam dadelijk recht op onze tribune aan. blijkbaar vreesachtig en naar een uitweg zoekende. Onmiddellijk worden alle lansen tegen hem geveld en ik zag ze trillen in de handen der piekeniers. De tijger grijnsde vreeselijk, maar wendde zich links af om te trachten zich daar eene doortocht te banen. Hierdoor te dicht bij de uitermate scherpe lansen gekomen, werd hij in de zijde gewond, verdedigde zich nog eenige oogenblikken, maar was spoedig door een tal van lanssteken afgemaakt.

De tweede tijger wilde niet spoedig genoeg het brandende hok verlaten en, daar men vreesde, dat hij wellicht levend zou verbranden, werd een groot uit bamboezen gevlochten schild als een verkeerde boot, naar hem toegezonden. Onder dit schild waren eenige personen verborgen, die hem met scherpe bamboezen uit het hok opjoegen.

De derde tijger, een kolossaal dier, dien morgen eerst aangebracht, boezemde nog al vrees in, zoodat dé tandakkers, na het hok te hebben geopend, iets vlugger wegdansten, waarover zij door het volk werden uitgejouwd. Deze tijger brak bijna door de lansen heen, maar werd nog bijtijds afgemaakt. Dit is trouwens meermalen gebeurd, evenals het ook het dier, vooral den kleinen tijger, soms gelukt over de lansen heen te springen.quot;

Hartstochtelijk is de inlander verzot op de Chineesche kaart- en dobbelspelen, die soms zijn ongeluk veroorzaken, als hij daardoor in de macht van den niet altijd even loyalen f zoon van het Hemelsche Rijk geraakt. Maar nog verderfelij-

ocr page 115

103

ker is voor hem de hartstocht van het amfioenschuiven of opium rooken.

Het opiumverbruik staat onder toezicht van regeering en politie. De regeering verpacht den handel in dat artikel, welke pacht jaarlijks gemiddeld 9 millioen gulden opbrengt, i, , In sommige deelen van Java is de verkoop van opium niet toegelaten; dit zijn de zoogenaamde „verboden kringenquot;.

Om ze vobr het , gebruik geschikt te maken, wordt de opium in warm ^ater geweekt en verder tot eene op stroop gelijkende stof bereidls, Het woord „opiumquot; is, zelfs onder de Europeanen in Iridië, weinig in gebruik ; „amfioenquot; is de gebruikelijke naam.

-i)e opium wordt bereid uit het melksap van de papaver; dit melksap wordt door insnijding uit het zaadhuisje van de bloem verkregen; het moet daarna verschillende bewerkingen ondergaan, eer het, in den vorm van groote ballen, in den handel komt. Bengalen en de Levant zijn de landen, die vooral opium voortbrengen.

Papaveraanplant en opiumbereiding zijn op Java en in de gouvernementslanden van den Archipel verboden. De handel in opium is alleenhandel of monopolie van de Regèering.

Zij, die opium willen gebruiken, kunnen zich daarvan voorzien in door de Regeering aangewezen verkoopplaatsen, amfioenkitten genaamd.

In de groote kuststeden zijn deze doorgaans zoodanig ingericht , dat de gebruiker de opium in het lokaal zelf kan rooken; daartoe zijn bamboezen hokjes afgeschoten en van een balé-balé voorzien.

De opiumschuiver bedient zich van eene pijp, die ongeveer een voet lang is en aan het eind een breeden kop heeft, van eene kleine holte voorzien. Met een ijzerdraad neemt hij een der pillen, die de opiumpachter hem levert, houdt de pil in een lampje, dat in zijne nabijheid staat, totdat zij week wordt en opzwelt en legt haar daarna in de holte van den kop. Hij zuigt den rook met eenige trekken naar binnen, totdat de opium verteerd is, en herhaalt dit een en ander zoo lang, totdat hij in eene soort bedwelming neerzinkt.

Allerlei aangename gewaarwordingen worden door het gebruik van opium opgewekt, maar zij worden bij het ontwaken

ocr page 116

104

—

door eene geweldige afmatting en lusteloosheid gevolgd en bijna zonder uitzondering grijpt hij, die zich eenmaal aan het gebruik van opium heeft overgegeven, zoo spoedig moge-

lijk weer naar de opiumpijp. En hierin ligt juist het gevaar: telkens heeft de gebruiker grooter hoeveelheden noodig , om het volle genot te verkrijgen. Hij vergiftigt zich zelven; zijn lichaam vermagert, tot hij een geraamte gelijkt; de oogen verliezen hun glans en de gang wordt wankelend. Al de vermogens van lichaam en geest gaan te gronde.

|!

ocr page 117

105

§ 35. Residenties van Java. Hoofdplaatsen.

il.l. Bantam (Banten) . . . Serang.

2. Batavia ...... Batavia

3. Krawang......Poe rwakarta.

4. Preanger-Regentschappen . Bandoeng. -

5. Cheribon (Tjirebon) . . Cheribon. , , 6. legal ....... Tegal.

7. Pekalongan . . . . Pekalongan.

8. Banjoemas ..... Banjoemas. 9; Bagelen......Poerworedjo. ,

10. Kedoe.......Magelang.

het I 11. 'Semarang......Semarang.

eigenlijke 7 ^2. Japara (Djepara) . . . Pati.

Java: 1 13- Rembang . . . . . . Rembang.

14. Madioen......Madioen.

15. Kediri...... . Kediri.

16. Soerabaja......Soerabaja.

17. Djogjakarta . . . Djogjakarta of Djokja.

18. Soerakarta . . . Soerakarta of Solo.

It , ; 19. Pasoeroean.....Pasoeroean.

de j 20. _Probolinggo.....(JProbolinggo. i

Oosthoek: 1 21. Besoek!......■Besoeki.—/7

I 22. Madoera......Pamekasan.

De residenties 1—6 vormen het gebied der Soendaneezen; 6—18 zijn het eigenlijke Java, het land der ware Javanen; 19, 20 en 21 vormen, wat men dikwijls noemt „Java's Oosthoekquot;; men vindt hier wel is waar ook eenige Javaanse he bevolking, maar Madoereesche kolonisten hebben er verre de overhand: deze drie vormen dus met Madoera het Madoereesche gebied.

Elk dezer residentiën, 17 en 18 alleen uitgezonderd, is verdeeld in „afdeelingenquot;, waarvan ééne onder het onmiddellijk bestuur van den resident staat, de overige onder assistent-re si dén ten.

Naast deze indeeling staat die in regentschappen. In den regel komen de afdeelingen en regentschappen met elkander overeen; in enkele gevallen omvat eene afdeeling twee regentschappen, en in enkele andere is een groot regentschap in twee of drie afdeelingen gesplitst.

ocr page 118

106

Ieder regentschap is verdeeld in districten, die weder in onder-districten gesplitst zijn, welker hoofden in de verschillende deelen des eilands zeer onderscheiden titels dragen. Op dezen volgen de dorpshoofden (zie § 27).

Maar bovendien staat elk dezer hoofden een staf van mindere inlandsche ambtenaren ter zijde: de patih, die als minister van den Regent kan worden beschouwd; het geestelijk hoofd of de pangoeloe, enz.

Het geheele aantal dessa's op Java bedraagt wel vijftig duizend, wat ons niet kan verwonderen, als wij denken aan het vroeger reeds meegedeelde, dat vele dessa's uit niet meer dan twintig tot veertig huisgezinnen bestaan en Java 25 millioen inwoners telt.

Java's indeeling in residentiën kunnen wij vergelijken met die van ons vaderland in provinciën, waarbij de Resident in macht en invloed den Commissaris der Koningin verre overtreft. In grootte en aantal inwoners verschillen de residentiën zeer van elkaar: de grootste, de Preanger-Regentschappen,

heeft bijna 2/3 van de oppervlakte van ons land; de kleinste, Pekalongan, is niet grooter dan de provincie Zeeland. Tot vergelijking kan verder nog dienen het voorbeeld Semarang = Noord-Brabant of Gelderland. Het aanzienlijkst aantal inwoners heeft de residentie Soerabaja, ongeveer 2 millioen;/het kleinste aantal telt K r a w a n g, met ruim driehonderdduizend (in Nederland het grootste aantal Zuid-Holland: 1 200 000; het kleinste aantal Drenthe: 138 000).

De dichtheid van bevolking wisselt af tusschen 22 000 op

11

ocr page 119

107

1 □ G.M. in Bagelen en 3800 in Besoeki (Zuid-Holland ruim 17 250, Drenthe 2684).

Midden-Java, het gebied der eigenlijke Javanen, is het dichtst bevolkt; het gemiddeld cijfer aldaar overtreft dat in West-Java minstens tweemaal.

Ook in dit opzicht is dus Midden-Java het belangrijkste deel.

De meeste Indische hoofdplaatsen bestaan uit Europeesche wijken en Inlandsche kampongs; bij sommige heeft men ook eene Chineesche wijk.

Het duidelijkst komt deze indeeling uit bij de drie belangrijkste steden van Indië:

Batavia met 115 000 inw., onder welke 9000 Europ. en 27 000 Chineezen. Soerabaja „ 148 000 „ „ „ 6400 „ „ 9300 Semarang „ 73 000 „ „ „ 3800 „ „ 12 000 „

Deze drie steden zijn het belangrijkst, omdat zij de grootste middelpunten zijn van Europeanen in önze Oost en omdat zij de meeste handelsbeteekenis hebben.

Onder de meer zuiver inlandsche steden staat bovenaan SoeraKarta, met 102000 inwoners, onder welke ± 1000 Europeanen.

§ 36. Middelen van verkeer. Een net van grintwegen, meerendeels goed voor rijtuigen geschikt, doorsnijdt Java.

ocr page 120

108

Daaronder zijn twee hoofdwegen, waaruit zijtakken gaan naar alle plaatsen van eenig belang. De eerste .dier hoofdwegen is de Groote Postweg, een breede grintweg, die van Anjer over Batavia, Bandoeng, Cheribon en verder langs de Noorden Oostkust doorloopt tot Banjoewangi, alzoo over eene lengte van 300 uren gaans. Deze belangrijke weg gaat door moerassen en valleien, over heuvels en stroomen; hij is aangelegd door Daendels volgens het stelsel van gedwongen arbeid. Tevens werd een geregelde postdienst ingesteld, en in 9 a 10 dagen kwam nu een postwagen van Batavia naar Soerabaja, voor welken afstand men voorheen eene maand noodig had. Door invoering van lichtere voertuigen en door betere regeling wordt in onze dagen die reis in 3 of 4 dagen gemaakt.

Een tweede hoofdweg is de Groote Zuidelijke weg van Soerabaja door de Vorstenlanden naar Tjilatjap.

Voor het personenverkeer, in de eerste plaats van ambtenaren, zorgt voornamelijk eene paardenposterij. Langs den weg zijn poststations opgericht, meest open loodsen (pen-doppo's), waar voor de reizigers paarden beschikbaar zijn tegen betaling .van ± ƒ 1 per paal of 16'/2 .min. gaans!

De vroeger algemeene kwaal van ontbrekende bruggen, weggeslagen door banjirs, is veel verminderd; maar toch moeten nog dikwijls rivieren of beken worden doorwaad, of geschiedt de overgang met vlotten van bamboe en rotan.

Dikwijls hebben de wegen eene zeer steile helling, zoodat de reiswagen voor de kleine Javaansche paarden, die in den regel in spannen van vier worden gebruikt, te zwaar wordt. In dit geval krijgt men voorspannen van karbouwen.

Op de grens van Batavia en de Preanger-Regentschappen, tusschen Buitenzorg en Tjiandjoer stijgt de postweg zelfs tot , eene hoogte van 1500 M. Vandaar, dat men hier een omweg, die minder helt, heeft aangelegd over Soekaboemi naar Tjiandjoer.

Hier en daar liggen ook belangrijke tramwegen, en het aantal daarvan neemt voortdurend toe. Stoomtramwegen zijn:, a. Batavia—Meester Cornells ;

1 1. Koedoes Japara; h. Semarang-Djoewana, met 2. Demak - Blora;, ,

' 3. Poerwodadi—Groendik;

ocr page 121

109

c. Modjokerto—Xgoro;

d. Soerabaja—Sepandjang;

e. : Djogjakarta—Brosöt.

Het spoorwegnet heeft op Java reeds eene aanzienlijke lengte. x Ten deele zijn die spoorwegen aangelegd door het Gouvernement (sedert 1877) en héeten Staatsspoorwegen, ten deele door particulieren, o. a. de Ned.-Indische Spoorwegmaatschappij, die reeds in 1S62 met den aanleg begon. Thans zijn de volgende lijnen in exploitatie:

1. Semarang—Soerakarta—Djogjakarta,

met zijtak: Kedoengdjati—Ambarawa;

2. Batavia—Buitenzorg;

3. Soerabaja—Sidoardjo —Madioen—Soerakarta — Djogjakar

ta—Bandoeng—Buitenzorg,

met zijtakken: a. Koetoardjo — Poerwo-redjo, h. Ma os—Tjilatjap, c. Tjibatoe—Garoet;

4. Soerabaja—Sidoardjo—Bangil—Pasoeroean—Probolinggo

—Klakah—Bondowoso—Panaroekan, met zijtak: Klakah—Pasirian;

5. Bangil—Malang—Blitar—Kediri—Kertosono;

6. Batavia—Tandjoeng-Prioek;

7. Batavia—Bekasi —Kedoenggedé;

8. Tegal—Baiapoeiang.

Eindelijk zijn er nog de stoombooten van de „Koninklijke Pakketvaart-Maatschappijquot;, die tweemaal in de week van Batavia naar Soerabaja v.v. varen en het verkeer tusschen de voornaamste plaatsen aan de Noordkust onderhouden.

§ 37. West-Java. Onder de steden in West-Java bekleedt Batavia de eerste plaats. Deze stad werd in 1619 door Koen gesticht op de puinhoopen van het oude Jacatra, in eene moerassige; en daardoor ongezonde streek. Bij de . keuze'van de' plaats was alleen rekening gehouden met handelsbelangen, niet met de eischen der gezondheid. Bovendien werd de stad geheel op oud-Nederlandsche wijze gebouwd; eene bouworde, die met hare steenen huizen en aaneengesloten straten, met

ocr page 122
ocr page 123

Ill

hare wallen, muren en grachten voor de vestingwerken, voor het tropisch klimaat ongeschikt is.

De jonge stad werd spoedig een bloeiend middelpunt voor onzen handel en heette wel eens, niet geheel terecht, „Koningin van het Oostenquot;. Aan den anderen kant kreeg zij een slechten naam wegens het hooge sterftecijfer onder hare bevolking en heette ze bij velen het „graf der Hollanders.quot;

Bij de stichting der stad lag ze onmiddellijk aan zee, ,©n tegenwoordig ligt ze er wel een uur gaans af. Die aangeslibde gronden wasemen hunne miasmen uit, welke door den zeewind naar de stad gevoerd worden. Vooral in het enge en woelige Chineesche Kamp is het erg ongezond. Men vindt er winkels voor allerlei artikelen (toko's) en amfioen-kitten in grooten getale.

Door den aangeslibden bodem baant de rivier zich met twee armen een weg naar zee. Tusschen lange steenen hoofden loopt een havenkanaal, dat alleen voor prauwen bevaarbaar is. Van 1877 tot 1883 zijn echter op 2 uur afstands ten O.

ocr page 124

112

van de stad de kostbare havenwerken van Tandjoeng-Prioek aangelegd, waarvan de kosten 22^ millioen gulden bedroegen. Tusschen 2 hoofden, elk van 1850 M lengte, bevindt zich eene buitenhaven met eene ingangsbreedte van 125 M en eene diepte van 8 M beneden laag water. Verder is er eene groote binnenhaven met prachtige kaden en eene doelmatige steenkolenhaven. Een kanaal, bevaarbaar voor prauwen, leidt door moerassige streken naar de oude haven, terwijl een spoorweg de haven met de stad verbindt.

In het begin dezer eeuw liet Daendels de muren en wallen van Batavia slechten. Hij brak verscheidene groote gebouwen af en gaf tegelijk den stoot tot de stichting eener nieuwe stad,

door naar de zijde, waar thans Weltevreden ligt, ruime l)uiten wijken aan te leggen , parken met fraaie villa's, verscholen in het groen. Langzamerhand zijn later verscheidene dergelijke voorsteden , eigenlijk uitgestrekte parken, ontstaan, waaronder Molenvliet, Rijswijk, Noordwij k, die te za-men de nieuwe stad uitmaken.

De Europeaan komt alleen voor zaken in de oude stad, waar de kantoren en pakhuizen zijn; de aanzienlijkste gracht wordt hier gevormd door de Groote Rivier, de Tji Liwoeng of Kali Besar.

Het Koningsplein, eene geliefkoosde uitspanningsplaats

ocr page 125

113

voor de beau-monde van Batavia, is een uitgestrekt groen veld, te midden van een met villa's bezaaid park. Het overtreft in omvang het Champ de Mars te Parijs. Langs de zoomen loopen goede, met boomen beplante wegen, waar 's avonds de verzamelplaats is van tal van equipages, ruiters en wandelaars.

Op het Waterlooplein, dat het midden van Weltevreden uitmaakt, bevinden zich drie monumenten: een ter herinnering aan den slag bij Waterloo; de beide andere, die zeer schoon zijn, strekken ter nagedachtenis van Jan Pieterszoon Koen, den stichter der stad, en van den generaal Michiels, den held van Soematra.

Aan dit plein ligt het paleis van Weltevreden, zeker het aanzienlijkste gebouw van Nederlandsch-Indië; met denhouw werd door Daendels begonnen; hier zijn de meeste gouverne-ments-bureau's vereenigd; in de vergaderzaal van den Raad van Indië hangen de portretten van alle Gouveneurs-Generaal. De Gouverneur-Generaal houdt doorgaans verblijf te Buitenzorg.

Een tramweg leidt door de oude en de nieuwe stad, en verder naar Meester-Cornelis (72 000 inw.), eene belangrijke garnizoensplaats, met eene drukke markt.

Te Buitenzorg (18 000 inw.), li uur sporens ten Zuiden van Batavia en 250 M hooger gelegen, bevindt zich het paleis van den Gouverneur-Generaal met zijn paradijsachtig park. Verder is bier de wereldberoemde gouvernements-plantentuin. Deze belioort tot de beroemdste instellingen van onze Oost; de tuin bevat nagenoeg alle gewassen der heete en warm-gematigde luchtstreken; er worden bij voortduring proeven genomen en waarnemingen gedaan in het belang der Indische cultures; ook kunnen landbouwondernemers uit 's lands plantentuin zaden en planten verkrijgen. Er zijn ;

1. De botanische tuin, grenzende aan het park van den Gouverneur-Generaal en bevattende ± 9 000 plantensoorten.

2. De landbouw tuin, een uur gaans van Buitenzorg gelegen en waar alleen planten gekweekt worden, die voor den kolonialen landbouw nuttig kunnen zijn of worden.

3. De bergtuinen, tegen eene der hellingen van den

Aitton , Oosi- en West-Indië, 4e druk. 8

ocr page 126

114

Gede op eene hoogte van 1500 M, bestemd voor de teelt van die planten uit Australië, Japan en andere Oostersche landen, welke alleen op deze hoogte willen groeien.

Eindelijk behoort tot de inrichting nog een groot bosch, bij Tjibodas in de Preanger, dat beschermd wordt, om 't karakter van een Indisch oerwoud ongeschonden te bewaren.

Van Buitenzorg leidt de spoorweg het gebergte in door eene welvarende streek, o. a. voorbij de bekende theeondernemingen Perakan Salak en Sinagar. Eerst vormt de Salak en later

de Gede den achtergrond van het bekoorlijke landschap. Vooral in Sakaboemi, beroemd door zijn gelijkmatig, gezond klimaat, is het uitzicht op den Gède verrukkelijk. „Aan den voet is het gebergte bedekt met eene lange rij van terra sge-wijze oploopende rijstvelden, waartusschen de boschjes van klappers, palmen en allerlei geboomte de inlandsche dorpen verbergen. Het is alsof men eene langzaam oploopende reu-zentrap voor zich heeft met groene bouquetten bezet, leidende naar de majestueuze, breede kegelzuil, welker top gewoonlijk met eene sierlijke witte pluim is gekroond.quot; De weg leidt

ocr page 127

115

verder door een tunnel van 600 M lengte naar Tjiandjoer (11). Nu worden de natuurtafereelen steeds stouter. Huiveringwekkend zijn de diepten, waarin men uit den trein af en toe nederziet. Over de Tji-Taroem ligt eene brug van 54 M spanning, 60 M boven de bedding der rivier.

De weg wordt steeds steiler, en steeds wilder het landschap. Eindelijk bereikt men de schoone, vruchtbare hoogvlakte van Bandoeng (700 M), waarop de residentie-hoofdplaats Bandoeng (18) ligt, eene nette plaats met verschillende inrichtingen voor onderwijs, eene kininefabriek, enz. De stad is rijk aan schoone, schilderachtige omstreken: men heeft er donkere wouden, vruchtbare akkers, trotsche watervallen, schoone bergmeren en kraters. De hoogvlakte wordt door een dozijn bergtoppen omringd. Koffie, thee en kina vormen den rijkdom van dit interessante plateau. Van de hooge bergtoppen, die het omringen, wordt de Tangkoeban-Prahoe (= omgekeerde prauw) het meest bezocht.

Westwaarts van Bandoeng leidt een kronkelende bergweg door schraal bebouwde streken naar Poerwakarta (5), de hoofdplaats van K r a w a n g en gelegen in eene schoone, met sawahs bedekte vlakte. Wie echter op de snelste en gemakkelijkste wijze Poerwakarta wil bereiken, kieze het Ooster-spoor, dat tot Kedoenggede (op de grens van Batavia en Krawang) gaat, en volge verder den postweg. Krawang wordt voor een groot deel door een tweetal particuliere landen ingenomen, nl. de Pamanoekan en Tjiaslemlanden.

Oostwaarts van Bandoeng leidt de groote Postweg door schilderachtige landstreken over Soemedang (8) en langs den T a m p o m a s, die tot aan den top met groen bekleed is, naar de belangrijke handelsstad Cheribon (20). De residentie Cheribon (Tjirebon) levert veel suiker en rijst, en ten O. van de Tji-Manoek vindt men vele djatibosschen. Het land bewesten deze rivier is in handen van particulieren. Vooral Indramajóe (13) ligt in een uitmuntend rijstland. Het heeft dan ook verscheidene rijstpelmolens en veel uitvoer van rijst.

Zuidoostwaarts van Bandoeng bereikt men per spoor het vruchtbare plateau van Garoet, wanneer men bij Tji-batoe de zijlijn neemt naar Garoet (10). .De schoone ligging dezer plaats, het gezonde klimaat en de warme bronnen (thans

8*

m

ocr page 128

116

ocr page 129

117

fraai gelegen landbouwondernemingen, vooral voor theecultuur, vindt men in de omstreken. Om de hoogvlakte verheffen zich trotsche vulkanen, waarvan sommige tot den top begroeid zijn, b.v. de Pa pandajan, terwijl andere woeste, kale hellingen vertoonen, b.v. de steile Goentoer.

Het Preangerlandschap, dat door de hoofdlijn doorsneden wordt, is tot Tasikmalaja nog indrukwekkend schoon; maar dan loopt de lijn langs eene dun bevolkte, woeste en veelal moerassige streek naar het kleine Maos, en vandaar met een zijtak naar het ongezonde Tjilatjap (13), de eenige goede haven aan de Zuidkust, tegenover het rotsachtige, boschrijke Noesa Kambangan.

§ 38. Midden-Java. De spoorweg leidt door drie laagvlakten van Midden-Java, nl. door die van Banjoemas, Ba gelen en Djogjakarta. Over de K. Serajoe ligt eene groote spoorwegbrug, die tevens voor voetgangers ingericht is. De rit is in deze streken weinig interessant. De baan loopt steeds langs kreupel- en wildhoutbosschen, die door bantengs en rhinoce-rossen bewoond zijn. Langs de Zuidkust van Banjoemas loopen duinen, en met groote kosten loost men het water der enorme moerassen door kanalen op zee, om ruimte te winnen voor de sawahs. De hoofdplaats, Banjoemas, ligt niet aan't spoor en is van weinig beteekenis. In 't uiterste Noordoosten ligt nog Batoer, waar het „Doodendalquot; is.

Door een tunnel van 600 M lengte komt men over de grens in Bagelen. 't Eerste station is nu Gombong, waar eene pupillenschool staat. Juist ten Zuiden van deze plaats ligt, aan de kust, het kleine Karangbolong, waar vele eetbare vogelnestjes ingezameld worden. De baan leidt nu verder door eene dicht bevolkte streek naar Koetoardjo, van waar een zijtak gaat naar de ruim gebouwde hoofdstad Poerworedjo (12). Velerwegen heerscht in de residentie Bagelen groote welvaart. Beroemd is de tabak van den Diëng, en de geheele afdee-ling Ledok, met de hoog gelegen hoofdplaats Wonosobo, staat bekend wegens haren rijkdom aan runderen en door hare theetuinen.

Van Koetoardjo voert de weg over de groote Bowogonto-brug naar Djogjakarta (58), de hoofdplaats van het gelijkna-

ocr page 130

118

mige vorstenland. Dit vorstenland is, evenals So era-ka rta, een overblijfsel van het voormalige rijk van Mataram en moet beschouwd worden als eene residentie, aan welker regent, die den hoogen titel van sultan voert, hoogere inkomsten en minder beperkte macht verleend zijn dan aan de

ocr page 131

119

moet houden. Het verblijf van den sultan heet de kraton. Deze kraton is haast eene stad op zich zelf: ze heeft een omtrek van meer dan een uur gaans en wordt door 10 000 menschen bewoond. Het eigenlijke sultansverblijf neemt daarvan een gedeelte in. Het geheel is omgeven door een hoogen muur, waaromheen nog eene gracht. Deze kraton is in 1812, bij de verovering van Java, door de Engelschen bestormd en genomen.

Weinige van de Indische oorlogen zijn zoo hardnekkig en gevaarlijk geweest voor het Nederlandsche gezag, als de opstand van Djogjakarta onder Difpo Negoro, oom van den minderjarigen sultan en doodvijand van de Nederlanders. Door gebruik te maken van de bestaande ontevredenheid in Midden-Java en door te werken op het godsdienstig fanatisme der Javanen, wist hij een uitgebreiden opstand te veroorzaken. Met groote dapperheid en met veel talent leidde hij den Java-oorlog (1826—'30), dien hij geheel het karakter van guerilla-krijg wist te geven en bracht aan onze legers groote verliezen toe. Eerst nadat het gelukte D. N. in handen te krijgen — trouwens op weinig eervolle wijze, daar men hem na eene vrijwillige samenkomst gevangen hield —, kon de oorlog worden ten einde gebracht, waarin vooral Generaal De Koek zich had onderscheiden. D. N. werd naar Makassar verbannen, waar hij in 1855 stierf.

Veel heeft bovendien deze hoofdstad te lijden van de menigvuldige aardbevingen, misschien een gevolg van de nabijheid van den steeds werkzamen Merapi.

Op vele plaatsen in Djogjakarta heeft men aanzienlijke particuliere cultures van indigo.

Een grintweg leidt door schoone streken naar het heerlijk gelegene Magelang (22), aan de Progo. De dicht bevolkte res. Kedoe wordt niet ten onrechte „Java's tuinquot; genoemd: de grond is er vruchtbaar en zeer geschikt voor tabaksteelt (Kedoe-tabak!); het klimaat is er gezond en het landschap rijk aan natuurschoon. Ook draagt deze residentie — „Kedoequot; betee-kent vallei — haren naam met eere; want ze wordt aan alle kanten door hooge bergen, waaronder een 6-tal geduchte vulkanen, ingesloten.

Den rijweg van Magelang naar het Noordoosten volgende, bereikt men de vesting Willem I in de bekoorlijke vallei van Ambarawa. Die vesting is een der belangrijkste mili-

ocr page 132

120

taire punten van Java; het omliggende terrein kan met behulp van de uitgestrekte rawa Pening geïnundeerd worden. Bij de vesting splitst de weg zich: de eene tak gaat naar S a 1 a-tiga, eene aangename plaats met een heerlijk klimaat en bekoorlijke omgeving. Hier ligt de staf en een deel van het eenige regiment cavalerie, dat het Indische leger telt.

*

De andere tak van den weg voert over het gezonde Oen-

g a r a n, waar een hospitaal voor militairen is, naar Semarang, Java's derde handelsstad en de stapelplaats van den rijkdom aan producten van Midden-Java. Semarang staat als ongezond bekend; ook hier kunnen we echter van de oude, op Neder-landsche wijze gebouwde, de veel gezondere nieuwe stad onderscheiden.

ocr page 133

121

De reede van Semarang is slecht, gelijk die van Batavia; een havenkanaal leidt naar de stad; de zoogenaamde „Sema-rang-rivierquot; is niets meer dan eene moddersloot, welker onvoldoende breedte en diepte in den regentijd bovendien het soms plotseling zwellende water niet behoorlijk kan afvoeren.

Eene prachtige, bijna een half uur lange allee van oude, lommerrijke kanarie- en tamarindeboomen, aan beide zijden met villa's bezet, leidt naar Bojidjong, „het Semarangsche Weltevreden.quot;

Van Semarang voert de Postweg Westwaarts naar de bosch-rijke residentie Pekalongan, welks hoofdstad Pekalongan ;36) veel handel drijft in sarongs, ijzerwaren, kokoszeep, tabak, gezouten eieren en gerookte eenden. Vervolgens komt men in de res. Tegal, een rijst- en suikerland. Te Tegal (21) verschaft de uitvoer van suiker heel wat drukte.

§ 39. Oost-Java- De hoofdplaats van de res. J a p a r a , Pati (21), kan men per tram uit Semarang bereiken. Men komt dan over De mak en Koedoes (30), welke laatste plaats er zeer welvarend uitziet. De bewoners zijn meestal kramers, die met hunne waren heel Java afreizen en goede zaken maken. De vroegere hoofdplaats Japara (11) is achteruitgegaan door het aangroeien van koraalriffen voor de haven

Van Pati kan men per tram tot Djoewana (9) gaan en verder over den Postweg naar Rembang (17), dat, evenals andere kustplaatsen in die residentie, veel doet aan scheepsbouw, zeevaart en visscherij. In deze residentie bestaat de schrale grond meest uit zwavelsteen en kalkformatiën, slechts hier en daar voor rijstbouw en tabaksteelt geschikt, doch veelvuldig met djatibosschen bedekt, vooral in de afdeeling Blo ra.

T-e Blora kan men per tram over Poerwodadi naar G'iloendik reizen, om hier plaats te nemen op den trein naar Soerakarta of Solo, de hoofdplaats van het gelijknamige Vorstenland, welks vorst den titel draagt van soesoehoenan. Met zijnen „Rijksbestierderquot; heeft hij het bestuur over de provincie, met uitzondering van de Mangkoenegaransche landen, die onder het onafhankelijk bestuur staan van prins Mangkoe

ocr page 134

122

Neg or o, welke, evenals prins Pakoe Alam, hulptroepen beschikbaar moet houden voor het Gouvernement.

Soerakarta is eene der fraaiste steden van Java en behoort tot de aangenaamste plaatsen van het eiland. De stad ligt verscholen in een dicht lommer van tamarinde- en vijgeboo-men, afgewisseld door de pluimen der kokospalmen. Merkwaardig is de kraton van den Soesoehoenan op de aloen-aloen. Binnen een groot vierkant van muren ligt eene uitgestrekte verzameling van gebouwen, straten en pleinen, waar meer dan 10000 menschen wonen. Het verblijf van den vorst zeiven heeft weinig vorstelijks en wordt gekenmerkt door eene groote mate van verval. Merkwaardig is echter dit alles, omdat men hier, gelijk ook te Djogja, het beste denkbeeld kan krijgen van de oude gebruiken en instellingen der Javaansche maatschappij. De hoofdsteden van de beide rijkjes zijn tot zekere hoogte middelpunten gebleven van het oud-Javaansche leven.

De Javanen van alle standen zijn groote liefhebbers van feestvieren; nergens echter zijn de feesten menigvuldiger en luisterrijker dan in den kraton te Solo (Zie blz. 101).

Bij den Kraton ligt het residentiehuis, zoomede het fort voor het garnizoen; iets verder de Europeesche stad en daarnaast het Chineesche kamp. Om dat alles heen liggen de kampongs der inlanders, doorsneden met breede lanen van hoog geboomte; aan weerszijden met ontelbare warongs (gaarkeukens) en hier en daar eene opium-kit.

De spoorweg leidt van Soerakarta in de richting van de Solo in een grooten boog om den L a w o e naar Madioen (20), de levendige, lommerrijke hoofdstad der residentie van dien naam. In 't N. ligt Ngawi (7) in de Solo-vallei op een kruispunt van wegen. Hier is eene buskruitfabriek; de omgeving is schraal en eentonig. Een tegenhanger van deze stad vormt Patjitan (6), aan de Zuidkust. De witte gebouwen dezer plaats steken levendig af bij de groene rijstvelden en donkere boschjes aan de eene en den blauwen oceaan aan de andere zijde.

Van Madioen bereikt men per spoor Kertosono in de res. Kediri. Een zijtak leidt naar de hoofdplaats Kediri (17), gelegen in eene vruchtbare vallei, waardoor de breede Brantas stroomt. Overigens heeft deze residentie vele streken, die

ocr page 135

123

niet geschikt zijn voor cultuur. Het Zuidoostelijke gedeelte bestaat grootendeels uit wildernissen, waar vele en zeer groote tijgers hun verblijf hebben.

Met eene groote bocht loopt de spoorbaan van Kediri over Blitar naar Malang (11), in'tmidden van Pasoeroean. Deze stad heeft vele landbouwondernemingen in den omtrek. Pasoeroean is eene zeer vruchtbare en schoone residentie; ze levert meer koffie dan eenig ander gewest op Java. Gaat men per spoor van Malang naar Bangil, dan komt men tot de overtuiging, dat Pasoeroean hier in natuurschoon zelfs voor de Preanger-Regentschappen niet behoeft onder te doen. Pasoeroean (40), de hoofdstad, heeft suikerfabrieken en veel uitvoer van koffie en suiker.

Langs de kust loopt, verder naar 't O., de spoorlijn tot Probolinggo (10), waar veel suiker uitgevoerd wordt. Vele Europeanen houden in de res. Probolinggo verblijf op landbouwondernemingen , b.v. bij Loemadjang en Pesirian, het eindstation van den spoorweg. Bij K1 a k a h , dat een schoon bergmeer bezit, heeft men een fraai uitzicht op den nooit rustenden Lamongan.

De spoorbaan buigt zich om het J a n g g e b. en loopt midden door Besoeki langs Dj ember en Bondowosa (de middelpunten der tabakscultuur) naar Panaroekan, waar de voornaamste uitvoer van tabak, suiker, koffie en rijst plaats heeft. De hoofdplaats Besoeki (20) heeft drukke vaart op het eiland Madoera. Dit eiland vormt eene residentie , waarvan het welvarende Pamekasan de hoofdplaats is. Te Soemenep en Boender zijn de voornaamste zout-pannen. Eerstgenoemde plaats heeft een levendigen handel en scheepstimmerwerven. In 't Westen, bij Bangkalan, zijn petroleumbronnen. Men kan zich van K a m a 1 laten overvaren naar Soerabaja.

Soerabaja is de grootste stad van Java; het overtreft in handelsbeweging en scheepvaart Batavia. Ook bloeit hier meer dan in eenige andere stad van onze Oost de industrie, zoowel in fabrieken van particulieren als in die van den Staat: er zijn geheele wijken van goud- en zilverwerkers , koperslagers, pottenbakkers, manden- en mattenmakers, ivoorwerkers, enz. Uit militair oogpunt is Soerabaja

ocr page 136

12-1:

van beteekenis door een artillerie-constructie winkel, voor de zeemacht door werven, dokken en andere maritieme inrichtingen. De haven is aan den mond van de Kali Mas. Ook hier is de kuststreek moerassig en ongezond. Toch leeft hier eene nijvere bevolking, zeer gemengd in nationaliteit, van kustvaart, visscherij, scheepsbouw, enz. En op de reede en in de dokken liggen de groote stoom- en zeilschepen, die de producten van Java's plantages naar Europa vervoeren.

De oude stad is, evenals Oud-Batavia, op Europeesche wijze gebouwd. Zuidwaarts strekken de nieuwe wijken zich uit met deftige woonhuizen. Simpang, de voornaamste wijk, kan het „Soerabajasche Weltevredenquot; heeten.

Sidoardjo, op den driesprong der spoorlijn, ligt in 't midden eener vruchtbare delta, Java's voornaamste suikerdistrict. Grisee ofGresik $5) bloeit door handel en scheepvaart. Men treft er, evenals in andere kustplaatsen, kunstmatige vischvijvers (tambaks) aan. Dicht bij de plaats, waar de K. B r a n t a s zich splitst in K. Mas en K. Porong, ligt Modjókerto, in de buurt waarvan men grootsche ruïnen aantreft uit het Hindoe-tijdperk. Dicht bij deze plaats, nl. bij Melirip en Lengkong, zijn kostbare waterwerken, die de waterverdeeling tusschen de Kali Mas en Porong regelen. Is de waterstand in de Brantas hoog, dan loost men op de Porong, zoodat Soerabaja tegen overstrooming wordt beveiligd. In den Oost-moeson daarentegen verdeelt men het water over beide rivierarmen, om ook Soerabaja van een genoegzamen watervoorraad te voorzien.

Ten Z.-O. van Sidajoe heeft men den mond van de K. Solo reeds verlegd, om de sterke aanslibbing in het vaarwater in de Straat van Madoera tegen te gaan. Deze maatregel blijkt niet afdoende, en ook met het oog hierop is men in 1894 begonnen met een irrigatiewerk, waarvan de kosten worden geraamd op ƒ 17 millioen! We bedoelen de bevloeiing van de Solo-vallei. Dicht bij Ngawi wordt een stuwdam van 8 M hoogte in de Solo gemaakt; irrigatiekanalen, ook voor scheepvaart geschikt, worden aangelegd, om de resi-dentiën Rembang en Soerabaja van bevloeiingswater te voorzien, en een nieuwe Solo-mond wordt gegraven voorbij Wringinanom, ongeveer langs de grens tusschen Rembang en Soerabaja.

ocr page 137

125

§ 40. Gemeenschap met de Buitenbezittingen en het Moederland.

De gemeenschap van Java met de verschillende deelen van de Buitenbezittingen wordt hoofdzakelijk onderhouden door eene geregelde paketvaart — van de Kon. Pake tv aart-Maatschap pij — langs verschillende (13) gesubsidiëerde lijnen. Eene lijn loopt langs Java's Noordkust en verbindt alle belangrijke havens (bladz. 115 en 121\ Men stoomt gewoonlijk van Soerabaja naar Semarang in ongeveer 24 uur en van Semarang naar Batavia in iets langer tijdruimte. Eene andere lijn gaat van Batavia naar Singapore (in aansluiting op de Engelsche mail, die vandaar afvaart, via Muntok en Riouw; verder bestaan er geregelde diensten naar de havens van Soematra's Westkust tot Edi (Atjeh) en naar de havens van Soematra's Oostkust, Deli. Van Soerabaja gaat eene lijn over Makassar naar de Molukken; eene andere is de Timor-lijn; enz.

De Stoomboot-maatschappijen, die Java met Nederland verbinden , zijn:

1. Maatschappij Nederland, viertiendaagsche afvaart van Amsterdam; maildienst.

2. Maatschappij Rotter da msche Lloyd, idem van Rotterdam; maildienst.

3. Maatschappij Oceaan, van Amsterdam via Liverpool naar Batavia; goederenvervoer.

De meeste stoomschepen, de zoogenaamde Suez-booten, doen op de reis de haven van Southampton aan voor het innemen van steenkool: daarna eene haven in de Middellandsche Zee — Genua voor de booten van de „Nederlandquot;, Marseille voor die van de „Lloydquot; — ten behoeve van het vervoer van passagiers, brievenmail en goederen; vervolgens Port Said, Suez en Aden (soms ook nog eene Arabische haven, ten dienste van de pelgrims te Mekka); in Indië doen de „Nederlandquot; en de „Lloydquot; Padang aan en soms ook Atjeh.

Het personenverkeer en de post maken bovendien veel gebruik van de Engelsche en de Fransche mail; de eerste heeft eene lijn van Southampton naar Singapore, met het station Brindisi in de Middellandsche Zee; de tweede verbindt Mnrseille met Singapore.

ocr page 138

126

HOOFDSTUK XI.

BUITENBEZITTINGEN.

Soeraatra.

Opgaven:

1. Geef de gewesten op, waarin Soematra ten behoeve van het bestuur is verdeeld. i

2. Uit welke hoofddeelen bestaat liet eiland naar den bodemvorm ?

3. Welke is de algemeene naam voor het bergland van Soematra ? Welke plateau's worden in dat bergland gevormd? Welke vulkanen kent gij er?

4. Aan welke kust loopen de aanzienlijke rivieren uit, en hoe komt dit? Geef die rivieren op. tl

5. Welke spoorwegverbinding gaat van de Westkust naar de Bovenlanden ? Door welk dal ? r 1

§ 41. Natuurlijke gesteldheid. Soematra , bijna zoo groot als Spanje {zander Portugal), kan onder de Oostindische eilanden met Java het belangrijkst genoemd worden; het grootste bezwaar voor de ontwikkeling van de natuurlijke rijkdommen van dat groote land is het gebrek aan menschen: ofschoon men het cijfer der bevolking nog maar zeer onvolkomen kent, schijnt het geheele aantal bewoners van het eiland nauwelijks meer dan drie millioen te bedragen.

Het groote gebied van Soematra's Oostelijke helft heeft een uitmuntenden bodem voor landbouw: een ontgonnen stuk, aan zich zelf overgelaten, is na twee of drie jaar weer eene volslagen wildernis. En ook de jonge kolonisaties in het Siaksche geven van die vruchtbaarheid getuigenis : in korten tijd verrezen hier tal van bloeiende plantages, die met sommige producten van Java, als tabak, naar den hoogsten marktprijs dingen.

ocr page 139

127

Zelfs ongevraagd geeft de natuur op Soematra, in haren onovertroffen rijkdom aan boschproducten, den mensch groote schatten: kamfer, kaoetsjoek, getah-pertjah, koprah, damar en andere harssoorten, rotan, peper zijn alle producten, die hier meer dan elders aanwezig zijn en slechts ingezameld behoeven te worden.

De natuur in het bergland van Soematra is nog grootscher dan die op Java; de ondoordringbare bosschen, de trotsche vulkanen hebben beide eilanden gemeen, maar de natuur is op Soematra nog veel meer oorspronkelijk; het verkeer is er daardoor echter ook veel moeilijker. De werkzaamste vulkaan is de Merapi (2888 M), die in deze eeuw 5 uitbarstingen te zien gaf uit een drietal hoofdkraters. Aan zijn voet ligt het schoone meer van Singkarah, waaruit de O m b i 1 i n-r i v i e r stroomt.

Voor de toekomst van Soematra zal ook de ontginning van de minerale schatten van groot gewicht zijn, waarmee thans een aanvang is gemaakt. De rijke steenkoolbeddingen langs de Ombilin zullen Indië onafhankelijk maken van den kolen-aanvoer uit Europa, zoo voor de oorlogsmarine en de stoomvaart in 't algemeen als voor de fabrieksnijverheid, die thans nog weinig beteekent.

§ 42. Gouv. van Soematra's Westkust. Dit gouvernement bestaat uit 3 residentiën, nl. :

a. de Padangsche Benedenlanden, hoofdpl. Paclang;

b. de Padangsche Bovenlanden, hoofdpl. Fort de Koek of Boekit-Tinggi;

c. Tapanoeli, hoofdpl. Padang-Sidempoean.

Aan de Westkust verrijst het schoone en gezonde Padang (30), de zetel van den Gouverneur en een inlandsch regent. Het is onze oudste bezitting op Soematra en de tweede stad van het eiland, voor 't verkeer met Europa belangrijker zelfs dan Palembang. Het is de stapelplaats voor den handel in lands-producten, de hoofdmarkt voor goud; ook hebben er de Gouvernementskoffieveilingen plaats.

De bloei van den handel neemt toe, nu het verkeer met de rijke Bovenlanden beter is geworden door den spoorweg

ocr page 140

128

van de kust naar het binnenland. Door de „Kloofquot; der Anai, een der merkwaardigste gedeelten van Soematra, leidt de weg eerst naar Pada ng-Pan dj ang, eene levendige en aanzienlijke plaats aan den voet van* den geduchten Me ra pi. (Zie fig. 8.) Van hier voert een zijtak naar de gunstig bekende hoofdplaats Fort de Koek, het middelpunt van eene der schoonste, vruchtbaarste en ook best bebouwde streken van Soematra: koffie (aan het Gouvernement te leveren), rijst en tabak zijn de hoofdvoortbrengselen. De hoofdlijn gaat naar 't Om-bilin-kolenveld. (Fig. 8.)

Den 30en Juni 1891 had de feestelijke opening plaats van het eerste gedeelte van den spoorweg naar de Ombilin-kolenvelden , tot Padang-Pandjang (71 KM). In den vroegen morgen zette zich de versierde feesttrein , waarin o.a. de Gouverneur van Soematra's Westkust had plaats genomen, in beweging. Aan de tusschenstations Doekoe, Loehoe, Aloeng en Kajoetanam werd stil gehouden en liet de muziek zich hooren. Te kwart over tienen kwam de trein te Padang-Pandjang aan, waar 'tstation met vlaggen en groen versierd en aan den ingang eene fraaie eerepoort opgericht was. Tal van vlaggetjes en nog eenige eerepoorten gaven mede een feestelijk aanzien aan den weg van 't station naar de sociëteit en de woning van den Assistent-resident. Hier herdacht de Gouverneur in zijne toespraak o.a. den overleden mijn-ingenieur De Greve, den ontdekker van de Ombilin-steenkolen, terwijl hij verder hulde bracht aan de Regeering, die den aanleg heeft bevolen van den spoorweg, welke voorzeker tot den bloei van het land en tot vermeerdering van de welvaart en beschaving van het volk zal medewerken. De Assistent-resident dankte in de Maleische taal de inlandsche Hoofden voor de door hen verleende medewerking bij den aanleg der lijn.

Van het station Padang af loopt de spoorweg door rijstvelden, groen-tentuinen en moerassen, vrij wel evenwijdig aan de kust. Het Barisan-gebergte heeft dezelfde richting, zoodat alle rivieren en beken, die daar haren oorsprong hebben en naar de Westelijke zijde stroomen, door den spoorweg worden gesneden, waardoor men een groot aantal bruggen, bruggetjes en duikers heeft moeten bouwen; deze zijn alle van ijzer. Met het oog op nog al eens voorkomende overstroomingen, heeft men de baankruin van den spoorweg boven bandjir-peil gelegd met ruime doorlaat-openingen; toch werd in 1893 een aanzienlijk deel van den jongen spoorweg door een bandjir verwoest. Soms loopt de spoorweg naast of op den postweg; hier rijdt de trein langzamer en fluit de locomotief. Even voorbij Doekoe leidt eene brug van 140 M lengte over de

ocr page 141

129

Anai. Tot Kajoetanam — 144 M boven de zee en 60 KM van Emma-haven — is de stijging betrekkelijk gering; dan volgt de tandradbaan door de Kloof, waar de trein nog 8 malen de Anai overgaat; gedeeltelijk is, met behulp van dynamiet, voor de rivier eene andere bedding gemaakt; de schoonste natuurgezichten, die Insulinde te aanschouwen geeft, wisselen thans elkander af. Hier ziet men o.a. den 40 M hoogen waterval van de Ajer-Mentjoer.

Even vóór Padang-Pandjang ligt de lijn 36 M boven 't bed der rivier; na nog eene brug van 101 M lengte te zijn gepasseerd, rijdt men 't station Padang-Pandjang — 773 M boven de zee — binnen.

De lijn, die van hier naar Fort de Koek voert (19 KM), werd den 1'quot; November van 't zelfde jaar geopend.

Meer naar het Noorden, halverwege F. de Koek en G. Ophir, (Fig. 8) ligt het kleine Bondjol, bekend geworden in de Indische krijgsgeschiedenis. In 't begin dezer eeuw waren in de Padangsche Bovenlanden de Padri's opgetreden als hervormers van den hier zeer verbasterden Mohammedaanschen godsdienst. Zij hadden hunne leer aanvankelijk door overreding , maar spoedig ook door 't zwaard, verbreid. Gevluchte Maleische Hoofden riepen de hulp in van de Nederlandsche bewindslieden, en hiermede begint de uitbreiding van ons gezag in Midden-Soematra. De expedities waren in de eerste jaren zeer ongelukkig; vooral in de vallei van Bondjol versterkten de Padri's zich. Nadat, o. a. ten gevolge van den Java-oorlog, jaren lang geen pogingen onzerzijds werden gedaan, volgde in 1831 en '32 de onderwerping van de door hen bezette landstreken, doch het bleek spoedig, hoe weinig duurzaam die onderwerping was: in 1833 werd in Bondjol de geheele Europeesche bezetting op het onverwachtst vermoord : ook de andere forten werden aangegrepen en de hoofdmacht der Padri's trok zich te Bondjol samen, hetwelk in zóó geduchten staat van tegenweer werd gebracht, dat het geregeld moest worden belegerd. Eerst met den val van Bondjol, in 1837, was de tegenstand der Padri's gebroken en de kolonel Michiels, de „Onkwetsbarequot;, zooals de inlanders zeiden, bracht een jaar later den oorlog tot een goed einde.

In deze bovenlanden van Midden-Soematra ligt de eigenlijke bakermat van de Maleische volken. Hunne oudste ge-

Aiïton, Oost- en West-htdië, 4e druk. 9

ocr page 142

130

schiedenis brengen de Maleiers in verband met Alexander den Groote, omtrent wien vele legenden bewaard zijn geble- , ven. De naam „Maleierquot; (zie bl. ö9') kwam eerst tegen het £$ eind der 12quot; eeuw in gebruik na de stichting van de eerste volkplanting, die te Singapoera, en wel bepaaldelijk als de naam van 't volk dier kolonie (Singapoera = „Leeuwenstadquot;). Van hier uit is de stad Malakka gesticht, welks naam op 't geheele Achterindische schiereiland overging.

In de bovenlanden van Padang hebben de bewoners het oorspronkelijk karakter het zuiverst bewaard; hier bestond het eenmaal zoo machtige rijk van Menangkahau („overwinning van den karbauquot;), dat later in de ISquot; eeuw een groot deel van zijn glans zag overgaan o. a. op Atjeh. De dorpen worden door Wallace en anderen beschreven als schilderachtig van voorkomen. De inrichting komt in hoofdtrekken overeen met die op Java. De huizen staan omstreeks zes voet hoog op palen (Fig. 43); vele zijn van keurig en smaakvol snijwerk voorzien en hebben hooge, spitse, ver over de wanden hangende daken.

De volgende schildering van een Maleisch dorp treffen wij aan bij Verkerk Pistorius, „Studiën over de inlandsche huishouding in de Padangsche Bovenlandenquot;:

„Op een afstand gelijkt een dorp in de Padangsche Bovenlanden volkomen op eene dessa op Java. Een woud van palmen in groepen verdeeld en door eene zee van sawahs omgeven : zoo doet het zich voor uit de verte. Komt men naderbij, dan staat men verrast over den rijkdom van kleuren en bevallige vormen. Vooral in het frissche avonduur, wanneer de over dag zoo troebele lucht allengs is opgeklaard, en het schitterend licht der zon, waarvoor het sterkste oog zich sluit, in zachte kleuren overgaat. Daalt men des avonds van de bergen af, die het meer en het dal van Singkarah van weerszijden insluiten, en nadert men van de Oostelijke zijde de Kota Singkarah (een dorp bij uitstek schilderachtig gelegen, maar overigens van geen ander verschillend), dan staat men verrukt over het heerlijk landschap. Het meer, waarin zich het avondrood spiegelt, fonkelt en schittert met verblindenden glans, en de trot-sche Merapi, die. hoog boven het overige gebergte, de kruin tot in de wolken beurt, schijnt met purper en goud overdekt. Het dorp zelf ligt aan den oever van het meer, in het midden van de groote vallei, die van den Merapi in zuidelijke richting zacht glooiende oprijst tot aan den voet van den Talang (den rookenden vuurberg ten Zuiden van

ocr page 143

131

Solok) en waarvan de Noordelijke helft door het meer wordt ingenomen. Het uitgebreide sawahvlak, waarop men van de hoogte nederziet en dat het dorp aan den oever van het meer omsluit, doet zich voor als mozaïek, verdeeld als het is in eene menigte vakken van allerlei vorm en grootte, waarvan sommige met jong en krachtig groen, andere met ruwe stoppels of met gele halmen en aren bedekt zijn. Elk sawahvlak is door een dijkje van de omringende vakken gescheiden. Deze dijkjes dienen, om de sawahs op geregelde tijden te irrigeeren en om ze weer voor het water af te sluiten. Planten, oogsten, enz. heeft dikwijls op nabij elkaar gelegen velden te gelijkertijd plaats. Sneeuwwitte reigers zoeken hier in ontelbare menigte des avonds eene schuilplaats. Langzaam strijkt de vlucht over het rijstveld heen , en laat zich neer op een hier en daar in de sawahs alleenstaanden boom, die plotseling als met groote witte bloemen bedekt wordt.

Nederkomend in het dal, hoort men den klank der halintoeng, het klokje, dat den forschen buffel aan den nek wordt gehangen, zoowel om de tijgers af te schrikken, als om de herders op het spoor van hun vee te brengen. Een kleine jongen leidt de kudde van de geurige weide terug naar de veilige schuilplaats onder de woning. Onder de huizen, die op palen staan, houdt het vee verblijf, zoowel buffels als geiten en pluimvee; somtijds is deze ruimte door gevlochten bamboe afgeschoten.

Weldra onderscheidt men tusschen het sawagroen den hoogrooden slendang, welken de Maleische vrouw, als zij op weg is, gewoonlijk om het hoofd heeft geslagen; en volgt men het pad, dat door de velden leidt, dan achterhaalt men eene menigte mannen en vrouwen, die rustig van hun dagwerk huiswaarts keeren. Sommigen dragen een lichten ploeg op den schouder, anderen houden eene duif in de hand. Na overdag onder den gloeienden hemel te hebben gezwoegd, gaan ze onder vroolijk gekout de zoete rust te gemoet in de stille belommerde woning. Vroolijk blinken de kruinen der palmen, in den avond als met goud overstrooid; luide weergalmt het gestamp in het rijstblok; allerwege heerscht leven en drukte. Doch weldra verflauwen de schitterende kleuren , die den hemel in het avonduur tooien; breede schaduwen breiden zich uit over het dal en de bergen, het gekweel dei-vogels verstomt, en met hen schijnen alle stemmen te zwijgen. Welhaast is alles ter ruste gegaan en hoort men in de nachtelijke stilte alleen de zware ademhaling van het meer.quot;

Een kenmerkend onderscheid bestaat nog bij de woningen van de Maleiers, ten aanzien van het aantal palen, waarop de woning rust; want dit is afhankelijk van den rang en de positie, door den bewoner bekleed.

9*

ocr page 144

132

Achter zijne woning heeft de Soematraan, evenals de Javaan, zijn schuurtje tot berging van rijst, maar dit is op Soematra, gelijk de woonhuizen, grilliger van vorm dan op Java, met puntige dakjes gebouwd en met snijwerk en kleuren opgesierd. Vooral de huizen der Hoofden, die dikwijls kwistig met blik worden getooid, hebben iets zeer teekenachtigs.

De Maleische dorpen, anders gewoonlijk kampong of doesoen genaamd, verdienen in Midden-Soematra ook den naam hota (Sanskriet: vesting, burg, versterkt huis), aangezien zij voorheen meest alle door ondoordringbare heiningen van bamboe-doeri (doornig bamboesriet), versperringen en loopgraven in een versterkten staat gebracht waren.

Do landschappen dragen veeltijds den naam naar het aantal dorpen, dat zij bevatten, b. v. het district „Dertien Kota'squot;, enz.

De Soematraan is minder slaafsch dan de Javaan; hij schijnt zeer voor ontwikkeling vatbaar; hij is bevattelijk, vindingrijk, een goed landbouwer en een bekwaam handwerksman. Dit een en ander bewijzen de waterleidingen, waardoor zelfs de hoogst gelegen velden onder water worden gezet; dit bewijzen hunne woningen en tempeltjes, en de uitnemende wijze, waarop zij allerlei versierselen in zilver of goud bewerken.

Ook Ajer-Bangis heeft verkeer met de Bovenlanden. Voorts liggen nog asji de kust: Natal met kamferbosschen in den omtrek; Siboga, eene aanzienlijke handelsplaats aan de schoone en veilige baai van Tapanoeli; Baros, met handel in kamfer en benzoë en het handeldrijvende Sing kei.

§ 43. Drie Residentiën van Zuid-Soematra. Het smalle kustgc-west Bengkoelen was tot 1824 Engelsch. Bij het „tractaat van Londenquot; in dat jaar, werd o. a. ons gebied op Soematra afgerond met Bengkoelen, waartegen wij onze bezittingen op Malakka afstonden. Dat tractaat regelde ook in andere opzichten de verhouding tusschen Engeland en ons in den Archipel en legde ons verplichtingen op, o. a. omtrent Atjeh (zie bladz. 134).

In Bengkoelen herinneren gebouwen, enz., o.a. het fort Marlborough, aan het Engelsche tusschenbestuur. De stad is echter sedert achteruitgegaan. De reede is onveilig en de bevolking traag en zorgeloos.

ocr page 145

133

De boschrijke Lampongsche Distrieten zijn nog grootendeels ontoegankelijke wildernissen. De bevolking is hier zeer vermengd met Soendaneezen. Peper en boschproducten vormen de hoofdartikelen van uitvoer. Telok-Betoeng leed veel door de uitbarsting van Krakatau in 1883. Er wordt handel gedreven in rijst, tabak, peper, olifantstanden, damar, gom en rotan. De landbouw is in deze residentie echter weinig beduidend.

De res. Palémbang is haast één groote alluviale vlakte. In 't Westen verbouwt men koffie. Bijna overal ziet men rijstvelden en in sommige streken katoenplantages. De hoofdstad is Palémbang (60), op 17 uur afstand van den mond der Moesi gelegen.

„De stad is groot en strekt zich drie of vier Eng. mijlen ver langs eene schoone bocht der rivier uit, die hier ongeveer zoo breed is als de Theems voor Greenwich. De rivier wordt echter aanmerkelijk versmald door de zich tot in het water verlengende, op palen gebouwde huizen, waarop dan nog eene rij van woningen volgt, die op groote vlotten van bamboe zijn opgericht. Deze vlotten zijn met kabels van rotan aan het strand of aan palen vastgemaakt en rijzen en dalen met het tij. De rivier is aan beide zijden geheel met zulke huizen omzoomd. Het zijn meerendeels winkels, die open zijn naar de zijde van het water en zich niet meer dan ongeveer een voet daarboven verheffen, zoodat men, met eene kleine boot ter markt gaande, met weinig moeite alles kan koopen, wat te Palémbang te krijgen is. De inlanders zijn echte Ma-leiers, nooit bouwen zij een huis op het droge, wanneer zij water kunnen vinden, om het in te zetten, en nooit gaan zij te voet ergens heen, wanneer zij de plaats met eene boot kunnen bereiken. Een aanzienlijk deel der bevolking bestaat uit Chineezen en Arabieren, die schier al den handel drijven, terwijl de civiele en militaire dienaren van het Gouvernement de eenige Europeanen zijn. De stad ligt aan het boveneinde van de delta, door de rivier gevormd, en tusschen haar en de zee is er nauwelijks eenige grond te vinden, die boven het hoogwater-peil rijst, terwijl palen ver landwaarts in de oevers van de hoofdrivier en hare talrijke zijtakken drassig zijn en in het natte jaargetijde tot op een aanmerkelijken afstand onder water staan.quot; (Wallace.)

De stad heeft niet alleen een belangrijken inlandschen handel , maar ook veel inlandsche nijverheid; de bevolking is bekend o. a. door haar fijn goud- en zilverwerk en hare fijn geweven en bewerkte katoenen stoffen.

ocr page 146

134

In 1825 heeft de laatste Sultan van Palembang zich aan het Nedeiiandsche gouvernement onderworpen.

Omstreeks eene dagreis te water boven Palembang begint een militaire weg, die zich tot in het gebergte en zelfs daarover heen tot Bengkoelen uitstrekt. Op dien weg zijn regelmatige étappe-plaatsen, op een afstand van tien tot twaalf palen (de paal is hier iets langer dan op Java) opgericht, en zoo men geen bode vooruitzendt, om koelies in gereedheid te hebben, dan kan men op een dag niet verder dan zulk een afstand reizen. Op elke étappe is een gebouw, „pasangra-hanquot; zegt men op Java, tot huisvesting van doortrekkenden, met keuken en stal en waar altijd zes of acht mannen de wacht houden. De bewoners der omliggende dorpen moeten zich ieder op hunne beurt voor de koelie-diensten beschikbaar houden, evenals voor de wacht aan de stations. Door deze inrichting wordt in dit deel van Soematra het reizen zeer vergemakkelijkt. De belangrijkste plaats, waarlangs deze hoofdverkeersweg leidt, is Tebing-Tinggi, garnizoensplaats en zetel van een assistent-resident.

§ 44. Het Gouvernement van de Noordkust. Het Gouvernement van Atjeh en Onderhoorigheden wordt begroot op eene oppervlakte van ± anderhalf maal ons Vaderland. De bodem bestaat voor een deel uit nog weinig bezochte berglanden, voor een deel uit vlakke streken met sawahs, pepertuinen, enz. Peper en pinangnoten zijn de voornaamste uitvoerartikelen [betelnotenkust en peperhavens).

Het cijfer der bevolking kan volstrekt niet worden opgegeven. Immers het Koloniaal Verslag, waarin voor dit cijfer een half millioen wordt vermeld, zegt, dat het op louter gissing berust.

De Atjehsche bevolking aan de kusten maakte zich meermalen aan zeeroof schuldig; zelfs voerde zij bewoners van eilanden aan Soematra's Westkust, b.v. Nias, als slaven weg.

Bij het meer genoemde tractaat van 1824 met Engeland waren ons echter de handen gebonden door de bepaling, dat wij ons gezag op Soematra niet mochten uitbreiden; en vruchteloos richtte onze Indische regeering keer op keer vertoogen tot den Sultan van Atjeh.

ocr page 147

135

mmmm

ocr page 148

136

In 1872 werd die bepaling tusschen Engeland en onze Regeering opgeheven en in 't volgende jaar reeds werd de oorlog aan Atjeh verklaard. De eerste expeditie, onder Generaal Kohier, leverde geen blijvend resultaat op, ten deele door het sneuvelen van den bevelhebber (bij het verkennen van de vijandelijke hoofdversterking), ten deele door het onvoldoende der strijdkrachten en het invallen van den kwaden moeson.

Bij de tweede expeditie, onder Generaal Van Swieten, werd de Kraton, de residentie van den Sultan, bezet. De macht van den Sultan had intusschen plaats gemaakt voor die van de Rijksgrooten, de hoofden van onderscheiden staatjes. Van deze zijn thans de meeste, nl. die aan de kusten, aan ons gezag onderworpen.

In 1877 werd de hoofdplaats Kota-Radja door een spoorweg met Oleh-leh, de havenplaats , verbonden; een net van stoomtrams werd aangelegd en eene nieuwe moskee ten behoeve van de inlandsche bevolking gebouwd. Op P o e 1 o e Bras, een der eilandjes voor de Noordkust, werd door de zorg der Regeering een vuurtoren opgericht.

Meer dan 20 jaren nadat de kraton door ons werd genomen, is de onderwerping van Atjeh nog altijd een vrome wensch. Nu eens is ons Gouvernement daar opgetreden met het zwaard, dan weer meer langs politieken weg, maar tot dus verre zonder duurzamen uitslag.

§ 45. De onafhankelijke Batak-landen. Deze liggen in de binnenlanden van Noord-Soematra, tusschen het Gouvernement van de Westkust, Atjeh en Oost-Soematra.

Het belangrijkste gedeelte is het landschap Toba; daar ligt het dichtbevolkte plateau en het meer van denzelfden naam. Dit gedeelte van de Batak-landen is herhaaldelijk door Europeanen , o. a. zendelingen, bezocht.

De Bataks noemen zich zeiven Toba-, zij hebben hunne eigene taal, die in een eigen letterschrift wordt uitgedrukt. Evenals de Maleiers der Padangsche Bovenlanden zijn zij verdeeld in een aantal stammen of families; hunne dorpen zijn meestal versterkt, want herhaaldelijk worden oorlogen gevoerd tusschen de bewoners der verschillende dorpen. De

ocr page 149

137

regel is daarbij nog altijd, dat de krijgsgevangenen worden opgegeten; in sommige gevallen echter worden zij tot slaven gemaakt.

Het onafhankelijke quot;Batakgebied krimpt gaandeweg in , doordat voor en na stukken gevoegd worden bij Tapanoeli en de res. Oostkust van Soematra.

Ook liggen ten O. van de Padangsche Bovenlanden nog onafhankelijke gewesten, die echter heel weinig bekend zijn.

§ 46. De residentie Oostkust van Soematra. Deze residentie behoort nog bijna geheel aan inlandsche vorsten, zooals aan de sultans van Deli en Siak , aan de vorsten van Langkat, Serdang, Asahan, Kampar, enz. Alleen het eiland Bengkalis is geheel aan Nederland afgestaan; de hoofdplaats Bengkalis, aan de diepe en elftrijke Brouwerstraat is de standplaats van een assistent-resident.

In al de genoemde landen heeft ons Gouvernement veel gedaan voor de afschaffing van den slavenhandel; maar toch komen nog velen voor, die voor schuld dienst doen, zoogenaamde pandelingen, wier lot doorgaans iets beter is dan dat van eigenlijke slaven.

In alle kustplaatsen houdt men zich bezig met visscherij ; op het land verbouwt men rijst, peper, tabak, enz.

Belangrijk is het Noordelijke deel der residentie eerst geworden, sedert te Deli, Serdang, Langkat (waar ook petroleumbronnen zijn) en Asahan tabaksplantages gevestigd zijn. Een hoofddeel van de bevolking bij deze ontginningen maken de Chineezen uit, die als arbeiders geworven worden.

Medan is de hoofdplaats van de residentie Oostkust van Soematra. Bovendien is het de standplaats van den resident, van den commandant der troepen ter kuste, van den rechtsgeleerden voorzitter des landraads, van den predikant, van de vertegenwoordigers der Deli-maatschappij, der Deli-Spoorwegmaatschappij en der Nederlandsche Handelmaatschappij; het is de woonplaats van tal van ambtenaren, officieren, beambten, handelaren, het is eene courant rijk en wordt het middelpunt van den handel van Boven-Deli.

Kort na de oprichting der Deli-MaatschappiJ in 1869 koos haar administrateur Medan als zijne woonplaats: centrum van de toenmalige bezittingen der Maatschappij, aan de Deli-rivier, geschikt voor het

ocr page 150

138

afschepen der producten naar de omstreeks 22 KM lager af gelegen ankerplaats der zeeschepen, alsook voor de ontvangst der van de kust komende bouwmaterialen. In vroegere tijden was Medan eene groote sterkte der inlanders, die zich daar verdedigden, waarschijnlijk tegen Atjehsche invallen. Overblijfselen uit dien tijd zijn een dubbele ringwal, die zich ook aan de overzijde der rivier uitstrekt en den landtong insluit, die daar gevormd wordt door de samenvloeiing van de Deli-rivier met een zijstroom; voorts tal van grafheuvels, w.o. zeer heilige, door reuzenboomen beschaduwd' en, in den grond, een aantal Atjehsche gouden muntjes, later door den landbouwer aan 't licht gebracht.

Aan de overzijde van de rivier was de Maleische kampong Medan gelegen, maar waar de heer N. de palen in den grond zette, was toen wildernis tot ver landwaarts in; boven en beneden lagen op korten afstand onaanzienlijke kampongs.

Ongeveer tezelfder tijd ontstonden vestingen van andere maatschappijen, over 't geheele rijk; Medan werd door een dertig voet breeden weg langs de rivier naar beneden met Laboean, den zetel des Sultans, en naar boven met Deli Toewa verbonden; andere wegen werden aangelegd, de plaats trok het civiel en militair bestuur tot zich; de Sultan bouwde een paar paleizen; tal van Enropeesche, Maleische en vooral Chineesche winkels verrezen er en nu is het eene plaats met eenige duizenden inwoners, 't centrum van spoorbanen, die naar Laboean Belawan (de ankerplaats), Toewa, Boven Langkat en Terdang loopen. De vestiging van den eenzamen planter is in achttien jaren eene der belangrijkste plaatsen van Nederlandsch-Indie geworden.quot;

{„Eigen Haardquot;.)

§ 47. De residentie Riouw en Onderhoorigheden omvat a. de Karimon-eilanden, h. de Riouw-eilanden, c. de Lingga-eilanden, d. de Tambelan-, Anambas- en Natoena-eilanden. Al die eilanden samen beslaan eene oppervlakte gelijk aan het vierde deel van Nederland. De eilanden staan onder de heerschappij van een Sultan, die te Lingga zijn verblijf houdt. Rechtstreeks wordt ons gezag alleen uitgeoefend op een deel van het eiland Bintang, maar de zetel van den Resident is te Tandjoeng-Pinang of Riouw.

De Sultan van Lingga strekt zijn gebied ook uit over Indragiri, op Soematra's Oostkust. Hij heeft zijn gebied in leen van ons Gouvernement.

De Riouw-eil. brengen als hoofdproduct peper op. Het

ocr page 151

139

eiland Batam heeft bovendien vele gambir -plantages. De Karimon-eil. en het eiland Singkep zijn rijk aan tin. De bewoners van de onbelangrijke eilanden tusschen Malakka en Borneo leven van het inzamelen van tripang en zeewier (agar-agar). Niet zelden maken ze zich schuldig aan zeeroof.

Als havenstad is Riouw sedert het midden van deze eeuw achteruitgegaan, voornamelijk tengevolge van de opkomst van Singapore, de hoofdplaats van de Engelsche Straits-Settlements.

Singapore, in de 12° eeuw door Maleische vluchtelingen gesticht, was tot 1818 niet meer dan een Maleisch visschers-dorpje van eenige hutten. Door de energie van Raffles ontstond sedert eene koopstad, die thans in bedrijvigheid, handel, rijkdom alle steden van den Indischen Archipel achter zich stelt. Het eiland, waarop de stad gebouwd is, bedraagt slechts weinige mijlen in omtrek, en de grond munt er niet door vruchtbaarheid uit, maar' de bestemming van Singapore was: vrijhaven te zijn, waar de schepen, zonder aan eenige onkosten of formaliteiten onderworpen te worden, ladingen konden brengen of innemen. En die bestemming is bereikt: een mastbosch van schepen van allerlei vlaggen; leven en beweging op het water, overal waar men de oogen wendt; aan het strand eene groote regelmatig gebouwde stad, die nog jaarlijks in bevolking toeneemt (thans 185 000 inw.). Singapore is het middelpunt van geregelde stoomvaartverbindingen tusschen Europa, China, Nederlandsch-Indië en Australië. Naar de getalsterkte vormen de Chineezen het hoofdbestanddeel der bevolking; vrij talrijk zijn ook de zwarte „Klingaleezenquot;, afkomstig van Dekan of Ceylon. De oorspronkelijke Maleische bevolking van het eiland is tegenwoordig de minst beduidende.

ocr page 152

140

HOOFDSTUK XII.

Borneo.

Opgaven:

1. Geef de politieke deelen van Borneo op. »

2. Wat weet ge van den verticalen vorm van Borneo?

3. Welke zijn de groote rivieren? ' ly

4. Bereken van de kaart, hoeveel uren gaans het Noordoostpunt ligt van 't Zuidwestpunt.

§ 48. Natuurlijke gesteldheid en Bevolking. Borneo, Nieuw-Guinea en Madagascar zijn de grootste eilanden der aarde. De oppervlakte van Borneo bedraagt 22-maal die van ons vaderland.

ocr page 153

141

In kustontwikkeling staat dit groote eiland bij Java, Soe-matra en Selebes achter: het is zeer gesloten van vorm en deze omstandigheid heeft zeker er toe medegewerkt, dat de uitgestrekte binnenlanden zoo lang onbekend bleven en ook thans nog onvolkomen in kaart zijn gebracht. Eenigermate wordt de ongunstige vorm van 't land vergoed door de uitgebreide rivierstelsels: de drie hoofdrivieren met hare bij stroomen zijn de door de natuur aangewezen groote verkeerswegen door de binnenlanden. Maar voor de mondingen liggen zandbanken, die althans aan groote schepen 't opvaren beletten; en de vlakten langs die rivieren worden dikwijls overstroomd, zoodat 'tverkeer te land moeilijk is, terwijl bovendien de bergstammen dikwijls vijandig zijn tegen de kustbewoners, zoodat deze zelden verder dan eene dagreis de rivier opgaan.

Borneo, grooter dan Dnitschland, Xederland en België samen, heeft nauwelijks drie mil Hoen bewoners.

Deze bevolking bestaat uit:

1. de inboorlingen, doorgaans samengevat onder den naam van Dajaks;

2. Maleiers, als kolonisten; vooral van handel, zeevaart en vischvangst bestaande. Aan de Zuidelijke en Oostelijke kusten wonen ook zeevarende en handeldrijvende Boegi-nee zen;

3. Chineezen, in zeer aanzienlijken getale;

4. de slechts weinige Europeanen.

De oorspronkelijke inboorlingen van het eiland, de Dajaks, zijn in den loop der tijden door de Maleiers, die de kusten bezetten, naar de binnenlanden gedrongen. Zij wonen daar, in een groot aantal stammen gesplitst, meest aan de oevers der rivieren; te midden van den rijkdom der weelderigste natuur leven zij in een staat van armoede, ruwheid en het grofste bijgeloof.

De Maleiers, belijders van den Islam, hebben aan de kusten verscheiden kleine staten gesticht; zij wonen vooral aan de mondingen der rivieren.

Ons gebied bestaat uit een groot aantal van die inlandsche staatjes onder eigen vorsten; in de Wester-Afdeeling alleen wel meer dan twintig. Rechtstreeks wordt onze macht alleen uit-

ocr page 154

142

geoefend in het kustgebied en dat nog pas sedert het midden van deze eeuw.

Groote krachtsinspanning vorderde op Borneo herhaaldelijk het verzet der Chineezen. Deze waren lang vóór ons daar gevestigd en hadden een groot getal kleine republieken, hunne kongsies (bl. 63), die het mijngebied onder elkander verdeelden; de inlandsche bevolking hadden zij met geweld verdreven ; slechts schijnbaar waren zij aan ons bestuur onderworpen.

In 1850 was hun overmoed zoo groot, dat ze 't gezag trotseerden en de vlag hoonden, zoodat eene krijgsmacht tegen hen werd afgezonden ; een hunner versterkingen werd genomen en de onderwerping tot stand gebracht, maar in 't geheim werd een ernstige tegenstand tegen ons Gouvernement beraamd, krijgstoerustingen op groote schaal werden gemaakt, om alle Europeanen en Maleiers te vermoorden of te verdrijven. Eene tweede, sterkere expeditie werd afgezonden en Montr ad o werd genomen, doch het gelukte eerst ons gezag voorgoed te vestigen, toen de hoofden van een geheim genootschap (het „Drievingerenverbondquot;), dat voortdurend tegen ons stookte, in 1855 waren overvallen en gevangen genomen door den toenmaligen Kapitein Verspijck.

Onder den naam van Dajaks vatten de Europeanen doorgaans al de bewoners van Borneo's uitgestrekte binnenlanden samen. Het is echter gebleken, dat die naam eigenlijk niet anders beteekent dan „menschquot; en dat bij de inlanders zelf talrijke stamnamen in gebruik zijn, doorgaans ontleend aan de rivier, langs welker oevers de stam woont, of aan de landstreek. Zoo de stam der Kahajan in Zuid-Borneo; de Doesoen in de| binnenl anden; enz.

In den regel bestaat tusschen de onderscheiden stammen groote vijandschap en zijn herhaalde strijd en strooptochten op elkanders gebied mede oorzaken van de geringe bevolkingsdichtheid van Borneo.

Sommige schrijvers, b.v. Wallace en Bock, oordeelen zeer gunstig over het karakter der Dajaks; in aanleg staan zij zeker gelijk met de Maleiers; zij maken goede prauwen, verstaan de kunst van ijzersmelten en wapensmeden, vlechten mooie matten en mandjes van rotting. Doch overigens staan zij nog op uiterst lagen trap van ontwikkeling.

ocr page 155

143

Algemeen is het beruchte „koppensnellenquot;. In den regel vereenigen zich hiertoe eenige personen, met het doel om enkele ongewapende lieden heimelijk en onverhoeds aan te vallen en hen van het leven te berooven, ten einde met de afgesneden hoofden de vlucht te nemen naar de dichte bosschen. Alleenstaande huizen zijn ook dikwijls aan dergelijke aanvallen blootgesteld; dit verklaart zeker mede de gewoonte onder de meeste stammen der Dajaks, van met talrijke familiën in één groot huis te wonen. De buit bestaat bij deze tochten in niet anders dan in het grootst mogelijk getal afgesneden hoofden.

Aanleidende oorzaken tot deze tochten zijn: de dood van een familielid, eerbewijzen aan vroeger overledenen, droo-men, geloften, eerzucht, enz. Het algemeen verspreide gevoelen , dat er bij het aangaan van een huwelijk vereischt wordt aan de bruid een afgesneden hoofd aan te bieden, schijnt onjuist.

ocr page 156

144

James Brooke heeft in zijn gebied van Serawak aan het koppensnellen een einde trachten te maken. Elders op Borneo poogt het Nederlandsch gezag er paal en perk aan te stellen, maar in de binnenlanden gaat dit niet gemakkelijk.

Sommige stammen hebben het tot eene merkwaardige hoogte gebracht in het smelten van ijzererts en het bewerken van wapens. Het witte metaal, waarmede klingen en krissen dooraderd of, zooals men het noemt, gedamasceerd worden, is eene bijzondere soort van ijzer, pamor geheeten. Wanneer de dus gedamasceerde wapens met een mengsel van arsenicum en limoensap worden ingewreven, krijgt het gewone ijzer eene bruinachtig zwarte en de aderen van het pamor eene zilverachtig witte kleur.

Algemeen is onder de Dajaks het tatoëeren, in uitgewerkte patronen; ook dragen mannen zoowel als vrouwen gaarne sieraden : groote gaten in de oorlellen, waarin talrijke ringen; halssnoeren, arm- en beenringen.

't Voornaamste wapen is een breed, scherp mes, de mandau, (de naam beteekent letterlijk „koppensnellerquot;), met keurig gesneden en versierde greep; vaak een waar kunststuk. Voorts een schild uit licht hout vervaardigd en, bij sommige stammen althans, aan de buitenzijde met bosjes menschenhaar bedekt. Een blaasroer, van een rond stuk ijzerhout, waaruit met groote juistheid tot op 40 a 50 M afstand vergiftigde pijlen worden geblazen; eindelijk een pijlkoker, een lans (vooral voor de jacht op wilde zwijnen).

Jagen en visschen zijn een hoofdbedrijf; de talrijke rivieren en meren (danau's) vloeien over van visch, die op velerlei manier gevangen wordt. Het jagen is vaak moeilijk: dichte wouden en een grond, die onbegaanbaar is door den modder; altijd gaan honden mede, om de wilde zwijnen en herten op te drijven.

Ook verbouwen de Dajaks wel wat djagoeng, zamelen boschprodukten in, enz.

§ 49. Producten. Ook Borneo is zeer rijk aan belangrijke voortbrengselen, al geldt vooral van dit groote land de bewering , dat slechts zeer weinig van den natuurlijken rijkdom wordt partij getrokken. Uitgestrekte wouden bedekken schier de gansche oppervlakte.

ocr page 157

145

Volgens bevoegde schrijvers is de natuur er uitmuntend geschikt voor den rijstbouw en zouden suikerriet en koffie daar zeer goed kunnen slagen.

De voornaamste artikelen uit het plantenrijk zijn kamfer en andere boschproducten (harsen, getah-pertjah, rotans enz.), sago en katoen (in 'tN. W.).

Het delfstoffenrijk levert in de Wester-Afdeeling koper, goud en diamanten; in 'tZ. en O. bevat de bodem steenkolen. Platina, ijzer, tin en ook kwikzilver worden gevonden.

Borneo heet bij Wallace het „land van den orang-oetanquot;, gelijk het even groote en nog minder bekende Nieuw-Guinea door dien beroemden natuuronderzoeker het „land van den paradijsvogelquot; genoemd wordt. De orang-oetan is dan ook wel Borneo's vermeldenswaardigste diersoort. De inlanders noemen dezen menschaap majas en hebben veel ontzag voor de kracht van dit dier. Volgens hen is er geen dier sterk genoeg, om den majas kwaad te doen; zelfs de krokodil bezwijkt in den strijd: de majas gaat op hem staan, rukt zijne kaken open en scheurt hem de keel op; en de reuzenslang, de python, wordt even gemakkelijk door hem gedood.

Volgens Wallace zijn de voorstellingen, die men soms leest, van orangs, die met een stok wandelen, geheel denkbeeldig en loopt het dier bijna nooit rechtop. Hij leeft in de hoornen en daalt slechts zelden naar den grond af; de hoogste boomen beklimt hij met gemak en met zijne lange, krachtige armen grijpt hij gemakkelijk vruchten en bladeren; 'snachts slaapt hij in een nest van takken en gebladerte.

Een onnoemelijk aantal en eene _oneindige verscheidenheid van apen (wouwouwen, loetongs e. a.) nemen verder de eerste plaats onder Borneo's fauna in. Er is zelfs eene soort, die tam gemaakt en tot het plukken van kokosnoten wordt afgericht.

Waar kokosnoten groeien, is men ook zeker een aantal eekhorentjes aan te treffen; met behulp van hunne scherpe snijtanden knagen zij een gat boven in de vrucht, steken er hun kop in en drinken de melk er uit.

Alleen aan de Gioeng-Baai treft men olifanten aan, en in 'tbrongebied van de Koetei en de Redjang huist de rhi-

Aitton, Oost- en West-Indië, 4e druk. iO

ocr page 158

144

James Brooke heeft in zijn gebied van Sera wak aan het koppensnellen een einde trachten te maken. Elders op Borneo poogt liet Nederlandsch gezag er paal en perk aan te stellen, maar in de binnenlanden gaat dit niet gemakkelijk.

Sommige stammen hebben het tot eene merkwaardige hoogte gebracht in het smelten van ijzererts en het bewerken van wapens. Het witte metaal, waarmede klingen en krissen dooraderd of, zooals men het noemt, gedamasceerd worden, is eene bijzondere soort van ijzer, pamor geheeten. Wanneer de dus gedamasceerde wapens met een mengsel van arsenicum en limoensap worden ingewreven, krijgt het gewone ijzer eene bruinachtig zwarte en de aderen van het pamor eene zilverachtig witte kleur.

Algemeen is onder de Dajaks het tatoëeren, in uitgewerkte patronen; ook dragen mannen zoowel als vrouwen gaarne sieraden : groote gaten in de oorlellen, waarin talrijke ringen; halssnoeren, arm- en beenringen.

't Voornaamste wapen is een breed, scherp mes, demandau, (de naam beteekent letterlijk „koppensnellerquot;), met keurig gesneden en versierde greep; vaak een waar kunststuk. Voorts een schild uit licht hout vervaardigd en, bij sommige stammen althans, aan de buitenzijde met bosjes menschenhaar bedekt. Een blaasroer, van een rond stuk ijzerhout, waaruit met groote juistheid tot op 40 a 50 M afstand vergiftigde pijlen worden geblazen; eindelijk een pijlkoker, een lans (vooral voor de jacht op wilde zwijnen).

Jagen en visschen zijn een hoofdbedrijf; de talrijke rivieren en meren (danau's) vloeien over van visch, die op velerlei manier gevangen wordt. Het jagen is vaak moeilijk: dichte wouden en een grond, die onbegaanbaar is door den modder; altijd gaan honden mede, om de wilde zwijnen en herten op te drijven.

Ook verbouwen de Dajaks wel wat djagoeng, zamelen boschprodukten in, enz.

§ 49. Producten. Ook Borneo is zeer rijk aan belangrijke voortbrengselen, al geldt vooral van dit groote land de bewering , dat slechts zeer weinig van den natuurlijken rijkdom wordt partij getrokken. Uitgestrekte wouden bedekken schier de gansche oppervlakte.

ocr page 159

145

Volgens bevoegde schrijvers is de natuur er uitmuntend geschikt voor den rijstbouw en zouden suikerriet en koffie daar zeer goed kunnen slagen.

De voornaamste artikelen uit het plantenrijk zijn kamfer en andere boschproducten (harsen, getah-pertjah, rotans enz.), sago en katoen (in 'tN. W.).

Het delfstoffenrijk levert in de Wester-Afdeeling koper, goud en diamanten; in 't Z. en O. bevat de bodem steenkolen. Platina, ijzer, tin en ook kwikzilver worden gevonden.

Borneo heet bij Wallace het „land van den orang-oetanquot;, gelijk het even groote en nog minder bekende Nieuw-Guinea door dien beroemden natuuronderzoeker het „land van den paradijsvogelquot; genoemd wordt. De orang-oetan is dan ook wel Borneo's vermeldenswaardigste diersoort. De inlanders noemen dezen menschaap majas en hebben veel ontzag voor de kracht van dit dier. Volgens hen is er geen dier sterk genoeg, om den majas kwaad te doen; zelfs de krokodil bezwijkt in den strijd: de majas gaat op hem staan, rukt zijne kaken open en scheurt hem de keel op; en de reuzenslang, de python, wordt even gemakkelijk door hem gedood.

Volgens Wallace zijn de voorstellingen, die men soms leest, van orangs, die met een stok wandelen, geheel denkbeeldig en loopt het dier bijna nooit rechtop. Hij leeft in de boo-men en daalt slechts zelden naar den grond af; de hoogste boomen beklimt hij met gemak en met zijne lange, krachtige armen grijpt hij gemakkelijk vruchten en bladeren; 's nachts slaapt hij in een nest van takken en gebladerte.

Een onnoemelijk aantal en eene _oneindige verscheidenheid van apen (wouwouwen, loetongs e. a.) nemen verder de eerste plaats onder Borneo's fauna in. Er is zelfs eene soort, die tam gemaakt en tot het plukken van kokosnoten wordt afgericht.

Waar kokosnoten groeien, is men ook zeker een aantal eekhorentjes aan te treffen; met behulp van hunne scherpe snijtanden knagen zij een gat boven in de vrucht, steken er hun kop in en drinken de melk er uit.

Alleen aan de Gio eng-Baai treft men olifanten aan, en in 'tbrongebied van de Koetei en de Redjang huist de rhi-AlTTON, Oost- en West-Indië, 4e druk. 10

ocr page 160

146

noceros. Van de tijgers komt eene kleine gestreepte soort op Borneo voor. In de bergstreken leeft, in grootere en kleinere kudden, de wilde os of banteng. Aan Malakka en Soematra herinnert de kleine Maleisehe beer, en verbazend is het aantal herten, dat hier ongestoord voortleeft.

In de uitgestrekte moerassen leven de krokodillen. Deze dieren zijn nergens veelvuldiger dan op Borneo.

§ 50. Plaatsen. Bandjermasin (43), de hoofdplaats van Borneo's grootste residentie, is in 1860 onder ons rechtstreeksch bestuur gebracht. Voor dien tijd bestond in dit Zuidoostelijk deel van het eiland het sultanaat van Bandjermasin met het oude Martapoera als vorstelijke verblijfplaats.

Een aanval uit godsdiensthaat op de daar verblijf houdende Europeanen werd de aanleiding tot een der hardnekkigste van onze Indische oorlogen, die echter na een strijd van twee jaren door Generaal Verspijck werd ten einde gebracht en de inlijving van deze streken ten gevolge had.

De stad Bandjermasin kan met eenig recht eene „drijvende stadquot; heeten, een Palembang in 't klein: zij is bijna geheel op vlotten gebouwd. Langs den rivieroever liggen talrijke sampang's of groote overdekte booten; zij zijn bevracht met kokosnoten, pisangs, suikerriet, enz. De voornaamste artikelen van uitvoer zijn: rotting, getahpertjah, eetbare vogelnestjes, hars, was en zeer mooie gevlochten matten van rotting, door de Dajaks (Kahajan) vervaardigd, 6 a8 gulden per stuk; gedroogde visch. Ingevoerd worden : katoentjes, gambir, tabak, zout en opium. Vroeger was de stad bekend door den handel in diamanten.

In de Wester-Afdeeling zijn, met de hoofdplaats Pontianak (17), de plaatsen Montrado (2), dat in 1893 met zijn primitieven bergbouw nog 136 KG goud leverde, en Sambas (10) het belangrijkst; alle drie steden in het kustgebied. Meer naar de binnenlanden hebben Landak (4), waar men goud en diamanten graaft, en Sintang (handelsplaats) de meeste beteekenis.

De voor eenige jaren gekoesterde verwachting, dat Noord-Borneo (Britsch) door zijn tabak een ernstige concurrent zou worden voor de Deli-maatschappij, is ongegrond gebleken; de meeste ondernemingen hebben reeds den arbeid gestaakt.

ocr page 161

147

Eenige streken in het N.0. van het eiland zijn onderworpen aan den Sultan der Soeloe-eilanden. De bewoners dezer eilanden zijn door zeeroof berucht, doch zij heeten onder Spaansch protectoraat te staan.

Gelijk vroeger gezegd (zie bladz. 6) staat tegenwoordig 't ge-heele Noordwesten des eilands onder Britsch protectoraat. In 1891 kwam een verdrag tot grensregeling tot stand tus-schen Nederland en Groot-Brittannië. De naam Broenei of Borneo Proper (d.i. „eigenlijk Borneoquot;) toont aan, dat de tegen-

woordige naam van het eiland aanvankelijk alleen op het Noordelijk deel betrekking had.

De vestiging der Engelschen op Laboean dagteekent van 1846.

De binnenlanden zijn, behalve door Wallace, ook meer bekend geworden door de reizen van een Duitscher in Neder-landsch-Indischen dienst. Dr. Schwaner, die tusschen 1843 en 1848 zijne tochten deed dwars door 'teiland, en o.a.

10*

ocr page 162

148

het stroomgebied van den Barito (met de groote en de kleine Dajak-rivier) in een belangrijk werk heeft beschreven. Merkwaardig is ook de tocht van de reizigster Ida Pfeiffer, die in 1852 van Serawak naar de binnenlanden trok. De meer genoemde Radja Brooke heeft belangrijke mededeelingen gedaan vooral ten aanzien van het gebied van Serawak. Borneo's Wester-Afdeeling is in een uitvoerig en belangrijk werk historisch en geografisch door Prof. Veth beschreven. In 1879 en '80 is door Carl Bock op last der Indische regeering eene reis gemaakt door O.- en Z.-Borneo, van Koetei naar Bandjermasin. Verschillende streken in 't gebied der Koetei werden bezocht en beschreven door den Ass.-Res. Tromp. Aldus neemt de bekendheid met dit groote eiland toe, doch tot dusver blijft die kennis onvolledig.

HOOFDSTUK XIII.

Q

S e 1 e b e s.

Opgaven:

1. Noem de 3 groote golven van Selebes.

2. Welke zijn de hoogste bergtoppen? -uL/.

3. Welke is de aanzienlijkste rivier? ^ amp;

4. Geef de politieke indeeling op van Selebes. 9

§ 51. Overzicht. In zijn horizontalen vorm is Selebes meer ontwikkeld dan de andere Indische eilanden. De binnenlanden zijn nog zeer onvolledig bekend. Alleen zou men het Noordoostelijke en het Zuidwestelijke deel met de kuststreken „het bekende Selebesquot; kunnen noemen. De binnenlanden schijnen over 't geheel zeer bergachtig te zijn.

Het eiland ligt in het centrum van den Archipel. Hieruit zou men besluiten, dat Selebes eene staalkaart zou vormen van de fauna en flora van Insulinde. Dit is echter geenszins het geval. Wat de planten en dieren aangaat, behoort Selebes

ocr page 163

149

noch tot het Aziatische, noch tot het Australische deel van deze eilandenwereld. Het wijkt af van de drie overige groote Soenda-eilanden, zonder daarvoor reeds de eenvormigheid te vertoonen, die aan Timor en de Molukken eigen is. Het aantal diersoorten is geringer, doch de vogelenwereld is rijker dan op Java, Soematra en Borneo. Maar dit eiland heeft eigen diersoorten, d. w. z. dieren, die in andere streken geen nauwe verwanten hebben. Zoo vindt men b.v. uitsluitend op Selebes de Zwarte Hondsaap, het Hertzwijn of Babi-

roe sa en de Anoa of sapi-oetan. Bovendien heeft dit eiland vijf eigene soorten van vleermuizen en vijf soorten van eekhoorntjes. Om over den soorten-rijkdom te kunnen oordeel en, volgt hier dit lijstje:

Borneo heeft 80 soorten van landzoogdieren,

Soematra „ 66

Java „ 56

Nieuw-Guinea „ 38 Selebes „ 16

ocr page 164

150

Van de 200 soorten van vogels, die hier voorkomen, zijn er vier geslachten, die nergens verwanten hebben, t. w. 3 muschsoorten en 1 ijsvogel. Herten zijn op Selebes zeer algemeen.

De bevolking bestaat uit 3 Maleische hoofdstammen, nl. de Alfoeren (in de Noordelijke helft), de Boegineezen en de Makassaren. Bovendien wonen er ongeveer 7000 Chineezen en 2000 Europeanen. Het totaal der bevolking wordt geschat op 1 lji millioen.

§ 52. Res. Menado. Het belangrijkste gedeelte van het eiland is de Minahasa, die eene uitgestrektheid beslaat als onze provincie Gelderland , en daarbij 150 000 inwoners telt (Gelderland 450 000).

De bodem is eene vulkanische bergstreek met modderwellen, warme bronnen, zwaveldampen, enz.; de Minahasa heeft dan ook veel te lijden van aardbevingen.

De grond is echter zeer vruchtbaar en uitstekend ontgonnen; de landbouw bloeit, en van beteekenis zijn: koffie, (Menado-koffie!), rijst, cacao, katoen en andere vezelstoffen en tabak.

Menado (9) en Kema (4) zijn aangename, doch stille Indische plaatsjes; als handelshavens beteekenen zij weinig; zonder gevolg is getracht, door ze tot „vrijhavensquot; te verklaren, den handel aan te moedigen; de haven van Kema wordt wel door Amerikaansche walvischvaarders bezocht.

Tondano (12) is de aanzienlijkste plaats in het binnenland. Voor nauwelijks 60 jaren was ook in dit deel van den Archipel het land nog eene woestenij en bestond het volk uit naakt loopende wilden, die hunne ruwe woningen met menschen-schedels versierden. Nu is het eene der bloeiendste landschappen ; goede wegen en paden doorkruisen het in alle richtingen en de dorpen zijn omringd door koffieplantsoenen , die met de schoonste in den Archipel kunnen wedijveren, afgewisseld door rijstvelden, meer dan voldoende voor de behoeften dei-bevolking.

Niet ten onrechte geeft men dan ook dikwijls aan dit deel van Selebes den naam van „Klein-Javaquot;.

En in geen ander deel van den Archipel is de bevolking

ocr page 165

151

onder den heilzamen invloed van Europeesche zendelingen (Riedel!) meer tot vlijtige, vreedzame en ordelijke menschen gemaakt dan hier.

Tondano ligt aan het benedeneinde van het meer van denzelfden naam, dat in grootte ongeveer overeenkomt met ons vroegere Haarlemmermeer. Ruim één • paal beneden Tondano is een waterval, waarschijnlijk de schoonste van den geheelen Archipel, waarvan wij bij Wallace lezen: „Even boven den waterval is het rivierbed niet breeder dan tien voet, bekneld in eene nauwe en bochtige bergspleet ; op deze plaats zijn eenige planken over den stroom geworpen , vanwaar men de kokende wateren, half door den weligen plantengroei verborgen , den afgrond ziet te gemoet snellen , waarin zij eenige voeten verder met donderend geweld neerploffen; zoowel het gezicht als het geluid zijn indrukwekkend ; de diepte bedraagt misschien 5 a 600 voet, doch is eigenlijk over twee of drie vallen verdeeld.quot;

§ 53. Gouvernement van Selebes en Onderhoorigheden. De Zuidelijke helft van het eiland vormt, met eenige van de kleine Soenda-eilanden, het Gouvernement van Celebes en Onderhoorigheden.

De hoofdstad Makassar (25) is eene der levendigste havensteden van den Archipel en wordt als zoodanig wel: „klein Singaporequot; genoemd ; stoombootlijnen verbinden het met Soe-rabaja en met de Molukken.

De Europeesche stad kreeg van onze voorouders den naam Vlaardingen; deze naam is alleen toepasselijk op de oude stad.

De bevolking bestaat uit allerlei Indische nationaliteiten: de Boegineezen en Makassaren, inboorlingen, bewonen de Kampong Boegi; de Maleiers zijn bijeen in hun Kampong Melajoe;

I in de buitenwijk der Europeanen , Kampong Baroe (Baroe beduidt „vreemdelingenquot;), zijn de gouvernementsgebouwen en de villa's van de Europeesche ambtenaren en handelaars.

Visehvangst is voor de inlandsche bevolking hoofdmiddel van bestaan; Makassar is de grootste markt voor de tripang.

De tripangvisschers gaan met hunne vaartuigen jaarlijks naar de kusten van Nieuw-Holland, waar op de koraalbanken eene rijke vangst is.

ocr page 166

152

De reukwerken en oliën van Makassar zijn beroemd; zij vormen met de Makassaarsche paarden de hoofdartikelen van uitvoer. Bovendien maakt men er in den laatsten tijd heel wat werk van het verzamelen van mooie vogels, om die te verzenden naar Parijs, waar men ze als opschik op dameshoeden gebruikt.

Bonthain, aan de Zuidkust, ligt in eene vruchtbare streek en heeft uitvoer van koffie en druiven.

In dit Zuidelijk gedeelte van het eiland liggen leenrijkjes als Goa, het overblijfsel van het rijk der Makassaren, Boni, of het land der Boegineezen; beide rijken zijn toonbeelden van gevallen grootheid.

De vestiging van ons gezag in dit gedeelte van Selebes dagteekent in hoofdzaak van 1859, toen de belangrijke Boniexpeditie heeft plaats gehad.

Voor het bestuur van die kleine Soenda-eilanden, welke onder den gouverneur van Makassar staan, is te Bima (op Soembawa) een controleur gevestigd.

HOOFDSTUK XIV.

De Kleine Soenda-eilanden.

Opgaven :

1. Noem de Kleine Soenda-eilanden.

2. Door welke straten worden ze gescheiden?

§ 54. Overzicht. De Kleine Soenda-eilanden strekken zich uit tusschen Java en de Zuidwester-eilanden en zijn door de Flores-zee van Selebes gescheiden. Administratief behooren ze tot 3 residentiën. De belangrijkste eilanden van de geheele groep, Bali en Lombok, vormen sedert 1883 eene zelfstandige residentie; Soembawa enWestelij k-Flores behooren

ocr page 167

153

tot het Gouvernement van Selebes en Onderhoo-righeden, terwijl de overige eilanden de residentie Timor uitmaken.

De gezamenlijke grootte der Kleine Soenda-eilanden is ongeveer 3-maal die van Nederland, dus J van Java. Wanneer de zeespiegel enkele honderden voeten daalde, zou deze rij van eilanden een ander Java vormen, doch met droger klimaat en met andere planten en dieren.

§ 55. De res. Timor. Het eiland Timor, zoo groot als ons land, heeft over 't geheel eene dorre natuur; de droge moeson is hier meer dan elders zijn naam waardig, want het regent er in dat seizoen zelden of nooit. Timor mist de gewone karaktertrekken van den tropischen plantengroei; geheele streken worden ingenomen door doornige struiken en acasia's, terwijl de eucalypten met hunne lederachtige bladerende belangrijkste boomsoort vormen.

Ontbreken de woudreuzen, die met hunne tallooze takken, hunne luchtwortels, lianen, woekerplanten ieder voor zich een bosch vormen, evenmin ontmoeten wij er de bij den tropischen plantengroei doorgaans behoorende woudbewoners, de roofdieren, die elders den schrik doch tevens het sieraad der wildernis vormen. Hier vinden we Australische diertypen, b.v. den koeskoes en kakketoe.

Alleen in beter besproeide valleien is de landbouw van beteekenis en wordt rijst verbouwd, maar meer nog maïs (dja-goeng) en Europeesche tarwe.

Van beteekenis voorden uitvoer is was, van eene bijensoort, die in de boomen leeft (vandaar „wasboomenquot;); verder sandelhout, dat trouwens wel het hoofdproduct is van de Kleine Soenda-eilanden.

Het Portugeesche gedeelte is nog minder belangrijk dan het Nederlandsche, Delhi (Dilli) nog van minder beteekenis dan Koepang (7).

Het eiland wordt door een bergketen doorsneden, waarvan de hoogste top, de Atlas of Berg van Atapoepoe, 3500 M hoogte heeft. Was men langen tijd van gevoelen, dat de bodem rijke en uitgestrekte koperaderen bevatte, de gedane onderzoekingen bevestigden dit vermoeden niet; maar

ocr page 168

154

het onderzoek is nog te onvolkomen, om met zekerheid hierin te beslissen.

De Timoreezen staan als woest en onbeschaafd bekend; zij

hebben niets gemeen met Maleiers, zijn veel nauwer verwant met de echte P a p o e a's, die men reeds op de Aroe- en andere eilanden naar de zijde van Nieuw-Guinea aantreft.

ocr page 169

155

Poeloe Rote of Rotti, het Zuidelijkste der eilanden, ligt in 'tverlengde van Timor. Het levert uitmuntende paarden.

Flores (= Bloemeneiland) is nog weinig bekend. Het levert o. a. sa pan hout, dat men afkookt, om rood te verven. Op het Oostelijke gedeelte, dat vroeger aan Portugal behoorde, ligt de haven Larantoeka, waar de zoogenaamde „Zwarte Portugeezenquot; (katholieke kleurlingen) wonen.

Het eilandje Savoe levert paarden (telgangers). De bewoners von Sol or houden zich met walvischvangst bezig; landbouw kennen zij niet.

Soemba is het eiland van het welriekende sandelhout. Ook hier worden paarden uitgevoerd. Van het binnenland van Soemba is weinig bekend.

Hoewel Soembawa, evenmin als West-F lor es, tot de res. Timor behoort, willen we hier toch dit eiland ter sprake brengen. Het is zeer vulkanisch: vroeger maakten we reeds melding van den geduchten Tambora. Dit eiland levert ook sandelhout — hoewel niet zooveel als Timor — veel sapanhout en was van wilde bijen. Bekend zijn de paarden van Soembawa. Aan de Noordkust liggen aan diepe baaien Soembawa en Bi ma, elk met 2000 inwoners. Van de binnenlanden is ook hier niet veel bekend.

§ 56. De residentie Bali en Lombok. Zoo arm de natuur is van Timor, zoo rijk is die van Bali en Lombok; vooral Bali schijnt voor de beste streken van Java niet onder behoeven te doen. In het Noorden strekt zich een vulkanisch bergland uit, met de Goenoeng Agoeng of Piek van Bali (3200 M). In het midden is eene vlakte en in het Zuiden eene lagere bergstreek.

Op eene oppervlakte, ongeveer zoo groot als Gelderland , heeft Bali bijna een millioen inwoners , zoodat het veel dichter bevolkt is dan de genoemde provincie. Het heeft dan ook een bijzonder vruchtbaren bodem. Rijst, klapperboomen, katoen en koffie levert het in overvloed, zóó zelfs, dat nog aanzienlijke hoeveelheden rijst kunnen worden uitgevoerd naar verschillende streken van den Archipel. Naast de kokospalmen groeit o. a. de 1 o n t a r of waaierpalm , waarvan de bladeren als schrijfpapier gebruikt worden. De bevolking

ocr page 170

156

vervaardigt allerlei katoenen stoffen , ijzerwaren en sieraden van Balisch zilver, dat voor een groot deel uit tin en voor een klein deel uit zilver bestaat.

Bali vertoont nog den toestand der Hindoesche beschaving, gelijk die op Java bestond vóór de invoering van den Islam. Waarschijnlijk is de tegenwoordige bevolking afkomstig van Javanen, die hier indertijd eene wijkplaats vonden, toen het zwaard der fanatieke verbreiders van den Islam op Java zegevierde. We vinden hier althans den ongeschonden godsdienst van Brahma terug met de daaraan verbonden strenge kas-ten-indeeling en de lijken verbranding, welke laatste soms gepaard gaat met weduwenverbranding, hoewel ons Gouvernement deze afschuwelijke gewoonte ernstig tegengaat. Verscheidene Hindoe-tempels bestaan nog op het eiland.

Belangrijk is eindelijk de geschiedenis van Bali's onderwerping aan ons gezag in de drie daarvoor gevoerde oorlogen; tot 1841 onderhield ons Gouvernement weinig betrekkingen met de vorsten op Bali. De herhaalde plundering van gestrande Nederlandsche schepen had de sluiting van tractaten met de inlandsche vorsten ten gevolge, waarbij deze beloofden van het recht op gestrande goederen (k 1 i p r e c h t) af te zullen zien; doch toen het weldra bleek, dat op deze beloften niet was te vertrouwen, werd in 1846 eene expeditie uitgezonden, die een paar van de inlandsche hoofdsteden vermeesterde en te Boeleleng een fort bouwde. Een opstand van de Bali-neezen maakte in 1848 eene tweede expeditie noodig, die voor Djagaraga eene bloedige nederlaag leed en met de ontruiming van het eiland door de onzen eindigde. Eene krijgsmacht in 1849 onder Generaal Michiels slaagde beter, doch eerst na een hardnekkigen oorlog, die na de vermeestering van Djagaraga in de bergachtige en ontoegankelijke binnenlanden moest worden voortgezet; Generaal Michiels sneuvelde hierbij, waarna de kolonel Van Swieten het bevel op zich nam. Sedert 1849 dus zijn de rijken Boeleleng en Djembrana Gouvernementslanden. Bovendien zijn er nog 7 rijkjes op Bali, die hun eigen bestuur hebben, maar onze opperheerschappij erkennen. De resident woont dicht bij de belangrijke handelsplaats Boeleleng (8). De huizen der Balineezen zijn in klei opgetrokken en door dikke kleimuren omringd.

ocr page 171

157

Lombok is in 't N. vulkanisch. De Piek van Lombok is 3800 M! In 't Westen is eene kleine vlakte, waar Ampe-nan en Ma tar am liggen. De bevolking bestaat uit ± 400 000 Mohammedaansche inlanders, Sas aks geheeten en ± 20 000 Balineezen, die zich hier gevestigd hebben en in 't Westelijke deel de heerschende bevolking uitmaken.

Ook Lombok is zeer vruchtbaar : het voert veel rijst uit.

De vorst van Lombok onderdrukte de Sasaks en gaf aanleiding tot allerlei ongeregeldheden, zoodat in 1894 de bekende Lombok-expeditie plaats had , waarbij ruim 400 officieren en minderen den dood vonden en de Lomboksche potentaat zijn gebied verloor.

HOOFDSTUK XV.

De Moluksche Archipel.

Opgaven:

1. Welke Moluksche eilanden omkransen voor een groot deel de Banda-zee?

2. Welke Molukken liggen tusschen Selebes en Nieuw-Guinea ten N. van de Seram-zee?

§ 57. Overzicht. Onder den naam Molukken, ten dage der Compagnie de „Groote Oostquot; genaamd, verstond men vroeger (17e eeuw) alleen de Ternataansche eilanden; tegenwoordig vat men er het geheele gebied door samen van de residenties Temate en Ambon.

De meeste der Moluksche eilanden zijn bergachtig en vulkanisch en door gemis aan voldoende besproeiing niet geschikt voor den rijstbouw. In vlakten, bij de kleine riviertjes, groeien sagopalmen, terwijl op sommige eilanden maïs wordt verbouwd. Van den voet tot de kruin bekleeden doorgaans

ocr page 172

158

dichte bosschen de bergen; herten en wilde zwijnen houden zich daarin op; maar verscheurende dieren, als op Java, worden in de Molukken niet gevonden, en vergiftige slangen zijn er ook zeldzaam. Eene zeldzame verscheidenheid van fraai gevederde vogels leeft hier en geeft den inlander een deel van zijn bestaan.

§ 58. De residentie Ternate. Halmahera of Djilolo is het grootste, niet het belangrijkste eiland; de Sultan van Ternate en de Nederlandsche resident houden verblijf op het eiland Ternate, eigenlijk niets anders dan een groote vuurspuwende berg, om welks breeden voet de menschen zich gevestigd hebben, en tegen welks vruchtbare hellingen tot op zekere hoogte tuinen zijn aangelegd. De kruin van den berg rookt onophoudelijk, werpt asch en zand uit en herinnert voortdurend door zijne schuddingen, op welken gevaarlijken bodem men hier gebouwd heeft.

Onmiddellijk bij Ternate ligt Tidore, een even klein en onbeduidend eiland; ook hier houdt een Sultan verblijf, die over een uitgestrekt eilandengebied heet te heerschen. De Sultan van Ternate breidde zijn gebied uit tot op Selebes en die van Tidore tot op Nieuw-Guinea.

Belangrijker zijn de Batjan-eilanden, onder een derden Sultan. Op Batjan zijn goud en steenkolen ontdekt, die door de Batjan-maatschappij ontgonnen worden.

De Soela-eilanden leveren was, karet (schildpad van de omliggende koraalriffen), vogelnestjes en tripang; de laatste twee artikelen voor de Chineesche keuken.

Tot de Residentie Ternate behoort ook het Nederlandsch gebied op Nieuw-Guinea: de Westelijke helft van dat groote eiland behoort indirect tot onze bezittingen, maar ons gezag wordt er niet uitgeoefend. Slechts eenmaal hadden wij aan de kust eene nederzetting, fort du Bus, maar het ongezond klimaat was oorzaak, dat de plaats weer werd verlaten (1836); thans geven alleen eenige merkpalen van onze souvereiniteit over dit gebied het bewijs, welke palen door den inlander met stomme bewondering worden aangezien, ja, somtijds vereering genieten.

ocr page 173
ocr page 174

160

Even gering als de invloed, dien wij er hebben, is ook de kennis van land en volk; al ontwaakt in de laatste jaren de belangstelling in Nieuw-Guinea ook steeds meer, zoowel bij aardrijkskundige genootschappen en handelaars als bij de regeeringen.

De Oostelijke helft van het eiland is ten deele Engelsch; er is sprake van kolonisatie van dit gedeelte uit Queensland. Een ander deel is Duitsch: „Keizer-Wilhelmsland.quot;

Herhaalde reizen zijn in de laatste jaren gedaan, om de leemte in onze kennis van de uitgestrekte binnenlanden een weinig aan te vullen, maar de reizigers leeren de inboorlingen als gevaarlijk kennen en de rivieren zijn slechts over een kort gedeelte, van de monding uit, bevaarbaar.

De binnenlanden hebben, in tegenstelling met Australië's vastland, een weelderigen plantengroei, dichte wouden; rizophoren, palmen (sago, areca e. a.), pandanen en andere tropische boomsoorten; de natuur zou den kolonisten vooral aanplant van suikerriet en katoen mogelijk maken.

Tot nu toe bestaan slechts eenige handelsbetrekkingen tus-schen enkele kustpunten en de Moluksche eilanden; alleen de uitvoer van muskaatnoten is van eenige beteekenis, terwijl bovendien in de zeeën bij Nieuw-Guinea veel tripang gevischt en schildpad verzameld wordt.

De dierenwereld is arm aan nuttige soorten ; kenmerkend zijn de paradijsvogels, „godsvogelsquot;, om hunne kleurenweelde zoo gezocht, en papegaaien in vele soorten; verder de buideldieren, in soort weer verschillende met die van Australië.

De Papoea's worden o. a. door Wallace, als menschen met gunstigen aanleg geroemd , maar zij zijn veel minder dan de volken van Maleisch ras met vreemden in aanraking gekomen en staan daardoor bij dezen thans ver achter. Een deel der bevolking van Nieuw-Guinea woont in de kustdorpen, in paalwoningen; zij zijn zeer ruw en van invloed van het Christendom is bij hen nog weinig sprake, terwijl de stammen in het binnenland zelfs bepaald tegen eiken vreemdeling vijandig gezind zijn.

Is de Maleier in zich zelf gekeerd en teruggetrokken van aard, den Papoea vindt men afgeschilderd als luidruchtig,

ocr page 175

161

ocr page 176

162

Zijn op de meeste eilanden de inlanders woeste, onbeschaafde Alfoeren, op Ambon zijn zij voor 'tmeerendeel tot het Christendom bekeerd, eene omstandigheid, die, evenals elders, van invloed is geweest op de zeden, de levenswijze en de kleeding der bewoners.

De Islam heeft in dit gedeelte van den Indischeri Archipel tot nu toe alleen in enkele strandplaatsen aanhang gevonden.

Van de Banda-eilanden, die eene afdeeling van de Ambonsche residentie vormen, zijn eenige bewoond, eenige niet. Een altijd rookende vulkaan is het eiland Goenoeng Api. Het belangrijkst zijn echter Groot-Banda of Lontor en Neira. De „perkenquot; van muskaatnotenboomen op deze eilanden hebben het voorkomen van uitgebreide , rijk beschaduwde tuinen : de note-muskaatboom (Fig. 23) behoort onder de fraaiste der tropische gewassen. De vrucht heeft de grootte en kleur van eene perzik. Als zij rijp is, barst de buitenste bekleeding en vertoont zich de hoogroode kleur der foelie, waardoor de boom een schilderachtig aanzien verkrijgt. De noten worden van de hooge boomen geplukt met behulp van een korfje, aan een bamboezen stok gehecht en gai-gai geheeten, om den boom, noch de vrucht te beschadigen. De notenplukker heeft een korf op den rug, om er de verzamelde vruchten in te bergen.

De volgende fraaie beschrijving van het notenplukken treffen wij aan in' „Banda en zijne Bewonersquot;, door Mr. Van der Linden:

„Des morgens om vijf uur, tegen het opkomen der zon , wordt de klok van het perkhuis geluid, om de arbeiders te waarschuwen, dat de tijd van opstaan daar is. Overal heerscht beweging: mannen, vrouwen, jongens en meisjes maken zich gereed, om op de pluk te gaan. Eenigen nuttigen hunne portie rijst vooraf, anderen nemen ze met zich en ontbijten in het bosch. De plukkers en pluksters zijn voorzien van eene lange bamboe, aan het einde waarvan een klein korfje zit, en eenige verlengstukken, die zij, gelijk wij in Holland de hengels, in elkander kunnen schuiven. Op den rug dragen zij den korf, om de geplukte noten daarin te verzamelen.

De noteboomen moeten het thans ontgelden. Maar zij, de dragers van het goud, verheugen zich in de komst van de bende; want ziet, hoe de takken, zóó dat zij onderstut moeten worden, door de wicht dei-noten neerwaarts buigen. Merkt op de courtoisie, die zelfs in het bosch heerscht: de boomen, die gemakkelijk te bereiken zijn, worden voor de

ocr page 177

163

vrouwen en meisjes gelaten; de tegen gevaarlijke hellingen aanstaande of die, waarin geklommen moet worden, daarop gaan de mannen los. Vlug leest de gai-gai de vrachten; de oefening heeft het oog gescherpt en de hand vaardig gemaakt. Zit de vrucht te hoog om ze tusschen den kleinen vork, geplaatst boven het korfje, dat aan de bamboe is vastgemaakt, te vatten en daarna met een ruk den steel te doen afbreken, zoodat de vrucht in het peervormige korfje valt, dan klimt de man in den boom, maar de vrouw weet er beter raad op: zij steekt de tweede bamboe op de eerste, de derde op de tweede en wel hoog moet de muskaat hangen , wordt zij niet op die wijze bereikt.

Is de vrucht geplukt, dan wordt zij van de bruingele buitenschil ontdaan, die, onder den boom geworpen, na verrotting een goede mest is en de noot, door de foelie omgeven, wordt in den groot«n korf geborgen.quot;

In den eersten tijd der Compagnie geschiedde de arbeid door zoogenaamde perkslaven. Later is Banda lang eene verbanningsplaats geweest. In 1864 is het als zoodanig opgeheven en is vrije arbeid ingevoerd.

Voor al zulke plaatsen als Ambon, Banda en Kajeli, dat op Boeroe ligt en na Ambon en Banda de voornaamste haven in de Molnkken is , is de aankomst der maandelijksche mailboot, van Makassar, als het ware een feestdag. Overigens ziet men in de Moluksche zeeën slechts inlandsche vaartuigen,

O 7

die ook voor de gemeenschap tusschen de verschillende eilanden zorgen. Vele dier eilanden zijn door koraalriffen omringd.

Tot de Banda-groep behoort ook het eilandje Rozengain, waar van staatswege djati-bosschen worden aangekweekt.

De Tanembar-eilanden of Timorlaoet worden uit vrees voor de bevolking (gemengde Papoea's) weinig bezocht.

De Kei- en de Aroe-eilanden, in den Zuidoosthoek der residentie , zijn meestal vlak en worden druk bezocht. In den Westmoeson is er stilstand van zaken; maar in den Oost-moeson wordt er een levendige ruilhandel gedreven in paar-len, tripang, vogelnestjes, schildpad en paradijsvogels. Zoo althans is het in de hoofd- en havenplaats Dobo op het kleine eiland AVammer. Te Toeal, op de Kei-eilanden, bestaat eene stoomhoutzagerij!

•11*

ocr page 178

164

HOOFDSTUK XVI.

Nederlandsch West-Indië.

§ 60. Historische bijzonderheden; de Nederlanders in Amerika.

In het laatst der 16e eeuw begonnen ook de tochten van de Nederlanders naar Amerika. Olivier van Noordt deed van 1598—1601 zijne reis om de wereld, waarbij hij ook de Braziliaansche kust bezocht. Eenige jaren later, in 1609, werd door den Engelschman Hudson, in Nederlandsch en dienst, bij het zoeken van eene Noordwestelijke doorvaart naar Indië, de rivier ontdekt, die thans nog zijn naam draagt en aan welke, op de plaats, waar nu Amerika's grootste stad ligt, kort na de ontdekking, de grond gelegd werd tot de kolonie Nieuw-Nederland. Deze volkplanting nam spoedig in bloei toe en kreeg tot hoofdstad Nieuw-Amsterdam, op het riviereilandje Manhattan, dat in 1625 voor ƒ60 van de Indianen werd gekocht. Thans is dit de „cityquot; van New-York!

Ook in de West-Indische zeeën en aan de Zuid-Amerikaansche kusten werd dra de Nederlandsche vlag ontplooid, en in dezelfde dagen en wat later voerden hier onze zeelieden strijd met de Portugeezen en Spanjaarden.

In 1621 werd do West-Indische Compagnie opgericht voor den handel op Amerika en ook op Afrika; het toeval had hier in 1590 den Enkhuizer schipper Barend Erickszoon op de kust van Guinea, de Goudkust, doen verzeilen, en dit was 'tbegin geworden van een winstgevenden handel in goud, olifantstanden, gom en huiden, terwijl vaderlandsche manufacturen naar die negerlanden werden uitgevoerd. In 15 jaren deden 200 schepen de reis.

Beleefde de West-Indische Compagnie een enkel schitterend tijdvak, haar bloei was niet zoo duurzaam als die van de Oost-Indische Compagnie. Dikwijls hadden de gouverneurs der Compagnie in Amerika gebrek aan geld en soldaten.

Zoo kwam het, dat althans de bezittingen in Brazilië

ocr page 179

165

achteruit gingen, eu toen Portugal in 1640 zijne onafhankelijkheid -van Spanje ging heroveren, begonnen de Portugeezen ons in Brazilië, dat sedert de ontdekking (Cabral, 1500) hunne bezitting was geweest, te bestoken, totdat, bij den vrede met Portugal in 1661, al onze aanspraken op Brazilië voor ƒ 8 000 000 werden opgegeven.

In West-Indië hadden de Nederlanders op de Spanjaarden eenige Kleine Antillen veroverd, waaronder in 1634 het voornaamste , St.-Eustatius. Bij den vrede van Munster liet Spanje ons in 't bezit van die eilandjes.

De zeeoorlogen, in de 17e eeuw tusschen Nederland en Engeland gevoerd, deden ook in Amerika hun invloed gevoelen : Nieuw-Nederland ging voor ons verloren tijdens den tweeden oorlog (admiraal York); maar de Zeeuwen veroverden onder Abraham Krijnszoon daarentegen Suriname en bij den vrede van Breda (1667) werd Nieu w-Nederland door de Engelschen, Suriname door ons behouden, hetgeen toen als een voor ons voordeelige ruil werd beschouwd.

Aanvankelijk bleef Suriname eene bezitting van Zeeland, dat het later aan de West-Indische Compagnie (toen reeds eene nieuwe maatschappij) verkocht. Nog herhaaldelijk ging deze kolonie in andere handen over , o. a. voor een deel in die van de stad Amsterdam en voor een ander deel in die van de familie Sommelsdijk.

Tot de inwendige aangelegenheden van de kolonie Suriname, gedurende de ISquot; eeuw, behoor en in de eerste plaats de herhaalde aanvallen van de Franschen en de steeds weder-keerende opstanden van en oorlogen met de Bosch negers of Marrons.

Eindelijk gingen, kort voor den ondergang van onze Repu-pliek, al de bezittingen in Amerika over aan den Staat.

In den Franschen tijd was West-Indië evenals Oost-Indië in handen van de Engelschen, doch na het horstel van onze onafhankelijkheid maakte het Engelsche tusschenbestuur weer plaats voor het Nederlandsche bewind en kregen wij in 1814 onze koloniën terug.

§ 61. Overzicht. Nederland bezit thans in Amerika: Suriname met eene oppervlakte van vijfmaal ons Vaderland, dus ruim

ocr page 180

166

zoo groot als het eiland Java. De bevolking is aan die grootte ^.lang niet in sterkte geëvenredigd; ze bedraagt slecbts zestigduizend menschen, zonder de weinig talrijke Boschnegers en Indianen.

Verder zijn Nederlandsch eenige eilandjes in de West-Indische wateren, nl. de groep van Curapao vóór de Venezuelaansche kust; St.-Eustatius, Saba en St.-Martin (dit laatste voor de helft echter Fransch) in de kleine Antillen. - Staatkundig zijn onze koloniën in Amerika verdeeld in twee gouvernementen:

I. het gouvernement van Suriname; hoofdstad Paramaribo.

II. het gouvernement van Curapao en onderhoorigheden; hoofdstad Willemstad.

HOOFDSTUK XVII.

Suriname.

Opgaven:

1. Geef van de kaart de grenzen van Suriname op.

2. Bepaal van de kaart de lengte en breedte, waarop Paramaribo is gelegen.

3. Bereken het tijdsverschil van Paramaribo met Amsterdam en met Batavia.

§ 62. Ligging, bodem en rivieren.

Van den Orinoco tot de Amazone is de waterzoom van de Zuid-Amerikaansche kust een ondiep, modderig, brak mengsel, dat eene bijna onmerkbaar hellende alluviale laag overdekt. Deze strekt zich tien tot twintig mijlen ver in zee uit en getuigt van de ontzaglijke watermassa's, die onophoudelijk, met geringe verschillen voor de jaargetijden, door de tallooze rivieren van de Zuidelijke bergen in den Oceaan worden uitgestort.

ocr page 181

167

Van de zee gezien, vertoont zich die kust als eene eentonige lijn van laag bosch , dat bij onderzoek ondoordringbaar zou blijken en bestaande uit rizophoren of mangroves (zie § 6). Nu en dan is die lijn alleen afgebroken door eene breede opening, de monding van een dier vele stroomen, waarvan de meeste en niet eens de grootste, zoowel in lengte als in watermassa, Theems of Schelde evenaren of overtreffen. De sterke stroom der rivier, ver in zee merkbaar, doet zich bij de nadering dra gevoelen door het stampen en slingeren van het schip.

Het Nederlandsche gedeelte, bij onze vaderen van de 17e eeuw algemeen de „Vaste of Wilde kust van Zuid-Amerika of Caribaniaquot; genoemd, is ongeveer 60 uur lang en laag en moerassig. Zandbanken maken bijna overal de nadering moeilijk en een zeestroom, die er steeds in Westelijke richting langs strijkt (de Zuidelijke equatoriale stroom), veroorzaakt eene sterke branding.

Goede havens worden niet gevormd; andere inhammen dan de breede riviermonden zijn er niet.

„Het zeestrand zelf levert voor het oog overal een gelijkvormig somber tafereel op. Duizenden van gestorven, ontwortelde en aangespoelde boomen liggen er in alle richtingen verspreid; de grond, een weeke modder, waarin men tot aan de knieën wegzakt, is door millioenen krabben doorploegd, en in het houtgewas, waarmede deze sombere kust is begroeid, houden zwermen van muskieten en andere stekende muggen hun verblijf. Vluchten van allerlei watervogels vinden hier gedurende de ebbe in ongestoorde rust rijkelijk hun voedsel, terwijl bij den vloed haaien en andere roofvisschen tusschen het met water overdekte hout ronddwalen. Even laag zijn de monden der rivieren, waarvan de oevers echter door bosschen van mangroveboomen, die door hunne wortels en loten ondoordringbare verschansingen vormen, tegen het geweld der branding beschut worden.

Hoe verder men zich van de zee verwijdert, des te meer verandert het tooneel. De oevers zijn met andere gewassen begroeid; grootere boomen steken boven het lagere boutgewas uit; de slanke pinapalm vertoont zich in menigte; klim- en woekerplanten bedekken de boomen en slingeren zich van tak tot tak. Overal langs de rivieren heerscht dezelfde weelderige plantengroei, en in het heldere, donkere water spiegelt zich het landschap overheerlijk af. In het groen verscholen liggen langs de rivieren de plantages.

ocr page 182

168

Tocli is hier nog alles vlak; eerst daar, waar heuvels den loop dei-rivier bepalen, waar de rotsgronden beginnen, bevindt zich de grens der bebouwing; hier is de ingang tot het onbekende land. Alleen in het vijftien tot twintig uur gaans breede, alluviale gedeelte liggen de plantagesquot;.

(Kappler , Herinneringen uit Hollandsch-Guyand).

Naar de zijde van Fransch-Guyana of Cayenne is de Marowijne met de Lawa de grensrivier; naar de zijde van En-gelsch-Guyana of Berhice de Corantijn. Cayenne = l x Suriname. Het uitgestrekte Britse he grondgebied, -j X Suriname, bevat de drie provinciën: Berhice, Demerary en Essequiho. *

De grens met Fransch-Guyana gaf in do laatste jaren tot moeilijkheden aanleiding: de Marowijne, in deze eeuw als grensrivier beschouwd, heeft 2 bronrivieren, de Lawa (r.) en de Tapanahoni (1.). Van deze werd de Lawa vrij algemeen als de hoofdrivier beschouwd; eerst na 1850 beweerde de Fransche regeering, dat de Tapanahoni hoofdrivier en dus grens was. Aardrijkskundige onderzoekingen — op een drietal expeditiën van Fransch-Nederlandsche commission in 1860-'62 — tot ver in de binnenlanden, bevestigden vrij wel 't gevoelen van 't meerdere belang der Lawa. Deze uitkomst echter is nooit diplomatiek bekrachtigd geworden, en de vraag bleef bestaan, welke der twee rivieren als grens moest worden beschouwd, 't Betwiste gebied, misschien ± 2/3 X .Nederland in grootte, is bedekt met tropisch woud, hier en daar enkele savannah's (grassteppen). Als bevolking leven er eenige honderden Boschnegers en een gering aantal Indianen.

Het vraagstuk nam in beteekenis toe, toen goud werd gevonden en zich sedert 1885 troepjes avonturiers, zonder concessie, ten Westen van de Lawa vestigden: van Cayenne uit voeren zij zoover mogelijk de Maroni-Lawa op, lieten zich daarna 20 a 25 dagreizen in kano's door de inlanders opwaarts roeien, tot waar een tweetal geïmproviseerde landingsplaatsen den weg — een moeilijk begaanbaar boschpad — naar Dorado aanduidden. Eene zeer gemengde bevolking van 3 a 4000 menschen was hier weldra bijeen, doch in een toestand van de grootste verwarring en bandeloosheid.

In 1888 werd besloten het betwiste gebied te ontruimen en in dat zelfde jaar deed onze Eegeering het voorstel eene scheidsrechterlijke uitspraak in te roepen. Dit is geschied en de beslissing van den scheidsrechter — den Czar van Rusland — wees de Lawa als hoofdrivier en dus 't betwiste gebied als Xederlandsch aan.

ocr page 183

169

In de kolonie zelve is de Suriname de hoofdrivier. Heeft deze bij de hoofdstad eene breedte van ruim een half urn-gaans, de Marowijne, bij de Indianen Maroni geheeten, is in den benedenloop niet minder dan een uur gaans breed en de Corantijn is aan de monding zelfs nog breeder.

De rivieren hebben een vrij langen benedenloop : eerst op vijftien a twintig uur gaans van de kust beginnen de eerste heuvels en daarachter verrijzen in de verte de donkere, blauwe bergen, nog met dichte bosschen bedekt; deze bergstelsels, die men aanduidt met den naam Bergland van Guyana, maken naaide zijde van Brazilië de niet bepaalde grens uit en vormen tevens de waterscheiding mot het Amazone-gebied. In deze wouden van het equatoriale hoogland, waar de reizigers in vroegere eeuwen het geheimzinnige en fabelachtige Dorado (Goudland) zochten, liggen de bronnen der rivieren verborgen.

Groot is de beteekenis der rivieren in de kolonie: zij zijn de uitsluitende verkeerswegen. Engelsch-Guyana heeft goede kunstwegen, maar Suriname niet. Al de hoofdrivieren hebben gemeenschap met elkander; sommige door gegraven kanalen, andere op natuurlijke wijze, door bifurcaties. Deze natuurlijke kanalen heeten hier kreken; men kan uit de Corantijn in de 60 uur meer Oostelijk stroo-mende Marowijne komen, zonder dat men tot eene zeereis de toevlucht behoeft te nemen. De Suriname, met de Com-m e w ij n e, is de hartader der kolonie, die dan ook voor een aanzienlijk deel tot de oevers van deze rivier beperkt is. Deze rivier heeft vele watervallen, b. v. de Sisaboval. Maar ook andere rivieren zijn rijk aan watervallen. Zoo zijn in de Marowijne de Pedrosoengoevallen bekend, in de Saramacca de zoogenaamde G r o o t e vallen en in de Coppename de Raleighvallen.

1. Welke is de algemeene richting van de Surinaamsche hoofdrivieren, welke die van de zijrivieren?

2. Geef van de kaart op, welke rivier met de Suriname een gemeeilschappelijken mond heeft; welke met de Corantij n.

Tusschen het vruchtbare alluviale kustgebied en de heuvels en bergen in het Zuiden ligt het zoogenaamde

ocr page 184

170

Savannen-gebied, half steppe, half bosch. De savannen vertoo-nen overeenkomst met de prairiën of de pampa's van andere streken in Amerika. Dé bodem bestaat uit zandgronden; deze zijn met harde grassoorten bedekt. Boomgroei komt weinig voor; alleen aan de oevers der rivieren vinden wij het hoogstammige woud van het vorige en het volgende gebied terug. Als een gordel van een paar uur gaans breedte strekken deze savannen zich door de kolonie uit en begrenzen aldus het door de cultuur in bezit genomen gedeelte.

§ 63. Klimaat, Plantengroei en Dierenwereld. Het zoo dicht • bij den evenaar gelegen land heeft een heet, tropisch klimaat; de [temperatuur bedraagt gemiddeld zeker niet minder dan in Oost-Indië; maar toch is de dampkring over het geheel niet drukkend, waarschijnlijk als gevolg van de ontzaglijke wouden en de ook daardoor ontstaande groote vochtigheid.

Overdag is de hemel bijna nooit onbewolkt, maar daarentegen is hij 's nachts doorgaans helder en aanschouwt men een sterrenhemel, prachtiger dan onze Noordelijke breedten te zien geven. Aangaande den duur van dag en nacht, zoomede van de schemering geldt hetzelfde, wat voor Oost-Indië werd medegedeeld.

Ten aanzien van de regenverdeeiing wijkt het West-Indische klimaat nog eenigszins van dat in de Oost af: de regentijd en liet droge seizoen komen elk tweemaal in den loop des jaars voor; men spreekt van den „groetenquot; en den „kleinenquot; regentijd en evenzoo bij het droge jaargetijde van den grooten en kleinen drogen tijd; maar de overgangen zijn onregelmatig, niet scherp geteekend. Het aantal regendagen in Paramaribo bedraagt, volgens waarnemingen, die in 1864 zijn begonnen, 200 'sjaars; de gemiddelde regen-hoeveelheid 2200 mM per jaar.

Niet minder dan in Oost-Indië heerscht in Suriname een echt tropische plantengroei, waarvoor de onmisbare factoren, „warmte, vochtigheid en een vruchtbare bodemquot;, hierin even ruime mate aanwezig zijn als ginds.

Toch mag, bij eene vergelijking met Oost-Indië, niet aan Java worden gedacht; immers de mensch, die op Java zulk een grooten invloed uitoefent op den plantengroei, ontbreekt bijna geheel in Suriname; liever denken wij daarom bij eene

ocr page 185

171

vergelijking aan het niet minder vruchtbare en meer oorspronkelijke eiland Borneo. Daar, gelijk in Suriname, bedekken oorspronkelijke wouden bijna de gansche oppervlakte en vergeefs wordt gewacht op de hand, die de boomen velt en den grond ontgint.

Het hoofdmiddel van bestaan voor de kolonie mqet berusten op de plantages: de vruchtbare bodem, de weelderige planten-

groei, waarbij binnen drie maanden gezaaid en geoogst kan worden, wijzen daar als van zelf op. De kolonisten, die zich in de 17' en IS' eeuw in Guyana nederzett'en, legden zich

ocr page 186

172

dan ook uitsluitend op den plantagebouw toe, waarbij de veldarbeid door slaven werd verricht.

De voornaamste plantages zijn die voor suikerriet; dan volgen die met cacao; de opbrengst van de koffie en van de katoen, eenmaal van beteekenis, is tegenwoordig niet meer van belang.

Bij de meeste plantages liggen zoogenaamde kostgrouden, die met voedingsgewassen zijn beplant; ook zijn daarvoor afzonderlijke kostplantages, waar alles verbouwd wordt, wat voor de voeding in de kolonie noodig is: bananen, koren, r ij s t en aardvruchten.

Bananen vormen het hoofdvoedsel van alle inlanders, zoowel in Suriname als in Demerary; in Cayenne daarentegen leven Negers en Indianen meer van cassave, eene meelspijs, die de maniokboom oplevert.

Aan vruchten is Guyana nauwelijks minder rijk dan Oost-Indië: ananas, oranje-appels, meloenen, mangga's, tamarinde en vele andere soorten.

De plantages zijn alle op eenigen afstand landwaarts in aan de rivier gelegen, veilig verscholen en van de zee gescheiden door den dicht ineengestrengelden zoom van mangroves. De ligging aan de zeekust zou voor het verschepen van de producten wel veel waard zijn; maar de sterke branding spoelt aan de zeekust menig stuk land weg en heeft reeds herhaaldelijk onheil gesticht. Bovendien vreesden de kolonisten in vroegeren tijd de vrijbuiters en boekaniers, die in de 17' en 18° eeuw op menige rijke plantage een aanval deden.

De kolonie is rijk aan uitstekende houtsoorten. De plantages liggen aan alle zijden door de bosschen ingesloten, doch eerst in de hooger liggende streken beginnen de eigenlijke houtgronden, waar kostbare hoornen worden geveld en verscheept. Die houthandel is nagenoeg geheel in handen van de Boschnegers, die uit hunne dorpen met houtvlotten de rivier afzakken, om het hout in Paramaribo af te leveren en met het door hen benoodigde (wapens, enz.) terug te keeren. Dichte bosschen bedekken de Surinaamsche bergen, maar van dien houtrijkdom wordt nog te weinig partij getrokken. Veel beter gaat het met het winnen van balata, eene stof.

ocr page 187

173

die het midden houdt tusscheu getah-pertja en caoutchouc.

De dieremvereld van Guyana munt niet uit door groote, evenmin door nuttige diersoorten; in dit opzicht staat trouwens het Westelijk halfrond algemeen achter bij het Oostelijk.

Onder de roofdieren behooren enkele tijgersoorten, als de jagoear, Amerika's grootste en gevaarlijkste roofdier, slechts iets kleiner dan de koningstijger van Azië; de poema of koegoear, ook wel Amerikaansche leeuw, veel kleiner en laffer dan de echte leeuw.

Verder zijn er eenige soorten van herten, buffels en wilde varkens.

Het aantal soorten van apen en bontkleurige vogels, die de uitgestrekte bosschen bevolken, is aanzienlijk.

Zeer rijk is vertegenwoordigd al, wat tot de kruipende dieren behoort: een verbazend groot aantal slangen, waaronder eenige vergiftige soorten; talrijke insecten, muskieten, enz.; in de rivieren, kreken en poelen eene groote verscheidenheid van visschen, schildpadden en hage-d is sen.

Ingevoerd zijn: runderen, paarden, ezels, schapen, geiten en varkens; doch de veeteelt is niet van bijzondere beteekenis.

Uit het delfstoffenrijk is de ontginning van goud van belang; zij dagteekent van 1876. De goudvelden liggen voor een groot deel aan de Marowijne en tusschen de Lawa en Tapa-nahony. Steeds worden meer concessiën voor de ontginning verleend. In 1876 werd voor eene waarde van ongeveer ƒ 50 000 uitgevoerd, en in 1893 werd ruim 867 KG goud gevonden ter waarde van ƒ 1 188 000.

§ 64. Bewoners. Het Gouvernement van Suriname beslaat eene oppervlakte van 41/2-maal Nederland en heeft eene bevolking van 65 000 zielen, waaronder niet begrepen zijn de in de binnenlanden zwervende Indianenstammen en Boschnegers, samen misschien tusschen 10 000 en 15 000.

Indeeling der bevolking:

1. Europeanen............± 700

2. De, in Amerika geboren, zoogenaamde ,,Cre-

oolschequot; Negers...........50 000

ocr page 188

174

Tot deze groep worden ook gerekend de afstammelingen van gemengd bloed: mulatten, mestiezen en anderen, in 't algemeen „kleurlingenquot; genoemd.

3. Immigranten; hieronder verstaat men aangeworven, op contract werkende arbeiders (voor de eerste maal in 1855 aangevoerd), uit China, West-Indië en Britsch-Indië. Het aantal onder contract verbonden Britsch-Indische immigranten vormt verreweg het grootste deel en bedraagt thans ±: 2 500. Deze immigratie kan worden beschouwd als te zijn mislukt. Thans neemt men eene proef met J a v a n e n.

4. Boschnegers of Marrons ) . , , , , - - 4000

5. Indianen (Roodhuiden) | 111 bovenlanden . ^ 2000

De oorspronkelijke bewoners van Guyana, de Indianen, behoorden ten tijde van de komst der Engelschen en Hollanders tot talrijke stammen; thans zijn de voornaamste de Cariben en de Arowakken, de kaatsten langs de stranden; de eersten hooger op langs de rivieren. Dieper in 't binnenland waren vroeger nog tal van kleine stammen, thans bijna geheel verdwenen; eerst als men op Braziliaansch gebied komt, bij Rio Negro en Amazone, treft men vele en talrijke Indiaansche stammen aan. Deze „Roodhuidenquot; zijn middelmatig of klein van gestalte, met platte gezichten, gitzwart en glad haar en licht koperkleurige huid, die rood beschilderd wordt met eene verf, welke zij uit een in 't wild groei-end gewas bereiden (Bixa Orellana). Vooral de vrouwen dragen veel oor- en neusversierselen en eene massa koralen; de opperhoofden of Uilen, zooals de oude Hollanders hen noemden, dragen hoofd- en andere sieraden van vederen, goud, enz.

De mannen jagen, visschen, maken kano's en wapens. De vrouwen doen den weinigen veldarbeid, verzamelen wortelen en vruchten, bereiden het eten, weven hangmatten van de katoen, die hier en daar in 't wild groeit. Jams en andere wortelen, cassave of maniok leveren niet alleen brood, maar ook verschillende soorten van bedwelmende dranken. Gingen zij zich bij hunne feesten hieraan te buiten, eene ramp werd voor hen die gewoonte, toen Hollandsche en Engelsche schip-

ocr page 189

175

pers hen in kennis brachten met brandewijn. Deze hartstocht is 't eenige, dat zij van de Enropeesche beschaving overnamen en werd mamp;t ziekten oorzaak hunner vermindering. Hun land is daarbij vaak een waar Dorado: niet alleen ligt goud daar in den vorm van suiker, koffie, cacao enz., maar zelfs in den natuurlijken staat. Terwijl echter onze voorvaderen in Insulinde geregeld bestuurde rijken vonden met millioenen bewoners, die werkten, produceerden en in eene geordende maatschappij samenwoonden, troffen zij in Guyana niets dan eene dungezaaide bevolking, als nomaden levende , schuw en tot veldarbeid ongenegen en niet meer duizendtallen tellende dan in O.-I. millioenen.

De Cariben waren zeer krijgshaftig, al hadden zij slechts een boog (doch met vergiftige pijlspitsen) als wupen.

Allen stonden op den laagsten trap van beschaving; zij woonden in rieten hutten met hangmatten; het huisraad bestond uit gevlochten korfjes, gekleurde potten en niet veel meer. Hun godsdienst was alleen eene vrees voor duivels, en het is bewezen, dat zij, als zij konden, ook nog lang na de komst der Europeanen, menschenvleesch gebruikten, althans hunne gevangenen opaten.

§ 65. Immigranten. De verschillende eigenaars van de kolonie trachtten door den invoer van slaven arbeidskrachten te verkrijgen. De invoer van negers nam soms een grooten omvang aan, daar in de 17' en de 18'' eeuw geen tak van handel grooter voordeden opleverde dan die der slaven: voor kleine sommen werden aan do Afrikaansche kusten van de negervorsten krijgsgevangenen opgekocht en voor hoogen prijs werden deze aan de plantagehouders in de koloniën geleverd.

Dikwijls liepen de negers weg van de plantages en zochten schuilplaatsen in de dichte bosschen. Van deze weggeloopen slaven stammen de Bosch negers af, die in de Fran-sche kolonie den naam dragen van Marrons. Hun aantal nam zóó toe, dat zij de veiligheid van eene kolonie dikwijls in gevaar brachten en expedities tegen hen moesten worden uitgerust. Bijna onafgebroken werden, 60 jaar lang, zelfs slavenoorlogen gevoerd, tusschen 1715 en 1775. Ten

ocr page 190

176

slotte is er vrede met hen gesloten en is hunne onafhankelijke positie erkend.

In deze eeuw werden de slaven in de meeste landen van Amerika vrij verklaard. Voor onze kolonie werd in 1824 het verbod van invoer van slaven uitgevaardigd en in 1863 volgde de vrijverklaring. Maar ongelukkig heeft de eeuwenlange slavernij gemaakt, dat de negers thans „vrijheidquot; en „niets doenquot; als woorden van dezelfde beteekenis beschouwen. De behoeften, die de Creoolsche neger kent, zijn zeer gering: ter bewoning kan hij voor zich en zijn gezin in enkele dagen eene hut bouwen; en als hij slechts een paar uren werkt, schenkt de rijke natuur hem voedsel voor eene week.

Deze traagheid van de zwarte bevolking en het ontbreken van andere arbeidskrachten zijn de oorzaken, dat tal van eertijds bloeiende plantages thans eenzaam en vervallen zijn, niet alleen in Suriname, maar ook in andere deelen van Amerika. AVanneer men uitvoerige kaarten van onze kolonie ziet, wordt men getroffen door het herhaaldelijk voorkomende woord „verlatenquot;. Suriname is groot 2500 □ G M, en 700 hiervan zijn eenigszins bekend en maar 10 worden in cultuur gebracht!

Toevoer van arbeiders is alzoo eene eerste vraag voor den bloei der kolonie. De regeering tracht door allerlei middelen den vrijen arbeid aan te moedigen en de immigratie van arbeiders te bevorderen. Zoo zijn door het uitloven van premies in de laatste jaren de bovenbedoelde koelies tot verbintenissen op de plantages overgehaald en, gelijk wij boven zagen, vormen die immigranten een niet gering gedeelte van het bevolkingscijfer.

Ook zijn er in verschillende tijden pogingen gedaan, om het tekort aan veldarbeid van negers aan te vullen met dien van Europeanen. Die pogingen zijn echter in hoofdzaak steeds mislukt, al werden zij ook aanvankelijk met een goeden uitslag bekroond.

Zoo b. v. in de Joden-Savanne, waar in de 17' eeuw zich talrijke Portugeesche Joden vestigden (uit Brazilië verdreven) en waar een bloeiend dorp ontstond, doch waarvan men thans de sporen nauwelijks terugvindt.

In 1845 werd aan de Saramacca eene proef genomen met

ocr page 191

177

Neclerlandsche kolonisatie, op vrij groote schaal; deze proef heeft tot geen goeden uitslag geleid.

En geen beteren uitslag hadden dergelijke pogingen in het naburige Fransch-Guyana of Cayenne; hier zijn boeren uit den Elzas heen getrokken, ondersteund door de regeering; zij hebben zich gevestigd in het gebied van de Marowijne, dus bij ons grensgebied. Na eenige jaren echter moesten deze landbouwers op kosten van den staat weder repatriëeren.

De ondervinding, in Suriname opgedaan, schijnt dus het gevoelen te bevestigen, dat landbouw in de tropische gewesten niet door Europeanen kan worden verricht. Het tropisch klimaat is te afmattend, dan dat de Europeaan aldaar met zwaren veldarbeid onder den blooten hemel zijn levensonderhoud zou kunnen verdienen. Dit klimaat toch heeft men, warm en vochtig als het is, wel eens bij broeikassen-klimaat vergeleken, en terecht.

Tevergeefs zoekt men op de wereldkaart naar voorbeelden van Europeesche nederzettingen tusschen de keerkringen, waar de kolonist anders dan als grondeigenaar, handelaar, ambtenaar enz. heeft kunnen thuis geraken.

Wel daarentegen zien wij talrijke bloeiende volkplantingen in de gematigde luchtstreek: de Engelsche kolonies van Zuid-Australië en Nieuw-Zeeland, van Canada en de Kaap; of de Staten van de Noord-Amerikaansche Unie in het gebied der Canadasche meren, waar ook Nederlanders en Duitschers in aanzienlijken getale als landbouwers eene groote mate van welvaart hebben bereikt.

Suriname zou als zoodanig dus voor kolonisatie niet geschikt zijn. Wel echter indien Europeanen zich daar als grondeigenaars vestigden, en de veldarbeid door inboorlingen der tropen kon worden verricht.

En zoo blijft gebrek aan arbeidskrachten het groote bezwaar, dat aan de verheffing en den vooruitgang van Suriname in den weg staat.

§ 60. Europeesche bevolking en plaatsen. Wat het Europeesche gedeelte der bevolking betreft, het is uit den loop van de geschiedenis der kolonie verklaarbaar, hoe er het Portugees c h e, het Engelsche en het Hollandse he element,

Aitton , Oost- en West-Indi?, 4e druk. \ 2

ocr page 192

178

van drie verschillende volken dus, vertegenwoordigd is. De Engelschen toch zijn de eigenlijke eerste kolonisten in Guyana; uit Brazilië kwamen, gelijk gezegd, talrijke Portugeesche Joden.

De taal door het talrijkste gedeelte der bevolking, de Cre-oolsche negers, gesproken, heet „Neger-Engelsch.quot; Ze verdient den naam „taalquot; echter maar weinig, want inderdaad bestaat ze slechts uit een mengelmoes van woorden, die ontleend zijn aan het Portugeesch, het Engelsch en het Nederlandsch; alles bovendien met eene Afrikaansche tint.

De godsdienst is voor stellig wel de helft der bevolking die van de Moravische broeders; onder de andere helft der bewoners telt bijna elke godsdienst een aantal belijders.

Zendelingen van de Moravische broeders zijn reeds werkzaam onder de Boschnegers en met uitnemend succes.

De eenige stad van Suriname is Paramaribo (29). Volgens sommigen is de stad genoemd naar den stichter. Lord Parham, (1662); volgens anderen is „Paramariboquot; een Indiaansche naam, die „bloemenstadquot; beduidt. De Zeeuwen noemden de stad aanvankelijk, na de verovering, Nieuw-Middclburg, doch deze naam is spoedig in onbruik geraakt. In Paramaribo huist ongeveer de helft van de geheele bevolking dei-kolonie.

De ligging, aan eene bocht van de breede Beneden-Suri-name, aan den linkeroever, is voor den handel zeer gunstig: de stad is voor zeeschepen bereikbaar. Het fort Nicmv-Am-ster dam moet zoo noodig het binnenvallen der schepen beletten en heeft daartoe eene sterke ligging aan de samenvloeiing van de Suriname en de Commewijne. Onmiddellijk bij de stad ligt het fort Zeelandia.

De stad heeft een fraai aanzien; de straten zijn breed, ongeplaveid, met schelpzand gedekt. Vroeger waren de meeste aan weerszijden met oranjeboomen beplant, doch deze verdwijnen meer en meer; de huizen waren langen tijd alle van hout, doch sedert in 1832 een groote brand woedde, zijn meerdere van steen gebouwd.

De vroeger bloeiende en bevolkte voorsteden zijn nu slechts zeer weinig bewoond en verkeeren in vervallen toestand.

ocr page 193

179

De handel van de kolonie, die over de hoofdstad leidt, heeft geen grooten omvang meer; het meeste verkeer heeft plaats met Engelsch-en Fransch-Guyana, West-Indië, de Xoord-Amerikaansche Unie en naar Europa met Nederland, Engeland en Frankrijk.

De hoofdartikelen van uitvoer zijn: suiker, melasse (eene stroop, die bij de suikerbereiding verkregen wordt), rum, cacao, goud, timmerhout. Onbeduidend zijn tegenwoordig: koffie en katoen.

De geregelde gemeenschap met Europa had vroeger alleen plaats over Cayenne naar St.-Nazaire en over Georgetown naar Southampton. Thans bestaat eene rechtstreeksche verbinding , van de Kon. West-Indische M a il dienst te Amsterdam, vanwaar ééns in 3 weken een stoomschip naar West-Indië vertrekt.

Zeilschepen doen de reis van Amsterdam naar Paramaribo in 30 a 35 dagen.

Rechtstreeksche telegraphische gemeenschap tusschen Suriname en Europa bestaat tot nu toe niet.

Behalve in het gebied van de hoofdstad zijn alleen in het vroeger beschreven gebied nederzettingen.

Ten behoeve van bestuur en politie is het land in zestien districten verdeeld; deze dragen den naam naar de rivieren of kreken, in welker gebied zij gelegen zijn.

Deze districten zijn:

1.

Beneden-Suriname.

9.

Nickerie.

2.

Boven-Suriname.

10.

Coronie.

O O.

Boven-Commewijne.

11.

M a r o w ij n e.

4.

Beneden-Commewijne.

12.

M a t a p p i c a.

5.

Beneden-Para.

13.

C o m m e t e w a n e.

6.

Boven-Para.

14.

P erica.

7.

Boven-Saramacca.

15.

Boven-Cottica.

8.

Beneden-Saramacca.

16.

Beneden-Cottica.

De plantages, althans de grootere, moeten in een zekeren zin beschouwd worden als gemeenten of dorpen; de bevolking bestaat uit den aard der zaak hoofdzakelijk uit Creoolsche negers of uit immigranten; alleen de directeur en één of

ocr page 194

180

moer opzichters (blank-officier) zijn blanken. Het aantal bewoners eener plantage wisselt af tusschen nauwelijks honderd en wel een paar duizend.

Het aantal der plantages bedraagt tegenwoordig:

Veertien groote, waar enkel suikerriet wordt verbouwd (vooral van deze plantages was het aantal vroeger veel grooter).

Eeu groot honderdtal groote, waar cacao de hoofdcultuur is (deze zijn vooral ontstaan ten gevolge van den achteruitgang van de koffie- en katoenteelt; de cacao eischt veel minder zorg en kapitaal!'.

Een driehonderdtal kleinere plantages, waar meer dan ééne cultuur plaats heeft; en eindelijk een driehonderd kostplantages.

Op de suikerplantages zijn veel meer menschen dan op de andere: aan de teelt van het riet en bovendien aan de bereiding van de suiker is veel meer arbeid verbonden.

Bovendien is liet werk in de cacaovelden veel minder vermoeiend en afmattend dan in de rietvelden: de eerste zijn meer schaduwrijk, terwijl de laatste blootgesteld zijn aan de brandende zon, den zoogenaamden koperen hemel dei-tropen.

Het verkeer tusschen de plantages onderling en tusschen deze en de hoofdstad heeft, gelijk vroeger gezegd is, uitsluitend te water plaats. Daartoe werd voor 't personenvervoer vroeger algemeen gebruik gemaakt van zoogenaamde „tentbootenquot;, ruim, fraai geverfd en versierd en door acht negers geroeid; maar deze verdwijnen langzamerhand, zonder door iets anders te worden vervangen. Van tijd tot tijd bestaat gelegenheid om met stoombootjes van de hoofdstad naar sommige districten te gaan. De Indianen en Boschnegers maken algemeen gebruik van korjalen (kano's), lichte vaartuigen, bestaande uit een uitgeholden boomstam.

Gewone wegen komen in Suriname zeer weinig voor; vroeger was in het binnenland een goed onderhouden militaire weg, het zoogenaamde cordon , loopende van de Boven-Sun-name (Joden-Savanne) tot de zee (Oranje) en beschermd door

ocr page 195

181

verscllillende posten. Dit cordon is sedert lang verlaten;

voor de verdediging tegen de Boschnegers was het trouwens overbodig geworden.

§ 67. Bestuur. De samenstelling der bevolking in West-Indië verschilt van die in Oost-Indië, waar het aantal Europeanen betrekkelijk veel kleiner is.

De Nederlandsche bezittingen in Amerika hebben dan ook meer recht op den naam van koloniën dan die in Oost- —'

Indië.

Als gevolg van deze omstandigheid is het bestuur over Suriname meer ingericht naar het stelsel van autonomie, —— zelfregeering, naar het voorbeeld van de Engelsche koloniën,

b.v. Canada, Australië en het Kaapland.

Aan het hoofd van het gouvernement van Suriname staat als vertegenwoordiger der Koningin de Gouverneur, die door de Koningin wordt benoemd. Hij bezit de uitvoerende macht, waarin hij wordt ter zijde gestaan door een Raad van tr-.J quot;

Bestuur. Dit lichaam bestaat uit den Procureur-Generaal van het H o f v a n S u r i n a m e en drie andere leden, allen door de Koningin benoemd.

De Wetgevende macht deelt de Gouverneur met de Koloniale Staten: vier leden worden hiervoor jaarlijks door — den Gouverneur benoemd; de anderen, thans vijf in getal,

worden door de bevolking zelve gekozen, waarbij de kiezers aan bij de wet bepaalde vereischten moeten voldoen.

Niet de geheele wetgevende macht berust echter in de kolonie zelve. Zoo wordt b. v. de jaarlijksche begrooting van Nederlandsch West-Indië, evenals die van Oost-Indië, in het Moederland vastgesteld.

_ De West-Indische begrootingen, voor elk der beide Gou- —-

v vernementen eene afzonderlijke, sloten tot nu toe altijd met

een tekort, maar voor Curacao heeft dit opgehouden en voor Suriname neemt het tekort in de laatste jaren steeds af en er is uitzicht, dat bij toenemende belangstelling in de kolonie en daardoor verhoogden bloei, dat tekort eenmaal geheel zal ophouden te bestaan.

Land- en zeemacht in de kolonie staan onder het opperbevel van den Gouverneur. Het garnizoen van Suri-

i

ocr page 196

182

name telt ±; 400 man, voor 't grootste gedeelte in de hoofdstad en op het fort Nieuw-Amsterdam gelegen, en verder in posten, over de districten verdeeld.

HOOFDSTUK XVIIL

Gouvernement van Curacao en Onderhoorigheden.

§ 68. Grootte en Bevolking. Het Gouvernement van Curacao en Onderhoorigheden omvat:

a. de Curapaosche eilanden:

Curapao, Bonaire en Aruba, benevens eenige nog kleinere, onbewoonde eilanden.

h. de Nederlandsche Kleine Antillen of Caraïbische eilanden:

St.-Eustatius, Saba, en de helft ran St.-Nlartin (de andere helft is Fransch).

De oppervlakte van de gezamenlijke eilanden bedraagt niet meer dan ongeveer 24'/2 □ G. M., dus nagenoeg de grootte van onze provincie Utrecht.

Curacao is nog het grootst; het heeft eene smalle, lang-gestrekte gedaante; de lengte bedraagt ongeveer tien uur gaans.

De gezamenlijke herolhng van het geheele gouvernement bedraagt 46 000 zielen, dus niet veel minder dan die van de kolonie Suriname.

Het eiland Curacao alleen heeft ruim de helft van dit geheele bevolkingscijfer.

Wat de samenstelling der bevolking betreft, verschilt deze weinig van die in Suriname: voor een zeer klein deel zijn de bewoners van Europeesche afkomst; de hoofdbevolking bestaat uit Negers en Kleurlingen.

Wordt in Suriname eene leelijke, verbasterde taal, het zoogenaamde Neger-Engelsch gesproken, in Curacao bedient men zich van een geheel verbasterd Spaansch dialect.

ocr page 197

183

§ 69. Natuurlijke gesteldheid. Al onze West-Indische eilanden zijn bergachtig, doch de Curaraosche eilanden zijn veel lager dau de Antillen: de bodem van de eerste bestaat voor het grootste gedeelte uit kalkrotsen, terwijl de Antillen van vulkanisch en oorsprong zijn.

In Curacao komen in de kalkformaties mooie druipsteengrotten voor.

Het klimaat is op de Curaraosche eilanden droog: de passaatwind voert de wolken over al deze eilanden heen, waar zij door niets tegengehouden worden, tot naar de hooge boschrijke gebergten van het vasteland; hier eerst wordende wolken gestuit en vallen zware en veelvuldige stortregens. Somwijlen regent het op Curacao in een geheel jaar, of zelfs langer, geen enkele maal. Waterarmoede is dan ook een gewoon verschijnsel op deze eilanden en de plantengroei lijdt daaronder zeer.

De Antillen zijn niet zoo droog, daar zij door de aanzienlijker hoogte de zeewinden meer opvangen, deze tot opstijgen noodzaken, waardoor de neerslag aanzienlijker is.

Zijn bodem en klimaat op de eilanden van Curacao dus ongunstig, de eigenlijke West-Indische producten (suiker, koffie, tabak en katoen) komen dan ook op die eilanden niet voor. Toch is het klimaat volstrekt niet ongezond; de „gele koortsquot; alleen heerscht van tijd tot tijd.

Vroeger is dit anders geweest; tijden van langdurige droogte waren toen zeldzamer dan thans. Reeds Alexander von Humboldt, de natuurbeschrijver vooral van het tropische Amerika, schrijft de droogte van deze streken toe aan het verdwijnen van de bosschen; dikwijls werden de hoornen op roekelooze wijze geveld.

Op al de West-Indische eilanden doen zich van tijd tot tijd aardbevingen gevoelen, maar meer nog hebben zij te lijden van de gevaarlijke orkanen, die in de West-Indische zeeën waaien: cyclonen (kringstormen), die soms de grootste verwoestingen aanrichten.

Het voornaamste voortbrengsel van den Curacaoschen landbouw is maïs, niet van de gewone bij ons bekende soort, maar zoogenaamde Afrikaansche maïs, ook „kaffergierstquot; of

ocr page 198

184

doerrha genoemd, fijner van korrel en afkomstig van de kust van Guinea.

Voedingsmiddelen voor de bewoners kunnen niet in voldoende mate worden verbouwd; ja, op enkele eilanden heerscht somwijlen, ten gevolge van de groote droogte, gebrek.

De veeteelt is op Curacao vrij belangrijk. De veestapel - bestaat uit geiten (82 000), schapen (55 000; en ezels (6000).

Uit het delfstoffenrijk verkrijgen de kolonisten kalk, die als uitvoerartikel van eenige beteekenis is. Verder zijn er een aantal zoutpannen aangelegd, waar groote hoeveelheden zout worden aangemaakt, die zoowel op Curacao als op Bonaire worden verscheept.

De bodem van Aruba bevat goud, waaraan het eiland trouwens zijn naam dankt. In de laatste jaren is dit evenwel niet meer ontgonnen. Van belang zijn echter de phos-phaat-groeven (rots-guano) van Aruba: de pachtschat der Aruba-maatschappij is de hoofdbron van inkomsten voor de kolonie.

Door de betere besproeiing zijn de Antillen vruchtbaarder; toch is ook hier de productie van handelsgewassen niet meer van belang en wordt de plantagebouw verwaarloosd.

§ 70. Plaatsbeschrijving. Het eiland Curacao (11 r g. m. en 27 000 zielen) is in 't Westen hooger (St.-Christoffelberg, 360 M) dan in 't Oosten; toch heet het Westen het „Benedenquot;-en het Oosten het „Bovengedeeltequot; naar den van het Oosten komenden passaat. De hoofdstad Willemstad (10) heeft in de St.-Annabaai eene ruime en veilige haven, die volgens het oordeel van velen tot de beste haven van geheel West-Indië zou kunnen worden gemaakt.

Hiertoe zijn ook wel plannen gevormd, en misschien zal Curacao, als de doorgraving van het kanaal vm Panama voltooid zal zijn, op die wijze voor den handel eene groote beteekenis kunnen krijgen. Thans is de handel van minder beteekenis, dan hij wel geweest is; vooral in de IS' eeuw dreef Curacao een belangrijken smokkelhandel op de Spaan-sche koloniën van het vasteland, waarvoor de ligging het bijzonder geschikt deed zijn.

ocr page 199

185

In de steile kusten van dit eiland treft men menige goede baai aan. Toch komen buiten Willemstad geene belangrijke plaatsen voor. Tusschen cactusheggen leiden de wegen naar de plantages, die hier en daar zijn, en die o. a. verfhout en dividivi (eene looizuur bevattende plant) leveren.

St.-Eustatius (1600 inw.) heeft geene rivieren. De grond is met een laag teelaarde bedekt. Zoete patates worden uitgevoerd. De veestapel bestaat al uit dezelfde dieren als op Curacao.

St.-Eustatius had in de tweede helft der achttiende eeuw eene vrij groote beteekenis: het was toen de belangrijkste stapelplaats van de producten der West-Indische eilanden, aan welke omstandigheid het zelfs den bijnaam van „de gouden rotsquot; dankte; nog grooter werd die beteekenis, toen de bewoners handel dreven, o. a. in krijgsbehoeften, op de in opstand zijnde Engelsche koloniën van Noord-Amerika, al geraakte hierdoor de regeering van het moederland ook in groote moeilijkheid, terwijl eindelijk het eiland door de En-gelschen veroverd werd.

De zetel van den handel en het verkeer is sedert lang verplaatst naar het eiland St.-Thomas (Deensch). Over dit laatste eiland heeft ook hoofdzakelijk het post- en telegra-phisch verkeer met Europa plaats.

Het kleine Saba (met 2000 inwoners, die Engelsch spreken) heeft zwavelgroeven.

St.-Martin heeft steile kusten. Bij de golven is strand, en hier vindt men zout pannen. Het Nederlandsch gedeelte heeft 3700 inw.; het Fransch gedeelte iets meer.

Aruba (S1^ □ g. m. met 8000 zielen) heeft tot hoofdplaats Oranjestad (2), een armoedig dorp, bestaande uit kleine steen en huizen en stroohutten, op den koraalbodem gebouwd. Daar het hier zelden regent, is de flora zeer arm. Er ligt een kleine spoorweg, aangelegd door de Aruba-Maatschappij, voor den afvoer van phosphaat.

Bonaire (4Va □ g. m. en 4300 inw.) is nog armoediger dan Aruba, hoewel de plantengroei er iets voordeeliger is. Dit eiland levert zout, steenkalk en dividivi. De veestapel bestaat vooral uit geiten, die soms bij grooten getale uitgevoerd worden. Naar de koraalkalk van den bodem is

ocr page 200

186

de hoofdplaats K r a 1 e n d ij k, een ellendig dorp, genoemd.

§ 71. Bestuur. Het bestuur over de kolonie Curacao is in hoofdzaak ingericht als dat van de kolonie Suriname.

De Raad van Bestuur, die den Gouverneur ter zijde staat bij de uitvoerende macht, is op gelijke wijze samengesteld als boven voor Suriname werd medegedeeld.

Echter worden de leden van den Kolonialen Raad, bij welk lichaam de wetgevende macht berust, allen door de Koningin benoemd; in de eerste plaats behooren er toe de vier leden van den Raad van Bestuur.

De koloniale begrooting voor het gouvernement van Curacao sluit de laatste jaren zonder tekort.

O]) de afzonderlijke eilanden zijn bovendien nog gezaghebbers gevestigd.

Het garnizoen van de kolonie bedraagt ruim tweehonderd man.

ocr page 201

187

Overzicht van de

Oppervlakte en Bevolking van

Java en Nederland.

Oppervlakte

Bevolking

Op 1 □ G. M.

Namen der Gewesten.

(in □ G. M.)

(in duizendtallen).

(in honderdtallen).

Nederland.....

600

4511

76

Soerabaja.....

105

2005

190

Preanger-Regentschappen

371

1981

53

Cheribon.....

123

1486

121

Semarang.....

94

1468

156

Madoera.....

81

1440

178

Bagelen.....

62

1343

217

Rembang .....

135

1280

95

Banjoemas.....

101

1209

120

Soerakarta.....

113

1163

103

Kediri......

127

1119

88

Madioen.....

107

1084

101

Tegal......

69

1076

156

Batavia......

122

1070

87

Zuid-Holland ....

55

1210

220

Pasoeroean ....

96

936

97

Japara......

54

935

173

Noord-Holland . . .

53

895

169

Kedoe . . ...

37

756

204

Djogjakarta ....

57

745

131

Besoeki......

184

673

37

Bantam......

141

614

44

Pekalongan ....

32

562

176

Probolinggo ....

63

537

85

Gelderland.....

93

528

57

Noord-Brabant . . .

89

524

59

Krawang.....

90

381

42

Friesland.....

64

336

53

Orerijsel.....

60

306

51

Groningen.....

42

281

67

Limburg.....

42

265

63

Utrecht......

25

232

92

Zeeland......

31

204

65

Drenthe......

48

137

28

ocr page 202

188

Overzicht van de Oppervlakte der Buitenbezittingen.

N a m e n.

Grootte in G 6. M.

Gouvernement van Soematra's Westkust......

2 200

Residentie Bengkoelen............

456

Lampongsehe districten........

475

Paleinbang............

2 558

,, Soematra's Oostkust.........

769

Gouvernement van Atjeh en Onderhoorigheden . . .

928

Residentie Riouvv en Onderhoorigheden......

825

,, Bangka.............

237

Ass.-„ Billiton.............

84

Borneo's Wester-Afdeeling.......

2 806

„ ,, Zuider- en Ooster-Afdeeling .

6 568

Gouvernement van Selebes en Onderhoorigheden . .

2 150

Residentie Menado.............

1 267

,, Ambon.............

890

„ Ternate.............

4 340

Timor en Onderhoorigheden......

1 043

Bali en Lombok..........

190

West-Indië.

Name n.

Grootte in □ G. M.

Aantal inwoners.

Suriname...........

2500

65 000

Curasao...........

11

27 000

Bonaire...........

41/2

4 300

Aruba............

8 000

St.-Martin (Nederl. gedeelte) ....

234

3 700

St.-Eustatius..........

l3k

1 600

Saba...........

7ls

2 000

ocr page 203

189

Alphabetische lijst van Plaatsnamen met bevolkingscijfers.

Plaatsnamen.

Geheel aantal inw.

Europeanen.

Chineezen.

Arabieren.

Ambarawa ....

12 000

300

Ambon.....

8 000

Bandjermasin . . .

43 000

2100

Bandoeng ....

18 000

300

Bangil.....

14 000

75

Bangkalan ....

15 000

90

Banjoemas ....

5 000

200

Banjoewangi . . .

45 000

100

Batavia.....

115 000

9000

27000

2700

Bengkoelen ....

6 000

Besoeki.....

8 000

100

Bima......

2 000

Blitar......

12 000

400

Boeleleng ....

8 000

Broenei.....

25 000

Buitenzorg ....

18 000

1500

3500

Cberibon.....

50 000

600

Demak.....

6 000

70

Diambi.....

3 000

Djoewana ....

10 000

90

Djogjakavta ....

60 000

1500

2500

Garoet.....

10 000

100

Grisee......

25 000

175

Indramajoe ....

13 000

Japara.....

16 000

150

Kediri......

17 000

300

Kajeli......

2 000 •

Koedoes.....

30 000

125

3000

Koepang.....

7 000

Kraksaiin.....

2 000

60

Landak.....

4 000

Loeraadjang ....

8 000

100

ocr page 204

190

Plaatsnamen.

Geheel aantal inw.

Europeanen.

Chineezen.

Arabieren.

Madioen.....

18 000

500

Magelang.....

22 000

600

2000

Makassar.....

18 000

1000

2600

Malang.....

11 000

500

Manila.....

200 000

Marabahan ....

5 000

Martapoera ....

5 000

Medan......

14 000

Meester-Cornelis

22 000

1600

2500

Menado.....

9 000

1600

5000

Montrado.....

2 000

Muntok.....

4 000

Xgawi......

8 000

200

Oranjestad ....

2 000

Palenibang ....

60 000

250

4000

2000

Pamekassan . .

8 000

130

Panaraga.....

16 000

40

Paramaribo ....

29 000

Pasoeroean ....

26 000

450

Pati......

21 000

150

Patjitan.....

6 000

60

Pekalongan ....

36 000

400

3000

Poerwakarta....

5 000

100

Poervvodadi ....

5 000

50

Poerworedjo ....

17 000

500

Pontianak ....

17 000

4000

Probolinggo ....

10 000

600

Rembang.....

17 000

200

Sakaboemi ....

- 6 000

200

Salatiga.....

8 000

600

Samarinda ....

10 000

Sambas.....

10 000

Semarang.....

73 000

3800

12000

Serang.....

6 000

ocr page 205

191

Plaatsnamen.

Geheel aantal inw.

Europeanen.

Chineezen.

Arabieren.

Serawak (Koetjing)

20 000

Sidajoe.....

9 000

25

Sidoardjo ....

10 000

160

Singapore ....

185 000

Soembawa ....

2.000

Soemenep ....

18 000

200

Soemedang ....

7 000

40

Soerabaja.....

UB 000

6500

9300

2100

Soerakarta ....

102 000

1000

4000

8ragen .....

4 000

40

Tegal......

21 000

400

Telok-Betoeng . . .

3 000

ïemanggoeng . . .

6 000

100

Tern ate.....

3 000

Tjiandjoer ....

11 000

100

Tjilatjap.....

12 000

200

Tjeribon (Cheribon) .

50 000

600

Toeban.....

25.000

Toelong-agoeng. . .

11 000

150

Tondano .....

12 000

Willemstad ....

10 000

ocr page 206

192

De bevolking: der voornaamste Koloniale Mogendheden en van hunne bezittingen.

quot;Vergelijkend overzicht van ket Koloniaal bezit der voornaamste Euro-peesche landen. Het gearceerde cirkeldeel stelt de grootte van de koloniën voor; het niet gearceerde dat van het betrokken Moederland.

ocr page 207
ocr page 208
ocr page 209
ocr page 210

Z gt;}'amp;■*

r. r.-t - ' : - • -1 .. '•

K i'^T'A £r; gt; •• »•., '5-. •* -.

J ' ï - '« i ^ t 'gt;lt;lt;-** ^ T^quot;

Vv ?l^r. -Vr^- ^-T ' ^

: --'rv ■ ; ^' -'v i

*gt;* 'Z t ^r*', ^ f v- V Vi

gt; •%?* f Lf. ■ ' •. A . j».' • \»V- ^ -v - ' sp- ■ 5

-■ v-0^?v.. -gt;f• V^vH- A^ ^

^s.1 v-gt; ^ v: Vv . \ ^ 4

■•* ü - ■ Ö ,x .' /lt;-■ A/ ^ A S

^ ^ ^ ' r ±vJ ! k quot;■

-J^** -% v.V ■^•Vgt;

v'VXquot;'^ ' ^JrV -'''^

Jlr

quot; w gt;' quot;*•- ■ '*dy'-'V■s?- }'%gt;i $ gt; '/o.:

% - V^ 'V 1?/L- '■■■

. ♦. -t .

v.r- gt;-'-i'^H^-Cv ■ •:

^c.tV1 r ^

r f r'\ ^ ^gt;^i Aa .

Iquot;J- -3 ^. • vH ^ ; ' ■^r4 ^'^;:r

iH ' ■ '■ V Jl' ■ ,r' si

plt;\ . vgt; ^• - rgt; ^ vf • ;.■, ■• * '■f - ': :■'

^ ^ '/V.* —gt; »-v;? ^ :quot; ^ ^ tSk '*S» quot; ■ ,; , ■. 1

lt; ^ ^

T ^ i - j(gt;.

\ S-% *-

Èfe ■ ' A'Ab»