â¢V
i !
I
SCHETSEN
UIT HET
MMm Ei ie⢠M ÃIEil
VOOR
LEERLINGEN VAN HOOGERE EÃRCERSCHOLEN.
NAAR HET FRANSCH
EDMOND PERRIER
DOOR
G- 3VL tj IIST O,
Leer are s aan de Hoogere Burgerschool voor Meisjes le Rotterdam.
W. VERSLÃYS.
AMSTERDAM â
1892
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
â--
â
0599
In de maand Juni van 't vorige jaar door den Heer W. Versluys aangezocht, dit werkje over dierkunde uit het Fransch te vertalen, verklaarde ik mij, na kennisneming van den inhoud, daartoe gaarne bereid.
Een eigenlijk gezegd »leerboekquot; is het niet. Te vergeefs zal men er in zoeken naar een uiteenzetting van den bouw en de levensverrichtingen der groote organen, als longen, hart, spijs-kanaal, zenuwstelsel, enz. Perrier legt den klemtoon op de betrekking, waarin het dier staat tot zijn omgeving, en doet dit met zoo groote duidelijkheid, dat de leerlingen als van zelf zich den krachtigen invloed eigen maken, dien deze omgeving op het maaksel en de levenswijze der dierlijke organismen uitoefent. De wijzigingen in de organen grijpen als 't ware voor hun oogen plaats, zoodat in één woord het dier voor hen leven erlangt.
Naar ik meen, zal het boekje juist door deze voorstellingswijze, die aan de meeste onzer leerboeken vreemd is, voor onze middelbare scholen van nut kunnen zijn. Mocht mijn meening blijken waarheid te bevatten, dan hoop ik, dat de leeraressen en leeraren, die van dit werkje gebruik zouden willen maken, daarbij iets zullen ondervinden van het genoegen, dat onder het vertalen mijn deel was.
G. Mühring.
Rotter dam. Maart 1892.
EERSTE HOOFDSTUK.
Dieren en Planten.
PUNTEN VAN VERSCHIL TUSSCHEN DE BEWERKTUIGDE EN ONBEWERKTUIGDE NATUUR.
$ i. Het dier beweegt zich, voelt en wil. De hond, die op uw geroep vroolijk toesnelt, de vogel, die met snelle vlucht de lucht doorklieft, de hagedis, die bij het minste gedruisch vlucht en zich verschuilt, de visch, die stil in het water zwemt, de vlinder, die den honig der bloemen inzamelt, zijn wezens, die ge kent en ge vat ze met één naam samen door te zeggen, het zijn dieren.
Waarom geeft ge hun dien naam van dieren? Juist daarom, antwoordt ge ongetwijfeld, omdat de hond loopt, springt en draaft, omdat de hagedis vlug over den bodem heenglipt, omdat de visch zwemt, omdat vogel en vlinder vliegen, omdat al deze wezens zich kunnen verplaatsen, sommige op den bodem, andere in het water, weer andere in de lucht, omdat ze in staat zijn zich te bewegen. Ook nog, voegt ge er aan toe, omdat de vlinder eigenwillig van bloem tot bloem gaat, zonder dat hij door den wind behoeft gedreven te worden, zooals de bloemblaadjes, waaraan zijn vleugels hun schoone kleuren hebben ontleend ; omdat de hagedis, door te vluchten, bewijst, dat zij vrees kent; omdat de hond van zijn liefde voor den meester blijk geeft door op zijn geroep toe te snellen. De kapellen zijn niet de eenige wezens, die een begeerte hebben, en aan die begeerte gehoor geven; dit heeten we ook
4
zijn wil uitoefenen. De vreugde, die de hond ondervindt bij het weerzien van zijn meester, de angst, die de hagedis op de vlucht jaagt, doen ons erkennen, dat deze wezens als wij, met gevoel begaafd zijn. Overigens weten we heel goed, dat zij ook nog dat andere soort van gevoel hebben, dat bestaat in zien, hooien, sinaken, ruiken, tasten.
Beweging, Gevoel en Wil zijn inderdaad drie vermogens, die wij gewoonlijk opmerken bij vele van de ons omringende wezens, waarom wij deze laatste met den naam van dieren bestempelen.
g 2. Het dier moet zich voeden. Maar deze dieren gelijken nog in vele andere punten op elkaar. Een hond leeft niet, om zoo te zeggen, van de lucht. O zeker, afwezigheid van lucht zou hem dooden, maar hij zou ook sterven, zoo men hem niet eiken dag wat te eten en te drinken gaf; zoo ook brengen de vogels een groot deel van hun dag door met eten; deze granen, gene vruchten, andere insecten, weer andere, zooals de arenden, groote prooi; de hagedis vangt vliegen en tal van kleine dieren, waarmede zij zich voedt; de visch, niet tevreden met het vervolgen van waterbewoners, kleiner dan hij, is steeds op den uitkijk, de visschers kennen dat, naar al wat van den oever vallen mocht; â de vlinder bezoekt de bloemen slechts, om uit de diepte harer kelken, door middel van zijn -als een horlogeveer opgerolde monddeelen, een soort natuurlijk suikerwater te putten, zijn hoofdvoedsel, de nectar. Dus alle dieren, die we zooeven aanhaalden, eten; willen zij het leven behouden, dan moeten allen dagelijks in hun lichaam opnemen een zekere hoeveelheid vreemde .stoffen, die hun voedsel uitmaken; van voedsel beroofd, vermageren ze, dat wil zeggen, zij verminderen van gewicht juist alsof ze hun eigen lichaam verbruikten; eindelijk tot een zeker stadium van verval gekomen, stervan zij.
I 3. Het dier slijt en vult het gesletene zelf weêr aan. Waarom vermagert een hond die niet eet? Gij zoudt even goed uzelf kunnen afvragen, waarom een hond, die alle dagen eet, niet tot in het oneindige voortgroeit,
5
terwijl hij toch dagelijks iets aan het gewicht van zijn lichaam toevoegt. Het antwoord op deze beide vragen is hetzelfde. Zoo de hond vermagert wanneer hij niet eet, dan is dit omdat zijn weefsels niet ophouden te slijten, zooals de raderen van een in werking zijnde machine slijten, en door dat de versleten deeltjes naar buiten worden geworpen; zoo het gewicht van den hond niet in het oneindige toeneemt, is dit omdat zijn voedsel, van een bepaald oogenblik af, niets doet dan het verlies aanvullen, veroorzaakt door het slijten zijner werktuigen, welke onophoudelijk vernieuwd moeten worden.
I 4. Het dier haalt adem en maakt de lucht, waarmeè het is opgesloten, ongeschikt voor ^ijn levensonderhoud. Wanneer een machine slijt, is het gemakkelijk de metaalachtige stofjes terug te vinden, die zich van haar raderen losmaken; het zou ongetwijfeld belangwekkend zijn het slijten der dierlijke organen zoo op heeter daad te betrappen, en de gesleten deeltjes terug te vinden. Daartoe zou voldoende zijn, het dier zóó op te sluiten, dat niets, dat van hem uitging, verloren zou kunnen gaan. De proef met een hond zou misschien wat samengesteld zijn; wij zullen haar veel eenvoudiger nemen met een musch, die op kleiner schaal ongeveer dezelfde organen vertoont.
6
Plaatsen wij het beestje, rijkelijk van voedsel voorzien, in een glazen klok, die luchtdicht gesloten is (fig. i). Door de wanden der klok kunnen we het gemakkelijk waarnemen. Men ziet het eerst gaan, komen, naar gewoonte eten, maar langzan erhand wordt zijn gedrag onrustiger, zijn veeren rijzen overeind, het hijgt naar zijn adem; eindelijk treedt de dood in. Een tweede musch, onder de klok gebracht, sterft binnen eenige minuten; een derde, een vierde ondergaan hetzelfde lot. De lucht van de klok schijnt dus vergiftigd en dit kan zij slechts geworden zijn door de uitscheidingen van de eerste musch. Komen we nu achter den aard dezer uitscheidingen dan weten we tevens waaruit een deel bestaat van het stofverlies, dat het vogellichaam onophoudelijk Ondergaat.
§ 5. De lucht, door de ademhaling van een dier veranderd, laat geen verbranding meer toe van de lichamen waarmeê zij in aanraking komt. De lucht in de klok, door het verblijf van den vogel onzuiver geworden, is niet slechts ongeschikt voor levensonderhoud, maar een aangestoken lucifer of kaars, er binnen gebracht, gaan dadelijk uit; niets kan meer in de klok branden, de lucht die zij bevat, onderhoudt de verbranding niet meer.
Laat ons eenige bellen van deze lucht door helder doorschijnend kalkwater laten gaan: het water wordt onmiddellijk wit van kleur, en een fijn poeder zet zich af op den bodem van het vat; gewone lucht daarentegen laat het nagenoeg doorschijnend. Verder slurpen potasch en kalk snel een deel van de lucht uit de klok in zich op, hetgeen zij niet deden vóór de aanwezigheid van de musch. Het diertje heeft dus in zijn glazen gevangenis een gas uitgeademd, dat niet meer voor uitademing geschikt is, dat kalkwater troebel maakt, en dat door potasch opgeslurpt wordt. Daar het volume lucht in de klok niet veranderd is, vclgt hieruit, dat dit gas een gelijk volume van een ander gas vervangen heeft, welk laatste gas geschikt was voor inademing en door de musch verbruikt werd. Aldus neemt de musch om te leven een zeker gas uit den dampkring, die haar omgeeft, op en geeft aan dezen in ruil een ander gas terug, ongeschikt voor levensonderhoud.
Dit gas bevindt zich overvloedig in de lucht, die wij uit onze longen stooten bij elke ademhaling.
Voeren wij deze lucht door doorzichtig kalkwater, dan wordt dit water onmiddellijk troebel, terwijl de gewone lucht uit een blaasbalg het nauwelijks wit maakt (fig. 2).
g 6. Het dier, dat ademhaalt, teert weg evenals een brandende kaars. â Zuurstof en koolzuur;
ontdekking van Lavoisier. Laat ons in plaats van een musch een brandende kaars in de klok plaatsen (fig. 3). Na een oogenblik helder te hebben gebrand, verbleekt de vlam langzamerhand en gaat eindelijk uit. Op dit oogenblik heeft ook zij de lucht onbruikbaar gemaakt; deze bedorven lucht laat zich gedeeltelijk door potasch opslorpen, maakt kalkwater troebel, in één woord gedraagt zich in alle omstandigheden volkomen gelijk aan de door de musch verontreinigde lucht.
Een lichaam dat verbrandt, een dier dat ademhaalt doen de lucht dezelfde veranderingen ondergaan; zij ontnemen haar haar levensbestanddeel, de zuurstof, en zij geven haar daarvoor in ruil een gelijk volume van een verstikkend gas, het koolzuur. Tusschen de ademhaling van eeft dier en het branden eener lamp bestaat dus de grootst mogelijke overeenkomst, en wij behoeven er niet aan te twijfelen of de zuurstof, die wij aan de lucht ontleenen, verbrandt ons langzamerhand; wij zijn onophoudelijk ten prooi aan een stille verbranding, gelijk aan die van kolen, wier vlam onder de asch sluimert. Deze verbranding, die onze organen verteert, die ons dwingt tot eten en drinken om ze te onderhouden, vormt in ons zooals elke gewone verbranding, koolzuur dat we uitademen, en verwekt warmte, die ons lichaam maakt tot een soort van machine, waarbinnen onze organen leven kunnen zonder ooit plotseling te worden verhit of afgekoeld. Deze groote ontdekking, dat de dieren eten en drinken, omdat zij hunne organen verbruiken door ze te verbranden, dagteekent van 't jaar 1777; wij danken haar aan een der grootste fransche scheikundigen, Lavoisier.
g 7. De plant beweegt zich niet, heeft geen wil, geen gevoel; toch leeft zij. Nemen wij dezelfde proef, waaraan wij zooeven de musch hebben onderworpen, met een plant, bijv. een roos; brengen wij haar onder een klok waarin de lucht niet kan ververscht worden. Ofschoon rijkelijk voorzien van water, licht, goede aarde, zal ook de roos gaan kwijnen. In de vrije lucht nam zij in omvang toe, bracht onophoudelijk nieuwe
9
stengels en bladeren voort, bereidde het ontluiken der bloemen voor, en was groen en krachtig; van wege alle veranderingen die zich in haar openbaarden, ofschoon zij geen sporen toonde van beweging, gevoel of wil, zeiden we van haar dat zij leefde. Nu heeft haar groei opgehouden, haar slappe verflenste gele bladeren vallen langs den stengel af, en langzamerhand sterft onze roos in haar glazen gevangenis wel veel langzamer dan de musch, maar even wis en zeker.
g 8. De plant verandert de lucht waarin zij leeft.
Waarschijnlijk heeft de roos ook de lucht veranderd in de klok waarbinnen we haar hebben opgesloten; herhalen we met deze lucht onze proeven van straks. Men kan zooveel van deze luchtbellen als men wil door het kalk-water laten gaan; het kalkwater, dat door gewone dampjquot; kringslucht even wit getint wordt, blijft thans volkomen helder; de potasch slurpt geen noemenswaardige hoeveelheid er van op; een kaars brandt onder de klok minstens even goed als in de lucht; een vogel voelt er zich heel behagelijk. De roos heeft dus niet de voor ademhaling geschikte lucht opgeslorpt; het schijnt daarentegen, dat zij de kleine hoeveelheid koolzuur in zich heeft opgenomen, die daarin natuurlijkerwijs vervat was.
I 9. Onder den invloed van het licht geven groene planten aan de lucht de zuurstof weêr, die de dieren haar ontnomen hebben, en houden haar dus tot in het oneindige geschikt voor ademhaling. Proef van Priestley. Plaatsen wij, om dit feit te staven, in dezelfde klok een musch en een rozenstruik. Indien de plant werkelijk het koolzuur opslorpt, dan zal de lucht uit de klok in volume verminderen naarmate de musch er zuurstof uitneemt om er koolzuur voor weer te geven, dat de plant op haar beurt doet verdwijnen. De musch zal sterven wanneer alle zuurstof zal zijn verdwenen ; en de plant iets later.
Niets van dit alles, het volume lucht in de klok verandert niet; deze lucht behoudt nagenoeg alle eigenschappen van gewone dampkringslucht. Wat meer zegt, de musch
IO
maakt het uitstekend en de plant ook; gescheiden, sterven zij; vereenigd, kunnen zij lang naast elkaar voortleven.
Intusschen gaat de musch voort zuurstof op te slorpen en koolzuur uit te stooten ; het kan dus niet anders of de rozenstruik neemt dit koolzuur op en maakt een gelijke hoeveelheid zuurstof vrij. De proef gelukt met welke groene plant ook, mits dc klok aan het licht blijve blootgesteld.
Men kan zelfs in het zonlicht de zuurstof zich blaasje voor blaasje' zien losmaken van de plant, zoo men deze onder een met water gevulde klok plaatst (fig. 4).
In het licht zuiveren de planten dus onophoudelijk de lucht, die door de ademhaling der dieren wordt verontreinigd ; de dieren bereiden voor de planten een deel van
11
het koolzuur, dat zij als voedsel behoeven; in ruil hiervoor geven de planten aan de dieren terug een hoeveelheid zuurstof, gelijk aan die van het koolzuur, dat zij hebben opgeslorpt. Zoo blijft de zuiverheid van onzen dampkring bewaard, zoo blijft tot in het oneindige het leven mogelijk, niet slechts op den vasten bodem, maar ook in het water.
Aan een engelsch geleerde, Priestley, tijdgenoot en mededinger van Lavoisier, danken we het, dat het bestaan van dit bewonderenswaardig evenwicht in de natuur door de hierboven beschreven proef werd bewezen.
^ io. Dieren nemen vast en vloeibaar en gasvormig voedsel tot zich, planten alleen vloeibaar en gasvormig. Vat nu alles samen wat ge reeds wist en wat ge zooeven geleerd hebt betreffende dieren en planten, en het zal u gemakkelijk zijn talrijke punten van overeenkomst tusschen beiden te vinden, maar ook de verschillen op te merken, die hen van elkaar onderscheiden.
Dieren eten, drinken, halen adem, dat wil zeggen nemen onophoudelijk in hun lichaam stoffen op, die zij aan hun omgeving ontleenen, groenten, vleesch, vloeistoffen zooals onze dranken, of gassen zooals de zuurstof uit de lucht.
Planten nemen ook zonder ophouden stoffen uit hun omgeving in zich op; de meeste planten die ge kent, hebben om te leven noodig: aarde, een vaste stof, water, een vloeistof, koolzuur, en zelfs zuurstof, die zij aan de lucht ontleenen, zoo ze dit ten minste niet zelf kunnen vormen met behulp van koolzuur en licht. Men zou bijna kunnen zeggen dat zij eten, drinken en ademhalen even als de dieren; eten, drinken en ademhalen noemt men zich voeden. Dieren en planten hebben dus de eigenschap van zich te voeden gemeen.
Toch kunt ge hierbij reeds dadelijk belangrijke verschillen opmerken. Onze vaste stoffen worden door den mond onmiddellijk in het lichaam gevoerd, en later zult ge hooren wat er van wordt. De planten hebben geen mond en nooit vindt men een spoor van de aarde, waarin zij wortelen, in hun weefsels. Wat zij aan den grond
12
ontnemen, door middel van hun wortels, door welke het voedsel als het ware gefiltreerd wordt, moet dus allereerst in water worden opgelost; ziedaar, waarom een plant zich niet tevreden stellen kan met het water, dat op haar bladeren valt, de grond waarin zij leeft moet gedrenkt worden. Om juister te spreken, de planten nemen geen vaste stoffen in zich op, maar vloeistoffen en gassen.
De dieren geven onder den vorm van koolzuur aan de lucht al de zuurstof weer, die zij aan haar ontnemen; zij behouden er niets van; wanneer de planten daarentegen koolzuur opnemen, geven zij de zuurstof terug maar behouden de koolstof; ook zijn het de planten, die ons de koolstof leveren welke we in onze vertrekken en Werkplaatsen stoken; steenkool toch is niets anders dan het houtgedeelte van planten, die voor de verschijning van den mensch op aarde leefden en langzamerhand onder den grond verweerden^ Wat dus schijnbaar ademhaling is bij planten, is niets dan een soort van spijsvertering; de planten leven voor een deel inderdaad van »de lucht« iets waarmee de dieren zich onmogelijk zouden kunnen tevreden stellen.
g ii. Planten en dieren halen adem door aan de lucht zuurstof te ontnemen en haar koolzuur weêr te geven. Planten halen werkelijk adem, maar de ademhaling van groene plantendeelen is slechts bij nacht waar te nemen, dan stooten deze koolzuur uit en nemen evenals de dieren zuurstof op; deze verrichting wordt door paddestoelen te allen tijde uitgeoefend. Deze ademhaling doet hen slijten, zooals zij de dieren slijten doet; maar nog een andere soort van slijting van weefsels openbaart zich bij planten door het vallen hunner bladeren en dorre takken, het loslaten van de schors en van een menigte andere deelen, die op bepaalde tijden weer door nieuwe vervangen moeten worden.
I 12. Planten en dieren groeien, veranderen, kwijnen, sterven en worden ontbonden. Bij planten zoowel als bij dieren is gedurende langeren of kor-teren tijd de winst, die uit.de voeding voortspruit, grooter
'3
dan het dagelijksch verlies. Gedurende dien tijd nemen zij in grootte toe, verandert hunne gedaante. Het geheele schoone jaargetijde door brengt de plant nieuwe bladeren, bloemen, vruchten voort, daarna houdt dit alles op, het dier eet, drinkt, ademt niet meer; de plant neemt geen vloeistoffen en gassen meer in zich op. Beiden worden traag; zij sterven. Maar deze toestand van doodaijn wordt weldra gevolgd door een meer of minder sntWe ontbinding van alle organen en gedurende deze ontbinding openbaren zich bij plant en dier nog groote verschillen.
? 12. De plant ontbindt zich niet op gelijke wijze als het dier. De ontbinding der plant geschiedt gewoonlijk langzaam; hare verschillende deelen keerentot stof weer zonder een merkbaar onaangename lucht te verspreiden ; de ontbinding van het dier in de open lucht geschiedt snel, en de oplossing van zijn lichaam gaat gepaard met het verspreiden van een verpestenden stank. Men kan er de gevolgtrekking uit maken, dat de enkelvoudige stoffen, die het lichaam van plant en dier opbouwen, niet bij beide op dezelfde wijze zijn verbonden.
g 14. Wat een levend, bewerktuigd wezen is en een levenloos, onbewerktuigd. Men kan zich planten en dieren voorstellen als zeer broze gebouwen, waarvan de steenen niet slechts aan de oppervlakte onophoudelijk loslaten, maar ook in het inwendige der muren, en waarin onzichtbare werklieden onophoudelijk bezig zijn, door middel van dezelfde zandkorrels als waaruit de steenen zijn opgebouwd, en die zij wegnemen waar zij ze vinden, diezelfde steenen te vernieuwen naarmate zij verweeren.
Om dergelijke gebouwen in goeden staat te houden is er noodig een wonderbaarlijke aktiviteit, een onafgebroken arbeid; deze aktiviteit, deze arbeid zijn het die wij het leven noemen. Waar deze arbeid ophoudt, daar houdt het leven op, het aan zich zelf overgelaten gebouw gaat achteruit en stort in een. Zoolang hij voortduurt zegt men van dieren en planten dat zij leven.
In de levenlooze lichamen, die men dikwijls met den
14
naam van onbewerktuigde lichamen of delfstoffen bestempelt, gaat niets achteruit, wordt ook niets als van zelf vernieuwd.
Ãénmaal samengesteld, zijn er altijd zekere voorwaarden, waaronder zij en al hun onderdeelen tot in het oneindige kunnen voortduren zonder eenige uitwendige verandering; de veranderingen, die zij schijnen te ondergaan, hangen af van vreemde krachten, die op hen inwerken ; zoo roept de warmte die hevige bewegingen in het leven, die wij wind noemen, zij doet het water in een voor het oog niet meer waarneembaren damp overgaan en het zeewater, dat door verdamping de wolken doet ontstaan, zet tevens de zoutdeelen, die het bevat, als kristallen af, welke langzamerhand in omvang toenemen. De lucht, ofschoon zij in beweging is, het water ofschoon het verdampt, het zout-kristal, ofschoon het grooter wordt, zijn daarom nog geen levende wezens. Want, zonder warmte zou de lucht blijven waar ze is, het water zou niet verdampen, en het zout-kristal, aan zijn lot overgelaten, zou niet in grootte toenemen.
OVERZICHT.
Dieren kunnen zich bewegen, nemen indrukken waar, hebben een wil, voeden zich met vaste stoffen en vloeistoffen, halen adem door de zuurstof uit de lucht op te nemen en haar koolzuur weer te geven, groeien, veranderen van gedaante, gaan achteruit en sterven. Na hun dood ontbinden zij zich ondir het verspreiden van een onaangenamen reuk.
Planten kunnen zich niet bewegen, nemen geen indrukken waar, hebben geen wil; voeden zich met vloeistoffen en gassen, halen adem, groeien, veranderen van gedaante, gaan kwijnen en sterven. Na hun dood ontbinden zij zich zonder merkbaren reuk.
Zich voeden, ademhalen, zich ontbinden, maar ook onophoudelijk hernieuwen, in grootte toenemen, uit eigen kracht van gedaante veranderen, kwijnen, sterven en zich ontbinden, ziedaar de eigenschappen waardoor levende wezens zich onderscheiden van doode.
TWEEDE HOOFDSTUK.
ER ZIJN VERSCHILLENDE SOORTEN VAN DIEREN; DIEREN MET EEN GERAAMTE OF GEWERVELDE DIEREN.
g 15. De verschillende groepen van dieren, die in den volksmond den naam dragen van Viervoeters, Vogels, Slangen, Insecten, Schelpdieren, Wormen. De verschillende vormen, die wij bij de dieren
i6
kunnen waarnemen, zijn ontelbaar. Wilden we ze alle noemen, als hond, kat, paard, we zouden meer dan een millioen namen krijgen; maar ieder weet, dat een menigte dieren slechts
in kleine bijzonderheden van elkaar afwijken en overigens zoo blijkbaar op elkaar gelijken, dat men te allen tijde er op uit geweest is, door één zelfden naam aan te duiden alle dieren, die treffende punten van overeenkomst ver-toonen. Deze namen kent ieder.
De hond (fig. 5), de kat. het paard loopen op vier pooten. Zulke dieren noemt men in het dagelijksch leven Viervoeters. Dieren, die vliegen en met vederen bedekt zijn, heet men Vogels (fig. 6); Visschen noemt men gewoonlijk die dieren, die in het water leven en door middel van vinnen zich voortbewegen (fig. 7); geschubde dieren, die plat op den grond leven, en geen pooten
Fig. 7. De Baars.
hebben noemt men Slangen (fig. 8); het woord Insect doet u denken aan kleine diertjes met ranke pootjes, die geleed zijn en wier leedjes als 't ware door kleine steeltjes zijn verbonden (fig. 9); bijv.: vlieg, wandluis, vlinder, bij, glazenmaker, sprinkhaan, meikever; Schelpdieren zijn dieren, die een kalken huis bewonen, zooals de huisjesslak
2
i8
(fig. io); en ge vat onder den naam van Wormen samen al die weeke kruipende dieren, zonder pooten of met zeer korte, waarvan de regen- of aardworm (fig. n), de bloedzuiger (fig. 12) en de lintworm de meest bekende zijn.
Met deze namen kunnen wij voorloopig volstaan; iedereen kent ze, men vindt ze in alle talen terug, en sinds duizenden jaren kent ieder de diervormen, die zij aanwijzen.
Maar, zijn er niet nog andere diervormen, die een naam verdienen? Bieden die vormen, die wij gewoon zijn te
onderscheiden, onderling ook nog niet veel punten van verschil aan, en zijn er niet weer andere aan wie men, in strijd met het gebruik, een zelfden naam zou moeten toekennen? Daarenboven, is het wel gemakkelijk precies
19
te weten wat dat is, een Viervoeter, een Vogel, een Slang, een Visch, een Insect, een Schelpdier, een Worm?
Laat ons zien.
20
§ 16. Vogels en Visschen hebben evenals de Viervoeters vier ledematen. Nemen we eerst de Viervoeters. Zij hebben vier ledematen. Om die reden verdienen hagedis ffig. 13), salamander (fig. 14), kikvorsch, pad (fig. 18) even goed den naam van Viervoeter als kat, hond, paard en muis. Maar, is het feit dat ze vier pooten hebben voldoende om deze dieren onder één naam samen
21
te vatten? Laat ons in de eerste plaats opmerken dat bij vogels, zoo deze al niet vier pooten hebben, de vleugels de plaats van de voorpooten der Viervoeters innemen (fig. IS en 16) en dat bij Visschen (fig. 17) de vier vinnen nagenoeg geplaatst zijn zooals de pooten der Viervoeters. Vogels en visschen hebben dus, zoo niet vier pooten, ten minste vier ledematen evenals de Viervoeters; er zouden dus redenen te vinden zijn om ze ook Viervoeters te noemen. En toch denkt niemand hieraan, omdat zij ook nog andere kenteekenen dragen.
g 17. Alle Vogels hebben vederen, de meeste Visschen hebben schubben ; er zijn Viervoeters, die met haar bedekt zijn, andere wier huid hoornachtig is, en weer anderen die geheel naakt zijn. Vogels en Visschen onderscheiden zich weer van alle andere dieren, de eerste door hun vederen, de laatste door hun schubben, dus door de wijze waarop het lichaam beschermd wordt. Hond. kat, paard, muis en een menigte andere Viervoeters hebben het lichaam op dezelfde wijze beschermd: alle zijn met haar bedekt.
22
Bij den viervoeter en den vogel zijn de ledematen op dezelfde wijs geplaatst.
Daarentegen heeft de hagedis een droge, korrelige, bijna hoornachtige huid, terwijl die van salamander, kikvorsch, en pad, (fig. 18) los, vochtig, ja bijna slijmerig is. Indien we, in plaats van de ledematen te tellen, de huid in ©ogenschouw nemen, zien wij dat deze bij alle Vogels, bij alle Visschen op dezelfde wijs bekleed is, dat zij bij de Viervoeters daarentegen op drie verschillende wijzen zich voordoet.
Het woord Viervoeter wordt dus toegepast op dieren, die onderling meer verschillen aanbieden dan zij, die men
23
aanduidt met het woord Vogel of Visch; laat ons zien of die verschillen groot genoeg zijn om het woord Viervoeter door drie andere woorden te vervangen.
g 18. Er zijn drie soorten van Viervoeters: Zoogdieren, Kruipende dieren of Reptielen, Kikvorsch-achtige dieren of Batrachiërs. Alle Viervoeters, die met haar bedekt zijn, voelen warm aan. Zij zoogen hunne jongen en verzorgen ze met teederheid; deze jongen worden levend geboren, behalve bij Eend- en Egelvogelbekdieren.
Alle Viervoeters met droge, hoornen, korrelige huid voelen koud aan; zij leggen eieren, die zij aan het toeval overlaten op den bodem, in het zand of in mesthoopen, zoodat hunne jongen dadelijk na de geboorte aan de lucht zijn blootgesteld. Daarin gelijken zij precies op slangen.
24
Alle Viervoeters met zachte vochtige huid hebben een koud lichaam zooals de Hagedissen; maar zij leven gewoonlijk in de nabijheid van het water, en zijn zelfs genoodzaakt moerassen of vijvers te bezoeken om er hun eieren te leggen; hun jongen, wanneer zij uitkomen, hebben geen pooten, en kunnen slechts in water ademhalen. Ze zijn dan bijna gelijk aan visschen. (fig. 19)
Ziedaar zeer belangrijke verschillen, die ons leeren dat die viervoeters, wier huid uiteenloopt, even ver van elkaar staan als Vogels en Visschen. Wij zullen dan dat gewone woord Viervoeter laten varen en het vervangen door drie andere: Zoogdieren, Kruipende dieren of Reptielen en Kik-vorschachtige dieren of Bairachiërs. Laat ons nu nagaan in welke opzichten deze drie groepen van dieren met Vogels en Visschen overeenkomen en waarin ze van deze verschillen.
§ 19. Zoogdieren. Zoogdieren halen in de lucht adem, hebben een warm lichaam, zijn met kaar bedekt, brengen goed ontwikkelde jongen ter wereld, wat men uitdrukt door te zeggen zij zijn levendbarend; zij voeden hun jongen met hun melk, die zij in afzonderlijke organen bereiden.
§ 20. Vogels, Vogels leggen eieren, waarin men zoo dadelijk niets kan ontdekken, dat op hen gelijkt; in die eieren vormt zich het jong langzamerhand. Men bestempelt alle dieren, die eieren leggen, met den naam van eierleggende dieren.
Vogels hebben evenals Zoogdieren een warm lichaam; zij zijn met vederen bedekt. Van hun vier ledematen dienen twee tot loopen, men geeft dezen den naam van pooten', de twee voorste dienen om de lucht te doorklieven; het zijn vleugels.
§ 21. Dieren met warm bloed. Dieren met koud bloed. De kruipende dieren openen de rij van de koudbloedige dieren of beter van die dieren, die het warm of koud hebben, naarmate het warm of koud is; Vogels en Zoogdieren daarentegen ontwikkelen genoeg warmte om onverschillig te zijn voor elke afkoeling van de lucht. Bij hen alleen is het lichaam een soort warme kas waarin de organen werken kunnen, zonder eenige zorg voor de onge-
25
stadigheid van het weer. Terwijl in Europa de thermometer buiten van 15 ' onder nul tot 30° er boven aanwijst, wijst hij in het lichaam van een zoogdier altijd omstreeks 370 aan, in dat van een vogel 42°. Men noemt zoogdieren en vogels warmbloedige dieren of dieren met standvastige lichaamstemperatuur; kruipende dieren, tweeslachtige dieren en Visschen koudbloedige dieren of dieren met veranderlijke lichaamstemperatuur. Men heeft dikwijls getracht het haar van een Zoogdier te scheren, en daarna zijn huid met vernis te bestrijken; men maakte er dan een soort Reptiel van; het Zoogdier, van zijn pels beroofd, wordt koud even als een Reptiel, maar sterft. Hetzelfde zou in een gelijk geval met den Vogel plaats hebben.
g 22. Reptielen. Reptielen sterven niet van de gewone winterkou, maar worden er door verdoofd; zij slapen gedurende het slechte jaargetij, en wanneer de temperatuur daalt, zijn zij nooit zoo bedrijvig als wanneer het warm is. Hun huid is altijd geschubd of' wordt door beenplaten beschermd, zooals bij schildpadden en krokodillen, maar het aantal hunner ledematen is verschillend. Krokodillen, schildpadden en de meeste hagedissen hebben vier pooten ;
26
enkele hagedissoorten zooals de Cicigna uit het zuiden van Frankrijk hebben slechts zeer korte (fig. 20); andere hebben maar één paar, vóór of achter aan het lichaam geplaatst; nog andere zooals onze blindslangen hebben ze volstrekt niet. Zij gelijken dan veel op slangen, (fig. 8) die geheel van hun ledematen zijn beroofd.
$ 23. Batrachiërs. Batrachiërs hebben een naakte huid; zij worden onder water geboren. Bij de geboorte ontbreken aan de meeste hunner ledematen; hun lichaam schijnt dan slechts één groot hoofd, dat toch niet anders is dan het lichaam zelf, en een vertikaal samengedrukte staart: van daar den naam van dikkop, dien men aan deze dieren geeft. Deze dikkoppen krijgen weldra vier pooten, vervolgens krimpt bij kikvorschen en padden de staart in om eindelijk te verdwijnen. Het jonge diertje, dat eerst niets kende dan met den staart zwemmen, en onder water ademhalen moest, is nu niet meer te herkennen (fig. 19); het loopt en zwemt met de pooten, beklimt de waterplanten, de eene na de andere, en kan niet anders dan in de lucht ademhalen, waartoe het van tijd tot tijd boven water komt.
Toen de dikkop nog in water ademhalen kon, vond hij om zich heen alle lucht, die hij behoefde; de kikvorsch kan de lucht niet meer uit het water halen, hij sluit den voorraad, dien hij gedurende een zeker tijdsverloop noodig heeft, op in twee inwendige zakken, welke achter in de mondholte uitkomen en die longen heeten.
Uit deze longen haalt het bloed de lucht, die het weer reinigt. Onze longen zijn slechts gelijksoortige zakken, kleiner maar zeer talrijk, waarheen veelvuldig vertakte buizen geleiden, luchtpijptakken genoemd of bronchiën.
§ 24. Visschen. Visschen worden over het algemeen beschut door talloos vele harde plaatjes, die in de huid zijn ingeplant. Deze plaatjes zijn zoovele beentjes, schub-ben geheeten. Eenige, zooals de lampreien, hebben geen vinnen; palingen hebben er slechts twee, achter den kop geplaatst; karpers, goudvisschen, baarzen en de meeste andere visschen hebben vier vinnen, wier plaatsing nage-
27
noeg gelijk is aan die van de vier ledematen van Zoogdieren, Reptielen en Batrachiërs; het zijn de gepaarde vinnen. Buitendien eindigt bij vele de staart in een breede vertikale vin bij wijze van waaier, (fig. 7) en hebben weer andere er nog een langs den rug en vóór den staart. Deze ongepaarde vinnen zijn de rugvin en de aarsvin.
Wel hebben de visschen een blaas met lucht gevuld, die bij sommige met de buitenlucht in verbinding staat, en die men met een long zou kunnen vergelijken; maar deze dient niet tot ademhalen: het is hun zwemblaas, die het lichaam als een ballon doet zwellen en de dieren in staat stelt zonder groote krachtsinspanning zich in het water in evenwicht te houden. Van werkelijke longen beroofd, hebben zij een anderen ademhalingstoestel, die de in de lucht levende dieren niet bezitten: zij hebben kieuwen.
I 25. De kieuwen der visschen. Men kan gemakkelijk de kieuwen der visschen te zien krijgen; men behoeft daartoe slechts de halfcirkelvormige plaatjes op te lichten, die achter den kop geplaatst zijn en welke den naam van kiewdeksels dragen. Onder deze kiewdeksels bemerkt men een zeker aantal kamvormige organen, helder rood, boogsgewijs gekromd, en achter elkaar geplaatst in eene holte, die geheel vrij met de mondholte in verbinding staat: het is de ademhalingsholte ofkieuwholte (fig. 21 en 22). Talloos vele kleine vaten voeren het bloed tot binnen in de tandjes der kammen en verbreiden het als een dunne laag onder de teere huid, die hen bedekt. Door deze huid heen neemt het visschenbloed de zuurstof, die het behoeft, uit het water op en geeft zijn koolzuur terug. Onophoudelijk vernieuwt de visch het water, dat zijn kieuwen besproeit; hiertoe opent en sluit hij beurtelings lippen en kieuwdeksels, zooals ge zeker wel eens bij goudvisschen in een vischkom hebt opgemerkt.
Een zeker aantal visschen heeft anders gevormde kieuwen zooals we later zien zullen.
'i 26. Zoogdieren, Vogels, Kruipende dieren, Tweeslachtige dieren en Visschen hebben een
28
kop, die de drager is van dezelfde organen, vier ledematen en een lichaam dat ziidelingsch gelijk
is. Er is zeker een groot onderscheid tusschen een Zoogdier, een Vogel, een Reptiel, een Batrachiër en een Visch,
29
wij gaven zoo juist de meest uiteenloopende verschillen op, maar er zijn ook punten van overeenkomst.
Bij allen is de kop de drager van mond, oogen, en min of meer duidelijk van neusgaten en ooren; de ledematen kunnen ontbreken, maar, wanneer zij er zijn, zijn
3°
er doorgaans vier, zóó geplaatst, dat in een spiegel gezien, die van de eene zijde volmaakt hetzelfde beeld vormen als die van de andere zijde, hetgeen hen symetriek doet heeten; de Visschen alleen hebben bovendien ongepaarde vinnen. Zoogdieren, Vogels, Kruipende dieren,
3i
Kikvorschachtige dieren en visschen hebben het lichaam verdeeld in twee helften, even symetriek als de ledematen.
§ 27. Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Batrachiërs en Visschen hebben rood bloed; zij, die loopen kunnen, hebben gelijk gebouwde ledematen. Bij deze uiterlijke punten van overeenkomst voegen zich nog sterker sprekende inwendige. Zoogdieren, Vogels, Reptielen,
Batrachiërs en, op een enkele uitzondering na, alle Visschen hebben rood bloed. Bij allen worden de ledematen, zoo ze er zijn, gesteund door stevige inwendige stukken, die men kraakbeen noemt, wanneer zij buigzaam zijn zooals bij de vinnen van den rog, beenderen wanneer zij eer breken dan buigen zooals in onze armen en beenen.
32
In de vinnen der Visschen zijn deze been- en kraakbeenstukken zeer talrijk; zij zijn dit veel minder bij Batra-chiërs, Reptielen, Vogels en Zoogdieren, wier ledematen ongeveer dezelfde beenderen vertoonen, op gelijke wijs geplaatst. Bijv.: bij de voorpooten dezer dieren, bij de vleugels der Vogels, onderscheidt men evenals bij onzen arm, (fïg. 23) ccn bovenarm, een benedenarm, een hand, in de achterpoo-ten evenals in onze beenen een dijbeen, een benedenbeen en een voet (fig. 23). Verder bevatten opperarm en dijbeen slechts één been, benedenarm en benedenbeen twee, terwijl hand en voet vijf vingers dragen en er bij enkele dieren alleen daarom minder te vinden zijn omdat sommige vingers óf heel klein blijven óf zich volstrekt niet ontwikkelen.
Het lichaam zelf wordt gesteund door beenderen, evenals de ledematen, en de ineenvoeging van de beenderen der ledematen met die van het lichaam vormt dat samen-
stel van beenderen, dat men bij een kip de karkas noemt en dat de natuurkundigen zijn skelet heeten.
§ 28. Wervels en wervelkolom. Het meest belangrijk deel van het geraamte wordt uitgemaakt door een reeks van beenderen, die boven elkaar geplaatst zijn bij
33
den rechtopgaanden mensch, (fig. 24 en 25) en in een rij achter elkaar bij de dieren, die hun vier ledematen gebruiken om zich voort te bewegen. Zij vormen samen een buigzame as, waaraan wij de bewegingen van hals en lendenen danken, en waardoor ons hoofd en het geheele lichaam de meest verschillende houdingen kunnen aannemen.
Deze beenderen hebben met elkaar de grootst mogelijke overeenkomst ; zelfs bij de'verschillende dieren onderling, als Zoogdieren, Vogels, Kruipende dieren, Kikvorschachtige dieren, Visschen. Ook dragen zij bij alle dieren denzelfden naam; men noemt ze wervels en de beweeglijke as, die zij vormen, de wervelkolom. De wervelkolom draagt van voren de beenderen van den schedel, waaraan die van het gelaat zijn verbonden ; bij de meeste dieren die wij zullen behandelen, verlengt zij zich aan de achterzijde van het lichaam tot een staart, die uit een grooter of kleiner aantal wervels bestaat.
De wervels zijn opgebouwd uit een beenen (fig. 26) als een geldstuk afgerond, waaraan van onderen beweeglijke ribben verbonden zijn en die van boven vaste beenen uitsteeksels draagt. Onder eiken wervel vormen de ribben een grooten boog, van boven vormen de uitsteeksels een tweeden, doch veel kleineren.
Plaatst men nu de wervels in een rij boven elkaar, dan vormt de vereeniging van die bovenste kleinere beenen-ringen een kanaal, dat zich naar voren in de schedelholte voortzet. Dit kanaal omsXmt het riiggentcrg, een voortzetting van de hersenen, die in de schedelholte liggen, (fig. 25) en van waaruit het geheele lichaam van zenuwen wordt voorzien.
Zoo vormen de ribben te zamen een soort kast waarvan de afzonderlijke stukken, door het vleesch of de spieren verbonden en met de huid bekleed zijn Deze ruimte wordt aldus gelijk aan een vertrek, dat aan alle zijden goed gesloten is, en waarin de ingewanden huizen: de maag, de darmen, de lever en verdere onderdeelen van het spijsverteringskanaal, de longen of de zwemblaas, het hart en de groote vaten. Dikwijls zijn er slechts aan het voorste deel van dit vertrek ribben, welk deel men dan de borst-
3
34
kas noemt, terwijl het achterdeel, dat niet meer door ribben omsloten wordt, achterlijf heet.
§ 29. Zoogdieren, Vogels, Kruipende dieren, Kikvorschachtige dieren en Visschen vormen ééne zelfde afdeeling in het dierenrijk, die van de Gewervelde dieren. Bovengenoemde diergroepen zijn de eenige, die al deze bijzondere kenmerken gemeen hebben; met nadruk de eenige, die een inwendig skelet hebben, dat tot uitgangspunt heeft een wervelkolom, gevormd door de opeenplaatsing van onderling zeer weinig verschillende wervels. Men geeft de overeenkomst, die deze dieren vertoonen, aan, door ze met een zelfden naam te noemen. Men heet zulke dieren Gewervelde dieren.
De Gewervelden vormen in het onmetelijk groote rijk van dieren eene afdeeling, waarvan Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Batrachiërs en Visschen de 5 klassen uitmaken.
§ 30. Gewervelde dieren die in de lucht en die in het water leven. Van deze vijf klassen omvatten de drie eerste die gewervelde dieren, welke van hun geboorte af in de lucht ademhalen, n.1. Zoogdieren, Vogels en Reptielen, terwijl Batrachiërs en Visschen Gewervelde dieren zijn, die in het water ademhalen.
De Visschen kunnen gedurende hun geheele leven slechts de lucht inademen, die zich in het water bevindt; Kikvorschachtige dieren kunnen bij hun geboorte ook niet
35
anders, doch langzamerhand krijgen zij de geschiktheid om in de dampkringslucht adem te halen.
§ 31- Walvisschen, Cachelotten, Bruinvisschen en Dolfijnen, ofschoon in het water levend, zijn toch zoogdieren. Andere zoogdieren en zwemmende kruipende dieren. De groote afdeelingen van dieren zijn te goed bekend, dan dat men in de meeste gevallen eenige moeite zou kunnen hebben, om welk gewerveld dier ook, bijv. te plaatsen daar waar het thuis behoort.
Toch doen zich hier eenige bezwaren voor, die het vroegeren natuurkundigen moeielijk maakten, maar die wij thans met het grootste gemak oplossen kunnen.
De walvisch (fig. 27), de cachelot, de bruinvisch (fig. 28), de dolfijn en nog een groot aantal andere dieren, ongeveer aan deze gelijk, leven in het water en verlaten dit nooit; zij hebben geheel en al het voorkomen van groote visschen. Maar, bepalen we ons nog even bij de kenmerken der visschen. Visschen nemen door middel van kieuwen de in het water opgeloste lucht op; zij zijn
36
met schubben bedekt, zij leggen eieren, zij hebben een veranderlijke lichaamstemperatuur. De bovengenoemde dieren nu halen in de vrije lucht door middel van longen
adem, hebben nooit schubben, en enkele soorten dragen, vooral om de lippen zeer duidelijke haren; zij brengen levende jongen ter wereld, die zij met hun melk voeden; hun lichaamstemperatuur is standvastig.
Zij hebben dus niets van het kenmerkende van Vis-schen; integendeel, in elk opzicht herkent men in hen het Zoogdier.
Deze groote dieren zijn dus Zoogdieren, die in het water leven. Overigens zeer verschillend van Visschen, die sterven zoodra hun kieuwen gedurende eenigen tijd aan de lucht zijn blootgesteld, en die dus gedwongen zijn onder water te blijven; Walvisschen en gelijksoortige zoogdieren zouden zooals al hun verwanten, sterven indien zij niet aan de oppervlakte konden komen om adem te halen; maar het zijn uitnemende zwemmers die zelfs in de hevigste stormen zich boven water weten te houden.
Deze bedrevenheid in het zwemmen hebben zij niet zonder eenige opoffering verkregen : hun voorpooten zijn krachtige roei werktuigen, maar tot loopen kunnen zij geen dienst meer doen (fig. 29); hun achterpooten zijn vervangen geworden door een horizontaal geplaatste staartvin (niet vertikaal zooals bij de visschen).
Met zijn roeiriemvormige voorpooten kan een Walvisch onmogelijk zijn kolossaal lichaam op den vasten bodem
37
voortbewegen; als schipbreukeling op den oever geworpen, is hij veroordeeld tot een snellen dood, niet uit gebrek aan lucht, zooals de Visschen, maar uit gebrek aan voedsel.
De robben of zeehonden, (fig. 30) zijn heel wat minder voor een levenswijs in het water ingericht dan de Walvisschen; zij hebben hun vier pooten behouden, die weinig verschil-
38
len van die van andere Zoogdieren en staken dikwijls hun zwemverrichtingen om op den oever te komen uitrusten.
De zeeschildpadden, echte Reptielen, komen als andere schildpadden, nu en dan op het land, o. a. om eieren te leggen; maar eertijds leefden er zwemmers onder de Reptielen, zooals de Ichthyosauriërs en de Plesiosauriërs, die, ofschoon in het bezit van vier ledematen, waarschijnlijk niet vaker dan walvisschen, uit het water kwamen.
§32. Vleermuizen zijn Zoogdieren. Andere vliegende Zoogdieren, Reptielen en Visschen, Al vliegen zij, toch zijn vleermuizen (fig. 31) evenmin Vogels als walvisschen Visschen zijn. Vogels toch (fig. 32) zijn met vederen bedekt, hebben een snavel, missen tanden, leggen eieren. Vleermuizen daarentegen zijn behaard, hebben geen snavel, wel tanden, brengen levende jongen ter wereld, die zij zoogen. Het zijn vliegende Zoogdieren, zooals walvisschen zwemmende Zoogdieren zijn. Hun vleugels bestaan even-
39
als die der Vogels uit dezelfde deelen als de voorpooten van andere Zoogdieren.
Maar in den vleugel der vogels (fig. 23) zijn de vingers nauwelijks terug te vinden, en hij bestaat vooral uit zeer groote
4°
vederen. In den vleugel van de vleermuizen zijn de vingers duidelijk gescheiden en van een buitensporige lengte; zij stellen als 't ware de steunsels van een waaier samen, waartusschen een dunne teere huid is gespannen. Deze zonderlinge waaier vormt den vleugel.
Eertijds leefden er Reptielen, de Pterodactylen, die een vleugel hadden bijna gelijk aan dien der Vleermuizen. In onze dagen vindt men in de Sunda-eilanden nog een kleine hagedissoort, Vliegende draak genaamd, langs de zijden van vleugels voorzien, die niet gesteund worden door de beenderen der ledematen maar door de ribben 33)- De groote borstvinnen stellen enkele Visschen (fig- 34) eveneens in staat, zich eenige oogenblikken in de lucht op te houden.
Eindelijk zijn er nog vrij wat Zoogdieren, Eekhoorns bijv. (fig. 35) of beter nog de vreemd gevormde vliegende Maki's uit de Sunda-eilanden en de Filippijnen (fig. 36), bij wie de huid der lendenen, tusschen de vier pooten uitgespreid, een soort valscherm vormt, overeenkomende met den vleugel der vleermuizen.
41
Men zegt somtijds: Zoogdieren loopen; Vogels vliegen; Reptielen kruipen ; Batrachiërs springen, knapen en zwemmen; visschen zwemmen. Dit is ten naaste bij waar; maar, er zijn zooals wij zagen, zoogdieren en kruipende dieren, die even bekwame zwemmers zijn als de Visschen, andere even bekwame vliegers als de Vogels.
OVERZICHT.
Te allen tijde heeft men de dieren in afdeelingen gesplitst en aan dieren van een zelfde categorie namen gegeven, zooals de algemeen bekende namen van Viervoeters, Vogels, Slangen. Visschen, Insekten, Weekdieren, Wormen.
De natuurkundigen verdeelen de dieren ook in overeenkomstige groepen, die zij door vaste kenmerken nauwkeurig aangeven, en waarbinnen weer kleinere groepen worden vastgesteld.
Men heet Gewervelde dieren alle dieren die kraakbeenstukken of beenstukken hebben, welke vereenigd zijn tot een geraamte, waarvan het meest belangrijke deel is de v-ervelkolom^ opgebouwd uit wervels.
Er zijn Gewervelde dieren, die hun leven lang in de lucht leven en er zijn Gewervelde dieren, die in het water leven, zij het slechts bij hun geboorte.
De jongen van de in de lucht levende Gewervelde dieren voeden zich met melk of met gewone voedingsstoffen.
Men heet Zoogdieren, die Gewervelde dieren die hun jongen zoogen; zij zijn met haar bekleed en hebben een standvastige lichaamstemperatuur.
De in de lucht levende Gewervelde dieren, wier jongen gewoon voedsel tot zich nemen, zijn Vogels en Kruipende dieren.
Vogels zijn met vederen bedekt; hun lichaamstemperatuur is standvastig dezelfde.
Kruipende dieren hebben een hoornachtige, korrelige huid; hun temperatuur wisselt met de temperatuur daarbuiten.
Alle in het water levende Gewervelde dieren leggen eieren. Zij kunnen óf longen krijgen en daarmeé de geschiktheid dhi in de vrije lucht adem te halen, óf in het bezit zijn en blijven van kieuwen, die slechts onder water werkzaam kunnen zijn.
Vandaar twee afdeelingen : die der Batrachii-'rs en der Visschen.
Batrachiërs hebben een naakte huid, zij zwemmen of bewegen zich door middel van hun pooien op den vasten bodem voort.
Visschen hebben een met schubben bedekte huid en vinnen in plaats van pooten.
Met de Visschen dienen niet verward te worden de dieren, die in het water leven, maar in de lucht ademhalen, zooals Walvisschen. Evenmin moeten Vleermuizen, die vliegen, maar levende jongen ter wereld brengen en met haar bedekt zijn, voor Vogels aangezien worden.
DERDE HOOFDSTUK.
DIEREN DIE UIT GELEDINGEN OF SEGMENTEN ZIJN SAMENGESTELD OF GELEDE DIEREN.
g 33. De Meikever, de duizendpoot en de spin gelijken genoeg op elkaar om door één zelfden naam te kunnen worden aangeduid. Ziehier een Meikever (fig. 37), een duizendpoot (fig. 38), een spin (fig. 39) en een kreeft (fig. 40).
Meikever, duizendpoot en spin leven in de lucht en sterven wanneer men ze in water onderdompelt; ge weet al lang, dat deze dieren in veel op elkaar gelijken, dat zij daarentegen bijna in alles afwijken van de gewervelde dieren, die we pas hebben leeren kennen; misschien noemt ge ze ook, zooals velen doen, met den overigens onjuisten naam van Ins e kt en.
44
g 34. De kreeft, ofschoon in het water levend, is geen Visch. Kreeften daarentegen leven in het water evenals de Visschen; men moet ze al van zeer nabij bekijken, om niet te durven volhouden dat het Visschen zijn.
De geschiedenis van den Walvisch heeft ons geleerd, dat het voor een dier niet voldoende is, in het water te leven, om aanspraak te kunnen maken op den naam van Visch. Laat ons meer van nabij den Kreeft met de Visschen vergelijken, en zien tot welke uitkomst we geraken.
Al dadelijk doet zich een bezwaar op. Visschen hebben zooals alle Gewervelde dieren een geraamte en dus een wervelkolom.
Ge hebt wel eens kreeften gegeten; gij weet dat het vleesch van hun staartgedeelte van uit de harde huid
45
genomen worden kan als van uit een scheede; niets dat vast is blijft er over en, eet gij het uitgetrokken vleesch, dan voelt gij ook niets hards tusschen de tanden; in den staart der kreeften bevindt zich dus geen wervelkolom of inwendig geraamte, evenmin als in het voorste deel van het lichaam. Daar de Kreeft geen wervelkolom heeft, is hij ook geen Gewerveld dier, bij gevolg ook geen Visch.
jJ 35. Het lichaam van den Kreeft bestaat uit ringen; het is geleed. â Overigens vertoont de Kreeft gansch bijzondere kenmerken. Bijna geen enkel Gewerveld dier heeft een huid zoo hard en weerstandbiedend als het rugschild der kreeften is. Bij geen enkel neemt ge op de huid die regelmatige groeven waar, die den staart der kreeften schijnen te splitsen in van afstand tot afstand geplaatste ringen. Bekijkt men den rug, dan schijnt deze verdeeling in stukken, segmenten, slechts den staart te betreffen; maar aan de buikzijde (fig. 41) ziet men duidelijk, dat zij zich over het geheele lichaam uitstrekt en dat elk segment een paar ledematen draagt, die, evenals het lichaam zelf, uit van afstand tot afstand beweeglijk geplaatste stukken zijn opgebouwd.
Evenmin als het lichaam bevatten de ledematen een inwendig skelet uit gelede en bewegelijk verbonden stukken bestaande; hun eenige vaste deelen danken zij aan de verharde huid. Ziedaar dus een nieuw feit; terwijl bij de
46
'Hetce.s-'-ifSt Jquot;
Fig. 40. Ãe gewone Kreeft. â Zijn staart bestaat uit ringen, en van voren draagt het dier aan eiken kant vijf groote pooten.
Gewervelde dieren de beweegbare vaste stukken door de weekere deelen omkleed zijn en als 't ware de inwendige as van het lichaam en de ledematen uitmaken, liggen bij
47
den kreeft de vaste beweegbare stukken juist uitwendig en omvatten en beschermen de weekere deelen.
Het geheele lichaam schijnt dus opgebouwd te zijn uit segmenten of geledingen', men kan den kreeft een geleed dier noemen.
I 36. De Duizendpoot is evenals de Kreeft
geleed. Vergelijken we nu allereerst met den kreeft den duizendpoot, vervolgens den meikever, eindelijk de spin.
Het is duidelijk, dat de duizendpoot evenals de kreeft geleed is; alle segmenten van het lichaam dragen bovendien ledematen. Overigens heeft de duizendpoot geen uitwendig geraamte; de samenstelling van zijn lichaam is, op enkele kleinigheden na, gelijk aan die van den kreeft.
§ 37. Ook de Meikever is geleed. Aan de ondervlakte van het meikeverlichaam is de verdeeling in geledingen niet minder waarneembaar dan aan de ondervlakte van het lichaam van den kreeft; wel is waar vertoont het achterlijf geen ledematen, maar aan diezelfde geledingen zijn bij den kreeft de ledematen al heel klein en dienen slechts tot het vasthouden der eieren; men begrijpt dus licht, dat zij bij den meikever geheel hebben kunnen verdwijnen. Wij noemen achterlijf het lichaamsdeel van den meikever, dat geen ledematen draagt, en borststuk dat deel dat de pooten draagt; vóór aan het borststuk bevindt zich de kop.
§ 38. Ofschoon het lichaam van de spin geen segmenten vertoont, is hij toch een Geleed dier. Ge ziet duidelijk dat de spin, evenals de meikever, een achterlijf en een borststuk heeft, dat zijn ledematen in bouw gelijk zijn aan die van den meikever, van den duizendpoot en van den kreeft; evenmin als deze dieren heeft de spin een inwendig geraamte ; op het eerste gezicht reeds is ook zij geleed. Laat ons, om er geheel zeker van te zijn, trachten de segmenten te vinden, die zijn lichaam moeten samenstellen. Hier doet zich een moeie-lijkheid voor; met den besten wil ter wereld kunnen we er geen ontdekken. Maar het bezwaar is niet groot; nemen we in plaats van de gewone huisspin den hooi-
48
wagen : zij is heel zeker ook een spin; bekijken we hem door het vergrootglas: hier is het achterlijf duidelijk in geledingen verdeeld, en het is evenzoo bij andere spinnen, zooals bij de zweepschorpioen (fig. 42): bij deze dieren vinden we den bouw terug van kreeft, duizendpoot en meikever. Dit bevestigt ons in de meening, dat we goed deden door de spinnen bij de gelede dieren te plaatsen; de ringen zijn bij hen over het geheele lichaam heen verdwenen, zooals in het voorste deel van den rug van den kreeft.
g 39. De Gelede dieren maken eene groote af-deeling uit van het dierenrijk, evenals de Gewervelde dieren. Daar de kreeft, de duizendpoot, de meikever en de spin het lichaam op dezelfde wijze hebben opgebouwd,
maar geheel anders dan de Gewervelde dieren, kunnen wij ze beschouwen als vertegenwoordigers van een andere afdeeling uit het rijk der dieren en deze afdeeling is veelomvattend, want wij kunnen er aanstonds bijvoegen, dat
49
daartoe ook behooren zeekreeften, langoesten, garnalen, krabben, pissebedden, waterjuffers, sprinkhanen, wandluizen, bijen, vliegen, vlinders, schorpioenen en een menigte andere dieren.
Aan de dieren dezer afdeeling komt een naam toe; men zou hen, zooals in het dagelijksch leven vaak geschiedt. Insecten kunnen heeten, wat wil zeggen dieren in segmenten verdeeld; maar langzamerhand hebben de natuurkundigen de beteekenis van dit woord wat ingekort en tegenwoordig noemt men Gelede dieren alle dieren, wier lichaam en ledematen, of de laatste ten minste, verdeeld zijn in van afstand tot afstand geplaatste, min of meer beweeglijk met elkaar verbonden stukken.
g 40. Op het land en in het water levende gelede dieren. Evenals bij de afdeeling van de Gewervelde dieren onderscheidt men ook bij die der Gelede dieren twee onderafdeelingen: Gelede dieren die op het land leven en die in het water leven. Laat ons verder zien, wie hiertoe behooren.
§41. Punten van verschil tusschen den meikever, den duizendpoot en de spin. Niets is gemakkelijker dan tusschen meikever, duizendpoot en spin al dadelijk belangrijke punten van verschil aan te wijzen. We weten dat het lichaam van den meikever in drie onderdeelen te verdeelen is: kop, borststuk, achterlijf. De kop is de drager van den mond, die omgeven is door zeer samengestelde organen, (fig. 43) geschikt voor het afsnijden en kauwen van bladeren; hij wordt gekroond door twee horens, welke in een soort van waaier uitloopen, waarvan het dier de blaadjes uitspreidt, wanneer het zich tot vliegen gereed maakt. Die horens dragen den naam van voelhorens, antennen. Daarachter liggen de oogen, te herkennen aan de zwarte kleur. Op den kop onderscheidt men geen segmenten.
De borstkas daarentegen bestaat uit drie segmenten, elk de drager van een paar pooten. Bovendien draagt het tweede en het derde segment elk een paar vleugels.
Dits heeft de meikever 6 pooten en 4 vleugels.
4
Het achterlijf, uit negen ringen bestaande, draagt geen ledematen en zijn rugvlakte ligt geheel onder de vleugels verborgen.
Bij de duizendpooten onderscheidt men een kop evenals bij den meikever en die kop is eveneens de drager van antennen, oogen en mond, welke laatste omgeven is door organen, geschikt om de spijzen aan te vatten en te kneuzen. Maar het verdere deel van het lichaam is gescheiden in segmenten, ongeveer aan elkaar gelijk, die elk één paar pooten dragen, waardoor men noch borststuk, noch achterlijf kan onderscheiden. Bij dc duizendpooten is het aantal pooten zeer a fwisselend bij de verschillende soorten, ja verandert zelfs met den leeftijd', zij hebben geen vleugels.
Eindelijk, bij de spin, is er geeft afscheiding tusschen kop en borststuk. Het lichaam is te verdeelen in twee onderdeelen. Het eerste deel is de drager van oogen, mond, een paar gifthaken, in vorm gelijk aan de knijpers der hooiwagens, een paar aanhangsels ongeveer aan pooten gelijk, de tasters of palpen, wier benedeneind tot kauwen
5i
is ingericht en eindelijk de pooten zelf. Het tweede onderdeel, zonder ledematen, is het achterlijf.
De spin heeft 8 pooten in 4 paren geplaatst-, vleugels ontbreken haart
§ 42. Insecten zijn op het land levende Gelede dieren met 6 pooten; andere kenmerken van de Insecten, Vergelijk met den meikever het ontelbaar aantal loopkevers, sprinkhanen, glazenmakers (fig. 51;, bijen (fig. 44), wantsen, vliegen, vlinders (fig. 45). Al deze dieren hebben evenals de meikever het lichaam in drie deelen gescheiden : kop, borststuk, achterlijf; bij allen is de kop de drager van sprieten, oogen, van een mond met een gelijk aantal bewegelijke stukken; bij allen bestaat de borstkas uit drie ringen, die elk één paar pooten dragen; hun twee paar vleugels zijn aan den tweeden en derden ring van het borststuk gehecht; bij allen ten slotte bestaat het
achterlijf uit een tiental ringen. Dieren, die al deze kenmerken gemeen hebben, en zij alléén, dragen den naam van Insecten.
§ 43. Duizendpooten zijn op het land levende gelede dieren, met meer dan acht pooten. Voor de natuurkundigen zijn dus duizendpoot en spin geen insecten, al noemt men hen zoo. De dieren, die den gewonen duizendpoot of scolopender nabij komen, zijn weinig in aantal; zij wekken een zekeren afkeer en men geeft zich dus gewoonlijk geen moeite, om ze meer van nabij te bekijken. Zij hebben, evenals de scolopender, een duidelijken kop, met voelhorens, oogen en kauwwerk-tuigen; over de geheele lengte van het lichaam zijn de ringen gelijk, en de dragers van een of twee paar pooten.
52
De duizendpoot vormt met eenige verwante dieren de klasse van de Duizcndpootcn.
Onder hen zijn de Geophilen belangrijk om de lengte van het lichaam, dat zich al kruipend voortbeweegt; zij komen veel voor in tuinen en bouwgronden; de Scutigera's hebben lange pooten, uiterst slank, zooals die van de hooiwagens; de Julia's of millioenpooten hebben twee paar pooten aan eiken ring en rollen zich als een spiraal op wanneer men ze aanraakt.
44. Spinachtige dieren zijn op het land levende Gelede dieren met 8 pooten. Evenmin als spinnen of hooiwagens hebben schorpioenen (üg. 46) en mijten (fig. 47) een duidelijken kop; zij bezitten 4 paar pooten. alle gelegen voor het achterlijf, dat niet geleed is; men drukt deze punten van overeenkomst uit door te zeggen, dat schorpioenen, hooiwagens, spinnen en mijten, te zamen de klasse uitmaken van de Spinachtige dieren.
I 45. Verdeeling in drie klassen van de op het land levende Gelede dieren. Aldus kunnen wij tot onze onderafdeeling van op het land levende Gelede dieren drie klassen brengen: die van de Insecten, van de Duizend-pooten en van de Spinnen.
De Insecten hebben een lichaam, dat in drie deden verdeeld is; kop, borststuk en achterlijf; zij loepen met behulp van 6 pooten en vliegen door middel van twee of vier vleugels.
53
De Didzcndpooten hebben het lichaam in twee deelen gescheiden, waarvan een, de kop, bijna gelijk is aan dien der Insecten; het aantal poot en is verschillend; zij zijn ongevleugeld.
De Spinachtige dieren hebben het lichaam in twee deelen gescheiden: het voorste stuk draagt geen voelhorens, maar twee paar kauzv- of verdedigingswerktuigen en altijd 8 pooten. Het achterdeel, zonder ringen, heet achterlijf. Alle spinachtige dieren zijn ongevleugeld.
Van alle op het land levende Gelede dieren vliegen alléén de Insecten; onder de Gewervelde dieren is er ook ééne klasse van welke men zeggen kan dat zij zich onderscheidt door vliegen, n. 1. die der Vogels. Evenals wij de Gewervelde en de Gelede dieren op nieuw verdeeld hebben in twee onderafdeelingen, naardat zij op het land of in het water leven, zoo kunnen wij ook in ieder van deze eerste onderafdeelingen een afzonderlijk plaatsje inruimen voor die dieren onder hen, die niet alleen de eigenschap hebben van in de lucht adem te halen, maar ook nog van zich in den dampkring op te heffen, en er zich in te bewegen zonder anderen steun dan de lucht, die hen draagt.
? 46. Men noemt Schaaldieren alle in het water levende Gelede dieren. Alle in het water levende Gelede dieren, die op de wijze van den kreeft, slechts onder water kunnen ademhalen, vormen de groote klasse van de Schaaldieren.
54
Onder de Schaaldieren wijken enkele, zooals de zeekreeften en langoesten, nauwelijks van den gewonen kreeft af; de krabben (fig. 48) hebben deze bijzonderheid, dat zij hun bladvormig afgeplat achterlijf onder het voorste deel van het lichaam verborgen houden.
Deze dieren hebben evenveel pooten als de kreeft; maar zoo is het niet met alle andere Schaaldieren, die onderling bijna even sterk sprekende verschillen vertoonen als de op het land levende Gelede dieren.
g 47. Kieuwen en luchtbuizen. De op het land levende Gelede dieren halen in de lucht adem, de in het water levende nemen de lucht uit het water in zich op, niets natuurlijker dus, dan dat zij in hun ademhalingsorganen overeenkomstige afwijkingen vertoonen als de op het land en de in het water levende Gewervelde dieren.
Neem van een rivier- of van een zeekreeft het rugschild weg (fig. 49), dan ziet ge vlak boven de pooten, aan eiken kant van het lichaam een sierlijken bundel waaiervormige organen; drie paar aan eiken ring. Dit zijn de ademhalingsorganen ; men geeft hen evenals bij de Visschen den naam van kieuwen.
55
Niets van dien aard ontdekt men bij de op het land levende Gelede dieren. Maar op eiken ring van het achterlijf van een meikever, op alle ringen van het lichaam van een duizendpoot en op dat deel van een spin, dat met de twee eerste ringen van het achterlijf overeenkomt, ziet men aan beide zijden van het lichaam een opening, gewoonlijk in den vorm van een knoopsgat. Door deze
\
56
openingen, stigma's geheeten, treedt de lucht in vertakte buizen of afgeplatte zakken, en blijft daar ter beschikking van het bloed (fig. 50). Deze inwendige ademhalingsorganen worden tracheecn genoemd. Men zou de op het land levende Gewervelde dieren door longen ademende Gewervelde dieren kunnen noemen, de in het water levende door kieuwen ademende Gewervelde dieren; evenzoo kon men spreken van Gelede dieren met luchtbuizen als van op het land levende, en van Gelede dieren met kieuwen als van in het water levende.
Wij zullen evenwel zien, dat er Gelede dieren met luchtbuizen zijn, die in het water leven, evenals er onder de Gewervelde dieren met longen, echte zeebewoners gevonden worden; zoo ook kunnen Gelede dieren met kieuwen op het land leven evenals enkele vischsoorten dit tijdelijk vermogen.
g 48. Door tracheeën ademende Gelede dieren, die in het water leven. Er zijn een menigte insecten, die hun prille jeugd in het water doorbrengen; bijv. de haften, die veel langs vijveroevers voorkomen en slechts enkele uren buiten water in het leven kunnen blijven; de glazenmakers (fig. 51), op lateren leeftijd zoo vlug in het vliegen; de muskieten (fig. 53) en nog vele andere; maar zoo jong als nu zult gij ze nauwelijks herkennen, zóózeer veranderen zij van gedaante om ten volle
57
luchtbewoners te worden. Andere brengen bijna hun geheele bestaan in het water door: algemeen verbreid zijn
de JS/epas, gewoonlijk waterschorpioenen genoemd om hun
58
langen staart en de haakvormige pooten, geschikt tot het vasthouden van kleine voorwerpen; de waterroofkevers (fig. 54) en de spinnende watertorren, die aan groote mei-
Pig. 53. Muskieten vliegend boven een poel, waarin men jonge individu's van verschillenden leeftijd aan de oppervlakte van het water ziet komen om adem te halen. Een hunner staat op het punt van. van een in het water levend dier een in de lucht levend te worden.
59
kevers gelijk zijn. Al deze dieren halen adem door tra-cheeën en, om deze vol lucht te pompen, moeten de meeste hunner van tijd tot tijd boven water komen.
Men kent ook een vrij groot aantal in water levende spinnen. De merkwaardigste onder hen is wel de argyroneta of waterspin, die onder een soort zijden klok de lucht meêvoert, die zij voor de ademhaling noodig heeft.
\ 49. Gelede dieren met kieuwen, die in de lucht ademhalen. Opdat kieuwen werkzaam zullen kunnen zijn, is het somtijds voldoende, dat ze zeer vochtige lucht
6o
te hunner beschikking hebben. Hieraan wordt voldaan wanneer zij zich in een goed afgesloten ruimte bevinden.
Welbekende dieren, zeer algemeen onder steenen of in vochtige en duistere plaatsen, de pissebedden, zijn aldus opgebouwd. Zij gaan nooit te water, ofschoon zij door hun geheelen lichaamsbouw echte Schaaldieren zijn, en in de samenstelling hunner fijnere organen gelijken op andere Schaaldieren, die deze middenstof nooit verlaten, zooals de waterpissebedden (fig. 55).
Men vindt dus in bijna alle afdeelingen van het dierenrijk wezens, wier bewerktuiging, in haar geheel geschikt voor ééne bepaalde manier van leven, door enkele kleine wijzigingen zich voor een gansch verschillende levenswijs leenen. Deze wijzigingen zijn het, die men aanpassing noemt.
OVERZICHT.
Men noemt Gelede dieren die dieren, wier lichaam bestaat uit ringefi, segmenten of geledingen, die, van afstand tot afstand geplaatst, op hun beurt de dragers zijn van ledematen, welke uit beweeglijk verbonden stukken bestaan.
De Gelede dieren worden allereerst in twee onderafdeelingen verdeeld; de op het land en in het water levende Gelede dieren.
De op het land levende Gelede dieren halen adem door middel van tracheeën; de in het water levende door middel van kieuwen.
Er zijn drie hoofdklassen van op het land levende Gelede dieren: ie Insecten; â 2e Duizendpooten; â 3C Spinachtige dieren.
Insecten hebben het lichaam in drie deelen verdeeld; kop, borststuk, achterlijf.
De kop draagt altijd voelhorens; het borststuk 6 poolen en gemeenlijk 4 of 2 vleugels; het achterlijf draagt geen ledematen.
In het lichaam der Duizendpooten zijn alle ringen aan elkaar gelijk en dragen pooten: de kop alleen is gescheiden en draagt voelhorens evenals bij de Insecten.
6i
De Spinachtige dieren hebben geen afzonderlijken kop, noch werkelijke voelhorens: zij hebben altijd 8 pooten, maar zijn van vleugels verstoken.
Er is slechts ééne klasse van in het water levende Gelede dieren, die der Schaaldieren^ overigens onderling zeer verscheiden van vorm.
Tamelijk veel Gelede dieren, behoorende tot de klassen der Insecten en Spinachtige dieren, zijn waterbewoners, ofschoon zij door hunne bewerktuiging in de lucht ademhalen; omgekeerd leven eenige Gelede dieren, wier organen zijn ingericht voor een ademhaling onder water, op het land.
VIERDE HOOFDSTUK.
GELEDE DIEREN ZONDER LEDEMATEN, OF WORMEN.
g 50. Weeke en tevens gelede dieren: de
Aardworm. â Hebben gelede dieren geen inwendig geraamte, toch wordt hun lichaam bijna altijd beschermd door eene harde weerstandbiedende huid, eenvoudig hoornachtig zooals bij de Insecten, of bijna kalkachtig.
Er zijn ook nog dieren, wier lichaam in bouw gelijk is aan dat der gelede dieren, met duidelijk onderscheiden ringen, maar wier huid altijd zacht blijft zonder eenige vastheid.
Eén dezer ontmoet men bijna overal: het is de regen- of aardworm (fig. 56, _»â ). Zijn ringen zijn niet zoo gemakkelijk waar te nemen als die van den meikever, omdat zijn huid gewoonlijk doorsneden is van dwarse groeven, die men allicht verwart met de afscheidingen van de ringen; maar, bij een opmerkzame beschouwing ontdekt men ze al spoedig, dank zij de diepere insnoering, die het dier zien laat daar waar de ééne ring eindigt en de andere begint.
§51. De regenworm beweegt zich door middel van borstels. â Bij de gelede dieren dragen vele somtijds alle ringen, ledematen, die op hun beurt weer bestaan uit beweeglijk aan elkaar verbonden stukken, die men geledingen noemt. In een meikeverpoot is het gemakkelijk afzonderlijke deelen te ontdekken, die te vergelijken zijn met een heup, een dij, een benedenbeen en een voet.
63
De ringen van een aardworm dragen nooit iets dergelijks. Maar, laat zoo'n dier een oogenblik op uw hand voortkruipen; pak het daarna plotseling aan, en tracht het te verwijderen. Gij voelt, dat hij zich aan uw huid heeft vastgehaakt; het is alsof hij met kleine stekels gewapend is, waarmee hij zich in weeke lichamen boort, en die hem zoovele steunpunten geven.
Deze stekels zijn inderdaad aanwezig; die van de groote aardwormen zijn voor het bloote oog duidelijk zichtbaar; om die van de kleinere voorwerpen te ontdekken, is er een loup noodig (fig. 56 h, ï).
Het zijn niet slechts verlengselen van de huid; elk hunner ontspringt uit een kleine in het lichaam van den worm geboorde opening en kan door het dier naar wille-
64
keur in zijn geheele lengte uitgestrekt of binnen de huid teruggetrokken worden.
Elke kant van het lichaam draagt twee rijen borstels en in elke rij zijn deze gepaard, zoodat er aan een rug 8 te vinden zijn.
Ziedaar al ledematen wat de worm heeft. Overigens weet hij zich zeer vlug van die borstels te bedienen om vooruit te komen, hetzij op den bodem, hetzij in zijn onder-aardsche gangen. Daar deze stekels, bij sterke vergrooting, aan een varkensborstel niet ongelijk zijn, en zij het dier helpen voortbewegen, geeft men hen vaak den naam beweg in°s-borstels.
l'ig* S7- Verschillende soorten van in zee levende Ringwormen. A, Myriamide. zwervende ringworm, op het punt van zich in zes stukken te verdeelen, die even zoovele wormen zullen worden. 13, Kalkkoker worm, een kalkachtige buis bewonend en zijn kieuwen boven op den kop dragend. C, Zeepier, een huisje bewonend, dat in den vorm eener U in het zand wordt uitgehouwen, met kieuwen op het middeldeel van het lichaam. D, Spirorbus, in de spiraalvormig gewonden woning besloten.
6S
§52. De aardworm kan slechts in zeer vochtige lucht leven; hij is bijna een waterdier. Wanneer aardwormen, die men in een doosje houdt opgesloten, ontsnappen, gaan zij een wissen dood te gemoet, zoo zij geen vochtige aarde vinden, waarin zij zich kunnen begraven. Men raapt ze van den vloer op, op allerlei wijzen ineengekronkeld, volkomen uitgedroogd, en hard ais stukjes hout. Deze dieren komen ook niet uit hun gaten te voorschijn, dan na regen of gedurende vochtige nachten; bovendien blijven zij bijna altijd half verscholen in de gangen die zij gegraven hebben, en waarin zij zich bij het minste gevaar terugtrekken.
Ziedaar dus wezens voor wie een zeer vochtige omgeving levensbehoefte is, die slechts in de aarde leven kunnen wanneer deze van water gedrenkt is, en die dus bijna zich gedragen, als waren zij waterdieren.
§ 53. Ringwormen. Inderdaad bewoont de meerderheid van de wormen, die op den regenworm gelijken, bijna uitsluitend het water; een menigte soorten leiden een vroolijk leventje tusschen de zeegewassen, verbergen zich onder de steenen van onze oevers, kruipen in het zand weg, graven gangen in het bekken, dat de zee in haar diepste diepten besloten houdt, of bouwen zich een soort schelpen, waarin zij wonen. Men geeft aan deze zeedieren den naam van Ringwormen, om de vele ringen, waarin het lichaam verdeeld is (fig. 57). Hier zijn de ringen veel duidelijker waar te nemen dan bij de regenwormen; zij zijn ook meer samengesteld en met talrijker, grooter en dj. krachtiger borstels gewapend. Heel Fig. 58. dikwijls ziet men Ringwormen rond
Een Bloedzuiger. zwemmen in het zeewater, dat de oesters in hun schelpen houden opgesloten, en leeken zien ze bijna altijd aan voor zee-duizendpooten; maar
5
66
duizendpooten hebben gelede pooten en die van de Ringwormen zijn slechts vleezige stompjes, van borstels voorzien. De meeste van deze dieren hebben vederbosvormige kieuwen óf over de geheele lengte van het lichaam heen, óf op het middeldeel óf op den kop alleen, al naarmate het dier vrij rondkruipt, een U-vormige schaal bewoont, of een rechte buis, die van achteren gesloten is. (fig. 57, B, C, D.)
§ 54. Afgesneden stukken van Ringwormen groeien tot afzonderlijke dieren aan. Ringwormen
6y
en regenwormen genieten een zeldzaam voorrecht. Wanneer men het achterste deel van het lichaam van een aardworm afsnijdt, sterft het afgesneden stuk gewoonlijk, maar het verminkte dier begint aanstonds nieuwe ringen te vormen en herstelt zich zóó volkomen, dat er weldra zelfs geen spoor van de verwonding meer te zien is. â Neem van een anderen worm den kop weg; zelfs die kop wordt vernieuwd. Eenige soorten maken het nog erger: daar groeit het dier zonder ophouden voort, doordat zich aan het achterlijf steeds nieuwe ringen ontwikkelen. Toch bereikt het nooit een in 't oog vallende grootte. Want, nadat de worm gedurende eenigen tijd in lengte is toegenomen, deelt hij zich plotseling in twee of drie stukken (fig. 57 A), die voortaan voor eigen rekening voortgroeien. Door dergelijke wormen midden door te deelen, kan men naar willekeur er twee van maken. Bij Gelede dieren kan dit nooit.
Alle ringen van een regenworm of van een ringworm hebben denzelfden bouw, elk hunner bezit bijna al wat hij noodig heeft om een onafhankelijk bestaan te voeren, en zou desnoods voor een afzonderlijk dier kunnen worden aangezien ; zóó is het verklaarbaar, dat een zeker aantal van deze ringen, wanneer zij langs kunst-matigen of langs natuurlijken weg . vrij komen, een nieuw lichaam
rig. oo. Volwassen 1 nchine, zeer J
sterk vergroot, gevuld met jonge opbouwen, gelijk aan dat, waar-
van zij vroeger een deel uitmaakten.
§ 55. Ander voorbeeld van gelede Wormen: de Bloedzuigers. In elk punt van hun bewerktuiging komen de Bloedzuigers (fig. 58) den regenwormen nabij, slechts ontbreken hun de bewegingsborstels, en hun lichaam loopt van voren en van achteren uit in zuignappen, die hen in staat stellen zich op een gansch bijzondere wijs voort te
68
bewegen; zij beginnen eerst met hun achtersten zuignap vast te zetten, vervolgens strekken zij het lichaam zoo ver als zij kunnen en zuigen zich met hun voorsten zuignap vast; daarop den achtersten weer loslatend, buigen zij het lichaam in vertikale richting boogsgewijs om, en brengen beide zuignappen bij elkaar tot ze elkaar raken; als nu de achterste zuignap vastzit, wordt de voorste losgelaten en het lichaam gaat voorwaarts. Op deze wijs beweegt zich de bloedzuiger ongeveer als de hand, wanneer men haar langs een lijn laat gaan, wier lengte men meten wil. Daar bloedzuigers in het licht leven, bezitten
69
zij oogen, wier aantal en plaatsing bij de verschillende soorten verschillend is.
Hun mond is doorgaans gewapend met drie rijen tands-gewijs ingesneden hoornachtige organen (fig. 59), met behulp waarvan zij de huid der dieren vasthouden om hun bloed weg te zuigen. Die dorst van eenige bloedzuigersoorten naar bloed heeft gemaakt, dat men ze in de geneeskunde gebruikt om enkele weinig voorkomende bloedingen daar te stellen; ook wordt er in deze dieren een soort handel gedreven. Men kweekt ze aan in natuurlijke of kunstmatige stilstaande wateren, waarin men van tijd tot tijd een ezel of een schaap laat loopen, wier bloed zij komen wegzuigen.
g 56. Parasietisch levende wormen. Enkele wormen hebben het lichaam van andere dieren tot woning gekozen en brengen er somtijds hun geheele leven in door; men noemt ze Parasietisch levende wormen of Ingetvandswonnen.
Vele soorten maken zich van den mensch meester; drie hunner zijn bijzonder bekend: de spoekvorvi (fig. 56), in grootte en gedaante aan een aardworm gelijk, zeer veelvuldig in ingewanden van kinderen ; de trichine (fig. 60), nagenoeg van dezelfde gedaante, maar microscopisch klein, en die tot in de diepste deelen van het vleesch doordringt; de taenia of lintworm (fig. 61), die de ingewanden bewoont, en wier lichaam, als een lint afgeplat, vaak een lengte heeft van verscheidene meters.
g 57. Er zijn Wormen, wier lichaam niet geleed is. De Taenia is verdeeld in ringen, die van het eene uiteinde van het lichaam naar het andere al langer en langer worden, en eindelijk elkaar loslaten. Geen spoor van ringen bij Spoelwormen en Trichinen. Er zijn nog veel andere dieren, wier lichaam, lang als dat van een aardworm, of afge-
7°
plat als dat van enkele bloedzuigers, niet in ringen verdeeld is, en die men tot de Wormen rekent. Een der merkwaardigste is de leverworm (fig. 62), die men bijna standvastig in de lever van schapen aantreft, en waardoor een groot aantal dezer dieren gedood wordt.
OVERZICHT.
Men noemt Wormen, weeke dieren, wier lichaam in ringen verdeeld is zooals dat van de Gelede dieren, doch die geen wezenlijke pooten hebben.
Wormen leven in water of in vochtige aarde. Vele hunner zijn waterbewoners. Een groot aantal leeft in het lichaam van andere dieren, en zijn dus parasieten.
De zee-wormen, wier lichaam geleed is, heeten Ringwormen ; zij bewegen zich voort door middel van borstels^ welke door huiduitsteeksels gedragen worden.
De Wormen, die in vochtige aarde leven, bewegen zich ook door borstels voort, maar hebben geen huiduitsteeksels; men noemt ze regenwormen; kleinere soorten komen in zoet water voor.
Bloedzuigers bewegen zich daarentegen met behulp van zuignappen voort, welke aan de uiteinden van het lichaam gelegen zijn; bijna alle leven in zoet water.
Onderscheidene Worm-soorten sterven niet wanneer men ze doorsnijdt; integendeel, elke helft wordt opnieuw een volslagen worm.
Onder de parasietisch levende Wormen zijn van algemeene bekendheid de spoelworni. de trichine^ de Taenia of lintworm en de leverworm in de lever van het schaap.
VIJFDE HOOFDSTUK
DIEREN MET WEEKE HUID MET OF ZONDER SCHELP.
g 58. De huisjesslak behoort tot een nieuwe afdeeling, die der Weekdieren. â Gewervelde dieren, Gelede dieren en Wormen maken samen reeds een behoorlijk deel uit van het dierenrijk; maar er zijn nog andere diervormen, die de moeite waard zijn om te leeren kennen. Bekijk, bijv., die slak eens, die langzaam voortkruipt, de vier horens, waarvan de grootste elk een oog draagt, uitgestrekt, haar schelp met zich slepend, terwij! zij op den grond een duidelijken afdruk maakt van de ondervlakte van haar lichaam (fig. 10). Onmogelijk, haar in een van de door ons behandelde afdeelingen te plaatsen. Verbreekt ge haar schelp, dan vindt ge in het overige van haar lichaam geen enkel hard stuk; zij is dus geen Gewerveld dier. In weerwil van haar stevig omhulsel, laat zij geen spoor van gelede ledematen zien; men zou haar dus niet bij fig- 63- Schelp van een Schaaldieren of Insecten kunnen plaat-Wulk of Kinkhoorn. gen^ Haar huid, van de schelp losgemaakt, is week als die van een Worm, maar, hoe ge ook zoekt, ge vindt in het lichaam van ons diertje geen spoor hoegenaamd van eene splitsing in ringen; de slak is dus geen Worm. Overigens hebben Gewervelde dieren,
72
Gelede dieren en Wormen alle een rechterhelft en een linkerhelft, volkomen aan elkaar gelijk; het slakkenlichaam daarentegen rolt zich als een spiraal samen, en er bestaat geen mogelijkheid haar volgens ééne lengte doorsnede in twee gelijke deelen te verdeelen. Er moet dus een plaats afzonderlijk ingeruimd worden voor slakken en daarmee overeenkomstige dieren, die men gewoonlijk schelpdieren noemt. Men brengt ze tot de afdeeling der Weekdieren.
§ 59. Er zijn Weekdieren met een schelp, uit één stuk bestaande, en Weekdieren, wier schelp zich evenals de omslag van een boek opent. De
groep der Weekdieren is eene van de meest omvattende uit het dierenrijk.
Al die sierlijke voortbrengselen, vaak schitterend van kleur, die wij in het dagelijks leven kennen onder den naam van schelpen, zijn het werk van Weekdieren. Er zijn twee duidelijk te onderscheiden soorten; óf zij bestaan, zooals het slakkenhuis, uit één gewoonlijk spiraalvormig gewonden stuk (fig. 63), óf zij zijn zooals de oesterschelp, opgebouwd uit twee nagenoeg gelijke deelen, door een soort van scharnier veree-nigd, die evenals de twee helften van den omslag van een boek geopend en gesloten kunnen worden. Elk dezer helften draagt den naam van klep, en men noemt
73
de schelp tweekleppig (fig. 64). Het dier ligt tusschen de twee helften zijner schelp opgesloten, evenals de bladeren van een boek tusschen de twee vellen karton die den omslag vormen.
Gewoonlijk passen de twee kleppen van de schelp volkomen op elkaar wanneer zij gesloten zijn, zoodat het dier daarbinnen beveiligd is tegen eiken aanval van buiten.
'b 60. Deksels van enkele éénkleppige Weekdieren.
De meeste Weekdieren met éénkleppige schelp kunnen zich geheel in deze zonderlinge woning terugtrekken; deze wordt alsdan luchtdicht afgesloten door een soort van luikje, dat precies op de opening past, en dat men het deksel van de schelp heet. Dit deksel is aan den voet van het dier bevestigd; aan enkele Weekdieren, zooals de slak, ontbreekt het geheel; maar bij de meeste andere valt het gemakkelijk waar te nemen.
§ 61. Het paarlemoer en de paarlen. Zijn schelpen van buiten vaak schitterend gekleurd, hun inwendige oppervlakte is niet minder rijk getooid. Zij is overdekt met een samenhangende laag van een kalkachtige, half doorschijnende zelfstandigheid, van uiterst rijne strepen voorzien, welke slechts met een sterk vergrootglas waarneembaar zijn en waarin het spelende licht verschillende kleuren toovert van een wonderschoon effekt. Deze zelfstandigheid, veel in de industrie in gebruik, is het paarlemoer. Bij enkele soorten van tweekleppige Weekdieren kan het paarlemoer zich in kleine bolronde kogeltjes binnen de weeke lichaamsdeelen van het dier afzetten ; dan vormt het de paarlen, waarvan men zulke bevallige sieraden maakt.
De schoonste paarlen, zoowel als het schoonste paarlemoer worden geleverd door een groot Weekdier met tweekleppige schelp uit den Stillen Oceaan en de Indische Zee, de paarloester (fig. 65).
In uiterlijk voorkomen gelijkt hij op een oester van zeer groote afmeting; maar de schelp is hard, dik, vast, en, opent men haar, dan ziet men onmiddellijk het paarlemoer in al zijn schoonheid te voorschijn treden. Men
74
vindt in onze zoete wateren tweekleppige schelpdieren, bekend onder den naam van parelmossels, die ook paarlen voortbrengen; alleen zijn deze paarlen kleiner dan die van den paarloester en hebben niet zoo'n verscheidenheid van kleurspelingen.
Daar het deze weerschijn is, die den glans aan den parel geeft, en de paarlen hun grootste waarde juist aan dien glans danken, zijn deze laatste paarlen uit het zoete water natuurlijk minder in tel.
Enkele weekdieren met spiraalvormig gewonden schelp leveren ook een zeer schitterend paarlemoer; maar de vorm dezer schelpen laat niet toe, dat men ze in platen van behoorlijke afmeting verdeelt; hun paarlemoer kan dus slechts gebruikt worden om er figuren in te snijden.
g 62. De schelp der Weekdieren wordt door den mantel voortgebracht. De schelp bekleedt het weekdier zooals onze kleederen ons bekleeden; zij wordt voortgebracht door een plooi van de huid, waarmee zij samenhangt. en die haar tot een soort voering wordt, mantel genoemd.
Bij den oester kan men dien mantel, die als een doorzichtig vlies de geheele binnenvlakte van de schelp bekleedt, en' in een grijsachtig gekleurde franje uitloopt, gemakkelijk waarnemen. Men kan weten of een oester versch is door
75
die franje even aan te raken; men ziet ze alsdan lichtelijk bewegen.
Wanneer een slak kruipt, ziet men den mantel als een vleezigen rand buiten de opening van de schelp te voorschijn treden.
I 63. Weekdieren zonder uitwendige schelp; de Aardslak. Bij enkele Weekdieren bereikt die mantel een grootere ontwikkeling; hij hangt aan alle kanten van de schelp af, ligt over haar teruggeslagen, en bedekt haar ten slotte bijna geheel. Bij de gewone aardslakken uit onze tuinen
ligt de schelp aldus verborgen, maar zij is veel te klein voor het dier om er zich in terug te trekken: zij ligt besloten in een soort schild, boven op den kop, met aan de rechterzijde een opening die uitloopt op het ademhalingsorgaan of de long. Dat schild is niets dan de mantel zelf; men behoeft dezen slechts door te snijden, om de schelp er uit te halen; gewoonlijk, bij de groote roode aardslak bijv. (fig. 66), vindt men in plaats van de schelp slechts een hoopje steenachtig gruis.
Overigens gelijken de aardslakken in geheel hun maaksel veel op de huisjesslakken. Beide soorten zijn groote vijanden van onze moestuinen. Met hen mogen niet verward worden de testacella's (fig. 67), die ook veel in onze tuinen voorkomen, en evenals de aardslakken slechts een zeer kleine schelp hebben; maar deze schelp is vrij en doet eenigzins denken aan een nagel, die als't ware boven
76
op den staart zou zijn geplaatst De testacella's zijn dus licht herkenbaar; en, zooals men het vernietigen van aardslakken kan aanbevelen, zoozeer diene men hen in bescherming te nemen, want zij voeden zich slechts met aardwormen, jonge aardslakken, of larven van insecten, alle voor onzen landbouw min of meer schadelijke dieren.
Er zijn Weekdieren, geheel van een schelp ontbloot. Enkele komen de huisjesslak zeer nabij. Andere, zooals de gewone achtarmcn, meer algemeen bekend onder den verkeerden naam van vertoonen sterke afwijkingen,
§ 64. Weekdieren, die op den buik voortkruipen en Weekdieren met vangarmen om den kop: achtarmen, inktvisschen of sepia's en pijlinkt-visschen of calmars. Huisjesslakken en daarmede overeenkomstige dieren kruipen voort op een soort vnet, die schijnt voort te komen uit een huidplooi aan de buikvlakte : hetgeen hun den naam van Bnikpootigen gegeven heeft.
De achtarmen (fig. 68j hebben niets dat hiermeê overeenkomt, maar hun kop is omgeven van acht lange vleezige, weeke aanhangselen, in een punt uitloopend, in elk opzicht beweeglijk als slangen, en langs ééne zijde van zuignappen voorzien, met behulp waarvan het dier zich aan alle voorwerpen uit zijn omgeving vast-
Fig. 67. Eene Testacella.
zuigen en deze naar zich toe trekken kan. Terwijl de armen dan de prooi vasthouden, rijt het Weekdier haar vanéén door middel van een soort snavel, waarmede het gewapend is en die aan een papegaaiensnavel denken doet; of wel hij verscheurt haar door haar in aanraking te brengen met zijn met weerhaken bezette tong, die dan als een sooit rasp dienst doet.
77
Dreigt er gevaar, dan neemt de achtarm pijlsnel de vlucht door achteruit te zwemmen (fig. 69). Hiertoe behoeft hij slechts plotseling het water uit te stooten, dat hij onder den buik in een zak meedraagt. Het samengeperste water drukt op den bodem van den zak en stoot het dier achteruit.
Klimt het gevaar, dan spuit de achtarm zijn mkt naar buiten; dit is een zwarte vloeistof, die in het water een dikke wolk vormt en voor den vijand de richting verbergt waarin hij de wijk neemt.
Inktvisschen verschillen alleen in zóóver van acht-armen, dat zij tien armen hebben in plaats van acht, en dat het lichaam, afgeplat en van een zwemvlies omzoomd, door een soort van inwendige schelp gesteund wordt, het
78
inecrsckiii))i, dat men dikwijls aan vogels in kooien geeft, om den bek scherp te houden; uit den inkt der inktvisschen bereiden de Chinezen de Sepia en den Chi-neeschen inkt.
De pijlinktvisschen gelijken op de inktvisschen, maar hun lichaam heeft geheel het voorkomen van een jachthoorn met een ruitvormige vin aan het puntige uiteinde. Enkele soorten kunnen een vrij groote afmeting bereiken. Men heeft pijlinktvisschen gezien meer dan 1.5 M. lang en ongeveer 7 Meter bedragende van het uiteinde der armen tot de punt van den staart. De zuignappen op de armen van enkele dezer reuzen onder de Weekdieren zijn met scherpe gekromde klauwen bezet, aan die van een panter gelijk. Ongetwijfeld zijn dit geduchte dieren, die de parelvisschers uit den Grooten Oceaan met billijke vrees vervullen. Zij hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot het ontstaan van de fabel van dc kraken, die achtarmen, waarvan werd beweerd, dat zij groot genoeg waren om geheele schepen tusschen hun armen te klemmen en in den grond te boren.
Terwijl achtarmen en inktvisschen langs de kusten leven, behooren pijlinktvisschen in de volle zee thuis, zwemmen daar in troepen rond, en strekken dolfijnen en cachelotten tot dagelijksch voedsel.
Daar pijlinktvisschen, inktvisschen en achtarmen de armen als een krans rondom den kop geplaatst hebben, noemt men ze Koppootigen. Koppootigen, Buikpootigen en Tweekleppige weekdieren, ook wel Koploozcn geheeten, omdat men veronderstelt dat zij geen kop hebben, zijn de belangrijkste klassen van de afdeeling der Weekdieren.
Eenige Koppootigen hebben een schelp, waarin zij zich kunnen terugtrekken, bijv. de nautilus. De wijfjes onder de argonauten maken er een om er hun eieren in te leggen en houden haar vast door middel van twee der armen, die daartoe schepvormig zijn uitgegroeid (fig. 69).
g 65. Groote lichaamsvorm van enkele Weekdieren. De Koppootigen zijn ongetwijfeld de reuzen uit de afdeeling der Weekdieren, maar men meene daarom
79
niet, dat alle soorten van de andere klassen niet grooter zouden zijn dan huisjesslakken of oesters. Er zijn Buik-pootigen, wier schelp dikwijls grooter is dan een menschen-hoofd, en onder de Tweekleppigen bereiken de bakschelpm (fig. 64), verbazende afmetingen. Men heeft er gezien van 1.5 M. middellijn. Schelpen van deze grootte worden in de kerk St. Sulpice, te Parijs, voor wijwatervat gebruikt; een dergelijk paar is ook het eigendom van het Museum van natuurlijke historie aldaar. Wanneer een van deze kolossale bakschelpen op den bodem der zee de schelp sluit, dan worden de beide kleppen met een kracht gesloten, die door niets kan worden overwonnen. Duikelaars of zwemmers, in dezen strik gevangen, kunnen zich niet loswerken.
OVERZICHT.
Weekdieren zijn dieren, wier lichaam niet geleed is en die zich min of meer volkomen in een kalkachtige schelp kunnen terugtrekken.
De schelp der Weekdieren wordt voortgebracht door een huidplooi, die hen bijna geheel omvat, en die men hun mantel noemt. De binnenste laag van de Weekdierschelpen levert het paarlemoer. De paarlen. die sommige Weekdieren voortbrengen, zijn ook van paarlemoer.
De schelp der Weekdieren is éénkleppig of tweekleppig^ naarmate zij bestaat uit ééne, gewoonlijk spiraalvormig gewonden holte, of uit twee platen, die zich als de omslag van een boek kunnen openen en sluitèn.
Men noemt Buikpootigen die Weekdieren, die op hun buik schijnen voort te kruipen, zooals huisjesslak, aardslak, purperslak, horenslak, enz.
Men heet Koppootigen die Weekdieren, wier kop omgeven is door vangarmen, zooals bij achtarmen, inktvisschen, pijlinkt-visschen en nautilussen.
8o
Buikpootigen en Koppootigen hebben altijd een éenkleppige schelp, vaak door een dekseltje afgesloten. Maar deze schelp kan onder de huid verborgen liggen, zooals bij inktvisschen en aardslakken, of geheel ontbreken, zooals bij de achtarmen.
Tweekleppige weekdieren gelijken alle op elkaar en vormen slechts ééne klasse: als voorbeeld diene de oester, de mossel, enz.
Enkele Weekdieren, zooals bakschelpen, vleugelhorens, achtarmen en vooral pijlinktvisschen, kunnen een zeer groote lengte bereiken.
ZESDE HOOFDSTUK.
STRAALD1EREN; DIEREN DIE EENIGSZINS HET VOORKOMEN VAN PLANTEN HEBBEN.
g 66. Alle straaldieren of die nog lagere dieren, die het voorkomen van planten hebben, zijn wateren bijna alle zijn zeebewoners. Onder de Gewervelde dieren komen op het land en in het water levende dieren voor; van de waterbewoners leven vele in zoet water, andere weer in zeewater. De Gelede dieren zijn op gelijke wijs over land, zoet en zout water verdeeld; Wormen en Weekdieren zijn veel meer aan het water gebonden, en hunne op het land levende soorten kunnen slechts daar leven, waar de lucht gewoonlijk zeer vochtig is. De dieren, die ons nu nog ter bespreking overblijven, zijn alle uitsluitend waterbewoners en bijna alle leven in zee.
Men noemde ze vroeger Straaldieren, Plant-dieren, of wat in het Grieksch dezelfde beteekenis heeft, Zoophyten.
g 67. De Zeester bestaat uit vijf onderling gelijke stralen. De naam Straaldieren zal van zelf verklaring vinden in het uiterlijke voorkomen van een zeester (fig 70). Dit zonderlinge dier heeft inderdaad precies den vorm, waaronder teekenaars en beeldhouwers- gewoonlijk de sterren afbeelden. Het schijnt te zijn opgebouwd uit vijf driehoekige stralen, aan de basis met elkaar vereenigd, die men haar armen noemt. Haar boven- en haar onderzijde, of, wil men liever, rug- en buikvlakte zijn niet gelijk. De armen
6
82
zijn van boven bol, van onderen over hun geheele lengte gootvormig uitgediept; hier ziet men een menigtevleezige buisjes te voorschijn treden met zuignappen aan den top, die zich aan vaste lichamen kunnen vastzuigen. Deze uiterst beweeglijke buisjes kunnen zich vrij ver naar buiten uitstrekken of bijna geheel in de gootvormige sleuf terugtrekken; het zijn om zoo te zeggen de voeten van de zeester.
In het midden van de ondervlakte, daar waar de vijf uitdiepingen der armen samenkomen, vindt men den mond.
§ 68. De Zee-egel is evenals de Zeester uit stralen opgebouwd. In plaats van stervormig zijn zee-egels (fig. 71) bolvormig; maar, bekijkt ge een van die leege geraamten van zee-egels, die de golven zoo vaak op de kusten werpen, van nabij, dan ziet ge, dat hij in tien deelen verdeeld is, die evenals de ribben van een meloen gerangschikt zijn. Vijf van die ribben zijn doorboord, de andere vijf niet; deze laatste scheiden elk de
83
eene doorboorde rib van de andere. De gaatjes van deze laatste laten de voeten van den zee-egel naar buiten, voeten gelijk aan die van de zeester; de vijf doorboorde ribben van den zee-egel komen dus overeen met de vijf aan de buikzijde gelegen groeven van de zeester; in werkelijkheid is dus de zee-egel zoo goed een straaldier als de zeester.
§ 69. De Zeekomkommers zijn cylindervormige Straaldieren. Er zijn ook in zee levende straaldieren, wier lichaam den cylindervorm heeft, in plaats van bolvormig te zijn afgerond, zooals de zee-egels, waarop zij overigens veel gelijken. Men noemt zulke dieren Zeekomkommers (fig. 72).
§ 70. Straaldieren met stekelige huid of Stekel-huldigen. De huid van zee-egels, zeesterren en zelfs de weekere huid van zeekomkommers is bijna altijd van
84
kalkachtige stoffen doorweven; bij zee-egels en zeesterren vormt deze kalk een waar skelet, met tallooze stekels bezet, die een zee-egel eenigzins op een kastanjebolster doen gelijken; die Straaldieren met stekelige huid en hun verwanten, de Zeekomkommers, hebben van de natuurkundigen den naam gekregen van Stekelhuidigen.
Deze stekelhuidigen zijn nog vrij samengestelde dieren; in hun lichaamsholte vindt men een maag, bloedvaten, zenuwen en andere duidelijk te onderscheiden organen. De meeste hebben met planten niets gemeen dan den stervorm der bloemen. Toch wordt somtijds bij Za:leliën en bij zeer jonge Haarsterren (fig. 73), die later vrij
SS
worden, de ster gedragen door den top van een langen steel, en haar armen schijnen zoovele blaadjes, niet ongelijk aan palmbladeren. De vroegere natuurkundigen noemden ze dan ook zeepalmen. Deze overeenkomst met planten wordt grooter, terwijl tevens de bewerktuiging eenvoudiger wordt bij de dieren die de afdeeling der Polypen uitmaken, waarvan enkele soorten de zoete wateren, ja zelfs de kleinste poelen bewonen.
§ 71. De Zoetwaterpoliep of Hydra. Haal uit een vijver een zekere hoeveelheid waterplanten op, plaats deze in een glazen kom met water gevuld, waarin zij vrij rond drijven kunnen.
Indien ge van tijd tot tijd wat nieuwe planten er aan toevoegt, zult ge op zekeren dag kans hebben, tegen den meest in het licht staanden wand van uw kom kleine wezens te zien zitten, bruin of groen van kleur, die ge zoo oppervlakkig waarschijnlijk voor plant.
aardige gewassen zoudt aanzien. Dit zijn Hydra's of Zoetwaterpoliepen (fig.74) Hun lichaam heeft 73. Jonge Haarster, een soort Zeester, die den VOrm vail een in jeugdigen toestand als een plant vastzit, kleinen hoorn, om-maar later vrij leeft. . .
geven door een krans van armen, die zich kunnen samentrekken tot zij niet grooter zijn dan kleine knobbels,, of zich eenige decimeters lang uitrekken tot ze dun worden als spindraden. Deze eigenschap der draden van zich te kunnen uitstrekken en
86
terugtrekken, bewijst reeds dat de Hydra's in staat zijn, zich te bewegen.
Sla ze eenige oogenblikken oplettend gade: gij zuit ze inderdaad de armen heftig zien bewegen, het lichaam in verschillende richtingen krommen, of zich tot loopen zetten door beurtelings hun twee uiteinden met het glas of met de planten in aanraking te brengen, op de manier van de bloedzuigers.
Plaats in die kom met Hydra's zeer kleine insecten: indien een hunner het waagt een van de armen der poliep te na te komen, dan wordt het in hetzelfde oogenblik gegrepen, verslonden en verteerd; voorwaar, de poliep toont duidelijk een dier te zijn. Deze wijze toch van zich te voeden, n.1. het opnemen van vaste stoffen in het lichaam is aan planten geheel vreemd.
«7
'i 72. De Zoetwater-Hydra kan evenals planten uitspruitsels en knoppen voortbrengen. Ziehier iets zeer verrassends; snijd uw hydra middendoor; na verloop van eenigen tijd wordt elke helft een nieuwe hydra en gij zult deze operatie kunnen herhalen zoo dikwijls ge wilt: elk deel van de hydra zal na korten tijd tot een volledig dier uitgroeien; de hydra schijnt dus, evenals een plant, zich door knopvorming voort te planten. Bewaar eenigen tijd een hydra en draag zorg haar goed te voeden en matig warm te houden. Weldra ontdekt ge op één punt van het lichaam een klein gezwel, een soort knop, die gaandeweg grooter wordt evenals een knop aan een plantenstengel. Na verloop van eenigen tijd begint die knop te ontluiken: een jong individu wordt er uit geboren. Moeder en dochter kunnen langeren of korteren tijd samenleven (fig. 74); zij brengen zelfs dikwijls nieuwe knoppen voort aleer zij scheiden.
88
§ 73- Een tak met Hydra's heet een kolonie. Er zijn koloniën van in zee levende hydra's, die bloeien: hun bloemen heeten medusen. Trembley, een natuurkundige uit Genua, die het eerst de hydra's heeft bestudeerd, is er in geslaagd eene familie te doen ontstaan, die niet minder dan negentien uit en op elkander geboren leden telde. Men geeft aan aldus samengestelde familiën den naam van koloniën; zulke koloniën komen slechts bij uitzondering onder onze zoetwater poliepen voor, maar bij tal van zeepoliepen is het gemeenschapsleven de gewone wijze van bestaan; uit elkaar ontspruitend, vormen zij eindelijk vereenigingen, welke geheel het voorkomen hebben van kleine vertakte planten, die een groot aantal individu's omvatten (fig. 75).
Men ziet zelfs op vele dezer soorten uit de takken zonderlinge wezens voortkomen, die een soort kroon vormen, aan die der bloemen niet ongelijk, waardoor de overeenkomst voltooid wordt (fig. 75, b'). Alleen zijn deze
bloemen bezield, bewegelijk en zeer vraatzuchtig; op een gegeven oogenblik maken zij zich vrij, en zwemmen rond, onafhankelijk van de kolonie, die ze heeft voortgebracht (fig. 75, f); zij hebben den naam gekregen van medusen. Men treft ze in alle zeeën aan.
§ 74. De Zee-anemonen. Groote zeepoliepen, oneindig meer samengesteld dan de hydra's, van vele armen voorzien, die als bloembladen geplaatst zijn, staan bekend onder den naam van zee-anemonen (fig. 76). Evenals de medusen zijn deze Fig. 76. Zee-anemoon 1 natuurlijke grootte), zee-anemonen vleescheters
89
en bij de groote soorten wekt de aanraking van een der armen een onaangenaam gevoel als van een brandnetel.
Enkele soorten vormen evenals de hydra's koloniën, waarvan de afzonderlijke poliepen saamgehouden en gedragen worden door een kalkachtig geraamte, denpoliepcu-stok. Een dezer poliepenstokken is van algemeene bekendheid en wordt op talloos vele wijzen in de industrie tot sieraden verwerkt: het is n.1 het bloedkoraal, dat men vrij overvloedig in de Middellandsche Zee opvischt, evenals langs de Kaapverdische eilanden, en dat om zijn schoon helder rood hoog geschat wordt.
I 75. De Madreporen en de Madreporen-eilanderu De madreporen (fig. 77) zijn weer andere polypenstokken
9°
van een zeer verschillend voorkomen en gewoonlijk wit van kleur. Zij ontwikkelen zich overvloedig in de heete zeeën van onzen aardbol, bereiken reusachtige afmetingen en vormen ten slotte eilanden van voldoende uitgestrektheid, om tot woonplaats van den mensch te kunnen dienen. Deze Madreporen-eilanden hebben een gansch bijzonder voorkomen. Het zijn uitgestrekte ringvormige riffen, in wier midden de zee een soort meer vormt, welks volmaakte kalmte in groote tegenstelling is met de woede der golven tegen den buitenmuur van het eiland. Somtijds scharen de poliepen zich als een gordel om een meerder of minder hoog gelegen eiland heen, en strekken dit tot een natuurlijke bescherming tegen de zee.
Het eiland Tahiti, de Gambier-groep, de Fidsjigroep worden aldus door riffen beschermd, wier dikte van 70 tot 900 Meter bedraagt. Verder vindt men nog dergelijke riffen
van poliepenstokken langs de westkust van Nieuw-Caledonië; een andere, die de oostkust van Australië omvat, bereikt een lengte van 400 mijlen.
Zóó groot is de macht van het leven, dat Poliepen, teere dieren bij uitnemendheid, in staat zijn na verloop van tijd een werk tot stand te brengen dat de men schelijke volharding be-, ,, â , schaamt, en het onge-
Fig. 78. Uiteinde van een tak Bloedkoraal met verschillende poliepen, waarvan-één ge- schonden weten te be-heel ontplooid is, twee gereed staan zich te waren in weerwil van ontplooien en de andere zich in min of meer 1 â¢â¢ j 11
teruggetrokken toestand bevinden (vijfvoudige den altijd werkenden vergrootmg). invloed der golven, die
krachtig genoeg zijn zou om zelfs eilanden van graniet binnen enkele jaren te vernietigen. Maar niet alle Poliepen
9i
zijn zulke bekwame bouwmeesters. Zij, wier poliepenstok vast, hard, meer massief dan vertakt is, zijn bijzonder geschikt om de alleenstaande riffen uit de tropische zeeën op te bouwen. In onze zeeën, waarin ook een vrij groot aantal van madreporen zich ophouden, groeien de koloniën van deze dieren niet snel genoeg om tot zulke groote uitkomsten te kunnen geraken.
92
ji 76. Het Bloedkoraal en de Hoornkoralen, Gorgonia's, Het roode bloedkoraal (fig. 78), dat als sieraad wordt verwerkt, vormt slechts kleine struikjes, welke zich op den bodem der rotsen vasthechten.
Terwijl op de madreporentakken de plaats van elke Poliep aangewezen wordt door een soort van steenen bloem, laten de poliepen van het bloedkoraal geen enkelen regel-matigen indruk op de takken achter. De geheele poliepen-stok is overdekt met een dikke vleezige massa, waaruit poliepen ontluiken, wit als sneeuw, gelijk bevallige bloemen, wier blaadjes ten getale van acht, tandsgewijs langs den rand zijn geplaatst (fig. 78).
Het vertakte voorkomen van het bloedkoraal en van de madreporen was lang oorzaak, dat men deze zonderlinge wezens voor planten aanzag. Eenige dieren, die het koraal zeer nabij komen, hebben een nog duidelijker plantaardig voorkomen; hun lichaam wordt niet gesteund door een kalken poliepenstok, maar door een die hoornachtig is en buigzaam en, van alles ontdaan, niet ongelijk is aan een takje hei. Die Poliepen met buigzamen poliepenstok zijn bekend onder den naam van gorgojiia's (fig. 79). Hun poliepenstok is verder tot niets nut.
I 77. De sponsen. De sponsen (fig. 80) zijn dieren, ofschoon zij door hun uiterlijk voorkomen den planten nabij komen; zij staan nog heel wat lager dan de poliepen.
93
Dat deel van de spons, dat op de vvaschtafel dienst doet, is slechts een geraamte, bestemd tot steun van een half vloeibare gelatineachtige zelfstandigheid, het eigenlijk levend bestanddeel van de spons. Vóórdat de spons in den handel gebracht wordt, ontdoet men haar zorgvuldig van het levend deel, daar dit bij ontbinding een walgelijken reuk verspreiden zou. In alle zeeën leven sponsen; maar slechts enkele soorten bezitten een geraamte, dat buigzaam genoeg is en fijn genoeg van weefsel, om aan de voorwaarden te kunnen voldoen, die men stelt aan sponsen voor dagelijksch gebruik.
Die fijnere sponsen komen in vrij groote hoeveelheid in sommige gedeelten van de Middellandsche Zee voor, vooral in den Archipel, langs de Syrische kust; men vischt ze ook in de Roode Zee en de golf van Mexico.
In rivieren en vijvers kan men kleine sponsen vinden, de spongilla's (fig. 81), die op de toiletsponsen gelijken, maar wier skelet bestaat uit fijne kiezelnaalden.
9
g 78. Infusioren. Er zijn dieren, lager nog dan sponsen, zij vormen het rijk der Protozooën. Hiertoe behoort de meerderheid van die microscopische wezens, die men in het dagelijksch leven samenvat onder den algemeenen naam van Infusioren of Infusiediertjes.
Vele van deze organismen hebben zooveel overeenkomst met de voortplantingsorganen van zekere Wieren of van Zwammen, dat het verschil bijna niet is waar te nemen.
OVERZICHT,
Straaldieren en dieren die het voorkomen hebben van planten zijn alle water- en bijna alle zeedieren.
Men noemt StekelJiuidigen samengestelde dieren, wier huid met kalkachtige stekels bezet is, en wier lichaam gemeenlijk uit vijf onderling gelijke stukken bestaat, die als stralen gerangschikt en min of meer volkomen gesloten zijn.
Het lichaam der Stekelhuidigen, alle zeebevvoners, is nu eens stervormig (zeesterren, zeeleliën), dan bolvormig (zee-egels), dan weer cylindervormig (zeekomkommers).
De dieren, die de planten nabij komen, worden vaak dooiden naam van Poliepen aangeduid; zij hebben geen eigenlijk gezegde maag. Men kan hun aantal vermeerderen door ze evenals planten in stukken te snijden en zij bjengen, aan zich zelf overgelaten, knoppen voort, die zoovele dieren worden.
Dikwijls leiden zij een familieleven, en ontknoppen uit elkaar zóó, dat zij als 't ware struiken vormen, die men koloniën noemt.
Deze struiken brengen een soort dierlijke bloemen voort, uit vele stralen gevormd, die men Medusa's heet.
Tot deze groep behooren Zeeanemonen, Madreporen, Bloedkoraal, Gorgonia's. De madreporen bouwen zeer uitgestrekte riffen en eilanden; het bloedkoraal wordt tot sieraden verwerkt.
Sponsen hebben een nog eenvoudiger bewerktuiging dan de Poliepen. Ten slotte worden de allerlaagst bewerktuigde dieren onder den naam van Protozooën saamgevat: zij zijn over 't algemeen microscopisch klein.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
DE GROOTE AFDEELINGEN VAN HET DIERENRIJK.
g 79. Er zijn in het dierenrijk 8 hoofdafdeelingen.
Wij zijn nu in staat de hoofdvormen, waaronder de dieren voorkomen te herkennen. Vóór we overgaan tot een nauwgezette studie van die diervormen, die wij dagelijks om ons zien, en die door lichaamsvorm, bewerktuiging of gewoonten onze aandacht trekken, zullen we goed doen het behandelde nog eens in het kort na te gaan.
De verschillende diervormen kunnen in 8 groepen verdeeld worden. Elk dezer groepen omvat wat men een afdeeling-van het dierenrijk noemt. Deze acht afdeelingen zijn de volgende:
1. Gewervelde dieren. â 2. Gelede dieren. â 3. Wormen. â 4. Weekdieren. â 5. Stekelhuidigen. â 6. Poliepen. â 7. Sponzen. â 8. Protozooën.
§ 80. Gewervelde dieren, Gelede dieren en vele Wormen hebben een lichaam, dat uit eenige achter elkaar gelegen ongeveer gelijke deelen bestaat. Het lichaam der Weekdieren bestaat uit éen stuk. Het lichaam van Gewervelde, Gelede dieren en Wormen kan in twee zijdelingsch gelijke deelen gedeeld worden : rechter en linker helft; bovendien vonden wij bij de meeste dezer dieren organen, die van het eene deel van het lichaam naar het andere bijna volkomen aan elkaar gelijk zijn, bijv. de wervels en de ledematen der Gewervelde dieren, de geledingen der Gelede dieren en de pooten, die elk lid draagt, de geledingen van de Ringwormen.
⢠98
Gewervelde dieren, die door longen ademhalen, uitgenomen bij de Krokodillen, het hart in drie vertrekjes verdeeld is; bij de hoogst bewerktuigde onder de Kruipende dieren, de krokodillen, en bij alle warmbloedige Gewervelde dieren heeft het hart vier vertrekken. De bouw van het hart wijst dus in een zeker opzicht de levendigheid der ademhaling aan. Langs denzelfden weg kan men opklimmen van de in het water levende Gelede dieren of de Schaaldieren tot de Spinnen en tot de Duizendpooten, die slechts op den grond zich kunnen voortbewegen, verder tot de Insecten die vliegen kunnen.
De overige afdeelingen van het dierenrijk kunnen beschouwd worden als uitsluitend in het water levend. Wij zagen dat Aardwormen slechts in schijn land-dieren zijn, die slechts in de lucht ademhalen kunnen, wanneer deze geheel van waterdamp doortrokken is; de op het land levende Weekdieren zijn slechts zeer weinig beteekenende wijzigingen van onze huisjesslak of onze aardslak en toch biedt niets zoo'n verscheidenheid aan als de bewerktuiging der zee-Weekdieren. Stekelhuidigen zijn zeebewoners even als nagenoeg alle Poliepen en Sponzen; de microscopisch kleine Protozoën schikken zich evengoed in zeewater als in zoet water.
Al deze waterdieren, met name de zeebewoners, zijn weinig bekend; we komen zelden met hen in aanraking; voor het oogenblik willen we meer in het bijzonder onze aandacht vestigen op die, welke we bijna onophoudelijk voor oogen hebben, en waarvan wij des te meer zullen kunnen leeren, naarmate wij met hun levenswijze en gewoonten beter bekend zijn.
g 84. Gewervelde dieren van ééne orde hebben dezelfde wijze van voortbewegen en over 't algemeen ook van voeden. Trouwens, het is juist de verschillende wijze van leven bij Zoogdieren, Vogels, Kruipende dieren, Visschen en Insecten, die het onderwerp onzer studie zal uitmaken, en we zullen bijna altijd zien, dat dieren van ééne leefwijze dezelfde bewerktuiging hebben en in de verschillende klassen goed geordende onder-
99
afdeelingen vormen, waaraan wij den naam van orden geven zullen.
We weten dat alle dieren van ééne klasse dezelfde wijze van ademhaling hebben, en in het algemeen óf in het water óf op den vasten grond óf in de aarde óf in de lucht zich voortbewegen. Slechts enkele, zooals sommige vogels en insecten verstaan de kunst van tegelijkertijd te kunnen loopen, zwemmen en vliegen. Maar in het water, op het land, ja in de lucht kunnen deze dieren de grootste verscheidenheid van voedingsmiddelen vinden. Slechts zelden eten zij alles, onverschillig wat. Alsof zij de wereld onder elkaar verdeeld hadden, zóó, dat voortdurende geschillen niet voorkomen konden, heeft ieder zijn aangewezen voedsel, dat hij opzoekt, zonder zich om de rest te bekommeren. De geheele bewerktuiging staat in verband met ieders bijzondere gewoonten ; zij heeft zich, zooals de natuurkundigen dit uitdrukken, volkomen er geschikt; aldus vereenigt men in elke klasse dieren, die zich met vleesch en dieren, die zich met planten voeden, tot afzonderlijke groepen.
In elke groep komen nog vaak ware specialiteiten voor. Bijv onder de vleescheters eten enkele niets dan behaard of gevederd wild, zooals de vos; andere liefst visch, zooals de otter en de zeehond; weer andere stellen zich met insecten tevreden, zooals egels en vleermuizen; op gelijke wijze ziet men onder de dieren, die aan het plantenrijk hun voedsel ontleenen, enkele de voorkeur geven aan vleezige vruchten, zooals de apen, of aan amandelen en aan harde houtige plantenstofifen zooals de eekhoorns, of wel aan grassen, zooals de paarden, de runderen, de schapen. Vleesch, schilden van insecten, vruchten, amandelen, gras, het moet alles door den mond worden gekauwd en tot kleine stukjes gekneusd, om gegeten te kunnen worden. Waar wij deze stoffen gebruiken, bedienen wij ons niet van dezelfde werktuigen om ze fijn te maken: wij hakken het vleesch, kneuzen de vruchten, stampen de amandelen ; bij de dieren vervangen de tanden het hakmes, de pers, den stamper. Niets natuurlijker dus, dan dat de vorm dezer
IOO
organen zich wijzigt naar den aard van het voedsel, waarop zij moeten inwerken. Maar de dieren vinden het gras noch het wild voor zich gedekt staan. Elk dier moet zich verplaatsen, wil het zijn voedsel zoeken en vermeesteren. Dus dienen ook de ledematen aan die wijzigingen deel te nemen, en zal er een groot verschil bestaan tusschen de handen van apen, geschikt tot het beklimmen van boomen ; de klauwen, waarmee de leeuw zijn prooi bespringt en vastgrijpt; de werktuigen, waarmee otters en zeehonden de visschen al zwemmend inhalen, of waardoor gras-eters in staat zijn onvermoeid voort te blijven loopen en bij het minste gevaar ijlings te vluchten. Met den aard van het voedsel .moet dus ook de bouw der ledematen noodzakelijk veranderen.
Tot nu toe hielden wij ons bezig met de ligging der verschillende lichaamsdeelen van een dier, met hun aantal, met te onderzoeken of het bewuste dier in het water of in de lucht leeft, met den bouw van de organen, waardoor het ademhaalt, of zich in zijn middenstof verplaatst; dit heeft ons er toe gebracht, om de dieren in af deelingen te verdeelen, en deze weer in klassen', nu blijft ons nog over, na te gaan hoe de dieren van elke klasse zich voeden; en, daar wij in het oppervlakkige kennis dragen van hun ademhalings- en voortbewegings-organen, zullen weverder in bijzonderheden hun wijze van ademhalen, loopen, zwemmen en vliegen onderzoeken.
Wij doen dus een schrede voorwaarts in de studie van het leven der dieren, van hun gewoonten, van de betrekking waarin zij staan tot andere levende of tot doode wezens; wij zullen van nu aan natuurlijk kleinere, minder belangrijke verschillen in hun maaksel opmerken, dan die welke we reeds kennen. Dit zal ons er toe brengen om de klassen in orden te verdeelen, en wij zullen tevens leeren hoe de levenswijs is van de dieren van elke orde en hoe zij zijn opgebouwd.
lOl
OVERZICHT.
I. Het dierenrijk wordt verdeeld in 8 af deelingen: i. Gewervelde dieren. â 2. Gelede dieren. â 3. Wormen. â 4. Weekdieren. â 5. Stekelhuidigen. â 6. Poliepen. â 7. Sponzen. â 8. Protozoën.
II Gewervelde dieren worden verdeeld in op het land levende en in het water levende Gewervelde dieren.
III. De eerste omvatten drie klassen: Zoogdieren, Vogels en Kruipende dieren.
IV. De, althans bij hun geboorte, in het water levende om vatten twee klassen; Batrachiërs en Visschen.
V. Gelede dieren worden verdeeld in op het land levende en in het water levende Gelede dieren.
De eerste worden opnieuw verdeeld in drie klassen; Insecten^ Dnizendpooten en Spinnen.
De in het water levende Gelede dieren vormen ééne afzonderlijke klasse: die der Schaaldieren.
VI. De overige afdeelingen van het dierenrijk kan men niet meer in op het land levende en in het water levende verdeelen, omdat bijna alle dieren^ die tot de lagere afdeelingen behooren. water- of zelfs zeebewoners zijn.
VII. De verschillende klassen van dieren worden als van zelf in orden verdeeld.
Dieren van ééne klasse hebben gewoonlijk in het groot gelijk gebouwde ademhalings- en bloedsomloops-organen en ledematen ; maar zij verschillen in hun wijze van voeden en in het gebruik, dat zij van hun ledematen maken. Deze afwijkingen in gewoonten, wijzigingen in het klem van den bouw hunner organen, hebben als van zelf geleid tot eene verdeeling in orden.
VIII. In het algemeen hebben bij de groep der Gewervelde dieren, de dieren van een zelfde orde niet slechts gelijk geplaatste lichaamsdeelen, dezelfde wijze van ademhaling, of dezelfde middenstof om in te leven, maar bovendien voeden zij zich ook met hetzelfde soort van voedsel.
if
ACHTSTE HOOFDSTUK.
ZOOGDIEREN.
§ 85. Er zijn drie groote afdeelingen van Zoogdieren. In eene familie komen niet altijd alle kinderen tot een even hooge maatschappelijke positie. Van de zoons van een armen en onwetenden boer blijven enkele als de vader op de boerderij, terwijl andere naar de stad gaan en kans hebben om een bekwaam veldheer of een beroemd geleerde te worden. Het is nagenoeg hetzelfde in alle klassen van het dierenrijk. Onder deze bevat die der Zoogdieren de hoogst bewerktuigde, en natuurlijk hebben we daarbij het oog op die, welke ons het meest nabij komen; maar alle kunnen niet denzelfden rang bekleeden en zij geven op zijn minst drie trappen van volkomenheid van bewerktuiging te zien, die in betrekking staan tot drie verschillende streken van den aardbodem, waar de Zoogdieren, alle te zamen genomen, min of meer gelijkelijk ontwikkeld schijnen te zijn.
g 86. De Zoogdieren van Australië. In het afgezonderd gelegen werelddeel Australië schijnen alle Zoogdieren te behooren tot die twee zijtakken van de familie, die het niet ver gebracht hebben in de wereld: dien der Vogelbekdieren, welke nog even aan de Kruipende dieren herinnert, en dien der Buideldieren, welke veel meer de gewone Zoogdieren nabij komt.
I 87. Op Kruipende dieren gelijkende Zoogdieren uit Australië of Vogelbekdieren. Tot den tak der Vogelbekdieren behooren slechts twee diervormen: het
103
eendvogelbekdier (fig. 15, bladz. 21) en het egelvogelbekdier (fig. 82); de andere tak, die der Buideldieren, telt daarentegen vele diervormen.
Het eendvogelbekdier is met een dikken pels bekleed en heeft de grootte van een flink konijn; het leeft in het water; de vingers zijn door een breed zwemvlies vereenigd, dat de nagels der voorvoeten ingesloten houdt, en handen en voeten tot krachtige vinnen maakt. Langs dienzelfden weg worden de pooten van een eend ook zwemwerktuigen, en enkele Zoogdieren uit ons land, zooals otters en bevers worden door een gelijksoortige inrichting hunner organen zeer bekwame zwemmers. Het eendvogelbekdier heeft van een eend niet slechts de pooten, maar ook den snavel, waarvan het zich bedient om in den modder rond te woelen, ten einde kleine Wormen te zoeken, die zijn hoofdvoedsel uitmaken; het heeft in elke kaak slechts twee tanden, die in plaats van stevig en wit, eer hoornachtig schijnen.
Het egelvogelbekdier heeft geen tanden; het leeft op den grond, graaft zich een hol met de krachtige nagels, waarmee de voorpooten zijn gewapend; zijn haren zijn door-groeid met stekels; zijn snavel is lang cylindervormig.
Dit alles zou niet voldoende zijn om aan eend- en egel-
I04
vogelbekdier een afzonderlijke plaats onder de Zoogdieren in te ruimen; maar zij leggen eieren en hun geraamte evenals vele van hun inwendige organen bieden verscheidenheden aan, die men slechts bij Kruipende dieren aantreft. Gij merkt hieruit, dat de dieren niet volkomen gescheiden groepen vormen, zooals men meenen zou, wanneer men bijv. een kat, een duif, een snoek (fig. 83) afzonderlijk bekijkt.
Door eend- en egelvogelbekdier reiken de Zoogdieren aan de Kruipende dieren de hand. Uit het ei gekomen, een ei ongeveer gelijk aan een kippenei, zijn hun jongen nog zóó zwak, dat de moeder ze opneemt in een of twee kleine zakken, onder aan den buik, waar zij beveiligd zijn tegen koude en tegen den tand van het roofdier. Het eendvogelbekdier legt één, de egelvogelbekdieren leggen twee eieren.
g 88. De Zoogdieren met een buidel of de Buideldieren. Alsof de Buideldieren nog niet in de volle beteekenis van het woord levendbarend zijn, zijn hun jongen bij de geboorte bijna nog ongevormd en niet in staat zich te bewegen; hun moeders nu nemen ze op in een grooten aan den buik gelegen zak, waarheen zij nog langen tijd hun toevlucht nemen, ook wanneer zij reeds alleen kunnen loopen. Het woord buidel-zoogdieren be-teekent trouwens Zoogdieren met een zak of buidel. Hun
IQS
soorten zijn talrijk en zeer verscheiden van vorm. Enkele zijn vleescheters, andere insectenvreters, weer andere graseters, zoodat de Zoogdieren uit Australië even groote onderlinge verschillen vertoonen als de onze, ofschoon het alle buideldieren zijn: er zijn o. a. verscheurende buideldieren, de buidelwolvcn (fig. 84); buidel-graseters, de bekende kangoeroe's, in rust steunend op achterpooten en staart; buidel-eekhoorns, behendige klimmers, die met een onuitsprekelijke vlugheid van tak tot tak klauteren.
Bij enkele soorten vormt een huidplooi tusschen de vier pooten en den staart een soort valscherm, dat het dier in staat stelt zich gedurende eenigen tijd in de lucht op te houden. Dit is een eigenaardigheid, die wij telkens min of meer volkomen uitgewerkt zullen terugvinden bij die Zoogdieren, die gewoonlijk op boomen leven, hoe verschillend zij overigens ook mogen zijn.
Buiten Australië komen er alleen in Amerika nog enkele buideldieren voor, zooals de opossums (fig. 85;.
Maar eertijds was ook Europa er rijk aan. Australië schijnt dus als 't ware ,het land, waar de dieren leven als âin den goeden ouden tijdquot;, terwijl de andere landen onder invloed kwamen van den vooruitgang.
Zoo is ook de oorspronkelijke bevolking van Australië op den laagst mogelijken trap van beschaving blijven staan, terwijl die van Europa is opgeklommen tot een graad van beschaving, als waarin wij ons op 't oogenblik verheugen.
io6
I07
§ 89. De Zoogdieren uit Zuid-Amerika met onvolkomen tanden of de Tandeloozen. Amerika, ofschoon de Nieuwe Wereld genoemd, met name Zuid-Amerika, is eveneens een achterlijk land. Men vindt er dieren, welke die der oude wereld zeer nabij komen, maar van een andere soort en kleiner van gestalte; de leeuw wordt vervangen door den kugnar of de poema; de tijger
door den jagoear, de kameelen door de lama s, de apen o. a. door de rolapen; bovendien komen er zonderling gebouwde Zoogdieren voor, die aan de voorzijde der beide kaken nooit tanden hebben en om die reden TandeLoozen heeten. Natuurlijk zijn zulke dieren geen vleescheters, maar er zijn insecteneters en planteneters onder.
Onder de insectenetende Tandeloozen moeten worden genoemd het gordeldier (fig. 86), met een hoornachtig schild
io8
bedekt, dat in de verte aan dat der schildpadden herinnert, en vooral de miereneter (fig. 87), ontbloot van tanden, maar met krachtige nagels gewapend, door middel waarvan hij met één slag een geheele mierenhoop kan omverhalen; met behulp van zijn klevige tong maakt hij een hoeveelheid insecten buit, voldoende om een lichaam te onderhouden, zoo groot als dat van een krachtigen patrijshond.
De voornaamste plantenetende Tandeloozen zijn de Unau en de Ai, (fig. 88) die beide vrij wat gelijkenis vertoonen zouden met apen, zoo deze met een grove, harige huid bekleed waren, en hun handen door twee of drie krachtige klauwen werden vervangen De unau en de aï leven op boomen, en bewegen zich zoo langzaam, dat hun gang hun den naam heeft gegeven van luiaard.
Er leeft in Afrika een miereneter met schubben bedekt, het Indische schubdier (fig. 89) en een ander zonder haren, het aardvarken.
§ 90 De klimmende Zoogdieren van Madagascar of de Lemurs of Spookdieren, Het uitgestrekte eiland Madagascar is, wat de Zoogdieren betreft, Amerika maar weinig vooruit. Daar woont een groote verscheidenheid
log
van dieren, die wel veel minder van de Europeesche Zoogdieren afwijken, maar toch nog zeer zonderling zijn; men zag ze vroeger aan voor half-apen, omdat hun vier ledematen in echte handen uitloopen; maar de meerderheid dezer zoogenaamde apen heeft een vossensnuit en in plaats van evenals ware apen, zich met vruchten, jonge loten en eieren te voeden, verslinden zij bij voorkeur insecten en kleine zoogdieren. Bijna alle zijn nachtdieren; hun wonderlijke, geheimzinnige gewoonten hebben hun den naam gegeven van Lemurs of Spookdieren, naar het Latijnsche woord lemur, dat spooksel beteekent. Onder hen zijn er, die zooals
de Aye-aye (fig. 90), op groote eekhorens gelijken, met wie zij het gebit gemeen hebben; andere, zooals de Maki's (fig. 91), hebben iets èn van honden èn van apen.
§ 91. Vliegende Maki's. Daar de Maki's bijna altijd op boomen leven, moeten we niet verbaasd zijn onder hen dieren aan te treffen, die evenals de straks genoemde buidel-eekhoorn, van een valscherm voorzien zijn; dit is o. a. het geval bij de van de Sunda-eilanden,
die in grootte aan een kat gelijk is, en in manieren merkwaardig veel overeenkomst vertoont met vleermuizen
I IO
(fig- 3^, bladz. 41). De maki's, die men tegenwoordig alleen nog maar aantreft op Madagascar, in het zuiden van Afrika, op de Sunda-eilanden, de Filippijnen en in Indië, behooren onder de oudste bewoners van Zuid-Europa en waren alle planteneters.
? 92. De Zoogdieren van de groote vastelanden van de oude wereld; hun verschillende wijzen van voeding. Wij naderen nu tot de meer bekende zoogdieren, die wij reeds in aanleg bij de Buideldieren en de Maki's leerden kennen. Zij zijn het, die men de gewone Zoogdieren noemt, want zij behooren thuis in de geheele Oude Wereld, in geheel Noord-Amerika, en vorrren in Zuid-Amerika verreweg de meerderheid boven de Tande-loozen. Zij zijn natuurlijk de talrijkste van allen, maar, hoe talrijk ook, het zal ons, indien we hierbij eenige orde
111
in acht nemen, niet moeielijk vallen met hen kennis te maken. Daartoe kunnen wij volstaan met ons in herinnering te brengen, welke de verschillende soorten van voedingsmiddelen zijn, die een Zoogdier tot zich nemen kan: aan elk van die soorten sluit zich een bijzondere vorm van dieren aan.
Boomen en hun omgeving verschaffen saprijke vruchten of eieren, harde zaden of hout, terwijl insecten onder-hun bladerentooi leven. De apen hebben zich van het eerstgenoemde meester gemaakt, de eekhoorns van het tweede, de egels eigenen zich de insecten toe. Maar insecten
112
vliegen; er moeten dus insectenetende Zoogdieren zijn, in staat om hun prooi in de lucht te vervolgen, vliegende insecteneters dus; als zoodanig kennen wij fa vleermuizen.
Dieren, die van vruchten, zaden of insecten leven, behoeven niet bijzonder krachtig te zijn, willen zij hun voedsel kunnen vermeesteren; zij worden dikwijls de prooi van vleescheters; deze laatste evenwel vervolgen bij voorkeur de echte graseters, hen die niet het voedsel zoeken op boomen of onder de aarde, maar die zich bepalen tot het afgrazen van het grastapijt of het afsnijden van de takken, die zich tot hen overbuigen.
§ 93. Verdeeling van de gewone Zoogdieren in orden. Alle groote groepen, waarin de gewone Zoogdieren verdeeld worden, zijn tot de volgende vijf afdeelingen terug te brengen: vruchteneters, graaneters, insecteneters, vleescheters, graseters.
De apen, vruchteneters bij uitnemendheid, vormen een afzonderlijke orde; eekhoorns zijn knaagdieren; egels, insectenvreters; vleermuizen, handvleugeligen. Tot de orde der vleescheters behooren beer, hond, kat, bunsing, marter, wezel, enz.
Het zwijn eet alles, het is allcscter of omnivoor; in de meeste gevallen stelt het zich intusschen tevreden met plantenvoedsel, en door zijn bewerktuiging komt het de echte graseters zeer nabij; evenals zij heeft het de uiteinden der vingers gestoken in een soort hoornachtigen koker, een hoef, die den nagel vervangt. Wat de graseters betreft, behoeven we slechts te noemen paard, hert, rund, geit, schaap, om u te doen begrijpen, dat zij zeer verschillend van vorm zijn.
Ten slotte zijn er nog uitsluitend zwemmende Zoogdieren, zooals walvisch, cachelot, bruinvisch, dolfijn, lamantijn of zeekoe, enz. Hen vat men samen onder den naam van Walvischachtige dieten.
De bakens zijn nu gezet; niets gemakkelijker dus dan in de kleine bijzonderheden af te dalen, ten einde onze kennis te vermeerderen.
ii3
OVERZICHT.
In de bewerktuiging der Zoogdieren nemen we drie trappen var. mindere of meerdere volkomenheid waar, vertegenwoordigd door de volgende drie groote groepen;
1. De Vogelbekdieren, eierleggende Zoogdieren, die men Reptiel-Zoogdieren zou kunnen noemen, omdat zij met de Reptielen of Kruipende dieren inderdaad eenige overeenkomst ver-toonen.
2. De Buideldieren, wier jongen, bij de geboorte zeer zwak, korteren of langeren tijd zich ophouden in een grooten buidel of zak, dien de moeder onder den buik draagt.
3. De gewone Zoogdieren, waarvan eerst ter zijde gezet kunnen worden de onvolkomen bewerktuigde, wier voedingsleven groote verscheidenheid aanbiedt: de Tandeloosen en de Lemurs. Voor het oogenblik zullen wij de overige Zoogdieren, overeenkomstig hun levenswijs verdeelen. in Apen of Vruchteneters, Knaagdieren, Tnsectenvreters, Handvleuge-ligen. Roofdieren, Zwijnachtige dieren of Alies-eters of Omnivoren en Graseters. Aan deze groepen kan worden toegevoegd die der Walvisschen of zwemmende Zoogdieren.
Eertijds meer algemeen verbreid, behooren Vogelbekdieren en Buideldieren tegenwoordig bijna uitsluitend in Australië thuis: de Tandeloozen in Zuid-Amerika en Zuid-Afrika; de Lemurs op Madagascar en in Zuid-Azië.
8
NEGENDE HOOFDSTUK.
APEN. â KNAAGDIEREN. â INSECTENVRETERS EN VLEERMUIZEN.
§ 94. Middelen van verdediging van Graseters en Insectenvreters tegen Roofdieren. Waren er geen roofdieren in de wereld, het bestaan zou heel wat gemakkelijker zijn voor die dieren, die zich in bescheidenheid vergenoegen met plantaardige stoffen of insecten; allen konden 's nachts zich rustig naast elkaar te slapen leggen, en daags zich in de vrije lucht verlustigen, zonder zich om iets te bekommeren dan om den disch, die altijd overvloedig gespreid is. Ongelukkig evenwel is een dergelijke rust niet van deze wereld, en de argelooze dieren staan voortdurend bloot aan den bloeddorstigen tand der roofdieren; ja, weldra zouden zij ophouden te bestaan, indien niet hun bewerktuiging, of, waar deze hen in den steek laat, listige kunstgrepen hun een betrekkelijke veiligheid verzekerden.
De middelen, waardoor zij zich deze veiligheid hebben weten te veroveren, zijn des te belangwekkender, omdat zij de groote verschillen daarstellen tusschen dieren, die overigens het voedingsleven gemeen hebben.
Op zijn minst genomen zijn er twee wegen, waar langs men het droevig lot ontkomen kan, van door zijn vijanden te worden gedood en verslonden. De eerste is, door ze te overwinnen; de tweede, door ze te ontvluchten of zich niet aan eene ontmoeting bloot te stellen. De eerste
quot;5
gedragslijn is grooter, edeler, de tweede zekerder; beide worden in het dierenrijk gevolgd. Allereerst zouden we daarvan een voorbeeld kunnen vinden bij de apen.
§ 95- Apen. Uitsluitend levend op boomen om er hun voedsel te zoeken, zijn de Apen daardoor als van zelf beveiligd tegen den aanval van alle dieren, die slecht klimmen. Hun natuurlijke geschiktheid tot klimmen danken zij grootendeels aan de samenstelling hunner ledematen, waar van evenals bij onze hand, de duim tegenover elk der andere vingers geplaatst worden kan (fig. 92), zoodat zij
tegelijkertijd met vier steunpunten zich aan iets kunnen vastklemmen. Amerika telt vele apen, die van die der Oude Wereld standvastig verschillen door de grootere uitwijking der neusvleugels en het aantal tanden. Misschien zou men deze apen nog betere klimmers kunnen noemen dan die der Oude Wereld, want vele hunner hebben een vijfde aangrijpingspunt, n. 1. hun staart, dien zij om de
116
takken kunnen winden en waardoor zij zich al heen en weer wiegend, met de pooten in de lucht kunnen ophangen, totdat zij het oogenblik gekomen achten, waarop zij een voldoenden aanloop hebben om met één sprong een ver af hangenden tak te bereiken (fig. 93)
De meeste apen zijn van een buitengewone vlugheid. Die vlugheid neemt af bij die dieren, die in hun lichaamsgrootte een waarborg vinden tegen mogelijke aanvallen.
n/
Bijv. onder de apen, die den mensch het meest nabij komen, zijn het de kleinste, de gibbons (fig. 94) van Indië, die het vlugst zijn. Ofschoon zeer behendig, zijn de omng-oetang van de Sunda-eilanden (fig. 95) en de chirn-pansé van Afrika (fig. 96), heel wat langzamer in hun bewegingen.
De grootste onder de apen, de geduchte gorilla van Neder-Guinea (fig. 97), schijnt zelfs de veiligheid, die hij op boomen zou kunnen vinden, te minachten, en leeft gewoonlijk op den grond, waar hij zijn leven, zoo dit bedreigd wordt, dapper weet te verdedigen.
Handen kunnen slechts dan van nut zijn, wanneer zij groot genoeg zijn om te grijpen; kleine zwakke handen, die dunne takken niet stevig kunnen omvatten, staan als grijpwerktuigen nog beneden klauwen.
De kleinste van alle apen, de ouistiti's uit Amerika (fig. 98), zoo groot als eekhoorns, hebben hun handen weten te behouden, maar de vingers, uitgenomen den duim.
up
zijn met kromme nagels gewapend, wat hun de voortbeweging op boomen bijzonder gemakkelijk maakt.
Bij alle andere klimmende Zoogdieren zijn het juist deze nagels, die wij klauwen noemen, waardoor het dier zich in de schors der boomen vasthaakt; op deze wijze klimmen de eekhoorns, typen uit de orde der Knaagdieren, bij wie wij nog andere belangrijke punten van overeenkomst zullen aantreffen tusschen levenswijs en bouw van ledematen.
§ 96. Knaagdieren en hun gebit. Knaagdieren zijn onmiddellijk te herkennen aan het gebit. Tanden van apen gelijken op de onze; de apen van Amerika hebben er 36 (fig. 99) en die van de Oude Wereld 32.
Evenals bij ons, nemen zij de geheele kaak in; er zijn vier vlakke tanden op de voorzij van elke kaak, met rechten, scherpen bovenrand, dit zijn de snijtanden; de meeste apen hebben aan elke zijde één scherp-puntigen. haakvormigen tand, grooter dan de overige, dit is de
120
hoektand, waarachter vijf groote afgeplatte tanden volgen met onregelmatige kauwvlakte, die men de maaltanden noemt, en die volmaakt geschikt zijn om vruchten te kneuzen.
Knaagdieren hebben in het algemeen slechts twee snijtanden, maar zij zijn in het oog vallend lang en scherp (fig. 100),
121
en geschikt tot het afschaven van de hardste houtsoorten; door hun buitengewone lengte kan de mond zich slechts weinig openen; ook kunnen de knaagdieren wel op wreedaardige wijs hun prooi doodknijpen, maar zij doen dit niet om haar daarna te verslinden, dus zouden tanden, geschikt
122
om diepe wonden toe te brengen, hun tot geen nut zijn; zij ontbreken dan ook, en in hun kaken is een ledige ruimte tusschen snij- en maaltanden.
Deze laatste, alle op gelijke hoogte geplaatst, vormen een soort rasp, zeer geschikt om alle voorwerpen, waartegen zij aanschuren, fijn te zagen. Ge kunt dit zelf gemakkelijk nagaan, door de kaak van een eekhoorn nauwkeurig te bekijken.
§ 97. Verdedigingsmiddelen van Knaagdieren. Met een dergelijk gebit zijn de Knaagdieren volstrekt niet ter zelfverdediging toegerust; ook zijn zij alle in de hoogste
123
mate vreesachtig, en bij hen zien wij tot volle kracht komen die drie middelen ter verdediging, eigen aan angstvallige dieren, welke zijn: ilt;=. zich onkenbaar maken; 2e. zich ongenaakbaar maken; 3c. vluchten.
ie. Het vermogen om zich onkenbaar te maken; kleine lichaamsgestalte, vale kleur en nachtelijke gewoonten.
Klein van gestalte te zijn, slechts in den nacht uit te gaan, een kleedje te dragen, dat in kleur zich vereenzelvigt met de voorwerpen uit de omgeving, ziedaar de drie beste gegevens om onopgemerkt zijn weg te gaan. Tal van Knaagdieren voldoen hieraan op merkwaardige wijs. Weinig Zoogdieren zijn kleiner dan onze huismuis (fig. ici), de
1 24
boschmuis, en vooral de sierlijke kleine chuerginuis (fig. 102). De grauwe of rosse kleur van die kleine wezens maakt, dat men ze nauwelijks kan onderkennen, wanneer zij in de rust zijn, en ieder kent hunne nachtelijke gewoonten; deze zijn ook eigen aan de rat, de groote bruine rat, die wel eens onze huizen plundert, de hazelmuis (fig. 103), die in onzen boomgaard huishoudt, den eekhoorn, het konijn en de meeste overige Knaagdieren.
Oir. in half duister goed te zien, zijn er groote oogen noodig; ook zijn de meeste nachtelieren onmiddellijk te herkennen aan hun groote ronde oogen, en ieder kent als zoodanig de oogen van muizen, ratten, eekhoorns, enz.
2e. Middelen om zich ongenaakbaar te maken: Knaagdieren, met stekels bezet; gravers; waterdieren ; klimmers; vliegers.
Men kan zich ongenaakbaar maken door stekels op te zetten, of door zich een woonplaats uit te kiezen, die anderen ongemakkelijk of onbereikbaar voorkomt, zooals een nauwen onderaardschen gang, water, boomtakken, den top van een hoogen berg. Er zijn knaagdieren, die al deze verdedigingsmiddelen weten toe te passen; maar ieder
125
geeft aan één dezer de voorkeur en maakt slechts zelden van twee te gelijk gebruik.
De stekelvarkens (fig. 104), waarvan er een soort voorkomt in Spanje, in Italië en in Griekenland, zijn met lange stekels bezet, die den meest driesten aanvaller zouden doen terugschrikken.
De meeste Knaagdieren wonen in een hol met nauwen ingang: dikwijls nemen zij een verlaten hol in beslag, en stellen zich tevreden met het naar eigen gebruik wat te wijzigen, zooals de muizen; velen graven zich een hol, en richten het met een zekere bouwkundige kennis in, voorzien het van gras en mondvoorraad, zóó, dat het te gelijker tijd een mollig nestje wordt en een voorraadschuur voor schralere tijden; dit is de gewoonte van de hamsters (fig. 105), zeer algemeen in den Elzas, van de gewone veldmuis uit ons land, van de marmot uit de Alpen (fig. 106) en van vele andere. Bijna alle Knaagdieren, wier pooten met krachtige nagels zijn gewapend, zijn in staat tot graven en wroeten. Er zijn er zelfs, die tot regel hebben aangenomen, zonder ophouden voort te graven, en nooit voor den dag te komen; de zonderlingste onder hen zijn wel de blindmuizen (fig. 107),
126
uit het zuid-oosten van Europa, die, daar zij altijd onder de aarde in het stikduister leven, geen gebruik meer van hun oogen maken, welke dan ook zeer slecht ontwikkeld zijn. Het is blijkbaar onmogelijk, nog sterker met de
127
eenzaamheid bevriend te zijn, en nog meer aan zijn veiligheid ten offer te brengen. Wie toch onder de menschen zou er toe te bewegen zijn, uit vrees voor zijn vijanden, nooit van uit zijn kelder bijv. te voorschijn te komen ?
Het water biedt aan die dieren, die er zich in weten te bewegen, een schuilplaats aan, waarvan vele Knaagdieren met goed gevolg gebruik maken. Men ziet vaak langs de oevers van onze rivieren en beken de waterratten, die een diep hol hebben met verschillende uitgangen. De waterrat draagt nog niet het vaste kenmerk van haar levenswijs;
geheel anders bijv. is haar naaste bloedverwant, de civetrat of muskusrat van Noord-Amerika (fig. 108) en bovenal de bever (fig. 109), die daar ook thuis behoort, maar die bovendien de oevers bewoont van de groote rivie ren van Europa, de Rhóne niet uitgezonderd. Evenals het Eend-vogelbekdier, waarvan hierboven sprake was, hebben deze dieren de toonen hunner pooten door een huiduitbreiding ingesloten, waardoor de voet als 't ware herschapen is in een volmaakt roeiwerktuig.
De muskusrat en de bever leven uitsluitend van boomschors en wortels; hun voedsel heeft dus met die voorkeur voor het water niets te maken. Zij houden zich
128
daarin eenvoudig op voor de veiligheid. Zij hebben bovendien, evenals vroeger onze voorvaderen, de wonderbare gewoonte van zich paalwoningen te bouwen; ook verstaan zij de kunst, door middel van dijken het water in bedwang te houden derwijze, dat het niveau nagenoeg altijd rondom hun woningen op dezelfde hoogte blijft. Een beverdorp is, als men dit in het oog houdt, iets zeer merkwaardigs.
In de boomcn daarentegen vinden hazelmuis en eekhoorn een schuilplaats. Met behulp van hun scherpe klauwen klimmen zij zoo vlug als apen. Hun sprongen grenzen aan het wonderbaarlijke, en vele eekhoornsoorten, o. a. de vliegende eekhoorn (fig. 35, bladz.40), zijn evenals de vliegende koeskoes en de vliegende maki, van valschermen voorzien, welke gevormd worden door huidplooien in de lendenen, uitgespannen tusschen de vier pooten. Door de hooge boomtoppen reeds voldoende beveiligd, geven de eekhoorns zich verder geen moeite de zorgvuldig opgebouwde nesten te verbergen, waarin zij een schuilplaats vinden.
Het is nauwelijks noodig er aan te herinneren hoe, onmiddellijk onder de grens der eeuwige sneeuw, de marmotten zich een rustig plekje gezocht hebben, dat
129
helaas niet altijd geëerbiedigd wordt. Zij hebben een zomerverblijf en een winterverblijf, waarin zij het slechte jaargetijde al slapend doorbrengen. Evenzoo doen ook de hazelmuizen.
3e. Vlugheid van Knaagdieren. Ten slotte hebben weer andere Knaagdieren niets dan de vlugheid hunner ledematen, om zich aan de begeerlijkheid hunner vijanden te onttrekken. Aan het hoofd van deze staan de hazen (fig. tio), uit wier gezelschap de konijnen heimelijk zijn weggeslopen, daar zij aan de kalmte hunner holen de voorkeur gaven boven de onrust van het op de vlucht
9
13°
gaan. Toch zijn de hazen nog niet de meest bevoorrechte onder de snelloopers. De springhazen (fig. in) kunnen, dank zij hun lange achterpooten, verbazende sprongen doen. Zij behooren in Azië en Afrika thuis.
§ 98. De Insecten vreters; hun verdedigingsmiddelen zijn dezelfde als die der Knaagdieren.
Als jagers van hetzelfde wild dat zij nergens anders vinden dan daar, waar ook de Knagers hun mondvoorraad opdoen, blijft den Insectenvreters geen andere keus uit de verdedigingsmiddelen over, dan die, waarvan wij de Knaagdieren zoo ruimschoots gebruik zagen maken. Ook bootsen zij
r31
bijna hun lichaamsgedaante na. De voornaamste insectenvreters uit ons land zijn egel, spitsmuis en mol. Evenals het stekelvarken is ook de egel (fig. 112) met pennen bezet, zelfs maakt hij er een zeer handig gebruik van. Bij het minste gevaar rolt hij zich als een bal samen, zóó, dat de aanvaller slechts de punten te zien krijgt. Deze zonderlinge dieren zijn nachtdieren.
De spitsmuizen (fig. 113) gelijken in gestalte en kleur op zeer kleine muizen. Zij zijn evenwel te herkennen aan hun meer beweeglijken snuit, die ook langer is, ja bijna puntig. Zij bewonen onderaardsche holen. Eén soort evenwel, zeer algemeen in de Alpen, schijnt er zich nog niet voldoende veilig te achten, en huist, evenals de waterrat, in de nabijheid van het water, terwijl het de kunst van zwemmen uitnemend verstaat.
De Desmans (fig. 114) uit de Pyreneeën hebben nog sterker de eigenaardige kenmerken van een waterdier; hun pooten. hebben zwemvliezen, zooals die der bevers; hun neus is zoo lang, dat men ze soms den naam geeft van snuitratten.
Mollen (fig. 115) leiden een leven, nog meer onderaardsch dan dat der blindmuizen en zijn onvermoeid in het omwroeten der aarde en het te voorschijn halen van regenwormen en engerlingen, waarmeê zij zich voeden. Hun oogen zijn, evenals die der blindmuizen, slechts kleine zwarte, schitterende puntjes, welke onder het haar verborgen, nauwelijks zichtbaar zijn.
De gangen, die zij in de aarde uitgraven, loopen straalsgewijs om hun woning, welke altijd volgens hetzelfde plan
132
gebouwd is en zóó goed gelegen, dat het bijna onmogelijk is ze te overvallen.
Ten slotte zijn er Insectenvreters, die in klimmen niet voor eekhoorns onderdoen, of die springen als springhazen.
(J 99. De Vleermuizen of vliegende Insectenvreters. Men zou zelfs van vliegende Insectenvreters kunnen spreken, want de vleermuizen, ten minste die uit ons land, leven uitsluitend van insecten. Terwijl de vliegende eekhoorns, van eenvoudige valschermen voorzien. zich niet dan met een sprong in de lucht kunnen opheffen, en als een pijl uit een boog weer neervallen, zonder in de lucht een nieuwen sprong te hebben kunnen nemen, hebben de vleermuizen werkelijke vleugels, die hen tot vliegen in staat stellen op de wijze van vogels
'33
en vlinders. Knaagdieren heffen zich niet in de lucht op, dan om te vluchten; Insectenvreters vliegen niet alleen wanneer zij vervolgd worden, maar maken ook al vliegende jacht op de insecten, waarmeê zij zich voeden. Zij hebben dus een dubbele reden om zich in de lucht op te houden, waaruit voortvloeit, dat zij daartoe ook beter zijn toegerust. De vleugels der vleermuizen zijn, evenals het valscherm van den vliegenden eekhoorn, slechts een plooi
van de huid, maar deze huidplooi strekt zich niet slechts tusschen de vier ledematen uit, ook de vingers der hand zijn buitengemeen lang, en steunen haar als de takken van een waaier. Alhoewel vleermuizen nachtdieren zijn, hebben ze toch uiterst kleine oogen. Dit is zeer verklaarbaar: hun groote vleugels, hun onmetelijke ooren, de vliezige aanhangsels van den neus, die aan sommige soorten zoo'n dwaas voorkomen geven, zijn buitengemeen
«34
gevoelig. Door het uitgestrekte oppervlak van al deze huidplooien nemen zij de minste luchtverschuiving waar, en kunnen, zelfs in de vlucht, in stikdonker, de duizenden hindernissen op haar weg herkennen.
Haar fijn tastgevoel komt aan de zwakheid van het gezichtsorgaan te gemoet, alsof de volkomenheid van één zintuig slechts ten koste van een ander is kunnen verkregen worden.
Wanneer er in deti winter geen insecten meer zijn, liggen egels en vleermuizen in een diepen slaap gedompeld. Zij overwinteren op dezelfde wijs als marmotten en bevers. Mollen daarentegen, die in hun onderaardsch grondgebied weinig bemerken van de wisselvalligheden der jaargetijden, behouden het geheele jaar door hun levendigheid en bedrijvigheid.
In weerwil van deze overeenkomst in algemeenen lichaamsvorm met de Knaagdieren, hebben de Insectenvreters, zooals te verwachten is, de kaken op geheel andere wijs gewapend. Men ziet er snijtanden, sterke hoektanden, scherpe, in opstaande punten uitgegroeide maaltanden, die aan de kaak het voorkomen geven van een zaag, meer nog dan dat van een rasp.
OVERZICHT,
I. In hun hoedanigheid van vruchteneters. zijn Apen bij uitnemendheid klimmers en in het bezit van vier handen.
De Apen van de oude wereld hebben alle een gebit, gelijk aan dat van den mensch; de Apen van Amerika hebben een afwijkend gebit. De oude en de nieuwe wereld hebben dus elk haar eigen Apen. Slechts de kleinste apen, de ouïstiti's, hebben klauwen in plaats van platte nagels.
II. Knaagdieren en Insectenvreters zijn dieren van een kleine . lichaamsgestalte, verschillend van leefwijze, maar van denzelfden schuchteren, angstvalligen aard. Aan eiken vorm onder de Knaagdieren beantwoordt, om zoo te zeggen, een vorm van de
135
Insectenvreters. Aan de muizen bijv. de spitsmuizen; aan de stekelvarkens de egels; aan de waterratten de desmans; aan de blindmuizen de mollen; aan de springhazen de spring-spitsmuizen en zelfs in een enkel opzicht, de vleermuizen aan de vliegende eekhoorns
III. De Knaagdieren hebben geen hoektanden, maar groote snijtanden, die voortgroeien naarmate zij afslijten.
IV. Insectenvreters hebben snijtanden, hoektanden en maaltanden van gewone grootte.
V. Vleermuizen kunnen beschouwd worden als vliegende Insectenvreters.
TIENDE HOOFDSTUK,
graseters.
§ ioo Graseters zijn uitsluitend loopers of dravers; de top der toonen is door een hoef omsloten.
De groene zode, die de aarde dekt, de overal groeiende struikgewassen, de afhangende boomtakken, verschaffen aan de dieren, die zich met plantaardig voedsel tevreden stellen, voedingsstoffen in bijna onuitputtelijken overvloed. Zij hebben het, bij wijze van spreken, maar voor het grijpen, niet één behoeft het klimmen of vliegen te verstaan ; om het in te zamelen moeten zij slechts loopen, maar veel loopen, want gras is weinig voedzaam; hier zijn dus krachtige ledematen noodig, en, als ge wilt, stevig schoeisel.
Alle tot nu toe behandelde Zoogdieren hebben het laatste lid der vingers door nagels of k/aHivejiheschvX] de eigenlijk gezegde Graseters hebben bijna alle hun laatste vingerlid door een hoef omsloten, een breede hoornen scheede, gemakkelijk waar te nemen bij het paard, dat slechts één vinger heeft, de geit of het varken, die twee goed ontwikkelde en twee kleinere tellen (fig. 116). Ook noemt men de Graseters wel eens gehoefde dieren, d. w. z. van hoeven voorzien, terwijl de andere Zoogdieren genagelde heeten, d. i. van kleinere of grootere nagels voorzien.
§ ioi. De vingers van de dravers onder de Graseters zijn slechts weinige in getal. Door middel van den hoef loopen de Graseters snel en gemakkelijk.
137
maar zij zouden de aarde er niet meè kunnen omwroeten, noch kunnen klimmen, noch eenig voorwerp er mede kunnen aanvatten. De voet dient hun slechts om het lichaam te dragen, zooals de vier pooten van een tafel dat meubel ondersteunen. Het komt niemand in de gedachte, de pooten van een tafel te splijten, om haar steviger te doen staan: hiermeê is tevens gezegd, dat afzonderlijke vingers Overbodig zijn voor een dier, dat zijn ledematen slechts gebruikt om het lichaam te dragen.
Het zal u verder duidelijk worden, dat de vingers verdwijnen, naarmate de Graseter een echte draver wordt, en hij moet wel draven kunnen, omdat dit voortaan het eenige middel is, waardoor hij zijn vijanden ontsnappen kan. 'i * II !gt;â
§ 102. De olifant heeft vijf vingers aan eiken voet; het nijlpaard vier; het neushoorndier drie. Deze reuzen onder de dieren behoeven niet in de vlucht hun heil te zoeken: hun voet verschilt daarom ook weinig
138
van dien der overige Zoogdieren: de olifant (fig. 117) heeft vijf vingers en een betrekkelijk korten voet, het nijlpaard (fig. 118) heeft er vier, het nenshoomdier (fig. 119) drie. Al deze dieren brengen, al loopende, slechts het uiteinde van den voet met den grond in aanraking, maar de vingers raken alle den bodem. Niet alzoo met de minder krachtig gebouwde Graseters, die gedwongen zijn voor den vijand op de vlucht te gaan; en, zoo ge mij verder uw aandacht verleenen wilt, zult ge zien, welke belangwekkende wijzigingen de voet van de Graseters hier en daar ondergaat.
De olifant alléén heeft vijf vingers; maar overigens hebben zij er vier, zooals het nijlpaard, of drie, althans aan de achterpooten, zooals het neushoorndier, wat ons de Graseters in twee groepen doet verdeelen, die wij elk afzonderlijk zullen beschouwen.
§ 103. De Graseters met gespleten hoef; zij gaan op de toppen der toonen. Ieder weet, dat voor hard loopen lange beenen noodig zijn. Wat moeten we doen, om onze beenen langer te maken? Wij loopen op de toonen. Dit is juist de maatregel dien onze Graseters
'39
toepassen. Bekijk slechts hun achterpooten. Daar, waar gij hun knie zoekt, buigt het been zich niet zooals bij ons, achterwaarts, maar naar voren. Dit komt, omdat, wat men geneigd is voor de knie te honden, inderdaad de hiel is, die hoog van den grond staat, terwijl alleen het nagellid, door den beschermenden hoef omsloten, op den grond rust.
Heel wat steviger staan de vier vingers van het nijlpaard op den grond, zóó, dat zij gezamenlijk zijn groot lichaam voldoende schragen; zie eens het varken er op aan. dat toch eigenlijk niet anders is dan een nijlpaard in het klein: de voet is zóó hoog opgericht, dat van de vier vingers alleen de twee langste, tevens de middelste, den grond raken; de beide vingers op zij zijn van geen nut; de voet schijnt slechts twee vingers rijk te zijn: het is een gespleten voet.
We zien volkomen hetzelfde bij hert, damhert, gems, geit en schaap (fig. 120). De twee onnutte vingers zijn bij het rund nauwelijks zichtbaar, en bij giraffe en kameel volstrekt niet meer waar te nemen.
I40
Bovendien zijn bij al deze dieren de middelhands-beenderen, die de vingers dragen, en die bij het varken gescheiden zijn, tot één enkel been ineengesmolten, het kanonbeen genoemd (fig. 116), zoodat de voet een soort wandelstaf geworden is. Aldus quot; voor goed vereenigd, kunnen de beenderen niet meer van hun plaats wijken, en het dier kan draven en springen zonder eenige vrees voor ontwrichting. Zóó is de voet opgebouwd bij ongeveer alle Grasetende dieren, bekend onder den naam van Herkauwers.
I (04. Herkauwers. Dit woord Herkauwers verdient dat wij er bij stilstaan. Het onderstelt dat de dieren, op wie wij het toepassen, herkauwen. Wat wil dat zeggen?
Bezoek eens een schaapskooi, eenige oogenblikken nadat de kudde binnen is: gij zult alle dieren rustig gelegerd vinden, met half gesloten oogen, druk bezig met kauwen. Zij zetten hun maaltijd voort. Buiten op het veld hebben zij eenvoudig een voorraad gras binnengehaald; maar, als dreigde hun een gevaar, en de in het wild levende graseters worden altijd bedreigd, hebben zij dit zoo spoedig mogelijk gedaan, zonder zich den tijd te geven van te kauwen. Nu zij veilig binnen zijn en zich vrij van vervolging weten, slaan zij twee vliegen in één klap: zij
'4'
dommelen in, en brengen tegelijkertijd in den mond de spijzen terug, die zij slechts hebben afgesneden om ze fijn te malen en die ze, thans goed gekneusd en rijk van speeksel doortrokken, op nieuw inslikken.
liet in den mond terugbrengen en kauwen van reeds ingeslikte spijzen, om ze daarna ten tweeden male in te slikken, noemt men hei-kauwen. Olifant, nijlpaard, varken, neushoorndier en paard herkauwen niet.
Kameel, giraffe, hert, antiloop, geit, schaap, rund daarentegen zijn herkauwers. G .
De lijst der Herkauwers omvat alls'-dieren,- wier voorhoofd hoornen draagt; maar-er zijn ook ongehoornde-ea â de-ze^ van dit verdedigingsmiddel verstoken, zooals varkens bijv, hebben ter vergoeding lange hoektanden, waarvan zij zich bij gelegenheid bedienen, om hun vijanden op een afstand te houden (fig. 12 r en 122).
142
Het gebit der herkauwers is overigens zeer eigenaardig; de vóórzijde der bovenkaak heeft geen tanden, ook snijtanden ontbreken daar.
De maag der Herkauwers is op bijzondere wijs ingericht; zij wordt in vier zakken verdeeld: de pens, de muts, de bladmaag, de lebmaag. Na afgesneden te zijn, hoopt het ingeslikte gras zich in de pens op; van hier keert het, door de muts tot kleine ballen gekneed, in den mond terug, om gekauwd en van speeksel doortrokken te worden ; daarna daalt het rechtstreeks in de blad maag, vervolgens in de lebmaag en eindelijk in de darmen.
g 105. Graseters met drie toonen aan den achtervoet. â Eenhoevigen. â Het neushorendier heeft niet,
4
143
zooals de zooeven besproken Graseters, gespleten hoeven. Aan dit dier sluiten zich de paarden aan. Maar, weet wel, het paard (fig. 123) heeft slechts één vinger aan eiken voet, waarom men het dan ook éénhoevig noemt, evenals de ezel, de zebra, enz.
Inderdaad, van buiten is er slechts één waar te nemen. Maar bekijk de beenderen van een paardevoet goed: dan ziet gij links en rechts van den grooten vinger kleine
beentjes, de griffelbeenderen, die eenvoudig slecht ontwikkelde vingers zijn; het paard heeft in werkelijkheid drie vingers en dit is zóó waar, dat een enkelen keer de drie vingers tot gewone ontwikkeling komen, en dan vertoont het dier aan eiken voet drie hoeven, waarvan slechts één met den grond in aanraking komt.
Door het terugbrengen van alle vingers tot één enkelen, wordt de paardevoet nog steviger dan die der Herkauwers, en, dat paarden vlugge loopers zijn, is dan ook wel boven alle bedenking verheven.
144
OVERZICHT.
I. Alle Graseters hebben het nagellid door een hoef omsloten ; zij zijn gehoefde dieren. j
II. Men onderscheidl_jaef- orden van Graseters \
ie. De olifanten.
2C. De Graseters met den middelvinger, grooter dan de overige,
of de Dikhuidigev.
3e. De Varkens, 3ie een gespleten voet hebben, maar geen snijtanden vóór in de bovenkaak.
4C. De Herkauwers^ die een gespleten voet hebben en bij wie de snijtanden op de voorzijde der bovenkaak ontbreken.
III. Alleen de olifanten hebben aan eiken voet vijf, bijna gelijke vingers; bij alle andere Graseters wisselt het aantal vingers aan eiken voet van vier tot één, en deze loopen. op de toppen der toonen.
IV. De Herkauwers onder de Graseters brengen de voedingsstoffen. die zij eerst tijdelijk in hun pens hebben opgenomen, in den mond terug, om ze te kauwen en daarna opnieuw in te slikken; zij hebben vier magen,
/. BjM ⢠rt
7 v * ' T
ELFDE HOOFDSTUK.
VERSCHEURENDE DIEREN.
§ 106. De zeven familiën van verscheurende dieren. Zoo hebben we dan kennis gemaakt met alle Zoogdieren, die den Roofdieren tot prooi verstrekken kunnen. Uit al het voorafgaande zult ge hebben opgemerkt, dat, ook al strekken de Zoogdieren, die van plantenvoedsel en van insecten leven, gewoonlijk ten prooi aan de krachtige en beter gewapende dieren, zij daartoe evenwel niet op de wereld zijn gekomen; het tegendeel is waar, zij schijnen toegerust met alles, wat hun behulpzaam zijn kan, om aan de roofzuchtige Zoogdieren te ontkomen.
Ons blijf: dus over, na te gaan, hoe deze laatste er toch in slagen dieren te vermeesteren, die in staat zijn zich te verdedigen, 01 ijlings te ontvluchten. Men kan spreken van zeven verschillende familiën van Roofdieren: heren, civetkatten, wezels, hyaena's, honden, katten, robhen.
Elk dezer dieren is nog een specialiteit in zijn soort.
§ 107 Beren loopen op de geheele voetzool. Evenals wij apen, ratten en varkens bij hun plantaardig voedsel nu en dan kleine dieren zagen gebruiken, zoo zijn er ook Roofdieren, voor wie vleesch niet volstrekt onmisbaar is, maar die met genoegen zich onderwerpen aan het eten van vruchten, plantenwortels, honig. Traag, log, onder het loopen met den geheelen voet op den grond rustend, weinig geschikt tot springen en draven, maar uitnemende klimmers, zijn de heren, (fig. 124) alleen
10
146
daardoor reeds de minst verscheurende onder de Verscheurende dieren. Zij omvatten vele soorten, waaronder enkele, die bijna volstrekt niet gevaarlijk zijn; natuurlijk behooren tot deze laatste niet zij, die in landen leven waar de plantengroei schaarsch is, zooals de ijsbeer. Ook niet de bruine beer, die de hooge bergtoppen van Europa bewoont, en niet zelden in de Alpen en in de Pyreneeën voorkomt.
I [08. De Das en de kleine kruipende Roofdieren. In ons land komt een enkele maal een roofdier voor, eveneens een slecht jager, n.1. de das, (fig. 125) die door zijn gang op een kleinen beer gelijkt, maar door het aantal en den bouw der tanden meer nabij komt aan boommarters, steenmarters (fig. 126), wezels, hennelijntjes (fig. 127) en bunzings. Al die kleine roofdieren behooren bij ons in het veld thuis. Het zijn nachtdieren, die zich
'47
kruipend voortbewegen, zich als 't ware plat tegen den grond kunnen aandrukken en in alle holen weten binnen te sluipen.
Reeds de korte pooten, die met een kleiner of grooter gedeelte van den voet op den grond komen, verraden dit, niet minder dan hun buigzame, lange ruggegraat, die een vergelijking met Wormen niet onmogelijk maakt, en den naam van Woiuivormige Verscheurende dieren verklaart, welken men hun somtijds toekent
Zij bijten goed, maar de klauwen gebruiken zij nog beter. Terwijl zij loopen, trekken zij hun nagels dikwijls te halver hoogte in, om ze niet te doen slijten, en verbergen ze onder de haarbekleeding der toonen. Op gelijke wijs worden de klauwen van de kat, die nog krachtiger ingetrokken zijn, tegen slijten gevrijwaard. Dit maakt, dat men van deze dieren, wanneer zij in rust zijn en zich laten liefkoozen zegt, dat zij âfluweelen pooten''hebben. Nagels, die zich zóó terugtrekken kunnen, heeten intrekbare klauwen.
\ 109. Genetkat en Civetkat. De genetkatten (fig. 128) en hun buren de civetkatten, die een parfumerie leveren, welke in het Oosten groote waarde heeft, hebben ook
14$
half-intrekbare nagels; maar zij loopen hooger op de pooten, hebben een grooter aantal tanden, en leven van eieren of van kleine dieren.
Kortom, al deze kleine Roofdieren verslinden ongeveer al wat zich op hun weg voordoet, zelfs vruchten.
§ i io. Honden en katten, die loopen en springen, gaan, evenals de loopende Graseters, op de
149
toppen der toonen. Het zijn vooral de krachtige geslachten onder de Roofdieren, die de Graseters aanvallen. Zij moeten harddravers op de vlucht weten te drijven en zich met één sprong van hen weten te verzekeren, willen zij zich ten minste niet met lijken tevreden stellen. â Honden zijn toegerust voor de eerstgenoemde wijze van jagen, katten voor de tweede, en kyaciuïs leven van den afval.
Wolven, jakhalzen uit Afrika en Azië, vossen (lig. 129), komen, op enkele verschillen na, onze huishonden zeer nabij. Dieren, die aldus op elkaar gelijken, vormen in de natuurlijke historie, wat men een Geslacht noemt. Zoo behooren tot het geslacht Kat, de leeuiv uit Afrika en Azië, de tijger uit Azië (fig. 130), de luipaard uit Afrika, de panter uit Azië, en hun Amerikaansche verwanten, de coegoear en jagoear. Tot het geslacht Hond, de wolf, de jakhals, de vos, de huishond Zoo zijn dus wolf, jakhals, vos, soorten van het geslacht Hond; leeuw, tijger, luipaard, panter, enz., soorten van het geslacht Kat.
Dit is natuurlijk ook van toepassing op alle overige groepen van Roofdieren en Graseters.
Honden, katten en hyaena's, uitnemende dravers en springers, zijn hooger op de pooten dan de overige Roofdieren ; zij loopen evenals Graseters op de vingertoppen;
i5o
zij zijn vingerloopers, terwijl beren en dassen zool tv filers zijn. Bij de zooltreders onder de Roofdieren eindigt de voet in vijf vingers; bij de vingerloopers neemt, evenals wij bij de vin^erloopende Graseters zagen, het aantal vingers af.
De achterpooten van honden en katten, de vier pooten van hyaena's hebben slechts vier vingers; de duim is verdwenen.
Overigens blijven de vingers steeds van klauwen voorzien. Deze klauwen zijn haakvormig en scherppuntig bij de kattensoorten, groot en geschikt tot het omwoelen der
aarde bij honden en hyaena's. Ook graven vele dezer dieren zich holen, waarin zij wonen. Jakhalzen en hyaena's bedienen zich meest van hun nagels om de lijken op te graven, waarmee zij zich, bij gebrek aan ander voedsel, tevreden stellen.
I ui. In het water levende Verscheurende dieren. Niet altijd, zooals we zagen, zijn moed en vermetelheid het deel van Roofdieren; zijn er onder hen, die men echte krijgers zou kunnen noemen, het grootste aantal bestaat uit gemeene, laffe bandieten, die in half duister hun aanslag beramen, en meer den valstrik gebruiken, dan openlijk ten strijde gaan.
Eenige Roofdieren hebben van het krijg voeren tegen
hun gelijken zich losgemaakt door te water te gaan, waardoor zij niet veel mededingers te vreezen hebben. Reeds in ons land vinden we als zoodanige de watermarters, de otters, in wie men in het water levende marters en bunzings herkent, zij het slechts aan de zwemvliezen tusschen de vingers. Toch wordt de echte watervorm der Roofdieren eerst bereikt door robben (fig. 30, blz. 37); walrussen
i5o
zij zijn vingerloopers, terwijl beren en dassen zool tv filers zijn. Bij de zooltreders onder de Roofdieren eindigt de voet in vijf vingers; bij de vingerloopers neemt, evenals wij bij de vin^erloopende Graseters zagen, het aantal vingers af.
De achterpooten van honden en katten, de vier pooten van hyaena's hebben slechts vier vingers; de duim is verdwenen.
Overigens blijven de vingers steeds van klauwen voorzien. Deze klauwen zijn haakvormig en scherppuntig bij de kattensoorten, groot en geschikt tot het omwoelen der
aarde bij honden en hyaena's. Ook graven vele dezer dieren zich holen, waarin zij wonen. Jakhalzen en hyaena's bedienen zich meest van hun nagels om de lijken op te graven, waarmee zij zich, bij gebrek aan ander voedsel, tevreden stellen.
I ui. In het water levende Verscheurende dieren. Niet altijd, zooals we zagen, zijn moed en vermetelheid het deel van Roofdieren; zijn er onder hen, die men echte krijgers zou kunnen noemen, het grootste aantal bestaat uit gemeene, laffe bandieten, die in half duister hun aanslag beramen, en meer den valstrik gebruiken, dan openlijk ten strijde gaan.
Eenige Roofdieren hebben van het krijg voeren tegen
hun gelijken zich losgemaakt door te water te gaan, waardoor zij niet veel mededingers te vreezen hebben. Reeds in ons land vinden we als zoodanige de watermarters, de otters, in wie men in het water levende marters en bunzings herkent, zij het slechts aan de zwemvliezen tusschen de vingers. Toch wordt de echte watervorm der Roofdieren eerst bereikt door robben (fig. 30, blz. 37); walrussen
154
verwanten van genetkat, hond. hyaena en kat loopen op de toonen evenals de dravers en graseters: zij zijn vingerloopers. Bij de robben zijn de pooten in vinnen veranderd.
III. Genetkatten en katten hebben scherpe, intrekbare nagels, waarmee zij de prooi vasthouden en verscheuren: katten zijn de meest volmaakte roofdieren.
IV. Honden en hyaena's hebben niet intrekbare, stompe nagels, waarmee zij graven; honden zijn minder op vleesch verzot dan katten; hyaena's voeden zich met lijken.
V. Roofdieren, die de wijze van voortbewegen gemeen hebben, hebben een gelijk aantal vingers, een gelijk aantal tanden van hetzelfde maaksel en vormen wat men heet een geslacht; zulk een geslacht wordt in soorten verdeeld.
VI. Tot het geslacht Kat behooren als soorten: leeuw, tijger, luipaard, panter, jagoear, coegoear, enz.
VII. Tot het geslacht Houtig wolf, jakhals, vos, enz.
VIII. Met de robben, die vier van nagels voorziene pooten hebben, mogen niet verward worden de Walvischachtige dieren^ de best gebouwde waterdieren onder de Zoogdieren, die slechts voorste ledematen hebben, waaraan uitwendig geen spoor van vingers of nagels is waar te nemen.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
VOGELS.
§ 113. De groote overeenkomst, die er tusschen de Vogels onderling bestaat. De geschiedenis der Zoogdieren heeft ons geleerd, dat de lichaamsvorm der dieren in onmiddellijke betrekking staat tot hun leefwijze, zóó zelfs, dat een beschouwing van hun organen als van zelf de wijze leert kennen, waarop zij er gebruik van maken, en dat de scheiding, die men tusschen hen heeft gemaakt, bijna altijd af te leiden is van de verschillende wijzen van voeden en voortbewegen; niets natuurlijker dus dan dat wij hetzelfde terugvinden bij de Vogels. -Maftr alle Vogels deelen ééne bijzondere manier van zich voort te bewegen: zij vliegen; ook hebben zij onderling heel wat meer punten van overeenkomst dan de Zoogdieren: alle hebben vleugels, kleine of groote, naar hetzelfde model gevormd; het lichaam is altijd met vederen bedekt: alle zijn vingerloopers en de pooten dragen bijna altijd vier vingers, waarvan één naar achteren gericht is; de voetzool staat overeind en gelijkt op een met schubben bezetten staf; een hoornen snavel bekleedt de tandelooze kaken, en hun staart wordt slechts vertegenwoordigd door een klein uitsteeksel, het staartbceu, waarop lange veeren zijn ingeplant.
De groote staartveeren dragen evenals die der vleugels den naam van pennen. De pennen van den staart of de stuurpenncn (fig. 133, nquot;. 24), vormen een waaier, terwijl
156
de vleugelpennen of slagpennen (fig. 133, n'J. 22), als krachtige roeiriemen in de lucht werken.
I 114. De acht orden van de klasse der Vogels.
De Vogels worden (^op natuurlijke wijs) in groepen verdeeld, naar de plaats waar zij bij voorkeur toeven om hun voedsel te zoeken, en naar de wijze van voeding, die zij zich hebben eigen gemaakt. Vele vinden hun voedsel in het water; zij hebben de vinvormige voeten der water-Zoogdieren; men noemt hen Zwemvogels (fig. 134).
Andere Vogels zoeken iinn voedsel langs den oever; men noemt ze Steltloopcrs, omdat zij te herkennen zijn aan
'57
hun lange pooten, die hen toelaten te water te gaan, zonder hun vederen nat te maken (fig. 135).
Een zeker aantal wroet in dc aarde, vooral de losse aarde, om er grassprieten, zaden, insecten, ja zelfs kleine kruipende dieren te vinden (fig. 136). Zij loopen natuurlijk veel en vliegen slecht; men noemt ze HoenderacJi tig en, omdat zij min of meer gelijken op onzen haan. die tot het geslacht Hoen behoort
De Duiven, ofschoon onder gelijke omstandigheden hun voedsel zoekend, volgen een meer uitsluitend plantaardigen leefregel; zij loopen veel minder, vliegen uitnemend en zijn beste klimmers.
Ten nauwste aan bosmen gebonden is het leven van een ontelbaar aantal kleine springende, zingende en klimmende vogeltjes, die algemeen voorkomen, en den naam dragen van Muschachtige vogels (fig. 137 en 138).
Papegaaien (lïg. 139, leven, evenals de Muschachtige vogels op boomen, maar springen niet; zij klimmen in
ISS
de takken rond, met behulp van pooten en snavel beide, en bedienen zich dikwijls van hun pooten, om het voedsel naar den mond te brengen; het zijn grijpvogels.
Voor de Roofvogels daarentegen, waaronder we verstaan vogels, die zich uitsluitend met vleesch voeden, zijn de boomen een veel minder gezochte woonplaats (fig. 140).
Ten slotte moeten wij aan enkele vogels, die niet kunnen vliegen, zooals struisvogel, casuaris en kiwi, een afzonderlijke plaats inruimen; dit zijn loopvogels.
De klasse der Vogels omvat dus de volgende acht orden: 1, Zwemvogels. 2, Steltloopers. 3, Hoenderachtige vogels. 4, Duiven. 5, Musschen. 6, Papegaaien. 7, Roofvogels. 8, Loopvogels.
Van de voornaamste vertegenwoordigers van deze acht orden zullen we met een enkel woord gewagen.
'59
§ 115. Zwemvogels. Eend, gans en zwaan zijn algemeen bekende Zwemvogels. Zij leven in groote scharen langs onze rivieren en plassen, voortdurend bezig met, door middel van hun afgeplatten, langs de randen dwars gegroefden bek, de wormen uit den modder op te halen, waarvan het daar wemelt.
Maar de zee biedt den watervogels nog een ander, een heel wat uitgestrekter ontginningsterrein aan dan het zoete water, en het valt licht te begrijpen, dat juist daar deze vogels de grootste verscheidenheid van vormen vertoonen.
De Zee-zwemvogels leven van de vischvangst; meestal eindigt hun krachtige snavel in een soort van teruggebogen haak. Enkele duiken niet onder, kunnen bijgevolg slechts die visschen vangen, die onvoorzichtig genoeg zijn zich aan de oppervlakte te wagen, en die zij verder niet zouden
i6o
Fig, 137 en 138» Vogels, die op boomen leven, klimmers, springers en zangers, of muschachtigc vogels (een paar Sijsjes).
kunnen vervolgen. Slechts dan kunnen zij in hun onderhoud voorzien, wanneer zij ⢠in staat zijn een uitgestrekt zeegebied snel te doorzoeken ; natuurlijk hebben zij krachtig
,......
§amp;. * -«5 * gt;*'â
1'ig. 139- Een klimvogel, tevens grijpvogel, of Papegaai. (De grijze Papegaai van Afrika of Jaco.-!
i6i
gebouwde vleugels, die den felsten stormwind kunnen trotseeren.
-i-sj
Voorbeelden hiervan -zijn de reusachtige albatros, de stormvogel, de stormzzvaluw of Petrusvogel en de pijlstor ui-vogel ~ Zeezwaluwen (fig. 141), stormrneeuwe^Meeiiwen Ator
het algemeen-, die zich aan de vlakke, zandige boorden onzer rivieren of aan onze meeroevers ophouden, vliegen heel wat minder goed, maar duiken des te beter. De zoo mogelijk nog sterker uitkomende watergewoonten van schollevaars (fig. 142), fregatvogels en pelikanen (fig. 134), worden sprekend aangeduid door den vorm der voeten, wier vier too-nen door een zwemvlies vereenigd zijn; deze vogels vliegen er evenwel niet minder goed om. De uitgestrektheid van de vlucht is daarentegen niet bijzonder groot bij futen, ijsdui-kers (fig. 143) en zeekoeten, die ter vergoeding hiervoor uitnemende duikers zijn, en hun vleugels gebruiken als roeiriemen, om, letterlijk onder water vliegend, hun prooi te vervolgen .J)
Dit laatste gebruik der vleugels ligt zóó volkomen in de levenswijs van pingoeïns of vetganzen (fig. 144), dat deze organen, onbekwaam tot het doorklieven van de lucht, volkomen zijn veranderd in korte en krachtige roeiriemen, die bij den grooten pingoeïn van Patagonië door de kortheid der vederen als met schubben bedekt schijnenT) Uit het voorafgaande vloeit voort, dat men vier groepen
11
102
van Zwemvogels kan onderscheiden: Zoetwater-zwemvogels of Ecndachtige vogels, b. v. eend; Zwemvogels met groote vlucht, dus krachtige vliegers/of langpenneii) b. v. de albatros; volslagen Zwemvogels, b. v. pelikanen, en ten slotte duikende Zwemvogels, zooals de pingoeïn.quot;)
163
§ 116. De Steltloopers. Steltloopers bij uitnemendheid zijn ooievaar, kraanvogel, reiger en roerdomp, krachtige, van de vischvangst levende vogels, hoog op de pooten, met langen hals; gedurende het vliegen zijn de pooten naar achteren, is de hals naar voren lang uitgestrekt. Maar niet alle steltloopers hebben een dergelijk voorkomen.
fig- 143- De IJsduiker, Duikende zwemvogel van de Noordzee, met korte vleugels, die tegelijk dienst doen bij vliegen en bij onder water zwemmen (ter grootte van een kleine eend).
Eenige wagen zich veel verder het water in dan de Steltloopers met lange pooten, zwemmen en duiken evenals de Zwemvogels en leiden bijna geheel het leven van een eend; zulke Zwemmende steltloopers zijn de waterhoenders (fig. 145) met korten bek en buitengewoon lange vingers, die hen in staat stellen door het riet te waden, zonder er in weg te zinken, verder de meerkoeten (fig. 146), wier vingers evenals die der futen door een gelobd zwemvlies zijn vereenigd.
Andere, in plaats van rustig langs den oever der stroomen te wandelen of onbeweeglijk de visschen te bespieden, zooals een ooievaar dat gewoon is, loopen, door middel van middelmatig groote pooten, in snellen draf langs den
[64
zandigen oever, onophoudelijk met den langen, buigzamen bek in den modder rondwoelend; dit zijn de loopers onder de Steltloopcrs, die zich uitsluitend met wormen of insecten voeden, zooals wulp, kemphaan, snip, watersnip (fig 147), strandlooper, kievit, griel (fig. [50).
Vele dezer vogels geven de nabijheid van vijvers en stroomen prijs, om vochtige weilanden, bosch en bouwgrond op te zoeken, waar het eveneens krioelt van wormen en insectenlarven. Zoo komen we tot de trapgans (fig. 149), wier levenswijs vrij wel met die der Hoenderachtigen overeenkomt.
Men kan dus de Steltloopers tot vier hoofdvormen terugbrengen, in betrekking tot hun geneigdheid om zich te water te begeven: ie de Zwevunende steltloopers, b. v. het waterhoen; ten 2de de Wandvogels, loerende visschers, die zich slechts zóóver in het water wagen als hun lange pooten grond voelen, b. v. de ooievaar; 3^ Az Steltloopers van de zandige oevers, b. v. de wulp; 4de de Steltloopers vrui het vrije veld, b. v. de trapgans.
lós
'i 117. Hoenderachtige vogels. Hoenderachtige vogels zijn herkenbaar aan den forschen snavel, met haakvormig omgebogen top; aan de krachtige pooten met
breede, platte nagels, geschikt voor het wroeten in de aarde; aan de korte, afgeronde vleugels, die slechts een zware en kortstondige vlucht toelaten. Het vleesch dezer vogels is uitnemend; de vederentooi bij sommige mannetjes vaak schitterend. Tot deze orde behooren hoen, faisant, kalkoen, pauw, korhoen, parelhoen (fig. 150), patrijs en kwartel, van genoegzaam algemeene bekendheid. Zij leiden alle dezelfde levenswijs en gelijken veel op elkaar.
ïlg. 147. Insectenetende Steltloopers van zandige oevers en moerassen.
1. Dooverik. 2. Gewone Snip (ter grootte van een merel).
§ ri8. Duiven. Duiven gelijken ook veel op Hoenders, maar hebben een meer buigzamen snavel, die aan den wortel bijna week is, korte pooten, kleinen voet, en zij vliegen met groote gemakkelijkheid.
i66
167
Terwijl Hoenderachtige vogels op den grond nestelen, en hun jongen, pas uit den dop, reeds alléén kunnen loepen en eten, nestelen duiven op boomen of 111 rotskloven, en hun kleine, vederlooze jongen, tot loopen onbekwaam, moeten door de ouders verzorgd worden.
Bij ons komen slechts vier soorten in wilden staat voor: de wouddnif, een bewoner der bosschen, leeft op de boomen en wordt vaak in de parken en tuinen van oude steden half tam; de kleine boschduif, meer wild van aard, verlaat zelden het dichtst begroeide deel der bosschen; de wilde klip- of rotsduif, langzamerhand zeer schaarsch geworden; eindelijk de tortelduif.
De Woudduif is het hoofd van onze tamme duiven, met hare heden ten dage zoo talrijke en verschillend ge-teekende rassen; zij nestelt in rotskloven, in oude verlaten gebouwen; nooit zooals de andere soorten, op boomen.
g 119. De Musschen. Evenals Zwemvogels watervogels, Steltloopers strandvogels en Hoenderachtigen landvogels zijn, zouden we Musschen boomvogels kunnen noemen. Altijd bezig met op de takken der boomen heen en weer
168
te wiegen, van den eenen tak op den anderen te wippen, hebben zij zich een gansch bijzonderen gang eigen gemaakt: in plaats van te loepen door den eenen voet na den anderen te verzetten, komen zij meest springende vooruit, vandaar dat men hun den naam geeft van springende vogels. Het aantal hunner soorten is zeer groot en hun leefregel
My
Fig. 150. Het Parelhoen, hoenderachtige vogel (ter grootte van een kip).
is zeer verschillend, want op de boomen vinden zij zaden vruchten, insecten; de meerderheid maakt zich één voedingswijze eigen, waaraan zij getrouw blijft.
Waarschijnlijk vormen onder de Muschachtige vogels de zaadpikkers wel de meerderheid. Zij zijn te herkennen aan den harden, forschen snavel,
met breede basis en spitsen top,
die den naam van Kegelsnavcls in het leven heeft geroepen,
welken men dezen vogels dikwijls geeft.
De Kegelsnavels eten, zoo
de omstandigheden dit meêbrengen, ook insecten, en hun jongen voeden zij met rupsen en andere weeke dieren.
169
Ook vindt men tal van overgangsvormen tusschen hen en de eigenlijk gezegde Insecteneters.
Deze laatste gaan op vier verschillende wijzen ter jacht: zij kunnen allereerst de insecten van tak tot tak vervolgen, in welk geval zij veel gelijken op de graanetende Musch-achtige vogels, of wel, ze opsporen in de gaten, waarin zij zich een schuilplaats kiezen, of van onder de boomschors, die hen verbergt, ze wegpikken, of ten slotte ze al vliegende vangen.
De eerste zijn te herkennen aan den puntigen snavel, die, hoewel dun, vrij sterk is, en aan den top boogsgewijs uitgesneden; het zijn de Tandsnavels (frg. 152). De volgende hebben een langen, dunnen snavel, waarnaar zij Fijnsnavels genoemd worden (fig. 153). Vogels, die insecten vangen door om zoo te spreken de schors der boomen na te pluizen, moeten natuurlijk de kunst van klimmen verstaan; wanneer zij tegen een vertikaal vlak oploopen, moeten zij van boven en beneden gelijkelijk gesteund worden; bij hen zijn de toonen achterwaarts gericht, en staan er slechts twee naar voren (fig. 154), in plaats van drie, zooals bij de andere vogels; bovendien gebruiken zij hun staart als
170
steunpunt en hun korte en stijve staartpennen schijnen aan den top min of meer afgesleten. Dit zijn de kenmerken van echte Klimmers, zooals de eksters. Maar er zijn ook vogels met klimvoeten, die volstrekt niet klimmen, zooals
de koekoek.
Iets van dienzelfden voet schijnen wij terug te vinden bij de ijsvogels, wier buitenste toonen ter halve lengte zijn vergroeid. Dezen vorm van voet neemt men ook waar bij den bijeneter (fig. 155), die van Insecten leeft, welke hij al vliegende vangt, en waardoor wij als vanzelf de Zwabtwen naderen. Deze laatste hebben een korten, gespleten bek, dien zij gedurende het vliegen wijd open houden,
zoodat zij als 't ware een kleinen afgrond met zich dragen, waarin vliegen, waterjuffers of vlinders, Flg* I54- Voet van een kliramenden ,. .. . . , ,, Muschachtiaien vogel.
die zij gedurende hun snelle
vlucht ontmoeten, zich neerstorten. Vogels, die in hun bouw aan zwaluwen gelijk zijn, worden Spleetsuavels genoemd.
'71
Men kan dus de vogels der boomen of'de Muschachtigen in zes groepen verdeelen: le. de Kcgelsnavels, die in hoofdzaak van planten leven ; 2e. de Tandsnavels, wier voedsel, in de meeste gevallen dierlijk, bijna uitsluitend bestaat uit Insecten, die zij, van tak tot tak huppelend, weten te vangen, en wier snavel voldoende kracht heeft om de hardste schillen te verbreken; 3e. de Fijnsnavels, die ook vóór alles insectenvreters zijn, maar slechts van kleine, weeke
insecten leven, welke zij met hun langen snavel uit spleten van den bodem, gaten van boomen of scheuren van muren ophalen; 4e. de Klimmers, die tot onderzoekingsveld de schors der boomen nemen; 5e. de Saarn-teenigen, die het geboomte nu en dan ontrouw worden, om stroomafwaarts te visschen of al vliegend de prooi te vervolgen; 6e. de Spie et snavels, echte luchtbewoners, waarvan enkele de hooge boomtoppen opzoeken, andere in gaten van muren huizen, waarlangs zij vlug op en neer klimmen.
§ 120. Voorbeelden van de zes verschillende groepen der Muschachtige vogels. Aan het hoofd
172
der Kegelsncivcls of zaadpikkers plaatsen we de leeuweriken (fig. 156), die in zeden en gewoonten den Hoenderachtigen nabij komen, en op de wijze van kleine kwartels op den grond leven, wat wij zien kunnen aan den duimnagel, die niet gekromd is, zooals bij de op boomen levende Muschachtigen, doch meer naaldvormig verlengd; maar de bijzondere kenmerken van deze groep komen vooral uit bij die zangvogels, die men bij voorkeur in kooien houdt, zooals vink, vlasvink, sijsje (fig. 137)) kanarie, distelvink (fig. 133), die slechts soorten van één geslacht zijn, het geslacht Vink, waarbij zich nog aansluiten mnsch, goudvink, vlasvink, dikbek (fig. 157) eaz-
De meezen (lig. 175), de levendigste en wreedste tevens van alle kleine vogelsoorten, verdienen reeds door hun wijze van voeding een plaatsje bij de Tandsnavels, en dit geldt ook voor de grootere Muschachtigen, zooals meerkol, ekster en raaf; maar eigenlijke Tandsnavels zijn winterkoninkje, roodborst- tapuit (fig. 158), bastaard-nachtegaal, roodborst, nachtegaal en kwikstaart, die samen de familie der Fijnsnavels uitmaken; vervolgens merel, lijster en spreeuw (fig. 159) en bovenal de steenekster, welke alle veel van miniatuur-roofvogels hebben.
In ons land komen slechts zeer weinige Fijnsnavels voor; allereerst de hop, die evenals de zwaluw op den
'73
grond leeft en in spleten van boomen nestelt, verder boomklever en boomkruiper, die als echte klimmers voortdurend langs den stam der boomen op en neer gaan. In de gebergten van Zuid-Europa worden de minirklimuttrs aangetroffen, zeldzame, schoone, aschkleurige vogels, met roode slagpennen, die de oude muren doorzoeken, om, als vlinders rondvliegend, de spinnen op te sporen, waarmede zij zich voeden. Aan deze groep der Fijnsnaveligen sluiten zich de kolibri's aan.
Onder de Klimvogels huisvest ons land slechts den specht, den koekoek en den draaihals (fig. 160); de beide laatste zijn bovendien trekvogels.
De koekoek voedt zich met insecten, maar vermeestert nu en dan kleine vogels en zoogdieren; hij maakt geen nest en legt de eieren in het nest van andere insectenetende vogels, zooals van den bastaard-nachtegaal. De
'74
draaihalzen houden zich doorgaans op den grond in de nabijheid van mierenhoopen op,quot; van wier bewoners zij zich meester maken door middel van hunne met lijmig speeksel bezette tong. Er zijn verschillende inlandsche spechtensoorten; de grootste is de groene specht (fig. i6i\ wiens
175
scherpen kreet ieder kent; deze vogels hebben alle een buitengewoon lange tong, met achterwaarts gerichte doornen bezet, waarmee zij de insecten vangen, die door een overvloed van kleverig speeksel aan hare oppervlakte hangen blijven.
De ijsvogel voedt zich met visschen, die hij vangt door in snelle vlucht langs het water te scheren; zie hier met den gewonen bijeneter de eenige inlandsche Saam-teenigen.
De Spleetsnavels uit ons land bepalen zich tot de zwaluw, de gierzwaluw, wier vier toonen, als een krachtige klauw, naar voren gericht zijn, en de geitenmelker, als 't ware een groote nacht-gierzwaluw (fig. 162).
§ 121. Vleeschetende vogels of Roofvogels. Roofvogels nestelen op ontoegankelijke rotsen en oude gebouwen, van waar zij zich opheffen om de lucht te doorklieven en zich op hun prooi neer te storten; zij zijn: arend, gier, valk, buizerd, steenuil, uil en de groote uil of oehoe.
Hun krachtige pooten eindigen in kromme, puntige nagels, geschikt om in het vleesch geslagen te worden,
1/6
en bekend onder den naam van klauwen; hun snavel is scherp, aan den voet recht en aan den top haakvormig gekromd (fig. 164).
De roofvogels (fig. 6, bladz. 16), gaan of daags, of gedurende den nacht op prooi uit; er zijn dus Daoroof-vogels en Nachtroofvogels.
Deze laatste zijn te herkennen aan de zachte, losse vederen, vvaarmeê zij geruischloos de lucht doorklieven, en hun toekomstige slachtoffers ongehinderd kunnen naderen. Hun wijduitstaand vederenkleed doet hen grooter schijnen dan zij werkelijk zijn; de kop, die, van vederen ontdaan, weinig verschilt van dien der overige roofvogels, schijnt rond als een kattekop, en de twee groote oogen, groot als van alle nachtdieren, schijnen nog sterker uit te komen, omdat zij geplaatst zijn in een trechtervormigen kuil, wiens rand omzoomd is van kleine stijve veeren, voor een deel ingeplant op den rand der ooropening; de ooren zijn groot. De snavel wordt door de vederen bijna geheel aan het oog onttrokken; bij enkele is de kop aan beide
177
zijden met een bosje vederen getooid, bij wijze van uitwendige ooren, en dan is de overeenkomst van dien vogel met een kat zóó groot, dat men hem op het land den naam van katuil geeft (fig. 165).
De Papegaaien. Wij hebben de papegaaien voor het slot bewaard, omdat zij wel de meest verstandige onder de vogels kunnen worden genoemd. Hun snavel
is haakvormig gebogen, maar reeds van de basis af, in plaats van alleen aan den top, zooals bij Roofvogels; het volkomen arge-looze dier gebruikt hem als een haak, waarmee het zich nu en dan aan de takken
om gemakkelijker
te kunnen klimmen. De voet der papegaaien lijkt op dien der Klimvogels, maar deze voet wordt hun tot een soorthand, waarmee zij het voedsel naar den mond brengen. Europa heeft geen papegaaien, maar in alle heete streken van Azië, Afrika en Amerika, en in Australië zelfs tot in Nieuw-Zeeland komen zij voor. De grootste zijn de
178
wonderschoone Ara's van het Amazonegebied, met den fraaien, trapsgewijs uitgesneden staart.
Vele kunnen leeren spreken ; het gemakkelijkst te onderrichten zijn de grijze papegaai of Jako van den Senegal, en de groene papegaai uit Amerika. Men brengt dikwijls onder den naam van inseparables, in kooien paartjes groot van den kleinen dwerg-papegaai uit Australië.
g 123. Loopvogels. Ten slotte zijn er dieren, die uit kracht van hun vederen, snavel en pooten, Vogels zijn.
179
maar wier vleugels, bij sommige uitloopend in goedgevormde en van klauwen voorziene vingers, zóó klein zijn, dat zij niet kunnen dienen tot vliegen. Het zijn de Loopvogels, waaronder echte reuzen zijn, maar waarvan niet ééne soort bij ons inlandsch is.
De voornaamste Loopvogels zijn de Struisvogel, die men in Afrika voor lichte wagentjes spant; de (fig. 166),
bewoner van Zuid-Amerika; de Kasuans van Australië en Nieuw-Guinea; de Kiwi (fig. 167) van Nieuw-Zeeland. Vele soorten van deze geslachten en wel de allergrootste, zijn heden ten dage uitgestorven.
Bij de loopers onder de Steltloopers en bij enkele Hoen-derachtigen verdwijnt de duim; hij ontbreekt bij den Nandoe en den Kamaris, en de struisvogel heeft slechts twee vingers meer, eene afwijking, die we eveneens hebben waargenomen bij de loopende Zoogdieren.
OVERZICHT.
I. De warmbloedige Cievvervelde dieren, die de klasse der Vogels samenstellen, hebben twee pooten, twee vleugels, vederen en een snavel. Zij loopen op de toonen, terwijl het overige deel van den voet, hoog van den grond opgericht, het voorkomen heeft van een geschubden wandelstaf; zij hebben geen tanden.
II. De klasse der Vogels wordt in acht orden verdeeld, in overeenstemming met acht verschillende wijzen van leven, te weten :
tquot;. H'atervogels of Zwemvogels, te herkennen aan het zwemvlies, dat tusschen de toonen der voeten is uitgebreid.
20. (.Strandvogels of) Steltloopers, met buitengemeen hooge pooten en langen hals of minstens een langen snavel.
i8o
i8i
3°. Loopvogels, die slecht vliegen, of Hoenderachtigen, met platte nagels, krachtige pooten, afgeronde vleugels en harden snavel.
4°. Loopvogels, die snel vliegen, of Duiven, met platte nagels, 'zwakkere pooten. lange vleugels en weeken snavel.
5quot;. Boomvogels of Muschachtigen, die de toppen der boomen zoeken, meer springen dan loopen, en waarvan de meeste de eigenschap hebben van te kunnen zingen.
6°. Grijpvogels of Papegaaien, die langs de boomen klauteren, met behulp van een(yan 4e basis afgebogen snavel en -w» krachtige pooten. 4ie twee vingers vóór en twee achtei(waarts geplaatst hebben)
7quot;. Roofvogels, die zich met vleesch voeden, en een (aan den kop) haakvormig gebogen snavel hebben en scherpe, gekromde nagels of klauwen.
8°. Loopvogels, die vliegen noch zwemmen kunnen.
III. De Zwemvogels bewonen het zoete water en de zee. De eerste zijn de Eendachiige vogels (gans, zwaan, eend). Onder de zeebewoners zijn er enkele, die al vliegend, andere, die al duikend op de vischvangst uitgaan. De Vliegers hebben krachtige vleugels, en drie teenen van de vier, of alle vier door een zwemvlies vereenigd; men onderscheidt ze in Langpenncn (meeuwen, zeezwaluwen) en in Saamteenigen of Pelikanen. De Duikers zijn inderdaad echte duikers; zij gebruiken hun vleugels om onder water te vliegen, (zeeduikers, futen), of vliegen volstrekt niet (pingoeïns)
IV. Steltloopers zwemmen of loopen op drijvende waterplanten, zooals de waterhoenders: of gaan het water niet in, tenzij zij een vasten bodem onder zich voelen, zooals de ooievaar; of zij kiezen zich zandige oevers tot hun onderzoekingsveld, zooals de wulp, of leven buiten op het vrije veld, zooals de trapgans. Zij splitsen zich dus als van zelf in vier groepen, naarmate zij al of niet hun levenswijs in het water leiden.
V. De Muschachtige vogels, ofschoon bijna alle boombewoners, voeden zich óf met zaden óf met insecten. De kegelvormige snavel heeft aan de zaadpikkers den naam gegeven van Kegel-snavels. De insecteneters gaan op vier verschillende manieren ter jacht: zij vervolgen de insecten van tak tot tak; zoeken ze op in de holen en spleten, waar zij zich schuilhouden; pluizen de schors der boomen na, of vangen ze, met wijd geopenden snavel vliegend, op. Van daar de vier groepen; Tandsnavels.
182
met aan den top uitgeranden snavel, (nachtegaal, merel, steenvalk); Fijrwiavels, met dunnen langen snavel, (hop, boomkruiper, kolibri; Klim/ners (specht, draaihals) en Spleetsnavels met korten, diep gespleten snavel (zwaluw, gierzwaluw, geitenmelker). De ijsvogels en* de bijeneter, die al vliegend visschen en jagen, vormen een kleine, afzonderlijke groep, waarbij de twee voorste toonen onderling vergroeid zijn, van waar hun naam Saaw-leenigen.
VI. Roofvogels gaan of daags, of 's nachts op prooi uit, van daar hun verdeeling in Dag- en Nachtroofvogels.
VIL Hoenderachtigen, duiven en papegaaien zijn minder talrijk en meer onderling gelijk dan de Vogels der vier andere orden.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
HET INSTINKT DER VOGELS.
g 124. De nestbouw. Welke hun levenswijze of leefregel ook zijn moge, alle Vogels verzorgen hun jongen teeder en trouw. Het ei wordt gelegd in het nest, een soort van mandje, door de ouders op kunstige wijs vervaardigd met behulp van dat materiaal, dat zich gewoonlijk binnen hun bereik bevindt.
§ 125. Het nest der Watervogels. Zwemvogels maken gewoonlijk op den grond, uit saamgevlochten takken en waterplanten, een eenvoudig nest. Onder de Zeezwemvogels stellen vele, meaiwen bijv., zich tevreden met de eieren in een komvormige uitdieping van het zand te leggen, of zonder verdere voorzorg tegen een steilen oever aan. Op de Faroër-eilanden worden deze, aan hun lot overgelaten eieren, door stoutmoedige jagers verzameld, en vormen zij een hoofdbron van voedsel. De pijlstormvogel daarentegen graaft in het zand een langen gang uit, op den bodem waarvan hij zijn eieren legt; de pingoeïns, wier vleugels echte vinnen zijn, komen samen om zich elk een nest te maken, effenen het terrein en weten aan het geheel het voorkomen van een dorp te geven,
l 126. Het nest der Strandvogels. Steltloopers loopen in hun nestbouw meer uitéén. Flamingo's (fig. 168) maken op den grond een kegelvormig nest, in den top uitgehold, en zóó hoog, dat zij staande de eieren er in kunnen leggen; ooievaars nestelen op hoog gelegen
184
plaatsen, schoorsteenen b. v. of torenspitsen; reigers op boomen; het nest der futen is een waar vlot, dat de vogel op het water voortstuurt, door een zijner pooten als roeiriem te gebruiken. Waterhoenders bouwen een drijvend nest.
185
dat zij door een soort brug aan den wal verbinden; snippen eindelijk, nestelen op den grond.
? 127. Het nest der Hoenderachtige vogels. Dit
laatste doen ook meest alle Hoenders; maar enkele hunner onderscheiden zich door allermerkwaardigste gewoonten. De Loophoenders (fig. 169) en de Henvelbonwcrs van Australië hebben de grootte van een flinke kip.^Zij schijnen te weten, dat eene hoeveelheid plantaardige overblijfselen, alvorens tot mest over te gaan, aan eene zekere ^istin^' wordt blootgesteld en dan een voldoende warmte ontwikkelt, om eieren
te doen uitkomen^Deze wonderlijke vogels geven zich niet de moeite van broeden ; zij brengen eenvoudig een grooten hoop bladeren, stroo en vochtig gras bijeen, stapelen het twee meter breed en een meter hoog op, en leggen daarin hun eieren, zonder zich verder om deze laatste te bekommeren. De jonge vogels komen vrij flink gebouwd ter wereld en zijn onmiddellijk in staat zich voedsel te zoeken.
Alle hoenders kunnen dadelijk na de geboorte loopen:
186
kleine kuikens, ge hebt het menigmaal kunnen zien, vergezellen hun moeder overal, en pikken zelf de graankorrels en wormen op, die deze voor hen ophaalt, door met de pooten den grond om te woelen. Zij hebben nog slechts een licht vederen kleed, dat een soort van donzen vacht vormt, en men noemt ze dan kuikens (fig. 170). De echte vederen komen later, en hebben eerst het voorkomen van een soort buis of pijpje, uit welks top zich langzamerhand de fijne baarden der vederen losmaken.
Enkele Zwemvogels komen evenals de hoenders ter wereld; daardoor is het mogelijk eendeneieren te laten uitbroeden dooi kippen, die daarna de jonge eendjes liefderijk verzorgen.
§ 128. Het nest der Duiven, Jonge duiven hebben bij de geboorte geen donsvederen (fig. 171), hun oogen zijn nog dicht, hun pooten te zwak om het lichaam te dragen, hun snavel te week om eenig voedsel te nemen. Zij worden door de ouders gevoed met een soort melkachtig speeksel, dat deze hun in den bek uitbraken. Door de wijze, waarop zij hun jongen voeden, en door hun manier van leven, verwijderen de Duiven zich dus van de Hoenders. Evenals de meeste in boomen nestelende vogels, maken zij een nest, dat uit saamgevlochten takken is opgebouwd.
I87
% 129. Het nest van Roofvogels. De Nachtroofvogels nestelen vrij dikwijls in holten van boomen. Het nest der Dagroofvogels bevindt zich doorgaans op een hoogen boomtop, een oud gebouw of ontoegankelijke rots. Wat saamgevlochten spaanders, ziedaar alles; maar weldra vereenigt het in zich het gebeente van al die dieren, die de huishouding tot voedsel gestrekt hebben, zoodat het ten slotte in een waar knekelhuis is herschapen.
S 130. Het nest der Muschachtige vogels. Nu pas
naderen wij die sierlijke, warme, mollige nesten, die het eigendom zijn der Muschachtige vogels.
De meest verschillende bouwstoffen worden gebruikt voor het samenstellen van de wieg dezer bekoorlijke wezentjes. De zwalmv bezigt daartoe balletjes klei, die zij op kunstige wijs samenhoudt. Enkele bouwmeesters geven de voorkeur aan aardkluitjes van verschillende kleur en rangschikken deze met groote regelmaat, zoodat er schoone figuren ontstaan.
De gierzwaluw lijmt met haar speeksel, dat vergiftig is, de verschillende bouwstoffen vast aaneen. Bij sommige vogels bestaat het nest uitsluitend uit speeksel, doorvlochten van zeewier, dat hierdoor tot een geleiachtige massa wordt; nestjes van deze laatste soort (fig. 172) worden door de Chinezen tot een hooggeschat tafelgerecht verheven; de salanganes, eigenaars van deze nesten, komen de gierzwaluwen zeer nabij.
Distelvink, winterkoninkje, nachtegaal en basterdnachtegaal
i88
vlechten behendig wat grassprieten dooréén, zoodat zij een soort bekertje vormen, dat door hen met mos, vederen, wol of dons (fig. 173) bekleed wordt.
Vindt onze gewone inusch nergens een holte of een verlaten zwaluwennest, waar zij zich zou kunnen vestigen, dau maakt zij een nest, rond als een kogel, met een nauvven ingang, tegen eiken aanval van buiten gemakkelijk te verdedigen; de ekster, de troglodytus (fïg. 174), de wever en een menigte andere vogeltjes maken, evenals de musch, overdekte nesten; er zijn er zelfs, die de voorzichtigheid zóóver drijven, dat zij liet nest aan het eind van een buigzamen tak ophangen (lig. 175), met de opening naar onderen gekeerd, zoodat men slechts vliegend er in komen kan. Het jonge gebroed is dan beveiligd voor
189
lang. Ten slotte vermelden kegelsnavels uit Zuid-Afrika,
stam vereenigen tot het maken van een gemeenschappelijk afdak, waaronder zij, als onder een regenscherm, hun nesten verbergen (fig. 178).
g 131. Het prieel der Prieeltjesmakers. Het nest is niet altijd slechts een wieg voor de jongen, somtijds strekt het ook tot woning aan de ouders. Die trek naar huiselijkheid is buitengemeen ontwikkeld bij de prieeltjesmakers uit Australië, die werkelijke hutjes of overdekte lanen samenstellen, waarin zij allerlei blinkende of schel gekleurde voorwerpen, die zij op hun
omwandelingen vinden, biieen- . , -r , ,, ,
o 1 Fig. 174. Nest van den rroglodytus,
brengen. Niet zelden vindt men een soort winterkoninkje.
in deze woningen sieraden terug, die men in het vrije
veld verloren heeft.
kleine roofdieren, eekhorens, slangen en groote vogels, de eenige vijanden, die zij te vreezen hebben. Tot die kunstig opgebouwde nesten behoort ook dat van het langstaartje en de buidclmees uit Zuid-Europa (fig. 176).
Enkele buitenlandsche soorten onderscheiden zich door een nog schooneren nestbouw, dan dien, welken wij bij onze inlandsche waarnemen; de snijder-vogeltjes uit Indië maken zich een nestje uit loodrecht afhangende, zorgvuldig toegenaaide bladeren (fig. 177). De troepi-al en, een soort spreeuwen, vervaardigen afhangende nesten, meer dan een meter we de republikeinen, kleine die zich rondom een boom-
i go
§ 132. Wat men verstaat onder instinkt. Men
neemt aan, dat vogels den nestbouw niet behoeven te leeren; vogels van dezelfde soort bouwen nagenoeg op dezelfde wijs, door middel van dezelfde bouwstoffen, op
i9i
denzelfden tijd, zoo ze namelijk hetzelfde land bewonen. Men noemt instinkt die neigingen en gewoonten,, die dieren
van ééne soort gemeen hebben, en die zich in hen ontwikkelen buiten de leiding of opvoeding der ouders om.
§ 133. Het trekken der vogels. Tot de instinkt-matige verrichtingen der vogels behoort ook het trekken.
192
In de poolstreken en in een deel der gematigde luchtstreken heerscht de winter met groote gestrengheid en dreigen koude en gebrek aan voedsel vele vogels met den dood. Maar in ons halfrond wordt de winter zachter naarmate men naar het zuiden gaat, zóó zelfs, dat de boorden der Middellandsche zee in lentedos. getooid zijn, wanneer men in Parijs b. v. in het hartje van den winter verkeert.
193
Daarom ook verlaten tal van zwakke stervelingen uit het noorden, jaarlijks hun in sneeuw gehuld land, om in Provence zon en bloemen te zoeken; vooral, sinds de spoorwegen het reizen zoozeer binnen ieders bereik gebracht hebben.
In snelheid kunnen heel wat vogels met onze lokomo-tieven wedijveren. Waarom zouden de sterke en vlugge
onder hen, zich gedurende drie maanden aan armoede en gebrek blootstellen, wanneer zij met een paar vleugelslagen het schoone jaargetijde kunnen opzoeken? Wat aan Zoogdieren, Kruipende dieren, Kikvorschachtigen, alle voetgangers in één woord.
g? onmogelijk is, valt aan Vogels
5 f licht, wijl zij vliegen kunnen en vele Vogelsoorten onder-
Fig. 17S. Nestjes der Republikeinen nemen inderdaad jaarlijks de
onder een gemeenschappelijk afdak, lange reis.
Bij niet alle wordt zij even geregeld ondernomen, of strekt zij zich even ver uit. Musch en vink blijven ons het geheele jaar trouw; vele zangvogels, die in troepen leven, blijven waar zij zijn, zoolang er wat te pikken valt, en in hun komen en gaan is geen vaste regel waar te nemen, zooals leeuwerik, putter, vlasvink, goudvink, mees, merel, basterd-nachtegaal, kwikstaart, winterkoninkje. Kwartel, nachtegaal, zwaluw, gierzwaluw, wielewaal, snip, koekoek en de meeste insectenetende vogels, komen met de lente tot ons om te nestelen, brengen het schoone jaargetij bij ons door, en vliegen tegen den herfst weg, zonder zelfs de eerste kou af te wachten. Deze Vogels komen uit het Zuiden, sommige uit Afrika. Gans, eend, zwaan, duikeend, meer-eend, fuut, lepelaar en kraan daarentegen komen in den herfst uit het Noorden afzakken, om tegen het voorjaar daar weer heen te trekken, ten einde er hun nest te bouwen.
194
Al deze reizen worden op een bepaalden datum ondernomen, zonder dat er rekening gehouden wordt met verlaging van temperatuur of vermindering van voedsel. In het volbrengen er van, schijnt de vogel gehoor te geven aan een onweerstaanbaren drang, die zich zelfs meester maakt van hen, die van hun geboorte af in een kooi opgesloten leefden, die dus nooit reisden en altijd goed gevoed en goed verzorgd werden; op het oogenblik van de afreis hunner stamgenooten zijn deze vogels aan een groote onrust ten prooi en zij zouden zich tegen de traliën der gevangenis den kop kunnen verbrijzelen, zoo voorzorgsmaatregelen dit niet verhinderden.
Een tweede uiting dus van het instinkt, want deze drang tot reizen is aangeboren, en spruit niet voort uit opvoeding of oogenblikkelijke noodwendigheid.
134. Geschiktheid van Vogels om zich te oriënteeren. Bij deze instinktmatige neiging tot trekken voegt een groot aantal vogels nog het vermogen vroeger bezochte plaatsen terug te vinden, wat men plaatssin zou kunnen noemen. Van vele soorten keert het paartje tot het oude nest van het vorig jaar weêr; dit lijdt ten minste geen twijfel bij zwaluw, gierzwaluw, reiger. Deze vogels moeten gedurende de lange reis met merkwaardige nauwkeurigheid de richting hebben onthouden, om niet slechts het land, maar den boom, het huis, de nis terug te vinden, waar zij hun woning hebben opgeslagen. Deze plaatszin bezitten duiven in hooge mate en het wonderlijkst is, dat zij tot hun duiventil weten terug te keeren, ook dan, wanneer zij bij nacht zijn weggevoerd en, in een mand opgesloten, rustig geslapen hebben, waardoor hun dus alle gelegenheid ontnomen was, eenig herkenningsteeken op den terugweg te vinden. Van deze neiging van duiven maakt men, zooals bekend is, in oorlogstijd gebruik.
Overeenkomstige en even verbazingwekkende vermogens en krachten vinden we bij tal van andere dieren, met name bij Insekten.
r95
OVERZICHT.
Bijna alle Vogels bouwen een nest tot schuilplaats voor hun jongen, tot deze in staat zijn uit te vliegen en alleen te eten.
Deze nesten, vervaardigd uit bouwstoffen, die elke Vogel gewoonlijk onder zijn bereik vindt, vertoonen een groote verscheidenheid in vorm, afmeting en maaksel. Maar, vogels van één soort, in dezelfde omstandigheden geplaatst, bouwen volkomen gelijke nesten; zij verstaan die kunst, zonder dat zij haar behoeven aan te leeren.
Evenzoo ondernemen tal van Vogels op bepaalde tijden lange reizen, en kennen den weg zóó goed, dat vele hunner elk jaar in hetzelfde nest weêrkeeren.
Men noemt instinkt aangeboren gewoonten, welke het gemeenschappelijk eigendom zijn van dieren van één soort, en die zich zelfs openbaren bij zulke dieren, van welke men met zekerheid weet, dat zij nooit met hun soortgenooten in aanraking kwamen.
Vele dieren uit andere afdeelingen van het Dierenrijk, hebben dergelijke neigingen en gewoonten met de Vogels gemeen.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
KRUIPENDE DIEREN.
g 135. Zwakke bewerktuiging van Kruipende dieren in vergelijking met die van Zoogdieren.
Zonder vleugels of vinnen, leven Kruipende dieren op den grond onder dezelfde voorwaarden, als hun gevaarlijke mededingers, de Zoogdieren.
De eerste zijn koudbloedige Gewervelde dieren, de laatste warmbloedige, bijgevolg meer warmte ontwikkelende, Gewervelde dieren. En, gelijk een lokomotief meer kolen verbruikt, maar ook meer kracht ontwikkelt, naarmate zij beter gestookt wordt, zoo zijn kracht en warmte-ontwikkelmg van dieren grooter, naarmate zij meer voedsel verbruiken. Zoogdieren, van gelijke grootte als Kruipende dieren, moeten dus noodzakelijk sterker en bedrijviger zijn dan deze, en het is zeker, dat de laatste reeds lang van den aardbodem verdwenen zouden zijn, zoo zij ooit in levenden lijve optraden, om den eersten de prooi te betwisten.
g 136. Aanval- en verdedigingsmiddelen van Kruipende dieren. Verdeeling van deze klasse in orden. Ofschoon bijna alle vleescheters, zijn Kruipende dieren door hun betrekkelijk zwakke bewerktuiging, toch tot bloohartigheid veroordeeld. De sterkste onder hen, de Krokodillen (fig. 179), zouden in het loopen nooit groote Zoogdieren kunnen inhalen; zelf onder het riet verborgen, liggen zij op de loer en bespringen het zoogdier, terwijl dit bezig is te drinken: hun huid is met beenige schubben bedekt, hard genoeg om aan geweerkogels weerstand te bieden.
197
Het geheele skelet vormt, in verbinding met beenplaten uit de huid, bij de schildpadden (fig. 180) een zeer stevige doos, waarbinnen het dier zich kan terugtrekken zonder vrees voor kwetsing of verwonding van buiten.
De andere Kruipende dieren missen dergelijke verdedigingsmiddelen, maar de kortheid hunner pooten stelt hen in staat bijna geheel weg te schuilen onder het groen,
waarvan zij dikwijls de kleur en de eigenaardige teekening aannemen, zóó zelfs, dat zij op de oppervlakte van den bodem nauwelijks in het oog vallen. Deze korte pooten stellen de hagedis tot een snellen loop in staat, maar zijn niet volstrekt onmisbaar aan krokodillen en schildpadden wier lichaam zich toch niet krommen kan. Het hagedissen-lichaam is uiterst slank en buigzaam, en zijn buig-
198
zaamheid komt het dier in het loopen niet weinig ten goede, zelfs kunnen de pooten hem hinderlijk worden wanneer het er op aankomt, nauwe gaten binnen te kruipen, welke ook voor de meest gevreesde vijanden ontoegankelijk zijn; deze ledematen zijn dan ook nauwelijks meer waar te nemen bij de blind slang en ontbreken volkomen bij de werkelijke slangen. Eenige van deze laatste orde zijn in het bezit van dat schandelijke wapen, dat de toevlucht is van zwakken en lafaards, het vergif.
Alle wijzigingen van den vorm, alle bijzonderheden van de bewerktuiging dezer dieren, schijnen hier dus alweder hun oorsprong te vinden in de bijzondere levensomstandigheden, waaronder aanval en verdediging bij zwakke en angstvallige dieren als zij zijn, noodwendig plaats hebben. Daar, met een enkele uitzondering, Kruipende dieren levende prooi verslinden, kan men ze niet naar hun voedingswijze in-deelen; het zijn veeleer de verschillende karaktertrekken, voortspruitende uit hun aanvals- en verdedigingsmiddelen, die aanleiding geven tot eenquot; splitsing in vier orden :
1°. Krokodillen, 2°. Schildpadden, 30. Hagedissen, 4quot;. Slangen.
? 137. Krokodillen. Dit zijn alle groote dieren, die uitsluitend in de nabijheid van het water leven.
Zij hebben een langgerekt lichaam, een krachtigen, vasten staart, die bij het zwemmen dienst doet, en korte maar sterke pooten. De voorpooten hebben vijf, deachter-pooten vier door een zwemvlies vereenigde toonen. De kaken zijn bezet met een rij kegelvormige tanden, die in vorm vrij wel aan elkaar gelijk zijn. De tanden der Kruipende dieren vertooncn overigens niet die verscheidenheid in vorm en verrichting, welke de tanden van Zoogdieren kenmerken; zij dienen niet om te kauwen, maar meest om de prooi vast te houden, die gewoonlijk in ééns verzwolgen wordt.
Europa heeft geen krokodillen, maar in de andere wereld-deelen komen ongeveer drie familiën voor: i0. de eigenlijke krokodillen, waarvan eene soort vroeger geheel Egypte bewoonde, maar nu nog slechts aan den Nijloever gevon-
199
den wordt, voorbij den eersten waterval. 2U. de gavials met smallen, langen bek, uitsluitend van visschen levend, en waarvan de meest typische soort aan den Ganges haar verblijf houdt; 3°. de kaainiannen, bijna alle uit Amerika, die van de krokodillen afwijken door de gave bovenkaak, waarin zich geen gaten vertoonen voor het omsluiten van de grootste tanden der onderkaak.
De Nijlkrokodil en de Gavial van den Ganges zijn somtijds meer dan zes meter lang. De kaaiman heeft een meer bescheiden afmeting. Deze dieren leggen groote eieren, ongeveer als kippeneieren, waarvan zij het uitbroeden aan de zonnewarmte overlaten.
g 138. Schildpadden. Schildpadden onderscheiden zich van alle Kruipende dieren door het harde en weèr-
standbiedende schild, opgebouwd uit een vergroeiing van skelet en huidbeenplaten, welke vergroeiing overdekt is door een afzonderlijke hoornachtige laag, het schildpad. Dit schildpad kan in kokend water geweekt worden, en van enkele groote soorten, aangewend tot het vervaardigen van snuisterijen.
Schildpadden hebben geen tanden; hun kaken zijn even-
200
als die der Vogels met een snavel bekleed. Sommige zijn vleescheters, andere planteneters. Zij hebben een gedrongen lichaamsbouw, korten staart, en hun logge, zware pooten eindigen gewoonlijk in vingers, die door een zwemvlies vereenigd, of volkomen onbeweeglijk zijn.
Men heeft see-, zoetwater- en landschildpadden. Er zijn zeeschildpadden (fig. 181) zóó groot, dat zij Centenaars zwaar zijn. Bij hen zijn de toonen door de huid ingesloten tot een soort roeiriem, die aan dien der Walvisschen herinnert. Een hunner, de karetschildpad uit den Atlanti-
schen oceaan en de Indische zee, levert bijna al het schildpad, dat in de industrie gebruikt wordt.
Op bepaalde tijden komen zij op het land om eieren te leggen, die ze onder het zand begraven.
Visschers maken van die gelegenheid gebruik om ze te vangen, door ze op den rug te leggen, waardoor hun het terugkeeren naar zee onmogelijk wordt gemaakt.
Zoetwaterschildpadden hebben bewegelijke vingers, door een zwemvlies vereenigd. Hiertoe behooren o. a. de doosschildpad en de Europeesche zoetwaterschildpad, beide bewoonsters van Europa.
201
Landschildpadden hebben onbeweeglijke vingers.
Niet onbekend is de landschildpad van Mauritius, die wel eens in tuinen tam wordt gehouden. Deze dieren zijn alle planteneters; zij komen gewoonlijk uit Algerië tot ons, maar houden zich ook in Griekenland en Italië op.
g 139. Hagedissen; broosheid en levenskracht van den staart. Even vlug en bijdehand, als schildpadden log en plomp zijn, leven de hagedissen bijna alle
van insecten. De eigenlijke hagedissen hebben vier pooten, elk uitloopend in vijf van nagels voorziene toonen; hun lange, als in ringen verdeelde staart is uiterst bros; hij breekt, zoodra men hem vastgrijpt om het dier te vangen, en het afgebroken stuk ziet men dan zelfstandige stuipachtige bewegingen maken. Inderdaad leidt elk lichaamsdeel van elk dier in zekeren zin zijn eigen leven; en, sterft het lid, na van het lichaam gescheiden te zijn, dan bewijst dit alleen hoe groote diensten de verschillende lichaams-deelen elkaar bewijzen in hun levensonderhoud.
Dc staart der hagedissen groeit weer aan. Deze brosheid van den staart is de hagedis bepaald voordeelig in den strijd om het leven; een behendig ontsnappen aan den
202
vijand is mogelijk, daar zij hem eenvoudig het achterste uiteinde van haar lichaam afstaat. Het offer is niet groot, want, wat wij bij de behandelde dieren nog niet ontmoet hebben, deze staart heeft het voorrecht, weer aan te kunnen groeien, ja zelfs ziet men soms twee in plaats van één zich ontwikkelen. De nieuwe staart is evenwel nooit zóó volkomen opgebouwd als de eerste, zoodat de éénmaal verminkte altijd te herkennen is.
De zoogenaamde werppijl der hagedissen is niets dan de tong. Eigenlijke hagedissen hebben, evenals slangen, de zonderlinge gewoonte, van de dunne, fijne, in tweeën gespleten tong onophoudelijk uit te steken. Menigeen ziet deze tong aan voor een werppijl en stelt zich haar vergiftig voor. Niets van dit alles; de hagedissentong is evenals die der slangen volkomen schadeloos; de beet dezer dieren zelfs levert geen gevaar op; zij zijn integendeel zacht van aard en gemakkelijk te temmen.
De gewone-, de kleine- en de muurhagedis. Deze in ons vaderland voorkomende soorten zijn gedurende den zomer wel heel vlug, maar brengen den winter slapend door. De muurhagedis heeft de grijze kleur van de steenen, waartusschen zij leeft: de groene daarentegen, die onder heggen en struiken haar weg maakt, is veel grooter en sierlijker getooid.
De Gecko's. In Provence en langs de boorden der Middellandsche Zee leeft de Gecko, die een luiden schreeuw hooren laat, wanneer men haar beetpakt, en wier pooten in afgeplatte vingers uitloopen, waardoor het dier, vlug als een vlieg, langs de gladste muren klimmen, of zelfs met den rug naar beneden langs een zoldering loopen kan.
Aan deze dieren sluiten zich de Iguanen (fig. 183) uit de heete gewesten aan, met gewoon gevormde vingers, en waarvan enkele soorten meer dan een meter lang zijn.
De Kameleons. Het kameleon (tïg. 184), heeft een nog zonderlinger voorkomen dan gecko en iguaan. Geheel voor een levenswijs op de boomen ingericht, zijn de vijf vingers tot aan de nagels in twee bundels saamgevat, één van drie, en één van twee vingers, zoodat de vier pooten
203
werken als vier nijptangen met stevige handvatsels. De spiraalvormig om de takken gewonden staart is mede een grijporgaan; geen enkele hagedis deelt in dit voorrecht. Aldus met staart en pooten zich vastklemmend, kan het kameleon uren lang in volslagen bewegingloosheid doorbrengen. Al dien tijd neemt het nauwkeurig zijn omgeving
op, dank zij zijn groote, vooruitspringende oogen, die het afzonderlijk bewegen kan, één naar voren, één naar achteren, één naar boven, het andere naar beneden, zóó, dat het alle richtingen te gelijk in zich kan opnemen.
Komt een insect binnen zijn bereik, pijlsnel schiet het zijn verscheiden centimeters lange tong uit, die bovendien een gegroefd, breed uiteinde draagt, waardoor de prooi gegrepen en vastgehouden wordt. Wanneer die onafgebroken waakzaamheid hem eenig gevaar doet ontdekken, dan verroert het zich niet, maar verraadt zijn aandoening op eigenaardige wijs: het verandert van kleur en doorloopt van grijs-wit tot zwart bijna alle kleurschakeeringen, ook geel en groen.
204
Berooft men het van zijn oogen, dan verliest het met het gezicht, dit vermogen om van kleur te verwisselen.
Dc hazelwormen of hagedissen zonder poolen. Een andere merkwaardige hagedissensoort is de hazelworm. die ook in ons land voorkomt, en, geheel zonder pooten, alleen aan zijn gelijkenis met slangen zijn slechte reputatie dankt. Hij is volkomen onschadelijk, ofschoon de overlevering hem vergiftig noemt, ja met tooverkracht toerust.
ji 140. De Slangen. Al ontbreken ook de pooten, toch herkent men in den hazelworm de hagedis. Slangen toch hebben een gansch bijzonder voorkomen: de kop is meer afgeplat en naar achteren verbreed, de kaken zijn zóódanig ingericht, dat de bek buitensporig wijd geopend worden kan; het lichaam, over zijn geheele lengte gelijk, vertoont ee buitengewone lenigheid en kan zich in vele wendingen oprollen. Slapen ze, of worden ze overvallen, zoodat vluchten onmogelijk is, dan rollen ze zicli aldus ineen, dea kop onder de plooien van het lichaam verborgen, of, bij da giftige soorten, recht overeind. Zij schuiven snel vooruit met golfsgewijze bewegingen ; sommige zwemmen en klimmen bovendien heel goed. Op bepaalde tijden kruipen
205
zij uit hun uitwendige huid, waarvan zij zich ais van een kleed ontdoen. Bij de Kruipende dieren zijn de ledematen te zwak om de prooi vast te grijpen en in stukken te scheuren; zij moet worden gedood en inééns verslonden. Hagedissen dus, wier bek zich vrij wijd opent, maar zich niet kan uitrekken, moeten zich noodwendig met insecten voeden, daar zij niet in staat zijn om, evenals slangen, een groote prooi te verslinden. Deze eten dan ook muizen, veldmuizen, padden, kikvorschen, en vrij dikwijls luisteren zij dit maal met wat eieren op.
Langs twee verschillende wegen dooden de slangen haar prooi : door verstikking of door vergiftiging. In ons land worden beide soorten vertegenwoordigd door landslangcn en adders.
Landslangen zijn voor den mensch volkomen schadeloos ; adders bedienen zich van hun vergif als verdedigingsmiddel, en bijten naar al, wat hen vrees aanjaagt; zij zijn als alle giftige slangen uiterst gevaarlijk en het is van het hoogste belang, ze van de landslangen te kunnen onderkennen, wat helaas niet gemakkelijk is.
Adders hebben een platten, driehoekigen, naar achteren verbreeden kop, die duidelijk van den romp gescheiden is (fig. 185, a, b). De kopschubben zijn bij de meeste soorten aan die van het lichaam gelijk; bij andere worden grootere door kleinere ingesloten. De staart is kort en stomp, de kleur grijs of bruin met zwarte zig-zag-vlekken op den rug, en twee vlekken op den kop, die samen een V-vorm hebben.
De kop der landslangen (fig. 185, c), is minder plat, minder naar achteren verbreed, gaat onmerkbaar in het lichaam over, en is bedekt met een klein aantal schubben van gelijken vorm, veel grootere dan de lichaamsschubben. De kleur is zeer verscheiden, de staart vrij lang, en enkele soorten zijn veel grooter dan de adder, die gewoonlijk een lengte van omstreeks 7 centimeters bereikt.
Adders geven de voorkeur aan rotsige, droge plaatsen, waar de zon vrij spel heeft. Onder de landslangen begeven onze twee inlandsche soorten zich dikwijls te water: n. 1.
206
de ringslang en dc gladde slang, welke laatste in uiterlijk voorkomen wel iets van een wijfjes-adder heeft. De overige landslangen uit andere landen zijn uitsluitend landbewoners.
Adders storten hun vergif in de wond met behulp van twee of meer gebogen, scherpe, over hun geheele lengte doorboorde tanden, die den naam dragen van gift tanden. Deze groeien weer aan, wanneer zij, door welke oorzaak ook, afbreken.
Het vergif van onze inlandsche adders is zelden doodelijk, maar de beet van giftslangen uit de heete gewesten kan binnen enkele uren den dood veroorzaken. Onder de meest gevreesde dezer slangen behoort deuit Amerika.
207
OVERZICHT.
Kruipende dieren, die weinig warmte ontwikkelen, zijn zwakker en trager dan Zoogdieren, evenals een slecht gestookte lokomo-tief niet zulk een zvvaren last voortbewegen of zoo snel loopen kan als een goed gestookte.
Kruipende dieren zouden naast Zoogdieren, met wie zij op denzelfden buit uitgaan, het onderspit moeten delven, zoo zij niet hun eigen verdedigingsmiddelen hadden, en daarbij het vermogen zich weinig zichtbaar te maken.
Men verdeelt ze in vier orden:
Krokodillen^ groot en krachtig; de huid wordt beschermd door beenige schubben, die in haar weefsel zijn ingeplant.
Schildpadden schijnen opgesloten in een soort doos, welke gevormd wordt door de vergroeiing van het skelet en van beenplaten uit de huid.
Hagedissen, vlugge dieren, met vier zóó korte pooten, dat bij het gaan de buik over den grond sleept.
Slangen, zonder pooten, met een bek, die buitengemeen wijd geopend kan worden; enkele brengen door gifttanden aan de prooi doodelijke wonden toe.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
BATRACHIÃRS OF KIKVORSCHACHTIGE DIEREN.
§ 141. Vergelijking tusschen Batrachiërs en Reptielen. Bij de klasse der Batrachiërs vinden we voor een deel hetzelfde terug als bij de Kruipende dieren, wat betreft de weerloosheid, de schroomvalligheid, de wijze van bestaan, de aanvals- en verdedigingswerktuigen; ook vindt men bij hen, in weerwil van hun gedeeltelijke of geheele levenswijs in het water, vormen, die sterk aan die der Kruipende dieren herinneren. Evenzoo zagen we vroeger punten van overeenkomst tusschen Insecteneters en Knaagdieren onder de Zoogdieren, tusschen Zoogdieren met en Zoogdieren zonder buidel.
Zoo lijkt de laiidsalamander veel op een kleine hagedis, heeft de Siren uit de moerasachtige streken van Carolina, evenals sommige Hagedissen, slechts twee pooten, en vindt men geen spoor van pooten bij de Slangsalamandcrs of Cecilia's, zonderling gevormde Batrachiërs uit Brazilië en Ceylon, die, ongeveer als regenwormen, in vochtige aarde leven.
Evenals bij enkele .slangensoorten, komen ook onder de Batrachiërs vergiftige exemplaren voor, bijv. padden en salamanders: maar hier levert de huid het vergif, hetwelk het dier op geenerlei wijs in het lichaam zijner vijanden kan doen doordringen. Toch houdt dit vergif door zijn scherpen smaak de meerderheid der verscheurende dieren, die overigens een pad of salamander niet zouden versmaden, op een afstand.
2og
Overigens is het verschil tusschen Batrachiërs en Reptielen gemakkelijk op te geven: de eerste toch hebben een lenige, vochtige huid, de laatste een harde, hoornachtige, ja, bijna schildvormige huid.
§ 142. Punten van overeenkomst tusschen enkele volwassen Batrachiërs en Visschen. Er zijn Batrachiërs, die van de Kruipende dieren in uiterlijk voorkomen scherp onderscheiden zijn. Bij enkele óV/rwsoorten bijv. vindt men aan beide zijden van den hals vedervor-mige huidaanhangselen, evenals bij den proteus, een witten, blinden, grooten salamander uit de onderaardsche wateren van Illyrië en Dalmatië, en bij den axolotl (fig. 186), een mexikaanschen salamander, die in de hedendaagsche aquariums niet zelden aangekweekt wordt.
Dit zijn ademhalingsorganen, uitwendige kieuwen, bijna gelijksoortig aan die, welke men bij de jongen van enkele vischsoorten aantreft, bijv. bij haaien en polypteren of bichirs (fig. 187).
Andere Amerikaansche salamandersoorten, als reuzensalamanders en amphiuma's, hebben aan beide zijden achter den kop een gat, dat in elk opzicht aan de kieuwspleet der visschen herinnert, en dat toegang geeft tot een klein vertrekje, waarin inwendige kieuwen liggen opgesloten, weinig verschillend van de kieuwen der visschen. Een vrij groot aantal Batrachiërs hebben dus met de visschen merkwaardig veel gemeen, en zijn evenals zij, uitsluitend waterbewoners.
g 143. In jeugdigen toestand gelijken alle Batrachiërs op Visschen. Maar al deze punten van overeenkomst met Visschen kunnen wij o. a. bij de jongen van onze watersalamanders of tritons opmerken, mits wij ze van hun geboorte af bestudeeren.
Bij het verlaten van het ei, dat door de moeder gewoonlijk aan waterplanten wordt vastgehecht, heeft de triton nog geen pooten, terwijl de uitwendige kieuwen slecht ontwikkeld zijn; maar weldra nemen deze laatste in grootte toe, krijgen een vedervormig voorkomen en verschijnen ook de voorpooten; nu gelijkt de jonge triton
14
2IO
volmaakt op een siren. Vormen zich nu ook de achter-pooten, en zijn deze volkomen ontwikkeld, dan is het dier van een axolotl nauwelijks te onderkennen ; later verdwijnen de uitwendige kieuwen en laten een opening vrij, overeenkomstig aan die, welke wij aan den hals der reuzen-
salamanders waarnemen; eindelijk sluit zich deze opening en is de triton volwassen. Hij heeft drie jaar noodig gehad om deze gedaanteverwisseling te voltooien.
Gedurende deze drie jaar doorliep hij achtereenvolgens de verschillende gedaanten, die minder ontwikkelde Batra-chiërs gedurende hun geheele leven behouden. Het is
211
alsof deze laatste tritons zijn, die, ofschoon grooter wordend, toch de eigenschappen van jonge tritons behielden; als 't ware in hun ontwikkeling zijn blijven staan. De geschiedenis van de dieren eener zelfde klasse biedt talloos vele gevallen aan van een zelfden stilstand; de hoogst bewerk-tuigden eener klasse doorloopen, naarmate zij in ouderdom toenemen, al die gedaanten, die de lager ontwikkelden vaak hun leven lang behouden.
Fig. 1S7. Jonge Polyptera of Bichir, met uitwendige kieuwen,
als die van een Batrachiër.
I 144. Eenvoudige gedaanteverwisseling van landsalamanders. Jonge tritons, die door kieuwen ademhalen, moeten hun eersten levenstijd in het water doorbrengen; maar er zijn soorten, die, volwassen zijnde, juist ver van het water verwijderd leven. Men herkent deze laatste aan den staart, die niet van boven naar beneden is samengedrukt en met een vlies omzoomd, waardoor hij een krachtig zwemorgaan vormt, maar eenvoudig afgerond.
Hun gedaanteverwisseling is zeer eenvoudig. Reeds bij de geboorte hebben de jonge landsalamanders vier pooten, maar zijn nog in het bezit van de kieuwen en dus nog verplicht in water te leven; de jongen van den kleinen zwarten salamander van de Alpen komen eerst, nadat zij de kieuwen verloren hebben, ter wereld en gaan niet te water; deze dieren zijn dus van hun geboorte af landdieren.
Al naar de omstandigheden dit veroorloven, doorloopt het Kikvorschachtig dier zijn gedaanteverwisseling meer of minder snel; somtijds zóó snel, dat het dier ze reeds achter den rug heeft, wanneer het de eierschaal verlaat.
§ 145. Gedaanteverwisseling van de Batrachiërs zonder staart. Padden, boomkikvorsehen, kikvorschen
212
hebben geen staart en zijn hierdoor duidelijk van tritons en salamanders onderscheiden. Toch ondergaan ook deze dieren een gedaanteverwisseling (fig. 188). Bij de geboorte hebben zij een vrij groot lichaam, met samengedrukten,
Fig. iSS. Gedaanteverwisselingen van de gewone Pad. a, de eieren; â b, dikkoppen of kikkervischjes, pas uitgekomen en door kleine zuignappen van den kop aan waterplanten vastgehecht; â b', één hunner, vergroot, voor de uitwendige kieuwen; â c, de uitwendige kieuwen zijn verdwenen; â d, de achterpoot⢠zijn gevormd; â e, f, de voorpooten vormen zich; â g, de staart is bijna geheel verdwenen.
van vinvormige aanhangsels voorzienen, staart; het zijn dan dikkoppen of kikkervischjes. Reeds heel vroeg hebben deze kikkervischjes de uitwendige kieuwen, maar pooten ontbreken. Weldra verdwijnen de eerste en haalt het dier, evenals een visch, door inwendige kieuwen adem. Nu verschijnen eerst de achterpooten, daarna vormen zich, onder de huid, de voorpooten, doch deze komen pas te
213
voorschijn, wanneer de achterpooten voldoende ontwikkeld zijn. Het kikkervischje gelijkt thans volkomen op een triton; maar langzamerhand neemt de staart af, om ten slotte voor goed te verdwijnen.
Nadat de kikvorschen aldus de gedaante van tritons hebben doorloopen, schrijden zij deze vooruit, en voltooien hunne verwisseling niet door het ontwikkelen van nieuwe organen, maar door het volledig verdwijnen van het achterdeel van het lichaam.
g 146. Inwendige veranderingen, die met de gedaanteverwisseling gelijken tred houden. Te zelfder tijd, dat de jonge Batrachiërs pooten krijgen, verliezen zij hun inwendige kieuwen en krijgen in de plaats daarvan longen, waardoor zij voortaan in de lucht kunnen ademhalen.
De gedaanteverwisseling der Kikvorschachtige dieren bestaat in den overgang van zwemmende dieren, die onder water ademhalen, tot loopende dieren, die in de lucht ademhalen.
Het voedingsleven dezer dieren wijzigt zich met die verwisseling van gedaante. In het begin uitsluitend planten-eter, voegt het kikkervischje bij dit menu langzamerhand eenige doode dieren, die het door middel van zijn hoorn-achtigen snavel vaneen rijt; de volwassen kikvorsch leeft slechts van Wormen en levende Insecten.
OVERZICHT.
Batrachiërs gelijken zoowel op Kruipende dieren als op Visschen.
Wat zwakheid en algemeenen lichaamsvorm betreft, gelijken zij op Kruipende dieren, maar zij verschillen van deze door de weeke, giftige huid en door hun gedaanteverwisselingen.
De kieuwen, waardoor zij in den eersten levenstijd ademhalen en de hiermee gepaard gaande watergewoonten, brengen hen den Visschen nader, van wie zij overigens afwijken docr hun pooten en longen.
214
Bijna alle komen zonder pooten ter wereld; de Slangsalamanders blijven pootloos, de Sirensoorten krijgen er slechts twee, alle overige vier.
Eerst geschiedt hun ademhaling door uitwendige, daarna door inwendige kieuwen, ten slotte door longen. De uitwendige kieuwen zijn blijvend bij het geslacht Siren, het geslacht Proteus en vele Axolotl-soorten; bij Reuzensalamanders en Amphiuma's blijven de sporen van uitwendige kieuwen bestaan; zij verdwijnen bij de overige Batrachiërs; de gedaanteverwisseling van Kik-vorschen, Padden en Boomkikvorschen eindigt met het verdwijnen van den staart.
Deze gedaanteverwisseling kan door bepaalde omstandigheden versneld of vertraagd werden.
ZESTIENDE HOOFDSTUK.
VISSCHEN.
§ 147. De dieren dezer klasse vertoonen in hun levenswijs, onderling geringe verschillen. Alle visschen leven in het water, alle bewegen zich door vinnen, bijna alle verslinden levende prooi: geen wonder, dat men tusschen hen niet die duidelijk uitkomende verschillen aantreft, voortspruitend uit een andere leefwijze, zooals bij de dieren der voorafgaande klassen het geval was. Enkele leven in zee, andere in zoet water; maar ook hier is de grens moeielijk te trekken, want er zijn Zeevisschen, als steur, elft en zalm, die jaarlijks de rivieren opzwemmen, om er kuit te schieten en Zoetwatervisschen, die, zooals de paling, daartoe de uitmonding der rivieren opzoeken.
Toch gelijken niet alle Visschen op elkaar, en bekijkt men hun skelet nauwkeurig, dan vallen de belangrijke verschillen duidelijk in het oog.
§ 148. Beenvisschen en Kraakbeenvisschen, Wanneer men de zelfstandigheid van het geraamte van een rog (fig. 189) vergelijkt met die van een (fig. 190), dan ziet men, dat de eerste doorzichtig is, gemakkelijk met een mes te snijden, elastisch, ja aan kleurlooze lijm niet ongelijk: deze zelfstandigheid heet kraakbeen; de tweede daarentegen is wit, hard, gemakkelijker te breken dan te snijden: dit is been. Roggen schijnen dus slechts een geraamte van onvoldoende stevigheid te hebben, een kraak-heenig geraamte, evenals haai, steur en lamprei.
2l6
Daarentegen hebben snoek, zalm, forel, karper, zeelt, paling en verreweg de meerderheid van onze Zoetwater-visschen een beenig geraamte. Het komt ons dus natuurlijk voor, de Visschen in twee onderklassen te verdeden:
217
Beenvisschen en Kraakbeenvisschen, maar toch omvatten deze groote groepen elk nog te zeer verschillende diervormen, om ze niet weer te splitsen.
§ 149. De drie vormen, waaronder de kieuwen bij Beenvisschen kunnen voorkomen. Lamprei
(fig. 191), rog (fig. 189) en steur (fig. 192), vertoonen in de ademhalingsorganen belangrijke verschillen.
Ieder kent de kieuwen van karper, snoek en van daar-
2l8
mee overeenkomstige visschen uit onze rivieren; die van den steur zijn daaraan gelijk.
De rog vertoont aan eiken kant van den kop vijf boven elkaar geplaatste dwarsspleten; de lamprei zeven ronde gaten, als de gaten van een dwarsfluit van elkaar gescheiden. Elk dier spleten bij den rog geleidt afzonderlijk naar den mond; in de ruimten, die zij vrij laten, hangen tusschen mond en huid, kieuwbogen af, waaraan kieuwen zijn bevestigd. Elk dier gaten bij de lamprei is de uitmonding van een buis, die naar een afzonderlijken zak voert, van waar een andere buis leidt naar een met den mond samenhangende holte.
We nemen dus bij de Kraakbeenvisschen drie soorten van kieuwen waar.
§ 150. De drie vormen van zwemblaas bij de beenige visschen. Visschen zonder zwemblaas.
219
Bij de beenvisschen komen de kieuwen vrij wel overeen met die der steuren; bovendien kunnen enkele vischsoor-ten nog door longen ademhalen (fig. 193). Deze laatste visschen vormen de orde der Dipneeën, waartoe slechts drie geslachten behooren: de Lepidosiren uit Amerika, de Protoptenis uit Afrika en de Ceratodus (fig. 17, bldz. 22) uit Australië, met slechts één long.
Deze long wordt bij de overige visschen hoe langer hoe eenvoudiger (fig. 194 en fi?- I95)) z'j is hier slechts een vliezige, doorzichtige zak. Deze zak dient niet meer tot ademhalen, maar, door hem beurtelings te doen opzwellen en weer in te drukken, houdt het dier zich zonder eenige inspanning op een lager of hooger peil onder water in evenwicht; hij is wat men de zwemblaas noemt (fig. 21, bldz. 28).
Bij paling, haring, zalm, snoek, karper en verwante visschen loopt de zwemblaas door een afzonderlijke buis in het spijsverteringskanaal uit. Bij den kabeljan-cv ontbreekt dit een Lepidosiren. â l, kop; br, kieu- kanaal en hier is de zwemblaas wen; o, uitmonding der longen in den geheel gesloten, evenals bij
tong, baars, post, makreel en andere.
Aan eenige visschen ontbreekt de zwemblaas geheel, g 15 r. De in het water levende Gewervelde dieren hebben de hoofdorganen gemeen met de in de lucht levende. In zóóver is het hierboven behandelde in het bijzonder belangrijk, dat we er uit leeren, hoe het ademhalingsorgaan van de in de lucht levende
220
dieren ook aan de waterbewoners niet ontbreekt; alleen zijn hier vorm en bestemming wat gewijzigd. Evenzoo
hebben Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Batrachiërs en Visschen, in één woord alle Gewervelde dieren bijna altijd vier gelijk gebouwde ledematen, hetzij zij bestemd zijn voor het land, het water of de lucht; in die verschillende omstandigheden evenwel zijn op zijn minst twee der ledematen sterk gewijzigd en dienen de twee voorste nu eens tot loopen, dan weer tot aangrijpen of tot zwemmen, of wel tot vliegen.
Daar dit van alle organen geldt, kan men de punten van overeenkomst en van verschil tusschen de vijf klassen der Gewervelde dieren het best uitdrukkëu, door ze te vergelijken met gebouwen, die alle hetzelfde aantal verdiepingen tellen en op elke verdieping hetzelfde aantal gelijkelijk gerangschikte vertrekken; alleen de inrichting dier verdiepingen en vertrekken verschilt.
Dit brengt men onder woorden door te zeggen, dat alle Gewervelde dieren volgens een zelfde plan zijn opgebouwd. Een der uitnemendste fransche geleerden, Cuvier, heeft aangetoond, dat dit het geval is met alle dieren van een
zelfde afdeeling van het dierenrijk. Zijn niet minder uitnemende tegenstander, Geoffroy Saint-Hilaire, ging nog
g 152. Uitwendige kenmerken van de voornaamste Beenvisschen. Ieder kent de zwemblaas van karpers, die onder den voet zulk een eigenaardig knappend geluid maakt; wil men haar binnen het dier opzoeken, dan moet men dit den buik opensnijden, en het zou geen gemakkelijke zaak zijn, haar als herkenningsmiddel aan
te nemen voor de verschillende visschen; gelukkig gaan de wijzigingen, die zij ondergaat, gepaard met duidelijk aan te toonen wijzigingen in de vinnen.
Bekijkt ge de stralen der rugvin bij een karper (fig. 196), dat ziet ge, dat zij, de eerste uitgezonderd, uit een reeks van kleine geledingen bestaan, ongeveer als de kootjes van onze vingers, zoodat de vin week en buigzaam is. Neemt ge daarentegen de eerste rugvin van een baars (fig. 190) nauwkeurig in oogenschouw, of van een postje (fig. 197), dan ziet gij, dat haar stralen ongeleed zijn en bij het minste gevaar zich als scherpe doornen dreigend oprichten tegen de hand, die het diertje zou willen grijpen.
Van dit punt uitgaande, kan men dus weekvinnige en stekelvinnige visschen onderscheiden.
§ 153. Stekelvinnige visschen met gesloten zwemblaas. Ongetwijfeld zijn de stekelvinnige visschen beter gewapend, beter toegerust tot den strijd, dan weekvinnige; van de vier vinnen, die bij hen de vier ledematen der loopende Gewervelde dieren vervangen, staan de achterste in onmiddellijke nabijheid van de voorste, soms er onder, als 't ware aan den kop opgehangen; bij karper, grondel, goudvisch en forel daarentegen staan zij flink vóór het achterlijf, evenals de achterste ledematen van op het land lévende Gewervelde dieren.
224
De stekelvinnige visschen verwijderen zich dus het verst van de vier andere klassen der Gewervelde dieren en zijn de meest echte visschen; ook verschilt hun zwemblaas het sterkst van een gewone long en is volkomen gesloten.
225
Al deze visschen gelijken op elkaar, zoowel in den bouw der rugvin, de plaatsing der buikvinnen, als in het gesloten zijn der zwemblaas ; zij vormen een natuurlijke orde, die der stekelvinnigen, waarvan de voornaamste vertegenwoordigers onder onze zoetwatervisschen zijn: de baars, hel postje (fig. 197) en het stekelbaarsje (fig. 198). Tal van zeevisschen behooren tot deze orde, als de zeebaars, de donderpad (fig. 199), verwant aan het postje,quot; de kleine poon, de ruwe zeehaan, vliegende visschen, makreelen, thonynen, zeeduivels, enz.
g 154. Weekvinnige visschen met de buikvinnen onder de borstvinnen geplaatst, en een gesloten zwemblaas. Onder de visschen, wier rugvinnen, de eerste vinstraal uitgezonderd, door gelede vinstralen worden ondersteund, zijn er, wier achterste vinnen dezelfde plaats innemen als bij de Weekvinnigen; zij hebben eveneens een gesloten zwemblaas. De kwabaal (fig. 200), uit onze wateren, de kabeljauw, de schelvisch (fig. 201) en alle platvissehen, die gewoonlijk met één vlakte van het lichaam op den bodem gedrukt liggen, zooals schar, schol (fig. 202), tong en tarbot, behooren hiertoe.
'5
226
Aan enkele vischsoorten uit deze groep ontbreken de buikvinnen of er zijn slechts zeer kleine waar te nemen. Sommige hebben zonderlinge vormen, zooals het zeepaardje.
227
de koffervisch, de egelvisch; andere gelijken bijzonder veel op slangen.
§ 155. Weekvinnige visschen met de buikvinnen ver van de borstvinnen geplaatst en geopende zwemblaas. De visschen, die deze kenmerken bezitten, zijn buitengemeen talrijk. Allereerst behooren'hiertoe bijna al onze riviervisschen; de elft, verwant aan den haring en de sardine; de zalm en de forel (fig. 203); de snoek en de aan geslachten en soorten rijke familie der karpers, waartoe karper, gmidvisch, zeelt, barbeel, grondel, voren (fig. 204), elzenvorentje, brasem, enz.
Bij deze visschen sluiten zich de palingen aan (fig. 205); zij hebben wei is waar geen buikvinnen, maar hun zwemblaas is geopend.
228
Enkele dezer visschen sluiten zich vrij nauw aan de Dipneeën aan en vormen de Steurachtige visschen, wier skelet gedeeltelijk kraakbeenig is.
Zij voeren als van zelf tot visschen, wier skelet altijd kraakbeenig is, en waartoe behooren haaien (fig. 206), roggen en lampreien.
Bij de lampreien ontbreken bovendien de ledematen geheel; het kraakbeenig skelet zelf is weinig ontwikkeld en wordt vertegenwoordigd door een soort scheede, rugge-mergsscheede geheeten.
Onder deze lampreien komt een klein zeevischje voor, dat noch hersenen, noch hart, noch rood bloed, noch ledematen heeft, en dat, aan een worm gelijk, zich in het zand begraaft. Het is de amphioxus of het lancetvischje, vroeger voor een zeeslak aangezien.
De familie der Steurachtigen staat tusschen Kraakbeen-en Beenvisschen in. De dieren dezer familie hebben ten eerste, evenals de laatste, vier duidelijk gescheiden vinnen, een rugvin met buigzame vinstralen en een geopende zwemblaas ; vervolgens zien we onder de beenvisschen de zwem-
229
blaas gesloten en de paren zij vinnen elkaar naderen; eindelijk krijgt het voorste deel der rugvin gedoomde vinstralen. De zeldzaamste onder deze visschen hebben het lichaam beschut met stekels of met groote beenen platen, tot een soort mozaïekwerk vereenigd.
De verschillen tusschen Batrachiërs en Visschen treden eerst langzamerhand op den voorgrond, even als die, welke tusschen Batrachiërs en Reptielen, en tusschen deze laatste en de Zoogdieren bestaan.
Hieruit volgt, dat men tusschen de klassen der Gewervelde dieren geen al te scherpe grens trekken kan.
Men kan de verschillende vormen zóó rangschikken, dat men onmerkbaar van het minder bewerktuigde tot het hoogere opklimt. Of, om met den grooten natuurkundige Linnaeus te spreken: lt;De natuur maakt geen sprongen.»
OVERZICHT.
In overeenstemming met de stevigheid van het geraamte en de wijze van ademhalen, wordt de klasse der Visschen in acht orden verdeeld:
iste orde. De Dipneecn met longen en kieuwen beide of de overgangsorde tusschen Batrachiërs en Visschen.
Kr aakbeen visschen.
2de orde. Kraakbeenvisschen zonder schedel, hersenen en hart, waarvan de amphioxus de eenige vertegenwoordiger is, of de overgangsorde tusschen Weekdieren en Visschen.
3de orde. Kraakbeen-'isschen met kieuwgaten aan weerszijden van den kop, waartoe de lampreien.
4ti= orde. Kraakbeenvisschen met kieuwspleten zonder kiemc-deksels^ als haaien, roggen.
5de orde. Kraakbeenvisschen met vrije kieuwen en kieuwspleten 7net kieuwdeksels, als steuren.
Been visschen.
6de orde. Weekv innige r issc hen met geopende zwemblaas, als haring, zalm enz.
7de orde. Weekv innige visschen met gesloten zwemblaas, als kabeljauw, platvisch enz.
Sste orde. Stekel vinnige visschen met gesloten zwemblaas, als baars, karper enz.
ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
INSECTEN.
§ 157. Het aantal Insecten is onnoemelijk groot.
Na de gewervelde dieren zijn de Insecten het meest algemeen verbreid van alle dieren. Onder de op het land levende gelede dieren zijn zij de luchtbewoners, verstaan zij bijna alle de kunst van vliegen en nemen dus onder de Gelede dieren de plaats in, die onder de Gewervelde aan de Vogels toekomt.
Reeds is gezegd, dat hun lichaam in drie stukken te verdeden is: kop, borststuk, achterlijf. Aan het borststuk zijn de zes pooten en de vier vleugels bevestigd, door middel waarvan deze dieren kunnen loopen, vliegen of ook zwemmen.
Gewervelde dieren zijn over 't algemeen groot; zij kunnen in weinig tijds een vrij uitgestrekt, min of meer steil terrein, doorloopen, waar zij verscheidenheid van voedsel vinden en tevens de gelegenheid om hun ledematen tot verschillende doeleinden dienstbaar te maken.
Elk dier heeft zijn eigen wijze van optreden, maar, de rollen zijn met groote vrijgevigheid uitgedeeld; want, zijn er onder de Gewervelde dieren speciaal vleesch-eters, insecten-eters, vruchten-eters of gras-eters, de dieren, die tot deze groepen behooren, voeden zich in het algemeen met wat levende prooi, wat insecten, wat vruchten of bladeren zij ook vinden mogen.
Het kleine lichaam, de zwakheid hunner voortbewegingsorganen maken de betrekking, waarin de Insecten tot hun
231
omgeving staan, tot een geheel andere. Voor een rups is een eik een koninkrijk; het dier kan zijn geheelen rupsentoestand daar doorleven, zonder ooit aan gebrek blootgesteld te zijn ; het lijk van een veldmuis kan een geheel gezin van schallebijters onderhouden van de geboorte af tot aan den volwassen toestand toe. Het valt te begrijpen, dat deze insecten, wanneer zij den leeftijd bereikt hebben, waarop zij voor de instandhouding van het geslacht zullen moeten zorgen, voor hun toekomstig kroost een dergelijken boom of een gelijksoortig dier zullen uitzoeken, als tot dusver hun eigendom was. Niets natuurlijker dus dan dat Insecten nog veel meer specialiteiten zijn in hun levenswijs dan Gewervelde dieren. Daar elke specialiteit een geheel bijzonder voorkomen heeft, wordt het aantal soorten van Insecten ontelbaar groot.
Niet éene plant, die niet tal van Insecten onderhoudt, en bijna elke plant huisvest haar eigen insectensoorten; voeg daarbij het aantal Insecten, dat levende prooi verslindt, dat een woekerleven leidt en leett van het bloed of van de huidbekleeding van andere dieren, dat zich met aas voedt of met planten-afval; bedenk, dat zij onder de aarde en in het water leven zoowel als tusschen het gras en in de lucht, en gij krijgt een klein denkbeeld van het inderdaad overweldigende aantal van deze kleine wezens.
§ 158. Bewonderenswaardige eigenschappen der Insecten. De geschiedenis der Insecten is vol van verrassende feiten. Een even geduldig als schrander opmerker, bestudeerder van natuurlijke historie en van natuurkunde beide, de fransche geleerde Réaumur heeft zes groote deelen gevuld met het verhaal van hun ongeloofelijke nijverheid. Hebben in het algemeen dieren van ééne soort,
232
Vogels bijv., onveranderlijk dezelfde gewoonten, en kennen vele hunner reeds bij de geboorte het handwerk, dat zij
tot levensonderhoud zullen moeten uitoefenen, zonder dat zij het behoeven aan te leeren ; zijn biigevolg hun eigenschappen en hoedanigheden, hoe verwonderlijk op zich zelf, meest uitingen van het instinct, bij de Insecten komen
233
gezellig levende geslachten en soorten voor, die duidelijk blijken geven van een verstand, op zijn minst gelijk aan dat der hoogst bewerktuigde dieren. O. a. zullen we de gelegenheid hebben dit verstand te zien uitblinken in de bijen- en mierenmaatschappijen.
g 159. Gedaanteverwisselingen en huidvervel-lingen; larve of masker, pop of nymph, volkomen insect. Wat bij deze klasse van dieren bijzondere opmerking verdient, zijn wel de bijna raadselachtige gedaante-
rgt; sPi
Wfm
IS Bi
tmiij
Fig. 209. Meikevers, bezig een tak van zijn bladeren te berooven.
verwisselingen, die zij ondergaan. Ofschoon de meeste hunner in den volwassen staat uitnemende vliegers zijn, zijn ze bij de geboorte allen ongevleugeld. Ze heeten dan larven. Over het algemeen zijn deze kleine larven zeer vraatzuchtig; langzamerhand nemen ze in grootte toe, en weldra wordt de min of meer hoornachtige huid, waarmee ze zijn bekleed, hen te nauw. Deze huid is een soort dood vernis, dat niet met het lichaam meegroeit; zij laat dan ook ten slotte midden op den rug los, en de larve werpt haar als een oud kleed af. Dit noemen we vervelling.
234
Bij enkele insecten, als meikever, vliegend hert, krekel, duurt de larvetoestand eenige jaren.
Na een zeker aantal vervellingen, komt er van onder de afgeworpen huid een wezen te voorschijn, geheel verschillend van de larve; een, dat als een bakerkind is ingepakt, binnen een min of meer harde huid, waardoor sprieten en heel wat krachtiger pooten dan die het deel waren van de larve, benevens vleugels heen schemeren.
De larve is pop of nymph geworden (fig. 208). Vele dezer poppen zijn nagenoeg bewegingloos en nemen geen voedsel tot zich; de mond ligt trouwens, evenals alle andere organen, onder de huid besloten.
De poppen, niet in staat om te vluchten of zich te verdedigen, zouden aan een bijna wissen dood ten prooi zijn, indien zij niet op bijzondere wijze in bescherming werden genomen.
Vele larven kruipen, wanneer zij op het punt staan
235
pop te worden, diep in de aarde weg en gravgn zich somtijds een klein, zorgvuldig ingericht vertrekje; andere, zooals de zijderups, weven door vezelige draden, die zij zelf afscheiden, een soort goed gesloten tonnetje, dat zij op een veilige plaats ophangen of onder takken en bladeren als 't ware verstoppen. Dit tonnetje draagt den naam van cocon (fig. 208).
Eindelijk berst het poppenomhulsel los, het dier verbreekt de muren van zijn gevangenis en komt als volwassen insect uit zijn cel te voorschijn, met pooten en sprieten
gewapend en van vleugels voorzien, die hem den weg door de lucht heen openstellen; in een toerusting dus, wier volkomenheid sterk afsteekt bij den rudimentairen staat, die hem als larve kenmerkte.
Eenmaal volwassen, groeien de Insecten niet meer; somtijds bewaren zij nog een krachtigen eetlust, getuigen de meikevers (fig. 209), die binnen korten tijd de boomen van huu bladeren berooven, maar er zijn er ook, die nog slechts gedurende eenige dagen in hun nieuwe gedaante in het leven blijven, zooals de haften (fig. 210). Bij zeer weinigen slechts duurt die volwassen toestand langer dan een seizoen. Daar het leven van elke insectensoort aan een bepaalden tijd van het jaar gebonden is, volgen de ver-
236
schillende soorten elkaar in den loop van het jaar geregeld op ; de voorjaarsvlinders zijn andere dan die van den zomer en van het najaar, en de natuurkundigen hebben een soort kalender samengesteld naar den tijd van hun verschijnen. In onze gewesten sterven bijna alle volwassen Insecten vóór de winter een aanvang neemt; hierdoor worden insectenetende dieren, zwaluwen b. v., als van zelf gedwongen te verhuizen, of zien zij zich veroordeeld tot een langen winterslaap, zooals vleermuis en egel.
§ 160. De gedaanteverwisseling gaat gepaard met wijzigingen in de levenswijze. Daar het volkomen Insect meest gevleugeld is, de larve nooit, leidt deze laatste een geheel verschillend leven en loopt beider bestaan even sterk uiteen, als dat van een Reptiel en van een Vogel. Ja meer nog, want er zijn onder de beste vliegers Insecten, wier larven onder water geboren worden en zich daar ontwikkelen, bijv. de glazenmakers (fig. 211 2i2, 213), ook bekend onder den naam van de
237
kokerjuffers, wier larve een soort kokertje bewoont, uit zand en grassprietjes samengesteld, welke onder den naam van stckaas als lokaas voor hengelaars algemeen bekend is; de haften (fig. 210), die, volwassen zijnde, slechts eenige uren in het leven blijven; de neefjes of muskieten (fig. 53, bldz. 58), die zoo vinnig steken kunnen en nog vele andere. De opgenoemde brengen hun jeugd door onder de Visschen, hun later leven onder de Vogels.
Er zijn heel wat Insecten, die in den volwassen staat tot ander voedsel overgaan: rupsen (fig. 207), de larven van vlinders, voeden zich met bladeren, die zij tusschen hun stevige kaken fijnkneuzen; vlinders stellen zich te
vreden met uit het diepst der bloemen den nectar op te zuigen. Er zijn insecten, die als bijen en vlinders van bloem tot bloem vliegen, en in hun prille jeugd toch geen ander voedsel kenden dan het vleesch van andere insecten, terwijl canthariden, waartoe de spaansche vlieg, in den volwassen toestand zich bepalen tot de bladeren van esschen en seringen, terwijl zij als larven een roovers-leven leidden in de nesten van enkele bijensoorten, aan wie zij de eieren en den honigvoorraad ontstalen. Natuurlijk moeten ook de inwendige organen zich sterk wijzigen, willen zij aan de nieuw ontstane behoeften van het Insect voldoen en wij overdrijven niet, wanneer we beweren, dat gedurende den korten tijd van poptoestand, het dier van binnen en van buiten geheel vernieuwd wordt.
§ 161. Halve of onvolkomen gedaanteverwisseling van Sprinkhanen en Wandluizen. Al het voorafgaande is toepasselijk op meikevers, bijen, vlinders,
238
â¢
vliegen en verwante insecten; maar bij andere gaat de zaak wat eenvoudiger toe. Sprinkhanen, krekels, kakkerlakken, oonvonnen, houtluizen (fig. 214) en de andere gevleugelde
239
wandluizen (fig. 215) hebben reeds bij de geboorte hun bepaalden lichaamsvorm, alleen zijn zij wat kleiner en vertoonen nog geen spoor van vleugels. Na een paar vervellingen ontdekt men vier kleine schildjes, twee op den tweeden, twee op den derden ring van het borststuk. Dit zijn de eerste aanwijzing der vleugels; aldus is de larve pop geworden, zonder eenige verandering in gewoonten, leefregel of algemeen uiterlijk voorkomen. Nog éénmaal werpt de pop haar huid af; nu komen haar vleugels in volle ontwikkeling te voorschijn, en het Insect, tot vliegen in staat, zet de oude levenswijs voort met dit verschil, dat het nu daarbij van zijn vleugels gebruik maakt Het heeft slechts een halve gedaanteverwisseling ondergaan.
I 162. Ook bij de ongevleugelde Insecten kan een gedaanteverwisseling voorkomen. Bij enkele soorten als bij de weegluis, den suiker gast, in vochtige, donkere hoeken van oude huizen zeer algemeen, de luis en verwante parasieten, is het volkomen insect ongevleugeld; dan is er geen sprake van gedaanteverwisseling. Toch gaat een afwezigheid van vleugels niet altijd gepaard met een afwezigheid van gedaanteverwisseling. De vloo bijv. (fig. 218 en 219), in den volwassen staat zoo spreekwoordelijk vlug, ziet als een kleine, witte made het levenslicht, en schuilt dan weg tusschen het stof in de reten van planken; de ongevleugelde mieren doorloopen dezelfde vormen als hunne gevleugelde zusters (fig. 216).
§ 163. Verschillende soorten van vleugels bij Insecten. In den larvetoestand hebben de Insecten met volkomen gedaanteverwisseling min of meer het voorkomen
240
van gewone wormen, met afzonderlijken kop, zes korte pooten en vaak nog valsche pooten, van een anderen vorm dan de zes ware. De rupsen, zoowel als de maden uit kaas of uit vleesch, dat gedurende den zomer aan groote hitte is blootgesteld geweest, zijn insectenlarven. Men moet ze vooral niet voor Wormen aanzien, zooals regenworm, lintworm of spoelworm, bij wie het worm zijn de hoogste trap van ontwikkeling is, dien zij bereiken kunnen, en die nooit pooten hebben.
Het voorkomen der vleugels geeft bij de volkomen insecten heel wat sterker de verschillen aan, dan de gedaante der larven.
Meest zijn de vleugels doorzichtige, droge huidplooien, dunner dan het fijnste papier, toch vrij stevig en ongeveer als de bladeren der boomen gesteund door een uitpuilend net van hoornachtige nerven. Bij bijen en glazenmakers (fig. 211), zijn de vier vleugels aldus gevormd. Maar bij de laatste is het nervennet buitengemeen dicht geweven en de nerven zijn zwak en teer, terwijl zij bij de bijen sterk, weinig talrijk zijn en slechts een weinig ingewikkeld net vormen.
De Insecten, wier vleugels gelijk zijn aan die der glazenmakers, zijn boven allen bijzonder rijk aan nerven Fig. 219. Made van een Vloo, en dragen den naam van Netvlcu-zeer sterk vergroot. geligen, terwijl de orde der Vlics-vleugeligen, waartoe de bijen behooren, gekenmerkt wordt door dunne, vliezige vleugels, met weinig nerven.
Bij Vlinders (fig. 220) zijn de vier vleugels, ofschoon
241
overigens gelijk aan die der bijen, als bezaaid met schitterende, fijne stofjes, uit sierlijke schubjes bestaande (fig. 221), â die aan den vinger blijven zitten, wanneer men hen wat ruw aanpakt. Zij vormen de orde van de Schubvleugeligen.
Het tweede paar vleugels ontbreekt bij vliegen en wordt vervangen door kleine, in een knopje eindigende steeltjes, die dienst doen als balanceersiokjcs. Vliegen en verwante Insecten vormen de orde der Twecvleugeligcn.
Bij den meikever en andere kevers dient slechts het tweede paar vleugels tot vliegen; deze blijven vliezig, terwijl de vóórvleugels, hard en hoornachtig, zoowel dienen tot beschutting van het achterlijf, als van de vliezige vleugels, die, onder de eerste overlangs en dwars geplooid, wegschuilen. Deze harde vleugels bewijzen bij het vliegen zóó geringe diensten, dat de groote, schitterende kevers, die men dikwijls op rozen aantreft, en den naam van gouden torren dragen, ze bij het vliegen zelfs niet ontplooien (fig. 222). Kevers vormen de orde der Sehildvleugeligen.
16
242
Bij de houtluizen is alleen het inplantingsdeel der vleugels hoornachtig; men noemt hen Halfvleugehgen.
Bekijkt ge ten slotte de vleugels van sprinkhanen, krekels en kakkerlakken (fig. 223), dan zult ge zien, dat de bovenvleugels, ofschoon ook vliezig, dikker zijn en anders gekleurd dan de ondervleugels; men zou deze insecten voor zwakke schildvleugeligen kunnen houden, waarvan de groote ondervleugels waaiervormig opgevouwen zijn. Daar de laatste echter nooit dwarsvouwen hebben, scheidt men
sprinkhanen, krekels, kakkerlakken en verwante insecten van de schildvleugeligen, en geeft hun den naam van
Rechtvleugehg en.
Rechtvleugeligen en halfvleugeligen hebben altijd slechts een
243
halve gedaantevet wisseling; bij de Netvleugeligen vindt men alle overgangen van onvolkomen tot volkomen gedaanteverwisseling.
Schildvleugelig en, Vliesvlcugeligen, Schubvleug eligen en Tweevleugeligen hebben een volkomen gedaanteverwisseling.
§ 164. Kauwende en Zuigende Insecten. Mond-deelen der kauwende Insecten. Wat de wijze van voeding betreft, kunnen de Insecten in twee groote afdee-lingen gesplitst worden: ten lsle, de kauwende Insecten, die vaste stoffen tot zich nemen; ten 2de, de zuigende Insecten, die slechts met vloeistoffen zich voeden.
De eerste kauwen hun spijzen fijn met behulp van organen, die in de plaats treden van kaken en tanden, en die samen vormen, wat men de monddeelen noemt. Deze monddeelen (fig. 224) hebben niet als onze kaken een op en neer gaande beweging, maar een zijdelingsche, wat bij het vliegend hert (fig. 225) bijzonder goed is waar te nemen; hier toch zijn de zoogenaamde horens niets dan de genoemde organen, buitengemeen sterk ontwikkeld; ook elk ander groot insect, een groene sprinkhaan bijv., laat dit duidelijk zien.
De monddeelen zijn zes in getal: ten ie, de bovenlip, het dwars gelegen deel, dat den mond van voren begrenst; ten 2e, de onderlip daaronder, met een hoornachtig grondstuk, de kin, en een vliezig eindstuk, de tong. Tusschen boven-
244
en onderlip liggen de vier andere, twee aan twee gelijke en als twee scharen boven elkaar geplaatste deelen; het bovenste krachtige paar draagt den naam van bovenkaken, het onderste, zwakkere, dien van onderkaken. Kaken en onderlip dragen bovendien gelede aanhangselen, palpen genaamd, die als tastorganen te beschouwen zijn.
Peesvleugeligcn, Reehtvleugeligeu en Schildvleugeligen zijn kauwetide Insecten en hebben de mond de el en op de boven beschreven wijs ingericht.
Vliesvleugeligen, Schubvleugeligen en Tweevleugeligen zijn zuigende Insecten.
§ 165. Snuit der zuigende Insecten. Men noemt snidt het gootvormig verlengde orgaan, door middel waarvan de zuigende Insecten hun voedsel tot zich nemen. Met dezen snuit steken ons vlooien en luizen en muskieten, om den weg te vinden tot ons bloed; ook zuigen de bijen door middel van dezen snuit de suikerhoudende vloeistoffen op, die de planten uitzweeten; vlinders ontrollen hun langen snuit of hun roltong, die zij in rusttoestand als een horlogeveer opgerold hebben liggen tusschen boven-en onderlip, om tot den nectar der bloemen door te dringen; en zeker is bijna ieder honderdmaal in de gelegenheid geweest, de gewone kamer vlieg te bespieden, wanneer zij haar zachten, aan het uiteinde verbreeden snuit overal laat gaan, waar zij meent, het een of ander zoete vocht te zullen vinden. Natuurlijk bestaat er een duidelijk waarneembaar verschil tusschen deze orgaantjes onderling,
-.....^_⢠.
245
en is bovendien de vergelijking tusschen hen en de rnond-deelen der kauwende insecten vrij moeielijk te maken.
2^- j liegend hert; de bovenkaken van het mannetje zijn
verlengd in den vorm van lange doornachtige tangen; die van het wijfje blijven klein; links de nymph van een wijfje.
Maar, laat ons even den bijenmond van nabij bezien. Wij herkennen dadelijk de bovenkaken, die hun gewonen vorm hebben behouden; daaronder de onderkaken, maar deze zijn lang en puntig als naalden Cfig. 226). Tusschen hen, boven de onderlip, zien we een vliezig, rekbaar orgaantje, den eigenlijken snuit, die, zooals de ligging aanduidt, slechts een wijziging is van de tong der kauwende insecten.
Fig. 226. Monddeelen eener bij; men ziet de bijtongen, de liptasters. alsmede de z.g. tong, die zeer verlengd is. De boven- en onderkaken zijn we^o-elaten.
246
In den snuit of de roltong der vlinders (fig. 227), herkennen we bij nauwlettende beschouwing precies dezelfde deelen; alleen zijn de bovenlip, de bovenkaken en de onderlip met de tasters der onderkaken nauwelijks zichtbaar, terwijl de sterk verlengde onderkaken zelve spiraalvormig opgerold zijn en tusschen de zeer groote tasters der onderlip wegschuilen.
\\
Bij Halfvleugeligen en Tweevleugeligen (fig. 228) omhult de sleufvormige onderlip alle andere deelen, die, zoo ze ten minste niet mislukken, hier tot lange, dunne boorpriemen uitgroeien, en ten opzichte van elkaar dezelfde plaats innemen als de monddeelen der kauwende insecten.
Ten slotte is dus de snuit der zuigende insecten volkomen op dezelfde wijs ingericht als de mond der kauwende; het verschil bestaat alleen hierin, dat enkele harer onderdeelen klein blijven, andere buitengewoon sterk uitgroeien, waardoor zij nu eens als boorpriem, dan weer als zuigpomp optreden kunnen.
Bij de insecten van een zelfde orde zijn de monddeelen altijd op gelijke wijs opgebouwd, zoodat de indeeling van deze klasse in orden evenzeer geschiedt naar de ontwikkeling der monddeelen, als naar den bouw der vleugels.
247
OVERZICHT.
Het aantal Insecten is onnoemelijk groot; elke plant, elk in de lucht levend dier strekt vaak aan vele soorten tegelijk tot voedsel; bovendien zijn er vele, die van half vergane, plantaardige en dierlijke stoffen leven; andere, die onder den grond hun verblijf houden, en weer andere, die in het water thuis behooren.
Bij de geboorte is elke soort ongevleugeld, en vele ondergaan belangrijke gedaanteverwisselingen. Zij doorloopen achtereenvolgens drie toestanden, die van larve, pop en volkomen insect.
De larve is altijd ongevleugeld, de pop vertoont slechts stompjes, en het volkomen insect heeft meest vier vleugels, waarvan bij enkele twee altijd slecht ontwikkeld zijn, of geheel achterblijven.
Alleen in den larvetoestand kan er bij de Insecten van grooter worden sprake zijn; dan wisselen zij vaak van huid, wat we de vervelling noemen. Elke gedaanteverwisseling wordt door eene vervelling voorafgegaan. Wanneer het dier reeds bij de geboorte zijn bepaalde gedaante heeft, en alleen de vleugels nog ontbreken, zeggen we, dat het een onvolkomen gedaanteverwisseling heeft.
De klasse der Insecten wordt in zeven orden verdeeld:
i5te orde. Netvleugeligen: Mierenleeuw, Waterjuffer, Termiet, Kokerjuffer, Haft, enz.
2de orde. Rechtvleugeligen: Oorworm, Kakkerlak, Krekel, Veenmol, Sprinkhaan, enz.
3de orde. Schildvleugeligen: Meikever,. Springkever, quot;Vliegend hert, Glimworm, Loopkever, enz.
4de orde. Vliesvlengeligen: Eikengalwesp, Mier, Wesp, Bij, enz.
5de orde. Schubvleugeligen: Zijderups, Doodskopvlinder en andere Vlinders.
6d{: orde. Halfvleugeligen; Weegluis, Waterschorpioen, Suri-naamsche lantaarndrager.
7dj orde. Tweevleugeligen: Gewone of Huisvlieg, Muskiet, enz.
Sommige Insecten leven van vaste stoffen, die zij fijnkneuzen, andere van plantaardige of dierlijke vloeistoffen. Toch treffen wij bij allen dezelfde monddeelen aan, en zijn deze bij de zuigende Insecten alleen verlengd en gewijzigd. Insecten van e'éne orde hebben gelijk gebouwde monddeelen en ondergaan allen èf een volkomen óf een onvolkomen gedaanteverwisseling.
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
EIGENSCHAPPEN EN VERMOGENS VAN DE INSECTEN.
変 166. Lichtgevende Insecten. Er zijn Insecten, die de opmerkzaamheid tot zich trekken van de meest onverschilligen, door de zonderlinge eigenschappen en vermogens die hen van andere onderscheiden: om te beginnen met de lichtgevende en de zingende Insecten.
In de warme landen zijn de eerste niet zeldzaam. Voor de sterkst lichtende van allen hield men langen tijd de lantaarndragers (fig. 229), schitterende, halfvleugelige Insecten, wier kop als 't ware met een lantaarn prijkt en die verwanten zijn van de cicaden. Maar in Amerika komen voor de cncujo's of lichtende kniptorren (fig. 230), ware pracht-kevers, die op het voorste lid van het borststuk twee vurige vlekken dragen. Deze kevers worden in Mexico als damessieraad levend in den handel gebracht.
In ons land zijn kniptorren zeer algemeen, maar niet ééne soort is lichtgevend, en hier zijn deze insecten alleen merkwaardig door de snelle sprongen, die zij maken, zoodra men ze op den rug legt (fig. 231).
In Italië en Provence worden, gedurende de schoone zomernachten, de dalen als 't ware verlicht door talloos vele glimkevers, kleine, schildvleugelige insecten, verwanten van onzen glimworm, teer gebouwde wezentjes, die van uit de verte aan de streek, waar zij veelvuldig voorkomen, het voorkomen geven van een groote, verlichte stad. Men ziet ze dikwijls in scharen door het luchtruim vliegen, even als muggen, en in de lucht een golvende lijn van licht-
-49
vonken afteekenen. Hier zijn het de laatste geledingen van het achterlijf, die lichten.
Het eenige lichtende insect, dat bij ons voorkomt, is de bescheiden glimworm (fig. 232). Wanneer men. op het licht afgaande, een dezer kleine wezentjes opneemt, om het van nabij te bekijken, dan weet men niet, onder
ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
EIGENSCHAPPEN EN VERMOGENS VAN DE INSECTEN.
変 166. Lichtgevende Insecten. Er zijn Insecten, die de opmerkzaamheid tot zich trekken van de meest onverschilligen, door de zonderlinge eigenschappen en vermogens die hen van andere onderscheiden: om te beginnen met de lichtgevende en de zingende Insecten.
In de warme landen zijn de eerste niet zeldzaam. Voor de sterkst lichtende van allen hield men langen tijd de lantaarndragers (fig. 229), schitterende, halfvleugelige Insecten, wier kop als 't ware met een lantaarn prijkt en die verwanten zijn van de cicaden. Maar in Amerika komen voor de cncujo's of lichtende kniptorren (fig. 230), ware pracht-kevers, die op het voorste lid van het borststuk twee vurige vlekken dragen. Deze kevers worden in Mexico als damessieraad levend in den handel gebracht.
In ons land zijn kniptorren zeer algemeen, maar niet ééne soort is lichtgevend, en hier zijn deze insecten alleen merkwaardig door de snelle sprongen, die zij maken, zoodra men ze op den rug legt (fig. 231).
In Italië en Provence worden, gedurende de schoone zomernachten, de dalen als 't ware verlicht door talloos vele glimkevers, kleine, schildvleugelige insecten, verwanten van onzen glimworm, teer gebouwde wezentjes, die van uit de verte aan de streek, waar zij veelvuldig voorkomen, het voorkomen geven van een groote, verlichte stad. Men ziet ze dikwijls in scharen door het luchtruim vliegen, even als muggen, en in de lucht een golvende lijn van licht-
-49
vonken afteekenen. Hier zijn het de laatste geledingen van het achterlijf, die lichten.
Het eenige lichtende insect, dat bij ons voorkomt, is de bescheiden glimworm (fig. 232). Wanneer men. op het licht afgaande, een dezer kleine wezentjes opneemt, om het van nabij te bekijken, dan weet men niet, onder
252
stukken aan de basis van het achterlijf verborgen ligt, in trillende beweging.
Het geluid van alle andere opgenoemde insecten wordt eenvoudig voortgebracht door het wrijven van harde huidgedeelten of van de ledematen tegen elkaar. De lelietor en de heldenbok zingen, door het eerste lid van hun borststuk tegen het tweede te wrijven; de kleine veldkrekels brengen hun tonen voort door de uitspringende randen van hun achterpooten tegen de zijnerven hunner
vleugels te schuren; de wijngaard-sprinkhanen, de groote groene sprinkhanen en de krekels wrijven de grondstukken van hun b ovenvleugels tegen elkaar. Terwijl over het algemeen alléén het mannetje zingt,-maken bij de wijngaard-sprinkhanen mannetje en wijfje beide muziek.
I 169. Gewoonten en levenswijze van Insectenlarven. De gewoonten der insecten zijn nog heel wat belangwekkender dan hun vermogen om geluid of licht voort te brengen. Kunnen de volwassen insecten, dank zij hun vleugels, de vlugheid hunner ledematen, de stevig-
253
heid hunner huidbekleeding, de betrekkelijke volkomenheid van hun zintuigen, aan tal van gevaren ontsnappen, hun larven zijn veroordeeld om op den grond te kruipen;
ja, met hun weinig ontwikkelde pooten en zeer onvolkomen zintuigen zouden zij stellig de prooi worden van vele vijanden, zoo het instinkt hun niet een vergoeding schonk voor het gebrekkige hunner organen. Vele dezer larven
254
leven onder den grond, bijv. die van de cicaden en van den meikever, welke laatste, bekend als engerling, een onwelkome gast is van landbouwers; zij voeden zich met de wortels van planten, die zij daardoor doen sterven. Zij worden tot in hun schuilplaats vervolgd door den mol, den veemnol (fig. 236) een groote gravende krekelsoort, en door een zwerm van vogels, die slechts den grond hebben om te woelen, om ze voor den dag te halen.
Weer andere larven graven lange gangen in den stam van boomen, waarbinnen zij voedsel en huisvesting vinden. Bijv. de larve van het vliegend hert, van den heldenbok (fig. 237), van de kniptor, om niet te spreken van een menigte andere, door houtvesters gevreesde insecten, waaronder zelfs zeer groote rupsen zijn; als voorbeelden van deze laatste halen wij aan de rups van een nachtvlinder.
255
de wilgenrups, en van een sphinx met zóó doorschijnende vleugels, dat zij aan een wesp doet denken, n.1. de sesia.
Nog andere voelen zich het veiligst in het water en houden zich heel hun larvenleven op den bodem van poelen schuil, bijv. de larven van vele vliegen.
§ 170. Levenswijs der vleeschetende larven. De meeste larven van verscheurende insecten zijn evenals het volkomen insect roofdieren; deze moeten dus wel den strijd aanvaarden, en gelukkig zijn er sterke, krachtige en vlugge onder hen, die openlijk in het strijdperk durven treden : de larven van onze groote waterroofkevers (fig. 238)
bijv., en die van vele loopkevers. Maar er zijn er ook onder, die tot list hun toevlucht moeten nemen. Op eike- en pijnboomen leven in groote gezelschappen, in zijden nesten, nachtvlinderrupsen, die niet dan gezamenlijk, in lange scharen, als ter processie uitgaan,
om de naburige takken van hun bla- Fig. 239. De Véld-deren te berooven. zandkever.
In het nest van deze processiertipsen nestelen zich de larven van een prachtigen roofkever, den poppenroover te midden van deze drukbevolkte plaats vindt de indringer zijn 'tafel altijd gedekt: hij verslindt eenvoudig zooveel hem lust, zijn weerlooze makkers.
De veld-zandkever (fig. 239) is ook een roofkever, van een schoone, groene kleur, met witte vlekken, die vaak langs de groote wegen op buit uitgaat, maar bij het minste gevaar, zoo vlug als een vlieg, wegvliegt; zijn larve graaft zich een gat in de aarde, huist daarin, en sluit den toegang af met het voorste deel van zijn lichaam, dat hiertoe met een afzonderlijk hoornen schubje beschermd wordt.
Komt nu toevallig een mier of ander klein insect over dien levenden brug heenwandelen, dan trekt de tot hiertoe onbeweeglijke larve zich ijlings in het diepst van het gat terug, de prooi stort in den afgrond en wordt bedaard opgepeuzeld.
256
De larve van een ander schoon, netvleugelig insect, den mierenleeuw (fig. 240, 241, 242), is nog vernuftiger; zij graaft, niet zonder moeite, in het zand een soort trechter,
welks uiteinde zij tot woning kiest. Waagt nu het een of ander insect zich op de helling, dan glijdt het met het zand af en het arme diertje wordt meegesleurd, tot binnen de kaken van den op den loer liggenden vijand, (fig. 243).
Is de val niet volkomen, tracht het slachtoffer weer omhoog te klimmen en te ontvluchten, dan werpt de larve het een waren stortregen van zandkorrels toe, die het gaan onmogelijk maken, en de prooi wis en zeker naar beneden doen rollen.
§ 271. Voorzorgsmaatregelen, door volkomen Insecten genomen, om de ontwikkeling hunner larven te verzekeren. Zonder bepaald zeldzaam te zijn, zijn toch vernuft en geslepenheid geen gewone eigenschappen van larven; de meerderheid der insecten sterft in den herfst, terwijl de larven eerst in de lente uitkomen; deze zijn dus bijna altijd weezen. Maar, vóór hun sterven hebben de ouders de teederste zorg gedragen voor de toekomst van dat kroost, dat zij niet zullen leeren kennen, en welks behoeften geheel verschillen van de hunne. Tot de meest gewone voorzorgsmaatregelen behooren die van vele insecten, als meikevers, sprinkhanen, die hun eieren eenvoudig in het £and begraven, of van cicaden, die ze aan een drogen tak toevertrouwen; breekt de wind dien tak, dan valt hij op den bodem, waarin de jonge larven Aveldra wegkruipen; of van vliegen, die hun eieren leggen in lijken, met welk aas hun larven zich zullen moeten voeden.
De doodgravers (fig. 244) nemen hierbij een grootere zorgvuldigheid in acht. Deze sterke kevers, met geel en zwart gevlekte vleugels, leggen hun eieren in het lijk van veldmuizen, mollen en andere kleine zoogdieren, en komen daarna met hun vijven of zessen bij elkaar om dit lijk te begraven.
Onder de vliesvleugeligen vinden wij staaltjes van buitengewoon goed gekozen voorzorgsmaatregelen. De rozengal-_ wespen, op wilde rozen zeer algemeen, bepalen er zich toe, om in het dikst van het hout hun eieren te leggen, opdat de larven, aan rupsen niet ongelijk, zich met de bladeren der struiken zullen kunnen voeden. De eikendal-wespen, (fig. 245) veel kleiner insecten, die op gevleugelde mieren gelijken, leggen eveneens hun eitjes in het hout of in het skelet der bladeren; en, overal waar zij dit doen, ontstaan krachtige uitwassen, de galnoten (fig. 246), die somtijds op miniatuur appeltjes gelijken, zooals de galnoot van het eikenblad, of ook wel op een kleine moszode, zooals het sponsachtig idtzvas, dat men hier en daar op rozentakken aantreft. De galnoten van het eikenblad
17
258
worden gebruikt bij de bereiding van inkt en enkele verfstoffen.
Shiipu'cspen vertrouwen slechts aan groote insecteniar-ven, gewoonlijk aan rupsen, (fig. 247) hun nakomelingschap toe.
Gewapend met lange lancetten, die zij aan het achterlijf dragen, doorboren zij de rupsen, en leggen hun eieren juist in het midden van het heerlijkste vet van hun slachtoffer. Eerst stellen de jonge larven zich tevreden met dit vet, waaraan rupsen gewoonlijk rijk zijn, leven dus van wat deze als 't ware hebben opgegaard; maar, is dit verteerd en nadert het tijdperk der gedaanteverwisseling, dan verslinden de parasieten de organen zelf van hun gastheer en dooden hem, zoodat men niet zelden uit de huid van een pop, die een schitterenden vlinder zou hebben moeten voortbrengen, een zwerm wespen kan zien voortkomen.
Enkele groote soorten van sluipwespen weten zelfs de
259
larven der boktorren te bereiken in het diepst van aan alle zijden gesloten gangen, die deze in het eikenhout uitgraven.
Dc gravende vliesvleugelige insecten hebben een nog zwaardere taak te vervullen. Ge komt op zandpaden vaak graafwespen tegen, herkenbaar aan de slanke gedaante, het dunne, gele, als in een zwarten draad uitloopende achterlijf. Ga het zonderlinge diertje eens nauwkeurig na. Het graaft met veel inspanning in het zand een gang, die op een of meer vertrekjes uitloopt, in elk waarvan een eitje wordt gelegd. Nu gaat het op de jacht en brengt weldra in elk kamertje een voorraad voedsel, waaraan de larven genoeg zullen hebben van de geboorte af tot aan de gedaanteverwisseling toe, zoodat zij eerst als volkomen insect hun woning verlaten. Deze voorraad voedsel bestaat uit niets anders dan uit andere insecten of spinnen, die door de larven der graafwespen worden verslonden. In dit opzicht volgt elke graafwesp haar eigen keus, en voorziet ieder hare larven steeds op dezelfde wijs.
De larven van de graafwesp zijn zwak; hun slachtoffer moet dus geheel weerloos zijn. Met een giftangel gewapend, zou de moeder de prooi, die zij voor haar kroost bestemt.
200
kunnen dooden; maar, in dat geval zou het doode insect ontbonden zijn vóór het dienst kon doen, en dus stelt de graafwesp zich tevreden met het een kleine wond toe te brengen die het in een diepen, ongestoorden slaap dompelt.
Onder de aan geslachten en soorten zeer rijke orde van de vliesvleugeligen is de graafwesp geen uitzondering; wij kunnen ze bij duizenden aanwijzen, die, met zeer belangwekkende wijzigingen, alle in zeden en gewoonten aan haar gelijk zijn.
§ 172. Gezellig levende Insecten, Tot nu toe zagen wij de ouders voor hun kroost zorgen, het bestaan van hunne familie verzekeren, en ten slotte sterven zonder deze te zien uitkomen. Maar er zijn insecten, en zij zijn talrijk,
die, in plaats van afgezonderd te leven, en slechts aan hun eigen gezin te denken, evenals in onze maatschappij de handen ineen slaan; den arbeid, de zorgen,de goede en kwade kansen samen deelen; die dus vaak zeer talrijke gezelschappen vormen, ja steden bouwen, waar elk individu de vruchten plukt van den gemeenschappelij-ken arbeid; waar de jongeren de teederste zorgen ondervinden, en als 't ware van staatswege opgevoed worden. Men kent een groot aantal van die insecten-maatschappijen, alle min of meer volkomen ingericht: die van de termieten, netvleugelige insecten, van de mieren, wespen, hommels en bijen, vliesvleugeligen, wekken voortdurend de bewonderinsr der natuuronderzoekers. De mie-
201
ren- en bijen-maatschappijen verdienen een afzonderlijke beschouwing.
§ 173. De mierennesten en bijenkorven. Gewoonlijk is in eene insectenmaatschappij elk gezin te talrijk, dan dat de ouders alleen voor het onderhoud zouden kunnen zorgdragen. Daarom worden de opvoeding der jongeren en de zorgen voor de huishouding toevertrouwd aan eene afzonderlijke klasse van burgers, die, zelf zonder kinderen, zich met hart en ziel wijden aan hun jongere broertjes en verdere familieleden.
Zij, die onder de bijen en de mieren zich op deze wijs opofferen, heeten werkbijen, iverkmieren; de eerste hebben vleugels, de laatste zijn ongevleugeld. De maatschappij der eerste heet men bijenkorf, en men treft hier slechts ééne moeder aan, de koningin; die der laatste heet men mierennest, én zij bestaat over het algemeen uit verscheidene familiën.
§ 174. Gewoonten der Mieren. Het aantal mierensoorten is groot en iedere soort heeft zich weer op eene andere wijs ingericht. Er zijn graafsters onder, die in den bodem gangen uitgraven (fig. 216), waarvan zij als kundige niineurs de muren weten te bevestigen en ondersteunen; andere houwen liefst hun woning uit in balken van huizen, waaraan zij de grootste schade toebrengen; weer andere vervaardigen met behulp van houtsplinters, kluitjes aarde en kleine steentjes, echte gebouwen, in verdiepingen en vertrekken ingedeeld, die door gangen met elkaar in verbinding staan en als 't ware door deuren gemeenschap hebben naar buiten. Bij dreigenden regen en tegen het vallen van den avond barrikadeeren de mieren deze deuren, doch halen al dit aangevoerde materiaal in den vroegen ochtend weer zorgvuldig weg.
Hun voedsel bestaat uitsluitend uit suikerhoudende vloeistoffen, die zij uit bladeren, bloemen en vruchten zoeken te verzamelen, ja zelfs uit de suiker- en confituur-potten van onze provisiekast, die zij daartoe, zoo vaak zij slechts kunnen, een bezoek brengen. Zij hebben zelfs ontdekt, dat zeker soort bladluizen een zoet vocht uit-
202
scheiden, waarop zij zeer belust zijn, (fig. 249) en stellen zich nu niet tevreden met die insecten op te zoeken op de planten waar zij thuis hooren, neen, zij gaan verder: er zijn er, die aan geheele gezinnen van deze luisjes onder
203
een klein afdakje een schuilplaats inruimen en overdekte gangen maken, die naar deze nieuwe soort van stallen (fig.- 248) voeren; ja men nam zelfs waar, dat zij levende luisjes op wortels (fig. 249) binnen brachten, om ze als melkvee te onderhouden. De bladluizen zijn niet de eenige huisdieren van demieren; er zijn insectensoorten, die slechts in mierennesten voorkomen en daar, verstoken van alle gelegenheid om zich voedsel te verschaffen, geheel door de mieren onderhouden worden.
In Amerika houden enkele mierensoorten zich ook met den akkerbouw bezig; want, al zaaien zij niet, zij laten op kleine stukjes grond toch slechts die planten opschieten, waarvan zij de zaadkorrels inzamelen, om deze als voedsel te gebruiken.
De verzorging van eieren en larven is de hoofdbezigheid der werksters. Naarmate het warm of koud is, worden de eieren naar de verschillende verdiepingen gebracht, opdat
264
zij zoo mia mogelijk den invloed der weersverwisselingen mogen ondervinden. De larven zijn mede het voorwerp van teedere zorg; als kleine, witte, weeke wormpjes, zonder pooten (fig. 250) kunnen zij zich niet bewegen en in dezen larventoestand onmogelijk alleen eten. Het zijn weer de werksters die hierin voorzien, door hen in den bek een deel van het suikerwater uit te braken, dat zij op hun zwerftochten hebben weten te vermeesteren.
Aan het eind van hun larventoestand gekomen, worden zij onbeweeglijke witte poppen, zoo groot als een tarwekorrel.
Deze poppen verzamelt men als voedsel voor jonge faisanten en andere vogels, onder den oneigenlijken naam van micrcncicrcn.
Enkele groote en krachtige mierensoorten hebben de slechte gewoonte aangenomen, van op plundering uit te gaan in de woningen van zwakkere verwanten; zij voeren de poppen meè, en maken er later een soort slaven van, aan wie zij allen huiselijken arbeid opdragen.
Voor enkele dier »amazonenquot; is deze wijze van doen
265
een dringende noodwendigheid, daar zij niet in staat zijn zich te voeden, en dus door hun slaven worden onderhouden, als waren zij zelf slechts eenvoudige larven.
§ 175. Gewoonten van Bijen. Bijen vertoonen in hun levenswijze niet die verscheidenheid, die wij bij mieren waarnemen; zij houden er geen slaven, geen huisdieren, geen bouwland op na, maar zij zijn voor ons van groot belang, daar zij ons was en honig geven.
In den wilden staat kiezen de bijen zich meest een hollen boomstam tot woning; maar zij stellen zich gaarne onder de beschermende hand van den mensch en worden dan in bijenkorven grootgebracht.
Hier bevestigen de bijen met groote regelmaat hun koeken of raten van was. Deze koeken bestaan elk uit twee rijen volmaakt regelmatige, zeshoekige cellen. De bodem van elke cel is door de samenkomst van drie volkomen gelijke ruiten gevormd (fig. 251), en de cellen zijn zóó geplaatst, dat de drie ruiten, die aan één kant een zelfde cel afsluiten, tevens aan den anderen kant een deel uitmaken van drie afzonderlijke cellen. Juist deze plaatsing is oorzaak, dat er voor de vorming van een raat zoo min mogelijk was gebruikt wordt.
Het was wordt door de basis van de ringen van het achterlijf, in kleine plaatjes naar buiten gescheiden; het insect vangt dit met de pooten op en kauwt het fijn, om het als bouwstof dienst te laten doen. De honig wordt uit de bloemen verzameld en onveranderd
266
in de cellen uitgebraakt. Ook zamelen de bijen het stuifmeel der bloemen en verder van bladeren en knoppen een klevige, harsachtige zelfstandigheid, vóórwas of ptopolis geheeten. Met honig vermengd, dienen de stuifmeelkorrels den jongen larven tot voedsel; de honig is het voedsel der volwassenen, wanneer weer en wind het uitvliegen verbieden. De propolis dient tot bestrijking van den binnenwand van den korf, opdat hij tegen vocht gevrijwaard zij, en hecht, waar het noodig is, de reten stevig vast.
Om dit veelzijdig werk goed te kunnen volbrengen, bezitten de pooten der werkbijen merkwaardige bijzonderheden in den bouw. Het scheenbeen is eenigzins uitgehold, zoodat het stuifmeel als in een korfje er in verzameld kan worden; de eerste geleding van den voet is groot,
rechthoekig, aan het uiteinde met een rij stijve haren als met een borsteltje bezet, (fig. 252) en, door dit lid tegen het scheenbeen aan te vouwen, wordt er een soort nijptang gevormd. Dank zij dit samengestelde werktuig, kunnen de insecten in hun korije het stuifmeel ber- Fig. 252. gen, dat aan de borstels hangen blijft, Poot van een werkblj.
. , . , i 1 i« van onderen gezien.
wanneer zij van bloem tot bloem vliegen om den nectar op te zuigen; ook kunnen zij daardoor de schijfjes was van onder het achterlijf wegnemen, om later, wanneer de monddeelen ze behoorlijk gekneed hebben, er de cellen uit te vervaardigen.
De cellen dienen uitsluitend tot huisvesting der larven; maar, zijn deze uitgekomen, dan wordt alles tot berging van honig in beslag genomen. Eenmaal gevuld, worden zij door een dekseltje van was zorgvuldig afgesloten. In eiken korf vindt men op bepaalde rijen cellen van drieërlei afmeting, bestemd voor de drie soorten van individu's, waaruit een korf bestaat: de koninginnen (fig. 253), de mannetjes (fig. 254; en de werksters (fig. 255).
Tegen het eind van het voorjaar, houdt een korf ge-
26/
woonlijk omstreeks 40.000 bijen in. Daar slechts ééne koningin geduld worden kan, tracht de bestaande koningin de jonge nieuw uitgekomene dadelijk te dooden, en slaagt hierin dikwijls; maar, is het den korf goed gegaan, en het aantal inwoners groot, dan staat zij haar plaats af, en vliegt weg, met een zeker aantal harer onderhoorigen, die als een zwerm aan den een of anderen naburigen boomtak zich ophangen.
De zwerm zou, aan zich zelf overgelaten, zich in een hollen boomstam gaan vestigen, maar de bijenhouders weten hem een woning te verschaffen, gelijk aan die, welke zij verlaten hebben, door eenvoudig het aantal hunner korven met één te vermeerderen.
Sterft een koningin, dan wordt zij vervangen door de jongst uitgekomene, wier eerste werk is zich te ontdoen van alle larven en poppen, die haar naar den troon zouden kunnen staan.
In het begin van het najaar worden alle mannetjes, die nu niets meer te verrichten hebben, en geen angel bezitten, eenvoudig door de werkbijen afgemaakt. Er is heel wat te doen in zulk een korf, en alle bijen verdeelen den arbeid. Ieder heeft haar werk. en men is er nog niet achter, of dit ook gewijzigd wordt met den leeftijd. Er zijn er, die op mondvoorraad uitgaan, en deze kunnen als de proviand-meesteressen beschouwd worden; andere verschaffen het was en kneden het: dit zijn de zvaszverksters; weer andere zijn belast met de voeding der jongeren, en houden als goede huishoudsters een wakend oogje op al wat de reinheid en veiligheid der woning betreft.
Men ziet ze bij den ingang op de wacht staan, er den
268
toegang van versperren of wel, door de vleugels op een bepaalde wijs snel heen en weer te bewegen, luchtstroomen verwekken, die door de geheele uitgestrektheid van den korf zich een weg banen, en hem in gezonden staat houden.
De larven van bijen zijn, evenals die van mieren, weeke, pootlooze wormpjes (fig. 256), niet in staat zich zelf te voeden. De larven van de koningin, van de werkbijen en van de mannetjes, bewonen cellen van verschillende grootte en vorm. Door geschikt, met zorg gekozen voedsel, kunnen de werkbijen uit deze larven, naar het noodig is, eenvoudige werksters of koninginnen doen geboren worden. De larve-toestand duurt slechts vijf a zes, die van pop ongeveer twaalf dagen; dus bereikt een bij binnen drie weken op ziin hooefst, haar volkomen ont- ,
J Bijenlarve.
wikkeling.
§ 176. Verstandsleven der Insecten. Bij het lezen van het kort verhaal van wat bijen en mieren alzoo doen kunnen, hebt ge zeker den indruk gekregen, alsof deze dieren met menschelijk verstand waren begiftigd; men heeft integendeel willen beweren, dat deze interessante wezentjes, evenals alle dieren, slechts als automaten handelden, zooals kunstmatige vliegen en vogels, door sommige werktuigkundigen zoo bewonderenswaardig in elkaar gezet. Wel zou het levende dier meerdere en meer verschillende verrichtingen uitoefenen, maar deze zouden toch altijd dezelfde blijven en op dezelfde wijs en in hetzelfde oogen-blik worden uitgevoerd, zonder dat het dier zich rekenschap gaf van het hoe en waarom. In 't kort de dieren zonden slechts in schijn verstand hebben; en wij zeiden vroeger reeds, dat dat schijn-verstand, dat niet kan worden gewijzigd of aangevuld, dat niets kan aanleeren en ook niets vergeten, dat als met één slag, zonder voorafgaande studie, alles weet, wat het weten moet, bekend staat onder den naam van instinkt.
Maar, wanneer bij het naderen van het slechte jaargetijde de mieren den toegang tot hun nesten afsluiten, wanneer zij hun larven van verdieping doen verwisselen, omdat het
269
meer of minder koud is, wanneer zij de schade, aan hun woning toegebracht, weten te herstellen, dan toch toonen zij zich in staat tot oordeelen, uitvinden, berekenen; men kan hun in deze geen verstand ontzeggen, en het gaat bijeii evenzoo.
Wanneer een rij cellen in hun korf dreigt neer te storten, dan weten de bijen volmaakt juist dit deel te stutten, zoo. dat het geen verdere onheilen kan teweeg brengen; komt het tot een inéénstorting, dan ziet men ze de naburige rijen nauwkeurig nagaan en beter bevestigen; doet zich een vijand op, zij herkennen hem als zoodanig, en weten er zich van te ontdoen. Op zekeren dag drong een groote aardslak een bijenkorf binnen; wel doodden haar de bijen, maar zij konden haar niet naar buiten slepen, terwijl toch de ontbinding van het weekdier den korf verpest en dientengevolge onbewoonbaar gemaakt zou hebben ; de bijen wisten dit gevaar af te weren door het lijk van de slak als 't ware in een graf van was, volkomen luchtdicht in te metselen.
Sinds de vorige eeuw heeft de invoering van den aardappel in Europa, den bijen een geduchten vijand aangebracht, dien zij tot nu toe niet kenden : den doodskopvlinder, een prachtigen vlinder, grooter en vooral krachtiger van bouw dan een winterkoninkje. De rups van dezen schemeringvlinder leeft uitsluitend op den aardappel; de vlinder zelf is verzot op honig, en, daar hij een dikke, harige vacht heeft, volstrekt niet bevreesd voor den angel der bijen. Dezen schoot dus niets anders over dan den toegang tot den korf op de meest verschillende manieren te versperren, waardoor zij den gulzigen bezoeker het binnenkomen onmogelijk maakten. Zij zijn zelfs zóóver gegaan, van te ontdekken, dat deze vijand slechts gedurende de maanden Mei, September en October zich vertoont, en dat zijn verschijning van korten duur is ; onmiddellijk na zijn verdwijnen nemen zij de hinderpalen weg, die ook voor hen zelf lastig waren.
In den laatsten tijd hebben de bijen dus de middelen weten te vinden, om zich van een nieuwen vijand te ontslaan en dientengevolge kan men onmogelijk anders, dan hun een vrij goed ontwikkeld verstand toekennen.
270
Van een anderen kant schijnt de kunst om raten en cellen van een bepaalden vorm te maken, om de jongen op te voeden en hun geschikt voedsel toe te dienen, den werkbijen aangeboren te zijn, en kunnen wij deze verrichtingen toeschrijven aan het instinkt; maar bij alle dieren, hetzij zij in maatschappijen leven of alléén, treffen we zóó duidelijke bewijzen aan van instinkt én van verstand, dat het bijna zeker is, dat deze twee uitingen van het geestesleven meer in graad dan inderdaad uiteenloopen, dus niet wezenlijk verschillend zijn.
OVERZICHT.
Enkele Insecten verspreiden licht, andere brengen geluiden voort.
De voornaamste lichtgevende Insecten zijn Halfvleugeligen, zooals de Lantaarndragers van Guyana en van Brazijië, of Schildvleugeligen, zooals de Knip tor ren van Mexico, en de Wcektorren van Europa. Onze Glimworm is het ongevleugelde wijfje van een soort van weektor.
De belangrijkste musici onder de Insecten zijn de Cicaden, de Krekels, de Sprinkhanen en de Kleine Veldkrekels. Geen hunner heeft een eigenlijke stem. Cicaden zingen, doordat zij een zeker vlies in trillende beweging brengen, dat in een afzonderlijke holte aan de basis van het achterlijf te vinden is; krekels en sprinkhanen wrijven de grondstukken hunner bovenvleugels tegen elkaar, en de kleine veldkrekels schuren hun sterke achter-pooten tegen de zijnerven hunner vleugels.
Vele Insecten gebruiken bewonderenswaardige kunstmiddelen om zich voor gevaar te vrijwaren, voedsel te verschaffen, of wel hun kroost onderhoud en veiligheid te verzekeren. Vele dezer kunstgrepen, vooral die, welke de instandhouding der soort betreffen. getuigen van een voorzorg, die grooter is dan hun eigen persoonlijke ondervinding hun ooit kan geleerd hebben; zij vloeien dus voort uit het instinct.
Maar, naast het instinct, geven vele Insecten, evenals alle andere dieren, blijken van echt verstand^ vooral sterk ontwikkeld bij de gezellig levende Insecten, als bijen en mieren.
STELSELKUNDE (SYSTEMATIEK).
|
Volgens den schrijver van dit werkje wordt het geheele dierenrijk verdeeld in de volgende 8 afdeelingen of groote groepen: | ||||||||||||||||||||||||
|
De Gewervelde dieren worden gesplitst in: a. Landbewoners. b. Waterbewoners.
De landbewoners omvatten de volgende drie eerste klassen:
iste KLASSE. Zoogdieren......Mammalia.
2de » Vogels........Aves.
3de » Reptielen.......Reptilia.
Tot de waterbewoners worden gebracht de 4de en 5de klasse:
4de KLASSE. Kikvorschachtigen . . . Batrachiërs.
5de » Visschen . . ......Pisces.
Ook de Gelede dieren worden op gelijke wijze verdeeld in land- en waterbewoners.
Tot de landbewoners behooren de drie eerste klassen:
lste KLASSE. Insekten.......I use da.
2de » Duizendpooten.....Myriapoda.
3de » Spinnen........Arachnoidea.
272
De waterbewoners omvatten slechts één klasse, nl. de
5t,e KLASSE. Schaaldieren......Crustacca.
De overige dieren kunnen minder gevoegelijk in land en waterdieren verdeeld worden, daar zij bijna alle waterbewoners, ja, zelfs zeedieren zijn.
Aan de afdeeling der Gewervelde dieren en aan die der Gelede dieren, met name aan de KLASSE der Zoogdieren en aan die der Insekten, is in dit boekje de grootste plaats ingeruimd. De indeeling van de beide laatstgenoemde KLASSEN in orden volgt hieronder:
De KLASSE der Zoogdieren.
iste orde. Eierleggende zoogdieren. . Monotreviata.
2tle » Buideldieren.......Marsupialia.
3de » Luiaards of Tandeloozen . Edentata.
4cle » Halfapen........Lermirina.
5de » Apen..........Si mine.
6de » Knaagdieren......Rodentia.
7de » Insecteneters.......Insectivora.
8ste » Vleermuizen.......Clnroptera.
9de » Roofdieren........Ferae.
iode » Planteneters of Halfdieren . Ungulata.
11 de » Walvischachtigen.....Cc tace a.
De KLASSE der Insecten:
lste orde. Schildvleugeligen.....Coleoptera.
2de » Rechtvleugeligen.....Orthoptera.
3de » Netvleugeligen......Neuroplera.
4de » Vliesvleugeligen.....Hymenoptcra.
5de » Schubvleugeligen.....Lepidoptera.
6de » Halfvleugeligen......Hemiptera.
7de » Tweevleugeligen.....Diptera.
INHOUD.
Bladz.
Eerste Hoofdstuk................................... 4
Dieren en Planten. â Punten van verschil tusschen de bewerktuigde ep onbewerktuigde natuur.
Tweede Hoofdstuk.............................. 15
Er zijn verschillende soorten van dieren. â Dieren met een geraamte of Gewervelde dieren.
Derde Hoofdstuk...... .......................... 43
Dieren, die uit geledingen of segmenten zijn samengesteld of Gelede dieren.
Vierde Hoofdstuk.................................. 62
Gelede dieren zonder ledematen of Wormen.
Vijfde Hoofdstuk................................... 71
Dieren met weeke huid, met of zonder schelp.
Zesde Hoofdstuk.................................... 82
Straaldieren. Dieren, die eenigszins het voorkomen hebben van planten.
Zevende Hoofdstuk.................................. 95
De groote afdeelingen van het dierenrijk.
Achtste Hoofdstuk................................. 102
Zoogdieren.
Negende Hoofdstuk................................. 114
Apen. â Knaagdieren. â Insecteneters en Vleermuizen.
Tiende Hoofdstuk. Graseters.
136
/lt;77 , /r
Elfde Hoofdstuk...........
Verscheurende dieren.
Twaalfde Hoofdstuk.......
Vogels.
Dertiende Hoofdstuk......
Het instinkt der vogels.
Bladz.
145 155
Veertiende Hoofdstuk.............................. 196
Kruipende dieren.
Vijftiende Hoofdstuk............................... 208
Batrachiërs of Kikvorschachtige dieren.
Zestiende Hoofdstuk............................. 215
Visschen.
Zeventiende Hoofdstuk............................. 230
Insecten.
Achttiende Hoofdstuk............................. 248
it ~ .
Eigenschappen en vermogens van de Insecten.
. ' _
^ . ---â-«rr^------ââ -vquot;-V'--⢠quot; -------vi-rrââ - -«-r:----------,.
â â
'
- â v ' ' â â - v';:; â¢â â â
.
:: /' â -â â â w
: 'â '.. â :,â ' , ,quot;v .
â r \. .., - .r , . .â â , â â¢'â
''-''â ffai' â ;â â ' â¢â â â , 'tquot;; 'Sgt;t ;quot; :C ;: jf . ⢠z â ' quot; :'⢠.:â . ⢠.:
*' ' -' - ⢠i 1 j '!â â ~ ⢠'. -
I; 'k\:y.'..;vfv.- -v; ivâ - j v.: quot; r-^%
â¢gt; , gt; â¢- ^ . 'â ⢠â â¢,
.
,v:-' â
' â â¢'â /â¢â¢- â¢'
. , , â ⢠. â , ' ' . â ,'â â '{ i
.
|
⢠â¢â¢-;â ⢠-1 â â . 'â *â¢â â . .⢠-,l. quot; K-.^ â Jquot;- ' ⢠i:': v â â '/-â ' . rr:^k^-r:s/'^ V.:-. . lt; ' | ||||||||||||
|
â â ''S
â
lt;' â 'ï-i / ' 'i
-
â
â¢A-.;.
:^v ⦠...
â , ' â V; ;
' â f ' v/r, ' v' ⢠â
'
â - m
K' i-v;' vfS^i
Jm;
'f :. : â 1 â '
' vV
, . !: .%v
,
|
:, â '' 11. '' 'â â¢f- h.: sf vi wmê ⢠:rVamp;. â â .V quot; ' ;â gt; ⢠. p â . . : .â â . ' V', ri g:-. . ' â m , Wm- . 'â ' ⢠â ⢠â ' r-â : ?!.4r} v â â ; ^ |