ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

Bijlage tot de öle Vergademifr der Ned. «ot. Vereeniging, 7 Feltr. 1891.

ü /cPcgt;/. -ZEquot; —o

VIVIPARIE BIJ GRASSEN

DOOR

Dr. J. H. WAKKER.

(P laat XI.)

[ Voorloopige mededeeling.\

Het is een bekend feit dat bij vele grassen op de plaats eener bloem of van eenige bloemen soms kleine plantjes worden voortgebracht, die voorzien zijn van een vegétatiepunt en van wortelvormend vermogen en dan ook gemakkelijk tot een gewone plant kunnen worden, wanneer men ze op geschikte wijze in aarde plaatst.

Het best bekend is, zooals wij zoo straks nog nader zien zullen, het verschijnsel voor enkele in ons land zeldzame of in het geheel niet voorkomende P o a-soorten, maar bij M asters ') vindt men tal van andere grassen opgegeven, die het ook, hoewel minder dikwijls, vertoonen. B.v. bij de volgende: L o 1 i u m p e r e n n e, 1) a c t y 1 i s glome rata, A 1 o p e-c u r u s pratensis. Po a annua, trivia lis en prate n s i s , P e s t u c a o v i n a , G 1 y c e r i a f 1 u i t a n s en aquatic a, A i r a c a e s p i t o s a, H o 1 c u s mollis enz.

Door Oudemans -) wordt van viviparie melding gemaakt

•) Vegetable Teratology, p. 169.

2) Flora van Nederland, Dl. III, p. 464.

ocr page 4

2

bij Agrostisalba en vulgaris en door B e ij e ri n c k ') bij Cynosums cristatus. Ik zelf vond viviparie tot lieden alleen bij L o 1 i u 111 p e r e n n e , Dactylis g 1 o-m e r a t a en C y n o s u r u s cristatu s.

Bij P o a b u 1 b o s a, minor, 1 a x a en a 1 p i n a vonden F rank1) en G o e b e 12) de plantjes op de plaats van de bloemen. Meestal bleek de derde bloem van liet'aartje in een plantje veranderd te zijn, terwijl de onderste normaal van bouw was en de tweede veelal uit een enkel kroonkafje bestaat. Volgens Frank's tig. 48 kunnen echter van beide onderste bloemen slechts de onderste kroonkatjes ontwikkeld zijn. Ik behoef niet te zeggen dat wij hier een overgang hebben tot den toestand, waarbij het geheele aartje tot één plantje wordt.

In de door mij onderzochte gevallen bij Lol in m en Dactylis waren nu steeds een zeker aantal aartjes in plantjes veranderd. Bij de eerstgenoemde zoowel aan den top als aan den voet van de bloeiwijze, terwijl zich in de oksels van alle bladen tevens takken ontwikkeld hadden (Fig. 1). Bij de tweede was de viviparie alleen aan den top van de bloeiwijze te vinden (Fig. 2). Bij Cynosurus cristatus eindelijk komt het verschijnsel op weiden te Oudshoorn veel veelvuldiger voor, dan bij de beide voorgaande planten en ik was dan ook in de gelegenheid een vrij groot aantal gevallen te onderzoeken. Zij bleken tot twee verschillende typen te behooren. In de eerste plaats vindt men bloei wijzen, waarvan alle aartjes in plantjes veranderd zijn, (Fig. 3) en in de tweede plaats andere, waarbij de fertile aartjes den gewonen bouw vertoonen, terwijl de sterile aartjes, die, zooals bekend is, gewoonlijk uit niets dan kelkkatjes en onderste kroonkafjes bestaan, aan den top kleine

1

^ Krankh. der Pflanzen p. 278 en 284. Hier ook een afbeelding van viviparie bij Phleum pratense.

2

) Bot. Zeitung 1880, km. 822.

ocr page 5

plantjes droegen, die reeds een paar blaadjes ontwikkeld hadden en meestal ook een duidelijk worteltje vertoonden (Fig. 4).

Het eerste geval scheen mij uiterst zeldzaam; het laatste daarentegen komt in een bepaald jaargetijde veel veelvnldiger voor.

Omtrent de oorzaak valt zooals gewoonlijk niets met zekerheid mede te deelen; maar toch zijn er enkele omstandigheden, die ons misschien eenmaal op den weg tot een verklaring zullen helpen. Het zijn deze omstandigheden, die ik met een enkel woord hier nog wensch te bespreken.

Go eb el vond nooit vruchtjes in de bloemen, welke met het jonge plantje in een zelfde aartje gezeten waren. Hij leidde hieruit het bestaan eener correlatie af, tusschen de vegetatieve en sexueele voortplanting. Het bestaan dezer correlatie is hoogst waarschijnlijk, maar daarmede is de verklaring van het optreden der viviparie nog niet gevonden. Zijn meening wordt b.v. zonder eenigen twijfel ondersteund door de verschijnselen bij Cy no sur us, waar wij de plantjes aantroffen aan de uiteinden der sterile aartjes en verder eveneens door waarnemingen, die in andere gevallen van viviparie gedaan zijn.

B u c h e n a u 1) vond b.v. alleen viviparie bij bloeiwijzen van J uncus, welke zich gedeeltelijk onder het oppervlak van het water ontwikkeld hadden en waarin dus de geslachts-functiën min of meer gestoord waren. Ik zelf was dikwijls in de gelegenheid zijn waarneming aan J uncus s u p i n u s te bevestigen. 2)

Bij Darwin 3) en D e B a r y 4) vinden wij voor andere gevallen uitspraken, die geheel met de meening van G o e b e 1 omtrent het bestaan der correlatie overeenstemmen.

In het bijzondere geval van J u neus mogen wij de correlatie misschien als verklaring aannemen, omdat hier de viviparie

1

') Geciteerd bij Frank. 1. e. p. 279.

2

) B.v. om de vijvers van het Baarnsche Bosch in 1887.

3

•') Variations, 1882, Pt. II, p. 153.

4

) Ueber apogame Farne, Bot. Zeit., 1878.

ocr page 6

4

samengaat met het verongelukken der vruchten, maar in het algemeen is dit zeker niet geoorloofd, daar toch het aantal niet vivipare, sterile Cy nosur us-aartjes veel grooter is dan dat dergenen, welke wel plantjes voortbrengen.

Tk wil daarom dit opstelletje eindigen met de vermelding van een tweetal omstandigheden, welke misschien ook een invloed uitoefenen op het tot stand komen der viviparie;

1°. Alle door mij waargenomen gevallen bij de drie genoemde grassen werden in September of in October gevonden. Ook Beijerinck vermeldt hetzelfde voor het door hem waargenomen geval. Het is dus mogelijk dat het jaargetijde een invloed uitoefent en

2°. kan dit ook het geval zijn met het voedsel. Bij de landbouwers is het een bekend feit, dat het vee de grassen op de weiden zoodanig afvreet, dat de meesten nooit in bloei kunnen komen. Uitgezonderd daarvan zijn alleen die, welke zich in de omgeving van den neergevallen mest bevinden. Deze worden eerst dan gegeten, wanneer de reuk geheel verdwenen is en men weet dus vrij zeker, dat de meeste grasbloemen, welke men op weiden vindt, zich onder den invloed van een zeer krachtige bemesting ontwikkeld hebben. Daar het gehalte aan stikstof van den stalmest steeds vrij hoog is ^ en deze stof in overmaat de vorming van bladen en stengels bevordert, maar die der bloemen tegengaat zoo ligt het voordehand in de eerste plaats aan dit element te denken.

Ik hoop binnen niet te langen tijd uitvoeriger mededeelingen omtrent dit onderwerp te kunnen doen.

Alphen, Febr. '91.

1) Wolff, Praktische Düngerlehre, p. 222.

2) Wagner, Steigerung der Bodenertrage durch rationelle Stick-stoffdüngung, 1889, p. 50.

ocr page 7

O

VERKLARING VAN PLAAT XI.

Fig. 1. L o 1 i u m p e r e n n e viviparum Va nat. gr.

Amsterdam 31 Oct. 1886.

Pig. 2. Dactylis glome rata vivipara nat. gr.

Alphen Sept. 1890.

Fig. 3. Cynosurus cristatus viviparus. Onderste tak van een geheel vivipare bloeiwijze 2/i nat. gr. Oudshoorn 1 Oct. 1890.

Pig. 4. Cynosurus cristatus viviparus. Steriel aartje met een plantje aan den top. 2/i nat. gr. Oudshoorn Sept. 1890.

ocr page 8
ocr page 9
ocr page 10
ocr page 11
ocr page 12