Ll
VAN STAP TOT STAP
OF
VAN MES0P0TAM1Ã NAAR MORIA
DOOK
OTTO STOCKMAYER.
Het esn inleilar.l woori var.
Di\ F. van Gheel Gildemeestev
i Predikant te 'amp; Gravenhagt-.
I li
N IJ K E li K G. F. OALLENBACH.
'A(
i
c-
111111111 â â 111111 â i i 11 â 11 â I â I â 11 ......ill i 1111111 n 111111 n 11 n i n 111111111II n 11111 li i M 111111 iilillllllllintlllllllllllllll ill 1111 â 1111111 â
^____/O , A__0lt;^1=1W
Snelpersdrukkerij â C. C. Callenbach â NijkerI:
G u n N S N G
VAN STAP TOT STAP
OP
VAN MESOPOTAMIÃ NAAR M0R1A,
DOOE
OTTO STOCKMAYER.
MET EEN INLEIDEND WOOED VAN
Dr. F. van Gheel GilcLemeester,
Predikant te 's Gravenhage.
N IJ K E R K,
G. F. CALLENBAOH.
CX'llflRB
â ügRITESmaFfnR |
osleidekd wooed.
Het is mij tot groots blijdschap dat dit boekje, in onze taal vertaald is, en eene yroote cere om met dit korte woord het werk te mogen inleiden van een man, dien ik als een gezalfden broeder in Christus hartelijk liefheb en hoogelijk vereer.
Dat er een tecdere omgang met God en een nauwkeurig geestelijk verstand nooclig is om tc kunnen spreken en schrijven zooals Stockmayer doet, zal de deskundige gereedelijk toestemmen. Deze broeder is wars â van alle klanken en leuzen; zijn arbeid is altijd het ernstig werk van een biddend man, die âstaat voor het aangezicht des Heer enquot; en zich vrijgekocht weet âom den levenden en waarachtigen God te dienen.quot; Voor
hoevi'le zielen zijn woord dan ook tot een onvergetelijken zegen geiveest is, zal da eeuwigheid openbaren.
Gods wegen zijn wèl anders dan onze wegen. Terwijl er in de brandpunten onzer beschaving dringende behoefte gevoeld wordt aan geestelijke krach ten en geestelijk voedsel, leeft en arbeidt daar in een vergeten hoekje van Zwitserland een man als Otto Stockmayer, zeker een der meest begenadigde kinderen Gods. Hij is hij velen niet bekend. Hij verlangt volstrekt niet hekend te worden. Hij arbeidt met vreugde in het stille slot van Haupt-weil. Maar ieder die hem goed leerde kennen heeft zijn God voor een geestelijken zegen gedankt.
Elders heb ik gelegenheid gehad iets omtrent Haupt-weil en de werkzaamheid van Pastor Stockmaner mede te deelen; en wie nu de hier volgende bladzijden leest zal begrijpen dat er groote kracht uitgaat van huiselijke godsdienstoefeningen, waarbij gesproken wordt wat hier te lezen en te overdenken wordt gegeven. Stockmayer spreekt in Hauptweil meest Duitsch of Frans ch. Toch, is dit boekje vertaald uit het Engelsch; â ik vermoed dat
ren der Eng else he gasten zijne aanteekeningen heeft uitgewerkt: maar evenzeer dut de heer Stockmayer het handschrift zal nagezien hebben; want hij neemi den inhoud voor zijne rekening.
Stockmayer zelf had een grooten geestelijken zegen ran de samenkomsten te Oxford in 187-4. Men vindt de waarheid, hoofdzakelijk in die revival-heioeging verstaan, in zijne prediking terug: maar hij heeft, ik zou zeggen, de eenzijdigheid dier broeders ontweken. Men vindt bij hem ook niet de zonderlinge noorspelling van bekeering, die in de Gemeente door eene onduidelijke prediking menigmalen wordt bevorderd en gevoed. De bekeering is hem geen tooverij; en evenmin is zij het hoogste wat een mensch op aarde bereiken kan, zoodat een bekeerd mensch niet veel anders meer zou te doen hebben dan te wachten op den dood. G-eloovigen meenen gewoonlijk dat hun laatste woord moet zijn: âUw wil geschiede.quot; Het moest hun eerste woord zijn. Eene volmaakte onderworpenheid aan Zijn wil is eene noodzakelijke voorwaarde voor het geloofsgebed.quot;
Daar is in Stockmayers prediking eene diepe kennis van het geestelijk leven, en daardoor is er, bij alle éénheid eene zekere veelzijdigheid in. Bat wij, ook na onze bekeering, nog alle dagen te leeren hebben, en ,,van stap tot stapquot; moeten voortgaan op den weg des geloofs, wij vinden het overal in zijne geschriften,'t zij uitgesproken, 't zij stilzwijgend verondersteld. En daarin is iets moedgevends. Die voorstelling alsof de bekeerde nauwelijks meer strijd heeft en altijd maar triomfen viert, is zeer geschikt om een mensch die het ernstig meent moedeloos te maken. Ook neemt Stockmayer het zeer nauw. {)p grond van onze roeping tot een heilig leven roept hij ten strijde, en wijst den weg tot de overwinning.
Ik hoop, waarde lezer, dat gij dit boekje met heiligen ernst gébruiken zult. Het kan U vooruitbrengen; â daartoe zegene het God!
F. v. G. G.
18 Aug. 1891.
I.
DE GEHOOEZAAMHEID DES GELOOFS.
Hebr, XI: 10; Hand. VII; 2â8; Gen. XI: 29 ; XII: 7.
De geschiedenis van het Verlossingswerk neemt haar aanvang met Abraham. De zondvloed heeft het menschdom niet kunnen bevrijden van de zonde; het kwaad neemt steeds toe; daarom slaat God een anderen weg in: Hij kiest een afstammeling van Adam uit om zichzelven een nieuw volk te vormen.
Abraham is de aanvang, wortel en wieg van het Verlossingswerk. Maar de zaadkorrel, die het âuitverkoren volkquot; zou voortbrengen, moest daartoe worden overgeplant in een anderen bodem en Abraham moest worden geleid langs een weg, dien hij noch zijne vaderen tot hiertoe hadden betreden.
Wel is waar keerden in den loop der eeuwen de afstammelingen van den aartsvader zich weer van God af, en had noch de Babylonische ballingschap noch eenig ander Goddelijk opvoedingsplan eenblijven-den invloed, totdat Hij kwam, naar wien zelfs Eva had uitgezien â Jezus Christus, de beloofde Zaligmaker.
10
Het werk dat zijn aanvang nam in Abraham, is slechts ten volle volbracht in den Persoon van den Heer Jezus, het ware âzaad Abrahams.quot;
Abram moet uitgaan uit een verdorven geslacht, dat hem omringt. Het Verlossingswerk begint altijd met afzondering, met een verlaten van de atmosfeer der zonde. Wij zijn zoo verward in de strikken van de wereld en de zonde, van ons eigen vroeger leven; â alles waarmede wij in aanraking komen is zoo verdorven, dat wij moeten worden overgeplant in een geheel nieuwen bodem. Alleen op deze wijze kan God weer bezit nemen van ons leven, door ons af te snijden van ons verleden. De bekeering is altijd een afsnijden â een begraven worden en wederom opstaan. Dit kan, zooals vanzelf spreekt, niet geschieden in éen oogenblik. AVij zullen zien hoe Abram God niet dadelijk begreep.
In de rede van Stefanus lezen wij, dat Jehova voor de eerste maal tot Abram sprak, toen deze nog in Mesopotamië was, en er staat geschreven: âToen ging hij uitquot; (Hand. VII : 2, 4.) Haran was de eerste rustplaats. Abraham gehoorzaamt zijn hemelschen Vader, maar de aardsche bloedverwant vergezelt hem nog. Deze laatste schakel, die hem verbindt aan zijn leven in het heidendom, moet nog verbroken worden; voordat die is weggedaan, kan hij Kanaan niet binnentreden.
Wanneer wij ware kinderen Abrahams zijn, zal het gehoorzamen ons niet moeilijk vallen. Misschien worden wij geroepen tot eene pijnlijke scheiding, maar
11
zal die ons werkelijk verlies aanbrengep? Wanneer , iets verplant wordt, wordt het geheel en al overgebracht in een anderen bodem. Al de wortelen van het leven moeten zich vasthechten in den hemelschen bodem van de hoogere wereld. God rukt die wortelen niet altijd met éen slag los: maar hoe gewilliger wij gehoorzamen, des te volkomener en gemakkelijker kan Zijn werk worden volbracht, totdat de discipel geheel vrij is om den meester te volgen en door zijn leven te bewijzen, dat hij een burger des hemels is.
Abram moet geheel vrij zijn, geheel afgezonderd. âIndien iemand tot Mij komt, en niet haat zijnen vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn,quot; (Luk. XIV : 26.) âGa gij uit uw land en uit uwe maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.quot; (Gen. XII: 1). Jehovah haalt den cirkel, dien Hij rondom Zijn dienstknecht heeft getrokken, nauwer aan: niet alleen uit uw land en uit uwe maagschap, maar ook âuit uws vaders huis.quot; Voorzeker bestaat er nauwelijks éen menschelijk hart, waarin niet eene snaar trilt bij het hooren van deze woorden. Uit uws vaders huis, het tehuis uwer kinderjaren, waar gij zijt opgegroeid, uit alles waaraan uw inwendig leven zich heeft gehecht, âga uit.quot; Ik, uw God, roep u!
Waarheen? Wat zult Gij mij geven in de plaats van alles, vanwaar Gij mij wegrukt? Gij zult het zien; âhet land, dat Ik u wijzen zal.quot;
12
Gewoonlijk zien wij alleen wat God ons ontneemt, en niet, of althans niet dadelijk, wat Hij geeft. Elke nieuwe stap moet eene geloofsdaad zijn, een losmaken van al de oude banden, die ons tot hiertoe vasthielden. Abram is uit zijn land gegaan vergezeld van zijn vader; nu moet hij zijn vader achterlaten.
De pelgrim moet zich bewust zijn van wat hij doet. God dient geene verdoovende middelen toe, voordat Hij het mes ter hand neemt. Ook geeft Hij Zijn dienstknecht niet eerst eene schets van den weg, dien Hij met hem inslaat, en verhaalt hem niet, dat-die naar Moria voert. Hij leidt hem stap voor stap, langs het pad, dat Hij voor hem heeft uitgekozen. En de zonen en dochteren van Abraham kunnen voor al de gevolgen van het verborgen, maar koninklijk leven uit het geloof, alleen voorbereid worden door eene volkomene afzondering tot God. Reeds het feit dat Hij ons roept om Hem alleen te dienen, moet ons genoeg zijn. Laat ons God God laten zijn. Wanneer Hij roept is dit voldoende om ons te verzekeren, dat wat Hij van ons vraagt, niets is, vergeleken bij wat Hij zal schenken. Geloof is juist het tegenovergestelde van onze voormalige wantrouwendheid jegens God. Ach! hoe angstig waren wij, dat God te ver zou gaan of te weinig zou schenken; wat vreesden we voor ons leven, ons genoegen, onze toekomst! Ja, sinds den Zondeval zijn zoodanig de gedachten geworden van den mensch aangaande zijn Schepper. God verwacht gehoorzaamheid van het geloof. Hij
13
verlangt ons geheel voor Zichzelf; onafhankelijk van al het andere, om alleen te steunen op Hem.
Wij weten niet of Abram, toen Grod hem voor de eerste maal had geroepen, het tot zijn vader heeft gezegd, dat hij alleen moest uitgaan. Volgens Gen. XI : 31 toog Terah mede uit om te gaan naar het land Kanaan, maar hij en het geheele gezelschap bleven te Haran en woonden aldaar. Lezer, indien uw God u roept, moet gij alles veriaten! Vraagt gij: Is het niet voldoende, uit te gaan uit Mesopotamia? is het niet genoeg mij te scheiden van Lot? hoe ver moet ik gaan? Ware kinderen des geloofs spreken zoo niet. God heeft hun bereid âhetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommenquot; (1 Cor 11:9).
Abram gehoorzaamt God. âGa naar het land, dat Ik u wijzen zal.quot; Wat dat zijn zal, kunnen wij niet dadelijk begrijpen. Maar God drijft geen spel met ons. Mocht het gebeuren, dat Gods daden thans niet aan onze wenschen beantwoorden, wij kunnen er zeker van zijn, dat ze eenmaal onze stoutste verwachtingen zullen overtreffen: het aanschouwen zal zijn âboven bidden en denken.quot;
De Bruid des Lams zijn zij, die alles voor Hem hebben verlaten; die, zonder te worden teruggehouden door vleeschelijke banden of geestelijke vaders, Zijne stem volgen, overal waar Die hen roept, zij het door de wateren of door de woestijn, naar den berg Zion. (Joh. XXI : 22.) Het ligt in de natuur van onzen
14
pelgrimstocht en van het leven uit het geloof, dat wij het land, waarheen wij op reis zijn, niet kunnen zien. Wanneer gij slechts hebt gebroken met uw verleden, vertrouw dan op uw God; geloof dat Hij u zal brengen in een land, beter dan dat hetwelk gij hebt verlaten. Gij zijt uitgegaan uit het zichtbare en alleen het geloof kan het onzichtbare aanschouwen. Hij, die zijn God niet kan vertrouwen, is nog niet in waarheid vrijgemaakt, hij blijft halverwege staan. Wilt gij het niet wagen met God, Hem niet vatten op Zijn woord? Hij heeft beloofd u te leiden en te zegenen, van den tijd af waarop gij breekt met uw oude leven, dat ten doode gedoemd is.
Jehovah, Die zegt âhet land dat Ik u wijzen zal,quot; is Dezelfde Die spreekt âIk ben de Weg.quot; Waarom dan nog gezegd: Wie zal mij leiden langs dezen donkeren weg, door deze beproeving â wie verzekert mij, dat ik niet zal verdwalen? Zie: Hij zelf zal uw Weg zijn, uwe hand zal veilig rusten in de Zijne; eeuwigdurende trouw en vaderlijke liefde zullen u behoeden.
Maar de Groote Herder der schapen kan alleen dezulken ontvangen, die geheel vrij zijn. Hij kan niets uitvoeren met enkel enthousiasten. Bereken de kosten met een nuchteren zin en blijf liever weg dan dat gij niet bereid zijt om u geheel en al over te geven. O kind des stofs, bedrieg u niet! Er zijn berekeningen, die leiden tot vreeselijke uitkomsten. Gij moet de Goddelijke algebra bestudeeren â moet uw
15
God leeren kennen. Wenscht gij een zoon van Abraham te zijn, dan moet gij, in welke omstandigheden gij ook verkeert, worden vrijgemaakt zoowel van elke verhindering, die uit uw eigen hart voortkomt, als van de slavernij van aardsche banden.
Gen. XII : 2; Jes. LIV : 1 â 3; LI : 1, 2. In deze verzen beschrijft de Heer het volk dat Hij Zichzelven bereidt. Zij herinneren ons aan de Nieuw-Testamen-tische wet: Die zijne ziel vindt zal dezelve verliezen; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal dezelve vinden. (Matth. X : 39) Hij die een slaaf blijft van de banden der bloedverwantschap of van de eischen der samenleving, zal alles verliezen; terwijl hij die onafhankelijk gehoor geeft aan Gods stem, door Hem zal worden gezegend en tot een zegen gesteld. Onze Heer zelf leerde ons niet alleen deze waarheid, maar Hij staafde haar ook door Zijn leven; âindien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.quot; (Joh. XII : 24; Jes. LHI : 11, 12). Als gij u aan God geeft, met lichaam en ziel, zal Hij uwe vorming op Zich nemen, uw gezichtseinder verwijden, en eene nieuwe wereld voor u openen.
âIk zal u zegenen en uwen naam groot maken.quot; Hoe veel kinderen Gods trachten nog altijd iets te zijn in de oogen der menschen! In Openb. II : 17 lezen wij: âIk zal hem eenen nieuwen naam geven.quot; Wanneer die belofte u eenmaal duidelijk is geworden,
16
zult gij u niet langer bekommeren over de goed- of afkeuring der menschen. Laat hen zeggen wat zij willen! Wat u betreft: âVerblijdt en verheugt u!quot; (Matth. V : 12.)
En daarna: âWees een zegen.quot; Hoe velen zijn er, die gaarne gezegend worden, eerst met tijdelijke en daarna met geestelijke zegeningen en die ten slotte toch maar voor zichzelf leven. Zij zien niet in, dat de hoogste â inderdaad de waarachtigste, â zegening, bestaat in het leven voor anderen, in het dienen van anderen, hun mededeelende wat wij van God hebben ontvangen. Dit alleen is het ware leven; dit is vrijheid. Alleen zij die gezegend zijn, kunnen een zegen wezen. Wenscht gij met Abraham dien zegen te ontvangen? Volg zijn voetstappen! Stoor u aan niets; wees niet bevreesd om de gevoelens van anderen te schokken of om een steen des aanstoots te zijn. Gehoorzaam uw God; laat iedereen en alles aan Hem over en gij zult een stroom van levend water worden. Geestelijk zaad wortelt diep, breidt zich ver uit en leeft tot in eeuwigheid. Geen aardsche macht kon de wereld redden; aardsche liefde kan de zonen en dochteren des stofs niet baten. Wenscht gij een zegen te zijn? Laat u dan overplanten in een anderen bodem.
Verplanten sluit eene gedachte aan het graf in zich. Dit is het doel van den doop. Wanneer gij eén zijt geworden met Jezus, met Hem gekruisigd, als ai de wortelen van uw leven zich in Hem hebben gegrond en in Zijn rijk zijn overgeplant, slechts dan kunt gij
17
het kanaal zijn waardoor Zijne zegeningen anderen toevloeien. Alleen degenen, die reeds in Christus zijn, kunnen eene reddende hand uitstrekken naar hen, die nog in de wereld leven; anderen zouden in gevaar zijn om zelf te worden achteruitgetrokken door hen, die zij pogen te redden. Kortom, het zekerste middel om anderen tot het licht en het leven te brengen is: God te gehoorzamen, Hem te volgen op den weg des geloofs, en anderen aan Hem over te laten. Op die wijze kan een kind Gods een machtige zegen worden.
Gen. XII : 3. âIk zal zegenen, die u zegenen en vervloeken, die u vloekt.quot; De Heer richt een muur op rondom Abram. Hij verzegelt hem als Zijn eigendom. Hij, wiens hart recht is voor God, en die onder Zijne bijzondere hoede staat, heeft verder niets te vreezen van de boosheid en de macht van menschen of duivelen. Kom. VIH : 28 wordt aan hem vervuld: âalle dingen werken mede ten goede, dengenen die God liefhebben.quot; âDe Heere kent degenen, die Zijne zijn.quot; Op den rechten tijd zal Hij de bron des levenden waters aanvullen, zal Hij geloof, hoop, geduld en kracht geven om voorwaarts te gaan zonder te zien, zonder te begrijpen. Wij mogen onzen God vertrouwen dat Hij ons, onder alle stormen van beproevingen en verzoekingen, altijd genoeg hemelsche lucht en Goddelijk licht zal geven om ons te behoeden voor vergaan, zoodat de dingen die men niet ziet hunne waarde in ons oog behouden en Zijne trouw onze aanbidding steeds doet toenemen.
Van stap tot stap. 2
II.
GELOOF IN DE BELOFTEN.
Hebr. X : 8â10. Ex. XVI.
Het is zeer leerzaam om eene vergelijking te maken tusschen Abram, toen hij uittoog uit zijns vaders huis en Israël toen het optrok uit het land der slavernij. Welk een tegenstelling 1
Toch is dit uitgaan, dit alles verlaten, dit verbreken van eiken band, nog maar een eerste stap. Israels volgen van Mozes op zijne roepstem door ontelbare beproevingen, moeilijkheden, verdrukkingen en gevaren was slechts een begin: na de Exodus volgt de woestijn. God had gezegd: âGa gij uit, naar het land dat ik u wijzen zal.quot; âAan uw zaad zal Ik dit land geven.quot; âDoor het geloof is hij een inwoner geweest in het
land der belofte____ en heeft in tabernakelen
gewoond.... want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft.quot; Toch bezat hij er nog geen voet lands. Het was eene dagelij ksche, levenslange oefening van zijn geloof. Voor hem lag het land, dat aan zijne
19
nakomelingschap was beloofd; ofschoon hij het in alle richtingen doorkruist, wordt er hem geene bezitting in toegestaan. Hij is een vreemdeling en pelgrim zonder vaste woonplaats (Gen. XII : 5â9). Dit herinnert ons aan het woord des Heeren: âde vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge. (Matth. VIII : 20).
Hoe ongeloovig zijn de Israëlieten in vergelijking met Abram! Nauwelijks hebben zij hunne reis aangevangen of zij mur mureeren: âOch, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren.quot; Dat is de kenmerkende eigenschap van het ongeloof, van wereldsch-gezindheid â en wij herkennen er de aanwezigheid in van de slang, die altijd tracht een valsch licht te werpen over de dingen. Overal waar plicht ons gebiedt in geloofsgehoorzaamheid voorwaarts te gaan, daar staat de duivel gereed om ons tallooze onmogelijkheden voor oogen te stellen. âZoo kunt gij niet leven; gij zult het nooit volhouden, gij verbeeldt u dat het land der belofte voor u ligt, maar het is slechts een droombeeld.quot; Of hij fluistert u in: âLater zult gij dat beter kunnen doen, wanneer gij onafhankelijker zijt, als gij niet langer onmisbaar blijkt voor dien of dien vriend, â zoodra uwe omstandigheden u niet langer in den weg staan.quot; Welk een bedrog! Hoe ziet dat geheele volk, dat in Egypte tot God had geroepen om uitkomst, dat niet naar Mozes had kunnen hooren âvan wege de benauwdheid des geestes en van wege
20
de harde dienstbaarheid,quot; nu terug op het verleden? Israël ziet nu alles in een helder licht en verlangt terug naar het brood der dienstbaarheid! âToen wij bij de vleeschpotten zaten,quot; zeggen zij: Dat is het werk van den aartsbedrieger! Israël, thans hebt gij overvloediglijk alles wat gij behoeft, maar gij hebt het in het geloof. Zoodra het hart des menschen genoeg krijgt van den weg des geloofs, ziet hij achterwaarts; het verleden schijnt hem bekoorlijk, gemakkelijk, schoon; hij vergeet de doorgestane smarten en angsten en de toekomst, die God voor hem heeft bereid! De duivel is de vader der leugen. âGij zult in de woestijn sterven.quot; In de woestijn is de mensch blootgesteld aan zinsbegoochelingen. De Fata Morgana of luchtspiegelingen, die in de woestijn zoo menigmaal voorkomen, tooveren den reiziger levendige voorstellingen van water en schaduwrijke boomen voor oogen, maar hoe dichter hij ze nadert, des te verder wijken ze achterwaarts â niets dan zand en nog eens zand vindt hij op zijn weg.
Zij die leven in de woestijn der wereld hebben soortgelijke zinsbegoochelingen. Wenscht gij die te ontkomen, vlied dan tot Gods Woords, dat altijd de zaken bij hun waren naam noemt, en de beletselen van het ware geloof aanwijst. Het zal u toonen waar gij u hebt overgegeven aan de droefheid dezer wereld, die slechts leidt tot zwakheid en lafhartigheid. Gij kunt de strikken des duivels enkel ontgaan door eene schuilplaats te zoeken in de waarheid en het licht
21
van Gods Woord. Is het zoo moeilijk om op Gods roepstem voort te trekken van tent tot tent, wanneer Hij overal frissche waterbronnen schept voor het leven, dat Hij op zoo wondervolle wijze schenkt? Hij kan ook in de woestijn voor u zorgen. Geef uzelf slechts geheel aan Hem over, vertrouw Hem in alles.
Ex. XVI : 4. âIk zal voor ulieden brood uit den hemel regenen.quot; â Is wat wij uit den hemel ontvangen, niet gewisser dan wat de aarde voortbrengt? De mensch oordeelt anders in zijne kortzichtigheid en denkt dat de voorraad van kelder en provisiekamer betrouwbaarder is. Maar; âMijne gedachten zijn hooger dan ulieder gedachten,quot; zegt de Heere: en God herhaalt met Zijn onuitputtelijk geduld dezelfde lessen nog eens en nog eens, totdat wij leeren leven uit het geloof. Hij ziet in elk land uit naar een volk, dat Hem kan vertrouwen, naar het zaad van Abraham, Zijn vriend. Wij weten hoe weinig Israël aan de verwachting van zijn God beantwoordde. Maar Abraham heeft nog andere kinderen (Gal. Hl ; 7, 29), degenen die uit het geloof zijn, de gemeente des Heeren. Ongeloof is de zonde van Israël. De Gemeente des Heeren zijn geloovigen en zoo kan Hij met haar Zijne doeleinden bereiken n.1. haar opvoeden tot de Bruid Zijns Zoons. Alleen wanneer de gemeente op die wijze volmaakt is, kan de Heere opnieuw Zijn raadsbesluit met Israël hervatten en het ten einde brengen.
Laat ons zijn vol des geloofs, gelijk het past aan
22
het zaad van Christus; niet vertragende in het geloof, rrmar naarstigheid bewijzende de volle verzekerdheid der hoop vast te houden, tot het einde toe (Hebr. VI : 11), als navolgers dergenen, die door geloof en langmoedigheid de beloftenissen beërven. (VI : 12).
III.
DE OPVOEDING DES GELOOFS.
Hebr. XI ; 8â10; Gen. XII : 4â20.
Voordat wij overgaan tot het belangrijk deel der geschiedenis van Abraham en Sara, vermeld in het 4de hoofdstuk van den Brief aan de Romeinen, (belangrijk niet alleen voor zijn natuurlijk zaad, maar ook voor de betrekking waarin alle volken staan tot hem als Vader der geloovigen), willen wij eerst eene beschouwing [houden van de tijdstippen in zijn leven, die liggen tusschen het 10de en het llde vers in Hebr. XI.
Deze twee gedeelten van Abrahams geschiedenis staan met elkaar in verband door gehoorzaamheid en vertrouwen. De wijze om in hachelijke oogenblikken ons vertrouwen op God te toonen is: Hem te gehoorzamen. Door het volgen van de pelgrimsloopbaan, wordt de ziel rijp voor het eeuwige en onveranderlijke.
Hoe kunt gij gelooven, zoolang gij u vastklemt aan het schepsel, aan datgene wat voorbijgaat; zoolang gij u hecht aan het aardsche, en eer en lof zoekt bij de menschen of ge u laat terughouden door hunne goed-
24
of afkeuring? Uwe ziel gaat te gronde, wordt verhard en verontreinigd door de aanraking met de ij delheden van het tijdelijke. Alleen zij, die zijn overgeplant in de hoogere wereld, kunnen gelooven. Hij wiens wen-schen en verwachtingen nog zijn geworteld in deze aarde zal in den tijd van nood niet oogenblikkelijk geloof bezitten om hem te schragen; dat zal hem dan in den steek laten.
In het Nieuwe Testament wordt Abraham ons voorgesteld als Vader der geloovigen. Wij willen een oogenblik hier stilstaan en beschouwen op welke wijze hij van stap tot stap werd geleid, naar de algemeen geldende wet: âvan geloof tot geloof.quot; Wanneer het voor onzen Heer noodig was om gehoorzaamheid te leeren, hoeveel te meer was het dit dan voor den discipel; en een Abram moest langs denzelfden weg worden gevoerd. Het leven op deze aarde is in zijn geheel voor ons een tijd van opvoeding voor het eeuwig Leven, eene opleiding en ontwikkeling van het geloof, totdat dit wordt verwisseld in aanschouwen en de aardsche opvoeding is voleindigd. Laat ons nooit het eerste blijk van geloof in Abrams leven uit het oog verliezen. Toen God zeide âGa uitquot; âtoog hij heen,quot; zonder te vragen of te twijfelen, daarmede Jehovah eerende en verklarende, dat hij op de aarde een vreemdeling, maar een burger des hemels was.
In Hebr. XI : 8 â 10 wordt Abrams pelgrimsloopbaan geschetst; in het lld0 en 12de vers zijn geloof omtrent het krijgen van een zoon. Deze beide zaken
25
hingen van het begin af ten nauwste met elkander samen. Het was tot den pelgrim, dat God had gezegd: âIk zal u tot een groot volk maken;quot; terwijl wij in het voorgaande hoofdstuk (Gen. XI : 30) lezen: âSaraï was onvruchtbaar, zij had geen kind.quot; Antwoordt Abram nu: âMaar mijne vrouw heeft geen kind.quot;? Neen, hij trekt uit. Hij redeneert niet: âIk begrijp zulk een bevel niet; het is onmogelijk. Ik deed beter met te blijven in de omgeving, waar ik gewoon ben.quot; Hij gelooft God, Die gezegd heeft; âIn u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.quot;
En Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging. (Gen. XH : 4). Getallen hebben eene beteekenis in de Schrift. Zijn leeftijd wordt vermeld als een tijdstip waarvan voortaan zijne levensjaren zullen worden berekend. Het is als het ware de geboortedag van zijn nieuwe leven; eene bekeering, een geven van zichzelf aan God.
In Gen. XH : 7 lezen wij, dat Jehovah den pelgrim verscheen met de belofte: âAan uw zaad zal Ik dit land geven.quot; Zoo hernieuwt God Zijne zelf-openbaring. Hij doet dat, opdat Abram niet onder den indruk zou zijn van wat hij als vreemdeling in het vreemde land had gezien. Op hoe liefdevolle wijze treedt God Zijn kinderen tegen, wanneer zij eenmaal het pad des geloofs bewandelen. Had Abram niet telkens zulk eene openbaring ontvangen, dan zou het hem mogelijk hebben ontbroken aan moed om voort te gaan. Maar wanneer van de zijde der Kanaanieten gevaar dreigt.
26
dan openbaart Jehovah Zich, om ons te bemoedigen. En hoe beantwoordt Abram zulk eene Goddelijke verschijning? Hij bouwt Jehovah een altaar! Hoe verheven zijn deze oude verhalen! Laat hij, die behagen schept in oudheidkundige onderzoekingen, hij, die zijn geest en hart wenscht te verrijken, vóór alle dingen het Oude Testament bestudeeren en daaruit de ware. eenvoudige wijze van vertellen leeren.
Abram ontmoet de Kanaanieten in het land, en Jehovah ontmoet Abram. Hoewel hij een vreemdeling is in een heidensch land, bouwt Abram onmiddellijk een altaar, niet voor Moloch, de daar erkende godheid, maar voor zijn God, den Meester van hemel en aarde. Dit maakt zijn weg duidelijk en veilig. Zoo handelen pelgrims. Overal eene eenvoudige getuigenis afgelegd, overal een gedenksteen voor hun God opgericht en dan voorwaarts getrokken. Abram kent iets van het aanbidden in geest en waarheid. Zoodra hij te Bethel en Ai aankomt, bouwt hij opnieuw een altaar (vs. 8). Zonder zich te hechten aan de plek waar God hem is verschenen, eert hij Jehovah door voort te trekken.
De kinderen van Abraham moeten gehoorzaamheid leeren, even als hun groote Meester, de Zoon des menschen die âgeleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden;quot; maar dit wordt niet bereikt in éen dag. Er is eene lange voorbereiding noodig voor den nieuwen naam, eer een Abram een Abraham kan worden en de oude natuur kan worden vervangen door de nieuwe. In de geschiedenis van Abrams ontwikkeling
27
vinden wij donkere sporen van twijfel en zonde. Er is iets zeer eigenaardigs in zijne nakomelingen, de Hebreeuwsche natie.
De strijd die later plaats had tusschen Ezau en Jakob, de strijd tusschen die twee levens, aan de eene zijde de kinderen der belofte, aan de andere het natuurlijke zaad, had bijna eene voorafschaduwing in dien welke steeds terugkwam in het leven van den stamvader van hun geslacht.
(De Joden, dit buitengewoon begaafde volk, dat tegenwoordig zooveel moeite veroorzaakt aan de Regeeringen van verschillende landen, verstaan de kunst om zichzelf uit moeilijkheden te redden; dit was ook de aard van Jakob, den hielelichter.)
In Abram zien wij denzelfden karaktertrek: het gevaar om zichzelf te willen helpen; maar door Gods genade wordt hij van die neiging verlost en wordt hij de Vader der geloovigen. Bij zijn vertrek naar Egypte, als hij overlegt welk standpunt hij zal innemen tegenover Farao, is hij een ongeloovige. En hoe onnoodig moeilijk en ingewikkeld wordt zijn toestand daardoor! God zelf maakt alle dingen wèl. Als wij ons zelf willen helpen berokkenen we ons maar verdriet en teleurstelling. Was Abram hier in oprechtheid te werk gegaan, dan had hij op de hulp van zijn God kunnen rekenen. De kinderen der belofte hebben niets te vreezen. In de geschiedenis dei-zonen van Jakob lezen wij hoe, toen zij hunne afgoden weg deden en op hun God vertrouwden, de
28
volken rondom hen vreesden en zij werden uitgered.
Ik kan het nooit genoeg herhalen, dat God volkomen algenoegzaam is voor Zijn volk. Ja! wanneer wij eenmaal waarlijk begrijpen, dat wij alleen met God te doen hebben, dan maakt God ook onze zaak volkomen tot de Zijne; Abram moet zijne les duur betalen. Maar nadat hij haar geleerd heeft, herneemt hij zijne koninklijke houding en hoe verder hij vordert op zijn weg, des te gestrenger ziet Jehovah toe op elke afwijking.
IV.
DE HOUDING VAN DEN GELOOVIGE TEGENOVER GOD EN MENSCHEN.
Hebr. XI : 8â10: Gen. XIII : 14.
In Gen. XIII zien wij Abram gelouterd, gezegend, rijk in vee, in zilver en in goud; nu hier, dan daar slaat hij zijne tenten op en overal waar hij komt, dient hij zijn God.
Dan volgt het voorgevallene met Lot; er komt strijd tusschen de herders van zijn vee en de herders van Abrams vee; en â âook woonden toen de Kanaanie-ten in dat land.quot; Er is niets droevigers dan om tegenover de wereld te moeten aanzien hoe de kinderen Gods elkaar bestrijden. Abram kan dat niet verdragen. Dikwerf bestaat er geen ander middel om zulk een strijd te vermijden, dan doordat een der beide partijen alles opgeeft. Hierin zien wij het ware karakter van een Abram. Het geloof laat de aarde los om den hemel te grijpen; het aarzelt niet tusschen die twee. Er zijn helaas ongelukkige stervelingen, die de wereld hebben
30
verzaakt, maar nooit een voet in den hemel hebben gezet en die zich dus gevoelen als aan wind en golven prijsgegeven.
Ys. 8 en 9. âZoo gij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan,quot; of het tegenovergestelde; âkies gij!quot; Zoo spreekt de pelgrimvader. Wat heeft de overste dezer wereld te maken met hen, die niet van deze wereld zijn?
Laat alle geheime banden worden losgemaakt, alles wat u nog belemmert, zelfs al bestaat het slechts in uwe verbeelding. Laat alle afgoden worden verbroken opdat gij, wanneer gij een gewichtig besluit hebt te nemen, niet moogt worden teruggehouden door te moeten opkomen voor uwe eigene rechten; dat is eene onwaardige houding voor een kind Gods! Abramzegt tot Lot: Wilt gij ter linkerzijde gaan of ter rechter? Ik heb mijn hart niet gezet op eene bepaalde streek.
En Lot?
Vs. 10,11: Ach ! de kinderen dezer wereld! zij heffen hunne oogen op en berekenen wat het meest in hun voordeel zal zijn, wat de grootste zekerheid zal geven voor hunne toekomst en hoe zij het best vooruit zullen gaan. Zij zien op de wijze waarop Eva âzag,quot; en voor hen, die zoo hunne oogen opheffen zijn verzoekingen val nabij. Abram zag niet op het land, hij zag op Jehovah, die tot hem had gezegd: âAan uw zaad zal Ik dit land geven.quot; Hoe veel zekerder was zijne bezitting dan die van Lot! Hij had het aan G-od overgelaten om voor hem te zorgen. Ja, zoo veilig kunnen
31
wij zijn in eenzame plaatsen; God kan de wildernis zich doen verheugen en haar even vruchtbaar maken als de meestbelovende streek.
Vs. 14: âHef uwe oogen op,quot; zegt Jehovah. Welk een verschil, met toen Lot zijne oogen ophief! Wanneer wij, vreezende voor de verlokkingen van Satan, onze eigene oogen niet langer vertrouwen, kan de Heer gebieden; âHef uwe oogen op,quot; en Hij geeft ons iets geheel anders te aanschouwen. Maar indien wij opzien zonder daartoe op het woord des Heeren te wachten, kunnen wij het eene oogenblik zeer bevreesd zijn en het andere in eene verzoeking vallen. Laat ons nimmer vergeten, dat wij burgers des hemels zijn, die van deze wereld niets te vreezen of te hopen hebben. De Heer zegt niet tot Abram: âZie het land dat voor u overblijft nadat Lot zijn deel heeft gekozen,quot; â neen. Hij zegt: âZie noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.quot; Lot heeft zich gevestigd in eene begrensde strook lands. Dat, wat wij voor onzelven zoeken of kiezen, zal onze gevangenis worden. Aan Abram, die van deze aarde niets vraagt, geeft God de geheele wereld. Het is een koninklijk volk, dat hier beneden niets voor zichzelf zoekt, dat aan anderen de nietigheden dezer aarde overlaat en alles verwacht van zijn God. Zij, die zich koninklijk gedragen, zullen koninklijk worden behandeld en van hun God eene koninklijke belooning ontvangen.
32
Vs. 16 â 18. âIk zal uw zaad stellen als het stof' der aarde.quot; âMaak u op, wandel door dit land, in zijne lengte en in zijne breedte; want Ik zal het u geven.quot; âEn Abram sloeg tenten op en kwam en woonde in de eikenbosschen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar.quot; Het is zoo schoon, wanneer een kind Gods alleen zijne Eben-Haëzers achterlaat op zijne wegen; gedenk-steenen van de trouw en de uitredding van zijn God. Eben-Haëzers zijn dankoffers, die ons vooruit wijzen. God, die ons tot dusver hielp, zal ook verder onzen weg banen. Hoe meer een hart is doordrongen van de genade om dit te erkennen, des te onmogelijker zal het zijn aan de algenoegzaamheid en trouw van onzen God te twijfelen. Op die wijze was het, dat het zaad in Abrahams hart opwies en rijp werd.
In Hoofdst. XIV hooren wij van eene nieuwe beproeving. Hier hebben wij een beeld van Abram waar hij terugkeert uit den strijd tegen de vijanden der koningen van Sodom en Gomorra. De laatsten waren volkomen verslagen (vs. 10) en Lot was gevankelijk weggevoerd. Dat kan zoo gebeuren wanneer men, verblind door het klatergoud der wereld, zich vestigt in het land der goddeloozen. Sodom was een hof van Eden, doch welk eene verdorvenheid heerschte binnen hare muren! een schoonschijnende appel, doch inwendig verrot.
Abram wapent zijne onderwezenen (vs. 14), trekt op, verslaat de koningen en redt Lot met al zijne
33
bezittingen. In vs. 17 zien wij opnieuw eene belangrijke gelegenheid, waarbij hij zich gedraagt als een dienstknecht van Jehovah, wanneer de koning van 8odom uittrekt hem tegemoet. Vs. 18 geeft het onderhoud met Melchizedek, door wien hij wordt gezegend en wien de patriarch een tiende gedeelte van den geheelen buit schenkt.
Hebr. VII : 15. De Heer zegent de Zijnen, en maakt hen onafhankelijk van allen menschelijken bijstand, die aan hunne koninklijke waardigheid kon schaden. Maar Hij dringt den mensch Zijne zegeningen nooit op. Nu openbaart Hij zich aan Abram en geeft hem Zijn zegen door Melchizedek, juist terwijl de koning van Sodom nadert.
Eene gemeenschapsoefening met God, een telkens herhaalde zegen van Hem zijn onmisbaar tot het bewaren van eene koninklijke houding bij elk gewichtig onderhoud met anderen of met de grooten dezer aarde.
Vs. 21 schetst de dankbaarheid van den koning van Sodom voor de ontvangen hulp: âG-eef mij de zielen; maar neem de have voor u.quot; Toch kan er niet worden gezegd, dat de aardsche monarch zich edeler gedroeg dan de dienstknecht van Jehovah. Abrams antwoord (vs. 22 â 24) is den Vader der ge-loovigen waardig: âIk heb mijne hand opgeheven tot den Heere, den allerhoogsten God, die hemel en aarde bezit: zoo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja zoo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!quot;
Van stap tot stap. 3
34
Hij is tevreden met wat zijn God hem geeft; hij is naijverig op Zijne eer en zorgt alleen dat de anderen hun aandeel in den buit zullen hebben. Het verheugt Uod, wanneer Zijne rijkdommen ons bevredigen. Hij die altijd gereed wil zijn om God te gelooven, moet zijne handen onbesmet bewaren; moet zijn weg bewandelen zonder hebzucht of bezorgdheid, den Bezitter van hemel en aarde, die elk der Zijnen uit Zijne voorraadschuren geeft wat hem noodig is, daarmede eerende. De plant des geloofs kan alleen tieren op een reinen bodem. Hij die bezorgd is voor zijne eigene eer, kan God niet eeren. âHoe kunt gij gelooven, gij die eer van elkander neemt,quot; (Joh. V : 44) als hebzuchtige Farizeën!
V.
HET GELOOFSVERBOND. HET WANKELEN VAN HET GELOOF.
Heb. XI : 8â10. Gen. XV.
Na zijn afscheid van Lot was Jehovah aan Abram verschenen, had Hij met hem gesproken en Zijne beloften aan hem bevestigd. Nu verschijnt Hij hem opnieuw en toont hem, dat zijn gedrag in al de omstandigheden, die hij juist heeft doorleefd, Gode welgevallig is geweest.
Vs. 1. âIk ben u een schild, uw loon zeer groot!quot; Abram had zijn leven gewaagd voor Lot, die hem niet edel had behandeld; Abram had hem niets verweten, noch hem in den nood alleen gelaten. Nu zal de Heere zelf zijn loon zijn.
Vs. 2. Het is alsof de Goddelijke belofte, waarmede Jehovah Abram in Haran had begroet, eenigszins op den achtergrond was geraakt. Misschien zijn Zijne beloften u ook thans minder duidelijk dan op het geheiligde tijdstip, toen gij werdt overwonnen door
36
den Heer en gij uzelven aan Hem overgaaft. Misschien is in de hitte des daags, waarin gij nu verkeert, uw gezichtseinder niet zoo helder als in den schoonen dageraad; misschien licht de heerlijke kroon van uwe Christelijke loopbaan u niet meer zoo schitterend toe als toen gij uw weg aanvingt; en de heerlijkheid van de toekomende wereld verliest gij onmerkbaar uit het oog; wees echter getrouw en geloof ook op dit oogen-blik; volg de voetstappen van uw Goeden Herder, zelfs al kunt gij ze niet zoo duidelijk zien als in het begin. De Heer is getrouw! Hij is uw Weg; Hij is uw Licht; Hij zal u te hulp komen in uwe zwakheid en ter rechter tijd zal Hij het heldere licht, dat gij eenmaal bezat, met hernieuwde macht en helderheid over u doen uitstralen.
âWat zult G-ij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga?quot; God had Abram rijk gemaakt in goud en zilver en in dienstknechten; maar er is eene leegte in zijn hart, hij heeft geen kind. Het is alsof hij Jehovah wil vragen: âWat wilt Gij mij geven om dit gemis te vergoeden?quot; De Heere zwijgt. Abram zet zijne klacht voort. Moet het Gods Vaderhart niet hebben bedroefd, dat Zijn dienstknecht blijkbaar niets meer wist van Zijne belofte? Had Abram geen God Die getrouw was? Moest Hij Zijn woord dan herhalen ?
Vs. 4, 5. Ga uit, Abram! staak uw klachten, uw zorgen, bereken niet angstig wat gij bezit of niet bezit, zie niet op de mogelijkheden en onmogelijk-
37
heden van het leven, hef uwe oogen op naar den hemel. Wilt gij zien wat gij te verwachten hebt? â tel de sterren, reken met hemelsche factoren, laat uwe vermoeide, neergedrukte ziel zichzelve verliezen in de eeuwigheid, in het diepe blauw boven u, in de zekerheid van de Goddelijke belofte, en ga voort op den weg des geloofs. O! heilig zijn de uren waarin God ons opheft uit de neerdrukkende stemming van iiet zichtbare, uit den zwaren dampkring van de aarde; waarin Hij ons uitleidt uit alles wat ons inwendig licht kan benevelen, in de frissche lucht onder Zijn sterrenhemel om Zijne werken te aanschouwen. Zie op naar den hemel en aanschouw uw God, dan zal uwe smart verdwijnen. Welk eene genade, wanneer God ons verplaatst in eeuwigheidslucht, op een tijd wanneer het schijnt dat we onder onze smart moesten bezwijken of dat wij zouden stikken in den benauwden dampkring van onze begrensde sferen.
In vs. 6 is Abram tot zwijgen gebracht; hij gelooft God en Deze rekent hem dat tot rechtvaardigheid. Dit feit kan in het geheele Nieuwe Testament worden nagegaan, hoewel het voornamelijk de Brief aan de Romeinen is, die over de eigenaardigheden van dezen geloofsheld handelt. Er is voor God geene andere rechtvaardigheid dan die door het geloof. God ziet met welgevallen op hen die gelooven, die zwijgen en Hem aanbidden wanneer Hij hun Zijne beloften geeft. Alleen op deze wijze kan Hij in ons vervullen wat alle menschelijke verwachtingen te boven gaat. Het kan
38
zijn dat uwe handen van vermoeidheid neerzinken, dat uwe voeten den dienst weigeren, uw hart bezwijkt; toch is er niets verloren wanneer gij uzelven maar neerwerpt aan 's Heeren voeten! Hij heft u op. Hij opent u nieuwe uitzichten, nieuwe werelden; waar uwe eigene kracht u begeeft, daar schenkt God u de Zijne. Hij vraagt slechts éen ding: dat gij Hem moogt volgen, zij het ook door donkere wegen.
De Heer voert ons niet altijd op hoogten om ons een ruimen blik te gunnen; dikwerf leidt Hij ons in donkere dalen, waar geene ster de duisternis doordringt, opdat Zijn licht des te helderder moge schijnen. âWie is er onder ulieden, die den Heere vreest, die naar de stem Zijns knechts hoort? als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij be-trouwe op den naam des Heeren en steune op zijnen God.quot; (Jes. L ; 10.) Zijn de draden van uw leven uwe hand ontschoten? Zij zijn veilig wanneer Hij ze vasthoudt. Schijnt alles verloren? Alles is gewonnen, want eindelijk staat gij door het geloof, waartoe God u heeft geschapen en waardoor alleen uwe opvoeding voor den hemel kan worden voltooid. Laat het feit, dat al de heerlijke ondervindingen die gij op vroegere punten van uwe loopbaan genoot, thans, op den vollen middag, verdwenen schijnen, u niet doen vertragen; de Heer kan het licht teruggeven; of, indien Hij het oude doet verdwijnen, is dat maar om plaats te maken voor grooter gaven, die u wachten op het pad des geloofs.
39
Vs. 17 â 21. De Heere maakt een verbond met Abram; dat is Zijn loon. Abram moet een brandoffer bereiden. God zelf ontsteekt het vuur, hetwelk niet is van deze aarde. In een groote duisternis nadert Grod. Hoe kan de mensch, die slechts stof is, anders dan bevreesd zijn, wanneer de heilige, levende God nadert? Te midden der duisternis ligt Jehovah als het ware den sluier op en toont hem de toekomst duidelijker dan ooit, als wilde Hij zeggen: âLaat Mij handelen zooals Ik dat wil, Abram. Uw zaad zal dezelfde ondervindingen opdoen als gij thans, maar Ik doe het hun aan en Ik zal hen ook richten. Vertrouw uw God. Uw zaad zal Mijn zaad zijn, uwe kinderen Mijne kinderen.quot;
Het gedeelde offer en het hemelsche vuur bezegelen het verbond in Abrams oog. God vereenzelvigt Zichzelf en Zijne belangen met Zijn dienaar, de toekomst van Abrams zaad met de toekomst van Zijn rijk.
VI.
GELOOF ONDEE DE KASTIJDING: OF HAGARS GELOOF.
Hebr. XI : 8â19; Gen. XVI.
Wij hebben dus den loop der gebeurtenissen, die liggen tusschen het 10de en het li'1® vers van ons hoofdstuk in den Brief aan de Hebreen, gevolgd en zijn nu in aanraking gebracht met het karakter van Hagar, in Gen. XVI. Zij vlucht van voor het aangezicht harer meesteres. De Engel des Heeren laat haar niet alleen. Hij volgt de vluchtende en Hij oordeelt haar door in het hart grijpende vragen: âVanwaar komt gij? En waar zult gij heengaan? Wat zal er van u worden? Hebt gij iets beters in het vooruitzicht?quot;
âIk ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw.quot;
âKeer weder; uwe plaats is bij Sarai. Als zij u vernedert, zie daarin dan de hand G-ods. Sarai kan u niet aanraken, tenzij dan dat Ik het toelaat; op deze wijze is het, dat Ik u opvoed.quot;
41
In den lijdensbeker van een kind Gods kan geen droppel te veel of overbodig zijn. Het is gemakkelijk om weg te loopen, maar wat wordt daarmee gewonnen? Neem uw leven niet uit G-ods hand in uwe eigene, maar verneder u onder de machtige hand Gods. (1 Petr. V : 6.)
Maar hoe dikwerf hoort men: âJa, Ik zal mij ongetwijfeld vernederen onder Zijne hand, maar niet onder die eens menschen.quot; Hoe! Regeert Gods hand dan niet die van den mensch, met wien gij omgaat? Bereikt Hij Zijne doeleinden niet zoowel door vijanden als door vrienden, door Zijn eigen kinderen als dooide kinderen der wereld? Moet gij oordeelen over de middelen, die God kiest of Zijne keuze verbeteren omtrent de hand die Hij gebruikt tot uwe opvoeding! Dit zijn uwe zaken niet. Zie op Christus: Hij wist dat Hij den wil Zijns quot;Vaders deed, enkel Zijns Vaders, toen Hij het slachtoffer werd van de grootste misdaad, de diepste verdorvenheid. Gewillig gaf Hij Zijn leven voor eene wereld van opstandelingen, die Hem op de wreedste wijze vermoordden.
Vs. 10 â 12. Na de vernedering volgt de belofte.
Vs. 10. âIk zal uw zaad grootelijks vermenigvuldigen, zoodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.quot; Hoe wonder-heerlijk! De groote, heilige God, Die in Zijn recht zou zijn geweest, wanneer Hij Abram en Sarai, Hagar en Ismaël allen te zamen aan hun lot had overgelaten, daar zij hun eigen weg hadden gevolgd, verlaat hen niet; met onuitputtelijk
42
geduld oordeelt Hij hen. Zij hebben hunne zaak eindelijk zelf ter hand genomen, zij hebben het gewaagd. God te helpen en moeten zij thans de vruchten plukken van hunne zonde? Neen; zelfs nu stort G-od de. schatten Zijner genade over hen uit, ook al gaan ze vergezeld van Zijne bestraffing.
Na den val in den Hof van Eden, was er gesproken: âMet smart zult gij kinderen baren;quot; later in de dagen van Paulus: âIk zal hem toonen, hoe veel hij lijden moet om mijnen naam;quot; tot Hagar: âGij zult een zoon baren en gij zult zijnen naam Ismaël noemen, omdat de Heere uwe verdrukking aangehoord heeft.quot; Verneder u en gij zult gezegend worden; vrees niet voor wat voor u ligt. Hoe lieflijk is het, om verootmoedigd tot God terug te keeren, om enkel met Hem te doen te hebben. En hoe verheugt het Hem om de Zijnen wanneer zij verootmoedigd zijn, tegemoet te treden, om hen met ware Vaderliefde te sparen en hen met genade te overstelpen! Een vijand zegeviert over onze vernedering, de mensch is haatdragend. God verbergt ons en vertroost ons, zoodra wij ons voor Hem nederbuigen. Dan strekt Hij Zijne hand uit en wij vernemen Zijne stem.
Voor Hagar schijnen alle uitzichten op hulp afgesloten, en toch juist op dit hachelijk oogenblik schenkt de Heere haar grooter genade dan ooit. De Zoon des Menschen is zoo hoog verheven, omdat Hij Zichzelf zoo diep vernederde. âKunt gij den drinkbeker drinken, dien ik drink, en met den doop gedoopt worden.
43
daar ik mede gedoopt worde?quot; (Mark. X : 38.) Wanneer wij recht wenschen te hebben op Gods zegeningen, moeten wij niet bevreesd zijn voor wat ons op het pad dat naar dien zegen leidt, kan ontmoeten. Het gaat altijd door lijden tot heerlijkheid, langs het kruis naar de kroon.
Vs. 11. Ismaël beteekent: G-od hoort. Het doet er niet toe of de menschen onze smart zien of er van hooren, of wel of zij onze vernedering nog grie-vender maken: Jehovah hoort; wees getroost! En hoe welverdiend de beproeving ook zij: Gods oordeel is rechtvaardig maar barmhartig. Hij hoort evenzeer thans, als toen Hij het roepen van Abrams zaad in Egypte hoorde. Maar hoe lang moet Hij dikwijls wachten eer Hij de beproeving kan wegnemen! Tenzij zij haar doel hebbe bereikt is zij geheel nutteloos. Toch, wanneer haar zegen blijkt, overtreft die de droefheid zoozeer, dat het lijden dan vergeten is. Laat het genoeg zijn, dat de Heer hoort; en laat ons onze medeschepselen niet lastig vallen met onze klachten of murmureeringen. De Schrift is van het begin tot het einde vol van woorden voor de verootmoedigden, de verbrokenen van harte, de zwakken, de door de menschen verachten. En schijnt het bij tijden alsof God evenmin acht op ons slaat als de menschen, toch heeft Zijn oog ons gezien. Zijn oor ons gehoord. Hij, die der zee hare grenzen heeft gezet, heeft ook de maat van uw lijden bepaald in Zijne weegschalen. Verhinder Zijn werk niet; Hij
44
zal u nooit meer opleggen dan gij kunt dragen en Hij zelf zal u veilig leiden door de wateren der beproeving.
Vs. 13, 14. Hagar is verootmoedigd. Zij zegt: âGij God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, die mij aanziet?quot; Zij gevoelt, dat de tegenwoordigheid van G-od haar kon hebben verteerd. Zij erkent den Levende, Die hare vernedering heeft aangezien, en gehoorzaamt Zijne stem.
VIL
GELOOFSGEHOORZAAMHEID; OF DE VADER DER GELOOVIGEN.
Hebr. XI : 8â19; Gen. XVII.
âAbram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.quot; (hoofdst. XVI : 16); het zeventiende hoofdstuk begint: âAls nu Abram negen en negentig jaren oud was.quot; Hier worden wij weer herinnerd aan de belangrijkheid van getallen. Dertien jaren liggen tusschen de geboorte van Ismaël en de volgende verschijning van Jehovah!
Wanneer wij ons de geschiedenissen van Mozes, Aaron en Israël in herinnering brengen, moeten wij erkennen, dat God niet in al Zijne kinderen de zonde gelijkelijk straft. In diegenen Zijner dienaren, op wie groote verantwoordelijkheid rust, veroordeelt Hij de geringste afwijking veel gestrenger dan in anderen. Volgens Gods liefdevollen raad moet ieder worden opgevoed voor zijne eigene bestemming. Mozes moest veertig jaren doorbrengen in de woestijn, omdat hij zijn volk trachtte te bevrijden voor Gods tijd en
46
aan het einde van zijn leven werd hem wegens éene enkele overtreding de ingang in Kanailn ontzegd! Aaron zou, zonder Mozes' voorbede, door God zijn gedood wegens het maken van het gouden kalf (Deut. IX : 20). De opvoeding van G-ods dienstknechten en dienstmaagden is altijd eene oefening in geduld, in aanbidding, in het afzien van het schepsel en van zichzelf. Alleen op die wijze wordt G-od geëerd. Hij gebruikt den mensch wanneer het Hem behaagt en zet hem ter zijde wanneer het Hem behaagt.
Na dertien jaren vat God de afgebroken draden weer op. Abram moet nu zijn nieuwen naam ontvangen. Maar voor dien tijd openbaart Jehovah Zich zelf met een anderen naam. Vs. 1. âIk ben de Almachtige!quot; Hoe kan Abram een Abraham worden, een Vader der geloovigen? Alleen doordat Jehovah de Almachtige is. âWandel voor mijn aangezicht, enzijt oprecht!quot; In andere woorden: Houd altijd in gedachte, dat Ik Almachtig ben, opdat gij niet moogt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand. âIk ben uw schild en uw loon zeer groot.quot; Gij kunt op Mij rekenen; wanneer . gij wandelt voor Mijn aangezicht, kunt gij de vervulling Mijner belofte op Mijn tijd verwachten. Gij hebt geen middelaar of anderen bondgenoot noodig.
Het komt ons duur te staan, wanneer wij ons haasten en God vooruitloopen. Wij mogen haast maken om aan Zijne roepstem gehoor te geven, maar we mogen ons niet op onzen eigen tijd en in eigen kracht voortspoeden.
47
God doet Abraham geene verwijten. De tijd van zijne kastijding is ten einde. Jehovah nadert weer met hernieuwde genade en zegeningen, om een ruimen blik te schenken en Zijn verbond te bevestigen. De aartsvader is overstelpt van zooveel goedheid en valt tot tweemalen toe op zijn aangezicht (vs. 3, 17); en terwijl Zijn dienstknecht zoo voor Hem terneder ligt, spreekt Jehovah.
Hetgeen nu volgt is te verdeel en in vier duidelijk zichtbare onderwerpen: vs. 4 â 8; 9 â 14; 15 â 19; 19-22.
Vs. 4 â 8. âMij aangaande.quot; God is de Eerste. Het geloof heeft zekerheid, het bouwt op Goddelijke grondvesten. In elk verbond dat God met den mensch sluit, zegt Hij (volgens de Duitsche vertaling): âIk ben het.quot; Het woord, dat Ik spreek is voor u en voor Mij. âMijn verbond is met u.quot; Het leven, dat God in het Paradijs had gegeven, was verloren door den val. Nu sluit Hij een nieuw, eeuwigdurend verbond met Abraham, waarbij Hij hem, evenals eenmaal aan Adam, vruchtbaarheid belooft, want zijne nakomelingschap zal er in deelen (Gal. Hl : 16). Geslachten mogen elkaar opvolgen, eeuwen verloopen, het verbond moge schijnen âvoorbij te gaan,quot; maar het kan niet wankelen, het is ons bezegeld in Christus. âMijn verbond is metu.quot; Dit woord geldt ook ons. Loeien stormen om uw hoofd ? Zijn er tijden waarop het schijnt alsof het licht en de genade, die eenmaal zoo overvloedig waren, zijn verdwenen? Weet het ééns voor altijd: Zijn verbond
48
is eeuwig, Hij blijft getrouw, Hij verandert niet, wat het leven u ook moge brengen of ontnemen.
Vs. 9 â 14. âGij nu.quot; De Heere spreekt nu over Abraham zelf. âG-ij zult Mijn verbond houden,quot; dat Ik met u gemaakt heb, dat gegrond is op Mijn Naam, op Mijne Trouw en op Mijne Almacht. Wandel oprecht daarin en wijk niet af van zijne heilige paden. De eenige daad die God vraagt om van Abrahams zijde het verbond te bezegelen, is de besnijdenis. De besnijdenis van het vleesch in een Israëliet, was eene voorafschaduwing van het feit dat later in den dood van Christus werd bevestigd, dat ons vleesch, dat wil zeggen onze geheele menschelijke natuur, door de zonde onrein is, en dat er âzonder bloedstortingquot; geen verbond met God kan worden aangegaan. Gedurende de geheele geschiedenis van de Israëlieten moest de geboorte van eiken zoon hen herinneren, dat zij onrein waren en dat zij enkel door bloedstorting konden worden verzoend. En in een later tijdperk evenzoo wees alles, zoowel het bloed der Kanaanieten, dat zoo bij stroomen moest vlieten tijdens de verovering van Kanaan, als dat, hetwelk in het Heiligdom werd vergoten, op het offer van het lichaam van Jezus Christus; er op doelende dat een verbond van genade en zegen tusschen de door de zonde verontreinigde menschheid en een heilig God enkel kon worden ingegaan na een oordeel over de zonde. Onze verlossing was voor alle dingen van Gods zijde eene veroordeeling. Jezus Christus werd âzonde voor ons gemaakt.quot; Hij droeg
49
den toorn Gods over het menschdom in Zijn eigen Lichaam op het Kruis; en door Zijne offerande zijn wij geheiligd. God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende en vernieuwde zoo in Hem het verhond met Abraham gesloten, zoodat Hij thans in hoogeren zin den mensch kan bezielen met Geest van Zijn Geest en Leven van Zijn Leven, hem aldus voor altijd met Zichzelf vereenigend. Zoo is de mensch geheiligd tot een tempel Gods, gestempeld tot Zijn eigendom, aan wie Hij Zijn heiligste en heerlijkste openbaringen kan schenken.
Dit verbond van een getrouw. Almachtig God verbindt zoowel het zwakke alleenstaand individu als de geheele menschheid, met Hemzelf, met Zijne eer en heerlijkheid.
Vs. 15 â 22. âSarai.quot; Hetgeen Jehovah spreekt met betrekking tot haar, werpt alles omver wat zij had gedaan om God tegemoet te komen. Onuitsprekelijk veel verdriet en verwarring waren daardoor haar huis binnengetreden en het had nog erger kunnen zijn indien Abraham zich niet zoo waardig had gedragen.
Hier hebben wij het belangrijkste tijdstip in het leven van den aartsvader bereikt; dat, waarop wordt gedoeld in Rom. IV. â Daar is het dat Abraham wordt genoemd en door God gestempeld tot Vader der geloovigen; als een die geloofde tegen hoop op hoop, die âaan de beloftenis Gods niet getwijfeld heeft door ongeloof' maar âten volle verzekerd was, dat hetgeen beloofd was. Hij ook machtig was te doen.quot;
Van stap tot stap. 4
50
(Rom. IV : 21, 22). Abraham was besloten niet aan te merken âde dingen die men ziet.quot; (2 Cor. IV ; 18), zelfs niet de wetten der natuur, maar enkel den Almachtige, den Eeuwige, den Getrouwe.
Vs. 17. Een crisis in zijn leven, eene nieuwe gewaarwording wachtte den aartsvader. Als Jehovah spreekt, aanbidt hij, maar â hij lacht! In den naam Izak, dien het kind der belofte zal dragen, schildert G-od voor altijd den aard van dien lach. Sommigen verklaren het alsof hij zou zijn veroorzaakt door vreugde of geestvervoering, en alsof de vragen, die hij er zich bij voorlegde, uitspraken, dat hij Gods woorden te wondervol achtte om hun geloof te schenken, maar dat hij ze aanzag als een eind makend aan al zijne verwachtingen omtrent Ismaël, hoewel hij toch nog voor hem om een deel van den zegen vraagt. Maar dit schijnt mij niet de ware opvatting van den tekst. Deze geeft mij eerder den indruk dat Abraham in het eerste oogenblik niet kon gelooven en zijne vragen herinneren mij aan die in hoofdst. XV : 2 en 3. Daar had Jehovah hem ook reeds de belofte gegeven van eene nakomelingschap en hij had niet dadelijk geloofd. Toch zal zijn lach grootelijks hebben verschild van dien van Sara. â God alleen kan oor-deelen over hetgeen er in het hart omgaat en wat slechts de zwakheid van een oogenblik kan zijn. â Kan de naam âIzakquot; âLachverwekkerquot; niet zijn gegeven om ons te herinneren, dat Abraham God niet dadelijk verheerlijkte, maar eerst lachte in ongeloof?
51
Ja! wij zullen God nog loven voor alles wat Hij doet, zelfs voor Zijne keus van een naam.
Wanneer wij zoo een blik werpen op de geheele geschiedenis van den aartsvader, dan zien wij duidelijk, dat hij de geloofsheld, die hij geweest is, langzamerhand moest worden. Er zijn zooveel kleinigheden, die ons toonen dat hij een man was van gelijke bewegingen als wij.
De voorzorgen, die hij onder verschillende omstandigheden nam voor zijne eigene veiligheid, waren niet uit het geloof, maar uit menschelijke berekeningen, die hem vooruit deden besluiten te handelen zooals het het beste zou uitkomen met den gang dien de zaken zouden nemen. Wanneer wij het bestuur over ons lot zelf in handen willen nemen, brengen we altijd de waarheid in gevaar. Hoe werd Abraham te schande gemaakt, toen God Zijne hand uitstrekte over het huis van Faraö en toen Hij tot Abimelech sprak ten behoeve van Zijn dienaar! Ach dat zorgen voor zich zelf is een jammerlijk ding!
Vs. 18. âOch, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht.quot; De vader kan zijn kind niet verlaten. Hij had al zijn hoop op hem gebouwd, hoewel hij uit het vleesch geboren was en niet uit het geloof. Eene eigenwillige daad kan ons soms later zoo binden, dat wij niet gemakkelijk kunnen ontkomen aan de gevolgen. Abram klemt zich al te gaarne vast aan Ismaël. Laat ons aardsche berekeningen schuwen als de pest; zij onteeren God, zelfs wanneer ze, zooals
52
in Sara's geval de grootste zelfopoffering eischen, die een schepsel kan brengen. âGods gedachten zijn niet onze gedachten en Zijne wegen zijn niet onze wegen.quot; Onze opvoeding bestaat daarin, dat wij onzen wil geheel onderwerpen aan Gods gedachten. Totdat wij die les hebben geleerd kan er geen voortgang zijn in het geloof, wij zijn gebonden door ons eigen werk, door de vrachten van ons natuurlijk leven en onze natuurlijke sterkte en wij houden daardoor God tegen, zoodat Hij niet langer, volgens de begeerte van Zijn hart, Zijne hand kan uitstrekken om ons te zegenen.
Vs. 20. âEn aangaande Ismaël heb Ik u verhoord.quot; Hij zal inderdaad gezegend worden en dat zoo rijkelijk als zelden menschen te beurt valt. âTwaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen.quot; Maar dat had niets te maken met het plan van Gods Verlossingswerk; het was slechts een zegen voor deze wereld. De geschiedenis van het Verlossingswerk hangt samen met het kind der belofte.
Vs. 21, 22. Ware Israëlieten zijn geen kinderen des vleesches, zij zijn uit God geboren. Leer toch het hemelsche onderscheiden van het aardsche, het heilige van het onheilige. God verhoort Abrahams gebed, maar hij voegt er bij: âMijn verbond zal ik met Izak oprichten.quot; âEn Hij eindigde met hem te spreken: en God voer op van Abraham.quot;
En Abraham? Alles is hem duidelijk nu hij niet langer vraagt: Heeft God gesproken? Hij spoedt zich, om Gods bevel ten uitvoer te brengen.
53
Ten slotte doet het er niet veel toe waarom hij lachte, of hij een oogenblik twijfelde of vreesde; maar wel doet het er toe of hij ten uitvoer bracht wat God zegt. En al werden Sara en zijn geheele huisgezin in opschudding gebracht door iets zoo ongehoords als eene bloedstorting, toch ging hij dadelijk het zoo duidelijk aangewezen zegel des verbonds bevestigen.
Wees niet eigenwillig in zake van uw geloof; vraag uzelf eenvoudig af wat God u gezegd heeft te doen. Schaam u over uwe eigene schikkingen en pogingen, uw eigen opvattingen en meeningen omtrent den weg der heiligmaking, dien gij voor uzelf hebt gekozen en volg wat God voor u bereid heeft, alles aan Hem overlatend.
De besnijdenis was van Abrahams zijde eene daad van gehoorzaamheid, van geloof, waardoor hij brak met zijn vorig leven; en zij brengt hem tot de eerste besliste daad in zijn leven als Vader der geloovigen.
VIII.
HET GELOOF VAN SARA.
Hebr. XI : 11, 12. Gen. XVIII : 1â15.
Het eerste gedeelte van het elfde hoofdstuk van den brief aan de Hebreen sluit met eene schets van Sara. â Een kort uittreksel van de voorgaande hoofdstukken volgt dan in vs. 13. Is het niet verwonderlijk, dat deze vrouw de eerste beeldengalerij moet besluiten, daarin hare plaats vervullende als geloofsgetuige, overmits zij âHem getrouw heeft geacht, die het beloofd hadquot;? âDaarom zijn ook van éenen, en dat eenen verstorvene, zoovele in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee is, hetwelk ontelbaar is.quot;
Welk een heerlijk licht werpt het Nieuwe Testament over het Oude! Het is genade, dat ons dit overzicht in vogelvlucht is gegeven van de geschiedenis dezer geloofsgetuigen, ons zoo in helderder kleuren opmerkzaam makend op overgangspunten in hun leven, waarover het Oude Testament zwijgt! Het verhaal
55
in Genesis zou er ons toe leiden, te denken dat God Zijn woord had gehouden uit medelijden met Sara, omdat Hij het beloofd had, of ter wille van Abraham; maar neen! het Nieuwe zegt uitdrukkelijk dat zij âdoor het geloof heeft kracht ontvangen.quot; Het geloof van haar echtgenoot was ongetwijfeld eene groote versterking voor het hare, maar het is hier niet de vraag wat op het geloof invloed oefende, door welke twijfelingen het werd geslingerd of wat het verhinderde. De groote vraag is: Hebben wij waarlijk geloofd, hebben wij gehoorzaamd aan Gods woord'? Dit is het waardoor Sara's voorbeeld van zooveel gewicht wordt, en weshalve zij wordt beschouwd als eene geloofsheldin.
Wat was het, dat Sara redde? Hetzelfde wat Noachs geloof kenschetste: Noach was âbevreesd gewordenquot; toen hij hoorde van den komenden zondvloed, en Sara âvreesde.quot; (Gen. XVIII : 15). Zoolang men toeluistert naar wat God tot een ander spreekt en men zelf nog is verborgen in de tent of achter de deur, kan het ons mogelijk zijn te lachen; maar daarmede is het niet gedaan. God heeft nog meer te zeggen; Hij nadert. Hij spreekt tot Sara zelve. Dat is ook genade, wanneer God ons ongeloof op ons geweten bindt. Het had veel moeite gekost om Abraham tot zwijgen te brengen, het kost nog meer voordat Sara stil is. O, hoe dikwerf hoort men de tegenwerping: âIk kan niet gelooven! Als ik maar ge-looven kon!quot; Kind des stofs, weet gij wat gij zegt?
56
Denk ernstig na en vraag u zelf af, of gij iets wat uw God u heeft beloofd, te wonderlijk of onmogelijk durft achten. Achter ongeloof is altijd gedachteloosheid verscholen. Zou het niet zondig zijn om iets te moeilijk te achten voor G-od, wat Hij heeft beloofd, of voor u zelf wat Hij van u vraagt? Hij zegt immers, dat Hij u zal bijstaan en u kracht zal geven voor alles wat Hij van u eischt.
Sara is bevreesd, zoodra een persoonlijk God haar in werkelijkheid nadert. Het is goed voor hen, die op die wijze worden wakker geschud en opgeschrikt uit hunne lichtzinnigheid. Wanneer gij nog ongeloovig zijt, dan is uw God nog bedekt voor uw aangezicht en op een afstand van u: â nadert Hij, dan kunt gij niet anders dan beven en voor Hem neervallen. Laat Hem slechts tot u komen met vragen als deze: âZou iets voor den Heere te wonderlijk zijn?quot; vs. 14. (.Ier. XXXII : 27; Lukas I : 37.); kunt gij dan. Hem aanziende antwoorden: âO God, ik kan niet gelooven dat Gij het doen kuntquot;? zoolang wij nog vreezen voor God kunnen wij worden verlost van het ongeloof, zoolang wij Hem op eenige wijze eeren, kan Hij ons overwinnen en in ons volbrengen wat Hij ons in Christus heeft bereid en gegeven. Op die wijze is het, dat men leert afzien van het lichaam, van pols en zenuwen en physieke toestanden, zoodoende ruimte scheppend voor Hem, opdat Hij alle dingen nieuw zou maken.
Het is iets geheel anders om uit de verte op eene
57
belofte te zien en haar in tijden van nood, als al de wetten onzer natuur tegen haar schijnen in te druischen, vast aan te grijpen. God had meer dan eens tot-Abraham gezegd; âGij zult een zoon krijgen,quot; en zeker had Hij die belofte ook herhaald tot zijne vrouw. Maar Sara deed niet zooals Maria in later dagen, die âal deze dingen bewaarde in haar hart.quot; Zij hield de beloften van God niet vast. Van hoeveel gewicht is het, zich te oefenen in het geloof, inplaats van zich te laten leiden door het zichtbare en dan te klagen dat men niet gelooven kan. Hoe licht wordt de ziel verzwakt, vergiftigd door wat zich aan ons natuurlijk oog opdringt, als wij niet voortdurend zien op het voorwerp van ons geloof. Wanneer wij gesmaakt hebben âhet goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw,quot; dan moeten wij voortgaan door dat Woord te worden gevoed en geleid, zoodat daar in de ziel geene ruimte meer zij voor iets anders. Alles wat wij op ons pad ontmoeten, hetzij woorden, gebrek aan liefde, moeiten of gevaren, moeten wij aannemen uit Jezus' hand; anders kon het ons geloof schokken. Wij moesten eigenlijk nooit in onmiddellijke aanraking komen met eenig schepsel, met eenig zichtbaar ding, hetzij vriend of vijand. Wij zijn âverzegelde fonteinenquot; (Hoogl. IV : 12). Wie zichzelf in onmiddellijke verbinding met anderen stelt, zelfs in het aannemen van hun vriendschap of medegevoel, is in gevaar van neder te zinken onder een last of gedruktheid, die zijne kracht breekt; hij zal geschokt worden
58
door glimlachjes of wenkbrauwfronsen, door zonneschijn of wolken. Laat de Heer ons verbergen en verzegelen; dan zal ons geloof vaster wortelen in den hemelschen bodem en wij zullen rijpen van kind tot man. Maak een ruim gebruik van het oogenblik waarop God tot u komt met de vraag: âZou iets voor Mij te wonderlijk zijn?quot;
Sara vreesde. Zelfs de leugen, die zij uitspreekt, hoe uitdrukkelijk de Schrift de onwaarheid ook veroordeelt, is eene bekentenis dat zij kwaad heeft gedaan; zij durft hare daad niet erkennen, zij loochent haar. De Heere veroordeelt haar: âNeen! maar gij hebt gelachenâ gij hebt Mijn quot;Woord onwaar geacht. â Sara verootmoedigt zich; zij vreest en dat is het oogenblik van hare bekeering.
IX.
DE VOORBEDE DES GELOOFS.
Hebr. XI : 11, 12. Gen. XVIII : 16â33.
Er zijn dikwerf, zoo niet altijd, twee zijden aan de verschijning des Heeren. Aan den eenen kant zegen, bevrijding, uitredding; aan den anderen oordeel en vernietiging.
Zoo zal het wezen wanneer de laatste grootste verschijning plaats heeft; een jaar der zaligheid en een dag der wrake (Jes. LXI : 2). Dan zal Hij wederkomen om de Zijnen te verlossen en hen met Zich naar Huis te voeren maar om de wereld te oordeelen en te verdelgen.
Zelfs in de tent van Abram, in den boezem van dit Godvreezend gezin, zien wij deze beide zijden: voordat het oordeel zal komen over de wereld, zal het aanbreken over de geloovigen (1 Petr. IV : 17). Sara's ongeloof wordt veroordeeld, voordat zij wordt verootmoedigd en gereinigd. Door de kracht van haar persoonlijk geloof wordt zij geheiligd en bereid om eene plaats te bekleeden in de rij der getuigen waar-
60
toe ook zij geroepen was, éen zijnde met haar echtgenoot. In het rijk van God wordt een oordeel uitgesproken over alle ongeloof, twijfel en gebrek aan oprechtheid; over alles wat tegenstrijdig is met de gedachten Gods.
Zoodra Hij gereed is met het gezin van Abraham, wil God overgaan tot de veroordeeling der wereld, door het verwoesten van Sodom. Maar er treedt iets tusschenbeiden. De Bijbel gebruikt menschelijke uitdrukkingen en dus mogen wij het ook doen. De Heere gevoelt niet de vrijheid om iets voor Abraham te verbergen (vs. 17 â 19):
âZal Ik voor Abraham verbergen wat Ik doe?quot; Hij gaat voort raad te houden met Zichzelf; Hij is afhankelijk van Abraham; Hij weet dat Zijn dienaar Hem niet zal laten begaan, wanneer Hij hem Zijn geheim betrouwt.
Eveneens zeide de Heere tot Mozes; âLaat mij
toe..... dat Ik hen vertere.quot; (Ex. XXXH : 10).
Mozes gaf niet toe. Hij hield zijn God met kracht terug. Wij zouden dit geheim niet hebben aangeroerd, indien er niet eene wondervolle waarheid in dit verhaal ware verborgen: n.1. dat God een volk ging opvoeden voor Zichzelf, waarmede Hij genoodzaakt zou zijn raad te houden. Is dat niet eene van de voornaamste gedachten in het vormen van eene Bruids-Gemeente? De Bruid zijn alleen die zielen welke alles hebben verlaten, alles opgegeven, alles in de hand haars Heeren hebben vertrouwd, die Hem onvoor-
61
waardelijk zijn gevolgd, waarheen Hij ook ging. Doch dit was slechts in den tijd van opvoeding en voorbereiding. God verlangt geen slaven en machines; dat nimmer! Hij wil vrienden hebben, die Hij kan vertrouwen, zooals Abraham (Joh. XI : 15).
Gedachten als deze kunnen niet worden gepeild, begrensd, of duidelijk uitgedrukt; God kan niet worden afgemeten met den maatstaf van onze mensche-lijke bevatting. Tenzij dat wij alles aannemen wat de Schrift ons meedeelt, zullen wij Hem nooit leeren kennen. Maar, indien het waarheid is, dat Hij eene volstrekte Almacht bezit, zullen wij niet vreezen wanneer wij nieuwe diepten en wijde uitzichten ontdekken, die ons schijnen te verschillen van de kennis, welke wij reeds bezitten. Juist zulke schijnbare tegenstellingen sluiten een begrip van oneindige grootheid in zich. Het is een deel van Gods heerlijkheid, dat Hij voor Zijn Zoon eene Bruid opvoedt, die gewillig is om te worden onderwezen in de school der gehoorzaamheid en der vernedering, en met wie de Almachtige raad kan houden.
Vs. 18. âDewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden.quot; Sluit dit niet in zich, dat de Heer de noodzakelijkheid gevoelt om Zijne gedachten en raadslagen mede te deelen aan de Zijnen, naar mate van de belangrijkheid der taak of roeping, die Hij hun heeft toevertrouwd?
Hoe grooter en invloedrijker het werk is, dat wij
62
in Gods dienst verrichten, des te meer komt het er op aan, dat wij Gods gedachten zullen kennen, ook al schijnen zij ons persoonlijk niet te raken. Welk verband was er tusschen G-ods boodschap aan Abraham en Sara en het lot van Sodom en G-omorra? Eenvoudig dit, dat G-od juist Zijn verbond en belofte aan Abraham had bezegeld. âSara zal een zoon hebben,quot; vandaar de verdere mededeeling aangaande de twee steden. Niemand was ooit tot zoo gewichtige taak geroepen als Abraham en het negentiende vers schijnt ons te toonen hoe God de noodzakelijkheid gevoelde om hem steeds dieper en dieper blikken te doen slaan in Zijn hart en hem Zijne gedachten te doen kennen, zoowel waar die zegeningen, als waar zij oordeelen betreffen.
Men zou letterlijk kunnen lezen: âIk heb een nauw verbond gesloten met Abraham, Ik heb hem uitgekozen en aangesteld om zijne kinderen te regeeren en te onderwijzen.quot; Er is een dergelijk plechtig oogen-blik in de geschiedenis der schepping, waar God raad houdt met Zichzelf, Vader Zoon en Heilige Geest. âLaat ons menschen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.quot; Zoo overlegt God op dit ernstige tijdstip in Abrahams leven met Zichzelven, dat Hij tot Zijn dienaar zal spreken.
âMaar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren.quot; God had zich niet in hem bedrogen, Abraham begrijpt zijn God. Hij vergeet de groote dingen niet, die zoo juist tot hem zijn gesproken,
63
maar hij wendt zijne gedachten af van zijne eigene belangen, opdat hij zich te beter zou kunnen verplaatsen in de plannen zijns G-ods. De priesterlijke bediening der voorbidding is de hoogste taak, die de mensch kan vervullen. Elke openbaring van God brengt hare eigene verantwoordelijkheid mede en moet in ons de grootste bekwaamheden, waarmede wij zijn toegerust, wakker roepen en in werking stellen.
Abraham vat moed om te spreken; hij nadert God en houdt Hem terug. Geloovigen meenen gewoonlijk, dat hun laatste woord moet zijn: âUw wil geschiede.quot; Het moest hun eerste woord zijn. Eene volmaakte onderworpenheid aan Zijn wil is eene noodzakelijke voorwaarde voor het geloofsgebed. Abraham begrijpt zijn God beter.
Als er meer geloof bestond onder de kinderen Gods, dan zou er minder gebrek zijn aan vooruitgang en rijpheid; zij zouden zichzelf laten opkweeken en tot rijpheid doen brengen; er zou een vooruitgang zijn in liefde en hoop, een begrijpen van den wil van God, een Hem naderen zooals dat van Abraham, in plaats van een voortdurend vreezen en zuchten. Satan heeft groote macht over ons zoolang wij ons niet verheffen boven dien algemeenen toestand, zoolang wij niet hebben begrepen wat God van ons verlangt als Hij ons Zijne gedachten mededeelt, hoe geheimzinnig die ons ook zijn. God zoekt priesterlijke harten. Wanneer Hij een Zijner kinderen, die diep in Zijn gedachtengang is doorgedrongen op deze aarde Iaat, dan is het omdat
64
een zoodanige mogelijk iets heeft aan te kondigen omtrent de oordeelen, die over de wereld zullen aanbreken.
Nog eens: â God houdt rekening met Zijn kinderen die voor Hem pleiten, evenzeer als Hij lette op Abrahams voorbede. Daar zal een tijd komen, waarop de stem van een Abraham, een Mozes of Samuël niet meer zal baten â maar die tijd is er nog niet. En zoolang als die niet is gekomen zullen wij het voorbeeld niet volgen van Jona, die gesteld was op de vervulling van Gods bedreigingen over Nineveh. âDe laatsten zullen de eersten zijnde heidensche koning begreep God beter dan de profeet. Hij vermaande al zijn volk om sterk tot God te roepen, want hij zeide: âWie weet. God mocht zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen!quot; En God had berouw over het kwaad waarmede Hij hen gedreigd had; en Hij zond het niet. Laat ons ook van dezen heidenschen vorst âkinderen Abrahamsquot; leeren worden.
X.
DE OFFERANDE DES GELOOFS,
Hebr. XI : 13â19; Gen. XXII.
In het dertiende tot het zestiende vers van het elfde Hoofdstuk van den Brief aan de Hebreen, vinden wij eene vluchtige schets van de geschiedenissen, die we reeds hebben besproken. Het is de moeite waard om op te merken hoe dit korte uittreksel niet alleen het hoofdstuk, maar ook het leven van Abraham juist op het belangrijkste punt in twee deelen scheidt. De eerste helft van zijn leven is afgesloten door het twaalfde vers; de laatste helft volgt in het zestiende. âDeze allen zijn in het geloof gestorven.... en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.quot; â Abraham was een van deze door alles op te geven en uit te trekken, niet wetende, waarheen hij ging. â Hier bereiken wij het hoogste punt zijner geschiedenis. Het is alsof hij hier eene tweede loopbaan als geloofsgetuige intreedt, van nog veel meer belang dan de eerste. â Het schijnt iets
Van stap tot stap. 5
66
geheel nieuws, en toch is het dezelfde weg des geloofs.
Gen. XXII : 1 â 19. Abraham heeft den zoon der genade ontvangen, hij woont in het land der belofte en toch moet hij opnieuw het pad der geloofsgehoorzaamheid bewandelen. De zwaarste beproeving van alle wordt hem opgelegd. Niet alleen wat wij bezitten uit onze oude menschelijke natuur, zelfs dat wat wij uit genade ontvangen, moeten wij op den Moria brengen! Het is eene Goddelijke wet, dat alles wat wij zijn en alles wat wij bezitten, van het begin tot het eind van ons leven, door den dood tot de opstanding moet gaan: zelfs het licht, dat God ons heeft geschonken, sinds we onze oude natuur vaarwel zeiden.
Enkel datgene wat wij in den dood hebben gegeven bezitten wij in werkelijkheid, want daardoor alleen heeft het zijne macht over ons verloren. Het is alsof God vroeg: âAbraham, wilt gij nog getrouw blijven aan uw roeping als pelgrim? Hangt uw hart niet aan Izak, in wien de beloften u werden gegeven? Kunt gij Mij teruggeven, wat Ik u heb geschonken? Gelooft gij, dat gij zelfs dan zult zijn, waartoe Ik u heb geroepen?quot;
Abraham heeft den tijd om terug te keeren gedurende de drie lange, stille, ernstige dagen, die volgen. Wel mag hij ontroerd zijn, als Izak hem vraagt: âWaar is het Lam tot het brand-offer?quot; Maar hij antwoordt: God zal zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon!quot; âZoo gingen zij beiden te zamen.quot; Welk eene reis! Zelfs nu nog kan Abraham
67
terugkeeren, maar neen, hij gaat voort! Toen hij in het gezicht van den berg Moria kwam, had hij tot zijne jongeren gezegd, achter te blijven met den ezel, âen ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeeren.quot; âEn zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had.quot; Daar âbouwde hij een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijnen zoon Izak en leide hem op het altaar boven op het hout.quot;
Abraham zou verder zijn gegaan, indien God niet op het laatste oogenblik tusschenbeiden was getreden.
Van het begin af had Jehovah zonder terughouding met Zijn dienaar gesproken: in duidelijke woorden had Hij hem gezegd, wat hij moest opofferen en Abraham had zijn land, zijn tehuis, alles wat zijn leven gelukkig en rijk maakte, verlaten.
Ditmaal spreekt God evenmin lichtvaardig over de beproeving, die Hij gaat zenden. âNeem nu uwen zoon, uwen eenigen, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op eenen van de bergen, dien Ik u zeggen zal.quot; God legt niet dadelijk alles uit. Wist Abraham, dat hij drie dagen te reizen zou hebben? Ons wordt eenvoudig meegedeeld, dat hij âdes morgens vroeg opstond en zijnen ezel zadelde.quot;
Zij, die niet aan Abraham verwant zijn, aarzelen, talmen; zij gaan langzaam en besluiteloos te werk. Misschien gehoorzamen zij eindelijk wel, maar als zijnde onder de wet, alleen omdat zij niet ongehoor-
68
zaam durven zijn. Somtijds is het, alsof de kinderen Gods, wanneer zij tot gehoorzaamheid worden geroepen, plotseling verlamd zijn.
Abraham kent zijn God te goed, dan dat hij zou luisteren naar de stem van de slang in 't Paradijs: âIs het ook, dat God gezegd heeft?quot; Dat kan niet zijn, ik heb mijzelf bedrogen, het zou te tegennatuurlijk zijn, te vreeselijk. â Hij kan zoo iets niet vragen!quot; Als er ooit eene geloofsdaad, een offer, werd geëischt, die zulke tegenwerpingen billijkten, was het waarlijk wel in dit geval.
Maar Abraham zwijgt. Dezelfde man, die zijn God niet liet gaan toen Hij Zijn aangezicht afwendde van Sodom, die toen voor Jehovah staan bleef en voor Hem pleitte als een man met zijn vriend: âhet zij verre van U, zulk een ding te doen,quot; aarzelt nu geen oogenblik; â hij gehoorzaamt; hij begeeft zich op weg.
Er is eene heilige, fijngevoelende gave des onderscheids noodig om te weten waar men, bekleed met Goddelijke macht, is geroepen tot priesterlijke voorbede (altijd en alleen onder voorwaarde van volmaakte onderworpenheid aan Gods wil) en wanneer men moet zwijgen. Beiden, Abraham en Mozes, die worstelden met God en Hem niet wilden laten gaan, waren de eersten om stil te zijn, waar het hunzelven betrof. De Heer heeft dienaars noodig, die zichzelf op het altaar hebben gelegd als levende brandoffers, die een van zin zijn met Hem; die zonder uitleg te vragen, zonder tijd te verliezen, onmiddellijk gehoorzamen,
69
zelfs al begrijpen zij het âwaaromquot; niet; die alleen weten: âG-od heeft het gesproken,quot; en dat is voldoende.
Het is de moeite waard om hier een oogenblik stil te staan in dit gewijde verhaal. De Schrift is sober in hare uitdrukkingen. Tweemaal staat er: âen zij beiden gingen samenquot; (vs. 6, 8), en tusschen die beiden uitspraken in, wordt het kort, hartbrekend onderhoud vermeld.
Het zou goed zijn voor ieder van ons om voor Gods aangezicht na te gaan wat er omging in het hart van Abraham gedurende de dagen en uren van dezen tocht âbergopwaarts.quot; Misschien beven wij er voor terug als wij zien, hoe ver God kan gaan: Vrees niet! Het was niet bij den aanvang van zijn tocht op den weg des geloofs, dat Hij Abraham zoo beproefde. âHij zal u niet laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogtquot; (I Cor. X : 13). Ga niet in verbeelding na wat gij al zoo hoopt en verwacht, wat gij bezit en lief hebt met de vraag âwat zal Hij van mij eischen? Wat zal ik te lijden of op te geven hebben?quot; Met zulke gedachten is het dat de duivel de ziel verduistert.
De Heer geeft ons nooit genade en kracht voor beproevingen, die alleen in de verbeelding bestaan. Laat ons moedig voorwaarts gaan, zonder te aarzelen, en Hij zal zeker tot ons komen met de genade en de hulp, die wij noodig hebben. Hij handelt nooit te haastig voor eene ziel. Hij schenkt juist de kracht, die wij behoeven voor de beproeving of het offer hetwelk Hij vraagt. Zie op uw Zaligmaker, uw Verlosser, uw Vader, reken op Zijne wijsheid, Zijne liefde, in
70
plaats van te letten op de verzoekingen van den Booze. Zekerlijk zullen wij den weg vinden ter ontkoming, wij zullen gewisselijk veilig worden geleid, wanneer we ons slechts verlaten op Hem en onze eigene hulpeloosheid niet aanzien.
Abraham weet het: God zal Zijn woord vervullen, zelfs wanneer Hij Izak van mij neemt, â God kan opwekken uit den dood. Ja, wat God eenmaal heeft gegeven, neemt Hij niet weder weg. En al begrijpt gij op dit oogenblik niet hoe dat, wat God thans tot u zegt, kan overeenkomen met wat Hij u vroeger beloofde en schonk, â twijfel er niet aan: Hij vergist Zich nooit; Zijne trouw zal blijken, al moet Hij die staven door eene opwekking uit de dooden. Abraham is Godvreezend; daarom vreest hij zoo te twijfelen, vreest hij dat God hem wellicht in deze moeilijkste ure zijns levens alleen kon laten. Dat is de Vader der geloovigen.
En wij, die onzen God kennen als Dien, Die niet van ons vraagt, onzen eenigen Hem te offeren, maar als den Vader, Die Zelf Zijn eeniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons in de handen van zondaren en in den dood heeft overgegeven, â zijn wij nog bevreesd voor Hem? Wanneer Hij iets van ons vraagt, is dat om ons te toonen, wat Zijne genade voor ons doen kan. Heeft Hij, Die Zichzelf als de Zoon des menschen vernederde tot den dood des kruises en Die daarbij Zijn bloed voor ons vergoot, ons niet verlost van de vreeze des doods? (Hebr. II : 14, 15).
71
Zouden wij nog aarzelen om het Lam te volgen, over den Moria heen, tot op den berg Zion?
De offerande op Moria is slechts een doortocht; er achter ligt een leven van wonderbare vrijheid, waar alle vrees voor Grods wil voorbij is: waar wij allen aan Hem verbonden zijn door al cle machten des levens en wij niet anders kunnen doen dan Hem volgen, daar Hij ons heeft verwonnen door Zijn Geest van leven en liefde.
Luk. XIV : 33 â 35. Elk woord van Jezus' lippen is heilig, maar wanneer Hij aan iets toevoegt: âWie ooren heeft om te hooren, die hoore,quot; dan zijn wij verplicht om dat gezegde meer dan alles in onze harten te bewaren. Bij deze gelegenheid sprak Hij van het zout. De wereld is bevreesd voor Christenen die âte ver gaan;quot; en toch is het alleen door hen, die het Lam volgen ten einde toe, dat de wereld kan worden geholpen. Hoe kunnen zij van eenig nut zijn, die niet hebben besloten alles op te geven wat hen kon verhinderen, zij het ook een vader of moeder, broeder of zuster? Dat is de beteekenis van het âhaatquot; (Luk. XIV vs. 26). Hoe velen helaas! zijn er, die onderhandelen met den Heer, bevreesd zijnde, dat Hij te veel zal vragen. En toch: wanneer ons land in gevaar is, worden de heiligste, teederste banden van bloedverwantschap niet gerekend; elk soldaat moet de gelederen helpen versterken. Moesten de Christenen in deze niet van de wereld leeren, hoe te handelen wanneer God hen roept? Nooit zijn wij voor
72
anderen tot grooter zegen, dan wanneer wij flink op ons doel afgaan. Daardoor kan het verderf in huisgezin en maatschappij worden tegengegaan en wij worden âzont.quot; De Heer kan alleen gebruik maken van dezulken, die als het ware met Abraham zeggen: âHier ben ik, bereid voor alles wat Gij verlangt.quot; Een kind Gods, dat niet aldus spreekt, is ontrouw aan zijne roeping als Christen om het licht en het zout der aarde te zijn.
Abraham moet een brandoffer offeren op den berg Moria; dat is te zeggen een offer, dat geheel moet worden verteerd. Dit punt moet ons duidelijk zijn, wij moeten goed weten, dat ook wij daartoe zijn geroepen. Er is niets geheels aan den mensch, niets reins; van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets dan wonden en striemen en etterbuilen, zoodat âhet gansche hoofd krank, en het gansche hart mat is.quot; Dit is de klacht van God over Zijn volk. (Jes. I : 5).
De zonde te willen uitroeien uit het hart, het leven, het bestaan, is een vruchteloos pogen; zij kan alleen worden vernietigd door den dood en het vuur! Toen Christus aan het kruis hing, âzonde voor ons gemaakt,quot; vertegenwoordigde Hij daar niet alleen de zondaars, die in de diepste diepte van verdorvenheid zijn verzonken, â neen! Hij vertegenwoordigde er ons allen gelijkelijk! In Christus lag de geheele menschheid en elk mensch afzonderlijk onder den vloek. De wet met hare eischen van heiligheid kon niets voor den mensch doen. Wat zij bereikte was alleen de verdorvenheid
73
der menschelijke natuur te scherper te doen uitkomen tegenover de heiligheid Gods. De wet was eene voorbereiding voor Christus. Niets in den mensch kan worden verbeterd, gepleisterd; de eenige verlossing van de zonde voert door den dood. Alles in ons moet in den dood gegeven worden, anders is er geene opstanding mogelijk.
Maar hoe velen zijn er, die, wanneer de Heer hen verder wil leiden, tegen Hem munnureeren alsof Hij een harde Meester was, die niets verlangde dan hen te slaan en te berooven. Zij vragen: âVerlangt God dan al de bloesems en bloemen van het leven te vernietigen? zegt de Bijbel ons niet âdat alle schepsel Gods goed is,quot; dat âwij moeten bedenken,quot; al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt? Zijn wij er niet op geschapen om ons te verheugen in alles wat edel is en schoon en goed? Moeten wij onszelven dan elk genoegen ontzeggen?
O menschenkind, uw God is niet zooals gij Hem u zelf hebt afgebeeld! Berooven, onthouden, terug-eischen is niet Gods einddoel; het is slechts de aanvang, die tot Zijn doel leidt. Gij kunt u niet met gerustheid verheugen in dat wat niet eenmaal op het altaar is gelegd; dat, wat niet door den dood is heengegaan: inplaats van,te heerschen over het stof zou het stof dan over u heerschen; inplaats van zijn meester te zijn, zoudt gij een slaaf wezen. Dat wat rust en zonneschijn in uw leven schijnt, is in werkelijkheid alles onrein, besmet, doorweven met onheilige elementen.
74
Ja, alle schepsel Gods is goed, met dankzegging genomen zijnde; maar alleen koninklijke naturen begrijpen dit, die geen slaaf zijn van hunne boeken, correspondentie, vriendschapsbanden, kunst en wetenschap. Geniet al deze dingen, elke verkwikking, elke teug koud waters, die u door een kind Gods bereid wordt, met dankzegging; maar wees niet door hen gebonden, erken God in alles.
Leg alles wat uw eigen leven aangaat op het altaar, ten brandoffer, daarmede bekennende, dat zelfs uwe beste en heiligste gewaarwordingen zoo besmet zijn door de zonde, dat zij in den dood moeten worden gegeven en dat wel zonder uitstel. Offer uwen Izak; dat, waarin uw hart en uw leven, al uwe verwachtingen voor de toekomst zich gronden; het dierbaarste, beste, dat gij bezit.
Heeft het niet een diepen zin, dat het brandofferaltaar was geplaatst op den weg naar het heilige? In het heilige stonden het reukofferaltaar, de tafels der toonbrooden en de kandelaar. Gij kunt het brandofferaltaar niet vermijden, wanneer gij tot levende gemeenschapsoefening met God wilt komen. Hij laat den natuurlijken mensch nimmer- tot die gemeenschap toe. Geef den âouden mensch in den dood!quot; Gij behoeft niet te vreezen; Gij hebt te doen met een liefhebbenden, genadigen, machtigen God, Die u Zijne barmhartigheid toont, juist waar Hij het onbarmhartigst schijnt.
Laat ieder weten wat hij wil en dan voorwaarts
75
trekken naar den berg Moria, het Lam volgend, door dood en opstanding.
Dan zal de wereld niet meer overladen zijn van smakeloos geworden zout; zal zij niet langer worden bedrogen door Christenen van wie zij kan maken wat zij wil: tot wie zij kan zeggen: âTot hiertoe en niet verder, of wij verklaren u voor een dweper.quot; Christenen moesten verloren zijn voor de wereld; want er zijn altijd menschen noodig die hare handelwijze veroordeelen, zooals Noach deed, die zorgde voor de toekomst, zonder zich te bekommeren over de eischen van het tegenwoordige en de tegenwerpingen van het âgezond verstand.quot;
âOverleggende, dat God machtig was, hem ook uit de dooden te verwekken.quot; Hier licht het Nieuwe Testament wederom den sluier op, die in het Oude zoo vele dingen bedekt, en verhaalt ons wat er op den weg naar den Moria in het vaderhart omging.
Was het antwoord op de vraag zijns zoons eene ontwijking, of lag er eene diepere gedachte aan ten grondslag? De naam van de plaats waar het offer zou worden gebracht, wordt genoemd (vs. 14): âDe Heere zal het voorzien!quot; Dit verklaart zijn antwoord aan Izak. Hij had het in zijn hart overlegd. âMijn God kan hem mij uit de dooden weergeven!quot; Dit is het eenige wat ons met eenige zekerheid wordt bericht van Abrahams inwendige ondervindingen gedurende deze drie gedenkwaardige dagen. Wij kunnen alleen gelooven dat hij tot het laatste oogenblik toe
76
alles aan God opdroeg, het Hem overlatende of Hij het anders wilde leiden. Dit herinnert ons opnieuw aan de inwoners van Nineveh, waar God Zijn oordeel afwendde toen Hij hun berouw zag.
Hoe velen zijn er vervallen in allerlei dwalingen, in ziekelijke, heidensche beschouwingen, door juist op het punt van het offer te luisteren naar vreemde stemmen! Onvoorwaardelijke gehoorzaamheid alleen kan ons redden van de paden onzer verbeelding; gehoorzaamheid die volhoudt tot den einde, die voor niets terugdeinst, en in alles op den Heer vertrouwt, wetende, dat Hij het zal voorzien!
Blijf bij de Goddelijke zekerheid en laat uwe oogen niet worden beneveld door menschelijke berekeningen!
Wij hebben in Abraham een voorbeeld (Hebr. XI: 19), en hij bevond dat God hem een weg tot ontkoming had geopend. God zal altijd een weg voor ons banen, zonder dat wij Hem daarin helpen. Wij behoeven niet bevreesd te zijn voor wat anderen over ons zullen zeggen. Bij het gehoorzamen aan God staat alles op het spel. Hoe licht wordt het geloof verzwakt, en het hart afgemat en zijn de voeten vermoeid! â Abrahams hart werd versterkt door de lichtstralen van zijn âweten,quot; totdat de tijd kwam, waarop God zichtbaar tusschenbeiden trad.
Laat ons in tijden van groote eenzaamheid standvastig het oog gericht houden op Jeruzalem, steeds voortgaande, gelijk onze Meester, en zooals Abraham op zijn weg naar Moria; op die wijze zullen wij
77
worden bewaard voor verkeerde, vijandige invloeden en leeren wij altijd alleen op God betrouwen. Hij bezit tallooze middelen om ons te helpen en ons nieuw licht te schenken, totdat de ure komt, waarop Hij onze uitredding heeft bepaald. De éene gewichtige voorwaarde is, dat wij in de rechte verhouding tot Hem zullen staan.
Abraham was Godvreezend.
âNu weet Ik, dat gij Godvreezende zijt, en uwen zoon, uwen eenige, van Mij niet hebt onthouden.quot;
Wanneer wij die Godvreezendheid slechts bezitten, dan kan Hij ons leiden en besturen naar Zijn welbehagen en niets kan ons verhinderen op den rechten tijd volheid van licht te ontvangen. Maar tot deze dingen komen wij slechts door de ervaring. God had Abraham gedurende die drie dagen geleid door den dood. Op zulke tijden doorzoekt Hij ons hart en ziet Hij of wij wel alles in Zijne hand hebben gegeven. Wanneer in het dal de nevelen ons omringen en wij geen uitweg zien, of als moeilijkheden ons wachten, hoe heerlijk is het dan, te kunnen zeggen: âOp den berg des Heeren zal het voorzien worden!quot; Van boven af bepaalt God den weg voor elk van Zijne kinderen: van Boven, waar geene aardsche nevelen kunnen doordringen. Van daar beschikt de Eeuwig-liefhebbende, Alles-besturende Vader, Die nooit kan misleiden, nooit langs dwaalwegen voert, het lot van elk kind. âEn indien ik geen licht kan zien, zoo aanbid ik U, en bid ik om kracht om u te volgen; U vertrouwende,
78
ook in den nacht. Vergeet nooit, dat, zelfs indien God, na u vele moeielijke lessen geleerd en u door vele geloofsbeproevingen geleid te hebben, u ten laatste uwen Izak afvraagt, â dat zelfs wanneer uw eigen leven er mede gemoeid is, Hij alleen zoo handelt om plaats te maken voor het Hoogste. Door alles in den dood te geven, krijgt de Geest van G-od ruimte voor Zijne schepping en voor Zijn werk.
INHOUD.
Hoofdst. Bladz.
I. De gehoorzaamheid des geloofs .... 9
II. Geloof in de beloften........18
III. De opvoeding des geloofs......23
IV. De houding van den geloovige tegenover G-od en menschen.........29
V. Het geloofsverbond. Het wankelen van het geloof.............35
VI. Geloof onder de kastijding, of Hagars geloof 40 VIL Geloofsgehoorzaamheid; of de Vader der
geloovigen............45
VUL Het geloof van Sara........54
IX. De voorbede des geloofs.......59
X. De offerande des geloofs.......65