GUNNING 37D16
/td. 3
GUNNING
37
/ t ' ' S-rvi^
Cte. £Zamp;-lt;?C^j2e^,
lt;^!r ie ~s ^ge-ri-d^z:
Ctits*
'/^i'
A^ne- *lt;~ej^a^c^,,^y, z. .
^-. jamp;^ ^£r-2r~.
'x4U7
/lt;amp;lt;?lt;/
^C^rCe^
O
Q
V
o ⢠.
CQ -
In
.o
quot;3
4
De algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk heeft het kopijrecht op dit Psalmboek overgedragen aan de Nederlandsche Bijbel-Compagnie en houdt geene afdrukken voor echt, dan die onderteekend zijn door den President, den Vice-president of den Secretar is.
VOOEBEKICHT.
De Algemeene Synode der Nederlandsclie Hervormde Kerk besloot in hare zitting: van 23 Augustus 1892, over te gaan tot de uitgave van een Psalmboek met herstelling der oorspronkelijke melodieën, zooals die gezongen werden in de dagen van Calvijn, op lange en korte noten.
Tevens besloot zij den Heer Dr. J. G. R. ACQUOV, Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leiden, die de Synode reeds door zijn advies aan zich had verplicht, op te dragen, de kopij van deze melodieën aan de Synode te verschaffen, aan welke opdracht met de meeste bereidwilligheid voldaan is.
De Algemeene Synodale Commissie, aan wie. bij besluit van 24 Augustus 1893, door de Algemeene Synode de zaak verder ter behandeling is opgedragen, biedt thans deze uitgave aan. die als een overgang tot eene latere, zonder kruis-teekens, wil dienen.
De kruisen toch behooren bij de Psalmwijzen niet. Zij komen dan ook in de oudste Fransche Psalmboeken en in de oudste Nederlandsclie, die slechts eene vertaling daarvan met behoud van dezelfde melodieën zijn, nergens voor. Kerst veel later is men begonnen, ze in de kerken te zingen, olschoon zij in de kerkboeken niet stonden, en sinds de nieuwe berijming van 1773 zijn zij op geen ander gezag dan dat der uitgevers in de genoemde boeken gedrukt. Ze thans plotseling weg te nemen, scheen echter niet raadzaam. Daarom zijn ze hier, bij wijze van overgangsmaatregel, boven de noten geplaatst, terwijl tevens onderscheid is gemaakt tusschen die, waarvoor iets te zeggen valt, en die, waarvoor geene enkele geldige reden bestaat.
Geheel anders is het met de lange en korte noten. Deze behooren wèl tot onze Psalmwijzen, die dan ook oorspronkelijk inderdaad rhythmisch zijn gezongen. Zou dit echter opnieuw kunnen geschieden, dan moesten zij vooraf eene herziening ondergaan. Niet alleen toch zijn er in den loop der jaren bij het drukken onnauwkeurigheden ingeslopen, maar de melodieën zelve passen niet altijd op de woorden. Dit zal niemand verwonderen, die bedenkt dat zij, meer dan drie eeuwen geleden, niet voor onze Psalmberijming,
v00rber1c ii t.
maar voor de Fransche zijn geschreven. Reeds met de Nedeiiandsclie vertaling van Datlienus kwamen zij in menige botsing, en aan de eischen van onze tegenwoordige versmaat voldoen zij volstrekt niet meer. Wil men de Fsalmen wederom rhythmisch zingen, dan moet de waarde der noten op verschillende plaatsen eene wijziging ondergaan, d. i. nu eens moeten lange kort, dan weer korte lang worden gemaakt.
üe Algemeene Synode van 1892, die de hervorming van ons kerkgezang ook in andere opzichten krachtig ter hand nam, heelt daarom besloten, tot de hierboven beschreven herziening van onze Psalmboeken over te gaan, aan de Synodale Commissie op te dragen over de uitgave daarvan met de Nederlandsche Bijbel-Compagnie in overleg te treden, en, indien dit overleg tot den gewenschten uitslag leidde, den Heer J. G. 11. Acquoy, Theol. Doet. en Hoogleeraar in de Godgeleerdheid aan de Universiteit te Leiden, uitte noodigen, de kopij voor deze uitgave te bezorgen. Genoemde Heer heelt zich daartoe welwillend bereid verklaard en, na ontvangen zekerheid van de Synodale Commissie in Juli 1894, zich aan den arbeid begeven met het gevolg, dat de Commissie in hare vergadering van Mei 1895 in het bezit was zoowel van de kopij voor de oflicieele uitgave in 4° met den altsleutel en op vierkante noten, als voor de daarop gegronde uitgave in kerkboek-formaat in hedendaagsch notenschrift, d. i. met den vioolsleutel en op ronde halve en kwartnoten, alles overeenkomstig het bovengenoemd besluit der Synode.
Bij de oflicieele of standaard-uitgaven in 4° zijn de oudste Fransche drukken van 1562 en '63 en de oudste Nederlandsche van 1566 en '67 zorgvuldig geraadpleegd, opdat vóór alles de oorspronkelijke lezing der melodieën mocht vaststaan. Vervolgens is (met uitzondering van de beginnoten van ieder vers, die op muziek-historische en prac-tische gronden overal lang zijn gelaten) daar waar de rhythmus der zangwijzen rechtstreeks tegen het metrum der woorden indruischte, de waarde der noten met den eisch der versmaat in overeenstemming gebracht. De Hoogleeraar is daarbij van zeer strenge beginselen uitgegaan en heeft niets gewijzigd, wat niet voor alle verzen van denzelfden Psalm dringend wijziging behoefde. Hij heeft getracht, hierbij zooveel mogelijk naar de bedoeling der toonzetters zeiven te handelen. Daarenboven heeft hij door twee eenvoudige teekens van alles rekenschap gegeven. Wie die teekens in acht neemt, kan zonder eenige moeite
VOORRERICHT.
de oorspronkelijke lezing terugvinden. En zoo is deze nieuwe uitgave tevens als een streng critisclie van de oude te beschouwen.
Aangaande de melodieën der twaalt' Gezangen achter de Psalmen zij nog medegedeeld, dat daarop, zooveel dit noodig bleek, dezelfde methode is toegepast. Bij de Tien Geboden de drie Lofzangen, het Gebed des Heeren, dc eerste berijming van de Twaalf Artikelen des Geloofs en den Bedezang vóór de predikatie zijn de oudste uitgaven van Petrus üathenus (15t;t) en 'lt;)7) geraadpleegd, bij den Morgenzang Psalm 100, bij den Bedezang vóór en den üankzang na het eten een druk van 1581, terwijl voor de tweede berijming van de Twaalf Artikelen des Geloófs en voor deu Avondzang eenvoudig de melodieën zijn gevolgd, zooals die in de Psalmboeken na 1773 voorkomen. Het zou dwaas zijn, thans nog tot de oorspronkelijke Duitsche wijzen dier gezangen (respectievelijk van 1524 en van 1535) te willen terugkeeren. Ook was bij deze uitgave als voorwaarde gesteld, dat er aan de opeenvolging der noten niets zou worden veranderd.
En dit voert ons tot hetgeen ten slotte nog eens met nadruk zij gezegd. Niet de noten, maar slechts de waarde van sommige noten is gewijzigd, en de kruisen zijn niet weggenomen, maar slechts boven de noten geplaatst. Wie, zooals het thans bij ons gebruikelijk is, de noten allen even lang en met kruisen wil blijven zingen, kan zich even goed van deze uitgave als van de vroegere bedienen. Wie daarentegen tot den oorspronkelijken zingtrant der Gereformeerde kerken wenscht terug te keeren, zal het alleen volgens deze uitgave met goed gevolg kunnen doen. Tevens zal hij dan bemerken, hoeveel kloeker en krachtiger, bovenal hoeveel bezielder en bezielender, dc Psalmen in den tijd der Hervorming en nog lang daarna hebben geklonken.
's-Gravenhagc, 22 Mei 1895.
Ue Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk,
M. A. PEUK, President.
I OVERMAN, Secretaris.
VERKLARING DER TEEKENS.
Een # of I? boven «Ie noot duidt aan, dat het kruis of lierstellingsteeken zich eenigermate laat verdedigen.
Een (ii) of (Ij) hoven de noot duidt aan, dat het kruis of het herstellingsteeken zich niet Iaat verdedigen.
HET BOEK DER
PSALMEN.
staat, Noch neder - zit, daar zulken sa-men-
i^mü
m
i
2. Want hij zal zijn gelijk een frissche boom,
In vetten grond geplant bij eenen stroom ,
Die op zijn tijd met vruchten is beladen,
En sierlijk pronkt met onverwelkte bladen.
Hij groeit zelfs op in ramp en tegenspoed;
Het gaat hem wel; 't gelukt hem wat hij doet.
3. Gansch anders is 't met hem, die 't kwaad bemint: Hij is als kaf, dat wegstuift voor den wind.
Geen zondaar zal 't gewis verderf ontkomen.
Als in 't gericht door God wordt wraak genomen. Hij, die van deugd en godsvrucht is ontaard, Zal niet bestaan, daar 't vrome volk vergaèrt.
4. De Heer toch slaat der menschen wegen ga, En wendt alom het oog van zijn genè
rot - ten. Die roe - ke - loos met God en
Ãp zulken, die, oprecht en rein van zeden,
Met
1
PSALM 1, 2.
Met vasten gang het pad der deugd betreden. God kent liun weg, die eeuwig zal bestaan: Maar 't heilloos spoor der bnozen zal vergaan.
de tweede 1' s a l 51.
Wat drift be-heerscht liet woe-denil liei-den-
dom , En heeft het hart der vol - ken in - ge-
no - men? De ko-nin-gen ver- hef-fen
i
zich al - om ; De vor-sten zijn ver-me-tel
ÃS:
saam-ge - ko - men, Om God, den heer, zelfs
naar de kroon te ste-ken, En te - gen zijn
Ge - zalf-den op te staan ; Zij spre-ken saam :
⢠Laat ons luin ban - den bre-ken, En van hun
juk en tou - wen ons ont - slaan !quot;
2. Maar d'Opperheer, die zijn geduchten stoel Op starren sticht, en grondvest op de wolken.
I
Zal lachen met dat vruchteloos gewoel, En spotten met den waan der dwaze volken.
God
I' s A L M 2 , 3.
God zal zijn wraak ontdekken \oor hun oogen;
Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht; 't Is God, die spreekt; Hij dondert uit den hoogen, En jaagt den schrik zijn' haatren in 't gezicht.
3. quot;Durft gij bestaan te twisten met mijn kracht? «Zal nietig stof Mij 't hoog gezag ontwringen ,
»Ãf weerstand bièn aan mijn geduchte macht? -Ontziet mijn toorn, verdoolde stervelingen!
-Gij zult vergeefs mijn rijksbestel weerstreven;
quot;Mijn Koning is gezalfd door mijn beleid;
»Hij , door mijn hand op Sions troon verheven, quot;Heerscht op den berg van mijne heiligheid.quot;
P a U z E.
4. En ik, die Vorst, met zooveel macht bedeeld, Zal Gods besluit aan 't wereldrond doen hooien.
Hij sprak tot mij: 'k Heb heden U geteeld;
«Gij zijt mijn Zoon; Gij zijt mijn eengeboren;
«Zeg vrij uw eisch; Ik zal uw macht verhoogen,
quot;Updat uw naam alom ontzaglijk zij;
«Het heidendom ligg' voor uw stoel gebogen, ⢠En 't eind der aard' erkenn' uw heerschappij!
5. quot;Uw ijzren staf, die al hun macht verplet,
»Maak' hen eerlang eerbiedig' onderzaten,
«En noodzaak' hen te buigen voor uw wet,
»0f sla z' aan gruis, als pottenbakkers vaten!quot; ü Vorsten, wilt de wet der wijsheid hooien.
Eer gij God zelf en zijn Gezalfde hoont.
ü Rechters, tot den stoel der eer gekoren.
Verdraagt zijn tucht, die u zijn liefde toont. (gt;. Vreest 's heeren macht, en dient zijn majesteit; Juicht, bevend op 't gezicht van zijn vermogen.
En kust den Zoon, vanouds u toegezeid.
Eer u zijn toorn verdelg' voor aller oo^en,
U op uw weg tot stof doe wederkeeren.
Wanneer zijn wraak, getergd door uw gedrag, U onverhoeds zou door haar gloed verteren.
Tot staving van zijn langgehooud gezag.
7. Welzalig zij, die, naar zijn reine leer,
in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer!
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen!
3
| ||||||||||||||||
|
Hoe vrees-lyk groeit, o God, Het saam-ge* zworen |
3E
v-
mij ,
Hoe bit-ter ik ook lij', Nog de-ze
smaadtaal hoo - ren: «God /.al hem nu niet meer
Ver - los - sen , als wel - eer;
heil be-scho-ren.*'
2. Maar, trouwe God, Gij zijt Het schild, dat mij bevrijdt.
Mijn eer, mijn vast betrouwen. Ãp U vest ik het oog;
Gij heft mijn hoofd omhoog, En doet m' uw gunst aanschouwen, 'k Riep God niet vruchtloos aan; Hij wil mij niet versmaan in al mijn tegenheden;
Hij zag van Sion neer, üe woonplaats van zijn eer. En hoorde mijn gebeden.
3. Ik lag en sliep gerust.
Van 'sHeeren trouw bewust. Tot ik verfrischt ontwaakte.
Want God was aan mijn zij :
Hem
is geen
i
Hij
psalm 3, 4.
5
Hij ondersteunde mij In 't leed, dat mij genaakte. Ik zal, vol heldenmoed. Daar mij zijn hand behoedt, Tienduizenden niet vreezen. Schoon ik, van allen kant. Geweldig aangerand En fel geprangd moog' wezen.
4. Sta op, verlos mij, heer! Gij hebt, o God. weleer Getoond voor mij te waken, Mijn haters onderdrukt, En mij 't gevaar ontrukt; Gij sloegt hen op de kaken, V erbrekend on verwacht Hun tanilen door uw macht, 'k Heb d' overhand verkregen. Gij, heek, alleen, Gij zijt Verwinnaar in den strijd. En geeft uw volk den zegen.
f
m
DE vierde I» S A L m.
Wil mij, wan-neer ik roep, ver-hoo-ren.
^ gJâ =^|=g= =j=
ü God, die mij - ne recht - zaak redt.
Gij hebt in angst mij hulp be - scho-ren,
En mij doen gaan in rui-me spo - ren.
Be - toon ge - na; lioor mijn ge - bed.
ÃÃ^
|
Wat mougt gij, mau - nen, toch he - gin-nen? | ||||||||
| ||||||||
|
Zal steeds tot schan - de zijn mijn eerV |
Zult
En, t*ee-nc-maal be-roofd van zin-ncn,
De leu-gen zoe-ken, keer op keer?
2. Herinnert u, gij roekeloozen ,
Dat zich de heer een Gunstgenoot Heelt afgezonderd en verkozen.
Hij doet mij nooit van schaamte blozen,
Die, als ik riep, mij bijstand bood.
Zijt gij beroerd, onsteld, verlegen,
Zoo zondigt niet; verzaakt uw wil;
Spreekt in uw hart; herdenkt uw wegen, Op 'teenzaam bedde neergezegen.
En weest in all' ontmoeting stil.
3. Dan zult gij recht naar 'touter treden.
En offren God een rein gemoed.
Het offer der gerechtigheden En 'tzuivre reukwerk der gebeden.
Betrouwt op Hem, want Hij is goed.
Daar velen twijlelmoedig vragen:
-Wie zal ons 'tgoede toch doen zien?quot; Doe Gij, o heek, na 't anstig klagen.
Ons 't lieflijk licht uws aanschijns dagen, En wil uw rijke gunst ons bièn.
4. Gij hebt m' in t hart meer vreugd gegeven,
Dan anderen smaken, in een tijd,
Als zij, door aardsch geluk verheven. Bij koorn en most wellustig leven,
In hunnen overvloed verblijd.
Ik zal gerust in vrede slapen,
En liggen ongestoord ter neer;
Want Gij alleen, mijn schild en wapen. Schoon 'tonheil schijnt voor mij geschapen. Zult mij doen zeker wonen, heer!
i) e v 1 j f 1) e 1' s a l m.
Neem, HEER, mijn ba» - ge klacht ter oo-ren;
Zie,
P S A L M 5. 7
Zie, als 't aan woor-den mij ont-breekt,
^^g^^]^EEÃ|^E|EpE|E^|^
Wat d'o - ver - lt;len-king in mij spreekt;
-=j-quot; :zWâ
Ge-waar-dig U, uit 's lie - mels ko-
i^üü^iüiipl^ ren Mijn stem te hoo - ren.
2.81a ieder xuclit, mijn liait ontgleden,
Opmerkend ga; schenk mij 't genot Dws heils, mijn koning en mijn God!
Ik zal tot U met mijn gebeden Eerbiedig treden.
3. Ik zal, door ijvervuur aan 't blaken,
à heer, bij 'tsclieemrend morgenlicht Mij stellen voor uw aangezicht.
Oprechte boezemzuchten slaken,
En biddend waken.
4. Gij, die geducht zijt in vermogen.
Verdraagt dc goddeloosheid niet;
Gij zult, o God, die 'tal doorziet.
Den booze voor uw he lig' oogen Geenszins gedoogen.
5. Wie zinloos, zonder t' overwegen
Wat hem betaamt, tot ü durft gaan.
Zal voor uw aanschijn niet bestaan.
Gij haat, en staat hen billijk tegen.
Die onrecht plegen.
p A ü z E.
6. Gij, heer, verdelgt den logenspreker.
Hij, die zijn hand met bloed bevlekt. En gruwlen met bedrog bedekt.
Tergt, als de snoodste wet vei breker,
Den hoogsten Wreker.
7. Maar mij ontmoet uw mededoogen:
Ik zal, uw woning ingeleid.
En, naar 't paleis der heiligheid In ware godvrees neergebogen,
Uw gunst verlioogen.
8. Leid
PSALM 5, 6.
8. Leid mij in uw gerechtigheden
Om mijn verspiedren wil, en richt Uw wegen voor mijn aangezicht; Dan zal ik veilig voorwaarts treden Met vaste schreden.
9. Al 't recht is van hun mond geweken ;
Zij leggen 'top verderven toe;
Hun keel is nooit verslindens moe; Hun tong tracht, vleiend, ons door treken Naar 't hart te steken.
10. Draagt Gij, o God, hen nog geduldig?
Verwoest hun raadslag; drijf hen heen. Daar z' uwe wet zoo stout vertreên. Zij tergen U te menigvuldig:
Verklaar hen schuldig.
11. Maar geel' uw' dierbren gunstelingen.
Wier geest in L) zijn sterkte vindt.
Wier hart uw naam oprecht bemint, In ü volvroolijk op te springen.
En blij te zingen.
12.'t Rechtvaardig volk zult Gij beloonen. Terwijl Gij, heer, hen overdekt. Hun tot een veilig schild verstrekt.
Gij zult goedgunstig hen bekronen,
Ja bij hen wonen.
DE ZE S I) E 1» S A L M.
O HEER, Gij ïijt wel-da - - - - dig.
Straf mij niet on - gc - na - dig In
n - wen toor-ne - gloed. Ai, ma - tig
nw kas - tij - den; Sla mij met me - de-
lij - den. Ge - lijk een *a - der doet.
2. Ver-
8
PSALM 6.
2. Vergeef mij al mijn zonden,
Die uwe liooglieid schonden.
Ik ben verzwakt, o heer!
Genees mij; red mijn leven:
Gij ziet mijn beendren beven; Zóó slaat uw hand mij neer.
3. Mijn ziel, gansch neergebogen, Schrikt voor uw heilig' oogen
In dezen jammerstaat.
Hoe lang zal ik nog klagen?
Hoe lang uw gramschap dragen, 0 heer, mijn toeverlaat?
4. Keer eindlijk. heer, toch weder.
Mijn ziel huigt zich ter neder.
Ai, red haar van 't verderf; Sla mijn ellende gade Tot roem van uw genade.
En help mij, eer ik sterf.
5. Want wie kan, na 't verscheiden. Op aarde meer verbreiden
Uw grootheid en uw lof?
Wie zal uw gunstbewijzen In 't zwijgend graf ooit prijzen, U zingen in het stol'?
6. Uw strenge gceselrocde
Maakt mij van 'I zuchten moede,
Verteert geheel mijn kracht.
Ik voel uw slagen klemmen.
En doe mijn bedde zwemmen In tranen, al den nacht.
7. Mijn oog is rood gekreten. Van tranen uitgebeten.
Verouderd en doorknaagd.
Daar ik, in mijn ellenden.
Door al mijns vijands benden Verdrukt word en gejaagd.
8. Mijn ziel grijpt moed. Wijkt, boozen Vlucht van mij weg, godloozen!
De heer heeft mijne klacht Met toegenegen ooren Genadig willen hooren.
En al mijn smart verzacht.
9. De heer wild' op mijn kermen Zich over mij ontfermen;
Hij heeft mijn stem verhoord. De heer zal op mijn smeeken Geeu hulp mij doeti ontbreken; 1!Ij houdt getrouw zijn woord.
PSALM 6, 7.
10. Hij 7,al mijn haters weren, Hen straks terug iloen keeren,
Besiliaamil en vul van schrik. Zijn grimmigheid, aan 't blaken, Zal hen te schande maken.
10
Zelfs in een oogenblik.
de z e v e n i) e p s a l m.
izt
U heer, mijn God, vol-za-lig We-zen.
Â¥ ^
'k Be - trouw op U; wien zou ik vree-zen?
Ked mij hulp - vaar-dig uit den nood,
Eer mij mijn vij - and breng' ter dood.
Geef mij ten roof niet in zijn ban-den.
Die mij met fel - le lecu-wen-tan - den
Ver - scheu-ren zou door wond op wond,
| ||||||||
|
Wan-neer ik geen ver - los - ser vond. |
2. Mijn God, zoo 'k immer heb bedreven Het hooze stuk, mij aangewreven,
't Onkreukbaar recht ooit heb gefnuikt,
En een oneven schaal gebruikt.
Of kwaad voor goed heb toegewogen,
En mijnen vre genoot bedrogen (Hem heb ik zelfs 't gevaar ontrukt.
Die mij ten onrecht had verdrukt):
3. Zoo
Bfc=
1' S A L M 7.
3. Zoo moet mijn vijand op de liielen Mij volgen, ja golieel vernielen;
'Hij roov' mijn leven en mijn eer,
En werp' mijn kroon ter aarde neer.
Sta op, o IIEER. wil mij behoeden;
Uw gramschap strafl* mijns vijands woeden; Ontwaak voor mij, en keer 't geweld;
't Gericht hebt Gij zelf ingesteld.
4. Zoo zullen zich geheele scharen Van volkren om U heen vergaren.
Beklim dan boven dit gewoel Uw hemeltroon, uw rechterstoel.
De HEER zal al de volken richten.
En t onrecht voor het recht doen zwichten.
Geef dan, o heer, dat voor elks oog Mijn recht en vroomheid blijken moog'.
igt; A U /. E.
5. Laat toch het kwaad der goddeloozen Een einde nemen; straf de boozen;
Maar sterk uw volk, dat hulp behoeft.
Gij, die elks hart en nieren proeft.
Laat vrij voor U mijn vijand vreezen,
Voor U, rechtvaardig Opperwezen!
Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild.
Die 't vroom gemoed behouden wilt.
Igt;. God, die op 't recht zijn troon wil stichten.
God is rechtvaardig iri zijn richten.
En toont zijn gramschap dag aan dag.
Bestrijdt dé niensch zijn hoog gezag.
Blijft hij zich tegen Hem verzetten.
God zal zijn glinstrend wraakzwaard wetten; Hij kromt en spant alrec zijn hoog.
En dreigt met pijlen van omhoog.
7. God heeft de waapnen aangegrepen.
Tot's vijands wissen dood geslepen;
Hij legt de pijlen op hem aan;
Wie hittig woedt zal niet bestaan.
De booze wringt en kromt de leden,
In arbeid van onzinnigheden;
Hij gaat van dwaze moeite zwaar.
Verwacht dan, dat hij leugen baar'.
8. Hij heeft een diepen kuil doen delven.
Miiar 't was, bij d'uitkomst, voor zich zeiven. Schoon hij. met zooveel loos beleid ,
Dien had tot mijn verderf bereid.
De moeite, die hij dorst verwekken,
Zal zijnen kop eerlang bedekken.
En zijnen schedel al 't geweld ,
Waarmee hij andren had gekweld.
9. Ik
11
12 P s a l M 7, 8.
9. Ik zal liet eeuwig Wezen prijzen. Zijn recht de sclmldig' eer bewijzen, Kn zingen 's Allerlioogsten lof Met psalmen, tut in 't liemelliof.
DE ACHTSTE PSALM.
neer, groot-macli-tig: Op-per-
Hoe wordt uw naam op aard' al-
EgEtEEEH^tEE
om ge - pre - zen! Gij , die den glans ^an
u - we ma - je -steit Hebt bo - ven
f^E===i^
lucht en heem-len uit - ge-breid.
2. Uw mogendheid heelt sterkte willen gronden Uit kindren-, ja uit zuigelingenmonden.
Zoo breekt uw haml des vijands boos geweld,
Daar Gij zijn haat en wraakzucht palen stelt.
3. Sla ik naar 't ruim der heldre hemelbogen. Dat heerlijk werk van uwe vingren, d'oogen;
Zie ik bedaard den glans der zilvren maan. En 't starrenheir, door U geschapen, aan;
4. Mijn God, wat is de mensch dan op deez' aarde! De broze mensch, hoe klimt hij tot die waarde.
Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt. En 's menschen zoon uw teerste liefde schenkt!
PAUZE.
5. Gij deedt hem wel, een weinig tijds, beneden Het englenheir een rang en plaats bekleeden,
31aar hebt hem ook uw rijkste gunst betoond. En hem met eer en heerlijkheid gekroond.
6. Gij geel't hem, wijd en zijd in alle landen, De heerschappij der werken uwer handen,
Ja zet èn aard' èn zee voor 's menschen zoon ,
Door uw gezag, ter voetbank van zijn troon.
7. Waar
Heer, on - ze
Sl;
p s a l m 8, 9.
7. Waar schapen zijn, of ossen in de weiden;
Waar eenig \ee op bergen zij ol' heiden;
Waar 't wild gediert' ook zwerv' in wond en veld, Gij hebt het al in zijne macht gesteld.
8. Wat vooglen door den ruimen luchtkring zweven; Wat visschen er in stroom en beken leven,
En wat de paèn doorwandelt van de zee.
Zijn hoog bevel deelt hij aan allen mee.
9. Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen, Hoe billijk wordt uw groote naam geprezen!
Hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond, üie groote naam door 't gansche wereldrond!
DE NEGENDE PSALM.
Ik zal met al mijn hart den keer Blij - moe - (lig ge - ven lol' cn eer;
Mijn tong zal mijn ge - moed ver - zei - len.
En al uw won-de - ren ver - tel - len.
2. Ik zal in U, mijn God, van vreugd Opspringen, in den geest verheugd;
Uw naam zal door mijn psalmgezangen, 0 Allerhoogste, lof ontvangen.
3. Omdat mijn vijand, hoe geducht,
Teruggekeerd is en gevlucht;
Hij is, schoon stout te veld getogen.
Vergaan, gevallen voor uw oogen.
4. Want, naar uw allerheiligst recht.
Hebt Gij mijn twistgeding beslecht;
En, op uw Imogen troon gezeten,
Deedt Gij, o Rechter, 't vonnis weten.
5. Gij scholdt de heidnen keer op keer,
En wierpt de goddeloozen neer;
Hun naam, hun roem hebt Gij vertreden, En uitgedelgd in eeuwigheden.
eerste
13
1' S A L N 9.
E E 11 S T E I' A II Z E.
6. O vijand, hebt gij door uw macht
t Verwoesten voor altoos volbracht?
Hebt gij de steden gansch bedorven?
Is haar gedachtenis verstorven?
7. Neen, dwaas, uw hoop zal ras vergaan, Maar s heeren troon zal eeuwig staan;
Dien wilde Hij onwrikbaar stichten. Om naar het heilig recht te richten.
8. Hij zelf zal aan het wereldrond
Het recht doen hooien uit zijn mond. De volken voor zijn vierschaar stellen, En daar 't rechtmatig vonnis vellen.
9. De heer zal zijn een hoog vertrek Voor die getrapt wordt op den nek;
Een hoog vertrek in drukkend lijden, Een toevlucht in benauwde tijden.
10. Hij' die uw naam in waarheid kent. Zal' HEER, op ü in zijn ellend'
Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten Hen, die geloovig tot ü vluchtten.
TWEEDE P A ü Z E.
11. Zingt, zingt den heer, die eeuwig leeft. Die Slon tot zijn woning heeft;
En laat, voor aller volkren ooren. Met psalmgezang zijn daden hooien.
12. Hij zoekt en Hij gedenkt het bloed. Gestort in wreevlen euvelmoed;
Hij toont der armen nood te weten.
En zal hun kermen niet vergeten.
13. Bewijs, o heer, uw knecht genè;
Sla mij in mijn ellende ga ;
Zie, hoe mijn haters mij verdrukken, Gij, die mij wilt den dood ontrukken.
14. Opdat ik, heer, II blij te rnoè In Sions poorten hulde doe.
En in uw heil, ten allen tijde.
Met Sions dochter mij verblijde.
15. De heidnen zijn, door waan misleid. Gestort in kuilen, mij bereid;
Hun voet verwart zich in de netten.
Die z' in 't verborgen voor mij zetten.
DERDE 1' A U Z E.
10. Thans is de HEER bekend alom.
Door recht te doen bij 't heidendom;
p s a l m 9, 10.
De goddelooxe raakt in bandon,
Verstrikt in 't werk van zijne liaiuien.
17. De stoute zondaars zullen snel Teruggekeeren naar de hel,
Met al de godvergeten benden
Der heidnen, die zijn wetten schenden.
18. Nooddruftigen verpeet God niet,
Noch laat hen eindloos in 't verdriet.
't Kllendig \oIk mag op Hem wachten; Hij zal hun hoop niet steeds verachten.
19. Sta op, o HEER, en iaat den mensch Zich niet versterken naar zijn wensch;
Maar oordeel dij, in 't wraakgerichte. De heidnen voor uw aangezichte.
20. o heer, Jaag hun vervaardheid aan. En doe de heidenen verstaan.
Dat zij, die Sions rampen wenschen. Geen goden zijn, maar broze menschen.
volk in zij - nen jam - mer - staat. Dat
hen 'the-sluit, tot ons ver - derf ge - nomen,
15
16 PSALM 10.
men. In 't war-net breng', en seine-lijk
om doe ko - - - men!
2. Want op zijn wenscli beroemt zich 't godloos rot; Het zegent vast den gierigaard, en spreekt
Tot laster van den illerhoogsten God,
Terwijl 't verwaand den neus omhooge steekt,
En in zijn hart geen onderzoeking kweekt.
Maar koestert deez onzinnige gedachten:
«Daar is geen God; geen loon noch straf te wachten.quot;
3. Zijn handelwijs baart altijd smart op smart,
Terwijl zijn oog naar straf noch oordeel ziet; En, daar hij stout uw hoog gerichte tart.
Itlaast hij met smaad op al wie weerstand biedt. En zegt in zijn gemoed: - Ik wankel niet,
«Terwijl ik, van geslachte tot geslachte,
»Up mijnen weg geen tegenspoeden waclite.quot;
4. Zijn mond is vol van vloek, bedrog en list;
Zijn tong bedekt de moeit' en 'tzielsverdriet;
Zijn boosheid is met valschen schijn vernist; In hinderlaag, daar niemands oog hem ziet, Verbergt hij zich, valt ijlings uit, vergiet
Onschuldig bloed; hij weet van geen erbarmen.
Maar sluit zijn oog voor 't bitter leed der armen.
i» A U z E.
5. Hij loert, en houdt zich in het donker schuil.
Gelijk een leeuw, die in een hol zich zet; O'ellendigen verrast hij uit zijn kuil;
Hij heeft zijn klauw en tanden scherp gewet. En trekt zijn prooi in 't dichtbelommerd net; Hij buigt zich, duikt, en ijlings toegeschoten.
Valt d'arme hoop hem in de sterke pooten.
6. Hij vleit zich, dat de Godheid dit vergeet'. Het aangezicht verberg', niet gadesla ,
Noch immer zie der armen nood en leed.
Bewijs, o heer, d'ellendigen gena;
Betoon, dat ü hun smart ter harte ga;
Sta op; verhef uw hand, om hem te straffen.
En raad en hulp den armen te verschaffen.
7. Waarom ontrooft de lasteraar Gods eer?
Wat vleit hij zich, dat God het niet aanschouw'? Gij ziet het toch. waarheen hij zich ook keer'; Want Gij merkt op de moeite, smart en rouw.
PSALM 10, 11.
Updat men 't U in handen geven zou. Op U verlaat zich d'arme; zou liij vreezen? Gij immers zijt een trouwe hulp der weezen.
8. Fnuik Gij, o heer, der goddeloozen kracht; Verbreek hun arm; dat U de hooze ducht'! Zie neer in toorn op dit ontaard geslacht,
Opdat het nooit uw streng gericht ontvlucht'. Maar ete van zijn werk de bittre vrucht.
De heer zal toch als Koning eeuwig leven; Het heidendom is uit zijn land verdreven.
9. O heer. Gij wilt, door goedheid aangespoord. Den wensch van uw zachtmoedig volk voldoen; Gij zult hun hart versterken naar uw woord. Verdrukten door uw godlijk recht hehoèn,
En U ter hulp van arme weezen spoên;
Opdat een mensch, uit nietig stot geboren,
Niet voortga door geweld de rust te storen.
de elfde p s a l m.
Op God al - leen be - trouw ik in mijn noo - den. Hoe 7.egt gij trotscli tot mij in
mijn ver - driet: «Nu ij - lings heen! nu naar 't ge-bergt' ge - vlo-den. Ge - lijk vol
angst een schu - we vo - gel vliedt!quot; Men
' * I # 'I quot;* *quot; I » â m \ ^ -l
ziet den lioog door god - de - loo - zen stel-
len; Men spant de pees; men schikt den pijl,
en
17
PSALM II, 12.
cn schiet, Om on - vcr-wacht d'op - rcch -ten
llt;|gt; ; \ Uy II.---
neer te vel - len.
2. Dus wordt gewis in 't veilig samenleven
De grondslag van 't vertrouwen omgerukt.
Wat heelt het volk, 't rechtvaardig volk, misdreven?
Maar d' Opperheer, voor wien al 't schepsel hukt.
Ziet van ziju troon oplettend naar beneden;
Hij, die nooit duldt, dat d'onschuld wordt verdrukt. Proeft elks gedrag, zelfs met zijn oogeleden,
3. D' alwijze God beproeft weieens d' oprechten,
En tuchtigt hen; maar elk, die 't kwaad bemint. Die met geweld zijn naaste durft bevechten.
Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslind'. God heeft alreeds der boozen straf gezworen;
Straks dalen vuur en strikken, wervelwind En zwavel neer; die kelk is hun beschoren.
4. Rechtvaardig is de heer in al xijn handel;
Hij. die in 't recht zijn welbehagen vindt.
18
Slaat gunstig 't oog op aller vromen wandel.
d e t w a a l f d e i» s a l 31.
Be-houd, o heer, wil ons te hul-pe ko-
âè--Ã
i
Ã3
v ree Ã]
men, Daar't volk ont-breekt, dat liefd' en vree
-l-r
i
S -
be - tracht, De trouw be -/.wijkt, en 't klein ge-
tal der vro-men Nog klei - ner wordt in
't men-sche - lijk ge -slacht.
2. 't Is
PSALM 12, 13.
2. t Is al bedrog en valschlieid, wat zij spreken;
De vleierij, een bron van bittre smart,
Glijdt van de tong als vloeiend' oliebeken;
Zij spreken niet dan met een dubbel hart.
3. De HEER, die 't waar* van 't valsch' kan onderscheien.
En 's menschen hart, hoe listig ook, doorziet.
Snij' spoedig af de lippen, die ons vleien.
De trotsclie tong, wier grootspraak elk verdriet.
4. Die zeggen: «Wij, wij zullen zegepralen
-Met onze tong; zij staat in ons geweld; «Wat oppermacht zet onze lippen palen?
«Wie is de heer, die ons de wetten stelt?quot;
5. Omdat mijn volk verwoest wordt en verdreven;
«Omdat het kermt, nooddruftig treurt, en zucht, «Zal Ikquot;, zegt God, »Mij nu ter hulp begeven, quot;En drijven, die hen aanblaast, op de vlucht.quot;
6. Des H EE ren woord is rein, en al zijn spreken
Is zuiver, als het allerfijnst metaal;
Nooit is het schuim van 't zilver zóó geweken,
Schoon in den kroes gelouterd zevenmaal.
7. Gij zult uw volk in bange tegenspoeden,
Hoe 't ga, o heer, bewaren door uw kracht; Uw arm zal hen in eeuwigheid behoeden Voor dit verdraaid en wrevelig geslacht.
8. De booze keurt zich vrij van alle banden.
En draaft rondom, terwijl hij 't land beroert.
19
Daar 't snoodste volk de teugels krijgt in handen. En tot den top van eer wordt opgevoerd.
DE DE R T 1 E N I) E 1' S A L M.
|
Hoe lang, o heer, mijn toe - ver - laat. Ver -gctt Gij, mij - «en jam - mer - staatV | |||||||||
| |||||||||
|
Van mij uw vriend-lijk aanschijn den, |
p S A L J1 13, 14.
'lt;1 =
den. Daar al mijn moed en kracht ver-gaat V
2. Hoe lang zal ik , door tegenheên,
In 't hart vergeefs ontwerpen smeên. En vruchtloos schreien gansche dagen?
Hoe lang /al mij mijn vijand plagen.
En mij verachtelijk vertreên?
3. Aanschouw mijn rr.mp; verhoor mij, HEElt; Ai. zie 0|) al mijn lijden neer;
Verliclit, mijn God, verlicht mijn oogen.
En laat uw goedheid niet gedoogen,
Dat mij de slaap des doods verteer.
4. Opdat de vijand, die mij haat,
Niet juich' in mijn bedrukten staat.
Mij nooit van God verlaten noeme,
Koch in mijn wanklen zich beroeme.
Dat mij hun overmacht verslaat.
5. Maar in dit smartelijk verdriet Mistrouwt mijn hart uw goedheid niet;
Neen, *1 zal zich in uw heil verblijden.
Ik zal den heer mijn lofzang wijden.
20
m
Die mij genadig bijstand biedt.
DE VEERTIENDE P S A L M.
T r-fjj
mü
! -
De trot-sche dwaas zegt in zijn boos ge-
ii
- = 1 ' ' I ^ M ; « I
1
moed; «Daar is geen God.quot; Zij doo-ven
't licht (Ier re - den, En ma - ken zich door
m
^ » I # * I =: I hl -1 * - »'1
2. De
gru - we - lij - ke ze - den Af-schu-we-
lijk; daar is geen mensch, die goed Op
aar - de doet.
PSALM 14, 15.
2. De groote God, die 't recht verdedigt, sloeg Van *s hemels troon zijn oogen naar beneden
Op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden; Hij zag, ol' zich geen mensch verstandig droeg. En naar Hem vroeg.
3. Hij zocht alom, maar ach. Hij vond er geen.
Want alle vleesch is trouwloos afgeweken;
Het land is vol van stinkende gebreken;
Geen sterveling wil 't pad der deugd betreen. Ja zelfs niet één.
4. Heeft dan dit volk, «lat groeit in euveldaan.
Geen kennis? Neen; thans durven die ontzinden Met gul/.igheid mijn volk als brood verslinden.
Zij roepen op hun godvergeten paan Den heer niet aan.
5. Daar valt de vrees hen aan, en breekt hun kracht. En pijnigt hen met doodelijke nepen;
Zij worden door vervaardheid aangegrepen;
Want God is bij 't rechtvaardige geslacht.
Dat op Hem wacht.
(gt;. Gij spot vergeefs, beschimpende den raad Van 't arme volk, dat, midden in d'ellenden,
Naar 's hemels troon gewoon is 't oog te wenden, En zich in zijn bedrukten Jammerstaat Op God verlaat.
7. Och daalde 't heil uit Sion spoedig neer Voor Israël! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden.
En Israël al juichend geven d' eer Aan zijnen Heer.
| ||||||||||||||||||||||||
|
Met zulk een on - waar deer-baar lot. |
hij. by 't heug-lijkst gunst-ge - not,
Uw
21
22 I' S A L II 15, 16.
=1^PS| ⢠' I
Uw hei - lig Si - on moog' be- wo -nen?
2. Die in zijn wandel zich oprecht En wars betoont van valsciie streken,
Zijn aandacht aan uw wetten hecht,
Zich op de deugd niet ijver legt,
En waarheid met zijn hart blijft spreken.
3. Die met zijn tong niet achterklapt.
Geen kwaad doet aan zijn metgezellen,
Niet in het spoor van laster stapt.
Maar, zoo men iemands eer vertrapt.
Dien smaad wil hooren noch vertellen.
4. Wiens oog verworpenen veracht.
Maar hen eerbiedigt, die God vreezen;
Die zich voor roekloos zweren wacht.
Doch 't geen hij zweert getrouw betracht. Al zou 't hem ook tot schade wezen.
5. Die nooit zijn geld op woeker geeft; Die, d'onschuld en het recht genegen.
Het oog op geen geschenken heeft.
Wie dus oprecht en deugdzaam leeft. Zal nimmer wanklen op zijn wegen.
|
DE ZESTIENDE 1' S A L M. | ||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||
|
en heer.uw Bond-god, dur-ven spre ken: | ||||||||||||||||||||||||||||||
p s a l m 16, 17.
23
3
â Gij zijt ile heer; ik /.al ü
goed- lieid niet kan ra - ken.quot;
2. Maar 't heilig volk, dat op deez' aarde leeft.
Dat heerlijk volk, mijn lust, ontvangt al 't voordeel.
De snoode schaar, die rijke giften geeft Aan andre goón, verzwaart de smart in 't oordeel, 'k Zal op 't altaar hun offerbloed niet plengen.
Noch ooit hun naam op mijne lippen brengen.
3. Getrouwe heer. Gij wilt mijn goed, mijn God, Mijn erfenis en 't deel mijns bekers wezen;
Gij ondeihoudt gestaag het heuglijk lot.
Dat Gij zoo mild voor mij hebt uitgelezen. De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren. U heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.
P a ü z E.
4. Ik zal den HEER, die mij getrouwen raad Gegeven heeft, met psalmgezangen prijzen.
Daar 't godlijk licht mij toestraalt vroeg en laat. Mijn nieren zelfs bij nacht mij onderwijzen.
Ik stel dien heer gedurig mij voor oogen;
Zijn rechterhand zal nooit mijn val gedoogen.
5. Daarom heelt zich mijn kwijnend hart verblijd; Mijn tong, mijn eer, zingt godgewijde tonen;
Ook zal mijn vleesch, thans afgesloofd, ten spijt Des vijands in den grafkuil zeker wonen.
Gij zult mijn ziel niet in de hel vergeten;
Uw Heiige zal van geen verderving weten.
6. Gij maakt eerlang mij 't levenspad bekend, Waarvan, in druk, 't vooruitzicht mij verheugde;
Uw aangezicht, in gunst tot mij gewend.
Schenkt mij in 't kort verzadiging van vreugde; De liellijkheèn van *t zalig hemelleven Zal eeuwiglijk uw rechterhand mij geven.
g
U mijn
$
't Bc-liaag' U,HEEB,naar mijn ge-bed,
DE ZEVENTIENDE PSALM.
ken:
J|-|J| J|
Of-schoon tot
=ÃI=
nooit ver - za - ken,
1
m
Ge-
|
24 PSALM 17. | |||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||
ren. 'k Ver - moei met geen be - drog uw oo-ren; Dat heeft mijn lip - pen niet l»e-smet. Ver-gun mij ilan mijn klacht t'ont-vou - wen; Laat voor uw iiei - lig aan-ge - zicht Mijn recht ge - steld zijn in
| 1--|^5 [=iE[z=i;
het licht, Uw oog de bil-lijk - heid aan-
F|fe=5i^i===^ ' â
schou-wen.
2. Gij toetstet mij bij dag en nacht;
Gij vondt mij tróuw in vreugd oi' smarte;
De mond sprak steeds de taal van 't harte;
Door beiden is hun plicht betracht.
Wat ook de zondaar aan moog' vangen,
Ik heb voor zijn afschuwlijk pad Een haat, een afkeer opgevat;
Ik gruw van zijn verkeerde gangen.
3. Ik zet mijn treden in uw spoor.
Opdat mijn voet niet uit zou glijden.
Wil mij voor struikelen bevrijden.
En ga mij met uw heillicht voor.
Ik roep ü aan, 'k bliji' op ü wachten.
Omdat G', o God, mij altoos redt.
Ai, luister dan naar mijn gebed.
En neig uw ooren tot mijn klachten.
i» A ü Z E.
4. Maak uwe weldaftn wonderbaar,
G«
P S A L M 17, 18.
Gij, die uw kindri'ii wilt behoetlcn Voor 's vijands macht en vreeslijk woeden,
En hen beschermt in 't grootst gevaar. Mil mij uw bijstand niet onttrekken; Uw zorg bewaak' mij van omhoog; Bewaar m' als d' appel van het oog; Wil mij met uwe vleuglen dekken.
5. Zoo zoeken mij vergeefs, o God, He boozen, die mij lier omringen.
Mijn haters, die mij stout bespringen,
En juichen om mijn naadrend lot.
Zij zijn met vet als overtogen;
Hun mond is vol van hoovaardij; Hun list en macht omsinglen mij; Zij duiken, loerend met hun oogen.
6. Geen leeuw is beeter op de jacht;
Geen jonge leeuw kan in zijn kuilen Met meerder list het oog ontschuilen,
Dan bij, die mij ter prooi verwacht. Beschaam het aangezicht dier boozen; Uw grimmigheid veil' hen ter neer; Bevrijd mij met uw zwaard, o hef.H, Van 't snood geweld der goddeloozen.
7. Red mij van hen, die 't ruim genot Der wereld voor hun heilgoed achten,
Geen deel, dan in dit leven, wachten.
En maken van den buik hun God; Van hen, die weelde, schatten, staten, Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot, Verliezen moeten met den dood. En hunnen kindreu overlaten.
8. Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt,) Ik zal, ontwaakt, uw lol'ontvouwen,
U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met uw godlijk beeld.
25
|
1) E A i; II T T 1 E N I) E I' S A I, M. | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
|
min-nen. Mijn steen-rots, burg en hel - per | ||||||||||||||||
PSALM 18.
26
u .1
is lie HEER, Mijn Gotl, mijn rots, mijn za - lig-#
heid, mijn eer.
1. 'k Betrouw op God; Hij is mijn scliild in 'tstrij-
I i
den , De hoorn mijns lieils, mijn hoog vertrek in
Ãüü
lij - den. 'k Aan - riep den heer, wiens lof mijn
d=
harp ver-meldt, En werd ver-lost van's vij-ands
:zmz
boos ge-weld. De dood kracht mij ge-boeid in
na - re strc-ken. Bij Be - li - als ver-
m
schrik-ke - lij - ke be - ken; Een hel-sclie
, 1â^
band was om mijn Iieup ge-hecht, En
door den dood mij strik op strik ge-legd.
2. 'k Riep tot den heer in 't midden dier ellenden; 'lot mijnen God, opdat Hij hulp zou zenden;
Mijn klaagstem drong tot in zijn troonzaal door; Aan mijn geroep gaf Hij in gunst gehoor.
t==b
Toen heelde d' aard', al golvend als de baren;
Het
p s a l m 18.
Het hoogst gebergt' werd op zijn grondpilaren Boioerd, geschokt, gerukt uit zijn gewricht,
Door 't vreeslijk vuur van Gods ontvlamd gezicht.
3. Een dikke rook ging op, waar Hij zich keerde, Uit zijnen neus; het vuur zijns monds verteerde.
Stak kolen aan, en wat Hem tegenstond;
Hij hoog het zwerk, en daalde neer; de grond, \Vaarop Hij trad, was in het oog der volken Gansch zwart, door dicht opeengepakte wolken;
Zijn wagen was een Cherub; ja gezwind Voer Hij en vloog op vleuglen van den wind. eerste p a u z e.
4. In zijne tent, rondom Hem zoo vol luister.
Hield Hij zich schuil, verborg zich in het duister
l)oor wolk op wolk, met kracht te zaam geprest. En opgehoopt in 't bruine luchtgewest.
Zijn gloed ontbond der wolken vaste banden;
Toen daalde vuur en hagel op de landen;
De donder klonk door gansch den hemel heen; God gaf zijn stem, en 't vuur viel naar beneèn.
5. Hij deed vol kracht hen voor zijn pijlen zwichten; Verschrikte hen door bliksemschicht op schichten.
De diepste kolk droogd' op een oogenblik. En 't hart der aard' ontblootte zich van schrik. Wanneer Gij scholdt; uw adem, lel ontstoken.
Deed dus, o heer, èn land èn water rooken. Hij zond mij hulp; Hij nam mij, op mijn beè En trok mij uit een groote jammerzee.
6. Ik werd verlost van 's vijands legerscharen En 's haters hand, wijl zij te machtig waren.
Men viel mij aan ten dage van mijn smart.
Maar toen was God het steunsel van mijn hart. Hij trok mij uit, en bracht m' in ruimer wegen, Want Hij had lust aan mij, zijn knecht, gekregen. De heer vergold mijn onschuld naar het recht. En schonk mij 't loon, den reinen toegezegd.
7. Want 's li keren weg heb ik getrouw bewandeld. En niet godloos met mijnen God gehandeld;
Ik hield gestaèg zijn rechten in het oog,
Terwijl zijn wet mijn ziel tot deugd bewoog. Ik werd oprecht en vroom bij Hem bevonden; Ik wachtte mij zorgvuldig van mijn zonden.
Dies liet mij God ook haar mijn recht geschiên. En heelt in gunst mijn onschuld aangezien.
t w e e d e pauze.
8. Hun zijt Gij goed, die goedertieren handlen; Oprecht bij hen, die in oprechtheid wandlen;
27
Gij houdt U rein bij hen, die rein zijn; maar Verkeerden toont Gij ü een worstelaar.
Want
PSALM 18.
Want Gij verlost liet volk, door druk gebogen.
Maar werpt ter neer die groot zijn in luin oogen.
Door U , o HEER, geeft mijne lani|i liaar licht;
Mijn God verdrijft den nacht uit mijn gezicht.
9. Ik kan met ü door sterke benden dringen. Met mijnen God zelfs over muren springen.
Des HEEUEN weg is gansch volmaakt en recht; Doorlouterd, rei» en trouw al wat Hij zegt.
Hij is een schild en schutsheer \oor den vromen,
Voor die tot Hem de toevlucht heeft genomen.
M ie is een God als Hij in tegenheên?
Wie is een rots dan onze God alleen?
10. 't Is God, die mij met sterkte wil omgorden; Hij doet mijn weg volkomen effen worden.
Maakt, dat mijn voet als die der hinden snelt. Terwijl Hij mij op mijne hoogten stelt.
Hij leert mijn haud heldhaftig oorelogen;
Mijn strijdhaar' arm verbreekt zelfs stalen bogen. Mij gaaft G' uw schild; uw hand heeft mij gesterkt; Uw goedheid heeft mijn grootheid uitgewerkt.
11. Mijn voet hebt Gij doen in de ruimte treden;
Mijn gang werd vast; ik ben niet uitgegleden;
De vijand week; ik volgd', en trof hem aan, Eu keerde niet, tot ik hem bad verdaan.
Mijn spies doorstak al wie mij tegenstonden,
Zoodat zij zich niet weer herstellen konden.
Dus zag ik door uw bijstand hen verplet.
En mijnen voet hun op den nek gezet.
D E n II E I' A l' z E.
12. Gij hebt mij, heer, met kracht omgord tot strijden; Mijn vijand moest, vernederd, straffen lijden;
Hij vlood vol schrik, wijl hij geen kracht behield; Mijn hater werd door mijne band vernield.
Zij riepen wel, maar zonder luilp te krijgen,
Zelfs tot den HEER, maar Hij vond goed te zwijgen. Toen heb ik hen als stof vergruisd, verjaagd.
En als het slijk der straten weggevaagd.
13. Gij hebt mij uit den twist des volks verheven.
En tot een hoofd den beidenen gegeven;
Ik stelde 't volk, mij onbekend, de wet;
Zoo ras ik sprak. werd op mijn wil gelet. De vreemde zelfs zag mij vol schrik naar d' oogen, Lag voor mijn troon geveinsdlijk neergebogen; Zij vielen neer; zij sidderden van schrik lii burg en slot, op ieder oogenblik.
14. Zoo leeft de HEER; mijn rotssteen zij geprezen; De God mijns hells moet steeds verheerlijkt wezen;
Die God, die mij volkomen wraak verschaft,
En volk op volk my onderwerpt en straft;
Die
2S
P S A L M 18, 19.
Die mij verlost uit mijns vervolgers iiaiuien;
Die mij verhoogt, mijn vijand slaat in banden. Ja, Gij verhoogt mij boven al 't geweld,
Daar Gr' op den troon van roem en eer mij stelt. 15. Daarom, o heer, zal ik U eer bewijzen,
29
Bij 't heidendom uw naam eerbiedig prijzen Met psalmgezang, daar 't hart door wordt geraakt. Hij heeft het heil zijns Konings groot gemaakt; Hij wil zijn gunst aan zijn Gezalfde schenken. Aan David en zijn nakroost eeuwig denken.
ü
DE NEGENTIENDE P S A L M.
=;|=:H=1» '|~|
Het rui-me he - mei-rond Ver-telt met blij-
â|-
den mond Gods eer en heer - lijk-heid. De
ï
hel-dre lucht en'tzwerk Ver-kon-di-gen zijn
werk. En prij-zen zijn be-leid. Dus kan ons
lt;lag bij dag. Tot roem van Gods ge - zag. Zijn won-de-ren ver-ha - len. Dus weet ons
Ã
â quot; I --I =: l'l = I * 1JI 1 =: Iquot; I
naclit bij nacht Zijn on - bo-grens-tle maclit
Der
En wijsheid af te ma-len.
2. Hoe goddelijk en schoon Luidt deze hemeltoon!
Daar is geen spraak of oord, Daar is geen volk bekend. Dat, zelfs tot 's werelds end,
1' S A I. i\l lit.
Der liecnilen stem niet hoort. Him eveiireiliglieid Heeft /.icli zóó wijd verspreid,
lino rede klinkt zóó krachtig.
Dat l al, wat d' aard' hewoont.
Het merk eens Scheppers toont.
Zoo gunstrijk als almachtig.
3. God heeft voor 't groote licht.
De zon, een tent gesticht,
Vanwaar ', in 't blinkend kleed En met een blij gelaat.
Gelijk een bruigom gaat.
'Die uit zijn slaapzaal treedt.
Z' is vroolijk als een held.
Die in 't bestemde veld Zijn vuur en vaart doet blijken;
Zij heeft haar zwaai en spoor Den ganschen hemel door;
Niets kan haar gloed ontwijken.
I' A U Z K.
4. Des llEEREX wet nochtans Verspreidt volmaakter glans.
Dewijl zij 't hart bekeert.
't Is Gods getuigenis.
Die eeuwig zeker is.
En slechten wijsheid leert.
Wat Gods bevel ous zegt.
Vertoont ons 't heiligst recht.
En kan geen kwaad gedoogen.
Zijn wil, die 't liart verheugt,
Eischt zuiverheid en deugd.
Verlicht de duister' oogen.
5. Des iiEEHEN vrees is rein;
Zij opent een fontein
Van heil, dat nooit vergaat.
Zijn dierbre leer verspreidt Een straal van billijkheid.
Daar z' all' onwaarheid haat.
Z' is 't menschdoni meerder waard.
Dan 't li.jnste goud op aard;
Niets kan haar glans verdooven.
Zij streeft in heilzaam zoet.
Tot streeling van 't gemoed.
Den honing ver te boven.
(i. Dus krijg ik \an mijn plicht,
O God, een klaar bericht.
Wat is 't vooruitzicht schoon!
Hij, die op U vertrouwt.
Uw wetten onderhoudt.
Vindt daarin grooten loon.
Maar,
30
P S A L M 19, 20.
Maar, heer, wie is do man. Die op 't nauwkeurigst kan Zijn dwalingen doorgronden V 0 Bron van t hoogste goed, Wascli, reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.
7. Weerhoud, o HEER, uw knecht. Dat hij /jjn hart niet hecht*
Aan dwaze hoovaardij. Heerscht die in mij niet meer. Dan leef ik tot uw eer.
Van groote zonden vrij.
i.aat li mijn tong en mond En 's harten diepste grond Toch welbehaaglijk wezen, 0 heer, die mij verblijdt.
Mijn rots en losser zijt.
Dan heb ik niets te vreezen.
I) E T W I N T I G S T E 1» S A L M.
«7
Dat op uw klacht de he - mei scheu-re! Hat zich de iieeu ont-dckk'! De God van va - der Ja-kob beu - re U in een
81
PSALM 20, 21.
2. Hij will' uw offerspijs gedenken!
De hemelvlam verteer Wat g' op liet brandaltaar zult schenken
Tot 's Allerhoogsten eer!
Hij geev' n, naar uw wensch, t' ontvangen
Geluk in al uw daden!
Zijn gunst bestier*, naar uw verlangen. Al wat gij moogt beraden!
3. Dan zal 't gejuich ten hemel dringen;
Dan zullen wij Gods eer Bij opgestoken vaandels zingen.
Uw wensch vervuil' de heer!
'k Weet nu, dat Gods gezalfden Koning
Geen heilgoed zal ontbreken;
Want God zal, uit zijn hemelwoning. Hem sterken op zijn smeeken.
4. Op wagens, paarden, en op helden
Zij onze vijand stout,
Wij zullen d' eer en grootheid melden
Van God, die ons behoudt.
Zij zijn gekromd, terneergestooten,
Van moed beroofd en krachten;
Maar wij, wij hebben 't heil genoten, Waarop ons God deed wachten.
5. Behoud, o iieeii; wil bijstand zenden;
Verlos, bewaar, verschoon.
32
Die Koning hoor', als w' in ellenden Aanbidden voor zijn troon.
-ZH
m
de een ex t w i n t i g s t e p s a l 31.
0 heer, de Ko-ning is ver-heugd Om
m
uw ge-ducht ver-mo - gen; Uw heil zweeft
Hü
hem voor d'oo - gen ; En met wat blij - de
|
_ L |
zie - Ie-vreugd Zal hij, door al uw daftn
M-LJ â¢
Ver-rukt,ten rei - e gaan!
2. Wat
PSALM 21.
2.Wat luj U smeekt' iiit 's harten pond,
En al zijn rein verlangen,
Hebt Gij Item doen ontvangen:
Ook hebt Gij d' uitspraak van zijn mond,
Al wat hij heeft begeerd,
Geweigerd noch geweerd.
3. Gij, die hem gunstig hebt gereil,
Zijt hem met volle stroomen Van zegen voorgekomen;
Ook hebt Gij hem op 't hoofd gezet,
Hem, die op U betrouwt.
Een kroon van 't fijnste goud.
4. Hij heeft, o God, van ü begeerd
Het onverganklijk leven.
Gij hebt het hem gegeven.
Zoo zijn de dagen hem vermeèrd;
Zoo leeft ile Vorst altoos;
Zoo leeft hij eindeloos.
5. Hoe groot en sehittrend is zijn eer,
Door t heil aan hem bewezen!
Hoe is zijn roem gerezen,
O alvermogend Opperheer!
Wat glans, wat majesteit Hebt Gij dien Vorst bereid!
(gt;. Gewis, Gij zult, all' eeuwen door,
flem met uw gunst verzeilen En tot een zegen stellen;
â¢Ta, Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bij het licht Van 't godlijk aangezicht.
7. De Koning rust op uwe trouw,
0 eeuwig Opperwezen!
Uw goedheid, nooit volprezen.
Duldt niet, dat hij ooit wanklen zon.
Neen , d' Allerhoogste zal Hem hoeden voor den val.
PAUZE.
8. Uw sterke hand zal onverwacht
Al uwe haters vinden;
Uw wraak zal hen verslinden;
Uw rechterhand zal eens met kracht Vernielen en verslaan Hen, die uw rijk weerstaan.
9. Dan doet uw toornig aangezicht
Hen als een oven rooken.
Door 't heetste vuur ontstoken;
Dan wordt in 's iieeren strafgericht
De
SS
PSALM 21, 22.
Ue gloed, (lie hen verteert. Met vlam op vlam vermeêrd.
10. De vruchten van hun huwlijksbed
Zult Gij van d' aard' verderven En doen door rampen sterven,
Totdat men, waar men zoek' of lett'. Geen nakroost meer bespeurt. Dat hunnen dood betreurt.
11. Want tegen U heeft dit geslacht
Een godloos kwaad besloten,
En met zijn bondgenooten Een schandelijke daad bedacht.
Doch al dat listig woên Zal leed noch hinder doen.
12. Want uw alziend en toornig oog
Zal hen ten doelwit zetten;
Gij zult uw pijlen wetten.
En doen ze, van uw stalen boog. Tot hun verderf gericht. Hun vliegen in 't gezicht.
13. Verhoog, O HEER, uw naam en kracht;
Zoo zal ons vroolijk zingen Door lucht en wolken dringen; Zoo wordt uw heerschappij en macht Door ons, nog eeuwen lang.
Geloofd met psalmgezang.
i
d e t wee e x t w I x t i g s t e 1' s a L m.
02
) 4 lt;Si-
Mijn God. mijn God, waarom ver-laat Ge
ül
mij, En reilt mij ciiot, ter-wijl ik xwoeg en
strij, En brul-lend klaag in il'angsten, die ik
PeI
lij, Dus fel ge - sla - genVV-'t Zij ik, mijn
God, bij dag moog' bit - ter kla - gen, Gij
ant-
34
I's A L M 22. 35
antwoordt niet. 't Zij ik des nachts moog kei-men, Ik heb geen rust; ook Yinil ik geenont-
«7
Ier-men In mijn ver-driet.
2. 'k Erken nochtans, Gij, Gij zijt heilig, heeii,
En hebt uw huis, den zetel uwer eer,
Bij Isrel, daar uw lof klinkt keer op keer,
In gunst doen bouwen.
Op U stond vast der vaderen betrouwen;
Gij zaagt hen aan; Gij hebt, wanneer z' in nooden Tot U om hulp vertrouwend zijn gevloden, Hen bijgestaan.
3. U smeekten zij, van menschenhnlp ontbloot,
En zijn gered; zij hebben in hun nood
Op U vertrouwd, van schaamte nimmer rood Na hun gebeden.
Maar ik, ik ben een worm, van elk \ertreden; Een worm, geen man; een spot en smaad van menschen, Wien t booze volk, naar zijn baldadig wenschen. Beschimpen kan.
E E II S T E P A U Z E.
4. Al wie mij ziet, bespot mij boos te moe;
Men schudt den kop; men steekt de lip mij toe.
Daar ik 't gebed tot God vertrouwend doe,
Moet ik nog hooren :
quot;Dat God, op wien hij steunt, hem gunstig' ooren «Verleen', hem redd': dat die nu hulp doe komen, «En hem, in wien Hij heeft zijn lust genomen, »In ruimte zett'.quot;
5. Gij immers, heer, Gij zijt het, door wiens macht Ik uit den buik weleer ben voortgebracht.
Aan 's moeders borst vertrouwd' ik op uw kracht Van ganscher harte.
Zij wierp mij reeds op U, in harens smarte Gansch onbevreesd;'k mocht nauwlijks't licht aanschouwen Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.
6. Wees dan miju hulp; houd ü niet ver van mij; Mij prangt de nood; benauwdheid is nabij;
'k Heb buiten U, daar ik zoo bitter lij,
Geen hulp te wachten.
Een
1' S a l ii 22.
Een stierenlieir uit Basau, sterk van krachten En fel verwoed, omringt m' aan alle zijden.
Mijn God, hoe zwaar, hoe smartlijk valt dit lijden Voor mijn gemoed!
7. Zij rukken aan met opgesperden mond,
Gelijk een leeuw, al brullend in het rond.
Ik vloei daarheen als waatren op den grond.
Die zich verspreiden.
Mijn beendren zijn in mij vaneengescheiden.
O doodlijk uur! Wat hitte doet mij branden!
Mijn hart is week, en smelt in d' ingewanden.
Als was voor 't vuur,
tweede p a ü z e.
8. Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd;
Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst geklooid; Gij zult eerlang mij, door den dood, het hoofd
In 't stof doen bukken,
Want van rondom zie 'k honden samenrnkken. Een muitgespan heeft mij ter prooi verkoren,
Mijn handen en mijn voeten doen doorboren.
Zoo fel bet kan.
9. Mijn beendren kan ik tellen één voor één.
Hun boos gezicht beschouwt dit weltevreèn;
Z' ontzien zich niet, om met mijn tegenbeên
Hun geest te streelen,
En onder zich mijn kleedren te verdeelen.
Verhard in 't kwaad, kan hun geen spel verdrieten; Zij werpen 't lot, wat ieder zal genieten Van mijn gewaad.
10. Maar Gij, o heer, tot wicn mijn ziel zich keert. Sta niet van ver, mijn God, die 't al regeert; Ai, baast U toch ter hulp; ik word verteerd
Door al d' ellenden.
Kcd mijne ziel van 't zwaard dier booze benden, Die schriklijk woén; ai, red haar uit hun handen.
Daar z' eenzaam ducht 't geweld des honds, wiens tanden Haar siddren doen.
11. Verlos mij van den leeuw, die woedt en tiert;
Verboor mij, IIEEB, en red mij van 't gediert'. Dat, sterk van hoorn, rondom mij benen zwiert.
Mij staat naar 't leven.
Dan wordt uw naam door mij met roem verbeven; 'k Zal uwen lof mijn broederen vertellen;
'k Heb in nw huis hij al mijn metgezellen Dan prijzensstof.
DERDE PAUZE.
12. Gij, die God vreest, gij allen prijst den heek. Dat Jakobs zaad zijn grooten naam vereer'!
Ont-
36
PSALM 22, 23.
Ontzie Hem toch, o Israel, en leer Vertrouwend wachten.
Wie mij veracht'. God wou mij niet verachten.
Noch oor noch oog van mijn verdrukking wenden; Maar heeft verhoord, wanneer ik uit d' ellenden Kiep naar omhoog.
33. Ik loof eerlang U in een groote schaar.
En wat ik U beloofd' in 't heetst gevaar,
Betaal ik op het heilig dankaltaar Bij die U vreezen.
't Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen. Ten disch geleid. Wie God zoekt, zal Hem prijzen. Zoo leev' uw hart, door 's hemels gunstbewijzen, In eeuwigheid!
IJ. Eerlang gedenkt hieraan het wereldrond;
Haast wendt het zich tot God met hart en mond; En waar men ooit de wildste volken vond, Zal God ontvangen Aanbidding, eer en dankbre lofgezangen.
Want Hij regeert, en zal zijn almacht toonen; Hij heerscht, zoover de blindste heidnen wonen. Tot Hem bekeerd.
15. Wie yet is eet, en knielt voor Isrels Heer;
Wie 't slof bewoont, bukt mede voor Hem neer. En wie zijn ziel bij 't leven nu niet meer Heeft kunnen houden.
Het vrome zaad van die op God betrouwden. Zal door zijn kracht Hem dienen, voor hem leven; Het zal den heer eens worden aangeschreven In 't nageslacht.
1(gt;. Zij komen aan, door godlijk licht geleid.
37
Dm 't nakroost, dat den heer wordt toebereid. Te melden 't heil van zijn gerechtigheid En groote daden.
i) e d iu e e n t w i gt;' t 1 g s t e 1» s a l m.
»i J i
Ue God iIcs lieils wil mij ten lier-der we-
|
|
^ââ âJâ zen; 'k Heb |
geen ge |
- brek,'k heb geen ge-vaar te | |||
|
=gE |
â |
^--^â --1â |
^ ' '1 | ||
Tree - zen. Hij zal mij zacht, in lie - lelijke
P s A L .11 23, 24.
38
i
ö
_________^ ___y*'
lij - ke wei -den,
[|
a^a^i
waat-ren lei - den.
Aan tl'oevers van zeer stil-le
Hij sterkt mijn ziel, richt,
om zijn naam, mijn tre - den
|
In 'tet'-len spoor | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
van zijn ge-rech-tig - he - den.
2. Ik vrees niet, neen, schoon ik door dnistre dalen in doodsgevaar bekommerd om moest dwalen;
Gij blijft mij bij in alle tegenspoeden;
Uw stok en staf zal mij altoos behoeden;
Gij troost mijn ziel, en richt in mededoogen De tafel aan, voor mijner haatren oogen.
3. Gij zalft mijn hoofd; Gij doet mijn blijdschap groeien. En van uw heil mijn beker overvloeien.
Het zalig goed, mij door uw gunst gegeven.
Verlaat mij niet, maar volgt mij al mijn leven;
Zoodat ik in het heilig huis des HEEREN Een lange reeks van dagen blijv' verkeeren.
w
DE VIER EN TWINTIGSTE P S A L 31. Al d'aard' en ui - les wat /.ij geeft,
j l
Met al wat zich be-weegt en leeft, Zijn
^j1:-l-zr iquot; [^
'twet-tig ei - gen - dom des IIEE-REK. Hij
heeft z'in lia - ren ocli-tendstond Op un - gemeten
P S A F. 31 21, 25. 39
me - ten zeên ge-grond, Door-sne-den met ri-
rêfe^i^éiÃ-----
vier en me - ren.
2. Wie klimt den berg des HE EREN op?
M ie zal dien godgewijden top
Voor 't oog van Slons God betreden?
De man, die, rein van hart en hand,
Zich niet aan ijdellieid verpandt.
En geen bedrog pleegt in zijn eeden.
3. Die zal, door 'S HEEKEN gunst geleid.
En zegen èn gerechtigheid
Van God, den God zijns heils, ontvangen.
Dit 's Jacob, «lit is 't vroom geslacht.
Dat naar God vraagt, zijn wet betracht,
En zoekt zijn aanschijn met verlangen.
4. Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Uijst, eeuwge deuren, rijst omhoog.
Opdat de Koning in moog' rijden.
Wie is die Vorst, zoo groot iti eer?
't Is God, d' almagtig' Opperheer;
't Is God, geweldig in het strijden.
5. Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Hijst, eeuwge deuren, rijst omhoog.
Opdat g' uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zoo groot in kracht?
't Is 't Hoofd van 's hemels legermacht. Hem eeren wij met lofgezangen.
I» E V IJ F E X T W I X T I G S T E P S A L M.
'k Hef mijn ziel, o God der go - den. Tot
U op; Gij zijt mijn God. 'k Heb op ü ver-
trouwd in noo - den; Weer van mij toch scliaamt'
en spot. Dat mijn vij-and nooit van vreugd
Om
|
40 |
1' S A |
LM 25. |
-h |
F=h | |||
|
Om |
mij |
op-spring |
die ü |
wach |
-ten |
Dekt |
j|iii H i âi~i
nooit schaam t', maar lt;lie de deugd Zon-der
' 'I *quot; » I ^ i c II
oor-zaak stout ver-ach-ten.
2. Heer, ai, maak mij uwe wegen
Door uw woord en Geest bekend; Leer mij, hoe die zijn gelegen, Kn waarheen G' uw treden wendt; Leid mij in uw waarheid; leer IJvrig mij uw wet betrachten;
Mant Gij /.ijt mijn heil, o heer! 'k Blijf ü al den dag verwachten.
3. Denk aan 't vaderlijk meèdoogen.
Heer, waarop ik biddend pleit. Wilde handen, vriendlijk' oogen Zijn bij (I van eeuwigheid.
Sla de zonden nimmer gd,
Die mijn jonkheid heeft bedreven;
Denk aan mij toch in gena, Onr; uw goedheid eer te geven.
4.'sHeeren goedheid kent geen palen; God is recht, dus zal Hij door
Onderwijzing hen, die dwalen. Brengen in het rechte spoor; Hij zal leiden 't zacht gemoed In liet elfen recht des 1ieerex;
Wie Hem needrig valt te voet. Zal van Hem zijn wegen leeren.
p A u z E.
5.1,outre goedheid , liefdekoorden . Waarheid zijn des iieeren paan Hun, die zijn verbond en woorden Als hun schatten gadeslaan. Wil mij, uwen naam ter eer. Al mijn éuveldaan vergeven;
I k heb tegen U, O HEER,
Zwaar en menigmaal misdreven.
G. Wie heeft lust den heer te vreezen, 't Allerhoogste en eeuwig goed'/ God zal zelf zijn leidsman wezen,
PSALM 25, 26.
Leereii, lioe hij wandlen moet. 't Goed, dat nimmermeer vergaat, Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn godgeheiligd zaad Zal 't gezegend aardrijk erven.
7. Gods verborgen omgang vinden
Zielen, daar zijn vrees in woont; 't Heilgelieim wordt aan zijn vrinden Naar zijn vreêverbond getoond. I)' oogen houdt mijn stil gemoed Opwaarts, om op God te letten:
Hij, die trouw is, zal mijn voet Voeren uit der boozen netten.
8. Zie op mij in gunst van boven;
Wees mij toch genadig, heer! Eenzaam ben ikon verschoven; Ja, d' ellende drukt mij neer. 'k Roep U aan in angst en smart; Duizend zorgen, duizend dooden Kwellen mijn angstvallig hart.
Voer mij uit mijn angst en nooden.
9.Sla op mijn ellenden d' oogen; Zie mijn moeite, mijn verdriet; Neem mijn zonden uit meêdoogen Gunstig weg, gedenk die niet; Zie mijn liaters, daar 't getal Vast vermeert van die mij vloeken ,
En die rusteloos mijn val Heet en wrevelmoedig zoeken.
10. Hoed mijn ziel, en red z' uit nooden; Maak mij niet beschaamd, o heer! Want ik kom tot ü gevloden.
Laat d' oprechtheid, meer en meer, 31 et de vroomheid mij behoên. 'k Wacht op ü in mijn ellenden.
41
Laat uw hand in tegenspoên Israël verlossing zenden.
i
DE zes e N T W I N T I ü s T e 1» s A L M.
0 heer, doe Gij mij recht. Ik wan-del
giii?=ü^s^=i
als uw knecht, En viml mijn lust in uw gebod.
P S A L gt;1 26.
42
bod. Ik blijf op L) be - trou-wcii, U, mijn rots-steen, bou - wen; Ik zal
Beproef vrij van omhoog Mijn hart, lt;lat voor uw oog. Alwetende, steeds open lag.
Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen,
En stel mijn oogmerk in den dag.
Uw goedertierenheid.
Die zich alom verspreidt,
Is t' allen tijd' voor mijn gezicht.
Ik houd, oprecht van handel,
Daar 'k in uw waarheid wandel.
Mijn schreden naar uw wet gericht.
Hij, die, vol ijdelheid,
Ken spoorloos leven leidt.
Wordt met mijn vriendschap niet vereerd; En huichlaars, die hun vlekken Schijnhciliglijk bedekken,
Zijn van mijn omgang ver geweerd.
Mijn hart verfoeit en haat Do werkers van het kwaad,
Bij wie ik mijnen voet niet zet.
Ik zit hij geen godloozen;
'k Ontwijk de plaats der boozen: Zoo wordt ik niet door hen besmet.
Yoor
1' A u z E.
Ik wasch, aan U verpand, In onschuld mijne hand.
Mijn hart springt in mij op, o HEER, Wanneer ik met uw scharen Verschijn voor uw altaren, En L met offergaven eer.
Daar wordt uw lof verbreid, Ã Oppermajesteit,
Door mij. die 0 bemin en acht;
Daar zal mijn stem ü prijzen
2.
3.
I' s A \. M 20, 27.
Voor al tie gunstbewijzen,
Voor al de wondren uwer macht.
8. Wat blijdscliap smaakt mijn ziel. Wanneer ik voor U kniel
In 't huis, dat Gij U hebt gesticht!
Hoe Hei' heb ik uw woning.
De tent, o Hemelkoning,
Die G', U ter eer, hebt opgericht!
9.quot; Wanneer G' uw arm verheft. Den snooden zondaar treft.
Wees Gij dan, heer, mijn toeverlaat; Doe mij met hem niet sneven;
O neen, behoed mijn leven.
Als Gij den man des bleeds verslaat.
10. Doe mij niet mee vergaan Met hen, die U weerstaan.
Wier hart steeds schandlijk misdrijf kweekt, Die trouw en plicht verachten,
En 't recht om goud verkrachten.
Als d' onschuld om bescherming smeekt.
11. Maar ik, ik ben oprecht:
Verlos dan uwen knecht
Van 't ongeval, dat hem genaakt.
Wil mij in gunst gedenken.
Mij uw genade schenken;
/.oo wordt door ü mijn heil volmaakt.
12. Nu stap ik rustig aan;
'k Ãetreed een effen baan.
Mijn God verhoort nu mijn gebed.
'k Zal Hem met blijde klanken In zijn vergaadring danken,
43
Wanneer zijn gunst mij heeft gered.
lü
m
i) e z e v e x e n t w i .\ t i (1 s t e 1» s a l m.
God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik
5t=EE-hT=EEEE
vree-zonV Hij is de iiëkr,die hulp verschaft
ümi
in nood; Mijn le - vens-kracht;'k heb niet vervaard
i' s a l jl 27.
44
Iese
vaard te we - zen; Hij is 't, die mij be-
vei-Iigt voor den dood. Wan-neer de macht der
.HrllH
1)00 - zen sloeg aan 't woên, En aan-rukt', om zich
met mijn vleesch te voèn. Stiet zelf dit rot. dat
mij be-nauwt en haat. Den voet, en viel, om-
fes
3
dat liet God \t'i -laat.
2. U zie ik zelfs een leger mij omringen.
Nog vrees ik niet; 'k verlaat mij op den iieeii. Al wil men men mij door ecnen oorlog dwingen, 'k Leg mij gerust, liierop vertrouwend, neer. Deez' ééne zaak heb ik begeerd van God;
Daar zoek ik naar; dit zij mijn zalig lot; Dat ik, zoo lang mij 't levenslicht bescheen, In 's heelien huis mocht wonen hier heneèn.
3. Och, mocht ik in die heilige gebouwen
De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.
Zijn liellijkbeid en schoonen dienst aanschouwen! Hier weidt mijn ziel met een verwondrend oog. Mant God zal mij, opdat Hij mij beschutt', In ramp en nood versteken in zijn hut, Mij bergen in 't verborgen van zijn tent.
En op een rots verhoogen uit d' ellend'.
Ver-
4. God zal mijn hoofd nu boven 's vijands benden Verhoogen; dies wil ik, met blij geschal, In zijne tent het olfer opwaarts zenden.
Daar psalm en lied zijn lof vermelden zal. Verhoor, o heer; toon mij een gunstig oog; Ik zal mijn stem verhefTcn naar 'omhoog;
p s a l 27, 28.
Verhoor mij toch; bewijs mij uw ge na,
Kn antwoord mij, die voor uw aanzicht sta.
5. Mijn iiart zegt mij. o heer, van Uwentwegen:
⢠Zoek door gebeên inet ernst mijn aangezicht.quot; Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen Alleen bij U, o Bron van troost en licht!
Verberg toch niet uw oog van mij, o heer!
Ik ben uw knecht; zie niet in toorne neer;
Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet;
0 God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.
6. Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder
Verlaten ben, de heek is goed en groot;
Hij is en blijft mijn vader en behoeder.
1 eer mij, o God, uw weg in allen nood.
Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet Op 't effen pad; dat vijands euvelmoed
Mij nimmer treflT! Vervoerd door list en dwang. Getuigt men valsch tot mijnen ondergang.
7. Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven
Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou.
Mijn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.
Wacht op den heer, godvruchte schaar; hond moed; Hij is getrouw, de bron van alle goed:
Zoo daalt zijn kracht op u in zwakheid neer;
45
Wacht dan, Ja wacht; verlaat U op den heer.
i) E A ('. h T EN ï W I i\ TIGS T E 1' s A L M.
ÃÃ
Ik roep tot ü, o lt;'lt;!ii-\vig Wc - zen!
Mijn rotssteen, nooit naareisch vol-pre-zen.
Wend niet, als «loof, van mij uw oo - ren;
U I .r' '1
Zwjjg niet; laat mij uw aiit-woord lioo - ren,
Op-
1» s A L M 28, 29.
Op - dat ik niet ge - re - kend word' Met
die in 't graf zijn neer-ge-stort.
2. Hoor naar mijn stem en kermend smeeken,
Als ik mijn handen op zal steken
Naar d' aanspraakplaats, uw heiige woning;
Trek mij niet weg, o Uppeikoning.
Met hen, wier argelistigheid In schijn van vrede kwaad bereidt.
3. Doe 't kwade, bij hen ondernomen,
Up hen naar hun verdiensten komen:
Geef hun, opdat z' uw hoogheid merken.
Naar hun terkeerd' en booze werken;
Dat uw gestrenge geeselroê
Hun naar het recht vergelding doe.
4. Omdat zij nooit naar 't werk des HEEREN Oplettend hart en oogen keeren,
Maar onbedacht en stout versmaden Het oogwit zijner groote daden,
/al Hij hen doen te gronde gaan,
Ontbloot van hulp oui op te staan.
5. Geloofd zij God, wiens open ooren Mijn smeekstem gunstig wilden hooien!
Hij is mijn sterkt' en schild in 't strijden;
'k Vertrouwd' op Hem; Hij hielp m* uit lijden.
Dies springt mijn hart van juichensstof,
En zingt des Allerhoogsten lof.
6.God geeft zijn gunstvolk moed en krachten;
Hij zal, in weerwil aller machten.
Zijn Uijksgezalfde staag behoeden.
Red, heer, uw Isrel uit al 't woeden;
Geef zegen aan uw erf, en weid Uw volk; verhef z' in eeuwigheid.
'â«i-quot;
hee-re sterkt' en eer; Dat de lof van
's Hoog-
46
i' s a l jl 29.
47
ü
's Hoog-sten naam
m
Al - Ier Groo-ten roem be-
schaamM Tor-sten, 't voegt u. Hem in 't mid
den Van zijn hei-lig-dom t'aan-bid-den;
ï
't Voegt u, met de Goil-ge-trou-wen 's Hij:
ren heerlijkheid t' ontvou-wen.
2. 's Heerex stem. op 't hoogst geducht, Kolt en klatert door de lucht,
Berst met vreeselijk geluid üp de groote waatren uit,
Klinkt met nadruk en vermogen Heerlijk uit de hemelbogen.
't Schepsel beeft en staat verwonderd, Als de God der eere dondert.
3. 's Heeren wonderstem verbreekt. Als zijn grimmigheid ontsteekt,
t Cedrenbosch van Libanon,
Schudt den hoogen Sirion.
Cedren, uit den grond gewrongen, Hupplen als der rundren jongen;
Bergen voelen sidderingen,
Daar z' als wilde stieren springen.
4. 's Heeren stem verbaast natuur. Houwt uit bergen vlammeml vuur. Schiet van 't zwerk den bliksem neer. Kades beeft voor 't buldrend weer;
Woestenijen slaan aan 't zuchten;
Hinden krijgen onder 't vluchten Barenswee; door vrees gedrongen. Werpen z' in dien nood haar jongen.
5. 's Heeren stem ontbloot het woud; Waar hij, die op God vertrouwt.
Buigt zich veilig. Hem ter eer. Juichend in zijn tempel neer.
t Is de heer, wiens wenk de stroomen
in
I» s A L M 29, 30.
in hun woede kon hetoomen:
Die, in macht nooit af te meten. Eeuwig is ten troon gezeten.
6. Looft den HEER, die wondren werkt, Israël, zijn volk, versterkt;
Hem, die Jakobs heilig kroost Zcegnen zal met vreed' en troost.
i) e i) e ii t i c s t e p s a l m.
Ik zal met hart en mond, o heer, Uw (£v ^ | = | ^ [ j :#; [-^ hl o-l-j.-1 1
naam ver-hoo-gen en uw eer. De-wijl Gij
EE;
l^gE
mij uw bij - stand boodt, Mij optrokt uit den
Jï
diep-sten nood; Zoo-dat de vij-and, in mijn
1^5 [=^; | J ââ1
|ip
£
lij - den. Zich o - ver mij niet mocht ver-
m ^
blij - den.
2. Mijn God, Gij hebt mij op mijn klacht Genezen, en mijn smart verzacht;
Gij hebt mijn ziel, door angst beroerd, Ais uit het graf weer opgevoerd; Gij hebt het leven mij geschonken;
Ik ben niet in den kuil gezonken.
3. Psalmzingt, Gods gunstgenooten; geeft. Geeft lof den iieeh, die eeuwig leeft. Zijn vlekkelooze heiligheid
Zij ter gedachtenis verbreid! Een oogenbiik moog' ons doen beven, Zijn gunst verduurt een eeuwig leven.
4. Perst eens de bittre tegenspoed, Des avonds, het benauwd gemoed
48
Tot
PSALM 30, 31.
Tot naar gejammer en geklap,
Nauw rijst des morgens vroeg de dag, 01' God verleent, in plaats van lijden, M eer stof tot juichen en verblijden.
p A u z E.
5. Ik sprak . door mijn geluk misleid: »lk wankel niet in eeuwigheid.quot;
â Want Gij liadt mijnen berg, O HEER,
Door uwe gunst, uw naam ter eer. Zóó vast gezet, alsof gevaren En rampen nu verdwenen waren.
6. Maar toen amp;' U slechts een oogenblik Verbergdet, trof mij vrees en schrik. Dies riep ik om uw heilgenot;
Ik smeekt' en zei: »0 groote God, «Wat winst is uit mijn bloed te halen? Waartoe zou ik ten grave dalen?
7. «Zou in den kuil 't ontzielde stof
⢠Den mond ontsluiten tot uw lof, «En van uw redding zingen? Zou -Het daar verkondigen uw trouw? «Hoor mij, 0 HEER, help mij genadig; «Bekroon mij met uw gunst gestadig.quot;
8. Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei.
Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord, opdat mijn eer Niet zwijg': zoo klimt uw lol' naar boven. Mijn God, ü zal ik eeuwig loven.
49
|
DE EEN EN DERTIGSTE PSALM. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
schaamd Van u - wen troon te - rug-ge - kee- ren; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3
uw gc -recli-tig - lie - lt;lcn.
2. Och, neig tot mij uw gunstig' ooien;
Schiet haastig toe; dat mij Uw naam een rotssteen zij,
Een huis, een welgesterkte toren.
Die, op een klip verheven.
Mij veiligheid kan geven.
3. Gij zijt alleen (wat zou ik vreezen V)
Mijn rots, mjjn burg, o heer!
Ja, uwen naam ter eer.
Zult Gij mij tot een herder wezen.
Mijn Helper, scheur dc netten.
Die z' in 't verborgen zetten.
4.'k Beveel mijn geest in uwe handen.
Gij, God der waarheid, Gij,
O heer, verlostet mij.
Ik haat hen, die het reukwerk branden Ter eer van valsche goden.
Op U steun ik in nooden.
eerste 1' a u z e.
5. 'k Zal in uw goedheid mij verblijden:
Gij hebt mij aangezien,
ün hulpe willen bièn In mijn verdrukking en mijn lijden.
Toen, in mijn zielsellende,
Uw aangezicht mij kende.
6. Ook hebt Ge mij niet weggestooten,
Noch mij van allen kant Benauwd duor 's vijands hand.
Neen, 'k heb uw trouwe hulp genoten:
Gij deedt met vaste schreden Mij in de ruimte treden.
7. Bewys, o heer, uw mededoogen;
Verhoed mijn ondergang;
Ik ben beklemd en bang;
Het zwaar verdriet doorknaagt mijn oogen;
Het doet mijn ziel bezwijken.
En 's lichaams krachten wijken.
8. De bittre smart verteert mijn leven;
Mijn tijd wordt dag aan dag Versleten in geklag;
Ik
PSALM 31.
Ik voel mijn krachten mij begeven Door zonden, die met plagen Myn beendren fel doorknagen.
TWEEDE PAUZE.
9. Mijn weêrpartijders, zeer te duchten,
Verwekken my elks haat
En mijner buren smaad;
'k Ben tot een schrik; mijn vrienden vluchten, Daar z', om mijn blaam en lijden.
Mij op de straten mijden.
10. Ik ben, als dood, in 't hart vergeten.
En word niet meer geschat
Dan een bedorven vat.
'k Hoor, hoeveel kwaads mij wordt verweten. Waar zou ik veilig wezen?
'k Heb van rondom te vreezen.
11. Terwijl zij samen zich verbinden.
Besluiten zij mijn dood.
Maar, heer, 'k vertrouw in nood Op ü; dit doet mij sterkte vinden;
'k Mag, met geloovig roemen,
U mijn Verbondsgod noemen.
12. In uwe hand zijn mijne tijden;
'k Verlaat mij in mijn leed
Ãp U alleen, die weet De maat en 't einde van mijn lijden.
Red mij, van die verbolgen Ter dood toe mij vervolgen.
13. Laat over mij uw aanschijn lichten;
Zie op uw dienstknecht neer;
Verlos mij toch, o heer;
Doe mij nooit voor mijn haatren zwichten; Beschaam niet, laat niet zuchten.
Dien Gij tot ü ziet vluchten.
derde pauze.
14. Beschaam, verschrik de goddeloozen;
Verstom hen in den dood.
Och of uw almacht sloot'
De valsche lippen van die boozen.
Die stout en trotsch verachten Hen, die uw wet betrachten!
15. Hoe groot is 't goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is 't heil, dat G' in dit leven, Ver boven beed' en wenschen,
Reeds wrocht voor *t oog der menschen!
51
16. Gij
p s a l m 31, 32.
16. Gij zult uw volk een schuilplaats wezen;
Gij bergt hen in het licht Van 't god lijk aangezicht.
Daar zij geen leed van trotschen Treezen; Een hut, waarin zij 't woelen. Den twist der tong niet voelen.
17. Geloofd zij God, die zijn genade
Aan mij heeft groot gemaakt; Die voor mijn welstand waakt.
Zijn oog slaat mij in liefde gade;
Hij wil mij heil bereiden,
Mij in een vesting leiden.
18. Ik heb, te moedloos neergebogen,
En door de vrees gejaagd.
Weleer te ras geklaagd:
»'k Ben afgesneèn van voor uw oogen.quot; Dan, nog woudt G' U ontfermen,
Toen Gij mij hoordet kermen.
19. Bemint den heer, Gods gunstgenooten,
Den heer, die vromen hoedt. En straft het trotsch gemoed.
Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten; Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hern wachten.
52
|
de twee en dertigste psalm. | ||||||||||||
| ||||||||||||
|
Wel - za - lig hij, wiens zon-den zijn ver |
Se - ven; Die van de straf voor ecu-wig
is
1
is ont - lie - ven; Wiens wan -be - drijf, waar-
P
de
door iiij was be-vlekt. Voor't hei-lig oog des
éi
hee-ren is be - dekt. Wel - za - lig is
P s a i. M »2. 53
f â1 de mcnsch, wicn 't ma^ ge - beu - ren, Dat
God naar recht hem niet wil schuldig keu - ren,
|VrV |::=i| ^ | r: gt; | | J|-1
En die in't vroom en on-geveinsdge-moed
2. Toen k zweeg, en U mijn ongerechtigheden, Weerhouden door de vrees, niet heb beleden.
Verouderden mijn beendren door geklag,
In mijn gebrul en angst den ganschen dag.
Want, HEER, uw hand, die mij bezocht met plagen, Deed dag en nacht mij zware smarten dragen;
Mijn levenssap droogd' uit van uur tot uur,
Gelijk het land door zomerzonnevuur. ~
3.'k Bekend', o heer, aan U oprecht mijn zonden;
'k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden; Maar ik beleed, na ernstig overleg.
Mijn booze daèn; Gij naamt die gunstig weg.
Dies zal tot U een ieder van de vromen,
In vindenstijd, met ootmoed smeekend komen.
Een zee van ramp moog' met haar golven slaan, Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.
r A u z e.
J.Gij zijt mij, heer, ter schuilplaats in gevaren;
Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren; G' omringt me, daar Ge mij in ruimte stelt.
Met blij gezang, dat mijn verlossing meldt.
Mijn leer zal u, o mcnsch, naar 't recht doen handlen, En wijzen u den weg, dien gij zult wandlen.
Ik zal u trouw verzeilen met mijn raad.
Terwijl mijn oog op u gevestigd staat.
5. Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven, 01' als een muil, door domheid voortgedreven.
Gebit en toom, door 's menschen hand bestierd, Beteuglen 't woest en redeloos gediert'.
Laat
54 PSALM 32, 33.
Laat zulk een dwang voor u niet noodig wezen. Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen; Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,
Ziet zich omringd met zijn weldadigheèn.
6. Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waarde nooit te danken. Zingt vroolijk; roemt zijn deugden t' allen tijd, Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.
DE DRIE EN DERTIGSTE PSALM.
1
Zingt vroo - lijk, heft de stem naar bo - ven;
i
Reclit-vaar-ili - gen, ver-heft den heer. Het
i
past op - rech-ten. God te lo - ven; Zingt
zij - nen groo-ten naam ter eer. Prijst Hem
in uw psal - men Met de schoonste gal-
i
men; Roept zijn wel - daèn uit; Laat de
^EEElEgE
keel zich pa - ren Met den klank der sna
ren; Looft Hem met de luit.
. Roemt nu met nieuwe lofgezangen De nieuwe blijken van zijn gunst. Het speeltuig moet dien toon vervangen; Heft vrolijk aan; wijdt Hem uw kunst. Alles moet Hem eeren;
Want het woord des heer en, Jt Richtsnoer zijner daèn,
PSALM 33.
Is volmaakt rechtvaardig,
Al onz' achting waanlig;
Eeuwig zal 't bestaan.
3. Hij schept in 't heilig recht heilagen;
Zijn wijsheid is alom verspreid; Men hoort ai 't wereldrond gewagen Van zijne goedertierenheid.
's Heerek alvermogen Bracht de lietnclhogen
Door zijn Woord in 't licht;
Heeft de flonkervuren,
Die den tijd verduren,
Door zijn Geest gesticht.
EERSTE PAUZE.
I. Hij doet de groote waatren zwellen, Te zaam vergaadren tot een hoop. En naar den diepen afgrond snellen,
Daar zij beperkt zijn in hun loop.
Laat al d' aard' Hem vreezen, Die, als 't Opperwezen,
't Al heeft voortgebracht.
Laat de wereld schrikken;
Laat z' all' oogenblikkcn Siddren voor zijn macht.
5. Geen ding geschiedt er ooit gewisser,
Dan 't hoog bevel van 's iieeren mond. Zijn godlijk' almacht spreekt, en 't is er; Zijn wil gebiedt, en 't wordt terstond. Schoon de heidnen samen List op list beramen.
God verbreekt hun raad;
Schoon de Mogendheden Snood' ontwerpen smeden. Hij belacht haar haat.
6. Maar d' altoos wijze raad des HEEREN
Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht. Niets kan zijn hoog besluit ooit keeren; 't Blijft van geslachte tot geslacht.
Zalig moet meu noemen Die hun Maker roemen
Als hun heer en God;
't Volk, door Hem te voren Gunstig uitverkoren Tot zijn erf en lot.
tweede PAUZE.
7. De groote Schepper aller dingen
Ziet, uit het ongenaakbaar licht. Het gansch gedrag der stervelingen;
50 PSALM 33.
Niets is bcilekt voor zijn gezicht.
Uit zijn vaste woning,
Daar Hij liecrsclit als Koning,
Daar zijn lol', zijn eer.
Klinkt door al de bogen,
Zien zijn godlijk' oogen Op al 't menschdom neer.
8. 't Is God, aan tijd noeh plaats verbonden.
Wiens toeziclit over alles gaat;
Die quot;t barte vormt en l.an doorgronden;
Die aller werken gadeslaat.
Schilden , bogen , dolken,
Dapper' oorlogsvolken,
Wijsheid, moed noch kracht.
Kunnen ooit in 't strijden Eenig vorst bevrijden Zonder 's heerex macht.
9 Het briescliend paard moet eindlijk sneven,
Hoe snel het draav' in 't oorlogsveld;
't Kan niemand d' overwinning geven;
Zijn grootc sterkte baat geen held.
Neen, de Heer der heeren Doet ons triomfeeren;
Hij, geducht in macht.
Slaat elk gunstig gade.
Die op zijn genade
In benauwdheid wacht.
I) E K li E I' A U z E.
10. Zijn machtig' arm beschermt de vromen.
En redt hun zielen vau den dood.
Hij zal hen nimmer om doen komen lu duren tijd en hongersnood.
In de grootste smarten Blijven onze harten
In den HEER gerust.
â k Zal Hem nooit vergeten.
Hem mijn Helper heeten.
Al mijn hoop en lust.
11 Laat ons alom zijn lof ontvouwen ;
In Hem verblijdt zich ons gemoed.
Omdat wij op zijn naam vertrouwen.
Dien naam zoo heilig, groot en goed.
Goedertieren Vader,
Milde Zegen-ader,
Stel uw vriendlijk hart,
Op wiens gunst wij hopen.
Eeuwig voor ons open:
Weer steeds alle smart.
d e
PSALM 34. 57
de vier en dertigste psalm.
i
E5amp;
Kon-
Ik loof den heer, mijn God; Mijn zang klimm'
op naar't he - mei - hof; Mijn mond zing'
eeu - wig tot zijn lof, Om mijn ge - luk-
kig lot. Mijn ziel, loof d'Op - per-heer.
Ei
't Zacht - moe - dig volk zal 't straks ver - staan.
iüü
Door vreugd met u zijn aan-ge-daan, En
jui-chen tot zijn eer.
Komt, maakt God met mij groot; Verbreidt, verhoogt met hart en stem Den nooit volprezen naam van Hem, üie ons behoedt in nood.
Ik zocht in mijn gebed Den heer, ootmoedig met geween; Hij heeft mij in angstvalligheên Geantwoord, mij gered.
Zij sloegen 't oog op God; Zij liepen als een stroom Hem aan. Hij liet hen nimmer schaamrood staan; Hij wendde straks hun lot.
Hij, die door smart op smart Gedrukt werd, zond tot God zijn beê. Terstond verdween 't ondraagbaar wee Uit zijn benepen hart.
EERSTE PAUZE.
Des heeren Engel schaart Een onverwinbre hemel wacht
P S A L M 34.
Rondom hem, die Gods wil betracht; Dus is liij wel bewaard.
Komt, smaakt nu en beschouwt De goedheid quot;van d Alzegenaar.
Welzalig hij, die in gevaar Alleen op Hem betrouwt!
5. Vreest, vreest Hem t' allen tijd', Gij, heiligen, daar g' ondervindt. Dat hij, die God vreest en bemint.
Gebrek noch schade lijdt.
In honger komt nocb moed.
Noch kracht den jongen leeuw te baat; Maar die den HEER zoekt \roeg en laat, Mist nimmer 't noodig goed.
6. Komt, kindren, hoort naar mij; Neemt mijn getrouwen raad in acht; Ik leer. opdat g' uw plicht betracht,
Wat 's HEEREN vreeze zij.
Hebt gij in 't leven lust ,
In dagen, daar men 't goed' in ziet, Waarin men vrij is van Yerdriet,
Daar niets ons heil ontrust ?
7. Houdt dan uw tong in toom.
Dat zij nooit schandlijk spreek' ol smaal Dat nooit bedrog ol' logentaal Op uwe lippen koom'.
Betreedt het rechte spoor;
Yeraclit het kwaad; jaagt naar den vree God ziet de vromen, en hun beê Geeft Hij altoos gehoor.
TWEEDE P A ü Z E.
8. God slaat een gram gezicht Op boozen, die Hem tegenstaan;
Hij doet hun naam met hen vergaan Door 't hoogste strafgericht.
Maai Hij ziet gunstig neer Op hem, die naar zijn wetten leelt. God is het, die hem uitkomst geelt. Zijn grooten naam ter eer.
9 God is 't verbroken hart,
't Verbrijzeld en bedrukt gemoed. Ten allen tijd' nabij en goed, In tegenheid en smart.
Veel wederwaardigheèn,
Veel rampen zijn des vromen lot;
Maar uit die alle redt hem God;
Hij is zijn heil alleen.
10 God zorgt, als 't leed genaakt. Dat hij niet gansch ter neder stort ,
PSALM 34, 35.
Dat liem geen been gebroken word': 't Is 60(1, die hem bewaakt. De snoode boosheid baart Den goddeloo/.e vloek en dood,
Daar hij, die d' onschuld stout verstoot, Zelf schuldig wordt verklaard. 11. De HEER verlost en spaart
59
Zijn volk, dat op zijn hulp vertrouwt; Hét zal, door Hein in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard.
1
DE VIJF EN DERTIGSTE PSALM.
Twist met mijn twis-ters, He - mei-heer;
m
Ga mijn be - strij - dren toch te keer; Wil
i
spies, rond-as en schild ge - brui-ken, Om
=Se=
hun ge-Yreesd ge - weid te fnui - ken; Be-
mil
let hun d'op - tocht; treed voor-uit: Zoo wor-
SÃÃÃÃ
den z'in hun loop ge-stuit; Ver-troost mijn
ziel in haar ge-ween. En zeg haar: «'k Ben
uw heil al-leen.quot;
2. Beschaam z' in hunnen trotschen waan, Die mij zoo wreed naar 't leven staan: Zoo worden z' achterwaarts gedreven En rood van schaamte. Doe hen beven. Die kwaad verzinnen tegen mij.
lü
i
Dat
r s a I. Ji 35.
Dat al luin list verijdeld 7,ij.
Yevstrooi hen, als de wind liet kat;
Gods Engel drijv' lien van mij af.
3. Doe hen altoos onzeker gaan,
In duisternis, op gladde paamp;n;
En. daar Gij zijt op hen verbolgen.
Moet, HEER, uw Engel hen vervolgen. Zij hebben in hun listigheid Een kuil, een net voor mij bereid. En, schoon ik nimmer hun misdeed.
Steeds lagen voor mijn ziel gesmeed.
4. Mijn vijand word', eer hij 't verwacht, üóor ramp op ramp te niet gebracht;
Hij moog', in eigen net gevangen.
Het loon van zijn bedrijf erlangen;
Zoo vall' hij In den kuil, weleer Voor my geschikt, verslagen neer;
Dan zal mijn ziel, verheugd in God,
Steeds juichen in haar heilrijk lot.
EERSTE PAUZE.
5. Mijn beendren spreken tot uw eer: Wie, wie is U gelijk, O HEER?
ü, die van d' overmacht der sterken De zwakken redt door wondrc werken? Die voor der roovren woed' en zwaard t Nooddruftig volk getrouw bewaart? Gij weet, hoe valsch men mij belaagt. En onverdiend ter vierschaar daagt.
6. Mijn vijand, dorstig naar mijn bloed , Vergeldt mij wreevlig kwaad voor goed;
Maar ik, hem ziend' in krankheid zuchten. Nam deel in al zijn ongenuchten.
Ik vastte, met een zak omgord;
'k Had mijn gebeden uitgestort;
Ik ging in 't zwart, met rouwmisbaar. Alsof 't mijn vriend, mijn broeder waar'.
7. 'k Had om mijn haters 't kleed gescheurd, Als een, die om zijn moeder treurt;
Maar als ik moest met rampen strijden. Verheugden zij zich in mijn lijden. Zij kwamen schielijk op mij af.
Eer iets mij zulks te kennen gaf. Elk spotte met mijn zielsverdriet; Hun valsche tong bedwong zich met.
8. Bij dartle brassers aan den disch,
Wien 't huichlenU spotten eigen is.
Wier lastertaal mij snood onteerde. Was vreugd om 't onheil, dat mij deerde.
I' S A I. M 35.
Hue lang /nit Gij zulks zien, o God? Vergun mijn ziel een lieter lot;
Verlos haar, door uw sterke hand. Uit dezer leeuwen klauw en tand.
TWEEDE 1gt; A U Z E.
9. Ik zal, iu tegenwoordigheid
Van 't groote volk, uw Majesteit D' erkentnis van iiiijn hart bewijzen;
'k Zal U voor aller oogen prijzen.
Dat zij dan, die mij zonder reèn Vervolgen, om mijn tegenheèn Niet juichen, noch in hunnen waan Op mij hun schimpend' oogen slaan.
10. Zij spreken nooit van vrede, neen.
Maar zij bedenken listigheèn
Ten val van ben, die, stil van zinnen. Den vrede, 't dierbaarst pand, beminnen. Zij bassen m' aan met open mond: Hun schimptaal, die mijn ziel doorwondt. Bespot mijn leed; zij zijn verheugd Op 't zien van al mijn ongeneugt.
11. 0 heer . Gij ziet het; zwijg niet stil; Uw recht beslissc mijn geschil;
Ontwaak; treed toe tot niijn bescherming; Mijn God, betoon mij uw ontlerming; Doe mij, o hoogste Majesteit,
Eens recht naar nw gerechtigheid.
En laat die wreeden, dag aan dag.
Niet juichen om mijn droef gek lag.
12. Laat beu niet zeggen in het hart;
⢠Geluk, mijn ziel, hij is benard;quot;
Meu boore nimmer uit hun monden: â Wij hebben hem in 't eind verslonden.quot; Wil hen veeleer met scliand' belaan Om al den smaad, mij aangedaan;
Opdat mijn trotsclie weerpartij Zich niet vcrhelTc tegen mij.
13. Laat vromen, juichend t' allen tijd, Om mijn gerechtigheid verblijd.
Dien lust, dien ijver nooit bedwingen,
Maar zeggen onder 't vroolijk zingen;
â Verheerlijkt zij de hoogste God;
â Hij schenkt zijn knecht een vreedzaam lot.' Dan meldt mijn tong met diep ontzag
Uw recht, uw lol' den ganschen dag.
PSALM 36.
62
3
SE
=5=
Ei
DE ZES E N DERTIGSTE I'S AL 31.
Het trotsch ge - drag ties boo-zen doet Mij
EÃi
spre-ken in 't be-klemd ge-moed: »Gods vrees is
m
uit zijn oa - gen,quot; Wijl liij zoo lang/.icli
Ei
zei-ven vleit, Tot God zijn on - ge-recli-tig-
m
heid Niet lan-ger kan ge - tloo - gen. Be-
Ei
drog en on - recht spreekt zijn mond; 't Ver-
=:
stand laat na, den wa-ren grond Van't wcl-docn
op te mer-ken ; Des nachts is't kwaad zijn
-t
Hij 3 stelt zicli op een hoo-zen
weg. En schnwt geen snoo-dc wcr-ken.
2. Uw goedlieid, HEER, is hemcllioog; Uw waarheid tot den wolkenboog;
Uw recht is als Gods bergen;
Uw oordeel grondloos; Gij behoedt En zegent mensch en beest, en doet Uw hulp nooit vruchtloos vergen. Hoe groot is uw goedgunstigheid!
Ei
o - ver - les
Hoe
PSALM 36, 37.
Hoe zijn uw vleuglen uitgebreid!
Hier wordt de rust geschonken; Hier 't vette van uw huis gesmaakt; Een volle beek van wellust maakt Hier elk in Helde dronken.
3. Bij U, heer, is de levensbron; Uw licht doet. klaarder dan de zon, Uns 't heuglijk licht aanschouwen. Wees die U kennen mild en goed. En toon d' oprechten van gemoed
Uw recht, waar z* op vertrouwen. Dat mij nooit trotsche voet vertrapp'. Noch booze hand in ballingschap
Ellendig om doe zwerven!
Daar zijn de werkers van het kwaad Gevallen in een Jammerstaat,
63
Waarin zij hulploos sterven.
m
de zeven ex dertigste l» s a l m.
i
Wees o - ver't heil der boo - zen niet ont-sto-
lm
kon; Bc -nijd licn niet. Wat on - rcclit, wat gc-
Ie|i
weid De trouw verdrukk', zij blijft niet on - ge-
£
wro-ken: De trot-sche ziet zijn weeld' een
i
perk ge-stcld. Valt ai' als't kruid, ter nati - wer-
nood ont-lo-ken, Ver- dort als'tgras, door
m
's maaiers zeis ge-\eid.
2. Stel op den heer in alles uw betrouwen:
Betracht uw plicht; bewoon het aardrijk; leer
Uw
P S A L M 37.
Uw welvaart op Gods trouw volstandig bouwen;
Verlustig u met blijdschap in den heer.
Dan zal Hij u in liei'd' en gunst aanschouwen, U schenken wat uw hart van Hem begeer*.
3. Geen ijdle zorg doe u van 't heilspoor dwalen;
Houd in uw weg het oog op God gericht;
Vertrouw op Hem, en d' uitkomst zal niet falen:
Hij zal welhaast uw recht voor elks gezicht Doen dagen als de morgeiizonnestralen,
Kn blinken als het hel Ier middaglicht.
4. Zwijg Gode; wacht op 't eind vau 's heeren wegen.
Wanneer gij hier der snooden voorspoed ziet; En hebben zij door list hun wensch verkregen,
't Ontsteek' uw drift, noch haar* u zielsverdriet. Misgun hun dan geen ingebeehlen zegen;
Laat af van toorn, en zoek de wrake niet.
5. God roeit hen uit, die 's vromen rust verstoren;
Maar die den heer verwachten met geduid,
Zien 't aardrijk zich ten erfbezit beschoren.
Verbeid den stond, die beider lot vervult.
En tracht dan t zaad der boozen op te sporen.
Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult.
EERSTE P A U Z E.
6. 't Zachtmoedig volk zal eens den vollen vrede
Genieten, in de zoetste rust verblijd,
En erven d' aard'. Hoe ook de booz' en wreede
Ãp d* onschuld loer', de tanden kners' van spijt; Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede.
De HEER belacht het wrokken van dien nijd.
7. Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.
Men trekt het zwaard; men spant den boog, en mikt Op 't zuchtend hart der onderdrukte vromen.
Daar 's boozen raad hen wreed ter slachting schikt, In 't stout bestaan, in 't woeden niet te toomen. Voordat hem God verbijstert en verschrikt.
S.Gods wraak ontwaakt, en trekt de trotschen tegen; Hun eigen zwaard vergiet hun ziedend bloed. Dan breekt hun boog; dan vallen z' op hun wegen: Dan blijkt op 't klaarst, dat hier het weinig goed Van 's heeren volk, rechtvaardiglijk verkregen.
Veel beter is dan 's boozen overvloed.
9. Gods macht verbreekt den arm der goddeloozen,
Terwijl zijn hand rechtvaardigen geleidt.
Al treden z' op geen weg, bezaaid met rozen. Zij wachten 't heil, door God hun toege/.eid.
Hij kent hun tijd; zij zien, in spijt der boozen. Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.
10. Geen
64
P S A L M 37.
j 10. Geen druk beschaamt hun hoop in bange tijden;
Geen hongersnood doet hen verlegen staan;
Gods goedheid zal hen voeden en verblijden,
Maar 's HEER EX toorn de boozen nederslaan.
Als 't mestlam, dat men zag ten offer wijden,
Zal met den rook het heilloos rot vergaan.
TWEEDE l» A ü Z E.
11. De booze neemt, door hebzucht aangedreven,
Met list ter leen, en legt de schuil niet al', ü'oprechte, vol ontferming, mild in 't geven.
Bezit deez' aard' als 't erl', dat God hem galquot;.
Deez* smaakt in rust den zegen en het leven;
De vloek vervolgt den andren tot in 't graf.
12.'t Alwijs bestier bevestigt 's vromen gangen;
De hooge God keurt zijne wegen goed;
Hij zorgt voor hem, en waakt voor zijn belangen;
Hij wordt geenszins om 't glibbren van zijn voet Of om zijn val verworpen, maar vervangen. En ondersteund door God, die hem behoedt.
i 13.'k Ben jong geweest, en draag nu grijze haren.
Maar zag nog nooit rechtvaardigen door nood Zóó zwaar gedrukt, alsof hen God liet varen.
Noch ook hun zaad, al bedelde 't om brood. Hun mildheid schijnt te groeien met hun Jaren; De zegen vloeit hun nakroost in den schoot.
14. Wijk af van 't kwaad, en sta met al uw krachten
Het goede voor, in weldoen onvermoeid;
Woon eeuwig hier in late nageslachten;
Want God, die 't recht, waardoor zijn Heilrijk bloeit. Up 't hoogst bemint, bewaart hen, die 't betrachten; Maar t godloos zaad wordt door Hem uitgeroeid. D E R D E 1» A U Z E.
15. Het aardrijk zij rechtvaardigen en vromen
In erfbezit ter woon, eeuw in, eeuw uit.
D'oprechte «loet een vloed van wijsheid stroomen.
Daar hij den mond tot 's Hoogsten lof ontsluit. Wat menschenvrees zou ooit zijn tong betoomen? Zij spreekt naar 't hart, daar enkel recht uit spruit.
16. De wet zijns Gods is in zijn hart geschreven.
Waardoor zijn gang van glibbren wordt bevrijd. De booswicht loert, door haat en spijt gedreven.
Spant strik op strik, of wapent zich ten strijd. En staat, ontzind, rechtvaardigen naar 't leven. Naardien hij, trotsch, hun 's HEER EX gunst benijdt.
17. God laat hen nooit in 's haters wreed vermogen.
Wie hen verdoem', de heer verdoemt hen niet. Wacht op den HEER, en houdt zijn weg voor oogen;
Hij
65
P S A I M 37, 38.
Hij zal gewis in 't wettig erfgebied Van *t aardrijk u op 't zegenrijkst Terhoogen,
Terwijl gij 't eind der goddeloozeii ziet.
18. Ik heb liet lot eens dwinglands waargenomen;
Hij breidde zich verbazend uit in 't rond,
Gelijk een boom, die, tot zijn kracbt gekomen, ü|) 't weligst groent, geplant in eigen grond;
Maar quot;k zocht welhaast vergeefs die plaag der vromen: Hij was niet meer, hoe vast hij eertijds stond.
19. Let toch en zie op vromen en oprechten;
Want wat men denk' van d' uitkomst hunner paan. God kroont met vreè het einde zijner knechten;
Maar durft men stout des HEEREN wet versmaan, Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten, En 't boos geslacht ten grond toe doen vergaan.
20. liet heillot, dat rechtvaardigen verkregen,
Vloeit af van God, hun sterkt', als d'angst hen knelt. Hij laat in tijd van nood hen niet verlegen.
Des I1EEREX hulp bevrijdt hen voor 't geweld Van 't godloos rot. Hij komt hem gunstig tegen.
Die op zijn macht een vast vertrouwen stelt.
3. Door
DE AC II T E N 1) E n T I G S T E 1' S A L M.
m
Groot en ecu - wig Op - per - we - zen,
Zeer te vree - zen, Straf mij in uw gramschap
ipil
niet; Toon mij toch, dat uw kas - tij - den
In mijn lij-den Uit geen grim-mig-lieid
ge-schiedt.
2. Want uw pijlen doen mij dragen Bittre plagen; Zij doorgrieven vleesch en been. 'k Voel uw hand in d' ongelukken. Die mij drukken. Neergedaald op al mijn leen.
66
psalm 38.
S.Door uw gramschap, fel ontstoken,
Is verbroken Al mijn \leescli en lichaamskracht.
Kust noch vrede wordt gevonden,
Om mijn zonden,
In mijn beendren, dag of nacht.
4. Want mijn hoofd is als bedolven
In de golven Van mijn ongerechtigheên.
Zulk een last van zond' en plagen,
Niet te dragen.
Drukt mijn schouders naar bcncên.
5. 'k Voel door stinkend' etterzweren
Mij verteren;
Walglijk zijn zij voor het oog.
Mijne dwaasheid deed die builen Dus vervuilen,
Daar ze mij tot kwaad bewoog.
EERSTE PAUZE.
6.'k Ben, door uwe wet te schenden.
Krom van lenden.
Vol van druk, benauwd van hart.
Zeer gebogen en verslagen,
Moe van klagen,
Ga ik al den dag in 't zwart.
7. Mijn ontstoken ingewanden
Doen mij branden En voor elk verachtlijk zijn.
'k Voel mij van de smart doorsneden;
In mijn leden is niets heel of vrij van pijn.
8. Uitgeteerd door al mijn klachten
Zijn mijn krachten,
Zeer verbrijzeld en vergaan.
'k Brul van bittre zielesmarte.
Want mijn harte Is verzwakt door al uw slaan.
9. Maar wat klaag ik, iieeii der heeren?
Mijn begeeren Is voor ü, in al mijn leed.
Met mijn zuchten en mijn zorgen Niet verborgen.
Daar Gij alles ziet en weet.
10.'t Hart schokt in mij heen en weder.
Op en neder;
't Lichaam valt mij krachtloos neer;
D' oogen
67
1» S A L M 38.
D' oogen, bijna blind gekreten,
ü i tgebeten,
Zien liet daglicht nauwlijks meer.
11. Die voorheen mij teer beminden,
En mijn vrinden,
Wijken, angstig voor mijn plaag; Nabestaanden gaan ter zijden,
Wegens 't lijden En d' ellenden, die ik draag.
T W E E D E P A U Z E,
12. Zij, die mijnen dood bejagen,
Leggen lagen,
Dreigen mij den laatsten slag.
Spreken hoe mij best te krenken,
En bedenken Mijn verderf den ganschen dag.
13. Maar ik ben in d' ongelukken.
Die mij drukken,
4ls een doove, die niet hoort,
En uit wiens verstomde lippen Niet kan glippen 't Flauwst geluid van eenig woord.
14. Ja, ik ben als een, wiens ooren
Niet meer hooren,
Wat men zegge, kwaad of goed;
Wien de tegenreên ontbreken.
Om te spreken.
En die daarom zwijgen moet.
15. Want, o trouw en eeuwig Wezen,
In mijn vreezen Staat mijn hoop op U alleen.
Gij, mijn God, zult in ellenden Bijstand zenden,
En vei hooren mijn gebeên.
16.'k Zei: «Laat nooit mijn bitter lijden
Hen verblijden »ln hun trotschen euvelmoed,
⢠Wijl die boozen juichen zouden,
«Als z' aanschouwden «'t Wanklen van mijn zwakken voet.quot;
D E R D E P A ü Z E.
17. Want, o heer, ik ben aan 't zinken,
En tot hinken leder OOgenblik gereed.
'k Heb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen,
Bij 't vooruitzicht van mijn leed.
18. 'k Wil
68
P s A L M 38, 39.
18.'k Wil'mijn misdaèn , die ü tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor ü die niet.
'k Ben vanwegen al mijn zonden. Die mij wonden.
Vol van kommer en verdriet.
19. Maar mijn vijand zie ik leven.
Hoog verheven,
Machtig, vrij van smart en nood. Die, om valsche reên verbolgen. Mij vervolgen.
Nemen toe en worden groot.
20. Zij, die kwaad voor goed vergelden,
Last ren, schelden En vervolgen mij gestaag.
Ja, ze zijn op mij gebeten,
Want zij weten.
Dat ik naar het goede jaag.
21. Zie mij, HEER, wien elk moet duchten.
Tot ü vluchten;
O mijn God, verlaat mij niet;
Blijl niet, wegens mijn gebreken. Ver geweken;
Toon, dat Gij mijn rampen ziet.
22. Heer, ik voel mijn krachten wijken
En bezwijken;
Haast ü tot mijn hulp, en red. Red mij. Schutsheer, God der goden. Troost in nooden,
Groote Hoorder van 't gebed.
1) e n e g e n en de ii tigs t e p s a l m.
-2â=âr
Ik zei:»Nu zal ik let-ten op mijn paftn.
quot;Om met mijn tong niet t'o - ver - treên; Ik
in
zal geen woord uit mij - nen mond doen gaan, -Maar
breid-len dien in te - gen-heên, «Ter-wijl hij
die
69
|
70 P S A li M 39. | ||||||||||||||||
|
mij voor oo - gen zweeft.quot;
2. Ik was verstomd; ik sprak van 't goede niet;
Waar dit verzwaarde mijne smart;
Wijn geest werd heet in 't binnenst door verdriet;
Een vuur ontstak mijn peinzend hart,
Dat, ondanks mijn besluiten, in mijn leed Wijn tong op 't laatst dus spreken deed:
3. »0 HEEli, ontdek mijn levenseind aan mij;
⢠Mijn dagen zijn bij l) geteld;
»Ai, leer mij, hoe vergankelijk ik zij;
â¢.Een hand breed is mijn tijd gesteld;
»Ja, die is niets; want, schoon de inensch zich vleit, »De sterkst' is enkel ijdelheid.
4.»Gaat niet de menscli als in een beeld daarheen,
â Gelijk een schaduw, die verdwijnt?
»Men woelt vergeefs; men brengt met zorg bijeen
»A1 wat op aard' begeerlijk schijnt;
»En niemand is verzekerd, wie eens al »Die goedren naar zich nemen zal.quot;
I' A ü z E.
5. Nu dan, O HEEll, wat is 't dat ik verwacht?
Mijn hope staat op U alleen.
Verlos mij, door uw onweerstaaiibre kracht.
Van al mijn ongeregtigbeêii,
En stel mij niet, getrouwe Toeverlaat,
Den dwazen stervling tot een smaad.
B. Ik ben verstomd, en zal mijn mond voortaan Niet opendoen, wijl Gij liet deedt.
Meem uwe plaag van mij; houd op van slaan,
En maak een einde van mijn leed.
Mijn kracht bezwijkt, omdat mij uwe hand Zoo fel bestrijdt van allen kant.
7. Wanneer uw straf op eenen stervling stort.
Omdat hij uwe wet vergeet.
Verdwijnt zijn glans; zijn kracht vergaat in 't kort,
Gelijk de scboonlieid van een kleed,
Waarover zich alom de mot verspreidt.
Gewis, de mensch is ijdelheid.
8. Hoor mijn gebed, mijn bang geroep, O HEER,
Daar 'k schreiend ü mijn leed vertoon,
Ik. die bij ü als vreemdeling verkeer.
En
P S A L M 39, 40.
En hier, gelijk mijn vaders, woon. Ai, wend uw hand en plagen van mij af; Verkwik mij, eer ik daal in 't graf.
DE VEERTIGSTE PSALM.
iüüü
'k Heb lang den HEER in mij - nen druk ver-
i
wacht, En Hij heeft zich tot mij ge-neigd.
Ik riep, door nood op nood be-drcigd; |Hij
3^
gaf ge - boor aan mij - ne jam-mer-klacbt.
Mij, in den kuil ver - zon - ken. Mi j heeft Hij
hulp ge - schon-ken, Ge-voerd uit mod-drig
0=0==^
|
slijk; Mij op een rots ge - zet. Daar | ||||||||||||||||||||
|
ik met vas - ten tred Die jammerkolk ontwijk. 2. Hij geeft m' opnieuw een danklied tot zijn eer. Een lofzang. Velen zullen 't zien,
En God' eerbiedig hulde bièn.
Hem vreezen, en vertrouwen op den heer.
Wel hem, die 't Opperwezen Dus kinderlijk mag vreezen,
Op Hem vertrouwen stelt.
En, in gevaar, geen kracht Van ijdle trotsehaards wacht.
Van leugen of geweld.
3. Mijn
71
m
1» s a L M 40.
3. Mijn God , Gij hebt uw wondren groot gemaakt.
Wie is 't, die 't onbepaald getal Van uw gedachten melden zal?
Wat geest zoo vlug, wat tong zoo wel bespraakt? Geen slachtvee, geen altaren Vol spijs ten offer, waren Het voorwerp van uw lust;
Gij hebt mij, naar uw woord,
Mijn ooren doorgeboord,
En 't lichaam toegerust.
4. Bramlofferen, noch offer voor de schuld.
Voldeden aan uw eisch noch eer.
Toen zeid' ik: «Zie, ik kom, o heer; De rol des hoeks is met mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
«Wil U alleen behagen;
«Mijn liet'd' en ijver brandt;
»lk draag uw heiige wet,
«Die Gij den stervling zet, gt;ln 't binnenst ingewand.quot;
1» a u z e.
5. Uw hellleer wordt door mij alom verbreid;
'k Bedwing mijn toug en lippen niet; Gij weet het, heer, die alles ziet;
Mijn hart verbergt nooit uw gerechtigheid; üw waarheid doe ik hooien;
Uw heil, den mensch beschoren.
Vloeit daaglijks uit mijn mond; Uw gunst, uw trouw, uw woord En godsgeheimen hoort Uw talrijk volk in 't rond.
6. G' onthoudt, o heer, dan uw barmhartigheèn
Mij nooit in knellend zielsgevaar.
Dat mij uw gunst en trouw bewaar*.
Daar ik door ramp op ramp mij vind bestreen. Ik voel rnij aangegrepen Door zonden , lel benepen,
Een heir niet t' overzien,
Die ik veel minder dan Mijn hoofdhaar tellen kan;
Zij doen mijn krachten vlièn.
7. 't Behaag' U, mij te redden uit den nood;
o heer, bied vaardig onderstand. En overstort met schaamt' en schand' Hen, die mijn ziel vervolgen tot den dood.
Laat z', achterwaarts gedreven. Met schand' in 't vluchten sneven.
Wier lust is in mijn kwaad.
Verwoesting zij het loon
72
PSALM 40, 41.
Voor al den schimp en hoon Van hem, die mij versmaadt. 8. Verheug het volk, verblijd hen allen, heek. Die naar u zoeken t' eiken stond; Leg steeds uw vrienden in den mond: Den grooten God zij eeuwig lol' en eer!quot; Schoon 'k arm ben en ellendig.
Denkt God aan mij bestendig.
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht,
Mijn redder. 0 mijn God,
Bestierder van mijn lot.
Vertoef niet, hoor mijn klacht.
ia
|
d e e e n e in veertigste i» s a l m. | ||||||||||
| ||||||||||
|
Wel - za - lig hij, die zich ver-stan-dig draagt |
Bij een el - len - dig mensch. De heer zal
hem, wan-neer hij treurt en klaagt, Be - vrij - den
naar zijn wensch, Be-hoe-den, en doen le-ven
hier op aard' In vree en za - lig-heid.
Nooit van zijn God ver - la - ten, maar be-waard
|ëü
Voor 's vy-aiuls boos bt' - leid.
2. Uc heek zal liem, op 't ziekbed neergestort, Versterken door zijn kracht. Gij maakt, dat zelfs zijn gansclie leger wordt
Veranderd door uw inaciit.
Ik heb tot God geroepen om gena;
73
â k Zei in mijn angst en leed:
â Genees
P s a L M 41, 42.
quot;Genees mij, heer, die bij U schuldig: sta,
«En tegen U misdeed.quot;
3. In plaats van troost vervolgt mij 's vijands blaam;
Zij zeggen tot elkaar;
«Waar blijlt zijn dood? wanneer vergaat zijn naam?quot;
Komt iemand van die schaar Om mij te zien, dan spreekt hij valsch, en smeedt
Mij kwaad, zoo\eel hij kan;
Als hij terug van mij naar buiten treedt,
Spreekt hij er am'ren van.
p A U z E.
4. Zij momplen saam, vervuld met bittren haat;
Van raadslaau nimmer moe.
Bedenken zij een goddeloos verraad;
Men zegt: Gods geeselroe ⢠Treft hem gewis; een schanddaad kleel't hem aan;
«Hij ligt voor eeuwig neer;
»Nu zult gij hem niet weder op zien staan.
«Hersteld gelijk weleer.quot;
5. Zelfs hij, op wien ik voormaals heb vertrouwd,
Mijn vree- en dischgenoot.
Verhief zijn hiel, en sloeg mij lier en stout,
Terwijl hij at mijn brood.
Maar Gij, o heer, schiet tot mijn hulpe toe;
Bewijs gen5, en red En richt mij op, dat ik vergelding doe, En d' ontrouw palen zett'.
6. Ik ken uw gunst, ik ken uw trouw hieraan,
Dat zich mijn vijand niet Beroemen zal, noch ik te gronde gaan.
Wijl Gij mij bijstand biedt,
Mij onderhoudt in mijn oprechtigheid,
En voor uw aangezicht.
Met teedre zorg en trouwe hulp, geleidt Naar 't eeuwig zalig licht.
7. Looft Isrels God; roept door all' eeuwigheên
Des ll e eren grootheid uit.
Dat elk met mij zijn lofzang en gebeèn Met Amen, Amen, sluit'!
DE TWEE EN VEERTIGSTE PSALM.
't Hij - gend hert, de jacht ont - ko - men.
Schreeuwt niet ster-ker naar't ge - not Van de
fris-
74
PSALM 42.
fris-sche wa - ter-stroo-men, Dan mijn ziel ver
langt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar tien
m
heer. God des le-vens, ach, wan-neer
ik naa-dren voor uw oo - gen.
m
huls uw naam ver -hoo - gen ?
2. 'k Heb mijn tranen onder 't klagen Tot mijn spij/.e. dag en naclit.
Daar mij spotters durven vragen : ⢠Waar is doel, dien gij verwachtVquot; Wijn benauwde /.iel versmelt,
Als zij zich voor oogen stelt,
Hoe ik, onder stem en snaren.
Feest hield met Gods blijde scharen.
3.0 mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder:
Zoek in 's Hoogsten lof uw lust.
Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwisslen in geluk.
Hoop op God, sla 't oog naar boven, Want ik zal zijn naam nog loven.
4.'k Denk aan U, o God, in 't klagen. Uit de landstreek der Jordaan;
Van mijn leed doe 'k Hermon wagen; 'k Roep van 't klein gebergt' U aan. 'k Zucht, daar kolk en afgrond loeit. Daar 't gedruisch der waatren groeit. Daar uw golven, daar uw baren Mijn benauwde ziel vervaren.
1' a u z e.
5. Maar de HEEn zal uitkomst geven.
Hij, die 's daags zijn gunst gebiedt, 'k Zal in dit vertrouwen leven,
En dat melden in mijn lied.
75
Zal
In uw
-t
'k Zal
PSALM 42, 43.
'k Zal zijn lof, zelfs in Jen nacht. Zingen, daar ik Hem verwacht, En mijn hart, wat mij moog' treffen , Tot den God mijns levens heffen.
6. 'k Zal tot God, mijn steenrots, spreken;
â Waarom, HE EU, vergeet Ge mij?
'k Ga in 't zwart, door rouw bezweken,
â Om mijns vijands dwinglandij,
⢠Die mij hooilt, mij 't hart doorboort,
â Dat gestaag deez' las.ring hoort:
â Waar is God, op wien gij boiiwdet,
â En aan wien g' uw zaak vertrouwdet ?quot;
7. ü mijn ziel, wat buigt g' u neder?
Waartoe zijt g' in mij ontrust?
Voed het oud vertrouwen weder;
Zoek in 's Hoogsten lof uw' lust. Menigwerf heeft Hij uw druk Doen verandren in geluk.
Hoop op Hem; sla 't oog naar boven; Ik zal God, mijn God, nog loven.
i
Waarom
m
ben, die, vol arg - lis - tig - he - den, Ge-
|
ecli - tig - heid en trouw ver - tre - den; üp- | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
|
dat mijn ziel uw naam be - lij', En LF ge- |
hei - ligd zij.
2. Mijn God, ik steun op uw vermogen; Gij zijt de sterkte van mijn hart.
76
PSALM 43, 44.
Waarom verstoot Gij m' uit uw oogen? Waarom ga ik. ternecrgebogcii,
Door 's vijands wreed geweld benard, Gestaèg in 't aaklig zwart?
3.Zend. heer. uw liclit en waarheid neder. En breng mij, door dien glans geleid,
Tot uw gewijde tente weder;
-Dan klimt mijn bange ziel gereeder Ten berge van uw heiligheid,
Daar mij uw gunst verbeidt.
4. Dan ga ik op tot Gods altaren.
Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren Ten roem van zijne goedheid paren,
Die, na kortstondig' ongeneugt', Mij eindeloos verheugt.
5. Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen?
Wat zijt g' onrustig in uw lot?
Berust in 's HEEUEN welbehagen:
Hij doet welhaast uw heilzon dagen. Uw hoop herleev' naar zijn gebod.
77
Mijn redder is mijn God.
i.i-i
1 gil 1
Wel-eer van on - ze vaat!-ren lioo-ren,
Wat werk Gij in hun da - gen wrocht, Hoe
G' oud -tijds hen met heil he - zocht. Gij
hebt de heid-nen met uw hand Ver-dre-
ven, dat zij 'terf ver - üe - ten; Hen
lel
2. Hun zwaard deed hen dit land niet erven; 11 u 11 arm deed hen geen heil verwerven;
Maar uwe recliterliand, uw maclit.
Heeft hun dien voorspoed toegebracht.
L)c glans van 't godlijk aangezicht Heeft hen de zege weg doen dragen.
Want Gij omscheent hen met liet licht Van uw genadig welbehagen.
3. Gij zelf, o God, die uit uw woning Ons hulp verleendet, zijt mijn Koning.
Verlos ons van 't gedreigde kwaad;
Gebied het heil voor .lakobs zaad.
Gij doet ons onze weèrpartij Met hoornen stooten in de lenden;
In uwen naam vertreden wij,
Die tegen ons de wapens wenden.
â 1. Stap ik vol moed ten ooreloge,
'k Vertrouw niet op mijn stalen boge;
Ik weet, dat in den heeten strijd
Mij zwaard noch dapperheid bevrijdt.
Maar Gij verlost den veegen Staat Van 'svijauds macht, waarvoor wij duchten;
Ook doet uw hand al wie ons haat Met scliand' en schaamte henenvlucliten.
EERSTE 1' A U Z E.
5.'t Is God, dien w' onzen Redder noemen, In wien \v' ons al den dag beroemen.
Den lof uws naams. alom verbreid,
Verheffen wij in eeuwigheid.
Maar nu verstoot Gij ons, O HEER; Wij zien ons hoofd met schand' bedekken.
Dewijl Gij met ons heir niet meer Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.
6. Gij doet ons bevend rugwaarts wijken. En steeds voor d' overmacht bezwijken
Van liaatren, die ons goed en bloed
Vast roeven in hun euvelmoed.
Gelijk de schapen, die men slacht.
Hebt G' ons aan hen tot spijs gegeven;
Ons onder 't heidendom gebracht.
Daar wij verstrooid, vol kommer, leven.
7. Het
PSALM 44.
7. Het volk, dat Gij hebt uitverkoren,
Verkoopt G' aan die uw erfdeel storen.
Voor geen waardij, hoe min men bied',
En hunnen prijs verhoogt Gij niet.
Gij stelt ons tot een bittren smaad Voor schampre buren, die ons hoonen.
De spot en schimp straalt van 't gelaat Der volken, die rondom ons wonen.
8. Gij quot;doet ons tot een spreekwoord strekken Den heidnen, «laar G' ons heen doet trekken;
En 't volk, dat ons te snood berooft.
Schudt over ons afkeerig 't hoofd.
Mijn schande stelt men valsch in 't licht: Z' is nimmer uit mijn oog geweken;
De schaamte dekt mijn aangezicht.
Zoodat ik 't hoofd niet op durf steken.
9. De stem des hooners moet ik hooien:
Zijn lastertaal klinkt mij in dv ooren;
De booze vijand koelt zijn moed.
En dorst wraakgierig naar ons bloed.
Mij hebben echter in die smart.
Schoon wij dit alles ondervonden,
ü niet vergeten in ons hart.
Noch trouwloos uw verbond geschonden.
t w e e d e pa ü z e.
10. Ons hart heeft zich van U in nooden Niet afgekeerd tot valsche goden,
En onze gang week niet van 't pad ,
Dat Gij ons voorgeschreven hadt.
Al hebt G' ons in uw toornegloed Verpletterd in een plaats der draken.
En ons verdrukt en bang gemoed De doodsvalleien doen genaken.
11. Ja, hadden w', in dien druk gezeten.
Den naam van onzen God vergeten,
De handen in verlegenheid Tot vreemde goden uitgebreid, â
Zou God, naar zijn onkreukbaar recht. Die euveldaad niet onderzoeken?
Al wat in 't hart wordt overlegd Kent Hij, tot in de diepste hoeken.
12. Maar wij, om uwentwil verdreven.
Verliezen al den dag het leven;
VVij worden slechts van hen geacht Als schapen, voor het mes gebracht.
Waak op, o heer; waarom toch zoudt Gij slapen, en de smart vergrooten?
Ontwaak: toon dat G' ons nog aanschouwt.
En ons niet eeuwig wilt verstooten.
13. Waarom
79
PSALM 44, 45.
13. Waarom, daar wij uw bijstand vergen, Zondt Gij uw aangezicht verbergen?
Waarom vergeten onz' ellend* Kn onderdrukking zonder end?
Want onze ziel, die nauwlijks leeft, Is treurig in het stof gebogen.
Daar onze buik aan d' aarde kleeft. Bezwijken wij in onvermogen.
14. Sta op, o God; toon medelijden;
Laat ons uw arm van nood bevrijden;
Verlos ons uit den angst, o Heer: Zoo krijgt uw goedheid eeuwig d' eer.
80
DE VIJF EN VEERTIGSTE PSALM.
mi
2. Gord,
i
ge drijft, Is z'als de pen van een, die vaar-
3
dig schrijft. Be - min - lijk Vorst, uw schoon-heid,
Ã|E
hoog te lo - ïen. Gaat al het schoon der
m
|
men-schen \er te bo-ven; Ge - nè is | ||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||
|
op uw lip-pen uit - ge - stort, Des G'eeu-wig- |
I
lijk van God ge - ze-gend wordt.
PSALM 45.
2. Gord, gord, o Held, uw /.waard aan uwe zijde. Uw blinkend zwaard , zoo scherp gewet ten strijde;
Vertoon uw glans, vertoon uw majesteit;
Rijd zegerijk in uwe heerlijkheid Up 't zuivre woord der waarheid; rijd voorspoedig. En heerscli alom reclitvaardig en zachtmoedig. Uw rechterhand zal 't godüjk rijk behoêii,
En in den krijg geduchte daden doen.
3. Uw pijlen, fel van uwen boog gedreven.
Zijn scherp, en doen geheele volken beven;
Zij vellen neer wat uw vermogen tart.
En dringen diep in 's vijands wreevlig hart.
Gij zult, o God, in eeuwigheid bekleeden Den vasten troon van uw gerechtigheden;
De rjjksstal', dien uw liooge Majesteit In 't Godsrijk zwaait, heerscht met rechtmatigheid.
4. O God, uw God heeft mild ü overgoten
Met vreugdezalf, meer dan uw meegenooten.
Omdat uw ziel de goddeloosheid haat.
En 't recht bemint. Uw vorstlijk rijksgewaad, (J toegevoerd uit elpenbeenen hoven.
Vol eedlen geur, doet elk uw hoogheid loven.
Hoe riekt de mirr' en kassie wijd en zijd,
En d' aloë, wier geur uw ziel verblijdt!
PAUZE.
5. Men ziet U blij, in statelijke reien.
Door dochtren zelfs van koningen geleien;
De Koningin staat aan uw rechterhand In 't Hjnste goud van Olirs mijn rijk land.
O Dochter, hoor, en /.ie, en neig uw ooren;
Verlaat, vergeet, wat ooit u kon bekoren,
Uws vaders huis, uw volk, en wat voorheen U dierbaar en beminnenswaardig scheen.
(j. Dan /.al de Vorst van al uw schoon getuigen;
Hij is uw lieer; dies moet g' n voor hem huigen.
'k Zie Tyrus dan, die rijke wereldstad,
U hulde doen, en offren schat op scbat. De Koningstelg, die Hij zijn Bruid wil noemen, Is meest om haar inwendig schoon te roemen; 't Borduursel is, naar vorstelijken staat.
Van louter goud gewerkt in 't praalgewaad.
7. Straks leidt men haar in staatsie uit haar woning, In kleeding, rijk gestikt, tot haren Koning;
Zoo treedt zij voort met al den maagdenstoet. Die haar verzelt, ü vroolijk te gemoet.
Zij zullen blij, geleid met lofgezangen,
De vreugde voên, die afstraalt van haar wangen. Tot zij, daar elk gewaagt van haren lof.
Ter bruiloft treèn in 't koninklijke hof.
8. In
81
P S A L M 45, 46.
82
EPi
8. In plaats van uw doorlucht' en vrome va ad ren, Zult Gij eerlang uw zonen zien vergaadien, En stellen hen door uw geduchte hand. Al 't aardrijk door, in vorstelijken stand. Ik zal uw naam bij elk geslacht doen kennen; Van kind tot kind zal t zich aan U gewennen: Zoo rolt uw lof op 't ruime wereldrond In eeuwigheid uit aller volkren mond.
DE ZES EN VEERTIGSTE PSALM,
^2 J -J
câa
i
God is een toe-vlucht voor de zij -nen,
Epl
Hun sterkt', als zij lt;luor drocf-heid kwij-ncn;
| |||||||||||||||||||
|
Zij wer-den steeds zijn hulp ge - waar In t â i |
SEd
ziels - benauwdheid, in ge - vaar. Dies zal geen
vrees ons doen be - zwij-ken, Schoon d'aard
ha - rc plaats mocht wij - ken, Sclioon 't hoo^
ï
bergt' uit zij - ne steè Ver - zet wierd in het
mm
hart der zee.
2, Laat vrij het scliuiineiid zeenat bruisen. D' ontroerde waatren lievig ruischen; De golven mogen door haar vvoên Het berggevaarte daavren doen, â De stad, het heiligdom, de woning Van fiod, den allerhoogsten Koning, Wordt in haar muren t' allen tijd' Door beekjes der rivier verblijd.
m
3. Geen
PSALM 46, 17.
3. Geen onheil zal de stad verstoren.
Daar God zijn woning: heeft verkoren; God zal haar redden uit den nood,
Bij 't da^en van het morgenrood.
Men zag de heidnen kwaad beramen: De koninkrijken spanden samen;
Maar God verhief zijn stem, en d' aard* Versmolt, voor 's Hoogsten toorn vervaard. PAUZE.
J. De heek , de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren;
De heer, de God van .Takobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
Komt, wilt op 's heer en daden merken; Aanschouwt des Hoogsten groote werken.
Zijn macht, die nooit te stuiten is.
Maakt d' aarde tot een wildernis.
5. God stilt alom het oorelogen;
Zijn arm verbreekt de taaie bogen,
Doet spies en speer aan stukken slaan. En wagens door het vuur vergaan.
Laat af!quot; dus spreekt de heer der heeren: Weet, Ik ben God; elk moet mij eeren ; Het heidendom, ja 't gansch heelal Verhooge mij met lofgeschal.quot;
6. De heer, de God der legerscharen,
Is met ons, hoedt ons in gevaren.
De heer, de God van Jakobs zaad,
Is ons een burg, een toeverlaat.
de zeven en veertigste p s a l w.
Juicht, o vol - ken, juicht; Handklapt,en be-
| j;]==Ãr|:^ EEg; | -[i.hz*: ]
tuigt On - zen God uw vreugd; Weest te
âümü
zaam ver-heugd; Zingt des Hoog-sten eer;
Buigt li voor Hem neer. 41 - les ducht zijn
kracht;
83
PSALM 47.
84
kraclit; Al - les vreest zijn macht; Zij - ne
^4:
Ma - Je - stelt Maakt haar heer-lijk-heid 0-
m â|IJ TTT
t
ver't rond der aard' Wijd en zijd ver-maard.
2. Naar Gods wijs bestel,
Op Gods hoog bevel.
Slaan wij, door zijn hand Volken aan den band,
Die door ons verneèrd.
Door ons overheerd.
Strekken lot een blijk,
Hoe Hij, liefderijk,
Aan zijn woord gedenkt,
D' erfenis ons schenkt,
Jakobs heerlijkheid,
Aan hem toegezeid.
3. God vaart voor het oog Met gejuich omhoog.
't Schel bazuingeluid Galmt Gods glorie uit.
Heft den lofzang aan:
Zingt zijn wonderdaan:
Zingt lt;le schoonste stof;
Zingt des Konings lof Met een zuivren galm.
Met een blijden psalm.
Hij, de Vorst «Ier aard',
Is die hulde waard.
I. Zingt des Hoogsten eer.
Opdat ieder leer',
Hoe Hij heerscht alom Over 't heidendom;
Hoe Hij van zijn troon Geeft zijn rijksgeboón.
Daar het al voor bukt.
Eedlen. gansch verrukt,
Nu hun 't godlijk licht Straalt in 't aangezicht,
Deelen in ons lot,
Eeren Abrams God.
5. D' Eer-
p s a l gt;1 47, '18.
5. D' Eersten van den Staat, Die den onderzaat.
85
Naar Gods wijze wet. Zijn ten schild gezet, Eeren 's Hoogsten maclit. God munt nit in kracht.
n e a c h ï en v e e r tigs t e 1» s a l m.
In
Sa-lems stad en tem - pel - hof. Daar
£
on - ze God, by ziii-vrc to - nen, Op
zij - nen heil - gen berg wil wo - nen. Hoe
- 3IF
schoon, hoe wel - ge - le - gen, Wat vreugd voor
d' aard', wat ze - gen, Is Si-ons berg! hoe grootscli.
hoe blij, Hoe heer-lijk aan de noor - der-
zij! Wie is 't, die niet de God-stad roemt,
igPiiiPii
De stad des groo-ten Ko-nings nocint ?
2. In haar paleizen vestigt God
âE
Zijn troon, wordt daar erkend een slot Kn hoog vertrek voor 't volk te wezen. Geen vorsten beeft men daar te vreezen. Pas hadden zij, verbonden,
Den
I' S A L M 48, 49.
Drn tocht zich onderwonden;
Pas hadden zij de stad in 't oog,
Of hun verwondring steeg zóó hoog, Dat Sion slechts van ver te zien Hen straks van schrik terug deed vliên. 3. Daar greep hen heving aan, vervaard. Vol smart, gelijk een vrouw, die baart. Zoo doet G' een oostenwind de kielen Van Tarsis' vloot in zee vernielen.
Wij zagen. 't geen onz' ooren Voorheen slechts mochten hooien, In deze stad, den troon der eer Van God, der legerscharen li kek.
Hij zal. door macht en kloeke daèn, In eeuwigheid haar vast doen staan, i» A ü z E.
J. Wij, o verheven Majesteit,
Gedenken uw weldadigheid,
In t midden van uw heiige woning.
Gelijk uw naam is, groote Koning,
Bij ons te recht geprezen,
Zoo is uw roem gerezen.
En bij de volken zeer vermaard.
Tot aan het uiterst eind der aard'. Uw rechterhand, die t kwaad niet duldt, Is met gerechtigheid vervuld. 5. Dat Sions berg weergalm' van vreugd;
Laat Judas dochters zijn verheugd.
Wijl Gij haar vijand sloegt in quot;t strijden.
Gaat Sion rond aan alle zijden;
Telt al de vestingwerken En torens, die 't versterken;
Ja ziet, met een oplettend oog,
Paleizen steigren hemelhoog.
En stout verduren al 't geweld,
Opdat gij 't aan uw kroost vertelt. 0. Want deze God is onze God;
Hij is ons deel, ons zalig lot.
Door tijd noch eeuwigheid te scheiden. Ter dood toe zal Hij ons geleiden.
DE X E G E X EN VEERTIGSTE PSALM.
Gij, vol - ken, hoort; waar g' in de we - reld
woont, 't Zij laag van staat, ol' hoog, met eer bekroond
86
P S A L H 49.
kroond, 't Zij rijk of arm, komt, luis-tert naar dit
woord; Mijn mond brengt niets dan lou - tre wijs - heid
s;
voort, Bij mij in 't hart op-merk-zaam o-ver-
dacht; Ik neig het oor, daar'k op Gods inspraak
wacht. Naar'shee-ren spreuk, en zal u op lt;lc
I
|
sua - ren Der blij - de liarp ge - hei - men | ||||||||
|
o - pen-ha - ren.
Wat zou mij toch doen vreezen in een tijd.
Waarin liet kwaad, het onrecht mij bestrijdt.
Als ik omringd, benauwd hen door 't geweld,
Dat in mijn val zijn hoogst genoegen stelt?
Wat hem betreft, die op zijn schat betrouwt,
Eu al zijn roem op groeten rijkdom bouwt,
Zijn schat behoudt zijn broeder niet in 't leven; Hij kan daarvoor aaii God geen losgeld geven.
Hij kan dien prijs der ziele, dat rantsoen Aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen; Hij wenscht vergeefs hier altoos 't licht te zien, Eu door zijn schat het naar bederf t' ontvlièn.
Hij ziet elk uur der wijzen levensend;
Der dwazen dood blijft hem niet onbekend;
Hij ziet, dat hun in 't sterven niets kan baten,
Maar dat zij 't al aan andren overlaten.
Al zegt zijn hart: Mijn huis zal eeuwig staan, â Van kiuit tot kind gedurig overgaan;quot;
Al heeft hij 't land, waarop zijn trotschheid roemt. Zijn grootschheid houwt, naar zijnen naam genoemd, â t Is alles wind, daar zich zijn hart mee streelt.
De
87
PSALM 49, 50.
De menscli, lioe mild door 't aardscli geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in maclit en staat verheven. Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.
p A U z E.
5. Hoewel zijn weg niets is dan ijdelheid.
En hü zich zelf door dwazen hoogmoed vleit.
Stapt echter 't kroost, dat in der oudren woord Behagen schept, op 't zelfde doolpad voort.
De dood maait ook dier kindren leven af; Zij volgen hen, als schapen, naar het graf;
En in den dag, den grooten dag des HEEHEN, Zal over hen d' oprechte trioml'eeren.
6. Men denkt niet meer aan hun voorleden staat,
Wijl al hun glans met hen in 't graf vergaat.
Maar na den dood is 't leven mij bereid;
God neemt mij op in zijne heerlijkheid.
Vreest hem dan niet, die groote schatten heeft. Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;
Want hij zal niets in 't sterven met zich dragen;
Zijn naam, zijn roem, 't ligt al terneergeslagen.
7. Schoon hij zich op deez' aard' in wellust baadt. En ieder roemt zijn weeld' en overdaad,
Hij daalt nochtans, gelijk zijn gansch geslacht, Vervreemd van God, in 's ai'gronds donkren nacht. Gij dan, o menscli, hoe waard, hoe groot in eer. Zoo gij den wil versmaadt van uwen Heer, Dan gaat gij, als de beesten, haast verloren;
Een wis bederf is u ten lot beschoren.
DE V 1.) P T I G S T E PSALM.
EE=jÃ
Der go - den God ver-heft zijn stem met macht.
.^=1^
En roept deez'aard', van daar de zon met pracht
In'toos-ten rijst, tot daar z'in zee ver-dwijnt;
i
Uit Si - on. zoo vol - ko-men schoon, verschijnt
God
88
PSALM 50.
* * 1 cJ '^J.1 J * * '«sJ
God vol van glans, om op zijn troon te stij -gen ;
Hij, on-ze God, Hij komt en zal niet z wij-gen.
Verterend vuur gaat voor zijn aanzicht heen, Een felle storm verzelt alom zijn treên:
Nu Hij zijn volk zal richten voor elks oog,
Koept Hij tot aard' en hemel van omhoog: ' Verzamelt mij mijn dierbre gunstgenooten,
«Die mijn verbond op 't heilig offer sloten.quot; De heemlen zijn getuigen van zijn recht.
Want God is zelf de Rechter, die 't beslecht.
Hoor gij, mijn volk: hoor, Isrel, daar ik tot U spreek en roep: «Ik God, Ik ben uw God; »'k Bestraf u niet vanwege d' offeranden,
«Daar die gestaamp;g voor mij op 't outer branden, o'k Zal uit uw huis geen var, noch uit uw kooi «Voor 't brandaltaar begeeren bok of ooi;
»\Vant al 't gediert' der wouden is het mijn': »\Vat beesten er op duizend bergen zijn,
⢠Wat vogels ooit rondom hun toppen vlogen,
â Het wild des velds, 't is al in mijn vermogen.
PAUZE.
«Nooit klaagd' Ik 't u, indien Ik honger had; «Want d' aard' is mijn, en al wat zij bevat.
â Zou stierenvleesch, of wat ooit menschen voedt, «Mijn spijze zijn? mijn drank der bokken bloed?
⢠Neen, offert God' uw dankbre lofgezangen;
't Geen gij belooft moet d' Allerhoogst' ontvangen.
â Roept in den nood tot mij, uw God en Heer; Dan help Ik u, en gij geeft Gode d' eer.quot;
Maar zijne taal tot goddeloozen luidt:
Waarom toch spreekt gij mijne wetten uit? «Wat roemt gij u als mijn verbondelingen,
«Daar g* u door woord noch straffen laat bedwingen V
«Ziet gij een dief, gij loopt met hem en steelt; «Gij zyt het, die met overspelers deelt «In 't vuil vermaak van hun ontuchtigheên; «Uw mond is vol van ongebonden reen;
«Uw snoode tong is afgericht op liegen,
-En steeds gewend aan veinzen en bedriegen.
«Gij zit, gij spreekt van uwen broeder kwaad; «Uw moeders zoon vervolgt gij bits met smaad.
En
89
PSALM 50, 51.
«En lastert hom: dit doet gij vrij en blij; Ik zwijg ; dies meent ge, dat Ik ben als gij. »'k Zal over u een heilig vonnis vellen,
»En uw gedrag n klaar voor oogen stellen.
90
t). «Verstaat dit toch, vergeters van Gods wet, «Opdat Ik niet verscheur' en niemand redd'. â Wie 't dankbaar hart mij biedt ter offerand*, «Die geeft mij eer, en elk, wie met verstand quot;Zijn wegen richt, mag op mijn gunst vertrouwen: «Ik zal Gods heil hem eeuwig doen aanschouwen.''
is
DE EEN EN VIJFTIGSTE PSALM.
BH
Ge - na, o Goil. ge-na, hoor mijn gc -beil;
Verschoon mij toch naar uw barmhar-tig - he - den;
3
Delg uit mijn schuld; ver-geef mijn o-ver-tre - den :
Uw goedheid wordt noch paal noch perk gc - zet.
31
Ai, wasch mij wel van on - ge- rech - tig - heid;
=1=
Mijn schuld is zwaar; ik heb uw wet ge-schon-
lÃ^I
den; Zie mijn be-rouw; hoor, hoe een boet-ling
SS
pleit, En rei - nig mij van al mijn vui-le
1
zon - den.
2. Want
I' S A L m 51.
2. Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad;
Mijn zonde /.ie 'k mij steeds voor oogeu zweven; 'k Heb tegen U, ja li alleen, misdreven.
Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad.
Ik heb gedaan, dat kwaad was in uw oog;
Dies ben ik, heek. uw gramschap dubbel waardig;
'k Erken mijn schuld, die U tot stral' bewoog ; Uw quot;doen is rein, uw vonnis gansch rechtvaardig.
3. 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren;
Mijn zonde maakt mij t voorwerp van uw tooien, Reeds van het uur van mijn ontvangnis al'.
Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed. Gij, ueeh, die weet al wat ik heb misdreven.
Gij, die miju geest met wijsheid hadt gevoed.
En in mijn ziel uw godhjk licht gegeven.
4. Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel.
Nu gansch'melaatsch, zal rein zijn en genezen.
Wascli mij geheel, zoo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die. versch op 't aardrijk nederviel. Ai, geef mij weer gewenschte zielevreugd;
l.aat uit uw mond mij stof tot blijdschap hooien: Zoo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd, En in mijn geest de ware rust herboren.
1' .V U z E.
5. Verberg uw oog van mijn bedreven kwaad. Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden;
Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden.
En spreek mij vrij van mijne gruweldaad.
Herschep mijn hart, en reinig Gij, o UEEH,
Die vuile bron van al mijn wanbedrijven;
Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan uw dienst oprecht verbonden blijven.
(i. Verwerp mij van uw aangezicht toch niet;
Ai, laat van mij uw heilgen Geest niet scheiden; Die kan alleen op 't rechte spoor mij leiden.
Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet. Geef miju gemoed, dat nu angstvallig vreest. De blijdschap weer; doe op uw heil mij hopen;
Laat mij, gesterkt door eenen eedlen geest, Volvaardig 't pad van uw geboden loopen.
7. Dan zal ik elk, die 't heilspoor bijster is,
Vrijmoedig al uw rechte wegen leeren;
De zondaar zal zich dan tot L' hekeeren.
En scheppen moed uit mijn behoudenis.
à God, Gij God mijns heils, vergeef mijn schuld. Mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen;
Dan zal mijn mond, met zangstof weer vervuld. Uw heilig recht, gepaard met goedheid, roemen.
8. Heek,
91
PSALM 51, 52.
8. Heer, open Gij mijn lippen door uw kracht. Zoo zal mijn mond uw lof gestaag vermelden.
Geen offer kan voor mijne zonden gelden;
Behaagd' ü dat, straks wierd het U geslacht. Indien Gij lust in brandend' offren hadt, Dan wierd het vuur door mij gewis ontstoken;
Ik spaarde dan noch zorg, noch vlijt, noch schat. Maar zou 't altaar van offervee doen rooken.
9. Gods offers zijn een gansch verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen.
Dit offer kan uw heilig oog behagen;
't Is nooit, o God, van à veracht geweest. Doe Sion wel; laat om mijn zwaren val Uw goedheid niet van zijne burgren wijken ;
Bouw Salem op; laat nooit zijn muur en wal. Door uwe straf, voor 's vijands macht bezwijken.
10. Dan vindt Gij in onz' offeranden lust,
Waarmee wij à naar 't heilig recht vereeren; Dan zal 't altaar de varren gansch verteren; Dan wordt het vuur daarop nooit uitgebluscht.
|
de twee en v ij f t 1 g s t e psalm. _ | |||||||
|
Waar-toe u dus be-roemd in'tkwa-de.
Ver-meet-le ilwin-ge - land? Ik steun ge-
S!
rust op Gods ge-na - de En trou-wen
£
on - der-stand. Zijn goed-heid duurt den gan-
sclien dag; Zijn al-macht wekt ont-zag. 2. Uw tong, die toelegt om te schaden, En als een scheermes snijdt.
Durft /.icli met snood bedrog beraden,
üit bittren wrok en nijd.
(lij mint bet onrecht, haat de deugd; Ue logen baart u vreugd.
92
3.
Igt; S A I, M 52, 53.
3. Gij grieft mij door uw schatnpre woorden,
Door taal, die mij verbaast;
Gij tracht mij door uw tong te moorden;
Maar beef! gij wordt welhaast Door God, die uw gedrag \erfoeit.
Voor eeuwig uitgeroeid.
4. God zal u voor zijn wraak doen bukken.
En door zijn sterke hand U uit uw tent en schuilplaats rukken,
Ontwortleii uit uw stand.
De vromen zullen, vrij van nood, Dan lachen om uw dood.
5. -Zie,quot; zal men zeggen, »zie den dwazen,
gt;Die, op zijn rijkdom stout.
â Ons wilde door zijn macht verbazen,
»0p God niet heeft vertrouwd.
»Zijn sterkte kreeg hij door geweld; ⢠Nu ligt hij neergeveld.quot;
6. Maar ik zal als d' olijfboom groeien
In 't huis des grooten Gods.
Ik zal in eer en godsvrucht bloeien;
God is mijn steun en rots.
Op zijne gunst, mij toegezeid.
Vertrouw 'k in eeuwigheid.
7. Mijn God, U zal ik eeuwig loven.
Omdat Gij 't hebt gedaan.
'k Verwacht uw trouwe hulp van boven;
Uw waarheid zal bestaan.
Uw naam is voor 't oprecht gemoed Van al uw gunstvolk goed.
93
|
DE DRIE EN VIJFTIGSTE P S A L M. | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
|
den, En ma - ken zich door gru -we - lij - ke zeden | ||||||||||||||||
P S A L M 53, 54.
ze - den Af-schu-we - lijk; daar is geen
m
mensch, die goed Op aar - de doet.
2. God, die het recht met kracht verdedigt, sloeg Van 's hemels troon zijn oogen naar beneden
Op Adams kroost, doorzocht hun hart en zeden; Hij zag, of' zich geen mensch verstandig droeg. En naar Hem vroeg.
3. Hij zocht alom, maar ach. Hij vond er geen.
Want alle vleesch is trouwloos afgeweken;
Het land is vol van stinkende gebreken:
Geen sterveling wil 't pad der deugd betreen. Ja zelfs niet één.
4. Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaan,
Geen kennis? Neen! thans durven die ontzinden Met gulzigheid mijn volk als brood verslinden.
Zij roepen op hun godvergeten paèn Zelfs God niet aan.
5. Op 't onverwachtst zijn zij in angst gebracht; Want God heeft uw belegeraars doen vluchten. Hun beendren zelfs verstrooid. Die u deen zuchten
Hebt gij beschaamd; want God verwerpt, veracht Dit boos geslacht.
6. Och daalde 't heil uit Sipn spoedig neer Voor Israël! Als God zijn volk uit lijden En banden redt, zal Jakob zich verblijden.
94
SÃ
En Israël al juichend geven d'eer Aan yjjneii ilEER.
DE VIER EN VIJFTIGSTE P S A L M.
0 God, ver-los mij uit den nood, En
m
red door u - wen naam mijn Ie - ven. Mijn
reclit-/,aak zij aan ü ver-ble - ven; Och of
PSALM 54, 65.
$â . [ .z , Ul-I^: I , ^ i
uw arm mij liij-staml bood! U Goil, sla
V â -
acht op mijn ge - bed; Neig: tot mijn re - tie
gmi-stig d'oo-ren. En wil mijn bit - tre
Ã
klacht ïer-lioo - ren; Zoo word' ik nit ilen angst
=iâl-iâ-rr----
ge - red.
2. Want vreemden steken 't hoofd omhoog Tot mijn verderf; ik zie tirannen,
Om mij te dooden, samenspannen ; Zij stellen God zich niet voor 't oog. Ziet! God, die nimmer mij vergeet, Is mij een helper in mijn lijden;
Hij voert hen aan, die voor mij strijden, En ondersteunt mij in mijn leed.
3. Hij zal dit kwaad, dit boos bestaan. Aan mijn verspiederen vergelden.
Roei uit die tegen mij zich stelden;
Het gaat uw trouw en waarheid aan. Ik zal U met een blij gemoed Vrijwillig offren, heer der heeren;
Ik zal uw naam met lofzang eeren: Dit eischt uw naam, want hij is goed.
4. Want God wil mij zijn bijstand biên; Hij heeft mij 't onheil doen ontkomen, Eii mijn benauwdheid weggenomen ;
Ik heb mijns vijands val gezien.
Gij, die 't ge-roep uws volks wilt lioo - ren.
Verberg
95
1Â¥
ï
PSALM 55.
96
ES
Yer-berg U niet voor al mijn smee-ken;
Jl J ^
Ter-hoor mij, Hoer; geef gun-stig acht Op
m
mijn misbaar en jam-merklacht, Waar-in de
m
nood mij uit doet hre-ken.
2.'t Geroep des Tijands doet mij beven; Ik word door angst en schrik gedreven. En lel geperst door goddeioozen;
Men schuilt op mij, met snood beleid. Een last van ongerechtigheid.
Hoe vinnig treft de wraak dier boozen!
3. Mijn hart voelt weên en bange nepen; De doodschrik heeft mij aangegrepen; Ue vrees heeft mijne ziel bevangen;
Een kille beving komt mij aan, En siddring doet mijn leden slaan;
Dies roep ik uit met sterk verlangen:
4. .Och, gaf mij iemand duivenvleuglen!
⢠Gewis, mijn drift waar' niet te teuglen: Ik vloog, tot daar ik kon verwachten
⢠Mijn veiligheid, waar 't ook mocht zijn, »ln 't barste zelfs der zandwoestijn,
⢠Daar ik in stilte zou vernachten.quot;
5. Welhaast had ik de vlucht genomen.
Om dezen wind. deez' storm t' ontkomen, ü heek. laat hen uw vuur verslinden; Verdeel hun tong; -verwar hun spraak; M ant twist en wrevel, haat en wraak, Zijn in de stad alom te vinden.
6. Bij dag, bij nacht, ja t' aller uren. Omringen die haar op haar muren;
Geen recht, geen onschuld kan er baten.
^-1
Maar binnen in haar heerscht de twist; Het wreed verderf, de snoode list, 't Bedrog wijkt nimmer van haar straten.
PAUZE
1» S a l 31 55.
i» a u z e.
7. Zag ik mij door een vijand Jagen,
Dan kon, dan zon ik dit verdragen;
Maar 't was mijn iiater niet voordezen.
Die tegen mij zich thans verheft;
'k Had anders wei 't gevaar hesel't,
. En zou voor hem verborgen wezen.
S. Neen, gij, gij zijt het, dien ik eerde.
Dien ik gelijk mij zeil' waardeerde.
Met wien 'k gemeenzaam plag te handlen.
Mijn leidsman, met mij eensgezind.
Met wien ik raadpleegd' als mijn vrind. Kn samen naar Gods huis mocht wandlen. 9. Dat hen de dood als schuldheer veile.
En levend stort' in 't diepst der helle I \\ ant boosheid huisvest in de harten Kn tenten van dit booze rot;
Maar ik zal roepen tot mijn God,
Die mij zal redden uit mijn smarten.
10. 'k Zal 's avonds klagen, zuchten, stenen ;
'k Zal 's morgens kermen, 's middags weenen. Fn God zal op mijn bede merken.
Die God, die mij van dezen strijd In vreè door zijnen arm bevrijdt.
Hoe velen ook mijn val bewerken.
11. God zal mij hooren en hen plagen.
Die God, die reeds van oude dagen
Als rechter zat. om 't kwaad te weren:
Dewijl dit volk, de tucht ontwend.
In 't minste geen verandring kent.
Kn God noch vreezen wil, noch eeren^
12. Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden;
Geen vreêgenootschap kan hem binden; Hij schendt verbonden, speelt met eeden;
Hij vleit, en gladder is zijn mond Dan boter; maar zijns harten grond Is vol van krijg en bitterheden.
13. Zoo zacht als olie is zijn spreken,
Maar spies noch zwaard kan scherper steken. Mijn ziel. God zal u onderhouden ;
Werp uwe zorgen op den heer;
Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer.
Dat. die Hem vreezen, wanklen zouden.
14. Gij, heer, Gij zet den boozen palen.
Kn zult hen doen ten afgrond dalen.
Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen.
Kn dorst naar bloed, dien kort uw straf De helft van zijne dagen af;
Maar ik. ik zal op ü vertrouwen.
t)e
lgt; S A h M 5().
98
DE ZES EN VIJFTIGSTE PSALM.
Ge-nh, o God, bescherm mij door uw hand;
Zie, hoe ik ben om-ringd aan al - len kant;
Zie, hoe een mensch zijn boo - ze net-ten spant.
I
Om mij daar-in te Ja-gen. Den ganschen
3
1
i
dag is 't oog op mij ge - sla - gon; Zijn
list logt mij op al mijn we-gen la - gen: Zijn macht vergroot mijn on - se - luk en pla-
^ .Ui
gen, ünt-roert mijn in - ge-wand.
Maar word ik ooit met bange vrees belaèn. Dan zal op à mijn vast betrouwen staan. Ik prijs in God zijn woord; ik steun voortaan Op Hem; zou vleesch mij deren?
Ik vrees hen niet, die mijne smart vermeèren. Mij dag op dag door lastertaal onteeren.
Mijn woorden in een valschen zin verkeeren. Arglistig mij vcrraèn.
Zij rotten saam en houden boozen raad.
Terwijl mij elk in 't heimlijk gadeslaat.
Mijn schreden volgt, en mij naar 't leven staat. Door ramp noch klacht bewogen.
Zoudt Gij, o God, nog met uw heilig' oogen Hun boosheid zien en straffeloos gedoogen?
Ã
Neen, stort hen neer door uw geducht vermogen; Uw gramschap straff* hun kwaad.
PAUZE.
P S A L M 5r». 57.
1' A ü Z E.
4. Gij weet. o God, hoe 'k zwerven moet op aard'; Mijn tranen hebt G* in uwe flesch vergaard;
Is hun getal niet in uw boek bewaard.
Niet op uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreevle vijand beven,
in, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven. Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven; Niets maakt mijn ziel vervaard.
5. Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit zijnen mond gehoord;
'k Vertrouw op God, door geene vrees gestoord; Mat stervling zou mij schenden?
Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden Mij bijstand boodt en 't onheil af zoudt wenden. Tot U, o God, mijn lof/.ang op te zenden.
Door ijver aangespoord.
6. Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood ; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood;
Gij hebt mijn smart verdreven;
Uw dierbre gunst is m' altoos bijgebleven.
99
'k Zal voor Gods oog naar zijn bevelen leven: Zoo word' door mij zijn naam altoos verheven; Zoo word* zijn lof vergroot.
lgt; E Z E V EN EN V IJ F T 1 G S T E P S A L M.
â¢i
Ge - nè, o God, ge - n^, hoor mijn ge-
i
bcên, Want mij-ne «iel betrouwt op U al-
leen ; Mijn toevlucht is de scha-duw u - wer
i
vleug-len; Ik berg mij daar voor al - Ie
te - gon-lioèn. Tot-dat uw macht den Tij-and
7.al bc-teug-len.
2. Ik
1' S A L M 57, 58.
2. Ik roep tot God, den Koning van 't heelal: Tot God, die 't werk aan mij voleinden zal. Die van omhoog mij redt uit mijn ellenden,
En, hoe men woed', mijn vijand brengt ten val. God zal zijn gunst en waarheid nederzenden.
.*lt;. Door Gods gena wordt mijne ziel gered.
Schoon zij rondom van leeuwen is bezet.
Ik lig, gedrukt door lelie stokebranden.
Hun tongen zijn, als zwaarden, scherp gewet; Als spiesen en als pijlen zijn hun tanden.
1» A U Z E.
Wordt nl - les bil - lijk aan - ge - legd? Kwijt
ieder
4. Verhel', o God, verhef ü hemelhoog:
Uw eere straal' op aard* in ieders oog.
/ij, die een net bereidden voor mijn gangen, /ijn zelv', terwijl mijn ziel zich nederboog,
In eenen kuil. voor mij bereid, gevangen.
5. Uw hand, o God, heeft veilig mij geleid;
Ik ben gered; nu is mijn hart bereid.
Het is bereid, om U, mijn God, te loven;
Nu wordt uw naam door mij met vreugd verbreid: Mijn psalmgezang klimm' tot uw roem naar boven.
(*gt;. Waak op, mijn eer; waakt op, mijn harp en luit; Mijn zanglust streeft den dageraad vooruit:
'k Zal onder al de volken, heer, U prijzen:
Mijn psalmgezang zal, bij cimhaal en iluit.
Uw naam alom de plegtigst' eer bewijzen.
7. Uw goedheid, li eek, is groot en hemelhoog: Uw waarheid reikt tot aan den wolkenboog.
Verhef U dan ver boven 's hemels kringen;
Uw eer versprei' haar luister in elks oog;
Laat ieder die door heel de wereld zingen.
100
V S A l .11 58.
ie - dn zich naar zijn ge - we - ten? En ^ von - nist gij wei in-der-daaii, Zoo-als met
rechten wet be-staat V
2. Neen, gij smeedt ongerechtigheden
In 't harte, dat van boosheid zwelt;
(lij weegt op aard' uw snood geweld,
In schijn van billijkheid en reden.
Godloozen zijn van God vervreemd,
Zoo ras hun leven aanvang neemt.
3. De booze leugensprekers dolen ,
Van 't uur dat zij geboren zijn;
In hart en mond ligt heet venijn,
Vis in een vuurge slang, verschoien;
Zij geven 't goede nooit gehoor.
Maar stoppen, als een adder, 't oor.
I. Gelijk zich die niet laat bezweren.
Zoo willen dezen niet verstaan.
Verbreek hun tanden; laat voortaan.
O God. uw arm hun kracht verneèren;
Breek jongen leeuwen, heet op buit,
O li keu, de wreede tanden uit.
i» A u z E.
5. Smelt hen tot water; laat ze drijven,
Kn maak linn pijlen, daar zij boos Mee mikken, stomp en krachteloos;
Laat toch uw arm hun boog niet stijven; Doe ben in armoe en gebrek Vergaan, versmelten als een slek.
li. Och, laat hen in hun kwaad niet groeien.
Maar doe hen als een misdracht zijn. Dat nooit de zon hun oog beschijn'.
Ker dan uw potten zullen gloeien Van 't doornen vuur, stormt Hij gezwind Hen weg, als in een wervelwind. 7.'t Rechtvaardig volk, gered uit lijden.
Zal eens, wanneer 't de wraak aanschouwt, In God, wien 't zich had toevertrouwd,
En in zijn waarheid zich verblijden;
't Zal zijne voeten, welgemoed.
Zelfs wasschen in der boozen bloed.
S. Ue
101
I' S A L .Al 68, 59.
8. De iiiensch zal eerlang vroolijk zeggen :
â Gewis, lt;le deugd geniet haar vrucht: -Gods grootheid wordt te recht geducht.
Die loon en straf weet toe te leggen; 'Gewis, daar is een God, die leeft,
â En op deez' aarde vonnis geeft.quot;
|
DE NEGEN EN V IJ F T 1 G S T E I' S A L 31. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
van uw wet-ten, Die niet dan slink-sche gan- | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
4-nhju -M,
gen gaan, Bloed-dor -stig mij naar 't Ie - ven staan.
2. Laat, heek, uw bijstand niet vertragen;
Zie, hoe zij mijne ziel belagen:
Zij zijn doldriftig op de been,
Kn rukken al hun macht bijeen.
Schoon ik geen misdaad heb bedreven.
Die stof tot wraakzucht koude geven.
Waak op, ontmoet mij, en beschouw Hoe 'k op uw macht alleen vertrouw.
3. Ja, 't lust' U, heer der legerscharen.
Als Isrels God U t' openbaren.
Ontwaak, en straf dit heidendom ;
Dat niemand uwe wraak ontkonr.
Zij trekken, trotsch op wanbedrijven,
Waa r-
102
I» S A L M 59.
Waardoor zij trouwloos 't onrecht stijven, Df stad om, aan don avondstond. En ieder tiert gelijk een hond.
4. l)e snoodste laster stroomt d' ontaarden Ten mond' uit; Ja, geslepen zwaarden
Zijn op Imn lippen; ieder woord Is schimp, vervloeking, wraak en moord. Wie hoort liet?quot; vragen z* onder 't woede Maar Gij, o Scliutslieer aller goeden.
Zult hen belaclien, en den spot Haast drijven met al 't heidenscli rot.
5. Mijn vijand roem' op zijn vermogen.
Maar ik, ik sla op (J mijn oogen:
Ik wacht op uwe hulp, o HEER;
Gij zijt mijn hoog vertrek, mijn eer. 'k Zal God met goedertierenheden Mij eerlang te gemoet zien treden,
En mij welhaast gewroken zien Aan hen. die listig mij hespièn.
1' A ü z E.
0. Beroof hen niet terstond van 't leven.
Opdat mijn volk, van angst ontheven, Uw oordeel tevens niet vergeet'. Uw macht, als Gij ter vierschaar treedt. Doe elk van hen als balling zwerven. En, 't kwaad ten spiegel, schandlijk sterven .la werp, o God, mijn schild, hen neer. Als trotsche schenders uwer eer.
7. Men neem' hen, daar hun lasternioiulen En valsche lippen 't hart doorwonden.
Gevangen in hun hoovaardij.
Vergeld hun vloek, hun razernij. De logens, die zij snood verdichten. 't Betaamt U, hen gestreng te richten. Verteer z'in grimmigheid; uw kracht Verteer', verdelg' dat snood geslacht.
8. Laat hen eerlang bij d' uitkomst weten. Dat God als Heerscher is gezeten
In Jakohs erf, daar 't kwade weert. Ja, tot aan 'saardrijks eind regeert.
Laat, als het licht begint te dalen Hen wederkeeren, zoeken, dwalen. Vol ongeduld, van pad tot pad.
Als honden tierend' om de stad.
9. Laat hen, o God, om spijs verlegen, Omzwerven, en op nare wegen
Vernachten in de duisternis,
Schoon geen van hen verzadigd is.
I» s A li M 59, 60.
Maar ik zal U mijn sterkte noemen. Uw goedheid 's morgens vroolijk roemen. En zingen met een dankbren geest: «Gij zijt mijn hoog vertrek geweest.quot;
10. Ik zal. omdat (V in bange dagen
Mijn toevlucht waart, van U gewagen. Van U, mijn sterkte, zij mijn zang En snarenspel, mijn leven iang.
Ik heb in nood, aan God vei bonden, in Hem mijn hoog vertrek gevonden, In God, wiens goedertierenheid Zich over mij heeft uitgebreid.
I) E Z E S T I G S T E I' S A L M.
0 God, hoe heb-ben wij ge-treurd, Door
(5)
0
I
U vcr-stoo -ton on gesclieurd! (lij zijt op
!quot;l j I; ⢠â â¢' ' I
ons vergramd ge-weest: Keer weer tot ons; wij
Fjâ^
J 04
: J-l
Hot wan-kelt, hot gc - voelt uw sla - gen.
T^zriJ J i -! i ^r^uii^u^
land Gcschud, go-splo-ton iloor uw hand;
fei==
zijn be-vreesd. Gij hebt, o HEER,het gan-sche
m
==ir|âi
Ai red, ge-neos liet van zijn pla -gen.
2. Gij liebt uw volk een liarde zaak Doen zien door uw gestrenge wraak. Door twist op twist het land gekrenkt. Kn ons mot zwijmelwijn gedrenkt.
Maar nu hebt Gij een lieilbanier. Tot roem van uw geducht bestier.
^3
1
~;l:*
mm
Hen.
P S A I- M 60, (il.
Hen, die U vreezen. op doen steken: /00 is uw waarheid ons gebleken.
'A. Geel', HEER, opdat van angst en strijd 't Beminde volk niuo/ z|jn bevrijd.
Geel' heil door uwe rechterhand.
En red het zuchtend vaderland.
God sprak weleer in 't heiligdom.
üies juich ik met uw volk alom;
'k Zal Sichem deelen, Sukkoth nieten ; Die zullen mijn bezitting heeten.
i' A u z E.
4. Nu zie ik Gilead, gered,
Gehoorzaam luistren naar mijn wet; Manasse kent mij als zijn Heer,
Kn knielt eerbiedig voor mij neer;
Aan 't hoofd van mijne legermacht Toont Hlraïm zijn moed en kracht;
Mijn Juda. tot die eer verkoren.
Zal mijne rijkswet elk doen hooien.
ó. Het trotsche Moab, overheerd.
Strekt mij ten waschpot, diep verneèrd; Ik werp op Edom mijne schoe.
En eigen hem ten knecht mij toe;
En gij, 0 Palestina, juich.
Juich over mij met eerbied, buig ü neer. om mij, die tot regeeren Gezalfd ben, als uw Koning t' eeren. lgt;. Mie voert mij in een vaste stad.
Daar zich mijn vijand veilig schat? Wie zal mij door een sterke hand Geleiden tot in Edoms land?
Zult Gij t niet zijn, geduchte God,
Die ons verstiet tot 's vijands spot, ünz' uitgetogen legermachten Vergeefs naar hulp en heil deedt wachten? 7. Geef Gij ons hulp in tegenheèn;
Bij U is raad, bij U alleen.
t Is vruchtloos, waar men zich mee vleit, Want *8 menschen heil is ijdelheid. Wij zullen dappre heldendaan in God verrichten. Hoe 't moog' gaan. Hij, die van ons wordt aangebeden.
Zal onze weerpartij vertreden.
I» E EEN E N Z E S T I (. S T E 1' S A L M.
Wil, o God, mijn be-de hoo-ren; Neig uw
00 ren
105
PSALM 61.
sjga
zwe-ken. Zoek ik heul bij U al - leen.
2. Leid mij, heer: ik zou in 't stijgen
Nederzijgen;
Leid mij op een hooge rots.
Wil mij tot een toevlucht wezen Als voordezen,
's Vijands wreed geweld ten trots.
3. 'k Zal in uwe tent verkeeren,
Heer der heeren.
Voor uw oog, in eeuwigheid.
'k Zal op D mijn vast vertrouwen Altoos bouwen,
üoor uw vleuglen overspreid.
4. Want uw goedheid, die wij loven.
Heeft van boven Mijn geloft' en beê gehoord.
Gij deedt mij tot d' erfnis komen Van de vromen.
Die de vrees uws naams bekoort.
5. Gij zult nieuwe dagen voegen.
Vol genoegen,
Bij des Konings levenstijd:
Zijner jaren tal vermeèren In 't regeeren,
üoor uw gunst van ramp bevrijd.
6. Hij zal eeuwig, in vermogen.
Voor uw oogen Zitten op zijn troon, o heer.
Zend uw waarheid, uw ontferming. Ter bescherming;
Zend ze tot zijn wachters neer.
7. 'k Zal dan door mijn blijde galmen.
Door mijn psalmen.
Loven uwe majesteit;
Mijn geloften ü betalen,
Menigmalen Plechtig aan U toegezeid.
106
m
1' S A I. M 62.
107
J) E TWEE EN ZESTIGSTE PSALM.
mm
i
t
Mijn ziel is im - inersstil tot God; Van
i
m
*** iSz
Hem wacht ik ren heil-rijk lot: Hij im-mers
HilEüliSlErl
zal mijn rots-steen we - zen, Mijn heil, mijn
hulp in mijn ge-brek, Mijn toevlucht en mijn
I ^^=^1 I E iâ
hoog ver-trek. Ik zal geen groo - te wank'ling
2. Hoe lang, o wreedaartls, zoekt gij dan Het kwade nog van zulk een man?
Uw kracht is veel te zwak en teeder.
Haast steiit gij allen door Gods hand:
Zoo stort een ingebogen wand Een aangestooten muur ter neder.
3. Zij raadslaan slechts, vervoerd door haat. Om hem uit zijnen hoogen staat
Te stooten met bedrog, en zoeken Met lust hiertoe een leugenvond;
Zij zeegnen wel met hunnen mond,
Maar 't godloos hart doet niets dan vloeken.
4. Doch gij, mijn ziel, het ga zoo 't wil.
Stel u gerust, zwijg Gode stil;
Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken.
Hij is mijn rots, mijn heil in nood.
Mijn hoog vertrek; zijn macht is groot;
Ik zal noch wanklen, noch bezwijken.
I' A. u z E.
5. In God is al mijn heil, mijn eer.
Mijn sterke rots, mijn tegenweer;
God is mijn toevlucht in bet lijden.
Vertrouw op Hem, o volk, in smart;
Stort
P S A L 31 62, 63.
Stmt voor Hein uit uw gansche hart: God is een toevlucht t' alle tijden.
6. Gemeene lieden immers zijn
Slechts ijdelheid, een (laiii|gt;, een schijn; De grooten anders niet dan logen. Zij zonden, hot' hun hart zich vleit.
Noch lichter zijn Jan d' ijdelheid,
I ii eene weegschaal opgewogen.
7. Vertrouwt, wat uw begeert' ook zij.
Nooit oi» geweld ol' rooverij,
Kn wordt niet ijdel, als 't vermogen Gedurig aanwast; waakt en let.
Dat gij het hart er nooit op zet:
Zoo wordt ge door geen schijn bedrogen.
s. Eenmaal sprak God tot mij een woord; Tot tweemaal toe heb ik 't gehoord:
Dat 's HKEHiiX zijn de sterkt' en krachten.' Ook is bij ü de goedheid, iikkn:
Dies heeft van IJ elk stervling weer Vergelding naar zijn werk te wachten.
DE OKIE EN ZESTIGSTE PSALM.
0 God. Gij zijt mijn toe - ver-laat. Mijn God, ü zoek ik met ver - lan - gen. Zoo
ras wij 't mor-gen-licht out-van-gen. Bij
-ft-4
'tkrieken van den da-ge-raad. 0 heeii, mijn
ziel en li-chaam hij - gen. En dor-sten
naar U in een land, Dat, dor en mat, van
droogte
108
1' s a l .« b3. 109
droog - te brandt, Daar nie -mand la - IV-
If' i gt;:U' Jll
⢠nis kan krij-gen.
2. 'k Heb IJ voorwaar in 't heiligdoni Voorheen beschouwd met vroolijk' oogen.
Hoe zag ik daar uw alvermogen;
Hoe blonk uw godlijk' eer alom!
W ant beter dan dit tljdlijk leven Is uwe goedertierenheid.
Och, wierd ik derwaarts weer geleid.
Dan zou mijn mond U d' eere geven.
3. Dan zou ik voor uw godlijk oog Uw deugden al mijn leven prijzen,
Kn in uw naam mijn zang doen rijzen,
Mijn handen herten naar omhoog.
Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen.
Verzadigd als met vet en smeer;
Mijn mond zou U vol vreugd, o heek.
Verheffen in zijn lofgezangen.
i» A u z E.
1. Wanneer ik op mijn legerstee Van U gedenk in stille nachten.
Dan peinst mijn ziel met al haar krachten.
Hoe Gij voorheen in angst en wee.
Vis mij de vijand wild' omringen.
Mij vaardig zijt ter hulp geweest:
Dies za! ik nu ook, onbevreesd,
In schaduw van uw vleuglen zingen.
5. Mijn ziel kleeft U standvastig aan; Gij ondersteunt mijn zwakke schreden; Uw rechterhand vol mogendheden
Doet mij getroost en veilig gaan.
Maar dezen, die mijn ziel begeeren.
Opdat ik tot verwoesting raak'.
Staan bloot voor uw geduchte wraak;
/ij zullen haast ten afgrond keeren.
(). Men zal die boozen door 't geweld
Van 't scherp gewette zwaard doen sneven, En aan de vossen overgeven.
Ter prooi alom in 't open veld.
Maar 's Konings hart zal zich verblijden In God, die 't gansch heelal regeert;
En elk, die heilig bij Hem zweert.
Zal zijne trouw met roem belijden.
7. Want
1' S A I. M 63, 6J.
Want, hoe het ga, tie logenmoiid Zal nimmer strafloos zegepralen. God stelt de boosheid perk en palen; De logensprekers gaan te grond*.
I' ' f -NU: J-i
Ik zend mijn klaagstem tot uw troon. 0
â-ÃS
HEER, dat zich uw hulp ver-toon'; Laat mij voor
EsÃE: zS
'svij - ands macht niet he - ven; Be - hoed mijn
le - ven.
Verberg mij voor de listigheden En voor den heimelijken raad Der boozen, die, geneigd tot kwaad, Oproerig in hun doen en reden,
Steeds onrecht smeden.
Bescherm mij tegen 't wreed vermogen Van hen, wier tong is als een zwaard, Wier taal, met bitterheid gepaard. Tot pijlen dient op hunne bogen,
Om t' oorelogen.
Zij leggen lagen voor de vromen. Verschuilen zich voor hun gezicht. En treffen straks hen met hun schicht. Waardoor zij wreed hen om doen komen, En niemand schromen.
't Is 't kwaad, waarin z' elkander sterken. Dat hun tot samenspraak verstrekt; Hun strikken houden zij bedekt; Zij zeggen van hun booze werken:
110
«Wie zal die merken?quot;
I'M ZE.
p s a l gt;1 64, 65.
p a ü z e.
Hun drift, aan snood bedrog verbonden, Spitst daagiijks zich op listiglieèn. Hun hart, hun binnenst' peinst alleen Op valsch' en eerelooze vonden.
Om elk te wonden.
Maar God, aanschouwend' al hun lagen. Die bloot zijn voor hun aangezicht. Zal ijlings met een scherpen schicht Hen treffen, en door zware plagen Hen straf doen dragen.
Hun tong, die andren durfd' onteeren En ware vromen trotsch versmaèn. Zal zelf met schande hen helaan ; Ja, elk zal hun den rug toekeeren. En hen verneêren.
üan zullen alle menschen vreezen. Het werk verheffen van den heer. Zijn lof verbreiden en zijn eer.
En op zijn daèn, alom geprezen, Oplettend wezen.
't Rechtvaardig volk 7,al zich verblijden. Betrouwend' op den heer alleen, ü'oprechten zullen, weltevreên.
Terwijl zij Hem hun harten wijden.
Zijn naam belijden.
Ill
10.
iüüi
w ach -ten, 0 Hoor -der dei ge -beèn : Dies
zullen
I' S A I. ill 1)5.
zul - len al - Ier - lei ge - slach-ten Oot-
moe -dig tot ü treên.
2. Een stroom van ongerechtigheden Had d'overhand op mij ;
Maar ons weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gij.
Welzalig, dien Gij hebt verkoren,
Dien G' uit al 't aardsch gedmisHi Doet naadren, en uw heilstem hooren. Ja wonen in uw huis.
X Daar zal ons 't goede van uw woning Verzaden, reis op reis.
En 't heilig deel, o groote Koning,
Van uw geducht paleis.
Gij, Gij zult vreeselijke dingen
Ons in gerechtigheid Doen hooren, en ons blij doen zingen Van 't heil, voor ons bereid.
i. U onze God, o vast vertrouwen Van *1 allerverste land,
Op wien al 'saardrijks einden bouwen.
En 't wijdstgelegen strand:
Gij, die de hemelhooge bergen
Doet pal staan door uw kradit. Zoodat zij vloed en stormen tergen. Gij zijt omgord met macht.
5. t Gebruis der zee doet Gij bedaren.
Daar Gij haar golven stilt; 't Rumoer der volken, als der baren,
Betoomt Ge, waar Gij wilt.
Die d* einden dezer aard' bewonen,
Aanschouwen, dag aan dag, De teeknen, die uw almacht toonen. Met vreez' en diep ontzag.
p A li z E.
6. Gij geeft, dat d' uitgang van den morgen
En van den avond juich'.
En dat men ü voor al uw zorgen
Ootmoedig dank betuig'.
Het land bezoekt Gij met uw zegen,
En, door U drooggemaakt.
112
\ errijkt Gij 't grootlijks weer met regen, Die tot den wortel raakt.
De
1' S A I. M 65,
7. I3e Godsrivier doet (V overvloeien.
En op 't bereide land Het nuttig koren welig groeien.
Uw goddelijke hand Maakt d* opgeploegde voren dronken.
Tot uit de weeke kluit.
Daar 't dropplend nat is ingezonken, Gezegend voedsel spruit. S. Uw goedheid kroont de jaargetijen:
Waar Gij uw voetstap zet,
üaar doet Gij 't al ten zegen dijen.
Daar druipt het al van vet. Het woeste veld vangt zelfs die droppen ;
Zijn weide blijft niet droog: Dt» heuvels steken blijde toppen Met lachend groen omhoog, i). De velden zijn bedekt met kudden; De dalen zijn bekleed Met halmen, die van zwaarte schudden.
En loonen 's landmans zweet. Zij Juichen, elk op zijne wijze;
Uw eer klimt uit het stof; Zij zingen, uwen naam ten prijze, Uw goedheid en uw lof.
DE ZE S E N Z E S T 1 G S T E P S A L M.
Juich, aar-de, juich met blij - de gal-men
Den groo-ten Schep-per van 't heel - al; Zing
d'eer zijns naams met dank-bre psal-men; Ver-
hef zijn roem met lof - ge-schal. Zeg; »0, hoe
vrees-lijk zijn uw wer-ken! «Gij doet uw
wijd-ge-duch - te kracht, ü God, aan al uw
haters
114 PS A L Jl ()6.
ha - ters mer-ken, Die vein-zend Imi-gen
voor uw macht.quot;
*2. Al 't aardrijk smeek' U, neergebogen;
Het liefT de schoonste psalmen aan.
Gezangen, die uw naam verhoogen,
Ue glorie van uw wonderdaan.
Komt, allen, ziet Gods wijze wegen ;
Wat is zijn werking hoog geducht.
Hetzij Hij 't menschdom met zijn zegen Bezoekt, of met zijn strenge tucht!
3. God baande door dc woeste baren
En breede stroomen ons een pad;
Daar rees zijn lof op stem en snaren.
Nadat Hij ons beveiligd had.
Hij zal eeuw uit, eeuw in regeereii;
Zijn oog bewaakt het heidendom;
Hij zal d' afvalligen verneêren;
Hij keert hun trotsch' ontwerpen om.
4. Looft, looft den HEEK der legerscharen.
0 volken, heft een lofzang aan.
Hij wil ons in het leven sparen.
Ons hoeden op de steilste paan.
Voor wanklen onzen voet bevrijden.
Gij hebt ons voor een tijd bedroefd.
En óns gelouterd door het lijden.
Gelijk het zilver wordt beproefd.
5. Een net belemmerd' onze schreden;
Een enge band hield ons bekneld;
Gij liet door heerschzucht ons vertreden;
Gij gaaft ons over aan 't geweld.
Hier scheen ons 't water t' overstroomen;
Daar werden wij gedreigd door 't vuur;
Maar Gij deedt ons 't gevaar ontkomen. Verkwikkend' ons ter goeder uur.
p A ü z E.
tf. Door 's Hoogsten arm *t geweld onttogen.
Zal ik, genoopt tot dankbaarheid.
Verschijnen voor zijn heilig' oogen
Met offers, aan Hem toegezeid.
Ik zal. nu ik mag ademhalen
Na zooveel hangen tegenspoed,
Al mijn geloften ü betalen,
Ã, die in nood mij hebt behoed.
7. Ik
I1 S A li M 6tgt;, (i7.
7. Ik zal liet hiaudaltaar doen rouken
Van 't edelst vee uit kooi en stal: /00 worden vet en merg ontstoken
Bij 't lieflijk rijzend lofgeschal. Het rookwerk zal zijn geur verspreiden. Daar ram bij ram wordt aangebracht: 'k Zal bok en rund ten offer leiden, Opdat men z* U ter eere slacht'.
8. Komt, luistert toe, gij godgezinden.
Gij, die den heek van harte vreest. Hoort, wat mij God deed ondervinden.
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest, 'k Sloeg heilbegeerig 't oog naar boven;
Ik riep den heek ootmoedig aan; Ik mocht met mond en hart Hem loven. Hem, die alleen mij bij kon staan.
1). Waar' ik door ongerechtigheden En haar aanlokselen bekoord.
Dan had de heer naar mijn gebeden
En jammerklachten niet gehoord.
Maar nu, nu heeft met gunstig' ooren
Mijn God op mijnen wensch gelet; Hij, die het al kon zien en hooien. Merkt' op de stem van mijn gebed.
10. God zij altoos op 't hoogst geprezen! Lof zij Gods goedertierenheid. Die nimmer mij heeft afgewezen,
115
Noch mijn gebed gehoor ontzeid!
=t
I) E Z E v E N E X Z E S T 1 G S T E 1» S A L M.
Ilt;Ã
I ^
aan - ge-zicht ge - sta - dig Ons lich-ten, en Hij
lÃ
zij ons goed! Op-dat elk ge-ne-gen
Zich
i' s a l jl 67. b8.
2. De volken zullen U belijden,
0 God, U loven al te xaam;
De landen zullen zich verblijden. En Juichen over uwen naam.
Volken znlt Gij rechten,
Hnnne zaak beslechten
In rechtmatigheid;
Volken op deez' aarde.
Die uw arm vergaarde.
Die Gij veilig leidt.
:i. De volken zullen, heek, U loven.
O li EE It, U loven altemaal,
Die d' aarde vruchtbaar maakt van boven, Dat z' ons op haar gewas onthaal'. God is ons genegen;
Onze God geelt zegen.
Hij, die alles geelt.
Hij zal zijn geprezen;
Hem zal alles vreezen.
Wat op aarde leeft.
de acht en z e s t 1 ü s t ic psalm.
[IÃIej: I? I = I
De HEEUzal op-staan tot den strijd; Hij /,al zijn lia - ters, wijd en zijd Verjaagd, ver-
J IJ-UM-J IJ J
strooid doen znch-ten. Hoe trotsch zijn vij-and
wezen
11(3
Ziel» aan n - w« we-gen Op dee/.'aar - de
1» S A I- M 68.
wc - zon moog', Hij zal voor zijn out-zag - fijk
oog Al sid - de - ren - de \Iucli-ten.
-1--
Gij zult hen, daar G'in glans ver-schijnt. Ais
iEüiSlli
r r
mok en damp, die ras venivvijnt, Ver-lirij-ven
en doen do - len. 'tGod-loo-ze volk wordt haast tot asch; 't Zal voor uw oog ver-gaan als
was, Dat smelt voor gloên-de ko - len.
Maar 't vrome volk, in U verheugd.
Zal huppelen van zielevreugd.
Daar zij hun wensch verkrijgen.
Hun blijdschap zal dan onbepaald.
Door 't licht, dat van zijn aanzicht straalt.
Ten hoogsten toppunt stijgen.
Helt Gode blijde psalmen aan;
Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;
Laat al wat leeft Hem eeren:
Bereidt den weg, in Hem verblijd.
Die door de vlakke velden rijdt.
Zijn naam is iieëu der heeren.
Springt op van \reugd; verheft zijn lolquot;.
Die, daar Hij woont in 't hemelhor,
Ken Vader is der weezen;
Die weduwen haar recht verschalt.
Die streng haar onderdrukkers straft.
Kn voor zijn wraak doet vreezen:
Ken God, die zet uit menschenmin D' onvruchtbren in een huisgezin.
Kn. om zijn macht te toonen.
Ge-
117
El
p s a l m 68.
Gevangnen uit de boeien redt.
Maar die verlaters van zijn wet Doet in het dorre wonen.
e e r s t e i» a ü z e.
4. O God, toen Gij met majesteit Uw Israël hebt uitgeleid
En op uw heil doen hopen;
Toen Gij langs Parans woesten grond Hun \oortoogt, schokte d' aard' in 't rond;
De hooge heemlen dropen;
De bergen rezen zelfs omhoog;
Men zag dit Sinaï voor 't oog
Van isrels Koning beven;
Een miiden regen zondt G', o heer.
Op uw bezwijkend* erin is neer,
Om sterkt' aan haar te geven.
5. Uw hoop, uw kudde woonde daar;
Uit vrije goedheid waart Gij haar
Een vriendelijk beschermer.
En hebt ellendigen dat land Bereid door uwe sterke hand,
O Israels Ontl'ermer!
De heer gal' rijke juichensstof.
Om zijne wond ren en zijn lol'
Met hart en mond te melden.
Men zag welhaast een groote schaar.
Met klanken van de blijdste maar.
Vervullen berg en velden.
(i. De koningen, hoezeer geducht.
Zijn met hun heiren weggevlucht;
Zij vloden voor uw oogen.
De buit van 't overwonnen land Viel zelfs de vrouwen in de hand.
Schoon niet mee uitgetogen.
Al laagt g', o Isrel, als weleer.
Gebukt bij tichelsteenen neer,
Toen gij uw Juk moest dragen En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid;
Uw heilzon is aan 't dagen.
7. Gelijk een duif door 't zilverwit.
En 't goud, dat op haar veedren zit.
Bij 't licht der zonnestralen Ver boven andre vooglen pronkt.
Zult gij, door 't godlijk oog belonkt.
Weer met uw schoonheid pralen.
Wanneer Gods onweerstaanbre hand De vorsten uit het gansche land Verstrooid had en verdreven,
Ont-
118
i' s a i 1m 68.
Ontving zijn erIVIeel eedler schoon. Dan sneeuw, hoe wit zij /.icli vertoon'. Aan Salmon ooit kon geven.
t W E E II E lgt; A U Z E.
Dat üasans hemelhooge berg Met al zijn heuvlen Sion terg'.
En wane t' overtreffen, â
Wat springt gij, bergen, trotsch omhoog; Wat wilt gquot; u. in der volkren oog.
Bij Sions berg verhelTenV Goil zeil' heelt dezen berg begeerd Ter woning, om, aldaar geëerd.
Zijn heerlijkheid te toonon.
De heer, die hem verkozen heeft. Die trouwe houdt, en eeuwig leeft. Zal hier ook eeuwig wonen.
Gods wagens boven 't luchtig zwerk Zijn tien- en tienmaal duizend sterk.
Verdubbeld in getalen.
Bij hen is zijne majesteit Een Sinai in heiligheid.
Omringd van bliksemstralen.
Gij voert ten hemel op, vol eer; De kerker werd uw buit. o HEEli:
Gij zaagt uw strijd bekronen Met gaven tot der 'mensclien troost. Opdat zelfs 't wederhoorig kroost Altijd bij 1) zou wonen.
Gelooid zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons dag aan dag
Met zijne gunstbewijzen.
Die God is onze zaligheid;
Wie zou die hoogste Majesteit
Dan niet met eerbied prijzen?
Die God is ons eeu God van heil; Hij schenkt, uit goedheid zonder peil.
Ons 't eeuwig zalig leven;
Hij kan. en wil, en zal in nood,
Zelfs bij het naadren van den dood, Volkomen uitkomst geven.
DERDE PAUZE.
Gewis, hoe hoog de nood mag gaan. God zal zijns vijands kop verslaan.
Dien haargen schedel veilen. Die trotsch, wat heilig is, onteert. En, daar hij schuld met schuld vermeêrt.
Zich tegen Hem durft stellen.
De Heer heeft zelf ons toegezeid;
I' s a I. M (i8.
k /,a\ u, lt;loor macht rn wijs beleid,
quot;Uit Hasan weêr iloen komen:
ü /.nllen, als op M07.es' beé.
Wanneer uw pail loopt door de zee,
â Geen golven overstroomen.
12. Dan mogt g' in zegepraal uw voet.
Ja uwer honden tong, in 't bloed Van eiken vijand steken.quot;
0 groote God, geduchte eieer.
Uw gangen, zoo vol roem en eer.
Zijn aan uw volk gebleken;
De gangen van mijn God en Vorst,
Wien, schoon Hij s werelds rijkskroon torst,
Deez' woningen behaagden.
De zangrei trad den speelrei voor:
In 'l midden ging het vroolijk koor Der trommelende maagden.
i:i. I.ool't God in zijn gemeent' alom.
Den HF.Eli, gij. die in 't heiligdom Als Isrels kroost moogt naadren.
Hoe vroolijk gaan de stammen op Naar Sions godgewijden top.
Met Isrels achtbre vaadren!
De vorsten van elk huisgezin.
Zij trekken aan: hier Benjamin.
'Schoon klein, hij mocht regeeren:
Daar .Inda's stam. die glorie wou ;
Ginds Nal'tali en Zebulon,
Om God, hun Koning, t' eeren.
v i e n n e p Ai' x E.
I I. Uw God, o Isrel, heeft de kracht Door zijn bevel u toegebracht.
(I God, schraag dat vermogen:
Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht,
1'ii iaat uw hulp, door ons verzocht.
Uw volk voortaan verhoogen.
Dan passen, uwen naam ter eer.
Om uwes tempels wil, o HEEIi,
De vorsten op uw wenken:
Zij zullen U van allen kant.
zélfs uit het allerverste land.
Vereeren met geschenken.
15. Scheld met uw stem het wild gediert'.
Dat in het riet zoo weeldrig tiert.
De stier- en kalverbenden.
Het volk, dat stukken zilvers geeft,
Kn dus zich onderworpen heeft.
Maar loert op onz' ellenden.
Gewis, wij zien hen reeds berooid.
En
120
P S A L M 68, rgt;9.
Eu 't oorlogzuchtig volk verstrooid;
Gezanten zullen naad ren ;
Egypte zal, met Moorenland,
Tot God verheffen hart en hand, Den God van onze vaadren.
10, Gij koningrijken, zingt Gods lof;
Heft psalmen op naar 't hemelhor. Vanouds zijn troon en woning,
Daar Hij, hekleed met eer en macht. Zijn sterke stem verheft met kracht,
Kn heerscht als Sions Koning.
Geeft sterkt' aan onzen God en Heer; Hij heeft in hraël zijn eer
En hoogheid willen toonen.
Erkent dien God: Hij is geducht; Hij doet zijn sterkte hoven lucht En boven wolken wonen. 17. Hoe groot, hoe vreeslijk /.ijt G' alom, Uit uw verheven heiligdom,
Aanhidlijk Opperwezen!
't Is Isrels God. lt;iie krachten geeft, Van wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God; elk moet Hem vreezen.
DE NE O EN EN ZE S T I G S T E I» S A F. M.
=3=1;
O God, ver-los en red mij uit den nood;
(S) (S)
J ^ I
m
Epiippt
De waat-ren /.ijn tot aan de ziel ge - ko-
Iquot;-quot;
men; Ik zink in't slijk; ik voel mij o - ver-
-N-Ugt; â¢
stroo-men; Ik ga te grondde vloed is mij te groot. Ik roep mij moe in de - zen Jam-mer-
i~ÃE
-±-\
staat; M(jn keel is heeseli; zij is van droogt'ont-
ste-
121
6
I' S A I, gt;1 69.
i^, JI ii-rrrrTragBÃiBa
ste-keii; En, daar ik hoop op God, mijn toe-
zijn he -zwe -ken.
2. Men telt veeleer de haren van mijn hooi'd.
Dan hen, die mij. doch zonder oorzaak, haten: Men zoekt mijn dood; geen onschuld kan mij haten; Hen zie ik sterk, maar mij van kracht beroofd. Men eischt van mij, daar ik m' onschuldig ken, 't Geroofde weer; 'k moet voor voldoening zorgen.
Gij weet, o God, hoever ik strafbaar ben;
U is mijn schuld, mijn dwaasheid, niet verborgen.
S. Beschaam door mij de stille hope niet Van hen, die U, o iieeu der legerscharen,
Verwachten; laat geen schande wedervaren Aan hen, die IJ steeds zoeken in verdriet.
gt;let mij verging hun hoop, o Isrels God,
Daar ik mijn smaad om uwentwil moet dragen.
Mijn aanschijn is bedekt met schamr en spot; Helaas, wat heb ik stolquot; tot bitter klagen!
E !â : U S T E I' A ü Z E.
4. Mijn broedren ben ik vreemd, door elk onteerd, Kn onbekend den zonen mijner moeder;
'k Vind onder hen noch scimtsheer, noch behoeder. Want d' ijver van uw huis heeft mij \erteerd. Ik draag den schimp, den smaad en overlast Dergenen, die, alziende God, IJ smaden;
Ik heb geweend; mijn ziel heeft steeds gevast.
Maar 'k word te meer niet smaadheid overladen.
5. Ik heb mijn vleesch met eenen zak bekleed.
Maar hoor mijn naam ten spot-en spreekwoord maken; De rechters zelfs doen niet dan klappen, laken;
'k Ben 't snarenspel van dronkaards in mijn leed. Maar heer, tot U, tot U is mijn gebed;
Daar is. o God, een tijd van welbehagen,
Ken tijd van gunst, te mijner hulp gezet;
Hoor, naar uw trouw en heilwoord, dan mijn klagen.
6. Huk door uw macht mij uit het slijk; behoed, En laat mij niet verzinken in de waatren.
Maar red mij uit de handen mijner haatren.
Uit
122
p s a l m m.
Uit (loze kolk en diopni watervloed.
Och, laat «len stroom mij over 't hoofd niet gaan, Maar dat nw arm 't geweld der diepte stnite;
Dat toch tie put niet worde toegedaan,
Noch over mij zijn mond voor eeuwig sluite.
Hoor mij, o meer; uw goedertierenheid Is goed; zie mij dan aan met gunstig' oogen: Hoe teer, hoe groot is mij uw mededoogen!
Verhoor uw knecht, die heete tranen schreit. Verberg voor hem uw aangezicht toch niet.
Want ik bezwijk door angst en tegenheden;
Ai, haast U mij ter hulp in mijn verdriet;
De nood klimt hoog; verhoor mijn smeekgebeden.
t \v e e d e 1» a ü z e.
Genaak, genaak in gunste tot mijn ziel;
Bevrijd ze; laat de boozen, die mij haten.
Vijandig zijn, en alle deugd verlaten.
Nooit roemen, dat ik in hun handen viel.
Gij weet, wat schaamt' en smaad mij treft, o God, Daar niemand zich mijn onheil aan wil trekken;
Hoe schandlijk ik der boosheid strek ten spot; Gij kent hen, die mij dezen angst verwekken.
Versmaadheid breekt en scheurt mij 't hart vaneen ; Ik ben zeer zwak; de lasteringen snijden Mij door de ziel; ik wacht naar medelijden,
Naar troosters, maar helaas, ik vind er geen. Ja, groote God, zij hebben mij, tot spijs,
liij al mijn smart nog bittre gal gegeven;
Ken edik teug is zelfs een gunstbewijs.
Wanneer de dorst mijn lippen saam «loet kleven.
Hun tafel word', o God, hun tot een strik. Een valstrik, daar zij straks in blijven hangen, Kn vollen loon van al hun kwaad ontvangen.
Vervloek hun spijs; dat niets hun ziel verkwikk'; Verblind hun geest; verduister hun verstand; Verdonker hun gezicht; bewolk hun oogen;
Verbreek bun kracht door uw getergde hand. Dat rusteloos hun lendnen wagglen mogen.
d e r de 1' a u z e.
Stort over hen uw gramschap uit; vertoon L'w heeten toorn; grijp aan hen, die U haten;
Dat hun paleis verwoest zij en verlaten;
Dat niemand meer in hunne tenten woon'.
Want dit geslacht, dat zich in 't kwaad verheugt, Vervolgt dien Gij verwond hebt en geslagen;
Zijn smart strekt hun tot tijdverdrijf en \reugd; Zij doen van praat en schimp schier alles wagen.
12. Doe
123
P S A L SI fi9. 70.
12. Doe niisda.in toi' aan al liun euvcklaèn;
l.aat lien tot uw gpreclitiglieid niet komen.
Maar delg lien uit het levensboek der vromen;
Schrijf lien met uw rechtvaardig volk niet aan. Maar ik, ik ben ellendig en vol smart;
Uw heil, o God, voer' m' in een hooge woning;
Dan zing ik blij, en uit een dankbaar hart. Den grooten naam van mijnen God en Koning.
13. Dat zal den HEER veel aangenamer /.ijn Dan os of var, die buiinen klauw verdeelen. De blijdschap zal het iiart der vromen streelen,
Als zij mij zien verlost van smart en pijn.
Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet.
Houdt aan. grijpt moed; uw hart zal vroolijk leven.
Nooddruftigen veracht zijn goedheid niet;
Nooit zal Hij zijn gevangenen begeven.
14. Gij hemel, aard' en zee, vermeldt Gods lof.
l.aat al wat leeft zijn trouw en goedheid prijzen. Want God zal aan zijn Sion hulp bewijzen.
En Juda's steên herbouwen uit het stof.
Daar zal zijn volk weer wonen naar zijn raad, God eeuwig hun zijn volle gunst betoonen;
121
Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad. Zij, die zijn naam beminnen, erflijk wonen.
I) E ZEVENTIGSTE P S A I. 51.
Daal haas -tig ter ver - los - sing neer, 0
ü
God, en red mij uit ge - va - ren, Uit
SE
ang-sten, die mijn ziel be-zwa-ren; Spoed
U te mij-ner hulp, o heeb! l.aat al-
|
len, die mijn ziel be - la - gen. Beschaamd en | ||||||||||||||
| ||||||||||||||
|
schaamrood van injj vliên; Laat, die met vreugd |
p s a l m 70, 71.
125
J1-] -g1
vreugd mijn ram-pen zien,
m
wenschcn aim-nier sla - gen.
I.aat allen, die niet sclian)[iren spot Mij hoonen, tergen en onteeren. Hun sehimp ten loun, teruggekeeren.
Vergaan op uw geduclit geboil.
I.aat lien, die zich tot U begeven,
Hen, die uw heil beminnen, heer, Gedurig juichen tot uw eer.
En zingen: .God zij boog verbeven!quot;
Ik ben nooddrtiltig, arm en naakt. Ã God, uiijn Helper uit ellenden,
In hun
Haast U tot mij: wil bijstand zenden; Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt.
ii e e e x ex zeventig s ï e igt; s a l m.
'k Betrouw op U; hoor mijn ge - be - den; Dat
l
mij geen schaamt'o iieku, In eeu-wig-beid ver-
ii
|
neêr'; Red mij door] uw ge - red»-tig - lie | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
|
den; Be-vrijd mij; neig uw oo - ren; Ter- |
!. Wees mij een rots, om in te wonen, Een scliuil|)laüts, daar mijn liait Steeds toevlucht vind' in smart. Uw hoog bevel zal blijkbaar toonen, Dat Gij, o groot' Oiitlermer,
Mijn burg zijt en beschermer.
3. Be-
P S A L M 71.
Bevrijit mij van 't geweld des snooden, Die 't heilig recht verkracht,
Wiens trotschheid mij veracht.
Ik wacht op U, o God der goden,
Op wien ik vast vertrouwde,
Van dat ik 't licht aanscliouwile.
Zoo Gij, van dat ik werd geboren.
Ja, van mijn eerst begin,
Mij niet uit tee lre min Hadt ondersteund, 'k waar' lang verloren; Dies doe ik in gezangen L' steeds mijn lof ontvangen.
E BUS TE PAUZE.
k Was als een wonder in elks oogen; Doch Gij, mijn Toevlucht. Gij Stondt mij met sterkte bij.
Laat dan mijn moiul uw naam veriioogen. En al mijn levensdagen Van uwen roem gewagen.
li. Verwerp mij niet in hooger jaren;
Laat bij den ouderdom.
Dien 'k in uw gunst .........
Uw voorzorg over mij niet varen;
l aat, met de kracht van t leven. Uw hulp mij niet begeven.
7 Hen, die op mijne /.iele loeren,
Hoort men in hunnen raad. Uit onverioenbren haat.
Een goddelooze schimptaal voeren. En, tegen recht, te /.amen Mijn ondergang beramen.
S lt;Ziet,quot; zeggen /.ij, quot;hij ligt verschoven; .God slaat niet aan zijn zij.
.Jaagt, jaagt hem; grijpt hem vrij; Hij kan geen uitkomst zich beloven. O God, toon m' uw ontferming. En haast U ter bescherming. lt;). Doe hen beschaamd staan en bezwijken. Wier woede mij bestrijdt.
Wier haat mijn rust benijdt;
Doe hen met smaad en schande wijken. Die tegen mij zich sterken.
En mijne ramp bewerken.
T W E E I) E 1' A U /. E.
10. Mijn hart zal steeds op U vertrouwen; Mijn mond vindt tot uw lol Gedurig ruimer stol'.
PSALM 71.
ün zal uw reclit ei» lieil ontvouwen,
Schoon ik de reeks dier schatten Kan tellen noch bevatten.
Ik zal blijmoedig henentreden In 's IIEEREX mogendheid.
Mijn hart is uitgebreid,
0 llEEli, om uw gerechtigheden.
Ja die alleen, te prijzen Ã|p aangename wijzen.
Gij hebt mij van mijn kindsche dagen Geleid en onderricht:
Nog blijf ik, naar mijn plicht.
Van uwe woudreu blij gewagen.
O God. wil mij bewaren liij 't klimmen mijner jaren.
li lijf mij in mijne grijsheid sterken:
Verkwik mijn ouderdom:
Bewaak mij van rondom:
Zoo meld ik dit geslacht uw werken:
Zoo zal 'k uw grootheid zingen Voor hun nakomelingen.
I) E II II E I' A U /, E.
Ik roem, o eeuwig Alvermogen.
quot;k Hocm uw gereclitiglieid.
Die zooveel glans verspreidt.
Zoo heerlijk schittert uit den hoogen.
O HEEit der legerscharen,
M ie kan ü evenaren V
Gij dcedt mij veel benauwdheid smaken En drukkend harteleed;
Maar, tot mijn hulp gereed.
Zult Gij mij weder levend maken,
Mij uit den afgrond trekken.
En met uw vleugleu dekken.
Gij zult met luister mij omringen.
Mij troosten in mijn smart.
Dan zal ik, blij van hart.
Met luit en harp uw goedheid zingen,
0 heilig Opperwezen,
Door Israël geprezen!
Mijn lippen zullen juichend roemen In psalmen, li gewijd.
Dat Gij mijn Helper zijt:
Mijn tong zal U mijn Redder noemen,
Ihv gunst den godgetrouwen Den ganschen dag ontvouwen.
18. 'k Zal
P S A L M 71, 72.
18. 'k Zal uw gerechtigheid verheffen,
Die mij in eer herstelt,
Die al mijn haters velt.
'k Zie hen door schand' en scliaanite treffen; Ik zie hen schaamrood vluchten,
Die mijne ziel doen zuchten.
DE TWEE EX ZE V E N T 1 G S T E 1' S A L M. fa
1]
E
Geef, heer, den Ko-ning u - we recli-ten.
En uw ge - rech -tig - heid Aan 's Konings zoou,
Ãii
om u - we knech-ten Te rich-ten met
be - leid. Dan zal Hij al uw volk be-hee-
fes
$
Die
ren, Kcclit-vaar - dig, wijs cn zacht, En
uw el - len - di - geu re - gee - ren. Hun
J JI -in
recht doen op hun klacht.
2. Uc hergen zullen vrede dragen,
Ue heuvels heilig recht;
Hij zal hun vroolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd, 't Ellendig volk wordt dan uit lijden
Door zijnen arm gerukt;
Hij zal nooddmftigen bevrijden, Verhrijzlen wie verdrukt.
3. Zij zullen U eerhiedig vreezen,
Zoolang er zon ol' maan Hij 't nageslacht ten licht zal wezen.
En op- en ondergaan.
Hij zal gelijk zijn aan den regen.
128
PSALM 72.
Die ilaalt op 't late gras, Aan droppels, die met milden /.egen Besproeien 't ïeldgcwas.
4. 't lleclitvaardig volk zal welig groeien.
Daar twist en wrok verdwijnt, Zal alles door den vrede bloeien.
Totdat geen maan meer scliijnt. Van zee tot zee zal Hij regeeren.
Zoover men volkren kent;
Men zal Hem van d' Eufraat vereeren Tot aan des aardrijks end.
5. Het woeste volk zal voor Hem knielen-
Zijn vijand lekt liet stof:
tn Tarsis voert met rijke kielen
Geschenken naar zijn hof.
Met giiten /.uilen langs de stroomen
De Koningen der zee.
En Sclieba nevens Seba komen. Hem smeekend' om den vreè.
P A ü /. E.
C). Ja, elk der vorsten zal zich huigen. En vallen voor Hem neer; Al 't heidendom zijn lof getuigen,
Dienstvaardig tot zijn eer. 't Behoeftig volk, in hunne nooden.
In hun elleud' en pijn,
Gansch hulpeloos tot Hém gevloden. Zal Hij ten redder zijn.
7. Nooddruftigen zal Hij vcrsclioonen. Aan armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing toonen:
Hij slaat hun zielen ga.
Als hen geweld en list bestrijden.
Al gaat het nog zoo hoog;
Hun hloed. hun tranen en hun lijden Zijn dierbaar in zijn oog.
S. -Zoo moet de Koning eeuwig leven,quot;
Bidt elk met diep ontzag;
Men zal Hem 't goud van Scheha geven.
Hem zeegnen dag bij dag.
Is op liet land een handvol koren.
Gekoesterd door de zon.
't Zal op 't gebergt' geruiscli doen hooien. Gelijk de Libanon.
St. Ue stedelingen zullen bloeien.
Gelijk liet malsche kruid;
Zijn naam en roem zal eeuwig groeien; Uok zal, eeuw in, eeuw uit.
129
Het
1» S A L M 72, 7:i.
Het nageslacht zijn grootheid zingen.
Zoolang het zonlicht schijn';
Hun zal een schat van zegeningen In Hem ten erfdeel zijn.
10. Dan zal, na zooveel gunstbewijzen,
't Gezegend heidendom 't Geluk van dezen Koning prijzen.
Die Davids troon beklom.
Geloofd zij God, dat eeuwig Wezen,
Bekleed met mogendheèn!
De heer, in Is rail geprezen,
Doet wondren. Hij alleen.
11. Zijn naam moet eeuwig' eer ontvangen.
Men loov' Hem vroeg en spa! De wereld hoor', en volg' mijn zangen Met Amen, Amen, na!
1» E n U I E E X Z E V E X T I C S T E P S A L M.
130
m
Ja waar-lijk, God is Is - rol goed, Voor
lien, die rein zijn van ge-moed. Hoe don-ker
2 = 1 = I» ⢠IEië IEIà füü
ooit Gods weg in oog' we-zen. Hij ziet in gunst op die Hem vree-zen. Maar acli, hoe-
wel mijn ziel dit weet. Mijn voe - ten wa
ren in mijn leed Schier uit - ge - we - ken,
I ^ I - Iquot;,â1=^ ]
en mijn treên Van quot;t spoor der godsvrucht af-
2. Ik
ge-gleên.
P S A L M 73.
2. Ik zag met nijdig' oogen aan,
Hoe dwazen hier op rozen gaan.
Kn hue goilloozen in hun gangen Al veeltijds rust en vieè erlangen:
Zij weten van geen tranenbroud,
Van geene banden, tot hun dood;
Hun kracht is IVisih; /.ij zijn gezond Tot op hun laatsten avondstond.
ÃJ. /ij weten doorgaans van verdriet Fn moeit', als andre mensclien, niet;
Men ziet hen bittre smart noch plagen.
Als andre stervelingen, dragen:
Dies zijn ze trotsch, en doen den waan.
Gelijk een gouden keten, aan;
't Geweld, dal deugd en plicht versmaadt,
Bedekt hen als een praalgewaad.
1. Indien men op hun voorspoed let,
Hun oogen puilen uit van vet;
Hun weelde, wat zij zich beloven.
Gaat hun verbeelding nog te boven.
/â (j mergelen de mensclien uit,
Kn spreken, trotsch op rooi' en buit,
Steeds uit de hoogte van hun macht,
Terwijl hun hart tie deugd belacht.
E E U S T E I' A L Z E.
5. Hun mond tast zelfs den hemel aan;
Gods albestuur schijnt hun een waan,
Terwijl hun tong op aarde wandelt.
Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt.
Daarom keert zich Gods Nolk hiertoe,
Kn schrikt, wanneer hun, bang te moe, Het water, daar hun niets gelukt.
Met bekers vol wordt uitgedrukt.
ii. Dan peinst de ziel: is 't waar? zou God Ook weten van mijn droevig lot V /uu d' Allerhoogste van mijn klagen Kn bittre rampen kennis dragen .'
Ziet, dezen, hoe godloos en wreed.
Zijn evenwel bevrijd van leed;
De rust volgt hen op al hun paan,
Kn hun vermogen groeit steeds aan.
7. Zoo heb ik dan vergeefs gestreên.
Mijn hart gezuiverd, en gebeèn;
Vergeefs heb ik in reine plassen Van onschuld mijne hand gewasschen.
Want al den dag ben ik geplaagd;
Mijn ziel verschrikt; mijn boezem Jaagt: Kii nooit verscheen er morgenstond,
Waarop ik geen kastijding vond.
S. Zoo
131
p S A L .11 73.
S. Zoo ik dit zeggen staven /.ou,
Gewis, dan waar' ik niet getronw Aan 't waard geslacht van uwe kindren,
Kn zou linn lioop en moed verniindren.
Nociitans heb ik met al mijn kracht Die Godsregeering overdacht,
Maar 't was een stuk, dat in mijn oog Mij moeilijk viel ca veel te hoog.
9. Dit duurde, tot ik uit dien drom Van neevlen ging in 't heiligdom.
Om met de godspraak raad te plegen.
Daar zag ik, op wat gladde wegen De voorspoed zelfs de hoozen leidt,
Eu hoe G' in 't eind hun val bereidt.
Zij storten van den top van eer In eeuwige verwoesting neer.
T \v i! E II u l' A u z E.
10. Hoe worden zij tot ieders schrik Vernield, als in een oogenblik!
Hoe moeten /.ij liet leven enden.
Van angst verteerd in hun ellenden!
Hun weeld' is als een droom vergaan.
O HEEit, wanneer Gij op zult staan,
Zult Gij hun toonen, onverwacht,
Hoe Gij hun ijdel beeld veracht.
11. Toen 't zwellend hart met ongeduld En wrevel' afgunst werd vervuld.
En ik geprikkeld in mijn nieren,
Um trotsch niijn drift den toom te vieren. Was mijn verstand van licht beroofd;
Ik heb Gods waarheid niet geloofd.
Maar was, door mijn verwaanden geest,
liij l een onvernuftig beest.
12. 'k Zal dan gedurig bij U zijn,
lu al mijn nooden, angst en pijn;
U al mijn liefde waardig schatten.
Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.
Gij zult mij leiden door uw raad,
ü God, mijn heil, mijn toeverlaat,
Eu mij, hiertoe door U bereid.
Opnemen in uw heerlijkheid.
13. Wien heb ik nevens IJ omhoog?
Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten?
Niets is er, daar ik iu kan rusten.
Bezwijkt dan ooit, iu bittre smart Of hangen nood, mijn vleesch en hart.
Zoo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.
14. Wie,
132
P S A L M 73, 74.
14. Wie, ver van U, de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt, (iij roeit hen uit, die aflioereeren En U den trotsclien nek toekeeren.
Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij te wezen bij mijn God; 'k Vertrouw op Hem geheel en al. Den HEER, wiens werk ik roemen zal.
DE VIER E N ZEVENTIGSTE P S A L M. Waar-om, o God, zijn wij in eeu-wig-heid
|
Van u - we gunst en on - der-stand ver-sto- | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
roo-ken, Die scha-pen zijn, zelfs door uw
I »-t==Ã|l ;-----
hand ge-weid?
2. Herdenk de trouw, aan ons voorheen betoond;
Denk aan uw volk, door U vanouds verkregen;
Druk aan uw erf, het voorwerp van uw zegen.
Aan Sions berg, daar G* eertijds hebt gewoond.
3. Kuk spoedig aan; verdubbel uwe schreèn;
Zie, hoe «Ie Stad verwoest ligt en vergeten.
Des vijands macht heeft alles neergesmeten,
Uw heiligdom verdorven en vertreèn.
4. Uw vijand heeft, ter plaatse van 't gebed,
Gelijk een leeuw gebruld bij 't zegevieren ;
Zelfs, U ten schimp, heeft hij zijn krijgsbanieren
In trotschen moed tot teekenen gezet.
5. Kik woedt om strijd, en toont zich onbeschroomd; Men houwt en hakt, dat poort en binten beven.
Gelijk men slaaft om bijlen aan te geven.
En ijvrig kapt in 't hoog en dicht geboomt'.
6. Dus hebben z' ook, doldriftig, onbesuisd,
Graveerselen, pilaren, wanden, bogen.
Wier
133
p S a l m 74.
Wier kunstsieraad «Ie lust was van elks oogen. Met zwaard, houweel en hamer woest vergruisd.
7. Uw heiligdom is door het vuur verteerd;
Mets heelt zijn glans voor 't woên des gloeds beveiligd; Uw schoon paleis, uw woning is ontheiligd,
Ten gronde toe in puin en asch verkeerd.
8. «Laat,quot; zeiden zij. -laat ons het gansche land quot;Geplunderd voor onz' overmacht doen zwichten.quot; Hun wreede vuist heelt al de godsgestichten.
Uw naam ten hoon, verbrijzeld oi' verbrand.
E E R S T E I' A IT z E.
{). Wij zien aan ons, na al dit ongeval.
Geen teeknen meer van uwe gunst gegeven;
Niet één proleet is ons tot troost gebleven;
Geen sterviing weet, hoe lang dit duren zal.
10. Hoe lang, o God, zal iu dit zwaar verdriet De vijand ons zijn wreede trotschheid toonen V Zal hij uw naam in eeuwigheid dan hoonenV
Neen, 't kan niet zijn; dat duldt uw glorie niet.
11. Ach, waarom trekt G' uw hand dus van ons al'. Uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken'/ Ai, wil haar eens uit uwen boezem trekken.
En maak een eind aan uw gestrenge straf.
12. Gij evenwel. Gij blijft dezelfd', o heer;
Gij zijt vanouds mijn toeverlaat, mijn Koning. Die uitkomst gaaft, en uit uw hemelwoning Voor ieders oog uw haatien ging te keer.
13. Gij spleet weleer de Schelfzee door uw kracht; Gij hebt den kop der woest' en felle draken. Het vreeslijk heir, dat Isrel dorst genaken,
In 't hart der zee verbroken door uw macht.
11. Uw sterke hand heelt 's Leviathans woèn Betoomd, gestuit, deed Farao bezwijken.
Daar 't woest gediert' aan duizenden van lijken Up 't dorre strand zijn rooflust mocht voldoen.
15. Hoe menigmaal hebt G' ons uw gunst betoogd,
't Zij G' een fontein deedt uit een rots ontspringen. Of op een hoop de waatren samendringen.
Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.
16. De dag is d'uw'; ook vonndet Gij den nacht; Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen;
Door U is d' aard' gesteld in Juiste palen;
Elk Jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.
T W E E I» E I' A U Z E.
17. Herdenk, mijn God, herdenk die wonderdaan: Een dwaas geslacht heeft uwen naam gelasterd;
De
134
l' S A L M 74. 75.
De vijand, van uw vree/,' en dienst verbasterd,
Heeft uwen roem met smaad en schimp belaèn.
18. Geef 't wild gediert', dat niets in 't woèn ontziet. De ziele van uw tortelduif niet over;
Laai, groote God, om een gehaten roover Uw kwijneml volk niet eeuwig in 't verdriet.
11gt;. Beschouw, herdenk uw vastgestaafd verhond;
Laat dat uw hart tot ons in liefd' ontvonken ; Het land is vol van duistre moordspelonken, Vanwaar 't geweld ons grieft met wond op wond.
20. Dat elk verdrukt' uw bijstand eens erlang';
Laat, laat uw volk niet schaamrood wederkeeren. Maar wil van hen ellend' en nooddruft weren.
Opdat z' uw naam verheflTen in gezang.
21. Kijs op, o God, rijs op; toon uw gezag;
Betwist uw zaak, wees onze pleitbeslechter;
't Is meer dan tijd; gedenk, o hoogste Rechter, Wat smaad de dwaas U aandoet dag op dag.
22. Vergeet niet, HEER, dien onverdraagbren hoon. Dat luid geroep van al uw weerpartijders;
135
Het woest getier van uwe machtbestrijders Stijgt telkens op tot voor uw hemeltroon.
1) E V IJ F E X Z E V E X T I ü S T E 1» S A L M.
-I' '
U al-leen U lo - ven wij; Ja, wij lo-
J I J J|J|-U^LU=|| J cle p
ven IJ, o HEER, Want uw naam, zoo rijk van
eer. Is tot on - ze vreugd na - bij;
Dies ver - telt men in ons land Al de
mmMmmm
won-dren n - wer hand.
2. Als
136 P S A L M 75 , 76.
2. Als ik 't ambt ontvangen zal,
Wil ik, volgens eed en plicht.
Altoos recht doen in 't gericht.
Land en volk was in verval,
Maar zijn pijlers steld' ik vast Tegen woed' en overlast.
3. Tot het dom en dwaas geslacht
Zeid' ik: «Wees niet zinneloos;quot; Tot de snoodfn: «Weest niet boos, «Dat gij hoornen, sterk van kracht, «Woedende naar boven steekt,
«En met stijven halze spreekt.quot;
4. Geen geval, geen zorg, geen list,
Oost noch west, nocli zandwoestijn. Doet ons meer ol' minder zijn; God is rechter, die 't beslist,
Die, als aller Upper voogd,
Deez' vernedert, dien verhoogt.
5. Want des HE eren hand besluit
Eenen kelk vol bitterheid,
In zijn gramschap toebereid.
En Hij drenkt er 't menschdom uit; Doch der goddeloozen mond Zuigt zijn hef uit tot den grond.
G. 'k Zal dit melden; 'k zal altijd Zingen Jakobs God ter eer.
Slaan der boozen hoornen neer. Vellen wat zijn naam bestrijdt;
Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.
DE ZES E N Z E V E NT 1 C. S T E P S A L M.
iilPi
God is be -kend bij Ju - da'sstam
IJ J
Daar Hij zijn lioo - gi'ii ze - tel nam; Zijn
quot;1 «I
naam is groot in Is - ra - ël; In
Sa - lem staat, op zijn be - vel. De
luit-
m
ü
P S A L M 76. 137
luit - te van dien Hc - mei - ko - ning: Op
Si - on is zijn heil-ge wo - ning.
2. iJaar heeft de vijand hoog en schild Kn vnurge pijlen op verspild:
God hrak het /.waard, hedwong den krijg. Dat vrij het roofgehergte zwijg':
Uw roem, o groot en heerlijk Wezen,
Is tot veel hoogcr top gerezen.
3. Stouthartigen zijn daar beroofd;
Daar sliep ên heir èn opperhoofd;
De klockste hail geen handen meer.
Maar viel in 't stof verslagen neer.
0 Goil van Jakob, door uw schelden Vergingen paarden, wagens, helden.
4. Gij, vreeslijk zijt Gij in 't gericht;
Wie zal bestaan voor uw gezicht?
Zoo ras nw mond het vonnis streek.
Uw oordeel van den hemel bleek,
Toen vreesde d' aarde voor nw oogen;
Toen werd ze stil door nw vermogen.
5. Als God ter hooge vierschaar steeg, 't Zachtmoedig uilk verlossing kreeg.
Ontzette zich het gansch heelal.
Gewis, der menschen gramschap zal.
Wanneer z' op 't hevigst is aan 't blaken. Uw grooten lol' nog grooter maken.
ü. Woedt nog de wraaklust onbeschroomd. Die wordt door li ras ingetoomd.
Doet dan geloften aan den HEF.ll,
Betaalt die, uwen Goil ter eer.
Gij allen, die dien grooten Koning Omringt in zijn doorluchte woning.
7. Men voer' dien God geschenken aan. Die vreeslijk is in al zijn daan.
Hij stoot de vorsten weg in 't graf.
En snijdt hun geest als druiven af.
Hij, d ie den koningen der aarde Zelfs op Imn troonen vreeze baarde.
u E
l» S A L M 77.
Igt; E ZEVEN EN ZEVEN ï 1 C S T E 1' S A I. .M.
Mijn ge - roep, uit angst en vree - zen,
(S)
Klimt tot God, het üp-per-we -zen, God
die in mijn on - ge - val ü' oo - ren
mm
tot mij nij-gen zal. 'k Zocht Hem in mijn
ban - ge lt;la - gen: k Bracht «Ie nach - ten
^i[iPiE|^EgEEg^
door met kla - gen; 'k IJet niet af, mijn
hand en oog Op te lief-ten naar omhoog.
2. 'k Schatte mij geheel verloren;
'k Mocht van geen vertroosting hooien; Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd' ik niet dan klacht op klacht; Peinsd' ik aan mijn vruchtloos kermen. Vruchtloos roepen om ontfermen.
Dacht ik, hoe God anders helpt,â .Mijne ziel werd overstelpt.
3. Slaap weerhieldt Gij van mijn oogen; 'k Was verslagen, neergebogen.
En, verstomd door al 't verdriet.
Wars van menschen, sprak ik niet. 'k Overdacht al d' oude dagen.
Jaren, eeuwen, gunsten, plagen,
m
Ãn wat immer aan mijn ziH Van Gods hand te hem te viel.
4. 'k Dacht,
p s A l 51 77.
4. 'k Dacht, hoe 'k Goil met vrougii voorilezcn Op mijn snaren had geprezen;
'k Uverleid' in diepe smart 's Nachts met een mistroostig hart,
En mijn geest doorzocht do reden,
Waarom God die tegenheden Mij in zulk een nlate zond.
En wat mij te duchten stond.
5. Zou de iieeu zijn gunstgenooten.
Dacht ik, dan altoos verstooten V
Niet goedgunstig zijn voortaanV Nimmer ons meer gadeslaan?
Zouden zijn beloftenissen Verder haar vervulling missen.
Vruchtloos worden afgewacht.
Van geslachte tot geslacht?
p A u /, E.
(i. Zou God zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij zijn bariiihartiglieèn l)oor zijn gramschap afgesnecn?
'k Zei daarna: -Dit krenkt mij 't leven,
.Haar God zal veraudring geven;
.D' Allerhoogste maakt het goed:
â Na het zure geeft Hij 't zoet.quot;
7. k Zal gedenken, hoe voordezen Ons de iieeu heeft gunst bewezen;
'k Zal de woudreu gadeslaan.
Die Gij hebt van ouds gedaan;
'k Zal nauwkeurig op uw werken En derzei ver uitkomst merken.
En, in plaats van bittre klacht.
Daarvan spreken dag en nacht.
8. Heilig zijn, o God, uw wegen;
Niemand spreek' uw hoogheid tegen!
Wie, wie is een God als Gij.
Groot van macht en heerschappij?
â¢la. Gij zijt die God, die d* ooren Wondren doet op wondien hooien:
Gij hebt uwen roem alom Grootgemaakt bij 't heidendom.
9. Dooi uw arm en alvermogen Hebt Gij Isrel uitgetogen,
â¢lakobs kindren. Jozefs zaad Vrijgemaakt van Faro's baat.
't Water zag, o God, U komen:
't Water zag U, en de stroomen Steigerden vol schrik omhoog;
D' afgrond werd beroerd en droog.
10. Dikke
139
PSALM 77, 78.
10. Dikke wolken goten water;
Hooger zwerk gal' lel geklater ;
Uwe pijlen, zoo geducht,
Vlogen viammeml door de lucht; 't Zwaar geluid tier donderslagen Deed het al in 't ronde wagen.
En de wereld werd verlicht Door herhaalden bliksemschicht.
11. D' aarde sloeg van schrik aan 't beven, Toen z' U langs uw pad zag streven.
Zee en groote waters door,
In het nooit ontdekte spoor;
Toen G' uw volk den weg bereiddet, Daar Gij 't als een kudde leiddet.
140
Mozes' en Aörons hand Bracht hen dus naar 't heilig land.
DE AC II ï EN Z E V E K T 1 G S T E P S A L M.
kjpi ^I«HtIf JIr fI^
Neem, o mijn volk, neem mij - ne leer ter oo-
ren; Neig oor en hart, om naar mijn stem te
iÃ]
hoo - ren; 'k Zal met mijn mond u wij - ze
j lquot;N l r I ^
er - bor - gen-!
ÃSSÃiÃr
iüi
sprcu-ken lee - ren, Ver - bor-gen-licèn,\aii
omls al' waar-dig t' ee - ren; Mij vloeit een ; -:bgt;
i
2. Ver-
schat van wijs- beid uit den mond. Ge - lijk
mmm
een bron, die voortspringt uit den grond.
i» s a l m 78.
2. Verborgeiiheên, met diep ontzag te melden,
Die ons voorheen de vaderen vertelden.
Die wij liun kroost ook niet verbergen mogen. Die stellen wij het nageslacht voor oogen.
Des mee hex lol' uit 's lands historieblaèn.
Zijn sterken arm en groote wonderdaan.
3. Want God heeft zijn getuigenis gegeven
Aan Jakobs huis; een wet, om naar te leven. Die Israël zijn nageslacht moet leeren,
Opdat men nooit haar kennis moog' ontberen. God vordert, dat «Ie naneel', eeuwenlang. Van kind tot kind dit onderwijs ontvang'.
4. Opdat z'op God hun hope stellen zouden,
In 'toog zijn daan, in 't hart zijn wetten houden, En nimmermeer weerspannig God verachten. Verdraaid en krom als vorige geslachten,
Wier hart niet was gericht naar zijn gebod,
Wier geest niet was getrouw met hunnen God.
e e ii s t e i' a u z e.
5. Wat kon de boog den besten schutter baten?
Toen Efraïm Gods wegen had verlaten.
Vlood al het heir ten dage van het strijden. En moest aldus de zwaarste neerlaag lijden.
Op Gods verbond werd niet van hen gelet; Zij weigerden te wandlen in zijn wet.
O. Zjjn wonderdaan, door niemand al'te meten.
Zijn trouweloos en snood van hen vergeten. Die wonderdaan, waardoor Egyptes helden Bezweken zijn in Zoans vette velden.
Daar Hij, tot troost in hunner vaadren leed.
Voor ieders oog de grootste teekens deed.
7. Zijn almacht wist de zee vaneen te scheiden,
En 't angstig heir daar droogvoets door te leiden; Als op een hoop deed Hij de waatren rijzen; Hij gal' des daags, om hun den weg te wijzen, Een wolkkolom, een licht des vuurs bij nacht. Totdat Hij hen in t vruchtbaar Kanan bracht.
8. Ook spleten zell's de rotsen op zijn wenken ;
Geen afgrond kon het volk ooit milder drenken; De woestenij gafzuivre watervlieten.
Die d'Almacht uit de steenrots voort deed schieten Gelijk een stroom, die, golvend afgegleèn.
Zijn armen spreidt door al de velden heen.
tweede p a u z e.
9. Maar schoon zij dus Gods goedheid ondervonden, No** pleegden z'in t vervolg de snoodste zonden; In t woest gewest uit vetter land getogen,
Iquot; S A T. 51 78.
Vcrgiaimk'ii zij des Allcrlioogsten oogen,
Verxocliti'ii iiocl, en eisoliteii, ten licwijs Van /.ijne inarlit. naar liunnc lusten spijs.
10. Zij spraken stout: Kan God in wildernissen
Ook keur van spijs op onze tafel disscheuV 't Is waar, Hjj sloeg de rots, en deed de stroomen In overvloed uit harde klippen komen.
Maar is /.ijn macht zoo onbepaald en groot, ⢠Hij gecv' dan hier zijn \olk ook vleesch en brood.quot;
11. Dit hoorde God en werd op 't hoogst verbolgen;
Zijn vuur ontstak, om Jakob te vervolgen;
De felle toorn van 't eeuwig Opperwezen Deed Israël al sidderende vreezen.
Omdat z.ij uiet geloofden aan Gods mond.
Noch op zijn heil vertrouwden naar 't verbond:
12. Daar God, voor hen bezorgd, in hunne nooden De wolken zelfs van boven had geboden.
De hemeldeur ontsloten, mild iu 't zeegnen. En 't maima doen rondom hunne tenten reegnen. Opdat zijn volk, ten blijk vau zijne trouw, Dit liemelkoorn op reis' genieten zou.
1) E 11 I) E I' A U Z E.
13. Elk mocht zijn brood, zoo mild hem toegemeten, Dat wonderbrood der machtigen, nu eten,
Den teerkost, tot verzading hun gegeven. Een oostenwind werd door Hem voortgedreven. En 't zuiden gaf in 't aangevoerde zwerk Geen minder blijk van zijn krachtdadig werk.
14. Toen daalde 't vleesch als stof en dichte regen; Een groote vlucht van vooglen. neergezegen.
In menigte gelijk aan 't zand der stranden.
Viel toen vanzelf bun rijkelijk in handen.
Viel. op Gods wenk, rondom elks woning neer. En spijsde 'their van Isrels Opperheer,
15. Toen aten zij en werden zat van eten;
Hun eetlust werd voldaan, hoe godvergeten;
Maar eer hun drift en toomeloos begeeren,
Waarmee dat volk Gods almacht dorst outeeren. Verzadigd was, ziedaar de straf terstond.
Terwijl de spijs nog was in hunnen mond.
16. Ziedaar Gods toorn gelijk een vuur ontstoken;
Zijn eer werd op bun machtigsten gewroken.
Daar plaag op plaag geweldig nedervehlen
't \anzienlijkst deel, het puik van Isrels helden.
Maar 't 'volk ging voort: bun ongeloof hield aan: God had vergeefs zijn wonderen gedaan.
VIERDE
142
p s a l m 78.
v i e r i) i: i» a u z e.
17. Daarom deed Hij in ijdHIidil limi «lagen Vergaan, en, door eeii reeks van felle plagen,
In schrik en angst lien slijten hunne Jaren.
Maar bracht Hij hen opnieuw in doodsgevaren.
Dan vraagden /.ij naar God, en keerden weer. En zochten vroeg uit bange vrees den heer.
18. Dan dachten /.ij, hoe 't eenwig Opperwezen Hun Kotssteen was, en hoe in angst voordezen De hooge God verlossing had ge/onden;
Dan vleiden zij Hem valschlijk met hun monden, Kn bukten laag, omdat de nood hen drong.
Maar logen Hem met hun geveinsde tong.
19. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken; Van zijn verbond was groot en klein geweken;
Doch God vergaf barmhartig hunne schulden.
Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;
Hij wendde zelfs zijn gramschap dikwijls af. En wekte nooit zijn gansche wraak ter straf.
20. Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen: Zij zijn toeh vieesch; zij hebben geen vermogen: Zij zijn een wind, die gaat en nooit zal keeren. Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteeren!
De wildernis zag door hun booze paan Hem bitterheèn en smarten aangedaan.
v 1.1 F I» E 1' A l' z E.
21. Want elk ging voort in God op 't snoodst te tergen, Kn nieuw bewijs van zijne macht te vergen.
Den heilgen God van Israël te kwellen,
Kn paal en perk aan zijne daan te stellen.
Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd.
Waarin Gods hand hen had van 't Juk bevrijd;
22. Hoe Hij zijn oog op hen had neergeslagen,
Egypte van zijn teekenen deed wagen,
Kn Zoans veld, daar Hij hen af wou zondren, Ken streng tooneel deed worden van zijn woudreu; Daar poel en beek, en groot' en kleine vloed Ondrinkbaar werd en niets dan walglijk bloed.
23. Hij zond een heir, door niemands hand te weren.
Veel ongediert', om alles te verteren;
Zijn groote kracht deed vorschen uit de stroomen Tot wis bederf van gansch Egypte komen:
Hij gaf 't gewas, met vlijt gekweekt, en 't kruid Den kruidworm en den sprinkhaan tot een buit.
24. De wijnstok werd door hagel neergesmeten;
De wilde vijg daardoor vaneengereten.
De landman zag zijn vruchtbaar veld bederven.
Zijn
143
P S A L Jl 78.
Zijn kleiner vee door /.waren hagel sterven.
Zijn beesten door den feilen bliksem slaan, En jammerlijk door vuur en vlam vergaan.
25. Ook zond Hij toorn, verbolgenheid en nooden. Verstrooidheid, angst en vreeslijk' onheilsboden; Hij baand' een weg voor zijne grimmigheden. Waarlangs de wraak zou treèn met wisse schreden.
Hun ziel werd niet onttrokken aan het graf.
Terwijl Hij 't vee aan 't pestvuur overgaf.
/, E s r E i' A u /. E.
26. Kgjpteland zag al het eerstgeboren
Door 's hemels wraak geslagen en verloren;
De dood der Jengd, 't beginsel van Chams krachten, Vervulde tent en veld met jammerklachten,
W aaruit Gods volk als schapen werd geleid.
En vrij en blij op Parans grond geweid.
27. Ja, zonder vrees mocht Isrel veilig trekken;
Het zag de zee zijn haatren overdekken;
Want God, hun God, bracht hen bevrijd van banden Naar 't land, door Hem geheiligd uit de landen. Tot dezen berg, dien zijne hand verkreeg.
En die daarna ten hoogsten luister steeg.
28. Het heidendom werd voor ben weggedreven,
Aan elk, naar 't snoer, zijn erfenis gegeven.
En Isrel mocht in eigen tenten wonen.
Maar 't wufte volk ging voort in God te hoonen. Verzocht den HEEK, versmaadde zijn gebied. En hield het recht des Allerhoogsten niet.
29. /ij weken af door trouweloozen handel.
En volgden dus der vaadren snooden wandel. Zoo keeren zich bedriegelijke bogen.
Waardoor somwijl de schutter wordt bedrogen. Des HEEREM toorn en ijver werd getergd Door beeldendienst en hoogten op 't gebergt'.
ZEVENDE P A U Z E.
30. Dit hoorde God, en heeft, op 't felst ontstoken, Dit boos bestaan op Israël gewroken,
Dat volk versmaad met beelden en altaren.
Dies liet Hij tent en tabernakel varen.
Die Hij zich daar ter woning had gesticht.
En tot zijn eer te Silo opgericht.
SI. Het onderpand van 't heerlijk alvermogen.
Zijn heilig' ark, gaf Hij voor Isrels oogen Den Filistijn in d' ongewijde handen;
Zijn volk ten zwaard' of in de slaafsche banden.
Gods Majesteit, getergd, zag van omhoog ZUn erfnis aan met een verbolgen oog.
32. Het
144
P s A Ij 78, 79.
32. Het vuur verslond de strijdbre jongelingen; Der maagden lolquot; vergat men op tr zingen; Hun priesterschap, hoe hoog door God verheven.
Werd, laag verneèrd, aan 't /waard ter prooi gegeven;
En d' arme weeuw bezweek van zielsverdriet.
Of zat door schrik verstomd, en weende niet.
33. Toen stond God op met gunstige gedachten.
Als na een slaap ontwaakt met nieuwe krachtm. Ja als een held, ontzaglijk in zijn gangen. Die nieuwen moed heeft door den wijn onivangen; Kn sloeg tot smaad, met zijn geduchte hand, Het uiterst deel van 's vijands ingewand.
ACHTSTE PAUZE.
34. Doch Jozefs tent liet Hij verachtlijk varen:
In Klraïm verkoos Hij geen altaren;
Maar Hij liad Inst, in Juda's stam te wonen.
Om daar zijn macht en heerlijkheid te toonen Op Sions berg, dien 's werelds Opperheer Bemind' en koos ten zetel van zijn eer.
35. Daar bouwde Hij als hoogten zijne muren, /ijn heiligdom, dat d'eeuwen zou verduren,
GHijk deez' aard', gegrond door zijne krachten, In eeuwigheid geen wanklen heeft t«' wachten.
(leid David, dien Hij van dlt;gt; schaapskooi nam. Verkoos Hij zich ten Vorst uit .1 uda's stam. 35. Hij deed zijn knecht van achter 't vee zich spoeden. Om .fakobs zaad, zijn dierbaar volk, te hoeden.
Zijn Israël, ten erfdeel hem verkregen.
Dus heeft die Vorst geheerscht met roem en zegen, Gods volk oprecht en met verstand geweid. En 't rijk beschermd door dapper krijgsbeleid.
1) E N E G EN EN Z E V E N T I G S T E P S A L M.
_;| =:i =1 = | = | - '1=1
Ge-trou-we God, de hfiil-ncn zijn ge-ko-
i]
men; Zij heb-ben stout uw erf-land in-ge-
no - men ; Je - ru - za - lem, de tem-pel
uw al - ta - ren, 't l igt al ver-woest door
die
145
7
2. liet kostlijk bloed van uwe gunstgenooten.
Als water om .leru/.alem vergoten.
Doet wijd en zijd des vijands woede blijken; Het gansclie veld is nu bezaaid met lijken.
Van d' oer des grals beroofd.
De nabuur schudt het hoofd,
Kn lacht met onz' ellenden; Ons deerniswaardig lot Stelt ons ten smaad, ten spot \aii vreemden en bekenden.
3. Hoe lang zult (iij in gramschap zijn ontstoken V /al 't eeuwig vuur uws ij vers eeuwig rookenV Stort uwe wraak op hen, die ons verteren.
Op volken, die uw grooten naam niet eeren.
Want Isrel, door hun macht Verschriklijk onigebracht,
l.igt in zijn bloed verdronken:
Zijn woning, al de troost Kn lust van .lakobs kroost,
Oelijkt thans naar spelonken.
4. Gedenk niet meer aan 't kwaad, dat wij bedreven; Onz' euveldaad word' ons uit gunst vergeven!
H aak op, o God, en wil van verder lijden Ons klein getal door uwe kraclit bevrijden.
Help ons, barmhartig hef.ii,
l \v grooten naam ter eer;
Uw trouw koom' ons te stade;
Verzoen de zware schuld.
Die ons met schrik vervult;
Bewijs ons eens genade.
P A ü Z E.
P S A L M 79, 80.
P A U Z E.
5. Waarom zon zich der lieidnen macht vermeêmi. Uw liooa gezag door bittren sciiimp onteeien. En vragen, door hnn trotschen waan bedrogen:
Waar is hnn God? Waar blijkt nn zijn vermogen?' Vergeld hnn overmoed:
Wreek nwer knechten bloed,
U God van ons betrouwen!
Verdedig onze zaak;
Doe 't heidendom nw wraak Zelfs voor ons oog aanschouwen.
(gt;. Ai, hoor naar hen, die in gevangnis kwijnen:
Laat hun gekerm voor uw gezicht verschijnen: Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren.
Up uwe hnlp met smeekend' oogen staren:
Vergeld den wreeden smaad.
Waarmee des nabuurs haat Uw mogendheid dorst schenden:
Geel' hun, o Opperheer,
Die zevenvoudig weer:
Zie neer op onz' ellenden.
7. Zoo zuilen wij, de schapen uwer weiden. In eeuwigheid uw lol', uw eer verbreiden,
Kn zingen, van geslachten tot geslachten.
147
Uw trouw, uw roem, uw onverwinbre krachten.
ïgt; E T A C II T I r. S T E P S A L M.
Neem, Is-reis Her-der, neem ter oo - ren.
hebt ge - *
tlüLpi
Die .fo - zeis kroost, door U ver - ko - ren. Als
scha - pen gun-stig hebt ge-leid: Die ee-nen troon van hei - lig-heid O tus-schenChe-rubs
hebt se - sticht. Ver-schijn wKH'hlinkenil met
uw licht.
2. Die
p s a r, gt;i 80.
2. Die glans straal' Kfraïm in cl' oogen;
Toon Benjamin uw groot veimogen;
Verlos Manasse tot uw eer.
(ietrouwe Herder, breng ons weèr;
Verlos ons; toon ons 't lieflijk li 'lit Van uw vertroostend aange/.iclit.
3. Hoe lang, o HEER der legermachten.
Verwerpt Gij toornig on/.e klachten.'
Hoe lang verlaat G'ons in den nood .'
Gij spijst uw volk met tranenbrood;
Gij drenkt het, in zijn jammerstaat.
Met tranen uit een volle maat.
4. In 't bitter leed, dat wij verduren.
Zien w' ons aan onze nageburen.
Helaas, door U ten schimp gesteld.
Ons door hun twisten neergeveld.
Wij /.ien, daar ons hun haat vertreedt, Hen spotten om ons harteleed.
5. Laat ons, o God der legermachten.
Niet vruchtloos op uw bijstand wachten;
Ga onzen haatren zelf' te keer;
Getrouwe Herder, breng ons weer;
Verlos ons; toon ons 't lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht.
PAUZE.
6. Gij vondt in ons een welbehagen;
Gij bracht, o God, in vroeger dagen
Uw wijnstok uit Hgvpteland;
Gij zeli' hebt gunstig hem geplant.
Voor hem de volken uitgeroeid.
Hem plaats bereid, hem mild besproeid.
7. Hij heeft zijn wortels uitgeschoten:
1 )(* bergen werden door zijn loten.
\ls waren 't ceedren, overdekt;
Hij heeft zijn ranken uitgestrekt,
In zijnen bloei en frisschen staat.
Tot aan de zee, tot aan d' Eufraat.
8. Waarom hebt Gij zijn muur verbroken.
Hem van uw zorg en hulp verstoken .'
Men plukt, men trapt hem met den voet ; Het boschzwijn heeft hem omgewroet.
Het wild gediert' hem afgeweid,
Daar 't zich door 't gansclie land verspreidt.
9. Keer weêr. o God der legermachten.
Tot ons, die op uw bijstand wachten;
Zie uit den hoogeii hemel neer;
Herstel
148
1' s a l 31 80, 81.
Herstel uw wijnstuk als weleer.
Den stam, ter lielVI' uws Zoons geplant,
Dien Gij gesterkt hebt door uw hand.
10. Hij li^t verbrand en afgehouwen.
Als Gij verwoest, wie zal dan bouwenV Uw hand zij over 's mensdien Zoon, Dien G'U gesterkt hebt tot den troon'. Zoo leven wij, door ü bevrijd,
Altoos aan uwen dienst gewijd.
11. Hehoud ons, heer der legermachten. Zoo zullen w' ons voor afval wachten,
Zoo knielen w' altoos voor U neer. Getrouwe Herder, breng ons weer:
Verlos ons; toon ons 't lieflijk licht Van uw vertroostend aangezicht.
1) e een en tachtigste p s a l m.
Hifa 1 'm mijl--
met gejuich ge - pre - zen.
2. Zingt een psalm, en geeft Trommels aan de reien.
Wat in Isrel leeft Roep' zijn grootheid uit;
Harp en zachte luit â Moet zijn roem verbreien.
3. 't Blij bazuingeschal Klink' in Isrels ooien.
Doe nu overal Deze maar verstaan:
»'t Feest der nieuwe maan,
't Feestuur is geboren.quot;
4. Want
149
P S A L ,11 81.
Want dit is 't hevel Van ilcn HEER «let lieeren Aan /.ijn Israel;
Dit is 't hoog gi'hod,
't Rcclit van Jakohs God, Dat wij hillijk ceren.
Dit doet Jozefs zaad Aan Egypte deuken,
En in welk een staat,
Daar 't een sprake vond Die liet niet verstond, God zijn heil wou schenken.
E E II S T E 1' A U Z E.
'k Heh hun hals bevrijd Van den last te dragen;
't Was die hlijde tijd.
Toen hun moede hand Werd in 's vijands land
â Van den pot ontslagen.
-(lp uw noodgeschrei Deed Ik groote woudreu; .Onder mijn gelei
⢠Vondt gij hulp; mijn woord Werd van u gehoord
.Uit de plaats der dondreu.
'k Nam te Jlerlha .Proef van uw vertrouwen, .Of g' op mijn gena,
In uw tegenheéu,
⢠Op mijn naam alleen
. Eu mijn woord zoudt bouwen. Hoort Mij, zei Ik toen,
â Onder n betuigen.
Wat gij hebt te doen. Och, dat Israël Zich op mijn bevel Onder mij won buigen!
Eert gceu uitlandsch god; .Wacht u voor uw zielen; -Wilt naar mijn gebod.
Mijnen naam ten hoon.
Voor geen valsche goön. Voor geen vreemde, knielen.
Ik, Ik ben de HEElt;
'k Ben uw God, die heilig IJver voor mijn eer.
Die u door mijn hand -Uit Egypteland .Leidde vrij en veilig.
150
10.
TWEEDE
11.
PSALM 81, 82.
TWEEDE PAUZE.
12. «Opent uwen mond;
»Ãisclit van Mij vrijmoedig
⢠Op mijn trouwverbond.
⢠Al wat u ontbreekt,
â Schenk ik, zoo gij 't smeekt,
«Mild en overvloedig.
13. «Maar mijn volk wou niet -Naar mijn stemme hooren;
Israël verliet Mij en mijn geboón;
-'t Heeft zlcli andre goón «Naar zijn lust verkoren.
1J. ''k Liet hen dies, veracht.
Naar 't hun goeddocht handlen; 'k Liet dit boos geslacht.
Naar de keuze viel Van hun dwaze ziel,
In hun wegen wandlen.
15. «Och, had naar mijn raad Zich mijn volk gedragen!
Och, had Isrels zaad «Op mijn effen paün 'IJvrig willen gaan,
⢠Naar mijn welbehagen!
16. 'k Had hun haters ras
⢠En geheel verslonden;
ie hun tegen was «Had, aan allen kant,
quot; Mijn geduchte hand «Zeker ondervonden.
17. «Flaters van den heep.
«Hadden Hem gegeven,
«Schoon geveinsd, zijn eer; Ook zou Isrels tijd,
⢠Van de smart bevrijd,
«Eeuwig zijn gebleven.
18. «'k Had u dan tot spijs «Vette tarw doen groeien,
«En u, ten bewijs Hoe Ik u kon voên, -Honingbeken doen »Uit de rotsen vloeien.quot;
151
r s a i, gt;i 82.
StaatGoil. als rich - tér «Ier ge - ilin - gi-ri: Hij
oor-deelt o - ver gord en kwaad, In't midden
van der go - den raad. ⢠Hoe lang znlt gij van
°lf 'I' gt;1^1
j i j
ge - /.icht Dn god - de - loo-zcn in
Sta
't ge - richt'!
2. .Toont aller goden God te vrcezen;
Doet recht aan armen en aan vveezen: Kechtvaardigt hem, die billijk klaagt. Verdrukt of' arm nvv hulpc vraagt;
â Verlost geringen uit hun lijden,
Km wilt hehoeftigen bevrijden;
Klikt 7.' uit iler goddeloo/.en hand: .Geiechtigheid verhoogt een land.
3. «Maar ach, hier is het recht vergeten;
⢠Men heeft noch kennis, noch geweten; -Men wandelt in de duisternis; Het wankelt al wat zeker is.
Dies ziet men 's aardrijks grondvest beven, 'k Heb wel voorheen u d' eer gegeven. Dat Ik u goden heb genoemd,
⢠En als Gods kinderen geroemd;
4. Gij zult nochtans liet leven derven,
â En als gemeene menschen sterven.
Eens storten van den stoel der eer »ln 't graf, als elk der vorsten, neer.quot;
152
t richtsnoer wij - ken, «Een on - reclit-vaar-dig
zii
von - nis strij-ken, â¢Kn acht slaan op het aan-
P S A L 51 82 , 83.
Sta op, o God, cn wil ontwaken: Ai, oordeel quot;t aardrijk; richt de zaken; Want Gij bezit op aard' alom Ue volkeren in eigendom.
1gt; E I) Ilt; IE EN T A C U T I f. S TE P S A L M.
Zwijg niet, o Goil, iioud IJ niet doof; Wij wor - den. zoo Gij zwijgt, ten rooi'; Wees toch niet stil; ai, wil ont - wa - ken. Want zie, o
^ 1=^ I ^ Iâ I ^ I 1
God, uw ha - ters ma - ken Een krijgs-ge- tier, om zich te wie-ken; Zij dur-ven stout
14 'W
den kop op - ste - ken.
2. Hun aanslag is verwoed en boos;
Zij zoeken, lidmelijk en loos.
Uw volk, dat zij zoo bits veraditen.
Te dempen met vereende kraditen.
Dat Gij. met zooveel gunst en zorgen.
Houdt als een schat bij à verborgen.
3. Zij zeiden stout, en heet op buit;
Komt aan, men roei' gansdt Isrel uit.
⢠Opdat dit volk, gelijk voordezen,
'Voortaan geen volk meer moge wezen. Dat niemand Isrels naam doe hooien,
«Dat zijn gedachtnis ga verloren.quot;
4. Want samen zijn zij 't eens geraakt;
't Verbond is tegen U gemaakt.
Daar zien wij Edoms tenten naadren.
Ginds Ismael zich saam vergaadren. De Moabieten, Hagarenen,
En Gebal zich in 't veld vereenen.
5. Met
153
zich te
P S A L M 83, 84.
5. Met hem trekt Ammon ééne lijn, En Amalek, en Palestijn',
En die in 't rijke Tyrus wonen.
Ook liet zich Assur bij lien troonen. Een machtig rijk, waarop zij leunen, En Lots ontaarde kinders steunen.
6. Dat hen, o God, uw gramschap sla. Als Midian, als Sisera,
Als Jabirt, die bij Kisons stroomen En t' Endor gansch zijn omgekomen. Wanneer uw ijver niemand spaarde.
Maar hen vertrad als slijk der aarde.
p A ü z E.
7. Sla hen en hunne prinsen, IIEKR,
Als Ureb en als Zeëb neer;
Doe al hun vorsten, hoe verheven. Als Zebah en /almuna sneven.
Die met geweld Gods land en daken Zich wilden ter bezitting maken.
8. Maak, dat dit volk geen rustplaats vind'; Verstrooi hen door een wervelwind
Als stoppels, door een storm gedreven. Als wouden, 't vuur ter prooi gegeven. Als bergen, in wier ingewanden Ontstoken pik en zwavel branden.
9. Vervolg ze dus van oord tot oord.
En drijf ze met uw onweer voort;
Verschrik hen met uw dwarrelwinden. Zoodat zij rust noch schuilplaats vinden; L)oe hen, o heer, vol schande vlieden, Opdat i.quot; uw naam eens hulde bieden.
10. Beschaam, verschrik hen eeuwiglijk;
Dat ieder schaamrood rugwaarts wijk'; Verniel hun heiren; doe hen weten,
Dat Gij alleen de meer moogt heeten. Die groote naam van 't hoogste Wezen Doe 't wereldrond eerbiedig vreezen.
DE VIER E N T A C II T I G S T E 1' S A F. M.
Hoe lief - lijk. hoe vol heil - ge - not, O
heer, der le - ger-scha-ren God. Zijn mij uw
huis
154
I' S A L M 84.
155
Imis en tem-pel - y.an-gen! Hoe bran-den
^3
mijn ge - nc -gcii-lieèn. Om 's iieehkn voor-
hof in te treèn! Mijn ziel be-/,wijkt van
am
sterk ver - lan-gen; Mijn hartroept uit tot
God, die leeft, En aan mijn ziel liet le
=fe
ven geeft.
2. Zelfs vindt de imiscli een imis, o HEEK; De zwaluw legt haar Jongskens neer
In 't kunstig nest, bij uw altaren.
Bij U, mijn koning en mijn God.
Verwacht mijn ziel een heilrijk lot,
Geduchte heer der legerscharen!
Welzalig hij, die bij ü woont.
Gestaagquot; U prijst en eerbied toont.
3. Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht.
Die kiest de welgebaande wegen:
Steekt hen de heete middagzon In 't moerbeidal. Gij zijt hun bron.
En stort op hen een milden regen.
Een regen, «lie hen overdekt,
Verkwikt, en hun tot zegen strekt.
1' A li z E.
4. Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort: Elk hunner zal in 't zalig oord
Van Sion haast voor God verschijnen.
Let, heer der legerscharen, let Op mijn ootmoedig smeekgebed;
Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;
Leen
=h
Ei
_ c
PSALM 84, 85.
Leen mij een toegenegen oor ;
0 Jakobs God, geel' mij gehoor. 5. O Gon', Hie ons ten schilde zijt,
Kn ons voor alle ramp bevrijdt, Aanschouw toch uw gezalfden koning. Ãén dag is in uw huis mij meer Dan duizend, daar ik li ontbeer.
'k Waar liever in mijns Uondgods woning Een dorpel wachter, dan gewend Aan d' ij die vreugd in 's boozen tent.
(). Want God, de HEER, zoo goed, zoo mild, Is t' allen tijd' een zon en schild;
Hij zal genaad* en eere geven;
ilij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in den dood.
Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, HEER, die op U bouwt.
En zich geheel aan ü vertrouwt.
1» E V 1.1 F E N T A C 11 T 1 ü S T E 1' S A L M.
Gij hebt uw land, o UEElt, die gunst be-
\ ^ J lijÃPPI
toond, Dat Ja-kobszaad opnieuw in vrij-beid woont. De schuld uws volks hebt G' uit uw boek
| |-| ^ |*1^1 I
ge - daan; Ook ziet Gij geen van hun - nc
1-^^ J jljI'ljTj : JNIjN
156
zon-den aan. Gij vindt in gunst, en niet in
| ||||||||||||
|
is ge-bluscht. O heil - rijk God, weer verder |
ons
| ||||||||||||
|
toorn te niet. |
2. Heelt dan, o HEEK, nw gramschap nimmer end? Zal r. eindiijk niet eens worden afgewend?
Of zal uw toorn ook op ons nakroost woèn?
Zult G' uit den ilood ons niet herleven doen, Opdat uw volk zicli weer in U verblij'V Dat toch, o HEER, uw goedheid ons bevrij !
Geef ons uw heil, en red door uwe hand, Uit vrije gunst, het zuchtend vaderland.
3. Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft. Hij spreekt gewis tot elk, die voor Hem leeft.
Zijn gunstgenoot, van blijden troost en vreè,
Mits hij niet weer op 't spoor der dwaasheid treè. Voorwaar. Gods heil is reeds nabij t geslacht, Hetwelk Hem vreest en zijne hulp verwacht;
Opdat er eer in onzen lande woon',
En zich aldaar op 't luisterrijkst vertoon'.
4. Dan wordt gen5 van waarheid blij ontmoet, De vrede met een kus van 't recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d* aarde blij omhoog; Gerechtigheid ziet neer van 's hemels boog; Dan zal de HEER ons 't goede weèr doen zien; Dan zal ons 't land zijn volle garven bièn; Gerechtigheid gaat voor zijn aangezicht:
Hij zet z' alom, waar Hij zijn treden richt.
1) E ZES EN ï A C H T 1 G S ï E 1» S A \. M.
«gt; , i . TTT JlJ4
Neig, o meer, uw guns-tig' oo-ren, Om
mij in mijn angst te hoo-ren: 'k Ben el-
rt
len - dig, diep in nood, Gansch van heul en hulp ontbloot.
1' s a l m 86.
ü vertrouwt.
2. Wie toch is als Gij weldadigV Wees mij dan, o heer, genadig;
Want mijn roepen en geklag Klimt tot ü den ganschen dag. Wil de ziel uws knechts verblijden; Ondersteun hem in zijn lijden;
Want ik hef mijn hart en oog, Trouwe God, tot U omhoog.
3. Heer, door goedheid aangedreven, Zijt Gij mild in 't schuldvergeven.
Wie ü aanroept in den nood Vindt uw gunst oneindig groot. Heer, neem mijn gebed ter ooren; Wil naar mijiugt; smeeking hooien; Merk, naar uw goedgunstigheên. Op de stem van mijn gebeên.
4. 'k Ben gewoon, in bange dagen Mijn benauwdheid ü te klagen;
Gij toch, die d' ellenden ziet.
Hoort mij, en verstoot mij niet. Heer, wat goon de heidneii roemen, Niemand is bij U te noemen;
Daden, als uw groote daan.
Treft men nergens elders aan.
i' a ü z e.
5. Al de heidnen, door uw handen Voortgebracht in alle landen.
Zullen tot 1' komen, heer.
Bukken voor uw aanschijn neer, Kn uw naam ter eere leven.
Gij zijt groot en hoogverheven; Gij doet duizend wonderheên; Gij zijt God, ja Gij alleen.
158
15. Leer
P s A L M 86, 87.
6. Leer mij naar uw wil te handleii:
'k Zai dan in uw waarheid wandlen. Neig mijn hart, en voeg het saam Tot de vrees van uwen naam. Heen, mijn God, ik zal u loven. Heffen 't gansche hart naar boven; 'k Zal uw naam en majesteit Keren tot in eeuwigheid.
7. Want uw goedheid, hoogst gerezen. Hebt Gij dikwijls mij bewezen.
En mijn ziel, hoezeer verdrukt. Uit het diepst van 't graf gerukt. 0 mijn God, de trotschaards spannen Boos te zamen met tirannen. Tot mijn «lood en zielsverdriet; Zij ontzien uw hoogheid niet.
8. Maar Gij, heer. Gij zijt lankmoedig. Zeer barmhartig, overvloedig
In genü, die ons behoedt.
Groot van waarheid, eindloos goed. Wend ü tot mijn ziel genadig:
Sterk uw knecht, en geef weldadig Ondersteuning aan den zoon Uwer dienstmaagd, van den troon.
9. Doe een teeken mij ten goede. Dat mijn haters in hun woede
Mogen zien, hoe, tot hun spijt, Gij mij troost en mij bevrijdt.
1) e zeven e x t a c. ii t i g s t e p s a l m.
I I ^ I 1 I
Zijn grondslag, zijn onwrik - bre vas - tig - he -den Heelt God ge-legd (gt;|p ber - gen, Hein «e-wijd; De heer, die zich in Si - ons heil ver-blijdt. Be-mint het meer dan al - le Ja-kobs ste - den.
2. Men
159
PSALM 87, 88.
2. Men spreekt van u zeer heerelijke dingen,
O schoone stad van Isrels Opperheer!
'k Zie Kahab, ik zie Babel, tot uw eer Bij hen geteld, die mijne grootheid zingen.
3. De Filistijn, de Tyriër, de Mooren,
Zijn binnen u. o Godstad. voortgebracht; \an Sion zal liet blijde nageslacht Haast zeggen; »Deez* en die is daar geboren.quot;
4. God zal ze zelf bevestigen en schragen,
En op zijn rol, daar Hij «Ie volken schrijft, Hen tellen, als in Isrel ingelijfd,
En doen den naam van Sions kindren dragen.
5. Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;
Dan zullen daar de blijde zangers staan, üe speelliên op «Ie harp en cimbel slaan, En binnen u al mijn fonteinen wezen.
DE ACHT EN TACHTIGSTE PSALM. O God mijns heils, mijn Toe - ver- laat, Tot
üapi
is
U hef ik mijn droe-veklach-ten; Ik roep, bij
ila - gen en bij nach -ten, Tot ü in
J JNlfl
mij - nen jam-mer-staat; Ik na - der bid-dend;
wil mij hoo - ren. En neig tot mijn ge-
-ill:
schrei uw oo - ren.
2. Mijn ziel, der tegenheden zat. Wordt moedeloos, wil mij begeven: Het einde nadert van mijn leven;
160
'k Ben krachteloos en afgemat; Ik ben, door overmaat van kwalen. Als zij, «lie reeds ten grave dalen.
3. 'k Ben
p s a l 11 88,
'k Ben al'gezomlenl hij den lioop Dor dooilen, die, terneergeslagen, In 't bloeien van hun blijde dagen
Gestuit in hunnen levensloop,
Met aard' bedekt, van elk vertreden.
Door uwe band zijn afgesneden.
(lij bebl mij in den kuil gelegd,
In diept', in duisternis gesloten. Uw grimmigheid heeft mij verstooten.
Mij neergedrukt, mij troost ontzegd. Gij doet op mij uw oordeel komen. Ais onweerstaanbre waterstroomeu.
Ik derf mijn vrienden tot mijn straf; Zij zijn vervreemd van inededoogen;
Ik hen een gruwel in hun oogen;
Gij wendt hen allen van mij af.
Een bange kerker doet mij zuchten;
Ik kan de banden niet ontvlucliten. p A u /. E.
Mijn oogen treuren om mijn leed.
Om al mijn angst, om al mijn lijden, ü MEER, wil mij van straf bevrijden;
Ach, toon U tot mijn hulp gereed, 'k Smeek ilag aan dag om uw ontferming; l een mij de band tot mijn bescherming.
Zult Gij aan dooilen wondren doen?
Zult G' overleednen doen verrijzen.
Om bier uw grooten naam te prijzen V Zal 't graf uw wijzen raad lievrot'n Zal daar uw goedheid zich verspreiden V Zal 't woest verderf uw trouw verbreiden ?
Wie zal uw wondren, uw beleid.
Ooit in de duisternis vertellen ?
Wie ooit uw recht in 't daglicht stellen
Ter plaatse der vergetelheid?
Maar ik, eer d' uchtend aan komt breken, Zal u, o heer, om bijstand smeeken.
Waarom is 't, dat Gij mij verstoot? Waarom verbergt G' uw gunstrijk' oogen ! 'k Was van der jeugd af neergebogen,
Bedrukt, en worstlend met den dood. Ik moet vol angst uw gramschap dragen; 'k Ben twijfelmoedig en verslagen.
'k Ben met verschrikking aangedaan; Mijn moed verllauwt; mijn leden beven. Uw dierbre gunst heelt mij hegeven;
De vlam uws toorns doet mij vergaan, 'k Moet dag aan dag met duizend rampen. Als met het wot-n der golven, kampen.
1' S A L M 88, 89.
IJ. Gij hebt èn metgezel èn vrind Van mij verwijderd in mijn lijden.
Zoodat mijn ziel, hoe z' ook moet strijden.
Bij niemand heul ol' bijstand vindt.
'k Zoek hen vergeefs; 'k moet eenzaam weenen; AI mijn bekenden zijn verdwenen.
D E NEGEN E N 'J A C II T 1 G S T E 1» S A L M.
'k Zal eeu -wig zin - gen van Gods goe- der - tie
ren - heen; üw waar-heidt'al - len tijd ver
mei-den doormijn reen. Ik weet, hoe'tvastge-
J I
102
bouw van u - we gunst-be - wij - zen. Naar
uw ge-maakt be - stek, in eeu - wigheid zal
= I
E -
rij - zen. Zoo-min de he - mei ooit uit
*.:1 ^ l::_ - '1
-
zij - nen stand zal wij - ken, Zoo-min zal
1
^zbcdzb^:
u - we trouw ooit wank-len ol' be- zwij-ken.
2. » Ik hebquot;, dit was uw taal. een vast verbond gemaakt
⢠Met mijnen gunsteling, dien steeds mijn oog bewaakt;
Ik heb aan mijnen knecht, aan mijnen uitverkoren', -Aan David, in mijn gunst met eenen eed gezworen: »lk zal van kind tot kind, tot aan het eind der dagen
⢠â¢Uw zaad bevestigen, en uwen rijkstroon schragen.quot;quot;
3. De hemel looft, o heer, uw wondren dag en nacht; üw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht.
Daar
P
p s a l m 89.
Daar uw geheiligd volk van uwe trouw mag zingen; Want wie is ü gelijk bij al de hemelingen V En, welke vorsten ooit het aardrijk moog' bevatten, Wie hunner is, o heer, met u gelijk te schatten?
eerste pauze.
4. God is op 't hoogst geducht in zijner heilgen raad,
En vreeslijk boven 't heir, dat om zijn rijkstroon staat. IVie is als Gij, o heer, o God der legerscharen? Wie is aan l) gelijk, wie kan U evenaren? Grootmachtig zijt G', o heer, ja eindloos in vermogen; Uw onverbreekbre trouw omringt U voor elks oogen.
5. Gij temt de woeste zee; zij luistert naar uw wil; Hoe hoog zij zich verheff'. Gij wenkt, en zij is stil.
Gansch Rahab is door U verbrijzeld, gansch verslagen; Uw vijand is verstrooid; uw arm heelt roem gedragen; En aard' en hemel, en wat leeft of ooit zal leven.
Zijn d'uwe; t gansch heelal hebt Gij't bestaan gegeven.
(). Gij schiept het barre noord' en 't zoele zuiden saam. Ginds Juicht een Tabor, hier een Hermon in uw naam. Gij hebt een arm met macht; uw hand heeft groot vermogen ;
Uw rechterhand is hoog: uw troon blijft,onbewogen, Van recht en van gericht zijn vasten steun ontleenen. En waarheid en gena gaan voor uw aanschijn henen.
7. Hoe zalig is het volk, dat naar uw klanken hoort!
Zij wandlen, heer, in't licht van 'tgodlijk aanschijn voort; Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden. Uw goedheid straalt hun toe; uw macht schraagt hen in
't lijden;
Uw onbezweken trouw za! nooit hun val gedoogen. Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen.
8. Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht. Uw vrije gunst alleen wordt d'eere toegebracht.
Wij steken't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in't strijdperk van dit leven. En onze Koning is van Isrels God gegeven.
t nv eed e i' a u z e.
9. Gij hebt weleer van hem, dien Gij geheiligd hadt. Gezegd in een gezicht, dat zooveel troost bevat:
«Ik heb bij eenen held voor Isrel hulp beschoren, Hem uit het volk verhoogd; hem had Ik uitverkoren, 'k Heb David, mijnen knecht, mijn gunsteling, gevonden, .En hem met heiige zalf aan mij en *t rijk verbonden.
10. Mijn hand zal, hoe 't ook ga, hem sterken dag en nacht: ⢠Mijn arm zal hem in nood voorzien van moed en kracht ; De vijand zal hem nooit door wreevle handelingen.
Door
163
PSALM 89.
«Door list of helscli heUrog, in uiterst'engten dringen; booswicht zal 't geweld nooit tegen hem gelukken, «Noch in- noch uitlandsch vorst zijn zetel onderdrukken.
11. Ik zal integendeel al wie hem wederstaat
»Verplettren voor zijn oog, en plagen die hem haat; gt; Mijn trouw zal met hem zijn,mijn goedheidhem geleiden; ⢠Zijn macht zal in mijn naam zich over d'aard' verspreiden ;
⢠Zijn hand de groote zee, zijn schepter de rivieren. Door mijn geducht bestel met roem en eer bestieren.
12. «Gij (zal hij zeggen) zijt mijn Vader en mijn God,
»Dê rotssteen van mijn heil. 'k Zal hem ook stellen tot »Een eerstgeboren zoon, door al zijn broeders t'eeren. Als koning zal hij zeil'de koningen regeeren,
«Mijn goedertierenheid zijn rijkstroon eeuwig stijven, «Eii mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven. I) E u I) e r A u z E.
13. - Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, â Zoolang de hemel zeli' op vaste pijlers staat.
«Maar zoo zijn kinders ooit mijn zuivre wet verlaten, «Zoo 't richtsnoer van mijn recht ter reegling niet kan
baten,
-Zoo zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven, «Dan mogen zij gewis voor mijne straffen beven.
14. Dan zal Ik hen, die dwaas of wreevlig overtreèn, «Bezoeken met de roe en bittre tegenheèn,
quot;Doch over hem mijn gunst en goedheid nooit doen
enden,
«Niet feilen in mijn trouw, noch mijn verbond ooit
schenden;
'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken; 't Geen uit mijn lippen ging blijft vast en on verbroken.
15. »'k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid: «Zoo Ik aan David lieg', zoo hem mijn woord misleid'!
quot;Zijn zaad zal eeuwig zijn; zijn troon zal heerlijk pralen, Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen, «Bevestigd als de maan; en aan des hemels bogen «Staat mijn getuige trouw te schittren in elks oogen.quot;
16. Maar ach, mijn God, waar blijkt uw trouw nu, waar uw
eer ?
Gij stoot en werpt, vergramd, thans uw Gezalfde neer; Gij schijnt niet van 't verbond met uwen knecht te weten; Zijn kroon, ontheiligd, ligt ter aarde neergesmeten; Zijn sterke muren zijn door 's vijands macht verbroken, Zijn vestingen verwoest en in het stof gedoken.
VIER I) E r A u z E.
J7. Hij is door elk beroofd, den nabuur tot een smaad; Gij hebt de rechterhand verhoogd van die hem haat; Gij deedt den vijand in zijn rampspoed zich verblijden ;
Zijn
164
PSALM 89, 90.
Zijn /.waard Hert om; 't is stomp, en nutteloos in
strijden;
Gij doet hem, vol van schrik, van 't bloedig slagveld
vluchten,
En onder 's vijands juk, van U verlaten, zuchten.
18. Zijn schoonheid is vergaan; zijn troon ligt neergestort; 13e dagen zijner jeugd zijn door uw hand verkort;
Metschaamt' is hij bedekt; elk kan hem strafloos tergen. Hoe lang, getrouwe God, zult Gij ü steeds verbergen ? Zal dan uw grimmigheid, die niemand af kan keeren. Gelijk een brandend vuur 't verdrukte volk verteren V
19.Gedenk, o heer, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur. Het leven is een damp; de dood wenkt ieder uur.
Zou 't menschdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen V Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen V Wie redt zijn ziel van 't grafV Ai, help ons als te voren, Gelijk Gij bij uw trouw aan David hebt gezworen.
20. Gedenk den smaad, dien elk van uwe knechten lijdt. Waarmee elk machtig volk mijn bang gemoed doorsnijdt.
Den smaad, o heer, waarmee uw haters ons beladen. Waarmede zij den gang van uw Gezalfde smaden. Gij immers wilt of zult nooit onze hoop beschamen. Den heer zij eeuwig lof, en elk zegg'; Amen, Amen!
i) e n e g e x t i g s t e v s a l m.
Gij zijt, o heer, van d* al - lervroegste ja-
If i-U'i j :N^I- .|. '1
ren Voor ons ge-weest een toe-vlucht in ge-
va - ren. Eer berg en rots uit niet ge-bo - ren wa - ren, Eerd'aar-de rustt' op
lquot;^P~^ iâ I -1[^-
ha - re grond-pi - la - ren, Van eeu-wig-
-JpâJ 11 ^=^-1^1^,- j 5^1â1 ^ | -
lieid, o God, die eeu-wig leeft, Zijt Gij de
God,
165
I» S A L M 90.
Golt;l. ilie eind nocli oor - sprong heeft.
2. Uw oppermacht, die wij ootmoedig eeren.
Kan door één wenk den inensch zijn broosheid leeien; Uw wenk alleen, al schijnt ons niets te deren. Verbrijzelt ons, doet ons tot aarde koeren;
Want in uw oog zijn duizend Jaren, heer. Een enkle dag, een nachtwaak, en niets meer.
3. Gij overstroomt het menschdom; zijn vermogen Is, als een slaap, een ijdle droom, vervlogen;
Zij zijn als 't gras, dat 's morgens, overtogen
Met frisschen dauw, in bloei staat voor elks oogen. Maar 's avonds, als het afgesneden wordt,
Ãp 't open veld in weinig tijds verdort.
4. Door uwen toorn vergaat ons kwijnend leven;
Uw gramschap doet ons hart van doodschrik beven. O God. als Gij. in majesteit verheven.
Het onrecht, dat w* in 't openbaar bedreven. Kn 't kwaad, door ons in *t heimelijk verricht, in 't licht stelt voor uw glansrijk aangezicht.
p A u z E.
5. Wanneer uw toorn en gramschap ons bezwaren. Dan wenden, dan verdwijnen onze Jaren:
Wij zien hen, als gedachten, henen varen.
Of blijft uw gunst ons in het leven sparen. Dan klimmen wij ten hoogste tot den top Van zeventig of tachtig Jaren op.
6. Helaas, het best van onze beste dagen
Haart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen. Daar zorg, verdriet en jammerlijke plagen Steeds, beurt om beurt, de matte ziel doorknagen. De levensdraad wordt schielijk afgesneên; Wij schenen sterk, en ach, wij vliegen heen.
7. Wie kent uw toorn, wie zijn geduchte krachten V Wie vreest dien recht, geduchtste Macht der machten V Leer ons den tijd «les levens kostlijk achten.
Opdat ons hart «Ie wijsheid moog' betrachten.
Keer weder, heer; uw gunst koom' ons te sta; Hoe lang ontzegt G' uw knechten uw ge na ?
8. üw gunst sterkt meer dan d' uitgezochtste spijzen. Laat, met het licht, haar licht voor ons verrijzen; Zoo zal ons hart op liefelijke wijzen
Uw goedheid al ons oovrig leven prijzen.
Verblijd ons naar de maat van onzen druk,
En naar den tijd van al ons ongeluk.
9. Laat
166
PSALM 90, 91.
9. Laat uw gcna ons met haar troost verrijken, En laat uw werk aan uwe knediten blijken. Uw heerlijklieid niet van hun kindren wijken. Uw liefd'. uw macht behoed' ons voor bezwijken. Sterk onze hand. en zegen onze vlijt;
Bekroon ons werk, èn nu, rn t' allen tijd'.
1» E E E N E X N E (. E X TIGS T E 1' S A I. M.
inâj--
Hij, lt;li«; op Gods be-scher-ming wacht. Wordt
11
door den hoog-sten Ko---ning Be - vei - ligd
in den duis-tren nacht, I5e-scha-duwd in Gods
wo - â - ning; Dies noem ik God, zoo goed
3
als groot Voor hen, die op Hem bou-wen,
Mijn burg, mijn toevlucht in den nood. Den God van
$
mijn be-trou-wen.
2. Hij zal uit 's vogelvangers net
U veilig doen ontkomen.
Hij is het, die uw leven redt:
Gij hebt geen pest te schromen. Hij zal in lijfs- en zielsgevaar U met zijn vleuglen dekken;
Zijn waarheid u ten beukelaar En ter rondas verstrekken.
3. De schrik des nachts doet u niet vliên,
Waarvoor de boozen beven;
Geen pijlen hoeft gij 's daags t' ontzien,
Die
PSALM 91.
Die liévig om u /.weven;
De pest, niet welk een snellen spoed
Zij moos' in 't duistre waren,
\ocii 't streng venlerf, dat 's middags woedt, /.al uwe ziel vervaren.
4. Gij zult aan d' een en d' andre hand Tienduizenden zien vallen.
Terwijl gij, in genisten stand.
Bewaakt blijft boven allen.
Het dreigend leed vliegt u voorbij;
Alleenlijk zien uw oogen,
Hoe scliriklijk 't loon der boozen zij.
Die d' Almaclit niet verlioogen.
i' A U 7. E.'
5 ik steun op God, mijn toeverlaat;
Dies beb ik niets te vreezen.
Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad.
Uw tent zal veilig wezen.
Hij /.al zijn Engelen gebièn,
'Dat /.' u op weg bevrijden;
Gij zult ben in gevaren zien Voor uw beboudnis strijden.
li. Zü zullen n, Gods gunstgenoot.
Naar 's Hoogsten welbeliagen,
Opdat gij aan geen steen u stoot.
Op hunne handen dragen.
Gij zult op Jonge leeuwen treftn.
Op giftig' adders stappen.
En. door gevaar nocb vrees bestreen. Den leeuw en draak vertrappen.
7 Dewijl zijn ziel Mij teer bemint
(Dus laat God zelf zich hooien),
â Heb Ik voor hem, als voor mijn vrind,
-Een heilrijk lot beschoren.
.Omdat hij mijnen naam erkent,
.Zal hem mijn gunst verzeilen;
.Ik zal hem redden uit d' ellend .
En op een hoogte stellen.
8 .1111 zal, in alle ramp en pijn.
Tot Mij om uitkomst zuchten,
⢠En Ik gestadig bij hem zijn
.In al /.ijn ongenucbten.
.'t Gevaar /.al Ik hem doen ontvlien,
.Zijn levensdagen rekken;
.'k Zal hem mijn eer en beil doen zien. .En nooit món hulp onttrekken.
psalm 92.
169
i
30
m
i
1) e twee ex negentigste psalm.
üi
Laat ons den rust-dag wij- den Met psalmen
i
tot Gods eer. 't Is goed, o Op - per-lieer,
Dat w' ons in ü ver - blij - den, 't Zij
Ã
d'uch-tendstond, vol zoet - held, Ons stelt uw
se
gunst in 'tliclit, 't Zij ons de nacht be - richt
m
Van u - we trouw en goed-heid.
2. 't Voegt ons, met blijde klanken.
Door 't voorbedachte lied. Hem, die liet ai gebiedt,
Op liarp en luit te danken. Gij hebt door uw vermogen, 0 heer, mijn hart verheugd; Ik zal, verrukt van vreugd, Uw groote daèn verhoogen.
3. Hoe groot zijn, heer, uw werken!
Hoe ver gaat uw beleid!
Gij stelt met mogendheid Elk deel zijn Juiste perken. Een ziel, aan 't stof gekluisterd. Beseft uw daden niet;
Geen dwaas weet, wat hij ziet; Zijn oordeel is verduisterd.
4. Dat vrij, als groene telgen,
De bóoze welig groei',â
Gij zult, in zijnen bloei.
Voor eeuwiff hem verdelgen.
Squot;
Niets stelt ü immer palen ;
Gij
PSALM 92, 93.
Gij zijt de hoogst' in niaclit; Gij zijt de heer; uw kracht Zal eeuwig zegepralen.
PAUZE.
5. Wie U durft wederstreven. Wie onrecht durft begaan.
Zult Gij, o God, weerstaan, Verstrooien en doen sneven. Gij zult mijn eer vergrooten, Mij sterken in mijn stand; Ik ben door uwe hand Met olie overgoten.
(i. Mijn oog zal hen aanschouwen, ï)ie listig al mijn paèn In 't heimlijk gadeslaan, Mij telkens onrust brouwen. Ook zal mijn oor eens hooren, Dat Gij de boozen straft. Dat Gij mij wraak verschaft Van hen, die mij verstoren.
7. 't Rechtvaardig volk zal bloeien. Gelijk op Libanon,
Bij 't koestren van de zon. De palm en ceder groeien.
Zij, die in 't huis des heeren, In 't voorhof zijn geplant.
Zien door des Hoogsten hand Hun wasdom steeds vermeèren.
lt;S. In hunne grijze dagen
170
Blijft hunne vreugd gewis. Zij zullen, groen en frisch, Gewenschte vruchten dragen, Om met verheugde monden Te roemen 't recht mijns Gods. In Hem, mijn vaste róts, Is 't onrecht nooit gevonden.
t) e drie en X e g e X t i g S t e p S A i. m.
m
-v-
De hef.h re-geert; (l« hoogste ma-jes-teit.
üü
Be-kleed met sterkt', omgonl met lieer-lijk-lieid,
Be-
PSALM 93, 94.
l4 ^ 7E1-I
Be - ves-tigtd'aard'.enhoudtdoorzij - ne liand
Dat schoon ge-bouw on - wan-kei-baar in stand.
2. Gij hebt uw troon van eeuwigheid gegrond. â¢De waatren, HEER, verheffen zich in 't rond;
Rivier en meer verheffen hun geruisch; Het siddert al op 't woedend stroomgedruisch.
3. Maar, HEER, Gij xijt veel sterker dan 't geweld Der waatren, die uw almacht palen stelt;
De groote zee zwijgt op uw wenk en wil,
Hoe iel zij bruis', hoe fel zij woede, stil.
4. Uw macht is groot; uw trouw zal nooit vergaan: Al wat Gij ooit beloofd hebt zal bestaan.
De heiligheid is voor uw huis, o HEER,
171
Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.
ï
1) E V I E R E X X E G E X T I G S T E 1' S A L M.
t-2=z -
Ver-schijn nu blin-kend. God der wra -ke;
EÃ
Dat eens uw arm voor ons ont - wa - ke; Ver-
toon uw glans-rijk aan -ge-zicht. Gij Rech-ter.
i]
die de we - reld richt. Sta op, ver-hef U,
m
en ver - geld Hoo - vaar - ili - gen luui
m
trotscli ge- weid.
2. Hoe
PSALM 94.
Hoe lang, HEER, zullen tlan ilc hooten, Hoi! langen tijd de güddelüüzen Nog jiupplen, vol van dartle vreugd, En laster liraken op de deugd.
En spreken, als in zegepraal.
Baldadig d'allerhardste taal'.'
't Verbrijzeld volk, o eieeu, moet bukken, üaar zij uw erfdeel wreed verdrukken. De zwakke weèuw, van hulp ontbloot. Wordt met den vreemdeling gedood.
Zelfs wordt d' onnoozle wees vermoord; Naar recht noch reden wordt gehoord.
. Zij zeggen, stout op hun vermogen: £)e HEER slaat op ons doen geen oogen; üe God van Jakob merkt liet niet.quot; l et, onvernuftigen, en ziet.
Blijft g' eeuwig van verstand beroofd. Gij dwazen, die het licht verdooft?
. Zou dan de Schepper, die onz' ooren Geplant heeft, zelf niet kunnen hoorenV Zou Hij, die 't oog formeert, niet zien V Zoudt gij des Uechters wraak ontvlièn, Die volken straft, en wijsheid leert Den mcnsch, die wetenschap ontbeert i
1' A u z E.
(5. Neen, dwaas, de HEEll weet uw gedachten. Dat /.' ijdel zijn bestuur verachten.
Welzalig is de man, o iieeu.
Die door uw tucht en hemelleer Het nut der onderdrukking weet, En voordeel trekt zelfs uit het leed.
7. Zoo leert hij zich geduldig dragen:
Zoo ziet hij 't eind der kwade dagen;
Zoo wordt de roede zelfs gekust. En d' onderwerping geeft hem rust; Totdat de kuil gegraven wordt,
Waarin de zondaar nederstort.
8. De' HEEll zal in dit moeilijk leven Zijn volk enterfdeel nooit begeven.
'Het oordeel keert, vol majesteit.
Haast weder tot gerechtigheid. 41 wie oprecht is van gemoed.
Die merkt het op, en keurt het goed.
y. Wie helpt mij tegen al die boozenï Wie wederstaat die goddeloozenV Zoo mij de heer, mijn schild en loon. Geen sterken bijstand had geboön,
P S A L M 94, '.15.
Dan waar' mijn leven liaast verkort, En ik bijna in 't graf gestort.
10. Wanneer ik zei: -Mijn voeten glijilen,quot; Toen hebt Ge mij gesterkt in 't lijden.
Wanneer mij 't afgepeinsile hart Door al mijn denken werd verward,
Kn ik in druk schier was gestikt.
Toen heeft uw troost mijn ziel verkwikt.
11. /ou ooit de stoel der schaadlijkheden Bij uwen troon een plaats bekleeden.
Die moeit' en wetten hoos verdicht? Zij rotten saam, en, wars van 't licht, Vèrdrukken zij liet vroom gemoed. Ja doemen zelfs 't onschuldig bloed.
12. De HEEH, mijn Hondgod, was voordezen Mijn hoog vertrek in al mijn vreezen.
Mijn steenrots en mijn toeverlaat. Hij straft de boozen, wreekt hun kwaad, En loont hun boosheid met den val. 't Is God, die hen verdelgen zal.
|
DE V LI F EN NEGENTIGSTE PSAL |
M. | ||||
|
jfcm- I^i |
-t |
âh |
âH-[- |
ÃTp | |
|
1 - 1 -1--- |
--1 | ||||
Komt, laat ons sa - men Is - reis HEER, Den rots-steen van ons heil, met eer, Met god-ge-wij - den zang ont - moe - ten; Laat ons zijn gunstrijk aan - ge - zicht. Met een ver -he -ven
t o IH ^-1' «Ti ,â I«
lof-ge-dicht En blij-de psal-men, juichend groe - ten.
2. De
I' S A L M 95, lt;10.
2. De HEER is groot, een lieerlijk God, Een Koning, ilie liet /.aligst lot.
Ver boven alle goön, kan sclieiikcn.
liet diepst van 's aardrijks ingewand,
liet lioogst gcliergt' is in zijn hand;
't Is al gehoorzaam op zijn wenken.
3. Zijn' is de zee; z' is door zijn kracht Met al liet droge voortgebracht;
't Moet alles naar zijn wetten hooren.
Komt, buigen w' ons dan biddend neer; Komt, laat uns knielen voor den iieeii. Die ons gemaakt heeft en verkoren.
â 1. Want Hij is onze God, en wij
Zijn 't volk van zijne heerschappij, De schapen, die zijn hand wil weiden.
Zoo gij zijn stem dan heden hoort,
Gelooft zijn heil- en troostrijk woord; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
5. Verhardt u niet; neemt zijn genii Ootmoedig aan. .Laat Meriba,
â Laat Massa u ten afschrik wezen,
⢠Waar 'k door uw vaders ben verzocht, â¢Toen alles, wat mijn almacht wrocht,
⢠Hen niet bewoog om Mij te vreezen.
(i. 'k Heb aan dit volk, dat Mij vergat. Een langen tijd verdriet gehad,
⢠Ja veertig jaar hun hoon verdragen,
⢠En zei; «Dit volk, dat steeds Mij sart, â â¢Heeft een verdwaasd en dwalend hart; 't Schept in mijn wegen geen behagen.quot; quot;
7. .Dies heb Ik, door hun tergend kwaad
⢠Op 't hoogst vergramd, dit volk versmaad. En met een duren eed gezworen,
⢠Dat, wegens zijn geschonden trouw. Het nooit mijn rust genieten zou.
Die voor mijn volk nog blijft beschoren.quot;
DE ZES EN NEGENTIGSTE P S A I- .11.
Zingt, zingt een nieuw gc-/.ang den HEE-ltE;
t^âl^ 1^ â Zing,aar - de, zing Uien God ter ee - re; Looft
's HEE-
171
|
P S A Ti M 96. 175 | ||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||
|
roem ver- meê - re. | ||||||||||||||||||||||||||||
2. Nu moet uw tong lt;le heidnen nooden.
Meldt allen volken zijn geboden;
Vertelt zijn wondren en zijn eer.
Groot en prijswaardig is de HEER,
En vreeslijk boven al de goden.
3. Al d' afgoón zijn slechts ijdellieden,
Maar God, die van ons wordt beleden,
Is 't, die de heemlen heeft gesticht;
En voor zijn godlijk aangezicht Zet eer met majesteit haar treden.
4. Hoe blinkt het alles door vertooning Van sterkt' en sieraad in zijn woning!
Geef dan, o allerlei geslacht.
Den roem van heerlijkheid en kracht Aan Is reis grooten God en Koning.
p A u z E.
5. Geeft d' eer aan 't eeuwig Opperwezen:
Zijn naam wordt nooit genoeg geprezen.
Verheft zijn deugden blij te moê;
Brengt in zijn huis Hem offer toe.
Hem, dien de volken moeten vreezen.
(gt;. Aanbidt Hem needrig al uw leven,
Hem, die, in 't heiligdom verheven.
Een godlijk licht van zich verspreidt.
Leer, aarde, voor zijn majesteit.
Leer voor zijn aangezichte beven.
7. Zegt, om de heidnen te verlichten:
De HEER regeert, die d' aard' wou stichten.
Dies zij, bevestigd t' allen stond.
Nooit wanklen zal op haren grond;
Hij zal naar 't recht de volken richten.
8. Dat zich de hemelen verblijden;
Verheugd zij d' aard' aan alle zijden,
Verheugd de volheid van de zee;
Het veld spring' op met al het vee.
En 't woud moet Juichend God belijden.
9. 't Juich'
p s a l si 06, 97.
176
9. 't Juich' al voor 't aangezicht des iieeiiex: Hij komt, lt;lic d' aarde /.al regeeren En richten ïoI van majesteit.
De wereld 7.al gerechtigheid. Het mensclidom /.ijne waarheid eeren.
i
de zeven en negentigste 1' s a l m.
Godheerschtal.» Op - per-heer: Dat elk Hem
A - . | = -|
juichend eer'! Gij, aar - de, zee en ei-
i^ü
laiilt;i, Verheugt u in uw Hei-land. Hem
^ .1
dekt met ma -jes-teit Der wol-ken don-ker-
Ijl-iwi
heid; Hij ves-tigt zij-nen troon Up
heil-ge rijks - ge - hoon. Vol recht en wijs
â J-
he - leid.
2. Een vuurgloed gaat Hem voor. Den ganschen hemel door.
En blaakt aan alle zijden Hen, die zijn macht bestrijden. Zijn felle hlikseirschleht Snelt door al 't zwerk, verlicht Den ganschen wereldkloot; Het aardrijk ziet zijn nood. En ijst, en beeft, en zwicht.
3. 't Gebergte smelt als was, En wordt geheel tot asch
Voor 't aangezicht des heeren,
*
i
W ien
PSALM 97, 98.
Wicn al wat leeft moet eeren. 't Verbaasde liemeliund Meldt in dien naren stoml Zijn billijkheid en maclit; De volken zien zijn kracbt Op 's aardrijks ruimen grond.
p A U z e.
4. Dat ieder schaannood zij. Die onbeschroomd en vrij
Een beeld durft eer bewijzen. En nietig' afgoön prijzen. Den waren God ten hoon.
Knielt voor Hem, al gij goón; Zwicht voor den Opperheer; Buigt u met ootmoed neer Voor zijn geduchten troon.
5. Gansch Sion was verheugd.
En juicht', o heeh, van vreugd. Met .luda's dochtrenscharen. Wanneer 't dé blijde maren Uws oordeels had gehoord;
Want Gij heersclit ongestoord. En toont uw macht alom. Ver boven 't godendom, 't M elk siddert voor uw woord. ü. beminnaars ^an den heer, Verbreiders van zijn eer.
Hoopt steeds op zijn genade. Eu haat altoos het kwade.
Hij, die in tegenspoed Zyn gnnstgenooten hoedt, Verleent hun onderstand, Eu redt z' uit 's boozen hand. Die op hun onschuld woedt. 7. Gods vriendlijk aangezicht Heeft vroolijkheid en licht Voor all' oprechte harten Ten troost verspreid in smarten. Juicht, vromen, om uw lot; Verblijdt u steeds in God; Roemt, roemt zijn heiligheid: Zoo word' zijn lof verbreid Voor al dit heilgenot.
177
|
DE ACH |
T EN N |
E 0 E N ï I â1quot;~ M |
G S T E 1 |
S A I F=Ã |
M. | |
|
Zingt, |
zingt een |
nieuw ge- |
p _ J N |
HEE |
-RE, |
31 en |
p s a i. m 98.
178
i
Zijn
â(Jâ âJ-
üicn groo-teii God, die won-dren deed: Zijn
recli-ter - hand, vol sterkt' en
i
=r=
hei - lig' arm wrocht l.eil na leed. üat heil heelt
m
God nu doen ver-kon-den; Nu heeft Hij
zijn ge- recti - tig- lieid. Zoo vlek - ke-loos en
on - ge- selion - den, Voor't hei-den-dom ten
i
toon ge-spreid.
2. Hij'heeft gedacht aan zijn genade.
Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt; Dit slaan al 's aardrijks einden gade. Nu onze God zijn heil ons schenkt.
Juich dan den HEER' met blijde galmen. Gij gansche wereld, juich van vreugd; Zing vroolijk in verheven psalmen
Het heil, dat d' aard in 't rond verheugt.
H. Doe hij uw harp de psalmen iiooren; Uw juichstem geev' den heere dank; Laat klinken door uw tempelkoren
Trompetten en bazuingeklank.
Dat 's Heeren luns van vreugde druische
Voor Isrels grooten Opperheer!
De zee met hare volheid bruise;
De gansche wereld geev' Hem eer.
4. l aat al de stroomen vroolijk zingen. De handen klappen naar omhoog, 't Gebergte vol van vreugde springen. En hupplen voor des heeren oog.
Hij
p s a l m 98, 99.
Hij komt, Hij komt om d* aard' te ricliten,
De wereld in gerechtigheid;
Al 't volk, daar 't wreed geweld moet zwichten, Wordt in rechtmatigheid geleid.
ei
i) e negen en n e g e n t 1 g s t e 1' s a l m.
God, de heer, re - geert. Beeft, gij ïol-ken;
eert, Eert zijn hoog be - stel, die bij Is - ra-
fee;
mm
81 Tus-schen Che -rubs woont, Eu zijn grootlieid
toont. Dat zich d* aard'be - we - ge! Hij is
Is - reis ze - ge.
2. God, die helpt in nood, Is in Sion groot;
Aller volken macht Niets bij Hem geacht.
Buigt u dan in *t stolquot;, En verheit met lol'
't Heilig Opperwezen;
Wilt het een wig vreezen.
3. Looit met hart en stem. Looft de kracht van Hem. Die het recht bemint
In zijn rijksbewind.
't Recht hebt Gij gestaafd: 'tGeen G'aan Jacob gaaft, Toond' aan Lsrels leden Recht en billijkheden.
1. Roemt nu onzen God; Knielt, op zijn gebod.
179
Voor zijn voetbank neer. Heilig is de heer üp zijn hoogen troon:
Am-
PSALM 99, 100.
Amrams groote zoon En zijn broeder waren Bij zijn priesterscharen.
p a U z e.
5. Ook was Samuël,
Op Gods hoog bevel,
Biddend voor zijn volk, Als een hemeltoik;
Hij en anuren meer Kiepen tot den heek. Die met gunstig' ooren Hun geroep wou hooren.
6. Uit zijn heiligdom,
In een wolk kolom.
Heelt Hij zijne wet Bij hen ingezet,
Die, door 's hekken kracht, Van hen werd volbracht, 't Nakroost der Hebreeuwen Volge dit all* eeuwen.
7. fiij, met hen begaan,
Hebt hun wensch voldaan: heer, die naar uw woord Hun gebed verhoort.
Gij, Ãij waart hun lot. Hun vergevend God,
Schoon z' ook om hun zonden Straffen ondervonden.
8. Geelt dan eeuwig' eer Onzen God en heek;
Klimt op Sion; toont Eerbied, daar Hij woont. Daar zijn heiligheid Haren glans verspreidt.
Heilig toch en t' eeren Is de heer der heeren.
180
| ||||||||||||
|
God met blijd-schap;geeft Hem eer; Komt, nadert | ||||||||||||
p S A l m 100, 101.
|
181 | |||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||
|
lijk lol'- ge-dicht. | |||||||||||||||||||||
2. De heek is God: erkent, dat Hij Ons heeft gemaakt (en geenszins wij)
Tot schapen, die Hij voedt en weidt. Een volk, tot zijnen dienst bereid.
3. Gaat tot zijn poorten in met lof,
Met lofzang in zijn heilig hof;
Looft Hem aldaar met hart en stem;
Prijst zijnen naam; verheerlijkt Hem.
4. Want goedertieren is de heer;
Zijn goedheid eindigt nimmermeer;
Zijn trouw en waarheid houdt haar kracht. Tot in het laatste nageslacht.
D e h O X 1» E U 1) E E II S ï E I» S A l M.
3:
'k Zal van de deugd der mil - de goed-heid zin-
^ TT-i:
Iplgjlilgllâllpipl
â gc».
Van 't hei - lig recht der stren-ge rechts-ge-
4=
lt;lin - gen : Een psalm-ge- zang, 0 hoog -ge-
m
duch - te heer, Uw' naam ter eer.
2. 'k Zal met verstand den weg betreen der vromen. Wanneer zult Gij, mijn Bondgod, tot mij komen?
Ik zal doen zien in al mijn huisbeleid D' oprechtigheid.
3.'k Zal met vermaak naar 't kwaad niet overhellen, Geen godloos stuk mij zelv' voor oogen stellen;
Ik haat het doen der schendren uwer wet, En schuw die smet.
4. 't Ver-
I» S A L M 101, 102.
4. 't Verkeerde hart, in wien 't mij ook moog' blijken, Zal uit mijn huis en van mijn omgang wijken ;
Mijn gunst zal hen, die booze wegen gaan.
Nooit gadeslaan.
5. 'k Zal over hem, die achterklapt, mij belgen; Den lasteraar zijns vriends zal ik verdelgen ;
Die, trotsch van hart, met nijdig' oogen ziet. Verdraag ik niet.
(i. Ik sla, op die getrouw in 't land zijn, d* oogen; Ik zal in eer hen aan mijn zij verhoogen.
En doen hem, die in 't spoor der deugd zal treèn, Mijn dienst bekleen.
7. Maar elk, die snood, door listige bedrijven.
Zijn voordeel zoekt, zal in mijn huis niet blijven; Geen leugenaar, die waarheid stout verbant, Houdt bij mij stand.
8. Ik zal mijn wraak godloozen ieder' morgen Gevoelen doen, en 't recht zijn klem bezorgen.
Om in de stad des ilEEREN niet te voèn.
Die 't kwade doen.
i
J) E II O I) E R D T W EED E 1» S A L M.
Ã
Hoor, o HEER, verhoor mijn smee-ken; Laat
^0=
m'uw bij-stand niet ont - bre-ken; Ai, ver-
acht mijn tra -neii niet. Daar Gij al mijn ang-sten
hJâ
ziet. Als ik in be-nauwde da -gen
lquot;l J I
IJ, mijn God, mijn leal moet kla-geu, Wil
da» spoe-tlig ü ont - 1'er - men, Wil
ni(j
182
P S A I, M 102
mij door uw macht be - seller - men.
2. Want mijn leeftijd is, door weenen.
Als een ijdle rook verdwenen;
Mijn gebeent', in droeven stand,
Als een haardsteê uitgebrand.
Mijne ziel, door rouw bezweken.
Kwijnt als 't gras in dorre streken;
'k Heb in mijn ellend' vergeten Mijn gewone spijzen t' eten.
3. 'k Voel de krachten mij begeven, 't Vleesch aan mijn gebeente kleven,
Wegens mijn benauwde klacht.
Die ik uitstort dag en nacht.
Ik gelijk, in t eenzaam kwijnen,
Aan den roerdomp der woestijnen.
Aan den steenuil in de wouden,
Daar geen menschen zich onthouden.
4. 'k Slijt den nacht in eenzaam waken, Als een muschj' op stille daken,
Daar mijn wreevle vijand raast.
En door hoon mijn ziel verbaast.
Zij, die mijn bederf betrachten.
Mij den ganschen dag verachten,
Mij in 't openbaar onteeren.
Durven roekloos bij mij zweren.
EERSTE PA U Z E.
5. D'asch verstrekt mijn kwijnend harte Thans tot brood in zooveel smarte,
Daar ik mijnen drank vermeng Met de tranen, die ik pleng.
Heer, uw gunst had mij verheven;
Maar nu mij uw toorn doet beven,
Zie ik mij van glans ontblooten.
Mij in 't stof terneergestooten.
(gt;. 'k Zie in rouw en ongenuchten Al mijn dagen mij ontvluchten.
Als een schaduw, die verdwijnt; Ik verdor als 't gras, dat kwijnt.
Maar Gij, heer, zult eeuwig blijven; Eeuwig zal uw roem beklijven ;
En uw naam blijft in gedachten Tot de laatste nageslachten.
7. Gij zult opstaan, ons beschermen.
Over Sion ü ontfermen;
Want de tijd, uw stad voorspeld. Aan haar leed ten perk gesteld.
183
P s a l m 102.
Die zoo langgewenschte dagen Van uw gunstrijk welbehagen Zijn, o God, in 'teind geboren;
Gij, Gij zult haar klacht verhooren.
8. Keeds verlangen uwe knechten Hare steenen op te rechten;
Kik heel't deernis met haar gruis;
Kik toont ijver voor Gods huis.
Albestierend Opperwezen,
Dan zal 't heidendom ü vreezen;
Al de vorsten, neergebogen.
Doen dan huid' aan uw vermogen.
9. Als, voor 't oog der nageburen,
Gods ontferming Sions muren
Weer zal hebben opgebouwd.
En 't zijn heerlijkheid aanschouwt;
Als zijn goedheid op de klachten Des verdrukten en verachten Letten zal, en 't onheil weren,
Dan zal elk Hem juichend eeren.
t w e e i) e p a ü z e,
JO. Dan, dan wordt Gods trouw verheven,
En zijn dierbre gunst beschreven Voor het dankbaar nageslacht.
Dat met lust zijn wet betracht.
't Volk, in later eeuw geboren,
Zal zijn macht en goedheid hooien.
Zich in zijnen roem verblijden.
Hem zijn lofgezangen wijden.
11. 't Zal met blij gejuich Hem loven.
Die, uit zijn paleis van boven,
Isrels leed en ongeval Eens in gunst beschouwen zal,
En gevangnen in hun zuchten Hooien, als zij tot Hem vluchten,
Om hen uit de wreede kaken Van den dood eens los te maken.
12. Dus zij 's heer en naam geprezen.
En in Sion eer bewezen;
Dus hoor' elk de vreugdestem In het blij Jerusalem,
Als de volken saam vergèren,
Zich met 's heeren erfvolk paren,
Als de koningen zich buigen.
En Hem hun ontzag betuigen.
derde pauze.
13. Ach, de HEER heeft mij doen bukken Voor 't gewicht der ongelukken,
Ja mijn levenstijd verkort.
Mij met rampen overstort.
'k Kiep
184
PSALM 102, 103.
'k Riep; o God, mijn welbehagen,
Spaar m' in 't midden van mijn dagen; Gij, door eeuw nog tijd te krenken, Kunt mij hulp en uitkomst schenken.
14. 't Aardrijk en de hemelbogen Zijn gewrocht door uw vermogen;
Allen zijn z', in hun verband, 't Kunststuk van uw wijze hand. Doch, hoe duurzaam zij ook schijnen. Eens zal al hun glans verdwijnen;
Maar, schoon 't alles om zal keeren. Gij blijft staand', o heek der heeren.
15. Als een kleed zal 't al verouden;
Niets kan hier zijn stand behouden;
Wat uit stof is, neemt een end Door den tijd, die alles schendt.
Maar Gij hebt, o Opperwezen,
Nooit verandering te vreezen;
Gij, die d' eeuwen acht als uren.
Zult all' eeuwigheid verduren.
10. Uwer knechten trouwe zonen Zullen altoos bij U wonen.
Ja, bevestigd in hun staat.
Voor uw aanschijn, met hun zaad, Uwen naam ter eere leven;
Zij, van smart en smaad ontheven, Blijven aan uw dienst geheiligd.
Daar uw goedheid hen beveiligt.
i) e ii o n ij e r i) derde 1» s a l 51.
Loof, loof den meer, mijn ziel, met al - Ie krach-
iöS
|
ten; Ver-lief zyn naam, zoo groot, zoo hei-lig | ||||||||||||||||
| ||||||||||||||||
|
t' acli - ten. Och, of nu al, wat in mij |
I J I Jquot;
is, Hempreez'! Loof, loof, mijn ziel den Hoorder
der ge - be - den; Ver-geet nooit één van
zijn
185
186 PSA L M 103.
/.ijii wcl -da-dig - lie - den; Ver-geet i.e
niet:'t is God, die z' u lie- wees.
2. I.ooi' Hem, die u, al wat gij liebt misdreven, Hoeveel liet zij, genadig wil vergeven.
Uw kranklieèn ker.t en liefderijk geneest; Die van 't verderf uw leven wil verschoonen. Met goedheid en bannliartiglieèn u kronen;
Die in den nood uw redder is geweest.
3. l.oof Hem, die u vergunt uw zielsveilangcn, Kn 't goede tot verzading doet ontvangen,
Uw .jeugd vernieuwt, gelijk eens arcmls jeugd. De li EK it doet recht, is heilig in zijn richten;
Treft iemand druk. Hij wil den druk verliclitcn. En hart en mond vervullen met zijn vreugd.
4. Hij heeft voorheen aan Mozes zijne wegen. Aan Isrels zaad, tot hun behoud genegen.
Zijn daan getoond, en trouwlijk hen geleid, liarmhartig is de heer en zeer genadig;
Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig; De HEER is groot van goedertierenheid.
5. Hij zal zijn volk niet eindeloos kastijden.
Nóch eeuwiglijk zijn gramschap ons doen lijden :
Hij is liet, die ons zijne vriendschap biedt. Hij handelt nooit met ons naar onze zonden: Hóe zwaar, hoe lang wij ook zyn wetten schonden. Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.
(i. Zoo hoos zijn troon moog' hoven d' aarde wezen. Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen.
De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zoo ver liet west verwijderd is van 't oosten. Zoo ver lieeft Hij, om onze ziel te troosten. Van ons de schuld en zonden weggedaan.
p A u z E.
7. Geen vader sloeg met grooter mededoogen üp teeder kroost ooit zijn ontfermendquot; oogen.
Dan Isrels heer op ieder, die Hem vreest. Hij weet, wat van zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed,'hoe klein wij zijn van krachten, Kn dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.
8. Gelijk het gras is ons kortstondig leven.
Gelijk een bloem, die, op het veld verheven.
Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer:
Wan-
P S A L M 103, 101.
Wanneer de wind /.ich over 't land laat iiooren, Dan knakt iiaar steel, haar schooniicid gaat verloren;
Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.
9. Maar 's eieeuen gunst zal, over die Hein vreezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op 't late nageslacht, Dat zijn verbond niet trouweloos wil schenden. Noch van zijn wet afkeerig d* ooren wenden.
Maar die naar eisch van Gods verbond betracht.
10. De heer heeft zich, als d'allerhoogste Koning, Een troon gevest in zijne hemelwoning;
Zijn koninkrijk heerscht over 't wereldrond. Looit, looft den HEER, gij zijne legermachten, Gij Englen, die Hem dient met heldenkrachten,
En vaardig past op 't woord van zijnen mond.
11. Looit, looft den heer, gij zijne legerscharen.
Wier lust het is op zijnen wenk te staren.
Dat hemel, aard' en zee, en berg en dal,
Hoe ver men ook zijn schepter ziet regeeren. Nu zijnen naam en groote deugden eeren!
En gij, mijn ziel, loof gij Hem bovenal.
j * I
'sszznz^cz.
i
D K II O N 1) E R I) VIERDE P S A L .M.
Waak op, mijn ziel, loofd'Op-per-ma-jes-teit.
^ '1~H
Wat zijt Gij groot! wat spreidt uw heer-lijk-
held, Ge-duch-te God, al luis-ter - rij - ke
J I = I w I â
stra - len! Zij baart ont - zag door al de
he - mei - za - len. Het blin-kend licht be-
dekt ü als een kleed; De he - mei,dienG'als
een
187
|
188 PSALM 104. | ||||||||||
| ||||||||||
|
goil - de - lij - kc; wo-ning. Verbergt Toor d'aard' |
L4^jIJ jljII
uw pracli-tig-ste vlt;rr- too - ning.
2. Gij zoldert in de waatren uwen troon.
De wolken, steeds gereed op uw geboón,
Op 't hoogst vereerd dat zij haar Koning dragen. Verstrekken U als tot een zegewagen.
Gij wandelt op de vleuglen van den wind.
Dien G', als 't heelal, aan uwen dienst verbindt. Een geestenheir maakt Gij uw afgezanten, Een vlammend vuur uw trouwe rijkstrawanten.
3. Uw wonderkracht heeft, in den morgenstond Des vluggen tijds, deez' aarde vast gegrond.
Wat in haar krèits ooit wanklen moog'of wijken. Zij zal, door U gevestigd, nooit bezwijken.
Zij, die ten blijk van uwe macht verstrekt, Was eertijds met den afgrond overdekt Als met een kleed; de hoogte van «ie golven Hield al 't gebergt' in 't grondloos diep bedolven.
4. De Godheid sprak en donderd' in de lucht.
De woeste zee, verschrikt door 't sterk gerucht. Vlood haastig heen naar 't perk, haar aangewezen. Het log gevaart' der bergen, opgerezen.
Vertoonde 't eerst zijn korts onzichtbren top, En hief alom de liere kruinen op.
't Ontelbaar tal van vruchtbre dalen daalde Ter juiste plaats, die Gods bevel bepaalde.
EERSTE P A U Z E.
5. D' ontembre zee houdt stand, waar't God gebiedt; Zij overschrijdt de vaste stranden niet;
Zij ziet haar macht door hooger macht betoomen, En zal deez' aard' nooit weder overstroomen.
Gods goedheid zendt de koele bronnen uit;
Zij wandelen, met ruischend stroomgeluid, De bergen om, en dwalen en verspreien Zich wijd en zijd door beemden en valleien.
6. Het nuttig vee en 't roofziek boschgediert'.
Zelfs d' ezel, die door woeste wouden zwiert.
Die, ongetemd, zich kreunt aan juk noch koorden, Vindt lafenis aan hare frissche boorden.
t Ge -
PSALM 104.
't Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht De vlerken klapt, en opstijgt naar de lucht, 01' uit het looi' zijn schelle stem laat hooien.
Heeft aan haar zoom zijn woningen verkoren.
't Is God, wiens hand den bergen water schenkt, Den drogen grond uit zijnen hemel drenkt, Den regen geeft uit zijne hooge zalen, En vruchtbaarheid doet zweven in de dalen. Dan schiet voor 't vee de teedre grasscheut uit; Tot 's menschen dienst ontluikt dan 't geurig kruid; Dan spruit het brood, nog in den halm besloten. Uit d' aarde voort, door milden dauw begoten.
God geeft den wijn, tot vreugd voor't hart bereid. En d' olie, die een glans op 't aanschijn spreidt. En 't lieflijk brood, dat onze kracht moet voeden; Hij wil ons dus verkwikken en behoeden.
't Is God alleen, die door zijn sterke hand Den Libanon met cederen beplant,
't Geboomte voedt, en kracht schenkt, onder't kweeken. Aan 't lommrig woud, aan schaduwrijke streken.
Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof. En vormt zijn nestj' uit zijn vergaarden roof; De dennen zijn, daar z' opgaan als pilaren,
Het steil verblijf der kleppend' ooievaren; De steenbok springt en klautert, van den top Des heuvels, tot den kruin der bergen op; De hooge rots houdt, in verborgen holen,
Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.
T W E E I) E 1» A ü Z E.
De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan; De wisseling der wisselende maan.
Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden. Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden. Gij, HEER, beschikt door uw geduchte macht De duisternis, en 't wordt op aarde nacht. Wanneer 't gediert' door woud en veld mag dwalen. Om voedsel voor het hongrig nest te halen.
Het donker bosch weergalmt op 't heesch geschreeuw Nan leeuwenwelp en tieren Jongen leeuw, Die, heet op roof, in afgelegen hoeken Al brullend spijs van God, den gever, zoeken;
Maar op de komst van licht en dageraad, üp 't zien der zon in 't luisterrijk gewaad,
Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen.
Daar zij, verzaad, zich voor ons oog verschuilen. Dan wordt de mensch door 't rijzend morgenlicht Gewekt, gewenkt tot arbeid, tot zijn plicht. Hij plant, hij bouwt; men ziet hem zwoegen, draven;
Tot
189
PSALM 104.
Tot 'savomls toe laat hij niet af \an slaven, Hoe schoon, hoe groot, o Oppermajesteit,
Is al uw werk, gevormd met wijs lieleid! Uw wijsheid streelt oplettende gemoedren; Al 't aardrijk is vervuld met uwe goedren.
13. I)' onpeilhre z.ee hergt in haar ruimen schoot
Ken talloos tal van schepslen, klein en groot. Die in haar diept' al weemlend zich vergillen. Het golvend ruim der rusteloo/.e haren
Wordt steeds doorkruist van schepen, wijd en zijd; Daar zwemt en duikt het schubbig heir om strijd: Daar laat Gij zelfs den leviathan spelen.
Den schrik der zee in deze vreugde deelen.
D E li lgt; E i' A U z E.
14. Wat in de lucht, op d' aard', in 't water leeft, 't Wacht al op U. die elk zijn spijze geeft;
't Wacht al op U, die alles kimt behoeden.
Als uwe gunst al 't schepslen heir wil voeden, Rn liefderijk aan hunne nooddruft denkt, Vergaadren zij den voorraad, dien (lij schenkt, Kn «orden, door uw goedheid mild bejegend.
Kik op zijn tijd, in overvloed gezegend.
15. Verbergt G', 0 God. uw glansrijk aangezicht. Dan siddren zij op 't missen van dat licht.
Dat troostrijk licht, waardoor zij 't licht verwerven. Neemt uwe hand hun adem weg, zij sterven. Zij worden stof, gelijk zij zijn geweest.
Bezielt Gij hen door 't zenden van uw Geest, Dan ziet men hen weer leven als te voren; Dan wordt al d' aard' met nieuwen glans herboren. Jl). De heerlijkheid der hoogste Majesteit
Zij hoog geroemd, en duur' in eeuwigheid; Zij blink' alom, en kenn' noch paal noch perken! Dat zich de heer verblijd' in al zijn werken! Het aardrijk schudt, als God in gramschap blaakt; Wanneer zijn hand de hooge bergen raakt.
Slaan zij terstond aan 't sidderen, aan 't rooken. Inwendig door Gods almacht aangestoken. 17. Ik zal, zoolang ik 't levenslicht geniet,
Gods mogendheid verheffen in mijn lied;
Ik zal mijn God met lofgezangen eeren.
Terwijl ik nog op aarde mag verkeeren Mijn aandacht zal op Hem gevestigd staan, Kn met vermaak zijn grootheid gadeslaan.
Ik zal mij in den God mijns heils verblijden, Kn dag op dag aan Hem mijn psalmen wijden. IS. De zondaar zal verdelgd zijn op Gods wenk; De boosheid zal vergaan, eer 't iemand denk. Waak op. mijn ziel; wil uwen Schepper eeren. Geloofd zij God ; men looV den HEER der heeren!
1) E
190
PSALM 105.
DE HOND F, It II V 1.1 FOE PSA L M.
Ita â â 11 11 ^ ' â â i
J\-r~rij jljljM
Aan-biilt zijn naam, en wilt hem ee - ren;
Doet zij - no glo - rie - rij - ko daan Al-
=1:
om ilen vol - ke - ren ver-staan. En spreekt, met
aan-dacliten ont-/.ag. Van zij - ne womiren
«la^ aan lt;iag.
2. Juicht «'Ik om strijd met blijde galmen; Zingt, zingt den Hoogste vreugdepsalmen : Beroemt u in zijn heilgen naam.
Dat die Hem zoeken nu te zaam Hun hart vereenen tot zijn eer,
Eu zich verblijden in deii heer. H. Vraagt naar den heek en zijne sterkte, Naar Hem, die al uw heil bewerkte;
Zoekt dagelijks zijn aangezicht;
Gedenkt aan 't geen Hij heeft verricht, Aan zijn doorluchte wonderdaan, Eu wilt zijn straffen gadeslaan.
4. Gij volk, uit Abraham gesproten. Dat zooveel gunsten hebt genoten,
Gij Jakobs kindren, die de HEER Heeft uitverkoren, meldt zijn eer. De HEER is onze God, die d' aard'
Alom door zijn gericht vervaart.
EERSTE I' A IJ Z E.
191
5. God zal zijn waarheid nimmer krenken, .Maar eeuwig zijn verbond gedenken.
Zijn
PSALM 105.
Zijn woord wordt altoos trouw quot;volbracht 'lót in liet duizendste geslacht.
't Verbond met Abraham, zijn vrind,
Bevestigt Hij van kind tot kind.
tgt;. Ai wat Hij 1 zak heelt gezworen.
Heeft Hij ook aan /.ijii uitverkoren'.
Aan Jakob, tot een wet gesteld.
Van al 't beloofde heil verzeld.
En aan ganscli Isrel toege/.eid Tot zijn verbond in eeuwigheid.
7. Hij sprak: »lk zal de schoonste landen,
.'k Zal Kanan leevren in uw handen,
.'t Welk 't snoer uws erfdeels wezen zal.quot;
Het volk was weinig in getal,
't Verkeerde daar als vreemdeling.
Toen 't zulk een gunstrijk woord ontving.
S. Geleid door 's UEEltEN alvermogen,
Zijn 7.ij -van volk tot volk getogen,
'Van 't één naar 't ander rijksgebied.
Hij duldde hun verdrukking niet.
Maar heeft zelfs vorsten, op dien tocht. Om hunnentwil met straf bezocht.
TWEEDE I' A U Z E.
9. God sprak, en deed den vorsten weten;
⢠Tast mijn gezalfden, mijn profeten «Niet aan door cenig leed of schaiui*.quot;
Hij riep een honger in het land;
Hij brak vergramd den staf des broods.
En 't volk kwam in gevaar des doods.
10. Wie kan Gods wijs beleid doorgronden?
Een man werd voor hen heen gezonden;
De vrome Jozef, rijk in deugd,
'lot slaaf verkocht in zijne jeugd,
In ijzren boeien wreed gekneld.
Werd, hun tot heil, in eer gesteld.
11. Toen hij door 't godlijk alvermogen Beproefd was, toen voor aller oogen
Zijn woord in 't helder daglicht scheen.
Tóen bood de Koning, om zijn reèn Verbaasd, hem straks de vrijheid aan;
Der volken HEER deed hem ontslaan.
12. Hij kreeg van Faral) in handen
't'Bestier van huis en goed en landen;
Dies bond hij vorsten naar zijn lust.
Van zijn verstand en deugd bewust.
Deed gansch Egypte's opperheer Al d' oudsten luistren naar z.\jn leer.
DERDE
192
I» S A L M 105.
I) E K I) E 1' A IJ Z E.
13. Daarna toog: Israël, gedreven
Door nooddrui't, tot behoud van 't leven Naar 't rijk Egypte: Jakob kwam Als vreemdeling in 't land van CUam.
Daar groeid' en bloeide zijn geslacht,
En overtrof zijns vijands macht.
14. De harten der Egyptenaren,
Die eertyds Isrel gunstig waren,
Verkeerden toen in bittren haat:
Des HEEREX volk werd bits versmaad; Men smeedde lagen tot hun val;
Verdrukking trol' hen overal.
15. Maar God zond Mozes, die te voren Door Hem met Aron was verkoren;
Zij beiden voerden Gods besluit Door teekenen en wondren uit.
En toonden in Egypteland De plagen van zijn strenge hand.
16. 'I Werd alles, door zijn groot vermogen, Met duisternissen overtogen.
Niets wederstreefde 't hoog bevel Van God, den God van Israël,
Die beek en bron verkeerd' in bloed,
Den visch deed sterven in dien vloed.
VIERDE I' A U Z E.
17. Ook deed God uit de waterstroomen Een machtig heir van vorschen komen,
Dat doordrong tot in 's Konings hof.
De luizen kwamen voort uit stof.
God sprak, en een ontelbre drom Van ongedierte zweefd' alom.
18. Hij zond, in plaats van vruchtbren regen,
Zijn hagel neer, die allerwegen.
Met een verslindend vuur gepaard.
Den frisschen wijnstok sloeg ter aard'. Den vijgeboom met kruin en tak,
En al het vruchtgeboomte brak.
19. De sprinkhaan en de kever kwamen,
Gelijk een talloos leger, samen.
Verslonden wat het aardrijk gaf.
Toen heeft God, als de zwaarste straf. Al d' eerstelingen hunner kracht. Hun eerstgeboornen omgebracht.
20. God deed zijn volk met wisse treden,
Daar niemand stmikeld' in zijn schreden.
Met
193
9
PSALM 105, 106.
Met zilver en met goud belaan.
Blijmoedig uit Egypte gaan.
Toen juiclit' om hun vertrek al 't land. Daar 't al door sclirik was overmand.
v u F u E 1' A UZ E.
21. God breidd' ecu woll; uit, om zijne scharen I5ij dag te iioeden voor gevaren;
Hij gal' hun, door zijn hoog bestuur. Des nachts ten licht een wondervuur; Zij baden, en hun Opperheer Zond straks een heir van kwak kien neer.
22. Zij werden daaglijks begenadigd;
Met manna, hemelsch brood, verzadigd.
Gods hand bracht in dien dorren oord Rivieren uit een steenrots voort; Hij dacht om 't geen Hij aan zijn knecht. Aan Abraham, had toegezegd.
23. Dus toog 't verkoren volk des HEEREX Al juichend uit op Gods begeeren;
Het land der heidnen van rondom Schonk Hij hun tot een eigendom; Der volken arbeid werd geheel Aan Israël ten erllijk deel.
24. Die gunst heeft God zijn volk bewezen. Opdat het altoos Hem zou vreezen.
Zijn wet betrachten, en voortaan Volstandig op zijn wegen gaan.
Men roem' dan d' Oppermajesteit,
Om zoo veel gunst, in eeuwigheid.
^ r r 1 J JljIjE^lEgd
goed-heid per - ken kent noch pa - len.1^ Maar
wie, lioe lioog-\er-licht hij zij, Wie kan zijn
mogend-
194
PSALM 1(K). 195
ii=i=ES=
mo - geml-heèn vei -lia - len, Zijn lol' vcr-
brci - ilon naar waar- dij ?
Welzalig dk, die 't recht betracht,
Die t' allen tijd' zijn wetten acht, U heek, laat mij naar 't welheliagen,
Uat G' in uw volk steeds heht getoonii, Uok roem op uw bescherming dragen, En met uw zegen zijn bekroond.
Geel' dat mijn oog het goed' aanschouw', 't Melk Gij. uit onbezweken trouw. Uw uitverkoornen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem'. En, deelend' in uws volks genoegen, Mij met uw erfdeel blij beroem'.
E E U S T E 1' A U Z E. Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Ja, wij en onze vaadren tevens,
Verzuimend' alle trouw en plicht. Vergramden God, den God des levens. Die zooveel woudreu had verricht.
Onz' ouders, in Egypteland Beveiligd door zijn sterke hand.
Vergaten al zijn gunstbewijzen;
Zij morden aan de Itoode Zee,
In plaats van 's Hecren gunst te prijzen; Dies dreigde hen een zwaarder wee.
Doch om zijns naams wil, om zijn macht Tc toonen aau dit dwaas geslacht.
Schold Hij de /.ee, dat z' uit moest drogen;
Hij deed beu langs haar gronden gaan. En toond' aan 's vijands heir 't vermogen. Dat hen in nood had bijgestaan.
De waatren keerden in hun kolk.
Daar paard en ruiter, vorst en volk. Tot één toe in den vloed versmoorden.
Toen had gansch Isrel juichensstof;
Toen, toen geloofden aan Gods woorden; Toen zong al 't volk des Hoogsten lof.
ï w e e i) e 1' a ii z e.
Maar zij vergaten 's HEEKEN werk; Zij stelden hunnen God een perk;
Zij
PSALM 106.
Zij wilden i» Hem niet berusten,
Maar iliirl'ilen in de wildernis Zijn macht heproeven door hun lusten,
En 't hunkien naar Egypte's discli.
lt;t. Toen heeft Hij lieu met vleesch gevoed.
Maar zond hun /.iel bij d' overvloed Een magerheid, die /.' uit deed teren.
Zij dorsten Mozes 't hoog bewind,
En Aron 't priesterambt des heeuen Benijden, door hun waan verblind.
10. Maar 't aardrijk opende zijn mond.
Waarmee 't Abirams volk verslond
En Dathans snoode vloekverwanten.
Een vuurgloed stak de tenten aan Van 't godloos rot, aan alle kanten.
En deed het door de vlam vergaan,
11. Zij maakten zich, den iiEEii ten spot.
Een kali' hij Horeh tot een god.
Waarvoor zij zich eerbiedig bogen.
Een os, die gras eet op het veld.
Een beeld (o gruwel in Gods oogen.)
Werd toen aan Hem gelijkgesteld.
i) e n ii e 1' a 11 7. e.
12. Hun hart vergat den Opperheer,
Hun dierhren Heiland, die weleer
Hen redde van d'Egvptenaren;
Die woudreu deed in 't land van Cham,
Zich vreeslijk maakt' in 't ruim der haren.
En Faro 't levenslicht benam.
13. Toen dreigde God hen met den dood;
En nimmer waren in dien nood
Zijn hooggeduchte wraak ontweken,
'Zoo Mozes, zijn verkoren held.
Zich niet bij God, met ernstig smeeken.
Voor hen had in de bres gesteld.
14 Zij hebben 't langgewensebte land Versmaad uit strafbaar onverstand.
En niet geloofd aan 's heeren woorden;
Zij morden daaglijks in hun teut.
Dewijl zij naar zijn stem niet hoorden,
Hoe duidlijk ook aan hen bekend.
15. Dies zwoer d' Almachtige, dat Hij Die snooden in de woestenij Zou nedervellen en verderven.
Ja, dat Hij hen. met al hun zaad.
Zou bij de lieidnen om doen zwerven.
Van elk gevloekt, van elk versmaad.
VIERDE
196
P S A L M 106.
VIER D E l» A ü Z E.
16. Zij hebben zich voor 't vlockaltaar,
Verleid door Moabs dochtrenschaar,
Tot Baal-Peors dienst begeven;
Zij aten 's afgods off'erand',
Doch t kostt' aan duizenden het leven:
Gods wraak ontstak in lellen brand.
17. Toen weerde Pinehas de straf,
Die moedig 't recht voldoening gal'. En 't eerloos bloed langs d' aard' deed stroomen
Die daad, ten zoen voor 't volk volbracht, Deed hem een eeuwig' eer bekomen,
Die stand hield bij zijn nageslacht.
18. Zij tergden, twistend, Gods gena Bij 't wondervvater iMeriba,
Verbitterden den knecht des iieerex.
Flij sprak in onbedachtzaamheid;
Dies moest hij 't vruchtbaar land ontberen. Den ganschen volke toegezeid.
VIJFDE PAUZE.
I'.K Zij spaarden volken, tot Gods hoon,
Die llij bevolen had te doón;
En, aan «Ier heidnen stam verbonden.
Vervielen zij tot afgodsdienst.
En wrochten, door gelijke zonden.
Zich zelv' een strik op 't onvoorzienst.
20. Men zag hen zelfs, door drift verblind. Hun dierbaar kroost, hoe teer bemind,
Den duivelen ten offer brengen;
Men zag hen, trouwloos en verwoed, Op Kanans vloekaltaren plengen Der kinderen onschuldig bloed.
21. Dir onnatuurlijk' olferand'.
Die bloedschuld bracht een smet op 't land. Zij werden onrein door hun daden.
Door hoererij en vuil gedrag;
Zij durfden ïsrels God versmaden.
Maar beelden toonden zij ontzag.
22. Dit alles spoorde God tot wraak.
Zijn volk, zijn erf, zijn hoogst vermaak Werd nu een gruwel in zijn oogen;
Hij gaf hen in der heidnen macht.
Waardoor zij zonder mededoogen In slaafsche keetnen zijn gebracht.
Z E S I) E 1' A U Z E.
23. Hun vijand heeft hen wreed verdrukt; Zij lagen Jammerlijk gebukt;
197
En
P S A L M 106, 107.
Kn seliuüii i!' Algoedlicid, op hun smeckeii,
Hun rampen dikwijls heeft geweerd, Zij /.ijn weer telkens afgeweken.
En door hun zonden uitgeteerd.
24. Nochtans was God niet hen begaan; Hij zag hun angst, hun tranen aan;
Eu hunner hatrren verwoedheid;
Hij dacht aan zijn gestaafd verbond. En had berouw, naar al zijn goedheid, Meedoogendhcid met Isrels wond.
25. Dies hebt o God, hun last verlicht. Zelfs voor huns vijands aangezicht.
Verlos ons ook, als onze vaadren;
Wil ons, nog overal verspreid.
Genadig weer bijeenvergaadren ;
Zoo word' uw naam en roem verbreid.
26. Geloofd zij Isrels groote God!
Zijn gunst schenk' ons dit heilgenot: Zoo zullen wij zijn goedheid danken.
üat al wat leeft Hem eeuwig eerquot;! Al 't volk zegg' Amen op mijn klanken! Juicli, aarde, loof den Opperheer.
D E II O N D E R D Z E V E N DE P S A L M.
i
Looft, looft den HEEK ge-sta-dig; Die Op-per-
EET:
ma - jes - teit Is gunst-rijk, zeer ge - na-
dig, En goed in eeu -wig-hoid. Dit
if J f\' â {
198
zegg' elk, die, ge - red Door Hem vanslaal'sciie
ban-den, In vrij-lieid is ge - /.et Uit
iï i
s weèr -par - tij - ders ban - den:
2. Die
1' S A L M 107.
2. Die Hij Tan ver uit d' oorden
Van 't oost' en 't westen bracht,
En van de zee en 't noorden Geleidde door zijn macht;
Die o|i een aaklig pad,
In woeste wildernissen,
Omzwierven, en een stad Ter woning; moesten missen.
3. Hier raakten zij aan 't kwijnen
Door dorst en hongersnood;
Hun ziel leed duizend pijnen En angsten \an den dood.
Doch toen zij in 't gebed Tot Isrels HEEll zich wendden.
Heeft hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden.
â¢). God bracht, na tegenheden,
Hen weer op 't rechte pad.
En richtte hunne schreden Naar een gewensclite stad.
Laat zulkeu voor den heek Ziju milde gunstbewijzen,
Zijn woudreu. Hem ter eer.
Voor 't gansche meuschdoni prijzen,
5. Dewijl Hij hen verzaadde.
Die dorstten, en met goed Den honger, uit genade.
Vervuld' in overvloed.
Daar z' in die bitterlieên Den dood voor oogen zagen.
Van allen kant bestreên,
Deed God hun heillicht dagen.
E E n S T E I' A ü Z E.
ü. Zij, die gebonden zaten
In schaduw van den dood.
Omdat zij God vergaten.
Vervielen in dien nood.
Toen werd hun wreevlig hart Verneèrd door zwarigheden;
Zij struikelden; hun smart Werd hulpeloos geleden.
7. Doch riepen z' in d' ellenden Den HEEK ootmoedig aan.
Hij deed hun angsten enden.
En hen 't gevaar ontgaan;
Hij hielp hen uit den nood;
Hij bracht hen uit het duister Der schaduw van den dood;
Hij brak hun band en kluister.
S. I.aat
199
P s A 1. M 107,
8. Laat zulten ccr bewijzen
Aan 's IIEEHEN gunst en macht,
En al zijn wondren prijzen Voor 't mensclielijk geslacht.
Hij was 't. voor wien gereed De koopren (leuren weken;
Die ijzren grendien deed In duizend stukken breken.
9. De zotten overtreden.
En krijgen liunne straf; Om d' ongerechtigheden Mat plaae op plaag hen al'.
Zij walgden zelfs van brood;
Geen beste spijzen smaakten.
Terwijl zij vast den dood Met schrik en vrees genaakten.
10. Doch riepen z' in d' ellenden
Den li KEI' ootmoedig aan,
Hij deed huil angsten enden.
'En hen t gevaar ontgaan;
Hij zond zijn krachtig woord;
Hij deed hen bij zich schuilen,
'Bracht hun genezing voort.
En rukte z' uit hun kuilen.
11. l aat zulken eer bewijzen
Aan 's liEeren gunst en macht.
En al zijn wondren prijzen Voor 't mensclielijk geslacht.
't l.ofofTer wordt om strijd Hem juichend opgedragen.
Terwijl zij wijd en zijd Van al zijn werk gewagen.
t \v e e i) e p a tl z e.
12. Zij, die de zee bevaren
'Met schepen, rijk bevracht.
Zien op de groote baren
Gods wijsheid, gunst eu macht;
Daar leeren zij de daan Des heeren klaar bemerken,
En in de diepe paan Zijn groote wonderwerken.
13. Hij wekt, met slechts te spreken.
Een stormwind voor hun oog;
Dan beeft het al. dan steken De golven 't hoofd omhoog.
Nii ziet men 't schip de lucht.
Dan weer den afgrond naadren.
Hun hart geeft zucht op zucht;
Hun bloed verstijft in d' aadren.
14. Zij
200
P S A L »1 107.
14. Zij dansen, wagglon, yailen,
Gelijk een dronken man;
De wijsheid van hen allen,
Hoe groot, bezwijkt er van.
Doch toen zij in 't gebed Tot Isrels heer zicli wendden,
Heelt hen zijn arm gered Uit angsten en ellenden.
15. Hij doet den storm bedaren;
De golven zwijgen stil.
Nu rijst de vreugd; de baren Zijn effen op Gods wil. ' Nu wijkt verslagenheid
Na zooveel angstig slaven.
Daar God hen veilig leidt f In hun begeerde haven.
16. Laat zulken eer bewijzen
Aan 's HEEREN gunst en macht,
En al zijn wond ren prijzen Voor 't menschelijk geslacht,
En, dankbaar, bij 't gemeen God hun verlosser noemen.
En bij 's lands overheen Zijn naam en deugden roemen.
DERDE PAUZE.
17. Nu stelt God waterbeken
Tot har en dorstig land, i Herschept in dorre streken
Rivieren door zijn hand.
Hij stelt een vruchtbaar oord Tot woest' en zoute gronden.
En straft ze naar zijn woord,
Die daar zijn wetten schonden.
18. Dan maakt Hij weer woestijnen
Zeer rijk van vruchtbaar nat,
Daar 't land, dat eerst moest kwijnen. Nu beek bij beek bevat,
En hongerigen voedt.
Die nu de weeld' aanschouwen,
Zoodat zij daar met spoed Een stad ter woning bouwen.
19. Daar ziet men hen dan zaaien;
De wijngaard wordt geplant;
Zij mogen rijklijk maaien De vruchten van het land:
Daar God zijn zegen geeft.
En 't huis vervult met kindren,
En 't vee, dat ieder heeft.
Op 't veld niet doet vermindren.
20. Maar
201
PSALM 107, 10S.
20. Maar wil dit volk niet bukken
Voor God, 't wordt ras verneèrd; t Kaakt t' onder door verdrukken; Het wordt van 't kwaad verteerd: Daar Hij zelfs prinsen slaat, Op wie Hij hoon doet dalen,
En die Hij tot een smaad Doet in hel woeste dwalen.
21. Maar die nu hulploos kermen,
Verdrukt en vol gebrek.
Brengt God, door vrij ontfermen, Haast in een hoog vertrek. De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van ganscher harte;
ü' oprechten zien 't met vreugd. Maar d' ondeugd zwijgt met smarte.
22. Wie wijs is, merk' die dingen.
En geev' verstandig acht Op 's llEEREN handelingen.
Zoo vol van gunst als macht.
202
I» E HONDERD ACHTSTE 1» S A L M.
i
Mijn hart, o He - mei-ma - jes - teit, Is
m
â¢rush
3=
tot uw dienst en lof be - reid; 'k Zal zin-gen
iü
voor den Op - per-heer; 'k Zal psal- men zin - gen
ÃSI
tot zijn eer. Gij, zacli - te harp, gij, schel-le
iü
Ã
ft
|
â1--i~l |
_. |
1 . 1 1. |
1 | |
|
J ^ |
⢠* [ =L |
2. Ik
luit. Waakt op; dat niets uw klan-ken stuit';
lül]
'k Zal in ilen ila - are -raail ont -\va - ken fel
En met ge- zang mijn God ge - na - ken.
1» S a L M 108.
2. Ik zal, o heer, uw wonderdaan,
Uw roem den volken doen verstaan,
Mant uwe goedertierenheid
Is tot de heemlen uitgebreid;
Uw waarheid heelt noch paal noch perk.
Maar streelt tot aan het hoogste zwerk.
Verhef U boven 's hemels kringen,
En leer al d' aard' uw grootheid zingen.
3. Zoo word' uw dierbaar volk in 't end Bevrijd van rampspoed en ellend'.
ü God, verlos ons door uw hand,
Verhoor ons, zend ons onderstand.
Gij hebt tot onze vreugd voorspeld.
En in uw heiligdom gemeld.
Dat Sichem mij zijn Vorst zou heeten.
En ik het dal van Sukkoth meten.
i» A U z E.
4. Gansch Gilead behoort aan mij;
'k Voer in Manasse heerschappij;
Ik zie hen knielen voor mijn kroon;
Daar 't moedig Elraïm mijn troon Door zijn geduchte macht versterkt.
En .1 uda's wijsheid medewerkt.
Om mijnen zetel vast te zetten Door welgeschikt' en schrandre wetten.
5. Gansch Moab buigt zich dienstbaar neer,
Erkent mij voor zijn Opperheer,
Daar 't, van zijn hoogen troon gestort,
Verachtlijk mij ten waschpot wordt.
Ik werp mijn schoen op Edoms grond,
Op Edom, 't welk mijn macht weerstond;
k Juich over u, o Falestyne,
Als ik in zegepraal verschijne.
0. Wie heelt mij zooveel heils bereid?
Wie is 't, die mij in Edom leidt?
Wie voert mij in een vaste stad?
O God, die ons verstooten hadt.
Gij, die met onze legerschaar Ten strijd' niet uittoogt in 't gevaar, 0 God. wiens gramschap ons deed vreezen.
Wiens gunst ons troost, zult Gij 't niet wezen? 7. 0 God, die 's lands benauwdheid ziet,
Ked toch uw volk uit zijn verdriet.
Want 's menschen heil is ijdelheid;
Maar als Gods almacht ons geleidt.
Dan doen w' in Hem de kloekste daan.
Zoodat wij duizenden verslaan.
Want allen, «He ons wederstreven.
Zal Hij vertreden en doen sneven.
P E
203
P S A L .M 109.
D K li O .N à i: R 1» N E (J E X DE P S A L .M.
O God, zoo waar-dig mijn ge - zan - gen,
Zwijg niet, laat mij mim recht er - lan - gen. De
a^£B=
;ji-
boo - ze, die be-drog durft ple - gen, Staat,
wars van deugd, mij bit - ter te - gen; Hij
|
±f-=t |
| |||||||||
val-sche tong ver-raèn.
2. Z* omringden mij met booze woorden, Die mij als priemen 't hart doorboorden; Ik werd op 't allerfelst bestreden.
Verdrukt, mishandeld tegen reden;
'k Heb voor mijn liefde haat behaald; Ik bad, maar 'k werd met vloek betaald.
3. Zij hebben kwaad voor goed vergolden. Voor liefde haat; mijn deugd gescholden, (iij. God der wraak, straf dezen booze;
Stel over hem een goddelooze;
De satan biê hem tegenstand,
Kn sta aan zijne rechterhand.
4. Verklaar hem schuldig in 'tgerichte; Verdrijf hem van uw aangezichte;
Houd zijn gebeden zelfs voor zonden: Hij heeft zich tegen God verbonden.
Verkort zijn dagen; vel hem neer; Een ander neem' zijn ambt en eer.
5. Laat zijne kimieren als weezen.
204
Zijn vrouw als weduw hulploos vreezen;
Laat
1' s A L M 109.
l.aat liiei' en gimls /.ijn kindren zwerven,
Steeds beedlen, en de nouddiut't derven,
Die 't huisgezin, gesmaad, gevloekt.
Uit zijn verwoeste plaatsen zoekt.
(i. Al wat iiij heeft, hoe hij moog' klagen.
Word' om zijn schulden aangeslagen:
Hij zie de vrucht van al zijn sloven Door woeste vreemdelingen rooven;
Dat niemand hein in nood verhllj',
01' zijnen weezen gunstig zij.
e e i! s t e l' .v i! z e.
7. l aat kwaad op kwaad zijn huis omringen;
Koei uit al zijn nakomelingen.
En dat in 't volgende geslachte Elk hun verstorven naam verachte:
Der vaadren misdaad zelfs veisclialT' Den eieeiie reden tot zijn straf.
s. Dat niets uit Gods gedaclitenisse De zonde zijner moeder wissche:
l.aat die, door God hun toegerekend.
Gedurig staan voor Hem geteekend:
Dat God daarover steeds zich helg'.
En hunnen naam van d' aard' verdelg'. 9. Omdat hij, tegen zijn geweten.
Het weldoen trouwloos heeft vergeten.
En den ellendigen en armen Vervolgd, in plaats van zich t' erbarmen.
Ja, den verslagene van geest Is tot een moordenaar geweest.
10. Hij heeft den vloek op zich genomen:
l.aat dan die vloek hem overkomen.
Hij heeft geen lust gehad tot zegen;
Dies word' die nooit van hem verkregen;
Maar dat de vloek hem overdekk'.
En tot een aaklig kleed verstrekk'.
11. l.aat dien, om al zijn handelingen.
Tot in zijn hart als water dringen.
Als olie, rijkelijk geschonken.
En door de heendren ingedronken;
Dat hem die vloek zijn deksel geev'.
En als een gordel aan hem kleev'.
12. Dit loon krijg' elk van's iieerex handen.
Die zoo godloos mij aan durft randen.
En met zijn lastertong mij dooden.
Maar Gij, o heek, o God der goden.
Dat uwe hand mij heil bestelt';
Doe, om uws naams wil, aan mij wel.
tweede
205
PSALM 109, MO.
t weed e V a u z e.
13. Uw gunst is groot; zij is bestendig.
Verlos mij dan: ik ben ellendig, Nooddruftig; 'k voel mijn kracht verbroken. Mijn hart met wond op wond doorstoken; Ik ga gelijk de schaduw heen,
Wanneer de zon snelt naar beneên.
11. Gelijk een sprinkhaan omgedreven.
Berg ik, nu hier, dan daar, mijn leven;
Mijn knieën weigren mij te schragen. En t afgematte lijf te dragen;
Mijn vleesch is mager, uitgeteerd.
Zoodat het alle vet ontbeert.
15. Al ben ik met die smart beladen,
Nog gaan zij voort met mij te smaden, Met mij al schimpende te groeten; Zij schudden 't hoofd, «lie mij ontmoeten. O heer, help mij, die ü verbeid,
Naar uwe goedertierenheid.
irgt;. Opdat zij weten en belijden.
Dat uwe hand mij wil bevrijden.
Dat Gij, o heer, mijn recht doet gelden, l aat hen dan vloeken, lastren, schelden, Maar zegen Gij mij, o mijn God!
Gij zijt mijn erfdeel en mijn lot.
17. Beschaam hun raadslag t' allen tijde;
Maar «lat het heil uw knecht verblijde; Dat schande mijnen vijand dekke;
Dat schaamte hem ten kleed verstrekke: Dat zij hem tot een mantel dien'. Waarmee wij hem omhangen zien.
18. Ik zal den heer op 't hoogste prijzen; 'k Zal Hem bij velen eer bewijzen;
Want Hij zal zich gewis erbarmen.
En staan ter rechterhand des armen, Hlt;,m redden uit het snood gericht.
20()
Daar 't vonnis tot zijn doodstraf ligt.
mij
n e honderd tien d e i» s a l m.
PSALM 110, 111.
mij, «Tot Ik ilc macht uws \ij-amisliebb'ver-
Ijro - kon. En U zijn iii'k tot cc - no
voet-bank zij.quot;
2. Uit Sion zal de HEER uw schepter zenden,
Den schepter van uw oppermogendlieid.
En zeggen; gt; Heerscli tot 's werelds uiterst' enden, «Zoover de macht uws vijands zicii verspreidt.quot;
3. Uw volk zal op uw iieirdag tot het strijden
Gewillig zijn, in heilig krijgssieraad;
U zal de dauw van uwe jeugd verblijden,
Geboren uit den vroegen dageraad.
4. U heeft de heer, wien 't nooit berouwt, gezworen;
'k Heb U, mijn volk tot heil, mijn naam ten prijs, In mijnen raad het priesterambt beschoren. Dat eeuwig duurt naar Melchizédeks wijs.quot;
5. De heer zal steeds uw rechterhand verzeilen.
Zijn mogendheid met U ten strijde gaan. En koningen, die tegen U zich stellen.
Ten «lage van zijn grimmigheid verslaan.
6. Hij zal naai 't recht de woeste heidnen richten.
Met lijken 't veld bezaaien door zijn hand;
Zijn strijdbre hand zal straks het hoofd doen zwichten, 't Weerbarstig hoofd van een zeer machtig land.
7. Hij zal op weg eens drinken uit de beken.
Daar Hij gevaar, noch strijd, noch moeit' ontziet; Daarom zal Hij het hoofd naar boven steken.
207
Met eer bekroond in 't godlijk rijksgebied.
i
de bonder d e l f d e p s a l m.
l ooft, hal - le - lu- jali,looft tien heek!
amp;-et-
Mijn gan-sche liart ver-lieft zijn eer; Ik
/.al
i' s a l w 111.
zal /.ijn naam en grootheid prij-zen; 'k Zal, met il'op-recli - ten on - der-ling Vereend, in hun ver-ga - de-ring En raad Hem plechtig
f^^r#:pill===:=
eer be - wij - zen.
2. Des li ee hen werken zijn zeer groot;
Wie ooit daarin zijn lust genoot,
Doorzoekt lt;lie ijvrig en bestendig.
Zijn doen is enkel majesteit,
Aanbiddelijke heerlijkheid,
Kn zijn gerechtigheid onendig.
3. Hij maakte, Hij, die heerlijk is.
Zijn' wondren een gedachtenis;
Hij is barmhartig en genadig;
Hij gaf hun, die Hem vreezen, spijs,
En, zijnen grooten naam ten prijs,
Gedenkt Hij zijns verbonds gestadig.
I' A li z E.
1. Hij heeft de kracht zijns werks getoond Aan 't volk, waarbij Hij giinstrijk woont; Hij gaf, te hunnen nutt' en voordeel,
Hun d' erve van het heidendom.
Des heer ex werken zijn alom En altoos waarheid, recht en oordeel.
5. 't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal.
Als op onwrikbre steunpilaren.
Hij is het, die verlossing zond Aan al zijn volk; Hij zal 't verbond Met hen in eeuwigheid bewaren.
(gt;. Zijn naam is heilig en geducht;
De vijand beeft op zijn gerucht;
Maar 's heerex vrees zal altoos wezen 't Begin der wijsheid; wien Gods hand Die doet betrachten, heeft verstand.
Zijn naam blijft eeuwiglijk geprezen.
DE
208
P S A I, M 112,
I O N n E n 1) T W A A I, F n E I' S A I, Jl.
III
Zingt, zingt den lot' van 't Op - per -we - zen.
zijn ge - ho-don houdt in waar-tic: Zijn
^ J J I 1=^
=:i j wl^ --
Wel-za -lig iiij, ilie Goil blijft vree-zen, En
^ lquot;l= I' '!
zaad zal macli-tig zijn op aar-de; Zelfsdaaltop
y
|
y 1 |
_j_ | |||||
|
^ J !gt;- |
_#_ |
u=t: | ||||
/.ijn na - ko - mc - lin - gen Een scliat van
Ã0 m 11
dier-bre ze - ge - nin-gen.
2. De rijkdom zal zijn Imis verzeilen;
Bij have zal hij have tellen;
Zijn deugd zal nimmer vruchten missen; Hem rijst het licht in duisternissen; Hij toont zich ieders liefde waardig,
Is goed, barmhartig en rechtvaardig.
3. Wel hem, die steeds zich zal erbarmen. Die van het zijne leent den armen:
Hij schikt naar 't recht zijn huisbelangen; Nooit zal hij wanklen in zijn gangen;
Zijn naam, beroemd door zijn bedrijven. Zal eeuwig in gedachtnis blijven.
4. Geen kwaad gerucht zal hem ontzetten;
Zijn hart is vast in 's heeren wetten.
Want hij betrouwt op Gods genade; Hij vreest voor schande, leed noch schade; èl ondersteund, zal hij niet wijken,
'lot hij zijn vijand zie bezwijken.
5. Hij strooit steeds uit aan alle zijden, Hn geelt hun mild die nooddrurt lijden;
2M
Zijn recht, hoe dikwerf ook geschonden.
Steunt
PSALM 112. 113.
Steunt eeuwig op onwrikbre gronden;
Zijn hoorn en macht za! God verhoogen, En nimmer zijnen val gedoogen.
G. De goddelooze zal dit goede
\an hem aanschouwen, gram te moede; Met tandgekners zich zeiv' verteren;
üe nijd zal zijne smart vermeêren;
Vergeefs wenscht hij den val der vromen. Want nooit zal God dien wensch doen komen.
DE HONDERD DERTIENDE PSALM.
Gil, 's HEE-REN knechten,looft den HEKli; Looft zij - nen naam, verbreidt zijn eer; De naam des
iiEE - ren zij ge - pre-zen; Zijn roem
| ||||||||||||||||||
|
eeu -wig -heid; Men loov' 't aan-bid -lijk Op-per- |
we - zen!
Van daar de zon in 't oosten straalt. Tot daar z' in 't westen nederdaalt. Zij 's Heeren name lof gegeven. De HEER is boven 't heidendom;
Zijn heerlijkheid, bekend alom, Is boven zon en maan verheven.
210
Wie is gelijk aan onzen heer, Aan God, die tot zijn eeuwig' eer Zijn troon gevest heeft in den hemel? Die, daar Hij 't wereldrond gebiedt. Van zijnen hoogen zetel ziet Op 't laag en nietig aardsch gewemel?
4. Wie
PSALM 113, III.
Wie is aan onzen God gelijk.
Die armen opricht nit het slijk; Nooddrul'tigen, van elk verstooten, Goedgunstig opheft uit het stof,
En hen, verrijkt met eer en lof,
Naast prinsen plaatst en wereldgrooten ?
Wie roemt niet 's HE EREN wondre trouw. Die mildelijk d' onvruchtbre vrouw. Op hare heè, een blijde moeder Van liev' en frissche telgen maakt,
211
Kn dus voor aller welzijn waakt? Men loov' den grooten Albehoeder!
Igt; E I! O N 1) E R I) VEER T I E N D E P S A L M.
= i
Toen Is - ra - öl 't E - gyp-tiscli rijks-go-
Ijüü
bied. En't volk,/.oo vreemd van aard cn taal,
SIS
. - .1
1
|
ver-liet, Werd Ju -ila God ter wo-ning; Hij | ||||||||||||
| ||||||||||||
|
wijd-de zich dit volk ten hei - lig-dom. En |
sticht-te daar den troon, dien Hij be-klom Als
Is-reis God en Ko-ning.
2. Dit zag de zee met bevend' oogen aan,
En vlood terug: de bruisende Jordaan
Werd achterwaarts gedreven;
Het hoog en laag gebergt' sprong op in 't rond. Als 't wollig vee, dat dartelt op den grond. En deed de velden beven.
3. Wat was 't, o zee, dat u zoo vluchten deed? En gij, .1 oidaan, wat angst, wat prangend leed
Kon u teruggedringen?
Gil
PSALM 114, 115.
Ciij bergen en gij heuvels, wat geruclit Deed ii met schrik dus steigren naar de lucht. Als lammeren, die springen?
4. Beet', aarde, beef voor 's liEEHEN aangezicht. Voor Jakobs God, die uit het eeuwig licht
Zijn Isrel hulp wou zenden.
Hij is 't, wiens macht de rots verandren kon In eenen vloed, den keisteen in een bron.
Voor Isrels matte benden.
1) E HON D E li n 7 1.1 F TIENDE 1' S A L M.
Niet ons, o heer, niet ons, uw'naam al - leen
;--hl
iü
Zij, om uw trouw en goe - der - tie - ren-
=^1=4
lieèn. All' eer en roem ge - ge - ven. Waar-
om, o heer,zou*t hei -den-dom met spot Dan
f r J J-U Jl
zeg-gen: gt;\Vaar, waar is tocli nu hun Golt;l, Bij
m
lien zoo iioog ver - he - ven T
2. Nochtans is God het doel van onzen lof;
Hij, onze God, Hij woont in 't hemelhor.
En doet al zijn behagen.
Hun atgoón zijn van zilver en van goud,
Slechts menschenwerk, waaraan, zoo snood als stout, Gods eer wordt opgedragen.
3. Zij hebben wel een mond, doch die niet spreekt; Wel oogen, doch waaraan 't gezicht ontbreekt;
't Licht kan hun niets ontdekken;
Geen klank, hoe schel, dringt immer hun in't oor; Men zett' hun vrij den besten wierook voor,
't Kan hun geen reuk verwekken.
4. Hun
212
psalm 115, 116.
4. Hun Iiaiul, lioe fraai bewerkt, tast nooit iets aan; Hun voet, hoe wel gevormd, kan nimmer gaan.
Hun keel geen klanken geven.
Hun maker deel' in hun yerachtiijk lot;
Die op hen steunt, miss' nevens hen 't genot Van 't duurgeschatte leven.
p A u z E.
5. Maar, Israël, vertrouw gij op den heer:
Hij is hun hulp, hun sterkt' en al hun eer.
Hun schild, «lat nooit zal wijken.
Vertrouw op God. gij, Arons nageslacht:
Hij is hun schild, hun hulp, die hun zijn macht Zoo menigwerf deed blijken.
G. Vertrouwt op God. gij allen, die Hem vreest;
Hij is altoos hun schild, hun hulp geweest;
De li ei: it was ons gedachtig.
Zijn zegen blijft op Israël verspreid;
Aarons huis is die ook toebereid.
God is getrouw en machtig.
7. Elk, die Hem vreest, hoe klein hij zij ol' groot,
Wordt van dat heil, die weldaèn, deelgenoot;
Hij zal ze grooter maken.
En z' u, zoowel als 't kroost, dat gij bemint, Dat nevens u zich aan Gods wet verbindt,
In dubble maat doen smaken.
8. D' algoede God, die door zijn groote kracht
Den hemel schiep, deez' aard' heelt voortgebracht.
Beschenkt u met zijn zegen.
De hemel is zijn eigendom, zijn troon,
Maar 't menschdom heeft de vruchtbaar'aard'ter woon Van onzen God verkregen.
9. In 't stille graf zingt niemand 's iieeken lof; Het zielloos lijf, gedompeld in het stof.
Kan Hem geen glorie geven:
Maar onze tong zingt tot in eeuwigheid Des HEEltEN lof, zijn roem en majesteit.
Looft God, de bron van 't leven.
de honderd zes t 1 e n d e p s a l m. God Iieb ik lief, want die ge-trou-we heer
Hoort mij - ne stem, mijn smee-kin-gen, mijn klagen;
213
|
214 i» s a lgt;m 116. | ||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||
keer ü|i keer.
2. Ik laigt; gekneld in banden ran den dood.
Daar d' angst der liel mij allen troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen.
Maar riep den heer dus aan in al mijn nood:
3. »Ucli HEER, och wierd mijn /.iel door U gered!quot; Toen hoorde God. Hij is mijn liefde waardig;
De heer is groot, genadig en rechtvaardig.
En onze God ontfermt zich 0|gt; 't gebed.
4. O' eenvondigen wil God steeds gadeslaan:
'k Was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.
Keer, m(jne ziel, tot uwe ruste weder:
Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.
5. Gij hebt, o heer, in 't doodlijkst tijdsgewricht Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen.
Mijn voet geschraagd: dies zal ik voor Gods oogen Steeds wandelen in 't vroolijk levenslicht.
1' A u z e.
(j. Ik heb geloofd: dies sprak ik tot Gods eer.
'k Was zeer bedrukt; ik liet in haast mijn lippen. Door drift vervoerd, deez' harde taal ontglippen: Bij menschen is noch trouw noch waarheid meer.quot;
7. W at zal ik, met Gods gunsten overlaau.
Dien trouwen heer voor zijn gena vergelden?
k Zal bij den kelk des heils zijn naam vermelden. En roepen Hem met blijd' erkentnis aan.
8. Nu zal ik voor de wekiaan, die 'k genoot. Aan Hem, naar mijn geloften, eer bewijzen,
Hein onder al zijn gunstgenooten prijzen,
Hoe kostlijk is in 's iieeren oog hun dood!
9. Och heer, ik ben, o ja, ik ben uw knecht,
Uw dienstmaagds zoon. Gij slaaktet mijne handen: Dies doe ik IJ gewillig' offeranden Van lof en dank, U plechtig toegezegd.
10. Ik
1' S a L M 116, 117.1 18.
10. Ik zal uw naam met dankerkentenis Vcrlieffen, ü al mijn geloften brengen;
'k Zal liefil' en lol' voor U ten offer mengen In 't heiligdom, daar 't volk vergaderd is.
11. Ik 7,al met vreugd in 't luiis des he eren gaan, Om daar met lol' uw grooten naam te danken. Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken.
Elk lieffquot; met mij de lol' des heeben aan!
igt; e honderd zeven ï i e n d e p s a i, m.
l.oof, loof den heer, gij hei - den-dom; Gij
âr\l JIJ
vol-ken, prijst zijn naam al - om. Zijn goedheid
is in nood en dood Voor ons, zijn volk, on ; !-l =
ein - dig groot. Zijn waar-heid wan-kelt nim-
mer - meer. Zingt, hal - le - lu - jali, zingt
zij ii eer.
de honderd a c ii t tiende p s a l m.
! = lquot;i
Laat ie - der's heeuen goedheid lo - ven.
Want goed is tl' Op - per-ma -jes-teit; Zijn
m
goed-heid gaat het al le bo-ven; Zijn
goed-
215
21»; p s A L Jl 118.
gotMi-lieid duurt iu eeu-wig-heid. Laat Is - rel
nu Gods goed-heid lo - \en, En zeg-gen roemt Gods ma -jes- teit; Zijn goed-lieidgaat liet al te bo - ven; Zijn goed-heid duurt in
een -wig-lieid.
2. I.aat Arons liuis Gods goedheid loven,
En zeggen; roemt Gods majesteit;
Zijn goedheid gaat liet al te hoven:
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
Laat die God vreczen Hem nu loven,
En zeggen: roemt Gods majesteit;
Zijn goedheid gaat liet al te hoven:
Zijn goedheid duurt iu eeuwigheid.
3. Ik werd benauwd van alle â zijden,
En riep den llEKll ootmoedig aan;
Ue IIEEH verhoorde mij in quot;t lijden,
Eu deed mij in de ruimte gaan.
De IIEEH is liij mij; 'k zal niet vreezen;
ui' heer zal mij getrouw hehoi'ii.
Daar God mijn schild en hulp wil wezen.
Wat zal een nietig meuscli mij doen'.'
E E It s T E 1' A U Z E.
4. De Heer is aau de spits getreden
Dergenen, die mij hulpe hièn:
Ik zal, gered uit zwarigheden.
Mijn lust aan mijne liaatren zien.
't Is beter, als w' om redding wenschen.
Te â vluchten tot des heehen macht,
Dan dat men ooit vertrouw' op meusclien,
Of zelfs van prinsen hulp verwacht'.
5. Toen ik de heiduen aan zag rukken.
Heb ik in 's HEEREN kracht gestreêu;
Ik hieuw z' in 's heeren naam aau stukken. Vertrouwend' op dien naam alleen.
Ik
p s a l m 118.
Ik kon noch voor- noch rugwaarts keeren,
Omringd, ja gansch omringd ter dood; ik sloeg hen in den naam des fieeren, Die mij goedgunstig bijstand bood.
6. Zij hadden mij omringd als bijen,
Maar zijn als doornenvuur vergaan; 'k Mocht hen in 's heeren kracht bestrijen, In 's heeren naam hen gansch verslaan. Gij hadt m', o vijand, hard gestooten.
Tot vallens toe mij onderdrukt:
De heer bewaart zijn gunstgenooten; De heer heelt zeilquot; mij uitgerukt.
7. üe heer is mij tot hulp en sterkte;
Hij is mijn lied, mijn psalmgezang;
Hij was het, die mijn heil bewerkte:
Dies loof ik Hem mijn leven lang.
Men hoort der vromen tent weergalmen
Van hulp en heil ons aangebracht;
Daar zingt men bly, met dankbre psalmen: Gods rechterhand doet groote kracht.quot;
tweede PAUZE.
8. Gods rechterhand is hoog verheven;
Des heeren sterke rechterhand Doet door haar daèn de wereld beven.
Houdt door haar kracht Gods volk in stand. Ik zal door 's vijands zwaard niet sterven.
Maar leven, en des heeren daftn.
Waardoor wij zooveel hei Is verwerven.
Kik tot Zijn eer doen gadeslaan.
9. De heer wou mij wel hard kastijden.
Maar stortte mij niet in den dood,
Verzachtte vaderlijk mijn lijden.
En redde mij uit allen nood.
Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden
De poorten der gerechtigheid;
Door deze zal ik binnentreden En loven 's heeren majesteit.
10. Dit is, dit is de poort des heeren;
Daar zal 't rechtvaardig volk door treèn, Om hunnen God ootmoedig t' eeren
Voor 't smaken zijner zaligheèn.
Ik zal uw naam en goedheid prijzen:
Gij hebt gehoord; Gij zijt mijn geest.
Door uw ontelbre gunstbewijzen.
Tot hulp en heil en vreugd geweest.
derde p a ij z e.
11. De steen, dien door de tempelbouwers
Verachtlyk was een plaats ontzegd.
217
Is
10
PSALM 118, 119.
Is, tot verbazing der beschouwers.
Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen.
Door 's heeren hand alleen geschied: Het is een wonder in onz' oogen;
Wij zien het, maar doorgronden 't niet.
12. Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft.
I.aat ons verheugd, van zorg ontslagen. Hem roemen, die ons blijdschap geeft. Och heer, geef thans uw zegeningen:
Och heer, geef heil op dezen dag: Och, dat men op deez' eerstelingen Een rijken oogst van voorspoed zag!
13. Gezegend zij de groote Koning,
Die tot ons komt in 's heeren naam! Wij zeegnen U uit 's heeren woning;
Wy zegenen ü al te zaam.
De HEER is God, door wien w' aanschouwen
Het vroolijk licht, na bang gevaar:
Bindt d' offerdieren dan met touwen Tot aan de hoornen van 't altaar.
14. Gij zijt mijn God: ü zal ik loven,
Verhoogen uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat uw roem te boven:
ü prijs ik tot in eeuwigheid.
Laat ieder 's heeren goedheid loven,
Want goed is d' Oppermajesteit;
Zijn goedheid gaat het al te boven:
Zijn goedheid duurt in eeuwigheid.
de honderd negentiende p s a l m.
Wcl-za - lig zijn d' op-rech- ten van ge-moed,
Die on - ge - veinsd des hee- ren wet be-trach-
ten; Die Hij op'tspoordergoilsvruclitwandlen
doet. Wel- 7.a - lig, die bij da - gen en bij
nacli-
218
PSALM 119.
nacli - ten Godswil be-peinst, en Hem als 't lioog-ste goelt;l, Van har - te zoekt met in - ge-
span-nen krachten.
2. Die, wars \an 't kwaad, niet in de zonde leeft. Maar zijnen gang bestiert naar 'sheeukn wetten.
Gij, groote God, die ons bevelen geeft,
Gij eischt, dat w' op uw woord gestadig letten. En Hat w' ons hart, aan uwen wil verkleefd, Geduriglijk op uwe wegen zetten.
3. Och, schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest! Mocht die mij op mijn paan ten leidsman strekken!
'k Hield dan uw wet; dan leefd' ik onbevreesd; Dan zou geen schaamt' mijn aangezicht bedekken.
Wanneer ik steeds opmerkend waar' geweest, Hoe uw geboón mij tot uw liefde wekken.
4. Ik zal, oprecht van hart, uw* naam, o HEER, Gestaag den roem van uwe grootheid geven.
Als ik 't gezag en 't heilig oogmerk leer Van 't vlekloos recht, door uwe hand beschreven.
'k Zal uw geboón bewaren tot uw eer.
Verlaat mij toch niet ganschlijk in dit leven.
2. BET H.
5. Waarmede zal de jongeling zijn pad.
Door ijdelheen omsingeld, rein bewaren V
Gewis, als hij het houdt naar 't heilig blad.
U zoekt mijn hart; mijn oog blijft op L) staren.
Laat mij van 't spoor, in uw geboón vervat.
Niet dwalen, heer; laat mij niet hulploos varen.
(ï. 'k Heb in mijn hart uw rede weggelegd.
Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.
Gij zijt, o HEER, gezegend; leer uw knecht Door 't god lijk woord, een helder licht bevonden. En door uw Geest, al d' eischen van uw recht: Zoo wordt uw eer nooit stout door mij geschonden.
7. 'k Heb andren al de rechten van uw mond Met lust verteld, hen vlijtig onderwezen.
Uit al den schat van 't groote wereldrond
Is
219
P S A L 51 119.
Is nooit tl ie vreugd i» mijn gcniocil gerc/.rn.
Die 'k steeds in uw getuigenissen vond.
Door mij betracht en andreu aaugeprezen.
8. Ik /al, o dod, bepeinzen uwe wet,
In 't onderzoek van uw bevelen waken,
Terwijl mijn /.iel op uwe paden let.
In uw gehoon /.al zich mijn geest vermaken,
Kil, daar ik hulp verwacht op mijn gehed.
Uw heilig woord vergeten noch verzaken.
3. G I SI E L.
9. Doe bij uw knecht weldadigheid, o HEEli,
Opdat ik leev', uw woorden moog' bewaren.
En dat uw Geest mij ware wijsheid leer,
Mijn oog verlicht', tie nevels op doe klaren;
Dat mijne /.iel de woudreu zie en eer'.
Die iu uw wet alom zich openbaren.
10, Ik ben, o HEER, een vreemdling bier beneên.
Laat nw gehoon op reis mij niet ontbreken.
Daar mijne ziel, omringd door duisterheen, Zoo dikwijls van verlangen is bezweken.
Om Li te zien ter hooge vierschaar treèn,
lot straf wm hen, die snood zijn afgeweken.
11, Gij scheldt en straft vervloekte boovaardij,
Gewend zoo wijd van uw gehoon te dwalen.
Dat toch uw gunst mijn ziel van smaad bevrijquot;. Die op mijn hoofd verachtlijk neer zou dalen.
Daar 'k' U mijn dienst naar uw getuignis wij', Om nooit uw straf mij op den hals te halen.
12, Wanneer ik zelfs door vorsten werd beticht, In 't hoog gestoelt' op uwen knecht geheten.
Heb ik mijn weg naar uw gehoon gericht.
En die betracht met een oprecht geweten.
Ook waren zij mijn raadsliên en mijn licht;
'k Heb met vermaak mijn tijd daarin gesleten.
4. DAL ET II.
13 Hoe kleeft mijn ziel aan quot;tstof! Ai, zie miju nood; Herstel mij; doe mij naar uw woord herleven.
'k l ei' voor uw oog mijn weg en handel bloot; En, welk een augst mij immermeer deed beven,
Gij hebt verhoord; maak voorts uw wehlaan groot. En iaat uw wet mij onderrichting geven. 14. Och, dat ik klaar en onderscheiden zag,
Hoe 'k mij naar uw bevelen moet gedragen, üw wondren recht betrachten dag aan dag Mijn ziel druipt weg van treurigheid en klagen.
Ai, richt mij op, verander mijn geklag;
\\ ii naar uw woord mij gunstig onderschragen,
16. Meer
220
1' s a l 31 119.
15. Weer snood bedrog, o God, van mijn gemoed;
Laat uw gena mij uwe wetten leeren.
Ik kies den weg der waarheid voor mijn voet. Om mij van 't pad der zonden af te keemi.
Uw rechten, die zoo heilig zijn en goed,
Steld' ik mij voor; die wil ik needrig eeren.
1(5. Mijn hart kleeft vast aan waarheid en aan deugd; Het zal op uw getuigenissen hopen.
Beschaam mij niet; wil mij, in U verheugd, Tot uwe vreez', o heer, gestadig nopen.
Als Gij mijn hart verwijdt door ware vreugd. Zal ik het pad van uw geboden loopen.
5. li e.
17. Leer mij, o heer, den weg door ü bepaald; Dan zal ik dien ton einde toe bewaren.
Geelquot; mij verstand, met godlijk licht bestraald; Dan zal mijn oog op uwe wetten staren;
Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt; Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.
18. Doe mij op 't pad van uw geboden treèn;
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen. Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen,
O heer, naar uw getuigenis alleen;
Laat gierigheid mij in haar strik niet vangen.
19. Wend, wend mijn oog van d'ijdelheden af; Verlevendig mijn hart door uwe wegen;
Dat mij 't betreen dier paden vreugd verschafT. Bevestig toch aan uwen knecht den zegen.
Waartoe uw woord hem blijde hope gaf:
Hij is oprecht tot uwe vrees genegen.
20. Weer van mij af de smaadheid, die ik vrees. Uw rechten, heer, zijn goed en vrij van vlekken,
Waarom ik die gestaag als heilig prees.
Zie al mijn lust tot uw bevel zich strekken.
Och, dat er kracht en leven in mij reez'1 Wil die door uw gerechtigheid verwekken.
(j. w a u.
21. Dat mij, o heer, uw goedertierenheid Toch overkoom', naar uw beloftenissen;
Dan geef ik aan mijn smader Juist bescheid; Dan zal hij op zijn schimp geen antwoord missen;
Want ik vertrouw op 't woord, mij toegezeid;
Geen leed zal 't ooit uit mijn geheugen wisschen.
22. Ai, ruk het woord der waarheid niet te zeer Van mijnen mond; ik hoop op uwe rechten.
Waarin Gij trouw gezorgd hebt voor uw eer.
Dan
221
p S a l Jl 119.
Dan liourt ik steeds, o God, met al'nw knechten
Uw lieilge wet: dan «al Ik meer en meer Daar eeuwig en altoos het hart aan hechten.
23. Dan wandel ik vol moed op ruimer baan.
Omdat mijn /.iel gezocht heeft uw bevelen;
Dan doé ik zelfs aan koningen verstaan,
Hoezeer mij uw getuigenissen streelen;
Dan zal ik mij niet schamen, noch uw daan Uit slaafsch ontzag of dwaze vrees verhelen.
24 quot;k Zal uw geboón, die ik oprecht bemin.
Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;
'ik reken ilie mijn allergrootst gewin;
Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;
Ik heb ze lief, en zal met hart en zin Al 't geen Gij ooit hebt ingezet betrachten.
7. z A I N.
25. Gedenk aan 't woord, gesproken tot uw knecht. Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is niijn troost, in druk mij toegelegd;
Dit leert mijn ziel ü achteraan te kleven;
41 't geen uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
26 't Hoovaarrtig volk heeft mij op 't felst bespot; 'k Ben echter niet van uwe wet geweken.
Ik dacht, o heer, aan hun rampzalig lot En uw gericht, van ouds at reeds gebleken.
Hoe kort van duur is al het aardsch genot'.
'k Heb mij getroost; mijn ziel is niet bezweken.
27. Daar ik moet zien, hoe snoodaards uwe wet Verlaten, heeft beroering mij bevangen;
Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet.
Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen. , , , -In vreeimUingscIiap heeft niets die vreugd belet, Wat nijpend leed daar mijn gemoed mocht prangen.
28. 'k Heb, HEER, des nachts aan uwen naam gedacht. Uw wet bewaard, uw deugden niet vergeten.
Dat heil, dien troost hebt Gij mij toegebracht, En zooveel tijds heb ik met vreugd gesleten.
Omdat ik uw bevelen nam in acht,
Eu die bewaard' in een oprecht geweten.
8. c h e ï h.
29. De heer is mijn genoegzaam deel, mijn goed. Ik heb gezegd: ik zal uw woord bewaren;
'k Heb U gebeên met mijn geheel gemoed,
Dat zich uw heil aan mij mocht openbaren.
Wees naar uw woord genadig; ai, behoed.
Behoed uw knecht, en red hem uit gevaren.
30. Ik
222
PSALM 119.
30. Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan, Mij» voet gekeerd tot uw getuigenissen.
En mij geliaast die paden in te slaan,
Waarin mijn /.iel zicli nimmer kan vergissen;
'k Heb niet vertraagd, om op die effen baan Het duel van uw geboden niet te missen.
31. Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld; Nochtans lieb ik uw wetten niet vergeten;
Te middernacht heb ik uw lol' vermeld;
Dan sta ik op, om met een bljj geweten
Het recht, dat uw gerechtigheid verzelt, Tot nwen roem ten breedsten uit te meten.
32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezel Van allen, die uw naam ootmoedig vreezen.
En leven naar uw goddelijk bevel.
U heer, hoe wordt uw goedheid ooit volprezen?
Gij doet op aard' aan alle schepslen wel. Och, wierd ik in uw wetten onderwezen!
9. ï E ï.
!3, Gij hebt veel goeds bij uwen knecht gedaan, Hem, naar uw woord, gered uit al zijn nooden.
I.eer mij. o HEER, een goeden zin verstaan, En wetenschap, der dwazen waan ontvloden.
Wijs Gij mij zeil' den weg der waarheid aan. Naardien ik heb geloofd aan uw geboden.
14. 'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, bet dwaalspoor Maar nu, geleerd, houd ik uw woord en wegen.
Wat zijt Gij goed; wat schenkt uw menschenmi Aan ieder, die U vreest, al inildeu zegen!
I.eer mij uw wet in baren rechten zin,
En maak mijn hart tot uw geboón genegen. ;5. t Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij. Doch ik bewaar van harten uw bevelen.
Hun hart is vet als smeer, vol hoovaardij;
Dies zullen zij in uwe gunst niet deelen;
Maar uwe wet, waarin ik mij verblij'.
Zal met het zoetst vermaak mijn zinnen streelen.
6. 't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest. Opdat ik dus uw godlijk recht zou leeren.
Sinds heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. Ai, doe mij steeds uw wil als heilig eeren.
Ver boven goud en zilver, en wat meest Den mensch bekoort, zal ik uw wet waardeeren.
10, j 0 I).
7. Uw band heeft mij gemaakt en toebereid. Ai, maak mij ook verstandig in uw wetten;
Zoo leer ik uw gehoon eii heiligheid.
124 PSALM 119.
\1 wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten,
Verheugd, dat ik, door uwe hand geleid.
Niet vruchtloos op uw woord mijn hoop mocht/.etten.
« Ik weet, o HEER, dat uw gerHiten /.ijn Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken
Uit enkle trouw, üch, dat uw gunst verschijn , Om mij uit angst en nijpend leed te riikkcn
Troost mij, uw knecht, die nu angstvallig kwijn. Mij is die troost beloofd in ongelukken.
39 Breng over inij al uw harmhartigheèn,
Opdat ik leev'; want al mijn vergenoegen,
\I mijn vermaak is in uw wet alleen.
Beschaam, die zoo hoovaanlig zich gedroegen.
Wier leugentong zoo valsch mij heelt bestieen. Doch ik wil mij naar uw geboden voegen.
10. Dat ieder, die U vreest, zich tot mij keer'. Die kundig is in uw getuigenissen:
Maak. dat mijn hart oprecht uw lesse i eer : Dat niets die ooit uit mijne ziel moog wissclien.
Opdat ik niet beschaamd word', laat, o HEEii,
Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.
43.
11. K AF.
Mijn ziel bezwijkt: zij Is gansch argemat Daar z' aan uw heil met al haar lust blijlt hangen.
Waarop uw woord mij hoop gegeven had.
Mijn oogen zijn bezweken van verlangen
quot;Naar 't geen mij was beloold. terwijl ik bad. »Wanneer, o God, zal ik uw troost ontvangen.
42. Ik ben, helaas, een leed ren zak gelijk.
Die al zijn vocht heeft in den rook verloren,
Hoewel ik niet van uwe wetten wijk.
Hoe lang blijlt nog uw knecht dit leed besclioien .
Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk, Hen richten, die mijn rust uit wrevel storen .
Een listig volk heeft, boos en trotsch van aard. Tot mijnen val een diepen put gegraven.
Hoezeer uw wet daartegen zich verklaart.
Al uw gehoon zijn waarheid; 'k wil die staven.
Ik word vervolgd, met leugentaal bezwaard.
Help mij, o HEER, ten spijt dier zondesla ven.
Zij hebben mij bijkans op aard' vernield.
Maar ik bleef uw bevelen dierbaar achten.
Ai, beur mij op; laat mij, met moed bezield.
Weer leven en op uwe goedheid wachten;
Dan zal ik steeds, daar mij uw trouw behield, 't Getuigenis van uwen mond betrachten.
12. LAMED.
41.
44.
PSALM 119.
12. LAMED.
43. O HEER, uw woord bestaat in eeuwigheid,
Daar 't hemcllieir zich schikt naar uw bevelen.
In nwc trouw, y.oo gunstig: toegezeid.
Zal elk geslacht, ja 't eind der eeuwen deelen.
üeez* aard' is hecht door uwe hand bereid ;
Haar stand blijft vast, al wisslen haar tooneelen.
4(). De hemel blijft nog met den aardkloot staan.
Naar uw bevel; zij allen zijn uw knechten.
Ik waar' reeds lang in mijnen druk vergaan.
Indien ik mij met uwe wet en rechten.
Tot mijn vermaak en troost, niet had beraan. Om aan uw trouw alleen mijn hoop te heciilcn.
47. 'k Ben eeuwiglijk gedachtig aan uw woord,
Want ik ontving door uw bevelen 't leven.
'k Ben d' uwe, HEER; geleid mij ongestoord; Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven.
Ik heb met lust uw wetten nagespoord.
En die gezocht, door uwen Geest gedreven.
48. Der boozen schaar heeft lang op mij gewacht, Om mij te doen vergaan in mijn ellenden.
Ik neem op uw getuigenissen acht.
Waar ik het oog op aarde heen moog' wenden,
't Volmaaktste vindt een eind' en derft zijn kracht. Maar uw gebod is wijd, en zal nooit enden.
13. M E M.
49. Hoe lief heb ik uw wet! Het is mijn doel, Deu ganschen dag haar ijvrig te betrachten.
Hoe listig ook mijn snoode vijand woel',
'k Heb wijzer geest en edeler gedachten
Door uw geboön, wier kracht ik staèg gevoel,
Uie 'k een wig zal met lieilgen eerbied achten.
50. Ik overtref mijn leeraars in beleid,
Want ik betracht al uw getuigenissen;
Ik overtref zelfs in voorzichtigheid üe grijsaards, die de ware godsvrucht missen;
'k Bewaard' uw wet. die zulk een licht verspreidt, Eu van mijn heil mij best kan vergewissen.
51. Ik heb mijn voet geweerd van kwade paan.
Opdat ik steeds uw woord zon onderhouden;
'k Heb mij gewacht, die wegen in te slaan.
Die mij van 't spoor der deugd verbijstren zouden;
Want Gij hebt mij geleerd daarin te gaau Met allen, die op uwen naam betrouwden.
52. Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest!
Geen honig kon 't gehemelf beter smaken.
Alleen door uw bevelen krygt mijn geest
Ver-
225
PSALM 119.
Verstand Na» Goil en goildelijke zaken.
Dies heb ik al de leugenpaan gevreesd,
Kn /.al bedrog en slinksclie wegen wraken.
14. N U N.
ö.'i. Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht, om 't donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed Bevestigen in al mijn levensjaren.
Dat ik nw wet, die heilig is en goed.
Door nw gena bestendig zal bewaren.
54. Ik ben op 't diepst verdrukt; ai, schenk mij, HF.En, Vernieuwde kracht; sterk naar uw woord mijn leven.
Merk op in gunst, mijn God, hoe ik U eer,
Hoe hart en mond vrijwillig' offers geven.
Ai, zie daarop met welgevallen neer;
l.aat in mijn hart uw rechten zijn geschreven.
55. Mijn ziel is in mijn hand steeds in gevaar;
'k Verlies nochtans uw wet niet uit mijn oogen;
Zij blijft mijn doel; en schoon een booze schaar Mij 'strikken lieeft gelegd door list en logen,
Ben ik van nw bevelen hier ol' daar Met afgedwaald, noch tot hun kwaad bewogen.
5('gt;. Ik heb voor mij al uw getuigenis
Ter eeuwig' erv' vol vaardig aangenomen.
Naardien mijn hart daardoor vervroolijkt is;
Ik heb gepoogd mijn lusten in tc toornen.
En 't hart geneigd, om eeuwig en gewis.
Ten einde toe, uw wetten na te komen.
15. same r. H.
57. 'k Haat ranken, vol van kwaad' en bittre vrucht. Maar ik bemin met al mijn hart uw wetten.
Gij zijt mijn schild, de rots, waarheen ik vlucht; Gij kuiit en'wilt mijn ondergang beletten.
'k Vertrouwd'op IJ, en't blijft nog staèg mijn zucnt. Om op uw woord mijn vaste hoop te zetten.
58. Gij boozen, wijkt, opdat ik steeds 't gebod Van mijnen HEÃn nauwkeurig moog' bewaren.
Schraag mij naar uw beloften, o mijn God,
Opdat ik leev', U lovend' op mijn snaren.
Dat niemand mijn verwachting ooit bespott'; Ai, laat die mij toch nooit beschaamdheid baren.
59. Wees Gij mijn steun; dan zal ik, vrij van leed. Mij dag aan dag in uw geboön vermaken;
Maar Gij, o heer, die mij behoudt, vertreedt En stoot hen weg, die uwe wet verzaken;
Want hun bedrog is leugen; 't is gesmeed Tot mijn verderf, maar 't zal ben zelv' genaken.
60. Al
220
PSALM 119.
60. Al't godloos volk verdoet G'als schuim van d' aard': Dies zal ik uw getuigenissen vreezen.
Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,
Ja zelfs is mij het haar te berg' gerezen,
Als ik op uw gerichten heb gestaard.
Uw oordeel, HEeu, kan niet dan vreeslijk wezen.
10. A 1 x.
61. Gerechtigheid en recht heb ik gedaan:
Geef mij dan niet in 's onderdrukkers handen:
Wees Gij mijn borg, en neem de rechtzaak aan Van uwen knecht, daar Gij hem aau ziet randen:
Laat trotschaards toch niet stoutlijk meer bestaan, Mij, naar hun wensch, te knellen in hun banden.
62. Mijn oogen zijn bezweken, rood geschreid.
In 't uitzien naar uw heil met heet verlangen.
Het heil, aan mij rechtvaardig toegezeid.
Ai. wiscli dan toch de tranen van mijn wangen;
Doe bij uw knecht naar uw goedgunstigheid;
Leer mij uw wet; dan zal ik troost ontvangen.
6^. Ik ben uw knecht; geef mij dan recht verstand, Zoo zal ik uw getuigenissen leeren.
Nu is het tijd, dat *s MEEltEN rechterhand Haar kracht vertoon' in *t godloos kwaad te weren.
Men schendt uw wet zoo stout van allen kant: Men schroomt niet meer, uw grooten naam t' onteeren.
61. 'k Heb uw gehoon, mijn God, dies meer dan goud. Ja 't fijnste goud, bemind, en uw bevelen In alles recht en vlekkeloos geschouwd. Op 't hoogst volmaakt tot in hun minste deelen;
'k Heb op geen pad der valschheid mij betrouwd, Maar dat gehaat, hoezeer 't mijn vleesch kon streden.
1» E.
65. Hoe wonderbaar is uw getuigenis!
Dies zal mijn ziel die ook getrouw bewaren:
Want d' oopning van uw woorden zal gewis.
Gelijk een licht, het donker op doen klaren:
Zij geeft verstand aan slechten, wien 't gemis Van zulk een glans een eeuwgen nacht zou baren.
66. Ik heb mijn mond begeerig opgedaan;
Ik heb verlangd, gehijgd naar uw geboden.
Zie, zie mij dan met gunstig' oogen aan.
En wees mij nu genadig in mijn nooden,
Naar't recht van hen, die, deugdzaam van bestaan. Uit liefde tot uw naam van 't kwade vloden.
67. Maak in uw woord mijn gang en treden vast.
Opdat ik mij niet van uw paan moog' keeren;
En wordt mijn vleesch door 't kwade licht verrast.
227
PSALM 119.
Ai, laat liet mij tocli nimmer oveihecren.
Verlos mij, heer, van 's mensclien overlast;
Dan zal ik IJ naar uw bevelen eeren.
68. Uw aangeziclit vertoon' aan uwen knecht Een vricnillijk oog, een troostrijk liefdeteeken.
Leer mij den eisch van 't altoos heilig recht. Ik stort, bedrukt, geheele tranenbeken.
Omdat men U gehoorzaamheid ontzegt,
En zicli niet schaamt uw wetten te verbreken.
18. tsade.
(59. Gij zijt volmaakt. Gij zijt rechtvaardig, ueell; Uw oordeel rust op ti' allerbeste wetten;
Uw loon, uw straf beantwoordt aan uw eer; Gij eischt van ons, dat w' op uw waarheid letten.
Dat wij altoos op boegen prijs uw leer En 't heilig recht van uw getuignis zetten.
70. Mijn ijver heeft van smart mij doen vergaan.
Omdat uw woord zoo scbandlijk wordt vergeten.
Mijn vijand ziet dat met verachting aan.
Uw woord is rein; dat mag gelouterd heeten.
Uw knecht wil zich daar daaglijks mee beraèn; Hij heeft het lief, wijl 't hem zijn plicht doet weten.
71. Ik ben wel klein, veracht, maar niet verleid; 'k Vergeet in smaad noch armoè uw bevelen.
Uw recht, o heer, is recht in eeuwigheid;
Gij zult aan elk zijn loon of straffen deelen.
quot;Uw wet, waarin zich steeds uw glans verspreidt. Kan mij door 't licht der zuivre waarheid streelen.
72. Als 't mij benauwd of bang gevallen is.
Dan heb ik mij vermaakt in uw geboden.
De zuiverheid van uw getuigenis Blinkt altoos uit, zelfs in de zwaarste nooden.
Leer mij 't verstaan: zoo leelt mijn ziel gewis. Het naar verderl in eeuwigheid ontvloden.
19. k o f.
73. Ik riep U aan, o heer, met al mijn hart;
Verhoor mij, en ik zal uw wet bewaren.
Ik riep à aan, in druk en leed verward;
Verlos mijn ziel uit angsten en gevaren.
Dan houd ik uw getuignis, en in smart Zal ik daar troost en wijsheid uit vergSren.
74. Ik heb somtijds het scheemrend morgenlicht Verrast, om U mijn schreien te doen hooien;
'k Heb op uw woord gehoopt, en mijn gezicht, Eer nog het uur der nachtwaak was geboren.
Den slaap ontroofd, om, naar mijn lust en plicht. De wijsheid van uw reednen na te sporen.
75. Hoor,
228
i» s a l m 119.
Hoor, keer, mijn stem naar uw goedgunstigheid. En geef mij naar uw rechten kracht en leven.
Zij naadreu mij, wier list mijn val bereidt;
Zij zijn in 't kwaad, in 't listig kwaad bedreven,
En wijken van uw wet, zoo wijd verleid.
Terwijl zij zich aan boosheid overgeven.
Maar, heer. Gij zijt nabij; Gij ziet mij aan; De waarheid is aan uw gehoon verbonden.
ik wist vanouds reeds uit uw woord en daan, Dat al, wat Gij getuigd hebt, ongeschonden
En vlekkeloos voor eeuwig zal bestaan.
Gevestigd op onwankelbare gronden.
20. li E s J.
Zie mijn ellend', o heer, en help uw knecht. Want uwe wet is in inijn hart geschreven.
Ai, twist Gij zelf mijn twistzaak naar uw recht; Verlos mij; sterk met nieuwen moed mijn leven Naar 't godlijk woord, mij gunstig toegezegd, En mij ten troost in angst en druk gegeven.
Het heil is ver van 't goddeloos geslacht. Dat, gansch vervreemd van deugd en reine zeden.
Den inhoud van uw wetten niet betracht.
0 heer, hoeveel zijn uw barmhartigheden!
Ai, beur mij op: vernieuw mijn levenskracht Naar 't godlijk recht; verhoor toch mijn gebeden.
't Getal van mijn vervolgers is zeer groot, Van hen, die mij als weêrpartijders haten;
Maar 'k wijk van uw getuignis in geen nood. Ik heb gezien, hoe zij, die ü'vergaten,
frouwloosheid doen. Gij weet, hoe 't mij verdroot, Als ik hen zag uw heilig woord verlaten.
Ai zie, n heer, dat ik uw wet bemin.
Uw gunst vernieuw' mijn leven en mijn krachten.
üw godlijk woord is waarheid van 't begin; Uw recht heeft nooit verandering te wachten:
Dies houd ik dat met een verblijden zin.
Leer door uw Geest mij dat gestaag betrachten.
21. SIN en s J i N.
1 oen vorsten mij vervolgden zonder reen,
Vreesd' ik uw woord, met die uw heil beminden.
Ik ben verblijd om uw goedgunstigheèn,
Die meer en meer mij aan uw dienst verbinden;
k V?.nt, F00t?r in uw beloft' alleen,
Dan hij, die ooit een grooten buit mocht vinden.
Ik haat bedrog en valschheid van gemoed;
'k Heb in mijn hart een gruwel van dié zonden; 'k Bemin uw wet, die mijne ziel behoedt;
22i)
p s a l 51 119, 120.
Ik loof, O HEEIt, aan uwen ilienst verkonden,
II zevenniaal des daags, om al liet goed En 't recht, in uw gerechtigheid giquot;«inden.
sa. Wat vree heeft elk, die uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten.
Ik, heer, die al mijn hlijdschaii in ü vind,
Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten;
'k Doe uw geboón oprecht en welgezind: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
84. Mijn ziel bewaart uw trouw getuigenis;
Dat heb ik lief; ook doe ik uw bevelen.
Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss'.
Door zijnen smaak èn hart èu zinnen streelen.
Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is:
'k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.
22. t a u.
85. 0 HEElt, sla toch op mijn geschrei uw oog;
Wil, naar uw woord, mijn geest verstandig maken;
Zie gunstig op mij neder van omhoog;
l.aat mijn gebed voor uwen troon genaken;
Red, daar mij 't leed zoo diep ternedei boog,
Keil mij naar uw beloft', en richt mijn zaken.
80. Dan vloeit mijn mond steeds over van uw eer. Gelijk een bron zich uitstort op de velden.
Wanneer ik door uw Geest uw wetten leer.
Dan zal mijn tong uw redenen vermelden;
Want uw geboón zijn waarlijk recht, o iieeu; Gij zult de vlijt van die U zoekt vergelden.
87. Kom mij te hulp. Mijn ziel, die U verbeidt.
Heelt uw bevel met lust en liefd' ontvangen.
Ik haak, o heer, naar 't heil, mij toegezeid. Bestier in gunst naar uwe wet mijn gangen.
Al mijn vermaak stel ik, met rijp beleid,
In uw gebod; dat is mijn hoogst verlangen,
88. Gun leven aan mijn ziel; dan looft mijn mond Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen.
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in 't rond. Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.
230
Ai, zoek uw knecht, schoon hij uw wetten schond, Want hij volhardt naar uw geboón te hooien.
d f. honderd t w i n t 1 g s t e 1' s a l m.
'k Kiep tot den Oorsprong al - Ier din-gen.
Tot
P s a l M 120.
231
$
si
11^='--. b=El
Tot Golt;l, in mijn be-kom-me -rin-gen,
fi
En Hij \er-Iioor-de mijn ge-bc - ilen, Naar
zij - ne goe - der - tie - ren - he - den. O
m
meed,doe mij ilen strik out - slip-pen Der
hüü
vein-ze - rij en val-sche lip - pen; Be-
lioed mij voor de bit - se tong, Die mij met
leu - gen-taal besprong.
Mat voordeel zal 't bedrog u baren, Vermetel rot van lasteraren? Wat voordeel zal u in dit leven Uw bitse tong, uw boosheid geven? Gij haalt op u, o leugensprekers, üe pijlen eenes sterken wrekers,
En een jeneverkolengloed,
Waardoor gij haast verbranden moet.
Wee mij, die rust en hulp moet derven, In Mesech als een vreemdling zwerven. En steeds in Kedars tenten wonen Bij menschen, die mij bitter honen. Ik heb reeds lang mij opgehouden Bij hen, die nooit op God betrouwden. Bij hen, die, tot mijn bitterst wee. Een afschrik hebben van den vreè.
4. Ik zoek den vree steeds aan te kweeken.
iMaar kan er nauwelijks van spreken,
01' k zie mijn reden afgebroken,
En hen tot woed' en krijg ontstoken.
d e
PSALM 121, 122.
DE HONDERD EEK ES TWINTIGSTE PSALM.
Ul-l p I
Sla d' oo - gen naar 'tge-berg -te heen, Van-
3==
waar ik dag ei» nacht Des Hoogsten bijstand
waciit. Mijn hulp is van den heek al - leen,
i
Die he - mei, zee en aar - de Eerst
schiep,en sinds be-waar-de.
Hij is, al treft u 't felst verdriet. Uw wachter, die uw voet Voor wankelen behoedt;
Hij, Isrels Wachter, sluimert niet;
Geen kwaad zal u genaken;
De HEER zal u bewaken.
Zijn wacht, waarop men hopen mag. Zal , daar zij u bedekt En u ter schaduw strekt.
De maan bij nacht, de zon bij dag, In koud' en gloed vermindren.
Opdat zij u niet hindren.
De HEER zal u steeds gadeslaan,
Opdat Hij in gevaar Uw ziel voor ramp bewaar'.
De heer, *t zij g' in ol' uit moogt gaan. En waar g' ii heen moogt spoeden, Zal eeuwig u behoeden.
3
1) E H O N HERD TWEE EN T W I N T I G S T E PSALM.
te
Ik ben ver-blijd, wan-neer men mij God-
vruch-
232
1 =
ÃÃ
|hE
|
naar Gods huis te gaan: Kom, ga met | ||||||||||||
|
ons, en doe als wij. Je - ru - /a-
PIELlESt^l^
lem,lt;lat ik he-min, Wij tie-den u - we
poor-ten in; Uaar staan, o God-stad,
Nif=fff
il
on - /,e voe - ten. .Ie-ru - za-iem is
_
wèl ge - Itouwd. Wèi saam - ge-voegd: wie
'IJ; .
haar be-schouwt, /al haar voor'sbouwheers
kunstwerk groe- ten.
De stammen, naar Gods naam genoemd, Gaan derwaarts op, daar elk zich buigt Naar d' ark, die van Gods gunst getuigt, Uaar elk Zijn naam belijdt en roemt.
Want d' achtbre zetel van 't gericht Is daar voor Davids huis gesticht; De rechterstoelen staan daar binnen.
Bidt, met een algemeene stem.
Om vrede voor Jeruzalem.
Het ga hun wèl, die u beminnen.
Dat vreed' en aangename rust Kn milde zegen u verblij';
Dat welvaart in uw vesting zij,
in uw paleizen vreugd' en lust.
Om
PSALM 122, 123.
Om vriend en broedren spreek ik nu: «De vrede zij en blijv' in u;
«Nooit moet haar nijd ol' twist verkloeken.quot; Om 'S HEEREN huis, in u gebouwd.
Daar onze God zijn woning houdt.
Zal ik het goede voor u zoeken.
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ons ge - na - dig zij. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2. Geel'ons genè, geef ons genè, O heer.
En red ons tot uw eer.
Wij zijn reeds moe van al de schampre woorden.
Die wij van smaders hoorden;
Ons treurig hart is moe van al het spotten,
En 't honend samenrotten Der hoovaardij, die needrigen veracht En weelderig belacht.
234
p s a l jl 124, 125.
DE H o N D E 11 u v I E 11 EN TWINTIG s TE 1' s A L M.
Dat Is - ra - el nu /.eg - ge, lilij van
geest: In - dien de HEER, die hij ons is
i
ge - weest, In -dien de heek,die ons liceft
bij - ge-staan, Toen's vy-ands heir en aan-val
werd ge-vreeslt;l, Niet had ge-red, wij wa - ren
i
lang ver- gaan.
2. Dan hadden zij ons levendig vernield ;
Hun heete toorn had ons gewis ontzield,
Bedolven in een diepen jammervloed;
Dan had een stroom, dien niemand tegenhield. Ons gansch versmoord, had God het niet verhoed.
3. Dan had geen niensch naar onze klacht gehoord; Dan had een zee van rampen ons versmoord.
Gelooid zij dies de heer, die redt van 't gralquot;, Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord. Tot eenen roof niet in hun tanden gaf.
4. W ontkwamen haast des vogelvangers net. Den loozen strik, tot ons bederf gezet;
De strik brak los, en wij zijn vrijgeraakt. De heek is ons tot hulp op óns gebed;
235
Die God, die aard' en hemel heeft gemaakt.
ü £ H 0 n d e r d v 1,1 f ent w 1 n t I g s t e ]' s a l m.
Hij zal noch wankien, noch be-zwij-ken, Die
op
PSALM 125, 126.
236
X J rl^ -=
IS
op den meer ver-trouwt, En op zijn goedheid
bouwt; Hij zal, als Si - ons berg, nooit wij-
ir:quot;
ï==à tquot; l 1^1 1 ri~
ken, Wiens giomlslag doov geen aardscli ver-mo-
J IJ J Kg1] J II
gen Ooit wordt be - wo - gen.
2. Gelijk 't gebergt', dat boog gerezen
Om Salem ligt gespreid.
Zoo is in eeuwigheid De HEEK rondom hen, die Hem vreezen,
Kondom zijn volk, 't welk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.
3. Want hoe de boozen zich doen schromen
Door wreede heerschappij.
Nog zal hun dwinglandij Niet rusten op het lot der vromen,
Opdat zij nooit, van 't recht geweken,
Zich zei ven wreken.
4. Geef, HEEK, den goeden uwen zegen;
Doe wel aan 't vroom gemoed.
Maar hem, die onrecht doet.
En die zich neigt tot kromme wegen.
Zal God verdoen; doch Isrel leven En vrede geven.
'T-
dat ver-
I) E 11 O N I) E II I) ZE S E N T W 1 X T I li S T E 1' S A L 31.
Wanneer de heer uit 's vij -amis macht 't Ge-
van-gen Si - on we - derbracht. En
lost' uit nood en pijn, Scheeirt ons een blij-de
droom
P S A L 31 12(1, 127.
droom te zijn: Wij lach - ten, juichten; on - ze ton - gen Ver - hie - Yen's iieeren naam,en zon - gen. Toen hie-ven zelfs lt;le heid-nen aan : Ue HÃEUhecl't hun wat groots ge-(laan.quot;
*2. God heelt bij ons wat groots verricht: Ilij zelf heeft onzen druk verlicht: Hij heeft door woudreu ons bevrijd: Dies juichen wij en zijn verblijd. Hreng, HEER, al uw gevangnen weder; Zie verder op uw erf volk neder:
Nerkwik het, als de watervloed.
Die 't zuiderland herleven doet.
Die hier bedrukt met tranen zaait, Zal juichen, als hij vruchten maait: Die 't zaad draagt, dat men zaaien zal. Gaat weenend voort, en zaait het al: Maar hij zal, zonder ramp te schromen. Eerlang met blijdschap wederkomen. En met gejuich, ter goeder uur,
Zijn schoven dragen in de schuur.
DE II O N T) E R D ZEVEN E N T W I N T I G S T E P S A L M.
Ver-geefs op bou-wen toe-ge-legd; Ver-geefs, om'thuis vol - tooid te zien. Ge-
1^' il. .'1.' .U--: = |. -1
*7
zwoegd,gezweet, o ar-ljfiils-lièn. Zoo God zijn
hulp
237
238 PSA I M 127, 128.
r i1
hulp aan't werk oiit-/.egt. Ver-geefs, o wachters,
is uw vlijt, Zoo God niet zelf de stad
' ^il_ ~^=
be-v rijdt.
2. Vergeefs van 's morgens \roeg geslaafd Tot s avonds, en liet brood der smart Gegeten met «'en angstig hart ;
Vergeefs den ganschen «lag gedraafd: God geeft het, hoe een ander schraap', Dhmi Hij bemint, als in den slaap.
3. Zoo gaat het elk, dien God bemint. Wie kindren voortbrengt tot Gods eer. Verkrijgt een erfdeel van den hcer;
\Vie zich met kroost gezegend vindt. Dat zich oprecht en dankbaar toont,
Ziet al zijn zorg naar wensch beloond.
4. Gelijk de pijlen in de hand
Eens sterken helds, die, lier en blij.
Door hunne kracht zijn weerpartij
Doet zwichten voor zijn tegenstand. Zoo zijn ook, tot der va ad ren vreugd. De brave zonen hunner Jeugd.
5. Welzalig hij, die als een held Deez' pijlen in zijn koker gaèrt,
En zijne zonen ziet gespaard:
Zij zullen, schaamrood noch ontsteld. Het hoofd den weêrpartijdren bièn.
En in de poort voor hen niet vliên.
| ||||||||||||||||||||||||||||||
|
's hee-ren vrees be-koort, Die met een goed ge- | ||||||||||||||||||||||||||||||
we-
P s A I, gt;1 128, 129.
£
we - ten Steeds vvan-delt naar zijn woord. Gij
y.nlt uw nooddruft vin - den Doord'ar-beid van uw hand ; Wat g'u moogt on - der-win-
mi
den, Komt naar uw wensch tot stand.
2. Uw echtvriendin zal bloeien,
Gelijk een wijnstok tiert.
Die, vruchtrijk onder 't groeien.
Uw huismuur dekt en siert.
Niets zal uw welvaart stuiten: Uw kroost zal blij en frisch. Als groen' olijvenspruiten.
Versieren uwen disch.
3. Dit lot is u beschoren,
Zoo gij met diep ontzag
Naar 's HEEREN wet blijft hooren.
Noor u zal, dag aan dag,
Het heil uit Sion vloeien:
Gij zult, zoolang gij leeft,
Jeruzalem zien bloeien,
't Welk God zijn zegen geeft.
4. Blijft gij op Hem betrouwen,
üan zult gij, op uw beê,
't Kroost van uw kroost aanschouwen. In Israël zij vreê!
DE HONDERD NEGEN EN T W I N T I G S T E I» S A L M.
Men heeft mij fel benauwd van jongs af
£iiEimHiEi=ES
aan, Zegg' Is - rel nu; men juich-te,toen wij
vie-
239
I' S A L 51 129, 130.
vie - leu; Men heeft mij rcwis van jongs af
leed ge-lt;laaii: Geen o - vermacht kon m'ecli-ter
ooit ver-nie-len.
2. Men heeft mijn rug door ploegers diep geploegd;
Die hebben wreed linn voren lang getogen, En smart bij smart tot mijn verderf gevoegd,
Voor 't kermen «looi', en wars van mededoogen.
3. De heer, die goed, doch ook rechtvaardig is.
Hieuw gunstig af' der goddeloozen touwen, Dat smaad hen treflf', en dat hun aanslag miss'. Drijf lien terug, die Sion rampen brouwen.
4. Maak hen gelijk aan 't lichtverdorrend gras,
Dat hier en ginds gezien word op de daken; Dat, eer men t plukt', alreè verwelken! was. Ontbloot van grond om wortels in te maken.
5. Maak // als dat gras, waarmee de maaier nooit.
Wanneer hij gaèrt, de nijvre hand zal vullen; Dat in den oogst geen garvenbinders ooit. Bijeengepakt, in d' armen dragen zullen;
6. Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar
Ooit zeggen zal: God will' uw oogst vermeêren! Dat 's HEEREN gunst zich met uw arbeid paar*! Wij zegenen u in den naam des HEEREN.
1) E H O N I) E R I) I) E R T I G S ï E P S A L M.
Uit diep-ten van el - len - den Roep
iü
ik, met mond en hart. Tot U, die heil kunt
zen - den; O heer, aanschouw mijn smart; Wil
naar
240
PSALM 130, 131.
naar mijn smeekstem hoo-ren; Merk op mijn
SÃ
Jam-mer - klacht; Ver - leen mij gnn-stig' oo
ien, Daar'kin mijn druk ver-smacht.
2. Zoo Gij in 't recht wilt treden.
0 heer, en gadeslaan Onz' ongerechtigheden.
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Uies wordt Gij, heer, met beving, Kecht kinderlijk gevreesd.
3. Ik blijf den heer verwachten;
Mijn ziel wacht ongestoord; Ik hoop, in al mijn klachten,
Op zijn onfeilbaar woord.
Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den heek. Dan wachters op den morgen; Den morgen, ach, wanneer?
4. Hoopt op den heer, gij vromen;
Is Israël in nood.
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden,
Gansch Israël eens vrij Van ongerechtigheden.
Zoo doe Hij ook aan mij!
DE HONDERD EEN EN DERTIGSTE PSALM.
-I; -U .1
Mijn hart ver-heft zich niet, o heer; Mijn
ftoo-gen zijn niet hoog; 'k verkeer, Ik wan-
(tel
241
11
|
242 P s a L M 131, 132. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
voor uw gunst-ge - noot. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2. Heb ik mijn ziel niet stilgezet,
En mij verloochend naar uw wet.
Gelijk het pasgespeende kind Zich stil bij zijne moeder vindt?
3. Mijn ziel, die naar den vrede haakt, En 't morrend ongenoegen wraakt,
Is in mij als een kind gespeend, En heeft zich met uw wil vereend.
4. Dat Isrel op den heer vertrouw'. Zijn hoop op Gods ontferming bouw'.
En stil berust' in zijn beleid, Van nu tot in all' eeuwigheid!
li E !1 O n I) E R I) ï W EE EN 1) E R T I G s T E P s A L M.
i
a
Ge - denk aan Da -vid,aan zijn leed; Ge-
denk den duur - ge - zwo - ren eed. Dien hij, o
heer, u plech - tig deed, Dien eed, waarmee
zijn hart en mond Aan Ja-kobsGod zich
1
dus ver-bond:
PSALM 132.
3. »Tot ik een rustplaats voor den heer «Gevonden heb te zijner eer,
«Daar Jakobs Machtige verkeer',
»En Hij, naar mijn gemaakt bestek,
⢠Zijn vaste woningen betrekk'.quot;
4. Zie, 't blij gernebt der ark liep voort.
En werd in Efratba geboord;
Wij vonden baar in .Taars oord,
In 't boscbrijk veld van Kiriatli,
Dat God dusver verkoren liad.
5. Wij zullen in zijn woning gaan,
üns buigen, daar zijn troon zal staan, En bidden voor zijn voetbank aan.
Sta op tot uwe rust, o heer,
Met d' arke van uw sterkt' en eer.
6. Bekleed, o hoogste Majesteit,
Uw priesters met gerechtigheid.
Uw gunstvolk juich', door U geleid.
Versmaad hem, dien Gij zalven liet.
Om uwen knecht, om David, niet.
pauze.
7. Tot staving vau de waarheid deed
De heer, die van geen wanklen weet. Aan David eenen duren eed.
»lk /.al (dus sprak Hij) uwen Zoon
â Eens zetten op uw glorietroon.
8. gt;Houdt uw geslacht mijn heilverbond
â En 't vast getuignis van mijn mond.
Dat Ik hen leer ten allen stond,
â Dan is hun 't rijksbestuur bereid
â Op uwen troon, in eeuwigheid.quot;
Want Sion is van God begeerd;
't Wordt met zijn woning hoog vereerd;
â¢Hier (sprak Hij, die het al beheert),
⢠Hier zal Ik wonen naar mijn lust;
â Hier is in eeuwigheid mijn rust.
10. .'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs
â Hier zeegnen op de ruimste wijs;
Hier zal Ik. mijnen naam ten prijs,
â De priesters met mijn heil bekleen,
â En 't volk doen jiiichen weltevreên.
11. â Daar zal ik David, door mijn kracht.
â Een hoorn van rijkdom, eer en macht ⢠Doen rijzen uit zijn nageslacht.
â 'k Heb mijn' gezalfden knecht een licht, «Een heklre lampe toegericht.
12. .Wat
243
244 PSALM 132, 133.
12. »Wat vijand tegen hem zich kant',
quot;Mijn hand, mijn onweèrstaanbre hand «Zal hem bekleen mot schaamt' en scliand'; «Maar eeuwig bloeit de gloriekroon «Op 't hoofd van Davids grooten Zoon.quot;
ï
7.0 - nen
i
a
DE HONDERD DRIE EX DERTIGSTE PSALM.
; = ⢠= 1-.
Ai zie, hoe goed, hoe lief - lijk is't, dat
9*5
Van'tzelf-de huis als liroc-ilcrs
sa-men - wo - nen, Daar'tlief - do-vuur niet
wordt ver - doofd; 't Is als de zalf op
i
's Hoo - ge - pries-tors hoofd, De zalf, waarmee
m
lilj is aan God ge-wijd, Die door haar
1
reuk liet Iiart ver-blijilt.
1' S A L M 134, 135.
DE HONDERD V 1 E It EN DERTIGSTE PSALM.
Looit, looft nu al - Ier hee-ren ueeh, Gij,
feö
zij - ne knechten, geeft Hem eer, Gij, die des
i
nachts zijn huis be-waakt, En voor zijn dienst in
Wmm.
ij - ver blaakt.
2. Heft uwe handen naar omhoog;
Slaat naar het heiligdom uw oog,
En knielt eerbiedig voor Hem neer; Looft, looft nu aller heeren heer.
3. Dat 's HEEREN zegen op u daal'.
Zijn gunst uit Sion u bestraal'!
245
iï
it
Hij schiep 't heelal, zijn' naam ter eer. Looft, looft dan aller heeren heer.
ü e honderd v ij f ex ü e r t i g S te f S a l 31.
ipii
Prijst den naam van u - wen_Go(l, 's heehen
knech-ten, hier ver-ga5rd; Prijst zijn naam en
t. , I I -
i
wijs ge - bod, Daarg'it)'t voorhof staat ge-
â U.r
schaard, En uw ambt bekleedt met eer
! = L: 1 _;.ll
In liet huis van on - zen iieek.
2. God
PSALM 135.
2. God is goed: looft Hem te zaam
Met gezang en snarenspel;
Prijst zijn liefelijken naam;
Want de heek heeft Israël Zich ten eigendom geschikt,
Jakob door zijn heil verkwikt.
3. God is groot: ik weet, dat Hij
Hooger is dan alle goón.
Onze God voert heerschappij;
Hij beheerscht van zijnen troon Hemel, afgrond, zee en aard'.
God is aller hulde waard.
J. 't Eind der aard' werpt dampen uit
Door Gods macht, die 't al volbrengt, En met 's donders schor geluid Bliksemvuur en regen mengt;
God brengt winden, door één woord.
Uit zijn schatgewelven voort.
5. God, «lie vreeslijk is en groot.
Sloeg, zijn' heilgen naam ter eer.
Alle d' eerstgeboornen dood,
Velde vee en menschen neer,
Daar Hij teeknen van zijn kracht Over gansch Egypte bracht.
6. Hij verbaasde Faro's hof,
Sloeg de volkeren alom,
Wierp de koningen in 't stof,
Sihon, Og, en 't vorstendom Van den trotschen Kananiet En den stouten Amoriet.
7. Isrel kwam door VHoogsten hand
In 't bezit van hunnen staat:
God gaf hun gezegend land
Tot een erf aan Jakobs zaad.
heer, uw naam en majesteit Blijven tot in eeuwigheid.
PAUZE.
8. Van geslachte tot geslacht'
Wordt, naar onzen duren plicht,
Bij het volk uw gunst herdacht.
Wijl Gij zelf, o heer, hen richt.
Ãn aan hen, schoon diep in schuld, Met berouw gedenken zult.
9. D' afgoón van het heidendom,
Goud of zilver, goón in schijn,
Hebben lippen, maar zijn stom;
Zij, die 't werk van menschen zijn,
Daar men geenen geest in vindt.
Hebben oogen, maar zijn blind.
10. Oo-
246
PSALM 135, 136.
10. Oorcn ziet men aan hun hoofd.
Maar zij lioorcn er niet mee;
Zij, \an ademtoclit beroofd.
Zijn nog minder dan liet vee.
Die tot hen om hulp genaakt Worde hun gelijkgemaakt.
11. Israëliërs, looft al t' saam
Uwen God, den God der eer;
loof. Aarons huis, zijn naam;
Huis van Levi, loofden meer;
Looft, gij allen, die Hem vreest.
Looft Hem met verheugden geest.
12. Sion , loof met dankbre stem
God, uw heer, die eeuwig leeft.
En het schoon Jeruzalem
Door zijn woning luister geeft;
Loof Hem voor uw heilrijk lot;
Loof al juichend uwen God.
DE HONDERD ZES EN DERTIGSTE PSALM.
Looft den grooten God, wiens troon Hooger rijst dan die der goón:
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
Looft der heeren Opperheer;
Buigt u need rig voor Hem neer;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
Looft Gods macht, die, onbeperkt,
Gadelooze wondren werkt;
Want zijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
Looft Gods wijsheid: door zijn woord Bracht Hij al de heemlen voort;
Want zijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
6. ü' aard'
247
PSALM 136.
6. 1)' aard' llicf uit tier waatrcn sellout Zieli omhoog, toen 't Geil gebood;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
7. God schiep aan des hemels traus Grootc lichten, rijk van glans;
Want lijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
8. Aan de zon schonk Gods gezag !)â opperheerschappij bij dag;
Want zijn gunst, alom verspreid,
Zal bestaan in eeuwigheid.
9. Maan en sterren, min in pracht.
Schonk Hij heerschappij bij nacht;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal beslaan in eeuwigheid.
EERSTE PAUZE.
10. Looft Hem, die Egypte's staat Sloeg in 't eerstgeboren zaad;
Wat zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
11. l.ooft den heer , wiens heerschappij Isrel voerd' uit slavernij;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
12. Looft den HEER, wiens sterke hand Isrel leidd' uit Faro's land;
Mant zijn gunst, alom verspreid.
Zal beslaan in eeuwigheid.
13. Looft Hem, die het roode meir Heeft verdeeld voor Mozes' heir;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
14. Die, door dien verdeelden plas Israels geleider was;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
15. Die vorst Faro's legermacht
In de Schelfzee t' onderbracht;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
16. Die zijn volk, als bij de hand.
Leidde door woestijn en zand;
Want zijn gunst, alom verspreid.
Zal bestaan in eeuwigheid.
17. Die
248
PSALM 136, 137.
17. Die, tot wering Tan van 't geweld, Koningen heeft neergeveld;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
18. Die de vorsten, trotsch van moed, Heeft doen smoren in hun bloed;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
T W E E D E I' A ü Z E.
19. Looft Hem, die den Amoriet Van zijn grootschen zetel stiet;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid,
20. Looft Hem, wiens geduchte macht Bazans koning t'onderbracht;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
21. Die hun land, dat d' oogen streelt, Israël heeft toegedeeld;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
22. Looft Hem, nu die erfenis Naar zijn woord bevestigd is;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
23. Die in onzen lagen stand Uns genadig bood de hand;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
24. Die ons, onder 't leed gebukt.
Heeft uit 's vijands macht gerukt;
Want zijn gunst, alom verspreid, Zal bestaan in eeuwigheid.
25. Looft Hem, looft Hem, al wat leeft, Die al 't vleesch zijn voedsel geeft;
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
26. Geeft den God des hemels eer;
Lof zij aller schepslen heer;
249
Want zijn gunst, alom verspreid. Zal bestaan in eeuwigheid.
DE II O X D E ft 1) Z E V E X EN DEftTlGSTE PSALM
Wij za - ten neer, wij ween-den langs de zoomen
P S A L M 137.
Ã0e\
men Van Ba - by-lons wijd-uit-ge-brei - lt;le
stroo - men; Elk stort-te ilaar zijn bit - tre
Jam-mer-klacht, Als bij met smart aan't bei-lig
Si - on (laclit; Elk, wars van vreugd' en vroo - lij-
-Jâ^
ke ge - /.an - gen. Liet daar zijn harp aan
som - bre wil - gen ban - gen.
2. De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen, 't Gevangen volk, in zijne jammren, vergen.
Dat elk zijn Iiart, schoon overstelpt, bedwong. En een gezang uit Sions liedren zong.
Hoe zou (zeid' elk) ons, die in rampen zwoegen, In 't vreemd gewest een lied des li keken voegen Vquot;
3. Jeruzalem, dat, zoo ik u vergete.
Mijn rechterband niet van zich zelve wete;
Dat mijne tong aan mijn gehemelt' kleevquot;.
Indien ik u niet steeds mijn achting geev'; Zoo ramp of leed mijn hart van Sion schcure.
En ik Gods stad mijn hoogste vreugd niet keiire.
4. Gedenk, O HEER, gedenk aan d' Edomieten, Aan Salems dag, toen wij ons land verlieten.
Dien bittren dag, zoo vol van grievend leed; Gedenk aan ben, die, zoo ontaard en wreed. Nog zeiden, toen v ons zagen overvallen:
Ontbloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen.quot;
5.0 Babyion, wij zien eerlang n straffen.
Gelukkig hij, die u zal loon verschaffen,
Die u vergeldt al wat g' ons hebt misdaan; Gelukkig bij, die u terneer zal slaan. Uw kinderkens zal grijpen, o gij trotschen. En wreedelijk verplettren aan de rotsen.
250
1' S A L 31 138.
DE HONDERD A(]HT EN D E R T 1 G S T E 1' S A L M.
hoo-gen toon Met psal-men prij-zen; Ik
zal mij bui - gen, op uw eisch. Naar uw
pa - leis, Het hol' der ho - - ven.
^pipü^SÃSi^l
En, om uw gunsten waar-licid saam, Uw
Ei
groo - ten naam Eer -bie - dig lo - ven.
2. Door al uw deugden aangespoord,
Hebt Gij uw woord En trouw verheven;
Gij hebt mijn ziel op haar gebed Verhoord, gered.
Haar kracht gegeven. Al 'saardrijks vorsten zullen, heer. Uw lof en eer Alom doen hooren,
Wanneer de rede van uw mond Op 't wereldrond Hun klinkt in d' ooren.
3. Dan zingen zij, in God verblijd.
Aan Hem gewijd.
251
i
Van 's HE eren wegen;
Want
PSALM 138, 139.
Want groot Is 's li EE n ex heerlijklieid,
Zijn majesteit Ten top gestegen.
Hij slaat toch, sclioon oneindig hoog, Op hen het oog,
Die needrig knielen.
Maar ziet van ver met gramschap aan Den ijdlen waan Der trotsche zielen.
4. Als ik. omringd door tegenspoed, Be/.wijken moet.
Schenkt Gij mij leven;
Is 't, dat mijns vijands gramschap brandt. Uw rechterhand Zal redding geven.
De heek is zoo getrouw als sterk;
Hij zal zijn werk Voor mij volenden.
Verlaat niet wat uw hand hegon, 0 Levensbron;
252
Wil bijstand zenden.
3=
i
2. G' om-
de honderd negen en dertigste psalm.
Niets is, o Op - per-ma - jes-teit, Be-
Ãfl
dekt voor uw al - we - tend-heid; Gij kent
ES
me; Gij doorgrondt mijn daamp;n; Gij weet mijn
zit - ten en mijn staan ; Wat ik beraad' of
lt;^4 ^ \~^tr r-\
wil be - trach - ten, Gij kent van ver - re
mijn ge-dach-ten.
1» s a l m 139.
2. G' omringt mijn gaan en liggen; Gij,
O heer, zijt altoos nevens mij.
Uw onbepaalde wetenschap Kent mijnen weg van stap tot stap.
Geen woord is nog mijn tong ontgleden, 01' Gij, Gij weet alreeds mijn reden.
3. Gij hebt van achtren mij bezet;
Vooruit wordt mij de vlucht belet;
Ik word bepaald door uwe hand.
Hoe zou ik met mijn zwak verstand
Naar uwe wondre kennis streven?
Z' is mij te groot, te hoogverheven.
4. Waar zou ik uwen Geest ontvliên?
Waar zou m', o heer, uw oog niet zien? Al voer ik op naar 's hemels trans, -Daar zijt Gij, daar vertoont G' uw glans;
Al daald' ik zelfs ter helle neder,
Daar vond ik ook uw aanschijn weder.
5. Al nam ik van den dageraad Do vleugelen des lichts te baat,
AI waar' aan 't uiterste der zee De plaats van mijne legerstee,
Daar zond' ook uwe hand mij leiden, Uw rechterhand niet van mij scheiden.
6. Indien ik zeg; »De donkerheid «Bedekt mij voor uw majesteit,quot;
Dan is de nacht een helder licht.
Dat mij ontdekt aan uw gezicht:
Voor U, o heer, is 't aaklig duister Den dag gelijk in glans en luister.
7. Gij hebt mijn gansch gestel doorgrond.
Zelfs vóór mijn eersten levensstond.
Ik ben verbazend voortgebracht.
Op 't nagaan van uw wondre macht Sla ik verrukt het oog naar boven;
'k Zal U, mijn Schepper, altoos loven.
PAUZE.
8. Mijn ziel bepeinst uw wonderdaèn,
Die al 't begrip te boven gaan.
Uw oog heeft mijn gebeent' verzeld.
Toen ik, verborgen, saamgesteld
Als een borduursel, lag verscholen:
Van mij was niets voor U verholen.
9. Gij hebt, wijl niets uw oog weerhoudt.
Mijn ongevormden klomp beschouwd;
Ja Gij, wiens wijsheid nimmer faalt,
Hadt mijn geboortestond bepaald;
Eer iets van mij begon te leven,
Was alles in uw boek geschreven.
10. Hoe
253
254 I'S ALM 139, 140.
10. Hoe dierbaar zijn m' uw wondenlaan! Zij /.ijii oiimooglijk na te gaan.
Hoe menigvuldig zijn l', o heek!
Zou il; die tellen? 'k Zou veeleer 't Getal der korlen zands bepalen. Uw wondren zijn niet af te malen.
11. Wanneer ik in den nacht ontwaak, Ben ik bij II, mijn zielsvermaak.
0 God, laat door uw groote maclit De boozen worden omgebracht;
Doe, doe ben voor uw arm bezwijken. Gij, bloed vergieters, gij moet wijken,
12. Stel hunnen hoogmoed perk en paal: Zij hounen I; door snoode taal;
Z' ontzien zicb niet, U t' allen stond' Te lasteren met hart en mond.
Daar zij, ten spot van uw vermogen. Al uwer haatren trots Yerhoogen.
13. Zon 'k lien niet haten in mijn hart,
Wier snoode haat uw goedheid tart? Zou ik hen, die U weerstand bièn.
Niet niet verdrietig' oogen zien?
'k Zal hen altijd volkomen haten. Die trotschlijk uwen dienst verlaten.
14. Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER. Is 't geen ik denk niet tot uw eer? Beproef m', en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt; En doe mij toch met \aste schreden Den weg ter zaligheid betreden.
2. Jtcd
PSALM 140.
2. Red mij van hen, die kwaad bedenken,
Die daaglijks samen zich beradn.
Om mij door 't oorlogszwaard te krenken, En t' eenemaal terneer te slaan.
3. Hun tongen scherpen zij als slangen;
Zij smeden valscheid en bedrog; Zij passen loos op mijne gangen. Met monden vol van adderspog.
4. Bescherm mij voor de goddeloozen,
O heer, o Rechter van 't heelal!
Verlos mij van 't geweld der boezen. Die niets bedoelen dan mijn val.
5. De trotsclien, nijdig om mijn zegen.
Belagen mij met koord en net;
Zij hebben heimlijk op de wegen Voor mij een valstrik uitgezet.
(». Ik dacht in mijn verdriet te smoren;
Dies riep ik: «heeu. Gij zijt mijn God: -Neem mijne smeekingen ter ooien; quot;Verzacht in 't eind mijn droevig lot.quot;
PAUZE.
7. 0 HEER, mijn rotssteen, mijne sterkte. Gij hebt mij steeds tot heil verstrekt. En in den strijd, daar 't elk bemerkte.
Mijn hoofd als met een schild bedekt.
S. Laat nooit des boozen wensch gelukken. Maar stuit hem, eer zijn hand mij treff'; Verhinder zijne gruwelstukken.
Opdat hij zich niet trotsch verhefT. 9. Doe tot vergelding, heer'der heeren. Op mijner haatren moedig hoofd Den smaad der lippen wederkeeren.
Die mij van al mijn eer berooft.
10. Schud, daar zij dus mijn roem verkorten.
Schud vuurge kolen op hen uit;
Laat hen in 't vuur, in kuilen storten;
Geef hen aan 't nare graf ten buit.
11. Een lasteraar, een leugenspreker
Zal nooit op aard' bevestigd zijn. Men Jaag' een twist- en onrustkweeker, Totdat hij uit elks oog verdwijn'.
12. Ik weet, dat God, getrouw In 't richten.
255
Des armen rechtzaak, daar hij schreit, Hoe valsch hem d' ontrouw moog' betichten. Beslissen zal naar billijkheid.
13. De
psalm 140, 141.
256
I
13. De vromen zullen U vcrlioogen, Gezegend door uw milde liand; 1)' oprechten zullen voor uw oogen Steeds bloeien in gewenscliten stand.
de hon de nu een' ex veertigste psalm.
-'i
'k Roep, heer, in angst tot U ge-vlo-den;
âj-
Ai, haast U tot mijn hulp, en red; Hoor
pia
naar de stem yan mijn ge - bed. Daar ik U
aan- roep in mijn noo - den.
2. Mijn beè, met opgeheven handen,
Klimm, voor uw heilig aangezicht. Als reukwerk, \oor U toegelicht, Als offers, die des avonds branden.
3. Zet. heer, een wacht voor mijne lippen;
Behoed de deuren van mijn mond, Updat ik mij tot geenen stond Iets onbedachtzaams laat' ontglippen.
4. Neig nooit mijn hart tot kwade zaken.
Om tot godloosheid mij te spoên Met mannen, die verkeerdheèn doen; Laat mij hun lekkernij niet smaken.
5. D' oprechte sla mij zonder vreezen:
Ik reken zulks weldadigheid;
En zijn bestraffing, die niet vleit, Zal olie op mijn schedel wezen.
PAUZE.
6. Dat slaan zal mij het hoofd niet breken;
'k Zal, door dat liefdeblijk vermaakt. Als een uit hen in rampspoed raakt, Te vuurger om zijn redding smeeken.
7. 'k Heb hunne rechters vrij gelaten;
De rots getuigt; elk heeft gehoord, Hoe aangenaam mijn vriendlijk woord Was ingericht tot die mij haten.
ga
Men
PS A L M 141, 142.
8. Men heeft ons wreed vaneengereten?
Verstrooid als beendren aan het graf, Als iets, daar niemand acht op gaf, Geklooid, verdeeld, en weggesmeten.
9. Doch op ü zien mijn schreiend' oogen;
üp U betrouw ik in 't verdriet.
Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet, 0 heer, o eenwig Alvermogen!
10. Bewaar mij voor 't geweld der strikken.
Die tot mijn val mij zijn gelegd Door hen, die, wars van 't heilig recht. Het booze doen all' oogenblikken.
11. Dat, die godloos zijn, siddrend vreezen.
Elk hunner in zijn garen vall'.
Totdat ik onverhinderd zal Voorbijgegaan en veilig wezen.
iiiü
5. Ik
;Eg^=^E
zijn aan - go - zicht mijn klacht In mijn lie-
nanwdheid voort-ge-bracht.
2. Als mij geen hulp of uitkomst bleek. Wanneer mijn geest in mij bezweek.
En overstelpt was door ellend'.
Hebt Gij, o heer, mijn pad gekend.
3. Zij hebben, vol arglistigheid.
Een strik op mijnen weg gespreid.
'k Zag uit, in nood, ter rechterhand. Maar vond noch vriend noch onderstand.
4. 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen. Zoodat mijn dood voorhanden scheen.
En alle hoop mij gansch ontviel,
Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
257
I' S A L M M2, 143.
5. Ik riep tot ü; ik zeid': «o ITEEK.
gt;Gij zijt mijn toevluclit, sterkt' en eer;
â Gij zijt, zoolang ik leef, mijn deel,
â Mijn God, wien ik mij aanbeveel.
tgt;. 'Hoor mijn geschrei: 'k bon uitgeteerd. Door mijn vervolgers overheerd. ⢠Ai, help en red mij uit den nood, 'Want hunne macht is mij te groot.
7. «Voer mij uit mijn gevangenis,
â Tot roem uws naams, die heerlijk is:
â Dat mij 't rechtvaardig volk omring',
â En vroolijk van uw wehlaèn zing.quot;
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
ii w ge - rech - tig -heid. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2. Wil uwen knecht, door schuld verslagen,
0 iiEEii, niet voor uw vierschaar dagen;
Want niemand zal in dat gericht.
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen. Rechtvaardig zijn voor uw gezicht.
3. Ik zie mijn ziel vervolgd door snooden;
Ik zie, voor 's vijands liaat gevloden.
Mijn leven in het stof vcrtreèn;
Ik lig, helaas, gelijk de dooden.
Omringd van nare duistcrheên.
4. Dit overstelpt mijn geest met rouwe:
Als ik mijn deerlijk lot beschouwe,
Be-
258
PSALM 143.
Bezwijkt mijn afgefolterd hart.
Gij weet, dat ik op U betrouwe,
Algoede God; genees mijn smart.
6. ik denk, in 't midden der gevaren.
Nog aan uw gunst van vroeger jaren;
Ik tracht uw werken na te gaan.
0 God, wie kan U evenaren?
Hoe heerlijk zijn uw wonderdaan!
li. ik hef mijn handen naar den Imogen;
Mijn ziel is voor uw alziend' oogen,
Gelijk een dor, een dorstig laud.
Dat sedert lang ligt uit te drogen.
Verkwijnend' in dien doodschen stand.
1' A U Z li.
7. iieeh, doe mij spoedig ademhalen;
Wil mijn bezweken geest bestralen;
Veiberg m'uw vriendlijk aanschijn niet:
Ik zal eerlang ten grave dalen.
Indien Gij mij geen bijstand biedt.
S. Laat mij uw dierbre goedheid prijzen.
Wanneer ik 't morgenlicht zie rijzen:
'k Betrouw op U in mijn ellend'.
Wil mij het ware heilspoor wijzen:
Mijn ziel heeft zich tot LI gewend.
9. 0 heer, mijn toevlucht, hoor mij klagen;
Verlos mij uit des vijands lagen;
Red mij van hen, die mij vertreen:
Ik schuil iu mijn benauwde dagen Bij ü, mijn God, bij li alleen.
10. Leer mij, o God van zaligheden.
Mijn leven in uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand.
Uw goede Geest bestier' mijn schreden.
En leid' mij in een effen land.
11. Laat uwe gunst mij niet begeven;
Schenk mij, om uwes naams wil, leven;
Laat mijne ziel, die tot U schreit.
Van haar benauwdheid zijn ontheven;
Red mij om uw gerechtigheid.
12. Laat nooit mijns vijands wenscli gelukken;
Koei z' alleu uit, die mij doen bukken.
Om uwe gunst, mij toegezegd;
Verdelg hen, die mijn ziel verdrukken,
Want ik, o MEER, ik ben uw knecht.
DE
259
P S A L M 144.
DE HONDERD V I E It E N VEERTIGSTE PSALM.
Ge - ze - gend zij de HEER,diet*al - len tij-
33
Â¥
i
arm mij wil ver - boo - gen; Die heerschap-
pij en roem en sterk-te geelt, En die mijn
volk mij on - der-wor- pen heelt.
2. Wat is de mensch? Wat is in hem te prijzen, Dat Gij, o heer, hem gunsten wilt bewijzen.
Dat Gij hem kent? AVat is des menschen kind. Dat Gij het acht, en zoo getrouw bemint? Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen:
Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen, Hoe groot, hoe sterk hij op deez' aarde zij. Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.
3. Daal neder; neig, in gramschap fel ontstoken, Uw heemlen; raak de bergen, dat zij rooken,
260
En bliksem, HEER, uw bliksems op den grond ; Verstrooi hen; zend uw pijlen uit in 't rond;
Ver-
P S A L M 144, 145.
Verniel lien; steek uw handen uit den hoogen; Ontzet mij; toon uw godlijk alvermogen,
En ruk mij uit een zee van ramp en nood: Der vreemden hand dreigt mij een wissen dood.
4. Hun mond is vol van lastren en van liegen; Hun rechterhand bevlekt zich met bedriegen.
Ik heilig Ã. na al mijn zielsverdriet,
Getrouwe God, een nieuw en vroolijk lied. Ook zal mijn luit en harp van U niet zwijgen. Die koningen de zege doet verkrijgen;
Die uwen knecht, die David gunstig redt. En door uw arm van 't booze zwaard ontzet.
PAUZE.
5. Ontzet mij; red mij uit der vreemden handen. Wier leugenmond mij wreeviig aan durft randen:
Hun rechterhand wordt door de list bestierd. Daar z' aan 't bedrog den ruimen teugel viert. Zoo zullen zich, als planten, onze zonen In hunne Jeugd reeds groot en sterk vertoonen; De dochters zijn, als steenen, naar den eisch Gehouwen, op de hoeken eens paleis.
6. Zoo word' in 't land de handel ruim gedreven, En voorraad steeds na voorraad uitgegeven;
Zoo blijk' uw gunst, die 't vee in overvloed, hij duizend, ja tienduizend werpen doet. Ons rundervee zij sterk en weigeladen;
Geen uitval of geen inbreuk moog' ons schaden; Dat geen gekrijsch de rust der stad verstoor'. Noch iemand daar van boozen oproer hoor*.
7. Welzalig is het volk, dat, dus gezegend.
Dit heuglijk lot door 's Hemels gunst bejegent; Welzalig is het volk, dat, bij 't genot Van overvloed, den heep heeft tot zijn God.
Ei
DE HONDERD VIJF EN VEERTIGSTE PSALM.
O God, mijn Goil, Gij al - Ier Tor-sten
-~-l
Heer, Ik zing verheugd uw'groo-ten naam ter
f4â
eer. Ik zal den roem van u - we ma-
jes-
261
262 p s A L M 145.
8_ ._
m
m
sas
jes - teit Ver-hoo-gen tot in d'cindlooz'
s
ccu - wig - licid. 'k Zal dag aan dag U
eer en dank be - wij - zen. De heer is
groot; al t schep-sel moet Hem prij-zen; Zijn
§
groot-heiil streeft liet kloekst Ije - grip te Iki-
üpisü
ven. Laat elk ge-slacht zijn werk en
mmmrn
al-macht lo - ven.
Ik zal, o heek, dien ik mijn Koning noem. Den luister van uw majesteit en roem Verbreiden, en uw wonderlijke dafiii Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks Juichend hart zal uw geducht vermogen. De groote kracht van uwen arm verhoogen. Ik zal mijn stem niet aller lofzang paren. En overal uw grootheid openbaren.
Zij zullen, uit de volheid van 't gemoed. Gedachtig aan den milden overvloed Van uwe gunst, die roemen bij elkeen, En juichen van al uw gerechtigheên. De heer is goed eu vriendlijk en weldadig, Barmhartig, mild. lankmoedig en genadig: Hij doet zijn gunst aan allen klaar bemerken; Zijn goedheid is verspreid op al zijn werken.
PAUZE.
Al wat Gij wrocht, zal juichen tot uw eer; Uw gunstvolk zal verblijd U zeegnen, heer, En roemen van uw koninkrijk, uw macht. Uw heerlijkheid en goddelijke kracht;
rt:
Om
PSALM 145, 146.
Om, waar zich 't hart ooit voelt in leerzucht blaken, Uw heerlijkheid, uw macht bekend te maken, En d' eer uws rijks, zoo groot, zoo hoogverheven, Voor aller oor den hoogsten roem te geven
5. Uw heerschappij verduurt zelfs d' eeuwigheid. Uw koninkrijk is eindloos uitgebreid.
Gij ondersteund hem, die voor 't onheil zwicht; Wie nederstort, wordt door U opgericht.
't Ziet al op ü; 't blijft alles op U wachten; Gij sterkt door spijs ter rechter tijd hun krachten; G' ontsluit uw hand, ontfermend en weldadig.
Opdat uw gunst al wat er leeft verzadig'.
6. De heer is recht in al zijn weg en werk;
Zijn goedheid kent in 't gansch heelal geen perk; Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht;
Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht. Dat, ongeveinsd, in 't midden der ellenden Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden; Hij geeft den wensch van allen, die Hem vreezen; Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.
7. De heer bewaart de ziel, die Hem bemint.
Maar Hij verdelgt dien Hij godloos bevindt.
Mijn blijde tong zal roemen in den heer.
263
En alle vleesch zal juichen tot Gods eer.
1) e h o x d e r i) zes e x vee r tigs t e p s a l m. Prijs den heer met blij - de gal-men; Gij, mijn ziel, hebt rij - Iw stof. k Zal, zoo-lang ik
p S a l m 146, 147.
2. Vest op prinsen geen betrouwen,
Daar men nimmer heil bij vindt.
Zoudt uw hoop op menschen bouwen? Als Gods hand hun geest ontbindt, Keeren zij tot d' aarde weer.
Storten met hun aanslag neer.
3. Zalig hij, die in dit leven
.fakobs God ter Iiuipe heeft;
Hij, die, door den nood gedreven.
Zich tot Hem om troost begeeft; Die zijn hoop. in 't hachlijkst lot. Vestigt op den heer, zijn God.
4. 't Is de HEER, wiens alvermogen
't Groot heelal heeft voortgebracht, Die genadig uit den hoogen Ziet, wie op zijn bijstand wacht. En aan elk, die Hem verbeidt.
Trouwe houdt in eeuwigheid.
p A ü z E.
5. 't Is de heer, die 't recht der armen,
Der verdrukten gelden doet;
Die, uit liefderijk erbarmen,
Hongerigen mildlijk voedt; Die gevangnen vrijheid schenkt. En aan hun ellende denkt.
6. 't Is de HEER, wiens mededoogen
Blinden schenkt het lieflijk licht. Wie in *t stof lag neergebogen.
Wordt door Hem weer opgericht. God, die lust in waarheid heeft.
Mint hem, die rechtvaardig leeft.
7. 't Is de heer, die vreemdelingen
Met een wakend oog beschouwt, Weeuw en wees in twistgedingen En in kommer staande houdt;
Maar zijn arm, der vromen hoop.
Stuit de boozen in hun loop.
8. 't Is de heer van alle heeren,
Sions God. geducht in macht.
Die voor eeuwig zal regeeren, Van geslachte tot geslacht.
Sion, zing uw' God ter eer;
Prijst zijn grootheid ; loof den Heer.
264
| ||||||||||||||
|
Laat'sHEE-REN lof ten he-mei rij - zen. Hoe |
Die lief-lijk zijn en har - ten tref - len. ^ De iiEEit wil ons in gunst aansciiou-wen: Hij wil Je - ru - za - lem lier-bon-wen;
Yer - - ren en in vree doen llt;? - ven
Hen, die uit Is - rel zijn ver - dre - ven.
2. llij heelt gebrokenen van harte,
Kn Hij verbindt z' in hunne smarte.
Die, in hun zonden en ellenden.
Tot Hem zich ter genezing wenden.
Hij telt het groot getal der starren.
Die 't scherpst gezicht op aard' verwanen;
Hij roept dat talloos heir te zanien,
En noemt die allen bij haar namen.
li. Zeer groot is onze HEEK, vol krachten;
Onpeilbaar diep zijn Gods gedachten.
Daar zijn verstand, nooit al' te meten, Ver overtrel't al wat wij weten.
/achtmoedigen wil Hij bewaren;
Hij houdt ze staand' in hun gevaren;
Maar goddeloozen doet Hij bukken.
Bezwijken onder d' ongelukken.
4. Zingt beurtelings en dankt den HEEitE;
Zingt psalmen onzen God ter eere.
Dien God, die voor bet oog der volken Den heemlen dekt met dikke wolken;
Die
12
PSALM 147.
Die il' aarde kroont met gunst en legen. En haar besproeit met vruclitbren regen;
Die 't gras, door mild' en frissclie ilroppen, Doet groeien op de heuveltoppen.
I' A IJ Z E.
5. God wil al 'I vee steeds spijzen, laven; Hij hooit de stem der jonge raven;
Hij heelt geen lust aan 's menschen krachten. Aan hen, die daaruit heil verwachten. Oe macht van 't paard en 's mans vermogen Zijn heide nietig in zijn oogen;
Aan die vertrouwen op hun heenen Wil Hij geen gunst of hulp verleenen.
(gt;. De HEKli hetoont zijn welbehagen
Aan hen, die needrig naar Hem vragen. Hem vreezen, zijne hulp verheiden,
Kn door zijn hand zich laten leiden;
Die. hoe het ook moog' tegenloopen.
Gestadig op zijn goedheid hopen.
O Salem, roem den HEEK der heeren ; Wil uwen God, o Sion, eeren.
7. Hij wil in gunst uw heil bewerken.
De grendels uwer poorten sterken,
En zegent in uw land uw kindren;
Hij doet geen krijg uw wasdom hindren; Hij deelt dén liefelijken vrede Zelfs aan uw verste grenzen mede;
Met vette tarw' wil Hij u spijzen.
En kronen met zijn gunstbewijzen.
8. Hij zendt op aarde zijn hevelen;
Zijn woord loopt snel door 's werelds deelen; Hij geeft de sneeuw, om 't land te dekken En tot een zachte wol te strekken,
W ier wondrc vlokken, voor elks oogen.
Gods macht eu wijsheid klaar betoogen; 01' strooit weer. ten bekwamen stonde, Den rijm, als stuivend' asch. in 't ronde.
9. Wie zou niet voor Gods grootheid bukken'.' Hij werpt zijn ijs daarheen als stukken.
Wie zal bestaan voor zijne koude?
Daar niemand die verduren zoude.
Moet rijm en ijs weer met elkandren.
Up zijn bevel, in vocht verandren;
Want, waait zijn wind, de waatren vloeien. Rivier en beek begint te groeien.
10. Hij gaf aan Jakob zijne wetten.
Deed Isrel op zijn woorden letten;
Hij leerde z' in zijn wegen wandlen. Zoo wou Hij met geen volken handlen;
PSALM 147, 148.
Die moesten zijn getuigenissen En zijn yerbondsgelieimen missen.
Laat dan Gods lolquot; ten hemel rijzen; Laat al wat adem heeft Hem prijzen.
I» i: II O N' I) E R D A C H T EN VEERTIGSTE I» S AL M.
l.oot't God, xingt eeu-wig's HEK-REN lol'. Gij,
-t=:|.:' 'I
die in 't glansrijk lie - itu'1 - hol'. üic in dc
-4= U i =1-1 = 1.
lioog-stc plaat-scn woont, Uaar God ii zijn na-
bij - held toont; Looft Hem, gij eng-len, le- ger-
~rlJlquot;l^lr rl^ ^lr rlr
mach-ten. Die op zijn wil en wenk blijft wach
Grij.
Looft d'Almacht, looft der lich - ten Bron.
2. Verbazend hof van d' Opperheer, Gij, hoogste hemel, zing zijn eer: Gij, wateren, die uit de lucht
Uw drupplen stort op veld en \nicht. Looft allen, looft Hem met gezangen. Hem, die u 't wezen deed ontvangen. Die u een perk, niet t' overtreên. Gesteld heeft door all' eeuwen heen.
3. Loof, aarde, loof Gods wonderdaan: Gij, walvisch, grondlooz' oceaan.
Gij, sneeuw en hagel, damp en gloed, Gij, stormwind, die zijn last voldoet, Gy, bergen, heuvels, landen, stroomen,
267
i» s a L m 14S, 149.
Gij, dierbre vrucht- on cederboonien.
Looft, lool't des Scheppers oppenuacht, Die ii uit niet heelt voortgebracht.
I. Looit, kruipend, wild en tam gediert'; Lool't, vogels, Hem, die '{ al bestiert; Gij, koningen en rechters, saam. Gij, vorsten, volken, roemt Gods naam; Gij, maagden, en £?ij. Jongelingen,
Laat nimmer at' /ijn lot' te zingen; Kerwaarde grijsheid, 1'rissche jeugd,
Weest in den God uws lieils verlieugd.
5. Looft, looft met waar' erkentenis Zijn naam, «lie hoogverheven is;
Dewijl zijn wondre majesteit Door aard' en hemel is verspreid.
Hij wou den hoorn, zoo vol vermogen. Don roem van Israël verhoogen.
Dat woont bij Hem; 't heeft zingens stof. Looft God, zingt eeuwig 's ueëkex lof.
I) K li O X 1) e UI) NE G E N e X V E E 11 T I li S T E 1' S A LM.
l:^E 1~ I
Looft, looft den heer, dien on - be-dwon-gen 1^ ^ |:»^ |:° [ -- | â ' |-= 1 Ken nieuw ge - zang zij toe - ge - zon-gen
In't mid-den zij - ner gun - ste-lin - gen, Die
i . .| = K=!. .NU:
loov' en tlank'; Dat Si - ons kroost met lof - go-
J J 1^1^1^-11â=
juich Zich voor zyn Ko-ning buig'
2. Laat
2(»S
P S A I, M 149, 150.
2. Laat tl' ijvrri^ tempelreien
Op lluiteii 's Hoogste» naam verbreien, Hnn psalmgezangen vroolijk paren Met trommelen en snaren.
Nu God met lust zijn oogen slaat Op Jakobs uitverkoren zaad, Zachtmoedigen zijn gunst betoont. En hen met heil bekroont.
3. Op 't heuglijkst zien zijn gunstgenooten Door 't heilsieraad iitm eer vergrooten; Dies mogen zij van blijdschap springen,
En op hun legers zingen.
Het lied, gewijd aan 's iieeken lol', Die hooger rijst dan 't hemelhol'. Vervult hun keel; hun hand aanvaardt Een scherp tweesnijdend zwaard.
4. Dus wil d' Almachtig', op hun smeeken. Door hen zich aan de heidnen wreken. Door hen de wreevle volken straflen,
Elk loon naar werk verschafTen, Hun koningen in ketens slaan. Hun grooten doen in boeien gaan. En 't recht, gelijk 't beschreven staat. Volvoeren naar zijn raad.
5. Zoo zal de heerlijkheid der vromen
Op 't luisterrijkst te voorschijn komen: Zoo schenkt Gods goedheid hun begeeren. l ol' zij den HEER der heeren!
I) E M O gt;' I) E R Igt; V l.l F T 1 G S T E !⢠S A L M.
I.ool't God, looit zijn naam al - om; Looft
.
---
Hem in zijn hei - lig - dom; Looit des
li EE - ren groo - te macht In den he - mei
üiT;
zij -ner kracht; Looft Hem om zijn mo-gend-
heden;
269
|
270 PSALM 150. | ||||||||||||||||
|
Van /.ijn heer-lijk ko-iiink - rijk, Voor zijn
troon en hier be - ne - den.
2. Looft God met bazuingeklank;
Geeft Hem eer; bewijst Hem dank; Looft Hem met de harp en luit; Looft Hem met de trom en (luit;
Looft Hem op uw blijde snaren.
Laat zich 't orgel overal Bij het juichend vreugdgeschal, Tot des Heeren glorie, paren.
3. Looft God, naar zijn hoog bevel. Met het klinkend cimbelspel;
Looft Hem op het schel metaal Van de vroolijke cimbaal;
Looft den heer; elk moet Hem eeren. AI wat geest en adem heeft.
Looft den heer, die eeuwig leeft: Looft verheugd den he eu der heeren.
EINDE l) E II P S A L M E N.
E E N I G E
GEZANGEN.
de tienquot; g e ii o d e x hes ii e e ii e x. Exod. XX : 1â17.
-lt;sl- -5-^
^ lquot;l
Mijn ziel, lier-donk met hei - lig be-ven,
.UU-NH-I
wet op
Uaar
1
Hoe Golt;l, niet ma -jes-teit be-kleed. Zijn
Ho - reb heeft ge - ge
Hij iloez'woor-ilen lioo-run ileni:
2. Ik ben de heer, uw God en Koning,
Die van Egypten u bevrij,
â U leidend' uit uw slaal'sclie woning;
â Dient dan geen goden nevens Mij.
3. .Voor beeldendienst zult gij u wachten:
Ik ben de heer, een ijvrig God;
«'k Straf dien in drie en vier geslaeliten,
«Maar scbenk mijn' dienaars 't zaligst lot.
4. «Misbruikt geenszins den naam des iieerek;
⢠Zweert nimmer eenen valscben eed;
⢠Waut Iiiiii, die zijnen naam onteeren,
«Is zijn getergde wiaak gereed.
5. Ge-
D E LOF Z A N G V A N M A R I A.
5. 'Gedenkt en viert met vee en magen Den Sabbath, na .zesilaagsclie vlijt: ⢠God schiep 't heelal in zooveel dagen,
«En heeft den Sabbath zich gewijd.
0. Gij zult uw ouders needrig eeren,
Opdat uw God, die eeuwig leelt,
â Uw dagen gunstig moog' vermeêren ⢠In 't land, dat zijne hand u geeft.
7. 'Gij zult niet doodslaan, noch u wreken;
-15reekt nooit len echt; steelt niemands goed; Gij zult geen valsch getuignis spreken;
»Bemint elk met een vroom gemoed.
8. «Uw hart zal nimmer iets begeeren
Van alles, wat uws naasten is;
-Uw ziel zal, als uw mond. God eeren,
Kn houden zijn getuigenis.''
9. Och, of wij uw gehoon volbrachten!
Gena, o hoogste Majesteit!
Gun door 't geloof in Christus krachten.
272
Om die te doen in dankbaarheid.
I) E L O F Z A X G V A N M A KI A. l.ukas 1 : 46â55.
Mijn ziel vcr-lid't Gods eer; Mijn geest mag
blij den Hoer Mijn Za - lig-ma - kcr noe-men,
^ ;i-!-
Die, in liaar la - gen staat. Zijn dienstniaagd
niet ver-smaadt, Maar van zijn gunst doet
roe - men.
2. Want zie, om 's Heeren daan Zal elk geslacht voortaan Alom mij zalig spreken,
Wijl
DE LOFZANG V A N Z A C. H A K 1 A S.
Wijl God, na ramp en leed, Mij groote dingen deed;
Nu is zijn macht gebleken.
3. Hoe heilig is zijn naam!
Laat volk bij volk te zaam
Barmliartigiieid verwachten,
Nu Hij de zaligheid Voor die Hem vreest bereidt.
Door ai de nageslachten.
4. Des Heeren arm is sterk;
Hij deed een krachtig werk;
Die hoog zijn van gevoelen.
Heelt Hij verstrooid, verward. Met alles, wat het hart Dier trotschen mocht bedoelen.
5. Die stout zijn op liun macht, Heel't Hij versmaad, veracht,
Gestooten van de tronen;
Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed.
Waarin zijn Geest wil wonen. G. Hij heelt na lang geduld. Met goederen vervuld Der hongerigen monden:
Hij zag geen rijken aan.
Maar heelt z', in hunnen waan, Gansch ledig weggezonden.
7, Zijn goedheid klom ten top; Hij nam zijn Isrel op.
Naar 't heil, zijn' knecht beschoren. Gelijk Hij, ons ten troost. Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen.
:£â ^ -M r J -!.= ⢠'I
Heer, die aan zijn erf-volk dacht. En door zijn
273
274 I) E L O F Z A N fi V A N Z A C H A R I A S.
weeg - ge-bracht, Een lioorn «les heils heeft op - ge-
recht, 't Geen üa - vids huis was toe - ge -zegtl,
Dat wil Hij ons nu schen-ken. Ge- lijk Gods
vH-Jâ
trouw, van 'saardrijksoch-tendstond, Door der Pro-
e
fe - ten wij - zen mond. Zich hier - toe
aan illt;; va - iir - ren ver -l)i)iiil.
2. God liad hun tut hun truost gemeld. Hue zijn genéi ons redden /.on
Van onzer haatren wreed geweld.
Nu blijkt zijn onverwrikbre trouw:
Nu toont Hij zijn barmbartigheid.
Vanouds deil vaadren toegezciil,
En dat Hij wil gedenken Aan 't lieilverbond, aan dien gestaalilen eed.
Uien Hij weleer aan Abram deed,
Aan zijn verbond, dat van geen wanklen weet.
3. Hij speld' ons, dat wij t' aller tijd. Wanneer die blijde beildag rees.
Van 's vijands dienstbaar juk bevrijd. Hem dienen zouden zonder vrees.
Naar 't heilig recht, in ware deugd ü dierbaar kind. o stof van vreugd. Geschenk vau 't Alvermogen,
Hik noem' u Gods Proleet, en geev' u eer!
Gij treedt voor 't aanschijn van den Heer, En baant zijn weg door leven en door leer.
4. Dus wordt des Hecren volk geleid Door 't licht, dat nu ontstoken is,
Tot kennis van de zaligheid,
In hunne schuldvergiH'enis;
Die nooit in schooner glans verscheen
Dan
DE LOFZANG VAX SIMEON.
Dan nu, door Gods barinhaitigiieèn, Die, met ons lot bewogen,
Om ons van zond' cn ongeval t' ontslaan,
Een star in Jakob op doet gaan,
De zon des heils doet aan de kimmen staan.
275
5. Voor elk, die in liet duister dwaalt, Verstrekt deez' zon een helder licht. Dat hem in schaauw des doods bestraalt. Op 't vredepad zijn voeten richt.
k7
ilc, Nu
I) E L O F Z A N 0 V A N S I M li O N. Lukas 11 : 29â32.
Zoo Iaat Gij, Heer, uw knecht. Naar'twoord,hem
toe-ge - zegd. Thans he - neiigaan in vrc-
Nu hij uw za - lig - heid. Zoo-
^ J JU
i
lang doorhem ver - beid. Ge-zien heeftop zijn
li
be - de.
2. Een licht, zoo groot, zoo schoon, Gedaald van 's hemels troon, Straalt volk bij volk in d' oogen. Terwijl 't het blind gezicht Van 't heidendom verlicht. En Isrel zal verhoogen.
11 E ï ü E li E D DES il E E R E N. Matth. VI : 9â13.
m
0 al - ler-hoog-ste Ma - jes - tcit, Die,
HET GEKED DES 11 EE 11 E N.
in het rijk der lieer- lijk-heiil. De lieem-len amp;-F-n v - I = 1 - 1 ^r-l -# .
ly : ^1-1
hebt tot ii - wen troon, Wij roe - pen U, in
J I M
li-wen Zoon, Die voor ons heeft ge-noeg-ge-
i
daan. Als on - zen Va-der nee-tlrig aan.
2. Geheiligd word' uw naam; ai geel'. Dat elk, waar hij op aarde leev'.
Dien Vadernaam erkennen moog'.
Uw deugden roenie hemelhoog:
Dat elk, als kind, aan U gelijk'.
En in zijn doen uw beeltnis blijk'.
3. Uw koninkrijk koom' toch. o Heer! Ai, werp den troon des Satans neer:
Kegeer ons floor uw Geest en woord;
Uw lol' word' eens alom gehoord. En d* aarde met uw vrees vervuld, Totdat G' uw rijk volmaken zult.
i. Uw wil geschied', uw wil alleen,
AJs in den hemel, hierbeneèn:
Uw wil is altoos wijs en goed;
't Is majesteit, al wat Gij doet.
Dat ieder stil daarin berust',
En uw bevelen doe met lust.
5. Geef heden ous ons daaglijksch brood: Betoon uw trouwe zorg in nood:
Gij weet, wat elk op aard' behoev';
Dat ons dan geen gebrek bedroev*: Dat nooit uw zegen van ons wijk'; Die maakt alleen ons blij en rijk.
6. Vergeel' ons onze schulden, Heer: Wij schonden al te snood uw eer:
De boosheid kleeft ons altijd aan;
Wie onzer zou voor ü bestaan.
276
Had Jezus niet voor ons geleènV Wij schelden kwijt, wie ons misdeèn.
7. Leid
DE Xli ARTIKELEN DES GELOOFS.!. 277
7. I,cul ons in geen verzoeking ooit; Verberg voor ons uw aanzicht nooit;
Cr ij weet het, onze kracht is klein,
De (Ir Ut en veel, en 't hart onrein. Wat wordt er van ons in dien staat, ü Vader, zoo Gij ons verlaat?
8. Verlos ons nit des boozen macht; Bescherm en sterk ons door uw kracht;
Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is groot; Dus zijn w' elk oogenblik in nood ;
Hier komt noch vleesch en wereld hij; Ai, sterk ons dan, en maak ons vrij.
9. Want uw is 't koninkrijk, o Heer; Uw is de kracht, uw is al d* eer.
U, die ons helpen wilt en kunt.
Die, in uw Zoon, \erhooring gunt. Die door uw Geest ons troost en leidt, IJ zij de lof in eeuwigheid.
10. Ja, Amen, trouwe Vader, ja,
Wij maken staat op uw gena.
Ons hart, o God, die alles ziet.
Veroordeelt otis in 't naadren niet: Het zegt, daar G' op ons bidden let, Geloovig Amen op 't gebed.
D E EERSTE 15 E R IJ M 1 N G V A N D E Xll ARTIKELEN DES G E L O O F S.
'k Ge - loof in Goil, den Va -der,groot van macht. Die he - mei, aard' en zee heeft voort-ge-bracht; En in Gods Zoon, zijn een-gen, on-zen
I ^ - Jâ
Heer, In Je - zus, dien ik als den Christus
eer; Die uit een maagd, na heiig' ontvan-ge-
nis
278 DE XII ARTIKELEN DES GELOOFS.
uis Van 's Hecrcn Geest, voor «ns ge -lio-ren
Ã
is; Die voor ons leed in Pon - ti - us' ge-
1
rcclit, Be - spot, gc-kiuist, ge-dood, in'tgral'ge-
legd, Ter hel - le daald', en op den der-
den dag, Zijn volk tot heil, opnieuw het
gsÃââj-
ie - ven zag; Ten he - mei voer, en daar in
ifL. jl ,11 jMJJJLIiULL^
't heer-lijk le - ven Ter rech-ter-hand zijns
j M-U hl ^LjüpS
Va - ders zit ver - he-ven; Vanwaar Hij weer
1
zal ko-men op zijn troon. Ten oor - deel
â ë^am
ül
van de le- ven-den en doón.
2.'kde-loof ook in den Heii-gen Geest, dien w'ee-
±
ren, Die on - zen geest wil troosten, lei-den,
leeren.
âdr1
1=
I
DE XII ARTIKELEN DES G E L O O F S. II. 279
-4
=g=M^i=f=jWi^i
lee - ren. 'k Ge - loof' één Kerk, een al - ge-
i
meen ge - noot - scliap, Ge-hei - ligil, en ver-
gaèrd door's Hemels bood - schap; Dat Cliristus'
l-EE
i
volk in heil - gemeenschap leeft; Dat God, om 't
ia=ëiappigÃj
bloed zijns Zoons, mijn schuld vergeeft; Dat ook mijn
#=1=4-^-1-hm
\ieescli zal uit liet stof ver-rij - zen, En
l-lt;R) J lquot;J^^
ik mijn God in 't reu-wig le - ven prij - zen.
I) E T W E E I) E BE II IJ M I N G V A N 1» E T) E XII A R T I K E L E N DES GE L O O F S II.
⢠0
'k Ge - loof in God, den Va - der, die 't heel-
ll
3=
0
al Ge - scha-pen heelt en houdt in we-
liü
^Plpil
^ i
zen; En dat Hij,om zijns Zoons wil, zal
j-IrJ.LH
Mijn Va - der zijn, mijn smart ge - ne - zen.
Mij
280 DE XII ARTIKELEN DES GELOOFS II.
iÃÃiÃ
Mij sclien - ken al het noo - dig goed, En
_. lt;»gt; .
EgszlJ ab
t kwaad, dat mij op aard' ontmoet, Ge - na-dig
i
doen ten bes - te kee - ren. Zijn al-maclit
m
|
zal mij steeds be-hoèn; Dat wou Hij, als mijn | ||||||||||||
|
-zgr Va - der, doen.
2. 'k Geloof daarbij in Jezus, onzen Heer, Des Vaders Zoon, zijn eengeboren'.
Dien ik gelijk den Vader eer. Den Christus, van God uitverkoren. Ontvangen van den Geest \an God, Maria's Zoon, gehoond, bespot.
Die, in Pilatus' tijd, door lijden
En kruisdood heelt voor ons betaald. Begraven is na angstig strijden.
En dus ter helle neergedaald.
3. Hij stond weer op, ons tot gerechtigheid, Toen 't derde licht rees uit de kimmen,
Om, nu bekleed met majesteit.
Ten derden hemel op te klimmen;
Daar Hij, in hoogstverheven stand. Ten troon zit aan Gods rechterhand. Van waar wij Hem ten oordeel wachten
Met englen en bazuingeschal,
\\ anneer Hij alle de geslachten,
't Zij dood of levend, richten zal.
4. 'k Geloof ook in den Heilgen Geest, die één Met Zoon en Vader is in wezen;
^3
'k Geloof één Kerk, die algemeen. Die Christlijk, van God uitgelezen
En
BEDEZANG VÃÃR DE PR E D 1 K A T 1 E.
2S1
En heilig is; «laar klein en groot Van 't zelfde lieil is deelgenoot; Dat God mijn zonden wil vergeven,
En dat mijn vleesch, weer opgewekt. Dan eenwig, met mijn ziel, zal leven, Volzalig, heerlijk, onbevlekt.
|
_oz |
K E D E Z A N G V O 0 R D E PREDIK A T l E. Ã God, die on - ze Va - der zijt. Die
=1.
t' al - len tijd Ons u - we te -gen-woor-
1
dig-heifl In Chris-tus wilt be-too-nen.
Wan - neer men, in uw naam ver-gaürd. Uw
woord ver klaart. Zie ons nn saam daar-toe
ll^Sil^li
H
;=t
bc - rt'id. Uw Geest koom' hij ons wo - nen !
âhi
lfe=^l=^[S^l^=-ïq-=l=^l==-lquot;l==fcl
Ont - sluit «les «lie-naars hart en mond; Wil
em en ons ver - lich - ten, Op - dat liij,
^=^l^=f==:l^l^]-l=g=l^l^t^=] nit uw heil-ver-bond, Zieh zel\' en ons
if I ==5=1^=1=1=3=!:^ [lÃI l=Ã= llilÃ
moog' stich - ten. En wij, op u - we leer
ge - grond, Ons le - ven lt;laar-naar rich - ten.
31 O R G E X Z A N G.
\\ ij ilan - kon If, barni-har - tig God, Bc-
schik-ker van ons deel en lot, Voor u-we hoed' en trou-we wacht, Ons weer be-
toond in de - xen nacht.
2. Verleen ons, na genoten rnst,
Opnieuw gezondheid, kracht en lust,
Daar 't lichaam, door den slaap verkwikt, Zich weder tot den arbeid schikt.
3. Dat wij ons ambt en plicht, o Heer,
Getrouw verrichten, tot uw eer;
Dat uwe gunst ons werk bekroon'.
Uw Geest ons leid' en in ons woon'.
4. Zie op ons neder in gena,
Opdat ons werk voorspoedig ga;
En scheld ons alle misdaan kwijt.
O Heer, die vol ontferming zijt.
5. Verlicht quot;ons hart, dat duister is;
Wil ons, naar uw getuigenis.
Doen vlieden alle kwade paan.
En ijvrig in uw wegen gaan.
G. Schenk uwen zegen bij uw woord;
Het rijk des satans word' verstoord;
Sterk leeraars, sterk onz' overheid, In 't werk, door à hun opgeleid.
7. Troost allen, die in nood en smart Tot ü verheffen 't angstig hart;
Maak ons in tegenspoeden stil;
Hoor ons, o God, om Jezus' wil.
BEDE-
REDEZANG VÃÃR HET ETEN.
R E D E Z A N G VOOR II E T E T E N.
0 Va - der, ilie al 'tie - ven voeilt, kroon
iiPi
fei=EB
-Ã-uw woord.
H A N K Z A N ('. N A II E T E T E N.
(I Heer, wij dan - ken u van har - te
'--i 5
Voor nooddruft en voor o - ver-vloed. Daar
me - nig menscli eet hrooil der smar - te, Hebt
Gi)
283
iP
A V O N I) Z A N Ã.
Gij ons mild en wel gc-vocii. Doc 11 gee f, dat
iâ
on - ze zie - le niet Van dit ver-gank-lijk
I- -
Ie - ven kleev'. Maar al - les lt;loe, wat Gij
ge-biedt, En eind-lijkeeu-wig bij U leev'.
A V O N D Z A N G.
^1=
O groo - te Ciiiis-tus, eeu-wig licht, Niets
is bc-dekt voor uw ge-ziclit; Die ons be-
I I J
straalt, waar wij ook gaan, AI schijnt geen zon, al
mM
licht geen maan.
2. Toon ons uw goedheid en uw macht. Door uw bescherming dezen nacht;
Behoed ons tegen ramp en leed, En blijf tot onze hulp gereed.
3. Verkwik ons door een zoete rust. Om goed te doen met nieuwen lust;
Dat onze slaap gematigd zij. Ja zelfs uw' naam tot eer gedij'.
I. Houd ons gemoed voor ü bereid,
Opdat het blij uw komst verbeid',
284
ï=-
Daar 't in een stil vertrouwen leeft. Dat Gy ons onze schuld vergeeft.
5. Be-
A V I) N' II Z A N G.
i). Bcschorm oils in lt;lni banden tijil Vjiii /.ielsvmoeking en \;iii strijd;
Laat nooit ik'ii lioozcu vijaiid toe, Uat liij oils eiiiiig hinder doe.
i!. Behoed het gansche Cliristendoni;
2S5
(*eet dat, in kruis, uw vreugd weerom; Vertroost liet neergebogen hart, Kn heel in gunst der kranken smart. 7. (I Vader, dat uw Held' ons hlijk': II Zoon, maak ons uw heeld gelijk; tl Geest, /.end uwen troost ons neer; Drieeenig God, U /.ij al d' eer!
K 1 i\ IJ li.
0 V E R-
OVERZICHT
VAN DE BERTJMTNCSF.N,
WAARAAN DE PSALMEN EN GEZANGEN ZIJN ONTLEEND,
EX VAN DE
TOONDICHTERS EN TOONSOORTEN HUNNER ZANGWIJZEN.1)
|
1. PSALMEN. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
') De drie beramingen, waaruit, op last van de Staten Generaal der Vereenigde Nederlanden, door eene daartoe aangestelde Commissie van predikanten uit de verschillende Provinciën in 1773 de Psalmen en eenige Gezangen werden gekozen, waren die van Joannes Enscbius Voet (1763), het Kunstgenootschap âLaus Deo, Salus Populoquot; (1761) en Hendrik Ghysen (1686). De eerste was vóór hare verschyning reeds door een groot aantal godgeleerden, taal-en diclit-kundigen beschaafd en gewyzigd; aan de tweede waren al de leden van het Kunstgenootschap werkzaam geweest; de derde was uit zeventien vroegere berijmingen by een gebracht. Uit deze drie keurlezingen werd nu door de Commissie nog weer het beste gekozen en, waar dit noodig scheen, veranderd en verbeterd. â quot;Wat de zang-wyzen betreft, deze liet men zooals zg waren, d. i. zooals zy door Petrus Dathenus voor zyne beryming in 1666 aan het Psalmboek
O V E R Z I {] II T.
287
|
Naar de berijming van: |
Met de Prauselie zangwijze van: (iregoriaausche toonsoort; |
|
J. E. Voet. Laus Deo, SalusPopulo. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Sal us Populo. J. E. Voet. Laus Deo, Sal us Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo,Salus Populo â¢f. E. Voet. J. E: Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo. .1. E. Voet. Laus Deo, Sal us Populo J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. L E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. LausDeo, Salus Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo. Sal us Populo. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Ponulo. J. E. Voet. |
L. Bourgeois, 1651. L. Bourgeois, 3 551. L. Bourgeois, 1543. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois, 1543. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois. 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551 L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois, 1543. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. Mattheüs Gr e iter, 1539 L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L Bourgeois. 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1543. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. Maltre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. L. Bourgeois, 1543. |
Aeoliseh. Phrygiseli. ITypoaeoliseh. Mixolydiseh. Dorisch. Ionisch. Aeoliseh. Kypodoriseh. Dorisch. lIyj)oïonisch. Phrygiseli. Mixolydiseh. Hypodoriseh. Ionisch. Hypom ixoly d i sch. Phrygiseli. Ionisch. Dorisch. Dorisch. Hypoïonisch fonisch. Dorisch. Aeoliseh. Hypoaeoliseh. Hypodoriseh. Dorisch. Hypoïonisch. Hypoïonisch. H y pom ixolydi sch. Dorisch. Mixolydiseh. Ionisch. Dorisch. Hypoïonisch. Dorisch. |
der Fransche Gereformeerden waren ontleend. Dit Fransehe Psalm-hoek was sinds 1542 bij gedeelten ontstaan en eerst in 1562 geheel voltooid. De daarby behoorende zangwezen waren, eveneens bij gedeelten, bijna uitsluitend door twee toondichters, Louis Bourgeois en Maitre Pierre, vervaardigd of verbeterd. Wyl zy dagteekenen uit den tijd vóór de opkomst onzer tegenwoordige muziek (± 1575), bewegen zy zich nog op de oude Gregoriaansehe toonladders zonder een enkel kruis. De kruisen, ofschoon zij reeds vroeger een soort van gewoonterecht hadden gekregen, zyn er eerst in en na 1774 door uitgevers aan toegevoegd. Zy hebben nooit een officieel karakter gedragen.
J. G. E. ACQ (JOY.
|
288 |
0 V E R 2 I C 11 T. |
_ | ||
|
a |
Naar de |
Met de Fransche |
Gregoriaansch |
Te |
|
cS |
berijming van: |
zangwyze van; |
toonsoort: |
pS |
|
51. |
J. E. Voet. |
L. Bourgeois, 1551. |
Phrygisch. |
101. 102. |
|
52. |
Laus Deo, Sains Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Ionisch. |
103. |
|
53. |
â¢1. E. Voet. |
Wij/c van Psalm 14. |
Dorisch. |
104. |
|
54. |
J. E. Voet. |
Maitre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. |
105. |
|
55. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
llypoaeoliseh. |
1U6. |
|
56. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. |
107. |
|
57- |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Mixolydisch. |
108. |
|
58. |
J. E. Voet. |
Maitre Pierre, 1562. |
Hypomixolydisch. |
109. |
|
59. |
Laus Deo,Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Dorisch. |
110. |
|
60. |
J. E. Voet. |
Maitre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. |
111. |
|
61. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Hypodorisch. |
112. |
|
62. |
J. E. Voet. |
Wijze van Psalm 24. |
Dorisch. |
113. |
|
63. |
J. E. Voet. |
Wijze van Psalm 17. |
Phrygisch. |
114. |
|
64. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Wijze van Psalm 5. |
Dorisch. |
115. |
|
65. |
J. E. Voet. |
Wijze van Psalm 72. |
A eolisch. |
116. |
|
66. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Wijze van Psalm 118. |
Hypoïonisch. |
117. |
|
67. |
IT. Ghvsen. |
Wijze van Psalm 33. |
Dorisch. |
118. |
|
6» |
J E Voet |
Wijze van Psalm 36. Wijze van Psalm 51. |
Ionisch. Phrygisch. |
119. 120. |
|
69. |
â¢T. E. Voet. | |||
|
70. |
Laus Deo, Sal us Populo. |
Wijze van Psalm 17. |
Phrygisch. |
121. |
|
71. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Wijze van Psalm 31. |
Phrygisch. |
122. |
|
72. |
J. E. Voet. |
L. Bourgeois, 1543. |
Aeolisch. |
123. |
|
73. |
â¢1. E. Voet. |
L. Bourgeois, 1551. |
Ionisch. |
124. |
|
74. |
Lane Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Mixolydisch. |
125. |
|
75. |
H. Ghvsen. |
Maitre Pierre, 1562. |
Ionisch. |
126. |
|
76. |
J. E. Voet. |
Wyze van Psalm 30. |
Hypomixolydisch. |
127. |
|
77. |
J. E. Voet. |
Wijze van Psalm 86. |
Hypodorisch. |
128. |
|
78. |
J. E. Voet. |
Wyze van Psalm 90. |
Dorisch. |
129. |
|
79. |
Laus Deo, Sal us Populo. |
L. Bourgeois, 1543. |
Hypoïonisch. |
130. |
|
80. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Dorisch. |
131. |
|
81. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Ionisch. |
132. |
|
82. |
II Ghvsen. |
Wijze van Psalm 46. |
Mixolydisch. |
133. |
|
83. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Phrygisch. |
134. |
|
84. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Ionisch. |
135. |
|
85. |
J. E. Voet. |
Maitre Pierre, 1562. |
Mixolydisch. |
136 |
|
86. |
J. E. Voet. |
L. Bourgeois, 1551. |
Hypodorisch. |
137 |
|
87. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Mixolydisch. |
138 |
|
88. |
Laus Deo,Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Dorisch. |
139 |
|
89. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. |
140 |
|
90. |
Lau sDeo, Salus Populo. |
L. Bourgeois, 1551. |
Dorisch. |
141 |
|
91. |
Laus Deo, Salus Populo. |
L. Bourgeois, 1549. |
Dorisch. |
142 |
|
92. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Dorisch. |
143 |
|
93. |
Laus Deo, Salus Populo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Hypomixolydisch. |
144 |
|
98. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1569. Wijze van Psalm 24. |
Phrygisch. |
145 |
|
95. |
J. E. Voet. |
Dorisch. |
146 | |
|
96. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Dorisch. |
147 |
|
97. |
Laus Deo, SalusPopulo. |
Mattre Pierre, 1562. |
Ionisch. |
148 |
|
98. |
J. E. Voet. |
Wyze van Psalm 118. |
Hypoïonisch. |
149 |
|
99. |
J. E. Voet. |
Mattre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. |
150 |
|
100. |
H. Gliysen. |
Wyze van Psalm 1S1. |
Phrygisch. | |
OVERZICHT.
289
|
Naar de beryming van: |
Met de Fransche zangwijze van: |
Gregoriaansche toonsoort; |
|
J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo, J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo, Laus Deo, Salus Populo, Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo, Laus Deo, Salus Populo. H. Ghysen. H. Ghysen. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. H. Ghysen. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. U. Ghysen. J. E. Voet. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Sal us Populo. Laus Deo,Salu s Populo. J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo J. E. Voet. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. J. E. Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo. J. E Voet. Laus Deo, Salus Populo. Laus Deo, Salus Populo. H. Ghyseu. |
L. Bourgeois, 1551. Maitre Pierre, 1662. Ãnb. toondichter, 1539, L. Bourgeois, 1549. Maitre J'ierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. L. Bourgeois, 1543. Wyze van Psalm 60. Wyze van Psalm 28. L. Bourgeois, 1551. Wyze van Psalm 24. Maitre Pierre, 1562, L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1549. L. Bourgeois, 1551. Wyze van Psalm 74. Wyze van Psalm 127. L. Bourgeois, 1561. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1561. L. Bourgeois, 1651. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1543. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1542. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1551. L. Bourgeois, 1561. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. Onl). toondichter, 1539. L. Bourgeois, 1543. Wyze van Psalm 30. Wyze v. de Tien Geh. Maitre Pierre, 1563. Wyze van Psalm 131. L. Bourgeois, 1549. Wyze van Psalm 18. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. Maitre Pierre, 1562. |
Hypoïonisch. Phrygisch. Hypomixolydisch. Dorisch. Ionisch. Hypoaeolisch. Dorisch. Hypoïonisch. Hypodoriamp;ch. Hypoaeolisch. Dorisch. Dorisch. Hypomixolydisch. Dorisch. Dorisch. Mixolydisch. Hypomixolydisch. Hypoïonisch. Hypoïonisch. Hypodorisch. Hypomixolydisch. Ionisch. Hypoïonisch. Hypoïonisch. Dorisch. Mixolydisch. Hypomixolydisch. Dorisch. Hypodorisch. Dorisch. Phrygisch. Phrygisch. Ionisch. Hypoïonisch. Ionisch. Mixolydisch. Dorisch. Ionisch, lypomixolydisch. Hypoïonisch. Phrygisch. Phrygisch. Dorisch. Hypoaeolisch. Mixolydisch. Hypodorisch. Phrygisch. Dorisch. Dorisch. Ionisch. |
13
Overzicht.
290
* t gt; s
r- W
|
fl f P P lt;{ ü ö o o o C/1 C/3 bd H lt;! lt; |
O 25 Ir1
-'T Ã
O
Sï
ü w a M
S. «d ha
AANWIJZING
V A N E E N 1 G E
P 8 A L M E N,
DIK BIJ BIJZONDERE GELEGENHEDEN, EN BIJ HET VERKLAREN VAN DE CHRISTELIJKE LEER KUNNEN GEZONGEN WORDEN.
VOOR LAND EN KERK.
In vruclilbarc tijden............................I's. 65. ()7.
â tijden van scliaarsclilicid............... 33. 107, 145. I in.
â tijden van onwedcr......................... 29.
dc lente............................................... km.
⢠den zomer........................................... GS.
⢠den oogst ........................................... «5. «7.
⢠den winter ........................................ JJ7.
» verdrukkingen der Kerk............... 4l). 79. SO.
quot; ....................................................⢠85. 117.
â oorlog.................................................., 3, 27. .S3.
' pest en besmettelijke ziekte________. 91. 121.
⢠tijden van vervolging......................... 10. 12. 13. 11. 44.
94. 123.
» verlossing der Kerk......................... 124. 126.
» tijden van overwinning................. 46. 71. 108. 121.
VOOR BIJZONDERE PERSONEN.
Boetpsalmen ..................... lgt;s. 6. 25. 32. 38. 51.
130. 143.
Van liet geloofsvertrouwen........ » 56. 57. 62. 121 115
138.
In tijden van twijfelmoedigheid... â 77. 88.
⢠bestrijding over dergoddeloozen
voorspoed..................... 37. 49. 73. 92. 94.
â gebrek van toegang tot den openbaren godsdienst.............. . 42. 63. 84.
gt; verdrukking van vijanden..... » 4. 7. 17. 26. 31. 64.
Wanneer men met laster bezwaard
is.............................. 7. 120.
Gebeden om heiligheid des levens. » 25. 86. 119. 143. In krankheden................... . 6. 38. 39. 41.
Dank-
AASWIJZIKG VAX EENIGE PSALMEN.
Dankzraeintr voor genezing....... Ps. 30.
On liet liuwelijk.................. â 127. 12S.
In ouilerdom..................... * 71. U2, de Pauze.
BIJ PLECHTIGE GELEdENHEDEN.
Op de Kerstdagen................ Ps. 89, het begin. 9S.
132, de Pauze. De Lolzangen.
» den eersten dag van het Jaar.. » 39. 90. 144.
n iles Heilands lijden............ » 1^- ^2. 40. 41. 55,
de Pauze. 69. 109, het begin.
» de Paaschdagen............... 1 22, 3 Pauze.
40, de Pauze. 69, 3 Pauze. 118, 3 Pauze.
» den Hemelvaartsdag........... » no^' ^ ^ Pauze.
gt;. de Pinksterdagen.............. quot; 45, de Pauze. 68,
2 Pauze. 72, de Pauze. 87. 133.
Voor de Belijdenis-predikatiën..... 19. »6. dc Pauze.
Uil. Ue 12 Art. des Gelools.
Bij de Voorbereiding tot het heilig _ . âr «⢠o-
Avondmaal.................... quot; 24. 25. i(gt;. ^/.
32. 139, de Pauze.
On liet heilig Avondmaal......... ⢠23. 42. 43. 63. (gt;5.
84. 130.
⢠de Dankzegging na het heilig
Avondmaal.................... ⢠bfi' ('e Pan*2- JO.i.
10(), het begin. ri(gt;. 118.
. Bededagen.................... * ^ 0^9\?2quot; ill'
. Dankdagen.................... â 66. 81. 107.13b. 147.
Bij het aanvaarden van ambten... 7o. 101. . de bevestiging of intrede van
Opzieners..................... quot; H3- 'j1' Pfiize. 122.
132, dc l'au/.e. 133. 134. 138.
Bl.I HET VEKK.LAREN VAN DEN HEIDELBEKG-SCHEN CATECHISMUS.
292
1
Zond. Van den eenigen troost.. Ps. 73, 2 Pauze.
2
â » den Middelaar...... gt; 25, 36. 130.
3
. . den oorsprong der
ellende............. ⢠51, aan het begin.
AANWIJZING VAN E ENIGE PSALMEN. 293
Ps. 2, de Pauze. » 139, het begin. 115,
het begin. » 33, het begin. « 115, de Pauze. 13G,
het begin. 140. » 33. 104. 147. De Lofzang van Maria. Ps. 2, het begin. 89. » 45, de Pauze. 72, de Pauze.
Gods eeniggrboren
.Zoon, onzen Heer .. » 2, de Pauze. 15, de Pauze. 72, de Pauze.
des Hei lands ontvangenis en geboorte... üe Lofzang van Maria, des Ileilands lijden . Ps. 22.
des Ileilands dood,
begraving en neder-daling ter helle .... » 22.
des Ileilands opstanding ............... » 16. 118, 3 Pauze.
des Ileilands hemelvaart .............. » 47. 68, 3 Pauze.
des Ileilands zitting aan Gods rechterhand » 110.
des Heilands wederkomst ten oordeel.. » 96, de Pauze.
den II. Geest....... » 119, 3 Pauze. 113.
de Kerk............ » 48.
de gemeenschap der
heiligen............ » 133.
de verge ving der zonden ............... » 32.
de opstanding «les
vleesches........... » 49, de Pauze.
het eeuwige leven.. » 73, 2 Pauze. 84, de Pauze.
de rechtvaardiging . » 32. 103. 130. de ongenoegzaamheid onzer goede werken
voor God........... » 19, de Pauze. 143.
de Sacramenten.... » 111.
den H. Doop........ » 51.
den kinderdoop..... » 71, 2 Pauze. 87.
het H. Avondmaal.. » 23.
de wederlegging der transsubstantiatie.. » 119, 4 Pauze, de paapsche mis.... » 115.
de vereischten der
avondmaalgangers.. » 25, de Pauze. 26, de Pauze.
31. Zond.
Zond. Van liet geloof'......
» » God............
» de H. Drieêenlieid..
m de Schepping:.......
» de Voorzienigheid ..
» den naam Jezus.,..
» den naam Christus..
» den naam Christenen
10 11
12
13
14
15 1(gt;
17
18 19
20 21
23 21
2()
27
28
29
30
A A N W IJ Z I N G VAN E E N 1 G E P S A L gt;1 E N.
Zond. Van de sleutelen des lie-
melrijks............ Ps. 15. 24. 65.
» » de noodzakelijkheid
der goede werken.. » 119, liet begin.
o de bekeerlng....... » 119, 9 en 22 Pauze.
» » Gods wet........... » 1.
» het eerste gebod.... » 81, 1 Pauze. » » het tweede gebod .. » 115. » » het derde gebod.... » 145, de Pauze.
« den eed............ » 24.
» » het vierde gebod ... » 63. 84. 92. » » het vijfde gebod.... » 34, 1 Pauze. 78, het
begin,
» het zesde gebod.... » 5. » » het zevende gebod.. » 50, de Pauze. 51,de
Pauze. 119, 5 Pauze. » het achtste gebod... » 62, de Pauze. » » het negende gebod.. » 120. » » het tiende gebod ... » 131. » de noodzakelijk lieid
der wetsprediking .. » 19, de Pauze. » de noodzakelijkheid en vereischten des
giïbeds.............. quot; 65. 145, de Pauze.
» de aanspraak desge-
beds............... » 103, de Pauze.'
« de eerste bede...... » 89, het begin.
» de tweede bede..... » 72, het begin.
» de derde bede...... » 119.
» de vierde bede...... » 145, de Pauze.
» de vijfde bede....... » 51.
.. de zesde bede....... » 141, het begin.
» het besluit des gebeds » 5, het begin.
2'.)4
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
LIJST
L IJ S T
VAN ALLE
PSALMEN,
NAAK ÃEN RANG VAN HET A. B. C.
A.
Psalm.
Aaidschc MaclitiMi. looit den heek.................. 'i1.).
Ai zie, hoe goed. hoe lieflijk is 't, dat zonen.......1^5,
Al d' aard' en alles wat zij geelt................... 21.
li.
't Behaag' U, heek, naar mijn gebed............................17.
't Behaag' U mij gehoor te geven......................................lt;»1.
Behoud, o HEEli, wil ons te hulpe komen....................12.
'k Betrouw o|» ü; lioor mijn gebeden................................71.
Bewaar mij toch, o alvermogend God..............................16.
1).
Daal haastig ter verlossing neer........................................70.
D' algoede God zij ons genadig........................................(gt;7.
Dat Israël nu zegge, blij van geest..................................121.
Dat op uw klacht de hemel scheme................................20.
De God des heils wil mij ten herder wezen..................23.
De HEER is groot; elk zing' zijn lol'................................48.
De HEER regeert; de hoogste Majesteit..........................93.
De HEEK zal opstaan tot den strijd..................................68.
De lolzang klimt uit Sions zalen.....................................65.
Der goden God verheft zijn stem met macht................50.
De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed................M.
De trotsche dwaas zegt in zijn boos gemoed................53.
Dus heeft de heer tot mijnen Heer gesproken............110.
G.
Gedenk aan David, aan zijn leed..............132.
Geduchte God, hoor mijn gebeden............43.
Geef
2% l ij s t i) eu f s a l m e n.
Psalm
Geef, heer. den Koning: uwe rechten.......... 72.
Gena, o God, bescherm mij door uw hand....... 5'lt;gt;.
Gena, o God, gena, hoor mijn gebed........... 51.
Gena, o God, gena, hoor mijn gebeên........... 57.
Getrouwe God, de heidnen zijn gekomen......... 79.
Gezegend zij de heer, die t' allen tijde.........144.
Gij hebt uw land, o heer, die gunst betoond..... 85.
Gij, 's heeren knechten, looft den heer........113.
Gij, volken, hoort; waar g' in de wereld woont. . . . 49.
Gij zijt, o heer, van d' allervroegste jaren....... 90.
God, de heer, regeert ................... 99.
God heb ik lief, want die getrouwe heer.......116.
God heerscht als Opperheer................. 97.
God is bekend bij Juda's stam............... 76.
God is een toevlucht voor de zijnen............ 46.
God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vreezen . 27. Groot en eeuwig Opperwezen................ 38.
H.
'k Heb lang den heer in mijnen druk verwacht ... 40.
Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen..............8.
'k Hef mijn ziel, o God der goden..........................25.
Het ruime hemelrond..........................................19.
Het trotsch gedrag des boozen doet........................36.
Hij, die op Gods bescherming wacht......................91.
't Hijgend hert, de jacht ontkomen........................42.
Hij zal noch wanklen. noch bezwijken..........125.
Hoe lang, o heer, mijn toeverlaat........................13.
Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot..............................81.
Hoe vreeslijk groeit, o God..................................3.
Hoor, o heer, verhoor mijn smecken..........102.
I.
Ik ben verblijd, wanneer men mij....................................122.
Ik hef tot ü, die in den hemel zit..................................123.
Ik loofden heer, mijn God.................... .. 34.
Ik roep tot U, o eeuwig Wezen....................................28.
Ik zal met al mijn hart den heer..................................9.
Ik zal met hart en mond, o heer..................................30.
Ik zei: nu zal ik letten op mijn paan..........................39.
In d' achtbre Godsvergaderingen......................................82.
J.
Ja waarlijk. God is Isrel goed............................................73.
Juich, aarde, juich met blijde galmen............................66.
Juich, aarde; juicht alom den heer'..............................100.
Juicht, o volken, juicht........................................................47.
K.
l ij s t der psalmen.
K.
Psalm
Komt, laat ons samen Isrels heer..................................95.
L.
Laat 's heeren lof ten hemel rijzen..............................147.
Laat ieder 's iieeren goedheid loven ............................118.
Laat ons den rustdag wijden..............................................92.
Looi', looi' den li eer, gij heidendom................................117.
Looi', loof den heer, mijn ziel, met alle krachten... 103.
Looft den heer, want Hij is goed..................................136.
Looft God, den tronweii Opperheer..................................10(gt;.
Looft God, looft zijn naam alom ......................................159.
Looft God, zingt eeuwig 's heeren lof..........................118.
Looft, hallelujah, looft den heer......................................111.
Looft, looft den heer, dien onbedwongen....................149.
Looft, looft den heer gestadig..........................................107.
Looft, looft nu aller heeren hker....................................131.
Looft, looft verheugd den heer der heeren..................105.
31.
Men heeft mij fel benauwd van Jongs af aan..............129.
Mijn geroep, uit angst en vreezen....................................77.
Mjjn God, mijn God, waarom verlaat Ge mij..............22.
Mijn hart, o Hemelmajesteit...............................108.
Mijn hart verheft zich niet, o heer................................131.
Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen....................45.
Mijn ziel is immers stil tot God .....................................02.
i\.
Neem, heer, mijn bange klacht ter ooien....................5.
Neem, Isrels Herder, neem ter ooren..............................80.
Neem, o mijn volk, neem mijne leer ter ooren............78.
Neig, o heer, uw gunstig' ooren ....................................8(gt;.
Niet ons, o heer, niet ons, uw' naam alleen..............115.
Niets is, o Oppermajesteit..................................................139.
Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen....................18.
ü.
0 gij, vergadering, gezeten----.â¢........................................5S.
O God, Gij zijt mijn toeverlaat..........................................53.
0 God, hoe hebben wij getreurd........................................GO.
ü God, mijn God, Gij aller vorsten Heer........................145.
0 G01I mijns heils, mijn Toeverlaat..................................88.
0 God, neem mijn gebed ter ooren..................................55!
0 God, verlos en red mij uit den nood..........................G9.
297
0 God, verlos mij uit den nood........................................54.
O.
lijst der p s a l m e n.
Psalm
O God, wij mochten met om' ooren................ 44.
O God. zoo waardig mijn gezangen................. 109.
0 HEEU, de Koning is verheugd.................... 21.
0 meer. doe Gij mij recht.......................... 26.
U heer, Gij zijt weldadig.......................... â¢gt;.
U heer, mijn God. volzalig Wezen................. 7.
ü HEER, verlos mij uit de handen ................. 140.
ü HEER. wil mijn gebeden hooien.................. 143.
Op God alleen hetrouw Ik in mijn nooden.......... 11.
0|i U hetrouw ik, heer der heeren................ 31.
P.
Prijs den heeh met hlijde galmen............ 146.
Prijst den naam van uwen God..............135.
K.
Red inij, o God, uit 's vijamis handen............................59.
'k Kie|) tot den Heer met luider stem............................142.
'k Riep tot den Oorsprong aller dingen............. 120.
'k Roep, HEER, iu angst tot U gevloden........................141.
S.
'k Sla d' oogen naar 't gebergte heen.............. 121.
T.
Toen Israël 't Egyptisch rijksgebied................ 114.
Twist met zijn twisters. Hemelheer................. 35.
ü.
ü alleen, ü loven wij..........................................................75.
Uit diepten van ellenden......................................................130.
U mag men zalig heeten......................................................128.
V.
Vergeefs op bouwen toegelegd...................... 127.
Verschijn nu blinkend. God der wrake............. 94.
W.
Waak op, mijn ziel. loof d' Oppermajesteit......... 104.
Waarom, o God, zijn wij in eeuwigheid............ 74.
Waarom, o heer, blijft Gij \an verre staan........ 10.
Waartoe u dus beroemd in 't kwade............... 52.
Wanneer dc heer uit 's vijands macht............ 126.
Wat
298
LIJST DEH PSALMEN. 299
Psalm
AVat drift beheersclit het woedend heidendom..........2.
H ees over 't heil der boozen niet ontstoken............37.
Welzalig hij, die in der boozen raad......................I
Welzalig hij, die zich verstandig draagt..................41,
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven.......'. 32.
Welzalig zijn d' oprechten van gemoed............I]lt;l
Wie zal verkecren, groote God..............................15'
W ij zaten neer, wij weenden langs de zoomen .... 137
Wil mij, wanneer ik roei), verhooren......................4'.
Wil, 0 God, mijn bede hooren................................(i(.
Z.
'k Zal eeuwig zingen van Gods goedertieienheèn . . . S').
k Zal met mijn gansche hart uw eer..........KiS.
'k Zal van de deugd der milde goedheid zingen . . lol.
Zijn grondslag, zijn onwrikbre vastigheden . S7
Zingt nu blij te moê..........................................jjj.
Zingt vroolijk, helt de stem naar boven.........â 33.
Zingt, zingt den lof van 't Opperwezen.........i]2.
Zingt, zingt een nieuw gezang den iieeiie..............«ib.
Zingt, zingt een nieuw gezang den heere . . . lt;ts
Zwijg niet, o God, houd U niet doof......................83.'
E K N 1 G K G K Z \ N G E K.
De Tien Geboden des Heeren.
De Lofzang van Maria.
De Lofzang van Zacharias.
De Lofzang van Simeon.
Het Gebed des Heeren.
De eerste berijming van de Twaalf Artikelen des Geloofs üe tweede berijming van de Twaalf Artikelen des Geloofs. liedezang vóór de predikatie.
Morgenzang.
Bedezang vóór het eten.
Dankzang na het eten.
Avondzang.
ï'SAL-
PSALMEN en GEZANGEN,
WELKE MEN OP ÃÃNERI.E1 WIJZE ZINGT.
|
Psalm 5. 64. |
Psalm 51. 69. |
|
. U. 5;i. |
60. 108. |
|
. 17. 63. 70. |
65. 72. |
|
. IS. Ml. |
66. 98. |
|
⢠24. 62. 95. 111. |
74. 116. |
|
⢠28. 1011. |
77. 86. |
|
. ;i0. 76. 139. |
78. 90. |
|
. 31. 71. |
. 100. 131. |
|
n 33. 67. |
- 117. 127. |
|
. 36. 68. |
140. Ui' |
|
. 82. |