TTT
J
HET GEBEDSLEVEN
DEH
KINDEREN GODS.
if
UIT HET HOOGDUITSCH.
TEN VOORDEELE DER WfcESINRICHTING TE NEERBOSGH.
N IJ M E G E N ,
P. J. MI LBO UN.
JllfiiLiNNINZUHl
iljbi etAmi^ls
£X;[1£Q0
iVEf\\TE.SMamp;FEün
Neorbosch. â Snelpersdrukkerij der Weesinrichting.
HET GEBEDSLEVEN.
Onder gebedsleven verstaan wij niet slechts een leven, waarin veel gebeden wordt, maar een leven waarin men bidt zonder ophouden , waarin men alles wat men doet, hetzij in woorden of in werken , hetzij men eet, hetzij men drinkt, het alles doet in den naam van Jezus, ter eere Gods en met dankzegging. Het is datzelfde wat wij reeds vinden bij eenen Henoch, van wien geschreven staat, dat hij wandelde met God, van eenen Elia, die bij zijn eerste optreden zeggen kon : ))Zoo waarachtig als de Heere, de God Israels leeft, voor Wiens aangezicht ik sta.quot; Het is datzelfde, waarnaar een David verlangde, toen hij bad â niet slechts zeer dikwijls voor zijnen God te verschijnen, maar in het huis zijns Gods te mogen blijven zijrt leven lang. Het is datzelfde, wat het geheele verlossingswerk van Christus ten doel had, n. 1. de, door de zonde losgemaakte levensverbinding des menschen met zijnen God weder geheel en grondig te herstellen. Het is een leven met God, uit God, in God en voor God.
Zulk een gebedsleven is slechts mogelijk bij kinderen Gods.
Men behoeft geen kind Gods te zijn om verhoord te worden; God verhoort ook onbekeerde zondaren, die in nood zijnde tot Hem roepen. Maar slechts zij kunnen gemeenschap met God hebben, die door Christus overgeplaatst zijn van het rijk der duisternis in het rijk des lichts, waarin God, de Vader des Lichts, woont. God is Licht en in Hem is gansch geene duisternis; Zijne oogen zijn te rein om het kwade en onreine te kunnen aanschouwen en slechts Gods kinderen zijn gewasschen van al hunne zonden. Hierdoor wordt het ons reeds duidelijk, dat een gebedsleven slechts mogelijk is bij die kinderen Gods, die zich rein houden door de-reinigende
4
kracht van het bloed van Jezus Christus en wandelen in de tucht des H. Geestes.
Het moeten kinderen zijn, vrij gemaakt door den Zoon, die opgeheven in de hoegere wereld, zich daar vrij bewegen kunnen, zonder vrees, dat zorgen of booze lusten weder in staat zijn hen naar beneden te trekken in de onreine atmos-pheer van het bloot aardsche, ijdele denken en werken.
Zij moeten zich onthouden van alle zorgen. Het moeten kinderen zijn, die weten, dat hun Vader in de hemelen al hunne behoeften kent en voor hen zorgt; en die met al hunne nooden vroolijk en kinderlijk tot Hem gaan en geen gehoor meer geven aan de heidensche stem, die vol angst vraagt: »Wat zullen wij eten? wat zullen wij drinken?quot; Zij moeten zich onthouden van alle booze lusten. Vrijgekocht door het bloed des Lams van hun vroeger zinnelijk leven, in dienst der ijdelheid, wellust en hoovaardij doorgebracht, moeten zij dan nu ook wandelen in de vrijheid, die zy verwierven. 0m weerstand te kunnen bieden aan de verlokkingen en verleidingen des tegenwoordigen levens moet hun hart met al zijn zoeken en hopen en dichten en trachten, een vaste ankerplaats hebben gevonden bij God in die onzichtbare wereld. Zij verwachten niets meer van deze wereld; zij wachten op de komst van hunnen Heiland.
Kinderen Gods, die een gebedsleven willen leiden, moeten voor alle dingen, gehoorzame kinderen zijn. Oorzaak eener eeuwige en volkomene zaligheid is de Heer slechts voor degenen, die Hem gehoorzaam zijn.
Een gebedsleven te leiden is te leven in het Koninkrijk Gods, zoo ver men dat hier op aarde doen kan, en in dat Koninkrijk gaan slechts zij in, die den wil des Vaders, Die in de hemelen is, doen. Wanneer ons hart ons niet veroordeelt en wij zijne geboden houden en doen wat Hem welgevallig is, dan alleen hebben wij vreugde in God en kunnen wij in zijne gemeenschap leven. â- Wanneer wij nu het een en ander nader beschouwen, dan hebben wij in de eerste plaats onder dit gehoorzaam zijn aan God te verstaan, wat het zegt: »God tot zich te laten spreken.quot; Even goed als God onbekeerde zondaren verhoort, verhoort Hij ook ongehoorzame kinderen. Indien God altijd terstond aan ons eerste roepen gehoor gaf, zoo zou Hij zijn liefdeplan met ons niet
5
bereiken. Want in plaats van Hem te prijzen voor zijn spoedige verhooring en er ons dankbaar door te laten stemmen, zouden wij zeer zeker weder onze eigene wegen gaan. Maar, nadat wij tot God hebben geroepen, moeten wij ons stilhouden en Hem het woord laten om te hooren, wat Hij ons te zeggen heeft.
God wil niet slechts van een oogenblikkelijk gevaar u redden, maar uw diepsten zielenood wil Hij genezen, Hij wil doordringen tot uwe ellende en dan eerst zult gij aan uwe eigene armoede ontdekt worden en zult gij het niet betreuren, als God in uw angstig roepen een aanleiding vindt om u ter zijde te nemen en met u in 't gericht te gaan. Zal het bij u weder tot eene vereeniging met uwen God, tot een gebedsleven komen, dan moet gij u eerst tot de Jakobsbron lal en leiden, opdat de Heer daar onder vier oogen u grondig doorzoeke en Zijnen heiligen vinger legge op iedere wond en wonde plek in uw hart en leven, op alles, wat in huis en beroep niet recht is. In één woord, gij moet u overgeven. â God kan slechts leven in hen, die zich overgeven, die hun leven er aan geven; slechts bij hen komt het tot een gebedsleven.
Gij moet den Heer toelaten zijne geeselslagen vrij te laten vallen op het gebied van uw meest verborgen inwendig leven, â totdat het vroegere moordhol, het vroegere koopmanshuis ook zelfs van den laatsten onreinen gast geheel gereinigd is, totdat in den herstelden tempel van uw hart de vlam van het gebed, weer ongehinderd branden kan. Zelf kunt gij geen onreinen geest uitdrijven, maar aan uwen Heer uitleveren en prijs geven kunt gij iederen vijand, die Hij in uw hart ontdekt en als vijand kenmerkt. Voor zijn richtenden blik kunt gij blootleggen en aan zijne richtende hand kunt gij overlaten, wat in uw hart onder zijn staf zich niet buigen wil en in u de oproerige taal spreekt: »Wij willen niet, dat Deze Koning over ons zij.quot; â
En waar het geldt den Heer oordeelend en tuchtigend tot het inwendig leven te laten spreken, daar geldt het ook zijne gerichten in het uitwendig leven aan te nemen, daar, waar onze levensweg donker en moeielijk is. Menig vreemde, sinds jaren en jaren in ons hart inwonende gast, menige onzuivere geest verlaat zijne plaats en wijkt slechts voor de hitte van den smeltkroes. -â Wie waarachtig, inner-
G
lijk rein wil worden (en waar geen rein hart is, daar is geen zien van God, daar is geen gebedsleven), wie vrij wil worden van onreinheid en bevlekking, van ijdelheid, zelfbehagen en zelfgenoegzaamheid (om van het andere niet te spreken), die leere eerst ja en amen zeggen op alle louterende tegenspoeden, waarin het onzuivere afgescheiden wordt. Hij spare en bescherme zijn vleesch niet, waar de Heer hem naar het leven staat. Sterven is bitter , en oude ingewortelde zonde, even als geheime lusten of geestelijke hoogmoed, laten zich niet altijd met den wind wegblazen, die moeten in het vuur. â
Wellicht ziet gij op dit oogenblik geen uitwendige samenhang tusschen het uitwendige lijden, de tuchtigingen en verootmoedigingen , die de Heer over u beschikt, en de inwendige aanvechtingen en verzoekingen, waaraan gij in 't bijzonder blootgesteld zijt; maar buig u slechts onvoorwaardelijk en ten allen tijde onder de krachtige hand van uwen God, en gij zult het spoedig gewaar worden , hoe onmiddellijk de uitwendige leiding uws levens reinigend en louterend kan werken op uw hart tot in zijne meest verborgene plooien. Zich te buigen onder de krachtige hand Gods is de weg, om gebroken en verslagen, om klein en ootmoedig, gering en ellendig te worden. Slechts verslagene, in zich zelf gebrokene harten kan de Heer genezen en zegenen. Den hoovaardigen en dengenen, die nog eigene kracht hebben, wederstaat Hij ; den ootmoedigen en onmachtigen geeft Hij genade. Hij daalt tot hen af en heft ze tot Zich op in zijne gemeenschap. Zij hebben een gebedsleven.
Onder het onreine, dat uit het hart gebannen moet worden , wanneer het tot een gebedsleven komen zal, treedt in het bijzonder op den voorgrond de onverzoenlijkheid. God is liefde. Slechts wie in de liefde blijft, blijft in God. â Zelfs een naderen tot God, een met Hem in gemeenschap treden is slechts mogelijk op grond eener hartelijke vergeving van al datgene, wat anderen aan ons misdaan hebben, of van eene hartgrondige boete, waar wij zelf schuld hebben. In de bergrede o. a. verklaart de Heer uitdrukkelijk : »Zoo gij dan uwe »gaven zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, »dat uw broeder iets tegen u heeft, Iaat daar uwe gave «voor het altaar, en ga heen, verzoen u eerst met uwen broeder, »en kom dan en offer uwe gave.quot;
7
Hoe geheel onmogelijk is het, om in vertrouwden omgang en innige verbinding met God te staan, een gebedsleven te leiden, wanneer men in staat is nog haatdragend jegens anderen te zijn. Het geldt ook hier, zich eerst te schikken in de grondvoorwaarde van het gebedsleven en dat is: zijn leven te haten, het eigen Ik te bestrijden in Jezus' naam. Wie geen voet breed eigen leven meer verdedigt en alles prijs gaf, in diens hart verliest de lichtgeraaktheid grond en bodem. Roep slechts moedig en oprecht den naam van uwen God aan en verberg u in de schaduw van het kruis van Christus voor al de golven en stormen van uw eigen leven. Gij neemt daardoor Goddelijke kracht in u op. Met ieder uur, dat gij vertoeft in de gemeenschap met uwen God, vluchtende voor alle invloeden stemmen of stemmingen, welke die gemeenschap kunnen verbreken, ontvangt gij nieuwe kracht van boven, ^Goddelijke wilskracht, om u staande te houden tegen alle eigen leven, om doof en blind te worden voor alle krenkingen en kwetsingen, voor alle aanvallen op uw persoon, uw eer, uwe rechten. Wij kunnen niet met God leven, zonder ook Zijne natuur aan te nemen, zonder dat liefde ook de grondtoon van ons wezen wordt.
Vergeving, hartelijke vergeving van kleine miskenningen of schreeuwende onbillijkheden jegens ons wordt ons licht en gemakkelijk, haten onmogelijk.
Wij komen nu aan de grondvoorwaarde van alle gebedsleven , daarin bestaande, dat wij zeker weten en vasthouden, dat het ons een verkregen, onuitwischbaar voorrecht is, ons verworven en verzekerd door het verlossingswerk van Jezus Christus. Het is het recht der genade evenals de bekeering.
In Jezus Christus heeft ieder ook de verst verwijderde het recht, nader te treden, in Hem heeft ieder, ook de diepst gezonken zondaar macht en recht om Gods kind te worden. Het is het recht der genade, dat aan geen voorwaarde gebonden is. Wanneer God hiervoor geloof verlangt, zoo verlangt Hij klaarblijkelijk niets anders, dan dat wij moedig en kinder-derlijk, niettegenstaande alle inspraak des harten of van het verstand, van de wereld of van den duivel gebruik maken en bezit nemen van de ons verworven en aangeboden vrije genade. Evenals het voor allen een veroverd voorrecht is om kind van God te worden, zoo is het een voorrecht voor alle
8
kinderen Gods in innige, ongehinderde gemeenschap met hunnen God, dat is, in gebedsleven te wandelen. â
»Zoo is er dan nuzegt de Schrift, »geene verdoemenis svoor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het svleesch wandelen, maar naar den Geest. Want de wet des »Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt ))van de wet der zonde en des doods. Want hetgeen der wet »onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, »heeft God, zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen »vleesches, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het M'leesch; opdat het recht der wet vervuld zoude worden sin ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den ))Geest.quot; (Rom. 8,: 1â4.) In het lichaam van Christus is onze zonde geoordeeld en weggedaan, aan ons vleesch een proces aangedaan en de macht van dat vleesch en die zonde voor altijd gebroken , zoodat geen macht ter wereld een Idnd Gods meer dwingen kan , ook voor één enkel oogenblik slechts naar 't vleesch te wandelen en daarmede zijn gebedsleven te staken.
Gij, lieve lezer, die nog nimmer tot eenige zekerheid van de vergeving uwer zonden en van uw kindschap hebt kunnen komen, zeg: heeft God onzer aller zonden en daarmede ook uwe zonden op den man van smarte geworpen? Heeft het Lam Gods de zonden der wereld en daarmede de uwen gedragen ? Was God in Christus de wereld met zich zelf verzoenende en u uwe zonden niet meer toerekenende. 1)
En kunt gij dat niet loochenen, waarom begint gij dan niet uwen God te danken voor datgene, wat Hij voor u gedaan heeft in plaats van op bijzondere, innerlijke ervaringen te wachten en daarmede de genade Gods te wederstaan? En, gij , mijn broeder, die u wel bewust zijt van uw kindschap Gods, maar wiens leven tusschen Gods nabijheid en Gods verwijdering, tusschen overwinning en nederlaag, heen en weder wordt geslingerd, houd toch eindelijk op de gedachten des vredes, die God over u heeft, af te meten naar uwe eigen ervaring en die van uwe mede-christenen, leer eerst weder verstaan uit de H. Schrift, wat gij aan God en aan uwen Verlosser hebt! Tegenover iedere aanvechting
1
Jes. 53 : 6; Joh. 1 : 29; 2 Cor. 5: 19.
en verzoeking leer eerst uwen Heiland danken, dat Hij zonde en wereld, hart en hel, ja alles overwonnen heeft, wat uw gebedsleven zou kunnen tegenhouden. Zoo vele Christenen klagen, dat de wederwaardigheden en zorgen van het dage-lijksch leven, de drukke bezigheden, de omgang met vriend en vijand hen losrukken uit de gemeenschap van God en hun gebedsleven storen.
Maar, mijn lieve broeder, hebt gij dan vergeten, dat Jezus Christus de wereld overwonnen heeft; niet slechts de wereld in het groot, in zijn geheel gewonnen, maar uwe wereld ? Toen gij u bekeerdet, hadt gij u ook moeten voornemen, God de eer te geven, niet slechts daarvoor, dat Hij in Jezus Christus de wereld in 't algemeen met Zich verzoende, maar dat Hij zeer bepaald uwe persoonlijke en bijzondere zondenschuld op Jezus Christus heeft geladen, dat Hij u, mijn broeder en mijne zuster, hoe ook uwe namen of voornamen wezen mogen, dat Hij u met Zich verzoend heeft. En nu zoudt gij weigeren te gelooven en Hem er voor te danken, dat Hij, die uwe bijzondere zonden uitgedelgd heeft, ook de bijzondere wereld , waarin gij leeft en u beweegt, die wereld overwonnen heeft met al zijne moeielijkheden en strijd, met alle uitwendige en inwendige aanvechtingen, waaruit deze uwe wereld is samengesteld ? O, gij boos en ongeloovig Christenhart ! Ware het niet beter uw gebedsleven te ontwikkelen en te versterken , dan u bezig te houden met die dagelijksche moeielijkheden ? Wordt gij dan niet juist daardoor in het gevoel uwer onmacht en afhankelijkheid van God bewaard en bevestigd, uitgenoodigd, niets tusschen u en uwen God te laten treden, opdat gij ten allen tijde in het gebed kunt putten kracht, geduld en wijsheid, alles wat gij behoeft om te overwinnen, om te volharden, ten einde niet te verdwalen? â En nog eens: diezelfde moeielijkheden, waarin uw ongeloof eene stremming vindt voor uw gebedsleven, zijn die het juist niet, die in eene gezonde en praktische richting u houden, opdat gij niet in een onvruchtbaar beschouwen, in een zelfzuchtig genieten van Jezus vervalt?
Ja, wanneer de Heer niet trouw en barmhartig ware, wanneer Hij één oogenblik kon vergeten, wat voor een maaksel wij zijn en hoe weinig daartoe noodig is, om het rookende lemmet uit te dooven, wanneer Hij niet ieder Zijner schapen
10
bij name kende volgens zijn bijzonderen aanleg behandelde en aan ieder slechts dat oplegde, wat hij vermag te dragen: â ja, dan zou men wel mogen sidderen en vertwijfelen! Maar Hij is getrouw en barmhartig. Nooit zal Hij het toestaan dat een der Zijnen boven zijn vermogen verzocht wordt. Ten allen tijde zorgt Hij, dat de verzoeking tot zulk een einde kome, dat wij haar dragen kunnen. Daarom vertrouw en dank uwen Herder. Slechts het ongeloof kan de wereld en het menschenleven naar de kroon staan; het geloof is de overwinning, die de wereld overwonnen heeft.
En wat van de wereld geldt, dat geldt ook van uw eigen hart, dat geldt van den vorst der duisternis en van alle vijanden , die uw gebedsomgang met God zouden kunnen verstoren. God is grooter dan uw hart en uw Heiland heeft macht, niet slechts over de golven van de zee van Galilea, maar ook over de golven van uw eigen onstuimig hart. Hij heeft de vorst der duisternis alle macht ontnomen; en wanneer gij u eenvoudig aan Hem blijft vasthouden en in Hem blijft, zoo kan de booze, u niet meer aantasten. Laat het u echter niet ontmoedigen, wanneer het u niet dadelijk gelukt tot zulk een gebedsleven door te dringen. Al wordt uw gebedsomgang met God ook honderd of duizendmaal verstoord, laat u door geene ondervindingen ontmoedigen. De schade, die een storing van uw gebedsleven en daarmee iedere zonde in woord, daad of inwendige beweging u brengt, is altijd grooter dan gij weet, maar nog erger zou het zijn, dubbele schade aanbrengend , wanneer gij na zulk eene stoornis niet terstond tot uwen God zoudt teruggaan en bij Hem vergeving en vernieuwing zoeken. Wanneer Johannes met betgeen hij schrijft, in 't begin van zijn eersten Brief, zoekt te bereiken, dat wij niet meer zondigen, zoo voegt hij er toch dit bij : »En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben »een voorspraakquot; enz.
Daarom aan den eenen kant geen enkel oogenblik den moed en de hoop laten zinken , en aan den anderen kant het steeds ernstiger opnemen. Hoe teerder de trouw is, waarmede gij u plaatst onder de tucht der Goddelijke genade, des te zeldzamer â zullen de stoornissen van uw gebedsleven worden en des te gemakkelijker wordt het voor den Heiligen Geest, daar waar zij nog voorkomen de verbrokene draden van uw gemeenschap met God weder aan te knoopen en uwen door de
11
zonden benevelden, blik weder den weg te openen uit de verwarring van uw eigen machteloos pogen tot de erbarming van uwen God en Heiland, des te spoediger brengt de H. Geest u dan eindelijk daarheen, om in zijn gansche volheid te ervaren en te smaken, wat het is in Jezus te blijven.
Hoe smartelijk ook uwe ervaringen zijn mogen en hoe vele de omwegen, die u tegenhouden , werp slechts uw vertrouwen niet weg; en is er op dit oogenblik nog veel waarin g ij nog niet overwonnen hebt, houd u hieraan vast, uwen Heer te danken en Hem te prijzen, dat Hij overwonnen heeft. Ondank is de weg, waarop de. mensch gezonken is in de gruwelen van het heidendom. Lof, prijs en dank aan den Heer voor zijne volkomene verlossing is de weg uit den nacht tot het licht, is de weg tot de volheid des heils, de weg tot het gebedsleven.
Wij hebben ons met de vraag bezig gehouden, hoe men tot een gebedsleven komt; nu eenige woorden over de vraag, hoe men het bewaart. De middelen daarvoor zijn waakzaamheid en nuchterheid, het gebed, Gods Woord en het avondmaal.
Het eerste, wat de Heer ons aanbeveelt en wat Hij (Markus 13:37) ons allen uitdrukkelijk zegt, is, dat wij w a k e n moeten. Om te kunnen waken moet onze blik niet op ons zelf gericht zijn, hij moet zich tot Jezus opheffen en onveranderd op Hem rusten. Ons eigen hart is verdacht en donker, een voor ons ondoordringbaar gebied; wie er zich in begeeft, die verliest zich in nacht en nevel, en wordt slaapdronken. Waken en wakende blijven kan men slechts dan, wanneer men zijne oogen voor het licht opent en ons licht, onze zon der gerechtigheid is Jezus. Slechts de herder ziet van verre het gevaar, dat zijn schaap dreigt. Het schaap is kortzichtig.
Zal het niet overvallen en den eersten vijand denquot; besten ten buit worden, zoo moet zijn blik naar den herder gekeerd zijn. Hierin ligt het geheim van de waarachtige waakzaamheid ; want slechts onder deze voorwaarde en in deze houding kan de herder bij tijds zijn schaap waarschuwen en is het in zekerheid.
Alle waakzaamheid is gegrond op het bewustzijn van door gevaren en vijanden omgeven te zijn; maar door waakzaamheid is nog geen gevaar afgewend, geen vijand overwonnen. Is er sprake van een vijand, tegen wien wij niet opgewassen
12
zijn en tegen wien wij ons op geen enkele wijze weten te verdedigen, zoo zullen wij in het bewustzijn van onze onmacht er vooral acht op geven bij onze waakzaamheid, dat wij de verbinding met onzen machtigen Bondgenoot in eere houden, dat wij blijven in Hem, die onze Sterkte onze Toevlucht en onzen Borg is. quot;Wij moeten ons innig en zeer vast aan den Heer Jezus houden , om altijd een schuilplaats en overwinning in Hem te vinden.
Om waakzaam te zijn hebben allen van noode een blik vol vertrouwen op Jezus hunnen Herder. â¢â Wie echter op Hem ziet, moet ook naar Hem hooren. Hij moet naar Hem luisteren , niet slechts, wanneer Hij, zoo als wij gezien hebben, door zijn stem tot ons geweten spreekt, wanneer Hij ons oordeelt en straft, maar hij moet letten op alle wenken van Zijnen Geest. Daar is iets oneindig teers in de wenken van den Heer, als Hij de zijnen ter zijde neemt, om hen te vermanen , terecht te wijzen of tegen de verzoeking te harden.
Wie niet door de zonde wil overvallen worden, of door den vijand ten val gebracht, die moet hart en oor openhouden voor de vermaningen van den Geest Gods en steeds bereid zijn te zeggen : »Spreek , Heer, uw dienstknecht hoort.quot;
Zoolang nog de zonde of het eigen Ik in onbepaalde vormen van verre of nabij zich aan uwen inwendigen gezichteinder aankondigt, zoodra gij bemerkt, dat uw inwendige vrede, uw gemeenschap met den Heer dreigt te verduisteren, zoo sta een oogenblik stil ! Weet, dit, het is uw Herder, die u waarschuwt en u wenkt; haast u om zijn roepen te volgen en te vluchten onder zijne vleugels; nader meer en meer tot Hem; totdat de stralen van zijn aangezicht ieder spoor van verduistering hebben te niet gedaan, totdat de lucht weer helder en doorzichtig geworden is ? â Een zucht, een blik is voldoende, wanneer de omstandigheden het u niet toelaten , u voor een oogenblik in de stilte terug te trekken.
Tot waakzaamheid behoort verder, dat men ten opzichte van zijn zwakke zijde het meest op zijne hoede zij. Heeft men een vijand als bijzonder gevaarlijk leeren kennen , zoo is het noodzakelijk , zorgvuldig te vermijden , wat hem zou kunnen wakker maken en ons met hem in aanraking brengen. Verzoekingen allereerst, die in ons vleesch en bloed hun zetel hebben , kan men slechts daardoor overwinnen, dat men zich niet met
13
hen inlaat. Wie deze vijanden in de oogen ziet en met lietl strijden wil, die is daardoor reeds gevangen en verstrikt. Bij zulke verzoekingen komt het er op aan een bewijs te leveren van ons geloof en onze reinheid; het komt er op aan hieraan vast te houden, dat in Christus ons vleesch gekruisigd is, dat wij door Christus' dood van het zondige vleesch verlost zijn. Dit bewijs bestaat en wordt slechts door hem gestaafd, die den vijand en alle verzoekingen den rug toekeert en onverwijld tot den Heer vlucht. Dit alleen is geloofsstrijd, en aan hem is de overwinning verzekerd. Alle eigene inspanning verward en verslapt. â Natuurlijk is zulk eene waakzaamheid zooals het gebedsleven dit onderstelt, slechts mogelijk, waar men met zijn eigen leven gansch gebroken heeft. Het ware een ijdel spel, wachtposten uit te zetten tegen een vijand, met wien men nog ergens, in geheime verstandhouding leeft. Zoo kunt gij, o. a. niet bewaard blijven, voor een gevoel van eigenliefde en zelfverheffing, zoo lang gij u nog niet op uw gemak en te huis gevoelt op den achtergrond en in de vernedering, zoolang gij u nog niet volkomen hebt verootmoedigd en verbroken zijt. Even zoo is het ook onmogelijk te waken, zoo lang men zich nog niet geheel heeft opgeheven uit een val en niet weder opnieuw vasten voet gezet heeft in de genade. Er kan m. a. w. bij het waken slechts sprake zijn van eene bewaring van datgene wat men heeft; over dat wat men nog niet heeft, of niet meer heeft kan men niet waken. Niet door de waakzaamheid treedt men met God in gemeenschap en daarmee in het bezit van alle goederen en gaven, die God in Christus ons verworven heeft, maar door het geloof.
Eerst wanneer men daarin staat, kan men waken om niet meer uit te vallen.
Verder zegt de apostel: »Zijt nuchteren en waaktquot; (I Petrus 5 : 8). Zonder matigheid en nuchterheid is waakzaamheid onmogelijk. Alle onmatigheid in eten en drinken, in huwelijksleven of in wat ook, alles , waarin geen maat wordt gehouden, b. v. waar men zich bezig houdt met kunst en letterkunde, het lezen van nieuwsbladen, enz. â het roept alles dezelfde werking te voorschijn als de zorgen. Het hart wordt verzwaard, de vleugelslag van het geloof verlamd, de blik naar Boven gericht wordt verdonkerd. Alle soort van oningetogenheid
u
Werkt verslappend op lichaam, ziel en geest. Ons lichaam moet in voortdurende tucht gehouden worden en daarmee ons gansche wezen (I Cor. 9 : 27.)
Waakzaamheid en nuchterheid zijn ons des te noodzakelijker , daar wij niet slechts te doen hebben met vleesch en bloed, maar met de machten der duisternis. Niets is den Satan zoo onverdragelijk als het geloof, omdat men door te ge-looven God verheerlijkt en Hem welgevallig is, (Hebr. 11 ; 5, 6.) Wie daarom den geloofsweg gaan en een gebedsleven leiden wil, die wete, dat hij juist daardoor de woedende haat van den vorst der duisternis wakker roept, en een strijd op leven en dood tegengaat. Tegenover een zoo geweldigen en onver-moeiden tegenstander geldt het niet slechts jiuchteren en matig te zijn in uitwendige genietingen, maar ook voor alles inwendig, geestelijk nuchter te zijn.
Zoolang wij ons vasthouden aan Christus. hebben wij niets te vreezen. Maar in onzen dagelijkschen wandel, zoowel als in uren van bijzondere verzoeking waarvoor wij ons steeds hebben te wachten, is het voor alle dingen noodzakelijk, dat wij niet slechts steuuen op den verheerlijkten Christus, zooals Hij ons van uit den hemel bijstaat en doorhelpt, maar op den gekruisigden Christus, op zijn voor ons volbracht werk op zijn voor ons vergoten bloed. Hoe oprecht en beslist wij ons ook mogen stellen onder den invloed en de hoede des Heiligen Geestes, de Satan weet zeer goed zijn stem na te bootsen en in de gedaante van een engel des lichts de kinderen Gods te gemoet te treden. Om zijne strikken te ontgaan , moeten wij ons terugtrekken in de schaduwen van het kruis van Christus, daarheen alleen kan ons de Satan niet volgen, alleen daar zijn wij tegen zijn verblindenden en bedriegelijken invloed gewaarborgd. (Hebr. 2:14, Openb,. 12:11.) Alleen daar blijven wij nuchter. Zooals het door een van onze broederen is uitgesproken: niet door den geest, maar door het bloed van Jezus Christus is de Satan overwonnen, en het Woord en de Geest getuigen van dit bloed.
Naast de waakzaamheid en de nuchterheid beveelt ons de Schrift het gebed. »Waakt en bidt,quot; zegt ons de Heer, »opdat gij niet in verzoeking komtquot; (Matth. 26 : 41). Zal ons gebedsleven onbewolkt blijven en zich voortdurend vernieuwen, zoo s het voor alle dingen noodzakelijk , dat wij ons voor het stil
15
gebed afzonderen op bepaalde tijden. Ja, ook onze Heiland zelf heeft dikwijls de behoefte gevoeld, zich in de eenzaamheid terug te trekken om met zijnen Vader alleen te zijn, Noch de openbare, noch de huiselijke godsdienst, noch bidstond, nog het gebed met eenige broederen kunnen ons die oogen-blikken vergoeden, waarin wij in de eenzaamheid het aangezicht van den Heer zoeken, om ons hart door Hem te laten stillen of versterken. Hem lof en dank, gebed en smeekingen te offeren.
Willen wij toegerust zijn voor al de gebeurtenissen en ontmoetingen , die in den loop van den dag ons wachten, dan mogen wij des morgens nooit onze kamer verlaten in onze eigene naaktheid, maar eerst dan, wanneer wij geheel gekleed zijn , met den Heer omkleed en in Zijne genade gehuld. Bij ons eerste ontwaken moet onze blik Hem zoeken en in Hem post vatten. Zijn wij des avonds in de ware stemming des harten ter ruste gegaan , zoo zal ons dit niet moeie-lijk vallen, gedurende den dag moeten wij de oogenblikken, die de Heer tot stille overdenking ons geeft, getrouw waarnemen, zij het in de eenzaamheid of midden in het gewoel der wereld. -â Doen wij dit, dan voert de Heer ons in zijn bewarende herderstrouw zoo, dat ons de aangewezen plichten en werkzaamheden niet overweldigen en dat wij in innerlijke rust, in de ware gesteldheid jegens den Heer kunnen blijven.
Een eerste voorwaarde om in een gebedsleven te blijven, is het getrouw gebruik van de Heilige Schrift, gelijk niemand tot den Vader komt dan door den Zoon, zoo blijft ook niemand bij den Vader dan door den Zoon. Alleen Gods Woord geeft ons den Zoon, zooals Hij is, in zijn geheele werk. Evenals een gezond, frisch gebedsleven gebouwd is op de kennis van al datgene wat God gedaan, beloofd of geboden heeft, op de kennis van alles, wat Hij ons van zijn wezen geopenbaard heeft in woord of daad, zoo voedt het zich ook uit de gedachten Gods, m. a. w. het gebedsleven steunt van het begin tot het einde op de H. Schrift en wordt door de H. Schrift gevoed. Wat in ons geestelijk leven zich niet aan de Schrift vasthoudt en zich niet door de Schrift rechtvaardigt, is inbeelding en zelfbedrog. Al onze levensbetrekkingen tot God, onze uit- en inwendige ervaringen, alles wat wij gelooven hopen en leeren, moet de Heilige Schrift tot vast en onvoorwaardelijk richtsnoer hebben.
Om volkomen kinderen Gods te worden, tot alle goed werk bereid om de duizend klippen te ontgaan, waarlangs wij heenvaren, daarvoor is het noodzakelijk, dat wij met de . Schrift beter vertrouwd worden. . . . ,
Naast de H. Schrift staat het H e 111 g e A v o n d m a a 1. In het avondmaal hebben wij belichaamd en te zamen gevat, wat God in Christus voor ons gedaan en voor ons verworven heett, alle heilskrachten en heilswaarheden, die m het Woord beschreven worden Wie het gebedsleven wil bewaren, wie volharden
wil in het geduld en in het geloof der heiligen, vooral m onzen tijd, die heeft steeds nieuwe krachten noodig uit het
Heilige der heiligen, en deze krachten verkrijgen wymbijzondere wijze aan het avondmaal. - Daar deelt de Heer zich zelf en zijn eigen leven aan ons mede en maakt ons daardoor in steeds meerdere mate, de krachten van zijn dood en zijne opstanding deelachtig. Een derde punt, betrekkmg hebbende op de vruchten van het gebedsleven, hoe gewichtig .]ât ,,,.1. zij willen wij hier slechts aanstippen.
Het o-ebe'dsleven, een leven met God, uit God en in God, is gezond en Gode welgevallig, in zoo ver het een leven vo or
G0»wie in mij blijft,quot; zegt Christus, »die draagt veel vrucht.quot; Hij draagt op de juiste plaats en ter rechter tijd in eenvoud en geduld de vruchten, waarvoor hij geplant is, vruchten van quot;ootmoedig en zich zelf verloochenend dienen. Hij leert van Christus het geheim, om in en voor ^eren e leven met anderen te lijden, de gebreken van anderen te dragen Eene voorname vrucht van het gebedsleven is alzoo ijverige, onvervalschte broederliefde. Wie door mets meer van zijnen God wordt gescheiden, dien scheidt ook mets meer van zijne broederen, en hiermede is de grond gevonden voor een gerneen-schapsleven, waarin de kinderen Gods als een aaneengesloten geheel onder de banier van Christus de ware overwinning behalen, zielen aan de macht der duisternis ontrukken en den ganschen wil Gods op aarde vervullen kunnen.
Hunnen Heer dienende in eemgheid des geestes , zijn «J dan ook in de rechte stemming om op zijne komst te wachten.
Q t S//411,