ocr page 1

IMIP m

-:gt; 4 J ^ 'J (4 Q 4. J j. :J q Q g, ^

Q 0 Q Q Q

^ J J J \J J Jgt; J J/ J) J J) J J)

tjser;-

A

Ü \ a J

Wf

/? AW

Ajy

/-■ V

• -IVm /

VV

w

^s

r^-r^r^r-^r^r-r-r-r-rr^.

% m

Â¥\ m i

1 I V gt; 1 gt; I . 1:1 1 gt; s XC

TOT DE BEOliVSELEK DEI!

HMÂ¥'

J/PW

DIERKUNDE

tkn lt;:j:ijii( IKK isr.i

Het Gymnasiaal en het Middelbaar Onderwijs

i)i'. i). l r rgt; a (

^'*'4

t-1 A^7mÉ

VIERDE, E R Z I E N E DRUK.

MET 317 II O U T S N E Ê-FIGUREN.


DDUII)

jil I I

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

HANDLEIDING

TOT DE BEGINSELEN DEU

DIERKUNDE.

ocr page 6
ocr page 7

HANDLEIDING

TOT DE BEGINSELEN DER

DIERKUNDE

TEN GEBUUIKE BIJ

HET GYMNASIAAL EN HET MIDDELBAAR ONDERWIJS

Dr. D. LUBACH.

Vierde, li e i- z i e n e rgt; i* vi 1c

Met 317 Houtsneefiguren

BOTTERDAM UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ „ ELSEVIER'' 1885

Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht Aiti. Diergeneeskunde

ocr page 8

Gedrukt bij van Asp eren v. d. Velde amp; Comp., te Haarlem.

ocr page 9

VOORBERICHT.

Do eerste druk van deze Handleidiny tot de beginselen der Dierkunde, in 1864 verschenen, maakte het dierkundig gedeelte uit van eene Inleiding tot de kennis der natuur, uitgegeven door liet Nedeiiandsch Onderwijzers-Genootschap, waarvan do bewerking door dat genootschap werd opgedragen aan Dr. J. W. van den Broek, Dr. D. J. Coster en mij. Het doel der uitgave was om aan aankomende onderwijzers een leerboek te verschaffen, dat hun tot gids kon dienen bij hunne studio der natuurwetenschappen; liet was dan ook dit doel, dat mij bij do bewerking van het zoölogisch gedeelte steeds voor oogen stond. Toen echter eene nieuwe uitgave van mijn book noodig werd, bon ik met don uitgever te rade gegaan deze zóó in to richten, dat zij ook bij het gymnasiaal en middelbaar onderwijs kon worden gebezigd en in het algomeon geschikt word ton gebruike voor ieder, die zich wat moor dan oppervlakkige notion van Dierkunde mocht wenschen eigen te maken.

De tweede druk verscheen in 1875 en werd 1880 door een derdon gevolgd.

Van hetgeen ik in het voorbericht van don tweeden druk meende te moeten berichten herhaal ik hier alleen het volgende.

Bij het indeden van het dierenrijk in klassen on orden heb ik mij steeds zoo na mogelijk gehouden aan Harting's Leerboek van de grondbeginselen der dierkunde. Zoo na mogelijk; want ik heb gemeend bij onderscheiden gelegenheden daarvan te moeten afwijken met het oog op do bestemming van dit boek. In enkele gevallen heb ik dan ook nu en dan eene eenvoudiger ondorver-deeling aangenomen, — elders getracht het overzicht gemakkelijker te maken door samensmelting van klassen on orden, — of door klassen of orden, die slechts weinige min bekende dieren tellen, weg te laten. Voorbeelden daarvan vindt men bij de ver-

ocr page 10

VOORBERICHT.

dooling dor Spinnen cn der Wormen en bij die der Weekdieren. In vele dier gevallen heb ik het eehter zóó ingericht, dat uit de door mij gekozen indeeling die van Harting gemakkelijk te ontwikkelen is; als voorbeeld voer ik aan de orde der Zuignapwor-wormen (Cofi/lidea), overeenkomende met de Ilirudinida en de Trcmatoda. Enkele diervormen, die tot de door mij niet opgeno-mene klassen of orden behoorden, maar die ik toch niet met stilzwijgen mocht voorbijgaan, zooals Dentalium, de Gregarinen, de Noctilucariën enz., zijn door mij vermeld bij wijze van bijvoegsel op de orden, waaraan zij het naast verwant zijn.

Beschrijvingen van geslachten cn soorten konden niet worden opgenomen zonder hot boek tc uitgebreid en daardoor te duur te maken. Om diezelfde reden moest ik ook met het opgeven en kenmerken van familien zeer spaarzaam te werk gaan. Hem, die beschrijvingen van geslachten en soorten verlangt, verwijs ik, om mij tot oorspronkelijke nedcrlandsche werken te bepalen, naar H. Schlcgcl's Handleiding tot de beoefening der dierkunde, 2 doelen met atlas (Breda 1857 en 1858), en, voor de Gewervelde dieren alleen, naar W. Vrolik, Het leven en maaksel der dieren, 3 dee-len (Amsterdam 1853).

Wil men zich hoofdzakelijk tot de kennis der inlandsche dieren bepalen , dan beveel ik aan de dierkundige gedeelten van de indertijd te Haarlem uitgegeven Natuurlijke Historie van Nederland, bewerkt door H. Schlegcl (Zoogdieren, Vogelen, Kruipende dieren, Visschen), S. C. Snellen van Vollenhoven (Gelede dieren) en J. A. Herklots (Weekdieren en Lagere dieren), alsmede J. E. Rombouts, De dieren van Nederland. Kene handleiding tot het de-ter mineeren der inlandsche dieren. (Haarlem 1875).

Voor de meer bijzondere kennis van de huisdieren en van die, welke voor den landbouw nuttig of schadelijk zijn, is zeer aan te bevelen de Landbouwdierlcunde van Dr. J. Kitzema Bos, 2 deelen (Groningen 1879).

Over de verbeteringen, die het bock bij eiken nieuwen druk heeft ondergaan, zal ik niet uitweiden. Dankbaar voor de goede ontvangst, die het gedurende meer dan twintig jaren mocht genieten , sluit ik met den wensch, dat ook deze vierde druk moge blijven voortgaan nut te stichten.

Kampen, 27 Maart 1885. D. LTJBACH.

VI

ocr page 11

i rv ii o t : igt;.

Biz.

EERSTE AFDEELING. Inleiding........................... 1

Hoofdstuk I. Over do Dierkunde in het algemeen........ 1

. Hoofdstuk H. G es chi e deuis d er D ie rkun de............... ^

Hoofdstuk III. Bouw en verrichtingen van het mcnsche-

lijk lichaam, als hoogsten vorm van het lichaam 11 der dieren............................................ ö

A. Voorafgaande opmerkingen.............................

B. Overzicht van het geraamte als vasten grondslag dos lichaams.

C. Organische verrichtingen............................... 28

L). Dierlijke verrichtingen................................

Hoofdstuk IV. Rangschikking en benaming der dieren... 82

TWEEDE AFDEELING. Ovehziciit van het Dieuunbijk....... 88

Hoofdstuk V. Gewervelde dieren.......................... 88

I Klasse. Zoogdierm.................................... 8'J

H „ Voyclen...................................... 133

Hl „ Kruipende dieren.............................. 103

IV „ Visschen...................................... 180

Hoofdstuk VI. Gelede dieren............................... 202

I Klasse. Inseklen...................................... 211

II „ Duüendpoolen................................. 238

Hl „ Spinnen...................................... 2i0

IV „ Schaaldieren.................................. 248

Hoofdstuk VH. Wormen..................................... 2(55

I Klasse, llolwormen.....................................267

II Volwormen.............. ...................... 275

Hoofdstuk VHI. Weekdieren................................ 283

I Klasse. Kopdragende Weekdieren....................... 287

II „ Flaallcieuwige Weekdieren....................... 302

IH „ Huidzakdieren................................. 310

IV „ Armpootigen.................................. 315

V „ Mosdieren..................................... 318

ocr page 12

INHOUD.

Biz.

Hoofdstuk IX. S teko 1 hui (li ge tl ie ren..............................................322

I Klasse. Zeelcomkommers................................................................325

II „ Zeeëgels............................................................................330

III „ Sterdieren........................................................................335

IV „ Zeeleliën............................................................................339

Hoofdstuk X. Holtediereu of Neteldieren..................................342

I Klasse. Ribkwallen......................................................................344

H „ Kwal/lieren......................................................................347

Hl „ Polypen of Bloemdieren................................................360

Hoofdstuk XI. Protozoën....................................................................369

I Klasse. Sponsen............................................................................370

11 „ Wortelpootigen................................................................374

III „ Infusiedieren....................................................................377

Systematisch overzicht..............................................................................385

VERBETERINGEN EN BIJVOEGSEL.

Bladz. 119, regel G v. o. staat E. latirostris, moet zijn M. latirostris.

Bladz. 120 regel 1 bovenaan staat Belaena, moet zijn Balaena.

Bladz. 133. Do Vogelbekdieren worden ook Monotremen (.Mf)-nolremata) genaamd, van Ltóvo?: één, enkel, en rry?,tj.v-: opening, omdat zij, evenals de vogels, — zie bladz. 139 § 160, — slechts ééne opening naar buiten voor de drekstoffen, de urine en de jongen of eieren bezitten. In den laatsten tijd nu zijn do Vogelbekdieren of Monotremen gebleken eierleggend e dieren te zijn. Reeds in 1S29 werd dit beweerd, doch men kon er toen geen afdoende bewijzen voor aanvoeren. Thans heeft men de eieren van Ornithorynrlius en van Echidna ontdekt. Daar deze dieren echter de uit de eieren gekomen jongen zogen, blijven zij hunne plaats onder de zoogdieren behouden, doch moet bij de bepaling wat zoogdieren zijn (§ 115) op hen als uitzondering op het „levende jongen voortbrengen1' worden gewezen.

Bladz. 171. De geslachten 6 en 7 (Draak en Legoeaati) moeten onder de Diktongigen worden gerangschikt, zooals dan ook in het Systematisch Overzicht is geschied.

VIII

ocr page 13

Eerste Afdeeling.

I N L E I L) I N G.

EERSTE H O O F D S T U K.

Over de Dierkunde in het algemeen.

§ 1. Dieren zijn die bewerktuigde, levende wezens, die gewaarworden en zich willekeurig bewegen.

Het is niet gemakkelijk, of liever onmogelijk, om eene zoodanige bepaling van wat dieren zijn te geven, niet wier behulp men in elk geval kan onderscheiden of eenig organisch voorwerp een dier of eene plant is. Bij de allerlaagste, minst samengestelde vormen der organische wezens is de overeenkomst zoo groot, dat men moeielijk zeggen kan, tot welke der beide bewerktuigde rijken zij moeten worden gebracht. Het is bovendien do vraag nog, of vele dier lagere organismen, die wij tot de dieren brengen, wel inderdaad bezitten wat wij gewaarwording en wil noemen, en of de doelmatige bewegingen, die zij uitvoeren, niet tot die onwillekeurige bewegingen behooren, hoedanige wij later zullen zien dat ook door vele organen van do hoogere dieren worden volvoerd. Hoe dit wezen moge, en al moeten wij erkennen dat de grenzen tusschen het dieren- en het plantenrijk niet volkomen zuiver te trekken zijn, zoo is toch bovenstaande bepaling voldoende, voor zoover gewaarwording en willekeurige beweging inderdaad de meest in 't oog loopeude eigenschappen zijn, waardoor men in 't algemeen een dier van eene plant kan onderscheiden.

§ 2. De Dierkunde of Zoölogie is dat gedeelte der natuurwetenschap , hetwelk de kennis der dieren omvat.

1

ocr page 14

2

Met de Plantkunde (Phytologie of Botanie) en de Delfstofkunde (Mineralogie) vormt de Dierkunde de Natuurlijke Geschiedenis of Natuurlijke Historie.

§ 3. Dieren en planten bestaan beide uit deelen, die zekere werkingen uitoefenen, waardoor de stofwisseling bij dieren en planten en de gewaarwording en beweging bij de dieren mogelijk worden. Die deelen beet men daarom werktuigen (organen); de werkingen, die zij volvoeren, heet men verrichtingen (functiën). Daar de dieren en de planten zulke werktuigen wel , de delfstoffen niet bezitten, noemt men de eersten bewerktuigde (organische), de anderen onbewerktuigde (anorganische) voorwerpen.

De verrichtingen, die tot de stofwisseling, voeding en groei betrekking hebben, noemt men organische, ook wel vegetatieve verrichtingen, omdat zij aan alle organische wezens, ook aan de planten, eigen zijn. Die verrichtingen daarentegen, die gewaarwording en willekeurige beweging tot uitkomst hebben, heeten dierlijke (animale) verrichtingen, omdat zij alleen bij de dieren worden aangetroffen.

De organische verrichtingen dienen of alleen tot instandhouding van het individueel leven des diers of der plant, of zij dienen er toe om de soort, waartoe het dier of de plant behoort, voortdurend in wezen te houden. De eersten noemt men levens-verrichtingen, de anderen voortjplantings-verrichtingen.

§ 4. Daar de Dierkunde zich niet alleen bepaalt tot de beschrijving van het uitwendig aanzien der dieren, maar zich ook bezig houdt met hun inwendig samenstel, zoo zullen wij, na vooraf een blik op de geschiedenis der Dierkunde te hebben geworpen, een denkbeeld geven van den bouw en de verrichtingen van het men-schelijk lichaam, als de meest volmaakte type van de dierlijke bewerktuiging. De kennis daarvan zal ons tot punt van vergelijking dienen met hetgeen wij over het samenstel der dieren zullen mededeelen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Geschiedenis der Dierkunde.

§ 5. Al mogen er onder de wijsgeeren vóór Aristoteles geweest zijn, die de dieren, hun samenstel en hun leven tot het onderwerp

ocr page 15

3

van hunne navorscliingen kozen, gelijk men dat o. a. van Demo-kritus leest, zoo is toch Aristoteles (oveil. 321 v. Chr.) als de grondlegger der wetenschappelijke Dierkunde te beschouwen. De veroveringstochten van zijn leerling Alexander den Grooten en de op last van dezen volbrachte ontdekkingsreizen leverden hem vele bouwstoften voor zijn arbeid, en hij ondernam zelf ontleedkundige nasporingen. Menige van zijne waarnemingen zijn, na betwist of veronachtzaamd te zijn, eerst in lateren tijd gebleken volkomen juist te wezen, en zijne indeeling van het dierenrijk getuigt van zijne grondige inzichten; alle indeelingen, die na hem en vóór Cuvier beproefd zijn, staau beneden de zijne.

§ C. De geleerden, die later te Alexandrië de gelegenheid hadden in de diergaarde van het Museum aldaar waarnemingen te doen, mogen voor de ontleedkunde iets gedaan, en kennis gekregen hebben aan eenige diersoorten, die Aristoteles nog onbekend waren , — toch stond er gedurende eeuwen na dezen geen eigenlijk gezegd dierkundige op. Want wat Plinius in zijne Historici naturalis van de dieren heeft medegedeeld, is weinig meer dan eene onoordeelkundige samenvoeging van lang vóór hem bekende feiten en deels ongegronde meeningen, die in de verte niet te vergelijken is bij hetgeen de overgebleven geschriften van Aristoteles ons leeren.

§ 7. De middeleeuwen leveren geen enkelen naam op, die met betrekking tot de Dierkunde verdient genoemd te worden, tenzij men dien van Albertus Magnus zou willen aanvoeren, den man, van wien men zeide dat hij de gansche wetenschap van zijn tijd omvatte , doch die evenwel tot bevordering van de Dierkunde niets gedaan heeft. Hij leefde in de 13° eeuw. Maar in de 15° en de 16° eeuwen vond de Dierkunde waardiger beoefenaren. Men keerde terug tot de Aristotelische waarneming en navorsching en, terwijl Vesalius, Eustachius en Fallopia de ontleedkunde van den mensch hervormden, verwierven in Duitschland Gesner, in Italië Aldro-vandi, in Frankrijk Belon, in Engeland Wotton zich als dierkundigen een welverdienden naam.

§ 8. Nog vruchtbaarder was echter de 17e eeuw. Harvey ontdekte den bloedsomloop, Aselli de watervaten, en, — daargelaten nog welken invloed dit had op de duiding der bij de dieren ontdekte deelen en hunne verrichtingen, — deden quot;de veelvuldige ontledingen van dieren, die van die ontdekkingen de gevolgen waren, de kennis van het samenstel der dieren zeer vooruitgaan.

ocr page 16

4

Die ontdekkingen toch vonden in don beginne tegenspraak, ook bij hoogst bekwame mannen, en ieder trachtte zijne inzichten te staven door ontledingen en proefnemingen. — Niet minder gewichtig was in deze eeuw do ontdekking van hot mikroskoop door onze landgenooton Hans en Zacharias Jansen, een hulpmiddel, waarvan Swammerdam, Malpighi en Leeuwenhook met het uit-stckendst gevolg gebruik maakten, en door welks gebruik zij de wetenschap met een schat van waarnemingen en ontdekkingen verrijkten.

§ 9. Gedurende de 18° eeuw maakten zich in Frankrijk Reaumur, in Duitschland Rösol von Eosenhof verdienstelijk door hunne onderzoekingen aangaande do levenswijze en godaauteverwisseling der lagere dieren, bijzonder der insekton. De onloedkunde der dieren word ook meer en meer met goed gevolg beoefend, die der hoogere vooral door Pallas, Daubenton en Camper. Wat de lagere betreft, schroef Lyonnet een werk over de ontleedkunde van de wilgenrups, dat, met het veel latere van Strauss-Dürckheim over de ontleedkunde van den meikever, als model kon gelden. Maaiden grootsten naam ouder de dierkundigen van deze eeuw maakte zich Karl Linné (1707—1778), minder door zijne ontdekkingen en waarnemingen, dan door het bewerken on ordenen van de bouwstoften, waarover men toenmaals to beschikken had, — door hot nader bepalen van de begrippen soort, geslacht, orde, klasse, — en door eene eenvoudige , maar tevens hoogst doelmatige wijze van benoemen (nomenclatuur) der dieren in de plaats te stellen van do zeer onbepaalde of zeer samengestelde benamingen van vroeger. — Van andere beroemde dierkundigen in deze eeuw zwijgen wij, om alleen nog maar van Buftbn te gewagen, omdat deze bij het algemeen zich een grooten naam verworven hoeft. Echter zijn het vooral zijne letterkundige verdiensten, zijn fraaie stijl, die hem zijn roem hebben bezorgd ; als wetenschappelijk dierkundige stond hij benoden zijne medewerkers, vooral beneden Daubenton. Te ontkennen is het echter niet dat in zijn geschriften hier en daar goede waarnemingen en opmerkingen voorkomen, en dat hij de eerste grondslagen heeft gelegd voor de konnis van de geographische verspreiding der dieren, vooral der zoogdieren. — Bij dezen verdient vooral Lamarck te worden genoemd, die 't eerst do dieren onderscheidde in '■gewerveldequot; en quot;ongewerveldequot; dieren, en de grondlegger was van de hedendaagsche ontwikkelings- of afstammings-thoorie.

ocr page 17

5

§ 10. De man, dio in de l!)c eeuw in de allereerste plaats als dierkundige verdient genoemd te worden, is George Cuvier (1769— 1832). 1 (Grondige ontleedkundige nasporingen brachten hem niet alleen tot eene verdceling des dierenrijks, die meer eene ontwikkeling van die van Aristoteles dan van die van Linné moet genoemd worden en de grondslag is der nieuwste zoölogische ver-deelingen, maar ook tot eene betere kennis der uitgestorven dieren, waarvan wij de overblijfselen terugvinden in de gesteenten, die gedurende vroegere tijdperken van het bestaan der aarde gevormd zijn. Na Cuvier komen eene menigte beroemde namen, ook van nog levenden, die steeds met eer zullen genoemd worden, maar wier opsomming in eene korte schets als deze noch mogelijk, noch nuttig wezen zou.

DERDE HOOFD ST U K.

Bouw en verrichtingen van het menschelijk lichaam als hoogsten vorm van het lichaam der dieren.

A. VOORAFGAANDE OPMERKINGEN.

§ 11. Het menschelijk lichaam bestaat uit vaste en vloeibare doelen. Tot de vaste behooren b. v. de beenderen, de spieren of het vleesch, de aderen, de zenuwen , de ingewanden enz.; tot de vloeibare het bloed, de gal, de slijm en andere vochten meer. Dc hoeveelheid der vloeibare overtreft die der vaste deelen aanmerkelijk; het lichaam van een man, die 154 pond woog, werd bevonden aan vocht 116, en dus aan vaste deelen slechts 38 pond, te bevatten. Voorts worden in de vochten des lichaams ook gassen of luchtvormige vloeistoffen aangetroffen.

§ 12. Wat werktuigen of organen zijn, weten wij. Eene spier is een orgaan, dc aderen zijn organen, de ingewanden zijn organen enz. In het lichaam van een dier nu zijn velerlei organen van dezelfde s.oort, b. v. vele spieren, vele aderen. Deze gelijksoortige d. i. in samenstel met elkander overeenkomstige organen noemt men, te samen genomen, stelsels (systemen). Zoo heeft men dus een

') Eigftnlijk Küfer, geboren te Jlömpelgard (verfranscht Moutbéliard) iu den Elzas.

ocr page 18

6

beenderenstelsel, een spierstelsel, een bloedvaten- (slagaderen- en aderen-) stelsel, een zenuwstelsel, enz. Voor zoover eenige organen, die tot verschillende stelsels kunnen behooren, met elkander een geheel vormen, dat tot bereiking van een bepaald doel dient, vormen zij te samen een toestel (apparaat.)

§ 13. Het fijnste inwendige samenstel der deelen en werktuigen van het lichaam noemt men het weefsel dier deelen en werktuigen. Het lichaam bestaat uit deelen, en deze uit weefsels, evenals een gebouw bestaat uit verschillende deelen, (muren, dak, vloer, deuren, vensters , enz.) en deze weder uit bouwstoffen (hout, steen, kalk, ijzer, enz.) De weefsels zijn dus de bouwstoffen, waaruit de deelen des lichaams bestaan.

§ 14. Als eerste, eenvoudigste orgaan, waaruit oorspronkelijk alle weefsels ontstaan, of, zooals men het noemt, worden opgebouwd, moet in den mensch en de dieren, evenals bij de planten, de cel worden aangemerkt. Eene cel in haren meest ontwikkelden vorm bestaat uit een celvlies, dat eene soort van blaasje vormt, met een celinhoud (plasma, protoplasma), en een kern, die doorgaans Fig. t. tegen den binnenwand van het celvlies aan ligt,

2in m. vergr. en, vooral als hij nog jong is, nog een kern-

lichaampje bevat. De kern en ook het celvlies kunnen echter ontbreken, zoodat do geheele cel uit een rond klompje protoplasma bestaat. — Er zijn lagere diervormen, die uit weinig anders dan eene cel zonder omhulsel en zonder kern

a. de met den kern- quot;bestaan.

inhoud gevulde celblaas

amp;.kcrn.c.kemiichaampje. De stof, waarin de cellen' zich bevinden, waar zij elkander niet onmiddellijk begrenzen, en die dus tusschen de cellen gelegen is, heet men tusschencelstof. Deze stof is of het voortbrengsel der levende cellen zeiven, of zij is afkomstig uit de voedingsvochten van het organisme, en in dat geval putten de cellen uit haar de stof tot haren groei en hare vermenigvuldiging. Zoodanige tusschencelstoffen heet men klemslof (blastema). Die vermenigvuldiging nu heeft plaats of in het blastema (exogene vermenigvuldiging) of binnen reeds aanwezige cellen, die dan moeder-cellen heeten (endogene vermenigvuldiging).

De in een wordend organisme of in een wordend gedeelte van een organisme ontstane cellen ondergaan in vele gevallen aanmerkelijke veranderingen. Zij worden plat, hoekig, langwerpig, krijgen

ocr page 19

7

uitgroeisels of uitsteeksels, groeien in grooter of kleiner aantal aaneen om zoo vezels enz. te vormen, verliezen (b.v. bij de plat-geworden cellen) haren vloeibaren of halfvloeibaren inhoud enz.

§ 15. Als voorbeeld van een der allereenvoudigste weefsels dient de opperhuid, die als oen dunne laag of vliesje de eigenlijke huid bekleedt, en bestaat uit nevens elkander gelegen, geheel plat geworden cellen met verharden inhoud (zie fig. 2 a). Daartoe behoort ook het hoormccefsel, waaruit de nagels en de haren bestaan. Sommige oppervlakten binnen het lichaam zijn ook door een opperhuidje bedekt, dat men epithelium heet.

§ 16. Het bindweefsel is eene weeke, doorschijnende, vliezige zelfstandigheid, die de tusschenruimten der verschillende deelen opvult en het middel is, waardoor deze doelen en de onderdeden

Fisr. 2.

ocr page 20

weefsel. Binnen in het bindweefsel bevinden zich ruimten (vroeger ook wel quot;cellenquot; geheeten) welke eene heldere waterige vloeistof (wei) bevatten, liet vetweefsel, dat overigens veel overeenkomst mot hot bindweefsel bezit, bevat in zijne ruimten of mazen vet.

§ 17. Vaten zijn kanalen of buizen, die zich, evenals do stam van een boom, verdeden in een groot aantal takken, die op hun beurt zich weder iu kleinere takken, en vervolgens in nog kleinere en kleinere takjes splitsen, en waarin de voedende vochten dos lichaams (het bloed en de lympha) bevat zijn. Men verdeelt ze in bloedvaten, en water- of lymphavaten. Tn meest alle doelen en weefsels des lichaams vindt men vaten, in enkele echter niet, zooals in de opperhuid, de haren, de nagels.

§ 18. XciiiuL-r.ii ziju witte, koord- of draadvormige, niet holle, maar zich toch, even als de vaten, in takken en takjes splitsende deelen. Zij bestaan uit dicht naast elkander gelegen zenuwdraden of zenuw-buisjes, die door bindweefsel tot bundels en deze op hun beurt tot grootere bundels vcreenigd zijn. Bij de voortgaande splitsing nu van zenuwen in takken, takjes, nog fijnere takjes, wijkeu de bundels, waaruit die zenuwen bestaan, uit elkaar en vormen alzoo dunnere zenuwen, die zich op dezelfde wijze in nog dunnere verdoelen, totdat in de allerfijnste zenuwen alleen een enkel zenuwbuisje overblijft, dat zich niet meer verdeelt. Elk zenuwbuisje bestaat uit een vliezig omhulsel, een uit eiwitbestaanden draad (as-cylinder) en het zenmvmerg, dat de overige ruimte binnen het omhulsel opvult. Uit zulke zenuwdraden bestaat ook de witte zelfstandigheid der hersenen en des rugge-mergs. De grauw gekleurde zelfstaudigheid der laatsgenoemde organen en van nog andere kleinere organen, die men „zenuwknoopenquot; heet, bestaat, behalve uit de genoemde witte zenuwbuisjes, nog uit zo.nuwocllcii., langwerpig ronde, roodachtig gele cellen meteen kor-religen inhoud, die altijd nauw met zenuwbuisjes samenhangen.

§ 19. Ieder heeft een algemeen begrip van datgene wat men onder een vlies verstaat. De huid is een vlies, de opperhuid is er ook een. De vliezen, aan wier kennis ons't meest gelegen is, zijn , behalve de genoemde, de slijmvliezen en de weivleizen.

De slijmvliezen, aldus genaamd omdat hare oppervlakte gestadig een helder of grijsachtig lijmerig vocht (slijm) uitzweet, — of afscheidt, gelijk men 't noemt, — bekleeden alle zoodanige holten in het lichaam, die toegankelijk zijn voor de lucht of voor andere van buiten komende stoften, als b.v. de mondholte, de keel, den slokdarm, de

ocr page 21

9

maag en de darmen, alsmede de neusholte en het inwendige der longen.

Do wcivliczen, die een dun waterig vocht of wei uitzweeten, heklceden die holten des lichaams, die geene openingen naar buiten bezitten, en in welke dus de lucht niet kan intreden. Zoodanige holten zijn die, waarin de verschillende ingewanden besloten liggen, de borstholte en de buikholte bij voorbeeld. liet weivlies, dat de Fig, 3. wanden van zulk een holte, evenals een

behangsel, geheel bekleedt, en aan de wanden vast door bindweefsel verbonden is, omgeeft bovendien de meeste ingewanden, die in zoodanige holte bevat zijn, en geeft aan deze een welvliezi-gen buitensten rok. Men stelle zich dit op de volgende wijze voor.

Fig. 3. verbeelde de horizontale doorsnede van eene zoodanige holte; dan is A de uit beenderen, vleesch en huid bestaande wand dier holte; en B het weivlies, dat do binnenzijde van dien wand bekleedt. Dooide donker getinte figuur D wordt voorgesteld de doorsnede van een in die liolto zich bevindend ingewand. Op een zekere plaats nu vormt het weivlies I? eene plooi, waarvan do beide platen CC — elke plooi heeft immers twee platen, —eerst dicht tegen elkander liggen, maar zich vervolgens van elkander verwijderen, om het ingewand D tusschen zich als in een zak op te nemen, met andere woorden: om aan dat ingewand con buitenst omkleedsel of buitensten rok te schenken. Die rok, of dat ingewandbeklee-dende weivlies, is met het ingewand zelf vast door bindweefsel verbonden, even als het wand-bekleedende weivlies B zulks is met den wand A dor holte. Het begin der plooi, do brug C C tusschen het wandbekleedendc en ingewandbekleedende weivlies, is bij hot eene ingewand kort en smal, bij hot andere lang en breed, en dient inderdaad als brug voor de bloedvaten, zenuwen, enz., welke tusschen de beide platen der plooi naar hot ingewand loopen.

Ook de slijmvliezen geven op sommige plaatsen dergelijke omkleedsels aan. zekere doelen, die gelegen zijn binnen do holten, welke zij (do slijmvliezen) beklooden. Zoo is het b.v. in de mondholte. De wanden dier holte, te weten do binnenzijde der wangen en lippen, de basis der tanden, het gehemelte, de bodem der mondholte onder de tong, do keel, zijn bekleed met een slijmvlies. De in do

ocr page 22

10

mondholte gelegen tong is ook door een slijmvlies omhuld, en dat slijmvlies, die slijmvliezige rok der tong, is een verlengsel eene plooi van het slijmvlies van den bodem der mondholte. De plaats, waar die plooi de brug vormt tot het slijmvlies der tong, wordt zichtbaar wanneer men de tong oplicht •, het is dat deel, dat men gewoonlijk het tongriempje of toompje noemt.

§ 20. Kraakbeen is eene zeer vaste , maar veerkrachtige, halfdoorschijnende, melkwitte of geelwitte zelfstandigheid, die uit eene homogene massa met cellen en celkernen bestaat. — Been, het hardste bestanddeel des lichaams, bestaat uit kraakbeen, verbonden met beenaarde, welke laatste hoofdzakelijk uit phosphorzure en koolzure kalk bestaat. Alle been ontstaat oorspronkelijk uit kraakbeen en is bekleed met een vrij vast vlies, het heenvlies. — Beenvormende kraakbeenderen noemt men dus zulke, die bestemd zijn om in boen te veranderen; blijvende kraakbeenderen daarentegen die, welke gedurende het gansche leven den kraakbeenigen toestand blijven behouden.

§ 21. Het spier- ' of vleeschweefsel bestaat uit zeer dunne, samentrekbare, dat is voor aanmerkelijke verkorting vatbare , vezels, die door bindweefsel met elkander vereenigd zijn tot spierbundels en deze weder tot spieren. Veelal maakt men zich bij het woord quot;spierquot; een verkeerd denkbeeld , even alsof eene spier een dun, lang, koord- of draadvormig lichaam zijn zou, ongeveer als een zenuw af zoo iets. De spieren zijn integendeel min of meer groote en dikke vleeschmassa's, waarvan de meesten wel is waar een langwerpige gedaante bezitten, zoo als b. v. die in fig. 4, maar waaronder men er ook vindt, die meer breed en plat zijn en naderen tot den vorm van vliezen. Er zijn er zelfs die werkelijk vliezen zijn, de spiervliezen namelijk, waarover later. De uiteinden van de meeste eigenlijke spieren bestaan niet uit rood spier- of vleeschweefsel, maar uit pezen, die glinsterend parelwit, zeer taai en niet samentrekbaar zijn, en door middel van welke de uiteinden dei-meeste spieren vast aan de beenderen zijn

„ . , gehecht,

Spieren van den arm, 0

ocr page 23

11

§ 22. Van de klieren zij hier aangemerkt dat zij werktuigen zijn van zeer verschillcnrlcn vorm en maaksel, doch die allen daarin overeenkomen, dat zij zeer vele fijne bloedvaten bezitten, uit wier bloed door die klieren zelvcn zekere vochten worden afgezonderd of afgescheiden, welke vochten vervolgens door een uitloo-zingsbuis uit de klier worden uitgestort en veelal tot zekere bepaalde doeleinden dienen.

§ 23. Wat de scheikundige samenstelling aangaat van deze en andere weefsels en deelen des lichaams , zoo bestaan zij grootendeels uit stikstofhoudende stoffen, vooral uit vezelstof (fibrine). Tot het lichaam behooren echter ook stikstofvrije stoffen, b.v. het vet, terwijl de meeste weefsels- ook niet-organische zouten bevatten, waaraan vooral de beenderen, gelijk wij zagen, zeer rijk zijn, daar zij aan hun gehalte aan phosphorzure en koolzure kalk hunne hardheid ontleenen. — Van alle vochten des lichaams is water de grondslag; het verschil tusschen die vochten hangt af van de in dat water opgeloste of op eene andere wijze aanwezige stoffen.

B. OVERZICHT VAN HET GERAAMTE, ALS VASTEN GRONDSLAG DES LICHAAMS.

§ 24. Bij hetgeen wij over het been reeds in § 20 gezegd hebben moeten wij nu nog het volgende voegen. — Men onderscheidt de beenderen in lange of pijpbeenderen, in platte en in korte beenderen. De lange zijn langwerpig, rolrond, aan de einden dikker dan in het midden. In het middenste, dunste, meest rolvormige gedeelte is een kanaal, de mergpijp, waarin zich zeer fijn en vaatrijk bindweefsel bevindt, dat vet bevat en merg ge-heeten wordt. De korte beenderen zijn min of meer bolvormig of hoekig, b. v. de beenderen der nahand en van den navoet. Zij zijn van binnen sponsachtig van weefsel, doch veelal met een saamgedrongene, vaste korst omkleed. De platte beenderen bezitten eene groote oppervlakte en zijn naar evenredigheid dun, b.v. de door getande naden met elkander verbonden schedelbeenderen. Zij bestaan uit twee platen, tusschen welke sponsachtig been (hier diploë genoemd) ligt. — Do ruimten van het sponsachtig been der korte en platte beenderen bevatten ook merg.

Van den vorm der lange, heenderen kan men zich door de beschouwing van fig. 8, k, l, m, r, v, tv, een denkbeeld vormen;

ocr page 24

12

ook de kootjes der vingers en teenen p, z, en het sleutelbeen r/ behooren daartoe. Als voorbeelden der korte beenderen voerden wij reeds de beenderen van de nahand en den navoet (fig. 8, n, y) — als voorbeelden der platte die van den schedel (fig 8, a,) aan.

Fig. 5 verbeeldt een gedeelte van een lang been (dijbeen,) een kort been en een plat been , allen doorgezaagd. Aan het lange been 1 ziet men, dat het uiteinde van het been 2 (het beenhoofd) van binnen een losser, sponsiger weefsel bezit dan het overige van het been; men ziet daar ook in 3 de

mergpijp. Het korte been 3 bestaat geheel uit sponsachtig been, evenwol mot eene compacte korst omgeven. Het platte been 4 bestaat uit harde beenplaten, waartusschen een laagje van sponsachtig been.

§ 25. De wijze, waarop de beenderen mot elkander verbonden zijn, is verschillend. Sommige beenderen zijn onbewegelijk met elkander verbonden, t' zij door in elkander sluitende min of meer getande naden, 't zij door eene soort van lasch van de verdunde randen van twee beenderen (slaap- eu wandbeen b. v.), 't zij door tusschenliggend kraakbeen (samengroeiing), 't zij eindelijk doordien hot eene als 't ware als een spijker in het andere gedreven is, gelijk bij de tanden. — Andere beenderen daarentegen vormen met elkander eene bewegelijke vereeniging, een gewricht. Het eene been namelijk bezit eene met glad kraakbeen overkleede, min of meer uitgeholde vlakte of holte {gewrichtsvlakte of gewrichtsholte), waartegen of waarin het insgelijks met glad kraakbeen overtrokken, vaak min of meer afgeronde uiteinde {gewrichtshoofd) van het andere been sluit, zóó, dat er tusschen beide beenderen eene beweging mogelijk is. Scharnicrgewrichten noemt men die, welke zoo zijn ingericht, dat het eene been zich slechts in eene bepaalde richting hoeksgewijs op het andere bewegen kan, b. v. als een

ocr page 25

13

knipmes. Draai- of rolgewrichten zijn die, waar hot eene boen, meer of min parallol aan het andere blijvende, zich in een halven cirkol om dit andere been bewegen kan. Vollcomcne of wije ijc-wriohteu eindelijk zijn die, bij welke hot gewrichtshoofd van liet eene been zich in of op de gewrichtsholte of vlakte van het andere naar alle richtingen heen kan bewegen, evenals do ronde knop van een wandelstok in do holle hand.

§ 2G. Do boido boonuitoinden, die to zamon een gewricht vormen , worden op hunne plaats gehouden door handen, buigzame, taaie, weinig veerkrachtige doelen, van oen vezelig ■weefsel. Elk gewricht bezit een hcurshand, die hot gewricht evenals een zak geheel omgeeft. Andere gewrichtsbanden zijn eenvoudige strengen of strookon, die de gewriehtsdeelen met elkander vereenigen. Het binnenste van eiken beursband is bekleed met een vlies, dat eon vocht (lidvocht, synovia) afscheidt, waardoor do met kraakbeen overtogene gewriehtsdeelen glibberig worden gehouden en dus de stroefheid der beweging wordt voorkomen.

Ter opheldering van het samenstel dor gewrichten mogen de beide volgende figuren dienen. In fig. G is a het ondoroinde van Fig. 6. Pig. 7.

het opperarmboon, voorzien in h van een zoogenaamde katrol; c is het haakvormig boveneinde van de ellepijp, hetgeen om de katrol sluit en daarmede een scharniorgewricht vormt. — Fig. 7 verbeeldt het kniegewricht; a is het ondereinde van het dijbeen,

ocr page 26

14

h het Loveneinde van het scheenbeen, waaraan zich ter zijde het kuitbeen It aansluit. Raken nu het dijbeen en het scheenbeen elk-

Vis. 8.

ocr page 27

15

ander, [dan sluiten de knokkels c op geledingsvlakten, die zich in (l bevinden, terwijl de soort van kam, die zich tusschen dd bevindt, in de groeve tusschen do beide knokkels komt. Datzelfde gewricht ziet men in c van zijne banden omgeven, te weten dooiden beursband ƒ en de zijdelingsehe langwerpige banden lt;t en h.

afzonderlijk afgebeelde knieschijf aangeduid. Deze zit besloten in eene scheede, gevormd door de pees A', l van eene sterke dijspier, die in * afgesneden is.

Tusschen de onbewegelijke verbinding van beenderen onderling en de bewegelijke (gewricht) staat als het ware de weinig he-wegelijke verbinding (onvolkomen geleding) in. Hier is tusschen de met elkander verbonden beenderen wel eenige beweging mogelijk , doch deze is zeer beperkt. Zoodanig is de verbinding der wervelbeenderen (§ 3Ü a), die van de ribben met de rugge- of borstwervelen en niet het borstbeen (§ 30 b), van de beenden van den handwortel en van den voetwortel (§ 32 a en b).

§ 27. Met uitzondering van het tongbeen (tig. 50) zijn alle beenderen des inenschelij-ken lichaams met elkander verbonden tot één geheel, dat men het geraamte of skelet noemt. Dit geraamte maakt den grondslag des geheelen lichaams uit en geeft daaraan zijn algemeenen vorm. Ook worden verscheidene weeke deelen door de beenderen van het geraamte omgeven en ingesloten , de hersenen b. v. door de beenderen van den schedel, de borstingewan-den (hart en longen) door de ribben en het borstbeen. De eerste stap dus tot kennis van den bouw des lichaams is de kennis van het geraamte.

Men verdeelt het geraamte, even als het geheele lichaam, in hoofd, romp of tronk en ledematen.

§ 28. Het hoofd wordt weder verdeeld in den schedel en het aangezicht.

Door i wordt de in Fis. 0.

ocr page 28

lü

a. Do scLcdel (fig. 8 a) vormt hot hovoustc on achtersto gedeelte dos hoofds, terwijl het. aangezicht hot onderste en voorste er van uitmaakt. — De schedel is eene ovale, beenigo doos, wier

inwendige holte do schedelholte genaamd wordt. Het bovenste gedeelte of gewelf des schedels bestaat uit eenige onbewe-golijk met elkander verbonden beenderen: van voren uit het voorhoofdsbeen (fig. 9 en 10; 1), van boveu en ter zijde uit de twee ivaud- of kruinheenderen 2, en de twee slaapheenderen, 4, 5 waarbij een uitsteeksel van deze, het te-pelvormig uitsteeksel, door 4* is aangeduid, — van achteren uit het achterhoofdshmi 3. Het onderste gedeelte of de bodem des schedels wordt gevormd door een, in deze figuren niet zichtbaar, horizontaal boven de oogholten achterwaarts loopend gedeelte des voorhoofdbeens,— door de naar binnen gekeerde rotsachtige uitsteeksels der beide slaapbeenderen (fig. 11; ' 1*), — door het (fig. 11; 3*) voorwaarts omgebogen gedeelte des achterhoofdbeens (het grondbeen), — en door het wiggebeen, dat als eene wig ingedreven zit tusschen de reeds opgenoemde beenderen, en waarvan een zijdelingsch gedeelte in fig. 10 naast ó en in fig. 11,5 zichtbaar is. Het zeef-6ee«,hetgeeniiog eene kleinere, door de genoemde beenderen niet aangevulde opening in den bodem der schedelholte boven den neus sluit, is in geen onzer li-

ocr page 29

17

guren te zien. Maar fig. 12, voorstellende eene schets van een vertikaal doorgezaagden schedel op zijde, geeft eene voldoende voorstelling van de schedelholte en van de richting van den bodem er van, die daar in doorsnede te zien is. Daar is 1 het voorhoofdsbeen, 2 de scheiding tusschen de twee wandbeeude-ren, 3 het achterhoofdsbeen, 3* het zich naar voren buigende gedeelte van dat been, 3** het voorste gedeelte van het achterhoofdsbeen (grondbeen), G een der neusbeentjes, 11 het middelste gedeelte van het wiggebecu , en 12 het zeefbeen. De lijn xx duidt de lengte-afmeting van den schedel aan. — Het achterhoofdsbeen bezit in zijn voorwaarts gebogen gedeelte een vrij groot rond gat, dat in fig. 11 is te zien, en in fig. 12 door 13 is aangeduid. In de schedelholte liggen de hersenen besloten, en door het groote achterhoofdsgat hangen die hersenen samen met het rug-gemerg. Andere, kleinere openingen in den schedel, welke dienen ter doorlating van bloedvaten en van zenuwen, gaan wij met stilzwijgen voorbij, terwijl wij alleen op het bestaan van zulke openingen opmerkzaam maken.

h. Van het aangezicht maken de beide bovenkaaksheenderen, in fig. 10 met 7 geteekend, den grondslag uit. Tusschen het bovenste gedeelte van deze beenderen ligt de de opening der neusholte, welke opening van boven als 't ware overwelfd is door de twee kleine neusbeentjes 6. In den onderrand der bovenkaaksheenderen, die te samen de bovenkaak vormen, bevinden zich 1G tandkassen, 8 in elk bovenskaaksbeen, en aan de binnenzijde dierzelfde beenderen ligt het horizontaal loopend gehemelte (fig. 11; 7, 7), dat de neusholte en de mondholte vaneen scheidt. De neusholte wordt door eene dunne vertikale beenplaat (het beenig neusmiddelschot, of ploegheen, fig. 10) in twee zijdelingsche helften verdeeld. Elke dier neusholten, wier vloer het gehemelte uitmaakt, hebben ook van achteren (in de keel) eene opening, in fig. 11 door a a aangeduid. Tusschen de bovenkaak 7 en het slaapbeen 4 ligt aan elke zijde des hoofds het juk- of wanyheen 8, dat (fig. 11) met het jukuit-steeksel des slaapbeens aan weerszijde des hoofds een min of meer uitpuilenden boog, den jukboog 4* 8 vormt. Het onderste gedeelte van het voorhoofdsbeen vormt met het bovenste gedeelte van het bovenkaaksbeen en van het jukbeen, en naar binnen met het wiggebeen, op elke helft van het gelaat de naar achteren py-ramidaal toeloopende ooyholte, waarvan de wijde openingen 10 in

2

ocr page 30

18

fig. 10 zichtbaar zijn. Eenige kleinere beenderen ga ik met stilzwijgen voorbij , alleen nog aanmerkende , dat de oogholten hoofdzakelijk door het voorhoofdsbeen , de bovenkaaksbeenderen, de jukbeenderen en, meer binnenwaarts, door het bovengenoemde wiggebeen gevormd worden. Al deze beenderen zijn even onbewegelijk met elkander verbonden als die des schedels. — Dit is niet het geval met de onderkaak. Dit been (fig. 9 8, fig 10 9) heeft den vorm van een boog, waarvan het middenste, meest naar voren uitstekende gedeelte de kin is, en aan welks beide achtereinden zich een opwaarts gericht gedeelte 2* bevindt: de tak der onderkaak. Aan Fig. 12. dezen tak is van boven

een knokkelvormig uitsteeksel , hetwelk sluit in eene groeve van het slaap-been. Die knokkel en die groeve vormen te samen een gewricht (natuurlijk een aan elke zijde des hoofds), dat van dien aard is, dat de onderkaak zich naar beneden en naar boven bewegen kan (d. i. de mond zich kan openen en sluiten), en tevens ook eenig-zins zijwaarts, voorwaarts en achterwaarts heen en weer. In den bovenrand van het boogsgewijze gedeelte der onderkaak bevinden zich, even als in de bovenkaak, 16 tandkassen.

Fig'. 13. § 29. Elke tand bestaat uit drie deelen: de kroon, het bovenste in den mond zichtbare gedeelte; den wortel, die in de tandkas besloten is, en den hals, het gedeelte waar kroon en wortel zich vereenigen, en dat omgeven wordt door het tandvleesch, dat is, door het over de kaken gespannen slijmvlies der mondholte. Verder bestaat elke tand uit drie zelfstandigheden. Van binnen namelijk bestaat hij uit het harde, witte ivoor, dat aan de kroon overtogen is door het nog hardere verylasel, glazuur of émail,

Door gezaagde en aan (!11 lials en den wortel door de minder harde tand.

bastachtige of beenachtige zelfstandigheid. In fig. 13 zijn deze drie zelfstandigheden zonder nadere aanwijzing duidelijk

ocr page 31

19

te onderkennen, even als ook' de zich binnen in eiken tand bevindende [holte, en het nauwe kanaal, door hetwelk zich deze holte in den wortel naar buiten opent.

Fig. 14. Fig. 15. Fig. 16. p De mensch bezit drie soorten

van tanden, te weten in elke kaak 4 snijtanden, met beitelvormige kroonen en enkelvoudige wortels (fig. 14), 2 hoek-, honds-, of ooy-tanden met spitse kroonen en ook enkelvoudige, maar zeer lange wortels (fig. 15), en 10 kiezen met breede, van tepelvormige verhevenheden voorziene kroonen (fig. 16). De vier voorste of kleine kiezen bezitten enkele, de zes achterste of yroote kiezen (maaltanden) dubbele of driedubbele wortels.

De orde, waarin deze verschillende soorten van tanden in den mond staan, vertoont de onderstaande schets, waarin s snijtand, h hoektand, (k.) kleine kies en k. groote kies beteekenen. De

k. k. k. (k. k.) h s. s. \ s. s. h. (k. k.) 1c. k. k. k. k. k. (k. k.) h. s. s. s. s. h. (k. k.) k. k. k.

dwarsche lijn verbeeldt de scheiding tusschen boven- en onderkaak; de vertikale gestippelde geeft de grens aan tusschen de beide bo-venkaaksbeenderen.

§ 30. De beenderen van den romp verdeelt men in de wervel-

ocr page 32

20

of wervel bestaat uit eenc vrije dikke, boven en onder platte schijf, (fig. 17 en 18 a), liet lichaam, — en een hoog met eenige uitsteeksels, waarvan ik hier alleen het doormvijze uitsteeksel h en de beide dwarse c noem. Door de vereeniging van het lichaam met den boog ontstaat in eiken wervel een vrij groot gat d. Stapelt men nu de 24 wervelen zóó op elkander, dat de lichamen op de lichamen, de bogen boven de bogen en dns ook de gaten boven de gaten komen te liggen (fig. 18); — denkt men zich al die wervelen door stevige vezelachtige banden vast aan elkander verbonden, zóó nochtans, dat het geheel zich vrij sterk voor-, ach-ter- cn zijwaarts buigen laat, — dan heeft men een denkbeeld van de ruggegraat (fig. 9, c, c* d; fig. 8 van achteren). De lichamen der wervelen liggen in do ruggegraat naar voren, de bogen achterwaarts; de punten der doornwijze uitsteeksels zijn op de middellijn van den rug duidelijk te voelen, bij magere menschen zelfs te zien. Wegens het vlak boven elkander liggen van al de 24 wervelgaten is natuurlijk de ruggegraat in hare gansche lengte doorboord met een kanaal, het ruggemcrgskancial, waarin, gelijk de naam aanduidt, het ruggemerg besloten ligt.

Van de 24 wervelen heet men de 7 bovenste c, fig. 9 de hals-wervelen, de 12 volgende c* de rug- of borstwervels, en de 5 onderste cl de lendewervels. Dc wervelen nemen van boven naar beneden in grootte toe. — De twee bovenste halswervels (fig. 19 en 20) Fig. 19. Fig- 20-

wijken in gedaante van de overigen af. De bovenste, atlas genaamd (fig. 19) is zóó met liet achterhoofd verbonden, dat het groote achterhoofdsgat zich vlak boven het gat d van dien wervel bevindt, waardoor dus de schedelholte en het ruggemergskanaal gemeenschap met elkander hebben. Overigens is dc verbinding van den atlas met het achterhoofd en met den tweeden halswervel (den zoogenaamden draaiwervel, fig. 20) van dien aard, dat het hoofd

ocr page 33

21

op den hals voor- en achterover gebogen, en zijwaarts gedraaid kan worden. Wat de eerste beweging aanbelangt, zoo vormen do twee knokkels 9 fig. 12, die zich aan weerszijde van het achterhoofdsgat bevinden, gewrichten met de geledingsvlakten e e van den atlas. De draaiende beweging daarentegen heeft plaats tusschen den draaiwervel cn den atlas, waarbij het tandvormig uitsteeksel D van den eersten, sluitende tegen de geledingsvlakte f van den laatsten, de spil vormt, om welken de atlas met het hoofd draait.

De onderste lendewervel rust op het heiligbeen (fig. 8 onder aan de ruggegraat van voren en van achteren, fig, !), fop zij de, fig. 21,5 wederom van voren), hetgeen van voren gezien een hartvormige gedaante bezit, aan de voorzijde hol en aan de achterzijde bol is. Eigenlijk bestaat het uit 5 wervelen, die echter met elkander tot één stuk vergroeid zijn; de doornwijze uitsteeksels zijn aan de achtervlakte duidelijk zichtbaar. In het heiligbeen bevindt zich het vervolg en uiteinde van het ruggemergskanaal. — Onder aan do punt des heiligbeens vindt men het kleine, voorwaarts gebogen stuitbeen (fig. 9 , 1**), hetgeen uit vier zeer kleine, onderling beweegbare werveltjes bestaat , doch geen kanaal bevat. Bij vele dieren bestaat het uit een veel grooter aantal stukken, en vormt den staart.

b. De beenderen der borst zijn de ribben en het borstbeen.

Aan elk der 12 borstwervelen zijn, door middel van kleine gewrichten , twee lange en platte beenderen, ribben, (fig. 8 en 9 , e) bevestigd , die zich van achteren naar voren om de borst heen buigen , en wier voorste uiteinden alzoo op het voorste gedeelte der borst tot elkander naderen. Van de bovenste ribbenparen loopen die vooreinden in kraakbeenderen uit, door middel waarvan zij samenhangen met het langwerpige, platte, smalle borstbeen e*, dat van voren midden op de borst gelegen is (zie ook fig. S) en van onderen eene spits, het zwaardvormig uitsteeksel, bezit. De drie volgende ribbenparen loopen ook in kraakbeenderen uit, doch deze hechten zich niet onmiddelijk aan het borstbeen, maar aan do kraakbeenderen der zevende ribben. Do twee onderste, zeer korte ribben hebben geheel vrije uiteinden. Deze vijf onderste ribbonparen noemt men wel eens valsche ribben.

De ruggewervelen, het borstbeen en de ribben vormen te samen eene soort van kooi mot dwars liggende, half hoepclswijs gebogene traliën. Het borstgedeelte der wervelkolom cn het borstbeen zijn do beide staande stukken van deze kooi, de ribbon zijn do traliën.

ocr page 34

22

Deze kooi noemt men de borstkas, en de daardoor ingesloten ruimte de borstholte. De borstkas is van boven smal, wordt naar beneden breeder en wijder, om dan weder eenigzins te versmallen. Behalve de tusschenruimten der ribben heeft de borstkas twee openingen: een bovenste kleinere en een onderste veel grootere.

c. De beenderen des bekkens zijn de beide ongenaamde of heupbeenderen (fig. 8 en 9, /, fig. 21; 1, 2 , 3, 4). Ook behoort hier nog het heiligbeen toe. Het is moeielijk van de groote en zeer onregelmatig gevormde heupbeenderen zonder uitvoerige figuren of zonder ze zeiven voor zich te hebben een goed denkbeeld te geven. Men kan ze zich voorstellen als twee zeer breedc, tevens dikke, en onregelmatig gevormde ribben, die zich van beide zijden des heiligbeens (waarmede zij onbewegelijk verbonden zijn) om

den buik heen-buigen , waarbij zij tevens schuins naar beneden en naar voren neerdalen. Van voren komen zij bij eikanderen vereenigen zich daar (schaam-beens - vereeni-ging 2*). Men onderscheidt er

drie gedeelten aan: het naar boven en buiten gelegene breedste deel, het darmbeen (fig. 21, 1), het aan de voorzijde gelegen schaambeen 2, en het onderste, boogsgewijs met het schaambeen verbonden zitbeen 3. Met het heiligbeen (fig. 21; 5, fig. 9 ƒ) vormen de beide heupbeenderen het bekken, dat den buik vooral van achteren, zijdelings en van onderen omgeeft.

§ 31. De romp bezit twee groote holten, de borstholte en de buikholte. De borstholte wordt ingesloten door het borstgedeelte der wervelkolom, de ribben, het borstbeen, en door spieren, die de tusschenruimten der ribben aanvullen en de ribben zeiven gedeeltelijk bedekken. De bovenste overblijvende opening wordt aangevuld door verschillende deelen, b. v. de luchtpijp, den slokdarm, een aantal

ocr page 35

23

bloedvaten, zenuwen, spieren en bindweefsel. De onderste groote opening wordt gesloten door een nagenoeg horizontaal liggende spier, die alzoo een middenschot maakt tusschen de borstholte en do daaronder gelogen buikholte. Dit spierachtig middenschot heet het middelrif.

De buikholte is niet in die mate door beenige deelen ingesloten. Daar het middelrif niet vlak is, maar een bolle kromming naar boven bezit, behooren de onderste ribben even goed tot de buikals tot de borstwanden. Voorts sluiten de lendenwervelen, het heiligbeen en de heupbeenderen den buik van achteren, ter zijde en van onderen in. Voor 't overige wordt de buikholte ingesloten door breede platte spieren, die als het ware uitgespannen zijn tusschen de onderste ribben, het zwaardvormig uitsteeksel des borstbeens, de lendenwervelen en de heupbeenderen. Van boven wordt de buikholte, gelijk wij zagen, van de borstholte gescheiden door het middelrif, en de onderste opening van het bekken wordt gesloten door spieren.

§ 32. De ledematen zijn bovenste en onderste ledematen, of armen en beenen.

a. Tot de bovenste ledematen behooren de schouderbeenderen, de opperarm, de voorarm en de hand.

De schouderbeenderen zijn het schouderblad en het sleutelbeen. Het eerste is een driehoekig , plat been (fig. 8 en 9, h) dat boven tegen den rug gelegen is en van boven aan de buitenzijde eenc ondiepe gewrichtsvlakte i bezit. Het sleutelbeen, g, is een langwerpig been, dat met het eene einde vast en onbewegelijk aan het boveneinde van het borstbeen e, en met het andere einde even vast aan een uitsteeksel des schouderblads, boven de genoemde gewrichtsvlakte , gehecht is, zoodat het schouderblad door het sleutelbeen op zijn plaats wordt gehouden. — Het opperarmbeen (fig. 8, k) raakt met zijn dik, rond boveneinde, het hoofd, aan de gewrichtsvlakte des schouderblads i. Het breede ondereinde des opperarmbeens bezit gewrichtsvlakten, door middel van welke het verbonden is met de ellepijp en het daarnaast liggende spaakbeen (fig. 8, l, m,), welke te zamen den voorarm of onderarm vormen. Aan het ondereinde des spaakbeens volgt de hand, en wel eerst do handwortel n, welke uit 8 kleine, onbewegelijk met elkander verbonden handwortel- of nahandsbeentjes bestaat, — vervolgens de 5 middelhands- of vóórhandsbeenderen o, die slechts weinig beweegbaar zijn, —- en eindelijk de 5 vingers p, waarvan ieder

ocr page 36

24

uit drie leden bestaat, behalve de duim, die er slechts twee bezit.

h Tot de onderste ledematen brengen sommigen ook de heupbeenderen , omdat in deze do gewrichtsholte voor hot dijbeen bevat is, zoodat het heupbeen bij de onderste ledematen dezelfde rol vervult als het schouderblad bij de bovenste. Het dijbeen r, fig. 8, — dat met het opperarmbeen is te vergelijken, is een lang, stevig been, dat met een dik rond hoofd (fig. 21, a) zich in een diepe gewrichtsholte 4 in het heupbeen beweegt; dit hoofd zit op een hals h, die een hoek maakt met het dijbeen zelf, en ter plaatse van de vereeniging van den hals met het dijbeen zit een uitsteeksel c dat men den yrooten draaier noemt. Lager vindt men een kleiner, den kleinen draaier d. Aan het ondereind des dijbeens is (fig. 8) het scheenbeen v ingewricht, aan welk been het dunne kuitbeen w onbewegelijk is vastgehecht. Het gewricht tusschen het dij- en scheenbeen heet het kniegewricht, en vóór dit gewricht bevindt zich eene beenige schijf, de knieschijf n , die door spieren en banden daar ter plaatse vastgehouden wordt. Het onderste einde van het scheenbeen vormt met den voet het voet- of hielgcwricht. De samenstelling van den voet is in de hoofdzaken dezelfde als die der hand. Eerst heeft men de 7 acli/c.r-ot navoetsheenderen x, waarvan een, dat zeer dik is en ver achteruit steekt, het hielbeen heet, — dan komen de 5 middelvoets- of vóórvoetsbeenderen ij, — en eindelijk de 5 teenen z, elk uit drie leden bestaande, behalve de groote teen, die, even als de duim, twee leden bezit.

§ 33. Van de beweging der bovenkaak en van het hoofd zelf, alsmede van die der ruggegraat, spraken wij reeds. De ribben kunnen door de daaraan bevestigde spieren elk een weinig naar boven en weder naar beneden getrokken worden. Het schouder- en heupgewricht zijn zoo ingericht, dat het opperarmbeen en het dijbeen zich nagenoeg naar alle zijden heen vrij kunnen bewegen. Het elleboog- en kniegewricht en de gewrichten tusschen de leden dei-vingers en teenen laten alleen buiging en uitstrekking toe. Het spaakbeen kan zich in een halven cirkel om de ellepijp heenwen-telen, waardoor het voorover en achterover kantelen der hand bewerkt wordt. De beweging in het hand- en voetgewricht bestaat in buiging, uitstrekking en eene zekere mate van zijdelingsche beweging, bij de hand meer dan bij den voet. De geleding dei-vingers met de middelhandsbeenderen laat eene vrij veelzijdige beweging toe; bij die der teenen met den middenvoet bepaalt zich

ocr page 37

25

deze vooral tot buiging en uitstrekking. — Ten aanzien van den duim is nog optcmerken, dat deze eene veel vrijere beweegbaarheid bezit, dan de overige vingers; hij kan met zijn top de toppen der anderen aanrakenja zich in den handpalm nederleggen, en heet daarom tegenoverstelbaar (opponibel),

§ 34. Bij gelegenheid van deze beschrijving van het geraamte zullen wij iets zeggen van hetgeen men door overeenkomstige (analoge) en venvante (homologe) deelen verstaat. — Wanneer twee verschillende dieren elk een orgaan bezitten, dat al is het ook in aard geheel onderscheiden van dat des anderen diers, toch in verrichting of doel daarmede overeenkomt, dan noemt men die beide organen analoge organen. Zoo verschillen bijvoorbeeld de vleugels van een vogel en die van een insekt, ontleedkundig gesproken, geheel van elkander, — maar beiden dienen toch tot vliegen en oefenen dus dezelfde verrichting uit; zij zijn dus met elkander analoog. Wanneer daarentegen twee organen, hoe verschillend hunne verrichtingen ook zijn mogen, toch ontleedkundig naar hetzelfde plan gevormd, dus in hun wezen dezelfde deelen zijn, dan zijn zij met elkander homoloog. Zoo heeft de vleugel van een vogel in den grond dezelfde samenstelling als de vóórpoot van een paard of de borstvin van een visch, en daarom, hoezeer de vleugel tot vliegen, de vóórpoot tot loopen, de vin tot zwemmen dient, zijn die deelen in hun wezen dezelfde en met elkander homoloog.

Maar even als er homologe deelen bij verschillende dieren bestaan, zoo bestaan er ook homologe deelen in een en hetzelfde dierlijke samenstel. Als voorbeeld daarvan zullen wij een oogenblik verwijlen bij de homologiën van het geraamte van den mensch.

§ 35. In het geraamte onderscheidt men twee afdeelingen ; de eerste daarvan omvat het hoofd met den romp, d. i. het eigenlijke lichaam, — de tweede bestaat uit de ledematen , zoo bovenste als onderste.

Van dat eigenlijke lichaam maken de wervelkolom en meer bijzonder de wervel-lichamen (fig. 17 en 78 a) den grondslag uit; onder en boven (vóór en achter) die wervellichamen zijn al de beenige deelen des lichaams geplaatst. Men noemt die lichamen daarom dan ook de beenige middelpunten fcentra) des lichaams. Fig. 22 stelt eene ideale horizontale doorsnede van den romp op de hoogte der borst voor, waarin v het beenig centrum of wervellichaam aanduidt. Boven v ziet men de uit drie stukken bestaande boog van den wervel: a, a en c, waarvan a a de dwarsche

ocr page 38

26

en schuinsche, en c het doornvormig uitsteeksel aanwijzen. Tus-schen dit alles is SNX, het wervelgat of ruggemergskanaal, gelegen. Daar dat ruggemerg (met de hersenen) het middelpunt is

van het zenuwstelsel , draagt de wer-velhoog • den naam van zenuwboog (neu-raal-boog). Beneden v vindt men aan de borst en het bekken een andere boog, den hloedboog (hae-maal-boog); deze boog bestaat aan de borst uit de ribben met hare kraakbeenderen en het borstbeen, aan het bekken uit de ongenaamde beenderen, {a' a' ribben, h' b' ribben-kraakbeenderen. c' borstbeen). Deze boog omvat de deelen die tot bloedbereiding en bloedsomloop dienen.

Zoo is het aan de borst en het bekken. Men zou nu meenen dat aan den hals en aan de lenden, waar geeue ribben aanwezig zijn, de haemaalboog ontbreekt. Dit is zeker zoo. Doch desniettegenstaande worden ook daar deelen aangetroffen, die met de ribben homoloog zijn. Indien fig. 17 , die een borst- of rugwervel voorstelt, een halswervel was, dan zou men in de dwarsche uitsteeksels, ter plaatse zoo ongeveer waar het streepje bij deletter a eindigt, een gat zien. Nu is het opmerkelijk dat, wanneer het geraamte nog niet geheel verbeend is (§ 20), bij een halswervel dat gedeelte van het dwarsche uitsteeksel een afzonderlijk stuk vormt, dat eerst later met het overige van het uitsteeksel tot één stuk vergroeit. Op gronden nu, die wij hier niet kunnen uiteenzetten, moeten die gedeelten der dwarsche uitsteeksels van de halswervels als onvolkomene, rudimentaire, ribben worden aangemerkt.

En nu de lendenwervelen. Waren de beide borstwervelen van fig. 8 lendenwervelen, dan zou men aan de dwarsche uitsteeksels c geen geledingsvlakte aantreffen, maar daarentegen ongeveer ter plaatse waar a en d elkander raken, een knobbeltje of eene ruwe

ocr page 39

27

vlakte. Dat knobbeltje of die ruwe vlakte is eigenlijk homoloog met de dwarsche uitsteeksels der hals en borstwervelen, en wat wij gewoonlijk de dwarsche uitsteeksels der lendenwervelen heeten, zijn eigenlijk weder onvolkomene ribben.

Die onvolkomene hals- en lendenribben maken een begin van haemaal-bogen uit. — Men kan alzoo den beenigen romp beschouwen als te bestaan uit eene reeks van op elkander volgende stukken of segmenten, ieder bestaande uit een centrum , een neuraal-boog en een baemaalboog. Aan ieder zoodanig segment heeft men den naam vim osteodesma gegeven.

§ 36. Maar ook het andere gedeelte des eigenlijken Hchaams, het hoofd, moet beschouwd worden te bestaan uit dergelijke osteo-desmen, — segmenten, die homoloog zijn met die van den romp. Wij zullen deze, vier in getal, aanwijzen op fig. 23, die een beenig hoofd met eenigszins van elkander verwijderde beenderen voorstelt.

Eerste segment of osteodesma (neuswervel). Centrum: het zeef-

been 1; neuraalboog: de neusbeenderen la; haemaal-boog: het snijtand- of tusschenkaaks-been l/gt;, dat bij den mensch oorspronkelijk, bij de meeste dieren bij voortduring een afzonderlijk been is.

Tweedesegment (voor-hoofdswervel). Centrum: het voorste gedeelte van het wiggebeen 2; neuraalboog : het voorhoofdsbeen 2a; hae-maalboog: de juk- en bovenkaaksbeenderen 2ft en 2c.

vf Derde segment (v,andwervel). Centrum: het achterste gedeelte van het wiggebeen 3; neuraal-boog: de wandbeenderen 3a en de zoogenaamde vleugel-uitsteeksels van het wiggebeen, dat hier niet, maar wel in fig. 10 ; 5 te zien is; baemaalboog: de slaapbeenderen 36 en het onderkaaksbeen 30'.

ocr page 40

28

Vierde segment (achterhoofdswervel). Centrum: het grondbeen (§ 28. pag. 16) of grondstuk van het achterhoofdsbeen 4, neu-raal-boog: het eigenlijke achterhoofdsbeen 4a; haemaalboog: het tongbeen 4/a

Wij moeten hier opmerken, dat de verdeeling van het wiggebeen in verscheidene stukken evenmin willekeurig is, als de verdeeling van elke hovenkaaksbeen in eigenlijk bovenkaaks- en snijtand- of tus-schenkaaksbeeu. In den nog niet geheel ontwikkelden toestand toch bestaat het wiggebeen inderdaad uit die afzonderlijke stukken.

§ 37. Wat de homologie tusschen de bovenste en onderste (achterste en voorste) ledematen betreft, zoo kan vooreerst het bekken, dat wij boven alleen als homoloog met de ribben beschouwden, met recht worden aangemerkt als saamgegrooid uit twee gedeelten , waarvan het eene homoloog is met de ribben, en het andere met het schouderblad en het sleutelbeen: de gewrichtsholte 4 fig. 20 is nu volkomen homoloog met de gewrichtsvlakte i fig. 8, die ook in fig. 9 zonder aanwijzende letter goed te zien is. De overige homologiën zijn gedeeltelijk zeer in 't oog vallend. Het opperarmbeen cn het dijbeen, — de ellepijp en het kuitbeen, — het spaakbeen en het scheenbeen, — het ellcbooguitsteeksel (in den onontwikkelden toestand bij don mensch, en bij enkele dieren voortdurend een afzonderlijk been) en de knieschijf, — do achterhands- en de achtervoetsbeenderen, — de middelhands- en de middelvoetsbeenderen, — de vingers en de teenen zijn met elkander homoloog. Oppervlakkig zou men misschien geneigd zijn het opperarmbcen met het scheenbeen, en het spaakbeen met het kuitbeen te vergelijken. Om meer dan ééne reden, — waaronder vooral deze, dat het spaakbeen de hand, en het scheenbeen den voet draagt, — moeten echter deze twee laatste beenderen als homoloog worden beschouwd.

C. ORGANISCHE VERRICHTINGEN.

§ 38. Laat ons thans de verrichtingen, door welke zich het leven des lichaams openbaart en die tevens de voorwaarden van dat leven zijn, kortelijk beschouwen, terwijl wij daarbij tevens zoo veel van de inwendigen bouw des lichaams mededeelen als tot ons tegenwoordig doel noodzakelijk is. Wij moeten daarbij eerst het oog vestigen op de organische of vegetatieve verrichtingen (§ 3) die meer rechtstreeks en onmiddelijk dienen tot instandhouding van het organisch samenstel.

ocr page 41

29

§ 39. In alle deelen des lichaams, vaste en vloeibare, wordt onophoudelijk stof verbruikt, welke door nieuwe moet worden vervangen, (voeding), ongerekend nog de overmaat van nieuwe stof, de voor den groei en de ontwikkeling van het nog niet volwassen lichaam noodig is. De nieuwe stof wordt door de verschillende lichaamsdeelen geput uit het bloed, en door het bloed uit de spijsverteringsorganen opgenomen.

§ 40. Het is het voedsel, de spijs, welke die nieuwe stof aan het bloed mededeelt. Tot het gebruiken van spijs worden wij aangespoord door het in de maag gezetelde gevoel van honger. — Water is, gelijk wij in § 23 zagen, de grondslag van alle vloeibare deelen des lichaams. Maar dat water wordt gedurig uit het lichaam verwijderd, en heeft dus evenzeer herstelling noodig als de vaste deelen des lichaams. Daarom dringt ons het vooral in de mondholte en de keel gezetelde gevoel van dorst, — hetgeen zich telkens openbaart wanneer het vochtverlies des lichaams een zekere hoogte heeft bereikt, — om op nieuw vocht, dat is water, in het lichaam op te nemen.

§ 41. In het voedsel zijn zekere stoffen aanwezig, die mon voedingsstoffen of voedingsbeginselen noemt, en die, van de overige bestanddeelen des voedsels afgescheiden en zelve in meerdere of mindere mate veranderd, in het bloed moeten worden gebracht om daar tot herstel van het verlorene te dienen. Sommige van die voedingsbeginselen zijn stikstof houdend (eiwit, vezelstof, kaasstof in de dierlijke voedsels, planteneiwit, peulstof of legumine in de plantaardige); andere zijn stikstofvrij (zetmeel of stijfsel, suiker, alsmede dierlijk en plantaardig vet). Van beide deze soorten van voedingstoffen moet er in het voedsel een zekere hoeveelheid voorhanden zijn. Ook moeten, 't zij door de spijs, 't zij door den drank, aan het lichaam zekere zouten — of de bestanddeelen er van — worden toegevoerd, die tot het samenstel des lichaams behooren, doch ten gevolge van het stofverbruik mede gestadig daaruit verwijderd worden.

Die voedingsstoffen nu moeten uit het voedsel, de spijs, afgezonderd en tevens zóó veranderd worden, dat zij geschikt worden om door het bloed te worden opgenomen. Dit is het werk van de verrichting, of der reeks van verrichtingen, die men spijsvertering noemt. De spijsvertering heeft plaats in het spijskanaal, hetwelk bestaat uit de mondholte met de keel, den slokdarm, de maag en de darmen. De slokdarm, de maag en de darmen zijn samengesteld

ocr page 42

30

uit drie op elkander liggende of in elkander gesoliovene, door bindweefsel nauw met elkander vereenigde vliezen of rokken, te weten, een buitenst weivlies (§ 19), een spiervlies (§ 21), dat uit overlangs loopende en ringvormige spier-vezelen bestaat, en een binnenst slijmvlies (§ 19), dat het geheele spijskanaal, van de lippen af, van binnen bekleedt. Verder behooren bij het spijskanaal zekere klieren, waarover straks nader.

§ 42. Vestigen wij het oog op fig. 24, welke den ingang van het spijsverteringskanaal: de mond- en keelholte, voorstelt. Men ziet daar eene doorsnede van het onderste gedeelte des hoofds en het voorste deel van den hals. Een gedeelte van den bodem der hersenholte wordt door h m (fig. 12; 11, 3**), het harde, beenige gehemelte door /t, het zoogenaamde zachte gehemelte (eene plooi van het slijmvlies van neus- en mondholte) door a voorgesteld. Benedenhetge-hemelte ziet men de linkerhelft der mondholte met de tanden der bovenkaak, voorts de font/ c, en, onder deze en achter de doorsnede der onderkaak , de speekselklieren, waarvan eene — de onder-kaaksklier, — door e is aan-/ geduid. Met d e f g, welke de tot het strottenhoofd be-hoorende deeleu en het bovendeel der luchtpijp zijn, hebben wij voor 't oogenblik minder te doen, wel daarentegen met k l, het boveneinde van den slokdarm ^ dat hier bijna geheel in de lengte opengespleten wordt voorgesteld. Ten einde een goed begrip te krijgen van de in de keel gele-

ocr page 43

31

gen deelen, voegen wij hier fig. 25 bij, voorstellende den wijd geopenden mond, waarbij de tong met den vinger wordt neergedrukt, om alzoo in de keel te kunnen zien. Aldaar is a de tong; h h de boogvormige achterrand van het zachte gehemelte d; c i de ingang der neusholte, in tweeën gescheiden door de huig e; cf is de ingang der keelholte: 1. Door f en f* worden de zoogenaamde amandelen aangeduid. Keeren wij nu tot fig. 23 terug, dan zien wij daar hetzelfde, maar alleen de linkerhelft. Het zachte gehemelte, doorgesneden langs de middellijn, dus met de halve huig, zien wij daar door a aangeduid. Daaronder ziet men , doch zonder aanwijzende letters, de linker uiteinden (pilaren) dei-beide gehemeltebogen, en daartusschen den linker amandel, flauw

door witte stippen aangeduid.

In de volgende fig. 26 hebben wij eene voorstelling van het geheele spijsverteringskanaal, hetgeen met den slokdarm a begint, welke aan de rechterzijde des lichaams in b de maag overgaat. De maag gaat links bij c in den zoogenaamden twaalf vinger igen darm over, welke het begin is van den zeer, gekronkelden dunnen darm d. Deze gaat weder over in den dikken darm ƒ, g, h, i, k, waarvan het onderste uiteinde k de endeldarm heet, die zich in l naar buiten opent. — Rechts van de maag ligt de lever m, die in deze figuur evenwel naar boven opgeslagen wordt vertoond, ten einde hare onderste oppervlakte te laten zien, met de daar gelegen galblaas o, en de leverhuis n , die beide gemeenschap hebben met de galbuis, in de figuur als eene voortzetting der leverbuis voorgesteld en zich bij c in den twaalfvingeren darm openende. Achter de maag ziet men de alvleeschklier y, en links de milt q.

Beschouwen wij eindelijk nog fig. 27, welke de borstholte en de buikholte beiden van voren geopend voorstelt. Niet alleen zijn

ocr page 44

32

hier de huid en de spieren, maar ook het borstbeen met de voorste helft der ribben weggenomen, van welke laatste beenderen de doorsneden zich duidelijk aan weerszijde der borst vertoonen, gelijk ook de doorsnede der spieren en der huid aangeduid zijn. Wij zien hier eerst aan den hals het strottenhoofd a en de luchtpijp h (fig. 24 d, c en ƒ) Voorts ontmoeten wij in de borstholte zelve de longen c en het met het hartzak]e d omkleede hart. Onder deze organen ziet men de doorsnede van het spierachtig tusschen-schot tusschen borst- en buikholte, het middelrif (§ 31), als eene gebogen streep. Daar beneden liggen de buiksingewanden in hunne natuurlijke ligging. Van een slokdarm is hier niets te zien; deze loopt achter het strottenhoofd a en de luchtpijp h, en voorts achter door de borstholte om ten laatste in de maat/ e te eindigen. Rechts van deze ziet men de in twee kwabben verdeelde en door

een vliezigen band aan het middelrif als het ware opgehangen lever f; — links ligt de milt g. Van de maag daalt een vliezig verlengsel /), waarin veel vet bevat is, het groote net, naar beneden en bedekt als een gordijn de dunne en dikke darmen, van welk eerste slechts de onderste kronkelingen i te zien zijn.

§ 43. De spijsvertering bestaat 1° in het fijn maken van het voedsel, opdat dit geheel doordrongen kunne worden door de verschillende spijsverteringsvochten, die door de speekselklieren, de in het slijmvlies, dathetgansche spijsverteringskanaal inwendig bekleedt, gelegen kliertjes, de lever en de alvleeschklier worden

Fig, 27.

ocr page 45

33

afgescheiden en in het spijsverteringskanaal uitgestort; 2°. in do oplossing en de scheikundige verandering der in het voedsel voorhanden voedingstoffen (§ 45), waardoor deze geschikt worden gemaakt om in het bloed te worden opgenomen en tot voeding te dienen, en daarbij 3°. in het voortbewegen des voedsels door liet geheele spijsverteringskanaal, opdat hot mot al do spijsvertorings-vochten in aanraking kome en eindelijk het tot voedsel ondienstige uit het lichaam worde verwijderd.

§ 44. De fijnmaling des voedsels geschiedt in de mondholte : de beitelvormige snijtanden bijten het stuk, de platte breede kiezen malen het fijn. Dit afbijten en fijn kauwen der spijzen geschiedt door het op- en nederbewegen der onderkaak, het kauwen meer bepaaldelijk door eeno zijdelingschc en voor- en achterwaartsche beweging van datzelfde deel, waarbij de tong- en dc wangspieren het voedsel gedurig tusschen dc kiezen schuiven. De spijsvorterings-vochten zijn 1° het speeksel, dat geleverd wordt door twee groote vóór beide ooren gelegen oorklieren, en door do in fig. 14 afgebeelde onderkaaks- en ondertongsklieren ; 2quot;. het maagvocht; 3°. het darmvocht, dat afgescheiden wordt door kleine in het slijmvlies der maag en der darmen gelegen klieren ; 4°. het zeer met speeksel overeenkomstige alvleeschvocht, afkomstig uit de achter dc maag gelegen alvleeschklier, welke klier eene uitlozingsbuis bezit, die zich ter zelfder plaatse als de galbuis , (dus fig. 26 in c) in den twaalfvingerigen darm uitstort; 5quot; de groene of geelbruine, bittere gal, welke in de lever wordt gevormd, en door de genoemde galbuis in den twaalfvingerigen darm komt.

§ 45. Het voedsel wordt reeds in don mond onder het fijnkau-wen met het speeksel vermengd. Daarna wordt het doorgeslikt, — eene verrichting waarbij een aantal spieren te pas komen, zoo om te maken dat het voedsel door de keelholte in den slokdarm komt, alsook om te zorgen dat geen gedeelte er van in de neusholte, of, wat erger is, in het strottenhoofd geraakt. Geschiedt dit laatste, komt het voedsel, gelijk men 't noemt, in de verkeerde keel, dan wordt het door geweldig hoesten weder uit het strottenhoofd en de luchtpijp gedreven. — In den slokdarm wordt liet voedsel dooide van den wil onafliankelijke samentrekkingen van den spierrok of het spiervlies van dit deel naar beneden in den maag gedreven. Hier vertoeft het eenigen tijd , om door het maagsap wél doordrongen te worden , komt vervolgens in den twaalfvingerigen darm, waar

3

ocr page 46

34

liet met de gal, het alvleeschvocht, en, even als in de overige dunne darmen, met het darmvoeht in aanraking komt, doorloopt vervolgens al de kronkelingen der dunne darmen, en komt eindelijk, van de meest voedende bestanddeelen beroofd, maar daarentegen de be-standdeelen der gal enz. bevattende, als drekstof in de dikke darmen, om ten laatste door I (fig. 26) naar buiten te worden ontlast.

§ 46. Deze voortbeweging des voedsels door liet gansche spijska-naal heen, waarbij het voedsel ook de menigvuldige kronkelingen der dunne darmen (fig. 20 d) moet doorloopen, en daarbij niet zelden tegen zijne eigene zwaarte naar boven bewogen wordt, b.v. in het begin van den dikken darm (den opstijgenden dikken darm, fig. 26 y) — die voortbeweging heeft plaats ten gevolge eener golvende (peristaltische) beweging, welke in den slokdarm, de maag en do darmen ontstaat, zoodra daar voedsel in komt. Deze golvende beweging, waardoor het voedsel steeds voortgestuwd wordt, hangt af (gelijk ik reeds in de vorige § ten aanzien van den slokdarm aanmerkte) van de van den wil onafhankelijke samentrekkingen van het spiervlies, waarvan het geheele spijskanaal is voorzien. In de maag houdt zich het voedsel eenigen tijd op. Dit komt doordien, bij het intreden van voedsel in de maag, zich een spierachtige ring samentrekt, gelegen ter plaatse waar zich de portier der maag (d. i. de opening waardoor de maag in den twaalfvin-gerigeu darm uitkomt) bevindt; door die samentrekking wordt de portier gesloten, en verhinderd dat de golfbeweging der maag het voedsel in den genoemden darm stuwt. Is liet voedsel geheel met maagvocht doordrongen, dan opent zich do genoemde ring langzamerhand en het voedsel kan nu zijn weg vervolgen.

Wanneer door de eene of andere ziekelijke oorzaak de golvende beweging van maag en slokdarm eene richting aanneemt, tegenovergesteld aan de natuurlijke richting {antiperistallische beweging), dan ontstaat er braking.

§ 47. De opgenoemde voedingsvochten zijn het, die de verschillende voedende bestanddeelen des voedsels op scheikundige wijze veranderen en oplossen. Die oplossing nu wordt door de vaten, die in de wanden des spijsverteringskanaals aanwezig zijn, opgeslorpt en wel gedeeltelijk door de aderen, gedeeltelijk door de watervaten. Het vocht, dat door de watervaten der darmen wordt opgenomen, is wit van kleur, wegens het vet des voedsels, dat in dat vocht in zeer fijn verdeelden toestand voorhanden is; dat vocht

ocr page 47

35

noemt men chjl, en de genoemde watervaten dan ook wel clnjlvalcn. De voedingstoffen, die door de aderen worden opgenomen, komen alzoo rechtstreeksch in het bloed dat door de aderen stroomt; die, welke door de chylvaten opgenomen worden, na eerst door een aantal zoogenaamde chylklieren gegaan te zijn, in een groot watervat, de horstbuis, welke het almede in eene groote ader (de linker ondersleutelbeensader) leidt.

De genoemde klieren, ook dariuscheilklieren genaamd, omdat zij gelegen zijn in het darmschell, de brug (§ 13) tusschen het wand-bekleedende en darmbekleedende buikvlies, — zijn eigenlijk de hier en daar ineengerolde en zich daarbij menigvuldig vertakkende chylvaten zelve. In die darmscheilklieren ondergaat do chyl nog eene zekere verandering, die haar geschikt maakt om, na door de borst-buis gegaan te zijn, in het bloed der aderen te worden opgenomen.

§ 48. Het bloed is een rood vocht, bestaande uit bloedwater (water met vezelstof, eiwit, zouten, vet, enz.), waarin zekere alleen door het mikroskoop waar te nemen, roode en ongekleurde, schijfvormige lichaampjes, do bloedlichaampjes, in groote menigte zwemmen. De roode bloedlichaampjes (fig, 28 a, b, c) zijn het, die aan het bloed zijne roode kleur geven. Zij zijn schijfvormig, op beide vlakten eenigzins uitgehold en hebben een diameter van 0,0ÜG tot 0,03 millim.; zij bestaan uit eene kleurlooze massa (stroma) en eene ijzerhoudende kleurstof (hae-matoglobulinej. De ongekleurde bloedlichaampjes zijn bolvormig; hun diameter bedraagt 0,007 tot 0,011 millim. Huu aantal is zeer veel minder dan dat der roode: op 1000 roode komen 3 of 4 kleurlooze. Na het opnemen van voedsel is hun aantal het grootst. Zij zijn samentrekbaar en nemen allerlei gedaanten aan (fig. 25, d,e,f,g), op de wijze der later te beschrijven diertjes, die men Amoeben heet. — Wanneer het bloed afgekoeld wordt tot de gewone temperatuur der lucht, dan stolt het. De vezelstof namelijk stremt dan en trekt zich samen tot eene vaste massa, waarin de bloedlichaampjes besloten zijn, en die men den bloedkoek noemt. Deze bloedkoek drijft in het thans van zijne vezelstof beroofde bloedwater, waaraan men nu den naam van bloedwei geeft.

Het bloed is overigens of helderrood of donkerrood; het eerste noemt men ook wel slagaderlijk, liet laatste aderlijk bloed.

ocr page 48

36

§ 49. Het bloed bevindt zich in de bloedvaten (§ 17), die met het hart het hloedvatenstelscl vormen. De bloedvaten zijn óf slagadc-Fig. 29. ren, óf aderen, óf haar

vaten. De slagaderen (lig. 29) a voeren het bloed van het hart af naar alle li-chaamsdeelen , zoo in- als uitwendige •, de aderen h brengen hot van die li-chaamsdeelen af weder naar het hart terug. De haarvaten A, die zeer dun zijn, en vaak slechts door het vergrootglas zichtbaar, vormen zeer fijne netten, de lichaamsdcelen doordringen. Zij maken den overgang uit tusschen de uiteinden der slagaderen, en de beginselen der aderen.

§ 50. Beschouwen wij nu het bloedvatenstelsel eenigzins in bijzonderheden. In fig. 27 zagen wij in fZhet met het hart-zakje (een weivliezig omkleedsel) omgeven hart tusschen de longen liggen. In fig. 30 zien wij het hart, van het hart-zakje ontdaan, en uit de borstholte genomen-, fig. 31 geeft eene schets van een in do lengte doorgesneden hart, waarvan dus het binnenste zichtbaar is. Wij zullen bij onze beschrijving vooral het oog op tig. 31 vestigen. Heeft men het daarover te zeggen goed begrepen , dan is het niet moeielijk fig. 30

a. lloclitcr, h. linker hartkamer: c. t t , i..,

rechter, d. linker voorkamer; lt;7.011- dlt;lcUm6d6 tc V01 gelijken.

dcr-holartor (te nauw getcokend); h. tt t i t • i i „ _ „f vleesch-

bovenste holaderraet de takken i en ,lalT Is CU1 1101 UI

k:. P' 7. r. f. ' si-oote slagader of aclitig werktuig, dat, — zie fig. 31 — aorta met takken; to, l longaderen; 0 / o

o. slagader van het hart (kroonsiag- door een niiddeiischot s in twee helf-ader); 7i ader van het hart (kroonader)

u en het boven to onder den boog der teil, eCll TdchtCT en CGll hnlttV, Verdeeld aorta liggende, niet door eene letter . i ip, i . i ii

aangeduid vat, zijn de longslagaderen IS. Jl-lke lieltt bezit twee liolteil , eeil

die het weefsel van Fig. 30.

ocr page 49

37

boezem of voorkamer en eene kamer: r v k is de rechter en l v k de linker voorkamer; r h do rechter en l k de linker kamer. Do boezem cn de kamer van elke zijde hebben door een ruime opening gemeenschap met elkander, voor welke opening zich echter oen klapvlies bevindt , rechts en links met w geteekond. In hot middenschot is geene opening, en het rechter en linker gedeelte van hot hart, of, gelijk men liet ook wol uitdrukt, het rechter en linker hart, hebben dus met elkander geene onmiddellijke gcmoonschap.

Uit de linker kamer l k ontspringt do yroofe slagader of aorta a, die eerst een eind weegs naar boven klimt (opklimmende aorta) zich dan boven het hart boogswijs ombuigt cn achter het hart naar beneden daalt (neerdalende aorta); het afgesneden onderste gedeelte is ook met a geteekond. Vestigen wij nu het oog op fig. 32, cene schets der slagaderen voorstellende. Daar zien wij in a weder het

begin en den boog der groote slagader, zonder het hart evenwel. Wij zien daar hoe die slagader, na de bocht gemaakt -;h te hebben, naar beneden loopt, terwijl zij in b en d naar boven naar het hoofd c, zijdwaarts e naar de armen f, g, h, voorts naar de borst,

•W

naar den buik, overal heen, takkon afgeeft, die zich weder in kleinere takken , deze in nog weer kleinere en zoo voorts verdoelen. Wij zien hoe de groote slagader zich eindelijk in den buik in twee takken l splitst, die naar ieder dei-onderste ledematen gaan en deze almede van al kleinere en kleinere slagaderen voorzien. Onze kleine figuur levert van dat alles slechts eene ruwe en onvolkomene schets en geeft op verre na geen denkbeeld van het groote aantal slagaderen en slagadertjes van verschillenden rang, die in het lichaam voorhanden zijn. Grenoeg, dat die figuur duidelijk maken kan, hoe eene enkele groote slagader hare takken afzendt naar alle lichaamsdeolen. De allerfijnste uiteinden der slagaderen gaan over in do haarvaten, die, gelijk ik in § 49 zeide, door het weefsel van alle lichaamsdeelen als ware het heengevlochtcn zijn. Uit deze haarvatennetten ontspringen de aderen met dunne worteltjes, die, zich vereenigende, allengs dikker worden, tot zij grootere aderen vormen, die eindelijk in twee

ocr page 50

38

ocr page 51

39

Isa, fig. 31; de aderen, die het bloed van de longen af naar den linker boezem van het hart voeren, zijn de vier lonrjaderen l v.

§ 51. Wij kunnen na het gezegde ons gemakkelijk voorstellen, dat de holten van het hart en die der slagaderen, aderen en haarvaten in onafgebroken gemeenschap met elkander staan, met andere woorden: dat die holten met elkander ééne enkele holte, één enkel samenhangend stelsel van buizen vormen. Donken wij ons nu die holte, dat buizenstelsel, met bloed gevuld.

De wanden van het hart zijn in eene gestadige beweging, welke bestaat uit eene beurtelingsehe samentrekking en ontspanning van zijne spiervezelen. Bij de samentrekking der wanden worden do voorkamer en kamers vernauwd, bij elke ontspanning of verslapping dier wanden worden die holten verwijd. Dit geschiedt evenwel zoo, dat beide voorkamers zich gelijktijdig vernauwen, terwijl opdat zelfde oogenblik beide kamers wijder worden, en omgekeerd. Deze bewegingen zijn de oorzaak van het kloppen van het hart, dat men voelen kan, wanneer men de hand op de linker helft der borst legt.

Beginnen wij nu onze beschouwing van den bloedsomloop met de uitstorting van het bloed, dat van alle lichaamsdeelen terugkeert, uit de beide holaderen ha, fig. 31, in de rechter voorkamer r v k van het hart. Deze uitstorting geschiedt op het oogenblik dat die voorkamer verwijd is. Deze trekt zich echter, na het bloed ontvangen te hebben, dadelijk samen en wordt dus kleiner, nauwer. Wat geschiedt er, wanneer eene ruimte, die met vocht gevuld is, zich sterk vernauwt? Het vocht wordt natuurlijk uitgespoten uit die ruimte, zoo er althans eene opening bestaat. Dit geschiedt hier nu ook. Door de vernauwing van de voorkamer rvk wordt het daarin bevatte bloed gedreven in de kamer r k, die, naar ik zoo even zeide, op 't oogenblik dat zich de voorkamer verkleint, ruimer wordt en dus het bloed opnemen kan. Maar zoodra deze kamer vol bloed is, trekt zij zich op hare beurt samen en wordt nauwer. Waar zal nu het bloed heen? Terag in de voorkamer rvh kan het niet, want het klapvies w is zoo ingericht, dat het wel wijkt voor den bloedsaandrang uit rvk naar r k, maar daarentegen de opening tusschen de voorkamer en de kamer vast sluit, wanneer het bloed van rk naar rvk dringt. Het wordt dus uit de kamer r k in de longslagader geperst, die zich in twee takken Isa verdeelt, welke het bloed nu verder naar de beide longen voeren.

ocr page 52

40

Door de al fijner en fijner wordende takvcrdeelingen van Isa geraakt alzoo het bloed in liet haarvaten-net dor longen, en verzamelt zich dan weder in adertjes , die in de vier longaderen l v te samen komen , door welke dat bloed nu gevoerd wordt in de linker voorkamer l v 1c. Deze drijft — even als rvh het bloed drong in r Tc — door zijne samentrekking dat bloed in de linker kamer l k. Op hare beurt trekt deze kamer zich krachtig samen en perst het bloed in de groote slagader, wier bocht gij boven het hart, en wier afgesneden ondereinde gij mede in a ziet, en waarvan ik u den loop in fig. 32 voorgesteld heb. Deze slagader nu voert dat bloed naar de haarvaten-netten van alle deelen deslichaams; en, gelijk wij zagen, komt het uit diezelfde haarvaten-netten weder in de aderen, eerst in de fijnste, dan in de dikkere, die uit de vereeniging dier fijnste ontstaan, tot dat het eindelijk door de holaderen al weder naar den rechter boezem des harten gevoerd wordt, om dan denzelfden omloop, dien ik beschreef, wederom te beginnen.

De beschouwing van nevensgaande schets zal ons dien bloedsomloop nog verduidelijken. De aderen m, die uit de haarvaten l der verschillende li-chaamsdeelen ontspringen, voeren het bloed in den rechter boezem a h. Doze drijft het in de rechter kamer c, waaruit het geperst wordt in de longslagader y, die het voert in de haarvaten der longen li. Uit deze haarvaten geleiden de longaderen i het bloed naar den linker hartboezem cl e, waaruit het komt in de linker kamer ƒ, die het perst in do groote slagader k, welke het weder naar het haarvaten-net dor deelen l voert.

Men onderscheidt den bloedsomloop in een yrooten en een kleinen bloedsomloop. De eerste volgt den weg/, k, l, m , a, h , begint dus in de linker hartkamer, en eindigt in den rechter hartboezem. De andere of kleine bloedsomloop begint in de rechter hartkamer en eindigt in den linker hartboezem, zoodat het den weg c, jr, A, i, d, e neemt. De groote bloedsomloop voert het bloed naar alle lichaamsdeelen, de kleine alleen naar de longen.

ocr page 53

41

§ 52. De oorzaak, waarom het Woed door de slagaderen, haarvaten en aderen heen van het hart af, en weder tot het hart terugstroomt, is gelegen in de voortstuwende kracht van de samentrekkingen der hartkamers. Elke nieuwe bloedgolf bijv., die de linker kamer in do groote slagader perst, stuwt het bloed, dat in de takken dezer slagaderen, in de haarvaten en in de aderen bevat is, vooruit. Telken reize als die kamer zich vernauwt en alzoo eene nieuwe bloedgolf in het vaatstelsel perst, ondergaan de slagaderen daardoor een oogenblikkelijke uitzetting (de polslag); de polslagen zijn dus gelijktijdig met de samentrekkingen der linker hartkamer.— Do rechter hartkamer drijft het bloed door de longslagader, de haarvaten der longen en de longaderen heen. Deze weg is veel korter dan die, langs welken do linker kamer het bloed moet voortstuwen; daarom zijn dan ook de wanden der rechter kamer veel minder vleezig en krachtig dan die der linker. Dc wanden der boezems hebben niets te doen dan het bloed, dat zij ontvangen , in de vlak bijgelegene kamers te drijven; hunne wanden zijn dan ook nog zwakker en bijna vliezig.

Ofschoon nu dc samentrekkingen van het hart de hoofdoorzaak van den bloedsomloop uitmaken, zoo is het toch ook waar, dat do samentrekkingskracht van dc wanden der slagaderen en aderen daaraan het hare toebrengt. Daarover kan ik hier evenwel niet uitweiden.

§ 53. Van het bloed, dat door dc haarvaten der lichaamsdeelen heenstroomt, — welke strooming hier langzamer is dan in de slagaderen en aderen, dringt een gedeelte van het bloedwater (§ 48) door de poriën van dc wanden dier haarvaten heen, en doordringt het weefsel der deelen. Dit doorgezweete bloedwater is het voed ingevocht, waaruit de weefsels dc stof opnemen, die zij tot hun herstel tot hunne voeding noodig hebben, — maar aan hetwelk zij ook dc verbruikte , onbruikbaar geworden stof weder afstaan. Het herstel, de voeding, geschiedt door cclvorming, door vermenigvuldiging en wijzingen der cellen of celkernen, die reeds in het voedingsvocht aanwezig zijn. Naarmate het voedingsvocht uit dc haarvaten uitzweet, wordt liet weder opgenomen door dc watervaten (§ 17), die dat vocht, nu lymjjha gchcctcn,uit alle lichaamsdeelen voeren in de horsthuis (§ 47), welke het, mot dc chyl vermengd, in het bloed der aderen voert.

§ 54. Door de intreding der chyl in het bloed en door de opslorping door de aderen der maag (§ 47), wordt het verlies aan

ocr page 54

42

voedingsstof, dat het bloed door de in de vorige § vermelde uitzweeting en voeding ondergaat, telkens weder aangevuld. Doch er is nog een ander verlies , dat daardoor hersteld wordt. Immers in het bloed heeft onophoudelijk eene scheikundige omzetting plaats van zekere stoffen, die, grootendeels althans , afkomstig zijn van do tot voedsel gebruikte vetten cn andere stikstofvrije voedingsbeginselen. De aard dezer omzetting komt hoofdzakelijk hierop neder, dat die stoffen ontleed worden,— dat hunne koolstof en waterstof, zich ieder op zich zeiven verbinden met de zuurstof, waaraan her slagaderlijk bloed zeer rijk is; dat, met andere woorden, die koolstof en waterstof verbranden, en, als producten dier verbranding of verbinding met zuurstof, koolzuur en water leveren. — Het gevolg van die verbranding is warrnte-onlwikkeling, en deze is de bron van die eigene warmte van het inwendige des lichaams, welke 300,50 tot 37° op den honderddeeligen thermometer bedraagt, en niettegenstaande alle afwisseling van de temperatuur der lucht altijd nagenoeg dezelfde blijft, zoodat, hetzij de mensch in het hooge noorden woont, hetzij hij zich in de keerkringsgewesten ophoudt, de inwendige warmte zijns lichaams nimmer hooger klimt noch lager daalt.

§. 55. Zoodoende komt er nu echter gedurig eene overmaat van water en koolzuur in hot bloed. Dat water en dat koolzuur moeten dus ook gestadig weer worden verwijderd. Maar het slagaderlijk bloed heeft7 deels ten gevolge dier zelfde verbranding, verlies

aan zuurstof ondergaan. Deze moet worden hersteld, daar anders de telkens in het bloed opgenomen, van de vetten enz. afkomstige stoffen, geene zuurstof ter verbranding zouden aantreffen en alzoo de bron der eigene warmte zou ophouden. -- De adem-haling nu reinigt het aderlijke bloed van het overtolige koolzuur en ontlast daaruit nok een gedeelte van het overtollige water; die zelfde ademhaling levert aan dat bloed nieuwe zuurstof en verandert het alzoo weder in slagaderlijk bloed.

§ 56. De luchtpijp begint (§ 42) yan het strottenhoofd. Zij loopt achter

ocr page 55

43

in dc horstholte benedenwaarts en splitst zich daar in twee takken, eene voor elke long. In fig. 34 is a het strottenhoofd (in fig. 22 door de, in fig. 27 door a aangeduid), b is de van kraakbeenige ringen omgeven luchtpijp, die zich verdeelt in twee takken, een voor de long c, een voor de long d. De linker long d in deze figuur komt overeen met de longen Igt; b in tig. 27. De rechter long c, geeft daarentegen eene voorstelling van dc wijze, waarop zich elke luchtpijpstak in kleinere, deze weder in nog kleinere takjes splitst, om eindelijk in een uiterst fijn weefsel van buisjes uit te loopen, waarvan in c een gedeelte aan de long vast gelaten is. Ieder van die allerlaatste, fijnste buisjes eindigt in een zoogenaamd longblaasje, fig. 35. Verheeld u nu dat aan al de takjes der luchtpijpbuis van de long c nog die allerfijnste takjes c zaten; stel u dat gansche weefsel voor als doorweven mot een even fijn haarvaten-net, afkomstig van do longslagader (§ 48), maar ook van de voedingsslagaderen der longen, die uit de groote slagader ontspringen; voorzie voorts Fis-. 35. iquot; uwe gedachten diezelfde long rijk

Vim watervaten (§ 53) en zenuwen, en omkleed haar dan met een weivlies (§ 10), dan kunt gij n eene voorstelling vormen van het inwendig maaksel of weefsel der longen.

§ 57. Door de werking van spieren, die aan de ribben vastzitten, en van het middenrif, wordt de borstkas (§ 30), waarin de longen met het hart besloten liggen, beurtelings verwijd en vernauwd. Bij elke verwijding der borstkas treedt er Zc(m- vergroot. door den neus (of den mond) het

strottenhoofd en de luchtpijp dampkringslucht binnen de luchtpijp-takjes en longblaasjes; dit noemt men de inademing. Bij elke daarop volgende vernauwing der borstkas treedt er langs den zelfden weg lucht uil de longen; dit is de uitademing. De uiterst dunne en teedere wanden der fijnste luchtpijptakjes en blaasjes zijn als ware het vergroeid met de even dunne en teedere wanden der bloed-voerende haarvaten. Door die dunne wanden heen zweet nu vooreerst eenig water uit het bloed door, welks aanwezigheid wij als waterdamp op een aangeademd glas ontwaren. Maar, waar het hier

quot;TT ^ C

r. i W.? ■.,

fl V ^

.J5

ocr page 56

44

't meest op aan komt, door die zelfde wanden heen treedt er uit het bloed der haarvaten koolzuur in do luchtpijptakjes, en daarentegen even veel zuurstof uit de lucht der luchtpijptakjes in het bloed. Zoo wordt bij elke ademhaling een deel van het aderlijk bloed van overtollig koolzuur gezuiverd en van nieuwe zuurstof voorzien, en daardoor in helderrood, slagaderlijk bloed veranderd.

De dampkringslucht, dit weten wij, bestaat uit zuurstof en stikstof, en wel zoo, dat er op 100 kub. duimen lucht ten naastenbij 21 kub. duimen zuurstof en 79 kub. duimen stikstof komen. Do uitgeademde, lucht bevat ook 79 deelen stikstof, maar sleehts 16 deelen zuurstof, zoodat er 5 doelen zuurstof in het bloed zijn overgegaan. Evenwel is liet volume der uitgeademde lucht even groot als dat der ingeademde, want do verloren 5 deelen zuurstof zijn vervangen door 5 deelen koolzuur, welke het bloed aan de lucht heeft afgestaan.

Het is aan de zuurstof, dat het bloed in de slagaderen van den grooten bloedsomloop zijne helderroode kleur is verschuldigd. Indien men in bloed, door eene aderlating verkregen, dat steeds donkerrood, zoogenaamd zwart bloed is, zuurstof blaast, of het in eene flesch daarmede schudt, dan wordt het dadelijk helder rood.

§ 58. Aan het vocdingsvocht wordt in het weefsel der deelen de onbruikbaar geworden stof, die door nieuwe vervangen werd, afgestaan , gelijk ik reeds in § 53 aanmerkte. Die onbruikbare stof komt door de watervaten en dc horsthuis weder in het bloed. Voor zoover deze stof niet weer tot voeding geschikt kan gemaakt worden , moet zij , even als het koolzuur, uit het bloed worden verwijderd. Dit laatste, — en daarbij de afscheiding van het overtollige water, dat bij lange na niet door de ademhaling verwijderd wordt, — geschiedt door de afscheidingen. Er zijn evenwel ook andere afscheidingen, wier doel minder is het uit het lichaam verwijderen van eenige overtollige of schadelijke stof, maar het voortbrengen van een vocht, dat aan het lichaam zekere diensten bewijzen moet, b.v. dc spijsverteringsvochtcn, de slijm, de wei, het traanvocht enz.

§ 59. De afscheidende werktuigen zijn vliezen of klieren. Het eenvoudigst afscheidingswerktuig is eene vrije oppervlakte, b. v. van een slijm- of weivlies. Van zulke eene vrije afscheidingsvlakte tot eene zeer samengestelde klier bestaan een aantal overgangen, gelijk door de schets in fig. 36 aanschouwelijk wordt gemaakt.

ocr page 57

45

De doorsnede van de vrije oppervlakte van een vlies, een slijmvlies Fig. 36. 1). v., wordt daar door witte dwars-

lijnen voorgesteld. De eenvoudigste toenadering tot eene klier is een kuiltje in dat vlies, voorts een tot een zakje verdiept kuiltje, verder een zakje met eene nauwere uitloozings-buis, dan verscheidene zakjes, elk met een. uitloozingsbuisje, die zich trosvormig in eene algemeene uitloo-zingsbuis uitstorten, eindelijk eene algemeene uitloozingsbuis met een aantal van zulke trosjes. Een andere vorm van klieren, waarvan de schets ook een voorbeeld levert, is die, welke enkel uit verlengde buisjes, zonder takjes, bestaat. — In fig. ST2 ziet men eene minder schetsachtige, meer natuurlijke afbeelding van eene van zakjes voorziene zoogenaamde druif klier, hoedanig de speekselklieren, de alvleeschklier, de traanklieren en de zogklie-

ren zijn; a is hier de algemeene uitloozingsbuis , h de eerste, c de tweede tak daarvan, en d zijn de zakjes of korrels. Fig. 37 1 levert eene afbeelding van eene geheel buisvormige klier, hoe-danige de nieren en zweetklieren zijn.

De darmscheilklieren, waarvan § 47 gesproken is, en de met deze volkomen overeenkomstige zoogenaamde wa-tervaatsklieren, die bij de watervaten der overige lichaamsdeelen (§ 53) behooren, verdienen eigenlijk den naam van klieren niet, daar zij geen eigenaardig vocht afscheiden uit het bloed en dus ook geene uit-loozingsbuizen bezitten.

§ 60. Alle afscheidende vliezen en alle klieren zijn zeer rijk aan fijne haarvaatjes. Hetzij nu het afscheidende orgaan een vlies, hetzij het de wanden van de buizen of de korrels eener klier zijn, zoo geschiedt de afscheiding daardoor, dat het af te scheiden vocht uit het bloed door de wanden heendringt, die het van de vrije oppeivlakte van het vlies of van de holte der buizen of korrels der klier scheiden. Hier geschiedt dus volkomen hetzelfde als het-

Fisr. 37.

ocr page 58

46

geen bij het dringen van water en koolzuur uit het bloed der longenhaarvaten in de luehtspijpsbuisjes plaats heeft. Dit vocht komt nu hetzij op de vrije oppervlakte van het vlies, of wordt door de algemeene uitloozingsbuis der klier op die oppervlakte uitgestort.

Eigenlijk zijn dus de longen ook klieren, die water en koolzuur afscheiden, gelijk trouwens ook haar samenstel in de hoofdzaken geheel met dat der druifklieren overeenkomt. Echter slorpen de longen ook op, te weten zuurstof, hetgeen de overige klieren niet doen.

§ 61. Van die afscheidingen , welke in de dierlijke huishouding eene rol te vervullen hebben, noemde ik aan het slot van § 55 eenige op. De spijsverteringsvochten (§§ 43, 44) dienen tot scheikundige verandering en oplossing der voedingstoften; de slijm om de oppervlakte der slijmvliezen (§ 19) tot verscheidene doeleinden glibberig te houden en den onmiddelijken invloed der lucht te verhinderen; de wei, die door de weivliezen (§ 19) wordt afgescheiden , verhindert de aaneengroeiing der wand- en ingewand-bekleedende weivliezen; de tranen bewaren do voorste oppervlakte des oogs tegen de lucht, enz.

Van de afscheidingen, welke dienen om overtollige stoffen uit het lichaam te verwijderen, noem ik vooral de zweet- en de urine-afscheiding. De gal-afscheiding behoort hiertoe ook gedeeltelijk, ofschoon zij tevens eene rol bij de spijsvertering vervult.

§ 62. Van de laatstgenoemde afscheidingen, door welke overtollige of schadelijke stoften uit het lichaam worden verwijderd, moeten wij kortelijk de ztueef-afscheiding eu de MW«e-afsclieiding beschouwen.

Het zweet wordt afgescheiden door de zweetklieren, die gelegen zijn in het bindweefsel onder de huid (zie hier fig. 42). Elke zweetklier bestaat uit eene kluwenvormig opgerolde buis, die zich, na de huid zelve te hebben doorboord, op de oppervlakte er van tusschen de gevoeltepeltjes (waarover later) opent. Zij scheidt een vocht af, dat bestaat uit water, waarin zouten zijn opgelost, en dat gewoonlijk in dampvormigen toestand voorkomt (onmerkbare huiduitwaseming), maar dat, wanneer het in zoo groote hoeveelheid wordt afgescheiden, dat de warmte des lichaams niet voldoende is om het tot den dampvormigen toestand te brengen, als eene dropvormige vloeistof (zweet) op de huid verschijnt. — Door deze afscheiding wordt eene niet onaanzienlijke hoeveelheid water,

ocr page 59

47

en eenige van fle stofwisseling afkomstige zouten, benevens eeuig koolzuur uit het bloed verwijderd. — Bovendien is de huiduitwaseming als do modcrateur der eigene of dierlijke warmte (§ 54) te beschouwen. Wij zagen dat die warmte standvastig op 36°—37° van den honderddeeligen thermometer staan blijft. Hoe komt dit? Zoodra zich meer warmte in het lichaam ontwikkelt, of de temperatuur der omgevende lucht zeer hoog wordt, verdampt er ook meer water op de oppervlakte der huid, maar juist daardoor, door die grootere verdamping, wordt er nu ook meer warmte aan het lichaam onttrokken. Bij verminderde warmteontwikkeling in het lichaam, of bij verlaagde temperatuur der lucht, zal er daarentegen minder water op de huid verdampen, en daardoor mindere warmte aan het lichaam worden ontnomen. Zoodoende houdt de vermeerdering en vermindering der onmerkbare huiduitwaseming de eigene warmte des lichaams op nagenoeg altijd dezelfde hoogte.

Nog liggen er in de huid zelve een aantal andere, kleinere kliertjes, vooral menigvuldig op behaarde plaatsen, welke kliertjes men smeer/diertjes heet. Zij scheiden eene vetachtige stof af, die de huidt zacht en lenig en de haren glanzig houdt.

§ 63. Do urine wordt afgescheiden door de nieren, twee vrij groote, boonvormige klieren, fig. 38«, die boven en achter in do Fie 38. buikholte aan weerszijde dor wervelkolom gelogen zijn. Zie de plaatsing in fig. 32 k. Zij zijn in-I wendig samengesteld uit bundels klierbuisjes (§ 59) I wier uiteinden in eene holte in de klier samon-

■ komen, waaruit eene vrij lange buis (de urinelei-

■ der) ontspringt, die benedenwaarts gaat en uitloopt I in de blaas, een vliezige, van spiervozelen voor-

zione zak, bonoden en vóór in do buik achter de I schaamsbeensvereening (§ 30). Do urine wordt uit

■ het bloed der nierslagadoren afgescheiden in de genoemde klierbuisjes, komt daaruit in do holte

dor nieren (het nierbckkon), en daaruit weder in do urinoloiders, fig. 38i, die haar in do blaas c voeren , uit welke zij, wanneer deze vol geworden is, naar buiten ontlast wordt door oen vliezig kanaal, waarin het onderste en smalste gedeelte d — de hals dei-blaas — zich verlengt. — De urine is een bleekgeel, eigenaardig riekend, gewoonlijk zuur reageerend vocht, dat vele zeer onderschoi-done opgeloste bostandeelen, zouten enz. bevat, en niet alleen hot

ocr page 60

48

grootste gedeelte van het overtollige water uit het lichaam afvoert, maar ook de meeste van die stoffen, die tengevolge der stofwisseling onbruikbaar geworden en ontleed zijn (§ 53). Deze stoffen, afkomstig van bestanddeelen des lichaams, die bijna allen stikstofhoudend zijn (§ 23), moeten natuurlijk ook rijk aan stikstof wezen. Van daar de ammoniak-reuk van tot scheikundige ontbinding (verrotting) overgaande urine, daar hier de stikstof, waaraan de urine zoo rijk is, met de uit de in de urine opgeloste stoffen ontstaande waterstof ammoniak vormt. — Door de urine worden ook vele andere in het bloed geraakte zelfstandigheden , b. v. oplosbare maar niet voedende bestanddeelen der spijzen, geneesmiddelen, enz. enz. weder, en soms zeer spoedig, uit liet bloed verwijderd. Van daar dat de kleur, de reuk en de bestanddeelen der urine vaak, ook bij gezonde menschen, zoo verbazend verschillen.

D. DIERLIJKE VERRICHTINGEN.

§ 64. Wij moeten nu eene andere klasse van verrichtingen des menschelijken en dierlijken lichaams overwegen, namelijk diegene, welke men daarom bij uitstek dierlijke verrichtingen noemt (§ 3), omdat daarvan bij de planten niets , of slechts een uiterst flauwe aanduiding te bespeuren is. — Gccocl en beweging zijn die verrichtingen, gelijk wij reeds weten.

Wij hebben intusschen gelegenheid geluid de opmerking te maken, dat geene organische verrichting, tot wier beschouwing wij ons tot dusver bepaalden, zonder beweging kan plaats hebben. Die beweging berust somtijds op zuivere natuurkundige wetten, b.v. de opslorping en de afscheiding, de omwisseling van zuurstof tegen koolzuur (§ 57), de verdampingen van vocht op de huid (§ 59). Maar de meeste organische bewegingen berusten, even goed als de dierlijke, die wij nog moeten beschouwen, op samentrekking van spiervezelen (§ 21). Zoo b. v. de beweging des voedsels door het spijskanaal heen, ten gevolge van de samentrekkingen van den spier-rok van dat kanaal, -— de omloop des bloeds, ten gevolge van de samentrekkingen des harten,— de ademhaling, ten gevolge der samentrekkingen van de spieren die aan de ribben gehecht zijn en van het middenrif,— ook de voortstuwing der door de klieren afgescheiden vochten door de samentrekbare spiervezels, welke zich in de wanden der uitloozingshuizen bevinden, enz. enz. — Zonder eene

ocr page 61

49

soort van gevoel, cene zekere ontvangbaarheid voor prikkels (b. v. in de opgegeven voorbeelden voor den prikkel der spijzen, des bloeds, enz.) kunnen wederom die bewegingen inoeielijk gedacht worden, daar elke beweging een oorzaak vooronderstelt. Maar dat gevoel is een gevoel zonder bewustheid; de ziel ontwaart de aanwezigheid van die prikkels niet. En evenzoo is de daarvan afhankelijke beweging eene onwillekeurige beweging, die geheel onafhankelijk van onzen wil plaats heeft, en die wij zelfs in vele gevallen niet eens door onzen wil kunnen onderdrukken. Zoo b. v. de samentrekkingen van het spijskanaal, van het hart enz. De ademhalingsbewegingen gaan wel is waar ook buiten onzen wil voort, zonder dat wij er om denken, doch wij kunnen ze evenwel onderdrukken , zoo wij dat verkiezen. Het kauwen en slikken, beide willekeurige bewegingen, behooren, wat hun doel aangaat, tot de organische, maar wat hun aard betreft, tot de dierlijke verrichtingen.

Voor wij echter tot de beschouwing der dierlijke verrichtingen overgaan, moeten wij hier nog kortelijk eene in het lichaam hier en daar plaats hebbende beweging vermelden, die geheel en al van de rechtstreeksche werking der zenuwen onafhankelijk is. Ik bedoel de dus genaamde tril- of flikkerbeweginy. In fig. 2 gaf ik in c eene afbeelding van drie naast elkander geplaatste cellen: cilindercellen, die aan hunne vrije zijde van uiterst fijne haartjes of liever (want eigenlijke haartjes zijn het niet) fijne en puntige uitsteeksels voorzien zijn. Even als bij de cilindercellen b moet men zich voorstellen, dat die cellen rechtop geplaatst zijn op het vlies dat zij bedekken, zoodat het puntig uiteinde der cellen dat vlies raakt en de met haartjes voorziene einden der cellen de oppervlakte van het alzoo gevormde epithelium vormen. Zulk trilhaar-epithelium vindt men in het ademhalingskauaal, in hot begin der pisbuisjes, voorts in de nader te beschrijven neusholte , de buizen van Eustachius enz., terwijl ook een aantal lagere dieren op onderscheiden plaatsen van de buitenvlakte huns lichaams trilharen bezitten. De trilharen nu zijn in eene onophoudelijke zeer snelle, golvende beweging, en wel doorgaans in cene bepaalde richting, welke beweging nog eenigen tijd na den dood, zelfs op afgeschraapt epithelium, aanhoudt. Xict altijd is het doel dier bewegingen duidelijk; men begrijpt echter dat deze in een nauw kanaal de voortbeweging van vochten in eene bepaalde richting moeten bevorderen. § üü. Bij den mensch en de dieren zijn overigens zoowel het gevoel

4

ocr page 62

50

mot en zonder bewustheid, als de willekeurige en onwillekeurige bewegingen , voor zoover deze laatste niet van zuiver physischen aard zijn, afhankelijk van het zenuwstelsel.

Plet zenuwstelsel onderscheidt men in twee doelen , te weten een mid-denpunts-o{ centraalgedeelte, en een omtreks-otperipherisch gedeelte.

Het centraalgedeelte bestaat uit de hersenen en hot ruggemerg, — of anders uitgedrukt (§ 110) uit het ruggemerg, waarvan de bovenste aanzwelling do hersenen genoemd wordt.

Het poripherischo bestaat uit de zenuwen.

Men leze hier na, wat ik in §18 over hot weefsel der zenuwen, der horsenon on dos ruggemergs, en over de zenuwdraden en zenuwcellen gezegd heb.

§ 06. Do hersenen liggen binnen de schedelholte. Wanneer men van hot hoofd hot bovendeel des schedels wegneemt (quot;t geen door voorzichtig doorzagen van den schedel geschiedt), en dan do hersenen er uit neemt, dan vertoonon zich deze als in fig. 39. Die oppervlakte is, gelijk men ziet, niet effen, maar voorzien van zoogenaamde kronkelingen, die evenwel niet zoor diep indringen. Overigens zijn de hersenen door eene van voren naar achteren loopende spleet in twee zijdolingscho helften of halfronden gescheiden. Zie fig. 37 a.

De onderste oppervlakte der hersenen, die vlak, maar tevens ongelijk is, rust op den bodem dor schedolholte (§ 28). De spleet,

ocr page 63

51

waarvan ik zoo even sprak, is daar slechts te zien aan het voorste en achterste gedeelte der hersenen, maar dringt niet tot het middelste gedeelte der hersenen door. Aldaar, aan dat middelste gedeelte van de basis der hersenen, en ook daarboven in de zelfstandigheid der hersenen zelve, bevinden zich onderscheidene hersen-deelen, met wier opsomming wij ons hier echter niet zullen bezig houden. Fig. 40 moge evenwel een denkbeeld van die hersenbasis geven.

De gansche hersenmassa onderscheidt men in groote en kleine hersenen. In iig. 39 ziet men in c b niets dan de bovenste oppervlakte der yroo/e hersenen, die in liet bovenste gewelfde gedeelte des schedels (fig. 12) besloten zijn. De kleine hersenen eb l, — die echter met de groote samenhangen — liggen onder het achterste gedeelte der groote hersenen. In fig. 41 zijn de groote hersenen, herkenbaar aan hare kronkelingen, aangeduid door a; de kleine, wier oppervlakte niet gekronkeld maar gestreept is, door b. Men ziet hier ook de spleet tusschen de zijdelingsche helften of halfronden der groote en kleine hersenen aangegeven, welke ook in fig. 40 aan de ondervlakte te zien is, b. v. tusschen 1,1.

Uit de groote hersenen, vóór de kleine, ontspringt een cilindervormig lichaam, het verlengde merg, dat eigenlijk het bovenste gedeelte, het begin, van het ruggemerg is, welk ruggemerg door het groote achterhoofdsgat buiten den schedel treedt en dan door het ruggemergskanaal in de wervelkolom naar beneden tot in het heiligbeen voortloopt. In fig. 41 zien wij het als eene witte streep onder de kleine hersenen voor den dag komen en langs den rug

ocr page 64

naar beneden loopen. — Het spreekt vau zelf dat in deze sehets het zenuwstelsel verondersteld wordt ontdaan te zijn van zijn beeuige bekleedselen: schedel en wervelkolom of ruggegraat.

Fig. 41.

§ G7. Uit de hersenen — wel te verstaan uit de grondvlakte der groote hersenen, — en uit het ruggemerg ontspringen de zenutcen. Fig. 41 geeft een algemeen denkbeeld van de wijze, waarop

ocr page 65

53

zich de hoofdstammen der zenuwen van dc centraaldeelen af door het lichaam verspreiden, — ongeveer op de wijze als wij dc verspreiding der slagaderen door de schets in fig. 30 hebben aangewezen. Men ziet hier, gelijk ik reeds zeidc, de groote hersenen a en de kleine h. Voorts ziet men in d zich een paar hersenzenu-wen , — waarvan overigens 12 paren bestaan — in het aangezicht verspreiden, — en eindelijk een groot aantal zenuwen (31 hoofdstammen aan elke zijde) uit het ruggcinerg ontspringen , cn zich naar de onderscheidene afdeelingen van den romp en dc ledematen begeven. Deze zenuwen vertakken zich algaandeweg meer cn meer , en worden natuurlijk naar die mate al dunner en dunner, zoodat de uiterste einden er van, die in het fijnste weefsel der huid en der spieren eindigen, slechts fijne, enkelvoudige en dus niet meer splitsbare zenuwdraadjes (§ 18) zijn.

Elke zenuw, of liever elk zenuwbuisje heeft twee uiteinden. Met het eene — het hersenuiteinde — staat het met de hersenen in verband, hetzij onmiddelijk of door tusschenkomst van het rugge-merg. Hot andere uiteinde — het peripherisch uiteinde — bevindt zich in het weefsel, hetzij der gevoelige doelen, der huid b. v., hetzij in eene spier.

§ 68. De zenuwen zijn de geleiders , de geleiddraden , van don indruk of prikkel, die gevoel of beweging ten gevolge heeft.

Wanneer men met den vingertop iets aanraakt, of, 't geen hetzelfde is, wanneer de vingertop door iets aangeraakt wordt , dan gevoelt men deze aanraking; de ziel wordt het zich bewust dat er iets met den vingertop in aanraking is gekomen. De fijne zenuwbuisjes of zenuwdraadjes, die in de huid van den vingertop eindigen , ontvangen bij die aanraking een indruk, een prikkel, en zij geleiden dien indruk naar de hersenen met evenveel snelheid als de telegraafdraad den elektrischen stroom van de eene plaats naar do andere geleidt. In do hersenen, het werktuig der ziel, komt die indruk tot bewustheid, wordt hij door de ziel waargenomen.

Wanneer men een deel wil bewegen, wanneer men b. v. den wijsvinger wil buigen, dan werkt de ivil op de hersenuiteinden (§ 64) van die zenuwbuisjes, wier peripherische uiteinden zich in de buigspieren des wijsvingers verspreiden. Dc wilsindruk wordt door de zenuwbuisjes met even groote snelheid geleid naar die spieren; deze trekken zich, zoodra zij door dien indruk geprikkeld worden, dadelijk samen, cn alzoo volgt dan de gewilde beweging.

ocr page 66

54

Dc eerste soort van geleiding, de geleiding van gevoelsindrukken, gaat van den omtrek, de peripherie, naar het centraal deel; de hersenen , en heet daarom midddpuntzockende (centripetale) geleiding, — ook wel eenvoudig gevoels-geleiding.

Dc tweede soort van geleiding, de geleiding van wils-indrukkcji, gaat van het centraaldeel naar den omtrek , en wordt dus middelpuntvliedende {centrifugale) geleiding, — of ook wils-geleiding, he-wegings-geleiding, genoemd.

In den regel en normaal worden de gevoelsindrukken aan de peripherische uiteinden door de zenuwen opgenomen, — en de wils-indrukken kunnen niet anders door de zenuwen worden opgenomen dan aan het hersenuiteinde, daar die zenuwen alleen door dit uiteinde met de hersenen en alzoo met de ziel in betrekking staan.

Dit neemt evenwel niet weg, dat, wanneer een prikkel noch oj) het horsenuiteinde, noch op het peripherisch uiteinde, maar op een ander gedeelte der zenuw werkt, welke die plaats ook zijn moge , dat, zeg ik, dan ook gewaarwording of beweging ontstaan kan. De zenuwbuisjes toch geleiden den ontvangen indruk voort, waar zij dien ook ontvangen. Het spreekt intusschcn van zelf, dat eene beweging, die het gevolg is van een indruk , dien dc zenuw ontvangt op eene andere plaats dan haar hersenuiteinde, steeds eene onwillekeurige beweging zijn zal.

§ 60. Men heeft zenuwbuisjes voor het gevoel en andere voor de beweging. Prikkeling van een gevoelzenuwbuisje heeft in don regel (§ 70) geene beweging ten gevolge; op prikkeling van een beweegzenuwbuisje volgt geen gewaarwording. — Wat de zenuwen aangaat, die, gelijk wij weten, uit de nevens elkander liggende en tot bundels vereenigde zenuwbuisjes bestaan, — deze zijn óf zuivere gevoclszenuwen, óf zuivere beweegzenuwen, óf gemengde zenuwen, al naarmate zij uitsluitend uit gevoelszenuwbuis-jes, of uitsluitend uit bewcegzenuwbuisjes, of uit beide soorten van zenuwbuisjes zijn samengesteld.

Het behoeft nu wel geene verklaring, hoe het komt, dat, wanneer eene zuivere gevoelszenuw ergens , 't doet er niet toe waar, geprikt of geknepen wordt, daardoor pijn ontstaat, maar geene beweging; — dat, wanneer men ditzelfde doet met eene zuivere beweegzenuw, er samentrekkingen ontstaan van de spieren, waarheen die zenuw loopt, maar er tevens geene de minste pijn wordt waargenomen; — en dat eindelijk, wanneer eene gemengde

ocr page 67

55

zenuw beleedigd wordt, cn spiersamentrekingcn én pijn ontstaan.

§ 70. Elk gevoelszcnmvbuisjc brengt, om 't even of hot aan zijn peripherisch uiteinde of op eene andere plaats geprikkeld wordt, altijd in de ziel de gewaarwording te weeg alsof alleen dat peri-pherisch uiteinde geprikkelde ware geworden. Een stoot op den elleboog veroorzaakt pijn en tinteling in de buitenzijde (de pink-zijde) der hand en in de pink, omdat aan den elleboog de zenuw ligt, welke de zenuwbuisjes bevat, wier peripberiscbe uiteinden in dat gedeelte der hand zich verspreiden. Of nu die uiteinden zelven worden aangedaan, dan of daarentegen de zenuwbuisjes ter plaatse van den elleboog geprikkeld worden, doet niets af, zij kunnen aan do ziel geene andere gewaarwording mededeelen, dan alsof de prikkeling aan de hand zelve had plaats gehad. — Lieden, die een hunner ledematen, b. v. een voet, verloren hebben, spreken soms van pijn in dien lang verloren en wellicht reeds lang verganen voet. Do oplossing van dit bij den eersten opslag vreemde verschijnsel, dat tot allerlei zotte verklaringen door middel der zoogenaamde sympathie aanleiding heeft gegeven , volgt zeer eenvoudig uit het reeds gezegde. Wanneer de voet verloren gaat, afgezet wordt bij voorbeeld, dan blijven toch in het heen de zenuwbuisjes bestaan, wier uiteinden vroeger in den voet gelegen waren. Wordt nu de stomp b. v. door rheumatisme aangedaan, en worden de in dien stomp gelegen zenuwbuisjes, die vroeger tot den voet doorliepen, daardoor geprikkeld, dan zal de ziel de gewaarwording ontvangen, alsof de voet zelf aangedaan werd, omdat de zenuwbuisjes de ont-vangene indrukken altijd zóó tot het bewustzijn brengen, alsof hun natuurlijk periperisch uiteinde geprikkeld was geworden.

§ 71. Het gebeurt soms, dat wanneer eene gevoelszenuw hevig geprikkeld wordt en er dan pijn ontstaat, er ook pijn in na-bijgelegene doelen gevoeld wordt, die niet geprikkeld zijn geworden. De pijn b. v. van écne holle kies wordt soms gevoeld door het geheele gebit heen. Hier doelen de geprikkelde zenuwbuisjes den ontvangen indruk aan de naast bijgelegene mede, — niet echter daar, waar zij in eene zenuw naast elkander liggen, — maar zóó, dat de indruk in de hersenen zich overplant op de hersenuit-einden van die andere zenuwbuisjes: en dien ten gevolge — daar 't niet afdoet waar eene zenuw geprikkeld wordt (§ 69) — de gewaarwording ontstaat alsof ook de peripherische uiteinden van deze zenuwbuisjes waren aangedaan.

ocr page 68

56

Ook kan het gcschieden, dat, wanneer men eene spier in beweging brengt, b. v. de buigers van den wijsvinger, ook naburige spieren of de gelijknamige spieren van dc andere zijde des lichaams zich tegelijk bewegen , zonder dat men dit gewild heeft. De wil werkte hier rechtstreeks alleen op de hersenniteinden van de zenuwbuisjes voor de buigspieren des wijsvingers — maar de wilsin-druk is, buiten den wil om, overgeplant op de hersenniteinden van naburige zenuwhuisjes.

Men noemt het eerstgenoemde verschijnsel associatie van yewaar-wordingen, het tweede associatie van bewegingen.

§ 72. Eindelijk gebeurt het meermalen, dat, wanneer gevoels-zenuwbuisjes of zuivere gevoelszenuwen geprikkeld worden, onwillekeurige bewegingen volgen. Zoodanige bewegingen zijn b. v. die van het strottenhoofd bij het slikken , voorts het niezen , hoesten en braken door prikkeling van het slijmvlies van den neus, van het strottenhoofd en van de keel, ook dc stuipen van kleine kin-deren na soms onbeduidende prikkels, enz. Die bewegingen ontstaan door de overplanting van den tot de hersenen of het rugge-merg geleiden gevoelsindruk op het hersen- (of ruggemergs-) uiteinde van beweegzenuwbnisjes, die nu dien indruk oogcnblikkelijk naar de spieren geleiden, waartoe zij behooren, en deze doen samentrekken. Men noemt deze overplanting reflexie, en dc daaruit ontstane bewegingen reflexlchewegingen. Zij ontstaan meer na lichte, dan na hevige prikkels.

§ 73. Doorsnijding of sterke samendrukking der zenuwen en zenuwbuisjes, vernieling dor laatste door bijtende stoffen, heffen de zenuwgeleiding op. Belette toevoer van bloed naar een deel doet in dat deel alle zenuwwerking (gevoel en beweging) ophouden. Verdoovende vergiften (narcotica) belemmeren de zenuwwerk-dadigheid. Matige prikkels oefenen de zenuwen cn verhoogen haar quot;geleidingsvcrmogcn; te sterke of te aanhoudende prikkeling daarentegen put dat geleidingsvcrmogcn uit. Is die uitputting niet al te sterk, dan wordt het vermogen om indrukken te geleiden door rust hersteld.

§ 74. Wij zullen thans de zintalgelljke gewaarwordingen, of het gevoel in ruimeren zin meer in bijzonderheden beschouwen.

Gecoel, in ruimeren zin genomen, is gelijkluidend met zintui-gelijke gewaarwording. In beperkten zin verstaat men daardoor den gevoelszin, de gewaarwording van gevoel, in de gewone dage-

ocr page 69

57

lijkschc bcteckenis. Dit laatste heeft zijn zetel vooral in de huid, ofschoon ook de slijmvliezen aan den ingang der lichaamsholten daarmede bedeeld zijn, h. v. het slijmvlies van den mond en dor neusholte. Dieper in het lichaam wordt het gevoel als ware het duisterder, stomper, tot het eindelijk in den natuurlijken, normalen toestand niet meer bespeurd wordt, niet moer tot bewustzijn komt.

Zoo gevoelen wij b. v. van hetgeen in onze ingewanden omgaat niets. Zoo veroorzaakt eene teug te heet drinken een gevoel van branding in den mond en in de keel; doch eens doorgeslikt zijnde, doet het in den regel zich niet moer gevoelen, daar het gevoel van don slokdarm reeds stomp en dat der maag in den gezonden toestand geheel en al een gevoel zonder bewustheid is. In een van den gezonden afwijkenden toestand kan zich evenwel het duistere,

verborgen gevoel van vele inwendige deelen verheffen tot gevoel met bewustheid, — men denke b.v. aan koliekpijn.

§ 75. Men onderscheidt aan de huid drie lagen: de eigenlijke huid of le.dc.r-liuid, welke van buiten bekleed wordt door de opperhuid, aan de binnenzijde door het onderhuidsche bindweefsel, door welk laatste de huid, hier sterker, daar losser, verbonden is aan de onderliggende deelen.

De lederhuid is vezelachtig van weefsel, rijk aan bloedvaten en zenuwen, en aan de buitenzijde voorzien van ontelbare, zeer kleine verhevenheden, in elke

Zeer vergroote vertikale door- . . , . .

inerte der huid. A buitenste opper- waarvan CCll CllkelvOUCtlg ZCnUWDUlSJC

eindigt, en die men gevoelstepeltjes

bcuraj^me^een^haar^dat hovcn*dc n0Cmt Mon ka» die tepeltjes aan de

huid uitsteekt; in rten bodem van het handpalmvlakte der vingers, waar zij beursje de haarwortel; zes smeer- 1

kliertjes storten zich in het nauwe in evenwijdig loopeude rijen liggen, gedeelte van het beursje uit. 1 _ 1 -i i • i

met hot bloote oog onderscheiden.

De opperhuid is een droog, dun, vaat- en zenuwloos vlies (§ 15) dat als eene soort van vernis over de lederhuid ligt uitgebreid. Het bestaat uit verscheidene lagen, waarvan de buitenste gedurig afschilfert, waartegen do lederhuid even aanhoudend nieuwe uitzweet of afscheidt. Die jongste, nog weeke, niet verdroogde lagen

ocr page 70

58

der opperhuid, die natuurlijk onmiddellijk op de lederhuid gelegen en steeds donkerder gekleurd zijn, dan de buitenste drooge, noemt men het net of de slijm van Malpighi.

Tn de lederhuid liggen, gelijk wij reeds zagen, de smeerkliertjes, die zich meestal, zooals in fig. 42, in de straks te vermelden haarkanaaltjcs uitstorten; — ouder de lederhuid de zweetklieren (§ 62).

Tot de huid behooren de haren en de uayels. Beiden bestaan uit hoornweefscl, even als de opperhuid zelve. De haren zijn met hunne wortels ingeplant in eene uitholling der opperhuid, het haarbeursje of haarzakje, op welks bodem zich eene kleine verhevenheid, de haarkiem, bevindt, welke gedurig nieuwe hoornstof afscheidt, die zich aan den wortel van het haar vastzet, zoodoende het haar zelf steeds doet opschuiven, en het alzoo doet groeien.— De nagels zijn ingeplant in eene diepe sleuf der lederhuid op do rugzijde van de laatste leden der vingers en teenen; zij groeien, even als de haren, door aanvoeging van hoornzelfstandigheid, die in de huid-sleuf wordt afgescheiden, zich aan den wortel der nagels vastzet, en alzoo van lieverlede den nagel voortschuift. Dat de nagels inderdaad zoo, en niet aan hun voorrand groeien, kan men bewijzen door een onuitwischbaar teeken te maken op een nagel, dicht aan den wortel; dat teeken zal, naarmate de nagel groeit, steeds meer en meer den vingertop naderen, — een duidelijk bewijs dat de nagel inderdaad vooruitgeschoven wordt.

Overigens bezitten de haren in hun inwendige eene kleurstof, waarvan hunne verschillende kleur afhangt.

§ 76. De geheele huid is gevoelig. Doch de binnenvlakte der laatste vingerleden zijn dit wel bijzonder. De geschiktheid dei-hand om de voorwerpen van verschillende kanten gelijktijdig aan te raken en te omvatten, maakt daarbij de vingers tot de eigenlijke werktuigen van den tastzin, dat is van den door onzen wil in werking gestelden gevoelszin. De nagels dienen daarbij om aan de vingertoppen bij het aangrijpen en betasten een steun te geven. — Door het gevoel bekomen wij kennis van den warmtegraad, den samenhang, de grootte, den vorm , de gladheid of ruwheid van oppervlakte, en den afstand der lichamen, als ook van hunne zwaarte.

§ 77. Het zintuig van den reuk is gelegen in de neusholte. Deze holte wordt (% 28b) gevormd door de beide bovenkaaksbeenderen, en door het gehemelte afgescheiden van de mondholte. Achter in

ocr page 71

59

de keel, (zie fig. 11 a a) hebben neus- en mondholte gemeenschiip

met elkander, dewijl het gehemelte daar ophoudt. Dit moet ook zoo zijn, daar de neusholte eigenlijk het begin is van het ademhalingskanaal (strottenhoofd, luchtpijp, luchtpijptakken), even als de mondholte het begin is van het spijskanaal (slokdarm, maag, darmen). Was do neusholte van achteren geheel van de keel afgesloten, dan kon natuurlijk de lucht niet door den neus in de luchtpijp dringen, en wij zouden altijd met open mond moeten adem-

halen, zoo als wij soms wel genoodzaakt zijn bij verkoudheid , wanneer het slijmvlies der neusholte gezwollen en daardoor die holte zelve verstopt is.

Fig. 43 A geeft eene voorstelling van de neusholte. Wij zien daar den uitwend!gen, uit met huid overtrokken kraakbeen be-staanden neus, die de aan het hoofd van het geraamte in fig. 10 zichtbare neusopening overwelft en bedekt, en tevens de neusholte zelve vergroot. De plaats der mondholte wordt door B aangeduid; a is het linker neusgat, y do achterste opening der neusholte, waardoor deze gemeenschap heeft met de keel (vergelijk fig. 11 a a). Op den bodem der schedelholte (waarin zich bij h h zekere donker gekleurde holten, boezems genaamd, bevinden, met welke wij ons echter hier niet zullen ophouden) ziet men de reukzenuwknoop c (vergel. fig. 40; 1, 1) waaruit de reukzenuwen ontspringen, die door fijne, in de bovenvlakte van het zeef been (§ 33) aanwezige gaatjes, in de neusholte dringen. Door ƒ wordt voorgesteld de opening van eene buis, waarover wij bij het gehoor zullen spreken. — De wanden der neusholte bezitten aan weerszijde drie schelpswijs gekromde uitsteeksels, neusschelpen genaamd. Deze neusschelpen, en trouwens de geheele inwendige neusholte, ook het middenschot, is overtrokken met een slijmvlies — het neusslijmvlies, waarin do fijne takjes der genoemde zenuwen zich verspreiden. Het spreekt van

ocr page 72

60

zelf, dat de oppervlakte van dat slijmvlies aldus veel grooter is, dan het wezen zou, indien de wanden der neusholte geheel glad en zonder uitsteeksels waren , en dat daardoor dan ook de aanrakingspunten tusschen de lucht en het neusslijmvlies veel meer zijn, dan zonder die uitsteeksels het geval zou wezen.

§ 78. Sommige lichamen zijn riekend, reukgevend , andere zijn reukeloos. Het riekend beginsel der eerste hestaat uit zekere vluchtige deeltjes, die uit de riekende lichamen ontsnappen en zich in de lucht verspreiden. Die lucht voert bij de inademing en bij het opzettelijk opsnuiven de riekende deeltjes in de neusholte; zij doen daar de reukzenuwen aan, en deze geleiden dien indruk naar de hersenen, waar hij als reuk door de ziel wordt waargenomen.

Hiertoe is noodig dat het slijmvlies vochtig zij , hetgeen geschiedt door het slijm van dat vlies zelf en door het traanvocht, waarover later. Een droog slijmvlies, b.v. in het eerste tijdperk van verkoudheid, ruikt weinig of niet. — Overigens bezit hot neusslijmvlies , behalve reukzenuwen, ook gewone gevoelszcnmven d e.

§ 79. De tong is hot zintuig van den smaak , ofschoon ook een deel van het gehemelte-slijmvlies het vermogen van smaken bezit. Zij is een vleezig orgaan (fig. 43, !B.) dat met zijn achteiste gedeelte, zijn wortel, in de keelholte vastzit, en is deels door hare eigene samentrekkingen, deels door verscheidene aan haar vastgehechte spieren, zeer beweegbaar. Zij is geheel bekleed met het slijmvlies der mondholte. De overgang van het slijmvlies van den bodem der mondholte tot het slijmvlies van de tong vormt onder de laatste eene plooi, het toompje, waarover ik reeds in § 19 sprak. Op den rug der tong vindt men een aantal tepeltjes van verschillenden vorm en grootte; in eenigen daarvan eindigen de smaakzenuwen e.

Evenals wij door den reuk kennis ontvangen van den aard dor vluchtige deeltjes, die in de lucht aanwezig zijn, zoo worden wij door den smaak den aard der stoffen ontwaar, die in water of in het speeksel opgelost zijn. Daarvandaan, dat, om b.v. het voedsel wel te proeven, dit voedsel óf uit zich zelf vochtig moet zijn, óf met speeksel moet worden doordrongen.

Ook de tong bezit, behalve smaakzenuwen, zenuwen voor het gewone gevoel, iets, waarvan ieder zich overtuigen kan.

§ 80. Door het gehoor nemen wij het geluid waar, dat is , gelijk wij weten, de golvende trillingen, waarin de deeltjes van een

ocr page 73

Ül

veerkrachtig lichaam geraken, wanneer het door een ander lichaam Fig. 41. geschokt of aangestooten

wordt. Die trillingen worden in de meeste gevallen door de lucht aan het oor toegevoerd. Het gehoororgaan , waarvan het uitwendige oor, de oor-scltelp, slechts een minder wezenlijk gedeelte uitmaakt , ligt verborgen in de rotsachtige uitsteeksels der slaapbeenderen (§ t?8). In fig. 44 zien wij het inwendige gehoororgaan uit het rotsbeen uitgebeiteld. Daar is a de ingang van den gehoorgang, welke opening in de diepte van de oorschelp kan gezien worden, h is die gehoorgang zelf, welke geleidt in eene holte, de trommelholte d, waarin eene rij van drie kleine beentjes: het hamertje, het aanbeeld, en de stijgbeugel, gelegen zijn. Het einde van den gehoorgang is echter van de trommelholte door een vliesje c afgescheiden , dat het trommelvlies heet. Voorts ziet men nog dieper e den doolhof, welke hol is en in C afzonderlijk is afgebeeld; daar is a. de zoogenaamde voorhof, h. het slakkenhuis, c. de drie half cirkelvormige kanalen. In den voorhof, de halfcirkelvormige kanalen en het slakkenhuis bevinden zich de fijne eindtakjes der gehoorzenuw, die daar nog omgeven zijn van een waterig vocht. Het slakkenhuis heeft met de trommelholte gemeenschap door eene ronde opening {het ronde venster) , de voorhof door een ovale opening (het eironde venster), welke beide openingen echter ook door vliezen gesloten zijn. De gehoor-beentjes liggen in de trommelholte zóó, dat de steel van het hamertje aan het trommelvlies gehecht is, terwijl zijn kop aan het aanbeeld en dit aan den stijgbeugel vastzit, en de trede van den stijgbeugel rust op het vlies van het eironde venster. Tusschen het trommelvlies en het vlies van het eironde venster bestaat dus eene keten van kleine beentjes.

ocr page 74

62

§ 81. De zich rechtlijnig voortplantende geluidstrillingcn der lucht, de geluidsstralen om zoo te spreken, treden door den uit-Aveudigen gehoorgang naar binnen cu brengen het trommelvlies in trilling. De trillingen van het trommelvlies worden medegedeeld door de keten der gehoorbeentjes aan liet vlies in het eironde venster en door dit aan het vocht, waarin de gehoorzenuwtakjes zich bevinden. Deze nu planten den op die wijze ontvangen indruk als geluid voort naar de hersenen. Do door de trillingen van het trommelvlies in beweging geraakte lucht binnen de trommelholte kan deze trillingen ook voortplanten op het vlies van het ronde venster, en zoo de in het slakkenhuis gelegen zenuw aandoen.

De zenuwen van den voorhof schijnen vooral te dienen tot waarneming der grovere geluidsindrukken, die van het slakkenhuis meer tot het onderscheiden van de fijnere verschillen der geluiden en toonen.

Uit de trommelholte loopt nog eene nauwe buis, de buis van Eu-stacldus, tot in de keel. Zie fig. 43 ƒ de keelopening dier buis. Door deze buis kan de buitenlucht in de trommelholte treden, welke anders door het trommelvlies geheel van die buitenlucht afgesloten zou zijn. Ware de Eustachiaansche buis er niet, dan zou er gedurig een verschil van spanning bestaan tnsschen de binnen- en buitenlucht, waarvan het gevolg zou zijn: drukking op het trommelvlies , hetgeen dan niet meer behoorlijk zou kunnen trillen. Daar echter de genoemde buis aan de buitenlucht vrijen toegang verleent , zoo wordt het evenwicht tnsschen binnen- en buitenlucht bewaard. Bij verstopping echter dier buis ontstaat doofheid, wegens de belemmerde trilling van het trommelvlies.

§ 82. Het gehoor heet scherp, wanneer het in staat is ook kleine geluidtrillingen goed waar te nemen-, fijn noemt men het, zoo het kleinere verschillen in de hoogte, laagte en klank der toonen in staat is te bespeuren.

De richting, in welke het geluid tot ons komt, maken wij vooial op uit de meerdere sterkte, waarmede het een onzer ooren aandoet. Is dit b. v. het rechter oor, dan besluiten wij, dat het geluid van den rechter kant komt. Voor den afstand is doorgaans de meerdere of mindere sterkte van het geluid ons tot maatstaf. Hoe be-driegelijk ons oordcel over de richting en den afstand van het geluid moet zijn, zoolang het alleen op de aangevoerde gronden berust, behoeft geen betoog en leert ook trouwens de dagclijksche ondervinding.

§ 83. Het zintuig van het gezicht is het oog, de oogbol, welke

ocr page 75

G3

gelegen is binnen de beenige oogliolte of oogkas (§ 27 h, fig. 10,10). Boven de oogholte vormt de huid eene afhangende plooi, het bovenst ooglid, en beneden de oogholte een dergelijke kleinere, het onderst ooglid, welke beiden aan hunne randen van ooghaartjes voorzien zijn en door daartoe geschikte spieren tot elkander gebracht en van elkander verwijderd, of, zooals men gewoonlijk zegt, gesloten en geopend kunnen worden. In de oogholte, naar de buitenzijde des hoofds, liggen nog de traanklieren, die het traanvocht afscheiden, hetwelk door de gedurige beweging der oogleden over de voorvlakte van den oogbol gevoerd wordt, welke voorvlakte bestendig vochtig blijven moet. Dat traanvocht geraakt eindelijk in den binnensten ooghoek, waar het opgenomen wordt in het traanzak]e en uit dit door de traanbuis in de neusholte komt. Bij het weenen is de afscheiding van het traanvocht vermeerderd ; de oogen worden daardoor vochtig ; er wordt ook door de traanbuizen fneer vocht in de neusholte gevoerd; en wanneer de hoeveelheid van het afgescheiden traanvocht zóó groot is, dat de traanbuizen het niet meer kunnen verzwelgen , dan loopt het over den rand van het onderste ooglid als tranen op de wangen neder.

Op het voorhoofd, even boven de oogleden, liggen de wenkbrauwen, wier nut door sommigen aangenomen wordt daarin te bestaan, dat zij het van het voorhoofd nederloopende zweet zijdelings afleiden, zoodat het niet in de oogen komt.

§ 84. De oogbol zelf is een bolvormig, van binnen hol orgaan, waarvan de wand uit verscheidene op elkander gelegene vliezen bestaat. Het buitenste vlies is wit, vrij vast en vezelachtig van weefsel, en heet het harde oogvlies {tunica sclerotica of wel sclerotica alleen.) Dit bolvormige vlies bezit aan de voorzijde een rond gat, dat echter weder gesloten is door een volkomen doorschijnend vlies, het hoornvlies (cornea) , dat een sterkere kromming of welving bezit dan het harde oogvlies. Het tweede vlies van den oogbol, welk tweede vlies het harde oogvlies van binnen bekleedt, is het vaat-of ader vlies (tunica choroidea), dat aan de achterzijde met zwarte kleurstof bedekt is. Dit wordt wederom overdekt door het zeer fijne, bijna doorschijnende netvlies (retina), het derde oogbolvlies. Door een gat achter in den oogbol, dat het harde oogvlies en het vaatvlies doorboort, treedt de dikke gezichtszenuw binnen den oogbol, en verspreidt dadelijk hare zenuwbuisjes in het netvlies.

Het netvlies is het eigenlijke gezichtsorgaan; maar de plek.

ocr page 76

64

waar de gezichtszenuw in het oog komt en die eenigszins verheven is, is voor het licht ongevoelig. De voor het licht allergevoeligste plaats van het netvlies ligt in 't midden van het netvlies, en is een klein ovaal, geel gekleurd groefje, (geele vlek). Ter plaatse, waar de rand van het doorschijnend hoornvlies verbonden is met den rand van het ronde gat in de voorvlakte van- het harde oogvlies, bevindt zich een middenschot, dat de ruimte, bevat in de holte van het hoornvlies, afscheidt van de veel grootere holte, die door het harde oogvlies, het vaatvlies en het netvlies omsloten wordt. Dat middenschot, hetwelk men regen-bootjvlies of iris heet, bezit in het midden een gat: de oogappel of pupil. De iris is dus eigenlijk een ring; de achterste oppervlakte van dien ring is zwart, de voorste, gelijk elk weet, grijs, blauw, groen, bruin of zwartbruin.

De holte van den oogbol achter de iris is opgevuld door het kogelvormige glasachtig lichaam, hetgeen bestaat uit een volkomen doorschijnend vliezig weefsel, dat met een waterhelder vocht gevuld is. Die kogel bezit van voren eene schotelvormige uitholling, waarin de kristal-lens sluit, een rond lensvormig lichaam, met een bolle voorvlakte en eene nog bollere achtervlakte, en almede volkomen doorschijnend. De ruimte tusschen de kristallens en het doorschijnend hoornvlies is gevuld met een waterachtig vocht.

In de nevensgaande figuur 45 duidt a het harde oogvlies aan; de stippellijn is van onderen bij vergissing doorgetrokken tot den donkeren ring b , welke het vaatvlies aanduidt. De gezichtszenuw is voorgesteld door c, het netvlies door d, het glasachtig lichaam door e. Een de kristallens omgevend vliesje wordt

aangeduid door ƒ, de kristallens zelve, in de uitholling van het glasachtig lichaam als ware het ingedrukt, door g. Eindelijk ziet men hier de iris hh, met de pupil i en van voren liet doorschijnend hoornvlies k.

ocr page 77

65

Wanneer men de oogen van een ander persoon — of zijne eigene oogen in een spiegel — beschouwt, dan ziet men vooreerst het zoogenaamde wit van het oog, hetgeen niets anders is dan het voorste gedeelte van het harde oogvlies. Het middelste, niet witte, is het gat van het harde oogvlies, gesloten door het doorschijnende hoornvlies, hetwelk vooral goed te zien is, wanneer men een oog op zijde (in profiel) beschouwt, waarbij dan duidelijk opgemerkt kan worden, dat het boller is dan het harde oogvlies. Door het doorschijnend hoornvlies heen ziet men voorts de grijs, blauw of bruin gekleurde iris, en het gat in het midden daarvan: de oogappel of pupil. Deze is steeds zwart en men zou dien bij eene oppervlakkige beschouwing niet voor eene opening houden. Wil men zich overigens van het inwendig samenstel des oogs door eigene aanschouwing een vrij goed denkbeeld vormen, dan neme men een kalfsoog, ontdoe dit voorzichtig van hot aan de achterste oppervlakte en rondom do gezichtszenuw opgehoopte vet, en snijde het dan zóó door, dat men het in eene voorste en achterste helft verdeelt. Dit kan met een groot en scherp pennemes zeer goed verricht worden.

Ter voltooiing van deze schets van het samenstel des oogbols voeg ik hier nog bij, dat het voorste gedeelte er van, dat gedeelte namelijk wat bij iederen mensch van buiten tusschen de oogleden zichtbaar is , nog overkleed is met een uiterst fijn, volkomen doorschijnend en daarom niet in 't oog vallend vliesje,het bindvlies. Dit bindvlies hangt samen met, of is een verlengsel van een dergelijk vlies, dat de binnenvlakte der oogleden, tot den behaarden rand toe, bekleedt.

Voorts is de gansche oogbol beweegbaar door onderscheidene kleine spiertjes, waarvan elk zich met zijn eene uiteinde aan den wand van de beenige oogkas, en met zijn andere aan het harde oogvlies vasthecht.

§ 85. Over het zien zal ik zeer kort zijn, daar het voornaamste wat hiertoe betrekking heeft, bij de leer van het licht behoort en aldaar behandeld wordt. Ter herinnering diene het volgende.

In fig. 46 ziet men een vergrooten omtrek van den oogbol. De verschillende vliezen enz. zijn daar niet afgebeeld, hetgeen ook niet noodig is en de voorstelling slechts venvarren zoude. Men ziet er den ronden omtrek des oogbols, in DccD het doorschijnend hoornvlies, in Djj^D de doorsnede der iris; de ruimte pp is de

5

ocr page 78

Gü

öögfippcl of pupil, en E E de lens. De kromme lijnen H en G komen hier niet in aanmerking.

Fig 4G.

A B is een buiten liet oog gelegen voorwerp. Van alle punten van dat voorwerp gaan lichtbundels uit, die uit divergeerende stralen bestaan. In de figuur zijn, om haar niet te verward te maken, alleen de lichtbundels geteekend, die van de beide uiteinden van AB in dc richting van het oog uitstralen, en elke dier lichtbundels is slechts aangeduid door twee buitenste en eene middelste lichtstraal. Do stralen nu, welke van het voorwerp op het hoornvlies vallen onder een hoek, die kleiner is dan 48°, gaan door dat hoornvlies heen en, daar het hoornvlies met het waterachtig vocht gevuld een bolle lens vormt, zoo worden zij gebroken, zoo dat zij minder divergeeren. Zoo kunnen van die stralen meer door de pupil gaan, dan anders het geval zou zijn. Door de pupil getreden , worden zij door dc lens E E nog sterker gebroken, en wel zoo, dat de lichtstralen, die van hetzelfde punt des voorwerps komen , zich achter in het oog wederom in een brandpunt vereenigen, welk brandpunt bij een welgevormd oog juist op het netvlies valt. Herinnert men zich het in de physica over de straalbreking door lenzen geleerde, dan moet het duidelijk zijn, dat de bundel lichtstralen, die van het punt A des voorwerps A B komt, zijn brandpunt op hot netvlies in a hebben moet, en dat daarentegen de van B komende straalbundel in h zijn brandpunt zal vormen. Even duidelijk zal het zijn, dat van alle punten, gelegen tusschen A en B, straalbundels zullen afkomen, die, door het hoornvlies en de lens gebroken, brandpunten zullen vormen tusschen a en b. Ieder dier brandpunten is een beeld van het overeenkomstige punt des voorwerps , a van A, h van B, en zoo vervolgens. Al die beelden vor-

ocr page 79

67

men natuurlijk tc samen ccn beeld van het geliede voorwerp A B, en derhalve wordt er van dat geheele voorwerp A B een omgekeerd en verkleind beeld op het netvlies geteekend.

Dat dit werkelijk het geval is, wordt bewezen in de eerste plaats door de leer van de straalbreking door verzamellenzen, toegepast op de geheele inrichting des oogs, en in de tweede plaats door een rechtstreeksehe proefneming. Men schilt aan een kalfsoog van achteren op een plek van een duim middellijn voorzichtig het harde oogvlies en het vaatvlies weg, zorgende, dat het netvlies ongeschonden blijft. Richt men dan het hoornvlies van dat oog naar een sterk verlicht voorwerp en ziet men van achteren door de afgeschilde plaats, dan ontwaart men op het netvlies een klein, omgekeerd beeld van dat voorwerp, en het wordt ons dan duidelijk, dat men met recht het optisch samenstel des oogs met dat van eene chambre obscure vergelijkt.

De op de zenuwbuisjes van het netvlies voortgebrachte indruk van het alzoo gevormde beeld wordt door de gezichtszenuw naaide hersenen en alzoo tot bewustzijn gebracht.

§ 86. Zoo er op het netvlies een omgekeerd beeld van het voorwerp gevormd wordt, waarom zien wij het desniettegenstaande recht? Omdat alle overige beelden, die gelijktijdig op het netvlies gevormd worden, evenzeer omgekeerde beelden zijn en de betrekkelijke plaatsing van allen onderling dus dezelfde blijft. Stel dat A B een toren was. Dat een toren omgekeerd stond, zouden wij daaraan bespeuren, als zijne spits A naar den grond en zijn voet B naar den hemel gekeerd was. Maar in de afbeelding op het netvlies zal het beeld van den hemel, van de wolken, beneden a staan, en de afbeelding van den grond, waarop de toren staat, boven b. De boomen, die misschien rondom den toren staan, zullen op het netvlies afgebeeld worden met hunne toppen wijzende naar den hemel beneden a, en met hun stam wortelende in den grond boven h. En zoo zal het met alles zijn. Al de beelden, die gelijktijdig op het netvlies vallen, behouden dus, met betrekking tot elkander, volkomen denzelfden stand, welken de voorwerpen zelve bezitten. — Wanneer men door eenig nadenken zoo ver gekomen is dat men deze verklaring wèl heeft begrepen, dan zal men moeten toestemmen dat zij volkomen natuurlijk en juist is, en dat de zwarigheid, welke zij oplost, van geen meer gewicht is dan die, welke onkundige menschen wel eens inbrengen tegen

ocr page 80

68

de leer van de bolronde gedaante der aarde en het bestaan van tegenvoeters, welke laatsten zoodanige lieden steeds venvarren met menschen, die met het hoofd naar beneden loopen.

§ 87. Het nut van het regenboogvlies of de iris bestaat voornamelijk en in de eerste plaats in het volgende. De iris bezit zeer fijne spiervezelen, die in tweeërlei riehting loopen. Sommige namelijk loopen kringsgewijs, andere loopen straalvormig van den buitensten, grooten omtrek der iris naar den binnensten, kleinen omtrek, die de rand der pupil is. Trekken de kringsgewijze spiervezelen zich samen, verkorten zij zich, dan is daarvan het gevolg dat het gat in de iris, de pupil, nauwer wordt. Verkorten zich daarentegen do straalsgewijze vezelen, dan wordt de pupil wijder. De kringsgewijze spiervezelen nu trekken zich te samen onder den invloed van het licht, en wel des te sterker, naarmate er meer licht in het oog valt. (Dit is een voorbeeld van een dier reflexie-bewegingen, waarvan ik vroeger sprak). Indien nu het licht zeer sterk is, en er alzoo meer licht in het oog valt dan tot goed zien noodig is, — hetgeen het netvlies en de oogzenuw te sterk prikkelen zou en nadeelige gevolgen zou kunnen hebben, — dan trekken zich dadelijk de kringswijze vezelen samen, de pupil wordt nauwer, en daardoor de toegang voor de overtollige lichtstralen tot bet binnenst van het oog afgesloten. Is daarentegen het licht slechts zwak, dan verslappen de kringswijze vezelen naar evenredigheid, en de straalsgewijze vezelen hebben nu vrij spel om zich samen te trekken, de iris zelve te versmallen, en daardoor de pupil te verwijden, ten gevolge waarvan dan eene grootere hoeveelheid licht in het oog wordt toegelaten. Dit geschiedt onophoudelijk ; bij elke verandering in de sterkte des lichts heeft er zulk eene verwijding of vernauwing der pupil plaats. Laat iemand eenige oogenblikken de oogen sluiten , en houd er ten overvloede — omdat de oogleden eenigzins doorschijnend zijn, — de hand voor; laat hem dan bij een goed verlicht venster de oogen openen; gij zult zien hoe de verwijde pupul zich plotseling samentrekt en kleiner wordt. — Wanneer men van eene helder verlichte plaats in een slechts schemerachtig verlicht vertrek komt, zal men eerst slechts weinig of niets onderscheiden. Immers door het heldere licht is de pupil vernauwd, en het licht, dat in de donkere kamer door die vernauwde pupil dringt, is tot duidelijk zien niet voldoende. Na eenige oogenblikken echter zal men beter beginnen te zien.

ocr page 81

69

omdat nu de pupil zich verruimen zal en daardoor in staat zal worden gesteld meer lichtstralen door te laten. — Wanneer men 's nacht op een weg of langs eene straat gaat, waar slechts even genoeg licht is om de naastbijgelegenc voorwerpen flauw tc onderscheiden, en men vestigt dan zijne oogen op een helder licht, dat op een afstand brandt, dan zal men daardoor zoo verblind worden, dat men om zich heen geheel niets meer ziet, hetgeen niet zelden tot ongelukken aanleiding geeft. Eerst waren de pupillen genoog verwijd om al de lichtstralen, hoe weinig ook, die van do omringende voorwerpen afkwamen, door te laten, cn men kon dus nog zien; het licht, van de lantaarn b.v, deed echter de pupillen zich vernauwen, waarvan het gevolg was, dat er veel te weinig lichtstralen konden worden toegelaten om zelfs flauw te zien.

§ 88. Thans moeten wij de tweede klasse der dierlijke verrichtingen, de beweging, beschouwen. Er ontstaan in het menschelijk lichaam bewegingen, wier oorzaak geheelenal uit bekende physische wetten verklaard moet worden; zoo b. v. de beweging van vochten door endosmose, de samentrekking van alvorens uitgezette doelen ten gevolge hunner elasticiteit, en wat dies meer zij. Doch van verreweg de meeste onwillekeurige bewegingen, en van allo willekeurige, zijn de spieren de werktuigen. Spieren zijn hetgeen wij in het dagelijksch leven vlecsch noemen. Het zijn deelen van een vezelachtigen bouw, rood van kleur, die gedurende het leven de eigenschap bezitten om zich samen te kunnen trekken en daardoor korter te worden. Hare gedaante is verschillend; de meesten zijn langwerpig, zooals b.v. de spieren van den arm in flg. 4. Deze spieren zijn, gelijk men ziet, langwerpige, in het midden dikkere, naar de beide einden dunner wordende vleeschmassa's. Er zijn er echter ook, die aan het eene einde breed, aan het andere smal, en andere, die overal breed en tevens plat zijn, gelijk b.v. de breede en groote spieren, die de wanden van den buik uitmaken. Eindelijk zijn er ook, die men spicrvliezen noemt, omdat zij geheel den vorm en de uitgebreidheid van vliezen bezitten, zooals b.v. het spiervlies, dat het spijskanaal in zijne geheele uitgestrektheid (slokdarm, maag, darmen) omgeeft en bekleedt. — De grootte der spieren is almede zeer verschillend.

Men onderscheidt overigens de spieren in twee klassen. Tot de eerste behooren de eigenlijke spieren, die tot de willekeurige beweging dienen, — tot de tweede diegene, welker samentrekking

ocr page 82

70

niet van den wil afhangt, zooals hot hart, de genoemde spior-vliezen, dc vezelen van de iris enz.

§ 89. Aan de spieren der willekeurige beweging, tot welke wij ons nu in de eerste plaats bepalen, onderscheidt men, welken vorm zij overigens mogen bezitten, drie deelen: twee einden en een middengedeelte. Het laatste is hetgeen men bij de langwerpige spieren den spierbuiJc noemt. De beide uiteinden loopen in den regel uit in pezen. Deze zijn veel harder en vaster dan liet spiervleeseh, niet samentrekbaar, en wit van kleur. In fig. 4 ziet men deze pezen aan verscheidene der daar afgebeelde spieren, vooral duidelijk aan de spier 8 (de gemeenschappelijke uitstrekspicr der vier vingers). Door middel dezer pezen is elke spier stevig vastgehecht aan twee verschillende punten van het geraamte, — sommige kleine spieren, b.v. de aangezichtsspieren, met het eene eind aan de huid. Zie verder § 92. Het overige der spier is door bindweefsel vrij los met de naastliggende spieren en andere deelen verbonden.

Ten aanzien van hot fijnere, inwendige samenstel der spieren merk ik hier slechts aan: 1°. dat elke spier bestaat uit een groot aantal fijne bundels van nog veel fijnere spiervezelen; 2° dat do spieren vele bloedvaten bezitten; 3°. dat er ook vele zenuwen in eindigen, wel te verstaan vele bewecgzenuwcn (§ 69). De gevoeligheid der spieren is overigens niet groot, en de pezen zijn nog veel ongevoeliger dan het spiervleeseh.

§ 90. Elke levende spier bezit het vermogen zich samen te trekken, d. i. korter (en tevens dikker en harder) te worden. Zulk eene samentrekking en verkorting ontstaat in eene spier, wanneer de beweegzenuw , die zich van de hersenen naar de spier begeeft en zich in haar vertakt, door den wil wordt aangedaan. De indruk, de prikkel van dien wil wordt, uit de hersenen, door de zenuw op de vezelen der spier overgebracht — en het gevolg is: samentrekking en dus verkorting der spier. Die invloed van den wil is de regelmatige, natuurlijke oorzaak der spiersamentrekking. Maaier zijn ook andere oorzaken, andere prikkels, die in staat zijn zulk eene samentrekking in eene spier te weeg te brengen. Indien men eene bloot liggende beweegzenuw (bij een levend of een jxis gestorven voorwerp) met een tangetje knijpt, of met een naald steekt, of er een druppel scherp zuur op laat vallen, of er een elektrischen stroom door laat gaan, dan zal de spier, welke met die zenuw in verband staat, zich samentrekken, buiten den wil

ocr page 83

71

om. Ja het is niet eens noodig de zenuw te prikkelen ; prikkelt men op eene der genoemde wijzen de spier zelve , dan zal er ook samentrekking volgen, doordien ook dan de fijne zenuwdraadjes in de zelfstandigheid der spier zelve worden geprikkeld.

§91. De spieren zitten door middel harer pezen vastgehecht aan het geraamte. (Zie echter § 92) Steeds ligt tusschen de beide aanheeh-

tingspunten (die men als punt van oorsprong en punt van inplanting gewoon is te onderscheiden) een gewricht, — met andere woorden: elke spier is vastgehecht aan twee (of meer) verschillende heenderen , die door een gewricht met elkander verhonden zijn. Wat moet er nu gebeuren, wanneer zulk een spier zich samentrekt en derhalve korter wordt? Vestigen wij liet oog op nevenstaande figuur 47 , voorstellende twee stukken hout, (twee beenderen) a on h, die door een scharnier (een gewricht) d met elkander vereenigd, en tevens door een touw f c g (waarvan ef eene spier voorstelt,) met elkander verbonden zijn. Wanneer dat touw ef korter wordt, doordien men er in g aan trekt, dan zal van die verkorting het noodzakelijk gevolg zijn, dat de beide aanhechtingspunten van het touw, e en ƒ, en dus de beide houten, waaraan het gehecht is, tot elkander naderen. Staat het eene stuk hout, a b.v., vaster op zijne plaats dan b, of wordt a vastgehouden en b niet, dan zal h alleen tot a naderen.

In fig. 48 zien wij volkomen hetzelfde, doch de beide stukken hout, die twee door een gewricht verbonden beenderen moeten voorstellen, zijn hier voorgesteld in volkomen uitgestrektm toestand, dat is zóó, dat het hout a (dat wij het opperavmheen , fig. 4 fc, zullen noemen) ligt in de verlenging van het hout h, voorstellende den onderarm, fig. 4 m n. Wij zien hier weder eene koord ƒ li e. g, loopende over de katrol e. Die koord moet verbeelden, voor zoo ver het gedeelte f h e aangaat, de binnenste armspier, een der buigspieren van den voorarm. Men begrijpt, dat die buigspierzelve aan de beenderen in ƒ en c vast zit, en dat het gedeelte der koord cg met de katrol c hier slechts bijgeteekend is, evenals in fig. 47,

ocr page 84

72

om door daaraan te trekken de verkorting der eigenlijke, tusschcn c en ƒ gclegeno spier te vervangen. Wordt nu aan rj getrokken , of, zoo de koord ƒ c in e vast zat, krimpt ƒ e in, dan zal ook liier het hout b (de onderarm) naderen tot den bovenarm a, en de arm zal in hot elleboogsgewricht d gebogen worden.

Fiquot;. 48, Vestigen wij nu nog eens het oog op fig. 47 ,

dan loopt het in het oog, dat de koord (of |-y' spier) in ƒ niet zoo gunstig voor eene gemakke

lijke beweging aan het hout b gehecht is, dan plaats zou hebben, indien zij verder van het gewricht d af, b.v. in ƒ* vast zat. Vooral dan zal natuurlijk die aanhechting in ƒ ongunstig zijn, zoo het vrije uiteinde van het hout d nog met een last c bezwaard is. Intusschen zijn zeer vele, ja de meeste spieren in het lichaam op die wijze — die vooral voor krachtsuitoefening zeer ongunstig is , — vastgehecht, en wel om redenen , die wij hier kortheidshalve niet zullen bespreken. Doch hierop maak ik opmerkzaam, dat men bij sommige gewrichten inrichtingen aantreft, waardoor hieraan eenigzins te gemoet wordt gekomen. Zie nu weder naar fig. 48. Gij ziet daar aan het onderste uiteinde van het hout a eene verhevenheid li, waarover de koord cf heen loopt, en ik geloof dat de bloote beschouwing der figuur u zal doen opmerken, dat nu, wegens het schuins van li naar ƒ loopen der koord, de beweging, dat is het buigen dor beide houten in het scharnier, vrij wat gemakkelijker gaan zal, dan wanneer de verhevenheid h niet aanwezig was, en dc koord cf dus plat op do houten lag. De meeste gewriehtsuit-einden der beenderen nu zijn dik, dikker dan de middenstukken dier beenderen; die verdikkingen aan dc gewrichten doen eenigcr-mate den dienst der verhevenheid /(. De knieschijf, en het sterk uitpuilende elleboogs-uitsteeksel bewijzen denzelfden dienst aan de uitstrekkende spieren van het been en van den arm.

§ 92. Dit is een der eenvoudigste voorbeelden van de uitwerkselen van de samentrekking eener spier. In het algemeen is dit uitwerksel: beweging van een deel van het geraamte. De aard dezer beweging zal natuurlijk verschillen naar gelang van dc verschillende beenderen, waaraan de spieren gchccht zijn, van de wijze.

ocr page 85

73

waarop zij daaraan gehecht zijn, van de houding, welke het te bewegen heen bezit op het oogenblik dat dc spier zich samentrekt , en van dc omstandigheid of het het eene dan wel het andere der beide beenderen is, dat op het oogenblik der spiersamentrek-king vast staat of bewegelijk is.

Het geraamte nu is, gelijk wij weten (§ 27), de grondslag des li-chaams. Wordt een doel van het geraamte bewogen, dan wordt ook het geheele lichaamsdeel bewogen, waarvan dit deel van het geraamte de vaste grondslag is. De spieren en dc beenderen zijn daardoor de werktuigen der willekeurige beweging, en wel de spieren do werkende (actieve), de beenderen de lijdende (passieve) ; do spieren toch brengen door hare samentrekking de beenderen in beweging; de beenderen daarentegen worden in beweging gebracht,en doen daaraan zelven niets.

Er zijn, opdat ik dit hier met een enkel woord doe opmerken, eenige spieren voor de willekeurige, beweging, die slechts met het eene einde aan een been, en met het andere aan ccn zacht deel gehecht zijn. Zoodanige zijn b.v. de spieren der tong, de spieren van den oogbol. Bij deze en dergelijke spieren is het vaste punt steeds dat, waar dc spier aan liet been gehecht is. Zeer enkele, zooals do kringspier van den mond, zitten geheel niet aan beenderen vast.

§ 93. De spieren der onwillekeurige beweging zijn het hart, de kringswijze spicrvczelen in de wanden der bloedvaten cn in de wanden van de uitloozingsbuizen der klieren, in den wand van dc luchtpijp en van de luchtpijptakken, voorts dc spiervezelen der pisblaas cn de spierrok van het geheele spijsverteringskanaal , de spiervezelen van de iris enz.

De samentrekking van deze spieren geschiedt buiten den invloed van den wil, maar niet buiten den invloed van zenuwen. De zenuwen dier spieren en spiervliezen toch vormen een wel met het ruggemerg en de hersenen samenhangend, maar toch tot zekere hoogte op zichzelf staand zenuwstelsel: het vegetatief-voedings-zenuwstclsel, bij den menseh cn dc hoogere dieren de groote medelijdende zenuw (nervus sympathicus) genaamd. Het is een dubbele, ter weerszijde van de wervellichamen van het hoofd af naar beneden in de buikholte loopende zenuwstreng, waaraan zich van afstand tot afstand 24 of 25 zenuwknoopen (yanglia) vertoonen. Uit deze knoopen ontspringen ze-nuwtakken, die met elkaar vlechten vormen, waaruit weder zenuwen ontstaan, die zich met takken van het hersen-ruggemergstelsel verbinden of den loop der vaatvertakkingen volgen en zich zoo in de verschil-

ocr page 86

74

lende lichaamsdcelen verspreiden. Maar niet alleen gaan er takken naar het hersen-rnggemergstelsel, — het vegetatief zenuwstelsel ontvangt ook takken van dit laatste. — Onder de heerschappij van dit zenuwstelsel staan al die verrichtingen en bewegingen, die buiten den wil om plaats hebben, dus bepaaldelijk de vegetatieve of organische verrichtingen, — voor zoover niet de wil daarop invloed heeft, b. v. bij het kauwen en slikken. De centraal-organen van dat stelsel zijn de zenuwknoopen van den nervus sympathicus. Vergelijk hier § 64. — Nog bij de Gelede dieren bestaat allerwaarschijnlijkst een afzonderlijk vegetatief zenuwstelsel; — bij de lagere dieren smelt het met het dierlijke of hersen-ruggemergzenuwstelscl ineen , en drukt zijn stempel des te meer op het gezamenlijke zenuwstelsel , als het dier lager staat op de ladder der bewerktuiging.

De wijze, waarop ten gevolge van prikkeling van een der genoemde deelen (van het hart door het bloed, van het spijsverteringskanaal door het voedsel enz.) samentrekking van de spiervezelen dierzelfde deelen tot stand komt, kan het best vergeleken worden met het ontstaan der insgelijks onwillekeurige rcflexie-bewegingen in de willekeurige spieren, waarvan ik § 72, melding maakte. Men stelle het zich zóó voor, dat de indrukken, die een sympathische gevoelszenuw ontvangt, door deze naar een zenuwknoop worden geleid, en zich daar reflecteren op een sympathische beweeg-zenuw, die haren wortel in hetzelfde ganglion heeft. — Do uitwerking der alzoo ontstane spiersamentrekkingen is voortstuwing van de stoffen , die in het door de spiervezelen omgeven deel zich bevinden.

Iets eigenaardigs is het overigens bij deze onwillekeurige spierbewegingen, dat zij meest altijd bestaan in min of meer geregeld en voortdurend afwisselende samentrekkingen en verslappingen.

§ 94. Ons bestek laat niet toe dat wij , thans tot de willekeurige bewegingen terug keerende, hier de beweging der verschillende deelen des lichaams elk in het bijzonder beschouwen. Vooral de plaatsbeweging (het cjaan, loopen, springen enz.) zoude in het tegenovergesteld geval onze aandacht moeten bezig houden. Ik zal mij dus bepalen tot nog een kort woord over de stem en de spraak.

Het werktuig, dat tot voortbrenging der stem dient, is het strottenhoofd. Het ligt (fig. 16 a, 24 e) boven en vóór aan den hals, en maakt hot bovenste gedeelte der luchtpijp uit. In fig. 24 is ƒ de schildklier, die het strottenhoofd van voren gedeeltelijk bedekt, doch waarmede wij thans niet te maken hebben.

ocr page 87

75

Fig. 40. Fig. 40 geeft oene grootere afbeelding

van het strottenhoofd, aan de linkerzijde gezien. Het is een breede en korte buis, van boven vastgehecht aan het tongbeen hl, dat van voren weder aan den tong vastzit1. De wanden dier buis bestaan uit het sehildvormig kraakbeen t en het ringvormig kraakbeen c, aan welk laatste zich de eerste ringen van de luchtpijp tr aansluiten. De andere afbeelding is eene over-langsche doorsnede van het strottenhoofd, waarvan hier dus de rechterhelft van binnen zichtbaar is. De doorsnede van het tongbeen is daar door li, het halve sehildvormig kraakbeen door t, en Fig. 50. het halve ringvormige door o aange

wezen. Op den hoogeren en broederen achterkant van het laatstgenoemde kraakbeen zitten de kleine bekervormige kraakbeenderen ar. Het door c aangewezen deel is de rechterhelft van een kraakbeenige klep , • die haar vast punt heeft vóór aan het strottenhoofd, dus onder Ji, en naar achteren neergedrukt kan worden. Onder deze klep, de strotklep, vormt het slijmvlies, dat het strottenhoofd bekleedt, ter weerszijde twee plooien, die van voren naar achteren tot v loopen en in de figuur duidelijk genoeg zichtbaar zijn.

Deze plooien zijn het, die voor ons van het meeste gewicht zijn. In de figuur zijn de bovenste en benedenste plooi dor rechterzijde van het strottenhoofd zichtbaar, en het spreekt van zelf dat naast ieder dier plooien eene bovenste en benedenste dor linkerzijde komt te liggen, wanneer men de linkerhelft dos strottenhoofds, die hier weggenomen is, weder in gedachten aan de in de figuur zichtbare rechterhelft voegt. — Do beide benedenste plooien nu, tusschen

1

Fig. 50 levert oene afbeelding van het tonyheen, liet eenige heen dat niet tot het geraamte behoort (§ 27). Hot wordt hier voorgesteld van voren gezien; a is liet middenstuk of lichaam, in fig. 40 door h aangeduid ; h zijn de zoogenaamde r/roote hoornen, die achterwaarts uitsteken en in tig. 40 zonder aanwijzende letter genoegzaam zichtbaar zijn, c zijn de kleine hoornen (fig. 49 l).

ocr page 88

76

welke eene nauwe spleet open blijft, heeten de stembanden of ste.rn-spleethanden, ook wol ware stembanden, in tegenoverstellhig van de bovenste plooien, die men ook wel onware stembanden heet.

§ 95. Wanneer men zich herinnert hetgeen de physica leert aangaande het geluid, voortgebracht door de trilling van veerkrachtige vliezen en wel bepaaldelijk door zoogenaamde tongwerken, dan zal het niet moeielijk zijn zich oen denkbeeld te vormen van de wijze, waarop de menschelijke stem wordt voortgebracht. Het strottenhoofd is een tongwerk; de ware stembanden zijn de tongen (anche.s); de lucht wordt uit de longen door de luchtpijp en het strottenhoofd tot in de keelholte gedreven en brengt, wanneer do stembanden door zekere daartoe dienende spiertjes behoorlijk gespannen zijn, de randen dier banden in trilling, waardoor dan een toon ontstaat. Even als bij gespannen snaren zal hier de toon des te hooger zijn, naarmate de stembanden sterker zijn gespannen; des te lager daarentegen, naarmate dit laatste minder het geval is. Vandaar het verschil der toonen, die de menschelijke stem voortbrengt. Bij gelijken graad van spanning zullen korte stembanden een hoogeren, langere een dieperen toon geven; vandaar dat dc stem bij de vrouw en bij het kind — bij welke de stembanden korter zijn, — hooger is dan bij den man, wiens stembanden grootere lengte bezitten.

De stembanden zijn echter slechts in staat een hooger of lager geluid — toonen — voort te brengen. Door dat geluid met zekere kracht en met een bepaalden klank (timbre) voort te brengen, ontstaat de stem; maar die stem wordt dan eerst spraak, wanneer zij een bepaalden vorm verkrijgt, wanneer zij gearticuleerd wordt, — wanneer in de eerste plaats de eenvoudige geluiden, door de stembanden voortgebracht, door verruiming of vernauwing der keel- en mondholte tot bepaalde klinkers {vocalen) gewijzigd, en in de tweede plaats die klinkers weder op nieuw gewijzigd worden door zekere bewegingen der lippen en der tong, door het bij elkander brengen der tanden enz. , ten gevolge waarvan de medeklinkers (consonanten) ontstaan.

§ 96. De vraag: „wat geleiden de zenuwen en hoe geleiden zij?quot;— kunnen wij hier niet bespreken. Voor zoo ver hier van dierlijke elektriciteit spraak is, moet ik naar de behandeling van deze in de physica verwijzen. Ook het daarmede samenhangend vraagstuk van dc verrichtingen der hersenen en hare afzonderlijke doelen zal ik slechts even aanroeren. Men is het daarover eens,

ocr page 89

77

dat de grooto hersenen even noodig zijn tot denken als b. v. het harde hoornvlies, do lens, het glasachtig vocht tot zien, — terwijl vooral het middenste gedeelte der hersenen en het verlengde merg tot het willen in betrekking staan, en wel zóó, dat het rechtergedeelte dor hersenen de linkerhelft des lichaams beheerscht, en omgekeerd. In het verlengde merg ligt ook het middenpunt der ademhalhujsheweyingen. Van de verrichtingen der kleine hersenen kan men met zekerheid weinig zeggen, ofschoon do regeling der lichaamsbewegingen aan dit orgaan opgedragen schijnt. Het ruggemerg, — behalve dat het als een zenuwstam kan aangemerkt worden, die de zenuwen voor den romp bevat, — is de voorname bron der reflexie-bewregingen (§ 72) en van die onwillekeurige bewegingen, die, hoewel eerst onder den invloed van den wil aangevangen, daarna buiten dien invloed om worden voortgezet, van welke bewegingen o. a. het gaan een voorbeeld oplevert.

§ 97. Elke aandoening of inspanning van de werktuigen des dierlijken levens (zintuigen en spieren) brengt op don langen duur vermoeiing, onvatbaarheid om aangedaan te worden, en onvermogen om te werken, voort. Door het niet verder gebruiken der zintuigen en der spieren, met andere woorden, door aan die organen rust. te verleenen , wordt hunne afmatting weder opgeheven en zij tot verdere verrichtingen weder in staat gesteld.

Ook de hersenen worden vermoeid en hehben behoefte aan rust. Zij worden vermoeid door het gestadig ontvangen van indrukken langs den weg der zintuigelijke zenuwen (gewaarwordingszenuwen), door het overbrengen van wilsindrukken op de bewregings-zenuwen, en eindelijk door denken. De rust der hersenen — die tevens de meest volkomene rust der zintuigen en der spieren is, — is de slaap.

Gedurende een volkomen , vasten slaap zijn de verrichtingen der hersenen: gewaarworden, denken en willen, — opgeheven onrusten de zintuigen en willekeurige spieren, in zoo ver de gevoeligheid der eerste zeer verminderd is, en de laatste zich althans niet meer willekeurig bewegen. De organische of vegatieve verrichtingen: spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, voeding, opslorping , afscheiding, gaan gedurende den slaap baren gang. De voeding schijnt zelfs gedurende den slaap krachtiger te zijn dan gedurende het waken, terwijl daarentegen de overige der opgenoemde verrichtingen eenigzins vertraagd worden.

Bij het slapen zijn de hersenen echter zelden in een staat van

ocr page 90

78

volkomaie werkeloosheid; daarvan het droomcn. Droomen zijn gewrochten onzer verbeeldingskracht, die ook gedurende den wakendon toestand kunnen ontstaan, doch dan dadelijk door ons erkend worden voor wat zij zijn en door ons worden onderdrukt. Doch in den slaap, waar ons vermogen om te oordeelen ons begeeft, heeft de verbeelding niet alleen vrij spel, maar do voorstellingen, die zij ons voortoovert, komen ons dan als werkelijk bestaande voor en verbinden zich vaak op de meest zonderlinge en ongeregelde wijze met elkander.

§ 98. Wij hadden bij onze ontleedkundige en physiologische beschouwing tot dusver het oog meer bepaaldelijk gevestigd op den mensch. Wij moeten echter hier nog 't een en ander bijvoegen dat van meer algemeenen aard is.

De organische of vegatieve en de dierlijke verrichtingen dienen, gelijk wij reeds bij den aanvang zagen, tot instandhouding van elk dier op zich zelf, tot instandhouding van het individu. Eene andere reeks van verrichtingen, do voorlplanlinysverricliinu/en, dient bij de dieren (en de planten) tot instandhouding der soort. Een paar hiertoe betrekkelijke punten mag ik niet met stilzwijgen voorbijgaan.

§ 99. Tot de wezenlijke eigenschappen van dieren en planten behoort deze: dat elk individu uit ouders, dat is, uit gelijksoortige , reeds vóór hem bestaande individuen, ontstaat. Maar is dit waar, cn ontstaan er geene levende wezens op andere wijze? Van ouds dacht men dat uit de verrotting van zekere stoften levende wezens konden geboren worden. Later geloofde men niet meer daaraan, althans zulk een ontstaan zonder ouders , zulk een van zelf ontstaan (generatio spontanea, autogenesis) werd door de natuurkenners niet meer aangenomen. Doch in nog lateren tijd keerden sommigen weder tot het oude gevoelen terug, en men meende, dat nit scheikundige omzetting cn verbinding van zekere stoften, onder den invloed van lucht, vocht en warmte, planten en dieren konden ontstaan, — maar toch altijd slechts de allereenvoudigste planten en dieren, zoo als schimmels cn infusiediertjes. Bewijzen hiervoor zijn echter nog nimmer geleverd, en de stelling: „dat al wat leeft uit ouders ontstaan isquot;, kan beschouwd worden als tot dusver door niets op afdoende wijze wederlegd te zijn.

§ 100. Dat sommige dieren (de zoogdieren) levende jongen voort-

ocr page 91

79

brengen, dat de overigen (vogelen, kruipende dieren, visschen, insekten, wormen, enz. enz.) over 't geheel eicrleggende dieren zijn, is bekend, en ik behoef daarover niet uit te weiden. Hierbij moet worden opgemerkt, dat bij de levendbarende en de eierlcg-gende dieren de samenwerking van tweeërlei voortplantings-organen, mannelijke en vrouwelijke, noodig is. Deze nu zijn bij do boogere diersoorten verdeeld over verschillende individuen van dezelfde soort, mannelijke en vrouwelijke. Bij andere dieren daarentegen zijn beiderlei organen in elk individu der soort vereenigd; van die dieren bestaan dus geen mannelijke en vrouwelijke; zij zijn he.r-inaphroditisch, gelijk men bet noemt.

Bij een overgroot aantal lagere dieren bestaan echter nog twee andere wijzen van vermenigvuldiging, die wij nog kortelijk moeten aanduiden.

De eerste is de voortplanting door knopvorming. Op een dier ontstaat een uitwas, een knop, die in grootte toeneemt en vervolgens óf van het moederdier los wordt en dan als zelfstandig dier blijft voortleven, óf voor altijd aan het moederdier gehecht blijft. In het laatste geval ontstaan samengestelde, gegroepeerde dierenkoloniën, waarvan o. a. de zoogenaamde polypenstokken, die uit honderde aan elkaar vastzittende diertjes bestaan, een voorbeeld zijn.

De tweede wijze van vermenigvuldiging is do voortplanting door verdeeling of splitsing, waarbij een dier (moederdier) zich splitst in twee helften, die dan dieren zijn of worden gelijk aan het moederdier, en zich weldra ieder ook in twee helften verdeelen, welke op hare beurt zich weder splitsen, enz. Daar bij vele zulke dieren de door de splitsing ontstane individuen vaak uiterst spoedig, binnen weinige minuten, hunne normale grootte bereiken en zich dan op hunne beurt verdeelen, zoo is de ongeloofelijke vermenigvuldiging van zoodanige dieren binnen weinig uren gemakkelijk te begrijpen.

§ 101. Ofschoon elk dier uit ouders ontstaat, volgt daaruit nog niet dat elk dier gelijkt op het dier of de dieren waaruit het ont-sproten is. Bij verschillende lagere dieren toch is dit geheel niet het geval, — bij die dieren namelijk, bij welke men eene afwisselende voortplanting, wisselgehoorte of teeltwisseling fgencratio alter nans, metagenesis) waarneemt. Bij die dieren zien de jongen, niet alleen zoolang zij jong zijn, maar gedurende hun gansche leven er geheel anders uit dan het moederdier, — en wel zóó, dat b. v. het eerste geslacht dezelfde gedaante bezit als het derde , het tweede

ocr page 92

80

als het vierde, en zoo bij afwisseling. Stel b. v. dat een zeekwal een polypachtig dier, deze laatste weder een zeekwal, deze tweede zeekwal weer een polypachtig dier, en zoo vervolgens voortbrengen, dan zal men zich van deze wissclgeboortc een denkbeeld kunnen vormen. Wij zullen daarvan later onderscheiden voorbeelden ontmoeten.

Andere lagere dieren ondergaan gedaanteverwisselingen fmetamor-phosenj, dat is, het pas geboren dier gelijkt óók niet op de ouders, maar wordt toch gedurende den loop zijns levens zelf aan deze gelijk , ten gevolge van ecne verandering, die het op zeker tijdstip van dat leven ondergaat. Als voorbeeld voer ik aan de vlinders. Uit een door een vlinder gelegd eitje komt geen vlinder, maar eene rups voort; deze verandert in een pop, waaruit dan eindelijk het dier als vlinder te voorschijn komt. De staat, waarin zich in deze en dergelijke gevallen het uit het ei gekomen dier bevindt, noemt men masker flarvaj.

§ 102. Meest alle dieren zijn onmiddelijk na hunne geboorte, wanneer zij een zelfstandig leven beginnen te leiden, aanmerkelijk kleiner dan de ouders; zij moeten derhalve groeien, grooter worden. De dieven , die eene volkomene gedaanteverwisseling ondergaan (wat eene volkomene gedaantewisseling is , zullen wij later zien) groeien wel in den staat van masker, maar niet meer in dien van volkomen ontwikkeld dier. Ecne rups, eene made groeit, — een vlinder, een vlieg niet. Nadat het dier zijne volkomene ontwikkeling bereikt heeft, blijft het op dien trap een tijd lang staan, doch dan treedt hij allen een tijdperk van verval, van veroudering in, gedurende hetwelk de verrichtingen des lichaams in kracht afnemen, tot dat zij eindelijk niet langer in staat zijn dat lichaam in stand te houden. Het gevolg daarvan is de dood; het dier sterft. De levensduur is overigens bij de dieren zeer verschillend, bij eenigen van slechts enkele uren, b.v. bij het haft {Ephemera), bij anderen van een groot aantal jaren, en is in den regel evenredig aan den tijd, dien het dier tot zijne volkomene ontwikkeling noodig heeft.

Na den dood worden de organische bestanddeelen des dierlijken lichaams onder den invloed van de zuurstof der lucht geoxy-deerd, d. i. langzaam verbrand. De eind-uitkomst van die oxydatie is , dat die bestanddeelen zich ten slotte oplossen in koolzuurgas, koolwaterstofgas, water en ammonia, waarbij dan de niet-orga-nische bestanddeelen, — zouten, zooals de phosphorzure en kool-

ocr page 93

81

zure kalk der beenderen,—overblijven. Heeft die oplossing nu rechtstreeks plaats, dan noemt men liaar ontbinding. Doch in verreweg de meeste gevallen schrijdt de oxydatie daarvoor te langzaam voort, en wol des te langzamer, naarmate het lijk meer aan de inwerking der zuurstof is onttrokken, b.v. bij begraving in de aarde. In dat geval vormen zich, vóór het tot de oplossing in koolzuurgas enz. komt , tusschenproducten der oxydatie, onvolkomen geoxydeerde stoffen, die gedeeltelijk vergiftig zijn en stank verspreiden. Deze oplossing noemt men rotting, en de bedoelde tusschenproducten worden dan ook rottingsproducten genoemd.

Doch bij lange na niet alle dieren- en menschenlijken ondergaan ten volle dat ontbinding- of rottingsproces.

Immers een overgroot aantal dieren uit alle afdeelingeu des dierenrijks voeden zich met doode organische stoffen, met lijken, en zelfs met de uitwerpselen van levende dieren, ook al zijn die stoffen in de aarde begraven. Die dieren worden daarom dan ook met recht tot de nuttigste dieren gerekend.

Wat meer in 't bijzonder den mensch betreft, zoo merkt men in het tijdperk- der eerste kindsheid, dat zich van de geboorte tot het zevende jaar uitstrekt, eene zekere onevenredigheid in den bouw des lichaams op, die vooral in een sterk overwicht van 't hoofd boven de ledematen bestaat. Het uitbotten der tanden begint met de 7e maand, en weldra bezit het kind een gebit van dezen aard (vgl. § 29):

{k k) h s s s s h (k k)

(k k) h s s s s h (k k)

Met het zevende jaar begint de tandwisseling, waarbij de eerste tanden (melktanden) alle door nieuwe worden vervangen en er maaltanden bij komen; de achterste (wijsheidskiezen) vertoonen zich eerst omstreeks het 20ste jaar of nog later. Dit tijdperk noemt men de tweede kindsheid \ het strekt zich tot bet 15lt;le of 17lt;lu jaar uit, wanneer dat der jongelingschap begint, dat tot het 21s,l! 22st0 of 23s,e jaar duurt, om dan in dat van den mannelijkc.n leeftijd over te gaan. Met het begin van dit tijdperk houdt de groei in de lengte op: aide uitsteeksels der lange beenderen, tot dusver door kraakbeen met die beenderen verbonden, zijn er nu aan vast gegroeid. De mannelijke leeftijd wordt met het 50ste jaar door den

G

ocr page 94

82

eeislen ouderdom gevolgd, die zich gemiddeld tot het zeventigste levensjaar uitstrekt, waarop dan de teerfe of/«wye o«(fcrlt;to» volgt.

Naar den regel, dat een zoogdier in normalen toestand 5 maal het voor zijn volkomenen groei benoodigde tijdperk doorleeft, is des mensehen normale levensduur 5 X 20 = 100 jaren.

HOOFDSTUK IV.

RANGSCHIKKING EN BENAMING DER DIEREN.

§ 103. De levende voorwerpen, die wij door onze zintuigen waarnemen , zijn individuen. Met andere woorden en om al dadelijk een voorbeeld te geven: wij nemen niet waar den menseh in het algemeen, het menschdom, maar deze en die, zich op deze en gene wijze noemende, menschen, — niet liet algemeen begrip van hond, maar bepaaldelijk deze en die honden. — Maar wij merken tevens onder de individuen, die wij waarnemen, zekere punten van overeenkomst en van verschil op. Zien wij nu, dat zeker aantal individuen in de voornaamste eigenschappen zóó met elkander overeenkomt, dat men des noods het eene individu voor het andere zou kunnen in de plaats stellen, dan vereenigen wij in onze gedachten die individuen tot ééne groep, en geven aan die groep een naam. Zoo ontstond uit de overeenkomst, die men tusschen zich en een aantal met zich zclven overeenkomstige wezens vond, het algemeene begrip menseh, — uit de overeenkomst, die men tusschen een aantal van zekere viervoetige dieren ontwaarde, het algemeene begrip van hond, enz.

§ 104. Met dit algemeene begrip, dat uit de verzameling van individuen tot ééne groep ontstaat, komt het begrip soort der natuurkenners in de hoofdzaak overeen. Doch dit begrip dient tot wetenschappelijke doeleinden eenigzins nauwkeuriger omschreven te worden. Het begrip van diersoort is dan ook op onderscheidene wijzen opgevat en bepaald. Eene in de meeste gevallen volkomen voldoende bepaling is deze : eene diersoort is een groep van dieren, die sob met elkander overeenkomen, dat zij geacht zouden kunnen worden allen van dezelfde ouders af te stammen.

Dit eenvoudige begrip van diersoort is echter in ettelijke geval-

ocr page 95

83

len niet voldoende. Gelijken oen poedel en een hazewindhond zoo op elkander, dat iemand , die vroeger nooit znlke honden had gezien, op de gedachte zou raken dat zij gerekend kunnen worden van dezefde ouders afkomstig te zijn? Grelijken daarentegen de wolf en de jakhals niet zeer sterk op sommige rassen van honden, veel meer dan deze honden zelve op andere hondenrassen gelijken? Moeten dan de wolf en de jakhals eigenlijk als wilde honden beschouwd worden, of de honden als tamme wolven en jakhalzen?

§ 105. Eene andere bepaling van het begrip van diersoort is deze: dieren, die in den natuurstaat met elkander paren en jongen voortbrengen, ivelke en welker afstammelingen gedurende een onbeperkt getal van generatien onder elkander ook weder vrucht-haar zijn, behooren tot cene en dezelfde soort. Het paard en de ezel gelijken, vooral in inwendig samenstel, zeer veel op elkander. Of zij in den natuurstaat al dan niet met elkander zouden paren, weten wij niet. In den tammen toestand kan men ze tot paring krijgen, en zij brengen dan een bastaarddier voort: het muildier of den muilezel. Deze bastaarddieren zijn echter onder elkander onvruchtbaar: derhalve zijn het paard en de ezel, niettegenstaande alle overeenkomst, verschillende diersoorten. De Ame-rikaansche buffel of bison paart in gevangen toestand mot hot gewone rund; hot kroost van deze paring is een bastaarddier, dat, ja, vruchtbaar is, doch alleen bij paring mot oen bison of go-woon rund, en niet met een dergelijk bastaarddier. Dus zijn de afstammelingen van bison en rund niet vruchtbaar onder elkander-, bison en rund zijn dus twee vorschillende diersoorten.

§ 10G. Tot voor niet langen tijd is men steeds van do vooronderstelling uitgegaan , dat elke diersoort oorspronkelijk en onveranderlijk is, — dat is, dat zij steeds zóó is geweest als zij is, en steeds (behoudens minder wezenlijke en niet volstrekt onveranderlijke ras-verschillen) zóó blijven zal. Die oorspronkelijkheid en onveranderlijkheid zijn echter ontkend, en door het grootst aantal der hodondaagsche natuurkenners wordt aangenomen, of ten minste verondersteld en als hoogst waarschijnlijk geacht, dat de eene soort zich in den loop der tijden uit de andere heeft ontwikkeld, telkens de hoogerc uit de lagere, zoodat men, steeds teruggaande, tot eenige weinige allereenvoudigste diervormen komen zou, waaruit zich het gansche dierenrijk, zoowel de bestaande als de ten onder gegane dieren, hebben ontwikkeld. De grond-

ocr page 96

84

logger van deze ontwikkelmgs- of afstammings- (clescendentie-)-the-oric was in liet midden der vorige eeuw Demaillet; zij werd in liet begin van deze eeuw door Lamarck nader aangedrongen en in onzen tijd door Darwin op zeer vernuftige wijze uitgewerkt. Eene beschouwing van die theorie in bijzonderheden en van de daartegen ingebrachte bezwaren, — en vooral van de bijzondere leerstellingen van het •'Darwinismequot;, — behoort echter niet hier, maar in de algemeene dierkunde of wijsbegeerte der dierkunde te huis.

§ 107. Wanneer eenige diersoorten, niettegenstaande alle verschil , toch in vele andere opzichten met elkander overeenkomen en zich daarentegen gezamelijk van andere diersoorten onderscheiden, dan verecnigt men die soorten tot een groep, die men een ycslacht noemt. — Al is het dat de hond, de wolf, de jakhals niet tot ééne soort behooren, maar verschillende diersoorten uitmaken, toch bezitten zij zeer veel overeenkomstigs, dat ben van de overige dieren onderscheidt. Daarom vereenigt men ze, met nog andere dergelijke dieren, tot één geslacht, waaraan men dan gewoonlijk den naam van de meest bekende soort geeft, — dus hot geslacht hond. Zoo brengt men dan ook het gewone rund, den bison, den Kaapschen buffel, den Indischen buffel met nog eenige andere soorten, tot één geslacht: het geslacht rund.

Verscheidene geslachten, die de moeste overeenkomst met elkander vertoonen, verbindt men weder tot eene grootere groep, tot eene familie of een gezin.

Op dezelfde wijze vereenigt men weder een aantal gezinnen of familiën tot een orde, en vervolgens oen aantal orden tot eene l.lusse. Eindelijk vormen de klassen, die in zekere belangrijke bijzonderheden met elkander overeenkomen, maar van de overige verschillen, te samen een hoofdgroep.

Het dierenrijk wordt dus verdeeld in een zeker aantal hoofdgroepen; elke hoofdgroep bevat een aantal klassen, elke klasse een aantal gezinnen, elk gezin een aantal orden, elke orde oen aantal geslachten, en elk geslacht een aantal soorten.

§ 108. Alle wetenschappelijke benamingen, die men aan de dieren geeft, en die, gemaks- of kortheidshalve en om overal verstaan te worden, doorgaans in het Latijn of in gelatiniseerde grieksche woorden worden uitgedrukt, zijn dubbel. Van deze he-namingswijze {nomenclatuur) is Linné de invoerder geweest en zij is sedert hem altijd behouden gebleven. Linné volgde hierin het

ocr page 97

voorbeeld van de namen der menschen. Tn onze maatschappij bezit elk mensch een geslachts- of familienaam , en een voornaam of eigen naam. Zoo gaf hij ook aan elk dier dcu naam van het geslacht (§ 107) waartoe het behoort, en voegde daarbij een tweeden naam of een bijvoegelijk naamwoord, dat do soort des diers aanduidt. In het latijn gaat dan de geslachtsnaam altijd voorop. Zoo behooreu b. v. , gelijk ik zeidc, al de op rundvee gelijkende dieren tot het geslacht quot;rundquot; , in het latijn Bos. En nu heet het gewone rund Bos taurus, de bison 7Jo.s 6(.so«, de Indische buffel Bos hnhalus, de Kaapsche buffel Bos capensis enz. enz.

§ 109. Wij moeten thans weder terugkeeren tot het begrip van soort, om tevens een denkbeeld te geven van het begrip van ver-schcldeitheid of variëteit. Eene verscheidenheid noemen wij eene groep van tot dezelfde soort be.hooreade individuon, die zekere bepaalde en erflijke kenmerken bezitten, waardoor zij zich onderscheiden van de overige individuen dier soort. Om een voorbeeld te geven voeren wij hier de verscheidenheid van den leeuw aan. De leeuw (Felis leo) bewoont geheel Afrika en Zuid-westelijk Azië, overal bezit hij de gedaante, die elkeen kent. Maar de Noord-Afrikaan-sche (Barbarijsche) leeuw verschilt toch van den Senegalschen en vooral van den Indischen in grootte, meerdere of mindere donkerheid van kleur, en vooral in de dichtheid en lengte der manen. Alzoo heeft men van die diersoort, die men leeuw noemt, een aantal verscheidenheden: de Barbarijsche, Senegalsche, Kaapsche , Indische verscheidenheden. — Een ander voorbeeld. Alle tamme schapen bchooren tot eene en dezelfde soort: O cis aries; maar de schapen verschillen onderling toch nog vrij veel. Zelfs binnen de enge grenzen van ons land bestaat er verschil tusschen het Drentsche en het Friesche, tusschen het eerste en het Tes-sclsche schaap. En nog veel meer verschillen de gewone Europe-sche schapen van het schaap in Barbarij e. Hier heeft men dus alweder een aantal verscheidenheden van de soort schaap. — De eigenaardigheden, die elke verscheidenheid kenmerken, zijn, gelijk ik zcide, erfelijk. Ik moet er evenwel bijvoegen, dat zij over het geheel minder standvastig zijn, dan de eigenlijke kenmerken der soort. Want het kan soms geschieden dat dc kenmerken eener verscheidenheid verdwijnen, en wel onder den invloed van veranderde levensomstandigheden. Dit geschiedt vooral bij de verscheidenheden bij dc tamme dieren. .

ocr page 98

86

Men is gewoon de verscheidenheden van wilde diersoorten verscheidenheden te blijven noemen, maar die van tamme met den naam van rassen te bestempelen.

De rassen der tamme dieren (paarden, runderen, schapen, ka-meelen , honden, — voorts van hoenderen, duiven. enz.) hebben hun ontstaan vooral te danken aan de verschillende levensomstandigheden (klimaat, lucht, water , voedsel, levenswijze) onder welke de mensch ze gebracht heeft.

§ 110. Wanneer men alle bekende diersoorten rangschikt onder de geslachten, waartoe die soorten kunnen worden gebracht, die geslachten weder vereenigt in orden , de orden in gezinnen of fa-miliën, en deze in klassen volgens een bepaalden regel nevens elkander voegt, dan verkrijgt men een s/elsel (systemaj.1

Aristoteles verdeelde het dierenrijk in twee hoofdgroepen: dieren met en dieren zonder bloed (Bloeddicren en Bloedelooze dieren); zijne verdere verdeeling was de volgende :

I Bloeddieren.

1 Dieren, die levende jongen voortbrengen.

2 Vogels.

3 Eierleggende viervoetige dieren.

4 Visschen.

II Bloedelooze dieren.

5 Weekdieren.

6 Schaaldieren.

7 Gekorvene dieren.

8 Schelpdieren.

Daarbij nam Aristoteles overgangsvormen aan, waartoe hij b. v. de vledermuizen en de slangen bracht. De namen Bloeddieren en Bloedelooze dieren zijn, gelijk later bemerkt zal worden, niet juist; die met rood en niet rood gekleurd bloed zouden, ofschoon nog niet geheel juist, te verkiezen zijn geweest.

Linné nam de volgende verdeeling aan:

1 Zoogdieren , (overeenkomende met de levendbarende die

ren van Aristoteles).

2 Vogels,

1

Over het ouderscheid tusscheu een natuurlijk en een kunstmatig stelsel kan hier, of bij de plautenkuude, liet noodige gezegd worden.

ocr page 99

87

3 Amphibiën. (rle eierleggcnrle viervoetige dieren v;in

Aristotcles benevens de slungen).

4 Visschcn.

5 Insekten. (de gekorvene cn de schaaldieren van Aris-

totelos.).

(5 Wonnen, (do weekdieren cn schelpdieren van Aristotcles).

Cuvier verdeelde hot dierenrijk in de volgende vier groepen:

1 Gewervelde (van een inwendig beengestel voorziene) die

ren. Deze groep beantwoordt aan do bloed-dieren van Aristotcles, en aan do zoogdieren, vogels, amphibiën en visschcn van Linné.

2 Weekdieren. (De schelpdieren en een deel der weekdieren

van Aristotcles; oen dool dor wormen van Linné.

3 Grcledo dieren. (Do schaaldieren cn do gekorven dieren van

Aristotcles; do insekten cn een deel dor wormen van Linné).

4 Straaldicren. (de overige weekdieren van Aristotcles; do

overige wormen van Linné).

Men heeft, na Cuvier, zijne rangschikking op onderscheidene wijzen trachten te verboteren. Vooral trachtte men dit door dc groep der Straaldicren in moer groepen to splitsen, terwijl ook weldra een gedeelte van de groep dor Grclcdc dieren tot een nieuwe groep verheven werd — die dor Wormen, — wormen evenwel in een veel beperkteren zin dan do wormen van Linné.

Wij zullen deze indeeling volgen;

1 Gewervelde of Ruggemerg-dicren.

2 Gelede dieren.

3 Wormen.

4 Weekdieren.

5 Stekclhuidigen.

(i Darmloozen (Hollijvigcn, Coelentoraten).

7 Protozoën.

De 2e, 36 en 4« groep van Cuvier, cn de 2e tot en met de 7C groep van de opgegeven vcrdceling vat men zeer dikwijls samen onder den naam van Ongewervelde dieren, dat zijn dieren, die, in tegenstelling met do Gewervelde dieren, geen inwendig beengestel bezitten. Deze tweeledige indeeling komt volkomen overeen met de vcrdceling der dieren door Aristotcles: Blocddieren amp; Bloedelooze dieren.

ocr page 100

Tweede Afdeeling.

Overzicht van het Dierenrijk.

HOOFDSTUK V.

GEWERVELDE OP EUGGEMERGSD1EREN.

§ 111. Gewervelde (lieren (Animalia verfebrafa) of ïlnggamcrgs-dicren (A. medullata) noemt men dieren, bij welke de centraal-deelen van het zenuwstelsel besloten liggen binnen een meestal beenig, soms kraakbeenig, in zeer enkele gevallen (de klein-of smalbartige visschen , § 228) vliezig omkleedsel, dat men, wanneer het beenig of kraakbeenig is, de wervelkom heet (§ 30) , en waartoe, gelijk wij vroeger gezien hebben, ook de schedel behoort. Daarvandaan de naam gewervelde dieren. De centraal-deelen zijn, gelijk wij weten, de hersenen en het ruggemerg; zij liggen bij do gewervelde dieren steeds aan de rugzijde des lichaams, boven (bij den mensch wegens zijn opgorichton stand achter) de werktuigen voor de spijsvertering, de ademhaling en den bloedsomloop, korter: vóór de voedings-werktuigen.

Alleen bij de gewervelde dieren zijn do centraaldeelen van het zenuwstelsel vereenigd tot één geheel, het ruggemerg , waarvan de hersenen de voorste aanzwelling zijn. Daarvandaan de naam ruyye-mergsdieren

Overigens zijn alle gewervelde dieren nagenoeg bilateraal-sym-metriseh, dat is te zeggen: wanneer men zich het lichaam in een

1 In tegenoverstelling van de gewervelde dieren noemt men al rle andere, bij wie het bovenstaande niet het geval is en die dan ook geen wervelkolom bezitten, dus alle andere dieren, ongewervelde dieren.

ocr page 101

89

rechter en een linker helft verdeeld voorstelt, vindt men aan weerszijde dezelfde en even groote organen. Ik zeide evenwel nayciwey ; want ten aanzien van vele inwendige organen (hart, lever, maag, darmen, milt) gaat de bilaterale symmetrie niet door. Zie h.v. fig. 27.

§ 112. Verreweg de meeste gewervelde dieren bezitten een min of meer volledig geraamte, — volledig namelijk in vergelijking met dat van den mensch. Echter verschilt het geraamte bij de gewervelde dieren vrij aanmerkelijk. Bij een groot aantal vindt men wel is waar alle beenderen, die ook tot het menschelijke geraamte be-hooren, — ofschoon dan ook de vorm en de evenredigheden dier beenderen somtijds zeer van die der menschelijke beenderen afwijken, — maar er zijn ook dieren, die verscheidene dier beenderen missen. Zoo zijn er die ribben noch borstbeen bezitten. Hot aantal der ledematen verschilt ook. De meesten bezitten twee paar pooten (nooit meer); er zijn er echter ook die maar één paar hebben, ja ook, bij welke alle ledematen ontbreken. Bij de meeste gewervelde dieren bestaat hot stuitbeen uit meer wervelbeentjcs dan bij den mensch en vormt alzoo een meer of minder langen staart. Alle gewervelde dieren bezitten, even als de mensch, twee boven elkander geplaatste, zich in vertikale richting bewegende kaken, die meestal met tanden gewapend zijn.

§ 113. De gewervelde dieren hebben, op ééne uitzondering na, allen een hart en rood bloed. Zij ademen door longen of, wat de steeds in het water lovende betreft, door kieuwen. Zij planten zich voort hetzij door levende jongen voort te brengen, hetzij door eieren.

Steeds is bij de gewervelde dieren een afzonderlijk zenuwstelsel voor de organische verrichtingen (zenuw-knoopstelsel) aanwezig, en doorgaans bezitten zij , even als de mensch, vijf zintuigen.

§ 114. Men verdeelt de hoofdgroep dor gewervelde dieren in vier klassen, te weten 1 der zoogdieren, 2 der vogelen, 3 der kruipende dieren, en 4 der vissehen.

I. KLASSE.

Zoogdieren.

§ 115. Zoogdieren {Mammalia) zijn gewervelde dieren, die door longen ademen, die rood, warm bloed bezitten, wier hart twee

ocr page 102

90

kamers en twee boezems of voorkamers bezit, en die levende jongen voortbrengen, welke hot moederdier eenigen tijd met hare melk voedt. — Borstholte en buikholte zijn bij de zoogdieren door een spierachtig middenrif vaneen gescheiden. Dc huid is meestal met haren, soms met stekels (die niets anders dan dikkere of tot dikkere bundels bijeengegroeide haren zijn) bedekt: bij zeer weinigen is dc huid kaal; bij enkelen voor een gedeelte niet met haren, maar met hoornachtige of becnige schubben of schilden bedekt.

§ 11(5. Het samenstel van het geraamte en van de overige li-chaamsdeelen der zoogdieren komt in het wezenlijke overeen met dat van den mensch. Onderscheid bestaat er echter natuurlijk. Keeds liet geraamte biedt, bij alle overeenkomst, menig punt van verschil aan. Ik voeg hier, ten einde zonder veel woorden dat verschil in liet oog te doen vallen, de afbeeldingen van twee dierengeraam-ten bij, om te .vergelijken met dat van den mensch, in fig. 4 afgebeeld. Het eerste (tig. 51) is het geraamte van een kameel en

ocr page 103

91

kan dienen als vooi-beeld van de gewone inrichting van het geraamte bij do op vier voeten loopende zoogdieren. Fig. 52 stelt een meer afwijkenden vorm van geraamte voor, vooral wat de ledematen betreft; het is het geraamte van een zoogdier dat een groot deel van zijn leven in het water doorbrengt, — van den zeehond.

§ 117. Wat het hoofd aanbelangt, zoo merken wij hier op dat het achterhoofdsgat bij de zoogdieren meer achterwaarts geplaatst is dan bij den mensch, bij de meesten zelfs veel meer achterwaarts; dat, behalve bij den mensch, de apen en de herkauwende dieren, de oogholte niet van de slaapgroeve afgescheiden is, en dat het gedeelte van elk bovenkaaksbeen, waarin de snijtanden zitten, een afzonderlijk been (tusschenkaaksheen), uitmaakt, dat bij den mensch alleen in den nog niet ontwikkelden toestand aangetroffen wordt (§ 36).

Het gebit der zoogdieren is volkomen, wanneer alle soorten van tanden, die de mensch bezit, aanwezig zijn, of onvolkomen, wanneer dit niet het geval is. Meestal sluiten de tanden niet zoo dicht aan elkander als bij den mensch; zelfs bij de apen staan de hoektanden meer op zichzclve en de onderste passen bij gesloten mond in eene ruimte vóór de bovenste. Sommige zoogdieren bezitten geheel geen tanden. Overigens duidt men in de dierkunde de soort, het aantal en de plaatsing der tanden aan door tand-

ocr page 104

92

formulas, waarvan wij een denkbeeld moeten geven, omdat juist het verschil van gebit een dor belangrijkste grondslagen voor de klassificatie uitmaakt. Dc schots van hot monschelijk gebit, gegeven aan het slot van § 29. is reeds oene tandformule. Daar echter 1° dc betrekkelijke plaatsing der verschillende tandsoorten altijd dezelfde is, en 2° dc beide helften van elke kaak ten aanzien der tanden aan elkander gelijk zijn, zoo duidt men de tandsoorten en hun aantal aan door cijfers, verbondon door het toeken of een punt, en wol alleen voor eeno halve kaak , t. w. de linker helft. Bij den mensch, bij wien boven- en onderkaken dezelfde tandsoorten in hetzelfde aantal bevatten, zou men daarmede kunnen volstaan, doch, daar bij vele zoogdieren de boven- en onderkaken in dit opzicht verschillen, voegt men cr steeds do halve onderkaak bij. De formule van § 29 , in de gebruikelijke

. 2 1 (2 3) J . . „ formule overgebracht, zal dus zijn 0 . , i /o _l a\ ^ 111 0 6

J 1 -r -r o;

halve kaak 2 snijtanden, l hoektand, 2 kleine of valsche en

3 groote of ware kiezen. Do tandformule van den hond is

3 1 4 1 2)

« Ellepijp, 7t spaakbeen, c handwortelbeenderen, d raiddenliandsbeenderen, e pink, ƒ wijsvinger, y middenvinger, h vierde vinger.

d. i. in elke halve kaak 3 snijtanden ,

3 -j- 1 5 1 2)

1 hoektand, 3 valsche kiezen, 1 scheurkies, en 2 ware kiezen.

Wat een scheurkies is, zullen wij later zien. Eindelijk, om nog een voorbeeld te geven, is

de tand-formulo van het rund: ^ 6

4 0 6

dat is: in de bovenkaak geen, in de halve onderkaak 4 snijtanden (dus 8 in do onderkaak), geen hoektanden, en aan weerszijde van de boven- en onderkaak G kiezen. — Dat ook de vorm der tanden verschillend is, zullen wij later'zien.

§ 118. Op drie uitzonderingen na bezitten alle zoogdieren zeven halswervels, zoowol do korthalzige walviseh als de langhal-zigc giraffe. De uitzonderingen zijn oene soort van Luiaard (Bradypus pallidus), die 9, eenon andere (Br. torquatus), die 8, en eenc zeekoe (Manatiis australis), die 6 halswervels bezit. Bij den Luiaard echter zijn

ocr page 105

93

de overtollige halswervels eigenlijk ribben.

Het aantal der borst- of rug-wervelen (en dus der ribben) is 10 tot 20, — der lendenwervc-len 3 tot 7, der lieiligbeenwer-velen 2 tot lt;5. Dat der staartwer-velen bedraagt soms tot 4(5.

§ 119. Ten aanzien van de ledematen bestaat er tusscben de zoogdieren nog al verschil. Bij de meeste zoogdieren zijn do ellepijp en het spaakbeen met elkander vergroeid, zoodat voor-over- of achteroverbuiging onmogelijk is. Veelal is dan ook de ellepijp verkort, zoodat zij niet tot de hand reikt; het elleboog-uitsteeksel is echter meestal zeer groot. Aan de achterste ledematen (onderste bij den mensch) is bij velen het kuitbeen weinig ontwikkeld. Bij sommige zoogdieren, zooals de herkauwende dieren, en de paarden, zijn de middenhands- en middenvoetsbeenderen zeer lang; de herkauwende dieren bezitten aan ieder der ledematen daarvan twee, die echter te samen tot één been (het kanonbeen der vee-artsen) vergroeid zijn, terwijl het kanonbeen van het paard slechts uit één middenhands- of middenvoetsbeen bestaat.

Het grondgetal (typische getal) der vingers en teenen is bij de zoogdieren 5. Doch zooveel zijn er bij lange na niet altijd aanwezig. Het meest ontbreekt de.duim (of groote teen), b. v. bij het varken. Bij den rhinoceros en den drievingerigen luiaard ontbreekt bovendien de pink. Bij de herkauwende dieren zijn noch duim, noch pink noch wijsvinger aanwezig, zoodat zij slechts twee teenen bezitten. Het paard eindelijk bezit alleen een middenvinger.

Niet zelden zijn pink en wijsvinger of de daarmede overeen-

rugwervels met onvolkomen

Fig-. 54.

I

■F»

Achtervoet van een hert.

a scheenbeen, h eerste h' tweede rij voetwortelbeenderen, c middenvoetsbeen, e eerste lid der teenen, ƒ tweede lid, g derde of nagellid.

Als in fig. 38, behalve d onvolkomen ontwikkeld middenvoetsbeen van een tweeden zijdeling-schen teen.

ocr page 106

94

komstigc tcoiion kleiner en hooger geplaatst dan de overige, zoodat zij den grond niet aanraken; zij heeten dan „aehterteenenquot; of „aehterklauwenquot;, of „bijtecnenquot;.

Overigens is het aantal der teenen niet bij alle zoogdieren aan de voorste en achterste ledematen hetzelfde.

Meestal is het aantal der kootjes of leden van vingers en teenen 3, behalve van den duim en grooten teen, die twee kootjes bezitten. Bij de walvisehachtige dieren echter bezitten de midden-ste vingers meer kootjes, zelfs tot 7 en meer.

15ij de meeste zoogdieren eindigen de vingers en teenen in nagels; bij sommige ontbreken deze, b. v. aan vier der vijf vingers van de vlieghand der vledermnizen en aan de vinvoeten der walvisehachtige dieren. Bij vele dieren zijn die nagels klauwen, die tot graven , of tot vastgrijpen en verscheuren enz. zijn ingericht. Bij anderen zijn nagels aanwezig, die als een schoen het laatste vingerlid omgeven; zulke nagels noemt men hoeven. Voorbeelden daarvan vindt men bij do herkauwende dieren, het paard en het varken.

Overigens zijn de ledematen verschillend ingericht, al naarmate zij slechts moeten dienen om er iets mede aan te grijpen en vast te houden, of om in de aarde te graven, of om te zwemmen, gelijk de zeehond en de walvisch, of zelfs om te vliegen, gelijk de vledermnizen. Wij zullen later van deze verschillende inrichting voorbeelden zien.

S 120. Wat ik in hoofdstuk UT, § 42 tot § 03, over de organische verrichtingen bij den mcnsch (spijsvertering, bloedsomloop, ademhaling, voeding, afscheidingen, enz.) gezegd heb, is in het algemeen op alle zoogdieren van toepassing, — wel te verstaan met zoodanige wijzigingen, als de aard van het voedsel des diers,

ocr page 107

zijne levenswijze en zijne bestemming noodzakelijk maken. — Zoo geschiedt b. v. do bloedsomlooi) geheel op dezelfde wijze als bij den mensch, en de schets van den bloedsomloop, die ik reeds bij § 51 voegde en hier herhaal, past dus voor alle zoogdieren.

De zoogdieren voeden zich deels niet plantenvoedsel (gras cn bladeren, vrachten cn zaden, boomschors en wortels), — deels met dierlijk voedsel; — sommigen zijn allesetend, dat is, zij gebruiken zoowel plantaardige als dierlijke spijs. De plan-quot; tenetende zoogdieren zijn het talrijkst, niet alleen in soorten, maar ook in individuen.

Eenige zoogdieren, b. v. apen, de Aard-eekhoom enz. bezitten wangzakken aan de binnenzijde der wangen, waarin zij het verzamelde voedsel eenigen tijd

Ten aanzien van de lengte van liet darmkanaal bestaat er tus-schen de zoogdieren een aanmerkelijk verschil. Bij sommige insek-tenetende vledermuizen en bij den leeuw heeft het darmkanaal ongeveer driemaal de lengte van het geheele lichaam, — bij liet schaap daarentegen acht-en-twintig maal. Tusschen deze beide uitersten vindt men quot;verschillende verhoudingen; bij den mensch is de lengte des darmkanaals ongeveer zevenmaal die des lichaams. In den regel is het darmkanaal het kortst bij de vleeschetende, het langst bij de plantetende dieren; de vleeschetende zeehonden, die een zeer lang darmkanaal bezitten, maken daarop eene uitzondering. — Over den eigenaardige bouw van de maag der herkauwende dieren spreken wij later.

§ 121. Ook ten aanzien van de dierlijke verrichtingen (§ G4 — !t7) komen de zoogdieren in het wezenlijke met den mensch overeen. Allen bezitten hersenen, een ruggemerg, een zenuwknoopstelsel en zenuwen. Allen bezitten vijf zintuigen. In de betrekkelijke grootte zoo van de geheele hersenmassa als van de onderscheiden gedeelten der hersenen is evenwel een groot verschil, en ook het aantal der windingen op de oppervlakte der groote hersenen is zeer on-

kunnen bewaren.

ocr page 108

96

gelijk ; de hersenen der Vledermuizen, Tandeloozen , Insekteneters, Knaagdieren, Buideldieren en Vogelbekdieren, bezitten er weinige of geene. Bovendien zijn de helften der groote hersenen bij do Buideldieren en Vogelbekdieren door geen eeltachtig lichaam met elkander verbonden. •— Bij vele zoogdieren zijn de lippen het voorname werktuig van den tastzin (§ 76); bij anderen strekken ook de baardharen en knevels tot het ontwaren van uitwendige beletselen. De meeste zoogdieren — behalve de mensch, de apen en de walvisschen, — bezitten aan den binnenhoek des oogs een derde, maar onvolkomen ooglid. Bij vele zoogdieren bevindt zich in de diepte van het oog, vóór het vaatvlies, eene laag, die het tapyt (tapetum) genoemd wordt, en welks glans in het halfdonker het groen- of blauwachtig lichten der oogen veroorzaakt. Sporen daarvan worden echter zelfs ook bij den mensch aangetroffen. Bij eenige zoogdieren is geen uitwendig oor, geene oorschelp (§ 80) aanwezig.

De huid der zoogdieren is, gelijk wij reeds zagen, in den regel met haar bekleed. Er is onderscheid tusschen het grovere boven-of dekhaar, en het daaronder liggend fijner, dichter en korter wolhaar. De zoogdieren wisselen jaarlijks van haren en in den winter is het wolhaar dichter en overvloediger.

Bij den mensch bevindt zich onder de huid van den hals en het onderste gedeelte van het gelaat eene brecde, maar dunne spier-laag, de huidspter van den hals. Deze spier is nergens aan been, maar geheel aan het bindweefsel der huid gehecht, zoodat zij als eene spiervezellaag der huid kan worden beschouwd. Bij de zoogdieren nu is die spierlaag wel meer ontwikkeld en omgeeft soms den geheelen romp. Daarvandaan het vermogen, dat men bij de zoogdieren waarneemt, om de huid zich te doen bewegen. — Dat overigens de staart ook afzonderlijke spieren moet bezitten, behoeft nauwelijks vermelding.

Ten aanzien van de verstandelijke vermogens, staan de zoogdieren zonder twijfel van alle dieren het hoogst. Maar er bestaat te dien aanzien tusschen hen een zeer groot verschil. Kunstdriften worden bij hen minder aangetroffen dan b. v. bij de vogels en vele insekten; zij bepalen zich tot het graven van holen en loopgraven, het samenbrengen van nesten en bij zeer enkelen (b.v. den bever) bij het bouwen van oenen woning.

§ 122. De meeste zoogdieren leven altijd op het drooge land,

ocr page 109

97

op den vlakken grond, op bergen en rotsen , op boomen of ook onder don grond, zooals de mol. Zij bewogen zich daar door te loopen, te springen, te klimmen, te vliegen zelfs. .Sommigen, namelijk de walvischachtige dieren, kunnen buiten het water niet leven, en blijven dus gestadig daarin. Vele anderen zijn wel voel in hot water, doch komen ook vaak op het drooge, en zijn dus dieren van tweeërlei leven (amphibicn); zoodanige zijn de zeehond, de otter, de waterrat, de bever, enz. Van de in het water geheel of gedeeltelijk levende zoogdieren leven eenige in zout, andere in zoet water. Allen moeten echter om adem te halen naar boven in de lucht komen.

Vele zoogdieren zijn nachtdieren, dat is, zij zijn over dag traag en lusteloos en brengen den tijd dan veelal met slapen door, maar gaan 's avonds en 's nachts om voedsel uit. Bij deze dieren is het oog zóó ingericht, dat zij bij helder licht minder scherp zien dan in de schemering.

Onderscheidene zoogdieren (b. v. do vledermuizen, de egel, de boer, de marmot enz.) houden een winterslaap en brengen den winter door in holen of andere schuilhoeken , zonder conig voedsel te nuttigen. De bloedwarmte kan daarbij dalen tot 1°; daalt zij beneden 0°, dan sterft het dier. De hartslag en ademhaling zijn in den winterslaap zeer zwak, de afscheidingen onbeduidend, en de geringe stofwisseling wordt onderhouden door het vooraf in het lichaam opgehoopte vet.

§ 123. Alle zoogdieren brengen, gelijk reeds in § 115 gezegd is, levende jongen ter wereld. Do jongen worden door de moeder gedurende eenigen tijd gevoed met de melk, een vocht, dat afgescheiden wordt door de zogldieren, die aan de benedenzijde dos lichaams , hetzij aan de borst, hetzij aan den buik, onmiddellijk onder de huid liggen,' en wier uitlozingsbuizen hare openingen hebben aan de tepels, die door de jongen in den mond worden gevat. — Sommige zoogdieren worden blind geboren.

§ 124. Wij verdoelen do klasse der zoogdieren in 13 orden, te weten die der 1. Tweehandigen, 2. Vierliandigen, 3. Huidvliegers , 4. Roofdieren, 5, Herkauwende dieren, G. Dikhuidigcn, 7 Walvischachtigen, 8. Vleugelhandigen, 9. Insekten-eters, 10. Knaagdieren, 11. Tandeloozen, 12. Buideldieren en 13 Vogelbekdieren.

De Huidvliegers (vliegende aap of hond) worden ook wel tot de Vierliandigen gebracht, en de Insekten-eters met de lioofdie-

7

ocr page 110

98

ren vercenigd tot eene orde der Verscheurende dieren. Daarentegen wordt de orde der Dikhuidigen vaak gesplitst in twee orden, die der Eenhoevigen en der Veelhoevigen. De orde der Walvisch-achtigen wordt door de nieuwere natuurkenners mede in twee orden verdeeld, die der Sirenen (onze afdeeling der plantenetende walvisschen), en der eigenlijke Walvischachtigen (onze vleescheten-de walvisschen), terwijl eindelijk de Buideldieren in vier orden kunnen worden verdeeld, die wij later als onderverdeelingen van onze orde der Buideldieren zullen loeren kennen.

§ 125. Eerste orde. Tweehandigeu (Bimana). Handen aan de voorste ledematen; aan de achterste ledematen voeten , die tot gaan zijn ingericht. Opgerichte gang, dat is, het lichaam rust bij het staan en gaan alleen op de voeten, en niet op alle vier de ledematen. Het naar evenredigheid kleine aangezicht ligt niet voor maar onder den naar evenredigheid zeer groeten schedel. Voorts handen en voeten vijfvingerig met breede en platte nagels. De tanden allen even hoog en gerangschikt in aaneengesloten rijen.

2 1 (2 3)

Tandformule (2 3)

Deze orde bevat slechts ééne soort: den mensch.

Ten aanzien der verstandelijke vermogens staat de mensch niet slechts hooger dan de dieren, maar moet worden aangemerkt als een geheel op zich zelf staand schepsel. Hij alleen is een redelijk en zedelijk wezen. Hot uitsluitend bezit der spraak, d. i. van het vermogen om voorstellingen en gedachten in woorden uit te drukken , is geheel afhankelijk van zijn redelijke eigenschappen en niet van de inrichting zijner spraakwerktuigen.

Niettegenstaande men slechts ééne menschensoort aanneemt, bestaat er toch tusschen de vele volkstammen, die de aarde bewonen , een aanmerkelijk verschil. Met andere woorden: er bestaat een aantal menschenverscheidenJieden. Men brengt deze, waarvan het aantal zeer groot is, tot eenige hoofdverscheidenheden, hoofdstammen en hoofdyrocpen, en sommigen nemen van zulke hoofdrassen drie, anderen vijf, nog anderen weder veel meer aan. Wij zullen ons houden aan de indeeling volgens Blumenbach, —- niet omdat deze in volstrekten zin de beste is, maar omdat zij dat is wanneer men eene uit zeer weinig leden bestaande indeeling wenscht.

ocr page 111

99

Hoe meer hoofdgroepen men anders aanneemt, des te meer zal de indeeling van het menschelijk geslacht natuurlijk zijn. Onder de hoofdgroepen van Blumenbaeh toch worden vele volken bij elkander gebracht, die in hooge mate van elkander verschillen. Het meest loopt dit in 't oog bij do Maleische hoofdgroep, en misschien nog meer bij de Amerikaansche. Eene alle of de meeste ethnologen bevredigende indeeling in meer groepen te vinden , is echter totdusver nog niet gelukt.

1. Hoofdgroep. Kaukasische, Japetische, Iranische, Europeesche verscheidenheid of hoofdstam. Een eironde schedel, een eirond aangezicht met vooruitstckeuden neus en kin, en weinig uitstekende wangbeenderen. Kaken niet vooruitstekend; loodrechte snijtanden. Lippen dun. Oogleden horizontaal gespleten. Huidkleur bij de Europeesche en West-Aziatische volken blank, bij de overigen bruinachtig, bruin, ja zwart; oogen en haren van alle kleuren; hoofdhaar lang, recht of krullend, maar nooit wollig; baard meestal dicht. — Hiertoe behooren alle Europeanen, behalve de Laplanders ; voorts de bewoners van Westelijk Azië en Zuidelijk Azië bewesten den Ganges, van Noordelijk Afrika tot den zuidrand der Sahara en van Oostelijk Afrika langs de Roode Zee tot dicht aan den aequator.

2. Hoofdgroep. Mongoolsche, Altaïscho, Turanische, Aziatische verscheidenheid of hoofdstam. Een bolronde (soms eironde) schedel, een breed aangezicht met een kleinen, meest, ofschoon niet altijd, stompen en breeden neus en zijdwaarts uitstekende wangbeenderen. Kaken niet of zeer weinig vooruitstekend, met loodrechte snijtanden. Mond breed met eenigzins dikke lippen. Oogleden schuins gespleten, ofschoon niet altijd, zoodat de binnenhoek lager staat dan de buitenhoek. Huidkleur geel, van nagenoeg blank tot geelbruin; oogen bruin of zwart; haren zwart, recht; baard veelal dun. Lichaamsgestalte veelal gedrongen en wat kleiner dan bij do hoofdgroepen 1, 3 en 5. — Woonplaats Azië , met uitzondering van het door Kaukasiërs bewoonde gedeelte en het schiereiland Ma-lakka. Ook brengt men hiertoe de Laplanders in Europa en de Eskimo's in Noord-Amerika.

3. Hoofdgroep. Ethiopische, Afrikaansche verscheidenheid of hoofdstam. Negerstam.—Een smalle, achterwaarts verlengde schedel ; een niet breed, maar plat aangezicht, met een van boven breeden en platten neus met breede neusvleugels en naar voren

ocr page 112

100

uitstekende wangbeenderen. Bovenkaak naar voren uitstekend met schuins naar voren gerichte snijtanden; kin terugwijkend; lippen dik, vooruitstekend en omgekruld. Oogleden horizontaal gespleten. Huidkleur zwart of donkerbruin ; bij enkelen (de Hottentotten) geel. Haar zwart, kort, wollig. Oogen bruin of zwart. — Woonplaats geheel Afrika ten Zuiden der Sahara en ten Westen en Zuiden van Opper-Egypte en Abyssinië.

4. Hoofdgroep. Maleischc, Indo-australische verscheidenheid of hoofdstam. Schedel ovaal of kogelrond, aangezicht eirond, doch met uitstekende wangbeenderen. Neus van boven plat, of soms ook uitstekend, maar altijd met breede neusvleugels en wijde neusgaten. Oogleden soms eenigzins schuin gespleten. Kaken min of meer uitstekend en naar die mate ook met min of meer schuins geplaatste snijtanden. Mond groot met dikke lippen. Huidkleur geel of roodbruin. Oogen bruin of zwart. Hoofdhaar zwart, lang, soms recht, soms lokkig en krullend, maar nooit wollig.—Woonplaats: Ma-lakka, de Indische Archipel, al de Zuidzee-eilanden; ook Madagaskar wordt voor een deel bewoond door stammen van deze groep. Daar de Zuidzee-eilanden gezamenlijk (met uitzondering van Nieuw-Holland) ook Polynesië genaamd worden, noemt men hunne bewoners ook Polynesiërs.

5. Hoofdgroep. Amerikaansehe verscheidenheid of hoofdstam. Schedel meestal rond met een vlak en kort achterhoofd ; een groote, soms uitpuilende en gebogene, soms platte neus. Kaken weinig vooruitstekend, tanden weinig schuins, soms loodrecht. Mond vaak als bij de Kaukasische groep. Huidkleur roodbruin, kaneelkleurig, geelbruin. Oogen bruin of zwart, soms schuins geplaatst. Haar lang, recht, zwart en stroef. Baard dun. — Hiertoe behooren al de oorspronkelijke inwoners van Amerika, behalve de eskimo's.

Van de volken, die tot de Maleischc hoofdgroep gebracht worden, verschillen sommigen zeer weinig van de Mongoolsche volken, terwijl daarentegen andere (op Nieuw-Guinea; Nieuw-Holland enz.) op negers gelijken , en dan ook Australische negers genoemd worden.

Elke dezer opgenoemde vijf hoofdgroepen wordt wederom in kleine groepen verdeeld. Men kan bij voorbeeld de Kaukasische hoofdgroep splitsen in zes kleinere groepen, t. w. de Indo-Euro-peesche of Arische groep , de Semitische groep, de Egypto-Mau-retanische groep, de Ugrisch-Tartaarsche groep , de Illyro-Iberische groep en de Dravidische of Telingaansche groep.

ocr page 113

101

Tot de Indo-Europcesche of Arische groep behooren de verschillende natiën van Europa met weinig uitzonderingen , — maar ook de Indiërs of Hindoes. Tot de Semitische groep behooren de Israëliten cn Arabieren.

§ 126. Tweede orde. Vierhandigen (Qnadruinana). Handen aan alle vier, althans aan de achterste ledematen. Vijf vingers aan alle vier de handen , of aan do voorhanden geen duim, en alleen vijf vingers aan do achterhanden. Meestal platte nagels. Tanden als bij den mensch, maar de hoektanden langer dan de overigen, en tusschen deze en de overige tanden eenige ruimte; de onderste hoektanden grijpen bij gesloten mond in de ruimte voor de bovenste hoektanden. Kiezen dicht aaneen gesloten. Oogen, evenals bij den mensch, in volledig gesloten oogkassen bevat, cn dicht bijeen staande. Schedel rond, maar sterk vooruitstekende kaken. De meesten hebben een staart. De hersenen komen die der mcnschcn zeer nabij; de groote hersenen bezitten goed ontwikkelde windingen of kronkelingen (§ 66) en bedekken meestal de kleine hersenen volkomen.

De vierhandigen, of apen, naderen in uiterlijke gedaante en inwendig samenstel 't meest van alle dieren tot den mensch , — niet echter in verstand, dat bij vele roofdieren en sommige plan-tenetende dieren (den olifant b. v.) veel hooger staat dan bij de apen.

De lichaamsbouw der vierhandige dieren maakt hen ongeschikt om overeind te gaan, en zij gaan dan ook op den vlakken grond jp vier pooten, daar zij de knieën niet kunnen strekken en de handen der achterpooten niet plat op den grond kunnen zetten. Hunne eigenlijke bestemming is het leven op boomen, met wier vruchten en bladeren zij zich voeden, ofschoon zij (vooral de Slankapen en de Half-apen) insckten en kleine vogels ook niet versmaden. Bij het klimmen op de boomen komen hun hunne vier handen, en bij sommigen de grijpstaart, zeer te stade. Meestal leven zij in troepen. Zij bewonen slechts de warme gedeelten van Azië, Afrika en Amerika. In Europa vindt men alleen op de rots van Gibraltar apen.

§ 127. De orde der Vierhandigen wordt verdeeld in twee afdee-lingen: die der eigenlijke apen en die der half-apen of bastaard-apen.

Do eigenlijke, ware Apen (Simiae) hebben een naakt, niet met

ocr page 114

102

haai- begroeid, plat aangezicht, on gelijken 't incest oji den mensch. Meestal zijn de voorpooten langer dan de ach terp ooten.

Sommigen hebben geen staart, de moesten wol; vele Amcri-kaansche apen hebben oen grijp- of rolstaart.

De Half-apen (Lemures) hebben een kop, die moor op oen vos-senkop gelijkt, een behaard gelaat on langere achter- dan voorpooten.

§ 128. Er bestaat echter nog verschil tusschcn de ware apen van de Oude (Smalneuzigen: Calarrhinae) en die der Nieuwe Wereld (Breodneuzigen: Plalyrhinae), gelijk uit do volgende vergelijking blijkt.

WAKE APEN.

Van Azië en Afrika. Tandformnle als bij den mensch. Vijf vingers aan alle handen.

Neusgaten met een smal middenschot en inot benedenwaarts gerichte neusgaten.

Bij de moesten oen staart, maar nooit oen rol- of grijpstaart.

Bij velen zoogenaamde wangzakkon aan de binnenzijde dor wangen.

Bij do moesten eeltige plekken (zit-oolt) aan de achterdoelen.

Slim, vlug, levendig, maar, vooral op gevorderden leeftijd, woest en onhandelbaar.

Van Amerika.

'p ac i 2 1-4- (3 4- 3)

Tandformnle 2 1 (3 3)

Bij sommigen vier vingors aan do voorhanden, of althans aan die handen slechts oen kleine en weinig beweegbare dnim.

Neusgaten met oen breed mid-donschot en buitenwaarts gerichte neusgaten.

Bij allen oen staart, bij velen oen rol- of grijpstaart.

Geene wangzakken.

Geen zit-oolt.

Minder slim, zwaarmoediger on zachtaardiger.


§ 129. Onder do apen dor oude wereld onderscheidt men de zoogenaamde Anthropomorphon of op den mensch het moest gelijkende apen. Zij hebben geen staart, zit-oolt noch wangzakkon, en zijn over 't geheel zeer groot (vooral de Gorilla, die zes ;V zeven voet lang is.) Tot hen behooren dc Orang-apon cn de

ocr page 115

103

Fig. 57. Lang-armapen. — De Laponder-aap

is die aapsoort, die bij ons op kermissen enz. 't meest gezien wordt, en is een goed voorbeeld van den meest gewonen vorm der apen. — De Bavianen of Hondskop-apen wijken in elk opzicht 't meest van alle ware apen van den mensch af.

§ 130. De Half-apen, Bastaard -apen of Spookdieren (Prosimii, Lem urcs) hebben een behaard aangezicht met een vooruitstekenden min of meer spitsen snuit. Voor-iiooten korter dan de achterpooten.

Kop van con Orang-Oetan. 1

Aan de wijsvingers der achterhanden een smalle, kromme klauw. Bij velen een lange staart, die echter geen grijpstaart is. Zij leven

in Oost-Indië en Afrika, maar vooral op Madagaskar. — Soms is er eene ruimte tussehen de beide bovenste paren snijtanden , en meestal zijn er zes kiezen aan elke zijde der boven- en onderkaak. Bij eenigen bezit de onderkaak slechts 2 snijtanden. De meeste zijn nachtdieren.

Kop van een Meerkat

§ 131. Geslachten en soorten. I. Ware apen.

a. Apen der Oude wereld.

1.

3.

Orang-Aap (Simia). Orang-oetan (Shnia sa!yrus), en Sumatra; Chimpanzé {S. troylodylcs), Gorilla (lt;S*. lt;jo-rilla), beiden in West-Afrika.

Langarm-aap (Hylobafes). — Gibbon (H. lar), Indisch vastland; Siamang (11. syndactylus), Sumatra; Grijze gibbon, Wouwou (11. leuciscus), Java.

Slank-aap (Semmpithecus). — Hanuman of Hulman (S. eu-tellus), Dekan en Bengalen; langneuzige Kahau (S. nasica), Borneo; Kleedaap (S. ucmaeus), Cochin-China.

Meerkat (Cercopithecus).—Diana-aap (C. diana) en Harlekijn of groene aap (C. sabaeus), West-Afrika; Koode aap (C. ruber), Noord-Afrika; Javaan (C. cynomolyus), Malakka cn de Ind. archipel.

Borneo

4.

ocr page 116

104

5. Magot (Inuus). — Staartlooze aap (I. ecaadalas) de soort van Gibraltar, voorts in N.-Afrika; — Laponder-aap (/. nemestrinus), Sumatra en Borneo; zwarte Baardaap, Wan-deroe (I. silenus), Dekan, Ceylon, enz.

6. Baviaan, Hondskopaap (Cynocephalus). — Mandril of Boschdnivcl (C. Mormon)-, Kaapsclie baviaan (C. porai-)•«(«); Mantelaap (C. hamadyyas), allen in Afrika. De Wan-deroe wordt ook wel tot de bavianen gerekend en heet dan C. silenus.

h. Apen der Nieuwe wereld.

1. Brulaap (Mi/cetcs). — Gewone brulaap (.1/. hcchchulh) en rose of roode brulaap (Af. senicnlus), Guyana, Brazilië.

2. Slingeraap (Atclcs) — de Coaita (.4. paniscus), Guyana; Miriki (.4. liypoxanthus), Brazilië.

3. Eolaap of Sapajoe (Cehus).—De Capucijner-aap (C. ca-pucinus en apclla), Guyana.

4. Eekhoorn-aap (Callithrix). — De Saimiri of Titi , ook doodskop-aapje (C. sciurea), Guyana en Brazilië.

5. Zweefaap of Saki (Pithecia). — Witkop-aap (P. leacoce-phala) ; Joden-aap (P. israeUta), D;iivel-aap (P. Satanas), alle drie in de noordelijke helft van Z.-Amerika.

6. Zijde-aap (Hapale); gewone of witoorige Zijde-aap, Oeïs-titi (11. jacchus); Lceuwaapje (II. liosaUa)\ Brazilië, Columbia, enz. 1

II Halfapen.

1. Vosaap of Maki (Lemur)-, — de gewone Maki (L. Morujoz); de Vari of Macaco (Ij. Macaco)-, Indri (L. of Lichanolus Indri), allen op Madagaskar.

2. Vingerdier (Chiromys). —- V. van Madagaskar, Aye-Aye (Ch. madagascariensis); weidt ook wel tot de knaagdieren gebracht.

3. Traaglooper, Lori (Slenops) — de Slanke lori (Sl. r/racilis), Ceylon; de Guineesche Traaglooper of Potto (St. Polio)-, Grijze T. (Sl. lardigradus), Ind. vastland, Borneo, Sumatra.

4. Ooraap of Galago (Ololicnus) — Senegalsche galago (O.

1

lüj Jlapale (Jacchus) is de tandformulo als l)ij de apen der Oude wereld en bij dcu meusch. Hersenen zonder windingen.

ocr page 117

105

molioli). — Het Spookdiertje (Tarsias speelrum), Ind. arch ip cl.

§ 132. Derde Orde Huidvliegcrs (Dennoplcra). Deze orde bestaat alleen uit het geslacht Vliegende aap ot maki (Galeopiihecus), waarvan 3 soorten (G. variegatm, marmoratus en Philippinensis) bekend zijn. Bij deze dieren vormt de huid der zijden en der pooten een uitspansel, welks rand zich van den nek tot de voór-handeu, van deze naar de achterhanden, en dan tot de punt van

deu staart uitsterkt. Dit uitspansel dient het dier niet om te vliegen, maar als eene soort van valscherm, waarmede bet, bij zijne geweldige sprongen van den oenen boom op den anderen, als ware het op de lucht steunt. Dc duimen zijn niet opponibel (§ 33) de nagels sikkelvormig gekromd. Paarsgewijs geplaatste snijtanden in de boven-, aan-ccngeslotene in de onderkaak; gcenc hoektanden. Kiezen mot scherpe knobbels, als bij de insekten-ctors. Zij loven van vrachten, insekten en kleine vogels, die zij des avonds naiaeren.

Vliegende Maki. o j j j ö

§ 133. Vierde orde. Verscheurende dieren of roofdieren (Carni-vora). Snijtanden naar evenredigheid klein; hoektanden groot, gekromd en spits; kiezen met min of meer spitse punten. Op de valsche kiezen volgt eene groote kies met verscheidene spitsen, die scheur lei es genaamd wordt. Aan de voor- en achterpootcn doorgaans 5 teenen, allen met klauwen gewapend. Soms 4 teenen aan de achtervoeten, zelden aan dc vóórvoeten.

Het geheele maaksel der roofdieren, vooral dat van hun gebit, hunne kaken, wier gewricht bijna alleen eene op- en neergaande beweging toelaat, en de spieren, die de kaken bewegen, zijn naar hunne levenswijze ingericht. Dc jukboog is stevig en sterk buitenwaarts gekromd. Zij leven van andere dieren, vaak grooter dan zij zeiven zijn, en zijn niet zelden met zeer groote kracht en vlugheid begaafd.

ocr page 118

106

De windingen der groote hersenen zijn veel minder ontwikkeld dan bij de apen, en die hersenen bedekken van achteren de kleine hersenen niet. Intusschcu staan velen in verstandelijk opzicht hoo-gcr dan de apen.

Men verdeelt de verscheurende dieren in 1° Landroof-dieren en 2° Zoe-roofdieren of Vinvoetige verscheurende dieren. 1

§ 13i. Landroofdicreu (Ferae). Zij hebben 6 snijtanden en 2 hoektanden in elke kaak, maar het aantal kiezen is verschillend. Ook het getal der teenen verschilt; zoo hebben b. v. de katten eu honden 5 teenen aan de voor- en 4 aan de achtervoeten, de hyenas 4 aan al de voeten, de meeste civetkatten, de wezelachti-gen en de beeren daarentegen 5. Ook de wijze, waarop zij den voet op den grond zetten, is niet bij allen dezelfde. Bij het mee-rendeel (katten, hyenas, honden en civetkatten) steunen de voeten bij het gaan alleen op de teenen , maar de wezelachtigen en de beeren zetten den handpalm en de voetzolen op den grond. De eersten noemt men daarom Vingertreders (di'gitigrada), de anderen Zooltreders {plantUjrada) Ook ten aanzien der klauwen verschillen de landroofdieren. De katten en eenige soorten van civetkatten (Vi-verra, Paradoxurns) kunnen de klauwen geheel of gedeeltelijk terugtrekken, ten gevolge waarvan deze, althans wanneer zij geheel teruggetrokken kunnen worden, steeds scherp blijven, terwijl zij bij de roofdieren, die geene intrekbare klauwen bezitten, door

De katten zijn met het oog op gebit en klauwen, op kracht, vlugheid en bloeddorst, de roofdieren bij uitstek, terwijl daarentegen de beren van allen 't meest naderen tot den plantenetenden. Bij de bei-en zijn de kiezen platter en veel minder spits, de scheurkies ver

afslijting bij het gaan stomp zijn. Fig. 60.

1

De Zeeroofdiereu of Viuvoetigeu worden ook wol als eeue afzonderlijke orde aangemerkt.

ocr page 119

107

kiezen en de snijtanden zijn naar verhouding groot; zij voeden zich dan ook gedeeltelijk mot plantaardige stoffen.

Niet alle landroofdieren bezitten sleutel-beenderen, en bij hen die er hebben , zijn zij onvolkomen (rudimentair). Do jongen worden blind geboren. Zeer enkele, zoo als de beer, houden een winterslaap.

§ 135. De Zeeroofdieren of Vinvoetigc verscheurende dieren (Pinnipedia) zijn dieren van tweeërlei leven {Amphibia), daar zij een groot deel van hun leven in de zee — schoon altijd dicht bij de kust — doorbrengen, doch ook veel op het drooge komen. Do

tandformule is verschillend. Do hoektanden zijn sterk en spits, de kiezen kegelvormig of met scherpe punten. In overeenstemming met hunne levenswijze loopt hun lichaam naar achteren lang en kegelvormig uit, en is bedekt met korte, glad

zelachtigeu (9, 10, 11, 12 en 13) die ovorigensplantvjrada zijn, vindt men ettelijke die alleen liet voorste gedeelte der voetzool op don grond zotten; men noemt zo daarom halfzooltreders {semiplantigrada). Onder de Viverrinen (5, 6, 7 en 8) vindt men eenigen, die eone toenadering tot de zooltreders vertoonen door liet geheel of nagenoeg onbehaard zijn der voetzolen; zij zijn de genetkat, do ichneumon en de zenik.

ocr page 120

108

aansluitende haren; de hals is kort; uitwendige ooren ontbreken, behalve bij Olaria, die kleine oorschelpen heeft. De vijfvingerige pootcn zijn kort, vinvormig verbroed en tusschen de teenen van zwemvliezen voorzien. De achterpooten staan achterwaarts gekeerd aan beide zijden van den korten staart. Op het droge bewegen de meesten zich dientengevolge slechts kruipend en langzaam; daarentegen zwemmen zij uitstekend. Onder de huid bezitten zij eene dikke speklaag. Zij leven in de gematigde en vooral in de koude gewesten der aarde, en wel in troepen. Verstandelijk behooren zij tot de hoogst staande dieren.

§ 136. Geslachten en soorten. 1A Landroofdieren.

I. Vingertreders (Digitiyrada).

1. Kat (Fclis) — Huiskat (F. domcstica), waarschijnlijk afkomstig deels van de Abyssinische (F. maniculata), deels van de Europeesche en Aziatische Wilde Kat (F. cahis); do Losch {F. lynx), Europa en N. Azië; Caracal {F. caracal) , Afrika eu Midden-Azië, verscheidene tijgerkatten F. rnarmorala, pardalis, serml enz.), O. Indië en Amerika; Leeuw {F. leo) Afrika en Azië; Tijger {F. tigris), O. Indië; Luipaard (F. leopardus en pardns), Afrika en Azië; Ja-goear of Amerikaanscho tijger {F. ogt;ica)\ Poema, Coogoear of Amerikaanscho leeuw {F. concolor), beiden in tropisch en gematigd Amerika; Jachttijger (F. juhata en yullafa), Azië en O. Afrika, beiden met niet of weinig intrekbare klauwen; men richt deze dieren tot de jacht af2.

2. Hyena {Ilyaena). — Gestreepte {II. striata), N. Afrika; Gevlokte (II. crocula), Z. Afrika; Kaapscho Hyena of Strandwolf (H. hrunnea).

3. Aardwolf (Protclcs) — Kaapscho A. (P. Lalandii).

5. Hond (Cam's). — Huishond, in verschillende rassen (C.fa-miliaris), waarschijnlijk afkomstig van den gewonen Wolf (C. lupus), don Jakhals (C. aureus), Z. Europa, W. Azië, N. Afrika, de wilde Indische honden (C. primaevus en rutilans) enz.; voorts; Hyaona-hond (C. pictus), Afrika;

1

Hot toeken f boteekeut ilat liet bedoelde dier in ons laud in liet wild aangetroffen wordt. Bij anderen staat dit uitdrukkelijk vermeld.

2

Men vat de Jachttijgers ook ouder den geslachtsnaam Oynailurus samen als oudergoslacht vau liet. geslacht Fclis.

ocr page 121

109

de gewone Vos f (C. vulpes), Egyptische vos (C. niloticus), Pool- of Blauwvos (C. lagopus). — Honden en wolven hel)-ben een ronden, vossen een loodrecht gesj)leten pupil.

5. Civetkat (Vicerra). — Groote civetkat {V. civctta), tropisch Afrika; Zibetkat (V. zibclJia) O. Indië( G-enetkat (V. genet la), N. Afrika, Spanje en Z. Frankrijk.

C. Rolstaartkat (Paradoxurus). — Indische en Soendasche (P. typus en musanga). Zie noot 2 § 134.

7. Ichncumon (Herpestes). — Egyptische Ichneumon of Rat van Pharao (//. ichneumon).

8. Zenik (Rhizaena). — Kaapsehe Zenik of Surikate (lih. fe-tradactgla).

Zoolgangers. {Plantigrada).

9. Wezel (Mastela). — Gewone wezel f {M. vulgaris) ; Hermelijn (J/. erminea); Boommarter (M. marles); Steen- of Huismarter f (it/, foina); Bunsem f (M. putorius); Fret f (M. faro) •, Sabel (M. ziheüina). Allen inlandsch behalve M. erminea en zibellina, die in noordel. Europa te huis behoo-ren. In Z. Amerika iliT. barbara, of Gulo canescens.

10. Otter (Lutra). — Gewone visch-otter f (L. vulgaris)-, Zeeotter (i. marina).

11. Stinkdier (Mephitis). — Noord-Amerikaansch Stinkdier of Chink (31. chinga).

12. Honigdas (Mellivora). — Kaapsehe H., Ratel (J\f. capensis).

13. Veelvraat (Gulo). — Noordsche V. (G. barealis).

14. Das (ISleles). — Gewone das f (it/. Taxus).

15. Beer (Ursus). — Bruine beer (U. arctos), bergstreken van N. Europa en N. en W. Azië, ook in de Alpen; zwarte Amerikaansche B. (U. amerieanus) • Grijze Amerik. B. (U. ferox); Midden-Aziatische B. (U. libetanus); Syrische B. (U. sgriacus); Lippenbeer (U. labiatus), Indië; Malei-sebe B. (U. malayanus) ; Ijsbeer (U. maritimus). N. jiool-s treken.

1G. Waschbeer (Proeyon). — Gewone W. (/'. lot or), N. Amerika; Surinaamsche VV. Crabodago (P. cancrivorus).

17. Neusdier (Nasua), — Ncusvarken of Koeati, Coati mondi (N. nasica en sodalis), Oostelijk Z. Amerika.

18. Kinkajoe (Cercoleptes). — Gewone K. (C. eaudivolvus). Z. Amerika.

ocr page 122

110

19. Benturong (Arctictls), — Socndaselie B. (A. penicillata). B. Geslachten en soorten van Zeeroofclieren.

1. Rob (Phoca). — Gewone Rob of Zeehond f (l'h. vitvlina);

Groenlandsche R. (l'h. groenland!ca).

2. Zee-olifant (Cystop/iora). — Noordelijke cn Zuidelijke (C. crista!a en jjrohosculca); 'L. en N. halfrond.

3. Oor-rob (O t ar ia). — Zeeleeuw (O. juhata), kust van Pata-gonic; Zeebeer (O. ursina), Kusten der Zui(l|)00lzee, het mannetje van den eersten met korte manen, de tweede ruig.

4. Walrus (Trichecus). — Gewone Walrus (T. rosmarus), met twee groote benedenwaarts gerichte slagtanden in de bovenkaak. Noordpoolzeeën.

§ 137. Vijfde orde. Herkauwende dieren of herkauwers (Ilumi-Voeten met twee hoeven (§ 119) waarom de herkau-

nanlia). Kij;.

Go.

lij

Achtervoet van een hort.

wende dieren ook wel tweehoevigen (bisulea) heeten. Bij de meesten bevinden zich achter aan den voet nog twee kleine gehoefde teenen, bijhoeven, die den grond niet aanraken. Kiezen met geplooid glazuur op de breede kauwvlaktc. — In het algemeen ontbreken in de bovenkaak de snijtanden en in beide kaken de hoektanden, terwijl de kiezen der onderkaak door cene vrij groote tusschenmimte van de snijtanden gescheiden zijn. Het aantal kiezen is steeds quot;/e- — Hierop maken de kameelen en lama's ecne uitzondering; deze hebben ook inde bovenkaak snijtanden, hoektanden in beide kaken, maar slechts Vs kiezen. Enkele hertsoortcn hebben ook hoektanden in de bovenkaak, die zelfs soms zeer lang zijn en benedenwaarts uit den mond stoken , b. v. Cervus mvntjac, het Muskusdier enz.

De meeste herkauwende dieren dragen hoornen op den kop. Men onderscheidt deze in eigenlijke of holle hoornen, cn in vaste hoornen of geweien. Holle hoornen zijn kokers, die eigenlijk uit samengepakte haren bestaan cn met hunne grondvlakte om een vast bcenen uitsteeksel (hoornpit) des voorhoofdbeens zitten. Zij vallen niet af en groeien gedurende den gcheelen leeftijd des diers voort, door-

ocr page 123

Ill

dien zich aan den grondslag telkens nieuwe hoornringen onwikke-len. Tot voorbeeld dienen de hoornen der koeien en geiten. — Een vaste hoorn of gewei bestaat uit beenstof en is niet hol. De grondvlakte zit niet om, maar op een beenig uitsteeksel van het voorhoofdsbeen, dat men „rozenstokquot; heet. Het gewei valt jaarlijks

af, en wordt vervangen door nieuw gewei, dat steeds grooter is dan het voorgaande , en ook , zoo liet een getakt gewei is, meer takken bezit. Als voorbeeld noem ik het gewei van een hert. Zoo lang het gewei groeit, is het bekleed met eene behaarde , zeer vaatrijke huid, wier bloedvaten de stof afscheiden waardoor het gewei groeit. Later sterft deze huid en valt af, waartoe het dier door wrijven van het gewei tegen boomen medewerkt. — Geweien bezitten alleen mau-netjes-dieren, behalve bij het rendier, welks wijfje ook een gewei

heeft; bij dieren met holle hoornen zijn meestal de wijfjes daar ook van voorzien.

§ 138. Ten aanzien van het inwendig samenstel der herkauwers

ocr page 124

112

moet vooral hunne maag niet met stilzwijgen worden voorbijgaan. Dc maag der herkauwende dieren is geen enkelvoudige zak, zooals die der overige zoogdieren en van den mensch; zij is in drie of vier afdeolingen of magen verdeeld, die men van linksaf tellende aldus onderscheidt: de pens (rumen), de mufs, huif of net-maay (reticulum) de boekpens (ouicmun, psalterium) en ilo lehmaaff. (ahomasum). De binnenvlakte van de pens is voorzien van harde

Fig. CG. Fig. G7.

tepeltjes, dc muts bovendien van kleine plooien van het slijmvlies, die diepe hoekige vakjes vormen; in de boekpens bezit hot slijmvlies breede overlangsche plooien, die als de bladen van een boek tegen elkander liggen; in de lebmaag bevinden zich kleinere plooien, en in deze maag alleen is eigenlijk hot maagsap bevat. Het voedsel nu — dat bij dc herkauwende dieren steeds uit gras of bladeren bestaat en met behulp der tong wordt afgeplukt, — wordt eerst onder het grazen slechts grof gekauwd en komt dooiden slokdarm in de pens, waar het in het doorgeslikte speeksel weekt, — vervolgens in de muts, waaruit het weer bij kleine gedeelten door den slokdarm in den mond gedreven wordt, om op nieuw gekauwd of herkanwd tc worden. Goed fijn gekauwd gaat het nu wederom door den slokdarm, dan voorts door een sleuf aan de binnenzijde der muts naar de boekpens (die bij de kamee-len en lama's ontbreekt), en daarna naar de lebmaag, waarinde

ocr page 125

113

eigenlijke spijsvertering plaats heeft. Bij de zuigende jongen gaat de melk rechtstreeks door de drie eerste magen heen naar do lebmaag. liet darmkanaal is lang; het bezit van 12 tot 28 maal de lengte van het lichaam.

Do hersenen vertoonen windingen , maar in mindere mate dan die der roofdieren.

§ 13!t. De herkauwende dieren zijn moest groot van gestalte met naar evenredigheid kleinen kop, cn leven, gelijk gezegd is, vooral van gras en bladen. Ue meesten loven gezellig in kudden Tot hen behooren ongetwijfeld do voor den mensch het meest nuttige dieren. Zij zijn over do gansche aarde verspreid, behalve in Australië.

Men verdeelt de herkauwende dieren in twee groote afdoelingcn, te weten: 1quot;. herkauwers met drie magen en snijtanden in de bovenkaak (kameelachtigen), 2°. herkauwers inet vier magen en met snijtanden alleen in de onderkaak. De laatstcn verdeelt men weder in holhoornigen, hertachtigen of geweidragenden, en giraffen. Wij krijgen aldus vier groepen van herkauwenden.

1. Kameelachtigen (Camelina. Tijlopoiln). Geene Ijijhoevou; goene

i *■ a 1 1 5 , 1 1 5.

hoornen; tanden -— -, of, bn de lamas,-!-!-

3 1 4' ' J '3 1 5.

Geen boekpens.

2. Holhoornigen (Cavicornia). Achterhoeven; holle hoornen; tand-

0 0 6 formule ^ 0 gt; Vier magen.

3. Hertachtigen (Cervina). Achterhoeven; bij de mecsten een bundel haar aan de binnenzijde der achtervoeten; vaste hoornen of geweien (het muskusdier bezit er geene). Tandformulc als bij de Holhoornigen , doch bij eenigen hoektanden. Vier magen.

4. Giraffes (Camelopardalina, Devexa). Geene achterhoeven; in plaats van hoornen of gewei twee stompe, blijvend door de huid omkleedde been-uitsteeksels. Bij het mannetje eene uitpuiling midden op den schedel. Tandformulc als 2 en 3.

§ 140. Geslachten en soorten.

I. Kameelachtige dieren.

1. Kameel. (CamelHs). — Arabische of cenbultige kameel of dromedaris (C. dromedarias); Bactrische, Mongoolsche, twcebul-tige kameel (C. Baetrianus).

2. Lama (Auchenia). — Huanaco (A. hncmaco), waarvan de eigen-

8

ocr page 126

114

lijke lama {A. lama), die alleen in tammen staat voorkomt, waarschijnlijk afstamt; Paco (A. paco); Vieunna, vigogne (A. vieunna). Alle in Z.W. Zuid-Amerika.

II. Holhoornigen.

1. Rnnd {Bos). — Gewoon Rund {B. faurus) met verschillende rassen; Zebu (B. indicus), Perzië en Indië; Soendasche Bun-tang (/i. sundaiciis), Java; Sylhetaansch rund (B. Sylhetanus, Gaurus, frontalis), Indië; G-ewone buffel, ami, karbouw (Ji. htihalus, Indië , en daaruit overgebracht in Italië; Kaapsche buffel (B. eafer); Europeeschc bison, Wisent fJl honasus); ten onrechte Aueros of Urus geheeten; alleen nog in Lit-thauwen en in den Caucasus; Amcrikaausche bison (B. ameri-canusj, N.-Amerika; Yak (B. yrumiicnsj, Midden-Azië, Muskus-os (B. of Ovihos moschatus), Noord-Amerikaansche poolstreken.

2. Schaap (Ovis). — Moeflon (O. musimon), Turkije, Griekenland, Sardinië, Corsica; Argali (O. aminon.), Z. Siberië cn Tartarije; van een van beiden stamt allerwaarschijnlijkst het tamme schaap (O. aries)- Arkar (O. Poli!), zeer groot; Midden-Azië; Afrikaansche moeflon, tedal (O. tragelaphus).

3. Geit (Capra) — Gewone geit f (C. kirmes) stamt waarschijnlijk af vau den Bezoarbok of Pasang (C. aegagrus) in Perzië; Steenbok der Alpen ((7. ibc.x)- Steenbok der Pyreneën (C. pyrenaiea).

4. Antilope {Antilope). — Gems {A. rupicapra ); Z.-Europa; Gewone Gazelle (A. dorcas), N.-Afrika en Arabië; Springbok {A. cnchore); Hertebeest {A. Caatna); Elanddier (A. orcas); Oryx (A. oryx)-, Blauwbok (A. leucophasa), mot nog een aantal andere soorten, in Zuid-Afrika; Indische antilope (A. cer-vieapra)Saiga (A saiga), Russische steppen; Addax (A. ad-dax), Nubië; Gnoe (A. gun), Z. Afrika; Dwerg-antilope (A. pygmaea), Guinea; Tschikara (A. quadrieornis), met vier kleine hoorns, in het Himalaya-gebergte.

1 Onderscheid tusschen schapen en geiten. Schaap: voorhoofdstreek en bovenueusstveek bol; hoornen vau achteren naar voren platgedrukt, vaak spiraalswijs gewonden.

Geit: voorhoofdstreek en bovenueusstveek plat; hoornen zijdelings platgedrukt en achterwaarts gebogen.

ocr page 127

115

III. Hertachtige dieren.

1. Hert (Cermis). — Rendier (C. tarandus), Lapland, N.-Siberië, noordelijk N.-Amerika; Eland (C. alces), N.-Europa en N.-Amerika; Gewoon of edelhert f (C. elaphus); Wapiti of N.-Amerikaansch edelhert (C. canadensis)-, Reehert (C. virgini-anus) N. Amerika; klein Reehert {C nemoralis) Suriname; Japansch edelhert (C. Sika); Javaansche Russa (C. russa); Hert van Aristoteles (C. Aristotelis) Indisch vastland; Muntjac (C. muntjac) Indisch vastland, China, Ind. archipel; Damhert f (C. darna); Axis (C. axis) Indisch vastland; Ree f (C. capreolus)

2. Muskusdier (Moschus). — Muskusdier (J\I. moscJilfcrtts), 1 Midden-Azië; Javaansch M. fM. javanicusj, zoo groot als een konijn; Zwijnhert (M. aquaticusj, Westkust van Afrika, in maaksel van ledematen overeenkomende met de zwijnen.

IV. Giraffe. (Camelopardalis). — Kameelpardel of giraffe (C. Giraf a), Midden- en Zuid-Afrika.

§ 141. Zesde orde. Dikhuidigen (Pachydcrmata). Een zeer ver-

3 1 G

schillend gebit. Bij het paard is de tandformule ^ ^ bij het

3 1 7 2 1 G

zwijn ; , —_; bij het Nijlpaard -----; bij den Rhinoceros

J 3 1 71 J J1 2 1 0' J

4 0 7 1 0 7 1 0 1 of 2

4 0 7quot;' bij den klipdas 2 0 7' bij 11011 Elefant 0 0 1 of 2 Bij het Nijlpaard zijn de voorste snijtanden der onderkaak zeer lang en groot, de onderste hoektanden desgelijks. Bij den Elefant zijn de beide snijtanden in de bovenkaak tot lange slagtanden uitgegroeid; het aantal kiezen is eigenlijk in elke kaak 6, doch daar zij zeer afslijten, om door andere meer achterwaarts geplaatste te worden opgevolgd, zijn er steeds slechts 1 of 2 aanwezig.

1

M. moschiferus, levende in de liooge vlakten van Midden-Azië, is opmerkelijk door een aan den buik gehecliten zak of buidel, waarin de muskus bevat is.

ocr page 128

11(5

Op de kauwvlakte der kiezen ziet men bij den aziatischen elefant bandvonnige, bij den afrikaanschen ruitvormige glazuurplooien.— Voeten met 1 , 3 , 4 of 5 gehoefde vingers. Meestal eene dikke huid. Bij velen (Elefant, Rhinoceros, Paard) eene enkelvoudige maag, bij anderen een beginsel van eene scheiding in twee helf-Fig. G8. ten (Tapir, Klipdas) •, bij cem'gen de maag werke-kelijk in twee afdeelingcn gescheiden (Nijlpaard, Navelvarken). Zij eten dergelijk voedsel als do herkauwende dieren, doch herkauwen niet.

Fijr. CO.

Ton aanzien der hersenen staan zij ongeveer met de herkauwende gelijk, — in verstandelijk opzicht staan velen hoogcr.

Tot de dikhuidigen behooren de grootste en zwaarste landdieren.

Dikwijls wordt deze orde in twee afdeelingcn of orden gesplitst, die der Eenhoevigen, waartoe slechts één geslacht, het paard, behoort, en die der Veelhoevigen, die al de overige ge-Sched.,1 van cc. wiM zwijn. slachten omvat.

§ 142. Geslachten en soorten.

T. Eenhoevigen (Solidiinynla.) Ranke, veelal fraai gebouwde die-

ocr page 129

117

ren, mot oen niet te grooten kop, grooto oogon , langen lulls, en naar evenredigheid lange pooton. In hot wild leven zij op booinlooze grasvlakten, oorspronkelijk in Midden-Azië, verwilderd ook in andere werelddeelen. De Zebra, de Dauw en do Quagga leven in Zuid-Afrika.

1. Paard (Equus). — Paard (E. cahalius), Ezel fE. ashius), Dsjiggetai (E. haniontis), Syrische ezel {E. liemippus) , Zebra (E. ZcbraJ, Dauw (E. montanusj, Quagga (E. quayya). Veelhoevigen CMaltiuifjalaJ. Drie tot vijf gehoefde teenen. Dikke, vaak plompe dieren met een grooten kop, kleine oogen, korten hals , en naar evenredigheid korte pooten. Zij leven meest in vochtige wouden en moerassige streken, of zelfs (Nijlpaard)

II.

gedeeltelijk in het water. Van deze dieren is het zwijn allesetend en nadert tot de roofdieren , meer bepaaldelijk tot de Boeren. De overigen zijn plantenetend.

2. Zwijn fSi'sJ- — Wild zwijn fS. scrofa.J, waarvan allerwaarschijnlijkst het tamme zwijn (S. scrofa domc.sllciis), afstamt. Kaapsch masker-zwijn (S. larval us), Hertzwijn of Babirocssa fS. of Poreus hahirussaj. Celebes.

3. Navelzwijn {Dicotylcs). Pekari of Tajassoo {!). labiatus), Z. Amerika.

-1. Wratzwijn fPhacochoerusJ. — Zuid-Afrikaansch W. (Ph. aethiopicus); Zwijn van Aelianus (Ph. Aeliani), Abyssinië.

Voet van een varken. 5_ Rivier- of Nijlpaard {Hippopotamus). — Nijlpaard (//. amphibius) uit do Midden- en Zuid-Afrikaansche rivieren, vroeger ook in den Nijl.

6. Tapir (Taplrus). — Zuid-Amerikaansche tapir (?'. americanus); de harige tapir (7'. villosus), mede in Z. Amerika*, de tapir van Sumatra en do Molukken (T. indicusj.

7. Neushoorn (Rhinoceros). — Eenhoornig Indisch cn Javaansch Neushoorndier (Rh. ludicus en javanlcus); tweehoornig Suina-traasch N. {Rh. Stimalranus); tweehoornig zuid-Afrikaansch {Rh. bicornis), waai-van als bijsoorten of rassen kunnen beschouwd worden Rh. simus, Keitloa en cucullatus.

8. Klipdas (Ihjrax). — Syrische klipdas of Daman (IT. syriacus)\ Kaapsche klipdas (II. capensis); — kleine, veel op knaag-

ocr page 130

118

dieren gelijkende dieren, die wegens hun gebit en schedelvorm, welke op die van dc Khinocerossen gelijken, hier worden geplaatst.

9. Elefant (Elejihas). — Indische elefant fE. indicus); Afrikaan-sche elefant {E. africauus).

§ 143. Zevende orde. Walvischachtige dieren (Cetacea), doorgaans verdeeld in twee orden : Sirenen (SireniaJ en eigenlijke Wal-

vischachtigen of Wallen (Cetacea). Een min of meer visehvormige romp, bij de Sirenen naderende tot den vorm der robben. Alleen voorste ledematen met vin-gervormigevoeten,(fig. 55) wier vingerleden geheel door de huid ingesloten zijn; bij de Sirenen soms , bij de Wallen nooit nagels. Bij de Sirenen neusgaten voor aan den kop, bij de

Wallen boven op den kop. Greene uitwendige ooren. De romp loopt achterwaarts dun uit en eindigt in eene horizontale platte staartvin (bij de visschen is de staartvin loodrecht). Bij de Sirenen tepels in de okselholte, bij de Wallen aan den buik. Bij eenige Sirenen snijtanden en geknobbelde kiezen, bij eenige Wallen (dol-fijnachtigen) vele kegelvormige tanden, bij de overigen geene tanden , maar aan dc bovenkaak lange, overdwars geplaatste, elas-tieke hoornplaten of „baardenquot; (balein). Huid weinig behaard met borstelharen aan de lippen (Sirenen), of geheel naakt (Wallen). Voorts ligt bij de laatsten onder de huid eene min of meer dikke speklaag. — De hersenen sterk ontwikkeld, met een nog meer ingewikkeld stelsel van windingen dan bij den mensch.

De Sirenen bereiken eene lengte van 3 tot 4 meters en meer. Zij leven in zee dicht bij het strand cn aan de monden van rivie-

ocr page 131

119

terdampen mot zich , die zich op een afstand als een waterstraal vertonnen. Hot strottenhoofd is verlengd tot eonc van boven omgebogen kraakbeonige buis, die bij de ademhaling in de achterste neusopening kan worden gebracht, waarbij dan neus- en

Fipr. 74.

mondholte door eene sluitspier van elkander gescheiden worden, zoodat hot dier kan ademhalen ook wanneer de mondholte vol water is.

§ 144. Geslachten en soorten.

I. Sirenen.

1. Lamantijn (ManalasJ. — Brazilische Lamantijn of Zeekoe {M. auslralisj, West-Indische Zeekoe CE. laliroslris), Se-negalsche Zeekoe (M. seneyaleusis).

2. Doejong, (HalicoreJ.— De Doejong of Zeekoe van Oost-Indië en Australië (II- cetacea.)

II. Walvischachtigen.

a. Eigenlijke Wallen (üalaenodea). Geen tanden, maar baarden.

ocr page 132

120

1. Walvisch (DclaenaJ. — Grocnlandsche Wulvisch fB. mijs-ticetus), Zuidzee-walvisch (11. australis.)

2. Viuvisch (BalaenopteraJ; oen rugvin. — Groote Vinvisch . (B. hoöps.J, IJszee, liet grootste dier, soms meer dan 30 meters lang; Langvinnige Vinvisch fB. lonrjimana.), IJszee, Japansche zee.

b. Dolfijnaclitigen (DelphinoideaJ. Tanden.

3. Potviseh (Physeter). — Potviscli f (Ph. macrocephalus). N. zee en Atl. oceaan.

4. Butskop (HyperoodonJ. — Gewone B. f (H- rostratus), Atl. oceaan.

5. Narwal fMouodonJ. — Narwal of Zee-eenhoorn fM. monu-ccrosj. In de tusschenkaaksbeenderen staan (§ 3ü) twee tanden, waarvan de rechter meestal niet uitgroeit, terwijl bij do mannetjes de linker zeer lang wordt en als oen rechte spiraalsgewijs gegroefde hoorn voor den kop uitsteekt; Noordel. IJszee.

G. Dolfijn (Delpldnus). — Gewone dolfijn f (D. delphis), Tuimelaar f (D. tursio); de in zoet water levende Gan-gesdolfijn (D. gangeticus) en Amazonen-dolfijn (D. of Ini'a amazonicus).

7. Bruinvisch (Phocaena). — Gewone Bruinvisch f (Ph. communis); Zwaardvisch, Ork f {Ph. orca); Grindwal f {Ph. globiceps).

Bij Balaena en Balacnoptcra hebben beide neusgaten op den kop slechts écne gemeenschappelijke opening.

§ 145. Achtste orde. Vleugelhandigen {Chiroptcra), Vledermui-zen. Vijf vingers aan alle vier de pooten. De vingers der voorpoo-ten (uitgezonderd de duim) zijn buitengemeen lang. Tusschen die lange voorvingers, de voorpooten zeiven, de zijden van het lijf, do achterpooten en soms ook don korten staart, is een dun, onbehaard vlies uitgespannen, door middel waarvan het dier als een vogel, of liever als oen vlinder, in de lucht kan vliegen. Aan don boven- of voorrand der vleugels steken de kleine duimen als scherpe punten uit. Aan elk hielbeeu ziet men oen spoorvormig

ocr page 133

121

den arm, waardoor dan do vlieghuid tegen de zijde des liehaains wordt geplooid. Bij dag slapen do vlodermuizen in holle boomen, in spleten van muren enz.; 's avonds en 's nachts vliegen ze uit om voedsel to zoeken. In de go-matigde luchtstreken houden zij oen winterslaap , gedurende welken zij aan de nagels dor aehterpooten hangen mot don kop naar bonedon, en met de vlieghuid om hot lijf geplooid. Zij

voeden zich deels met dierlijk , deels mot plantaardig voedsel. — Do oppervlakte der groote hersenen is geheel of nagenoeg glad.

Hot gebit der Insecten-otendo vlodermuizen is 0 tot 3 1 (1 tot 3 -f 3) 2 1 (1 tot 3 3) De kiezen, soms ook de

ocr page 134

122

hoektanden, zijn van scherpe puntjes voorzien. Do vingers der voorpooten, behalve dc duim, zijn ongcnagold. De meesten (gesl.

pjg y,S 2, 3, 4, 5), hebben groote, hreede

cn van plooien voorziene ooren, en bij velen is hot gelaat misvormd door hoefijzervormige, klaverblad-vormige, liervormige huidplooien op den neus. Men vindt ze door de ge-hcele wereld verspreid. Sommige i groote Amerikaansche soorten zuigen levende, soms groote dieren het Kruipende Vleilcrmuls. bloed uit (Vampyrs).

De Vruehtetende vledermuizen, die alleen in Oost-lndië cn op Xieuw-Hollaud leven en meerendcels zeer groot zijn, bezitten kie-

, 2 1 3 tot 5 TT zen met stompe kamvvlaktcn. Tandformule , . ■, _■ —Hun 1 2 1 5 tot b

kop heeft veel van dien van een hond, met slechts matig groote

en geenzins vreemdgevormde ooren cn zonder huidplooien op den

neus. Behalve de duim is ook do tweede vinger der voorpooten

genageld.

§ 146. Greslachten en soorten.

I. Vruchtenetende vledermuizen.

1. Vliegende Hond {Pteropm). — Javaanschc vliegende hond of Kalong {Pt. edulis).

II. Insektcnetendc vledermuizen.

2. Bladneus (Phyllostoma). — Braziliaansche Vampyr (Ph. spectrum). Vlucht 0,7 meter.

3. Hoefijzerneus, Kamneus (Rhinolophus). Eui'opceschc hoefijzer-neus (lik. ferrum eqiiinitm); Zuidelijk Europa.

4. Tougvlederinuis (Glossoplicuja). Braziliaansche T. ((?. amplexi-caudata).

5. Lierneus (Megaderma). — Lierneus (M. lyra), Dekan.

6. Grootoor (Plecotus). — Europeesche Grootoor f (PL auritus). Grootoor van Timor (PL timorensis.)

7. Vledermuis (Vespertilio). — Gewone vledermuis, groote spek-muis f (V. noctula), Avondvledermuis f (F. serotinus), Rat-vledermuis f (V. marinas), Dwergvlederauiis f (V. pipistrellus).

ocr page 135

123

§ 1-47. Negende orde. Insektenetcrs {Inscolivora). Deze werden vroeger als eene onderafdeeling bij de verscheurende dieren gevoegd. Getal snijtanden en kiezen verschillend, de eerste soms ongelijk in aantal in de beide kaken; vaak geene hoektanden.

Kiezen met scherpe puntjes. De spitsmuizen bezitten slechts een paar groote snijtanden in elke kaak. Doorgaans 5 vingers aan al de voeten, die met de zolen op den grond geplaatst zijn. Sleutelbeenderen. Een klein en gedrongen lichaam, gelijkende

op dat van vele knaagdieren. Sommigen (de mollen) leven onder den grond en bezitten slechts kleine, bijna of geheel door de huid overdekte oogen. Velen houden een winterslaap. — Geen windingen der groote hersenen.

§ 140. Geslachten en soorten.

I. Gestekelden (Aculeafa). Rug en zijden met stekels bedekt; een stompe snuit; een korte of geen staart.

1. Egel (Erlnacerts). Gewone Egel, Zwijnegel, Egelvarken f (Erinaceus etiropacus), Madagaskarsehe Borstel-egel, Tenrec (E. of Cenfetcs ccaudatus).

2. Klim-egel (Cladobates).— Oost-Indische klim-egel, Tupaia (Cl. Tana).

II. Spitsmuisachtigen (Sorloina). Een lange en spitse snuit en lange staart; geen jukboog.

3. Spitsmuis (lt;S'orea:). — Gewone spitsmuis f CS. vulgaris en araneus)-, Waterspitsmuis f (S. fodiens); Dwergspitllnuis (»S'. elruscus, of Crocidura suaceolens), het kleinste zoogdier, slechts 4 centim. lang. Z. Europa.

4. Springspitsmuis (Macroscelides). — De Afrikaansche S. (Jf. typicus).

5. Desman (Myoyalc.) — Bisam-desmau uit zuidelijk Kusland {M. moschata.).

III. Molachtigen (Talpiua). Een rolrond lichaam; spitse snuit; geen uitwendige ooren, oogen klein, bijna door de huid bedekt; geene of zeer korte staart. Voeten tot graven ingericht.

ocr page 136

124

6. Mol (Talpa). — Gewone Mol f ('J'. earopaca)\ Blinde mol (?'. eoecaj, Z. Europa.

7. Watermol (Scalops). — Noord-Amerikaansche Watennol (S. ayrioticus).

8. Ster-mol (Condyhtra). — Noord.-Amerikaansclie Stennol (C. crislata en lomjicaudata).

9. Glansinol (Chrysochloris). — Kaapsche glans- of goudinol (C/i. inaurata.)

g 149. Tiende orde. Knaagdieren (Uodaitia, llosores). Over 't geheel kleine zoogdieren, met een gedrongen lijf, min of meer spitsen, met knevelharen bezetten snnit, en dikwijls met een gespleten bovenlip. Snijtanden V,, lang, gekromd, beitclvormig, diep in de kaken stekende eu steeds voortgroeiende, zoodat zij door het gebruik niet wegslijten. Het glazuur der snijtanden is aan de voorvlakte dikker dan aan de achtervlakte; het gevolg daarvan is dat zij van voren minder door het knagen afslijten dan van achteren en dus steeds eene beitelvormige snede behouden. Bij de haasachtigen vindt men achter eiken snijtand der bovenkaak nog een klein snijtandje. Hoektanden gcene. Eene groote ruimte tusschen snijtanden en kiezen. Kiezen -meestal V.i tot Vi met geplooide kauwvlakten. De plooien daarvan hangen af van het naar binnen inspringen van het harde glazuur, dat do kies omgeeft. Eenige knaagdieren, zoouls de eekhoorns, hebben geknobbelde kiezen; de haasachtigen bezitten kiezen, die uit tegen elkander liggende plaatjes bestaan, waardoor op de kauwvlakte dwar-sche verhevenheden te zien zijn. Bij deze zijn de kiezen zonder eigenlijke wortels in de kassen geplant. — De inrichting der kaak-gewrichten laat eene zeer vrije beweging van de onderkaak voor-en achterwaarts toe.

ocr page 137

12.r)

Velen hebben wangzakken , waarin zij hun voedsel tijdelijk bergen. Bij eenige uit de geslachten 1,4, !), 11 en 12 zijn de beiden onderkaakshelften bewegelijk. Vier of vijf van klauwen voorziene teenen, bij sommigen, die ook in het water leven, met zwemvliezen. Staart van verschillende lengte en vorm ; soms geen staart. — Deze orde is onder de zoogdieren het rijkst aan soorten. Do meeste knaagdieren vermenigvuldigen zich daarbij zeer sterk.

De knaagdieren leven vooral of uitsluitend van jdantenvoedsel, en wel moest van harde of taaie plantendeelen, basten, wortels, enz., die zij met hunne daartoe ingerichte groote snijtanden afknagen. Enkele, zooals dc rat, eten ook wel insekten, wormen, enz., ja verscheuren kleinere dieren. Bij hen, die klimmen of met de voorpooten het voedsel naar den mond brengen, vindt men sleutelbeenderen; bij de hazen en het stekelvarken vindt men daarvan slechts rudimenten; de Qavia's hebben er geene. Groote hersenen zonder windingen. Ten aanzien van hun verstand staan zij veelal (met uitzonderingen , zooals do rat) op zeer lagen trap, ofschoon het instinct bij velen zeer ontwikkeld is, b. v. bij den Bever

§ 150. Geslachten en soorten.

I. Eekhoornachtigen (Sciurina). Voorvoeten met 4 teenen en een

duimstomp , achtervoeten met 5 teenen. Een behaarde staart.

1. Eekhoorn (Sciurus). — Gewoon Eekhorentje f (S. vulgaris)-, Grauw E. (S. cinereus). N. Amerika. Groote E. van Malabar (S. maximus), zoo groot als een kat; kleine Eekhoorn van Borneo (S. exilis), zoo groot als een muis.

2. Aard-Eekhoorn (Tamias). — Siberische A. (ï'. striafvs). Wangzakken.

3. Vliegende Eekhoorn (Ptcromys), met een valscherm omtrent als de vliegende Maki (§ 127). Siberische (/'. vvJ-garls), Indische (J'. petaurista).

4. Marmot (Arctomys). — Marmot (A. marmota). Zwitserland, Tyrol; Bobac (A. hohac) Rusland.

5. Ziesel (amp;perma/ophilus). — Ziesel (S. citillus). Z. Duitsch-land, Siberië; Prairie-hond (lt;S'. ludovcicanus),Noord-Amerika.

G. Keimuis, Zevenslaper (Myoxus). — Gewone relmuis (M. glis), Zuid-Europa; Hazelmuis f (M. avellanarius).

1 Zie over den bever: Harting, Bomi-hvml lt;In- (fleren.

ocr page 138

126

II. Zwcmkuaagdicren (Palmipc.dia). Zwemvliezen tusschen de aehterteenen •, Lreedc, besclmbde staart.

7. liever {Castor). Gewone bever (C. fiber), N. Amerika, Siberië, vroeger ook N. en M. Europa. Onder de huid van den buik bevinden zich twee zakjes, waarin zich hot zoogenaamd bevergeil (castoreum) bevindt, dat als geneesmiddel gebruikt wordt.

III. Woelmuizen (Arvicolina). Dikke, stompe kop; wortellooze

kiezen; korte staart.

8. Muskusrat, Zibetmuis (Fiber). — Ondatra {F. zibetiois), N. Amerika.

9. Veld- of Woelmuis (lli/pndaens). Waterrat f (IT. amphi-bins); Gewone veldmuis f (11. arvalis); Siberische woelmuis (H. oeconomus).

10. Lemming (Myodes). — Noordsche L. (M. le.mnvs). Maakt soms gezellig grooten tochten.

IV. Muizen (Murina). Smalle en spitse kop; ooren, pooten en staart weinig of niet behaard; lange staart. Teenen als I.

11. Muis (Mus). — Gewone Muis f (M. musculus); Zwarte rat f (M. rattus); Bruine rat f (M. decumanus); de zwarte rat, vroeger zeer algemeen, is thans bijna door de bruine verdrongen. Boschmuis f (M. sylvaticus); Akkermuis f (M. acjrarius); Dwergmuis f (M. minuihs) ; Reuzenrat (M. gi-(janteus), Ind. vaste land en Soenda-eilanden.

12. Hamster (Cricefus). — Gewone H. (C. frumentarins), N. en Z. Duitschland, Hongarije, Rusland, Siberië.

V. Molmuizen, Aardmuizen (Georychina). Dikke kop, lichaam rolrond; graafpooten; oogen en ooren weinig zichtbaar; zeer sterke snijtanden.

13. Molrat, Blindmuis (Spalax), molvonnig met zeer kleine oogen; leeft onder den grond. — Blindmuis uit Z. O. Europa (S. Typhlus).

14. Zandmol (Bathyergus), als de vorige. — Kaapsche zand-mol (D. maritimus).

VI. Springmuizen (Dipodida). Voorpooten zeer kort, achterpooten zeer lang; snuit spits; oogen en ooren groot; staart lang.

15. Springmuis (Dipns).— Siberische (73. sagitta); Egyptische (D. aegyptiaens).

1G. Springhaas (Pedetes). — Kaapsche S. (Pedetes cafer).

ocr page 139

VII. Gcstckcldou {Acnleata). Kop dik, stomp ; gostckcUl lichaam.

17. Stekelrat (Lortcheres). — Suvinaamsche S. (L. cristata).

18. Stekelvarken {Hystrix). — Gewoon S. (//. cristata) , Italië en Spanje; Javaanseh S. {II. javanica).

19. Grijp staart-Stekel varken {Ccrcolahes) — Amerikaansche G., Coendoe {C. pre.licns'dis).

20. Boomstekelvarken (Philodendra). —Urson, X. Amerikaanseh B. (Ph. dorsata).

VIII. Ilalflioevigen (Suhmigulata), Cavia's (Cavina). Korte hoefaeh-tige nagels.

20. Cavia (Cavia) Guineesch biggetje, verkeerdelijk marmot genaamd (C. cohaya); Ape re a (C. apcrca) \ beiden Zuid-Amerika.

21. Waterhaas (Coclogenys).— Paka (C'.paka), Zuid-Amerika.

22. Agoeti (Dasyproo.ta). — Gewone A., Coni-eoni (D. agnti). Zuid-Amerika.

23. Waterzwijn (Hydrochoerns). — Waterzwijn (H. eapyhara), liet grootste van alle. knaagdieren, zoo groot als een klein schaap. In Zuid-Amerika.

IX. Wolmuizen, Haasmuizen. (Kriomyina). Achterpooten lang; groote ooren; vrij lange staart; lang zacht haar.

24. Chinchilla (Eriomys). Z.-Amerika. Chinchilla (K. chinchilla), Peru en Chili.

25. Haasmuis (Layostomus). — Pampashaas, Viscache (L. tri-chodaatylus), Brazilië en Paraguay.

X. Haasachtigen (Leporina). Achterpooten lang; voor 5, achter 4 teenen; ooren groot; staart kort of ontbrekend. Achter eiken bovensnijtand nog een klein tandje; wortellooze kiezen.

26. Haas (Lepns). — Gewone Haasf (Lcpus timidus), Sneeuwhaas (Tj. variabilis), Konijn f (L. cnniculus).

27. Pijphaas, Hamsterhaas (Layomys). — Berghaas (L. Alpi-7ius) in Noord-Azië.

§ 151. Elfde orde. Tandeloozen (Edentata). — In beide kaken geene tanden, — of althans meest altijd geene hoek- en snijtanden. De kiezen, waar zij aanwezig zijn, zijn cylindrisch of prismatisch van vorm, zonder glazuur, en vaak zeer groot in getal

ocr page 140

128

(villi 4 tot 25 paren ter weerzijde in elke kaak). Zij hebben ruim-

0„ ten tussehen elkander en trroeien

rig. 82.

steeds voort. Getal der dicht met elkander verbondene teenen verschillend. Lange , sabelvormig gekromde klamven, geschikt tot klimmen of graven of om zich aan boomtakken optehangen (Luiaard). — Groote hersenen zonder windingen.

De tandclooze dieren zijn meest trage nachtdieren. In gedaante wijken zij zeer uiteen. Zij zijn bedekt óf alleen met haren (Miereneter, Mierenbeer, Luiaard) of voor een groot gedeelte met een uit beenige of lederachtige, in gordels gerangschikte strooken bestaand pantser (Gordeldier, Schild-dier), of met hoornachtige, dakpanswijs gerangschikte schubben (Schnbdier).

§ 152. Geslachten en soorten.

I. Plantenetenden (Herhivora). Kiezen in elke kaak. Koj) rond; snuit kort (Luiaard) of meer gerekt (Gordeldier).

1. Luiaard (Bradypus) — Drievingerige luiaard, Aï (B. tridactylusj\ Tweevingerige luiaard, Unau (11. ot C'holoe-pus didactylus). Allen in Z.-Ainerika. De drievingerige luiaards omvatten volgens nieuwere ontdekkingen vier of vijf afzonderlijke soorten.

2. Gordeldier, Armadil. {Dasypus). — Negengordelig gordeldier, Teba of Cachicama (U. novemcinctns) • Driegor-delig gordeldier, Apar (7A lricinc/vs); Reuzengordeldier (I). yiyas). Allen tropisch Amerika en Paraguay.

3. Schilddier (Cldamydophorus.) — Schilddier {Ch. trunca-tus) Bolivia.

TT. Tnsekteneters (Insectlvora). Geen tanden, behalve de Mieren-beer. Een lange, uit- en instulpbare, kleverige tong, waarmee deze dieren hunne prooi vangen. Een kleine mondopening en zeer verlengde snuit.

4. Mierenbeer, Aardvarken (Oryctcropus). — Kaapsch A. (O. capmsis.)

ocr page 141

129

5. Miereneter (Myrmccopliaga). — Grooto M. (M. juhata), Z.-Amerika; Tamandua (M. tdradactyla) met ecu grijp-staart; Z.-Amerika; kleine M. (M. didactyla) Z.-Amerika. G. Sclmbdier (Manis). Javaanscli S. (M. javanica), Lang-staartig !■?., Afrikaansche Pangolin (Af. longieaudata).

9

ocr page 142

130

tot tijd den zak of de huidplooien, maar nemen daartoe toch steeds hunne toevlucht, 't zij om te zuigen, 't zij om zich te verwarmen, 't zij om eenig gevaar te ontvluchten. Bij eenige soorten (o. a. Didel-phi/s dorsiyera) draagt de moeder de oudere jongen ook wel op den rug met zich, waarbij de laatsten dan hunne staartjes om den langen

Pasgeboren Buideldier. • , . it

staart der moeder slaan, om niet te vallen. — Overigens verschillen zij in gebit, vorm der pooten en in levenswijze veel van elkander; sommige komen te dezen aanzien met roofdieren , andere met insektenetenden , nog andere met knaagdieren enz. overeen. Bij een aantal zijn de tweede en derde vingers der achterpooten tot aan de nagels met elkander vereenigd, zoodat zij éèu vinger met twee nagels schijnen uit te maken. — Ten aanzien van het inwendig samenstel zijn opmerkelijk twee langwerpige beenderen (buidelbeen-deren) vóór aan het bokken, die men bij geene andere dieren, dan bij de Buideldieren en de Vogelbekdieren, aantreft, en welke dienen om de huid van den

,, ,, buik , -wanneer daaraan iongen hangen,

Bekken van een Kengoeroe. ' j o o 7

m. buidelbeenderen. 0p te houden. Aan de binnenzijde van den hoek der onderkaak vindt men een binnenwaarts gebogen uitsteeksel. Groote hersenen glad. — Zij leven in Amerika en in Australië, vooral op Meuw-Holland.

§ 154. Nieuwere schrijvers hebben de orde in vier orden gesplitst. Zij zijn de volgende:

I. Vleeschetende Buideldieren {Sarcophaga): kiezen met spitse knobbels, en in 't algemeen een roofgebit.

1. Buidelwolf {Thylacinus). — Buidelwolf van Tasmania (Th. cynocepltalus).

2. Buidelmarter (Dasyurus). — B. (D. viverrinus); Beerachtige B. (D. ursinus.)

3. Buidelrat (Phascogale). — Penseelstaartige B. (Ph. penicil-lata.)

4. Buidelmiereneter(il/(/rmeco6/«s).—Gestreepte fascia!as.

ocr page 143

131

II. Vcrgroeidvingerigc Buideldieren (Syndactylina). Zie boven.

Plant- of msektenetend gebit.

1. Kengoeroe (Halmaturus). — Groote Kengoeroe {11. gigan-tens); Tasmanische K. (ƒƒ. Bennetti).

2. Eat-Kengoeroe (Hypsiprymnus). — Penseelstaartige Ken-goeroe-rat van Nieuw-Holland (11. penicillatus), Tasmanische K. (H. cuniculus).

3. Boom-Kengoeroe (Dendrolagus). — Nieuw-Guineesclie B. (D. ursinus).

Deze drie geslachten leven van gras en bladeren, en worden Poëphaga genoemd.

4. Koeskoes (Phalangista) niet een opponibeleu duim aan de achtervoeten en een langen grijpstaart. — Amboineesche koeskoes (Ph, orientalis).

5. Vliegend Buideldier (Petaurus). Met een valscherm, ongeveer als dat der vliegende eekhoorns (§ 144). — Eekhoorn-buideldier (P. sciureus). Nieuw-Holland.

6. Buidelbeer, Koala (Phascolarctos). — Grijze koala van Nieuw-Holland (Ph. cinereus).

Deze drie geslachten voeden zich met vruchten (Carpophaga).

7. Snuit-buideldier (Tarsipes), met een verlengden snuit en zonder tanden. Nieuw-Hollandsch snuit-buideldier (ï'. ros-tratus).

8. Buideldas (Perameles). — Spitsneuzige B. (P. nasuta).

9. Gehoefde Buideldas (Choeropus). De vier pooten lang en dun; aan de voorpooten twee vingers, aan de achtcrpoo-ten vier, waarvan een veel langer is dan de andere, zoo dat het dier alleen op deze loopt. Slechts ééne soort, Ch. castanotis op Nieuw-Holland.

De drie opgenoemde geslachten voeden zich met insekten en wormen (Enlomophaga).

III. Buidelratten (Pedimana). De achtervoeten handvormig, tot

grijpen ingericht, en een lange dunne grijpstaart. Koofdier-

gebit.

1. Buidelrat (Didelphys). — Virginische Buidelrat. (D. virgini-ana), N. Amerika. Opossum (D. opossum), Z. Amerika. Langstaartige B. [D. dorsiyera), Suriname. IJ. Azarae vervangt in Z. Amerika 1). virginiana. Voorts de Krabben-etende Buidelrat {D. canarivora.) in Brazilië en Guyana.

ocr page 144

132

2. Zwcmbuidclrat (Chlroncctes); zwemvliezen tusschen de toe-nen der aelitervoetcu. — Brazilische en Guyaansche zwem-buidelrat (Oh. minimus.)

IV. Knaagbuideldieren (Ithkopliaya of Glirina). Een knaagdieigebit.

1. Wombat {Phascolomys). — G-ewone W. {Ph. womhat of fossor).

De buideldieren kunnen in sommige opzichten beschouwd worden als een reeks van zoogdieren, in welke de overige orden herhaald worden , of die met die orden evenwijdig loopt. Zoo bieden de knaagbuideldieren overeenkomsten aan met de knaagdieren, het geslacht Phalangista met de Halfapen, Petaurus met Galco-pithecus, de Poëphaga met de Dikhuidigen en Herkauwers, Tar-sipes en Mi/rmccobnis met de Tandeloozen, Perameles en Choero-pus met de Insekteneters, de Sarcophaga en Pedirnana met de verscheurende dieren, meer bepaaldelijk Didelphys en Dasyurus met de Civetten, Chirouectes met den Otter, Phascogale met 67«-dohates, Sarcophilus met den Veelvraat en Thylacinus met den Wolf.

§ 155. Dertiende orde. Vogelbekdieren (OrnitJwrhynchl). Deze dieren onderscheiden zich: 1. door hunnen tandeloozen en als een

ocr page 145

133

vogelsnavel verlengden snuit zonder lippen, die bij liet eend-vogelbekdier bijna volkomen op den snavel van een eend, bij het egel-vogelbekdier meer op den snuit van een miereneter gelijkt; 2. door liet bezit van slecbts ééne opening ter ontlasting der drekstoffen en dor urine, in welk opzicht zij ook met de vogelen overeenkomen: 3, door hunne dubbele sleutelbeenderen. even als bij de vogelen en de hagedissen; 4. door het bezit van buidel-beenderen; 5. door de aanwezigheid, bij de mannetjes, van eene spoor aan de achterpooten, welke spoor doorboord is met een kanaal, dat gemeenschap heeft met cene klier aan de dij; deze klier scheidt een vocht af, dat door dit kanaal naar buiten vloeit. Hersenen op die van vogels gelijkende. — Voorts hebben zij een dik lichaam, geen uitwendige ooren, korte pooten, vijf tecnen met sterke, tot graven ingerichte nagels. Het eend-vogelbekdier is een dier, dat door zwemvliezen vereenigde teenen heeft en in het water zwemmende zijn voedsel zoekt; het egel-vogelbekdiei is een landdier. Zij voeden zich met insckten, die het egel-vogelbekdier door middel van zijne lange tong bemachtigt, op de wijze der miereneters; het eend-vogelbekdier ook met andere waterdieren enz.

§ 156. Er zijn slechts twee geslachten bekend, die op Nieuw-Holland, van Diemensland (Tasmanie) en Nieuw-Guinca leven.

1. Eendvogelbckdier (Ornithorhynchus). — Vogelbekdier (O. paradoxus). Op Nicuw-Holland.

2. Egel-vogelbekdier, Mierenegel {Echidna). — Mierenegel {h. aeuleata; E. hystrix). Op Nieuw-Holland en van Diemensland. Nieuw Guineesch E. (Echidna of Acanthoglossus Bruynii).

II. KLASSE.

Vogelen.

§ 157. Vogelen {Aces) zijn gewervelde dieren, die door longen ademen, warm rood bloed bezitten en wier hart twee kamers cn twee boezems bezit. In deze opzichten komen zij dus met de zoogdieren (§ 115) overeen. Doch zij verschillen van dezen vooral in de volgende punten. Zij brengen geene levende jongen ter we-

1

ocr page 146

134

reld, maar leggen eieren; hunne huid is niet met haren, maar met vederen bedekt; slechts hunne achterste ledematen dienen tot staan, loopeu, klimmen of zwemmen, daar de voorste zoodanig gewijzigd zijn, dat zij vliegwerktuigen of vleugels zijn geworden; hunne beide ver vooruitstekende kaken (snavel) zijn tandeloos en met eene hoornachtige schede bekleed, De snavel is bij eenige vogels (roofvogels, papegaaien, duiven) aan do basis omgeven door eene zachte, soms gekleurde huid, die men washuid (ceroma) heet.

§ 158. Aan het geraamte der vogelen (%. 88) doe ik de volgende bijzonderheden opmerken.

Aan den kleinen kop vallen in het oog de in de vorige § reeds vermelde, van een hoornachtig omkleedsel voorziene, ver vooruitstekende, tandelooze kaken. Wat men bij sommige vogels tanden noemt, zijn slechts hoekige uitsteeksels aan de randen der kaken. Bij jonge papegaaien heeft men wel is waar aan de binnenzijde der kaken tandjes onder het slijmvlies ontdekt, doch deze verdwijnen later. De onderkaak der vogelen is niet onmiddelijk aan het slaapbeen ingewricht, zoo als bij de zoogdieren, maar aan het slaapbeen is nog een afzonderlijk beentje, het vierkante been of trommelbeen, door geleding verbonden, en aan dat beentje is de onderkaak ingewricht.

Terwijl de zoogdieren (met enkele uitzonderingen, § 118) allen slechts 7 halswervelen bezitten, hehben de vogelen er meer, minstens 9, meestal 10 tot 15, somtijds 20, — en kunnen dien ten gevolge hun hals veel sterker wenden en krommen dan de zoog-dieien. Van den bovenrand der halswervellichamen ontspringt aan weerszijde een stijlvormig uitsteeksel, dat met de punt benedenwaarts is gericht (rudimentaire halsribben), en waaraan zich spieren vasthechten. Ook is de kop bewegelijker dan die der zoogdieren, omdat het achterhoofdsbeen slechts met één knobbel ingewricht is op den atlas, en omdat ook de talrijke halswervelen slechts door één knobbeltje aan eiken wervel met elkander geleed zijn. Ook zijn de doornuitsteeksels zeer kort. Hoe langer pooten, des te langer hals bezitten de vogels; een langpootige vogel zou ook anders moeielijk met den bek op den grond komen. Daarentegen hebben niet alle vogels, die een langen hals hebben, ook lange pooten, gelijk wij dit bij de zwemvogels zullen zien. De 6 tot 11 rugwervels zijn weinig bewegelijk, soms aan de doornuitsteeksels met elkander tot een kam vergroeid; de 8 a 10 lenden-

ocr page 147

135

wervels en het heiligbeen maken één enkel beenstuk: het lenden heiligbeen (os sacrolumhare), uit. Do staart bestaat uit meestal 7

bewegelijke werveltjes, waarvan de laatste de grootste is eu in eene soort van breede plaat uitloopt.

De ribben der vogelen zijn 6 tot 11 in getal. Minstens het eerste paar reikt niet tot het borstbeen, evenmin als het laatste paar of de twee laatste paren (valscho ribben § 30). Aan de ware ribben, die zeer plat zijn, vindt men zekere achterwaarts over

ocr page 148

136

elke volgende rib uitstekende vcrlcngsels (processus uncinali). Elke rib bestaat uit twee gedeelten: een vóór- en een achter-, of borst-beeus- en wervelgedeelte (borstbeensrib en wervelrib). Deze gedeelten zijn door kraakbeen onderling onder een scherpen hoek verbonden, terwijl de borstbeensribben mode onder een hoek met het borstbeen geleed zijn. De wcrvelribben zijn daarentegen onbewegelijk met de wervelen verbonden, zoodat de ademhalingsbewegingen der borstkas zich alleen bepalen tot het voorste gedeelte der borstkas. Bij die bewegingen wordt hot borstbeen beurtelings voor- en achterwaarts getrokken en daardoor de hoek, dien de beiden ribgedeclten mot elkander maken, vergroot en verkleind en de borstholte verwijd en vernauwd.

Het borstbeen der vogelen is groot en iu den regel op hot midden van een sterk vooraitstekenden kam of kiel voorzien (fig. 87), waaraan do krachtige spieren vastzitten, die de vleugels benedenwaarts bewegen. Het borstbeen is het grootst bij de zwemvogels, bij wie het soms tot het bekken reikt, — hot breedst en dikst bij do roofvogels. — Bij de meeste vogels bezit het van achteren rand-insnijdingen, die bij andere ontbreken of door gaten worden (.fj vervangen. — De kam is bij de zwaluwen en

de duiven het grootst. Do pinguin, die wel c niet vliegt, maar zijne vleugels als roeiwerk-

tuigen gebruikt, bezit ook een kam. Daarentegen ontbreekt deze, of is althans weinig uitpuilend bij do struisachtige vogels.

Do vogelen bezitten twee paar sleutelbeenderen. Do beide eigenlijke sleutelbeenderen (c., fig. 89) zijn, als bij de zoogdieren, van boven aan do (zeer smalle) schouderbladen (a) gehecht, doch zitten daarentegen met rtnrcn^cn schouacrbiaden. 'lllu andcr cinfl meestal niet aan het borst-

« Schouderbladen; i ra- bCCn rf VaSt' Inail1- Saan bOVen het borstbeen

venbeksbeenderen (de stip- in elkander over, zoodat zij tezamen slechts pellijn bij de eenc amp; is bij

vergissing krom in plaats ecu been vormen, het vorlchecu genaamd —

van recht geteekond); c ei- , . . . . „

genüjke sienteibeenderen of «e struisen en eenige Australiscne pape-

vorkbeen: d borstbeen met___• •• ii'iii/». ■» . ■,

vooruitstekende kam of kiel. de beide helften van liet vork-

been niet met elkander vergroeid, maar

worden met elkander en met het borstbeen samengehouden door

banden. Bij den Kiwi-Kiwi ontbreekt het vorkbeen. De twee an-

ocr page 149

137

dorc sleutelbeenderen h , ravenbeksheenderen genaamd, omdat zij met hun ecnc eind gehecht zijn aan een uitsteeksel van het schouderblad, dat men ravenbeks-uitsteeksel heet, verbinden do schouderbladen en het borstbeen stevig met elkander.

Het bekken der vogelen is van voren open (behalve bij den Afrikaanschen Struis) doordien de schaambeenderen niet met elkander verbonden zijn, en de vooreinden van deze ver van elkander staan.

De pooton bestaan uit een kort, steeds bevederd dijbeen, een scheenbeen met een kort en weinig ontwikkeld kuitbeen, een been, dat het loopbeen (tarsus) genoemd wordt en eene vereeniging is van den voetwortel en den middenvoet, en teenen, die in nagels eindigen. Do teenen zijn meestal J in getal. Do duim heeft 2 leden , de tweede teen 3, de derde 4, de vierde 5. Echter is de middenteen, die vier leden bezit, meest altijd de langste. Do duim is meestal achterwaarts gekeerd; bij de klimvogels is dit met nóg een teen hot geval. In zeer enkele gevallen staan alle teenen voorwaarts, of kunnen ten minste voorwaarts gebracht worden, — namelijk bij zulke vogels, die zich aan steile rotsen en muren vasthaken, b. v. de gierzwaluw.

Over do vleugels spreken wij in § 164.

Vele beenderen der vogels zijn hol en, in plaats van met merg., met lucht gevuld. Men noemt dit de pneumaticiteit dier beenderen. Zij is het sterkst bij vogels, die snel en lang vliegen. Bij den Kiwi-Kiwi (Apteryx) ontbreekt zij. Bij do dagroofvogels zijn bijna alle beenderen pneumatisch, alleen het jukbeen en schouderblad niet; bij de meeste zwemvogels, de kleinere steltloopers, de zangvogels en de struisen zijn het alleen de schedelbeenderen. Deze lucht komt in de meeste beenderen door zekere kanalen, die in verband staan met de luchtzakken, die ik in §161 zal vermelden, — in de schedelbeenderen daarentegen meer rechtstreeks door de neusholte, de buis van Eustachius (§ 81) en de trommelholte. Het geraamte der vogelen is daardoor zeer licht — iets, wat bij het vliegen natuurlijk van veel belang is. Het gewoonlijkst zijn pneumatisch: de schedelbeenderen, het opperarmbeen en het borstbeen, zeldzamer het dijbeen, nog zeldzamer de beenderen van den voorarm, het benedenbeen en de leden der teenen. Bij den Khinoce-rosvogel zijn ook deze laatste pneumatisch.

§ 159. Wat de spijsverteringswerktuigen aangaat , zoo bezit de

ocr page 150

138

slokdarm veelal ecno, verwijding, krop genaamd, die soms dubbel 90 is (zoo als bij do duiven),

en waarin de sjiijzen eenigen tijd geweekt worden voor zij in den maag komen. Bij de graanetende vogels is de krop hot grootst. Is de krop enkelvoudig, dan ligt hij meestal rechts. — Bij vogels, die al vliegende insekten vangen, en bij die, welke van visch leven, is de keelholte en het begin van den slokdarm zeer uitzetbaar. De gevangen buit kan dus daarin bewaard blijven, evenals in de wangzakken van sommige zoogdieren (§ 120). Bij den pelekaan vormt de vederlooze en zeer rekbare huid, waarmede de onderkaak van onderen bekleed is, een zak, waarin het dier een groote hoeveelheid visschen kan bergen. De maag der vogels is in tweeën verdeeld; de eerste afdee-ling is de Icliermaag, waarin het maagsap wordt afgescheiden: do tweede is de spiermaag. De spiermaag is i- bij graanetende vogels, wier voedsel ecne sterke kneuzing en fijnmaking noodig heeft, inwendig met een hoornachtig, soms met harde knobbeltjes bezet vlies bekleed, en voorts voorzien van zeer dikke vleczige wanden; bij de vleeschetende vogels en de papegaaien daarentegen zijn die wanden dun en vliezig. Het darmkanaal der vogels is betrekkelijk kort, en bezit slechts driemaal, hoogstens vijfmaal de lengte van het lichaam. Aan den

ocr page 151

139

aanvang van den dikken darm vindt men twee blinde darmen, — bij den reiger slechts één.

§ 160. Eene blaas bezitten de vogels niet. Maar liet ondereind van den endeldarm vormt een zak, cloaca genaamd (§ 155), waarin zich de urine met de drekstoffen vermengt. De witte zelfstandigheid, die men aan de drekstoffen der vogelen ontwaart, is de urine. In diezelfde cloaca komen ook de eieren.

§ 161. De werktuigen van den bloedsomloop komen in hot wezenlijke met die der zoogdieren overeen. De punt van het hart is

naar achteren gekeerd en de inrichting van het kleppen-stelsel is eenigzins anders dan bij de zoogdieren, ofschoon de werking dezelfde is. De groote slagader {aorta) verdeelt zich dadelijk bij haren oorsprong uit het hart in eene opklimmende en nederdalende (§ 50.) Do longen dringen van achteren tusschen de ribben in, zoodat men op de achtervlakte der longen een aantal inkervingen ziet, die aan de ribben beantwoorden. Dc longen der vogels onderscheiden zich echter vooral

n luchtpijp; hh luclitpijpstakken; ce geopende daaidooi , dat zij niet, ZOO-

fe™eenschquot;PsoP®nineen tus- als bij de zoogdieren, in schen do luchtpijpstakken eu de luchtzakken. '

kwabben verdeeld zijn, dat zij van achteren aan den borstwand zijn vastgegroeid, en dat zij aan de buitenzijde openingen bezitten, die gemeenschap hebben met zekere vliezige luchtzakken, die onder aan den hals cn in de borst- en buikholte gelegen zijn, en die op hare beurt weder in verbinding staan met de holten, die, gelijk ik § 180 zeide, in vele beenderen der vogels aanwezig zijn. De lucht kan alzoo uit de longen door de luchtzakken in de holten dor beenderen treden.

In de geslachten Pelecanus en tin la bestaan ook luchtzakken onder de huid van bijna de gansche oppervlakte des lichaams.

Het strottenhoofd, dat zich boven aan do luchtpijp (§ 94) bc-

ocr page 152

110

viiiflt, dient bij de vogels niet tot het voortbrengen van geluid. Maar onder aan de luchtpijp, gewoonlijk daar, waar deze zich in twee luchtpijptakkeu of longtakkon splitst, vindt men een tweede, onderste, strottenhoofd, waarin hot geluid wordt voortgebracht. Dit strottenhoofd is van zeer verschillend maaksel, ook wat de spiertjes aangaat, die er zich aan vasthechten, en maakt dientengevolge al of niet een zanyloeslel uit, welk maaksel wij echter hier niet zullen beschrijven.

§ 162. De huid der vogels is, gelijk bekend is, met vederen bedekt. Vederen bezitten overeenkomst met haren , gelijk men het duidelijkst ziet aan de haarachtige voeren van den kasuaris; beide, haren en vederen , bestaan uit hoornstof. — Elke veder bestaat uit eene buis, waarvan een gedeelte (de schaft, rhachis) opgevuld is met eene witte sponsachtige stof, waarvan de cellen met lucht gevuld zijn, terwijl het overige (de spoel, calamus, scapus) bij jonge vederen door een huidtepel gevuld is, die, wanneer de veder volgroeid is, verdroogt, cn dan slechts eenige vliezige tusschenschot-ten (de ziel) vormt. Dc punt der spoel zit in do huid vast; aan de schaft ziet men ter weerszijde de haarden of takken (rami): dunne lange blaadjes, waarvan elke weder kleinere haardjes of stralen (ramuli) draagt. Elk takje is aan weerzijde weder voorzien van stralen (radii), waaraan omgekrulde haartjes, haakjes (hamuli) zitten ; de haakjes van elke twee tegen elkander gelegen baarden grijpen wederkeerig in elkander, waardoor de gladde en effene oppervlakte van elke veder ontstaat, en waarvan ook het gevolg is dat, wanneer men twee baarden van eene veder van elkander trekt, die baarden zich niet weer zoo met elkander vereenigen als vroeger. De gezamenlijke baarden eener veder noemt men de vaan. Soms zit aan de spoel nog eene kleine hijschaft. — Men onderscheidt de vederen in omtreks vederen en donsvederen ; de laatste hebben een zeer korte spoel, zeer fijne, niet — zooals bij de omtreksvederen door het in elkander grijpen der haakjes, — aaneensluitende baarden, en liggen dicht op de huid onder de omtreksvederen verscholen. — Pennen noemt men de langere dikkere en stijvere vederen van den staart en de vleugels.

Eenmaal 's jaars, in den nazomer of in het begin van den herfst, verwisselen de vogels van veêren; zij ruien. Sommige vogels ruien nog eens, en wel in 't voorjaar.

De kleur der vederen is, gelijk ieder weet, zeer verschillend;

ocr page 153

141

bij jonge vogels is zij doorgaans minder helder en fraai dan bij ouden; daarvan de namen van jeugdkleecl en volkomen kleed, die men aan het gevederte der jonge en oude vogels geeft. Bij de wijfjes zijn do kleuren ook dikwijls minder schoon dan bij de mannetjes. Bovendien verkrijgen do vederen van vele vogels in den zomer ecne andere kleur dan die zij 's winters hadden; deze vogels dragen, gelijk men gewoon is te zeggen, een zomer- en een winterldeed.

In de huid der vogels ligt een groot aantal fijne spiertjes , die zich aan de spoelen der vederen vasthechten en door middel waarvan de vogels hunne vederen kunnen opzetten.

Boven den wortel van den staart ligt bij de vogels cenc klier, die eene olieachtige vetstof afscheidt, die de vogel met den snavel uit de klier drukt, waarna hij de vederen door den snavel haalt, om ze met dat vet tc bededen. De vederen worden daardoor voor de inwerking van vocht behoed en blijven droog en glad. Trouwens in de huid der vogels vindt men geenc smeer-kliertjes, zooals bij de zoogdieren. (§ § 02 en 75.)

§ 1G3. Het loopbeen of tarsus en de teenen zijn bekleed met eene hoornachtige huid, die in hoekige schildjes of in wratjes verdeeld is. Zijn de schildjes voor en zijwaarts van don tarsus met elkander vergroeid tot lange strooken, of zijn de zijden van den tarsus bekleed met zoodanige strooken, die elkander van achteren raken, dan noemt men die tarsen ydaarsd. — Do pooten zijn overigens verschillend ingericht tot gaan, klimmen of zwemmen, soms ook om er iets .mede vast te houden (b. v. bij de papegaaien). Bij sommige kleine vogels (b. v. de musch) is het gaan meer huppelen dan loopen. Over de richting der teenen in liet algemeen en bij sommige vogels in het bijzonder spraken wij in § 158. — Het benedenbeen is óf tot aan den hiel óf nog verder bevederd (ganypootcn), bi slechts aan het bovenste gedeelte (waadpoofeii'). Bij de zwemvogels zijn de teenen door een zwemvlies met elkander vereenigd, waardoor de voet een platte roeiriem vormt.

De inrichting, waardoor de vogelen zich, zelfs slapende, zonder eenige inspanning op een boomtak staande houden, mogen wij niet met stilzwijgen voorbijgaan. De pezen van de buigspieren der teenen loopen zóó ve1' over het knie- en hielgewricht heen, dat zij, wanneer de vogel zich op een tak neerzet, bij het buigen dier gewrichten gespannen worden, cn dc teenen zich dus vast om den

ocr page 154

142

tak sluiten, zonder dat de vogel liiertoe eenige moeite behoeft aan te wenden. Vele vogelen met lange pooten, zoo als de ooio-vaar, slapen staande; bij dezen bezit het ondereind des dijebeens eene holte , waarin, als de knie gestrekt is, een uitsteeksel van liet scheenbeen sluit, zoodat het been, eenmaal gestrekt, onveranderlijk in dien stand blijft, totdat de wil des vogels daaraan een eind maakt.

§ 104. Do meest eigcndommelijke beweging der vogels is het vliegen. De vleugels, waarmede zij deze beweging volvoeren, zijn

eigenlijk, gelijk ik reeds zeide, de voorste ledematen. Zij bestaan uit een aan het schouderblad ingewricht opperarmbeen , eene ellepijp met een spaakbeen, voorts twee achterhands-beentjes, waaraan eene kleine duim en twee midden-

Do vederen en pennen, die in de huid des vleugels ingeplant zijn, dragen verschillende benamingen. Groote {hand-) slagpennen noemt men de grootere vederen (meestal 10 in getal) die in de huid van do hand zitten; kleine {arm-) slagpennen zijn die, welke aan den voorarm zijn gehecht. Voorts is de vleugel en het begin der slagpennen aan beide zijden des vleugels bekleed met dekvederen. Eindelijk zit aan den duim nog eene afzonderlijke rij kleinere pennen, die men den dannvleugel of het vleugeltje noemt. Deze slagpennen zijn aan de zijde van hare inplanting overdekt door de dekvederen.

ocr page 155

143

§ 165. Wat het vliegen zelf betreft, zoo spreiden zich de vleugels bij het nederslaan tevens uit, om op cene grootere oppervlakte lucht te werken en als 't ware te steunen; bij het schielijk naar voren brengen vouwen zich de vleugels gedeeltelijk te samen. Rechts en links vliegt de vogel, door in het eerste geval meer den linker-, in het tweede den rechtervleugel te bewegen. De staart dient vooral om, door zich ter neer te drukken of op te heffen, de beweging naar boven of naar beneden te regelen. — De beweging van het vliegen is zeer snel, vergeleken met de beweging der overige dieren, hoewel overigens de snelheid van vlucht bij de vogels zeer ongelijk is. Weinige vogels vliegen in het geheel niet. Onder deze behooren de struisvogels en de kasuarissen, bij wie de naar evenredigheid zeer kleine vleugels slechts tot bespoediging van den loop dienen, — de kiwi-kiwi van Kieuw-Zeeland, die bijna geene vleugels heeft, — de vetgans of pinguin, wiens vleugels tot riemen om te zwemmen zijn ingericht. — Bij het vliegen is een matige tegenwind voor de vogels de gunstigste, en een van achteren komende wind niet gewenseht, omdat deze laatste hunne vederen doet opwaaien en in wanorde brengt. Bij al te sterken wind vliegen zij niet, of schuins tegen den wind in.

§ 16G. Hot zenuwstelsel der vogels komt in hoofdzaak met dat der zoogdieren overeen; ten aanzien der hersenen komen zij liet naast aan de buideldieren; de gioote hersenen bezitten geen windingen en sluiten zich van achteren onmiddelijk aan de kleine hersenen, zonder van deze iets te bedekken. — De smaak is bij de meeste vogels weinig ontwikkeld, daar hunne tong een hoornachtig bekleedsel bezit. Hierop maken de papegaaien, die een dikke vleezige tong bezitten, eene uitzondering. De reuk is liet fijnst bij de roofvogels en de steltloopers. Het gehoor is niet in hooge mate ontwikkeld. Dit is daarentegen wel het geval met het gezicht. Het oog des vogels is betrekkelijk groot. Bij de mecsten staan de oogen zijdelings aan don kop; bij de uilen naar voren, bij zeer enkelen (snippen) meer achtorwaars gewend. Behalve do beide oogloden, vindt men nog een derde binnen-ooglid aan den binnenhoek (voorsten hoek) des oogs, hetwelk zich over het oog kan heentrekken (membrana nictitans). Hot harde oogvlies wordt dikwijls nog versterkt door een uit 12 tot 15 bcenigc plaatjes bestaanden ring. In het oog ligt, ter plaatse waar de gezichtszenuw in het oog treedt, een fijn geplooid zwart vlies, dat men den/cam

ocr page 156

144

of den waaier (pccten) heet. Bij zeer sterk licht zet dit zich uit en beschut het netvlies.

§ 167. De verblijfplaats, de levenswijze en het voedsel dei-vogelen zijn zeer verschillend, en staan in het nauwst verband met elkander en met den lichaamsvorm, vooral met de gesteldheid van hals, bek en pooten. Er zijn land-, moeras- en watervogels; onder de eersten houden eenige zich steeds laag bij den grond op, andere leven meest op boomen, wéér andere op rotsen, enz. Sommige vogels vliegen hoog, andere laag; eenige snel, 1 andere traag; eenige met gemak en lang, andere met moeite en kort; enkele (§155) vliegen geheel niet. Eenige vogels leven bij paren, andere bij geheele troepen. Eindelijk zijn sommige vogels vleesch-etend, andere insektenetend, andere graanetend, enz. Vele graan-etende vogels, zooals de hoenders, zijn tevens zeer belust op wormen en insekten. De graanetende zingvogels voeden hunne jongen met insekten, b. v. rupsen, wormen en ander dierlijk voedsel, en zijn, zoolang zij jongen hebben, zeer nuttig door het verdelgen van een onnoemelijk aantal schadelijke insekten.

§ 1G8. Het verblijf van vele vogels is, vooral in.de gematigde luchtstreken, minder vast bepaald dan bij de overige dieren. Eenige vogels wel is waar hebben altijd dezelfde woonplaats en heeten daarom standvogels (b. v. de musch). Andere daarentegen zwerven buiten den broeitijd op grootere of kleinere afstanden in het rond (b. v. de mezen); deze heeten zwerfvogels. Maar zeer velen verlaten na den broeitijd hun zomerverblijf, deels omdat bun dan het noodige voedsel begint te ontbreken, deels ook om hunne gevoeligheid voor een lagere temperatuur, en verhuizen naar warmere streken, waar ook liet voedsel overvloedig is; deze vogels heet men trelcvogels. Zoodanige trekvogels zijn bij ons, gelijk ieder weet, de koekoek, de ooievaar, de zwaluw, de spreeuw, en nog voel meer anderen.

§ 109. De vogels zijn eierleggende dieren (§ 157). De vogeleieren bezitten eene harde, kalkachtige schaal van verschillende kleur, en worden meestal uitgebroeid door de vogels zeiven, bij enkele soorten uit de warme gewesten der aarde alleen door de

1

De muurzwaluw vliegt in G uren uit Midden-Europa naar Afrika, de havik in 11 uren, zwaluwen in 18 uren, postduiven in 38 uren; kraaien zouilen er 6Ü uren voor noudig hebben.

ocr page 157

145

zonnewarmte. De plaats, waar de vogels hunne eieren leggen , is bij eenigen blootelijk ecue uitholling in den grond , doch meestal een min of meer kunstig uit verschillende bouwstoffen samengesteld iiast, dat bij de onderscheidene vogelsoorten in vorm, samenstelling en plaatsing zeer verschilt. 1 Meestal leggen de (wilde) vogels eens, soms tweemalen in het jaar. Ook het getal der eieren, die bebroed worden, is zeer verschillend, — gemiddeld 4 of 5 — en evenzoo de duur van het broeien (kolibri 12, kanarievogel 13, hoen '21 , zwaan 40—45 dagen). Bij sommige soorten broeit alleen het wijfje, bij andere mannetje en wijfje beurtelings. Zeer enkele vogels (de koekoek b. v.) leggen hunne eieren in de nesten van andere vogels, en laten de zorg voor de jongen aan dezen over. — Nadat de jongen uit de eieren gekomen zijn, worden zij nog geruimen tijd door de ouden gevoed of geleid. Het eerste heeft bij de meeste vogels plaats, het andere ziet men bij de hoenders, loopvogels en eenden.

§ 17U. Wij verdeden de klasse der vogelen in de volgende zeven orden: 1 Roofvogels; 2 Klim vogels; 3. Zangvogels; 4. Hoenderachtige vogels; 5. Loopvogels; G. Moerasvogels of Steltloopers; 7. Zwemvogels. Over 't geheel is het verschil tusschen deze orden minder scherp geteekend dan tusschen dc orden der zoogdieren.

§ 171. Eerste orde. Roofvogels {Rapaces). Vogels met een niet langen maar sterken snavel, met sterk gekromde bovenkaak, en mot stevige , van kromme en scherpe nagels voorziene klauwen.

Tarsus met schilden, soms met vederen Fig. 93. '

bekleed. Van de teenen staan drie naar

voren en de duim naar achteren. De voetzolen zijn ruw en wrattig. Do snavel is aan den wortel met eene washuid bekleed. Tien handslagpennen De mannetjes zijn doorgaans kleiner dan de wijfjes.

De roofvogels zijn krachtige en vlugge Kop van een Valk. vogels, met een scherp gezicht, velen ook met een fijnen reuk begaafd. Zij voeden zich met dierlijk

1 Zie hierover Hartiug, de Bouwkunst der dieren. Groningen 1802.

10

ocr page 158

14G

voedsel; cenige jaren sleclits werveldieren, andere (b. v. de gieren) eten ook krengen, de kleinere ook wel insckten. Zij leven paarsgewijs en leggen eens in het jaar 2,3, hoogstens 5 eieren

in een ruw en eenvoudig nest op hooge boomcn, rotsen enz., _

de uilen ook in gaten van oude muren , torens enz. — Do jongen worden in het nest gevoed tot zij kunnen vliegen.

Men verdeelt de roofvogels in dagroofvogels en naclilroofvogels. Bij de eersten, die over dag jagen en 's nachts slapen, staan

de oogen op zijde van den kop en liggen de vederen glad gesloten tegen het lijf. De washuid is bij hen naakt, de pooten zijn bevederd tot aan den hiel; zij bezitten een krop, waaruit zij hunne jongen voederen. Hiertoe be-hooren de valken, arenden, gieren, enz. — Bij de nachtroofvogels of uilen, die over dag slapen en 's avonds of 's nachts op roof uitvliegen, staan de oogen dicht bij elkander en naar voren gericht in den grooten ronden kop; de washuid is, even als de ^e/^ee^ pooten dat zijn, bevederd; het gelaat is met een krans van vederen (sluier) omgeven, en de vederen van het lichaam zijn zeer zacht en week , eu liggen los tegen het lijf. De snavel is kort. De buitenste teen kan zoowel naar achteren als naar voren gericht worden. Zij bezitten geen krop.

§ 172- Geslachten en soorten I. Dagroofvogels {Rapaces dinrni).

A. Valken (Falcones). Snavel kort en reeds dicht bij den wortel omgebogen; kop en hals geheel bevederd; sterk gekromde klauwen. Jagen meest op levende dieren.

1. Valk (Falco). — Slechtvalk f fF. communis); Giervalk f

.w/flfco); Torenvalk f f (F. tinnunculas) Smelleken f {F. aesalon).

2. Havik fAstur). — Havik, Duivenvalk, Patrijsvalk f f {A. palamhar las); Sperwer f f (A. nisus).

1 De vogels, die mot twee kruisjes zijn aangeduid, broeien hier te lande.

ocr page 159

147

3. Kiekendief (Circus). — Bruine kiekendief f f (C. rufus) ; Blauwe kiekendief f f (O. cyaneus).

4. Wouw (Milvus). — Koningswouw f (Af. rcyalis).

5. Buizerd (Bntco). — Gewone buizerd f f fB. vulgaris).

6. Wespendief {Pernis). — Gewone wespendief f t CF- apivora).

7. Arend (AquilaJ — Gewone of steenarend f (A. fiilvaj.

8. Zeearend (Haliaétos). — Gewone zeearend f {IT. alhicilla).

9. Viscliarend (f andion). — Gewone vischarcnd f f {V. ha-liaëtos).

10. Secretaris of Steltgier (GypogeranusJ. — Secretarisvogel {G. sccretarius), Zuid-Afrika.

B. Gieren {VvlluresJ. Snavel langer, alleen aan de spits omgebogen; kop en bals gcbeel of nagenoeg naakt; weinig gekromde klauwen. Zoeken doodc dieren, eenigen zelfs dierlijke uitwerpselen, tot voedsel.

1. Lammergier {Gypaëlos). — L. der Alpen {G. barbatus). Met bevcderden kop en hals; jaagt ook op levende dieren, zoodat hij den overgang tussclien de Valken en Gieren uitmaakt.

2. Gier (Vultur). — Gewone G. CV. fiilvns), Z. O. Europa, Azië, Egypte.

3. Aasgier (Neophron). — Gewone A. {N. percnoplerus) , Z. Europa, Afrika.

4. Aasgier der N. Wereld, Urubu {Catharlcs). ■—- Aura (C. aura), Z. Amerika; Gierkoning {C. papa), Z. Amerika; Condor {Sareoramphus gryphus), Andes-gebergte.

II. Nachtroofvogels {Rapaces nocturni) of Uilen.

1. Uil, Katuil {StrixJ. —Kerkuil f f {S. flammea); Boscbuil, Katuil f f {S. ahico). Maakt in gevangenschap allerlei zonderlinge gebaren. Kleine of steenuil f f (ti. of Surnia noctua).

2. Hoornuil {Otus). — Ransuil f f (O. vulgaris) \ Velduil f (O. brachyuriis).

3. Ooruil {Bnho). — Groote ooruil of Schuifuit (11. maximns).

4. Staartuil fUlula). — Noordsche S. (U. cinerea), Lapland, N. Siberië.

§ 173. Tweede orde. Klimvogels {Scansores). — Vogels van zeer onderscheiden maaksel, maar daarin overeenkomende, dat steeds

ocr page 160

148

twee teenon naar voren en twee naar achteren gericht zijn. Snavel zeer verschillend; bij de papegaaien eene washuid. Tarsus ringvormig lt;j5 met schilden bedekt. De pooten zijn er op

ingericht om tegen boomstammen en takken op te klimmen, of althans om takken stevig te omklemmen, waarbij bij sommige soorten (de Spechten) de stijve staart-pennen ter ondersteuning dienen. De papegaaien gebruiken de pooten ook om er voedsel mede naar den snavel te brengen. Zij loopen slecht op den grond en vliegen over het algemeen minder snel dan dc vogels der vorige orde. Zij leven van vruchten (zooals de Papegaaien), of van iusekten en wormen (zooals de Toekans, Koekoeken en Spechten).

§ 174. Geslachten en soorten.

I. Wassnaveligen (Ceriorhynchi).

1. Papegaai (Psittaeus). — Een groot aantal (bijna drie honderd) soorten. De bij ons meest in kooien gc-houdene is I's. amazonicus; de blauwe en gele zoogenaamde West-Indische raaf of Ara is Ps. (Maerocercus) ararauna, de roode en blauwe Ps. of M. macao en aracanga. Voorts ziet men in Europa niet zelden dc grauwe G-uineesche papegaai (Ps. crytha-cus) , de Gewone kakadoe (Ps. of Plycto-

lophus sulphiirc.us), en de Rose kakadoe (Ps. of Pi. cos), enz. De kakadoes onderscheiden zich door een opzetbare kuif en bevederde wangen. Tot de grootste papegaaien behoort de op Stuart-eiland, bij Nieuw-Zeeland, wonende Uilpapegaai (Ps. of Strigops habroptila), met een sluier als de uilen ; deze vogel vliegt alleen des avonds uit, en leeft in onderaardsche holen, die hij zelf graaft. Tot de kleinsten behoort de inseparable (Ps. of Psittacula pullarius) uit West-Afrika , van de grootte van eeu vink.

II. Naaktsnaveligen (Psilorhgnchi).

2. Toekan (Rhamphastos). — Toekan of Pepervreter (lUi. lacanj. Z.-Amerika.

3. Specht (Pieus). — Bonte S. f f (P. major); Middelste B. f f

ocr page 161

149

(P. mcdhis); Kleinste B. f t (J'- minor)-, Zwartspccht f f (■?• martius); Groenspecht f t (P- viridis). Bij de bciilc laatste geslachten is de tong bevestigd aan oen tongbeen, waarvan do zeer lange, dunne, elastieke hoornen zich onder do huid

ouder, achter on over don schedel ombuigen tot aan don wortel dor snavels. Zij worden daardoor in staat gesteld de tong snel uit te worpen en woêr terug te trekken. 4. Draaihals. (YunxJ. — Gewone D. f f (F. torquilla).

Kop van den zwai-tspecht. 5. Trogon, Cooroocoe (TroyonJ.

— Mexikaanscho T. (T. mexicanusj.

6. Koekoek (Cuculus). — Gewone K. f f fC. canorus).

7. Honigwijzer {Indicator). — Z.-Afrikaansche II- of Honigkoo-kock (I. alhirostris).

8. Toerako (Musophaya). —Violette F. {M. violacea) 5 Goudkust.

§ 175. Dorde orde. Zangvogels, Muschachtige vogels, Roest-vogels (Oscines, Pas s er in i, Insessores) Vogels met een min of moor spitsen, niet of flauw gekromden, doch overigens in vorm en ook in lengte zoor verschillenden bek (priomvormig , kogelvormig , plat 011 aan den wortel breed, enz.), zonder washuid. Meestal vier, bij enkelen drie teenen , met den duim naar achteren gekeerd. Bij eenigen (de Gierzwaluwen b. v.) zijn alle tecneu naar voren gericht. Tarson gelaarsd, behalve bij eonige lecuwriksoorton en bij de kraaien. Nagels spits. Negen grooto slagpennen, soms nog een kleine eerste ; kleine slagpennen kort. Hot lichaam is meestal tenger en rank.

De kenmerken dezer orde zijn zeer onbepaald; zij bevat eigenlijk al die vogelen, op welke de kenmerken der overige orden niet van toepassing zijn. Een vogel, die geen tot krachtigen aanval en vasthouden geschikten snavel en klauwen bezit, bij wien slechts één teen naar achteren is gekeerd, wiens pooten niet bepaald tot krabben in de aarde zijn ingericht, wiens scheenen van onderen niet naakt of beschubd zijn, die volkomen vleugels bezit, wiens teenen niet door zwemvliezen verbonden zijn,— die dus geen roof-

ocr page 162

150

vogel, geen klimvogel, geen hoenderachtige vogel, geen struisach-tige vogel, geen moerasvogel en ook geen zwemvogel is , — behoort tot deze orde. Geen wonder dat de zangvogels onderling zeer verschillen, — vergelijk b. v. de in sommige opzichten tot de roofvogels naderende kraai mot ecne musch of ecne sijsje!

Ook de aan deze orde gegeven namen zijn gebrekkig. Men noemt haar de orde der Zangvogels; doch de tot deze orde gebrachte vogels zingen bij lange na niet allen; daarvan de verdeeling in eigenlijke zangvogels (Oscines) en schrcemvvogels (Clamatorcs). Ook noemt men haar do orde der Muschachtigen; doch een aantal dier zoogenaamde musachtige vogels gelijkt al zeer weinig op musschen. Wellicht ware de naam van Rocstvogels (van een jagersterm roesten, d. i. op een tak zitten of rusten, het Franschc percher) te verkiezen, ofschoon ook deze benaming te onbepaald is.

Over 't geheel vliegen de vogels dezer orde zeer goed, sommigen zelfs zeer snel en lang. Hun voedsel verschilt: velen zijn graanetend, anderen insektenetend; doch ook de graanetenden voeden hunne jongen met insekten en wormen, en in het najaar voeden zich de insektenetenden niet zelden met vruchten en zaden. Enkelen (de Ijsvogels) eten visch, anderen (de Kraaien en Wurgers) vangen zelfs kleine vogeltjes. En over 't geheel is de gansche levenswijze van de vogels dezer orde zeer verschillend.

§ 176. Geslachten en soorten.

I. Dunsnaveligen (Tenuirosires), met een zeer dunnen, meestal min of meer gebogen snavel, die ten minste langer dan de kop is. 1. Boomkruiper (CerthiaJ. — Boomkruiper f f fC. familiar is).

2. Boomklever (Sitta). — Boomklever,

Blauwe specht f f fn. europaea).

3. Liervogel (Menura). — Nieuw-Holland-sche L. CM. superha).

4. Hop (Upupa). — Gewone hop f (U. epops). Bij ons zeldzaam.

5. Kolibri (Trochilus). — Gewone kolibri

Kon vjui den Boomkluver. ^rr. i.» .4 -wr i i -i -wn •

(1. cohort) Noord-Amerika. Kleinste kolibri ('/'. minimusj , de kleinste van tropisch Amerika.

6. Uonigvogel (Nectarinia). — Kaapsche honigvogel of Groene suikervogel (N. fumosa). — De honigvogels van zuidelijk Azië en Afrika vervangen aldaar de kolibris van Amerika. II. Tandsnaveligen (Dentirostres), met een rechten, aan de punt

ocr page 163

151

slechts flauw gobogun snavel, met een tand of eeue inkerving nabij de spits der bovenkaak.

1. Lijster {Tardus). —Zwarte lijster of merel ff {T. mtrula)\ fjf) Groote lijster ff {T. visclvorus); Krams

vogel (T. pilaris)-, Zanglijster f f (T. musicus) ; Koperwiek f f (T. iliacus); Katvo-gcl {T. felivox), N.-Amerika, dus genoemd omdat zijn geluid op dat van een jonge kat gelijkt.

2. Spotlijster (Mimus) — Gewone S., Moe-

Kop van den Kramsvogel. /-i r

kmg-Bircl {M. polyylottus). N. Amerika.

3. Waterspreeuw (Cinelus). — Gewone W. f f (C. aquaticus).

4. Zanger {Sylvia). — Nachtegaal fS. luscinia); Grasmusch {S. cincrca); Tuinfluiter {S. hortensis); Zwartkop {S. africapilla); Gekraagd roodstaartje {S. phocnicuras) ; Roodborstje (ü. ru-becula); Spotvogel {S. hippolaisj; Blauwborstje {S, succica), Allen f f.

5. Karekiet {Calamohcrpe). — Groote K. (C. turdina); Kleine K. (C. anindinacea); Boschrietzanger {C. palustrls) Allen ff.

G. Tapuit {SaxicolaJ. — Gewone P. fS. ociiantlw) Paapje {S. rubetra). Beiden f f.

7. Bastaardnachtegaal f Accentor). — Gewone B, f f A. modular is).

8. Snijdervogel {Orlhotomus). — Snijdervogel {O. sutorius). Z. Azië.

9. Kwikstaart (Molacilla). — Witte K. Bomvmeestertje {M. alba); Gele K. (.!ƒ. flava). Beiden f. f.

lü. Pieper {Anthus). — Graspieper {A. pratensis); Booinpieper (,1. arborcus); Duinpieper (^1. campestris). Allen f f-

11. Winterkoninkje {Troylodytcs).. — Gewoon W. ff {T. cu-ropaeus).

12. Vliegenvanger {Muscicapa). — Gewone V. f (Af. (jrisola).

13. Rotshaan {liapicolaj. — Gewone R. {li. crocca); Guyana.

14. Pestvogel {Ampelis). — Gewone P. Zijdestaart, Sneeuwvo-gel f {A. yarrulaj.

15. Klauwier {Lanius). — Groote K., Klapekster, Hangekster, Wurger, Negendooder (Tj. excubitor).

16. Raaf {Corvus). — Raaf (C. corax) ; Kraai (C. curoue); Roek {C. friujilcyus)-, Bonte Kraai (C. cornix); Kauw, Kerkkraai

ocr page 164

152

fC. mouedula); Ekster (C. pica of Pica varia). Allen f f-

17. Gaai (Garrulus). — Ge-n' ' wone of Vlaamsehe Gaai,

Meerkol f f (Cr. ylanda-rins).

18. Notenkraker (Nucifraga).

— Gewone N. f (AT. ca-njocatactes),

19. Paradijsvogel (Paradisea).

— Groote P. (P. apoda); Aroe-eilanden. Gewone P. (F. papuona) \ Westelijk

N. Guinea; Eoode P. {P. rubra), Nieuw-Guinea.

20. Epimachus (Epimaclnis). — Groote E. fE. magnus of spe-ciosus). Nieuw-Guinea.

21. Wielewaal (Oriolus). — Gewone W. ff (O. galbula).

22. Spreeuw (Sfurims). — Gewone S. f t (S- vulgaris).

23. Troepiaal (Icterus). — Gekuifde T. (I. cristaius). Guyana en Brazilië.

24. Mees (Parus). — Koolmees fl'. major); Pimpelmees (P. coe-rulcus); Zwartkopmees (P. palustris). Alle drie f f. Buidel-mees (P. pendulinusj. Z. O. Europa.

25. Goudhaantje (Kcgulus). — Gewoon G. 11 (^- flavicapillus). III. Kegelsnaveligen (Conirostres). Korte, kegelvormige, harde snavel , inet nagenoeg even lange kaken met eenigzins binnenwaarts gebogen randen.

1. Leeuwerik (Alauda). — Gewone of Akkerleeuwerik ft (-1-arvensis); Boomleeuwerik fA. arhoreaj-, Kuifleeuwerik ff (A. cristafa).

2. Vink (Friagilla.J. — Gewone vink , Schildvink f f (F. coe-lebs); Musch f f (F. domes li ca); Kingmuseh f f (F. montana); Groenling f f (F. chlo-risj • Kanarievogel (F. canaria) op de Kanarische eilanden, bij ons in kooien; Kneu, Hennipvink, Robijntje f f (F. cait-nahina); Barm f (F. linaria); Sys f f (F. spinus)\ Distelvink, Putter ff (F. carduelis); Goudvink f f (F. pyrrhula)-, f f

Appelvink (F. coccotJiraustes).

ocr page 165

153

3. Kraisvink (Loxla).— Gcwono kruisbek f (L. curvirostra).

4. Gors (Emhcriza). — Gramvgors f f (A'. miliaria)-, Gcclgors, Geelvink f f {E. citrinella); Rietmuseh f f (E- schoeniclns).

5. Wever (Ploce.us). — Zuid-Afrikaaiische W. (/'. pensilis).

6. Amadina (Amadina). — Eijstvogel fA. oryzlvora), Gevlekte R. (A. punctularia), beiden op Java en Sumatra; Bengali (A. phoenicotis), Midden-Afrika.

7. Tanagra , Kardinaal (Tanagra). Surinaamscbe Tanagra of Kien (T. jacapa).

IV. Spleetsnavcligen (Fissirostres). Snavel kort, breed, tot onder de oogen gespleten.

A. De drie voorteenen tot aan bet eerste of tweede lid door een vlies verbonden. (Syndactyli).

1. Neushoornvogel (Buceros). — Oostindische Kalao (/gt;. rhinoceros).

2. Ijsvogel (Alcedo). — Gewone TJ. f f (A. ispida).

3. Bijenvreter (Mcrops). — Kaapsehe B. (M. apiaster).

4. Scharrelaar (Coracias). — Gewone S., Duitsche papagaai (C. (jracula) Oostelijk en Zuidelijk Europa. Maakt den overgang uit tot de volgenden,

B. Vrije teenen (Chelidones).

5. Zwaluw (Tlirundo), —Huiszwaluw 11 (/'• itrhica) \ Boerenzwaluw f f (//. rus/ica); Oeverzwaluw f iquot; (//■ riparia).

G. Gierzwaluw {Cypselus). — Gierzwaluw, Torenzwaluw, f f (C. apus); Salangan (C. escidcntus of Collocalia esculciila), in Oost-Indië, van wien de eetbare vogelnestjes afkomstig zijn.

Kop van de Nachtzwaluw. '■ Nachtzwaluw, Geitenmelker fCapri-

muhjus). — Gewone geitenmelker. Dagslaper f f (C. curopaeus). Whip-poor-Will fC. vocifcrtis) , aldus genaamd naar zijn roep ; Oost-Indische geitenmelker fC. macrurus en af finis) \ het geroep van dezen luidt tjoetsehoer.

§ 177. Vierde orde. Hoenderachtige vogels fGallinaceac, Jlasoresj. Vier (zelden drie) teenen, waarvan drie naar voren gericht en ,

ocr page 166

154

bij de eigenlijke hoenders, aan de basis door een smal tusschen-vlies (spanvlies) met elkander verbonden zijn. l)c duim staat soms hooger dan de overige teenen. Do pooten tot aan den hiel bevederd ; soms is dit ook met den tarsus het geval. Nagels stomp en weinig gekromd. De bek, langs do bovenlijn gewelfd, is zelden lang; sommige (de Duiven) hebben een washuid. Vleugels doorgaans kort en niet tot lang en snel vliegen ingericht, behalve bij do duiven. — De hoenderachtige vogels leven vooral van zaden en vruchten, doch ook van insokten, wormen, enz. die zij met do pooten uit den grond opkrabben.

Wij verdeelen deze orde in twee afdeelingen.

1. Do Duiven, die den overgang uitmaken van de zangvogels Fiquot;. 103. ^ eigenlijke hoenderachtige vogels.

Zij zijn slank van lichaam, bezitten vrij lange vleugels, en vliegen goed, getuigen o. a. de Postduif, een verscheidenheid van de tamme duif. Hunne teenen bezitten geen spanvlies, maar van onderen een vliezigen zoom. De bok is grootondeels

Kop van do Houtduif. recht, alleen aan zijne spits gebogen en aan de basis van eene washuid voor zien. Zij leven bij paren en deze vaak medo troepsgewijs; de jongen blijven geruimen tijd in het op boomen gebouwde nest en worden door de ouden uit den krop gevoederd.

'2. De eigenlijke Hoenderachtige vogels. Deze zijn plomper gebouwd dan de duiven, hebben korte vleugels, vliegen weinig, loven en nestelen meestal dicht bij of op den grond, en bezitten spanvliezen tusschen de voorteenen. Aan den hals en kop dikwijls naakte plekken, kammen, lellen enz. Do duim staat meestal hooger dan de overige teenen, zoodat hij slechts mot de spits den grond raakt, behalve bij do Boomhoonders. Bij de meeste geslachten geen washuid. liet mannetje, haan genaamd , onderscheidt zich veelal door fraaier gevederto , dikwijls ook door gekleurde huidaanhangsels aan den kop, en sporen aan de tarsen. Do stuur-pennen van don staart zijn soms bij de mannetjes zeer lang. Elk mannetje heeft verscheidene wijfjes of hennen, mot uitzondering van do Patrijzen. Do jongen zoeken, zoodra zij uit de eieren go-komen zijn, dadelijk zeiven hun voedsel onder geleide der moeder.

§ 178, Geslachten en soorten.

ocr page 167

155

I. Duiven {Colamhae).

1. Duif {Columha). — Do wilde duif (C. li via) in rotsachtige streken van Zuid-Europa, van welke do tamme duiven afstammen; Woudduif, Ringduif f f (C. palambus) ; kleine Houtduif ff (C. oenas); Tortelduif f f (C. iurtur)\ Lach-duif {O. risoria), iu Afrika en Azië te huis behoorende , doch bij ons veelvuldig in kooien aangefokt en verkeerdelijk tortelduif genaamd; Trekduif (O. raiyratovia) in Noord-Amerika. Voorts de papegaaiduiven , b. v. de zwartkoppige en purpere papegaaiduiven van Java (C. melanocephala en porplojrea); Haakbekduif (O. of Didunculus striyirostris), op het eiland Upolo in de stille zuidzee.

II. Eigenlijke hoenders (Gallinae).

a. Duifhoeuders (Pteroclidae). Pooten bevederd tot op de tee-nen, lange, zeer spitse vleugels, wigvormige staart.

1. Zandhoen (Plcroclcs). — Steppenhoen of Steppenduif (/'/. arenarius), Z. Rusland. Door lichaamsgestalte, lange vleugels en snelle vlucht, maakt dit geslacht den overgang tot de duiven, tot welke ook '2 en 3 eene toenadering vertoonen.

ö. Patrijsachtigen (Perdicidae). Bevederde tarsen; hooggeplaatste achterteen.

2. Patrijs (Perdix). — Gewone Patrijs ff {P- ciucrea); Roode . P. f f (P. rubra) \ Frankelijn (C. francolinus) op Sicilië en

Cyprus, ook wel soms in ons land.

3. Kwartel (Coturnix). — Gewone K. f f (C. vulgaris of dac-tylisonans).

c. Korhoenders (Te(raöiiidae). Bevederde tarsen; de achterteen hooggeplaatst.

4. Korhoed (Telrao). — Gewoon K. -j-f (T. ielrix] • Auerhaan (7'. urogallas), N.-Europa en Azië; Hazelhoen (ï1. lioaasia), N.-Europa.

5. Sneeuwhoen (Lagopus). — Groot S. (L. alpinas), Noorwe-wegen, Schotland.

d. Fasanthoenders (Phasiauidae). Schenen bevederd, tarsen al of niet bevederd; achterteen weinig hooger geplaatst dan de voorteenen.

6. Hoen {Gallas). — Het Aziatische wilde hoen (G. batikiva), waarvan ons tam hoen (G. domesticus) afstamt.

7. Fazant (Phasianus). — Gewone F. (Ph. colchicus). Kaukasus-

ocr page 168

150

streken, tain in 't overige Europa, hier en daar verwilderd; Groudlakensehc F. (/'/(. pictus), Midden Azië en China; Zilverlakensche F. (nyethemerus), Cliina. Beiden bij ons tam.

8. Parelhoen (Ntmida). Gewoon P. (Meleayris), Afrika; bij ons getemd.

9. Kalkoen (Meleagris). — Gewone K. (M. fjallopavo), N. Amerika; bij ons tam.

10. Pauw (Pavo). — Gewone P. {P. cristatus), Indiseh vastland, in Europa. Javaansehe P. (muticus).

11. Argus (Argus). — Argusfazant (A. gigantcus). Malakka, Sumatra,, Borneo.

e. Boomhoeders (I'cuclopidac). Seheenen en tarsen onbevederd; de 4 teenen in één vlak gelegen.

12. Boomhoen (Crax). — Hokko (C. alector), Guyana; Gehelmd B. (C. pauxi of galeata). Z.-Amerika.

§ 179. Vijfde orde. Struisachtige vogels (Struthiones, Cursores). Groote, krachtig gebouwde vogels inet oen langen hals, kleinen kop, meestal platten snavel, krachtige, meestal zeer lange poo-ten, met twee, drie of vier allen naar voren gerichte dikke en platte teenen, behalve bij den Kiwi en den Dodo, wier pooten

korter zijn en die een kleinen achter-teen hebben. Men kan op dien grond de Struisaehtigen verdeden in 4teenige, 3 teenige en 2 teenige. Het beneden-been, dat bij al de vorige orden tot den hiel of lager bevederd is, slechts van boven van vederen voorzien. De Linkervoet van den Afrikaansullen nagels zijn min of meer hoefachtig. De quot;s' vederen van den romp zijn haarachtig

en los, daar de stralen geene haakjes bezitten; de vleugels zeer kort, zonder slagpennen; de staart zonder stuurpennen. Over hun borstbeen zie bladz. 130. — Bij den Afrikaanschen struisvogel is het bekken van voren gesloten, evenals bij de zoogdieren, terwijl het bij alle overige vogels van voren open is (§ 158). Deze vogels — van welke alleen in Europa geene soorten worden gevonden , — leven van plantenvoedsel, nestelen op den grond, loepen zeer snel, maar zijn buiten staat te vliegen.

ocr page 169

157

§ 180. Geslachten en soorten.

1. Drente, Dodo, Dodaars (üodu). — Do dodo van Mauritins (D. inept us), sedert liet midden der 17e eeuw uitgestorven. Vier teenen. Verwant aan de duiven.

2. Kiwi (Aigt;teryx). — De vleugellooze kiwi van Nieuw-Zeeland (A. austral is). Vier teenen.

3. Struis (Striithio). ■— Afrikaansche struisvogel (S/r. camchis). Twee teenen, Afrika, maar ook Arabic en Mesopotamic.

4. Nandoe (Ithea). — Nandoe of Amerikaansche struisvogel (lïh. americana)\ Emeu van Niéuw-Holland (llh. of Casuarius of Dromaius Nocae Hollandiac). Ucidc mot drie teenen en zonder staartvederen.

5. Kasuaris (Casuarius). — Gewone of Indische kasuaris (6*. yaleatus). De oostelijke eilanden van don Indischen Archipel. Drie teenen en goene staartvederen.

§ 181. Zesde orde. Stoltloopors, Mocrasvogols. (Gr alia tores).

Fin-, 105. Lange pooten, mot onbovederdo of

slechts van boven bevederde sclioo-non (waadpooten). Meestal drie voor-tecnen en een duim, die echter soms zeer klein-is of zelfs ontbreekt. Zelden zwemvliezen tusschen de teenen , doch veelal de buitentoen en

Kop van con Mocrassni». . i i , i i • , n

middcntccn aan de basis met clkan-Fig. lOö. (iel. door een vlies verbonden. De hals is veelal, doch niet altijd, lang-, de snavel is verschillend van vorm, dikwijls lang en van een washuid voorzien. Do vleugels zijn meestal lang en krachtig.

Zij leven in moerassige streken of aan het water, en vliegen en loopen goed. liij liet vliegen strekken zij do lange pooten achterwaarts uit, en bij liet rusten staan zij gewoonlijk op één poot. Zij voeden zich met kruipende dieren, visschen, insekton en wormen. Het mannetje hooft ccn wijfje.

§ 182. Geslachten en soorten. I. Trapgansachtigen (Otidac). Een zwaar hoenderachtig lichaam; korte vleugels; korte bek ; lange

Rechtervoet van een , , . i •

knum. krachtige pooten; drie teeiien.

ocr page 170

158

1. Trapgans (O/is). — Groote trapgans (O. tarda) \ Kleine T., ft (O. tretax). Do eerste kwam vroeger in ons land voor.

2. Hoenderkoet (Palamedca). ■— Kamichi, Gehoornd struishoen in Zuid-Amerika '1'. cornuta).

3. Sariama (D/cholopus). — Sariama van Zuid-Amerika (lgt;. cristatus).

4. Trompetvogel (Psophia). Surinaamsehe T., Agami, Caini-Gami (I's. crepitans). — Deze vier geslachten vormen een overgang tot de hoenderachtigen, zoo om hunne lichaamsgedaante , als omdat zij zich gedeeltelijk met zaden voeden.

II. Reigerachtigen (Ardeidae). Hals, snavel, pooten en vleugels lang;

achterteen met de voortecnen in één vlak, behalve bij den kraan.

5. Kraan (Grns). — Gewone K. (G. cinerea). Oostelijk Europa; komt soms hier over. — Numidisch Juffertje (G. numidica of virgo); Pauwkraan, Kroonvogel (G. pavonina); Noord-Afrika. — De kraanvogels eten gedeeltelijk zaden.

G. Reiger (Ardc.n). — Blauwe R. f f (A. cinerea); Roerdomp f f (A. stellaris); Woudaapje f f (A. minuta).

7. Lepelreiger (Cancroma). — Saracou of Lepelbek, in Suriname (O. coeldearia).

8. Ooievaar (Oiconia). — Gewone ooievaar, Eiber of Stork f f (O. alha)\ zwarte O. (O. nigra) \ Maraboe-ooievaar op de Sunda-eilanden (O. of Argtda marabu).

9. Lepelaar (Platalea). — Gewone L. (PI. leucorodia).

10. Ibis (This). — Europeesche Ibis, Nimmerzat f (I. faleinel-lus); Egyptische of heilige Ibis (/. aethiopica of religiosa).

HI. Snipachtigen (Scolopacidae). Snavel lang, dun, gedeeltelijk

buigzaam, aehterteenen; oogen zeer achterwaarts geplaatst.

11. Snip (Scolopax). — Houtsnip ff (S. rusticola); Watersnip f f (S. gallinago).

12. Grutto (Limosa). — Gewone G. ff (L. mclaniira of ae.go-cephala).

13. Strandlooper (Tringa). —Drieteenige S. f (T. arenaria); Kemphaan ff (T. pugnax).

14. Oeverlooper (Totanus). — Groenpootige Ruiter f (T. glottis)-, Tureluur f f (T. calidris); Oeverlooper f f (T. hypo-leucns).

15. Wulp (Numenius). — Groote wulp f f (N. arquatus); Regenwulp f (N. phaeopus).

ocr page 171

159

10. Kluit {Recurvirostra). — Gewone K. f (It. avocella). IV. Plevieraehtigen (C'Jiaradriidrae). Snavel middelmatig lang; voorhoofd acliter den snavel zeer gewelfd; geen of zeer kleine achterteenen. Loopen zeer snel.

17. Plevier (Charadrins), — Goudplevicr, Rcgenjiicper f f (Ch.

pluvialis); Strandplevier (Ch. eantiav us).

18. Kievit (Vancllus). — Gewone kievit f 7- (V. crisfalvs).

19. Griel (Ocdicnemus). — Gewone griel f f (Oc.d. crepitans).

20. Seholekster (11ae.mafopns). — Gewone gt;S., Kliet y (ll.ostra-legiis).

21. Stconlooper (Strcpsilas). — Gewone S. (S. collar is).

\'. Waterhoenders (liallidac). Korte snavel, korte vleugele; zeer lange, dikwijls met zwemvliezen omzoomde voorteenen; do achterteen raakt den grond.

22. Waterhoen (Gallinula).— Gewoon W. f f (G. chloropns).

23. Koet (Fidica). — Meerkoet f f (F. alra).

24. Kwartelkoning (Crex). — Gewone K., Sjn-iet f f (C. pralcnsis).

25. Ral (Uallus). — Waterral, Sehriek f (11. aquaticus). 20. Spoorvleugel (1'arra). — Zuid-Amerikaansche S., Chirurgijn (1\ jacana).

27. Purperkoet (Porphyrio). — Blauwe P. (P. hyacinlhintis); op Sicilië en in Zuidelijk Spanje; Groene Javaansche P. (P. smaragdin us).

§ 183. Zevende orde. Zwemvogels (Naiatorcs). De pooten kort naar evenredigheid van het lijf en den vaak langen hals, en verder naar achteren geplaatst dan bij de overige vogels, doordien een gedeelte der schoen door de huid van den romp bedekt is. Het sterkst loopt dit in het oog bij de duikers, futen, alken, zeekoe-ten , papegaaiduikers en vooral bij de pinguïns. De teenen zijn door zwemvliezen verbonden, waarbij meestal de duim vrij blijft, behalve bij de fregat- en keerkringvogels, den rotspelekaan, den

ocr page 172

160

aalscholver, den slangeulialsvogel, don pelekaan. Bij de zeeëeuden, zaagbekkeu, duikers en futen bezit de vrije duim een huidzooin, bij den albatros, de alken, zeekoeten en papegaaiduikers ontbreekt de duim. De snavel is van verschillenden vorm, soms breed en plat, vaak aan de randen getand of geribd. De vederen zijn dicht en

glad tegen het lijf liggende, en worden door den vogel met den bek als 't ware geolied met oen vette stof uit een groote klier aan het achterdeel. Onder de dekveeren vindt men veel dons. De lengte der vleugel verschilt aanmerkelijk. Bij eenigen toch zijn deze lang en krachtig (de acht eerste in § 184 genoemde geslachten); deze vogels zijn dan ook meerendeels uitstekende vliegers. Bij anderen de (9e tot lüe geslachten) zijn de vleugels korter, doch toch nog voor eene tamelijk snelle en langdurige vlucht geschikt. Dc slechtste vliegers zijn de duikers, alken, zeekocten en papegaaiduikers, terwijl de pinguins, en ook dc groote alk, in het geheel niet vliegen. De kleine vleugels der pinguins zijn slechts bekleed met zeer kleine veertjes, die op schubben gelijken. Allen zwemmen en de meesten duiken goed, doch hun gang is over het geheel moeielijk en waggelend. Sommigen duiken al zwemmende, b.v. de eenden en duikers, anderen al vliegende, zooals de meeuwen, zeezwaluwen enz. Zij leven steeds bij en in het water en voeden zich mot visschen en schelpdieren, sommigen ook met kroos, gras enz. De jongen gaan dadelijk te water en zoeken hun voedsel, waarbij zij echter door de ouden geleid worden. Alleen de meeuwachtige vogels worden een tijd lang door de ouden in het nest gevoerd. § 184. Geslachten en soorten.

I. Meeuwachtigen (Laridae). Lange, spitse vleugels; snavel aan de spits gebogen-, vrije achterteen.

1. Meeuw (Larus). — Mantelmeeuw, Zeekob f f (L. mariuus); Zilvermeeuw f f {L. argentatus) ; Kleine Zeemeeuw f f (L.

ocr page 173

1G1

caiius)-, Groote Z., Burgemeester f (^. glcmcus).

2. Eoofmeeuw (Lestris). — Groote Jager f (L. cataractes); Kleine Jager f {Tj. parasita).

3. Zeezwaluw (Sterna). Gewone Z., Vischdiefje f f {S. lu-rundo).

4. Schaarbek (Hhynchops). — Zwarte S. fllh. nigra), N.-Amerika.

II. Stormvogels (Procellaridae). Vleugels als de meeuwen; snavel

aan de spits haakvormig gebogen; op den snavel twee buizen, waardoor de neusgaten loopen; kleine, vrije achterteen.

5. Stormvogel (Procellarta). — Groote S., zuidelijk halfrond; Noordsche S. f (glacialis), vooral IJsland en de N.-IJszee.

0. Stormzwaluw (Thalassidroma). — Storm vogeltje, Onweersvogel (Th. pelagica), N.-Europa.

7. Albatros (Diomedea). — Albatros, Kaapsch schaap (D. exu-laus). Zuidelijk halfrond.

III. liiempootigen (Steganopodcs). Alle 4 de teeuen door een

zwemvlies verbonden; achterteen binnenwaarts gekeerd.

8. Fregatvogel (Tachypetes). — Groote fregatvogel (T. a(pi'da). Keerkringen.

9. Keerkringsvogel (Phaëlon). — Witstaartige K. (PA. acthc-reus).

10. Eotspelekaan (Sula). — Jan van Gent f (S. bass ana}.

11. Schollevaar (Carlo). — Schollevaar, Aalscholver, Waterraaf, Cormorau f f (O. cormoranus of Phalacrocorax carbo).

12. Slangenhalsvogel, (Plutus). — Zuid-Alrikaansche S. (Plo-tus anldnga).

13. Pelekaan (Pelecanus). — Gewone P. of Kropgans (/'. ono-crotalus). Zuidelijk Europa, Azie, Afrika1.

IV. Plaatsuaveligeu (Laniellirostres). Snavel met een zachte huid

bekleed, alleen aan de punt hard. aan den binnenkant der

snavelranden hoornachtige dwarsplaatjes; achterteen vrij.

14. Eend (Anas). — Wilde E. f f (A. boschas), waarvan de

11

1

Deze pelekaan is liet niet, die van ouds als een ziuuebeeld van trouw en liefde gold, omdat hij, zooals de sago meldde, zijne jongen zelfs niet zijn bloed voedde. Onder dien pelekaan verstond men een grooteu roofvogel, waarschijnlijk een .soort van gier.

ocr page 174

1G2

tamme eend afstamt; Zomertaliug f f (A. qwcrquedula) ; Wintertaling f f (A. crecca); Pijlstaart f t (A. acuta); Bergeend f t (••'• tadorna); Smient f f (A. l'eiieJopa). 15. Zee-eend, Duikeend (Fulix). — Groote Zee-eend f (F.funca); Zwarte Z. f {F. nigra)-, Brileend f F. clangula); Eider-eend f (F. molllssima).

lü. Zaagbek (Mergus). — Groote zaagbek f (M. inerganscr).

17. Gans (Anser). — Wilde Gans, Schierling f {A einereus) waarvan de tamme gans afstamt; Rietgans; Kleine kol f (A. scgetuin); Groote kol f {A. ar aansis); Brandgans f (A. Icacojjsis); 15onte gans, Kolgans, Weenkie f (A. alhi-frons); Eotgans j (A. bernicla).

18. Zwaan (Cygincs. — Gewone zwaan f (C. oloi-), waarvan de tamme afstamt; Wilde zwaan f (C. musicus) \ Zwarte Australische zwaan (6'. at rat us of plutonius); Zwarthals-zwaan (C. nigricollis) Z.-Amerika.

1!). Flamingo (Fhoeuicopterus). — Gewone P. (F/i, antiquorum) Zuid-Europa en Noord-Oostelijk Afrika. Roode P. {Ph. ruber, iguipalliatus), Tropisch Z.-Amerika.

V. Duikers (Colgmbideae). Middelmatige; rechte snavel, korte vleugels eu staart, vrij lange hals, vrije, kleine achtertcen met een vliezigen zoom.

20. Duiker (Colymbus). — Roodkeelige zeeduiker f (P. skjj-tentrionalis); Ysduiker f (C. glacialis).

21. Puut (Podiceps). — Puut, Zanddrijver f f (P. cristatus); Roodhalsfuut ff (P. ruhri collis); Geoorde P. f (F. auritus).

VI. Alken (Alcidac) Hals dik; snavel aan de punt gekromd, poo-ten zeer achterwaarts geplaatst; geen achtertcen.

22. Alk (Alca) — Groote alk t tor da).

23. Papegaaiduiker (Mormon). — Gewone P. f {M. fratercula). 23. Zeekoet f (Uria). — Gewone Z. f {üria Tralie).

VII. Slagpenloozen (Inipenues). Vinvormige vleugels zonder pennen, bedekt met zeer kleine op schubben gelijkende vederen; pooten zeer achterwaarts, met korrelige schubben bedekt; achterteen klein, vrij , binnenwaarts gekeerd.

25. Pinguin (Aptenodytes). — Gewone P. van Patagonie (A. patagonicus); Kleine P. van Zuid-Afrika (A. demersus).

ocr page 175

1G3

III KLASSE.

Kruipende dieven.

§ 185. Kruipende dieren {Uc.ptilia) zijn gewervelde diereu, die door longen (cenige weinigen tevens door kieuwen) ademhalen, die

koud, rood bloed bezitten, dat is, wier lichaamswarinte rijst en daalt niet die der omgevende middenstof, — wier hart uit twee boezems en ééne kamer (of twee niet volkomen van elkander afgescheiden kamers) bestaat, wier huid óf naakt of met schilden of schubben bedekt is, en die eieren leggen.

Vroeger noemde men de kruipende dieren veelal Tweeslachtige dieren of Amphibiën. Nu leven wel is waar vele dieren dezer klasse

ocr page 176

1G4

in het water en op het land, en zijn dus werkelijk Ampliibiën, — doch met de meesten is dit niet het geval en men mag dus dien naam niet geven aan de gansehe klasse. De naam van Kruipende dieren is, strikt genomen, ook niet geheel juist; sommige hagedissen loopen zeer vlug. Maar hij is toch beter te verdedigen dan die van Amphibien. Want de pooten dor dieren dezer klasse (voor zoo ver zij die bezitten; de slangen hebben er geenc) zijn over 't alyemeen zeer kort, zoodat zij inderdaad meer schijnen te kruipen ; al is het dan ook snel te kruipen, dan te loopen.

§ 18G. Aangaande het geraamte der kruipende dieren, dat in vele opzichten van dat der zoogdieren en vogelen afwijkt, merk ik het volgende op. Zie fig. 110, 113, 114, 117.

Tusschen de onderkaak en het slaapbeen vindt men een vierkant heen, even als bij de vogelen (§ 158}; bij de slangen bovendien tusschen het vierkant been en hot slaapbeen nog een zoogenaamd tejielbeen.

De tanden, waar die aanwezig zijn, 't welk niet altijd hot geval is, ziju kegel- of priemvormig, en dienen slechts tot het vatten en vasthouden van het voedsel. Bij sommigen zitten ook tanden in het gehemelte. Een aantal slangen bezit yifllanden, waarover later. Dc schildpadden en de padden bezitten geheel geene tanden.

Het aantal wervelbeenderen is zeer verschillend: de kikvorsehen bezitten er 8 of 9 in het geheel, sommige slangen 300 en meer. Bij de schildpadden, hagedissen en slangen heeft het achterhoofds-becn slechts één gewrichtsknokkel, even als bij de vogelen; doch bij de kikvorschachtige dieren vindt men twee zulke knokkels, evenals bij de zoogdieren.

De schildpadden bezitten gcene ware ribben, maar dc dwarse uitsteeksels der acht rugwervels zijn ribvormig verlengd en vormen met eenige zich in de huid ontwikkelende beenplaten het rugschild. Ook het borstbeen ontbreekt bij die dieren, doch daarentegen vindt men aan de borstvlakte een brecde bcenhuidplaat, die het borstschild uitmaakt. — De slangen hebben ribben aan al de wervelen , behalve de staartwervclen; dus vervalt bij hen dc onderscheiding in hals-, borst- en lendenwervelen. Een borstbeen is bij de slangen niet aanwezig; de ribben zijn aan het vóóreind viij, en zeer bewegelijk. — De kikvorschen, padden en salamanders hebben almede geen borstbeen, maar ook gcene eigenlijke rib-

ocr page 177

ir,5

bon. — Dn hagedissen hebben ribbon en een borstbeen, omtrent in dier voege als do zoogdieren en vogelen.

Do schildpadden en hagedissen bezitten een vrij volkomen , de kikvorschen, padden en salamanders een onvolkomen, de slangen in 't geheel geen bekken, of eenigen slechts een flauwe aanduiding daarvan.

Meestal hebben de kruipende dieren twee paar sleutelbeenderen, evenals de vogelen (§ 158).

De slangen en één geslacht der kikvorschachtigen (Caccilia) hebben geene pooten, met uitzondering van één slangen-geslacht, (Chirofcs); de overige kruipende dieren hebben er meestal 4, enkele 2. De pooten zijn verschillend gevormd, al naar de levenswijze des diers, maar komen in samenstelling met die der zoogdieren hoofdzakelijk overeen. Het getal teencn is doorgaans vijf.

§ 187. Ten aanzien der spijsverteringswerktuigen merk ik op, dat de kruipende dieren veelal zich voeden met andere dieren, die zij in hun geheel zonder kauwen inzwelgcn. Zeer enkele zeeschildpadden en ééne zoetwaterslang (Hcrpetori) voeden zich ook met waterplanten, de landschildpadden met gras en kruiden, de leguanen met bladeren. Het darmkanaal loopt uit in eene cloaca (§ 160). — Wat den bloedsomloop betreft, zoo bezit het hart der kikvorschen, padden en salamanders drie van elkander afgescheiden holten, twee boezems en slechts ééne kamer; bij de overigen zijn wel twee kamers, doch deze hebben door eene opening (die echter door een klapvlies kan gesloten worden) gemeenschap met elkander, zoodat zij ook slechts als ééne kamer te beschouwen zijn. Het gevolg is dus, dat er in die kamers of die kamer eene vermenging van slagaderlijk met aderlijk bloed plaats heeft, en dat het bloed, dat door de longslagadcren naar de longen en door de groote slagaderen (de kruipende dieren bezitten er twee) naaide liehaamsdeelen gaat, gemengd bloed is. Van die twee aorta's gaat de rechter naar voren om takken af te geven aan het voorste gedeelte des lichaams, en buigt zich dan benedenwaarts; de linker buigt zich achterwaarts en vereenigt zich met de rechter tot een buikslagader-stam. Beide aorta's ontspringen uit het rechter gedeelte de kamer. — Bij de krokodillen, die twee geheel gescheiden hartekamers bezitten , ontspringt uit elke kamer eene aörta, van welke de rechter uit de linker, de linker uit de rechter kamer ontspringt. De eerste voert dus slagaderlijk bloed en geeft takken aan den kop

ocr page 178

1G6

cn do voorsste ledematen. Dc linker buigt zicli achterwaarts en

verbindt zieli met do rechter tot ecne bnikaörta, zoodat het overige lichaam gemengd bloed ontvangt. Wanneer het dier onder water is en dus niet ademen kan, schijnt zich een klapvlies te openen, dat eene gemecnschapsopening tusschen dc tegen elkander aanliggende wortels der aorta's afsluit; daardoor kan dan slagaderlijk bloed uit dc rechter aörta in de linker komen.

De longblaasjes zijn zeer groot, cn de ademhaling minder krachtig dan bij de zoogdieren en vogelen; de kruipende dieren kunnen ook veel langer zonder ademhalen in liet leven blijven.

§ 188. Omtrent de zintuigen merk ik aan, dat bij de kruipende dieren, die met schilden of schubben bekleed zijn, de tastzin weinig ontwikkeld is; — dat het samenstel der oogon meest met dat der vogelen overeenkomt, terwijl ook de meeste kruipende dieren drie oogleden bezitten, met uitzondering der slangen, bij wie de oogleden ontbreken; — dat het uitwendig oor, even als altijd bij do vogels, doorgaans ontbreekt, terwijl ook sommigen geene trommelholte bezitten, cn bij allen het gehoor vrij stomp schijnt te zijn, welk laatste evenzoo met den reuk en de smaak het geval schijnt te wezen; — cn dat de moeste slangen en hagedissen eene lange, dunne, van voren in tweeën gespleten tong bezitten, die ver uit den mond kan worden gestoken.

§ 189. Eenige kruipende dieren kunnen springen, andere loopen en klimmen; zeer velen kruipen slechts. Een enkel geslacht (draak) kan fladderen door middel van eene uitbreiding der huid langs do zijden des lichaams, die door de verlengde ribben ondersteund wordt. Velen kunnen ook zwemmen.

De grootte der kruipende dieren is, even als bij de zoogdieren, zeer verschillend. Tot de allergrootsten behooren de krokodillen en eenige niet vergiftige slangen. Dc Nijlkrokodil kan eene lengte van 15 of 18 voet bereiken; de Water-boa uit Zuid-Ame-

Fig. 111.

sÜ

ocr page 179

1(57

rika on tie Oelar-sawa van Java worden vaak 25 voet lang.

§ 190. Hot herstellingsvermogen is bij de kruipende dieren veel krachtiger dan bij de zoogdieren en vogelen; deelen, die afgesneden of op eene andere wijze verloren zijn gegaan (staart, pooten, ja oogen) groeien niet zelden weder aan.

Do meeste kruipende dieren, b. v. de slangen en hagedissen, verwisselen jaarlijks van opperhuid.

In gematigde on koude gewesten houden de kruipende dieren oen winterslaap. Overigens leven verre de moesten in de warme luchtstreken.

§ 191. De kruipende dieren loggen eieren, wier schaal minder kalkachtig en dus minder hard is dan die der vogeleieren; soms is die geheel vliezig. Zij broeden die eieren niet uit, behalve de Oost-indischc reuzenslang (Pylhon.). — Do Kikvorschachtige dieren (Kikvorschen, Paddon, Salamanders enz.) gelijken, wanneer zij uit de eieren komen, gohool niet op de ouders; zij zijn dan visch-achtig van vorm, bezitten geen ledematen, ademen door kieuwen en leven in 't water, waarin zij door middel van hun langen van oen zwemvlies voorzieuen staart rondzwemmen. Dezen onvolkomen toestand noemt men den toestand van masker {larva). Zij ondergaan nu echter eene gedaanteverwisseling (metamorphose), die uitwendig vooral daarin bestaat, dat zich pooten vertoonen en de kieuwen laugzainerhand verdwijnen, terwijl zich inwendig dc longen ontwikkelen. Bij de vorschen en padden verdwijnt ook de staart Enkele van deze dieren behouden hun gelicele loven kieuwen , ofschoon zij tegelijk ook longen bezitten.

§ 193. Men verdeelt deze klasse in: 1. Schildpadden. 2. Hagedissen. 3. Slangen. 4. Kikvorschachtige dieren.

§ 193. Eerste orde. Schildpaddon (Chelonii). Een plat, kort lichaam; vier pooten, ieder met vijf genagelde of ongenagelde tecnen; een korte staart. Het lichaam is besloten binnen twee schilden — een rugschild en een borstschild — die slechts den kop, de pooten en den staart dootlaton (fig. 110.) Deze doelen kunnen bij vele Schildpadden binnen het pantser worden teruggetrokken. Het moer of minder gewelfde rugschild wordt gevormd door de verlengde dwarse uitsteeksels der 8 rugworvelen en bee-nige huidplaten (§ 18(3) ; het minder gewelfde borstschild verte-

ocr page 180

168

genwoordigt het borstbeen. Deze schilden zijn van buiten met hoornachtige platen of schilden bedekt. Op het midden van het rugschild liggen achter elkander in den regel 5 zoogenaamde schijfplaten, aan elke zijde begrensd door -1 zijde- of ribplaten» allen omgeven door 23 tot 25 randplaten. Het borstschild is meestal overdekt met G phitcn ter weerszijde, doorgaans met één onparige vóórplaat. — Bij eonige schildpadden {Trionyx, Sphargis) zijn do schilden niet met hoornplatcn, maar met eene lederachtige huid bekleed. — De mond der schildpadden is tandeloos, doch de kaken zijn bekleed met een hoornachtig omkleedsel, dat soms zaag-vormig getand is.

Do schildpadden zijn trage dieren, die meest van planten, eenige ook van kleine vi§cbjes en weekdieren leven. Do meesten zijn am-phibien en houden zich doorgaans in het water op, doch leggen hare met kalkschalen omgeven eieren op het droge onder het zand. Haar leven is zeer taai en zij worden zeer oud.

Men verdeelt de schildpadden in 1. landschildpadden, 2. zoetwater- of moerasschildpadden, 3. rivier- of lederschildpadden, 4. zeeschildpadden. — In ons land leven geene schildpadden. Meest worden zij in warme luchtstreken aangetroffen, doch enkele soorten komen ook in Europa voor, — eene (Emys europaea) zelfs tot in Pruisen en Polen. — Die in de gematigde gewesten leven houden een winterslaap.

§ 194. Grcslachtcn en soorten.

I. Landschildpadden (Tcsludinm). Korte voeten; teencn in dc huid verborgen.

1. Landschildpad (Testudo). — Grieksche schildpad (T. graeca); Geometrische schildpad (T. yeomctrica), Zuid-Afrika; Getafelde schildpad (T. tahulata), in Suriname.

11. Zoetwaterschildpadden (Etnydac). Duidelijk afgescheiden teenen mot zwemvliezen.

1. Rivier- of moerasschildpad fEmysJ. — Europeesche moerasschildpad (E. cnropaaaj, in zuidelijk en oostelijk Europa ; Noord-Amerikaansche kaaimanschildpad (E. serpentina, Chc-lydra serpentina)-. Doosschildpad {E. clausa, Kiuos ternon pensylvanicnm), mede in Noord-Amerika; Groote rivier-schildpad {E. expansd), in den Orinoco en de Amazonen-rivier; Langhalzige rivierschildpad {E. longicollis, Chelodina JS'ocac llollandiae), op Niéuw-Holland.

ocr page 181

1 (gt;9

2. Snuitschildpad (Chelys). — Miituimita. (C/i. fimhriata). in Cayenne.

TIT. Rivierschiidpaflclon (Trioni/chida). Atgesclicidcu tecncu met zwemvliezen; nagels slechts aan 3 teeneii; lederaelitigc scliildcn. 1. Lcdevscliildpad ,(Trioiiyx). — Bijtende ledersehildpad (T. ni-lolicus), in den Nijl; Amevikaanstdie L. 7'. fc.rox).

IV. Zeesehildpadden (Chtdonicij. Voeten vinvormig. Lange voor-pooten.

1. Zeeschildpad (C/ielouia). — Eetbare, renzcn-zeeschildpad (C/i. mydas), in den Atlantisclien Oceaan; Karetschildpad (CA. of Caretta imhricata), Indische en Stille Oceaan; Zee-lederschildpad {Ch. coriacc.a, Sphargis coriacea), Middel-landsche Zee en Atlantische Oceaan. — De reuzenschildpad kan 500, de zee-lederschildpad 700 pond zwaar worden. De karetschildpad levert in zijne hoornplaten het „schildpadquot; dat tot snuisterijen verwerkt wordt.

§ 195. Tweede orde. Hagedissen (Saurii). Een langwerpig, spil-vormig, gestrekt lichaam, hetgeen in een min of meer langen

staart uitloopt. Vier korte

Fig. 112.

pooten, bij zeer enkele soorten slechts twee ach-terpooten, of in 't geheel geene pooten. De teenen meestal van nagels , — de kaken, soms ook het gehemelte , van tanden voorzien. De huid bedekt met beenige schilden of met hoornachtige schubben, die bij sommige soorten stekels vormen. — Dc tong is óf

Fis-. 113.

ocr page 182

166

cn du vooisste ledematen. De linker Imigt zich achterwaarts on

verbindt zich mot de rechter tot cene bnikaörta, zoodat het overige lichaam gemengd bloed ontvangt. Wanneer hot dier onder water is cn dus niet ademen kan, schijnt zich een klapvlies te openen, dat eeno gemeenschapsopening tusschcn dc tegen elkander aanliggende wortels der aorta's afsluit; daardoor kan dan slagaderlijk bloed uit dc rechter aorta in dc linker komen.

Dc longblaasjes zijn zeer groot, eu de ademhaling minder krachtig dan bij dc zoogdieren en vogelen; de kruipende dieren kunnen ook veel langer zonder ademhalen in het leven blijven.

§ 188. Omtrent dc zintuigen merk ik aan, dat bij de kruipende dieren, die met schilden of schubben bekleed zijn, de tastzin weinig ontwikkeld is; — dat het samenstel der oogen meest met dat dor vogelen overeenkomt, terwijl ook de meeste kruipende dieren drie oogleden bezitten, met uitzondering der slangen, bij wie dc oogleden ontbreken; — dat hot uitwendig oor, even als altijd bij dc vogels, doorgaans ontbreekt, terwijl ook sommigen gecue trominelholte bezitten, cn bij allen het gehoor vrij stomp schijnt te zijn, welk laatste evenzoo met den reuk en de smaak het geval schijnt te wezen; — cn dat de meeste slangen cn hagedissen eeno lange, dunne, van voren in tweeën gespleten tong bezitten, die ver uit den mond kan worden gestoken.

§ 189. Eenige kruipende dieren kunnen springen, andere loopen cn klimmen; zeer velen kruipen slechts. Een enkel geslacht (draak) kan fladderen door middel van eene uitbreiding der huid langs de zijden des lichaams, die door dc verlengde ribben ondersteund wordt. Velen kunnen ook zwemmen.

Do grootte der kruipende dieren is, even als bij de zoogdieren, zeer verschillend. Tot de allergrootsten bchooren de krokodillen en cenigc niet vergiftige slangen. Dc Nijlkrokodil kan eene lengte van 15 of 18 voet bereiken; dc Water-boa uit Zuid-Ame-

Fig. 111.

ocr page 183

167

rika en de Oelai-sawa van Java worden vaak 25 voet lang.

§ 190. Het herstellingsvermogen is bij de kruipende dieren veel krachtiger dan bij de zoogdieren en vogelen; deelen, die afgesneden of op eene andere wijze verloren zijn gegaan (staart, pooten, ja oogen) groeien niet zelden weder aan.

De meeste kruipende dieren, b. v. de slangen en hagedissen, verwisselen jaarlijks van opperhuid.

In gematigde en koude gewesten houden de kruipende dieren een winterslaap. Overigens leven verre de meesten in de warme luchtstreken.

§ 191. Do kruipende dieren leggen eieren, wier schaal minder kalkachtig en dus minder hard is dan die der vogeleieren; soms is die geheel vliezig. Zij broeden die eieren niet uit, behalve de Oost-indische reuzenslang (rylhnii.).—De Kikvorschachtige dieren (Kikvorschen, Padden, Salamanders enz.) gelijken, wanneer zij uit de eieren komen, geheel niet op de ouders-, zij zijn dan visch-aehtig van vorm, bezitten geen ledematen, ademen door kieuwen en leven in 't water, waarin zij door middel van hun langen van een zwemvlies voorzienen staart rondzwemmen. Dezen onvolkomen toestand noemt men den toestand van masker (larva). Zij ondergaan nu echter eene gedaanteverwisseling (metamorphose), die uitwendig vooral daarin bestaat, dat zich pooten vertoonen en de kieuwen langzamerhand verdwijnen, terwijl zich inwendig de longen ontwikkelen. Bij de vorschen en padden verdwijnt ook de staart Enkele van deze dieren behouden hun geheelc leven kieuwen , ofschoon zij tegelijk ook longen bezitten.

§ 192. Men verdeelt deze klasse in: 1. Schildpadden. 2. Hagedissen. 3. Slangen. 4. Kikvorschachtige dieren.

§ 193. Eerste orde. Schildpadden (Chelonü). Een plat, kort lichaam; vier pooten, ieder met vijf genagelde of ongenagelde teenen; een korte staart. Het lichaam is besloten binnen twee schilden — een rugschild en een borstschild — die slechts den kop, de pooten en den staart dootlaten (fig. 110.) Deze deelen kunnen bij vele Schildpadden binnen het pantser worden teruggetrokken. liet meer of minder gewelfde rugschild wordt gevormd door de verlengde dwarse uitsteeksels der 8 rugwervelen en bee-nige huidplaten (§ 186) ; het minder gewelfde borstschild verte-

ocr page 184

168

gcnwoordigt liet borstbeen. Deze schilden zijn van buiten met hoornachtige platen of schilden bedekt. Op hot midden van het rugschild liggen achter elkander in den regel 5 zoogenaamde schijfplaten, aan elke zijde begrensd door 4 zijde- of ribplatem allen omgeven door 23 tot 25 randplaten. Het borstschild is meestal overdekt mot 6 platen tor weerszijde, doorgaans met één onparige vóórplaat. — Bij eonige schildpadden (Trionyx, Spharyis) zijn de schilden niot mot hoornplaton, maar mot oeno lederachtige huid bekleed. — De mond dor schildpadden is tandeloos, doch do ka-kon zijn bekleed mot een hoornachtig omkleedsel, dat soms zaag-vormig getand is.

Do schildpaddon zijn trage dieren, die meest van planten, eonige ook van kleine vigchjos en weekdieren leven. Do moesten zijn am-phibien en houden zich doorgaans in hot water op, doch leggen haro met kalkschalen omgeven eieren op hot droge ondor het zand. Haar leven is zeer taai en zij worden zeer oud.

Men verdoolt de schildpadden in 1. landschildpaddon, 2. zoetwater- of moorasschildpaddon, 3. rivier- of lodorschildpaddon, 4. zeeschildpadden. — In ons land loven geone schildpaddon. Meest worden zij in warme luchtstreken aangetroffen, doch enkele soorten komen ook in Europa voor, — oone (Kmys enropaca) zelfs tot in Pruisen en Polen. — Die in do gematigde gewesten loven houden een winterslaap.

§ 194. Greslachten en soorten.

I. Landschildpadden (Tesfudinca). Korte voeten; tcenen in do huid verborgen.

1. Landschildpad (Tcstudo). — Grieksche schildpad (T. yracca) ; Grcometrische schildpad {T. ge.ome.trica), Zuid-Afrika; Getafelde schildpad [T. tahulata), in Suriname.

II. Zoetwaterschildpadden (Emydae). Duidelijk afgescheiden teenon met zwemvliezen.

1. Rivier- of moerasschildpad fEmi/sJ. — Europeosche moerasschildpad (E. enropaeaj, in zuidelijk en oostelijk Europa ; Noord-Amerikaansche kaaimanschildpad {E. serpentina, Che-lydra serpentina); Doosschildpad (E. claicsa, Kinosternon pensylvanicum), mede in Noord-Amerika; Groote rivier-schildpad {E. expansa), in den Orinoco en de Amazonen-rivier; Langhalzige rivierschildpad (E. longicollis, Chelodina Novae. Ilollandiae), op Niouw-IIolland.

ocr page 185

169

2. Suuitschildpad (Chclys). — Matamata (Ch. fimbriata). in Cayenne.

Til. Rivierschildpafldeii (Trioiii/chida,). Afgesclioiden teenou met zwemvliezen •, nagels sleelits aan 3 tecncn; lederaclitigc scliilden. I. L e d e rs c 11 i 1 dp a d ; (7 V/o nyx). — Bijtende lederscliildpad (T. ni-lotlcus), in den Nijl; Amerikaansehe L. 7'. fa-ox).

IV. Zeeschildpadden {Chelonici). Voeten vinvormig. Lange voor-pooten.

1. Zeeschildpad (Chclonia). — Eetbare, reuzen-zecschildpad (C/i. mydas), in den Atlantischen Oceaan; Karetschildpad {Ch. of Caretta imhricata), Indische en Stille Oceaan; Zee-lcderschildpad {Ch. cor!anna, Sphargis coriacea), Middel-landsche Zee en Atlantische Oceaan. — De reuzenschildpad kan 500, de zee-lederschildpad 700 pond zwaar worden. De karetschildpad levert in zijne hoornplaten het „schildpadquot; dat tot snuisterijen verwerkt wordt.

§ 11)5. Tweede orde. Hagedissen {Saurii). Een langwerpig, spil-vorinig, gestrekt lichaam, hetgeen in een min of meer langen

staart uitloopt. Vier korte pooten, bij zeer enkele soorten slechts twee ach-

_^ terpooten, of in 't geheel

geene pooten. De teenen meestal van nagels , — de kaken, soms ook het gehemelte , van tanden voorzien. De huid bedekt mot beenige schilden of met hoornachtige schubben, die bij sommige soorten stekels vormen. — De tong is óf

Fipf. 113.

dun, lang, voor uitstrekking vatbaar en van voren in tweeën

ocr page 186

170

gespleten, óf dik, vleczig, alleen aan het uiteinde vrij en niet uitstcckbaar, óf voorzien van een langen, intrekbaren, buisvormi-geu stoel met een dik uiteinde, die pijlsnel kan uitgestooten worden, en aan welks kleverig uiteinde de insokten blijven hangen, (Chauiacleon), óf eindelijk kort, plat, aan do spits ingesneden maar niet uitsteekbaar. Meestal oogleden. — De tong der Pantser-hagedissen is breed, vleezig en zijwaarts aan de onderkaak vastzittend. — Aan de binnenzijde der dijen bij zeer velen zoogenaamde dijklieren, wier openingen men dij-porien boet, doch waarvan het nut nog niet bekend is.

§ l'.IG. G-eslachtcn en soorten.

I. Gepantserde hagedissen CS(tiiril loricali), met eene met groote, beenigo schilden bedekte huid. De wortellooze, kegelvormige tanden geplaatst in tandkassen of in tandgroeven in de kaakbeenderen; daarvan ook Thccodoiitcs. Zie over hun bloedsomloop. § 187 , over hun tong § l!).r). Zij zijn gevaarlijke roofdieren.

1. Krokodil (Crocodihts). — Xijlkrokodil (Cr. nilolicus); Indische krokodil (Cr. biporcalusj.

2. Kaaiman [Allhjator) — Snoekkaaiman (.1. lucitis), in Noord-Amerika; Brilkaaiman (,1. sclerops) , in Zuid-Amerika.

3. Glavial (Gavial, llhamphostoma). — Bengaalsche gavial {G. of Rh. ganyeticus).

II. Geschubde hagedissen (Saurü sqaamati), bij welke de huid bedekt is met hoornachtige schubben, die op den kop en aan de buikzijden veelal grooter en schildvormig zijn. De tanden staan op de randen of teyen de binnenvlakte dor kaakbeenderen , en niet in tandkassen of tandgroeven. Daarvan ook Athccodontes. a. Spleettongigen (Schistoglossl),

1. Hagedis (Laccrta). — Gewone hagedis f {L. agilis) 1; Muurhagedis f (L. muralis); Groene hagedis (L. viridis), Zuid-Europa.

2. Waarschuwer {Monitor). — Egyptische landkrokodil, Waran {M. stellatus); Sundasche waran (M. bivittatus), kan 2 M. lang worden. Geen dij-poriën.

3. ïejus (Tejus). — Surinaamsche T. (T. monitor).

1

Volgens sommigen twee soorteu: Gewone hagedis {L. stirpium) en levendbarende hagedis (L. vivipara).

ocr page 187

171

4. Knobbolhagcdis (Hcloderma). — Mcxikaansclic K. (il/. hor-ridus); hoeft van voren gegroefde tanden (§ 107) en zijn beet is vergiftig.

5. Ameiva (Amelca) — Surinaamsche A. (A. vuhjaris).

6. Draak {Draco). — Vliegende hagedis, Groene draak {D. virid's), op de Sunda-eilanSin ; Gevlekte D. {D. fimhriafus), op Java en Sumatra.

7. Legoeaan, Kamhagedis {Tyuaua). — Gewone legoeaan. (/. delicatissima of tuherculala).

h. Diktongigen (Pachyglossl).

8. Stei'hagedis (Stcllio). — Gewone S. '(S. vuhjaris), Griekenland , Syrië, Egypte.

9. Agama (Agama). — Kaapsehe stekelliagedis (j1. orbicular is).

10. Gecko (Plalydactijlus). — Gevlekte Indiselie gecko (I'. lt;jut-/ al us).

c. Slingertongigen (Spendon o/jlossi).

11. Kameleon (Chamaelcon). — Gewone kameleon (Ch. vuhjaris), in Sicilië, Spanje en Noord-Afrika; K. van Bourbon (Ch. hi fid us). Bekend zijn de kleurveranderingen der kameleons.

d. Korttongigen (Braclnjglossi).

12. Gordelhagedis (Pseudopus). — De Russische G. of Schelt-opusik (Ps. Pallasii). Slechts '2 zeer korte achterpooten.

12. Skink CScincus). — Gewone skink (S. officinalis). N. Afrika; Javaansche S. (amp;'. serpens).

14. Tweepoot (Bipes). — Zuid-Afrikaansche T. (Ij. aiiijiiinciis). Slechts twee stompvormige, van twee ongelijke korte tcenen voorziene achterpootjes.

15. Hazelworm {Anyuis). — Gewone H. f (^1. fragilis), zonder pooten.

16. Tweekophagedis {Amphishaena). — Witte T. van Guyana (A. alha). Geene pooten.

17. Ringhagcdis (Chirotes). — Mexikaansche R. (Ch. canalicu-latus), met twee korte voorpootjes dicht achter den kop.

De beide laatste geslachten worden ook wel tot de slangen gebracht.

§ 197. Derde orde. Slangen (Ophidii, Scrpcntcs). Een lang, rolrond lichaam. Do romp is 10 tot 100 malen langer dan breed en

ocr page 188

Ui

loopt van achteren ongevoelig, zonder eciilge insnoering, in een meer of minder langen staart uit. Het begin van den staart is dus alleen daaraan te onderkennon, dat liij zich achter de aars-spleet bevindt. De slangen hebben voorts geene pooten, ofschoon bij Boa, Python, Eryx en daarmede verwante, in de volgende §

Fisf. 1 14.

niet opgenoemde geslachten, sporen van een bekken en van onder de huid verborgen achterpootjes aanwezig zijn, terwijl twee nageltjes in den vorm van sporen uitwendig zijn te zien. Geene oogleden. Geene trommelholte. Ecne lange in tweeën gespleten tong, die uit- en ingetrokken kan worden. Eene met schubben bedekte huid; spitse, naar achteren gerichte tanden in de kaken en het gehemelte. De beide helften dor onderkaak in het midden van elkander gescheiden; dit, met do beweegbaarheid van eenige beenderen der bovenkaak en het aanwezen van een tepelbeen (§ 186), heeft ten gevolge, dat de slangen dieren kunnen doorzwelgen, die men op 't eerste gezicht daartoe veel te groot zou achten.

De slangen verwisselen jaarlijks ecnige malen van opperhuid. Zij bewegen zich kruipende, en schuiven zich daarbij door de beweging hunner talrijke, niet aan een horstboon bevestigde ribben Fig. 115. over d*311 grond voort. Hot aantal der

wervelbeenderen bedraagt van omstreeks 100 tot meer dan 400. Aan al die wer-wols zijn ribben gehecht, behalve aan do 3 of 3 eerste halswervels en de staartwor-Siangckop. vols. — Voorts bezitten de slangen slechts

ééno long, soms mot het rudiment van eene tweede.

ocr page 189

173

Do mcostc slangen loven op liet land, enkele in liet water. Zij leven van dierlijk voedsel en nemen meest eene zeer groote hoeveelheid daarvan tot zich. Daarna kunnen zij dan ook weken lang zonder voedsel blijven. De slangen bewonen in het grootste aantal de warme streken der aarde. In die streken honden zij gedurende het drooge jaargetijde een zomerslaap; de slangen der koudere luchtstreken houden een winterslaap.

Vele slangen zijn vergiftig. Deze bezitten in do bovenkaak aan weerszijde een langen en haakvormig gebogen tand (fig. llö/./) die veel grooter dan de overige tanden is, en yifUand of gifthadk genoemd wordt. Door den gifttand loopt oen kanaal, dat zich dielit

aan de spits op de bolle voorzijde mot een fijne spleet opent. Bij oonigo soorten is geen kanaal, maar enkel oono groeve of gleuf aan den tand aanwezig. Onder de wangen bevindt zich eene klier, do y if tidier e; (op do figuur moest de lijn aan deze let-

b Gifthakcu; e giftkiior; a nousholte. ter eens zoo ver benedenwaarts

reiken) die een vergiftig vocht afscheidt, en van welke eeue buis loopt in het kanaal of de groeve van den gifttand, door welke buis het giftvocht bij het bijten in het genoemde kanaal of de groeve, en daardoorheen in de wond dringt. Bij de niet vergiftige slangen is de bovenkaak vrij lang, bij do gleuftandigen korter, bij de kanaaltandigen zeer kort.

Wij verdoelen de slangen in: 1. Niet vergiftige ofgaaftandige, 2. verdachte of groeftandigo en 3. vergiftige of gifttandige slangen.

§ 108. Geslachten en soorten.

I. Niet vergiftige, gaaftandige {AylyjjhodoiUcs).

1. Hagedisslang (Tyjjhlops). — Wormvormige H. (T. Inmbri-calis). Grriekonland en Klein-Azic. — llij deze en eenige andere geslachten (Oaluntaria, Tortrix) is do mond-opening klein en de muil kan niet worden verwijd (§ 197). Men noemt ze daarom Klein- of Nauwmondigon {Stenostom!), in tegenoverstelling van al de overige slangen, die hun muil kunnen verwijden, on daarom Wijdinondigen {üurystonii) worden genoemd.

ocr page 190

174

2. Woelboa (Eryx). — Gewone W., (E. jaculus). Griekenland, Egypte, Syrië.

3.Uoa {Boa).— Reuzenslang, lioa {B. constrictor)-. Geringde B. {!gt;. aio ma, chenchris)Waterboa, Anaconda (H. murina of Eunectes mnriiiits), de grootste van alle boa's. Alle drie in Zuid-Amerika.

4. Python (Python). —Javaansche P., Oelar sawa, Eijstslang (1'. hivittatus) even gruot als de Waterboa, t. w. 7 tot 8 meters lang.

5. Wratslang (Acrochordus). — Javaansche W. (A. javanicus).

G. Bladslang {Dcndi ophits). — Surinaamsche en Kaapsche W.

(D. ahaclulla en colahrinus).

7. Landslang (Elaphis). — Slang van Aesculapius (E. of Oo-lubcr Acsculapii).

8. Glansslang (Coronella). — Glansslang. — Gladde slang f(C'. lacvis); Surinaamsche G. (C. cohe.lla).

9. Zwemslang (Tropidouotus). — Ringslang, Kraagslang, Heiaal. f (T. of Coluber natrix of Natrix torquata).

II. Verdachten, Gleuftandigcn (Glyphodontes).

1. Zandslang {Psammoplds). — Zuid-Europeesche Z. (Ps. la-vertinus).

2. Herpetou. (llcrpetouj. —Gespriete H. (//. tcntaculatum) in Achter-lndië, Sumatra enz. Leeft in zoetwater en voedt zich met waterplanten.

3. Takslang (Dipsas). — Javaansche en Sumatrasche T. (1). dendrophila).

III. Vergiftigen, Gift- of Kanaaltandigen (Toxodontcs).

1. Elaps (Elaps). — Surinaamsche E. (E. surinamensis en Icm-iiiscatus); Sundasche E. {E. furcaiusj.

2. Bungarus { Bunyarns). — Javaansche B. (B. annularis).

3. Brilslang (XajaJ. — Indische Brilslang, Naja, Cobra de capello {T. tripudians); Egyptische B. (N. hajcj; Kaapsche B., Koperkapel, eene Nederlandsche verbastering van het Portugeesch Cobra do capello (K. nivea).

4. Zeeslang (llydrophis). — Gewone Z. (ƒ/. pelarnis) in den Indischen Oceaan.

5. Adder (Vipera), — Gewone Adder f (V. of Pclias lerus), bij ons vooral in Drenthe; Zand-Adder (F. ammodytes), in Zuid-oostelijk Europa; Zuid-Europecsche Adder fJ'. asp is);

ocr page 191

175

Gekroonde adder (F. cerastes) iu Egypte en Arabic; Kaap-sche Pof-adder [V. arietam).

G. Ratelslang fCrotulnsJ. — E. van Brazilië en Guyana CC.

hom'dus); Nooi'd-Amerikaansclie K. (C. dnrissus).

7. Lacliesis (Lachcsis). — Surinaamsclic L., Boschmcestcr (L. mutus).

§ 199. Vierde orde. Kikvorschaclitige dieren (Batrachü). Het lichaam verschillend van gedaante; plat, kort en zonder staart (de kikvorschen en padden), of langwerpig, hagedisachtig, en met een staart (de salamanders). Eene naakte (niet met schilden of schub-

Fig. 117.

ben beklcede), veelal glibberige of wrattige huid. De eigenlijke kikvorsehen en de Kaapsche Pipa hebben alleen tanden in de bovenkaak; de padden on dc Atnerikaansehe Pipa hebben in 't geheel gcene tanden. Dc salamanders en blindslangcn daarentegen hebben beide kaken en het gehemelte met scherpe tandjes bezet. Verre dc meesten bezitten vier pootcn, — enkelen {Siroi lacertina) slechts twee voorpooten, eenige (de Caecilia's) in 't geheel gcene

ocr page 192

176

pooteu. Hot gotal der tccncn is meostiü vier aan de voor- en vijf aan de achterpooten. Do tccnen bezitten, met een paar uitzonderingen , geene nagels.

Het punt, waarin zieli editor do kikvorschachtige dieren vooral van do overige kruipende dieren onderscheiden, bestaat hierin, dat de uit de eieren gekomen jongen (maskers, larven, in het Fransch tétards) eene andere gedaante bezitten dan de ouden, — door kieuwen ademen, — uitsluitend in het water leven, — en eerst eene gedaanteverwisseling moeten ondergaan, vóór zij gelijk worden aan de ouden. De gedaantevei wisseling van den kikvorsch en de pad kan ons hier tot voorbeeld dienen. Fig. 118 c vertoont ons een

Fig. 118.

d

Ontwikkeling van den kikvorsch.

a. kiem in liet ei; h. kiem , uit liet ei genomen: c. masker met pininivormige kieuwen; d, een verder ontwikkeld masker, op zijde gezien; de uitwendige kieuwen zijn verdwenen ; e. masker met ontwikkelde achterpooten; ƒ. jonge kikvorsch die nog een overblijfsel van een staart bezit.

masker in het eerste ontwikkelingstijdperk; het bezit een zijdelings platten, van oen vliezigen zoom omgeven staart, waarmede het zwemt, — geene pooten, en uitwendig aan den kop pluimvormige kieuwen. Deze laatste verdwijnen weldra en het masker d ademt nu door inwendige kieuwen, even als een viseh. Ka ceuigen tijd beginnen zich de achter-pootcn te vertoonen (c), — vervolgens ook de voorpooten. Inmiddels heeft liet lijf langzamerhand de eigenaardige kikvorsehgedaante verkregen , — doch de staart bestaat nog. Doch van lieverlede krimpt deze in en verdwijnt eindelijk (ƒ). Gedurende dezen laatsten tijd hebben zich ook de longen ontwikkeld; eene korte poos ademen de jonge kikvorschjcs door longen en kieuwen te gelijk; doch, eindelijk verdwijnen de laatsten geheel.

ocr page 193

177

Eon dcrgolijken ontwikkelingsgang volgen ook de maskers der overige dieren dezer orde, — doch met eenig verschil. Zoo ver-toonen zich bij do salamanders de voorpooten het eerst en daarna de achterpooten, terwijl de staart niet inkrimpt, maar blijft bestaan. Bij eenigen blijven gedurende het geheele loven kieuwen met de longen bestaan; zie § 200.

Gelijk reeds in § 185 is opgemerkt, bezitten de dieren dezer orde, even als de zoogdieren, twee achtcrhoofdsknokkels. De on-gestaarte kikvorschachtige dieren (kikvorschen en padden) hebben geene ribben, maar toch een groot borstbeen, dat door twee paar sleutelbeenderen met het schouderblad samenhangt. De salamanders daarentegen hebben ribben. Do kikvorschen en padden hebben gewoonlijk slechts 10 wervelbeenderen, de salamanders daarentegen een zeer groot aantal.

Do kikvorschachtige dieren zijn meestal amphibiën (§ 185). Zij voeden zich met dierlijk voedsel, cn leggen eieren, die in een slijmig vlies besloten liggen, dat veelal bundels of lange snoeren vormt.

Voor zoover het uitwendig aanzien betreft, zijn de kikvorschachtige dieren als ware hot conc herhaling van do drie vorige orden. Het platte, breode, korte lichaam dor kikvorschen en paddon en hun tandelooze mond herinneren aan do schildpadden, wier Nederlandscho naam deze overeenkomst roods aanduidt; de salamanders gelijken zeer op hagedissen; en do caecilia's of rimpelslangen, mot hun lang, slangachtig lichaam zonder pooien, vortoonen geheel den vorm der slangen.

Sommige natuurkenners scheidon do kikvorschachtige dieren van de overige kruipende dieren af en maken er oone afzonderlijke klasse van, die der Amphibiën. Hiervoor bestaat echter geen genoegzame grond. Moor grond is er voor eene verdoeling dezer orde in drie orden, overeenkomende met de drie afdoelingen in de volgende §.

§ 200. Geslachten en soorten.

I. Ongestaarte kikvorschachtige dieren (Batrachii annri). Eigenlijke vorschen.

A. Pipas's (Pipatformes). Geen tong.

1. Pipa {Pipa).—Surinaamsche P. {P. dorsigera). De eieren komen uit en de jongen doorleven hun maskertoestand binnen holten , die zich in de rughuid van het mannetje vormen.

12

ocr page 194

178

2. Genagelde Pipa (Dactylcthra). — Kaapsche P. (D. ca-pensisj, met nageltjes aan de drie binnenteenen der achtervoeten.

B. Kikvorsehen (Ranaefonnes). Een tong. Tanden in de bovenkaak. Spitse teenen.

3. Kikvorsch (Ratio). — Groene Waterkikvorsch f (R. es-culenta); Landkikvorsch f (R. temporaria); Loeiende K., Stierkikvorsch f (Jt. mugiens), Noord-Amerika.

4. Vuurkikvorsch, Vuurpad (Bomhinalor). — Gewone V. f (B. igneus).

5. Kikvorschpad (Alytes).— Zuid-Europecsche K. (A. ohstc-tr leans).

6. Basterd-kikvorseli fPseudis). — Sm-inaamsche B. (i'.s. Jfe-rianae, Rana ii/tnidu.xa). Het masker is veel grooter dan liet volkomen dier en bezit een grooten op dien van oen viseli gelijkenden staart.

C. Boomkikvorscben (Hylaeformes). Een tong. Tanden in de bovenkaak. Schijfvormige uitbreidingen aan do vingerspitsen.

7. Boomkikvorseh {Ilyla). — Gewone B. -j- (TT. viridis of ar boy ca). Co qui {IT. of TTy lodes rnartinicensis). Op Martinique. De larven van dit laatste dier bezitten geen kieuwen of kicuwopcningen en doorleven den ganschen larventoestand in bet ei.

D. Padden {Bafoniforines). Een tong. Geheel geene tanden.

8. Pad (Bufo). — Gewone, grauwe P. t (B. vulgaris, ci-nereus). Groene P. f {B. of Calamita viridis).

9. Neushoornpad {Rliinoderrna). — Darwin's N. {Rh. Dar-winii), Chili. Op den snuit een boornvormig uitsteeksel.

II. Gestaarte kikvorscbaehtige dieren (Batrachii nrodeli) Salamanders.

A. Salamanders {Salamandrida). In volwassen staat alleen longen.

10. Landsalamander {Salamandra). — Gevlekte S. f (S. ' maculata.) \ Alpen-Salamander {S. atra). De laatste doorloopt alle metamorphosen in het lichaam der moeder.

11. Watersalamander {Triton). — Gewone W. f {T. crista-tus); Kleine W f (T1. taeniatus of punctatus).

ocr page 195

179

12. Stompsnuitsalamandcr CAmblystoma). N.-Amcrik. S. (A. mavortium). Moeren van Mexico 1.

13. Nagelsalamander (OnycJiodactyliis). —• N. van Schlegel (O. Schlegelii), Japan. Scherpe nageltjes.

14. Keuzensalamander (Meyalohalrachus, Cnjptohrancji hs). — Japansche K. {M. maximus, C. jajponicusJ.

B. Kieuwdi-agenden (Perennibranchiata). Blijvende kieuwen of kieuwspleten.

15. Kiemvsalamandcr (Menopoma). — Noord-Amcrikaansclie Reuzensalamander {M. alleghaniensis). Gelijkt op Cryp-tobranchus, doch behoudt de uitwendige kieuwen tevens met de longen.

1

Een zeer opmerkelijk dier, — de Kieuwsalamander of Axolotl, uit Mexico en aangrenzende streken, gelijkende op oen zeer groot kikvorsch-masker met mede zeer groote uitwendige kieuwen en vier volkomen ontwikkelde pooten, dat gevangen on als visch gegeten wordt, — werd tot dusver met eenige andere in Mexico on N.-Amerika voorkomende gelijkvormige dieren tot een geslacht Siredon vereenigd. Later is echter gebleken dat Siredon lichenoides, uit het moer Wyoming in N. Amerika, niets anders is dan de larve van Amhlystoma mavortium. Naar alle waarschijnlijkheid geldt zoo iets ook voor de andere kieuwsalamanders of Axolotis. Opmerkelijk is het intusschen dat deze larven zich voortplanten, evenals de volkomene dieren.

ocr page 196

180

1G. Proteus (Proteus). — Olm (P. anguineus), in onderaavd-sclie wateren in Karinthië. Blind. Blijvende uitwendige kieuwen.

17. Aalsalaraander (Amphiuma). — Drieteenige A. (A. tri-dactylam), zuiden van N.-Amerika. Geen blijvende uitwendige , maar inwendige kieuwen.

18. Sirene {Siren). — Hagedisachtige S. (lt;S'. lacertina), zuiden van N.-Amerika. Blijvende uitwendige kieuwen.

19. Schubsirene (Lcpidosiren). — Afrikaansehe S. (L. an-nectens). Inwendige kieuwen

III. Blindslangen (Ophiomorjiha).

1. Slangsalamander, Eiinpelslang (Caccilia). — Geringde rimpelslang (C. annulata), Zuid-Amerika; Gespriete li. {G. tentaculata), kust van Guinea; Wormachtige E., (6'. lum-hricoides), in Suriname; Klevei'ige E. (C. ylutinosa), op Java.

iv. k l a s s e.

Vissehen,

§ 201. Vissehen (Pisces) zijn gewervelde dieren, die door kieuwen ademhalen, die rood koud bloed bezitten, wier hart één boezem en ééne kamer bezit, die in het water leven en meest allen eierlcggend zijn. De ledematen bezitten bij hen den vorm van vinnen, niet welke zij zich in het water voortbewegen. Do huid van incest alle vissehen is met schubben bedekt.

§ 202. Het geraamte der vissehen, dat óf beenig óf geheel of grootendeels kraakbeenig is -, wijkt zeer af van dat der dieren van de reeds beschreven drie klassen. Ik zal hier slechts enkele der meest belangrijke eigenaardigheden opgeven.

Do kop der vissehen bestaat uit meer beenderen dan die der overige gewervelde dieren. Wij zullen ons hier niet begeven in do

1 Dit dier wordt ook wel tot do vissehen gebracht, ou vormt dan eeue at-zonderlijke afdoeling, die der vissclien niet lougeu en kieuwen (Pinces dipnoi).

2 Hierop berust eeue iudeeling der vissehen in Beeuvisschen (Pisces ussei, teleustei) en Kraakbeenvissehen (P. cartilayinei, chondrosleï). Tot de eersten behooren onze 4 eerste orden en een gedeelte der 5e (Antia, Polypterus, Lepidostens,) — tot do laatsten de overige.

ocr page 197

inocielijke studie van al deze beenderen, en verwijzen naar nevensgaande figuur 120, die ten minste een denkbeeld kan geven van dc samenstelling des schedels.

Een oogenblik moeten wij echter stilstaan bij den kieuwbogen-toestel. De grondslag daarvan is het van ouder in de middellijn

des lichaams gelegen langwerpig tongbeen s 1 i c h a a m of k o j) p e 1 b e e n.

Daaraan is van voren het kleine tongbeentje gehecht, dat den wortel der tong steunt. Aan elke zijde van hot koppel-been verheffen zich in den regel vijf-beenige of kraakbeenige bogen. De beide voorste dier bogen zijn merkelijk groo-ter en dikker dan dc volgende vier paren; aan hen zijn bevestigd eenige platte en sikkelvormige graten, die benedenen achterwaarts uitstoken en kien w-stralen (radii hranchiosteyi) heotcn. Do vier daarop volgende bogenparen zijn de kieuwbogen ; aau hun achterrand zijn do kieuwblaadjos (§ 204) in dubbele rijen vastgehecht.

De meeste visschcn hebben ter weors-

A aohtorlioofdsbeen, b H wand- zijde vlak achter den kop eene wijde beenderen; C C C boven-voor- . . , . i - i

hoofdsbeenderen ; 1 neusbeen ; k 1 C U \V S p 1 6 C t. L)lC spleet kail gesloten

worden door een vlies, dat tussehen de

beondoron; E E tepolbeendercn; £gt;-enoenido k i eu W S t r a 1 O n is llit-

2,2 oogholten; a.h bij-achter- 0

hoofdsbeenderen. gespannen, en kiouwdekselvlios

(membrana branchiostec/a) heet, — maar bovendien nog door cone reeks van vior platte beenstukken, die mot beenderen van don kop geleed zijn, en te samen het kieuw deksel {operculum) uitmaken1.

Schedel van een Kabeljauw, van boven.

Bij do haaien on roggen is de inrichting in sommige opzichten anders. Terwijl bij de moeste visschon de kieuwen mot hare uiteinden vrij in de enkelvoudige kieuwholte hangen, zijn die uiteinden bij de haaien en roggen met do huid vergroeid, waarvan

1

De verschillende stukken dragen de namen van vóorldeuwdeksel (praëopercnluin), kieuwdcksel (operculum), ondorkieuwdeksel (stiltojjercu-lum) en tusschenkieuwdeksel (interopercuhim).

ocr page 198

182

het gevolg is, dat er even zoovele kiomvholten zijn, als er zich ruimten tusschon elke twee kieuwbogen bevinden,—met andere woorden, dat elke kieuwholte door tussehenschoften (de kieuwen) in eenige afzonderlijke holten verdeeld is. Ieder dier kieuwholten heeft dan ook eene kieuwspleet, die evenwel geen kieuwdeksel bezit. Bij deze visschen bevinden zich ook de kieuwspleten wat verder achterwaarts dan bij de overigen. — Bij de alen hebben de kieuwopeningen den vorm van kleine gaten; bij eenigen (de Modderaal) ligt aan de keel slechts één grooter kieuwgat.

De meeste visschen hebben tanden, meestal spits kegelvormig, maar ook wel plat, driehoekig en puntig. Zij bezitten geen wortels, maar zijn op het been, dat haar draagt, vastgehecht. De tanden kunnen op alle beenderen van de mondholte voorkomen: op de kaken, de tusschenkaak, hot verhcmeltcbeen, het ploegbeen enz. Bij eenige visschen vindt men ook nog platte tanden of tandplaten, die tot vermaling van hard voedsel, b. v. schelpdieren, dienen.

De lichamen der wervelbeenderen zijn cylinder- of zandlooper- ' vormig; hunne bovenste en onderste (of voorste en achterste) oppervlakte is niet plat, zooals bij de overige gewervelde dieren, maar bekervormig uitgehold; de holte die alzoo door het tegen elkander liggen van twee wervelbeenderen ontstaat, is met eene geleiachtige stof gevuld. Aan iedcren wervel is een naar boven uitstekend doornwijs uitsteeksel, dat uit liet wervellichaam ontspringt met twee wortels of boenen, tusschen welke eene opening blijft. Al die openingen vormen te samen een kanaal, waarin hot ruggemerg ligt; do wand van dat kanaal is tusschen elke twee wervels afgebroken. De staartwervcls bezitten bovendien ook van onderen doornwijze uitsteeksels met dubbele wortels, die een kanaal vormen, waarin slagaderen liggen. Bij sommige visschen (de prikachtige visschen) is geene eigenlijke wervelkolom aanwezig, maar een ruggestreng, welke eene van den kop tot de punt des staarts loopende kraakbeenige koord is, die besloten ligt binnen eene vliezige schede, welke aan de bovenzijde der koord een bekleedsel vormt voor het ruggemerg. — Overigens bezit elk wervelbeen twee dwarsche uitsteeksels. — Een eigenlijken hals bezitten de visschen niet, en de verbinding tusschen den kop en den eersten wervel komt overeen met die der wervels onderling.

ocr page 199

183

De meeste visschen bezitten ribben, die gehecht zijn aan do dwarsche uitsteeksels der wervelen, maar die, even als do ribben der slangen (§ 186 en 187) met hare onderste uiteinden vrij eindigen , daar de visschen, evenmin als de slangen, een borstbeen bezitten.

De vinnen der visschen, die bij hen de plaats van ledematen of pooten beklecden, verdeelt men in gepaarde en ongepaarde. Bij een visch , die alle soorten van vinnen bezit (want niet alle visschen bezitten al de nu te noemen vinnen), vindt men de volgende ongepaarde vinnen: ecne rugvin (fig. 121 a b), eeue staartvin (c), en eene aarsvin (cl); — alsmede deze gepaarde vinnen: twee horstvinnen (f) die als voorste ledematen aan te merken

zijn , en twee buikvinnen (e) die de achterste ledematen voorstellen. De vorm en de plaatsing dezer vinnen verschillen nog al veel. De rugvin is soms dubbel of driedubbel; zoo heeft b. v. de baars (fig. 421) een dubbele of in tweeën gesplitste rugvin (a en b). De buikvinnen zitten soms midden op den buik, zooals bij den karper, of zeer naar voren, aan de borst, zooals bij de baars, — soms zijn zij zelfs vóór de borstvinnen geplaatst (keel-vinnen) 1 — Bij alle visschen is do staart in vertikalc richting uit-

1

Hiervan eene verdeeling der visschen in Buikvmvisschen, Borstvin-visschen , Keelviuvisschen en Buikvinlooze visschen.

ocr page 200

184

gebreid. Daardoor verscliillen de vissehcu van do walviscliaclitige dieren, wier staart steeds horizontaal is. Bij do meeste visschen is de staartvin aan liet einde van den staart geplaatst, en breidt zich daar, meer of min als een waaier, symmetrisch zoowel naar

boven als naar onderen uit (zie

fig. 121). Maar bij eenige andere visschen ligt de staartvin alleen of voornamelijk oncUr aan het einde van don staart (zie fig. 135, 136), Den eersten vorm noemt men den homocercalen, den tweeden den hecterocercalcu staart.

Dc vinnen bestaan uit langwerpige beentjes (vinstralen) die in eene rij achter elkander gelogen en door een vlies verbonden zijn. Dc rugvinstralen zijn door geledingen verbonden met de platte, priemvormige tusschcn-doornbeenfjes, die met hunne punten tussehen de doornuit-steeksels der wervelen liggen. Ook de aarsvinstralen bezitten tussehendoornbeentjes , die tussehen de onderste doornuitstcck-sels der staartwcrvelen liggen. De stralen der staartvin zijn gehecht aan eene driehoekige beenplaat aan het einde der wervelkolom.

Enkele visschen bezitten op den rug nog eene kleine vetvin die geene stralen bezit (zalmen en sommige vallen), alsmede de tweede rugvin der forellen. De stralen der borstvinnen kunnen met vingers worden vergeleken , en zijn door geleding verbonden aan zekere onder de huid gelegene, aan den schedel (bij de haaien aan den ruggraat)

ocr page 201

185

vastgehechte beenderen, die het schouderblad en den arm vertegenwoordigen. Bij enkelen zijn de buikvinnen mode gehecht aan los in het vleeseh liggende boenplaten, die de vertegenwoordigers van bekkenbeenderen zijn.

Eenige vinstralen zijn geleed en buigzaam, andere ongeleed en stijf. Op dit verschil kom ik later terug.

Behalve de reeds vermelde beenderen vindt men bij de meeste beenvisschen nog dunne, min of meer op ribben gelijkende beentjes, die vrij tusschen de spieren liggen, en die men rjratcn heet. Zij zijn niet anders dan verbeende pezen.

§ 203. Het darmkanaal der visschen is over 't geheel kort; de aarsopening ligt vóór de aarsvin, soms zeer ver naar voren, bij de keelvinvisschen en buikvinlooze visschen zelfs onder de keel. Al wat achter deze opening ligt, wordt staart genoemd. De urine-opening ligt achter do aarsopening. Eigenlijke speekselklieren ontbreken •, de lever is daarentegen zeer groot en vot. — Verre de meeste visschen leven van dierlijk voedsel: andere visschen,wor-

ocr page 202

186

dor lichaamsdeelen ƒ. Dc aderen verbinden zich tot een aderstam , die het bloed naar het hart terugvoert. Er is dus hier slechts één bloedsomloop (§ 51). — Het blood is rood, behalve bij Amphioxus.

§ 205. Om te ademen en het bloed van nieuwe zuurstof te voorzien, hebben dc visschen, evenals de andere dieren, lucht noodig. In hot water nu is steeds lucht vervat en het is deze lucht, welke verre de meeste visschen alleen inademen. De adem-halingswerktuigon der visschen zijn de kieuwen-, dubbele rijen langwerpige, driehoekige plaatjes op den uitwendigen rand van eiken kiouwboog. Do holte, waarin deze toestel ligt, heeft naar buiten een uitgang door eene spleet, die achter aan don kop van den nek naar dc keel loopt; deze spleet, de kieuwspleet, wordt van onderen gesloten door het kieuwvlies, maar van voren bedekt door de kieuwdcksels (§ 202) die bij den eersten den besten visch gemakkelijk te vinden zijn. Bij het oplichten der kieuwdcksels ziet men de kieuwen in de kieuwholte liggen.

Bij het ademhalen nu wordt het water door den mond opgenomen , loopt tusscheu de kieuwbogen door, en stroomt door de kieuwopeningen weer naar buiten •, op dien weg geeft dc in het

water bevatte lucht zuurstof aan het bloed in de fijne bloedvaten der kieuwen af, en ontvangt daarvoor koolzuur uit het bloed \n de plaats.

Dat de visschen buiten het water niet lang leven, is bekend; de kieuwplaatjes, niet langer door het water als ware het zwevende gehouden, plakken op elkander, waardoor de bloedsomloop er in gestoord wordt. Eenige visschen kunnen het langer buiten het water uithouden; bij deze heeft, zooals b.v. bij den karper,

eene sterke afscheiding van slijm in dc kieuwholte plaats, die het op elkander plakken en verdrogen der kieuwplaatjes verhindert, — of er zijn onder het kieuwdeksel cellen voorhanden, waarin water bewaard wordt, dat de kieuwen gestadig bevochtigt. Zoo is het bij eenige visschen, die uit het water kruipen en zich met

ocr page 203

187

hunne borstvinnen op don grond voortbewogen (Pantserval, Vin-val), en bij de klimbaars uit Oost-Indië, die, zegt men, zelfs op de boomen klimt.

§ 20G. Bij vele vissehen vindt men tegen den ruggegraat en boven de ingewanden cene langwerpige blaas, die óf geheel gesloten is, of door eene opening of eene buis gemeenschap heeft met den slokdarm of de maag. In die blaas is lucht bevat, t. w. zuurstof met stikstof in verschillende evenredigheden, met eenig koolzuur. Men heet deze blaas zwemblaas. Zij is enkelvoudig of door eene insnoering in tweeën verdeeld, soms ook voorzien van blinde aanhangsels. Bij onkelen {Amta) is zij in vakken verdeeld. Dikwijls staat zij door een keten van kleine beentjes in varband

met het gehoororgaan. Het nut van dit orgaan, dat voor samentrekking en uitzetting vatbaar is, is gelegen in de wijziging van het soortelijk gewicht des lichaams en het regelen der drukking op verschillende diepten. Vele vissehen bezitten er geene.

§ 207. De huid der vissehen is, gelijk wij weten, geheel of grootendeels met schubben bedekt, ofschoon er ook eenigen zijn, die geen schubben bezitten, zooals de Cyclostomen en eenige Siluroïden. Van deze schubben onderscheidt men gewoonlijk vier vormen: 1. plaatschubben of jjfaco«fc-schubben: harde beenachtige

ocr page 204

188

plaatjes met stekeltjes of knobbeltjes bedekt, of harde, in de huid als ware het ingebedde knobbeltjes, zoo als bij de haaien en roggen; 2. glansschubben of jraïioïde-sehubben; grootere of kleinere met glazuur bedekte platen, die of dicht tegen, of dak-panswijze over elkaar liggen, of slechts op de huid verspreid staan, zoo als bij den steur; 3. kringschubben of cytotZe-sclmbben: dunne, meer hoornachtige schubben, die onder het mikroskoop verscheidene kringvormige strepen vertoonen; 4. tandschubben of cteioWe-schubbcn, welke aan den vrijen rand van fijne tandjes voorzien zijn. — Verre do meeste visschen bezitten of cycloïde of ctenoïde-schubben.

Bij vele visschen loopt aan weerszijde van het lichaam eene overlangsche streep, de zijdcslrcej); de schubben, die deze streep vormen, zijn doorboord en staan in verband met buisjes, waaruit een slijmerig vocht komt, dat zich over het geheelc lichaam verspreidt. Bij andere visschen liggen die schubben over het geheelc lichaam verspreid. — Door sommigen wordt deze streep beschouwd als een ziutuigelijk orgaan, daar een aantal zenuwen met eigenaardige eindtoestellcn er in uitloopen.

§ 208. liet zenuwstelsel der visschen bestaat uit hersenen, waar-vun de achter elkander gelegene afdeelingen (groote, midden- en kleine hersenen) duidelijk zijn te onderscheiden, — een rugge-merg, — en zenuwen. — Het gevoel der beschubde huid kan natuurlijk weinig ontwikkeld zijn. Do lippen en de van deze niet zelden afhangende baarddraden zijn te vergelijken met de tast-organen der reeds beschreven dieren. — Smaak en reuk schijnen almede niet scherp te zijn. De enkele of dubbele neusholte heeft in den regel geene gemeenschap met de mondholte. — De oogbol der visschen is weinig bewegelijk en van voren plat, de lens daarentegen volkomen bolvormig, zoodat door deze alleen de breking der lichtstralen plaats heeft. In het oog vindt men een sikkelvormig verlengsel, dat van de gezichtszenuw door het glas-vocht naar voren loopt (Processus. falciformis), doch waarvan het nut onbekend is. Oogleden ontbreken meestal, behalve bij de haaien. — Het gehoor schijnt tamelijk scherp te zijn; uitwendige ooren ontbreken altijd. — Het instinkt der visschen is niet bijzonder groot.

§ 209. De spieren der visschen zijn gewoonlijk, zoo als bekend is, wit van kleur en los van weefsel. De zijden worden bedekt door eene groote, door zoogenaamde tusschenspierbanden {liyamenta

ocr page 205

189

intermuscularia) in bladen afgcdeclde spierlaag, waardoor het lichaam links of rechts gebogen wordt. — De voorwaartsche beweging in het water geschiedt voornamelijk ten gevolge der zijdelingsche bewegingen van den staart, op dezelfde wijze als eene boot met één roeiriem aan den achtersteven wordt voortyewrikt. De buik- en borstvinnen dienen hoofdzakelijk ter bewaring van het evenwicht. Vele visschen kunnen vrij hoog uit het water opspringen. Bij enkele van deze zijn de borstvinnen zóó groot, dat zij den visch, wanneer hij uit het water opgesprongen is, eenigen tijd in de lucht kunnen ophouden en dragen; dit is het geval bij de zoogenaamde vliegende visschen. Dat eenige visschen zich ook op het droge kunnen voortbewegen, heb ik met een woord gemold, en dat de aal vaak viit het water kruipt is bekend, — De spierkracht der visschen is zeer groot. Sommige, zooals de Zalm, kunnen 12 a 14 voet hoog uit het water opspringen.

§ 210. Sommige visschen ontwikkelen elektriciteit en geven aan de dieren of de menschen, die hen aanraken, sterke schokken. Tot deze behooren de Sidderroggen, de Sidderaal en de Sidderval.

Het elektrisch orgaan van de sidderrog ligt vooraan het lichaam onder de huid, tusschen den kop en de kieuwen aan weerszijde, en bestaat uit dicht tegen elkander liggende prismatische zuiltjes (wier boveneinde in fig. 12C zichtbaar zijn), waarvan elke weer bestaat uit opeengestapelde prismatische cellen, die een bind weefsel wand en een gelei-achtigen inhoud bezitten. In de wanden der prisma's verspreiden zich talrijke zenuwtakjes. Bij de andere elektrische visschen is de inrichting wel anders, maar bij allen vindt men met deze cellen overeenstemmende deelen. Bij den sidderaal liggen de elektrische organen in het staartgedeelte, — bij den sidderval bekleeden zij onder de huid een

groot deel des lichaams. Overigens bezitten de zoogenaamde „niet-elektrischequot;, gewone roggen aan weerszijde van den staart een overeenkomstig orgaan, dat de bron is van zwakke elektrische stroomen.

ocr page 206

190

Voorts zouden volgens de nieuwste onderzoekingen de elektrische organen van de sidderrog en de sidderaal veranderde spieren, die van den sidderval veranderde en gewijzigde klieren zijn.

§ 211. De vissclien vermenigvuldigen zich door eieren {kuit). Het getal der eieren is zoo groot, dat de kuit van één visch soms uit honderdduizend eitjes bestaat. De eitjes zijn veelal rond, bij de haaien en roggen zijn zij veel grooter dan bij de andere visschen, en daarbij plat, vierhoekig en aan de vier hoeken van draadvormige aanhangsels voorzien. Men noemt deze gewoonlijk haaien- en roggcntaschjes. — Bij eenige visschen ontwikkelen zich de eieren in het lichaam der moeder. — Bij de uit het ei gekomen jonge vischjes is het lijf en de staart omgeven van een dunne huidzoom, die van den kop over den rug, het staarteind en onder den buik weer naar voren loopt. Van dien huidzoom kunnen de ongepaarde vinnen (tig. 121) als de overblijfselen worden beschouwd.

Enkele visschen, zoo als de stekelbaars, bouwen een soort van nesten en bewaken de eieren en de jongen met groote zorg. Bij de meeste visschen echter bespeurt men van zoo iets niets.

Vele zeevisschen verschijnen op zekere tijden des jaars in groote scholen op ondiepe plaatsen en nabij het strand. Zij verlaten dan de diepte der zee om op de genoemde plaatsen hunne kuit neder te leggen. Later trekken zij weer in de diepe zee terug. Men heeft het er vroeger voor gehouden dat dit verschijnen en verdwijnen het gevolg was van groote tochten, die deze visschen (de haringen b. v.) op zekere tijden zouden ondememen. Het is thans echter genoegzaam uitgemaakt, dat de tochten dier zoogenaamde trek-visschen zich bepalen tot het verwisselen der diepe zee met de ondiepe en omgekeerd.

Sommige visschen, die overigens in zee leven, zoo als de zalm, zwemmen de rivieren op, om hunne eieren te leggen.

§ 212. Het water is, gelijk elk weet, de woonplaats der visschen ; men verdeelt deze in zoutwatervisschen of zeevisschen en zoetwatervisschen. Het aantal der soorten, die de zee bewonen, is veel grooter dan dat der zoetwatervisschen. De waarschijnlijke verhouding wordt opgegeven als 3 tot 1. — In den regel sterven de zoetwatervisschen wanneer zij in zeewater, en de zeevisschen wanneer zij in zoetwater worden overgebracht. Hierop zijn echter uitzonderingen, zooals de zalm, de steur (§ 210) enz., alsmede

ocr page 207

191

de alen, die zoetwatcivissclien zijn, maar ook in zee komen. — Ook leven vele visschen aan de monden der rivieren, dus nocli in zoet, nocli in zout, maar in brak water.

§ 213. Wij verdoelen de visschen vooreerst in die met eene zwemblaas {Pisces cystophori en zonder eene zwemblaas (Pisccs acystici). Tot de eersten bclioorcn: 1 de Hardvinnigen, 2 de Week-vinnigen, 3 do Vastkakigen, 4 de Troskieuwigen, 5 de Glans-schubbigen,—tot de tweede 6 de Vastkieuwigeu, 7 de Rondbck-kigen en 8 de Smalbartigen.

§ 214. Eerste orde. Hard- of Ongeleedvinnigen (Anarthroptcrygü). Visschen, doorgaans met een beenig geraamte, bij wie de voorste stralen der rugvin en aarsvin ongeleed, vaak stevig en spits zijn. Gemeenlijk hebben ook de buikvinnen een liurden, puntigen straal. De buikvinnen zijn meestal onder of vóór de borstvinnen geplaatst

(§ 202). De schubben zijn etenoïdaal; de bovenkaak is beweeglijk. Kieuwen kamvormig.

Deze orde bevat ruim dc helft der bekende visschen.

§ 215. Geslachten en soorten.

I. Voorste stralen der rug- en aarsviunen ware stekels, d. z. ongelede stralen, uit twee zijdelingsche met elkander vergroeide helften bestaande, en zoo vast met de vinsteunbeendcren verbonden, dat zij zijdelings niet kunnen uitwijken. Veelal bezitten die stralen eene inwendige holte. Stekelvinnigen {Acanthopterygii).

1. Baars. (Perca.) — Rivierbaars f (P. fluviatilis) ; Zeebaars f (F. lahrax, of Lahrax lupus) - Pos f (P. acerina, of Acer In a vulgaris); Snoekbaars (P. lucioperca of Lucioperca sandra) ; vervangt beoosten de Elbe den baars.

2. Pieterman (Tracldnus), — Gewone en kleine P. f {T. dracó en vipera). Eene wond, toegebracht door den eersten straal der rugvin, brengt eene hevige ontsteking te weeg.

3. Sterrekijker (Uranoscopus). — Ruwe sterrekijker (U. scaler).

4. Zeebaars, Umbrina (Sciaeua). — Gewone Z. f (S. aijuila).

ocr page 208

192

5. Barbeel {Mallas). — Gewone barbeel, Zeebrasem f {M. surmu-l(itas)\ Baardbareel (M. harhatas), Middell. Zee.

G. Harder (Mugil). — Grewone H. f {M. capitoj.

7. Zeehaan (Trlgla). — Groote zeehaan, Eozet, Poon f (?'. hi-

rM«lt;Zo);Klcine poon f (T. gurnardus).

8. Vliegende zeehaan (Dad ij lop te-rus). — Gewone vliegende zeehaan {I), vol!tans). Mid-dellandsche Zee en Atlant. Oceaan.

9. Knorhaan {Coïtus. — Kivierknorhaar, Kivierdonderpad f (C. yohio)-, Zeeknorhaan, Zee-donderpad f (C. scorpio); Geharnaste knorhaan, Harnasmannetje f (C. cataphractusj.

10. Stekelbaars (Gasterosteus). — Gewone en kleine stekelbaars f fO. aculeaius en pungitius) \ Zee-stekelbaars f ((?. spinachia).

11. Klimbaars {Anahas). — Indische K. (A. scan deus).

12. Makreel (Scomber). Gewone makreel f (Sc. scomber),

13. Tonijn (Thgnnus). — Gewone tonijn (Th. vulgaris). Middellandsche Zee.

14. Loodsmannetje (Naucrates). — Loodsmannetje (N. ductor), in de Atlantische Oceaan en Middell. Zee

15. Hors-makreel (Caranx). — Mars-banker -j- (C. trachurus).

10. Zwaardvisch (Xiphias). — Gewone zwaardvisch (X. gladlus). Middellandsche Zee.

17. Zonnevisch (Zeus). — Gewone Z. f (Z. fabcr).

18. Klipvisch (ChaetodonJ. — Snavel-visch fCh. of Chelmon rostratus); Halvemaanvisch of Platax (Gh. tei-ra). Ind. Zee.

19. Lipvisch (Labrus). — Gevlekte L. f (L. maculatus of hergylia).

ocr page 209

193

20. Belager (Eplbulus), — Ind. B. (E. insidiator). Vangt zijne prooi door plotseling zijn bok tot eene aanzienlijke lengte buisvormig uittestrekken.

II. Voorste stralen der rug- en aarvinnen onware stekels, d. z.

ongelede stralen, die geheel enkelvoudig zijn en minder vast

aan de vinsteunbeenderen verbonden, linkelvoudigvinnigen {11a-

plopterygii).

21. Grondel (Gobius). — Kleine Gr f (G. minutusj.

22. Schelvischduivel (CaUioiiymns). — Pilatnsviscli, Schelviscli-duivel f (C. li/ra).

23. Klompvisch (Cjc/oplcrus). — Gewone K., Snottolf f (C. lumpus).

24. Znigviseh (Echeneis). — Gewone Z. (K. rc.mora). Middel-landselie Zee.

25. Slijmvisch (Bloinius). — Magge, Puitaal f (B. of Zoarees viviparus). Brengt levende jongen voort.

26. Zeewolf (Anarrhichas. — Gewone zeewolf quot;fquot; (A. lupus).

27. Zeeduivel (Lophius). — Zeeduivel, Iloozenbek f (L. pisca-torius).

28. Vleermuisvisch (Mallhc). — Gewone vleermuisvisch (M. ves-pf.rtillo); oostkust van Amerika.

29. Pijpvisch (Fistularia).— Tabakspijp (F. tabacaria).Z.Amerika.

30. Pluitbek (AulostomaJ. — Gekleurde F. (A. colorata). Tropische zeeën.

31. Lintvisoh (CcpolaJ. — Roodc lintviseh (C. rubcscens). Mid-dellandsehe Zee.

32. Haringkoning (Gymnetrus). — Gewone H. f (G. remipes).

§ 216. Tweede orde. Week- of Geleedvinnigen (Malacoptcrygii, Artkropterygii). Vissollen met een boenig geraamte, bij wie alle stralen der vinnen geleed , buigzaam en vaak aan hare einden gespleten zijn. Somtijds echter is de eerste straal der rugvin of der borstvinnen ongeleed.

De kieuwen en de bovenkaak als bij de vorige orde; de schubben meest cycloïdaal (§ 206).

Sommige dezer visschen bezitten ook vinnen zonder straleu, die vetvinneu genoemd worden , b. v. de tweede rugvin der Zalmen en van eenige Vallen.

13

ocr page 210

194

§ 217. Geslachten en soorten. I. Afdeeling. Buikvinnigen (Mala-copterygii abdominales). De, buikvinnen geplaatst aan den buik achter de borstvinnen.

1. Snoek (Esox). — Gewone snoek f (E. lucius).

2. Vliegende visch (Exococtus) Vliegende visch (E. volitans), niet te verwarren met den vliegenden zeehaan. Middell. Zee en Atlantische Oceaan.

3. Geep (BcJohc). — Gewone G. f {B. vulgaris).

4. Haring {Olapca). — Haring f (C. harengus) \ Sprot f {C. of Harengula sprattus); Elft f (O. alosa of Alosa vulgaris); Sar-del, Sardine (O. of Alosa pilchardus). Kusten van Frankrijk.

5. Ansjovis (Engraulis). — Gewone A. f (E. enchrasickolus).

6. Zalm fSalmo). — Zalm f (S. salarj; Zalm-forel (S. of Fario trutla), Zwitserland; Gewone Forel f (iS'. fario of Salar Au-sonii); Omber-zalm, Ombre-chevalier (S. umhla), Zwitsersche moeren; in ons land overgeplant.

7. Spiering (Osmerus). — Gewone S. f (O. eperlanus).

8. Houting (Corcyonus). — Gewone H. f (O. oxyrhynclius).

9. Hoogkijker (Anahleps). — Surinaamsche H. (Grouovii), levend-barend.

10. Karper {Cyprinus). — Karper f (C. carpio)-, Goudvisch (O. of Carassius auratus), uit China afkomstig; Zeelt f (O. tinca); Brasem f (C. of Ahramis hrarna); Voren j (O. of Leuciscus rutilus); Grondel f (C. gohio of Gobio vulgaris) \ Blei f (O. of Ahramis blicca)-, Nesteling Alvertje f (C. of Ahramis alhurnus), welks schubben dienen tot het vervaardigen van valschc parelen , enz.

11. Donderaal (Cohitis). —Modderkruiper; Donderaal f (O. fossilis).

12. Meerval, Val (Silurus). — Meerval f (S. glanis). Do geogra-phische verspreiding van dezen visch is zeer zonderling. Hij kwam vroeger veel in het Haarlemmermeer voor; thans nog, ofschoon zeldzamer, in de overgebleven plassen en de ringvaart; in den Rijn is hij hoogst zeldzaam, maar menigvuldig in den Donau. In Groot-Britanje, Frankrijk, Italië en de meeste Zwitsersche meren, alsook in Skandinavie, is hij nooit aangetroffen.

ocr page 211

195

13. Elektrieke meerval (Malapterurus). — Elektrieke meerval (M. eleotricus). In den Nijl.

14. Pantserval (Callichthys). — Surinaamsche pantserval (C. asper).

15. Vinval (DorasJ. — Surinaamsche vinval (D. cos fata). Afd. Kcclvinnigen (Mal. jugular es of suhhrachii). Dc buikvinnen,

die meestal kleiner zijn dan dc borstvinnen, aan dc keel, vóór of onder de borstvinnen , — of zij ontbreken.

. Schol (Pleuronectes). Schol f (Pi. platessa); Tarbot f (PI. rraximus); Griet f (PL rhombus); Bot f (PI-fltssus); Schar f {PI. limanda); Schol. Heilbot f (PI. hippoylossusj.

Tong (Solea). — Gewone tong f (S. vulgaris ').

U.

Fik. lal.

2. 3.

Kabeljauw fGadus). — Kabeljauw f fG. morrlma); Schel-visch f (Gr. aeglefinus); Wijting f (G. merlangus); Leng f (G. molvaj Pollak f (G. pollacltius) \ Meun f (G. mustelaj. Kwabbc (Lola). — Kwabbe, Kwabaal f (^- fluviatüis). Smelt (Ammodytes). — Smelt, Zand-aal f (A. tohianus).

4.

5.

1 De geslachten Schol en Tong vormen te samen de familie der Plat-visschen (Pleuronedldat). De platheid van liet lichaam dezer visschen is eeue zijdelingsche afplatting; uiet, zooals bij do roggen, eene afplatting van boven naar beneden. Wij zien alzoo in fig. 131 de linkerzijde van den daar afgebeelden schol; de vin aan den bovenrand der figuur is de rugvin, de kleine vinnen onder aan den kop zijn de buikvinnen, de daar achter gelegene, zich bijna tot de staartvin uitstrekkende vin is de aarsvin. De Platvisschen zwemmen met de eene zijde des lichaams naar boven en de andere naar onderen, dus op zijde; die bovenzijde, — welke bij eenige platvisschen de linker, bij anderen de rechterzijde is, — is steeds donkerder gekleurd, terwijl de onderzijde bleek, soms wit is. Nog meer afwijkingen van den bouw der overige visschen biedt de koji aan. De beenderen van dezen zijn zoodanig verschoven, dat de beide oogen zich bevinden aan ééne zijde des lichaams, aan de rechter- of linkerzijde, en wel aan die zijde, dienaar boven gekeerd is, —en dat de mond scheef is geplaatst. Daarentegen bevinden zich de borstvinnen aan beide zijden des lichaams, zoodat daarvan dan ook in de figuur slechts eene te zien is.

ocr page 212

19G

III. Afd. Buikvinloozen {Mal. apodes). Greene buikvinnen.

1. Aal (Anguüla). — Aal; Paling f {A. vulgaris).

2. Zeeaal (Conger). — Gewone zecaal of Zeepaling f (C'.vulgaris).

3. Moeraal (Muraena). — Gemarmerde moeraal (M. IlclcnaJ; Middcllandsclie Zee.

4. Modderaal (Syribranclms). — Surinaamsche M. ^/S'. marmo-ratus)\ Javaansche M, (S. of Monopterus javanicus).

5. Sidderaal (Gymnotus). — Sidderaal (G. elcclriciis). Zuid-Amerika.

§ 218. Derde orde. Vastkakigen, Vergroeidkakigen (Plectogna-thi) 1. Visschen met een beenig geraamte, bij wie de bovenkaak onbeweeglijk is, doordien de tussclienkaken met de bovenkaken vergroeid zijn. De meeste hebben geene buikvinnen. De huid is niet met ware schubben, maar met beenige, soms scherpe of stekelige platen of plaatjes bezet. Eene kleine mondopening, kleine kieuwspleten vóór de borstvinnen. Kieuwen kamvormig.

§ 219. Geslachten en soorten.

1. Hoornvisch (BalistesJ. — Gewone hoornvisch (7lt;. capriscus).

Middellandsche Zee.

2. Koffervisch (Oslracion). — Driehoekige koffervisch f {O. tri-queter); Gehoornde koffervisch (O. comutus). Oost- en West-Indische zeeën.

3. Egolvisch, Tweetand (Uiodon). — Gestreepte egclvisch (lgt;. triginus). Indische en Japansche zeeën.

1

Plectognathi van het grieksch nlfs.stv, samenvlechten, vastknoopen. Men schrijft ook PectognatM, van , vastgemaakt. Ik verkies de

eerste benaming, omdat do tweede ook kan afgeleid worden van mxsiv, kammen, en dus kamkakigen boteokenen kan.

ocr page 213

197

4. Klompviscli (Orthragoriscus). — Klomp- of maanvisch f (O. liloclui, Eefzü en Ozodura, vroeger allen begrepen onder O. mola.

§ 220. Vierde orde. Troskicuwigen (Lophohranchii). De kieuwen

niet, zoo als bij do vorige en de volgende orden, smal en kams-wijzc bijeengevoegd, maar den vorm van ronde trosjes bezittende en bij paren langs de kieuwbogen geplaatst. De kleine kicuwopenin-gen zijn boven aan den kop ge-verlengd ; eene kleine mondopening ■, is hoekig en met harde plaatjes bedekt , — de staart bij velen heterocereaal. Deze orde bevat slechts weinige en kleine vischjes.

§ 221. Geslachten en soorten.

1. Zeenaald (Synynathus). — Gewone zeenaald f {S. acus); Kleine Z. t [S- rostellatus).

2. Zeepaardje {Hippocampus). — Kortsnuitig zeepaardje {H. hre-virosiris). Middellandsche Zee.

8. Zeedraak (Pegasus). — Zeedraak (P. nutans). Indische en Moluksche zeeën.

§ 222. Vijfde orde. Glansschubbigen (Ganoidei, Ganolepidoti), in tegenoverstelling van de volgende orde Vrijkieuwigcn (Elcuthc-robranchn). Visschen, sommigen met een geheel of gedeeltelijk kraakbeenly (Acipenscr, SpatulariaJ, andere (gesl. 1, 2 en 3) met een becnig geraamte. Buikvinnen ver achter de borstvinnen. De huid is geheel of gedeeltelijk bedekt met beenige, vaak met glazuur overdekte (ganoïde, § 207) schubben. De staart is meestal heterocercaal. Vrije, kamvormige kieuwen, bij sommigen (gesl. 2, 4 en 5) aan den bovenrand van het kieuwdeksel een spuitgat of ademgat (aspiraculum, foramen temporale).

§ 223. Geslachten en soorten.

1, Moddersnoek {Amia). — Gemarmerde M. {A. marmorata).

Louisiana. Ademt door de veelhokkige zwemblaas.

2. Veelvin (Polypterus). — Gewone V. (P. bichir), in den Nijl;

ritr. 133.

De snuit buisvormig tanden. Ilct lichaam

legen, geenc

ocr page 214

198

Senegalsche Vquot;. (P. Sencyalus) heeft iu jeugdigen toestand uitwendige kieuwen.

3. Kaaiman-viscli (Lcpidostcus). — Gewone K. {L. ossens).

4. Steur (Aoipenser), — Gewone steur f (A. stario)-, Huizen-blas-steur (A. huso). Zwarte en Kaspische Zee.

5. Spatelvisch. Zwaardsteur (Spatularia). — Noord-Amcrikaan-sclie (lt;§. folium). In den Mississippi. In den Syr-Darja treft men eene slechts 22 millim. lange soort (,Sgt;. oiScaphmjnchus Fcdschenkoi) aan.

§ 224. Zesde orde. Haaiachtigen (Selachü), of Dwarsbckkigen (Plagiostomi), of, in tegenstelling met de vorige orde, Vastkieu-

Fig. 136.

wigen (Desmobranchn). Visschen met een kraakbeenig geraamte, met kieuwen, wier buitenranden van binnen aan do huid vastzit-

ocr page 215

199

ten, terwijl de geheclc kleuwholte door vliezige tussclienschotten in meestal vijf afdeelingen gescheiden wordt, waarvan elke eene

Fig. 137.

knipvlies. (§ 166).

kieuwopening zonder kieuwdeksel bezit. Hierop maakt Chimaera eene uitzondering. De bek ligt onder den kop. De buikvinnen staan achter de borstvinnen. Er zijn sporen van een bekken aanwezig. Eene cloaca (§ 160.) Do staart ia hecterocercaal. De huid is bedekt met kleine, harde knobbeltjes en stekeltjes (placoide schubben, § 206), Vele hebben oogleden.

§ 225. Geslachten en soorten. I. Afdeeling. Haaien (Squali). Langwerpig lichaam; kieuwopeningen ter zijde van den hals; bij velen ademgaten; beweegbare oogleden, behalve Chimaera, — dikwijls ook een

Daargelaten het kraakbeenig geraamte zijn de haaien wegens onderscheiden bijzonderheden in den lichaamsbouw enz. de hoogst ontwikkelden onder de visschen en staan het naast aan de meest ontwikkelde kruipende dieren.

1. Draakvisch (Chimaera). — Gewone D., Haringkoning [Ch. monstrosa), Noordelijk gedeelte van den Atlantischen Oceaan, Middellandsche Zee. Eene kieuwopening en 4 inwendige kieuwspleten ter weerszijde; geen beweegbare oogleden.

2. Hondshaai (Scyllium). — Gewone H. f (S. canicula).

3. Eoofhaai (Squalus). — Blauwe H. f (Sq. of Carcharias glau-cus); Ruwe haai (Sq, galeus of Galens cam's); Hondshaai (Sq. mustelus of Mustela plebeja) Jonashaai (Sq. carcharias

ocr page 216

200

of Lamna coriuihica), tot ö meters lang; Atlantische en Middell. Zee. Reuzenhaai (Sq. maximus of Selachc maxima), tot 12 a 13 meters lang; Noord- en IJszee; Menschenhaai {Sq. carcharodon of Carcharodon liondelctil) in bijna alle zeeën der gematigde en licete luchtstreken, 10 all meters lang, voor den mensch de gevaarlijkste soort.

4. Hamervisch (Sphyra of Zyyaena). — G-ewone H. {Spit. zy-(jaena of Z. malleus), Atlantische Oceaan en Middel, Zee.

5. Doornhaai (Spinax). — Gewone D. f (S. acanthi as); Zuid-zee-doornhaai (jS'. of Ccstracion Phillippi). Bij deze laatste soort staat de mond niet onder den kop, maar aan den voorrand van den stompen snoot.

G. Zeeëngel (Squatina). — Gewone Z. f (S. vulgaris).

II. Afdeeling. Eoggen (liajae). Een breed, plat lichaam; do kieuw-openingen onder aan den hals; ademgaten; onbeweeglijke of geheel geene oogleden. Het lichaam eindigt in een langen dunnen staart , bij enkelen (Pristis, Ithinohates, Torpedo) in een kortoren, vleezigen.

1. Zaagvisch (Pristis), in lichaamsvorm van de overige roggen afwijkende en meer op de haaien gelijkende. — Gewone Z. (P. antiquorum). Middellandsche Zee.

2. Haairog {Ithinohates), in lichaamsvorm eenigzins op Pristis gelijkend, doch zonder zaag. — Europeesehe H. {Rh. Colam-nae), Middellandsche Zee.

3. Trilrog, Sidderrog, Elektrische rog {Torpedo). (§ 210). — Verschillende soorten in de Middellandsche Zee, ook in den Atlantischen Oceaan (?'. marmorata, Galvanii, narké).

4. Eog (liaja). — Gewone x'og f {11. clavata); — Vleet f {11. hatis).

5. Pijlstaartrog (Tryyon). — Gewone P. f {T. pastinaca); Arend-Pijlstaartrog 7'. of Myliohatis aquila), Middellandsche Zee; Oor-pijlstaartrog (2'. of Cephaloptera Giorna), Middell. Zee; Duivelvisch {T. of C. vampirus), kust van N.-Amerika

§ 226. Zevende orde. Eondbekken {Oyclostomi), Visschen met een onvolkomen kraakbeenig geraamte; kamvormige kieuwen, gelegen in zakjes, met zes tot zeven kieuwopeningen zonder kieuw-

ocr page 217

201

deksels aan weerszijde van den lialg. Boven- en onderkaak met elkander vergroeid tot een onbeweeglijken ring; mond rond en

Fig. 139.

F itr. 140.

Lamprei.

tot zuigen ingericht. Hoornaclitige tanden. Het lichaam aalvormig, zonder schubben, slijmig. Geene borst- en buikvinnen; vliezige rugvin; de staartvin een vliezige zoom om don staart. Kleine, weinig zichtbare oogon. Do zoetwatcr-cyclostomcn, misschien ook de overige, ondergaan eene gedaanteverwisseling. De larven onderscheiden zich, onder meer, door de bijna onzichtbare oogen en het volkomen gemis van hoorntanden. § 227. Geslachten en soorten.

1. Lamprei (Pctromyzoii). — Zeeprik f (7'. mar inns); Zoetwater lamprei, Prik f (P. fluviatilis),

2. Slijmaal (Myxina of Gastrohrcmclms). — Blinde slijmaal; Buikkieuwer (M. (jlnfinosa, (G. ylutinosus). Kusten van Noonvc-gen en Schotland.

§ 228. Achtste orde. Klein- of Smalhartigen. (Lcp/ocnrdii). Deze orde bevat slechts één geslacht, Ampliioxus of lirandiiostoma, waarvan eene soort, A. lanccolatas, het lancetvischje of slakprik,

5 ccntim. lang, in de Middellandsche Zee leeft. Dit diertje, welks geheele lichaam doorschijnend is, is het on-volkomenst van alle gewervelde dieren. Het is langwerpig, aan beide einden

Amphioxm lanceólatus.

spits, bezit geen geraamte, maar slechts eene ruggestreng (§ 202^1. Het voorste gedeelte van het ruggemerg is niet tot hersenen aangezwollen, maar toch zijn de achter elkander gelegene hersendeelen (§ 208) aanwezig. Het bezit kloppende bloedvaten in plaats van een hart, en wit bloed. Eéne

ocr page 218

202

kieuw, gelegen in de buikholte. Het water komt door den mond in de lichaamsholte en stroomt door den porus ahdominalis (§ 203) weer naar buiten. Het bezit geene vinnen, maar slechts een vin-vormigen huidzoom langs den rug. De mond staat onder aan het cene einde des lichaams en is met borsteldraden omzet. Slechts sporen van oogen zijn aanwezig. Het gehoororgaan ontbreekt. Green wonder, dat men dit dier wel voor eene soort van weekdier, eene slak, gehouden heeft. Doch even als bij alle gewervelde dieren, is bij den Amphioxus het spijskanaal beneden hot ruggetnerg gelegen. — Eene andere soort uit de Moreton-baai in N.-Holland {A. of Epigomethys cultellus) heeft een hooge rugvin.

HOOFDSTUK V.

GELEDE DIEREN.

§ 229. Gelede of Geleedpootige dieren {Animalia artlirozoa of arthropoda) zijn ongewervelde dieren, dat zijn dieren, die (zie § 111) geene wervelkolom bezitten, en bij welke do centraal-declcn van het zenuwstelsel, niet tot één enkel orgaan (rugge-merg) samengedrongen, onder de voedingsorganen zijn gelegen; wier lichaam, gewoonlijk met een hard, hoornachtig bekleedsel omgeven, in achter elkander gelegen segmenten of ringen (zoni-ten) is verdeeld, en die in den regel gelede pooten bezitten. Hierbij kunnen wij voegen, dat hun bloedsomloop geheel of gedeeltelijk plaats heeft buiten eigenlijke vaten, — en dat bij de meesten een rugge- of hartvat bestaat, waarin het bloed door zijdelingsche openingen of spleten wordt opgenomen. (§ 235).

Do organen der gelede dieren zijn bilateraal-symmetrisch gerangschikt, dat is te zeggen zóó, dat wanneer men in gedachte het dier in eene rechter en linker helft verdeelt, rechts en links van de scheidings- of middenlijn dezelfde organen liggen. Dit is, gelijk wij zagen, ook bij de gewervelde dieren 't geval, doch niet zoo volkomen; immers bij de ingewanden der borst- en buikholte is bij dezen die symmetrie niet te bespeuren (§ 111).

§ 230. Van de segmenten, waarin het lichaam der gelede dieren verdeeld is, is steeds het voorste, de kop, ongelijk aan de overigen. Bij eene der later te beschrijven klassen, die der Dui-

ocr page 219

203

zendpooten, zijn do overige segmenten aan elkander gelijk. Docli bij de overige, dat zijn de meeste gelede dieren, bestaat er tus-

solien dozen verschil. Daarop berust de ver-doeling van hot liohaam in k o p {caput), borststuk {thorax) en achterlijf {abdomen), liet borststuk kan voorts uit drie aan elkander meer of min ongelijke dee-len bestaan, t. w. een voorborsts t ukQwo-thorax), een m i d d e n-borststuk {mesotho-rax) on oen achter-borststuk {metatho-rax). Bij enkele gelode dieren (de Scorpioenon en verscheidene Schaaldieren) onderscheidt men ook oen voor- en een n a - a c h t e r 1 ij f {praeahdomen en post-ahdomen). Daarentegen zijn bij andere gelede dieren, vooral bij de spinnen en schaaldieren, kop en borststuk tot één versmolten; dit wordt dan kopborststuk {cephalothorax) genaamd.

§ 281. Aan den kop verdienen in de eerste plaats genoemd te worden dc monddeolen, waartoe de kaken behooren. Deze zijn in verschillend aantal paarsgewijs achter of onder elkander gelegen. Bij elk kakonpaar verdient opmerking dat zij niet, gelijk bij de gewervelde dieren de boven- en onderkaak, boven elkander gelegen zijn, maar naast elkander, zoodat zij zich niet in vertikale , maar in horizontale richting naar elkander toe en van elkander af bc-

Fiff. 143.

ocr page 220

204

wegen. — Bij ccnige gelede dieren zijn de monddeelen zoo mot elkander versmolten, dat daardoor eene soort van selieede (bek, snuit, roltong) gevormd wordt.

Aan eenige onderdooien van dit kakenstelscl (onderkaken on onderlip) vindt men veelal zekere gelede en beweegbare aanhangsels; tasters of voelers (palpi).

Voorts ontwaart men aan den kop, met uitzondering van dien dor spinnen, sprieten

antennae.).

§ 232, Aan de overige lichaamsscgmonten zijn de pooton ingowricht, met dien verstande, dat men deze bij de spinnen en de insekten alleen vindt aan liet borststuk, bij de overige gelede dieren ook aan andere segmenten. — Dat overigens de pooten geleed zijn, dat is, bestaan uit verschillende door gewrichten met elkander verbonden afdeelingen, is reeds in § 224 opgemerkt.

Vele gelede dieren, t. w. de meeste insekten, bezitten vleugels, twee of vier paar, en die

ken; c bovenlip ^ kaak- vleugels zijn altijd gehecht aan het borststuk,

voelers; ƒ bijtongen, .... v .. ^ , , , , . . ,

tusseben welke zich de Zij zijn met de vleugels der vogels wei analoog zeer verlengde tong be- 0 ^ v • . i i j

- - (§ 34), maar niet homoloog, daar zij geenszins

tot vliegen ingerichte ledematen (pooten) zijn,

maar aanhangsels der huidbekleeding.

§ 233. De huid der gelede dieren bestaat uit twee lagen, liet meestal harde, soms echter ook weeke en lederachtige buitenste bekleedsel bestaat uit eene stof, die men chitine heet; en die bij vele Schaaldieren door liet in zich opnemen van kalkzouten kalkachtig is. De binnenste laag (hypodermis) is zacht en scheidt de tine-laag af. Aan de binnenzijde van de chi-dermis hechten zich de spieren vast, gelijk die der gewervelde dieren zich vasthechten aan de beenderen van hot inwendig geraamte. Daarom geeft men aan liet huidbekleodsel dor gelede dieren wel don naam van uitwendig huidskolot. Overigens

ocr page 221

205

vervellen de gelede dieren meestal eenige malen voor zij volgroeid zijn, de schaaldieren zelfs later ook nog; de oude ehitine-huid wordt dan afgeworpen en vervangen door eene nieuwe, die door de hypodermis gevormd wordt.

§ 234. Ten aanzien der spijsverteringsorganen, die nog al ver-

sehillen, verwijzen wij , als voorbeeld, naar fig. 140 , daarbij opmerkende, dat speekselklieren en leverkliereu voorkomen bij de meeste gelede dieren, bepaaldelijk bij die welke in de luelit leven, en dat er niet altijd een krop aanwezig is. Dc in de figuur afgebeelde, bij de meeste insekten aanwezige Malpighi-schc vaten,ontspriu-

Spijsvcrtrrings-organen van een molkrekol (links) en van gen uit liet ZOOge-

eene bij (rechts). Molkrekol; a kop; speekselklieren van .

de rechterzijde ; c van de linkerzijde ; d uiteinde van de linker 11 lt;1 Jill 1 CIC V O 11 1-

spriet; op die hoogte ziet men den uit den slokdarm out- i 4 . ,1 »

spruitenden krop (ingluvies); e voormaag {proventriculus) ; ƒ Cliaam, (tai (IL

bijzakken van de maag; g middenst gedeelte der maag; h Iniil-dinrrowMiulen

achterst gedeelte der maag; (ventriculus cJiylifcnis) of mid- vgt; ö 1

dendarm; i darm; k kanalen van Malpighi. 01lllt;recft 011 111011-

Bij a krop; b speekselklieren; e krop; Ji maag; Jc kana- 0. '

len van Malphigi; l aarsklier. cleil ill dcil darm uit.

Zij zijn de uitloozingsbuizen der urine, zoodat liet vetlichaam kan

gezegd worden de nieren te vertegenwoordigen.

Het spijsverteringsvoclit is, met insluiting van liet speeksel, waar speekselklieren bestaan, alkalisch, althans bij een zeer groot aantal insekten, terwijl het maagvocht bij de gewervelde dieren zuur is. — In den krop en in de voormaag treft men chitinetand-jes aan; doch deze zijn geen kauw- of verinalingswerktuigen, maar dienen alleen om den voortgang der spijs in achterwaartsche richting te bevorderen. — De oplossing van de voedingstof geschiedt vooral in het op de maag volgend gedeelte van het spijskanaal. Het laatste, wijdere gedeelte van den darm (de eind-

ocr page 222

20G

darm) is slechts eouc verzamelplaats van de drekstoffen en de urine.

§ 235. De gelede dieren bezitten over 't geheel wit bloed, welk bloed tegelijk aan bet voedingsvoeht, de lympha en het bloed der gewervelde dieren beantwoordt. De bloedlichaampjes daarin zijn rond en niet plat. Aan de rugzijde des diers ligt veelal een hart, hetgeen eigenlijk niet anders is dan een bloedvat, dat zich

langs don rug uitstrekt, en dat in gestadig kloppende bewTCging is. Dit hart of rugvat is, bepaaldelijk bij de insekten, door driehoekige, uit veerkrachtige weefsels bestaande vl eug elb anden, ook wel vleugclspieren genaamd, aan de rugvlakte des diers vastgehecht. Soms is het hart enkelvoudig (bij de kieuw-ademers), soms daarentegen (zooals in nevensgaande figuur) in een aantal achter elkander gelegene afdeelingen (kamers 1) verdeeld, waarvan bij de insekten b. v. acht kunnen bestaan. Ieder van deze afdeelingen bezit links en rechts eene opening of spleet (ostium veno-sum). Door de samentrekkingen van dit vat of hart wordt het bloed naar alle doelen des lichaams gestuwd, 't zij door zijne vertakkingen (slagaderen) heen, 't zij eenvoudig in de tusschen-

1

Kamers natuurlijk in een anderen ziu dan bij do gewervelde dieren.

ocr page 223

207

ruimten {lacunae) die de inwendige dee-icn tussehen elkander overlaten. Ook iu het geval, dat er slagaderen bestaan, zijn deze toch meestal aan de uiteinden open, en het bloed komt dan ook ten slotte in do genoemde tusschenruimten, die dan de rol dor ontbrekende aderen vervullen, en waaruit het bloed, door de zijdelingsche openingen of spleten in den wand van het hart, weder in het laatstgenoemde orgaan worden opgenomen. De spleten zijn voorzien van kleppen, die tijdens do samentrekkingen van het hart een terugkeer des bloeds in de lichaamsholte onmogelijk maken. Ziju er ook geene slagaderen, dan vervullen de tusschenruimten der doelen de rol van slagaderen en aderen tegelijk. — Een water-vaatstelsel ontbreekt.

§ 236. De ademhaling der gelede dieren geschiedt: a door kieuwen (bij de schaaldieren), die zeer verschillend geplaatst zijn, gelijk wij later zullen zien; l) door luchtgaten en luchtbuizen (bij een aantal spinnen en bij alle insekten en duizendpooton); c bij de lagere spinnen en schaaldieren dooide huid. Di; luchtgaten (stiyinafa) liggen , ten getale van 9 amp; 10, aan beide zijden van hot achterlijf op eene rij, of ook (bij de spinnen) onder aan het achterlijf, en verleenen aan de lucht toegang tot de luchtbuizen of tracheën, iijne kanalen, wier bundels en vertakkingen bijna door het geheele lichaam loopen, (Zie § 242). — Bij vele spinnen vindt men in plaats van tracheën twee, vier of meer van binnen geplooide zakjes on-

ocr page 224

208

der in hot achterlijf, die men long zakken noemt, in elke waarvan de lucht door een stigma in en uit treedt. De grootere luchtbuizen der insekten en duizendpooten bevatten een hoornach-tigen, spiraalvormig opgewonden draad, waardoor de buis steeds open wordt gehouden; bij de spinnen, die door luchtbuizen ademen, is die draad niet aanwezig. — Men moet bij dit alles in aanmerking nemen dat overal, waar het bloed slechts door zeer fijne tusschenwanden of vliezen heen mot de lucht in aanraking komt, het doel dor ademhaling: opneming van zuurstof uit de lucht en afgeving van koolzuur daaraan, — kan worden bereikt. De luchtbuizen loopen door het in dc tusschenruimten dor doelen zich bevindende aderlijk bloed; ook de longzakkon zijn van dit blood omgeven; en bij de lagere gelede dieren wordt de huid aan de binnenzijde door datzelfde bloed bespoeld.

§ 237. De voorname deelen van het zenuwstelsel liggen bij de gelede dieren steeds aan de buikzijde dos lichaams , dus onder de werktuigen der spijsvertering en van den bloedsomloop (vergelijk hier § 224). Zij bestaan uit eene aan die buikzijde van voren naar achteren loopende, dubbele, maar dikwijls tot één versmolten streng, met knoojjcn of verdikkingen, waaruit de zenuwen ontspringen. De eerste of voorste zenuwknoop (eigenlijk twee naast elkander dicht aaneonliggende, onderling versmolten knoopon) waarmede deze buikstreng begint, ligt echter loven den slokdarm in den kop; hij geeft o.a. zenuwtakken af voor de oogon en de sprieten; van dezen knoop {ganglion supra-ocsophagenm) loopt aan elke zijde des slokdarms oen zenuwstreng naar don tweedon knoop (ƒ/. infra-oesophageum), die onder den slokdarm ligt, en zoo is dan de slokdarm van voren omgeven door een zonuwring. De eerste; boven den slokdarm gelegen zenuwknoop is te vergelijken met de hersenen dor gewervelde dieren; de buikstreng, van den tweeden knoop af tot aan het einde des lichaams, komt overeen met hetruggemerg.

Een kleine knoop, vóór den hersenknoop gelegen en daarmede door twee strengen in verband staande {(j. frontale), zendt zenuw-takjos naar den slokdarm en een onparigen tak naar de maag.

In don regel beantwoordt elk paar naast elkander liggende, doch veelal tot één versmolten zenuwknoopen der buikstreng aan een lichaams-sogment. Maar in eonige gevallen (krabben, spinnen) zijn al de knoopen van do buikstreng tot weinige knoopen of tot een enkelen grooten knoop versmolten.

ocr page 225

209

Een vocdingszenuwstclsel bestaat waarschijnlijk bij allo of do moeste gelede dieren in don vorm van een of twee, soms moor, kleine zenuwknoopen, die door verbindingsdraden en strengen met den bovenslokdarmzonuwknoop, en vaak ook met de buikzonuw-streng samenhangen.

§ 238. Het gevoel der huid is hot sterkst bij die gelede dieren, welke ocno lederachtige of zachte huid bezitten, het zwakst bij die wier omkleedsel hoorn- of kalkachtig is. De sprieten, de kaakvoelei's en do pooten zijn de eigenlijke tastorganen. Dat velen oen fijnen reuk en een sterk gehoor bezitten, mag wol als zeker worden aangenomen; omtrent de organen dier beide zintuigen bestaat echter nog veel onzekers. De meesten echter bezitten oogen.

De oogen der gelede dieren zijn óf enkelvoudig (ocelli), óf sa-mengsteld (oculi compositi). — Sommige schaaldieren hebben slechts één enkelvoudig oog; de overige gelede dieren met enkelvoudige oogen (spinnen) hebben er twee, drie, tot acht. Deze enkelvoudige oogen zitten soms groepsgewijs bijeen (ocmK— Maar do moeste gelede dieren (de meeste insektcu en de hoogere schaaldieren) hebben samengesteldo oogen; men kan zich zulk een samengesteld oog voorstellen als eene samenvoeging van een aantal oogen, elk met een lens, maar met slechts één gemeenschappelijk hoornvlies, welk hoornvlies echter in even zooveel ronde, vier- of zeshoekige afdeelingen of facetten verdeeld is, als er lenzen zijn, — op de wijze nagenoeg als een diamant of een andore tot sieraad dienende steen mot facetten geslepen is. Onder deze facetten liggen zoogenaamde kristalstaafjes of kogels, wier binnenwaarts gekeerde punten tusschen de fijne zenuwdraadjes liggen, waarin zich de gezichtszenuw verdoolt. Ten gevolge van deze inrichting kan het dier naar alle kanten heen zien, zonder dat hot do oogen of den kop behoeft te bewogen. Do samengestelde oogen zijn steeds twee in getal, en staan op kortere of langere voetstukken, die men, als zij lang zijn, stolen noemt. — Eenige insekten hebben enkelvoudige en samengestelde oogen te gelijk. — Enkele gelede dieren (eenige schaaldieren) hebben in het geheel goone oogen.

§ 239. Do meeste gelede dieren leggen eieren; eenige zijn ovo-vivipare dieren, dat is, do eieren ontwikkelen zich binnen hot lichaam der moeder. Eij eenige insekten en hoogere schaaldieren

14

ocr page 226

210

!

ontstaan ook jongen door eene soort van inwendige knopvorming in hei lichaam van larven f'zie beneden). Zeer velen, met name de insekten, maar ook niet weinige schaaldieren, ondergaan eene

gedaante verwisseling of metamorphose (§ 101) die men in volkomene en onvolkomene onderscheidt. — Die dieren, welke slechts eene onvolkomene gedaante - verwisseling ondergaan ,

verschillen soms ,

Schematische doorsnede van een samengesteld oog: a. wanneer zil uit het doorschijnend hoornvlies met facetten ƒ h kristalstaafjes /

c. gezichtszenuw ; d. knoopachtigo verdikking daarvan. ei gekomen zijn ,

Daarnaast kristalstaafjes 6. met de daarbij behoorende

facetten a. Sterk vergroot. in de hoofdzaken

weinig van de ouders, en niet zelden bepaalt zich de gedaanteverwisseling tot het krijgen van vleugels. Die daarentegen, bij welke eene volkomene gedaanteverwisseling plaats grijpt ('de meeste gevleugelde insektenj, gelijken in hunne jeugd niet of weinig op de ouders. Bij dezulken onderscheidt men drie toestanden: dien van masker of larve, — den vorm waarin het dier uit het ei komt, —

dien van pop of nimf, — welke ontstaat wanneer het dier zich door eene sterkere uitscheiding van chitinestof inhult, zich verpopt (in welken toestand het dier niet eet en zich ook slechts weinig beweegt), — en dien van volkomen dier. Alleen in dien volkomen toestand leggen de gelede dieren eieren. — Wij zullen van deze gedaanteverwisselingen verscheidene voorbeelden ontmoeten.

Overigens moet ik hier nog opmerken, dat de metamorphose van de gelede dieren (en van nog andere lagere dieren) 't zij vooruitgaande is, b. v. van de vlinder, 't zij teruggaande, zooals bij vele parasitische schaaldieren, wier larven organen bezitten, b. v. oogen en pooten, die later verloren gaan, en die vrij rondzwemmen, terwijl zij later vastzittend worden , doordien zij zich aan dieren of andere voorwerpen vasthechten, § 240. De afdeeling der gelede dieren is van al de vier afdee-lingen des dierenrijks het rijkst aan soorten. — Aan alle oorden

i

ocr page 227

211

der aarde leven gelede dieren, — op het land , in zout en in zoet water. — Zij verschillen overigens zeer in levenswijze, voedsel en verblijf, en hun lichaamsbouw is dien ten gevolge ook zeer verschillend.

Wat de verstandelijke vermogens der gelede dieren aangaat, zoo is vooral het instinkt bij vele insekten zeer ontwikkeld, en men vindt onder deze dieren dan ook vele soorten, wier bouwkunst bewondering verdient, zoo als de bijen, sommige soorten van wespen, de termieten, enz. Ook de spinsels van vele spinnen verdienen in dit opzicht wel te worden vermeld.

§ 241. De afdeeling der Gelede dieren wordt verdeeld in vier klassen, te weten 1° der Insekten of Gekorvene dieren, 2° der Duizendpooten, 3° der Spinnen en 4° der Schaaldieren.— De dui-zendpooten worden ook wel gerangschikt onder de insekten, met welke zij dan ook door hunne inwendige bewerktuiging overeenstemmen, ofschoon zij in andere opzichten zoo veel van de insekten afwijken, dat wij ter vermijding van eene verdeeling in onderklassen ze in eene afzonderlijke klasse zullen rangschikken.

I. KLASSE.

Insekten.

§ 242. Insekten of Gekorvene dieren (Insecta) zijn gelede dieren met een van het overig lichaam gescheiden kop, welke van sprieten voorzien is, —die in hun volkomen toestand drie paren aan het borststuk ingewrichte pooten bezitten, —die meestal vleugels hebben, en door luchtbuizen ademen.

§ 243. Als voorbeeld van de verdeeling van het lichaam der insekten voeren wij hier den Sprinkhaan aan. In fig. 142 zijn a. de kop met de s p r i e t e n en o de o o g e n, 6 het borststuk, waarvan 1 het voorborststuk, 2 het middenborststuk en 3 het achter borststuk. Aan 1 is het eerste paar pooten ƒ gehecht; aan 2 zitten de voorvleugels g en het tweede paar pooten Jt; aan 3 zijn de achtervleugels i en het derde pootenpaar k ingewricht. Het gelede achterlijf is door c aangeduid. Aan het achterste paar pooten zijn k de dij, l de scheen en m de voet. — Aan het middenborststuk ziet men vaak een driehoekig plaatje, dat het schildje (scutellum) heet.

ocr page 228

212

§ 244. Aan den kop vertoonen zich al dadelijk een paar sp rie-ten, die meestal voor of tussehen de oogen zijn ingeplant. Zij zijn geleed en beweegbaar, doch overigens verschillend gevormd: draadvormig, geknopt, knodsvormig, pluimvormig, kamvormig, vertakt enz.

Voorts verdienen aan den kop opmerking de monddeelen (§ 226). Bij de insekten, die hun voedsel met den bek aangrijpen cn kauwen, is de mondopening omgeven door (fig. 143_j 1 de bovenlip (labrum), een ongepaard plaatje vóór aan den kop; 2 de beide bovenkaken (mandihulac), twee sikkelvormige, aan de randen veelal van insnijdingen en tandjes voorziene, en aan de wangen ingewriclite deden, die als de bladen eener schaar op elkander werken: 3 de beide onderkaken (maxillae) dergelijke maar minder stevige deelen, gewoonlijk voorzien van een beweegbaar, geleed aanhangsel, voeler of taster {palpus) genaamd; de onderlip (labium) die eigenlijk een derde paar kaken is, welke* echter met elkander tot één stuk vergroeid zijn en waarvan het grondstuk de kin (mc.ntum) heet. Ook aau de onderlip vindt men een paar voelers, ter onderscheiding van de kaakvoe-lors, lip voelers (palpi lahiales) gcheeten. — Deze monddeelen zijn overigens verschillend ; als voorbeeld voeren wij aan de groote, als een hertshoorn getakte bovenkaken bij het mannetje van den kever, bekend onder den naam van Vliegend Hert.

Bij de insekten die hun voedsel in vloeibaren toestand opzuigen, bestaan ook wel de genoemde monddeelen, doch zij zijn bij deze in vorm zeer gewijzigd. Dc bek (rostrum) der Halfvleugelige insekten bestaat uit drie lange en dunne borstels (de boven- en met elkaar vergroeide onderkaken), bevat in eene gelede scheede (de onderlip), — de snuit (proboscis) der Tweevlengeligen (fig. 144) uit bijna dezelfde deelen, — de rol tong (lingua) der Sclmb-vleugeligen of vlinders (fig. 145) uit de twee zeer verlengde en buisvormig met elkander vergroeide onderkaken, waarbij de bovenlip vleezig en de bovenkaken met de onderlip rudimentair (§ 35) gebleven zijn.

§ 245. Aan het borststuk vindt men dc pooten, — aan elk der drie afdeelingen van het borststuk één paar (§ 237 ; fig. 142). Elke poot bestaat uit eenige beweeglijke leden: 1 de heup (coxa), die ingewricht is in eene holte van het borststuk; 2 de dijring; (trochanter) dikwijls met het volgend lid tot één stuk vergroeid;

ocr page 229

213

3 de dij (femur) het stevigste lid der pooten; éde scheen (tibia), meestal langer, maar dunner en vaak met beweegbare doornen (sporen, calcaria) bezet; 5 de voet (tera/s) bestaande uit leedjes, meestal vijf in getal, en eindigende in een of twee klauwtjes, meestal in twee. De laatste geleding van den tarsus bezit niet zelden kleine haakjes, of zuignapjes, waarmede de insekten tegen gladde oppervlakten kunnen opklimmen, ja tegen zolderingen loo-pen. — De gedaante van deze onderdeelen der pooten is overigens in overeenstemming met de levenswijze van het dier. Zoo onderscheidt men do lange en dunne looppooten, de platte zwempoo-ten, de van breedc maar tevens korte scheenen voorziene graaf-pooten, de springpooten met krachtige dijen en lange scheenen, de roofpooten: voorpooten met lange heupen en mot dorens gewapende scheenen, die in eene sleuf van de dij als een knipmes kunnen worden teruggeslagen.

De vleugels der insekten zijn vliezige plooien der huidbekleedsels ; tusschen de beide bladen dier plooien verbreiden zich takjes der luchtbuizen (§ 242) als zoogenaamde aderen (vcnae, nervi), en het is de chitine (§ 228), die zich langs deze bevindt, welke die luchtbuizen zichtbaar maakt en aan de vleugels hunne geaderde of netvormige teekening geeft. De onderlinge plaatsing dier aderen en van de door haar begrensde vakjes (areae, cellu-lae) leveren, vooral bij de Vliesvleugeligen en de Tweevleugeligen, zeer dikwijls geslachtskenmerken op. Bij de insekten, wier vleugels in den staat van rust opgevouwen liggen, — zooals bij de kevers, — is het de in de luchtbuizen sterker indringende lucht die de vleugels doet ontplooien. — Bij eenige viervleugelige insekten , zooals de kevers, en bij vele recht- en halfvleugelige insekten zijn de voorvleugels geheel of gedeeltelijk door chitine verdikt en daardoor leder- of hoornachtig. Zijn de geheele voorvleugels verdikt, dan noemt men deze dekschilden (elytra), zijn zij alleen van voren hoorn- of lederachtig, — aan het achterste, vrije gedeelte daarentegen vliezig, dan heeten zij halfschilden (hemielytra).

Gelijk reeds is aangemerkt, bezitten de insekten of vier, of twee vleugels. Bij de viervleugeligen zitten de vleugels aan het midden- en achterborststuk , — bij de tweevleugeligen alleen aan het eerste. Bij hen, die slechts twee vleugels hebben, ontbreken óf de voor- (plooivleugeligen), óf de achtervleugels (tweevleuge-

ocr page 230

214

ligen). Bij die, welke de voorvleugels missen, vindt men toch aan het voorborststuk smalle uitsteeksels, rudimenten van vleugels, terwijl bij de tweevleugeligen de achtervleugels vertegenwoordigd worden door twee korte, aan het achterborststuk ingewrichte beweeglijke en geknopte steeltjes. Men noemt deze kolfjes (halte-res), en zij dienen om bij het vliegen het evenwicht te bewaren, waarom dan ook de Franschen ze balanciers noemen.

Bij sommige soorten bezitten alleen de mannetjes vleugels , — bij andere zijn de beide dekschilden aan elkander vastgegroeid, zoodat het vliegen onmogelijk is, — eeuige insekten eindelijk, b. v. de vloo, zijn geheel ongevleugeld.

§ 246. Het achterlijf der insekten bestaat uit 9 ringen. Zelden zijn er meer (tot 11 toe), soms echter minder. Elke ring bestaat uit een bovensten en ondersten halfring (dus uit een rug- en een buikgedeelte), welke beide halfringen door een vlies vereenigd zijn. De ringen zeiven hangen ook door vliezen samen, en daardoor wordt het achterlijf beweeglijker en kan het zich meer uitzetten, dan het overige lichaam. Bij vele Vliesvleugelige insekten zijn de twee of drie eerste ringen van het achterlijf aanmerkelijk duiiner dan de volgende ringen, zoodat het achterlijf door middel van een meer of minder dunnen steel (pedunculus) aan het borststuk vastzit. — De achterste of eindsegmenten van het achterlijf zijn dikwijls geheel anders gevormd dan de overige, en veranderd in eigenaardige organen: tangen, borstels, legbooren of buizen, angels, enz.

§ 247. Ten aanzien van de spijsverterings-, bloedsomloop- en ademhalingsorganen, alsmede van het zenuwstelsel der insekten verwijzen wij naar het daaromtrent bij de beschouwing der gelede dieren in § § 229, 230, 231, 232 en 233 medegedeelde. Hier voegen wij daar nog het volgende bij.

Het vaatstelsel is onder de Gelede dieren bij de insekten 't minst ontwikkeld. Het hart bezit meestal acht achter elkander gelegen afdeolingen of kamers en is door vleugelbanden (fig. 148) aan de omkleedselen gehecht. Van de eerste kamer gaat een slagader naar den kop.

De insekten ademen door luchtbuizen (§ 242). De uitwendige openingen daarvan {stigmata) zijn knoopsgatvormige spleten, meestal omgeven van een langwerpig ronden hoornachtigen ring (peritre-ma), en bezet met naar elkander toegekeerde, de lucht doorze-

ocr page 231

215

vende haartjes. Het stigma geleidt in een voorhof (atrium) waaruit de luchtbuizen ontspringen.

Het getal ademgaten of luchtgaten (stigmata) is gewoonlijk 9 paren, soms 10, ook in enkele gevallen minder dan 9. De meesten liggen aan weerszijde van het achterlijf op de grenzen van twee ringen, meest in het verbindend vlies van twee halfringen; aan de borst vindt men er drie. Aan den kop en de beide laatste achterlijfringen zijn er geene.

Voorts verdienen hier vermeld te worden dc eigenaardige klieren, die vele insekten bezitten. Wij kunnen deze niet uitvoerig nagaan, doch merken evenwel op, dat sommige eene stinkende stof afscheiden; daartoe behooren de aarsklieren van sommige kevers. Andere scheiden eene scherpe stof af, die de huid doet ontsteken, wanneer men het dier aantast; dit is het geval bij sommige behaarde rupsen, bij welke die kliertjes onder de haren liggen, welke laatste dan buisvormig zijn en waarin zich het uit-loozingskanaaltje der klier opent. Bij nog anderen (vliesvleugeli-gen) liggen grootere klieren van dien aard (giftklieren) aan den voet van een angel (§ 236) aan het einde van het achterlijf. Eindelijk bezitten eenige larven (b. v. rupsen) en enkele waterkevers spinklieren.

De insekten leven 't zij van dierlijk 't zij van plantaardig voedsel. De maskers (larven) van vele insekten zijn zeer verslindend en daardoor vaak zeer schadelijk; men denke b. v. aan de rupsen. — Het herstellingsvermogen, dat bij vele schaaldieren zoo groot is, gelijk wij later zullen zien, ontbreekt bij de insekten in den volkomen toestand, doch is bij het masker in meer of mindere mate aanwezig. Een masker, vooral van een Halfvleu-gelig insekt, dat b. v. een poot verliest, krijgt dien bij de volgende vervelling meer of min volkomen terug.

§ 248. De spierkracht, die de insekten ontwikkelen, is zeer groot. Om een paar voorbeelden te noemen: een meikever kan 14 maal zijn eigen gewicht voortslepen, eene bij 0,78 van zijn eigen gewicht al vliegende meêdragen, eene vloo 200 maal verder springen dan de lengte van haar lichaam bedraagt. De snelheid van vlucht bij sommige insekten overtreft die bij de vogels, en zij kunnen het vliegen ook langer volhouden zonder te rusten.

De geluiden, die vele insekten bij het vliegen doen hooren, het „brommen,quot; zijn toegeschreven geworden aan het snel door

ocr page 232

210

de stigmata in- on uittreden der luclit, die tegen de randen dier openingen wrijft. Anderen schrijven ze toe aan trillingen, waarvan de vleugelgewrichten de zitplaats zouden zijn. Ook wordt beweerd dat het gebrom der Twee- en der Vliesvleugeligen bestaat uit een laag en een hoog geluid, waarvan hot eerste van de vleu-gelbeweging afhangt, het tweede daarentegen daaraan is toete-schrijven, dat de vliegspieren zich niet inplanten aan de vleugels zelve, maar aan die gedeelten van den thorax, die de vleugels dragen, en dat hunne snelle samentrekking en verslapping de wanden van den thorax doen trillen evenals een stemvork. — li ij de krekels en sprinkhanen vindt men aan den wortel der voorvleugels een dun, door een hoornring omgeven vliesje, dat hun geluidsorgaan is; bij de cicaden bestaat een meer samengesteld geluidsorgaan aan hot achterlijf.

Ten aanzien der zintuigelijke organen merken wij, onder verwijzing naar § 233, aan, dat de meeste insekten samengestelde oogen bezitten, die dikwijls zoo groot zijn, dat zij een aanmerkelijk gedeelte van den kop innemen. Daarbij komen echter vaak nog eenige enkelvoudige oogen of oogstipjes. De sprieten zijn voel-organen, volgens velen ook reuk-organen. Volgens nieuwe onderzoekingen schijnt evenwel een klein, vliezig, met haakjes bezet orgaan achter de bovenlip en vóór de keelholte, dat door een klier vochtig gehouden en door de ingezogene lucht getroffen wordt, het reukorgaan te zijn.

§ 249. De verstandelijke vennogens der insekten schijnen bij sommige soorten vrij hoog ontwikkeld, te besluiten uit eenige handelingen, die niet wel aan het instinkt toe te schrijven zijn. Andere handelingen daarentegen, hoe opmerkenswaardig in hare gevolgen, kunnen slechts op rekening van hot instinkt worden geplaatst; zooals b. v. het bouwen van vaak zeer kunstige nesten en verblijfplaatsen. — Dat de insekten elkander op de eene of andere, soms voor ons geheel onverklaarbare wijze, hunne indrukken kunnen mededeelen, schijnt vrij zeker te zijn.

§ 250. Eenige weinige insekten (Insecta ametahola) ondergaan geene gedaanteverwisseling. De Eechtvleugeligen, Halfvleugeligen en vele Pecsvleugeligen ondergaan eene onvolkomcne metamorphose (J. hemimetabola), en het masker blijft tot aan de laatste vervelling toe eten. De Schildvleugeligen, Schubvleugeligen, Vliesvleugeligen en Tweevleugeligen zijn onderworpen aan eene volkomcne

ocr page 233

217

gedaanteverwisseling (Iwlometaholn). Bij do maskers van doze zijn de segmenten van do borst en liet achterlijf, bclialvc in grootte, nagenoeg aan elkander gelijk; sommigen bezitten, behalve drie paar borstpooten, nog pootjes aan eenige segmenten van hot achterlijf, gelijk men o. a. bij do rupsen (do maskers der vlinders) kan zien. Eenige maskers (die der Vlies- en Twoevlougeligen) hebben gohocl gecne pooton; men is gewoon deze maden te noemen.

Soms is do pophuid week en de pooten vrij (Kevers), soms hard, en sluit dan de pooten in (Vlinders), soms ook is de pop ingesloten in de verdroogde en verharde huid van hot masker (Tweevleugoligen). Bij oenigen is de pop in een spinsel (cocon) besloten, bij anderen in saamgcrolde bladeren of in aaneenge-kloefde aarde of zand.

Als stollingen kan men aannemen: „geen insekt komt gevleugeld nit het elquot;, en „geen insokt groeit moor, nadat hot do verpopping heeft ondergaan en vleugels heeft gekregen.quot; De kleine vliegjes zijn dus niet jongen der grootore, zooals men wel eens meent, maar andere, kleinere, soorten van vliegen.

§ 251. De levenswijze dor insekten is zeer onderscheiden. De moesten leven op het land, in de lucht, sommigen in zoet water, maar goene in do zee. De maskers en poppon van sommige land-insekten leven in het water; van de maskers dor mug is dit algemeen bekend.

De levensduur der insekten na hunne laatste vervelling of gedaanteverwisseling is slechts eenige weken of maanden, zoor zelden jaren, zooals bij de Bijenkoningin; — oenigen leven in don volkomen toestand slechts eenige uren of weinige dagen, zooals het Haft. {Ephemera).

§ 252. Men verdoolt de insekten in 8 orden, die der 1 Schild-vlougeligen, 2 Kechtvleugeligen, 3 Poosvleugeligen, 4 Plooivleu-goligen, 5 Vliosvleugeligen, G Schubvleugeligon, 7 Halfvleugeli-gen, 8 Tweevleugoligen.

§ 253. Eerste orde. Schildvleugeligen (Colcoptera), Kevers of Torren. Vier vleugels, waarvan de voorste hoornachtige of lederachtige dekschilden (§ 210), do achterste vliezig zijn. Do laatste zijn in don staat van rust d wars toegevouwen, en onder

ocr page 234

218

de nedergeslagen dekschilden verborgen. In enkele gevallen met elkander vergroeide dekschilden, waardoor het vliegen onmogelijk wordt. De gedaante des lichaams is langwerpig of ovaal. Een sterk ontwikkeld voorborststuk. Het middenborststuk is klein en bij gesloten dekschilden alleen zichtbaar als een klein drie-(scutellum) tusschen het begin der dekschilden. — Monddeclen tot bijten en kauwen ingericht. Bij eenigen is de kop tot een snuit verlengd, aan welks uiteinde zich de monddeelen bevinden; aan weerszijde van dien snuit vindt men een voeler (fig.

151). — De pooten zijn ingericht tot loo-pen en grijpen, soms tot zwemmen (fig.

152), in enkele gevallen tot springen. — Twee vrij groote saamgestelde oogen. Sprieten zeer verschillend in vorm en lengte, soms zeer lang (Boktorren). — Volkomene gedaanteverwisseling. Sommige maskers voeden zich met dierlijk, andere met plantaardig voedsel, en dit is ook met de volkomen insekten 't geval. Het masker (fig. 153, 155-, 156 b) heeft aan den kop in de eerste geledingen eene hoornachtige, maar overigens een weeke huid. De pop (fig. 153 d, 156 c) is meestal geelwit van kleur, loopt en kruipt niet, evenmin als zij zich voedt.

Naar gelang van het aantal leedjes 'van den tarsus verdeelt men de Schild-vleugcligen in vier groepen.

§ 254. Geslachten en soorten. I. Fentamera. Vijf leedjes in den tarsus.

1. Zandkever (Gicindela). — Veld-zandkever f (O. campestris) •, Gewone zandkever f (O. hyhrida).

2. Loopkever, Schallebyter. (C'arabus). — Gouden L. f (C. auratus); Violette loopkever f (O. violaceus) ;

Prachtkever f (C. of Calosoina sycophanta).

hoekig schildje Fiff. 151.

ocr page 235

219

3. Bombardeerkcver (Brachinus). — Gewone B. (B. crepitans), Z. Europa

Fin- 154 Watertor (üi/tiscus). — Eandwatertor f

(Zgt;. marginalis); Breede watertor f {D.

latissimus).

5. Draaikever (Gyrinus). — Draaikever f (G. natator).

6. Voclertor (Ilijdroplulus). — Zwarte watertor f (/ƒ. piceus).

1. Aaskever (Sylpha). — Roodhalzige aastor

f (S. thoracica).

8. Doodgraver (Necrophorus). — Gewone Fig. 155. doodgraver f (N. vespillo).

O. Roofkever (Staphylinus). — Stinkende roofkever f lt;St. olens); Ruige roofkever f (St. hirtus).

10. Stenus fStenus). — Tweevlekkige Ste-nus f (St. biffuttatus).

11. Krengtor filister). — Zwarte krengtor f (H. carhonarius).

12. Basterdkrengtor (NitidulaJ. — Tweevlakkige basterdkreng-tor f (N. hipustulata). Schadelijk voor kool, raapzaad enz.

13. Cucujus. — Scharlaken cucujus (C. sanguinolentus). Z. Amerika.

14. Spektor (Dermestcs). Gewone spektor f (L- lardarius).

15. Pillenkever (Byrrhus). Gewone pillenkever f (B. pilula); Aaskever der verzamelingen f (B. of Anthrenus musaeorum).

16. Hoornkever (Dynastcs). — Zuid-Amerikaansche H. (D. Hercules), met een hoorn tot 15 centim. lang.

17. Goudkever (Cetonia). — Goudentor f (C. aurata).

18. Meikever (Melolontha). — Meikever, molenaar, mulder f (M. vulgaris); vreet als larve de wortels van jonge boo-men en andere gewassen, als kever de bladen van de boo-

1 De bombardeerkevers verdedigeu zich door uit den aars herhaaldelijk vau een ontploffing vergezelde schoten te doen, waarbij een scherp vocht ontlast wordt, dat op do huid roode jeukende vlekken te weeg brengt. Dat vocht wordt door twee kliertjes in het achterlijf afgescheiden.

ocr page 236

21G

de stigmata in- en uittreden der lucht, die tegen de randen dier openingen wrijft. Anderen sdmjvon ze toe aan trillingen, waarvan de vleugelgewricliten de zitplaats zouden zijn. Ook wordt beweerd dat liet gebrom der Twee- en der Vliesvleugeligen bestaat uit een laag en een hoog geluid, waarvan hot eerste van de vleugelbeweging afhangt, het tweede daarentegen daaraan is toete-schrijven, dat de vliegspieren zich niet inplanten aan de vleugels zelve, maar aan die gedeelten van den thorax, die de vleugels dragen, en dat hunne snelle samentrekking en verslapping de wanden van den thorax doen trillen evenals een stemvork. — Bij de krekels en sprinkhanen vindt men aan den wortel der voorvleugels een dun, door een hoornring omgeven vliesje, dat hun geluidsorgaan is; bij de cicaden bestaat een meer samengesteld geluidsorgaan aan het achterlijf.

Ten aanzien der zintuigelijke organen merken wij, onder verwijzing naar § 233, aan, dat de meeste insekten samengestelde oogen bezitten, die dikwijls zoo groot zijn, dat zij een aanmerkelijk gedeelte van don kop innemen. Daarbij komen echter vaak nog eenige enkelvoudige oogen of oogstipjes. Do sprieten zijn voel-organen, volgens velen ook reuk-organen. Volgens nieuwe onderzoekingen schijnt evenwel een klein, vliezig, met haakjes bezet orgaan achter de bovenlip eii vóór de keelholte, dat door een klier vochtig gehouden en door de ingezogene lucht getroffen wordt, het reukorgaan te zijn.

§ 249. De verstandelijke vermogens der insekten schijnen bij sommige soorten vrij hoog ontwikkeld, te besluiten uit eenige handelingen, die niet wel aan het instinkt toe te schrijven zijn. Andere handelingen daarentegen, hoe opmerkenswaardig in hare gevolgen, kunnen slechts op rekening van het instinkt worden geplaatst; zooals b. v. hot bouwen van vaak zeer kunstige nesten en verblijfplaatsen. — Dat de insekten elkander op de eene of andere, soms voor ons geheel onverklaarbare wijze, hunne indrukken kunnen mededeelen, schijnt vrij zeker te zijn.

§ 250. Eenige weinige insekten {Insecta ametabola) ondergaan geene gedaanteverwisseling. Do Kechtvleugeligen, Halfvleugeligen en vele Peesvleugeligcn ondergaan eene onvolkomene metamorphose (J. hemimetabola), en het masker blijft tot aan de laatste vervelling toe eten. Dc Schildvleugeligen, Schubvleugeligen, Vliesvleugeligen en Tweevleugcligen zijn onderworpen aan ccne volkumene

ocr page 237

217

gedaanteverwisseling (holomctahola). Bij de maskers van deze zijn de segmenten van de borst en liet achterlijf, behalve in grootte, nagenoeg aan elkander gelijk; sommigen bezitten, behalve drie paar borstpooten, nog pootjes aan eenigc segmenten van het achterlijf, gelijk men o. a. bij de rupsen (de maskers der vlinders) kan zien. Eenigc maskers (die dor Vlies- cn T wee vleugel i gen) hebben geheel gecne pooten; men is gewoon deze m a d c n te noemen.

Soms is de pophuid week cn de pooten vrij (Kevers), soms hard, en sluit dan de pooten in (Vlinders), soms ook is de pop ingesloten in de verdroogde en verharde huid van het masker (Tweevleugeligen). Bij eenigen is de pop in een spinsel (cocon) besloten, bij anderen in saamgerolde bladeren of in aaneenge-klcefde aarde of zand.

Als stellingen kan men aannemen: „geen insekt komt gevleugeld uit het eiquot;, en „geen insekt groeit meer, nadat het de verpopping heeft ondergaan en vleugels heeft gekregen.quot; De kleine vliegjes zijn dus niet jongen der grootere, zooals men wel eens meent, maar andere, kleinere, soorten van vliegen.

§ 251. De levenswijze der insekten is zeer onderscheiden. De moesten leven op het land, in de lucht, sommigen in zoet \vater, maar gecne in de zee. De maskers en poppen van sommige land-insekten leven in het water; van de maskers der mug is dit algemeen bekend.

De levensduur der insekten na hunne laatste vervelling of gedaanteverwisseling is slechts eenige weken of maanden, zeer zelden jaren, zooals bij de Bijenkoningin; — eenigen leven in den volkomen toestand slechts eenigc uren of weinige dagen, zooals het Haft. (Ephemera).

§ 252. Men verdeelt de insekten in 8 orden, die der 1 Schild-vleugeligen, 2 Rechtvleugeligen, 3 Peesvleugeligcn, 4 Plooivleu-geligen, 5 Vliesvlcugeligen, G Schubvleugeligen, 7 Halfvleugeli-gen, 8 Tweevleugeligen.

§ 253. Eerste orde. Schildvleugeligen (Colcoptera), Kevers of Torren. Vier vleugels, waarvan de voorste hoornachtige of lederachtige dekschilden (§ 210), de achterste vliezig zijn. Do laatste zijn in den staat van rust dwars toegevouwen, en onder

ocr page 238

218

de nedergeslagen dekschilden verborgen. In enkele gevallen met elkander vergroeide dekschilden, waardoor het vliegen onmogelijk wordt. De gedaante des lichaams is langwerpig of ovaal. Een sterk ontwikkeld voorborststuk. Het middenborststuk is klein en bij gesloten dekschilden alleen zichtbaar als een klein driehoekig schildje (scutellum) tusschen het begin der dekschilden. — Monddeelen tot bijten en kauwen ingericht. Bij eenigen is de kop tot een snuit verlengd, aan welks uiteinde zich de monddeelen bevinden; aan weerszijde van dien snuit vindt men een voeler (fig.

151). — De pooten zijn ingericht tot loo-pen en grijpen, soms tot zwemmen (fig.

152), in enkele gevallen tot springen. — Twee vrij groote saamgestelde oogen. Sprieten zeer verschillend in vorm en lengte, soms zeer lang (Boktorren). — Volkomene gedaanteverwisseling. Sommige maskers voeden zich met dierlijk, andere met plantaardig voedsel, en dit is ook met de volkomen insekten 't geval. Het masker (fig. 153, 155; 156 h) heeft aan den kop in de eerste geledingen eene hoornachtige, maar overigens een weeke huid. De pop (fig. 153 d, 156 c) is meestal geelwit van kleur, loopt en kruipt niet, evenmin als zij zich voedt.

Naar gelang van het aantal leedjes 'van den tarsus verdeelt men de Schild-vleugeligen in vier groepen.

§ 254. Geslachten en soorten. I. Pentamera. Vijf leedjes in den tarsus.

1. Zandkever (Cicindela). — Veld-zandkever f (O. camp es tr is); Gewone zandkever f (O. hylrida).

2. Loopkever, Schallebyter. (Carabus). — Gouden L. f (C- auratus); Violette loopkever f (O. violaceus) ;

Prachtkever f (O. of C'alosoma sycojphanta).

Fis;. 151.

Filt;r. 153.

ocr page 239

219

3. Bombardeerkover (Brachmus). — Gewone B. (B. crepitans), Z. Europa 1.

4. Watertor (Dytiscus). — Eandwatertor f {D. marginalis); Breede watertor f {D. latissim us).

5. Draaikever (Gyrinus). — Draaikcver f (G. natafor).

6. Voclcrtor fHydrophilusJ. — Zwarte watertor f (TI. piceus).

7. Aaskever (Sylpha). — Roodlialzige aastor t (S. thoracica).

8. Doodgraver (Necrophorus). — Gewone doodgraver f (N. vespillo).

.O. Roofkever (Staphylinus). — Stinkende roofkever f fSl. olens); Ruige roofkever f (St. hirtus).

10. Stenus fStcims). — Tweevlekkige Stc-nus f (St. hiyuttatus).

11. Krengtor (Ilister). — Zwarte krengtor f (ƒ/. carbonarius).

12. Basterdkrengtor (NitidulaJ. — Tweevlakkige basterdkreng-tor f (N. hipiistulata). Schadelijk voor kool, raapzaad enz.

13. Cueujus. — Scharlaken eucujus (C. sanguinolentus). Z. Amerika.

14. Spektor (Dermestcs). Gewone spektor f (L. lardarius).

15. Pillenkever (Byrrhus). Gewone pillenkever f (B. pilula); Aaskever der verzamelingen f (B. of Anthrcnus musaeorum).

16. Hoornkever (Dynastcs). — Zuid-Amerikaansche H. (D. Hercules), met een hoorn tot 15 centim. lang.

17. Goudkever (Cetonia). — Goudentor f (C. aurata).

18. Meikever (Melolontha). — Meikever, molenaar, mulder f (ilf. vulgaris); vreet als larve de wortels van jonge hoornen en andere gewassen, als kever de bladen van de hoo-

1

De bombardeerkevers verdedigen zich door uit don aars herhaaldelijk van een ontploffing vergezelde schoten te doen, waarbij een scherp vocht ontlast wordt, dat op de huid roode jeukende vlekken te weeg brengt. Dat vocht wordt door twee kliertjes in het achterlijf afgescheiden.

ocr page 240

220

men weg eu wordt daardoor zeer schadelijk. Duinkever, Jnlijkever f (il/. fallo).

19. Drekkever (Copr/s). — Gewone D. f (C. lunar is). • 20. Balrollcr {Atcuchus). — Heilige kever der Egyptenaren (A. sacer).

21. Hertkever (Lucanus). — Vliegend hert f (fJ- cervus).

22. Mestkever (Gcotrujjes). — Mestkever f (G. typhacus).

23. Springkever {Klater). — Gewone springkever f (E- rnuri-nus)-, Lichtkever, Vuurvlieg (E. noctilucus), Suriname.

24. Prachtkever (Buprestis). — Brazilische prachtkever (7i. yiyantca.)

25. Glimworm (Lampyris). — Gewone glimworm, Johannes-wonn f (L. noctiluca).

26. Houtkever (Anobium). — Houtkever, boorkever, klopke-ver f (A. striatum en A. pertinax). De larven zijn de zoogenaamde houtwormen, die de meubelen doorknagen.

H. Heteromera. Aan de tarsi der laatste achterpooten 4, aan de overige 5 leedjes.

27. Sluipkever (Tencbrio). — Meeltor f (T. molitor).

28. Doodentor {Dlaps). — Gewone D. f (B. mortisaga of fatidica).

29. Aardvlookever (Mordella). — Gevlekte aardvlookever f (M. fasciata).

30. Meiwormkever {Mcloe). — Blauwe meiworm f {M. pros-

carabaeus).

31. Spaansche vlieg (Cantharis of Lytta). — Spaansche vlieg (C. of L. vesicatoria). Zuidelijk Europa.

32. Vuurtor (Pyrochroa). — Vuurtor, Kardinaalkever f (P.

coccinea).

III. Cryptopentamera. Vier duidelijk en één onduidelijk waarneembare leedjes aan eiken tarsus.

33. Snuitkever (Curculio). — Dcnnesnuitkevcr f (O. of Tlylo-batus abictis). Schadelijk voor naaldboomen.

24. Klander (Calartdra). — Gewone K. f (O. granaria). 35. Bloem-snuitkever (Anthonomus). — Appelsnuitkever f (^1. pomorum) 1.

1

De larven van dozen kever in deu bloesem van appel- en peere-boomeu worden teu onrechte aan de zwarte vlieg (Bibio Marei toegeschreven.

ocr page 241

221

36. Zaadtor (Bruchus). — Erwtcukevcr f (B. pis!). Schadelijk voor dc pculvrucliten.

37. Boomkever (Bostrichus). — Lorkenboomkever f (B. lari-cis); Letterzetter f (B. typographus). Beide zeer schadelijk voor naaldboomen.

38. Bastkever, Dennenscheerdcr (Hylesinus). — Gewone ]). f (TI. piniperda). Als Bostrichus.

39. Zaagkever (Prionus). — Hertshoornbok (P. of Macrodontia cervicornis), 13 centim., lang; Brazilië. Bruine Z. f (P. coriarius), 3,5 centim.

40. Muskus-boktor (Aromia). — Muskusbok, Hozenbek f (A. mosehata).

41. Populiertor {Sapcrda). — Gewone P. f (lt;Sf. carcharias of populnca). Schadelijk voor populieren.

42. Tapijtbok {Acrocinus). — T. van Guyana, Arlcquin de Cayenne (A. lonyimanus).

43. Boktor (Cerambyx). — Timmerman f (C. acdilis).

44. Leliekever (Lema of Crioceris). — Lelietorretje f (X. of C. merdlyera).

45. Schildpadkever (Cassida). — Groene S. f (C. equestris),

46. Aardvloo {Haïtica). — Gewone A. f (2/. oleracea, nc-rnorum, ehrysocepJiala).

47. Goudhaantje, (Ckrysomela). — Goudhaantje, Moertje f (Ch. polita); Coloradokever, Aardappelkever (Oh. of Doryphora decemlincata). N. Amerika. Zeer schadelijk voor de aardappelen.

IV. Cryptotelramera. Drie duidelijk en een onduidelijk waarneembare leedjes aan eiken tarsus.

42. Lieveheersbeestje (Coccinclla). ■— Lieveheersbeestje, Lieveheershaantje, Koftij-engeltje f (O. septempimctafa, bi-punctata enz.)

§ 255. Tweede orde. Rechtvleugeligen (Orthoptcra). Vier vleugels, waarvan de voorste min of meer leder- of perkament-

ocr page 242

222

achtigc dekschilden vormen, de achterste vliezig en doorschijnend zijn en, in den staat van rust, in de lengte waaiervormig liggen opgevouwen. Enkele hebben geen vleugels. Meestal een groote kop met 20 mede veelal lange sprieten. Monddeelen tot bijten ingericht. Een langwerpig, soms van een tangvormig orgaan voorzien

Fig. 157. en bÜ de wijfjes

van vele soorten in een legpijp eindigend achterlijf. De pooten zijn óf allen even lang, of de VT quot; beide voorpooten

zijn grijppooten, óf de beide achterste Sprinkhaan. pooten S])l'ingpOO-

ten: langer en krachtiger en met veel dikkere dijen dan de overige. Twee groote zijdelingsche samengestelde oogen met facetten. Onvolkomene gedaanteverwisseling. De meeste halfvlcugeligen leven van plantenvoedsel, doch eenige (oorworm, kakkerlak) van dieren.

§ 256. Geslachten en soorten.

I. Loopers (Cursorcs). Plat lichaam; matig lange pooten, tot snel Fig. 158. loopen ingericht.

1. Oorworm {Forficula).

— Gewone oorworm f {F. auricularia).

2. Kakkerlak (Blatta).

— Oostersche kakkerlak , Bakkerstor

V,v (B. orientalis); Groote

1 V kakkerlak (li. giyan-

tea).

II. Wandelaars (Gressores). 3 \ / 9 \ Lange, dunne pooten,

ingericht tot langzaam Blatta Orientalis. fraan

Mannetje en wijfje. _ i

3.Vaiigsprinkhaan(ilia7i-

tis). — Biddende mantis (31. religiosa) Afrika.

4. Spook (Phasma). Wormvormig S. (Ph. nematodes) op Java.

ocr page 243

223

5. Wandelend blad (PhylUum). — Wandelend blad (Ph. sic-cifolium). Tropische gewesten dei' oude wereld. III. Springers (Saltatorcs). Achterste pooten lang met dikke dijen, ingericht tot springen.

G. Veenmol, Molkrekel (Gryllotalpa).— Gewone veenmol f (G. vulgaris). Schadelijk in akkers en tuinen. 7. Krekel (Gryllus). — Veldkrekel f (G. carapestris) \ Huiskrekel , Schoorsteenkrekel f (G. domesti-cus).

Spook. Sabelsprinkhaan(7^0-

custa). — Groene sabelsprinkhaan f {L. viridissima). Sprinkhaan (Acridium). — Gewone sprinkhaan f {A hiyut-tatum); Treksprinkhaan (A. migratorium). Voor de landen, waar zij in zwermen verschijnen en alle gewas vernielen een ware ramp.

Franjestaartigen (Thysanura). Geene vleugels. Aan 't achtereind des lichaains drie borstels (Lepisma) of twee staartvor-mige aanhangsels, die tegen den buik kunnen worden omgeslagen en als springwerktuigen worden gebruikt. Het lijf met haartjes of schubjes bezet; enkelvoudige oogen: geen metamorphose.

160.

Suikergast {Lepisma). — Gewone S. f (IJ. saccharina) , in spijskamers, tusschen vochtige boeken enz.

11. Zeespringer (Machilis). — Gewone Z. f (M. maritimus).

12. Springstaart (Podura). — Zijdelia-rige S., Plantvloo f (!'■ holosericea), onder afgevallen bladeren, enz.; IJsspringstaart (P. of Desoria gla-

cialis) , op het ijs der gletschers in Zwitserland.

9.

IV.

In andere stelsels vormen de 3 laatste geslachten de orde der Franjestaartigen {Thysanura); in de eerste uitgave van dit boek

10.

ocr page 244

224

vormden zij met de geslaclitcn Vloo en Luis de orde der Onge-vlengelden {Aptera).

§ 257. Derde orde. Pecsvleu gelige n ofNetvleugeligcn (NeuropieraJ. Vier vliezige of gaasachtige, met een fijn netwerk (§ 245) geaderde vleugels, die allen nagenoeg even groot zijn en waarvan de achtersten meestal geplooid kunnen worden. Monddeelen tot bijten, zuigen, en soms tot kauwen ingericht. Tarsen meestal vijfledig. Twee samengestelde oogen eu oogstippen. Geen angel, zelden eene legpijp aan het achterlijf. Achterlijf doorgaans verlengd en week. Voorborststuk betrekkelijk klein. — Sprieten draadvormig, veelledig. Veelal nog 2 of 3 enkelvoudige oogen behalve de samengestelde. — Gedaanteverwisseling bij eenigen volkomen, bij de meesten onvolkomen. De maskers leven meestal in 't water, deels op 't drooge. Velen leven van dierlijk, andere van plantaardig voedsel.

§ 258. Geslachten en soorten. Alle inlandsch behalve 3.

I. Met onvolkomen gedaanteverwisseling (Hemimetabola).

1. Houtluis (Psocus). — Tweestippelige H. (Ps. hipunctatus); Bonte H. {Ps. varie-yatus).

2. Houtklopper {Atro-posj. — Doodsklop-pertje {A. pulsalo-ria).

3. Termiet (Termes). — Juffer (Lihdluia). Afrikaansche T.,

Witte mier (T. fatalls); Boomtermiet (T. arhorum) Afrika; Europeesche T. {T. hicifuyus), in Z.-Europa, ook in Frankrijk tot aan Rochelle; graaft holen in hout,

4. Parelvlieg (Pcrla). — Tweestaartigc (P. hicaudata).

5. Haft {Ephemera). ■— Haft, Oeveraas {E. Swammerdammii, E. vulgata en E. lactea).

6. Rombont (Lihellula). — Glazenmaker, Puistcbijter {Ij. vulgaris).

ocr page 245

225

7. Nimf (Aeshna). — Grooto Waternimf grandis.)

8. Juffer (Agrion). — Blauwe Juffer (A, of Calloptcryx virgo). II. Met volkomen gedaanteverwisseling (Metabola).

9. Gaasvlieg fHcmerohius). — Gewone G, Stinker (S. per la).

10. Mierenleeuw (Myrmecoleon). — Gewone M. {M. fortni-cariusj.

11. Schorpioenvlieg (Pcmorpa). — Gewone S. (P. vulgaris).

12. Watermot, Kokervlieg, Schietmot (Pliryganea). — Gewone Fiquot; 1G9 W. (Ph. grandis). — De Pliryganiden hebben uiterlijk veel van groote motten. Hunne in het water levende maskers zijn ingesloten binnen aan elk eind opene kokertjes, die uit allerlei door een spinsel vereenigde stoffen: —zand, plantenvezels, zelfs kleine schelpjes,— bestaan. Voor zij in poppen veranderen,

J Mierenleeuw!quot;1 spinnen zij de beide openingen des kokers dicht.

§ 259. Vierde orde. Plooivleugoligen (Strcpsiptera, Tihipip-teraj. Kleine insektcn (van 3 tot 4 millim. lengte) waarvan de mannetjes groote, driehoekige achtervleugels bezitten, terwijl van de voorvleugels of dekschilden slechts rudimenten, aan de punt opgerolde

stompjes, aanwezig zijn (§ 245). De achtervleugels worden in den staat van rust in de lengte,waaier-i achtig, geplooid. Meestal vorksge-' wijs gespleten sprieten. Samengestelde oogen.Weinig ontwikkelde, niet tot bijten geschikte, sabel-vormige kaken. Het achterborststuk groot. De wijfjes bezitten vleugels noch pooten en ook geen oogen , en leven in het achterlijf van bijen en wespen, waar zij ook hare eieren leggen en waarin de larven leven , tot dat deze zich in het lijf van bijen- of wespen-larven inboren. Volkomene gedaanteverwisseling. Deze dieren leven in den volkomen toestand slechts koi't, sommige slechts eenige uren. 1

15

1

Anderen brengen de Plooivleugeligen tot de Schildvleugeligen, weer anderen tot de Peesvlengeligen.

ocr page 246

226

§ 260. Geslachten en soorten.

1. Steeloog (Stylops). — Bijon-Steeloog f (S. mellttae).

2. Wespentor (Xenos). — Wespentor van Eoss f (X. Rossi).

§ 261. Vijfde orde. V 1 iesvleugeligon {Ilijmcnoptcra). Vier vleugels, die alle vier vliezig, niet sterk geaderd, en doorschijnend zijn. De voorvleugels zijn grooter dan de achtervleugels 1. In den Fig. 164. toestand van rust liggen de vleugels ho

rizontaal op het lijf. Aan den voorrand der achtervleugels bevindt zich cene rij haakjes, die om den omgebogen achterrand der voorvleugels heengrijpen , zoodat beide vleugels bij het vliegen éóne vlakte uitmaken. De kop is vrij en bewegelijk. De bovenkaken dienen tot vasthouden en stukbijten, maar niet tot kauwen, daar de Vliesvleugeligen hun voedsel opnemen door een zuigsnuit, — niet cenige uitzonderin-

ter, zooals die der Blad- en Hout-

gen, waaronder de Mieren. De zuigsnuit bestaat overigens uit de gewijzigde onderkaken (§ 244). Twee groote samengestelde en drie enkelvoudige oogen. Het borstgedeelte , dat een zeer klein voorborststuk bezit, is dikwijls door een soms zeer dunnen steel aan hot achterlijf verbonden. Bij de wijfjes vindt men aan 't achterlijf meestal cene legpijp of legboor of een angel. Bij het verwonden met dezen laatsten wordt tevens een giftig vocht in de wond uitgestort. De tarsen zijn meestal vijfledig. — Dc vliesvleugelige insck-ten oudergaan eene volkomene gedaanteverwisseling: de maskers zijn

a giftklier, 6 uitloozingsbuis , c ver-zameipiaats, d uitvloeiingskanaal, e meest pootlooze maden; sommige ech-

1

Aan lt;le onderscheidene aderen der vleugels en aan de door deze gevormde vakjes (cellen) hoeft meu bijzondere namen gegeven.

ocr page 247

227

wespen, bezitten pootcn. Zij leven in afgesloten ruimten (cellen der bijen en wespen), of in het lichaam van andere insekten (sluipwespen), of in uitwassen op planten, die door den steek der moeder veroorzaakt worden (galwespen). Al deze zijn maden zonder pooten cn zonder aarsopening. Do van pootcn voorziene larven fmet 6 borstpooten en 14 tot 10 achterlijfspooten) loven vrij op bladen enz. — Die vliesvleugelige insekten, wier larven in andere insekten leven, leggen doorgaans hunne eieren door middel der legboor reeds in de larven dier laatste. De uit het ei gekomen larve voedt zich dan alleen met het vet-lichaam der larve, waarin zij besloten is, zoodat deze blijft leven en zich verpopt; wanneer dit echter geschied is, vreet de inwonende larve de gansche pop uit, eu verpopt zich dan zelve. Zoo komt dan niet zelden uit een pop, waaruit men b. v. een vlinder verwachtte, een sluipwesp te voorschijn.

De Vliesvleugelige insekten zelve leven meest van bloemsappen enz. Vele, zooals dc bijen, wespen en mieren, leven gezellig bijeen, en het is bij deze dat men een zeer ontwikkelde kunstdrift aantreft, vooral blijkbaar in het bouwen van woningen, terwijl voorts hunne geheele levenswijze op een hoog ontwikkeld instinkt duidt.

§ 262. Geslachten en soorten. Allen inlandsch.

I. Van een angel voorzien (Hymenoptera aculeala),

1. Bij (Apis). — G-ewone honigbij f (A. mellifica).

2. Hommel (Bombus). — Tuinhommel f (B. hor lorum); Aard-hommel f {B. lerrestris).

3. Woudbij (Andrena). — Grauwe cn bronskleurige graaf-, zand- of woudbij f {A. cinerea en nigroaënea).

4. Houtbij (Xylocopa), — Violette H. f (X. violacea).

5. Bladsnijder {Megachila). — Rozen- en berkenbladsnijder f {M. centuncularis en hetulina).

G. Bloembij (Anthophora) — Gewone B. f (A. of Anfhidium manicatum); vliegt zeer snel.

7. Wesp (Vcspa). — Gewone W. f (V. vulgaris). Groote W. f {V. crabro) onze grootste cn gevaarlijkste soort; Ger-maansche W. f (F. germanica), nog veelvuldiger dan de gewone W.

8. Graafwesp {Crabro). — Zeefwesp f (Cc. cribrarius).

9. Zandwesp (Sphcx). — Gewone Z. f (Sph. sabulosa).

ocr page 248

228

10. Goudwesp (Ohrysis). — Gewone G. f (Ch. ignita)\

11. Mier (Formica). — Eoodc M, f {F. rufa) ; Zwarte M. f nigra).

II. Met een legboor fSiphonophora).

12. Sluipwesp {Ichneumon), Zwarte S. f (I. comitator) Gele S. f (1. lutcus); Groote S. f {!• of Tragus lutorius).

13. Ephialtes (EpJiialtes). — Groote E. f (E. of Pompla manifestatol').

14. Kolf-slulpwest (Spafhius). — Gewone K- f (S. clavatus),

is nuttig door liet vernielen van de larven der houtkevers.

15. Pijlwesp (Foenus), Gewone P f (F. jaculatorj.

16. Galwesp (Cynips). Eikcnblad-galwesp f (C. quercus folii); Ro-zengalwesp f (C. of lihodites ro-sae); Verfgalwesp O. gallat tinc-toriae), Klein-Azië; levert de gebruikelijke galnoten.

17. Houtwesp (SirexJ. — Groote H. f (S. gigas).

18. Bladwesp (Tenthredo). — Ge-

T. of Lo-

wone B. f {T. scalar is); Dennenblad wesp

phyrus pini) vernielt soms gansche sparrebosschen.

§ 263. Zesde orde. Sehubvleugeligen (/-/C^VZoi^eraJ of Vlinders. Vier groote vliezige vleugels, die bedekt zijn met gekleurde schubjes, welke dakpanvormig over elkander liggen, en met een fijn steeltje in de vleugels zijn ingeplant (fig. 163). Kop zeer beweeglijk. Lange, gelede en verschillend gevormde sprieten. De monddeelen tot eene spiraalswijs opgewonden zuigbuis of roltong vergroeid (fig. 145) waarmede do vlinders het sap uit de bloemen enz. kunnen opzuigen. Met de fijne puntjes aan 't uiteinde dei-buis scheuren zij de nectarien der bloemen open, nippm-chia'ja tci'wijl een aanhangsel van het spijskanaal, dat vóór nira. ji, l10t achterlijf is gelegen , de zuigblaas, het vocht als 't ware oppompt. De overige monddeelen zijn slechts weinig

ocr page 249

22!)

ontwikkeld. Grooto snmcngestclclo oogcn, bij ccnige nog twee enkelvoudige oogjes boven op den kop. De borstringen met elkander vev-Fig. 1G8. groeid. Geen angel noch

legboor. Volkomen gedaanteverwisseling. Het masker (rups) leeft incest van planten, vervelt verscheidene malen, spint Ruiis van Papïlio Machaon. zich eindelijk in , en gaat

alzoo tot den staat van pop over, die vaak binnen een cocon (§ 250) besloten ligt. Uit die pop komt dan na korteren of langeren tijd de vlinder te voorschijn. De rupsen hebben zes pooten aan de borst-ringen; de vierde en vijfde ring zijn zonder pooten, en dan volgen nog ecnige paren achterpooten of valsche pooten. Zij bezitten eenigc paren enkelvoudige oogen en korte drieledige sprietjes. De mond-deelen der rupsen komen vrij wel met die der kevers overeen en zijn tot bijten ingericht.

Gewoonlijk verdeelt men de vlinders in day Under s (Diurna), avondvlinders (C'repuscularia), en nachtvlinders of uilen (Nocturna). De eersten worden gekenmerkt, doordien in den staat van rust de vleugels rechtop tegen elkander gevoegd staan, terwijl de sprieten meestal aan de punt verdikt (knodsvormig) of geknopt zijn.De avond- en nachtvlinders zijn daaraan te onderkennen, dat de vleugels in den toestand van rust zij delings uitgebreid of dakvormig over elkander tegen het lijf gesloten zijn (fig. 171). Bij de meesten van deze laatste vindt men onder aan eiken bo venvleugel, nabij denvleugelwortel, een haakje, waarin één of meer aan den ondervleugel vastzittende borstels schuiven; dit noemt men het vleugelhaakje fig. 172). Do sprie-

ocr page 250

230

ten zijn spoelvonnig, of kamvormig, borstelvormig of pluimvormig enz. Tusschen de avond- en nachtvlinders is evenwel moeielijk eene grens te trekken.

§ 264. Geslachten en soorten.

I. Dagvlinders (Lepidoplera diurna). Slank lichaam; geen bij-oogen. Zie verder boven.

1. Witje, Boterkapel (Pieris). — Gewoon witje, 4 soorten f (P. hrassicae, rapae, napi en crataegi). De drie eersten schadelijk voor kool, rapen en mostaard.

2. Citroenkapel (Colias). — Gewone Citroenkapel f (C- rhamni).

3. Nimf kapel, Schoenlapper (Vanessa). — Pauwoogvlinder -f-(V. Io)- Koningsmantel f (F. Antiopa) • Distelvink f (F. car-dui); Admiraal f (F. Atalanta).

Fig. 171. 4. Koevink (Satyrus)— Gewoon kocvinkje f (jS'. //i/-peranthus) • Zandoog f (L. of Hipparchia janira).

5. Parelmoervlinder (Argynnis). Groote Parelmoervlinder f (A. paphia). Gewone parelmoervlinder f (A. latonia).

6. Weerschijnkapel (Nijmphalis). — Irisvlinder quot;j-(N. iris).

7. Blauwtje (Lycaena). — Gewoon blauwtje f L. Alexis); Berkenvlinder f (L. of Thecla betulae); Eikenvlinder f L. of Th. quercus).

8. Ridderkapel (Papilio). — Koninginne-page f (P. Machaon).

9. Dikkop (Hesperia).— Malvakapel f (LI. Malvae).

Fig. 172. D. Spanners, Landmeters (Geometrina).

Een dun lichaam met groote en breede, in rust dakvormig liggende vleugels met haakjes. Geen bij-oogen. Bij de rupsen is de tusschenruimte tusschen voor- en achterpooten groot; bij het gaan plaatst de rups eerst de vier achterpooten dicht bij de voor-pooten, zoodat het lijf zich naar boven kromt, waarna het, zich met de achterste pooten vasthoudende, het gan-sche voor- en middenlichaam naar voren uitstrekt. 10. Landmeter (Geometra). — Harlekijn f (G. grossulariata); Vlierspanner f (Or. samhucaria).

\

ocr page 251

231

11. Bessenspanmpsvlinder (Zerene). — Boute B. f (Z. yrossu-lariata.)

12. Larentia (Larentia). — Winterspanner f (L. brumalis).

III. Avondvlinders, Sphinxen (Sphingida). Een dik voorlijf; spits tocloopend achterlijf; een lange roltong; vleugels met haakjes, in rust horizontaal. Meestal geen bijoogen. Verpoppen zich in den grond.

13. Pijlstaartkapel [Sphinx). — Dennepijlstaart f (Sph.pinastri)-, Liguster pijlstaart f (Sp/i. Ugustri); Lindepijlstaart f (Sph. Tiliae, Smerinthus liliac); Meekrap pijlstaart (Sph. stella-torum); Doodshoofdkapel f fSph. alropos, Acherontia Atro-pos)\ Olifantje, Zwijntje, Wijngaard vlinder f {Sph. Elpe-nor en Por cell us). Meest allen in meer of mindere mate schadelijk.

14. Glasvleugel fSesia). — Hommelkapel CS. apiformis).

IV. Spinners (Bomhycida). Een dik lichaam, vaak wollig behaard. Vleugels in rust dakvormig, zonder haakjes. De mannetjes levendig, de wijfjes zeer traag; verpoppen meest boven den grond.

15. Processicvlindcr (Cncthocampa). — Gewone P. f (C. proces-sionacaj. Aldus genaamd van wege het in geregelde scharen optrekken der rupsen, voor zij gaan verpoppen.

1G. Vorkstaart (Harpyia). — Groote V. f (II. vinula); het achterlijf der rups tot twee spitsen uitgerekt.

17. Beervlinder (Arctia). — Groote B. f (A. of Cltc.loii.ia Caja); Kruizemunt B. f (A. menthae).

18. Donsvlinder (Tjiparis). — Stamuil, Plakker f (L. chrysor-rhaea.

19. Houtboorder (Cossus). —Wilgenhoutvlinder f (C. ligniperda).

20. Onechte woudkapel. (Zyyacna). — St. Janskapel -j- (Z. fili-pendula).

21. Spinner. (BombyxJ. — Non f (B. Monacha); —Bastert-Satijnvlinder f (B. chrysarrhoea) en Donsvlinder f (B. au-riflaa), wier ruige rupsen zeer schadelijk zijn voor vrucht-boomen. Zijdewormkapel (B mori), oorspronkelijk uit China; Japanschc Z. (B. of Attacus Yama mai); Bengaalsche Z. (B. of A. ricini). Ringelrupskapel f (B. Keustria).

22. Saturnia. (Saturnia). — Nachtpauwoog f (S. carpini); Atlas (S. AtlasJ, O. Indië en China.

ocr page 252

232

V. Uilen (Noctuina). — Een breed, van achteren spits lijf, vleugels donker gekleurd, meestal met vleugelhaakjes, in rust dakvormig. Bij-oogen. Verpoppen meest in den grond. 23. Weeskind (Catocala).—Rood weeskind {C. nupta, Nodua nupta); Blauw weeskind (O. of Noctna fraxini); Aardap-peluil f N. pronuha); Kooluil f (^7- brassicae),

24. Trachea (Travhe.a). — Gestreepte dennerups-kapel t (?'. prniperda).

25. Grouduil (plusik). — Pistooltje. Gamma uil t (P. gamma); Jota-uil t (P. iota).

VI. Motachtigen (Tineina), Kleinvlinders (Micro lep idop -

Vedormot. ter^ ^ Kloillc vlindertjes

met smalle vleugels en sterk ontwikkelde lipvoelers. In rust liggen de vleugels horizontaal of om het lijf geslagen.

26. Lichtmot (Pyralis).— Vctmotf (P. pinguinalis).

27. Wasmot (Galleria). — Gewone W. f (6-. cerella).

28. Bladroller (Tortrix). —Eikebladroller, eikenmot f (T. viridana)\ Wijngaardbladroller f (T. vitana).

29. Mot {Tinea). Koornmot f {T. granella); Pelterijmot f (T. pel-lionella); Klcedermot t (T. sarciiella); Tapijtmot f (T. tape-zella).

30. Vedermot (Ptcrophoi-us). — Vijfvederige mot f (P. pentadactg-lus). Bij dit diertje en eenige verwante geslachten en soorten zijn de vleugels tot bijna aan den wortel in vederachtige strooken verdeeld.

§ 265. Zevende orde. Halfvleugeligen (Hemiptera). Snavel-insekteu (likynclwta) Vier vleugels, waarvan de voorste tot in het midden hoorn- of lederachtig (halfschilden, § 245) zijn, of ook wel

1 In tegenoverstelling van deze noemt men al de overige vlinders Grootvlinders (Maci-olcpidoptera). De greuzeu tusschen de Groot- en Klein- vlinders zijn intussclieu vrij willekeurig.

ocr page 253

233

gclicel vliezig cn weinig harder dan de achtervleugels. De monddee-len vergroeid tot een snavel of zuigsnuit. Deze bestaat nit eene scheede, die de onderlip is, met opwaarts gebogen zijranden, waarin drie scherpe borstelharen, waarvan de twee bovenste de bovenkaken zijn, en de onderste, dubbele, de onderkaken voorstelt. De bovenlip vormt een dekstuk over het achterste gedeelte der scheede. — Bij de Cicadeachtigen ontspringt do snuit ver naar achteren, schijnbaar tusschen do eerste pooten. — Samengestelde oogen en bij do meestcn nog twee of drie enkelvoudige; soms deze laatste alleen. Een vrij groot voorborststuk. Drie geledingen in den tarsus. Onvolkomene gedaanteverwisseling. Het voedsel der larven en der volkomen dieren bestaat uit plantensappen, ook wel uit bloed , dat zij levende dieren uitzuigen. Sommigen verspreiden een onaangenamen reuk, die het gevolg is van de uitscheiding van een stinkend vocht door eene in het middenborststuk gelegen klier. De bladluizen scheiden aan het achterlijf een zoet, kleverig vocht af, waarop de mieren gretig azen. Eenige halfvleugeligen leven parasitisch op andere dieren. Eenige zijn ongevleugeld.

§ 26G. Geslachten en soorten. I. Wantsen (Ooreidac). Voorvleugels half hoornachtig half vliezig, in rust horizontaal.

1. Wants (Oimex). — Bessenwants. f (O. haccarum) ■ Weegluis f C. lectula-rius of AcantMa lectularia),

2. Roofwants {Reduvius). — Gewone R. f {li. personatus).

3. Oeverwants (Vtlia). — Gewone O. f (F. currens).

4. Waterlooper (Limnobafcs). — Ge-(L. stagnails).

wone W. f

5. Waterwants cinerea).

6. Zwemwants.

(Kepa). Waterwants of Waterschorpioen f (N.

(Notonecta).

II. Cicaden (Cicadaria). Voor-

— Gewone Z. f {N. glauca). en achtervleugels vliezig, het

ocr page 254

234

voorste paar soms lederachtig, in rust schuin op het lichaam geplaatst; mond ver achterwaarts, schijnbaar tusschen de voorpooten.

7. Cicade {Cicade). — Zingende Cicade van zuidelijk Europa (C. orni\ O. fraxini).

8. Lantaarndrager (Fulgora.) — Surinaamsche L. (F. latcr-naria).

9. Schuimbeestje (Cercopis.) — Gewoon S. f (C. of Aphro-phora spumaria).

III. Plantenluizen {Aphidea). Vier vliezige vleugels bij de mannetjes; de wijfjes meest zonder vleugels. Tweeledige tarsen. 10. Bladluis {Aphis). — Vlier-, Rozen-, Linde-, Koolbladluis enz. •}• {Aphis samhuci, A, of Siphonophora rosae, A. of Callipterus tiliae, A. brassicae). Zijn de oorzaken van den zoogenaamden honigdauw.

tl. Bladvloo {1'si/lla). — Elzenbladvloo f {Ps. alni).

12. Wortelluis {Phylloxera). — Wijn-gaardluis (Ph. vaslatrix), bekend door de verwoestingen door haar in de wijngaarden van Frankrijk aangericht.

13. Schildluis (Coccus). —Eikenschildluis {O. of Lecanium ilicis) in zuidelijk Europa en Klein-Azië, die reeds van ouds de „kermesquot; of karmozijnverfstof leverde; Lak-schildluis (C. lacca) in Bengalen, die de schellak levert; Cochenille-schildluis (C. cacti), van welke de cochenille afkomstig is; Wijngaardschildluis f (C. vitis) ; Oranjeboomschildluis f (C- hesperidum).

IV. Luizen {Pcdiculina). G-een vleugels; leven parasitisch op de huid van

zoogdieren of vogels.

14. Luis {Pedict das) — Hoofdluis f {P. capitis)-, Kleederen-luis f {P. vestimeati); Hoenderluis {P. gallinae of Liotheum pallidum.)

15. Hondsluis {Trichodectes). — Gewone H. f (7'. la tas) en

ocr page 255

235

nog vele andere geslachten en soorten, die parasitisch op zoogdieren en vogels leven.

§ 267. Achtste orde. T weevl e ugeligen fDiptera).

Insekten met twee vleugels (voorvleugels) , die vliezig , doorschijnend , en overlangs geaderd zijn , en kolfjes (§ 245) in plaats van achtervleugels. Zeer weinigen hebben geen vleugels (vlooien). Do monddeelen zijn tot zuigen ingericht, en vormen een langeren of korteren snuit, door dien de gootgcwijs uitgeholde boven- en onderlip met de holle zijden naar elkander toegekeerd zijn, en tusschen zich de tot borstelvormige of lancetvormige deelen gewijzigde boven- en onderkaken bevatten. De kop is zeer beweeglijk. Bij

velen vrij lange, gelede, draadvormige, dikwijls, vooral bij de mannetjes , behaarde sprieten ; bij anderen zeer kleine. Die haartjes worden door sommigen voor gehoororganen gehouden (Muggen). Bij de anderen korte, slechts uit 2 of 3 leden bestaande sprieten. Het voorborststuk is klein en met het middenborststuk vergroeid. Het schildje (§ 248) overdekt bijna het achterborststuk. Borst en achterlijf meestal duidelijk van een gc-

scheiden, doch niet door een dunnen steel verbonden , zooals bij vele Vliesvleugeligen. Pootcn vaak zeer lang. Onder de voeten bevinden zich meestal 2, met knodsvormige haartjes bezette zoollapjcs of kussentjes. Hierdoor is het dier in staat te loopen op gladde oppervlakten, zelfs wanneer het daartegen loodrecht moet opklimmen, of het met den rug naar beneden , b. v. tegen een zolder, geplaatst is. 1 Bij vele wijfjes vindt men eene legpijp. Meestal twee groote samengestelde

Mug.

1

Volgens eenigen geschiedt dit doordien do kussentjes als zuignap-

ocr page 256

236

oogen mot twee of drie enkelvoudige. Volkomenc gedaanteverwisseling. — De Tweevleugeligen leggen hunne eieren doorgaans in het water of in rottende dierlijke zelfstandigheden. De maskers hebben geene pooten; die maskers , welke ontstaan zijn uit in het water gelegde eieren, zwemmen daarin rond , en hebben blad- of draadvormige kieuwen. De poppen gelijken óf op die der Vlinders Qm-pac oblectae) , óf het omhulsel is niets anders dan de verdroogde

larvenhuid {pupae coarctatae). De eerstbedoelden hebben , wanneer zij zich in het water ophouden, ook kieuwen , en zwemmen.

Over het geluid , dat vele in-sekten dezer orde bij hot vliegen maken, hebben wij in § 243 gesproken.

§ 268. Geslachten en soorten, allen inlandsch, behalve de muskieten , de Hessisehe mug, de Zandvloo en geslacht 5 eu 20. Eenige ongevleugeld.

I. Muggen (Culicida) of Langsprieten (Nemocera). Slank, lang-gestrekt lichaam; lange sprieten met vele geledingen, dikwijls pluim vormig.

1. Mug (Cidex). — G-ewone Mug, Neef (C. pipiens en cau-tans); Muskiet (C. mosquito, Nero en anderen). Warme gewesten; Kingmug {C. annularis.)

2. Langpoot (Tipula). — Moeslangpoot (T. oleracea); Moeraslangpoot (T. paladosa)\ Reuzenlangpoot {T. giyas).

3. G-almug (Cecidomyia). — Tarwe-galmug (C. tritici); zoogen. Hessisehe vlieg (O. destructor), N.-Amerika.

4. Motmug (Psychoda). — Gewone M. (Ps. phalaenoides), veel op vochtige muren te vinden en zeer op motjes gelijkende.

jes werken, —volgens anderen door een kleverig vocht, dat zij, of de haartjes, zouden afscheiden. Nieuwere onderzoekingen hebben geleerd dat de haartjes een niet kleverig vocht afscheiden, en dat de voeten van het dier zich aan de gladde oppervlakte hechten eenvoudig door de aantrekking, (adhaesie) tusscheu de haartjes, het vocht, en de gladde oppervlakte. — Het dier reinigt-de haartjes van stof, door eerst de kussentjes togen elkander te wrijven eu ze daarna op de vleugels af te vegen.

ocr page 257

237

5. Sneeuwraug (Chionea). —Spinachtige S. (Ch. araneoides), heeft geen vleugels en loopt 's v/inters op de sneeuw rond, Duitschland en Zweden.

6. Bloemlangpoot (Bibio). — Zwarte vlieg (B. Marei). Zie § 245, noot.

7. Zwam-mug (Sciara). — St. Thomas Z. (S. saneti Thomae). De. maskers hechten zich door een kleverig vocht bij mil-lioenen aan elkander en vormen ecne streep van eenige meters lengte en een hand breedte, van achteren smal uitloopende, en trekken op die wijze rond.

8. Kricbclmug (Simulia). — Gewone K. (S. marginata), vooral in Utrecht, Greldcrland en Overijssel; Gevlekte K. (S. ma-culata), in Hongarije en Servië eene landplaag.

9. Pluimmug (CoretJira). — Gewone P, (C. plumicorrds).

II. Vliegen (Muscida) of Kortsprieten (Brachycera). Lichaam

meestal kort en gedrongen; sprieten kort, meestal 3-ledig

en in een borstel uitloopend.

10. Brems (Tal/anus). — Kunderbrems, (T. hovinus); Paar-denbrems (T. autumnalis).

11. Hommelvlieg (Bombylius). — Groote H. (B. major).

12. Roofvlieg (AsUus). Horzclachtige R. (-'1. crabroniformis); Duitsche R. (A. ycrrnanicus).

13. Doornvlieg (Stratiomys). — Gewone D. (S. chamacleon).

14. Vlieg (Musea). — Gewone Kamervlieg (M. domcstica); Bromvlieg, Blauwe vleeschvlieg (M. vomitorla); Vleesch-vlieg (M. sarcophaya) Goudvlieg {M. oiLucilia Caesar).

15. Rupsvlieg (Tachina). —Rupsvlieg (T. larvarum)

16. Drekvlieg (Scaiophaya). — Gewone D. (S. stercoraria).

17. Staande vlieg, Trilvlieg (Syrphns). T. der aalbessen, der peeroboomen (S. ribesii, py ras tri).

18. Dytand f (Merodon). — Narcissenvlieg (M. equestris of bulhorum). De larve veroorzaakt in de narcissen-bollen het zoogenaamd ,rotquot;.

19. Wcspvlicg (Conops). — Rospootigc en Geelpootige W. (C. rufipes en flavipes).

20. Steekvlieg (Stomoxys). — Gewone S. (St. caleitrans) 1

1

Deze vlieg wordt veel mot de gewone huisvlieg verward, waarop zij ook veel gelijkt, maar waarvan zij zieli vooral door den vooruitste-

ocr page 258

238

21. Steeksnuit (Glossina). — Zuid-Afrikaansche Tsetse (Gr. morsitans). Hiercndaar in Zuid-Afrika cenc landplaag door hot doodcn van hot rundvee.

22. Horzel (Oestrus) — Paardcnhorzel (O. of Oastrus cqui)-kleine H. (O. of G. haemorrhoidalis).

III. Luisvliegen (Hippohoscidac) of Poppcnleggers (Pupiparac). Korte sprieten, meestal 2 ledig. De larven ontwikkelen zich binnen de moeder tot poppen.

Fi 180 ^3- Lnisvlieg (Hippobosca). — Paarden-

luisvlieg (/ƒ. equina).

24. Vleermuisvlieg (Nycteribia). — G-e-wone V. (N. vespertilionis).

25. Bijenluis (liraula). — Gewone B. (B. coeca), heeft noch vleugels noch oogen.

IV. Verminktvlcugoligen, Vlooien (Aphanip-v'00' tera). Een zijdelings samengedrukt

lichaam; in plaats van vleugels twee plaatjes aan elke zijde van de duidelijk gescheiden meso- en metathorax. Parasitisch op zoogdieren cn vogels.

26. Vloo (Pulex). — Menschenvloo (P. irritans); Hondenvloo en Kattenvloo (P. canis en felis); Zandvloo, Tjsike (P. of Sarcopsylla penetrans), in tropisch Amerika. Het wijfje van dit laatste dier dringt onder de huid van de voeten van zoogdieren, ook van den mensch, vooral onder de nagels, en legt daar eieren, hetgeen vaak eene kwaadaardige verzweering ten gevolge heeft.

II. KLASSE.

D u iz e n dp ooten.

§ 269. Duizendpooten (Myriapoda) zijn gelede dieren, die, evenals de Insekten, een duidelijk gescheiden kop en een paar sprieten bezitten, maar wier lichaam overigens bestaat uit een

kenden snuit onderscheidt. Het is deze vlieg, die in Augustus en September , vooral bij regenachtig weer, zoo fel steken kan, zelfs door de kousen heeu.

ocr page 259

239

doorgaans groot aantal nagenoeg gelijkvormige segmenten of ringen , zoodat er geene scheiding tusschen borststuk en achterlijf bestaat , terwijl zich aan alle segmenten korte gelede pooten bevinden , soms aan elk segment twee paren. Het lichaam is doorgaans lang gestrekt , en het aantal segmenten verschilt van 9 tot 80. Vleugels ontbreken. Do meesten hebben monddeelen, die tot bijten zijn ingericht; bij deze zijn de onderkaken met de onderlip tot eene enkele onbeweeglijke mondklep vergroeid, waaraan geene voelers zitten, terwijl bij velen do beide voorste pootenparen eene soort van kaken vormen ; de klauwen van het tweede paar pooten zijn dan doorboord en daarin mondt de buis eener giftklier uit. Bij enkelen vindt men daarentegen eene zuigbuis. Gewoonlijk bezitten zij enkelvoudige en dan vaak opeengehoopte oogen. Zij ademen door luchtbuizen.

Overigens komt het inwendig samenstel der Duizendpooten in de hoofdzaken met dat der insekten overeen. Zij loven 't zij van dierlijk , 't zij van plantenvoodsel. Do uit de eieren komende jongen hebben slechts drie paren pooten aan de voorste ringen, maar bij elke vervelling ontstaan er moer ringen en pooten.

Wij vcrdeelen de klasse der Duizendpooten in twee orden : 1 Pootlippigen en 2 Kaaklippigon.

,§ 270. Eerste orde. Pootlippigen (Chilopoda). Bij deze be-hooren de beide eerste pootenparen tot de monddeelen (§ 2G9) , — de pooten zijn ingeplant aan de randen des lichaams , aan elk segment één paar,— het lichaam en de kop zijn plat, — de lucht-spleten bevinden zich zijdelings , enkele malen op den rug. — De Pootlippige Duizendpooten zijn roofdieren, en maken bij het vangen van hunne prooi van hun vergift {§ 269) gebruik ; in de tropische gewesten kan de boot van sommigen zelfs voor den mensch nadeelig , hoewel niet licht doodelijk , worden.

§ 271. G-eslachten en soorten.

1. Scolopendra {Scolopendra), — Zuid-Europeesche S. (jS'. mor-sitans) ; Javaansche groote S. (lt;S'. de Haanü) 22 centim. lang ; Surinaamsche S. {S. yigas), nagenoeg even lang of- langer.

2. Duizendpoot (Lithobius). — Gewone D. f (L. forficatus).

3. Aardduizendpoot (Geophilus). — Gewone A. f (G. longicornis). Sommige soorten lichten in het donker.

ocr page 260

240

§ 272. Tweede orde. Kaaklippigen. (Chilognatha). De beide

eerste pootenparen behooren niet tot de monddeelen, — de poo-tcn zijn ingeplant aan de buikvlakte, twee paar aan elk segment, behalve aan de 5 of G voorste, — het lichaam is rolrond of half rolrond, — de luehtspletcn bevinden zich vóór de plaats van inplanting der pootcn. Sommigen hebben geene oogen. Zij leven van plantenstofl'en, maar ook wel van doodc dieren, b. v. slakken. In rust of in gevaar rollen zij zich spiraalsgewijs op; eenigen, Fig. 182. met een betrekkelijk kort

en breed lichaam (Glome-ris), kunnen zich als een bal ineenrollen.

§ 273. Geslachten en soorten.

Polydesmus. 1. Millioenpoot {lalufs).—

Gewone M. f (/. terresfris en I. sabnlosus).

2. Polydesmus (Polydesmus), — Platte P. t (P- complanatus).

3. Oproller (Olomeris). — Gewone O. f (G. limbata). Gelijkt op een pissebed.

III. KLASSE.

Spinnen.

§ 274. Spinnen of spinachtige dieren (Araclmoulca) zijn gelede dieren zonder vleugels, wier kop met het borststuk, op zeer enkele uitzonderingen (§ 283) na, altijd tot een kopborststuk versmolten is; met meestal ongeleed achterlijf; met vier paar borstpooten, nimmer met buikpooten, zonder sprieten en met steeds enkelvoudige oogen. Zij ademen 't zij door lucht- of longzakken, 't zij door luchtbuizen.

ocr page 261

241

§ 275. Do monddeelen der spinnen bestaan uit 1 dc bovenkaken, die meestal geleed zijn, waarom men haar ook wel den naam van kaak sprieten geeft en als overeenkomende met de sprieten dor insekten beschouwt. Zij kunnen verschillende gedaante hebben; bij de ware spinnen eindigen zij in eene klauw, bij de schorpioenen in eene schaar, bij vele mijten zijn zij stijve ongelede borstels. Dc bovenkaken zijn boven de mondopening gelegen, en daarop volgen aan de buikzijde 2° dc o n d e r k a ken, elke waarvan uit eene kauwplaat en een voeler bestaat. Dc voelers hebben soms eene pootvor-migc gedaante, doch zijn kort cu meestal

Moml,looien .Ier Kruis- z0quot;dcr klauwen; bij dc Schorpioenen zijn zij spin, van boven go zien;

zeer verlengd en dragen aan hot einde eene

aan de spits van dc als

oen knipmes beweegbare SCnaar.

klauwkaak ligt de uitloo- . . .. -i i i

zingsopeningdorgiftkiier. Jgt;ij de eigcnhjke, ware spinnen zijn de klamv-dvi^Vo'opc'r verdeelde vormigo kaken doorboord, en in het zoodoende 00gün- gevormde kanaal mondt eene giftklier uit.

§ 270. Hot voorste pootenpaar, ofschoon in vorm vrij wol over-eenkomende met dc volgende, moet eigenlijk worden beschouwd als homoloog met de tweede onderkaken of dc onderlip dor insekten; in sommige gevallen begrenzen zij dan ook do mond-spleet. — Dc pooten bestaan overigons uit 7 , soms 0 weinig van elkander verschillende leden. Het laatste lid draagt een of meer haakvormige klauwen. — Overigens kunnen hot eerste pootlid als heup, bet tweede als dijring, liet derde als dij, hot vierde en vijfde te samen als scheen, en hot zesde cn zevende als voet worden beschouwd.

§ 277. Op bet kopborststuk staan do oogen op verschillende wijze verspreid. Om daarvan een denkbeeld te geven voegen wij Fig 184 hierbij een schots van dc onder

linge plaatsing der oogon bij drie % e* quot;a t o 0 a * spinsoorten, op de wijze zooals die ^ (i' 0 in do beschrijvende werken over dier

kunde gewoonlijk worden aangeduid.

Grocpeering der oogen bij Spinnen. g 278. Het achterlijf is doorgaans door eene insnoering scherp van hot kopborststuk gescheiden, bij oenigen (Schorpioenen) daarentegen niet. Bij de Mijten kan zelfs

lü

ocr page 262

242

de grens tuschcn kopborststuk cn achterlijf alleen bepaald worden door acht te slaan op de inplanting der pooten. — Bij de ware Spinnen is het achterlijf niet in segmenten gedeeld. Bij de Schorpioenen vormen de laatste segmenten van het achterlijf, die veel smaller zijn dan de voorste, een staartvormig na-achterlijf, dat in een giftstekel eindigt.

§ 279. Over 't geheel, doch met uitzonderingen, is de huid dei-Spinnen minder hard en hoornachtig, meer lederachtig, dan die der insekteu. Vooral is dit het geval met het achterlijf van vele ware Spinnen. Soms is het lichaam met haren begroeid.

Ten aanzien van de inwendige organen zullen wij, na het in't algemeen over de gelede dieren gezegde, alleen deze bijzonderheden vermelden, dat het spijskanaal nauw is en do betrekkelijk wijde maag soms zich door blind eindigende aanhangsels (blind-darmen) voortzet tot in de pooten (Spinnen, sommige Mijten en vooral de Hoekpootige spinnen of Pycnogoniden), — dat de lever-klieren in den regel zeer groot zijn, — dat het hart langgestrekt is en zijdelingsche spleten bezit, en dat de Schorpioenen zelfs niet alleen slagaderen maar ook aan de buikzijde aderen bezitten, — dat daarentegen de Mijten zelfs geen rugvat hebben, — dat de ademhaling geschiedt bij velen door longzakken, bij anderen door luchtbuizen, bij de lageren door de huid, — dat dikwijls al de buikzenuwknoopen of de voorste daarvan versmolten zijn tot één grooten knoop midden in het kopborststuk, — en dat de ware Spinnen een spintoestel bezitten (zie § 285).

§ 280. De meeste spinnen leggen eieren; enkelen, zooals de schorpioenen en de meeste mijten, brengen levende jongen voort. De pasgeboren jongen gelijken op de ouden; bij de jonge mijten onbreekt echter in 't eerst het eerste pootenpaar, en de worm-mijten (§ 287) gelijken in hun jeugd op mijten, maar in den ontwikkelden toestand op wormen.

De spinnen vervellen gedurende haar leven verscheidene malen; bij zulk eene vervelling worden soms vroeger verloren gegane -pooten weder hersteld.

§ 281. Do meeste spinnen voeden zich met dierlijk voedsel; sommige zijn parasiten. Zij leven meest op het land, weinigen in het water, en in den regel eenzaam in verborgene hoeken.

§ 282. De spinnen worden op onderscheidene wijze verdeeld. Wij zullen haar rangschikken in drie afdeelingen, die wij als or-

ocr page 263

243

den zullen aanmerken, te weten die dei' 1° Gelecdbuikigen, 2° On-geleedbuikigen en 3° Huidademcrs.

§ 283. Eerste orde. Gr e 1 e e d Ij u i k i g e n {Arthrogastra). Spinnen met een geleed achterlijf. Bij hot geslacht Solpnga (Galeodcs) en enkele daarmede verwante geslachten zijn do kop en het drielc-

dige borststuk gescheiden , zooals bij de in-sekten. De bovenkaken eindigen in kleine, maar stevige scharen, en de voelers der onderkaken zijn lang en pootvor-mig. — De Schorpioenen, bij welke geene insnoering tusschen borst en achterlijf bestaat,

onderscheiden zich daardoor, dat zij, behalve kaakscharen, zeer lange in scharen eindigende voelers bezitten, — dat elke poot twee klauwtjes heeft, en dat het zeer verlengde na-achterlijf (§ 225) aan het uiteinde een giftstekel bezit. — De Schorpioenspinnen onderscheiden zich van de Schorpioenen vooral door het bezit van de gemelde insnoering, door de niet geschaarde , maar geklauwde kaken, de zeer lange en ongeklauwde voorpooten en het gemis van een giftstekel aan het na-achterlijf, welk laatste ook wel ontbreekt. — De Bastaardschorpioenen komen, wat het niet aanwezig zijn der insnoering en de kaakscharen aangaat, weder met de Schorpioenen overeen, doch hebben geen na-achterlijf. Zij , zoowel als de Schorpioenspinnen, bezitten echter de geschaarde, in grijppooten veranderde onderkaakvoelers, die aan de Schorpioenen eigen zijn.— De Bastaardspinnen eindelijk hebben een kort en gedrongen lichaam zonder insnoering, met lange en dunne pooten, geen na-achterlijf, kaakscharen, maar geene voelerscharcn, en naderen in uiterlijk tot de gewone of ware spinnen. — Solpuga en verwante geslachten, de Bastaardschorpioenen en de Bastaardspinnen ademen door luchtbuizen, — de Schorpioenen en Schorpioenspinnen door longzakjes.

§ 284. Geslachten en soorten.

ocr page 264

244

1. Spinscliorpioen. (Solpuga, Galeodes). — Zuid-Russiscbe S. (S. of Q. araneoides).

2. Schorpioen {Scorpio). — Europeesche S. {S. europaeus), in zuidelijk Europa; Afrikaansche S. (S. occltanicus), ook tn zuidelijk Spanje.

3. Schorpioenspin (Phrynus en Thelyphonus). — Braziliaansche S. Ph. reniformis); Javaansche S. {Ph. caudatus).

4. Basterdschorpioen (Chelifer). — Boekcnscliorpioen f (Ch. can-n-oidcs),

5. Bastaardspin, Kreeftspin (Phalangium).— Hooiwagen , Wever -j- (Ph. opilio).

§ 285. Tweede orde. Ongeleedbuikigen. (Anarthrogasira of Sphaerogastra). Wij splitsen al dadelijk deze dieren, die overigens daarin met elkander overeenkomen dat hun achterlijf ongeleed is, in twee van elkander zeer afwijkende afdeelingen, die dor ware Spinnen en der Mijten.

Bij de Spinnen is het kopborststuk en het achterlijf door eene diepe insnoering van elkander gescheiden. De kaken zijn voorzien van giftklauwen; de voelers der onderkaken hebben bij de wijfjes den vorm van pooten, doch zijn korter en hebben geene klauwen. Zij ademen door longzakkcn •, eenigen hebben nog bovendien luchtbuizen. Doorgaans zijn dc mannetjes kleiner dan dc wijfjes. Opmerking verdienen de spinwerktuigen der ware spinnen. Zij bestaan uit klieren achter in bet achterlijf, die een vocht afscheiden, dat door fijne uitloozings-buisjes komt in uiterst dunne haarvormige pijpjes, geplaatst op 4 of 6 rondom den aars geplaatste tepeltjes (spintepels). Het vocht is kleverig en stolt in de lucht Het dier perst het uit de tepels en pijpjes en verbindt de door de stolling gevormde draden tot één dikkeren draad met behulp der borstels aan de achtcrpooten. Sommige spinnen vervaardigen met die draden min of meer kunstige webben, waarin hunne prooi verwart; anderen (gesl. 7 , 8) maken jacht op hare prooi en spinnen alleen zijdeachtige omhulsels (cocons) voor hare eieren en jongen. —

ocr page 265

245

Vele spinnen verzorgen hare jongen eenigen tijd en dragen ze zelfs op hun rug mede.

Bij de Mijten ontbreekt de afscheiding tussclien het kopborst-stuk en het achterlijf. Do mond is óf tot kauwen óf tot zuigen ingericht; soms zijn er kaakscharen. De ademhaling geschiedt

door luchtbuizen, bij de parasitische soorten alleen door de huid. Geen rugvat; soms geene oogen. Sommigen leven in het water, anderen op het land, — verscheidene parasitisch op andere dieren.

§ 280. Greslachten en soorten.

I. Ware Spinnen (Araneida).

1. Vogelspin {Mygale). — Zuid-Amerikaansche boschspin {M. avicularia); Javaansche V. (M. javanica), beide, met de pooten, 5 tot 7 centim. lang; Zuid-Europeesche graafspin {M. of Cteniza cementaria en fodiens); Geluidgevende G. (M. stridulans), Bengalen.

2. Tuinspin (Epeira). Gewone tuin- of kruisspin f {E. dlademd).

3. Wcversspin (Theridium). — Italiaansche W. (Th. of Lalvo-dectes malmignathus); Gewone AV. f {Th. redimitum).

4. Huisspin {Aranea). — Gewone H., Kamerspin, Vensterspin -j- A. of Tegenaria domesticd).

5. Waterspin (Argyroneta). — Gewone W. f {A. aquatica) do grootste inlandsche spin, merkwaardig om haar klokvormig nestje.

6. Satynspin {Olubiona). — Gewone S. f O. holosericea).

7. Jachtspin, Wolfspin (Lgcosa). — Gewone W. of Aardspin

ocr page 266

246

f (L. saccafa); Tarantelspin (L. tarantula) in zuidelijk Italië, i. Springspin {Alius). — Grewone S. f {Attus of Salticus sce-nicus). Vliegende S. {A. of S. volans), Australië. Bij deze Pi(r jgg spin is liet achterlijf aan de rugzijde be

dekt met eene dunne plaat, die zich ter weerszijde uitbreidt in den vorm van twee breede vleugels. Deze dienen der sj)in ^llia^s zweeftoestel bij het springen. / l 'W I quot;• Mijten (Acarina).

1. Aardspin, Aardmijt (Trombidium). — Karmozijnrood aardspinnetje f (T. holoseri-ceum).

2. Teek ()lxodes). — Hondenteek f (I. ricinus).

3. Mijt {AcarusJ. — Kaasmijt f (A. siro); Meelmijt f (-4. farinae); Schurftmijt f (A. oiSarcoptes scabiei).

4. Huidmijt (Dcmodex of Simonea). — Menschen-huidmijt f D. of S. Iw-minis), do oorzaak der zoogenaamde medeëters (comedones).

5. Watermijt (Hydrachna). — Gewone W. f (II. aquatica.)

6. Luismijt (Dermanyssus en (ramasus). — L. der zangvogels, der duiven en der kevers f (ü. avium, colum-hinus, G. coleopterorumj.

§ 287. Derde orde. Huid ad emers (Dermatopneusta). Deze dieren komen daarin overeen, dat zij geene afzonderlijke ademhalingsorganen bezitten, maar dat de omwisseling van zuurstof en koolzuur geschiedt door de huid (uitwendige huid, of inwendige, nl. de oppervlakte der ingewanden). Verder onderscheidt men ze in Beertjes, Wormmijten en Hoekpooten.

De Beertjes, Waterbeertjes (Arctiscoidca), ook Traagloopers (Tardigrada) en Stomppooten (Colepoda) genaamd, hebben oen ovaalrond, onduidelijk in vier ringen verdeeld lichaam, met 4 paar korte gelede pootjes of pootstompjes, ieder met 4 kleine klauwtjes; het achterste paar zit aan het achterlijf. De mond is

ocr page 267

247

tot zuigen ingericht met twee uitschuifbare steeltjes (kaken). Twee oogstippen. Zij leven in vochtig mos, in dakgoten enz. en kunnen, evenals de later te beschrijven Raderdiertjes, na geheel verdroogd te zijn, door bevochtiging weer herleven. Zij bewegen zich zeer langzaam, en de grootste bereiken zelden meer dan */2 millimeter lengte.

De wormmijten (Linguatulina) hebben pooten noch oogen, en

een wormvormig, rolrond of plat, naar achteren dun uitloopend, in ringen verdeeld lichaam. Rondom de mondopening ziet men vier intrekbare haakjes. Maar pas uit het ei gekomen, is het dier ei- of peervormig met een dun staartvormig verlengsel en heeft 4 paar korte pootjes, elk met twee klauwen, terwijl ter weerszijde van de mondopening zich een haakje bevindt en daartusschen een mesvormige boorpriem. Zij leven parasitisch in inwendige deelen van andere dieren, en werden daarom vroeger tot de ingewandswormen gebracht.

De Hoekpootige Spinnen (Pycnogonida) naderen in gedaante weer meer tot de gewone Spinnen of tot de Schaaldieren. Hunne bekleedsclen zijn hard, het kopborststuk betrekkelijk groot, het Fiquot; 191 achterlijf zeer klein en geleed. Het kopborst

stuk eindigt van voren in een kegelvormige spits , die den zuiger vormt, en waaraan zich kaken bevinden, die bij sommigen schaarvormig zijn. De pooten zijn bij sommigen zeer lang, en eindigen in een klauw. Het darmkanaal zet zich tot in de pooten voort. Daar de Zoespin. huid hard is, schijnt de ademhaling door de

ingewanden te geschieden. Alle Hoekpootigen zijn zee- en strand-dieren.

Fig. 192. § 288. Geslachten en

soorten.

I. Beertjes {Arctiscoi-dca).

1. Mosbeertje (Ma-

Tongmijt van den Hond. crobiotus). —

Gewoon M. t (Af- ursdlus).

ocr page 268

248

II. Wormmijten. (Linguatulina).

1. Tongmijt, Vijfmond {Linguatala, Pentastomum). — T. van den hond enz. f (L. of l3. taenioides); het jonge dier hiervan heette vroeger P. dentieulatum.

III. Hoekpootigen {Pycnogonida).

1. Zeespin (Pycnoyomim). — Gewone Z. f (/'. litlorale).

IV. KLASSE.

Schaal cl i c r e n.

§ 289. Schaaldieren {Animalia crustaeea) zijn gelede dieren zonder vleugels, die door kieuwen ademhalen, twee paren sprieten hebben en niet alleen aan hot kopborststuk, maar ook aan het achterlijf of don buik pooten bezitten. — Deze bepaling is echter niet volkomen van toepassing op al de dieren, die tot deze klasse worden gebracht. Wij zullen er b. v. later loeren kennen, die men beter bij de ingewandsvormen zou meenen te huis te behooren. Aangaande de reden, waarom men deze en dergelijke dieren bij de Schaaldieren voegt, kunnen wij niet iu bijzonderheden treden, en merken alleen in 't algemeen aan, dat die reden bestaan deels in zekere eigenaardigheden van den lichaamsbouw, maar vooral in den gang der ontwikkeling bij die dieren, welke noodzaakt ze vooralsnog bij do schaaldieren tc plaatsen, — evenals men b. v. de Linguatulinen (,§ 287) van wege de gedaante die' zij in hunne jeugd bezitten bij de Spinnen voegt.

De huid der Schaaldieren is bij do grootere soorten hard en bevat eene aanmerkelijke hoeveelheid koolzure kalk; van daar de naam Schaaldieren; bij de kleinere soorten is de huid hoorn- of lederachtig, of zelfs weck.

De kop is bij verreweg de meeste schaaldieren met het borststuk vergroeid en als ware het versmolten tot een kopborststuk, waarmede ook niet zelden de eerste segmenten van het achterlijf onbewegelijk verbonden zijn. Het daaropvolgende in buigzame geledingen verdeeld achterlijf heet men bij de schaaldieren gewoonlijk den staart.

§ 290. Aan den kop merkt men het volgende op:

a. Vier of soms twee sprieten, — bij de lagere vormen vaak in grijp- of beweegorganeu veranderd;

ocr page 269

249

h. Twee , dikwijls op steeltjes geplaatste, samengestelde oogen, — of twee groepjes viiu enkelvoudige oogen, bij de meesten daarenboven nog een ongepaard oog, — of één enkelvoudig oog in het gelieel; enkele zeer kleine op andere dieren levende (parasitische) schaaldieren zijn blind.

c. Bij de kauwende schaaldieren vindt men, behalve de vroeger aangeduide monddeelen, nog andere kaken, die echter duidelijk kleine pooten zijn, doch alleen dienen tot het aangrijpen en vast-

houden van voedsel; zij worden daarom kaakpooten genoemd. — Aan de bovenkaken vindt men veelal voelers, die bij de overige gelede dieren alleen aan de onderkaken en de onderlip te vinden zijn.

Bij de zuigende schaaldieren zijn de monddeelen vergroeid tot een zuiger.

§ 291. Aan het borstgcdeelte van het kopborststuk vindt men de eigenlijke pooten, veelal vijf tot zeven paren. Zij bestaan,' althans bij de hoogere schaaldieren, uit eene heup, een dijring.

ocr page 270

250

ccne dij , ecnc schoon 011 een twceledigen voet of tarsus. De eind-ledon van het eerste paar zijn bij vele soorten groot, breed en van nijpcrs of zoogenaamde scharen voorzien. Die scharen worden eigenlijk gevormd doordien het laatste tarsuslid naast het eerste geplaatst en daarmede door een gewricht verbonden is. — Aan het achterlijf volgen nu nog eenige paren huikpooten, die bij de hoogst ontwikkelde soorten duidelijk pooten zijn, doch bij de lagere soorten vliezig en niet zelden in twee draden verdeeld. — Aan het eind van den staart ziet men vaak eene bladvormige verbreeding of vin.

§ 292. De schaaldieren ademen door kieuwen, en zijn dus vooral tot het leven in het water geschikt. Deze kieuwen zijn bij vele soorten geplaatst in eene holte van het kopborststuk, welke holte twee openingen heeft voor hot in- en uitstroomen des waters; zij hebben de gedaante van getakte bundeltjes of boeksgewijs vor-eenigde blaadjes. Bij andere schaaldieren zijn de kieuwen gehecht aan de basis der buikpooten, of de bladvormige vliezige uiteinden dier buikpooten dienen tot kieuwen.

Eenige krabben leven meer op het land dan in het water (Gre-carcinus, Gclasimus enz.). Bij dezen is de ademhalingsholte onder het rugschild zeer ruim. In het benedenste gedeelte daarvan liggen de kieuwen, maar de wand van het bovenste gedeelte dei-holte is bekleed met een dicht net van vaten, die deels van het hart uitgaan, deels daarheen tcrugkcercn. Dat bovengedeelte der ademhalingsholte is dus voor de luchtademing geschikt.

Do schaaldieren bezitten een ruggevat of hart, dat alleen bij de allerlaagste schaaldieren ontbreekt. De slagaderlijke bloedsomloop geschiedt bij de hoogere door slagaderen, de aderlijke door lacu-nen (§ 233) •, bij de lagere is de geheele bloedsomloop lacunair.

Meest alle schaaldieren leven van dierlijk voedsel. De mondopening ligt op eenigen afstand van den voorrand des kops aan de buikzijde, daarvandaan klimt de korte slokdarm naar boven om in de maag over te gaan , van waar dan de rechte, onge-kronkelde darm naar hot achtereinde dos lichaams loopt. Speekselklieren zijn niet aanwezig; daarentegen is de lever zeer ontwikkeld.

Bij de hoogere schaaldieren is hot zenuwstolsel zeer ontwikkeld; bij de lagere ontspringen de zenuwen uit eene enkele zenuwknoopmassa. Oogen bezitten de meesten. (Zie § 290). Gehoororganen (gchoorblaasjes) zijn alleen bij de hoogere vormen aanwezig ,

ocr page 271

251

meestal aan het grondlid van dc onderste sprieten , soms (Mysis) aan liet achterste uiteinde des lichaams.

§ 293. Sommige jonge schaaldieren gelijken , na uit de eieren gekomen te zijn , geheel op hunne ouders ; andere ondergaan in zoover een gedaantevenvisseling, dat zij b. v. eerst na eenige ver-vellingen eene staartvin , of buikpooten verkrijgen. Maar de overigen hebben eerst een geheel anderen vorm , dan zij later zullen bekomen, zoodat men zulke onvolwassen dieren wel eens voor afzonderlijke geslachten of soorten heeft gehouden , b. v. Nauplius en Zoëa , van welke men tegenwoordig weet dat zij de larven van andere schaaldieren zijn. — De Nauplius-vorm der larven wordt gekenmerkt door drie paren ledematen (de latere sprieten en boven-kaken) , één onparig enkelvoudig oog , en hot ontbreken van kauw-werktuigen. Hot lijf is meestal eirond of peervormig ffig. 2076 en 208 h) , maar kan ook anders gevormd zijn. — De Zoëa (fig. 194) bezit een soms van stekels voorzien rugschild , en een geringd na-achterlijf , maar geen pooten , behalve de twee voorste elk in

twee takken verdeelde kaakpooten , die tot roeipooten dienen , — voorts twee samengestelde oogen met één onparig oog. Bij do eerste vervelling, die zij ondergaat, verschijnen vijf paren borstpooten en de achterste kaakpooten (Megalopa-vorm). Bij eenige lagere schaaldieren is de gedaanteverwisseling teruggaande, dat is: eenige bij het masker bestaande doelen, b. v. pooten cn oogen, verdwijnen. Na zijne gedaanteverwisseling blijft het schaaldier nog eenigen tijd groeien (vgl. § 245).

§ 294. De schaaldieren vervellen in hun onvolwassen staat vele malen; de volwassen hoogere soorten doorgaans eenmaal 's jaars.

Deze verliezen dan hunne harde schaal, waaronder zich echter reeds een nieuw, dun en gevoelig bekleedsel heeft gevormd. Het pas vervelde dier verbergt zich dan, tot zoolang de nieuwe huid hard en minder gevoelig is geworden. Tevens vervelt ook de maag van binnen, en bij die gelegenheid geraken dan ook twee ronde kalkachtige lichamen los, die in het slijmvlies der maag vast zaten, en die men gewoon is kreeftesteenen

ocr page 272

252

of krccftsoogen tc noemen. Do kalk van dc/.o steentjes wordt in liet maagvocht opgelost, daarna in liet bloed opgenomen, en dient dan om de nieuwe huid van kalk te voorzien.

De herstellingskracht is bij de scliaaldieren zeer groot, zoodat zelfs afgebroken pooten weder aangroeien.

§ 295. De grootte der schaaldieren is zeer verschillend. Men vindt onder hen de grootste van alle gelede dieren; sommige kreeften toch bereiken eene lengte van anderhalven voet. Andere daarentegen zijn slechts een streep lang.

Sommige kleine soorten zijn parasiten en zuigen het bloed van andere waterdieren, vooral van vissehen. De meeste schaaldieren bewonen het water; in do zee vindt men de meeste soorten.

§ 29G. Wij verdeden de Schaaldieren in acht orden, te weten: 1 Steeloogigcn, 2 Ongesteeldoogigen, 3 Heupmondigen, 4 Kieuw-pootigen, 5 Schelpdragenden, C Kiempootigen, 7 Rankpootigen, 8 Raderdiertjes. — Deze orden kunnen worden samengevat in I. Ma-lacostraca (Podophthalma en Edriopthalma), II. Gigantostraca (Poe-c'dopoda), en III. Entomostraca (Oirrhipedia, Branchipoda, Ostracoda en Copepoda). De Rotatoria blijven dan afzonderlijk over.

§ 2!)7. Eerste orde. Steeloogigcn {Podophthalma). Een kop-borststuk, waaraan de eerste segmenten van het achterlijf deelnemen, bekleed met een gemeenschappelijk rugschild (Carapax), behalve bij Sqtiilla, waar de achterste borstringen vrij blijven. Drie paar (bij Squilla en eenige andere geslachten vijf paar) kaakpooten en vijf paar tot loopen ingerichte pooten aan het kop-borststuk (bij Squilla 3 paar), waarvan het voorste van scharen is voorzien. Kieuwen aan dc basis der twee achterste kaakpooten en der looppooten, soms {Squilla enz.) ook aan de buikpooten, overdekt door het rugschild, behalve bij Sqtiilla enz. Vaak een waaiervormige staartvin. Twee samengestelde oogen op beweegbare stelen, die bij sommigen b. v. {Podophthalmus) zeer lang zijn.

Terwijl bij de meeste Langstaartige Steeloogigen (zie benedon) dc uit het ei gekomen jongen op dc ouden gelijken en hun alleen de staartvin ontbreekt, bezitten die der Kortstaartigen en der Anomura den Zoea- en daarna den Megalopa-vorm.

§ 297. Wij verdeelen deze orde in twee onderorden.

Bij dc eerste, die der Tienpootigen, zijn kop, borst en

ocr page 273

253

vooraclitcj'lijf overdekt met een cavapax, cu in eene liolte daaronder liggen de kieuwen. Er zijn drie paar kaak-, en vijf paar loop-pootcn. — Wij verdeelen de Tionpootigen wederom in drie groepen.

Bij do dieren van de eerste groep is liet na-acliterlijf, dat geen zwempooten en geene staartvin l)ezit, onder het breede kopborst-

Pig. 195.

Rivierkreeft, van ondóren.

stuk teruggeslagen en ligt in eene groeve aan de buikzijde, zoodat van boven slechts het kopborststuk kan gezien worden. Bij die van de tweede groep is do staart ook teruggeslagen , doch er is geen buikgroeve en wel een staartvin. Men noemt ze daarom Kortstaartigen. Bij de derde groep is het na-achterlijf of staart

ocr page 274

254

lang uitgestrekt en van eene waaiervormige staartvin voorzien; de dieren van deze groep heeten daarom Langst aart igen. § 298. Geslachten en soorten.

I. Tienpootigen (Dccapoda).

A. Kortstaartigen {Dracliyura)\

1. Zwemkrab (Portunus). — Kleine Z. of Zeekrab f (P. dejmrator).

2. Zeekrab (Canetr). — Gewone Z. f {O. pagurus).

3. Strandkrab (Carcinus).

B

t (O-

— Gewone S.

moenas).

4. Oogkrab {Podopltthal-mus). — Doornige O. (i'. spinosus of vigil) uit de Indische zee.

5. Mosselkrab {Piano(litres)

— Gewoon rood mossel-krabje f {P- pistun), op oesters en mossels.

G. Rivierkrab (Telphusa) — Gewone K. (T. fluviatilis) in Italië en Griekenland.

7. Landkrab (Gecarcinus). — Gewone L. (G. ruricola) in West-Indië.

8. Roepkrab (Gelasimus). -- Zuid-Amerikaansche R. (G. vocans). Bij dit geslacht is eene der scharen bij de mannetjes veel grooter dan de andere, en wordt bij het loopen omhoog gehouden.

9. Snavelkrab (Maja). — Gewone S. (M. Squi-nado), in de Middell. zee en den Atlant.Oceaan.

10. Calappa (Calappa). — Gekorrelde C. [C. granulata), Middellandsche zee.

11. Kikvorschkrab (Banina). — Getande R. (li. dentata of serrata), Roode zee en Indische zee.

Vinkortstaartigen (Pterybrachiura,Anomura). Na-achterlijf als bij de Brachynra: maar met een staartvin; geen buikgroeve.

12. Bastaardkrab (Hyppa). — Gewone B. (H. emerita); kusten van Brazilië.

13. Eremietkrab (Pagurus). — Eremietkrab, Kreeftslak, Snijder f (P. Bernliardi). Het achterlijf is weinig ont-

35

ocr page 275

255

wikkeld cn met een weckc huid bekleed. De krab bewoont de ledige schelpen van kinkhorenslakken, waarin hij zich door middel van twee ruwe aanhangsels van het achterlijf vasthecht, terwijl het voorlijf

met de pooten buiten de schelp uitsteekt cn het dier bij het kruipen deze met zich medesleept. 14. Porccleinkrab, Kreeftkrab (Porcellana). — Langsprietige P. f (P. longicornis), met eene staartvin. C. Langstaartigen (Macrura).

ocr page 276

256

15. Langocste (Palinurus). — Gewone L. (P. vulgaris). Micl-

dell. zee eu Atlant. Oceaan.

1G. Kreeft {Antaeus). — Ilivierkreeft f (A. fluviatilis) Zuiden Midden-Europa, bij ons in Limburg. Zeekreeft f A, marinus of Homarus vulgaris), Middell. en Noordzee, zelden diebt bij onze kusten.

17. Garnaal (Crangon). — Gewone garnaal of garnaat. f O. vulgaris).

18. Steurkrab (Palacmon). — Steurkrab of steur-garnaal f (P squilla).

Do tweede onder-orde is die der Mondpootigon, bij welke do carapax een cepbalothorax is m et vrij gelaten voor-achterlij fs -segmenten. De kieuwen zitten aan de pooten van den eephalotho-rax van het na-acli-terlijf, of zij ontbreken (Mysis) •, in dit laatste geval geschiedt de ademhaling door de huid. II. Geslachten en soorten der Mondpootigon (Slomatojjoda).

19. Sprinkhaankreeft (Squilla). — Gewone S. (S. mantis). Middell. zee.

20. Garnaatsquilla (Mysis). — Gewone G. (M. vulgaris). IJszee.

§ 299. Tweede orde. Ongestceldoogigen (Edriophthabna). Het kopborststuk bestaat uit den kop en slechts den eersten, zelden ook den tweeden borstring. Eén paar kaakpooten, 7 paar looppooten, waarvan soms de eerste of de twee voorste grijppooten zijn. Dikwijls een weinig ontwikkeld achterlijf met achterpooten. Ongesteelde samengestelde oogen. Doorgaans geene gedaanteverwisseling, ofschoon de jongen niet altijd hetzelfde aantal lichaams-ringen bezitten als do ouden. — De gedaante loopt overigens nog

ocr page 277

257

al uiteen. Sommigen hebben eon rank en gestrekt lichaam (Gammarus, Orchestia, Talitrus, Oorophium en Oaprclla), bij anderen is dit kort, breed en plat (Ci/anins en do pissebedden). Bij ecnigen (Gammarus, Orchestia, Talitrus) eindigen de laatste pooten van het achterlijf in springstecltjcs. — De dieren dezer orde zijn allen Fig. 200. klein. Eenigc (de landpissebedden) leven oj) liet y land en hunne kieuwen zijn tot ademing in de

lucht ingericht.

§ 300. Geslachten en soorten.

T. Vlookrceften (Amphipoda). Een goed ontwikkeld na-achterlijf met zes paar pooten. Vliezige kieuwen aan de achterste pooten van het voorlichaam.

1. Vlookreeft (Gammarus). — Gewone V. Zoetwatergarnaaltje, f (G. pulex).

2. Zcevloo (Talitrus. — Gewone Z. f (T. salt a tor).

3. Springer(Orches/ia),— Strand-

201.

vloo, ook wel Zcevloo f (O. lito-rea).

4. Diksprietgarnaal (Corophium) — Gewone t (O. longicorne).

II. Keclpootigen (Lacmodipoda). Na-achterlijf rudimentair; een cephalothorax bestaande uit den kop, den protorax en den mesothorax, zoodat het eerste pootenpaar aan de keel schijnt

te zitten. Een lang gestrekt zesledig achterlijf. Mesothorax-pooten voorwaarts gestrekt. Kieuwen aan of in de plaats van de voorste achterlijfspooten.

5. Bokje (Caprclla). — Gewone B. f (O. lohata).

6. Walvischluis (Cyamus) — Walvisch-luis (C. ceti).

III. Gelijkpootigen (Isopoda). Een plat, Cyamus ceti. meestal gedrongen lichaam met 7 vrije

verkort na-achterlijf, waaraan bla-

17

Fio;. 202.

borstsegmenten en een

ocr page 278

258

derige kieuwen die getransformeerde valsche pooten zijn.

7. Landpissebed (Oniscus).— Kelderpissebcd, Krob , Keldermot f (O. asellus).

8. Aardpissebed (Poreellio). — Gewone A., Varkentje f (P- «cater en pictus.

Fig. 203. 9. Eolpissebed, Op-

roller {Armadillo). — Gewone Oprol-ler f (A. vulyaris); Geneeskrachtige G. (A. officinarum), vroeger in de geneeskunde ge-

bruikt; leeft in zuidelijk Europa.

10. Mospissebed (Philoscia). — Gewone M. f (I'h. muscorum).

11. Havenpissebed (Ligia). — Gewone II. t (^- oceanica).

12. Zoetwaterpissebed (Asellus). Gewone Z. f (A. vulyaris).

13. Zeepissebed [ldoled). Lange Z. f (/. linearisj.

§ 301. Derde erde. Heupmondigen (Meroslomata) of Versehilpootigen Poecilopoda). of Zwaar dstaartigen (XiphosuraJ Het kopborststuk bedekt door een van \ oren boogsgewijs gerand, breed en gewelfd schild , dat van achteren ter weerszijde in een punt uitloopt, en waaraan zich een vlakker, zeskautig, zijwaarts gedoomd achterlijfschild sluit, aan hetwelk zich een lange degenvormige staart-stekel bevindt. Op het voorste schild twee kleine enkelvoudige oogen. Aan het kopborststuk G geschaarde pooten, waarvan liet eerste een paar sprieten, het tweede een paar bovenkaken, het derde en vierde 2 paren onderkaken, en het vijfde en zesde 2 paren borstpooten voorstellen. Daarachter de kieuwen. — Soms tot 3 a 4 centim. lang buiten den stekel. — De jongen gelijken op de ouden, doch missen eerst den staartstekel.

ocr page 279

259

§ 302. Geslachten cn soorten.

1. Rogkrab , Eogkreeft (TAmulus). — R. der Molukken, Mimic (j\I. molnccanus) \ Amerikaansclic R. {L. Polyphemus), aan de Atlantische kusten van Amerika: Langdoornige R. (L. longis-pina); kusten van Japan.

§ 303. Vierde orde. Kieuw- of Bladpootigen {Branchiopoda of 1'hyUopoda). Kleine dieren, wier lichaam bij sommigen geheel

of gedeeltelijk bedekt is door een rugschild (Apas), bij andere omgeven van eene soort van tweekleppige schaal, die óf het ge-heele lichaam insluit (Limnadia), óf den kop vrij laat {Daphnia), terwijl enkelen geen schild noch tweekleppige schaal bezitten {Branchipus). De drie hoofdaf-deelingen des lichaams zelden duidelijk vaneen gescheiden. Twee of vier paren 't zij weinig

ontwikkelde 't zij in vorm zeer gewijzigde sprieten. Een paar bovenkaken en een of twee paren onderkaken. Minstens 4, maar soms tot 10 ja 60 paren bladvormige zwempooten met aanhangsels, welke kieuwen zijn. Twee samengestelde, soms gcsteelde oogen met één ongepaard enkelvoudig oog (Branclnpus, Aiiiis, Lhnnadia), of één groot samengesteld oog en daarvóór één enkelvoudig oog. Bij velen eene gedaanteverwisseling. De larven bezitten den Nau-plius-vorm ; eenige , zooals Daphnia, ondergaan geen metamorphose.

§ 304. Geslachten en soorten.

1. Kieuwpoot (Branchipus). — Vijverkieuwpoot f (B. stayim-lis. — Doorschijnende K. f (B. of Cluroceplialus diaphanus).

2. Bladpoot (Apiis). — Langstaartige B. f (A. produetus), 3 tot 5 centim. lang en oppervlakkig wel iets op ccn kleine Rog-krab gelijkende.

3. Moeraskieuwpoot (Limnadia). — Gewone L. (L. Hermann)), in waterplassen in Midden-Europa.

4. Watervloo (Daphnia). — Getakte W. f (]). pulex).

ocr page 280

2 GO

§ 305. Vijfde orde. Schelpdragenden (Ostracoda, ook Cy-pridina). Kleine, meestal slechts even met liet Idoote oog zichtbare diertjes, met een ovaal of boonvormig ongeleed lichaam, besloten in eene tweekleppige schaal, die op den rug des diers vast zit, en waarvan de kleppen naar en van elkander kunnen gebracht worden. Twee paren sprieten. Een bovenlip, twee bovenkaken met lange voelers en twee paar onderkaken, die soms van aanhangsels (kieuwen?) voorzien zijn. Twee of drie paren in klauwtjes eindigende kruip-

a. getakte sprieten. rif zwcnipootcn, die buiten do schelp uitsteken.

b. pootcn. x

Een of twee samengestelde oogen, soms met een enkelvoudig oog. Gedaanteverwisseling; de larven, althans van Cypris, bezitten den Nauplius-vorm. Sommigen leven in zee, andere in zoet water.

§ 306. Geslachten en soorten.

1. Schclpvloo (Cypris). — Gewone S. f (fusca), Gcteekende S. f (O. ornata).

307. Zesde orde. Riempootigen. (Copcpoda). Do tot deze

orde bchoorende dieren zijn van zeer verschillend maaksel, doch de maskers er van komen in hooge mate met elkander overeen. Die maskers bezitten den Naupliusvorm. De volkomene dieren bezitten, voor zoover zij tot de hoogere vormen behooren, een bepaald aantal lichaams-seg-menten en ledematen, maar de lagere wijken zoozeer van de hoogere en van den schaaldier-vorm in 't algemeen af, dat alleen hun ontwikkelingsgeschiedenis ze tot de schaaldieren doet rekenen. (§ 289).

De hoogere Copepoden, Vrijzwemmende Copepoden, Kaakmon-digen (Gnathostomata), waarvan geslacht 1 een voorbeeld is, hebben in don geheel ontwikkelden toestand een kopborststuk, dat

« ,

ocr page 281

2(gt;1

soms (b. v. bij Cyclops) eon vrij groot schild vormt. Aan den kop één oog en twee paar sprieten, waarvan dc voorste het grootst zijn; voorts 1 paar bovenkaken; 1 paar onderkaken en 2 paar kaakpooten. Aan liet voorachterlijf, dat 5 segmenten bezit, staan even zooveel paren rocipooten, die met borstels bezet zijn. Het mede uit 5 segmenten bestaande achterlijf eindigt in twee plaatjes met borstels aan dc uiteinden. — Bijtende, soms ook stekende monddeelcn.

Fiquot;- 20S Bij de lagere Copepoden, Parasiti

sche Copepoden, (C. parasitica) waartoe geslachten 2 tot 8 bchooren, en die parasitisch leven op dc kieuwen van grooterc schaaldieren of van vis-sehen, ja waarvan enkele zich in het lichaam van dezen laatsten inboren, kunnen al de genoemde deelen zoo weinig ontwikkeld of zoodanig in vorm gewijzigd zijn , dat men ze voor geene schaaldieren en zelfs voor gcenc gelede dieren zou aanzien, zoodat alleen dc overeenkomst der maskers hunne verwantschap met deze bewijst (§ 289). Ettelijke hebben geene oogen. — Stekende en zuigende monddeelcn.

Over het algemeen verschillen de wijfjes in vorm van de mannetjes, vooral bij dc lagere Copepoden. De eerste zijn ook steeds grooter.

Bijzondere ademhalingsorganen ontbreken.

§ 308. Geslachten en soorten.

1. Eenoog (Cyclops). — Gewone of vierhoornige Eenoog f (C. vulgaris of (juadricornis).

2. Krccftluis (Nicolhoe). — Kreeftluis f (ÏV. astaci).

:-5. Vischluis {Kryasilus). — Palingluis f {E. yiljhus).

4. Karperluis (Arijitlas). — Gewone K. f (A. foliaceus).

5. Botluis (Oaligus). — Hcilbotluis (O. hippoglossi).

(i, Steurluis (Dichelesttuiii). — Gewone S. (O. sturionis).

7. Baarsluis (Tracheliastes). — Gewone B. f (?'• polycolpus).

8. Kabeljauwluis (Lernaea). — Gewone K. (1 ■■ branchiahs).

ocr page 282

262

§ 309. Zevende orde. Raukpootigen (Oirrlpedia). Schaaldieren, die in hun geheel ontwikkelden toestand altijd vastzitten aan rotsen, steenen, palen, drijfhout, of aan schelpen of de huid van zeedieren. Zij zijn omsloten door kalkachtige, soms lederachtige , uit verschillende stukken bestaande schalen. Bij sommigen {Lepos of Anatifa) bevindt zich aan het kopeinde een vrij dikke en soms vrij lange steel, die buiten de schaal uitsteekt, en waarvan hot zuignapvormig uiteinde vastgekleefd zit aan het voorwerp , waaraan het dier zich bevindt. Het lichaam is onverdeeld •, aan het kopeinde bevindt zich de mond, waaraan eene bovenlip, een paar bovenkaken, en twee paar onderkaken, van welke het tweede paar tot eeue onderlip vergroeid is. Soms twee korte sprieten ,

schoon vaak nauwelijks merkbaar. G-cene oogen, met enkele uitzonderingen. Zes paar pooten, die naar achteren in grootte toenemen en ieder in twee of meer gelede, inct borstels bezette takken (ranken , cirrhi) gesplitst zijn. Bij sommigen aanhangsels o]) den rug, wa arsch ij nl ij k kieuwen.

Ook hier bestaan echter eenige zeer afwijkende vormen, die alleen omdat hare maskers en de ontwikkeling daarvan, benevens

eenige punten der bewerktuiging overeenkomen met die der hoo-gcre Raukpootigen {Anatifa, Balanus) tot deze moeten gebracht worden.

In deze orde ontmoeten wij het eerste voorbeeld van herma-phroditismc, dat is te zeggen, er bestaan geene eigenlijke mannetjes cn wijfjes, maar allo individuen brengen eieren voort. Dit is het geval met alle Raukpootigen, zeer enkele uitgezonderd. De mas-

ocr page 283

263

kers gelijken overigens zeer op die van do dieren der vorige orde en zwemmen mede vrij rond.

Fia- 210 § -ilO. Geslachten en soorten

1. Eendenmossel (Lepas of Anatifa) — Gladde E. f (Lepas anatifera of A. lacvis), leeft in warme luchtstreken, doch komt bij ons soms aan drijfhout of aan schepen voor.

2. Zcetulp , Zeepok, Zeepnist {Balanus). — Gegroefde Z. f (/gt;'. sidcatus) , zeer

algemeen aan palen, op schelpen, schilden van schaaldieren enz.

3. Kroonpok (Coron.ula). — Kroonpok (C. diadema).

Zeepok, mot uitgestoken en ingetrokken ranken.

§ 31L. Achtste orde. Raderdiertj es {Rotatoria). Ten aan-| zien van deze, vroeger tot de Infusiediertjes gerekende, diertjes, bestaat er verschil of zij tot de Wormen dan wel tot de Gelede dieren moeten gebracht worden, daar zij zoowel met de Wormen als met de Schaaldieren eenige punten van overeenkomst aanbieden. Wil men hun nu eene plaats tusschen deze beiden aanwijzen , dan schijnt het 't best ze te plaatsen aan het slot van de klasse der Schaaldieren. Aan het hoofd der Wormen voegen zij niet, omdat do hoogere wormen hooger bewerktuigd zijn dan de Raderdiertjes gt; terwijl zij , aan het einde der Wormen geplaatst, niet tusschen deze en de Schaaldieren zouden staan.

De Raderdiertjes zijn overigens kleine, nauwelijks met het bloote oog te onderscheiden, doorschijnende diertjes, bestaande uit een door eenc lichte insnoering van het overige lichaam gescheiden kop, een lijf of tronk en een voet of staart, min of meer geleed, waarop liet diertje bij het kruipen steunt. Pooten en oogen ontbreken. Aan het uiteinde van den kop bevindt zich een in- en uitstulpbare zoom, die bezet is met fijne trilharen, welke gestadig

Muf

Roti for.

ocr page 284

264

in beweging zijn, waardoor het water eene ronddraaiende beweging aanneemt, hetgeen den indruk maakt alsof de zoom zelf in ecne ronddraaiende beweging was. De mond is gelegen aan den buikrand der trilschijf en voert in een krop, waarin zich een in gestadige beweging ver-keerende hoornachtige kauwtoestel bevindt. Eenigen bezitten geen aarsopening. Sommigen hebben korte voelers in den nek. De voet of staart eindigt stomp , of in een spits of in een twee- of driedubbel vorksge-wijs uiteinde. Een of twee oogen. G-een rugvat, geene slagaderen noch afzonderlijke ademhalingsorganen. Zij leven van infusie-dieren of ccncclligc lagere planten, die door do beweging van liet water, veroorzaakt door de trilharen, naar don mond worden gevoerd. Bij enkelen ontbreekt de trilschijf en zijn

a. trilharen, i. trilhaar- cie trilharen alleen aan den mond aanwezig. kuoiii; c maag; d cloaca;

e aars; ƒ speekselklieren g De mannetjes zijn kleiner dan de wijfjes, eiernesten; h spieren. .. t . .

Deze laatste leggen tweeërlei eieren, zomer-

eieren en winter-eieren; de laatste worden zoo genoemd omdat zij den winter overblijven. Zij ondergaan geene gedaanteverwisseling.

De meeste Kaderdiertjes leven in zoet water, enkele in zee. Sommige {Rotifer) kunnen geheel indroegen zonder te sterven; bevochtigd wordende, herleven zij weer (vergel. § 287).

§ 312. Geslachten en soorten. (De twee eerste geslachten zijn vastzittend).

1. Bastaardpolyp (Lacinularia). — Gezellige B. f (L. sodalis). Deze dieren leven, in een gemeenschappelijk geleiachtig omhulsel besloten, gezellig bijecu.

2. Bloempolyp {Flo scalar ia). — Sierlijke B. (/''. ornata).

3. Raderdiertje {Rotifer). — Gewone E. f {R. vulgaris).

4. Diklijf {Ilydatina)). — Bultig D. f (//. scuta).

5. Schilddrager {Brachionas). — Bakers Schilddrager f /gt;'. Ila-keri.

ocr page 285

265

HOOFDSTUK VI.

W O 11 M E N.

§ 313. Wormen (Vernies) zijn bilateraal-symmetrische dieren, even als de gelede dieren, — mot een dikwijls rolvormig en zeer verlengd lichaam, en zonder eigenlijke gelede pooten. Het lichaam is echter ook zeer dikwijls kort, zelfs nagenoeg schijfvormig en plat, zoodat bij een zeer groot aantal wormen de eigenlijke wo rm-vorm niet bestaat.

§ 314. De huid is meestal week, doch niet altijd. Sommige wormen zijn besloten in kalkludsels, die echter niet met het lichaam samenhangen. Bij eenige wormen is het lichaam niet in ringen

verdeeld, bij andere wel, en dan in ver-schillenden graad, van f eenvoudige dwarse huidplooien af tot cene diepere segmentatie. — De kop is niet bij alle wormen duidelijk onderscheidbaar.

Dwarse doorsnede van een ringworm, a rugzijde , § 303. Het lichaam h buikzijde e voetstompje, ƒ borstels, g cirrlius; cfg (|el, w01.men jg geheel bovenste, da onderste voetstompjes.

omgeven van ecne spier-laag, bestaande uit in bepaalde richtingen loopende spiervezelen, welke spierlaag men den huid spier zak noemt. Bij cenigen ligt die zak van binnen tegen de huid aan, bij anderen nemen een aantal spiervezelen in de huid zelve aan de vorming van den huid-spierzak deel, zoodat de grenzen tusschen deze en de huid niet te bepalen zijn.

§ 315. Gelede pooten ontbreken altijd, doch velen bezitten ongelede, van borstels voorziene, soms dubbele voetstompjes (para-podia) , die eenvoudig uitstulpingen van den lichaamswand en hol zijn, en geen afzonderlijke spieren bezitten. Bij anderen worden deze vervangen door borstels, die mede tot voortbeweging dienen. Nog anderen bewegen zich in het water voort door middel van

ocr page 286

2Gö

ti-ilhaartjes. Andere uitsteeksels aan do voetstompjes heet men ranken (cirrhi).

§ 31G. Eenige wormen (Bandwormen) bezitten gclieel geen sj)ijs-vertcringskanaal. Bij de overigen bestaat ten aanzien van dit kanaal een verschil, waarop wij later bij de beschrijving der klassen zullen wijzen.

Do hoogere wormen bezitten een enkeivoudig rug- of hartvat en een stelsel van gesloten vaten , zoodat zij in dit opzicht meer tot de gewervelde dieren naderen dan de gelode dieren doen. Bij eenige lagere wormen daarentegen ontbreekt het bloedvaatstelsel geheel en de vordec-ling der voedende vochten door het lichaam geschiedt door de tussehenruimton der deelon, of bloot doordiende weefsels van liet dier daarmede doortrokken worden.

Eenige hoogere wormen (Borstelwormcn, Slurpwormon en de Bloedzuigers) bezitten aanhangsels, die de rol van kieuwen vervullen ; anderen hebben goene afzonderlijke ademhalingsorganen.

Bijna alle wormen bezitten een stelsel van kanalen, dat men vroeger ten onreclitc het water vaatstelsel noemde. Het bestaat uit twee zijdclingsche, vertakte kanalen, die zich aan het voor- of achtereinde des lichaams openen , of, wanneer het lichaam iu segmenten verdeeld is, uit twee meer of min gewondene kanalen in elk segment, die zich ter weerszijde naar buiten openen. Men bestempelt deze organen thans met den naam van s eg mentaalorganen. Du binnenwand dier kanalen bezit een tril-cpithe-lium, waardoor een buitenwaarts gerichte stroom ontstaan moet. Hun nut is nog niet uitgemaakt; zeker dienen zij tot liet uitscheiden van stoffen ('urine?) naar buiten.

§ 317. Bij een aantal wormen komt het zenuwstelsel in alge-meenen aanleg vrij wel met dat der gelede dieren overeen, bij anderen wijkt het daarvan meer af, — bij eenigen hoeft men tot dusver geen zenuwstelsel kunnen onderscheiden.

Ten aanzien van liet bezit van zintuigen bestaat de meest mogelijke verscheidenheid.

§ 318. Do wormen planten zich voort door eieren, andere door knopvorming aan de oppervlakte des lichaams, vaak ook door afscheiding van eenige segmenten daarvan, die dan afzonderlijke

ocr page 287

267

dieren worden, of door inwendige knopvorming. Velen zijn her-maphroditiseh. (§ 297).

§ 219. Wij verdoelen de afdeeling der Wormen in twee klassen, 1quot; die der Holwormen, en 2quot; die der Volwormen.

I. KLASSE.

Hol ie o r m e n.

§ 320. Holwormen (Coelclmia) zijn wormen, bij wie de door den huidspierzak omgevene lichaamsholte ecne doorloopende vrije ruimte is, waarin de overige organen (spijsverteringskanaal enz.) zich bevinden, die alleen door plooien van een vliesgt; dat de holte van binnen bekleedt (§ 19), aan de wanden dier holte zijn vastgehecht, en overigens omspoeld worden door een vloeistof, die met de lympha (§ 53) der hoogcre dieren vergelijkbaar is.

§ 321. De vorm des lichaams is meestal rolrond, en bij velen komen pootstompjes, borstels, of tot ademhaling dienende aanhangsels voor. Zelden treft men zuignapjes aan.

§ 322. De spiervezelen, die den huidspierzak samenstellen, vormen ecne spierlaag, die van binnen tegen de huid aanligt, zonder dat de huid zelve aan de vorming van dien spierzak deelneemt. Die spierlaag is dikwijls in een rug- en buikgedeelte gescheiden, doordien aan elke zijde v;in het dier ecne overlangs loopende verdikking der huid (zijstreep , zijdeveld) haar in tweeën deelt.

§ 323. i!ij verreweg do meeste soorten van Holwormen vindt men mannetjes en wijfjes.

§ 324. De Holwormen worden verdeeld in drie orden, die der 1 Borstelwormen, 2 Slurpwormen en 3 Rondwormen.

325. Eerste orde. B o r s t e 1 w o r in e n (Ghaetopoda). Het lichaam meestal langgerekt en rolrond, soms eirond, en verdeeld in een onbepaald aantal segmenten, — nu eens met 1 of 2 rijen enkele of dubbele (eenriemige of tweeriemige) voetstompjes aan weerszijde des lichaams , op welke stompjes intrekbare borstels of stekels geplaatst zijn, — dan eens alleen met borstels aan de lichaams-

ocr page 288

208

zijden. Do aan dcu koplob geplaatste bewegelijke aanhangsels (cirrhi) heeft men voel dra cl en, die aan liet mondsegment voelers genaamd. De mondopening ligt veelal aan de buikzijde,

Fig 215.

in den tweeden ring; de eerste ring, dus het voorste uiteinde des lichaams, heet do kop. De huid is weck, maar dikwijls in een 't zij weeken, 't zij lederachtigen, 't zij hoornaehtigen koker besloten, die door de huid wordt afgescheiden en soms kalk bevat, doch soms ook aaneengekleefde zandkorrels, kleine stukjes van schelpen enz.

Het voorste gedeelte van hot darmkanaal (de slokdarm) is in 't midden wijder dan elders, en vaak voorzien van hoornplaatjes, die als tanden dierst doen. Bij eenigen kan dit gedeelte uitgestulpt worden en vormt dan een slurp. Het darmkanaal loopt meestal recht door het lichaam heen. De kieuwen zijn huidverlengscls, waarin een slagadertje, dat zich tot een adertje ombuigt. Deze kieuwaanhangsels, die van zeer verschillenden vorm zijn, vindt men geplaatst óf aan 't voorste eind des lichaams (Kop-kicuwen), óf ter weerzijde van het lichaam aan den rug van allo of ettelijke segmenten (Rug-kieuwen). — Bij allen komen segmentaalorganen (§ 31G) voor. — Overigens geldt bepaaldelijk van de Chaetopoden alles wat boven over de hoogere wormen is gezegd. Velen bezitten oogen van zeer eenvoudig samenstel, geplaatst aan den kop, soms ook tevens aan het achterdeel des lichaams, of aan de zijden van elk segment, of aan do kieuwdraden van den kop. Het gevoel is zeer ontwikkeld; aangaande het gehoor en den reuk is men onzeker.

liet herstellingsvermogen is bij deze dieren zeer groot; afgesneden lichaamssegmenten groeien vaak weer aan. Do meesten planten zich door eieren voort, eenigen ook door verdceling, waarbij zich dan eene reeks der achterste segmenten afscheidt en het voorste

ocr page 289

200

daarvan tic kop wordt. Dit afgescheiden nieuwe dier plant zich dan voort door eieren; het voorste godoclte is daartoe soms al, soms pi,, gig niet in staat. Bij enkelen neemt men ook voortplanting door knopvorming, ja zelfs door verdeeling waar. Uit de eieren komt een larve, die zich beweegt door trilharen, die haar als één of twee gordels omgeven. Znlk eene larve bestaat nit een kopsegment met oogen, en een aarssegment, waar-tusschen zich later andere invoegen.

De meesten loven in zee nabij de kusten, do minsten in zoetwater of in de vochtige aarde. Zij voeden zich met dieren, enkelen met aarde en slijk, waarin organische stoffen bevat zijn. Sommigen zijn parasiten.

§ 326. Geslachten en soorten.

I. Veelborstoligen {Polychaeta). Voetstompjes, cirrhi enz. Kicuwaanhangscls. Zij zijn vrij levend (errantia; gesl. 1—-1) of vastzittend (seden-taria; gosl. 5—8).

1. Zeemuis, zoerups {Aphrodite). — Fluwoelen of gehoornde Z. f (A. aeuleata),

2. Zeeduizendpoot (Nereis). — Gewone Z. f (jV. ptlayica); Geblankette Z. f (N. f/icafaj, doodt de paalwormen.

3. Eunice (l'Jnnice). — Spriet-E. (K. antenna fa). Middell. Zee.

4. Zeepier (Arcnicola).— Gewone Z. f (Apis-catorvm).

5. Kokorworm (Amphitritc). — Zandkoker. Goudworm -j- (A. auricoma). Vastzittend.

ocr page 290

270

6. Terebella (Terehdla). — Gewone T f {T. conchileya) in een koker met sclielpstukjes. Vastzittend.

7. Sabella fSabclla). — Engelsche S. (S. of Hermella anylica). Aan de Engelsche knst. Pauw-Sabella (S. pavonia). Op de Fransche en En-gclsche kusten. Allen vastzittend.

8. Wormbuis {Serpida). — Gedraaide W. -j- (S. contortiiplicata)-, Wormvormige W. (S. vermicularis). Kusten van de Noordzee.

II. Weinigborsteligen (Ollyockaefa). Geen voetstompjes enz.; alleen borstels. Geen kieuwaanhangsels; huidademing.

9. Pier, Regenworm (Lumhricns). — Gewone P.; Aardworm (L. terres-tris)\ Wittte B t (Tj. albidus).

10. Waterslangetje (Xais). — Gewone W. f (N. serpentina); Snuit-slange-tje t (N. prohoseidea). Zoetwater.

11. Vinworm, Pijlworm (Sagittaj. — Gewone V. f (S. hipunctafa). Een langgestrekt lichaam, door zwakke insnoeringen, maar toch duidelijk, in kop, romp en staart verdeeld. Twee oogen achter aan

den kop. Zijdelings aan het lijf twee paar vinnen, aan 't einde van de staart eene staartvin; alle met zeer fijne stralen. Op de huid en voor den mond kleine stekeltjes. Een rechtuitloopend spijska-naal; slechts sporen van een vaatstelsel. Een hersenzenuwknoop en twee oogknoopen. De Sagitta's voeden zich met andere kleine dieren. — Dit geslacht wijkt zoozeer van de overige geslachten dezer

ocr page 291

271

orde af, dat in den nienweren tijd daarvan eene afzonderlijke orde, die der vinwormen (Pfcrliclminthes), gevormd is.

§ 327. Tweede orde. Slurp wormen (Gephyrca of Sipnncii-lace.a). — Meestal rolrond, zakvormig, zonder koplob; geen ver-deeling in segmenten. Vóór aan liet lichaam een soms uit- en in-stulpbaar deel, dat men den slurp heet, doch dat niet tut den mond behoort. De huid is vaak ruw door chitine-knobbeltjes of korte borsteltjes (l'Jchiura, IJoiicllin) of naakt fSlpimcnhisJ. De mond ligt voor aan bet lichaam aan do buikzijde en is omgeven door korte voelers, die de rol van kieuwen vervullen; bij eenigen vindt men kieuwaanhangsels aan het achterdeel. Bij een aantal bestaat eene voormaag of krop, soms voorzien van hoornplaatjes. Bij eenigen vindt men vaten, die in de lengte langs mg, buik en darm loopen en gevuld zijn met roodachtig geel of geel bloed (Echiurus, Boncllia), — bij anderen (Siptmculvs) een kanaalstelsel, herinnerend aan het watervaatstelsel der Holothuriën. De aars ligt óf aan 't achteruiteinde, óf op den rug. •— Een slokdarm-zenuwring en buikstreng; geene oogen, behalve misschien bij eenige soorten

van Sijjunculus. De Slurpwormen planten zich voor door eieren en ondergaan veelal eene gedaanteverwisseling, overeenkomende met die der Chaetopoden. Bij Sipunculus daarentegen komt de vormvei andering meer overeen met die der Stekelhuidigen, waarover later. — De Slurpwormen leven in zee, kruipende tusRchcn stecnen en in rotsspleten. § 328. Geslachten en soorten. I Eehiuriden (Echiuridae). Borstels aan 't voor-, soms aan het achtereinde. Een vaatstelsel. De aars aan 't achtereinde.

1. Echiurus {Echiurus).—E. van Pallas -j- (E. Pallasii).

2. Bonellia {Boncllia). — Groene B. (B. viridis). Middelland-sche Zee.

II. Slurppierachtigen (Sipiiiiculitldi1). Geen borstels, geen of wei-

ocr page 292

272

nig ontwikkeld bloedvaatstelsel; de mondopening aan het einde van den slurp; de aarsopening aan de rugzijde. 3. Slurppier (Siptinciibis). — Gewone S. (iS'. nudus). Middelland-selie Zee.

§ 329. Derde orde. Kond wormen (Ne.maloda). Een lang, koord- of draadvormig, niet in segmenten verdeeld, maar dikwijls

van eene fijn geringde opperhuid voorzien, glad lichaam, dat aan beide uiteinden spits toeloopt. Meestal aan elke zijde des lichaams twee overlangs loopende strepen. Geen voetstoinpjes of borstels. — De mond ligt aan het voor-, de aars aan het achtereinde •, de eerste is meestal voorzien van twee of vier doorgaans met kleine tepeltjes bezette lipjes. Aan het vóór en achtereinde vindt men soms aanhangsels, die als voelers moeten worden beschouwd. Het darmkanaal (slokdarm, chylusdarm, endeldarm) loopt recht uit van den mond naar den aars. Geen afzonderlijke adem-halings- noch bloedomloops-organen, maar wel een uitscheidings-kanaalstelsel, dat in eene opening aan de buikzijde niet ver van de mondopening uitmondt. — De meeste Eondwormen leven parasitisch in andere dieren en hebben geen oogen; die welke geen parasiten zijn, bezitten die meestal. — De Eondwormen planten zich voort door hardschalige eieren, die langen tijd aan allerlei chemische en physische invloeden, o. a. aan eene vrij hooge temperatuur, weerstand kunnen bieden. Bij eenigen (b.v. Trichina en eenige Fila-riënJ komen de in dat geval dunschalige eieren uit in het lichaam der moeder. De uit de eieren gekomen jongen gelijken vrij wel op de ouden, ofschoon het maaksel van het mond- en staartoinde verschilt. Meestal komen de eieren en de jonge dieren niet tot volkomen ontwikkeling in het dier, waarin zij zijn nedergelegd, maar in een ander, waarin zij worden opgenomen.

§ 330. Geslachten en soorten.

I. Met eene aarsopening (Proctucha).

1. Aaltje (Anguillula, Rhdbditis). — Azijn-aaltje f (A. ace.ti of Leptodera oxophilaj; Tarwe-aaltje -|- A. of Uhabditis tri Hel); beide niet parasitisch. — Sommige Rhabditen, die

ocr page 293

273

men in vocli.igc aarde vindt, zijn de jeugdige vormen van andere Nematoden.

2. Spoelworm {Ascaris). — Gewone S. f (A. himhricoides); de gewone witte of rozenroode, lu'j menschen voel voorkomende ingewandsworm.

3. Aarsmade (Oxyurus) — Gewone A. f (O. vermicularis)) vooral voor kinderen vaak zeer lastig.

4. Draadworm (Filaria). — Guineesche D. {F. medinensis); ontwikkelt zieli onder de opperhuid der beenen en voeten, wordt soms meer dan 1 meter lang, en veroorzaakt hardnekkige zwoeren •, Oogdraadsworm {F. ocull), in hot oog, vooral bij negers; Blocddraadworm (F. haematica), ontdekt in het bloed van honden.

5. liorstelstaartworm, Platkopworm (TrichoccplialusJ. — Gewone B. f (T. dispar) ; in den dikken daim van den mensch en eenigo apen; T. affïnis, bij herkauwende dieren.

G. Haarworm {Trichina). — Spirale II. t spiralis), in het vleeseh van varkens. Daaruit in de maag van eenig dier of van den mensch gekomen, worden zij van een hen omgevend omhulsel bevrijd, en vermenigvuldigen zij zich. Kot wijfje brengt een groot aantal lovende jongen (tot 1000) voort. Deze boren den darmwand door en geraken eindelijkin de spieren, rollen zich daar spiraalsgewijs op en worden niet een kalkachtig omhulsel (kyste) omgeven. In groot getal aanwezig, kunnen zij eeno gevaarlijke ziekte en den dood veroorzaken. — Oorspronkelijk schijnt de trichine te huis te behooren in de ingewanden van ratten en veldmuizen, waarmede ze door de varkens worden

VIocRch mot opengemaakte kys- verslonden,

ten, in elke waarvan een haar- n _____ /co 7 \ r* 1 -r%

worm. i - bolworm (btrongylus). — Gr00te R.

f (S. gigas), in de nieren van varkens. Wordt soms 1 meter lang.

8. Dochmius (Doehmins). —D. van den twaalfvingerigen darm

18

ocr page 294

274

(I), duodenalis), vooral in Egypte en Abyssiniö bij men-sehen veelvuldig.

II. Zonder aarsopening {Aprocta).

0. Koordworm (Gordius). - Gewone of dunne K. f (G. sela). Niet parasitisch. De larven brengen haar leven door in het lichaam van in het water levende insekten-larven.

10. Snaarworm (Mermis). — Zwartachtige en witte S. f (M-niyrcsccns en albicans). Niet parasitisch. De larven boren zich in de larven van vlinders en kevers in, en komen tegen den tijd der geslachtsrijpheid in vaak zoo groot aantal te voorschijn, dat dit aanleiding heeft gegeven tot het sprookje van worm-regens.

§ 331. De soorten van het geslacht Peripatus (van welke wij allleen 1'. juUformis van de Antillen noemen), gelijken uiterlijk op Duizendpooten, de genoemde soort o. a zeer op den Millioen-poot (Julus), maar zijn in hun samenstel deels aan de Chaetopo-den, deels aan de Bloedzuigers verwant. Aan den kop ziet men twee vrij lange voeldraden of sprieten en aan de voetstompjes dubbele klauwtjes. Wegens het eigenaardige van hare bewerktuiging maakt men er ecne afzonderlijke orde van, die der Klauwdragers (Onychophora).

Tot de orde der Binnenkieuwigen (Enterobranehi) brengt men het in dc golf van Napels levend geslacht JSalanofjlo.ssus (B-mïnu-tus en li. claviger), dat, bij een lang, wormvormig met fijne tril-haartjes bezet lichaam, zich onderscheidt 1°. door een zoogenaam-den slurp, aan de basis omgeven door een verdikten ring, in welke slurp zich twee openingen bevinden, waardoor het water in de holte van den slurp in- en uittreedt, en 2°. door een samenge-stelden intvendigeu ademhalingstoestel (kieuwkorf), tot welke het water toegang heeft door twee rijen kieuwgaten in de huid.

Het geslacht Stekelsnuit (Echinorhynchus) vormt de orde der Doornkoppigen (Acanlltoccphali). Dc uit de eitjes van deze dieren gekomene jongen geraken in den darm van kleine schaaldieren (Gammarus, Ascllus), doorboren deri wand daarvan, en verblijven dan in de lichaamsholte van die dieren, zonder zich daar volledig te ontwikkelen, welk laatste dan eerst geschiedt, wanneer het schaaldier door eenig ander dier verslonden wordt. Het dier

ocr page 295

275

«

krijgt dan oenc langgestrekte gedaante, heeft geen mond, darm, noch aars, maar eeu soort van slurp, waaraan zich haakjes bevinden, door middel van welke het zich aan het slijmvlies der darmen vasthecht. De meest bekende soort is de Reuzen-stekel-snuit yiyas), die vooral bij het varken wordt aangetroffen, maar ook bij den pekari, den hyaena, bij watervogels en bij visschen is gevonden.

Nog vermelden wij de orde der Buiktrilwormen (Gastrotrichae) , kleine, oppervlakkig beschouwd wel wat op Kader- of Infusiediertjes gelijkende diertjes, meestal door eene insnoering in een kopen achterlijfsgedeelte gescheiden, en bij eenigen met eeu gevorkt staartaanhangsel. Langs den buik loopt eene strook trilhaartjes, terwijl het overige lichaam met stijvere haren is bezet. De mond bevindt zich vooraan aan de buikzijde, de aars aan het achtereind. De dieren van deze orde leven in zoet water, zeer enkele in de zee.

Over de orde der Vinwormen (Pterhelminthes) werd aan het slot van § 32(5 reeds gesproken.

II KLASSE

V o l w o r m e n.

§ 332. Volwormen (Plerelmia) zijn wormen, bij wie de door den huidspierzak omgeven lichaamsholte is verdeeld in vele kleine, onregelmatig verspreide vakjes, die deels door bindweefsel, deels door spiervezelen gevormd worden, in welke vakjes zich de organen, van een eigen bindweefsel-omkleedsel omgeven, verspreiden.

§ 333. Het lichaam dezer dieren is meestal plat en naar evenredigheid der breedte niet zóó verlengd als dat der Holwormen. Enkelen echter, zooals de Snoerworm en verwante soorten, woi'-den zeer lang; eenigen, zooals de Bloedzuiger, en de Zuigwormen, zijn rolrond. — Zelden vindt men lichaamsaanhangsels, maar bij velen zuignapjes (hothria).

§ 334. De spiervezelen van den huidspierzak zijn voor een aan-

ocr page 296

27t)

merkelijk gedeelte met het weefsel der huid als 't ware dooreen-geweven, wat bij de Holwormen niet het geval is. (§ .322) Zijde-velden zijn niet aanwezig.

§ 335. Verreweg do meeste Volwormcn zijn licrmaphroditisch.

§ 330. Wij verdcélen de Volwonnen in drie orden, die der Tril-wormen, der Zuignap wormen en der Lint- of Bandwormen.

§ 337. Eerste orde. Tril worm en (Turhellaria). Een plat, meestal langwerpig ovaal, soms bladvormig lichaam, ofschoon enkele soorten (fjincus b. v.) eene groote lengte kunnen bereiken. Dat lichaam is ongeringd en geheel mot trilharen bezet. Een duidelijk afgescheiden kop is niet voorhanden. Geene zuignapjes. Aan de buikzijde een mond5 een boomsgewijs vertakt (1 lauariu7 Dcn-drocoelum) of onvertakt spijskanaal, waai-van bij de zooeven genoemde geslachten het voorste gedeelte als een slurp uitgestulpt kan worden. Bij anderen bestaat wel een uitstulpbaar slurpvormig deel, dat bij sommigen (Tetrasfcmma) zelfs een spitse priem bevat , doch dit deel heeft geene betrekking op den mond. Bij velen eene aarsopening aan het achtereind des lichaams {'1 etrastcmina, hftcvosfoiuuvi, Tjineus), bij anderen niet. —Bloedvaten komen bij eenigen (Teirastemma, Linens), bij de moesten niet voor. Er zijn twee door een dwarsstreng met elkander verbonden zenuwknoopen in het voorste gedeelte des lichaams, waarbij soms nog twee komen , die met de andere een slokdarmring vormen. Sommigen hebben oogen, anderen niet, — eenigen ook gehoorblaasjes. - Eenige (Planctrid, Dcndvocoelum) zijn hermaphroditisch, de meeste echter niet. Do uit de eieren gekomen jongen der Zoetwater-Turbellarien en van sommige in zee levende ondergaan geene gedaanteverwisseling; bij anderen heeft er eene plaats op do wijze der Stekel-huidigen. — Alle Turbellarien leven vrij in zoet of zout water, waarin zij zich voortbewegen door trillende bewegingen, welke afhankelijk zijn van de werking dor in § 3-22 vermelde rug-buikspieren.

§ 338. Geslachten en soorten.

I. Holslurpigen, (Rhynchoeoela, Neme.rlma). Een holle, niet met het spijskanaal in verband staande slurp, vaak gewapend met

ocr page 297

277

een priem (gesl. 1). De darm van uitstulpingen voorzien; meestal ccne aarsopening.

1. Vieroog (Tc/rasfemma).—Bonte V. f (T. varicolor).

2. Snocrworm (Tjineus). — Kngclsclie S. (/-. longissimus, lior-lasia AngUae). Aan de rotsachtige kusten van Frankrijk en Engeland; wordt soms vcrsclieidene meters lang.

3. Voormond (1'rostomum). — Smalle V. f (P. lineare).

II. Staafdarmigen, lihdbclocoela. Geen vrije slurp; de darm een Fiir. 223. eenvoudige zak •, eene aarsopening (gesl. 4) of geene (gesl. 5 en 8).

4. Kleinmond (Microstomum). — Smalle K. f (M. liiie-are). — Bij deze soort, en trouwens bij meer tril-wormen, bevat de huid kleine staaf- of priemvor-migc kalklichaampjes, die bundelsgewijs bij elkander liggen.

5. Grootmond (Macrostomum). — Stekelige G. f (N. hystrix). In veenwater.

6. Draaier {Vortex). — Groene D. f (V. viridis). In sloten en vijvers.

III. Boomdarmigen (Dcndrocoda.) Het darmkanaal boomachtig vertakt. Een ware slurp, iiiiinelijk hot uit- en instulpbare voorste deel van den slokdarm. Ecu langwerpig eirond, plat, vaak bladachtig lichaam.

7. Zeeplatworm {Planaria). — Bruine Z. f {P. torva.)

8. Zoetwaterplatworm {Uc.ndrocoe.lum). — Melkwitte Z. f {ü. lacteum).

§ 839. Tweede orde. Zuignap wormen. {Cohjlidca). Een verlengd, bijna rolrond, vóór en achter dun uitloopend lichaam, waarvan de huid ringvormig geplooid is (Bloedzuigers), — of het lichaam plat, blad- of lancctvormig en geheel ongeringd (Zuigwor-inen). Geene trilharen; do moesten zonder lichaamaanhangsel. Zuignapjes, bij eenigen (Bloedzuigers) aan 't achtereinde, soms tevens aan 't vóóreinde, bij de overigen één, twee, drie of meer op onderscheidene plaatsen. Bij de Bloedzuigers ligt do mond aan de vóórbuikzijde in de zuignap, zoo er daar een is; bij do overigen ligt hij tusschen do twee voorste zuignappen, of in een

ocr page 298

278

zuignap meer naar 't midden van den buik enz. Darmkanaal boomsgewijs vertakt, of wol reclit eu onvertakt (Bloedzuigers). Bij

de Bloedzuigers bloedvaten, bij de anderen niet; bij allen echter verkeerdelijk zoogenaamde watervaten, die naar buiten openen en Fig 225 ^ uitscheiding dienen. (§ 31(5) Afzonderlijke ademhalingsorganen ontbreken. Het zenuwstelsel komt in 't wezen der zaak met dat der vorige orde overeen. De meeste Bloedzuigers hebben twee of meer oogen langs den vóórrand van den voorsten zuignap, — bij de overigen ontbreken zij meestal, behalve in zeer

ieuerdijren toestand. — Meest allen ziin hermaphrodi-DisloviaJieim- J b j , i , , •

ticum. ten en eierleggers; velen, waaronder de bloedzuigers,

ontwikkelen zich rechtstreeks; bij anderen bestaat metamorphose en teeltwisseling. Eenigen leven vrij (cenige Bloedzuigers), — andere zitten steeds gehecht aan de lichaamsdeelen (kieuwen, mantel) van visschen, schaaldieren en weekdieren; ecnige leven binnen in het lichaam van andere dieren. Allen zijn echter parasiten, want ook de overige vrij levenden hechten zich tijdelijk aan andere dieren, om zich met het bloed van deze te voeden. § 340. Geslachten en soorten.

I. Bloedzuigers. (Ilirudinea). Een zuignap aan hot achtereinde, veelal ook een aan het vooreinde. Huid mot korte ringplooien. Mond aan hot vooreinde der buikvlakte. Een aarsopening boven den achtersten zuignap.

1. Bloedzuiger (Hlrudo). — Geneeskrachtige B. (II. medlci-nalis) uit zuidelijk Europa afkomstig en van daar aangevoerd , doch in ons vaderland in enkele plassen gepoot. Paardenbloedzuiger f (II. vorax); Zwarte f B. (II. of Aulastoma lt;julo).

2. Zeebloedzuiger, Zeeëgel (Pontohdella). — wrattige Z. f (F. muricata). Leeft van 't bloed van visschen.

ocr page 299

3. Visch-egel (Piscicola). — G-ewone V. (P. yeomelra). In zoet water.

4. Clepsine (Clcpsinc). — Tweeoogige C f [O. hioculala). In zoet water.

Zuigwormen (Tremaloda). Een ongeringd, plat lichaam met een of moer zuiguapjes op verschillende plaatsen. Een vertakt darmkanaal, zonder aars. — De ontwikkeling van vele Trematodcn, bepaaldelijk van Distoma, Tristoma, I'olystoma en Monostoma, heeft op de volgende wijze plaats. De meestal in het water gelegde eitjes brengen kiemen voort, die met trilharen bezet zijn en zich in het water voortbewegen. Door een dier, 1). v. een slak, ingeslikt, ontstaat uit de kiem een zakje (Iladia), waarbinnen zich cellen vormen, die zich tot gestaarte diertjes (Cercaria) ontwikkelen. De cercarien komen weder in het water, en daarna al wederom in een slak, of visch of ander dier, verliezen daarin hun staart en hullen zich in een vliezig omkleedsel (cyste) in. Wordt nu het dier, waarin zij zich bevinden, door een ander dier verslonden, dan komen zij in het darmkanaal van dat derde dier, alwaar het omhulsel verloren gaat, waarna het dier door den darmwand enz. heenboort en eindelijk in de lever, de blaas, de oogholte enz. aankomt.

1. Krabworm (Udonella). — Wijtingworm f (U. pollachii). De Udonellen leven op kleine schaaldieren, die parasitisch leven op zeevisschen, b. v. op de botluis (Caligus der visschen § 596), en zijn dus parasiten van parasiten.

2. Driemond {Tristoma). — Driemond van de Heilbot f (T. of Epihdella hippoglossi).

3. Veelmond (I'olystoma). — Kikvorsch-veelmond f (P. inte-r/c.rrimnm). In de blaas van kikvorschen.

4. Dubbeldier (Diplozoon). — Gekruist D. f (D. paradoxum). Van dit op de kieuwen van zoetwatervisschen levend dier, aan den Veelmond na verwant, vindt men vaak twee individuen in 't midden aaneengegroeid, zoodat een dubbel, kruisvormig dierquot; ontstaat.

5. Tweemond {Distoma). — Leverbot f (D. hepaiicum). In de galwegen van dieren, vooral van het schaap, maar ook soms bij den mensch. Reuzenbot (D. goliath) , 6—8 cen-tim. lang. In de lever van walvisschen.

ocr page 300

280

(5. Eénmond {Monostoma). —Veranderlijke E. f (M. mala bile). lu de buikholte, de darmen, do neusholte enz. van verscheidene water- en mocrasvogels. — Lens-eenmond f (M. Ie ut is). In de kristallens bij den mensch.

§ 341. Derde orde. Band- of Lintwormen (CestoideaJ. Meestal lang, en van gedaante handvormig, met een dun uitloopend uiteinde , terwij) het lichaam van daar tot aan het andere uiteinde

langzamerhand breeder wordt. Het voorste gedeelte van het (lunne uiteinde heet de kop. Eigenlijk is een Band- of Lintworm een samengesteld dier, 't geen uit eene achter elkander gelegen reeks van dieren bestaat, die men gewoonlijk leden noemt. Het voorste

Fijr, 227.

Kop van een Lintworm, vergroot.

lid, de zoogenaamde kop, dat in vorm en samenstel van de overige loden verschilt, heet men scolex ■, de

«f

daarop volgende loden, die in structuur allen aan elkander gelijk zijn, noemt menproglottiden. ■— Op deze samenstelling maken enkele bandwormen, over wie wij echter niet spreken zullen, in enkele opzichten —| eone uitzondering.

f—\ Mondopening, spijsverteringsorganen, bloedvaten

en werktuigen voor de ademhaling ontbreken. Deze wormen voeden zich door het opnemen van vocht, waarin voedende zelfstandigheden bevat zijn, in do goheele lichaamszelfstandighoid. Uitscheidende vaten zijn echter voorhanden, evenals bij de Zuiguapwormen (§ 320) Van een ze-

ocr page 301

281

nuwstelsel bespeurt men niets. Evenwel heeft een op een proglottis aangebrachte prikkel samentrekking van deze ten gevolge, en bovendien plant zich die prikkel van proglottis tot proglottis voort, gelijk blijkt uit hunne samentrekkingen. Deze ontstaan in de onder do huid gelegen spierlaag.

Aan den scolex of kop ziet men twee of vier zuignapjes, en haakjes, die 't zij in een krans aan het vóóreinde van den scolex staan, 't zij aan de zuignappen zeiven. De scolex kan geene eieren voortbrengen, maar brengt door verdeeling van zijn dunner achtereinde (hals) proglottiden voort. Elke proglottis daarentegen is voorzien van een eierzak, die bij den gewonen Lintworm een kanaal midden in de proglottis is, dat zijdelingsche vertakkingen bezit, waarin zich de eieren vormen.

De Bandwormen leven parasitisch binnen andere dieren. De wijze waarop zij daar binnen geraken, hangt ten nauwste met hunne ontwikkelingsgeschiedenis samen, en wij zullen van deze laatste een denkbeeld geven, door kortelijk de ontwikkeling van den Lintworm te beschrijven.

Stellen wij ons een geheel ontwikkelden, in het darmkanaal van een mensch of dier huizenden lintworm voor (fig. 22G). Hoe verder bij dezen do proglottiden of leden van den scolex of kop verwijderd zijn, des te ouder en des te grooter zijn zij. Wanneer de oudste proglottiden rijp, dat is volgroeid en met eieren gevuld zijn, dan raken zij los en worden met de drekstoffen ontlast. Natuurlijk gaan vele van die proglottiden en eieren nu te loor; doch eenige komen met hot voedsel (gras b. v.) in do maag van andere dieren. In die maag wordt de proglottis en het omhulsel der eitjes door het maagvocht opgelost, en de nu vrij geworden kiem, die van boorwerktuigen voorzien is, doorboort met deze den wand des darms, komt in een bloedvat, en wordt met het bloed naar het een of ander lichaamsdeel gevoerd, zeer dikwijls naar de lever, maar ook wel in de spieren, het hart enz. Daar wordt het nu weldra omgeven door een vlies , dat, meer en meer groeiende, een met vocht gevuld blaasje wordt. Op de eene of andere plaats van den wand van dat blaasje ontwikkelt zich de toekomstige scolex, die nu ook voortgroeit, en wel binnenwaarts. Later echter stulpt zich de blaas om, en nu zit de scolex, reeds voorzien van zuignapjes en haakjes, met eene soort van hals aan de buitenzijde der blaas. In dezen toestand noemt men het dier

ocr page 302

280

G. Eéumond {Mouosloma). — Veranderlijke E. f (Af. mafa hik). In de buikholte, do darmen, do neusholte enz. van verscheidene water- on inoerasvogols. — Lens-oenmond f {M. Icntis). lu do kristallens hij den monsch.

§ 341. Dorde orde. Band- of Lintwormen (Ccsloidc.aJ. Meestal hing, cn van gedaante handvormig, met oen dun uitloopond uiteinde , torwij) het lichaam van daar tot aan hot andore uiteinde

Fig;. 226.

Kop van een Ijiutworra, vergroot.

langzamerhand breeder wordt, liet voorste gedeelte van hot dunne uiteinde heet do kop. Eigenlijk is oen Band- of Lintworm een samengesteld dier, 't geeu uit oene achter elkander gelegen reeks van dieren bestaat, die men gewoonlijk leden noemt, liet voorste Fi„ 227. I'd, de zoogenaamde kop, dat in vorm en samenstel van de overige loden verschilt, heet men scolex; de daarop volgende leden, die in structuur allen aan elkander gelijk zijn, noemt menprogloltidcu. — Op deze samenstelling maken enkele bandwormen, over wie wij echter niet sproken zullen, in enkele opzichten oene uitzondering.

Mondopening, spijsverteringsorganen, bloedvaten en werktuigen voor do ademhaling ontbreken. Deze wormen voeden zich door het opnemen van vocht, waarin voedende zelfstandigheden bevat zijn, in de gohoele lichaamszelfstandighoid. Uitscheidende vaten zijn echter voorhanden, evenals bij do Zuignapwormen (g 32G) Van een ze-

ocr page 303

281

nuwstelsel bespeurt men niets. Evenwel lieeft een op een proglottis aangebrachte prikkel samentrekking van deze ten gevolge, en bovendien plant zich die prikkel van proglottis tot proglottis voort, gelijk blijkt uit hunne samentrekkingen. Deze ontstaan in de onder de huid gelegen spierlaag.

Aan don seolex of kop ziet men twee of vier zuignapjes, en haakjes, die 't zij in een krans aan hot vooreinde van den seolex staan, 't zij aan de zuignappen zelven. De seolex kan geene eieren voortbrengen, maar brengt door verdeeling van zijn dunner achtereinde (hals) proglottiden voort. Elke proglottis daarentegen is voorzien van een eierzak, die bij den gewonen Lintworm een kanaal midden in de proglottis is, dat zijdelingsche vertakkingen bezit, waarin zich de eieren vormen.

Dc Bandwormen leven parasitisch binnen andere dieren. De wijze waarop zij daar binnen geraken, hangt ten nauwste met hunne ontwikkelingsgeschiedenis samen, en wij zullen van deze laatste een denkbeeld geven, door kortelijk de ontwikkeling van den Lintworm te beschrijven.

Stellen wij ons een geheel ontwikkelden, in het darmkanaal van een mensch of dier huizenden lintworm voor (tig. 22G). Hoe verder bij dezen do proglottiden of leden van den seolex of kop verwijderd zijn, des te ouder en des te grooter zijn zij. Wanneer dc oudste proglottiden rijp, dat is volgroeid en met eieren gevuld zijn, dan raken zij los en worden met de drekstoffen ontlast. Natuurlijk gaan vele van die proglottiden en eieren nu te loor doch eenige komen met bet voedsel (gras b. v.) in de maag van andere dieren. In die maag wordt de proglottis en hot omhulsel der eitjes door hot maagvocht opgelost, en de nu vrij geworden kiem, die van boorwerktuigen voorzien is, doorboort met deze den wand des darms, komt in een bloedvat, en wordt met het bloed naar het een of ander lichaamsdeel gevoerd, zeer dikwijls naar de lever, maar ook wel in de spieren, het hart enz. Daar wordt het nu weldra omgeven door een vlies , dat, meer en meer groeiende, een met vocht gevuld blaasje wordt. Op de eene of andere plaats van den wand van dat blaasje ontwikkelt zich de toekomstige seolex, die nu ook voortgroeit, en wel binnenwaarts. Later echter stulpt zich dc blaas om, en nu zit de seolex, reeds voorzien van zuignapjes en haakjes, met eene soort van hals aan de buitenzijde der blaas. In dezen toestand noemt men het dier

ocr page 304

282

Blaasworm {Cysticercus, fig. 228). Nu kunnen, wanneer de blaas langzamerhand eerst ingekrompen en eindelijk verdwenen is, zich prog-lottiden vormen door verdceling van den hals van den scolex. Bij vele soorten gebeurt dit echter alleen dan, wanneer het lichaamsdeel (lever, bindweefsel van het spiervleesch enz.) waarin zich de Fig. 228. blaasworm ophoudt, door een ander

dier, ook door den menseh, tot voedsel is gebruikt. Op die wijze in het darmkanaal van dat dier of dien menseh aangeland, hecht de scolex zich aan het slijmvlies daarvan met zijne haakjes vast, en nu ontwikkelen zich door gestadige verdeeling van den altij d voortgroeienden hals voortdurend proglottiden, zoolang de scolex leeft. En alzoo ontstaat dan een lintworm. Het is nu gemakkelijk te begrijpen, waarom do het dichtst bij den kop of scolex gelegen proglottiden of leden de kleinste zijn, en daarentegen des te grooter, naarmate zij verder van den scolex zijn verwijderd; dc laaiste toch zijn de oudste, de eerste de jongste. Dat nu de loslatende, eieren voortbrengende proglottiden, uit het lichaam geraakt, en in een ander lichaam gekomen, wederom tot liet ontstaan van eene scolex of voedster-dier in dat laatste aanleiding kunnen geven, behoeft nauwelijks aangemerkt te worden.

Het kan echter ook geschieden dat rijpe proglottiden in de maag der menschen komen, en daar verteerd worden, waarna de eieren zich in dc darmen, evenals bij het varken, tot kiemen ontwikkelen, door den darmwand in het bloed komen en zoo in de lever, de spieren, ja in het oog geraken, en zich daar tot cysticercen ontwikkelen, wat natuurlijk bedenkelijk wezen zal.

§ 342. Geslachten en soorten.

1. Kettingworm, Breede Lintworm, Groefkopworm (Bolhrioce-phalus). — Gewone K. f (B. lal us). Bij den menseh, meer echter in oostelijk Europa en Zwitserland, dan in westelijk Europa en bij ons.

2. Lintworm {Taenia.) — Gewone L. f {T. solium). De jeugdige toestand is de Blaasworm van het bindweefsel {Cysticercus cellulosae), die vooral in de spieren van varkens voorkomt.

(

i^ift -

tlilf

Cysticercus. (Voedsterdier van den lintworm), a Vergroote kop.

ocr page 305

283

Deze soort van lintworm wordt tot 3 meters lang. — Bij ons is echter menigvuldiger de T. mediocanellata, waarvan de blaasworm in de spieren van runderen leeft, en die eene lengte van 4 meters en meer bereikt. — Voorts heeft men nog een aantal soorten, b. v. den Dikhalzigen ij. f {T. cras-sicollis) bij de kat; do blaasworm daarvan komt in muizen voor; — den llondenlintworm f (T. KnhinococcusJ, wiens blaasworm (Echinococcus velerinornm), in menschen, runderen en varkens leeft; — een andere Hondenlintworm c'/'. coenurus), wiens blaasworm, de Draaiworm (Coenurus cerehralis), in de hersenen van schapen voorkomt, enz.

HOOFDSTUK VH.

weekuieben.

§ 34:3. Weekdieren (Animalia mollasca, Mulacozoa) zijn dieren die mecrendeels, gedeeltelijk evenwel niet, bilateraal symmetrisch zijn en wier lichaam, evenals dat der Wormen, bevat is in een hnidspierzak, welke echter niet in geregelde afdeelingen of segmenten is verdeeld, en die veelal een verlengsel vormt, dat zich om het lichaam omslaat cn dit geheel of gedeeltelijk omhult. Dit verlengsel, hetgeen ook bij de Kankpootigen en Ostracoden onder de Schaaldieren wordt aangetroffen, noemt men den mantel. In zeer vele gevallen is deze mantel weer omgeven dooréén of twee, zelden meer, kalkachtige of hoornachtige schelpen, waarvan de stof door den mantel afgescheiden wordt. Daar, waar geen uitwendige schelp bestaat, vindt men veelal onder de huid een schelpachtig deel of sporen daarvan.

§ 344. Do huid en de mantel zijn veelal week. De laatste omgeeft het lichaam in eenige gevallen geheel, en in die gevallen zijn er twee openingen opengelaten, eene voor de opneming van voedsel en water, de andere tot wederafvoer van de in het lichaam opgenomen stoffen. In andere gevallen overdekt de mantel slechts een gedeelte, soms maar een klein gedeelte, van hot lichaam.

ocr page 306

284

§ 345. Nu eens is do mantel verdikt en verhard (Huidzakdie-rcn, Mosdieren), dan eens, gelijk reeds is gezegd, niet eene schelp bekleed. Men verdeelt de schelpen in eénkleppige (horens), tweekleppige (eigenlijke schelpen of doubletten), en veelkleppige schelpen, al naarmate zij uit één, twee of meer stukken bestaan. Vele van schelpen voorziene weekdieren bezitten die reeds in het ei, andere daarentegen niet. Do stof, waaruit do schelp bestaat en waardoor zij groeit, wordt afgescheiden door den vrijen buitenrand van don mantel; de groei dor schelpen hangt af van dien des mantels, wiens vrije rand steeds ligt tegen den rand van den mond der oonkloppigo schelpen en dicht aan don rand der kleppen bij de tweekleppigon. De schelpen bestaan bij de moesten uit twee lagen, waarvan de binnenste, die de dikste is, eene witte kleur en dikwijls- een parolmoerglans bezit, terwijl de buitenlaag verschillend gekleurd en gotoekend is. Eigenlijk bestaat or nog, meer bepaald bij de horens, eene buitenste chitinolaag, het drap mar in der franschon; doch deze verdwijnt dikwijls door afschuring on is bij do schelpen en horens, die in de vorzamolingen worden aangetroffen, zelden aanwezig. — Daar do groei der schelpen van tijd tot tijd stilstaat, zoo ziet men op vele horens on schelpen grooistrepen, die de grenzen aanduiden dor oudere en nieuwere aangroeiingen. De windingen dor horens hangen daarvan af, dat het dier zelf in gewonden vorm groeit. Is de mantelrand voorzien van bochten en verdikkingen (welke ook soms tijdelijk kunnen voorkomen) dan geven deze aanleiding tot de vorming van ribbon, golvingen , punten en stekels op de schelpen. — De parolmoerglans van do inwendige laag van volo schelpen is een optisch verschijnsel, dat voortgebracht wordt door mikroskopisch fijne streepjes of barstjes van de zelfstandigheid dier laag. 1

§ 346. Niet alle weekdieren bezitten een kop; zij, bij wie de mantel het gansche lichaam bekleedt, hebben er geen; pooten of

1

Men maakt parelmoer na door b. v. koperen voorwerpen, zooals knoopeu, van zulke streepjes te voorzien, liet quasi fraiiscli perle cVamour is eene verbastering van ons parelmoer, liet hoogdnitschc Perlmutter. De oorsprong van dit woord, dat ook in liet middeleenwsch latiju fjpcrla materJ voorkomt, is daaraan toe te schrijven, dat men het parelmoer als de moederstof, de matrix, der paarlen beschouwde. lu het fransch heet parelmoor nacre.

ocr page 307

285

voetstompjes vindt men bij geen enkel. Hetgeen men bij de week-Fiff 229 dieren den voet noemt, is eene spier

achtige verdikking en verlenging der huid en van den spierzak, die soms zoolvormig is, of kielvormig, of kegel-, of wormvormig, of zich vertoont als twee vinnen.— Velen bezitten in de nabijheid der mondopening twee, vier of meer voelers of voelarmen, — anderen twee spiraalsgewijs opgerolde armen. (Arm-pootigen).

§ 347. Het spijsverteringskanaal bezit een mond en een aars, welke laatste echter niet altijd aan hot achterste uiteinde des lichaams gelogen is, maar meestal meer naar voren, waarvan dan eene lisvormige ombuiging van het darmkanaal het gevolg is. Bij hoogere weekdieren volgt op de, vaak van hoornkaken voorziene, mondholte eene keelholte, waarin zich eene tong bevindt, die bekleed is met een hard, mot tandjes bezet vlies, wrijfplaat (radnla) genaamd. Speekselklieren en lever zijn veelal sterk ontwikkeld.

§ 348. Bij de hoogere weekdieren vindt men, juist omgekeerd als bij de visschen, een slagaderlijk hart met één of twee voorkamers ; waardoor het uit de ademhalingsorganen teruggekeerde kleurlooze, geel- of blauwachtige slagaderlijk bloed door slagaderen naar de lichaams-deelen gestuwd wordt. De aderlijke bloedsomloop geschiedt deels door aderen; deels door lacunen (225). Bij de laagste weekdieren (de Mosdieren) bestaan geheel geenc organen voor bloedsomloop. Doch tusschen deze beide uitersten vindt men allerlei overgangen. — De Weekdieren kunnen door uitwendige openingen water in hun bloedvaatstel opnemen, waardoor zij opzwellen en harder worden; dit water kunnen zij weer door samentrekking des lichaams uitdrijven.

Do ademhalingsorganen zijn bij de hoogere weekdieren meestal

ocr page 308

286

kieuwen, die binnen den mantel liggen; zeldzamer, en dan meest bij op bet drooge levende weekdieren, longen, d. z. eene door den mantel omge-vene, van een netwerk van vaten voorziene bolte. Sommigen bezitten beide, kieuwen en eene long. De lagere weekdieren ademen door de huid.

§ 349. Het centraal-zenuwstelsel bestaat uit twee, dikwijls tot één versmolten bovenslokdarm-knoopen, twee onderslokdarm- of voetknoopen, die door verbindingsstrengen

Fig. 232.

S

ocr page 309

287

met de eerste samenhangen; en twee kieuw-, mantel- of ingewands-knoopen. Soms zijn er meer knoopen; soms ook imndcv, zelfs maar één enkele. Bovendien treft men, bij de lioogere weekdieren althans, nog een voedingszenuwstelsel aan (§ 227), dat door strengen met de bovenslokdarm-knoopen gemeenschap heeft.

§ 350. De Weekdieren planten zich voort door eieren, vele lagere tevens door knopvorming en door tceltwisseling of wisselgeboorte (§ 98).

§ 351. De meeste weekdiei-en leven in zee, verscheidene echter in zoetwater of op het land.

§ 352. Wij verdoelen deze afdeeling in vijf klassen, — die der Kopdragende Weekdieren, der Plaatkieuwige Weekdieren of Schelpdieren , der Huidzakdieren, der Armpootigen, en der Mosdieren.

I. KLASSE.

Kopdragende Weekdieren.

§ 353. Kopdragende Weekdieren {Cephalophora) zijn weekdieren met een van het overige lichaam duidelijk onderscheiden kop, die van voelers of vangarmen om den mond en meestal van twee oogen voorzien is. Eene tong met eene wrijfplaat eu een hart met één, twee of meer voorkamers. Velen zijn besloten in eene écn-kleppige schelp of horen.

§ 354. Men verdeelt deze klasse in 3 orden, te weten 1 die der Koppootigen, 2 der Buikpootigen, en 3 der Vleugelpootigen.

§ 355. Eerste orde. K o p p o o t i g e weekdieren {Cephalopoda). Kopdragende weekdieren met rondom den mond geplaatste, zeer beweegbare vangarmen, wier naar elkander toegekeerde zijden bezet zijn met een aantal gestoelde of ongesteelde zuignapjes, door welke het dier zich aan andere voorwerpen kan vasthechten. Meestal zijn deze 8 in getal. Bij sommigen zijn bovendien nog twee langere, doorgaans slechts aan het breedere uiteinde van napjes voorziene armen (grijparmen); deze beide armen zijn lager geplaatst en kunnen worden teruggetrokken. Bij eenigen zijn de armen slechts door een kort vlies aan de basis, om den mond.

ocr page 310

288

verbonden; bij andoren, b. v. CirrhotJieutis, reikt dit vlies verder Fin- 233 cn v01'm* alzoo eene soort van trechter

rondom de mondopening. ïwce krjmme, hoornachtige kaken, te samen gelijkende op een papogaaisnavel; eene harde cn ruwe tong met eene weeke spits. Gehoor-zakjes in het later te vermelden kopkraak-bcen, Twee groote zijdclingsche oogen. Achter elk oog eene kleine opening, voerende in een kanaal, denkelijk een reukorgaan. Het lichaam is tot aan den hals bedekt door den mantel, die langs den rug met den huidspierzak des lichaams samenhangt, maar aan de buikzijde een zak vormt, binnen welken de bladerige en geplooide kieuwen liggen, en die zich vóór aan den buik verlengt in den zoo-genaamden trechter. Door eene spleet in den mantel komt het water in de kieuwholte; door den trechter wordt het, na met de kieuwen in aanraking te zijn geweest, weder ontlast. Bij eenigen {Sepia, Lollgo, Spirula enz.) is de mantel zijwaarts vinvormig verbreed. Overigens is het lichaam of langwerpig, lang gerekt , of eirond, of rond en breed. Bij of in de lever bevindt zich een zakje (de inkt-zak), gevuld met eene bruinzwarte vloeistof (waarvan de bekende verfstof, sepia, afkomstig is), welke door eene halfbolvormige klier aan don achterwand van dat zakje of blaas wordt afgescheiden. Dat zakje opent zich almede in don trechter, en de uitgespoten inkt schijnt het dier als verwerings-middel te dienen.

In de even onder de oppervlakte gelegene laag der glibberige opperhuid liggen samentrekbare, met roode, violette, blauwe en gele kleurstof gevulde cellen (pigment-cellen), die men chroma-top horen noemt. Door de beurtelingscbe samentrekking en uitzetting dier cellen ontstaat een kleurenspel in de huid, eenig-zins vergelijkbaar met dat in de huid van den Chamaeleon.

ocr page 311

289

Binnen in het lichaam vindt men een kraakbeenig skelet, dat Fig. 235. echter bij de verschillende

geslachten in zeer onderscheiden mate ontwikkeld is. In den meest volledigen vorm bestaat het uit een den slok-darm-zenuwring omgevenden ring of kopkraakbeen , kraak-beenige oogkassen, een rug-kraakbeen , een nekkraak-been en vinkraakbeenderen.

Eenigen (Argonauta, Spirilla en Nautilus) bezitten een uitwendige schelp. Bij Nautilus is die door tussehenschot-ten in ruimten of in kamers

Adenihalingswerktuigen bij eon AcJilvoct, c verdeeld, in de voorste waargedeelte van den kop; h kieuw in de linker-, . , , ^ . - .

geopende, kieuwholte; o opening of spleet van zlcll net dier bevindt,

van do reclUor-kieuwUolto; l trechter onder t „11 * „„„1 „ i, , •

don hals. 1quot; elk tusschenschot is een

gat, waardoor heen een kalkachtige buis (s/pho) van do eerste naar de laatste kamer gaat. In die buis zit een vliezige buis, waarmede het dier aan de schelp bevestigd zit.

Ook koppootigen, welke niet in eene schelp besloten zijn, bezitten toch eene soort van schelp, doch inwendig in den rug, eene rugplaat (gladius). Het zoogenaamde zeeschuim, dat men aan onzen stranden vindt, is zulk een rugplaat van den gewonen inkt-visch.

Wat vorder van do bloodsomloopsorganon en van het zenuwstelsel der hoogere weekdieren gezegd is, is in volle mate op de Koppootigen toepasselijk.

Mannetjes en wijfjes zijn bij vele geslachten op het uiterlijke aanzien te onderscheiden; bij Argonauta is dat onderscheid wel het grootst. Bij het mannetje van Argonauta niet alleen, maar ook bij eenige anderen is een der armen (Hectocotylus-arm) dikker en langer dan de overige en loopt uit in een langen draad. Deze scheidt zich van het lichaam van liet mannetje af, beweegt zich zelfstandig in het water en wordt eindelijk binnen de mantelholte van het wijfje opgenomen. Bij het mannetje van Nautilus zijn drie der

19

ocr page 312

290

vele armen gcliccl, cn ccn vierde gedeeltelijk, met elkander vergroeid tot een knodsvormig orgaan (spadix).

De Koppootigen ondergaan geene metamorphose. Hun groei schijnt onbeperkt. Sommigen kunnen eene aanzienlijke grootte bereiken, zoodat de vangarmen ettelijke meters lang zijn. Dergelijke reusachtige inktvisschen hebben aanleiding gegeven tot allerlei verhalen van zeemonsters en gedrochten.

De Koppootigen leven allen in de zee, en voeden zich met andere dieren. — De langwerpig gevormde ïienpootigen bewegen zich bij het zwemmen steeds achterwaarts, daar de voortbeweging. behalve door de vangarmen, geschiedt door het met kracht uitspuiten door de trechteropening van het in de mantelholte opgenomen water. Do kortere cn rondere Achtarmigen houden zich meer op den bodem op, cn kruipen daar rond op hunne vangarmen, dus met den kop benedenwaarts.

§ 3üG. Geslachten cn soorten.

I. Tweckicuwigen (Dihrancldata). Aan elke zijde in de kieuwholtc één kieuw.

A. Tienarmigen (Dccajioda).

1. Inktvisch (Sepia). — Gewone Inktvisch, Zeekat f (S. officinalis).

2. Spiraalhoorn (Sj/irula). — Posthoorn (S. Pcronii); Indische oceaan.

3. Pijl-iuktvisch (Loligo). Twee driehoekige vinnen aan het achterlijf. — Gewone 1'. f (L. vulgaris).

4. Kleine Inktvisch ((Scpiola), — Sepiola van Rondelet f (S. Rondclctii). Met vinnen.

5. Oogroller (Ommastrcphes). — Reusachtige O. (O. yiyan-tcus). Kust van Chili, Atlant. oceaan. Rolrond met groote vinnen.

G. Nagcl-inktvisch (Onychothcutis). Met kromme, hoornachtige kaken aan dc vangarmen in plaats van zuignappen; groote vinnen. — Gewapende N. (O. armata) Zuidzee; Javaansche N. (O. angulaia).

B. Achtarmigen (Ocfopoda)

7. Achtvoct, Poelpe (Oefopus). — Gewone A. (O. vulgaris), de Polypus of Veelvoet der ouden; Middellandsche zee. Muskus-achtvoet (O. vnoschatus oi lïlcdonc moschata), riekt sterk naar muskus; Middellandsche zee. Cirrlmsdragende

ocr page 313

291

. (O. of Cirrhotheutis Muller!) , kusten van Groenland. Bij deze

laatste soort zijn de acht armen over hunne g e h e e1e lengte door een vlies tot een trechtervormig scherm verbonden , en de zuignappen zijn voorzien van lange voeldraden of cirrhi.

8. Papiernautilus, Argonaut {Argonaut a). — Papier-nautilus, Doek-huif (A. argo), Mid-dellandsche zcc. Eene in de Moluksche zee levende soort is A. tu-hcrcnlata. Het wijfje van Argonauta is besloten in eene witte, dunne, zijdelings platgedrukte , geribde schelp, en bezit aan twee der vangarmen een zeer verbreede cindplaat. Die beide eindplaten zijn in den regel om het vooreind der schelp heengeslagen, en niet los zwevende , zooals Argonauta meestal (ook in fig. 236) wordt afge

Fiff. 237.

beeld. Terwijl bij de overige schelpdragende weekdieren de schelp het product van den mantel is, is zij dit bij A. van de genoemde eindplaten. Het mannetje, dat veel kleiner is dan het wijfje, heeft geen schelp, geen verbreede eindplaten, maar een hcctocotylus-arm.

ocr page 314

2!)2

II. Vicrkicuwigen (Tctrahranchlala). Aan clko zijde in de kicuw-holto twee kieuwen.

9. Nautilus (Nautilus). — Parelmoer N. (JV. pompilius). Dit dier onderscheidt zich door een groot aantal voelers, dc gekamerde schelp, geen inktzak, vier kieuwen enz. Tropische zeeën.

§ 357. Tweede orde. Buikpootigen {Gasteropoda). Kopdra-gendc weekdieren met eene voet- of buikschijf, die meestal en-

kelvoudig en zool-vormig is, maar bij eenige soorten in een voorste kielvor-mig en een achterste staartvormig gedeelte is verdeeld, (fig. 247), die besloten zijn in eene éénkleppige schelp of horen, in conige

gevallen (naakte buikpootigen) zonder in het oogloopende of zichtbare schelp, — die dan evenwel toch bestaat, maar zeer klein en achter op het lijf geplaatst is, of ook binnen den mantel ligt,— in nog andere gevallen (gesl. 30, 40, 41 en 49) is erin 't geheel geene schelp, behalve bij do larven (§ 33G). Aan den voet is veelal een hoorn- of kalkachtig schijfje {deksel, operculum), dat, wanneer het dier zich geheel in den horen terugtrekt, dc opening daarvan sluit.

De mantel vertoont zich meestal als eene soort van kraag of muts op den rug. In de gedaante der schelpen bestaat veel verscheidenheid. Meestal is de horen of schelp spiraalsgewijs gewonden, en wel doorgaans van links naar rechts. De windingen nu kunnen gelegen zijn in écn onkel vlak, zooals bij de schijf horenslak, of spiraalsgewijs om eene as, zooals b. v. bij den gewonen kinkhoren cn de poelslak. Bij de zoodanigen onderscheidt men de, bij het levend dier achterwaarts hollende, spits {apex), waarvan af de windingen beginnen; de laatste winding eindigt in den rand van de opening of mond (apertura). Binnen in den horen vindt

ocr page 315

mon do zuil of spil {columdla), die van do spits bogiut en in den binnenrand van den mond (spilrand) eindigt. Bij een groot aantal is, envenals bij den kinkhoren en de poelslak, elke winding zichtbaar; de grenslijnen der windingen heeten naden {su-tdrae). Bij eenige daarentegen is alleen de grootste, d. i. de jongste winding, (§ 333) in haar geheel zichtbaar, de andere»

! 7

co ao

tv

oudere, slechts gedeeltelijk; dit is b. v. bij den Kegelhoorn (Conns) het geval. Eindelijk vindt men ook horens, bij welke de grootste winding de andere windingen zoo overdekt, dat van deze laatste uitwendig niets te bespeuren is, b. v. bij de Porseleinhorens of zoogenaamde Katjes (Cypraea). Er zijn ook enkele horens, wier windingen elkander niet raken (Vermetus). — Andere eenkleppige schelpen zijn niet gewonden, en dan schaalvormig (Schotelhoren of Falella), of mutsvormig (Kielhoren of Canaria), of buisvormig (Stoottand of IDentcdium) enz. Een overgang tot de niet gewonden schelpen maken degenen,

ocr page 316

294

bij welke op een gedeelte der schelp cenige windingen als ware liet slechts aangeduid zijn, b. v. de Zecöor (Haliotis) en de kleine schelpjes der aardslakken (Limax, Testa-cella). Eenige horens zijn aan de punt open, zooals de overigens op een schotelhoren gelijkende Spleetschotelhoren (Fissurella) en de Stoottand. — Overigen zijn vele horens met golvingen, groeven en uitsteeksels bedekt, over wier oorsprong reeds in § 345 gesproken is.

De holte der schelp is gewoonlijk geheel aangevuld door het dier, dat aan de spil der

Spijsverteringsorganen van Acolis. a mond en kaken; h slokdarm ; c maag; d aanhangsels die de lever vertegenwoordigen; e endeldarm.

laatste , d. i. der grootste winding bevestigd is door eene spier, do spilspier (musculus cn-lume.Uaris), die aan de rugzijde van den voet ontspringt.

De voor aan de buikzijde geplaatste mond geeft toegang tot eene mondholte of eigenlijk een slokdarmhoofd, waarin een paar chitinekaken en daarachter eene tong inct een wrijfplaat (§ 384). De tandjes daarvan wrijven met behulp van een eigen spiertoe-stel tegen de hoornachtige kaken, en zijn daardoor geschikt om voedsel af te bijten en te verkleinen. De wrijfplaat en de tandjes daarvan verschillen bij de onderscheiden geslachten der Gasteropoden. In het midden van de lengte-afmeting der plaat bevindt zich eene middenplaatrij van tandjes, en aan weerszijde daarvan eene tusschenplaat-rij en eene zij plaat-rij. De mond kan bij velen uitgestulpt worden en zoo een slurp vormen , die bij eenigen {Mitra, Dolium, Co-nas, Cassis) zeer lang, bij anderen (HcUxt


ocr page 317

295

Limax) zeer kort is. Voor aan de slurp bevindt zich eene opening, die dc eigenlijke, ware mond is, welke in de mondholte voert. Do uitwendige of onware mond, eene spleetvormige opening, is soms voorzien van voeleraclitige aanhangsels. Twee speekselklieren. — Do slokdarm voert in een wijde maag; de daaruit weder ontspringende darm, die, behalve aan het einde (endeldarm), overal even wijd is, buigt zich, dikwijls na verscheiden kronkelingen te hebben gemaakt, lisvormig naar voren, om zich te openen niet ver van het vooreinde des diers bij dc ademholte, doorgaans aan de rechterzijde, bij eenigen meer achterwaarts op den rug. Het darmkanaal loopt door de meestal zeer ontwikkelde lever heen.

Het aderlijk bloed stroomt in lacunen, doch komt bij de mees-tcn door eenigc korte aderen naar dc ademhalingsorganen, en van deze door vaten naar het hart, dat uit een voorkamer en eene kamer bestaat, waarvan dc eerste het slagaderlijk geworden bloed ontvangt, do laatste dit door een veelal gesloten slagaderenstclsel naar alle dcclen voortstuwt.

Naast of vóór het hart ligt een orgaan , dat dc beteekenis van eene nier heeft; het bezit eene holte, die zich of rechtstreeks óf door tusschcnkomst van de ademhalingsholte, of van eene buis naar buiten opent. Die opening dient ook, nevens eene andere in den voet, om van buiten af water in het bloed te brengen.

Do moeste Buikpootige weekdieren ademen door kieuwen. Bij dc meesten zijn de kieuwen — die in den regel uit kamvormige plaatjes bestaan, — gelegen binnen ccne holte van den mantel, en wel rechts, in welke holte het water intreedt door een kanaal, dat eene plooi is van den rand van een aanhangsel des mantels, en siplw genoemd wordt. Aan dezen sipho beantwoordt een kanaal of eene insnijding aan den rand der schelpopening. Er zijn er, die aan weerszijde kieuwen bezitten; in dat geval is het hart dubbel en vormt een ring om don endeldarm. — Bij eenigc lage Buikpootigen zijn dc kieuwen uitwendige, aan de rug of aan dc zijden geplaatste, eenvoudige of vertakte Imidaanhangsels (Aeolis, Glaucus, Trüonia, Tethys, Doris enz). — Eenigc Buikpootigen ademen niet door eigenlijke kieuwen, maar door zoogenaamde longen, namelijk den inwendigen zeer vaatrijken wand der ademholte zelve. Ampullar ia heeft cu kieuwen cn longen. Enkele eindelijk ademen door dc huid.

Na hot in liet algemeen over het zenuwstelsel derhoogere Week-

ocr page 318

296

dieren aangevoerde voegen wij hier alleen bij , dat bijna alle Buik-pootigen oogen bezitten, die dikwijls geplaatst zijn aan het uiteinde van al of niet intrekbare stelen (ommalophora), of ook wel aan de basis der voelers; enkele twee paar; die voelers zijn zeer bewegelijk en kunnen vaak worden ingetrokken. Sommigen, o. a. Turho bezitten bovendien nog andere kop aanhangsels, die, evenals de voelers, tast-organen zijn; eenige naakte soorten hebben dergelijke aanhangsels ook op den rug of aan de zijden des liehaams. Ook bezitten de meestcn gehoororganen fgehoorblaasjes).

In den regel zijn de Pulmonata en Opisthobranchia (zie .§ 358) hermaphroditisch, do Prosobranchia en Heteropoda niet. Eenige soorten, (Paludina vivipara, Claus Ilia ventricosa, een paar Helix-soorten, in § 358 niet opgenoemd, en sommige soorten van Pupa en Janthina brengen levende jongen voort; de overige echter leggen eieren. De eieren van Buccinum, veelvuldig aan onze stranden in geheele klompen voorkomende, zijn bekend. De pasgeboren jongen der Pulmonata hebben reeds genoegzaam den vorm der ouden, maar die der overige G-asteropoden zijn larven, die nog al in gedaante verschillen en in wier beschrijving wij ons hier niet kunnen inlaten. Een dier larven is in fig. 231 afgebeeld. Allen komen hierin overeen, dat zij omstreeks het vooreinde des liehaams een schijf of scherm (velum) bezitten, dat met trilharen bezet is en bij het zwemmen dient; dit scherm verdwijnt nadat de voet zich heeft ontwikkeld.

De Buikpootige Weekdieren leven 't zij op hot land, 't zij in zoet water of in de zee, maar het aantal der in zee levenden is verreweg het grootst. De meesten die op 't land loven, zijn plan-tenetende, de zeebewoners dierlijk voedsel gebruikende dieren.— Do kieuwen liggen óf voor óf achter het hart. Daarop grondt zich eene verdeeling van deze dieren, die wij zullen volgen.

§ 358. Geslachten en soorten.

1. Een platte, zooiachtige, tot kruipen geschikte voet (Flatypoda).

A. Vóórkieuwigen (Prosobranchia). Kieuwen, gelegen voor het hart; eene schelp, meestal mot een deksel. Niet hermaphroditisch. De jongen zijn larven inet een scherm.

1. Schotelhorenslak (Patdia). — Schaalhoren, Schotelhoren, Tepelhoedje f (P. Vulgata).

2. Spleetschotelhoornslak (Fissurclla). — Gewone S. (F. yracca). Middellandsche Zee.

ocr page 319

297

3. Zecoorslak (Ualiofis). — Greknobbclde /. (If. tuherca-lata). Middcllandsclie Zuc. Parelmoer Z. (//. his) Chi-ncesche en Japansche Zeeën.

4. Tolhorenslak {Troahus). — Zonnelioren {T. salaris)-, Per-specticfhoren (T. pcrspcctivus). ]?oide in de Indische Zee. Grauwe T. f (T. cinerarias).

5. Maanhorenslak ( Turho). — Groudtnond (1. chri/sostovius), Moluksehe Zee.

G. Nerietslak (Ncrita). — Rivier-neriet f (iVT. fluuialilis).

7. Vlengelhoornslak (Slrombus),— Groote V. of Kroonhorcn (S. yiyas). West-Indische Zee.

8. Vat- of Tonhorenslak {UoUumJ. — Vathoren {D. galea), MiddellandsChe Zee.

9. Kaskethoren (Cassis). — Roode K. — (O. rufa). Indische Zee.

10. Torcnhorenslak (Cerühium). — Gewone T. (C. vulya-lum). Middellandschc Zee

11. Porseleinhorenslak (Ci/praea), Katje. — Getijgerde P. (C. tiyris). Moluksehe Zee. Kaaphoren (C. mappa). Indische Zee. Kauri {C. rnonela). Indische Zee.

12. Eihorenslak (Ovula) — Witte E. (O. oviformis). Indische Zee.

13. Kegelhoornslak, Toot (Conus).—Onedele K. (C. i(jnoli lis) Middellandschc Zee. Admiraal-toot (C. amiralis); Oranje-admii aal-toot (C. aurantiacas); Goudlaken-toot (C. textilis) Roem-der-zee-toot (C. gloria maris). Allen uit do Moluksehe Zee.

14. Stekelhorenslak (Mnrcx). — Getakte S. fM. hrandaris en Iran cuius). In do Middellandschc Zee. Uit deze slak werd oudtijds het purper bereid. Geschubde S. f (M. erinaceus).

15. Spilhoornslak (Fas as). — Noordhoren f (F. antiquus).

16. Kinkhoren, AVulk (Duccinum). — Gewone Wulk f (II. andalum), Engelsche W. f (Ij. aaylicanum).

17. Myterslak (Mitra). — Bisschopsinyter (M. cpiscopalis). Moluksehe Zee.

18. Olijf horenslak (Oliva). — Olijf horen; Dadelhoren (O. maura). Moluksehe Zee.

19. Plooihorenslak (Voluta). — Gekroonde tepclbak (V.

ocr page 320

298

aethiojpica), Varkenssnuit of Vlcdorimiis (F. vesperlilio). Boidc in clc Moluksclie Zcc.

20. Wontoltrapslak (Scalaria). — Gewone W. f ('5- cüa-thrus). Eclite W. (S. pretiosa). Moluksche Zee.

21. Kwalbootslak {Janthina). — Gewone K. (■/• frayilis). Middell. Zee. Met eeu uit sclmimblaasjes bestaand drijf-toestcl.

22. Torentjosslak (Turntella). — Gewone T. f (T- communis).

Fiff. 2M.

West-Afrikaansche zee.

23. Buishoren, Wonnboren {Vermctas). — Horenslangetje (V. lamhricalis).

24. Tepelhoren, Eierdojer (Natica). — Gewone T. f (N. rnolinifera).

25. Alikruik (Litorina). — Gewone A. f (L. litorea).

2G. Moorasborenslak (Paludina). — Gewone M. f (P. vivipara). 27. Koiidmondhoi'cnslak (Cy dos lorna). — Geruite li. f (C. eleyans).

Chiton. B. Longademcrs (Fulmonata). Adembaling

door longen, llermapbroditen. Geen metamorphose.

Poelslak (Limnaea). — Poelslak-, Jlodderslak f {Ij. slayualis). Schijfborenslak {Planorhis). — Gewone S. f (P. corneas)-, Gekielde S. f (P. carinatvs); Platte S. f i1'- complanatus). Blaashorenslak {Physa). — Bron-blaashorenslak f {F^- f011' tinalis).

Boomhorenslak {Helix). — Wijngaardslak f {H. pomatia). Waarschijnlijk van elders ingevoerd. Segryn-slak f (//. ad-

28.

29.

30.

31.

ocr page 321

290

spersa); Boom- of heesterslak f {II. arhastorum); Tuinslak f {11. nemoralis).

32. Sluitslak {Clausilia). — Javaansche S. (C*. javanica); in-landschc sluitslakken (C. perversa, parvula, nigricans, cnz.) — Op do spil der voorlaatste winding een steeltje met een kalkschijfje, dat de opening der schelp sluit, wanneer het dier zich daarin terugtrekt.

33. Plathorenslak {Zonites). — Kelderslak f {Z. cellar ia); Kristallijn-slakje f (Z. crystallina).

34. Glashorenslak (Vitrina). —• Glasslak \ {V. pellucida).

35. Schelp-aard-slak {Tesfacella). — Gewone S. (T. haliotidea).

36. Aardslak {Limax). — Gewone A. f {L. rtifus).

37. Strandslak {OnchidiumJ. — S. van Péren (O. Peronii). Java. Achterkieuwigen (Opistohranchia). Ademhalingsorganen (kieuwen) achter het hart. Hermaphroditen. De jongen zijn larven met een kopscherm. Enkelen ademen door de huid, b. v. gcsl. 41.

Fis. 246. 38. Torslak {Chiton). — Schaal, eenigszins gelijkende op die van den Schotelhoren, maar bestaande uit 8 achter elkander gelegene stukken, die met elkander beweeglijk verbonden zijn, zoodat liet dier zich met de schelp buigen kan. Inlandsche T.; Zeepissebed f (Ch. marginatus, cinereus, laevis en laevigatas).

39. Zeehaas {Aplysia) — Kaalmakende Z. {A. dep Hans). Middellandsche Zee. Z. van Eum-phius fA. of Dolahella liampliii). Moluksche Zee.

40. Obliehorenslak (Italia). — Stompe en geknotte O. f {li. ohtusa en truncata).

41. Doris {Doris). — Wrattige en gesterde D. (I). tuherculaja en stcllala); Koode D. (D. argo). Middellandsche Zee.

Ancula. 42. Ancula {Ancula). — Gekamde A. (A. cris

ta ta). Noordzee.

43. Tritonia {Tritonia). — Gekroonde ï. f (T- coronala); Getakte T. f {T. of Dendronolas arborescens).

44. Aeolis (Aeolis). — Gedoomde Aeolis f (Ae. papillosa).

45. Wormslak {Phyllirrhoë). — Amboinsche W. {l'h. amhoineri-

ocr page 322

300

sis). Deze slak, evenals de geslacliten Pontolimax, llhodope enz. ademt door de huid.

II. Verscliilpootigeu (llcteropoda). De voet iu een voorste, kielvor-

mig, en een achterste, staartvormig gedeelte gescheiden. Niet hermaphroditisch. De jongen als bij de vorige afdeeling. Tot zwemmen en drijven op den rug, niet tot kruipen ingericht. 4G. Kielslak (Carinaria). — Gewone K. (G. cymhium). Middel-landsche Zee.

§ 350. Derde orde. Vleugel- of Vinpoo-tigen {Pteropoda). Kleine, kopdragende zeo-weekdieren, met een half doorschijnend, geleiachtig lichaam, dat of naakt (OlioJ of iu eene zeer dunne, brooze, doorschijnende schelp is ingesloten {llyalea, Oleodora, Limaeina). Onder den kop of aan weerszijde daarvan twee weeke vleu-gelvormige aanhangsels (v o e t; zie § 34G) die tot zwemmen dienen. Waaiervormige kieuwen of gcene ademhalingsorganen. Eén tot drie paren voelers aan den mond, soms gcene. Hun inwendig samenstel komt in hot algemeen met dat der Buikpootigen vrij wel overeen. Niet allen hebben een mantel, noch ook oogen. Zij loven iu

Fi-, 248.

«SI ii

ocr page 323

3(11

diepe zee, voeden zieli met kleine schaaldieren, en dienen op hunne beurt aan de wallen, vissclien en zeevogels tot spijs.

§ 360. Greslaehten cn soorten.

1. Walvischaas {Clio). — Noordsch walvisehaas {Cl. horcalis); Zuidzee-walvisohaas {Cl. cuistralisj.

2. Kristalslak {Hyalea). — Drietandige kristalslak {II. tridem-tcita). Middellandsche Zee en Atlantische Zee.

3. Cleodora (Cltodora). — Lansvormige C. {C. lanceolata). Tropische zeeën.

4. Limacina {Limacina). — Noordsche L. {T*. arctica). Noordelijke IJszee.

Aanmerking. Als overgang tussohen de Kopdragcndo en Kop-looze weekdieren moet worden aangemerkt de Stoottand-slak {Den-talium), waarvan men ook cene afzonderlijke klasse, die der Stoottanden of Meshefthoorns {Solenoconchae, Dentalida) gemaakt heeft. Den eersten naam hebben zij verkregen wegens hunne overeenkomst in gedaante met de stoottanden van den elefant, — den tweeden, omdat de schelp wol wat gelijkt op de tweekleppige schelp van de Mesheften (§ 358), wel to verstaan wanneer men zich de beide kleppen met de randen aan elkander vastgegroeid voorstelt. — Overigens is do kop slechts rudimentair; bijna geheel

bestaande uit ecne mondholte met tong cn wrijfplaat. Er zijn 4 paren voelers en een uitsteekbare, rolronde voet, die tot graven geschikt is. Geen bloedvaatstelsel, noch afzonderlijke ademhalingsorganen , noch oogen. Langs onze stranden vindt men dikwijls de schelp van Daitalium entah.

ocr page 324

302

II KLASSE.

Plaaikieuioige weekdieren.

§ 3G1. Plaatkicuwigo weekdieren (Lamclllbrancldata of Conchi-fc.ra) zijn weekdieren zonder kop, wier mantel twee O]) den rug vcreenigde platen vormt, die het lichaam aan beide zijden bedekken, en welke platen wederom bedekt worden door eene tweekleppige schelp, dat is, eene schelp, die uit twee zijdelingsche helften of kleppen bestaat, welke op den rug door een slotverbonden zijn.

Denkt men zich eene geheel met een mantel overdekte slak zonder kop, tong en wrijfplaten zijdelings samengedrukt, zoodat nu de mantel uit twee zijdelingsche lappen bestaat, die op den rug samenhangen, en denkt men zich nu dat dier besloten binnen twee schelpen, eene rechtsche en een linksche, die door eene soort van scharnier mede op den rug met elkander verbonden zijn, dan heeft men ongeveer een denkbeeld van een plaat-kieuwig weekdier, b. v. van een mossel. Eene andere vergelijking is die met een boek, welks bladen geheel aan elkander geplakt zijn. Die bladen, dus het eigenlijke bock, zijn hot dier zelf; dc rug van den band is dc slotrand; de twee buitenste van binnen op de borden geplakte schutbladen (die men zich hier echter onder den bandrug samenhangende moet denken) zijn de beide helften van den mantel; de twee volgende schutbladen kan men aannemen als de kieuwplaten (§ 36G) voorstellende. Het boek moet daarbij staan met den rug naar boven.

De rug bevindt zich dus bij de plaatkieuwige weekdieren ter plaatse, waar de beide schelpkleppen door het slot tot een doublet of doosje, gelijk men zegt, verbonden zijn; de buik daarentegen is gekeerd naar de vrije randen of dc opening der schelp. Het vóóreinde is gelegen waar zich dc mond, het achtereinde waar zich de aars bevindt. Men kan bij zeer vele dezer dieren het vóóreinde (en dus ook of eene schelpklep eene rechter of linker is) gemakkelijk onderscheiden, doordien veelal dc schelprand vóór den top of dc spits (zie § 362) steiler afhclt dan achter den top, terwijl meestal het voorste gedeelte meer afgerond en het achterste meer in de lengte uitgerekt is.

ocr page 325

303

§ 3G2. Do tweekleppige seliclpen vormen, 7.00 lang zij aaneen-vorbondon blijven, wat men wel eens gewoon is eene donblot-sclielp te noemen. Hot slot of scharnier bevindt zich onder den zoogenaamden top of dc spits, en wordt gevormd doordien zich hier, in hot oudste cn dikste gedeelte der schelp, uitsteeksels (tanden) en groeven bevinden, die in elkander sluiten. Vóór den top, die meestal meer naar voren geplaatst en ook, tengevolge van zijne meerdere steilheid (§ 249), daar ter plaatse zich doorgaans iets naar voren neigt, vindt men soms oen plat veldje (het maantje), — achter den top vindt men aan den naar dc andere schelp gekeerden rand eene spleet, waarin dc veerkrachtige slotband vastgehecht is, die de beide schelpen vast aan elkander verbindt. In de wijze van aanhechting van den slotband komen echter verschillen voor.

Veelal zijn do beide kleppen der schelp even groot en van den-zelfden vorm (gelijkkleppige schelpen), of de eene is grooter dan de andere, of heeft een eenigzins anderen vorm (ongelijkklcppigc schelpen).

Aan de uit- cn inwendige vlakte der schelpen neemt men groei-strepen (§ 345) waar; aan dc uitwendige bovendien vaak oneffenheden, ribben, punten, enz.; — de inwendige vlakte is glad, soms p ar cl m o ergl an z cn d. Aan die inwendige vlakte zijn, meer of minder duidelijk, zekere indrukscls waar te nemen. In de eerste plaats ziet men er een of twee , die de aanhechtingplaatscn zijn van één of twee stevige spieren (sluitspieren), welke dwars of schuins van de eene schelp naar dc andere loopen. Ilct openen en openhouden der tweekleppige schelpen geschiedt, buiten den wil van het dier om, door don .elastieken slotband, en is dus een passief verschijnsel; bij doode schelpdieren gaapt daarom de schelp altijd. Het sluiten daarentegen geschiedt door de samentrekking der genoemde spieren, waarbij de tegenstand van den slotband moet overwonnen worden. Zijn dc spieren doorgesneden (hetgeen b. v. bij het openmaken van oesters geschiedt), dan blijft de schelp openstaan, al leeft het dier nog. — Voorts ziet men eene kromme lijn, nagenoeg evenwijdig loopende met den rand der schelp. Deze lijn, de mantellijn, duidt de plaats aan, tot welke, van het slot af gerekend, de mantel tegen de schelp aanligt. Dc mantel strekt zich overigens nog iets verder uit dan die lijn. Bij velen loopt de mantellijn gelijkmatig door; bij anderen daarente-

ocr page 326

304

gen vormt zij aan hot achterste gedeelte eene inspringende bocht (sinus)-, deze komt voor bij die schelpdieren, wier mantel achterwaarts eene buis (sijjho) vormt. — Overigens vindt men de schelpdieren somtijds bekleed met de chitine-achtige opperhuid waarvan wij in § 345 spraken.

Het is vooral bij de Plaatkieuwigen dat men het verschijnsel der par cl vorming waarneemt. Wanneer vreemde lichaampjes (zandkorrels, splinters van schelpen, larven van andere zeedieren enz., zelfs opzettelijk ingebrachte kleine voorworpen) tusschon den mantelrand en do schelp geraken en niet weder los worden, dan worden zij omgeven door de door den mantelrand afgescheiden parolmoerstof. Bij zeer vele geslachten heeft men dit ziekelijk verschijnsel waargenomen; de grootste en fraaiste parolen leveren Mdeagrina on Unio.

§ 3G3. Niet altijd zijn de mantelranden vrij , maar in vele ge-

vallen aan de buikzijde met elkander vergroeid; zij laten dan evenwel openingen vrij voor don voet en voor do in- en uittreding van bot water uit de mantelholte. De boido openingen voor dit laatste bevinden zich aan hot achtereinde boven elkander; de onderste, do ademhalings- of kieuw-opening, dient om het wateren mot dit het voedsel toe te laten, de bo\ enste, do cloaca-opening om hot water en dc drekstoffen te verwijderen. Deze openingen zijn vaak buizen, doordien zich de gesloten mantel achterwaarts verlengt; zulk eene buis noemt men mantclbuis of sipho; natuurlijk is de bovenste dan de cloaca-sipho, do onderste do adomha-üngs-sipho. In enkele gevallen , F/iolas) kunnen deze sipho's

niet teruggetrokken worden en moeten dus de schelpen, al zijn

ocr page 327

305

zij gesloten, van achtercn open blijven. — Aan den mantelzoom, die soms levendig gekleurd is,-vindt men tepeltjes, die zich bij cenige soorten tot voeldraden verlengen, en voorts een aantal oogen, die soms op steeltjes staan.

§ 3G4. Do voet (§ 34G) ontbreekt zelden en is doorgaans kegel-

of wigvormig,soms meer zoolvormig, en veelal donkerrood, geel of bruin van kleur. Hij kan naar beneden of voorwaarts uitgestoken en weer ingetrokken worden. Hij dient om er langzaam mede te kruipen, soms tot springen of om zich in het zand of het slijk in te graven. Bij sommige Plaatkieuwigen scheidt eeiie klier in den voet eene stof af, die tot draden (baard , byssus) stolt, waarmede de dieren zich ergens aan kunnen vasthechten en als het ware voor anker leggen.

§ 365. De mond ligt voor de sluitspier of de sluitspieren, en gaat onmiddellijk over in den slokdarm, die in de maag voert, terwijl het einde ('endeldarm) van het vrij lange en gewonden darmkanaal door het hart heen loopt en. in een aars eindigt, die zich ontlast in dc cloacaholte van den mantel (§ 3G3). De mondopening wordt begrensd door twee driehoekige vliezige lippen of mond-voelers. De lever en de geslachtswerktuigen omgeven het midden-ste gedeelte van het darmkanaal.

§ 3GG. De werktuigen van den bloedsomloop stemmen in de hoofdtrekken met die der hoogere weekdieren overeen (§ 348). Het uit de kieuwen terugkeerend bloed wordt door twee aortae en hare takken door het lichaam gevoerd, en keert naar de kieuwen terug door kanalen, waarvan het echter nog niet geheel zeker is of zij eigene wanden bezitten, dus aderen zijn. Het bloed uit den voet en de ingewanden komt in eene ruimte of boezem, gelegen tus-schen twee nieren of organen van Bojanus, die ouder het hart liggen, en dringt daaruit in kleine holten in die organen, waaruit het door slagaderen naar de kieuwen gevoerd wordt. — Die kieuwen bestaan uit draden, die met elkander vergroeid zijn

20

ocr page 328

30G

tot twee paren kieuwplatcn of kieuwbladen; elk dier paren begint achter den mond en strekt zieli, door den mantel bedekt, langs de zijde des lichaams tot aan liet achterste gedeelte daarvan uit.

§ 367. Wathet zenuwstelsel he-treft, zij het genoeg hier te zeggen dat het den

algcmecnen , vroeger (§ 349)

beschreven grondvorm bezit, en drie knoopen-paren heeft: een paar bovenslok-darmknoopen, een paar voct-knoopen en een paar kieuwknoo-pen.

Langs don rand des mantels, tus-sehen zekere

zich daaraan bevindende tepeltjes, die zich soms tot mantel-voelers verlengen, vindt men bij velen een aantal oog en.—-Gehoorblaasjes vindt men in de nabijheid van den voet.

§ 3G8. Eenigc Plaatkieuwigen, zooals de oester, de mossel, de kam-ocstcr enz. zijn hermaphroditen, de meestcn echter niet. Allen planten zich voort door eieren, die gewoonlijk in de mantelholte blijven zitten, totdat de jongen er uit gekomen zijn. De jongen dezer dieren, die in zoet water leven, bezitten dan reeds het begin eener schelp , doch die in zee leven niet.

§ 3G!). Alle Plaatkieuwigen leven in het water, verreweg de meesten in de zee. Zij voeden zich veelal met organische wezens van dierlijken of plantaardigen aard, die met het water binnen de mantelholte geraken. Zeer vele zijn vastzittend, b. v. de oesters, of boren zich in steen of hout in, — andere leven vrij en bewegen zich voort, 't zij door met behulp van den voet te kruipen,

Fig-. 252.

ocr page 329

307

of zich daarmede voort te stuwen, of zelfs door te springen, — 't zij door liet zich in do mantelholte bevindende water met kracht nit tc spuiten, waardoor hot dier naar den tegenovergestelden kant gedreven wordt.

§ 370. Van do verschillende indeelingen der Plaatkieuwigen in orden komt ons die in 1quot; Gaafmanteligen cn 2quot; Bochtmanteligen, of die in 1°. Ecnspierigen (Monomyaria) en 2quot; Tweospierigen (Di-myaria) de geschiktste voor. Wij zullen heide vereenigen.

§ 371. Eerste orde. Eenspierigen {Monomyaria). Een enkele groote sluitspier, ingeplant in of hij het midden der schelpkleppcn. Bij de meesten een geheel opene mantel, terwijl de slothand doorgaans inwendig is. Velen zijn ongelijkkleppig. Alle zijn gaafman-tclig.

g 372. Geslachten cn soorten.

1. Oester (Ostrea). — Gewone oester f (O. edtdis) • Hanekam (O. crista yalli). In Oost-Indië.

2. Kam-oester (Pecten). —Inlandsche Kamoestcr f {!'. maximus, varius, opercularis en ohsolclus).

3. Klepoester {Spondylus). — Amerikaansche K. {Sp. americanm).

4. Pareloester {Meleagrina). — Parelschelp {M. of Avicula mar-garitifera). Bij Ceylon, in de Perzische Golf enz. Levert de meeste parels, Oostersche parels genaamd.

5. Hamer-oester (Malleus).-— Gewone Hamer-oester (M. vulgaris).

G. Bakschelp (Tridacna). — Groote Bakschelp (T. gigas). In de

Roode Zee en den Indischen Oceaan. De schelp wordt soms 250 kilogr. cn meer zwaar.

§ 373. Tweede orde. Tweospierigen (Dirnyaria). Twee sluitspieren, meer naar de rugzijde geplaatst. Bij de meesten zijn de mantelranden met elkander vergroeid; velen bezitten sipho's; de slothand is moest altijd van buiten zichtbaar. De mantel bezit al of niet een sinus.

I. Graafmanteligcn (Integripcilliata).

1. Stcekocster, Steekmossel {Pinna).— Gewone S.; Hamdou-blet (P. squamosa). In de Middellandsche Zee, waarin ook nog andere soorten voorkomen. In zuidelijk Italië spint men den byssus van dit dier, cn vervaardigt uit de draden onderscheidene kleine voorwerpen, beurzen enz.

ocr page 330

308

2. Mossel (MytilusJ. — Gewone M. f {M. edulis).

3. liiviermossel (Dreissena). — Gewone R. f (ü. yolymorplui).

4. Neut (Nucula). — Parelmoerneut f (N. margaritea).

5. Zoetwaterinossel {Anodonta).—Eendenmossel, Modderselielp, Veenschelp f (A. anatina); Zwaanmossel f (A. cygnea).

G. Stroommosscl (Unio). — Verfschelp f (U. pictorum); 15a-taafsehe S. f (U. batavus)• Parelmossel f (U. margaritife-rus of Margaritana margaritifera). Deze laatste levert do Westersclie parelen.

7. Chama (Chama). — Gewone Cli., Komschelp (C/i. gryphoide.s). Tropische zeeën.

8. Hartschelp, Zandschelp (Cardium). — Eetbare H., Kok-haan f (C. cdulc); Gedoomde II. f (C. echiuatum).

9. Lucina-schelp (Lncina). — Noordsche L. f (L. horecdis); Bochtige L. f {L. flexuosa).

10. Rondschaal (Cyclus.) — Hoornachtige K. f (C. cornea). In zoet water.

11. Fijnschaal (Pisldium). — Eivierfijnschaal f (P. amnicum); Kleine F. f (P. pusillum).

II. Bochtmanteligen (Sinupalliata).

12. Venusschelp (Venus). — Bruine V. f (F. C'ldonc); Geribde V. f (V. /aso/ata)Gestreepte V. f (F. gallina).

13. Platschelp, Dunschaal (Tellina). — Gewone P., Boternapje f tenuis)-, Linksgestreepte P. f (T. fahnla). Bij deze laatste is de rechterschaal geheel glad, de linker daarentegen fijn gestreept. Ceyloneeschc Zonnestraal (T. virgata).

14. Zaagschelp (Donax). — Zaagje f (ö. anatina).

15. Strandschelp (Mactra). — Gewone S. f (M. solIda)\ Gestreepte S. f (M. stultoram); Geknotte S. f (M. truncata).

1(5. Amphidesma CAmphidcsma). — Geschakeerde A. (A. varie-gata). Indische Oceaan.

17. Gaper (Mya). — Zandgaper, Slijkmossel f (.1/. arenaria) ; Veelvuldig in de Zuiderzee. Geknotte of stompe G.; Kussentje f (M. truncata).

18. Mesheft (Solen). — Messcheede f (S. vagina); Zwaardscheedc f (S. ensis of Ensis ensisj.

19. Boorworm (Pholas). — Gewone B. f (Ph. dactylus).

20. Paalworm (Teredo). — Gewone P. f (T. navalis).

21. Zeefschclp (Aspergillum). — Javaansche Z. (A. jaoanicum);

ocr page 331

30!)

Scheedczcofscliclp (A. vaginiferum). Roodc Zee. Beide on-gevocr een halven voet lang.

Aanmerking. De Paalworm is bekend wegens de verwoestingen,

Zijn lichaam is lang wormvormig; slechts een klein gedeelte aan 't eene eind daarvan is met eene schelp bedekt ; aan het andere einde bevinden zich de clo-aca- en ademha-lings-sipho. De oppervlakte van het smallere voorste gedeelte der schelp is voorzien van rijen zeer fijne tandjes,

Het voorste en achterste achtste gedeelte van een paal- die loodrccllt staan worm in natuurlijke groote ; a schelp , h achtereinde met de ,1 nvo-olülrviMon

paletten cc, ademhalings-sipho lt;1 en cloacaal-sipho c. — 0P o J J

Schelp 8 maal vergroot; i midden-, c voorste gedeelte, tan(Jieg yan Jjot e grenslijn tusschen beide, ƒ achterste ot halsgedeelte. 1 J

breedere middengedeelte. Zoodra do jonge Paalworm den larventoestand heeft verlaten, boort hij zich in het hout, en delft zich daar gedurende zijn gcheele leven al verder cn verder in, waarbij de oppervlakte des lichaains (de mantel) kalk afscheidt, waardoor zich binnen do in 't hout geboorde loopgraaf eene kalkbuis vormt, waarin het lichaam des diers vastzit door middel van twee kalkplaatjes (paletten) aan 't begin der sipho's. Het boren is een raspen, cn geschiedt door het gestadig openen cn sluiten der beide schelpklep-pen, waarbij dc sneden, veroorzaakt door de tandjes van het middenstuk der schelp, die, welke alvorens door de tandjes van het voorste gedeelte gemaakt zijn , overkruisen, en alzoo het hout af-raspen. Het raspsel wordt door den mond opgenomen en door den cloaca-sipho naar buiten ontlast.

Op dergelijke wijze boort zich do Boorworm (Pholas) niet alleen in hout en klei, maar ook in steen, zelfs in zeer harde rotsgesteenten.

Bij dc Zeefschelp is het lichaam mede langgestrekt, en beslo-'

die hij in het hout der zeeweringen aanricht. Fig. 253.

ocr page 332

310

ten in ccnc rolronde kalkbuis, die door den mantel wordt afgescheiden. Aan liet vooreinde van liet dier, dat loodrecht naar beneden gekeerd in het zand of het slijk steekt, ziet men de beide kleppen der kleine schelp, die in den jeugdigen toestand vrij waren, doch later zoodanig met do kalkbuis vergroeien dat alleen de toppen te herkennen zijn. Aan het vooreinde zijn een nauwe spleet voor don kleinen voet en een aantal fijne buisjes waardoor verlengsels van den mantel kunnen steken. liet naar boven gekeerd achtereinde bezit twee openingen, de rudimentaire sipho's.

111 KLASSE.

Haidzakdicren.

§ 374. Onder Huidzakdieren of Mantcldieren (Tun/ca/a) verstaat men koplooze, zak- of tonvormige weekdieren zonder schelp en zonder voet, wier mantel geheel gesloten is , met uitzondering-van twee openingen: de kieuw- of mondopening, en de cloacaopening , — terwijl zich binnen de mantelholte eene zak- of handvormige kieuw bevindt. — Bij eenigen liggen de beide genoemde openingen dicht bij elkander, bij anderen vindt men ze aan de twee tegenovergestelde uiteinden des lichaams.

§ 375. Do vorm der Huidzakdieren is zeer verschillend, incest cylinder-, flesch- of tonvormig. De mantel bestaat uit twee ora-hulsels, die, behalve bij de Salpen en verwante geslachten, alleen tor plaatse der beide openingen met elkander samenhangen. Het buitenste omkleedsel is steviger dan hot binnenste, bij velen lederachtig en verschillend gekleurd, soms met ingekorste zandkorrels of schelpstukjes, — bij andere vliezig, kleurloos en glashelder doorschijnend (Pi/rosoma, Sufya, Doliolum, Appendicular ia). Het binnenste omluüsel bevat de spieren, die bij vele zwemmende soorten {Salpa, Doliolum) gordelsgewijs om het lichaam loopen. — Opmerkelijk is het, dat het buitenst omhulsel voor een groot deel bestaat uit cellulose (tunicine), overeenkomende met planten-cel-lulose.

§ 376. De kieuwen vormen bij een aantal soorten een zak, wiens wanden voorzien zijn van op regelmatige rijen geplaatste spleetjes, waardoor die zak op liet eerste gezicht wel wat op een

ocr page 333

31 I

gevlochten korfje gelijkt. Soms is liij aan tic binnenzijde van plooien voorzien, waardoor de oppervlakte vergroot wordt. Die kieuwzak strekt zicli van de kieuwopening tot achter in liet lichaam uit cn noemt het grootste gedeelte van de lichaamsholte in. In dien zak geraakt water door dc kicuwopening; hot dringt er weer uit door de genoemde spleten, komt zoo in de overige lichaamsholte cn wordt door dc cloaca-opcuing ontlast. — Bij andere soorten (SaZj3o)bestaat de kieuw uit een holle, handvormige strook aonder spleten, die zich schuins door het lichaam heen van vóór boven tot achter onder uitstrekt. Bij nog andere (Doliolum) vormt

Fijr. 254.

de kieuw een tusschenschot met spleten, waardoor de lichaamsholte in eene voorste en achterste holte verdeeld wordt.

§ 377. Het hart is enkelvoudig, en van gedaante spoelvormig. Dc bloedsomloop geschiedt deels in afzonderlijke kanalen; bepaaldelijk loopen er twee langs de rug- cn dc buikzijde van den kieuw-zak of band, die door takjes in den wand van dozen met elkander gemeenschap oefenen, — deels in wandlooze ruimten. Opmerkelijk is het, dat het hart hot bloed bij tusschenpoozen naar achteren cn naar voren drijft, zoodat hetzelfde vat het eene oogenblik de rol van slagader, het andere die van ader vervult.

§ 378. De eigenlijke mond of ingang van den slokdarm ligt binnen den mantelzak in het achterdeel des lichaams. Daarheen voert een gootvormige, met trilharen bezette groeve in het bin-

ocr page 334

312

nenste omkleedsel, die onder den kiemvzak van de kieuwopening tot den mond loopt (huikgroeve). Hierdoor wordt het water met het daarin aanwezige voedsel, dat van denzelfden aard is als dat der Plaatkieuwigen, naar den mond gevoerd. De slokdarm gaat over in eene maag, deze in een darm , die zich voorwaarts ombuigt, en zich door den niet ver van den mond gelegen aars in de cloacaholte opent. Slcchts zelden opent zich de aars rechtstreeks naar buiten.

Het hart, de vóór het hart liggende spijsverteringsorganen, enz. waarbij ook een klierachtig lichaam (lever?) en een orgaan dat wellicht eene nier is, behooren, liggen bij elkander in het achterdeel des lichaams, en vertoonen zich bij de doorschijnende soorten (b. v. Salpa) als eene donkere massa of kern.

§ 379. Het zenuwstelsel bestaat uit een enkelen grooten zenuwknoop aan de rugzijde des diers, boven het vooreind van de kieuw. Daaruit ontspringen de zenuwen. — Bij sommigen (Salpa, Pyrosoma) treft men achter of boven den zenuwknoop een klein orgaan aan, dat sommigen voor ecu oog, anderen voor een gehoororgaan houden. — Eene kleine, van trilharen omgeven holte of groeve aan de rugzijde van Salpa en Doliolum wordt voor een reukorgaan gehouden.

Over de voortplanting der huidzakdieren zal in §§ 382 en 384 iets gezegd worden. Allen zijn hermaphroditisch.

§ 380. De huidzakdieren zwemmen of vrij in de zee rond, of zitten op andere lichamen vast. Zij zijn of enkelvoudig, óf zij vormen koloniën; dit laatste is ook 't geval met verscheidene die vrij zwemmen.

§ 381. Wij verdeden deze klasse in twee orden: 1quot; die der Tethyonideën, 2° die der Thaliaceën.

§ 382. Eerste orde. Tethyonideën (Tclhijouideae). Zakvormig. De beide omhulsels des lichaams hangen aan de kieuw- en cloaca-openingen met elkander samen. De mondopening ligt aan de buikzijde, de cloaca-opening aan de rugzijde, meer of minder in do nabijheid van de kieuw-opening, behalve bij rijrosoma. Tusschen beide openingen ligt de zenuwknoop. De kieuwen zijn zakvormig. Meestal (t. w. met uitzondering van Pyrosoma) vastzittend.

Do uit de eitjes gekomen jongen zijn rond of ovaal, met een

ocr page 335

313

staart, en op don rug twee vlekjes, die voor oogen, of vooreen oog en een gehoororgaan gehouden zijn. Die larven zwemmen cenigon tijd vrij rond, en zetten zich later met het vooreind vast. Daaruit ontwikkelt zich dan rechtstreeks het volkomen dier, terwijl de staart verdwijnt. Of er ontwikkelen zich in het lichaam der larven knoppen, waaruit eene kleine kolonie van volkomen dieren ontstaat. Hier heeft dus eene teeltwisseling plaats.

§ 383. Greslachten en soorten.

1. Zakpijp (Ascidia), Cynthia). — Lederachtige Z. f (C. claudi-caii8)\ Basters Z. f (O. ampulla).

2. Kraakbeenzakpijp (Phallusia). — Doorschijnende Ph. f (Ph.

Fiquot; 255 intestinalis).

3. Steelzakpijp (Perophora). — Listers Zak-pijp {P. Lis ter i). Aan de Eugelsche kust. Vormt koloniën, waarvan de individuen vedersgewijs aan een gemeenschappelijken steel geplaatst zijn.

4, Greleikorst (Botryllus). — G-esterde Gr. f (D. Schlosseri). De Botryllus vormt mede koloniën, waarhij echter de individu's in eene gemeenschiippelijke gelei- of lederachtige massa liggen ingebed, meestal stervormig rondom eene gemeenschappelijke cloaca.

5. Flambouw-pijp {Pyrosoma). — Gewone F. (/'. atlauticum). Middellandschc en tropische zeeën. Eene kolonie, bestaande uit eene cylindcrvormige, aan 't ééne uiteinde opene buis;

ocr page 336

314

do individuen vertooncn zich aan do buitenvlakte daarvan als uitstekende tepels. De liolto dor buis is de gomocnscliap-pelijke cloaca. Pyrosoma bolioort tot de lichtende zeedieren. Wegens de uitzondering, die het (zie § 382) in menig opzicht op do Totliyonidoën maakt, hooft men do soorten van Piji-osoriia ook tot eene afzonderlijke orde, die dor Luciae, gemaakt.

§ 384. Tweede orde. (Thali aceën. (Thaliaccae), Tonvormig. Do beide omhulsels dos lichaams mot elkander samengegroeid. De

kieuwopening aan bot eone , do cloaca-opening aan het andere eind des geheel doorschijuendon lichaams. Do kieuw is óf een tusschonschot in de lichaamsholte, óf een schuin door die holte loopende bolle band (§ 370). Do dieren dezer orde zwemmen allen vrij. Dc voortplanting dor tot deze orde behoorende Salpa is als volgt. Binnen iu oone enkelvoudige Salp ontstaan door knopvorming andore Salpen, die van lichaams-aan-bangsolen voorzien zijn, met welke zij zich kettingsgewijs achter elkander of kringsgewijs aan elkander vasthechten, en zoo eone soort van kolonie vormen. Deze door knopvorming uit do enkelvoudige Salp (de voedster) ontstane Salpen brengen eieren voort, waaruit weder enkelvoudige, geen eieren voortbrengende , voedster-Salpen ontstaan. Bij Doliolum is de voortplanting ingewikkelder, omdat daar meer geslachten van voedsters elkander opvolgen.

§ 885. Geslachten en soorten.

1. Salp. (Salpa, Blphora).— Grooto en Afrikaansche S. (S. maxima en Africana). Do eorsto is de voedster dor laatste, evenals S. runcinafa, die wel eens aan de Engelsche kust voorkomt, do voedster is van S. dernocraflca. Overigens loven de Salpen in de warmere en tropische zeeon.

2. Tonnetje (Doliolum'). — Getand T. (D. denticulatum). Atlantische zee.

3. Staartzakdier (Appendicularia). — Gewoon S. (A. cophocerca). Middollandsche Zee. De Appendicnlaricn bezitten ook in don

Fin-, 257.

Salpa; a mond, m aars

ocr page 337

315

volkomen toestand een staart, waarmede zij zich, evenals do larven der Ascidiën, in het water voortbewegen.

IV. K L A S S E.

A r in p o o t i (j e n.

§ 38(J. Do klasse der Armpootigen (UracMopoda) werd vrocg('r als eene orde van de klasse der Schelpdieren (Conchifcra) lio-schouwd, waartoe dau ook do Plaatkieuwigon gebracht werden. Inderdaad hebben ook de schelpen der Armpootigen, bij eene oppervlakkige uitwendige beschouwing, voel van die der Plaatkieuwigon. Doch het verschil tusschon beide diorgroepen is groot genoeg om de plaatsing der Armpootigen in ocno afzonderlijke klasse te rechtvaardigen.

De Armpootigen zijn koplooze weekdieren, besloten in een tweo-kleppigen mantel en schelp, oven als de Plaatkieuwigon, maar mot dit grooto verschil, dat tengevolge van do ligging der inwendige organen, do eene klop bovenklep of rugklep, de andore eene onderklep of buikklop is (vgl. § 301). Do plaats, waar de top der schelp ligt, wolko plaats bij de Plaatkieuwigon de rugzijde was, is hier het achtereinde. Door don mantel wordt eene holte omsloten, in wier achterste gedeelte zich de overige woeko doelen van het dier bevinden.

§ 387. De schelp bestaat bij de moesten uit koolzure kalk, soms echter ook uit eene chitinoachtigo zelfstandigheid. Eene parol-moerlaag bestaat niet. Meestal zijn do schelpen van binnen naar buiten doorboord van fijne kanaaltjes, waarin zich verlengsels van don mantel voortzetten; trouwens do samenhang van don mantel met do schelp is hier veel grooter dan bij de Plaatkieuwigon. Elke schelpklop is op zich zelve symmetrisch, 't geen bij do Plaatkieuwigon niet zoo is; maar de belde kleppen verschillen. Waar een slot aanwezig is, is de buikklop grooter dan do rugklep. In dat geval bezit de buikklop een naar boven en binnen omgebogen top (snavel), mot eene insnijding of een gat. Aan de voorzijde van don snavel vindt men twee slot tand en, tusschon welke twee andere van do rugklep zijn ingeklemd. Een slotband (§ 362) out-

ocr page 338

31G

breekt altijd. Diiartegcn vindt men tusselien de slottanden der rugklep een kort uitsteeksel, dat door spieren kan worden terug-getrokken, waarvan 't gevolg is, dat de kleppen zich openen. Dc sluiting der schelp geschiedt door andere spieren.

§ 388. Een aanmerkelijk deel der door den mantel omslotene holte wordt ingenomen door spiraalsgewijs opgewonden armen, die, ontrold zijnde ('tgeen slechts tot zekere hoogte gelukt), 3 tot 5 maal zoolang als dc schelp zijn. Zij bestaan uit chitineachtige

stof met kalkdeeltjes, en bezitten langs de buitenzijde eene groef met trilhaartjes en naast deze groef ccne dubbele rij van kieuw-draadjes. Deze betrekkelijk zware armen worden meestal gesteund cn als ware het opgehouden door een vrij samcngestcldcn, met de rugschelp een geheel uitmakenden st eun s t o e s tel, waarvan lig. 258 B een denkbeeld geeft.

ocr page 339

317

De schelp is overigens vaak voorzien van strepen, ribben of stekels , welke laatste bol zijn.

§ 389. De mantel bestaat uit twee platen, tusscben welke bolton bestaan, die met de algemeene mantolbolto gemeensebap hebben. Aan den rand des mantels staan borstels, die allerwaarsclnjn-lijkst zintuigelijke organen zijn.

De mond is eene kleine spleet aan de buikzijde ; bij geleidt in een slokdarm en door dezen in eene kleine maag, waaruit de darm ontspringt, die óf blind eindigt, óf zich reeds tusscben de man-tellappen in een aars opent. Do lever omgeeft een gedeelte van den slokdarm en de maag.

Boven de maag ligt het enkelvoudige hart, waaruit slagaderen het bloed voeren in de ruimten, die de organen omgeven.

De ademhalingsorganen zijn de kieuwdraden der armen, wellicht ook de binnenvlakte des mantels, die men vroeger voor het eenige ademhalingsorgaan hield.

Het zenuwstelsel bestaat uit 4 paar zenuwknoopen, waaruit de zenuwen ontspringen. Andere zintuigelijke organen dan de mantelborstels zijn nog niet waargenomen.

§ 390. De Armpootigen zijn vastzittende dieren. Slechts enkele (Thecidium) zitten vast door vergroeiing van de buikklep met andere voorwerpen, rotsen b. v. i de moesten echter door middel van een vleezigen steel, ongeveer op de wijze van Anatifa (§ 309). Die steel komt achterwaarts naar buiten, 't zij tusscben de achterranden der beide kleppen door, 't zij door de § 387 vermelde insnijding of opening van de buikklep.

De uit de eitjes gekomen larven, die voorzien zijn van een in 8 of 12 slippen gespleten zwemtoestel, waardoor zij wel iets op Mosdiertjes gelijken, zwemmen aanvankelijk vrij rond.

liet voedsel der Armpootigen bestaat hoofdzakelijk uit diatomeën.

§ 391. Deze klasse kan worden verdeeld in de orden der Slot-tandigen en Slotloozen.

§ 392. Eerste orde. Slo 11 andig e n (Testicardhies.) Greb cel verkalkte schelpen, van welke de buikklep de grootste is. Een slot met slottanden. Een steuntoestel voor de armen. De darm eindigt blind, zonder aars.

§ 393. Greslachten en soorten.

1. Gatschelp (Tcrchratula of Anotnia). — Slangenkop (T. caput

ocr page 340

318

serpent!s). Atlantische Oceaan en Noordzee. Chilecsche G. (T. cldlensis). Do gatschelpen zitten vast door middel van e6n korten steel, die door een gat van den top of snavel naar buiten komt.

2. Doosschelp (Thecidium). — Gewone D. (Th. mediterraneum). Middell. zee. Geen opening in den snavel. Minder ontwikkelde steuntoestel. Zit met do buikklep vastgegroeid aan andere voorwerpen.

§ 394. Tweede orde. Slotloozen {Ecardines). Meest lioren-aclitige schelpen. De kleppen nagenoeg even groot. Geene slot-tanden noch steuntoestel. De darm eindigt in een aars. § 305. Geslachten en soorten.

1. Tongschelp (Linyula). — Eenden-tongschelp (L. anal!na)\ Gapende T. (L. hians). l?cide in zeeën der warme gewesten. Een lange en dikke steel.

2. Crania {Crania). — Gewone C. (C. anomala of norweyica). Kalk-schelp. Met de buikklep vastgegroeid, liotsige kusten der Noordzee.

v. KLASSE.

M o s di er a n.

§ 396. Mosdieren (Bryozoa) 1 zijn zeer kleine, koplooze, zuil-of bekervormige weekdieren, die van onderen omgeven zijn door eene ehitine- of kalkachtige cel, waarin het dier zich geheel kan terugtrekken. De cellen nu hangen óf in haar geheel, óf alleen aan hare basis samen met meer dergelijke cellen van andere diertjes dezelfde soort, eu vormen alzoo samengestelde dieren, —koloniën of cellenstokken van mosdieren.

Bij eenige soorten vindt men op of tusschen de cellen zekere aanhangsels, die eenigszins den vorm van een vogelkopje bczit-

1

Door Trembley in 1740 outdekt eu Polypes a panache genoemd, en lang als eeue afdeeliug der polypen beschouwd. Thans brengt men ze tot de Weekdieren; sommigen evenwel voegen zo bij de Wormen.

ocr page 341

319

ten, waarvan do onderkaak zich van tijd tot tijd opent cn sluit. Men noemt deze declen aviculariën. Waarschijnlijk dienen zij om kleine organische voorwerpen tc vatten en vast te houden, totdat de door ontbinding loslatende deeltjes daarvan door den waterstroom naar de mondopeningen van de mosdieren-kolonie worden gevoerd. — Andere borstelvormige en beweeglijke declen, ingeplant op zekere tusschen de overige cellen verstrooide eironde zoogenaamde eicellen, wier beteekenis nog onbekend is, heet men vibracula.

Aviculariën. g 397. Hot in de cel bevatte diertje bezit een

vliezig omhulsel, de eigenlijke huid, die de lichaamsholte omgeeft. Aan het voorste uiteinde ziet men een aantal zoogenaamde vocl-draden of vangarmen, van 8 tot 80 in getal, die echter kien \v-draden zijn, cn bezet met trilharen, door wier beweging een

stroom in het water ontstaat, die de voedende stollen naar cn in den mond voert. ]gt;ij de meeste zee-mosdicrcn staan die draden op eene schijf, in 't midden waarvan de mond ligt, —bij dc meeste zoetwater-mosdieren verlengt zich het vooreinde des diers tot twee armen, op welke dc kieuwdraden staan (fig. 260); ter plaatse waar

ocr page 342

320

die beide armen samenkomen bevindt zich de mond. De kieuw-draden en de zoo even genoemde armen zijn hol cn hunne holte heeft met die des lichaams gemeenschap.

§ 398. Het voorste gedeelte dos lichaams kan met armen en kicuwdraden snel iiigctrokkon worden in de col, zoodat er uitwendig niets van te zien is; de uitstulping gaat langzamer. Bij eenigen is de opening der cel nog van een dekseltje voorzien.

§ 399. De mond voert in een slokdarm en deze in eene maag, die soms van horentandjes voorzien is. Uit de maag, die zich veelal als een blinde zak tot het achterste dos lichaams voortzet, ontspringt een darm, die naar het vooreind loopt cn eindigt in oen aars onder den krans der kieuwdradon.

Hart cn bloedvaten ontbreken ; dc lichaamsruimte is gevuld met voedingsvocht.

De centraaldeelcn des zenuwstelsels bestaan uit één of twee zenuwknoopen aan de rugzijde, d. i. de zijde waar dc aars gelegen is. Afzonderlijke zintuigen ontbreken.

§ 400. De Mosdieren leggen eieren. Het jong zwemt vrij , gelijkt op een van trilharen voorzien infusiediertje, en wordt eerst langzamerhand aan de ouden gelijk. Wanneer do jonge mosdieren zich eindelijk op schelpen, stukkon hout, wier enz. hebben vastgezet, vormen zij door knopvorming koloniën. In sommige zoetwater-soorten ontstaan bovendien nog win tor-ei er en (Strato-hlasta), die grootor, platter en hardschaliger zijn dan de andere, en die hot mooderdier bij zich houdt. Wanneer dit nu in den herfst of in den winter gestorven en daarna vergaan is , dan ontwikkelen zich in de lente uit do wintoreieron jongen, die goene trilharen bezitten cn reeds bijna geheel op de ouders gelijken.

§ 401. De moeste Mosdieren leven in de zee, waar zij aan steonen, schelpen, koralen, zeewier enz. vastzitten. Eenigen leven in zoet water, aan dergelijke voorwerpen vastgehecht.

§ 402. Do Mosdieren worden verdeeld in twee orden, die der Kamdradigen on dor Trochtormondigen.

§ 403. Eerste orde. Kamdradigen of Kampootigen (Lo-phopoda). De kieuwdraden geplaatst op twee armen, die met elkander een hoefijzer vormen, in welks binnenhoek de mond gelegen is; oen celklepjo; hoornachtige of weoke, nooit kalkachtige

ocr page 343

321

ccllcn. Dc meesten planten zich, behalve door gewone eieren, ook nog door winter-eieren voort, en leven in zoet water. § 404. Geslachten en soorten.

1. Kampolyp. (Cristatella). — Gewone K. f (O. mucedo). Dc Cristatellcn staan op een gemeenschappelijke schijf, waarmede dc kolonie zich, schoon niterst langzaam, voortbewegen kan. Dit vermogen tot plaatsverandering missen de overige Mos-dicren.

2. Vederbos-polyp (Plamatclla). — Klokvormige V. f (i'. campa-nulata).

3. Klokbloemdiertje (Alcyonella). — Sponsachtig K. f (A.fungosa).

4. Pluimpolyp (Lophopm). — Glazen P. f (L. cristallinus).

§ 405. Tweede orde. Trechtermondigen (Ivfundlhulaia). Dc kieuwdraden geplaatst op eene schijf, in 't midden waarvan Fig. 261. mond ligt. Geen celklepje. Dc cel

len zijn vliezig, horenachtig of kalkachtig. — De moesten leven in zee. § 40(5. Geslachten en soorten. 1 Mcercelpolyp (Paludicella). — Gelede M. (I1. articulata). Het cenigc in zoet water levend geslacht.

2. Horencelpolyp (Celbdaria). — Vo-gelbek-horencclpolj'p f (C. avicu-laria); Harige H. f {O. ciliata).

3. Tweeling-celpolyp (Gemellaria. — Geharnaste T. f (G. loricata).

4. Rasp-celpolyp (Cellcpora).—Euwe

Flustra. :R- ^ (C' lmm!cosa)-

5. Vlies-celpolyp (Memhranlpora).— Fijne V. f (M. memhranacca).

G. Horenwier {Flustra). — Bladvormig H. f {F. foliacca).

7. Zeevinger {Halodactylus). — Doorschijnende Z. f {II. diapha-nus); Ruwe Z. {II. hirsutus).

8. Beker-celpolyp {Laguncida). — Kruipende B. f L. repens).

9. Bowerbankia {Bowerbankia). — Geschubde B. f {B. irnhricata.)

10. Ivoor-celpolyp (Crisia). — Witte I. f {O. cburnca).

11. Buis-celpolyp {Tuhdipora). — Kruipende B. f {T. repens).

21

ocr page 344

322

HOOFDSTUK IX.

STEKELiIlUlDIGE DIEREN.

§ 407. De Stekclhuidige dieren (EcJiinodcrmala) bezitten een lichaam, waarvan de doelen niet bilateraal symmetrisch (§ 211), rechts en links van elkander staan, maar radiaal symmetrisch geplaatst zijn, dat is te zeggen: een lichaam, welks deelon straalsgewijs geplaatst zijn rondom ecne lichaams-as. Het aantal der stralen is in den regel vijf\ zijn er meer, dan is toch hun aantal meest altijd oneven. Die gestraalde vorm is het duidelijkst bij de Zeesterren en bij do Zeeleliën , bij welke iedere uitstekende arm een straal voorstelt. Maar ook bij de Zeeëgels, die een half bolrond of schijfvormig lichaam bezitten , kan men in de later te beschrijven ambulacraalvelden, die als meridianen zich van de eene pool des diers tot de andere gordelsgewijs uitstrekken, den straalvormigen bouw dos lichaams erkennen. Bij de Zeckom-kommers, die een meer of min rolrond, meer wormvormig lichaam bezitten, duidt zich diezelfde bouw aan door vijf langs de lengte des lichaams loopende ambulacra al ban den.

Do benaming van Echinodermata is in de eerste plaats afkomstig van de Zeeëgels {Echini), die als de type van deze afdeeling werden beschouwd. Het omkleedsel van deze is met ruwe, harde punten en stekels bezet. Daar nu do dieren, die overigens ook in hun anatomischen bouw den type der Zeeëgels vertooncn, in den regel ook mot harde puntjes en stekeltjes bezet zijn, noemt men ze allen Zeeëgelhuidigen {Echinodermata) en Stekclhuidige n. Er zijn er echter ook, die glad zijn. Men zou deze afdeeling ook die der Straaldieren (liacliaia) kunnen noemen, gelijk zij dan ook do type van de Itadiafa van Cuvier zijn.

§ 408. Dit brengt ons al dadelijk tot de beschouwing van een stelsel, dat aan de Stekelhuidigen eigen is, en watervaat- of ambulacr aalstelsel genaamd wordt. Achter de mondopening ligt rondom den slokdarm een ringvormig kanaal, waaruit vijf kanalen (ambulacraalkanalen) ontspringen, die langs de zijden van het lichaam loopen. Aan het ringkanaal bevinden zich nog

ocr page 345

323

écn, twee of meer, vaak vijf, samentrekbare blaasjes, de blaasjes van Poli, die het water uit liet ringkauaal in de ambula-craalkanalen kunnen stuwen. Door een ander kanaal, steen ka-na al genoemd, omdat het dikwijls, niet altijd, kalkachtig is, wordt liet water, waarin liet dier leeft, in liet ringkanaal gebracht.

Aan 't begin van het s tcenkanaal vindt men de madrepore n-plaat, eene met gaatjes en kanaaltjes doorboorde plaat, die het water als ware het filtreert, vóór het inliet steenkanaal geraakt. Uit de ambulacraal-kanalen ontspringen zijdelingsche takjes en uit deze weder blinde zakjes, die men a m b u-lacraalvoetjes heet, en die door openingen van het lichaamsbe-klcedsel naar buiten kunnen treden en weer ingetrokken. Het naar buiten treden van een

ambulacraalvoetje heeft plaats tengevolge van de samentrekking van een aan het begin van elk voetje gelegen blaasje (ampulla), dat het water, 't geen het bevat, in het voetje drijft, en dit dus doet zwellen, stijf worden en uitpuilen; het intrekken geschiedt door het samentrekken van het voetje zelf, waardoor het water weer in de ampulla en hot ambulacraalkanaal gedreven wordt. Wanneer de ambula-craalvoetjes tot plaatsbeweging dienen (zij dienen ook wel als ademhalingswerktuigen), dan is elk van een zuignapje voorzien. Overigens zijn de openingen, waardoor de voetjes zich naar buiten strekken , in de vroeffer vermelde ambulacraalvelden of banden

ocr page 346

3-24

geplaatst, aan dc binnenzijde waarvan dc ambulacraalkamalen looiden. Overeenkomstig niet de;',e zijn dan ook die volden of Landen vijf in getal. — Dc tusschcn de ambulacraalvelden gelegene velden of strooken heet men interambulacraalvelden.

§ 409. Aan de buikzijde (bij de Zeekomkommers aan liet vóór-eind) des licliaams bevindt zich de mond. Bij de meeste Stckcl-huidigen zijn slokdarm, maag en darm van elkander tc onderkennen. Een aars is niet altijd aanwezig, en wanneer hij bestaat, is dc plaatsing verschillend; bij de meest regelmatige vormen der Stekelhuidigen ligt hij midden op de boven- of rugvlakte. Het bloedvaatstelsel , in 't welk overigens nog al verschil bestaat, is gesloten, en bestaat deels uit een ringvat rondom den slokdarm en, bij den Zeecgels en Zeesterren, een ander aan 't tegenovergesteld einde des lichaams, uit

Een ambulacraalvoetjc lt; -i i • i

6 met znignapje, ont- welke takken ontspringen, — deels uit mede

springende uit het ambu- . . _ , j. i x

lacraalkanaal a, met eene nit liet nngVclt VOOrtKOmencle verttlKte

ken^oo/eene quot;opening stammen langs dc lengte van het darmkanaal.

selhfvlriquot;etdifi0equot;kle0dquot; Wanneer mond- en aarsopening dicht bij

elkander liggen, zijn beide ringvaten met

elkander verbonden door een kloppend kanaal (hart). — Tot dc

ademhaling dienen verschillende bij elke klasse optegeven organen, —

of de oppervlakte des lichaams, — of buisjes, die rondom den mond

gelegen zijn,— of aanhangsels van de ambulacraalkanalen. Het

zenuwstelsel bestaat uit een meestal vijfkantigen slokdarmring en

vijf straalsgewijs nit de hoeken daarvan ontspringende zenuwstammen

zonder zenuwknoopen; uit deze stammen ontspringen de zenuwen.

§ 410. Bij dc Stekelhuidigen bestaat, met enkele uitzonderingen, verschil van seksen. Allen brengen eieren voort, waaruit diertjes voortkomen, die op infusoriën gelijken, maar in larven veranderen , die eigene, als 't ware voorloopige organen bezitten, welke later weer verdwijnen. Binnen deze larven of door knopvorming daaraan ontwikkelt zich het volkomcne dier.

Alle bezitten een krachtig herstellingsvermogen.

§ 411. De afdeeling der Stekelhuidigen wordt verdeeld in vier klassen, die der Zeekomkommers, der Zeeëgcls, der Stcrdiercn en der Zceleliën.

ocr page 347

325

I KLASSE.

Z a e L o vi k o m m e r s.

§ 412. Z eeko inkominci's (Ilololhurtdae) zijn dieren met een verlengd, min of meer rolrond, dus wormvormig, maar tevens vrij dik lichaam , met do mondopening aan liet eene en do aars- of eloacaal-opening aan het andere einde. Het einde, waar zich do mondopening bevindt (vóóreinde), ia eenigzins afgeknot, het aars-of achtereinde daarentegen meer afgerond. Men onderscheidt aan het lichaam eene buik- en rugvlakte. Aan de buikvlakte vindt men drie ambulacraalbanden (§ 407), aan de rugvlakte twee, met vijf

riff. 204.

rijen amimlacraalvoetjes daarop, van welke echter die op den rug soms ontbreken, of in allen gevalle niet van zuignapjes voorzien zijn. De mond is van 't zij enkelvoudige 't zij boomsgewijs vertakte voelers omgeven, die geheel of gedeeltelijk intrekbaar zijn, naarmate van hunne lengte, en zich tot het ambulacraal- of watervaatstelsel verhouden op dezelfde wijze als de voetjes. Hun aantal is vijf, of het meervoud daarvan.

§ 413. De huid der Zeekomkommers is lederachtig, met daarin verspreide talrijke kalklichaampjes van verschillenden vorm, zooals met gaatjes doorboorde schijfjes, zeefplaatjes, ringetjes.

ocr page 348

326

ocr page 349

327

§ 414. Hut darmkanaal is bij dc mccstcn ccnc rolronde buis, die van de trechtervormige mondholte of slokdarm rechtuit loopt naar het achtereind, zich dan weer naar hot vooreind begeeft om eindelijk weer naar achteren te loopen en in cene cloaca te eindigen. Bij dc Synapten (§ 421) loopt dc darmbuis in eens rechtuit van den mond naar den aars. Als maag kan beschouwd worden cene op het begin des darms (slokdarm) volgende afdeeling, die moer dan het overige van spiervezels voorzien is. — Van het bloedvaatstelsel is het darmgedcelte (§ 409) het meest ontwikkeld, en daarbij bestaat ook nog een maagvaatstelsel. Do hoofdstammen van deze stelsels kloppen en kunnen als harten worden beschouwd. — Uit de cloaca ontspringt bij de moesten een kort kanaal, waaruit twee of meer takken ontspringen, die zich weer in een groot aantal takjes verdoelen, welke in blaasjes eindigen. Deze op eene long gelijkende toestel, die soms vrij groot is, kan water opnemen en dit weder met kracht uitspuiten. Men noemt hem waterlong. Of zij echter tot niets dan tot ademen dient, is onzeker, en in elk geval zou dan do naam van kieuw gepaster zijn. Overigens schijnen ook de voetjes op den rug, misschien ook de voelers, voor de ademhaling te dienen, terwijl men vermoeden kan, dat er ook cene darm-ademhaling plaats heeft. — Zekere blinddartn-of buisvormige, met de waterlong of de cloaca samenhangende organen, die bij vele Zeekomkommers worden aangetroffen, doch waarvan dc beteekenis onzeker is, vermelden wij slechts in het voorbijgaan.

§ 415. liet steenkanaal hangt bij deze dieren vrij in de lichaamsholte , die met vocht, gedeeltelijk zeewater, gevuld is. Het verdikte vrije uiteinde er van, de kalk zak, vertegenwoordigt de madreporenplaat der andere Stekelhuidigen. Hoe het zeewater in de lichaamsholte komt is nog niet met zekerheid bekend, — misschien door kleine openingen in de blaasjes der watcrlong. Aan het ringkanaal vindt men één Polisch blaasje, zelden meer. De gcheele binnenvlakte der lichaamsholte en de buitenvlakte der daarin aanwezige declen zijn overigens bezet met trilharen, door wier beweging het water daarin stroomende wordt gehouden.

§ 416. Omtrent het zenuwstelsel verwijzen wij naar § 409. De tastzin der Zeekomkommers zetelt vooral in de voelers en de voetjes. Of deze dieren gezichtsorganen hebben is onzeker; waarschijnlijk bezitten althans de Synapten gehoororganen.

ocr page 350

328

§ 417. Onderscheidene soorten van longlooze Zeekomkomraers kunnen, wanneer zij gegrepen worden, het lichaam zoo sterk samentrekken en afsnoeren, dat er een stuk afbreekt. Alle Zeckom-kommers bezitten de eigenschap van hunne inwendige deelen, wanneer zij zich sterk samentrekken, door de cloaca naar buiten te kunnen drijven. In vele gevallen snoeren zich dan die deelen af, zonder dat het dier daarom sterft. Want het herstellingsvermogen is bij deze dieren zoo groot, dat gchccle ingewanden en lichaamsgedeclten zich weer op nieuw kunnen vormen.

§ 418. De op infusoriën gelijkende diertjes, die uit de eieren der Zcekomkommers komen, veranderen in gelobde, steeds weck blijvende en van geen huidskelet voorziene , langwerpige of eironde larven (vroeger als cene diersoort onder den naam van Auricular ia bekend), die later cene tonvormige gedaante verkrijgen, waarbij de lobben verdwijnen. Uit dit tonnetje, dat mot de pop der in-sekten te vergelijken is, ontwikkelt zich het volkomen dier.

§ 419. De Zeekomkommers leven in zee. Zij houden zich daar met hunne voetjes en voelers, de Synapten mot de bosclirevcn ankerspitsen, vast aan den bodem of aan rotsen, of kruipen langzaam daarop voort. Enkele zwemmen ook aan do oppervlakte des waters. Zij loven \an kleine zeedieren.

§ 420. Wij verdeden de Zeekomkommers in twee orden, die der Longdragoudcn en dor Longloozon.

ocr page 351

32f)

§ 421. Eerste ovdc. Long drag on den (Pneumophora). — Eonc waterlong; incostal een dikke huid; amhulacraalkanalcn bij allen, voetjes bij bijna allen; oen dubbel lisvormig darmkanaal. Ge-seheidene seksen.

§ 422. G-eslachten en soorten.

1. Holothuria (Ilolothun'a.) — Pijpholotlinria 11. tahulosa). Mid-dellandsche Zoe. Eetbare II., Trepang {II. aha, iuipatiens en furibunda). Indische archipel.

2. Zeebuidel (Pentacta). — Lederen /. f (l'. frondosa); Ton-zeebuidel (iJ. of Cacumaria doUolurn). liotsige kusten van noordelijk Europa.

3. Zeeiigurk (Psoitis). — Bruine /. f (i's. phantapus).

4. Thyone (Thyone). — Getcpelde (Th. papillosa). Kusten van Denemarken en Engeland. Gcbandeerde Th. (Th. Jasciata)-, westkust van Java.

§ 423. Tweede orde. Longloozcn (Apueumona) Gecne waterlong; meestal eenc dunne huid; het ambulacraalstelscl bestaat uit een steenkanaal (soms meer steenkanalen), een ringkanaal en 10 of meer voelerkanalen, maar zonder straalsgewijze ambulacraal-kanalen cn ambulacraalvoetjcs; een recht darmkanaal. Hcrmaphro-ditisme.

§ 424. Geslachten en soorten. De typische vorm van deze orde is het geslacht Klever (Synapta). De dieren van dit geslacht bewegen zich voort door de voelers, waarmede zij zich aan voorwerpen, rotsen b. v. vasthechten, cn waaraan zij dan het lichaam voorttrekken. Over de ankerplaatjes en ankertjes is reeds gesproken. Wij noemen van dit geslacht: Sijnapta oceanica in de Indische en Stille Zuidzee, — S. diyitata, in de Middellandsche Zee, eene soort, binnen welke niet zelden een slakje (Helicosyrinxparasitica) parasitisch leeft, — S. Beselü, in de Moluksche Zee, die soms twee meters lang wordt, en S. Davernoyi aan de noordkust van Frankrijk.

Aan onze kusten vindt men geene Synapten.

ocr page 352

O O / \

o»JU

11 KL A S S E.

Zeeliocls.

ieetjcLs.

§ 425. Ouder Zceëgols (Echinoidca) verstaat men dieren, besloten in een hard, kalkachtig, van beweegbare stekels voorzien omhulsel, dat afgeplat bolvormig, half-bolrond, hartvormig of schijfvormig van gedaante is. Tusschen de stekels in bevinden zich in dat omhulsel de openingen der ambulaeraalvoetjes. De Zeeëgels bezitten een mond en een aars. De mond is in den regel geplaatst in het midden der naar beneden gekeerde vlakte dos diers, — de aars aan do tegenovergestelde pool, dus aan den top. De aars neemt echter bij verscheidene soorten ecne andere plaatsing in,

tv n/.o — excentrisch, zelfs

r ig. ïJOb. '

tot aan den rand van do bovenvlakte, ook wel aan de be-uedenvlaktetot zelfs naast den mond; de mond daarentegen, ofschoon soms vrij ver van het midden der ondervlakte verwijderd, bevindt zich toch steeds aan het ondergedeelte des lichaams.

Zooklit, voor do holft van stekols ontdaan. g 426. Het harde

kalkachtige omhulsel, hot skelet, gewoonlijk de schaal genaamd, ofschoon het nog door cene dunne huid omkleed is, bestaat uit een zeer groot aantal kleine, 4-, 5- of 6-hoekige plaatjes, die zoo gerangschikt zijn, dat men aan de schaal een top veld of top streek en ecne ambulaeraal streek onderscheiden kan. Bij de regelmatig gevormde Zeeëgels ligt de aars in het midden van het topveld. De aarsopening der schaal is omringd door in den regel vijf plaatjes (genitaal-plaatjes), in elk waarvan eene opening is tot het doorlaten der eitjes. Veelal liggen tusschen

ocr page 353

331

deze plaatjes, en daarmede afwisselend, nog vijf kleinere plaatjes, die men oogplaatjes heet, omdat men zekere vlekjes in

liet huidje, dat er over ligt, waarschijnlijk ten onrechte, voor oogen houdt. Een der genitaalplaten is met de inadreporenplaat tot cene enkele wat grootcre plaat vergroeid; bevindt de aars zich niet midden in hot topveld , dan neemt de inadreporenplaat zijne plaats in. Al die rondom do aarsopening gegroepeerde plaatjes vormen te samen hot topveld.

liet overige, dus verreweg het grootste gedeelte der schaal, vormt

Bovenvlakte van een Zeeegel: a am-bnlaeraalvelden; lt tussehen-ambnla-

craalvelden. Slechts op een van beide i .itnVinlncrnnWi-pnlc Deze hestaat zijn do knobbeltjes en gaatjes aange- ao dmouiacidaiSUCCK. ueze ULhidai

duid. g genitaal-plaatjesƒ ig oogplaat- vijf ambulacraalvclden CU vijf

jes; m madreporen-plaat/ x aarsope- J

ning, excentrisch gelegen in het met tusschcn-amhulacraalvclden, die el-beweegbare plaatjes voorziene vlies

dat cle aarsopening der schaal sluit. kanclcr afwisselen Cll mcridiaans- of

gordelsgewijs van de eene pool naaide andere loopen, waarbij de ambulacraalvclden aan de oogplaatjes, de tusschen-ambulacraalsvelden aan dc genitaalplaatjes aanvangen. Elke van die gordels bestaat in den regel uit twee rijen van plaatjes, zoodat men gewoonlijk 20 gordels of meridianen waarneemt. Op elk plaatje der ambulacraalvclden ziet men een of meer gaatjes voor de ambulacraalvoetjes cn een of meer knobbeltjes; de tusschen-ambulacraalvelden bezitten alleen knobbeltjes. Op deze knobbeltjes staan de beweegbare stekels.

Dit maaksel der schaal kan nu eenige wijzigingen aanbieden, die wij hier evenwel met stilzwijgen moeten voorbijgaan. Alleen vermelden wij , dat bij vele soorten v/jf bloembladvormige ambulacraalvclden rondom den mond gerangschikt staan. Dc platte Echinoideën, bij wie dit plaats hoeft, naderen daardoor tot den vorm der Stelleridecn.

Laugs den binnen-omtrek van de mond-opening der schaal vindt men een mon dring, die, even als dc kalkring der Zeekomkommers, uit verscheidene stukken is samengesteld, met naar binnen gekeerde uitsteeksels. Hij dient tot [ondersteuning van den later te vermelden kauwtocstel en tot aanhechting van spieren.

ocr page 354

332

§ 427. De stekels loopen in gedaante en grootte zeer uiteen. Zij zijn naald-, staaf-, knods-, of zelfs ei- of bolvormig, zeer kort of zeer lang, soms tot 12 en meer centimeters toe. —Tusschen de stekels vindt men zekere zeer kleine, doeli nog met liet bloote oog zichtbare organen verspreid, die men pedicellariën heet 5 zij hebben den vorm van een driekleppig getand tangetje, dat zich gedurig opent en sluit (vgl. § 39G). Bij sommige Zeëgels (Spatamjas) vindt men ook nog trilborstels: borstelachtige aanhangsels, die met trilharen bezet zijn.

§ 428. Hot ambulacraal-watervaatstelsel is bij de Zeeëgels volkomen ontwikkeld. Zelden is echter het steenkanaal kalkachtig, meestal vliezig. Het aantal der Polische blaasjes bedraagt gewoonlijk vijf. Do voetjes kunnen zich bij de soorten, die lange stekels hebben, voorbij deze uitstrekken, en toch weer bijna geheel worden ingetrokken. Bij velen treden aan don rand der schaalmondopeningen nog tien korte, vertakte, voeler-achtige organen (mond-kieuwen) te voorschijn.

§ 429. De mondopening der schaal is gesloten door een rekbaar vlies, in 't midden waarvan zich de eigenlijke mondopening bevindt. Vele soorten bezitten een eigenaardi-gen kauwtoestel, die door die opening een weinig naar buiten kan treden; men noemt dien toestel den lantaarn van Aristotcles. Het maaksel er van is vrij ingewikkeld; genoeg is het hier te zeggen, dat de be-

weegbare stukken, waaruit de toestel bestaat , door veerkrachtige banden aaneen zijn gehecht en te samen een kegelvormig lichaam samenstellen, waarvan vijf stukken, de kaken genoemd (in fig. 271 zijn cr drie van zichtbaar) , de voornaamste deelen zijn. Elke kaak heeft aan de punt een spitsen tand; zijn de kaken gesloten, dan liggen die tanden over en langs elkander heen. Het bree-dere gedeelte der kaken is do kauwvlakte. De verschillende deelen van dezen kauwtoestel worden door talrijke spiertjes bewogen.

Do slokdarm loopt door den kauwtoestel heen en gaat over in

ocr page 355

333

een rolronden darm, die veel wijder is, ofschoon er geen gedeelte aan kan onderscheiden worden, dat men maag zou kunnen noemen. De darm vormt verscheidene bochten voor hij overgaat in den nauweren endeldarm, die zich in den aars opent. Ook de aarsopening der schaal is door een vlies gesloten, waarin zich, 't zij in hot midden, 't zij meer zijwaarts, de eigenlijke aarsope-iiing bevindt; dat vlies is in den regel bezet met een aantal onderling beweeglijke plaatjes (fig. 269).

Het bloedvaatstelsel komt over 't geheel met dat der Zeekomkommers overeen, maar de Zceëgcls bezitten een duidelijk, buisvormig hart, dat naast den slokdarm en het ondereind van het steenkanaal is gelegen. Het bloed is geel van kleur.

Tot de ademhaling schijnen te dienen do ambulacraalvoetjes, de zoogenaamde mondkieuwen en misschien ook nog meer inwendige deel en en de huid. Evenals bij de Zeekomkommers is do lichaamsholte gevuld met vocht, dat waarschijnlijk gedeeltelijk zeewater

S f

is; het is ook van de Zceëgcls onbekend hoe dat water naar binnen komt.

ocr page 356

334

§ 430. Het zenuwstelsel bestaat uit een mondring, uit de hoeken waarvan zenuwstammen (ambulacraalstammen) ontspringen. De ze-nuwring bezit van boven eene gleuf, die hem in twee concentri-sclie ringen verdeelt; de zenuwvezelen van den buitenring gaan geheel, die van den binnenring slechts gedeeltelijk in do ambulacraalstammen over. Deze liggen aan de buitenzijde dor ambula-

craalkanalen, en zijn, evenals ook de mondring, in eene vliezige schede bevat.

§ 431. De bol- of eivormige, met lange trilharen bezette diertjes, die uit de eitjes komen, veranderen in tentvormigc larven mot naar buiten uitstekende kalkachtige tentstaafjes. Zulk eene larve noemt men Pluteus. De Zeeëgel ontwikkelt zich uit een knop, die op den Pluteus uitbot.

§ 432. De Zeeëgels leven in helder zeewater liefst op een steen- on rotsachtigen bodem nabij de kusten Zij voeden zich met wier en kleine zeediertjes.

§ 433. Men verdeelt de Zeeëgels in twee orden, die der Bin-nen-topveldigen en Buiten-topveldigen.

§ 434. Eerste orde. Binnen-topveldigen (Endocyclica). Mond en aars tegenover elkander geplaatst aan de beide polen der schaal. De aars ligt steeds in het topveld. Een kauwtoestcl. § 435. Geslachten en soorten.

1. Cidaris (C'idarii). — Gewone C. (C. hijstrix). Middcllandsche Zee.

Fkr. 273.

2. Zeeklit (Echinus). — Gewone Z. of Zeeiippel, Zeetulband f (/•gt;. cscnlciilus.)

§ 430. Tweede orde. Buiten-topveldigen (Exocyclica). De aars niet in het topveld (§ 425), dus excentrisch; de mond in het midden der ondervlakte, of mede excentrisch verplaatst. De verplaatsing der aarsopening geschiedt steeds langs de middellijn van een der interambulacraal-velden, — die van den mond langs het ambulaeraalveld, dat tegenovergesteld is aan het interambulacraal-veld, waarin zich de aars bevindt. Sommigen hebben een kauw-

ocr page 357

335

toestel, anderen niet. De ambulacra zijn dikwijls bloombladvormig, vooral aan do rugzijde der schaal.

§ 437. Grcslachten en soorten.

1. Zeeschild (Clypeaster). — Kozerood Z. (C. rosaccus). Antilli-sche Zee.

2. Dwerg-zee-appel (EcJiinocyamus). — Gewone D. f (E. pusillus).

3. Zceliart {Spatanyus). — Purperen Z. f (lt;S. purpurcus).

III. KLASSE.

Ster diere n.

§ 438. De tj'pisclie vorm der Sterdiercn (Stelleridea) is die van de gewone aan ons noordzeestrand menigvuldige Zeester, bij welke vijf armen uitstralen van een deze verbindend middenstuk of lichaam. Er zijn er echter ook, die meer armen of stralen bezitten; — andere bij welke geen eigenlijke stralen zichtbaar zijn (Culcita) en die alleen uit eene vijfhoekige schijf bestaan; bij eeuige derge-lijkon (Asteriscus) puilen de vijf hoeken sterk uit en vertoonen dus een begin van stralen. Tevens zijn er anderen (de Slangsterren), bij welke de stralen of armen niet zoo zeer onmiddellijke voortzettingen van het lichaam of middenstuk zijn, gelijk in lig. 274, aL wel lange, rolronde aanhangsels daarvan. —De huid der Sterdiercn, ofschoon van kalk lichaampjes voorzien, is lederachtig en buigzaam. Ambulacraalvoetjes vindt men alleen aan de onder-vlakte der armen. Do mond is, evenals bij de Zcecgels, naar onderen gekeerd, en bij die soorten, welke een aars bezitten (immers niet allen bezitten die), bevindt zich deze steeds op de rug-of bovenvlakte.

§ 439. In de huid bevindt zich een netwerk van onderling beweegbare kalkbalkjes, die het huidskclct vormen. Op de huid staan knobbeltjes of schildjes, en stekeltjes, die soms penseelvormig zijn {paxillae); alsmede pedicellaricn (§ 427), die echter toeckleppig zijn. — Binnen de armen of stralen bevindt zich een vrij samengesteld inwendig skelet, eene soort van arm-graat of kolom, die wij niet in bijzonderheden zullen beschrijven, maar waarvan wij hier alleen vermelden, dat zij bestaat uit eene reeks van wervelachtige, onderling beweegbare schijfjes, die door kleine spieren

ocr page 358

33G

bewogen worden. Bij de Zeesterren staan deze werveltjes in verbinding met liuidseliildjcs, die langs do randen der armen de grens tussehen de boven- en ondervlakte vormen ; bij de Slangsterren is dit niet liet geval. Op verdere vcrscliillen zal bij do opgave van

Fix. 274.

Asterias rnhens.

de kenmerken der orden worden gewezen. — Deze wervelketen of kolom staat in verband met een nit vijf stukken bestaanden kalk-ring, gelegen rondom liet begin der mondliolte, en vergelijkbaar niet dien der Zeekomkommers en der Zeeëgels. Aan dezen ring lieehten zich spieren vast. Bij de Zeesterren en de Slangsterren staat die ring ook nog in verband met vijf paar mondlioekstukken, die bij de Slangsterren 't meest ontwikkeld zijn en een grijp- en kanwtoestel vormen.

§ 440, Het ambulaerale watervaatstelsel der Sterdicren komt in hoofdzaak met dat der beide vorige klassen overeen. De madre-porenplaat ligt bij de Zeesterren op de rugzijde, steeds bij een der door de armen gevormde inspringende hoeken (fig. 274), — bij do Slangsterren op eene dergelijke plaats aan de onderzijde. Het steenkanaal is kalkachtig. Sommige Zeesterren hebben meer

ocr page 359

337

dan ééne madreporenplaat; in dat geval hooft elke madrcporcn-plaat oen stcenkanaal. — Van de ambulacraalvootjes bezitten eenigo eene zuigscliijf, andere niet. Bij de ZeesteiTon liggen zij in twee of vier rijen in eene groeve aan de ondorvlakte dor armen, welke groeve zich van de spits van eiken arm tot aan den mond uitstrekt, en zich kan vernauwen of verwijden. Bij de Slangsterren staan zij langs de randen der armen.

§ 441. De mondopening der schaal is gesloten met een rekbaar vlies met eene opening in 't midden, die bijna onmiddellijk toegang verleent tot eene maag, welke bij de Zeesterren van blinde aanhangsels voorzien is, die zich in de armen voortzetten. Bij die Zeesterren, welke oen aars bezitten, ontspringt uit de maag een korte endeldarm, die zich in den op de bovenvlakte zich bevindenden aars opent. Bij de Slangsterren , waarvan goene eene aars bezit, is ook geen endeldarm aanwezig, en bezit de maag ook geene blinde aanhangsels of blinddarmen.

Het bloedvaatstelsel bestaat hoofdzakelijk uit een vaatring om den mond boven het ringkanaal, en een anderen aan den rugwand. Zij zijn verbonden door een buisvormig hart, dat tegen het stcenkanaal aanligt.

Tot ademhaling schijnen te dienen zekere tepeltjes, die door poriën op de rugzijde naar buiten treden. Doch er kan ook eene inwendige ademhaling plaats grijpen. De lichaamsholte is ook hier met vocht, gedeeltelijk zeewater, gevuld; hoe dit naar binnen dringt is nog niet volkomen zeker.

De eigenaardigheden, waardoor zich het zenuwstelsel der Ster-dieren van dat der overige Stekelhuidige dieren onderscheidt, gaan wij met stilzwijgen voorbij. Bij vele Zeesterren vindt men samengestelde oogen in de ambulacraalgroeve nabij de spits.

Fig. 275. § 442. De seksen schijnen bij de

Sterdieren steeds gescheiden te zijn, De larven, waarin de uit de eitjes gekomen infusoriënachtige kiemen zich veranderen, hebben uitwendig meer van den Auricularia-, dan van den Pluteus-vorm, op welke eerste zij

Larve van eene Zeester. , . i . i*

BipinnaHa daarin gelijken, dat zij zacht en buig-

zaam zijn. Zij komen echter daarin met Pluteus overeen , dat het volkomen dier er zich aan ontwik-

22

ocr page 360

338

kelt door knopvorming. Die larven verschillen echter onderling nog vrij veel, en dragen daarom verschillende namen: Bipinnaria, Brachiolaria, enz.

§ 443. De klasse der Sterdieren wordt verdeeld in twee orden, die der Zeesterren en der Slangsterren.

§ 444. Eerste orde. Zeesterren (Asteridae). Vijf (soms meer) stralen of armen die onmiddellijke voortzettingen zijn van het middenlichaam, — of een vijfhoekig (soms meerhoekig) lichaam zonder stralen. De werveltjes van het inwendig arm-skelet bestaan uit twee zijdelingschc, onderling beweegbare stukken; de wervelreeks zelve is tegen de ondervlaktc van den arm gelegen. De ondervlakte van eiken arm bezit eene overlangsche groef (§ 440), waarin de twee of vier rijen ambulacraalvoetjes liggen. Die groeve kan verwijd en vernauwd worden door de beweging van de zijdc-lingsche helften der werveltjes. De madreporenplaat ligt aan de rugzijde. Aan de maag blinddarmen, die zich in do holte dor armen boven het wervelskelet uitstrekken. Velen bezitten een aars, en deze is steeds aan de rugzijde gelogen.

§ 445. Geslachten en soorten.

1. Zeester (Asterias of Uraster). — Gewone Z. of Vijfvoet (A. ruhens); Violette Z. of V. (A. violacea).

2. Kamster (Aslropecten). — Oranje Kamstcr (A. aurantlacum). Middell. Zee.

3. Zonnester (Solaster). — Veelstralige of 13 straligc Z. f (S. papposas) •, Elfstralige Z. f- (S. Jiendckct).

4. Kussenster (Culcita). — Schijfvormige K. (C. discoidca). Mo-luksche Zee.

5. Stekelster (Echinas ter). — Geoogde S. f (-B- oculatus).

C. Brisinga (Brisinga). — Elfarmigc B. (/gt;. Hendekactiemos). Noorwcegsche kust. Schijf en armen als van een Slangster, doch overigens met de kenmerken der Astcriden.

§ 446. Slangsterren (Ophmridae). — Een ronde, soms iets vijfhoekige lichaamsschijf met vijf, zelden zes aan de buikvlakte ingeplante, lange, rolronde, worm- of slangvormige armen, als aanhangsels, niet als voortzettingen dos lichaams. De wervclreeks

ocr page 361

339

der armen is in de as van deze gelegen • de wervels bestaan uit één stuk. Geene ambulaeraalgroeven; de ambulacraalvoetjes staan aan Fig. 276. dc zijden der armen. De madreporenplaat

ligt aan de onderzijde. De mondopening is stervormig met vijf spleten, die de stralen dier ster voorstellen; dc mond is voorzien van een grijp- of kauwtoestel (§ 439). De maag bezit geene blinddarmen. Een aars ontbreekt.

§447. Geslachten en soorten.

1. Schubslangstcr (Opltiolcpls). — Gewone S. f (O. ciliata) en squamata).

2. Haarslangster (Ophiothrix). — Breekbare H. f (O. fragilis).

3. Adderster (Euryalc). — Ongetakte A. E. of Asteronyx Lóvcni), op dc kust van Noorwegen; Getakte A. (E. of Astropliyton arhoresccns). Middcll. Zee; Wrattige A. {E. verrucosa of Astropliyton verruca sum). Indischc Oceaan. Bij de beide laatste soorten zijn de armen in takken en deze in takjes verdeeld.

IV. K L A S S E.

Zeeleliën.

§ 448. De Zeeleliën (Crinoidea) bestaan uit ecne naar evenredigheid kleine centrale schijf of middenlichaam, waarvan zeer lange en dunne, uit geledingen bestaande buigzame armen uitstralen, die ter weerszijde met mede gelede aanhangsels of r an k e n bezet zijn. liet getal dor armen bedraagt bij Cornatula tien (vijf, die aan de basis ieder in tweeën gesplitst zijn), Pentacrinus veertig (door opvolgende verdeeling der tien armen). De vlakte der schijf waarin zich dc mond bevindt, is naar boven gekeerd, en week en naakt, dat is, niet van kalkachtige huidskeletplaatjes voorzien. De tegenovergestelde vlakte, die bij de Zeeëgels en Zeesterren de rugvlakte is, is naar beneden gekeerd en van een stelsel van kalkplaton voorzien; men noemt deze vlakte dc kelk. De armen bestaan uit kalkachtige schijven of geledingstukken, die aan de

ocr page 362

340

onder-, buiten-, of rugzijde bloot liggen, maar aan de boven-, binnen- of buikzijde bekleed worden door eene huid, die de voortzetting is van die der mond- of buikvlakte des middenlichaams. In do as van eiken arm loopt een kanaal, dat met eene gelci-aebtige stof is gevuld, en zich in de ranken voortzet. Aan de met huid bekleede binnenzijde der armen loopt eene ambulaeraal-groeve, die in vereeniging met de naast aanliggende begint aan een der hoeken van den vijfhoekigen mond. Bij Comatula zijn do kalkplaten van den kelk gedeeltelijk overdekt door een grooterc, vijfhoekige plaat, den knop, waaraan gelede ranken zijn ingeplant , welke het dier dienen om zich ergens aan vast te houden; bij Penfa-crinus vindt men in de plaats van den knop een langen vijfkantigen stoel, waarmede hot dier blijvend op andere voorwerpen vast zit. Die steel bestaat uit een aantal vijfhoekige stukken of geledingen , waarvan elk op de vlakte, waarmede het aan hot aangrenzende stuk raakt, de figuur eener vijfstralige ster of vijfbladige bloem vertoont. Door dien steel loopt een kanaal, dat met kanalen in de kalkplaten van den kelk en met die der armen en armranken gemeenschap heeft. Op zekere afstanden staan rondom den steel kransen van gelede ranken, die mede kanalen bezitten, welke voortzettingen zijn van het kanaal in den steel zei-ven. De armen worden bewogen en gekromd en de armranken naar elkander toebewogen door kleine spiertjes; ook de ranken van den knop van Comatula bezitten zulke spieren. Daarentegen bezit de steel van Pentacrinus, hoezeer buigzaam, geene spieren.

§ 449. Het ambulacraalwatervaatstelsel bestaat in een ringka-naal onder den mond, waaruit vijf ambulaeraalkanalen ontsprin-

ocr page 363

341

gen, diu zieli elk in tweeën declen, om dan bij Comatula in de 10, bij Penlracrinus tengevolge van de voortgezette verdccling in de 40 armen voort te loopen en wel aan de binnenzijde van eiken arm. Mot deze kanalen staan ambnlaoraalvoetjes in verband, die in de ambulacraalgroeve naar buiten treden, doch niet van zuig-napjes voorzien zijn en niet tot voortbeweging dienen. Bovendien bezit elke arm nog een ander waterkanaal, dat echter gcene gemeenschap heeft met het ringkanaal, maar wel met de lichaamsholte in het middenlichaam. Eeue madreporenplaat, Polische blaasjes en ampullen ontbreken.

§ 450. De kleine, vijfhoekige mond ligt midden in de naar boven gekeerde vlakte des lichaams. Hij voert in een korten slokdarm, en deze in een darm, die weldra zich naar de bovenzijde des lichaam ombuigt en in een spiraal rondom eene sponsachtige massa midden in het lichaam, naar den aars loopt. Die massa wordt verondersteld de lever te zijn. De darm eindigt als endeldarm in eone aarsopening, die dicht aan den rand der bovenvlakte gelegen is tusschen twee der ambulacraalgroeven.

Van een bloedvatenstelsel is nog niets bekend. De ademhaling geschiedt waarschijnlijk door de ambucraalvoetjes of de huid dei-bovenvlakte , misschien ook door den darm.

§ 451. In eiken arm bevindt zich eene zenuw, die takjes af-üondt naar de ranken. Deze zullen wel ontspringen uit een ze-nuwring om den mond, die intusschen nog niet ontdekt is.

§ 452. De eitjes der Zeeleliën ontwikkelen zich niet in de lichaamsholte, maar aan de basis der armranken, onder do huid der ambulacraalgroeven. Hot eivormige, mot trilharen omgeven diertje, dat uit hot eitje komt, verandert in eene larve, waarin zich, evenals binnen dat dor Zeekomkommers (§ 418), het volkomen dier ontwikkelt. Hierbij is op to merken, dat ook do jonge Comatula een mot dien van Pentacrinus overeenkomstigen steel bezit, welke aan 't ondereind voorzien is van een zuignapje, waarmede hot dier ergens aan vastzit. Later groeit het bovenste lid van don steel sterk in do breedte, en vormt zoodoende den knop; het volgende lid laat dan los, en de Comatula zwemt nu vrij in hot water rond, doch bezit, golijk reeds is gezegd , het vermogen om zich mot de ranken van don knop aan 't oen of ander voorwerp vast te houden.

§ 453. Do Zeelelicn leven in diep zeewater, waarin zij door

ocr page 364

342

middel van do armen zwemmen, en voeden zich met mikrosko-pische zeediertjes of kleine schaaldieren.

§ 454. Geslachten en soorten 1.

1. Haarster (Comatula). — Gewone H. (C. rosacea), Middel-landsche Zee; ook aan de westelijke kust van Spanje en Frankrijk en de zuidelijke van Engeland.

2. Zeelelie (Pentacrinus). — Medusa-hoofd (P. caput Medusae); Zeelelie van Kang (P. liangii). Beiden in de West-Indische Zee, maar zeldzaam. P. Ranyii heeft geen stoel, maar zit onmiddellijk met do kelk vast.

3. Wortcl-zeelelie (Rhizoarinus.) — Lofodinscho W. (lih. lofo-tensis).

HOOFDSTUK X.

IIOLTEDIEREN OP NETELDIEREN.

§ 455. De zesde afdeeling van het dierenrijk omvat de dieren, door Cuvior onder den naam van Zee netels (Acatephes) en F o-1 y p e n {Polypes) als derde en vierde klassen onder de afdeeling of groep der Straaldieren gerangschikt. Thans vereenigt men ze in ééne afdeeling, aan welke men den naam van Hollijvigen, Holtedieren (Coelenterata), ook wol Maagzakdie ren en Da rmloozigon geeft, en die ook, wegens het vrij algemeen bestaan van netelorganen, met den naam van Neteldieren {Acalephae) kan worden bestempeld. Zij zijn overigens radiaal-symmetrische dieren; dc verschillende deelen staan straalsgewijs om een gemeenschappelijke as geschikt, en hun aantal is door 4 of 6 deelbaar. — Met zeer weinige uitzonderingen leven alle Coe-lenteraten in de zee.

§ 456. Hoe ongelijk van gedaante en in samengesteldheid van bouw de Coelenteraten ook wezen mogen, zoo komen zij allen

1

Het aantal levende geslachten eu soorten van deze klasse is gering, dat der fossile, vóórwereldlijke soorten is zeer veel grooter. Neemt men deze laatste mede in aanmerking, clan kan men de klasse in twee orden verdoelen, die der Bloemleliën (Anthoidea) eu der Kiem-zee-leliüu (Blastoidea). Do levende soorten behooren, niet de meeste fossile, tot de eerste orde.

ocr page 365

343

daarin overeen, dat hun lichaam bestaat uit een zak met eene enkele opening, die tot mond- en aarsopening dient, terwijl de wanden van dien zak bestaan uit twee eellagen, die eene buitenhuid (ectoderma) en eene binnenhuid (eHtZoderma) vormen. Van zulk een hoogst eenvoudig dier is Protohydra Leuckartii, een voor ongeveer 15 jaren ontdekt diertje, een voorbeeld. Maar in den regel zijn de Coelenteraten, al kan men hen steeds tot den bovenge-noemden zak terugbrengen, meer samengesteld. Vooreerst liggen veelal tusschen de beide eellagen nog andere weefsels, o. a. sa-mentrekbaren vezels, en bezitten de meesten aanhangsels, vaste of wel holle voelers, voelarmen, grijparmen, wier holten met de algemeene lichaamsholte in verband staan, terwijl zich in diezelfde laag netel-organen ontwikkelen. Voorts splitst zich hij velen de algemeene lichaamsholte in twee met elkander gemeenschap hebbende afdeelingen, waarvan de naast aan den mond j,- g-g gelegene de maagzak heet. De overige lichaamsholte 'is vaak door tusschenschotten in afzonderlijke ruimten verdeeld, en bij eenigen vindt men kanalen, die mede met de genoemde holte in verband staan. Deze kanalen met het gedeelten der lichaamsholte, dat niet tot de maagzak behoort, vat men samen onder do benaming van gastrovasculair stelsel.

De netelorganen, die óf over de geheele oppervlakte verspreid zijn, of plaatselijk daar op gelegen zijn, dikwijls zelfs op de binnenvlakte der lichaamsholte worden aangetroffen, bestaan uit eene in de buitenhuid gelegen netel-cel, waarin een draad opgerold ligt, die mot groote snelheid naar buiten kan worden geschoten, wanneer het orgaan aangeraakt of gedrukt wordt. Die draad is fijn getand, of van fijne weerhaakjes voorzien, of hij bezit aan 't uiteinde een peervormig blaasje met weer-|5|t haakjes enz. Van de laatstbedoelde soort vau draden is in fig. 278 eene afgebeeld. Beneden in de figuur ziet men eene neteleel, en daarboven een uitgeworpen draad met peervormig uiteinde en weerhaakjes. Wordt iemands huid daardoor getroffen ('t geen bij het aanraken, b, v. van eene kwal, 't zij bij het zwemmen 't zij anderszins licht gebeuren kan) dan veroorzaakt dit eene brandende pijn, even als bij 't aanraken van brandnetels. Het is mogelijk dat bij 't indringen der puntjes of

ocr page 366

344

haakjes iu de huid tevens een scherp vocht binnen deze komt. Naar alle waarschijnlijkheid dienen deze organen bij het vangen der prooi. Het aantal der netelcellen verschilt; op sommige dieren , b. v. de Actinia's en de Zeekwallen vindt men zo bij duizenden verspreid. Bij eenigen, bepaaldelijk de Ribkwallen, vindt men ze ook in de inwendige lichaamsholte.

§ 457. Do spijsvertering geschiedt in de lichaamsholte of in den maagzak, waar deze bestaat. Bloedvaten worden bij de Coclen-teraten niet aangetroffen; het vocht, dat in do lichaamsholte bevat en een mengsel is van voedingsvocht cn water, wordt deels door de samentrekkingen des lichaams gehouden in cene stroo-inende beweging door de lichaamsholte en de daarmede in verband staande kanalen heen.

§ 458. Bij de Hydroiden (§ 480, 1) vindt men kleine zenuw-knoopen en zenuwvezeltjes. Do Rib- cn Schijfkwallen bezitten een zenuwring met zenuwknoopen , waaruit zenuwdraden ontspringen , die langs de gastrovasculair-kanalen naar de voelarmen en de zintuigelij kc organen loopen. Wat deze laatste betreft, zoo zijn vooral de vangarmen en voelers de organen van den bij allen zeer ontwikkelden tastzin. Gehoor- en gezichtsorganen wil men, gelijk wij later zullen zien, bij de Rib- en Schijfkwallen hebben waargenomen.

§ 459. Bij alle Coelenteraten vindt eene voortplanting door eieren plaats, cn bovendien planton zeer velen zich ook voort door knopvorming of door verdeeling. De door knopvorming ontstane dieren vormen in vele gevallen te samen eene kolonie of een stok (§ 396), waarbij de individuen, die tot eene en dezelfde kolonie behooren, echter dikwijls in gedaante en verrichting zeer verschillen. Het weefsel, dat de individuen van denzelfden stok met elkander verbindt {coenmclujma of sarcosoma), bezit steeds kanalen, welke met do lichaamsholte dier individuen gemeenschap hebben , zoodat al die lichaamsholten met elkander in verband staan.

§ 400. De afdeeling der Coelenteraten omvat drie klassen, die der Ribkwallen, der Polypkwallen en der Bloemdieren of Polypcn.

I. KLASSE.

Rihkiü allen.

§ 461. De Ribkwallen of .Meloenkwallen (fjlciiophorct) zijn dieren met een geleiachtig, doorschijnend of halfdoorschijnend lichaam,

ocr page 367

345

cUit meestal ilo gedaante van een min of meer oviilen kogel, ook wel vau een klok, of zelfs, tengevolge van sterke zijdelingsche afplatting en uitbreiding, van een band (fig. 223) bezit. Op de oppervlakte des lichaams bevinden zich meridiaanswijs loopende ribvormige verhevenheden, meestal acht, gevormd door plaatjes (zwemplaatjes) welke bestaan uit aan de basis samengroeide trilharen. De Ribkwallen bezitten óf geene, óf twee fin enkele gevallen tot zes) voel- of vangarmen, die zij vaak in eene soort van schede kunnen terugtrekken, en tot eene aanzienlijke lengte uitsteken, en die veelal met kleinere draden en mot netelorganen bezet zijn. Deze vangarmen zijn aan de zijden des lichaams geplaatst. Aan den mond vindt men bij eenigen zijdelingsche mondlobben. § 462. De wijde en ruime, of nauwe - en spleetvormige mond ligt aan de eene pool des lichaams en wel aan de onderzijde, en voert onmiddellijk in een maagzak, waarvan het achtereind, dat door spieren kan gesloten worden , door eene of meer openingen in gemeenschap staat met het achterste gedeelte der lichaamsholte, dat korter is dan de maagzak, en tree h t e r trechter eindigt in twee zakjes, die elk eene zeer kleine opening naar buiten bezitten. Uit den trechter ontspringen acht kanalen (gastro-vaseulairkanalen, voedingskanalen) die onder de ribben naar den mond loopen, en daar deels dadelijk, deels na een aantal bochten in de mondlobben of zijdelingsche uitbreidingen, zoo die er zijn, te hebben gemaakt, in een ringkanaal overgaan, dat om den mond loopt, liet gcheele gastro-vasculairstelsel is van binnen met trilharen bezet, waardoor de vcreischtc strooming daarin ontstaat. De vangarmen staan met dat stelsel in verband (§ 456).

§ 463. Afzonderlijke organen voor den bloedsomloop en de ademhaling bezitten de Ribkwallen niet, — tenzij men de gastrovas-

genaamd wordt. De

ocr page 368

34G

culair-kanalen als rudimentaire circulatie-organen wil bescliouwen. De ademhaling gescliiedt door alle oppervlakten, die met het water in aanraking zijn.

Aan de tegenover den mond staande pool des li cl mams (trech-terpool) ligt tusschen de bovengenoemde kleine openingen des trechters een zenuwknoop, waaruit zenuwen ontspringen, die onder de ribben en onder elk zwemplaatje eene knoopvormige verdikking bezitten. Op den centraalknoop, of, zoo er twee zijn, op eiken centraalknoop ligt een klein orgaan, dat als gehoorwerktuig wordt beschouwd. Zekere bruinroode vlekjes daarnaast zijn misschien gezichtsorganen.

De zwemplaatjes der ribben zijn zwemwerktuigen, — de voel-draden, gelijk wij zagen, tastorganen.

liet geheele lichaam kan zich zeer sterk samentrekken door middel van oveiiangsche en dwarse spierbundels.

§ 464. De eitjes der Ribkwallen ontwikkelen zich in instulpingen van den wand der gastro-vasculairkanalen. Zij worden door dezen in den trechter, uit dezen in den maagzak, en daaruit door den mond naar buiten gevoerd, In den regel komen de ribkwallen geheel gevormd daaruit en ondergaan dus gecne gedaanteverwisseling.

§ 465. De Ribkwallen leven in zee, meest in tropische of subtropische gewesten. Zij zwemmen vrij rond, door de beweging der zwemplaatjes en door de samentrekkingen des liehaams. Zij voeden zich met kleine zeedieren, vooral schaaldieren, — bij enkele groo-tcn vond men zelfs kleine vischjes in den maagzak. In hoever zij van de netelorganen gebruik maken om hare prooi meester te worden, is nog onzeker.

§ 466. De klasse der Ribkwallen wordt verdeeld in twee orden, die der Nauwmondigen en die der Wijdmondigen.

§ 467. Eerste orde. Nauwmondigen (jS'to«os^o?Hata). De mond is spleetvormig en nauw, evenals ook de maag. Vangarmen zijn bij de meesten aanwezig. De gastro-vasculair-kanalen geven gecne

ocr page 369

347

of althans slechts weinige dwarstakken af. Aan den mond, aan den treehterpool en soms elders vindt men bij velen lobhen of zijdelingsche aanhangsels, terwijl bij enkele soorten het gcheclo lichaam handvormig afgeplat en zijdelings uitgebreid is.

§ 4ö8. Geslachten en soorten.

1. Snavelribkwal (Euramphaea). — Vaandeldragendc S. (E. vexilligera), Middellandsche Zee. Groote mondlobhen en twee groote snavclvormige aanhangsels aan den treehterpool.

2. Ocyroe (Ocyroë). ■—Kristal-Ocyroe (O. crystallina), zuidelijke Atlantische Oceaan.

3. Zeeband (Ccstum). —Venusgordel (C. Veneris), Middellandsche zee.

4. Cydippe (Cyclijipc). —Kogelronde C. f (G pileus); Trechter-Cydippe t (C. infundihulum), zoo groot als een ei.

§ 469. Tweede orde. Wijdmondigen (Eurystomala). De mond is wijd cn rond ; do maagzaak insgelijks wijd. Geene vangarmen. De gastro-vasculaire kanalen geven talrijke takjes af, die zich weer in fijnere vcrdeelen. Geene vangdraden. Meestal eirond met afgeknotte mondpool.

§ 470. Geslachten en soorten.

1. Beroë (Beroe). — Gewone B. {li. Furs-kalt j. Middellandsche Zee. Eironde B. {li. ovata), Antillische Zee.

2. Kangia {Rangia). — Getande R. {ltm dentata. West-Afrikaansche Zee. Mondrand tusschen de ribben diep ingesneden

met oen voeler in elke insnijding.

II KLASSE,

K w al d i er e n.

§ 471. Deze klasse is samengesteld uil dieren van twee zeer verschillende vormen, te weten de Kwallen en die Polypen, aan

ocr page 370

348

wie men, tor onderscheiding van dc echte Polypcn of Anthozoa , den naam van Hydroid-polypen gegeven heeft. Zij is dit, omdat men geleerd heeft, dat die Hydroid-polypen en Kwallen verschillende ontwikkelingstoestanden van dezelfde dieren zijn, waarbij de polypen de rol van voedsters en de kwallen die van eierlcg-gende geslachtsdieren spelen.

Men hoeft aan do dieren dezer klasse de namen gegeven van Ilydromedusao of Hydrasmedusae (Hydroid- of Polypkwallcn) en van Hydrozoa (Hydradiercn). Wij zullen den naam van Polypkwallcn besparen voor cone der orden van deze klasse, maar duidelijkheidshalve , daar ook do naam van Hydroiden, taalkundig gelijkbotoekcnend met Hydrozoën, als eene ondorafdceling van die orde zal voorkomen, voor de klasse zelve eenvoudig don naam van Kwallen {Medusae) behouden, daar toch onze beschouwing van de verschillende diervormen, welke die klasse omvat, van de Kwallen in strikten zin, de Schijf- of Schermkwallen, behoort uit te gaan, en deze als dc meest volkomcne typen der overigen

§ 472. De Schijf kwallen of Schermkwallen (D!scomcdusae, Discophora) hebben een rond, schijf- of regenschcrmvormig lichaam, dat van boven in meer of minder mate gewelfd cn bij cenigc soorten zelfs klokvormig is. Die schijf (discus, umbrella) bestaat hoofdzakelijk uit cene tusschen de binnen- en buitenhuid liggende, meestal geleiachtige zelfstandigheid, cn is in den regel glashelder, of blauwachtig halfdoorschijnend. Dc on-dcrvlakte van hot scherm is vlak, of min of meer hol, en bekleed met een vlies (onderscherm) dat spiervezelen bezit, door wier samentrekking de schijf van gedaante kan veranderen. Dc rand der schijf is zelden gaaf en zonder eenige aanhangsels; vaak is zij in kwabjes verdeeld, cn waar deze niet aanwezig zijn, ligt er dikwijls aan de binnenzijde een zich horizontaal uitbreidend ringvormig vlies tegen aan, — de rand-

kunnen worden beschouwd. Fig. 282.

ocr page 371

340

{velum). Voorts is Fisr. 283.

lt;le rand meestal bezet met afhangende, lagere of kortere, voelers of voeldraden. Eindelijk neemt men bij velen o]) den rand ook zekere ran d-lichaampjes waar, die soms op steeltjes zitten, — bij anderen gekleurde stipjes. De randlichaamp-jes en stijyes zijn allerwaarschijnlijkst gezichtsorganen.

§ 473. Aan de onderzijde van het scherm, in het midden van het on-derscherm, ligt de mond, meestal voorzien van cene langere of kortere, samen-trekbare mondbuis (m oudst cel), die van vangarmen (mondarmen, m o n d la p p e n) omgeven is. Bij eenigen zijn vier of acht mondstelen, die oen grooter of kleiner aantal openingen bezitten, die als zoovele monden te beschouwen zijn. Die buis voert in de lichaamsholte des diers, die tegelijk verteringsholtc is, en waaruit de gastro-vasculairkanalen langs de holte of ondervlakte uitstralen naar een ringkanaal in den ronden omtrek, ofschoon dit kanaal bij sommigen ontbreekt. Bij vele lagere en kleine schijf kwallen bevindt zich de spijsvcrteringsholte niet in de zelfstandigheid van het scherm, maar hangt aan de ondervlakte daarvan als een klepel in een klok (maagsteel). Uit den bodem van dien steel ontspringen


ocr page 372

350

dan do gastro-vasculaire of voedingskanalen. Het aantal vai deze laatsten is (§ 455) gewoonlijk door i of soms door G deelbaar.

IJij verschillende soorten heeft men een in den rand der schijf verloopenden zenuwring met knoopachtigc verdikkingen waargenomen. Hierdoor wordt de samentrekking van het scherm geregeld en elke zenuwknoop is een middenpunt van beweging voor een gedeelte van het scherm.

De schijf kwallen leven in zee en voeden zich, gelijk trouwens alle kwaldiercn, van zeedieren. De vangarmen en vangdraden dienen de soorten die ze bezitten tot bemachtiging van hare prooi. Zij zwemmen in volle zee door afwisselende samentrekking en uitzetting des lichaams.

§ 474. De Hydroid-polypen of Hydrozocn zijn kleine dieren van eene buis-, knods-, beker- of kelkvormigc gedaante, die aan het eene gesloten uiteinde vastzitten, terwijl zich aan het tegenovergestelde uiteinde dc mond bevindt, die rechtstreeks voert in do lichaamsholte of spijsvorteringsholto. Moestal is de mond, die tevens tot aars dient, omgeven van langere of kortere vangarmen, die hol zijn en in gemeenschap staan met de lichaamsholte. De hydroide-polypen vormen meest allen koloniën of vertakte stokken. Zulk een kolonie ontstaat, wanneer een uit een eitje gekomen dier (planula), na eenigen tijd vrij rondgezwommen te hebben, zich ergens aan heeft vastgezet en dan tot een hydroid-polyp ontwikkeld is. Het vermenigvuldigt zich dan door knoppen aan uit-loopers van zijn eigen zelfstandigheid; die telkens zich op deze wijze vormende hydroid-polypen blijven op do plaats van haar ontstaan vastzitten, en zoo vormt zich eene kolonie van hydroid-individuen (polypoïden), die op een gemeenschappelijk gedeelte van den stok (cocnosarca) vastgehecht zijn. In het coenosarca loo-pen kanalen, die door eene opening in het vastzittend uiteinde der individuen gemeenschap hebben mot dc lichaamsholte van deze. Zulk eene hydroid-kolonie is dus te beschouwen als één onkel samengesteld dier, alhoewel desniettegenstaande elk dool er van zijne eigene individualiteit blijft behouden.

Hot weoke coenosarca is meest altijd omgeven door eene chi-tinelaag, die door do oppervlakte or van wordt afgescheiden; veelal zijn ook de polypoïden zolvon daarmede omkleed; slechts zelden is een hydroid-polyp geheel naakt, zooals de Zootwatorpolyp (Hy-

ocr page 373

351

dra). In ccnigc gevallen (Millepora) verhardt het eoenosarea door afzetting daarin van kalkzouten.

§ 475. Na alzoo met de twee hoofdvormen van deze klasse te hebben kennis gemaakt, zullen wij het verband, dat er tusschen

Fier. 285.

die beide bestaat, ophelderen door het een en ander mede te dee-len over de voortplantingswijze er van. Wij zullen ons daarbij echter tot eenige hoofdzaken en algemconc aanduidingen bepalen.

ocr page 374

352

Do kwallen planten zich voort door eitjes, die zich ontwikkelen onder aan het scherm, in den omtrek der mondbuis, of aan de gastro-vasculaire kanalen. Uit het eitje komt een rond, eirond, of langwerpig, met trilharen omzet diertje, 't geen vrij rondzwemt. Nu kan het volgende plaats grijpen.

1°. Uit het bedoelde diertje ontwikkelt zich rechtstreeks eene kwal. Dit geval is echter zeldzaam.

2°. Het diertje zet zich met hot eene eind ergens aan vast en ontwikkelt zich nu tot oen op oen hydroid-polyp gelijkend wezen met een mond, voeldraden en spijsverteringsholto. Op do plaats dor vasthechting vormt het zijdelingsche uitloopors, waaruit door knopvorming dergelijke dieren ontstaan. Na zoo eenigen , soms ge-ruimen tijd, geleefd te hebben, ontstaan aan het lichaam kringsgewijze insnoeringen, die al dieper en dieper worden, en aan do randen der aldus gevormde schijfjes vormen zich regelmatige insnijdingen. Men geeft nu wel eens aan liet dier den naam van strobila, wegens oenige oppervlakkige gelijkenis op een kogelvrucht (strohilus). Woldra verkorten zich de vangdradon dor bovenste schijf, waarin zich de mondopening bevindt, om eindelijk geheel te verdwijnen, waarna die schijf los raakt, zich omkeert, en als een jong kwallotje, voorzien van een vrij langen mondstecl, daar heen zwemt. Achtereenvolgens scheiden zich nu ook de volgende segmenten af, en worden kwallen. Maar met het onderste, vastzittende segment geschiedt dit niet. Hieraan ontwikkelen zich nu vangarmen en het noemt in lengte toe, om zich later wellicht weder in segmenten te verdoelen. Deze wijze van ontwikkeling vindt meer bepaaldelijk bij de lioogero kwallen plaats.

3°. Het uit het ei gekomen diertje zet zich vast, en ontwikkelt zich tot een Hydroid-polyp, waaruit door knopvorming oen vertakte hydroid-polypenstok (hydrariurn, ter onderscheiding van het polyparium der echte polypen) ontstaat. Aan dien stok kunnen zich echter niet alleen nieuwe polypoiden, maar, mede door knopvorming, ook kleine kwallen ontwikkelen, die na eenigen tijd loslaten en voort zwemmen. Maar bij vele hydroid-koloniën komen do door knopvorming ontstane kwallen niet tot die ontwikkeling, welke voor hot leiden van een zelfstandig loven veroischt wordt, en blijven in meer of minder onontwikkoldon toestand op don stok vastzitten, Dit neemt niet weg, dat die kwalachtige wezens eieren voortbrengen, uit welke, evenals uit die der vrij zwemmende kwal-

ocr page 375

353

Ion, kiemen ontstaan, die op do boven aangeduide wijze tot niemvo hydroid-polypen of voedsters worden. Men geeft aan die blijvend vastzittende kwalletjes den naam van meduso'idcn.

Eene kolonie, waaraan zich èn polypoïden, èn medusoïden bevinden, do laatste soms in verschillende ontwikkelingstoestanden, geeft een denkbeeld van eene veelvormige (polymorphe) kolonie of van een polymorph samengesteld dier. Dat polymorphisme wordt nog grooter, wanneer ecnige individuen, deels polypoïden, deels medusoïden, zich aan een en denzelfden stok eenzij dig ontwikkelen, dat is, wanneer bij ecnige dier individuen zich enkele doelen wel, soms zeer sterk, andere daarentegen weinig of niet ontwikkelen, en iedere daardoor ontstane vorm ccnc verschillende rol speelt in het gemeenschappelijke lever der kolonie. Dit nu is het geval met de Buiskwallen (Sipltonophoren), waarover wij later zullen spreken.

Na deze algemeene aanduidingen zullen wij overgaan tot eene korte beschouwing van de drie orden, welke wij voor deze klasse aannemen, te weten die der Hoogerc kwallen, der Hardkwallen en der Polypkwallen.

§ 476. Eerste orde. Hoog ere kwallen. (Eumcclusac). Schijfvormige of halfbolvormige kwallen, met een in lobben verdeelden schermrand, onder welke lobben de randlichaampjes bedekt liggen. Geen randzoom; een van spieren voorzien onderscherm. Veelal, niet altijd, voelers of voel draden aan den rand. Een zeer ontwikkeld gastro-vasculairstelsel. De eieren ontwikkelen zich in gekronkelde plooien in den omtrek van den mondsteel. Bij de geslachten Aurelia en Cyanea is de in § 475 onder 2 beschrevene ontwikke-lingswijze waargenomen, en waarschijnlijk geldt deze voor do geheele orde.

§ 477. Geslachten en soorten.

I. Eenmondigen (Monostomidea). Eene enkele van vier vangarmen omgeven mondopening aan het einde van een korten mondsteel.

1. Zeekwal {Medusa, Aurelia). — Geoorde Z. f (M. of A. «?lt;-rita); Gekruiste Z. f (M. of Aurelia cruciata).

2. Cyanea {Cyanea). — Harige C. f (C. capillata); C. van Lamarck f (C. Lamarehii).

23

ocr page 376

354

3. Hoedkwal (Clirysaora. — Gewone H. f {Ch. liyosce.Ua).

II. Veelmondigen (Polystomidae). Vier of acht, zich doorgaans vertakkende mondstelen (§ 473).

4. Zeepaddestoel (RJiizostoma). — Z. van Cuvier -J- (lih. Cu-vierii). Z. van Aldrovandi (lih. Aldrovandi) Middell. zee.

§ 478. Tweede orde. Hardk wallen (Tr achy medusae). Een

schijf- of halfbol-vormig, bij sommigen min of meer vierkantig, bij anderen beker- of trechtervormig scherm, dat vaster en minder beweeglijk is dan bij andere kwallen.

Ook de voelers zijn dikwijls stijf en niet samentrekbaar. De rand glad, gelobd of gekerfd. De meesten bezitten een randzoom. De eieren vormen zich in de gastrovasculaire kanalen; de ontwikkeling der kiemen tot kwallen is óf cene rechtstreeksche, of heeft plaats door tusschenkomst van voedsters, die hier den vorm van vrij levende kwallen hebben.

Tot deze orde brengt men thans ook de Kelkkwallen of Kelk-polypen (Lucernariën), die men vroeger onder de volgende klasse, die der echte of Blocmpolypen rangschikte, ofschoon reeds Lamarck ze tot de Zeenetels bracht. Inderdaad gelijken zij , bij eene oppervlakkige beschouwing, uitwendig veel op echte polypen; zij zijn intusscheu kwallen, die door een korten en vrij dikken steel blijvend vastgehecht zijn aan wier, zeegras, enz., en wier schijf kelk- of trechtervormig is, met den bodem der kelkholte, in 't midden waarvan de mond ligt, naar boven gekeerd. Zij verschillen dus in dit opzicht op dezelfde wijze van de overige kwallen, als de vastzittende Zeeleliën van de overige Sterdieren verschillen. De randen der schijf zijn boogsgewijs uitgesneden; in elke uitsnijding ligt een knobbeltje, en op den top van elke slip staan korte, geknopte voelers. De mond, voorzien van eene zeer korte

ocr page 377

355

mondbuis, voert in de licliaamsholte, waaruit zich vier kanalen in den voet voortzetten om daar in een gcmeenschappclijken blinden zak te eindigen. Voorts bestaan er vier gastro-vasculaire kanalen, die in een ringkanaal uitloopen; in die kanalen ontwikkelen zich de eitjes. De schijf is samentrekbaar door de werking van eene kringspier aan den rand en straalsgewijze spieren in de slippen. Bij de voelers bevinden zich stippen, die waarschijnlijk gezichtsorganen zijn.

§ 479. Geslachten en soorten.

I. Vastzittende Hardkwallen (T. sessilcs; Luccrnaridae).

1. Kelkkwal, Kelkpolyp (Lnccrnaria). — Gewone K. -j- (L. auricula).

II. Vrije Hardkwallen (T. Tyiherae).

2. Chaiybdea (Charyhdea.) — Zak-Charybdca (Cfi. marsupialis.)

Met Charyhdea, behooren hier de geslachten Arcjina en Gcryo-

nia, die duidelijk kwallen zijn, en op welke de in den aanvang van de vorige § gegevene beschrijving geheel van toepassing is. Gcryonla bezit een zeer langen mondsteel, die als een slurp uit het scherm naar buiten steekt. Het aantal vangdradenquot; bedraagt meestal 4. Zij leven meestal in do Middellandsche Zee en de zeeën der warme gewesten.

§ 480. Derde orde. Polypkwallen (Hydromedusae.) Kwallen of medusoïden (§ 475), ontstaande door uitbotting uit polypoïde voedsters, die een getakten stok vormen. Zij worden verdeeld in twee onderorden.

1. De eerste ondcrorde is die der Hydroïden (Hydroidea). De voedsters of polypoïden zijn in den regel vastzittend. De eierleggende geslachtsdieren of kwallen hebben een ongelobden rand en een randzoom. Meestal onvertakte gastro-vasculaire kanalen. Geen drijftoestel noch zwemklokken. De eieren vormen zich of aan de gastro-vasculaire kanalen, of aan de maag of mondsteel.

2. De tweede onderorde is die der Buiskwallen (Siphonophora). Deze zijn vrij in de zee drijvende of zwemmende koloniën, samengesteld uit in gedaante en verrichtingen zeer van elkander verschillende individuen (bladz. 353), waarvan eenige een drijf-en zwemtoestel uitmaken. Eene Siphonophoren-kolonie kan hebben:

ocr page 378

356

1°. voedingspolypoiclcn, overeenkomende met gewone hydroïd-polypoï-den; 2°. eierleggende medusoïden; 3°. tastpolypoïdcn , gelijkende op voe-dingspolypoïden , maar langer en zonder mondopening; 4°. zwemklokken,

t. w. kwalschermen zonder maagholte en mondsteel, die als bewegingsdie-ren dienst doen; bij eenige soorten nemen zij den voim van met lucht gevulde blazen aan; 5°. dekstukken (alleen bij eenigen bepaalde soorten; zooals Diphyes): stijve, slechts tot zekere hoogte ontwikkelde kwalschermen , die tot beschutting der andere doelen dienen. — De voortplanting geschiedt door de eieren der medusoïden, waaruit jongen voortkomen, die door knopvorming een stok vormen , waaraan dan de genoemde dee-len ontstaan.

§ 481. Geslachten en soorten.

I. Hydroïden (Hydroïdca).

A. Vrije kwallen.

1. Mesonema (Mcsonema).— Gewone M. f (M. llr.nlc-ana.)

Zeecypres.

Fig. 289.

ocr page 379

357

2. Thaumantias (Thaumanlias). — Kalfkogelvonnigc Th. f

Th. hemisphaerica).

Eon zoetwaterpolyp vergroot, die eene wa-tervloo (Daphnia) gevangen heeft; a mond.

Geklokte Dubbelblaas {Diphycs campami-lata). A a stam of .as der kolonie; m zwem-klokken; c holte daarvan, met een samen-trekbaar vlies bekleed; v kanalen in den wand der klokken; o opening der zwem-klokken; ee medusoïden, voedings- en tast-polypoïden met dekstukken; B een afzonderlijk dekstuk, a stam; t dekstuk; g medusoïden; n voedingspolypoïden; i tastpolypoïden.

ocr page 380

358

8. Cladonema (Cladonema). — Gestraalde C. (C. radiatum). Belgische en waarschijnlijk Nederlandsche kusten.

4. Oceania (Oceania). — Roode O. f (O. sanguinolmta).

B. Voedsters. Hydroid-polypcn.

1. Tandhorenpolyp (Sertularia). — Zcecypres f (S. cupres-sina). Er zijn nog geene vrije kwallen bekend, die aan eene Sertularia haren oorsprong te danken hebben.

2. Pluimpolyp (l'lurnularia). — Zeeborstel, Zeepluim f (P. pluma). Ook van deze kent men nog gecne vrije kwallen.

8. Millcpora (Millcpora). — Getakte M. (M. alcicornis). Kalkachtig en hard. Antillische Zee.

4. Klokpolyp (Carnpanularia). — Slingerende, gaafran-dige, gekranste Klokpolypen f (C. volubilis, integra en verticillata).

5. Pijppolyp (Tuhularia). — Pennesehaft f (T. calama-ris). Brengt vrije kwallen voort van het geslacht Dinema.

6. Syncorync (Syncoryne). — Kleine S. f (S. pusilla); is mede voedster van volkomene kwallen.

7. Kruispolyp (Stauridia). — Gestraalde K. t (S. radiata) de voedster van Cladonema radiatum.

8. Zeerasp (Hydractinia). — Ruwe Z. f (H. echinaia).

9. Knodspolyp (Clava). — Gewone K. f (C. muit kornis).

10. Protohydra (Protohydra). P. van Leuckart (P. Leuck-artii). Bij Ostende. (§ 456) Vermenigvuldigt door dwarsche deeling op de wijze der infusiediertjes.

11. Zoetwaterpolyp, Armpolyp (Hydra). — Gewone Z. f (H. vulgaris); Bruine Z. f (11. fusca); Groene Z. f (II. viridis) 1.

1

Do Hydra's of Zoetwaterpolypeu vormen geene stokken of koloniën, maar leven afzonderlijk, gehecht aan de bladeren of stelen vau waterplanten. Die aanhechting is echter willekeurig; zij kunnen zich op het voorwerp, waarop zij zich bevinden, langzaam voortbewegen, doordien zij met hnnne vangarmen een ander punt aangrijpen, vervolgens hun onderdeel van dat, waar zij aan vast waren gehecht, losmaken en het daarna weder op het gegrepen punt vasthechten. Het uiteinde van het onderdeel, waarin zich eeue kleiue opeuiug (echter geen aars) bevindt.

ocr page 381

359

12. Zeckain {Ilallloplws). — II. mirahilis, die aan de kust

van Noorwegen en de Shetlandsche eilanden leeft, is een middenvorm tusschen de Hy-droid-polypen en de Bryozoen, gelijkende op een Hydroide, maar met hoefijzervormige vangarmen, als de Kampootige Bryozoen, terwijl het dier ook in eenige andere opzich-

ter. met deze laatste overeenkomt. Vormt stokken.

II. Buiskwallen (Siphonophora).

1. Dubbelblaas (Diphyes). — Geknotte D. (D. truncala), aan de kust van Noorwegen •, Spitse D. {D. acuminata), Mid-dellandsche Zee; Groote D. (D. of Fraya maxima). Mid-dellandsehe Zee.

2. Blaaskwal {Physsophora). — Gewone B. {Ph. hydrostatica), Aliddellandsehe Zee; Gekleurde B. Ph. mazonema)), zuidelijke Atlantische Oceaan.

werkt daarbij als zuigorgaan. Aan de lange en zeer beweeglijke vaug-armen bevinden zich uetelorganen van den in fig. 278 afgebeelden vorm; met de draden daarvan omstrengelen de hydra's hunne prooi. Het herstellingsvermogen der hydra's is zeer groot, gelijk de door Trem-bley reeds in 1744 medegedeelde en door lateren herhaalde proeven leeren. Men kan het lichaam van een deel berooven, en dit groeit weer aan; men kan het in de dwarste en de lengte in stukken snijden, en elk afgesneden stuk wordt weer eene hydra. Ja men kan het lichaam als een der vingers van een handschoen omkeeren, en het dier gaat voort te leven en voedsel tot zich te nemen. Op alle punten van 't lichaam eener hydra kunnen zich knoppen vormen, die tot jonge hydra's zich ontwikkelen, welke zich later afscheiden (fig. 289). Ook schijnen zij zich soms voort te planten door zich in stukjes te verdeelen. Zeker echter is het, dat zij zich mede voortplanten door eieren, die ontstaan in een knopje of zakje aan het dikste gedeelte des lichaams, welk knopje te vergelijken is met eene medusoïde op den laagsten trap van ontwikkeling.

ocr page 382

3G0

3. Zeeblaas {Physalia). — Bezaantje, Bij-den-wiud zeiler, Portugeesch oorlogschip {Ph. pelagiea). Zeeën der hecte gewesten.

4. Velella (Vddla). — Gewone V. (V. sptrans), Middell. Zee; Breede V. {V.lata), noordelijke Atlantische Oceaan; Linksche V. (F. sinistra of antarctica), zuidelijke Atlantische Oceaan.

5. Porpita Por pita. — Grewone P. (P. mediterranea); Mid-dellandsche Zee.

III. KLASSE.

Pohjpen of Bloemdieren

§ 482. De naam van Polypen of Veelvoeten werd (§ 356) dooide ouden gegeven aan eenige soorten van kopdragende weekdieren, doch in lateren tijd heeft men, zonder op die oorspronkelijke bcteekenis te letten, dien naam toegepast op dieren van een veel eenvoudiger maaksel, — dieren, wier lichaam buis-, kelk- of bekervormig is en wier mondopening door vangarmen of vangdraden is omgeven. Wij hebben reeds een aantal van dieren, waarop deze kenmerken van toepassing zijn, leeren kennen onder den naam van Mosdieren (§ 39 G), Lucernariën (§ 478) en Hydroid-polypen (§ 480); doch de eigenlijke Polypen {Polypi), Straal-p oly p en {Actinopohjpi) of Bloemdieren (Anthozoa), die wij nu moeten beschouwen, verschillen van deze in menigerlei opzicht, bepaaldelijk en vooral daarin, dat zij een maagzak bezitten, cn het daar achter gelegen gedeelte der lichaamsholte door tusschenschotten in vakken is gescheiden, die zich in de holle vangarmen voortzetten.

Zooals wij later zullen zien , vormen de meeste polypen koloniën of stokken, die zeer dikwijls vertakt zijn cn dan inderdaad wel hot aanzien hebben van eene plant. Daarom is het niet te verwonderen dat men deze van oude tijden af voor zeeplanten hield, niettegenstaande de vaak steenachtige hardheid der stokken; vandaar de nog wel in het dagclijksch leven gebruikelijke naam van Koraalgewassen. Dat gevoelen kreeg zelfs in lateren tijd een steun, toen in het begin van de vorige eeuw De Marsigli

ocr page 383

361

du bloemen van verschillende koraalgewassen ontdekte. Eerst in 1725 maakte Peyssonel zijne onderzoekingen bekend, waaruit bleek, dat de zoogenaamde koraalgewassen voortbrengsels van dieren, en de vermeende bloemen de dieren zelve waren.

§ 483. De Polypdieren zelven komen onderling in vorm en samenstel vrij wel mot elkander overeen, daargelaten de versehillcn

in grootte, betrekkelijke lengte en kleur. Ieder bezit van boven eene mondsehijf met den mond in het midden; die mondsehijf is met vangarmen omzet, wier aantal 8, 6 of een veelvoud van 6 bedraagt. De vangarmen zijn hol, meestal intrekbaar, en van kleine openingen voorzien, door welke het in den vangarm bevatte water kan worden uitgedrukt; voorts zijn de vangarmen bezet met neteldraden. De mondopening voort in een maagzak, die in den bodem eene opening met eene kringspier bezit, door welke men komt in de achter den maagzak gelegene lichaamsholte. Aan de binnenvlakte van die holte ziet men overlangsche plooien (mesent er ia alp 1 o o i e n), die zich voorwaarts aan den maagzak inplanten en tusschenschotten vormen, waardoor holten ontstaan, die zich tot in de vangarmen voortzetten. Aan 't achtereind van elke plooi ziet men een draad, m es en te ri aal dra a d.

§ 484. Eenige polypcn, zooals de Actiniën of Zee-anemonen, zijn enkelvoudige dieren. Hun lichaam loopt achterwaarts uit in eene schijf, die men voet noemt. Blijft die voet week, dan is ook, even als bij Hydra (§ 481 noot), doch op andere wijze, namelijk door voortschuiven, eene langzame plaatsverandering mogelijk. Gewoonlijk echter verhardt hij en is het dier daarmede onbeweeglijk aan cenig voorwerp, een steen of eene rots, vastgehecht. Enkele Actiniën, alsmede de samengestelde geslachten Pennatala, Verelillum, cn daarmede verwante soorten steken alleen met het uiteinde van den stok in hot zand of slib van den zeebodem. — De meeste polypcn zijn samengestelde dieren, waarvan dc indivi-

ocr page 384

3(52

duen op een polypenstok (polyparium) vcreenigd staan, welk po-lyparium, naarmate der soort, eene zeer verschillende gedaante kan bezitten.

§ 485. De voortplanting dezer dieren geschiedt door eieren of door knoppen. Uit het ci komt eene ronde of eironde, met trilharen omzcttar larve, die eerst vrij rondzwemt, maar zich later met het eene einde vastzet. Rondom den mond beginnen zich nu vangarmen te vormen, terwijl tegelijkertijd de maagzak en de mesenteriaalplooicn ontstaan. — De knoppen ontstaan aan de zijden des lichaams en ontwikkelen zich tot nieuwe individuen, die bij de week blijvende soorten zich kunnen afscheiden om een zelfstandig leven te leiden, maar bij de polypen met verharde weefsels aan het moederdier vast blijven en zoo de oorzaken worden van het ontstaan en de vergrooting van den polypenstok. Men neemt ook Fiquot; 29G eene vermenigvuldiging waar

door vcrdecling van de mond-schijf. Deze wordt dan eerst van rond langwerpig en verdeelt zich vervolgens in twee monden. — Bij eenige soorten neemt men ook waar, dat de mondschijven en de monden zich in ééne richting uitzetten, zoodat door het elkander ontmoeten der zich alzoo vergrootende mondschijven deze dan een kronkelend verloop verkrijgen (Maeandrina enz.). — In eiken polypenstok hebben de lichamen van al de individuen

Fiff. 295.

ocr page 385

3G3

gemeenschap met elkander door kanaaltjes in het coenosarca.

§ 486. Do meeste polypen verharden voor een grooter of kleiner gedeelte, natuurlijk met uitzondering van de vangarmen en de tot de voeding noodige gedeelten. Die verharding geschiedt door neerzetting in het tot dusver weekc lichaamsweefsel van ccne chitinc-achtige stof of van kalk. Bij de Alcyonariën geschiedt de verharding door neerzetting van vrije kalklichaampjes (scleroder-miten , scleriten), waarbij de stok toch nog altijd vloesch- of sponsachtig blijft, ofschoon ook hier do kalklichaampjes elkander kunnen ontmoeten en samenvloeien. Bij de Madreporen en verwante geslachten daarentegen vormen zich geene vrije kalklichaampjes, maar eene samenhangende, dichte massa kalknaalden mot slechts geringe tusschenruimten. Deze skeletvoiming begint aan den voet of het achterste gedeelte des lichaams, en zoo ontstaat, bij de gestadig voortgaande uitbotting van nieuwe knoppen , eene gemeenschappelijke harde, horen- af kalkachtige as van den polypenstok, die door het week gebleven coenosarca omgeven is. Veelal vormt zich dan ook eene dunne harde scheede om do individuen. Bij de Madreporen verkalkt de geheele lichaamswand (die dan den naam muur en, met den verkalkten voet, van kelk verkrijgt) en ook de meseuteriaalplooieu, die dan straalschotten (septa) heeten, tusschen welke dan weer nieuwe verkalkte tusschenschotten ontstaan.

§ 487. De vorm der polypenstokken is overigens zeer verschillend. Sommigen zijn massief en bestaan uit onderling tot écne massa samengegroeide polypen; andere vormen eene soort van zoode, waarboven de afzonderlijke individuen, of de korte uit individuen saamgestelde stammetjes zich verheffen; nog andere nemen den vorm van gekrulde bladeren aan of vormen struik- of boomvormig vertakte stokken. De grootte is ook zeer verschillend. Er zijn koraalstammen van 15 voet hoogte en 3 voet dikte waargenomen. — De harde deelen der polypen vormen, wanneer het weeke gedeelte niet meer leeft, den grondslag, waarop de levende kolonie vastgehecht blijft en waarop zij als ware het voortbouwt. Zoo is het te begrijpen, dat in de zeeën der tropische gewesten, waar de meeste soorten te huis behooren, koraalrotsen en koraalriffen kunnen ontstaan. Daarover, en over de wijze waarop zich uit de koraalrotsen en riffen eindelijk koraaleilanden vormen, verwijzen wij naar De. Magt van het kleine van den Hoogleeraar Halting (Amst. 1806). Uier willen wij alleen zeer iu 't algemeen

ocr page 386

364

de meest waarschijnlijke wijze van ontstaan der koraaleilanden aanduiden. Er heeft steeds op onderscheidene plaatsen van den aardbol oene uiterst langzame daling van den bodem plaats, waar tegenover eene rijzing van dien bodem op andere plaatsen staat. Indien nu een eiland, door dicht aan het strand aansluitende ko-raalriffen (strandriffen) omgeven, in den loop der tijden langzaam daalt, dan zullen de koraalriffen op dezelfde hoogte blijven wegens den gestadig naar de oppervlakte der zee voortgaande groei der koraalpolypen. Zelfs zal dat rif eindelijk boven water komen en breeder worden, omdat de golven de brokken en hot gruis daarop en daartegen werpen, die afkomstig zijn van de afgestorvene en afgebrokkelde gedeelten van het rif. Eindelijk moet zich ten gevolge van de voortgaande daling van het eiland tus-schen dit en het rif een kanaal vormen, en dat rif alzoo veranderen in een kanaal rif. Is ten laatste hot oorspronkelijk eiland geheel onder de oppervlakte der zee verdwenen, dan zal er een uit koraal bestaand kringvormig rif overblijven, waardoor een meer (lagune) omsloten wordt. Op dat rif, nu een kringvormig eiland, (atol), spoelen zeewier, doode zeedieren, allerlei organische stoffen aan, die met het verweerde kalkgruis en den mest van dui-zende zeevogels eene vruchtbare aarde vormen, waarin aangespoelde kokosnooten en door vogels overgebrachte plantenzaden ontkiemen.

§ 488. De polypen leven allen in zee en voeden zich met zeer kleine zeediertjes, die in den maagzak worden verteerd en waarvan de overblijfsels door den mond weder worden uitgeworpen. De voedende stoffen komen in het water, dat zich in de lichaamsholte bevindt, en waar dit door trilharen in strooming wordt gehouden. De armen schijnen ook adcmhalings-organen te zijn. Sporen van een zenuwstelsel zijn nog niet waargenomen. De tastzin zetelt vooral in de armen. Het uitsteken van deze laatste geschiedt door daarin gedreven water (vergel. § 408), en dit wordt daaruit en uit de lichaamsholte weder uitgedreven door do poriën dier armen en door den mond.

§ 480. De klasse der Polypen wordt verdeeld in twee orden, die der Bloeinpolypen en der Sterpolypen.

§ 490. Eerste orde. Bloem polypen. (Zoantharia ( Pohjacti-

ocr page 387

305

nia). Zes, twaalf of meer in verscheidene kransen staande enkelvoudige d. i. zelden vertakte en nooit gevederde vangarmen. Sommigen {Actinia, Cereus, Xoaulhus enz.) zijn en Ijlijven week; anderen bezitten eene verharde as met een week coenenchym omgeven, waarin de afzonderlijke individuen zitten (Antipathcn), — nog anderen hebben een volledig ontwikkeld kalkskelet (Cn-ryopliillia, Oculina, As tram, Mac.andrina, Fangia enz.) of een kalkskelet met minder volledig verkalkte mesenteriaalplooien of straalschotten (Madrepora, Aulopora enz.) De polypenstokken van deze orde, die verkalkt zijn, zijn het, die vooral de koraalriffen vormen. — De meeste geheel weeke polypen vormen geene stokken,

maar zijn zelfstandige dieren. — Antipathes en verwante soorten, en verre de meesten der overige, vormen daarentegen stokken, ofschoon toch ook onder de hardsten eenigen zijn, die enkelvoudig blijven , zooals Caryophyllia en eenige andere geslachten.

§ 491. Geslachten en soorten. I. Weekhuidigen (Malacodermata, Actiniaria). Eene weekblijvend lichaam zonder chitine- of kalkskelet. Do dieren van deze af-dceling zijn enkelvoudig {Actinia, C'crcns), of vormen door knopvorming polypenstokken, in welk geval de huid meer lederachtig is {Zoanthus).

1. Zee-anemone {Actinia), — Gewone Z. f {A. mesembryan-themum); Geknopte Z. f {A. gemmacea). Zelfstandig levend.

2. Was-anemone {Cereus). — Lederachtige W. f {O. coriaceus). Zelfstandig levend.

3. Zoanthus {Zoanthus). — Z. van van Hasselt {Z. Ilasseltii); Sunda zee.

II. Hardvoetigen {Sclerohasica, Antipatharia). Een polypcnstok, inwendig bestaande uit een harden hoomachtigcn as, omgeven door het week blijvende sarcosoma.

4. Heesterkoraal {Antipathes). — Lorken-H. {A. larix), Mid-dellandsche Zee; Spirale H. {A. spiralis)-, Stralende H. {A. radians)- beide uit de Moluksche Zee.

ocr page 388

3G6

III. Hardhuidigen (Sclerodermafa, Madreporaria). Ecn gchccl out-■wikkeld kalkskclct. Ook na den dood zijn daaraan de vorm en de bouw van het dier duidelijk te onderkennen, zooals de uit muur en straalschotten gevormdon kelk, waarin zich bij liet leven de nog weeke deelen van het dier konden terug trekken. De meesten vormen polypenstokken; eenige daarentegen blijven enkelvoudig {Oaryophillia, Fuvgia).

5. Nagelkoraal {Caryophyllia). — Gekamde N. (C. cristala). Indische cn Roode Zee.

6. Oogkoraal (Oculina). — Waaiervormig O. {O. flahelliformis). Indische Oceaan.

7. Amphihelia (AmpliiheUa), — Wit koraal (A. of Oculina ocu-lata); Middell. Zee.

8. Zon- of Sterkoraal {Astraea). — Zonkoraal (A. heliopora). Indische zee.

9. Scherpbladkoraal (Euphyllia of Astraea striata). Tropische zeeën.

10. Maeandrina (Maeandrina). — Doolhof-M. (M. lahyrinthica), Indische Zee; Hersenvormige M. (M. eerebriformis).

11. Zeepaddestoel (Fungia). — Hoekvormige Z. (F. pilcus) ;

Fig. 299.

ocr page 389

367

Zce-Kampcrnoclic (F. agariciformis); beide uit de Molnk-sehe Zee.

12. Sponskoraal (Madrcpora). — Noordsehe S. {M. horealis) in de Witte Zee; Indische S. (M. ahrotanOïdes), Indische Zee.

§ 492. Tweede orde. Sterpolypen (Alcyonaria; Oct actinia). Acht gevederde vangarmou in één krans rondom den mond, en

aclit mesentcriaal-plooieu. Do laatste nooit verkalkt. Velen hebben een weeken polypenstok, met daarin verspreide kalklichaampjes (Alcyonium), anderen komen in dit opzicht met Antipathes (490) overeen, zooals Gorgonia, Is is, Pcnnatula, Veretillum, bij welke die as min of meer buigzaam is, en Coral-lium, die eene geheel verkalkte as bezit; bij nog anderen zijn alleen de wanden der polypkelken verkalkt (Tuhi-pora).

§ 493. Geslachten en soorten. I. Buisachtigen (Tnhiporidac). Onvertakte polypariën, bestaande uit rolronde, evenwijdig naast elkander staande en door horizontale platen verbondene kalkbuisjes of kelken.

1. Buiskoraal (Tabipora) — Orgelkoraal (T. musica, rubeola ctc.) Middellandsche, Indische Zeeën.

II. Kurkpolypen (AIcyonidae.) Eene weeke, vleezige of kurkach-tige polypenstok met talrijke daarin verspreide kalklichaampjes. De vorm is eene veelal vingerwijs gelobde of buisvormige massa. Bij Anthclia vermenigvuldigt de stok zich niet door zijdelingsche knopvorming aan de individuen, maar door uitbotting op een van den voet der individuen uitloopend gemeenschappelijk week vlies.

2. Zeekurk {Alcyonium). — Zeekurk. Doodemansduim f (A. digi-tatum), Gepalmde Z. (A. palmatum) Middell. Zee.

3. Sterbloempolyp (Anthclia). — Zeegroene S. (A. glauca);

ocr page 390

mate verkalkte as, omgeven door het week sarcosama. Zij onderscheiden zich van de Gorgoniden door de regelmatige, soms sierlijke gedaante van den stok, en doordien zij niet als deze aan rotsen of anderen voorwerpen in zee vastzitten, maar met het stompe, niet met polypen bedekte uiteinde van hun steel slechts in het zeezand of de slib steken.

3G8

ocr page 391

369

7. Zcevcder, Zeepen {Pennatula). — Roode zeeveder of Zee-pen (P. rubra), Middellandsche Zee •, liclitende Zeepen f (P. phosphorc.a).

8. Rocdcpolyp (Virgularia). — Gewone R. t (V. mirabilis).

9. Rolpen (Veretillum). — Gewone R. t oynomorium).

HOOFDSTUK XI.

PROTOZOEN.

§ 494. Doze op den liiagsten trap van bewerktuiging staande dieren, bij welke de lichaamsmassa 't minst in afzonderlijke organen onderscheiden (gedifferentiëerd) is, bestaan uit eene geleiachtige of slijmige, meer of min doorschijnende, maar tevens door daarin aanwezige kleine deeltjes of moleculen min of meer troebele, eiwithoudende stof, die men sar code of protoplasma noemt. Vele Protozoën bestaan alleen uit een klompje van deze stof, die geheel homogeen schijnt te zijn, doch in wier eenigszins troebele massa heldere doorschijnende ruimten (vacuolen) ontstaan en weder verdwijnen, welke vacuolen men, wanneer ze steeds op

dezelfde plaats ontstaan, contractile blazen of ruimten heet. De moleculen, die in do sarcode zijn bevat, blijven niet op dezelfde plaats, maar verplaatsen zich, somtijds langs vaste banen met groote regelmatigheid. Bovendien ziet men zulk een klompje sarcode, zoo het door geen uitwendig vlies bekleed is, van tijd tot tijd van gedaante veranderen, en zich tijdelijk uitbreiden in uitsteeksels en draden, die het later weer in de lichaamsmassa opneemt. Die uitsteeksels en draden, welke laatste soms vertakt zijn, noemt men pseudopodiën. Bij zulke alleen uit een klompje homogene sarcode bestaande Protozoën is het gevolg van hun hoogst een-

24

ocr page 392

370

voudig samenstel, dat zij zich gemakkelijk in twee of meer deelen kunnen splitsen, waarvan elk dan een diertje vormt, en dat daarentegen twee of meer zulke diertjes tot één kunnen samenvloeien. — Bij de iets hooger bewerktuigde Protozoën treft men in de sarco-demassa ééne of meer blijvende kernen aan; — bij velen vormt de buitenste sarcodelaag eene soort van bast of een uitwendig vlies, dat soms trilharen of stijve aanhangsels bezit, of door afzetting van kalk hard en schelpvormig wordt, — terwijl eindelijk binnen nog anderen zich een skelet van kalk of kiezel vormt.

§ 495. Een spijskanaal of darm ontbreekt bij allo Protozoën, ofschoon bij velen, b. v. bij de meeste Infusiediertjes, eene monden vaak ook eene aarsopening, althans eene opening tot opneming en eene tot uitloozing van voedsel worden waargenomen. De voeding geschiedt door het indringen of het indrukken van organische zelfstandigheden in de sarcode ; diezelfde sarcodemassa is het ademhalingsorgaan. Van vaten of zenuwen is geen spoor ontdekt.

§ 496. De meestal zeer kleine dieren, die tot deze afdeeling behooren, verdeden wij in vier klassen, —die der Sponsen, Wor-telpootigen, Gregarinen en Infusiediertjes.

I KLASSE.

Sponsen.

§ 497. De Sponsen (Spongiaria), die bij sommige natuurkenners der laatste klasse der Coelenteraten uitmaken, bestaan uit een

skelet van netsgewijs ineengeweven vezels van eene eigenaardige horenachtige of chitine-achtige stof (Spon-gioline), die uit sarcode ontstaan is, waarbij zich bij vele Sponsen naalden van kiezelzuur (Sponsnaalden, Spicula) voegen, die of inderdaad lang en naaldvor-mig, al of niet met een knopje aan het eind en met knobbeltjes bezet, — of (fig. 304)

ocr page 393

371

korter cn dan kruisvormig, haakvormig, boogvormig zijn, cn waarvan sommigen bestaan uit een kort steeltje met eene schijf aan elk uiteinde. Dezen laatste vorm noemt men amphidiscus; hij komt vooral bij do Zoetwaterspons (Syongilla) voor. Bij eenige Sponsen vindt men ook sponsnaalden, die uit koolzure kalk bestaan; deze zijn meestal samengesteld uit drie of vier takken, die in één punt samenkomen. Zulk een skelet nu dient tot steun van de weeke, gedeeltelijk tot cellen ontwikkelde sarcode, en door deze worden een aantal holten (kamers) en kanalen in de spons begrensd, door welke een stroom water loopt, dat er in komt door een aantal kleine openingen (p oiiën), en er weder uittreedt door grootere (m o n d j e s), die soms op den top van buisvormig verlengde verhevenheden staan. — De gewone Sponsen, die in hot dagelijkseh leven tot verschillende doeleinden gebruikt worden, zijn slechts het horenskelet van sponsen, waaruit do sarcode door kneden onder water en uitwasschen verwijderd is.

§ 498. De gedaante der Sponsen is verschil-lend;rond,knods-vormig, trechter-of bekervormig,

heesterachtig enz., of zij zijn als eene korst over andere lichamen uitgebreid. Steeds zitten zij trouwens vast op andere lichamen: stee-nen, rotsen enz., soms zelfs op andere dieren, waarop zij parasitisch leven. Alleen de kiemen, waaruit de Sponsen ontstaan, zwommen eenigen tijd vrij rond.

§ 499. Aan de wanden der inwendige holten vindt men cellen, die ieder één of twee trilharen bezitten, welke niet anders dan

ocr page 394

372

voortzettingen der sarcode-cellen zeiven zijn. Zij staan veelal gegroepeerd tot zoogenaamde triltoestellen of trilkorfjes (fig. 305). Door de beweging van deze trilharen ontstaat in het water, dat de spons omgeeft, eene strooming naar de poriën toe, en in dat, wat in de kanalen en holten bevat is, een stroom van de poriën naar dc mondjes. Dat water voert aan de sareode èn de tot voeding noodige organische stoffen, èn de tot ademhaling vereischte lucht toe.

§ 500. De voortplanting der Sponsen geschiedt op tweeërlei wijze. quot;Vooreerst geschiedt zij door bol- of eironde kiemen, die zich in de sareode vormen en door het water naar buiten worden gedreven. Zij verkrijgen dan trilharen, waarmede zij ecnige dagen lang rondzwemmen, om zich vervolgens vast te hechten, dc trilharen te verliezen, zich schijfvormig uit te breiden en zich tot Sponsen te ontwikkelen. — Of zij planten zich voort door Spo-rangiën, ronde lichaampjes die cellen bevatten en grootere, evenzeer eene opening bezitten, waardoor die cellen kunnen uittreden. Die cellen bezitten gecne trilharen en zwemmen dan ook niet rond, maar ontwikkelen zich, na zich te hebben vastgezet, evenals de eerstgenoemde kiemen, tot Sponsen.

§ 501. Üp de vraag: of de Sponsen enkelvoudige of samengestelde dieren zijn, kan men antwoorden, dat enkele soorten, die slechts ééne nitstroomingsopening of mondje bezitten als enkelvoudige , de overige daarentegen allen als stokken of koloniën te beschouwen zijn.

§ 502. De Sponsen zijn zeedieren, alleen met uitzondering van het geslacht Spongiüa, dat in zoet water leeft. Zij houden zich bij voorkeur op in zeeën met een rotsigen bodem, — enkele kleine soorten op wier of schelpen. Eenigen (van het geslacht Vioa) leven in holten, die zij zclven in koralen, schelpen en steenen geboord hebben.

§ 503. De Sponsen kunnen worden ingedeeld in twee orden: Eigenlijke Sponsen en Kalksponsen.

§ 504. Eerste orde. Eigenlijke Sponsen fAutospongiaria.) Een alleen uit horenvezels, of alleen uit kiezelspicula, of uit horenvezels met kiezelspicula bestaand skelet.

§ 505. Geslachten en soorten.

ocr page 395

373

I. Hoornsponsen (Ceratospongiae.). Het skelet bestaat hoofdzakelijk uit lioornvezelen met betrekkelijk weinig kiezelnaalden.

1. Horenspons (Spongia). — Gewone Spons (S. mollissima of usitatissima; S. adrlatica; S. equina en andere soorten, samengevat onder den naam S. communis). De eerste is de fijnere toiletspons, — de andere zijn de grovere soorten Allen leven in de Middellandsche Zee; de fijne meer bijzonder aan de kusten van Klein-Azië en Syrië.

TT. Kiczelsponsen (Silic:spongiae). Het skelet bestaat hoofdzakelijk uit kiezelnaalden met geen of betrekkelijk weinig hoornvezelen.

2. Kiezelspons (Ilalichondria). — Purperen K. (IL purpurea); aan de kust van Nieuw-Holland. Geoogde K. {II. oculataj Franschc kusten.

3. Bekerspons {Polerion). — Neptunus' en Amphitrite's beker (P. Neptuni en P. AmphitritesJ; Indische Zee. Soms meer dan een meter lang.

4. Zoetwaterspons (Spongilla). Gewone Z. f (gt;S'. lacusfris en palustrisj.

5. Schorsspons {Telhya). — Gewone S. {T. hjnmrium). Middellandsche Zee.

6. Boorspons (Vioa, Cliona). — Boorspons (V. of C. celata). Zie § 502.

7. Glasdraadspons {Hyalonema). Een min of meer rolrond of knodsvormig lichaam met een skelet van kiezelnaaldjes, zittende

op een langen steel, die een skelet bezit van lange kiezelnaalden , die tot een bundel vereenigd zijn. — Noord-sehe G. {II. horeale); Siebold's G. (II. Sieholdii) •, in de Japansche Zee. Het steelskelet van deze laatste soort bestaat uit een pluim van fraaie witte kiezelnaalden, die soms 5 decimeters lang worden. De naalden van 11. mi-rahile aan de kust van Portugal zijn bijna even lang. 8. Glasbuisspons (EuplectellaJ. — Gewone (E. aspergillum) ■ uit de Zee der Philippijncn.

§ 506. Tweede orde. Kalksponsen (Calcispongiaria). Een skelet, bestaande uit spicula van koolzure kalk. Enkelen zijn enkelvoudig, de moesten samengestelde dieren.

ocr page 396

374

§ 507. Groslachtcn cn soorten.

1. Buisspons (Si/con). — Trilhaarbuisspons (S. oiliatum). Vorm spilvormig met éénc uitstroomiugs-opening. Enkelvoudig.

II. KLASSE.

Wortelpooticjen.

§ 508. Wortelpootige dieren (Rhizopoda) zijn dieren, die geheel of grootendeels bestaan uit eene homogene sarcodemassa, die dikwijls in een buitenste laag (bastlaag) en eene binnenste of merglaag kan worden onderscheiden, en waarvan do bastlaag, voor zoo ver deze een omhulsel bezit, pseudopodiën (§ 494) vormen kan, welke pseudopodiën óf lange, dunne slijmige draden zijn, waaraan men kleine korreltjes of verdikkingen ziet, die zich langzaam schijnen voort te bewegen, óf korte, breede, inecrlob-vormige uitsteeksels. De pseudopodiën dienen tot beweging, doordien het dier er zich mede aan een ander lichaam vasthecht en dan, door ze te verkorten, het overige lichaam voorttrekt. Ook dienen zij om kleine organische lichaampjes te omslingeren cn zoo in de sarcodemassa op te nemen. — De voortplanting geschiedt bij de weeke soorten door verdeeling; bij die welke in- of uitwendig een kiezel- of kalkskelet bezitten, kan zich een gedeelte des lichaams afscheiden en als kiem optreden.

§ 509. De Wortelpootigen worden verdeeld in Weeke Wortel-pootigen, Foraminiferen en Radiolariën.

§ 510. Eerste orde. Weeke Wortelpootigen of Protei-nen {Malaco-rhizopoda of Frotebia). G-eenc kalkschaal noch kie-zelskelet, — soms echter een verdicht sarcode-omhulsel, waarin soms zandkorreltjes, kleine diatomeën enz. zijn opgenomen. Bij de meesten eene kern en céne of meer samentrekbare ruimten. Zij leven meest in zoet water.

§ 511. Geslachten cn soorten.

1. Amoeba fAmoeba). — Vervloeiende A. f (A. difflaens); Stra-ligc A. f fA. radiosaj. Zie fig. 803.

2. Difflugia (DiffluyiaJ. — Langwerpige D. f (D. oblonyaj. Be-

ocr page 397

375

zit, evenals het verwante geslacht Arcella, een vrij stevig omhullend vliesje, dat bij Difflugia versterkt wordt door de opneming van zandkorreltjes enz. Zie fig. 303.

3. Gromia (Gromia). — Eivormige G. f (G. oviformis).

4. Zonnediertje (Actinophrys). — Gewone Z. f (A. sol).

§ 512. Tweede orde. Foraminiferen of Polythalamiën. (Fo ram in if er a of Polythalamia). Een kalkschaal van zeer verschillende gedaante; sommigen hebben daardoor eene oppervlakkige overeenkomst met schelp dragende Cephalopodcn. De schaal is één-kamerig of bestaat uit vele kamertjes; alle Foraminiferen zijn echter oorspronkelijk éénkamerig en waar, gelijk veelal, meer kamers zijn, ontstaan deze door achtereenvolgende uitbotting. De schaal bezit ééne opening (mondopening) of een groot aantal openingen , waardoor de lange en dunne, vaak met elkander versmeltende pseudopodiën naar buiten treden. Geene kernen noch contractile ruimten. Zij leven in zee en hunne kalkschalen dragen zeer veel bij tot het vormen van den zeebodem, evenals die der voorwereldlijke Foraminiferen tot de vorming van het krijt en van andere kalkgesteenten bijdroegen. Over de Foraminiferen leze men voorts het reeds aangehaalde werk van Harting: De magt van het kleine.

§ 513. Eene zeer natuurlijke indeeling der Foraminiferen is de volgende.

ocr page 398

376

I. Ondoorboorden (F. imperforata), bij welke de schaal geen andere openingen bezit dan eene enkele, en de pseudopo-diën dan ook alleen dooi' deze kunnen worden uitgestoken

(Qninqucloculiiia, OrhicuUna, onz.j.

II. Doorboorden CF. perforata), bij welke de schaal met een

aantal openingen doorboord is (Nodosaria, Textilaria, No-nionina, Amphistegina, de aan de beide laatsten verwante Nummulites enz.).

Zie fig. 309 en voorts het zooeven aangehaalde werk.

§ 514. Derde orde. Radiolariën (Radiolaria). Het binnenste gedeelte van de sarcodemassa bestaat uit eene betrekkelijk groote blaas met een vliezigen wand, met fijne poriën, in welke blaas waterheldere blaasjes bevat zijn, en welke men eentr aalkapsel heet. Rondom dit binnenst gedeelte ligt eene laag van sar-code, van waar de dunne pseudopodiën uitgaan, wier asgedeelte echter door de binnensarcode van de genoemde blaas wordt ge-

ocr page 399

377

vormd. In de buitensarcode vindt men eon aantal geelkleurige cellen. Meestal is er een uit kiezelnaalden of staafjes bestaand skelet, dat 't zij geheel buiten de centraalkapsel is gelegen, 't zij door openingen daarin ook binnen die kapsel indringt. Dit skelet bestaat óf uit in de sareode verspreide spicula, of uit stekeltjes die uit één middelpunt uitstralen, óf uit ronde, kegelvormige, schijfvormige, bekervormig getraliede schalen, vaak van zeer fraai samenstel. Geene samentrekbare blazen. Zij leven in zee, eenigen in zoet water. De meeste Eadiolariën zijn enkelvoudig; — eenige vormen koloniën.

§ 515. Men verdeelt de Radiolarien in:

Gedeelte van

liet skelet eener I, Met een buiten de centraalkapsel gelegen skelet of geheel geen skelet (EctoUthia), b. v. Thalassicolla, Eucyrtidium, fig. 310 Heliosphaera, Collos-phaera enz. Van deze vier geslachten zijn Thalassicolla en Heliosphaera enkelvoudig, de beide andere vormen koloniën.

II. Hot buiten de centraalkapsel gelegen skelet zendt naar het binnenste van dien kapsel straalswijs geplaatste doelen af. Alle de tot deze afdeeling behoorende Eadiolariën zijn enkelvoudig fAoanthometra, Xiphacantha, Actinomma, Coccodiscus enz.)

Zie mede het aangehaalde werk van Harting.

III. KLASSE.

Infusiedieren.

§ 516. Do Infusie- of Afgi e ts eldiortj es CInfusor'aJ zijn kleine, vaak alleen door het mikroskoop waarneembare diertjes, aan wien men dien naam gegeven heeft, omdat sommige soorten er van in afgietsels of aftreksols (infusiënj van vele bewerktuigde stoffen ontstaan, maar die overigens overal in water, dat organische stoffen bevat, in zoet water en zeer enkele ook in zeewater voorkomen. Hun vorm is zeer verschillend. De sareode, waaruit hun lichaam bestaat, is te onderscheiden in eeno weekere merg-laag en eeno vastere bastlaag, die evenwel niet scherp van elkander afgescheiden zijn. De bastlaag is omgeven door een meer of

ocr page 400

378

minder v:ist omhulsel en kau zich niet tot pseudopodien uitstrekken; het licliaam der infusoriën, ofschoon voor samentrekking en vormverandering vatbaar, heeft dus een meer bepaalde en vaste gedaante dan dat der Wortelpootigen. De bast zelfstandigheid bezit eeue groote mate van samentrekbaarheid, vergelijkbaar met die van spieren, waardoor hot lichaam veel sneller van gedaante kan veranderen dan dat der Rhizopoden-, de Amoeben b. v., ofschoon die gedaanteverandering wegens het omgevend omhulsel niet zoo veelzijdig en afwisselend kan zijn dan bij deze laatsten. Zelfs kan dit omhulsel zoo stevig zijn, dat de vormverandering daardoor zeer beperkt wordt, ja wanneer dat omhulsel tot eene soort van pantser wordt, bijna wordt opgeheven. In de sarcode liggen ééne of meer contractile ruimten, die beurtelings verdwijnen en weder te voorschijn komen. Bij sommigen staan daarmede nog andere ruimten en kanalen in verband, waardoor eene soort van water-vaatstelsel ontstaat. Bij velen, zoo niet bij allen, met uitzondering van de Acineten, hebben de contractile ruimten eene opening naar buiten, waardoor heen waarschijnlijk het water, dat met het voedsel in de sarcode komt, tengevolge van de samentrekking dier ruimten naar buiten ontlast wordt.

§ 517. Bij een groot aantal infusoriën is het lichaam geheel of gedeeltelijk bezet met trilharen; bij anderen bevinden zich aan het eene uiteinde des lichaams één, twee, of meer lange zwecp-haren; nog anderen (de Acineten) bezitten noch tril- noch zweep-haren. Velen bezitten eene mondopening aan het vooreind des lichaams, gelegen in den bodem eener trechtervormige uitholling (mondvoorhofj en omgeven van trilharen, door wier beweging in het water een stroom ontstaat, die de in dat water zwemmende organische deeltjes naar den mond voert. De mond voert in een slokdarm, zijnde eene buisvormige instulping van de oppervlakte des lichaams, en vrij uitloopende in de inwendige sarcodemassa. Bij velen is ook een aars aan het achtereinde des lichaams, zeldzamer niet ver van den mond. Daarentegen zijn er ook velen (de Acineten en de meeste zweephaar-infusoriën) die noch mond noch aars bezitten. Maag en darmen zijn niet aanwezig. Bij de meesten bestaat een kern.

§ 518. De infusoriën planten zich voornamelijk voort door ver-dceling in dwarsche, zeldzamer in overlangsche richting, en zij kunnen zich op deze wijze in zeer korten tijd op bijna ongeloo-

ocr page 401

379

•f-clijke wijze vermenigvuldigen. Doch zeer velen planten zich ook voort doordien zich van de kern ronde segmenten afscheiden, waarin zich jongen vormen, die door eene opening in het lichaam van het moederdier naar buiten treden. Die jongen zijn bol- of eirond, met trilharen bezet, hebben geene mondopening, en worden eerst na eene gedaanteverwisseling gelijk aan het moederdier.

Eene eigenschap der Infusoriën is, dat zij zich kunnen inhullen (encysteren, inkapselen) in een aanvankelijk weck, later verhardend omkleedsel {cyste). Dit geschiedt b.v., wanneer het water, waarin zij zich ophouden, uitdroogt. Het diertje blijft dan zonder voedsel leven, om later, wanneer het weer mot water omgeven en doordrongen wordt, het omhulsel te verlaten en even als vroeger rond te zwemmen. Daar de droge cysten zeer licht zijn en dus gemakkelijk door de lucht worden opgenomen en elders heengevoerd , laat het zich begrijpen dat in allerlei wateren en aftreksels , waarin vroeger geene infusoriën waren, deze zich op eens kunnen vertoonen.

Bij eenige infusoriën heeft regelmatig op zeker tijdperk van het

loven zulk eene inhulling plaats, en deze verdoelen zich gedurende dien toestand, tengevolge waarvan er jongen ontstaan, die wederom vrij in het water zwemmen. Dit is het geval bij de infusoriën met zweepharen en bij enkele anderen.

§ 519. Wij verdeden de Infusoriën in drie orden: Zuiger-infusoriën, Trilhaar-infusoriën en Zeephaar-in-fusoriën.

§ 520. Eerste orde. Zuiger-infusoriën of Acineten (Suctoria of Acinetina). Meestal vastgehecht aan een of ander voorwerp, 't zij door middel van een steeltje 't zij niet. Mond, aars, trilharen en zweepharen ontbreken. De vorm is meer of min driekantig rond, of meer verlengd. Zij bezitten dunne, vrij lange, intrekbare zuigbuizen, veelal geplaatst aan het vrije einde des lichaams, dat aan het vastzittend uiteinde

ocr page 402

380

tegenovergesteld is, en eenigzins vergelijkbaar met de pseudopo-diën der Wortelpootigen, maar omgeven door hot algemeene lichaams-vliesje. Iedere zuigbuis is bol en eindigt in een napje, waarin eene opening is. Door deze zuigbuizen nemen de Acineten bun voedsel (de weeke sarcode van andere infusoriën) in hunne eigene sarcodetnassa op.

§ 521. Greslacbten en soorten.

1. Zuigerdiertje {Achicta en Podophnja). — Gewone A. f (A. tuberculosa). Langstcelig Z. f {Podophnja fixa).

Fifr. 313.

omzet, — en meestal ook een aars. Eene of meer contractile ruimten en eene kern.

§ 523. Greslachten en soorten.

I. Met trilharen op de geheele licbaamsoppervlakte (Endinida).

1. Klokdiertje (Vorticella). De diertjes van dit geslacht zitten op een lang steeltje vast. — Gewoon K. f (V. campanulata).

, 2. Bekerdiertje (Carchasium), als V o rti c ell a, doch met vertakten steel, zoodat op één stam meer individuen zitten. — Polypbekcrdiertje f (t'. polypinum).

ocr page 403

381

3. Stijldiertjc (Epistylis), als Carclicsium. — Knikkend S. f (E. nutans).

4. Trompetdiertje (Stentor). — Gewoon T. f (S. Muller!).

5. Kolpoda (Colpoda). — Gekapte K. -j- (Q. cucullus).

6. Paramecium (Paramecium). — Beursvormige P. f (P. bursariaj.

II. Geen trilharen op de gehcele lichaamsoppervlakte (Adinida).

7. Borsteldiertje (Euplotes). — Schotelvonnige B. f (E. patella).

8. Roldiertje (Enchelys). — Gewone U. f (E. pupa); in moerassen.

9. Halsdiertje (Lacrymaria). — Zwanenhalsdiertje f (T*. olorj. lü. Trachelins (Trachelius). — Twee in fig. 312 afgebeelde

soorten: (T. anas en T. fasciola).

524. Derde orde. Fiff. 314.

3. Draaier

4. Monade

(Volvox) (Monas).

Zweephaar- infusoriën (Flagellata). Aan het eenc eind des lichaams één of meer lange üweepharen, door wier snelle beweging de diertjes zwemmen. Soms vindt men op eenc bepaalde plaats des lichaams, b. v. in eenc rondom 't lijf loopende of aan den buik gelegen groeve, ook trilharen. Slechts bij sommigen bestaat eene mondopening met een zijdelingsch lipje. Bij velen kernen, vaak ook contractile ruimten. Over de voortplanting door verdeeling der ingehuldc individuen is in § 518 gesproken.

§ 525. Geslachten en soorten.

1. Peridinium b. v. P. flagellatum. Is lichtend.

2. Euglena b. v. E. viridis f. b. v. V. globator f.

Zctmeel-monade f (M. amyli).


ocr page 404

382

§ 526. Mot de Zweepharen-infusoriën zijn wij in zeker opzicht de grenzen van het plantenrijk genaderd. Want ofschoon er goede redenen bestaan om die voorwerpen onder de dieren op te nemen, moet men toch erkennen dat de omstandigheden, waarom sommige natuurkenners de juistheid van deze opvatting betwijfeld hebben, wel tot zoodanigen twijfel aanleiding konden geven. De kiemen (zoosporen, microgonidien) van sommige Algen (Wieren) komen niet alleen in uiterlijken vorm, ook wat de zweepharen betreft, zeer met Zweephaar-infusoriën overeen, maar bewegen zich met deze ook, even als dieren, in het water. Vele wieren, die slechts uit céne enkele cel bestaan (I'rotococcacca), hullen zich evenals de Zweephaar-infusoriën in, en vermenigvuldigen zich dan door verdeeling.

§ 527. Als eene afzonderlijke klasse der Protozoën nemen sommige hedendaagsche nutuurkenners aan de Gr eg ar in en (Grega-rinida), — diertjes, bestaande uit slechts ééne cel met een samentrekbaren wand, een korreligen inhoud en eene kern. Eene mondopening ontbreekt. Zij leven parasitisch in het darmkanaal van andere dieren, vooral van insekten, weekdieren, wormen en holothuriën, waarin zij soms twee aan twee samenhangend worden aangetroffen. Hunne gedaante is eirond, peervormig, spoclvormig enz. Dikwijls

Links Gregarina . 1 _ _

pohjmorpha, rechts snoert zich door samentrekking van den wand tij-

ctnt Mmocystu. (jgUjk 0f blijvend een deel des lichaams af, dat

dan gelijkt op een kop (fig. 31G). Indien wij ze in eene van onze

drie klassen hadden opgenomen, zouden wij ze bij de Wecke

Wortelpootigen hebben moeten plaatsen en ze beschouwd hebben

als parasitische Amoeben.

§ 528. Nog een paar andere diertjes heeft men tot eene afzonderlijke klasse der Protozoën gemaakt, te weten de twee bekende soorten van het geslacht NoctUuca. Het in de Noordzee levende L i c h t d i e r t j e (Noctiluca miliar is) is een rond , zakvormig diertje, omgeven door een vlies en van binnen bestaande uit sarcode, die gedeeltelijk korrelig iamp;. Het korrelige gedeelte ligt

ocr page 405

383

opgehoopt in den omtrek van cene indcuking van den wand, waardoor hot dier eenigszins nier- of boonvormig wordt. In de indenking is ecne mondopening, welke voort in eene holte van de korrelige massa; uit die mondopening, terzijde waarvan een horenachtig uitsteek-seltje staat, komt van tijd tot tijd een zich snel en golvend fijn draadje. In de indcuking is voorts ingeplant een fijn geleed vrij aanhangsel, dat heen- en weergaande bewegingen maakt. De korrelige sarcodo, waaruit de korrelmassa bij de indcuking en den mond bestaat, zet zich van daar als zich vertakkende strengen naar den omtrek uit. Daar in die strengen eene dergelijke korrelbeweging zichtbaar is, als aan de slijmige pseudopodiün van sommige Wortelpootigen (Gromia en vele Foraminiferen, § 508), heeft men wel eens die strengen als inwendige pseudopodiün beschouwd. In of bij de korrelige massa bevindt zich ecne kern. — De voortplanting geschiedt door verdeeling, die voorafgegaan wordt door eene verdeeling van de kern. — Behalve N. miliaris, kent men nog de zeer op deze gelijkende JV. mediterranea uit dc Middellandsche Zee. Aan het Lichtdiertje is in onze zeeën vooral het lichten der zee toe te schrijven, dat hoofdzakelijk in den zomer en in den herfst voorkomt.

§ 529. Eenige vermelding verdienen hier de zoogenaamde Splijtzwammen (ScMzomyce.les) of Bacterien, welke wel is waar gewoonlijk gerangschikt worden onder dc planten en wel onder dc Zwammen, maar die evengoed tot de twijfelachtige tusschen-vormen tusschen planten en dieren kunnen geacht worden te be-hooren. Deze wezens zijn uitermate klein-, zij bezitten een diameter van nauwelijks Vr.oo millimeter. Zij zijn rond (Kogclbacte-rie : Micrococcus), langwerpig (Staafjes-bacterie; Bacterium) , draadvormig (Draadbacterien: Bacillus en Vibrio), of spiraalwijs gewonden (Schroefbacterien: Spirillum en Spirochacto.). In het water bewegen zij zich snel ieder afzonderlijk, of zij vereenigen zich

ocr page 406

384

tot geleiachtige massa's (Zoögloca). Zij planten zich in vochten, die voor hen geschikt zijn, met verbazende snelheid 't zij door verdeeling, 't zij door vorming van sporen voort; eene enkele splijtzwam kan binnen den tijd van 7 tot 8 uren aan meer dan honderdduizend andere het aanzijn geven. De eigenlijke rotting van de organische stoffen staat onder den invloed van Splijtzwammen, evenals de alkoholische gisting onder dien van een andere lagere zwam (Saccharomyces). — Water, dat de voor hare voeding noodzakelijke organische stoffen bevat, is voor de splijtzwammen onmisbaar; in zuiver of bijna zuiver water sterven zij. Dit laatste geschiedt ook bij zeer hoogen warmtegraad. Gedroogd zijnde sterven zij niet, maar blijven een zoogenaamd verbolgen (latent) leven leiden, om bij bevochtiging weer op te leven. (Vgl. §§ 287 en 311). Bevriezen bluscht dat latent leven niet uit. — Tegenwoordig houdt men bet er voor, dat de miasmen en smetstoffen, die, in het organisme van mensch of dier opgenomen, de oorzaken zijn van malariaziekten of van besmettelijke ziekten, splijtzwammen zijn.

ocr page 407

SYSTEMATISCH OVERZICHT.

liladz.

GEW EE VELDE JJIliEEN (Anhnalia vertehrata).

I Klasse. Zoogdieren {Mammalia)........

1 Ordo. Tweehandigen (Bimana). . . .

Gesl. Homo.

2 Orde. Vierhandigen (Quadrumana)

89. 98.

101.

I. Apen (Simiaé).

a. Apen der Oude rcereld fS. catarrhinaej.

G. Öiinia, Hylobates, Semnopithecus, Cereopitheens, luuus, Cynocephalus.

h. Apen der Nieuwe wereld (S. platyrldnaej.

G. Mycetes, Ateles, Cebus, Callithrix, Pithecia, Hapale.

II. Halfapen fl'rosirnii, LemuresJ.

G. Lemur, Liohanotus, Chiromys, Stenops, Otolicnus. 3 Orde. Huidvliegers fDermopteraJ...................... 105.

G. Galeopitliecus.

4 Orde. Roofdieren, Verscheurende dieren (OamivoraJ. 105. I. L a u d r o o f d i e r e n fFerae).

a. VingeHreders (Digitigrada).

G. Felis, — Hyaena, Proteles, — Canis, Viverra, Paradoxurus, Herpestes, Ehizaeua.

h. Zoollreders (Planligrada).

G. Mustela, Lutra, Mephitis, Mellivora, Gulo, Jlelcs,-Ursus, Procyon, Nasua, Cercoleptes, Arctictis. H. Zeeroofdieren, Vinvoetigen {PinnipediaJ.

G. Phoca, Cystophora, Otaria, ïrichecus.

25

ocr page 408

38(5

lihld/

ö Orde. Herkauwers (liuminantinj...................... 11^-

I. Kameelachtigen (Camélina, TylopodaJ

G. Camelus, Auehenia.

II. Hol h oo ruig en (CavicorniaJ.

G. Bos, Ovibos, Ovis, Capra, Antilope.

III. Her tachtigen fC'erv'maJ.

G. Cervus, Moschus.

IV. Giraffes, Afhellenden fCanielopardal'ma, Devexa).

G. Camelopardalis.

G Orde. Dikhuidigen (Pachydermata).................... 115-

I. E e n h o e v i g e n (Solidungula).

G. Equus.

H. Veelhoevigen (MultungulaJ.

G. Sus, Poreus, Dicotyles. Phacochoerus, — Hippopotamus, — Tapirus, Rhinoceros, — Hyrax, — Elephas.

7 Orde. Zeezoogdieren fCetaceaj....................... 118.

I. Sirenen fSireniaJ.

G. Manatus, Halicore.

H. AValachtigen fCetacea vera).

a. Wallen fSalaenodeaJ.

G. Balaena, Balaenoptera.

h. (Dolfijnachligen (Delpliinoidea).

G. Delphinus, Inia, Phocaena, Pliyseter, Hyperoödon, Monodon.

8 Orde. Vleugemandigen (GhiropteraJ.................. 120.

I. Vruohte n e t e n d en (Carpophaga).

G. Pteropus.

II. In sekte n eten de n (EntumophagaJ.

а. liladncuzlgen (PhyllorhinidaJ.

G. Phyllostoma, Ehinolophus, Glossophaga,Megaderma.

б. Vleermuizen (Vespertilionida).

G. Plecotus, Vespertilio.

i) Orde. Insekteneters flnseclivoraj..................... 123.

I. Gestekelden (Aculeata).

G. Erinaceus, Centetes, Cladohates.

H. Spitsmuizen fSoricinaJ.

G. Sorex, Crocidura, Macroscelides, Myogale.

III. Molaohtigen (TalpinaJ.

G. Talpa, Scalops, Coudylura, Chrysochloris.

10 Orde. Knaagdieren (Eodentia, Rosores)................ 124.

I. Eekhoorns CSciurinaJ.

G. Sdui-us, Tamias, Pteromys, Arctomys, Spermato-philus, Myoxus.

ocr page 409

387

II.

Z w e m knaag die re n CPahmpediaJ.

G. Castor.

III.

Woeimuizen (ArvicolinaJ.

G. Fiber, Hypndaens, Myodos.

IV.

Muizen (Murina).

G. Mus, Cricetus.

V.

Molmuizen, Aardmuizen (Georycliina.)

G. Spalax, Bathyergus.

VI.

Springmuizen (DipodidaJ.

G. Dipus, Pedetes.

VII.

Gestekelden CAcnleataJ.

6. Loncheres, Hystrix, Ceroolabes, Philodendra.

VIII.

Half h o evigen (SiihunguUita).

G. Cavia, Coelogenys, Dasyprocta, Ilydroclioerns.

IX.

Wolrauizen, Haasmuizen (Eriomyina).

G. Eriomys, Lagostomus.

X.

Ilaasac h tigen (Leporina).

G. Lepus, Lagomys.

11 Orde. Tandeloozen, Ongeregeldtandigen (Edeniota, Annmodontaj.......................................... 127.

I. piantenetenden (HerhivoraJ.

G. liradypus, Choloepus, Dasypusj Chlamytloithorus. II. lusektenetenden CInsectivoraJ.

(i. Oiycteropus, Myrmecophaga, Manis.

12 Orde. Buideldieren (Marsnpialia)..................... 129.

I. V1 eesohetenden fSarcojihagaJ.

O. Thylacinus, Dasyurus, Phascogiile, Myi-meeobius.

II. Vergroeid viuge rig en {SyndactylinaJ.

a. Bladerenetendeii (Fo'éphagaJ.

G. Halmaturus, Hypsipiymnus, Dendrolagus. h. Vruchtenetenden fCarpophagaJ.

G. Phalangista, Petannis, Phascolarctos.

c. Inselctenetenden (EntomophagaJ.

G. ïarsipes, Parameles, Choeropus.

III. Buidelratten, Handvoetigen (Pedhnana).

G. Didelphis, Chironectes.

IV. K n a a gb n i d e 1 d i e r e n, quot;VVorteletenden {Glirina, Jihi-zophaga.)

G. Phascolomys.

93 Orde. Vogelbekdieren {Omithorhynchi, Monotremata)____ 132.

G. Oniithorhyuclius, Echidna, Acanthoglossns.

133.

II Klasse. Vogels (Aves)

ocr page 410

388

Bind-/..

1 Orde. Roofvogels' {Rapaces)........................... 145.

I. Dagroofvogels {Kapar.es diurnï).

a. Vallcachtigen {Falconidae, Accipitrini).

G. Falco, Astur, Circus, Milvus, Buteo, Pernis, Aquila, Haliaëtos, Paudion, Gypogeranus.

b. Gierachtigen (Vulturideae).

G. Gypaötos, Vultur, Neophron, Cathartes, Sarcoram-phus.

II. Nachtroofvogels {Rapaces noctwui).

G. Strix, Surnia, Otus, Bubo, Ulnla.

2 Orde. Klimvogels {Scansores)......................... 147.

1. Was suave lig en {CeriorJiynchi).

G. Psittacus, Macrocercus, Plyotolophus, Strigops, Psit-tacula.

II. Naaktsnaveligen {Psilorhynchi).

G. Picus, Yimx, — Trogon, — Cuculus, Indicator,— Musophaga.

3 Orde. Zangvogels, Musekachtigen, Roestvogels (0«-

cines, Passer mi, Insessores)....................... 149.

I. Duusuaveligea (Tenuiroslrcs).

G. Certhia, Sitta,— Meuura,— Upupa,— Trochilus,— Nectariuia.

II. Tandsnaveligen {Dentirostres).

G. Turdus, Mimus, Ciuclus, — Sylvia, Calamoherpe, Saxicola, Accentor, Orthotomus, — Motacilla, Anthus,

— Troglodytes, — Muscicapa, Ampelis, — Eupicola,

— Lauius, — Corvus, Pica, Garrulus, Nucifraga, — Paradisea, Epimachus, Oriolus, — Sturuus , Icterus, — Parus, Eegulus.

III. Kogels na veligen {Conirostres).

G. Alauda, — Fringilla, Loxia, Eniberiza, Ploceus, Amadina, Tauagra.

IV. Spleetsnaveligen {Fissirostres).

a. Vergroeidvingerigen {Syndactylac).

G. Buceros, — Alcedo, — Merops, — Coracias. h. Vrijteenigen {Eleutherodaclylae, Chelidones).

G. Hirundo, -— Cypselus,—- Collocalia,— Caprimulgus.

4 Orde. Hoenderachtigen {Gallinaceae)................. 153.

I. Duiven {Coluvthae).

G. Columba, Didunculus.

it. ii o enders {Gall'mae).

a. Duif hoenders {Fterodidae).

G. Pterocles.

ocr page 411

380

Blad/..

h. Patrijsacktiyen (Pcrdicidae).

G. Perdix, Cotuinix.

c. Korhoenders (Tetraonidae).

G. Te trao, Lagopus.

d. Fazantlioenders (Phasianidat).

G. Gallus, Phasianus, Numida, Meleagris, Pavo, Argus.

e. Boomhoenders (Penelopklcie).

G. Crax.

5 Orde. Struisachtige vogels, Loopvogels {Struthionidae,

Cursnres)........................................ 156

I. Vierteouigeu (Quadrungalalae).

G. Didus, Apteryx.

II. Drieteeuigen (Triungulataê).

G. Rhea, Casuarius.

III. T weoteenigeu (Binunyulalaé).

G. Stnitliio.

ü Orde. Steltloopers, Moerasvogels (Oi-allatores)....... 157

I. Trapganzen (Otidae).

G. Otis, Palamedea, Dicholopus, Psophia.

II. Reigers. (Ardeidn).

G. Grus, Ardea, Caucroma, Ciconia, Argula, Plata-lea. Ibis.

III. S nippen (Scolopacidae).

G. Scolopax, Limosa, Tringa, Tutanus, Numenius, Recurvirostra.

IV. Plevieren. (Charadriidae).

G. Charadrius, Vauellus, Oedicnemus, Haeraatopus, Strepsilas.

V. Waterhoenders (Rallidae).

G. Galliaula, Fulica, Crex, Eallus, Pari a, Porphyrio. 7 Orde. Zwemvogels (Natatores)........................ 159

I. Meeuwen (Laridae).

G. Larus, Lastris, Sterna, Khynchops.

II. S t o r m v o g e 1 s (Procellaridae).

G. Procellaria, Thalassidroma, Diomedea.

III. Eiempootigen (Sleyanopodes).

G. Tachypetes, Phaëton, Sula, Carbo, Plotus, Pelecanus.

IV. Plaatsnaveligen (Lamellirostres).

G. Anas, Fulix, Mergus, Anser, Cygnus, Phoenicopterus. V. Duikers (Cohjmhklae).

G. Colymbus, Podioeps.

VI. Alken (Alcidaea).

G. Alca, Mormon, Uria.

ocr page 412

300

Blad/.

VIL Slagpeuloozeu (Impennes). G. Aptonodytes.

III Klasse: Kruipende dieren (Bept'dia). 1 Orde. Schildpadden. (Chelonii).

I. Lands c hi 1 dji ad den (Teitudinea).

G. Testudo.

11. Zoetwater- of Moerasschildpaddeu (Emyda).

G. Emys, Chelydra, Kiuosternon, Chelodina, Clielys.

III. Rivierseliildpaden (Trionychida).

G. Trionyx.

IV. Zeeschildpadden (C'helonida).

G. Clielonia, Caretta, Sphargis.

2 Orde. Hagedissen (Sauriï)............................ 100.

I. Gepautserden (Loricali, Thecvdojiles).

G, Crocodilus, Alligator, Kamphostoraa.

II, Geschubden (Sytiamati, Athecondoules).

a. Spleettonyiyen (Schistoglossï).

G. Lacerta, Monitor, — Ameiva, Tejus, Helodorraa. h. Diktonyigen (Paclujgloisl').

G. Ignana, Draco, Agama, Stollio, — Platydactylus.

c. SUnycrlonyiyen (Spmdonoglossï).

G. Chamaeleon.

d. Korttongigen (Brachyglosaï).

G. Pseudopus, — Scincus, Bipes, Anguis, — Chirotes, Araphisbaena.

3 Orde. Slangen (Ophidii, Sevpentes)..................... 171.

I. Niet-vergit'tigen, Gaaftaudign [Aglyplivduntcs). a. Nauwmondigen (Stenostomi).

G. ïyphlops, Calamaria, ïortrix.

h. Wijdmond)gen (Ktirystomi).

G. Eryx, Boa, Python, — Acrochordus, — Dendrophis, Elaphis, — Coronella, ïropidonotus.

II. Verdachten, G1 en ft andigen {Glyplwduntes).

G. Psammophis| —- Herpeton, — Dipsas.

III. Vergifttandigen [Tuxoduntess).

G. Elaps, Bungarus, Naja, — Hydrophis, — Pelias, Vipera, — Crotalus, Lachesis.

I Orde. Kikvorschaclitigen (BaU-achit)................. 175.

I. Ongestaarten (Anuri).

a. Pipa-acldiyen (Tipaefonnes).

G. Pi]!;!, Dactylethra.

h. Kïkvorschen (Ranaefonnes).

163. 107.

ocr page 413

391

Bind/..

G. Rana, Bombinator, Alytes, Psoudis.

c. Boomkikvorschen {Hylaeformes).

G. Hyla, Hylodes.

d. Padden (Bufoniformes).

G. Bufo, Calamita, Ehinoderma.

II. Gestaarten (JJrudeli).

a. Salamanders (Salamandrida).

G. Salamaudra, Triton, Amblystoma, Onyehodacty-lus, — Cryptobranchus.

}gt;. Kienwdrarjenden (Perennibranchiata)

G. Menopoma, — Proteus, Ampliiuma, Siren, — Lepi-dosiren.

III. Blindslangen (OpJiiomorphi).

G. Caecilia.

IV Klasse. Visschen (Pisces)................................. 180.

1 Orde. Hard- of Ongeleed-vinnigen {AiuirlhriiptcryjU). 191.

I. Stekel vinni ge n (Acanthopterygii).

G. Perca, Labrax, Acerina, Lnoioperca, Trachinus, üranoscopns, — Sciaena, Mullus, Mngil, — Trig-la, Dactylopterus, Cottus, Gasterosteus, — Anabas, — Scomber, Thynnus, Nauerates, Caraux, Xiphias, Zeus, — Cbaetodon, Chelmon, Labrus, Epibulus. Eukelvoudig-vinnigen (Eaplopterygii).

G. Gobius, Callionymus, Cyclopterus, Echeneis, — Blennius, Anarrhiohas, — Lopbius, Malthe, — Fistu-laria, Aulostoma, — Cepola, Gymnetrus.

2 Orde. Week of G-eleed-viimigen (Malacoptenjgii,

thropterygu).................................... 193.

I. Buikvinnigen (M. ahdominales).

G. Esox, Exocoetus, Belone, — Clupea, Hareugula, Alausa, Eugraulis, — Salmo, Fario, Salar, Osmerus, Coregouus, — Anableps; — Cyprinus, Carassius, Abra-mis, Gobio, Cobitis, — Silurus, Malapterurus, Callicli-thys, Doras.

II. Keelvi nnigon (3/. jugulares, suhhracJdi).

G. Pleuronectes, Solea, — Gatlas, Lota, Ammodytes. III. Buikvinloozen (Apodes).

G. Auguilla, Conger, Muraena, Symbrauchus, — Gym-notus.

3 Orde. Vast- of Vergroeidkakigen (Plectoynathi)...... 196.

G. Balistes, Ostracion, Diodon, Orthragoriscus.

4 Orde. Troskieuwigen (Loplwhranchu)................. 197.

ocr page 414

302

liluilz.

G. Syngnathus, Hippocanipiis, Pegasus.

5 Orde. Glansschubbigen (Ganotdei)................... 197.

I. Beeiiigon ((?. osseij.

G. Amia, Polypterns, Lepidosteus.

II. Kraak be enigen (lt;?. cartilaginei).

G. Aoipenser, Spatularia.

G Orde. Dwarsbekkigen , Haaiaclltigen (Plagiostomi, Sc-

laciï).......................................... 108.

I. Haaien (Squalida).

G. Chimaera, — Scyllinm, — Carcharias, — Zygaena, — Galeus, — Mustela, — Lamua, Selache, Carcharo-dou, — Cestracion, — Spinax, Squatina.

II. K oggen (Itajida).

G. Pristis, Khinobatis, — Torpedo, — Kaja, — Try-gou, Miliobatis, Cephaloptera.

7 Orde. Rondbekkigen {Cydostomi)..................... 200.

G. Petromyzon, JI}rxiiie.

8 Orde. Smalhartigen (Leptocardii)..................... 201.

G. Amphioxus, Epigomethys.

GELEDE DIEREN (Animalia arthrozoa s, arthrupoda). I. Klasse. Insekten (Insecta)................................. 211.

1 Orde. Schildvleugeligen (Cohoplerd).................. 217.

I. Vijfledig en (PentameraJ.

G. Cieindela, Carabus, Calosoma, Brachinus, — Dytis-cus, •—■ Gyrinus, — Hydrophilus, — Silplia, Necropho-rus, — Staphylinus, Steims, — Hister, — Nitidula, Cu-cnjus, Dermestes, Byrrhus, Anthreuus, — Dynastes, Cetonia, Melolontha, Oopris, Ateuohis, Lucanus, Geo ■ trupes, — Elater, Buprestis, Lampyris, — Anobium. II. Versohilledi gen (Heteromera).

G. Tenebrio, Blaps, Mordella, - Meloë, Lytta, Pyrocliroa.

III, Verborgen-vijfleedigeu (Cryptopentamera).

G. Ciircnlio, Calaudra, Anthonomus, Bruchus, — lios-trichus, Hylesinus, Tomicus, — Prionus, Macro don tia, Aromia, Saperda, Acrocinns, Cerambyx, — Lema,Ca.s-sida, Haltica, Clnysomela, Doiypliora.

IV. Verborgen-vierleedigen (Cryptotetramera).

G. Coccinella.

2 Orde. Rechtvleugeligen {Orthoptera).................. 221.

1. L o o p e r s (Gursores).

G. Forficnla, — Blatta.

ocr page 415

303

lilmlz.

II. Wandelaars (Gressores).

6. Mantis, — Phasrna, Phyllium.

III. Springers {Saltatureis).

G. Giyllotalpa, Gryllus, — Loousta, — Aoridium.

IV. Frauj es taartigen (Tliysanura).

G. Lepisma, Machilis, — Podura, Desoria.

3 Orde. Pees- of Netvlengeligen, (Neuruptera).......... 224

I. Met onvolkomene metamorpliose (Tlcmiinetahola). G. Psocus, Atropos, — Termen, — Perla, — Ephemera, — Libellula, Aeshna, Agrion, Callopteryx.

11. II e t volkomene m e t amo r plio se {Ilolometdbola).

G. Hemerobius, Myrmecoleon, Panorpa, — Plirygauea.

4 Orde. Plooivleugeligen (Strepsiimra).................. 22ö

G. Stylops, Xenos.

5 Orde. Vliesvleugeligen {Hymenopterci)................ 22()

I. Met oen angel {Aculeata).

G. Apis, Bombus, Andrena, Xylocopa, Megacbila, An-thophora, — Vespa, — Crabro, Spbex, — Chrysis, — Formica.

II. Met een 1 e g b o o r (Siphonoiihora).

G. Ichneumon, Trogus, Ephialtes, Spathins, Foenus,— Cynips, Ehodites, — Sirex, — Tenthredo.

(5 Orde. Schubvleugeligen (Lep'nloptera)................ 228

I. Dagvlinders (Dii(rna).

G. Pieris, Co lias. Vanessa, Satyrus, Hipparchia, Ar-gynnis, Nymphalis, Lycaena, ïhecla, Papilio.

II. Sp anners. Landmeters (Geometrina).

G. Geometra, Zerene, Larentia.

III. Avond vlinders, Sphinxen (Sphinglda).

G. Sphinx, Smerintlms, Acherontia, Sesia.

IV. Spinners (Bonibycidd).

G. Cnethocampa, Harpyia, Arctia, Chelonia, Liparis, Cossus, Zygaena, Bombyx, AttaCus, Saturnia.

V. Uilen (Noctmna).

G. Catocala, Noctua, Trachea, Plusia.

VI. Motten (Tineina).

G. Pyralis, Galleria, Tortrix, Tinea, Pterophorus. 7 Orde. Snavelinsekten {Tilojnchota) of Halfvleugeligen

(Eemipterd)........................................ 232

I, Wantsen (Coreidae).

G. Cimex, Acanthia, — Eeduvius, Limnobates, — Ve-lia, — Nepa, — Notonecta.

II. Cicaden (Cicadavia).

ocr page 416

394

Blad/..

G. Cicada, — Fulgora, — Cercopis.

III. PI anten luizen {Aphtdea).

G. Psylla, — Aphis, Siphonophora, Callipterus, — Phylloxera, — Coccus, Lecaniura.

IV. Dier luizen (Pediculina).

G. Pediculus, Liothoum, — Trichodeetes.

8 Orde. Tweevleugeligen {Diptera)..................... 235.

I. Muggen (Ctdicida), Langsprieten (Nemocera).

G. Culex, Tipula, Cecidomyia, Psychoda, Chionea, ]5i1)io, Sciara, Simulia.

II. Vliegen {Muscidd), Kortsprieten {Brachycera).

G. Tabanus, ■—• Bombylius, — Asilus, — Stratiomys,

— Syrphus, Merodon, — Musea, Lucilia, Tachina, Sca-tophaga, Conoiis, Stomoxys, Glossina, Oestrus.

III. Luisvliegen (Hipjioboscidae), P o ]gt; p e n I e g g e r s , (Pn-

piparae).

G. Hippobosca, — Nycteribia, — Braula.

IV. Vermink tvleugelige n (Aphaniplerd), Vlooien.

G. Pulex, Sarcopsylla.

II Klasse. Duizesdpooten {Myriapoda)........................ 238

1 Orde. Pootlippigen {Chilopoda)........................ 239

G. Scolopendra, Lithobius, Geophilus.

2 Orde. Kaaklippigen {Chiloynatha)...................... 239

G. Julus, Polydesmus, — Glomeris.

Ill Klasse. Spinnen (Araclmoidea)............................. 2-10

1 Orde. Geleedbuikigen (Arthrugastra).................. 243

G. Soljiuga, — Scorpio, — Phrynus, Chelifer, — Pha-langium.

2 Orde. Ongeleedbuikigen (Anarthrogastra).............. 244

I. Ware Spinnen (Arancida).

G. Mygale, Cteniza, — Epeira, Theridium, Latrodeotes,

— Aranea, Argyroneta, Clnbiona, — Lycosa, — Attus.

II. Mijten (Acarina).

G. Trombidiuin, — Ixodes, — Acarus, Sarcoptes, — Demodex, — Hydrachna, Dermanyssus, Gamasus.

3 Orde. Huidademers (Derniatopneusla).................. 246

I. Heertjes, T r a a g 1 p o p e r s (^rcfiscojiica. Tardigrada). G. Macrobiotus.

II. W o r m m ij t e n (Limjualulina).

G. Linguatula.

III. Hoekpootigen (Pycnogonida).

G. Pycnogonura.

ocr page 417

395

liL-ulz.

IV Klasse. Schaaldieken {Crustacea).......................... 248.

1. Orde. Steeloogigen (Podophtlialma)..................... 252.

I. T i e u j) o o t i g e ii (Decapoda).

a. Kortstaartigen {Brachyura).

G. Portunus, Cancel', Carcinus, Podoplitlialmus, — Pin-notliereS; Telpliusa, Gecaroinus, Gelasimus, —- Maja, — Calappa, — Kaniua.

tgt;. Ongeregeldstaartiyen {Anomura).

G. Hippa, — Pagiu'us, — Porcellaua.

c. Langslaartigen {Maerura).

G. Paliuurus,—Astacus, Homarus,—Crangon, Palaemon. II. Mondpoot i ^ e ii (Stomatopodci).

S. Squilla, — Mysis.

2. Orde. Ongesteeldoogigen (Edriojthfhalma)............. 256.

I. Vlookreefteu (AmphiiJoda).

G. Gammarus, Talitrus, Orcliestia, Corophium. II. Keelpootig-en (Laemodipoda).

G. Caprella, — Cyamus.

III. Gelijkpootigen {Isopoda).

G. Oniscus, Porcellio, Armadillo, Philoscia, Ligia, — Asellus, Idotea.

0 Orde. Heupmondigen, Versohilpootigen, Zwaard-

staartigen (Merostomata, Poedlopoda, Xiplwsura)........ 258.

G. Limulus.

1 Orde. Kieuw- of Bladpootigen (Branchiopoda, Fhyllopoda) 259.

G. Branchipus, Cliiroceplialus,— Apus, — Limiiadia,—

Daplmia.

5 Orde. Solielpdragenden (Ostracoda, Cypridina).......... 2G0.

G. Cypris.

G Orde. Riempootigen {Copepoda)....................... 2G0.

I. Kaakmondigeu (Gnathostoviata).

G. Cyclops.

11. P a r a s i t e u (Parast tica).

G. Nicothoë, Ergasilus, — Argulus, — Caligus, — l)i-chelestium, — Tracheliastes, — Leruaea.

7 Orde. Rankpootigen (Cirrliipedia)...................... 2G2.

G. Lepas, — Balanus, Coroiiula.

8 Orde. Raderdieren (Rotatoria)......................... 2Go.

G. Laciuularia, Floscularia, — Kotiter, — J Jydatiua, — Brachionus.

AVr OKM EN (Ver mes).

1 Klasse. 1 Iolwokmen (Coclelmia)............................. 2G7.

ocr page 418

390

Bladz.

1 Orde. Borstelwormen (C'/iaeloporla).................... 207

I. Veelborsteligen (Palychaeta).

6. Aphrodite, — Nereis, — Euuice, — Arenicoia, — Ain-phitrite, Hermella, — ïerebella, — Sabella, Serpula. II, AVeiuigborsteligeu (Olir/ucJiaela).

G. Lurabricus, — Naïs, — Sagitta.

2 Orde. Slurpwormen (Gephyrea, Sipunculacea)............ 271

I. E c li i ii r i d e ii (Eehiuridae).

G. Ecliiurus, — Bonellia.

II. Slurppiereu (Sipunculida).

G. Sipunculns.

3 Orde. Rondwormen (Nematoda)........................ 272

I. Met eeue aarsopen i n g (Froctuchd).

G.Anguillula, Rhabditis,—Ascaris, Oxyurus,— Filaria,— Trichocephalus, Trichina, — Strongylus, Doclimius.

II. Zonder aars opening (Aproctd).

G. Gordius,—Merrais.

-t Orde. Klauwdragers (Onychophord)..................... 274

G. Peripatus.

5 Orde. Binnenkieuwigen (Enterobrancha)................ 274

G. Balanoglossns.

G Orde. Doornkoppigen (Acanthocephala)................. 274

G. Echinorhynchus.

7 Orde. Buiktrilwormen (Gastrolridid)................... 275

II Klasse. Volwokmen (Plerelmia)............................. 275

1 Orde. Trilwormen (Turhellaria)....................... 276

I. H o 1 s 1 ii r p i g e n (Rhynchocoela).

G. Tetrastemma, — Lineus, —- Prostomnm. II. Staafdarmigen (Rhahdocoela).

G. Miorostoinum, — Macrostomnm, — Vortex. III. Boom- of vertakt-vormigen (Uendrocoela).

G. Planaria, Dendrocoelnm.

2 Orde. Zuignapwormen (Coiylided)..................... 277

I. Bloedzuigers (Hirudined).

G. Hirudo, — Pontobdella, Piscicola, — Clepsine.

II. Z u i g w o r m e n ( Trematoda).

G. Udonella, — Tristoma, — Polystoraa, Diplozoön, — Distoma, — Monos toraa.

3 Orde. Band- of Lintwormen (Cestoided)............... 280

G. Bothriocephalus, — Taenia.

WEEKDIEKEN {Mollusca). I. Klasse. Kopdhagende Weekdieren (Cephalvphora)

287

ocr page 419

397

Bladz.

1 Orde. Koppootigen (Cephalopoda)...................... 287.

I. Tweekieuwigen (Dibranchiata).

a. Tienarmigen (Decapoda).

G. Sepia, — Spirula, — Loligo, -— Sepiola, — Ommas-trephes, — Onychotheutis.

h. Achtarmigen {Octojjoda).

G- Octopus, — Kledone, — CiiThotheutis, Argonauta. II. Vierki e u w i g e n ( Tetrdbranchiata).

G. Nautilus.

2. Orde. Buikpootigen {Gasteropoda)..................... 292.

I. Breedvoetigeu (Platypoda).

a. Voorlcieuwigen (ProsobrancMa).

G. Patella, — Fissurella, — Haliotis, — ïrochus, Turbo, — Nerita, — Strombus, — Dolium, — Cassis, — Cerithi-um, — Cypraea, Ovula, —• Couus, — Murex, Fusus, — Buocinum, •— Mitra, — Oliva, — Voluta, — Sealaria, — Janthina, — Tumtella, — Vermetus, — Natica,— Lit-torina, — Paludina, — Cyelostoma.

b. Lonyademers (Pulmonata).

G. Lymuaea, Planorbis, Physa, — Helix, Clausilia, Zo-uites, Vitriua, — Testaeella,— Limax, — Onchidium.

c. Acliterkieuiciyen (Ojnstobranchm).

G. Chiton, — Aplysia, Dolabella, — Bulla, — Doris, An-eula, — Tritouia, Deudronotus,— Aeolis,— Phyllirrhoü. II. Verschilpootigen (Heteropoda).

G. Cariuaria.

3 Orde. Vleugel- of Vinpootigen (Pteropoda)............ 30Ü.

G. Clio, — Hyalea, Cleodora, — Limacina.

NB. Deutalium.

II. Klasse. Plaatkiedwigen (Lainellibranchiala)................. 303.

1 Orde. Eenspierigen (Monomyaria)..................... 307.

G. Ostrea, — Peeten, Spoudylus,— Meleagriua, Malleus, —- ïridacna.

2 Orde. Tweespierigen (Dimyaria)...................... 307.

I. Gaafmanteligeu (Inteyripalliala).

G. Pinna, — Mytilus, Dreisseua, — Nucula, —• Auo-donta, Unio, Margaritina, — Cliama, — Cardium, — Lucina, — Cyclas, Pisidium.

II. Bochtmanteligen (Sinupalliata).

G. Venus, — Tellina, Donax, — Hactra, Amphidesma,— Mya, — Solen, — Pholas, Teredo, — Aspergillum.

310.

III. Klasse. Huiuzakuieuen (Tunicatu)

ocr page 420

398

Bladz.

1 Orde. Tethyonideën {Tethyonideae).................... 312.

G. Ascidia, Pliallusia, — Perophor.a, — hotryllus, — Pyrosoma.

2 Orde. Thaliaceën (Thaliaceaé)......................... 314.

G. Salpa, — Doliolum, — Appendiculaiia.

IV Klasse. Akmpootigex {Brachiojioila)........................ 3l!).

1 Orde. Slottandigen (Testicardines)..................... 317.

G. Terebratula, —• Thecidium.

2 Orde. Slotloozen (Ecardines).......................... 318.

G. Lingula, — Crauia.

V Klasse. Mosdieeen (Bryozoa).............................. 318.

1 Orde. Kampootigen {Lophopoda)...................... 320.

G. Cristatella, — Plum.'itella, Alcyouella, Lopliopns.

2 Orde. Treditermondigen {Injundihulatu).............. 321.

G. Paludicella, — Cellularia, Gemellaria, Cellepora, Membrauipora, Flustra, — Halodactylus, Lagimcula, ISowerbaukia, — Crisia, Tubulipora.

STEKELHUIDIGEN (Echinodermata).

I Klasse. Zeekomkommeks (Solothuridae)..................... 32').

1 Orde. Longdragenden (Pneumonophora)................ 329.

G. Holothuria, — Pentaeta, Cucuraaria, Psolus, Thyone.

2 Orde. Longloozen (Apneumona)....................... 329.

G. Synapta.

II Klasse. Zf.eügels (Echinoided)............................. 330.

1 Orde. Binnentopveldigen (Endocyclica)................ 334.

G. Cidaris, — Echinus.

2 Orde. Buitentopveldigen (Exocyclica)................. 334.

G. Clypeaster, Echinocyamus, — Spatangus.

III Klasse. Steedieken (Stelleridaé)........................... 33ö.

1 Orde. Zeesterren (Asteridae)........................... 338.

G. Asterias, — Astropecten, Solaster, — Culcita, Ecld-naster, — Brisinga.

2 Orde. Slangsterren (Ojphiuridae)....................... 338.

G. Ophiolepis, Opliiothrix, — Euryale.

IV Klasse. Zeelklien (Crinoideaé)............................ 339.

G. Comatula, —Pentacrinus, — Khizocrinus.

HOLTE- of NETELDIEREN (Coelenterata s. Acalepha).

I Klasse. Ribkwallen {Ctenophora)........................... 344.

1 Orde. Nauwmondigen (Stenoslomata).................. 34G.

G.'Eurampliaea, — Ocyrhoë, — Cestinu, — Cydippe.

ocr page 421

30!)

Bind-/.

2 Orde. Wijdmondigen (Eürystomata)................... 347.

G. Beroë, — Eangia.

II Klasse. Kwaldieken {Mednme)............................ 347.

1 Orde. Hoogere kwallen (Eumednsae).................. 353.

I. Eenmondigeu (Monostomidae).

G. Aurelia, Cyauea, — Chiysaora.

II. Ve el in o u dig e n (Polystomidae).

G. Rhizostoma.

2 Orde. Hardkwallen (Trachymedvsaè)................... 304.

I, Vastzittende (7'. sessiles, Lncemaridae).

G. Lucernaria.

II. Vrije {T. Uheraé).

G. Charybdea, — Argina, Geryouin .

3 Orde. Polypkwallen (Hydromednsae)................... 355.

I. Hydroideu (Hydrloideaé).

a. Vrije Pulypkicallen {H. Uheraé).

G. Mesonema, - Thaumantias, - Cladouema, - Oceania. h. Hydroidpohjxien {Hydropolypi).

G. Sertularia, Plumnlaria, — Campamilaria, — Milleigt;o-ra, — Tubularia, Syncoryne, Stauridia, Hydractinia, Clava, Protohydra, ]lalilojilius, —• Hydra.

II. B it i s k w allen (Siphonophora).

G. Diphyes, Praya, — Physophora, — Physalia, — Ve-

lella, Porpita.

III Klasse. Polypen of Bloemdieren {Adinozoa, Actinopolypi). ... 3ü0.

1 Orde. Bloempolypen (Zoantharia, Polyaclinia).......... 304.

I. W e e k h u i d i g e n (Malacodermala, Actiniaria).

G. Actinia, Cereus, Zoauthus.

II. 11 ardvoetigen (Sclerohasica, Antipatharia).

G. Antipathes.

III. H ar d h u i d i g e n (Sclerodcrmala, Madreporiaria).

G. Caryophyllia, — Oculina, Ampliihelia, ■—Astraea, Euphyllia, Maeandriua, — Fungia, — Madrepora.

2 Orde. Sterpolypen (Odactinia, A ley on aria).............. 3G7.

I. Buisachtigen (Tuhiporïdae).

G. Tubipora.

II. Kurkpolypeu (Akyonidae).

G. Alcyouium, Antlielia.

III. Hoorukoralen (Gorgonidae).

G. Gorgonia, Isis, Corallium.

IV. Zeeveders [Pennalulidac).

G. Penuatula, Virgularia, Veretilluin.

ocr page 422

400

Bladz.

PKOTOZOEN {Protozoa).

I Klasse. Sponsen (Spongiaria).............................. 370.

1 Orde. Eigenlijke Sponsen (Autosjjonyiaria)............ 372.

I. Ho o r 1Lspons eu {Ceratosponyiaé).

G. Spougia.

II. Kiezelsponsen (Silicispongiae).

Gr.Halichondria, Poteriou, Spongilla, ïethya, Vioa, — Hyaloueraa, Euplectella.

2 Orde. Kalksponsen (Calcispongiaria)................... 373.

G. Sycou.

II Klasse. quot;Woktelpootiües {Bklzopoda)...................... 374.

1 Orde. Weeke Wortelpootigen; Proteinen (Malacorki-zopoda; Proteina)....................................... 374.

G. Amoeba, Difflugia, — Gromia, — Actlnophrys.

2 Orde. Foraminiferen; Polythalamien {Forammfera; Polythalamid).......................................... 375.

I. Oudoor boorden (Impeiforata).

G. Quiuqueloculiua, — Orbiculina.

II. Doorboorden (Perforata).

G. Nodosaria, Nonionina, — Textillaria,— Amjiliiste-gina, Nummulites.

3 Orde. Radiolarien (Radiolaria)........................ 37G.

I. Met buitenskelet (Ectolithia).

G. Thalassioolla, — Eucyrtidiiim, — Heliosphaera, Collosphaera.

II. Met biuuenslcelet (Endulithia).

G. Acanthometra, Xiphacanta, — Actinomma, — Coc-codiscus.

III Klasse. Infusiemeren (Infmoria).......................... 377.

1 Orde. Zuiger-infusoriën; Acineten (Svctoria; Adnetina) 379.

G. Aciueta, Podophrya.

2 Orde. Trilhaar-infusoriën (Ciliata)................... 380.

I. Overal niet trilharen (Endinula).

G. Vorticella, Carehesium, Epistylis, — Stentor, — Colpoda, Paramecium.

II. Niet overal met trilharen (Adinida).

G.Euplotes, — Euchelys,— Laerymaria,— Trachelius.

3 Orde. Zweephaar-infusoriën (Flagellata).............. 381.

G. Peridiniiim, — Euglena, — Volvox, — Monas. NB. Gregawnida, Noctilucida, en Bacteria,

ocr page 423
ocr page 424
ocr page 425

• ,

- ■ ••• • : . V

-• M. • rl

v ''*§§?

,' ■. .'■■■ ■ v ■ ;:\

| | |

I

I |

I

I |

I

I

I

, . %v. ... ' ; v-

■ ' ::.....quot;

1

■ I

■ I

|

I 1

.

r-; ; ' - ;-v: : ; ^ :,:S; /:

,

..Aquot;

■V:-. - v.- -..- ' : - v^v

■ - ,

• -

_

ocr page 426