If ' â /I 'l;/;
/r 4Cgt; ........f
^; ^iyI ^ . ütU f' wJ :' ^ ^ â ' I : I
/? ft! wM-'l-i'I'' vf l') â ; V i/l I CVCÃ'5 Wl Vv
/: ' -quot;f â #. / fc
A^âw,.....y'
,4S:'ft5^â ''â â â :vgt;:':'® ' ;â â ;â â â .â¢,â¢Â«swas»'5quot;1'
:cb^
L/
/1;« . / . f ' ..
a-:) ⢠V :â â â 1 s v, ' â¢1 #A»'?
^ j .'â r, I i.quot;i \ .-i ^ ,!-'â «'.gt;⢠,» ?'
. k:iv A .. â gt;
lt;.,') ⢠ft . ⢠⢠, ', i ' '' '-vr
: â¢â ' â '⢠^quot;;! .â â¢- â¢'â¢'-â ' ! V
7 ; ; - gt;: ii i yiHL-
â â '/. r
â 7; fe.5:.,v. , ⢠ÃXtoê ? i- â â¢-- ^i'
f' J
( £)
I / /
DOOR AFRIKA'S WILDERNISSEN.
In de Mumoni-bergen,
-
DOOR
AFRIKA'S WILDERNISSEN.
Db. CARL PETERS' TOCHT
BEWERK r DOOR
JOHAN GRAM.
Van Zanzibar naar Kikuyu.
LEIDEN. â A. W. SIJÃHOFF.
4f
1
9,
1N H O U \).
HOOFDSTUK I.
Bladz.
De voorbereiding.................. 1.
HOOFDSTUK II.
Te Zanzibar en in hot Blokkade-gebiod.......... 11.
HOOFDSTUK III.
In het sultanaat Witu................ 34.
HOOFDSTUK IV.
De Tana opwaarts naar de Gallas............ 59.
HOOFDSTUK V.
Bij de Gallas in Oda-Boru-Euwa............109.
HOOFDSTUK VI.
Aan de boven-Tana naar Kikuyu............131.
De voorbereiding.
W ij gaan met Dr. Carl Peters, een ervaren en beroemd reiziger, naar het hart van Afrika. Op dien moeilijken, zwaren tocht vergezellen wij hem overal, doch vóór wij uit Duitschland vertrekken en over de middel-landsche zee naar Egypte stoo-men, moeten wij toch eerst nog
SAMUEL BAKER.
een en ander vernemen omtrent de aanleiding tot die kostbare en gevaarvolle expeditie.
Toen Ismaël Pacha nog als onderkoning over Egypte regeerde, deed een Engelschman, Samuel Baker, hem het voorstel om zich het lot der onbeschaafde en beklagenswaardige bevolking der landen ten zuiden van Egypte aan te trekken. Nam de onderkoning die landen in bezit en opende hij de markten dier gewesten voor heel de beschaafde wereld, dan zouden niet alleen de Egyptische vleesch-potten weder voor hem herleven, maar kon tevens door hem de afschuwelijke slavenhandel in die streken onderdrukt worden.
De onderkoning had wel ooren naar dat aanlokkelijk plan. De overwinningen, die hij zou behalen, zouden hem roem en eer brengen, en de groote staten van Europa zouden hem vieren als den onderdrukker van den afschuwelijken slavenhandel. Bovendien zou zijn rijk zich daardoor ontzaglijk uitbreiden, en kon hij zich vrijmaken van Turkije, hetgeen hij reeds zoo lang gewenscht had.
Niet lang bedacht de onderkoning zich, en benoemde Samuel Baker tot Pacha. In 1870 trok deze, aan het hoofd van een klein leger, van Chartum naar het Zuiden, drong zelfs door tot Masindi aan het Albert-meer en knoopte met Mtesa in Uganda onderhandelingen aan.
Doch Baker ging te doldriftig te werk, en strafte menschenroof, zonder er zich om te bekommeren, dat tallooze nieuwe Egyptische onderdanen daardoor terdege benadeeld werden. Bovendien bracht hij geen enkel goudstuk in de arme Egyptische schatkist, zoodat hij weldra in ongenade viel en ontslagen werd.
Intusschen bloeide de slavenhandel even tierig als vroeger. Van Chartum uit trokken nu en dan expedities langs den Nijl naar Bahr el Ghasal. Aan den rivieroever werden vaste handelsstations opgericht, ten bate van den ruilhandel met de inboorlingen, zooals men voorgaf, maar eigenlijk dienden zij voor den slavenhandel. Van daar begaven zich de aanvoerders met al hun gewapenden aanhang-naar de negerdorpen en vernielden die te vuur en te zwaard. De arme dorpelingen ontvluchtten dan hunne brandende hutten en werden door de overweldigers in slavernij weggevoerd. Om aan
2
CtOHDOX.
zulk een toestand een einde te maken, werd de bekende Engelsche kolonel Gordon door den onderkoning aangezocht, het bestuur over Soedan op zich te nemen. Gordon had zich in China groote eer en roem verworven; hij was een der edelste en rechtvaardigste mannen die ooit geleefd hebben; zijne brieven aan zijne moeder en andere familie-leden doen hem als den voortreffelijksten zoon en beminnelijksten bloedverwant kennen.
Tal van Europeesche en Amerikaansche ambtenaren gingen met den moedigen kolonel naar Soedan mede. en onder hen bevond zich ook een Duitsch dokter, die onder den naam van Emin Effendi zich bij de expeditie had aangesloten.
Met zijn kloek karakter en groote rechtvaardigheid wist Gordon orde op de zaken te stellen. Overal vestigde hij militaire stations, om der gejaagde bevolking rust en kalmte weer te geven, en ze tegelijkertijd onder het gezag van Ismaël Pacha te brengen. De wegen der slavenhandelaars werden onbruikbaar gemaakt en de menschenmarkten opgeheven. Op die wijze gelukte het den uitmuntenden Gordon, zooveel mogelijk orde en vrede in het land te brengen.
Xa de inlijving van het Rijk van Darfur bij Egypte, was de droom van Mehemed Ali; een Rijk van den beroemden vuurtoren van Alesandrië tot den Aequator, verwezenlijkt. Doch hoe roemrijk die overwinningen ook waren, de schatkist bleef ledig, en dit verwekte zulk eene ontevredenheid, dat Ismaël Pacha in 1879 zijn onderkoningschap nederlegde, en Gordon eveneens als bevelhebber aftrad.
Réuf Pacha werd Gordon's opvolger, maar had bovendien drie gouverneurs van Europeesche afkomst over verschillende deelen des lands. Emin Bey, nu Emin Pacha, stond aan het hoofd van de aequatoriale gewesten; aan Lupton Bey, een Engelschman, was het bestuur over de provincie Bahr el Ghasal toevertrouwd, en Slatin Bey, een Oostenrijker, trad als gouverneur van Darfur op.
Emin Bey nu, ten wiens behoeve de geheele expeditie van Dr. Carl Peters plaats had, heette eigenlijk Dr. Eduard Schnitzer. In Turkije had hij echter, in dienst van den sultan overgaande, niet alleen den fez, het roode mutsje, maar ook reeds een Turkschen
3
EMIN BEY.
naam aangenomen. Hij was den 28sten Maart 1840 te Oppeln in Silezië geboren, en werd, na aan verschillende Duitsche hooge-scholen te hebben gestudeerd, doctor in de geneeskunst en in de natuurwetenschappen. Zoo kwam hij, na jarenlang als militair arts rondgezworven te hebben, ten slotte in het gevolg van Gordon. Deze was bijzonder ingenomen met Emin Bey; want door langdurig verblijf in het Oosten had onze doctor groote gemakkelijkheid in den omgang met Arabieren gekregen, en wist hij zich vloeiend in hunne taal uit te drukken. Daar nu de Arabieren met hunne handelskaravanen sinds jaar en dag Soedan doortrokken, was dit veel waard. Emin Bey was gewoonlijk de onderhandelaar met de neger-vorsten en sloot verdragen met hen. Meer en meer wist hij ook het vertrouwen der bevolking te winnen, en wel in zulk eene mate, dat men in hem den profeet van eene betere toekomst zag. Hij deed alles wat hij kon, om orde en welvaart te bevorderen, en bracht het hierdoor in zijne provincie zóó ver, dat zijn gewest in 1882, in plaats van tonnen gouds aan Egypte te kosten, eene winst van 8000 pond sterling opleverde.
Doch weldra kwam er een einde aan dien gunstigen toestand. Nadat Ismaël Pacha afstand van den troon had gedaan en door zijn zoon was opgevolgd, brak er een militaire opstand uit, die met behulp van Engeland onderdrukt werd. Albion deed er toen verder zijn invloed gelden, zoodat alle hooge ambten en commando's in handen van Engelschen kwamen.
Echter gelukte het dezen niet, de teugels van het bewind met zoo vaste hand te voeren, dat de orde overal bewaard bleef.
Op het eilandje Aba in den Witten Mjl leefde een zekere Mahomed Achmed, die sinds jaren in een reuk van groote heiligheid stond. Na allerlei ondergeschikte baantjes te hebben vervuld, trad hij ten slotte in de Derwischenorde der Ghélanis. Hierdoor begon hij invloed op de bevolking te verkrijgen. Het duurde niet lang, of de slimme vos begon in naam van Mahomed tot een godsdienstigen opstand onder de bewoners aan te hitsen. Toen de Regeering dit bespeurde, werd Mahomed Achmed voor eenige maanden achter slot gebracht.
4
DE MAHDI.
Toen hij weder in vrijheid werd gesteld, vestigde hij zich op het eilandje Aba, waar zijne strenge levenswijze en groote vroomheid hem door de bevolking als een heilige deden beschouwen. Men overlaadde hem met geschenken, en velen sloten zich bij hem aan om leerling van hem te worden. Vooral wist hij in de steden der vroegere slavenmarkten zijn invloed uit te breiden.
Toen de slimme priester in Mei 1881 het oogenblik gekomen achtte, om zijn plannen ten uitvoer te leggen, gaf hij zich openlijk uit voor âMahadiquot; of âMahdiquot; (âdoor Clod op den rechten weg geleidequot;) en riep alle leiders op zijn eilandje bijeen.
Nu deelde de Mahdi hun zijne plannen mede. De tijd der heerschappij van den Islam over de geheele aarde was gekomen. Geene armoede zou er meer bestaan, maar overal gelijkheid en gemeenschap van goederen. Het slavenjuk der dienstbaarheid, dat hun door Europeeschen invloed was opgelegd, moest afgeworpen worden. Zoo wilde het Allah!
Door die opgewonden woorden was de vonk in het kruit geworpen en weldra ontbrandde het vuur van den opstand met ontzagwekkende hevigheid.
Welke pogingen ook werden aangewend om den opstand te dempen en den Mahdi gevangen te nemen, het gelukte niet. De oproerige beweging breidde zich meer en meer uit; talloozen schaarden zich onder de vanen van den Mahdi, en het duurde niet lang of de nieuw aangeworven gewesten hadden het Egyptische gezag geheel afgeschud.
Zelfs moest de gouverneur van de Ghasal-provincie, Lupton Bey, die het twee jaren lang tegen de troepen van den Mahdi had volgehouden, in 1884 het onderspit delven en zich als gevangene overgeven.
In dien benarden toestand scheen het een oogenblik dat Gordon, de praktische regent en stoute aanvoerder, die nu plotseling mede het bevel over de troepen aanvaardde, in staat zou zijn, de macht van den Mahdi te fnuiken. Weldra bleek echter, dat hij niets tegen den steeds stijgenden invloed van den Mahdi vermocht, ja dat hij zelfs Chartum niet voor Egypte kon bewaren. Na een jaar lang al
5
DE INGESLOTEN DAPPEREN.
het mogelijke te hebben beproefd, viel Chartum den Mahdi in handen. Gordon sneuvelde op het veld van eer, en met hem ging een onverschrokken held, een grootsch karakter, een man, die toen het gevaar het hoogst gestegen was, naar den moeilijksten post terugkeerde, verloren.
Na den dood van den grooten held, was alle hoop op herstel van het Egyptische gezag verloren. Onbeperkt heerschte de Mahdi in het hart van het Eijk en het kostte zelfs groote moeite om de uitbreiding van zijn gezag tegen te gaan. Slechts de aequatori-aal-provincie in het Zuiden, onder het bestuur van Emin Pacha, was nog buiten de heerschappij van den Mahdi gebleven. Maar hoe dit ook voor den schranderen en welberekenden Dr. Schnitzer (Emin Pacha) mocht pleiten, toch was die provincie nu een afgesloten gebied, een eiland te midden van het vasteland, van de beschaafde wereld afgesloten door woeste, onbeschaafde stammen en door het rijk van den Mahdi.
Natuurlijk spande de Mahdi nu al zijne krachten in, om ook die begeerde provincie in zijn bezit te krijgen. Het gelukte hem, het station Amadi te veroveren, zoodat Emin Pacha verplicht werd, zich naar den Nijl terug te trekken. Nu werden de berichten omtrent Emin Pacha hoe langer hoe zeldzamer, en werd steeds meer en meer alle gemeenschap met hem verbroken. Nu en dan kwam een zijner brieven in goede handen, en zoo vernam men den ö3611 Juli 1886, dat Emin bereid was te blijven en de aequatoriaallanden zoo lang te bewaren, totdat er hulp zou komen opdagen.
Wat zou het lot worden van deze ingesloten dapperen? Zouden zij den wreeden Mahdi in handen moeten vallen? Zou Europa het lijdelijk aanzien, dat deze kloeke mannen aldus als het slachtoffer hunner plichtsbetrachting vielen?
In Duitschland wekte reeds in het voorjaar van 1886 professor Schweinfurth tot hulp op. Kort daarop kwam ook Stanley met hetzelfde plan voor den dag, en slaagde er in, daarvoor in Engeland het benoo-digde geld bijeen te brengen. Eeeds in het begin van 1887 trok hij uit Europa naar Oost-Afrika en in de lente van dat zelfde jaar kwam hij met het door hem te Zanzibar aangeworven gevolg aan den Kongo aan.
6
AANBOD AAKquot; DR. PETEBS.
Dr. Carl Peters was in dat jaar te Zanzibar met de regeling van kustaangelegenheden en de invoering van andere maatregelen in de Duitsche kolonie belast. Toen hij nu in Februari 1888 weder in Europa terugkwam, werd hem van wege de Duitsch-Oost-Afrikaansche maatschappij 80 000 Mark (ongeveer 18 000 gulden) aangeboden, indien hij zich aan het hoofd eener Duitsche Emin Pacha-espeditie wilde stellen. Dr. Peters nam dit voorstel voorwaardelijk aan. Niet lang duurde het echter, of er vormde zich een voorloopig bestuur ter ondersteuning van Emin Pacha, en geheel Duitschland kon eenige dagen later de volgende oproeping lezen:
âDe opstand van den Mahdi in Soedan heeft de eerste Europeesche nederzettingen aan den Boven-Mjl verwoest; de beschaafde wereld ziet met schrik de gruwelen van eenen teugelloozen slavenhandel zich steeds verder en verder uitbreiden. De tijding, dat onze landgenoot Dr. Eduard Schnitzer, Emin Pacha, de hem door de Egyptische Regeering toevertrouwde Aequatoriaal-provincie in het Zuiden van Soedan tegen de aanvallen van den Mahdi heeft weten te behouden en met zijne troepen daar een laatste bolwerk van Europeesche beschaving vasthoudt, heeft in Europa de hoop doen ontstaan, dat Emin Pacha's provincie het uitgangspunt voor do beschaving van Midden-Afrika moge worden. Op ruimen voet werd Stanley door Engeland in staat gesteld om de gemeenschap met Emin Pacha te herstellen, doch zijne espeditie moet als mislukt beschouwd worden.
âEmin Pacha heeft echter dringend hulp noodig; zijne brieven melden, dat zijn krijgsvoorraad en voedingsmiddelen ten einde loepen. Zal onze heldhaftige landgenoot zonder steun gelaten en aan den ondergang overgeleverd worden, zal zijn gewest, dat met Duitsche geestkracht voor de beschaving gewonnen is, nu weder in den vroe-geren barbaarschen toestand vervallen? De pogingen om Emin uit den Kongo te bereiken, zijn mislukt, doch van Oost-Afrika uit leidt de beste en veiligste weg naar den Boven-Nijl, en hier is Duitsch gebied, dat de zekerste uitgangs- en steunpunten voor een Emin Pacha-expeditie bevat. Het Duitsche volk is geroepen, den Duitschen
7
DE VOORBEREIDING IN DUITSCHLAND.
Dr. Schnitzer hulp te brengen. Maar deze hulp moet, zal zij niet te laat komen, zonder uitstel volgen. Het Duitsche Emin Pacha-comité wendt zich derhalve tot de Duitsche natie om krachtdadige ondersteuning. Moge een ieder voor zijn deel tot de uitvoering eener onderneming bijdragen, welke niet alleen onze overzeesche bezittingen vorderen, maar welke vóór alles bestemd is, aan een eereplicht te voldoen, welke men den koenen Duitschen reiziger verschuldigd is. Groote sommen zijn het comité reeds geworden; om echter de expeditie onverwijld te kunnen aanvangen, is het noodig dat men in alle kringen zijn penningske offere. Bijdragen verzoeken wij aan onzen penningmeester Karl von der Heydt te Elberfeld en aan de door hem opgegeven adressen te zenden.quot;
Reeds in deze eerste zitting werd Dr. Carl Peters tot leider van den tocht gekozen. Kort daarna werd nog beproefd, de leiding van den tocht tusschen Dr. Peters en een ander ervaren reiziger, den eersten luitenant Wissmann, te verdeelen, doch later verviel dat plan, toen de Duitsche Regeering dezen officier met eene zending naar Afrika belastte. Eene som van 250 000 gulden werd voor de uitgaven der expeditie geraamd, en men twijfelde geen oogenblik of dit bedrag zou spoedig bijeen komen. Alles wat voor den tocht noodig was, werd dus zoo snel mogelijk aangekocht.
In dezen tijd werden er voortdurend uit Engeland berichten door Europa over Emin Pacha verspreid. Nu eens zoude Emin Pacha met Stanley door den Mahdi overwonnen zijn, dan weder zouden beiden uit de provincie getrokken zijn. Deze berichten, waaraan sommigen geloof hechtten, spraken elkaar onderling zoodanig tegen, dat men ten slotte tot de overtuiging kwam, welke ook door den lateren werkelijken aftocht van Emin Pacha met Stanley niet weersproken is geworden, dat het er eenvoudig om te doen was, de Duitsche Emin Pacha-expeditie op te doeken. Want van den aftocht van Emin en Stanley wist men toen in Engeland nog niets, en er kon dus voor het opwerpen dezer berichten geene andere reden zijn. In Duitschland was men dus vast besloten, zich daardoor op geen dwaalspoor te laten brengen.
8
DE OPDRACHT.
Doch geheel anders stond het met de verhouding van het comité tegenover de plannen der Duitsche Rijksregeering in Oost-Afrika. De geheele espeditie had toch geen andere bedoeling, dan vooral ten bate der Duitsche koloniale ondernemingen in Oost-Afrika te strekken. Toen dus ook van wege de Duitsche Eegeering instemming met het groote plan betuigd werd, besloot men onverwijld tot de uitvoering over te gaan.
Aan Dr. Peters werd de opdracht gegeven, zoo spoedig mogelijk naar Oost-Afrika te reizen, en daar het kommando te aanvaarden.
Met dit besluit had de Duitsche Emin Pacha-beweging de grondslagen gelegd, waarop nu in Oost-Afrika voortgewerkt zou worden. Het was een zeer ernstig oogenblik voor Dr. Peters, toen hij het comité dank betuigde voor het hem bewezen vertrouwen, door in zulk een moeilijk tijdsgewricht hem aan het hoofd van eene dergelijke onderneming te plaatsen. De toebereidselen in Duitschland waren in den loop der maand Januari geheel en al ten einde gebracht, de officieren der espeditie waren benoemd en de heer Frits Bley te Zanzibar was reeds uitgenoodigd om met het aanwerven van dragers onverwijld aan te vangen. Reeds den volgenden dag, den len Februari, verzocht Dr. Peters kapitein Rust en den heer Fricke, zich nog dien zelfden avond naar Aden te begeven, om daar 100 Somali-soldaten voor de espeditie aan te werven.
Wel vond de tenuitvoerlegging der espeditie nog altijd groote tegenwerking bij de tegenstanders van Duitsche koloniale ondernemingen, en evenzeer was men het er in Duitschland niet over eens, dat Dr. Carl Peters de geschiktste man was om aan het hoofd van zulk een tocht te staan. Maar na het genomen besluit van 31 Januari kwam het op handelen aan; de toestand te Zanzibar en aan de kust zou nu over het verdere lot der onderneming en over de wijze, waarop de moeilijke taak ginds zoude worden aangepakt, beslissen. Al dat geharwar en gepraat in Duitschland had nu, in dit oogenblik, niet meer om het lijf, dan het gieren van den herfststorm om de tinnen van een hechte burcht. Maar reeds vertoonden zich aan den gezichteinder nieuwe moeilijkheden, welke slechts in Afrika zelf uit den weg konden geruimd worden.
9
HET AFSCHEID.
en deze zijn liet geweest, welke de Duitsche Emin Pacha-expeditie langs geheel andere banen geleid hebben, dan men op 31 Januari 1889 kon vermoeden.
Toen Dr. Peters dan ook den 2öen Februari uit Berlijn naar Afrika vertrok, was het hem volkomen duidelijk, welke moeilijkheden en gevaren hij te gemoet ging en het afscheid, dat hij er van zijne vrienden en bekenden nam, was dan ook ernstig en roerend.
10
Den 20en Februari was luitenant von Tiederaann door Dr. Peters naar Aden gezonden, om kapitein Rust bij het overbrengen der aangenomen 100 Somali-soldaten naar Lamu behulpzaam te zijn. Dr. Peters had er namelijk toe besloten, na alles goed overwogen te hebben, zijne expeditie te Witu in te richten. Wel was het nog geene uitgemaakte zaak, dat men den Tana-weg zou inslaan, die zeer stellig allerlei groote moeilijkheden opleveren zou, maar de aanvoerder vermoedde, dat hij er toch misschien toe gedwongen zou kunnen worden. In elk geval bood de kalme toestand van het sultanaat te Witu eene veel betere gelegenheid voor het bijeenbrengen en samenstellen
TE ZANZIBAR.
eener expeditie, dan het onrustige verkeer te Zanzibar en aan de Oost-Afrikaansche kust, waar het bestuur misschien elk oogen-blik gedwongen zou zijn de belangen der Duitsche Emin Pacha-espeditie op den achtergrond te schuiven. Gelukte het Dr. Peters niettemin zijn lievelingswerk door te zetten: de expeditie door het opgestane gebied te leiden, dan kon hij immers toch later zijn ge-heelen troep van Witu naar Dar-es-Salam of Bagamoyo overbrengen.
Zoo ontving dus kapitein Rust de noodige inlichtingen door luitenant von Tiedemann, om dadelijk de 100 Somalis naar Witu over te brengen en te drillen, zooals met den geheelen troep gebeuren moest. Uit Zanzibar had de heer Bley voorloopig gemeld, dat hij, naar zijne schatting, wel 200 dragers zou kunnen aanschaffen.
Zanzibar is het brandpunt van alle Oost-Afri-kaansche tochten. Waar men ook heen mocht willen in het binnenland, bijna altijd begint de reis te Zanzibar. Men begrijpt, dat er eene ontzaglijke uitrusting noodig is, om in een land door te dringen, waar magazijnen noch eetwaren te vinden zijn; men moet dus alles medenemen, en hier kan de reiziger zijn geheele karavaan samenstellen. De handel in ivoor en slaven heeft van het reizen met een karavaan een vak gemaakt, en in de groote bazaars te Zanzibar kan men alles krijgen wat daartoe noodig is: van een blikje sardientjes tot een repeteergeweer toe. Te Zanzibar verhuren zich die zwarte schelmen, de lastdragers, het
12
AANWERVING VAN DRAGEES.
13
TE ADEN.
de âMarthaquot;, toegezegd. Hierdoor zouden dus alle moeilijkheden en onaangenaamheden ontgaan worden, die anders uit de blokkade der kust hadden kunnen voortvloeien. Overigens was het te denken, dat men ook van Engelsche zijde zooveel mogelijk aan eene expeditie de hand zou bieden, die van eene natie uitging, waarmee men destijds in Afrika vriendschappelijk samenwerkte, te meer, daar
Dr. Peters vast besloten was, zich zoo nauw mogelijk bij het Duitsch koloniaal Bestuur aldaar aan te sluiten.
Nadat al deze maatregelen genomen waren, vertrok Dr. Peters met den heer Oscar Borchert naar Egypte, in de hoop, daar iets naders en iets meer bepaalds omtrent den toestand van Emin Pacha te vernemen. Toen hem dit gelukte, ging hij naar Aden terug om nog persoonlijk voor het aanwerven van flinke, kloeke
Somalis te zorgen, maar ook vooral om kameelen voor de expeditie te koopen.
In de derde week van Maart kwam Dr. Peters te Aden aan, en vond daar tot zijn groote vreugde graaf Teleki met den heer Höhnel, die juist van hunne expeditie in de Massailanden teruggekomen waren en zeer belangrijke mededeelingen over de toestanden aan het Baringo-meer, door welk gebied ook de tocht van Dr. Peters trekken moest, en de landen in het Noorden daarvan, in het bijzonder over Engabot en Turkanj, deden. Ook had onze reiziger het genoegen
14
NAAR LAJIU.
te Aden nog zijn vriend, Prof. Dr. Schweinfurth, die juist van zijne Arabische reis terugkwam, te zien en te spreken. Op den avond van den 24en Maart kwam ook Wissmann uit Kaïro te Aden aan, en zoo vertrok men gezamenlijk den 25en Maart 1889 naar Zanzibar, waar zij den 31ei1 Maart des namiddags tegen 2 ure aankwamen.
Reeds op deze reis had Wissmann Dr. Peters een telegram vertoond, waarin te lezen stond, dat kapitein Rust met de Somalis te Bagamoyo geland was. Dr. Peters kon aan den inhoud van dit telegram geen geloof slaan, daar het geheel in tegenspraak was met de aanwijzingen die hij kapitein Rust gegeven had. Doch bij zijne komst te Zanzibar ontving hij dadelijk door tusschenkomst van den heer Frits Bley de noodige opheldering, en deze wierp dan ook een eigenaardig licht op hetgeen der Duitsche expeditie te Zanzibar te wachten stond.
Niettegenstaande kapitein Rust voor zich en de Somalis te Aden biljetten naar Lamu en ook van de aldaar gevestigde Britsch-Indische-Stoomvaartmaatschappij ontvangen had, was toch door de agenten dezer maatschappij te Lamu de ontscheping van dat volkje verboden. De boot der Britsch-Indische lijn had voor de haven van Lamu weder moeten omkeeren en was met hare lading naar Zanzibar gegaan. Hier had zich, vermoedelijk op aandringen van Engelsche zijde, de Sultan van Zanzibar eveneens tegen de ontscheping der Somalis verzet, en zoo was het geschied, dat deze naar Bagamoyo hadden moeten vervoerd worden. Dr. Peters vernam ook al dadelijk, dat de Sultan van Zanzibar vast besloten was, hem den doortocht door Lamu te verbieden en onmogelijk te maken, zoodat hierdoor oogenschijnlijk de Tana-weg voor de expeditie verkeken was. Daar ook het gansche blokkade-gebied, zoowel het Duitsche als het Engelsche, voor de expeditie ontoegankelijk was, zoo scheen er van de Delagoa-baai tot aan de Djuba-eilanden geen toegang tot het binnenland voor de Duitsche Emin Pacha-expeditie mogelijk te wezen, en kwam men tot het besef, dat haar toestand in Zanzibar oneindig bezwarender was, dan de zwaarst tillenden in Duitschland hadden kunnen vreezen.
Den volgenden dag besloot Dr. Peters den toestand te Lamu zelf
15
NIEUWE MOEILIJKHEDEN.
16
VERBOD OM AAN LAND TE GAAN.
Dit liep dan ook mede, en behalve den heer v. Tiedemann sprak Dr. Peters nog, hoe vluchtig dan ook, den heer Kurt Toeppen en den heer Gustaaf Denhardt. Met den eerste sprak Dr. Peters af, dat hij zijn best zou doen, tegen een flinke tegemoetkoming, van een Arabier in Takaungu onder de hand dragers voor de Duitsche Emin Pacha-espeditie te krijgen. Aan den heer v. Tiedemann werden inlichtingen gevraagd omtrent de bochten en landingsplaatsen ten noorden van Lamu. Toen dit alles gedaan was, kwam de boot weder onder stoom en voer men nu langs de Somali-kust naar Barawa, Merka en Mogdischu. Voor elk dezer plaatsen bleef de boot eenige dagen liggen, maar zoo zwak en bloode was het daar geplaatste Arabische bestuur of misschien ook zoo boosaardig tegen de in Zanzibar gevestigde Europeanen, dat het tot nu toe heel ongewoon geweest was, dat de kapiteins der binnenloopende schepen of hunne zaakgelastigden aan land gingen. Daarentegen kwamen de handelaars aan boord, waar de zaken afgedaan werden. Nadat Dr. Peters zich te Lamu deze behandeling had moeten laten welgevallen, besloot hij te Merka op eigen verantwoording te beproeven om aan land te gaan. Met kapitein Paist ging hij in een kano. Doch toen beiden aan land kwamen, ontstond er aan den oever groote opschudding en kabaal en spoedig werd hun namens den Arabischen gouverneur bevolen, onmiddellijk terug te keeren, zoodat beiden, die slechts met. revolvers gewapend waren, het wel moesten opgeven, ligging en geschiktheid der plaats, voor zoover het hunne plannen betrof, nader in oogenschouw te nemen.
Toen begaf Dr. Peters zich dus naar Zanzibar terug, en daar waren nieuwe dingen voorgevallen, die de uitvoerbaarheid van het groote plan meer en meer onwaarschijnlijk schenen te maken. Tegen de uitdrukkelijke bevelen van Dr. Peters waren zijne Jachtwapenen, van Antwerpen uit, met de Noord-Duitsche Stoomvaartmaatschappij naar Aden verzonden en van daar uit overgeladen op de British-India-Line. Met deze Stoomvaartmaatschappij kwamen zij te Zanzibar aan, terwijl Dr. Peters aan de Somali-kust was, en werden, ingevolge de afgekondigde blokkade-bepalingen, dadelijk door den Engelschen admiraal Fremantle in beslag genomen.
i. 2
17
DE WAPENS IN BESLAG GENOMEN.
Nu wist Dr. Peters, dat zijne eigenlijke oorlogswapenen en de Remington-geweren, die hij Emin Pacha brengen zou, eveneens te Aden lagen. Het gevaar lag dus voor de hand, dat ook zij langs die lijn vervoerd en te Zanzibar in beslag genomen zouden worden. Derhalve werd het Duitsche consulaat te Aden per telegram verzocht, het vervoer dezer oorlogswapenen op een der Wiszmannsche booten, en wel op de van Hamburg komende âMarthaquot;, te doen plaats hebben. De bevelhebber der âMarthaquot;, vrijheer von Graven-reuth, verklaarde intusschen aan het consulaat te Aden, dat het schip vol was en hij dus de wapenkisten onmogelijk mee kon nemen. Toen beproefde Dr. Peters om zijne wapenen op de daarop volgende boot, âHarmoniequot;, te doen overbrengen. Doch tot zijne smartelijke verrassing ontving Dr. Peters intusschen van den Duit-schen consul te Aden het telegrafisch bericht, dat de wapens op de British-India-Line geladen waren. Nu beproefde Dr. Peters, bij het Duitsche Generaal-consulaat te Zanzibar te voorkomen, dat ook dit gedeelte zijner uitrusting in beslag genomen wierd, door de geheele zaak met al de gewisselde telegrammen open en bloot te leggen, en daardoor aan te toonen, dat tegen zijn uitdrukkelijken wil de kisten met wapenen op de Engelsche lijn van Zanzibar verzeild geraakt waren. Doch ook hier toonde men zich niet genegen om de zaak aan te pakken, en hierdoor viel ook dit gedeelte van de wapenen der expeditie, zoodra het te Zanzibar aankwam, in handen der Engelschen en werd onmiddellijk op een Engelsch oorlogschip overgebracht, om later, op bevel van den Britschen admiraal, naar Aden terug te worden gezonden.
Eene tweede groote teleurstelling wachtte Dr. Peters, toen hij te Zanzibar terugkwam. De algemeen bekende uitrustingsplaats met betrekking tot dragers voor alle expeditiën, die van Centraal-Oost-Afrika het binnenland ingaan, is altijd Zanzibar geweest. Hier worden de Pagasis aangeworven, en tot voor korten tijd geleden kon geene enkele expeditie Zanzibar voorbijgaan. Dr. Peters had dus zeer spoedig het gewone verzoek bij het Duitsche consulaat gedaan, om den Sultan van Zanzibar toestemming te vragen â hetgeen eene bloote formaliteit is, daar het iedere expeditie wordt toege-
18
DE XEEEA.
staan â er dragers te mogen aanwerven. Door zijne oude betrekkingen met de Arabieren kon het Dr. Peters niet moeilijk vallen, dragers te Zanzibar te krijgen, en inderdaad hadden ook reeds honderden voor dat doel bij hem aangeklopt. Toen hij nu den 17ei1 April te Zanzibar weder aankwam, vernam hij tot zijne verbazing, dat er op dat verzoek nog geen antwoord gekomen was, en dat de Sultan had laten meedeelen, dat hij iederen zwarte, die met de expeditie van Dr. Peters mee wilde, zoodra deze weer naar Zanzibar terugkeerde, het hoofd zou laten afhouwen, zoodat er op het aanwerven van dragers in 't geheel niet te rekenen viel.
Tegenover al deze hinderpalen had Dr. Peters' toenmalige vertegenwoordiger te Zanzibar, de heer Frits Bley, geheel op eigen verantwoordelijkheid, naar een stoomboot voor de expeditie omgezien, en het was hem ook gelukt, daarvoor op de âjSTeeraquot; van de âBombay-Stoomvaartmaatschappijquot; door bemiddeling van Sewa Hadji beslag te leggen. In den aanvang had Dr. Peters het met zeilbooten willen doen, maar het lag nu voor de hand, dat tegenover deze geheel onverwachte en zoo buitengewone tegenwerking het bezit eener stoomboot wenschelijk was, indien men althans den kamp wilde aanvaarden.
Met een bezwaard hart werd de hooge som voor het charteren der âNeeraquot; uitbetaald, want hierdoor moest natuurlijk eene ge-heele verandering komen in de inrichting der expeditie. Nu moesten er al dadelijk bijna 45 000 gulden uitgegeven worden, om iets te bereiken, wat elke andere expeditie in den regel van alle kanten zoo gemakkelijk mogelijk werd gemaakt, namelijk het landen aan de kust, zoodat Dr. Peters er niet meer aan denken kon, met 100 man soldaten en 600 dragers de expeditie aan te vangen.
Het gevolg van dezen maatregel was, dat reeds in April twee derden der Somalis ontslagen werden, en er hoogstens 150â200 dragers zouden worden meegenomen.
Maar het noodlot scheen ook het doorzetten van dit plan te willen verijdelen. Welke pogingen door Dr. Peters ook werden aangewend, om althans de jachtwapenen terug te krijgen, niets mocht baten, zelfs niet zijn beroep op de Regeering te Berlijn.
19
MET DE NEEKA NAAR BAGAMOYO.
Toch wankelde het hoofd der expeditie geen oogenblik, en ondanks alle tegenwerking bleef men vaster dan ooit besloten, de onderneming tot de uiterste grens der mogelijkheid door te drijven. Er waren immers, zoo troostte men elkaar, nog aanlegpunten genoeg, waar de Europeesche machten, Duitschland en Engeland, geen voorwendsel zouden kunnen vinden om aan de Duitsche Emin Pacha-expeditie hinderpalen in den weg te leggen. quot;Was men maar eenmaal in het binnenland, dan zou men wel eens willen zien, wie zich tegen de plannen der expeditie verzetten zou.
In het begin van Mei kwam de âNeeraquot; te Zanzibar aan en scheen een kittig, vlug vaartuig te zijn. dat zijne elf mijlen per uur maakte, en waarop voor het verder slagen der onderneming in de eerste plaats gerekend werd. De âNeeraquot; schonk Dr. Peters de gelegenheid en de vrijheid, wanneer het eens tot het uiterste komen mocht, nieuwe wapenen van een of ander plaatsje in den Indischen oceaan te halen, maar boven alles ook de mogelijkheid, om dragers aan de kust aan te werven en zoo noodig de blokkade te ontwijken. Vervolgens werd het kleine vaartuig in dienst van het Rijkscommissariaat gesteld, daar Wiszmann's stoombooten niet aangekomen waren en er den aanvoerder in de eerste plaats veel aan gelegen moest zijn, zijne geweren en munitie uit Bagamoyo en Dar-es-Salam terug te krijgen. Bovendien rekende men voor het aanwerven van dragers vooral op Bagamoyo, waar kapitein Piust, die er de Somalis kommandeerde, reeds betrekkingen met de Fran-sche zending had aangeknoopt.
Den 17ei1 Mei voer Dr. Peters voor de eerste maal met de âNeeraquot; naar Bagamoyo, en op deze reis werd het hem meer dan ooit klaar en zeker, dat de onderneming, hoe ook gedwarsboomd, doorgezet moest worden. In de volgende dagen werden eenige troepen naar Dar-es-Salam overgebracht en wist Dr. Peters van Luitenant Wisz-mann te verkrijgen, dat hem 100 voor- en 50 achterladers werden afgestaan.
Toen onze aanvoerder eenige dagen later naar Bagamoyo terugkeerde, ontving hij de blijde tijding, dat broeder Oscar uit de Fran-sche missie ongeveer 60 centraal-afrikaansche dragers voor hem ter
20
ADMIRAAL FKEMANTLE.
beschikking had. Bij de achterladers en de 100 voorladers had de depot-houder in Dar-es-Salam, Oscar Borchert, ook nog 17 repeteergeweren gevoegd, waarbij Wiszmann te Bagamoyo nog 3000 scherpe patronen deed. Deze geheele wapenvoorraad werd nu ondergebracht in de huisjes, welke de Somalis te Bagamoyo bewoonden, en Dr. Peters begaf zich op Zondag den 26cn Mei naar Zanzibar terug, om zijne overige uitrusting mee te nemen naar Bagamoyo.
Te Zanzibar hadden de heeren Frits Bley en Borchert het om-pakken der lasten en het verminderen van het aantal tot een goed einde gebracht.
Tot Zaterdag, den leu Juni, bleef Dr. Peters te Zanzibar, en deze week was in meer dan een opzicht voor het doorzetten van de Emin Pacha-expeditie van beteekenis. Eenerzijds werden er betrekkingen aangeknoopt met den heer Gasch, die met de zuidelijke plaatsen bekend was, en werd door hem raad geschaft omtrent het verder aanwerven van dragers in Tungi-bocht, Mozambique of de Delagoa-bocht. Hierdoor meende men te Zanzibar stellig en zeker, dat Dr. Peters met de âNeeraquot; het allereerst naar Mozambique zoude gaan, om daar dragers aan te werven, en deze overtuiging kwam hem voor de ten uitvoerlegging van het eigenlijke plan in de volgende week uitmuntend te stade. Want die meening werd, zonder dat daaromtrent door Dr. Peters eenige mededeeling was gedaan, ook door den kommandeerenden admiraal te Zanzibar in zekere mate gedeeld. Aan den anderen kant trad Dr. Peters in de laatste week van Mei persoonlijk met den admiraal Premantle in aanraking, ten einde de uitlevering der jachtwapenen te bereiken, en ook dit gelukte buiten verwachting.
Uit een lang onderhoud, dat Dr. Peters aan boord van het Brit-sche vlagschip met den admiraal Fremantle had, bleek, hoe de vork in den steel zat. Dr. Peters was nu eenmaal voor de Engel-schen in Oost-Afrika een lastig man, zoodat men hem den toegang tot het binnenland op alle mogelijke wijze beletten wilde. Admiraal Fremantle kwam er rond voor uit, dat men alles zou doen wat men kon, om eene landing der expeditie te voorkomen. Stond Dr. Peters dat niet aan, dan moest hij zich maar per telegram
21
ONDEE STOOM.
aan zijne Regeering te Berlijn beklagen; misschien hielp dat wel.
Intusschen beloofde de admiraal, dat hij buiten de blokkade-lijn de espeditie van Dr. Peters niet in de wielen zou rijden, en ook de âKeeraquot; geenszins lastig vallen zou, als Dr. Peters deze naar Lamu mocht willen zenden, mits er noch Dr. Peters noch oorlogstuig aan boord waren.
Met een en ander had admiraal Premantle tevens Dr. Peters' standpunt in deze gansche aangelegenheid aangewezen. Vond onze aanvoerder geene rechtsbescherming, dan moest in elk geval beproefd worden, op welke wijze ook zonder dat het beoogde doel bereikt zou kunnen worden. In zijn oog was het voor Duitschland's eer en belangen wenschelijker, met de gansche expeditie, hetzij ter zee of aan wal, onder te gaan, dan voor dezen berg van hinderpalen en tegenwerkingen terug te wijken. Ook het Emin Pacha-comité in Duitschland scheen van die meening en moedigde den kloeken aanvoerder aan, met al de hem ten dienste staande krachten vol te houden. Dr. Peters was nu vast besloten, zijne espeditie noordwaarts van de blokkade aan te vangen, en geschikte punten te Witu of aan de Tana te zoeken.
Den len Juni voer Dr. Peters naar Bagamoyo over, met zijne jachtwapens en al de overige uitrusting aan boord. Den geheelen volgenden dag en ook den 3en Juni nam hij zijne wapenen en munitie te Bagamoyo aan boord en liet op den 4e11 Juni de door broeder Oscar aangenomen dragers door kapitein Rust overnemen. Den 5en Juni scheepte hij zijne gezamenlijke manschappen in en stoomde in den morgen van den 7en Juni uit de haven van Bagamoyo naar Dar-es-Salam. Te Bagamoyo dacht men, dat lil] te Dai-es-Salam wel eene week zou blijven liggen, om zich meer dragers aan te schaffen, en dat hij zich alsdan naar het zuiden begeven zou. En zeker ware het Dr. Peters welkom geweest, als hij er nog meer had kunnen krijgen, want te Bagamoyo had hij er alles bijeen maar 53 aangeworven. Doch hij vreesde daarentegen, door te Dar-es-Salam langer te wachten, alles op 't spel te zetten. Daarom vergenoegde hij er zich mee, den 8en Juni nog een vijftiental zwarten te huren en ging toen reeds den volgenden dag, een Zondagmorgen,
22
OP ZEE.
23
van Dar-es-Salam verder, in zuidwaartsche richting, om stellig en zeker uit het blokkade-gebied te komen. De kanonnen van het station begroetten de wegstoomende âNeeraquot;, terwijl de bemanning dezer laatste met een salvo uit een repeteergeweer afscheid nam van de landgenooten aan wal.
âHet was een heerlijk oogenblikquot;, verhaalt Dr. Peters, âtoen de omtrekken der eilanden van Dar-es-Salam achter ons verdwenen.
Eene sterke bries woei uit het zuidwesten en de zee was zeer woelig. Wel lag de toekomst onzeker, ja duister voor ons, maar het gevoel, dat ons drieën, kapitein Rust, Oscar Borchert en mij, in dit oogenblik bezielde, was toch het allermeest een gevoel van herademing en verlossing uit een zwaren druk, het gevoel van vrijheid van beweging! Bereikten wij het ruime sop, dan konden wij ons naar hartelust keeren en wenden, en hadden niet te vreezen, dat wij door plompe machtmiddelen zonder meer onderdrukt zouden worden. Ik had eerst den avond te voren den kapitein der âNeeraquot; en kapitein Rust mijne eigenlijke plannen blootgelegd. Ik
BRAND AAN BOOED.
wilde buiten de eilanden Zanzibar en Pemba naar het Noorden houden en beproeven de Kwaihu-bocht, welke noordwaarts van de blokkade lag, te bereiken.
Wel was deze onderneming niet heel gemakkelijk, want de Kwaihu-bocht is door riffen naar de buitenzijde versperd en eigenlijk zonder loods in 't geheel niet bevaarbaar. Een loods hadden wij ons natuurlijk te Zanzibar niet kunnen verschaffen, omdat daarmede het geheele plan in duigen zou gevallen zijn.
Maar dit waagstuk moest ik op mij nemen, wilde ik althans de expeditie niet opgeven. quot;Wij namen het dus op ons. Nadat wij ongeveer tien mijlen zuidoostwaarts geloopen waren, werd de koers naar het Oosten omgezet, in welke richting wij tot 6 uur 's avonds omtrent 50 mijlen liepen. Daarop zetten wij naar noord-noordoost om en liepen des nachts Zanzibar en Pemba voorbij, onmiddellijk op Lamu af. Tot vier uur des namiddags stoomden wij bij een zeer woelige zee tot ongeveer op de hoogte van Lamu, en van daar af zetten wij noordwestelijk koers op Kwaihu. Zanzibar en de geheele blokkade bleven ver buiten zicht aan bakboord.
Op den avond van den 10en was er aan onze expeditie bijna een spoedig einde gekomen. Ik zat met kapitein Rust en Oscar Borchert na het avondeten op het achterdek eene sigaar te rooken, toen plotseling uit het salon, waar al ons kruit en onze munitie geborgen was, een groote vlam voor den dag kwam. Door het hevig slingeren en stampen van het schip was de petroleum op den grond gevallen en op ongeveer 3 voet van het eerste kruitvat ontploft. Wij vlogen dadelijk naar beneden met den kapitein en de machinisten, grepen een aantal wollen dekens, die we op 't vuur wierpen, pakten het boeltje bij elkaar, en droegen de brandende massa over boord. Behalve een paar brandwonden aan Rust's hand was er geen ongeluk te betreuren. Ik beschouwde dit als een gelukkig teeken, en een onbeperkt vertrouwen in den verderen loop der expeditie doortrilde mijn hart.
Des morgens ontwaakten wij in de meening, dat wij op de hoogte van de Kwaihu-bocht zouden zijn. Wij peilden een eiland, dat volgens de zeekaarten de Kwaihu-bocht wezen moest. Het was eene
2i
STOEM OP ZEE.
25
zware zee, de wind blies uit het zuidwesten, zware stortzeeën vlogen voortdurend over ons bootje, dat elk oogenblik dreigde om te slaan. De kisten werden heftig heen en weer geslingerd, en mijne lieden waren erg zeeziek en alles behalve op hun gemak. Tot 11
uur bleven wij peilen. Toen liet ik de sloep uitzetten, om te beproeven of we ook door de hevige branding aan land konden komen. Maar bijna zou de sloep zijn omgeslagen, en moesten wij die vlug weer inhalen, om ze niet kwijt te zijn. Uit eene zonsopneming om 12 uur bleek ons, dat wij ongeveer een graad zuidelijk, dus 13
GEBREK AAN WATER.
mijlen noordwaarts van de Hohenzollernhaven of ongeveer 60 mijlen van de Kwaihu-bocht en in 't gezicht der Dundas-eilanden waren. Zoo geweldig had de kust-stroom ons naar het Noorden gedreven.
Nu gingen wij met vollen stoom tot zeven uur 's avonds zuid-westwaarts, en toen we den volgenden dag opnieuw aan het peilen gingen, bleek het, dat wij ongeveer op dezelfde plaats gebleven waren.
De zaak begon wezenlijk ernstig te worden, want het gebrek aan water deed zich reeds gevoelen. Ik had den kapitein te Zanzibar bevolen, voor ongeveer eene week water in te nemen. Hij had dit ook gedaan, maar daarbij slechts op zijn eigen equipage, en niet op al mijne manschappen gerekend. Te Dar-es-Salam had ik getracht, dit te verhelpen. Het was intusschen niet mogelijk geweest, eene behoorlijke hoeveelheid water aan boord te brengen, en zoo was ik, in de meening dat we toch wel op zijn allerlaatst in drie dagen in de Kwaihu-bocht zouden zijn, met een onvoldoenden voorraad water vertrokken. De kapitein begon den moed te verliezen. Toen maakten we aanstalten om den regen op te vangen, en weder ging het met vollen stoom zuidwestwaarts even als gisteren.
Aan slapen was niet te denken, daar wij allen op het achterdek ingekwartierd waren, en wij door hevige regenbuien kletsnat werden. Zoo voeren wij met vollen stoom tot 4 uur 's morgens, en bespeurden bij 't peilen dat we weder bij eene der Dundas-eilanden waren. Dat drukte den kapitein ter neer en hij wilde volstrekt naar Zanzibar terug. Daar wilde ik echter niets van hooren, en ik dreigde hem, als hij mijne bevelen niet verkoos op te volgen, dat ik dan zijne maatschappij voor het verlies van 20 000 pond sterling aansprakelijk zou stellen.
Door op grooter schaal maatregelen te nemen, gelukte het mij weder op Donderdagmorgen ongeveer 1500 emmers regenwater op te vangen en in de tonnen te bergen.
Om half een kwam 't zonnetje even door, en bepaalde de kapitein de zonnehoogte op 2 graden zuiderbreedte. Dus moesten wij ons doel nabij zijn. Om half twee meende ik Kwaihu-piek, het
26
DE KWAIHU-BOCHT.
vooruitstekendst punt der Kwaihu-eilanden, te zien. Onmiddellijk daarop kwam er eene zeer hevige bui met zwarte regenwolken opzetten, zoodat alles weer uit ons gezicht verdween en wij snel van 't land moesten afhouden, om niet op de riffen te geraken. Om vier uur kwam de kapitein op het achterdek en verzocht mij op de kommandobrug te komen en te zien of het eiland daartegenover ons niet Lamu was! Zoowel kapitein Rust als ik geloofden, dat dit werkelijk zoo was. Wij stoomden toen langzaam, zooals wij meenden, langs het eiland Manda voorbij, totdat wij den ingang tot de Manda-bocht meenden te zien. Nu schenen wij te weten, waar we waren.
Des nachts kruisten wij in 't zicht van het eiland. Den volgenden morgen zouden we naar de Kwaihu-bocht stoomen. In de stemming, waarin ik placht te verkeeren vóór het kerstfeest toen ik nog een jongen was, lag ik den geheelen nacht zonder een oog dicht te doen, op mijn stoel. Den volgenden morgen bij het krieken van den dag ging het voorwaarts. Daar lag Manda, daar Patta â nu moesten Sewy Point en Sewy Spit en Kwaihu-bocht met Bottelers Ledge komen. Juist, zoo was het ook. Maar de bocht was door riffen en eene hevige branding onbereikbaar â en wat kon dat eiland in 't midden zijn, dat niet op de zeekaart stond, en waarom kwam het peilen niet uit?
Om 12 uur bleek het nu, dat wij op 1034' zuiderbreedte, dus 29â30 mijlen noordwaarts van de Kwaihu-bocht waren. De vormen der kusten langs het Benadirland zijn overal zoo geheel hetzelfde, dat dergelijke vergissingen, gelijk ze door ons begaan werden, geen te groote verwondering moeten baren.
Opnieuw stoomden wij nu zuidwaarts! Des avonds waren we tegenover het zoogenaamde âLamuquot;, waar wij den vorigen nacht gekruist hadden. Den volgenden morgen weder in zuidwestelijke richting. En daar steeg ze voor ons op: de eigenaardige onmiskenbare Kwaihu-piek lag voor ons en eindelijk de Kwaihu-bocht zelf!!
Gij kunt begrijpen wat een voldoening ik smaakte, toen eindelijk die Kwaihu-bocht voor ons lag. quot;Wat stond er voor ons niet op het spel. Met welk een spot zouden we niet ontvangen zijn en
27
TOEBEREIDSELEN VOOR DE ONTSCHEPING.
hoe hartelijk zou ons de Engelsche blokkade verwelkomd hebben, als wij daar in geraakt waren, wat heel licht had kunnen gebeuren. Een klein ongeval aan de machine of aan de schroef had alles omver kunnen werpen. Doch dit behoorde nu alles tot het ver-ledene, dat was doorgestaan leed, en tusschen 10 en 11 uur, op Zaterdag den 15en Juni, gingen wij door de branding van de Kwaihu-bocht. Om 11 uur ging de âNeeraquot; voor anker. Achter ons lag de branding van Siyu Spit en voor ons, zij het dan ook op vijf mijlen afstands, het vasteland van Afrika.
Nu moest er terdege gewerkt worden. Wij hadden geene booten, en er stond een flinke bries in de bocht; toch moesten er 100 menschen aan land zien te komen en moesten er ruim 20 000 pond vrachtgoed gelost worden. Ik ging dus om half twaalf met kapitein Rust in de sloep, om naar Siyu te roeien en booten voor 't lossen en dragers te huren.
In dat dorp werden we vriendelijk ontvangen, doch ik vernam, dat men een en ander slechts in Pasa van Buana Mse met toestemming van den Arabischen gouverneur zou kunnen krijgen. Daarop zeilden we dadelijk naar Pasa.
Pasa is een stadje van 4 tot 5000 inwoners, met een fort en een Arabisch garnizoen. Honderden omringden ons, toen wij met groote statigheid naar den gouverneur gebracht werden. Te Pasa was men blijkbaar zeer ingenomen met Engeland, daar Mr. Mackenzie er kort geleden met goud gestrooid had. Ook ons hield nu de bevolking voor Engelschen, omdat de âNeeraquot; onder Engelsche vlag zeilde. Ik vond het niet noodig, hun die vergissing uit het hoofd te praten, en een half uur later zeilde ik met twee groote dhows naar de âNeeraquot; terug, waar we tegen 7 uur aankwamen. Bovendien waren mij door Buana Mse 150 dragers toegezegd, die echter nooit gekomen zijn.
Nog des avonds bij zware zee gelukte het ons, in de eene dhow (sloep) alle oorlogscontrabanden, kruit, munitie enz., benevens twaalf soldaten tot dekking te brengen. De tweede laadden wij des morgens bij het aanbreken van den dag, en daar we toen juist nog eene derde dhow konden krijgen, was het mogelijk, al mijne man-
28
DE NEEEA VERLATEN.
schappen op eens te verschepen. Des Zondags morgens tegen 10 uur stonden wij gereed om de Neera te verlaten. Wel bleek het op 't laatste oogenblik, gelijk het gewoonlijk gaat, dat nog niet al het goed uit de boot was; maar daar de vloed snel aan het afnemen was, en ik het ook niet langer wagen wilde, om het welge-lukken der geheele zaak aan een overval der Engelschen prijs te geven, besloot ik, een mijner onderhoorigen achter te laten en het overig gedeelte der goederen nog denzelfden of den volgenden dag na te laten komen. Dit zou ik nog veel vlugger en spoediger gedaan hebben, als ik geweten had, wat in dien tusschentijd ten zuiden van de Kwaihu-bocht gebeurde.
Fremantle, wien mijn vertrek en verdwijnen uit de wateren van Zanzibar niet ontgaan kon zijn, had zich intusschen met zijn vlag-schip en drie andere oorlogsschepen in beweging gesteld, blijkbaar in de hoop, dat ik beproeven zou, de Manda-bocht binnen te loopen en het hem gelukken zou, mij daar te snappen. Zijn vlagschip lag ongeveer twee mijlen van mij af. Hij had verzuimd om de Kwaihu-bocht te bezetten, omdat hij daar het binnenkomen voor onmogelijk hield, hetgeen ik als eene onvergefelijke fout beschouw. Dat hij geenszins meende, dat de Kwaihu-bocht buiten zijn blokkade-gebied lag en ik derhalve het recht had om daar te landen, zooals latei-van Engelsche zijde beweerd werd, bleek ook vooral hieruit, dat hij eenige dagen later aan de Neera verbood, hare goederen zoowel te Lamu als in de nabijliggende bochten en havens te lossen, hetgeen zeer stellig op de Kwaihu-bocht betrekking had. Intusschen lag de Engelsche admiraal heel kalm in de Manda-bocht, terwijl ik ongeveer om 10 uur met mijne drie mooie dhows de Neera verliet. In de eerste boot had ik met kapitein Rust plaats genomen, in de tweede zat mijnheer Borchert, de derde had ik, wel een beetje onvoorzichtig, zonder blanken gelaten, daar eigenlijk mijnheer Frie-denthal er 't bevel over zoude voeren, maar ik nog op 't laatste oogenblik beter vond, dat hij op de Neera bleef.
Het was een heerlijke gewaarwording, toen de witte rand dei-branding van lieverlede achter ons verdween.
Om 11 uur kwam een hevige regenbui opzetten, waardoor de
29
IK DE DHOWS.
eilanden Kwaihu en Fazy en ook het vaste land in zwaren nevel gehuld werden. Hierdoor konden we den koers niet nauwkeurig nagaan, en waren alles behalve in ons schik, toen tegen 12 uur de dhow plotseling hevig stootte, en tegelijkertijd, zonder dat wij er bevel toe gegeven hadden, het zeil zakte. De kapitein der dhow deelde mij nu mede, dat de Arabische gouverneur het bevel gezonden had, dat we, voor we ons aan land begaven, nog even naar Pasa zouden komen. Zooals ik later vernam, hadden de heeren des nachts de zaak overwogen en bepaald, nadat zij vernomen hadden wie wij waren, ons zoolang in Pasa te houden, totdat de Britsche admiraal Fremantle zoude hebben laten weten, wat er met ons gebeuren moest. Ik was dus allerminst genegen mij daarmede in te laten. Geen oogenblik dacht ik er aan, het gelukken der geheele espeditie nog weder eens van de luimen van Arabieren, wier handen met Engelsch geld gevuld werden, te doen afhangen. Derhalve gaf ik bevel, het zeil dadelijk weer te hijschen. Na korten weerstand gelukte het mijnen lieden, dit bevel ten uitvoer te brengen, waarbij de mannen uit Patta half vrijwiliig, misschien ook half gedwongen, over boord sprongen en wij nu geheel en al heer en meester der booten werden.
Het roer in mijn boot verzocht ik kapitein Rust te nemen, de beide volgende dhows, die precies als de eerste deden, moesten eveneens omdraaien, toen mijnheer Borchert op mijn luid verzoek flink en kloek te werk ging, en nadat het mij gelukt was, in de derde dhow eenige ferme Somali-soldaten te doen plaats nemen. Snel hielden wij nu van 't vaste land af, toen wij volksmassa's met luid geschreeuw zagen aankomen, en hielden nu met volle zeilen op het vaste land van Afrika aan.
De regen, die een poosje opgehouden had, nam weer toe, en een grauwe nevel verborg het Siju-kanaal, waar wij nu inliepen, geheel voor ons oog. Om half twee gingen wij voor eene plaats ten anker, die mij als Kiwani was aangeduid. Het verwonderde me, dat ik geene huizen zag, maar ik liet me spoedig door drie mannen een eind door de zee dragen, om eens rond te kijken. Daar was het gewone mangrove-struikgewas. Kapitein Rust, die met zes
30
TE MBAJA.
Somali-soldaten aan land was gekomen, was het met mij eens, of het Kiwani mocht wezen, ja dan neen, dat Kiwani niet de geschikte plaats voor ons was. Dan maar weer in de booten terug! Ik nam nu plaats in de derde boot, kapitein Rust in de eerste, en zoo had iedere boot een bevelhebber.
Voor ons lag het Siju-kanaal, dat in de Manda-bocht uitmondt. Links het eiland Patta dat mij van een bezoek voor anderhalf jaar nog heel goed bekend was. Noordwaarts zag men het vasteland van Afrika. Er druppelde een zachte regen neer, die alles in een geheimzinnig grauw hulde. Dit lokte mij tot het uitvoeren van een plan, dat mij reeds in Zanzibar toegelachen had, maar dat ik toen niet ernstig had durven opnemen.
Als gij de kaart in handen neemt, zult ge zien, dat het Siju-kanaal ongeveer tegenover de stad Patta een sterke bocht naar het Noorden maakt. De noordelijke kromming van dit kanaal hadden wij moeten omzeilen, als we tegenover Kwaihu geland waren. Dat zou ons drie dagen meer gekost hebben indien we de noodige dragers gehad hadden, maar nu wel zes of zeven dagen. Deze noordelijke bocht wordt echter in het quot;Westen reeds door het sultanaat van quot;VVitu begrensd. Konden wij nu ongezien van de Manda-bocht er in komen, dan' waren wij, buiten de blokkade om, dezen zelfden dag nog op veiligen grond. Ik besloot dadelijk, nu ik in 't bezit van drie dhows was, van deze gelegenheid gebruik te maken, om het plan dadelijk ten uitvoer te brengen.
Met een goeden wind dus voorwaarts naar het Westen! De beide voorste dhows lieten de zeilen zakken, om de nieuwe marschorder te vernemen en snel schoten wij toen vooruit. Tegenover Siju wendden wij ons voorwaarts, en om 4 uur 's namiddags kwamen wij door- en doornat bij Mbaja voor anker. Ik liet dadelijk de kleine dhow lossen, welke ik zonder dralen met mijnheer Borchert naar de stoomboot terug wilde zenden; in dien tusschentijd trachtten wij ons te Mbaja huiselijk in te richten.
Ik zelf dacht er aan, nog dien zelfden nacht naar Schimbye in het sultanaat Witu te vertrekken, maar allen waren zoo vermoeid en uitgeput, dat ik gedwongen was, dit tot den volgenden morgen
31
AAN LAND.
32
uit te stellen. Wij aten een stukje koud vleesch, lieten een voldoend aantal soldaten in de dhows achter en legden ons om half
acht allen ter ruste, eene rust die tengevolge van het voortdurend druipen van den regen door het dak der negerhut nu juist niet zoo bijzonder aangenaam was.
ONDEE DAK TE SCHIMBYE.
33
3
Om vier uur 's morgens voer mijnheer Borchert met zes soldaten, die het bezit der dhow waarborgden, naar de Kwaihu-bocht terug. Om half zes lieten kapitein Rust en ik de goederen in de derde dhow en alle manschappen op de beide anderen inschepen, welke nu terdege vol waren, en met zonsopgang staken wij op nieuw in zee. Eolus was ons gunstig, de zon scheen vriendelijk, en reeds om half acht konden wij bij Schimbye voor anker gaan. Schimbye zelf ligt ongeveer 12 minuten achter de ankerplaats. Ik ging dadelijk het dorp in, bevond dat het in alle opzichten aan ons doel beantwoordde, verzekerde mij bij den oudste der inwoners van eenige huizen en ging naar 't strand terug om het aan wal brengen van het goed te regelen. Dat duurde wel tot twaalf uur en het ging daarbij zoo aardig en levendig toe, dat we er schik in hadden. Toen alles aan land was, ging ik naar 't dorp terug om bij de verdeeling van het goed te zijn. De dragers liepen heen en weer, en des namiddags om twee uur was alles onder dak in Schimbye, in het sultanaat Witu onder de vlag van Fumo Bakaris, welke boven ons wapperde.
i.
RUSTDAGEN TE SCHIMBYE.
hetgeen min of meer een gebrek hunner natie schijnt, dat hun nog wel eens duur te staan kan komen, en zoo was de Neera, ondanks vier Engelsche oorlogsschepen, in de noordelijkste bocht van de Lamu-haven gelukkig binnengekomen. Dat het ons gelukt was, hun te beletten de expeditie in de doos te doen, wekte ongetwijfeld een zeker zegevierend gevoel in ons op. Maar aan den anderen kant was de toestand, waarin we ons nu bevonden, eigenlijk niet bijzonder geschikt, om die blijdschap van langen duur te doen zijn.
Ik had te Schimbye alles bij elkaar ongeveer 60 dragers en 27 soldaten aan wal gebracht. Met dit troepje moest ik meer dan 250 last aan krijgsvoorraad en andere uitrustingsgoederen in het aangezicht der Britsche vloot naar Witu vervoeren. Dat ik tegenover verdere gewelddadigheden der Engelschen volkomen weerloos was, begreep ik ten volle. Ik was dan ook, zoolang ik me aan de kust bevond, geen oogenblik van een bezoek van Engelsche marinesoldaten in mijn eigen leger zeker.
Te Schimbye moest ik eenige dagen rust houden, omdat het volstrekt noodig was, de geheele kolonne eens tot verademing te doen komen. De lieden waren door allerlei ellende op het zeetochtje terdege uitgeput. Ook was het noodzakelijk, om de wapens, die door het zeewater erg geleden hadden, terdege schoon te maken, het geschut op te stellen en de tentstukken uit elkaar te nemen. Eindelijk moest ik wachten op tijding van mijnheer Borchert en op de dhow met het laatst gedeelte onzer goederen van de Neera.
Met betrekking tot deze goederen had ik bepaald, dat alles wat onder het begrip âkoopmanswarenquot; valt, volgens de mij door admiraal Fremantle gegeven toestemming, met de Neera naar Lamu zou gaan, van waar ik het met de negen kameelen, die ik in Aden gekocht had en die nu te Lamu waren, op het vasteland kon vervoeren, maar dat daarentegen alles, wat onder het begrip âoorlogscontrabandequot; en dus onder de blokkade-bepalingen valt, mij naar Schimbye, dat noordelijk van de blokkade-lijn lag, per dhow gebracht zou worden. Den 18en Juni kwam mijnheer Friedenthal met dat gedeelte der goederen te Schimbye aan. Mijnheer Borchert liet
35
GEBREK AAKquot; EUILAETIKELEX.
mij zeggen, dat hij het beter gevonden had, zijnerzijds met de ruil-artikelen naar Lamu te gaan, om ginds bij het overladen op de kameelen te zijn.
Nu kwam het er vooral op aan, zooveel mogelijk mijn troepje uit te breiden, en daartoe begaf ik me den 19en Juni alleen met eenige lieden naar Wanga. Ik vond daar vlak bij 't strand een huis, dat er geheel en al Europeesch uitzag. Ik trad er binnen en vond er een zekeren heer Schönert, een beambte van den heer Denhardt. Deze ontving mij heel vriendelijk en wees me dadelijk in de bocht voor zijne ramen de mij bekende âBoadiceaquot; van admiraal Fremantle, die kort te voren daar aangekomen was.
Om 1 uur 's namiddags begeleidde mijnheer Schönert mij naar Schimbye terug, en hier werd ik alleraangenaamst verrast door de komst van mijnheer v. Tiedemann, die zich op de tijding van onze landing dadelijk op eene dhow begeven had, om ons in den omtrek van Kwaihu-bocht te zoeken. Eerst tamelijk laat hadden zij ons in Schimbye ontdekt. Reeds vóór het aankomen mijner brieven te Lamu was het gerucht omtrent deze landing daar verspreid én met de noodige overdrijving! Duizend Duitschers waren in de Kwaihu-bocht geland! en dit bericht wekte groote verbazing bij de blanken en zwarten. Tot mijn spijt moest ik mij spoedig overtuigen, dat er weinig kans bestond, om door bemiddeling van mijnheer Toeppen dragers te krijgen. Daarom sprak ik met hem af, dat hij voor de uitrusting mijner expeditie met geschikte ruilartikelen voor den Tana-weg zorgen zou. Ik had te Zanzibar 96 last ruilartikelen voor een Tanga-Massai-reis laten bijeenbrengen. Ik meende toen nog, zooals vroegere reizigers in Afrika dat steeds gedaan hadden, dat men voor eiken weg dien men inslaat, ook allerlei ruilhandelen moest inslaan, die in den smaak der bewoners van zulk eene streek vielen.
Henry Drummond vertelt in zijne reis door midden-Afrika dat zijne geschenken gemeenlijk uit twee of drie meter gewoon katoen bestonden. Was het een opperhoofd, die veel in de melk te brokkelen had, dan kreeg hij een ledigen Liebig-pot of een ledig jam-of sardinenblikje. In instrumenten stelden die Afrikanen geen belang,
36
DE ENGKLSCHEN GEFOPT.
want daarvoor wisten zij niet genoeg. Maar één wonder wekte hunne grootste verbazing: het brandglas. Nooit te voren hadden deze menschen glas gezien en dachten dat het mazi of water was, maar waarom het mazi er niet uitliep, wanneer de reiziger het in zijn zak stak, ging al hun begrip te boven. Wanneer het glas het droge gras in brand stak, klom hun angst meer en meer en noemden zij den blanke een machtigen geest, die vuur van de zon op de aarde bracht.
Dezen namiddag vernam ik ook voor de eerste maal, dat vier Engelsche oorlogsschepen zonder eenige zichtbare reden in deze wateren kruisten. Voor m ij was dat heel duidelijk, en op dit bericht besloot ik onmiddellijk met mijne expeditie zuidwestwaarts voort te rukken, om zoo spoedig mogelijk de zee een heel eind in den rug te hebben.
Ik zond dus nog des avonds om half zes mijn voorraad op den landweg naar Wanga en eveneens in den nacht tusschen 11 en 12 uur een beladen dhow met proviand onder mijnheer Friedenthal naar Mgine af. Op 20 en 21 Juni zagen we het met vroolyke oogen aan, dat onze dhows met de uitrusting der expeditie, in 't gezicht van admiraal Premantle met zijne âBoadiceaquot;, zich van Schimbye naar Mgine begaven en daar allen behouden aankwamen. De En-gelschen hielden ons misschien voor geheel gewone slavendhows, welke het niet de moeite loonde na te zitten, te minder, omdat daardoor misschien de belangen hunner nieuwe vrienden van Patta of Manda benadeeld konden worden.
Hoe het zij, het oorlogschip dat hier een wakend oog hield op oorlogsvoorraad en slaven, scheen nu en dan dat oog te sluiten en in te dutten.
Ik zelf ging in alle vroegte, in gezelschap der heeren Toeppen, Denhardt en v. Tiedemann, met eene reeks lasten naar Wanga. De âBoadiceaquot; deed op dezen dag tal van saluutschoten hooren, en had ook. de Wali-vlag geheschen, een bewijs, dat Walis, vermoedelijk ook mijn vriend Buana-Mse, aan boord waren. In elk geval moesten de Engelschen nu omtrent mijne landing ingelicht zijn.
Ondanks dat alles besloot ik, de zaken te Schimbye snel ten
37
TE HINDI.
einde te brengen, dezen dag ook met dhows op zee te werken. Daarbij droegen mijne manschappen den heelen dag door achter het hooge struikgewas, dat hen aan de oogen van het Engelsche oorlogschip onttrok, den krijgsvoorraad van Schimbye naar Wanga. Rust bracht het overige op de beide hem toegezonden dhows, en den 21en Juni, 's avonds om 10 uur, was de heele expeditie naar Mgine, van waar de welbegane landweg naar Witu leidt, overgebracht. Om 9 uur 's morgens reeds kwam mijnheer Priedenthal met zijne dhow aan, en daarna de heer Gerstacker. De munitie zond ik van Wanga uit maar niet geheel tot Mgine, doch liet ze tegenover Wanga aan gene zijde van een inham brengen onder het toezicht der heeren Toeppen en Tiedemann, om ze van daar weder op den landweg naar Mgine te laten dragen. Over dit vervoer hield ik zelf een wakend oog. Ik kwam met ongeveer 50 lasten tegen half zeven te Mgine aan en zond dadelijk de lieden weer terug om het overige, dat onder toezicht van mijnheer v. Tiedemann stond, nog des nachts over te brengen. Des avonds om 10 uur, toen wij allen in zeer vroolijke stemming te Mgine bij 't avondeten zaten, kwam daar, tot mijne groote vreugde, de laatste dhow onder kapitein Rust aan, en liet ik in den vroegen ochtend van den 22en alles in veiligheid aan land brengen.
Hindi had ik uitgekozen, om alles, wat ik aan middelen en krachten bezat, daar bijeen te brengen en er mijne expeditie samen te stellen. De plaats lag verscheidene uren van zee af, onmiddellijk achter Lamu te midden eener rijk bebouwde streek, en scheen dus aan alle eischen voor mijn organisatiewerk te beantwoorden.
Den 25en Juni 1889 was de heele expeditie te Hindi bijeen. Ik liet de tenten opslaan in 't midden van het oord, mijn geschut laden en de huizen rondom bezet houden. Op de straat naar Lamu, van waar mogelijkerwijze verdere Engelsche gewelddadigheden te verwachten waren, hield ik dag en nacht een post, om van zulke bezoeken althans bij tijds kennis te krijgen. Intusschen spaarden ons die heeren hun bezoek.
Te Lamu was intusschen mijnheer Borchert met de Neera, die averij gekregen had, eerst den 20en Juni aangekomen. Het had
38
FREMANTLE IKquot; WOEDE.
onderweg weinig gescheeld, of de Neera was in stukken en brokken geraakt. Men had het noodanker moeten uitwerpen, en de kapitein ried Borchert aan, zich op het allerergste voor te bereiden. Intus-schen was de Neera toch den 20en Juni, derhalve den dag toen ik uit het venster van mijnheer Schönert met bijzondere belangstelling door den verrekijker al hetgeen er aan boord van het Engel-sche schip voorviel, gadesloeg, in de haven van Lamu aangekomen. Bij 't binnenkomen kwam haar reeds een sloep van het Engelsche oorlogschip âMarinerquot; tegen, welks officier al dadelijk riep: âWaar is Dr. Peters?quot; En dat werd niet op een toon gevraagd, alsof de officier weten wilde, of ik te Zanzibar dan wel in 't binnenland was, maar of ik in de kajuit was of op 't achterdek. Des te ver-bluffender werkte liet antwoord van mijnheer Borchert:
âDr. Peters? Die is het binnenland ingetrokken naar Emin Pacha.quot;
Den volgenden morgen verscheen Fremantle zelf en liet den kapitein der Neera bij zich komen. De arme admiraal kreeg een aanval van heftige woede, toen hij vernam hoe de zaken stonden. Hij liep op het achterdek heen en weer, en moet herhaaldelijk met de voeten gestampt hebben.
Vijf dagen lang, zoo moet hij opgespeeld hebben, had hij in die akelige wateren met drie oorlogsschepen, alléén voor dat doel, gekruist, om ons in zijn netten te vangen, vijf dagen, vijf dagen achter elkaar! En nu toch! Die arme admiraal Fremantle!
Het gevolg van die boosheid was, dat er 25 Engelsche zee-soldaten aan boord van de Neera werden geplaatst, dat de machine van het schip vernield werd, en men het op sleeptouw naar Zanzibar bracht. Zooals later is gebleken, is door dezen maatregel de gang der expeditie geheel en al veranderd. Al spoedig bleek het, dat te Lamu de ruilartikelen, die voor de Massai-landen vereischt werden, niet te krijgen waren, en na verloop der eerste maanden werd het duidelijk, dat ik ook in 't bezit der te Zanzibar aangeschafte artikelen, die kapitein Rust mee zou brengen, nooit komen zou.
Hierdoor kreeg de Duitsche Emin Pacha-expeditie een heel ander karakter, dan dat van de tot hiertoe gedane tochten in Afrika.
39
VERSTERKING VAX DRAAGKRACHTEN.
Maar het is den belagers niet gelukt, de onderneming te doen mislukken of in hare uitwerkingen te verzwakken.
Overigens heeft deze handelwijze van Fremantle het gevolg gehad, dat daardoor Oscar Borchert, die oorspronkelijk bestemd was in mijne onmiddellijke omgeving aan de expeditie deel te nemen, gedurende den geheelen verderen loop uit mijn gezichtskring verdween. Hij moest naar Zanzibar gaan, omdat ik besloten was, tegen zulk eene ongehoorde handelwijze met allen nadruk op te komen. Hij heeft zich daar dapper geweerd, en het zoogenaamde âNeera-procesquot; heeft in Europa heel wat van zich doen spreken.
Naast dezen eersten slag, die mij in Hindi trof, kwam al zeer spoedig de tweede pijnlijke erkentenis, dat het mij niet mogelijk zijn zou, het aantal dragers in het quot;Witu-gebied zoodanig aan te vullen, dat ik verwachten mocht, ook den voorraad goederen die mij nog overgebleven waren, in eens langs de Tana te kunnen meevoeren. De Suaheli van Witu en Lamu heeft niet dien ondernemingsgeest als de Wangwana aan de Duitsch-Oost-Afrikaansche kust.
Van karavanenverkeer in 't binnenland is hier geene sprake, en zoo meldden zich dus maar zeer weinigen aan, om zich bij mijne expeditie aan te sluiten, en juist niet de besten van hun stam. Allerlei verloopen volkje kwam opdagen, met de bedoeling om zich twee of drie maanden draagloon vooruit te laten betalen, en ons dan te laten fluiten. Daarbij kon ik in deze streken zulke bedriegerijen ook niet met kracht tegengaan, daar de eenige flinke maatregel daartegen, namelijk verdachte helpers aan den ketting te leggen en gevangen wegloopers op de strengste wijze te straffen, hier niet in praktijk kon worden gebracht. Het grootst aantal dragers dat ik ooit bij elkaar heb gehad, beliep ongeveer 90, door elkander hadden wij er slechts 70. Des te meer deed ik dus mijn best, om het aantal kameelen te versterken en de ontbrekende draagkrachten ook door den aankoop van ezels aan te vullen.
Ik slaagde er in, het aantal kameelen op 17 te brengen en 9 ezels te koopen. Hiermee kon ik onmogelijk al mijn goed in eens vervoeren, en moest ik dus de expeditie in twee afdeelingen split-
40
AFRICHTEN DER MANSCHAPPEN.
sen, waarvan ik de tweede onder leiding van kapitein Rust stelde. Deze moest een expeditie op de Tana inrichten en te Oda-Boru-Ruwa met de later aan te brengen goederen, vooral ook met de ruilartikelen, die uit Zanzibar verwacht werden, zich weder bij mij voegen. Daar het mij niet mogelijk was, onder de Suahelis nieuwe dragers aan te werven, zoo hoopte ik nu op de Wapocomo of Gallas aan de boven-Tana, waar mij dat misschien gelukken zou en waar ik in elk geval in de gelegenheid zou zijn, ingeval ik de ruilartikelen van Zanzibar in handen kreeg, eene ezelkaravaan uit te rusten en hiermee de aequatoriaalprovincie te bereiken. Dit waren verwachtingen, die ik te Hindi en Witu koesterde en in verband waarmede ik dan ook mijne maatregelen nam. Wat is er ten slotte van dit alles weinig tot stand gekomen!
Wat daarentegen te Hindi terdege geregeld werd, dat was de verdeeling der lasten. Hetgeen door het water bedorven was, werd weggedaan en het overige onder de beide afdeelingen verdeeld. Mijnheer Toeppen zond uit Lamu omtrent 30 lasten kruit, beschuit, lucifers en stoffen, alles heel bruikbare dingen, maar waarvan langs den weg dien ik op 't oog had, door de Massai-landen, niets te gebruiken was, daar hier slechts ijzer- en koperdraad benevens parelen opgang maakten.
Behalve deze regeling liet ik mij te Hindi vooral ook veel gelegen liggen aan het africhten mijner manschappen, die nu te zamen nog een verwilderd zoodje vormden. Was ik gedwongen, zonder eigenlijke ruilartikelen den tocht door 't binnenland te aanvaarden, en kon ik mij dus niet, gelijk zoo vele reizigers voor mij, door geschenken aan de inlandsche hoofden afkoopen, dan kwam het hier voor het welgelukken mijner zaak er in de eerste plaats op aan, mijne manschappen onder strenge tucht te houden. Kon ik niet op gewenschte vreedzame wijze, zooals ik gehoopt had, de Duitsche Emin Pacha-expeditie door Afrika brengen, dan moest ik er op bedacht zijn, dat ik gedwongen zou kunnen worden, onze afdeeling als een oorlogsbende in te richten. Nu is het duidelijk, dat men zijne kracht op tweederlei wijze kan versterken: zoowel door vermeerdering der massa als door vergrooting der snelheid. Mijn
41
STRENGE TUCHT.
troep grooter te maken, lag niet in mijne macht; de mogelijkheid om zijne snelheid of marschvaardigheid te verhoogen, bestond alleen in het vasthouden aan strenge tucht.
Om dit te bereiken, moest ik in de eerste plaats op de Somalis mijner afdeeling kunnen rekenen, door wie ik, wanneer ik ze flink onder mijn bevel had, terdege heerschappij kon doen uitoefenen op de dragers, die hoofdzakelijk uit centraal-Afrikanen bestonden. Zulke Afrikaansche menschenhoopen kunnen slechts dan geregeerd worden, wanneer men vast besloten is, zijn eigen wil vast en onwrikbaar tegenover al hun nukken en tegenstribbelen door te zetten. Ook heb ik bespeurd dat dit het eenige is, wat op die zwartjes daar indruk maakt. De zoogenaamde Buana Wasuri (goede meesters) zullen in kritieke oogenblikken niet de heerschappij uitoefenen, welke noodig is, om eene expeditie door allerlei dreigende gevaren heen te brengen. De zwartjes ginds moeten van u kunnen zeggen: kali sana laikini hodari sana (heel streng maar heel flink). Is dit het geval, dan bestaat er vaste samenwerking tusschen aanvoerder en troep, en is men in staat om aan al de onheilen van zulk eene Afrikaansche reis het hoofd te bieden. De Somalis zijn heel gevoelig van aard en als men ze goed behandelt en hunne vooroordeelen spaart, kan men ze gemakkelijk leiden.
Die eerste week te Hindi bracht heel wat zorgen, plannen en verwachtingen. De regentijd bezorgde ons zulke stortbuien, dat het wel wolkbreuken schenen en slechts heel zelden straalde de zon. Ik had te Lamu een rijpaard laten koopen, waarop ik herhaaldelijk uitstapjes in den omtrek van Hindi deed. Zoo reed ik dan soms uren langs den Lamu-weg, totdat ik aan de eigenaardige duinen kwam. Ik wist dat, als ik naar Lamu mocht gaan, ik dan gevaar liep van in hechtenis te worden genomen, en dit gaf mij eene gewaarwording alsof ik verbannen en geheel afgesneden van Europa en van mijn vaderland was.
Voorwaarts moesten wij en van achteruitkrabbelen was geene sprake meer. Of echter het doel van al ons verlangen bereikt zou kunnen worden, dat moest in Hindi al vrij onaannemelijk schijnen. En dan bleef er voor ons allen slechts één ding over; de onder-
42
VEETEEK UIT HINDI.
43
gang. Geen wonder dus, dat over deze eerste dagen op het vasteland van Afrika een weemoedig waas ligt. Slechts ééne troost bleef ons over: de ziel geheel onder de onnaspeurlijke raadsbesluiten dei-Voorzienigheid te buigen.
Op Woensdag den 3en Juli trok ik eindelijk uit Hindi, nadat ik den dag te voren mijne ruilartikelen uit Lamu gekregen had. Ik wilde mijne afdeeling eerst naar Witu brengen en ginds op de tweede
afdeeling onder Rust wachten; de eerste marsch zou slechts 2 i uur duren tot aan het oord Kibokoni. Ik liet dadelijk de kameelen bepakken en vervolgens de ezels met hunne lasten beladen. Hoe langzaam en moeilijk dit alles in den aanvang nog ging, blijkt wel hieruit, dat het 10 uur werd, totdat we er mee gereed waren. In den verderen loop der expeditie was om 6 uur 's morgens het bepakken der kameelen en ezels altijd afgeloopen. Alles moet men eerst leeren vóór men iets handig kan, maar vooral is dit met een tocht door Afrika het geval. Dat ook ik nog in dit opzicht te leeren
TE KIBOKONI.
had, bleek hieruit, dat ik, nadat de lastdieren bepakt waren, met deze afmarscheerde, in plaats van, zooals het eigenlijk behoord had, juist deze eerste maal de allerlaatste het leger te verlaten, en ik eenvoudig aan kapitein Rust, v. Tiedemann en Friedenthal de bepakking en bewaking der dragers overliet. Ook hierin bracht ik al dadelijk den volgenden dag verandering.
Ik marscheerde intusschen den 3en Juli, daar mijn paard door 't drukken van het zadel wat geleden had, kwart over tienen uit het leger, en ik mag gerust zeggen, dat dit met een blijmoedig hart gebeurde. Het landschap om mij heen was goed beplant met koren en Mtuma. De zon bescheen bodem en woud, en nu begon eindelijk de groote zwerftocht naar het quot;Westen in allen ernst. Dooide berekeningen, welke mijne expeditie in Zanzibar wilden verstikken, was ik nu op het punt een dikke streep te halen, en dit schonk me op dezen eersten marsch groote voldoening.
Wel kreeg deze blijmoedige stemming spoedig een gevoeligen knak door al hetgeen er op dien eersten marschdag gebeurde. De ezels bezweken gedeeltelijk onder de slecht verpakte lasten, maar vooral liet de goede orde bij de dragers terdege veel te wenschen over. Ik was met de kameelen en een klein gedeelte der dragers benevens mijne kanonnen om half een te Kibokoni aangekomen, had dadelijk mijne tent laten opslaan, vuur laten aanleggen en wachtte nu op mijnheer v. Tiedemann met de rest der karavaan. Er kwam geen sterveling. Daar er te Kibokoni geen koren voor vee en manschappen te krijgen was, had ik dadelijk naar het een uurtje verder gelegen Hidio gestuurd, om het daar te koopen. Tegen half drie verscheen mijnheer Friedrich, een plantage-eigenaar aldaar, in mijne tent, met de mededeeling, dat hij meel ter mijner beschikking stelde. Ik zond er dus dadelijk twee kameelen heen om het te halen. Het werd zes uur, toen eindelijk mijnheer v. Tiedemann verscheen met de tijding, dat een gedeelte der dragers stil weggeslopen was. Twintig lasten waren dus te Hindi achtergebleven, de rest was onderweg met Friedenthal. Ik liet dadelijk twee kameelen naar Hindi teruggaan en besloot die zaak den volgenden dag nauwkeurig te onderzoeken. Mijnheer v. Tiedemann moest den volgenden
44
ELLENDE ONDER WEG.
morgen naar Hindi terug en bracht des middags de laatste lasten met de tijding, dat er geene dragers meer te Hindi waren. Derhalve moesten de dragers te Kibokoni zijn.
Ik keek nu, met de lijst in de hand, al onze goederen na en kwam tot de overtuiging, dat de dragers inderdaad alle voorhanden waren. Toen verdeelde ik de lasten in drie hoopen: voor ka-meelen, ezels en dragers en dacht geheel zeker van mijne zaak te zijn, toen ik om 2 uur het signaal voor het vertrek naar Man-samarabu liet geven. Maar wederom bleven er 30 dragerslasten achter. De ervaringen van den voorgaanden dag hadden mij aanleiding gegeven, van nu af steeds aan het einde der karavaan te blijven, en ik zond derhalve Friedenthal met de eerste lasten en eenige soldaten vooruit.
De weg van Kibokoni naar Mansamarabu voert door eene kreek, die voor de lastdieren niet doorwaadbaar is. De weg voor deze laatsten loopt dus om de kreek heen en bedraagt twee uren, terwijl de weg die er onmiddellijk heenvoert, slechts een tot anderhalf nur lang is. Na de dragers met de lastdieren te hebben laten aftrekken, wilde ik dus om de kreek heen. Om 3 uur liet ik in den omtrek naar mijne dragers zoeken. Daar er zich nog enkelen ophielden, vermoedde ik dat de overblijvenden nog in Kibokoni waren en liet dus Tiedemann met het bevel achter, het overige der afdeeling op den directen weg naar Mansamarabu te laten oprukken, terwijl ik zelf met de ezels om 4 uur vertrok.
Een uur voor dat wij er waren, zakten eenige beladen ezels ineen, en moest ik dus naar Kibokoni terug. Dit alles was zeer ontmoedigend. Om 5 ure was ik in de afgebroken legerplaats terug. Ik zond dadelijk brieven aan de afdeeling Rust te Hindi en aan Friedenthal te Mansamarabu, met het bevel, het aantal dragers vast te stellen en mij alles te zenden wat voorhanden was. Ik liet toen mijne tent op nieuw opslaan en bracht eenige niet zeer aangename uurtjes door, met op tijding te wachten. Om 11 uur kwamen er 18 dragers uit Mansamarabu, die ik nog des nachts onder leiding van mijnheer v. Tiedemann beladen terug zond.
Vrijdag, den oen Juli, begon treurig en met stortregens. Des mor-
45
REGLEMENT VOOR DE DRAGERS.
gens vroeg kwamen er 30â40 dragers, die het overblijvende snel voortdroegen. Zoo was ik in staat, de ezels op dezen morgen met kleinere lasten te laten gaan, en reed onder stortbuien tegen half acht te paard snel langs den omweg naar Mansamarabu. Daar kwam ik doornat om tien uur aan, vond de heeren en al de lasten bijeen en begon dadelijk eene algemeene monstering.
Daaruit bleek, dat alle dragers tegenwoordig waren. Het was derhalve klaar, dat een zeker aantal hunner ook den vorigen dag zich weder zonder lasten uit de voeten hadden gemaakt. Ik hield nu eene toespraak tot de dragers, waarin ik hun zei, dat ik de goede lieden kende, maar ook de slechte. Ik was een goede meester voor de goeden, maar streng voor de slechten. Ik gaf aan hen, die den afgeloopen nacht lasten gedragen hadden, dubbel rantsoen, en het gelukte mij een drager te ontdekken, die den 3en Juli zijn last in een maïsveld geworpen had en naar Hindi teruggeloopen was. Ik liet hem ketenen en in aller tegenwoordigheid zweepslagen geven. Eveneens werden eenige andere lieden bestraft, van wie ik bewijzen kon, dat zij den dag te voren geene lasten gedragen hadden. Voorts dreigde ik de dragers met eene reeks van straffen, welke voor wegloopen en voor het wegwerpen van pakgoederen zouden worden uitgedeeld. Dit maakte diepen indruk op de zwartjes. Ik besloot dit gedenkwaardig schouwspel met de uitdeeling van een geslachten os en van maïs aan ieder man.
Om 5 uur 's avonds riep ik de lieden op nieuw bijeen. Er ontbrak toen niemand. Ik hield eene nieuwe korte toespraak, waarin ik het volgende bevel meedeelde:
â's Morgens om half zes behoort iedereen als de trompet geblazen wordt, aan te treden. Een ieder worden dadelijk zijne lasten eens en voor goed aangewezen. Kwart over zessen heeft zich de karavaan in marschorde op weg te begeven. Bij de aankomst in het leger geeft iedereen onmiddellijk zijn last af, waarbij volgens de lijst wordt nagegaan, of er manschappen of goederen ontbreken. Iedere last heeft zijn nummer en ieder drager zijn last, welke in de dragerslijst aangeteekend staat.quot;
Ik heb deze bepalingen uitvoerig meegedeeld, omdat sedert dien
46
TE jVIANSAMAKABU.
tijd er wezenlijk goede orde in de karavaan geheerscht heeft. Van deze orde heeft het gelukken van den tocht in de eerste plaats mede afgehangen. Het duurde wel is waar nog eenigen tijd, totdat mijne karavaan zich er zoo mede vereenzelvigd had, dat alles om zoo te zeggen van zelf ging.
Ons leger te Mansamarabu leverde een zeer schilderachtig gezicht op, daar onze drie tenten in een heerlijk park en onder prachtige Mangoboomen en Boababs opgeslagen waren. Voor mijne tent in het midden woei rechts de Duitsche vlag en, zoo lang wij ons in het sultanaat Witu bevonden, links die van den sultan Fumo Bakari (wit-rood met een wit teeken in het roode veld). Onder de Duitsche vlag stond het geschut opgesteld, waarbij zich dag en nacht een post bevond. Achter de tenten op het grasveld weidden kameelen, ezels en mijn Arabisch paard. Voor de tenten zijn de lasten opgestapeld, eveneens door regelmatige posten van Somali-soldaten bewaakt. Daarachter liggen de huizen, waarin de dragers, deels met hunne jonge vrouwen, ondergebracht zijn. De regen is weggetrokken, en het spijt ons terdege, dat er geen schilder is, om het zonnige tafereel in eene schets op te nemen.
Den heelen dag was mijnheer Friedrich uit Hidio weder bij ons, die ons zijn ervaringen van land en volk allervriendelijkst meedeelde. Den volgenden morgen moest ik mijnheer v. Tiedemann achterlaten, daar het bleek, dat wij uit het leger van Hindi acht lasten geweren met munitie te veel genomen hadden, waarvoor ons de dragerskrachten ontbraken. Maar ik had de groote voldoening, dat om 6 uur de laatste drager met zijn last afgemarscheerd was, dat om 7 uur het geschut, met twee gallas bespannen, volgde, en na verloop van twee uren, ezels en kameelen bepakt aftrokken. Ik volgde ten slotte te paard met mijne beide honden.
De weg leidde door vlak land, dat door zijn plantengroei er heel eigenaardig uitzag. Ik had spoedig de lastdieren ingehaald, die ik onder het toezicht van zekere Somalis wist, en bevond me alleen in de wildernis. Herinneringen en tafereelen uit mijne j eugd moesten onwillekeurig opduiken in dit bekoorlijk landschap, dat met een plantje begroeid is, hetwelk levendig aan onze erika herinnert,
47
NAAR W1TU.
waarop bijen gonsden en bonte vlinders fladderden. Geen enkel geluid stoort de plechtige stilte. Boven mij spant zich het blauwe gewelf uit, waaronder hier en daar een adelaar in hooge kringen zweeft. Zoo rijd ik op dezen Zaterdag-namiddag in Afrika. Mijne honden worden het spoedig moede, door 't veld te jagen en nutteloos wild op te sporen: zij trippelen nu kalm achter 't paard en laten hun geest tijd om alles rustig te overdenken.
Ongeveer om twee uur rijd ik langs Pemba voorbij, waar de bodem zwaarder wordt en men niets dan maïs- en korenvelden ziet. Hier stijg ik een oogenblik af, laat mijn paard en mijn honden water brengen en verneem naar den proviandvoorraad van Funga Sombo, het doel van onzen marsch. Ik ontvang een vriendelijk antwoord, en rijd verder, steeds het spoor van 't geschut volgend. Om half drie voert de weg langs Masiva tato (de drie meren) voorbij, en een kwartier verder begroet mij het gejuich mijner dragers, die reeds ondergebracht zijn en mij, zonder daartoe aangezet te zijn, vruchten aanbieden. Daar zij vandaag terdege hun plicht gedaan hebben, laat ik op nieuw een os slachten en het vleesch onder hen uitdeelen.
De avond verliep met voorbereidselen voor den volgenden krassen marsch van 7â8 uren, de eerste tocht van beteekenis voor de zwaar bepakte karavaan. Ik verzekerde me eerst nog van eenige dragers en regelde het vertrek voor Zondag den 7en Juli, 's morgens om 5 uur. Omstreeks dien tijd klonk het trompetgeschal door 't dorp, en onmiddellijk daarop verzamelden zich de dragers bij hunne lasten, welke zij nu reeds behoorlijk kenden. Om kwart voor zevenen was de laatste drager op marsch naar Witu! Om half zeven marscheerden de kameelen en ezels met de laatste pakken af. Juist wilde ik in 't zadel stijgen, toen mij gemeld werd, dat er lieden uit Conumbi waren, die mij een kameel te koop wilden aanbieden. Die onderhandeling duurde een half uur. Ik schreef nog een langeren brief aan mijnheer v. Tiedemann, wien ik het gekochte kameel toezond, en zoo werd het half acht, vóór ik zelf mijn karavaan volgde. Een uur later had ik echter de ezels ingehaald en spoedig daarop de kameelen, die ik, daar zij nu onder
48
IN HET SULTANAAT WITU.
veilig opzicht waren, gerust vertrouwen kon. Ik reed dus voorwaarts, en wederom omgaf mij de plechtige stilte der wildernis. Ditmaal was het wezenlijk eene wildernis. De sultan van Witu verstond het, zijn zetel voor alle mogelijke aanvallen terdege te versterken. In Fanga Sombo stonden in 1885 de Arabische voorposten. Vandaar tot Witu moet men uren lang door moeras en woud. De eenzaamheid werkt er des te sterker, daar zij zelfs door den kreet van een of ander wild dier niet verbroken wordt. In Funga Sombo had men mij verteld, dat het in die streek wemelde van leeuwen en panters, en dat eenige dagen geleden een man op klaarlichten dag door een leeuw was opgevreten, zoodat ik mij reeds op allerlei merkwaardige avonturen had voorbereid. Maar er liet zich niets kijken.
Voor droomerijen was echter vandaag des te minder tijd, daar ik spoedig mijne dragers ingehaald had en mijnheer Friedenthal een en ander had op te dragen. Ik bleef dus weder in de achterhoede, om de kameelen en ezels zelf door moeras en woud te leiden. Om dit mogelijk te maken, moest ik een weg door het bosch laten banen, hetgeen twee uren vorderde. Er viel toen een kameel in een moeras, zoodat het dier geheel afgeladen en daarna weder bepakt moest worden. Zoo werd het drie uur in den namiddag, vóór de eigenlijke Witu-vlakte door ons bereikt werd. Dat wij meer en meer Witu naderden, werd ons vooral duidelijk door een dertigtal soldaten van den sultan, die ons in naam van hun meester welkom heetten. Ongeveer een half uur voor Witu begroette mij de sherif Abdallah, een zeer beschaafde Suaheli, in wiens gezelschap mijnheer Dörfer, een beambte van mijnheer Denhardt, mij welkom heette. Ik liet de karavaan met onze vlag en het geschut vooraan onder Friedenthal's leiding verder gaan en besloot op de kameelen te wachten, welke weder achtergebleven waren. Intus-schen, zoodra zij aan den horizon in 't gezicht kwamen, trok ook ik met mijnheer Dörfer het lachende Witu-dal in. Hier is zware goede korengrond en het land is met maïs en koren bebouwd.
Witu zelf ligt op den rug van een heuvel en is geheel door hout omgeven. Twee sterke poorten geven toegang tot het oord en wor-
I. 4
FUMO BAIvABI.
den dag en nacht door wachten bewaakt. Witu zal ongeveer 3000 inwoners tellen, maar door de groote menigte beschaafde Suahelis verbeeldt men zich steeds in een middelpunt van het Afrikaansche leven te zijn. Het hof aldaar maakt niet zulk een schitterenden indruk als dat te Zanzibar, het is er eenvoudiger en aartsvaderlijker, en men ziet er allerlei vreemde koppen en kleederdrachten. Hier ziet men ook den eigenaardigen haartooi der Waboni en de gespierde gestalten der Wapokomo.
Onder een verbazenden volksoploop reed ik Witu binnen. Voor een huis zag ik onze vlag geheschen, en ik vernam, dat mij de sultan vier huizen voor mijn gevolg benevens een os ter beschikking had gesteld. Ik verzocht mijnheer Dörfer zich dadelijk naar Fumo Bakari te begeven, hem mijne aankomst te melden, te bedanken en hem mijn bezoek voor morgen aan te kondigen.
Fumo Bakari liet mij zijn vreugde over mijne behouden aankomst te kennen geven en daarbij voegen, dat ik hem zeer welkom was en het hem zeer aangenaam zoude zijn, mij morgen om 9 uur bij hem te zien. Nadat ik toen mijne lieden onder dak gebracht had, ging ik met mijnheer Dörfer naar diens landhuis, dat 12 minuten van de stad ligt, om eene gelegenheid voor het onderbrengen van de kameelen en het rijpaard te zoeken. De tenten liet ik intus-schen op het grootste plein van Witu opslaan. Nadat ik een bad genomen had, keerden wij naar mijne tent terug, waar wij in vroo-lijke stemming gezamenlijk het avondmaal gebruikten.
Het sultanaat Witu, dat ik in noord-zuidelijke richting doorgetrokken heb, is zeer vlak en heeft goed bouwland. De bevolking heeft het over het algemeen niet breed. Slechts hier en daar vindt men groote bezitters van kudden, wier vermogen op 100 000 rupies zou kunnen geschat worden. De bevolking ziet er tamelijk zwak uit, hetgeen voornamelijk aan het slechte voedsel moet toegeschreven worden. Zeer zonderling is het wanneer men uit Zanzibar komt, dat men hier éérst betalen moet vóór men wat krijgen kan. Als ik kokosnoten of wat anders koopen wilde, moest ik eerst het geld op tafel leggen, en kreeg ik daarna mijn goed. Bestel ik bij een handwerksman 't een of ander, dan verlangt hij vooruit-
50
ONTVANGST TE WITU.
betaling. Daarentegen neemt hij zelf van den Europeaan al het mogelijke op crediet. Het geheel maakt een armzaligen indruk. Overigens ben ik overtuigd, dat het land heel wat meer zou kunnen opbrengen wanneer alles beter geregeld ware.
Des Maandags den 8en Juli kwam ik voor het eerst met den heerscher over dit gebied te zamen. De sultan Fumo Bakari had daarvoor 9 ure 's morgens bepaald. Ik besloot, hem bij deze ontvangst, voor zooveel mij dit mogelijk was, alle eer te bewijzen, die een door Duitschland erkend vorst toekwam. Derhalve liet ik mijne soldaten aantreden, met de Duitsche en Sultansvlag vooruit. Zij moesten het geweer presenteeren als wij 't huis van den Sultan betraden en verlieten. Ik werd afgehaald door de eerste waardig-heidsbekleeders van het hof, den sheriff' Abdallah en den eersten officier van des Sultans legermacht. Omar Hamadi, die zich in de uniform van een Pruisischen artillerie-officier gestoken had. Ik had twee mijner bedienden in vurig roode, met zilver gestikte uniformen gestoken; zij moesten mij overal volgen en de geschenken voor Fumo Bakari dragen, bestaande in een mooi verguld Arabisch zwaard met een echten Jellaha-kling en twee ongebruikte Dreysesche repeteergeweren van de nieuwste samenstelling met 300 patronen er bij. Ik werd vergezeld door de heeren Dörfer en Friedenthal. Van zijnen kant had de Sultan ongeveer 40 man ter eere van onze komst laten opstellen en ontving ons te midden van zijn geheele hof. Zijn steenen huis zag er wel wat heel eenvoudigjes uit, maar de vergadering kwam overigens tamelijk wel overeen met de omgeving van den Sultan van Zanzibar bij dergelijke gelegenheden.
Fumo Bakari kwam mij tot aan de deur tegemoet en geleidde mij naar een leunstoel links van zijn wat hooger geplaatsten zetel, terwijl rechts van hem op een dergelijken stoel als de mijne, de troonopvolger, een broeder van hem, plaats genomen had. Fumo Bakari is een man van ongeveer 40 jaren met eene zachte, welwillende gelaatsuitdrukking. Na de gewone begroetingspraatjes en vriendschapsverzekeringen kwam het gesprek natuurlijk al heel spoedig op mijne expeditie, welke de Sultan beloofde naar zijne krachten te zullen steunen. Op mijn verzoek stond hij mij dadelijk
51
TELEUESTELLINGEN.
toe, aan de oudsten in de omliggende dorpen te schrijven, om de kolonne van kapitein Rust dadelijk naar Witu te begeleiden. Ook verklaarde hij zich bereid, Tanabooten voor mij te bezorgen, en herhaalde zijn gezegde van den vorigen dag, dat ik maar alles moest zeggen wat mij op 't hart lag: want hij was Duitschland te welgezind, om mij niet in alles tegemoet te komen.
De audiëntie duurde een uur en het overige van den dag kwamen de grooten der hoofdplaats mij beurtelings een bezoek brengen en onder hen bevonden zich enkele zeer beschaafde en voorname mannen. Nog denzelfden avond zond ik mijne kameelen met den brief van den sultan naar Hindi terug, om de afdeeling Eust naar Witu te doen vertrekken. Den volgenden dag had ik tevens het genoegen, mijnheer v. Tiedemann met de achtergelaten goederen bij mij te Witu te zien, zoodat mijne eigen afdeeling weder geheel bijeen was. Ik gaf mij nu de grootste moeite om ze zoo flink mogelijk te versterken; doch het bleek al heel spoedig, dat er te Witu geene dragers in voldoend aantal te krijgen waren, en dat het land als steunpunt voor eene expeditie in geenerlei opzicht voldoende was.
Vooral trof het mij, hoe weinig men hier van het Tana-gebied wist en over het algemeen van het geheele achterland van Witu. Het land heeft veel van een eiland, dat rugwaarts geenerlei verbinding heeft. Ook de inlichtingen, die ik van eenige Gallas en Wapocomo te Witu gekregen heb, zijn later gebleken geheel onjuist, ja eigenlijk uit hun duim gezogen te zijn.
Eén ding werd me hier zonneklaar, dat ik voor het doorzetten mijner espeditie andere steunpunten te zoeken had, misschien wel aan de Boven-Tana of nog verder in 't binnenland, wanneer ik althans verwachten mocht, mijn doel, de aequatoriaal-provincie, te bereiken. Heel bemoedigend was dit alles niet, en ik had dikwerf het gevoel, alsof alles wat ik regelde, verkeerd uitkwam, en dagelijks rees steeds meer en meer de twijfel bij mij op, of het niet beter ware, de hachelijke expeditie geheel op te geven.
Bijna de gansche maand Juli moest ik te Witu blijven, vooreerst omdat ik nog altijd hoopte, dragers uit Lamu te krijgen, maar ook
52
HET PERSONEEL DEE EXPEDITIE.
omdat ik vernam, dat er in deze maand aan de Tana geene mogelijkheid bestond, eene expeditie te onderhouden, hoe klein die ook zijn mocht. Het was noodzakelijk, koren van de Arabieren aan de kust te koopen en dat over water naar Engatana te brengen, om het in booten met de karavaan te vervoeren, zoo ik wellicht in die richting verder ging. Dit alles kostte tijd. De grootte mijner expeditie te Witu, die ik met inspanning van alle krachten ten slotte bereikte, kwam nu hierop neer:
Zestien kameelen, acht ezels (een was er gestorven), een rijpaard, twee honden, 85 dragers â op het papier. De dragers uit Witu maakten zich in den regel al heel spoedig na het ontvangen van een voorschot uit de voeten, hetgeen mij gedeeltelijk eerst op den dag van mijn aftocht duidelijk werd. Dan kwamen er 13 vrouwen, echtgenooten van dragers, die alleen de bagage harer heeren en meesters droegen; 25 Somalis (21 soldaten en 4 kameelverzorgers); daarvan nam ik voor mijne afdeeling 12 soldaten en 4 kameelleiders mee, de overigen bleven onder kapitein Rust. Ten slotte had ik acht bedienden, keukenjongens en koks, en Hamiri, een Lamu-man, als wegwijzer aangenomen.
Een mijner Somalis had zich te Witu van het leven beroofd. Op zekeren avond had hij een mijner schapen gestolen. Ik riep derhalve den volgenden morgen al de Somalis bijeen, aan wie ik verklaarde, dat ik met dieven niets te doen wilde hebben. Ik zou dus den dief ketenen en aldus naar Aden terugzenden. De Somalis verklaarden zich toen bereid om het bevel ten uitvoer te brengen. Toen zij den misdadiger naderden, schoot hij zich met de buks, welke hij met den teen aftrok, door de slapen en was morsdood.
Met dit personeel had ik 150 tot 160 lasten te vervoeren. Yan Witu uit scheen dit nu zoo'n erg moeilijke taak niet, maar het bleek toch al heel spoedig, hoe onzeker het vervoer op kameelen is. Reeds te Engatana ontvielen mij zes kameelen, en de dragers werden eveneens aan de beneden-Tana zeer snel door wegloopen op hun oorspronkelijk getal van 60 teruggebracht.
Terwijl ik te Witu gelegerd was, kwam daar ook mijnheer Gustaaf Denhardt en mijnheer Gerstacker aan, waardoor het gezellige leven
53
DE KAWALLALA SOMALIS.
er heel vroolijk en levendig werd. Zij waren haast dagelijks bij ons, en des avonds voerden de soldaten van den Sultan of mijne eigen Manjemas en Wanjamwesi allerlei oorlogsdansen voor ons uit.
Ik zie op deze weken in Witu met eene soort van weemoedige vreugde terug. Het was in zekere mate de laatste schemering van het Europeesche leven, dat ons omgaf. Dikwerf hebben wij latei-naar al de gemakken en de gezelligheid gesmacht, die hier voor het allerlaatst ons leven veraangenaamden.
Een voor mij zeer belangwekkend en nuttig tusschenvoorval tijdens mijn oponthoud te quot;Witu was het verschijnen van een gezantschap der Kawallala-Somalis, die met den Sultan van Witu over het openen van een vrijen verkeersweg naar Wanga kwamen onderhandelen. Deze Kawallala-Somalis wonen tusschen Djuba en Tana en hebben in den laatsten tijd ook zuidelijk over de Tana allerlei krijgstochten ondernomen. Zij zitten altijd de Gallas achterna, die stap voor stap voor hen terug moeten wijken. Het is als een geweldige vloed, die vermoedelijk eerst aan den sterken dam van het Massai-dom halt zal houden. Aan de beneden-Tana beeft en siddert alles voor deze stammen, en slechts het Witu-sultanaat zelf is hier de vaste burg, waarvoor zij ontzag hebben. Tegenover de achterladers der Witu-soldaten laten deze geweldenaars zich tot onderhandelingen in, terwijl zij overigens gewoonlijk eenvoudig nemen wat zij verlangen.
Den 10en Juli kwamen 23 krijgslieden onder sherif Hussein te Witu aan. Op dezen dag was er te Witu geen melk te krijgen, daar al de Gallas, niettegenstaande zij onder bescherming van den Sultan stonden, in panischen schrik voor de naderende Somalis met hunne kudden in de omliggende wouden gevlucht wajen.
Met ons beproefden de Somalis dadelijk op een vriendschappe-lijken voet te komen. Bij de tijding van hunne komst waren mijne Manjemas, mijne centraal-Afrikaansche dragers, zonder bevel naar hunne wapens geijld, en mijne soldaten hadden het geschut geladen, om de wilde bende te ontvangen. Zoo bood ons leger een zeer oorlogzuchtigen aanblik, toen de Kawallala voorbijtrokken, wat blijkbaar zijne uitwerking niet miste. Den llen Juli verscheen dan
54
ONDERHANDELINGEN MET SHERIF HUSSEIN. 55
ook de sherif Hussein met al zijne manschappen, om zijne opwachting te maken en vriendschap met mij te sluiten. Zijn stam had van mijne landing te Kwaihu gehoord, en de sultan Ali Nurr had hem uitdrukkelijk bevolen, mij de vriendschapsbetuiging van dezen stam over te brengen. Ik verzekerde hem, dat ik steeds groote waarde aan de vriendschap der Somalis had gehecht. Het was zelfs mijn plan geweest, door hun land te trekken, doch de weg door Witu was voor mijn doel korter geweest. Hij wist misschien, dat de Somalis in Europa niet bemind zijn, maar ik hoopte, dat hij daarbij ook vernomen zou hebben, dat ik steeds hun vriend geweest was en daarom reeds herhaaldelijk expeditiën naar hem toegezonden had. Sheriff Hussein antwoordde, dat zulks hem en allen Somalis bekend was en dat zij mij daarom ook nu zouden helpen. Mijne vijanden zouden ook de hunne zijn, en, wie mijn vriend was, dien zouden ook de Kawallala tot den hunne rekenen.
Ik antwoordde, dat ik hoopte hunne hulp niet noodig te hebben; daarvoor moest hij mijn geschut en mijne wapens maar eens bekijken. âIk ben sterk genoeg, om eiken aanval met geweld te kunnen afslaan, maar wat ik noodig heb, is proviand: vee en kameelen. Het is mij bekend, dat uw stam de landen westelijk tusschen Djuba en Tana beheerscht. Daarheen wil ik trekken, breng mij vee en kameelen om te koopen en bezorg mij goede gidsen tot Kenia.quot; Sheriff Hussein beloofde mij, daarover met de zijnen te onderhandelen.
In de volgende dagen hebben we daarover herhaaldelijk onderhandeld, en de uitslag was, dat de Sherif zich bereid verklaarde, mij vijf kameelen dadelijk te verkoopen en mij in de gelegenheid te stellen, er nog andere aan te schaffen. Voor hem was er vooral veel aan gelegen, dat ik mij bij een veldtocht, dien hij tegen de Engelschen van plan was te beginnen, onzijdig hield. De Engelschen hadden een zijner lieden doodgeschoten, en het was derhalve zijn plicht, oorlog tegen hen te voeren. Dit was dus de reden, waarom de Kawallala later de expeditie van Mr. Smith uiteenjoegen.
Ik heb met de Somalis nooit behoeven te vechten, en dit schrijf ik aan het vredesverdrag toe, dat op den laatsten dag van mijn
HET UITERLIJK DER GEZANTEN.
verblijf te Witu tusschen sheriff' Hussein en mij ook schriftelijk gesloten werd, en waarin de Somalis uitdrukkelijk erkenden, dat zij mij niet alleen als hun vriend, maar ook, zoo ik dit verlangen mocht, als hun aanvoerder erkennen zouden. Inderdaad is meer dan eenmaal ernstig de gedachte bij mij opgekomen, als de zaken aan de beneden-Tana voor onze expeditie zoo wanhopend stonden, ingeval het tot het uiterste komen mocht, mij dan naar deze Somali-stammen te begeven en te beproeven, of het niet mogelijk zou wezen, hen tot een veldtocht tegen de Massais en tot Wadelai te brengen. Tot dezen uitersten maatregel ben ik echter gelukkigerwijze door den loop der verdere gebeurtenissen niet gekomen.
Sheriff Hussein heeft een fier uiterlijk met volkomen Europeesche trekken, vonkelende oogen en een ferm en neus. Zijn gezicht wordt door een korten vollen baard omlijst. Even als hij waren ook de overige gezanten van den Kawallala-stam slank en lenig gebouwd, reeds van verre herkenbaar door hun trotsch voorkomen en hunne ruiterlijke houding: geboren krijgers en bevelhebbers! Hun haar dragen zij lang, in 't midden gescheiden en in krulletjes op de schouders vallend, zoodat het er bijna uitziet, alsof zij lange pruiken droegen. Hun voorkomen maakt een dergelijken indruk als de trotsche Elmoran der Massais. Juist omdat zij iets voorkomends in hunne vormen hebben, komt de aangeboren trots des te beslister te voorschijn. Op den dag vóór mijn vertrek uit Witu voerden ze ter mijner eere hun krijgsdans op, welke door pantomimes den strijd en het ten onder brengen van gewaande tegenstanders zeer aanschouwelijk voorstelde.
Na uitstel van allerlei aard had ik ten slotte den 26en Juli als den dag van mijn vertrek bepaald. Ik had, om ook te Witu nog altijd een vast punt te behouden, vooral met het oog op de afdee-ling van kapitein Rust, den heer Denhardt met de vertegenwoordiging onzer expeditie aldaar belast. Ik hoopte, dat Denhardt voor alles de lasten der afdeeling Rust naar Ngao aan de Tana zoude laten vervoeren en van daar uit per boot naar Oda-Boru-Ruwa, waar ik deze afdeeling dacht te ontmoeten. Voor mijne afdeeling had ik den heer Denhardt verzocht mij 100 lasten koren met de
56
GEREED VOOR HET VERTREK.
voor het vervoer benoodigcle booten naar Engatana te zenden, om ze in elk geval over de Tana te kunnen vervoeren.
Den 25en Juli werd mij gemeld, dat de lasten in Engatana voor mij gereed lagen, en nu was er geene aanleiding meer voor mij, om nog langer het vertrek uit Witu uit te stellen. Op dezen dag scheidde ik van Friedenthal, die naar Zanzibar terug wilde keeren, en stelde mijnheer v. Tiedemann in mijne afdeeling aan. Met hem alleen wilde ik vooreerst tot de Gallas aan de boven-Tana mar-scheeren, in een land, dat volgens de door ons geraadpleegde kaarten dicht aan de oostelijke hellingen van den Kenia moest liggen. Dit bleek echter later eene zeer groote dwaling te zijn.
Den 25en Juni was mijne afdeeling geheel marschvaardig, alle lasten waren gepakt en naar de draagkrachten waarover ik beschikken kon, te oordeelen, had ik nog dragers over. Mijne Somalis waren goed gedrild en negen van hen waren gewapend met repeteergeweren, waarbij ik 2000 stuks scherpe patronen voegde. Voor mijn klein boschgeschut had ik 100 stuks kartetsen en even zoo vele granaten. Ik zelf had een uitmuntende dubbele buks, daarbij een geweer met dubbelen loop en bovendien een Lancaster-repeteer-geweer, benevens een revolver met zes loopen. Evenzoo was mijnheer v. Tiedemann gewapend. De rest mijner Somalis en mijne eigen bedienden, benevens eenige flinke dragers, had ik met achterladers gewapend, waarvoor ik me tot mijn leedwezen in Europa had laten overhalen, patronen met papieren hulzen mee te nemen. Overigens had ieder andere drager een fermen voorlader, en hiervoor had ik vijf lasten patronen en, als 't noodig mocht zijn, 600 pond kruit, dat ik natuurlijk in de eerste plaats voor Emin Pacha meegenomen had.
Zoo waren wij, hoe klein ons aantal dan ook zijn mocht, goed genoeg uitgerust, en, wanneer het maar gelukte, deze afdeeling terdege te drillen, en tevens de noodige vastberadenheid en bezonnenheid, waarop toch ten slotte alles aankwam, niet aan de leiding ontbrak, dan dorst ik het wel aan, met dit troepje den tocht in de Somalis, Gallas, Massais en wat daar nog verder zat, te wagen.
Daartoe was ik nu vast besloten en in den namiddag van 25 Juli
57
AFSCHEID VAK WITÃ.
08
nam ik afscheid van Fumo Bakari en zei hem: Mtapeleka bandera ako katika barani (ik zal uwe vlag in de wildernis dragen). Des avonds waren al de Europeanen van Witu hij mij vergaderd, om afscheid van mij te nemen. De Suahelis hadden ter eere van dit afscheid een grooten dans op het plein voor mijne tent uitgevoerd. In den vroegen morgen van den 26en Juli klonk de trompet dooide straten van Witu, welke mijne lieden voor den aftocht bijeen riep, en even zes uur marscheerde mijnheer v. Tiedemann in de steppe, welke het Witu-sultanaat van de Tana scheidt, met de dragers op Engatana. Ik had nog een en ander ten huize van mijnheer Denhardt te doen, waar ik kapitein Eust mijne laatste aanwijzingen gaf, met de Somalis afrekende en de kameelen liet bepakken. Om acht uur liet ik de kameelen volgen en reed zelf in snellen draf mijnheer v. Tiedemann na. Het lot was geworpen. Toen ik de poorten van Witu verlaten had, was er voortaan voor mij nog slechts een terugtocht mogelijk op den omweg over de Tana, Baringo, Nijl en, zoo de hemel het wilde, door de Aequato-riaal-provincie.
i I
MI
â
-«
' §
EERSTE HALT.
een plantage van den sultan Fumo Bakari op te slaan, en in verband daarmede v. Tiedemann de noodige opdrachten gegeven.
Nadat de kameelen bepakt waren, reed ik in snellen draf achter de dragers voort, om de vereischte schikkingen voor het opslaan van het eerste leger ginds te treffen. Ik kwam aan 't landhuis van den Sultan, maar daar was geene expeditie te zien. Men zei mij, dat de karavaan zich in noordwestelijke richting het bosch in begeven had. Tegen 12 uur haalde ik ze in, en mijnheer v. Tiedemann meldde mij, dat het onmogelijk was in de ingeslagen richting met de kameelen verder te gaan tengevolge van de eigenaardige terreinen, zoodat hij mij voorsloeg, op de plek waar men zich nu bevond en waar in overvloed water was, voor heden te blijven. Het was een liefelijk dal, waar wij ons bevonden; links dalend, met een beekje, rechts langzaam stijgend en met mais en Mtama begroeid. Alhoewel met tegenzin, besloot ik toch in te willigen, en gaf bevel de lasten opeen te stapelen en de tenten op te slaan.
Hiermee ging men in de eerste marschdagen altijd heel langzaam te werk, daar de lieden voor het opslaan der tenten nog niet genoeg geoefend waren. Hier kwam nog bij, dat er eerst heel hoog gras weggeruimd moest worden, vóór er plaats voor een tent gewonnen kon worden, en zoo zaten we dus in de gloeiende zon in eenigs-zins neergedrukte stemming op onze kisten. Dit laatste ontstond vooral hierdoor, dat, wanneer de Suahelis van Witu ons niet eens over den weg tot Enganata nauwkeurige inlichtingen konden geven, het moeilijk aan te nemen was, dat hetgeen ik van hen over het Tana-gebied zelf vernomen had, van eenige praktische beteekenis kon zijn. Uit dit alles kon men dus besluiten, dat een tocht in zulke streken eenigermate een sprong in de duisternis mocht heeten, die voor eene expeditie als de onze in den regel noodlottig pleegt te worden. Want bij zulk eene expeditie komt toch ten slotte alles op de stemming der dragers aan. De drager nu is in de hoogste mate gevoelig, vóór hij terdege aan den persoon van den aanvoerder verbonden is, en ongunstige indrukken in de eerste dagen kunnen zeer licht over het lot eener expeditie op eenmaal beslissen.
Ik was mij altijd volkomen bewust, dat er van eenig reserve-
60
EEN VERDWAALD KAMEEL.
corps volstrekt geene sprake was, en dat ik dus slechts op dat mocht rekenen, wat ik onmiddellijk onder mijn bereik had, en dit was met het oog op het voor mij liggend reisdoel gering genoeg. Doch zulke sombere stemmingen werden, zooals gewoonlijk, door flinken arbeid het best verdreven.
Ik zond dadelijk iemand naar Witu terug, om mij, daar de weg naar Engatana onbegaanbaar was, nog denzelfden dag een gids voor Ngao te zenden. Dit zou nu wel een omweg van twee, drie dagen zijn, maar dat was ten slotte bij de tijdsruimten, waarmede wij te rekenen hadden, volmaakt hetzelfde. Intusschen was het leger gereed gemaakt, en hadden mijne centraal-Afrikaansche dragers in verrassend korten tijd uit hout en bladeren hunne hutten opgesteld, en nadat ik een os had laten slachten, verkeerde zeer spoedig het heele gezelschap in eene zeer vergenoegde stemming. Ik zelf werd des namiddags door de komst van een voornamen Witu-Suaheli, den Wali dezer streek, Buana Schamo genaamd, verheugd, die mij meedeelde, dat de wegwijzer nog dien zelfden avond bij mij zoude zijn, en die zelfs met zijne vrouw tot mijn vertrek in mijn leger als gast bleef.
Tegen den avond kwamen van AVitu ook de heeren Denhardt, Dörfer en Friedenthal in het leger aan, en het werd inderdaad voor ons allen een even schilderachtig als opwekkend tafereel, die in de wildernis legerende afdeeling met hare vele vuren, etende, zingende en babbelende groepen voor ons te zien. Dat was voor de eerste maal werkelijk eene echt Afrikaansche expeditie, nadat wij uit de beschaafde streken van het Witu-sultanaat waren; dat was de poëzie van het legerleven, dat wij voor ons hadden! Ongelukkigerwijze werd de aangename indruk van dit frissche beeld een weinig gestoord door de meedeeling der Somalis, dat een der 16 kameelen die ik bij mij had, uit de weide in 't bosch verdwaald en niet meer te vinden was. Daar ik dit kameel niet in den steek mocht laten, zoo besloot ik, den aftocht van deze plaats een dag uit te stellen en den anderen morgen alles in 't werk te stellen, om het weer in 't bosch te vinden, wat toch niet zoo moeilijk scheen. Men behoefde slechts het spoor van 't dier te volgen, om.
61
DE POÃZIE EER WILDEENIS.
al kon men het zelf ook niet grijpen, althans te ontdekken wat er mee gebeurd was; voor het geval namelijk, dat het des nachts de buit van een roofdier geworden was. Inderdaad zond de Wall ook des avonds eene boodschap aan zijne slaven, die reeds den volgenden morgen om 10 uur met het dier, dat erg door de dorens geleden en bovendien zijn zadel verloren had, in mijn leger aankwamen.
Deze zevenentwintigste Juli, een Zaterdag, was wel terdege zoo voor mijnheer v. Tiedemann als voor mij zelf in elk opzicht een pleizierige dag. Wij schoten des morgens ons kleine geschut af en des namiddags in het bosch onze buksen en geweren. Het was de machtige poëzie der wildernis, die zich overweldigend van ons meester maakte, en dezen dag nog in de herinnering zoo liefelijk doet zijn. Eerst des nachts om 11 uur kwam de uit Witu bestelde gids of kiongosi in 't leger aan,
en reeds des morgens om 3 uur liet ik alarm slaan en de trompet blazen. Men had mij gezegd, dat de weg tot Ngao 12 uren bedroeg.
Ik wilde derhalve des morgens om i uur al oprukken, ten einde om 4 uur des namiddags daar aan te komen. Intusschen was het dien nacht zoo donker, dat de dragers met v. Tiedemann eerst tegen half zes opstapten; de kameelen en ezels, waarmee ik volgen zou, waren eerst na zevenen kant en klaar. Zoo moeilijk ging het nog maar altijd met ons vervoer.
62
ET DB STEPPE.
Ik reed met mijne kameelen in westelijke richting verder, in de hoop de dragersafdeeling eerst te Ngao weer te vinden. Maar tot mijne onaangename verrassing haalde ik ze reeds tegen 10 uur in. De wegwijzer, dien mij de Sultan van Witu gezonden had, kende niet eens den toch druk beganen weg naar Ngao. Dientengevolge was de afdeeling verdwaald geraakt en rustte nu eens uit. Ik liet dadelijk op nieuw opbreken, terwijl ik op de kameelen wachtte. Maar om 12 uur stond ik wederom voor de afdeeling van Tiede-mann, die aan een water legerde, en wier oudste, de Mangema Nogola en de Dar-es-Salem-man Musa, mij verzochten, voor heden daar te mogen blijven. Ik wees dit verzoek van de hand, en nu ging het bij gloeiende hitte des Zondags namiddags altijd maar verder naar het quot;Westen.
Het landschap heeft door het bijzonder vlakke iets zeer Hol-landsch. Zeer ver zweeft het oog over de steppe, welke slechts met gering struikgewas bedekt is, en broeiend ligt de heete lucht over den moerassigen grond, hot oog door luchtspiegelingen en fantastische fata morganas misleidend. Water is nergens te zien; hielen daar een uitgedroogd vloedbed of een sloot. Het begon vervelend te worden. Tegen 3 uur reed ik de karavaan voorbij, om naar den weg om te zien, terwijl ik intusschen altijd den blooden gids voor mij hield. De dorst begon zich te doen gevoelen, en loom hing ik in 't zadel, terwijl mijne fantazie mij liefelijke beelden van thuis voorspiegelde. Tegen 4 uur kwamen wij in een boschachtig terrein, waar de twee lieden, die ik bij mij had â Hamiri was onder hen â ten slotte een moeras ontdekten. Daarachter bevond zich een open vlakte van 8000 meter breedte, waarachter wederom het woud begon. In dit tweede bosch ontdekte ik eene legerplaats, waar vermoedelijk Wapokomo gelegerd hadden.
In de veronderstelling, dat we dicht bij Ngao waren, sloeg ik 't voorstel van Hamiris om hier den nacht te vertoeven, op nieuw af, trok het bosch door en kwam weder op een met struikgewas begroeid terrein, dat zich door ontzaglijke mierenheuvels kenmerkte, die in de verte er uitzagen als huizen en dorpen van Wapokomo.
Weet gij hoe deze mierenheuvels ontstaan, die zulk een bij-
63
DE MIERENHEUVELS.
64
zonder kenmerk van het Afrikaansche landschap zijn? Evenals de Eskimo's sneeuw ophoopen en er lage tunnelhutten van bouwen waarin zij leven, zoo zamelen de witte mieren aarde, doch met dit onderscheid, dat het geene aarde is van de oppervlakte, maar van eenige diepte onder den grond, en hiervan maken zij tunnels. Nu en dan loopen deze tunnels langs den grond, maar veel meer stijgen zij in eindelooze vertakkingen naar de toppen van boomen, zich langs elke tak en twijg kronkelende en hier en daar in groote overdekte kamers uitloopende, die den halven omtrek van den stam beslaan. Millioenen boomen in sommige districten zijn aldus op fantastische wijze met buizen, galerijen en kamers ompleisterd, en menig pond gewicht aan aarde moet naar omhoog gebracht worden, om slechts de loopgraven over een enkelen boom te maken. Het bouwmateriaal wordt door de insecten vervoerd langs een centrale buis, waarmede alle galerijen gemeenschap hebben en welke aan het benedeneind in verbinding staat met een reeks onderaardsche doorgangen, die tot diep in de aarde leiden. Deze tunnels en overdekte wegen worden op de volgende wijze gebouwd. Aan den voet van een boom wordt dicht bij het schors een nietig openingetje in den grond gemaakt. Een klein kopje vertoont zich daar met een korreltje aarde tusschen de kaken geklemd. Dit aardkorreltje wordt tegen den boomstam neergelegd, en onmiddellijk verdwijnt het hoofdje weer. Daarop verschijnt het wederom met een ander aard-korreltje ; dit wordt naast het eerste gelegd, vast er tegen gedrukt en daarop daalt de opperman weder naar beneden, om meer te halen. Het derde aardkorreltje wordt niet tegen den boom geplaatst, maar tegen het vorige korreltje; een vierde, een vijfde en een zesde volgt en het bouwplan begint zich kenbaar te maken, zoodra al die korreltjes op hunne plaats liggen. Van de steenen, korrels of balletjes van aarde wordt een halfcirkelvormige omheining gemaakt, en nu werkt de mier, door drie of vier anderen bijgestaan, in het midden tusschen den overhangenden muur en den boom staande, met hoofd en kinnebak uit alle macht, om de positie te versterken. De muur vormt een kleinen wal en naarmate hij hooger en hooger stijgt, blijkt het spoedig, dat hij van een laag optrekje overgaat in
DE SCHILDWACHTEN.
een langen, perpendiculairen tunnel, welke tegen den boom naar boven loopt. Behoorlijk van binnen verschanst, dragen nu de arbeiders met groote snelheid het bouwmateriaal aan en verdwijnen beurtelings, zoodra zij hun vracht hebben neergelegd, om nieuwen toevoer te halen.
De wijze, waarop het gebouw wordt opgetrokken, is bijzonder merkwaardig en men zou den voortgang van deze wonderbaarlijke metselaartjes uur voor uur kunnen nagaan. Zoodra er een steen naar den top is gebracht, wordt hij dadelijk met metselkalk overdekt. Zonder deze voorzorg zou natuurlijk de geheele tunnel instorten, vóór men de hoogte van een halven duim bereikt had; de termite omringt dus den aardkorrel met een kleverig speeksel en draait het korreltje herhaaldelijk rond, totdat het geheel met slijm bedekt is. Dan plaatst de mier den steen zorgvuldig op den top van den muur, werkt dien met kracht naar omhoog, totdat hij flink op zijne plaats is gebracht, en gaat dan onmiddellijk heen om eene andere vracht te halen.
Wanneer men nu over den grooter wordenden muur loert, ontdekt men spoedig een, twee of meer grootere mieren, die aanmerkelijk langer zijn en een zeer verschillende verdeeling van hoofd en kinnebakken hebben. Deze zwaarwichtige schepselen drentelen doodbedaard langs den wal, maar toch met een zeker drukte-ver-toon, alsof misschien de een de opzichter en de ander de architect was. Doch van meer nabij beschouwd, blijkt het, dat zij op geenerlei wijze het oppertoezicht over het werk hebben, noch tot den bouw bijdragen, want zij slaan niet de minste acht op de arbeiders. Inderdaad, zij zijn daar als schildwachten geplaatst, en daar houden zij stand of wandelen langs den ingang van iederen tunnel, gelijk zuster Anna, om te zien of er iemand komt. Soms vertoont zich iemand in den vorm van een andere mier â ditmaal de wezenlijke mier â een of ander dapper en gewapend ridder. Alleen of bij hoopen stormt dit bloeddorstig klein insect zonder vreeze in zijn maliënkolder den boomstam op, terwijl zijne voelhorens den vijand ontzag inboezemen, en zijne kinnebakken naar mierenbloed dorsten. De mierenarbeider is een arm, weerloos schepsel en zou,
65
MIEEENTUNNELS.
daar hij blind en ongewapend is, onmiddellijk een prooi van deze goed afgerichte roovers worden, die in elk tropisch woud in tallooze hoeveelheden rondtrekken. Doch op het kritieke oogenblik maakt zich de soldaat-termite, gelijk Goliath bij de Philistijnen, tot het gevecht gereed. Met eenige zwaaien van zijn kinnebak, die als eene zeis te werk gaat, veegt hij de baan schoon en terwijl de aanvallende partij in het zand bijt, gaan de bouwlui, zonder zich om de ruzie te bekommeren, rustig met hunnen arbeid voort. Voor iedere honderd arbeiders in eene witte-mierenkolonie, die vele duizenden bedraagt, heeft men gewoonlijk twee van deze strijdbare mannen. De arbeidsverdeeling is hier merkwaardig.
Doch waar voert deze tunnel heen, en wat hebben de insecten op 't oog met het beklimmen van dezen hpogen boom ? Dertig voet van den grond, door ontelbare takken aan het eind van een lange twijg, is eenig dood hout. Hoe de mieren weten dat het daar is, hoe het haar bekend is, dat het sap is opgedroogd, en dat-het nu goed voedsel is voor de termiten, is een geheim. Misschien weten zij het ook niet en wagen zij het er maar op. Het feit, dat zij somtijds regelrecht naar het vervallen lid trekken, doet een soort van instinct vermoeden, maar aan den anderen kant wekt het feit, dat veelal elke tak en elk lid van den ganschen boom met tunnels bedekt is, het vermoeden, dat zij gemeenschappelijk op speculatie werken, terwijl het aantal verlaten tunnels, op een gezonden tak in een slop eindigende, bewijst hoe dikwerf zij de gewone teleurstellingen van al zulke avonturen moeten ondervinden. De groote schaal, waarop deze insecten hunne tunnels uitstrekken, is letterlijk ongelooflijk, totdat men het met eigen oog in werkelijkheid gezien heeft. De tunnels hebben ongeveer de dikte van een smalle gaspijp, maar hier en daar zijn er verbindingen van grooteren omvang, en soms vindt men brokken aardwerk, die bijna den geheelen stam eenige meter hoog omvatten. De buitenzijden dezer tunnels, die nooit volkomen recht zijn, maar onregelmatig langs stam en tak opkruipen, zien er uit als ruw zandpapier; de kleur, die natuurlijkerwijze al naar den stam verschilt, is gemeenlijk roodachtig bruin. De hoeveelheid aarde en klei, waarmede een enkele
66
EEN AFRIKAANSCH WOUD.
boom overdekt wordt, is dikwerf ontzagwekkend, en wanneer men dt» bedenkt, dat het niet alleen een afzonderlijke boom hier en daar
is, die aldus bewerkt wordt, maar zeer dikwerf al de boomen van een woud, dan kan men zich een denkbeeld vormen van het machtig arbeidsvermogen dezer dieren en van de uitgebreidheid van hun invloed op den bodem, dien zii aldus onophoudelijk overbrengen uit de diepte der aarde.
67
Wanneer men door de groote wouden van Rocky Mountains of van de Westelijke Staten reist, maken de gebroken takken en gevallen stammen, die den grond tot op manshoogte bedekken, dikwerf den doorgang onmogelijk. Gewoonlijk is er geen sprake van, om door deze wouden met hun netwerk van dooreen geworpen takken en gevallen stammen te rijden, en men stijgt hier eenvoudig af en neemt zijn paard aan den toom achter zich. Doch in een Afrikaansch woud is er geen gevallen tak te zien. Het allereerst wordt men getroffen door iets bijzonders nets en helders in deze groote wouden van het binnenland, door zekere frissche en onverklaarbare netheid, alsof het woudbed door onzichtbare elven zorgvuldig schoongemaakt en dagelijks geveegd werd. En dit is ook inderdaad het geval. Straatvegers van allerlei aard vervoeren verrottende overblijfselen van dieren â van de romp van een gevallen olifant tot den gebroken vleugel eener mug â eten alles op, brengen het uit het gezicht en begraven het in de aarde. Andere ontelbare millioenen mieren vervullen een dergelijke functie voor het plantenrijk, door alle planten en boomen, alle stammen, takken en weefsels weg te maken, zoodra teekenen van verval daaraan zichtbaar worden. Voortdurend vindt men in deze wouden, wat u stammen, takken en takkebossen toeschijnen, maar die, op den keper beschouwd, niets dan omhulsels en stof zijn. Van deze holle buizen, die den oorspronkelijken vorm van den tak tot het geringste uit-streksel en uitspruitsel volkomen behouden, is het houterig weefsel dikwerf geheel verwijderd, terwijl men er andere in allerlei trappen van slooping vindt. De insecten gaan blijkbaar van twee middenpunten uit. De eene groep valt op de inwendige boomschors aan, dat een gezocht hapje is, en laat daarbij de zuivere buitenschors
L )
DE MIEBENHEÃVELS.
onaangeroerd, of wel zij vult het met aardkorrels aan, naarmate zij de schors wegeet. De inwendige schors wordt opgevreten naarmate zij verder komen, maar aan het houtachtige weefsel beneden wordt niet geraakt, daar dit een schild wordt voor de tweede groep, die aan het midden begint te arbeiden. Dit tweede contingent eet zijn weg buitenwaarts en voorwaarts, doch laat den buitenwand een dun bekleedsel, totdat zij de hoofduitgraving volbracht hebben. Wanneer een op den grond gevallen stam het doel van hun aanval is, dan wordt de uitwendige vorm gemeenlijk geheel ongeschonden gelaten, eerst wanneer men dien naar zijn kamp wil vervoeren, bespeurt men tot zijne teleurstelling, dat men te doen heeft met een louter holle buis, die hier en daar met aarde en klei is opgevuld.
Doch de werken boven den grond vertegenwoordigen slechts een deel van den arbeid dezer langzaam voortgaande, doch hoogst nijvere diertjes. De boombuizen zijn slechts de voortzetting van een veel ingewikkelder stelsel van onderaardsche tunnels, die zich over verre gewesten uitstrekken en de aarde somtijds tot een diepte van vele voeten of zelfs meters ondermijnen.
Het materieel, dat uit deze onderaardsche galerijen en uit de reeks gewelfde ruimten, waartoe zij leiden, is gegraven, moet op de oppervlakte der aarde worden uitgestort. En het is uit deze aarde, dat de hooge mierenheuvels gevormd worden, die zulk een bijzonder kenmerk van het Afrikaansche landschap zijn. Deze hoopen en hoogten zijn zoo in het oogvallend, dat men ze mijlen ver zien kan, en zoo talrijk en zoo nuttig als bedekking voor den jager, dat zonder hen het jagen in verschillende districten onmogelijk zoude worden. Het eerste wat den reiziger bij zijne intrede in het binnenland treft, zijn de aardhoogten der witte mieren, welke nu eens de vlakte in groepen afbreken als een klein kerkhof, dan weder zich tot heuvels verheffen van dertig of veertig voet in doorsnede en tien of vijftien in hoogte; of wel komen zij tegen de lucht als obelisken uit, welker naakte zijden in allerlei soorten van fantastische vormen gesneden en uitgehold zijn. In Indië bereiken deze mierenhoopen hoogst zelden eene hoogte van meer dan een paar
68
DE KAEAVAAN LAAT OP ZICH WACHTEN.
voet, maar in Centraal-Afrika vormen zij wezenlijke heuvels en bevatten menige ton aarde. De steenen huizen van het Schotsche zendingsstation aan het Nyassa-meer zijn alle van mierennesten opgebouwd, en de groeve, waaruit het materiaal getrokken is, vormt naast de neerzetting een put van eenige dozijnen voeten diep. Een even groot aantal baksteenen zou vermoedelijk nog best uit dit welgelegen depot genomen kunnen worden, en de zendelingen aan het Tanganyika-meer en verderop naar Victoria Nyanza hebben niet minder verplichting aan de arbeidzaamheid der mieren. In Zuid-Afrika bevloeren de Zoeloes en Kaffers al hunne hutten met witte mierenaarde en toen de Boeren in Praetoria waren, gebruikten zy die mierenheuvels als ovens, door ze van binnen uit te hollen en de toppen met klei dicht te dekken. Deze mierenhoopen zijn over het geheele binnenland van Afrika verspreid en bestaan uit allerlei soorten. Met eene kleine verscheidenheid van een tot twee voet hoog, komen zij in myriaden langs de kusten van het Tanganyika-meer voor. Zij zijn symetrisch gebouwd en lijken eene reeks ronde hoedjes, de een boven den ander, met afhangende randen als goten, welke den heuvel voor regen beschermen. Het zou geen onmogelijke taak zijn, om in sommige districten de hoeveelheid aarde per akker te berekenen, die door de witte mieren naar omhoog gebracht wordt; men zou dan waarschijnlijk vinden, dat die hoeveelheid minstens gelijk staat met die, welke in de gematigde luchtstreek de worm behandelt.
Na deze kleine uitweiding over de mieren komen we weder tot onzen tocht naar Ngao terug, waarvan wij zelfs om half zes des avonds nog niets te zien kregen. Toen was ik onvoorzichtig genoeg, onder een acazia-boom uit te rusten en daar een half uurtje op den grond te liggen, om op mijne lieden te wachten. Doch er kwam geen sterveling! Eene uitgestorven hartbeklemmende stilte over de uitgestrekte vlakte! Waar bleef dan toch mijn karavaan?
De zon was aan 't dalen; ik liep terug en vond bij een struikgewas negen mijner kameelen met Somalis, voor welke ik in een kwartier een weg moest laten banen. Ik beval den Somalis, verder te marscheeren en eerst aan de rivier halt te houden. Dit bevel
69
TE NGAO.
voerden zij ook uit. Ik zelf ging verder terug en vond een gedeelte mijner dragers aan de vroeger ontdekte moerasvlakte in 't bosch. Goed- of kwaadschiks moest ik nu wel besluiten, hier het leger voor 60 dragers en vijf kameelen te laten opslaan. Vijf dragers en een kameel waren in de steppe achtergebleven. Ik zelf bleef in het Wapokomo-leger, waar ik de tenten liet opslaan, met mijn eigen bedienden en eenige dragers. Tegen negen uur 's avonds kwam er een hevig onweer met stortregens opzetten, die mijne afdeeling dooien doornat deden worden, en des nachts hadden wij voor de eerste maal het genoegen, leeuwen dicht bij onze tenten te hooren brullen.
Op Maandag morgen te zes uur liet ik dadelijk alle achtergebleven kameelen (het zesde was in alle vroegte komen opdagen) naar Ngao verder gaan, daarop zond ik Nbgola, een der Manjema-lieden, en twee der beste Somalis naar de vijf achtergebleven lieden uit. Om half acht was de dragerskaravaan kant en klaar en rukte met slaanden trom en vliegende vaandels voorwaarts. Ik volgde als gewoonlijk te paard, maar Ngao wilde nog maar niet opdagen. Toen wij het houtgewas achter ons hadden, betraden we op nieuw de verbrande steppe, die den vorigen avond zulk eenen droefgeestigen indruk op mij gemaakt had. Geen water, geen gras, slechts in de verte een donkere streep â misschien de stroomloop der Tana?
Om 10 uur liet ik naar het Zuiden zwenken, op die wijze moesten wij de rivier dan toch wel bereiken, En ja, om 11 uur hadden wij ze voor ons! Welk een betooverende aanblik, dit water, dat zijn gelen vloed den Indischen oceaan toezendt. De Tana heeft hier eene flinke breedte. Wij hadden ze ongeveer een uur boven Ngao bereikt. Nu reed ik vooraan, steeds den stroom volgend, in zuid-zuidoostelijke richting. Onder trommelslag en het gejubel der dragers, die op een goeden maaltijd na dien afmattenden marsch rekenden, hield ik om 12 uur voor het huis der Duitsche missionarissen te Ngao stil, begroet door de heeren Würz, Weber, Heyer en Boeking.
Om twee uur kwam mijnheer v. Tiedemann met de laatste dragers aan, om zes uur Nogola met twee Pagasis, die we den vorigen dag verloren hadden, en de Somalis. Voor de zenuwen der
70
GEBEEK AAN VOEDSEL.
drie anderen waren de indrukken der steppe tusschen quot;Witu en ISTgao te sterk geweest. Zij hadden de Emin Pacha-expeditie gelaten voor hetgeen ze was en zich zoo vlug mogelijk uit de voeten gemaakt. Vermoedelijk waren zij naar Witu teruggekeerd.
Ik zond dadelijk twee lieden met een ezel uit, om hunne lasten terug te brengen, en tevens een brief naar Witu, om ze ginds zoo mogelijk op te pakken. Dit alles stemde me niet heel prettig.
Maar wat me terdege ontstelde, was de tijding, dat te Ngao aan eten voor de dragers geen denken was, want de Wapokomo leden zelfs honger, ja ze stierven van den honger. Dat was een allesbehalve prettig nieuwtje! Het had er wezenlijk iets van, alsof onze espeditie, en zoo maar van den beginne af, spoedig treurig eindigen zou. Ik hoorde echter, dat soldaten van den Sultan van AVitu den dag te voren naar Enganata met booten gegaan waren, om koren voor mij uit Kau daarheen te brengen.
Derhalve zond ik dadelijk nog des Maandags namiddag Hamiri met twee Somalis per boot naar Engatana, om van het daar aanwezige graan omgaande acht last naar Ngao te vervoeren, daar ik vreezen moest, dat anders mijne geheele afdeeling reeds den eersten dag uit elkaar zoude gaan. Zonder deze acht lasten kon ik niet eens hopen, Engatana te bereiken, daar vermoedelijk ook tusschen Ngao en Engatana geen voedsel te krijgen was. Tevens schreef ik naar Witu terug aan mijnheer Denhardt, met de opdracht, daar tien slachtossen te koopen en mij die naar Engatana te zenden.
Ik hoopte door deze beide maatregelen de eerste groote teleurstelling af te wenden, riep mijne lieden bijeen, zette hun den toestand uiteen, en deelde hun mede, dat in Engatana genoeg voor hen voorhanden was, omdat aan de boven-Tana de nieuwe oogst reeds rijpte. Maar de neger houdt niet van zulke praatjes, hij wil iets voelen en tasten, en den volgenden morgen kon ik me met eigen oogen overtuigen, dat zeven van de Dar-es-Salam-lieden er de voorkeur aan gegeven hadden, hun geluk elders te beproeven.
Daartoe hadden nu ook misschien de niet zeer verkwikkelijke gebeurtenissen van den afgeloopen nacht bijgedragen. Betrekkelijk hebben we op de expeditie weinig last van muskieten gehad, maar
71
MUSKIETENPLAAG.
geen nacht hebben we zulke massa's van deze plaaggeesten moeten dulden, als dit in Ngao het geval was. De missie had haar voor-loopig huis dicht bij den loop der Tana te midden van eene wild woekerende grassteppe neergezet. Hier huisden de muskieten met millioenen en millioenen, en zoodra de zon daalde, wierpen zij zich hongerig op de welkome gasten, die hun frisscher en beter voedsel schenen te bieden, dan dat, hetwelk zij tot nu toe gewoon waren geweest. Daar hielp geen lieve moeder aan: of we al tenten en ons zeiven zoodanig in den rook zetten, dat de tranen ons over de wangen liepen, of we al broeken aantrokken en onze handen in doeken wikkelden, 't hielp niemendal. De scherpe prik der muskieten, die zich dicht en zwart op ons neerzetten, kwam door alles heen, en ook het muskietennet bood geen beveiliging tegen de lastige gasten. Zoo verliepen de nachten in onrustigen slaap, en onver-kwikt begon men weer aan het dagwerk, dat de eene teleurstelling na de andere bracht.
Ik deed mijn best in ÃSTgao althans visch voor mijne menschen te krijgen, maar men vertelde mij, dat de Tana in dezen tijd des jaars geen visch bevat. Er was alleen mamba, een soort van paling te krijgen, maar ook slechts in zeer gering aantal. Nu zond ik mijn uitgerukten dragers ook nog dadelijk soldaten achterna en klampte een Galla-stam aan, die zich in den omtrek gevestigd had, en wiens hoofd mij vijf schapen kwam aanbieden, waarvan ik er dadelijk drie aan mijne dragers overliet. De onderhandelingen met deze Gallas hield ik te midden mijner gezamenlijke manschappen, en om deze nu van alle verdere ontloopen af te schrikken, droeg ik het opperhoofd op, de weggeloopen dragers, als zij niet terug mochten komen, eenvoudig af te maken. Ik belegde ook eene vergadering (Schauri) met mijne dragers en gaf hun duidelijk te verstaan, dat ik lieden, die niet gaarne met mij gingen, in het geheel niet bij mijn karavaan wilde hebben, en hun ronduit vroeg, indien zij vrijwillig terug wilden gaan, zich dan nu bij mij aan te melden. Er kwam geen enkele opdagen, maar zooals ik heel goed bespeurde, was de stemming der lieden niet heel opwekkend en onzeker. In Afrika evenals overal staat de tucht in de eerste plaats
72
DE DKAGEBS LOOPEJf WEG.
in verband met hetgeen men te eten geeft; kan men zijne men-schen niet behoorlijk voeden, vooral in het begin der expeditie, dan poetsen zij de plaat, en eigenlijk kan men hun dat ook niet kwalijk nemen. De Dinsdag verliep en van Engatana, waarop ik al mijne verwachtingen gebouwd had, om graan te krijgen, kwam maar geen bericht! Mijne soldaten kwamen terug; van de ontloopen dragers was geen spoor meer te vinden. Ik moest mij beperken, en de namen der weggeloopenen aan kapitein Rust te Witu opgeven, in de hoop, dat het gelukken zou, ginds den een of den anderen althans eens flink te kunnen straffen. De te Witu aangeworven lieden verlieten mij in deze dagen paarsgewijze, onder anderen maakte zich ook de eigen knecht van mijnheer v. Tiedemann, dien wij Fremantle noemden, uit de voeten. Echter kon hij er niet toe besluiten, zonder een herinnering aan zijn meester heen te gaan, en nam derhalve nog eenige goede hemden en jassen en ongelukkigerwijze ook een beurs met ruim vierhonderd gulden mee. De zaak was des te onpleizieriger, daar er van geenerlei zijde eenige kans op beterschap bestond. Hoe kon ik vermoeden, dat het op andere punten van de Tana beter zou wezen dan te Ngao, dat toch in verhouding het dichtst bij de beschaafde wereld lag, en hoe kon ik aannemen, dat de hoofdmassa mijner dragers trouwer zou zijn dan zij, die reeds weggeloopen waren? Lieten echter mijne dragers mij in den steek, dan viel de heele onderneming op de belachelijkste wijze in duigen, en dan zouden de landing en al de moeilijkheden die we reeds overwonnen hadden, aanleiding tot allerlei spot geven, Daar kwam nog bij, dat mijnheer v. Tiedemann, die des Maandags in de brandende zon over de rivier naar de Engelsche missie gevaren was, om naar onze weggeloopen dragers te zien, een zonnesteek gekregen had en aan hevige hoofdpijnen leed.
Ik verkeerde in deze dagen veel met den missionaris Würz; maar hoe levendig we ook over allerlei belangrijke dingen spraken, de drukkende zorgen van het oogenblik gingen mij geen oogenblik uit de gedachte.
Den 30en tegen den avond kwamen eindelijk de bestelde acht last van Engatana aan. Het was mij eene wezenlijke opluiking
73
WEG NOCH VOEDSEL.
toen ik dadelijk rijst en maïs in overvloed aan mijne lieden kon uitdeelen. Dit was zeker vrij wat beter in staat om den zinkenden moed mijner manschappen weder te doen herleven.
Den len Augustus trok ik uit Ngao, zij het ook in zeer gedrukte stemming, om mij althans ten minste tot Engatana te begeven, waar ik nog 90 lasten koren en de noodige booten voor het verdere vervoer der proviand hoopte te vinden. Wij zouden dezen dag te Marsano slapen, en |ik vertrok in gezelschap van mijnheer Weber, uit de missie te ISTgao, die Engatana eens bekijken wilde.
Deze marschdag deed mijne gedrukte stemming nog toenemen, die zich op den allereersten tocht langs de Tana reeds van mij had meester gemaakt. Van een eigenlijken weg was er geene sprake, omdat de Wapokomo steeds hun verkeer op booten hebben. Hierdoor moesten we voortdurend door struikgewas en steppe, steeds in gevaar den weg te verliezen, wat ook eenige malen gebeurde. Zoo geraakten wij ten slotte in een breed en diep moeras, waarin de dragers tot aan de heupen verdwenen en drie kameelen zoodanig wegzonken, dat zij afgeladen en met hefboomen naar boven geheschen moesten worden, waarbij al de dragers, die toch uitgeput waren door een marsch van 10 tot 12 uur, terdege helpen moesten. Ook te Marsano was geen eten, en des nachts sloop weer een drager weg, van wien ik verder niets meer vernomen heb. Dat was de Tana-weg, waarop we ons nu bevonden!
Ik besloot nu, me althans de voordeelen van dezen weg ook ten nutte te maken, mijne zwaar bepakte afdeeling een weinig te ontlasten en een gedeelte van het goed op booten te doen vervoeren. Er waren 70 tot 80 Arabieren reeds sedert het begin van Juli de Tana opgegaan, en of nu de Engelschen daarin stookten of niet, in elk geval zal het hun plezier hebben gedaan, dat de oeverbewoners erg tegen mij opgehitst werden en dat hun vooral op het hart gedrukt was, mij geen voedsel te verkoopen of booten af te staan. Nu had men echter op één ding niet gerekend, namelijk dat deze aanhoudende tegenwerkingen mij noodzakelijkerwijze prikkelen zouden, om ook van mijnen kant alles tegen alles te zetten, en waar men mij datgene wat men bezat, niet voor geld en goede woorden
74
KRASSE MAATEEGELEN.
geven wilde, het eenvoudig te nemen, zooals dat in Afrika de gewoonte is, waar het recht van zelfbehoud en het recht van den sterkste heerschen.
Ik had in dit geval hiertoe ook volle recht, daar ik in zekeren zin ook als zaakgelastigde van den Sultan van Witu optrad, wiens vlag ik voerde en wien ik beloofd had, zijn invloed naar het Westen uit te breiden. De Walis van den Sultan nu hebben overal het recht, booten en manschappen voor hun heer en meester op te eischen, en door Fumo Bakaris met eene dergelijke macht bekleed trad ik in deze landen op. Zoo nam ik te Marfano twee booten en verzocht aan de bezitters er van, onder de bedekking van eenige Somalis mij een deel mijner goederen naar Enganata te bezorgen, waar ze dan ook te rechter tijd aankwamen. Aldus een weinig verlicht, vertrok ik den 2l!n Augustus des morgens weder van Marfano en kwam met mijne geheele afdeeling weibehouden tegen 11 uur te Engatana aan.
Hier trof mij nu de eerste groote teleurstelling wat mijne genomen beschikkingen te Witu betrof, en deze teleurstelling, wierp bijna de geheele onderneming omver. Ik had te Witu met de Ba-nianen van Kan omtrent de levering van zes miaus (Tana-cano's) met 100 lasten koren naar Engatana eene overeenkomst gesloten, waarbij mij de zes miaus stroomopwaarts ter beschikking zouden staan. Daar intusschen mijnheer Clemens Denhardt te Witu mijn vertegenwoordiger geworden was, deelde ik hem dezen uitslag mee. De heer Denhardt bood zich aan om de zaak voor mij in orde te brengen en wel door den Wali van het Tana-gebied, Buana Schaibo te Kan. Twee dagen voor mijn vertrek uit Witu zond ik Tiedemann naar Denhardt met de vraag, of ik er op rekenen kon, koren en booten te Engatana te vinden. Toen v. Tiedemann mij een toestemmend antwoord bracht, brak ik mijne eigen onderhandelingen met de Banianen af en marscheerde naar Engatana. Maar den 2e11 Augustus vond ik te Engatana in plaats van de verwachte 100 slechts 54 last en een enkele miau. Buana Schaibo had gemeend, hiermede zijne verplichting voldoende te zijn nagekomen.
Daarmede was het lot van mijn troep geheel beslist. Zonder
75
MOERASKOORTSEN.
miaus had ik geen middelen om het koren stroomopwaarts te krijgen, en moest dus te Enganata blijven liggen. En hiermede beginnen de treurigste weken der Duitsche Emin Pacha-expeditie. Onze toestand kwam mij eerst hopeloos voor. Bij de grootste spaarzaamheid moest ik toch eiken dag twee tot drie last koren offeren, om den honger mijner lieden te stillen. Het koren kromp van dag tot dag in, en het tijdstip was precies te berekenen, dat er niets meer wezen zou. Wat bij Engatana aan onrijpe bananen en overigens aan voedingsmiddelen voorhanden bleek te zijn, was spoedig geheel en al uitgeput.
Daar kwam bij, dat de regentijd dit jaar bijzonder hardnekkig aanhield; eiken nacht stroomden er stortbuien naar beneden, en spoedig deden zich ziekten bij mijne kameelen voor, waardoor hun aantal in korten tijd tot 10 herleid werd. Ook mijne menschen werden ziek, en het wegloopen hield voortdurend aan, totdat ik er eindelijk toe overging, alles wat niet pluis was, eenvoudig aan ketenen te leggen en dag en nacht onder de bewaking van een Somali te plaatsen. Maar erger dan dit alles was de omstandigheid, dat mijne eigen geestkracht begon te verslappen.
Tegenover Engatana bevindt zich een uitgestrekt moerasgebied, het zoogenaamde Dumi-meer. Dit meer bood voor ons eigen onderhoud een onuitputtelijk jachtgebied van eenden, hoenders en ganzen aan. In dezen tijd leefden wij bijna geheel van gevogelte.
Maar de Zuidwest-mousson, die met buitengewone hevigheid voortdurend over ons leger heenstreek, dreef onophoudelijk de moeraslucht naar ons over en daar wij onvoorzichtigerwijze na het avondeten voor mijne tent soms uren lang in de open lucht bleven zitten, zoo werd ik tijdens dit verblijf te Engatana door eene rhu-matische koorts aangetast, die mij twee dagen lang met kracht dooreenschudde en mij toen eene pijnlijke lamheid in de linkerknie en in mijn rechterarm achterliet. Dit rhumatische lijden zocht ik met sterke dosen Salicylzuur te bestrijden, maar dat gelukte mij slechts gedeeltelijk, en aan den anderen kant had het gebruik van chenin en salicyl de onaangename gevolgen, dat mijne stemming, maar vooral mijne wilskracht, ontzaglijk gedrukt werden. Hoe kon
76
SOMBERE DAGEN.
ik op die wijze hopen, eene flinke Emin Pacha-expeditie aan te voeren, hoe zou ik al de gewone moeilijkheden mijner zeer eigenaardige positie trotseeren? Waar haalde ik den moed van daan, om de wereld onder de oogen te zien, als onze expeditie op die wijze uiteenspatte? Zoo zat ik peinzend over mijn noodlot en de toekomst weken aaneen te Engatana, terwijl de zuidwestenwind om mijne tent floot en de hemel uit grauwe wolken regenmassa's op onze expeditie deed stroomen.
Liefelijk slingert zich hier de Tana door het landschap naar hare uitmonding. Dicht aan den oever was eene Wapokomo-hut met een barasa (vooruitstekend dak). Hier plachten mijnheer v. Tiedemami en ik ons eerste ontbijt te gebruiken, en ik kon dan uren lang naar den stroom turen, of er van de kust geen hulp verschijnen zou. Des avonds zaten we dan wederom voor onze tent, als de zorgen van den dag achter ons lagen. Tegenover ons aan den anderen oever stond een knoestige boom, die, naarmate hij verschillend verlicht werd, fantastische vormen en gestalten aannam. Nu eens stelde hij een grijsaard voor met een woesten baard, die zijne handen dreigend naar ons uitstrekte, dan weder scheen hij ons in den nevel een spook toe, dat met de uitgestrekte hand naar het Westen wees. Maar steeds had hij iets dreigends voor mijne neergedrukte fantasie. Mijn lot hing echter niet van geesten en spoken af; als iets ons helpen kon, dan waren wij het ten slotte toch alleen zelve.
Ik stap over al de pogingen die ik aanwendde, maar vlug heen. Dadelijk zond ik Hamiri stroomafwaarts naar Ngao, om meer koren te halen. Het gelukte dezen inderdaad, mij 84 last te bezorgen en naar Engatana te brengen. Van Witu kreeg ik door de tusschen-komst van mijnheer Denhardt negen ossen, en zoo iets mijne men-schen in eene opgeruimde stemming bracht, dan was het 't gezicht dezer negen ossen. Ik placht tot mijnheer v. Tiedemann te zeggen, zoo lang nog een van deze ossen den tocht voorafgaat, zullen de lieden hem volgen, als het ijzer de magneet. Welke bescheiden eischen stelden we destijds nog wat het aantal beschikbare ossen betreft, en hoe geheel anders was het eenige maanden later, toen
OP RANTSOEN GESTELD.
wij met kudden van honderden en duizenden stuks rund, die wij in den oorlog buit gemaakt hadden, voortmarscheerden. Onze expeditie, die het toen zoo schraal had en half honger leed, zou ten slotte nog een der vetste en onbekrompenste worden, die ooit door Afrika getrokken zijn. Voorts slaagde ik er in, van doortrekkende Arabieren twee groote miaus over te nemen.
Den 8en Augustus zond ik dus eenige lieden stroomopwaarts, om tot Kosi Nderani naar miaus om te zien en die mee te brengen. Doch, zooals het in den regel gaat, kwamen de Somalis onverrichter zake terug; er waren daar geen miaus te krijgen. Toen zond ik mijnheer v. Tiedemann stroomopwaarts, die mij reeds den volgenden morgen eene miau liet brengen en daarop eenige dagen later tot mijne vreugde 'met eene tweede miau aankwam. Deze tweede miau had intusschen eenige menschenlevens gekost, daar de Wapokomo van Nderani, die destijds onder den druk der Arabieren stonden, geweigerd hadden, er een aan ons af te staan. Zij hadden mijnheer v. Tiedemann niet alleen in eene bijeenkomst beleedigd, maar toen hij daarop niettemin met de miau afvoer, nog bovendien op hem geschoten, zoodat hij om zich zeiven te verdedigen, daartusschen vuren moest, bij welke gelegenheid vier van de Wapokomo gevallen waren.
Hierdoor had ik nu althans een viertal miaus in Engatana liggen, die dag en nacht door een Somali-post bewaakt werden. Daar het voedsel dus hoe langer hoe minder te krijgen zoude zijn, verminderde ik het rantsoen. Daar kwamen de dragers tegen op. Ik hield echter vol, zoodat mijne manschappen, die wel zagen dat het mij ernst was, er ten slotte in berustten. Door mijne flinke houding was aan deze soort van tegenstand voor goed een einde gemaakt. De lieden gewenden er zich meer en meer aan, het aan mij over te laten om te bepalen, wat er in de expeditie gebeuren zou. Dergelijke opstandjes, als bij andere expeditiën, vooral bij die van Stanley, plaats vonden, heb ik in de Duitsche Emin Pacha-expeditie nooit geduld. Echter liet ik als voorzichtigheidsmaatregel, tegelijk met deze bepaling, den 6en Augustus al de uit Lamu en quot;Witu aangenomen mannen ketenen.
78
ABABISCHE SPIONNEN.
Hoe langer ik te Engatana lag, des te meer doken er dag aan dag verdachte Arabische bespieders om mijn leger op. Ook kwamen er in !t begin van Augustus bijna dagelijks geruchten van eene op weg zijnde Engelsche espeditie naar Engatana. Zooals natuurlijk is, volgde ik al deze meedeelingen met de grootste belangstelling. De Engelsche expeditie zou door Mr. Smith gekommandeerd worden, zooals ook later juist bleek te zijn, en had zich voornamelijk in verbinding gesteld met de Kan-Arabieren. Daar mij nu meegedeeld werd. dat de Arabieren uit Kan hun best deden, om mijne men-schen tot wegloopen aan te zetten, en daar er ook reeds lieden uit de naderende Engelsche expeditie bij mij gezien waren, besloot ik hier een einde aan te maken, door op zekeren namiddag eenige gele heeren uit Kan te ketenen en eenigszins als pand bij mij te houden. Den afgevaardigden uit de Engelsche expeditie, die, zooals mij bleek, gepoogd hadden, manschappen van mij tot overloopen te bewegen, liet ik een flink pak slaag geven en zond ze vervolgens terug.
Hierdoor had ik van deze zijde aan het einde van mijn verblijf aldaar eenigermate rust, maar de toestand der expeditie werd er echter slechts in zooverre door verbeterd, dat er nu voor ons een gevaar minder bestond. Uit quot;VVitu, waar ik voortdurend om hulp heen keek, daagde die niet op; integendeel, men vermoedde ginds dat de expeditie al mislukt was en men zocht mij uiteen te zetten dat men ook in 't geheel niets anders verwacht had en het ook had voorspeld. Uit de eigenaardige plannen, zooals ze in deze dagen bij ons opdoken, om ons uit die engte te verlossen, kan ik toch niet nalaten, ter kenschetsing der Somalis, een voorslag mee te deelen, dien mij in vollen ernst Hussein Para zekeren morgen deed.
Ik nam destijds bij Hussein eiken morgen een paar uur les in de taal van zijn volk, om aan de Somalis, die geen Kiswahili kenden, toch bevelen te kunnen geven. Daar kwam Hussein op zekeren morgen behoedzaam met de opmerking voor den dag, dat mijne dragers eigenlijk heel krachtige en goed gebouwde kerels waren. Toen ik dit toestemde, zei hij, dat ook sheriff Hussein te Witu dat reeds gezegd had. Ik deed toen Hussein opmerken, dat
79
VOORSTEL VAN HUSSEIN.
iedereen dat zien kon, en ik mij daarover dus niet verwonderde. Ja, ging hij toen voort, sheriff Hussein wilde graag een troepje slaven koopen. Nu liepen de dragers bij ons toch weg, en daarom was hij met sheriff Hussein overeengekomen, dat, wanneer wij in de streek kwamen, waar hij zich met zijne kudden bevond, ik hem dan mijne dragers als slaven zou afstaan, en hij mij daarentegen voor eiken drager vier kameelen zou geven. Hij ried mij sterk aan, dit zaakje aan te grijpen. Vooreerst droeg een kameel veel meer dan een drager, en dan kon ik later de kameelen aan de kust verkoopen, wanneer de expeditie afgeloopen was, en zou ik bij dat zaakje een mooien duit verdienen. Hussein deed me dezen voorslag den 22en Augustus en kwam in den verderen loop dei-expeditie herhaaldelijk daarop terug. Hij kon maar niet begrijpen, hoe ik tot eene schijnbaar zoo voordeelige zaak niet besluiten kon, daar de blanken aan de kust, naar hij met verwondering bespeurd had, dergelijke kleine ondernemingen niet schijnen te doen. Hussein gaf ook in den loop van het gesprek te kennen, dat, als ik maar eens eerst gezien had, hoe voordeelig zulk eene onderneming was, ik er dan wel toe besluiten zou, meermalen op dergelijke wijze zaken in Afrika te doen. Hoe aanlokkend de zaak in zijne oogen ook scheen, kon ik er toch niet toe besluiten, aan zijn aandrang gehoor te geven.
Intusschen marscheerde de Engelsche expeditie onder Mr. Smith inderdaad aan den overkant langs Engatana voorbij. Indien hem echter was opgedragen, mij ginds den voet dwars te zetten, dan moet ik bekennen, dat hij deze opdracht reeds bij zijn eerste optreden al heel treurig nakwam. Want in plaats van dicht langs mijn leger te trekken en zoo mogelijk mijne dragers tot zich te lokken, scheen het hem gemakkelüker toe, in een wijden cirkel daar omheen te marscheeren, zoodat ik van hem en zijn troep zoowat niemendal te zien kreeg. Deze verhouding tusschen ons beiden is echter eigenlijk gedurende den ganschen tijd, dat we gemeenschappelijk aan de Tana marscheerden, het zelfde gebleven. Toen ik later zijn spoor volgde, was Mr. Smith, dien ik herhaaldelijk dacht aan te treffen, altijd juist eenige dagen te voren weder opgebroken, zoodat
80
OOGSTTIJD.
ik van hem persoonlijk in het geheel niets en van zijne manschappen er maar zoovelen gezien heb, als er na het uit elkaar spatten zijner expeditie, die 160 man sterk bleek te zijn, bij mij hun toevlucht zochten. Op zekeren dag voeren ook twee booten ons leger voorbij, om graan naar de Engelschen te brengen.
Ik liet het leger dag en nacht den ganschen tijd scherp bewaken, daar mij voortdurend allerlei geruchten ter oore kwamen van Arabische plannen om ons aan te vallen, en daar ik in elk geval alle pogingen om mijn vee of mijne booten te stelen, streng te keer wilde gaan. Dat ik overigens dit Arabisch kustgepeupel geenszins vreesde, behoef ik niet verder uiteen te zetten. Daarvoor rekende ik ook te zeer op de flink ingevoerde tucht onder mijn volk, op mijn geschut en op onze repeteergeweren.
Gelijk ons troepje daar aan de Engatana gelegerd was, deed het zich, van de rivier gezien, bijzonder schilderachtig voor. Op den voorgrond mijne mooie groote tent met de Duitsche en de Witu-vlag! Daarvóór was het geschut geplaatst. Rechts daarnaast de kleinere tent van den heer v. Tiedemann, achter mijne tent en links daarvan de Somalis en verder de dragers. Het geheel bood een aardigen en krijgshaftigen aanblik.
Ik had den 28en Augustus Hamiri nog eens naar een rijken Suaheli in het Witu-sultanaat gezonden, om mij van daar zoo mogelijk koren te bezorgen. Ik had hem acht kameelen meegegeven, om het koren dan naar het leger te vervoeren. Maar reeds op Zaterdag den 24en kwam Hamiri terug. De kameelen hadden niet door het dichte bosch kunnen trekken, en zoo was hij gedwongen geweest om terug te keeren. Nu wilde ik nog slechts de laatste beslissing uit Witu afwachten, van waar ik nog altijd op hulp rekende, om dan mijn besluit te nemen. Reeds begon het koren aan de boven-Tana te rijpen. Als de eerste zwaluw in de lente, was eenige dagen geleden een Arabier met eene boot Engatana voorbij gekomen met 20 last rijst, die hij aan de boven-Tana âgekochtquot; had. Ook de maïs begon reeds een gouden gloed te krijgen en zou weldra als goed voedingsmiddel gebruikt worden. Het was op 't eind van Augustus, als de groote oogsttijd in deze
I. 6
81
KWADE TIJDINGEN.
landen nadert. Den 25en kwam het bericht, dat uit Witu voor ons niets meer te verwachten was. Vijf minuten later beval ik, de vier booten klaar te maken en te beladen. Aan den tijd van het somber berusten en morren zou nu een eind komen. Zou de expeditie haar doel bereiken, dan scheen het mij wenschelijker toe, den tegenstand flink het hoofd te bieden, dan met de lijdelijke gelatenheid van den Mohammedaan mijn lot te aanvaarden.
Zeven en zestig last werden in de booten overgebracht, Wapo-komo uit Engatana werden uitgenoodigd als bootslieden daarin plaats te nemen, in elke boot een soldaat met een scherp geladen repeteergeweer en het bevel over de geheele vloot aan den braven Harairi toevertrouwd. Tegen 3 uur 's namiddags gingen de booten af, die elk met eene fladderende zwart-wit-roode vlag prijkten. Een uur later volgden de kameel en met 40 last. Daarop wilde ik met mijnheer v. Tiedemann gaan ontbijten, toen plotseling door damp; Somali-post gemeld werd, dat een blanke, een Engelschman, mij verlangde te spreken. Dit laatste was niet juist, want de blanke,, die nu in de tent trad, was de Zweedsche missionnaris Hedden-ström uit Kulesa boven Engatana, dien wij 's avonds te voren reeds-langs ons leger in eene boot hadden zien voorbijvaren, en die ons-nu eene niet heel verkwikkelijke tijding kwam brengen.
Het eerste station tusschen Engatana en Nderani was een dorpr Mitole genaamd, waarbij zich een tamelijk groot bosch bevindt. De missionnaris deelde mij nu mede, dat hem was verzekerd, dat er in het bosch 300 man Futulas lagen, onder aanvoering van een Kau-Arabier, Buana Omari geheeten, met de bedoeling, om ons leger te overvallen als we door het bosch trokken.
Bij deze tijding was ik nu wel niet om ons als expeditie bekommerd, maar ik vreesde, dat de Arabieren zouden beproeven, zich van mijne booten meester te maken, ingeval deze te Mitole mochten landen, en ik beval dus onmiddellijk, dat mijnheer v. Tiedemann zich dadelijk met zes Askaris, de kameeldrijvers en het geschut naar Mitole begeven zou, om het bosch te zuiveren en de booten te dekken. Mijnheer v. Tiedemann marscheerde dus dadelijk af, maar ontdekte van die 300 Arabieren niemendal.
82
VERTEEK UIT ENGATANA.
Twee dagen later bespeurde ik in een woud tusschen Muina en Mbuji een honderd of wat dergelijke gestalten. Ik liet dadelijk het geschut opstellen en ging alleen met den revolver en vijf man naar den heuvel toe, waar de kerels stonden, en wij behoefden zelfs geen schot af te vuren, zoo snel was de heele troep als kaf voor den wind verdwenen.
Nadat mijnheer v. Tiedemann met de Somalis op Zondagnamiddag van Mitole afgemarscheerd was, riep ik mijne dragers bijeen en gaf bevel, om alles voor den volgenden morgen marschvaardig te doen zijn. Ik deelde hun mede, dat ik berichten had, dat de oogst aan de boven-Tana rijp was, dat ik het hongerlijden voor mijne menschen nu beu was en ze in streken zou brengen, waar ze volop eten konden krijgen, zoo zij althans bereid waren, hun plicht te doen. Deze woorden misten hunne uitwerking niet. Maneno masuri kapissd (zeer mooie woorden), antwoordde Nogola in naam van alle dragers, en de stemming in het vooruitzicht op den aftocht uit Engatana was blijkbaar zeer opgewekt.
Het is eene merkwaardige eigenaardigheid van de menschelijke natuur, dat men zich naar plaatsen, waar men veel heeft moeten lijden, misschien nog meer getrokken voelt dan tot die, waar men vroolijke dagen doorleefd heeft. Zoo ging het mij op Zondag den 25ei1 Augustus, toen mijnheer v. Tiedemann afgemarscheerd was. Een diepe weemoed greep mij aan in het vooruitzicht op het verlaten van Engatana. Ik zocht al de plaatsen weer op, waar ik over de onverkwikkelijke slagen van 't noodlot, die onze expeditie troffen, gepeinsd had en kon nauwelijks mijne tranen bedwingen. Tot mijne vreugde vernam ik dien avond nog, dat de mededeeling van den missionaris ongegrond was geweest. Den volgenden morgen zond ik onder eene stortbui ook de dragerskaravaan naar Mitole toe.
De Wapokomo van Engatana hielden zich, toen ik afscheid van hen nam, als of het hun leed deed, en waren zeer in hun schik, toen ik hun ten slotte eenige ledige doozen en kisten ten geschenke gaf. Uiterlijk scheidden we als zeer goede vrienden, wat echter niet belette, dat zij den Sultan van Witu een gezantschap zonden met het bericht, dat mijne expeditie hen geheel ten gronde gericht
83
HET STETJIKGEWAS AAN DE TAKA.
had, en met het verzoek, een nieuw dorp te mogen stichten. Ondank pleegt 's werelds loon te zijn, zelfs ook in Afrika. Het deed mij dus groot pleizier, dat er bij den aftocht geen enkele drager ontbrak. De opgedane ervaringen gaven mij echter aanleiding om alles wat ik nog aan lieden uit de Lamu-streek bezat, aan ketenen te leggen en onder bijzondere bewaking tot achter Oda-Boruruwa te houden.
Bij aanhoudenden stroomenden regen verliet ik, daar alles onderweg was, met Hussein Fara, mijn bediende Rukua en mijn laat-sten overgebleven hond. Teil, Engatana. De bodem was zoo leemig en modderig, dat we slechts heel langzaam vorderden en in Mitole, ofschoon dit slechts anderhalve mijl van Engatana ligt, eerst tegen 12 uur aankwamen. Tot mijne vreugde kon ik op dezen marsch reeds bespeuren dat ook het restje van mijn rhumatisme geheel verdwenen was.
De weg aan de Tana loopt steeds buiten het eigenlijke struikgewas aan den oever, dat den stroom op zijn beneden- en middenloop onafgebroken vergezelt. Vooral aan den middenloop is dit struikgewas vrij breed, zoodat wij des morgens dikwerf tamelijk ver van de legerplaats door het woud ons er uit moesten werken, en des namiddags er weer heen. Dit lagere hout is slechts in de onmiddellijke nabijheid der dorpen door plantages afgewisseld. Daar vindt men dan bananen, mtama, maïs, bataten en eene reeks van peulvruchten.
Van de rivier gezien, maken de Tana-oevers door elkaar een zeer liefelijken indruk, onverschillig of zij door beukenwouden of door aanplantingen omlijst zijn. Is men uit deze omlijsting, dan bevindt men zich in de droge steppe, een terrein, dat voor het loopen bijzonder gemakkelijk is, met mimosa's van verschillende soort is begroeid, wier doorns wel is waar, wanneer men te paard gezeten is, u dikwerf onbarmhartig kleeren kunnen scheuren en het vel openhalen.
Dikwerf marscheert men ook uren lang door allerlei cactussoorten, wier harde stekels voor de voeten der dragers en lastdieren heel gevaarlijk kunnen worden. Deze steppe is een deel der
84
DE DIEEEN IN HET WOUD.
groote Noordoost-AMkaansche randsteppen, waarin de Somalis en Gallas huizen. Hoe onvruchtbaar zij ook wegens hare droogte voor allerlei soort van aanplantingen is, zoo doet zij zich toch voor het oog van den doortrekkenden reiziger als bijzonder liefelijk en schilderachtig voor, in het bijzonder na den regentijd, en biedt ook om haar buitengewonen rijkdom aan wild een levendig en frisch beeld. Daar vindt men de antiloop in groote massa, daar ziet men eiken morgen olifanten en de plompe sporen van den rhinoceros, daar vermaken zich de bavianen en andere apen, en zijn bokken van allerlei soort een welkom mikpunt voor de buks. In de lucht fladderen parel- en andere hoenders, of de wilde eend en gans strijken neer, of wel men ziet den grooten pelikaan, den gier en den adelaar. Waar de lang gepluimde helmen zich over den stroom bogen, scheen het geheel ééne levende vogelkooi, van de witte ibis en den slanken vischarend, tot den fijn blauwen en scharlaken ijsvogel, die op de overhangende takken op zijn prooi loerde. Het bedrijvige voorkomen van laatstgenoemde vogel is inderdaad komisch en past eigenlijk slecht bij een dier van zulk eene schitterende schoonheid. Men verwacht van hem, dat hij nog voor het naderen van iets zoo alledaagsch als een bootje, met enkele luchtige bewegingen zijn prachtigen vederentooi zal ten toon spreiden, en dan in den zonneschijn wegsmelten. Maar daar blijft hij dwaas en onbewegelijk zitten, en ofschoon de spatten der roeispanen bijna zijn kop raken, bewegen zich zijne oogen niet en verwaardigt hij den indringer zelfs met geen blik. Zijn grootere aanverwant, de zwart en wit gevlekte ijsvogel, ofschoon minder fraai, is vrij wat geestkrachtiger, en vliegt onophoudelijk langs den oever, van afstand tot afstand de boot toelonkende, zonder zich daarom zoo nabij te wagen dat men zijn bonte kleed in alle bijzonderheden kan opnemen.
Men stelt in al deze dingen des te meer belang, omdat in den aanvang ons niets bijzonders op de rivier zelve treft. Aan weerszijden is het uitzicht vrijwel hetzelfde. De oevers zijn bezet met het dichtste kreupelbosch van wortelboomen en gras, terwijl honder-derlei soorten van kruipende dieren tusschen de dooreengevlochten stammen om het leven worstelen. Men ziet er krokodillen in zulk
85
HEEBLIJKE MORGENUBEN.
een aantal, dat tellen eene onmogelijkheid wordt. Zij zijn er van alle grootten, van het bakerkindje, dat men in een flesch mee naar huis zou willen nemen, tot het ontzagwekkend gedierte, dat een 81 tonskanon in omvang evenaart. Deze afschuwelijke dieren doen hun middagdutje op het heetst van den dag, vooroverliggend op den oever, met hunne wigvormige koppen naar het water gericht. Worden zij verstoord, dan waggelen zij heen en weer schuddend in 't water. De overeenkomst van den volwassen krokodil met zijne omgeving, wat kleur aangaat, is hoogst merkwaardig. Do jongeren zijn lichter geel, en gemakkelijker te onderscheiden, maaier zijn een paar goede oogen voor noodig om in het knoestige, met slijm bedekte blok, dat tusschen de rottende stammen ligt, den levenden vorm van een volwassen dier te onderscheiden. Tusschen de krokodillen en de alligators in Afrika bestaat het geringst mogelijke verschil in uiterlijk.
Men kan zich niets aangenamers voorstellen dan een marsch in deze Tana-steppe op een vroeg morgenuur. Wanneer de troep in goede orde onderweg was en ik dan het laatst het leger verliet, hetzij te paard rijdend, hetzij te voet met Hussein en mijne bedienden door de bedauwde steppe, dan zweefde het oog met waar genot over de heerlijke vlakte. Men zal in Europa zelden eene zoo heerlijke zuivere lucht kunnen inademen, als dit onder den evenaar in de Afrikaansche ochtenduren het geval is. Links, na onzen tocht over de Tana rechts, kronkelt zich de stroom als eene donkergroene slangenlijn voort, voor ons aan den horizon de dragerskaravaan, als een kleine. afgesloten draad, en daarachter de kameelen met hunne wonderlijk schommelende beweging. In alle bladeren en grasjes blinken millioenen dauwdruppels als diamanten in de heldere en nog niet drukkende tropische zon. Nu klopt het hart luider van blijde ontroering, en al de ontberingen, in vergelijking met het Europeesche leven, zijn vergeten bij deze reine gewaarwording, in de aanschouwing dezer openbaring van Goddelijke grootheid, die ons hier meer onmiddellijk toespreekt dan ginds, waar de mensch ook het door hem gewrochte daarbij plaatst.
Dit waren heerlijke uren, die nog grooter heteekenis kregen door
86
DE VOEDING VAN DEN AFRIKAAN.
het gevoel, dat wij nu het beoogde doel meer naderden, dat we op weg waren naar Emin Pacha en de aequatoriaalprovincie. Juist over dit eerste gedeelte der expeditie ligt in de herinnering een lichte zonnige schemering, misschien wel juist omdat de indrukken en stemmingen van Zanzibar en de kust als donkere schaduwen nog zoo levendig in ons waren.
Ik had de gewoonte op deze marschen het laatst ons leger te verlaten, en later, als we ons doel naderden, mijn troep in te halen, om in den regel het allereerst op de nieuwe legerplaats aan te komen. Mijnheer v. Tiedemann marscheerde onmiddellijk achter en met de dragers. Ook dit werd gedurende de expeditie herhaaldelijk veranderd. Als wij de streken uit waren, waar wij gidsen konden krijgen, en het er op aankwam, met kaarten en kompas zelf den weg te vinden, dan placht ik regelmatig aan het hoofd dor expeditie te marscheeren. Maar nu bevinden wij ons nog in het gebied van den Wapokomo-stam, waar in elk dorp voor eenige meters katoen wegwijzers tot het naaste dorp te krijgen zijn. Van daag zijn wij in Mitole gelegerd, een klein en vriendelijk oord, omringd door maïs en bananen-aanplantingen.
Te slecht gewapend voor de jacht, leeft de Afrikaan bijna uitsluitend van hetgeen de grond oplevert. Een klein gedeelte van het jaar voedt hij zich, gelijk de apen, met wilde vruchten en kruiden; doch het hoofdvoedsel is maïs of smakeloos gierstzaad, dat zij in tuinen telen, in een vyzel stampen en met water tot een dikke pap roeren. Tweemaal daags, bijna het geheele jaar door, propt ieder hunner zich vol met dit grove en smakelooze deeg, dat met handjesvol in den mond gestopt wordt, terwijl men op een verhevenheid gezeten is ter hoogte van een mierenhoop. De eenige bezigheid van den inboorling is het telen van zijn gierst, en zijn tuinieren is een kijkje waard. Na eerst een plek in het bosch gekozen te hebben, beklimt hij een boom en hakt er met een kleine, thuis gemaakte bijl een voor een al de takken van af. Dan baant hij zich door het hooge gras een weg naar den volgenden boom, dien hij ook in stukken hakt, maar waarvan hij den tronk laat staan. Op al de boomen binnen een cirkel van dertig
87
PRATEN EN ETEN.
of veertig meter in doorsnede gaat zijn bijl even verwoestend te werk, totdat de grond op bijna manshoogte met takken en bladeren bedekt is. Daarop wordt alles in lichtelaaie gezet en tot asch verbrand. Wanneer dan de eerste regens den harden grond bevochtigen en de vruchtbare bestanddeelen der asch in den grond drijven, gaat de schoffel aan den gang, werpt de inlander er eenige handen vol gierst in, en is het werk voor een heel jaar weer gedaan. Doch eene week of wat worden voor dit werk vereischt, en dan kan hij zich weer ter ruste leggen, verzekerd van een oogst die nooit mislukt of schraal is, en die in zijn onderhoud zal voorzien totdat de regen weder begint.
Tusschen die bedrijven doet hij niets anders dan luieren en slapen; zijn vrouw is de molenaar en bakker, zij werkt hard om zijn voedsel te bereiden en mag tot belooning daarvoor haar eigen maal afzonderlijk gebruiken, want geen Afrikaan zou zich ooit vernederen om met een vrouw te eten. Verder valt er van hun eentonig leven niets te vertellen.
Behalve eten is praten hun eenig tijdverdrijf, en dat doen zij onophoudelijk en leggen met een wonderbaarlijken rijkdom van gebaren nadruk op hunne woorden. Babbelen is hier wezenlijk een kunst, gelijk dit ook in Europa het geval moet geweest zijn voor de courant dit uit de mode deed gaan. De stem van den inboorling is somwijlen zeer muzikaal, ofschoon het volk in den striktsten zin des woords geenerlei begrip van zingen heeft, en zijne taal zelve is vol melodie. Evenals in het Italiaansch eindigt elk woord met een klinker, en wanneer het goed gesproken wordt, Is het vol effect en karakter.
Ondanks zijn onbeschaafden toestand, kan men bij het Afrikaan-sche volk de kiem opmerken van velerlei dingen, die tot het leven der beschaafden behooren. Zoo hebben zij een nationaal vermaak, den dans; een nationaal muziekinstrument, den trommel; een nationalen drank; een nationalen godsdienst: de vrees voor booze geesten.
Toen wij het dorpje naderden, kwamen mij reeds de oudsten tegemoet met de klacht, dat mijne dragers hunne maïsvelden geplunderd hadden. Hoe mij dit ook voor de Wapokomo speet, was
88
HAMIRl'S VOORLEZEN.
89
het mij toch eene aangename tijding, daar het mij bewees, dat de maïs-oogst inderdaad rijp was, en dat ik dus in het vervolg wel voedsel voor mijne lieden aan de Tana vinden zou. Ik heb reeds vermeld, dat ik een schrijven van den Sultan van Witu voor de oudsten der AVapokomo bij mij had.
Het voorlezen van dit geschrift was altijd het kunststuk van Hamiri, die, al naar het noodig was, met eene vlugheid die onze
verbazing wekte, al het mogelijke uit dat stuk las. Kwam het er op aan, om koren op te doen, dan las hij er met luider stem uit voor, dat de Sultan van Witu volstrekt verlangde, dat alle Wapo-komo zich beijveren zouden, koren en maïs aan te brengen. Moesten wij booten hebben, dan waren het deze, waarvan de Sultan in zijn schrijven sprak. Verbaasd, als de hoenders naar het predikend Reintje den Vos, luisterden de Wapokomo in een halven kring, en zij werden doordrongen van eerbied, wanneer hun dan Hamiri
TE MÃIKA.
aan het slot zijner rede den stempel van Fumo Bakaris, die onder den brief stond, toonde.
Dan had hij de gewoonte hun ten slotte nog het onderscheid tusschen de Engelschen en mij duidelijk te maken. De Engel-schen, van wie men in den geheelen omtrek wist, dat zij de expeditie verhinderen wilden, waren kidogo kapissa (buitengewoon klein); dan hield hij zijne hand ongeveer een hand breed boven den grond. Ik daarentegen was mkuhua sana, en daarbij hief hij de hand zoo hoog op als hij kon, en sprong tevens, daar zijne eigene lengte hem daarbij niet toereikend scheen, twee tot drie voet in de hoogte.
Al knikkende en ernstig toestemmend verwijderden zich dan gewoonlijk de kloeke hoofden der quot;WapoV.omo en brachten, na afloop der vergadering, naar hun vermogen, wat Hamiri van hen verlangd had, en het was alleen maar jammer, dat deze van de aangevoerde voorraden gewoonlijk uitsluitend voor zich op de helft beslag legde. Wat hij maar halen kon, verdween in zijn onverzadelijk lichaam, hetgeen zijne populariteit in de karavaan zelf niet verhoogde.
Was het gelukt, de troep in Mitole eenigszins te verplegen, zoo was dit ongelukkigerwijze zeer verschillend den volgenden dag te Muina, een dorp, dat 2^- mijl stroomopwaarts ligt. Reeds de weg daarheen was buitengemeen onverkwikkelijk en moeilijk, het plaatsje ligt zeer verborgen in het woud, en ik moest Wapokomo er bij halen, om een weg door het dichte struikgewas voor dragers en kameelen te laten hakken. Hierdoor kwamen wij er eerst des namiddags tusschen 3 en 4 uur aan. Hier hadden de Wapokomo, wat zij nog aan voorraad mochten hebben, zorgvuldig op zij gezet, en ik zag mij dus gedwongen, een der Witu-ossen, waarvan ik er nog zes bij mij had, te laten slachten, om mijne menschen althans te kunnen voeden.
Met het hoofd van dit plaatsje onderhandelde ik dadelijk om bootslieden te leveren tot Oda-Boruruwa en deze onderhandelingen hadden ook eene gewensche uitkomst. De twaalf Muina-lieden, die ik meenam, hebben de booten tot bij de Gallas behoorlijk in veiligheid gebracht. Ik stelde ze hoofdzakelijk onder leiding van Hamiri
90
DEAGEES LOOPEN WEG.
en had dientengevolge met die lieele bootengeschiedenis bijna niets te maken.
Doch eerst had mijne expeditie te Muina nog een dragersongeval te verduren, dat, zoo het al geene groote gevolgen had, althans mijn vertrouwen in mijne omgeving terdege verzwakte. Nadat ik alle voorbereidselen voor den aftocht van den volgenden morgen getroffen had, legde ik me om 9 uur te bed, doch werd reeds tegen 11 uur door mijn bediende Eukua gewekt met de tijding: Pagasi wiote wamekimbia (alle dragers zijn weggeloopen)! Dit bleek nu a] dadelijk een overdreven bericht te zijn, daar Nogola onmiddellijk daarop binnenkwam en mij berichtte, dat acht dragers met hunne vrouwen daar juist de plaat gepoetst hadden, en dat wel geene van de kustbewoners, maar Manyemas. Juist in deze bijzonderheid, dat de centraal-Afrikanen begonnen weg te loopen, lag het onrustbarende der heele geschiedenis, nog daargelaten, dat er weder acht draagkrachten minder in de expeditie voorhanden waren. Ik liet dadelijk de Somalis bij elkaar komen, van wie ik er nu mijnerzijds zes op eene boot naar Mitole terugzond, met het bevel de over land aankomende dragers te vangen of neer te schieten. De Somalis, onder bevel van Nurr, legden zich nu bij Mitole in het bosch op de loer. Daar het hun echter niet gelukte, de in den vroegen morgen voortsluipende dragers tot staan te brengen, schoten zij twee van hen dood, wier lijken in de rivier geworpen werden.
Ik lag intusschen half slapend in mijne tent en had allerlei benauwde droomen. In mijn droom was ik in mijne geboorteplaats altijd maar bezig om de weggeloopen dragers weder bijeen te brengen. De droom eindigde ditmaal hiermede, dat alle dragers weggeloopen waren. Ik bedwong mij echter den volgenden morgen in zoover, dat ik Nogola, tot wiens landslieden de weggeloopenen behoorden, op luimige wijze in het bijzijn van al de overigen mijne tevredenheid over zijne waakzaamheid te kennen gaf. Aldus wischte ik den slechten indruk van het ontloopen van acht lieden uit, door de overgeblevenen in een vroolijke stemming te brengen. Ik moest nu in Muina blijven liggen, totdat mijne Somalis uit Mitole teruggekeerd waren, doch zond tegen den middag, nadat het
91
RUILARTIKELEN WEDER IN HANDEN.
mij gelukt was, eenig maïs uit den omtrek te zamen te brengen, mijnheer v. Tiedemann met de dragers verder stroomopwaarts naar Mbuji.
Op den avond van den 28en Augustus besloot ik, den volgenden morgen de Tana over te trekken en op Engelsch gebied over te gaan. Aan de eene zijde schiep ik daardoor eene afscheiding meer tusschen mijne expeditie en Lamu, aan de andere zijde echter had ik vernomen, dat de rechter Tana-oever geschikter was en beter steunpunten voor mijne expeditie bood. Wel had mij de Britsch-Oost-Afrikaansche maatschappij destijds meegedeeld, dat zij mij den doortocht door haar gebied niet kon toestaan, doch toen wist ik even goed als nu, dat de Britsch-Oost-Afrikaansche maatschappij tot zulk een verbod niet het allerminste recht heeft.
Den volgenden morgen had ik een lang oponthoud te Muina, daar de daags te voren aangenomen bootslieden niet verschenen. Ik moest eerst de streek in 't rond zoeken en ze laten oppakken, om ze vervolgens onder zeker geleide in de booten te brengen. Kort voor dat ik vertrok, ontving ik tot mijne groote vreugde van den kapitein-luitenant Rust uit Ngao de meedeeling, dat deze zijn overtocht tot een goed eind gebracht had, en dat ook de ruilarti-kelen behoorlijk te Kau waren aangekomen. Dat was een bijzonder welkome boodschap. Daarmede was het avontuurlijke, dat de expeditie dreigde aan te nemen, plotseling weder weggevaagd, en de zaak weder op het goede spoor gebracht. Had ik maar ruilartikelen, dan kon ik me ook draagmiddelen verschaffen, en was Rust beneden aan de Tana, dan was dit een verdere grendel tusschen mijne dragers en de kust. Ik kon nu over de weinige artikelen, die ik bij mij had, vrijer beschikken, en daarmede waren alle mogelijke verschillen tusschen de inwoners en mijne expeditie voorkomen. In vroolijke stemming verliet ik dus tusschen 7 en 8 uur Muina en ging op weg naar Mbuji.
Op dezen tocht had ik de reeds vermelde ontmoeting met eenige honderden gewapenden, die zich voor mij en eenige Somalis snel uit de voeten maakten. De gebeurtenis had geene verdere gevolgen dan dat het mijne minachting voor de Afrikanen in het algemeen
92
OYEETOCHX OVER DE TAXA.
nog verhoogde en daardoor voordeelig op mijne latere beslissingen werkte.
Toen ik Mbuji naderde, kwam mijnheer v. Tiedemann mij tegemoet, en dacht ik: welke onaangename tijdingen zal die mij wel brengen? Van zijnen kant had v. Tiedemann dezelfde gewaarwording toen hij mij zag naderen. Maar de 29e Augustus zou een geluksdag voor ons zijn. Mijn reisgenoot kwam mij eenvoudig melden, dat hij een Arabisch rijstmagazijn van 20â30 last ontdekt had, terwijl ik hem de blijde boodschap bracht dat kapitein Rust in aantocht was. Daar het rijstmagazijn in een gebied lag, waar eenige weken geleden mijnheer v. Tiedemann gedwongen was geworden, zich tegen oorlogzuchtig geweld te verweeren, zoo verklaarden wij het, volgens oorlogsrecht, voor goede buit, en nu zwelgde mijne gansche expeditie voor de eerste maal na al dat hongerlijden, in overvloed. Menschen en dieren vulden hunne ledige magen met het kostelijk voedsel, en de stemming in de karavaan was alleropgeruimdst.
Ik besloot, nog dienzelfden namiddag de rivier over te trekken. Tegen 1 uur kwamen mijne booten aan; en nu begon ik dadelijk eenige soldaten met mijnheer v. Tiedemann over te zetten, en daarop werd de eene bootslading na de andere met munitie als anderzins naar de overzijde vervoerd. De Wapokomo van Kosi Nderani, die bij onze aankomst aan den linkeroever zich aan de andere zijde verzameld hadden, verdwenen als kaf voor den wind, zoodra wij met de booten begonnen te werken. Wij arbeidden den heelen namiddag: kameelen, ossen en ezels werden achter aan de booten gebonden en zoo overgebracht. Des avonds om zes uur was de overtocht over de Tana afgeloopen. Ik liet het leger opslaan en de dragers den heelen nacht door vijf posten met scherp geladen geweren bewaken.
Toen de Nderani-lieden zagen, dat het ons gelukt was op hun oever te komen, en toen zij vernamen, dat ik den volgenden morgen reeds naar Kosi wilde trekken, verscheen des avonds de Sultan met ⢠eenige aanzienlijken der plaats, wierp zich voor mij op den grond en smeekte om vrede. Ik droeg hem op, den volgenden dag
93
achmed's leelijke poets.
94
een gids te bezorgen, een weg door het woud te laten banen en twee miaus te leveren. Toen de man daarentegen, al was het ook op angstigen toon, geschenken verlangde voor de mannen die door v. Tiedemann neergeschoten waren, viel ik heel barsch uit, en daarmee liep deze geschiedenis af. Doch onze wederzijdsche verhouding bleef toch bedenkelijk.
Des nachts bezocht ik mijne posten, welke de dragers bewaakten,
driemaal. Terwijl mijne aandacht zoo geheel op dit punt gericht was, gelukte het een Arabier uit Kau, Achmed genaamd, die in mijn dienst was, mij aan den anderen kant een leelijke poets te spelen. Hij maakte eene miau met negen lasten los, sloeg de pakken met een bijl in stukken en wierp do boot daarna om. quot;Wel kreeg ik den volgenden morgen de miau zelf met twee last ingelegde eetwaren terug, maar intusschen gingen er twee kisten met kartetsen en granaten verloren, de heele bibliotheek, twee pakken
KOSI NDEEANI.
met thee, cacao, koffie, suiker en zout, eene kist met revolvers, geweerstukken en de eenige kist kralen die ik bezat, en een kist cognac.
Evenwel liet ik toch den volgenden morgen de karavaan naar Xderani afmarscheeren, waarbij ik ook alle bootslasten meevoerde, die ik van nu af des nachts geregeld liet uitladen. In Nderani vormde ik een legerplaats, die van alle zijden door posten omsloten was, en ging den 31en Augustus met twee booten, vier soldaten en twee dragers van hier naar Mbuji terug, waar het mij gelukte, ten slotte de plek te vinden, waar Achmed het goed had laten zinken.
Het eerste, dat we ophaalden, was een Engelsche reisbeschrijving van Thomson: âDoor het Massai-landquot;, die mij later goede diensten bewijzen zou. Wij arbeidden den ganschen dag en haalden dadelijk een aantal kartetsen en granaten op. Om dit werk voort te zetten, bleef ik persoonlijk ook nog den len September in Kosi Nderani, terwijl ik v. Tiedemann met dragers en kameelen naar Makere afzond. Kosi Nderani is een liefelijk en buitengemeen vruchtbaar schiereiland in de Tana, waar Fransche zendelingen een half jaar later reeds een station oprichtten, dat intusschen weer opgegeven moest worden, omdat het te veel van de overstroomingen der Tana te lijden heeft. De Wapokomo hier zien er rijk en welgesteld uit; trouwens we komen dan ook nu in de vruchtbaarste streek der beneden-Tana.
Den len September gelukte het mij, ongeveer de helft der verloren goederen van Mbuji terug te krijgen en mij te Kosi twee grootere miaus aan te schaffen. Ik had nu in 't geheel zeven miaus, waarvan ik eene aan kapitein Rust onder bedekking van een Somali-soldaat naar Ngao afzond, met de opdracht, zoodra hij een kleinen post van booten bijeen had, mij een deel der ruilartikelen dadelijk na te zenden. Den 2en September des morgens volgde ik met eenige mijner lieden mijnheer v. Tiedemann naar Makere, nadat ik op vriendschappelijke wijze van den Sultan en de zijnen afscheid genomen had. In deze streek trof mij vooral de ontzaglijke rijkdom aan wild. Ontzaglijke troepen van antilopen wekte den jachtlust
95
WANTROUWEN DER WAPOKOMO.
op, en ik oefende er mij hier voor de eerste maal in, te paard die troepen na te rennen en van 't zadel er een neer te schieten. Dit gelukte me echter niet, en toch gaan op deze wijze de Somalis ter jacht, en dooden te paard den leeuw met hunne lans.
Te Makere vond ik de lieden in goeden welstand en knoopte ook dadelijk vriendelijke betrekkingen met de Wapokomo aan. Toen ik hun intusschen opdroeg, ons eten te verschaffen en mij gidsen voor den volgenden morgen naar Keradja te bezorgen, was de bevolking in een oogwenk afgedropen, en werd ik gedwongen, wilde ik mijne menschen althans niet laten verhongeren, mij op eigen gezag van de rijpende maïsvelden te proviandeeren. Toen mijne manschappen van het hun geschonken verlof gebruik maakten, beproefden de Wapokomo hen met geweld te verjagen, bij welke gelegenheid tot mijn leedwezen twee hunner door mijne lieden verwond werden.
Het dwaze wantrouwen der Wapokomo veroorzaakte gedurende den verderen loop der expeditie voortdurend zulke ongevallen. Zij konden zich maar niet voorstellen, dat iemand, die over zooveel macht beschikte als wij, er toe besluiten kon, aangegane verplichtingen flink na te komen, en als echte uilskuikens die ze zijn, laten ze liever hof en huis, als het wezen moest, ook vrouw en kinderen in den steek, in plaats van vol vertrouwen met ons betrekkingen aan te knoopen. Ten slotte had ik, om hen te nopen naar Makere terug te komen, gedreigd, zoo dit niet gebeurde, hun dorp af te branden, maar ook deze bedreiging, welke ik overigens niet ten uitvoer bracht, kon hen er niet toe bewegen, en zoo gebeurde het, dat ik den volgenden morgen voor de eerste maal zonder gids naar Keradja moest optrekken.
Het regende dezen dag weder hard en mijne karavaan had daarvan veel te verduren, vooral de kameelen, welke ik des nachts niet meer onder dak kon brengen, en die ten gevolge van het midden-Afrikaansche klimaat de een na den ander bezweken. Hier in Keradja echter had ik ten minste vriendschappelijke betrekkingen met de inboorlingen aangeknoopt, die eten brachten en mij een groote miau, die 40 lasten bergen kon, verkochten. Ik zond
96
TE KENAKOMBE.
van hier uit, nadat ik dezen koop gesloten had, twee van mijne meegebrachte miaus weder aan kapitein Eust naar Ngao af. Den 4:en September kwam ik toen in de hoofdplaats van het geheele beneden Tana-gebied, te Kenakombe, aan. Dit plaatsje ligt zoo in het bosch verborgen, dat wij er des namiddags heel dicht voorbij-gemarscheerd waren en eerst op groote omwegen tegen 5 uur daar ^aankwamen. Hier is een betrekkelijk schrander sultan, die aan de geheele Tana de eenige Mpokomo is, die een eenigszins voornamen indruk maakt. Kenakombe is een groot dorp, met eene flinke versterking omgeven, waar behalve de Wapokomo die hier heerschen, ook Gallas en Waboni wonen. De Sultan bracht mij in een huis, dat mijnheer Schlumke toebehoort, die van hier uit jacht op ivoor gemaakt had. In dit huis overnachtte ik. Hij verklaarde zich bereid, mij eten te verkoopen, maar verzocht alleen, dat ik mijn Somalis verbieden zou, zich hier in 't dorp te vertoonen, daar de Somalis aan de eene zijde en de Gallas en Wapokomo aan den anderen kant doodsvijanden zijn. Er werd eten in menigte gebracht, en ik besloot, den 5en September rustdag te houden, om mijnen manschappen eens een hartigen brok te gunnen.
Op den morgen van den 6en September marscheerden wij dus af, om na een zeer krassen tocht die tot vijf uur in den namiddag duurde, eene legerplaats niet ver van het Engelsche station Subakini te vinden. Volgens de berichten, die ik te Kenakombe ingewonnen had, moest ik aannemen, dat ik in Subakini eindelijk de Engelsche expeditie van Mr. Smith zou aantreffen, die, zoo als mij verteld was geworden, het voornemen had, mij in mijn verder voorwaarts trekken te dwarsboomen. Derhalve marscheerde ik dien avond niet tot Subakini, om den volgenden morgen op mijn gemak eens aan te zien, hoe de Engelschman dat zou aanleggen. Daalde zaak in de hoogste mate mijne belangstelling wekte, marscheerde ik des morgens met 10 soldaten en geladen geschut naar het Engelsche station. Ik vermoedde, dat ik Mr. Smith juist bij 't ontbijt zou aantreffen, en verheugde mij reeds bij voorbaat op onze ontmoeting. Dicht bij het vlek voegde ik mij bij mijne ka-meelen, ging het Engelsche station om en vertoonde mij plotseling
97
HET HOOFD VAX HET STATION.
van den westelijken kant. Het eene geweerschot na het andere knalde in de lucht, toen zij mij zagen. Ik sprong op mijn paard en daar mijne Wapokomo bij het afschieten der geweren het hazenpad kozen, gaf ik mijn paard de sporen en vloog over de niet zeer hooge heining het station in. ISTu was dit wel eenigszins een waagstuk, voor het geval dat, zooals ik eerst vermoeden moest, het geweervuur vijandelijk bedoeld was. Maar nauwelijks was ik te midden der Arabische bezetting, met den revolver in de hand, van mijn paard gesprongen, of allen maakten diepe buigingen voor mij en kusten mij de hand. Dat afvuren der geweren had eene begroeting moeten beteekenen, verzekerden zij, en ik vernam al dadelijk, dat Mr. Smith eenige dagen geleden reeds was afgemar-scheerd en mij dus nog voor was.
Het zeer schrandere hoofd van het station, een Arabier uit Zanzibar, gedroeg zich allervriendelijkst jegens ons, toonde ons een zeer mooie legerplaats onder een grooten vijgenboom in een maïsveld, bracht mij rijst voor mijn persoonlijk gebruik benevens gevogelte, en bezorgde mij van de bewoners van het vlek miaus, waarvan ik er den volgenden dag weder twee aan kapitein Rust naar Ngao kon zenden.
Ongelukkigerwijze kwamen op dezen dag mijne eigen zes miaus niet aan en derhalve besloot ik, met eenige manschappen ze den 8en September in Subakini af te wachten, terwijl ik mijnheer v. Tiedemann weder met de dragers vooruit zond. Hij moest naar Sissini optrekken, waar ik hem dan den 9en September zou inhalen. Dien krassen tocht naar Sissini zou hij in twee dagen maken, zoodat er uit mijn oponthoud te Subakini geen tijdverlies ontstaan kon. Hier, uit Subakini, terwijl ik een brief naar Duitschland zat te schrijven, had ik het genoegen, mijn eigen miau-vloot onder bevel van Hamiri met fladderende wimpels te zien aankomen. Nog denzelfden dag liet ik mijne vloot verder naar Sissini trekken. Zoo ging dus alles te Subakini naar wensch.
Den 9en September marscheerde ik weder naar Sissini, waar ik mij met mijne karavaan vereenigde. Ook hier slaagde ik er in, voedsel in rijkelijken overvloed voor mijne menschen te verkrijgen. Wel liet ik nog eiken avond de geweren aan al de dragers afnemen en zette
98
GOEDE DAGEN.
ik twee posten uit, om alle mogelijke wegloopen te voorkomen, maar van lieverlede begon ik toch meer vertrouwen in mijn volkje te stellen, daar ik ze meer en meer in hun voordeel had leeren kennen.
Den 10en September kwam ik te Malalulu aan, waar wij over de grens van het gebied waren, waarop de Sultan van Witu zijn invloed uitoefent. Hier besloot ik, op de noordelijke zijde der Tana voor de eerste maal de Duitsche vlag te hijschen, om het den Engelschen duidelijk te maken, dat er hier van eenigen invloed hunnerzijds geene sprake meer was. Aan den top van een reus-achtigen mast werd de Duitsche vlag bevestigd en wapperde in deze streken, begroet door geweersalvo's en eenige kanonschoten, voor de allereerste maal. Ik had van den Sultan van Malalulu, dat aan den linker Tana-oever ligt, een schaap mee genomen om dezen feestdag te vieren en stond mijnerzijds aan de Wapokomo een kameel af, dat dien dag bezweken was.
Van hieruit trokken wij nu in krasse marschen naar Massa heen. dat den 12en September door ons bereikt werd. Het koren was nu volkomen gerijpt en de geheele Wapokomo-wereld verkeerde dientengevolge in een allerprettigste stemming. In de volgende dorpen die wij bereikten, was het vrij lastig om nuchtere menschen aan te treffen, met wie te onderhandelen viel, daar het gele korer voornamelijk in den vorm van bruin pombes of bier gebruikt was. En de meesten waren sterk boven hun bier. Het gevolg hiervan was voor ons echter, dat ook wij genoeg hadden om van te leven en de expeditie nu goede dagen had.
Massa is de naam voor een geheel landschap, welks nederzettingen aan beide zijden van den vloed liggen. De hoofdplaats ligt op den noordelijken kant der Tana, en de Sultan verzocht mij daar de Duitsche vlag te hijschen, terwijl hij met mij een verdrag tot bescherming sloot. Om de betrekkingen tusschen hem en mij nauwer toe te halen, bleef ik den 13ei1 September in deze streek, daar het mij ook voor den troep van kapitein Rust van groot gewicht voorkwam, ons vóór het betreden van de eigenlijke Tana-steppe van deze laatste groote plaats volkomen te verzekeren.
Een weinig boven Massa houdt de eigenlijke benedenloop der
99
HET VOLKSFEEST TE MASSA.
Tana, waar de rivier vruchtbare aanslibbingen in de droge steppe gevormd heeft, op, en wij komen aan haar middelloop, waar het karakter der steppe zuiver behouden is. Deze middelloop wordt gekenschetst door het ontbreken van aanslibbingen en door het onmiddellijk ontstaan van hooge steppenoevers aan de rivier.
Wij heschen den 13e11 September te Massa in het midden van het dorpsplein de Duitsche vlag, die eveneens weder met saluutschoten begroet werd, en des avonds had daar een groot volksfeest plaats, om deze blijde gebeurtenis behoorlijk te vieren. Hamiri was de ondernemer dezer volkspret, die in een algemeenen dans der Wapokomo bestond, natuurlijk alleen van het mannelijk gedeelte der bevolking. Bij trommelslag en rhythmisch handgeklap der gezamenlijke vrouwen dansten de oude Sultan en de enkele Wapokomo in allerlei meer of minder bevallige en onbevallige bewegingen, doch de oude Sultan was haantje de voorste en had zich vooraf in mijn tent aan cognac te goed gedaan en ook bij zich thuis het pombe ook meer dan voldoende aangesproken. Wij voeren nog na 't avondeten naar den rechterkant der rivier over, om het schouwspel van heel nabij aan te zien, en toen ik de rapheid dezer flinke kerels, gelijk zij langs de geheele Tana op komische wijze te zien was, bewonderde, moest ik onwillekeurig aan vriend Haas en zijn familie denken, die vroolijk en wel het leven geniet, maar altijd gereed is, bij het minste geritsel, bij werkelijk of ingebeeld gevaar, het op een loopen te zetten, en zooals men terecht zegt: het hazenpad te kiezen. Nog tot laat in den nacht weerklonken de tonen der âNgomaquot; (trommel) tot in ons kamp, totdat ik eindelijk de lieden aan de overzij liet toeroepen dat het genoeg was en zij nu maar moesten gaan slapen.
Van Massa marscheerden wij den 13e11 September naar Bura, eveneens aan den linker Tana-oever gelegen. Hier kwamen wij reeds om 11 uur des morgens aan. Ik liet den Sultan aan de overzijde verzoeken, naar ons te komen, wat ook dadelijk gebeurde, en nu reeds, klokke elf uur, had de oude heer al te diep in 't glaasje gekeken en waren hij en zijne geheele omgeving terdege beschonken. Zij lachten voortdurend en maakten de allerdolste
100
MOEILIJKHEDEN IN HET PROVIANDEEEEN.
opmerkingen. Ik zond den Sultan derhalve weer terug en bracht hem aan 't verstand, dat hij mij iemand zenden moest, die niet dronken was. Toen kwam een uur daarna zijn broeder, die den hoogen heer, die al zoo vroeg van het pombe smulde, verontschuldigde en het bejammerde, dat hij er dagelijks te vroeg mee begon. Tot mijn leedwezen moest ik ook dezen broeder er op wijzen, dat het hem niet veel beter ging dan zijn broeder, maar daar hij mij daarop naief antwoordde, dat hij nog de minst beschonkene van het heele dorp was, behield ik hem bij mij en gaf hem te kennen, dat hij zoolang in mijn kamp blijven zou, totdat de Wapokomo voor mijn karavaan eten gebracht hadden. Dit had natuurlijk zijne moeilijkheden en derhalve zond ik tegen den namiddag soldaten naar Bura, waarvan alleen het gevolg was, dat de geheele bevolking zich uit de voeten maakte. Alleen brachten de lieden van den broeder des Sultans, om deze uit mijne handen te krijgen, tegen den avond eenige scheepsladingen vol maïs, waarvoor ik betaalde. Daar op mijne herhaalde uitdaging de Wapokomo, wier roes nu toch wel uit zou wezen, hunne schuilhoeken in 't bosch niet verlieten, was ik gedwongen, zonder hunne toestemming, beslag te leggen op een groote mooie miau, terwijl ik tot pand een mijner kleinere meegebrachte miaus in Bura achterliet.
Het proviandeeren begon nu eene ernstige vraag voor mij te worden, daar ik op het punt stond, de steppe in te trekken en ik voor eenige dagen proviand voor mijne manschappen bijeen brengen moest, om althans tot Oda-Boru-Euwa te komen. Toen ik dus den volgenden dag in Tscharra aankwam maakte ik korte wetten, en daar ik de hazen-manieren van de Wapokomo nu maar al te goed kende, liet ik de drie hoofden der plaats dadelijk na mijne aankomst in hechtenis nemen, totdat er voldoend koren voor mijne karavaan geleverd zoude zyn.
Hier vernam ik voor de eerste maal, dat er Somali-benden in den omtrek zwierven. De Wapokomo vertelden mij, dat eenige dagen geleden Somalis ook hun een bezoek gebracht en ze geheel uitgeplunderd hadden. Te Tscharra kwamen wij voor de eerste maal in het taalgebied der Gallas. Terwijl tot nu toe de voor-
101
TE KIDOEI.
namere Wapokomo altijd een beetje Kiswahili geradbraakt hadden, kwam nu de Galla-taal daarvoor in de plaats. Hier hebben van oudsher de Gallas geheerscht, die heden tot Oda-Boru-Ruwa teruggedreven zijn. Het gelukte mij, met de uiterste inspanning, ten minste voor éen dag levensonderhoud te verkrijgen en ook een weinig vleesch voor den volgenden dag machtig te worden. Ter voorkoming van Somali-overvallen richtte ik voor den nacht een scherpen wachtdienst in met groote vuren voor het kamp, welke den ganschen nacht onderhouden werden, doch geen enkele Somali liet zich zien.
Den 15en September bereikten wij Kidori, de laatste nederzetting der quot;Wapokomo aan den benedenloop der Tana. Ik neem bij deze plaats de grens tusschen beneden- en middenloop der rivier aan. De bewoners klaagden, dat zij door de Engelsche expeditie van Mr. Smith uitgezogen waren en gaven mij nauwkeurige inlichtingen omtrent het uit elkaar jagen der Engelsche expeditie door Somalis, hetgeen nabij dit dorp had plaats gevonden. Reeds te Massa had ik eenige dragers, die na die plundering naar ginds gevlucht waren, in mijn troep opgenomen en vernomen dat Mr. Smith door een bende Somalis overrompeld en verslagen geworden was. Hier vernam ik, dat het op klaarlichten dag, des namiddags om 3 uur, aan 30 Somalis gelukt was, de Engelsche expeditie, die 160 man sterk en flink met geweren gewapend was, eenvoudig te overrompelen en op de vlucht te jagen. Dit nu was mij minder een bewijs voor de flinkheid en macht der Somalis dan voor den ellendigen geest, die in de Engelsche expeditie heerschte. Voor mij echter had de gebeurtenis dit gevolg, dat ik van nu af met oneindig grootere voorzichtigheid mijne expeditie voortzette.
Te Kidori gelukte het mij slechts eene geringe hoeveelheid proviand bijeen te brengen, ik moest derhalve mijn geluk beproeven en zonder koren de steppe intrekken. Hierdoor werd de toestand der expeditie veel bezwarender dan ooit. In deze steppe, waarin wij den 16en September ons begaven, vindt men wel hier en daar nederzettingen van jagende Waboni, maar van deze zelf hebben wij nooit iets te zien gekregen. Er was iets spookachtigs geheimzinnigs in gelegen, hoe deze lieden omtrent al onze bewegingen
102
EISCH DER MANYEMAS.
tot in de kleinste bijzonderheden ingelicht waren, zonder dat wij
^ ze ook slechts éen enkele maal te zien hadden gekregen.
De Mboni is zoo vlug als de antiloop waarop hij jaagt, en heeft zulk een scherp oog als de valk, dien hij met pijl en boog in de lucht treft. Ik had uit Kidori twee wegwijzers meegenomen, die mij eerst slechts tot Oda zouden brengen. Zoodra ik echter bespeurde, dat ik van hier uit verder geen gidsen zou kunnen krijgen, zag ik mij gedwongen, ze te ketenen en door de steppe mee te nemen. Waren zij ook omtrent den landweg in de steppe niet volkomen op de hoogte, dan waren zij toch herhaaldelijk de rivier opgevaren en kenden hare bochten. Door harde strengheid bereikte ik na eenige dagen althans dit doel, dat zij mij ten minste slechts zulke opgaven deden, waarvoor zij stellig konden instaan.
In Oda had er een voorval plaats, dat den geest mijner expeditie deed uitkomen en derhalve door mij verteld mag worden. Hamiri had van rechtswege het bevel over de booten, maar door zijn naief egoïsme, dat alles voor zich hebben wilde, was onder mijn troep een verbitterde haat al meer en meer toegenomen. Een Manyema-drager, Pembomoto, was naar de plek gegaan waar de booten lagen, om zich daar te wasschen. Hamiri wilde hem daar niet toelaten, en beiden waren dadelijk zoo erg aan het bakeleien, dat zij elkander zelfs beten. Pembomoto althans beet Hamiri in de borst, terwijl deze hem de wenkbrauwen van het voorhoofd rukte. Daarop kwamen de Manyemas op mij af en verlangden, dat ik Hamiri bestraffen zou. Toen ik Hamiri, maar ook Pembomoto, in de ketenen liet zetten, stonden zij plotseling op en dreigden, ingeval ik Hamiri niet bestraffen wilde, dat zij het dan tegen hem zouden opnemen en hem afmaken. De woordvoerder der Manyemas was Nogola, een heertje van belang, die met zijn lieden deed wat hij verkoos en de geheele karavaan destijds in bedwang hield. Het kwam er nu op aan te toonen, of Nogola of ik heer en meester der expeditie zoude zijn, en ik vaardigde dus, tegenover zijn onbeschofte praatjes, dadelijk het bevel uit, dat allen bijeen moesten komen, plaatste de Somalis met geladen repeteergeweren rondom de dragers, liet hun hunne geweren afnemen en ÃTogola ketenen.
i
108
hüssein's voorstel.
101
DOEST IN DE STEPPE.
des namiddags bereikten wij na een marsch van acht uur, dampend en gloeiend van de hitte, in plaats van de aangewezen legerplaats een groot woud, zonder water te vinden. Ik zocht nu voortdurend het spoor van de Engelsche karavaan, die na haar overval door de Somalis op nieuw langs deze zijde der rivier voorwaarts gedrongen was, en ik wist heel nauwkeurig dat, als wij dezen dag het spoor der Engelschen niet vonden, wij bij gebrek aan levensmiddelen dan stellig terug moesten. Ik liet dus het bevel der expeditie, die spoedig daarop water vond, aan mijnheer v. Tiedemann over, en begaf mij met Rukua en Nogola alleen aan het zoeken naar het spoor der Engelschen. Het gelukte ons, zoo ongeveer na twee uren een indruk van een voet te ontdekken. Zoodra ik dit had, zond ik Rukua naar het kamp terug, om mijnheer v. Tiedemann te melden, dat ik het Engelsche spoor volgen zou tot aan de legerplaats aan 't water, met het bevel, mij wat eten en ook dek te doen toekomen.
Het is vrij overbodig om de schildering van een marsch door de steppen, met de zon boven het hoofd en al de ellende van den dorst, hier nog eens te herhalen. Dit is al zoo dikwijls en zoo goed geschied. Ik ben na herhaalde en nauwkeurige waarneming tot de overtuiging gekomen, dat de ellende van het dorstlijden de grootste verwantschap met de foltering van het stikken heeft. Maar het dorstlijden duurt langer, oneindig langer dan het stikken. Op dezen 17en September heb ik vreeselijken dorst moeten lijden. Wij marscheerden tot zonsondergang, en eerst kort voor 't invallen dei-duisternis gelukte het mij, mij door het struikgewas baan te breken en de rivier te bereiken. Om mijn bedienden, die mij op den voet volgden, den weg te wijzen, liet ik Nogola het bosch in brand steken, en weldra flikkerde de vlammenzee, uren ver zichtbaar, over de steppe. Zij weerkaatste zich in de golvende Tana en zong mij met haar bruisend gesis een trotsch sluimerliedje, toen ik, met de laarzen onder mijn hoofd, de geladen dubbele buks in den arm, mij doodmoede ter ruste legde. Tegen 9 uur hoorde ik schoten in de verte. Ik beantwoordde ze en een half uur later was ik omringd door eenige mijner bedienden, die mij eten brachten. Mijnheer v. Tiedemann had zelfs een der laatste halve flesschen
105
REGELING VAK DEN TOCHT.
champagne ingepakt. Met welk een genot ik mij aan het eten en drinken zette, kan slechts hij begrijpen, die zulk een toestand gekend heeft. Den volgenden morgen om 5 uur zond ik Nogola naaide expeditie terug, om als gids te dienen. Ik zelf nam het spoor der Engelschen op nieuw op. Om 10 uur bereikte ik de legerplaats dezer expeditie aan de rivier en hier verwachtte ik mijne uit het Zuid-oosten marscheerende karavaan. Wij marscheerden dezen dag tot 3 uur 's namiddags.
Zulk een marsch door de steppe is wel is waar zeer heet en in den regel ook stoffig, maar hij heeft voor den leider der expeditie toch ook zijne aangename zijde. Lastdieren en menschen schrijden gelijkmatig en zonder stoornis onafgebroken voort, daar ook de laatsten in de schaduwlooze vlakte het weinig verlokkend vinden, buiten de rij rust te houden. Is dus de karavaan eenmaal in beweging, dan hangt het tegen den namiddag slechts van den wil van den aanvoerder af, waar hij ze wil heen brengen of halt zal laten houden. De voorbereidselen voor den aftocht begonnen nu regelmatig om 5 uur 's morgens, en tegen kwart voor zessen marscheerden de dragers onder Tiedemann af, terwijl de kameelen en ezels gewoonlijk eerst om 6 uur volgen konden. Ik verliet de legerplaats, wanneer het laatste stuk en de laatste man weg waren.
Ik bleef dan achter, totdat men door het bosch was en de steppe bereikte, waar ik dan in den regel de lastdieren voorbijreed, om de dragers in het gezicht te krijgen. Meestal keerde ik later nog eens terug, om de kameelen langs mij te laten voorbijtrekken. Tegen den middag liet ik ze gemeenlijk achter mij, om allengs het hoofd der karavaan te bereiken. Zoo was de gang van den marsch onder gewone omstandigheden geweest.
Geheel anders was het bij den steppen-marsch gesteld, daar ik den in te slagen weg bepalen en mij aan het hoofd plaatsen moest. Deze steppe zoude zonder de Tana voor eene dragers-expeditie niet door te trekken zijn geweest; alleen de Tana, die hier geheel zonder bijstroom is, brengt er leven in. Dat zij het vermag, zulke rijke watermassa's door deze zandige steppe naar den Indischen oceaan te stuwen, deed mij reeds toen beseffen, welke ontzaglijke
106
KEDEEZETTIKG DEE GALLAS.
bergen dezen stroom voortdurend moesten voeden. De Tana ontvangt haar water van dezelfde hoogvlakten, vanwaar naar het Noorden de Kijl ontspringt. In hare gansche vorming zou men haar een Nijl in 't klein kunnen noemen.
Door deze steppe marscheerden wij vijf dagen lang. Het was een marsch op leven en dood. Nadat ik den 18en September den laatsten os geslacht had, waren wij drie dagen lang zonder eenig voedsel en daarbij waren wij dagelijks aan het gevaar van om te komen van den dorst bloot gesteld. Den 17en bereikten wij het landschap Korkorro, dat wij op een dag voorbijtrokken, toen wij voortdurend gevaar liepen, het spoor der Engelschen te verliezen, geen toegang naar de rivier te bereiken en van dorst te bezwijken.
Ik liet nu van 's morgens vijf uur tot zonsondergang voortdurend marscheeren. Zoo ging het den 18en, 19en en 20en September. De ergste dag was de 21® September, toen ik aan het hoofd der expeditie van 's morgens vroeg tot half zeven 's avonds marscheerde, toen eindelijk den weg naar de Tana nog in het duister en daarbij niet alleen water vond, maar mij ook tevens het uitzicht geopend werd, den volgenden morgen levensmiddelen te kunnen krijgen. Den 21en September, op een Zaterdag, vond ik de eerste nederzetting der Gallas in Odagalla. Mijnheer v. Tiedemann bereikte dezen dag met het meerendeel der dragers de legerplaats in 't geheel niet. Hij bracht onder onduldbaren dorst den nacht in de steppe door, ofschoon ik in dezen nacht van Zaterdag op Zondag het ge-heele bosch in brand liet steken, zoodat de vlammen naar omhoog golfden als een merkteeken voor mijne lieden in de steppe en als een kennisgeving voor de Gallas, dat de espeditie der Duitschers naderde.
Eerst des Zondags tegen den middag kwam mijnheer v. Tiedemann aan, en den geheelen dag door hinkten er achterblijvers achterna. Des morgens was ik er reeds in geslaagd, wat maïs van het eiland aan de overzijde te laten komen en hier had ik tot mijn spijt weder mijn aangenomen stelsel, om den Sultan bij zijn bezoek maar dadelijk aan ketenen te leggen, moeten toepassen, daar mijne karavaan anders zonder fout aan het gevaar van dood te hongeren zoude zijn blootgesteld.
107
VERTREK UIT HET KAMP.
10S
v-r/ym
DE GALLAS.
zich van een boot meester te maken, die zij ons brachten. De geheele streek was verlaten, meldden zij ons. Ik zond de boot nog eens terug en liet twee grootere gallabooten halen. Nu ging ik met eenige soldaten en mijne beide bedienden naar den linker ïana-oever over, terwijl ik de eigenlijke kolonie onder het toezicht van mijnheer v. Tiedemann achterliet. Daar ik in het geheel niet weten kon, hoe de Gallas onze komst zouden opnemen, beval ik onmiddellijk dat een der booten naar de maïsvelden zou gaan, om het vaartuig met koren te vullen en dit naar de nog uit te zoeken legerplaats te vervoeren. Wij roeiden intusschen langs een breeden bocht van den stroom, volgden den zuidelijken arm en landden ten slotte na eene vaart van een half uur bij een klein dorpje aan de rechterhand, waar ik eenige menschen zag. Dit bleek eene slaven-neerzetting der Gallas te zijn en bestond hoofdzakelijk uit Suahelis van het sultanaat Witu, die door de Gallas geroofd en hierheen gesleept waren. Nu bleek het toevallig, dat Bin Omar, dien ik bij mij had, vroeger een zeer goede vriend van een dezer slaven, die Mandutto heette, geweest was en nu dadelijk zijne oude betrekkingen met hem vernieuwde. Onder een grooten boom was een bank aangebracht, en hier zette ik mij nu neder, terwijl ik dadelijk mijne booten terugzond, om de andere manschappen af te halen en tevens lieden naar den Sultan der Gallas stuurde met de uitnoo-diging, zich met mij in aanraking te stellen, om met mij over ons kamp te onderhandelen. Men bracht mij ooft en maïs, en de Suahelis waren oogenschijnlijk zeer verheugd over de aankomst onzer expeditie.
Het duurde een uur vóór de sultan Hujo met gevolg bij mij verscheen. Het was een klein, erg verlegen mannetje, bekleed met een bruine toga en getooid met een koperen ketting om den hals en dikke armringen van het zelfde metaal. In zijne hand droeg hij eene lans, gelijk dit bij de Gallas gewoonte is.
Deze Gallas hebben in het algemeen een indrukwekkend voorkomen. Groot en slank van gestalte, zien zij er ongeveer uit als de Somalis, die ik te Witu bewonderd had. Hunne gelaatstrekken wijken geheel van die der negers af en herinneren het meest aan
110
SOMALI TEGEX GALLA.
die der Kaukasiërs. Zwaarmoedig kijken een paar donkere oogen uit hun gelaat, die slechts dan beginnen te schitteren, wanneer hunne hartstochten wakker worden. Zoo behooren de Clallas tot de mooiste volken op aarde, en zij hebben ook in hun wijze van doen iets zeer voornaams. Volgens hunne taal zijn zij zeer na verwant aan de Somalis, met wie zij in doodelijke vijandschap leven. Een Somali en een Galla, waar zij elkaar ook mogen ontmoeten, staan steeds op voet van oorlog tegenover elkaar. De Somalis zeggen zelfs, dat zij vroeger één volk geweest zijn, doch zich van elkaar gescheiden hebben, omdat de Gallas het oude volksgeloof trouw bleven, terwijl de Somalis de leer van Mohammed aannamen. De Gallas van Oda-Boru-Ruwa in het bijzonder behooren oogenschijnlijk tot den stam der Borani-Gallas, die in het noorden heerscht, waar zij in den loop der eeuwen naar de Bararetta-Gallas zijn teruggedrongen, en van waar zij, naar hun eigen verklaring, door de Wakamba weder naar het Noorden gedreven werden. Nu hadden zij zich sinds lang reeds op het groote Tana-eiland, dat zij Oda-Bora-Ruwa noemden (Oda z= riviersplitsing. Bom = morgen vroeg, Ruwa = regen) neergezet en hielden van hieruit de Wapokomo onder hunne heerschappij.
Deze Wapokomo hebben wel is waar nog hun eigen sultan, die de samenkomsten der Gallas bijwoont, doch moeten voor de heer-schende Galla-klasse diensten doen, welke hoofdzakelijk in het vervoeren met booten bestaan. Bovendien houden de Gallas slaven, dien zij hun akkerbouw en dergelijken arbeid laten verrichten. Deze slaven hebben zich in eigen dorpen neergezet en hebben ook eenig akkerland voor zich en hunne huisgezinnen in bezit, maar zij zijn nooit in de gelegenheid, een of ander in eigendom te verkrijgen, omdat hun dit regelmatig door hunne meesters, de Gallas, ontnomen wordt. Voor het oog leefden de beide rassen in goede verstandhouding, waarbij de schrandere Mandutto de belangen der Suahelis tegenover de Gallas behartigde, maar in de werkelijkheid was er een verbitterde haat tusschen meesters en slaven ontstaan, en deze zoude op het lot mijner eigen expeditie grooten invloed uitoefenen. De Suahelis van de beneden-Tana hielden zich namelijk beslist voor lieden van een hooger ras en konden niet verduren, dat de aan-
Ill
DE INDIANEN VAN AFRIKA.
matigende Gallas hen met zulk een trots behandelden. Ook Man-dutto had van deze onderdrukking te lijden gehad; hij vertelde mij dat later in alle bijzonderheden, toen hij zich bij mijne expeditie voor goed aansloot en er een waardig lid van geworden is.
Alles bij elkaar genomen bevinden zich de Gallas van Oda-Boru-Ruwa in een zeer ingesloten en van alle zijden bedreigden toestand. In het Noorden hebben zij zich tegen de Somalis te verdedigen, in het Westen kampen zij tegen de Wandorobo en van het Zuidwesten uit maken de 'Wakamba strooptochten tegen hunne kudden.
Naar mijne schatting beschikte de sultan Hujo in het jaar 1889 nog over omstreeks 1200 krijgslieden. âKijk mijne manschappen eens aanquot;, ⢠zeide hij mij zelf eens, toen ik hem verweet, dat zich de eens zoo machtige stam nu op dit eiland der Tana teruggetrokken had, âlet toch op mijne krijgslui! Eens telden ze vele duizenden, nu zijn ze tot honderden ineengekrompen. Naar alle kanten heen hebben we te strijden, en ik zie den dag aankomen, dat geen Galla meer een voet in de steppen der Tana zetten zal.quot;
Zoo gelijken deze Gallas van Oda-Boru-Ruwa op de fiere, maar tot den ondergang veroordeelde stammen der Indianen in Noord-Amerika, en er ligt een waas van weemoed over hun lot. Ik vatte zeer spoedig eene sterke sympathie op voor dezen oorlogzuchtigen, maar zoo zwaar bezochten stam, voor deze trotsche mannen met den zwaarmoedigen blik en deze in zichzelve gekeerde meisjes, die in haar uiterlijk zeer veel aan het type der Zigeuners herinnerden. Deze belangstelling is bij mij niet vervlogen, toen ik later door de harde noodzakelijkheid van het zelfbehoud gedwongen werd, mij met geweld tegenover de Gallas te plaatsen, en diezelfde belangstelling heeft ook mijne houding tegenover den stam na het gevecht, dat ik in den nacht van 6 October met hen had, terdege bepaald.
Liefelijk breiden zich de nederzettingen en dorpen der Gallas over Oda-Boru-Ruwa uit. Daar wandelt men als door een tuin, het eene maïsveld schakelt zich aan het andere, afgewisseld door beplantingen van bananen en bataten. De huizen zijn wel klein en rond, in den vorm van hooischelven, maar zindelijk en netjes. Oda-Boru-Ruwa ontstond door de aanslibbingen der Tana en is eene oase
112
HET EILAXD.
te midden der steppe. Het eiland zal ongeveer driekwart vierkante mijl groot zijn. Hier zou alle cultuur mogelijk zijn, zooals b. v. de tabak aldaar reeds voor den Europeeschen smaak zeer genietbaar is en door ons langen tijd gerookt werd. Daar de stroom eene gemakkelijke verbinding met de kust mogelijk maakt, zoo noodigen de weelderigheid van den bodem en het bekoorlijke landschap ten sterkste tot het oprichten van een station uit, des te meer daar
de Gallas zelve meedeelen, dat van hieruit een handel in ivoor met de aan olifanten zoo rijke landen in het Westen reeds nu plaats vindt en voor uitbreiding vatbaar schijnt.
In groote bochten trekt de Tana langs Oda-Boru-Kuwa voorbij, en verrukt zwTeeft het oog over den stroom, welks oevers met 'beplantingen of met krachtige wouden begroeid zijn, en die ook behalve Oda-Boru-Euwa eene reeks eilanden en eilandjes op deze plaats vormt. Het landschap ademt hier poëzie en noodigt tot zoete mijmeringen uit.
113
SULTAN HUJO.
Toen ik den 24en September met sultan Hujo mijne eerste onderhandelingen aanving, kon ik niet vermoeden, dat dit zich in de zon badend, dichterlijk landschap zeer spoedig de schouwplaats van den eersten ernstigen strijd voor de Duitsche Emin Pacha-expeditie worden zou.
Sultan Hujo stond mij al dadelijk toe, dat mijne espeditie zich tegenover het eiland Oda-Boru-Euwa op eene ons aan te wijzen plek mocht neerzetten. Ook wilde hij met de oudsten van den stam overleggen, om eene regelmatige markt voor het proviandeeren mijner menschen te openen. Een sultan bij de Gallas kan zelf geen gewichtig vraagpunt beslissen; het is meer een gekozen magistraat dan een erfelijk hoofd. Al wordt ook, naar het schijnt, in het algemeen aan de natuurlijke erfopvolging vast gehouden, zoo zijn de Gallas er toch niet aan gebonden, en is de Sultan zelfs afzetbaar, als hij zijn ambt slecht vervult. Altijd beslist de raadsverzameling der oudsten, door welke ook zware vergrijpen worden geoordeeld. Naar zulk eene raadsvergadering begaf zich sultan Hujo in het hartje van het eiland, terwijl hij mij beloofde, booten te zullen zenden, om mij naar de aan te wijzen legerplaats te vervoeren. Voor verdere onderhandelingen en afspraken liet hij mij Gall-Galla achter, een Galla, die als kind reeds door de Arabieren geroofd was en langen tijd als slaaf in het Witu-sultanaat gewoond had. Deze had een avontuurlijk leven achter zich, had ook jaren lang bij de Kawallala-Somalis gewoond en kende dus ook de taal dei-Gallas, Arabisch, Kiswahili en Kisomali, wat voor ons van groote waarde was. Op mijn verlangen zond hij dadelijk boden naar mijne manschappen in het bosch, om hen naar de legerplaats te begeleiden.
Ik wachtte intusschen op de door den Sultan beloofde booten, terwijl ik met het tweetal dat ik ter mijner beschikking had, naar de overzij voer. Toen de booten, die Hujo mij beloofd had, niet kwamen, verklaarde ik tegen 3 uur, dat ik nu op het eiland zelf naar het punt tegenover de landplaats wilde marscheeren, van waar de Gallas mij dan zouden overzetten. Hiertegen verzetten zich echter de Gallas, en ik moest ze met oorlog bedreigen, om ons aanzien niet van den beginne af te doen dalen en mijn wil
114
TELEURSTELLINGEN.
door te zetten. Toen gingen we dus onder aanvoering van Gall-Gallas het eiland in, langs de nederzettingen der Gallas voorbij. In geene daarvan werden wij binnengebracht; altijd stonden er aan de ingangen groote troepen trotsche Gaila-krijgslieden, die de vreemdelingen vijandig en dreigend opnamen. Eindelijk, toen we eenige Wapokomo-dorpen voorbij waren, bereikten wij den Tana-oever, waar ik tot mijne vreugde aan den overkant reeds mijne manschappen en kameelen zag. Onder een ontzaglijken boom, die in den loop der volgende weken mij nog zoo goed bekend zoude worden, verwachtte ik de boot, die mij dadelijk naar de overzij bij mijn karavaan bracht. Hier was ook reeds de boot vol maïs aangekomen, die ik des morgens besteld had, en ik kon dus mijn menschen dadelijk eten uitdeelen. Maar eene wezenlijk vroolijke stemming heerschte er toch niet.
De legerplaats bestond uit eene afgebrande grassteppe, waaruit de wind voortdurend zwarte aschmassa's naar omhoog dwarrelde. quot;Wel was het gezicht op de Tana bekoorlijk, en vormde ook het landschap op den achtergrond een liefelijk woudgezicht, maar ik vernam dadelijk na mijne aankomst in het leger, dat de sluiting van ons geschut niet werkte, en dit gaf natuurlijk stof tot ernstig nadenken over hetgeen onze expeditie verder nog te wachten stond.
Hier moest ik de tweede afdeeling onder kapitein Eust afwachten. Wat zou het zijn, als deze eens door een of ander noodlottig toeval mij niet bereikte! Zou dan Oda-Boru-Ruwa misschien niet het slotpunt onzer Duitsche Emin Pacha-expeditie worden? Ja, ook voor het oogenblik zelf was ik in groote verlegenheid; mijne booten met de weinige ruilartikelen, die ik bezat, waren nog niet aangekomen. Zouden zij voldoende zijn, om ons slechts een langer vreedzaam verblijf te Oda-Boru-Ruwa mogelijk te maken? Zoo peinsde ik, toen ik, op eene kist zittend, het leger liet opslaan.
Tegen half zes verscheen plotseling sultan Hujo met eenige honderden zijner krijgslieden aan den overkant en liet mij tot eene beraadslaging onder den reeds vroeger vermelden boom noodigen. Ik liet eenige soldaten in de booten gaan, en voer naar Hujo over. Maar zoo waggelend zijn deze kleine Tana-kano's, en zoo onhandig
115
116 VERANDERDE HOUDING TEGENOVER DE INBOORLINGEN.
waren mijne lieden in het varen er mede, dat onze boot, nog voor wij den anderen oever bereikten, omsloeg en ik zwemmend mij naar de raadsvergadering met de Gallas begeven moest, een grappig voorval, dat zich in de volgende weken intusschen nog menigmaal herhalen zou en ons het verlies van goederen en van verscheidene geweren gekost heeft. Toen ik druipend onder de Gallas opdook, deelde mij sultan Hujo mede, dat zij genegen waren, ons eene markt voor onze behoeften te openen, en dat hij mij ook persoonlijk hoenderen hoopte te schenken. Toen ik hem echter verzocht, mij dadelijk een hoen te zenden, daar ik nog niets gegeten had, meende hij dat dit best tot morgen vroeg kon wachten, en ik kon hem er niet toe bewegen, van deze meening af te wijken. Zoo gebeurde het dat wij op dezen avond ons met gekookte maïs en boter tevreden moesten stellen, en dat bij mij voor de eerste maal de gewaarwording ontstond, dat de vreedzame houding, welke ik tegenover dezen hoogmoedigen stam aannam, ten slotte toch niet goed was, maar dat wij hier misschien voor de eerste maal naar de wapens behoorden te grijpen, om in een land dat zoo overvloedig voedsel voor menschen en vee voortbracht, ons dit ook te verschaffen. Ik besloot onder alle omstandigheden ook van mijnen kant een hoogmoedigen toon tegenover deze trotsche zonen dei-steppe aan te slaan, en zond den volgenden morgen, toen de Sultan opnieuw voor eene raadsvergadering onder den boom verscheen, mijnheer v. Tiedemann om mij daar te vervangen.
Deze zou den Sultan eenige vriendschapsgeschenken van mijnentwege aanbieden, maar dit slechts alleen voor het geval, dat ook de Sultan een en ander voor mij ten geschenke gaf. Dit nu gebeurde. Ik ontving eenige bootsladingen vol koren, bananen en verscheidene kippen, zoodat wij op dezen dag voor de eerste maal weder althans regelmatige maaltijden konden gebruiken.
Op dezen dag kwamen ook tot mijne vreugde mijne booten met de ruilartikelen aan, en van nu af hadden wij ons dus door het koopen bij de Gallas regelmatig kunnen proviandeeren, indien deze hunne belofte, om ons eene markt te openen, dadelijk waren nagekomen. Om hen tot het vervullen der op zich genomen verplichting
ME. PIGOTT.
te nopen, en voor alles, om liet steeds dreigend gevaar van verhongeren te voorkomen, liet ik den volgenden nacht door mijnheer v. Tiedemann met drie booten nog eens een strooptocht op koren houden, welke terdege gelukte en den Gallas aanleiding gaf om nu zoo spoedig mogelijk eene markt voor ons te openen.
Hier te Oda-Boru-Ruwa had een half jaar geleden de Engelsch-man Mr. Pigott zich met zijne expeditie opgehouden, over wier avonturen ik reeds den eersten dag een en ander vernomen had. Volgens de berichten der Gallas had Mr. Pigott beproefd, in het noorden van de Tana voorwaarts te dringen. Toen hij intusschen de nederzettingen der Galla-stammen noordwaarts gezien had, had hem de vrees aangegrepen en was hij teruggekeerd. Volgens andere meedeelingen, die mij geloofwaardiger schenen, zou Mr. Pigott in het noorden onbewoonde steppen hebben gevonden, en derhalve teruggekeerd zijn. Hij had toen eene poging gedaan om zuidwaarts door te dringen, maar ook daar geen voeding gevonden, en was toen wel gedwongen geweest, naar Mombassa terug te marscheeren. Mr. Pigott had bij de Gallas twee stations aangelegd en daarin eene bezetting achtergelaten. Deze bezetting had zich intusschen reeds tien dagen geleden stroomafwaarts begeven. Mr. Smith met zijne espeditie was voor ongeveer eene week aangekomen, toen de Engelsche bezetting reeds weg was. Hij had daar eenige dagen vertoefd, maar toen de tijding was gekomen, dat wij naar Oda-Boru-Ruwa trokken, had Mr. Smith op zekeren morgen zijne biezen gepakt, en was eveneens door Ukamba naar Mombas teruggemar-scheerd. Eene verbinding in westelijke richting, voegden de Gallas er bij, was er voor expedition in 't geheel niet, omdat ginds geene menschen meer woonden, maar alleen de uitgestrekte steppe voor ons lag. Wanneer men naar het Westen verder marscheerde, dan kwam men in de bergen, welke wij bij de ondergaande zon reeds hier en daar tegen den gezichteinder zagen uitkomen.
Volgens overeenkomsten met Engeland zoude de Tana de grens van het Engelsche gebied zijn: de Engelschen hadden dus geen recht, om noordwaarts van de Tana stations aan te leggen. Niettemin had Mr. Pigott dit gedaan, waaraan ik niets wilde en ook
117
RAADSVKEGADERING MET DE GALLAS.
niets kon veranderen. Echter besloot ik, ook al mijn best te doen om den Gallas de opperbeseherming van Duitschland te doen aanvaarden, en ten bewijze daarvan de Duitsche vlag bij hen in top te doen hijschen! Hiertoe spande ik al mijne pogingen in, en het gelukte mij dan ook bijzonder.
Op den 28en September des namiddags te twee uur vergaderde ik met sultan Hujo en de grooten der Gallas onder den bewusten boom aan gene zijde der Tana, om deze vraag tot eene beslissing te brengen. Ik liet eerst verscheidene booten vol soldaten vooruitgaan, die ik volgde, en van lieverlede, met uitzondering der legerposten, al mijne manschappen op het eiland overbrengen. Voor mijnheer v. Tiedemann en mij liet ik onze beide draagstoelen overbrengen, waarop wij dadelijk plaats namen. Behalve den sultan Hujo waren er ook drie Sultans der Wapokomo verschenen, om aan de raadsvergadering deel te nemen. Ik had van den sultan Hujo, met wien ik de zaak reeds te voren besproken had, vernomen, dat er onder de Gallas groote tegenstand tegen mijne voorstellen gerezen was, zoodat ik op eene zeer onstuimige vergadering was voorbereid.
Naast en achter Hujo legerden de krijgslieden der Gallas, met wie mijne Somalis uitdagende blikken wisselden. De haat tusschen beide rassen was zoo sterk, dat het mij herhaaldelijk slechts met de grootste moeite gelukte, bloedvergieten te verhinderen. Alle oogenblikken sprongen de Gallas met gevelde speren op, om zich op de Somalis te werpen, of mijne Somalis namen hunne buksen op, om de Gallas neer te schieten. Om dit te voorkomen, ried mij sultan Hujo, mijne soldaten naar de overzijde terug te zenden, waartoe ik met het oog op die vele honderden verzamelde Galla-krijgslieden niet besluiten kon. Terwijl wij onderhandelden, had er een voortdurend gaan en komen van menschen plaats, zoodat het geheel een zeer levendigen aanblik bood.
Ik opende de onderhandeling met eene korte toespraak, waarin ik hun vroeg, of zij vrede of oorlog met mij wenschten. Daarop verklaarden zoowel de sultan Hujo als de oudsten der Wapokomo ongeveer het volgende:
118
TOESPRAAK TOT DE GALLAS.
âWij weten, dat gij een groot man zijt, veel macht bezit en nog altijd meer verkrijgen kunt. Wij hebben ook gehoord, dat andere Duitschers u navolgen en hier ook spoedig zullen aankomen. Gij staat tegenover ons als een God en wij wenschen vrede met u. Er zijn hier ook Engelschen geweest. Doch wij weten dat de Engel-schen klein zijn en dat gij groot zijt. Geef ons vrede, groote heer, wij willen alles doen wat gij wilt.quot;
Ik antwoordde daarop, nadat hierdoor de algemeene stemming der vredespartij onder de Gallas duidelijk uitgekomen was:
âIk ben naar hier gezonden door het groote volk der Duitschers. Wij wonen in het midden van Europa, en zijn de sterksten van alle volkeren der aarde. Gij kent de Engelschen en gij kent ons, gij kunt dus zelve oordeelen, wie van ons de grootste is. Maar wij voeren slechts oorlog tegen hen, die ons het eerst bestrijden; die werpen wij neer en dooden w ij, maar vrede geven wij aan al degenen, die met het volk der Duitschers vreedzaam willen leven. De zwakken steunen wij, de sterken, als zij zich tegen ons verzetten, werpen wij op den grond. Ik ben nu hier bij de Gallas slechts op mijn doortocht, ik wil ver naar het Westen marscheeren, door de Massais heen, naar een grooten Duitscher, die alleen midden in Afrika woont, en daartoe moet gij ons helpen, wanneer gij onze vrienden wilt zijn. Westwaarts van hier ligt een groote berg, die wit is: daarheen wensch ik in de eerste plaats te trekken, en ik verlang van u lieden, dat gij mij gidsen daartoe geeft. Dat is de berg Kenia in het land der Massais; daarheen wensch ik gidsen van ulieden. Ik weet, dat op den weg daarheen geen eten voor ons te vinden is, daarom wensch ik eten van u en booten, om het volk over de rivier te brengen. Wilt gij mij in deze beide dingen helpen, dan ben ik bereid, onze vlag hier op te hijschen, welke de Somalis zeer wel kennen en die hen er van terug zal houden om u aan te vallen. Hier is een schrijven der Somalis, dat wil ik u hier laten. Het is van sheriff Hussein. Ingeval de Somalis mochten komen, toont het hun dan, en zij zullen uwe vrienden zijn.quot;
Er werden nu nog verdere onderhandelingen gevoerd, nadat de Gallas zich bereid verklaard hadden, mijne eischen in hoofdzaak in
119
HET HtJSCHEX DER DUITSCHE VLAG.
te willigen. Er werden dadelijk twaalf bootslieden ter mijner beschikking gesteld, wier namen ik opschreef, en die mij alleen verlof vroegen, naar huis te mogen gaan, om van de hunnen afscheid te nemen, en daarop in mijn leger over te gaan. Er werden mij buitendien drie gidsen voorgesteld, die mij den weg over Hameje en van daar naar den Kenia wijzen zouden. Het was vijf uur geworden toen deze zaken afgedaan waren en ik hun het verdrag voorlegde, dat, na eenstemmig besluit der volksvergadering, sultan Hnjo in naam der Gallas den volgenden morgen onderteekende.
Intusschen hadden mijne menschen op een fermen boomstam beslag gelegd en een gat in den grond gegraven, om de Duitsche vlag op plechtige wijze omhoog te hijschen. Ik hield het voor beter, de Gallas zelve die vaan omhoog te doen hijschen, zoodat de Sultan en zijne grooten zich moesten inspannen, om den mast te bevestigen en daarna de vlag naar boven te trekken. Toen de zon in het Westen achter de geheimzinnige berglijnen verdween, die naar onze toenmalige meening de Massai-landen begrensden, woei voor de eerste maal de zwart-wit-roode vlag in den avondwind over de boven-Tana, begroet door drie salvo's mijner lieden, terwijl de slanke gestalten der Galla-krijgslieden er om heen dansten. Dat deze geheele handeling op die lieden een diepen indruk gemaakt heeft, wordt ook hierdoor bewezen, dat mijnheer Oscar Borchert op het einde van December, twee maanden na mijn vertrek, de vlag nog vond, welke door de Gallas met eene soort van bijgeloo-vigen angst beschouwd werd.
Ik had nu in de eerstvolgende dagen gelegenheid, het liefelijk eiland Oda-Boru-Ruwa en de eigenaardige zeden der Gallas nader te leeren kennen. Mijnheer v. Tiedemann werd tot mijn leedwezen den 29en September ziek, doch wij wisten niet of het hem aan de milt dan wel aan de lever scheelde, zoodat ik uiterst bezorgd over hem was en hem het voorstel deed, om op onze groote boot naar de kust terug te varen. Hierdoor was ik in de nu volgende weken geheel alleen en de machtige betoovering der eenzaamheid ligt ook in de herinnering over deze zonnige dagen van Oda-Boru-Ruwa verspreid. Zonnig waren die dagen inderdaad. De thermometer
EEM DUITSCH STATION.
bereikte tusschen 2 en 8 uur in de diepste schaduw regelmatig de hoogte van 45° C. De hitte was nu en dan bijna ondragelijk, maar de ondergrond was droog en eigenlijke ongesteldheden wegens koorts hadden er niet plaats.
In de namiddagen, als de zon aan 't dalen was, placht ik mijn paard te laten zadelen en uitstapjes in de verre en wonderbaarlijke steppe te maken. Dan strekte ik soms mijn tocht wel een uur ver naar het westen op een heuvel uit, van waar mijn blik zeer ver naar de donkere bergen zweven kon, achter welke zich ons lot vervullen moest. Wanneer dan de avond aankwam en de maan het droomend landschap bescheen, dan zette ik mij voor mijne tent neer, om naar het ruischen der Tana te luisteren, dat geheimzinnig tijdingen van de landen achter de bergen meebracht. Een diepe vrede en zoete rust verspreidden zich in zulke tropennachten over dit landschap. Wanneer de Orion vlak boven ons vlamt of het Zuiderkruis aan den hemel staat en het geheele uitspansel in sterrenglans straalt, dan trilt het hart vol ontzag voor het Eeuwige.
Om den tijd niet geheel en al in luiheid door te brengen, begon ik reeds den 29en September een Duitsch station op het eiland Oda-Boru-Ruwa te bouwen. Na verloop der volgende 14 dagen verrees er aan den tegenoverliggenden oever een mooi klein huisje, met stroo bedekt en van hout opgebouwd, dat drie kamers bevatte. Eene flinke omheining omgaf het gebouwtje van drie kanten, terwijl ik aan de vierde, de rivierzijde, een landingsplaats voor de booten liet maken. Deze nederzetting, waarbij ik ook een schuur voor goederen liet bouwen, noemde ik âVon der Heydt-huisquot;. Ik had het laten bouwen vooral met het oog op de door mij verwachte tweede karavaan en in het vertrouwen, dat men van hieruit een verkeersweg naar den Baringo zou kunnen maken, waar ik een tweede station dacht aan te leggen. Mijn denkbeeld was, van hier uit den ivoorhandel van het Massai-gebied naar Duitschland te kunnen leiden en daarmede eene zware mededinging met de Engelsche Mombas-straat tot stand te brengen.
Het Engelsche station, dat nog aan de overzijde der rivier stond, werd in deze dagen door de Gallas verbrand, hetgeen ik niet ver-
121
VERKOELING MET DE GALLAS.
122
hinderen kon. Al zijn ook de verwachtingen niet verwezenlijkt, die ik bij het bouwen van ons huisje koesterde, toch heeft mij dat werk in die Octoberdagen aangenaam bezig gehouden en veel genot geschonken. Toen het huis gereed was, maakten wij een bord, waarop met latijnsche letters geschreven werd; âVon der Heydt-huis 1. 10. 1889quot;, en dat wij tegen een paal links van het huis spijkerden. Zoowel huis als bord heeft mijnheer Borchert in December gaaf en goed gevonden.
Maar het noodlot wilde niet, dat ons verblijf te Oda-Boru-Ruwa alleen van aangenamen aard zoude zijn. Hoe goed ik het eerst ook
had kunnen vinden met de Gallas, begon die vriendschappelijke verhouding langzamerhand te verminderen. Het verbranden van het Engelsche station, dat zonder mijn bevel plaats had, hinderde mij, en nog meer geraakte ik uit mijn humeur door de omstandigheid, dat, toen ik den 5en October naar het tweede Engelsche station zond, om de daar aanwezige ruilartikelen bij mij in veiligheid te brengen, alles verdwenen en reeds in handen der Gallas was. Ik liet dientengevolge den 6en October sultan Hujo om het uitleveren dezer Engelsche ruilartikelen verzoeken. Daarop kwam hij op vriendschappelijke wijze naar mij toe en bleef den heelen namiddag in mijn kamp, waar hij mij uiteenzette, dat hij geen toezicht over de
VEKWIKKELINGEX.
Engelsche waren had gehad, maar dat de Engelschen deze zorg aan een anderen Galla opgedragen hadden, en dat hij ook in het geheel niet geloofde, dat er nog Engelsche artikelen in het station aanwezig waren geweest. Ik was niet in staat, om de waarheid dezer mededeelingen te onderzoeken, maar verklaarde mij echter door de uitlegging van Hujo bevredigd. Intusschen had er zich een nieuw zaakje ontsponnen, dat tot moeilijkheden en strijd geleid heeft. De Suaheli-slaven Mandutto en Yembamba hadden zich eerst tot Hamiri gewend en door dezen was de vraag tot mij gekomen, of, wanneer zij met hunne stamgenooten in mijn leger overgingen, ik dan bereid zoude zijn, hen tegen de Gallas in bescherming te nemen. Ik verklaarde na eenige onderhandelingen, dat ik al die slaven in bescherming wilde nemen, die blijkbaar door de Gallas noch gekocht, noch in den oorlog buit gemaakt, maar eenvoudig weg gestolen waren. Daarop hadden zich bij mij 13 man aangemeld, die in staat waren, mij dat bewijs te leveren.
Nu deelde ik op 6 October den sultan Hujo dit feit mee, en hij antwoordde mij, dat ik natuurlijk heer en meester over de Gallas was en het dus maar voor 't zeggen had, maar dat zijn stam zulk eene handelwijze mijnerzijds als eene daad van geweld zou beschouwen.
Het was heldere maneschijn op den avond van den 6on October. Ik had nog tot bij negen uur voor mijne tent gezeten en legde me daarop ter ruste. Tegen tien uur w'erd ik door de schildwacht voor mijne tent gewekt, die mij meldde, dat Yembamba en Mandutto aan de overzijde der Tana gekomen waren met de tijding dat de Gallas eene groote stormachtige vergadering hielden en daareven besloten hadden, de Suaheli-slaven te ketenen en nog den zelfden nacht mijn legerplaats aan te vallen. Nu is het van het begin der expeditie af steeds mijn streven geweest, wanneer ik eenmaal een strijd of gevecht voor onvermijdelijk hield, dan van mijnen kant aan te vallen, ten einde mij de voordeelen daarvan te verzekeren. Ik was veel te zwak, om toegevend te kunnen zijn tegenover oorlogzuchtige plannen dier fiere stammen van noordelijk Oost-Afrika, en ik ben overtuigd, dat wij allen verloren zouden
123
NAAR DE KRAAL.
zijn geweest, indien ik beproefd zoude hebben, door zulk eene toegevendheid den strijdlust der tegenstanders te versterken en den moed mijner eigen lieden te verzwakken.
Vielen de Gallas inderdaad den 6en October des nachts mijn leger aan, dan was het heel waarschijnlijk, dat wij geslagen wierden. Intusschen kostte zoo'n verdediging vermoedelijk veel meer patronen dan een aanval mijnerzijds, en voor alles moest het een slechten invloed op mijn lieden uitoefenen, wanneer zij bespeurden, dat mijne stelling zelfs niet sterk genoeg was, om zwarten van den aanval op onze legerplaats af te schrikken. Ik besloot dus onmiddellijk, dit geheele zaakje nog in dienzelfden nacht tot eene beslissing te brengen.
Ik stond op, liet even op de trompet blazen, nam tien soldaten en 25 dragers met mij mede en begaf mij bij helderen maneschijn, zonder den zieken mijnheer v. Tiedemann, dien ik in slaap waande, van mijn voornemen kennis te geven, naar de kraal. Een half uur lang marscheerden wij zuidoostwaarts op de kraal van den Sultan af, waarin de beraadslaging plaats vond.
Als ik terugblik op de gebeurtenissen van dezen nacht, dan vind ik, dat mijne houding nog veel gemis aan ervaring in deze dingen aantoont. Wat ik toen deed, zou mij later niet in 't hoofd gekomen zijn, namelijk om met acht man mijner hoofdcolonne op te trekken en met deze eerste acht, onder welke zich geen mijner Somali-soldaten bevond, zoo maar in de vergadering der Gallas binnen te komen, die door al het bier dat zij gedronken hadden, in een zeer opgewonden toestand verkeerden. Maar ik geloofde toen nog in 't geheel niet aan een strijd; ik dacht toen nog, dat ik er in slagen zou, dien lieden door mijn plotseling verschijnen ontzag in te boezemen en door gemeen overleg de tusschen ons gerezen geschillen te vereffenen.
Zoo trad ik de Galla-kraal binnen, en riep tweemaal luide der vergadering toe: amani, amani! (vrede, vrede!) Maar ik had de uitwerking van mijn optreden verbazend overschat. Het antwoord op mijn binnentreden was, dat een Galla-krijgsman zijn lans naar mijn hoofd slingerde en mijn oor daarmee schramde, dat een tweede
m
HET EERSTE MENSCHENBLOED.
naar mijn borst stiet, welken stoot ik slechts hierdoor ontging, dat Hamiri mij op zijde trok, waarbij ik op den grond viel en mijn hoofd tegen den loop van zijn geweer sloeg. Ik greep naar mijn revolver, om den Galla neer te schieten, maar ongelukkigerwijze weigerden mijne revolverpatronen en moest ik naar mijn buks grijpen, om mij te verdedigen. De zaak stond een oogenblik hachelijk ; maar nadat we ongeveer in 't geheel zes salvo's afgevuurd hadden, waardoor de Sultan en zeven zijner grooten getroffen werden, was de zaak in drie minuten beslist en de geheele stam uit elkaar gejaagd. De Gallas waren zoo verschrikt, dat sommige hunner tot aan de kust vluchtten en hier het gerucht verspreidden, dat ik gevallen was, waardoor men toen in Europa maanden lang in den waan verkeerde, dat onze expeditie aan de Tana mislukt en ik zelf dood was.
Toen het gevecht geëindigd was, gevoelde ik al den bedwelmenden trots van den overwinnaar, maar ik was niet minder heftig aangedaan door het eerste menschenbloed dat op onzen tocht vergoten was. Doch voor zulke aandoeningen bleef niet lang tijd over, daar de omstandigheden tot handelen drongen. Ik begreep dadelijk, dat het voor de veiligheid mijner expeditie van het grootste belang was, mij tegen de verdere ondernemingen der Gallas door een overeenkomst te verzekeren, en derhalve liet ik al de vrouwen die zich in de kraal verscholen hadden, 23 in getal, uit hare huizen halen, om ze naar mijne legerplaats over te brengen. Ik vond ook eenige mannen, die ik eveneens als krijgsgevangenen medevoerde. Ik moest ook inzien, dat het nu wel niet meer mogelijk zou wezen, koren door koop van de Gallas te verkrijgen, en maakte mij dus nog des nachts van al den gevonden voorraad meester, waarbij ik in de eerstvolgende dagen altijd nog verdere scheepsladingen vol liet overbrengen. Zoo gelukte het mij, ongeveer 80 scheepsladingen koren in mijn legerplaats bijeen te brengen. Fier trok de vrouw van sultan Hujo met hare lijdensgenooten met mij naar mijne legerplaats, toen wij tegen één uur het eiland verheten. Ik was van de sultanskraal dadelijk naar het slavendorp gemarscheerd en had hier ongeveer 30 slaven: mannen, vrouwen en kinderen, be-
125
POGING TOT VERZOENING.
vrijd en dadelijk met al hun have en goed in mijne legerplaats opgenomen.
Toen ik op den morgen van den 7en October ontwaakte, stond ik tegenover eene geheel nieuwe orde van zaken. Nu was ik heer en meester in deze landen en was er niets, wat mij niet toebehoorde. Maar toch was mijn toestand, wel bezien, slechter dan den dag te voren; want hoe zou ik zonder de Gallas den Tana-weg verder vinden? Hoe kon ik hopen, de verbinding met mijne tweede colonne ooit weer tot stand te zullen brengen, wanneer ik in vijandschap met dezen stam leefde, die de verbinding tusschen Massa en Oda-Boru-Ruwa steeds verstoren kon? Hoe zouden ten slotte mijne plannen, die ik aan de vestiging van het âVon der Heydt-huisquot; verbond, ooit vervuld worden, wanneer de Gallas ook maar deze streek verlieten, en hier de woestijn aanving, welke Oda-Boru-Ruwa in het oosten en westen omgaf? Daar kwam nog bij, dat ik juist op den 7en October de tijding ontving, dat zich de Somalis tusschen mij en de kust aan de rivier gelegerd hadden en met 5000 man sterk de verbinding afsneden. Ik had eenige dagen geleden een bericht naar Duitschland en aan kapitein Rust afgezonden, en juist op den 7en October kwam mijn bode Abocca terug met de tijding, dat het hem niet mogelijk geweest was, door de Somalis heen te dringen.
Deze overwegingen brachten mij er toe, eene poging te wagen, om met de Gallas weder in vreedzame betrekkingen te komen, en ik schonk dus reeds op dien 7en October aan de gevangen mannen de vrijheid weer en gaf hun de boodschap mee, dat als de Gallas terug wilden keeren, ik bereid was, hun hunne vrouwen weder uit te leveren. Tegelijkertijd begon ik dezen dag mijn legerplaats te versterken, door eene sterke omheining en een bijna ondoordringbare doornheg er omheen te laten plaatsen. Drie poorten gaven toegang tot de legerplaats. Aan deze poorten waakten dag en nacht dubbele wachten, die hetzij ik zelf hetzij mijn brave Hussein Fara des nachts inspecteerde.
Ik was mij zeiven bewust, dat op mij de volle verantwoordelijkheid rustte tegenover mogelijke overrompelingen door vijandelijke
126
NIEUWE ONDEEHANDELING MET DE GALLAS.
stammen. Ik wist, dat ik het mijn menschen verplicht was, er voor te zorgen, dat noch des nachts noch op marsch of wanneer dan ook, eene overrompeling mogelijk kon zijn, en dat, wat ook ooit ons lot worden mocht, ik zooveel mogelijk moest zorgen, dat mijn karavaan zich flink tegen den aanval verdedigen kon. Derhalve besloot ik, flink en ferm in mijne te nemen besluiten te zijn, en overigens de grootste en nauwkeurigste voorzichtigheid in het oog te houden. Zoo werd dan ook nu in de Duitsche Emin Pacha-expeditie een wachtdienst ingevoerd, die stellig in de geschiedenis der Afrikaansche expeditiën tot heden nog niet overtroffen is. Nacht op nacht stonden er geregeld acht posten op wacht, die elk uur geïnspecteerd werden. Voor de posten liet ik groote vuren aanleggen, om het terrein te kunnen overzien, terwijl de legerplaats zelve in het duister gehouden werd. Ik zag er langzamerhand geheel van af, om mijn legerplaats te omheinen, omdat dit mijn lieden het trotsche gevoel van onverschrokkenheid en zekerheid ontnam, dat voor mijne kleine karavaan onmisbaar wa$. Onze veiligheid berustte uitsluitend op den wachtdienst.
De onderhandelingen met de Gallas werden eenige dagen sleepend gehouden. Op den avond van den 8en October verscheen Gal-Galla in mijn leger: zijn stam was uit elkaar gegaan, zoo vertelde hij, en hij kwam zich bij mij als bediende aanmelden. De slimme kerel nam slechts een voorwendsel te baat, om mijne stemming in het belang zijner stamgenooten uit te vorschen. Ik vernam van hem, dat de Gallas een nieuwen sultan, Gollo genaamd, gekozen hadden, en dat zij bereid waren, met mij over de vredesvoorwaarden in onderhandeling te treden. Den 15en October zou de volksvergadering plaats vinden, waarin ik met de Gallas onderhandelen kon. De Gallas kwamen ook, maar hun nieuwe jonge sultan Gollo had zich zoo terdege aan bier te goed gedaan, dat er van onderhandelen geene sprake kon zijn, en de vergadering dus een dag werd uitgesteld. Op den 16en October liet ik me dus over de rivier brengen en vond in Gollo een jongman die er flink en kranig uitzag, veel van een officier had en zich allesbehalve onderdanig tegenover mij voordeed.
127
VREDESVERDRAG MET SADEH.
Vóór hij met mij in onderhandelingen over den vrede trad, verlangde hij. dat ik bloedgeld zou betalen voor de gevallen Gallas, zoo als dit bij hun stam de gewoonte was. Ik stelde me dadelijk heel boos en woedend tegenover hem aan, door mijn bankje op te nemen en het den sultan naar het hoofd te werpen. Op forschen toon verklaarde ik hun, dat als de Gallas met zulke eischen kwamen, ik mijnerzijds de voorkeur aan den oorlog gaf en hun nu beval, een anderen sultan te kiezen. Met Gollo verkoos ik niet meer te onderhandelen. Dit werkte. Gollo werd nog denzelfden dag afgezet, en een ander, die van het eerste oogenblik af met mij op een goeden voet had gestaan, Sadeh genaamd, tot sultan gekozen. Gollo begaf zich nog denzelfden dag op de olifantenjacht, en spoedig vernamen wij ook, dat het hem gelukt was, een olifant te dooden. Ik droeg Sadeh het sultanaat in mijn naam over en benoemde naast hem Gal-Galla als mijn agent en chef van het âVon der Heydt-stationquot;.
De onderhandelingen werden in het Von der Heydt-huis gevoerd en vonden met al de plechtigheden plaats, die bij de Gallas gewoon zijn. Zij werden bezegeld door het geschenk van een schaap, dat Sadeh meegebracht had. Dit schaap kreeg ten slotte eene wonderlijke bestemming, daar het voor de helft als een soepje voor een der zieke kameelen werd toebereid, een geneesmiddel dat ik aan de wijsheid mijner Somalis te danken had.
Nu begon ik ook weer mijne uitstapjes in den omtrek, waar ik een gebergte ten noorden van Oda-Boru-Ruwa zag schemeren, dat vermoedelijk de waterscheiding tusschen Juba en Tana vormt. Ik heb deze bergen Galla-bergen gedoopt. Vooral gaf ik mij groote moeite, om den bovenloop der Tana te ontdekken, zoowel uit een aardrijkskundig belang als ook met het oog op den verderen tocht. Want het oogenblik van den verderen tocht werd meer en meer noodzakelijk. De eene week na de andere verliep, en te vergeefs tuurde ik verlangend de rivier op, om te zien of mijne tweede colonne onder kapitein Rust niet opdook. Doch de volle maan kwam en verdween, zonder dat ik eenige tijding ontving. Waar was kapitein Rust, en wat was er dan toch van mijne tweede colonne
128
DE STEPPE IN.
geworden ? Reeds den 8en October had ik mij nog het offer getroost, Hamiri met Muhamed, een Somali, stroomafwaarts te zenden, om de verbinding met Rust te herstellen. Twee weken waren er ver-loopen, maar ook van hem had ik geen antwoord ontvangen.
Ik stond nu tegenover eene uiterst moeilijke beslissing. Ruil-artikelen voor de Massai-landen bezat ik in 't geheel niet meer, behalve 'een pak ijzerdraad en wat kralen. Zou ik het wagen, met alle Afrikaansche overleveringen te breken, en zonder ruilartikelen naar de gevaarlijke stammen van het Westen te marscheeren, of zou ik in elk geval in Oda-Boru-Ruwa wachten, totdat ik althans bericht omtrent het lot mijner tweede colonne ontving? Maar dit wachten deed den gezamelden voorraad nutteloos verminderen en had ook slechten invloed op den geest mijner troepen. Buitendien kon elke maand uitstel het lot der onderneming in de aequatoriaal-provincie in de waagschaal stellen. Een antwoord op deze vraag kon ik van niemand verwachten. De sterren, tot wie ik vragend opzag, bleven stom. Op zekeren avond zat ik voor mijn herophon, een muziekinstrument, eene soort van orgel, waarin men schijven met verschillende muziekstukken kan leggen. Peinzende over het voortzetten mijner expeditie, kwam op eens het denkbeeld bij mij op, mij door dit instrument een teeken te doen geven. In de duisternis schoof ik er een schijf in, bij mij zeiven overleggende, dat de aard van het muziekstuk voor mij een wenk zoude wezen. Onwillekeurig moest ik glimlachen, toen op eenmaal de bekende marsch uit âCarmenquot;; âMoed in de borst, van de zege bewustquot; weerklonk. Men zal intusschen de verzekering wel aannemen, dat hierdoor op mijne beslissing geen grooter invloed uitgeoefend werd. Maar in elk geval was ik nu vast besloten, af te marscheeren.
Ik liet een brief vol inlichtingen voor kapitein Rust achter, waarin ik hem mijne ervaringen van de laatste weken meedeelde, en de teerling was geworpen. Den 18en October liet ik de ruilartikelen op nieuw verpakken, en den 19en was mijne geheele karavaan met maïs stampen bezig, daar ik bevolen had dat ieder man voor 25 dagen meel mee nemen moest. De steppe, die voor ons lag, had sinds lang elke poging om er in door te dringen,
i- 9
129
AESCHEID VAN HET EILAND.
130
barsch afgewezen. Twee Engelsche expeditiën waren vóór mij mislukt. In het maïsmeel wilde ik den toonsleutel vinden, om mij de poorten der woestijn te openen. Den 18en verschenen voor mij acht gidsen, die de Gallas mij bezorgden en die ik zekerheidshalve dadelijk in ketenen liet leggen. Nog eenmaal bezocht ik in den namiddag van 20 October het mooie eiland Oda-Boru-Euwa, dat nog altijd van de Gallas verlaten was, en zat voor de laatste maal een kwartiertje in mijn Von der Heydt-huis, welks stichting mij zooveel vreugde bereid had. Mijne stemming was ernstig, maar toch opgewekt. De dalende zon toonde mij ook heden weder de geheimzinnige berglijnen in het Westen, welke de wereld der Massais voor mij versluierden. Mijn besluit was genomen, alle toebereidselen waren afgeloopen. Beproeven wij, of óns gelukken zal, hetgeen beiden Engelschen expeditiën zoo geheel mislukt is. Laten we doordringen in dien woestijngordel, die de wacht over de landen van het Westen houdt, en laat ons zien, of de too versleutel, dien wij bezitten, in staat is, de poorten van het Mjlgebied voor ons te ontsluiten.
VI.
Aan de boven-Tana naar Kikuyu.
Met het besluit, om zonder de daarbij behoorende ruil-artikelen van Oda-Boru-Ruwa de Massai-landen in te trekken, was het verdere karakter der Duitsche Emin Pacha-expeditie voor goed be-
KOREN IN VOOEEAAD.
paald. Het was duidelijk, dat, als ik niet in staat was, met de gebruikelijke ruilmiddelen in het Massailand op te treden, ik dan verwachten moest, in dat gebied groote moeilijkheden te ondervinden. In het uiterste geval had ik toch altijd nog het kruit, dat ik voor Emin Pacha mee bracht, om als ruilartikel in deze landen te gebruiken. Ook koesterde ik nog altijd hoop, dat ik aan de Baringo of aan de Victoria-Nyanza-rivier wel Arabische handelaren zou tegenkomen, van wie ik misschien ruilartikelen zou kunnen koopen. Hoe het ook zij, toen ik dien morgen van den 21en October het mij zoo lief geworden Oda-Buro-Ruwa verliet, had ik het gevoel, dat onze expeditie nu uit de banen van het berekenbare in het gebied van het avontuurlijke overging. Wat mij alleen troostte tegenover deze gewaarwording, was de zekere overtuiging, dat de eenige weg tot het doorzetten van het doel die was, waarop ik dezen morgen voortschreed.
Ik had nog des nachts het bevel aan de Gallas gezonden, mij vier groote booten af te staan, om koren te vervoeren. Daar deze booten den volgenden morgen om 6 uur nog niet ter plaatse waren, was ik gedwongen, mijne karavaan naar Galamba vooruit te zenden en met eenige Somali-soldaten te wachten. Ik had ongeveer 20 vrouwen van slaven met hare kinderen in mijn leger opgenomen, en ook deze besloot ik in het allerlaatste oogenblik per boot te doen vervoeren. Tegen 7 uur kwamen de Gallas met de vier bestelde booten bij mij aan, en kon ik dus mijne karavaan te paard naar Galamba volgen. Hoe verstandig het was, nog koren op booten mee te voeren, bleek eerst eene week later terdege, toen ik bemerkte, dat mijne lieden het hun ter hand gestelde koren, dat voor 25 dagen dienen moest, grootendeels reeds in de eerste dagen hetzij weggeworpen of gegeten hadden. Door de vier scheepsladingen vol maïs werd ik in Hargazo nog eens in de gelegenheid gesteld, mijn troep voor verscheidene dagen te proviandeeren. En dit droeg er tevens toe bij, dat het ons niet ging als de Engelsche expedi-tiën in de steppen, die nu voor ons lagen.
De indrukken van den eersten marschdag van Oda-Boru-Ruwa langs de Tana waren voor mij niet heel opwekkend. Ofschoon ik
132
VROUWEN EN KINDEBEN NAAR HUIS.
de meeste slavenvrouwen met hare kinderen op de booten gebracht had, hadden toch enkele van haar er de voorkeur aan gegeven, met hare mannen te loopen. Toen ik nu achter mijne expeditie kwam aanrijden, vond ik deze arme stakkers hier en daar aan den weg liggen en was herhaaldelijk gedwongen, straffen op te leggen, om aan de oude marschorde de hand te houden.
Reeds bij dezen eersten marschdag werd het mij al duidelijk, dat het niet mogelijk zou wezen, met de vrouwen en kinderen der nieuw aangewonnen Gallas de Duitsche Emin Pacha-expeditie voort te zetten, en dientengevolge nam ik op den avond van dezen dag te Galamba eene beslissing. Te Galamba wonen Wapokomo en Gallas bijeen, en wij werden ook dadelijk na mijn aankomst door de laatsten op vriendschappelijke wijze begroet.
De Tana begint hier zeer vischrijk te worden, en met deze eigenschap der rivier begonnen mijne lieden meer en meer hun voordeel te doen.
Intusschen zou deze dag niet zoo heel prettig eindigen. Ik liet tegen zeven uur de meegevoerde slaven der Gallas bijeenroepen en legde hun uit dat het onmogelijk zou wezen, hunne vrouwen en kinderen op dezen langen tocht mee te voeren. Zij hadden het allen vandaag kunnen zien, hoe vermoeiend een dergelijke marsch was, en toch hadden wij vandaag maar een halven of een kwart-marsch gehad. Nu bevonden wij ons daarenboven nog in landen waar wij vreedzaam door heen konden trekken. Doch stellig zouden vrouwen en kinderen aan een zekeren ondergang zijn blootgesteld, wanneer wij eerst in het gebied der Massais zouden zijn aangeland. Het speet me erg, maar ik moest het hun in bedenking geven, zich met hunne lieden naar de nu met ons bevriende Gallas terug te begeven, of wel verklaarde ik mij bereid, hen nog heden avond op eenige booten naar Ngao te zenden. Daar was een station van Duitschers, aan wie ik schrijven zou, om de hun toegezonden hulpbehoevende menschen vriendelijk op te nemen, en die dit ook zeker doen zouden, daar zij gekomen waren om de zwarten te helpen. De slaven verklaarden, dat zij bereid waren, liever met vrouw en kind allen te sterven, dan deze nog eens in de handen
133
IN DE BOOTEN.
der Gallas te laten vallen. Zij begrepen wel dat zij heel wat dei-hunnen op de lange reis verliezen zouden, en daarom grepen zij mijn voorslag, om de vrouwen en kinderen tot het einde der expeditie naar Ngao te zenden, met groote vreugde aan. Tembamba en een andere oude slaaf zouden hen begeleiden, de overigen zouden met mij verder trekken, om binnen een jaar tot de hunnen terug te keeren. Ik liet nu dadelijk twee groote booten in orde brengen en ter beschikking van de Gallas stellen.
Het was volstrekt noodig voor hen, nog in den nacht langs Oda-Boru-Ruwa voorbij te varen, omdat het te vreezen was, dat de Gallas op klaarlichten dag dequot; booten zouden nazetten en in hunne macht krijgen. Daarom drong ik tot onmiddellijk vertrek aan. Het nu volgende half uur bood een toon eel aan dat hartroerend en treffend was. De mannen namen afscheid van hunne kindertjes, die luide schreeuwden. Vrouwen pakten al hare have en goed in de booten, en mijne Somali-soldaten raasden en tierden dat zij in 't holle van den nacht nog zooveel arbeid moesten verrichten. Diep gingen de beide booten, toen tegen 9 uur alles voor het vertrek gereed was. Ik zette tot een spoedig vertrek aan, en wanneer Yembambo aan dien spoed gehoor gegeven had, zoude het bij de diepe duisternis die er heerschte, volstrekt niet te betwijfelen zijn geweest, dat men Oda-Boru-Ruwa ongezien voorbijgekomen ware.
Volkomen gerustgesteld was ik over het lot der vertrokkenen toen tegen 11 uur de Galla-sultan Sadeh en zijn broeder Parisa met Gal-galla argeloos in mijne legerplaats verschenen, om den nacht bij ons door te brengen. Ik moest dus aannemen, hetzij dat zij de vluchtelingen niet gezien hadden, hetzij dat de vrees voor ons nog sterk genoeg was, om hen ook bij hun aftocht te beschermen.
Over het lot der vluchtelingen zou ik eerst drie dagen later een en ander vernemen, toen Yembamba op zekeren morgen bloedend en half verhongerd weder bij ons aankwam. De booten waren in den donkeren nacht op een zandbank ⢠geraakt en hadden eerst tegen den morgen weder vlot gemaakt kunnen worden. Zij waren toen door de Gallas gepakt en nadat Yembamba drie hunner had doen
134
DE TANA. 135
sneuvelen, waren zij gezamenlijk weder in handen hunner doodsvijanden gevallen. Yembamba had zwemmend den rechteroever bereikt en toen, steeds door de Gallas vervolgd, naar mijne colonne de vlucht genomen.
Hoe gaarne ik ook wilde, was het mij onmogelijk, op nieuw terug te keeren, om vrouwen en kinderen uit de handen der Gallas weder te bevrijden. Met een bezwaard hart moest ik mijn tocht
naar het Westen voortzetten, waar ons grootere gebeurtenissen te wachten stonden.
De Tana vormt hier eene onafgebroken reeks van eilandjes. Terwijl zij zich tot nu toe in rotsbeddingen voortbeweegt, treedt ze bij Hargazo in de zandige steppe, en dit leidt als van zelf bij den wankelenden waterstand tot het voortdurend vormen van nieuwe stroomloopen en nieuwe eilandjes. Daartusschen vinden hier en daar verbreedingen plaats, die aan meertjes doen denken. Al deze eilandjes heb ik gezamenlijk op de kaart den naam van âVon der Heydt-eilandenquot; gegeven. De oevers zijn hier door een dichten woudzoom omgeven. Donkergroen verheffen zich de eilandjes uit de lichte
BEZOEK VAN LEEUWEN.
watervlakte, zoodat een tochtje hier op de Tana, gelijk ik er zoo menigmaal ondernam, tot eene alleraangenaamste uitspanning behoort. Aan den linkeroever zijn nog eenige Wapokomo-neerzet-tingen, die zich tot Hameje heen uitstrekken. De rechteroever van den stroom, waarop wij marscheerden, is reeds eene volkomen eenzame steppe, verwoest door eeuwenlange kampen tusschen Gallas en Wakamba, die hunne rooftochten tot naar hier uitstrekken en wier legerplaatsen wij reeds op den eersten marschdag gelegenheid hadden achter Galamba waar te nemen.
De stroom gaat hier meer en meer uit zijne noordwestelijke richting in eene westelijke over, die van Hargazo af zich naar het zuidwesten begint om te keeren. De namen die op de kaart voorkomen, zooals Jakaschamorra, Iposa, Galangogessa, Hameje enz., beteekenen geenszins gemeenten, maar slechts plaatsen aan den stroom. Ik vermoed, dat zij op vroegere Galla-nederzettingen doelen. Het oeverbosch is hier buitengewoon breed en de toegangen tot de rivier zijn nauwelijks te vinden, zoodat mijne boden, die ik eenige weken geleden van Oda-Boru-Euwa stroomopwaarts gezonden had, bijna van dorst waren omgekomen.
Wij hadden intusschen drie flinke Gallas tot gidsen onder aanvoering van Parisa, den broeder van sultan Sadeh. Zoo kwamen we na een marsch van vijf dagen door de steppe gelukkig in het heerlijke Hameje, waar de stroom door al die eilandjes en meertjes, door prachtig hout omzoomd, dat door allerlei soort van wild en gevogelte bewoond wordt, een ontzagwekkend karakter aanneemt.
Reeds hadden wij meermalen des nachts leeuwen hooren brullen voor onze tenten, en mijnheer v. Tiedemann was zelfs gedwongen geweest, zijne tent wat heel overhaast op te ruimen, omdat een dezer vriendelijke gasten, misschien uit eene soort van nieuwsgierigheid, zijn kop door de tent gestoken had. Tiedemann schoot eenige malen met den revolver op hem, waarop beide partijen zoo spoedig mogelijk van elkaar scheidden; de eene in het bosch, de andere naar de legervuren der Somalis. Ik had den volgenden morgen bij den aftocht het nog merkwaardiger genoegen, een leeuw op klaarlichten dag vlak aan den weg te zien liggen. Ik was onge-
136
DE WATERVALLEN.
lukkigerwijze te paard en had mijn buks een mijner bedienden te dragen gegeven, zoodat ook onze ontmoeting zeer vredelievend afliep, ofschoon de leeuw volstrekt geene haast toonde om op te staan, maar eerst, nadat hij mij tamelijk lang met de oogen gemeten had, langzaam in het bosch afdroop.
Over den dag te Hameje ligt voor ons allen een heerlijke glans. Hier kwamen voor de eerste maal de bergomstreken van het Westen duidelijk in het gezicht. Mijne lieden zwelgden in het genot van de proviand, die hier op de booten weder onder ons bereik kwam, en doken met het grootste genot in den breeden stroom onder, na den marsch van zes dagen door de verbrande steppe. Wij allen geloofden, den Kenia ginds voor ons te hebben, en verkeerden in den waan dat wij het einddoel onzer reis anderhalve maand nader waren, dan inderdaad het geval was. In de vroolijkste stemming marscheerden wij den volgenden morgen naar Hargazo.
De grond werd hier weelderiger. In koele dalen vond men fris-scher gras en rijker bloementooi. Bonte vlinders fladderden over de schitterende bloesems en uit allerlei granietvorming kon men afleiden, dat wij dicht bij het gebergte waren. Bij Hargazo, waar wij om 11 uur 's morgens aankwamen, maakt de Tana nog eens eene wijde bocht, en daar scheen eindelijk de splitsing te wezen, waar wij zoo lang naar hadden uitgezien. .
De Tana valt [hier bij Hargazo uit haar bovenloop in den middenloop naar beneden in eene reeks van watervalletjes, die 6â7 meter bedragen. Ik begaf me dadelijk met mijn bediende Eukua en eenige Wapokomo per boot naar dezen waterval. âKilolumaquot;, riepen de Wapokomo, toen zij hem zagen. Links van den val buigt een wijde arm in zuidwestelijke richting om. Naar het Noordwesten valt de kiloluma naar beneden. Daar was hij dus eindelijk, naar het scheen! Vol vreugde liet ik mij dicht onder den waterval roeien, welks verkwikkenden stortregen ik met volle teugen genoot. Ik klauterde links de rotsen op, waarvan hij zich naar omlaag stort, en kon daardoor met tamelijke nauwkeurigheid zijne hoogte bepalen.
Ter eere van den voorzitter van het Duitsche Emin Pacha-bestuur, staatsminister von Hofmann, doopte ik hem Hofmann-val en begaf
137
RIVIER- ONDERZOEK.
mij toen weder naar mijne legerplaats terug, om mijnheer v. Tie-demann mijne ontdekking mee te deelen en ze dadelijk op papier te brengen. Ik wist op dezen morgen nog niet, dat âkilolumaquot; niets is als het Ukamba-woord voor een ruischenden stroom of waterval, en dat de gansche boven-Tana bij de Wakamba dezen naam draagt.
Dat er bij deze splitsing, die ik des morgens gezien had, niet van een afzonderlijken stroom van het Noorden sprake was, maar eenvoudig van twee armen van eene en dezelfde Tana, dat kon ik reeds in den namiddag van den 26en October vaststellen. Ik besloot op dezen namiddag, mijne ontdekking van 's morgens op te nemen, en verzocht dus mijn metgezel v. Tiedemann, zich met twee booten in den linker rivierarm stroomopwaarts te begeven, terwijl ik zelf met een troep lieden langs den oever den stroomloop volgde. Ongeveer een half uur opwaarts van de plek, waaide splitsing der rivier beneden den val plaats heeft, vond ik de booten weder, die in de vallen van den zuidelijken arm waren blijven steken,
In mijne verrassing kon ik echter van den hoogen oever vaststellen, dat deze vallen in den zuidelijken arm, eenigszins boven eene riviersplitsing naar het noorden, naar beneden stroomen, zoodat wij dus schijnbaar eene eilandvorming voor ons hadden. Zou de boven-rivierarm één zijn met den stroomloop, dien ik 's morgens van beneden gezien had en die zich in de Hofmann-watervallen naar beneden werpt? Dit moest nagegaan worden. Ik liet dus een boot met groote inspanning naar mij overbrengen, klom er in met mijnheer v. Tiedemann, een Somali en twee Wapokomo en liet die in den noordelijken rivierarm brengen. Hiermee voeren wij een eindweegs naar beneden en gingen toen aan land, om een algemeen overzicht over de streek te verkrijgen. Wij beklommen een heuvel in het noorden der Tana, zoo als mijnheer v. Tiedemann mij voorsloeg, en dien ik naar hem Tiedernann-heuvel gedoopt heb. Van hier uit hadden wij het overzicht, dat wij zochten.
Daar lag in 't westen voor de ondergaande zon een ontzagwekkende bergketen, die zich op onafzienbaren afstand in het noorden
138
MET DE BOOT DOOH DE WATER VALLEKquot;.
verloor. Dat waren de bergen, die wij reeds bij zeer gunstige verlichting van Oda-Boru-Euwa uit gezien hadden, die keten, welke ons hier aanstaarde, en die wii, de oude kaarten volgende, altijd nog als ten minste in verband met het Kenia-gebergte moesten aannemen. Zeer indrukwekkend verhief zich noordwestelijk van ons een bergtop, die in zijn spits eenigszins den vorm van een half omgekeerde ronde tuintafel had. Achter die eerste keten stak de eene bergtop boven den anderen uit. Wij stonden hier blijkbaar tegenover een groot bergland, dat nog geen oog van een blanke aanschouwd kon hebben. Tegen den gloeienden avondhemel kwamen de omtrekken der bergen heel scherp en schilderachtig uit. Gedachtig aan den machtigen band die ons beiden in den vreemde slechts des te inniger aan ons vaderland hechtte, doopte ik deze bergen keizer Wilhelm Il-gebergte, den hoogsten top echter, die zich voor ons naar omhoog hief, Hohenzollern-rots.
De zon zonk in 't westen, en goed- of kwaadschiks moesten we ons uit onze bespiegeling losrukken, om niet in de snel invallende duisternis den terugweg naar de boot en de legerplaats te verliezen. Met eenige moeite gelukte het ons, de boot weder te bereiken, en nu in de toenemende schemering ging het de noordelijke Tana stroomafwaarts in de steeds doller dwarrelende vallen naar beneden. Sissend schoot het kleine vaartuig door het schuim der snelle stroomen. Voortdurend moesten de manschappen het water uitscheppen, dat van alle kanten over de boot heensloeg, om de boot voor zinken te bewaren. Nu dreigde zij tegen een spits rotsblok aan splinters te worden geslagen, dan weder in een kokenden kolk omgeworpen te worden. Het was eene zenuwen stalende vaart van ongeveer een half uur lang, toen wij plotseling het bruisen van den grooten val voor ons vernamen. Onze bootslieden waren eerst met weerzin en afschrik in de bruisende stroomingen gevaren. Van lieverlede hadden zij echter moed gekregen, daar zij wel dachten, dat wij een toovermiddel tegen het omslaan bezaten, en nu wilden zij vol goeden moed ook nog langs den hoogen waterval naar beneden. Met groote inspanning gelukte het, de boot nog juist bij tijds aan den rechteroever te brengen, waar ze aan land gehaald werd.
139
BEVAARBAAEHEID DEE TANA.
Wij waren precies weder onder den Hofmann-val, dien ik 's morgens ontdekt had, en hiermede was dus uitgemaakt, dat het hier bij deze âkilolumaquot; geen zijstroom van het Noorden betrof, maar uitsluitend een riviersplitsing, en dat derhalve het land in het Zuiden slechts een eiland is, dat ik Hofmann-eiland gedoopt heb.
Mijne Galla-gidsen wilden eigenlijk, zooals ook in Oda-Boru-Ruwa afgesproken was, dezen avond naar hun land terug. Ik beval intus-schen twee hunner, mij zoover nog stroomopwaarts te vergezellen, totdat het mij gelukt zoude zijn, andere gidsen te verkrijgen. Ik zond een der Gallas met eenige Wapokomo des nachts naar hunne lieden, om hen omtrent het lot der met ons mee trekkende stam-genooten gerust te stellen.
Zoo ging het dus op den 27eI1 October vol frisschen moed naar het onbekende Westen verder.
Daar ik omtrent de aardrijkskunde dezer landen al heel weinig wist, besloot ik, de proef te nemen, om mijne booten ook verder op de Tana mee te voeren. Vroeger was er beweerd, dat de Tana best tot aan hare uitmonding bevaarbaar kon zijn. Ik besloot derhalve, dit eens te onderzoeken. Eeeds den eersten dag bleek dit niet het geval te zijn, hetgeen in 't geheel geen wonder is te noemen, wanneer men bedenkt, dat de bodem in Hargazo zich ongeveer 300 meter boven den zeespiegel verheft, terwijl wij na den eersten dagmarsch van ongeveer twee mijlen ons reeds op eene hoogte van 460 meter bevonden. In overeenstemming met deze klimming van Hargazo af, die tot de bron der Tana onophoudelijk plaats heeft, is de stroom van nu af niets als eene voortgezette reeks van stroomvallen en stroomversnellingen, die zich herhaaldelijk in ontzagwekkende grootschheid voordoen. Van nu af heeft de daling bij wijze van terrassen plaats. Komt men van het Oosten, dan doet zich zulk een rand van een terras uit de verte als een scherp geteekende berglijn voor. Heeft men zulk een rand bestegen, dan bevindt men zich dadelijk weder op eene vlakke steppe, zooals die van de beneden- en midden-Tana is, om alsdan aan den horizon een nieuw gebergte te zien verrijzen, dat zich later dan wederom als een terrasrand voordoet.
140
BLIK OVER DE BEEGEN.
Zoo gaat het van nu af onophoudelijk door tot na Kikuyu en het Leikipeia-plateau. Door deze gansche hoog-verheven vlakte loopt in 't midden eene geweldige spleet, waarin zich o. a. het Naiwa-scha-meer en het Baringo-meer benevens eene reeks van kleinere meren bevinden. Later komen wij daarop nog wel eens terug. Nu is het voldoende hier op te merken, dat van Hargazo de stij-
ging onophoudelijk plaats heeft, zoodat er verder van bevaarbaarheid geene sprake meer kon zijn.
Onze legerplaats op den 27en October was een oord, dat door de Gallas Jibije genoemd wordt. Hier vormen de heuvelen der keizer Wilhelms-bergketen allermerkwaardigste rotsvormen. Zulk een heuvel van omstreeks 590 meter hoog beklom ik in den namiddag met mijnheer v. Tiedemann, en wij hadden van hier uit nog eens het volle overzicht over de Keizer Wilhelm II-bergen, evenals we in het Noordoosten nog eenmaal de Galla-bergen zagen.
141
m MURDOI,
De booten hadden niet tot Jibije kunnen komen, en zoo ik op dezen avond het uitblijven daarvan nog aan het gemis aan energie mijner lieden meende te moeten toeschrijven, zoo kon ik mij althans den volgenden dag met eigen oogen overtuigen van de volmaakte onmogelijkheid om de Tana verder te bevaren.
Op dezen dag namelijk stortte zich de stroom over eene grauwe en woeste steenmassa, die zeer aan eene of andere rotspartij nabij den Broeken herinnerde en waaraan ik den naam van Duivelsveld gaf. De stroom lost zich hier in eene reeks woedende en bruisende beken op. Alles verliest zich in een grauw schuim, in een woelen en koken van onstuimige golven, en van een eigenlijken stroom is in 't geheel geene sprake meer. Zoodra men het terras dan weer bestegen heeft, doet zich plotseling weder de Tanastroom voor, die op nieuw rustig in 't lommer der woudboomen voortkabbelt. Van nu af ontvangt de Tana eene reeks kleine zijstroomen van het Noorden uit de bergen. Langs den stroom verheft zich, van dag tot dag hooger wordende, eene bergketen, die misschien de zuidelijke helling der Keizer Wilhelmsbergen vormt en die ik Bennigsen-keten genoemd heb.
In het zuiden der Tana komt men nu in een land, dat tot nu toe op de kaarten nog niet voorhanden was, namelijk Murdoi. Drie tot vier mijlen achter Hargazo, begint dit landje, welks uitbreiding naar het Zuiden ik niet heb kunnen vaststellen. Hier doolt de Massai-stam der Wandorobbo met zijne kudden door de steppe, welke stam, voorzoover mij althans bekend is, zich slechts hier over zijne onafhankelijkheid van de eigenlijke Massais verheugt. Tusschen Wakamba en Gallas trekken zij door het land met hunne groote kudden van runderen, schapen, geiten en ezels, op de eene weide na de andere beslag leggende. Evenals de Somalis beneden Oda-Buro-Ruwa, zoo waren ook zij in 't jaar 1889 door de dorheid van het achterland gedwongen, zich met hunne kudden dicht bij de Tana te houden, en dit was een groot geluk voor de Duitsche Emin Pacha-expeditie. Wij hadden tot voorbij Hargazo nog telkens sporen van de Pigottsche expeditie gevonden. Doch plotseling hadden deze sporen opgehouden, en konden wij daaruit dus opmaken.
142
VROUWELIJKE VOETSPOREN.
dat de expeditie in zuidelijke richting afgemarscheerd was. Zij was door gebrek aan voedsel hiertoe gedwongen geweest. Dit lot zouden wij nu in elk geval wel niet ondergaan hebben, daar wij altijd nog eenigen voorraad bezaten, en ik in geen geval op Mombas, maar onder alle omstandigheden beproefd zoude hebben, mij naar Ukamba-Mumoni, van daar naar Ukamba Kitui en van daar uit naar Ba-ringo door te werken. Intusschen begon de toestand toch zeer onaangenaam te worden, daar mijne lieden nog slechts gedeeltelijk de meegegeven proviand met zich voerden.
Zoo stelde ik dus het levendigste belang in de voetsporen, welke wij voor de eerste maal den 28en October ontdekten. Den volgenden dag toen ik, om den weg te bepalen, met de Gallas en eenige Somalis der expeditie vooraan marscheerde, zagen wij op eens vrouwelijke voetsporen van den vorigen dag, die naar eene wadde voerden. Nu was mijn besluit genomen, om aan de onzekerheid, waarin ik mij bij het gemis aan verdere gegevens omtrent de landen voor ons bevond, dadelijk een einde te maken. Waren den vorigen dag vrouwen naar de rivier gegaan, dan moest haar stam ook onmiddellijk in de nabijheid zijn, want die zou zijn dierbaarste bezit, hetwelk de vrouwen uitmaken, niet zoo ver van zich hebben laten gaan. Het was dus aan te nemen, dat de stam, van welk ras hij ook zijn mocht, waartoe deze vrouwelijke voetsporen behoorden, in de onmiddellijke nabijheid der rivier wonen moest. Dit moest men ook vermoeden om de vele voetsporen van schapen en runderen, die overal aan den oever zichtbaar waren. Nu drijven deze stammen hunne kudden tegen den middag naar het water. Het was 11 uur. Ik besloot derhalve, mijnheer v. Tiedemann met de karavaan voorbij te laten trekken en hem de keuze van een geschikte legerplaats op te dragen, terwijl ik zelf intusschen met eenige soldaten en krijgszuchtige Manyemas mij nabij de rivier in eene hinderlaag legde, om op deze wijze betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen.
Mijne manschappen verscholen zich in het struikgewas, ik zette mij op een rotsblok in de wadde zelve. Nauwelijks hadden wij een half uur na den aftocht en het voorbijtrekken der expeditie
143
144 MEISJES _ UIT DEN STAM DER WANDOROBBO.
daar doorgebracht, toen zich plotseling uit het zuiden vroolyk meisjesgebabbel liet hooren. Het waren elf meer of minder jonge meisjes, die met waterkruiken naar de Tana kwamen. Groot was hare verrassing, toen zij plotseling mij, een haar volkomen onbekende, uit de diepte te voorschijn zagen komen.
Met behulp der Gallas gelukte het mij, uit te maken, dat zij tot den stam der Wandorobbo behoorden. Merkwaardigerwijze zagen zij mij met veel meer verrassing en nieuwsgierigheid dan wel met vrees aan en verzetten er zich ook in het geheel niet tegen, toen ik haar te kennen gaf, dat zij mij naar mijn legerplaats moesten volgen. Dat is het oorlogsrecht in deze landen, en de vrouwen weten onder alle omstandigheden, dat bij dergelijke verrassingen haar leven niet in gevaar verkeert.
Ik deelde haar mee, dat ze dadelijk hare vrijheid terug zouden krijgen, wanneer haar stam, die zich sedert eenige dagen reeds schuw op grooten afstand van ons gehouden had, zich genegen toonde, met, mij te onderhandelen over den verkoop van voedingsmiddelen en over het leveren van gidsen. Na een marsch van een uur kwam ik in ons leger aan en ontsloeg dadelijk twee der meisjes met geschenken, om den Wandorobbo mijne vredesvoorstellen mee te deelen.
Terwijl zij weg waren, wilde het toeval, dat althans in de behoefte aan gidsen op eene andere wijze werd voorzien. Plotseling vertoonden zich namelijk drie nieuwe gedaanten in onze legerplaats, drie kloeke jonge lieden, geheel naakt, met slechts een stuk goed om het lijf geslagen en met eene soort van reistasch aan een touw om het hoofd gebonden. Ik liet hun verzoeken wat naderbij te komen, wat zij ook gaarne deden. Zoodra zij intusschen mijne Gallas zagen, sprongen zij eensklaps met groote kapriolen in de hoogte en wilden hunne biezen pakken. Dit liet ik echter niet toe.
Bij nader onderzoek waren het Wakamba-krijgslieden uit de Mumoni-bergen, die op een rooftocht naar vrouwelijke slaven uitgetrokken waren. Zij kenden de landen vóór ons zeer nauwkeurig, en ik deelde hun in alle vriendschap mee, dat zij de goedheid zouden hebben, ons den weg naar Ukamba te wijzen, waar ik ze
DE AFGEZANTEN DER WANDOROBBO.
met geschenken ontslaan zou. Dit stond hun niet bijzonder aan, doch zij dienden zich in het onvermijdelijke te schikken. Terwijl ik hen hieromtrent nog geruststelde, weerklonken er op eenmaal krijgsgeschreeuw en geweerschoten aan den kant, waar een gedeelte mijner Somalis met de kameelen zich gelegerd had. In plaats van zich op vriendschappelijke wijze met mij in te laten, gaven de Wandorobbo er blijkbaar de voorkeur aan, onverhoeds mijn leger aan te vallen, doch zij werden intusschen door salvo's onzer repeteergeweren dadelijk teruggedreven en een heel eind weegs op de vlucht gejaagd. Slechts een hunner was bij deze overrompeling op de plaats gesneuveld.
Ik zond nu twee andere der meegevoerde vrouwen naar den stam, met de mededeeling dat, als ze mochten voortgaan gelijk ze nu zoo dwaas begonnen waren, ik van mijnen kant volslagen oorlog met hen zou voeren, zoodat hun stoutmoedigheid hun wel spoedig berouwen zou. Wilden zij intusschen in vriendschap met mij leven, dan zou ik hun dadelijk ook nog de overige meisjes terugzenden.
Alleen bleef ik er op aandringen, dat zij mij ten minste wat schapen en geiten zouden verkoopen. Door de gebeurtenissen van dien morgen was mijne karavaan zoo opgewonden geraakt, dat zij herhaaldelijk bij dag en ook bij nacht door valsch alarm ontstelde en telkens een vijand voor zich meende te zien. Nu kwam er weer een bericht, dat een mijner dragers aan de rivier door de Massais vermoord geworden was; dan weder werd door een ander blindelings op het struikgewas geschoten, omdat men daar een vijand meende gezien te hebben. Dit alles maakte een zeer noodlottigen indruk, en ik liet dientengevolge nog eens eene omheining om de legerplaats maken.
Tegen drie ure in den namiddag kwamen de afgezanten der Wandorobbo, twee wonderlijke menschenkinderen, vooral voor ons. Geheel ongekleed, het lichaam met roodaarde besmeerd, de haren kunstig in krulletjes om het hoofd gedraaid, vertoonden zij zich voor ons, den koker vol vergiftigde pijlen en den boog over de schouders, lans en Massai-schild in de hand.
i. 10
145
EISCH TOT UITLEVERING.
Wij waren hier dus onder geheel nieuwe stammen en in geheel nieuwe streken. Terwijl bij de Gallas altijd toch nog verkeer met de kust had plaats gehad, ontbrak dit hier geheel, en was er ook niet de geringste aanwijzing, dat zij, laat staan blanken, ooit ook slechts Arabieren of Suahelis gezien hadden. Op luiden hoogmoe-digen toon droegen de afgezanten hun wenschen voor, zoodat ik hun herhaaldelijk te kennen moest geven, dat zij een toontje lager moesten zingen, daar ze met al dit geschreeuw weinig verder bi) mij zouden komen. Zij verlangden de uitlevering hunner meisjes, ik daarentegen verlangde schapen en geiten, en toen zij verklaarden dat men hun daartoe geene machtiging gegeven had, gelastte ik hun, in dit geval morgen vroeg weer te komen en dan den sultan van den stam zelf mee te brengen. Eerst clan zou ik over de uitlevering der vrouwen met hen onderhandelen. Ik gebruikte de avonduren nog, om de legerplaats verder te versterken, en liet ook des nachts scherp toezicht houden. Doch behalve eenige geweerschoten in het wild bleven wij ongestoord.
Ik schreef nu een laatste bericht voor Europa, waarin ik de gebeurtenissen tot den avond van dezen dag, vooral ook mijne ontdekkingen aan de Tana, meedeelde. Ik wilde den volgenden morgen de Gallas met de uit Oda-Boru-Euwa meegenomen Wapokomo naar hun vaderland terug doen keeren en langs dezen weg mijne briefwisseling naar Europa zien te verzenden.
Dit gebeurde den SO611 October nog voor zonsopgang, daar de Gallas vreesden, dat zij door de Wandorobbo of de Wakamba gezien en doodgeslagen zouden worden.
Zooals ik later van Borchert vernam, is Parisa met de zijnen ook gelukkig in Oda-Boru-Euwa weder aangeland, doch heeft van de hem meegegeven brieven voor Europa niets afgeleverd. Ik werd al dadelijk in den vroegen morgen door de blijde tijding verrast, dat er voor ons ontbijt geen vleesch meer voorhanden was, en dat onze bedienden al sedert gisteren geen voedsel meer gehad hadden. Eene allerpleizierigste boodschap, als men zich de volkomene verlatenheid van zulk een toestand voorstelt! Het is zeker veel makkelijker, later een oordeel te vellen over de wijze, waarop zich
146
TERUGGAVE VAN DE MEISJES VOOR VIJF SCHAPEN. 147
iemand uit zulk een wanhopigen toestand gered heeft, dan op de plaats zelve die redding tot stand te brengen.
Ik wierp het geweer op schouder en ging, om toch ten minste iets voor ons te doen, met mijn bediende Eukua uit de legerplaats in de steppe op de jacht. Twee magere duiven waren alles wat ik thuis bracht, na twee uren te hebben rondgezworven. De duiven waren even snel ge- als vergeten.
Tegen elf ure kwamen eindelijk de oudsten der Wandorobbo met de door mij verlangde vijf schapen voor de legerplaats. Nadat wij door elkaar herhaaldelijk te bespuwen getoond en bezworen hadden, dat we het goed met elkaar meenden, traden we in onderhandeling over de ruiling der vrouwen tegen de schapen. De Wandorobbo hebben ons zeker voor zeer slechte kooplui gehouden, daar wij hun voor de vijf schapen de meisjes terug gaven. Eene vrouw in deze landen is door elkaar vijftig schapen waard, en ons eigendomsrecht volgens Afrikaansche begrippen was na al het gebeurde van den vorigen dag onaantastbaar. Snel werden er twee schapen geslacht, een aan de manschappen gegeven, een werd er voor ons en de Somalis in den ketel gestopt en was een uur daarna reeds opgepeuzeld.
Nu liet ik opbreken, om zoo spoedig mogelijk Ukamba Mumoni te bereiken, dat volgens zeggen der Wakamba slechts twee of drie dagen van ons verwijderd was. Door bosschen, over een steenachtig, altijd stijgend terrein leidde de weg. Al voortgaande gelukte het mij een parelhoen te schieten, dat ik Nogola ter hand stelde. De marsch was buitengewoon vermoeiend, vooral kwamen de kameelen maar heel moeilijk vooruit, en moesten zij van tijd tot tijd eens ontlast worden, om de hoogte te kunnen beklimmen.
Om vier uur ontdekte ik, daar ik aan het hoofd der karavaan reed, eene wadde aan de rivier, waar ik besloot te legeren. Ik zond Nogola naar de hoofdcolonne onder mijnheer v. Tiedemann terug, om hem de plaats te toonen, en begaf er mij zelf met eenige Somalis heen, om den arbeid van het wegruimen voor de nederzetting aan te vangen.
Het werd 5 uur, de zon begon te dalen, doch er kwam geen
NOGOLA EN HET PARELHOEN.
mensch. Ik zond twee Somalis terug en smaakte tegen half zes de vreugde, ten minste mijne kameelen de steile helling naar de wadde te zien afdalen.
Maar waar bleven de dragers, waar was mijnheer v. Tiedemann? Tegen 6 uur kwamen we tot de overtuiging, dat de karavaan om de wadde heen gemarscheerd was en zich reeds een heil eind westelijk van ons bevinden moest. Bij haar bevonden zich ook de hoofdlasten mijner tent, mijn veldbed en mijne dekens. Goed- of kwaadschiks moest ik er wel toe besluiten, mij zonder deze artikelen voor den nacht in te richten. De hoofdvraag was echter, mij nog dezen avond met de colonne te vereenigen. Ik zond dus eenige flinke lieden de colonne achterna en stak ouder gewoonte op een heuvel ten westen van ons het struikgewas in brand.
Om 10 uur had ik de vreugde, eenige schoten in de verte te hooren vallen, en spoedig daarop verschenen verscheidene dragers met mijn bagage, dat mijnheer v. Tiedemann mij voor den nacht toezond. quot;Wij wisten nu ten minste wederkeerig waar wij gelegerd waren, zoodat aan de hereeniging voor den volgenden morgen niets in den weg stond, daar ik mijnheer v. Tiedemann opgedragen had, zijnerzijds den aftocht te verschuiven, totdat wij weder bijeen waren.
Zoo ging het dus den volgenden morgen reeds om 5 uur weder naar het Zuidwesten, en omstreeks half acht vond ik mijnheer v. Tiedemann, die met zijne marschvaardige colonne mij opwachtte. Nogola, die deze vergissing op zijn geweten had, had zich intus-schen aan mijn parelhoen te goed gedaan. Misschien had hij de colonne alleen daarom de wadde, waar ik gelegerd was, voorbij laten trekken, om op zijn gemak dit buitenkansje waar te nemen. Doch het zaakje bekwam hem slecht. Ik liet hem tot aller stichting en leering 25 zweepslagen geven en den ganschen dag moest hij geketend blijven. Sedert dezen dag daalde zijn aanzien in de karavaan buitengewoon snel en is ook tot zijn sterfdag, den 22en December, niet weder gestegen.
Den 81en October sloeg ik mijn leger in een heerlijk bosch aan de Tana-rivier op. Ik had dezen dag herhaaldelijk Wandorobbo aan den weg gevonden, die ik uitnoodigde, mij te komen bezoeken en
148
AANVAL DOOR DE WANDOEOBBO.
schapen te koop te bieden. De lieden waren en bleven ondanks hetgeen reeds voorgevallen was, brutaal en onbeschaamd.
Toen ik op den tocht een dezer lieden, die niet bij mij wilde komen, met den kruk van mijn stok bij zijn oorlellen greep, die tot op zijne schouders hingen, en hem naar mij toe trok, beproefde hij ook van zijn kant mij bij de ooren te grijpen. Intusschen, toen wij aan tafel zaten, verscheen het hoofd der Wandorobbo in mijne legerplaats, zooals mij in mijne tent bericht werd. Ik stond van tafel op en begaf me naar hem toe, om hem te vragen, waar de schapen waren, die ik besteld had. Hij zeide, dat de schapen morgen of overmorgen zouden komen. Nu is dit al eene heel magere troost, wanneer men eene hongerige karavaan heeft en zelf ternauwernood nog vleesch voor een dag bezit. Ik zei dus den sultan kortaf, dat ik dit uitstel niet gedoogde, daar ik morgen al opmar-scheerde. Hij zou dus zoo lang in 't leger behooren te blijven, totdat de schapen door zijn stam geleverd waren.
Nu deed de zwarte plotseling zijn luid krijgsgehuil weerklinken, en in hetzelfde oogenblik werd ons leger van alle kanten beschoten met de vergiftigde pijlen der Wandorobbo, waarvan een mij bijna getroffen had. Dadelijk liet ik den Sultan grijpen en ketenen, greep hem toen bij de ooren en duwde hem daarop als eene soort van schild voor mij heen op de schietende Wandorobbo af. Mijnen lieden verbood ik, op hen te vuren, daar ik vrede met hen wenschte te hebben.
Daar zij natuurlijk niet op hun sultan mochten schieten, waren zij gedwongen, ook hunnerzijds op te houden, en kon ik door gebaren en door eenige woorden, die ik radbraakte, in de eerste plaats den Sultan en door dezen zijn lieden verstaanbaar maken, dat, ingeval zij mij nog dien zelfden avond vijf schapen en vier ezels brachten, ik hun den Sultan zou uitleveren en kleeder-stoffen ten geschenke geven. Dit verdrag werd door herhaald bespuwen tusschen den sultan en mij voor al het volk bezegeld, en de Wandorobbo trokken af, om het losgeld voor hun bij mij verblijvend hoofd bijeen te brengen. Tusschen den Sultan en mij ontstond in den loop van den namiddag eene zeer vriendschappelijke
149
DE WANDOBOBBO WOEDEN GEFOPT.
verhouding, en toen tegen den avond, al waren het ook geene ezels, toch acht schapen aankwamen, schonk ik het opperhoofd en verscheidenen zijner grooten roode kleederstoffen en liet hen ongedeerd heengaan.
Den volgenden morgen verwachtte ik de Wandorobbo volgens afspraak van den vorigen avond nog eens, om nog meer vleesch van hen te koopen. Om den tijd totdat zij zouden komen, niet ongebruikt te laten voorbijgaan, ging ik intusschen met Hussein Fara en Rukua den rivieroever langs, om eens na te gaan, of er ook een weg in de onmiddellijke nabijheid der rivier voor de ka-meelen was, zoodat ik den lastigen omweg door de steppe, daar ik 's avonds toch weer naar de rivier terug moest, zou kunnen vermijden. Nadat wij het terrein verkend hadden, moesten we tot ons leedwezen bevestigen, dat er zulk een weg langs de rivier niet was, daar de bergen plotseling aanvingen, steil naar de rui-schende Tana te dalen.
Ik keerde naar de legerplaats terug en liep juist door het droge bed van een zijstroompje, dat in den regentijd zijn water in de Tana pleegt te storten. We waren juist te midden van deze droge bedding, toen plotseling uit het struikgewas voor mij een honderdtal Wandorobbo-negers, met hunne pijlen aangelegd, voor den dag sprongen. Ik wilde mij van deze onpleizierige buurtschap in het bosch aan de andere zijde van het stroompje terugtrekken, toen ook daar Wandorobbo opdoken, en plotseling ook de rivierkant naar de Tana toe bezet werd. Ik was in den val geloopen, en de heeren zouden nu hunne schade van den vorigen dag eens kunnen inhalen.
Ik liet hun mijne verlegenheid niet merken, maar lachte vriendelijk en wenkte met de hand, dat ze een oogenblik zouden wachten, terwijl ik met een schijnbaar vroolijk gezicht een boom aan de overzij van het droge bed naderde.
Zoodra ik dezen bereikt had, haalde ik mijne buks, die nog in het foedraal stak, er uit en legde aan, terwijl ik intusschen voortdurend als vredesteeken bosjes gras in de lucht zwaaide, hetgeen overal de Afrikaansche mode schijnt te zijn. Ik gaf den Wandorobbo nu te kennen, dat mijn bediende Rukua naar de legerplaats
150
DE VREDE WOEDT HERSTELD.
zou gaan, om geschenken voor hen te halgji, waartegen ik van hen een geschenk in schapen verwachtte.
Eukua stapte toen ijlings naar het leger terug met het bevel, behalve de geschenken, mij ook twaalf man mijner soldaten naar hier te brengen. Daar het vergif der Wandorobbo-pijlen, dat zij uit boomschors trekken, onmiddellijk den dood ten gevolge heeft, was mijn toestand in de eerstvolgende drie kwartier juist niet zeer aangenaam. De Wandorobbo beproefden voortdurend, al was het ook misschien niet met eene vijandige bedoeling, dichter bij mij te komen, waartegen ik hun steeds te kennen gaf, dat zij zouden blijven waar zij waren, totdat de geschenken kwamen.
Eindelijk naderden mijne soldaten, en hierdoor was de stand van zaken geheel veranderd. Ik plaatste hen met aangelegde repeteergeweren in een halven kring achter mij, legde mijnerzijds de buks neer en gaf nu den sultan der AVandorobbo, mijn vriend van gisteren, te kennen, dat hij ook van zijnen kant pijl en boog uit de hand zoude leggen en in het midden van het rivierbed met mij een persoonlijk onderhoud hebben.
Nadat wij elkaar driemaal bespuwd hadden, behoefde er voor een overval geenerlei bezorgdheid meer te bestaan, en wij maakten nu te zamen uit, dat de Wandorobbo tien schapen zouden brengen, waartegen ik hun toestond, dat zij hunne gezamenlijke kudden vrij en frank aan de wadde, die ik van mijne legerplaats uit beheer-schen kon, mochten drenken. Bovendien beloofde ik hun heel mooie kleedingstoffen. We schudden elkaar de hand, waarbij de Sultan en ik niet verzuimden, eerst ten bewijze onzer oprechte bedoelingen ieder er in te spuwen, hetgeen in het algemeen bij alle Massai-stammen onder vrienden de zeer gewone wijze van begroeten is. Wij spuwden elkaar nog eens in 't gezicht en gingen toen als goede vrienden ieder onzen eigen weg.
Toen ik in het leger aankwam, gaf ik onmiddellijk bevel, dat mijnheer v. Tiedemann met de kameelen om het woud in de steppe zou trekken. Ik wilde slechts nog met een gedeelte mijner lieden op de tien schapen wachten, die de Wandorobbo ons beloofd hadden, om dan de langzaam loopende kameelen snel in te halen. Ik
151
GEDWONGEN RUST.
begaf me derhalve met tien of twaalf man naar de rivier, waar ook spoedig de Wandorobbo verschenen. De schapen hadden ze intusschen nog niet meegebracht. Eerst moesten wij lever te zamen eten, ten teeken, dat ook onze stammen onderling in vrede leefden; dan zouden zij mij de tien schapen geven.
De zon begon reeds heet te branden, en daar de Wandorobbo zich allerlei onbetamelijkheden begonnen te veroorloven, en verlangden dat ik hun mijne borst zoude toonen, dat ik mijne laarzen zou uittrekken, en al dergelijke grappen meer, zoo geraakte ik meer en meer uit mijn humeur, daar ik volstrekt geen lust had, als een hansworst door deze stammen heen te trekken. Ik verbood hun dus die onbeschoftheden op een vrij barschen toon en zond hen weg met de bedreiging dat, als ze nu de schapen niet brachten, ik het verdrag als verbroken beschouwde.
Mijn humeur werd er niet beter op, toen ik op eenmaal de kameelen van de rivierzijde weder zag terugkomen. Von Tiedemann had alzoo geen weg gevonden. Het was dus duidelijk, dat ik dezen dag nog op de zelfde plaats zou blijven, en ik bracht slechts mijn leger uit het bosch naar de open plek, waar ik mij bevond, om dichter bij de ontknooping te zijn, die hier, aan de rivier, toch wel zoude plaats hebben.
De tenten werden opgeslagen, en ik zette mij toen met mijnheer v. Tiedemann aan ons karig maal neer, toen plotseling de Somalis met een boos gezicht onze tent kwamen binnenstormen en meedeelden, dat de Wandorobbo eene groote massa vee naar de rivier dreven. Verstoord zagen de Somalis er altijd uit, wanneer zij vee in vreemde handen zagen, maar hier in het bijzonder, omdat het goede zoo onder hun bereik was en zij zelve zulk een geduchten honger hadden.
Geheel in gedachte hadden vijf hunner twintig geitjes mee in onze legerplaats gebracht, die zij, naar zij beweerden, aan de rivier âgevondenquot; hadden. Daar intusschen zulk een nakomen van verdragen niet beantwoordt aan onze opvatting van eerlijkheid en trouw, stond ik dadelijk van tafel op en bracht persoonlijk de twintig geitjes naar de Wandorobbo terug, terwijl deze druk bezig
152
NIEUWE MOEILIJKHEDEN.
waren, de eene kudde na de andere in en uit het water te drijven. Ik had ten bewijze mijner vriendschappelijke gezindheid slechts twee man meegenomen en voor mij zeiven alleen mijn revolver met zes loopen in den zak gestoken. Nu liet ik ook kleederstoffen brengen, om mijne belofte aangaande de geschenken te vervullen, doch verlangde nu opnieuw, dat de Wandorobbo van hun kant insgelijks de beloofde tien schapen zouden geven. Met een norsch gezicht kwamen zij eindelijk op bevel van hun Sultan er met vijf aan. Een dezer werd dadelijk geslacht, de lever er uitgenomen en zonder veel plichtpleging in 't vuur gelegd, waarop ieder van ons er een stuk van kreeg. Hiermee was dus ook de vrede tusschen ons en de Wandorobbo bezegeld.
Ik verlangde nu nog eenmaal mijne tien schapen, en werd wantrouwend toen ik bespeurde, dat de krijgslieden of Elmoran der Wandorobbo hunne hoofden bij elkander staken, en er ook gedaanten links in het bosch opdoken.
De Wandorobbo wezen mijne kleederstoffen van de hand, en toen zei ik hun, dat ik naar mijne legerplaats zou sturen om een vracht ijzerdraad te halen, dat zij misschien liever hadden. Ik zond dus Hussein Para naar onze legerplaats met een briefje aan v. Tiede-mann, waarin ik hem verzocht, met 30 man naar de plaats onzer onderhandeling te komen, en met het bevel aan de Somalis, om zich door de droge wadde te begeven en deze te bezetten, voorts om op een trompetsignaal dat ik hun geven zou, zooveel vee in ons leger te drijven als zij maar machtig konden worden, en, zoodra zij eene kudde hadden, een schot af te vuren.
De eene kudde na de andere kwam nu uit de rivier naar den oever en toen de laatste het water verlaten had, lieten de Wandorobbo ook plotseling van de vier nog aanwezige schapen er drie loopen, zoodat slechts een heel mager exemplaar voor mij overbleef. Op éénmaal snorde er een pijl langs mijn oor. Ik hield mij kalm en riep hun toe:
âPast op, jullie honden!quot; en liet heel bedaard mijn goederen inpakken, welke ik beval, naar de legerplaats terug te brengen. Spoedig verscheen Hussein Para weder met de mededeeling, dat
153
DE WANDOROBBO WOEDEN GEFOPT.
verhouding, en toen tegen den avond, al waren het ook geene ezels, toch acht schapen aankwamen, schonk ik het opperhoofd en verscheidenen zijner groeten roede kleederstoffen en liet hen ongedeerd heengaan.
Den volgenden morgen verwachtte ik de Wandorobbo volgens afspraak van den vorigen avond nog eens, om nog meer vleesch van hen te koopen. Om den tijd totdat zij zouden komen, niet ongebruikt te laten voorbijgaan, ging ik intusschen met Hussein Fara en Eukua den rivieroever langs, om eens na te gaan, of er ook een weg in de onmiddellijke nabijheid der rivier voor de ka-meelen was, zoodat ik den lastigen omweg door de steppe, daar ik 's avonds toch weer naar de rivier terug moest, zou kunnen vermijden. Nadat wij het terrein verkend hadden, moesten we tot ons leedwezen bevestigen, dat er zulk een weg langs de rivier niet was, daar de bergen plotseling aanvingen, steil naar de rui-schende Tana te dalen.
Ik keerde naar de legerplaats terug en liep juist door het droge bed van een zijstroompje, dat in den regentijd zijn water in de Tana pleegt te storten. We waren juist te midden van deze droge bedding. toen plotseling uit het struikgewas voor mij een honderdtal quot;Wandorobbo-negers, met hunne pijlen aangelegd, voor den dag sprongen. Ik wilde mij van deze onpleizierige buurtschap in het bosch aan de andere zijde van het stroompje terugtrekken, toen ook daar Wandorobbo opdoken, en plotseling ook de rivierkant naar de Tana toe bezet werd. Ik was in den val geloopen, en de heeren zouden nu hunne schade van den vorigen dag eens kunnen inhalen.
Ik liet hun mijne verlegenheid niet merken, maar lachte vriendelijk en wenkte met de hand, dat ze een oogenblik zouden wachten, terwijl ik met een schijnbaar vroolijk gezicht een boom aan de overzij van het droge bed naderde.
Zoodra ik dezen bereikt had, haalde ik mijne buks, die nog in het foedraal stak, er uit en legde aan, terwijl ik intusschen voortdurend als vredesteeken bosjes gras in de lucht zwaaide, hetgeen overal de Afrikaansche mode schijnt te zijn. Ik gaf den AVando-robbo nu te kennen, dat mijn bediende Rukua naar de legerplaats
150
DE VBEDB quot;WORDT HERSTELD.
zou gaan, om geschenken voor hen te halQn, â waartegen ik van hen een geschenk in schapen verwachtte.
Rukua stapte toen ijlings naar het leger terug met het bevel, behalve de geschenken, mij ook twaalf man mijner soldaten naar hier te brengen. Daar het vergif der Wandorobbo-pijlen, dat zij uit boomschors trekken, onmiddellijk den dood ten gevolge heeft, was mijn toestand in de eerstvolgende drie kwartier juist niet zeer aangenaam. De Wandorobbo beproefden voortdurend, al was het ook misschien niet met eene vijandige bedoeling, dichter bij mij te komen, waartegen ik hun steeds te kennen gaf, dat zij zouden blijven waar zij waren, totdat de geschenken kwamen.
Eindelijk naderden mijne soldaten, en hierdoor was de stand van zaken geheel veranderd. Ik plaatste hen met aangelegde repeteergeweren in een halven kring achter mij, legde mijnerzijds de buks neer en gaf nu den sultan der Wandorobbo, mijn vriend van gisteren, te kennen, dat hij ook van zijnen kant pijl en boog uit de hand zoude leggen en in het midden van het rivierbed met mij een persoonlijk onderhoud hebben.
Nadat wij elkaar driemaal bespuwd hadden, behoefde er voor een overval geenerlei bezorgdheid meer te bestaan, en wij maakten nu te zamen uit, dat de Wandorobbo tien schapen zouden brengen, waartegen ik hun toestond, dat zij hunne gezamenlijke kudden vrij en frank aan de wadde, die ik van mijne legerplaats uit beheer-schen kon, mochten drenken. Bovendien beloofde ik hun heel mooie kleedingstoffen. We schudden elkaar de hand, waarbij de Sultan en ik niet verzuimden, eerst ten bewijze onzer oprechte bedoelingen ieder er in te spuwen, hetgeen in het algemeen bij alle Massai-stammen onder vrienden de zeer gewone wijze van begroeten is. Wij spuwden elkaar nog eens in 't gezicht en gingen toen als goede vrienden ieder onzen eigen weg.
Toen ik in het leger aankwam, gaf ik onmiddellijk bevel, dat mijnheer v. Tiedemann met de kameelen om het woud in de steppe zou trekken. Ik wilde slechts nog met een gedeelte mijner lieden op de tien schapen wachten, die de Wandorobbo ons beloofd hadden, om dan de langzaam loopende kameelen snel in te halen. Ik
151
GEDWONGEN BUST.
begaf me derhalve met tien of twaalf man naar de rivier, waar ook spoedig de Wandorobbo verschenen. De schapen hadden ze intusschen nog niet meegebracht. Eerst moesten wij lever te zamen eten, ten teeken, dat ook onze stammen onderling in vrede leefden; dan zouden zij mij de tien schapen geven.
De zon begon reeds heet te branden, en daar de Wandorobbo zich allerlei onbetamelijkheden begonnen te veroorloven, en verlangden dat ik hun mijne borst zoude toonen, dat ik mijne laarzen zou uittrekken, en al dergelijke grappen meer, zoo geraakte ik meer en meer uit mijn humeur, daar ik volstrekt geen lust had, als een hansworst door deze stammen heen te trekken. Ik verbood hun dus die onbeschoftheden op een vrij barschen toon en zond hen weg met de bedreiging dat, als ze nu de schapen niet brachten, ik het verdrag als verbroken beschouwde.
Mijn humeur werd er niet beter op, toen ik op eenmaal de kameelen van de rivierzijde weder zag terugkomen. Von Tiedemann had alzoo geen weg gevonden. Het was dus duidelijk, dat ik dezen dag nog op de zelfde plaats zou blijven, en ik bracht slechts mijn leger uit het bosch naar de open plek, waar ik mij bevond, om dichter bij de ontknooping te zijn, die hier, aan de rivier, toch wel zoude plaats hebben.
De tenten werden opgeslagen, en ik zette mij toen met mijnheer v. Tiedemann aan ons karig maal neer, toen plotseling de Somalis met een boos gezicht onze tent kwamen binnenstormen en meedeelden, dat de Wandorobbo eene groote massa vee naar de rivier dreven. Verstoord zagen de Somalis er altijd uit, wanneer zij vee in vreemde handen zagen, maar hier in het bijzonder, omdat het goede zoo onder hun bereik was en zij zelve zulk een geduchten honger hadden.
Geheel in gedachte hadden vijf hunner twintig geitjes mee in onze legerplaats gebracht, die zij, naar zij beweerden, aan de rivier âgevondenquot; hadden. Daar intusschen zulk een nakomen van verdragen niet beantwoordt aan onze opvatting van eerlijkheid en trouw, stond ik dadelijk van tafel op en bracht persoonlijk de twintig geitjes naar de Wandorobbo terug, terwijl deze druk bezig
152
NIEUWE MOEILIJKHEDEN.
waren, de eene kudde na de andere in en uit het water te drijven. Ik had ten bewijze mijner vriendschappelijke gezindheid slechts twee man meegenomen en voor mij zeiven alleen mijn revolver met zes loopen in den zak gestoken. Nu liet ik ook kleederstoffen brengen, om mijne belofte aangaande de geschenken te vervullen, doch verlangde nu opnieuw, dat de Wandorobbo van hun kant insgelijks de beloofde tien schapen zouden geven. Met een norsch gezicht kwamen zij eindelijk op bevel van hun Sultan er met vijf aan. Een dezer werd dadelijk geslacht, de lever er uitgenomen en zonder veel plichtpleging in 't vuur gelegd, waarop ieder van ons er een stuk van kreeg. Hiermee was dus ook de vrede tusschen ons en de Wandorobbo bezegeld.
Ik verlangde nu nog eenmaal mijne tien schapen, en werd wantrouwend toen ik bespeurde, dat de krijgslieden of Elmoran der Wandorobbo hunne hoofden bij elkander staken, en er ook gedaanten links in het bosch opdoken.
De Wandorobbo wezen mijne kleederstoffen van de hand, entoen zei ik hun, dat ik naar mijne legerplaats zou sturen om een vracht ijzerdraad te halen, dat zij misschien liever hadden. Ik zond dus Hussein Fara naar onze legerplaats met een briefje aan v. Tiede-mann, waarin ik hem verzocht, met 30 man naar de plaats onzer onderhandeling te komen, en met het bevel aan de Somalis, om zich door de droge wadde te begeven en deze te bezetten, voorts om op een trompetsignaal dat ik hun geven zou, zooveel vee in ons leger te drijven als zij maar machtig konden worden, en, zoodra zij eene kudde hadden, een schot af te vuren.
De eene kudde na de andere kwam nu uit de rivier naar den oever en toen de laatste het water verlaten had, lieten de Wandorobbo ook plotseling van de vier nog aanwezige schapen er drie loopen, zoodat slechts een heel mager exemplaar voor mij overbleef. Op éénmaal snorde er een pijl langs mijn oor. Ik hield mij kalm en riep hun toe:
âPast op, jullie honden!quot; en liet heel bedaard mijn goederen inpakken, welke ik beval, naar de legerplaats terug te brengen. Spoedig verscheen Hussein Fara weder met de mededeeling, dat
153
EEN GOEDE VANGST.
mijne bevelen uitgevoerd werden, en weldra kwam ook mijnheer v. Tiedemann met 30 man aanstappen. Nu liet ik plotseling de trompet blazen en trok langzaam naar mijne legerplaats terug.
Toen mijne lieden aankwamen, waren de Wandorobbo eensklaps in het struikgewas verdwenen. Ik verzocht mijnheer v. Tiedemann, hen langs de open plek en de droge rivierbedding te volgen en met zijne 30 man deze te omsluiten. Ik ging toen kalm naar mijne legerplaats terug, toen plotseling het zoo vurig door mij verwachte schot uit het boschje viel.
Nu liet ik dadelijk door de lieden die in 't kamp achtergebleven waren, eene omheining maken voor 't vee, dat de hemel ons zenden mocht, zette me toen in mijne tent en wachtte de dingen af die komen zouden. Zoo had ik misschien 20 minuten gezeten, toen ik getrappel hoorde alsof er een aanval van ruiterij plaats had. Schapen en geiten sprongen en huppelden vroolijk door elkaar, en ook een ezel was meegeloopen â in vergissing, zooals de Somalis, die er achterna kwamen, doldriftig uitriepen.
De schapen werden nu naar 't water gedreven en door mijne manschappen omringd en bewaakt, totdat de omheining gereed was. Omstreeks tien minuten later kwam ook mijnheer v. Tiedemann, die de quot;Wandorobbo zoo mogelijk tusschen twee vuren had moeten nemen; doch hij had geen Wandorobbo meer gezien. Hij was natuurlijk niet minder blijde, toen hij al die schapen zag.
Nu ging men aan het slachten, braden en smullen. Iedere vijf man kregen een schaap of twee man een geitje. Het was vreugde bovenal, zang en dans wisselden elkaar af. Wij hadden 250 stuks klein vee in handen, en daarmee had het hongerlijden in onze karavaan voor goed een einde genomen. Het alleraangenaamste voor mij bij al het gebeurde was, dat er vooreerst in 't geheel geen menschenbloed vergoten werd, en voorts, dat ik mij volkomen in mijn recht voelde om te handelen zoo als ik gedaan had.
Ik liet des nachts het kamp terdege bewaken en ook nu en dan lichtraketten over het struikgewas in den omtrek werpen. Maar het bleek al spoedig, dat die voorzichtigheidsmaatregelen overbodig waren. De Wandorobbo, die van meening waren, zooals ik later
154
KROKODILLEN EN HET VLOT.
van de Wakamba vernam, dat de duivel in persoon met groot gevolg in hunne landen verschenen was, waartoe hun mijn vooroverhangende slappe hoed en ook mijne zwarte vonkelende brillenglazen, waarmee ik bij de beraadslagingen placht te komen, aanleiding hadden gegeven, dropen des nachts met hunne kudden af. Ik heb verder nooit meer iets van hen te zien gekregen.
Den volgenden morgen wilde ik de Tana op deze plaats overtrekken, daar mijnheer v. Tiedemann met de Somalis van meening was, dat ook behalve het beuken woud geen weg aan den rechter Tana-oever stroomopwaarts voorhanden was.
Reeds vroeg in den morgen liet ik dus mijne lieden door de rivier, die hier zeer breed was, gaan, om te zien of ze op deze plek voor ons doorwaadbaar was. Het was allermerkwaardigst, dat juist van dezen November-morgen af de Tana voortdurend zwol, zoodat op den namiddag reeds de geheele zandige plek aan 't water, waar de onderhandelingen van den vorigen dag hadden plaats gehad, onder water stond en des nachts het water tot zelfs in ons kamp drong.
Mijne lieden verloren allen lust om verder door de Tana te plassen, toen plotseling eene reeks verdachte donkere punten hen naderden, die zich spoedig als even 700 vele krokodillen deden kennen en welke ik door mijn bukskogels wel van de oppervlakte wist te verjagen, maar die daarom toch niet verwijderd konden worden.
Ik begon dus reeds om 9 uur vol ijver een vlot te bouwen, waartoe mijne lieden 50 boomstammen, die zooveel mogelijk gelijkvormig dienden te zijn, moesten aanbrengen. Tegen 12 uur was het vlot gereed, maar toen ik de proef nam, om slechts geheel alleen er mee op 't water te varen, zonk het zware hout als een baksteen naar den grond. Die proef was dus volmaakt mislukt. Nu schoot er mij niets over dan de rest van den dag aan het zoeken naar een weg voor mijne karavaan aan onzen Tana-oever te besteden. Ik zond de beste mijner manschappen daartoe uit en het gelukte hun ook, een marschweg voor den volgenden dag te bepalen.
155
STEEDS VLEESCH IX OVERVLOED.
In den morgen van den 3en November ging het dus onder trommelslag weder voorwaarts, steeds berg op, berg af, door struikgewas en woud. Maar wij kwamen toch voorwaarts en, wat het prettigste en zeker het voornaamste was: ook onze kudde schapen en geiten liep vroolijk mee. Al deze kudden zijn liet zwervend leven zoo gewend en kunnen daarom niet geheel en al met een Europeeschen maatstaf gemeten worden.
Van dit oogenblik af heb ik gedurende den geheelen verderen loop der expeditie kudden met mij voortgedreven. Hierdoor verviel geheel en al die ellendige zorg voor het dagelijksch voedsel; men kon zich, al marscheerende, op de aankomst in de legerplaats en op het middagmaal verheugen, in plaats van met eene soort van schrik aan deze aankomst en de daarmee gepaard gaande akelige tooneelen te denken. Hierdoor kreeg de geheele marsch een veel vriendelijker karakter. Voor het zware onrecht, dat ons de Engel-schen berokkend hadden door het wegnemen onzer ruilartikelen, scheen mij dit eene groote vergoeding toe, en ik begon den twijfel aan het doorzetten en gelukken der op mij genomen taak meer en meer op te geven.
Dezen dag was ik gelegerd aan een liefelijken waterval, en wel onmiddellijk daar beneden aan eene droge plek bij de rivier, zoodat wij van den verkoelenden stofregen vóór onze tent konden genieten als wij slechts wilden. Aan den anderen kant der Tana vertoonde de Bennigsen-keten van dag tot dag ontzagwekkende! vormen. Een mooi beukenbosch omgaf mijn kamp, waar het nu allervroolijkst toeging, daar de manschappen door dien overvlo.ed van voedingsmiddelen heel opgeruimd waren.
Toen ik druk in mijne tent zat te schrijven, kwam op eenmaal Manyema Barakka, omringd door de zijnen, luid weenend naar mijne tent toegeloopen. Mijne lieden hadden de gewoonte om den namiddag met visschen door te brengen. Ook Barakka had een zeer grooten .bewoner der Tana met een hengel uit den koelen stroom geslingerd. Maar de visch had dat grapje heel kwaad opgenomen en Barakka terdege in den vinger gebeten. Als een zwartje bloed ziet, zet hij 't op een huilen, en de lieden keken vreemd op.
156
DE BETO O VERING DER WILDERNIS.
toen ik de zaak niet zoo tragisch opnam, hetgeen zij ook in't geheel niet was, want een weinig ijzerchloride was voldoende om het bloed te stillen.
Des nachts kwam er een zwaar onweder opzetten, welks rollende donder harmonisch met den ruischenden waterval ineensmolt; dit was de eerste duidelijke aanwijzing, dat de kleine regentijd voor de deur stond.
Steeds grootscher werden nu de vormen van het landschap, steeds woeliger de Tana, steeds geweldiger de bergomtrekken aan de overzij en het woud, dat ons omsloot. De Tana stort zich hier op korte afstanden onafgebroken in machtige watervallen in de diepte. Terras na terras hadden wij te beklauteren. Wij stegen dagelijks wel meer dan 100 meter. Daarbij omgaf ons de gansche geheimzinnige betoovering der wildernis. Geen spoor van eenig menschelijk wezen ontdekten we in 't beukenwoud, waarin we ons nu bevonden. Hier waren wel paden, maar het waren de nette wegen, welke de nijlpaarden plegen te maken, en die wij altijd maar een kort eind konden volgen, daar zij steeds weder op de rivier uitloopen. Hier baant de rhinoceros zich een weg door het struikgewas, en iederen nacht brult de leeuw en huilt de jakhals om ons leger. Daarbij blies de zuidwest-mousson door de toppen der oerwoud-boomen en voegde zich bij het koor dezer dierenwereld, en de Tana loeide, dat wij dikwerf de rotsen aan hare oevers beneden ons voelden trillen. Een machtig concert in zijne harmonie, zooals men het niet indrukwekkender zoude kunnen hooren.
De grootsche natuur alhier lokt tot vergelijkingen uit. Het zijn niet de groote, lommerrijke wouden van Zuid-Amerika, noch struikgewas, gelijk de wouden in Indië, doch bosschen met dun, zwak, laag hout, welks half uitgegroeide stammen en karig gebladerte niet altijd lommer tegen de tropische zon aanbieden. Niets in deze boomen herinnert er u aan, dat gij in de keerkringen zijt. Hier en daar ontmoet men een borassus of waaierpalm, een euphorbia, een mimosa of een graf-boahab. Bij nauwkeuriger onderzoek zal men zeer zeker merkwaardige kruip- en slingerplanten ontdekken, terwijl vreemde orchideeën hare zonderlinge bloemen tusschen de takken
157
HET LANDSCHAP IN AFRIKA.
verbergen. Het uiterlijk boomtype is echter hetzelfde als in Europa: boomen, die sprekend op onze esch, beuk en olm gelijken, doch alleen zelden zoo groot zijn, behalve bij de stroomen, en nooit zoo mooi. Dagen achtereen kunt gij door deze wouden wandelen, zonder dat iets, behalve het klimaat, er u aan herinneren zal waar gij zijt. Ongetwijfeld zijn de dieren geheel anders, maar als gij er niet naar zoekt, zult gij er zelden een vinden. Wat de rotsen betreft, deze zijn de ons gemeenzaam bekende gneiss en granieten, met basaltaderen er tusschen. Duizenden en duizenden mijlen van uitgestrekte magere wouden, zonder lommer en zonder voetpad â wouden op de bergen en wouden in de vlakte â ziedaar Cen-traal-Afrika.
De ondoordachte lof, die vroeger aan den tropischen plantengroei verspild werd, heeft door latere reizigers menigen schok gekregen. In het Kafferland, in Zuid-Afrika, vindt men wouden, die inderdaad zoo mooi zijn, dat zij de geestdrift van de overdreven schilders dei-keerkringen wel rechtvaardigen; maar wat het centraal-plateau betreft, is het nauwkeurig oordeel van Alfred Hussel Wallace betreffende den evenaarsgordel in het algemeen ook op deze gansche vlakte van toepassing. De fraaie doolhoven van varens en palmen, de festoenen van pluimplanten, die de paden versperren en de wouden vervullen met geurende, schitterende bloemen, de prachtige zwermen insecten, de vogels met hunne veelkleurige pluimage, de papegaaien, de apen, die van hun hooge takken zich in het lommerrijk hout slingeren â dit alles is in Afrika onbekend. Eens in de week zal men een palmboom zien, eenmaal in de drie maanden zal een aap uw pad kruisen; bloemen zijn er weinig over het algemeen; de boomen zien er schraal uit, en eerlijk gezegd, alhoewel de eindelooze met bosschen begroeide bergen uit zich-zelven iets grootsch hebben, en ofschoon er hier en daar langs de bergstroomen uitnemend schoone punten zijn, is er toch niets wat in liefelijkheid en gratie met een bergpas in een der schoonste streken van Europa vergeleken kan worden. Het grootste gedeelte van het jaar zijn deze wouden door de zon verbrand, met mos noch dergelijke kruiden bedekt, de naakte stammen zijn met weinig
158
DIEREX IN OVERVLOED.
mosplanten versierd en hunne bewegelijke, dorre bladeren hangen slap aan de droge takken. Bloemen zijn er, zoo kleine als groote, in eindelooze verscheidenheid, maar er is daar geen rijkdom van, geene schitterende uitstalling van bloesems in massa, zooals de heldere stekelbrem en het heidekruid in Europa. De oogverblindende zonneglans in de verzengende luchtstreek heeft misschien met dit gemis aan kleureffect in de tropische streken wel wat te maken, want een tiental minuten na zonsondergang verandert de geheele toon van het landschap als bij tooverslag, en ligt er over het gansche tooneel eene bijzondere schoonheid verspreid. Dit is het schoonste oogenblik van den Afrikaanschen dag, en de nacht verjaagt te snel de heerlijke stemming en brengt dankbaar aanvaarde rust aan de overprikkelde oogen.
Op deze plek waren er echter dieren in overvloed, want op den 4en November scheelde het al heel weinig, of ik zou over een leeuw gestruikeld zijn, toen ik bezig was om een paadje naar de rivier te onderzoeken. De leeuw maakte zich gelukkig dadelijk uit de voeten, want ik had geen buks bij mij. In de Tana wemelt het hier van duizenden, bijna zou men zeggen honderdduizenden van nijlpaarden. Somwijlen lagen zij zoo dicht tegen elkander aangedrongen in de rivier, dat men gemeend zoude hebben, heel makkelijk over hunne koppen naar de overzijde te kunnen gaan. De lust daartoe verging echter spoedig, wanneer men hunne goede vrindjes, de krokodillen, in niet minder groot aantal dikwijls heel vreedzaam op een zandbank of op een steen in de rivier naast hen zag slapen. Zij werden menigmaal het doel van mijn goede dubbele buks, al is het mij ook niet gelukt, een dezer krokodillen doodelijk te treffen, waarin ik bij de rivierpaarden menigmaal slaagde.
Den 6en November om acht uur 's morgens bereikten wij den waterval Kiloluma, waar de straatweg van Mombas door Ukamba Mumoni over de Tana naar Mbe en verder westelijk langs den Kenia voorbij naar Lorian voert.
Nu moet men zich onder eene karavaanstraat geen straat- of landweg gaan voorstellen, zooals die in Europa zijn. Het is een-
159
â WATERMASSA IN DE TANA.
voudig een smal paadje, dat door het struikgewas loopt, en waarlangs elke paar jaren eenmaal eene Mombaskaravaan of Wakamba trekken.
Het is deze plek die zeker reiziger tot de bewering aanleiding gaf, dat Wakamba hem verteld hadden, dat zij de rivier Kiloluma overgetrokken waren, om naar Mbe te gaan, waarvan zeker de geheel verkeerde opvatting van de zij-rivier Kiloluma in de Tana afkomstig is.
Reeds een half uur, voor wij de Kiloluma bereikten, voelden wij de bergen onder ons trillen en beven, en inderdaad, wanneer men boven den quot;waterval staat en in den gapenden afgrond kijkt, dien de neerstortende massa daar vormt, is het alsof men in den afgrond der hel blikt. En toch is deze val nog bij verre na niet de grootste in de Tana, en zouden we nog heel wat grootere te zien krijgen.
De watermassa in de Tana hier is zoo ontzagwekkend, dat dooiden val eene hoeveelheid kracht ontwikkeld wordt, die ik niet in staat ben te schatten, maar die verbazend moet wezen. Aan dezen overweldigenden waterval brachten wij den geheelen zesden November door. Ongelukkigerwijze was de brug naar Mbe, daar wij nog sporen van zagen, door het zwellende Tana-water weggeslagen. Wij slingerden enkele der balken in de draaikolk naar beneden. Het was belangwekkend om te zien, hoe de balk dadelijk geheel verdween en dan na langen, langen tijd dicht bij de draaikolk aan den anderen oever weder voor den dag kwam. Er verliepen stellig wel vijf minuten, vóór hij weder te voorschijn kwam. Ik bezocht de hoofdkolk met mijnheer v. Tiedernann en Hussein Fara in den namiddag tegen zonsondergang.
Hussein Fara zei, dat dit nu precies als in het Somali-land was, hetgeen hij altijd placht te zeggen, wanneer iets hem bijzonder mooi en ontzagwekkend toescheen. Wat hij eigenlijk daarmee bedoelde, heb ik nooit goed kunnen begrijpen, daar er in het Somali-land noch dergelijke stroomen noch waarschijnlijk ook watervallen zijn. Die zelfde opmerking maakte hij mij trouwens nog onlangs, toen hij mij te Berlijn bezocht en in een der grootste hotels aldaar.
160
HET LAND DSAGGA.
het âKaiserhofquot;, vertoefde. Toen zei hij ook, dat het in het Somali land precies eender was!
Den volgenden dag maakten we een forschen marsch en gingen den heelen namiddag onder een stortregen gebukt, gelijk deze zich sedert anderhalve maand bijna regelmatig dagelijks vertoonde. Op dezen dag vonden wij voor het eerst weder menschelijke sporen. Mijne lieden geloofden in de verte Schambas (plantages) te zien, en deze aangename verwachting werd des namiddags versterkt door het verschijnen van twee Wakamba, die ons zeiden, dat wij morgen in bewoonde streken zouden komen.
Naar ouder gewoonte hield ik hen des nachts in mijn leger. Daar ik ze echter den volgenden dag niet aan een touw bij hunne landgenooten wilde brengen, ontliepen zij mij dadelijk, toen ik mijne karavaan in beweging zette, met een der uit Murdoi meegebrachte Wakamba.
Het land, waar we ons den volgenden morgen heen begaven, was tot mijne verrassing niet Ukamba, zoo als ik volgens de kaarten moest aannemen, maar het land Dsagga, dat zich in liefelijke, mooi gevormde berglijnen over de Tana uitstrekt.
Het land is rijk bebouwd en biedt met zijne schilderachtig gelegen dorpjes een zeer fraaien aanblik. Het ligt nog altijd voor de Bennigsenbergen en is in zekere mate een tegenhanger van Kikuyu, dat tegen het Kenia-plateau ligt.
De Wadsagga zijn wederom Bantu en na verwant met de Wakamba en de Wakikuyu, evenals met de inboorlingen van Mbe, met wie zij eene gemeenschappelijke taal bezitten. De Wadsagga hebben iets oorlogzuchtigs in hun voorkomen. Zij houden er van om zich terdege op te sieren, zich met groote veeren te tooien en stukken ijzer aan de voeten te dragen, die bij eiken stap als sporen klinken. Hunne vrouwen zien er welgedaan en vroolijk uit, terdege getooid met kralen en ringen.
Ook in dit land was nog geen blanke doorgedrongen. Ik geloof zelfs, dat men hier niet eenmaal Arabieren of Wangwana kende. Onze geweren hielden zij voor knuppels, en toen zij onze voeten met hooge laarzen bekleed zagen, begonnen zij hardop te lachen,
i. ii
161
AANKOOP VAN KOREN.
omdat zij dachten, dat wij onze voeten in ezelspooten gestoken hadden, om beter te kunnen loopen, of wel dat wij zelve ezelspooten hadden.
Tegen de hellingen van het golvend terrein ligt de eene plantage naast de andere, waartusschen groote kudden van ossen, schapen en geiten vreedzaam weiden. Dit alles, door de Tana besproeid, bood een heerlijk tafereel aan, en toen wij den 8en November deze
menschen voor het eerst ontmoetten, meenden wij bij een âvreedzaam herdersvolkjequot; aangeland te zijn.
Deze meening veranderde echter al heel spoedig, toen ik met hen over den aankoop van koren in onderhandeling trad. Ik verlangde, dat zij mij in eens eene groote massa koren zouden leveren, waarvoor ik hun dan een geschenk zou geven, dat in waarde gelijk stond. Maar daar hier alle verband en eenheid ontbrak, en niemand het hoofd was, bleek het onmogelijk te zijn, het met hen eens te worden. Ieder bracht voor zich een potje of zakje vol Mtama en verlangde daarvoor een buitensporigen prijs. Daar ik vóór alles voor mijn rijpaard en voor de kameelen dat voeder dringend noodig had, maakte ik ten slotte korte wetten, en nam het aangebrachte koren eenvoudig in beslag en liet daarvoor een hiermede overeenkomenden prijs in kleerenstof uitdeelen.
Nu zetten die lieden een keel op, zóo groot, dat ik het geheele rommeltje, om rustverstoringen te vermijden, uit het kamp liet smijten. Intusschen bleven de betrekkingen toch van zeer vriend-schappelijken aard. De Wadsagga gaven ons vrijwillig een gids, die
162
DE KKUPP-BERG.
ons tot Mbe geleiden zou, zoodat ik de nog aanwezige Mkamba met rijke geschenken kon laten gaan, en den 9en November trokken wij, vriendelijk van alle kanten begroet, door het heerlijke land.
Nu ging het langs tal van dorpen voorbij, waaruit mannen en vrouwen te voorschijn kwamen, om ons aan te gapen; vervolgens op goed onderhouden boschwegen heuvel op, heuvel af, totdat wij tegen den middag ten slotte in een tweede district van het Dsagga-land kwamen.
Vóór wij de grens overschreden,
namen nog honderden Wadsagga,
die met ons op een vertrouwe-lijken voet gekomen waren, afscheid van ons, en wij gingen het tweede district met de gewaarwording binnen, dat wij als vrienden door het gansche land trokken en op deze wijze zeer genoegelijk en vreedzaam Mbe zouden kunnen bereiken. Achter Mbe zou namelijk eene waadbare plek over de rivier leiden, die ik daar dacht over te trekken.
Toen ik in het tweede district van Dsagga van een hoogen, langzaam hellenden heuvel kwam, zag ik aan de andere zijde van den oever een machtigen berg, welke daarna als herkenningsteeken dagen lang voor ons zichtbaar is geweest. De Bennigsen-keten, welke tot dezen berg zuidwestelijk geloopen was, zwenkte hier een weinig naar het Westen en liep zuidwestwaarts, zoodat de geziene berg den hoek van dezen keten vormt. Ik besloot hem Krupp-berg te noemen, en sloeg daartegenover om 1 uur 's middags aan eene droge plek bij de Tana mijn legerplaats op.
163
SMEEKBEDE OM VREDE.
Spoedig kwamen er vele Wadsagga opdagen, wier ruwere omgang ons dadelijk op onaangename wijze trof. Ik verzocht hun, ons binnen een uur voedsel te verkoopen, maar vernam toen spoedig tot mijne groote teleurstelling, dat een mijner dragers, Ajabajir, die wat ongesteld was en daarom wat achter de karavaan was gebleven, verdwenen en waarschijnlijk door de Wadsagga gevangen genomen was. Om mij hiervan te verzekeren, zond ik er dadelijk soldaten heen, die met de bevestiging der tijding terug kwamen.
Wij zaten juist bij het ontbijt, toen er plotseling gemeld werd, dat de Wadsagga zich verstout hadden, mijne vijf ezels op te jagen. Wel waren zij door het vlug optreden der Somalia in hun voornemen verhinderd, maar uit alles bleek hunne bedoeling om ons eigendom geenszins te eerbiedigen. Tegenover zulk eene handelwijze besloot ik doortastend te werk te gaan, en gaf onmiddellijk het bevel, van de naburige weiden zooveel vee in onze legerplaats te drijven, als maar op vreedzame wijze te krijgen was. Dit bevel werd dadelijk uitgevoerd en tegen half vijf hadden wij 600 stuk schapen en ongeveer 60 ossen in onze omheining. De herders waren door eenige schoten die in de lucht werden afgevuurd, verdreven.
Tegen zonsondergang kwam een der oudsten uit den stam om vrede smeeken. Daar het bijna onmogelijk scheen, de vrij wilde ossen binnen het kamp te houden, zond ik het grootst gedeelte er van aan hen terug met de verzekering, dat ik slechts vrede wenschte. Wilde hij met mij onderhandelen, dan moest hij maar den volgenden morgen terugkomen. Den morgen daarop kwam dan ook inderdaad de oude, die er zeer eerwaardig uitzag, met eenige jongere krijgslieden.
Ik vertelde hem al dadelijk, hoe de Wadsagga er toe gekomen waren, een mijner manschappen weg te voeren en mijne ezels voort te drijven. Alvorens ik dus verder met hem onderhandelde, moest hij beginnen met mij mijnen man uit te leveren, en verder wenschte ik, dat de Wadsagga koren voor mijne lastdieren aanvoerden. Dit had ik hun gisteren al bevolen, maar er was nog geen korreltje vrijwillig gebracht.
Daarop verwijderde zich de oudste, doch kwam tegen 1 uur,
164
MAEONGO EN DE SCHAPEN.
toen ik van een strooptocht in den omtrek wederkeerde, alleen met het geweer van mijn drager terug. In zijn geleide bevond zich ditmaal eene gestalte, die daarna weken lang eene der hoofdfiguren mijner expeditie geweest is. Het was Marongo, een lange opgeschoten Mkamba, die zich, om bier in te koopen, van Ukamba naar Dsagga begeven had met een bundeltje goed, dat nog bij de Wad-sagga lag. De man had een mond, die bijna van het eene oor naar het andere liep. Een half listige, half goedaardige uitdrukking in de oogen kenmerkte zijn gezicht, terwijl zijne armen tot bijna op de knieën aan zijn lichaam bengelden. De man sprak een weinig Kismaheli en wekte dadelijk mijn verlangen op, hem voor mijne expeditie te winnen, daar hiermede het lastige radbraken en het zich verstaanbaar maken door teekens en gebaren voor goed met deze stammen ophield.
Ik schonk den oudste een mijner rood en wit gestreepte buizen, dat ik hem aantrok. Op mijne vraag naar Ajabajir geloofde hij mij te kunnen mededeelen, dat deze zich niet meer bij hen bevond, maar naar de Wakamba gevlucht was, doch hier was zijn geweer. Hierop antwoordde ik den oudste, dat ik dit vertelseltje niet geloofde; ook beklaagde ik er mij wederom over, dat er nog maar altijd geen koren gekomen was. Ik had vrede met de Wadsagga gewild, maar zij schenen liever oorlog te willen. Als dat zoo was, dan konden zij dien ook krijgen. Wij zetten ons toen aan tafel, terwijl de sultan met Marongo en de Wadsagga voor de tent bleven zitten.
Daarna zette ik mij weder bij hen neer, en nu kwam al heel spoedig de eigenlijke aap uit de mouw. In naam van den oudste begon Marongo dadelijk van schapen te spreken, die ik weder behoorde uit te leveren.
âWat voor schapen?quot; vroeg ik.
âWel, de schapen, die gister avond in uw legerplaats gedreven zijn.quot;
Daaron antwoordde ik, dat zij gisteren Ajabajir gegrepen hadden, âen van daag, nu ik hem terug vorder, zegt jelui dat hij naar de Wakamba gevlucht is. Nu, dan wil ik jelui zeggen, dat het zoo precies met jelui schapen gelegen is. Ik vrees, dat jelui schapen eveneens met mij naar Ukamba ontloopen zullen. Brengt gij mij
165
AANVAL DEE WADSAGGA.
Ajabajir terug, dan kunnen wij over eene beslissing omtrent de schapen in onderhandeling treden. Doet gij dat niet, dan blijft de zaak zooals ze is. Wij kunnen dan altijd nog in vrede uit elkaar gaan, als ge wilt. Wanneer gij dit niet wilt, dan moogt ge doen wat ge kunt.quot;
Nauwelijks had ik deze woorden gesproken, of plotseling sprongen de Wadsagga op, grepen naar hunne speren en spoedden zich de legerplaats uit.
Daar ook Marongo hen wilde volgen, liet ik dezen door mijne Somalis verzoeken, nog te blijven, daar ik hem voor de verdere onderhandelingen noodig had. En na eenig tegenstribbelen schikte hij zich ook geduldig hierin, doch verzocht alleen, dat men zijn bundel goed van de Wadsagga zou laten komen.
Ik ontsloeg nu de Wadsagga-gidsen, daar Marongo den weg naar Mbe kende, en zond dadelijk vijf man naar de Wadsagga af, om diens bundel in mijn leger te laten brengen. Ik vermoedde niets kwaads, maar zette mij, daar de zon heet werd, met een boek in de tent, om den Zondagnamiddag vreedzaam door te brengen. Doch op eenmaal sprongen mijne lieden in de tent en meldden mij, dat de Wadsagga onze kudden aanvielen en ook reeds van de andere zijden de legerplaats naderden. In hetzelfde oogenblik hoorde ik ook reeds geweerschoten van den kant der kudde en zag, dat mijn gezantschap van vijf man in aller ijl van den anderen kant naaide legerplaats aangevlogen kwam.
Van alle kanten, meer dan 1000 man sterk, vielen de Wadsagga ons leger aan. Ik droeg v. Tiedemann het bevel aan de bovenzijde der rivier op en wierp mij met eenige manschappen op de benden, die van de benedenzijde kwamen aanzetten. Op eenmaal ondervonden de Wadsagga, wat voor een soort knuppel onze geweren waren. Eene reeks van hen tuimelde plotseling hals over kop den heuvel af, de anderen bleven eerst verstomd staan, maar toen de een na den ander ineenzakte, kozen zij plotseling het hazenpad.
Ook aan den anderen kant gelukte het mijnheer v. Tiedemann aan de zaak snel een einde te maken, en in een half uur was alles
166
GOEDE VANGST.
beslist. Achter een heuvel in het zuidoosten kwamen de Wadsagga bijeen als de mieren, wanneer hun bouwwerk gestoord is. De zon was reeds diep gedaald, en ik hield het voor beter, de heele zaak nog bij daglicht af te doen, dan nog eens des nachts door een â aanval te worden gewekt.
Ik nam dus ongeveer twintig mijner manschappen, terwijl ik mijnheer v. Tiedemann het bevel over het kamp liet, en besloot, den heuvel aan te vallen, waarop zich de quot;Wadsagga bevonden. Beneden de legerplaats liep een diep uitgegraven ravijn in de Tana. In deze holte slopen wij stil voort, daar zij naar den bewusten heuvel liep. Maar zij moesten toch iets van ons bespeurd hebben, want toen wij den heuvel van achteren opkropen, was hij op eenmaal verlaten. Ik b^gaf mij nu naar de naburige dorpen der Wadsagga, om nog vóór het aanbreken van den nacht den lieden eene duchtige les te geven.
Bij ons naderen werden ook de dorpen snel verlaten. Ik beval, alles wat voor ons van waarde was, snel mee te pakken, en liet daarop achtereenvolgens zes van deze dorpen in brand steken. Het scheen mij noodig, dezen lieden duidelijk te doen gevoelen, dat het zoo gaan zou, wanneer zij zich tegen ons verzetten, omdat daarop de veiligheid van onzen verderen tocht berustte. Toen de zon gedaald was, flikkerde de schijn der vlammen ver over het heuvelland, en werd deze loop der gebeurtenis in de legerplaats zelve met de grootste belangstelling gadegeslagen.
Zwaar beladen keerde ik met mijne schaar in de legerplaats terug, waaruit mij de overigen dansend en zingend te gemoet kwamen. Ik kon des nachts mijne lastdieren nog voederen en ook wat koren aan de manschappen uitdeelen. Nu kwam ook meer en meer de stemming in mijne expeditie op, die ik als de âK up an da Scharo-stemmingquot; betitelde. âKupanda Scharoquot;, dat wil zeggen beklimmer van sterkten, was de naam, dien ik van den aanvang mijner expeditie gedragen had, en die nu ook meer en meer onder de inboorlingen bekend werd. Mijne manschappen hadden allerlei liedjes op dezen naam gedicht, welke zij bij dergelijke gelegenheden plachten te zingen, vooral de Wanjamwasi-meisjes. Ik herinner mij
167
WADSAGGA IN HINDERLAAG.
juist van dezen avond nog, dat een van haar bij 't malen van het koren een liedje zong, waarvan het refrein steeds luidde:
âAnderen hebben niets te eten,
Ons geeft kupanda scharo eten!quot;
Van nu af kon ik meer en meer op den gewilligen geest onder ons, althans bij de overwegende meerderheid, rekenen. Des avonds gaf ik hun allen het schouwspel, dat ik de laatste hoeveelheid petroleum over een uitgedroogden mimosa-struik liet uitgieten en alles in brand steken.
Des morgens trokken wij vóór zonsopgang weder zuidwestwaarts naar ükamba, dat ik dien zelfden dag nog hoopte te bereiken. Van de Wadsagga was in den aanvang niets te zien. Spoedig echter doken enkelen, vervolgens honderden van hen op de heuvels rechts en links van ons op, steeds als jakhalzen onzen tocht volgend, om te beproeven of zich geene gelegenheid voor hon aanbood om ons aan te vallen. Er werden op dien ganschen marschdag voortdurend losse schoten gewisseld, en het knetteren der geweren hield den geheelen middag niet op. Het gelukte den Wadsagga dan ook, eene der dragersvrouwen, die met een jong kindje op den arm geen gelijken tred met ons kon houden, op te vangen en weg te kapen. Wel werd er bloedige vergelding uitgeoefend, maar intusschen is zulk een verlies aan een vijandelijken stam voor het gevoel van den leider altijd iets zeer pijnlijks. Alle dorpen der Wadsagga, die onder ons bereik waren onder den marsch, werden in brand gestoken.
Om 12 uur kwam onze karavaan in een engen pas. Ik had gedacht, dat de Wadsagga voor goed op den loop waren gegaan, en draafde dus op mijn paard van het eind der karavaan naar voren, om eene geschikte legerplaats voor ons op te zoeken. Maar juist vóór dezen engen doorgang hadden zich de Wadsagga in hinderlaag gelegd en het scheelde al heel weinig of zij waren er in geslaagd om ons onze kudden afhandig te maken. Dit werd echter verijdeld door de handigheid der Somalis in het drijven der kudde. In een wilden galop werd zij door den pas gebracht, die v. Tiede-mann intusschen met eenige Somalis dekte.
168
DE MUMONI-BEEGEN.
Ik vond eene zeer geschikte legerplaats in een verlaten plantage, waarin ik mij met mijne karavaan neerzette. Daar de Wadsagga spoedig de hoogten rondom bezetten, liet ik onder Husseins leiding de Somalis eene dier hoogten beklimmen. Zoodra de salvo's dei-repeteergeweren de Wadsagga in den rug bestookten, waarbij eenige hunner, die in de boomon zaten, tegen wil en dank verbazend snel naar beneden daalden, ruimden zij zoo spoedig mogelijk het veld en werden niet meer gezien. Slechts op den heuvel naar het Westen toe bleef den ganschen dag een Wadsagga-post staan.
Na het eten ging ik naar dien post heen. De lieden vroegen mij, waarom wij toch eigenlijk voortdurend op hen schoten, daar zij toch geen oorlog tegen ons voerden?
âWaarom zit jelui dan daar boven?quot; riep ik naar boven.
âJa,quot; riepen zij, âwij zijn in oorlog tegen de Wakamba, die aan den anderen kant van den heuvel zitten, en verweeren ons tegen hen.quot;
âHa zoo,quot; riep ik toen, âdan wensch ik jelui een pleizierigen namiddag!quot;
Ook met de Wadsagga aan gene zijde der rivier werd tegen den middag vrede gesloten. Deze verklaarden eveneens, dat zij met den Wadsagga-stam, waarmee wij in oorlog waren, niet het allerminste te maken hadden. Zij wilden onze vrienden zijn en zouden ons ook den volgenden morgen den weg naar Ukamba wijzen. Het was een heerlijke namiddag, dien we in deze plantage doorbrachten.
Aan de andere zijde stroomopwaarts vertoonen zich bergen, die mij eenige onrust baarden, omdat zij onzen tocht met nieuwe moeilijkheden bedreigden. Intusschen hoopte ik nog, dat het mij gelukken zou een weg tusschen deze bergen en de rivier te vinden en verliet ik mij overigens op de wegkennis, die Marongo van deze streek beweerde te hebben.
Deze bergen waren de Mumoni-bergen, en daar marscheerden wij den 12en November in. Eerst vonden we inderdaad een weg tusschen de bergen en de rivier, maar spoedig naderden de rotsen zoo onmiddellijk en zoo steil de Tana, dat ik kwaad- of goedschiks gedwongen was, den weg in den steek te laten en mij in de dwarsdalen der bergen te begeven. Daar ik om het water het liefst
169
MOEILIJKE PADEÃT.
dicht bij de rivier sliep, zoo keerde ik na een marsch van drie uren er weer heen, en nu had er eene klauterpartij plaats, zooals men zich die niet lastiger en halsbrekender kan voorstellen.
De bergen namen zeer spoedig een zeer steil karakter aan. Voor het meerendeel waren zij met bosch en doornachtig struikgewas begroeid, hetwelk 't loopen uiterst pijnlijk en moeilijk maakte. Nu bedenke men daarbij, dat wij hier niet alleen met dragers, maar ook met zeven kameelen en honderden schapen te doen hadden. Nu eens moesten wij een zeer stellen berg opklauteren, dan weder een anderen met scherpe helling afklimmen en voortdurend met de bijl ons een weg banen.
Vermoeid betrok ik tegen omstreeks 3 uur op een eenigszins minder steile plek, die met de bijl eerst geëffend was, mijn kamp en verzamelde hier van lieverlede mijne geheele colonne. Mijne lieden waren alles behalve in een goed humeur. Dit werd er zelfs nauwelijks iets beter op, toen ik hun, behalve het dagelijksch rantsoen, nog een aantal schapen als buitengewoon geschenk liet geven. Ik begreep dan ook, dat een tocht op deze wijze niet uit te houden zou zijn. Derhalve liet ik den geheelen namiddag door verscheidene kleinere expeditiën nagaan, in welke richting er een betere weg voor ons te vinden zou zijn, en vernam nog des avonds door den Somali Musa en mijn bediende Eukua, dat, wanneer men dadelijk in zuidoostelijke richting van den stroom afhield, men weldra op een meer begaanbaar terrein kwam.
De Tana wendde zich hier meer en meer onmiddellijk naar het Zuiden, zoodat bij alle moeilijkheden van den tocht zelfs nog het onaangename gevoel kwam, dat wij ons eiken marschdag van ons eigenlijk doel, de aequatoriaal-provincie, meer verwijderden, dan dat we het naderbij kwamen. Den volgenden dag marscheerden wij dus in zuidoosteliike richting, en juist tegenovergesteld aan die van Emin Pacha. Inderdaad kwamen wij op deze wijze, al was het ook onder stortbuien, uit het oerwoud in de open lucht.
Tegen 10 uur ontdekten we heel in de verte menschen, en Marongo deelde mij mede, dat het Wakamba Mumoni waren. Maronga, die voor ons nu een man van groote beteekenis was,
170
C4EDULD IN AFRIKA.
werd gewoonlijk met een touw om den hals onder bewaking van een Somali aan het hoofd der karavaan geplaatst. Nu verzocht hij echter, het touw voor zijne landgenooten te mogen verbergen. Derhalve maakten wij hem uit een groot stuk roode stof eene nette das, die alleen van achteren onder de stof zoo zacht mogelijk met een touw verbonden was. Toen dit kant en klaar was, wenkte Marongo zijne landgenooten en deelde hun mijn verlangen mede, dat zij ons een weg door de bergen zouden wijzen. Wij boden hun een geschenk in kleedingstof aan, en spoedig daarop plaatsten zich de Wakamba aan het hoofd onzer karavaan.
Zij wilden mij eene plek aan de rivier wijzen, waar de karavanen die gewoonlijk overtrokken, om naar Mbe te gaan. Ik had hun het loon reeds vooruitbetaald, maar elke honderd stappen hielden zij op, en verlangden opnieuw betaling, vóór zij verder gingen. Ik was vast besloten, in dit land het grootst mogelijke geduld te oefenen, ten einde in vrede door te komen, maar ik moest ten slotte toch inzien, hoe ondoenlijk het is, tegenover een slag van menschen als deze negers, het zonder lichaamskastijdingen te laten. Ook voor deze zwartjes is het beter, dat hun duidelijk bewezen wordt, dat leugen, diefstal en bedrog zoo maar niet ongestraft worden bedreven, maar dat in de maatschappij een ieder plichten heeft na te komen. Het is een verkeerd begrip van de reizigers, dat men in Afrika geduld moet leeren, en dat, als men geen geduld heeft, men daar niet reizen moet. Het is zeer zeker meer in overeenstemming met onze belangen en onze beschaving, wanneer men juist tracht, den inboorlingen van Afrika een en ander van onze eigenaardigheden te leeren, in plaats van met hunne fouten maar lijdelijk genoegen te nemen.
In den middag, tusschen 1 en 2 uur, kwamen wij eindelijk op een zeer steil dalenden hoogen heuvel aan de Tana, van waar met veel moeite de karavaan naar de door de Wakamba aangewezen wadde werd gebracht. Wij vonden hier inderdaad kooksteenen en andere kenteekenen, dat hier reeds vroeger karavanen gelegerd waren geweest. Op deze plek knoopen de Wakamba handelsbetrekkingen aan met de lieden van Mbe. Destijds was echter de Tana
171
EENE BRUG OVER DE TANA.
zoo hoog, dat zelfs aan het overzetten van de dragers met hunne lasten, nog gezwegen van het vee, in het geheel niet gedacht kon worden. Er werden dien dag verscheidene pogingen gedaan, om eene plek te vinden, maar alles mislukte. De Wakamba vertelden, dat expeditiën hier dikwerf maanden lang wachtten, totdat de vloed weder verloopen was. Dat is zoo geheel en al de aard der zwartjes; in plaats van zich gemeenschappelijk aan het bouwen van eene eenvoudige boot te zetten, wachten zij een half jaar, totdat de vloed verloopen is. Ik was nu wel gedwongen, mijn tocht aan den rechteroever voort te zetten.
De volgende marsch gaf dien van den vorigen dag in moeilijkheid en bezwaren niets toe. Het ging altijd berg op, berg af, door struikgewas en bosch, waar slechts de bijl ons een gebrekkig paadje baande. Het was inderdaad afmattend en ontmoedigend, vooral als men aan het einddoel der reis denkt. Waarheen zou ons de Tana, die voortdurend in zuidelijke richting liep, ons dan ten slotte wel brengen ? Het was toch al te gek, dat men in eene richting moest blijven, die tegenovergesteld aan het doel was, alleen omdat het niet mogelijk was, over eene rivier te komen. Ik begon dus met allen ernst aan de mogelijkheid te denken, om een brug over de rivier te bouwen.
Den 14:en November was ik op eene open plek in het bosch gelegerd, en hier werden wij des avonds alleraangenaamst verrast door het bezoek van ongeveer 100 Wakamba. Zoo iemand, dan konden zij ons uit den onaangenamen toestand redden, waarin zich de expeditie bevond. Zij verklaarden zich ook daartoe bereid en beweerden, dat aan de bergen nu gauw een einde kwam.
Den volgenden morgen marscheerde ik op raad dezer Wakamba geheel van de rivier af, onmiddellijk weder oostwaarts, vervolgens zuidoostwaarts, toen weder zuidwaarts en van lieverlede naar het zuidwesten en westen. Wij maakten dien dag dus eene soort van cirkelbeweging en kwamen des namiddags ternauwernood 1000 meter van onze oude legerplaats te liggen. Ik werd door de Wakamba weder na eene verbreeding van de Tana gebracht, waar de lieden van Mbe, naar hun beweren, in den drogen tijd de rivier overliepen. Hier nam ik het vast besluit een brug te slaan.
172
VOORBEREIDENDE WERKZAAMHEDEN.
Ingesloten tusschen de rivier en hooge bergen met zwaar hout, liet ik hier nu een lange uitgestrekte legerplaats opslaan. Met de hulp van Marongo en van de nog begeleidende Wakamba stelde ik mij dadelijk met Mbe-lieden aan de overzij der rivier in verbinding. Ik bood hun rijke geschenken aan, vee en goed, indien ze mij met mijne geheele expeditie aan de Tana wilden brengen. Het onderhoud hier tusschen beide oevers wordt door de inboorlingen op zeer eigenaardige wijze gevoerd. Zij spreken daarbij met nauw merkbare verheffing van stem, en toch verstaat men elkaar over en weer heel goed. Iedere volzin wordt met een eh beantwoord, ten bewijze, dat men dien verstaan heeft. Evenzoo zouden wij het later in Kikuyu, in Kamasia en Elgijo doen.
Daar de Tana veel te diep was om aan doorwaden te denken, besloot ik, ten einde eerst eene verbinding met de overzij tot stand te brengen, onmiddellijk een touw naar een in de rivier liggend eilandje over te brengen, van waaruit nog slechts een smallere arm, die bijna geene moeilijkheden scheen aan te bieden, ons van den overkant scheidde. De Mbe-lieden verklaarden zich bereid om ons te helpen, en het gelukte hun reeds in den namiddag, wadende, al stonden ze dan ook tot aan de schouders in het water, van de overzijde het eiland te bereiken. Een tweede gunstige aanlegplaats bevond zich ongeveer 50 meter boven dit eiland aan onzen kant.
Van deze plek deed ik nu den geheelen namiddag pogingen, om het bewuste eiland te bereiken. Bij deze pogingen geraakte Hussein eens in de snelle stroomingen en schoot pijlsnel de rivier af langs het eilandje voorbij, zoodat ik voor zijn leven vreesde. Maar met de uiterste krachtsinspanning gelukte het hem, den oever weder te bereiken.
Eindelijk gelukte het den Somali Omar Idle, het eiland te bereiken, zoodat hij met de lieden van Mbe een praatje kon houden. Maar dit had nu op zichzelf voor ons nog weinig te beduiden. Ik had dezen eersten dag in elk geval eene nauwkeurige kennis van den riviertoestand opgedaan en besloot den volgenden morgen met het bouwen van een groot vlot aan te vangen, dat ik sterk met
173
17-1: POGINGEN TOT GEMEENSCHAP MET DE OVERZIJDE.
touwen bevestigd tusschen het eiland en aan onzen kant en het eilandje aan de overzij heen en weer dacht te trekken, om zoo van lieverlede de heele karavaan over het water te brengen.
Mijne lieden werkten met grooten ijver, daar ik belooningen uitgeloofd had, en een vlot, misschien wel zesmaal zoo groot als dat hetwelk we in Murdoi gemaakt hadden, werd in den loop van den dag in elkaar gezet. Tegelijkertijd beproefde ik om een touw op het eiland te bevestigen, waaraan zich later menschen konden laten overhalen, en desnoods ook gereedschappen overgebracht konden worden. Met de uiterste inspanning beproefden de beste zwemmers der expeditie om met het touw op het eiland te komen. Zij bonden het zich hetzij om de borst, hetgeen reeds daarom van gewicht was, om hen voor het naar beneden schieten in den stortvloed te bewaren, of wel twee man namen het in de hand, om er zwemmend het eiland mee te bereiken. Doch telkens, zoodra de zwemmers op een kleinen afstand van het eiland af waren, rukte de sterke strooming touw en man naar omlaag of plonsde ze naar beneden.
Intusschen was de Tana voortdurend aan 't zakken. Ik had me eene soort van peilschaal saamgeknutseld, die ik in de rivier bevestigde en waardoor ik den waterstand vrij nauwkeurig kon nagaan. Daar de rivier in den nacht van 16 op 17 November ongeveer een voet gevallen was, zette ik de proeven met het touw voort. Tegelijkertijd liet ik de Mbe-lieden aan de overzij verzoeken, ons eene plaats aan te wijzen, waar de Tana nauw was, en wij hopen konden, een brug over de rivier te slaan. Zulk eene plaats bevond zich wat hoogerop, zeiden zij. Ik zond er eenige lieden heen, en toen deze met de boodschap kwamen, dat het daar wel gaan zou om een brug te bouwen, gaf ik 's middags onze pogingen om ons met het eilandje door een touw te verbinden, op, keek de plek waar de brug zou moeten komen, eens goed aan en besloot, daar bij de toenemende strooming en het zware hout de vlot-geschie-denis altijd heel gevaarlijk bleef, in plaats daarvan met het bouwen der brug aan te vangen.
Deze bruggen worden in Afrika gewoonlijk aldus gemaakt, dat
NOG ALTIJD DE BRUG.
men zware balken van weerszijden in de rivier vooruitschuift, zoover de strooming het maar eenigszins toelaat. Dan worden deze balken door dwarsbalken verbonden en over deze worden lange smalle boomen gelegd. Wanneer men nu met balken niet verder voort kan gaan, wordt vlechtwerk genomen, en laag na laag vooruitgeschoven zoo lang als de draagkracht van het hout reikt. Is dit vlechtwerk, waaraan van beide kanten tegelijk gewerkt wordt, nog niet voldoende, dan wordt het laatste eind door taai, uit boomschors vervaardigd touwwerk overbrugd. Op deze wijze verkrijgt men eene wel is waar wankelende, maar toch innerlijk stevige brug, wanneer namelijk de dragers bij machte zijn, om aan de strooming weerstand te bieden.
Aan dezen bruggebouw werd met de uiterste geestkracht en inderdaad heldhaftige inspanning door mijne manschappen te zamen met de Mbe-lieden van 18-â22 Xovember gewerkt. Den 21en November was het vlechtwerk zoo ver van beide kanten vooruitgekomen, dat er nog maar een eindje van 15 voet door touwen te verbinden viel. In den namiddag waren drie dergelijke touwen van de eene zijde naar de andere getrokken. Wel hing de geheele brug tamelijk dicht op de oppervlakte van het water, maar ik besloot, wanneer de touwen door dwars vlechtwerk stevig saamgevoegd waren, dan aan beide kanten nog een leuning te laten maken, ten einde mijne manschappen voor het wegslingeren in de strooming te behoeden. Natuurlijk kon ik het kleine vee over zulk eene brug niet laten drijven, maar moest elk stuk er afzonderlijk over gedragen worden. Doch dit had slechts een tijdverlies van eenige uren om het lijf, wanneer men eenvoudig voor dit doel een keten van dragers liet vormen, welke de schapen of de geiten van hand tot hand overleverden.
Den 21en November des avonds legde ik mij met de vaste hoop ter ruste, dat den volgenden morgen de brug klaar zoude zijn en de overgang plaats zoude kunnen hebben. Wij hadden het groote geluk gehad, dat sedert het begin van den bouw het plotseling met regenen had opgehouden, hetgeen de Wakamba aan mijne tooverkracht toeschreven. Op den avond van den 21en zag ik in-
175
HEX WEGSPOELEN DER BRUG.
tusschen met leedwezen dat de geheele westelijke horizon dicht bewolkt was. Doch den volgenden morgen stond de brug nog volstandig boven water, al was ook de Tana des nachts een weinig gestegen.
Om 7 uur ging ik naar de brug en vond mijne arbeiders vol frisschen moed bezig om er de laatste hand aan te leggen. Zes touwen waren er overheen getrokken, en door deze werd nu dwarshout om dwarshout gevlochten, die vast met de touwen verbonden werden. Over de dwarshouten zouden weder planken gebonden worden en het geheel zou vervolgens door een vast staketsel aan de kanten versterkt worden. De dwarshouten werden gelegd, en ik begaf mij tegen 9 uur naar de legerplaats terug met het bevel, alles om 11 uur voor den overgang gereed te hebben.
Ik begaf me nog voor eene korte poos in mijne tent, om een en ander te schrijven, toen ik op eenmaal door een eigenaardig ruischen en plassen in mijn werk gestoord werd. Ik keek op en zag, dat de Tana plotseling tot aan den ingang mijner tent gestegen was. Snel loop ik naar mijne brug toe. Het geheele terrein, dat tot nu toe droog geweest was, staat onder water. Daar komen al lieden van de brug zelve aangehold. Ze is uit elkaar gerukt en in de rivier naar beneden gedreven: de inspannende arbeid van zes dagen lang in één oogwenk door den grilligen stroom vernield. De Tana was in een half uur omtrent vier voet gestegen.
Met de weggespoelde brug waren mijne lieden, die aan den anderen kant der rivier gearbeid hadden, plotseling van ons afgescheiden, ja, daar zij geene wapens hadden, zelfs in levensgevaar. Met de uiterste moeite gelukte het, na herhaalde vergeefsche pogingen, eindelijk onzen bravan Somali Muhamed Ismael, een touw over te brengen en aan de overzijde te bevestigen, zoodat ik de lieden weder naar ons toe kon halen.
Om een opgeruimden geest onder de karavaan te houden, reikte ik nu, ondanks het mislukken, aan de werkzaamsten en handigsten belooningen voor hun werk aan de bruggebouw uit en vatte het geheele zaakje weer van de vroolijke zijde op. Ook zond ik dadelijk
176
EENE NIEUWE PLEK.
eene colonne stroomopwaarts, om een weg voor den marsch van den volgenden morgen vast te stellen. Maar toen ik weer in mijn legerplaats terugkwam, voelde ik mij zeer terneergedrukt. Op nieuw zou al de ellende van dien marsch door het diepe woud in eene richting die ons van ons reisdoel verwijderde, beginnen, en ik wist niet eens, waarheen deze tocht ons ten slotte nog brengen zou, daar mij de ligging der Tana-bron nog onbekend was.
Des namiddags begon de vloed op eenmaal weder te vallen, en
wederom verblindde mij de bedriegelijke hoop, daar ik er nu eenmaal mijn wil op gezet had, toch over de Tana te trekken om mijn doel te bereiken.
Ik begaf me den volgenden morgen verder stroomafwaarts en ontdekte eene plek, waar van onzen kant ontzaglijke rotsblokken tot ongeveer op een derde van de breedte der rivier op elkaar geschoven waren, terwijl van de overzijde, zooals de ginds mede-onderzoekende Mbe-lieden vaststelden, eene lange, vlakke zandbank in den stroom uitkwam. In het midden was het water natuurlijk I. 12
177
VEEESELIJKE REGENS.
des te dieper en woedde met verbazende kracht, maar dit gedeelte bedroeg slechts ongeveer 30 voet en men kon aannemen, dat dit door vlechtwerk en touwen toch wel overbrugd zou kunnen worden.
Ik stap over al het werk der eerstvolgende dagen heen. Op den avond van den 2öen November meende ik opnieuw den volgenden morgen den stroom te kunnen overtrekken. Mijnheer v. Tiedemann was dien avond ziek, en ik zat alleen voor mijne tent. Op dezen avond had ik het zeldzaam schouwspel, niet het verdwijnen van de maan, maar om zoo te zeggen het omdraaien der aarde te kunnen waarnemen, zooals ik het nog nooit beleefd heb. De maan stond in de zuivere atmosfeer als een rustpunt aan den gezichteinder. Wanneer ik mijn oog scherp daarop richtte, nam ik waar, niet dat de maan wegdreef, maar dat de aarde zich als een machtige ballon van het Westen naar het Oosten draaide, waardoor mij de aanblik van de maan onttrokken werd.
Tegen 9 uur kwamen er geweldige wolkenmassa's uit het Westen opzetten, en spoedig kraakten de donderslagen en schoten de bliksemschichten onophoudelijk door het luchtruim, terwijl een stortregen als bij den zondvloed op ons neerkletterde. Mijne manschappen schreeuwden luide over al dat water, en er bekroop mij een gevoel vol schaamte, dat ik zoo droog in mijne tent lag, terwijl alles daar buiten in oproer kwam tegen die bezoeking, waarvan men zooveel te lijden had.
Met een treurig voorgevoel ging ik den volgenden morgen naar de brug kijken. De vloed was gedurende den nacht weder ruim vijf voet gestegen, en van verre zag ik reeds, dat de brug zich geheel onder de oppervlakte van het water bevond; slechts aan de overzijde staken er nog eenige balken boven uit. Als Frederik de Groote in den slag van Collin wilde ik nu, daar ik geen mijner lieden bewegen kon, naar de overzijde te gaan, mij alleen aan het touw in de woelende strooming werpen. Maar ik was nauwelijks op het uiterste rotspunt gekomen en hoorde het woelen, huilen en fluiten der vloeden, of ik zag in, dat zulk eene poging met een zelfmoord gelijk stond, en nu gaf ik dadelijk het bevel om het leger op te breken en stroomopwaarts verder te trekken.
178
AUGUSTE-VICTORIA-VAL.
In een half uur was de expeditie, onder trommelslag met de zwartwitroode vlag vooruit, op marsch. Ik was de laatste en beval mijn paard te zadelen. Doch het arme dier, dat door de vreeselijke regenbuien der laatste dagen ontzaglijk geleden had, stond met bevende knieën, en toen wij beproefden om het met zweepslagen weder aan het loopen te krijgen, zonk het plotseling met halfgesloten oogen op den grond. Zoo moest ik mij van het trouwe dier scheiden en met den stok in de hand mij verder op weg begeven.
De marsch voerde ons spoedig door hoog loofwoud steeds bergopwaarts, totdat wij tegen elf uur omtrent 500 voet boven de rivierzooi waren en nu loodrecht in den zich voortspoedenden stroom keken. Wat een grootschen aanblik hadden wij hier. Beneden ons wierp de stroom een ontzaglijken waterval naar beneden, en wij hoorden het bruisen van dezen val in al zijne kracht. Keek men naar het noordoosten, dan zweefde het oog eene geheele uitgestrektheid over den vloed beneden den val, en als een zilveren draad slingerde zich de Tana door de bergen met hun groene wouden.
Ik moest toegeven dat, al was de Tana in hare geweldige stroomkracht voor ons ook nog zoo lastig en ontoegankelijk, zij toch al een zeer verheffenden en overweldigenden indruk maakte. En hier boven onder de diepblauwe hemelstent tegenover deze ontzaglijke krachtsontwikkeling in de diepte rustte de vrede Gods. Xa het onweder van den vorigen nacht straalde de zon des te helderder, speelde met de toppen en kronen der boomen en schilderde bonte schaduwen op den grond, die met frisch gras en bloemen van allerlei aard getooid was. In de takken hoorde men het geluid dei-vogelenwereld, en boven de bloesems in de duisternis van het woud wiegden zich bonte en van kleur verwisselende vlinders. Zuiverend en versterkend drong de frissche woudlucht in de longen. Zich boven de ellende van het oogenblik verheffende, moest de ziel zich onder deze indrukken weder oprichten en nieuwe hoop voelen binnendringen.
Ik besloot derhalve dit heerlijke punt naar de Duitsche keizerin te noemen en doopte het â Auguste-Victoria-valquot;.
179
OP NIEUW DE STEPPE.
Tegen een uur vond ik mijnheer v. Tiedemann met de karavaan in 't zand liggend, om op mij te wachten. De weg was ten einde. Weldra hadden wij eene behoorlijke legerplaats gevonden, en zond ik Rukua terug, om de colonne daarheen te brengen. De dragers kwamen, maar de kameelen bleven uit, en toen ze om zeven uur naderden, vernam ik, dat tot de offers van dien dag behalve mijn paard ook nog een kameel, een ezel en een drager, Omari Waschi-kura, behoorden.
Den volgenden dag marscheerden wij onder een vreeselijken regen omstreeks 7000 schreden verder. Ik betrok mijn leger aan eene open plek aan de rivier, waar de strooming in het midden zoo sterk was, dat zij aan den oever letterlijk den golfslag van eene zee deed ontstaan. Daar de ïana dezen dag ook herhaaldelijk steeg en weder viel, kon men inderdaad wanen, dat men zich aan het strand van den oceaan bevond.
De volgende dag verdiende inderdaad met een rood streepje gemerkt te worden. In den aanvang ging het altijd over bergen. Doch op eenmaal werden de hellingen zachter en daarna hielden ze plotseling geheel op. Wij bevonden ons op den platten grond. Het gebergte lag achter ons, en wij hadden opnieuw de steppe voor ons. Wij waren nu ongeveer 800 meter boven den zeespiegel. Ik kan niet zeggen, welk een voldoening het was, deze Mumoni-bergen met al hunne moeilijkheden en bezwaren, die onze expeditie een tijdlang bijna dreigden te verstikken, ver achter ons te hebben.
Ik sloeg mijn leger weder aan een droge plek bij de Tana op. Een heerlijke namiddag vol zonneschijn verheugde de uitgeputte karavaan en bracht spoedig de lieden weder in de goede oude stemming. Daar het gebleken was, dat Omari Waschikuru, wien ik dadelijk den volgenden dag zijnen broeder Bin Omari gezonden had, volkomen onbekwaam was voor zijne taak, keerde zijn broeder denzelfden dag bij mij terug met het verzoek om bij zijn zieken broeder te mogen blijven en met hem, zoodra hij hersteld was, naar de kust terug te mogen keeren. Dit stond ik hem toe en voorzag hem rijkelijk met vijf schapen, patronen en kleerstoffen. Ik gaf hem ook brieven naar de kust mede, doch ongelukkiger-
180
DE STROOMWADDEN.
wijze zijn die broeders nooit te Lamn aangeland. Vermoedelijk zijn zij door de Wakamba gedood, of tot slaven gemaakt.
In den nacht van 28 op 29 November verschenen tot ons aller schrik drie leeuwen in ons kamp, die intusschen weer spoedig op den loop gingen. Nu omgaf ons nog eenmaal weder in de eerstvolgende dagen de volle eenzaamheid der Afrikaansche steppen. Wij kwamen nu in het gebied, waar de rijkdom aan dieren alles overtrof, wat wij hier te lande gezien hadden. Op den marsch van den 29en November hoorden wij voortdurend leeuwengebrul dicht bij de karavaan, en wij ontmoetten herhaaldelijk rhinocerossen, die in hunne domheid recht op ons aankwamen, totdat de kogels mijner dubbele buks, die in den omtrek der oogen in hun huid drongen, hen tot omkeeren bewogen. Links dook nu een bergland op, dat door Marongo het Tia-bergland genoemd werd. Hij deelde mij mede, dat van ginds tot aan Kitui wij nog anderhalve dagreis voor ons hadden.
Zoo kwamen wij weder in streken, waar reeds eenmaal een blanke voor ons, al was het ook maar vluchtig, geweest was: de oude trouwe Krapf. Ik begon nu te hopen, dat wij de door hem opgegeven stroomwadden spoedig bereiken zouden.
De plantengroei nam een steeds heerlijker en frisscher karakter aan. Prachtige waaierpalmen sloten de Tana liefelijk af, en groote soorten van cactussen wisselden met de accacia's de steppe af. Den 30en November gelukte het mij, in een kleinen zijarm der Tana, twee rivierpaarden te schieten, hetgeen eene welkome toegift bij den vleeschvoorraad was.
Den len December kwamen wij aan eene plek in de rivier, waar deze zich in zeven vorken splitst. Hier moeten wij over, dacht ik, en ik begon dadelijk de diepte der afzonderlijke rivierarmen na te gaan.
Mijne karavaan kwam intusschen aan, en wij legerden ons allen aan den rechter oever, terwijl mijne lieden den eenen arm na den anderen doorwaadden. Terwijl wij daar zoo lagen, zag men plotseling van een der kleine eilandjes een ontzaglijke neushoorn opdagen, die over den rivierarm die ons van het eiland scheidde, onmiddellijk op onze colonne afkwam.
181
EEN RHINOCEROS.
Verschrikt sprongen mijne manschappen op, maar een schot uit mijne buks deed het ondier besluiten om te wijken en den overtocht liever wat meer stroomopwaarts te beproeven. Daar-
Rhinocerosjacht.
door kwam het
' ii lirfHiiniT ilquot;iTfli dier echter des
te beter in de schietlijn, en nu
vuurden niet alleen ik en v. Tiedemann, maar ook verscheidene Somalis, zoodat de rhinoceros spoedig ineenzakte. Dit was eene kleine opfrissching, die intusschen niet voldoende was, om de teleurstelling der laatste dagen weg te nemen.
Zes van de rivierarmen waren door te komen, maar de zevende vormde den eigenlijken Tana-loop, en hoe mijne manschappen zich
182
m
DE OKTZAGLIJKE WATERVAL.
ook inspanden, om een plaats te vinden die doorwaadbaar was, zoo bleek dit ook ditmaal hier onmogelijk te zijn. Ik bleef hier den heelen dag gelegerd en marscheerde den volgenden dag onder herhaalde stortregens verder. Ontmoetingen met rhinocerossen werden nu dagelijksch werk. Op dezen 2'3n December verloor ik buitendien mijn laatsten trouwen hond Teil, die plotseling achterbleef en, toen ik hem lokte, op eenmaal bevend met uitpuilende oogen ineenzakte, zoodat ik Eukua achter moest laten met het verzoek aan mijnheer v. Tiedemann om het arme dier dood te schieten. Op dergelijke expeditiën moest men eigenlijk in 't geheel geen hond meenemen, in 't algemeen niets, waaraan ons hart zich hecht, daar men van het eene na 't andere scheiden moet en dan telkens de smart dei-scheiding heeft te doorstaan.
Volgens Marongos voorspelling zouden we dezen dag te Kikiyu aankomen. Dit bleek echter eene groote dwaling te zijn. Wij kwamen wel is waar weder aan eene boschrijke bergstreek, voor welke de Tana zich als een meertje uitzette. Herhaaldelijk liet ik haar ook hier op verschillende punten onderzoeken en kwam daardoor tot eene berekening der watervlakte, die ik op eene doorsnede van ongeveer 3000 vierkante meter kon vaststellen.
Deze watermassa stortte zich nu iets boven deze meervlakte in een waterval in de diepte, welke wel is waar terrasgewijze naar beneden valt, maar toch in zijne gezamenlijke hoogte iets meer dan 100 meter bedraagt en dus ontegenzeggelijk tot de geweldigste watervallen der aarde behoort. Daar het tegen den middag begon te regenen, betrok ik mijn leger aan de helling van een heuvel, ongeveer 30 meter beneden den top van dezen waterval, en hier beefde letterlijk de rots onder ons. Het bruisen was hier zoo sterk en luide, dat we nauwelijks met elkaar konden praten. Wanneer deze waterval zich in een der andere werelddeelen bevond, zou hij stellig jaarlijks het doelwit van veler uitstapjes zijn. Ik heb hem naar den groothertog van Saksen â Karl-Alexander-valquot; gedoopt.
Van deze hoogte bespeurde ik in het Noorden een geheel eigenaardig gevormd bergland, dat mij eenige dagen later Kikuyu-Muea bleek te zijn. Mbe lag dus nu achter ons, en de hoop van nu spoe-
1S3
HAMSIN DE KOK.
dig ontslagen te worden van de lastige Tana, wies meer en meer.
Uit de bergen, die ons op den 2en December zoo verschrikt hadden, kwamen wij den volgenden dag weder uit. Buitendien begon de Tana van nu af hare zuidelijke richting op te geven, zich meer naar het westen, spoedig zelfs een weinig westnoordwestelijk te wenden. Ook dit hield onze hoop levendig.
Op dezen dag, den 3en December, schoot ik een heerlijken waterbok en een antiloop, en hier was het, dat ik v. Tiedemann plotseling met eene kunst verraste, die hij het allerminst bij mij vermoed had. Ik begon mij nu meer zelf met de keuken bezig'te houden, en wist het rugstuk van den waterbok met eene saus toe te bereiden, die de bewondering van mijnheer v. ïiedeman oogstte. Zoo iets lekkers had hij nog zelden geproefd. Van nu af hielden wij ons zelve meer met de keuken bezig, en zoo werd de brave kok Hamsin langzamerhand tot koksjongen verlaagd. Trouwens, deze Afrikaan scheen van meening te zijn, dat onze pot goed genoeg was om er alle Oost-Afrikaansche overschotjes bijeen te doen, en ons als een allegaartje te worden voorgezet.
Hamsin was een van de origineelen onzer expeditie, die de leer van het nijlpaarden-rietje volkomen gelogenstraft heeft. Met de grootste goedmoedigheid verzette hij zich tegen alle maatregelen die ik mijnerzijds nam en die op reinheid en werkzaamheid betrekking hadden. Danste de nijlpaarden-zweep op zijn rug, dan bad hij tot Allah, wat anders nooit gebeurde. Was het pijnlijke oogen-blik voorbij, dan liep hij met een vriendelijk lachje weer naar zijne potten en pannen. In den verderen loop der expeditie benoemde ik hem tot trommelslager, en daar hij voor dit baantje volkomen geschikt bleek te zijn, en in de gevechten zich flink weerde, zoo werden wij hoe langer hoe meer goede maatjes.
Den 3en December, ongeveer twee mijlen boven den Karl Alexan-der-val, ontdekte ik nog een waterval, die als een vraagteeken naar beneden stortte. Hij wendde zich naar het Noorden, vervolgens naar het Oosten, viel in deze richting naar beneden, om zich dadelijk beneden den val naar het Zuiden en vervolgens over het Westen onmiddellijk naar het Noorden terug te wenden. Dezen val heb ik
184
DE RIVIERSPLITSINGâ¢
naar den naam van den uitstekenden Afrika-onderzoeker als âSchwein-furth-valquot; gedoopt. Op den middag van dezen dag betrok ik het leger onder een steenkegel, die ongeveer op de plek ligt, waar Krapf de rivier moet bereikt hebben. Deze plaats kan niet met volkomen nauwkeurigheid bepaald worden, daar de opgaven bij Krapf te vaag zijn. Ter eere van den ouden Duitschen missionaris en eerlijken onderzoeker noemde ik dezen heuvel âKrapf-heuvelquot;.
Het oeverwoud der ïana trad nu tot mijne groote vreugde meer en meer achteruit en hield den volgenden dag geheel op. In plaats daarvan breidde zich de wijde, met gras bedekte steppe uit, over welke het oog mijlen ver heen zweefde, waar zich aan den gezichteinder slechts groote kudden antilopen of bokken, ook zebras en giraffen vertoonden, waar de rhinoceros voortsjokte en des nachts de leeuw brulde. Dit is de eigenlijke hoogsteppe van Ukamba kitui welke wij nu betraden en wier aanblik het hart sneller deed kloppen, daar wij wisten, dat wij van hieruit onmiddellijk in het land Kikuyu komen moesten.
In deze steppe begon de Tana ook van het Zuiden toevoer te krijgen, een bewijs dat wij de westelijke bergen naderden. Den 6e11 December kwamen we langs zuidelijke zijstroomen, die den rooden leemgrond diep hadden uitgehold, maar over het algemeen weinig water bevatten. Ik had van de lieden van Mbe vernomen, dat de Wakamba van Kitui, wanneer zij naar Kikuyu en den Baringo gingen, de ïana op eene plaats overtrokken, waar zij zich in tweeën splitste. Als de naam dier tweede rivier, die van 't Zuiden komen moest, werd de Dika genoemd. Sedert dagen keken we al na deze riviersplitsing uit. Den 6en December deed ik voor dit doel een tweede uitstapje met Hussein Fara stroomopwaarts. De Tana had hier eene volstandig westnoordwestelijke richting ingeslagen, en mijn bediende Rukua had ook reeds den dag te voren beweerd, dat hij de Kenia gezien had, hetgeen met zijne scherpe oogen juist niet zoo onwaarschijnlijk was.
Hussein en ik ontdekten nu op den 6en December op grooten afstand de lang verwachte riviersplitsing, en wij keerden heel vroo-lijk gestemd naar onze legerplaats terug.
185
OYER DE RIVIER.
186
Den 7en December, na een marsch van twee uren, werd deze riviersplitsing inderdaad bereikt en had de overgang over de Dika, die onzen manschappen tot aan de borst kwam, met al het vee en al de goederen binnen een paar uren gelukkig plaats. Ik liet de manschappen door de Dika, die ongeveer 30 meter breed is, een keten vormen, en zoo werd het eene schaap na het andere, van hand tot hand overgereikt, aan de overzijde bezorgd. Van hier wendt de Tana zich meer en meer naar het Noorden.
Wij zijn nu ongeveer 1500 meter hoog, en de nachten beginnen
verkwikkend koel te worden. De thermometer daalt des nachts tot op 15° C., de avonden zijn aangenaam en verfrisschend. Het uitspansel schijnt in de nachtelijke uren zoo oneindig hoog door den dunner wordenden dampkring, als men het nergens elders zoo zien kan. Het gras en de kruiden worden zoeter en frisscher, nooit geziene boomsoorten vinden wij overal. De rijkdom aan wild is ontzaglijk. Dikwerf ziet men zebra's, antilopen, rhinocerossen, wilde zwijnen en waterbokken vreedzaam naast elkaar grazen. Iedere marschdag levert het zijne voor de buks op. De omzooming der Tana neemt weder toe,' maar zij heeft het stijve karakter verlo-
DE KEGEL VAK DEK KEXIA.
ren, dat aan de lagere steppe eigen is, en biedt gemakkelijken toegang tot het water. Links van ons begint het gebergte zijne uit-loopers tot aan den stroom uit te strekken. Het kon slechts het kenangop-gebergte zijn, dat het Naiwascha-meer in het Noordoosten begrenst. Reeds den 6en December hadden wij plotseling tot onze groote vreugde weder menschelijke sporen aangetroffen, een plek met kooksteenen en achtergebleven tentstukken. Dit spoor was spoedig weder geheel verdwenen, doch wij konden waarnemen, dat het over de rivier heen voerde. Ik vernam te Kikuyu, dat het van een Arabische karavaan afkomstig was, die van Mombassa naar Lorian gemarscheerd was.
Uit dit alles mochten wij opmaken, dat de tijd van den inspan-nenden Tana-marsch zijn einde naderde, en dat wij dicht bij Kikuyu moesten zijn. Na den overtocht van de Dika was, zoo als ik het gewoonlijk uitdruk, aan die rivier de slagtand uitgebroken. De watermassa's der rivier waren wel voor de helft verminderd, en zij stroomde nu bescheiden en stil voort. Den 8en December stonden wij plotseling tegenover menschen. Zij bevonden zich wel is waar aan de overzij der Tana, doch door bemiddeling van Marongo konden we ons met hen verstaan. Het waren lieden uit Kikuyu die hunne kudden stroomafwaarts gedreven hadden en ons meedeelden, dat wij den volgenden dag den Kenia bereiken zouden.
Dezen dag zagen wij voor de eerste maal, al was het ook nog eenigszins versluierd, den geweldigen kegel van den Kenia vlak in 't Noorden voor ons aan den horizon staan. Toen tegen den avond de wolken zich los maakten, was ook duidelijk zijn sneeuwtop te herkennen. Dat was een ontzagwekkende aanblik, en het hart klopte luider, toen wij bedachten met hoeveel zorgen, moeite en inspanningen wij tot hiertoe te kampen hadden gehad.
Den 25en October hadden wij gemeend den Kenia voor ons te zien, nu was het 8 December geworden vóór ons hartstochtelijk verlangen vervuld was geworden. Wat eene menigte van indrukken en ervaringen lag niet tusschen deze beide dagen! Tot mijn spijt bleef dezen avond een mijner dragers uit. Dar-es-Salam, Amdallah, achter. Hij had lang aan tering geleden, en ik had hem
187
VIJF WAKIKÃYU.
sedert ettelijke dagen van zijn last ontheven. De leeuwen, die des nachts luider dan anders achter ons brulden, lieten omtrent het lot van den armen kerel weinig twijfel over.
Den 9en December wendde zich de Tana wederom een weinig verder naar het Noorden. Wij overschreden een tweeden zijstroom en verlieten nu voor goed de Tana, die van hier uit in groote, van verre zichtbare krommingen naar het Noorden zich onmiddellijk naar den Kenia richt, waar zij ontspringt. Wij bereikten dezen dag tegen den middag een kleinen vijver in de nabijheid van den Marawa, nadat we den ganschen morgen over lang uitgestrekte en zacht hellende heuvelruggen heengetrokken waren. Half rechts voor ons verhief zich voortdurend de Kenia, links de bergen van het Narwascha-meer.
Wij bevonden ons nu in Kikuyu, een hoog plateau tusschen Kenia en de westelijke bergruggen, waarin de Tana haren stroomloop vormt. Des namiddags stond voor de eerste maal de trotsche en voorname Kenia-berg in al zijne reinheid voor ons, zich badende in het zonnelicht, dat zijne sneeuwvelden deed vonkelen en schitteren.
Tegen vier uur brachten mijne Somalis en Eukua, die ik uitgezonden had, om den weg voor den volgenden dag vast te stellen, plotseling vijf Wakikuyu in ons leger. Sedert langer dan twee weken de eerste vreemde menschen weder, die tegenover ons zaten! Yoor de eerste maal ook weder plantaardig voedsel voor ons en onze lieden! Zij deelden ons mede, dat zij ons morgenvroeg naar hunne dorpen zouden geleiden, en verklaarden zich bereid om ook den nacht in het leger door te brengen. Zij vroegen ook dadelijk, of ik gekomen was om slaven bij hen te koopen, voor wier verkoop zoo van mannen als vrouwen zij zich zeer aanbevolen hielden.
Hevige stortregens, zooals reeds op den dag, platsten des nachts op ons neer. Den volgenden morgen ging het in alle vroegte verder in noordwestelijke richting. De Wakikuyu toonden mij in de verte het oord, waar graaf Teleki gewoond had. Om 11 uur, toen wij een ver uitgestrekte heuvelhelling waren opgeklommen, vonden wij de eerste menschelijke nederzettingen. De lieden kwamen aan-
188
EIGEXAAEDIGE OVERTOCHT.
geloopen, boden maïs, suiker en Mtama te koop aan, waarvan mijne manschappen zooveel namen, als ze maar kans zagen te dragen. Toen ging het onder een volksoploop, die duizenden telde, eene andere hoogte op, door eene dichte grasvlakte benedenwaarts naaiden oever van een kleinen vloed, de Marawa, dien wij hier moesten overtrekken. De Wakikuyu kenden het blanke ras, en wel van eene voor ons voordeelige zijde, daar hier graaf Teleki en v. Hühnel gewoond hadden. Deze beiden hadden hun eenige goede manieren geleerd, en het vermaakte mij, hoe dientengevolge hun natuurlijke onbeschaamdheid voortdurend in botsing kwam met hunne vrees van te misdoen.
Daarvan kreeg ik dadelijk een staaltje, toen mij aan de Marawa lieden te gemoet kwamen met het verzoek, dat ik eerst belasting zou betalen vóór ik er overtrok. Ik gaf hun te kennen, dat onze zeden dit niet meebrachten, maar ik moest hun eerst op barschen toon te kennen geven, dat zij heen zouden gaan, vóór zij zich volkomen bereid verklaarden, ons ook zonder belasting over de rivier te laten gaan.
Hier had nu in de namiddaguren een zeer eigenaardige tocht over de rivier plaats, waarbij mijne lieden en de Kikuyu gezamenlijk hulp boden. Het water reikte ongeveer tot den hals, en men kan zich voorstellen, welke bezwaren het overzetten van het vee en het kruit in de sterke strooming veroorzaakte. Ik had dadelijk een touw over den stroom laten liggen, waaraan de mannen zich konden vasthouden. Maar de stroom was zoo sterk, dat de lieden zich slechts met de grootste inspanning er aan konden vasthouden en de zwakkeren er letterlijk telkens van afgerukt werden. Zoo kon ik voor het overbrengen der lasten en voor het vee slechts op mijne sterkste dragers en de steeds onvermoeide Somalis rekenen, bij welke ik een dozijn kranige Wakikuyu nam. Met ontzaglijke inspanning werden nu de munitie- en vervolgens de tent-lasten naaide overzij gebracht, en daarna ging men aan het overbrengen der schapen en geiten. De laatsten kunnen beter weerstand bieden dan de eersten en zwemmen zelfs in kalm water, hetgeen de Oost-Afrikaansche schapen in 't geheel niet verstaan. Dezen dag moest
189
DE VRIJE MARONGO.
intusschen elk dier stuk voor stuk, en menigmaal met levensgevaar der lieden, naar de overzij gedragen worden, hetgeen ruim een uur vorderde. Vervolgens werden de kameelen en ezels overgebracht.
Een dik touw werd om hals en kop gebonden en aan den tegen-overgestelden kant door drie of vier man gegrepen: acht tot tien lieden schoven het tegenstribbelende dier in den rivier en nu werd aan de overzij getrokken, zoo snel als het maar gaan wilde. Half gestikt, nu eens met den kop boven, dan weder onder het water, kwam het eene stuk na het andere ginds aan den wal. Slechts één ongelukkige ezel werd voor dood uit het water getrokken en is aan de gevolgen van dit gedwongen bad den volgenden dag bezweken.
Met groote nieuwsgierigheid volgden mannen en vrouwen uit Kikuyu onzen arbeid. In dichte menigte omringden deze zwartjes onze lieden, of slopen ook bedenkelijk dicht om hen heen.
Hier deed ons nu de brave Marongo al de edele eigenschappen van zijn karakter kennen. Zijn lijdenstijd was nu voorbij, en ik wilde hem van Kikuyu uit, met geschenken beloond, naar zijn vaderland terugzenden. Voor de eerste maal ging hij dezen dag zonder bewaking als âvrij manquot; met ons mee. Zijn dankbaar hart was van vreugde vervuld, toen ik hem ook een oud geweer en wat munitie schonk. Hoog hief hij 't geweer als een lans boven zijn hoofd op, dat hij naar de Kikuyu richtte, en liep met groote dreigende stappen op hen toe, als zij gedurende het overbrengen te dicht bij de pakken kwamen. Hij hield flink orde en had het volle besef van zijn gewicht. âDe Wakikuyu houden mij voor een Europeaan,quot; zei hij, grijnzend naar zijn Europeesche kleeding kijkende.
Een weinig verder dan waar de karavaan overgezet was, bevond zich eene wankelende brug, waarop ik zelf met eenige soldaten en mijnheer v. Tiedemann naar den overkant ging. Reeds waren onze tenten ginds opgeslagen. Duizenden inboorlingen gaapten ons nieuwsgierig en brutaal aan. Vol overmoed besloot ik een plechtigen intocht te houden. Twee Somali vooraan moesten voortdurend op de trompet blazen, terwijl achter hen de trommelslager den marsch sloeg. Daarop volgde Rukua met de groote zwart-wit-roode vlag, en daarachter ik en achter mij mijnheer v. Tiedemann. Het slot vormden
190
PLECHTIGE INTOCHT.
wederom twee Somali-soldaten. Op deze wijze legden wij de ongeveer honderd schreden af, die ons nog van onze legerplaats scheidden.
Het eerste wat ik beval, was, de dicht voortdringende Kikuyu-lieden, die onze kudden zeer bedenkelijk omringden, door de Somali-soldaten ongeveer een twintig- tot dertigtal schreden in het rond achteruit te laten drijven en den oudste te verwittigen, dat ik bij
diefstallen op ons vee of op de goederen onzer expeditie met geweerschoten zou laten antwoorden.
Daarop trad ik in mijne tent. Wij bevonden ons in Konse, omtrent twee uren van Kitara of Kitui van graaf Teleki. De weg naar Baringo scheen voor ons open te staan en wij hadden, naar wij toen meenden, het moeilijkst gedeelte der Emin Pacha-expeditie achter ons.
191
%